-ocr page 1-
-ocr page 2-
s^/Y\\      \\2(f(fö
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
\'
ENQUÊTE,
gehouden door de
STAATSCOMMISSIE,
benoemd krachtens de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad n°. 1).
(DERDE AFDEELING.)
DE ZAANKANT.
1^5"»^ i
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000017577739B
-ocr page 6-
-ocr page 7-
I
Opgave van de gehoorde deskundigen en getuigen.
Bladz.
Versteeg (H. J.), burgemeester van Zaandam             i—6
Witte (J.), hoofd eener openbare lagere
school, te Zaandam........,
           6—8
Vogelesang (W. I..), hoofd eener bijzondere
Christelijke school, te Zaandam.....
           8—10
Hoogt (M. J. Van der), predikant bij de
Christelijk Geref. Gemeente, te Zaandam . . 10—14
Jesse (W.), predikant bij de Doopsgezinde
Gemeente, te Zaandam....... 14—18
Rooien (Dr. A. P. Van), geneesheer, te
Zaandam........... 19-22
Flentrop (H.), oud-secrelaris-boekhouder
bjj het Burgerlek Armbestuur, te Zaandam . 22 — 23
Brinkman (H.), tweede-voorzit ter van de
afdeeling Zaandam van het Nederl. Werklieden-
verbond «Patrimonium", te Zaandam . . . 25—29
Corver van Wessem (C), voorzitter van
de Kamer van Koophandel en Fabrieken, te
Zaandam........... 29—32
Valk (J.), pellersknecht in de stoomrijst-
pellerij van den heer C Kamphuis, te Zaandam 32—34
Buijs (W.), houtzagersknecht bü. den heer
P. Kluiver Jr., te Zaandam...... 34—37
Jongh (A.), houtzagersknecht bij de firma
Schuddeboom & Mijsberg, te Zaandam . . . 37—39
Schuddeboom (J.), houtzager, lid der firma
Schuddeboom & Mijsberg, te Zaandam . . . 39—42
Kluijver Jr. (P.), houtzager, te Zaandam . 42—44
Van Wessem Az. (A. J.), houtzager, lid der
firma Van Wessem & Co., te Zaandam . . 44—46
Groen (J.), pellersknecht bij de firma
J. Zvvaardemaker Hz., te Zaandam. . . . 47 — 50
Pel (G.), pellersbaas op de stoomrijstpellerij
van den heer C Kamphuis, te Zaandam . . 50—53
Roov (A. De), olieslagersknecht bij den
heer G. Brat, te Zaandam...... 53—58
Kronenburg (.1.), houtzagersbaas hij den
heer E. Van der Stad, te Zaandam . . . 58—60
Baarse (E.), bakker, deegmaker bü, de firma
Verkade & Co., Broodfabriek «de Ruijler», te
Zaandam . •......... 60—62
Blees (S.), olieslagersknecht bij de firma
Wed. C. Korft" en Zonen, te Zaandam . . . 62—64
Ben (J. Van der), werkman bü, den stads-
reinigingsdienst, te Zaandam...... 64—66
Bladz.
Spijker (D.), werkman bü, de firma H. Vis
& Zn, te Zaandam........
            66
Klokkemeyer (F.), stoker aan de gas-
fabriek, te Zaandam........ 67—68
Zwaardemakkr (H.), peller en commissionair,
lid der firma J. Zwaardemaker Hz., te Zaandam 68—70
Kamphuis (C), stoomrjjstpeller, te Zaandam, 70—73
Vis Jr. (H.), verfhouimaler, lid der firma
Heyme Vis & Zonen, te Zaandam . . .
            73—75
Verkade Jr. (E. G.), bakker, lid der firma
Verkade & Co., te Zaandam...... 75—78
Korff (C. P.), olieslager, lid der firma
Wed. C. Korff, te Zaandam...... 79-81
Zwart Czn (J.), zakjesfabrikanl, te Zaandam 81—83
Poederbach (P. F.), directeur van den ge-
meenteljjken reinigingsdienst, te Zaandam . . 85—88
Vries (G. R. De), scheepsaannemer, te
Zaandam........... 88—89
Woi.ters (G. J.) directeur van de stedelijke
gasfabriek, te Zaandam....... 89—92
Van Lennep (F. Th. Roeters), burgemeester
van Koog a/d Zaan........ 92—94
Kleiman (H.), werkmeester aan de machine-
fabriek der firma P. M. Duyvis & Co., 2de
Voorzitter der afdeeling Koog a/d Zaan van het
Ned. Werkliedenverbond «\'Patrimonium», te
Zaandam........... 94—96
Boosman (R.), hoofd eener openbare school, te
Koog a/d Zaan.......... 96—98
Leguit (P.), smid, lid van hel bestuur der
afd. Zaanstreek van den Sociaal-Democratischen
Bond, te Koog a/d Zaan.......98—101
Stroo Jz. (P.), pellersknecht bij de heeren
Van Waveren & Dekker, te Koog a/d Zaan . 101—102
Smit (P.), olieslagersknecht bü, den heer
E. G. Duyvis Fzn, te Koog a/d Zaan . . . 102—104
Nota (J.), werkman in de stijfselfabriek van
den heer M. K. Honig, te Koog a/d Zaan . 105—109
Timmer (P.), olieslagersknecht bü, de firma
T. Crok, te Koog a/d Zaan......109-112
Voogd (J.), olieslagersknecht bü, de firma
C. Honig, te Koog a/d Zaan.....112—114
Smit (J.), werkman in de stjjfselfabriek van
de firma J. Duyvis, te Koog a/d Zaan. . . 114—115
-ocr page 8-
IV
Bladz
(\'.rok (J.), graanhandelaar en oliefabrikant,
lid der firma T. Crok, ie Koog a/d Zaan. . 115—117
Honig (M.), slnïselfabrikanl, Ie Koog a/d
Zaan.............117-150
Dekker Az. (.!.)• peller, te Koog a\'d Zaan 190—153
Kl\'yper (J.), pellersbaas op den pelmolen «de
David» van den heer J. Latensteijn. te Zaan-
dam.............125-157
Knuttel (P.), predikant bij de Ned. Herv.
gemeente, te Zaandijk.......157—131
Vredenduin (P.), meester timmerman, te Zaan-
dijk.............131—134
Visser (J.), meesterknecht in de zakjesplakkerjj
van de Wed. P. Haan Jz., te Zaandijk . . 134—136
Pekelharing (G.), koeken-onlvanger bü, de
firma Gebr. Vis, te Zaandijk.....136—137
Oenen (S.), lompenscheurder in de papier-
fabriek van Jan Honig Gz., te Zaandijk . . 137—139
Bakker (J)., werkman in de papierfabriek
van Gebr. De Jong, te Zaandijk .... 140—141
.Meun (P), bootwerker en houtvlotter, te
Zaandam...........143—145
Honig Cz. (J.), papierfabrikant, firma Jan
Honig & Co., te Zaandijk......145—149
Honk; Kz. (H.), oliefabrikant, lid der
firma Klaas Honig & Zoon, te Koog a/d Zaan 149—153
Duyvis Tz. (E. G.), oliefabrikant, te Koog
a/d Zaan...........153 — 157
Molenaar Gzn (P.), pellersbaas. lid van het
bestuur der vereeniging «Helpt elkander», te
Westzaan...........157—161
Eykman (Dr. P. H.), geneesheer, te Zaan-
dijk.............161—164
Tienen (Mr. H. .1. C. Van), burgemeester
van Wormerveer.........165—168
Koster (A. C. H. W.), pastoor aan «het
Kalf», te Zaandam........168—171
Lang (H. De), predikant bij de Ned. Herv.
Gemeente, te Wormerveer......171—175
Adelink (G. J.), hoofd der openbare lagere
school, te Wormerveer.......175—177
Sminck (M.), hoofd eener bijzondere Chr.
school, te Wormerveer.......177—178
Hoeven (D. Van her), winkelier en koopman,
secretaris der Afdeeling van het Ned. Werk-
liedenverbond «Patrimonium», te Wormerveer . 178—180
Wakker (D.), voorzitter der afdeeling van
het Ned. Werkliedenverbond «Patrimonium», te
Wormer............181 — 183
Pieper (R.), handelaar in chemicaliën, enz.,
secretaris van de ambachisschool, te Wormer 184—185
Wildschut (C.j, burgemeester van Wormer,
Jisp en Wijdewormer, te Wormer .... 185—187
Rond (A.), stoker op de meel- en oliefabriek
van de firma Wessanen & Laan, te Wormer-
veer..............187—189
Bladz.
Korteweg (Dr. P. C.), geneesheer, teWormer-
veer.............189—195
Fraij (K.), timmerman in de olie-
slagerij «de Liefde» van de firma J. Prins, Ie
Wormerveer...........195—194
Stelling Jzn. (T.), lid van het bestuur der
afdeeling Zaanstreek van den Sociaal-Democra-
tischen Bond, timmermansknecht, te Wormerveer. 194—197
Stolp (J.), onderbaas in de pellerij van de
firma Wessanen & Laan, te Wormerveer . . 199 — 501
Kaper (W.), meesterknecht of magazijn-
meester van de meelfabriek van de firma Wes-
sanen & Laan, te Wormerveer.....501—504
Knunsherg (C.), pellersknecht bij de firma
Bloemendaal & Laan, te Wormerveer . . . 504—506
Stolp (K.), werkman in de sloomoliefabriek
van den heer C. Bom, te Wormerveer . . . 506—509
Abbestee (K.), werkman in de olieslagerij «de
Liefde» van de firma J. Prins, te Wormerveer 509 — 511
Zwart (G.), papiermaker bij de firma van
Gelder Zonen, te Wormerveer......511—513
Stadt (W. F.), baas-opzichter in de fabriek
«De Liefde» van de firma J. Prins, te Wormerveer 213—516
Bon (C.), oliefabrikant en schipper te
Wormerveer, wonende te Zaandam .... 517—550
Laan (D.), fabrikant, lid van de firma
Wessanen & Laan, te Wormerveer .... 550—553
Laan (R. A.), rijstpeller en oliefabrikant,
lid der firma Bloemendaal & Laan, te Wor-
merveer............553—557
Prins (W. J.), olieslager, te Wormerveer . 557—559
Duyvis (J.J.), lid der firma Jacob Duyvis,
stijfselfabrikant, Ie Koog a/d Zaan .... 559-531
Haan (A.), zakjesfabrikant en papierhande-
laar, firma P. Haan, te Zaandijk .... 531 -533
Dekker (J.). firma P. Dekker Jzn., zakjes-
fabrikant, te Wormerveer.......533—534
Kramer Jzn. (J.), fabriekswerker in de
chocoladefabriek van de firma W. J. Boon
& Co., te Wormerveer........535—537
Visser (J.), gasfitter aan de gemeentelijke
gasfabriek, te Wormerveer......537— 540
Glas (A.), werkman op de papierfabriek
der firma van Gelder Zonen, te Wormer . . 540 — 543
Llijting (J.), pakhuisknecht in de zeildoek-
makerij der firma D. Van Ledden & Zoon, te
Krommenie...........544—545
Haan (C), zeildoekwever der firma S. Plan-
leycll, te Krommenie........545—548
Hesse (W. Van), garenspinner, te Krommenie 548—549
Woud (Cl, hennepklopper in een windmolen
der firma D. Van Legden & Co., te Krommenie 549—550
Woud (W.), baas in de machinale garen-
spinnerij, te Krommenie.......550—553
Joustha (W.), directeur van de gemeentelijke
gasfabriek, te Wormerveer.......553—555
-ocr page 9-
V
Bladz
Gelder (P. Smidt—Van), firma Van Gelder
Zonen, Papierfabrikanl, te Wormerveer, wonende
te Amsterdam..........557—560
Baars (W.), sigarenmaker, secretaris van de
afdeeling Krommenie van den Sociaal-Democra-
ïischen Bond, te Krommenie......960—966
Jong (J. De), firma Gebr. De Jong, Papier-
fabrikant, te Westzaan.......566—569
Lf.uden (D. Van), zeildoekfabrikant, lid der
firma D. Van Leijden & Zoon, te Krommenie 569—975
Planteydt (D.), zeildoekt\'abrikant, te Krom-
menie.............975—575
Ruiter Dz. (P.), chocoladefabrikant en koop-
inan, firma W. J. Boon, te Wormerveer . . 575—576
Bladz.
577—581
581—583
583—587
587—591
Boer (K. De), burgemeester van Assendelft
Plaats (A. Van der), hoofd van de burger-
school, te Krommenie........
Riedel (P. A.), predikant bij de Ned. Herv.
gemeente, te Krommenie.......
Collard (Dr. Q. C.), geneesheer, te Assendelft
Schaap (L.), zeildoekfabrikant en wethouder
der gemeente Krommenie......
591—594
Deutekom (C.), meesterknecht b\\j den brood
bakker J. Abercrombie, Ie Zaandam .
Abercrombie (.1.). bakkersbaas, te Zaandam
Steen (L. Van), wever, te Assendelft .
594—595
595—596
596-599
Aanvullingsverhooren LEIDEN.
Simonis (Ch. A.), meubelmaker, te Leiden.........           301—303 en   307-308
Kolen (L.), meubelmakersknecht bij den heer C. A. Simonis, te Leiden.......    304—305
Zijp (H. M. P. Van), meubelmaker, te Leiden...............    305—307
AMSTERDAM „Los- en Laadwerk bij zeeschepen".
Herfst (J. F. H.). schuilenvoerdersbaas, te Amsterdam . .
. . . . 309—310
-ocr page 10-
ONDERZOEK omtrent de maatschappelijke toestanden der arbeiders, omtrent
de verhoudingen tusschen werkgevers en arbeiders in de verschillende be-
drijven, en omtrent den toestand van fabrieken en werkplaatsen met het
oog op de veiligheid en de gezondheid der werklieden, ingesteld door
de Staatscommissie, benoemd krachtens de wet van
19 Januari 1890
(Staatsblad n". 1).
DERDE AFDEELING.
Getuigen-Verhooren (De Zaankant).
ZITTING VAN VRIJDAG 2 JANUARI 1891
Tegenwoordig de heeren:
Kerdijk, Voorzitter.
Le Poole.
Visser.
Verhoor van Hendrik Jaeobus Versteeg, oud 48
jaar, burgemeester van Zaandam.
1. De Voorxltter: Uit liet laatste gemeenteverslag
heeft de afdeeling gezien, dat er op de openbare lagere
scholen alhier voldoende plaatsruimte is voor de behoeften,
en door schriftelijke inlichtingen hehben wij een en ander
vernomen omtrent het bezoek er van, waaromtrent wij
trouwens nog andere getuigen zullen hooren. Gaarne
echter zullen wij van u eenige inlichtingen ontvangen
omtrent bestaande gelegenheden tot het genieten van
voortgezet lager onderwijs, hetzij van algemeenen aard
of van vakonderwijs, en omtrent het gebruik, dat van
die gelegenheden wordt gemaakt.
A. Indien uwe vraag verband houdt met het betrek-
kelijke artikel van de onderwijswet op het herhalings-
onderwijs, kan ik mededeelen, dat indertijd is getracht
van gemeentewege twee herhalingsscholen in het leven
te roepen, doch dat plan heeft eigenlijk schipbreuk ge-
leden, omdat de scholen van het Nut in de behoeften,
zoowel van elementair als van herhalingsonderwijs, voor-
zagen.
Wij hebben toen onderzocht, of dit wel in overeen-
stemming was met de bedoeling der wet en waren van
meening, dat het beter was die instellingen te doen op-
heffen en andere van gemeentewege te stichten, zooals
de wet dat bedoelt, omdat wij vreesden, dat door het
gemakkelijk verkrijgen van lager onderwijs in avonduren,
zooals het Nut verstrekte, schoolverzuim werd aange-
gekweekt. Later is echter gebleken, dat bet beter was
om de Nutsscholen te behouden, zooals die waren. Er
zijn er nog twee, die echter, helaas ! niet erg bevolkt zijn.
Die beide scholen zijn bevolkt door 75 kinderen samen;
d:tarvan krijgen er 25 herhalings-, de overigen ontvangen
inhalingsonderwijs.
Enquête. De Zaankant.
Toen zijn die gemeente-herhalingsscholen opgeheven,
omdat zij niet bezocht werden, en nu bestaat er niets
van dien aard hier.
2.      V. Worden aan de herhalingsschool van het Nut
geen bepaalde eischen van toelating gesteld\'? Is er geen
aansluiting aan het gewoon lager onderwijs\'.\'
A. Ik weet het niet.
3.     V. Waaraan schrijft gij het toe, dat geen ge-
bruik werd gemaakt van de gemeente-herhalingsscholen?
Stond dat in verband met het verrichten van arbeid
door jeugdige personen op de uren, dat de school werd
gehouden 1
A. Neen; daar zijn mijns inziens twee redenen voor.
In de eerste plaats wordt hier op de gewone lagere scholen
zeer goed onderwijs gegeven, en ten tweede worden de
scholen zeer goed bezocht, vooral door hen, die kosteloos
onderwijs ontvangen; want Burgemeester en Wethouders
stellen als eisch, dat de kinderen minstens de volle
zes jaren op school blijven, anders wordt aan de opvol-
gende kinderen de gelegenheid niet geopend om de school
kosteloos te bezoeken. Er wordt enorm veel kosteloos
onderwijs gegeven in deze gemeente, en wanneer nu de
kinderen de school doorloopen hebben, hebben zij goed
geleerd, zoodat de ouders meenen, dat zij niet meer
noodig hebben. Daarbij komt, dat hier zeer veel gelegen-
heid is om jongens op fabrieken en trafieken te plaatsen,
en daar het herhalingsonderwijs \'s avonds wordt gegeven,
zijn de kinderen, die den geheelen dag in de lucht hebben
doorgebracht of gewerkt hebben, te slaperig om veel te
profiteeren. Hetzelfde geldt ook van de burger-avondschool.
■i. V. Wordt de burger-avondschool veel bezocht
door jongens uit de bouwvakken?
-ocr page 11-
2
A. Ik meen uitsluitend.
5.     V. Hoeveel leerlingen telt zij?
A. 34 voor geheel onderwijs, en 2 voor enkele vakken.
6.      V. Dat getal is gering in verhouding tot het
-zielental der gemeente. Wordt het onderwijs er kosteloos
gegeven ?
/. Het is niet kosteloos.
7.     V. Bestaat er niet in de gemeente de eene of
andere vereeniging of eenig fonds, dat voor onver-
mogende leerlingen het schoolgeld betaalt?
A. "Wij hebben het Schoolfonds, dat het schoolgaan
bevordert door de betaling van het schoolgeld; dat fonds
strekt zich over de geheele Zaanstreek uit. Verder wordt,
wat de gewone lagere scholen betreft, van gemeentewege
zoo vrijgevig mogelijk gehandeld in het verstrekken van
kosteloos onderwijs.
8.      V. Wordt door de gemeente niet eene premie
uitgeloofd, in den vorm van een spaarbankboekje, aan
degenen, die de geheele burger-avondschool hebben door-
loopen ?
A. Neen.
9.      /. Is de hier bestaande teekenschool eene ge-
meentelijke inrichting?
A. Zij heet gemeente-teekenschool en wordt door de
gemeente gesubsidieerd, maar de onderwijzer krijgt het
schoolgeld van de betalende kinderen.
10.     /. In hoever is er behoefte aan die teekenschool
naast de burger-avondschool ?
I
A. Op de burger-avondschool wordt uitsluitend onder- j
wijs gegeven in rechtlijnig en bouwkundig teekenen, |
terwijl het onderwijs op de teekenschool meer algemeen is.
11.      V. Wordt de teekenschool ook bezocht door
kinderen uit den werkmanskring ?
A. Zeer weinig.
12.     /". Wordt er in uwe gemeente door vrouwen
gearbeid in fabrieken of werkplaatsen?
A. Zeer weinig, bijna uitsluitend in wasch- en in
confectie-inrichtingen; arbeid van jeugdige meisjes is zeer
zeldzaam.
13.     V. Wordt daarentegen wel veel gebruik gemaakt
van jeugdige mannelijke werkkrachten beneden de 10 jaren ?
A. Ja, jongens vin 12 tot IC jaren werken hier
veel, meestal in zakjesplakkerijen en sigarenmakeryen.
14.     V. Niet ook in de eigenlijke ambachtsnijverheid?
A. Ook wel.
15.      V. Zijn u gevallen hekend, dat men, sedert
de invoering van de nieuwe arbeidswet, gebroken heeft
niet het bezigen van jongens beneden de 16 jaren,
omdat het hinderlijk was in het bedrijf?
A. Ik geloof niet, dat men er mede gebroken heeft;
wel zijn herhaaldelijk klachten bij mij gekomen, dat,
wanneer de jongens op zekeren tijd moeten ophouden te
arbeiden, dit lastig is voor het bedrijf, omdat dan door het
gemis van één persoon dikwijls het geheele bedrijf stilstaat.
16.     V. Doelt gij op de molens?
A. Ook in andere zaken, zooals o. a. bij de kaas-
koopers.
17.     V. Hoe staat het in uwe gemeente met de-
naleving der arbeidswet?
A. Naar het mij voorkomt, heel goed; er zijn nog
slechts vier processen-verbaal naar aanleiding dier wet
opgemaakt, hoewel er goed de hand aan gehouden wordt,
en men elkander in eene kleine stad allicht verklapt.
18.     V. Is het uwe overtuiging, dat ook in de
kleine nijverheid de wet trouw wordt nageleefd?
A. Daarvan ben ik overtuigd.
19.     r. Bij het bezoeken van eenige fabrieken of
molens hebben wij arbeidslijsten gevonden, die niet
geheel voldeden aan art. 11 der wet, omdat op die
lijsten wel was aangegeven het aantal uren, gedurende
welke de jeugdige arbeiders werken, en ook wel het
ochtend- en het avonduur, maar niet «de werkuren»
(zooals de wet voorschrijft, in verband met de rust-
tijden), wat toch natuurlijk noodig is om te kunnen na-
gaan , of er niet meer dan elf uren daags gearbeid wordt.
Het waren gedrukte lijsten. Zijn u die bekend ?
A. Natuurlijk, want ik heb al die lijsten ondertee-
kend. Ik meende echter, dat aan de wet voldaan was,
wanneer eenvoudig het aantal werkuren was opgegeven.
20.     /\'. Art. 11 spreekt uitdrukkelijk van de « Werk-
uren.» En terecht. Gesteld, de werkdag begint om 5 uur
\'s ochtends en eindigt om 7 uur \'s avonds. Wanneer nu
niet telkens elk deel van <\\en dag gedurende hetwelk
gearbeid wordt, in verband met de rusttijden, wordt
vermeld, dan valt immers niet te controleeren, of de
werkelijke arbeidsduur het maximum van 11 uren niet
overschrijdt. Ik veroorloof mij uwe aandacht daarop te
vestigen.
A. Ik zal gaarne daarvan nota nemen. Ik meen, dat
het altijd zóó begrepen is om alleen het getal uren op te
geven. Ik zal er een onderzoek naar instellen.
21.     /\'. Is bij u wel vergunning gevraagd, op grond
van art. 5, alin. 3, om in spoedeischende gevallen ge-
durende twee dagen langer te mogen werken dan de wet
toelaat?
A. Meermalen kwam een verzoek tot mij, omdat
men meende, dat ik de macht had om dit verlof voor
langer te verleenen; maar wanneer ik dan antwoordde,
dat slechts de Commissaris des Konings het verlof kon
geven voor langer dan twee dagen, heb ik er weinig
meer van gehoord.
22.     V. Is over een zoodanig verzoek nooit uw advies
door den Commissaris des Konings ingewonnen ?
A. Nimmer.
23.     f\'. Heeft men u wel vergunning gevraagd, op
grond van art. 7 van de wet, om een jongen beneden
16 jaren op Zondag te laten werken voor herstel of
reiniging van stoomketels?
A. Neen, nooit.
24.     V. Is het u bekend, of in deze gemeente voor
dat reinigen of herstellen van stoomketels jongens ge-
bruikt worden?
A. Daar durf ik geen antwoord op geven, maar ik
geloof van niet.
-ocr page 12-
3
33.     V. Is het hier niet gebruikelijk, dat de am-
bachtsman en de fabrieksarbeider, op weg naar zijn werk,
reeds gebruik maakt van eene drankgelegenheid?
A. Helaas maar al te veel, zoowel bij het gaan
naar als bij het komen van het werk. Op de paden, die
naar de fabrieken en molens leiden, vindt men steeds
eene of meer kroegen.
34.     V. Is nooit overwogen om het openingsuur van
vijven later te stellen?
A. Neen.
35.     K. Er zijn in de politie-verordening uwer ge-
meente immers bepalingen omtrent bestaande woningen,
volgens welke de overheid het recht heeft om in te grijpen,
waar de toestand dier woningen zeer veel te wenschen
overlaat 1
A. Ja, wanneer woningen uit een hygiënisch of een
bouwkundig oogpunt niet meer voldoen aan hetgeen wordt
noodig geacht, kunnen Burgemeester en Wethouders
verbetering gelasten, en kan de Raad ze desnoods on-
bewoonbaar verklaren.
36.     V. Is van die bevoegdheid nog al gebruik ge-
maakt in de laatste jaren ?
A. Zeer veel; de toestand is dan ook veel verbeterd,
en de woningen voor de arbeiders mogen thans over het
algemeen voldoende worden genoemd.
37.     V. Moest dikwijls de toevlucht worden genomen
tot den alleruitersten maatregel van onbewoonbaar-ver-
klaring door den Raad, of volgde op het bevel van Bur-
gemeester en Wethouders tot verbetering de verlangde
wijziging\'?
A. Het laatste was regel; eene enkele maal is een
raadsbesluit noodig geweest tot onbewoonbaarverklaring.
38.     V. Gij verklaanlet daareven den toestand der
huisvesting over het algemeen thans gunstig, maar zijn
daarop toch niarquante uitzonderingen?
A. Ja, enkele woningen van 00, 75 cents tot 1 gulden.
39.     V. Wat behelst de verordening omtrent het
bouwen van nieuwe woningen?
A. Eene herziening is in overweging. Thans behelst
zij twee bepalingen; de eerste gelast, dat eene der kamers
ten minste een oppervlak moet hebben van 16 M2; en
de andere, dat de hoogte van dat vertrek moet zijn
2.60 M. of, wanneer er balken in zijn, 2.65 M. tot den
bovenkant der bindlaag. Aan die bepalingen wordt streng
de hand gehouden. Overigens bevat de verordening eene
bepaling omtrent regenbakken, die zeer gunstig werkt.
Toen de concessie van de waterleiding werd gevraagd,
meenden velen, dat die niet noodig was. Doch toen deze
er gelukkig gekomen was, heeft de Raad het artikel
van de verordening veranderd, in dier voege, dat men
thans moet hebben een regenbak óf aansluiting aan de
I duinwaterleiding.
40.     V. Wordt in de verordening ook niet bepaald,
dat elke woning een privaat moet hebben?
A. Ja.
41.     V. Gij zeidet, dat alle nieuwe woningen moeten
hebben óf een regenbak óf aansluiting aan de water-
25.     V. Zijn sedert de invoering der arbeidswet onge-
lukken te uwer kennis gekomen?
A. Vier of vijf gevallen hebben zich voorgedaan, van
geringe beteekenis.
26.     V. Ik noem een voorbeeld. Als ik mij niet vergis,
is in November. 11. in de broodfabriek een scheenbeen-
fractuur voorgekomen. Wat is toen door u gedaan om
het geval, overeenkomstig de wet, te onderzoeken?
A. Er is een brief geschreven aan den directeur van
de fabriek. Een persoonlijk onderzoek is door mij niet
ingesteld.
27.     V. Ik bedoel geen onderzoek door u persoonlijk,
maar van uwentwege.
A. Ik geef zulke gevallen ter uitvoering aan den com-
missaris van politie, die onderzoek doet en rapport uit-
brengt. Dit geeft mij dan aanleiding om den arbeids-
inspecteur een brief te schrijven. Ik onderstel dus, dat,
wanneer een ongeluk in eene fabriek gebeurt, de com-
missaris van politie dan van zijnentwege een onderzoek
instelt.
28.     V. Ik stond bij het genoemde voorbeeld stil,
omdat zulk een scheenbeen-fractuur niet altijd onbetee-
kenend is. Weet gij niet, of een onderzoek is ingesteld,
óók bij den getroffen werkman ?
A. Ik weet het niet, maar geloof van wel.
29.     V. Hoe staat het in uwe gemeente met het
drankgebruik? Is de werking der wet op den verkoop
van sterken drank in het klein gunstig l
A. De wet heeft op vermindering van het drankge-
bruik weinig invloed gehad. Wel is het aantal vergun-
ningen betrekkelijk zeer verminderd, doch dat heeft op
het gebruik weinig invloed gehad, omdat de overige
plaatsen sterker bezocht worden, terwijl zij, die geen
vergunning kunnen krijgen , op allerlei clandestiene wijze
(b. v. door ook logeergasten op te nemen) verkoopen,
wat niet of zeer moeilijk is te controleeren. De wijzi-
ging indertijd in de wet aangebracht — ik bedoel de
kleine fleschjes — heeft slecht gewerkt. Beter doel zou
het getroffen hebben, als ieder, die vergunning verlangde,
deze kon verkrijgen tegen een ferm vergunningsrecht;
dan zou de clandestiene verkoop er niet zijn.
30.     V. Kunt gij met cijfers staven, dat wel dege-
legenheden tot verkoop van sterken drank zijn verminderd,
maar dat toch het gebruik niet is afgenomen ?
A. Met cijfers niet, want bij de schatting voor het
vergunningsrecht is gebleken, dat sommige personen
honderden liters meer inslaan, dan waarvoor zij op de
lijst voorkomen; men bestelt eenvoudig op naam van
anderen. Zoo hebben hier op naam van een aanzienlijk
persoon honderden liters gestaan, zonder dat hij er iets
van wist.
31.     V. Bevat de politie-verordening aanwijzing van
het ochtenduur, waarop kroegen geopend mogen worden ?
A. Dat is 5 uur \'s morgens.
32.     V. Is liet u bekend, of op dat vroege morgenuur
van die inrichtingen al veel gebruik wordt gemaakt\'?
A. Van de kroegen, gelegen in de onmiddellijke
nabijheid der schepen, zal zeker wel na 5 uur gebruik
worden gemaakt.
-ocr page 13-
4
A. Ééne, «het plaatselijk Nut», die, een tiental jaren
geleden, eenige arbeiderswoningen gebouwd heeft. Na
dien tijd is er echter niets meer van dien aard geschied.
49.     /\'. Zijn er werkgevers, die voor hunne werklieden
woningen bouwen?
A. Ik geloof het wel; maar bepaalde namen kan ik
u op het oogenblik niet opgeven.
50.     V. Zijn er veel gevallen van werklieden, die
hun eigen huisje bouwen?
A. Ja, vooral in den laatsten tijd. Zij krijgen daar-
voor waarschijnlijk voorschot van den werkgever of van
andere personen, onder hypothecair verband.
51.     V. Wordt er van overheidswege toezicht ge-
houden op de voedingsmiddelen?
A. Neen. Ik beschouw dit wel als eene leemte, maar
I in eene betrekkelijk kleine gemeente is daarin moeilijk
te voorzien. In de laatste raadszitting is de meening van
Burgemeester en Wethouders op dat punt gevraagd, en
hun college is dan ook op het oogenblik daarover in
correspondentie Bepaalde zich het onderzoek enkel nog tot
vleesch, visch en melk, dan zoude het mogelijk zijn, maar
voor het keuren van andere levensmiddelen zijn speciali-
teiten noodig. Ik vrees, dat de slotsom der overwegingen
van Burgemeester en Wethouders zal zijn, dat zij geen
vrijheid vinden om een voorstel van dien aard aan den
Raad te doen.
52.     V. Komen u wel klachten ter oore omtrent
minder goed gehalte van vleesch, spek of melk?
./. Een enkel geval van een geneeskundige, die mijne
; tusschenkomt. inriep hij visch, welke niet aan de eischen
j voldeed. Over vleesch is nooit geklaagd. Wanneer echter
I de Rijksontvanger ooit aan den Burgemeester schreef,
dat er eene koe van bijzonder weinig waarde was aange-
geven, is ook onmiddellijk een onderzoek door de politie
I ingesteld en, zoo noodig, aan den districts-veearts ge-
I telegrafeerd. Er wordt hier niet veel slecht vleesch in
| de consumptie gebracht. Het wordt uitgevoerd; waarheen
weet ik niet.
53.     V. Kunt gij een oordeel uitspreken, oi de
kosten van levensonderhoud in deze gemeente in ver-
houding tot andere streken van het land hooger zijn;
of de levensbenoodigdheden hier duurder zijn?
A. Ik meen, dat die hier niet duurder zijn dan in
andere plaatsen, dikwijls zelfs goedkooper. En toch is
het moeilijker voor de arbeidende klasse om hier rond
te komen dan b. v. in Gelderland.
54.     /\'. Is de levensstandaard hier dan hooger\'?
A. Ja. Ik meen, dat men b. v. in de Geldersche
streken eenvoudiger gekleed gaat en de eischen geringer
zijn dan hier.
55.     /\'. Als ik het wel heb, zijn hier twee cate-
goriën van werklieden in dienst van de gemeente zelve,
namelijk werklieden van den reinigingsdienst en het per-
soneel van de gasfabriek. Is dat niet zoo?
A. Ja.
56.     F. Omtrent die werklieden in eigen dienst van
de gemeente zullen wij van latere getuigen een en ander
vernemen; doch op twee punten zou ik gaarne door u
worden voorgelicht. Vooreerst: gaat in geval van ziekte
hun loon door, of niet?
leiding; waarom is niet bepaald, dat aansluiting aan
deze laatste voor nieuwe woningen per se verplichtend
wezen zou?
A. Omdat zulk eene bepaling mij nog al ingrijpend
voorkomt. Volgens verklaring der bouwmeesters kost een
regenbak ,/80 a ƒ 100, en het renteverlies daarvan is
niet zoo groot als eene aansluiting aan de waterleiding,
die voo!\' kleine perceeltjes /5.20 \'sjaars bedraagt.
42.     V. Technische redenen bestonden er dus niet
tegen, alleen financieele?
A. Juist.
43.     V. Is van den kant van deskundigen op hygië-
nisch gebied nooit er op aangedrongen, om de aanslui-
ting verplichtend te stellen ?
A. Neen.
14. V. Neemt intusschen de aansluiting bij de
waterleiding gestadig toe .\'
A. Die neemt niet sterk toe, om de reeds door mij
genoemde reden, onder den werkliedenstand namelijk.
45.      V. Ik meen verstaan te hebben, dat eene
herziening van de verordening op het bouwen van
woningen in uitzicht is. Is het de bedoeling, om de
bepalingen te verscherpen ?
./. Ja, vooral met het oog op de uitbreiding der
gemeente. De tegenwoordig in vigeur zijnde politiever-
ordening bevat niet, zooals die van Amsterdam, be-
palingen omtrent de ophooging van grond, waarop men
bouwen mag. Eene bepaling omtrent het ophoogen met
zand zal zeer zeker in de nieuwe verordening moeten op-
genomen worden , want men bouwt de woningen hier te
laag. Onze gemeente is eene strook tusschen twee polders;
nu zijn de gehouwen op de groote toegangswegen hoog,
maar in de polders te laag.
46.      V. De werkmansstand woont hier, naar ik
ineen. in houten woningen; wordt het niet gewenscht
geoordeeld, in de veiordening voor te schrijven, dat zij
voortaan van steen moeten worden gebouwd?
.7. Ik zal dit zeer zeker overwegen, maar toen ik
een tiental jaren geleden een dergelijk voorstel deed met
liet oog op gevaar van brand, is het door den Raad
verworpen. Men meende toen, en men meent misschien
thans nog, dat houten huizen niet direct schadelijk voor
de gezondheid zijn. Ik heb indertijd zeil\' een houten huis
bewoond, en ik kan niet zeggen, dat het ongezonder
was dan een steenen. Ik vermoed zelfs, dat het, mits
goed gebouwd en onderhouden, in den winter drooger en
warmer is.
47.     V. Mits goed gebouwd en onderhouden, voegt
gij er bij. Laten echter de houten arbeiderswoningen,
wat bouw en onderhoud betreft, niet vaak te wenschen
over ?
A. Ik vermeen wel; wanneer zij althans gebouwd
worden door enkele personen, die er eene geldbelegging
van maken, dan gebeurt het wel, dat de warmte in den
zomer de wanden openrijt, hetgeen natuurlijk des winters
ontzaglijk veel tocht veroorzaakt.
48.      V. Bestaan hier vereenigingen, die niet uit
winstbejag, maar uitsluitend niet het oog op het alge-
meen belang, zich bezig\' houden met het bouwen van
arbeiderswoningen?
-ocr page 14-
5
./. Bij den reinigingsdienst ontvangen zij half loon,
doch zij krijgen in geval van ziekte, ik durf haast wel
neggen allen, geneeskundige hulp van stadswege. Het
armbestuur handelt hierin zeer vrijgevig. Wat de gas-
fabriek aangaat, daaromtrent kan ik niels bepaalds mede-
■deelen. Wij hebben die gasfabriek pas drie maanden
in eigen exploitatie en daarmede is eene commissie uit
■den Raad belast. Z\\j verkeert nog in een overgangstoestand.
57.     V. Om op de stadsreiniging terug te komen:
hebben de werklieden ervan aanspraak op pensioen in
geval van invaliditeit door ouderdom of ongeluk ?
A. Zij zijn volgens het onlangs genomen besluit in
■de pensioensregeling der ambtenaren opgenomen.
58.     V. Waarop komt die regeling neer?
A. Werklieden aan den reinigingsdienst zullen in den
regel weinig van die verordening profiteeren, aangezien
art. 3, punt 1, den eisch stelt, dat zij den ouderdom van
65 jaar hebben bereikt en onafgebroken 25 jaar dienst
hebben gehad. Het geval kan zich echter voordoen, dat
de arbeiders in de uiloefening van hunnen dienst wonden
■of gebreken bekomen en voor den gemeentedienst onge-
schikt worden. In dat geval komen zij overeenkomstig
art. 3, punt 3, voor pensioen in aanmerking. Maar overi-
gens kan moeilijk een werkman van de pensioensregeling
profiteeren, naar ik mij voorstel.
59.     V. Waarom niet?
A. Omdat eerst in den laatsten tijd eenige verbetering
bij den reinigingsdienst is gekomen; vroeger werden alleen
•die lieden, die ongeschikt en te oud waren voor anderen
arbeid, in dienst der reiniging genomen. Nu zijn er
echter enkele jonge mannen bijgekomen; zulke jonge
lieden zullen later ook vallen in de bepaling van art. 3,
punt 1, aangezien men ook na 40 jaren dienst op
•60jarigen leeftijd pensioen geniet.
60.     V. En hoeveel bedraagt het pensioen?
A. 4/60 van de bezoldiging per jaar, tot een maxi-
luuin van 2/3 der bezoldiging.
61.     V. En voor het geval, dat zij door ziekte of
ongeval voor den dienst ongeschikt worden?
A. Dan krijgen zjj het volle 2/3 dadelijk.
62.     V. Dragen de werklieden hunnerzijds voor het
pensioen bij?
A. Noch de beambten, noch de werklieden dragen
iets bij.
63.     V. Ik lees in art. 4: «Alle aanspraak op pensioen
gaat verloren voor hem, die ten gevolge van veroordeeling
tot gevangenisstraf of uit hoofde van wangedrag, onze-
delijkheid of werkelijke achteloosheid, of omdat hij zijn
post eigendunkelijk heeft verlaten, van dezen wordt
ontzet.»
Wil dat zeggen, dat, als iemand den dienst der ge-
meente verlaat, met wederzijdsch goedvinden, bijv. eene
andere betrekking aanvaardt, zijne aanspraak alsdan niet
verloren gaat?
A. Die aanspraak is in dat geval per se verloren,
want hij houdt op ambtenaar of werkman der gemeente
te zijn.
64.     V. Maar gesteld, dat zulk een persoon na eenige
jaren weder in dienst komt, tellen dan die vroegere jaren
mede?
A. Ja.
Enquête. De Zaankant.
65.     V. Ligt het in de bedoeling om voor de werk-
lieden van de gastabriek even gunstige bepalingen te
maken?
A. Ja, doch op eene andere wijze. De gasfabriek
wordt afzonderlijk beheerd, en aangezien Koog a/d Zaan
en Zaandam om zoo te zeggen eene gemeenschappelijke
fabriek hebben, is het wenschelijk, dat die gelden op de
exploitatierekening voorkomen. In de pensioenverordening
worden de werklieden der fabriek niet opgenomen, maar
het streven der commissie voor de gasfabriek is, om die
menschen in een ol ander algemeen fonds te brengen
en de premie te verantwoorden op de exploitatierekening.
66.     V. Ik keer tot algemeene toestanden terug. Hoe
is hier, naar uw oordeel, de verhouding tusschen werk-
gevers en werklieden?
A. In het algemeen uitstekend. Zoolang ik in deze
gemeente ben, heb ik nimmer iets van standjes of op-
roer tegen de werkgevers bemerkt. Er wordt altijd ge-
klaagd en gemopperd, en m. i. wel wat veel door den
werkenden stand, vooral in aanmerking genomen het
vele, dat tegenwoordig voor dien stand wordt gedaan.
Ik zie gaarne, dat men wat voor den werkman doet, en
ik zal daartoe ook gaarne het mijne doen; maar ik meen,
dat men niet te ver moet gaan, zoodat, hetgeen men
doet, ontaardt in ziekelijke philantropie. Men mocht tegen-
woordig wel eens wat doen voor den werkgever, hoewel
ik niet direct zou weten, wat. De werklieden hebben
hier goed loon, goede woningen en goede voeding. Er
wordt verschrikkelijk veel bedeeld hier in de gemeente,
en er is een werkhuis opgericht, dat velen tot nut is. In
het algemeen dus heelt de werkende stand hier geen
reden tot klagen.
67.     V. Heeft er gedurende al de jaren, dat gij
burgemeester zijt, geen werkstaking plaats gehad?
A. Neen.
68.     V. Er zjjn hier ook veel losse arbeiders, niet
waar, niet alleen b\\j het lossen en laden van schepen,
maar ook bij het vervoer van en naar de fabrieken?
A. Ja.
69.     V. Wordt door die menschen, bij afwisseling,
nu eens zeer veel en dan weer weinig of niels verdiend V
A. Ja, dat is de toestand van zeer velen van die
soort werklieden.
70.     V. Staan volgens uwe ervaring die arbeiders
in stoffelijk en zedelijk opzicht lager dan degenen, die
vast werk hebben?
A. Ja, behoudens uitzonderingen, wel. De oorzaak
daarvan is, dat zij zoo ongelijke verdiensten hebben,
zoodat een groot deel van hunne hooge weekloonen in
de kroeg terecht komt.
71.     V. Schrijft gij dit verschijnsel hieraan toe, dat
deze arbeiders van huis uit lager staan, of wel oefent het
ongeregelde van hun arbeid en van hunne levenswijze een
nadeeligen invloed uit op hun gehalte?
A. Het laatste is het geval. Mij is wel eens verteld,
dat, wie in eene ploeg van zulke arbeiders wil opge-
nomen worden, eerst een proeftijd moet mede maken en
dan mede moet drinken, op strafte van anders uitge-
worpen te worpen.
72.     V. Wordt dat losse werk door den eigenlijken
werkgever niet uitbesteed aan een tusschenpersoon ?
A. Ja, aan een soort voorman.
2
-ocr page 15-
6
73.     V. Gaat de . aandrang tot drinken alleen uit
van de mede-werklieden of ook wel van den voorman of
ploegbaas ?
A. Mij is medegedeeld, van de zijde der mede-werklieden.
74.     V. Is er in uwe gemeente een onlwikkeld
arbeiders-vereenigingsleven ?
A. Dat geloof ik niet.
75.     V. In andere gemeenten in de Zaanstreek schijnt
het meer ontwikkeld Ie zijn. Waaraan schrijft gij het
toe, dat zulks daar meer het geval is dan hier?
./. Daarvoor weet ik geen reden. Te Koog bepaalt
hel zich meer in eene socialistische richting. Ik zal niet
zeggen, dat er geen werklieden uit deze gemeente lid
van die vereeniging zijn en daar de vergaderingen bij-
wonen, maar het houden van vergadering in deze
gemeente behoort tot de uitzonderingen.
76.     V. En gij weet daarvoor geen verklaring te
geven\'?
A. Neen.
Versteeg.
A. KF;ni>i.iK, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Romaards, Adj.-secretaris.
A. Te dien aanzien heerscht ook hier bij vele oudeiK
het dwaalbegrip, dat de leerled op twaalfjarigen leeftijd
moet eindigen, en daardoor nemen de ouders hunne kin-
deren dikwijls op dien leeftijd van school.
83.     V. Verlaten velen de school reeds beneden den
leeftijd van 12 jaren?
A. Niet dikwijls; volgens den staat over dit jaar ver-
lieten mijne school beneden den leeftijd van 12 jaren 3
meisjes en 7 jongens.
i
84.      V. Komt het meer voor, dat de kinderen, zoodra:
I de twaalfde verjaardag geslagen heeft, de school verlaten ?
A. Zeker.
85.     V. Zelfs midden in den cursus?
A. Daaraan is in zekeren zin paal en perk gesteld
door een maatregel van de commissie; dat zij namelijk
het recht heeft de zusjes en broertjes ook voor den loop
1 van dien cursus te verwijderen. Bij het begin van den
| nieuwen cursus kunnen die broertjes en zusjes weder ver-
zoeken toegelaten te worden. Dat verzoek wordt meestal
toegestaan.
86.      V. Kunt gij bemerken, dat het dreigement
| gunstig werkt?
A. Daarover kan ik niet oordeelen, omdat, zoolang ik
aan deze school ben — en dit is een jaar — de maat-
j regel in werking is geweest, altijd voor niet betalende
kinderen. Op mijne vroegere school gingen enkel betalende
: leerlingen.
87.     V. Zoudt gij den maatregel ook voor betalende
leerlingen gewenschl achten ?
A. Zeker, want deze verdwijnen ook wel midden»
in den cursus.
88.      f. Gaan er — afgezien van het verdwijnen»
midden in den cursus — ook velen van school vóór zij
de hoogste klasse bereikt hebben\'!
A. Zeker. Zoo zijn dan ook in mijne nieuw gebouwde
school alle lokalen voor 48, doch dat van de hoogste klasse
slechts voor 36 leerlingen ingericht, met het oog op
hetgeen de ervaring geleerd had.
89.     V. Ons is schriftelijk medegedeeld, dat slechts
eene kleine minderheid het niet verder brengt dan tot de
4de of 5de klasse, maar dat de meesten de geheele school
doorloopen. Is die uitspraak uws inziens te gunstig ?
A. Neen, dat zou ik wel kunnen onderschrijven.
90.      V. Constateert gij wel in uwe tegenwoordige
school gevallen van onvoldoende voeding en kleeding r
| met ongunstigen invloed op het onderwijs?
A. Ik zou er slechts weinige kunnen noemen.
91.     V. Zijn dat gevallen van gezinnen, waarin door
grove schuld der ouders een verwilderde toestand heerscht,
I of komen ook gevallen voor, dat, buiten schuld der
ouders, bijv. door tijdelijk gebrek aan werk, het gezin
niet in staal is in de eerste levensbehoeften te voorzien ?
A. In het ééne jaar, dat ik er ben, is mij een erg
geval, dat ik namelijk zelf heb moeten voorzien in de voeding-
van Iwee kinderen, voorgekomen, en dat was de schuld
van den vader. Indien de ouders hier willen, kunnen
Verhoor van Jaeob Witte, oud 37 jaar,
hoofd eener openbare lagere school, te
Zaandam.
77.     De Voorzitter; Hoeveel leerlingen heeft uwe
school\'.\'
1. \'261.
78.     V. Is het eene kostelooze school?
A. Gedeeltelijk; er zijn in deze gemeente niet anders
dan gemengde scholen, maar van de 261 leerlingen zijn
ongeveer 40 betalende.
79.     /". Is er een ofticieele maatstaf tot aanwijziging
van degenen, die kosteloos school kunnen gaan?
.\'/. Dat niet; de verzoeken van de ouders worden
gericht tot de commissie van toezicht, waarin predikanten
en fabrikanten zitting hebben, die op de hoogte van de
toestanden zijn en daarnaar oordeelen.
80.      V. Is men vrijgevig in dit opzicht ?
A. Ja.
81.     V. Hoe is het met het schoolbezoek gesteld?
A. Dat is in deze gemeente, in vergelijking met
andere gemeenten, vrij gunstig.
82.     V. Ook wat betreft den leeftijd, tot welken
de school bezocht wordt?
-ocr page 16-
100.     V. Wordt bij het verlaten der school door u
bij de ouders of kinderen zelven wel aangedrongen op het
voortzetten van het onderwijs bij het Nut of op de burger-
avondschool ?
A. Ja, vooral om te gaan naar de laatste. Ware
er echter eene goede herhalingsschool, dan zou ik die
het sterkst aanbevelen, met het oog op de latere be-
hoeften der leerlingen.
101.     V. Maar is de burgeravondschool voor die,
welke een ambacht gaan beoefenen, niet het best ?
A. Dat hangt er van af, maar op eene goede her-
halingsschool zou ook teekenonderwijs gegeven moeten
worden, en dan zou ik die verkiezen.
102.     V. Hoe laat begint de avondschool ?
A. Viermaal \'s weeks van 7 tot 9 uur.
103.     V. Volgens de nieuwe arbeidswet, mogen de
kinderen tot 7 uur werken; zou nu het stellen van den
aanvang van den schooltijd op bjj voorbeeld kwart over
zevenen er niet toe kunnen medewerken om het bezoek te
doen toenemen? Er zullen thans toch velen zijn, die niet
op tijd op school kunnen wezen.
A. Ja, 4 of 5 van die gevallen ken ik wel, want
vooral zakjesfabrikanten houden er niet van, dat de
kinderen voor hun tijd weggaan, dat zijn groote vijanden
van de school.
104.     V. Kent gij werkgevers, die er bij hunne jeug-
dige arbeiders op aandringen om herhalingsonderwijs te
gaan genieten?
A. Persoonlijk niet. Het hoofd der school zou dit
beter kunnen zeggen. Wel weet ik, dat de commissie
voor de herhalingsschool pogingen doet in. die richting
bij werkgevers, en met goed gevolg soms.
105.     V. Gij noemdet zooeven de zakjesfabrikanten
groote vijanden van de school; zijn u gevallen bekend,
dat jongens in zakjesplakkerijen (of in andere bedrijven)
later werken dan tot 7 uur?
A. Ja, een geval is mij bekend van een jongen, die
het herhalingsonderwijs zeer noodighad, omdat hij 14 jaar
was en van meet af aan moest beginnen. Deze jongen
kwam zeer ongeregeld, omdat hij, zooals later bleek,
niet altijd verlof van zijn baas kon krijgen om te ver-
trekken, \'s Woensdags, als er geen herhalingsschool was,
werkte hij tot 8| uur.
106.     V. Hoe heet zijn patroon?
A. Van der Stel.
107.     V. Meent gij, dat over het algemeen de ar-
beidswet, voor zoover den arbeid van kinderen betreft,
goed wordt nageleefd?
A. Als boodschappen doen niet tegen de wet is, dan
wel, rnaar schoolverzuim en te laat komen, ongeschikt-
heid om onderwijs te ontvangen enz., zyn het gevolg
van dat boodschappen doen.
108.     V. Maar in fabrieken en werkplaatsen?
A. Daaromtrent is mijne kennis zeer gering.
109.     V. Wanneer dat boodschappen doen de school
deed verzuimen, hebt gij u dan tot den werkgever gewend
om daaraan, zoo mogelijk, een einde te doen komen?
zij de kinderen altyd voldoend voedsel doen krijgen in
het Werkhuis. Daarvan wordt druk gebruik gemaakt, en
ik kan aan de leerlingen merken, of het Werkhuis open is.
92.     V. Acht gij het bezoeken der school tot den
12jarigen leeftijd voor hunne kennis en ontwikkeling
voldoende, of zijt gij beslist van oordeel, dat maatregelen
behooren te worden genomen, opdat bet bezoek van de
gewone lagere school langer worde voortgezet?
A. Dit laatste. Het schoolbezoek tot het 12de jaar is
geheel onvoldoende en moest, naar mijne meening, minstens
tot 14jarigen leeftijd voortduren.
93.     V. Is uwe kennis van den materieelen toestand
der arbeidersbevolking in deze gemeente van dien aard,
dat gij, al zou er uit een geldelijk oogpunt voor de ge-
zinnen natuurlijk bezwaar beslaan tegen de verlenging van
het schoolbezoek tot het 14de jaar, dat bezwaar toch
niet overwegend durft noemen ?
A. Daar durf ik geen bepaald antwoord op geven.
Er kunnen zich verscheidene gevallen voordoen, dat het
noodzakelijk is de kinderen van de school te nemen;
maar in het algemeen is de gedachte: »het kind is 12
jaar en moet nu van school» de hoofdreden.
9-4. V. Zijt gij niet onderwijzer aan eene van de
herhalingsscholen van het Nut?
A. Ja.
95.     V. Is het juist, wat ons werd geschreven, dat
die scholen voor een groot deel bezocht worden door
kinderen, die de gewone lagere school niet geheel door-
loopen hebben, zoodat het onderwijs aan die scholen niet
is onderwijs, dat zich aansluit aan de gewone lagere
school, meer inhalings- dan herhalingsonderwijs ?
A. Dit is zeer waar. In het geheel is hel aantal leer-
linken 60; van die 60 krijgen slechts 10 werkelijk voort-
gezet onderwijs.
96.     V. Worden er in het geheel geen eischen van
toelating gesteld ?
A. Neen, nooit. De leerlingen worden allen opge-
nomen, zij moeten alleen 12 jaar zijn en de lagere school
niet bezoeken. Zij worden dan in 3 klassen geschift, en
eene is de herhalingsklasse.
97.      V. Er zijn immers twee inrichtingen van dien
aard ?
A. Neen, slechts ééne, want die aan het Kalf is op-
geheven wegens gebrek aan belangstelling. Intusschen
voldoet die ééne school toch wel aan eene behoefte. Tal
van leerlingen, die onvoldoend onderwijs genoten hebben ,
worden nu in staat gesteld dit in te halen.
98.     V. Zijt gij intusschen van oordeel, dat er eene
goed georganiseerde school van werkelijk voortgezet
onderwijs, zich aansluitende aan de gewone lagere school,
behoorde te zijn?
A. Zeer zeker.
99.     V. Is door onderwijzers of anderen nooit eene
poging gedaan om zulk eene inlichting van gemeentewege
te krijgen?
A. Ja, maar dat was vóór mijn t|jd. Ik weet zelfs,
dat er eene bestaan heeft, maar die is door gebrek aan
belangstelling verloopen.
-ocr page 17-
8
A. Die gevallen kwamen niet bij ons, maar bij een
collega voor; ik geloof niet, dat hij pogingen aanwendde,
als door u bedoeld.
110.     V. Is er eene bibliotheek aan uwe school?
A. Ja, aan alle scholen in de gemeente.
111.     V. Wordt daarvan veel gebruik gemaakt?
//. Ja, zeer veel; de ouders van de kinderen maken
zelfs gretig gebruik van de boekjes, die de kinderen
medebrengen.
112.     V. Kunnen de kinderen, die uwe school ver-
laten hebben , nog uit de schoolbibliotheek boeken blijven
ontvangen ?
A. Ja, dat gebeurt voortdurend.
113.     V. Zijt gij op de hoogte van het gebruik,
dat van de Nutsbibliotheek wordt gemaakt?
A. Ja, dit is zeer verblijdend. De commissie heeft
den tijd tot ruiling der boeken zóó gesteld, dat mijne
leerlingen er niet te laat door op school behoeven te
komen, en nu zie ik des Donderdags heele rijen boeken,
die \'s middags verwisseld zullen worden.
114.     V. Is er eene afdeeling voor jeugdige lezers?
A. Neen.
115.     V. Is er dientengevolge niet eene leemte voor
het verkrijgen van goede lectuur voor personen van
jeugdigen leeftijd, voor wie de boeken der schoolbiblio-
theek niet meer, die der Nutsbibliotheek nog niet ge-
schikt zijn?
A. Ja; het schijnt mij toe, dat de lezers der Nuts-
bibliotheek niet altijd de beste keuze doen, maar dat is
eene quaestie van smaak. In allen gevalle had men den
catalogus moeten splitsen.
116.     V. Wordt, afgezien van den wensch, dien gij daar
uit, in de gemeente voldoende voorzien in de behoefte
aan lectuur voor den werkenden stand?
A. Ja.
117.     V. Is er aan uwe school eene gelegenheid tot
sparen verbonden?
A. Neen.
118.     V. Ook niet aan de andere scholen hier?
A. Neen.
119.     V. Wordt er, zoover gij weet, veel gebruik
gemaakt van de spaarbank van het Nut?
A. Op mijne school hoor ik er nooit over spreken.
120.     V. Hebt gij ook nog punten, die gij onder
onze aandacht wenscht te brengen?
A. Ik zou zoo gaarne verdwenen zien het hier heer-
schende wanbegrip, dat de leertijd der kinderen op
school moet loopen van 6—12 jaar en de cursus niet
langer dan 6 jaren mag duren. Ik wenschte dien uit-
gebreid te zien tot een 8jarigen. Indertijd is door eene
kleine minderheid van de hoofden der scholen uitgemaakt,
dat de cursus moet duren 7 jaren; dit zelfs acht ik niet
voldoende, maar het leerplan is opgemaakt vóórdat ik
hier onderwijzer was, en dat plan geldt voor alle lagere
scholen. Voorts zou het herhalingsonderwijs meer en
uitgebreider geregeld moeten worden. Ook dit is be-
treurenswaardig, dat de kinderen, wanneer zij de school
verlaten, komen in een kring, waarin geen toezicht meer
op hen is. Vele jongens, die goed en braaf de school
verlieten, zijn in den kring, waarin zij het eerst kwamen,
voor hun leven bedorven.
421. V. Bestaat alhier geen enkele bemoeiing in het
belang van die jeugdige arbeiders, waarop gij doelt?
A. Neen, en dat acht ik eene groote leemte.
122. V. Gij doeldet dus niet alleen op de wen-
schelijkheid van verder onderwijs, maar ook op bemoeiin-
gen, waardoor geestelijke invloed op die jeugdige
arbeiders zou worden uitgeoefend?
A. Juist.
J. Witte.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Wouter Lourens Vogelesang, oud
40 jaar, hoofd eerier bijzondere Christelijke
school, te Zaandam.
123.     De Voorzitter: Hoeveel leerlingen hebt gij op .
uwe school?
A. 280, zoowel jongens als meisjes.
124.     V. Is het eene school voor betalenden, of van
kosteloos onderwijs?
A. Allen moeten betalen. Maar er zijn enkele ver-
eenigingen onder ons, die voor sommige kinderen betalen.
125.      V. Intusschen zijn uwe leerlingen toch grooten-
deels uit werkmansgezinnen?
A. Nagenoeg alle.
126.      V. Ondervindt gij groot bezwaar bij het onder-
wijs, ten gevolge van ongeregeld schoolbezoek?
A. Ja , en dit is vooral een gevolg van den socialen
toestand. Zoo is er b. v. eene weduwe, die een gedeelte
van de week moet venten, en die dan geregeld haar
oudste kind tehuis houdt om op de kleintjes te passen.
Trouwens is dit schoolverzuim ook wel eens een gevolg
van slordigheid in het gezin.
127.     V. Bereikt dit betrekkelijk schoolverzuim een
zeer hoog cijfer?
A. Zeer hoog niet. Overigens openbaart het zich meer
bij de meisjes dan bij de jongens.
-ocr page 18-
9
139.     V. En ook, als daaraan de verplichting om
de school te bezoeken werd vastgeknoopt, aangezien
zonder dat, althans voor de meisjes, het doel niet zou
worden bereikt\'.\'
A. Als onderwijzer ben ik beslist voor leerplicht:
maar uit een sociaal oogpunt heb ik bedenking om ouders,
die geldelijk de hulp hunner kinderen niet kunnen missen,
ten deze te dwingen.
140.     V. Zoudt gij niet meenen, dat, gesteld er
werd eene zoodanige verplichting aan de ouders opgelegd ,
welgezinde en welgestelde burgers daar, waar inderdaad
het wegvallen van de verdiensten der kinderen ondrage-
lijk zou zijn voor het gezin, bereid zouden zijn bij te
springen?
A. Laat ik mij nader verklaren.
Ik ben, als onderwijzer en staatsburger, onvoorwaar-
delijk voor leerplicht, onder dit voorbehoud alleen, dat
de vaccinewet gewijzigd worde in den zin, als nu is
voorgesteld; en wel daarom, omdat ik in Hoogeveen de
ondervinding heb opgedaan, dat er ouders bezwaar maakten
hunne kinderen te laten vaccineeren. Daarom zou ik
ongaarne er een beginsel van maken, de ouders in dit
opzicht te dwingen.
141.     V. Gij zegt, dat er in Hoogeveen ouders
waren, die er bezwaar tegen maakten hunne kinderen
te laten vaccineeren. Was dat een bezwaar, waarover
zij ten slotte heenstapten, of zijn u daar gevallen bekend
geworden, dat ouders uitsluitend om dat bezwaar hunne
kinderen van onderwijs verstoken hebben gelaten?
A. Ja, ik heb een vader gekend, die zijne kinderen
zelf, zoo goed en kwaad het ging, onderwees, en die
zich door mij niet liet overreden om de kinderen te
laten inenten.
142.     /. Kwamen meer van die gevallen te uwer
kennis?
./. Dat was voor mij persoonlijk het eenige.
143.     /. Wordt aan uwe school herhalingsonderwijs
gegeven ?
A. Neen. Toen ik hier kwam, heb ik er de ge-
legenheid voor geopend. Ken jongen heeft er zich slechts
voor opgedaan, ik moest dat dus opgeven.
144.     f. Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Aan gebrek aan besef bij de ouders omtrent de
waarde van onderwijs voor hunne kinderen voor hun verder
leven.
145.     V. Zou het ook mede zijn grond hebben in
het feit, dat de jongens \'s avonds te laat arbeiden of te
moede zijn, om daarna nog lust te hebben weder te gaan
leeren ?
A. Dat zou kunnen, want de jongens hebben hier
in de gezinnen nog al wat in te brengen.
146.     V. Komt gij wel eens in aanraking met oud-
leerlingen ?
A. Zelden.
147.     V. Gij hebt dus waarschijnlijk geen ervaring,
of, ondanks de arbeidswet, de jongens \'s avonds nog na
7 uur arbeiden?
A. Persoonlijk heb ik die ervaring niet.
3
128.     V. Zijn er onder uwe leerlingen vele, die vóór
liet 12de jaar de school verlaten?
A. Jongens niet, omdat die toch niet vóór hun 12de
jaar bij een baas kunnen terecht komen; meisjes meestal
op haar tiende of elfde jaar, of nog jonger.
129.     V. Dan zullen onder de meisjes zeker slechts
weinige zijn, die de geheele school doorloopen, daar zij
toch eerst op haar zesde jaar ter school komen en iedere
klasse toch een jaar duurt\'?
A. Wjj vinden het zelf wel niet gewenscht, maar
wij regelen het zóó, dat om het half jaar de leerlingen
tot eene hoogere klasse kunnen overgaan.
130.     V. Mag ik daaruit opmaken, dat, zeer tegen
uw wensch , de organisatie uwer school veel te wenschen
overlaat, doordat de meisjes meerendeels vóór haar 12de
jaar de school verlaten .\'
A. Wij zijn er wel door den nood toe gedwongen.
131.      /\'. De jongens blijven tot hun 12de jaar, zeidet
gij. Maar gaan zij dan veelal, als het ware met klokslag
12 jaar, weg.
A. Met April gewoonlijk gaan zij van de school,
indien zij vóór dien tijd 12 jaar zijn geworden.
132.     V. Niet vóór April?
A. Sommigen wel, wanneer zich eene gunstige gele-
genheid aanhiedt om bij een haas te komen.
133.      /". Worden dan door u pogingen gedaan om
ze ten minste nog tot April op school te houden?
A. Ja, er worden boodschappen naar de ouders ge-
stuurd, ot ik ga ze zelf spreken. Maar men stuit op
groote bezwaren tegenover weduwen , groote huisgezinnen ,
en dan baat geen enkel middel.
134.     V. Roept gij ook wel de medewerking van den
betrokken werkgever in, om de plaats voor den jongen
open te houden, zoodal deze inmiddels tot het eind
van den cursus op school kan blijven?
A. Neen.
135.      /". Gij hebt dus geen ervaring, of de werk-
gevers al dan niet bereid zijn in die richting mede te
werken ?
A. Neen.
136.     /". Blijven ernogalwattot hunl3deofl4dejaar?
A. Slechts enkelen.
137.     V. Sprekende als onderwijzer, betreurt gij
het dan in hooge mate, niet alleen , dat de meisjes zoo
vaak vóór haar 12de jaar verdwijnen, maar ook, dat de
jongens slechts tot hun 12de jaar blijven?
A. Zeer zeker. Liever hield ik ze tot hun 14dejaar,
omdat met het 12de jaar de gronden eerst zijn gelegd, en
dan met vrucht zou kunnen worden gewerkt om de jongens
te doen profiteeren van hetgeen ze geleerd hebben.
138.   V. Zoudt gij het dus, als onderwijzer, in het belang
van de kinderen toejuichen, indien het verbod van arbeid,
hetwelk nu geldt tot 12 jaar, tot 14 jaar werd verhoogd?
A. Als onderwijzer, zeer zeker.
Enquête. De Zaankant.
-ocr page 19-
10
148. V. Gij zeidet, dat de kinderen hier nog al I
■wat in te brengen hebben in de gezinnen. Bedoelt gij
daarmede, dat er eene minder gewenschte verhouding be-
staat tusseben ouders en kinderen ?
A. Dat is uit welk oogpunt men die verhouding be-
ziet. Ik meen er mede, dat de kinderen tegenwoordig
ook al een woordje medespreken over den duur van het
schoolgaan , enz. De dwang van de kinderen op de ouders
is soms niet zonder invloed.
1-49. V. Komt gij wel in gezinnen, waarvan kin- j
deren uwe school al hebben verlaten.\'
A. Neen.
150.     /\'. Is er eene schoolbibliotheek aan uwe school ?
A. Neen.
151.     V. Is er dus voor uwe leerlingen geen gelegen-
heid tot het verkrijgen van lectuur .\'
A. Jawel, onze school staat in betrekking met de ver-
eeniging tot verbreiding der waarheid en met de dolee-
rende kerk. Die vereeniging heeft eene bibliotheek.
152.     V. Van algemeenen of van godsdienstigen aard ?
A. Van algemeenen aard, maar godsdienstig getint;
ik noem bij voorbeeld de werkjes van Gerdes.
153.     V. Hebt gij eene sehoolspaarbank ?
A. Neen. Ik ben vroeger hoofd der rijksschool te Vledder
geweest, en daar hadden wij eene spaarbank; maar hoewel
met enthousiasme begonnen, daalde de ijver weldra zóó,
dat de vruchten van de spaarbank niet meer geëven-
redigd waren aan de moeite, die zij kostte. "Wat nu onze i
school betreft, hebben wij zooveel zorgen nog, ook van I
linaiicieelcn aard, dat wij nog niet tot de oprichting van
eene spaarbank hebben kunnen komen, hoewel wij die
instelling wensehelijk zouden vinden.
154.     V. Wat was uwe ervaring te Vledder? Werd
te veel geld weder terug genomen, hetzij voor genoegen
hetzij voor een nuttig doel, of droeg men minder bij?
A. Het laatste. Eerst was ei\' veel geestdrift, maar
op den duur ging het achteruit.
155.     /". Waren er toch kinderen, die steeds voort-
gingen met sparen .\'
A. Enkele.
156.      V. En droeg liet voortzetten van het sparen
de goede vrucht, dat het eene gewoonte werd, waaraan
men ook na het verlaten der school getrouw bleef?
A. Dat weet ik niet; ik heb maar vier jaren aan
het hoofd van die school gestaan.
157.     V. Zijn er nog punten, waarop gij uwerzijds
onze aandacht wenscht te vestigen ?
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter.
W. L. Vogelesanc;.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Rouaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Martinus Johannes Tan der Hoogt,
oud 37 jaar, predikant bij de Christelijke Gere-
formeerde Gemeente, te Zaandam.
158. De Voorzitter: Wij zouden gaarne eenige al-
gemeene inlichtingen van u ontvangen, omtrent den toestand
de:- arbeiders in deze gemeente. Gij zijt immers reeds
geruimen tijd hier?
A. Ruim 7 jaren.
15\'.). V. Vergis ik mij niet, dan zijn hier veel losse
arbeiders, hetzij werkzaam bij het lossen van schepen,
hetzij bij het in- en uitladen aan de fabrieken. Is er nu,
naar uwe ervaring , groot verschil in stoffelijk en geeste-
lijk opzicht tusschen die categorie van de arbeidersbevol-
king en de vaste ambachtslieden of fabrieksarbeiders\'?
A. Als predikant heb ik liever te doen met vast
werkvolk dan met los; ik geloof, dat, zoowel stoffelijk
als geestelijk, de vaste arbeiders hooger staan dan de losse.
160.     V. Zijn de verdiensten van deze laatsten niet
zeer afwisselend hoogst aanzienlijk en gering?
A. Wat de personen betreft, met wie ik in aanra-
king kom, is dat zeer wisselvallig. De sjouwerlieden bij
voorbeeld, die bij de fabrieken als zoogenaamde inval-
lende ploeg werkzaam zijn, verdienen des zomers veel
geld, maar daartegenover staat, dat zij soms in langen
tijd niets verdienen.
161.     V. Kunt gij het bedrag opgeven, tot hetwelk
soms die verdiensten per week stijgen ?
A. Ik heb oen lid van mijne gemeente, die bij voor-
beeld weken achtereen .ƒ\' 14 tot ƒ20 verdient, eene
enkele maal soms nog daar boven; maar dan heeft hij
weder weken, dat bij niets doet.
162.      V. Hebt gij de ervaring, dat door deze lieden
voor den kwaden tijd ter zijde gelegd wordt wat zij in goede
weken boven het normale peil verdienen, of brengt hun
ongeregelde leefwijze mede, dat zij verteren wat zij hebhen?
A. In het algemeen heb ik met de leden van mijne
gemeente in dat opzicht niet veel moeite. Doch dit hangt
ook al veel af van de huisvrouw, en het komt dan ook
wel eens voor, dat enkelen, die in den zomer goed ver-
dienen , \'s winters diaconaal bedeeld moeten worden.
163.     7\'. In uw kring openbaart zich dus niet als
regel het elders waargenomen verschijnsel, dat lieden met
wisselende verdiensten in goede tijden ook hunne zeer
hooge verdiensten opmaken?
A. Over het algemeen niet.
164.     V. En nu de vaste werklieden: hoe is hun
stoffelijke toestand?
A. In het algemeen hebben dezen geen reden tot
klagen, wanneer zij althans de tering naar de nering-
weten te zetten. Zooals gij wel weten zult, is in mijne
gemeente het toezicht op geestelijk en zedelijk gebied
scherper dan in sommige andere kerkgenootschappen. De
toestand is dan ook zóó goed, dat in eene gemeente, die
bijna uitsluitend uit werklieden bestaat, het gemeentelijk
budget ± ƒ 20.000 bedraagt.
165.     V. Hoe talrijk is uwe gemeente?
A. Bijna 1200 zielen, Eene kleine 300 huisgezinnen.
-ocr page 20-
II
17i. V. Twee uren vallen dan toch in den arbeids-
tijd. Hebt gij daarvoor medewerking van de werkgevers ?
A. Meestal wel.
175.      7". Wordt bij uw weten de arbeidswet, wat
het werken van jongens tot 7 uur betreft, getrouw
nagekomen; ook in de kleine nijverheid?
A. Ja, bepaalde gevallen van overtreding zijn mij
niet bekend; wel merk ik echter, dat sommige jongens
wel wat te laat moeten werken om voor het catechetisch
onderwijs wat van buiten te leeren, hetgeen bij mijne
methode van onderwijs noodig is. Dat geldt bijzonder de
zakjesplakkers. Onder hen werken er dan ook wel eens
wat laat, zij het dan, dat zij ouder zijn dan 16 jaar.
Natuurlijk tegen oververdienste. Maar het kan zijn, dat
de arbeidswet daarin verbetering zal brengen.
176.     V. Zijn daar ook wel jongens bij van minder
dan 16 jaar?
A. Jawel, in "t afgeloopen jaar is dat wel gebeurd.
]
177.     /. Acht gij het bezoek van de lagere school
j tot 12 jaar, wat hier regel schijnt te zijn, voldoende
voor het verdere leven van die jongens?
A. Het eene kind is het andere niet, maar hij mijn
onderwijs krijg ik de ervaring, dat in den regel de
kinderen hunne taal zeer slecht verstaan en de beteekenis
bijv. van een psalmvers, dat zij woord voor woonl
moeten verklaren, al zeer weinig begrijpen. Dat geldt
: voor de leerlingen der bijzondere zoowel als voor die der
openbare scholen. Dat staat, gelijk.
178.     V. Zoudt gij het verblijdend achten, indien
de wet zorgde, dat het bezoek der lagere school aan-
merkelijk langer duurde?
A. Daarop zou ik niet onvoorwaardelijk bevestigend
antwoorden. De ervaring heeft mij geleerd, dat in de
gezinnen, tot mijne gemeente behoorende, de kinderen
vroeg er wat bij moeten verdienen; en bovendien, de
jongens tegen hun 11de, 12de jaar verlangen van school
af te komen. Om hen nu te dwingen, niets te verdienen
en op school te blijven, dat zou geen verbetering geven,
want wat men gedwongen doet, wordt zelden goed gedaan.
179.      V. Een deel van uw catechetisch onderwijs
geeft gij \'s avonds; onder uwe leerlingen zijn er ver-
moedelijk vele, die over dag hebben moeten werken?
A. Ja.
180.     V. Bespeurt gij daarvan nadeelige gevolgen op
de helderheid van hun geest gedurende uw onderwijs?
A. Neen , over het algemeen niet. Een enkele bakkers-
jongen mag eens zitten dutten, maar aan de anderen
valt niets te bespeuren.
181.     V. Wanneer dus <_ >zegd wordt, dat herha-
lingsonderwijs niet veel kan geven, omdat jongens, die
den geheelen dag hebben gewerkt, \'s avonds toch slapen,
dan beaamt gij die uitspraak niet ?
A. Neen, als het onderwijs ten minste niet te lang
achtereen duurt.
182.     V. Beschouwt gij 11 uren arbeid als niet te
lang voor knapen beneden de 16 jaar, met het oog op
de vermoeienis voor hun geest ?
A. Neen.
166.      V. Neemt gij verschil in gehalte waar tusschen
houtzagers, pellers, olieslagers, ambachtslieden, op stoffe-
lijk of zedelijk gebied?
A. In het algemeen is er geen verschil. Alleen zou
ik zeggen, dat de olieslagers, die veel \'s nachts werken,
minder hoog staan dan b. v. de houtzagers , die oik bij
ziekte meer ondersteuning van hunne patroons genieten.
167.     V. Hoe is over het algemeen de arbeidsduur,
ook in verhand met. het leven in het gezin?
A. Wanneer ik wel ben ingelicht, dan wordt aan
de fabrieken meestal van \'s morgens 6 tot \'s avonds 6 a
7 uur gearbeid.
\'168. V. Er zullen getuigen uit de verschillende
vakken komen om ons daaromtrent bijzonderheden mede
te deelen. De strekking van mijne vraag was deze: zijn
u gevallen bekend van zeer langdurigen arbeid, ook
nachtarbeid, zoodanig, dat zulks nadeelig moet werken
op de menschen zelf en op den toestand van het gezin ?
.-/. Geen bepaalde gevallen zijn mij daarvan bekend
In verband met onze kerktijden komt liet echter we\'
voor? dat olieslagers, die \'s nachts werken, niet in de
kerk kunnen komen. Uat komt natuurlijk niet van het
te lange werken, maar van de verdeeling van den arbeid.
\'Zij scheiden \'s morgens om 6 of 8 uur uit; maar ik weet
niet, wanneer zij beginnen.
169.      V. Wordt er ook geklaagd over nachtclijken
arbeid, in verband met de gezondheid?
A. Neen, in het algemeen niet. Wel wordt er soms
geklaagd door enkele jongens, die wat zwak zijn, b. v.
te Koog. Gij zult wel weten, dat de grenzen der kerke-
lijke gemeenten anders zijn dan die der gemeenten.
170.     /". Reeds is ons door een anderen getuige
medegedeeld, dat de verhouding tusschen werkgevers en
werklieden hier in het algemeen gunstig is. Beaamt
gij dit?
A. Dit is mijn indruk ook. Er komen wel eens onte-
vredenen klagen, maar ik beoordeel dat altijd van weers-
kanten. Meestal blijkt mij, wanneer ik een onderzoek
instel, dat die klachten overdreven zijn. De verhouding
is hier te Zaandam betrekkelijk goed.
171.     F. Ondervindt gij bij het geven van uw
catechetisch onderwijs moeilijkheden, doordien de jonge-
lieden op de door u gestelde tijden moeten arbeiden .\'
A. Eene enkele maal, maar in den regel kan ik het
van de patroons nog al gedaan krijgen, dat zij komen.
Het ligt veel aan de jongelieden zelf, of zij gaarne ter
catechisatie gaan, of niet. Eene enkeie maal gebeurt het,
dat er een catechisant bepaald niet kan, maar meest
geven de patroons gelegenheid om naarde catechisatie te gaan.
172.     V. Vallen uwe catechisatie-uren alle in den
arbeidstijd\'?
A. Alleen \'sWoensdag-morgens van 11—12 uur. Doch
het komt toch weinig voor, dat zij de catechisatie verzui-
men. Een enkele op de 400 catechisanten zegt niet veel
•
173.      V. Wanneer geeft gij uwe overige uren?
A. Die zijn meest \'s avonds. Voor de schoolkinderen
van half twee tot vieren, en voor de ouderen van vijf
uur tot half tien.
-ocr page 21-
12
18:». /". En van het lichaam .\'
A. Ook niet.
184.      / . Gij krijgt ook jongens op de catechisatie
boven de 10 jaar.\'
A. Ja.
185.      /. Hoven de 10 jaar is, zooals u bekend zal
zijn, de arbeidsduur niet beperkt door de wet Zijn er
onder uwe catechisanten van 10—18 jaar, die aan nacht-
arbeid deelnemen .\'
A. Niet veel.
i
180. /\'. Acht gij eene wettelijke grens voor den
arbeidsduur van jongens van dien leeftijd wenstdielijk?
.1. Ja; vooral in verband met nachtelij ken arbeid.
Jongens van 10 en 17 jaar zijn nog in hun groei, en op
dien leeftijd ontwikkelen zich de verschillende harts-
lochteii, zoodal ik liever het verbod van arbeid na een
zeker uur zou hebben uitgestrekt tot het 18de levensjaar.
187.      /. Zijn er ook zakjesplakkerijen in uwe ge-
meente, waar meisjes arbeiden?
A. Niet, dat ik weet; vrouwenarbeid komt daarzel-
den voor.
188.     /. Zijn u bemoeiingen bekend, afgezien van
tle zuiver kerkelijke, in het belang van de jeugdige
arbeiders .\'
A. Mijne kerkelijke gemeente maakt eene goede uit-
zondering hij andere genieenten, want er wordt veel
gearbeid om de jongelieden in het goede spoor te leiden
189.      /. Waarin b-staat die arbeid?
A. Wij hebben eene vereeniging , waar de tijd aan-
genaam wordt doorgebracht; daar wordt een gedeelte
van Gods woord gelezen, verder worden er opstellen ge-
maakt, bijv. over de Vaderlandsche Geschiedenis, of er
wordt het een en ander gereciteerd. Dit alles werkt zeer
gunstig, om de jongelieden van den verkeerden weg af
te houden.
190.     /. Zijn die bijeenkomsten ook toegankelijk
voor meisjes?
./. Neen, maar voor de meisjes hebben wij eene
meisjesvereeniging, die zich ten doel stelt om \'s Zondag-
avonds meisjes van de straat naar de vereeniging te
trekken; daar wordt dan wat gelezen. Des Dinsdag-avonds
vergadert die vereeniging ook, maar dan is bet uitsluitend
om kleedingstukken voor de armen te naaien.
191.     /". Uwe betrekking brengt u waarschijnlijk
veel in de gezinnen. Hoe is de voeding van een gemiddeld
gesteld werkman .\'
A. Over het algemeen is de voeding tamelijk goed.
Ik kom uit Overijssel, en dan heb ik wel eens de op-
merking moeten maken, dat de gezinnen hier meer uit-
geven aan het uitwendige, aan kleeding, dan bij ons in
die streek. Ik heb ook eenigen tijd te Landsmeer gestaan,
en daar trof mij hetzelfde, dit schijnt echt Noordhollandsch
te zijn.
192.      V. Wat is de middagpot hier?
A. Aardappelen zijn de hoofdschotel; eigenlijke meel-
kost gebruikt men hier niet veel.
193.     /". Eet de werkman zijne aardappelen met vet ?
A. Ja.
194.     V. Komt er veel spek op tafel?
A. Over het algemeen niet veel.
195.     /\'. Zijn er, die zich behelpen moeten met
lawaaisaus .\'
A. Dat gebeurt ook wel.
196.     /\'. Is het uwe ervaring, dat de werkman
melk en eieren aan zijne kinderen kan geven, alsmede
in geval van ziekte kan zorgen voor versterkende
middelen Y
A. Neen; maar het burgerlijk armbestuur verschaft
naar mijne overtuiging wel wat spoedig ondersteuning.
Dit heeft ook op sommige gezinnen van onze gemeente
een nadeeligen invloed.
197.     /. Zijn er niet ook vereenitfingen , die zich bezig
houden met het verschaffen van versterkende middelen
aan zieken ?
A. Ja, dat geloot ik wel, maai- het grootste kwaad
s , dat de geneesheer te spoedig een briefje afgeeft,
i
198.     V. Hebt gij in uwe gemeente eene zware armen-
zorg V
A. Wij hebben hetrekkelijk weinig armen, maar wij
gaan ook niet spoedig tot algeheele bedeeling over, uit-
gezonderd natuurlijk weduwen, weezen en gebrekkigen.
Wanneer iemand geen werk heeft, moet hij eerst alle
middelen, die in zijn vermogen zijn, aanwenden om
werk te bekomen. Wij houden hun steeds den stelregel
voor. dat elk huisvader in de eerste plaats geroepen is
om voor zijn gezin te zorgen.
199.     V. Naar uw oordeel is dus het burgerlijk
armbestuur te gemakkelijk in het verleenen van onderstand\'?
A. Ja; er zijn menschen, die .ƒ 9 a f 10 verdienen ,
en toch een briefje voor melk of eieren krijgen. Dit is
voor hen wel geen weelde, maar toch geloof ik, dat het
nadeelig werkt voor de roeping van den huisvader om
ook bij ziekte voor zijn gezin te zorgen. Dat werkt ook
nadeelig op ons terug, omdat wij zeggen: gij moet zien,
wat gij zelf kunt doen.
200.   /". Kan, naar uw oordeel en naar uwe ervaring, een
man met een inkomen van ƒ9 a ƒ10 in de week , bij het-
geen hij dagelijks voor de redelijke voorziening in de
behoeften van zijn gezin noodig heeft, nog wat terzijde
leggen voor tijden van nood en ziekte \\
A. Dat komt mij niet waarschijnlijk voor, wanneer
er reeds ƒ 1.50 voor huur afgaat.
201.     V. Maar dat is hier toch een vrij normaal in-
komen , niet waar \'\\
A. Ja.
202.     V. En dan keurt gij het toch af, dat in die
gezinnen de diaconale en burgerlijke armenzorg ingrijpt
in geval van ziekte.\'
A. Ja, wel om dat als regel vast te stellen. Er kunnen
gevallen zich voordoen van verpleging in een gasthuis
of dure medicijnen, maar dat zijn buitengewone gevallen.
-ocr page 22-
13
213. V. Zijn er ook werklui, die een eigen huisje
hebben ?
A. Heel weinigen, misschien een enkele timmermans-
knecht uitgezonderd, die dal, bij gebrek aan werk, met
geld van den een of ander heeft gebouwd, anders niet.
203. V. Hebt gij in uwe gemeente ook lieden, die
ten gevolge van hoogen ouderdom of ongelukken en
ziekten, opgeloopen in het bedrijf, niet in staat zijn om
te arbeiden, en door u geholpen moe\'en worden, omdat
zij geen steun krijgen van den patroon, bij wien zij
jarenlang werkten?
A. Ja, een enkele hier. De blokmalers in de olieslage-
rijen krijgen in den regel niets van den patroon. Zij krijgen
niet direct steun van de gemeente, maar voorzien in
bun onderhoud geheel of gedeeltelijk door b. v. met
petroleum te venten, of zoo iets.
204.     V. Gij zegt, dat invalide arbeiders in de olie-
slagerijen geen ondersteuning krijgen van hun patroon.
In andere vakken dan wel?
A. Dat weet ik niet.
205.      V. Laat mij nog eens terug komen op de
voeding van het werkmansgezin. Hoort gij klachten, dat
•de voedingsmiddelen, b. v. melk of visch, in deugdelijk-
heid te wenschen overlaten?
A. Neen.
206.      V. En nu de woningen. Wat is de huur van
«ene gewone arbeiderswoning?
A. Dat is ongeveer van 80 cents af tot ongeveer
ƒ 1.50 a ƒ 1.75.
207.     V. Staat u eene woning van een arbeider voor
den geest, b. v. van f 1.50, die gij ons beschrijven kunt?
A. Daarvoor hebben zij, in den regel, eene huis-
kamer en wat zij hier noemen eene keuken, eigenlijk de
plaats, waar het gezin den geheelen dag vertoeft, want
■de huiskamer dient als mooie kamer, soms, als het gezin
groot is, voor slaapkamer; dan hebben zij daarenboven
nog een zolder. De prijs hangt echter meer af van de
grootte der vertrekken, dan van het aantal.
208.     V. Slaapt men in bedsteden, of ook wel in
ijzeren ledikanten?
A. Het laatste is uitzondering.
214.     V. Zijn er ook werkgevers, die voor hun volk
woningen hebben laten bouwen?
A. Voor zoover ik weet, niet; evenmin wordt daarin
voorzien door vereenigingen. De eigenaars zijn meestal
| «huisjesmelkers». Ik geloof niet eens, dat er ééne maat-
schappij beslaat tot het bouwen van arbeiderswoningen.
215.     V. Heeft hel u, van elders komende, niet ge-
troffen, dat de huizen meest van hout zijn, en meent gij,
dat steenen huizen de voorkeur verdienen?
A. Ja, ik geef de voorkeur aan een steenen huis,
want een houten huis is \'s winters kouder en \'s zomers
i veel warmer dan een steenen. Mijne pastorie bijv. heelt
een houten zijmuur, maar dat kan ik dezer dagen merken
aan het stoken. Hoe hier de voorkeur voor houten huizen
is ontstaan, daaromtrent bestaat veel verschil van gevoelen.
Verleden week hoorde ik nog deze uitlegging. Zaandam
zou vroeger gelegen hebben, waar nu de Hembrug is,
en daar door de Spanjaarden in brand zijn gestoken; de be-
woners zouden toen de plaats van hout hebben herbouwd,
! om haar zelf onmiddellijk in brand te kunnen steken,
wanneer de vijand weer verscheen. Een minder dichter-
1 lijke, maar meer natuurlijke uitlegging vind ik in den
uitgebreiden houthandel van Zaandam.
216.     V. Begint men allengs meer steenen woningen
te bouwen?
A. Ja, vooral omdat de aanzienlijken voorgaan; de
oude heerenhuizen zijn meest alle ook van hout.
217.     V. Wordt het loon hier geregeld eens in de
week uitbetaald, of om de veertien dagen?
I
A. De betaling per week is algemeen, maar die om
1 de veertien dagen komt toch ook voor.
218.     V. Zijn u ook van nabij gevallen bekend van
uitbetaling om de veertien dagen, zoodat gij ons kunt
zeggen, hoe dat werkt?
A. Neen, ik heb van een geval gehoord laatst, maar
ik weet niet, waar die man werkt, en van een algemeene
ervaring kan ik niet spreken.
219.     V. Wordt \'sZaterdag-avonds het loon uitbetaald ?
A. Ja, voor de leden mijner gemeente, die nog al
op den Zondag zijn gesteld, altijd.
220.     V. Maar, als zij \'s nachts doorwerken, komt
dan het geld eerst \'s Zondags binnen ?
A. Voor de leden van mijne gemeente niet; die werken
op zijn laatst tot Zondag-morgen 6 uur, maar\'s Zondags
doet de vrouw nooit inkoopen.
221.     V. Maar komt dan het loon toch eerst\'s Zondags
binnen ?
A. In mijne gemeente is niemand, die des Zondags
zijn loon ontvangt; er zijn er, die het\'s Maandag-morgens
krijgen, maar misschien ontvangen anderen het ook wel
des Zaterdag-middags.
4
209.     V. Worden, als zij op zekeren leeftijd komen,
<le kinderen naar de seksen gescheiden?
A. Meestal wel, daarover hoor ik geen klachten.
210.     V. Is het ook uwe overtuiging, dat door toe-
zicht der overheid op de woningen invloed ten goede is
uitgeoefend, dat die toestand vooruitgaande is en thans
zelfs bevredigend kan worden genoemd?
A. Ja.
211.     V. Zijn er intusschen toch gedeelten der ge-
tneente, waar die toestand veel te wenschen overlaat?
A. Neen, men kan overal best komen, en, vergeleken
met achterbuurten in groote steden, wonen de menschen
hier soms in een paradijs. Bovendien, de aard van de
menschen hier is zindelijk, en zij knappen den boel
gaarne op.
212.     V. Hebben zulke huizen ook een stukje grond ?
A. Dat zijn hier uitzonderingen. Groente kweeken en
•een varkentje of eene geit houden, zooals in Overijssel
*n Gelderland gebeurt, komt hier zelden voor.
Enquête. De Zaankant.
-ocr page 23-
14
222. V. Dit schijnt, volgens uwe mededeeling een
uitdrukkelijke wensen van den kant der werklieden te zijn
om, als zij van Zaterdag op Zondag den nacht door-
werken, op Zaterdag-middag of Maandag uitbetaald te
wordt n; maar brengen de andere werklieden, welke
dien wensch niet te kennen geven, hnn loon in dat geval
eerst op Zondag-morgen thuis?
A. Dat kan ik niet zeggen.
M. J. Van der Hoogt.
A. Kerujjk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
gezellige bijeenkomsten van arbeiders uit, waar door meer
ontwikkelde ingezetenen muziek wordt gemaakt, tooneel-
voorstellingen worden gegeven, onderhoudende verhalen
worden voorgelezen, of nuttige modedeelingen worden
gedaan over de natuur, enz.
227.      /". Zijn hier ook arbeiders-vereenigingen, die
ten doel hebben de bevordering van de algemeene be-
langen der arbeiders, met name vak-vereenigingen ?
A. Die ken ik hier niet.
228.      V. Ook niet op andere plaatsen aan de Zaan f
A.
Dat weet ik niet.
229.      V. Hoe is de toestand der arbeiders hier ter
stede, naar uw oordeel?
I
A. Om dien goed duidelijk te maken, veroorloove mij
i de commissie eerst eene korte beschrijving van de Zaan-
streek, omdat die den toestand der arbeiders voor een
goed deel beheersen t.
Daar loopt de rivier de Zaan, en aan weerskanten is
! een straatweg. Loodrecht op die straatwegen staan paden,
I die meestal doodloopen. Op die paden nu wonen do
arbeiders en op de straatwegen de heeren: kooplieden,
I fabrikanten, winkeliers. Achter die paden, op het vrije
veld, staan de molens, dichter of verder af; en dat is
\' van invloed op het leven van de arbeiders. De stoom-
| fabrieken kruipen allemaal aan de rivier; in het veld
1 staan alleen de olie-, pel- en houtzaagmolens of stoom-
: houtzagerijen ; aan de rivier staan de rijstpellerijen, de
! verf- en styfselfabrieken. De stoomhoutzagerijen kunnen
niet aan de rivier staan, daar zij te veel ruimte innemen.
De ligging nu der molens heeft, zooals ik zeide, in-
vloed op bet leven van de arbeiders, want de olieslagers
en pellers kunnen, indien zij ver in het veld werken,
niet altijd zoo gemakkelijk naar huis gaan. Staat de
molen van een peller ver in het veld, dan gaat zulk
een man \'s Zondag-nachts naar den molen toeen blijtt er
de geheele week tot den volgenden Zondag om 8 uuiv
Staat de molen dichter hij, dan krijgt hij zijn tijd om
behoorlijk naar huis te gaan.
De olieslagers gaan in den regel naar huis om te
slapen; ook al staan de molens ver in het veld, want
dan laten zij zich met schuiten brengen en komen zoo
op de paden terug.
De werklieden aan de fabrieken, die aan den weg
staan, kunnen gemakkelijk hun huis hereiken, hebben
een geregelden werktijd, en kunnen naar huis gaan.
Nu wat den invloed op het huisgezin betreft. Een
huisgezin van een peller ziet den vader \'s Zondag-nacht s
heengaan en, wanneer er wind is, de geheele week
wegblijven. Wanneer het stil wordt, dan gaat hij naar
huis en blijft soms 14 dagen achtereen thuis, tot hij
weer gewaarschuwd wordt, dat de wind blaast. De olie-
slagers komen geregeld thuis om te slapen , en, wanneer
dat met den tijd uitkomt, ook om te eten. In den regel
echter eten die menschen aan den molen zelf. Zij komen
thuis om te slapen, maar is die tijd om, dan begint
hun werktijd weer, indien zij ten minste behooren tot
de menschen, die 16 uren per dag werken. Er zijn er
ook, die acht uien per dag aan den molen werken.
Wat de stoom-rijstpellerijen betreft, die hebben de
werkuren van de molens overgenomen, en dat is voor
die menschen moeilijk genoeg. In de molens moeten zij
hard werken, wanneer het bard waait; maar het is soms
lang stil, en dan hebben zij ook rust. Maar in de 2
stoompellerijen achter mij, van Kamphuijs en van Blans ,
waar zij niet van den wind afhangen, hebben zij dier»
werktijd ook overgenomen; daar ook werken de menschen
Verhoor van Willem Jesse, oud 57 jaar, predikant
hij de Doopsgezinde Gemeente, te Zaandam.
223.     De VooraKter: Is hier in de gemeente een
ontwikkeld arbeiders-vereenigingsleven\'?
A. Er is hier eene arbeidersvereeniging «Help Uzelven»,
die onlangs haar 25jarig beslaan heeft gevierd. Het is
eene coöperatieve vereeniging, die twee winkels heeft,
waarin de leden hunne dagelijksche behoeften kunnen
halen, en eene bakkerij; tegelijk zorgt zij ook voor
brandstoffen tegen den winter.
224.      V. Is die vereeniging niet destijds opgericht
door den heer J. Dekker Az., die thans te Koog woont?
./. Ja, die heer heeft, door het lezen van stukken
uit de Gii/s, welke ik hem daartoe had gegeven, en stuk-
ken , die ik uit het Engelsch vertaald had, aanleiding ge-
kregen om, in overleg met zijn toenmaligen patroon, den
heer J. Zwaardenmaker Hz., die vereeniging op te richten.
Toen het 25jarig bestaan gevierd werd, was ik eeregast,
en ik heb zelden een pleizieriger avond gehad dan dien.
Het was zeer aangenaam.
225.      /\'. Aangenaam ook , doordal gij de goede resul-
taten van het 25jarig bestaan dier vereeniging zaagt ?
A. Zeker, ik had mij verder niet met de vereeni-
ging bemoeid, waartoe ik trouwens ook niet geroepen
was. Doch ik moet zeggen, dat, hetgeen ik dien avond
door den heer .1. Dekker Az. heb hooren voordragen,
van veel belang was. De vereeniging heeft het geluk ge-
had eerlijke heden in haar bestuur le bezitten , die hoven-
dien Hink wisten op te treden, wanneer de inferieuren
in de verschillende winkels misschien minder eerlijk
mochten zijn.
220. V. Is het uw indruk, dat de vereeniging ook
opvoedend heeft gewerkt, door samenwerking aan een
gemeenschappelijk doel ?
A. Dit is voor mij moeilijk te bepalen. Indertijd heeft
de vereeniging ook gezellige bijeenkomsten gehouden, die
alleen toegankelijk waren voor de leden, en waar door
anderen en door mij voordrachten werden gehouden. Toen
heeft men echter die bijeenkomsten productief willen
maken, door ze tegen een dubbeltje entree voor het
publiek open te stellen. Het gevolg was — de bijeen-
komsten werden op Zondag-avond gehouden — dat er
jongens en meisjes kwamen, die daar eene versnapering
meebrachten, en van dat oogenblik af heerschte er eene
stemming onder het publiek, waardoor de zaak totaal
bedorven werd en men de bijeenkomsten moest staken.
Tegenwoordig gaan echter van het Nut aangename en
-ocr page 24-
15
239.     V. Daar is dus uws inziens de lange arbeidsduur
eenvoudig het gevolg van het te gering aantal menschen,
dat aan het werk wordt gesteld ?
A. Dit is mijne meening, maar ik moet hierbij voegen,
j dat ik mij niet geheel competent acht om daarover te
oordeolen.
240.     lr. Gij hebt voornamelijk gesproken van de
pelmolens en de olieslagerijen tot nog toe, maar hoe is
het in de houtzagerijen?
A. Daar hangt het, als ik mij niet bedrieg, maar ik
wil daarop niet gehouden worden, van de lengte van
den dag af. Gewoonlijk gaat de houtzaagmolen, zoolang
het dag is. Als ei\' echter veel werk is , wordt ook \'s avonds
en \'s nachts gewerkt, en dit vinden de menschen plei-
zierig, want avond- en nachtarbeid wordt als overwerk
betaald.
241.     V. Wordt aan den nachtarbeid ook door jeug-
dige arbeiders deelgenomen ?
A. In pel- en oliemolens staan ook jongens, die zóó
van school komen, kinderen van 13 jaar en daarboven;
die beginnen wel meest 8 uren te werken, maar als het
noodig is, blijven zij 16 uren ook.
242.     V. Gelooft gij, dat dit sedert de invoering der
arbeidswet nog zoo is?
A. Dat zou ik op mijne catechisatie-lijsten moeten
nazien.
243.     V. Gij kunt dus geen stellig antwoord geven
op de vraag, of in die pel- en oliemolens de wet wordt
I nageleefd of overtreden ?
A. Neen.
244.     V. Maar wat betreft den leeftijd tusschen 16
I en 18 jaar, kunt gij dan beslist verklaren, dat die jeug-
dige arbeiders soms 16 a 18 uren moeten arbeiden?
A. Ja.
24.r>. V. Neemt gij op uwe catechisatie ongunstige
gevolgen daarvan waar?
A. Wij hebben hier een intelligent slag van menschen ;
het lager onderwijs is hier goed, en wanneer de jongens
op school zijn, dan heb ik schik in hen. Zij maken dan
opstellen voor mij, die over het geheel niet achterstaan
bij die, welke de zoons van de patroons maken. Doch
nu wordt zoo een jongen in een oliemolen geplaatst, en
dan ziet uien hem langzamerhand versuffen en achteruit
gaan. De jongens in de pelmolens hebben niet altijd vol-
doende tijd om hun werk te maken, maar die worden
niet zoo suf; zij laten meer hun intellect werken. Ik
vermoed, dat dit door de soort van arbeid komt.
246.     V. Schrijft gij dien slechten invloed in de
oliemolens toe aan het gedruisch, aan het stampen van
de heien?
A. Ja, en aan het ontzettend eentoonige van den
arbeid. Zulk een jongen doet in de eerste jaren niets
anders dan de koeken te brengen van de hei, waar zij
gemaakt, naar de plaats, waar zij bewaard worden. Verder
moet hij het eten voor de andere knechts halen, wat
echter eene uitspanning voor hem is.
247.     V. Gij gaaft zoo even een zeer gunstig getui-
genis omtrent de gewone lagere school. Zijt gij op grond
16 uren achteroen, met kleine rusttijden lusschenbeide.
\'s Nachts gaat het met dubbele ploegen, die om de week
wisselen, maar waarvan de eene dan 18 uren achtereen
werkt.
230.     V. Hoe komt het, dat op de oliemolens de
menseben naar huis gaan om te slapen, soms zelfs om
te eten, en daarentegen op de pelmolens niet ?
A. Dat weet ik niet, ik constateer alleen het feit.
231.     V. Is het uitzondering, dat de pellers bij bc-
hoorlijken wind eene heele week achtereen op den molen
blijven, of is het regel?
A. Als er wind is, blijven zij soms 14 dagen in den
molen, en slapen daar, en dan gaan die menschen alleen
op Zondag naar huis.
232.     /". Gij beseft het nadeel van dien toestand;
maar kent gij een middel om daarin verandering te brengen?
A. Neen, ik wenschte, dat ik het wist.
233.     V. Hoeveel mannen werken er in een pel-
niolen ?
A. Vier.
234.   V. Zijn u gevallen bekend, dat er maar drie man
werken ?
A. Neen, maar \'t zou mogelijk zijn.
235.     V. Wordt, hetgeen men a priori zou aan-
nemen, namelijk dat die afwezigheid van den vader
nadeelig werkt op den toestand van het gezin, door uwe
ondervinding bevestigd\'?
A. Over de gezinnen hier en het huiselijk leven is,
zoover ik mijne gemeente ken, niet te klagen; men
vindt er knappe lui onder; maar de mannen zelven
klagen bitier over dien toestand en het gemis van huise-
lijk leven. Daarbij komt in de oliemolens, dat de
menschen versuffen, door 10 uren die steenen na te
loopen; altijd zorgen dat er zaad onder is, de koeken
er in doen en uithalen, altijd in dat eeuwige gestamp
van den molen zijn, 16 uren lang per etmaal, loopende
eten en drinken , altijd trachten zooveel mogelijk te pro-
duceeren , want daarnaar worden de menschen betaald, —
dat moet op het gehalte van die menschen invloed uit-
oefenen, en dat merk ik dan ook wel.
236.     V. Hebt gij de quaestie om daarin verandering
te brengen wel eens besproken met werkgevers?
A. Jawel, maar in de windmolens is daarin geen
verandering te brengen. Intusschen, de windmolens ver-
minderen in aantal. Een molen, die afbrandt, wordt
niet meer opgebouwd. Ook wordt er wel eens een molen
afgebroken, omdat het bedrijf niet winstgevend meer is,
vooral houtzaagmolens.
237.     V. In de stoompellerijen bestaat, zoover gij
weet, geen technische reden om zoo lang te arbeiden?
A. Daar zijn ploegen die 8, die 16 en die 18 uren
werken, als het noodig is. Zulk eene stoomfabriek gaat
dag en nacht, als er veel rijst is; anders alleen over dag.
238.     V. Maar technische redenen om zoolang ach-
tereen Ie arbeiden bestaan voor de stoompelmolens niet,
voor zoover uwe kennis reikt?
A. Neen.
-ocr page 25-
10
van uwe waarnemingen bij het godsdienstonderwijs tot
de overtuiging gekomen. dat het. bezoek van die school
tot 12 jaren voldoende is met het oog op de geestelijke
behoefte/i van het kind op lateren leeftijd, of meent gij,
dat dit bezoek langer moest worden voortgezet?
A. Dat hangt geheel van het individu af. Er zijn
kinderen, die op hun twaalfde jaar het diploma van
voldoend gewoon lager onderwijs kunnen ontvangen;
maar andere, voor wie dit niet mogelijk is. Voor deze
zou een langer verblijf op de school gewenscht zijn.
Doch de meesten verlaten de school om wat te gaan
verdienen, en dan ziet men spoedig de gevolgen er van:
wat zq vroeger geleerd hebben, wordt dan spoedig ge-
deeltelijk vergeten.
248 1. Meent gij. dat, niet het oog op de geestes-
ontwikkeling, de minimum-leettijd, waarop de arbeid
mag aanvangen , behoort te worden verhoogd ?
//. Dat is eene zeer gewenschte zaak. zoowel voor
jongens als voor meisjes.
249.     V. Brengt uwe waarneming der kinderen u
tot de slotsom. dat dit ook het geval is ten opzichte
van de lichamelijke ontwikkeling?
A. Ja, het staat bij mij vast, dat er kinderen zijn,
die te vroeg in den molen komen en daardoor lichamelijk
achteruitgaan. Andere kinderen daarentegen, die behoette
hebhen aan beweging, ziet men, wanneer zij de school-
banken verlaten hebben, zefs in de oliemolens floreeren.
250.     V. Acht gij intusschen eene verhooging van
den minimum-leeftijd over het algemeen in het belang
der kinderen?
A. Ja, zeer stellig.
251.     /\'. Zoudt gij meenon, dat de wetgever over
de financieele bezwaren, aan die verhooging voor de
gezinnen verbonden, zou behooren heen te stappen?
A. Dat zou ik wel nieenen. Ik zou denken, dat
langzamerhand een geslacht zou geboren worden, dat uit
eigen beweging de kinderen niet zoo spoedig aan den
arbeid liet gaan.
252.     /\'. Heb ik uit uwe mededeelingen terecht op-
gemaakt, dat gij den leeftijd, tot welken de wetgever
zijne bescherming uitstrekt, van 10 op 18 jaren zoudt
wenschen gebracht te zien ?
A. Ik heb juist van de week een geval gehad, dat
mij tot die overtuiging zou brengen. Een jongen van 17
jaar, een wees, dien men nachtarbeid wilde opdragen,
weigerde dien, niettegenstaande het meerdere loon, omdat
hij daarvoor eerst sterk genoeg wilde zijn.
253.     V. Waar werkte die jongen?
A. Op de rijstpellerij van Blans.
254.     V. Staat de eene categorie van arbeiders geeste-
lijk of stoffelijk hooger dan de andere? Staan b. v. de
olieslagers bepaald lager dan de houtzagers\'/
A. Dat kan ik niet zeggen: het houtzagen is ook
een ruw werk.
255.     V. In welk vak wordt het meest verdiend?
A. Dat is moeilijk te bepalen. Men krijgt daaromtrent
van de knechts een geheel ander antwoord dan van de
patroons. De knecht zegt te weinig en de patroon zegt
te veel. Dat is moeilijk na te gaan.
256.    V, Waarin schuilt die marge naar uwe meening ?
In het wisselende deel van de inkomsten?
A. De inkomsten bestaan uit verschillende zaken.
Vooreerst het vaste geld. Dan geven in sommige pelmolens
de patroons vrijheid om zooveel gort te eten, als men ver-
kiest; in andere is dat beperkt. Er zijn ook knechts,
die vleesch krijgen; de patroon laat soms tegen het najaar
een stuk of wat varkens slachten en het vleesch uit-
deelen. Dan nog het overwerk. Een pelmolen gaat een
gedeelte van den dag, maar soms ook een gedeelte van
den nacht, en dal wordt extra betaald. Nu zal misschien
zulk een knecht op de vraag, hoeveel loon hij ontvangt,
antwoorden, wat hij voor vast geld heeft, terwijl de baas
er bij noemt, wat hij aan overwerk betaalt, hoeveel
vleesch, gort of meel hij geeft. Ook het afval van molens
wordt somtijds ten bate van den knecht verkocht.
257.     V. Ondervindt gij bij het geven van uw cate-
chetisch onderwijs moeilijkheden, doordat de jonge arbei-
ders uwe lessen niet kunnen volgen?
A. Ja. Toen ik hier pas kwam, was er geen sprake
van, of de jongelui kwamen op de catechisatie, wanneer
ik een geschikten tijd uitkoos. Dat is langzamerhand
anders geworden. In vroeger tijd werd het werk van den
jongen door de achterblijvende knechts waargenomen,
maar tegenwoordig is dat niet zoo. Nu de stoom is gekomen ,
laat de fabriek den jongen niet los. Wanneer hij toch gaat,
verliest hij zijn loon, en dat heeft ten gevolge, dat ik
op Zondag les geef voor diegenen, die in de week niet
kunnen komen, want zonder onderwijs kan ik ze niet
groot laten worden.
258.     V. Hebt gij pogingen in het werk gesteld bij
de werkgevers om daarin verbetering te verkrijgen?
A. Ja, wel eens. Ik heb de werkgevers wel eens ge-
sproken , maar die zeggen dan: gij moet het met den
meesterknecht vinden, en de meesterknecht zegt: gij
moet naar den patroon gaan. Nu doe ik ook geen po-
gingen meer. Wanneer een jongen niet komt, omdat er
wind is, dan teeken ik het in mijn boekje aan; en als
het. dikwijls gebeurt, laat ik hen \'s Zondags komen.
259.     V. Zijn er hier ter stede, van den kant van
meer bevoorrechten , bemoeiingen in het belang van jeug-
dige arbeiders om hunne geestelijke ontwikkeling te bevor-
deren, door hun lectuur te verschaffen en hen in aan-
raking te brengen met anderen?
A. Ik ken hier alleen de bibliotheek van het Nut,
waar ook wel boeken voor jongelieden te krijgen zijn,
maar andere inrichtingen van dien aard ken ik hier
niet. De burger-avondschool strekt tot ontwikkeling van
ambachtsjongens, maar de fabrieksarbeiders komen daar
niet.
200. V. Ik bedoel minder scholen, dan wel ver-
eenigingen in den geest van de Christelijke Gerefoi-
meerde knapen- en jongelings-vereeniging. Zijn die soort
vereenigingen er ook in andere richting?
A. Neen.
261. V. Acht gij het juist in die overgangsperiode
niet hoogst gewenscht om de jongens tot betamelijk,
gezellig en ontwikkelend samenzijn aan te moedigen?
A. Ja zeker; ik wenschte, dat het kon gebeuren.
Overigens moet ik zeggen, dat het kroegleven zich hier
niet sterk uit; daartegen hebben wij niet veel te
strijden, \'sZondag-avonds gaan de jongelui uit, rooken
-ocr page 26-
17
«en sigaartje en maken een dansje, maar dronkenschap
bij de jeugd kent men hier niet. Toch zou het wen-
schelijker zijn, dat de jongens, in plaats van te zitten
pandoeren en eene pijp te rooken, een goed boek lazen
of wat hoorden vertellen.
262.     V. Komt gij in vele gezinnen?
A. Ja.
263.     V. Is uw oordeel over de woningen nog al
gunstig ?
A. Dat loopt uiteen. In \'t algemeen zijn de huisjes
goed, zij slaan in den regel op zich zelve, zijn licht en
ruim, en hebben dikwijls een bleekveldje. Er zijn ook
enkele arbeiders, die, geholpen door patroons, wat nog
al eens gebeurt, langzamerhand een huisje in eigendom
krijgen. Dan knutselen zij er aan naar hartelust, omdat
zij weten, waarvoor zij «iederen spijker slaan». Doch
de huisjes van de zoogenaamde huisjesmelkers laten veel
te wenschen over, worden slecht onderhouden, zijn tochtig
en vochtig, en vooral in den winter onvoldoende.
264.     V. Dient, wanneer het gezin talryk is, de
zolder meest tot slaapplaats van de kinderen?
A. Ja.
265.     V. En is zoo\'n zolder beschoten of onder de
pannen ?
A. De betere woningen hebben in elkaar gedreven
planken, en daar bovenop de pannen, maar bij die van
minder gehalte ontbreekt dikwijls de dakbeschieting,
tenzij de huurder een schotje maakt. In den regel gaat
men met eene trap naar boven en doet het luik open,
doch op den zolder zelf vindt men dan bedden, kribben,
waarin de kinderen liggen; en men vindt ook wel
woningen, waar, door het bijtimmeren van schutten,
langzamerhand een soort van kamertje is ontstaan.
267.     V. Hebt gij daar in het barre jaargetijde de
kinderen wel blootgesteld gevonden aan den invloed van
weer en wind, ten nadeele van hunne gezondheid?
A. Ik ben dezer dagen mijne gemeente nog eens door-
getrokken, maar vond vrij algemeen voldoende brandstof
en dekking; en waar dat ontbrak, kon ik er aan helpen.
268.     V. Gij spraakt van kribben. Vondt gij uit-
sluitend houten ledikantjes of ook wel ijzeren ?
A. Neen, niets dan houten.
269.     V. Slapen broertjes en zusjes van zekeren
leeftijd vrij algemeen samen?
A. Op jeugdigen leeftijd, maar later niet meer.
270.    V. Vindt men het een opvallend feit, als broertjes
-en zusjes van 10, 12 jaar bij elkander slapen?
A. Ik geloof niet, dat men er veel in ziet, maar het
komt niet veel voor.
271.     V. Bepaalt zich de gewone voeding tot aardap-
pelen met vet gekookt?
A. Neen, men heeft er groente bij. Ook eet men
rijst en gort, maar bij de pellers niet veel gort; de
werklieden houden daar niet van, omdat zij er alle dagen
mede omgaan.
Enquête. De Zaankant.
272.     V. En erwten en boonen?
A. Ook wel.
273.     V. Dus de werklieden behoeven zich niet te
behelpen met aardappelen en lawaaisaus, maar vrij alge-
meen is de regel, dat gegeten wordt aardappelen en
groente met vet gestoofd?
A. Ja.
274.     V. Ziet gij ook wel spek op de tafel vanden
arbeider?
A. Jawel en \'s Zondags een stukje vleesch, en dit soms
door de week ook wel.
275.     V. Doet zich hier het feit wel voor, dat de
kostwinner alleen een stuk spek of vleesch krijgt, en
de overige leden van het gezin niet?
A. Ja, er is hier een slag van arbeiders, waarover
wij nog niet spraken, de zoogenaamde sjouwers. Die
hebben hier soms groote verdiensten. Behalve dat er
onder hen zijn, die drinken, vindt men er, die achter
den Dam zich zelf heerlijk te goed doen aan brood met
worst, maar moeder de vrouw zoo weinig van hun loon
geven, dat het er te huis maar magertjes langs gaat.
Dat doet soms bitter pijnlijk aan.
276.     V. Gij zeidet, dat die losse sjouwers grof geld
verdienen; geschiedt dat het gansche jaar?
A. Neen. In het zijkanaal G, dat, naar ik geloof, voor
Zaandam wel wat worden kan, liggen soms vele schepen,
maar soms ook niet één. De rijstpellerijen, die vroeger
altijd losse sjouwers in dienst hadden, hebben nu eene
vaste ploeg menschen. Zoo heeft b. v. de heer Kamp-
huijs al de drinkers er uit gezet, en die heeft nu een
zeer goed slag van menschen in dienst.
277.     V. Hoeveel verdient zulk een scheepssjouwer
wel, als de week wat meeloopt?
A. Ik heb wel eens gehoord van f 24 en ook van ƒ 36.
278.     V. En dan wordt er later toch gebrek geleden,
omdat in die goede weken niet gezorgd is voor de kwade\'.\'
A. Dat komt veel voor.
279.    V. Komen die gezinnen dan b\\j u voor armenzorg ?
A. Neen; maar ik heb in mijne gemeente niet veel
van die soort van menschen.
280.     V. Is de armenzorg in uwe gemeente drukkend ?
A. Neen, maar de zorg neemt steeds toe, doordat er
meerdere behoeften komen. De arbeiders komen spoediger
dan vroeger in mijne gemeente om geneeskundige hulp.
281.     V. Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Aan de meerdere behoeften, die het gezin zoo
langzamerhand krijgt; aan de veranderde levenswijze van
die menschen.
282.     V. Hebt gij in uwe gemeente wel te zorgen
voor werklieden, die niet meer in staat zijn te werken?
A. Dat komt eene enkele maal voor; maar de meeste
firma\'s in mijne gemeente zorgen voor hunne arbeiders,
wanneer zij afgewerkt zijn, wal haar tot eer strekt.
5
-ocr page 27-
18
283.      V. Zijn u voorbeelden bekend van werkgevers,
die hunne werklieden, hetzij tegen den ouden dag hebben
verzekerd, hetzij hun een recht hebben toegekend op
ondersteuning na zekeren leeftijd?
A. Die zijn my niet bekend.
284.     V. Gij vermeldt met begrijpelijke ingenomen-
heid het feit, dat een groot gedeelte van de firma\'s in
uwe gemeente de werklieden op den ouden dag niet aan
hun lot overlaten. Kunt gij met gelijke ingenomenheid
spreken over de verhouding tusschen de werkgevers en
de arbeiders in het algemeen ?
A. Die is over het algemeen vrij gunstig. Juist de
situatie der fabrieken maakt, dat niet, zooals op groote
fabrieken wel geschiedt, de patroons komen en gaan,
zonder naar de arbeiders om te zien. In de olieslagerijen
en pelterijen komt de patroon driemaal \'s weeks een
langdurig bezoek brengen, en dan spreekt hij met de
meeste knechts, terwijl hij naar het werk kijkt. Dit
veroorzaakt eene zekere vertrouwelijkheid, zoodat de pa-
troon, wanneer de vrouw van den arbeider bevalt, wel
eens een extraatje geeft, of, wanneer deze zwak is en
de man geen geld meer heeft om haar wijn te verschaffen,
een anker wijn zendt, dat dan op langzame, gemakkelijke
wijze mag terugbetaald worden. Dan komen de zoons
van den patroon al op jeugdigen leeftijd in de fabriek,
om te zien hoe het pellen en olieslaan in zijn werk gaat.
Dovendien loeren de knechts de kinderen van den patroon
reeds op jeugdigen leeftijd schaatsenrijden en naderhand
onderwijzen zij hun het pellen en olieslaan. Door dit
alles ontstaat eene verhouding, die werkelijk geen reden
tot klagen geeft.
285.     7 . Hebt gij kunnen waarnemen , dat die ver-
houding ongunstiger wordt bij stoomfabrieken?
A. Zeker, die verhouding lijdt ontegenzeggelijk door
den stoom.
286.     7". Hoort gij wel eens van langdurigen arbeid
door jeugdige krachten in de zakjesplakkerijen ?
A. Nu niet meer. In vroegeren tijd heb ik mij er
dikwijls over geërgerd en ben ik er, zooals ik dat noem,
met mijn herderlijken staf op uitgegaan, om aan de
ouders te vragen, of zij van plan waren hunne kinderen
op het kerkhof te brengen. Ik heb wel gezien, dat de
kinderen verschrikkelijk leden in de zakjesplakkerijen,
maar de arbeidswet-Van Houten heeft daarin verbetering
gebracht. Na dien tijd is dat veranderd. Nu komen zij
er eerst, wanneer zij van school af zijn.
287.     7\'. Door een getuige is ons medegedeeld, dat
thans jonge arbeiders in de zakjesplakkerijen soms laat
werken. Is u dat bekend?
A. Ik heb maar twee leerlingen, die daar werken.
Tegen St. Nicolaas hebben zij het zeer druk, en dan
mis ik ze; maar anders vind ik weinig aanleiding om
te klagen.
288.      V. De regel is zeker wel, dat elke week het
loon wordt uitbetaald; maar geschiedt het niet ook wel
om de 14 dagen?
A. Het is juist regel, dat om de 14 dagen wordt
betaald aan de arbeiders van de molens; elke week aan
die van de fabrieken.
289.     V. Werkt die 14daagsche uitbetaling niet
ongunstig ?
A. Een peller is een eerzaam man, die wel met het
geld thuis zal komen. De olieslager verkeert in eene
eigenaardige situatie. Hij krijgt vast geld, doch verdient
zeer onregelmatig. Om de 14 dagen wordt eene vaste
som uitbetaald en aan het eind van het jaar wordt
berekend, of hij over heeft gehouden of te kort is gekomen.
Ik zie er niets ongunstig* in.
290.     7\'. Wat is hier de regel: dat, als de ma»
\'s Zaterdags met zijn geld thuis komt, daarmede betaalt
moet worden wat in de verstreken week is gebruikt, of
wel, is men toegekomen met het vorige weekgeld, e»
heeft men daarvan geleefd ?
A. In de meeste gevallen wel dit laatste; de menschen
leven van het geld, dat zij krijgen, en ik geloof, dat zij
weinig achterstallige schuld hebben.
291.     7•". Wanneer men nu echter van het ontvangen
loon 14 dagen moet leven, bezwijkt dan niet menige
huisvrouw voor de verleiding, het den eersten tijd wat
ruimer te nemen om het de andere dagen dan te karig
te moeten hebben?
A. Ik denk, dat dat geheel afhangt van moeder de
vrouw. Is deze knap, dan zal zij eerst afzonderen in
aparte potjes, wat voor huur, ziekenfonds, kleeren, enz.
noodig is; men kan die potjes in menig kabinet zien
staan, en de rest wordt gelijkelijk over de verschillende
dagen verdeeld. Wat men daarvan ziet in sommige ge-
zinnen , moet ons met eerbied en bewondering vervullen
voor die menschen. Doch moeders, die zoo de rekening
niet maken , komen verkeerd uit; wat dan niet de schuld
is van te geringe verdiensten, ofschoon ik niet zeggen
zal, dat die verdiensten te hoog zijn — dat kan niet in
mijne bedoeling liggen.
292.     V. Wordt echter uit den aard der zaak van
de huisvrouw in dit opzicht niet meer gevergd, als zij
om de 14 dagen het geld krijgt, dan om de week? Is
het voor het huisgezin niet bedenkelijker, om de 14
! dagen dan om de 8 dagen geld te ontvangen?
A. Dat maakt geen verschil.
293.     V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen?
A. Alleen wil ik er op wijzen, dat timmermans-
bazen , smeden, enz. de jongens, die voor die vakken
opgeleid worden, te weinig gelegenheid geven om de
burger-avondschool te bezoeken.
Ik praat daarover nog al eens veel met de ouders en
geef hun dan den raad om dat als conditie te stellen,,
wat ook wel plaats vindt.
294.     V. Op welke uren wordt de burger-avond-
school gehouden\'?
A. Van 7 tot 10 uur in den winter.
295.     V. Hebt gij geen gunstige werking bespeurd
van het verbod, om jongens beneden 16 jaren langer
dan tot 7 uur te doen werken?
A. Ik geloof, dat die jongens die school verzuimen\'
door gebrek aan belangstelling.
296.     V. Werken ook na de afkondiging der laatste
arbeidswet de jongens wel later dan 7 uur?
A. Dat weet ik niet.
Willem Jesse.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards , Adj.-secretaris*
-ocr page 28-
19
Verhoor van Abraham Pleter Tan Rooien, oud
38 jaar, geneesheer, te Zaandam.
297.    De Voorzitter: Hebt gij armen- en buspraktijk ?
A. Ja, de armenpraktgk der Hervormden en Doops-
gezinden, westzijde, en die der Doopsgezinden, oostzijde,
bovendien buspraktijk.
298.     V. Zijn hier veel bussen?
A. Neen, maar eene. Dezer dagen is juist het oude
ziekenfonds, dat beheerd werd door doctoren en apo-
thekers gemeenschappelijk, opgeheven en overgegaan met
alle leden in een ziekenfonds, opgericht door het Nut,
waaraan alle doctoren deelnemen, behalve Dr. Sassen.
299.     V. Hoe is de verhouding tusschen geneesheer
en patiënten in de buspraktijk? Geeft die ook aanleiding
tot klachten van eene der beide zijden?
A. Over het nieuwe fonds valt nog niet te oordeelen,
maar onder den ouden toestand waren er geen redelijke
klachten. Het eenige, wat voorkwam, waren klachten,
dat de menschen hunne drankjes zelf moesten halen, enz.,
maar dat was natuurlijk absurd. Het nieuwe fonds is
gebaseerd op het denkbeeld om te zorgen, dat zooveel
mogelijk de arbeidende stand geneeskundige hulp kan
krijgen , zonder dat de kosten te veel drukken.
300.     V. Worden in het nieuwe ziekenfonds de
doctoren uitsluitend betaald in abonnement, of zal, hetzij
uitsluitend hetzij bovendien, per visite iets worden
betaald\'?
A. Neen, per visite zal niet worden gehonoreerd.
Ieder lid betaalt eene vaste som. Hel hoogste, wat een
gezin zal kunnen betalen, is 26 ets. per week. Kinderen
van 16 jaar echter moeten afzonderlijk lid worden en
afzonderlijk betalen.
301.     V. Is men in het verkenen van gratis genees-
kundige hulp vrijgevig in deze gemeente?
A. Die vraag is moeilijk te beantwoorden. Iedereen
kan voldoende geneeskundige hulp krijgen, maar soms
is het moeilijk om te zeggen langs welken weg. Ik mag
echter verklaren, dat de geneeskundige hulp daaronder
niet lijdt.
302.     V. Onder de schriftelijke inlichtingen, die de
afdeeling heelt ontvangen, komt ook voor een rapport
van de Kamer van Koophandel, welke schreef, dat er
van ziekten, ten gevolge van arbeid in de fabrieken, geen
sprake is. Uit een rapport van de afdeeling van de Maat-
schappij tot Bevordering der Geneeskunst, voorzien ook
van uwe handteekening, maak ik echter op, dat de uit-
spraak der Kamer van Koophandel door u niet wordt
beaamd.
A. Niet in dien vorm.
303.     V. In het rapport van de afdeeling van de
Maatschappij van Geneeskunde is gesproken van slechte
spijsvertering, ten gevolge van de onregelmatigheid van
schafttijden in de molens. Kunt gij ons daaromtrent iets
naders mededeelen?
A. Het is altijd nadeelig, wanneer men niet op tijd
warm eten kan nuttigen en slechts op brood moet
leven; maar wij hadden hier op geen enkel bepaald geval
het oog.
304.     V. Wat is uwe persoonlijke ervaiing op dat
stuk?
A. Ik acht voor ieder mensch eene geregelde opne-
ming van voedsel wenschelijk; ook wij kunnen niet altijd
geregeld eten, en dat is ook nadeelig voor het lichaam.
305.     V. Een tweede punt, waarop in het rapport
der afdeeling gewezen wordt, is de veelvuldige doofheid
onder de olieslagers.
A. Ja; men zegt hier: hij is doof, dus hij is zeker
olieslager.
306.     V. Aan welk onderdeel van dat werk wordt
dat toegeschreven?
A. Aan het stampen van de heien.
307.     V. Is de doofheid van dien aard, dat zij hin-
derlijk is voor de lijders daaraan?
A. Wanneer zij in den molen blijven, niet; maar
zij zouden niet geschikt zijn om signalen op te nemen ,
bijv. bij de spoorwegen.
308.     F. Ontstaat die doofheid al zeer spoedig, hijv.
bij de jongeren?
A. Neen, zij moeten er eenigen tijd werkzaam zijn
geweest.
309.     V. Een derde punt, waarvan melding wordt
gemaakt in bedoeld rapport, zijn de chronische katarrhen
van de ademhalingsorganen, ook bij arbeiders in de pel-
molens door wind gedreven.
A. Dat komt nu en dan voor, hoewel niet menig-
vuldig. Ik schrijf dit daaraan toe, dat sommige menschen
de lucht niet goed door den neus kunnen laten en din
den mond open houden, waardoor zij stof naar binnen krijgen.
310.     V. Er werd speciaal gesproken van arbeiders
in de windmolens. Doen zich die gevallen niet ook in
de stoompellerijen voor?
A. Dat weet ik niet; de laatste zijn nog niet lang
genoeg in werking.
311.     V. Hebt gij onder de sigarenmakers veel
anaemische personen ontmoet?
A. Niet bijzonder veel. Men moet echter niet ver-
geten, dat, wanneer iemand niet robust genoeg is voor
een ander vak, men dadelijk zegt: «hij deugt alleen
voor sigarenmaker». Wat de werkplaats van den heer
Pondman, een der grootste sigarenmakers alhier, be-
treft, deze is mij gebleken uit een oogpunt van gezond-
heid niets te wenschen over te laten.
312.     V. Zijn de eczemen aan handen en armen bij
de olieslagers, waarvan mede in het voormelde rapport
wordt gewag gemaakt, naar uw oordeel een gevolg vao
het bedrijf?
A. Ik heb dit zelf niet waargenomen en kan dus
daaromtrent geen opheldering geven.
313.     V. Is het slijpen der zagen in de houtzaag-
fabrieken nadeelig voor de gezondheid?
A. Dat niet, maar wel lijdt het hoornvlies aan de
oogen schade door het spatten der vonken. Er wordt
echter door het voorhanden hebben van schutbrillen
-ocr page 29-
zooveel mogelijk daartegen gewaakt, maar de werk-
lieden zijn helaas, veelal te eigenwijs om die te ge-
bruiken.
314.     V. Zijn er niet in alle fabrieken glazen borden
aanwezig, waarachter de slijper zijn werk verricht? Wij
hebben die o. a. gevonden in de fabriek van de firma
Van Wessem & C°.
A. Slechts in enkele. In de fabriek van Van Wessem
heeft men, naar ik zeker weet, schutbrillen; daar is
dus eene dubbele voorzorg.
315.     V. Ons heeft het in de slijperij van die fabriek
getroffen, dat er een zeer onaangename lucht heerschte;
is u, als medicus, geen geval voorgekomen, dat dit
nadeelig op den gezondheidstoestand gewerkt had?
A, Neen.
316.     V. Er worden zeker door u vele jeugdige
arbeiders behandeld. Constateert gij nadeeligen invloed
van langdurigen arbeid op de gezondheid en de lichame-
lijke ontwikkeling van jeugdige arbeiders?
I. Neen.
:S17. /". Is het, als medicus, niet uwe overtuiging,
dat het wenschelijk zou zijn, dat de arbeid later begon ?
A. Dat wel. Een jongen, die te vroeg gaat werken,
b. v. om te sjouwen, belemmert de behoorlijke verdere
ontwikkeling van zijn lichaam. Ik zou wenschen, dat tot
het 12de jaar voor de verstandelijke ontwikkeling van
het wordend individu in alle gezinnen naar behooren
zorg gedragen werd. Daarvoor is, dunkt mij, alleen leer-
plicht het aangewezen middel.
:M8. V. De strekking van mijne vraag was deze: of
gij het niet in hooge mate in het belang van de kinderen
zoudt achten, wanneer zij later begonnen te werken dan
op het 12de jaar.
A. Wanneer b. v. in zagerijen de jongens worden
gebruikt voor hel weghalen van planken, dan wel, maar
zij doen gewoonlijk minder zwaar werk, b. v. het weg-
halen van zaagsel of krullen.
319.     V. Oordeelt gij ongunstig over den invloed van
nachtelijken arbeid op de gezondheid van jeugdige ar-
beiders? »
.•/. Ja, waar het bakkers geldt, die vaak, anaemisch
zijn. Wanneer zij naderhand in een anderen werkkring
overgaan, dan komen zij weer bij.
320.      V. Geldt dat ook voor diegenen, die in molens
nachtarbeid verrichten ?
A. Dat schijnt van niet, omdat zij vermoedelijk meer
buiten den molen komen, waardoor het een tegen het
ander opweegt.
Wat den duur van den arbeid daar betreft, bij de
wind-oliemolens komt het voor, dat de arbeiders IC uren
achter elkaar moeten staan. Daartegenover staat, dat zij
soms 14 dagen niets doen. Dat het daarom zoo nadeelig
zou zijn, indien zij 16 uren werkten, kan ik niet inzien.
Intusschen zou het dienstig zijn, indien dit anders wezen
kon.
321.     V. Zijt gij op de hoogte van de arbeidsrege-
ling van een pelmolen?
A. Alleen door verhalen van mijne patiënten. Wel
weet ik, dat het bij de pelmolens voorkomt, dat de
menschen in tijden niet thuis komen, en in het genees-
kundig verslag hebben wij dan ook gewezen op het
nadeel daarvan voor het familieleven.
322.     V. Neemt gij die nadeelen in uw beroep wel
waar?
A. Dat niet direct; ik zal niet zeggen, dat Jantje of
Pietje beter ontwikkeld zou worden, als vader altijd
thuis was; trouwens de menschen zijn er zeker aan
gewoon geworden, en zij hebben op andere tijden weder
rust, als een ander werkt. Mijn algemeene indruk, die
gedeeld wordt door mijne collega\'s, is, dat de werkman
te Zaandam het niet kwaad heeft.
323.     V. Wat is in een werkmansgezin zoo het
gewone voedsel?
A. Dat hangt af van de verstandelijke ontwikkeling en
van den smaak. De verstandelijk ontwikkelden eten goed
voedsel: erwten, boonen en weinig aardappelen; de on-
verstandigen bevredigen hun honger met kolossale hoe-
veelheden aardappelen en kool.
324.     V. Dragen uwe pogingen om tot een ver-
standig dieet op te wekken nog al vruchten?
A. Nu en dan; een uitstekend goedkoop voedsel,
dat door ons sterk aanbevolen wordt, is paardenvleesch.
325.     V. Kan in een geldelijk normaal gesteld gezin
dagelijks paardenvleesch worden gebruikt?
A. Dat geloof ik niet, wel komt er dagelijks vet in
\'t eten; waar dat niet zoo is, staat het gezin erg laag.
\'s Zondags eten de meesten vleesch of spek, ook visch,
die juist op Zondag nog al goedkoop te krijgen is.
326.     V. Hier bestaat immers geen toezicht op levens-
middelen ?
A. Helaas niet.
327.     V. Hebt gij dan ondervinding van de slechte
gevolgen van het ontbreken van zulk toezicht?
A. Dat direct niet, maar toch acht ik het erg wen-
schelijk. Ik zou het zelfs steik willen uitbreiden.
Ik zou wenschen, dat wij allen den waarborg badden,
dat de koeien, die geslacht worden, volstrekt niet lijdende
zijn aan eene ziekte, die op den mensch kan worden
overgebracht. Een dergelijk toezicht op visch zou ik ook
wenschen, want ik zie lieden uit den arbeidenden stand
wel eens voor een prikje groote visschen koopen, die
zeker niet frisch zijn, anders zouden zij zoo goedkoop
niet gaan. Eene enkele maal heb ik in een arbeiders-
gezin gezien, dat men wat kluitjes uitspoelde met water,
omdat zij anders zoo stonken, naar de menschen mij
vertelden. Daar werd dan soep van gekookt, en de
menschen werden er niet ziek van. Het moet hun dus
gelukt zijn om door de kookhitle alle schadelijke stoffen
te vernietigen.
328.     f. Zijn geen plannen in overweging om een
toezicht op levensmiddelen in het leven te roepen?
A. Ernstige, geloof ik, niet. Er is, naar ik meen,
een postje op de begrooting gebracht, zoodat men er op
terug kan komen.
329.     V. Hebt gij reden om den wensch naar toe-
zich te koesteren ten aanzien van melk?
-ocr page 30-
21
338.     V. Is het hier niet gebruikelijk een stukje
moesgrond by de woning te hebben?
A. Gebruikelijk niet, maar enkelen hebben het, en
die weten er voordeel van te trekken.
339.     V. Geeft gij uit een hygiënisch oogpunt aan
steenen woningen de voorkeur, of stelt gij de houten
woningen niet lager dan deze ?
A. Een goed steenen huis verdient voorzeker de voor-
keur, maar een steenen huis, opgetrokken zooals dit
gewoonlijk plaats heeft, is erg vochtig. In het algemeen
is een houten huis daarom nadeelig, omdat het \'s zomers
te warm en \'s winters te koud is.
340.     V. Beantwoorden de woningen, wat de ruimte
betreft, aan redelijke eischen?
A. Wanneer ik de woningen hier vergelijk met die
van de arbeiders in Leiden, waar ik gestudeerd heb, dan
hebben zij hier een hemel op aarde. Ik heb menigen nacht
op het Levendaal te Leiden bij accouchementen doorge-
bracht, maar dan was het treurig om die tabrieks-pro-
letariërs te zien met hunne bleeke gezichten, en die niets
dan aardappelen aten.
341.     V. Gij stelt dus de arbeidersbevolking hier in
stoffelijk opzicht veel hooger dan die te Leiden?
A. Ja, veel hooger.
342.     V. Ook wat hare geestelijke ontwikkeling
betreft?
A. Ja zeker.
343.     V. Is het volgens uwe ervaring hier ter stede
regel, dat de kinderen van arbeiders reeds betrekkelijk
vroeg bij hel slapen naar seksen gescheiden worden?
A. Zooveel het kan, gebeurt het; en waar dit eene
enkele maal niet mocht geschieden, ligt dit aan onver-
schilligheid.
344.     V. Wordt de wenschelijkheid van die scheiding
door de ouders gevoeld?
A. Zeer zelden wordt de wenschelijkheid van die
scheiding door de ouders niet gevoeld. Dit gevoel is bij
de Leidsche fabriekwerkers ook wel minder.
345.     V. Nog ééne vraag. Neemt de aansluiting van
arbeiderswoningen aan de drinkwaterleiding steeds toe.\'
A. Niet bijzonder. Na de ondervinding van dezen
winter moet ik dan ook zeggen, dat de menschen, die,
naar ik vroeger meende, eene groote domheid begingen,
door er nog rekenbakken op na te houden, toch wel
gelijk hadden. Zij toch putten nu nog water, en dit. is
uit een hygiënisch oogpunt van zeer groot belang. Vroeger
behoorde ik tot de warmste voorstanders van de water-
leiding, maar nu mijne waterleiding bevroren is, betreur
ik het zeer, geen ouderwetschen bak meer te bebben,
waaruit gemakkelijk water kan geput worden. Dwang
zou ik dan ook in dat opzicht niet raadzaam acbten.
6
A. O ja; er wordt hier nog al dunne melk aan den I
man gebracht.
330.     V. Is uwe ervaring, dat de werkman, waar
dat noodig is, melk en eieren aan zijne kinderen kan
verschaffen ?
A. Neen, maar dat is niet alleen het geval met werk-
lieden, maar ook met kleine winkeliers en ambtenaren,
politie-agenten en boden b.v. Dat eischt betrekkelijk groote
sommen Stel, zoo iemand heeft 4 zwakke kinderen — dat
kan voorkomen, want als er een zwak is, zijn de anderen
doorgaans niet sterk — zoodat ik het wenschelijk acht,
dat elk kind 4 eieren daags krijgt, dan kost dat nu al
/ 1.60 daags. Ik vind het trouwens ook eene utopie om
te willen bereiken, dat de werkman tot dergelijke uit-
gaven in staat zou zijn.
331.     V. Ondervindt gij als geneesheer bezwaar om ,
als iemand versterkende middelen noodig heeft, hem die
te verschaffen?
A. Neen, als het een oppassend gezin is, gaat dat
wel; maar wij zouden dan wel eens langer versterkende
middelen willen geven dan gedurende de ziekte en de
eerste week daarna, en dat blijkt wel eens onmogelijk.
332.     V. Beaamt gij het gunstig oordeel, dat door
onderscheidene getuigen over de arbeiderswoningen hier
te Zaandam is geveld?
A. Zeker, over het algemeen zijn die goed.
333.     V. Hebt gij in den tijd, dat gij hier als ge-
neesheer zijt, verbetering gezien ten gevolge van maat-
regelen van overheidswege?
A. Jawel, eene enkele maal is van de bevoegdheid,
die de bestaande verordening aan Burgemeester en Wet-
houders of den Raad geeft, gebruik gemaakt om tot ver-
betering te dwingen.
334.     V. Worden allengs de houten woningen door
steenen vervangen, of blijft men bij de oude houten
huizen ?
A. Er komen langzamerhand meer steenen huizen,
maar niet alle nieuwe huizen, vooral de kleinere, zijn
van steen. Als een werkman zelf gaat bouwen, zet hij
nog dikwijls een houten huisje.
335.     V. Doet hij dat om geldelijke redenen of door
eene aanhankelijkheid aan overgeleverd gebruik?
A. Ik geloof om geldelijke redenen, want zijn patroon
geeft hem het materieel en dat kan hij betalen, wanneer
hij geld heeft, terwijl hij den steenleverancier direct
moet betalen.
336.      V. Komt het betrekkelijk veel voor, dat de
werkman eene eigen woning bouwt ?
A. Een oppassend werkman hier weet het doorgaans
zoover te brengen, dat hij zijne eigen woning krijgt.
337.     V. Met een stuk grond, of met alleen een
bleek veldje ?
A. Slechts met een bleekveldje.
Enquête. De Zaankant.
-ocr page 31-
22
346. V. Hebt gij ook nog op eenig speciaal punt de
aandacht der afdeeling te vestigen?
A. Enkel wensch ik nog even terug te komen op
een punt, dat ook in den geneeskundigen kring bespro-
ken is. Er komen zeer veel verwondingen aan handen
en vingers voor bij het cirkelzagen. Nu heb ik op de
veiligheidstentoonstelling wel eene menigte beschuttings-
middelen daartegen gezien, maar deze moeten volgens de
fabrikanten niet praclisch uitvoerbaar zijn. In hoever dit
waar is, weet ik niet, doch ik ben overtuigd, dat zij
wel genegen zijn de middelen aan te schaffen, die prac-
tisch uitvoerbaar zijn.
Dr. A. P. Van Roojen.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
352.     V. Gq zegt: «wanneer de verdiensten niet
toereikend zijn t>. Is er een bepaalde maatstaf?
A. Deze is moeilijk te bepalen. Het ligt aan de hoe-
grootheid van het gezin. Wanneer iemand f 400 ver-
dient en eenige kinderen heeft, dan ligt het voor de
hand, dat de apotheker geen crediet wil verleenen, en
dan is het Burgerlijk Armbestuur verplicht om te helpen.
353.     V. Een getuige heeft ons als zijne meening
uitgesproken, dat het Burgerlijk Armbestuur juist in het
verleenen van geneeskundige hulp te royaal is. Is dat ook
uwe meening?
A. Neen.
354.     V. En wat de armenzorg in het algemeen be-
treft, is ook daarin het Burgerlijk Armbestuur naar uwe
meening niet te vrijgevig?
A. Neen.
355.     V. Zijn die losse arbeiders, met wie gij veel
in aanraking kwaamt, menschen, die in het eene deel
van het jaar zóó ruim verdienen, dat zij in staat zouden
zijn om te zorgen voor tijden van werkloosheid?
A. Dat is moeilijk te beantwoorden. Er zullen er
wel zijn, maar dat is niet met allen het geval.
356.     V. Kunt gij de mededeeling, door een anderen
getuige gedaan, dat er onder de losse arbeiders velen zijn,
die in tijden van zeer ruime verdiensten een groot ge-
deelte aanwenden voor hunne persoonlijke behoeften ten
nadeele van het gezin, bevestigen ?
A. Ja, dat is wel zoo; doch dergelijke menschen zal
j men wel overal vinden.
I
357.      V. Maar hier toch meer bij de losse, dan bij
de vaste werklieden?
A. Ja.
358.      V. Stelt gij de laatsten hooger dan de eersten ?
A. O ja.
359.     V. Hadt gij bij het Burgerlijk Armbestuur ook
gewezen vaste werklieden, die door ongeluk of ouderdom
niet meer in staat waren te werken?
A. Ja.
360.     V. Hoeveel ontvangt zulk een bejaard man?
A. De een /1 , de ander / 2.50.
361.     V. Is het hier intusschen vrij algemeen, dat
patroons aan zulke werklieden wat uitkeeren?
A. Er zijn er wel, die een klein pensioentje krijgen,
maar algemeen geschiedt dat niet.
362.     V. Wat wordt er dan van hen, die nietsont-
vangen ?
//. Die wenden zich tot hun kerkgenootschap, en,
als dat niet voldoet, tot het Burgerlijk Armbestuur of
ook tot particulieren.
363.     V. Bestaat hier eene Bank van Leening?
A. Neen, die is sedert ongeveer 20 jaar reeds op-
geheven.
Verhoor van Hendrik Flentrop, oud 52 jaar,
oud-secretaris-boekhouder bij het Burgerlek
Armbestuur, te Zaandam.
:147. De Voorzitter: Welke waren uwe bemoeiin-
gen in deze hoedanigheid?
A. Hoofdzakelijk het bijhouden der boeken en het
bijwonen der zittingen voor de bedeelingen. Juist met
1 Januari heb ik mijn eervol ontslag gekregen, in ver-
band met eene nieuwe organisatie, waarbij de boekhouder
speciaal is aangewezen om de arme menschen te be-
zoeken. Dit was voor mij niet geregeld mogelijk, omdat
mijn hoofdvak is: ambtenaar bij de plaatselijke belastin-
gen , terwijl ik met het bijvak van boekhouder slechts
ƒ150 salaris \'sjaars genoot.
348.     V. Door wien werd tot dusver huisbezoek ge-
bracht ?
A. Dat deed ik van tijd tot tijd, wanneer het noodig
was. Maar wanneer men met de toestanden bekend is,
is het in den regel niet noodig.
349.     V. Is hier in het algemeen veel particuliere
armenzorg ?
A. Wij hebben hier eene damesvereeniging en na-
tuurlijk de diaconieën.
350.     V. Behoort Zaandam tot die gemeenten, waar
zeer veel armenzorg moet worden uitgeoefend, of ver-
keert Zaandam in een gunstigen toestand ?
A. Eene vergelijking met andere plaatsen kan ik niet
maken. De fabrieksarbeiders zullen over het algemeen
niet te klagen hebben. Er zijn echter lieden, die los
werk hebben en armoede lijden, indien zij zonder werk zijn.
351.     V. Behoorden degenen, met wie gij door het
Burgerlijk Armbestuur in aanraking kwaamt, meestal
tot de losse arbeiders?
A. Grootendeels. Zij, die vast werk hebben, komen
niet in aanmerking; alleen, wanneer blijkt, dat hunne
verdiensten niet toereikend zijn om geneeskundige hulp
te betalen.
-ocr page 32-
23
364.     V. Z\\jn er ook geen particuliere pandjeshuizen,
huizen van verkoop met recht van weder-inkoop ?
A. Ja, één voor zoover mij hekend.
365.     V. Wordt daar veel gehruik van gemaakt?
A. Ik geloof het wel. Bovendien geloof ik, dat hier
veel gehruik wordt gemaakt van de Bank van Leening
te Amsterdam. Er zijn hier van die menschen, die dan
de pandjes meenemen.
366.      V. Vaste inbrengers?
A. Neen, menschen, die daar wat aan verdienen. Veel
weet ik daarvan echter niet, want ik maak daar geen
studie van.
367.     V. Zijt gij bekend met het hier gevestigde
Werkhuis?
A. Niet bijzonder.
368.      V. Weet gij intusschen toch wel, of er veel
gebruik van wordt gemaakt?
A. Ik geloof het wel. De directeur kan u dat echter
heter zeggen. In het Zaansche Advertentieblad en in de
couranten worden de dagelijks opgenomenen geregeld
bekend gemaakt. Ik meen, dat de laatste opgaaf was
400 in de week.
369.     V. Welke soort van menschen maken gebruik
van dat Werkhuis ? Alleen het laagste deel der bevolking,
of ook wel de fatsoenlijke werkman, die tijdelijk geen
werk heeft?
A. De laatste zeker niet, maar overigens weet ik het
niet te zeggen.
370.     V. Gij hebt straks gezegd, dat tot nu toe
door het Armbestuur geen geregeld bezoek plaats had
bij de bedeelden, maar gij kwaamt toch zeker door
uwe betrekking, en ook wel als ambtenaar der belas-
tingen , veel in werkmansgezinnen ?
A. Jawel.
371.     V. Wal is uw indruk van den stolfelijken
toestand van de werkmansgezinnen hier ter plaatse?
A. Over het algemeen hebben de menschen niet te
klagen. Maar er zijn hier van die visscherslui, die \'s zomers
met een eigen schuitje visschen, maar \'s winters niets
verdienen; die lijden dan armoede.
372.     V. Is er in de ambachtsnijverheid \'s winters
niet veel stilstand van werk?
A. Natuurlijk; schilders, timmerlieden en metselaars
verdienen \'s winters weinig of niets.
373.      V. En komen die dan om hulp bij het Bur-
gerlijk Armbestuur, of slaan ze er zich zelf door?
A. Mij is geen geval bekend, dat een werkman, die
een bepaald ambacht uitoefende, bij het Armbestuur om
ondersteuning kwam. Zulke menschen redden zich meestal
zelf.
374.     V. Zijn er niet in barre winters als deze
zulke gezinnen tot u gekomen om ondersteuning ?
A. Ik kan er niet één noemen.
H. Flentrop.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretarii.
-ocr page 33-
-ocr page 34-
ZATERDAG 3 JANUARI 1891.
ZITTING VAN
Tegenwoordig de het
Kerdijk, Voorzitter.
Le Poole.
Visser.
Verhoor van Hendrik Brinkman, oud 31 jaar, land-
bouwer en tweede voorzitter van de afdeeling van
het Nederlandsch Werklieden-Verbond «Patrimonium»,
te Zaandam.
375.     De Voorzitter: Bestaat de meerderheid van het i
bestuur der afdeeling van « Patrimonium » niet uit
werklieden, in dienst van anderen?
A. Neen.
376.     V. Zijn er in het geheel geen werklieden in
dat bestuur?
A. Dat wel.
377.     V. Hoe talrijk is de afdeeling?
A. Zij bestaat uit 70 a 80 leden.
378.     V. Hoeveel werklieden zijn daaronder?
A. De leden zjjn allen werklieden; er zijn echter
enkele begunstigers.
370. V. Zijn de bestuurders, die niet werkman
zjjn, dan geen leden van de afdeeling?
A. Wij hebben menigmaal geprotesteerd; wij hadden
liever gehad, dat er werklieden in het bestuur zouden
zitting hebben; maar dezen achten zich daartoe onbe-
kwaam.
380. V. Welke categorieën van werklieden zijn er in
uwe afdeeling?
A. Allerhande categorieën.
Enquête. De Zaankant.
381.     V. Wat zijn de bemoeiingen van uwe afdeeling?
A. Wij komen wekelijks samen om de belangen der
werklieden te bespreken, en ondersteunen elkander. Het
voornaamste doel is echter getuigenis af te leggen tegen
het socialisme. Wanneer een werkman meent, dat hij
onrechtvaardig behandeld wordt, schrijven wij ook wel
eens een brief aan zijn patroon. Er wordt echter heel
zelden geklaagd.
382.     / . Hoe oordeelt gij in het algemeen over den
toestand der werklieden hier ter plaatse.\'
A. Die is niet zoo heel ongunstig. Er kunnen echter
nog wel verbeteringen aangebracht worden, zooals dat
van weerszijden de verplichting tot vooraf opzeggen
van den dienst bestond. Die bestaat hier ter stede vol-
strekt niet.
Er zijn wel enkele patroons, die acht of veertien
dagen te voren opzeggen, maar meestal wordt de knecht
eerst des Vrijdags of \'s Zaterdags gewaarschuwd, wan-
neer hij \'s Maandags vertrekken moet.
383.     f. Kent gij enkele ondernemingen, waar dit
laatste regel is?
A. Die kan ik niet bepaald noemen, maar ik heb
het dikwijls op de vergaderingen gehoord.
384.     /\'. Hoort gij ook veel, dat omgekeerd, de
werklieden de patroons niet behoorlijk te voren waar-
schuwen, wanneer zij elders heter terecht kunnen komen .\'
A. Dat gebeurt ook.
385.     V. Welke zijn de andere punten, waarom-
trent gij verbetering zoudt wenschen .\'
7
-ocr page 35-
\'26
A. Van / 7 tot f 11.50, maar dat verschilt bij den
eenen molen veel met den anderen; dat hangt ook veel af
van de gunstige ligging van den molen ten opzichte van
den wind.
395.   V. Hoeveel verdienen de pellers?
A. Bij de windmolens /" 5 tot ƒ 10; bij de stoom-
molens / 7 tot f 12.
396.     V. En waar geeft het volk de voorkeur aan,
aan windmolens of aan stoomfabrieken?
A. Aan de windmolens in de verschillende bedrijven;
zij vinden dat een pleizieriger leven.
397.     V. Is dit daaraan toe te schrijven, dat zij
persoonlijk meer in aanraking komen met de patroons?
A. Och neen, er zijn bij beide inrichtingen goede
en kwade patroons. Maar het werk is zelfstandiger,
varieert meer; door dat eeuwige machinale worden de
menschen zelven machines.
398.     De heer l«e Poole: Wordt in de fabrieken
wel eens een vrije dag gegeven?
A. Dat is heel zeldzaam. Bij Katholieke patroons wordt
niet gewerkt, wanneer er een heiligendag is; maar anders
weet ik niet, dat het voorkomt.
399.      V. Is het, afgescheiden van de godsdienstige
gezindheid van de patroons, niet regel, dat op de
stoomfabrieken aan het werkvolk ééns paar jaar een zoo-
genaamde zomersene dag wordt gegeven?
A. Ik geloof het wel; ik heb er wel eens van ge-
hoord, maar zeker weet ik het niet.
400.     V. Wordt op den zoogenaamden derden Pink-
sterdag niet vrij gegeven?
. /. Ja, dat is algemeen aan de Zaan.
401.     De Voorzitter: Gaat dan het loon door?
A. Voor degenen, die vast loon hebben, ja; maar
de olieslagers werken op stuk.
402.     V. Staan op den derden Pinksterdag de molens
ook stil?
A. Ja.
403.     V. Zijt gij bekend met sigarenmakerijen ?
A. Neen.
404.     V. En met het losse sjouwerswerk ?
A. Heel weinig.
405.     V. Gij kunt ons dus van hen niets mede-
deelen ?
A. Neen.
406.     V. Gaat in geval van ziekte hier ter plaatse
voor de werklieden het loon in den regel door?
A. Ja, dat is vrij algemeen, maar wanneer de ziekte
van langen duur wordt, b. v. tering of zoo iets, dan
houdt de vaste uitkeering op en wordt alleen nu en
dan nog eens eene gift verstrekt.
A. Ik zou wenschen, dat de werklieden tegen onge-
]ukken verzekerd werden. Enkele patroons hebben hunne
knechts tegen ouderdom en gebreken en ook tegen on-
gelukken verzekerd. Maar somtijds, wanneer een knecht
een ongeluk krijgt, dan wordt hem eene of twee weken
loon uitbetaald, en verder is hij aan de liefdadigheid
overgeleverd.
386.      V. Is het juist, wat gij daar zeidet, dat er
ook patroons zijn, die hunne werklieden tegen ouderdom
en gebreken, niet door ongelukken verkregen, verzekeren ?
A. Neen, dat wil ik niet bepaald zeggen.
387.      V. Neemt het aantal verzekeringen tegen on-
gelukken in den laalsten tijd hier ter plaatse niet toe?
A. Verscheidene patroons, tien of twaalf, hebben dat
gedaan.
388.     V, Noemt gij het niet regel hier ter stede, dat,
wanneer een ongeluk gebeurt, waardoor de arbeider tijdelijk
niet in staat is te werken, hij gedurende dien tqd het
loon uitbetaald krijgt?
A. Voor een groot gedeelte wel, maar de patroon is
er niet toe verplicht.
389.     V. Is het een wensch in uw kring, dat den
patroons de verplichting worde opgelegd om hunne
werklieden tegen ongelukken te verzekeren of uit eigen
middelen de gevolgen daarvan te bestrijden?
A. Zeker.
390.     V. Zijn er nog meer punten, waarop gij voor-
heen doeldet\'?
A. De loonstandaard. Er wordt wel niet met zooveel
kracht als door de socialisten geageerd, maar ook in
christelijke kringen wordt er veel over geklaagd, dat de
loonstandaard te laag is, in verhouding tot sommigen
arbeid.
391. V. Geldt de wensch van meerdere betaling de
verdienste op zich zelf, dan wel de verdienste in verband
met den langen arbeidsduur?
A. Deze zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden.
Men wil meer geld, wanneer men zoo lang werkt. Er
zijn drie hoofdtakken: de houtzagerijen, olieslagerijen
en pelleiijen. De loonstandaard loopt nu van ƒ3 tot
/Il a ƒ12, hetwelk een meesterknecht verdient. Een
jongen krijgt ƒ 1.
392.     V. Dat loon van ƒ 3 wordt toch niet door
volwassen werklieden verdiend?
A. Neen, het zijn bij de houtzagerijen jongens van
14 tot 16 jaar, die dat loon verdienen. Doch er zijn
verscheidene gehuwden, die /\'6 a fl verdienen. In het
algemeen vindt men dat te weinig, om daarvoor den
geheelen dag te werken.
393.     V. Hoe lang werken die houtzagers?
A. 10., uur, zonder het overwerk en zonder schaft-
tijd. Aan de molens wordt korter gewerkt: \'s winters
van 8 tot 4i uur, en \'s zomers gaat het met den tijd
op. Met sterken wind wordt het wel \'s avonds 10 a 11
uur; nachtwerk is er niet.
394.     V. Hoeveel verdienen de volwassen olieslagers ?
-ocr page 36-
27
417.     V. Hoe staat het met de opleiding van de
jongens voor een ambacht?
A. Er is hier geen ambachtsschool, en dat wordt
zeer betreurd. Er is wel eene burger-avondschool, waar
de jongens teekenen en boetseeren leeren, en één avond
in de week les krijgen in het timmeren. De moeilijkheid,
die aan eene ambachtsschool verbonden is, wordt echter
ook wel gevoeld; want de ouders, die hunne kinderen
wat moeten laten verdienen, zouden ze niet naar de school
zenden. De meer gegoede zouden er alleen van profiteeren.
418.     V. Gelooft gij, dat, ondanks dat bezwaar, een
behoorlijk gebruik van de school zou gemaakt worden?
A. Dat geloof ik wel, maar niet door de mindere
klasse.
419.     V. Zijn hier ter stede wel pogingen gedaan
om eene ambachtsschool op te richten ?
A. Ik heb er nooit van gehoord.
420.     V. Is men over de opleiding in de werk-
plaats — de eenige gelegenheid dus — nog al tevreden ?
A. Dat is verschillend. Bij kleine patroons leeren zij
weinig.
421.     V. Men hoort wel zeggen, dat juist bij kleine
patroons gewoonlijk nog de meeste gelegenheid is om het
vak te leeren; beaamt gij dat dus niet?
A. Dat zou men zoo zeggen. Maar ik heb als jongen
bij een kleinen baas, die niets te doen had, heel weinig
geleerd. Over het algemeen stuurt men zijne kinderen dan
ook liever naar een flinken baas.
422.     V. Leeft bij de werklieden het besef, dat de
opleiding veel te wenschen overlaat?
A. Ja, daar wordt nog al eens over geklaagd, maar
men heeft niets anders.
423.     V. Zijn er hier ter stede voorbeelden van con-
tracten tusschen ouders en bazen, waarbij deze laatsten de
verplichting op zich nemen om het vak aan een jongen
te leeren?
                                                           •
A. Ik wil niet betwisten, dat die kunnen voorkomen.
424.     V. Maar weet gij, of zulke contracten ge-
sloten worden?
A. Neen.
425.     V. Is hier ter plaatse de Zaterdag de alge-
meene dag van uitbetaling?
A. Ja, van den gewonen werkman ten minste; niet
van de losse arbeiders, die per dag hun geld ontvangen.
426.     V. Wanneer een werkman \'s Zaterdag-nachts
werkt, wanneer wordt dan het loon uitbetaald?
A. Gewoonlijk \'s Zaterdag-morgens, vooral voor de
fabrieksarbeiders; dan gaat de meesterknecht naar het
kantoor.
427.     V, Gaat het bij de molens ook zoo?
A. Ja, bij de windmolens.
407.     V. Wordt de nieuwe arbeidswet hier, zoover
gij weet, goed nageleefd?
A. Ik heb daar niet bijzonder naar geïnformeerd,
maar ik heb wel gehoord, dat de politie er vlug bij is,
wanneer men jongens te lang laat werken of zoo.
408.     V. Ook in smederijen en dergelijke bedrijven
der kleine nijverheid?
A. Ja, ook in de zakjesplakkerijen.
409.     V. Wordt in de bedrijven, waar veel nacht-
werk plaats heeft, aan dien arbeid deelgenomen door
jeugdige arbeiders tusschen de 16 en 18 jaar?
A. In de olieslagerijen wel, maar in de pellerijen
niet. Daar gaan de jongens naar huis. Op de pellerijen
heeft men geen dag- en nachtploeg, maar wisselt dezelfde
ploeg zich af; terwijl twee slapen, doen de twee anderen
het werk, en daar zijn die jongens niet bij.
410.     V. Maar in de olieslagerijen?
A. Daar wel.
411.     V. Wordt het in uw kring niet als zeer be-
zwarend beschouwd, dat zulk een jeugdig arbeider in
den groei van zijn lichaam des nachts rnoet arbeiden?
A. Neen. Wel klaagt men, als er voortdurend wind
is, over te veel werk in de oliemolens; dat werk is wel
niet zwaar, maar het moet met snelheid geschieden, en
er wordt 16 uren achtereen gewerkt. Vooral de blok-
malers klagen.
412.     V. Wordt in uw kring niet de wensch ge-
koesterd, dat, gelijk nu reeds de wet grenzen heeft ge-
steld van den arbeidsduur en van den tijd, waarin gewerkt
mag worden, de wetgever die bepalingen uitslrekke tot
achttienjarigen leeftijd?
A. Neen.
413.     V. Gij zeidet, dat bij de olieslagerijen alge-
meen geklaagd wordt over den langen duur van den
arbeid bij aanhoudenden wind. Is daarin, naar het oordeel
der werklieden, verandering te brengen ?
A. Zeker, maar dat zou den patroon op meerdere
kosten jagen. Er is wel ten deele eene dag- en eene nacht-
ploeg, maar die loopen in elkander, omdat zij 16 uren
werken; men werkt eigenlijk met 1-J- ploeg, zoodat er
twee mannen bij zouden moeten komen.
Mij komen die klachten echter niet zoo dringend voor,
want er zijn tijden, zooals bij voorbeeld gisteren en
vandaag, dat de menschen niets doen. Zij verdienen dan
wel niets, maar bij Hinken wind verdienen zij wel eens
een dubbel loon.
414.     V. Weet gij ook, hoeveel etmalen in het jaar
gemiddeld door de molens gemalen wordt?
A. Neen.
415.     V. Op welken leeftijd komen de jongens in de
molens, bij voorbeeld in de houtzagerijen?
A. Op hun twaalfde of dertiende jaar als kotjongen.
416.     V. En op de gortmolens ook?
428. V. Van het nachtwerk van Zaterdag op Zon-
A. Ja, daar komen zij als potjongens.
-ocr page 37-
28
dag wordt dus niet het bezwaar ondervonden, dat de
huisvrouw eerst \'s Zondag-morgens het geld krijgt ?
A. Neen.
429.      V. Wordt aan sommigen niet om de 14 dagen
uitbetaald ?
A. Ja.
430.      V, Vooral bij de olieslagers, niet waar?
,4. Ja.
431.      V\'. Hebhen zij het niet liever elke week"
A. Daarover heb ik geen klachten gehoord.
432.     V. Ik heb aan een voiïgen getuige eene vraag
gedaan, die ik ook u wensch te doen. Is het regel, zóó
dat het tegendeel in een behoorlijk arbeidersgezin uit-
zondering is, dat de moeder, die van avond het
weekloon ontvangt, dit niet behoeft te gebruiken om te
betalen, wat zij reeds in de verloopen week heeft ge-
kocht ? Kan zulk een gezin met dat geld de volgende
week alles contant betalen ?
A. Ik ken huismoeders, die nooit borgen, en ik
ken er, die alles dadelijk moeten wegzenden.
433.      V. Dat zal wel van het karakter van de
menschen afhangen. Maar wat beschouwt gij als regel?
A. Over het algemeen is het borgen hier verschrikkelijk.
434.      /". Gelooft gij, dat de verleiding om te borgen
grooter is, wanneer het loon om de 14 dagen wordt
uitbetaald, dan wanneer het iedere week geschiedt?
I. Ik ken menschen, bij wie dat met het wekelijksch
inkomen ook zoo gaat. Men heeft echter ook menschen,
die per se zeggen: ik wil niet borgen. Vroeger was er
eene timmormanswerkplaats van De Vries, die om de
maand uitbetaalde, en toch waren er menschen, die
nooit borgden.
435.      V. Dat waren dan uitstekende lieden. Er zijn
echter in dit opzicht drie categorieën van menschen: de
uitstekenden, de slechten, en de middelsoort, die wel
de talrijkste zal zijn. Zijn u nu gevallen bekend, dat
op die middelsoort de langere termijn van uitbetaling
ongunstig werkt?
1. Neen. Betaling om de 14 dagen kan juist een
prikkel zijn om toe te komen.
436.     V. Zijn u thans nog voorbeelden bekend van
betaling om de maand.\'
A. Niet meer.
437.      1. Wordt over onveiligheid in fabrieken en
werkplaatsen geklaagd .\'
A. Neen.
438.      J. Leeft in uw kring de wensch naar een
officieel orgaan, ter behartiging der arbeidersbelangen ?
A. O ja, wij zouden Kamers van arbeid verlangen,
samengesteld uit werklieden en pratroons.
439.     V. Verlangt men zulke Kamers vooral daarom,
omdat de arbeiders thans met grieven en wenschen niet
voor den dag durven komen ?
A. Dat zoozeer niet, maar omdat door eene dergelijke
organisatie meer verband zou gebracht worden in de ver-
schillende meeningen, en grondiger onderzoek mogelijk
zou worden. Behalve het doen kennen van wenschen en
grieven, zou zulk een orgaan ook kunnen strekken tot
voorlichting van de Regeering.
440.     V. Is uw oordeel over de huisvesting van
den werkman gunstig?
A. In \'t algemeen wel, ofschoon er ook huisjes zijn,
die wel opgeruimd mochten worden.
441.     V. Hebben in de laatste jaren Burgemeester
en Wethouders, of heeft, in laatste instantie, de gemeente-
raad wel gebruik gemaakt van de bevoegdheid om slechte
woningen onbewoonbaar te verklaren?
A. Er komen wel zulke gevallen voor, maar men
kon wel wat nauwlettender daarop toezien. Er staan nog
wel hutjes, die het wenschelijk zou zijn te sloopen. Op
het Ameland bijv. staat zoo\'n heel klein huisje, dat heel
scheef in den grond zit, en dat slechts van tijd tot tijd
door een eenloopend mensch bewoond wordt, omdat het
te slecht is. Dat moest worden afgebroken; het is toch
haast niet meer verhuurbaar.
442.     V. Heeft uwe afdeeling wel eens bij de overheid
stappen gedaan om haar aandacht op dergelijke gevallen
te vestigen?
A. Neen.
443.     V. Wij hebben gehoord, dat hier geen toezicht
bestaat op de voedingsmiddelen. Meent gij, dat behoefte
daaraan wordt gevoeld?
A. Ik heb er nooit over hooren spreken.
444.     T. Hebt gij nooit vernomen, dat er slechte
visch, spek van minder goede qualiteit en dunne melk
verkocht wordt?
A. O ja, melk en visch geven aanleiding tot klachten.
445.     F. Eet do werkman geregeld bij zijne aardappelen
en groenten, die dagelijks op zijne tafel komen.......
A. Daar mag wel een vraagteeken bij.
446.     V. Een vraagteeken ? Eet dan de werkman
niet geregeld aardappelen en groente, met vet gestoofd.\'
A. In vele gevallen wel, maar er zijn huismoeders,
die pronkzuchtig zijn, en die geven het den man minder.
Ik heb zoo\'n vrouw gekend, die haar eersten man maar
aardappelen met een lawaaisausje voorzette. Deze was
daar tevreden mede, maar haar tweede man niet, en
dat gaf nog al eens aanleiding tot moeilijkheden.
447.     V. Kan een werkman, die een gemiddeld loon
verdient, en wiens aantal kinderen niet zeer klein is,
wanneer er overleg heerscht, geregeld vet bij het middag-
eten krijgen?
A. Ik heb geen verstand van het huishouden, maaf
heb dikwijls gehoord, dat de menschen zeer zuinig moeten
leven, als zij eerlijk willen zijn en ieder het zijne geven.
Ik ken huismoeders, die meer rijst en gort voorzetten
dan wat andeis, en als zij vet gebruiken, zal het toch
maar een heel klein beetje kunnen zijn.
448.     V. Wordt hier intusschen \'s Zondags vrij alge-
meen in werkmansgezinnen spek of vleescu gegeten?
-ocr page 38-
29
A. Spek of paardenvleesch wordt gebruikt in gezin-
nen, waar overleg heerscht.
449.     V. Neemt het gebruik van paardenvleesch
toe?
A. Ja, en ook dat van Amerikaansch spek, waar-
mede nog al veel gevent wordt.
450.     V. Hebt gij ons thans nog iets mede te deelen ?
A. Ja. Vele arbeiders zouden gaarne zien, dat de
Zondagsarbeid verboden werd. De arbeid op Zondag is
bqv. verplichtend gesteld bij de oliewindmolens.
451.     V. Wordt daar, als er wind is, den geheelen
Zondag gewerkt?
A. Dat komt ook wel voor; maar het is regel om
cles Zondag-ochtends tot 4 of 6 uur te werken.
Verhoor van Cornells Corver Van Wessem, ■ oud
64 jaar, fabrikant en koopman, voorzitter van
de Zaanlandsche Kamer van Koophandel
en Fabrieken, te Zaandam.
459. De Voorzitter: Het is mede in uwe qualiteit
van president der Kamer van Koophandel en Fabrieken,
dat de afdeeling gaarne eenige voorlichting van u zal
ontvangen.
De verhouding tusschen werkgevers en werklieden is
in de schriftelijke inlichtingen, die wij van uwe Kamer
hebben ontvangen, goed genoemd. Wordt deze uitspraak,
die den geheelen Zaankant geldt, door u, speciaal wat
Zaandam betreft, bevestigd?
A. Ja, de verhouding is hier uitmuntend. In het
houtzagersvak zijn de patroons altijd met hunne werklieden
in de weer. Een goed houtzager is altijd aan de fabriek.
460.     V. Is die persoonlijke aanraking, die zeer zeker
een gewichtige factor is voor eene goede verhouding, bij
de olieslagers en pellers geringer?
A. Dat lijkt er niet naar. De olieslagers hebben drie
stadsdagen — dat zijn dagen, waarop zij naar Amsterdam
gaan — en drie dagen, dat zij op de fabriek komen. Dan
maken zij een praatje met een blokmaker, zien eens na,
hoeveel zaad er is en hoeveel olie er is gemaakt, en
gaan dan weer heen.
461.     V. Gelooft gij, dat die geringere persoonlijke
aanraking, in de pellerijen en de oliemolens, eene minder
gunstige verhouding tusschen de werkgevers en de werk-
lieden ten gevolge heeft?
A. De eigenaars van de pelmolens komen er meer,
maar in de oliemolens blijft de fabrikant korter, hij
spreekt slechts met den baas, en met de anderen is er
weinig aanraking.
462.     V. Staan de arbeiders in die drie hoofdtakken
van bedrijf ook verschillend aangeschreven?
A. Ja, de houtzagers zijn het meest ontwikkeld, dan
volgen de pellers, en de olieslagers zijn het minst ont-
wikkeld.
463.     V. Hoeveel molens zijn hier in Zaandam?
452.     V. Heeft men daar groot bezwaar tegen?
A. Ja, de menschen kunnen dan niet naar de kerk
gaan.
453.     V. Omdat zg, wanneer zij tot \'s morgens 4
of 6 uur gewerkt hebben, gaan slapen?
A. Ja, en ook hebben zij er bezwaar tegen, omdat het
tegen hunne Christelijke beginselen indruischt om des
Zondags te werken. Ik weet gevallen, dat patroons gezegd
hebben: wanneer gij op Zondag niet wilt werken, dan
kunt gij vertrekken.
454.     V. Gold dit ook voor werken gedurende den
gansenen Zondag?
A. Ja.
455.    V. Zijn er veel stoom-olicfabrieken in Zaandam?
A. Slechts ééne is er.
456.     V. Wordt daar des Zondags gewerkt?
A. Ja; het is niet verplichtend, maar doen z\\j het
.niet, dan wordt het hun moeilijk gemaakt, want dan
moeten zij werken van Zaterdag 12 uur tot Zondag-nacht
12 uur. Dan werken zij liever tot \'s Zondags-morgens
4 uur.
A. Dat kan ik u niet precies zeggen.
464.     V. Neemt hun aantal zeer af?
A. Het neemt hard af.
465.     V. In al de takken van bedrijf?
A. Ja, vooral de houtzaagmolens belangrijk, olie-
molens minder. Ook het gehalte der eigenaars gaat achteruit;
eene pellerij brengt bij verkoop weinig op, en wordt dan
door een timmerman gekocht.
Ook de stoom oefent invloed uit op de houtzaagmolens,
want één stoommolen werkt zooveel als drie windmolens.
466.      V. Dat geldt de houtzagerijen. Maar wat de
pellerijen betrelt, worden immers alleen de rijstpelmolens
door stoomfabrieken vervangen, niet de garstpelmolens ?
A. Dit jaar is de heer Blans begonnen met eene stoom-
garstpellerij. Vroeger dacht men, dat het onmogelijk was om
de benoodigde paardekrachlen voor de garstpelmolens te
verkrijgen. Nu heeft de heer Blans het echter gepro-
beerd, doch het gaat maar zóó zóó.
8
457.     V. Wie is de eigenaar van die fabriek?
A. De heer Adriaan Honig te Koog a/d Zaan.
458.     V. Wordt er in andere industrieën des Zondags
ook gearbeid?
A. Ook in de pelmolens wordt een gedeelte van den
Zondag gewerkt.
H. Brinkman.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Lb Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Enquête. De Zaankant.
-ocr page 39-
.\'{O
467.     V. Bedoelt gij de rjjstpellerq van den heer
Blans? Wordt daar nu ook garst gepeld?
A. Neen, ik bedoel de garstpellerij.
468.     /\'. Reeds werd ons bevestigd, wat door de
Kamer van Koophandel schriftelijk werd gemeld, dat
hier van vrouwenarbeid in de industrie zoo goed als
geen sprake is. Maar in die schriftelijke mededeeling wordt
ook gezegd, dat arbeidende jongens van 12—1 6 jaar weinig
voorkomen. Daarmede had men toch zeker uitsluitend het
oog op de drie hoofdtakken van nijverheid te dezer plaatse,
en niet op de ambachtsnijverheid?
A. ,1a.
469.     F. Ons is intusschen door een getuige ver-
klaard, dat zoowel op de houtzagerijen als op andere
molens een jongen komt, zoodra hij de school verlaat,
als kotjongen op de houtzagerijen, als potjongen op de
pelmolens, of als pletjongen op de oliemolens. Is dat
niet volkomen juist V
A. Dat is juist, althans op de windmolens, niet op
de stoommolens, daar komen zij later.
471.     V. En als de jongens eerst op iets verderen
leeftijd komen, wat doen zij dan tusschen hun 12dejaar,
waarop zij, behoudens uitzonderingen, de school verlaten,
totdat zij op den molen aan het werk gaan ?
A. Ik bemoei me persoonlijk weinig met die jongens,
mijn baas neemt ze aan; doch ik weet wel, dat de
meesten in dien tijd aan \'t zakjesplakken geweest zijn.
472.     V. Is dat pletten in de oliemolens geen ver-
stompend werk?
A. Dat is het heele olieslagersvak.
473.      /\'. Wordt de wensch, in het rapport van de
Kamer van Koophandel uitgesproken naar invoering van
leerplicht, en dus ook, naar ik vermoed, naar verbod van
arbeid, tot het 14de jaar, hier algemeen gedeeld.\'
A. Hoeveel te meer de jongens leeren, des te beter,
als \'t maar is in de goede richting; dat is goed voor
lichaam en geest.
474.     V. Zijt gij van rneening, dat de wetgever zich
niet door het geldelijk bezwaar voor de ouders, hetwelk
onmiskenbaar aan zulk een maatregel is verbonden, be-
hoort te laten afschrikken?
A. Voor arme menschen is het financieele bezwaar
groot; de behoefte om de kinderen productief temaken,
is niet weg te cijferen.
475.    V. Zou men van het standpunt van den werk-
gever, naar uwe meening, er zeer groot bezwaar in
zien, indien de wetgever, die nu tot den leeftijd van
16 jaren een maximum-arbeidsduur heeft gesteld van
11 uren por dag, voor dien leeftijd het maximum-aantal
uren bracht b. v. op 8 of 9 uren, ten einde van de
jeugdige krachten niet te veel te vergen en aan de jon-
gens meer gelegenheid te geven, om \'s avonds niet al
te vermoeid nog voortgezet onderwijs te genieten?
A. Neen, die jonge krachten hebben wij niet noodig.
476.     V. Meent gij, dat er eveneens geen groot
bezwaar tegen zou zijn, indien de wetgever de be-
perking tot 11 uren per etmaal, nu geldende tot 16
jaar, uitstrekte tot het 18de jaar, zoodat hier, waar
zeer vaak per etmaal 14, 16, 18 uren gearbeid wordt,
! de jongens beneden de 18 jaren aan zoo langen arbeid
I niet meer zouden kunnen deelnemen?
A. Bezwaar zal er niet tegen zijn, maar de jongens
van dien leeftijd kunnen het werk best doen.
477.    V. Meent gij niet, dat op dien, voor delicha-
melijke ontwikkeling zoo gewichtigen leeftijd de nacht-
arbeid, die door den aard van het bedrijf in molens
veel moet voorkomen, nadeelig is ?
A. Jawel; de ontwikkeling is precies in dien leeftijd ,
maar dat kan niet anders.
478.     V. In het rapport der Kamer van Koophandel
wordt gesproken van het weduwenfonds « de Toekomst».
j Kunt gij ons daarvan wat mededeelen ?
A. Ik ben daarvan voorzitter. Dat fonds is 20 jaar
geleden met een pliilantropisch denkbeeld opgericht voor
de geheele Zaanstreek, omdat Zaandam, Zaandijk, Koog
aan de Zaan, Westzaan, Wormerveer, Krommenie, al
die gemeenten, eene familie als het ware uitmaken; er is
ook maar eene Kamer van Koophandel voor de zeven
; Zaansche gemeenten. De grondslagen waren echter zóó
gebrekkig, dat, als wij de Koninklijke goedkeuring wilden
erlangen, volgens rechtskundig advies de statuten geheel
omgewerkt zouden moeten worden.
Kik patroon moest ƒ5 per jaar betalen, en was tevens
garant voor de f 2.60 per jaar, welke elke knecht, die
i ingeschreven was, verplicht was bij te dragen in stor-
tingen van 5 cents \'s weeks.
De belangstelling der werklieden was echter zoo gering,
! dat bijna alle patroons er voor op moesten draaien.
De uitdeeling was grooter of kleiner naar gelang van
den stand van het uitkeeringsfonds en van het aantal
weduwen. Wij begonnen het eerste jaar met eene uit-
keering van f 8 per maand, die is langzamerhand
verminderd tot f 2.25, en nu in October op f 2.50
gebracht.
479.     V. Zijn de meeste patioons lid van dat fonds ?
A. Thans zijn er niet veel meer lid.
i
480.     V. Hoeveel weduwen heeft het fonds thans \'t
A. 32.
481.     V. Hebt gij een stoom- of een windmolen\'?
A. Ik heb eene stoomzagerij en eene windzagery.
482.     V. Hoe talrijk is uw personeel ?
A. Met inbegrip van de lieden der houtwerf, 20 man.
483.     V. Hoe is de arbeidstijd in de stoomzagerij?
A. Er wordt gewerkt van \'s morgens 6 tot \'s avonds
6 uur, met een rusttijd van j uur \'s morgens, 1 uur
om 12 uur en 20 minuten in den namiddag. Bij mij
beginnen zij echter te werken, wanneer het dag is, tot-
j dat de avond valt.
484.     V. Dus een groot verschil van werktijd des
zomers en des winters?
A. Ja, maar ik wil mij niet tot voorbeeld stellen,
want ik houd die fabriek alleen aan voor mijn werkvolk.
-ocr page 40-
31
A. Neen, de knechts waren zeer boos over dat stukje
in «het Volksblad». Ik heb geen knecht, die minder
verdient dan / 6, de meesten hebben f 8, en machinist
en meesterknecht hebben meer. Bovendien ontvangen zij
de brandhoutprernie en dan in November de slacht,
(150 pond varkensvleesch voor den meesterknecht, en de
anderen 70 a 80 pond). Dit is niet algemeen, doch ik
vind het veel beter, dat de werklieden vleesch krijgen,
dan geld.
493.     V. En een sjouwer?
A. Die heeft / 8 (1).
494.     V. Hoe gaat het bij ziekte?
A. Dan krijgen zij hun volle geld, zoolang het duurt.
495.     V. Zijn de werklieden bovendien nog wel in
een fonds, dat bij ziekte geld uitkeert?
A. Ik heb er zoo een gehad, maar gezegd, dat dit
niet aanging; dat is goed voor menschen, die op het
uur werken. Pellers en houtzagers hebben allen vast
loon, en dat ontvangen zij ook bij ziekte. Ja, dat gaat
wel eens vervelen.
496.     V. Hebt gij ook oudgedienden?
A. Ik betaal per jaar f 1200 aan pensioenen. Ik
acht mij daartoe zedelijk verplicht.
497.     V. Hoeveel ontvangen zulke menschen?
A. De koetsier van mijne moeder krijgt f 8; de
weduwe van een nalooper /\' 4; een knecht, die met zijn
50ste jaar al op was, ook f 4; dan heb ik nog eene
weduwe van /\' 2.50, een paar van f 1.50, enz.
498.     V. Handelen vele patroons zoo?
A. Sommigen doen het, anderen niet.
499.     V. Wat wordt er van menschen, als zjj niets
krijgen ?
A. Dan vervallen zij aan de diaconie.
Dat wordt ook wel gewaardeerd, hoewel nog meer
door de buitenwereld dan door het volk zelf.
485.     V. Is de schafttijd, van 12 tot 1 uur \'s mid-
«lags, vrij algemeen ?
A. Ja, behalve de timmerlieden, die hebhen ander-
half uur, maar werken ook per schaft.
486.     V. Wordt die tijd van één uur niet te kort
door u geacht? Wanneer de man niet zeer dicht bij den
molen woont, blijft er niet veel tijd over voor het rustig
gebruiken van het middagmaal met het gezin. Ook door
u zal het toch wel wensehelijk geacht worden, dat dit
rustig en kalm kan geschieden?
A. Zeker, maar in den regel wonen de werklui nog
al dicht bij de fabriek; daar zorgen zij doorgaans zelf
wel voor.
487.     V. Hoe is de werktijd aan de houtwindmolens
geregeld ?
A. In den zomer van \'s morgens 5 uur tot half acht,
met 1 uur rust. Wanneer zij \'s morgens thee drinken
en ontbijten, blijft de molen doorloopen. In den winter
is de werktijd van 8 uur \'s morgens tot \'s namiddags 4 uur.
488.      V. Wordt er in den zomer wel later gewerkt
dan tot half acht\'?
A. Ja, zelfs wel eens tot elf uur, maar dat is over-
malen en wordt extra betaald.
489.     V. Hebben de lui, afgezien van het overwerk,
vast weekgeld, en welke zijn de bedragen er van ?
A. De meesterknecht verdient / 12 vast geld, de
tweede man krijgt / 10, dan zijn er vijf van /\'8, een
van f 7,50 en een machinist van f 15.
490.     V. Ik deed die vraag te meer, omdat ons in
schriftelijke mededeelingen van eene werklieden-vereeniging
speciaal omtrent uwe fabriek cijfers werden genoemd,
en ik u gaarne in de gelegenheid wilde stellen om,
indien daartoe aanleiding is, ze tegen te spreken.
A. Zij klagen misschien, dat mijne loonen te laag zijn.
491.     V. Geschreven werd ons: het hoogste loon,
van den meesterknecht, is ƒ10, twee werklieden hebben
ƒ8, 6 hebben ƒ6, en een gehuwde knecht heeft ƒ4.50,
terwijl de stoker met toelage en al ƒ 5 per week ont-
vangl. Is dat dus niet juist?
A. Dat zal ik u zeggen. Het betreft de brandhout-
quaestie. Vroeger werd altijd brandhout gegaard, en dat
namen ze mede naar huis. Doch er was ook eene zekere
handigheid om de schalen van de balken (die als ze
heel waren, voor den patroon waren), stuk te slaan,
en dan waren ze voor de arbeiders. Daarvan werd veel
misbruik gemaakt. Nu is successievelijk in de houtzagerijen
het denkbeeld overgenomen, om dat brandhout af te |
schaffen, en ik heb gezegd: ik zal u / 100 in het
jaar geven bij driemaandelijksche termijnen. Nu is in
een socialistisch weekblad «het Volksblad» over de loonen
geschreven, maar bij de loonen van die knechts van mij
is die ƒ100, in de plaats van het brandhout, niet
genoemd.
492.     V. Dat is hier toch niet het geval. In de me-
dedeehngen, hier die ik bedoel, is uitdrukkelijk melding
gemaakt van de brandhoutgelden tot het door u genoemd
bedrag. Gij deeldet echter mede, dat het geringste van
de loonen bij u ƒ6 is, en in die mededeelingen werd
gesproken van een gehuwden knecht van f 4.50 per week.
Is dat dus beslist niet waar?
1) Na afloop van het verhoor werd door den getuige nog over-
gelegd de onderstaande lijst van arbeidsloon bij zijne firma
per week. Brandhoutgeld             Diversen,
per week.
* 1........./11.—
         /2.—           met vrije woning.
*      ».........» »•—               n <=■—
*   10.........„ 6.-          , 1.25
11.........„ 3.75          „ 0.50
*  12..........  13—         „8—
*  13.........„  10.—                     als deze op reis is, per week ƒ20.
14.........„ 8.-          „ 2—
*  15.........„    5.26         „ 2.—           met vrije woning.
*  16.........„ 4.50          „ 1.25
*  17.........„ 1.25         „ 0.50
De met een * geteekenden ontvangen in de maand November vleesch
of vleeschgeld. De kosten daarvan bedragen tusschen de/500 en/600,
al naar mate het vleesch duur of minder duur is.
Pensioenen.
1........../«.-
2..........„ 5.25 met vrije woning.
3..........,*-
4..........„ 4— j
5.........." ,\'.„ ) weduwen.
o..........., l.oo 1
7........■ l-öO )
-ocr page 41-
sa
Verhoor van Jan Valk, oud 32 jaar, pellers-
knecht in de stoomrijstpellerij van den heer
C. Kamphuis, te Zaandam.
510.     De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk?
A. In dragen en kruien.
511.     V. Zijt gij ook boven, op de malery, werkzaam ?
A. Neen.
512.     V. Hoe lang is uw werktyd?
A. Van \'s morgens 6 uur tot \'s avonds 8 uur met
een schafttijd van \'s morgens ^ uur, om 12 uur 1 uur,
en \'s middags \\ uur.
513.     V. Wordt er over het algemeen hier \'s middags
slechts 1 uur rust gegeven?
A. Ja, dat is gewoonte.
514.     V. Is die schafttijd voor allen bij den heer
Kamphuis op hetzelfde uur?
A. Neen, de eene helft schaft van 12 tot 1 uur, en
de andere helft van 1 tot 2 uur.
515.     V. Gaat men steeds naar huis, of blijft men
in de fabriek?
A. Wij gaan allen naar huis.
516.     V. Hoe ver woont gij van de fabriek?
A. Ongeveer 7 minuten.
517.     V. Wanneer gij om 1 uur gaat schaften, eet
uw gezin dan ook om 1 uur?
A. Ja, dan wacht men met eten.
518.     V. Is er veel overwerk?
A. In den zomer wordt gewoonlijk tot 10 uur \'s avonds
gewerkt, maar soms werken wij ook nacht en dag; en
dan gaat het met drie ploegen.
De eerste ploeg werkt door- van \'s morgens 5 uur tot
\'s avond negen, d. i. dus 16 uren. Daarvan gaat at aan
rusttijd \'s morgens 8 tot half negen, \'s middags van 12
tot 1 uur, en \'s namiddags 4 uur tot half vijf.
De tweede ploeg komt \'s middags om 1 uur en werkt
tot den volgenden morgen 5 uur, dat maakt ook 16 uren.
Die ploeg heeft \'s middags om 4 uur en \'s avonds om
10 uur een half uur rust. Wanneer het nu niet al ta
druk is, krijgt zij \'s nachts nog een drie kwartier schafttijd.
De derde ploeg werkt ook 16 uren, namelijk van
\'s avonds 9 uur tot den volgenden middag 1 uur, met
een rusttijd van een drie kwartier om half elf en om 1
uur. Wanneer er dan veel werk is, heeft zij niet eer
weer schafttijd, dan den volgenden morgen om 8 uur
een half uur.
519.     V. Begrijp ik het goed, dat de eerste ploeg
twee uren russttijd heeft, maar dat bij de andere ploegen
de rusttijden te zamen wel eens niet langer dan een of
anderhalf uur beloopen?
A. Juist. De nachtploegen hebben toch altjjd drie kwar-
tier om een broodje te eten op de fabriek.
500.    V. Is liet bij u wel eens een punt van overweging
geweest om den arbeiders een pensioen voor den ouden
dag te verzekeren?
A. Neen.
501.     /". Zou men er hier, waar een deel der werk-
gevers betracht wal gij noemt hun zedelijken plicht, maar
een ander deel niet, er groot bezwaar tegen hebben, dat, ter
volkomen bereiking van het doel, eene algemeene rege-
ling tot stand kwam, die aan de werkgevers de verplich-
ting oplegde om, geheel of grootendeels te hunnen koste,
de arbeiders te verzekeren tegen den ouden dag?
A. Er zijn altijd heel wat patroons, wien het minder
past om te betalen.
502.     V. De verzekering tegen ongelukken is in den
laatsten tijd hier toegenomen, niet waar.\'
A. Ja, dat schikt wel.
503.     V, Hebt gij veel ongelukken van beteekenis
zien gebeuren in uwe houtzagerijen?
A. Twee jaren geleden heeft een man bij mij een
been gebroken, maar anders bepalen zich de ongelukken
tot eene blessuur aan de hand of zoo.
504.     V. Worden in uwe fabriek zelve de zagen ook
geslepen ?
A. Ja, in een afzonderlijk lokaal.
505.     J\'. Heeft de slijper een glazen bord voor zich
en een schutbril op?
A, Ja, dat heeft hij wel.
506.     V. Gebruikt hij dien bril ook?
A. Dat weet ik niet.
507.     V. Constateert gij niet, dat de werkman nadeel
ondervindt van de slechte lucht, die in het lokaal heerscht
ten gevolge van het slijpen?
A. Ik heb er nooit iets van gemerkt.
508.     V. Bij ons bezoek aan eene der fabrieken trof
ons die lucht, ontstaan door het slijpen, en op onze
vraag aan den slijper, of hem die niet hinderde, ant-
woordde hij, dat hij \'s zomers alles open zette en er dan
geen last van had, maar dat het nu nog al erg was,
omdat hij wegens de koude alles dicht moest houden.
A. Mijn slijper is wel doof, maar heel gezond.
509.     V. Hebt gij ook een aspirator op de slijpkamer ?
A. Neen.
Goks. Corver Van Wessem.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Rouaards, Adj.-secretaris.
520. V. Derhalve heeft, wanneer er dag en nacht
gewerkt wordt, elke ploeg in het etmaal, met inbegrip
-ocr page 42-
33
533.     V. Komt, bij dag- en nachtwerk, al het volk
\'s Zaterdag-avonds zijn geld beuren?
A. Ja.
534.     V. En wanneer krijgt de vrouw het dan?
A. Als wij thuis komen; nu wat vroeger, dan wat
later, en dan gaat zij haar inkoopen doen.
535.     V. Hebt gij nooit gevraagd om de betaling op
Vrijdag te doen plaats hebben?
A. Neen, wij hebben geen kwaden baas; als wij er
behoefte aan hebben om voor boodschappen f 1 of
f 2.50 naar huis te laten brengen, dan schiet hij die
wel zoolang voor.
536.     V. De vrouw ondervindt van die betalings-
wijze dus geen moeilijkheid ?
A. Neen.
537.     De heer Le Poole: Kunt gij, in wintertijd
of nood, wel voorschot krijgen op afbetaling per week?
A. Ik heb het nooit gevraagd; maar ik geloof niet,
dat mijn patroon dat zou doen.
538.     V. Het zoogenaamde onthaal op Pinksteren,
dat hier vroeger bestond, is dat afgeschaft ?
A. Er wordt niets extra\'s gegeven bij ons, noch
onthaal, noch geld.
539.     V. Hoe dikwijls wordt de ketel schoongemaakt?
A. Van tijd tot tijd; wij doen dat zelf. Op het
oogenblik zit ik er weer in.
540.     V. Hoe lang laat men den ketel afkoelen al-
vorens te beginnen met hikken?
A. Oudejaarsmiddag hebben wij afgeblazen, en den
tweeden Januari zijn wij begonnen; gewoonlijk wordt
\'s Zaterdags afgeblazen , en gaan wij er \'s Maandag-morgens
om 6 uur in.
541.     De Voorzitter: Zijn er ook jongens aan de
fabriek?
A. Neen, de jongste is 19 of 20 jaar; aan kleinere
jongens zouden we niet veel hebben.
542.     V. Hebt gij vroeger op een molen gewerkt?
A. Ja, op een houtzaagmolen.
543.     V. Waar vondl gij het leven pleizieriger, op
den molen of op de fabriek ?
A. Op den molen; daar heeft men nog eens stille
tijden, dat men vroeger thuis komt, zoodat men meer
deel aan het leven heeft, maar de stoomfabrieken gaan
dag en nacht, dus welk een leven voor den werkman!
Het loon is echter hooger op de fabriek.
544.     V. Kwaamt gij op den molen dikwijls in aan-
raking met den patroon?
A. Neen, net zoo min als nu; de patroon praatte alleen
met den meesterknecht; tegen ons zeide hij alleen goeden
morgen en goeden avond.
545.     V. Krijgen de werklieden hij ziekte het ge-
heele loon uitbetaald, of ten minste een deel ervan?
9
van de rusttijden, 16 uren werk; feitehjk, met de 4—2
uren rust er af, dus 14 a 15 uren? .
-t. Ja.
521.     V. Gaat dat zoo een groot gedeelte van het
jaar?
A. Dat is zeer ongelijk; van 16 tot 20 weken, naar
dat het druk is.
522.     V. Wordt \'s Zaterdags in gewone tijden niet
vroeger gestopt?
A. De machine stopt van Zaterdag-avond 12 uur tot
Zondag-avond 12 uur, en zij , die Zaterdng drie uren dienst
deden, werken dan van Zondag-avond 12 uur tot Maandag-
middag 1 uur, altijd als de molen dag en nacht werkt.
523.     V. Maar ik bedoelde, of in gewone tijden,
wanneer niet dag en nacht wordt gewerkt, de fabriek op
Zaterdag vroeger uitscheidt dan 8 uur \'s avonds.
A. Nooit.
524.     V. Is daarvan niet wel eens sprake geweest?
A. Neen, wel op de andere fabriek bij den heer
Blans, daar wordt echter altijd 16 uren gewerkt.
525.     V. Dus wat bij den heer Kamphuis een deel
van het jaar gebeurt, heeft bij den heer Blans altijd
plaats ?
A. Ja, al gedurende vier jaren.
526.     V. Is het daar dan gewoonte, om\'s Zalerdag-
avonds vroeger uit te scheiden?
A. Ja, te half acht, en dan beginnen ze weer Maandag-
morgen te 6 uur.
527.     V. Nu de loonen. Hebt gij een vast weekloon ?
A. Ja, van f 10 in de week.
528.      V. Is dat het gewone loon?
A. Ja.
529.     V. Dat is voor den gewonen werktijd van
\'s morgens 6 tot \'s avonds 8 uur. Doch hoeveel krijgt gij
bij langer werken?
A. 12| cent per uur, onverschillig of het nacht ot
dag is.
530.      V. Houdt gij aanteekening van uwe verdiensten?
Zoudt gij ons b.v. kunnen zeggen, wat gij in het jaar
1890 gemiddeld per week hebt gemaakt, met inbegrip
van het overwerk?
A. Dat is zoowal geweest/11. Wij hebben onore veer
20 weken in 1890 dag en nacht gewerkt. Over het jaar
gerekend, is dat ongeveer 2 uren overwerk per dag,
hetgeen het gemiddeld loon verhoogt tot ongeveer /\'11.
531.     V. Krijgt gij ook premie, rijst of zoo iets?
A. Niets, geen korrel.
532.     V. Wanneer wordt het loon uitbetaald?
A. \'s Zaterdag-avonds om een uur of zeven.
Enquête. De Zaankant.
-ocr page 43-
34
557.     V7. Hebt g|j beneden volstrekt niets behalve
dat ééne vertrek?
A. Volstrekt niets.
558.     V. Hebt gij waterleiding?
A. Ja.
559.      V. Vindt gij dat aangenamer dan den ouden
regenbak ?
A. Eigenlijk gezegd, heb ik maar liever een bak, al
wordt die in den zomer wel eens droog. Maar Dinsdag-
morgen om half acht is de leiding gesprongen, en toen
wist mijne vrouw natuurlijk geen raad.
560.     V. Wat eet gij in den regel?
A. Aardappelen met groenten, erwten en boonen.
561.     V. Hoe wordt het middagmaal bereid ?
A. Altijd met vet. Daar ik maar 2 kinderen heb,
gaat dat nog.
562.     V. Wordt bij huisgezinnen, die 5 of 6 kinderen
hebben, het eten gewoonlijk niet met vet gestoofd?
A. Jawel, maar daar is het natuurlijk mondjesmaat.
563.      V. Eet gij spek?
A. Weinig, ik lust het anders wel. \'s Zondags eet ik
een pond vleesch, maar ik heb liever goed vet dan zoo
weinig spek of vleesch. Ik ken wel kameraden, die het
niet krijgen, maar wij zijn pas met ons vieren. Wordt
het huisgezin grooter, dan kan ik het wellicht ook niet
meer krijgen.
564.     V. Komt er soms visch op tafel?
A. Neen, ik lust die wel, maar mijne vrouw niet,
en zooals men zegt: als de kok het niet lust, dan kookt
hij het niet.
565.     V. Zijn uwe kinderen gezond?
A. Ja, ik heb twee gezonde kinderen.
Jan Valk.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Algemeen aan de Zaan wordt het volle loon be-
taald bij ziekte. Ik heb dat ook gehad , toen ik de influenza
kreeg verleden jaar; maar ik ben niet voor mijn pleizier
thuis door de week. Ik wil gaarne thuis zijn bij mijne
kinderen, maar dan op Zondag; door de week ben ik
liever aan het werk met mijne kameraden.
546.     V. Komt het veel voor aan de Zaan, dat
werklieden, die door ouderdom niet meer kunnen werken,
eene uitkeering krijgen van den patroon?
A. Dat was vroeger meer gebruikelijk dan thans;
bij ons krijgt de vrouw van een man, die eenige jaren
geleden een ongeluk heeft gekregen, een pensioen van
f 5 per week, en een gewezen chef van ons heeft ook
een pensioen van f 5.
547.     V. Kent gij wel bejaarde werklieden, die een
groot gedeelte van hun leven bij denzellden patroon
hebben doorgebracht en nu onderhouden moeten worden
door hunne kinderen of door de liefdadigheid, omdat de
patroons het niet doen?
A. Ja; meestal worden zij afgescheept met een paar
kwartjes of een gulden.
548.     V. Komt er veel wisseling in het personeel
voor bij den heer Kamphuis?
A. Neen.
549.      V. Wordt er veel boete opgelegd in de fabriek ?
A. Het boetestelsel bestaat bij ons niet.
550.     V. Is dat algemeen zoo aan de Zaan?
A. Aan de verffabiïek legt men boete op voor te
laat komen; maar komen wij bij ongeluk eens te laat,
dan ziet de chef dat door do vingers.
551.     V Is de verhouding tusschen het werkvolk
en den chef goed?
A. Ja, die is zeer goed.
552.      V. Gij zeidet \'s Zondags gaarne bij vrouw en
kinderen te zijn, maar door de week liever op het werk
te wezen. Wat doet gij des avonds?
A. Dan lees ik eene krant, Het Vliegend Blad, waarop
wij met ons drieën ingeteekend zijn, of een boek. Maar
kom ik om 10 uur thuis, dun ga ik graag slapen.
553.      V. Is het een zeer vermoeiend werk, dat gq
hebt?
A. In den winter niet, maar wel des zomers, wanneer
het druk is.
554.     V\'. Hoeveel kinderen hebt gij ?
A. Twee.
555.      V. Hoeveel verwoont gij ?
A. f 1.25.
556.      V. Wat hebt gij daarvoor?
A. Éón kamertje van ongeveer 12 voet breed en 16
voet lang, met een portaaltje in het vertrek zelf. Daarin
wordt gekookt en gegeten, en er zijn twee bedsteden
in om te slapen. Dan heb ik boven een zolder en boven-
dien een flink bleekveld bij het huis.
Verhoor van Willem Kuijs, oud 46 jaar,
houtzagersknecht bij den heer P. Kluijver Jr.,
te Zaandam.
566.     De Voorzitter: Gij zijt aan den windmolen,
niet aan den stoommolen werkzaam, niet waar?
A. Ja.
567.     V. Wat verdient gij?
A. Aan vast geld ƒ6.75 als middenknecht.
568.     V. Wat is een middenknecht?
-ocr page 44-
35
Om 8 uur \'s morgens gaan wij brood eten, en als er
wind is, wisselen wij elkander af; om 4 uur met de
koffie of thee gaat dat evenzoo.
581.     V. Verstrekt de patroon de koffie en thee?
A. Ja.
582.      V. Wordt er dikwijls, als er flink wind is,
later gemalen dan tot half acht ?
A. Ja, wel eens tot 10 uur \'s avonds.
583.     V. Wordt daar extra voor betaald?
A. Ja, de meesterknecht krijgt 12\\ cent per uur
daarvoor, de middenk necht 10 ets, de ondermiddenknecht
7 }t et. en de jongen 5 cents.
584.      V. Wordt er wel \'s nachts gemalen ?
A. Bij anderen wel, bij ons niet; ten minste nief
in de 18 jaar, dat ik er ben, hoewel het meestal druk
is.
585.     V. Vindt gij het aangenaam, dat bet bij u
niet gebeurt, hoewel gij minder inkomen hebt dan
gij zoudt hebben, indien er wel \'s nachts gemalen werd l
A. Ja, als men van \'s morgens 5 tot \'s avonds 10
uur heeft gewerkt, is het mooi genoeg.
58G. V. Wordt er algemeen zoo over gedacht?
A. Ja, er zijn er maar weinigen, die gaarne voor
een paar kwartjes hunne nachtrust opofferen; maar men -
I schen, die een groot gezin hebben, moeten soms wel.
587.    V. Als er geen wind is, en de molen dus niet
malen kan, hebt gij dan toch werk op den molen ?
A. Ja , dan is er nog alle dagen werk ; het hout bij den
molen te brengen, het gezaagde hout op te stapelen
voor het drogen, en het naar de schippers te brengen, enz.
588.     V. Hoeveel dagen per jaar maalt de molen
j gemiddeld?
A. Ik heb er aanteekening van gehouden van 1875
, tot 1882; ik meen, dat de molen 2 3 van het jaar wind
j heeft.
589.     V. Heelt de houtmolen meer wind noodig dan
; de garst- en de oliemolen?
A. Een pelmolen heeft ook nog al wind noodig, maar
I niet altijd, dat hangt af van het werk; een oliemolen
kan met heel weinig wind toe. Men oliemolen kan dus
! meer dagen malen dan een pelmolen, en deze weer meer
j dan een zaagmolen.
590.     V. De kotjongen in den windmolen kruipt,
om het zaagsel weg te halen, ook wel terwijl de molen
draait, onder den toestel, niet waar?
A. Dat wordt bij ons streng verboden.
591.     /". Hebt gij nooit gezien, dat een jongen het
toch deed?
A. Bij ons niet.
592.     V. In de tweede plaats moet immers die jongen
uit het raam het zaagsel halen, dat er tusschen blijft
zitten 1
A. Neen, dat valt van zelf weg.
A. Op één na de hoogste rang op den windmolen;
de meesterknecht heeft den hoogsten rang. Op mij volgt
de ondermiddenknecht, en dan de jongen.
569.      V. Dus gij zijt met uw vieren op den wind-
molen; is dat het gewone getal ?
A. Ja, maar er zijn er ook van vijf.
570.      V. Wat verdient de meesterknecht?
A. f 8.50.
571.     V. En de ondermiddenknecht?
A. /"4.
572.     V. Is dat een getrouwd man?
A. Neen, hij is pas 20 jaar.
573.     V. En de jongen ?
A. ƒ2.
574.     V. Het is immers gehruikelijk, er nog brand-
houtgeld bij te krijgen ?
A. Ja. De meesterknecht en ik krijgen .ƒ 2.50 in de
week, de ondermiddenknecht ƒ 1.50, en de jongen/"0.50.
575.     V. Zijn er nog andere voordeden voor de
werklieden ?
A. Ja, eene soort gratificatie. In de maand November
krijgen wij wat voor de slacht: de meesterknecht f 30,
ik krijg ƒ 15, en degoen, die op mij volgt, de onder-
middenknecht. krijgt f 10.
Bovendien krijgt iedere knecht elke week twee zakken
zaagsel — dat is ruim twee mud; terwijl de patroon
tusschen Kerstmis en Nieuwjaar puik gerookt spek cadeau
geeft — aan den meesterknecht en den middenknecht
10 K.G., aan den ondermiddenknecht 7ó K.G., en aan
den jongen 5 K.G.
576.      V. Wordt er op sommige molens werkelijk
slacht gegeven?
A. Bij den ouden heer Van Wessem is dat zoo, maar
in den regel krijgen de lui geld, wat zij liever hebben.
577.     V. Zijn er patroons, die niets geven?
A. Ook.
578.     V. Hoe oud is de kotjongen bij u op den
molen ?
A. 18 jaar; vroeger werden wel jongere jongens voor
dat werk gebruikt, maar dat mag niet meer.
579.      V. Hoe oud was die jongen, toen hij aan den
molen kwam ?
A. 16 jaar; vóór dien tijd was hij bij een timmerman#
De meeste jongens gaan, als zij van school komen, aan
een of ander vak naar gelang van hunne klachten, o g
wat te verdienen.
580.     V. Hoe lang werkt gij ?
A. \'s Winters van 7^ tot 4,|- uur met 5 kwartier
rust; \'s zomers van 5 tot 7} uur met dezelfde rusttijden ,
want de molen kan alleen in het middaguur staan.
Indien wij, wat wel gebeurt, een kop koffie willen ge-
bruiken of wal uitrusten, dan moeten wij dat onder
elkander vinden.
-ocr page 45-
36
608. V Verdient uwe vrouw er iets bij ?
A Neen.
009. V. Uw vak is aan den eenen kant een gezond
vak, dat hardt; maar gaan er van den anderen kant niet
vele pasbeginners onderdoor, ten gevolge van het blootge-
steld zijn aan weer en wind?
A. Zwakke jongens kiezen meest een ander vak.
610. F. Zijt gij lid van de winkelvereeniging ?
A. Ja.
614. V. Hoe bevalt u dat?
A. Niet te best. Mijne vrouw klaagt., dat de artikelen
duurder en slechter zijn, en dat zij in de gewone winkels
meer percenten zou kunnen maken. Wij blijven er echter
in, omdat wij dan niet Februari een spaarpotje hebben,
wanneer het dividend uitbetaald wordt, terwijl het anders
toch maar door de vingers gaat.
612.     V. Waarvoor gebruikt gij dat geld gewoonlijk ?
A. Meest voor de doktersrekening,
613.      F. Waarom zijt gij niet in een ziekenfonds?
A. Omdat daaraan altijd eene wekelijksche uitkeering
van / 3 of f 4 verbonden is, en die dan door den
patroon van het loon wordt afgetrokken.
614.     V. Ik bedoelde geen ziekenfonds, dat zieken-
geld uitkeert, maar alleen voor geneeskundige hulp. Wat
betaalt gij voor eene doktersvisile?
A. Dat weet ik niet precies. Dokter Stephan aan de
Koog leverde ook medicijnen, en zette dan in eens de
hoofdsom op de rekening.
615.     /\'. Zijt gij op de hoogte ook van het werk
in den stoommolen?
A. Ja.
616.     V\'. Gebeurt het wel in do fabriek van den
heer Kluyver, dat de wig, die bij het spannen van de
zagen ingeslagen wordt door den man, die beneden zit,
er uit springt?
A. Ja, maar dan is het meest door onoplettendheid.
617.     /\'. Kan niet, door het bezigen van wiggen
van zekeren vorm, het gevaar van uitspringen worden
verminderd ?
A. Daar kan weinig aan gedaan worden. Als ik moet
inkloppen, dan ga ik met mijn hoofd op zij, dat leert
men van jongs af aan.
618.     V. Wordt bij het spannen van de zagen zelve
altijd het stutblok er onder gezet?
A. Dat wordt wel eens verzuimd.
619.     V. Is het werken in de stoomzaagmolens niet
gevaarlijker dan in de windmolens?
A. Neen, de stoomzaagmolens zijn degelijker inge-
richt dan de windmolens. Er kan wel eens eene poelie
breken, doch daar zijn maatregelen voor genomen. Er is
eene brug, waar de drijfriemen overheen loopen. Het is
wel eens gebeurd, dat er eene poelie brak en de stukjes
593.     V. Als er gesmeerd moet worden, wanneer
gebeurt dat?
A. \'s Morgens vroeg.
594.     V. Geschiedt het nooit onder het werk?
A. Neen.
595.     V. Gaat bij ziekte uw loon door ?
A. Ja, al zijn wij een jaar ziek, dan krijgen wij
toch ons vol loon.
596.     V. Is dat algemeen hier ter stede?
A. Ja, uitgenomen bij metselaars en timmerlieden.
597.     /". Worden er boeten bij u toegepast?
A. Nooit. Vroeger waren er wel eenige patroons,
«He boeten hieven voor te laat komen, maar dat bestaat
niet meer.
598.     V. Zijn de andere werklieden ook zoo lang bij
den heer Kluijver als gij ?
A. Langer. De heer Kluijver heeft nu 23 a 24 jaren
lang de zaak, en de werklieden zijn van dien tijd af
bij hem in dienst
599.     V. Hebt gij een groot gezin?
A. Ik heb twee dochters; eene van "16 jaar, die in
dienst is, en eene van 12 jaar, die nog school gaat.
600.     V. Hoeveel verwoont gij .\'
A. ƒ1.25.
601.     V. Wat hebt gij daarvoor?
A Eene kamer en een portaal, afgescheiden in de
kamer, benevens een zolder.
602.     V. Is er een hokje om in te wassclien?
A. Neen, maar wij hebben buiten het huis eene schuur
om brandstoffen te bergen , en daarin kan gewasschen
worden.
603.     V. Wanneer het gezin groot is, bijv. 5 of 6
kinderen heeft, hoe doet men dan met slechts ééne
kamer; waar slapen dan de kinderen?
A. De ouders slapen in de bedstee en dan slapen er
drie of vier kinderen op zolder.
604.     V\'. Zijn die zolders afgesloten ?
A. Ja, meestal,
605.     V. Kent gij veel werklieden, die een eigen
huisje hebben 1
A. Ja.
606 I\'. Hoe hebben zij dat gekregen? Door eigen
gespaard geld of met een voorschot?
A. Wanneer zij jong zijn, geeft de patroon hun
meestal een voorschot.
607. V. Hebt gij zelf niet aan een eigen huisje ge-
dacht ?
A. Neen, ik verdiende toen te weinig om elke week
f 2 te kunnen missen.
-ocr page 46-
37
ijzer in het rond vlogen, maar zooveel mogelijk worden
daartegen maatregelen genomen.
620.     V. Is het niet bijzonder koud en tochtig in
200\'n stoommolen?
A. Ja, ik werk er niet graag, doch als de patroon
het commandeert, moet ik het doen.
621.     V. De molen is immers aan twee kanten open,
niet waar?
./. Ja, dat moet wel, want aan den eenen kant gaan
de balken er in, en aan den anderen kant komt het ge-
zaagde hout er uit.
622.     V. Is het in de windmolens minder tochtig?
A. U bedoelt zeker den paltrok. Daar is het wel veel
kouder, maar niet zoo tochtig, omdat men in de huiten-
luchl staat. Ik heb daar een gedicht op gemaakt. Mag
ik het den heeren eens voorlezen?
Wie op een paltrok werkt, dient niet verkleumd te wezen
En moet voor storm of sneeuw of strenge vorst niet vreezen,
Want in de vrije lucht of in het ruime veld
Is \'t in den wintertijd soms bar en guur gesteld.
Maar is men voor een poos aan \'t werk, dicht bij den molen,
En als de oostenwind zich dan niet houdt verscholen,
Dan bijt hij in het oor van hem, die planken sjouwt,
En \'t is dan bij de kraan vooral niet minder koud.
Maar nu rijst hier de vraag: bestaan er ook gevaren
Voor \'t werkvolk, dat hier loopt; gaat het niet met gevaren
Voor veiligheid gepaard, dat dragen van het hout,
En \'t aanslaan van een balk, door \'t vriezen hard en koud?
Dan moet ik zeggen: ja, maar altijd voor diegenen,
Die niet voorzichlig hier hun werk doen, zouikmeenen;
Maar hij, die dertig jaar dit werk reeds heeft gedaan,
Die is er mee vertrouwd, die weet waar hij moet staan.
Men kan hier aan de Zaan veel oude mannen vinden,
Die in dit ruwe werk zelfs nog behagen vinden,
Die voor een karig loon, en toch met noeste vlijt
En zonder ongeluk te krijgen, een tijd
Van veertig, vijftig jaar hun krachten hieraan wijden,
Maar echter zonder aan één lid van \'t lichaam iets te lijden ;
De tijd maakt hem met \'t werk gemeenzaam, stuk voor stuk,
En zelden hoort men hier van een groot ongeluk.
Zoo leert men ook alweer de jonge lieden werken,
Maar niet met zachtigheid, dit dient men op te merken;
De aard van \'t werk is ruw, dus ruw is de manier
Van leeren aan een knaap; men moet niet talmen hier,
Want met een harden wind moet alles vlug gebeuren,
Dan moet het handig gaan, dan staat men niet te zeuren,
Want alle dagen waait er ook geen vlugge wind;
Dus dan maar aangepakt, niet teutig, maar gezwind.
Al giert en loeit de storm, al klettert ook de regen,
De molen snort en kraakt, het volk kan daar wel tegen,
Veel mannen zijn daar reeds van kindsheen aangewend, !
En menig jongeling daarmee niet onbekend.
Een bovenkruier is ook altijd niet te roemen,
Men kan zoo\'n molen wel gerust een trekkast noemen,
Omdat meestal met wind de deuren open staan
Voor \'t uitsteken van \'t hout, of balken aan te slaan.
Maar veeltijds heeft men toch gemak in barre dagen,
Als men een zwaar gebint of dikken balk moet zagen;
Want dan is alles vast, en beter ingericht,
En kan het met het werk, men doet de deuren dicht,
En raast de sneeuwstorm boos, men heeft geen last hier
binnen.
Maar op een paltrok kan men dan haast niets beginnen,
Want weldra is met sneeuw de molen overdekt,
Omdat van achteren de wind steeds binnentrekt.
Dus dient men hier vooral zich zelf in acht te nemen
En elk werktuig vast in zijne hand te nemen,
Enquête. De Zaankant.
Want kjjkt men niet goed uit, het werk gaat gansch
verkeerd,
Daar \'t veeltijds is gebeurd, dat men zich had bezeerd
Door een onachtzaamheid van zijne kameraden.
Maar door goed uit te zien, zal men hier niemand schaden;
En \'t spreekwoord is zeer waar, dat ik hierbij nog zeg:
Het werk is half reeds goed, bij wakker overleg.
623. V. Wanneer hebt gij dat gemaakt?
A. Verleden Dinsdag, toen het zoo erg koud was,
bij de kachel.
Willem Buijs Pzn.
A. Kf.rih.ik, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Aren! Jongh, oud 49 jaar, houtzagersknecht
by de firma Schuddeboom & Mijsberg, te Zaandam.
624.     De Voorzitter: Zijt gij op een stoom- of
windmolen ?
A. Op een windmolen.
625.     V. Altijd geweest?
A. Van mqn 12de jaar af; tegenwoordig moet een
kotjongen 13 wezen.
626.      V. Gij werkt met 4 man?
A. Neen, met zijn driëen. Ik ben meesterknecht, en
onder mij staan de middenknecht en de jongen. Toen ik
daar begon, was er schraalte van balken, zoo komt dat,
maar er zijn molens, waar 4 en bij drukte 5 man
werken.
627.     V. Moet gjj met 3 man harder werken?
A. Neen.
628.      V. Hoeveel verdient gjj ?
A. f 8.50, de middenknecht heeft f 5.50 en de
jongen ƒ 1.75. Aan brandstoffen krijg ik f 1 per week,
de middenknecht / 0.75 en de jongen per jaar f 7.50.
Verder heb ik alleen nog f 15 slacht per jaar.
629.     V. Is dat het gewone loon?
A. De eene patroon geeft meer dan de ander; dat
varieert van f 7 tot ƒ10, al naarmate de patroon meer
missen kan.
630.     V. Hoe zijn de werktijden?
A. \'s Winters van 7 tot 4.30, in den zomer van 5.30
\'s morgens tot 7 uur \'s avonds; bij wind en overwerk wordt
het wel eens 10 uur. Nachtarbeid hebben wij niet.
631.      V. En op andere molens?
4. Daar gebeurt het wel.
10
-ocr page 47-
645.     V. Hebt gij veel kinderen?
A. Ik heb drie meisjes, waarvan twee in dienst zjjn
en een nog school gaat.
646.      V. Hoeveel verwoont gij\'\'
A. f 1 per week.
647.     V. Wat hebt gij daarvoor?
A. Eene kamer met een keukentje, waar mijne vrouw
werkt.
648.     V. Hoe groot is die kamer ongeveer?
A. Ik denk ongeveer 14 voet in het vierkant.
Het is een heel best huis, en wanneer de huisbaas
wilde, zou hij er gemakkelijk f 1.25 huur van kunnen
krijgen.
649.     V. Heeft de patroon geen arbeiderswoningen?
A. Ja, bij den stoommolen.
650.     V. Wonen daar arbeiders van den patroon?
A. Ja.
651.     V. Zijn die woningen zeer gezocht door de-
arbeiders ?
A. Dat weet ik niet; zij zijn er op gehuurd on»
daar te wonen.
652.     V. Zijt gij in een ziekenfonds voor genees-
kundige hulp?
A. Neen.
653.     V. Wanneer er iemand ziek is in uw gezin r
krijgt gij dan den dokter en de geneesmiddelen gratis?
A. Neen, die moet ik betalen; de dokter krijgt
f 0.40 per visite en de geneesmiddelen kosten zoo wat
f 0.60.
654.     F. Zijn hier geen ziekenbussen?
A. Jawel.
655.     V. Waarom zijt gij daarvan geen lid?
A. Omdat mij dat, wanneer ik er met vrouw en
kinderen inga, allicht tien stuivers in de week kost.
656.     V. Zijt gij geassureerd tegen brand?
A. Ja.
657.     V. Is dat hier algemeen?
A. Ja.
658.     V. Zqt gij lid van de winkelvereeniging ?
A. Ja.
659.     V. Hoe bevalt u dat?
A. Goed.
660.     V. Hoort gij wel eens uwe vrouw klagen, dat
de waren er duurder zijn, dan in andere winkels? Ik doe
u die vraag omdat een ander getuige eene dergelijke
verklaring heeft afgelegd.
632.     V. Ontvangt gq extra-betaling voor dien arbeid
tot 10 uur?
A. Ja; daarvoor krijg ik 12| cent per uur en de
middenknecht 10 ets.
633.     V. Hebt gij in den afgeloopen zomer veel tot
10 uur moeten werken?
A. Neen, er was haast geen wind; als ik 20 uren
overgewerkt heb, zal het veel zijn.
634.     V. Blijft de jongen ook nawerken?
A. Neen, de wet verbiedt om hem langer dan tot 7
uur te laten werken; maar vroeger, toen hij wel over-
werkte, kreeg hij 5 ets.
635.      V. Doet gij dat werk dan met u beiden?
A. Ja, ik laat den molen wat zachter loopen.
636.     V. Wie haalt dan het zaagsel weg?
A. De middenknecht, of het blijft zitten tot den vol-
genden morgen.
637.     V. Haalt overigens de jongen het zaagsel weg,
terwijl de molen loopt?
A. Ja, maar hij heeft een lange schraper, zoodat
hij niet bij de ramen komt.
638.     V. Is er eene afscheiding?
A. Ja, aan weerszijden zijn gaten om het zaagsel
door te halen.
639.     V. Op de verschillende molens schijnen de
loonen nog al te verschillen. Gebeurt het dientengevolge
soms, dat de menschen naar een anderen patroon gaan,
om wat meer loon te krijgen?
A. Ja, als wij ons een paar kwartjes kunnen ver-
beteren, dan doen wij dat; maar wie een goeden patroon
heeft, die blijft, als het maar eenigszins kan. Ik heb
vroeger bij mijnheer Striening geweest, 30 jaar lang,
daar had ik f 7.25 in de week.
640.     V. "Waart gij daar meesterknecht?
A. Neen, daar waren de meesterknecht en ik en een
nalooper alleen. De meesterknecht en ik hadden f 7.25
in de week en 1 gulden in de week brand; en de meester-
knecht had f 30 per jaar voor de slacht.
641.     V. Hadt gij geen slacht?
A. Geen slacht.
642.     V. Was er nog iemand onder u?
A. Neen.
643.      V. Dus gij verbeterdet niet onaanzienlijk toen
gij hier kwaamt?
A. Zeker, vroeger was het knapjes armoe lijden.
644.      V. Wanneer gij ziek zijl, gaat dan uw loon
door?
A. By den heer Striening wel, maar hier weet ik
het niet, omdat ik in dien tijd nog niet ziek geweest
ben.
-ocr page 48-
39
A. Daarop kan ik moeilijk antwoorden. Wij maken
hoofdzakelijk werk van de stoomfabriek, en wanneer er
veel werk is, gebruiken wij den windmolen er bij.
670.     V. Zaagt gij in hoofdzaak het hout voor anderen ?
A. Ja.
671.     Is het juist, dat de loonen in uw windmolen
zijn als volgt:
van den meesterknecht f 8.50 met f 1 brandhout
\'s weeks, / 15 slacht en 12£ cent per uur overwerk;
van den volgenden knecht f 5.50 met / 0.75 brandhout
\'s weeks, geen slacht en 10 cents per uur overwerk;
terwijl de jongen heeft f 1.75 per week, f 7.50 per jaar
brandhout en 5 cents per uur overwerk?
A. Ja.
672.      V. Wanneer men deze cijfers vergelijkt met
die van de loonen aan andere molens, dan wordt men
getroffen door betrekkelijk groote afwijkingen. Wij hebben
opgaven gekregen van loonen, die lager zijn dan de uwe,
maar ook van hoogere. Is er hier bij de houtzagerij geen
standaardloon, dat algemeen wordt gevolgd ?
A. Neen. Er moet echter verschil worden gemaakt
tusschen een houtzager, die het hout verwerkt voor een
ander, en een, die het voor eigen rekening doel. Wij
hebben onlangs iemand gekregen, die sjouwer was ge-
weest bij een anderen patroon; die verdiende bij ons
zeker minstens f 1 meer dan bij zijn vroegeren patroon;
door zrjne komst waren dus én wij geholpen èn hij.
In de stoomfabrieken zijn de loonen hooger dan in de
windmolens.
673.     V. Gjj hebt een kotjongen. Hoe oud is die?
A. 13 jaar.
674.     V. Doet die mede bij overwerk?
A. Neen, ik houd mij aan de wet.
675.      V. Is het uithalen van zaagsel, onder het raam
uit, niet gevaarlijk, en zou dit gevaar niet voorkomen
kunnen worden?
A. Het zaagsel moet uit het kot, anders zou, wan-
neer er 4 of 5 balken tegelijk gezaagd worden, het zaag-
sel te veel ophoopen. De jongen haalt dat zaagsel weg
met eene lange schop, en gebruikt hij die, dan is een
ongeluk onmogelijk; het ergste wat gebeuren kan, is,
dat de schop breekt.
676.      V. Maar moet hij soms niet het zaagsel uit
het raam zelf halen?
A. Neen, dat valt voldoende weg.
677.     V. Hoe is de werktijd in de stoomhoutzagerij ?
A. Van 6 tot 6 uur, met drie rusttijden, te zamen
2 uren.
678.      V. Heeft er veel overwerk plaats?
A. Bij drukte wordt tot 8 uur \'s avonds overgewerkt;
nachtarbeid gebeurt misschien driemaal \'sjaars.
679.      V. Werken, als de nood dringt, de men-
schen dan 36 uren achtereen door aan één stuk?
A. Neen, dan gaan zij den volgenden avond wat
vroeger naar huis, of beginnen des morgens wat later.
680.     V. Gij gebruikt in uwe stoomfabriek nog al
jongens ?
A. Neen, er is misschien wel eens een enkel artikel,
dat wat duurder is, maar over het algemeen staat het
gelijk.
661. V. Hoeveel bedraagt het dividend ?
A. Wij krijgen een dubbeltje van eiken gulden, dien
wij in den winkel besteden, terug. Dat is altijd nog eens
een aardig spaarpotje.
A. Jongh.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Ad}.-seeretari».
Verhoor van Jan Schuddeboom, oud 43 jaar, hout-
zager, lid der firma Schuddeboom & Mijsberg,
te Zaandam.
662.     De Voorzitter: Hebt gij alleen windmolens?
A. Neen, ook eene stoomhoutzagerij.
663.     V. Hebt gij meer dan één windmolen?
A. Wij hebben er twee, maar werken slechts met één.
664.     V. Is het juist, dat daar, zooals ons is medege-
gedeeld, de werktijd in den winter duurt van \'s morgens
zevenen tot \'s namiddags half vijf, en des zomers van
half zes tot \'s avonds zevenen ?
A. Ja.
665.     V. Is er een vaste rusttijd?
A. Ja, van \'s morgens 8 uur tot half negen, van
12 tot 1 uur om te eten, en \'s namiddags van half vier
tot 4 uur om thee te drinken.
666.    V. Naar wij vernomen hebben, duurt de middag-
rust vrij algemeen slechts een uur. Is nooit eene verlenging
daarvan door u overwogen, met het oog op een rustigen
maaltijd van den werkman met zrjn gezin?
A. Neen, dat is bij ons niet overwogen. Bij de
stoomfabrieken rust men 5 kwartier, bij de windmolens
een uur.
667.     V. Waarom is het bjj deze laatste korter?
A. Omdat de arbeid bij de windmolens niet zoo moeilijk
is als in de stoomfabrieken, waar het altijd flink door-
werken is, terwijl bij de windmolens \'s morgens soms
veel werk is en het \'s middags, als de wind gaat liggen,
gemakkelijker gaat.
668.     V. Is het juist, dat dit jaar in uwe wind-
molens weinig overwerk is geweest ?
A. Ja, dit is zoo, de wind was niet mede.
669.     V. Op hoeveel schat gij het aantal uren over-
werk in een jaar, dat gunstig is wat den wind betreft?
-ocr page 49-
40
A. De loonen verschillen toch niet zoo erg. De eerste
zager krijgt f 10, de tweede ƒ 8.50, plus eenige emolu-
menten; maar die heeft de zager op den molen ook.
689.     V. Een middenknecht in een molen, waar niet
het laagste loon wordt gegeven, verdient met het brand-
hout f 9.25 in de week. Moet men dien vergelijken met
uw eersten zager?
A. Neen, ik zou zeggen met den tweeden.
690.     V. Welnu, die verdient ƒ 8.50, plus vrije
woning met tuin, welke wij schatten kunnen op ƒ 1.25,
en J 0.50 brandhout per week, dat maakt f 10.25;
dus hij heeft f 1 meer dan bedoelde middenknecht.
Is er eenig premiestelsel in uwe fabriek?
A. Neen.
691.     V. Behoort uwe firma tot die, welke hare
werklieden tegen ongelukken verzekeren?
A. Ja, dat is in den laatsten tijd hier zeer toegenomen.
A. Ja. "Wij hebben ook eene schaverij. De fabriek
bestaat uit eene balkenzagerij, eene sneedelenzagerij, eene
schaverij en ploegerij, eene cirkelzagerij en eene zagenslijperij.
681.     V. Wat is eene sneedelenzagerij?
A. Het zagen van dikke planken in dunnere delen.
682.     V. Welken arbeid verrichten nu de jongens
in hoofdzaak?
A. In hoofdzaak het krullendragen van de schaverij
naar het ketelhuis.
683.      V. Hebben zij geen planken aan te dragen voor
de cirkelzaag?
A. Jawel, liet lichte werk; voor het zwaardere komt
al gauw een opgeschoten jongen van 19, 20 jaar.
684.     V. Komen de jongens niet in de zagerij zelf?
A. Ja, om de krullen weg te halen; maar als zij
alleen doen, wat zij moeten, loopen zij geen gevaar.
685.     V. Welke loonen geeft gij ?
A. De chef of baas heeft / 11 in de week, vrije
woning, tuintje, / 25 slachtgeld, een stukje land voor
het houden van twee schapen, en /\'25 brand; de machinist
heeft / 12 in de week, f 15 slacht en / 25 brand; de
eerste zager f 10 weekloon, f 15 slacht en f 25 brand;
nog een zager f 8.50 weekloon, vrij wonen, tuintje,
/\' 15 slacht en / 25 brand; de eerste cirkelzager krijgt
/ 8, vrij wonen, tuintje, / 15 slacht en f 15 brand,
de tweede ƒ 7 \'s weeks en / 15 brand; de schaver heeft
/16 \'s weeks en ƒ 25 brand; de slijper /10 \'s weeks en even-
eens f 25 brand; de noodhulpzager heeft / 8 in de
week en / 25 brand; de andere zagenslijper heeft f 7.50
in de week en / 25 brand; een insteker voor de schaverij
heeft f 6.25, vrij wonen, tuintje, / 15 slacht en
/ 25 brand.
Dit is het groote personeel. Thans komen de jongens:
een krullenjongen heeft / 1.50 en / 5 brand per jaar;
een andere jongen, stoker, heeft f 2; de leerling-
cirkelzager heeft f \'3 en f 5 brand; de jongen voor het
aanslaan der balken heeft eveneens f 3 en f 5 brand.
686.      V. Uit deze cijfers blijkt, dat in de stoom-
zagerij en stoomschaverij hoogere loonen worden verdiend
dan op de molens. Waaraan ligt dit? Is het misschien,
omdat op de fabriek grootere bekwaamheid wordt vereischt ?
A. Grootere bekwaamheid niet, maar aan eene stoom-
fabriek is het altijd druk, terwijl een windmolen niet
altijd werkt. Nu is het in den regel veel moeilijker om
een zager te krijgen aan eene stoomfabriek dan aan een
windmolen.
692.     V. Hoe ging het vroeger met die werklieden ?
A. Bij ziekte of ongeval kregen zij hun volle geld.
Voor vele kleine patroons is de verzekering dan ook
inderdaad eene uitkomst; aan wie zij dan ook uitsluitend
ten goede komt, daar het werkvolk toch betaald werd.
Zoo heb ik een geval gehad met een man, die zich de
muis van de hand had afgeschaafd en weken lang zijn
volle loon van mij heeft ontvangen. Daarentegen gleed
kort geleden een van mijne werklieden, bij het naar huis
gaan, uit, waardoor hij een gat in de knie kreeg, terwijl
I ik het loon van de verzekering-maatschappij uitgekeerd
! kreeg.
693.     V. Gelooft gij, dat het doorgaan van het loon
bij ongelukken of ziekte hier algemeen is?
A. Zeker.
694.     V. Ons is door een paar werklieden uit meer
I dan één vak verzekerd, dat bij hen geen boeten worden
toegepast. Is dat bij u ook niet het geval ?
A. Neen.
695.     V. Door industrieelen wordt wel gezegd, dat
I zij niet zonder boete kunnen; is dit volgens uwe onder-
! vinding onjuist?
A. Het is wel zeer moeilijk, maar het kan toch.
In ons vak all hans is men van den morgen tot den avond
aan de fabriek; dus men heeft het oog over alles, wat
er gebeurt.
687.     V. Gij hebt ons zooeven medegedeeld, dat
uw molen, uit den bijzonderen aard van uw bedrijf,
niet altijd werk heeft; maar in een windmolen,
gedreven door een houthandelaar, wordt toch zeker
zooveel gemalen als de wind toelaat. En door een
getuige is ons medegedeeld, dat, al kan er niet ge-
malen worden, er toch altijd voor de lieden werk ge-
noeg is. Is nu, wanneer men uwe stoomfabriek vergelijkt
met een gewonen molen, toepasselijk wat gij zeidet,
dat er in een sloommolen veel meer werk is?
A. In dat geval niet.
688.     V. Maar de loonen zijn toch hooger ? Waaraan
ligt dat dan? Kan het zijn, omdat de menschen liever
op een molen werken , in eene kleinere omgeving, dan in
eene fabriek ?
696.     V. Is er ook geen boete voor het te laat komen ?
A. Dat valt bij ons nimmer voor. Zij zijn altijd
precies op tijd.
697.      V. Hoeveel man hebt gij in de zaagfabriek?
A. 15 man, waaronder 3 jongens.
698.     V. Wanneer gij een werkman wilt ontslaan,
of een werkman van patroon wil veranderen, wordt dan
over en weer van te voren gewaarschuwd?
A. Ja.
699.     V. Op hoe langen terimjn?
-ocr page 50-
41
A. Dat is niet bepaald, maar wanneer een werkman
van patroon wil veranderen, dan vergewist hij zich of
hij een anderen dienst kan krijgen, en daarna zegt hij
14 dagen te voren zijn dienst op.
700.     V. Is dat ook de termijn, dien gij betracht?
A. Ja.
701.     V. Dus het komt niet voor, dat een werkman
op stel en sprong heengaat, of dat gij een werkman op
stel en sprong wegzendt?
A. Neen.
702.     V. Wordt het loon eens per week op Zaterdag
uitbetaald?
A. Ja.
703.     V. Geschiedt het in de houtzagerijen ook wel
om de 14 dagen ?
A. Zoover mij bekend, elke week.
704.     V. Is in het algemeen de verhouding tusschen
patroon en werkman over en weer gunstig te noemen ?
A. Ja, uitnemend.
705.     V. Gij hebt straks van vrije woningen gesproken.
Hoeveel zijn er dat?
A. Vijf.
706.     V. Maakt het gebruik van die woningen deel
uit van het arbeidscontract?
A. Ja.
707.     V. Is hel in het belang van de onderneming,
dat sommige arbeiders bij de fabriek wonen, of zijn die
•woningen gebouwd in het belang van de werklieden?
A. In beider belang. Vooral bij winterdag is het in
het belang der werklieden, dat zij niet zoo ver behoeven
te loopen of zoo vroeg moeten opstaan. Ook is het in het
belang der fabriek, dat zij dichtbij wonen.
708.     V. Is er aandrang van de zijde der werklieden
om zulk eene woning te betrekken ? Wonen zij er graag ?
A. Dat maakt verschil. Men woont buiten de kom
der gemeente, en dit is een bezwaar voor de gezelligheid
en ook voor de schoolgaande kinderen.
709.     V. Ik meen verstaan te hebben, dat de huur
door u wordt geschat op f 1.25. Is dit zoo?
A. Ja.
710.      V. Wat hebben zij daarvoor?
A. Eene woonkamer, een plaatsje om schoon te maken
en eene bergplaats.
711.     V. Is de zolder beschoten of alleen met pannen
gedekt ?
A. Het eerste zal het geval wel zijn.
Enquête. De Zaankant.
712.      V. Worden bij het gebruik van de cirkelzaag
door u bijzondere voorzorgen genomen?
A. Neen, maar wij hebben toch zelden ongelukken
gehad. Het is eens gebeurd, dat een jongen door onvoor-
zichtigheid met de zaag in aanraking kwam, maar dat
kan iedereen gebeuren, wanneer hij komt, waar hij niet
wezen moet.
713.     V. Hebben echter zij, die met de cirkelzaag
moeten werken, nooit een ongeluk gehad?
A. Dat is ééns gebeurd. Vier jaar geleden heeft een
man een stuk uit zijn vinger gesneden.
714.     V. Hebt gij de cirkelzagen op de tentoonstel-
ling te Amsterdam gezien?
A. Ja, die waren uitnemend, maar ... als men
eenmaal eene inrichting heeft, kan men, ook om de finan-
ciën, daarop niet alle verbeteringen toepassen.
715.     V. Zijn er planken aangebracht onder de hori-
zontale riemen?
A. Neen.
716.     V. Is het vliegwiel omheind?
A. Neen.
717.     V. Wordt het aangezet met de hand of met
eene staaf?
A. Altijd met eene staaf.
718.     V. Is het slijpen van de zagen, wanneer het
geschiedt zonder voorbehoedmiddelen, niet een gevaarlijk
werkje ?
A. Ja, maar de man heeft ter bescherming eene glazen
plaat vóór zich, en bovendien een bril op, terwijl over
den steen voor het springen eene ijzeren plaat loopt; het
lokaal, waar dat slijpen geschiedt, is zeer ruim.
719.     V. Hebt gij reeds bejaarde werklieden?
A. Mijn oudste knecht wordt 60 jaar.
721.     De heer Le Poole: Hoe dikwijls wordt de ketel
schoongemaakt ?
A. Om de 6 weken.
722.     V. Hoe lang duurt het dan, aleer de werk-
lieden er ingaan, nadat de ketel afgespuid is?
A. \'s Zaterdag-avonds om 6 uur wordt zij afgespuid, en
dan gaan zij er \'s Maandags om 6 uur in om te bikken.
723.     De Voorzitter: Wat doen uwe overige werk-
lieden dan op zulk een dag?
A. Dan wordt de molen aangeveegd, het hout op
lengte gelegd, enz.; in één woord, dan is er zooveel op
de werf en den molen te doen, dat het volk het daar-
mede druk heeft.
11
-ocr page 51-
42
V. Wordt er in de stoomzagerij veel overge-
735.
werkt ?
724.     De heer 1* Poole: Is het u niet bekend,
dat er een middel is om het water te reinigen, zoodat
de ketelsteen van zelf van de wanden valt?
A. Neen.
725.      V\'. Die apparaten bestaan tegenwoordig en
voldoen goed, zoodat het bikken overbodig wordt.
A. Geregeld; 2 uren per dag, dat is het miximum y
maar in dezen tijd wordt er slechts 1 uur overgewerkt.
736.      V. Wordt er in den windmolen, wanneer er
een flinke wind gaat, zoodat het wenschelijk is om door
te malen, toch rust genomen?
A. Niet in alle, sommige zagen door; maar bij mij
wordt gerust.
737.      V. En wanneer doorgezaagd wordt, hoe gaat
het dan met het eten?
A. Tegenwoordig weet ik het niet, maar vroeger
haalden de zoogenaamde jongens het eten bij de werk-
lieden van huis, en dan werd het gegeten, terwijl de
molen zaagde. Gij hebt, als ik mij niet vergis, mijne
zagerij bezocht; welnu, dan zult gij opgemerkt hebben,
dat men daar twee sleden heeft. Men liet er dan ééne
van hangen, zoodat er maar ééne doorging. De lieden
hadden dan gelegenheid om tamelijk op hun gemak het
middagmaal te nuttigen. Maar ik geloof niet, dat het
tegenwoordig meer voorkomt.
J. Schuddeboom.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Ad).-secretaris.
Verhoor van Pleter Kluif ver Jr., oud 46 jaar,
houtzager en houthandelaar, te Zaandam.
726.     De Voorzitter: Uwe houtzagerij wordt immers
gedreven door stoom en wind?
A. Ja.
727.     V. Hebt gij voor uw houthandel niet afzon-
derlijk personeel?
A. Neen, dat loopt door elkander.
728.      V. Voert gij het hout, dat met de schepen
voor u aankomt, met uw eigen personeel naar de werf ?
A. Neen, dat werk wordt verricht door eene ploeg
los volk.
729.      V. Neemt gij die menschen zelf aan?
A. Neen, een vlottersbaas belast zich met het ont-
vangen, vlotten en bezorgen van het hout aan de fabriek.
730.     V. Is dat de eenige persoon, met wien gij te
maken hebt?
A. Ja.
731.      V. Gij zijt dus niet op de hoogte van het
loon, dat die losse arbeiders verdienen?
A. Neen; ik weet alleen, dat zij per stuk worden
betaald.
732.      V. Lost die ploeg het hout ook uit het schip f
A.
Neen, die ontvangt het hout buiten het schip.
733.      V. Het lossen van het schip tot in het water
gaat u dus heelemaal niet aan?
A. Neen, dat is de zaak van den kapitein.
734.      V. Bestaat er verschil van werktijd in uw
windmolen en in uwe stoomzageiij ?
A. In den windmolen wordt om dezen tijd gewerkt
van 7.30 a 8 uur tot 4 uur a 4.30; in den zomer wordt
gewerkt van dat de dag begint, doch nooit vroeger dan
5 uur, en men eindigt om 7 uur. In den stoommolen
wordt gewerkt van 6 uur tot 6 uur, met een rusttijd
van \\ uur \'s ochtends, dan eene rust van 12 tot 1 \\ uur,
en des namiddags weder \\ uur.
738.     V. Wordt er, wanneer de wind goed is, ir»
den windmolen niet langer dan twee uren overgewerkt?
A. In den regel tot half elf, maar nooit des nachts;
al thans bij mij niet.
739.     V. Wanneer ik mij goed herinner, was de
jongen, dien ik bij u ontmoette, 16 jaren. Op welker»
leeftijd neemt gij de jongens gewoonlijk in dienst?
A Op 14jarigen leeftijd.
740.     V. Dan komen zij toch niet direct van school ?
A. In den regel gaan zij eerst naar de zakjesplak-
kerijen of de sigarenfabriek. Ook worden zij wel loop-
jongen bij een particulier. Wanneer zij dan wat handig
zijn geworden, komen zij in het houtvak.
741.     V. Waar zijn de loonen het hoogst, aan de
stoomzagerijen of aan de windmolens ?
A. Aan de stoomzagerijen.
742.     V. Hoe komt dat?
A. Hel is aan de windmolens nog het oude gebruik.
Ik kan u van mijne zaak de volgende statistiek o ver-
leggen, die het jaar 1889 betreft:
Vast Extra Vleesch- Brandh. Overwerk-
loon.
loon.
geld.
geld.
loon.
/ 10.—
1.90
\') 0.75
2.50
1.80
= 16.95 per
week
15.60
0.57
2.10
= 18.27 „
n
i 8
0.57
2.50
1.60
= 12.57 .,
n
1 8.—
0.67
2.50
1.50
= 12.67 „
n
Stoomzagerij.
/ 6.50
0.28
2.—
1.20
= 9.98 ,
n
) 6 —
0.19
2.—
1.20
= 9.39 ,
H
f 6#—
0.19
2.—
1.20
= 9.39 ,
H
6.—
0.19
2.—
1.20
= 9.39 „
n
\\ 2.25
0.60
= 2.85 „
n
f 10—
1.—
«) 0.76
2.50
1.20
= 15.45 „
n
l 8.50
019
0.51
= 9.30 „
n
Werf.
) 8—
0.19
0.51
= 8.70 ,
n
1 8-
0.19
1.19
= 9.38 ,
/
8.88 „
n
0.19
1.20
= 9.39 „
n
l 8.50
0.57
2.50
1.—
= 12.57 ,
n
Windmolen.
c
0.50
•) 0.28
0.20
2.—
1.50
0.81
0.60
= 10.34 ,
.= 6.30 „
n
f 2.-
0.60
0.40
= 2.90 ,
n
\') Deze zijn aan die personen toegekend wegens hunne persoon-
lijke verdienste.
-ocr page 52-
43
743.     V. Door dezen staat schijnt mij bevestigd te
worden, dat werkelijk in de stoomzagerij en op de werf
hooger loonen worden verdiend dan in den molen.
In dezen laatsten bij voorbeeld verdient Willen Buys
alles te zamen f 10.34; terwijl in de stoomzagerij Piet
Riet f 12.57 verdient. Van waar nu dit verschil?
A. Dat is een overgangs-mannetje. Hij behoorde tot
de categorie van Buys, toen ik niet met stoom werkte.
Maar omdat ik overtuigd was, dat hij harder zou moeten
gaan werken in de stoomzagerij, heeft hij hooger loon
gekregen.
744.     V. Wordt in de stoomzagerij harder gewerkt ?
A. Zeker, daar is geen quaestie van.
745.      V. In hoeverre?
A. Men wordt er altijd bezig gehouden. Behalve door de
zoogenaamde sjouwers, moet er altqd doorgewerkt worden.
746.     V. Hebben zij in den molen niet even goed
werk, als er niet gemalen wordt ?
A. Dat beteekent weinig.
747.     V. Zijn de voorzorgsmaatregelen, die wij bij
het bezoek uwer fabriek hebben aangetroffen — ik be-
doel de planken onder de horizontale riemen en de
riemafschuivers — algemeen in gebruik?
A. Van de planken betwijfel ik dat, maar de riem -
afschuivers wel.
748.     V. Werd bij u het vliegwel vroeger niet met
de hand aangezet?
A. Ja, maar sedert jaren reeds met eene spaak.
749.     V. De man, dien wij bezig vonden met het
spannen van zagen, gebruikte het stutblok niet; dat
deed hij eerst, zeide hij, wanneer hij merkte, dat er wat
zou gebeuren. Dunkt u dat niet bedenkelijk ?
A, Die man juist doet dat niet, de ander wel.
Toch is het werk niet zonder gevaar en wij wijzen daar
altijd op.
750.     V. Heeft er bjj u wel eens een ernstig ongeluk
plaats gehad?
A. Neen.
751.      V. In den windmolen zagen wij den jongen
onder het zaagraam doorkruipen om het zaagsel weg te
halen; is dat niet gevaarlijk?
A. Ja zeker. Hij heeft daarvoor een langen schraper.
752.     V. Daar schijnt de jongen dan niet van te
houden, want toen wij bij u waren, gebruikte hij dien
schraper niet. Het heette toen, omdat de molen stilstond,
maar als de molen loopt, zal hij zich zeker ook wel eens
bij of onder de ramen wagen?
A. Het kan wel; dat jonge volk is nog al wild, maar
zij worden er altijd op gewezen, dat het gevaarlijk is en
zij den schraper moeten gebruiken.
753.     V. Hoe talrijk schat gij het aantal windhout-
niolens in deze gemeente?
A. Volgens het gemeenteverslag zijn er nu nog 42,
maar hun aantal vermindert; zij zijn opgeschreven ten
doode; over een jaar of tien zult gij er heel wat minder
hier vinden.
754.     V. Worden zij, wanneer zq opgedoekt worden,
voor afbraak verkocht, of kunnen zij ingericht worden
voor een ander bedrijf?
A. De meeste worden voor afbraak verkocht; een
enkele bovenkruier wordt naar Groningen of Drenthe ver-
kocht om daar te worden ingericht voor meelmolen, maar
met paltrokken kan dii niet.
755.     F. Splijpt gjj zelf uwe zagen?
A. Ja, met de hand, niet met stoom.
756.     V. Is dat minder gevaarlijk?
A. Ja, met de hand is er hoegenaamd geen gevaar
bij.
757.     V. Is hier ter stede geen sprake geweest van
het oprichten van een groot ziekenfonds, waartoe de
werkgevers zouden bijdragen voor hunne werklieden?
A. Daarvan heb ik niets gehoord; trouwens is dat
hier niet noodig, want het vaste loon met slacht- en
brandgeld wordt steeds aan zieke werklieden uitbetaald.
758.      V. Hebt gij al bejaarde werklieden moeten
pensionneeren ?
A. Gelukkig nog niet. Mijne firma bestaat sedert
1866; ik ben zelf de oprichter en ben zooveel mogelijk
met jonge krachten begonnen.
759.     V. Kunt gij een even gunstig oordeel uitspre-
ken, als reeds door een anderen getuige is gedaan,
over de verhouding, die bestaat tusschen den werkgever
en het personeel?
A. Ik ben over mijn personeel steeds tevreden geweest.
760.     V. Brengt de aard van uw bedrijf mede, dat
gij veel in persoonlijke aanraking komt met de werk-
lieden ?
A. Ik ben in den regel van 9 tot 12 uur en van
1 tot 4 a 5 uur aan de fabriek, en kom dan in aan-
raking niet alleen met den baas, maar ook inet de werk-
lieden.
761.     V. Gelooft gij, dat dit een gunstigen invloed
uitoefent ?
A. Stellig.
762.     V. Zijn er nog punten, waarop gij onze aan-
dacht wenscht te vestigen?
A. Ja. Gij hebt thans van mij het een en ander
gehoord omtrent de loonen in mijne zagerijen; nu zou ik
in overweging willen geven, om ook de loonen op te
nemen bij anderen, dan zult gij zien, dat er nog al
eenig verschil bestaat.
763.     V. Wij hebben reeds eenige opgaven van loonen,
bij anderen ontvangen, en ook ons heeft het getroffen,
dat die nog al uiteenloopen. Waaraan schrijft gij het toe,
dat er in uw vak geen loondstandaard is?
A. Dat weet ik niet.
764.     V. Bestaat er niet een groote vraag naar
werk bij de werkgevers, die het meeste loon geven?
A. Dat geloof ik wel.
-ocr page 53-
u
705. V. Meent gij u te mogen rangschikken onder
hen, die het hoogste loon geven ?
A. Ik geef zeer zeker niet het laagste loon.
700. F. En zijn er veel liefhebbers bij eene vacature?
A. Eene vacature komt niet dikwijls voor, maar dan
775. V. Wordt er niet door het geheele personeel
overgewerkt ?
A. De ramen werken maar één dag, en dan worden
er nieuwe zagen ingezet; dit geschiedt in den regel na
afloop van het gewone werk.
770. V. Dus dan is er voor hen, die dat doen,
bijna altijd overwerk?
heb
k sollicitanten genoeg.
A. Ja.
777. F.
J\'. Kluijver Jr.
Geeft gij aan uwe werklieden vaste loonen ?
A. Kerkdijk, Foor zit ter.
S. Lf. Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Ja, deze en de verdiensten voor overuren zijn
opgenomen in den staat, welken ik hierbij overleg.
Overzicht van verdiensten in het jaar 1890,
getrokken uit de loonlijsten.
rast loon.
Gemiddelde v
per week door
ƒ16.-
ƒ2.26
11.—
\'SH
11.—
1.60
1 —/
9.—
V/105
0.50 ^
10.—
50 l-~
8.50
0.50)
gy^l.lü
13.—
2.25
8.50
°-j*\'l.70
«o»
8.50
0.80,
90)1-\'"
8.25
0.70,
7.75
0.60,
6011-"
6.—
0.40J _
60J1-
5.50
0.85
3.75
0.60
4.—
0.30
4.—
0.25
2.50
0.20
8.50
60j1.50
2.50
3.75
4.—
f 18.25 en vrije woning.
12.40)
66}
12.(50 en vrije woning.
10.-,
66?
10.50,
5(){
Verhoor van Adrlanus .loliaiiiu-s 1 nn W\'essem Azn.,
oud 33 jaar, houtzager en houthandelaar, lid
der firma Van Wessem & Co., te Zaandam.
707.     De Vooraltter; Gij hebt tegenwoordig geen
windmolens meer. maar uitsluitend eene stoomzagerij ?
A. Juist. Zij zal den 3 Februari a.s. twee jaren be-
staan hebben.
708.     V. Hoe talrijk is uw personeel ?
A. Twintig man.
709.      V. Zijn er daaronder beneden de 40 jaren?
A. Ja, namelijk twee van 13 jaren en één van bijna
40 jaren.
9.—
60!
15.25\'
9.35
86
9.30\'
905
8.95;
70!
8.35
60<
6.40?
60 (
6.35>
4.25
4.30
4.25
2.70
9.40,
60
2.50
In den staat vindt gij in de kolom «overuren» en
in de kolom «totaal» telkens twee cijfers. Dat tweede
cijfer betreft werk, verricht op de werf.
778.    V. Waarom wordt dat gedaan? Doen zij dat gaarne?
A. Omdat het noodzakelijk is. De werklieden doen
het graag.
779.      V. Laat gij opzettelijk dan eens dezen, dan
eens genen werken op de werf, om de verdiensten gelijk
te doen blijven?
A. Neen, dat wordt geheel overgelaten aan den baas
van de werf.
780.     V. In de windmolens hebben, gelijk wij ver-
namen , de werklieden, behalve hun vaste loon en over-
uren, nog brandhoutgeld. Is dat in de stoomfabrieken
niet het geval?
A. Neen, dat is geheel afgeschaft; er zijn geen emo-
lumenten.
784. V. Ook geen slachtgeld?
A. Neen.
782. V. Dus wat op den door u overgelegden staat is
vermeld, zijn de totaal-verdiensten?
A. Ja.
V. Welk werk wordt door die jongens ver-
770.
richt?
A. Het insteken van de delen bij de schaverij, het
dragen van krullen, enz.
774. V. Komen zij niet in aanraking met de machine,
ook niet wanneer zij de krullen uit de zaag moeten halen ?
A. Neen, zij kunnen onmogelijk bij de messen komen.
772.     V. Op welken leeftijd neemt gij de jongens
aan?
A. Nooit beneden de 42 jaren. Eens heb ik een jongen
van 44 jaren gehad, maar die had mij voorgelogen met
zijn leeftijd. Toen ik dat bemerkte, heb ik hem dan ook
direct weggezonden.
773.     V. Hoe lang wordt er bij u gewerkt\'?
A. Van \'s morgens zes tot \'s avonds zes uur met 2
uren rust.
774.     V. Wordt er veel overgewerkt?
A. Dat loopt bij de verschillende personen zóó uiteen,
dat ik daarvan eene berekening heb opgemaakt naar het
wekelijksch bedrag der verdiensten.
-ocr page 54-
I
45
797.     V. Zijt gij niet bedacht op middelen om dat
euvel weg te nemen?
A. Ja, de heer Struve heeft daar al wat voor aan-
gegeven, maar het gaat moeilijk om die voorziening aan
te brengen. Trouwens, het kwaad doet zich alleen \'s winters
gevoelen, als alles dicht zit; \'s zomers staat de boel open.
798.     V. Is de zaak niet te vinden met een aspi ra tor?
A. Ik geloof het niet; de man heeft toch al veel
van de koude te lijden, want vuur kunnen wij daar
niet brengen; wij hebben hem nu eene stoof gegeven.
799.     V. In eene andere fabriek heeft, naar men ons
zeide, de slijper, behalve het bekende glazen bord, een bril,
waarvan hij zich ook bedient. Hoe is dat bij u ?
A. Ja, bij ons heeft de man ook een bril, maar
hij gebruikt hem niet. Trouwens zou de vonk, al be-
reikte zij het gelaat, toch geen kwaad doen, want zulk
eene vonk is onmiddellijk uit en brandt niet.
800.     V. Hebt gij voor uw houthandel een groot
personeel ?
A. Dat loopt van 13 tot 80 man in den drukken tijd.
801.     V. Hebben die 13 een vast loon?
A. Ja, die hebben ./ 8 in de week. De werktijd is
\'s zomers, van April tot half Augustus, van \'s morgens
5 tot \'s avonds 7 uur, en in den winter van\'s morgens
8 tot \'s middags 4 uur.
802.     V. En zijn er overuren?
A. Ja, veel; de meesterknecht heef! in den afgeloopen
zomer 926 overuren gemaakt.
803.      V. Hoe betaalt gij de overuren ?
A. Aan den meesterknecht met 20, aan do overigen
met 12 £ cis. per uur.
804.     V. Die losse menschen, waarvan gij spraakt,
wat zijn dat voor lieden?
A. Wat ik maar krijgen kan.
805.      V. Is daaronder ook volk, dat anders de schepen
bedient ?
A. Ja.
806.      V. Wat verdienen die bij u ?
A. 15 cents per uur.
807.      V. Daarentegen verdienen die menschen soms
niets , niet waar ?
A. Neen, vooral in den winter.
808.     V\'. Constateert gij groot verschil in gehalte
tusschen uwe voornoemde 13 vaste werklieden op de werf
en de losse lui?
A. Ja, een zeer groot verschil; de laatsten zyn ruwer
volk, dat veel drank gebruikt.
809.      V. Gebruikt gij die menschen ook voor het
lossen van de schepen?
A. Neen, de kapitein levert het hout in het water.
12
783.     V. Is aan uwe fabriek eenig premiestelsel v(
bonden ?
A. Neen.
784.     V. Hoe gaat het bij ziekte.\'
A. Dan wordt het volle loon uitbetaald.
785.     y. Is uwe firma eene oude firma?
A. Neen, zij bestaat 6 jaar.
786.      V. Dus hebt gij nog geen oud-werklieden ?
A. Toch wel: een, dien wij overgenomen hebben
van den windmolen van mijn broeder. Toen wij de stoom-
fabriek zijn begonnen, hebben wij hem gepensionneerd,
daar hij te oud werd.
787.     V. Hoeveel bedraagt dat pensioen?
A. Ik meen f 6.
788.     V. Is er een reglement in uwe fabriek ?
A. Neen.
789.     V. Worden in uwe fabriek geen boeten opgelegd ?
A. In het geheel niet.
790.     V. Hebt gij geen last van te laat komen\'?
A. Ja, dat gebeurt wel eens; maar wanneer de
inenschen er eens over worden onderhouden, dan beteren
zij hun leven wel.
791.     y. Mag ik uit uwe mededeeling de conclusie
trekken, dat gij , als industrieel, boeten niet noodig acht ?
A. Niet precies. Had ik eene groote fabriek en veel
j>ersoneel, dan zou ik wel een boetestelsel toepassen; nu
meen ik het door persoonlijke bemoeiing te kunnen bol-
werken.
792.     V. Bestaat er van weerszijden een opzeggings-
teimijn yoor het verbreken der dienstbetrekking?
A. Ja, van 14 dagen. Ik heb die nog niet toege-
past. Eens maar heb ik een vent weggestuurd voor
diefstal, dan ben ik onverbiddelijk.
793.     V. Hebt gij te klagen over misbruik van
sterken drank?
A. Volstrekt niet.
794.     V. Gij hebt twee woningen aan uwe fabriek,
als ik mij niet vergis. Is dat in het belang van de zaak
of van de werklieden?
A. Van de zaak: ik wil toezicht hebben. Een schaver
en een machinist wonen er in, vrij van huur.
795.      V. Hoeveel vertrekken zijn er in die Woningen?
A. Eene kamer en keuken beneden, en nog een
kamertje op zolder.
796.     V. Bij het bezoek der fabriek hebben wij met
genoegen gezien , dat gij veel hebt gedaan ter voorkoming
van ongelukken. Intusschen heeft het ons getroffen, dat
er in de slijperij eene zeer sterke, hinderlijke lucht
heerschte.
4. Ja, dat komt, omdat de zagen bij het slijpen
warm worden.
Enquête. De Zaankant.                                       I
-ocr page 55-
46
810.     /". Een andere werkgever zeide ons, dat hij
het vervoer van het hout naar zijne werf uithesteedt; gij
doet dus zelf\', wat sommigen laten aannemen door een
baas\'?
A. Ja.
811.      V. Hebt gij het altijd zelf gedaan ?
A. Ja.
812.      V. Ligt het daaraan, dat gij eene grootere hout-
zaak hebt, en daardoor altijd genoeg werk voor dat vaste
personeel ?
i
A. Dat denk ik wel.
813.     V. Beschouwt gij die 13 menschen, die op de
hout werf werken, als vaste menschen ook in dien zin,
dat gij hun, even goed als aan de werklieden in de zagerij,
bij ziekte hun vol loon betaalt?
A. Eigenlijk niet, maar wij doen het.
814.     V. De mannen in uwe fabriek kunnen dus
rekenen op die uitbetaling, terwijl het voor de mannen
op de werf een meevallertje is?
A. Juist; van die 13 lieden zijn er ook 8, die elk
jaar een dag of 14 uit onzen dienst gaan.
815.     V. Is de verhouding tot. uw werkvolk gunstig ?
A. Die is zeer goed.
816.     V. Is het u bekend, of de verhouding in het
houtzagersvak beter is dan in andere vakken?
A. Het is mij niet bekend, maar ik geloof wel, dat
door den dagelijkschen omgang met het werkvolk de
; verhouding in ons vak gunstiger is.
817.     V. Hoort gij wel eens klachten op dit punt
uit andere deelen van de Zaanstreek?
A. Alleen uit Koog a/d Zaan, maar de reden daarvan
ken ik niet. Het heeft mij dan ook altijd sterk bevreemd.
A. J. Van Wessem.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaarps, Ad).-secretaris.
-ocr page 56-
ZITTING VAN MAANDAG 5 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de he<
Kerdijk, Voorzitter.
Le Pooi.e
Visser.
Verhoor van Jan Groen, oud 57 jaar, pellersknecht
bij den heer J. Zwsardemaker Hz., te Zaandam.
518.     De Voorzitter: Gij werkt op een molen?
A. Ja
519.    V. Welke is de naam van dien molen en wat
soort molen is het?
A. //De Rozenboom"; een garstmolen.
820. F. Hoe lang per etmaal wordt er gewerkt op
zulk een molen?
A. Dat hangt er van af, of er wind is. Wanneer er
wind is, dan draait de molen door, en is het stil, dan
beginnen wij \'s morgens om 6 uur en gaan om half zes
naar huis.
S21. V. Met hoeveel man werkt gij op den molen?
A. Met vier man.
X22. F. En hoe is de verdeeling van den arbeidstijd ?
A. Wanneer er wind is, werken wij dag en nacht.
Twee gaan er \'s avonds om 8 uur naar kooi en staan
\'s morgens om 2 uur weer op. De twee anderen gaan
lan om 2 uur \'s nachts rusten en staan \'s morgens om
1 uur weer op. Zoo verdeden wij het van 8 tot 8 uur
lusschen ons vieren.
*23. F. Dus \'s nachts werkt gij bij clubjes van twee,
«durende 6 uren?
A. Ja.
824.    F. Is dus voor ieder de arbeidsdag, als er wind
ls, 18 uren in het etmaal?
A. Ja.
825.     V. Daar gaan intusschen toch rusttijden af,
]1et waar ?
A. Dat hangt ook al van den wind af. De molen mag
niet stilstaan, soms hebben wij aan den molen twee keer
per dag een uur rusttijd. Wij gaan nooit naar huis om
te eten.
826.    V. Wordt het eten u gebracht?
A. Neen, dat wordt \'s avonds door den jongen ge-
haald, en dan warmen of koken wij het in ons hutje.
Daar kokkeren wij dus, zooals wij dat noemen.
827.    V. Eet gij dan om beurten, of staat de molen
stil en zit gij gezamenlijk te eten?
A. Neen, de molen gaat door; kan het niet, dan
eten wij twee aan twee.
828.     V. Dus als er wind is, is de arbeidsdag voor
ieder man 18 uren, maar daarvan wordt, als het eenigszins
kan, \'s ochtends en \'s middags een uur afgenomen, zoodat
er alsdan op zijn minst 16 uren werkelijk gearbeid wordt?
A. Ja, \'t wordt nog wel eens meer.
829.    V. Hoe slaapt gij aan den molen?
A. Wij slapen op zolder, ieder in eene aparte kooi.
op een doppenbed, met drie dekens.
830.    F. Op den molen //de Liefde", die ook aan de
firma Zwaardemaker toebehoort, zijn immers een paar
hutjes met twee kribben in elk ?
A- Ja, maar dat is bij ons zoo niet.
831.    F. Hoe lang achtereen blijft gij aan den molen,
als er goed wind is ?
A. Het is wel gebeurd, en komt in het voor- en
najaar nog voor, dat ik \'s Maandag-morgens om half zes
de deur uitga en den anderen Zondag om 8 uur er
weer in kom.
832.    V. En gaat dat dan soms de daarop volgende
week weder precies zoo?
A. Dat komt wel voor, maar zelden.
-ocr page 57-
4S
845.     V. Hoe oud is die jongen ?
A. 19 jaar.
846.     V. Komen de jongens veelal op jeugdigen leef-
tijd op de pelmolens?
A. Het gebeurt wel eens, dat zij op hun 14de of
15de jaar op den molen komen.
S47. V. Wat doen zij dan vóór zij op de pelmolens
komen ?
A. Dan zijn zij meestal zakjesplakkers of zij leeren
het olieslaan; maar zij komen gaarne in een pelmolen,
want daar kunnen zij nog eens wat eten.
848.    V. Hoe zijn de loonen?
A. Mijn loon is f 10, met f 1 overwerk des nachts.
849.    V. Hebt gij geen vrij gort?
A. Neen. De middenknecht krijgt f 7 en de derde
man f 6, ook met fl voor nachtwerk, en de jongen heeft
f 1.50 met f 0.80 voor nachtwerk.
850.    V. Is het niet gebruikelijk vrij gort te geven1?
A. Dat zal ik u zeggen. Op een anderen molen van
den heer Zwaardemaker heeft de meesterknecht f8 in de
week, maar bovendien eens in het jaar een varken en f 16
voor vet. Dan heeft hij ook nog gebruik van de gort.
Maar daarvoor heb ik ook f 10 in de week.
851.    V. Hoe komt het, dat het bij denzelfden
patroon op den eenen molen anders is geregeld dan op
den anderen?
A. Dezen molen, //de Rozenboomw, heeft mijn patroon
i 10 jaren geleden gekocht, en daar vond hij, dat het bij
dien patroon niet de manier was.
852.     V. Waaraan geeft gij de voorkeur: zooals het
, bij u geregeld is, of aan de andere regeling?
A. Voor iemand, die geen kinderen heeft, is het voor-
deeliger geld te krijgen.
853.     V. Gij krijgt een gulden per nacht; wanneer
gaat de nacht in?
A. s\'Avonds om 8 uur.
854.    V. Maar als \'s nachts de wind aanwakkert, en
gij wordt uit uw huis gehaald, krijgt gij dan ook een
vollen gulden?
A. Neen, dan naar evenredigheid van de uren.
855.    V. Hebt gjj in de laatste jaren aanteekening
gehouden van de nachten, dat de molen gemalen heeft?
A. Over de tien jaren berekend, zal dit ongeveer een
kleine 150 nachten in het jaar zijn geweest, en de nacht-
verdienste daardoor gemiddeld f 2.75 per week.
856.     V. Kunt gij ook zeggen, hoeveel dagen de
molen gemiddeld per jaar maalt?
A. Daar kan ik niet op antwoorden.
857.    V. Maakt de ligging van de molens niet veel
i verschil ten opzichte van het windvangen ?
A. Wanneer er een maalt, doen ze het allemaal.
858.     V. Maar de een vangt toch meer wind dan
de ander?
A. Ja.
859.     V. De oliemolen heeft het minst wind noodig-
833.    /\'. Ons is gezegd, dat de menschen van de
oliemolens veelal thuis gaan slapen en ook zelfs eten
\'s middags, terwijl de gortpelmolenaars dat nooit doen, als
er wind is. Waarom is dat zoo?
A. Er zijn er onder de pelmolenaars ook wel, die
naar huis gaan eten, maar dat zijn degenen, die dichtbij
wonen. Ik ben echter op een molen, die te ver van mijn
huis ligt, om dat te doen. Ik moet tweemaal overvaren
en zou wel een paar uren noodig hebben om thuis te
gaan eten. Een oliemaker heeft bovendien een vasten
tijd ; hij werkt 16 uren en voor de rest niet meer. Toch
/uilen er maar enkelen zijn, die thuis gaan eten.
834.    V. Hoe komt het, dat de oliemolenaars een
vasten tijd hebben, en gijlieden niet?
A. Dat kan ik moeilijk beantwoorden. Een windolie-
molen heelt vier man. Het hoofd is de blokmaler, die
staat van \'s morgens 4 tot \'s avonds 8, dan komt de
nachtblokmaler \'s middags om 12 uur en gaat om 4
uur \'s morgens weg. De derde man is de steenknecht,
die komt om 8 uur en gaat om 12 uur weg. Bij ons
is dat zoo niet; als er wind is, zijn wij allen aan den
molen en spreekt niemand over tijd.
835.     V. Zou bij u ook geen vaste tijd zijn in te
voeren ?
A. Daar zou ik nog moeilijk een weg op weten.
836.     V. Wordt het niet als een zeer groot bezwaar
voor het gezin beschouwd, dat de vader zoo eene week
lang moet wegblijven ?
A. Ja zeker, want nu moet de vrouw alleen over
gezin en huis regeeren; maar ik zon geen middel weten
aan te geven, om verandering in dezen toestand te brengen.
837.     V. Gesteld eens, dat men met 5 man werkte
in plaats van met 4, zou dan een geregelde tijd voor
ieder kunnen worden aangewezen ?
A. Dat weet ik niet.
838.    V. Zeidet gij niet zoo straks, dat er wel eens
langer dan 16 a 18 uren wordt gewerkt ?
A. Ja, er wordt wel eens 20 uren gewerkt, wanneer
er bij voorbeeld een van de vier ongesteld is; dan slapen
wij maar 4 uren.
839.     V. Wordt er ook des Zondags gewerkt ?
d. Niet anders dan \'sZondag-morgens.
840.     V. Wordt daarvan nooit afgeweken ?
A. Neen.
841.    V. Zijn er molens, waar des Zondags den
gansenen dag gewerkt wordt ?
A. Vroeger geschiedde dat meer; tegenwoordig wordt
nog des Zondags gewerkt op de twee molens van den
heer K. Vis te Wormerveer.
842.    V. Hoe komt het, dat het nu minder gebeurt
dan vroeger ?
A. De menschen zijn tegenwoordig wat vrijmoediger
geworden : zij hebben den Zondag liefst voor zich zelf.
843.    V. Wat zijt gy op den molen ?
A. Meesterknecht.
844.    V. Daarop volgen twee volwassenen en één
jongen ?
./. Ja.
-ocr page 58-
49
875.    V. Heeft de firma, bij welke gij werkt, wel
gepensionneerden ?
A. Vroeger wel gehad; een had f 5.
876.    V. Zijn er, die al lang bij de firma zijn ?
A. Ja, er zijn al ouden.
877.    V. Wat noemt gij ouden?
A. Die eene dikke 50 zijn.
878.    V. Hebt gij veel kinderen?
A. Zes; vier thuis en twee getrouwd.
879.    V. Voorheen zeidet gij, dat de loonsregeling,
zooals deze bij u op den molen is, de voorkeur verdient
voor lieden zonder kinderen. Gij dus, die wèl kinderen
hebt. zoudt liever, zooals de menschen op *de Liefde",
minder geldloon, maar wat meer andere profijten hebben ?
A. Ik heb mijn slachtgeld in mijn loon. Voor mij
blijft dat gelijk, vooral omdat mijne Jdnderen bijna groot
zijn.
880.    V. Hoeveel kinderen hebt gij nog tehuis?
A. Een jongen van 25 en een van 24 jaar, en twee
meisjes, een van 20 en een van 13 jaar.
881.    V. Wat doen die jongens?
A. Een is er bij een kruidenier geweest, maar juist
Zaterdag daar weggegaan om voor zich zelf te beginnen, en
mijn andere zoon is houtzager.
882.     V. Hoeveel verdienen zij ?
A. De kruidenier verdiende bij den heer Keg f 8,
en de houtzager heeft f 7.50 in de week.
883.    V. Hoeveel verwoont gij ?
A. 32 stuivers in de week.
884.    V. Wat hebt gij daarvoor?
A. Twee kamers en een beschoten zolder.
885.     V. Hoe slaapt uw gezin?
A. Ik heb drie bedsteden; de twee jongens slapen
boven, een kind slaapt in de eene kamer en mijne vrouw
en ik in de andere.
886.    V. Betalen uwe zoons kostgeld, of brengen zij
alles thuis en geeft gij hun zakgeld ?
A. Zij betalen f4 in de week; de rest houden zij
om zich te kleeden en wat over te garen. Dat is zoo
afgesproken.
887.     V. Dus gij krijgt van uwe twee jongens f 8,
gij zelf hebt gemiddeld f 12.75, zoodat het gezin een
inkomen heeft van meer dan f 20. Kunt gij nu daar-
van geregeld een stuk spek eten ?
A. Geregeld niet.
888.     V. Wat is dan het gewone middagmaal ?
A. Ik ben een groot liefhebber van grauwe erwten
met speK ; een of twee keer in de week eten wij aard-
appelen met groenten en flink vet, want vet is goed
voor ons gestel.
889.    V. Neemt liet gebruik van paardenvleesch hier
toe?
A. Het  wordt veel gegeten, maar ik gebruik het niet.
890.    V.    Zijt gij lid van de winkelvereeniging ?
A. Ja.
891.    V.    Zijt gij daarover tevreden?
dan volgt de pelmolen, en dan de houtzaagmolen, niet
waar ?
A. Ja.
860.     V. Wanneer er nu geen wind is, wat doet gij dan ?
A. Goed klaarmaken, verschepen en verschieten.
861.    V. Gij blijft dan dus niet thuis?
A. Neen.
862.    V. Wanneer gezegd wordt, dat tegenover het
soms eene week achtereen aan den molen werken het feit
staat, dat de lui soms niets te doen hebben, is dat dan
niet juist ?
A. Neen.
863.    V. Zijn er niet enkele molens, die met 3 man
werken ?
A. Ja »de David", »de Almanak" en »de Poort".
864.    V. Moeten de menschen daar dan meer poot-
aan spelen ?
.4. Zij hebben er over het algemeen minder te doen.
Ons kantoor is drukker.
865.    V. Werken zij daar ook \'s nachts ?
A. Zij werken tot 10 uur \'s avonds op den molen//de
Poort". Hoe het op de andere molens is, weet ik niet.
866.    V. Op de andere molens, b. v. op //de David",
werken zij wel \'s nachts ?
A. Ja, maar hoe zij het doen, daar haal ik de
schouders over op.
867.    V. Is het niet erg stoffig in den molen ?
A. Ja.
868.    V. Bemerkt gij nadeeligen invloed daarvan op
de ademhaling ?
A. Ja, maar dat hangt van de soort garst af; de
inlandsche garst hindert weinig.
869.    V. Maar het zand in de Donaugarst is kwaad,
niet waar?
A. Ja, maar er is niets aan te doen. Degenen, die zich
niet gewend hebben den mond zooveel mogelijk gesloten
te houden, hebben er het meest last van, maar als men
druk werkt, doet men den mond van zelf open.
870.    V. Zijn er geen bijzondere ventilatietoestellen ?
A. Neen, maar dat zou ook niet veel baten; wij
halen het stof met de harp uit, maar dat is zóó licht,
dat het wel stuiven moet.
871.    V. Kunnen de harpen van boven niet gesloten
worden ?
A. Neen, want dan kan men niet bij de garst komen.
872.    V. Weet gij, hoe het werk gaat in den stoom-
gortpelmolen van den heer Blans?
A. Neen.
873.    V. Hoe is de verhouding met den patroon?
A. Heel best; niet alleen ik als meesterknecht, maar
ook de anderen komen veel met den patroon in aan-
raking.
874.    V. Gaat uw loon bij ziekte door?
A Ja, maar niet dat voor overwerk bij nacht.
Enquête. — De Zaankant.
1:3
-ocr page 59-
5(1
Verhoor van Gerbraud Pel, oud 36 jaar, pellersbaas
op de stoomrijstpellerij van den heer G. Kamphuis,
te Zaandam.
903.     De Voorzitter: Ons is opgegeven, dat de
gewone werktijd in de fabriek van den heer Kamphuis
loopt van \'s ochtends 6 tot \'s avonds 8 uur, met \'s morgens
en \'s namiddags een half uur en op den middag een uur
rust. Is dit zoo?
A. Precies.
904.    V. Wordt er intusschen niet dikwijls langer
gewerkt?
A. Dat hangt af van den handel. Is die heel vlug,
dan wordt er nacht en dag doorgewerkt; is het niet zoo
vlug, maar zit er toch nog wel beweging in, dan werken wij
tot 10 uur. Wij hebben verleden jaar het ook wel zóó inge-
richt, dat wij van Maandag tot en met Vrijdag werkten
van zessen tot twaalven; dan haalden wij vijf halve uren
per week uit. Zoo konden wij \'sZaterdag-avonds om half
acht naar huis gaan en hadden dan toch evengoed twaalf
uren overwerk. Het overwerken geschiedt 20 weken in
het jaar. Wij rekenen daarbij het jaar meest van Mei
tot Mei, om reden dat in de Aprilmaand, als de nieuwe
rijst arriveert, er leven in de brouwerij komt en wij dag
en nacht werken. Wanneer het winter is, dan zegt de
patroon: nu werken wij maar tot 10 uur. Het is onze
eigen wil geweest, om \'s avonds nog een half uur langer
te werken, ten einde \'s Zaterdags vroeger naar huis te gaan.
905.    V. Aan den getuige Valk heb ik gevraagd, of
er \'s avonds langer werd gewerkt om \'s Zaterdags vroeger
naar huis te gaan, en hij antwoordde ontkennend. Heeft
hij zich daarin vergist?
A. Ja.
906.    V. Ik kom nu tot den tijd, dat de fabriek het
gansche etmaal doorwerkt. Is het juist, dat dan gewerkt
wordt in drie ploegen: 1°. van 5 uur \'s morgens tot 9
uur \'s avonds, 2°. van 1 uur \'s middags tot \'s ochtends
5 uur van den volgenden dag, en 3°. van 9 uur \'s avonds
tot den volgenden middag 1 uur?
A. Ja.
907.    V. Ons is gezegd, dat er alsdan voor de eerste
ploeg, die overdag werkt, twee rusttijden zijn van een
half uur en een van een uur, evenals in gewone tijden,
maar dat bij de nachtploegen de rusttijden niet zoo ge-
regeld zijn, zoodat, wanneer de tweede ploeg van \'s mid-
dags één tot den volgenden morgen 5 uur aan het werk
is, er wel altijd twee keer een half uur gerust wordt,
maar dat, wanneer het heel druk is, de derde rusttijd weg-
valt. Is ook dat juist?
A. Niet geheel. Is er niet veel tijd, dan rusten wij
even om een broodje te eten, maar bepaalden rusttijd
hebben wij dan niet.
908.    V. Dat schijnt mij vrij wel overeen te komen
met hetgeen wij vernamen. Hoe lang intusschen duurt dan
dat eten?
A. Een kwartier.
909.    V. De derde ploeg, die eveneens een gedeelte
van den nacht werkt, arbeidt ook 16 uren; hoeveel rust
gaat daarvan af?
A. Een uur en 20 minuten.
910.    V, Dan wordt er derhalve ruim 14\'/2 uur gewerkt?
A. Ja.
A. Ja, best.
892.    V. Een getuige verklaarde, dat zijne vrouw er
over klaagde, dat de waren daar duurder en slechter zijn
dan elders.
A. Enkele artikelen zijn wel iets duurder, maar ook
het omgekeerde is het geval, en door de bank is het
hetzelfde.
893.     V. Laat gij het dividend, dat u jaarlijks toe-
komt, bij de vereeniging staan ?
A. Neen : vroeger, toen de vereeniging geld noodig
had, kon men dat doen, maar thans kan men het niet
meer laten staan.
894.     V. Is er niet over gedacht om de zaak nog
uit te breiden ? Men is immers begonnen met kruideniers-
waren, later zijn er brandstoflen bijgekomen en de bak-
kerij. Heeft men er niet over gedacht, om er b.v. een
schoen- of manufactuurwinkel bij te doen ?
A. Daar is wel eens over gedacht, maar men heeft
het zoo geregeld : er zijn winkels, waar de leden manufac-
turen kunnen koopen : dan krijgt de vereeniging 10 pet
korting daarop, en wij ontvangen aan het einde van het
jaar 8 a 9 pet. terug.
895.    V. Hebt gij iets op de spaarbank ?
A. Neen.
896.    V. Hebt gij er nooit over gedacht, een
eigen huisje te bouwen ?
A. Ik heb er wel aan gedacht, maar nooit geld daar-
voor gehad.
897.     V. Gij hebt thans den zwaarsten tijd achter
den rug, namelijk den tijd, dat uwe kinderen klein waren.
Zoudt gij bet nu ook niet kunnen doen ?
A. Neen.
898.    V. Zijt gij üd van de eene of andere vereeni-
ging, behalve van de winkelvereeniging?
A. Neen.
899.    V. Wordt er veel gelezen in uw gezin ?
A. Neen.
900.     V. Wanneer gij \'s nachts niet te malen hebt,
en gij dus vroeg tehuis komt, wat doet gij dan ?
A. Dan loop ik somtijds eens naar eene van mijne
dochters. Maar meest, als ik tusschen 6 en 7 uur tehuis
kom, ben ik te moe van den geheelen dag werken
en het loopeu, om een boek op te nemen. Ik ben ook
al 57 jaren en kom dan liever eerst bij het vuur wat
tot bedaren, en heb dan altijd nog het een en ander met
vrouw en kinderen te praten.
901.    V. Leest gij niet geregeld eene courant?
A. Jawel, de //Zaandammer Courant".
902.    V. En lezen uwe jongens niet?
A. Die hebben het te druk met hunne meisjes;
zoodra zij een oogenblik vrij hebben, gaan zij daar naar
toe.
Jan Grokv.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
-ocr page 60-
51
911.    V. Beschouwt gij dien werktijd — en dit geldt
natuurlijk nog het meest de nachtploegen — niet als
van te langen duur?
A. Ja, vooral de nachtarbeid is altijd veel slechter
dan dagwerk. Ik zou willen, dat de werkdag niet langer
was dan 12 uren met inbegrip van rusttijden. Is dat niet
genoeg? De stoomrijstfabrieken hier aan de Zaan werken
nu 18 jaren. De eerste is geweest van Wessanen k Laan,
te Wormerveer, deze begon dadelijk met 14 uren arbeid,
en ik heb toen dadelijk gezegd : dat is te lang, waarom
kan niet 12 uren worden gewerkt?
Een arbeidsdag van 8 uren is onzin, maar een van 10
uren is, dunkt mij, lang genoeg.
912.    V. Bestaat hier geen arbeiders-vereeniging?
A. Van de pellers niet, en mijn patroon zou niet
gaarne zien, dat ik er eene oprichtte.
913.     V. Neemt aan het einde van de dagtaak de
arbeidskracht af?
A. Als een dag 16 uren duurt, en vooral bij nacht-
werk, als het 36, 38 uren achtereen gaat, ja, dan /eg ik
wel: ho! nu is de machine afgewerkt, dat is best waar te
nemen.
914.    V. Vertel eens, hoe het gaat, wanneer soms zóó
buitensporig lang gewerkt wordt, als gij daar zegt?
A. Dan wordt er \'s ochtends om 6 uur begonnen,
en gaat het door tot den anderen avond 6 of 8 uur;
daarvan gaan dan af de 2 gewone dagrusturen, l1/* uur
nachtrusttijd, en dan nog 2 uren den volgenden dag, dat
is te zamen 5V2 uur rust, rest dus 30 of 32 uren werken
achtereen. Maar dan zijn de menschen ook afgewerkt.
Dat gebeurt echter alleen in buitengewone gevallen, zooals
bijv. met invallen van vorst, en zijn dingen, die eigenlijk
niet zijn te voorkomen. Of liever voorkomen kan men
ailes, maar men wil den handel niet contrarieeren. De
patroon zegt dus : het spijt mij, maar \'t moet; en dan
zeg je maar: voort jongens, het kan niet anders. Sedert
Juni is dat tweemaal gebeurd.
915.    V. Maar afgezien van zulke buitengewone
omstandigheden, acht gij den werkdag toch te lang?
A. Daar blijf ik bij.
916.    V. Is die lange werktijd door de stoomfabrieken
overgenomen van de windmolens?
A. Dat zou ik niet denken. Ik geloof, dat het eigenlijk
zuo is gegaan: hoe lang zullen wij werken? 12 uren? Ja,
kijk, weet je wat het is, wij hebben een schafttijd; het
kan dus wel 14 uren worden, dan werken wij even lang
als de olieslagers, want de olieslagers, die op stoom
werken, hebben geen schafttijd. Zoo zal het 14 uren
geworden zijn.
917.    V. Als er nu dag en nacht gewerkt wordt,
wanneer staat dan de fabriek stil?
A. Van Zaterdag-avond 12 uur tot Maandag-morgen.
918.    V. Wordt \'s Zondags in de fabriek niets gedaan ?
A. Neen.
919.    V. Ook geen reparatiën?
A. Neen.
920.    V. En het ketelschoonmaken ?
A. Dat gebeurt in de week. Nu is met Oudejaar afge-
Wazen. Het is gebruik, dat wij op Oudejaar steeds om
ö uur uitscheiden; wie dan naar de kerk wil, kan dut
•loen. Nieuwjaar werken wij niet, en als de 2de Januari
"|i een werkdag valt, dan wordt de ketel schoongemaakt.
921.    V. Om de hoeveel weken wordt in gewone
tijden de ketel schoongemaakt?
A. Om de 13 weken; wij stoken met zoet water.
922.    V. Hoe lang na het afblazen gaat men dan in
den ketel ?
A. 24 uren.
923.    V. Dus is er geen sprake van last te hebben
van de warmte?
A. O, neen.
924.    V. Worden voor het ketelbikken jongens
gebruikt ?
A. Neen, gewone pellers.
925.     V. Wat doen gedurende het ketelschoonmaken
de andere knechts?
A. Meieeren, den boel schoonmaken, en wat er verder
voorkomt.
926.    V. Wat is het zwaarste werk? Dat op de
malerij of het sjouwerswerk P
/f. Het sjouwerswerk; de man, die op den zolder loopt,
kan, als hij gezond blijft, dat werk wel lot zijn 80ste
jaar doen; hij behoeft alleen maar te kijken, of er ook
wat gebeurt.
927.     V. En de anderen?
A. Die moeten de 100 kilo\'s op hun nek nemen.
Dat gaat voor corpulente, robuste menschen heel goed,
maar voor lichtgebouwde lieden is dat niet alles. Ik heb
een man van 45 jaar, en als ik hem nu zie loopen met
een baal en ik vergelijk hem in mijne herinnering met
10 jaar terug, dan denk ik: jongen, je bent achteruit
gegaan.
928.    V. En die man moet ook zoo lang werken ?
A. Ja, daar gaat niets af.
929.     V. Zou het technisch groote moeilijkheden
opleveren, om den arbeidsduur voor degenen, die dat
lichtere werk in den molen hebben, te laten blijven, zooals
die nu is, en voor het zwaardere te verminderen, door
er een paar menschen bij te zetten?
A. Daar zou ik zooveel bezwaar niet in zien. Alleen
dit: de menschen, die sjouwen, gaan om zes uur naar
huis, en de anderen kunnen 14 uren doormalen, maar
nu komen wij om 6 uur te werk. De menschen, die dat
opredderen moeten, schaften om 8 uur. Zij moeten dus
in 2 uren het werk van de vorige 2 uren doen. En dat
zou niet bevallen. De sjouwers moeten ook weder gereed
zijn voor de aflevering.
930.    V. Als er dag en nacht gewerkt wordt, hoe
gaat het dan met machinist en stoker?
A. Er is een machinist, een tweede machinist, een sto-
ker en een smid, die stoken kan; die lossen dan el kan-
der af.
De machinist werkt bij den dag van 5 tot 9 en de smid
ook; de tweede machinist slaapt dan 8 uren en de stoker
8 uren des middags, zoodat zij des nachts met hun beiden
en overdag met hun drieën zijn. De werktijd is echter
dezelfde.
931.     V. Kr wordt in den regel bij u gesmeerd, wan -
neer de boel stil staat, maar somtijds ook, wanneer de
machine werkt, niet waar?
-ocr page 61-
52
moeite en kosten was, zoodat hij dan ook eindelijk heeft
toegegeven.
942.    V. Zit niet juist een groot gevaar hierin, dat
men er onophoudelijk langs komt, met het gevolg, dat
men ten slotte in het geheel niet meer op het gevaar let?
A. Zeker; wanneer ik op den zolder kom, loop ik
over en door de riemen heen, zonder dat ik zelfs een
oogenblik aan gevaar denk, maar als men een misstap
doet, krijgt men een ongeluk.
943.    V. Wij hebben in de malerij nog al stot ge-
vonden ; werkt de aspirator, dien wij boven op zolder zagen,
niet op den molen?
A. Die werkt alleen op de waaierij.
944.    V. Zou het moeilijk zijn, daarin verbetering te
•brengen ?
A. Dat niet; maar het kwaad zit hierin, dat al, wat
men in eene pellerij bijv. met een exhauster de deur uit-
jaagt, geld waard is. Daarom zegt de patroon natuurlijk:
wik zou je hartelijk danken eenige honderden guldens de
deur uit te jagen; vreet jelui er dan maar liever een
beetje van.*
945.    V. In de malerij is derhalve geen andere ven-
tilatie dan door de ramen?
A. Juist.
946.     V. Hebben de lui niet erg last van het stof?
A. Dat is juist het geval niet zoo erg in eene rijst-
pellerij. Niettegenstaande mijne borstkast niet ruim is, had
ik er in de gortpellerij meer last van.
947.    V. Eene niet ruime borstkas ? Gij ziet er toch
uit als een reus!
A. Ja, dat is ook zoo, maar ik had er toch last van.
948.     V. Zitten er minder stofdeelen in de rijst dan
in de garst?
A. Ja. Het stof is minder zwaar dan dat van de Zwarte
Zee-garst; dat noem ik eenvoudig vergif.
949.     V. De getuige Valk heeft ons gezegd, dat hij
f 10 verdient, en met zijne overuren er bij zoowat om
en bij de f 11 maakt per week. Is dat zoo?
A. Ja.
950- V. Is dat het gewone loon van de sjouwers ?
A. Ja.
951. V. En verdienen de malers meer?
A. Ja. Ik geef u hierbij een staatje van de loonen.
Zij zijn als volgt:
/  18.50 b3as.
n   16.00 machinist.
«   15.00 timmerman.
//   12 50 onderbaas.
//   12.00 2demachinist.
»   11.50 aflevering.
H   11.50 maler.
•i   10.50 arbeider.
»   10.00
»  10.50 ii
«   10.00 i
h   10 00 >i
»   10.00
ii   10.00 nachtwacht.
*   10.00 arbeider.
»
   10.00 »
•     9.00
i 12.00
A. Ja.
932. V. Is het uws inziens onvermijdelijk om ten
deele te smeren, terwijl de machine werkt?
A. Ja, wanneer op een gegeven oogenblik eene as warm
loopt, dan moet die gesmeerd worden.
938. V. De hoofdmachinerie beneden is immers om-
heind met een houten schot?
A. Ja.
934.     V. Zou er nu niet eene gelegenheid om Ie sme-
ren buiten die omheining kunnen worden aangebracht ? Is
daar wel eens over gedacht?
A. Ik wil wel, maar.....Naar aanleiding van het
bezoek van de commissie aan de fabriek heb ik er met
den patroon over gesproken, maar deze zeide: het heeft
reeds zoo lang geduurd, zonder dat er iemand in is geraakt.
935.    V. Is er niet voor eenige jaren een groot onge-
luk gebeurd?
A. Ongeveer tien jaren geleden is een man door de
machine geraakt en gedood.
936.    V. Hoe kwam dat?
A. Die machine heeft een doode punt en moest daar-
van afgebracht worden door zwaartekracht van menschen.
De machine nu was zoodanig ingericht, dat men den stoom
op de cylinders kon houden, zonder dat de machine er
van door kon gaan, mits conditie, dat de régulateur in de
hoogte werd gezet op een houtje, want dan kon de klep
of kraan niet in beweging komen. De machine kon dan
met vollen stoom tien slagen in het rond doen, zonder dat
de machine doorging. Nu had de machinist verzuimd die
reguluteur in de hoogte te brengen, en toen wij nu de
machine van het doode punt wilden afbrengen, kwam de
stoom er achter, de man werd door het wiel, dat 4.50 M.
groot is, gegrepen, in de rondte geslagen, en eer wij hem
konden helpen, was hij morsdood.
937.    V. Had dat ongeluk, afgezien van het verruim
van den machinist, kunnen voorkomen worden ?
A. Zeker, door eenvoudig met mechanische drijfkracht
het vliegwiel in beweging te brengen. Wanneer er maar
een hefboom was, zou het in eens uit zijn.
938.    V. Is het sedert dien tijd met een hefboom
gebeurd?
A. Neen, maar wij namen den voorzorgsmaatregel om
altijd den machinist te waarschuwen. Nu wij eene nieuwe
machine hebben gekregen, is er ook eene andere beweging
gekomen.
939.    F. Hoe wordt het gewone vliegwiel in beweging
gebracht ?
A. Toen ik bij Van Waveren & Dekker te Koog a/d.
Zaan in betrekking kwam, kregen wij eene machine met
de gewone constructie. Maar toen zeide ik : »er moge ge-
beuren, wat er wil, wij zullen zoeken naar eene betei e drijf-
kracht." Toen hebben wij er een doodeenvoudig middel op
gevonden, bestaande in twee stijlen en drie ijzeren balkjes
met een knijphaak.
940 V. Hebt gij boven op den zolder niet eene geheel
onbeschermde staande as?
A. Ja.
941. V. Vindt gij dat niet bedenkelijk ?
A. Wanneer men er zoo alle dagen langs komt, heeft
men er volstrekt geen erg meer in. Toch heb ik den
patroon er wel tweemalen op gewezen, dat dit heel weinig
-ocr page 62-
A. Ik ben zelf niet Katholiek en weet dat dus niet
zoo precies. Wel heb ik eens bij een Protestant gewerkt
met een Katholiek, doch die sprak er alleen zoo over:
was de baas maar Roomsch, dan kon ik ook Zondag
houden.
966. V. Is het u niet bekend, of door Katholieken,
werkende bij een niet-Katholieken patroon, wel pogingen
zijn aangewend om op een feestdag vrij te zijn, althans
de mis te kunnen bijwonen ?
A. Onder mijn personeel is zoo iets nooit gebeurd.
G. Pet. Wz.
A. Kekdijk. Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
f 12.00 arbeider.
ii 8.50 zakkenmaker.
« h.00
>i 7.50
» J0.00 smid.
» 10 00 stoker.
952.     V De menschen, die wij hij ons bezoek in de
malerij vonden, van welke categorie waren die ?
A. Dat zijn eigenlijk de sjouwers, zij helpen verstellen.
953.    V. Gebruikt gij ook jongens?
A. Neen, de jongste is 20 jaar.
954.     V. Kunt gij ze niet jonger gebruiken?
A. Waarvoor zou ik ze gebruiken ? Alles, wat wij
hanteeren, is zwaar; het lichtste weegt 50 K.G. Ik heb
het altijd tegengewerkt om jongens te gebruiken, ik heb
ze er liever niet in.
955.    V. Die sjouwers zijn immers de lui, die in
de fabriek zelf heen en weer dragen. Maar het in- en
uitdragen wordt dat ook door eigen volk gedaan ?
A. Het uitladen wel, het inladen niet, dat wordt door
losse arbeiders gedaan
956.    V. Neemt de fabriek dit zelf aan?
A. Neen, het werk wordt uitbesteed bij een aannemer.
957.    V. Zoodat de fabrikant zelf rechtstreeks niet
met hen te maken heeft ?
A. Neen, ik zeg tegen hen : legt dat hier maar neer,
en anders niet.
958.    V. Wat verdienen die lui?
A. Zij krijgen 50 cents per last, een last is 2000
K.G. Zoodoende maken zij weken van f 30 ;\'i f 35,
maar ook zijn er weken, dat zij niets te doen hebben.
Gemiddeld maken zij f 12—f 13 per week.
959.    V. Dus meer dan gewone werklui ?
A. Ja.
960.    V. Gaat het hunnen gezinnen ook beter ?
A. Neen, die zijn armer.
961.    V. Leven de gezinnen, ook de vrouwen en
kinderen, in die goede weken er beter van, of gebruikt
de man alleen het meerdere voor zich zelven ?
A. De vrouwen en kinderen hebben er ook wel een
klein profijt bij. Wij hebben eene vaste ploeg, en ik mag
niet zeggen, dat die lui het aan drank opmaken. Dat is
bij onze buren juist het tegenovergestelde.
962.    V. Ons werd medegedeeld, dat de heer Kamp-
huis in den laatsten tijd nog al schoon schip heeft
gemaakt in dat opzicht. Is dat zoo ?
A. Onder die lui niet, dat is bepaald een abuis.
963.    V. Gaat, als op Katholieke feestdagen de fabriek
stil staat, het loon door ?
A. Ja.
964.    V. Hebt gij wel vernomen, dat niet-Katholieke
patroons op Katholieke feestdagen Katholieke arbeiders
noodzaken te werken ?
A. Ja.
965.    V, Wordt daar eene grief van gemaakt ?
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Albert D6 Rooy, oud 47 jaar, olie-
slagersknecht bij den heer G. H. Brat,
te Zaandam.
967.     De Voorzitter: Zijt gij altijd olieslager
geweest ?
A. Ja, van mijn elfde jaar af.
968.    V. Toen gij jong waart, op welken leeftijd
kwamen de jongens toen bij het vak? Nog wel vroeger
daii elf jaar?
A. Neen, ik was al heel vroeg. Ik had de lagere
school doorloopen en moest toen aan het werk.
969.    V. Was in dien tijd de lagere school reeds op
het 11de jaar doorloopen?
A. Ja.
970.    V. Op welken leeftijd komen de jongens nu
in den molen ?
A. Op hun 12de, 18de, 14de jaar.
971.     V. Dat zijn de pletjongens?
A. Ja.
972.     V. Hoe oud is de jongen bij u?
A. De jongste is 16 jaar.
973.    V. Neemt mijnheer Brat ze niet jonger aan?
A. Dat hangt er van af. Als wij om een jongen ver-
legen zijn, zij zijn niet dik gezaaid, dan nemen wij wat
we krijgen kunnen, maar nooit beneden de 12 jaar.
974.     V. Er zijn nog jongens genoeg van 12 en
13 jaar in de oliemolens, niet waar ?
A. Jawel.
975.    V. Wat doet zoo\'n jongen ?
A. O, het werk voor zoo\'n jongen is al meer dan
kunst; hij moet zaad halen en schudden, den bak leeg
scheppen, den turfbak vullen, enz. Hij heeft al geregeld
zijn werk.
976.    V. Werkt zoo\'n jongen al even lang als een
volwassene ?
14
-ocr page 63-
54
A. Als hij boven de 16 jaar is, maar anders niet.
977.     V. Wordt voor de jongens beneden de 16 jaar
hier trouw aan de wet vastgehouden?
A. Zoover ik weet, ja. Een buurman van mij had
een jongen, die nog niet in de termen viel, en die heeft
met langer werken moeten wachten, totdat hij 16 jaar was.
978.     V. Gij zijt hardhoorig, merk ik?
A. Ja.
979.    V. Al lang?
A. Al 18 jaar; van dat ik blokmaler ben geworden.
980.    V. Is die doofheid spoedig ontstaan, nadat gij
blokmaler waart geworden ?
A. Ja, heel gauw.
981.    V. Wat is het werk van de blokmalers?
.1. Zij staan aan de hei, die het hardste stampt.
982.    V. Worden die allen spoedig doof?
A. Ja, dat is algemeen het geval.
988. V. En de menschen, die om den steen loopen,
hebben die er ook last van ?
A. Neen, niet zooveel.
984.    V. Ons is gezegd, dat de olieslagers wel op
den langen duur doof worden, maar er in de eerste jaren
niet veel van merken. Gij zijt op uw 29ste jaar blok-
maler geworden, op welken leeftijd waart gij nu doof?
A. Op mijn 32ste of 33ste jaar.
985.    V. Hebben de menschen, die aan de heien
staan, het zwaarste werk ?
A. Ja, het zwaarste en het drukste.
986.    V. Krijgen die dan een hooger loon dan de
anderen ?
A. Ja
987.     V. Bij die heien moet immers tusschenbeide
het goed er onder uit gehaald en dan de stamper
vastgezet worden met eene pen? Gebeurt dat altijd?
A. Bij ons altijd.
988.    V. Hebt gij wel eens gehoord van ongelukken,
doordat de pen niet vastgezet was?
A. Ja, ik ben er zelf bij tegenwoordig geweest, dat
een jongen met zijne hand tusschen de hei kwam; ik
was toen 14 jaar, het was op een anderen molen.
989.    V. Houdt het veel tijd op om zulk eene pen
er in te steken?
A. Neen; ik ben hoofd van den molen en zorg er
steeds voor, dat de pennen er in gezet worden.
990.    V. Wordt op andere molens daarop wel eens
minder streng gekeken ?
A. Ik heb vroeger op een molen gewerkt, waar men
de pennen nooit gebruikte.
991.    V. Waren er dan geen?
A. Zeker, die zijn in alle molens.
992.    V. Wordt er bij u gesmeerd, terwijl de boel
loopt ?
A. Ja.
993.    F. Vindt gij dat niet bedenkelijk?
A. Daar is niets geen gevaar bij.
994.    Wilt gij ons den werktijd in een oliemolen
beschrijven?
A. Wij zijn met ons zessen, waarvan er altijd vier
in den molen zijn en twee tehuis om te slapen. Er zijn
drie ploegen, ieder van twee man; de eerste werkt van
\'s morgens vieren tot \'s avonds achten, de tweede van
\'s avonds achten tot \'s middags twaalven, en de derde van
\'s middags twaalven tot den volgenden morgen vier uur.
995.    V. Hoeveel rusttijd gaat daar af?
A. Niets. Wij hebben hoogstens 15 minuten om ons
warm eten te nuttigen, maar dan moeten wij om de
beurt het werk voor elkander doen. Er komen dagen
genoeg, dat wij geen tijd hebben om eene pijp anders
dan in twee tempo\'s te stoppen en op te steken in al de
16 uren.
996.    V. Als het tegen het einde van die 16 uren
loopt, is dan de werkkracht zeer verminderd?
A. Dan zijn wij natuurlijk zeer vermoeid.
997.     V. Gesteld dat er twee man meer waren, zou
dan de werktijd tot 12 uren kunnen teruggebracht
worden ?
A. Ja, dan zou er eene ploeg over dag en eene in
den nacht kunnen werken.
998.     V. Dan zoudt gij vast twee ploegen kunnen
hebben, eene voor den dag en eene voor den nacht?
A. Ja.
999.    V. Zijn daar voorbeelden van ?
A. In de stoomfabrieken wel, in de windmolens niet.
1000.    V. Is er wel eens van den kant der werk-
lieden eenige aandrang daartoe uitgeoefend?
A. Er is wel eens over gesproken, en het mag wel
van de patroons, maar dan hebben wij geen brood
1001.    V. Wanneer er geen wind is, staat de boel
stil. Hebt gij dan geen werk in den molen?
A. Dan moeten wij den boel schoonmaken.
1002.    V. Hoe lang is dat dan per dag?
A. Daarvoor komen wij om zeven uur in den morgen;
\'s zomers gaan wij om 7 uur naar- huis, en \'s winters
als het donker wordt. Wij zijn ook verplicht aan den
molen te blijven, omdat wij nooit zeker zijn, dat er
niets kan komen.
1008. V. Wanneer er geen wind is, blijft gij dan
nooit thuis?
A. Geen enkelen dag.
1004.    V. Hebt gij aanteekening gehouden, hoeveel
dagen in het jaar de wind sterk genoeg is om te malen ?
A. Neen, maar er komen niet zooveel dagen, dat er
geen wind genoeg is.
1005.    V. Hebben de oliemolens dan zoo weinig wind
noodig ?
A. Ja, al heel weinig, een zuchtje is voldoende.
1006.    F. Hoeveel dagen in het jaar denkt gij, dat er
gemalen wordt?
A. Ik reken tusschen de 250 en 300 in het jaar.
-ocr page 64-
55
A. Neen.
1017.    V. Staat uw vak lager aangeschreven dan het
houtzagers- of pellersvak ?
A. Ja, het schijnt een verachtelijk vak te zijn.
1018.     V. Wat bedoelt gij daarmede?
A. Hoewel van het hoofd eene groote verantwoorde-
lijkheid en veel administratie wordt vereischt, zoodat men
goed belezen moet wezen, hebben toch weinigen zin in
het vak, misschien wel omdat het werk zoo smerig is.
1019.    F. Is het olieslagersvak een van die vakken,
die men het laatste kiest ?
A. Ja. Ik heb zelf zes jongens, en ik heb er slechts
één in het vak, omdat ik niets anders met hem wist te
beginnen, daar hij stotterde; anders had ik hem zeer
zeker niet in den molen genomen.
1020.     V. Denken velen er zoo over ?
A. Ja.
1021.    V. Is het geen gezond vak ?
A Neen.
1022.    V. Waardoor komt dat?
A. Men ademt altijd stof in, en velen krijgen op
lateren leeftijd dan ook last van de borst.
1023.    V. Gebeurt het niet veel, dat olieslagers uit-
slag aan handen en armen hebben ?
A. Ja, vooral in den zomer.
1024.    F. Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Ik schrijf het hieraan toe, dat men altijd, ook in
den zomer, met vuur werkt, aan het zweeten en de op
de huid komende stof.
1025.    V. Wat doet gij daaraan?
A. Niets; dat moet maar van zelf overgaan,
1026.    V. Werkt gij met een open fuister?
A. Ja.
1027.     V. Blijft de rook daarvan niet in het lokaal
hangen ?
A Als alle deuren dicht zijn, wel; maar anders vliegt
de rook weg.
1028.    V. Hebt gij wel eens gehoord van stoomfuisters
in de stoomoliefabrieken ?
A. Ja, wij hebben het vroeger ook wel eens geprobeerd
met pijpen op den fuister; maar dat voldeed niet, omdat
wij er dan geen gezicht op hadden.
1029.    V. Zijn er in de oliemolens in het geheel geen
werklieden, die korter werken dan 16 uren?
A. Een heel enkel geval slechts met iemand, die te
oud wordt. Dan zien de anderen het zoo te haspelen, dat
hij vier uren korter werkt.
1030.    V. Om de hoeveel tijd wordt het loon uitbetaald ?
A. Hij ons om de 14 dagen, bij enkelen eens in de
week. Ook wordt er wel eens om het halve jaar geheel afge-
rekend:dan krijgen zij om de 14 dagen of om de week,
hoewel zij op stuk werken, eene vaste som betaald.
1031.    V. Hoe is de uitbetaling in andere vakken?
A. Meest om de 8 dagen
1007.    V. Werkt gij soms wel langer dan 16 uren?
A. Wanneer er na zijn dagtijd nog werk moet worden
afgeleverd, dan moet de blokmaler, de verantwoordelijke
persoon, blijven, maar de andere knechts zijn vrij.
1008.    V. Gebeurt dat dikwijls voor u?
A. Het gebeurt zelden.
1009.    V. Wordt er ook \'s Zondags gewerkt?
A. \'s Zomers in het geheel niet. In den winter ge-
regeld 3 sH 4 uren, bij enkele uitzondering den geheelen dag.
1010.     V. Is dat ook in andere oliemolens zeldzaam,
of in den uwen alleen ?
A. Sommige patroons hebben gemoedsbezwaren
1011.    V. Gij spreekt daar van werkgevers, die ge-
moedsbezwaren hebben om op Zondag te laten werken
Kent gij ook werklieden, die er gemoedsbezwaren tegen
hebben, maar het toch moeten doen?
A. Ja, die zijn er wel, maar ik weet zeop het oogen-
blik niet.
1012.    V. Is het werken \'s Zondags ter vrije keuze
van de werklieden ?
A. Neen, als \'t voorkomt, moet het gebeuren.
1013.    V. Werken de jongens van 16 jaar even lang
als de volwassenen?
A. Ja.
1014.    V. Zoudt gij het een zegen vinden, als de
wetgever de beperkende bepalingen der wet uitstrekte tot
18 jaar?
A. O ja, want ik herinner mij nog goed, hoe zeer
mijne voeten deden van het staan. Maar ook voor volwas-
senen is de dag te lang.
1015.    V. Vertel ons nu eens wat van het loon.
A. Het loon, dat verdiend wordt op een windolie-
molen, die 200 last in het jaar kan slaan, kan, omdat
het stukwerk is, niet precies worden opgegeven, maar ik
kan het wel zoo nabij mogelijk doen als volgt:
de blokmaler, zijnde eerste knecht, als hoofd en houder
der administratie, f 588 f 25 sjouwloon voor het
alleveren, dus te zamen ongeveer f 11.80 per week;
de nachtblokmaler, of hoofd bij nacht zonder admini-
stratie, f 488 - - f 12.50 sjouwloon, of f 9.60 onge-
veer per week ;
de steenknecht f 393 f 12.50 sjouwloon. per
week f 7.80;
de jongen (dat is zijne benaming, hoewel er voorbeelden
zijn van 40-, 50- en 60jarige jongens) f 294 f 25
sjouwloon, of ongeveer f 6.10 per week;
de nachtjongen, die 8 uren aan de pletterij werkt.
f 216 of f 4.15 per week;
de pletjongen f 150 of f 2.88 per week.
Dit alles is genomen naar eene verwerking van 200
last tegen f 10.65 het last voor allen te zamen. Neemt
men nu aan, dat er, in plaats van 200 last, 180 last in
het jaar wordt vermalen, dan zijn ook de werkloonen
dienovereenkomstig, naar dezelfde verhouding, geringer,
terwijl zij bij meerder vermalen dan 200 last ook even-
redig hooger zijn Nu zijn er bij ons aan den molen
t«ee jaren geleden slechts 166 last vermalen, en verleden
jaar 190, dus gemiddeld 178 last per jaar. In die twee
jaren hebben wij dus gemiddeld aanmerkelijk minder
verdiend, dan de door mij opgegeven cijfers.
1016.      V. Genieten de werklieden, behalve dat loon,
log andere voordeelen ?
-ocr page 65-
56
1032.    V. Waarom geschiedt het bij u om de 14 dagen ?
A. Voor eene gemakkelijkere administratie.
1033.    V. Is het ook gemakkelijk voor de werklieden ?
A. Dat blijft hetzelfde Misschien zou het voor hen,
die liet geld niet bij elkaar weten te houden, wel beter zijn,
wanneer zij om de 8 dagen werden uitbetaald.
1034.     V. Zou dit dan niet kunnen geschieden?
A. Het zou best kunnen.
1035.     V. Zijn er ook gevallen, dat er éénmaal in het
jaar finaal afgerekend wordt?
A. Neen.
1036.    V. Wanneer er eens in het half jaar wordt
verevend, wordt clan toch niet elke week, maar om de 14
dagen, het door u bedoelde vaste bedrag uitgekeerd ?
A. Ja.
1037.     V. Wanneer men telkens finaal afrekende, dan
zou het natuurlijk meer administratie vereischen, om elke
week uit te betalen. Maar wanneer toch eene vaste som
wordt uitgekeerd, met verevening om het halve jaar, in
hoever zou dan de administratie worden verzwaard, door
het elke week te doen ?
A. Het blijft hetzelfde: anders kan mijnheer zijne boe-
ken niet bijhouden.
1038.    V. Maar overigens is er toch geen bezwaar, om
het elke 8 dagen te doen?
A. Volstrekt niet.
1039.     V. Worden in de oliemolens nooit boeten
toegepast ?
A. Neen.
1040.    V. Heeft de ondervinding geleerd, dat het niet
nondig is?
A. Ja, ieder weet zijn tijd van werken, ieder doet zijn
plicht, de patroon is er nooit.
1041.    V. Komt de patroon heel weinig kijken?
A. Het is gemiddeld drie malen in de week, maar
hij komt dikwijls niet.
1042.     V. En dan heeft hij alleen met den blokmaler
te maken ?
A. Ja.
1043.    V. Wij hebben van verscheidene getuigen ge-
hoord, dat het bij de houtzaagmolens gunstig werkt op de
verhouding tusschen werklui en patroon, dat deze laatste
steeds aan den molen is en met de menschen veel in aan-
raking komt; is dat dus bij de oliemolens anders?
A. De patroon kan niet geregeld aan de fabriek
komen: hij gaat driemaal in de week naar de beurs te
Amsterdam, en is dan eens in Friesland, dan in Gelderland.
1044.     V. Dus de werklui kennen den patroon niet,
komen weinig met hem in aanraking?
A. Ja, met mij persoonlijk gaat het nog al, maar
sommigen spreken hem in het geheel niet.
1045.     V. Als een werkman van patroon wil veran-
deren, waarschuwt hij dezen dan eenigen tijd te voren?
A. Ja, gewoonlijk 14 dagen te voren, maar het is
aeeu verplichting.
1016. V. En gaat het omgekeerd ook zoo?
A. De patroon kan iemand op stel en sprong ont-
slaan, maar dan moet er reden voor zijn.
1047.     V. Tn het algemeen houden dus werkgever
en werkman zich aan het 14 dagen te voren opzeggen?
A. Ja, in het algemeen gaat dit van beide kanten
fatsoenlijk.
1048.    V. Krijgen de werklui bij ziekte een deel van
hun loon ?
A, Neen,  niets.
1049.    V.    Nergens in het olievak?
A. Neen.
1050.    V.    In andere vakken wel?
A. Ja, op de stoomfabrieken. Op de molens valt bij
ziekte een ander in, en die krijgt de verdienste van den
zieke. Soms is mijnheer zoo goedgunstig om hem te
ondersteunen.
1051.     V. Gebeurt het wel, dat werkmansweduwen
uitkeering krijgen ?
A. Neen, nooit.
1052.    V. Wat gebeurt er met een olieslager, die
oud wordt en niet meer kan ?
A. Die is geheel overgegeven aan de goedgunstigheid
van den patroon. Op enkele uitzonderingen na, is het:
oud en arm.
1053.    V. En waar moeten de menschen dan heen?
A. Dan vervallen zij aan de armverzorging.
1054.    V. Heeft uw patroon geen oudjes aan de hand ?
A. Neen.
1055.     V. Wat zoudt gij een rustigen ouden dag
noemen ?
A. Als iemand een f 6 kreeg. Maar dat gebeurt
weinig. Ik ken een voorbeeld, dat iemand f8 krijgt, van
den heer Hendrik Honig, firma Klaas Honig, te Koog,
maar de molen staat hier. Dat is mooi, maar eenig.
Daarentegen weet ik ook, dat een man, die 54 jaren op
de pelmolen «David» geweest was, maar de laatste 3 jaren
onder een nieuwen patroon, toen hij niet meer werken
kon, eenvoudig zijne demissie heeft gekregen.
1056.    V. Zijn de loonen door u opgegeven, ook bij
andere oliemolens gebruikelijk?
A. Ja; de gunstige ligging van den molen heeft invloed
op de verdiensten. De onze ligt zoo tusschenbeide in.
Dat kan beschouwd worden als het gemiddelde.
1057.    V. Heerscht over het algemeen een geest van
tevredenheid onder de olieslagers?
A. Neen, van ontevredenheid.
1058.    V. Waarover?
A. Over het loon.
1059.    V. Bestaat er geen vereeniging van olieslagers?
A. Neen; er is wel eens quaestie van geweest om er
eene op te richten.
1060.     V. Vertel ons daar eens wat van.
A. Ik ben daarvan de voorman geweest. Ik wilde
het loon vastgesteld hebben per 1200 koeken op denzelfde\'i
-ocr page 66-
57
1070.     V. Verleden ja3r heeft er iets in de couranten
gestaan van eene circulaire van olieslagers aan den anderen
kant van de Zaan. Hadt gij daarmede niets te maken?
A. Neen.
1071.    V. In het stuk, dat gij ons voorgelezen hebt,
wordt gezegd, dat de toestand sedert de laatste jaren
onhoudbaar is geworden. Was de toestand vroeger veel beter ?
A. Ja, want vroeger maalden wij in den zomer in-
landsch koolzaad, en thans niet meer, omdat het in Fries-
land, Groningen en Zeeland blijft, waar de fabrieken zelf
het wel verwerken kunnen.
1072.    V. Gesteld, dat uw verzoek ware toegestaan en
uw loon op die wijze met lware verhoogd, was het
dan de bedoeling, dat er even lang zou gearbeid worden
en dus !/7 meer inkomsten zou verkregen worden, of wilde
men ten gevolge van de loonsverhooging den arbeidsduur
wat verminderd krijgen?
A. Neen, wij wilden 16 uren per dag blijven werken.
1073.     V. Woont gij dicht bij den molen?
A. Op een kwartier afstauds.
1074.    F. Daar gij op den dag geen rusttijd hebt,
kunt gij dus nooit met uw gezin eten?
A. Neen.
1075.    V. Hoeveel kinderen hebt gij ?
A. Tien.
1076.    V. Hoeveel hebt gij er nog thuis ?
A. Zes.
1077.    V. Zijn er daarbij, die verdienen ?
A. Twee, de één is houtzager en verdient f 4.50, de
ander verdient als pletjongen bij mij op den molen f 2
& f 2.50.
1078.    V. Hebt gij nog kleine kinderen ?
A. Het jongste is zes jaren.
1079.    V. Hoe zijt gij gehuisvest?
A. Vrij goed; ik heb eene woonkamer, een klein
kamertje, eene slaapkamer en een zolder.
1080.    V. Hoeveel verwoont gij ?
A. f 1.60 per week.
1081.    V. Is dat niet betrekkelijk weinig, in ver-
houding tot de andere woningen ?
A. Ja, dat is wel een buitenkansje.
1082.    V. Waarom slaat uw huisbaas niet op?
A. Ik denk, omdat ik nog al goed mijne huur betaal.
1083.    V. Is de huisvesting hier over het algemeen
nog al redelijk?
A. Dat gaat nog al, maar er zijn ook krotten bij, waar
in één kamertje alles moet geschieden.
1084.    V. Wanneer daar veel kinderen zijn, hoe
slapen die dan ?
A. Soms vier in ééne bedstede.
1085.    V. Jongens en meisjes door elkander?
A. Dat weet ik niet, maar dat zal wel haast moeten.
1086.    V. Wanneer door anderen een zeer gunstig
15
prijs als nu het last. Een last is meestentijds 1400 & 1500
koeken Nu was het loon vroeger gebaseerd op inlandsch
koolzaad, dat geeft door elkander 1100 koeken en het
lijnzaad geeft 1300 a 1400 koeken, dus de doorsnede was
1200 koeken. Dien maatstaf wenschte ik, omdat wij
nooit meer inlandsch koolzaad malen, maar steeds lijnzaad.
1061.    V. Begrijp ik het goed, dat, wanneer men
uw maatstaf had aangenomen, dit neergekomen zou zijn
op eene vermeerdering van bijna V7 van het loon, aan-
gezien gij f 10.65 krijgt voor een last, afwerpende 1300
ii 1400 koeken, en die som wenschtet te ontvangen voor
1200 koeken of omstreeks 6/7 van dat aantal?
A Ja, juist.
1062.    V. En waarop is het tot stand komen van die
vereeniging afgestuit? Op den onwil van uwe kameraden?
Zaten zij bij de pakken neer?
A. Neen, uit vrees voor de patroons.
1063.    V. Hebt gij er geen een gekregen, die met o
mede wilde doen ?
A. Jawel, maar slechts 27.
1064.    V. Wanneer hebt gij die poging in het werk
gesteld ?
A. October van het vorige jaar.
1065.    V. Wat hebt gij toen gedaan?
A. Ik heb de volgende circulaire rondgezonden:
Zaandam, October 1890.
Aan
Heeren Patroons, eigenaars van Windoliemolens.
Overwegende, dat de toestand van hen en vooral van
hunne onderhebbenden sedert de laatste jaren onhoudbaar
is geworden en het vak voor hen geen brood meer
afwerpt, nemen eenige blokmalers van windoliemolens,
na rijp beraad, onderdanig de vrijheid zich tot de Patroons
Ie wenden, met het bescheiden verzoek, dat het loon zoo
geregeld mag worden, dat het eenigszins in hunne be-
hoeften kan voorzien, en wel: het loon vast te stellen
op 1200 stuks koeken voor hetzelfde bedrag, dat thans
voor een last wordt betaald.
Hopende, dat dit hun billijk verzoek welwillend door
Heeren Patroons mag worden aangenomen en zij genegen
mogen zijn aan hetzelve te voldoen, in de overtuiging,
dat een meer mensonwaardig bestaan voor den olieslager
wel hoog noodzakelijk is.
\'t Welk in overeenstemming is goed-
gevonden op eene vergadering van blok-
malers, den Aden October
1890.
1066.     V. Waren die 27 allen blokmalers?
A. Ja.
1067.    V- Hoeveel blokmalers zijn er?
A. 69.
1068.     V. Hebt gij toen verder nog wat gedaan ?
A. Wij hebben dat stuk laten drukken en ik heb
met die 27 anderen eene vergadering belegd; maar zij
waren bevreesd voor hunne patroons, om er hunne namen
onder te zetten, en toen nebben wij de circulaire onge-
teekend aan de patroons gezonden.
1069.    V. Wat is er toen verder van gekomen?
A. Niets; toen ik later aan mijn patroon vroeg, of
dat stuk zelfs geen antwoord waard was, zeide hij : gij
kunt het gerust in den doofpot stoppen.
Enquête. — De \'/aankant.
-ocr page 67-
A. Ja, het «Vliegend blad" altijd driemaal in de week.
1102.    V. Kost het u groote inspanning en wils-
kracht, om na zoo langen werktijd nog te lezen ?
A. Neen, het is eene uitspanning, ik doe het graag.
1103.    V. Lezen de anderen bij u op den molen
ook ?
A. Neen, weinig of niets.
1104.    V. Laat ons nog even op de gesteldheid in
den molen terugkomen. Is het daar niet buitengewoon
warm, als de temperatuur buiten hoog is?
A. Ja, benauwd heet.
1105.    V. Wordt er niet gelucht?
A- Wij kunnen de ramen open zetten, maar staan voor
groote vuren, die wij niet verlaten kunnen.
1106.    V. Is er altijd drinkwater aan de molens?
A. Ja, maar doorgaans heel slecht.
1107.    V. Zijn zij in den regel niet aangesloten aan
de waterleiding?
A. Het zou wel mogelijk zijn, maar ik weet er van
de oliemolens geen.
1108.    V. Misschien, omdat zij ver landwaarts in
staan ?
A. Er zijn er ook aan den weg, zooals *het Rad van
Avontuur//.
1109.    V. En uw molen?
A. Die staat 2 minuten ver in het veld.
1110.     V. In den laatsten tijd hebben hier ver-
scheidene werkgevers hunne werklieden verzekerd tegen
ongelukken. Zijn daar, voorzoover gij weet, ook olie-
slagers onder?
A. Alleen Jacob Kluijver, anders ken ik er niet.
1111.     V. Is bij u aan den molen wel eens een ongeluk
gebeurd ?
A. Een man heeft eens een stuk ijzer op zijn schoader
gekregen, waardoor hij 7 weken thuis is geweest. Hij
heeft toen wel wat van den patroon gehad, hoeveel weet
ik niet, docli niet het volle loon. Wij deden toen onder
elkaar zijn werk, en dat loon was voor hem.
A. De Rooy.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. .1. Roi.jaards, Adj.-secretnris.
oordeel over de woningen in het algemeen wordt uit-
gesproken, onderschrijft gij dat oordeel dan niet?
A. Neen, maar liet is altijd nog beter dan in de
groote steden; want hier wonen de menschen ten minste
niet boven op elkander, maar gelijkvloers.
1087. V. Hebt gij veel woningen door het gemeente-
bestuur zien afkeuren ?
A. Eene enkele, die dar. voor schuur wordt ingericht,
of waarvoor dan eene nieuwe in de plaats komt.
10SS. V. Heeft eene houten woning uws inziens
groote schaduwzijden ?
A. Neen.
1089.    V. Heeft men er niet veel last van, dat de
wanden \'s zomers opentrekken door de droogte, om \'s winters
de. koude door te laten?
A. Dat zit hem in het hout; wanneer dat goed uit-
gewerkt heeft en goed in elkander zit, volstrekt niet.
1090.     V. Waaruit bestaat — met uw talrijk gezin —
uw middagmaal?
.4. Vijfmaal, vroeger zesmaal in de week, eet ik
enuen en boon en, met vet klaargemaakt.
1091.     V. Men hoort wel eens beweren, dat altijd
erwten en boonen eten nadeelig zou zijn voor de maag.
Dat is uwe ondervinding niet ?
A. Wij hebben er nooit last van gehad, fn twaalf
jaren heb ik geen dokter over den vloer gehad.
1092.    V. Eet gij er aardappelen bij ?
A. Vroeger eens, nu tweemaal in de week, \'s Woensdags
en \'s Zondags.
1093.    V. \'s Zondags ook vleesch er bij?
A. Soms; soms ook niet.
1094.    V. Als gij aardappelen en groenten eet, is
dat dan met vet door elkaar gestoofd p
.1. Ja, en als wij vleesch eten, is het paarden vleesch.
i095. V. Hebt gij, nadat gij als lljarige jongen de
school hadt verlaten, nog verder eenig onderwijs genoten ?
A. Neen, niets.
1096.    V. Leest gij veel?
A. Ik ben altijd aan het lezen of schrijven.
1097.    V. Haalt gij boeken uit de leesbibliotheek van
het Nut?
A. Neen.
1098.    V. Van de vereeniging //Vrienden der Waar-
heid" misschien?
A. Neen, uit de leesbibliotheek op de Rozengracht,
voor 5 cents per deel.
1099.     V. Waarom gaat gij niet bij het Nut?
A. Dat beviel mij niet, ik wil het eene deel na het
andere hebben, en moest op een vervolgdeel dikwijls
wachten ; aan brokstukken heb ik niets.
1100.    V. Leest gij thuis wel voor?
A. Ja, maar het is lastig, want mijne vrouw is
ook doof.
1101.    V. Leest gij geregeld eene courant?
Verhoor van Johannes Kronenberg, oud 50 jaar,
houtzagersbaas bij den heer li. Van der Stad,
te Zaandam.
1112. De Voorzitter: Van verschillende getuigen
hebben wij gehoord, dat de houtzagers onder de werk-
lieden vergelijkenderwijze de begunstigden zijn. Is dat
ook uwe meeniug ?
-ocr page 68-
5!)
A. Behalve de ondermiddenknechts, want die verdiene\'i
| te weinig. Wanneer ik aan den patroon wel eens zeg, om
ze wat meer te geven, dan antwoordt hij: wanneer zij bij
i een ander meer kunnen verdienen, dan moeten zij maar
1126.    V. Op den eenen windmolen wordt meer ver-
diend dan op den anderen, daaromtrent bestaat n.>g al
verschil, is het niet?
A. Ja, onze patroon betaalt niet slecht; er zijn er,
die minder geven.
1127.    V. Weet gij ook, hoe liet is bij den heer Striene?
A. Dat had ik 25 jaar geleden beter kunnen zegden.
1128.    V. Zijn de loonen in de latere jaren gestegen ?
A. Weinig; de uitgaven zijn meer gestegen dan de
inkomsten. Ik heb een behoorlijk inkomen, maar moet
toch heel wat rekenen om er te komen, fk heb zeven
kinderen thuis, waaronder een meisje van 18 jaar, dat
reeds vijf maanden ziek is en thans met den dood ligt
te worstelen. Dat arme kind kost mij heel wat geld.
1129.    V. Wat heeft dat meisje?
A. Zij heeft de influenza gehad en later rheumatische
koortsen gekregen, en wanneer wij den dokter bij het
bespeuren van eenige beterschap vragen, hoe hij den toestand
van de zieke vindt, dan luidt zijn antwoord steeds: het
is een dubbeltje op zijn kant.
1130.    V. Gij zegt, dat gij u groote uitgaven moet
getroosten voor uw meisje. Hebt gij nu voorschot gevraagd
aan uw patroon ?
A. Neen, Mijnheer, want ik heb reeds indertijd f2300
i van mijn patroon moeten opnemen voor het bouwen van
een huisje, omdat ik, met mijn groot gezin, moeilijk eene
geschikte woning kon vinden. Daarvoor heb ik te betalen
5 percent interest en f 75 aflossing, en dat is geen
kleinigheid. Daarbij komt nog, dat ik in het begin van
het volgend jaar dokter en apotheker heb te betalen. Ik
kan mij dus niet nog dieper in de schulden steken.
1131.    V. Hebt gij met het oog op de zieke moeten
bezuinigen op uwe dagelijksche uitgaven ?
A. Natuurlijk, \'s Zondags komt er geen stukje vleesch
meer op tafel. Van een enkelen keer een stukje kaas op
| het brood of een schepje suiker in de koffie komt niets
meer in. Daarentegen hebben wij eene meid moeten aan-
schafl\'en, omdat moeder het niet af kon.
1132.    F. Hoeveel vertrekken hebt gij in uwe
woning ?
A. Een flink vertrek van 18 vierkante meters, eene
I kleine kamer, die door moeder de vrouw als pronk-
kamertje wordt gebruikt, en dan heb ik nog een kleinen
winkel.
Ik heb namelijk een jongen, die mismaakt was, maar Prof.
Korteweg heeft hem genezen. Wij hebben een kruideniers-
winkeltje voor hem gemaakt, omdat hij toch niet op
andere wijze zijn kost kon verdienen; maar het i;eeft niet
veel, zoodat hij bij het krankzinnigengesticht eene be-
trekking zoekt te krijgen.
Een ander gedeelte verhuren wij voor 25 stuivers in
de week.
1133.    V. Hebt gij voor uw gezin, behalve die twee
vertrekken, een zolder, die beschoten is?
A. Ja, daar slapen er zes in houten ledikanten, drie bij
elkander.
.1. Zooals men \'t neemt. Er zijn er, die een ordentelijk
stuk brood hebhen, namelijk de hoofden; maar er zijn
er ook, die niet te bikken hebben, en dat noem ik niet mooi
De olieslagers hebhen het het minst; de pellers hebben
\'net niet zoo kwaad, doch op een houtzaagmolen heeft
één man eigenlijk goed brood.
1118. V. De firma Van der Stad heeft een wind-
molen en twee stoommolens, nietwaar?
A. Ja, op den windmolen en op één stoommolen ben
ik nslooper.
1114.    V. Is een nalooper niet iemand, die tusschen
den patroon en den baas in staat ?
A. Er is, behalve mij, nog een meesterknecht. ïk
sta tusschen patroon en volk in.
1115.    V. Wat verdient gij?
A. f 11.50 in de week, en verder ben ik gehuurd
op f30 brandgeld per kwartaal, en f 30 slacht; maar
mijnheer geeft mij f40.
1116.    V. Wat heeft de meesterknecht op den wind-
molen ?
A. Ik weet de loonen niet precies, want ik heb er
niet op gerekend, dat zij mij gevraagd zouden worden,
maar de meesterknecht heeft ongeveer f8 of f8,50, f30
brandgeld en f30 slacht, ook wel f40.
1117.    V. En de eerste middenknecht ?
A f6,50, f30 brandgeld, f 15 slacht.
1118.    V. De onder-middenknecht ?
A. f4, f3,75, f 15 brandgeld, geen vleeschgeld.
J119. V. De kotjougen?
A. f 2, f 1,75.
1120.    V. ïs de onder-middenknecht getrouwd.\'
A. Neen ; dat is een jongen van 19, 20, 21 jaar.
Zoo\'n onder-middenknecht kan tegenwoordig niet vooruit
komen en blijft dus maar vrijen, want hij verdient niet
genoeg om te trouwen.
1121.    V. Blijven de onder-middenknechts dan tot op
vrij gevorderden leeftijd ongehuwd ?
A. Ja, meestal; wij hebben er een gehad, die van
zijn loon alleen zijn kostgeld niet eens kon betalen, en
daarvoor zelfs van zijn brandgeld moest missen.
1122.    V. Wordt in de stoomfabrieken meer verdiend?
A. Ja, aanmerkelijk. De meesterknecht heeft f 10
en de andere voorrechten, de middenknecht heeft f 8,
een paar knechts hebben f 7 evenals de sjouwers, en
de machinist beeft f 14, alles in de week.
1123.     V. Gaan de menschen dan niet liever naar
de stoomzagerijen ?
A. Neen, daar is nooit rust; daar loopen de
menschen maar altijd te sjouwen, om 6 uur leggen zij
het leer op den schouder, en dat gaat den geheelen dag
door. Daar ziet menigeen tegen op.
1124.     V. Aan de windmolens hebben zij af en toe
meer hun gemak ?
A. Ja, men heeft veel drukke dagen, maar ook wel
eens stille.
1125.     V. Hoewel zij dus aan de windmolens minder
verdienen, blijven zij daar t»ch liever?
-ocr page 69-
60
1134.    V. Zijn de jongens en de meisjes van eikander
gescheiden, sedert zij b.v. boven de 12 jaar zijn ?
A. Ja.
1135.     V. (Jij spraakt voorheen van dokters- en
upothekersrekeningen, waarom zijt gij niet in eene bus?
A. Het is mij te duur.
1136.     V Maar als gij zulke kwade tijden hebt als
nu, dan komt het toch nog veel duurder?
A. Ik heb wel over die ziekenfondsen gedacht, maar
het gaat als van de armen: men moet, zoo lang men
kan, naar den dokter loopen, en het kost nog al wat ook.
1137.     V. Hoeveel belasting betaalt gij?
A. fS lioofdelijken omslag en f8 personeel ongeveer;
mijne vrouw weet dat echter beter dan ik.
1138.     V. Zijn bij den heer Van der Stad de werklieden
tegen ongelukken verzekerd?
A. Neen.
1139.    V. Het is in den laatsten tijd hier ter plaatse
1<ic1i nog al toegenomen, niet waar?
„4. Ja, ik heb dit van enkele patroons gehoord.
1140.     V. Zijn er bij uwel ongelukken voorgekomen?
A. Een keer, veertien jaar geleden, is een man dood
neergevallen door het afvliegen van een stuk ijzer van
een moker.
1141.     V. Worden bij het spannen van de zagen
altijd de stutblokken gebruikt?
A. Daarop durf ik geen ja zeggen.
1142.     V. Zijn de horizontale riemen ondervangen?
A. Bij ons werkt de boel beneden.
1143.    V. Hoe gaat het met het smeren?
A. Dat doet de machinist driemaal daags, als de boel
stil staat.
1144.     V. komt bij de zagerij nachtwerk voor?
,4. Elders wel, bij ons niet; sedert 4 jaren is dat
afgeschaft.
1145.     V. Wat zegt het volk daarvan ?
A. Dat is er mede ingenomen, want tegenover de
mindere verdienste van overwerk staat, dat zij nu het
genot van \'t huiselijk leven hebbeu. Vroeger zagen zij
de kinderen niet dan op Zondag, want als zij kwamen en
gingen, was alles nog of reeds op bed.
1146.     V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen ?
A. Ja, de slijperij is nadeelig voor de gezondheid ;
het is er stoffig en zóó koud, dat de menschen letterlijk
zitten te sterven.
1147.     V. Gebeurt dat slijpen bij den lieer Van der
Stad niet in een afgesloten lokaal ?
A. Nu, er is een schut tegen den tocht.
1148.    V. Zou verwarming gevaarlijk zijn?
A Dat durf ik niet ontkennen.
1149.     V. Worden er wel eens warme stoven ge-
brui kt ?
A. Ja, ik heb ook al eens gezegd : //Jan, neem eene
wanne stoof, schaam je niet. \'t is voor je gezondheid";
maar hij is bang om uitgelachen te worden.
1150.    V. Hebt gij er wel met den patroon over
gesproken ?
A. Zoo in \'t algemeen ja, maar ik raadde dat den
werkman aan uit mij zelven.
1151.    V. Die man heeft bij het werk immers een
glazen bord vóór zich ?
A. Ja, zoo\'n wit.
1152.    V. Gebruikt hij ook een bril?
A. Die is er wel, althans geweest, maar hij gebruikt
hem niet.
1153.    V. Heerscht er ook niet eene slechte lucht bij
dat slijpen ?
A. Ja, dat komt wel voor. Dat merkt hij al niet
meer. maar wij wel, als wij bij hem komen.
1154.     V. Is daar niets tegen te doen?
A. Ja, er moeten wel van die toestellen zijn.
1155.    V. Aspi rators ?
A. Ja, maar die hebben wij niet.
1156.    V. Werkt de slechte lucht nadeelig op de
gezondheid van den slijper ?
A. Nog niet; het is nog een jonge borst; maar wij
zullen eens kijken, als wij een paar jaar verder zijn.
1157.     De heer Le Poole: Komt het niet voor, dat
lokalen met den verloren stoom verwarmd worden ?
A. Neen.
115S. V. Wanneer wordt de ketel schoongemaakt?
A. Om de 6 weken.
1159.     V. Hoe lang wordt hij afgekoeld, vóórdat men
er in gaat ?
A. Van Zaterdag-avond tot Maandag-morgen.
1160.    V. Er is dus geen quaestie van last van de
warmte ?
A. Neen.
1161.    V Wie gaan in den ketel, jongens of mannen ?
A. Mannen.
Johs. Kronenberg.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.taards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Evert Baarse, oud 27 jaar, deegmaker
bij de firma Verkade & Co., broodfabriek "de Ruijter",
te Zaandam.
i
1162.     De Voorzitter: Zijt gij altijd in die fabriek
werkzaam geweest?
A. Neen, vroeger was ik bij Bolding, broodbakker te
Zaandam; maar aan de fabriek is het loon hooger, daarom
ben ik daarheen gegaan.
1163.    V. Hoe zijn de loonen aan de fabriek?
-ocr page 70-
«I
A. Juist.
1178.    V. Zijn er wel pogingen gedaan bij den patroon,
om ook den Zondag-avond vrij te krijgen?
A. Wij wilden den nacht van Vrijdag op Zaterdag
verlengen, in plaats van dien van Zaterdag op Zondag,
met dit gevolg, dat op Zondag geen versch brood zou
worden irevent. Dit hebbeu wij den patroon verzocht,
maar hij antwoordde, dat de fabriek nog zoo jong was,
en dat hij er door de concurrentie niets aan kon doen.
Maar als wij eenige patroons konden overhalen tot onze
denkbeelden, dan zou hij de eerste zijn om het te onder-
steunen.
1179.    V. En hebt gij dat gedaan, toen de heer
Verkade die toezegging gaf?
A. Ja: maar zooals het gewoonlijk gaat, de een ver-
trouwt den ander niet, en wij zijn er spoedig uitgescheiden.
1180.     V. Hoe gaat het bij een particulieren bakker?
A. Daar werkt men soms veel langer, van 12 uur
\'s Zaterdag-avonds tot 12 uur \'s Zondag-middags, en \'s Maan-
dag-morgens weer. Dit is het verschil.
A. Ik ben eerste deegmaker en heb f 12 in de week,
de andere deegmaker heeft f 11,50, de ovenisten hebben
f 12,50, de voorlieden aan de bank f 10,50, f 10, er zijn
er ook van f8.
1164.     V. Komt daar nog iets bij? B. v. vrij brood?
A. Neen; wij hebben het brood tegen slijtersprijs.
1165.     V. Hoe is de werktijd?
A. Wij hebben eene dag- en eene nachtploeg. De dag-
ploeg begint des morgens om 6 uur en werkt tot des
avonds 8 uur, met een rusttijd van 12 tot 1 of van 1 tot
2 uur, naar gelang van de drukte.
1166.     V. Wanneer gij des morgens uw brood eet, hebt
gij dan geen rust?
A. Neen, dat gebeurt onder het werken.
1167.     V. Met een kop koffie er bij?
A. Neen, met niets of een slok water.
1168.     V. Gaat gij dan toch niet even zitten?
A. Neen.
1169.    V. Komt de deegmaker van de dagploeg des
morgens niet vroeger dan de anderen?
A. Neen, want overdag wordt alleen beschuit gebakken.
Hij de nachtploeg komt de deegmaker om 4,80 des avonds,
en de banklieden en ovenisten komen \'s avonds om 8
uur tot des morgens 10 uur; zij hebben in dien tijd één
uur rust van 4 tot 5 uur.
1170.      V, Er wordt dus des morgens van 6 tot 10
uur door twee ploegen tegelijk gewerkt?
.4 Ja.
1171.    V. Hebben zij dan verschillend werk?
A. Ja; alleen het deeg voor de beschuit wordt door
de nachtploeg afgewerkt.
1172.    V. Werkt de dagploeg wel eens later dan tot
8 uur?
A. In sommige gevallen, voor boete. Wanneer een
werkman 15 minuten over zijn tijd komt, moet hij voor
straf een uur langer werken. Van 16 minuten tot een half
uur komt er een half uur bij.
1173.    V. Wordt daaraan streng de hand gehouden?
A. Zeker; wanneer het wat minder druk is, wordt het
wel eens uitgesteld, maar later moet men het dan toch
ontgelden.
1174.    V. Is er ook wel eens overwerk wegens drukte ?
A. Hoogstens 2 uren, en dit wordt betaald met 15 cents
extra per uur.
1175.     V. Hoe is het met het Zondagswerk gesteld?
A. \'s Zaterdag-avonds komen de beide ploegen op, opdat
het volk eenmaal in de drie weken een Zaterdag-avond
vrij zou kunnen hebben De deegmaker komt dan om half
vijf, de anderen om zeven of acht uur, naarmate het druk
is, en werken dan tot \'s morgens acht uur.
1176.    V. Gij hebt zooeven verteld, dat de mannen
om de drie weken een vrijen Zaterdag-avond hebben. Zijn
zij dan ook \'s Zondagsavonds vrij?
A. Neen.
1177.    V. De dagploeg is echter\'s Zondags altijd vrij
na \'s morgens acht uur, terwijl de nachtploeg altijd \'s Zon-
dag-avonds het werk hervat?
Enquête. — Be, Zaankant.
V. Gij hebt vroeger bij een particulieren
bakker gewerkt. Wordt daar harder gewerkt dan aan de
fabriek ?
A. Door de week niet. Alleen \'s Zaterdag-avonds moet
men langer staan. Bij den burgerbakker is er echter
meer rust, om op deeg te wachten. In de fabriek blijft
men aan den gang.
De particuliere bakker begint 3 uur \'s morgens, tot
half elf; dan gaat hij venlen met de kar, en dat wordt
zoo half één, één uur.
1182.    V. En hoe lang duurt het \'s Zondags ?
A. Èr zijn er ook tot den volgenden middag 12 uur.
1183.    V. Scheelt liet loon aanmerkelijk ?
A. Ja, er zijn particuliere bakkers, die niet aan één
knecht kunnen uitkeeren, wat de fabriek aan velen uit-
keert. Het loon is gemiddeld f 10.
1184.    V. Waart gij inwonende bij uwen patroon?
A. Ja.
1185.    F.
A.
Ja.
1186.    V.
A.
Ja.
Gij leefdet met het gezin mede ?
Dat was zeker wel aangenaam ?
1187.     V. Gezelliger, zoodat gij bij gelijke verdienste
liever bij een particulieren bakker zoudt zijn?
A. Zeker.
1188.    V, Hoe oud zijn de jongens, die bij het be-
schuit maken helpen ?
A. 16, 17 en 18 jaar.
1189.    V. Zijn er nog jongens beneden 16 jaar?
A. Ja, maar die werken in een ander deel van de
fabriek, waar de beschuit wordt ingepakt. Hoe lang die
werken, weet ik niet precies.
1190.     V, De nachtploeg heeft van 4 tot 5 uur rust,
zeidet gij; waar blijft die dan?
A. Die gaat slapen, zoo op eene plank.
1191.    V. Is het drinkwater voldoende koel, niet lauw ?
16
-ocr page 71-
H2
A. Het is, naar mijn smaak, goed, frisch; de pijp,
waarmede het uit den grond komt, is ook niet lang.
1192.    V. Wordt er ook voor andere zaken, dan te
laat komen, boete opgelegd?
A. Het reglement is afgenomen ; dat weet ik dus niet
zoo precies. Ik herinner mij echter wel. dat daarin boete
wordt gesteld tegen onzindelijkheid, beschadiging en zulke
zaken, maar die werd zelden toegepast.
1193.    V. Waarom wisselen nacht-en dagploegen niet?
//. Omdat de eerste uit bekwame lui bestaat, die bet
vak kennen; de laatste meer uit menschen van de straat,
die voor alles gebruikt worden.
11 94. V. Verdienen die ook minder ?
A- Ja, de bakkers, die er onder zijn, hebben vol
loon; maar de anderen van een rijksdaalder tot zes
gulden vijftig.
1195.     V. Zijn dat jongens?
A. Ja, ten minste, die dat kleine loon hebben.
1196.    V. Is er een termijn van opzeggen over en
weer ?
A. Neen, maar de patroon zegt gewoonlijk 3, 4
weken te voren op, en de gezellen 14 dagen.
1197.    V. Gebeurt het wel eens, dat er iemand op
stel en sprong weggaat ?
A. Neen, de kortste termijn is 8 dagen geweest. Een
werkman zou baas worden hier in eene bakkerij: daar
ging zijn voorganger in 8 dagen weg, en hij moest dus
ook op dien korten termijn opzeggen.
1198.     V. Zijt gij in een zieken- of ondersteunings-
fonds ?
A. Er is een ondersteuningsfonds aan de fabriek,
leder werkman moet daar lid van zijn: hem wordt daar-
voor l0/() van zijn loon gekort, terwijl de patroon 2°/0
bijdraagt
1199.    V. Wie voert het beheer?
A De heer Verkade of de boekhouder.
1200.    V. Besturen de werklieden niet mede?
A Neen; wij krijgen wel jaarlijks opgaaf van den
stand van het fonds.
1201.    V. Wordt die opgaaf dan door eene commissie
uit uw midden onderzocht?
A. Neen, wij kijken die stukken eens in, of nemen
ze mede naar huis.
1202.    V. Wat wordt uit dat fonds verstrekt?
.4. De volgende uitkeeringen :
de eerste vier weken nU van het gewone loon,
de tweede » // 1j.1 r n
        h         »
de derde » n \',\'4 « «         »         0
en verder wat de heeren gelieven te beschikken.
1203.    V. Hebt gij het, gedurende den tijd, dat gij
aan de fabriek zijt, wel eens bijgewoond, dat iemand van
het personeel lang ziek was?
A Neen, zes weken is het langst geweest.
1204.     V. Hebt gij er wel eens een ongeluk zien
gebeuren ?
I. Een ernstig ongeluk niet. Het ergste is geweest
eene verwonding aan de handen, die staking van den
arbeid gedurende 4 ii 5 weken ten gevolge had.
1205.    V. En wat werd toen voor ondersteuning
gegeven ?
A. De gewone ondersteuning uit het fonds: maar nu
zijn de werklieden verzekerd bij de Maatschappij tot
verzekering tegen invaliditeit en ongelukken.
1206.    V. Is hier eene bakkers-vereeniging ?
A. Neen, wel te Koog
1207.    F. Zijt gij daar lid van ?
A. Neen.
1208.    V. Om nog even terug te komen op de werk-
uren: in de fabriek heeft de dagploeg 13 uren werk per
dag, gedurende 5 dagen, dat is 65 uren: des Zaterdags
wordt er 8 a 11 uren gewerkt, en des Zaterdag-nachts
hoogstens 7 nren; maakt te zamen 80 a 83 uren per
week. De nachtploeg werkt 6 maal 13 uren, is 78 uren
en des Zaterdag-nachts 7 uren, maakt 85 uren per week.
Bij een particulier wordt gewerkt 10 all uren gedurende
zes dagen, en van Zaterdag op Zondag 9 uren, dat is
hoogstens 75 uren per week. Heb ik dat goed van u
begrepen ?
A. Ja, juist.
Evert Baarse.
A. Kerdi.tk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.secretaris.
Verhoor van Simon Blees, oud 45 jaar, olie-
slagersknecht bij de firma Wed. C. Korff
& Zonen, te Zaandam.
1209. De Voorzitter: Zijt gij altijd bij de firma
Korff geweest?
A. Van mijn twaalfde jaar af, toen ik van school
ben gekomen.
1210 V. Wat is uw werk?
A. Acht uren aan de hei en acht uren aan de steenen.
1211.    F. Er wordt dus 16 uren per etmaal door
u gewerkt, als er wind is, hoeveel rusttijd hebt gij daarin ?
A. Tien minuten, ais mijn jongen met het eten
komt, \'s middags om 2 uur. Maar er komt van zelf al
zooveel rusttijd, meer dan ik zelf zou wenschen, wanneer
er geen wind is. Zoo hebben wij van af Zondag vóór acht
dagen nog maar twee nachten gewerkt.
1212.     V. Komt het wel voor, dat gij vijf of zes
nachten in eene week te werken hebt?
A. Natuurlijk, het is wel gebeurd 14 nachten achter
elkaar. Maar daarvan gaat men niet dood: ons werk is
licht, handig en gauw. En als men dat niet kan, moet
men maar geen olieslager worden.
Maar mag ik u nu, eer u verder rraagt, eens iets
vertellen? Ik ben twintig jaren getrouwd, en die arbeids-
quaestie in de maatschappij is zeer groot; een blokmaler
-ocr page 72-
heeft brood, maar de mindere man heeft geen brood, j
Menigen keer zijn mijne tranen gevloeid, omdat ik mijne
vrouw en mijn gezin uiet geven kon, wat hun toekwam. Dat
is een gruwel voor ons. ledere 14 dagen krijg ik f 17
geld en, met inbegrip van enkele emolumenten, moet ik
het met f 9 per week stellen. Ik heb toch geld noodig
voor tabak, voor scheren, voor koffie, melk, enz. Ik heb
(! kinderen, waarvan 2 een beetje verdienen, maar het is
niet voldoende om mijne vrouw te geven, wat ik haar |
geven moet.
Toen mijn vader stierf, had ik f 30 schuld bij den
meester, maar in den tijd van eene maand had ik al f 80 \'■
oververdiend. Maar nadat vader is gestorven, hebben wij
nooit meer zulk een gunstigen wind gehad, want vader i
zeide altijd: \'/boe meer water ze dempen, boe minder
wind". Als de Zuiderzee wordt gedempt, krijgen wij geen
Oostenwind meer; nadat de Haarlemmermeer werd droog-
gemaakt. zijn de stormen niet meer zoo als vroeger. Ik
ben geen socialist, maar toch moest de patroon den I
arbeider een beetje tegemoet komen. Geen gelijkheid kan
er bestaan, maar toch kon de patroon zeggen : laat ik
een gulden meer geven, dan zijn wij in vrede en genoe- |
gen met elkander.
Ik \'neb gelezen in de courant, dat de Koningin alles |
zal doen wat zij doen kan voor de arbeidende klasse. Ik
hoop. dat er hu verandering komt, en bekwame burgers
niet langer afhankelijk zijn.
1213. V. Hoeveel dagen in het jaar maalt de molen ?
A. Dat kan ik u niet zeggen. Wij heeten 16 uren
te werken, maar het is gemiddeld niet meer dan 12 uren.
Nu met het Kerstfeest heb ik drie Zondagen te bed
gelegen door de stilte.
1214 V. Wat voert gij uit, als er windstilte is?
A. Overdag zijn wij dan toch aan den molen, van
8 tot 4 uur.
1215.     V. Gij wordt immers per last betaald?
A. Ja, wij krijgen met zijn vijven per last f 9.45;
de pletjongen heeft buiten dat f 1,20.
1216.    V. Is dat loon bij alle windmolens hetzelfde?
A. Ja, overal.
1217.     V. Hoeveel last wordt er per jaar verwerkt?
A. Schraal 200, wel eens 190, 180 ook; dat hangt
van den wind af. Vroeger was dat meer, maar in de
laatste jaren is er geen wind.
1218 V. Ligt de mindere productie daaraan alleen?
A. Neen, vroeger was het zaad ook minder zwaar.
1219.     V. Wordt er nu ook meer buitenlandsch zaad
vermalen dan vroeger?
A. Ja, veel meer. Vroeger werd meer binnenlandsch
zaad gemalen. Dat gaf 1200 koeken per last en het
buitenlandsche van tegenwoordig 1400.
1220.    V. Hoeveel verdient gij gemiddeld in de week?
A. Zooals ik zeide: f 17 in de veertien dageu; dat
is dus f S.50, maar daar komt verval bij.
1221.    V. Wat is dat verval?
.4. Dat is 30, 40 ets. per week, ook wel eens 50 ets.
1222.    V. Dus gij hebt gemiddeld op zijn hoogst
f 8.50 a f 9 per week ?
A. Ja.
1223.     V. Is het u bekend, dat verleden jaar eene
poging is gedaan door blokmalers, om hetzelfde loon, dat
tegenwoordig voor een last gegeven wordt, te krijgen
voor 1200 koeken?
A. Ja, de  patroon heeft zulk een brief gekregen.
1224.    V.    En heeft hij er toen iets aan gedaan?
A Neen.
1225.    V.     Waarom niet?
A. Dat weet ik niet.
122fi\\ V.     Heeft de patroon er met u over gesproken ?
A. Neen.
1227.    V. En gij ook niet met den patroon ?
A. Neen, want het ging den blokmalers aan, en ik
ben nachtblokmaler. De llooy, die de zaak op touw bad
gezet, is daarvoor bijna ontslagen, hoewel zijn eigen
patroon er eerst voor was.
1228.     V. Hoe oud is de pletjongen in den molen?
A. Bijna 16 jaar.
1229.    V. Wanneer hij 16 jaar wordt, zal hij dan
ook 16 uren werken ?
A. Ja.
1230.    V. Waren er vroeger wel jongens van 12,
13 en 14 jaar, die ook 16 uren werkten?
A. Ja, zeker. Mijne beide kinderen van 12 jaren hebben
ook 16 uren gewerkt.
1231.    V. Konden die jongens er tegen?
A. Er tegen? De Staat heeft gecommandeerd, om de
jongens beneden de 16 jaren maar 11 uren te laten
werken; maar dit kan ik u zeggen. het is een dolksteek
voor de oude menschen. Een kind groeit tegen het werk
in. maar nu moet een oude man bijspringen, omdat er
geen pletjongen is. Het zou heel wat beter zijn, dat een
man van 60 jaar 12 uren werkte.
Wat gebeurt er nu? Zulke jongens, die om twee uur
naar huis gaan, maken schandalen op straat. Daar heb je
mijn jongen, die heeft rumoer gemaakt bij het Leger
des Heil»,
waarvoor bij zelfs gezeten heeft. Dat is nu
het mooie gevolg van de wet
1232.    V. Hoelang werkt uw jongen?
A- Van \'s morgens vijf tot \'s middags twee uur.
1233.    V. Uw werk is, naar gij zeidet. overdag de
steenen na te loopen en \'s nachts aan de hei te staan.
Wat is zwaarder werk ?
A. De steenen lijken zwaarder, maar ik werk er toch
liever aan.
1234.    V. Gebruikt gij altijd de pennen aan de heien ?
A. Dat wordt bij ons nooit vergeten.
1235.    V. Krijgt gij uitkeering bij ziekte?
A. Ik ben in het geheel, zoolang ik getrouwd ben,
drie weken ziek geweest. Toen heb ik voorschot gekregen,
maar dat heb ik natuurlijk later moeten inverdienen. Dat
gaat op het boekje En als men oud wordt, is bet lucifers-
mandje het voorland.
1236.     V. Werkt gij ook des Zondags?
A Op het oogenblik is het vrij kalm, en niet druk.
maar als het druk is, dan wel. Verleden week heeft »\\a
Jonker\'\' den heelen dag gemalen.
-ocr page 73-
64
1252.     V. Is het de laatste dagen van de veertien
dan wel eens erg schraal?
A. Dat gebeurt zat.
1253.    V. Gij zoudt derhalve liever per week betaald
worden ?
A. Nu, \'t is mij, toen mijne vrouw ziek was, over-
komen, dat ik op Woensdag geen geld meer had ; mijn
patroon heeft mij toen voorgeschoten. Er zou wat van
kometi, als een man moest huishouden !
1254.    V. Zijn er op den molen velen doof?
A. Dat vraagt gij zeker, omdat ik zoo schreeuw.
Dat doe ik, omdat mijn vader doof was en altijd riep :
dondersche jongen, ik hoor je niet.
1255.    V. Er zijn veel dooven onder de olieslagers,
niet waar ?
A. Ja, hei-doof, maar ik heb er geen last van.
1256.    V. Hebt gij ook geen last van uitslag op
handen en armen? Men zeide ons, dat dit bij de olie-
slagers veel voorkomt.
A. Neen, ik heb er geen hinder van, en mijn jongen,
die olieslager is. ook niet. Van anderen weet ik het niet,
want ik kijk daar niet naar. Er zijn wel veel bleeken
onder de olieslagers.
1257.    V. Waaraan schrijft gij dit laatste toe?
A. Men zegt, dat het een dampig werk is; maar mij
heeft het nooit gehinderd.
Simon Blees Gz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretarvs.
1237.    V. Gebeurt dat bij u aan den molen ook wel ?
A. Ja, maar niet den geheelen dag.
1238.     V. Doet gij het graag, omdat daardoor uwe
verdiensten grooter worden?
A. Graag? Ik vind het akelig. God heeft de aarde
geschapen en gezegd: 6 dagen zult gij werken, en den
7Hcn zult gij rusten.
1239.     V. Niettegenstaande gij dus verdient op Zon-
dag, vindt gij het onaangenaam?
A. Er moest eene wet zijn, waarbij de patroon voor
f50 werd beboet, wanneer hij op Zondag liet werken.
1240.     V. Wordt er wel langer dan 16 uren gewerkt?
A. \'s Zondags, maar anders niet.
1241.    V. Tot hoe laat werkt gij \'s Zondags dan?
A. In den wintertijd tot 8, 8\'/j uur toe.
1242.    V. Hoe laat zijt gij dan begonnen?
.-/. \'s Zaterdag-middags om 12 uur.
1243.     V. Dus dan hebt ge 20 uren achtereen ge-
werkt ?
A. Ja.
1244.    V. Met hoeveel rusttijd ?
A. Tien minuten ;\'s nachts kan men niet wegloopeti.
1245.     V. Zijt gij dan niet af en toe gaan zitten?
A. Neen, ik ben dan 20 uren op de been geweest.
1246.     V. Krijgt gij daarvoor meer dan het gewone
lastengeld?
A. Geen cent meer. Het is een gruwel. Onlangs heb
ik er den patroon over gesproken en toen wat meer ge-
kregen. Maar ais men zich stilhoudt, krijgt men niets.
1247.     V. Kreegt gij dat alleen?
A. De anderen krijgen los geld, alleen de blokmaler
en ik krijgen vast geld.
1248.    V. Dat begrijp ik niet. Gij hebt verteld, dat
voor elk last f9.45 tusschen het personeel wordt verdeeld,
zooals gij dat hebt aangegeven; wat bedoelt gij dan met
vast geld ?
A. Wij krijgen eene vaste som telken male, met ver-
evening ééns per jaar.
1249.    V. Dus ge krijgt om de 14 dagen f 17, en
ééns per jaar wordt afgerekend, wat ge te veel of te weinig
ontvangen hebt?
A. Juist; ik had in Mei een f 30 te kort, en dat
moet ik het volgend jaar weder inhalen.
1250.     V. Zoudt gij liever per week uw geld ont-
vangen, dan urn de 14 dagen?
A. Dat zou wel aardiger zijn, want \'s Zaterdags is
moeder wel eens verlegen.
1251.     V. En als ge het geld thuis brengt, moet
moeder de vrouw daarmede dan betalen, wat zij die afge-
loopen 14 dagen gekocht heeft?
A. Dat moest er nog bijkomen! Dan kon ik weleen
dolk in mijn lijf steken ; neen ik ben vrij man, geen
schuld, hoor!
Verhoor van Jan Van der Ben, oud 51 jaar, werkman
bij den stadsreinigingsdienst, te Zaandam.
1258.    De Voorzitter: Zijt gij al lang in uwe
tegenwoordige betrekking?
A. 17 jaar.
1259.     V. Wat hebt gij vroeger gedaan?
A. Ik ben eerst schippersknecht geweest; daarna heb
ik gewerkt op een houtzaagmolen ; en toen heb ik negotie
gedreven in aardappelen.
1260.     V. Wat voor werk hebt gij te doen?
A. Ik ben bij de asch en vuilnis.
1261.     V. En wat verdient gij?
A. Nu f 7,50 in de week, maar vóór 1 Januari
had ik f 7.
1262.     V. Komt daar nog wat bij?
A. Ja, als wij nachtwerk hebben, een put ledigen of
; zoo, dan krijgen wij de eerste vier uren 25 ets. per uur.
en de volgende 20 ets.
1263.    V. Gebeurt dat nog al dikwijls?
-ocr page 74-
65
127S. V. Werkt de jongen, die op de zakjesplakkerij
is, nooit langer dan tot zeven uur?
A. Nooit.
1279.    V. Verdient uwe vrouw er nog iets bij ?
A. Ja. zij gaat om de 14 dagen uit wasschen, voor
50 cents, en heeft nog f 10 per 3 maanden voor het
schoonhouden van de school.
1280.     V. Hebt gij nog kleine kinderen?
A. De jongste is zeven jaar oud.
1281.    V. Gaan zij nu allen school, behalve die twee?
A. Zeker.
1282.    V. Maar toen de kleinste nog jonger was, wie
paste daar toen dan op ?
A. Een jongen van omstreeks acht jaar.
1283.     V. Die kon dan dus niet schoolgaan ?
A. Neen, dan moest hij een dag tehuis blijven om
te wiegen.
1284.     V. Hoeveel verwoont gij?
A. ï 1.15. Daarvoor heb ik eene kamer en een
schuurtje.
1285.     V. Niets anders?
A. Ja, nog een zolder.
1286.     V. Waar slapen de kinderen?
A. Allen beneden, in drie bedsteden. In ééne bedstede
slapen er vijf, in de tweede slapen mijne vrouw en ik, en
in de derde mijne beide oudste meisjes.
1287.     V. Waarom wordt er niet op zolder geslapen ?
A. Er zijn ^een bedsteden en liet is er ook veel
te koud.
1288.     V. Is die dan niet beschoten?
A. Er is wel hout, maar ik kan de lucht zien, en
liet is er veel te koud.
1289.    V. Liggen er werkelijk vijf in ééne bedstede?
A. Ja. twee meisjes van 7 en 11 jaar. en een jongen
van 15, een van 16 en een van 12 jaar.
1290.     V. Vindt ïij het niet naar, dat jongens en
meisjes zoo bij elkaar liggen?
A. Het is groot genoeg, ze kunnen er best liggen.
1291.     V. Waar bestaat de middagpot uit?
A. Wij eten rijst, gort en aardappelen, maar deze
laatste zijn bedroefd bevroren. Gewoonlijk, wanneer ik er
niets anders bij krijg (zooals onlangs snijboonen), eten
wij aardappelen en koolrapen, met een beetje vet gestoofd
Het vleesch blijft weg, en veel vet is er niet.
1292.     V. Eet gij uw potje ook wel met lawaaisaus ?
A. Die lust ik niet.
1293.     V. Verdienen de werklieden bij den reinigings-
dienst allen f 7.50?
A. Neen, er zijn er, die minder hebben, en een of
twee, die meer hebben Er zijn er ook die f 5.50 i\\ f 5
verdienen. Een is een vrijgezel.
J294. V. Zijn er ook getrouwde lui, die f 5 verdienen ?
17
A. Zeer weinig, want de putten zijn tegenwoordig
bijna alle gedempt.
1264.    V. Staat daarmede misschien uwe loonsverhoo-
#ing in verband?
A. Neen.
1265.     V. Hoeveel komt er tegenwoordig met dat
nachtwerk per week gemiddeld bij uw loon ?
A. Het gebeurt soms, dat ik in een geheel jaar geen
put te ledigen heb.
1266.     V. Dus daarvan hebt gij eene geheel onbetee-
kenende vermeerdering van inkomsten ?
A. Ja. Voor Zondagsarbeid echter worden wij ook
extra betaald.
1267.    V. Hoeveel krijgt gij daarvoor?
A. 15 cents per uur.
1268.     V. Komt dat veel voor?
A. Ook weinig; bijv. slechts met kermis, of als de
straten erg vuil zijn.
1269.     De heer Le Poole: Krijgt gij geen fooien met
kermis of Nieuwjaar?
A. Ja.
127(1. De Voorzitter: Hoeveel hebt gij nu met
Xieuwjaar ontvangen ?
A. Ongeveer f 12.
1271.    V. Krijgt gij datzelfde bedrag ook met kermis ?
A. Neen, dan is het niet zooveel; want er zijn hier
veel Afgescheidenen, die er met kermis niel aan doen.
1272.    F. Van de gemeente krijgt gij dus niet meer
dan f 7,511?
A. Neen
1273.     V. Hoe lang is uw werktijd?
//. In den zomer van 6 tot (! uur, waarvan afgaat l\'/\'a uur
rust\'s middags en Vu uur schaft; en \'s winters van 7 tot
5.30, soms iets later, en dan krijgen wij slechts l\'/j uur rust.
1274.     V. Worden er boeten toegepast?
A. Zeker.
1275.     V. Bijv. wanneer gij te laat komt?
A. Dat wordt wel eens door de vingers gezien; maar
wanneer wij bijv. een vaatje van een privaat laten staan,
en er komt eene klacht, dan krijgen wij f 0.25 boete.
Ik heb echter slechts éénmaal zulk eene boete gehad.
1270.    V. Wanneer gij ziek zijt, gaat dan uw loon
geheel of gedeeltelijk door?
A. Het halve loon; maar altijd op bewijs van den
armendokter. En dan krijg ik kosteloos geneeskundige
iiulp van de stad.
1277. V. Hoe groot is uw gezin ?
A. .Man, vrouw en zeven kinderen. Zij zijn allen
tehuis. Twee van mijne jongens verdienen echter al wat;
de een is in eene zakjesplakkerij en verdient daar f 1.50
in de week. Daarvoor werkt hij van \'s morgens half acht
tot \'s avonds zeven uur, waarvan l\'/j uur rusttijd afgaat.
De andere, die bij een bierbottelaar is, werkt van \'s mor-
gens 9 uur tot \'s avonds (i uur, met 1 uur rusttijd, en
verdient f 2.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 75-
6fi
A. Neen, maar er zijn er wel, die minder dan f 7.50
verdienen onder de getrouwde lui, en wel f 6.50. Ik
geloof, dat er twee zijn. maar ik durf het niet zeggen.
Wij kijken den staat niet na.
J. Van dek Ben.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.taards. Adj.-secretaris.
1305.    I . Hebt gij ook ongelukken door aanraking
met de machine bijgewoond ?
A. Neen.
1306.    V. Wordt gij bij de week uitbetaald ?
A. Ja.
1307.    V. Worden er boeten opgelegd?
A Ja, 10 ets voor te laat komen, maar dat wordt
weinig toegepast.
1308.     V. Hoeveel werklieden heeft uw patroon in
het geheel?
A. Aan de fabriek 7, en aan de molens 8 te zamen.
1309.     V. Waar werken de meesten liever, aan de
molens of op de fabriek ?
A. Aan de molens, daar komen nog eens stille
dagen voor.
1310.    V. Wordt dan hetzelfde loon gegeven, of de
molen maalt of niet ?
A. Ja.
1311.     V. Wordt aan de molens langer gewerkt dan
aan de fabriek ?
A. Neen.
1312.    V. Wordt er ook niet \'s nachts gewerkt ?
A. Neen; dat beviel mijnheer niet, dat is al 5 jaar
afgeschaft.
1313.    V. Moeten de menschen, die in het geheel
f 7.50 hebben, daarvan leven, of verdient in den regel
de vrouw er nog wat bij ?
A. Zoolang er geen kinderen zijn, kan dat, maar
langer niet.
1311. V. Dan zal zeker schraalhans er keuken-
meester zijn ?
A. Ja, dat wel.
1315.    V. Eten die menschen geregeld vet bij hun eten ?
A. Neen. dat kan er niet af.
1316.    V. Eten zij aardappelen met groente ?
A. Aardappelen zijn nu te duur; zij eten erwten,
boonen en rijst, dat is goedkooper en ook voedzamer.
1317.     V. Wordt dat dan niet met vet klaargemaakt?
A. Als het kan, met vet; maar anders met strooji
en azijn.
1318.    V. Hebt gij veel kinderen?
A. Één.
1319. V. Hebt gij nog andere verdiensten dan uwe
10 gulden?
A. Neen.
D. ISPIJKKR.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.secretaris.
Verhoor van Dirk Spijker, oud 86 jaar, verfhout-
malersknecht bij de firma Heijme Vis & Zonen,
te Zaandam.
1295. De Voorzitter: Zijt gij op een windmolen?
A- Neen, op een stoommolen
J2\'J6. V. Hoe lang werkt gij ?
A. Van 6" tot 7 uur, en gemiddeld één uur overwerk.
Daarvan hebben wij 2 uren rust in drie tempo\'s.
1297.    V. Kunt gij in een uur naar huis gaan om
rustig liet middagmaal te gebruiken ?
A. Voor hen, die dichtbij wonen, gaat dat; die veraf
wonen, kunnen dat moeilijk doen : zoo zijn er twee.
1298.    V. Is l\'/2 uur middagrusttijd hier uitzondering?
A. Op fabrieken ja, bij de ambachtsindustrie niet.
1299.     V. Is er in de fabriek, waar gij werkt, nacht-
en Zondagsarbeid ?
A. Neen.
1300.    V. Wat is het loon?
A. De ondergeschikten krijgen f b\' vast en f 1.50
voor nacht-overwerk; ik heb f 3 vast en f 2 voor\'s nachts
Verder komt er niets bij. Wij verdienen minder dan
werklui in andere vakken. Dat is altijd zoo geweest.
Vóór 12 jaren was liet nog minder. Toen kreeg een man
f 5 vast, behalve het nachtloon Maar wij zijn tevreden,
want onze patroon geeft zooveel als het lijden kan.
1301.    V, Is op den windmolen de verdienste anders ?
A. Hetzelfde; voor het nachtgeld, dat afgeschaft is,
zijn die f 1,50 in de plaats gekomen. Daar wordt niet
anders gewerkt, dan van 6 tot 7 uur.
1302.    F. En als gij ziek zijt?
A. Dan gaat voor eene week het geheele loon door;
duurt het langer, dan gaat de f 1.50 voor overwerk er af.
1303.    V. Is er bij u wel een ongeluk gebeurd ?
A. «Ta, maar niet ernstig. Verleden week heeft een
werkman zijn been gebrand.
1304.    V. Hoe kwam dat?
A. Hij moest bankmessen slijpen, zooals wij gebrui-
ken om hout te kappen. De steen was bevroren, en
daarom haalde hij een emmer kokend water van beneden,
en daar trapte hij met zijn been in. Nu is hij 9 dagen
buiten werk.
-ocr page 76-
ZITTING VAN DINSDAG 6 JANUAKI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kerdi.jk, Voorzitter.
Le Poole.
Visser.
1329.    V. Hoe lang slaapt gij gewoonlijk dien Zondag ?
A. Dan ga ik tegen 7 of 8 uur slapen, als de anderen
uit bed gekomen zijn. Dan slaap ik tot 11 uur, tot
koffietijd, en dan ga ik om half een weer liggen tot half
vijf.
1330.    V. Aan den Zondag hebt gij dus niets ?
A. Neen, ik ben in geen 20 jaren in de kerk geweest,
behalve om een kind te doen doopen.
1331.    V. Zou het gemakkelijk te vinden zijn om
daarin verandering te brengen, zóó dat gij om de 14
dagen een etmaal vrij hadt?
A. Daarvoor zouden in den winter vier man en in
den zomer 2 man noodig zijn.
1332.    V. Hebt gij er nooit eens met den directeur
over gesproken ?
A. Met den heer de Heus wel, maar dan bleek het altijd
niet te kunnen.
1333.    V. Hebt gij er nog niet met den nieuwen direc-
teur over gesproken ?
A. Neen, maar de fabriek is pas drie maanden geleden
aan de stad gekomen.
Ik heb er wel eens over gesproken met den baas.
Jansen genaamd, maar hij zeide : „dan moetje maar geen
stoker wezen."
1334.    V. Waarom spraakt gij niet met den direc-
teur?
A. De baas is voor zulke dingen.
1335.    V. Is het geen gewoonte om uwe belangen
met den directeur te bespreken ?
A. Hij is wel goed te spreken, maar men komt er
niet toe.
1336.    V. Hoe werken de fitters?
A. Gedurende 6 dagen 12 uren.
1337.   V. Hebben zij dikwijls overwerk?
A. Nu met de vorst wel, maar anders gewoonlijk
niet.
Verhoor van Frederlk Klokkemeyer, oud 51 jaar,
stoker aan de gasfabriek, te Zaandam.
1320.   De Voorzitter: Hoe groot is het personeel van
de gasfabriek?
A. Het bestaat uit 8 stokers, 3 fitters en 1 man voor
het zuiverhuis, dat is het vaste volk ; en dan hebben
wij 2 a 3 losse mannen.
1321.    V. Hoe is uw werktijd?
A. Ik werk van 6 uur tot 6 uur.
1322.    V. Werkt gij met 2 ploegen?
./. Ja, eene week werk ik bij de dag- en eene week
bij de nachtploeg.
1323.    V. Hoeveel rusttijd hebt gij in die 12 uren ?
A. Dat is ongelijk naar mate van het werk; een vasten
schafttijd hebben wij nooit.
1324.    V. Laat gij uw eten aan de fabriek brengen 1
A.
Ja
1325.    V. In die 12 uren hebt gij toch wel af en toe
een kwartiertje rust?
A. Ja.
1326.    V. Wanneer heeft de wisseling van ploegen
plaats ?
A. Des Zaterdag-middags. Wanneer ik deze week tot
de dagploeg behoor, dan werk ik op Zaterdag van \'s mor-
gens 6 tot \'s middags 12 uur; daarna kom ik om 6 uur
\'s avonds weer in dienst en werk dan tot des Zondag-
inorgens om 6 uur.
1327.    V. Dus elke ploeg heeft om de 14 dagen des
Zaterdags 6 uren te werken ?
A. Juist.
1328.    V. En gij hebt nooit een geheel vrijen Zondag,
maar zijt alleen om de 14 dagen van \'s morgens zessen
tot \'s avonds zessen vrij ?
A Jawel, maar dat is slaaptijd.
-ocr page 77-
68
1355. V. Hoe laat werkte die jongen vroeger wel ?
A. Dat was naar het werk; hij begon om 6 uur en
eindigde wel om 8, 9, 10 uur, maar dat bleef toch bij
een enkelen keer.
F. Klokkemeyer.
A. Kkrdijk, Voorzitter.
S. Le Pooi. e.
\\V. M. Visser.
\\V. H. J. Roliaards. Adj.-secretnris.
1338.    V. Waar eet gij uw middagpotje in de fabriek ?
A. In de stookplaats.
1339.    V. Hebt gij geen apart schaftlokaal ?
A. Neen, ieder blijft bij zijn werk. Als het goed gaat,
kom ik de fabriek niet uit.
1340.    V. Hoeveel verdient gij l
A.
f 10.65 in de week.
1341.    V. En de andere stokers?
A. Een heeft f 10 en de vier andere f 8.
1342.    V. Komt er wat bij ?
A. Een mud cokes.
1343.    V. Hoeveel is dat waard ?
A. Nu f 0.55, maar gewoonlijk zoo ongeveer f 0.35.
1344.    V. Zijn de loonen onveranderd gebleven bij
den overgang van de fabriek ?
A. Ja, tot op heden.
1345.    V. Hoe was het bij den heer de Heus, als gij ziek
waart ?
A. Dan kregen wij het volle geld.
1346.    V. Is er een boetestelsel aan de fabriek ?
A. Neen.
. 1347. V. Als gij te laat komt, krijgt gij dan geen
boete ?
A. Neen.
1348.    V. Hangt er een reglement ?
A. Ook niet.
1349.    V. Hebt gij wel eens gehoord van gasfabrieken,
waar de stokers om een zeker aantal weken vrij hebben ?
A. Wij hebben een fitter uit Alkmaar, van wien ik
weet. dat zij daar \'s Zondags in het geheel niet werken; zij
blijven er tot\'s Zaterdag-nachts 12 uur en beginnen weer
\'s Zondag-nachts 12 uur. Er wordt \'s nachts van Zaterdag
op Zondag niet gestookt, alleen worden de vuren aange-
houden. Dat kan bij ons niet door gebrek aan gashouders.
1350.    V. Achten de werklieden dat Zondagswerk een
heel groot bezwaar?
A. Door de gewoonte zien wij er geen kwaad meer
in; maar wij zouden het een groot genot vinden, als wij
\'s Zondags vrij konden zijn.
1351.    V. Hebt gij kinderen ?
A. Ja.
1352.    V. Die zullen, als gij de dagweek hebt, niet
veel van u zien ?
A. Neen, dat gaat al zoo als \'t kan; mijne vrouw is
al acht jaar dood, en eene oude moeder van 85 jaar neemt
bet huishouden waar, behalve de wasch. Ik heb nog 3
kinderen thuis, 2 meisjes en één jongen, die op dedruk-
kerij en zakjesplakkerij van Zwart werkt al sedert zijn
12de jaar; die is van 8 tot 7 uur buitenshuis.
1353.    V. Werkt die jongen wel eens langer dan
\'s avonds 7 uur ?
A. Vroeger wel. maar in den laatsten tijd niet meer,
omdat de wet het verbiedt.
1354.    V. Wordt bij den heer Zwart aan de wet streng
de hand gehouden V
A. Jawel.
Verhoor van Hendrik Zwaardemaker, oud 29 jaar,
peller en commissionnair, firma J. Zwaarde-
maker Hzn., te Zaandam.
1356.    De Voorzitter: Gij oefent de pellerij uitsluitend
met windmolens uit, niet waar ?
A. Ja; wij hebben 3 windmolens.
1357.    V. Wordt op die verschillende molens gewerkt
op dezelfde wijze, met hetzelfde aantal menschen ?
A. Ja; wij werken met 4 werklieden op eiken molen.
1358.    V. Er zijn immers molens, waar met minder
menschen gewerkt wordt ?
A. Ja, men heeft er. waar 3, en zelfs waar maar 2
werklieden zijn.
1359.    V. Zijn er ook, waar met meer dan 4 knechts
gewerkt wordt\'?
A. Ik geloof het niet.
1360.    V. Als er wind is, zijn de werklieden altijd aan
den molen, niet waar, zonder naar huis te gaan ?
.4. Ja.
1361.    V. Hoe lang werkt dan elke man in het etmaal\'\'
A. Die vraag is zeer moeilijk te beantwoorden. De
knechts doen het werk met hun vieren. Zij hebben vast
6 uren om te slapen, maar willen zij nu het werk zóó ver-
deelen, dat zij elk 8 uren slapen, dan kunnen zij dit
doen, en gewoonlijk doen zij dat ook.
De nacht aan den molen „de Rozenboom" duurt van
\'s avonds 8 uur tot \'s morgens 4 uur; 2 man gaan dan om 8
uur naar bed en komen er om 2 uur uit. Spreken zij nu af,
dat die 2 mannen een paar uren vroeger naar bed kunnen
! gaan, dan kunnen zij dat onder elkander vinden, daar
I het werk nacht en dag door 2 man kan gedaan worden.
1362.    V. Overdag ook ?
A. Ja, vandaar dat er molens zijn, waar slechts 2
mannen werken.
1363.    V. Maar wanneer er slechts voor 2 mannen
werk is, wat doen dan bijv. op uwe molens de twee
andere ?
A. Zij bezorgen goed en houden den molen schoon.
1364.    V, Wanneer er 5 mannen waren in plaats
van 4, zou het werk dan zóó verdeeld kunnen worden,
dat de menschen een geringer aantal uren in het
etmaal te werken hadden en daardoor den tijd kregen
om eens naar huis te gaan ?
A. Dat geloof ik wel.
1365.    V. Ik doe die vraag, omdat gij het met mij
eens zult zijn, dat het hard is voor die menschen om,
in tijden dat de wind gaat en deze lang duurt, alleen
des Zondags in hun huisgezin te kunnen vertoeven.
-ocr page 78-
69
.4. Zij halen zei ven het eten, en kunnen dan om
beurten naar huis gaan.
1366.   V. Is het niet juist, wat ons verzekerd is, dat,
wanneer een pelmolenaar \'s Zondag-nachts van den molen
gaat, hij, zoo er wind is, niet vóór den volgenden Zondag
tehuis komt?
A. Wanneer hij zelf niet wil, kan dat gebeuren; maar
anders kan hij naar huis gaan om eten te halen, altijd
om beurten.
1367.    V. Doet dat dan niet de jongen ?
A. De meeste knechts doen het een paar keeren per
week zelf.
1368.   V. Maar dat is in allen gevalle niet anders dan
heen en weer loopen, want zij eten dan toch niet tehuis
met hun gezin?
A. Neen.
1369.    V. Zouden zich alleen financieele bezwaren er
tegen verzetten, om daarin verandering te brengen, bijv.
door één man meer in het werk te nemen?
A. Geene andere.
1370.    V. Hoe gaat het op de molens, waar slechts
twee man werken?
A. Dan zijn er twee volslagen knechts. Maar ik weet
hier maar één dergelijken molen, namelijk die van
Willem Aten.
1371.    V. Maar molens met 3 man zijn er immers
verscheidene?
A. Ik geloof het wel.
1372.    V. Hoeveel dagen wordt er gemiddeld jaarlijks
op de pelmolens gemalen?
A. Er zijn ongeveer 180 a 200 winddagen.
1373.    V. Wanneer er geen wind is, blijven de mannen
dan toch op den molen?
A. Ja, want dan maken zij den molen schoon;
zooals u bekend is, is het daar altijd zeer netjes. En
dan is er de verzending van het goed, dat, vóórdat
het afgeleverd wordt, moet worden gemeeld, en dan in
balen wordt verzonden.
1374.    V. Wat is hun loon ?
A. Dat is verschillend. Wij hebben drie molens, en
nu is het op twee molens gewoonte vleesch te geven.
Op den anderen niet. Dat was een rijstmolen, dien wij
later kochten en voor gortfabricage ingericht hebben,
en toen hebben wij de loonen van den rijstmolen behouden.
De meesterknecht krijgt f 10, de middenknecht f 7,
de derde man f 6 en de jongen f 4.50.
1375.    V. Daar is geen slacht?
A. Neen.
1376.    V. Zijn er echter andere emolumenten?
A. Er zijn circa vier nachten, waarvoor de eerste drie
mannen f 1 krijgen en de jongen f 0.80.
1377.    V. Hebben zij daar gort vrij ?
A. Neen.
1378.    V. Is dat dus hunne gansche verdienste?
A. Neen, nu komt nog het eestgeld. Wij hebben een
eest, waar gort gedroogd wordt voor verzendingen. Daar-
voor krijgen zij f 0.08 per zak. Het volk van den eenen
molen krijgt de eene, dat van de twee andere de andere
helft.
1379.    V. Op hoeveel komt dat gemiddeld?
Enquête. — De Zaankant.
A. Ik kan het moeilijk zeggen, het varieert verschrik-
kelijk. Twee jaar geleden hadden wij de leverantie voor
de Marine, en toen hebben zij een extraatje gehad.
Anders is het circa de helft van ons fabrikaat, dat wij
eesten.
1380.    V. Kunt gij geen benadering geven?
A. Als ik het moest taxeeren, zou ik het op f 1 per
man in de week schatten.
1381.    V. Dat alles geldt „de Rozenboom"?
A. Ja. Op de twee andere geven wij:
den meesterknecht f 8,
„ middenknecht f 6,
„ derden man f 4.50,
„ jongen f 1.25 en f 1.50.
1382.    V. Dezen krijgen er toch ook nachtgeld bij?
A. In ,,het Wapen" f 1.20 per nacht. Omdat hij
Alkraaarsche gort maalt, waar meer wind voor noodig
is, kan hij niet zooveel nachten malen, en daarom geven
wij den werklui daar wat meer.
Op „de Liefde" geven wij f 1 per nacht.
1383.    V. Is het eestgeld hetzelfde?
A. Juist de helft, gelijk ik reeds zeide.
1384.    V. Maar nu de slacht?
A. Dat is voor den meesterknecht 250 pond, voor
den middenknecht 150 pond vleesch.
1385.    V. Is de derde man niet gehuwd?
A. Wij hebben er een, die gehuwd is.
1387.    V. Waaraan geven de menschen de voorkeur:
aan eene regeling, zooals die op „de Rozenboom" bestaat,
of aan eene zoodanige, als op de andere molens wordt ge-
vonden. Het verschil bestaat immers daarin, dat „de Rozen-
boom" dubbel eestgeld en ook nachtgeld geeft, doch geen
vleesch, waartegenover staat, dat zij op de andere minder
eestgeld hebben, doch slachtgeld krijgen?
A. Daar heb ik nooit over hooren spreken.
1388.    V. Wat vindt gij beter: vleesch in natura geven,
of geld ?
A. Vleesch in natura, omdat wij beter kunnen zorgen
voor de qualiteit.
1389.    V. Is dat varkensvleesch ?
A. Ja.
1390.    V. Hebt gij jeugdige jongens in \'t werk ?
A. Een; ik geloof van bijna 16 jaar.
1391.    V. Hoe wordt het werk voor de jongens ge-
regeld, in verband met de arbeidswet ?
A. Die jongen gaat vroeg slapen.
1392.    V. Dus gij staat er voor in, dat zoo\'n jongen
niet na 7 uur werkt?
A. Instaan? Wij komen alleen \'s morgens aan den
molen. Ik zou het kunnen laten onderzoeken.
1393.    V. Komen de jongens op andere molens wel
op jonger leeftijd?
A. Dat kan ik niet zeggen.
1394.    V. Vóór de invoering der wet werkten de
jongens met de mannen gelijk op, niet waar?
18
-ocr page 79-
derig is, maar dat is niet het hinderlijkste. Het ergste
is het stof, dat door den molen stuift.
1411.    V. Heeft dat stof geen nadeeligen invloed op
de menschen?
A. Een man is van ons weggegaan en brugwachter
geworden. Hij sukkelde met zijne borst, en daarom had
de dokter hem aangeraden om niet langer aan den
molen te blijven.
1412.    V. Hoe oud was die man?
A. Ik meen 55 of 56 jaar.
1413.    V. Beschouwt gij de wind-gortpelmolens als
opgeschreven ten doode, gelijk ons is gezegd van de
houtzaagmolens ?
A. Tot dusver zijn de resultaten van de stoom-gort-
pellerijen nog niet zoo gunstig. Het sorteeren gaat in
die fabrieken niet zoo gemakkelijk als in de windmolens.
1414.    V. Als men de garstpellerijen vergelijkt met
de rijstpellerijen, dan zit het verschil niet in het mindere
debiet, maar in de eigenaardige bewerking ?
A. Het laatste; de stoomfabrieken kunnen geen
mooien langen korrel, wel een ronden, maken. Maar dit
is slechts eene quaestie van tijd ; men zal wel de noodige
technische verbeteringen aanbrengen.
1415.    V. Is het u bekend, of op stoom-gortpellerijen
meer verdiend wordt, of minder, dan op de windmolens ?
A. Neen, dat weet ik niet.
H. Zwaardemaker Jr.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
\\Vr. H. .T. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Ja.
1395.    V. Komen de patroons met het volk nog al
in aanraking?
A Driemalen per week, en verder komt er iederen
dag een man op \'t kantoor om te hooren, wat er te
doen is.
1396.    V. Gaat in de pellerij bij ziekte het loon
door ?
A. Bij ons wel, zoolang de ziekte duurt; hoe het bij
anderen is, weet ik niet, maar ik veronderstel, dat het
er niet anders zal gaan.
1397 V. Zijn er bij uwe firma wel eens menschen
weggegaan, te oud om langer te werken?
A. Ik meen, dat wij er twee gehad hebben.
1398.    V. Wat is er van hen geworden?
A. Zij zijn gepensionneerd met, ik meen, f6\'s weeks :
maar het is al een tijdlang geleden, zoodat ik het niet
positief meer weet.
1399.    V. Is vertrek zonder pensioen in de latere
jaren niet voorgekomen?
A. Neen.
1400.    V. Behoort gij tot de firma\'s, die hare werk-
lieden verzekerd hebben tegen ongelukken?
A. Neen.
1401.    V. Is het u bekend, of er onder de pelmole-
naars zijn, die het wel gedaan hebben?
A. Ja, ik weet, dat de heer Olie van Zaandijk zulk
eene verzekering heeft gesloten, maar meer gevallen ken
ik niet.
1402.    V. Heeft uwe firma nooit ongelukken met werk-
lieden gehad?
A. Neen.
1403.    V. Ook niet kleine, zoodat de ongeschiktheid
om te werken b.v. niet langer dan eene week duurde?
A. Neen, nooit.
1404.    V. Is de stofontwikkeling in den molen niet
betrekkelijk groot?
A. Ja.
1405.    V. Welke maatregelen hebt gij daartegen ge-
nomen?
A. Wanneer er gemalen wordt, zijn er stofkokers
onder de steenen tot buiten de kap.
1406.    V. Ontstaat de stof niet grootendeels op de
zeven ?
A. Neen, op de steenen.
1407.    V. Kunt gij het met die luchtkokers ver bren-
gen tot zuivering der lucht? Of blijft er toch veel stof
hangen ?
A. Die kokers zijn het eenige middel, dat aan te
wenden is; er is geen beter.
1408.    V. Kunt gij geen exhausters bezigen?
A. Neen, dat gaat niet.
1409.    V. Bij het verwerken van gort wordt meer
stof verwekt dan bij het pellen van rijst, niet waar?
A. Ja.
1410.    V. Is het verwerken van de Zwarte Zee-garst,
die veel zand bevat, niet uitermate kwaad voor de
menschen?
A. Het gebeurt een enkelen keer, dat die wat zan-
Verhoor van Cornells Kamphuljs, oud 63 jaar.
stoom-rijstpeller, te Zaandam.
1416.     De Voorzitter: Sedert hoe lang zijt gij stoom-
rijstpeller ?
A. Sedert 15 jaren.
1417.    V. Hadt gij vroeger windmolens?
A. Ja.
1418.    V. Hoe groot is uw personeel in de fabriek?
A. 22 man.
1419.    V. Is niet de gewone werktijd van des morgens
6 tot des avonds 8 uur, met een schafttijd van te
zamen 2 uren ?
A. Ja, hoewel die rusttijd niet bepaald vastgesteld
is; ik laat de regeling daarvan aan den baas over.
1420.    V. Ook wat den middag-schafttijd betreft?
A. Neen, \'s middags hebben zij 1 uur schafttijd en
dat mag hij niet bekorten.
1421.    V. Na aftrek van de 2 uren schafttijd, is er
dus een werktijd van 12 uren per dag. Wordt er echter
niet geregeld, afgezien van den tijd, waarin dag en nacht
wordt gewerkt, 2 uren overgewerkt ?
A. Vroeger, toen het debiet van rijst groot was, werd
er wel eens tot 10 uur gewerkt en dat beviel den werk-
lieden wel; maar sinds het débouché in rijst zoo slecht
is geworden, heeft overwerk niet meer plaats.
-ocr page 80-
71
\'s Zaterdag-avonds wordt er wat vroeger gestopt; maar
wordt op de andere werkdagen geen half uur langer
gearbeid ?
A. Ja. wanneer wij niet dag en nacht malen, b. v.
van 6—10 uur.
1435. V. Dus is dat vroeger stoppen geen zuivere tege-
moetkoming. Wanneer zij s Zaterdag-avonds vroeger naar
huis gaan, dan zijn de arbeidsuren eenvoudig te voren
reeds ingehaald, niet waar?
A. Dat vat ik zoo op: de arbeiders hebben het voor-
stel gedaan om de andere dagen een half uur langer te
werken en \'s Zaterdags vroeger naar huis te gaan, dat
noem ik tegemoetkoming.
1136. V. Het is u toch volkomen onverschillig?
A. Niet geheel.
1437. V. Het schijnt voor te komen, dat een enkelen
keer gearbeid wordt van 6 uur \'s morgens tot den anderen
dag\'s avonds 8 uur, dat is 38 uren. waarvan 5 tot 6 uren
rust afgaan, hetgeen dus een arbeidsduur van 32 of 33
uren geeft. Hoe denkt gij daarover?
A. Niet gunstig. Zes weken geleden moest een schip
vertrekken, dat rijst moest hebben. Zoo iets was het.
Toen zeide ik tot den baas: „doe mij een pleizier en
werk den nacht door, dan stoppen wij morgen middag
om 2 of 3 uur, als gij klaar zijt.\'"
1422.   V. De werklieden werkten zeker gaarne over in
verband met hunne verdiensten?
A. Ik geloof het wel.
1423.    V. Intusschen, een gedeelte van het jaar wordt
dag en nacht gewerkt?
A. Als de zaak het toelaat, zoolang mogelijk; maar
van het jaar is dit zeer kort geweest, omdat het rijst-
debiet zeer gering was.
1424.    V. Weet gij, hoeveel etmalen er in 1890 is
doorgemalen ?
A. Dat zou ik niet kunnen zeggen.
1425.    V. Ons is gesproken van 20 weken.
A. Dat zal mijn baas beter weten.
1426.    V. Wanneer gij nacht en dag doorwerkt, wordt
er dan met 3 ploegen gewerkt, waarvan er altijd twee
gedeeltelijk te zamen werken?
A. Natuurlijk.
1427.    V. Ons is gezegd, dat b.v. de dagploeg werkt
van \'s morgens vijf tot \'s avonds negen uur; is dat zoo?
A. Ik herhaal, dit zijn zaken van ondergeschikt be-
lang, die ik, omdat ik een goeden baas heb, aan dezen
overlaat.
1438.    V. Dat is dus een dienst, dien de menschen
u moeten bewijzen, door onmogelijk lang te werken?
A. Neen, dat is eene wederkeerige welwillendheid
van het volk tegenover den patroon.
1439.    V. Hebt gij er nooit aan gedacht den arbeids-
duur wat te verkorten?
A. Nu er zooveel over een 8-urigen arbeidsdag ge-
schreven wordt, gaat een fabrikant natuurlijk wel eens
denken; maar als dat moest doorgaan, kon ik de fabriek
wel verkoopen, want het zit er niet meer aan. Bij een
invoer van 500.000 balen gepelde rijst uit Engelsch-
Indië wordt de concurrentie machtig, en om daaraan
het hoofd te kunnen bieden, heb ik mij groote kosten
moeten getroosten, en alles naar de eischen van den tijd
moeten laten inrichten.
1428.    V. Noemt gij de regeling van de werktijden
een punt van ondergeschikt belang?
A. Pardon, deze is mij volstrekt niet onverschillig;
maar ik weet, dat ik ook in dit opzicht volkomen op
mijn baas vertrouwen kan.
1429.    V. Hoe dit zij, ons is medegedeeld, dat dan de
zoogenaamde dagploeg van \'s morgens 5 tot \'s avonds 9
uur werkt, na aftrek van twee uren rust en dus een arbeids-
duur van 14 uren heeft; terwijl de nachtploegen, waarvan
de eene werkt van \'s middags 1 tot den volgenden morgen
5 uur, en de andere van \'s avonds 9 tot den vol-
frenden middag 1 uur, vaak minder rust hebben.
Is u dat bekend ?
A. Neen.
1440.    V. Die uitgaven deedt gij toch om uwe /.aak
winstgevend te houden?
A. Neen, om concurrent te kunnen blijven.
1441.    V. Goed, vroeger was het dus beter, kon er
meer af; maar hebt gij toen minder lang laten werken?
A. Neen.
1442.    V. Gij spraakt van een 8-urigen arbeidsdag,
maar daarover heb ik niet gesproken, met u, die 14 uren
laat werken. Dat noemde ik buitensporig ; en vandaar
mijne vraag, of gij nooit hebt overwogen om daarin
vermindering te brengen ?
A. Ik zou uit mijne boeken kunnen aantoonen, dat,
als ik den dag tot 12 uren terugbracht, de fabriek geen
rekening meer kon maken ; dan zou zij niet langer rente-
gevend zijn.
1443.    V. Rente is een rekbaar begrip; wat verstaat
gij daaronder?
A. Als ik spreek van rentegevend, dan bedoel ik, dat
de fabriek winst oplevert naar verhouding van hetgeen
zij mij kost.
1444.    V. Ook over de mate van te behalen winst
wordt door den eenen industrieel allicht anders gedacht
dan door den anderen.
A. Zoo!
1445.    V. Gij gebruiktet het woord „rentegevend"
toch niet in den zin van gebruikelijke uitkeering voor
geleend geld ?
A. Neen.
1430.    V. Dunkt u, dat het niet op den weg van den
fabrikant ligt, dit te weten ?
A. Gij moet niet denken, dat ik licht over de be-
langen van de arbeiders heenloop; maar als ik een knappen
baas heb, laat ik hem zijn gang gaan.
1431.    V. Het is u dus op het oogenblik niet bekend,
hoe het gebeurt aan de fabriek?
A. Neen.
1432.    V. Meent gij, dat, waar de werkelijke arbeids-
duur op zijn minst 14 uren bedraagt, de belangen van
de arbeiders evenzeer behartigd worden, als die van
den fabrikant?
A Zeker.
1433.    V. Acht gij dat, ook des nachts, derhalve niet
te lang?
A. Neen! Ik zeide u reeds: de belangen wederzijds
gaan hand aan hand. Wanneer iemand in de fabriek eene
pijp wil opsteken, mag hij dat doen. Van daag is het Drie-
koningen, dan is het bij mij, als Katholiek, feest en de
arbeiders doen niets. In den regel wordt \'s Zaterdag-avonds
om half acht gestopt, dan ontvangt ieder zijn loon en
heeft zijn geld op tijd.
1434.    V. Men zou van oordeel kunnen wezen, dat
dit pijpjes rooken in de fabriek voor de arbeiders van
minder belang was dan het overmatige werken; een
afdoend bewijs, dat van de werklieden niet te veel wordt
gevergd, is, hetgeen gij noemt, zeker niet.
-ocr page 81-
1446.    V. Ik kom terug tot de quaestie van den
arbeidsduur. Is door uw baas nooit met u gesproken
over eene mogelijke wijziging in de arbeidsregeling, waar-
door zou verkregen worden, dat niet langer werd gewerkt
dan 12 uren daags?
A. Zoover ik mij herinner, niet.
1447.    V. Is er niet eenige jaren geleden bij u een
ernstig ongeluk gebeurd?
A. Ja.
1448.    V. Hoe is dat ontstaan?
.4. Gij doelt waarschijnlijk op het geval van dien man,
die van den zolder gevallen en dientengevolge gestorven is.
1440. V. Is er ook niet eens een man tusschen de
machine geraakt?
A. Dat is heel lang geleden, een jaar of 5, 6.
1450.    V. Ontstond dit ongeluk niet door de wijze,
waarop de machine in beweging werd gebracht?
A. Ik was van huis, toen het gebeurde; maar toen ik
terugkwam, werd mij het gebeurde al op straat verhaald.
De man was met het vliegwiel rondgegaan en dienten-
gevolge gestorven. Naar de machinist mij zeide, moet
de afsluiter zeker iets doorgelaten hebben en daardoor
de fabriek aan den gang hebben gemaakt. Maar de man
zat in het vliegwiel.
1451.    V. Gij hebt toen zeker maatregelen genomen,
dat zoo iets niet meer kon voorkomen ?
A. Ja, het vliegwiel wordt nu mechanisch met een
hefboom aan den gang gemaakt.
1452.    V. Vroeger gebeurde dat met de hand ?
A. Ja.
1453.    V. Vindt gij het niet betreurenswaardig, dat
gij dien maatregel niet vroeger hadt genomen?
A. Zeker, maar is het niet nog betreurenswaardiger,
dat door de nonchalance van dergelijke menschen zulk
een ongeluk voorkomt?
1454.    V. Vindt gij het niet begrijpelijk, dat, wie
dagelijks met het gevaar omgaat, minder oplettend
wordt, zoodat dit eene reden te meer is om het zóó in
te richten, dat door onoplettendheid geen gevaar kan
ontstaan ?
.4. Natuurlijk.
1455.    V. Liet de ongelukkige, van wien wij spraken,
eene weduwe na?
A. Neen, hij was ongehuwd.
1456.    V. Hebt gij niet op den zolder der fabriek eene
staande as, die in het geheel niet omheind is?
A. Ja.
1457.    V. Hebt gij er niet over gedacht om daarin te
voorzien ?
A. Ik zal dat gaarne doen op verlangen der com-
missie; maar ik verzeker u. dat er geen gevaar is.
1458.    V. Gij zegt, dat er geen gevaar is. Maar waar
reeds een zóó droevig ongeluk is gebeurd, als in uwe fabriek
bij het aanzetten van het vliegwiel, daar zou dit. dunkt mij,
eene ernstige waarschuwing te meer hebben moeten zijn om
den put te dempen voordat ook hier het kalf verdronken is.
Het smeren in uwe fabriek geschiedt ten deele, wan-
neer de boel stil staat, maar niet altijd. Is daarin niet
gemakkelijk te voorzien — ik laat daar, of soms ge-
smeerd moet worden, terwijl de boel loopt — door eene
smeergelegenheid aan te brengen buiten de houten om-
heining, die bij de groote machines aanwezig is ?
A. Mijn baas heeft mij gezegd, dat de commissie ook
met hem dit punt besproken had, en dat hij toen gezegd J
heeft, dat het smeren door een pijpje kon geschieden,
maar dat dit spoedig verstoppen zou.
1459.    V. Uit den aard van het bedrijf is het in de
malerij zeer stoffig, niet waar?
A. Tamelijk. Het is stof van rijst en de arbeiders
worden er door gevoed ; het is eerder goed dan kwaad
voor de gezondheid.
1460.    V. Op de malerij is, zooals bij ons bezoek bleek,
geen andere ventilatie dan door middel van ramen; wel
is er op zolder een exhauster met cycloon, die echter
alleen op de waaierij werkt. Zou nu niet gemakkelijk eene
soortgelijke inrichting in werking kunnen gebracht worden
op de malerij, waardoor het stof aanmerkelijk zou ver-
minderen ?
A. Alles kan tegenwoordig; maar de inrichting zou
niet tot stand kunnen komen dan ten koste van kracht
en van geld, want de machine moet door stoom gedre-
ven worden.
1461.    V. Dus het is eene zuiver financieele quaestie ?
A. Ja.
1462.    V. Zouden er, wanneer eene dergelijke inrich-
ting in werking kwam, daardoor rijstdeelen, die gelds-
waarde hebben, verloren gaan?
A. Natuurlijk.
1463.    V. Is dit mede eene overweging, die u genoopt
heeft den maatregel niet aan te wenden ?
A. Ja, en ook omdat ik het niet noodig achtte, want
zoo erg stuift het niet. Ik heb dan ook wel eens gezeg<l:
„er wordt jaarlijks zooveel aan verbeterd, dat wij, als wij
25 jaren verder zijn, nog met eene zwarte jas aan in de
fabriek komen.\'\'
1464.    V. Maar de hoeveelheid stof is toch nog zeer
groot?
A. Neen.
1465.    V. Is er niet, wat de zwaarte van het werk en
de daaraan verbonden vermoeienis betreft, groot verschil
tusschen den verschillenden arbeid van de menschen, die
bij u in het werk zijn?
A. Dat loopt niet veel uiteen.
1466.    V. Uwe sjouwers werken immers ook 14 uren?
A. Ja, maar zij dragen niet gedurende al dien tijd.
1467.    V. Hoeveel draagt zoo\'n man?
A. 100 kilo\'s. Wanneer echter de baal rijst klaar
staat, dan staat er een steekwagen klaar, om die op te
zetten, en dan komen er drie of vier man om die te
helpen opladen.
1468.    V. Dragen zij dan nooit op den schouder?
A. Zeker, wanneer bijv. eene baal hooger moet liggen,
neemt één man haar op den schouder.
1469.    V. Gij neemt ook losse rijstdragers in dienst;
hebt gij die menschen in eigen beheer, of besteedt gij
hun werk uit aan een baas?
A. Die betaal ik zelf.
1470.    V. Hoeveel verdient zulk een man?
A. Per last 50 cents.
1471.    V. Op welke verdienste komt dit?
A. Ieder man van de ploeg, die, naar ik meen, uit 5
of 6 man bestaat, verdient op die wijze, gedurende den
tijd, dat zij werken, f 40 per week.
1472.    V. Hoe lang duurt hun dagwerk ?
A. Zoolang de machine gaat, dus van \'s morgens 6
tot \'s avonds 8 uur.
-ocr page 82-
73
1483. V. Wanneer bij u een man sterft, krijgt dan
de weduwe wat van u?
A. Dat staat niet vast; wel wordt altijd getracht om
er eene mouw aan te passen. Toen die man van den
zolder is gevallen en na drie dagen overleden, heb ik
eerst aan mijne knechts voorgesteld, dat zij een cent
wekelijks van hun loon zouden afstaai-, terwijl ik er
dan zooveel zou bij doen, dat zijne vrouw kon leven.
De baas heeft gedurende dien winter geen nieuwen
knecht aangenomen, maar aan de vrouw het loon uit-
betaald, en later heb ik aan de vrouw f 5 \'s weeks
gegeven.
1484 V. Gij hebt ons medegedeeld, dat gij Katholiek
zijt en dat op Katholieke feestdagen de arbeid bij u stil-
staat; maar hebt gij wel eens gehoord, of Katholieken,
bij niet-Katholieken in dienst zijnde, ook op hunne kerke-
lijke feestdagen moeten werken als gewoonlijk ?
A. Ik weet het niet, maar ik zou zeggen: dat ligt voor
de hand.
1485.    V. Ik verschil met u in meening, dat het voor
de hand zou liggen.
A. In beginsel hebt gij gelijk.
1486.    V. Hebt gij ons nog wat mede te deelen ?
A. Eene week of acht geleden vernam ik, dat op de
fabriek drank werd gedronken. Ik heb toen de werk-
lieden bij elkander geroepen, en men zeide mij: „dat
wordt wel geschoven op den drank, maar wij hebben
toch tabak noodig." Ik heb hun toen eens uiteengezet,
hoeveel belasting op jenever ligt en hoeveel zij voor dien
drank betalen, en om hen voor de verleiding te bewaren,
heb ik tabak voor inkoopsprijs beschikbaar gesteld,
benevens pijpen en lucifers.
1487.    V. Hebt gij een boetestelsel aan uwe fabriek ?
A. Neen.
1488.   V. Dit schijnt aan de Zaan niet gebruikelijk tezijn?
A. Neen.
C. Kamphuijs.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. VlSSKR.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
1473.    V. Maar staat tegenover dit buitengewoon hooge
loon niet langdurig gemis van alle verdienste ?
A. Ja.
1474.    V. Vindt gij niet een minder gehalte bij die
arbeiders, die nu eens buitensporig veel en dan weer
weinig of niets verdienen, in vergelijking met uw vast
personeel ?
A. Zeker, onbetwistbaar. Een vast salaris is beter.
1475.    V. Hebt gij er ondervinding van, dat van die
buitengewone verdienste in sommige weken het geheele
gezin het alsdan ongewoon goed heeft, om in andere
gebrekkig te leven, dan wel dat de man alleen het
beter neemt?
A. Ik zal u mijne ondervinding mededeelen. Een
paar jaar geleden kwam een sjouwer bij mij in de fabriek
en vroeg om voorschot. Ik vroeg hem hoeveel hij
verdiend had, maar hij antwoordde, dat hij het niet
wist. Toen zeide ik, dat ik niet heel genegen was om i
hem voorschot te geven, maar dat ik het eens na zou I
kijken, en dat hij \'s Zaterdags terug moest komen. Aldus
deed ik. Toen hij kwam, zeide ik: „gij hebt ruim f 20 !
verdiend in de week, behalve kolendragen, en degeen,
die aan geen f 20 genoeg heeft, is niet te helpen."
Daarop antwoordde hij, dat in den winter zooveel
noodig was, en in het voorjaar zooveel oude schuld
moest worden betaald.
Zoo iets komt bij mijn ander personeel niet voor.
1476.    V. Uwe mededeeling is belangrijk, maar het is
geen antwoord op mijne vraag, die meer den huiselijken
kring dier lieden betrof.
A. In die huiselijke kringen kom ik niet, zoodat ik
het niet weet.
Maar ik noem u nog een ander voorbeeld. Een van
die sjouwerlieden had de gewoonte om er \'s Zaterdags zoo-
genaamd van door te gaan. Ik zeide hem, dat het mij niet
onverschillig was, hoe het geld werd besteed, en dat ik
hem daarom zou wegzenden, als hij voortging met zich
te bezuipen. Natuurlijk kwam zijne vrouw bij mij jam-
meren, en ik zeide, dat ik hem slechts op ééne voorwaarde
wilde houden, en die was, dat aan zijne vrouw het loon
zou worden uitbetaald. Zoo geschiedde het. Een tijd lang
ging het goed, maar toen maakte hij het zijne vrouw
lastig, dat het zoo naar was, dat hij geen kerel genoeg
scheen te zijn om zijn geld zelf te krijgen, enz. Toen
ging het weer den ouden weg op, en heb ik hem zijn
congé gegeven.
1477.    V. Hebt gij in die richting meer maatregelen
genomen en zoo, eenigen tijd geleden, eene soort schoon-
maak gehouden, waardoor gij een beter corps hebt ge-
kregen dan vroeger?
A. Neen, dat juist niet.
1478.    V. Zijn de loonen van uwe vaste arbeiders
ons juist opgegeven door den getuige Pel, blijkens het
staatje, dat ik hier ter inzage geef?
A. Ja, dat zijn de feitelijk verdiende loonen in tijden,
dat er \'s nachts gemalen wordt.
1479.    V. En hoe hoog wordt het overwerk betaald ?
A. Met f 0.12*/2 per uur.
1480.    V. Hoe gaat het met de menschen in geval van
ziekte ?
A. Dan valt er een ander voor in, die 12 of 15 cents
per uur verdient, naar hij werkt, doch de zieke krijgt
zijn volle loon. Dat is hier te Zaandam gewoonte.
1481.    V. Hebt gij de werklieden ook verzekerd tegen
de gevolgen van ongelukken ?
A. Neen.
1482.    V. Ziet gij er van uw standpunt geen voordeel in ?
A. Neen.
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Heyme Vis «Ir., oud 63 jaar, lid der firma
Heyme Vis & Zonen, verfhoutmaler,
te Zaandam.
1489.    De Voorzitter: Hebt gij uitsluitend eene stoom-
fabriek ?
A. Neen, ik heb eene stoomfabriek en drie windmolens.
1490.    V. Met hoeveel man wordt op de windmolens
gewerkt?
A. Dat is verschillend; op één van mijne molens
werken 2 man, op een anderen 4 man.
1491.    V. Waarin ligt dit verschil?
A. Daarin, dat de eene molen drie paar steenen en
de andere vier paar steenen heeft.
1492.    V. Werken, wanneer er wind is, de verfhout-
molens dag en nacht?
A. Vroeger jaren wel. maar sedert vijf jaren heb-
ben wij daarmede opgehouden, omdat het volk, wan-
neer het nacht en dag moet werken, het werk
19
-ocr page 83-
71
met vier kinderen, bij het door u genoemde loon, behoorlijk
voorzien kan worden van voeding en kleeding?
A. Een beetje meer zou wel welkom wezen. Met de
extra-koude gaven wij eene extra gift, maar dat is ex-
ceptioneel. In het algemeen hoor ik toch weinig klach-
ten; naar ik zie, komen ze vrijwel uit. Natuurlijk eten
ze niet iederen dag vleesch, maar dat is geen behoefte.
1506.    V. Nu uwe stoomfabriek. De getuige Spijker
heeft ons medegedeeld, dat hij daar als meesterknecht
of eerste knecht verdiende f 8 vast en gemiddeld f 2
overwerk. De anderen hadden f 6 en gemiddeld f 1,50
overwerk. Is dat juist?
A. Ja.
1507.    V. Hoe komt het, dat de loonen in uw vak lager
zijn dan in andere vakken?
A. Och. het vak is onder den voet geraakt. Vroeger
hadden wij nog al export; de „hollandische Bemahlung"
stond bij de Duitschers goed aangeschreven; doch nu
kunnen zij het even goed als wij.
1508.    V. Waren de loonen vroeger geringer of beter?
A. Kleiner. Omstreeks 1848 hebben wij, ik meen
naar aanleiding van de ziekte in de aardappelen, wat
meer gegeven. Destijds had ik een knecht, die, buiten
overwerk, niet meer verdiende dan f 5 en die, ofschoon
hij 3 kinderen had, toch nog spaarduiten kon leenen
aan een ander, die f 12 verdiende.
1509.    V. Dat werd dan zeker op het eten uitgehaald ?
A. Dat geloof ik niet.
1510.    V. Wordt er aan de stoomfabriek nacht- of
Zondags werk verricht?
.1. Neen, daar wordt net gewerkt, als op den windmolen:
trouwens het volk wordt, naar behoefte, hier en daar
gebruikt. Vóór een 25 jaar werd er \'s Zondags wel gewerkt,
doch nooit vóór 5 uur \'s avonds. Dat was echter niet, vol
te houden.
1511.    V. Werken de menschen liever op den wind-
dan op den stoommolen?
A. Ja, daar is meer variatie en, als er geen wind is,
minder te doen.
1512.    V. Een middagrusttijd van l\'/j uur schijnt
hier vrijwel uitzondering te zijn. Is 1 uur niet te
kort om heen en weder te loopen en rustig in het gezin
te middagmalen?
A. Ik geloof het niet, en waar zou men dan het half
uur meer aan moeten besteden? Als de menschen van
het werk zijn, hebben zij geen lust in lezen of zoo iets.
1513.    V. Is dit het algemeen gevoelen hier?
A. Ja, alleen timmerlieden en metselaars nemen een
langeren schafttijd.
1514.    V. Is nooit van de zijde uwer werklieden de
wensch tot u gekomen om den middagschafttijd te ver-
lengen ?
A. Neen.
1515.    V. Hoe vaak betaalt gij het loon uit?
A. Vroeger om de 14 dagen, maar sedert 1 Januari
1889 om de 8 dagen.
1516.    V. Waarom hebt gij dat veranderd ?
A. Een van mijne knechts zeide mij, dat, naar
zijne meening, menschen, die niet meer verdienden dan
ongeveer f 10 \'s weeks, het recht hadden om dit wekelijks
te ontvangen, en ik vond, dat hij gelijk had.
1517.    V. Gelooft gij, dat de menschen het een voordeel
achten wekelijks betaald te worden ?
niet meer zoo goed behartigt Daarom hebben wij aan \'
onze werklieden de nachtloonen als extra-belooning ge-
geven, mits conditie, dat zij. wanneer het noodig mocht
zijn, iets langer zouden malen Thans zijn zij echter
daartoe moeilijk te krijgen.
i
1493.    V. Hebt gij dus de ondervinding opgedaan, dat j
nachtarbeid minder goed werk gaf?
.1. Ik geloof niet, dat het nachtwerk zoo goed wordt
behartigd, wanneer iemand reeds den geheelen dag ge-
werkt heeft.
1494.    V. Uit uwe ervaring blijkt derhalve, dat het in
uw bedrijf niet wenschelijk is des nachts te werken. Is het i
u ook bekend, of soortgelijke ervaring niet is opgedaan
in de pelmolens?
A. Ik ben niet op de hoogte van dat vak.
149"). V. Hoe lang is bij u aan de molens de werktijd?
A. Van \'s morgens zessen tot \'s avonds zevenen, met
twee uren rusttijd.
1496.    V. Kunnen zij, die dichtbij wonen, hun middag-
maal tehuis gaan gebruiken ?
A. Aan den molen niet; daar koken zij hun j
potje zelf.
1497.    V". Gebruikt gij ook jongens op den molen?
A. Die kan ik volstrekt niet gebruiken. Bij mij komen ,[
zij niet. voordat zij 18 jaren oud zijn.
14!)8. V. Wat is zoo\'n jongen van 18 jaren in den
regel geweest, vóórdat hij bij u komt?
A. Zij hebben meestal hier of daar boodschappenge-
loopen. Een ambacht hebben zij zelden geleerd.
1490. V. Hoeveel verdienen uwe werklieden ?
.1. Ik moet hierbij vooraf opmerken, dat zij hun ge- ]
woon loon ook bij ziekte blijven behouden, al duurt die
ziekte ook een half jaar. Ik wil niet ontkennen, dat het
mij dan wel eens hindert, volstrekt geen werk voor mijn
geld te krijgen.
Overigens verdienen, aan den molen, waar met vier
man gewerkt wordt, de meesterknecht f9.50, de drie
overigen f7.50; in den molen, waar twee man werken,
heeft de één f 8.-r>0, de ander f 8. Op den derden verdient
er een f 9, een verdiende er f 8 — hij is op Nieuwjaars-
dag gestorven —, en een jongen verdient f 3.50.
1500. V. Komt er nog wat bij?
A. Ja, de meesterknecht krijgt altijd in November
vleesch, zooals men het noemt. Hij krijgt dan f22 extra.
De anderen krijgen niets.
1.501. V. Bij de anderen is dus f 7 a f 7,50 alles?
A. Ja.
1502.    V. Hebt gij wel eens nagegaan, hoe een man
met een vrij talrijk gezin met dat geld kan rondkomen?
A. Ja, en ik heb de overtuiging, dat, wanneer zulk
een man gehuwd is met eene knappe vrouw, die de een-
ten weet om te keeren vóór zij ze uitgeeft, het huisge-
zin het goed heeft.
1503.    V. Het spreekt vanzelf, dat de huisvrouw een
buitengewoon groote factor is in een werkmansgezin.
Maar hoeveel verwoont zoo\'n man nu wel?
A. Ik moet er een slag in slaan. Ik denk f laf 1,20.
1504.    V. In het algemeen is in een arbeidersgezin
een viertal kinderen geen ongewoon groot aantal, en
hier in de Zaanstreek zeker ook niet?
A. Neen, ze zijn niet a la Van Houten.
1505.    V. Is het nu uwe ervaring, dat een huisgezin
-ocr page 84-
75
A. O ja; zij hebben dan eiken Zaterdag weder eene
nieuwe som om te kunnen betalen, terwijl bij eene betaling
om de veertien dagen het in het laatst wel eens wat krap
wordt. Het is echter eigenaardig, dat de voorschotten van
den meesterknecht nog om de 14 dagen worden afgedaan.
1518.    V. Verscheidene getuigen hebben ons gezegd,
dat in het algemeen gesproken, uitzonderingen derhalve
daargelaten, men kan zeggen, dat hier aan de Zaan het
werkmansgezin met het geld, dat \'s Zaterdag-avondsontvan-
gen wordt, niet behoeft te betalen hetgeen in de afge-
loopen week is geborgd, maar werkelijk daarmede kan
koopen, geld bij de visch, wat het in de volgende week
behoeft. Hebt gij daaromtrent ook ervaring?
A. Ik geloof, dat die verklaring, welke gij aanhaaldet,
juist is; maar natuurlijk, wanneer de vrouw niet deugt,
dan is het wat anders; dan wordt er geborgd, zulk een
gezin is niet te redden.
1519.    V. Wanneer van andere plaatsen wordt beweerd:
het gros van de werklieden staat in het krijt, dan
acht gij dus die uitspraak voor Zaandam niet van toe-
passing?
A. Neen.
1520.    V. Is de verhouding tusschen patroon en werk-
man hier aangenaam?
A. Wanneer ik mijne ondervinding van circa 50 jaren
raadpleeg, dan is de verhouding niet zóó intiem meer
als vroeger, hoewel zij thans toch nog heel goed is.
1521.    V. Bedoelt gij met dat woord ..intiem", dat
over en weer de aanraking minder is geworden, of dat
het voor de patroons thans lastiger is.\'
A. Ik bedoel, dat wij thans iets minder met de huis-
houdens der werklieden bekend zijn. en zij omgekeerd
iets minder met ons huishouden: doch de toestand is
nog steeds bevredigend.
1522.    V. Hebt gij oudjes in dienst?
A. Vroeger twee, thans nog één.
1523.    V. Is dat iemand, die niet meer bij u in dienst
is, maar eene uitkeering ontvangt?
A. Ja; hij is aan den molen afgeleefd, en wij meenden,
dat rust voor hem noodig was. Wij hebben hem toen
een cadeau gegeven en f 5 per week.
1524.    V. Zoudt gij groot bezwaar zien in het tot
stand komen van eene algemeene regeling, waarbij, groo-
tendeels ten koste van de werkgevers, de werkman ver-
zekerd werd tegen den ouden dag?
A. Van wege het Plaatselijk Nut is eene nieuwe ziekenbus
opgericht, en wij hebben onzen werklieden aangeraden in
die bus te gaan, onder belofte van de helft der kosten
te zullen betalen — het geheel wilden wij niet betalen,
omdat er in de gezinnen te groot verschil van kinderen
bestaat — ; maar van al onze vaste werklieden hebben
slechts enkele van dit voordeeltje geprofiteerd.
Ik geloof, dat dit met zulk eene verzekering tegen den
ouden dag hetzelfde zou zijn.
1525.    V. Is dat eene ziekenbus uitsluitend voor genees-
kundige hulp, of ook voor uitkeering?
A. Alleen geneeskundige hulp.
1526.    V. Kan de geringe deelneming der werklieden
ook hierin gelegen zijn. dat men van gemeentewege
zeer vrijgevig is met het verleenen van kostelooze genees-
kundige hulp?
A. Wat mijne werklieden betreft, geloof ik dit niet.
1527.    V. Gij geeft eene wekelij ksche uitkeering van
f5 aan dien ouden werkman, misschien doet uw buurman
dat niet Zoudt gij het nu niet eenerzijds van groot alge-
meen belang achten en zou het anderzijds voor u persoonlijk
overwegend bezwaar opleveren, indien er eene algemeene
regeling tot stand kwam, waardoor alle werklieden
verzekerd werden tegen den ouden dag, zoodat de
werkman wist, wat hem later te wachten stond en de
armenzorg evenredig werd ontlast?
A. In ieder geval zou dit, mijns inziens, alleen van
Staatswege kunnen geschieden.
1528.    V. Ik bedoelde juist zulk eene regeling van
Staatswege, maar wenschte te weten, of zij door u zou
worden toegejuicht?
A. Dat hangt geheel af van de premie, die, dunkt
mij. zeer laag zou moeten zijn.
1529.    V. Hebt gij ook nagegaan, of het u al dan
niet duurder zou uitkomen, wanneer gij uw personeel
bij eene particuliere Maatschappij verzekerdet, in plaats
van in een voorkomend geval de toelage uit te keeren ?
A. Neen; maar de reden, waarom ik daartoe toch niet
zou overgaan, is eenvoudig deze: onder mijn personeel
bevinden zich heel wat oudjes, zoodat ik eene onmoge-
lijke premie zou hebben te betalen.
H. Vis Ju.
A. Kerdijk. Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. VlSSKR
W. H. .1. Ror.iaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Ericus Gerardus Verkade Jr., oud 22 jaar.
broodfabrikant, firma Verkade & Co., te Zaandam.
1530.    De Voorzitter: Is de bakkerij van uwe firma
niet grootendeels eene beschuitbakkerij ?
A. Ik heb meer volk in dienst voor het bakken van
beschuit, dan voor dat van brood.
1531.    V. De beschuit wordt overdag gebakken en
het brood \'s nachts, niet waar?
A. Ja.
1532.    J\'. Hoe talrijk is uw personeel bij de brood-
bakkerij ?
A. Daar werken \'s nachts 11 personen.
1533.    V., Van wanneer tot wanneer?
A. Van \'s avonds 8 tot \'s morgens 10 uur.
1534.    V. En de deegmakers komen vroeger?
A. Ja, ze komen om half vijf en gaan evenredig
vroeger weg. Gewoonlijk gaan zij nog een halfuur eerder
naar huis, omdat het wel eens gebeurt, dat ze hun vollen
rusttijd niet krijgen.
1535.    V. Welke is de rusttijd?
A. Een uur, van vier tot vijf uur. Dat is de vaste
tijd, maar gewoonlijk is er meer rusttijd.
1536.    V. Is er nog een kleine rusttijd om eene boter-
ham te gaan eten ?
A. Neen. De boterham wordt onder het werk door
genuttigd. Ook kunnen ze koffie zetten, daarop wordt
geen aanmerking gemaakt, maar officieele rusttijd is er
alleen van 4—5 uur.
1537.    V. Is het gebruik om warme koffie te drinken,
of alleen een slok water, gelijk ons een getuige zeide?
A. Dat kan ik niet met juistheid zeggen.
-ocr page 85-
76
1538.    V. Hoe brengen zij dat matuur door?
A. Een half uur eten zij hunne boterham, en het tweede
slapen zij.
1539.    V. Is daarvoor een apart lokaal ?
A. Neen.
1540.    V. Waar liggen ze dan ?
A. Op eene bank of op den grond.
1541.    V. De werkelijke arbeisdunr is dus 13 uren ?
A. Ja, wij kunnen 13 uren eischen.
1542.    V. Wordt het vaak minder?
A. Meest een half uur, omdat ze een half uur langer
schaften.
1543.    V. De contractueele werktijd is dus 13 uren,
maar feitelijk is het 12\'/2 uur?
A. Ja.
1544.    V. Wanneer begint gij \'s Zondag-avonds ?
A. Ook om 8 uur.
1545.    V. Dat zijn dus, behalve den Zaterdag, 6 X
13 = 78 uren. En nu de Zaterdag?
A. Dan komt de nachtploeg \'s avonds om 6 uur,
werkt door tot 1 uur en komt dan niet meer op vóór
den volgenden Zondag-avond om 8 uur. Wij kunnen
dus eischen een totaal van 85 uren per week.
Ik doe nog opmerken, dat elk werkman om de 3
weken een Zondag niet werkt.
1546.    V. Is van de werklieden nooit een voorstel
uitgegaan om \'s Zaterdag-ochtends door te werken ten
einde de behoefte voor den Zondag klaar te maken?
A. Ja, en daarop hebben wij geantwoord, dat wij dat
niet konden toestaan ter wille van de concurrentie.
Vóór de oprichting toch van de fabriek waren hier
reeds vier bakkers, waarvan ik de namen kan noemen,
die in den nacht van Zaterdag op Zondag bakten. Eigenlijke
Zondagsarbeid bestaat er, behalve \'s avonds eigenlijk
niet, omdat er maar van Zaterdag 6 uur tot 1 uur in
den nacht wordt gewerkt.
1547.    V. Ik denk nu niet aan dat eene uur, maar
wel aan de gevolgen van den verrichten arbeid, zich
uitende in het gaan slapen en daardoor eerst later kun-
nen deelnemen aan het leven van den Zondag.
Maar gij zegt: er waren 4 bakkers te Zaandam, die
reeds van Zaterdag op Zondag werkten, vóórdat uwe
fabriek begon ?
A. Ik wil op het getal niet staan, maar er waren
hier reeds bakkers, die werkten van Zaterdag op Zondag.
1548.    V. Geschiedt dat thans door alle bakkers ?
A. Niet door alle.
1549.    V. Is dus het publiek maar voor een deel ge-
steld op versch brood des Zondags ?
A. Ja.
1550.    V. Indien overeenstemming werd verkregen
tusschen de verschillende bakkers, die nu op Zondag
versch brood leveren, zou dan uwerzijds geen bezwaar
bestaan om aan den wensch der werklieden te
voldoen ?
A. Neen, maar dan zou men te Amsterdam moeten
mededoen; want Fontein, de agent van „de Holland",
ontvangt \'s Zondag-m iddags van daar nog versch brood.
1551.    V. Hoe laat komt dat brood dan te Amsterdam
uit den oven?
A. \'s Zondag-morgens, dus veel later dan mijn laatste
liaksel. dat om 1 uur \'s nachts wordt uitgehaald.
1552.    V. Wordt van dat brood uit Amsterdam juist
\'s Zondags hier veel gesleten ?
A. Dat moet wel, anders zou men het niet aanvoeren.
1553.    V. Wat u weerhoudt om te maken, dat de
Zaterdag-nacht vrij is, is uitsluitend de concurrentie?
A. Ja; maar er komt bij, dat ik liever heb, dat de
werklieden 13, dan dat zij 19 en 20 uren achtereen
werken.
1554.    V. Maar nu\'s Zondag-avonds; dan begint gij om
8 uur. Is dat onvermijdelijk ?
A. Ja, omdat Maandag met den eersten trein reeds
brood moet verzonden worden naar Amsterdam, en in
de andere richting naar Purmerend, Oosthuizen, Hoorn, enz.
1555.    V. Is het juist, dat er 4 uren noodig is voor het
maken van een brood ?
A. Neen, minstens 51/» uur; 3l/2 uur voor het deeg-
maken, 2 uren voor het rijzen, opmaken, afbakken en
koelen.
1556.    V. Hoe laat verzendt gij dat brood, waarvan gij
spraakt, des Maandags?
A. Dat brood moet ingepakt worden, hetgeen tijd
vereischt, en gaat wel eerst weg met den trein van 7 uur.
maar het moet om 4llr, uur reeds aan het spoor bezorgd
worden, omdat mijne paarden naar Wormerveer, Assen-
delft, Krommenie, enz. moeten.
1557.    V. Hoeveel tijd rekent gij tusschen het gereed
komen en het bezorgen van het brood aan het spoor?
A. Wij bakken verschillende soorten van brood; het
eene moet op het andere wachten, omdat de verschillende
soorten verschillende temperaturen eischen. Eerst worden
de knipjes gebakken, die eene zeer hooge temperatuur
eischen, dan de fluitjes, daarna het vloerbrood. Wij bakken
wel 15 soorten.
1558.    V. Zoodat de tijd tusschen 8 uur \'s avonds en
4\',\'j uur \'s morgens niet meer is dan strikt noodzakelijk
om er te komen ?
A. Juist.
1559.    V. Zou het niet zijn te vinden door eene uit-
breiding van uwe fabriek ? Is het niet eene quaestie van
personeel en ovens ?
A. Indien ik meer personeel bij nacht had en mijne
ovens, banken, planken, kneedmachines, enz. waren even-
redig grooter, dan zou ik in minder tijd meer brood
kunnen maken.
1560.    V. Indien de wetgever u de verplichting oplegde
om dien Zondagavond-arbeid nog in te krimpen, zoudt
gij dan aan dat verbod uitvoering kunnen geven ten
koste van geldelijke offers?
A. Ik zou één uur later kunnen beginnen.
1561.    V. Gij zoudt niet verder kunnen gaan?
A. Neen.
1562.    V. Wordt er wel overgewerkt?
A. Zelden.
1563.    V. Ons is door een getuige medegedeeld, dat
aan uwe fabriek het stelsel bestaat van overwerken als
straf. Is dat zoo?
A. Ja.
1564.    V. Die getuige beweerde, dat, wanneer men van
1 tot 15 minuten te laat kwam, men 1 uur moest over-
werken, en verder voor elk kwartier te laat komen \' l> uur.
Wordt daar streng de hand aan gehouden ?
A. Wanneer de tijd van te laat komen niet te lang is,
wordt het wel eens door de vingers gezien.
-ocr page 86-
77
1565. V. Die getuige zeide ons, dat er zeer streng de
hand aan werd gehouden; dat de straf wel werd kwijt-
gescholden, wanneer het niet druk was, maar er later
toch overgewerkt moest worden.
particuliere bakkers in gewonen werktijd, door de week,
meer wordt gewerkt dan 14 uren, en dat \'s Zaterdags de
arbeid van diegenen, die \'s Zondags geen versch brood
afleveren, de 24 uren dikwijls te boven gaat
A. Zoo streng wordt de hand er niet aan gehouden.
1566.    V. Ik vraag dit, omdat, indien er streng de
hand aan werd gehouden, ik de straf zeer \'zwaar zou
vinden, bijv. bij een te laat komen van eenige minuten.
A. Dat is uw oordeel, maar niet het oordeel van een
bakker. Het deeg wordt 3\'/j uur van te voren gereed
gemaakt; werd nu aan het te laat komen niet streng de
hand gehouden, dan zou het brood niet klaar komen.
Vroeger had men geldboete, en het bedrag werd onder
het personeel verdeeld. Dit gaf aanleiding, dat een per-
soon, die eene halve minuut te laat kwam, wat soms
geforceerd gebeurde, daar men expres de deur dicht deed,
beboet werd. Dit gaf aanleiding tot ruzie in de bakkerij,
en daarom hebben wij deze straf ingevoerd. Nu beboeten
als het ware de knechts niet meer elkander, maar doet
de meesterknecht het.
1567.    V. Past gij nog andere boeten toe?
A. Als het noodig zou zijn, ja.
1568.    V. Bestaan daaromtrent bepalingen?
A. Ik heb zeer kort geleden eene bepaling gemaakt,
dat, wanneer de dader van onzindelijkheden niet spoedig
ontdekt werd, aan het geheele personeel straf zou worden
opgelegd. Intusschen, ik heb aan die bedreiging nog geen
gevolg gegeven.
1569.    V. Vindt gij die bepaling zelf niet wel wat erg
bar?
A. Soms .is zij wel noodig. Zoo is het mij, alleen op
die wijze, gelukt heden-morgen een jongen te forceeren
mij eenige mededeelingen te doen omtrent het bederven
van beschuit.
1570.    V. Bestaat er aan uwe fabriek een officieel
reglement op het stuk van boeten?
A. Neen.
1571.    V. Hoe wordt het overwerk betaald?
A. Met 15 cents per uur.
1572.    V. Vindt gij den feitelijken arbeidsduur van 13
uren niet te lang?
A. Ja zeker.
1576.    V. Gij zegt 14 uren; is dat feitelijke arbeids-
duur, of moet er de rusttijd af?
A. Laat ons 13 uren zeggen.
1577.    V. Zoodat het verschil met de fabriek niet zit
in de weekdagen, maar alleen in den Zaterdag-nacht?
A. Ik geloof, dat, bij verhoor van particuliere bakkers
hier aan de Zaan, over het algemeen blijken zou, dat
bij hen langer wordt gewerkt dan bij ons aan de fabriek.
1578.    V. Is uw personeel tegen ongelukken verzekerd ?
A. Ja, bij de Eerste Maatschappij te \'s-Gravenhage.
1579.    V. Zeker de gewone f 1 per dag en f 1000
tegen invaliditeit of dood?
A. Bij doodelijken afloop eenjaar loon, en verder naar
verhouding.
1580.    V. En bij tijdelijke invaliditeit, wanneer de
man door een ongeluk tijdelijk buiten staat is om te
werken ?
A. Dan wordt het weekloon gedeeltelijk uitbetaald,
maar ik weet niet precies het hoeveelste gedeelte.
1581.    V. Gij hebt een ziekenfonds aan uwe fabriek.
Hoe is dat ingericht?
A. De werklieden betalen 1 pet. van het loon en
wij doen er D/2 pet. bij. Daarvan wordt uitgekeerd: de
eerste 4 weken %; de tweede 4 weken xj2, en de derde
4 weken 1/4 van het weekloon.
Het lidmaatschap is verplichtend en het fonds wordt
door ons beheerd. Een bestuur is er niet, maar het
fonds berust bij de firma, tegen 5 pet. rente, en wordt
geadministreerd door den boekhouder, die daarvan elk
jaar rekening en verantwoording doet; welk stuk door
den ondermeesterknecht wordt onderteekend, namens
het personeel.
Ieder werkman heeft recht om het ziekenbriefje na te
zien van iemand, die ondersteuning genoten heeft.
1582.    V. Voldoen die bijdragen van 2\'/2 pet. ruim
aan de behoefte?
A. Ja, er zijn jaren geweest, dat er overbleef, zoodat
er kapitaal is gevormd.
1573.    V. Wordt door u waargenomen, dat ten gevolge
van zoo langen arbeidsduur de werkkracht vermindert?
A. Dat weet ik werkelijk niet. Maar men moet niet
vergeten, dat het een zeer kalme arbeid is, waarbij noch
gezwoegd, noch gezweten wordt. Zoo werken de deeg-
werkers hoofdzakelijk met de machine, en zij hebben
niets anders te doen dan het vocht klaar te maken voor
de machine, en het deeg van den eenen trog in den
anderen te werpen, wanneer het voldoende gerezen is.
1574.    V. Is door u overwogen, om in den arbeidsduur,
dien gij zelf lang vindt, verandering te brengen?
A. Ja zeker; wanneer alle, bakkerijen gedwongen
werden den feitelijken arbeidstijd op 11 uren te brengen,
zou ik dit zeer toejuichen. Zooals echter thans de toe-
stand is, zouden daartegen niet alleen geldelijke, maar
\'>ok technische bezwaren bestaan.
157"). V. De getuige Baarse deelde ons mede, dat de
particuliere bakker begint \'s morgens om 3 uur, werkt
tot half elf, daarna gaat venten met de kar tot half een,
«én uur, en dan vrij is, doch daarentegen veel langer
werkt op Zaterdag, soms van Zaterdag-avond \'12 uur
tot Zondag-morgen 12 uur. Is dat juist?
A. Mijne ervaring is anders en wel deze. dat bij de
Enquête. — De /\'\'.aankant.
1583.    V. Het is dus geen gewoonte om aan het eind
van het jaar eene uitdeeling te houden?
A. Neen; wat er over is, blijft bij elkander om te
voorzien in tijden, als wij nu beleefd hebben niet de
influenza, toen het fonds duchtig gesloopt is geworden.
1584.    V. Hoe gaat het met het opzeggen van den
dienst ?
A. Als ik iemand ontsla, wat een paar maal gebeurd
is, dan krijgt hij zijn volle loon. De knechts zeggen
van hun kant eene week te voren op en zouden het
onfatsoenlijk achten om zich daaraan niet te houden.
1585.    V. Ik kom tot het loon. Zijn do opgaven, die
ons daaromtrent door den getuige Baarse ven-strekt wer-
den en die ik u hier voorlees, juist?
A. Ja; alleen doe ik opmerken, dat, behalve de
ovenist van f 12.50, er nog een is van f 11.50, en dat
zij, die i\' 8 hebben, halfwassen zijn.
1586.    V. Zijn dat de totaal-verdiensten?
A. Ja.
1587.    V. Is in uwe fabriek het verstrekken van vrij
brood niet gebruikelijk ?
■20
-ocr page 87-
78
A. De werklieden krijgen het brood tegen slijters-
prijs, zoolang het versch is, en tegen nog geringer prijs,
als het oud-hakkeu is.
1588.    V. Komt het veel voor, dat melk gedronken
wordt door de werklieden ?
A. Zij koopen wel eens melk van mij, maar dief-
stal. die niet medewerking van den deegmaker gepaard
zonde moeten gaan, komt niet voor : althans ik heb het
niet ontdekt.
1589.    V. Uwe meening daaromtrent is dus beslist
gunstig, en gij hebt nooit behoefte gevoeld aan een
streng boetestelsel tegen dergelijke ontvreemding?
A. Neen, tot dusver niet.
1590.    V. Nu komen wij aan de beschuitbakkerij.
Daar wordt overdag gewerkt, niet waar?
A. Ja. De mannen werken van \'s morgens 6 tot
\'s avonds 8 uur, met rusttijden van 12—1 of van 1—2
uur naar gelang het werk.
1591.    V. Dat is dus ook 13 uren ?
A. Ja.
1592.    V. Gaan die werklieden \'s middags naar huis
om te eten?
A. Meerendeels ja.
1593.    V. Is die schafttijd niet te kort voor hen, die
ietwat ver van de fabriek wonen ?
A. Neen, men heeft er mij althans nooit over ge-
sproken.
1594.    V. Bezigt gij in de beschuitbakkerij niet nog al
veel jongens?
A. Bij de pakkerij 10, alle beneden de 16 jaar.
1595.    V. Kunt gij die jongens dadelijk gebruiken,
zoo als zij van school komen ?
A. Ja.
1596.    V. Hoe lang werken die?
A. Zij komen om 7 uur, en als het druk is, om 6,
vroeger niet; zij werken nooit later dan 7 uur.
1597.    V. En vóór de invoering der arbeidswet?
A. Toen waren de werkuren precies zoo ; de invoering
der wet heeft daarop geen invloed gehad.
1598.    V. Welke zijn voor hen de rusttijden?
A. Van 8—8\'.2, van 12—2, van 5—51/2 uur.
1599.    V. Gij blijft dus een eind beneden den maxi-
mum-arbeidsduur, door de wet gesteld. Bestonden die
rusttijden ook vóórdat de wet is ingevoerd ?
A. Ja.
1600.    V. Verdienen de beschuitbakkers dezelfde
loonen als de nachtploeg ?
A. Ja.
1601.    V. Zijn in die beschuitbakkerij geen wolwassenen,
die minder verdienen?
A. Niet een.
1602.    V. Wat verdienen de jongens?
A. De jongens in de bakkerij, 16 tot 22 jaar oud,
verdienen f 2.25 tot f 5.50.
1603.     V. En die in de pakkerij ?
A. f 1.50.
1604.    V. Zijn er in de bakkerij veel jeugdige werk-
lieden tusschen de 16 en 22 jaar?
A. In het geheel 7.
1605.    V. Gesteld, dat de wetgever, die nu den arbeids-
duur van 11 uren bepaald heeft voor jongens tot. 16 jaar,
die bepaling uitbreidde tot 18 jaar. zou dat moeilijkheid
in uw bedrijf geven ?
A. Neen, die jongens werken thans 13 uren met 1 uur
rust.
1606.    V. Dus het zou loopen over eene quaestie van
I   uur?
A. Ja.
1607.    V. Zou het volgens uwe ervaring een geluk
zijn voor de jongeren, indien men het verbod om te
arbeiden uitstrekte tot 14 jaar?
.1. Wanneer zij die jaren op school bleven, zeer
zeker.
1608.    V. Dus wanneer dit verbod gepaard ging met
leerplicht tot dien leeftijd, zoudt gij het toejuichen ?
. I. Zeker.
1609.    V. Merkt gij bij die jeugdige knapen te geringe
ontwikkeling op ?
A. Dat kan ik moeilijk zeggen.
1610.    De heer lie Poole : Werkt gij met één of twee
stoomketels ?
A. Met twee.
1611.    V. Dus de fabriek behoeft, bij schoonmaak van
, een ketel, niet stil te staan?
A. Neen.
1612.    V. Hoe lang is zulk een stoomketel afgekoeld,
vóór de menschen er in gaan?
A. Meestal vier weken.
1613.   De Voorzitter: Hebt gij zelf ons nog iets mede
te deelen?
A. Ik wenschte er op te wijzen, dat er in het geheel
in de fabriek 50 personen werken; daarvan werken er
II   des nachts, waarvan 8 altijd, en 3 om de 14 dagen
bij dag of bij nacht.
1614.    V. Gij hebt duc onder de nachtwerkers eene
categorie, die wisselt, en eene, die niet wisselt?
A. Ja.
1615.    V. Kunt gij van dat wisselen of niet wisselen
invloed op de menschen waarnemen?
A. Neen.
1616.    V. Hoe heeft de verwisseling plaats?
A. Een .werkman, die werkt tot Zaterdag-nacht 1 uur,
komt dan Maandag-morgen om 6 uur op; en de persoon,
die Maandag-morgen om 6 uur op moest komen, komt
dan den volgenden Zondag-avond om 8 uur op.
E. G. Verkade Jr.
A. Kerpijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. RouAARps. Adj.-secretaris.
-ocr page 88-
79
Verhoor van Cornells Pleter Hor ff, oud 36 jaar,
stijfselfabrikant en olieslager, lid der firma
Wed. C. Korff, te Zaandam.
1617.    De Voorzitter: Om met de olieslagerij te begin-
nen; hebt gij meerdere molens?
A. Maar één, het „Rad van Avontuur" genaamd.
1618.    V. Ons is medegedeeld, dat in de wind-oliemolens,
bij wind, geregeld 16 uren wordt doorgewerkt. Hoeveel
rusttijd hebben de werklieden dan ?
A. De knechts hebben bij doorgaanden wind een
werktijd van 16 uren. Overwerk en Zondagsarbeid heeft
zelden plaats. De knechts kunnen twee halve uren rust
nemen om hun eten te gebruiken, maar uit eigenbelang
laten zij dat na, omdat door hen op stuk gewerkt wordt.
Zij zouden het anders zeer goed kunnen doen, omdat zij
met hun vieren werken, en de drie overigen het dus
best voor een half uur kunnen inloopen.
1619.    V. Hun verplichte werktijd is dus vijftien uren?
A. Juist.
1620.    V. Hoeveel dagen \'s jaars, denkt gij, dat er
wind genoeg is om door te malen? Hebt gij bijv. over
1890, dat in dit opzicht een zeer ongunstig jaar was,
daarvan aanteekening gehouden?
A. Het is mij niet mogelijk u dat, zelfs bij benade-
ring, eenigszins behoorlijk op te geven. Dan eens blijft
de wind 14 dagen achtereen doorwaaien, en dan weder
is het 14 dagen lang stil.
1621.    V. Blijven de lieden op de dagen, waarop niet
gemalen wordt, thuis?
A. De jongens wel, de volwassenen niet.
1622.   V. Hoe lang blijven zij dan echter aan den molen?
.1. Een paar uren.
1623.    V. Komt het voor, dat er 14 dagen achtereen
wordt gewerkt, wanneer de wind aanhoudt?
A. Het waait zelden zoo lang, dat er altijd even hard
wordt gewerkt.
1624.    V. Een oliemolen heeft toch weinig wind noodig,
niet waar?
,1. Ja.
1625.    V. Dunkt u, wanneer er aanhoudend wind is,
de arbeidsduur van 15 of 16 uren per etmaal niette lang?
.1. Ik geloof het niet.
1626.    V. Maar zij klagen misschien meer onder elkaar
dan tegenover u?
A. Neen, als zij wat hebben, komen zij er altijd rond
voor uit.
1627.    V. Het olieslagersvak staat hier aan de Zaan,
wat de werklui betreft, immers laag aangeschreven?
A. Ja, het is eentoonig werk, en velen hebben er op tegen.
1628.    V. De lieden worden, naar wij vernomen hebben,
betaald per last, collectief voor de vier man, naar een
zekeren maatstaf. Is die som niet f 10.65 ?
A. Ja.
1629.    V. Is het juist, dat de verdeeling is als volgt:
f 4.20 voor den blokmaker, f3.15 voor den steenknecht,
f2.10 voor den jongen (zoo genaamd, ondanks zijn leef-
tijd) en f 1.20 voor den eigenlijken jongen ?
A. Dat is in het algemeen zoo.
1630.    V. In andere vakken bleken ons de loonen nog
al uiteen te loopen, maar in het olieslagersvak schijnt
er dus een vaste loonstandaard te zijn?
A. Ja.
1631.    V. Verwerkt gij binnen- of buitenlandsch zaad ?
A. Buitenlandsch zaad.
1632.    V. Werd er vroeger niet veel meer binnen-
landsch zaad, nl. koolzaad, verwerkt?
A. Ja, tegenwoordig ook nog wel. Het maalt veel
gemakkelijker dan lijnzaad, maar door het gas en de petro-
leum is het debiet van raapolie belangrijk minder, en
daardoor wordt er minder koolzaad gemalen.
1633.    V. Trekt gij uit een last koolzaad minder
koeken dan uit een last lijnzaad ?
A. Ja, ruim 1000 koeken uit koolzaad en 1300 uit
lijnzaad.
1634.    V. Ons is de verhouding van 1200 tot 1400
opgegeven. Is die minder juist?
A. Ja.,
1635.    V. Naar mate er meer lijnzaad gemalen word
daalt het feitelijke loon, niet waar?
A. Ja.
1636.    V. Zijn er verleden jaar bij de patroons geen
pogingen aangewend om, in verband met dat feit, het
loon te doen bepalen naar het aantal koeken en niet naar
j het last ?
A. Ja, maar tot nu toe is er nog niets van gekomen.
1637.    V. Zou dat niet billijk zijn?
A. Ik geloof niet, dat de menschen er voordeel bij
zouden hebben. Er zijn menschen, die ontevreden van
j aard zijn. Die lieden moeten toch ook niet uit het oog
\' verliezen, dat de patroons nu ook. wanneer de molen
niet werkt, soms 14 dagen lang toch een gedeelte van
het loon geven, het zoogenaamde staangeld. Dat bedraagt
I in de 14 dagen, naar ik meen, f 14.50, tegen f 23 het
volle loon, en zoo in verhouding. Zitten de menschen
verlegen, och dan leenen wij hun wat op latere afreke-
j «ing.
1638.    V. Ik begrijp toch inderdaad nog niet, dat beta-
ling naar het aantal koeken niet voordeeliger voor de
menschen zou zijn ?
A. Van koolzaad krijgt men maar ruim 1000 koeken.
1639.    V. Juist, maar er wordt immers hoe langer zoo
meer lijnzaad verwerkt ?
A. Och, als er een groot gewas koolzaad is, neemt
men dat ook wel, en in de laatste jaren komt er eene
i massa Indisch koolzaad.
1640.    V. Wat verdienen nu de werklieden feitelijk ?
A. De blokmaler f 23, de nachtblokmaler f 18, de
steenknecht f 15, de dagjongen f 12, de nachtjongen
f 6.50, de pletjongen f 5.
1641.    V. Dat zijn alle cijfers voor 14 dagen, bij een
arbeidsduur van 15 il 16 uren per etmaal?
A. Ja, die arbeidsduur is zoo lang, wanneer er wind is.
1642.    V. Staat de molen \'s Zondags altijd stil?
A. Ja, op enkele uitzonderingen na in Maart of April,
als wij koeken te kort komen. Als Zondagswerk te ver-
mijden is, doet mij dat evenveel genoegen als den werk
lieden.
1643.    V. Begrijp ik het goed, dat de olieslagers een zeer
ongeregeld leven hebben: van tijd tot tijd eenige stilte,
maar deze afgewisseld door buitensporige drukte?
-ocr page 89-
80
A. Als er weinig wind is, gaat de molen langzamer.
1644.    V. Maar de menschen blijven dan toch op den
molen, en van familieleven is dan weinig of geen sprake.
Verdwijnen de windmolens langzamerhand ?
A. Ja, in den laatsten tijd zijn er heel wat weggegaan.
1645.    V. Acht gij het maar eene quaestie van tijd,
dat zij alle zullen verdwijnen ?
A. Ja, langzamerhand zullen er wel meer stoommolens
komen, want de olie wordt op termijn verkocht, en bij
stoom heeft men dus meer zekerheid omtrent het tijd-
stip van levering.
1646.    V. Uw pletjongen wordt, als ik mij niet vergis,
dezer dagen 16 jaar?
A. Ja, Vrijdag.
1647.    V, Gaat hij dan met de volwassenen mee
op werken gedurende 16 uren ?
A. Ja, dat wil hij wel.
1648.    V. Omdat hij dan meer verdient?
A. Neen, maar het is best voor hem, want tot nog
toe ging hij om 6 uur heen, niet naar de school, zooals
ik hem dikwijls aangeraden heb, maar langs de straat
loopen en naar het Heilsleger. Dat is niet goed voor
zulke jongens
1649.    V. Hoe lang hebt gij dien jongen ?
A. Ruim een jaar.
1650.    V. Hoe lang werkte hij vóór de invoering der
arbeidswet ? Deed hij toen mede met de volwassenen ?
A. Neen, dan hebben wij hem pas een jaar gehad.
Wij hebben eerst een ouderen gehad, die moestin dienst;
voor dien jongen van 16 jaar heb ik onmiddellijk een
biljet moeten vragen.
1652. V. Vindt gij het niet betreurenswaardig, dat een
jongen nog in den groei van zijn lichaam, van 16 tot 18
jaar, nachtarbeid moet verrichten, in elk geval 16 uren
per dag moet werken
A. Neen; wanneer het eene stoomoliefabriek was, zou
hij het niet kunnen uithouden, maar bij een windmolen
werkt hij dikwijls minder.
165o. V. Werken in de stoom-oliefabriek de menschen
niet korter?
A. Ja.
1654.    V. Gij betaalt om de 14 dagen. Betaalt gij dan
eene vaste som uit, met verevening van het overige
later?
A. Ja, tweemaal per jaar heeft de verevening plaats.
1655.    V. Waarom betaalt gij om de 14 dagen en
niet om de week?
A. Dat is gemakkelijker.
1656.    I\'. Het is gemakkelijker voor uwe adminis-
tratie; maar staat daar niet tegenover het belang van
het gezin?
A. Zij kunnen het loon ook per week uitbetaald
krijgen, maar zij schijnen dit niet te verlangen.
1657.    V. Enkele personen spraken hier als hunne
ervaring uit, dat. waar het loon om de 14 dagen wordt
uitbetaald, ja, eene voortreffelijke huisvrouw wel zorgt
dat het goed gaat, maar eene minder voortreffelijke —
en die zullen onder de werklieden, evenals in andere
klassen, wel de meerderheid vormen in het begin
het gezin ruim doet leven, terwijl in de laatste dagen
gebrek geleden wordt. Zijt gij het daarmede niet eens?
A. Ik kan dat moeilijk beoordeelen.
1658.    1\'. Zou het niet ernstige overweging ver-
dienen om, in het belang van het gezin, de betaling
per week te doen plaats hebben ?
A. Ik geloof het niet.
1659.    V. Hoe gaat het met het loon bij ziekte ?
A. Bij ziekte wordt het vaste loon uitbetaald en dit
later verrekend.
1660.    V. Het wordt dus niet geschonken, maar voor-
geschoten ?
A. Ja.
1661.    V. Is het in uw vak vrij algemeen, dat de
patroon bij ziekte het loon niet laat doorgaan ?
A. Ja.
1662.    V. Het is opmerkelijk, dat in het olieslagers-
vak bij ziekte het loon niet doorgaat, en in andere vak-
ken wel.
A. Ja, in de stijfselfabriek gaat dan ook het loon bij
ziekte wel door.
1663.    V. Hoe verklaart gij dat?
A. Bij de stijfselfabriek wordt een vast loon uit-
betaald, en bij den oliemolen werkt men per stuk.
1664.    V. Wanneer de molen stil staat, hoewel daar
per stuk betaald wordt, geeft gij toch een vast geld ;
op dezelfde wijze zou, dunkt mij, bij ziekte, een zeker
fixum kunnen uitgekeerd worden.
Maakt de olieslager over het algemeen meer geld dan
de man op eene stijfselfabriek 1
A. Neen.
1665.    V. Wanneer dit zoo is, waarom verkeert hij
dan, op dit voor een werkmansgezin zoo belangrijke
punt, in eene minder gunstige positie?
A. Dat zou ik u moeilijk kunnen zeggen.
1666.    V. Hebt gij wel eens ongelukken van het
werkvolk aan den molen gehad ?
A. Neen, althans niet van belang.
1667.    V. Gij constateert zeker ook veel doofheid
onder uw werkvolk ?
A. Ja.
1668.    V. Ons is medegedeeld, dat de doofheid zich
wel reeds 3 of 4 jaren, nadat de menschen met dat werk
begonnen zijn, openbaart?
A. Dit komt zeer zelden zoo vroeg voor.
1669.    V. Neemt gij wel eens waar, dat de bout aan
de hei niet ingeslagen wordt ?
A. Dat gebeurt nooit,
1670.    V. Wordt de molen altijd stilgezet, wanneer er
gesmeerd moet worden ?
A. Hoewel ik daarop steeds attent maak, doen zij
het toch niet altijd. Zij maken tegenwoordig echter veel
gebruik van een lap aan een stok, zooals door een der
heeren, die ons bezocht hebben, is aangeraden, en daarbij
bevinden zij zich zeer goed.
1671.    V. Veroorzaakt uw mister niet veel rook?
A. Betrekkelijk weinig, want de rook stijgt ten ge-
volge van de hitte dadelijk naar boven en verwijdert
zich dan door de raampjes.
-ocr page 90-
A. In Januari en Februari kan het met de koude
moeilijk harder gaan dan één brouwsel per week. Maar
in Maart, April, Mei, als \'t warmer wordt, kan het 3
maal en in den zomer viermaal plaats hebben per veertien
dagen, en dan neemt dat weder regelmatig af.
1687. V. In den zomer is de positie van het volk
dus zeer gunstig?
A. Ja, de menschen hebben het dan best en klagen
ook niet.
C. P. KOBFF.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
1672.    V. Zijn er geen pogingen aangewend, om de
rook op eene snellere wijze te verwijderen?
A. Die gaat werkelijk gauw genoeg weg.
1673.   V. Een boetestelsel is bij u niet bekend?
.1. Daaraan wordt hier weinig gedaan.
1674.   V. Heeft uwe firma geen oud-gedienden, die
niet meer kunnen werken ?
A. Wij hebben indertijd een geval gehad met zekeren
Klaas Groot, die een ongeluk aan zijne oogen heeft gehad,
en dien wij ook hebben geacteerd. Toen het bedrag
der voorschotten tot, naar ik meen, f 90 was gestegen,
hebben wij door dat bedrag de pen gehaald, en heeft hij
verder van het armbestuur en van ons assistentie ont-
vangen.
1675.    V. Hoeveel kreeg hij van uwe firma?
A. Ik meen f 2.
1676.    V. Had hij lang bij uwe firma gediend?
A. Geruimen tijd.
1677.    V. Wordt uwe stijfselfabriek door wind of
stoom gedreven ?
A. Door geen van beide; alles gaat er met de hand.
1678.    V. Hoe talrijk is daar het personeel?
A. Vijf man, waarbij één jongen van 14 jaren.
1679.    V. Hoe lang is de werktijd?
A. Er is geen vaste werktijd. Eerst wordt de tarwe
met zuur water in bakken gestort. Vervolgens heeft er
een gistingsproces plaats. Het moet 8 a 14 dagen staan,
<jn dan scheiden zich de stijfseldeelen af, de spoeling,
die er op komt, wordt er afgepompt, en de stijfsel gaat
in bakjes met linnen om uit te druipen. Het wordt
dan gedroogd in de droogkamer.
1680.    V. Is er geen vaste werktijd ?
.1. Wanneer dat gistings-proces is begonnen, dan be-
ginnen zij om 4, 5 uur, werken tot 8 uur, hebben dan
rust tot 9 uur, gaan weer om 1 uur naar huis, en
werken vervolgens tot 4 a 5 uur. Er is geen vaste
werktijd voor aan te geven. Soms staat het brouwsel in
de kuipen te bezinken, en dan hebben zij weinig te doen.
Den eenen dag komen zij wat vroeger en den anderen
wat later. Zij maken één brouwsel in de week, soms
wel twee of drie in de 14 dagen. Daarnaar zijn de ar-
Iieidsloonen geregeld.
1681.    V. Hebben zij geen vast weekgeld?
A. Het wordt per brouwsel betaald, en bij ziekte gaat
het loon door.
1682.    V. Wat krijgen zij voor een brouwsel ?
A. Een meesterknecht krijgt f 7.50 per brouwsel, een
tweede man f 7.00, een derde man f 6.50. een vierde
f 4.50, en een jongen f 2.50 vast per week.
1683.    V. Zijn er nog andere voordeden?
A. Ja, de meesterknecht heeft vrije woning, in Novem-
iier eene toelage van f26 voor vleesch, en eene fooi van
t\' 20. Dan is er ook nog het afval, waarmede hij een
mager varken vet mag mesten.
1684.    V. Hebben de anderen ook voordeelen?
A. De tweede knecht krijgt een half varken of f 30
"Is restitutie daarvoor.
1685.    V. Het antwoord op de vraag, hoeveel geld de
\'nenschen verdienen, hangt, als ik u goed heb gevat,
I liervan at, hoeveel brouwsels er gemaakt worden. Wat
is nu de regel: één brouwsel per week, of twee of drie
in de 14 dagen?
Enquête. — Ue Zaankant.
Verhoor van «Van Zwart Czn., oud 39 jaar,
zakjesfabrikant, te Zaandam.
1688.    De Voorzitter: Hoe groot is uw personeel ?
A. 21 man; daaronder zijn 5 jongens beneden 1(5 jaar.
1689.    V. Op welken leeftijd komen die jongens bij u ?
A. Tusschen hun 12de en 13de jaar.
1690.    V. Gaan die jongens later niet nog al eens naar
een ander vak over?
A. Vroeger meer dan nu, omdat er, nu ik met stoom
werk, meer kans is op bevordering. Maar er zijn er toch.
1691.    V. Hoe is de werktijd ?
.4. Van \'s morgens 6 tot \'s avonds 7 uur, met 2\',\'j
uur rust in drie tempo\'s.
1692.    V. Wordt er veel overgewerkt?
A. Bij mij niet; dat gebeurt alleen tegen St. Nicolaas,
en dan nog door bepaalde personen.
1693.    V. Heeft er dus, behalve tegen St. Nicolaas,
bij u weinig overwerk plaats?
A. Bij mij is dat niet zoozeer het geval.
1694.    V. Met St. Nicolaas toch wel?
A. Ja, dan tot 9 uur, bij uitzondering tot 10 uur.
1695.    V. Doen de jongens dat ook mede?
A. Neen.
1696.    V. Sedert de invoering der arbeidswet zeker;
maar vóór dien tijd ?
A. Toen een enkele, omdat in de stoomfabriek wat
langer wordt gewerkt.
1697.    V. Werkt thans in de stoomfabriek geen jongen
beneden de 16 jaar?
A. Ja, een enkele, maar die wordt om 7 uur ver-
vangen door een anderen.
1698.    V. En vóór de invoering der wet ?
A. Toen werkte die jongen ook over, omdat zijne
ouders dit gaarne wensehten, wegens het loon.
1699.    V. Gij hebt ook eene drukkerij voor het be-
drukken der zakjes en voor klein smoutwerk, niet waar ?
A. Ja.
n
-ocr page 91-
si
1700.    V. Daar werkt immers geen enkele volwassen
arbeider?
A. Neen; ik heb twee zetters van 17 jaar.
1701.    V. Wanneer zij volwassen worden, gaan zij dan
naar eene behoorlijk ingerichte drukkerij ?
.4. Mijne drukkerij is zoo, dat er eigenlijk alles wordt
gemaakt, zoodat de jongens bij mij alles kunnen leeren. In
smoutwerk zit nog al wat. Een mijner werklieden is, van
mij weggaande, aan het hoofd eener drukkerij gekomen.
Overigens is het mij nog niet voorgekomen, dat de werk-
lieden, volwassen zijnde, bij mij weggingen, want de druk-
kerij bestaat pas 7 jaar.
1702.    V. Wat zijn de loonen bij u ?
A. Ik heb drie getrouwde mannen, waarvan twee als
vaste knecht f 10 per week verdienen. Dan heb ik nog
een man. dien ik meer uit medelijden heb genomen,.en
die voor het jongenswerk, dat hij doet, f6 verdient; dan
is er een ongetrouwde knecht van f 7.50 en een van f6,
terwijl overigens de loonen loopen van f 4 tot f 1.50, en de
jongens ieder f 1.10 hebben.
1703.    V. Hebt gij eene waterleiding in de fabriek?
A. Ja, met drie kranen.
1704.    V. Ook in dat deel, waar niet met stoom ge-
werkt wordt?
A. Neen.
1705.    V. Bij ons bezoek aan uwe fabriek bevonden
wij, dat de toestand van het privaat heel treurig was.
A. Ja, dat is op het oogenblik niet best.
1706.    V. Kunt gij daaraan niet beter de hand houden?
A. Op het oogenblik doet de stadsreiniging er niets
aan. De ton wordt geregeld om den anderen dag weg-
gehaald, maar sedert het water bevroren is, niet meer.
1707.    V. Kunt gij geen verbetering aanbrengen door
het doorspoelen met warm water?
A. Dat denk ik wel, maar ik heb tot nog toe geen klach-
ten gehoord. Eene onaangename lucht is er altijd. De dijk-
sloot is hier op den Dam gedempt, en nu hebben wij
daar stinkslooten, omdat wij geen afwatering hebben, en
dat geeft eene onaangename lucht.
1708.    V. Dat is eene reden te meer om zelf zooveel
mogelijk de reinheid te bevorderen.
A. Ja, wij werpen dan ook dagelijks carbol in het
privaat.
1709.    V. De reinheid liet inderdaad veel te wenschen
over; het was een vuile boel.
A. Dat komt door de vorst; want het privaat moet
om de week schoongemaakt worden, althans ik gelast
steeds het te doen.
1710.    V. Wordt daarop door den meesterknecht niet
nauwlettend toegezien ?
A. Die schijnt in dit opzicht wel wat toegeeflijk te
zijn; ik heb hem reeds meermalen die opmerking
gemaakt.
1711.    V. Is er nooit een ongeluk gebeurd met de
kleine handpers?
A. Een hoogst enkel geval, maar dat kwam door het
spelen van de jongens, die niet opletten en dan, wanneer
de drukker de pers dichthaalde, daarin met den vinger
kwamen.
1712.    V. Het is natuurlijk, dat een jongen van dien
leeftijd, die den gansenen dag dat werk doet, wel eens even
het hoofd omdraait en dan een ongeluk krijgt. Hebt gij
er nooit aan gedacht om daartegen een voorzorgsmaat-
regel te nemen?
A. Ik heb er wel degelijk over gedacht, maar zooals
die pers is ingericht, kan het niet. De jongens behoeven
ook niet met de vingers aan de pers te komen, want
de zakken staan ruim 3 centimeter boven de pers, en
die breedte is voldoende om ze gemakkelijk aan te
vatten.
1713.    V. Is u geen middel bekend om daarin ver-
andering te brengen?
.4. Neen.
1714.    V. Ik verklaar mij incompetent om u in deze
raad te geven, maar de inspecteur voor den arbeid zou
u wellicht een goed middel aan de hand kunnen doen,
en ik raad u aan tot hem u te wenden.
Hebt gij in uwe stoomfabriek nooit ongelukken gehad?
A. Neen.
1715.    V. Uw machinist heeft, naar wij vernamen,
tevens het opzicht op de werktuigen in de fabriek.
Verlaat hij dientengevolge dikwijls zijne machine?
A. Naar gelang zijne tegenwoordigheid boven wordt
gevorderd; doch dan is de stoker bij de machine.
1716.    V. Is dat een volwassen man?
A. Neen, een jongen van 17 jaar.
1717.    V. Kan dan alles aan dien jongen overgelaten
worden ?
A. De machinist is er vlak bij.
1718.    V. Betaalt gij wekelijks uit?
.1. Ja, op Zaterdag.
1719.    V. Hebt gij een boetestelsel in uwe fabriek?
A. Neen; vroeger wel, maar het heeft geen gewenschte
resultaten opgeleverd.
1720.    V. Hoe kwam dat?
A. De arbeiders vonden het onaangenaam en eene
beleediging voor hun persoon.
1721.    V. Acht gij dus in eene fabriek, als de uwe, een
boetestelsel onnoodig?
A. Ja.
1722.    V. Hebt gij ook meisjes in uwe fabriek?
A. Neen.
1723.    V. Er worden in de zakjesplakkerijen toch
wel meisjes gebezigd?
A. Ik geloof niet, dat er bij mijne collega\'s hier
meisjes in het werk zijn.
1724.    V. Waaraan schrijft gij het toe, dat dit elders
aan de Zaan wel het geval is?
A. Omdat meisjes van 13 en 14 jaren hier lichter
een dienst als kindermeisje kunnen krijgen, dan op de
dorpen.
1725.    V. Indien de wetgever den minimum-leeftijd
tot 14 jaren verhoogde, hoe zoudt gij daarover als in-
dustrieel oordeelen?
A. Ik zou dit niet gewenscht achten, omdat het een
zeer lichte arbeid is, dien wij niet hoog kunnen betalen.
Voor het drukken van een kilo papieren zakjes bijv.
krijgen wij slechts 2 cents.
1726.    V. Zou bij u tegen den 13jarigen leeftijd het-
zelfde be7.vvaar bestaan?
A. Ja.
1727.    V. Maar zoudt gij, afgezien van het fir.iancieele
bezwaar, meenen, dat het werk even goed door oudere
kinderen zou kunnen verricht worden?
-ocr page 92-
84
A. Naar mijne bescheiden meening spreekt het van j
zelf, dat een jongen van 13 of 14 jaar althans hetzelfde
werk kan verrichten, dat door een kind van 12 jaren
gedaan wordt.
1728.    1\'. Gij gaat veel om met jongens. Constateert gij
naar uwe meening voldoende ontwikkeling bij 12jarige
jongens?
A. Daarop is moeilijk te antwoorden. Toen ik begon j
te werken, was ik 9 jaar en had geen voldoend lager
onderwijs genoten; maar toen ik het noodig had, heb ik
dat gedaan, en nu geloof ik mij te kunnen meten met ,
iemand van mijne positie en mijnen leeftijd.
In vele gevallen is onderwijs tot 12 jaar zeer voldoende, j
1729.    V. Komt het u ook niet wenschelijk voor, het j
onderwijs voor hen, die de lagere school hebben door- j
loopen, in de avonduren te doen voortzetten ?
A. In vele gevallen, ja.
1781. V. Wordt door u aandrang uitgeoefend om te
doen geschieden, wat gij goed acht, nl. het bezoeken der
avondlessen ?
i
A. Ja, maar met slechte resultaten. Er wordt weinig i
gebruik van gemaakt door den onwil van de jongens en
de weinige waardeering van het onderwijs door de ouders, j
1732. V. Acht gij het dan wenschelijk, dat een alge- \'
meene maatregel worde genomen, opdat, wat bij voor-
baat niet wordt gewaardeerd, en daarom niet geschiedt,
toch geschiede en naderhand misschien wel zal worden
gewaardeerd ?
A. Ja.
1733.     De heer Le Poole: Wordt uwe fabriek
verwarmd ?
A. Ja, alle lokalen. De .stoomfabriek wordt verwarmd
door den cylinder, waardoor de zakjes worden gedroogd,
met dat gevolg, dat wij op dit oogenblik nog 60° F.
hebben.
1734.    V. Hoe dikwijls wordt uwe fabriek schoon-
gemaakt?
A. Tweemaal per jaar met water, en iederen dag wordt
zij geveegd.
1735.    De Voorzitter : Daar gij gedeeltelijk met stoom
werkt, kunt gij ook gedeeltelijk met stoom verwarmen.
Maar hoe verwarmt gij de andere lokalen?
A. Met kachels.
1736.    V. \' Kunt gij daardoor eene redelijke temperatuur
verkrijgen ?
A. Ja, wij hebben altijd kunnen werken Alleen met
de strenge koude was het wat erg koud.
J. Zwart Cz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretarix.
-ocr page 93-
-ocr page 94-
ZJTTING VAN WOENSDAG 7 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kkrdijk, Voorzitter.
Le Poüi.e.
Visser.
Verhoor van Pieter Franpois Poederbach, oud 38 jaar,
directeur van de gemeentelijke reinigings-
dienat, te Zaandam.
1737. De Voorzitter : Waartoe bepaalt zich het werk
der gemeentereiniging ?
.1. Tot het ledigen van privaten en beerputten, urinoirs,
en/,., het ophalen van vuil en andere kleine diensten.
A. Dit hangt af van de grootte van het gezin; de
een heeft één kind, de ander heeft er zes.
1744. V. I«aat ons een gemiddeld gezin nemen, b.v.
met 4 kinderen. Dat zal men hier in de kringen der
arbeiders waarschijnlijk wel een gemiddeld gezin noemen ?
A. Ik vind f 7.50 nog zeer miniem om in den
tegenwoordige!» tijd behoorlijk te leven met zulk een
gezin.
1745.    V. Vooral vermoedelijk voor een arbeider der
gemeente ?
A. Ja; vandaar ook, dat de gemeenteraad de 50 ets.
verhooging heeft toegestaan.
1746.    V. Om althans iets te doen?
A. Ik vind de verhooging nog al aardig.
1747.    V. Lijdt een arbeidersgezin met 4 kinderen
en f7.50 weekloon geen armoede, of lijkt het daar a1 thans
niet veel op?
A. Neen, in geenen deele.
1748.    V. Hoeveel verwoont zoo iemand ?
A. f 0.90 a f 1.
1749.    V. Wat heeft hij daarvoor?
A. Eene flinke kamer van 4 X -r\' °f 5 X *> M.
1750.    V. Zijn die maten niet wat ruim ?
A. Neen, sommige vertrekken hier aan de Zaan zijn
verbazend groot.
1751.    V. Wat hebben zij dan nog meer?
A. Een hokje of eene soort van keuken, een plaatsje
en een bleekje.
1752.    V. Ons is een voorbeeld genoemd, waarin voor
eene huishuur van f 1.25 niets verkregen werd dan eene
kamer met een portaal in het vertrek, en een zolder.
1738.    V. Hoe talrijk is het personeel ?
A. Wij hebben 24 Yaste werklui.
1739.    V. En als gij eens meer menschen noodig hebt.
trekt gij die dan uit het losse schippersvolk ?
-1. Neen, dat verdient in den zomer te veel om in
den winter daartoe lust te hebben. Bij de reiniging
krijgen wij menschen, die niet meer valide zijn, borst-
lijdere, mannen, die eene breuk hebben, of om andere
redenen niet meer zoo goed voort kunnen; ferme menschen
komen bij ons haast niet voor.
1740.    V. Hoeveel verdient het losse volk ?
A. f 0.75 of f 1 per dag. naar gelang van winter of
zomer.
1741.    V. Men heeft ons medegedeeld, dat het loon
der vaste lieden f 7.50 bedraagt; is dat zoo?
A. Ja, dat verdienen zij allen, maar niet dadelijk.
Zij beginnen met f 6.50 en krijgen, naar mate zij hun
best doen, wat meer tot het door u genoemde maximum.
Er is er een van f 5.50, of liever nu van f (i; maar
dat is een invalide, die geen mannenwerk kan doen,
een man met een hoogen rug, wiens arbeid met die
helooning goed betaald is.
1742.    V. Heeft de gemeenteraad niet juist, met ingang
van Januari, eene verhooging van f 0.50 toegestaan,
zoodat daardoor het maximum op f 7.50 is gekomen ?
A. Ja, vroeger was het hoogste loon f 7.
A. De prijs van dergelijke woningen is afhankelijk
van den stand. Wenschen de werklieden op een beteren
stand te wonen, dan geeft dat onmiddellijk verschil.
Ook voor dien prijs vanfl kunnen zij hier in de Zaan-
1743. V. Wordt dat bedrag van f7.50 beschouwd
als een behoorlijk loon, waarmede een man, zij het op
zeer matige wijze, in de; behoeften van zijn gezin kan
voorzien ?
Enquête. — De \'/.minkant.
il
-ocr page 95-
Hfl
streek, waar zooveel terrein is, eene goede woning
krijgen; maar willen zij in het centrum wonen, dan zijn !
de huisjes duurder en is er zelden een plaatsje bij.
1753.    V. Welke extra-verdienste hebben uwe arbeiders I
behalve hun loon ?
I
A. Eene enkele maal in het jaar ledigen zij een beer- ;
put; dat werk krijgt ieder op zijne beurt en geeft hun
hoogstens een paar gulden extra in het jaar.
i
1754.    V. Getuige Van der Ben zeide ons, dat zij ook !
met kermis en Nieuwjaar fooien van de ingezetenen i
krijgen, en dat hij met Nieuwjaar ongeveer f 12 aan
fooien ontvangen had. Is dat cijfer naar uwe meening
juist?
A. In het algemeen zal dat cijfer wel lager zijn. Het
is echter den werklui volgens hunne instructie verboden
om fooien te vragen; doch men sluit de oogen, omdat
men weet, dat de ingezetenen toch iets zouden geven.
1755.    V. Is Van der Ben een geschikt werkman ? j
A. Ja, een zeer voorkomend en beleefd werkman.
1756.    V. Zondagswerk of overwerk komt zeker zeer
zelden voor?
.1. Ja ; gepasseerden Zondag zoude dit toevallig voor
de eerste maal voorgekomen zijn, en zoude ik ze tot
\'s morgens 9 uur hebben moeten laten werken. Dit wordt
extra betaald, hoewel het niet staat voorgeschreven; zij
moeten het doen.
1757.    V. Hoeveel krijgen zij dan per uur?
A. Ik denk ze 15 cents per uur te geven.
Dit is de eenige Zondag geweest, dat zij zouden j
moeten hebben werken, maar het is toen niet eensgeschied. I
Reeds toen de werklieden bij mij Nieuwjaar kwamen j
wenschen en ik hun de gunstige beschikking van den ,
gemeenteraad omtrent hun pensioen en de verhooging
van hun traktement mededeelde, waren er twee oppo-
santen, die dat niet waardeerden. Dezelfde twee lieden
hadden Zaterdag-avond, toen ik door den opzichter de
order liet bekend maken om \'s Zondags te werken, hem
gezegd: „daar bedanken wij voor; dan liever de poort
uit!" Den volgenden morgen behoefde echter de order
wegens de gladheid der wegen niet uitgevoerd te
worden.
1758.    V. Gij spraakt daar van de stemming der
werklieden; sloeg dat slechts op twee van hen?
A. Zeker, want de overigen zeiden : „wij gaan, want
wij worden gecommandeerd; wil jelui blijven staan, ons !
goed." Die twee opposanten doen met elkander dienst, i
bederven elkander, en ik zal hen dan ook van elkander j
af plaatsen.
1759.    V. Was door de werklieden geen loonsver-
hooging gevraagd ?
I
A. Neen, dat is nooit geschied.
1760.    V. Wat is hun gewone werkdag?
A. \'s Zomers 10, \'s winters 9 uren. De dienst
loopt: van \'s morgens 6 tot 8, dan van 8.30 tot 12 uur, !
vervolgens, na anderhalf uur schafttijd, van half twee !
tot zes uur. Na zessen werken zij zeer zelden ; daarvoor j
krijgen zij dan ook overwerk betaald.
1761.    V. Gebeurt het zóó zelden, dat het niet van !
beteekenis is voor hunne financieele positie ?
A. Ja, het gebeurt uiterst zelden.
1762.    V. Krijgen de werklieden geneeskundige hulp
van gemeentewege in geval van ziekte ?
A. Neen. De gemeente geeft, tegen een bewijs van j
den dokter, half loon.
1763.    V. Ons is verzekerd, dat het armbestuur zeer
vrijgevig is met het verstrekken van kostelooze genees-
kundige hulp. Krijgen deze lieden, die weinig loon ont-
vangen, toch geen geneeskundige hulp van de zijde van
het armbestuur?
A. Het armbestuur is zeer vrijgevig, omdat de kerk-
besturen slecht bij kas zijn. Bijna nooit weigert het
geneeskundige hulp, zoodat deze ook aan een groot
gedeelte van mijne werklieden wordt verleend.
1764.    V. Het is gebleken, dat hier in Zaandam door
de meeste werkgevers in geval van ziekte het volle loon
wordt uitbetaald. Wordt dat voorbeeld niet door het ge-
meentebestuur gevolgd?
A. Neen, er is eenmaal een besluit genomen, volgens
hetwelk de werklieden in zoodanig geval half loon
krijgen. Vermoedelijk heeft men in deze het voorbeeld
van andere gemeenten, o. a. van Leeuwarden, waar ik
opzichter bij den reinigingsdienst ben geweest, gevolgd.
1765.    V. Is het u bekend of het gemeentebestuur
overwogen heeft, of het, in plaats van dat voorbeeld te
volgen, zich in deze zou gedragen naar de meerderheid
van de particuliere werkgevers alhier?
A. Neen, de gelegenheid heeft zich nooit voorgedaan.
Men meende, dat het zóó goed was, en dat anders van
de zijde der werklieden wellicht misbruik zou worden
gepleegd.
1766.    V. Zouden die misbruiken niet behoorlijk te
controleeren zijn?
A. Zeker, door de doctoren. Ook met dit halve week-
geld vermoed ik, dat ik wel eens bij den neus ben
genomen. Ik heb wel eens overwogen, of het geen aan-
beveling zou verdienen, om ook een bewijs van den
dokter te hebben van het oogenblik af, waarop de zieke
beter is geworden.
1767.    V. Het zou, dunkt mij, best mogelijk zijn om,
aangezien de gemeente doctoren in haar eigen dienst
heeft, die controle degelijk te organiseeren ?
A. Dit is zeer goed uitvoerbaar. De eene dokter zou
den anderen kunnen controleeren.
1768.    V. Zijn er van uwe werklieden in ziekenfondsen,
die ziekengeld uitkeeren?
A. Niet velen; dat zal met een viertal ophouden.
1769.    V. Bij langdurige ziekte van den kostwinner,
moeten dus gezinnen van menschen, die in dienst zijn
der gemeente, wel gebrek lijden?
A. Gebrek lijden is wel wat sterk, want in den regel
gaan de vrouwen uit zulke gezinnen uit werken, en in
die genoemde omstandigheid zijn zij alleen verplicht nog
wat harder aan te pakken.
1770.    V. Dat uit werken gaan van zulke vrouwen,
wier mannen bij de gemeente in dienst zijn, geschiedt
dat om in de nooddruft van het gezin te helpen voor-
zien, om wat bij te spijkeren ?
A. Die weinig of geen kinderen hebben, kunnen
met f 7 wel toe; en als die zoo iets doen, dan is het
om de handen wat ruimer te hebben, maar waar veel
kinderen zijn, daar dringt de nood wel om er wat bij
te verdienen, en in den regel gaat dat nog, omdat er
dan kinderen thuis zijn, die voor het huishouden kunnen
zorgen.
1771.    V. Dat kan toch nooit gunstig op het gezin
werken, dunkt u wel ?
A. Natuurlijk niet.
1772.    V. De burgemeester heeft ons onder meer
medegedeeld, dat het gehalte der werklieden bij de
gemeente-reiniging in de laatste jaren vooruit, is gegaan.
In welken zin ?
-ocr page 96-
87
1785.    V. Vloeien die boeten in de gemeentekas terug?
A. Ja. Eerst wilde ik er eene soort van spaarpot van
maken en die aan het einde van het jaar verdeelen
onder de werklieden; ik heb er den burgemeester over
gesproken, maar wij zijn tot de conclusie gekomen, dat
het bedrag te miniem was.
1786.    V. Zijn er niet herhaaldelijk klachten inge-
komen van bewoners van huizen aan den Hoogendijk
over de belt?
A. Ja, maar die klachten zijn m. i. zeer overdreven.
De eigenaars hebben die woningen indertijd goedkoop
gekocht, en gaat de belt daar weg, dan verbetert natuur-
lijk zeer hun uitzicht. Het valt echter niet te ontkennen,
dat de belt eenigen last veroorzaakt, bijv. als de wind
er op staat.
1787.    V. Is de hinderlijke toestand niet ontstaan in
den lateren tijd, toen de woningen reeds in handen
waren van de tegenwoordige eigenaars, doordat de belt
niet alleen voor vuilnis, maar ook voor het bergen van
faecaliën werd gebruikt?
A. Door de uitbreiding van het tonnenstelsel is de
hindernis wel iets grooter geworden ; het is natuurlijk
geen aangename lucht.
1788.    V. Zou de belt niet gemakkelijk naar eene
andere plaats, bijv. naar het Visschershop, over te
brengen zijn?
A. Het gemeentebestuur heeft die zaak wel eens
overwogen, maar het is altijd uiterst lastig om te zeggen:
ziedaar nu eens eene goede plaats om eene reinigings-
dienstbelt aan te leggen.
1789.    V. Woont in het Visschershop ook eene talrijke
bevolking?
A. Ja, nog al eene groote bevolking.
1790.    V. Wenscht gij nog iets onder de aandacht
der commissie te brengen?
A. De fabrikanten alhier munten nog al uit door het
verzekeren van hunne werklieden tegen invaliditeit en
ongelukken. Nu voorziet, wat de werklieden der gemeente
betreft, de nieuwe pensioensregeling in die gevallen.
Het toekennen van pensioenen aan weduwen van over-
leden werklieden zou voor de gemeente eene al te kost-
bare zaak worden; daarentegen zoude eene verzekering
kunnen gesloten worden voor ongelukken met doodelijken
afloop. De premie daarvoor is werkelijk niet hoog.
Men bedenke, dat een ongeluk, bij het aanhoudend
werken op vaartuigen, zoo gemakkelijk kan voorkomen,
en wat moet dan het lot zijn van het huisgezin ? Wan-
neer eene assurantie van f 1000 was gesloten, zou
men bijv. voor f 400 of f 500 hun een zaakje kunnen
koopen en van het overschot een weekgeldje kunnen
uitkeeren. Dit zou misschien de opkomst van het gansene
gezin kunnen zijn.
1791.    V. Hebt gij wel ongelukken met doodelijken
afloop van gemeente-werklieden bijgewoond?
A. Neen.
1792.    V. Gij zeidet, dat door de pensioensverordening
wordt voorzien in gevallen van geheele of gedeeltelijke
invaliditeit. Is dat wel volkomen juist? Zeer zeker wordt
voorzien in gevallen van geheele of gedeeltelijke, blijvende
invaliditeit, maar immers niet in het geval, dat de man
door een ongeluk tijdelijk buiten staat geraakt om te
werken? Nu zult gij wellicht antwoorden, dat hij dan
ziekengeld krijgt, maar dat is de helft van het gewone
loon. Mijne vraag is daarom deze: wanneer een werk-
man, in dienst der gemeente, ten gevolge van een onge-
luk bij den arbeid tijdelijk niet werken kan—wat toch
wel eens zal voorkomen —, krijgt hij dan zijn volle of
liet halve loon?
.4. Toen ik er vóór 5 jaren hij kwam, waren er nog
al oudjes, die nu door jongeren zijn vervangen.
Twee heb ik er nog, die niets doen; maar die krijgen
half geld, en wij zullen zien wat daarmede moet gebeuren.
1773.    V. Hoe oud zijn die menschen?
A. De een is bij de 75 en pas 10 jaar in dienst, de
ander heeft 15 jaar dienst en is bijna 58 jaar.
1774.    V. Heb ik u goed begrepen, dat vroeger de
reinigingsdienst een soort toevluchtsoord was?
.1. Ja, eene soort van armhuis, eene philantropische
instelling; toen ik hier werd aangesteld, meende ik, dat
daarmede gebroken moest worden, en heb ik geen mensch
meer aangenomen boven de 50 jaar. Zoodoende is het
gehalte verbeterd. Het werk bij den reinigingsdienst is
nu wel geen kunst, maar de menschen moeten er toch
den slag van hebben, anders kan de dienst niet aan het
doel beantwoorden.
1775.    V. Daarin schuilt dus, wat de burgemeester
verbetering van gehalte noemde. Is intusschen de quaestie
van vertrouwen, de zekerheid, dat de arbeider geregeld
met zijn arbeid zal voortgaan, ook al is er geen meer-
dere in zijne nabijheid, niet een groote factor ? Is m. a. w.
de controle niet moeilijk ?
A. Ja, vooral door de uitgebreidheid van de gemeente.
Daarom moet men werklieden hebben, waarop men staat
kan maken.
1776.    V. Wanneer gezegd wordt: de loonen bij den
reinigingsdienst kunnen gering zijn, want wat heeft zoo\'n
man te doen, dan mag toch zeker niet over het hoofd gezien
worden, dat het van groot belang is voor de gemeente
om menschen te hebben, waarop men bouwen kan, zoodat
daarop bij het bepalen van de bezoldiging dient gelet
te worden ?
A. Zeer zeker.
1777.    V. Hebt gij een boetestelsel?
A. Ja.
1778.    V. Welke boeten past gij toe?
A. Geldboeten en schorsing voor een of meer dagen.
1779.    V. Waarvoor legt gij boeten op? Voor het te
aat komen bijv. ?
A. Ja ook, maar ik herinner mij niet, dat dit is
voorgekomen.
1780.    V. En voor dronkenschap ?
.4. Dit komt wel eene enkele maal voor. De eerste
maal straf ik dat met een gulden boete. De tweede maal
schors ik hen, en de derde maal worden zij onherroepelijk
weggezonden.
1781.    V. Zijn er kleinere overtredingen, die met
minder boete gestraft worden?
A. Zeker, er zijn ook boeten van tien of vijfentwintig
\'•ents.
1782.    V. Worden de boeten door u persoonlijk of
door den opzichter opgelegd ?
-1. Door mij persoonlijk. De opzichter heeft echter
de macht om in mijne afwezigheid, als maatregel van
"rde, een man te schorsen ; maar dan moet hij mij daar-
van zoo spoedig mogelijk kennis geven.
1783.    V. Wordt dan het geval door u persoonlijk
1 nderzocht ?
-4. Ja.
1784.    V. Wordt er jaarlijks een groot bedrag aan
1,(>eten opgelegd ?
.1. Dat bedrag is luttel.
-ocr page 97-
88
A. Vóór een jaar geleden wel. Maar dan waren het
huurbooten, die leeg moesten. Zoo\'n boot kost 20 pond,
dus dat hakt er in. als die niet leeg komt.
1805.    V. Wordt dan den nacht doorgewerkt?
.1. Ja.
1806.    V. Dat verlangt dus niet de werkman, maar
de kapitein, cargadoor of de ontvanger van de lading?
.1. Ja.
1807.    V. Hoe lang wordt wel eens achtereen gewerkt ?
A. Het langste is 18 uren. Duurt de lossing langer,
i dan wordt meestal eene frissche ploeg genomen.
1808.    V. Werkt de eerste ploeg dan niet door?
A. Niet altijd Als zij zien, dat de boot bij tijds leeg
komt, dan werken zij door; maar als de menschen een
i dag en een nacht en dan tot een uur of elf zouden
i moeten werken, dan zouden zij er bij neervallen. Dan
komen dus nieuwe lossers.
1809.    V. Maar de eerste ploeg heeft het schip aan-
genomen voor een stuk geld, zooals gij het noemt. Hoe
gaat het nu met de betaling van de nieuwe ploeg?
A. Die komt van \'s avonds acht tot \'s morgens 4
uur en krijgt f 4 van den koopman of vervrachter.
1810.    V. En krijgt dan de eerste ploeg toch liet-
zelfde geld ?
A. Ja, dat is een buitenkansje.
1811.    V. Hoe gaat de betaling bij rijst- en zaad-
schepen ?
A. Per last of per ton. Rijst is ongelijk. Als het schip
slecht lost, dat weet de werkman, 25 ets. per uur, anders
20 ets. per ton of per 100 balen. Als het goed
medewerkt, dan kunnen de werklieden f 3 of f 3.50 per
dag verdienen. Zijn de fusten slecht, zoodat men er
geen houvast aan heeft, dan kunnen zij haast geen
f 2 a f 2.50 per dag halen, en dan vervloeken zij het,
dan willen zij 25 ets. per uur hebben, dat is tegen 10
uren werk minstens f 2.50.
1812.    V. Ik begrijp nu de betaling voor de rijst- en
| zaadschepen, daar is een vast tarief; maar bij hout-
schepen is het eene quaestie van loven en bieden, niet waar?
A. Ik betaal per ..tuit".
1813.    V. En straks zeidet gij, dat de houtschepen
voor een .,stuk geld" werden aangenomen?
A. Ja, dat was vroeger, en er wordt ook nog wel
een slag in de hoegrootheid der lading geslagen, want
precies weten wij het niet, maar de kapitein geeft ons
den inhoud zoo wat op. Eene „tuit" is eene maat, zooals
in Amsterdam een „standaard", maar het is meer.
1814.    V. Wat is voordeeliger voor de werklieden:
1 hout lossen of rijst ?
.4. Hout.
1815.    V. Wat wordt daar dan mede verdiend per dag ?
A. f 4.50 als het medeloopt.
1816.    V. En op zaadschepen?
A. Daar f 2.50 k f 3.
1817.    V. Zijn het dezelfde soort lieden ?
j A. Ja, het zijn losse werklieden.
1818.    V. Hoeveel maanden in het jaar werken die
menschen gemiddeld?
A. Ongeveer 6 maanden, maar dan nog met gebroken
weken.
A. Dit geval heeft zich enkele maanden geleden hij
ons voorgedaan, doch dan wordt het volle loon verstrekt.
In zoodanig geval spreek ik er den burgemeester over,
die dan daartoe last geeft.
1793.    V. Gij zijt vroeger in Leeuwarden werkzaam
geweest en hebt dientengevolge ervaring van werkmans-
toestanden op eene andere plaats dan hier. Wanneer gij
eene vergelijking maakt omtrent den materieelen en geeste-
lijken toestand van den werkman te Leeuwarden en hier.
in welk voordeel valt die dan uit ?
A. Over het algemeen heerscht hier in de huisge-
zinnen meerdere reinheid. De huizen van de werklieden
van den reinigingsdienst zijn hier zeer goed.
1794.    V. Gij maakt eene vergelijking tusschen de werk -
lieden van den reinigingsdienst te Leeuwarden en te
Zaandam, en die schijnt ten gunste van Zaandam uit te val-
len. Hebt gij echter ook een oordeel over den toestand
van den werkman in het algemeen in beide plaatsen ?
A. Ik meen, dat de werklieden over het algemeen
hier hooger staan dan te Leeuwarden.
1795.    V. Voeden zij zich hier beter?
.1. Ja. In Leeuwarden geven zij meer geld uit aan
il rank.
1796.    V. Door een getuige is ons gezegd, dat hierin
Zaandam door den werkman betrekkelijk meer wordt te
kosten gelegd aan kleeding dan aan voeding. Intusschen
blijft het de vraag, of meer wordt te kosten gelegd aan
pronk, dan wel aan degelijke kleeding. Wat is uw oor-
deel hieromtrent ?
A. Ik geloof, dat zij meer uitgeven voor degelijke
kleeding.
P. F. PoEDEItRAOH.
A. Kekbi.jk, Voorzitter.
S. Le Poole.
\\\\. M. Visser.
W. H. .1. RoiJAARDS, Ad}.-secretaris.
Verhoor van George Ringler de Vries, oud ól jaar,
scheepsaannemer, te Zaandam.
1797.    De Voorzitter: Hoe oefent gij uw bedrijf uit?
Neemt gij het werk aan ?
A. Ja, van den kapitein of den cargadoor. Ik los
allerlei, maar meest hout.
1798.    V. Zijn er meer aannemers hier ?
,1. Ja.
1799.    V. Hebt gij vast volk ?
.1. Neen.
1800.    V. Hoe wordt uw volk betaald ?
.4. Het krijgt een stuk geld per boot.
1801.    1\'. Hoeveel man werken er dan aan zoo\'n boot?
A. Van 12 tot 16.
1802.    V. Hun werk bestaat alleen in het buiten
boord brengen van het hout ?
A. Ja. dan gaat het over in handen van de vlotters.
1803.    V. Hoe lang werken de menschen ?
I. \'s Winters van licht tot donker, \'s zomers van
4 tot 5 uur.
1804.    I\'. Nooit als het donker is.\'
-ocr page 98-
89
A. Jawel, maar er liggen soms 4 of 5 schepen tegelijk
te lossen, en die menschen kunnen ook al niet overal
tegelijk zijn.
1835.    V. Is er wel door u met de politie over
gesproken ?
A. Dat wel, maar deze kan werkelijk er al niet meer
aan doen.
1836.    V. Hebt gij wel eens een ongeluk bij het
werk gehad ?
A. Niet veel. Eens heeft een man zijn been gebroken.
Dat was een winch-tnan, die aan de lier stond en
„hiefde", toen hij niet moest hieven, met het gevolg,
dat hij een balk tegen zijn been kreeg. Dat was juist
een man, die nooit sterken drank gebruikte, en \'s morgens
nog een borrel van den stuurman geweigerd had.
1837.    V. Gebruikt gij aan de ivinch jongens of
mannen ?
A. Meest matrozen van het schip.
1838.    V. Nooit jongens van 14 of 15 jaar?
A. Misschien, dat het eens een heel enkelen keer
gebeurt.
George Ringler de Vries.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
S. Le Poole.
\\V. M. Visser.
W. H. J. Roi.taards, Adj. -secretaris.
1819.    V. Wanneer het eene drukke week is, werken
zij dan 6 dagen?
A. Ja.
1820.    V. Houdt gij aanteekening van hetgeen de
nienschen in een geheel jaar kunnen verdienen ?
A. Daar heb ik niet op gelet.
1821.    V. Kunt gij het niet schatten ?
A. f320 a f330 per jaar.
1822.    V. Werken die nienschen ook bij andere aan-
nemers?
A. Ja.
1823.    V. Wat verdient nu een arbeider, die niet bij-
zonder fortuinlijk, maar ook niet bijzonder ongelukkig
is, een gemiddelde, per week het gansche jaar door ?
A. Ik denk f6 a f6.50.
1824.    V. Wordt er door die lieden in de weken, dat
zij grof geld verdienen, wat op zijde gelegd voor de slechte
weken ?
A. Sommigen doen het. Onder mijne werklieden zijn
er 4 of 5, die in dit opzicht zeer oppassend zijn.
1825.    V. Ons is gezegd, dat, natuurlijk behoudens
uitzonderingen, die lieden in den regel in de goede tijden
al hunne verdiensten verteren en in de slechte bittere
armoede lijden. Acht gij dit als algemeene uitspraak
juist ?
A. Neen, want velen zorgen wel degelijk voor de
slechte dagen.
1826.    V. Waar neemt gij uw volk aan ?
A. Wanneer zij weten, dat er een schip voor mij komt,
zie ik ze al met 50 en 60 man staan wachten. Het volk
komt dan bij mij aan de deur, of wordt op straat aan-
genomen.
1827.    V. Waar betaalt gij uit ?
A. Bij mij aan huis.
1828.    V. Houdt gij eene kroeg?
A. Neen, een bierhuis, waar geen sterke drank wordt
verkocht.
1829.    V. Komen zij daar wel zitten, om op werk te
wachten?
A. Neen. bijna nooit.
1830.    V. Krijgen zij dadelijk na afloop van het werk
hun geld ?
A. Soms dadelijk, soms een halfuur later.
1831.    V. Blijven zij dan een potje bier bij u drinken ?
A. Neen; wanneer zij het een of ander gebruiken,
nemen zij meestal liever een glas „vergif".
1832.    V. Hebt gij wel eens last van misbruik van
sterken drank bij het werk?
A. Dat gebeurt wel eens. Dan komen de drank verkoopers
met een schuitje langs boord en vragen, of zij bier mogen
verkoopen. Als het dan zeer warm is, laat ik dat toe,
maar dan hebben zij eene kruik met jenever stilletjes
weggestopt, en als ik vóór ben, zijn zij achter. Zoo gauw
de menschen nu eerst bier en dan jenever gaan drinken,
is het een ongeluk. Eens heb ik zoo\'n kerel over boord
gejaagd ; zijne beenen waren te kort om aan wal te stappen.
1833.    V. Ligt het schip dan aan den wal gemeerd ?
A. Neen, 40 il 50 voet van den wal af.
1834.    V. Wordt er door de politie geen toezicht ge-
bouden ?
Enquête. — Ik Zaankant.
Verhoor van Gerrit Jan Wolters, oud 30 jaar, directeur
van de stedelijke gasfabriek, te Zaandam.
1839.     De Voorzitter: Gij zijt eerst sedert kort hier
aan de gasfabriek ?
A. Ja, sinds 1 October.
1840.    V. Waar zijt gij vroeger werkzaam geweest ?
A. Te Zwolle als adjunct-directeur en te Goes als
directeur van de gasfabriek.
1841.    V. Is het juist, dat het personeel aan de gas-
fabriek uit 8 stokers en 3 fitters bestaat ?
A. Ja, en dan zijn er nog eenige sjouwerlui.
1842.    V. Wat is de werktijd van deze laatsten?
A. In dezen tijd van het jaar werken zij van half
acht tot vijven, en \'s zomers van 6 uur \'s morgens tot
7 uur \'s avonds.
1843.    V. Welke zijn de rusttijden?
A. \'s Morgens een half uur, \'s middags anderhalf uur,
en \'s avonds van vier tot half vijf.
1844.    V. De arbeid duurt dus lO\'/j uur?
A. Ja.
1845.    V. Hebben zij ook overwerk ?
A. Ja, in den drukken tijd, op dit oogenblik b. v.
1846.    V. Wat is het loon van die sjouwerlui?
A. 12 cents per uur, welk loon ook voor overuren
wordt betaald.
-ocr page 99-
90
1847.    V. Wordt door de sjouwers wel eens op
Zondag gearbeid?
A. Ja, in den drukken tijd. Daarvoor krijgen ze
15 cents per uur.
1848.    V. Zijn de fitters het hoogst bezoldigd?
A. Ja, zij krijgen respectievelijk f 11.25, f 10 en f8,
terwijl hun voor overuren 20, 16 en 15 ets. per uur wordt
uitbetaald.
1849.    V. Wat is het loon van de stokers?
A. Ja, dat doet men in Breda; daar is alleen een
man aanwezig op Zondag om den boel na te gaan.
1862. V. Ons is gezegd, dat een dergelijke toestand
ook te Alkmaar bestond.
A. Dat weet ik niet.
1868. I\'. Maar het is in allen gevalle eene zuivere
geldquaestie. om de stokers geheel te ontheffen van Zon-
el agsarbeid?
A. Ja.
A. De eerste krijgt f 10.65, de tweede f 10 en de
derde f 8.
1850.    V. Komt voor hen ook overwerk voor?
A. Dit gebeurt wel eens, wanneer zij \'s morgens na
den nachtdienst cokes willen wegbrengen. Daarvoor
krijgen zij 12 cents per uur.
1851.    V. Hoe langt duurt dat wegbrengen van die
cokes ?
A. \'s Morgens van half acht tot twaalven.
1852.    V. Komt dat veel voor?
A. Hier is het mij nog niet gebeurd.
1858. V. Hebben de stokers een geregelden mid-
dagrusttijd?
A. Dat hangt geheel van de ladingen af. Zij werken
van 6 uur, met eene minuut of 10 rust om koffie te
drinken, tot half tien.
1854.    V. En \'s middags?
A. Dan hebben zij ook een uur om teeten. Overliet
geheel hebben zij geen gestadig werk; het is een paar
uren aanpakken, en dan weer een uur rust.
1855.    V. Is er een apart lokaal om te rusten en eten
te gebruiken?
A. Hier niet, maar wenschelijk zou het zijn, en in het
project van de nieuwe fabriek is dan ook zulk een lokaal
opgenomen, benevens de vervanging van regenwater
door waterleiding.
1856.    V. Er zijn 8 stokers, die elkander afwisselen,
niet waar?
A. Ja.
1857.    1\'. Uit de regeling, zooals die ons is medege-
deeld. volgt, dat een stoker nooit een geheel vrijen
Zondag heeft; want hij is van 6 tot 6 uur aan de fabriek
of brengt zijn dag thuis met slapen door. Is dat zoo?
A. Dat is zoo.
1858.    V. Zou het veel bezwaar hebben om het zóó
te regelen, dat de stoker om beurten zijn Zondag geheel
vrij had?
1864.    V. Hebt gij bij het projecteeren van uwe nieuwe
fabriek ook het denkbeeld trachten uit te werken, dat men
te Breda heeft toegepast?
A. Neen, ik heb wel plan om op beurten een Zondag
vrij te geven door vermeerdering van personeel, maar de
inrichting van Breda heb ik niet in de plannen nage-
volgd. ik ken die inrichting niet van nabij.
1865.    V. Gij zoudt dat kunnen onderzoeken, daar
dit het eenige middel is om, zonder schade voor het
publiek, de zaak afdoende te regelen. Gas wordt immers
niet oudbakken ?
A. Neen ; er behoeft alleen gezorgd te worden, dat de
gashouders gevuld zijn.
1866.    V. Is uwe ervaring, dat er stokers zijn, die er
werkelijk onder lijden, dat zij geen geregelde Zondags-
rust hebben ?
A. Dat geloof ik wel.
1867.    V. Heeft de Zondagsrust nog geen punt van
bespreking met uwe commissie uitgemaakt?
A. Neen.
1868.    V. Hoe was het met de Zondagsrust in de
plaatsen, waar gij vroeger werkzaam waart, te Goes en
te Zwolle?
A. Te Zwolle werd in het geheel geen vrije dag ge-
geven, te Goes eens in de drie weken; dan kwam er een
man expres om voor den vrijen stoker in te vallen.
1869.    V. Dus eene vergelijking levert het volgende
resultaat: te Zwolle en te Zaandam is de toestand,
zooals hij in geen geval behoort te zijn; te Goes is hij
beter ; en te Breda blijkt, dat hij wezen kan, zooals hij
behoort te wezen, zonder eenig bezwaar, behalve een
financieel offer van de gemeente?
A. Ja.
1870.    V. Wanneer het er om te doen was stokers
geheel van Zondagsarbeid vrij te stellen, en dit te
vinden door uitbreiding van de inrichting, zou er dan
niets anders noodig wezen dan eene vermeerdering van
de gelegenheid tot berging van gas?
A. Neen.
A. Dat kan gemakkelijk en zou alleen de exploitatie-
kosten verhoogen.
1859.    V. Als het getal stokers, nu 8, met 2 werd
vermeerderd, zou dan iedere stoker om de 4 weken een
vrijen Zondag kunnen hebben ?
A. Ja, dan kan iedere stoker een Zondag vrij hebben
om de 4 weken.
1860.    V. En wanneer het aantal met de helft werd
vermeerderd ?
A. Dan zou dat om de 14 dagen het geval zijn.
1861.    V. Zou daarentegen niet, zonder vermeerdering
van personeel het Zondagsetmaal altijd geheel vrij kunnen
komen door vermeerdering van de gelegenheid tot berging
van gas en. zoo noodig, uitbreiding van het aantal
retorten en vuren ?
1871.    V. Nieuwe retorten zouden niet noodig zijn?
A. Neen.
1872.    V. Hoeveel zou zulk een nieuwe gashouder
kosten ?
A. f40.000.
1873.    V. Wanneer gij nu toch eene nieuwe gas-
fabriek gaat bouwen, kan dan niet. door eene grootere
capaciteit te geven aan dien nieuwen gashouder, dien gij
toch moet maken, dat bedrag aanmerkelijk verminderd
worden ?
A. Hier ter plaatse zou de uitgave niet lager kunnen
zijn. omdat de oude gashouder blijft bestaan en er dus
ook geen nieuwe geprojecteerd is.
-ocr page 100-
91
1874.    V. Wanneer men tot een minder afdoenden,
een minder bevredigenden maatregel zich wilde bepalen,
door de menschen om de 14 dagen vrijaf te geven,
zou dan te dien einde het stokerspersoneel met vier
man moeten vermeerderd worden ?
A. Neen, het zou moeilijk zijn om voor die enkele
dagen stokers te krijgen. Het zou echter te vinden zijn,
door er des Zondags losse sjouwers bij te voegen.
1875.    V. Zou dat geen bezwaren hebben ?
A. Neen.
1876.    V. Behoeft het werk op Zondag niet toever-
trouwd te worden aan echte stokers?
A. Van de vier blijven er toch nog twee. Het zou
dan zóó moeten geregeld worden, dat een van de twee
eerste stokers op Zondag bleef, wanneer er andere lui
bijkwamen.
1877.    V. De beurtsgewijze afwisseling op Zondag zou
dus veel goedkooper zijn, maar veel minder afdoende ?
A. Ja, die twee stokers moeten dan toch gebruikt
worden.
1878.    V. En het gevolg zal tevens zijn, dat de Zondags-
arbeid, die om beurten voor de stokers vrij komt, weer
neerkomt op de schouders van de sjouwers?
A. Ja.
1879.    V. Is eene nieuwe fabriek geprojecteerd om
eene heel mooie te hebben, of omdat de bestaande
zeer veel te wenschen overlaat en voorziening dringend
noodig is?
A. Het laatste is het geval.
1.S80. V. Bestaat de gebrekkigheid van de bestaande
inrichting daarin, dat zij niet voldoet aan de behoefte
van het fabrikaat, of laat de veiligheid te wenschen over?
A. De veiligheid, vooral die van het personeel, laat
veel te wenschen over.
1881.    V. Bestond die onveiligheid al lang?
A. Ja, de vorige Maatschappij heeft er niet veel aan
gedaan.
1882.    V. Brengt, hetgeen gij ziet, u tot de gevolg-
trekking, dat in de werkplaats een toestand werd gehand-
haafd, die bedenkelijk was voor de veiligheid van het
personeel ?
A. Ja, zelfs op dit oogenblik nog.
1883.    V. Maar gij hebt gedaan wat gij kondet, terwijl
men het vroeger liet, zooals het was?
A. Ja.
1884.    V. Is er een boetestelsel aan de fabriek?
A. Neen.
1885 V. Hebt gij dit op uwe vroegere standplaatsen
ook niet gehad?
A. Neen; als het te bar ging, strafte ik wel eens.
1886.    V. Te bar is een betrekkelijk begrip; wat be-
doelt gij daarmede?
A. Ik zal een voorbeeld geven. Als ik bemerkte, dat
een stoker slecht gestookt had, dan beboette ik hem met
25 ets., maar het kwam weinig of niet voor.
1887.    V. En hier?
A. In het geheel niet.
1888.    V. Gij acht dus in eene inrichting als eene
gasfabriek de aanwezigheid van een boetestelsel geens-
zins noodig?
A. Neen.
1889.    V. De uitbetaling geschiedt zeker geregeld eens
in de week ?
A. Ja, des Zaterdag-morgens.
1890.    V. Is dat opzettelijk zoo geregeld om te maken,
dat ook de nachtploeg het geld tijdig thuis in het gezin
kan brengen en dit niet op Zondag behoeft te doen ?
A. Dat weet ik niet; het is eene regeling, die hier
bestond.
1891.    V. Gaat het loon van de lieden ook door,
als zij ziek zijn ?
A. Ja.
1892.    V. Was dat ook reeds bij den vroegeren toe-
stand ?
A. Ik geloof het niet.
1893.    V. Hoe controleert gij, of een man werkelijk
ziek is ?
A. Ik krijg een bewijs van den dokter.
1894.    V. Krijgt gij gestadig bericht van den dokter?
A. Neen, wel laat ik van tijd tot tijd informeeren.
1895.    V. Gelooft gij niet, dat er wel eens misbruik
van gemaakt wordt?
A. Neen.
1896.    V. Wanneer gij eene vergelijking maakt tusschen
de werklieden hier en te Goes en te Zwolle, hoe is dan
uw oordeel ?
A. Dat zij hier nog het beste leven hebben; zij
krijgen bij ziekte hun volle loon ; zij zullen opgenomen
worden in een pensioenfonds, en zij krijgen iedere week
een mud cokes, terwijl in Zwolle daarvan geen sprake
was.
1897.    V. En het loon?
A. Ook dat is in evenredigheid hier beter.
1898.    V. Hebt gij een oordeel over de levenswijze
van de lieden hier en ginds, en over hunne lichamelijke
en geestelijke ontwikkeling?
A. Daarvoor ben ik nog te kort hier.
1899.    V. Hoe is intusschen uw aanvankelijke indruk ?
A Bij die van andere plaatsen vergeleken, schap-
pelijk, dat wil zeggen, nog al gunstig.
1900.    De heer Le Poole: Hoeveel lantarens hebt gij
in deze uitgebreide gemeente?
A. 425.
1901.    V. En hoeveel lantarenopstekers zijn daarvoor?
A. 13.
1902.    V. Wat verdienen die?
A. 30 cents per avond.
1903.    V. Deze lieden deelen niet in eenig ander
voorrecht van de fabriek ?
A. Zij deelen op dit oogenblik in de verzekering
tegen invaliditeit en ongelukken, en zij zullen ook opge-
nomen worden in het pensioenfonds.
1904.    V. Die lantarenopstekers zullen van 30 cents
niet vet worden; wat zijn het meest voor lieden ?
A. Meestal schoenmakertjes en kleermakertjes.
Enfin, het is een baantje, dat zij gemakkelijk er bij
kunnen waarnemen.
-ocr page 101-
98
In Art. 8 is o. a. bepaald:
„Elke nieuw te bouwen woning mag niet minder dan
30 vierkante Meter oppervlakte bevatten. De hoogte
van den vloer tot den zolder moet zijn minstens
2.8 Meter. Het woonvertrek moet minstens 16 M2.
oppervlakte hebben. De omvang der gezamenlijke
lichtkozijnen moet in den dag minstens een vijftiende
gedeelte beslaan van de gezamenlijke oppervlakte der
wanden van het vertrek." En verder:
.,Houten vloeren zijn voor woon- en slaapkamer
verplichtend. Ook moet het dak behoorlijk met hout
beschoten zijn en mogen de buitenmuren niet van een
halven steen worden opgetrokken, terwijl aansluiting
aan de waterleiding verplichtend is, tenzij een regenbak
van minstens 2 M3. aanwezig zij."
1914.    V. Moet niet elke woning. een afzonderlijk
sekreet hebben?
.4. Ja. art 14 zegt: „Iedere woning moet van een
sekreet met goed sluitend deksel voorzien zijn."
1915.    V. Dit zijn verblijdende bepalingen. Eene enkele
geeft mij aanleiding tot eene vraag. „De vloeren moeten
van hout zijn." Was die bepaling noodig? Zijn er oude
woningen, waar de vloeren niet van hout zijn?
1905. V. Zijn er ook oude of afgeleefde mensehen
onder ?
A. Neen, het zijn meest menschen van ongeveer
middelbaren leeftijd.
G. J. Wolterb.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Pooj.e.
VV. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Frederik Theodoor Roeters Van Lennep,
oud 30 jaar, burgemeester van Koog
aan de Zaan.
1906.     De Voorzitter: Mag ik, beginnende met de
woningquaestie in uwe gemeente, vragen, hoe uw oordeel
is over de huisvesting der arbeiders ?
A. Die mag gunstig heeten, sedert de bepaling in
het leven werd geroepen, dat er geen houten huizen j
meer gebouwd mogen worden.
1907.    V. Is die bepaling van jonge dagteekening ?
A. Vroeger bestond er iets in die richting, maar
sedert 1888 is het imperatief geworden, dat nieuwe
huizen van steen moeten zijn. De aanleiding daartoe
was het feit, dat een paar houten huizen, die eigenlijk
den naam van schuur verdienden, en niet meer dan een
f 500 hadden gekost, voor f 1.50 h f 1.75 werden verhuurd.
1908.    V. Zijn er sedert die verordening vele steenen
huizen gebouwd ?
.4. Ja.
1909.    V. Hoeveel kost zoo\'n steenen arbeidershuisje?
A Dat weet ik niet precies, maar het zal er wel van
afhangen, of het van een heelen of halven steen wordt
opgetrokken.
1910.    V. Kunt gij ons het type van zulk een huisje
beschrijven?
A. Zulk een huisje heeft eene keuken, eene kamer, j
nog een kamertje, een keldertje en op zolder slaap-
gelegenheden. De meeste hebben ook een bleekveldje.
De prijs van zulk eene woning is f 1.50 of f 1.75.
1911.    V. Zijn er onder de oudere woningen in uwe i
gemeente nog, die niets meer bevatten dan eene kamer I
en een zolder, terwijl hoogstens een schuurtje er bij is
voor berging en om te wasschen?
A. Ja, maar niet veel.
1912.    V. Neem nu eens zulk eene woning met een |
vertrek van hoogstens 16 a 20 M8. en een zolder. Tegen
welken prijs wordt die in uwe gemeente verhuurd?
A. Onder de kleine oudere, maar overigens niet.
1916.    V. De ligging boven den beganen grond en
het polderpeil is in eene streek als deze zeker van groot
gewicht ?
A. Ja, want de grond is zeer slap.
1917.    V. Komen bij de bestaande woningen de
nadeelen daarvan vaak voor?
A. Voor zoover mij hekend is, niet.
1918.    V. Is bij het maken van de verordening ook
overwogen om aansluiting aan de duinwaterleiding ver-
plichtend te stellen, in stede van de keus te laten tus-
schen aansluiting of regenbak?
A. Wel overwogen, maar men vond, dat men daardoor
een te grooten invloed op de vrijheid van de menschen
uitoefende. Vele menschen zijn aan dat water gewend,
en het is zeer gezond water, want de bakken worden
behoorlijk gecontroleerd. Ook de hoogere kosten hebben
in deze gewogen.
1919.    V. Neemt de aansluiting aan de waterleiding
intusschen toe?
A. Ja, er wordt tegenwoordig bijna geen nieuw huis
gebouwd, of het wordt aangesloten aan de duinwater-
leiding.
1920.    V. Zijn de fabrieken en de molens, die dicht
bij de buizen der waterleiding liggen, aangesloten?
A. Ik weet het slechts van drie fabrieken, namelijk
die van den heer Duijvis en van de twee heeren Honig.
1921.    V. Ik heb in de verordening gelezen, dat bur-
gemeester en wethouders het recht hebben om, wan-
neer een perceel bouwvallig is of gevaarlijk voor de
veiligheid of de gezondheid, te gelasten het aanbren-
gen van verbeteringen. Is van die bepaling, gedu-
rende den tijd, dat gij aan het hoofd van de gemeente
staat, gebruik gemaakt?
A. Ik denk tegen f 0.80 a i 1.
1913. V. Gij hebt ons ééne bepaling medegedeeld,
omtrent het bouwen van nieuwe woningen ; maar als
ik mij niet vergis, behelst de verordening er nog andere.
A. Ja. Art. 4 zegt:
.,De vloeren der nieuw te bouwen woningen moeten
worden gelegd minstens 0.5 M. boven den beganen
grond en 0.8 boven het zomerpeil van" den polder."
A. Neen.
1922.    V. Ook niet, voor zoover u bekend is, door
uwen voorganger?
.4. Neen.
1923.    V. De verordening behelst in art. 13 de be-
paling, dat van tijd tot tijd, en wel voor het eerst binnen
zes maanden na het inwerking treden der verordening,
-ocr page 102-
9.5
1934.    V. Gij rijt voorzitter van de afdeeling van de
Noordhollandsche Vereeniging „Het Witte Kruis". Zij
beweegt zich immers op hygiënisch gebied naar ver-
schillende kanten, b.v. door aansluiting aan de water-
leiding te bevorderen?
A. Neen, dat nog niet.
1935.    V. In de schriftelijke mededeeling, die wij
hebben gekregen van uwe afdeeling wordt toch mede-
gedeeld, dat de Vereeniging hare krachten o.a. wijdt
aan het tot stand doen komen van de aansluiting
aan de waterleiding, en dat zij de kosten geheel of
gedeeltelijk voor hare rekening neemt. Doelt dat op
de werkzaamheid van de Vereeniging in het algemeen
en op andere van hare afdeelingen, maar niet op die
van de Koog?
A. Juist. Krommenie heeft wel een deel van het
voorschot voor aansluiting aan de waterleiding gebruikt.
1936.    V. Welke zijn de bemoeiingen uwer afdeeling?
A. Wij zijn bezig een badhuis te stichten, en zijn
bij epidemische ziekten werkzaam.
1937.    V. Is dat badhuis, waarvan gij spreekt, eene
inrichting in de Zaan ?
A. Neen, een gesloten badhuis met warme en koude
baden.
1938.    V. Ook voor schoolkinderen ?
A. Ja, wij stellen ons ook voor, de onderwijzers te
verzoeken om toezicht te houden.
1939.    V. Die inrichting werkt reeds te Zaandijk,
niet waar?
A. Ja.
1940.    V. Wordt van het verstrekte materiaal bij
ziekte veel gebruik gemaakt ?
A. Ja, vooral van carbol en ook van middelen voor
desinfectie van woningen.
een algemeen onderzoek moet worden ingesteld naar de
deugdelijkheid van het drinkwater bij iedere woning, en
dat. waar in het drinkwater onreinheden gevonden worden,
burgemeester en wethouders kunnen gelasten, dat binnen
een bepaalden termijn in de gebreken van de regen- of
welputten moet worden voorzien. Wordt aan dit artikel
de hand gehouden?
A. Dit is in mijn tijd nog geschied. Eerst heb ik
door den gemeente-opzichter den toestand laten opnemen,
en is door dezen opgeteekend, waar de toestand niet goed
was. Er is echter geen proces-verbaal behoeven opge-
maakt te worden, want de menschen hebben, op enkele
uitzonderingen na (dat waren lieden van hoogen leeftijd),
zei ven den boel in orde gebracht.
1925.    V. De bepaling heeft u dus werkelijk in de
gelegenheid gesteld, het drinkwater te verbeteren?
A. Ja zeker.
1926.    V. Art. 25 luidt, dat alle bestaande woningen,
waarvan het vertrek of de vertrekken een inhoud hebben
beneden de 30 kubieke meters, binnen een jaar na de
afkondiging der verordening met de bepalingen daar-
van in overeenkomst moesten worden gebracht. Is ook
daaraan uitvoering gegeven?
A. Neen. Toen ik in de gemeente kwam, bestond er
eene quaestie omtrent een houten gebouw, dat tot woning
was «ingericht. Ik liet den eigenaar dadelijk bij mij
komen en, toen dit niet hielp, proces-verbaal opmaken.
Dit proces-verbaal heeft echter geen gunstigen uitslag
gehad, zotfdat ik de woning niet heb kunnen doen ont-
ruimen. Ten overvloede heb ik het advies van een
advocaat ingewonnen, en deze heeft mij geraden, de
gemeente niet in moeilijkheden te brengen, omdat de
woning-quaestie eene der ingewikkeldste is, die er bestaat.
Ik heb mij dan ook, eenvoudig omdat ik tegen de kosten
voor de gemeente opzag, niet aan verdere vervolging
gewaagd.
1928. V. Hebben burgemeester en wethouders nooit
gebruik gemaakt van hunne bevoegdheid om, met het oog
op de veiligheid en de gezondheid der woningen, ver-
betering te gelasten?
A. Neen.
1929.    V. Bestond daartoe geen aanleiding?
A. Dat wel, maar om het u ronduit te zeggen, zij
zijn daartoe niet van plan, omdat het zulk eene moei-
lijke quaestie geldt, en hunne processen-verbaal toch
échec lijden.
1930.    V. Maar het dagelijksch bestuur zou toch
kunnen beginnen met van zijne bevoegdheid kunnen
gebruik maken?
A. Wanneer de menschen medewerken, zou dit gaan ;
maar wanneer die tegenwerken, geloof ik niet, dat het
dagelijksch bestuur kans heeft van gelijk te krijgen.
1931.    V. Hebt gij in uwe gemeente toezicht op de ;
voedingsmiddelen ?
A. Neen, maar ik ben bezig om eene nieuwe politie-
verordening te maken. Ik heb den tijd benut om ver-
schillende dingen na te gaan, die verbetering eischen,
en daaronder behoort ook dit.
1932.    V. Bestaat er naar uwe meening feitelijke aan-
leiding om toezicht op voedingsmiddelen in te voeren
in uwe gemeente?
A. Ja. Wanneer eene kar met slechte visch of slecht
vleesch in de gemeente komt, is er geen bepaling in de
verordening om dit in beslag te nemen.
1933.    V. Is dat wel voorgekomen?
1941.    V. Vindt gij daarbij medewerking van de arbei-
dersklasse of tegenzin ?
A. Zij is er niet tegen.
1942.    V. Heeft de gemeente zelve arbeiders in haar
dienst ?
A. Zij heeft een man, die asch ophaalt in haar dienst,
die soms een hulp heeft.
Een man is vast aanwezig voor den reinigingsdienst.
Hij verdient f 8 \'s weeks. Misschien heeft hij nog een
bijslag uit de vodden en Nieuwjaarswenschen.
1943.    V. Gaat bij ziekte zijn loon door?
A. Het is nog niet voorgekomen, maar in dat geval
zal er wel voor gezorgd worden. Bovendien kan hij lid
worden van: „Door Eendracht Bloeiende".
1944.    V. Werken in uwe gemeente vrouwen en meisjes
in de industrie?
A. Vroeger, in de zakjesplakker ij van de firma
Schenk. Tegenwoordig echter niet meer, zoover ik weet.
1945.    V. En jongens ?
A. Ja, bij olieslagers, boekbinders en de verschillende
ambachten.
1946.    V. Op welken leeftijd beginnen zij daarmede?
A. De meesten op hun 13de jaar.
A. Ja, eens. Toen heeft de veldwachter het zoo maar
gedaan, maar dat is niet in mijn tijd geweest.
1947. V. Hoe staat het met de naleving van de
arbeidswet ?
Enquête. — De Zaankant.
2t
-ocr page 103-
94
A. Toen ik de eerste maal ben gaan inspecteeren,
bleek hel, dat de menschen van die kaarten en lijsten
heel weinig begrip hadden. Ik heb daarom alles ver-
nieuwd en per advertentie in de courant bekend gemaakt,
dat alles goed bijgehouden moet worden, en dat er later
een onderzoek zal volgen.
1948.    V. Wordt op de lijsten alleen het ochtend-,
het avonduur en het aantal werkuren ingevuld, of iedere
arbeidsduur afzonderlijk ?
A. Afzonderlijk. Ik heb dat zelf gedaan, opdat duidelijk
zou blijken, hoe lang er wordt gewerkt.
1949.    V. Uit het door u gezegde maak ik op, dat gij de
werkplaatsen en fabrieken al wel bezocht hebt?
A. Ja, maar vriendschappelijk; wanneer dat officieel
gebeurt, zullen er misschien processen-verbaal vallen.
1950.    V. Gij hebt dus op het oogenblik nog geen over-
tuiging, of de wet stipt wordt nageleefd, wat betreft den
arbeidsduur van de jongens?
A. Ik geloof niet, dat er langer gewerkt wordt dan
de wet toelaat.
1951.    V. Ook niet op de zakjesplakkerijen ?
A. Neen, ook daar niet.
1952.    V. Is u wel eens vergunning gevraagd om,
overeenkomstig het 3de lid van art 5, gedurende twee
achtereenvolgende dagen langer te mogen arbeiden?
A. Neen.
1953.    V. Is het u bekend, of, mede overeen-
komstig dat artikel, aan den Commissaris des Konings uit
deze gemeente wel het verzoek is gericht om gedurende
6 achtereenvolgende dagen, of gedurende 14 dagen om
den anderen dag, langer te arbeiden?
A. Ja, door bakker Krap.
1954.    V. Is daarop uw advies gevraagd?
A. Neen, de vergunning is geweigerd.
1955.    V. Worden ook jongens gebruikt voor het
reinigen der stoomketels ?
A. Het is mij niet bekend.
1956.    V. Zijn er sedert de invoering der arbeidswet
reeds ongelukken te uwer kennis gekomen 1
A. Ja, drie: een in de fabriek „de Reus" van den
heer Smit; bij het verplaatsen van een stoomketel raakte
een man beklemd en overleed dientengevolge;
een bij den heer E. G. Duijvis, olieslager, daar kwam
een man onder de pers en overleed eveneens; en
een bij den heer J. J. Duijvis, daar had een man de
gewoonte om over een plank langs den ingang zijner
machine te loopen en haar te reinigen ; hij werd door
de machine gegrepen en brak een been.
1957.    V. Op welke wijze hebt gij toen daarnaar een
onderzoek ingesteld ?
A. Ik heb eerst den toestand ter plaatse opgenomen
en daarna de getuigen van het ongeluk gehoord.
1958.    V. Weet gij ook, wat er van de weduwe is
geworden van den werkman, die aan „de Reus" is gedood ?
A. Ik geloof, dat zij een weekgeld krijgt van den heer
Smit, en overigens wordt zij door hare familie geholpen.
1959.    V. Weet gij, dat zij een weekgeld heeft?
A. Neen, niet zeker.
1960.    V. Hoe is over het algemeen uw oordeel over
de verhouding tusschen arbeiders en werkgevers?
A. Die is zeer goed.
1961.    V. Is het vereenigingsleven van de arbeiders
in uwe gemeente zeer ontwikkeld?
A. Men heeft er de vereeniging „Door Eendracht
Bloeiende", dat is een ondersteuningsfonds; er is ook
eene coöperatieve brood bakkerij.
1962.    V. Hebt gij ons nog eenige inlichtingen te
geven?
A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. Ik wenschte er nog
op te wijzen, dat wij in onze gemeente hebben eene
vereeniging „Ons Onderwijs", die al het mogelijke doet
om het schoolgaan te bevorderen. Die vereeniging werkt
uitstekend, en als bewijs daarvan kan dienen, dat het
moedwillig schoolverzuim slechte 1 pet. en het school-
verzuim wegens ziekte slechts 3 pet. bedraagt. Des zo-
mers geeft die vereeniging aan de kinderen een buiten-
feest.
1963.    V. Wordt het aan de werkzaamheid van die
vereeniging voor een goed deel toegeschreven, dat het
cijfer van moedwillig schoolverzuim zoo verblijdend ge-
ring is?
A. Ja, de gedachte om dat zomerfeest mede te mogen
maken, is een groote prikkel voor de kinderen; zelfs als
er ouders zijn, die hunne kinderen thuis willen houden,
dan zeggen de kinderen: ik ga liever naar school, anders
mag ik niet met het feest mede.
Verder moet ik nog vermelden, dat de werkmansver-
eeniging bij ziekte eene uitkeering geeft van f 6, gedu-
rende drie maanden; en dat vele fabrikanten bij ons
hunne werklieden verzekerd hebben tegen ongelukken.
Van Lbnnbp.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Hendrik Kleiman, oud 38 jaar, werk-
meester aan de machinefabriek van de firma
P. M. Duy vis & Co., tweede voorzitter van
de afdeeling „Patrimonium\'\', te Koog
aan de Zaan.
1964.    De Voorzitter: Is uwe afdeeling talrijk ?
A. Zij bestaat uit omstreeks 30 leden.
1965.    V. Zijn dat allen werklieden?
A. Met uitzondering van twee of drie. De eerste
voorzitter is koperslager, de secretaris onderwijzer.
1966.    V. In antwoord op het tot haar door ons
gerichte verzoek om schriftelijke inlichtingen, heeft uwe
afdeeling gemeend te moeten antwoorden, dat zij geen
inlichtingen omtrent verschillende vraagpunten kon
verstrekken. Weet gij, welke overwegingen tot dit ant-
woord geleid hebben?
A. Ik heb daaromtrent geen opdracht van mijne
afdeeling ontvangen, ook van deze oproeping draagt zij
geen kennis. Wel wil ik u echter zeggen, dat vooral
vrees voor conflicten met de patroons de oorzaak der
onthouding is geweest. Gesteld toch, dat de inlichtingen
omtrent den toestand op eene werkplaats ongunstig zijn,
en men brengt die aan den dag, dan ligt immers ont-
slag voor de hand. De patroons komen dan toch van
zelf te weten, wie er bestuurders en leden van onze
afdeeling zijn, en aan ontslag valt in dat geval niet te
twijfelen.
-ocr page 104-
95
1967.    V. Zelfs niet, wanneer niets dan de zuivere
waarheid werd medegedeeld?
A. Zeer zeker.
1968.    V. Hoe is aan uwe werkplaats de verhouding
tusschen patroon en werklieden?
A. Zeer gunstig, niettegenstaande de zaak pas vijf
jaren bestaat.
1969.    V. Worden er alleen machines hersteld aan
uwe fabriek, of worden er ook nieuwe gemaakt?
A. Herstelling is de hoofdzaak.
1970.    V. Hoe is de werktijd geregeld?
A. Van 7 tot 12 uur. Dan is er l\'/j uur schafttijd en
dan wordt verder gewerkt van half twee tot zeven uur.
Des voormiddags is er nog een rusttijd van 10 minuten,
des namiddags niet.
1971.    V. Is er veel overwerk?
A. De aard der werkzaamheden op eene reparatie-
fabriek leidt er toe.
1972.    V. Komt ook nachtarbeid voor?
A. Ja, doch wie des nachts heeft gewerkt, wordt overdag
door een ander vervangen.
1973.    V. Dus wordt nooit dag en nacht achtereen
gewerkt ?
A. Iemand, die \'s Maandag-morgens om 7 uur begint,
kan den nacht doorwerken tot den volgenden dag half
zeven, doch twee dagen aaneen wordt er nooit gewerkt.
1974 V. Wordt die nachtarbeid, die natuurlijk extra
wordt betaald, beschouwd als een groote last, dien de
arbeiders gaarne van zich af zouden willen werpen, of
zijn ze er happig op ter wille van de extra-verdienste?
A. Dat hangt er van af. Iemand, die een huisgezin
heeft, verdient er graag wat bij, en een vrijgezel, die het
doen kan, is liever vrij.
1975.    V. Wordt die nachtarbeid zooveel mogelijk
beperkt?
A. Ja. Het is kostbaar voor den patroon om \'s nachts
te werken, omdat de machines aan den gang moeten
blijven, licht moet gebrand worden, enz.
1976.    V. Is het personeel er van overtuigd, dat de
patroon niet meer vergt dan noodzakelijk is?
A. Ja.
1977.    V. Wordt er \'s Zondags gearbeid ?
A. Heel weinig,omdat mijne beginselen er zeer tegen zijn.
1978.    V. Wanneer het noodig is op Zondag te arbeiden,
wordt dan aan het personeel gevraagd, wie zich beschik-
baar stelt, of moeten allen arbeiden, als het noodig is?
A. In dit opzicht wordt geen pressie uitgeoefend;
onwil komt ook niet voor. Onder de 18 a 19 man worden
degenen, die bekwaam worden geacht om het noodig
zijnde werk te verrichten, uitgezocht, en zij achten zich
verplicht om te werken.
1979.    V. Gij zelf ook?
A. In den beginne kwam dit nog al veel voor, maar
nu bij hooge uitzondering.
1980.    V. De strekking van mijne vraag was deze,
of gij, die persoonlijk zijt tegen Zondagsarbeid, de enkele
malen, dat het voorkomt, daartegen geen bezwaar
maakt, omdat gij overtuigd zijt, dat het niet anders kan.
Is dit de gang uwer redeneering?
A. Ik doe het door nood gedrongen, omdat de alge-
nieene opvatting is, dat het niet anders kan. Als de
reparatie op Maandag geschiedt en de machine stil
moet staan, dan kan het personeel, of een deel althans,
niet doorwerken, en dat noemen de fabrikanten
onmogelijk.
1981.    V. Hoe zijn de loonen geregeld aan de fabriek,
waar gij werkt?
A. Ik ben meesterknecht en heb 25 ets. per uur en
3 pet. van het arbeidsloon, dat uitbetaald wordt voor
werk, ten behoeve van anderen verricht. De loonen der
andere werklieden zijn geregeld naar de bekwaamheid
en bedragen 15 ets. per uur en hooger.
1982.    V. Hoeveel werklieden zijn er?
A. Wij werken met 18 personen, jongens er onder
begrepen.
1983.    V. Wordt overwerk hooger betaald dan gewone
arbeid ?
A. Zondags- en nachtarbeid — onder het laatste wordt
verstaan arbeid, verricht na 10 uur \'s avonds — wordt
betaald met 25 pet. verhooging.
1984.    V. Komen de jongens reeds op 12-of 13jarigen
leeftijd op de fabriek ?
A. Wij hebben een jongen van 14 jaar; die is de
jongste.
1985.    V. Werkten de jongens beneden de 16 jaren
vóór de invoering der wet, of werken zij ook thans nog.
wel eens over?
A. Neen.
1986.    V. Wanneer een jongen van 16 jaar een dag
en een daarop volgenden nacht werken moet, acht gij
dat niet te veel van zulk een jongen gevergd?
A. Het komt zóó zelden voor, dat ik er geen kwaad
in zie.
1987.    V. Gaat bij ziekte het loon geheel of gedeel-
telijk door?
A. Verleden jaar heeft de patroon het halve loon
uitgekeerd.
1988.    V. Is het in de gemeente Koog niet vrij
algemeen, dat bij ziekte het loon geheel uitbetaald wordt ?
A. Dat geschiedt bij hen, die een vast loon hebben,
zooals de pellers en de werklieden in eene stoomolie-
fabriek.
1989.    V. Hoort gij in uwe omgeving veel spreken
over overmatig langen arbeid in sommige bedrijven?
A. Ja, in de windoliemolens wordt wel eens 18 uren
achtereen gewerkt, dat is wel wat overmatig
1990.    V. En in de stoomoliemolens ?
A. Daar is het werk niet zoo zwaar.
1991.    V. Is er in de molens niet zeer weinig
rusttijd ?
A. Ik kan daarop weinig antwoorden, want wanneer
wij daar komen, staan de molens stil. Alleen geloof ik,
dat, indien de molens doormalen, er maar een half uur
tijd is om in den molen zelf te eten.
1992.    V. Wordt dat niet tehuis eten door de men-
schen als eene groote schaduwzijde van hun beroep
beschouwd ?
A. Dat kan ik u niet zeggen.
1993.    V. Hebt gij in uwe afdeeling ook olieslagers?
A. Ik geloof het niet.
1994.    V. Hoort gij in uwe afdeeling veel spreken
van nacht- en Zondagsarbeid, die, naar het oordeel der
menschen zelf, noodeloos door hen wordt verricht, ook
in andere bedrijven dan het uwe?
-ocr page 105-
96
A. Ik heb daar niet zoo direct over hooren spreken.
1995.    V. Ook niet over slechte naleving derarbeids-
wet? Dat jongens beneden de 16 jaren langer aan het
werk gehouden worden dan de wet veroorlooft?
A. Neen.
1996.    V. Evenmin over uitbetaling van het loon om
de 14 dagen ?
A. Met die gewoonte ben ik niet bekend, maar ik
geloof wel, dat zij bestaat.
1997.    V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen?
A. Ik wilde de aandacht van de commissie vestigen
op het feit, dat er niets is, wat een patroon bindt om den
werklieden, die bij hem lang in dienst zijn geweest, een
pensioen te verschaffen, of hen te verzekeren tegen onge-
lukken of invaliditeit.
H. Kleiman.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretnris.
de schoolfeesten nu werden afgeschaft, het verzuim niet
sterk zou vermeerderen. Langzamerhand is het gewoonte
geworden de kinderen geregeld naar school te zenden.
2002.    V. Zijn onder dat 1 pet. ook de kinderen,
die op broertjes en zusjes moeten passen, als moeder
uit werken is?
A. Ja, het moedwillig schoolverzuim is daar alléén
hoofdzakelijk aan toe te schrijven.
2003.    V. Is in den duur van het schoolbezoek even-
eens verbetering gekomen?
A. Ja, de vereeniging „Ons Onderwijs" heeft daarop
gunstig gewerkt. De meeste werkgevers zijn er lid van
en houden, dat mag ik tot hun lof zeggen, zich bijna
allen aan het artikel, dat verbiedt om jongens beneden
13 jaar in dienst te nemen. Van de 380 kinderen op
mijne school zijn er ruim 60 boven de 12 jaar.
2004.    V. Bij het zakjesplakken zijn er toch wel
jongeren dan 13 jaar?
A. Nu, dat is de eenige gelegenheid, maar de meesten
zullen er wel 13 jaar zijn.
2005.    V. Is de heer Schenk ook lid der vereeniging?
A. Dat durf ik niet zeggen.
2006.    V. Heeft de bepaling van het reglement van
„Ons Onderwijs" al ten gevolge, dat de Koogsche werk-
gevers de kinderen niet in dienst nemen beneden de
13 jaar, dan zouden die kinderen toch gemakkelijk
over de grens kunnen gaan om in dienst te komen bij
werkgevers te Zaandam of te Zaandijk. Geschiedt dat
niet?
-1. Bedoelt gij kinderen, die op de Koog wonen ?
2007.    F. Ja.
A. Dan kan het antwoord bepaald ontkennend luiden.
2008.    V. Hoe lang werkt die bepaling?
A. Van 1880 of 1882 Na het in werking treden van
de nieuwe wet op het lager onderwijs in 1880, hebben
zich Koog en Zaandijk afgescheiden van „Volksonderwijs"
en zich opgelost in de beide vereenigingen „Ons Onderwijs".
2009.    V. Bestaat de bepaling dus ook te Zaandijk?
A. Wel eene vereeniging „Ons Onderwijs".
2011.    V. Zijt gij, met het oog op het belang der
kinderen, als onderwijzer voldaan met een schoolbezoek
tot 13 jaar?
A. Ronduit gezegd, niet geheel; ik zou de kinderen
liever wat langer willen houden, ik geloof wel, dat het
voor heel veel kinderen ook weer noodig is, dat zij hun
ambacht gaan leeren ; maar toch, wat zij voor hunne reis
door het leven van de lagere school medenemen, is nog
wat weinig. Desnoods zou ik evenwel genoegen nemen
met goed geregeld herhalingsonderwijs des avonds van
6—8 of van 5—7 uur, gedurende een groot deel des jaars.
2012.    V. Bestaat in uwe gemeente geen herhalings-
onderwijs ?
A. Jawel, maar niettegenstaande al onze aanmoediging,
maken er maar 10 kinderen gebruik van
2013.    V. Is dat voortgezet onderwijs, zich aansluitend
aan de hoogste klasse der gewone lagere school, of is
het voor een deel inhalingsonderwijs ?
A. Het is een herhaling van hetgeen zij in de
hoogste klasse geleerd hebben, en dat dan verder wordt
voortgezet. Wanneer de kinderen de geheele lagere
school hebben doorloopen, krijgen zij van het dagelijksch
bestuur een getuigschrift, waarmede zij tot de herhalings-
school worden toegelaten. Kinderen, die dat getuigschrift
niet hebben of die uit eene andere gemeente komen,
Verhoor van Roel Boosman, oud 39 jaar, hoofd der
openbare school, te Koog ad Zaan.
1998.     De Voorzitter: Is uwe school de eenige in de
gemeente Koog?
A. Ja.
1999.    V. Hoeveel kinderen zijn er?
A. Ik kan het u precies zeggen, daar juist de staat
is opgemaakt. Er zijn nu 383 kinderen, een enkel jaar
is het wel eens meer dan 400 geweest.
2000.    V. Door een vorigen getuige is ons medegedeeld
— en wij vonden het ook in de schriftelijke inlichtingen —,
dat het schoolverzuim in uwe school tot een verblijdend
minimum is teruggebracht. Dat is immers zoo?
A. Ja. Toen ik 13 jaar geleden te Koog kwam, was
het moedwillig schoolverzuim 13°/0. Thansis het ongeveer
l°/0; met het verzuim door ziekte er bij gerekend, is
het 4% a 5%.
2001.    r. Schrijft gij den vooruitgang in het moed-
willig relatief schoolverzuim uitsluitend toe aan de maat-
regelen, ter bevordering van het schoolbezoek genomen,
of ook aan vermeerderde belangstelling?
A. Aan beide ; doch ik geloof, dat het eerste het meeste
gewicht in de schaal heeft gelegd en nog het krachtigst
werkt. Elk jaar geven wij aan de kinderen, die minder
dan (i maal moedwillig de school hebben verzuimd, een
feest, hetwelk voor de kinderen boven 9 jaar bestaat in
een uitstapje met de stoomboot naar Alkmaar, Heilo,
Wijk aan Zee of Zandvoort, en voor de kinderen beneden
9 jaar in een genoegelijken dag in het dorp zelf. Die
feesten, vooral die uitstapjes, bekoren de kinderen bui-
tengewoon en zijn een van de voornaamste middelen
om het schoolverzuim te verminderen, omdat de kinderen
daardoor van zelf eenige pressie op de ouders gaan
uitoefenen.
Ook het tweede echter, vermeerdering van belang-
stelling, legt gewicht in ;de schaal. Ik geloof, dat, wanneer
-ocr page 106-
97
moeten een examen doen, ongeveer gelijkstaande met
hetgeen in de laatste klasse van de lagere school
geleerd wordt.
2014.    V. Is dat herhalingsonderwijs een geregelde
cursus, over eenige jaren verdeeld?
A. Neen, dat zou moeilijk zijn.
2015.    V. Hoe lang blijven de kinderen op de her-
halingsschool ?
A. Sommige een, andere twee of drie jaar.
2016.    V. Bemerkt gij bij dat kleine getal leerlingen
goede vruchten van het herhalingsonderwijs?
A. Ik zelf geef dat onderwijs niet, omdat ik op die
uren avondschool heb, maar het- wordt gegeven door
een mijner onderwijzers met hoofdonderwijzersakte. Het
plan wordt in hoofdzaak door mij in overleg met hem
geregeld.
2017.    V. Wordt het onderwijs alleen des winters of
ook des zomers gegeven?
A. Het wordt gegeven des winters van 6 tot 8 uur.
2018.    V. Zou de geringe deelneming uitsluitend te
wijten zijn aan gebrek aan belangstelling bij de ouders
en kinderen, of zou het ook kunnen liggen aan het samen-
vallen van de schooluren met den arbeidstijd? ■
A. Ik schrijf het hoofdzakelijk toe aan het laatste.
Het is mij voorgekomen, dat een jongen gaarne de her-
halingsschool wilde bezoeken, maar dat de patroon hem
onmogelijk missen kon.
2019.    V. Wanneer er van andere gemeenten gezegd
wordt, dat, indien men het herhalingsonderwijs op daar-
toe geschikte uren gaf, er toch geen gebruik van zou
gemaakt worden, omdat de mensenen er niet om geven,
zoudt gij dan van Koog het tegendeel meenen te kunnen
beweren ?
A. Ja. Behalve de herhalingsschool te Koog heeft men
te Zaandam de burger-avondschool, en er zijn vele kin-
deren uit Koog, welke die laatste school bezoeken.
2020.    V. Zooals gij weet, zegt de arbeidswet, dat
kinderen beneden de 16 jaren niet langer mogen wer-
ken dan tot \'s avonds 7 uur. Is wel eens overwogen,
om de herhalingsschool des avonds om kwart over
zevenen te doen beginnen, zoodat het voor de jongens
mogelijk zou zijn om, van hun werk komende, die school
te bezoeken ?
.1. Neen, want ik geloof, dat dit groot bezwaar zou
geven, omdat de geest op zulk een laat uur toch te
afgemat zou zijn.
2021.    V. Zoudt gij het van groot belang achten voor
de kinderen tot 16 jaren, indien de arbeidsduur zoodanig
werd ingekrompen, dat zij op een niet te laat avonduur,
wanneer de geest nog niet vermoeid is, de school zouden
kunnen bezoeken?
A. Ja.
2022.    V. Wat betreft uwe gewone school, kunt gij van
de meisjes, ten aanzien van den leeftijd, tot welken zij de
school bezoeken, een even gunstig getuigenis afleggen
als van de jongens?
A. Tot mijn spijt niet. Onder de 60 kinderen, waar-
van ik sprak, zijn slechts 20 meisjes boven de 12
jaren. Daarvoor bestaan natuurlijk verschillende redenen.
Vooreerst meenen de ouders, dat meisjes zooveel onder-
wijs niet noodig hebben; daarbij komt, dat de moeder
het kind niet missen kan in de huishouding ; en einde-
lijk: zij moeten de naaischool bezoeken. Zonder mij zelven
te prijzen, moet ik eerlijk zeggen, dat van het onderwijs
in handwerken veel werk gemaakt wordt. Maar het
schijnt toch, dat de moeders overtuigd zijn, dat aan de
kinderen niet genoeg practisch naaionderwijs kan
worden gegeven.
Enquête. — De Zaankant.
2023.    V. Hoever brengen de meisjes het in hand-
werken, wanneer zij de gebeele school doorloopen?
A. Dat zij een gewoon kleedingstuk kunnen maken
en knippen.
2024.    V. Is wel eens overwogen om herhalings-
handwerkonderwijs te geven?
A. Zeker, dat geschiedt, wanneer het herhalingson-
derwijs door meisjes wordt bezocht.
2025.    V. Ik meen u te hebben hooren zeggen, dat
de 8 klassen verdeeld zijn over 7 jaren; is dat zoo?
A. De kinderen komen om de 9 maanden. Vroeger
geschiedde de toelating om het jaar, maar toen was de
toeloop zóó groot, dat dit moest veranderd worden.
2026.    V. Zijn er kinderen, die twee jaren in de
hoogste klasse blijven zitten?
A. In het leerplan staat, dat eene 9de klasse kan ge-
vormd worden. Ik sta zelf voor de 8ste klasse en heb
ook die 9de voor mijne rekening.
2027.    V. Wanneer de jongens tot 13 jaar op school
blijven, hebben zij dan ook die 9de klasse doorloopen?
A. Van de kinderen, die de hoogste klasse hebben
doorloopen, blijven 15 a 20 over. Die vormen de 9e
klasse en krijgen gedeeltelijk, doch niet geheel, hetzelfde
onderwijs.
2028.    V. Verdwijnen er veel meisjes, vóórdat zij de
8ste klasse hebben doorloopen ?
A. Er verdwijnen er, wanneer zij twaalf jaar zijn.
2029.    V. Ook vóór het 12de jaar?
A. Dit komt bijna niet voor. Op het oogenblik heb
ik er ééne, die door de moeder van school is genomen.
2030.    V. Gij hebt gesproken van Koogsche jongens,
die de ambachtsschool te Zaandam bezoeken. Die moeten
dan toch de werkplaats veel vroeger dan anders verlaten,
en de werkgever moet zijne medewerking verleenen?
A. De school begint niet zoo heel veel vroeger, nl. om
7 of 8 uur, en langer dan 7 uur mogen ze niet werken.
Het is slechts een balf uur om van Koog naar Zaandam
te loopen. Intusschen zijn ze op school niet altijd even
wakker.
2031.    V. Zijt gij bekend met eene teekenschool te
Zaandijk ?
A. Ik weet het niet, doch meen, dat het eene school
voor bouwkundig teekenen is.
2032.    V. Hebt gij het sparen op uwe school inge-
voerd ?
A. Ja. In het begin liep ik er niet mede weg, en nu
dweep ik er nog niet mee. Ik ben van oordeel, dat de
ouders het moeten doen, die beter kunnen controleeren
dan de onderwijzers, waar vandaan het geld komt. Het
is ook de quaestie. of zij het bespaarde geld goed ge-
bruiken. Ik stel zooveel mogelijk de gelegenheid open
om uit mijn eigen zak de terugbetaling voor te schieten.
Het is niet alleen van belang het kind te leeren
sparen, maar ook om het te leeren het geld goed te
gebruiken. Het getal der spaarders is 80 van de 400.
2033.    V. Besteden de spaarders datgene, wat zij nu
en dan terugnemen, voor nuttige of aangename doel-
einden ?
A. Gewoonlijk gebruiken zij het om een cadeau
voor vader of moeder te koopen. Ook gebeurt het wel.
dat de moeder spaart door de kinderen. Wanneer zij 5
of 10 ets. in de week bespaart, geeft zij dit op die manier in
de school spaarbank, en wanneer het tot f 1 is geklommen,
laat zij het zich terugbetalen.
2034.    V. Vindt gij het eerste niet ook een verblijdend
verschijnsel?
25
-ocr page 107-
98
A. Ja, maar dat zou thuis ook kunnen gebeuren.
2035.    V. Wordt er druk gebruik gemaakt van uwe
boekerij ?
A. Ja, vroeger alleen door de hoogste klasse, nu door
4 klassen. Dat werkt goed, ook in de gezinnen; want
dikwijls wordt gevraagd, of ze een boek nog eene week
mogen houden, omdat vader, moeder of andere kinderen
het nog niet uit hebben.
2036.    V. En als de kinderen de school verlaten,
vinden zij dan elders ook goede lectuur?
A. Dat laat te wenschen over. Wat het „Nut" en
andere corporatiën aanbieden, is voor den leeftijd tusschen
13 en 18 jaren niet zeer geschikt. Ik heb dan ook al
eens voorgesteld om de bibliotheek van het „Nut" te
splitsen, maar daarvan is nog niets gekomen.
2037.    V. Kunnen de kinderen ook na het verlaten
der school nog boeken van u krijgen ?
A. Jawel; ook de kinderen van de herhalingsschool.
2038.    V. Zijn te Koog nog andere gelegenheden ?
A. Er is eene bibliotheek, welke bestuurd wordt door
den predikant der Hervormde Gemeente, die door kleine
bijdragen van een honderdtal menschen wordt gesteund
in zijn streven om goede lectuur te verschaffen.
2039.    V. Zijn er nog andere vereenigingen, die zich
de geestelijke ontwikkeling en de belangen van jeugdige
arbeiders aantrekken, jongelings-vereenigingen, bijv.?
A. Dat weet ik niet.
2040.    V. Hebt gij uwerzijds ons misschien nog het
een of ander mede te deelen, dat ons van nut kan zijn
bij het onderzoek, dat wij instellen?
A. Ik meen, dat wij alle inrichtingen besproken heb-
ben, die hier bestaan ; alleen is er nog een Zaanlandsch
Schoolfonds. Dat is een fonds, dat werkt over de geheele
Zaanstreek. Voor rekening van dat fonds, worden kin-
deren op de burger-avondschool toegelaten; zelfs zijn
er enkele gevallen, waarin de kosten van boeken op de
normaalschool zijn betaald, of een leerling op de hoogere
burgerschool is geplaatst.
R. Boosman.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards. Adj.-secretaris.
alleen kan doen, zend ik de jongens toch steeds naar
huis, als ik langer moet werken. Trouwens, den jongsten
jongen heb ik pas vier weken.
2045.    V. Gaan uwe knechtjes naar huis om te eten?
A. Ja, van 12 uur tot V/-2-
2046.    V. Is dit algemeen gebruik in de ambachts-
nijverheid aan de Koog?
A. Neen, het gebruik is een schafttijd des zomers van
l\'/i uur en \'s winters 1 uur.
2047.    V. Hoe lang duurt de middagschafttijd in de
fabrieken, waar middagrust gegeven wordt?
A. In de stijfselfabrieken bijv. is dat zeer onregel-
matig; in sommige olieslagerijen krijgen de werklieden
een half uur; op de machinefabriek van Duyvis is
Va uur schafttijd.
2048.    V. Hoe lang is de rusttijd in de zakjesplakke-
rijen te Koog ?
A. Ongeveer l\'/i uur.
2049.    V. Gij zeidet, dat er in de ambachtsnijverheid
\'s winters een uur schafttijd gegeven wordt. Zouden de
werklieden er hoogen prijs op stellen, indien zij een
schafttijd van anderhalf uur kregen?
A. Ik heb er nog nooit iets van gehoord, maar zij
verzuimen in den winter, omdat zij per uur worden be-
taald, liefst zoo weinig mogelijk; in den zomer is het
iets anders: dan werken zij van 5 tot 8 uur en krijgen
zij ook VA uur schafttijd.
2050.    V. Gij verkeert immers veel in werkmanskringen,
en zijt lid van werkmansvereenigingen ?
A. Ja, ik ben lid van de Afdeeling Zaanstreek van
den Sociaal-Democratischen bond en van de vereeniging
„Door Eendracht Bloeiende".
2051.    V. Gij hebt van ons gekregen eene lijst van
vraagpunten; wilt gij ons omtrent sommige van die punten,
die uw aandacht \'t meest getrokken hebben, voorlichten ?
A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. In het bijzonder
wenschte ik de aandacht op de woningen te vestigen,
naar aanleiding van het rapport, dat door de vereeniging
„Door Eendracht Bloeiende" aan u is uitgebracht, en
dat, naar mijne meening, zeer foutief is.
Er wordt namelijk in gezegd: „Tamelijk goed, be-
houdens enkele uitzonderingen, dat het geen bewoonbare
woningen zijn. Maar bij het bouwen van nieuwe wonin-
gen wordt gezorgd voor voldoende ruimte en licht."
Uit laatste komt nog maar eenigszins met de waarheid
overeen; maar van het eerste zou ik liever het omge-
keerde zeggen, namelijk, dat de tamelijk goede woningen
slechts uitzonderingen zijn.
Vandaag en gisteren heb ik nog verschillende perceelen
aan de Koog bezocht, en het is verschrikkelijk, zooals
het daarmetle gesteld is. Zij zijn uit den aard der zaak
van hout gebouwd, slecht onderhouden en daarom dan
ook weinig bewoonbaar. Vele bestaan uit niet meer dan
één kamertje, dat lang niet aan de eischen voldoet.
Overal dringt er het daglicht door, en zoodra men
binnenkomt, waait u de koude tegemoet.
Wat de nieuwe woningen betreft, de beterschap daarin
bestaat, dat zij van steen gebouwd zijn, maar een slaap-
kamertje is er zelden bijgebouwd. Doorgaans bestaan zij
maar uit één vertrek, dat nog niet aan alle bepalingen
voldoet van de bouwverordening, terwijl die gemeente-
verordening eene oppervlakte van 16 Ma. voorschrijft.
2052.    V. Komen de zeer onvoldoende woningen,
waarvan gij ons eene schets gaaft, talrijk voor?
A. Zeer talrijk. Op het Zuideinde van de Koog, op
den weg, vindt men er al verscheidene. Ook op het
Breedweer, aan het eind, treft men zeer oude houten
woningen aan, klein en veelal geheel onvoldoende onder-
houden. Ook op het Rieele-pad, het Gemeentehuis-pad, enz.
Verhoor van Paulus Leguit. oud 34 jaar, smid, te Koog.
2041.    De Voorzitter: Werkt gij voor u zelf, of zijt gij
bij een ander in dienst?
A. Neen, ik werk voor mij zelf.
2042.    V. Hebt gij knechts in uw dienst?
A. Ja, twee jongens van 13 en 15 jaar.
2043.    V. Hoe lang werken die per dag?
A. \'s Winters van \'s morgens 8 tot \'s avonds 6 uur,
en \'s zomers van 6 uur \'s morgens tot 6 uur \'s avonds.
2044.    V. Werken zij nooit langer?
A. Neen; ik houd zelf van korte dagen, en sinds de
arbeidswet is ingevoerd, houd ik daaraan stipt de hand.
Hoewel mijn vak medebrengt, dat men moeilijk iets
-ocr page 108-
99
2053.    V. Laat ons twee dingen onderscheiden. Gij
hebt alleen gesproken van woningen, die maar één
vertrekje hebben, of op zijn hoogst nog een klein ver-
trekje er bij. Zijn er nu woningen van die soort, die,
afgezien van de weinige ruimte, nog om andere redenen
in een ongelukkigen toestand verkeeren ?
A. Ja, die zijn betrekkelijk talrijk.
2054.    V. Is het u bekend, dat de gemeenteverordening
ecne bepaling behelst, volgens welke burgemeester en
wethouders de bevoegdheid hebben om woningen, die
gevaarlijk zijn uit een oogpunt van veiligheid of van
gezondheid, onbewoonbaar te doen verklaren of te eischen,
dat in dien toestand verbetering worde gebracht?
A. Neen, dat is mij niet bekend.
2055.    V. Is dit in uwen kring inderdaad niet bekend ?
A. Neen.
2056.    V. Het zou toch natuurlijk zijn, dat eene ver-
eeniging, die zich ten doel stelt om de belangen van de
werklieden te behartigen, zich op de hoogte trachtte te
stellen van de middelen en wegen, om verbetering te
krijgen in hetgeen zij afkeurenswaardig acht. Ik zal u
thans wel niet behoeven te vragen, of ooit uit uwen kring
stappen zijn gedaan bij de overheid, om verbetering te
krijgen in hetgeen naar zijn oordeel, terecht of ten onrechte,
in zake woningen niet goed werd geacht?
A. Door onze vere^niging niet. Ik heb zelf wel in eene
dergelijke richting eenige stappen gedaan. Ik zal u de
zaak uitleggen. De meeste woningen te Koog liggen aan
slooten, die verschrikkelijk vervuild zijn, en waar ook de
privaten op uitkomen. Nu is er eene gemeentelijke ver-
ordening geweest, waarbij de eigenaren verplicht waren
om zelf die slooten uit te baggeren. Ik heb mij daar uit
een oogpunt van billijkheid tegen verzet, en de veror-
dening is in de doos gegaan. De gemeente doet er nu
niets aan, en de huisjes, die toch al zoo slecht bewoonbaar
zijn, worden er door de nabijheid van die stinkslooten
nog slechter aan toe.
2057.    V. Hoeveel huur doen de woningen, die slechts
l>estaan uit één vertrek met een klein kamertje er. bij ?
A. Een gulden a 22 stuivers.
2058.    V. Is er nog een portaaltje?
A. Ja, van 1 M2, maar voor de rest geen nieuws.
2059.    V. Hebben ze alle zolders ?
A. Meestal.
2060.    V. Is het dak beschoten ?
A. Ja, dat is overal bijna het geval.
2061.    V. Hoe slapen de gezinnen in die woningen?
A. De kinderen op zolder; de ouders beneden.
2062.    V. Slapen de kinderen in ijzeren ledikanten?
A. In dien stand niet. Er wordt eene gelegenheid ge-
maakt, met emx paar planken, zooals dat \'t best uitkomt.
2063.    V. Slapen jongens en meisjes van een jaar of
10 bij elkaar of afzonderlijk?
A. Dat weet ik niet.
2064.    V. Volgens uwe verklaring heeft de verordening,
flie verbiedt houten huizen te bouwen, goed gewerkt,
<loch zou aan de bepalingen voor nieuwe steenen huizen
niet de hand gehouden worden, wat de vierkante opper-
vlakte van de vertrekken aangaat. Kunt gij daarvan een
voorbeeld aanhalen?
A. Ja, een huis van Woeste op het Galgenveld heeft
2 kleine kamertjes in plaats van de voorgeschreven royale
kamer van 16 M2.
2065.    V. Straks, toen wij spraken over de verorde-
ning omtrent bestaande huizen, bleek het, dat gij met
die verordening niet bekend waart; met de bepalingen voor
nieuwe woningen schijnt gij dat wel te zijn. Zijn er door
uw kring nooit stappen gedaan, om op die afwijking, waar-
over gij u beklaagt, de aandacht der overheid te vestigen ?
A. Neen.
2066.    V. Wordt, zoover u bekend is, de arbeidswet
stipt nageleefd in de gemeente uwer inwoning?
A. Tot mijn leedwezen niet. Ik heb dat al dikwijls
medegedeeld in het Volksblad, aan welks redactie ik
deelneem, maar het is mij begonnen te verdrieten om.
wat ik dienaangaande opmerkte, aan de groote klok te
hangen, want het scheen, dat de overheid niet zag, wat
ik meende te zien.
2067 V. Het zou kunnen zijn, dat de overheid be-
gonnen is met te waarschuwen en thans weldra door-
tastend zal optreden. Intusschen zou ik gaarne zien,
dat gij aan de groote klok, die hier nu hangt, de feiten
wildet mededeelen, die u bekend zijn.
A. Moet ik nu over mijne geheimen heenstappen?
Ik heb een man op mijn eerewoord beloofd om, als hij
ophield met het overtreden van de wet, het feit niet
openbaar te zullen maken.
2068.    V. Ik heb volgens de wet het recht u te dwingen
tot het mededeelen van hetgeen u bekend is. Van dat
recht wil ik echter geen gebruik maken, waar het betreft
feiten, voor welker geheimhouding gij uw eerewoord hebt
verpand. Maar zijn u geen andere feiten bekend, waar-
omtrent gij geen dergelijke belofte hebt gedaan?
A. Jawel; de heer A. Honig Czn., oliemolenaar, liet
een jongen van 13 jaar op zijn windmolen \'s avonds na
7 uur werken. Dit feit heb ik in het Volksblad publiek
gemaakt, en daarna heeft het opgehouden. Of de zaak
voor de rechtbank is gekomen, weet ik niet.
Dan is er een jongen van nog geen 14, die bij een
aardappelhandelaar is; of valt dat niet onder de wet?
2069.    V. Het is op het kantje, maar ga voort.
A. Die jongen loopt na 8 uur nog met karrevrachten
aardappelen van het spoor.
2070.    V. Dat valt buiten de wet.
A. Dan is er een smidsjongen van 14 jaar, die een
heelen nacht heeft doorgewerkt. Het kind zelf ver-
telde dat.
2071.    V. Wie was de baas, bij wien dat gebeurde ?
A. Klinkenberg.
2072.    V. Komen soortgelijke gevallen herhaaldelijk
te uwer kennis?
A. Ja; ik heb ook een jongen van een timmerman
gezien, die tusschen 7 en 8 nog met stukken hout ergens
heenging.
2073.    V. Kent gij soortgelijke gevallen, die in fabrieken
zijn voorgekomen ?
A. Neen.
2074.    V. Acht men in uw kring den leeftijd van
12 jaar, waarbeneden de arbeid nu verboden is, voldoende,
of wenscht men, dat de wetgever daarin verder ga?
A. Wij hebben daarover dikwijls gesproken en zijn
het volkomen eens. dat het vroeg genoeg is, wanneer
men op zijn 15de, 16de jaar met het werken begint.
2075.    V. Zoudt gij meenen, dat het geldel ijk bezwaar,
hetwelk uit den aard der zaak voor het gezin ontstaat,
wanneer het kind eerst op lateren leeftijd aan den arbeid
deelneemt, niet als voldoende ernstig mag worden be-
schouwd om het verbod van den arbeid niet zóóver uit
te strekken, als gij wenscht?
-ocr page 109-
100
A. Men moet tusschen twee kwade kiezen. Voor vele
ouders zal het een bezwaar zijn, maar naar mijne meening
moet vóór alles het kind beschermd worden. De toestand
zou langzamerhand toch daarheen gedreven worden, dat
men er aan gewend raakte.
2076.    V. Zoudt gij het als een grooten stap voor-
waarts achten, indien de beperking tot 14 jaar uitge-
strekt werd ?
A. Dat zou ten minste twee jaren gewonnen zijn.
2077.    V. Gij zegt: „dat zou twee jaren gewonnen zijn",
maar ons is verzekerd, dat aan de Koog de jongens vrij
algemeen tot hun dertiende jaar op school blijven en
dan eerst aan den arbeid gaan. Is dat naar uwe meening
niet juist?
A. Het zal wel vaak daar gebeuren, dat zij tot hun
dertiende jaar school gaan, maar ook zeer dikwijls zullen
zij vóór hun dertiende jaar aan het werk gaan.
2078.    V. Is de toestand in dit opzicht te Koog meer
verblijdend dan in Zaandam ?
A. Ja. Ik heb wel eens met onderwijzers uit Zaandam
gesproken, die mij zeiden, dat, terwijl er in de eerste vier
klassen op eene school ongeveer 50 kinderen zaten, de
vijfde klasse er zelden meer dan 20 telde.
2079.    V. Zoodat de toestand te Koog veel beter is.
Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Aan de goede gezindheid van de ouders, die be-
grijpen, dat het onderwijs eene goede zaak voor hunne
kinderen is.
2080.    V. Schrijft gij dit ook voor een gedeelte toe
aan de bemoeiingen van de vereeniging .,Ons Onderwijs"?
A. Zeer zeker.
2081.    V. Ons is gezegd, dat de herhalingsschool te
Koog slecht bezocht wordt; waaraan schrijft gij dit toe?
.1. Sommigen trachten op de burger-avondschool te
Zaandam te komen: de anderen gaan redeneeren: „ik
leer daar toch niet meer".
2082.    V. Dit is dan toch eene verkeerde redeneering?
.1. Ongetwijfeld.
2088. V. Die avondschool wordt gegeven van 6 tot 8
uur, dus gedeeltelijk op een tijd, waarop nog kan gewerkt
worden in de werkplaats. Wanneer de avondschool
even na zevenen aanving, zoudt gij denken, dat dit het
bezoek zou bevorderen?
A. Neen.
2084.    V. Wanneer de wetgever het maximum-aantal
uren, gedurende welke door jeugdige personen gearbeid
mag worden, verminderde tot 8 of 9, zoodat de arbeid
vroeger eindigde, en de kinderen bovendien niet zoo
vermoeid waren, zoudt gij meenen, dat zulk een maat-
regel gunstig op het bezoek zou werken?
A. Wanneer patroons en ouders medewerkten, wel.
2085.    V. Zooals de zaak thans is, heeft de patroon,
wanneer hij zijn belang eenzijdig begrijpt, er belang bij
de kinderen niet naar de herhalingsschool te zenden;
maar wanneer de arbeidstijd verkort wordt, verdwijnt
dat belang. Gelooft gij niet, dat de patroons in dat geval
zouden medewerken?
A. Ik geloof het wel.
2086.    V. Zoudt gij eene vermindering van den arbeids-
duur voor kinderen beneden de 16 jaren in elk opzicht
wenschelijk achten ?
A. In onzen kring is men vrij algemeen voor een
normalen arbeidsdag, dus natuurlijk des te meer voor
een korteren arbeidsdag, waar het kinderen geldt.
2087.    V. Wat den arbeid van volwassenen betreft,
wordt door velen langer gewerkt dan 10 uren per dag ?
A. In de olieslagerijen werken ze aanhoudend 12 uren,
men zegt, dat er fabrieken zijn, die nu een half uur
overdag rusttijd geven om te eten. \'s Nachts hebben
ze geen rusttijd, maar lossen elkaar om de 12 uren af.
Daarbij komt, dat zij, die \'s nachts werken, overdag ook
nog wel met inschepen van goederen bezig zijn en aldus
soms 18 uren in de weer zijn. Aan de windmolens werken
ze 16 uren ; maar als er geen wind is, malen ze niet.
2088.    V. Wordt er in de pellerijen ook lang gewerkt?
A. Ja, als er wind is 18 uren; is er geen wind, dan
14 uren. Zij hebben 6 uren rust, maar zij moeten in
dien tijd van en naar den molen loopen, anderen
slaan in den molen een bivouak op. Dat is in de wind-
molens, waar ze 14 uren werken. Te Koog hebben wij
geen stoompellerijen.
2089.    V. En de stijfselfabriek ?
A. In de mais-stijfselfabriek van M. K. Honig is de
arbeidsduur 14 uren met een schafttijd van 1 uur.
2090.    V. Zijn er nog andere rusttijden ?
A. Neen.
2091.    V. Acht gij het mogelijk om in de pelmolens
een aanzienlijk korteren arbeidsduur in te voeren ?
A. Wanneer ik die vraag moet beschouwen in verband
met de verdienste van den patroon, dan geloof ik, dat
het slecht zou gaan, omdat dit jaar bepaald ongunstig
is geweest voor de pellerij. Er was niet veel te verdienen.
2092.    V. Staan er in het algemeen gesproken gunstige
jaren tegenover?
A. In de laatste jaren niet.
2093.    V. In de pel- en oliemolens is uit den aard
der zaak nachtarbeid. Komt die overigens nog veel voor
te Koog?
A. Neen.
2094.    V. En hoe staat het met den Zondagsarbeid ?
A. Dien vindt men bij enkele bakkers. In destijfsel-
fabrieken wordt gewerkt, als het noodig is, doch in den
regel niet.
2095.    V. Ons is medegedeeld, dat in Zaandam
door de meeste werkgevers, zoo niet door allen, in geval
van ziekte het loon wordt uitbetaald, met uitzondering
van de olieslagers. Hoe is dat te Koog?
A. Dat heet door te gaan; maar \'t is mij wel geble-
ken, dat een patroon alleen aanvult, wat aan de uitkeering
van „Door Eendracht Bloeiende" ontbreekt.
2096.    V. Verzekeren te Koog werkgevers hun volk
wel tegen ongelukken?
A. Het meerendeel niet.
2097.    V. Kent gij uit het jaar 1890 een geval, dat
iemand door een ongeluk buiten staat geweest is te werken?
A. Neen.
2098.    V. Wat gebeurt er, als de menschen door
ouderdom niet meer kunnen werken?
A. De meeste patroons geven geen uitkeering.
2099.    V. Gebeurt het dus wel, dat iemand, na lang-
jarigen dienst bij één patroon, ten slotte aan de lief-
dadigheid vervalt?
A. Ja, zoo heeft een knecht van Kluijver, die 60 jaar
oud is en een 30 jaar bij die firma gewerkt heeft, het
zeer armoedig, waaruit ik opmaak, dat hij niets ontvangt.
2100.    V. Het loon wordt te Koog, als ik mij niet
-ocr page 110-
101
2109. V. De commissie heeft zulk een onderzoek
ingesteld en een anderen indruk gekregen, dan gij
weergeeft.
P. Leguit.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Pcole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
vergis, veelal om de 14 dagen uitbetaald. Zoudt gij het
beter vinden, als dat om de week plaats had?
A. Ja, dat zou veel gemakkelijker zijn voor de huis-
houding.
2101.    V. Gebeurt het niet vaak, dat in de eerste dagen
te ruim wordt geleefd, en schraalhans nog erger keuken-
meester is op het einde, dan anders het geval zou be-
hoeven te zijn?
A. Ja, daar zijn veel voorbeelden van.
2102.    V. Omtrent Zaandam is ons medegedeeld door
verscheiden getuigen, dat — er zijn natuurlijk uitzon-
deringen — als regel het werkmansgezin van het geld,
hetwelk het Zaterdag beurt, niet behoeft te betalen, wat
het in de verstreken week heeft geborgd, maar kan betalen
wat het in de nieuwe week behoeft. Is dat uwe meening
ook voor uwe woonplaats?
A. O hé, neen, mijne ondervinding is anders. Lui, die
niet borgen, zijn witte raven bij ons en ook in Zaandam.
Er wordt veel geborgd bij ons en in de geheele Zaan-
streek; al die gemeenten gelijken op elkander. Ik hen
voorzitter van eene coöperatieve bakkerij en als zoodanig
heb ik eenige ondervinding.
2103.    V. Strekt zich uwe vereeniging over de geheele
Zaanstreek uit?
A. Vroeger wel, maar nu is Zaandam eene aparte
afdeeling: Koog, Zaandijk en Wormerveer is onze af-
deeling.
2104.    V. Had uwe vereeniging vroeger niet relatief ,
weinig leden te Zaandam ?
Verhoor van Pieter Stroo Janszoon, oud 65 jaar, pellers-
knecht bij de heeren Van Waveren & Dekker,
te Koog a/d Zaan.
2110.    De Voorzitter: Werkt gij op een molen?
A. Ja.
2111.    V. Met hoeveel personen werkt gij daar?
A. Met vier wolwassen knechts en één jongen.
2112.    V. Zijn er niet pelmolens, waar men werkt
! met slechts drie volwassen knechts en een jongen ?
A. Die zijn er, maar het zullen er niet vele zijn.
2113.    V. Hebt gij altijd op denzelfden molen gewerkt ?
A. Ja.
2114.    V. En altijd met vier man en een jongen?
A De eerste jaren met 3 man en een jongen, maar
dat heeft niet lang geduurd, want het werk was voor
den jongen toen te zwaar. Ik heb nu reeds 46 jaar op
den molen gewerkt.
2115.    V. Hoe wordt gij betaald?
A. Als meesterknecht verdien ik f 8 per week, en als
het, waait, één gulden per nacht. Of het waait of niet,
krijgen wij altijd f 2 per week, en dat wordt dan ééns
in het jaar verrekend.
A. Ja.
2105.    V. Waaraan schrijft gij dat toe ?
A. In de eerste plaats hebben wij hier nooit veel
gelegenheid voor propaganda gehad. Wij hebben hier
met „Recht voor Allen" gevent, maar zijn met klappen
weggejaagd, en dat heeft ons tegengehouden om hier |
weer te komen.
2106.    V. Dat is iets bijkomstigs; maar zijn er
geen bepaalde redenen voor het verschijnsel?
2116.    V. Wat hebben de andere knechts?
A. De tweede man heeft f 6 vast en f 2 voor het
i \'s nachts malen. d. i. bij elkaar f 8. De derde man heeft
i f 4 vast en f 2 voor \'s nachts malen.
i
2117.    V. Is die derde man getrouwd?
A. Ja.
2118.    V. Wat heeft de vierde?
A. Die heeft, alles bij elkaar, f 3,60.
2119.    V. Hoe oud is hij?
A. Hij heeft zich van het jaar moeten aangeven voor
de militie.
A. De arbeid, te Zaandam verricht, is meest hout-
zagen, waarop het onderwijs slechte vruchten draagt.
De houtzagers zijn een ruw volkje, hun werk voedt niet
erg op tot mensch.
2107. V. Gelooft gij, dat de olieslagerij meer ontwik-
kelend werkt dan de houtzagerij ? Ik dacht, dat het vak
van olieslager al tot de meest verstompende en geest-
doodende behoorde, die er zijn.
A. De bloei van onze vereeniging wordt niet gemaakt
door de olieslagers. Er zijn wel eenige kranige olie-
slagers in, maar de meeste leden zijn ambachtslieden.
Ik stel echter de olieslagers ook niet laag, vooral niet
sedert het bedrijf meer fabriekmatig is geworden en de
verdiensten wat verbeterd zijn.
2120.    V. Komt er nog wat extra\'s bij?
A. Ja, voor het sjouwen van garst. Er wordt zoo wat
200 last garst versjouwd, en daarvan krijgen wij 50 cents
per last, dus f 100 en die deelen wij met ons vieren.
2121.    V. Hoeveel nachten denkt gij, dat er gemid-
deld in de week gewerkt wordt?
2108. V. In de oliefabrieken wordt 12 uren achter-
een gewerkt en ook des nachts; in de houtzagerijen
wordt echter niet des nachts gewerkt en geen 12 uren
achtereen. Dat zijn twee omstandigheden, die, naar ik
meen, gunstig moeten werken op den toestand van den |
werkman in de houtzagerij, in vergelijking met dien van \'
de olieslagerijen.
A. Wanneer de commissie daarnaar eens een onder-
zoek instelde, zou zij zien, dat de houtzagers geen ont-
wikkelde menschen zijn, terwijl de olieslagers over het
algemeen wel meer ontwikkeld zijn.
A. Gemiddeld maar 2x/4 nacht per week. Mijn lieve
man! dat is een beetje, wij kwamen in den laatsten tijd
elf nachten te kort. Maar ik denk, dat het zoowat f2,25
in de week voor ons zal opleveren.
Enquête. — I)e Zaankant.
26
-ocr page 111-
102
2122.    V. Dat wil dus zeggen, dat er, het geheele
jaar genomen gemiddeld 2^4 nachten in de week gema-
len wordt?
A. Juist.
2123.    V. Als gij maalt, blijft gij dan in den molen,
zoolang er wind is?
A. Zeker.
2124.    V. Maar des Zondags toch niet?
A. Wel neen. \'s Zondag-morgens om half acht halen
wij altijd in, en\'s Maandag-morgensom vijf uur beginnen
wij weer.
2125.    V. Maar gij blijft er dan de heele week?
A. Ja, als er wind is.
2126.    V. Dus gij gaat niet naar huis om te eten?
A. Neen, dat kan niet gebeuren. De garst moet ge-
malen worden.
2127.    V. Hoe lang werkt gij per etmaal?
A. 18 uren. en de overige 6 slapen wij twee aan twee.
Wij hebben bedsteden en liggen er goed.
2128.    V. Slaapt gij boven in den molen?
A. Op den zolder.
2129.    V. Hebt gij beneden een kombuisje om uw
potje te koken ?
A. Ja, wij koken het zelf en hebben geen gebrek aan
koffie.
2130.   V. Wat doet gij, indien er geen wind is?
A. Dan is er genoeg werk aan den molen.
2131.    V. Hebt gij vrij gort?
A. Ja. Toen ik nog jongen was, hield ik er mijn
mond mede open.
2132.    V. Volgens uwe mededeeling, hebt gij aan den
molen een man, die f 6,50 verdient, nl. f 4 vast, f 2
nachtgeld en 50 ets. voor het sjouwen van garst. Die
man is getrouwd, niet waar?
A. Ja. Hij heeft 2 kinderen.
2133.    V. Eet hij veel gort?
A. Dat is niet veel.
2134.    V. Hoe oud is de jongen?
A. 13 jaar. Hij komt \'s morgens om 8 uur, heeft
Ik uur rust, zooals dat behoort, kookt \'s middags den
pot en gaat om 4, 5 uur naar huis toe.
2135.    V. Dat is zeker een soort duivelstoejager?
A. Ja.
2136.    V. Als ge ziek zijt, wordt dan toch het loon
uitbetaald?
A. Ja. Eens ben ik 17 weken ziek geweest, en ik ben
geen cent te kort gekomen.
2137.    V. Nu zijt gij 65 jaar, en gij ziet er nog goed
uit. Maar wat gebeurt er, als gij niet meer kunt?
A. Ik wilde, dat ik pensioen kreeg.
2138.    V. Hebt gij bij uwe firma wel eens oudjes zien
vertrekken?
A. Neen; een is er ontslagen voor oneerlijkheid, en
een ander is gehaald aan de pokken. Op de „Dolfijn"
is een meesterknecht geweest, die lang geprofiteerd heeft,
maar bij ons is dat niet voorgekomen.
2139.    V. Kunt gij het best vinden met den patroon ?
A. Een heel beste is het.
2140.    V. Uw patroon is vroeger zelf knecht geweest,
niet waar?
A. Ja bij. . . noem hem eens. . . bij Zwaardemaker.
Dat nachtmalen, als men op jaren komt, is wel onzoet.
Het gezicht wordt dan zwak, en dat is in den donker,
met ruw weder, wel lastig.
2141.    V. Hebt gij last van het stof?
A. Neen, mijne borst is niet meer, zooals die placht
te zijn; maar toen ik jong was, kon ik er goed tegen;
dan was ik wel eens loom en moede, maar hijgen deed
ik nooit, en dan geeft het stof geen last.
P. Stroo Jz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
>
                                              W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Pieter Smit, oud 48 jaar, olieslagersknecht
bij E G. Duyvis Fzn., te Koog a/d Zaan.
2142.    De Voorzitter: Is dat eene olieslagerij van lijn-
en koolzaad ?
A. Ja.
2143.    V. Maar zij is anders ingericht dan andere
fabrieken, niet waar ?
A. Ja.
2144.    V. In hoever?
A. Er wordt gewerkt met hydraulische persen.
2145.    V. Sedert wanneer is dat zoo?
A. Ruim 10 jaar.
2146.    V. Hebt gij daar al dien tijd gewerkt?
A. Ja, van October 1880 af; nu ben ik meesterknecht.
2147.    V. Waart gij vroeger in eene gewone olie-
slagerij ?
A. Ja.
2148.    V. Gij kunt dus eene vergelijking maken tus-
schen de beide werkwijzen. Welke inrichting is voor den
werkman het aangenaamst?
A. De persmachine is niet alleen aangenamer, maar
ook voordeeliger.
2149.    V. In hoever aangenamer?
A. Wij werken maar 12 uren en hebben steeds schaft-
tijd; het is dus een meer geregeld werk dan aan de
windmolens. Ten tweede is er steeds eene goede atmos-
feer en is men niet dan buiten dan binnen.
2150.    V. Is er nog niet een derde voordeel, dat in
de fabriek met de hydraulische persen niet het gestamp
is, dat in de windmolens zulk een leven maakt?
A. Akkoord. Ik weet er alles van; ik heb in den
windmolen 28 jaar gewerkt.
2151.    V. Gij zijt dus als lOjarige jongen begonnen?
A. Ja.
2152.    V. Wat was toen uw werk?
A. Ik was uithaler.
-ocr page 112-
103
2153. V. Hoe lang moest gij toen werken?
A. Het eerste jaar 8, het tweede 16 uren van de 24.
21-54. V. Dan is er toch wel verbetering in den toe-
stand gekomen?
A. Natuurlijk, en het zijn pessimisten, die beweren,
dat dit niet waar is. Doch alles gaat niet in eens, en
zoo zal er ook nog meer tot stand komen.
2155.    V. Er kan nog wel wat verbeterd worden in
de windoliemolens ?
A. Zeker, maar zoolang die blijven bestaan, zal de
naarheid aanhouden. Eene machine kan veel beter werken
en een knecht daardoor meer verdienen. De windmolens
zullen dus alle opgedoekt moeten worden, zal er ver-
betering voor de arbeiders komen.
2156.    V. Worden er langzamerhand windmolens op-
gedoekt ?
A. Ja, en wanneer men over 25 of 30 jaar komt,
dan zullen er vrij wat meer opgeruimd zijn.
2157.    V. Is de heer Duyvis de eerste, die aan de
Zaan eene hydraulische inrichting heeft gemaakt?
A. Ja.
2158.    V. Zijn er nog anderen?
A. Ja, de heer Prins.
2159.    V. Zijn er in den laatsten tijd nieuwe oliesla-
gerijen gemaakt volgens het oude systeem ?
A. Er zijn er veranderden vernieuwd. De heer Honig
heeft dat ook gedaan, maar het schijnt, dat hij het niet
gewenscht achtte, en hij heeft ook persen aangeschaft.
2160.    V. Hoe is de werkverdeeling bij u in de fabriek ?
A. De werktijd is 12 uren per dag en 12 uren per
nacht. De dagploeg werkt van \'s morgens 6 uur tot
\'s avonds 6 uur, en de nachtploeg van \'s avonds 6 uur
tot \'s morgens 6 uur.
2161.    V. Blijft gij gedurende die 12 uren in de
fabriek ?
A. Ja.
2162.    V. Gij gebruikt dus uw middagmaal aan de
fabriek ?
A. Ja.
2163.    V. En hoeveel tijd hebt gij daarvoor?
A. Een half uur.
2164.    V. Hebt gij geen anderen rusttijd?
A. Des morgens één kwartier om te schaften.
2165.    V. Gaan de mannen van de nachtploeg des
morgens om 6 uur naar huis?
A. Ja.
2166.    V. Moeten zij nooit langer aan de fabriek blijven ?
A. Neen.
2167.    V. Hoe lang gaan zij dan slapen ?
A. Gewoonlijk tot 12 uur. Dan gaan zij eten met
hun gezin, vervolgens een beetje kuieren en dan weer
slapen tot den avond.
2168.    V. Eet de dagploeg nooit in het gezin ?
A. Neen, zoolang zij ten minste dagploeg is.
2169.    V. En gij ?
A. Ik ga een uur naar huis om te eten.
2170.    V. Wordt dat niet-tehuis eten door velen niet
als eene groote schaduwzijde beschouwd ?
A. Ik zou u een voorbeeld van het tegendeel kunnen
geven. De patroon heeft zelf voorgeslagen om anderhalf
uur vrij te geven om naar huis te gaan eten, maar zij
hebben er voor bedankt.
2171.    V. Was dat misschien, omdat vermindering in
de verdiensten daarvan het gevolg zou zijn ?
A. In den zomer geheel niet, want dan werken zij
voor vast geld, en in den winter zou het ook al een
klein verschil uitmaken. Maar de quaestie is, dat zij het
niet aangenaam vinden om uit de warme fabriek, mis-
schien een half uur ver, naar huis en terug te loopen.
2172.    V. Vonden zij het voor den zomer ook niet
aangenaam, of is hun dat misschien niet aangeboden ?
A. Het aanbod gold voor winter en zomer.
2173.    V. Er zijn er thans, die te ver wonen; maar
zou de maatregel, wanneer hij eenmaal genomen was.
niet een spooaslag worden om dichter bij de fabriek
te gaan wonen ? Zou dus niet wel degelijk de maatregel
op die wijze leiden tot het doel, om de lieden in hun
gezin het middagmaal te doen gebruiken, en zoudt gij
dit niet inderdaad een zegen achten?
A. Ik ben het hierin volkomen met u eens.
2174.    V. Hoeveel bedraagt de verdienste van het
werkvolk, gemiddeld winter en zomer?
A. Voor getrouwden f 14 per week. Wij werken met
24 man. Er zijn 19 of 20 gehuwden, die f 14, en vier
ongehuwden, die f 7.50 hebben.
2175.    V. Is er groot verschil tusschen zomer en
winter?
A. Dat scheelt zoo ongeveer */4 ten gunste van den
winter, en dat is juist zoo als het wezen moet; want
als de werkman \'s zomers sparen moet voor den win-
ter, dan is er zooveel gelegenheid tot uitspanning, dat
er niet veel van komt. Hij heeft \'s winters meer noodig
dan \'s zomers, en daarom is het beter, dat hij dan ook
wat meer verdient.
2176.   De heer Le Poole: Gij zegt, dat er \'s zomers zooveel
gelegenheid tot uitspanning is; maar wanneer wordt
daarvan gebruik gemaakt?
A. \'s Zondags.
2177.    V. Hebt gij geen andere vrije dagen?
A. Neen.
2178.   De Voorzitter: Heb ik goed verstaan, dat gij
\'s zomers vast geld verdient en \'s winters op stuk werkt?
A. Ja.
2179.    V. Maakt gij dan andere artikelen?
A. Ja. \'s Winters maken wij murwe lijnkoeken voor
de beesten en \'s zomers arachide.
2183.    V. Werkt gij met jongens beneden 16 jaar?
A. Neen.
2184.    V. Deedt gij het ook niet vóór de invoering
van de arbeidswet?
A. Neen. wij hebben ze niet gehad en kunnen ze niet
gebruiken.
2185.    V. Gaan de loonen bij ziekte door?
A. Neen. Het ziekenfonds „Door Eendracht Bloeiende"
betaalt f6 en de patroon geeft er f 6 bij.
2186.    V. Hoe was het, vóór de vereeniging bestond?
A. Toen bestond de fabriek ook nog niet.
2187.    V. Bestaat er bij u een boetestelsel?
A. Neen, dat is overbodig; waar harmonie is, gaat
het heel best zonder boete.
-ocr page 113-
I
2188.    V. Komen er dan nooit te laat, of maakt het
volk zich nooit schuldig aan kleine overtredingen?
A. De knechts zijn tuk op hun tijd en de baas is
dat op de knechts, en dan kan men alle reglementen
missen.
2189.    V. Wordt het loon per week uitbetaald ?
A. Sedert 4 jaar. De patroon begreep, dat dit beter
was, omdat velen het geen 14 dagen kunnen uitzingen.
2190.    V. Denkt gij er ook zoo over?
A. Zeker, en het volk vindt het ook goed; ik heb
er zelfs hooren zeggen in dien eersten tijd: „het is of ik
f 1 meer heb."
2191.    V. Borgen de werklui niet voor hunne dagelijk-
sche behoeften ?
A. Dat is moeilijk te zeggen; als het zoo is, zullen
zij het wel stilhouden. Evenwel, er is mij nooit wat
van ter oore gekomen. Bij de windmolens is het wat
anders. Daar krijgen ze soms niets mede naar huis
en ziet het er ongelukkig uit, als de patroon niet helpt.
Dat noem ik treurig.
2192.    V. Is het te Koog niet, evenals te Zaandam, ge-
bruikelijk, dat de knechts aan de oliemolens alle 14
dagen een vast bedrag ontvangen, of zij werken of niet,
met verrekening ééns of tweemaal per jaar?
A. Het is mogelijk, maar ik weet het niet.
2193.    V. Op de molens, waar gij gewerkt hebt, was
het niet?
A. Neen.
2194.    V. Komt in de fabriek evenveel stof en on-
reinheid voor, als in de molens?
A. De stampers zijn weg en het grootste stof daar-
mede ook.
2195.    V. Wordt er bij u ook gesmeerd onder het werk ?
A. Als alles stilstaat, en anders slechts, waar geen
gevaar is.
219ö. V. Wordt het vliegwiel met eene staaf aangezet ?
A. Ja, nooit met de hand.
2197.    V. Is het vliegwiel omheind?
A. Ja, met een hekje; de pletterij en desteenenook.
2198.    V. Zijn er in de latere jaren ongelukken voor-
gekomen aan de fabriek ?
A. Ja, met den verzamelaar; dat is een zwaar ge-
wicht, dat opgezet wordt. De ondermeesterknecht was
een zeer bang man, die altijd placht te zeggen: „ik zal
wel zorgen, dat ik daar of daar niet zal komen"; maar
gedurende den schafttijd, terwijl ik thuis was, is hij bij
dien verzamelaar gegaan en daar op een plaatsje gekro-
pen, waar men haast niet begrijpen kan, dat een man
inkomt; de pers kwam naar beneden, en hij was ver-
pletterd.
2199.    V. Liet die man een gezin na?
A. Neen, eene ongehuwde dochter; die heeft nu levens-
lang f 3 in de week van mijnheer.
2200.    V. Uit uwe mededeelingen maak ik op, dat de
verhouding bij u aan de fabriek tusschen patroon en
werklieden gunstig is.
A. Dat mag ik gerust zeggen.
2201.    V. Kunt gij de overtuiging uitspreken, dat, als
wij een gewoon werkman uit de fabriek vóór ons had-
den, deze dezelfde verklaring zou afleggen?
A. Ja.
P. Smit Jr.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Koijaards, Adj.-secretaris.
-ocr page 114-
ZITTING VAN DONDERDAG 8 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kekdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Poole.
Visser.
Verhoor van Jan Nota, oud 47 jaar, stijfsel maker, mees-
terknecht in de stijfselfabriek van den heer
M. K. Honig, te Koog a/d Zaan.
2202.    De Voorzitter: Is dit altijd uw vak geweest?
A. Ja, van mijn dertiende jaar af.
2203.    V. Zijt gij tot uw dertiende jaar op school
geweest ?
A. Ja, te Zaandam.
2204.    V. Was het in uwe dagen niet eene zeldzame
uitzondering, dat men tot dien leeftijd op school bleef?
A. Ja; maar ik ben, doordat mijn vader in behoef-
tige omstandigheden verkeerde, eerst op mijn achtste
jaar op school gekomen.
2205.    V. Wat toen uitzondering was, is dat tegen-
woordig in Koog regel geworden?
A. Ja.
2206.    V. Sedert wanneer is dit zoo?
A. Sedert 7 a 8 jaar.
2207.    V. Toen dat zoo langzamerhand gewoonte werd,
was er toen niet veel tegenstand van den kant der ouders,
omdat zij eerst wat later de verdiensten van de
kinderen kregen?
A. Er is wel wat tegenstand geweest, maar bijna
allen op die vergadering waren er voor.
2208.    V. Welke vergadering?
.1. Eene vergadering van „Ons Onderwijs".
2209.    V. Kwamen daar ook de ouders van de kin-
deren ?
A. Ja, die lid waren, konden komen.
2210.    V. Waren er veel werklieden?
A. Er waren er ongeveer 60.
2211.    V. Zijn er gewone fabrieksarbeiders ook lid?
A. Van onze fabriek, die 26 man telt, zijn er zeker
20 of 21 lid; de laagste contributie is f 0.30. en daarvoor
krijgen de kinderen een feestje.
2212.    V. Er zullen te Koog toch veel gezinnen zijn,
die onder de verlenging van het schoolbezoek geleden
hebben. Bestaat er nu nog altijd bij vele ouders onte-
vredenheid, dat de werkgevers de kinderen vóór hun
dertiende jaar niet in dienst willen nemen ?
A. Men is er langzamerhand aan gewoon geraakt, al
was er in het begin ook eenige tegenstribbeling. Tegen-
woordig wordt er zelfs nooit meer over gesproken.
Alleen zijn er misschien nog zeer enkele ouders uit de
allerminste klasse, die er tegen zijn.
2213.    V. Wanneer de wetgever nog verder ging, en
voorschreef, dat, wat nu te Koog geldt, tot 14 jaren
gelden moest, gelooft gij, dat men daaraan dan te Koog
ook spoedig gewend zou raken?
A. Ik geloof niet, dat het goede resultaten zou op-
leveren.
2214.    V. Met hoeveel man werkt gij?
A. Met 26 man.
2215.    V. Zijn daaronder ook jongens?
A. Een, die verleden jaar 16 jaren oud is geworden ;
op dien leeftijd komen zij gewoonlijk op de fabriek.
2216.    V. Wat doen de jongens gewoonlijk, vóórdat
zij bij u komen?
A. Zij komen meestal van de zakjesplakkerij.
2217.    V. Er wordt bij u in de fabriek dag en nacht
gewerkt; hoe is dat geregeld?
A. Er is eene dag- en eene nachtploeg. De werktijd van
de dagploeg is van \'s morgens 5 tot \'s avonds 6 uur; van
de nachtploeg van \'s avonds 6 tot \'s morgens 5 uur.
De nachtploeg komt \'s avonds om 6 uur, werkt tot
12 uur, met een klein half uur tusschentijd om te
schaften, heeft van twaalven tot half twee vrij om te
eten, en werkt dan door tot 5 uur.
Dan komt de dagploeg op, die om 8 uur gaat
schaften, van 9 tot 12 uur doorwerkt, van 12 uur tot
•n
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 115-
lOfi
half twee vrij is om te eten, en eindelijk om 6 uur naar
huis gaat.
221.S. I\'. Het is immers niet algemeen gebruikelijk,
dat \'s middags anderhalf uur rust wordt gegeven?
A. Neen, het is zeldzaam. Gewoonlijk is de rusttijd
van 12—1 uur.
2219.    V. Is het in deze fabriek altijd anderhalf uur
geweest ?
A. Van den tijd, dat met vollen stoom is gewerkt, af.
2220.    V. Wordt die anderhalf uur rust door de werk -
lieden zeer gewaardeerd ?
A. Ja, het is zeer genoegelijk voor hen, omdat zij
al den tijd hebben om op hun gemak thuis te gaan
eten.
2221.    V. Beschouwen diegenen, die maar één uur
rust hebben, de werklieden van de fabriek van den heer
Honig als bevoorrechten?
A. Ja, dat kunt gij zelf wel begrijpen.
2222.    1\'. Wat doen zij in den nachtelijken rusttijd
van anderhalf uur?
A. Dan eten zij of doen even de oogen toe.
2223.    V. Hebben zij \'s nachts ook warm eten ?
A. Ja. gewoonlijk wel.
2224.    V. Is dit eene algemeene gewoonte?
A. Er zijn slechts enkelen, die brood eten.
222ö. V. Dus dan nemen zij twee keer per etmaal
warm eten ?
A. Meestal wel.
2226.    V. Eten zij \'s nachts meelspijzen of aardappelen
en groenten ?
A. De een eet dit, de ander dat.
2227.    V. Zijn die aardappelen met groente met vet
gekookt ?
A. In den regel wel.
2228.    V. Is er eene aparte gelegenheid om dien rusttijd
door te brengen?
A. Ja, de droogfabriek, die geregeld verwarmd is.
Het was er echter vroeger, toen er cokesvuren brand-
den, warmer dan tegenwoordig, nu er door middel van
stoom pij pen gedroogd en verwarmd wordt.
2229.    V. Hoe dik zijn die stoompijpen?
A. 2 Amsterd. duim, maar alles en alles bij elkaar
kan men wel zeggen, dat het 4 a 5 Amsterd. duim is.
2230.    V. Is de temperatuur dan nog niet tamelijk
laag?
A. Neen, zij is vrij schappelijk, ongeveer 40 a 45°
Fahrenheit.
2231.    V. Wordt er veel overgewerkt?
A. Tegenwoordig werkt de nachtploeg zoowat 3-maal
in de week 3 uren over.
2232.    V. Een getuige heeft verklaard, dat bij de
firma Honig 14 uren wordt gewerkt met één uur rust.
Is dat onjuist?
A. Ik verzeker u, dat dit onjuist is. Ik heb verleden
jaar ook aan den heer Struve opgegeven, wat ik nu
vertel.
2233.    V. Is er bij u Zondagsarbeid ?
A. Zelden; vroeger, toen er handarbeid was, wel.
2234.    V. Is dat een gevolg van de verbetering der
fabriek door stoom ?
A. Ja, nu wordt er \'s Zondags alleen van 5 tot 7M uur
gewerkt. Dat moet, want als de boel droog is, moet hij
er uit, anders zou er schade komen. Dat is evenals
bij den bakker. Zulk werk geschiedt door de dagploeg.
2235.    V. Hoe wisselen de ploegen ?
A. Ik heb 4 ploegen, die in vieren verdeeld zijn.
terwijl andere fabrieken dat halveeren. Elk man moet
derhalve om de 4 weken nachtwerk doen, een paar oude
menschen uitgezonderd. Vroeger had dit plaats om de
drie weken, maar omdat de menschen liever overdag
werken, hebben wij er eene ploeg bijgenomen.
2236.    V. Waardeert het volk die grootere tusschen-
poozen van nachtwerk ?
A. Ja, dat vindt de werkman aangenamer; iedereen
heeft een hekel aan nachtwerk.
2237.    V. En vindt gij zelf het, met het oog op den
arbeid, wenschelijk, om den nachtarbeid tot zoo gering
mogelijke proporties terug te brengen?
A. Ja, daar ben ik zeer voor.
2238.    V. Wordt de arbeid beter verricht overdag
dan \'s nachts?
A. Ja, dat kan niet uitblijven; dat is eene uitge-
maakte zaak.
2240.    V. Stel, dat er om de andere week nacht-
arbeid voor eene ploeg kwam, zou zich dat dan in het
werk openbaren ?
A. Ja, natuurlijk; dat kunt u toch wel begrijpen,
want dan zouden de menschen minder rust krijgen. De
dagrust is immers niet zoo genoeglijk als de nachtrust;
de een wordt wakker gehouden door zijne kinderen, de
ander door het bedrijf van zijn buurman, die smid of
timmerman is. Als een man niet genoeg rust heeft, is
hij ook niet in staat om zijn arbeid goed waar te nemen.
2241.    De heer Visser: Gij hebt als warmtegraad der
droogfabriek opgegeven 45 ° Fahrenheit. Is dat de tem-
peratuur in dezen tijd van het jaar, nu het zoo bar
vriest ?
A. Ja.
2242.    V. Hoe is het dan \'s zomers wel ?
A. Dan zou dit te warm zijn, en zijn de menschen
in andere lokalen.
2243.   V. Hoe worden de loonen berekend: per uur of
per week ?
A. Per week. Bij ons zijn de loonen als volgt:
Ik zelf verdien . . .
• ƒ21-
2 werklieden van . .
„ 16-
4 „ • •
„ 15,-
5 „ „ . .
„ 11,-
3 „ ii
„ 12,50
1 werkman „ . .
„ 11,50
2 werklieden „ . .
„ 12-
1 werkman „ . .
„ 14,90
4 werklieden „ • .
ii "i
** ji il
„ io,-
en 1 jongen „ . .
„ 4,50
2244. V. En hoe worden de overuren betaald?
A. f 0,15 per uur.
-ocr page 116-
107
2245.    V. Komt er nog wat bij ? Hebben zij nog andere I
voordeden ?
A. De laatste jaren niet; vroeger hadden wij een
premiestelsel, dat waarschijnlijk weder zal worden inge-
voerd.
2246.    V. Waarom is het afgeschaft?
A. Omdat er ten gevolge van de concurrentie niet zoo-
veel meer te verdienen was.
2247.    V. Wanneer wordt bij u uitbetaald?
A. Op Zaterdag-avond.
2248.    V. Hoe gaat het dan met het geld van die
menschen, welke den Zaterdag-nacht doorwerken?
A. Die nemen het \'s Zondag-morgens mede naar huis.
2249.    V. Wanneer worden de inkoopen gedaan?
A. Des Zaterdag-avonds.
2250.    V. Maar dan hebben die van de nachtploeg het
geld nog niet thuis gebracht?
A. Ja, maar dan borgen zij.
2251.    V. Zou er bezwaar bestaan om de loonen \'s Zater-
dag-ochtends te betalen, zoodat het geld op Zaterdag-middag
in huis kwam, opdat er 6f niet geborgd behoefde te worden
of de huisvrouw hare inkoopen niet op Zondag behoefde
te doen?
A. Bezwaar zou er niet tegen bestaan.
2252.    V. Ik heb aan verscheidene getuigen uit \'
Zaandam gevraagd, of de werkman in den regel borgt
voor de gewone dagelijksche behoeften, met andere woorden:
of het gezin met het geld, dat Zaterdag-avond ontvangen j
wordt, betaalt hetgeen gedurende die week is geborgd, :
dan wel met dat geld contant het benoodigde betaalt
gedurende de volgende. Verscheidenen hebben gezegd,
dat borgen regel was, anderen contant betalen. Wat zegt gij ?
A. Ik zeg, dat er algemeen geborgd wordt.
2253.    V. Gelooft gij, dat dit ook voor Zaandam geldt?
A. Ik wilde, dat u maar eens gingt rondvragen bij de j
winkeliers hier, wat er bij hen op het boek staat. Mijn
schoonvader had eene groote bakkerij, en ik kan u ver-
zekeren, dat, hoewel hij niet van borgen hield, hij toch,
in het ordentelijke, een vet boek had.
2254.    V. Zijn er velen lid van coöperatieve ver-
eenigingen ?
A. Bij ons is enkel eene coöperatieve bakkerij;
daarvan zijn er niet veel lid. Die zaak heeft echter nooit
goed gewerkt. Er waren namelijk nooit ordentelijke
mannen, die het werk in handen hadden. Ik ben zelf
commissaris geweest het eerste jaar, dat de zaak opge-
richt werd, maar in een half jaar was er f 300 tekort.
2255.     V. Gaat het nu beter?
A. Er is verleden jaar 4 percent dividend uitgekeerd.
2256.    V. Werkt, zoover gij weet, de winkelvereeniging
te Zaandam goed?
A. Naar ik hoor, wel.
2257.    V. Ziet gij in coöperatie niet groot voordeel, I
al was het maar alleen met het oog op het contant
betalen ?
A. Natuurlijk.
2258.    V. Gaat bij ziekte het loon bij u aan de fabriek
door?
A. Het loon wordt volledig uitbetaald, maar dan
moeten wij onder elkander voor den zieke het werk doen.
2259.    V. Wordt dan toch dezelfde hoeveelheid werk
geleverd ?
A. Ja, maar als de nachtploeg eenige uren moet
overwerken, wordt dit door den patroon betaald.
2260.    V. Het komt dus hierop neer, dat de bijdrage
van den patroon bij ziekte alleen bestaat in het betalen
van het aantal overuren-geld, maar dat voor het overige
de gezonde werklieden het doen en niet de patroon?
A. Ja.
2261.    V. Zijn de werklieden tevens lid van „Door
Eendracht Bloeiende"?
A. De meesten zijn er lid van.
2262.    V. Heeft dus een man in geval van ziekte,
behalve het volle loon, de f5 a f6 uitkeering van „Door
Eendracht Bloeiende"?
A. Ja.
2263.    V. Het gezin heeft alzoo meer inkomsten om
de buitengewone uitgaven voor de ziekte te bestrijden ?
A. Natuurlijk.
2264.    V. Ik ben het volkomen met u eens, dat het
goed is, indien het gezin in tijd van ziekte meer inkomsten
heeft. Doch er is een bezwaar aan verbonden, en dat is,
dat het eene premie kan zijn om ziek te zijn, ener dus alle
aanleiding is om tegen misbruik te waken. Hebt gij de
behoefte hieraan ondervonden ?
A. Ja, er zijn er wel, die er gemakkelijk over denken.
2265.    V. Wat doet gij om er tegen te waken?
.1. Er is niet veel aan te doen.
2266.    V. Geeft de dokter geen bericht, dat de zieke
hersteld is?
A. Neen.
2267.    V. Bestaat de controle feitelijk daarin, dat de
gezonde werklieden er op letten?
A. Het zijn meest dezelfde ziekelijke menschen, die
van de fabriek wegblijven.
2268.    V. Wordt bij u in de fabriek het vliegwiel
met de hand aangezet?
A. Ja, maar als het vliegwiel aangezet wordt, staat
de machine zonder stoom.
2269.    V. Wordt het niet met eene staaf gedaan?
A. Neen, dat moet nog geschieden.
2270.    V. Dit is toch geen zaak, die veel om het
lijf heeft ?
A. Er moet slechts een ijzer tegen den muur gebracht
worden.
2272.    V. Zou het niet wenschelijk wezen om het
niet met de hand te doen ?
A. Ja.
2273.    V. Wordt er nooit gesmeerd, terwijl de machine
aan den gang is?
A. Nooit; ten minste het behoeft niet. Ik ben zelf
eens door een klein schroefje te pakken genomen, onge-
makkelijk ; en toen heb ik gezegd: dat nooit meer; jelui
zijt vrij om den riem met staande machine op te leg-
gen; die dat niet doet, moet het maar zelf weten, dat
is zijne eigen zaak.
2274.    V. Zoudt gij niet een stap verder hebben
kunnen gaan door het te verbieden?
A. Dat heb ik gedaan, maar \'t is bij ons zoo groot,
en men kan niet overal te gelijk zijn.
-ocr page 117-
108
2275.    V. Gebeurt het opleggen van den riem met
een riemoplegger of met de hand ?
A. Met de hand.
2276.    V. Zou een riemoplegger niet minder gevaar-
lijk zijn?
A. Ziet u daar zooveel voordeel in ?
2277.    V. Vakmannen verklaren, dat het veel beter
is, om een doelmatigen oplegger te gebruiken.
A. De kans van ongelukken blijft dezelfde.
2278.    V. Maar dan is de toestel niet doelmatig.
A. Die ik heb zien werken, was van de derde vinding,
een jaar of 4 geleden, en heel goed.
2279.    V. Maar er bestaat nu al wel een 26ste ver-
betering. Hebt gij de nieuwste toepassing op de Amster-
damsche tentoonstelling gezien ?
A. Ja. maar de verbetering daarbij betrof maar een
klein schroefje.
2280.    V. Maar daar kan het juist in schuilen.
.4. Neen, om de weerga niet. Ik ben er niet zoo voor.
Bovendien, de machine behoeft, als het met de hand ge-
beurt, slechts lenigjes te gaan.
2281.    V. Wordt er, als de boel heeft stil gestaan en
weder aan den gang gaat, een sein gegeven ?
A. Ja, de man belt en de machinist fluit.
2282.    V. En wordt er ook een tegensein gegeven,
ten bewijze, dat het fluiten gehoord is?
A. Ja.
2283.    V. Werpt het bedrijf niet nogal stof af?
A. Neen, bij ons is alles nat.
2284.    V. Hoe vaak wordt de boel gereinigd \'.\'
.1. Er wordt alle dagen gespoeld, en boven geveegd.
228"). V. Wordt ééns per jaar alles schoongemaakt ?
A. Ja, van boven tot onderen.
2286.    V. Is de fabriek aangesloten aan de water-
leiding?
A. Ja.
2287.    V. Maken de werklieden daar veel gebruik van ?
A. Ja.
2288.    V. Hebt gij wel eens ongelukken in de fabriek
gehad ?
A. Neen, alleen ben ik zelf eens gegrepen, en daarom
mag nu niemand aan een riem komen, als ik er niet ben.
2289.    V. Hebt gij een boetestelsel in de fabriek ?
A. Neen, in het geheel niet.
2290.    V. Is daaraan nooit behoefte gevoeld ?
A. Och, dan eens, oppervlakkig gesproken, wel, en dan
weer niet. Er komen er wel eens te laat, maar als zij
niet te ver wonen, laat ik ze roepen.
2291.    V. Maar meent gij, dat boeten noodzakelijk zijn
of niet?
A. Vroeger dacht ik van wel, maar ik heb gezien,
dat dergelijke dingen zich van zelf redden.
2292.    V. Gelooft gij, dat het niet toepassen van boeten
gunstig werkt op de verhouding tusschen patroon en
werkvolk ?
A. Zeer zeker; dat is de voornaamste reden, waarom
ik tegen boeten ben. Als ik de boeten uit de fabriek
kan houden, komen zij er nooit in, want het opleggen
van boeten is den een het loon uit zijne keel halen en
er den ander later van laten profiteeren.
2293.    V. Gij bedoelt door de verdeeling van den
boetenpot ?
,4. Juist, daar hebt gij het.
2294.    V. Wie neemt de werklieden aan?
A. De patroon. Ik moet vrij blijven in mijn spreken.
Als ik de werklieden aannam, zou de patroon, als ik
I kwam klagen, kunnen zeggen: gij hebt den man zelf
aangenomen. Ik neem zelfs geen jongen aan.
2295.    V, Wanneer de patroon, misschien op uw ad-
i vies, meent, dat het beter is om een werkman te ont-
: slaan, wordt hem dat dan eenigen tijd te voren aange-
\', kondigd?
A. Zoolang ik bij den heer Honig ben, is dat maar
; eenmaal voorgekomen ; toen is de man \'s Maandag-mor-
I gens gewaarschuwd, heeft gewerkt tot Zaterdag en ont-
ving daarna zijn loon nog eene week.
2296.    V. Om welke reden werd die man ontslagen?
A. Hij maakte de fabriek leelijk.
2297.    V. Is er nooit aanleiding geweest voor de werk-
lieden om uit zich zelf weg te gaan?
-4. Jawel, om verbetering te krijgen.
2298.    V. En zeiden die werklieden ook 14 dagen te
voren op ?
A. Ja, maar het is maar weinig voorgekomen.
2299.    V. Komen de werklieden wel in aanraking
met den patroon zelf?
.4. Ja, hij loopt de geheele fabriek door en spreekt
met een ieder
2300.     V. En als de werkman iets op zijn hart heeft,
wenschen of grieven, wendt hij zich dan tot den patroon
zelf?
A. Ja.
2301.    I7. Gebeurt het wel eens?
A. Het is zeldzaam, meestal wenden zij zich tot mij.
2302.    V. Is de verhouding in de fabriek eene aan-
gename ?
A. Die is heel gemeenschappelijk.
2303.    V. Hebt gij de overtuiging, dat wanneer wij
een werkman uit de fabriek hier hadden, hij hetzelfde
zou zeggen als gij ?
A. Ja.
2304.    V. Is het werk in de ouderwetsche stijfselfa-
brieken niet veel ongeregelder dan bij u?
A. Ja; het is mij in vroeger jaren wel gebeurd, dat
ik eerst om 12 uur \'s nachts opstond, na 18 uren werk.
Wordt er op die manier nog gewerkt?
2305. V.
A.
Ja.
2306.    V. Wordt het dan aan de werklieden overge-
laten om hun werktijd te regelen?
A. Ja.
2307.    V. Dus de patroons stellen groot vertrouwen
in de plichtsbetrachting van de werklieden?
-ocr page 118-
109
2322.    V. Als een zoogenaamde „jongen" getrouwd
is, dan is het dus zeker: armoe troef?
A. Natuurlijk.
2323.    V. Hoe lang werkt gij per dag, wanneer het
waait ?
A. Zestien uren.
2324.    V. Hoeveel rusttijd is daarbij ?
A. Wij lossen elkander af, als het etenstijd is.
2325.    V. Hoeveel tijd neemt gij dan voor het eten?
A. Een half uur of een uur, naar gelang er tijd en
gelegenheid is.
2326.    V. Rust gij niet meer?
A. Neen, voor het overige sta je pal.
2327.    V. En als de wind nu eens zes dagen aan-
houdt ?
A. Dat gebeurt maar eens of tweemaal in het jaar
2328.    V. In het jaar 1890 is er weinig wind geweest,
niet waar?
A. Het was middelmatig.
2329.    V. Weet gij ook, hoeveel dagen de molen in
dat jaar heeft gemalen?
A. Neen.
2330.    V. Er wordt toch 16 uren gewerkt, niet waar,
hetzij er veel wind is of weinig ?
A. Wanneer er weinig wind is, zijn ze niet allen
noodig, de een gaat dan een paar uren vroeger weg, en de
ander komt wat later.
2331.    V. Komen ze in gewone dagen allemaal ge-
lijk op ?
A. Zij lossen elkaar af.
2332.    V. Hoe laat begint men ?
A. De dagblokmaler komt om 4 uur \'s morgens en
gaat om 8 uur \'s avonds weg. Dan komt de steen-
knecht tot den anderen middag 1\'2 uur. Hij werkt 16
uren als steenknecht, en de nachtblokmaler komt reeds
\'s middags om 12 uur en blijft tot \'s morgens 4 uur.
2333.    V. Vindt gij werk genoeg aan den molen, wan-
neer er geen wind is ?
A. Er is soms iets over te brengen, en de boel moet
ook worden schoongemaakt.
2334.    V. Wordt er wel langer dan 16 uren gewerkt ?
A. Neen.
2335.    V. Hebt gij een vast weekgeld ?
A. Neen, wij malen per last.
2336.    V. Hoeveel krijgt gij er voor?
A. Wij moeten f 9.45 onder elkaar verdeden. De
pletjongen krijgt f 1.20 apart, zoodat het samen f 10.65 is.
2337.    V. Bij u aan den molen moet gij f 9.45 met
uw vijven verdeelen. Zijn er molens, waar er slechts
vier werken, zoodat zij f 9.45 met hun vieren deelen ?
A. Neen.
2338.    V. Wij hebben toch een getuige gehad, die
van een windmolen kwam, waar behalve de pletjongen
maar 4 mannen waren. Is dat dan onjuist?
A. Het kan wel, maar dan loopt men een ander uit
de voeten. In plaats van met 6 man te sjouwen, doen
zij het ook wel eens met 5; zij verdienen dan meer, maar
moeten daarvoor ook harder werken.
28
A. Zeker.
2308. V. Zijn er in Koog nog van die ouderwetsche
stijfselfabrieken ?
A. Neen, daar zijn alleen stoomfabrieken.
J. Nota Sz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Pieter Timmer, oud 62 jaar, olieslagers-
knecht in de fabriek van de firma T. Crok,
te Koog aan de Zaan.
2309.    De Voorzitter: Zijt gij een beetjehardhoorend?
A. Ja.
2310.    V. Lijden bijna alle olieslagers aan die kwaal?
A. De meesten van ons worden, wat men zegt, heidoof.
2311.    V. Wordt er nog steeds bij u met heien
gewerkt?
A. Ja.
2312.    V. Worden aan die heien de borgpennen steeds
gebruikt ?
A. Ja.
2313.    V. Wordt het nooit vergeten?
A. In onze hei is dat niet noodig, want die gaat
altijd op en neer, maar in de stamperij wel, waar het
meel door de jongens uitgehaald wordt. Daar wordt
natuurlijk een bout ingestoken.
2314.    V. Zijn er aan de loopende steenen geen uit-
stekende armen?
A. Neen.
2315.    V. Gij werkt immers op een windmolen ?
A. Ja.
2316.    V. Zijn de fuisters open?
A. Dat zijn natuurlijk gaten, waar de turf ingegooid
wordt.
2317.    V. Waar blijft de rook?
A. Die gaat de kap uit; wanneer hij een enkelen
keer blijft hangen, gooien wij de deuren open.
2318.    V. Met hoeveel man werkt gij ?
A. Zes man, met den pletjongen mee.
2319.    V. Afgezien van den pletjongen, is er immers nog
iemand, die „jongen" genoemd wordt, en toch dikwijls
een volwassen persoon is?
A. Ja, er zijn altijd achterblijvers.
2320.    V. Komen er wel „jongens" voor, die ge-
trouwd zijn?
A. Een enkelen keer, meestal brengen zij het verder.
2321.    V. Wat verdient zulk een .jongen"?
A. f 5.25 in de week vast, en gemiddeld f 0.50 voor
bet afschepen.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 119-
110
2339.    V. Ontvangt gij om de 14 dagen precies wat
gij verdient hebt. ot eene vaste som, om dan per halfjaar
het verschil te verrekenen ?
A. Ik ontvang, wat ik te goed heb; dus den eenen
keer meer, den anderen minder.
2340.    V. Weet gij, hoeveel gij alsblokmaler over 1890
hebt ontvangen?
A. Neen, niet nauwkeurig, maar het eene jaar door
het andere komt dat neder op mijn aandeel van 200 last.
2341.    V. Is uw arbeid vermoeiend ?
A. Men kan er oud bij worden; ik doe het al 48
jaren.
2342.    V. Hoe gevoelt gij u, als gij zoo 16 uren achter
den rug hebt?
A. Och, de beenen zijn \'s avonds loomer dan \'s morgens,
dat is al.
2343.    V. In andere vakken worden de loonen per
week uitbetaald, niet waar?
A. Zulke zullen er niet veel wezen, op de timmer-
werven is het ook om de 14 dagen. Ik heb een zoon op
een pelmolen gehad, die kreeg het per week. Maar regel
zal wel zijn om de 14 dagen, en hebben de menschen
dan behoefte, dan vragen zij wel om een voorschot.
2344.    V. Hoe oud is uw pletjongen ?
A. Hoven de 1(1 jaar.
2345.    V. Vroeger werden wel jongere jongens voor
dat werk gebruikt, niet waar?
A. Vroeger wel, maar dat is nu uit den tijd.
2346.    r. Sedert de nieuwe wet ?
A. Ja; ik heb ook zoo\'n kaart gehad, daar stond de
jongen in, maar nu is hij boven de 16 jaar.
2347.    V. Hoe lang is die jongen bij u ?
A. Een half jaar ongeveer.
2348.    V. En voordat die jongen er was, wie was er
toen?
A. Toen was er een jongen van 16 jaar, die is weg-
gegaan, en toen hebben wij het eene poos zonder moeten
doen.
2349.    V. Neemt de patroon nu geen jongens meer
aan beneden de 16 jaar?
A. Neen, dat mag niet.
2350.    V. Volgens de wet wel, als zoo\'n jongen dan
maar korter werkt.
A. De patroon wil het niet hebben.
2351.    V. Wie neemt de jongens aan?
. I. De blokmaler ; de patroon neemt zelf de knechts
aan.
2352.    V. Wordt er wel op Zondag gemalen?
A. In de laatste jaren bijna niet meer, maar ik heb
den tijd nog beleefd, dat wij van half October tot
Paschen onafgebroken doorwerkten.
2353.    V. Waardoor is dit anders geworden ?
A. Door de vele fabrieken bestaat niet meer zulke
plotselinge behoefte aan ons product, en dan laten de
(>atroons ook niet graag op Zondag werken, of het moet
loogst noodzakelijk zijn.
2354.    V. Bedoelt gij met dit laatste, dat de patroons
zijn gaan inzien, dat het beter is om de menschen\'s Zon -
dags vrij af te geven ?
A. Ja; en als er nu nog \'s Zondags gewerkt wordt,
dan krijgen wij anderhalf maal het gewone loon.
2355.    V. Is er niet jaarlijks een tijd. dat de molen
stilstaat om gerepareerd en schoongemaakt te worden?
A. Ja, dat is veertien dagen in het jaar.
2356.    V. Hoe gaat het dan met de betaling?
A. Dan worden wij uitbetaald tegen 6 last; vroeger
was dat voor rekening van den olieslager.
2357.    V. Is dat lang geleden?
A. Ik denk 20 a 25 jaar.
2358.    V. Wordt er tegenwoordig niet veel meer buiten-
landsch lijnzaad dan inlandsen koolzaad verwerkt?
A. Zeker.
2359.    V. Maakt men van lijnzaad niet meer koeken
dan van koolzaad?
A. Ja.
2360.    V. Verwerkt gij dus liever, waar gij per last be-
taald wordt, koolzaad dan lijnzaad?
A. Zeker, liever koolzaad.
2361.    V. Sedert wanneer wordt er meer lijnzaad dan
koolzaad gebruikt?
A. Dat is langzamerhand veranderd.
2362.    V. Wordt er, vergeleken met bijv. 6 jaren ge-
leden, thans meer lijnzaad vermalen dan toen?
A. Ja.
2363.    V. Is nu het loon per last in de laatste 6 jaren
verhoogd ?
A. Neen.
2364.    V. Is dan in de laatste 6 jaren uw feitelijk
loon minder geworden?
A. Ja, dat wordt van zelf minder, wanneer men altijd
lijnzaad maalt.
2365.    V. Is door ulieden niet gevraagd om voortaan
betaling te hebben, niet per last, maar per getal koeken ?
A. Neen, maar eene soort van vakvereeniging schijnt
aangedrongen te hebben op uitbetaling per 1200 koeken.
2366.    V. Dat zoudt gij zeker wel willen?
A. Zij, die koolzaad verwerken, wenschen het niet.
Het gebeurt wel, dat het des zomers een heele toer
is om den molen aan den gang te houden; dan wordt
er cacao en arachiden gemalen, en dat zijn artikelen,
die altijd nog minder geven dan koolzaad.
2367.    V. Zijt dus gij niet overtuigd, dat betaling van
dezelfde som per 1200 koeken voordeeliger is dan be-
taling per last?
A. Voor sommigen wel, voor anderen zou het geen
verschil uitmaken.
2368.    1\'. Gij spraakt van eene soort vak-vereeniging:
bedoelt gij eene poging, waaraan de blokmaler Van
Rooy deel nam?
A. Dat weet ik niet.
2369.    V. Is er waterleiding in den molen ?
A. Neen, maar wij hebben een bak met goed regen -
water.
2370.    V. Gaat bij ziekte het loon door?
A. Wij krijgen bij ziekte van eene vereeniging f6,
en dan doet er de patroon f3 bij; dat maakt dus f9.
2371.    V. Hoeveel betaalt gij aan dat fonds?
A. Tien cents per week.
-ocr page 120-
111
2372.    V. Hoe ging het, vóórdat die vereeniging be-
stond ?
A. Dan leende de knecht geld van zijn patroon. Aan
sommigen werd het wel geschonken; maar er waren er
ook. die het tot den laatsten cent moesten inwerken.
2373.    V. De patroon doet dus meer dan vroeger ?
A. Een heele boel!
2374.    V. Hebt gij wel eens in de latere jaren bij u
een ongeluk zien gebeuren?
A. Neen.
2375.   1\'. Gij zijt 62 jaren oud en kunt waarschijnlijk nog
wel een paar jaren meedoen. Maar denkt gij er wel eens
over, wat er met u gebeuren zal, wanneer gij niet meer
kunt?
A. Het lucifersmandje, denk ik.
2376.    V. Hebt gij bij uwe firma wel eens lieden
zien weggaan, die niet meer konden?
A. Een man, die drie jaren voor het kantoor werk-
zaam geweest was.
2377 V. Die was dus oud bij de firma gekomen ;
maar gelooft gij wezenlijk, dat voor u de afloop zal
zijn, dat gij met het lucifersmandje zult moeten loopen ?
A. Dit is misschien nu wel wat heel bar, maarvast-
heid of zekerheid hebben wij heelemaal niet. Daarom
vind ik het ook een ongeluk, dat er geen pensioenfonds
voor ons bestaat, maar dat is er nu eenmaal niet!
2378.    V. Kent gij aan de Koog nog al wat afge-
loefde werklieden, die, hoewel zij vele jaren bij den-
zelfden patroon gewerkt hadden, hetzij van de liefda-
digheid moeten leven, hetzij hun brood op straat ver-
dienen ?
A. Ik ken er twee, die blokmalers zijn geweest en
nu met lucifers loopen.
2379.    V. Waar hebben die gewerkt?
A. De eerste had bij den heer Arie De Bruijn gewerkt,
en toen de fabriek in handen van den heer Boekenhoven
overging, heeft hij nog 7 a 8 jaren gewerkt.
De andere was in den laatsten tijd bij den heer Bon,
maar hij had wel 30 jaar op den molen gewerkt bij den
heer Honig en den heer Vis.
2380.    V. Kent gij oude werklieden, die geregeld eene
uitkeering krijgen van den patroon?
A. Ja, ik ken er een, die bij de heeren Wessanen
Laan 48 jaar had gewerkt en nu f 8 in de week krijgt.
2381.    V. Dat is te Wormerveer, maar ik bedoelde
de Koog. Kent gij er daar?
A. Bij E. G. Duijvis is een blokmaker geweest, die
nu f 8 heeft. Ook zijn er nog ondergeschikte knechts,
die f 3 a f 4 hebben.
2382.    V. Gij spreekt nu alleen van olieslagers. Kent
gij er ook in andere vakken?
A. Neen.
2383.    V. Hebt gij een groot gezin?
A. Nu ben ik alleen met moeder thuis, doch ik heb
7 getrouwde en 2 ongetrouwde kinderen.
2384.    V. Hadt gij in den tijd, toen al uwe kinderen
thuis waren, eene goede woning?
A. Ik heb er eene van f 1.50; die had ik toen ook.
2385.    V. Waaruit bestaat die woning ?
A. Uit eene kamer, een keukentje voor de vrouw
om het vuile goed te wasschen, en een schuurtje.
2386.    V. Kookt de vrouw niet in de woonkamer?
A. Neen, in de keuken.
2387.    V. Is de zolder met hout beschoten, of ziet gij
de pannen ?
A. Hij is beschoten.
2388.    V. Waar sliepen de kinderen, toen ze thuis
waren ?
A. Gedeeltelijk op den zolder, gedeeltelijk op den
vloer.
2389.    V. Sliepen, toen de kinderen 12 jaar waren,
jongens en meisjes bij elkaar ?
A. Zoover is het niet gekomen. Ze waren altijd ge-
scheiden.
2390.    V. Gelooft gij. dat het veel voorkomt, dat ze
niet gescheiden zijn?
A. Tegenwoordig weinig meer.
2391.    V. Hebt gij het thans, nu gij met moeder
alleen zijt, beter dan vroeger, toen de kinderen thuis
waren ?
A. Neen, want er staat tegenover, dat ik nu 12 uren
werk en toon 16 uren. Maar dat is eene uitzondering bij
j den windmolen, dat de blokmaker, als hij ouder wordt.
\' 4 uren werk door een ander kan laten doen, natuurlijk
tegen een vierde minder verdienste.
2392.    V. Kondet gij vroeger, met een huis vol kinderen
en 4 uren werk meer, even goed eten als thans?
A. Nu, in de eerste jaren, toen de kinderen nog klein
waren, was het donders dunne spoeling: wat rijst en
dit en dat en niks bijzonders. Moeder haalde \'s Zaterdags
de boodschappen voor de week, maar als op Donderdag
de bodem van het koffïetrommeltje te zien kwam.
dan was de koffie dien laatsten dag erg slapjes. Later,
toen de kinderen mede gingen verdienen, werd het beter.
2393.    V. Kwam er in die dagen vet in het eten?
A. Ja, dat wel; armoede hel) ik nooit geleden, maar
suiker in de koffie was een bewijs, dat er een jarig was,
en nu kun je er de straat mede bestrooien, zij komt niet
; van tafel af
2394.    V. At gij veel erwten en boonen?
A. Vroeger at ik meer aardappelen, maar tegenwoordig
| ben ik meer voor erwten en boonen. Het schijnt, dat het
verstand eerst komt met de jaren. Enfin, slaperig ben ik
toch nooit geweest, anders zou ik niet wezen, wie ik ben.
2395.    V. Hebt gij nog wat mede te deelen?
A. Nu, men hoort zoo wel zeggen, dat de vroegere
goede tijden niet weder terugkomen; maar dan moet ik
er toch op wijzen, dat vroeger voor een last f8.10 werd
betaald en nu f 9.45, en dat een pletjongen, met meer
werk, 36 stuivers verdiende tegen thans 66 stuivers. Ook
in het \\;erlies, dat men vroeger leed door het staan van
den molen, zijn de patroons tegemoet gekomen, en ook
werklieden-vereenigingen laten niet na gunstig te
werken.
Een bezwaar is er tegenwoordig verbonden aan het
koekenmaken. Terwijl vroeger een koek een kilo moest
wegen, moeten nu, ten gevolge van het dingen der afne-
mers, op de 1000 kilogram een 40, 50, 60 koeken meer
gemaakt worden. Nu heb ik dat dezen zomer nog al
goed gerooid, de 1040 stuks wogen 1000 kilo; m:iar er
worden er wel gemaakt zóó, dat 1080 stuks 1000 kilo
wegen, en de schipper zeide ons, dat hij eene lading in
had van 1130 stuks de 1000 kilo. Hoeveel meer werk
moet men dan wel doen om 130 koeken op de 1000
kilo meer te maken, dat is 3 mud, dat men achter komt.
2396.    V. Maak ons dat nadeel nog wat duidelijker.
-ocr page 121-
112
A. De koeken maken wij op 1000 K. G., dat is ons
gewicht. Als ik mijn zaad proef, dan kan ik nagaan, hoe-
veel stuks het zal opleveren; hoe lichter de koeken
moeten worden gemaakt, des te meer werk is er aan.
2397. I*. Gij hebt ons verteld, dat, vergeleken met
uwe jeugd, het loon aanmerkelijk is verbeterd; maar zijn
de kosten van het leven niet ook grooter geworden ?
A. Die zijn grooter geworden; maar of de patroon
dat kan vergoeden, is eene andere vraag.
A. Veel prettiger, want het geeft een veel beter
bestaan.
2407.    V. In hoeverre?
A. Dat zij geleidelijk werkenen meer geld verdienen.
2408.    V. Hoe worden de lieden betaald ?
A. Per 1000 of per stuk; vroeger per last.
2409.    V. Is het eerste voordeeliger ?
A. Ja, omdat, wanneer het zaad zwaarder is, dit ten
voordeele van den patroon komt.
2410.    V. Zit het voordeel hierin, dat het groot
verschil maakt, of er lijnzaad dan wel koolzaad ge-
malen wordt?
A. Ja.
2411.    V. Ligt het voordeel ook hierin, dat tegen-
woordig wel lichtere koeken gemaakt worden ?
A. Dat blijft hetzelfde.
2412.    V. Wanneer ik 1000 stuks maak, die tezamen
1000 kilo wegen, zoodat ieder stuk 1 kilo weegt, of
ik maak 1050 stuks van een gezamenlijk gewicht van
1000 kilo, zoodat in het tweede geval elke koek wat
minder weegt, dan is het voor den werkman toch voor-
deeliger, per stuk dan per last te worden betaald?
A. Per stuk is het altijd voordeeliger.
2413.    V. Ishet dan niet eene grief van het werkvolk in
de gewone olieslagerijen, waar per last betaald wordt, dat
de koeken lichter zijn geworden ?
A. Neen, maar het zit hem hierin, dat de landbouwer
er in de laatste jaren meer en meer op is gaan vigi-
leeren om het zaad zwaarder te maken.
2398.    V. Mijne bedoeling was deze: is naar uwe
meening door de vermeerdering van het loon de toe-
stand van den werkman verbeterd ? Met andere woorden:
denkt gij, dat de uitgaven grooter zijn geworden door-
dat de behoeften zijn toegenomen of doordat de prijzen
van de artikelen zijn gestegen ?
A. De prijs van de artikelen is hooger geworden.
2399.    V. Bij voorbeeld?
A. Toen ik pas getrouwd was, woonde ik in een huisje
van f 0.75, en nu moet ik f 1.25 a f 1.40 betalen.
2400.    V. Was die woning van f0.75 even goed als
de tegenwoordige woning van f 1.25?
A. Neen, die woning van f 0.75 was veel minder.
2401.    V. Dus de menschen verwonen thans wel meer,
maar zij wonen beter. En nu de prijs van de levensbe-
hoeften ?
A. Het eerste jaar van mijn huwelijk kostte de boter
25 tot 30 cents, schapenvleesch 10 of 11 cents, vet naar
evenredigheid, melk 5 cents de kan; en thans kost de
boter 60 a 65 cents, schapenvleesch is bijna niet meer te
krijgen, het vet is duur, en de melk kost 8 cents de kan.
2402.    V. Wat eet gij voor boter: natuurboter of
kunstboter?
2414.    V. Beginnen de oliefabrieken dan niet de koeken
langzamerhand lichter te maken ?
A. Neen. dat is niet zoo. Van de harde koeken krijgt
men 1300 stuks, van de murwe koeken 1400. Uit de
harde koeken komt meer olie.
2415.    V. Maakt men dus uit een last meer murwe
koeken dan harde ?
A. Ja.
2416.    V. Van welke soort maakt gij er meer?
A. De murwe koeken vormen eene groote industrie.
2417.    V. Zijn de verdiensten in den windmolen tegen-
woordig geringer dan vroeger?
A. Ja, en wel om die reden, dat, gelijk ik reeds zeide,
het zaad zwaarder wordt, terwijl de koeken 1 kilo moeten
blijven wegen. Men maakt er b.v. eerder 5 stuks dan 6.
2418.    V. In de windmolens is dus de verdienste
minder geworden. Waarom bij u niet?
A. Omdat wij per stuk werken. Daar staat tegenover,
dat sommige fabrikanten mengen met meer grondstoffen,
waarbij wij voor hetzelfde geld meer koeken moeten maken.
2419.    V. Wordt er dag en nacht gewerkt?
A. Ja.
2420.    V. Hoe lang wordt er gewerkt door ieder?
A. 12 uren, van 6 uur \'s morgens tot 6 uur\'s avonds,
en omgekeerd.
2421.    V. Hoe lang is de rusttijd ?
A. Een half uur om te eten.
2422.    V. Verlaten de werklieden dan de fabriek niet ?
A. Meest wordt hun warm eten gebracht.
A. Natuurboter, zoolang ik ze krijgen kan.
2403.    V. En hoe is de prijsverhouding van de kleêren?
A. De kleêren zijn tegenwoordig goedkooper, maar
men heeft minstens tweemaal zooveel noodig als vroeger.
Bij mij moet eene jas 10 a 15 jaar mede.
2404.    V. Wanneer gij terugdenkt aan den vroegeren
tijd, toen gij jong en uwe ouders oud waren, stelt gij
dan geen andere eischen aan uwe kleeding dan uwe ouders?
A. Mijn vader was veel ouderwetscher dan ik; die
had eene jas, welke hij reeds 30 jaren gedragen had.
P. Timmer.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Jacob Voogd, oud 45 jaar, olieslagers-
knecht in de stoom-oliefabriek „de Kroon" der
firma Claas Honig, te Koog a/d Zaan.
2405.    De Voorzitter: Zijn er op de fabriek, waar gij
werkt, hydraulische persen ?
A. Ja, sedert 1887; vroeger ging het op de gewone
manier.
2406.    V. Is het nu voor de werklieden niet veel aan-
genamer ?
-ocr page 122-
J18
A. Eigenlijk niet; wij hebben een werktuig, waardoor
wij die kleine jongens kunnen missen, maar doordat
een van de stokers is gestorven, heb ik zijn jongen
van nog geen 16 jaar tot steun voor zijne moeder als
hulpstoker aangenomen ; maar het zwaarste werk: vuur-
uithalen, enz., wordt hem nog uit de hand genomen.
2438.   V. Wordt de machine hem wel eens alleen toe-
vertrouwd ?
A. Neen, wij hebben een smid, die altijd aanwezig is.
2439.    V. Wie heeft er des nachts het toezicht over ?
A. Hetzij de eerste, hetzij de tweede machinist.
2440.    V. Dus de veiligheid van de fabriek rust nooit
op dien jongen?
A. Nooit, dat zou ik niet gaarne willen.
2441.    V. Is die jongen alleen bij dag in de fabriek
of ook des nachts?
A. Alleen overdag.
2442.    V. Werkt gij in de fabriek zelve niet met jongens ?
A. De jongsten zijn 19 a 20 jaar.
2443.    V. Hebt gij in vroeger tijden veel jonge kin-
deren op de windmolens zien werken ?
A. Ja, ik heb zelf, een twintig jaren geleden, een
broertje van 8 jaar gehad, die in den molen werkte.
2444.    V. Hoe lang werkte dat jongetje toen?
A. 12 uren per dag.
2445.    V. Zonder rast?
A. Ja.
2446.    V. Gelooft gij, dat nu nog veel jongens van
12 a 13 jaar in de windmolens werken?
A. Beneden de 13 jaar geloof ik niet.
2447.    V. Zijn de fabriekslokalen verwarmd door stoom-
pijpen?
A. Ja.
2448.    V. Is er in dagen als deze eene redelijke tem-
peratuur in de fabriek?
A. Ja; eene prettige.
2449.    V. Maar \'s zomers is het misschien minder
prettig?
A. Dan kunnen wij lucht maken.
2450.    V. Wordt het des zomers niet benauwd in de
fabriek?
A. Enkele dagen, ja.
2451.    V. Geven de stoomruisters niet eene groote
warmte ?
A. Zeker.
2452.    V. Thans worden de lieden in de fabriek, met
de persen, niet meer doof, niet waar?
A. Neen.
2453.    V. In de windmolens daarentegen hebben zij
er leelijk last van?
A. Ik heb 30 jaren op een windmolen gewerkt, en
ben toch niet doof.
2454.    V. De een is gelukkiger dan de ander, maar
over het geheel treft men onder de olieslagers veel
dooven aan, niet waar?
A. Er zijn wel lieden, die nooit eene hei gezien hebben
en toch doof zijn.
2455.    V. Is er waterleiding in de fabriek?
A. Ja.
2423.    V. Vindt gij dien rusttijd niet te kort ?
A. Een uur zou beter zijn, maar het is toch heel wat
beter dan vroeger.
2424.    V. Acht gij het niet van heel groot belang, dat
de werkman naar huis kan gaan om met zijn gezin te eten ?
A. Ja, dat is niet tegen te spreken.
2425.    V. Zou het niet zóó te regelen zijn, dat allen
een behoorlijken middag-rusttijd kregen?
A. Neen, dat kan niet; alles is één schakel.
2426.    V. Ook niet door vermeerdering van perso-
neel of vermindering van productie?
A. Door vermeerdering van personeel niet, want men
kan er voor een uur geen andere menschen inzetten.
Door vermindering van productie misschien wel.
2427.    V. Als de machines nog verbeterd werden en
het personeel wat vermeerderd werd, zou dan bij dezelfde
productie er geen behoorlijke rusttijd kunnen overschieten?
A. Dat kan niet gemakkelijk, tenzij de fabriek werd
vergroot.
2428.    V. Als de wetgever eens voorschreef, dat er
rusttijd moest zijn?
A. Ja, dan kan het, dat is logisch.
2429.    V. Heeft er dikwijls overwerk plaats boven
die 111/l! uur?
A. Bijna nooit, tenzij de een het werk eens vooreen
ander waarneemt.
2430.    V. Gebeurt het nooit, dat het heele personeel
3, 4 uren langer werkt dan die IIV2 uur?
A. Twee-, driemaal per jaar.
2431.    V. Wordt dat extra betaald ?
A. Ja, wij hebben f 4 van de 10.000 H.G. olie. Wil
het nu meeloopen, dat dit in anderhalf uur wordt afge-
werkt, dan hebben wij die f 4 met ons vieren verdiend
en ligt daarin eene extra-verdienste van 50 ets. per uur.
Maar dat komt niet alle dagen voor.
2432.    V. Als nu do werktijd zooveel langer wordt,
krijgt gij dan geen extra rusttijd ?
A. Ja, als het erg loopt, dan schikken de werklieden
dat onder elkander, zoodat er wat rust komt.
2433.    V. Komt Zondagsarbeid voor?
A. Zelden, de laatste drie jaar is het drie keer voor-
gekomen.
2434.    V. Wanneer staat de fabriek stil?
A. Van \'s Zondag-morgens 6 uur tot\'s Maandag-mor-
gens 6 uur.
2435.    V. En als er \'s Zondags gewerkt wordt, wanneer
wordt dan begonnen?
A. \'s Zondag-avonds 6 uur door de menschen, die vrij
geweest zijn van \'s Zaterdag-avonds af, en die uit de dag-
ploeg komen en in de nachtploeg gaan. Wanneer dus
dien nacht altijd doorgewerkt werd, zouden de menschen
toch om de 14 dagen nog vrij zijn.
2436.    V. Hebt gij den tijd beleefd, dat algemeen
\'s Zondags gewerkt werd?
A. Ja, maar dat is jaren geleden. Toen ik pas ge-
trouwd was, heb ik eens 26 Zondagen achtereen gewerkt,
dat was eene vaste nachtploeg, natuurlijk alleen als er
wind was. Eén jaar heb ik maar tweemaal vrij gehad.
In zoover zijn wij een heel eind gevorderd, maar wij zijn
niet vee
...... ..,•■..,.. .. *,                             1......._
V. Werkt gij met jongens?
Enquête. — Be Zaankant.
tevreden zijn.
2437,
-ocr page 123-
114
2456. V. Is die ook ter beschikking van de werk-
lieden?
A. Ja, men kan zooveel water krijgen als men wil.
\'2457. V. Er wordt zeker nog al gebruik van gemaakt ?
.4. O ja.
2458.    V. Krijgen de arbeiders bij ziekte hun loon
uitbetaald ?
A. Alleen zij, die vast geld hebben; de olieslagers
kunnen bij ziekte een renteloos voorschot van den patroon
krijgen. Allen zijn in een ziekenfonds.
2459.    V. Wat keert zulk een fonds uit?
A. f 6 per week.
2460.    V. Dat is een harde slag voor zulk een man,
die geregeld meer verdient.
Is het u bekend of er patroons zijn, die, bij ziekte,
het geheele loon of een gedeelte daarvan uitbetalen?
A. Neen, of het moest de heer E. G. Duijvis zijn.
J. Voogd.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adjsecretaris.
2469.    V. Hoe is bij u de werktijd in de fabriek
geregeld ?
A. Van \'s morgens half vijf tot \'a avonds 8 uur, met een
rusttijd van anderhalf uur, een uur, soms drie kwartier,
naar gelang van de drukte, om naar huis te gaan eten
en van ongeveer een half uur in den namiddag om thee
te drinken.
2470.    V. De werkelijke arbeidsduur is dus gemid-
deld 14 a 13»/j uur?
A. Ja. Ik wil er u echter deze inlichting bijgeven,
dat wij zekere hoeveelheden graan tegelijk verwerken.
Wij noemen het een keer werken, wanneer wij 4400 kilo
verwerken. Op die manier werken wij soms één, soms
twee, soms drie keeren.
2471.    V. Gij werkt dan eens meer, dan eens minder,
maar door elkander blijft het toch 13, 13\'/2 a 14 uren ?
A. Ja.
2472.    V. Werkt gij ook \'s Zondags ?
A. Alleen wanneer het zeer druk is, wanneer wij b.v.
drie keer in de week werken. Dit gebeurt echter niet
dikwijls, ongeveer 3 of 4 keer in het jaar.
2473.    V. Wordt dan alleen op de drogerij gewerkt ?
A. Het natte werk gaat ook door.
2474.    V. Wordt dat Zondagswerk extra betaald?
A. Neen.
2475.    V. Waarvan hangt het af, dat er dan meer,
dan minder wordt gewerkt in ééne week?
A. Van de drukte en bestellingen.
2476.   V. Valt de tijd, waarin het brouwsel wordt
afgewerkt, wel eens tegen?
A. Neen.
2477.    V. Werkt gij op een vast weekgeld ?
A. Ik heb f8 vast, dat is het minimum; f 9 als ik een
keer, f 18 als ik twee- en f27 wanneer ik drie keer werk
in de 14 dagen.
2479.    V. Hoeveel brouwsels worden er gewoonlijk
in de 14 dagen gemaakt ?
A. Twee.
2480.    V. Gaat bij ziekte het loon door?
A. Naar rangorde ontvangen wij f3,50, f5, f6 en
f8, al duurt het een half jaar.
2481.    V. Zijn de meesten in een ziekenfonds?
A. Drie van de vier.
2482.    V. Heeft er niet kort geleden een ernstig
ongeluk bij u plaats gehad?
A. Ja, in Sept. 1889. Die man wilde met een dotje de
kruk van de machine afnemen. Nu is de doorgang daar
zeer nauw en heeft het ongeluk gewild, hoe weet ik niet.
dat de man uitgeglipt is, zoodat zijn been tusschen de
rechtopstiiande staven van het afsluithekje is geraakt.
Een klap van de kruk was genoeg om zijne knie stuk
te slaan.
2483.    V. Werkt hij alweder?
A. Ja.
2484.    V. Heeft hij lang niet kunnen werken ?
A. Een groot half jaar.
2485.    V. Heeft hij gedurende dien tijd zijn gewoou
vast loon als stoker gekregen ?
Verhoor van Jan Smit, oud 44 jaar, werkman in de
stijfsel fabriek der firma Jacob Duijvis,
te Koog a/d Zaan.
2461.    De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk?
A. Ik ben gewoon werkman in de fabriek.
2462.   V. Het is immers eene stoomfabriek?
A. Ja, maar er is toch nog heel wat handwerk bij.
2463.    V. Waaraan geeft gij de voorkeur?
A. Aan stoom natuurlijk, want daardoor wordt ons
werk zeer verlicht.
2464.    V. In de handfabrieken gaat het werk zeer
ongeregeld, niet waar?
A. Ja, erg ongeregeld. Somtijds wordt er gewerkt
van \'s morgens 2 tot \'s avonds 9 uur, en dan weer is
er een heelen ochtend niets te doen.
2465.    V. Er zijn immers nog handstijfselfabrieken?
A. Ja.
246(i. V. Wanneer er van \'s morgens tweeën tot
\'s avonds 9 uur gewerkt wordt, hoe groot is dan de
rusttijd ?
A. Dat hangt af van het werk.
2467. V. Hoe klein kan die rusttijd op een derge-
lijken dag dan wel eens zijn?
A. Het is al 20 jaren geleden, dat ik er ondervinding
van heb; maar toen gebeurde het wel eens, dat wij kwalijk
tijd hadden om te eten.
24t>8. V. Gaat het op de handfabrieken nog evenals
A. Wanneer zij het ten minste nog even druk hebben.
-ocr page 124-
115
A. Ja, en mijnheer zorgde voor alles: dokter en meester,
medicijnen en versterkende middelen.
2486. V. Is er aan de fabriek de eene of andere in-
stelling in het belang der werklieden? Een spaarstelsel
of woningen voor de werklieden?
.1. Neen, volstrekt niet.
J. Smit.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Romaards, Adj.-secretaris.
A. Zij hebben er nooit bezwaar tegen gemaakt; het
is dan ook geen zware arbeid.
2497.    V. Wanneer het een zeer zware arbeid was,
zouden zij er waarschijnlijk bij neervallen; maar het is
toch niet bepaald lichte arbeid ?
A. Het is matige arbeid.
2498.    V. Vindt gij het niet te veel om gedurende
12 uren matigen arbeid te verrichten met slechts één
kwartier er tusschen?
A. Ik voor mijn persoon zou er tegen opzien, maar
zulke werkmenschen zijn het van kindsaf gewoon.
2499.    V. Komt er nog al overwerk voor?
A. Neen Mijnheer de Voorzitter! Enkel neemt de
meesterknecht van tijd tot tijd één of twee menschen om
af te schepen. Bovendien, dit wordt extra betaald.
2500.    V. Dit afschepen geschiedt door de nachtploeg
in het ochtenduur, niet waar?
A. Ja.
2501.    V. Hoe lang duurt dat werk meest?
A. 2 of 3 uren, door elkander.
2502.    V. Krijgen de menschen, vóórdat zij aan het
i afschepen beginnen, rust, of werken zij dan misschien
15 uren achtereen?
A. Dit wordt door den meesterknecht geregeld. Ik
weet echter wel, dat, wanneer zij om zes uur van hun
werk komen, zij eerst tot half zeven of 7 uur wat eten
en rusten.
2503.    V. Dus er wordt altijd tusschen het staken
van het gewone werk en het begin van het sjouwen een
rusttijd gegeven?
A. Zoover mij bekend is, wel.
2504 V. Hoeveel wordt er extra voor dat werk be-
taald?
A. Ik onderstel, dat het voor degenen, die daaraan
| medewerken, gemiddeld fl extra zal opleveren.
2505.    V. Nu de gewone verdiensten: die worden
immers berekend per last?
A. Neen, per koek, namelijk 50 cents voor de 100
koeken. Nu worden er ruim 30,000 koeken in de week
gemaakt, hetgeen een bedrag aan weekloon van f150
uitmaakt.
2506.    V. Hebt gij ook eene opgave van de loonen.\'
A. Er zijn 4 mannen, die f 11.25 verdienen, 4 van
f 10.50, 2 van f9. (Die twee krijgen eene extra toelage
van f40 per jaar.) Verder twee van f 6.75, twee van
! f 5.25 en drie van f 3.
Dit alles bij elkaar is ongeveer f 150.
De meesterknecht krijgt f 10 met eene extra verdienste
van f 3.
De machinisten krijgen f 12 a f 13 met 20 ets. per uur
\'. voor overwerk, wanneer zij b.v. met stoom werken of de
machine nakijken.
Verder krijgt het personeel in den staantijd, die 3 a
4 weken duurt, nog */. van hun loon, hetgeen dus per
week f 100 gezamenlijk is en f 300 a f 400 in den ge-
heelen staantijd.
De geheele productie in een jaar is l.fiOO.000 koeken.
De cijfers van de loonen zijn tot het gemiddelde week-
loon genomen naar de totaal-productie van een geheel
jaar. Het staangeld komt er bij als iets geheel buiten-
gewoons.
Nu komt er nog iets bij. Er bestaat een zieken-
fonds, hetwelk in tijd van ziekte aan de leden f 6 per
week uitbetaalt. Om nu aan te moedigen, dat de werk -
lieden lid van dat fonds worden, krijgen zij, die lid zijn.
Verhoor van Jan Crok, oud 59 jaar. graanhandelaar en
• oliefabrikant, firma T. Crok, te Koog a/d Zaan.
2487.  De Voorzitter: Gij werkt met stoom, niet waar?
A. Ja, in] dej fabriek „de Engel".
2488.    V. Is het lang geleden, dat gij den wind-
molen door eene stoomfabriek vervangen hebt?
.4. Ja, wij zijn met 3 firmanten; nu leg ik mij hoofd-
zakelijk op het graanvak toe, mijn broeder bemoeit zich
meerj speciaal met de olieslagerij, derhalve kan ik u
niet precies den tijd opgeven, waarin wij voor het eerst
den stoom als drijfkracht bezigden. Ik kan echter wel
zeggen, dat het ongeveer 20 jaren is.
2489.    V. Gij zijt toch voldoende op de hoogte van
de olieslagerij om ons te kunnen voorlichten ?
.1. Ja, dat wel.
2490.    V. Laat ons dan eerst komen tot de werk-
krachten. Met hoeveel menschen werkt gij ?
A. In de stoomfabriek met 21 werklieden, twee machi-
nisten en een meesterknecht.
2491.    V. Zijn er ook jongens van jeugdigen leeftijd?
A. Wij hebben geen jongens beneden de 16 jaar.
2492.    V. Kunt gij geen jonge jongens in uwe fabriek
gebruiken ?
A. Wij hebben er geen behoefte aan ; vroeger kwamen
zij wel eens op den leeftijd van 14 jaar bij ons.
2493.    V. Er wordt bij u dag en nacht gewerkt ?
A. Ja, er is eene dag- en eene nachtploeg; elke ploeg
werkt 12 uren, de dagploeg van \'s morgens 6 uur tot
\'s avonds 6 uur, en de nachtploeg van \'s avonds 6 uur
tot \'s morgens 6 uur; deze ploegen wisselen elkander
elke week af.
2494.    V. Wordt er \'s Zondags nooit gewerkt?
A. De machinisten werken des Zondags als er repa-
tiën zijn, maar anders wordt er hoogstens tweemaal in
een jaar op Zondag gewerkt.
2495.    V. Welken rusttijd hebben de menschen gedu-
rende die 12 uren arbeid?
.1. Zij hebben slechts om 12 uur één kwartier om
te eten, want zij werken liever geregeld door.
2496.    V. Vindt gij het niet veel van een menscli
gevergd om 12 uren te werken met slechts een rusttijd
van één kwartier?
-ocr page 125-
116
zorg gedragen worden. Dat gebeurt dan ook. Van tijd
tot tijd, als er gelegenheid voor is, veegt een der
jongens den boel eens aan.
2520.    V. Toen wij uwe fabriek bezochten, was zij kort
geleden schoongemaakt en vertoonde\'zij een merkwaardig
verschil met eene andere, waar dat niet had plaats gehad.
Wanneer smeert men bij u: onder het werk of wan-
neer de fabriek stilstaat ?
A. Ik geloof van tijd tot tijd onder het werk, en om
12 uur, als de fabriek staat, wordt alles gesmeerd.
2521.    V. Hebt gij voor uw graanhandel eenaanzien-
lijk personeel?
A. 4 vaste werklieden.
2522.    V. Wat verdienen zij?
A. De meesterknecht verdient f 9, de eerste knecht
f 7, de derde knecht f 6.50 en de vierde knecht f 5.50.
Dan hebben zij nog voor opdragen en afleveren een
zeker tantième, waarmede zij ieder door elkander kunnen
verdienen f 5 per week.
2523.    V. Geschiedt dat opdragen en afleveren buiten
hun werktijd?
A. Neen, zij doen het in hun werktijd.
2524.    V. Hoe lang is de arbeidstijd?
A. Des zomers van \'s morgens 5, 6 uur tot \'s avonds
4, 5 uur, en des winters van 7 uur tot 4,5 uur; daarbij
hebben zij een rusttijd van 12 tot 1 of van 1 tot 2 uur,
naar dat het met het werk uitkomt.
2525.    V. Deze werklieden worden dus, in verhouding
tot den werktijd, veel hooger beloond dan de olieslagers.
Gaat hun loon door bij ziekte?
A. Wel hun vast loon.
2526.    V. Behoort gij tot de firma\'s, die hun personeel
tegen ongelukken verzekerd hebben?
A. Neen.
2527.    V. Heeft nooit een van uwe werklieden op het
werk een ongeluk gehad?
A. Neen, maar de risico voor ongelukken is ook zeer
klein.
2528.    V. Heeft uwe firma ook oude werklieden, die
niet meer kunnen werken en eene ondersteuning van
haar krijgen?
A. Op dit oogenblik heb ik een man, die vroeger
bij Smit werkte en bij het overgaan van de fabriek bij
mij is gekomen. Die is op vergevorderden leeftijd weg-
gegaan, en hij krijgt, behalve eene toelage van Smit, van
ons nog eene toelage van f 1.50.
2529.    V. Hoe lang had die man bij u gewerkt?
A. 5 jaar. Ook hebben wij nog een ouden man, die
eigenlijk in een weeshuis thuis behoort, en bij ons aan
den molen werkt. Die man moet f 6 a f 7 kostgeld
betalen, en wanneer hij nu eene slechte week heeft en
bijv. f 4 te kort komt, dan krijgt hij er van ons bij wat
hij voor kostgeld en een tabaksduitje noodig heeft.
2530.    V. Dat klinkt vreemd: in een weeshuis ; is dat
dan tevens oudemannenhuis ?
A. Ja.
2531.    V. Wordt er bij u om de 14 dagen of per week
uitbetaald ?
A. Wat den graanhandel betreft, elke week, en wat
betreft den oliemolen, eens in de 14 dagen.
2532.    V. Waarom dat verschil?
A. Eenvoudig, omdat wij het zoo gevonden hebben
De reden, waarom het zoo was, kan ik u niet opgeven
van ons nog f 3, in welk geval zij voor armoede zijn j
beveiligd en wij geen voorschotten behoeven te geven.
2507.    V. Hoe ging het, vóór dat ziekenfonds bestond? i
A. Toen kregen zij in geval van ziekte alléén voorschot.
2508.    V. In andere vakken hier aan de Zaan gaat het
loon nog al eens geregeld door, naar ons gebleken is.
.4. Bij stukwerk niet, in den graanhandel wel.
2509.    V. Is f 0.50 per 100 koeken altijd maatstaf
geweest?
A. Bij de stoommolens, maar de windmolens betalen
per last. Dat is bij de oprichting der stoommolens dadelijk
zoo ingesteld; waarom weet ik niet. misschien omdat
daar het werk geregelder gaat.
2510.    V. Op welke soort van molens werkt het volk
liever?
A. Dat hangt van omstandigheden af, maar enkelen
geven de voorkeur aan een windmolen, omdat het werk
daar meer afwisseling heeft. Het fabriekswerk is zoo
permanent en zonder variatie.
2511.    V. Op welke soort van molens wordt het meeste
verdiend ?
A. Dat staat zoowat gelijk.
2512.    V. Werkt uw stoommolen nog naar de oude
manier, met heien ?
A. Ja.
2513.    V. Hij bestaat al lang, niet waar?
A. Ja, wij hebben hem gebouwd.
2-514. V. Als gij morgen nog eens weder eene fabriek
moest zetten, zoudt gij dan de inrichting maken met
hydraulische persen ?
A. Ja, voornamelijk op den voorslag; maar ik zou
toch eerst de zaak nog eens moeten onderzoeken, of ik
geheel de nieuwere manier zou volgen.
2515. V. Worden nog wel nieuwe fabrieken gebouwd
met installatie voor de oude manier ?
A. De heer A. Honig heeft dat, meen ik, gedaan,
maar ik hoor, dat die toch al weder eene verandering
heeft gemaakt, zoodat daar nu ook hydraulisch wordt
gewerkt. De heer Duijvis en ook de heer Prins hebben
dadelijk de nieuwe werkwijze aangenomen.
251(5. V. Geeft de nieuwe methode belangrijk voor-
deel voor de fabrikanten\'?
A. Ik weet het niet bij ondervinding, maar zou het
wel zeggen.
2517.    V. Is zij niet ook veel aangenamer voor de
werklieden, omdat o. a. het gestamp van de heien ver-
dwenen is ?
A. Och, daaraan zijn die menschen gewend. U heeft
een blokmaler van ons gehad, en die is wel wat hard-
hoorend, maar toch niet doof. Die menschen worden
heidoof, zooals men dat noemt, maar daar konden zij
wel wat voorzorgen tegen nemen, door watjes in de ooren
te doen of zoo, maar daar zijn zij te zorgeloos voor.
2518.    V. Nu, wij hebben er hier gehad, die erg
doof waren.
Wordt uwe fabriek geregeld schoongemaakt?
.4. Ja, in den staantijd, en voorts als er gelegenheid
toe is.
2519.    V. Is het niet noodig zulk eene fabriek geregeld
schoon te houden?
A. De fabricage geeft geene voor de gezondheid scha-
delijke bestanddeel en, maar toch moet voor de reinheid
-ocr page 126-
117
A. Zoo is het. Echter zijn er bij, die goed werken en
daardoor bij voorkeur worden genomen, zoodat zij tamelijk
veel verdiensten hebben.
Jan Orok.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. RoijaaRDs, Adj.-secretaris.
2533.    V. Zouden er niet, ook naar uwe meening, onder
de werklieden zijn, die het eene groote verbetering zouden
achten, wanneer eenmaal per week werd betaald ?
A. Dat is zeer ongelijk. In de olieslagerijen, waar de
eene week zoozeer uiteenloopt bij de andere, zou ik het
niet wenschelijk achten. Bovendien hangt hier alles af
van de huisvrouw.
2534.    V. Dat de hoedanigheden van de huisvrouw
hier een groot gewicht in de schaal leggen, spreekt van
zelf. Maar zou het bij eene middelmatig goede huisvrouw
niet een voordeel zijn, wanneer het geld per week uit-
betaald werd ? En juist waar de eene week zooveel ver-
schilt bij de andere, zou het daar niet wenschelijk zijn elke
week een fixum uit te keeren, behoudens latere verevening\'?
A. Wij hebben al eens beproefd om een vast week-
geld te geven en met het halfjaar te verrekenen. Toen
waren zij, die aan het eind van het halve jaai toekregen,
natuurlijk in hun schik; maar zij, die toe moesten betalen,
waren zóó ontevreden, dat wij daarvan moesten afzien.
Nu hebben wij nog eens iets anders geprobeerd. Er
worden in den regel 30,000 koeken in de week gefabri-
ceerd. Werden er nu in sommige weken 2000 of 3000
koeken meer gemaakt, dan hielden wij het loon daarvoor
in, om dat in stille tijden, wanneer er minder verdiend
werd, weder uit te betalen. Maar dit was al weder niet
naar den zin van enkele socialisten, die riepen, dat zij
hunne eigen administratie wel konden voerenen wenschten
uitbetaald te krijgen, wat zij verdiend hadden.
2535.    V. Van de zijde van den werkgever zou het
eens per week uitbetalen slechts eenige meerdere admi-
nistratie veroorzaken, zoodat het best zou kunnen ge-
schieden, niet waar?
A. Dat wil zeggen, dat bij de windmolens, waar
de wekelijksche verdiensten erg ongelijk zijn, en wel
eens van f9 tot f 12 uiteenloopen, men het gemiddelde
over een geheel jaar zou moeten nemen.
2536.    V. Zou er eenig bezwaar tegen zijn om telkens
de eene week niet het gemiddelde, maar het minimum
uit te betalen, en de tweede week te geven, wat meer isverdiend ?
A. Neen.
2537.    V. Wanneer er geen bezwaar tegen is bij de
windmolens, dan is er zeker nog minder bezwaar bij de
stoomfabrieken ?
A. Ja.
2538.   V. Wanneer de werklieden den wensch te kennen
gaven en de wetgever voorschreef om wekelijks uit te
oetalen, zou het dus best gaan?
A. Ja. Ik wil hier nog wat bijvoegen. Bij het pak-
huiswerk is dikwijls zooveel te doen, dat 4 man het niet
af kunnen en dan komen er losse sjouwers bij. Die
losse werklui, die wij sjouwerlui noemen, verdienen
tegenwoordig veel en, indien wij een geregeld spoorweg-
vervoer hadden en de waggons konden krijgen, die wij
noodig hebben, dan zou er hier bijna geen armoede zijn,
want dan zoude er meer geregeld vervoerd worden.
2539.    V. Wat is het loon van die sjouwers?
A. Zij krijgen 15 ets. per uur, en dit bedraagt soms
f 1.75 a f 1.80 per dag. Er zijn soms dagen, dat zij een
rijksdaalder verdienen.
2540.    V. Hebben die lui geregeld werk?
A. Neen.
2541.    V. Zoodat tegenover de dagen van goede ver-
dienste ook dagen staan, dat zij niets verdienen, waardoor
het gemiddelde dus niet zoo heel veel bedraagt?
Verhoor van Meindert Honig, oud 44 jaar, stijfsel-
fabrikant, te Koog a/d Zaan.
2542 De Voorzitter: Gij werkt met stoom ?
A. Ja, sedert 1867.
2543.    V. Daardoor is de arbeid zeker veel geregelder
geworden ?
A. Ja, ik werk met 3 ploegen, zoodat ééne ploeg om
de 3 weken nachtdienst heeft. Eene nachtploeg bestaat
uit 8 of 9 man. Mijn personeel bestaat uit 27 man en
een jongen.
2544.    V. Hoe lang duurt het dagwerk ?
A. Van \'s morgens 5 tot \'s avonds 6 uur, met 21/,
uur rusttijd in 2 tempo\'s, maar zóó, dat de helft aan \'t
werk blijft. Allen gaan dus niet op \'t zelfde uur naar
huis.
2545.    V. Is dat altijd zoo bij u geweest?
A. Neen, ik ben daar langzamerhand toe gekomen.
Vroeger werkten de menschen per brouwsel, en deden
dat in den zomer bij voorkeur \'s nachts, maar dan lagen
J zij overdag in de fabriek te slapen, en dat vond ik
onaangenaam; daarom heb ik dat anders ingericht.
2546.    V. Het schijnt aan de Zaan vrij algemeen ge-
woonte te zijn, om de menschen geen l\'/2 uur voor schaft-
tijd te geven. Hoe komt het, dat gij dit doet?
A. Ik heb dat zoo ingesteld, omdat zij anders toch
er dien tijd van namen, en bovendien is het nood-
zakelijk.
2547.    V. De nachtploeg werkt van \'s avonds 6 tot 5
uur \'s morgens ?
A. Ja, en in dien tijd hebben zij ook een uur om
te eten.
2548.   V. Zoodat zij, wanneer zij in de nachtploeg zijn,
tweemaal per etmaal warm eten gebruiken ?
A. Ja, dat gebeurt wel.
2549.    V. Dat uur rust in den nacht brengen zij zeker
door in de drogerij ?
A. Ja, \'s winters, maar \'s zomers gaan zij naar buiten.
2550.    V. Kunt gij de drogerij met de stoompijpen,
die er doorgaan, op eene goede temperatuur krijgen ?
A. Gewoonlijk klagen de werklieden gedurende het
werk over te groote warmte, en gedurende de rust, dat
zij nu hun potje niet meer kunnen warmen, maar dat
kunnen zij nu in de machinekamer doen.
2551.    V. Is de warmte in de fabriek voldoende ?
A. Ja, ongeveer 60 graden Fahrenheit.
2552.    V. Ons is door een getuige medegedeeld, wat
nu blijkt onjuist te zijn, dat bij u gewerkt werd 14 uren
Enquête. — De Zaankant.
31)
-ocr page 127-
118
met een uur rust; was dit misschien zoo in eene vroe-
gere periode ?
A. Dat kan zijn, toen zij per brouwsel betaald werden
en het dus uit eigen beweging gaarne deden.
2553.    V. Komt veel overwerk bij u voor?
A. Neen, weinig; \'s zomers bijna in het geheel niet,
maar nu in den winter laat ik het goed per slede weg-
brengen door de lui, die in de nachtploeg zijn. Dat doen
zij nu op schaatsen, en ik betaal daarvoor 15 ets. per uur.
2554.    V. Doen zij dat onmiddellijk, nadat zij van het
nachtwerk komen ?
A. Ja, dat doen zij liever.
2555.    V. Wordt op Zondag bij u gewerkt?
A. Neen, alleen is er een man bij dag en twee bij
nacht om de vuren van den ketel aan te houden, wat
noodzakelijk is voor de drogerij. Daar genieten 5 men-
schen, die ik elkander laat afwisselen, omdat het zoo\'n
vervelend werk is, f 7 te zamen voor.
2556.    V. Om de hoeveel tijd wordt de ketel bij u
schoongemaakt ?
.1. Om de drie weken, omdat ik dag en nachtwerk.
Vroeger gebeurde het om de 4 of 5 weken, maar toen
heb ik eens een ongeluk gehad, dat nog goed is afge-
loopen, en sedert is de termijn verkort
2557.    V. Hoeveel ketels hebt gij?
A. Drie, die te gelijk werken.
2558.    V. Hoe lang koelt de ketel af, alvorens er
iemand ingaat?
A. \'sZondag-morgens om 5 uur wordt afgeblazen
en \'s Maandagmorgens om 4 of 5 uur gaan zij er in.
2.r)")9. V. Zijn de ketels dan volkomen afgekoeld?
A. Neen, maar het is er toch in uit te houden.
2560. V. Hoeveel graden is het er dan in?
A. Dat heb ik nooit met den thermometer nagegaan;
maar om eens te onderzoeken, of het niet te warm was, ben
ik er zelf wel eens vooraan in gegaan, en toen vond ik
het wel niet te heet, maar toch nog al warm. Ik heb
in den laatsten tijd ketelschoonmakers van beroep, omdat
mijn eigen personeel niet van dat werkje houdt.
2561 V. Om de warmte?
A. Neen, het is een vuil werkje; in de meeste fabrie-
ken wordt \'s morgens om 5 uur afgeblazen en gaat men
er \'s nachts 12 uur in. Om snel af te koelen, moet men
goeden trek hebben.
2562.    V. Hebt gij een dubbel stokerspersoneel ?
A. Ik heb 4 machinisten voor twee ketels; zij wisselen
bij nacht en bij dag af.
2563.    V. Het vliegwiel wordt bij u met de hand
aangezet, niet met eene staaf?
A. Gewoonlijk weten zij het zoo te doen, dat dit
laatste niet noodig is; maar dit zal veranderd worden,
want het is eene kleine moeite.
2564.    V. Op welke gezette tijden wordt uwe fabriek
schoongemaakt ?
A. Eens in het jaar, in den staantijd. die gewoonlijk
14 a 30 dagen duurt.
2505. V. Krijgen de werklieden dan het loon toch
uitbetaald ?
A. Ja, dat gaat door.
2566. V. Is het loon vast weekgeld ?
A. Ja.
2567.    V. Uw meesterknecht Nota heeft ons die loonen
opgegeven; dat zal wel juist zijn, niet waar?
A. Dat geloof ik wel, want hij betaalt zelf uit.
2568.    V. Wanneer wordt het loon uitbetaald ?
A. Des Zaterdag-middags om 6 uur.
2569.    V. Het werkvolk van de nachtploeg neemt
dan zijn loon \'s Zondag-morgens mede naar huis ?
A. Ja, behalve degenen, die het door hunne vrouwen
laten halen.
2570.    V, Zijn er veel, die dat doen?
A. Tegenwoordig niet veel.
2571.    V. Zijn de loonen bij u in de latere jaren ge-
stegen of gedaald ?
A. Zij zijn bij mij niet gestegen, omdat ik vroeger
per brouwsel werkte en het steeds druk had. De loon-
standaard tegenover de oude stijfselfabrieken is bij mij
hooger. Zij werkten bij mij altijd driemalen.
2572.    V. Begrijp ik het goed, dan zijn uwe loonen
hooger dan in de ouderwetsche stijfselfabrieken, maar
lager in verhouding van het loon in uwe eigen oude
stijfselfabriek?
A. Juist.
2573.    V. Hebt gij vroeger aan uwe fabriek niet een
premiestelsel gehad ?
A. Ja, maar ik heb het afgeschaft, omdat de werk-
lieden er ongevoelig voor waren.
2574.    V. Wat was dat voor een stelsel?
A. Ik had een maximum-tijd, waarin zij werken moe-
sten, en dat maximum was laag; wat zij nu meer werk -
ten, kregen zij extra betaald. De nieuwe werklieden,
die ik aannam, maakten zich er niet warm voor.
2575.    V. Werd het door u vastgestelde normaalcijfer
weinig overschreden ?
A. Ja.
2576.    V. Schrijft gij dit hieraan toe, dat zij met hun
gewone loon tevreden waren?
A. Juist; zij wilden niet gaarne 14 a 16 uren wer-
ken, en dat moesten zij toch doen, wilden zij meer ver-
dienen. Zij moesten een uur langer werken, wilden
zij de premie verdienen, want ik kon natuurlijk niet
voor hetzelfde werk meer geld geven.
2577.    V. Moet ik het dus zóó opvatten, dat de werk -
lieden, staande voor de keuze om of 14 a 16 uren te
werken, maar dan meer te verdienen, of wat minder te
verdienen, maar dan ook niet langer dan den gestelden
tijd te werken, aan het laatste de voorkeur gaven?
A. Alleen tegen de feesten werd harder gewerkt, om
wat meer in den pot te krijgen.
2578.    V. Uwe ervaring is derhalve deze, dat de werk-
lieden er geld voor over hadden — want zoo mag ik het
immers noemen — om wat meer vrijen tijd te hebben?
A. Zeer zeker.
2579.    V. Hoe wordt nu die als het ware met geld
gekochte tijd in den regel besteed?
A. Zeer verschillend: de een heeft een winkeltje of
negotie, een tweede de eene of andere liefhebberij; een
derde bezit een eigen huisje, dat hij in zijn vrijen tijd
wat opknapt, maar bezig zijn zij altijd.
2580.    V. Ook met geestelijke dingen?
A. Te weinig. In dat opzicht is er geen gang in te
krijgen. Ik heb couranten in de fabriek neergelegd, maar
zij werden niet gelezen. In een jasje van een der werk-
-ocr page 128-
119
lieden verstoken, vond ik Recht voor Allen, en toen zeide
ik den bezitter, dat hij het blad niet zoo in het geniep
moest wegmoffelen, dat wij het samen zouden lezen en
ik het dan wel betalen zou. Ten slotte las ik het alleen,
en toen ben ik er ook mee opgehouden, want zóó smakelijk
vond ik deze lectuur nu niet.
Met de Werkmansbode heb ik het ook beproefd, maar
zonder resultaat.
2581.    V. Gelooft gij, dat zij thuis ook geene couranten
lezen ?
A. Jawel: Hecht voor Allen, Het Nieuws van den Dag
en vooral Het Vliegend Blad.
2582.    V. Komt gij veel met uwe werklieden in aan-
raking ?
A. Dagelijks.
2583.    V. Ook op gezette tijden, om met hen over
hunne belangen te spreken?
A. Enkel bij feestelijke gelegenheden.
2584.    V. Om op het premiestelsel terug te komen:
zou niet in denzelfden werktijd, door grootere inspanning
en meerdere toewijding, meer arbeid kunnen worden
verricht, wanneer eene premie in het vooruitzicht was
gesteld ?
A. Niet aan mijne fabriek, want dan zou het fabricaat
daaronder ongetwijfeld moeten lijden.
2585.    V. Is het dan bij uw fabrikaat eene quaestie
van tijd?
.4. Ja, het fabriceeren geschiedt langs chemischen
weg, zoodat voor alles tijd moet worden genomen.
2586.    V. Wat gij premiestelsel noemt, is niet een
premiestelsel in dien zin, dat meer betaald wordt voor
meer productie in denzelfden tijd ?
A. Dat kan ook niet. Ik heb vroeger wel een premie-
stelsel gehad, maar de fabriek leed er onder. De aard
van mijn bedrijf maakt het premiestelsel voor mij beden-
kelijk. Ik heb eens gezegd : „wanneer gij meer stijfsel dan
50 pet. uit mais of tarwe (dat is het gewone getal) pro-
duceert, dan krijgt gij zooveel per 50 KG." De stijfsel
werd echter niet goed gedroogd en nat afgezonden. Ik
kreeg klachten van de afnemers, vooral uit Engeland,
waar men zegt: „de stijfsel mag zooveel water bevatten."
2587.   V. Waar aldus dat premiestelsel voor uwe fabriek
niet raadzaam was, hebt gij daar getracht de werklieden te
interesseeren in het eindresultaat van uwe onderneming ?
A. Ik behoef mijne balans niet aan iederen knecht te
toonen, maar ik heb er enkele knechts over gesproken
en gezegd, dat ik hun een aandeel in de winst zal geven.
Hoeveel dat zal wezen, moet nog blijken; het is progressief
naar mate van de winst.
2588.    V. In hoever hebt gij er uwe knechts over
gesproken ?
A. Ik heb het duidelijk trachten te maken aan die-
genen, die het konden begrijpen.
2589.    V. Hebt gij hun medegedeeld, welk aandeel zij
in de winst zullen krijgen ?
A. Neen, het is mij zelf nieuw; ik zal zien hoe
het gaat.
2590.    V. Gij hebt hun echter wèl medegedeeld, dat zij
in de winst zullen deelen, maar niet in welke mate ?
A. Ja.
2591.    V. Gij hebt hun dus een recht gegeven op een
aandeel in de winst, wanneer het goed gaat. Hoe zal het
bedrag onder de werklieden worden verdeeld?
A. Dat ben ik met mij zelf niet eens. Ik bezie de
zaken nu met een heel ander oog dan vroeger. Eerst
heb ik het denkbeeld gehad om het aandeel te
verdeden in verhouding tot de loonen; doch dit acht
ik niet billijk.
2592.    V. Kunt gij ons uitleggen, waarom dit niet
billijk zou zijn?
A. Omdat zij, die hoogere loonen verdienen, niet altijd
het meest doen voor het al of niet goed gaan van de
fabriek.
2593.    V. Zoekt gij naar een middel om ieder een
aandeel te geven naar gelang van hetgeen hij tot het
eindresultaat heeft bijgedragen ?
A. Ja, als dit kan.
2594.    V. Denkt gij hun het aandeel in de winst in
klinkende munt uit te betalen?
A. Ja, want zij hebben toch het liefst geld.
2595.    V. Zijn u van iets dergelijks hier aan de Zaan
voorbeelden bekend?
A. Neen.
2596. V. Zijn er instellingen aan uwe fabriek ver-
bonden ter bevordering van de belangen der werklieden ?
A. Neen, daartoe is mijn personeel niet uitgebreid
genoeg. Ik doe dat maar huishoudelijk weg. Oude men-
schen, die niets kunnen doen, laat ik wat hout zagen,
enz. Bovendien zijn zij in een ziekenfonds en verzekerd
tegen ongelukken; meer kan ik al niet doen. Gaarne
zou ik ze willen verzekeren tegen den ouden dag, maar
dat is te duur, omdat voor de ouden de premie zoo
hoog is, en de jongen uitteraard er weinig belang in
stellen.
2597.    V. Zoudt ge het toejuichen, als de Staat er
den werkgever toe verplichtte?
A. Alleen voor geval de maatregel internationaal was.
Zoolang dat niet het geval is, durf ik niets verzekeren,
want ik kan niet weten, of ik het zal kunnen blijven
doen, en daarom doe ik liever wat ik vermag op de
bestaande manier.
2598.    V. Zou de verzekering u duurder te staan
komen ?
A. Ja. In mijne familie zijn 23 windmolens geweest,
maar ik heb nooit iets gemerkt van last van oude werk-
lui, die niet meer werken konden. Er waren er altijd
een paar, maar dat maakte niets uit.
2599.    V. Die behoefden dus niet de straat op met
lucifers ?
A. Volstrekt niet, dat zouden weggejaagde lui moeten
wezen; want als regel kan aan de Zaan wel gelden, dat
voor lui. die niet meer voor hun werk deugen, wel een
baantje gezocht wordt, waarmede zij hun brood hebben.
2600.     De heer Le Poole: Zijn die ketelschoon-
makers menschen van beroep, die dat werk doen aan
verschillende fabrieken ?
A. Ja, het zijn meest opperlui.
2601.    V Kunnen die dan beter tegen de hitte dan
uw personeel?
A. Dat schijnt wel; van bijzondere ziekten onder die
menschen is mij althans niets bekend. Mijn eigen per-
soneel schijnt dat werk echter onaangenaam te vinden.
2602.    V. Acht gij het schoonmaken van ketels in
den winter, door de groote tegenstelling van temperatuur,
niet bedenkelijker dan \'s zomers?
A. Ja.
2603.    V. Hoe worden die menschen betaald.\'
A. Per ketel.
2604.    V. Is het u bekend, dat er een reinigingsmid-
-ocr page 129-
120
A. Twee machinisten en 6 volwassen, vaste werklieden.
2618.    V. Is daar een vast loon?
A. Ja.
2619.    V. Zijn dat loonen, die ongeveer met die van
uwe andere tabriek overeenstemmen?
A. Ja.
2620.    V. Hoe lang wordt daar gearbeid?
A. 12 uren, met een rusttijd van VA uur.
2621.    V. Werkt men er dag en nacht?
A. Ja, maar daar heb ik slechts twee ploegen.
2622.    V. Gij hebt ervaring van eene fabriek, waar
elke man eens in de drie weken eene week \'s nachts
werkt, en van eene tweede fabriek, waar de menschen
om de andere week nachtwerk verrichten. Kunt gij nu
eenig verschil in de stemming der arbeiders aan die beide
fabrieken opmerken ?
A. Neen. Zij hebben er wel op tegen om altijd des
nachts te werken, maar niet om dat om de andere week
te doen.
2623.    V. Gelooft gij niet, dat de menschen op de
stijfselfabriek, die eens in de drie weken des nachts
moeten werken, zich bevoorrecht achten boven hen, die
dit om de andere week moeten doen?
A. Volstrekt niet.
M. K. Honig.
A. Kehdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
del is om het water te zuiveren, zoodat afbikken min-
der noodig wordt?
A. Neen.
2605.    V. Er is zulk een middel van Derrosz verkrijg-
baar bij Hans Reiser te Keulen.
A. Ja, maar dergelijke dingen vreten in den regel
zoo verschrikkelijk veel soda, dat het te duur wordt.
Ik ben, ik moet haast zeggen zoo gek geweest, om steeds,
als zulke middelen werden aangeprezen, ze aan te koopen,
maar nooit heb ik een gunstig resultaat gehad.
2606.    De Voorzitter: Ons is medegedeeld, dat, wan-
neer in uwe fabriek zieken zijn, de gezonden het werk
voor hen doen, zoodat zij hun loon behouden, terwijl
gij dan de overuren betaalt?
A. Dat is juist, maar als er twee of drie ziek wor-
den, moet ik wel andere menschen er bij nemen, doch
dan laat ik toch de zieken hun loon houden.
2607.    V. Hebt gij ook een boetestelsel aan uwe
fabriek ?
A. Neen. ik heb er wel eens over gedacht, maar ik
vind het niet noodig, mijn personeel is niet zoo groot.
Ik ga dagelijks met de menschen om en kan dus met
hen praten.
2608.    V. Zoodat gij kleine ongerechtigheden door j
eene kalme waarschuwing kunt voorkomen voor het
vervolg ?
A. Juist.
2609.    V. Komen uwe werklieden wel eens te laat?
A. Een enkelen keer.
2610 V. Hebt gij wel eens iemand moeten weg-
zenden ?
A. Een paar maal.
2611.    V. En als de dienstbetrekking verbroken wordt,
hetzij uwerzijds, hetzij van den kant der werklieden,
wordt dan steeds een behoorlijke termijn van opzegging
in acht genomen?
A. Ik heb eenmaal de geheele fabriek moeten schoon-
vegen. omdat de werklieden verslaafd waren aan den
drank. Toen werkte ik nog maar met 8 man; die heb
ik allen dadelijk weggezonden, toen ik bemerkte, dat zij
dronken waren. Ik ben toen zelf voor het vuur gaan
staan en heb toen aan een nieuw personeel het werk
geleerd.
2612.    V. En wanneer gij een werkman wegzondtom
de eene of andere reden?
.4. Dan kreeg hij nog 14 dagen zijn loon, om ander
werk te kunnen zoeken.
2613.     V. Is het drankmisbruik in uwe gemeente
sterk ?
A. Als zetter van de belastingen moet ik, den invoer
van jenever nagaande, zeggen: „heel sterk", vooral wan-
neer ik bedenk, hoezeer de jenever vervalscht wordt.
2614.    V. Hebt gij nog last van drankmisbruik in uwe
fabriek ?
A. Ik geloof niet, dat er nog een druppel in de fa-
briek komt.
2615.    V. Gij hebt immers nog eene tweede fabriek?
A. Ja, dat is de koekenfabriek. Daar vermaal ik het
afval van de stijfselfabriek, dat in koeken geperst wordt.
2616.    V. Werkt gij daar ook met stoom ?
A. Ja.
2617.    V. Hebt gij daar een talrijk personeel ?
Verhoor van Jan Dekker Adrianuszoon. oud 56 jaar,
peller en koopman, te Koog a/d Zaan.
2624.    De Voorzitter: Hebt gij uitsluitend windmolens
of ook stoommolens?
A. Ik heb twee windmolens.
2625.    V. Dat zijn garstpellerijen ?
A. Ja.
2626.    V. Wordt er aan uw molens met 4 man ge-
werkt?
A.. Met 4 man en een jongen.
2627.    V. Is dat het gewone getal?
A. Neen, 4 personen is het gewone getal.
2628.    V. Er zijn ook voorbeelden van molens, waar
men met 3 personen werkt?
A. Juist.
2629.    V. Hoe komt het, dat er zulke zijn?
A. Dat vindt zijn oorsprong in de geschiedenis. Vroe-
ger jaren werkten er in de pelmolens een meesterknecht,
een middenknecht en een jongen, en toen was het werk
veel zwaarder en veel ongezonder dan tegenwoordig,
maar er werd niet zoo veel bij nacht gemalen.
Toen maalden zij maar enkele nachten over.
Later is men begonnen dag en nacht door te malen,
en dan had men drie man en een nachtknecht, die
\'s avonds om 8 uur te werk kwam en \'s morgens om
4 uur weer heenging. En dan was er nog een leerling,
-ocr page 130-
121
de een wat grooter, de ander wat kleiner, de één werd
wat beter, de ander wat slechter betaald.
Daar nu die nachtknecht uitsluitend kwam om uren
te verdienen, deden zij nooit zoozeer hun best als vaste
knechts, zoodat de hoeveelheid werk somtijds veel te
wenschen overliet. In den regel waren het bovendien
weggejaagde pellers, zoodat er ook wel eens het een en
ander gebeurde, dat niet in den haak was, zoodat men
eindelijk er toe gekomen is de jongens ook \'s nachts !
te houden, zoodat er ten slotte vier man \'s nachts maalden.
2630.    V. Is het werk op de molens, waar drie man
werken, zwaarder dan op die, waar vier man den arbeid j
verrichten ?
A. Och, dat is al geheel afhankelijk van den goeden
wil en de werkkracht van het volk Men kan onmogelijk
nagaan, hoe er gewerkt wordt, tenzij men meerdere
molens heeft om te kunnen vergelijken.
2631.    V. Hangt, hetgeen de molen voortbrengt, niet
veel af van de ligging van den molen, of deze veel en !
<iemakkelijk wind vangt?
A. Ja, een molen achter de huizen doet minder dan
een molen in het vrije veld.
2632.    V. Hebben uwe beide molens zeer ongelijken
windvang?
.1. Dat verschilt niet veel.
2633.    V. Loopen de loonen zeer uiteen?
A. Niet veel. Het gewone loon was vroeger f7 voor
den meesterknecht, f5.50 voor den volgenden man en
f2.50 tot f4 voor den jongen, of nog minder. De tegen-
woordige loonen bij mij zijn f8, f6 en f4, en f2 vast
voor het \'s nachts overmalen, dat om het half jaar ver-
rekend wordt.
2634.    V. Hebt gij in 1889 meer nachtgeld betaald?
A. Dat kan ik niet zeggen; 1888 was beter.
2635.    V. Herinnert gij u nog, hoeveel gij toen hebt
betaald?
A. Neen, maar het scheelt hoogstens f6 in het jaar. j
2636.    V. In het nu verstreken half jaar waren ze 11
nachten ten achteren, niet waar?
A. Ja, daar heb ik de pen doorgehaald. Dat is geen
gewoonte, ik heb het zelf ingevoerd, en ik zal u de reden
/eggen.
Wij hangen op het stuk van nachtmalen geheel af van
de eerlijkheid van ons personeel. Nu kan men soms wel
bewijzen, dat hun briefje niet in den haak is, maar het
is toch altijd heel moeilijk. Hun dagloon is niet vol-
doende, de meesterknecht had f7, de middenknecht 5.50
en de jongen f3.50. Dat is nu zoowat 16 jaar geleden. ;
Xu draaide des zomers die molen zonder dat hij werk ;
deed. Toen ben ik eens met een bar gezicht naar den
molen gegaan, en ik heb gezegd: jelui haalt de zeilen ;
in en maakt dat je wegkomt. Verder heb ik hun mede-
gedeeld, dat ik hun, in plaats van f 0.80, f 1 per nacht I
zou geven en het weekloon met fl zou verhoogen. Dan {
konden ze in elk geval niet zeggen, dat ze geen tijd
hadden om bij vrouw en kinderen te wezen; wanneer
er wind -was dan moesten ze malen, met weinig wind
mochten zij malen, en naar huis gaan als er geen wind
was. Dit beviel hun best, maar ik moest toch een oogje
in het zeil houden, dat ze niet overdreven; want fl
\'s nachts is meer dan f 0.80. Zij malen nu 100 a 125
nachten in het jaar, hoewel ik financieel liever had, dat
ze er 50 niet maalden. Nu worden in andere molens
nog wel eens 200 nachten betaald.
De loonen van enkelen heb ik met 50 ets. verminderd,
omdat de lieden, die ik in dienst had, weggingen en ik
hunne opvolgers wel 50 ets. minder kon geven. Het is !
niet fair, maar de zaken gaan zoo verbazend achteruit,
sedert we in Duitschland het protectionistische stelsel :
ilebben gekregen.
2637.    V. Zijn uwe zoogenaamde jongens gehuwd of
igehuwd ?
.4. Een is gehuwd en één niet.
2638.    V. Hun weekloon is f6?
A. Ja, er komen twee nachten bij.
2635). V. Hebben ze nog extra verdiensten ?
A. Behalve wat ze in het eind van het jaar vangen,
ontvangen ze 50 cents voor ieder last, dat zij ontvangen,
en ook 50 cents voor ieder last, dat zij afleveren. Dat
maakt zoo wat fl in de week.
2640.    V. Haalt men die gemiddeld?
A. Ja, voor een getrouwden jongen is dat f 7, behalve
gort en meel, wat er nog al inhakt, als het gezin grooter
wordt.
2641.    V. Ik heb wel gehoord, dat pellers geen gort
lusten, omdat zij eeuwig dat gortstof inademen; is dat
uw ondervinding niet.
A. Dat is verschillend; ik lust geen gort, maar heb
er wel gekend, die er veel van gebruikten. Maar de
meeste menschen houden niet van gort, anders zou het
vak zoo beroerd niet zijn. De heele wereld zegt, dat gort
zoo gezond is, maar niemand eet ze.
2642.    V. Gort dient alleen voor consumptie, niet voor
industrieele doeleinden ?
A. Juist.
2643.    V. Als de molen draait, danblijft het volk den
nacht over?
A. Ja, maar al dien tijd werkt het niet. Het is altijd
in het haam, maar kan tijd genoeg vinden om te rusten
en wat te gebruiken. Een fatsoenlijke meesterknecht kan
dat wel zóó regelen, dat het is uit te houden, want zij
wisselen elkander behoorlijk af.
2644.    V. Hoe denkt gij in het algemeen over het
gehalte van de pellers?
A. Dat is beter dan vroeger. Meesterknechts stierven
toen bijna niet in functie, omdat zij haast allen om
oneerlijkheid of dronkenschap werden ontslagen. Daar-
over hoort men nu niet klagen, een bewijs dus van
verbetering.
2645.    V. Het zedelijk gehalte is naar uwe meening
dus gestegen?
A. Op het stuk van eerlijkheid althans zijn wij
vooruitgegaan.
2646.    V. En wat het drinken aangaat?
A. Dat weet ik niet, dat kunt gij beter van een
knecht hooren.
2647.   V. Wordt aan uwe eigen molens niet gedronken ?
A. De meesterknecht van den eenen molen gebruikt
geen drank, en goed voorgaan doet goed volgen; daarom
geloof ik, dat de anderen het ook niet doen. Op den
anderen molen geloof ik ook niet, dat men drinkt; want
hoewel ik het nooit verboden heb, heb ik het hun
beleefd verzocht, en ik heb nooit gemerkt, dat men aan
dat verzoek niet voldoet.
2648.    V. Hebt gij vroeger veel misbruik van sterken
drank gezien aan de molens?
A. Gezien niet, maar ik geloof toch wel, dat het veel
voorkwam.
2649.    V. Bij de pellers gaat bij ziekte het loon door,
niet waar?
A. Ja, zij hebben aanspraak op het dag-, niet op het
nachtloon. Vroeger heb ik bij de afrekening de assis-
tentie, die ten gevolge der ziekte noodig was, op den
man, dien het gold, verhaald, maar in den laatsten tijd
niet meer. Natuurlijk zou ik van die gedragslijn moeten
afwijken, wanneer het eene ziekte werd van 24,25 weken
Enquête. — De Zaankant.
31
-ocr page 131-
122
2650.    V. Maar het dagloon zou de zieke toch in dat I
geval ook behouden?
A. Ja; zoolang de pellers niet ontslagen zijn, houden
zij hun loon.
2651.    V. Als er geen wind is, gaan dan de pellers
toch naar den molen?
A. Ja, om een uur of 7, 8. Zij hebben eigenlijk geen
meester, de patroon komt maar driemaal in de week op !
den molen, zegt wat gedaan moet worden, maakt een
praatje en gaat weg.
2652.    V. Met wien spreekt gij, wanneer gij aan den
molen komt?
A. Met eiken knecht, de een is net zoo goed als de
ander.
2653.    V. Gij betaalt eens per week?
A. Ja, Vrijdag-avond altijd.
2654.    V. Waarom niet b. v. Zaterdag?
A. De uitbetaling op Vrijdag is gemakkelijk; de !
jongen komt driemaal in de week het briefje halen, en |
de laatste keer valt op Vrijdag.
2655.    V. Hoort gij wel eens, dat de olieslagers het
minder prettig vinden, dat zij om de 14 dagen worden
uitbetaald?
A. Ik geloof het niet, maar ik ben geen olieslager.
2656.    V. Zijn u voorbeelden bekend van oude, gebrek- \'
kige pellers, die een pensioen van hun baas hebben?
A. Ik heb er een gekend, die van zijn patroon P.F.
Dekker een pensioen van f 6 per week had; een ander
heeft een pensioen gehad van de firma Wed. E. Van der
Stadt, en zoo heb ik er op Westzaan ook nog een gekend.
2657.    V. Kent gij voorbeelden van oude werklieden,
die niet meer werken kunnen en lang bij denzelfden
Eatroon zijn geweest, en nu af hankelijk zijn van de open-
are liefdadigheid, of op de eeneof andere wijze trachten
hun kost te verdienen?
A. In de gemeente Koog niet.
2658.    V. Gelooft gij, dat zij ook in andere vakken niet
bestaan?
A. Neen.
2660. V. Zoudt gij het toejuichen, indien de Staat
de verplichting oplegde om de werklieden tegen den
ouden dag te verzekeren?
A. Zeker. Ik heb gedacht, dat, wanneer de Staat die
genieene patentbelasting afschafte en omzette in eene
bedrijfsbelasting, naarmate van het werkvolk, dat men
heeft, dan zou de opbrengst daarvan kunnen dienen
om de oude, afgewerkte werklieden een goed pensioen
te geven. Het bestaande pensioenfonds voor werklieden
zal misschien over 50 jaren goed zijn, want de premie
is thans zeer hoog.
Wij hebben te Zaandam eene winkelvereeniging, waar-
aan een pensioenfonds voor weduwen verbonden is. ;
Naar aanleiding daarvan heb ik een zeven jaar gele-
den — mijn zwager was toen voorzitter — voorgesteld,
om, daar het reserve-fonds zeer groot was geworden, in
eens af te schrijven de vaste goederen tot het wettelijk
minimum. Dan bleef er nog f2000 in het reserve-fonds
over, en daarvan zoude dan, naar ik verder voorstelde,
een weduwenfonds worden opgericht. Dit plan vond bijval
bij het bestuur, en toen het voorstel in de algemeene j
vergadering kwam, die door 150 personen werd bijge-
woond, gingen er slechts zeer enkele stemmen voor een
algemeen pensioenfonds op.
Hieruit blijkt genoegzaam, dat de werkman veel be-
zorgder is voor het lot van zijne weduwe dan voor zijn
eigen ouden dag.
Later heb ik nog eens anoniem in de Zaanlandsche
Courant,
naar aanleiding van eene vergadering, waarin
door u gesproken was, aan de verschillende patroons
uit de Zaanstreek voorgesteld om eene statistiek samen
te stellen van de in hun dienst zijnde werklieden, om
zoodoende te weten te komen, hoeveel ouden er onder
waren. Niemand is daarop echter ingegaan ; misschien wel.
omdat niet een meer invloedrijk persoon er zich voorge-
spannen had. Trouwens, ik had mijn stuk niet onder-
teekend.
Mijne bedoeling was om te doen uitkomen, dat de pen-
sioenfondsen gebaseerd zijn op de gewone sterftetafels.
doch dat een werkman in den regel korter leeft dan het
gros van de menschen, en er dus aan hem minder pen-
sioen wordt uitgekeerd dan mogelijk wezen zou.
2661.    V. Wanneer gij de herinneringen van uwe
jonge jaren raadpleegt, is er dan naar uwe meening ver-
betering in den toestand van den werkman gekomen?
A. Ja. De sociale beweging van onze dagen heeft
gunstig gewerkt op de toestanden aan de Zaan. Over
het algemeen heeft de patroon betere gedachten van zijne
werklieden gekregen; en het besef, dat hij aan iemand,
dien hij in dienst neemt, geen weldaad bewijst, doch dat
de patroon en hij elkaar noodig hebben en omgekeerd.
is meer en meer doorgedrongen. Enkele patroons, die
niet wenschten mede te doen in die beweging, zijn door
de omstandigheden gedrongen, daar zij niet achter kondon
blijven.
Ook de Zondagsarbeid is verminderd. Vroeger zag
niemand er iets in, eiken Zondag te laten werken. Een-
maal ben ik naar den molen gegaan met den wensch, dat
hij af mocht branden vóór ik er was. Het was niet plei-
zierig om \'s Zaterdag-nachts tot 2 uur te malen, en dan
\'s Zondag-middags om 4 uur terug te komen. Er waren
patroons, die de gerst nog eens lieten opscheppen en
overmalen, alleen uit eene zekere soort bluf. De omstandig-
heden zijn echter veranderd.
Zoo is b. v. de slaapgelegenheid der werklieden ver-
beterd. Ik lag in mijn tijd in het hooi. bedekt met
zeildoek, maar tegenwoordig hebben de werklui bed-
steden met lakens en dekens. Ook is men \'s winters
beter van brandstoffen voorzien. Vroeger had alleen de
meesterknecht een horloge, nu is er in iedere hut een
klokje.
2662.    V. Is de werktijd verminderd?
A. Neen, maar als u eene wet voorstelt om nachtwerk
te verbieden, dan zal ik een adres van adhaesie gaarne
onderteekenen. Het kan, want het getal windmolens is
beperkt, en wij hebben meer last van overproductie dan
van het tegendeel. De vrije concurrentie drijft echter tot
nachtwerk, al zou algemeene afschaffing het bedrijf niet
treffen. Ik zie er die wet evenwel nog niet.
2663.    V. Vroeger werden er wel kleine jongens aan
de pelmolens gebruikt, niet waar?
A. Ja, het is maar gelukkig voor de jongens, dat de
wet zulks nu verbiedt. Indertijd vroeg zoo\'n kleine
jongen aan mijn meesterknecht, of hij naar huis mocht
gaan, omdat hij ziek was. Toen hij 4 dagen daarna terug-
kwam, vroeg ik\': ben je uitgeslapen? En hij zeide: \'y\\
baas. Zoo was het, hij was af, hij telde 11 jaar.
2664.    V. Hoe oud is het ventje thans bij u, en hoe laat
gaat hij naar huis?
A. Hij is 14, en gaat om 6 of 7 uur heen; \'t is maar een
boodschappenjongen, die een handje mede uitsteekt en
zoo het vak leert.
2665.    V. Gij zijt immers de oprichter van de coöpe-
ratieve verbruiks-vereeniging te Zaandam ?
-ocr page 132-
12*
A. Ja.
_!<>66. V. Hoeveel leden telt de vereeniging ?
I. 700, bijna allen werklieden.
2667.    V. Welke zaken drijft zij\'!
.1. Eene bakkerij Jen twee komenij-winkels, waarwin-
kehvaren en spek wordt verkocht benevens brandstoffen.
2668.    V. Ons is door een getuige, die ook lid was.
gezegd, dat de bloei der vereeniging meer schijn dan
waarheid was, want dat de prijzen er zooveel duurder
waren dan in andere winkels, dat daardoor eigenlijk het
dividend werd gemaakt.
A. Ik ben niet genoeg meer op de hoogte; ik woon
op de Koog en haal in de vereeniging niets dan cokes,
niiidat die goed zijn en ik aan het reglement moet vol-
doen. Maar het debiet is toch voortdurend toegenomen,
en de mensehen, die bij de vereeniging koopen, zijn in
den regel de knapste arbeiders, en dus zijn zij wel in
staat om te beoordeelen. of zij daarmede voordeel beha-
lei i of niet. Maar er zijn veel vrouwen, die van de ver-
eeiliging niets willen weten.
2669.    V. Omdat zij contant moeten betalen ?
.1 Dat in de eerste plaats.
2670.    V. En omdat zij niets toekrijgen?
A. Dat ook. maar er zijn veel vrouwen, die behoefte
hebben om eens in de buurt een praatje te maken, en
dat gaat gemakkelijker in zoo\'n klein winkeltje.
2671.    V. Hoeveel ongeveer bedraagt het dividend.\'
A. Gewoonlijk 9 pet. van den omzet.
2(572. V. Wordt dat altijd opgevorderd, of laten de
leden het veelal staan om een kapitaaltje te vormen?
A. Neen, de meesten ontvangen het, maar dat komt
ook al, omdat er geen kapitaal meer noodig is. De ver-
eeniging heeft zelfs van de aandeelen al terugbetaald.
2673.    V. Wordt er niet gedacht aan verdere uitbrei-
ding van de zaak ?
A. Dat is nog al moeilijk; de meeste leden zijn werk-
lieden, en er is geen bezoldigd administrateur. De admi-
nistratie wordt door de leden van het bestuur zelfwaar-
genomen : werd nu de zaak uitgebreid, dan zou dit licht
moeilijkheid maken, want men schijnt geen zin te heb-
ben in de aanstelling van een administrateur, zoonis ik
al dikwijls heb aangeraden.
2674.    V. Hoe groot is de omzet ?
A. f 90.000 \'s jaars.
2675.    V Wordt inderdaad de vereeniging uitsluitend
door werklieden in hun vrijen tijd geadministreerd ?
A. Ja. Veltkamp, de president, is zeilmakersbaas en houdt
de boeken; maar de zaak gaat goed, dat blijkt wel uit
de uitkeering.
J. Dekker Az.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. IiE 1\'OOLK.
W. M Visser.
W H. J. Kou aards. Adj.-aecretari».
-ocr page 133-
-ocr page 134-
ZITTING VAN VRIJDAG 9 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Poole.
Visser.
2685.    V. De loonen zijn dus in uwen molen niet
hooger dan in de andere molens, niettegenstaande bij
wind meer werk is dan op de andere?
A. Ja. De oorzaak daarvan zit in de nachten. Doch
daartegenover staat, dat ons twee nachten in de week
gewaarborgd zijn, ook al is er geen wind.
2686.    V. Hoeveel nachten hebt gij in 1890 gemalen?
A. Ik denk 150, ongeveer drie keer in de week.
2687.    V. Hoe worden de nachtgeklen verevend?
A. Alle week krijgen wij ons weekloon plus twee
nachten uitbetaald, terwijl om de 3 maanden wordt be-
taald, wat ik meer heb verdiend.
2688.    V. Is die man, die f 4.50 heeft, ongetrouwd?
A. Ja.
2689.    V. Die van f 7 ook?
A. Ja.
2690.    V. Zijn de mannen, die zoo wat f 4.50 ver-
dienen, over het algemeen ongetrouwd?
A. Neen, de meesten zijn juist getrouwd, en dan heb-
ben ze het zuinig.
2691.    V. Zijn er molens, die, behalve de 4 mannen,
nog een jongen hebben om boodschappen te doen?
A. Ja, doch daar is het drukker, omdat er gemeenlijk
eene eest is.
2692.    V. Waarom is er bij u geen eest?
A. Omdat mijnheer bij een ander laat eesten.
2693.    V. Hebt gij altijd op den gortmolen gewerkt?
A. Ja, van het jaar 1845 af. Ik was toen 16 jaar.
2694.    V. Wat zijt gij vóór dien tijd geweest?
A. Koetsier op eene diligence.
2695.    V. Zijn op de pelmolens nooit heel jonge jongens
gebruikt ?
A. Vroeger waren er wel, die ongeveer 12 jaren oud
waren. Tegenwoordig geraakt dit echter uit de mode en
zijn het grootere jongens.
32
Verhoor van Jacob Kuyper, oud 61 jaar. pellers-
knecht bij den heer Jan Latensteijn,
te Zaandam.
2676.    De Voorzitter: Zijt gij niet meesterknecht op
den molen „de David", waar met 3 man gewerkt wordt,
zonder jongen ?
A. Ja.
2677.    V. Hoe komt het, dat gij slechts met 3 man
werkt ?
A. Mijnheer wil dat zoo. Maar wanneer het te druk
loopt, hebben wij het recht de zeilen in te halen. Willen
wij den molen laten doorgaan, dan moeten wij 18 uren
achtereen staan.
2678.    V. Geschiedt dit dikwijls?
A. Enkel, als het heel druk loopt.
2679.    V. Hebt gij er profijt bij, wanneer gij blijft
doormalen, of is dat enkel plichtsbetrachting?
A. Plichtsbetrachting. Het geld blijft hetzelfde.
2680.    V. Wordt door u harder gewerkt, dan op de
molens, waar vier man zijn ?
A. Ja; want op die molens kunnen altijd twee man
naar huis gaan, terwijl de twee anderen op den molen
zijn, wat bij ons niet kan.
2681.    V. Is „de David" een molen, die gemakkelijk
werkt, of minder windvang heeft?
A. Geen van beide.
2682.    V. Vertel eens, hoe de loonen bij u zijn.
A. Ik heb f8, de tweede man f7, de derde man f4.50
weekloon. Daarbij komt, voor overmalen, voor mij 90
cents en voor de beide anderen 80 cents.
2683.    V. Komt daar nog iets bij ?
A. Ja, vrij gort, voor al de knechts en hunne gezinnen,
en bovendien krijg ik nog f26 voor slacht.
2684.    V. Is dat voor u alleen?
A. Ja, de anderen krijgen geen slacht.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 135-
126
269<>. V. Hebt gij veel last van stof?
A. Neen, dat went wel. Enkelen, die er niet tegen
kunnen, gaan weg.
2697.    V. Waar komt het meeste stof van?
A. Van het malen boven. Maar wij hebben 2 stuif-
pompon, die kolossaal werken; het land ziet soms wit
van het stof.
2698.    V. Gaat bij ziekte het vaste loon door?
A. Ja, en ook dat voor de 2 nachten.
2699.    1\'. Wordt er :s Zondags doorgewerkt?
A. Niet meer; sedert de afschaffing van de belasting
op het gemaal en de heffing der inkomende rechten in
Duitschland is de pellerij zóó slap geworden, dat Zondags-
werk overbodig is.
2700.    V. Wordt onder u veel gort gegeten?
A. In groote gezinnen wel.
2701.    V. Ons is verteld, dat velen geen gort lusten,
omdat zij altijd dat stof inademen?
A. Dat is met onderscheid. Wij eten het een paar
maal aan den molen.
2702.    V. Wordt er ook brood van dat meel gebakken?
A. Neen, het is parelmeel, dat niet zonder gruttenmeel
kan gebruikt worden. Men kan er niet eens pannekoeken
van bakken, omdat het te slap is, er zit niets in.
2703.    V. Komt de patroon dikwijls aan den molen?
A. Twee-, driemaal in de week.
2704.    V. Die slecht wil zijn, kan veel stelen, niet
waar?
A. Ja, heel goed; wat er zijn moet, is niet na te
gaan, alles komt aan op vertrouwen.
2705.    V. Krijgt gij niet een kleinen bijslag voor het
sjouwerswerk bij afleveren en opbrengen van garst?
A. Neen, dat krijgt de derde man wel, die heeft 10
ets. per last, als wij garst aan den molen krijgen.
2706.    V. Werken de tweede man en gij daaraan dan
niet mede?
A. Neen, daarvoor komt los sjouwersvolk. Als wij dat
deden, zouden die menschen niets verdienen; maar boven-
dien de garst moet ons door de beëedigde meters toch
toegewogen worden, en die komen met hun eigen volk. De
derde man echter mag ook op den anderen molen van den
patroon helpen bij opdragen en afleveren, omdat hij zoo
weinig heeft.
2707.    V. Wat levert hem dat sjouwloon op ongeveer ?
A. f 10 per jaar en per molen.
2708.    V. Kent gij de werklieden hier in Zaandam
nog al?
A. Jawel.
2709.    V. Verscheidene getuigen hebben ons verzekerd,
dat de regel is — al zijn er natuurlijk heel wat uit-
zonderingen —, dat een werkman niet op den borg
leeft, terwijl anderen zeiden: vraag daar de winkeliers
maar eens naar, dan zult gij wel wat anders hooren.
Wat is uw gevoelen?
A. Dat er niet veel geborgd wordt. Ik ben 25 jaar
in het bestuur van de coöperatieve winkelvereeniging:
„Help uzelf\'. Daar gaat alles contant, en toch komen daar
allerlei arbeiders. Het debiet is bijna f2000 \'s weeks.
2710.    V. Natuurlijk borgen de leden der vereeniging
niet; maar anderen, die geen lid zijn ?
A. Ja, daar zijn er onder, die borgen; maar dat zit
hem het meest onder de olieslagers.
2711.    V. Omdat zij om de 14 dagen hun loon krijgen?
A. Neen, daar zit het hem niet in; maar wel hierin,
dat zij te veel ledigen tijd hebben. Wij zeggen wel eens,
dat het geld, dat die menschen krijgen, glad is; het is
dadelijk weg. Zoo hebben zij wel eens 14 dagen, dat zij
veel verdienen; maar ook wel, dat het minder, is en dan
leven zij maar, of zij zeker zijn van zoo groote verdienste.
2712.    V. Hebben zij meer vrij dan de pellers?
A. Dat niet, maar zij hebben stukwerk en verdienen
dus wel eens een goed stuk geld.
2713.    V. Ons is medegedeeld, dat de olieslagers eene
vaste som uitbetaald krijgen per 14 dagen, en dat de
rest eens of tweemaal per jaar verrekend wordt.
A. Ja, maar dat nemen zij te voren op, zoodat zij, als
er weinig wind is, diep in de schuld raken bij den patroon.
2714.    V. Zijn er ook patroons, die geen vaste som
uitbetalen om later af te rekenen?
A. Ja, dat is niet altijd het geval.
2715.    V. Zeidet gij niet, dat gij in het bestuur van
de winkelvereeniging zijt?
A. Ja.
2716.    V. Is de bewering juist, dat de winst, welke
de winkelvereeniging uitkeert, eigenlijk meer schijn dan
werkelijkheid is, omdat de prijzen hooger zijn dan in
andere winkels ?
A. De prijzen worden gesteld naar die in andere
winkels; het eene artikel mag eens ietwat duurder zijn,
maar daartegenover zijn andere weder goedkooper.
2717.    V. Vindt gij nog wel bij de vrouwen een
zekeren tegenzin, om in den winkel te koopen ?
A. Neen, dat gaat best.
2718.    V. In den beginne toch zeker wel ?
A. In den beginne waren de menschen bang, dat men
met het geld op den loop zou gaan. Nu zijn zij echter
gerustgesteld.
2719.    V. Gij keert het dividend uit, niet waar?
A. Ja, want wij hadden te veel geld in kas.
2720.    V. Vindt gij dat niet jammer, want nu gaat
het geld door de vingers en wordt er geen kapitaaltje
gemaakt ?
A. De meesten rekenen op die uitkeering.
2721.    V. Wat wordt met dat dividend gewoonlijk
gedaan ?
A. Meestal wordt de dokter of meester daarmede
betaald.
2722.    V. Zoudt gij het niet nog beter vinden, wan-
neer de menschen zich een kapitaaltje vormen door het
dividend te laten staan?
A. Dat hebben wij geprobeerd; maar dan zeggen de
vrouwen : wij krijgen niets van de vereeniging, terwijl
zij thans haar best doen om rente te krijgen.
2723.   V. Verleent de vereeniging in geen geval krediet?
A. Neen.
2724.    V. Wanneer de kostwinner ziek is en zijn loon
niet doorgaat, wordt hem dan gedurende zijne ziekte niets
voorgeschoten ?
-ocr page 136-
127
365. Aan de Zuiderschool bedroeg het aantal kinderen
229 en het aantal verzuimen 506.
Onder verzuimen versta ik moedwillig verzuimde
schooltijden, niet verzuimen wegens ziekte.
Het schoolverzuim is over het algemeen zeer gering,
want men moet niet vergeten, dat één enkel kind, dat
veel wegblijft, het getal zeer doet stijgen.
2732.    V. Tot hoe oud blijven de kinderen op
school?
A. In den regel tot hun 12de jaar, maar velen gaan
dan naar de avondschool, waar zij drie talen kunnen leeren.
2733.    V. Hoe lang zijt gij te Zaandijk reeds werk-
zaam ?
A. Zes jaren, en in dien tijd heb ik merkbaren voor-
uitgang kunnen bespeuren, hetgeen ik vooral ook toe-
schrijf aan den invloed van de vereeniging: „Getrouw
schoolbezoek\'\', welke den kinderen, die slechts 8 keeren
verzuimen, aan \'t einde des jaars een schoolpretje be-
zorgt, en niets verzuimt om ook de ouders op te wekken
om de kinderen naar school te zenden.
2734.    V. Er is dus stellig vooruitgang merkbaar?
A. Ja.
A. Ja, in dat geval wel; maar niet hooger dan zijn
aandeel groot is.
De vijf gulden, die men als lid storten moet, moeten
altijd staan blijven.
2725.    V. Verkoopt gij ook aan niet-leden?
A. Neen, dat mag volstrekt niet, omdat wij geen
patent betalen; daarop wordt streng toegezien.
2726.    V. Hebt gij bij de oprichting der vereeni-
ging veel tegenstand in de gemeente ondervonden?
A. Heel veel, vooral van den kant der winkeliers.
Er was er een onder, die begon met te zeggen: daar-
voor zal ik wel oppassen, en toen tegen erg lage prijzen
begon te verkoopen. Vóórdat de vereeniging begon, lag
liij al met zijne beenen omhoog.
Nu gaat het beter, want zij weten wel, dat het toch
niet helpt. Wel worden wij nog een beetje geplaagd,
doordat wij elk jaar in de patent-belasting aangeslagen
worden, maar wij krijgen dan altijd ons geld terug.
2727.    V. Hebt gij ook moeilijkheid met de leveran-
oiers?
A. Neen, ieder wil meer dan graag leveren, omdat
wij goed betalen.
2728.    V. Gij zult wel eens gehoord hebben, dat het
met de coöperatieve bakkerij aan de Koog niet erg
vlotten wil; hoe gaat het daarmede bij u?
A. In de laatste 2 a 3 jaren hebben wij ook met de
bakkerij gesukkeld, omdat de bakker geen goed brood
leverde. Ik houd het er voor, dat hij met water bakte,
hoewel hem dat streng verboden was. Wij hebben nu
een anderen bakker.
2729.    V. Voert het bestuur de administratie en de
boekhouding zelf?
A. Ja, een baas-zeilmaker voert de boekhouding, en
\'s Vrijdags komt alles op de proppen in de vergadering
van den Raad van Toezicht.
J. Kuyper.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaria.
2735.    v. Kunt gij eene vergelijking maken in dit
opzicht met andere industrieele gedeelten van ons land?
A. Neen, wel wat den boerenstand betreft.
2736.    V. Hoe oordeelt gij over den stoffelijken toe-
stand der arbeiders ?
A. Vrij gunstig, in vergelijking wat men hoort en
leest van andere streken.
2737.    V. Krijgt een werkmansgezin, behoudens uit-
zonderinger, vet in den middagpot of bestaat zijn
voedsel nog veelal uit aardappelen met lawaaisaus ?
A. Talrijke gezinnen, waar f5 wordt ingebracht, kunnen
niet veel meer krijgen.
De arbeiders, die f 10 en f 14 verdienen, kunnen wel
vet gebruiken. Er zijn bepaald menschen in een treurigen
toestand onder de olieslagers en papiermakers. Die arbei-
ders hebben een akelig leven. Ik herinner mij, dat verleden
jaar eenige dames zich hadden vereenigd om aan
arme kinderen een aangenamen avond te bezorgen op
St. Nicolaas. Die dames kwamen daarbij ook in het gezin
van een zoogenaamden jongen in eene oliefabriek ; daar
vonden zij de moeder bezig met vierkante stukjes rogge-
brood rond te strooien om dienst te doen als pepernoten,
en daarmede hadden de kinderen dolle pret! Is dat niet
een hoogst treurige toestand?
2738. V. Zijn u werkelijk gevallen bekend, dat hoofden
van gezinnen maar f5 verdienen, daarin begrepen de
betaling voor den geregeld terugkeerenden nachtarbeid,
het dragersloon en dergelijke bijkomende inkomsten?
A. Tenminste naar de verklaring hunner vrouwen. Ik
moet hier echter bijvoegen, dat mijn geloof in die opgaven
wel eens aan het wankelen is gebracht. Het is mij
meermalen voorgekomen, dat de vrouw van een arbeider
mij een veel geringer loon opgaf dan haar man, volgens
de dan later ingewonnen verklaring van den werkgever,
werkelijk verdiende. Ik dacht toen eerst aan eene poging
tot misleiding door de vrouw, maar later is mij ge-
bleken, dat vooral de olieslagers veel sterken drank
drinken en snoepen. De menschen hebben op de
molens alleen druk werk, wanneer er wind is, maar bij
stilte is er niets of bijna niets te doen; dan vervelen zij
zich, en het gevolg is, dat de jongen uitgezonden wordt
om jenever of snoeperij te halen, of dat er een vischje
gebakken wordt.
Een voorbeeld uit de ambachts-nij verheid valt mij
daar in. Het vorig jaar is er een ongeluk gebeurd. Eenige
Verhoor van Pieter Knuttel, oud 49 jaar, predikant bij
de Nederduitsch Hervormde Gemeente, te Zaandijk.
2730.    De Voorzitter: Hoe is uw oordeel ov den
graad van ontwikkeling der arbeidersbevolking?
A. De ontwikkeling is vrij goed. Men heeft veel op
met schoolgaan, en op één huisgezin na kunnen nagenoeg
allen lezen, schrijven en rekenen. Ik heb bier bij mij
een graphischen staat van het schoolverzuim.
2731.    V. Wilt gij ons de eindcijfers mededeelen?
A. In het jaar 1889—1890 bedroeg het aantal kin-
deren aan de Noorderschool 135, het aantal verzuimen
-ocr page 137-
128
timmerlieden zijn toen in de Zaan, terugkomende van het
werk, verdronken. Er werd eene commissie gevormd om
voor de weduwen te zorgen. Ik onderzocht bij eene weduwe,
wat het loon van haar man was geweest, en zij gaf op
f9. Later bleek echter uit de boeken van den werkgever,
dat de man een loon van f 14 \'s weeks had gehad.
De 5 overige guldens werden dus niet tehuis gebracht.
2739.    V. Maar dat verschijnsel openbaart zich uws
inziens het meest bij olieslagers?
A. Ja.
2740.    V. Nemen die geen middagmaal van huis mede
naar den molen ?
A. Jawel, in de bekende blikken bussen, of het
wordt gebracht.
2741.    V. Hebt gij wel eens vernomen, dat de jongen,
niet de zoogenaamde, aangezet wordt tot het drinken van
sterken drank?
A. Ik was onlangs in een gezin, waarvan ik den jongen,
een knaap van 13 jaar, in eene kroeg had zien gaan om
drank te halen; de moeder vertelde mij, dat dit voor
de werklieden op den molen was.
De vader maakte erg misbruik van sterken drank,
maar de jongen had er zulk een afschuw van, dat, wan-
neer hij tot drinken aangezet werd, hij zeide er liever
in te zullen spuwen.
2742.    V. Komt gij veel in de woningen van de
menschen ?
A. Nog al.
2743.    V. Is de toestand van die woningen gedurende
uw verblijf in de gemeente verbeterd ?
A. Er zijn zeer goede arbeiderswoningen, maar ook
enkele, die in een treurigen toestand verkeeren. Men
heeft ze willen afkeuren, maar dit is afgestuit op den
inspecteur van het Geneeskundig Staatstoezicht, die er
geen termen voor vond.
Bij eene van die woningen vond ik onder andere vóór
het huis een put vol water. Op mijne vraag, waartoe
die put diende, kreeg ik ten antwoord, dat ten gevolge
van den ergen regen het huis overstroomd was en de
put gegraven was om het water te laten wegloopen.
Eene andere woning was zóó vol reten, dat men overal
de gaten met lorren had toegestopt.
2744.    V. Ontstonden die reten door droogte in den
zomer?
A. Neen, door ouderdom van het huis.
2745.    V. Is er in den regel ééne kamer, of zijn er twee ?
A. Regel is ééne kamer met een vertrekje, waar zij
wasschen kunnen.
2746.    V. Zij koken dus in die kamer?
A. Ja.
2747.    V. Hebben zij gewoonlijk niet een schuurtje?
A. De meesten niet, sommigen hebben een gemeen-
schappelijk bleekveld.
2748.    V. Wat is de prijs van zulk eene woning met
één vertrek, waschgelegenheid en gemeenschappelijk
bleekveld?
A. Ik meen, gemiddeld fl per week. Gisteren was ik
nog juist ergens, waar ik op mijne vraag, hoeveel er ver-
woond werd, ten antwoord ontving: één gulden. Dit was
eene woning, zooals de bedoelde.
2749.    V. Hebben de beter gestelden twee vertrekken ?
A. Velen ten minste.
2750.    V. Hebt gij wel eens ijzeren ledikanten ontmoet,
of ziet men die in uwe gemeente niet bij de arbeidersklasse?
A. Er zijn wel arbeidersgezinnen, die ijzeren ledi-
kanten hebben.
2751.    V. Gelooft gij, dat het eene zeldzame uitzon-
dering is, indien jongens en meisjes van iets verder ge-
vorderden leeftijd samen slapen?
A. Daaromtrent durf ik niets zeggen.
2752.    V. In uwe gemeente wordt, geloof ik, evenals
in andere Zaansche gemeenten, het loon gewoonlijk eens
per week uitbetaald, met uitzondering van de olieslagerijen ?
A. In de olieslagerijen en pelmolens geschiedt het
om de 14 dagen.
2753.    V. Gelooft gij, dat het betalen om de 14 dagen
gunstig of ongunstig werkt?
A. Ik vind het verkeerd, omdat de lust tot borgen
er, naar ik meen, door opgewekt wordt. Het is eene oude
Zaansche gewoonte, waarvan de werkgevers, die ik er
wel eens over gesproken heb, den oorsprong niet wisten
te verklaren.
2754.    V. Gelooft gij, dat er veel geborgd wordt?
A. Zeer veel.
2755.    V. Niet alle getuigen uit de Zaanstreek hebben
in dien zin gesproken. Kunt gij uit eigen ervaring
spreken ?
A. Zeker. Ik kom somtijds in de woning van pas
getrouwde menschen uit den arbeidersstand. Dan
zeg ik zoo tegen de vrouw: „wat ziet het er netjes hier
uit, hebt gij zooveel in uw dienst overgespaard, of heeft
uw man een potje gemaakt." „Wel neen", luidt dan meest
het antwoord, „maar wij kunnen het zoo krijgen met
maandelijksche afbetaling\'. Op die wijze geraken de
menschen in de schuld, en zij komen er niet weer uit.
Zoo gebeurt het ook wel, dat vrouwen, die haar tweede
kind verwachten, bij de „Vereeniging tot ondersteuning
van kraamvrouwen" komen en zich wegens hare vroege
komst verontschuldigen met te zeggen: „wij zijn zoo
zwaar getrouwd!"
Die menschen blijven borgen hun leven lang.
2756.    V. Ook voor zaken van gewone dagelijksche
behoeften ?
A. Zeker, daarover wordt dikwijls door bakkers, melk-
verkoopers, enz. geklaagd.
2757.    V. Hebt gij ook eenige ervaring, waardoor uwe
a-prioristische overtuiging omtrent de nadeelige werking
van het 14 daagsche stelsel van betalen wordt bevestigd ?
A. Ik meen, dat het slecht werken moet.
2758.    V. Is u weleens door werklieden of huismoeders
verteld, dat zij liever het loon om de week zouden ont-
vangen ?
A. Ik herinner het mij niet. Er wordt wel eens over
loon gesproken, en dan moet men vragen, of het per week
of per 14 dagen wordt betaald.
2759.    V. Is u een geval bekend van een werkgever,
die van het betalen per 14 dagen tot dat per week
is overgegaan?
A. Neen.
2760.    V. Uit de verklaringen van verscheidene ge-
tuigen is ons gebleken, dat aan de Zaan bij vele werk-
gevers, in geval van ziekte, het loon doorgaat of althans
het vaste weekgeld wordt uitgekeerd. Wat is hieromtrent
uwe ervaring?
A. Sommigen betalen het heelemaal; anderen geven
f3 aan iemand, die lid is van het Werklieden-onder-
steuningsfonds; en weer anderen bekommeren er zich
volstrekt niet om en geven niets.
2761.    V. Komt het in de olieslagerijen niet minder
voor, dat de werkgever het loon laat doorgaan, dan in
andere vakken?
-ocr page 138-
129
A. Ja; in den pelmolen gaat, geloof ik, het loon door,
in de olieslagerijen niet. De firma Crok geeft f3 aan
iemand, die lid is van het Werklieden-ondersteunings-
tbnds; uit dat fonds krijgen ze f6 per week.
2762.    V. Zijn u gevallen bekend, dat een werkgever i
vroeger het loon liet doorgaan, doch nadat dat fonds is
gesticht, zich bepaalt tot het bijdragen van een gedeelte
van het loon ?
A. Neen.
2763.    V. Toonen over het algemeen de werkgevers
zich bewust van den plicht om afgeleefde werklieden \\
niet aan hun lot over te laten?
A. Er zijn er, die een pensioentje geven; maar men i
vindier ook, die iemand aan den dijk zetten, zoodat hij
kan gaan bedelen. Twee jaar geleden is het nog gebeurd
met werklieden, die op een papiermolen waren geweest
en niet meer konden werken, of althans niet meer door
den patroon gebruikt konden worden. Zij werden aan
den dijk gezet. Ook zijn er olieslagers, die lucifers venten. !
2764.    V. Gij noemt een bepaald geval, dat kort is j
geleden. Waren dat menschen, die den patroon lang hadden
gediend ?
A. Ik meen van ja.
2765.    V. Welke firma\'s zijn dat ?
A. Ik meen J. Honig Czn. en Gebrs. De Jong te
Westzaan.
2766.    V. Leert de diaconale armenzorg, dat er oudjes
aan hun lot worden overgelaten?
A. Ja.
2767.    V. Worden die dan bedeeld?
A. Ja, maar \'t zijn in den regel weduwen.
2768.    V. Van mannen ook, die door een ongeluk het
leven hadden verloren?
A. Jawel, zoo is er ook wel eene enkele bij; maar
zoolang ik te Zaandijk ben, is zulk een geval niet voor-
gekomen.
2769.    V. Door een deel arbeiders wordt Zaterdag
op Zondag gewerkt, niet waar?
A. Ja, tot 8 uur.
2770.    V. Hoe leeft dan zoo\'n werkman op Zondag?
A. Als hij thuis komt, gaat hij naar bed; staat, naar
ik vermoed, om 1 uur op, en gaat dan wat wandelen met
zijne vrouw en kinderen. Van één patroon werd mij laatst
verteld, dat hij zijn volk op Zaterdag-nacht om 4 uur
laat eindigen, ten einde gelegenheid te geven om \'s Zondags
naar de kerk te gaan.
2771.    V. Zijn in die richting door u wel pogingen
bij de patroons gedaan?
A. Jawel, maar het heet steeds, dat het niet kan.
2772.    V. Het door u genoemde voorbeeld bewijst, dat
in die richting toch wel iets mogelijk is?
A, Dat is zoo.
2773.    V. En werd die maatregel in het door u ge-
noemde gezin gewaardeerd?
A. Ja, zeer.
2774.    V. Weet gij ook, of de menschen, die doorwer-
ken tot Zondag-ochtend dan eerst hun geld ontvangen,
zoodat de vrouw of borgen öf op Zondag hare inkoopen
moet doen?
-4. Dat weet ik niet. Maar op Zondag zijn alle winkels
hier open, en niemand ziet er kwaad in, op dien dag
inkoopen te doen. Ik heb er te vergeefs tegen geijverd.
2775.    V. Hebt gij geen reden om te onderstellen, dat
dit samenhangt met de omstandigheid, dat in vele gezin-
nen het loon eerst \'s Zondag-morgens binnenkomt?
A. Och neen, de aanzienlijken laten hunne meiden
\'s Zondags wel aardappelen, enz. halen Op de catechisatie
spreek ik daar zooveel mogelijk tegen en raad haar, zich
daartegen te verzetten.
2776.    V. Is het u nog niet kunnen gelukken de
aanzienlijken over te halen om zich het kleine ongerief
op te leggen en zich van \'s Zondags naar winkels te zenden
te onthouden?
A. Als ik er over spreek, zijn zij het met mij eens;
maar men vergeet \'s Zaterdags zoo licht wat. De slagers
en bakkers komen langs de deur. Als ik naar de kerk
ga, zie ik ze loopen. Men vindt het zoo prettig om versch
brood en vleesch te hebben. Alleen de barbiers hebben
eene bepaling gemaakt, dat zij na 8 uur \'s Zondags niet
meer scheren.
2777.    V. En als gij met de winkeliers er over
spraakt, kreegt gij dan den indruk, dat zij inderdaad ver-
andering verlangden?
A. Zeer zeker, maar als ik zeide: „maakt dan een
akkoord met elkander om \'s Zondags niet te verkoopen\',
dan kreeg ik ten antwoord: „de concurrentie is zoo sterk
en de klanten zullen toch aan de deur komen", enz.
2778.    V. Is wel eens strenge toepassing van de
bestaande Zondagswet overwogen ?
A. Neen.
2779.    V. Houdt gij uwe catechisatie voor jongens
beneden de 16 jaar in de uren, waarin gearbeid wordt?
A. Voor jongens van 13 tot 16 jaar\'s avondsom 7 uur.
2780.    V. Hebt gij dat uur gekozen in verband met
den arbeidstijd?
A. Ja.
2781.    V. Hebt gij vroeger een ander uur gehad ?
A. Neen.
2782.    V. Hebt gij, een jaar of twee geleden, onder-
vonden, dat de jongens om 7 uur niet kwamen?
A. O, jawel.
2783.    I\'. Omdat zij liever op straat liepen, of wel,
omdat zij moesten blijven werken ?
A. Het laatste; als de jongens wat kunnen verdienen,
vinden de ouders dat ook aangenamer.
2784.    V. Werkten de werkgevers niet mede om de
jongens naar de catechisatie te zenden?
A. Jawel, die zeiden wel: „de jongen moet naar de
catechisatie"; maar als de blokmaler een socialist of zoo
iets is, dan kan de jongen niet gemist worden.
2785.    V. Het ging dus als met de Zondagsrust: de
werkgevers waren het met u eens, maar zij gaven zich
geen moeite om te zorgen, dat gebeurde wat gij vroegt ?
A. Ja.
2786.    V. Gelooft gij, dat thans in uwe gemeente de
jongens beneden de 16 jaar veelal later werken dan tot
7 uur?
A. Niet op de fabriek, maar dan krijgen zij soms
boodschappen te doen.
2787.    V. Hebt gij op uwe catechisatie jongens, die
op zakjesplakkerijen werken?
A. Ja.
2788.    V. Zijn dat getrouwe catechisanten ?
A. Neen.
Enquête. — De Zaankant.
38
-ocr page 139-
130
2789.    V. Hebt gij reden om te onderstellen, dat in
die zakjesplakkerijen des avonds gewerkt wordt?
A. In de zakjesplakkerijen niet, maar men heeft mij
wel gezegd, dat er aan die kinderen werk thuis opge-
d ragen wordt.
2790.    V. Is u dat door de kinderen zelf verteld?
A. Neen.
2791.     V. Is u iets bekend omtrent hetgeen van over-
heidswege wordt gedaan om te waken voor trouwe naleving
van de arbeidswet?
A. Ik meen. dat er goed toezicht gehouden wordt.
2792.    V. Hebt gij op uwe catechisatie jongens van
beneden de 13 jaar?
A. Ja, van 9 jaar zelfs.
2793.    V. Dan hebt gij er dus ook, die pas de school
verlaten hebben. Wat is uw oordeel over de mate van
hunne ontwikkeling en kennis? Meent gij dat ze voldoende
bagage hebben voor hun leven, of dat zij langer de school
hadden moeten bezoeken?
.4. Verscheidenen zijn goed ontwikkeld, maar voor
anderen zou ik herhalingsonderwijs noodig achten.
2794.    V. Zoudt gij het in het belang van de kinderen
in hooge mate wenschelijk achten, dat het bezoek van
de gewone lagere school langer werd voortgezet dan tot
12 jaar?
A. Ja; de kinderen, die nog op school gaan, zijn de
beste; wanneer zij wat ouder worden, vermindert dat.
2795.    V. Schrijft gij dit toe aan het feit, dat het
geleerde er niet deugdelijk genoeg ingebracht is?
A. Ja, en dat zij zich verder niet meer geestelijk ont-
wikkelen.
2796.    V. Is er in het geheel geen herhalingsonderwijs
in uwe gemeente?
A. Neen.
2797.    V. Is dat er nooit geweest?
A. In mijn tijd niet. Het zou dan ook een toer zijn
om die jongens bij dat onderwijs te krijgen; want zij
komen om 7 uur van den molen, moeten zich dan wat
opknappen en wat eten. en daarenboven zijn zij moede.
2798.    V. Zoudt gij het in het belang van de kinde-
ren uiterst begeerlijk achten, dat de wetgever den arbeids-
duur van de jongens van dien leeftijd nog verder
beperkte dan reeds is geschied, zoodat zij in staat
waren behoorlijk aan het herhalingsonderwijs deel te
nemen ?
A. Zeker.
2799.    1\'. Hebt gij ook catechisanten van 16 en 18 jaar?
A. Ja.
2800.    V. Die nemen, naar ons is medegedeeld, aan
het volle arbeidsleven deel en werken, wanneer de molen
gaat, 16 il 18 uren. Hebt gij den indruk gekregen, dat
in die jaren van lichamelijke groei en ontwikkeling
langdurige arbeid, ook des nachts, zeer bedenkelijk is ?
A. Ik krijg die bijna niet op de catechisatie. Deze
wordt door mij, om hen in de gelegenheid te stellen
daarvan te profiteeren, \'s Zondags gegeven; maar daarvan
wordt heel slecht gebruik gemaakt.
2801.    V. Schrijft gij dit hieraan toe, dat, wanneer
op dien leeftijd zoolang gewerkt is in de week, zij des
Zondags wel wat anders willen doen?
A. Zeker; wanneer de jongens \'s morgens om 8 uur
tehuis komen, gaan zij slapen, en daarna willen zij zich
wel eens wat ontspannen.
2802.    V. Constateert gij bij uwe catechisatiën, dat
er verschil in ontwikkeling tusschen de jongens en de
meisjes bestaat, ten gevolge van de omstandigheid, dat
1 de meisjes vroeger dan de jongens de school verlaten ?
A. Dit laatste is in mijne gemeente niet het geval.
2803.    V. Is het uwe ervaring, dat de werkman
\'s avonds, in zijne vrije uren, zich veelal nuttig bezig
houdt?
A. Er wordt heel veel gebruik gemaakt van de biblio-
theek van het „Nut"; en ik vermoed wel, dat zij de
boeken dan ook zullen lezen. Bovendien lezen zij nog
al couranten.
2804.    V. Het Vliegend Blad schijnt in de Zaanstreek
! zeer in trek te zijn; worden er nog andere bladen ge-
lezen?
A. Ja, Recht voor Allen, het Volksblad, dat te Zaandijk
l verschijnt, het Nieuws van den Dag en Nieuw Leven.
2805.    V. Zijt gij met de bibliotheek van het „Nut"
; van nabij bekend?
A. Ik ben eenige jaren bestuurslid van het departe-
ment geweest, doch verleden jaar ben ik afgetreden.
i
2806.    V. Is de roman-literatuur er het meest gewild?
A. Zeker, maar andere boeken worden echter ook wel
i genomen.
2807.    V. Dus die staan niet als ornament in de kasten ?
A. Neen; enkel het verslag van de parlementaire
enquête, dat ons, ik weet niet van welken kant, is toe-
gezonden, maar waarnaar nog geen vraag is geweest.
2808.    V. Is er eene speciale afdeeling in de bibliotheek
voor jeugdige lezers?
A. De bibliotheek voor kinderen in de schooljaren
wordt door eenige dames bestuurd.
2809.    V. Lezen de kinderen tusschen den leeftijd van
13 en 18 jaar uit de schoolbibliotheek of uit die van de
volwassenen ?
A. Uit de laatste.
2810.    V. Zijn er nog punten, waarop gij van uwen
kant onze aandacht wilt vestigen?
A. Ik wilde nog de aandacht vestigen op het feit,
dat onderscheidene werkgevers hunne arbeiders hebben
verzekerd tegen ongelukken en invaliditeit.
2811.    V. Neemt het aantal van die patroons toe?
A. Ja. Er zijn ook nog twee vereenigingen, werk-
mansondersteuningen, beide ziekenfondsen, waarvan de
een „Helpt elkander" heet.
2812.    V. Zijn de meeste werklieden er lid van?
A. Ja. Ik wenschte ook de aandacht te vestigen
( op de begrafenisfondsen.
2813.    V. Zijn dit industrieele ondernemingen?
A. Ja.
2814.    V. Hebt gij wel van misbruiken in die fond-
sen gehoord?
A. Neen, nooit.
In de laatste plaats wenschte ik op het feit te wijzen,
dat de verhouding tusschen werklieden en arbeiders vrij
I gunstig is. Ik heb ondervonden, dat de werkgevers in
! vreugde en leed van hunne ondergeschikten deelen.
i Onlangs vierde de heer Olie (een peller) zijne koperen
bruiloft, waarop hij al zijn volk uitnoodigde. Hetzelfde
I is het geval geweest bij een huwelijk van den heer
: Jacob Duijvis.
-ocr page 140-
13]
2815.    V. Is, afgescheiden van die ondersteunings-
vereenigingen, het vereenigingsleven van de arbeiders in
het gedeelte, waar gij woont, meer ontwikkeld dan in
andere deelen van de Zaan?
A. Ja.
2816.    V. Waar schrijft gij dat aan toe?
A. Dat weet ik niet, maar het is een feit.
P. Knuttel.
A. Kerdmk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.taards, Adj.-secretaris.
A. Zoover ik weet, ja, of men brengt waterleiding
aan. Het Witte Kruis heeft zich met de behoefte aan
drinkwater zeer beziggehouden en verleden jaar o. a.
f 200 besteed om bij de behoeftigen waterleiding aan
te doen brengen. Waar de bak niet in orde is, moet een
nieuwe bak worden aangebracht of wordt aansluiting
aan de waterleiding vereischt.
2825.    V. Dat betreft bestaande woningen; maar de
verordening bevat immers ook bepalingen omtrent nieuw
te bouwen huizen?
A. Ja, dan is men geheel gebonden en moet teeke-
ning en bestek inzenden bij de gemeente.
2826.    V. Neemt het gebruik van de waterleiding in
arbeiderswoningen zeer toe?
A. Ja, meer dan bij den gezeten burgerstand.
2827.    V. Waaruit laat het zich verklaren, dat het
in arbeiderswoningen meer is toegenomen dan in andere
huizen ?
A. Omdat er bij die arbeiderswoningen meestal slechte
bakken zijn.
2828.    V. Ik heb in de verordening niet gevonden,
i dat elke woning een eigen sekreet moet hebben. Wat is
! daarvan?
A. Elke woning behoeft geen eigen sekreet te hebben,
gewoonlijk zijn er 2 voor drie woningen. Dit is echter
niet altijd het geval. In een blok huizen, dat onlangs is
gebouwd, heeft elke woning een eigen sekreet.
Verhoor van Pieter Vredenduin, oud 55 jaar, meester-
timmerman, te Zaandijk.
2817. De Voorzitter: Gij zijt sedert jaren werkzaam in
betrekkingen van algemeen nut, o. a. ook bij de diaconie,
niet waar?
A. Ja, 10 jaren.
2818.    V. Gij zult dus als zoodanig, en tevens als werk-
gever misschien, wel een oordeel hebben over den toe-
stand van de huisvesting der arbeiders alhier?
A. Jawel; in \'t geheel genomen is de toestand goed,
an in de laatste 30 jaren vooral is aanmerkelijke ver-
betering waar te nemen en wordt er nog gestreefd naar
verbetering.
2819.    V. Is de gemeenteverordening, die den Raad
bevoegdheid geeft om onbewoonbare huizen af te keuren,
wel toegepast?
A. Ja, wel wat betreft de huurhuizen; maar huizen,
die door eigenaars bewoond worden, schijnen niet zoo
gemakkelijk getroffen te kunnen worden.
2820.    V. Gelukt het wel tegenover de huurders, maar
niet tegenover de eigenaars?
A. Ja, het punt schijnt quaestieus. Een paar jaar
geleden ben ik nog arbiter in eene dergelijke zaak ge-
weest. Dat huis is toen afgekeurd, en de eigenaar is er
in getrokken, niettegenstaande de burgemeester het hem
verbood.
2821.    V. Heeft de gemeente die zaak toen doorgezet ?
A. Neen, de vorige burgemeester scheen dat om de
kosten of om eene andere reden niet te willen doen.
2822.    V. Het is dus niet, omdat men niet heeft
kunnen, maar omdat men niet heeft willen doortasten?
A. Ja.
2829.    V. Is het denkbeeld, om dit verplicht te stel-
len, nooit overwogen?
i A. Neen.
2830.    V. Acht gij het toch niet zeer wenschelijk.
dat elke woning er een hebbe?
A. Zeker.
2831.    V. Voor nieuw te bouwen arbeiderswoningen
vind ik ook voorgeschreven eene oppervlakte van 25 M2
bij eene hoogte van 2.80 M. Wordt die bepaling onver-
biddelijk nageleefd ?
A. Zeer zeker ; daarvan zou ik voorbeelden kunnen
aanhalen.
2832.    V. In art. 4 van de nieuwe verordening van
1887 staat, dat er geen nieuwe huizen van hout meer
mogen gebouwd worden, tenzij burgemeester en wethou-
I ders daartoe vergunning geven; maar in eene wijziging
van die verordening van het jaar 1889 lees ik, dat die
bevoegdheid van burgemeester en wethouders, om af te
wijken van de desbetreffende bepalingen, is ingetrokken.
Welke overweging kan hiertoe geleid hebben ?
A. Ik geloof, dat de eenige overweging het grootere
gevaar voor brand kan geweest zijn.
2833.    V. Zou uit een gezondheidsoogpunt naar uwe
I meening eene houten woning gelijk staan met eene steenen?
A. Ja. Ik acht op dezen moerassigen grond eene houten
i woning zelfs nog beter dan een slecht steenen; doch een
goed steenen huis is te verkiezen boven een houten.
2834.    V. Zullen niet steenen huizen, aan redelijke
gezondheids-eischen voldoende, ook voor den arbeiders-
stand verkrijgbaar worden, wanneer men in de verordening
zekere voorschriften daaromtrent opneemt?
A. Dat zal nog al moeilijk zijn, want dan zou men
een gemeente-opzichter moeten nemen om dat alles te
controleeren.
2835.    V. Door andere getuigen is ons medegedeeld,
dat houten woningen des zomers warm en des winters
koud zijn. ten gevolge van het omslaan van reten in
de wanden. Is dat uws eracbtens onjuist?
2823.    V. De plaatselijke verordening op het bouwen
\'»evat de bepaling, niet waar, dat iedere eigenaar van een
woonhuis verplicht is te zorgen, dat het binnen een halfjaar
na hare afkondiging (de verordening is van 1887) voorzien
is van een regenbak van 3 M3. inhoud is het zoo niet?
A. Ja, maar de inhoud is nu bepaald op 2V2 M;i.
^edert beter toezicht is uitgeoefend op de goten, heeft
men begrepen, dat 2\'/2 M3. voldoende was; daar heeft
<\'an ook een gezin met 6 kinderen ruim genoeg aan.
2824.    V. Wordt aan die bepaling van dat minimum
van den inhoud streng de hand gehouden ?
-ocr page 141-
138
2846.    V. Zijn er gevaarlijke bewegende deelen in
den molen, bijv. uitstekende, armen van loopende
steenen ?
A. Die acht ik niet zoo gevaarlijk, omdat men die
dadelijk kan zien.
2847.    V. Kent gij voorbeelden van ernstige bezee-
i ring?
A. Neen, maar zonder angst gaat niemand naar boven,
| vooral in het donker.
2848 V. Hebben sommige molens waterleiding?
A. Die aan de leiding liggen, wel, maar de andere
hebben eene ton staan, wat in den winter goed is, maar
\'s zomers wordt zulk water als melk.
2849.    V. Hebben zij regenbakken ?
A. Neen.
2850.    V. Waar gij als diaken veel in de gezinnen
kwaamt, hebt gij zeker wel gelegenheid gehad om u op
de hoogte te stellen van hetgeen de arbeidersstand in
den regel eet?
A. Neen, het was meestal avond, als ik de gezinnen
bezocht.
2851.    V. Kunt gij ons derhalve geen mededeeling
doen omtrent de voeding der arbeidersklasse?
A. Dat wel; men eet meestal aardappelen en kool.
Ik heb er de menschen dikwijls op gewezen, dat dit
zoo dwaas is, omdat erwten en boonen veel voedzamer
zijn, maar aardappelen en kool kunnen zij gemakkelijk
i op elkander prakken; zij lusten wel erwten en boonen,
maar die vragen te veel vet.
2852.    V. Wordt in een werkmansgezin niet veel vet
gebruikt?
A. Dat hangt er al van af, hoe de vrouw de verdien-
sten van den man beheert. Wie het hier bepaald noodig
| heeft, wordt geholpen. Er is eene commissie voor arm-
verzorging buiten de diaconie en het armbestuur, waar-
van ik ook lid ben.
2853.    V. Maar ik bedoel in een werkmansgezin, dat
i niet te veel kinderen heeft, geen hulp vraagt en zijn
| best doet ?
A. Een werkmansgezin hier heeft minstens 9 a 10
I gulden noodig; wie minder verdient, moet zich reeds in
\\ gezonden toestand ontberingen getroosten, hoeveel meer
\' dus bij ziekte.
2854.    V. Kan in een gezin met bijv. 4 kinderen en
met een inkomen van f 9 a f 10, en waar het huishou-
den zuinig bestuurd wordt, geregeld aardappelen met
groenten en vet, en des Zondags een stukje spek of
paardenvleesch gegeten worden ?
A. Ja.
2855.    V. Zoodra men echter beneden dien standaard
van f 9 a f 10 komt, kan zulk een gezin zich niet meer
behoorlijk voeden ?
A. Neen.
2856.    V. Hoe is over het algemeen het loon in de
papiermakerijen ?
A. Zeer slecht; het hoogste loon is daar f8 per week-
2857.    V. Door enkele getuigen, die ook bekend wa-
ren met andere streken van ons land, is ons de opmer-
king gemaakt, dat hier aan de Zaan meer dan elder?
besteed wordt aan kleeding, ten koste van de voeding-
Wordt hier nu, naar uwe meening, relatief te veel
geld besteed aan kleeding ten gevolge van eene zucht
naar opschik, of omdat men zich flink en warm wil
kleeden?
.1. Dit hangt ook al zeer veel af van de ligging: in
liet hnis, door mij bewoond, is het in dezen barren winter
nog niet zoo koud geweest, dat het in de. kamers
vroor.
Als de steenen woningen evenwel zoo goedkoop waren
als de houten, zou ik de steenen prefereeren. Maar wan-
neer een werkman f 800 heeft voor een houten huisje,
dan kan hij geen f 1000 voor eene steenen woning uit-
geven.
2836.    V. Zijn in de laatste jaren intusschen toch vele
steenen arbeiderswoningen gebouwd 1
A. Sedert de verordening er is gekomen, niet.
2837.    V. Zijn er nog al werklieden, die een eigen
huis bezitten ?
.1. Zeker; onder mijn werkvolk heb ik er, meen
ik, zes.
2838.    V. Krijgen zij voor het bouwen daarvan voor-
schot ?
A. Zij worden meestal op die wijze geholpen.
2839.    V. Zijn er in andere vakken ook velen, die
een eigen huisje hebben ?
A. Olieslagers het minst.
2840.    V. Is dat, omdat die het minst verdienen ?
A. Neen, maar zij zijn in den regel het meest zorge-
loos. Zij staan steeds aan de hei, en hebben daardoor
geen gelegenheid ora over die zaken met elkander te
praten.
2841.    V. Behooren de olieslagers tot de minst ont-
wikkelden ?
.1. Ja, en ook tot de meest zorgeloozen.
2842.    V. Schrijft gij dit voor een deel toe aan den
gestadigen arbeid zonder behoorlijke rust ?
A. Ja, vandaar dat ze in de stoomfabrieken er beter
aan toe zijn dan in de windmolens, omdat ze in de
eerste soort van fabrieken een geregelden werktijd van 12
uren hebben. De nachtrust van een olieslager in den wind-
molen is zeer kort, zoodat hij gewoonlijk slaperig en
doezelig is.
2843.    V. Over het algemeen is dus de uitdrukking
„oliedom" een waar woord?
.1. Ja. De toestand gaat echter vooruit door instel-
lingen en vereenigingen. Ook hierin zijn de werklieden
der stoomoliemolens meer ontwikkeld. Zij hebben b. v.
eene eigen vereeniging, ten doel hebbende eens in het
jaar een gezelligen dag te hebben. Bovendien is er nog
eene vereeniging op touw gezet, met het doel meer de
belangen te behartigen der olieslagers.
2844.    V. Die eerstbedoelde heeft niet ten doel om
gemeenschappelijke belangen te behartigen?
.1 Du laatste vereeniging wel.
2845.    V. Zijt gij bekend met de inrichting van wind-
oliemolens?
A. .la, die molens hebben m. i. twee hoofdgebreken.
Vooreerst missen zij in den regel goed drinkwater, en in
de tweede plaats zijn er, die door het inbrengen van
zware werktuigen op sommige punten niet zonder
gevaar zijn. Eene groote verbetering zou zijn, wan-
neer de dichte deur door een teerdeur-raam werd ver-
vangen, want nu is \'t overdag, als de deur gesloten is,
zóó donker, dat men geen hand voor oogen kan zien.
In den nacht geldt dat bezwaar minder, omdat men
dan eene lantaarn gebruikt. Ook de toegangen tot vele
molens zijn dikwijls levensgevaarlijk. Alleen de molens,
die dicht aan de gasleiding gelegen zijn, kunnen goede
verlichting hebben Dat is het geval met het „Rad van
Avontuur".
-ocr page 142-
133
2866.    V. Zijn er bij u ongelukken voorgevallen in
de laatste jaren ?
A. Ik herinner mij er slechts één. Een knecht had
het ongeluk bezijden een balk te stappen en naar be-
neden te vallen, doch het is nog al goed afgeloopen.
2867.   V. Gebruikt gij jeugdige arbeiders in uwe fabriek?
A. Alleen een jongen van 13 of 14 jaar, die bood-
schappen doet. Hij komt \'s morgens om 7 of 8 uur en
gaat om vijf uur weg.
2868.    V. Krijgt die jongen eenige opleiding?
A. Hij mag overal eens kijken, als hij niets te doen
heeft. Hij kan twee avonden in de week les nemen in
het teekenen, hetwelk door de timmerlieden-vereeniging
wordt gegeven.
2869.    V. Ons is medegedeeld, dat eenige jongens
van Koog de burger-avondschool te Zaandam bezoeken.
Ligt Zaandijk daarvoor te ver?
A. Neen, maar de timmerlieden-vereeniging is er nu
eenmaal, en die geeft trouwens ook les in practisch
timmeren.
2870.    V. Is dat eene belangelooze bemoeiing van de
onderwijzers of zijn zij bezoldigd ?
A. Het zijn allen timmermansknechts. Ik ben com-
missaris van die vereeniging.
2871.    V. Wordt het onderwijs in eene werkplaats ge-
geven ?
A. Neen, daarvoor is de school afgestaan; de banken
worden zoolang weggezet. Ik geef brandstof.
2872.    V. Wie geeft daar dan teekenonderwijs ?
A. De meesterknecht Van Voren.
2873.    V. En goed ?
A. Zeer best.
2874.    V. Waar is de man gevormd ?
A. Dat weet ik niet.
2875.    V. Wordt bij dat onderwijs verband gebracht
tusschen het teekenonderwijs en de werkstukken?
A. Zeker.
2876.    V. Gaan de meeste aankomende timmerlieden
er heen ?
A. Er komen er een 24, waarvan een deel uit de
omstreken.
2877.    V. Hoe worden de gelden voor die zaak ge-
vonden ?
A. De leden der vereeniging betalen f 0.10 in de
week, ik geef de brandstof, en dan hebben wij ook
donateurs. Bovendien houden wij nog eene soort ten-
toonstelling van hetgeen er gemaakt is, en dat brengt
ook wat op.
2878.    V. Komen jongens van andere vakken, bijv.
smeden, daar ook?
A. Ja, voor het teekenonderwijs mogen zij komen.
2879.    V. Hoeveel verdienen uwe werklui?
A. Van f10.50 tot f 12, f13.
2880.    V. \'En hoeveel uren werken zij daarvoor?
A. In den winter van 8 tot 4. met een uur rust, in
den zomer van 5 tot 8 met 3l/2 uur rust, dat is gemid-
deld 10 uren.
2881.    V. En wordt er nog overgewerkt?
A. Neen, tenzij er eens een molen breekt.
2882.    V. In den winter, als de behoeften het grootst
A. Dit is wel degelijk aan pronkzucht te wijten;
vandaar dat de menschen in de Zaanstreek meernoodig
hebben dan die van andere streken. In Alkmaar leven
zij beter van f 8 dan hier van f 10. De een is hier
ialoersch op den ander; zelfs kinderen van armen loopen
hier zeer netjes gekleed, om toch maar niet te veel af
te steken bij die der meergegoeden.
2858.    V. Nette kleeding en een nette boel is, waar-
schijnlijk ook naar uw oordeel, eene deugd, wanneer het niet
te ver gaat. Is het nu uwe meening, dat, hetgeen als eene
deugd mag worden aangemerkt, hier gegroeid is tot eene
ondeugd, en dat de menschen, indien zij die deugd niet
zoozeer overdreven, zich beter met hun gezin zouden
kunnen voeden?
A. Ja.
2859.    V. Is het in uwe gemeente uitzondering of regel,
dat bij ziekte het loon der werklieden doorgaat?
A. Dat is zeer verschillend. Bij olieslagers gaat het
loon niet door, bij pellers en houtzagers wel. Bij werk-
lieden, die op stuk werken, is er geen quaestie van; daar
houdt het loon op, zoodra beitel of kwast wordt neergelegd.
Zeer veel goed doen echter in dit opzicht de vereeni- j
gingen: „Werkmans-ondersteuning" en „Helptelkander",
die bij ziekte f 6 per week uitkeeren.
Bovendien, de hulpvaardigheid van sommige patroons
gaat tegenwoordig zoo ver, dat zij liever zelf zouden willen
lijden, dan dat hunne werklieden gebrek hadden. Een paar
keeren heb ik ook een van mijne werklieden met een pen-
sioentje naar huis gezonden. Met een en ander hebben
die menschen nu een goeden ouden dag.
2860.    V. Is u geen voorbeeld bekend uit olieslagerijen,
waar op stuk gewerkt wordt, maar waar toch kan gere-
kend worden op eene gemiddelde verdienste, dat
daar die gemiddelde verdienste, bij ziekte, door den
patroon wordt uitbetaald?
A. Ik meen, dat dit te Wormerveer, bij de heeren
Bloemendaal & Laan het geval is, maar te Zaandijk
is mij geen voorbeeld bekend.
2861.    V. Hadt gij indertijd, toen gij u met de
diaconale armenzorg bezighieldt. wel eens te zorgen
voor oude werklieden, die aan hun lot overgelaten waren,
zelfs ook in geval zij lang in dienst waren geweest bij
denzelfden patroon ?
A. Ja, dat is wel gebeurd.
2862.    V. Zoudt gij er een voorstander van zijn, dat
de Staat aan den werkgever de verplichting oplegde, om
te zorgen voor den ouden dag der werklieden?
^L In geval de toestanden vaster waren, zeer zeker;
maar bij een zoo vlottend getal werklieden zou dit niet
gemakkelijk gaan.
2863.    V. Maar indien er eene regeling tot stand kwam
van deze strekking, dat elke werkgever eene premie had
te storten voor elk zijner werklieden in verhouding tot
den tijd, gedurende welken die werkman bij hem arbeidde,
zoodat ook bij wisseling van patroon toch gestadig de
premie werd gestort door den patroon van het oogen-
\'ilik, zou dan eene zoodanige regeling —met opgelegde
verplichting — bij u toejuiching vinden?
A. Ja, ik heb daarover wel eens met mijn volk ge-
sproken en gezegd: laat ieder uwer iets, al is het maar
een dubbeltje, inleggen, dan doe ik graag het dubbele
er bij, zoodat gij in tijden van nood wat hebt. Zulk een
toestand bestaat reeds in de papierfabriek „de Eendracht",
naar ieder werkman verplicht is iets te offeren.
2864.    V. Zijn uwe werklieden tegen ongelukken ver-
zekerd ?
A. Ja.
2865.    V. Neemt het aantal dier verzekeringen toe ?
A. Zeker.
Enquête. - De Zaankant.
:\\Y
-ocr page 143-
13*
zijn, wordt dus het minst verdiend. Wordt daarin door
u op eene of andere wijze voorzien?
A. Neen, dat is eene zaak, die zij zelven moeten
regelen.
2883.    V. Gelooft gij, dat zij dat zelf in orde houden ?
A Zeker, er is nog nooit een knecht bij mij geweest
om een voorschot te vragen, en \'s zomers zorgen zij, dat
zij brandstof en verdere winterprovisie opdoen.
2884.    V. Zouden zij van het meerdere loon van den
zomer geld wegleggen voor den winter of op de spaar-
bank plaatsen ?
A. Dat zal wel, maar weten doe ik het niet.
2885.    V. Gelooft gij, dat uwe werklieden niet leven
op den borg, maar van het loon, dat zij \'s Zaterdags thuis
brengen, in de komende week?
A. Ja, eene enkele uitzondering misschien daargelaten;
en het zou mij nog tegenvallen, als er eene uitzondering
was.
288(i. V. Meent gij hetzelfde te kunnen verklaren
vin de arbeiders in het algemeen in uwe gemeente?
A. Neen, er is verschil.
2887.    V. Gelooft gij, dat er in werkplaatsen en molens
veel sterke drank gedronken wordt?
A. Vroeger wel, maar dat is in den laatsten tijd veel
verbeterd.
2888.    V. Waaraan schrijft gij dat toe?
i
A. Aan de voorlezingen, die gehouden worden, de :
geschriften, die verspreid worden, en de vergaderingen,
waarin op de gevolgen van het drankgebruik wordt
gewezen. Dit schijnt op de jongeren te werken; bij de |
ouderen is het kwaad meer ingeworteld. Ik heb er vroeger
wel menschen om gedaan gegeven, maar waar dat een-
maal zit, is geen blijvende beterschap mogelijk.
2889.    V. Gij vindt dus in het algemeen vooruitgang,
wanneer gij voorheen en thans met elkander ver-
gelijkt ?
A. Ja, naar mijne 30-jarige ervaring is er zedelijk
groote vooruitgang.
2890.    V. Ook op sexueel zedelijk gebied ?
A. Ja. in spreken en handelen; men kent meer
gekuischte taal dan voor 20, 30 jaar.
2891.    De heer Kolkman: Gij hebt daar straks gezegd,
dat. toen door u aan uwe werklieden is voorgesteld, dat j
zij ieder een klein bedrag zouden storten voor een pen-
sioenfonds, terwijl gij bereid waart het dubbele van dat
bedrag er bij te doen, dit niet gelukt is. Waarom is dit
afgestuit op de weigering van de werklieden?
A. Omdat zij er geen idee in hadden. Misschien is de
geest nu anders dan drie of vier jaren geleden.
2892.    V. Weet gij ook of zij lid zijn van een pen-
sioenfonds voor weduwen ?
A. Dat geloof ik niet.
2893.    V. Bij het constateeren van den vooruitgang
ten opzichte van misbruik van sterken drank spraakt
gij van ouderen en jongeren. Wat noemt gij „de jon-
geren" ?
A. Het opkomend geslacht.
2894.    V. Gij zeidet. dat de lezingen en voordrachten,
die gehouden worden, daartoe veel hadden bijgedragen.
Mij dunkt, dat de ouderen daarvan dan toch ook wel
een beetje moeten geprofiteerd hebben?
A. Ik zeg niet, dat het niet gunstig heeft gewerkt
ook bij de ouderen, maar die zijn eenmaal aan het gebruik
van sterken drank gewend en kunnen zich moeilijk
daarvan onthouden.
2895.   De Voorzitter: Gij zeidet zoo even op eene
vraag van den heer Kolkman, dat in de laatste jaren
de geest misschien anders is geworden. In de provincie
Friesland ijveren arbeiders-vereenigingen van verschillende
richting, ook van sociaal-democratische richting, sterk
tegen misbruik van sterken drank en hebben veelal de
bepaling gemaakt, dat op hare vergaderingen zelfs geen
sterke drank mag worden gebruikt. Ik meen, dat in
uwe streek van de Zaan ook eene arbeiders-vereeni-
ging van de uiterste richting bestaat. Is het u be-
kend, of die vereenigingen in gelijke richting werkzaam
is als in Friesland?
A. Dat zal hier ook wel zoo zijn. Sterke drank
wordt, voor zoover mij bekend is, op die vergaderingen
nooit gezien. Ik geloof, dat, in dit opzicht, het vereeni-
gingsleven gunstig werkt op den arbeidersstand.
2896.    V. Is uw oordeel over het gehalte van de leden
dier vereeniging ook in andere opzichten gunstig?
.4. Dat is minstens twijfelachtig. Van de hoofden
en woordvoerders heb ik altijd gezegd, dat zij geen van
allen voor hunne taak deugen. Zoo zijn A. Dekker en
Van der Stadt sterk tegengevallen. Ik voor mij
houd het er dan ook voor. dat zucht, om in het maat-
schappelijk leven te schitteren, hun drijfveer is. Het-
zelfde geldt voor den tegenwoordigen woordvoerder Jacoli
Baart, die op zijn biljet voor de volkstelling invulde :
„geen geloof\', en toen hij daarom door den Kerkeraad
werd geschrapt, er om heen ging draaien.
2897.    V. Zijn intusschen de leden dier vereeniginj:
van uiterste richting, èn als mensch èn als werkman,
over \'t algemeen gunstig aangeschreven ?
A. Sommigen. Daarin bestaat ook al weder groot
verschil.
P. Vrbdenduin.
A. Keroijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Vissek.
W. H. J. Roijaardss, Adj.-secretaris.
Verhoor van Jan Visser, oud 41 jaar, meesterknecht
in de zakjesplakkerij van de Wed. P. Haan Jz..
te Zaandijk.
2898.     De Voorzitter: Zijt gij altijd in de zakjesplak-
kerij geweest?
A. Van 1858 af. Ik was toen 9 jaar.
2899.    V. Hebt gij na uw 9de jaar nog geleerd ?
A. Neen.
2900.    V. Kunt gij goed lezen en schrijven?
A. Ja, ik heb het goed geleerd op school.
2901.    V. Leest gij veel?
A. Ja, \'s avonds.
2902.    V. Hoe lang was uw werktijd, toen gij pas in
de zakjesplakkerij waart?
A. Van \'s morgens 6 tot \'s avonds 8 uur.
2903.    V. Nooit langer?
A. Neen.
-ocr page 144-
135
2904.    V. Hoe is thans de werktijd bij de firma?
A. Des winters van half acht tot twaalf uur, dan is
er rust van 12 tot 1\'A (zg. middagtijd), vervolgens wordt
er gewerkt tot vier uur, dan is er weer rust tot half vijf
(zg. theetijd); eindelijk wordt er gewerkt tot \'s avonds
8 uur. \'s Zomers wordt er van (5 uur \'s morgens tot
8 uur \'s avonds gewerkt, met een uur schafttijd \'s mor-
gens, anderhalf uur \'s middags en een half uur theetijd.
2905.    V. Is die middagrust van anderhalf uur alge-
meen in de zakjesplakkerijen?
A. Te Zaandijk wel.
2906.    V. Waarvoor wordt die rusttijd van een uur
\'s morgens des zomers gebruikt?
A. Dan gaat men naar huis om te ontbijten.
2907.    V. Is dit bij de firma Vis ook zoo?
A. Ik weet het niet.
2908.    V. Vindt men het erg prettig, om dat uurtje
naar huis te gaan?
A. Ja, zij willen wel eens uitbreken.
2909.    V. Is er veel overwerk?
A. Neen, alleen de 2 man aan de drukmachine wer-
ken wel eens tot 10 uur.
2910 V. Nooit later?
A. Neen.
2911.    V. En de zakjesplakkers, werken die nooit
langer dan tot 8 uur. ook niet met St. Nicolaas, als het
het drukst is?
A. Ook niet.
2912.    V. Hoeveel menschen werken er bij u ?
A. Behalve de zoons van de vrouw, 11, waaronder 2
jongens van 12 tot 14 jaar; maar die komen nu met de
koude een half uur later, en \'s avonds gaan zij om 7 uur
heen.
2913.    V. Werken die jongens nooit over?
A. Heusch niet.
2914.    V. Is dat na 1 Januari 1890 nooit, nooit gebeurd?
A. Gerust niet.
2915.    V. Vóór dien tijd wel?
A. Ja, maar toen was de wet er nog niet.
2916.    V. Eene lastige wet, hè?
A. Och waarom, ik vind 8 uur voor zulke jongens
ook te laat.
2917.    V. Hebt gij jongens van 16 tot 18 jaar?
A. Een is er pas 18 geworden.
2918.    V, Is de werkplaats laag?
A. Bouwkundige kennis heb ik niet, maar hoog kan
ik haar niet noemen. Ik kan den balk wel bereiken.
2919.    V. Is het een oud huis?
A. Neen, een paar jaar geleden is het gebouwd.
2920.    V. Is het er \'s zomers niet erg warm?
A. Dat gaat; de ramen kunnen open, en wij hebben
2 deuren.
2921.    V. En zet ge die dan tegen mekaar open?
A. Och, dat hangt al af van weder en wind. Tocht
is ook niet goed. We handelen al naar omstandigheden.
2922.    V. Zijn bij u die Amerikaansche drukmachi-
netjes in gebruik?
A. Van die trapmachines, ja.
2923.    V. Is daar wel eens een ongeluk mede gebeurd?
A. Eens, toen de jongen den vorm goed wilde zetten,
is zijn vinger er tusschen gekomen.
2924.    V. Hoe is dat afgeloopen?
A. Zijn vinger is wat krom geworden, maar hij heeft
hem toch niet verloren.
2925.    V. Is er nooit een ongeluk gebeurd met het
insteken der zakjes?
A. Neen.
2926.    V. Wordt er op de fabriek, waar gij zijt, met
stoom gewerkt?
A. Neen, de machine wordt met den voet in beweging
gebracht.
2927.    V. Is er aan de zaak eene smoutdrukkerij ver-
bonden ?
A. Neen.
2928.    V. Wat wordt er verdiend door de vol-
wassenen ?
A. Ik ben het hoofd en heb f 9, bovendien is er nog
een man, die een vast loon heeft van f 8. De anderen
zijn stukwerkers; de beide drukkers maken, als zij tot
8 uur werken, de een ongeveer f 9, de ander ongeveer
f 8. De plakkers verdienen f 7 en f 6.
2929.    V. Zijn die menschen getrouwd?
A. Neen, die man van f7 is 28 jaar, maar hij is
nog evenmin getrouwd als ik.
2930.    V. Waarom zijt gij niet getrouwd?
A. Ik heb er wel eens over gedacht, maar ik
werkte voor mijne moeder, die kon ik geen gebrek laten
lijden. Ik heb haar pas verloren.
2931.    V. Leeft gij nu alleen?
A. Neen, mijne getrouwde zuster helpt mij altijd.
2932.    V. Gaat het loon door, als er iemand ziek wordt ?
A. Voor de stukwerkers natuurlijk niet.
2933.    V. Zijn die menschen in een ziekenfonds?
A. De ongetrouwden niet, die zijn bij hunne ouders
thuis; de twee getrouwden zijn in het fonds.
2934.    V. Wie zijn getrouwd van het personeel ?
A. De man, die dat vaste loon heeft, en een der
drukkers
2935.    V. Hoeveel ondersteuning geeft dat ziekenfonds?
A. f 6 \'s weeks, de contributie is 10 ets.
2936.    V. Er worden bij u zeker geen boeten toege-
past?
A. Neen.
2937.    V. En wanneer men te laat komt?
A. Dan doen zij zichzelven schade, want zij werken
op stuk.
2938.    V. Kunt gij het bij u behoorlijk warm stoken ?
A. Ja.
2939.    V. Komt het nog al veel voor, dat jongens
beginnen met op eene zakjesplakkerij te werken en later
in andere vakken overgaan?
A. Dat gebeurt niet veel.
2940.    V. Ons is gezegd, dat het nog al voorkomt, dat
jongens, nadat zij de school verlaten hebben, maar nog
-ocr page 145-
186
niet aangenomen worden op een molen, eerst een paar
jaar naar de zakjesplakkerij gaan. Hebt gij daar geen
ondervinding van?
A. Neen.
J. Visser.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
\\V. H. J. Roi.iaards, Adj.-secretaris.
A. Ik ben 38 jaar blokmaler geweest.
2953.    V. Zijt gij als pletjongen begonnen ?
A. Neen, pletjongens waren er toen nog niet. Ik ben
als gewone jongen begonnen. Naarmate ik ouder werd,
maalde ik gedurende langer tijd. zoodat ik. toen ik 16
jaar was, 16 uren maalde. Ik was 10 jaar, toen ik begon ;
heel veel heb ik niet geleerd.
2954.    V. En dat vindt gij nu jammer?
A. Ja.
2955.    V. Hebt gij, nadat gij op uw 10de jaar de
school verliet, nog iets geleerd?
A. Neen, maar ik heb veel geschreven. Ik heb eens
een brief gehad van Z. M. den Koning voor een dicht-
stuk, dat ik in de courant had gezet. Op die manier
verdien ik er nog ongeveer f50 in het jaar bij ; voor
zegenwenschen krijg ik b. v. f0.50, enz.
2956.    V. Leeft gij met uwe vrouw alleen, of hebt gij
nog kinderen thuis?
A. Ik heb één zoon, die getrouwd is en nu school-
meester in Noordholland is.
2957.    V. Gij verdient dus f4 in de week, plus f50
van de schrijverij, dat is ongeveer f5 \'s weeks. Is dit
niet zoo?
A. Neen, want dat schrijfgeld is onder die f 4 be-
grepen.
2958.    1\'. Hebt gij in het geheel geen andere inkomsten ?
A. Ik woon in mijn eigen huis, waarin ik een winkel
voor f 2.50 \'s weeks verhuur.
2959.    V. Hebt gij die woning van bespaard geld ge-
bouwd?
A. Toen mijne ouders zijn gestorven, heb ik ongeveer
f 300 geërfd.
2960.    V. Hoeveel heeft de woning gekost?
A. f 1500.
2961.    V. Waaruit bestaat zij ?
A. Ik verhuur het winkeltje met twee kamers erbij;
dan houd ik nog eene kamer over, waar ik woon. Eene
andere kamer is er niet, alleen heeft mijne vrouw nog
een portaaltje om te wasschen.
2962.    V. Was de f 1200, die gij daarin aan eigen
geld hebt verbouwd, verdiend, of voorschot ?
A. Gedeeltelijk voorschot, om de 14 dagen moest ik
f 5 aflossen.
2963.    V. Hoe groot was toen uw inkomen ?
A. Als blokmaler verdiende ik toen f 11, en daar
kwamen dan bij de verdiensten van den winkel, dien ik
toen nog zelf hield. Later, toen wij ouder werden, ben ik
dien eerst gaan verhuren.
2964.    V. Is het huisje nu geheel vrij ?
,1. Ja.
2965.    V. Was het, toen gij nog aan den molen waart,
niet lastig, dat gij slecht om de 14 dagen het loon ont-
vingt ?
A. Neen, moeder wist wel te huishouden.
2966.    V. Er zullen toch wel huismoeders zijn, di«
borgen, hé ?
A. Dat zal wel zoo zijn. Voor velen zou het beter
zijn per week het loon te ontvangen. Bij van Dillewijn
op „de Ooievaar" gebeurt het. maar dat is uitzondering.
2967.    T. Wordt in de molens veel sterke drank
gebruikt ?
Verhoor van Gerrit Pekelharing, oud 70 jaar. koeken-
ontvanger bij de firma Gebrs. Vis, te Zaandijk.
2941.     De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk?
A. Het aantal en het gewicht aanteekenen van de
koeken, die door mijn patroon ontvangen worden, en
somtijds monsters van den patroon halen.
2942.    V. Hoeveel verdient gij ?
A. Dat hangt van het aantal koeken af, maar ge-
middeld f 4 per week.
2943.    V. Wordt gij eiken avond uitbetaald?
A. Ja, wanneer er althans koeken aangekomen zijn.
2944.    V. Leeft gij enkel van het geld, dat gij daar
noemdet?
A. Ja.
2945.    V. Hebt gij aan den molen gewerkt, zoolang
uwe krachten het toelieten?
A. Neen, mijn patroon heeft de zaak verkocht,
toen ik 54 jaren bij hem gewerkt had, en toen wilde
de nieuwe baas mij niet meer hebben.
2940. \\\'. Waren de geldelijke omstandigheden van
uw vorigen patroon, toen hij de zaak verkocht, ongunstig?
A. Ja, hij is naar Arnhem gegaan om daar een
manufactuurwinkel te doen.
2947.    V. Op welken leeftijd zijt gij doof geworden?
A. Tusschen de 30 en 40 jaren, en dit is er met
den tijd natuurlijk niet beter op geworden. Ook mijn
gezicht heeft veel geleden door stof en rook.
2948.    V. Die rook kwam uit den fuister, nietwaar?
A. Ja.
2949.    V. Verscheidene getuigen hebben ons medege-
deeld, dat de rook van den fuister dadelijk den kap
uittrekt, zoodat men er geen last van heeft. Is dat
uws inziens onjuist?
A. De rook trekt wel den schoorsteen uit, maar blijft
bij drukkende luchten hangen. Ook wanneer het vuur
niet goed aan is, als er zoogenaamde „pitten" in zijn,
is dat het geval.
2950.    V. Kan er dan geen inrichting gemaakt worden,
zoodat de rook niet hinderlijk is?
A. Misschien met kachelpijpen. Ik heb wel eens ge-
zien, met kleine pijpen.
2951.    V. Hielp dat?
A. Wel wat.
2952.    V. Waart gij vroeger blokmaler of steenknecht?
-ocr page 146-
137
In de tweede plaats kan men weinig of niets aan de
opvoeding van zijne kinderen doen, wanneer men van
\'s morgens half vier tot \'s avonds achten op het werk
is. Daarom zou ik wel een arbeidsdag van 12 uren
wenschen, waarvan de nadeelen door den patroon dan
maar op het fabrikaat moesten gevonden worden.
2981.    V. Dunkt u, dat het leven op eene stoomoliefa-
briek aangenamer is?
A. Neen, want daar heeft men nooit een stillen dag.
Ik geloof dan ook, dat, omdat op de stoommolens minder
loon wordt uitbetaald, de steenkolen er daar wel uitge-
haald worden.
2982.    V. Kent gij oliefabrieken, waar met hydrau-
lische persen gewerkt wordt?
A. Ja, die heb ik wel eens gezien. Daar was het zoo
stil, dat ik dacht, dat de fabriek stilstond.
A. In den regel één borrel daags; misbruik behoort
tot de zeldzaamheden; daartegen waken de patroons
wel.
2968.    V. Die bemerken dat toch niet zoo gemakke-
lijk, want zij komen immer» niet veel aan den molen?
A. Dat is zoo, maar het is alles nogal bij elkaar, en
zij komen er spoedig achter. De blokmaler moet dik-
wijls aan het kantoor komen, en \'t zou zich spoedig
verraden, als hij misbruik van drank maakte.
2969.    V. Is het misbruik van sterken draak sedert
uwe jeugd verminderd ?
A. Sterk.
2970.    V. Hebt gij wel nagedacht over de reden
daarvan ?
A. Die zal ook wel schuilen in de strenge maatrege-
len van de patroons; die hebben er achter gezeten en
menigeen aan den dijk gezet.
2971.    V. Gelooft gij, dat het nog aan andere omstan-
digheden ligt ?
.4. Als de blokmaler knap is, dan moeten de anderen
wel volgen, en nu geloof ik wel, dat het personeel lang-
zaam verbeterd is.
2972.    V. Vindt gij in het algemeen, dat de werklieden
het tegenwoordig beter hebben dan toen gij jong waart ?
A. Ik kan alleen spreken van de olieslagers, maar
daarvan zou ik het betwijfelen. In de latere jaren is
het loon eenmaal verhoogd, maar daarentegen is het
zaad zóó verzwaard, dat dit tegenover elkaar wel op-
weegt.
2973.    V. Tegenwoordig wordt meer lijn-dan koolzaad
verwerkt, niet waar ?
A. Ja, en het lijnzaad is zwaarder dan koolzaad.
Hoe meer koeken zij maken, hoe langer zij moeten
werken aan een last, en daarvoor ontvangen zij maar
f 9.45 met hun drieën.
2974.    V. En de pletjongen krijgt dan daarenbo-
ven f 1.20?
A. Ja, dat is een kleine jongen.
2975.    V. Ons is gezegd, dat de koeken tegenwoordig
lichter worden gemaakt, zoodat er meer koeken uit een
last komen, wat nadeelig is voor den werkman. Is dat zoo ?
A. Dan werkt de blokmaler in zijn eigen nadeel.
2976.    V. Maar ons is gezegd, dat de patroon dit zou
wenschen.
A. Dat is niet waar, want dan zou de koopman ze
niet meer willen ontvangen.
2977.    V. Hebt gij nooit gehoord, dat de afnemer zegt
tegen den patroon: „lever mij 1100 koeken, die tezamen
1000 kilo\'s wegen?"
A. Daarvan heb ik nooit gehoord. Maar dat zou ook
te erg worden, want dan zouden de boeren zeggen: „dat
gaat niet."
2978.    V. Maar wel 1080?
A. Dat wel.
2979.    V. En dat vond men zeker niet pleizierig ?
A. Neen.
2980.    V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen of op
eenig punt onze aandacht te vestigen?
A. Ja, ik heb wel eens over de oliemolens nagedacht,
en dan vind ik 16 uren te lang.
Vooreerst staat men dan \'s morgens op, dat men nog
vermoeid in de boenen is van den vorigen dag. Ik heb
beleefd, dat er vier weken achtereen doorgemalen is, en
dan wordt het wel eens wat heel zwaar.
Enquête. — Be Zaankant.
G. Pekelharing.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Sifflon Oenen, oud 60 jaar, lompenscheurder
in de papierfabriek van Jan Honig Czn.,
te Zaandijk.
2983.    De Voorzitter: Gij zijt op een windmolen, niet
waar?
A. Ja, vroeger was het eene stoomfabriek.
2984.    V. Waarom is uw patroon niet met den stoom
voortgegaan ?
A. Het ging niet.
2985.    V. Hebt gij er altijd gewerkt ?
A. Ja, sedert 33 jaar.
2986.    V. Zijt gij vroeger ook op eene papierfabriek
geweest ?
A. Ja, te Wormerveer.
2987.    V. Hoe lang is uw werktijd ?
A. \'s Zomers van 6—6 en \'s winters van 8—4 uur.
Om 4 uur kunnen we dan niet meer zien.
2988.    V. En de rusttijden ?
A. Dat is \'s middags een uur, en dan nog een half
uur van 8 uur tot half negen. Mijn werktijd is dus
\'s zomers 10\'4 uur.
2989.    V. Werkt gij dikwijls later dan 6 uur?
A. Heel zelden, doch de pakkers werken tot 8 uur toe.
2990.    V. Zijn er veel jongens op den molen ?
A. Ja, zes.
2991.    V. Hoe oud zijn die ?
A. 16 of 17 jaar.
2992.    V. Zijn er vroeger geen jongens van 12 of 13
jaar geweest?
A. Dat weet ik niet zeker.
35
-ocr page 147-
138
2993.    V. De papierkuipers hebben andere werktijden,
niet waar ?
A. Ja, zij werken \'s zomers van 5—5, zij beginnen
soms ook wel om vier uur \'s morgens, maar dan gaan
ze \'s middags een half uurtje vroeger naar huis. \'s Win-
ters wordt er geen papier gemaakt, wanneer het vriest.
2994.    V. En wanneer het niet vriest?
A. Ja. dan wel.
2995.    V. Hoe laat beginnen zij dan ?
A. Om 6 uur \'s morgens.
2996.    V. Is er geen werk, wanneer het vriest?
A. Neen, maar dan houdt de patroon ze toch, be-
halve mij. Dan houdt hij ze bezig met rommel werkjes.
2997.    V. En hoeveel verdient gij ?
A. Door elkaar f 6 per week ; f 0,70 per 100 kilo\'s,
geen kittig werk.
2998.    V. En als het vriest en ge niet kunt werken,
hoe gaat het dan?
A. Dan krijg ik voorschot.
2999.    V. Hebt gij een gezin ?
A. Ja, eene vrouw en 4 kinderen, waarvan de
oudste twee f 1.60 en f 5.50 verdienen. Wij leven, zooals
wij dat noemen, uit één potje. Toen de jongens nog niets
verdienden, waschte mijne vrouw voor de menschen.
Daarmede maakte zij f 1.25 per week. Dat was alles.
3000.    V. Wat aat gij in die dagen ?
A. Erwten van 10 cents den kop, kleine aardappeltjes
van 2 en 3 cents den kop, en als wij een koopje konden
krijgen, wat groente.
3001.    V. Kwam er altijd vet in het eten?
A. Wij hadden wel eens goedkoop vet, beren vet, in
het eten, maar menigmaal ook een lawaaisausje, water
met wat mosterd, azijn en peper.
3002.    V. Kwam er nooit spek op tafel?
A. Nooit. Ik moet nu nog veel meer betalen, omdat
ik in mijn eigen huisje woon. Nu schiet er nog
minder over dan vroeger.
3003.    V. Hebt gij dat huisje gekocht of zelfgebouwd?
A. Neen. dat heb ik geërfd.
3004.    V. Dan behoeft gij nu toch geen huur te be-
talen?
A. Neen, maar wel schot en lot en onderhoud.
3005.    V. Zijn er nog meer lompensorteerders op de
fabriek?
A. Ja, nog een.
3006.    V. Wat verdient die?
A. f 3.
3007.    V. Is die getrouwd?
A. Neen.
3008.    V. Hoe oud is die man?
A. 34 jaar.
3009.    V. Is hij ergens in den kost?
A. Neen, hij kluist op zich zelf.
3010.    V. Geheel alleen ?
A. Ja, hij kookt zijn eigen potje ook.
3011.   V. Wat is dat voor een man ?
A. Hij is 6 jaar in de WTest geweest als soldaat;
toen hij terugkwam, heeft hij werk gezocht, en zoo is
hij bij mij gekomen.
3012.    V. Heeft hij geen pensioen?
A. Neen, geen cent.
3013.    V. Woont hij in een apart huisje?
A. Ja.
3014.    V. Wat betaalt hij daar voor huur?
A. 50 cents.
3015.    V. Dit is zeker maar een schuurtje ?
A. Ja, het is niet veel bijzonders, maar hij kan er
zich in redden.
3016.    V. Verdienen de papiermakers meer?
A. Ja, maar dat gaat ook al ongelijk ; als zij heel
goed doorwerken, dan schat ik den een f 9, de anderen
f 6, f 6.50 en f 4.50.
3017.    V. Zijn die cijfers nu niet te laag? Zijt gij
zeker, dat die menschen niet meer verdienen ?
A. Ja, zeker.
3018.    V. Zijn die menschen getrouwd?
A. Ja.
3019.    V. Die derde nu, die gemiddeld f 4.50 verdient,
leeft die van die som ?
A. Ja, maar zijne kinderen verdienen er nu een paar
centen bij.
3020.    V. Maar toen hij nog geen kinderen had en
dezen klein waren, moest hij toen van dat geld leven ?
A. Ja.
3021.    V. Verdiende zijne vrouw er niet wat bij?
A. Neen, niets.
3022.    V. Wat verwoonde de man?
A. 12 a 13 stuivers in de week.
3023.     V. Dat gezin at zeker niets dan aardappelen?
A. Neen, niets dan wat hij uit zijn lapje grond haalde.
3024.    V. Had hij dan een stukje grond ?
A. Ja, dat bij zijn huisje lag, zooals dat hier meest is.
3025.    V. Had hij dat stukje grond ook voor die 12
of 13 stuivers?
A. Ja.
3026.    V. Zijt gij wel eens bij hem in dat huisje
geweest ?
A. Jawel.
3027.    V. Hoe was dat ingericht?
A. Hij had niets dan een klein kamertje.
3028.    V. Geen zolder of schuurtje er bij ?
A. Neen.
3029.    V. Geen klein hokje?
A. Neen, niets.
3030.    V. Hoeveel kinderen heeft die man?
A. Twee, die heeft hij nog.
3031.    V. Als de wasch wordt gedaan, waar wordt
dan het goed gedroogd?
A. In de kamer.
-ocr page 148-
139
3032.    V. Dus in dat kamertje wordt geslapen, gekookt,
gegeten en de wasch gedroogd ?
A. Ja.
3033.    V. Wordt er in den molen, als er wind is, des
nachts gewerkt?
A. Neen.
3034.    V. Wordt er des Zondags ook niet gewerkt?
A. Neen.
3035.    V. Dat lompen-sorteeren is zeker een akelig
werk?
A. Dat is het.
3036.    V. Worden daar ook kinderen voor gebruikt?
A. Neen.
3037.    V. De kinderen hangen zeker het papier te
drogen?
A. Juist.
3038.    V. Geven de lompen veel hinderlijk stof af?
A. Ja.
3039.    V. Ruikt het er slecht?
A. Ja.
3040.    V. Kunt gij. er behoorlijk lucht krijgen?
A. Ja, maar in dezen tijd niet, want door de koude
kan er geen deur geopend staan.
3041.    V. Hebt gij wel eens last van het werk voor
uwe gezondheid gehad?
A. Nooit.
3042.    V. Wanneer gij ziek zijt, hebt gij dan in het
geheel geen inkomsten?
A. Neen; als ik ziek ben, dan is het eene goedheid
van mijn patroon, als hij mij wat wil voorschieten, dat
ik dan moet inwinnen, als ik weder gezond ben.
3043.    V. Krijgen de anderen bij ziekte hun volle
loon?
A. Ja, die behoeven het niet in te werken. Zij krij-
gen dan: de eerste knecht f 6, de tweede f 5, de derde
f 3 en de laatste f 1.50.
3044.    1\'. Hebt gij er wel eens met den patroon over
gesproken, of hij het niet billijk vond, dat gij ook bij ziekte
uw loon kreegt, of ten minste een deel ervan?
A. Ja, maar hij zeide het niet te kunnen doen, om-
dat ik op stuk werkte.
3045.    V. Zijt gij wel eens ziek geweest?
A. Neen; maar andere lompensorteerders zijn wel eens
ziek geweest, want men moet voor dat werk eene sterke
borst hebben.
3046.    V. Maar dan gingen zij later toch weder aan
het werk?
A. Dat moesten zij wel.
3047.    V. Was dan zulk een gezin erg ten ach-
teren geraakt?
A. Natuurlijk.
3048.    V. Denkt gij het nog een tijd te kunnen uit-
houden ?
A. Ik hoop het.
3049.    V. Wanneer gij niet meer kunt werken,
wat dan?
A. Dan zal mijn patroon mij laten loopen, natuurlijk.
3050.    V. Dan moet gij van de liefdadigheid leven?
A. Dan moet ik raad schaffen.
3051.    V. En als de papiermakers oud worden?
A. Dan moeten er anderen komen, want dan zijn ze
niet meer in tel.
3052.    V. Hebt gij er oud zien worden, die weggingen
en geen ondersteuning ontvingen ?
A. Ja.
3053.    V. En hebt gij er nooit een zien weggaan, die
wel ondersteuning kreeg?
A. Nooit.
3054.    V. Gij zijt altijd lompenscheurder geweest, en
dat werk is een naar werk, en het loon is heel klein.
Waarom zijt gij er dan bij gebleven?
A. Omdat ik nooit lezen en schrijven geleerd heb.
3055.    V. Er zijn toch wel vakken, die meer loon
geven, en waarbij men toch ook niet behoeft te kunnen
lezen en schrijven. Hebt gij nooit, toen gij bijv. 30 of
35 jaar oud waart, de gedachte bij u voelen opkomen,
dat het zaak was om wat beters te zoeken?
A. Ik heb het nooit geprobeerd. Uit sloffigheid ben
ik maar altijd naar de fabriek gegaan.
3056.     V. Was uw vader ook aan de fabriek
geweest ?
A. Ja, en die heeft nooit meer dan f 6 verdiend.
3057.    V. Waarom gaan de jongeren bij zoo geringe
verdiensten toch nog naar de papierfabriek toe?
A. Omdat zij dadelijk f 1.20 kunnen verdienen;
vroeger konden zij er op hun 8ste of Ode jaar al
terecht.
3058.    V. Zijn dat jongens, die nergens anders kunnen
terechtkomen ?
A. Ja.
3059.    V. Gaat dus naar den papiermolen bepaald het
afval?
A. Ja.
3060.    De heer Kolkman : Hebt gij uwe kinderen lezen
en schrijven laten leeren?
A. Ja.
3001. V. Stelt gij er prijs op, dat de wetgever ge-
zorgd heeft, dat de kinderen niet meer op hun 8ste of
9de jaar in de fabriek kunnen komen?
A. Dat vind ik opperbest.
3062.    De Voorzitter: Tot welken leeftijd hebt gij uwe
kinderen laten schoolgaan ?
A. Tot 12 jaren toe.
3063.    V. Lezen ze u wel eens wat voor?
A. Ja.
3064.    V. Kan moeder de vrouw lezen?
A. Neen.
Handmerk van Simon Oenen, die
verklaarde niet te kunnen schrijven.
W. H. J. Roijaards.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. IjE Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
-ocr page 149-
Verhoor van Jan Bakker, oud 62 jaar, papiermakers-
knecht in de papierfabriek van de Gebrs.
De Jong, te Zaandijk.
3065.    De Voorzitter: Welke soort van papier wordt er
door de firma De Jong gemaakt ?
A. Schrijfpapier en verschillende soorten van papier
voor zakjes.
3066.    V. Het is een windmolen, waar gij werkt,
niet waar?
A. Ja.
3067.    V. Zijt ge papierkuiper ?
A. Neen, ik werk op de drogerij, waar het papier
opgehangen en gedroogd wordt.
3068.    V. Hebt gij dit van kindsbeen af gedaan ?
A. Toen ik nog zeer jong was, werkte ik aan de piet-
rollen en later in de droogschuur.
3069.    V. Hoe lang werkt gij ?
A. Des zomers van 6—6 uur, en \'s winters zoolang
ik zien kan.
3070.    V. Werkt gij altijd door ?
A. Neen; de schafttijd, de middagtijd en de rook- of
theetijd gaan er af. Dat is respectievelijk 1 uur, l\'/auur
en % uur.
3071.    V. Gij werkt dus 9^ uur?
A. Ja, en \'s winters nog korter. Dan begin ik om
8 uur en werk tot ongeveer 5.
3072.    V. Werkt gij \'s zomers nooit langer ?
A. Alleen, wanneer het zeer druk is, wanneer er b.v.
gelijmd moet worden.
3073.     V. Werkt gij nooit \'s Zondags?
A. Neen, nooit.
De molenaars wel, want die moeten maken, dat de
kuipers voort kunnen. Ziet u, de molen maalt stof en
de kuipers halen dit stof uit looden bakken, en dat
wordt gemaakt tot papier, in vormen geschept, in den
koester, hechter en heffer gebracht.
3074.    V. Wat verdient gij ?
A. f5.50. De zoon van den meesterknecht doet ook
dat werk, maar die werkt per uur.
3075.    V. Hoeveel maakt die ?
A. Dat weet ik niet. Hij krijgt 14 cents per uur.
Als ik overwerk, krijg ik 10 cents per uur, maar dat
gebeurt niet veel.
3076.    V. Hebt gij een gezin ?
A. Eene vrouw en een kind thuis.
3077.    V. Verdient uw vrouw wat?
A. Neen, die is stokdoof en zwak.
3078.    V. En verdient uw jongen wat ?
A. Ja, die is op \'t kantoor bij Smit; hoeveel hij ver-
dient, weet ik niet, mischien f 3, maar daar vraag ik niet
naar. want hij geeft de centen aan moeder, en met het
huishouden laat ik mij niet in.
3079.    V. Hebt gij vroeger meer kinderen in huis
gehad ?
A. Ik heb 6 kinderen gehad; drie zijn er dood, één
dient, een zoon is getrouwd, en een heb ik er tehuis.
3080.    V. Hebt gij wel eens 6 kinderen tegelijk in
huis gehad ?
A. Neen, wel 4.
3081.    V. Ook, toen geen van de vier wat verdiende?
A. Ja.
3082.    V. Leefdet gij toen met vrouw en kinderen
van wat gij alleen verdiendet?
A. Ja, toen had ik nog niet eens f5.50, maar slechts
f4.80. Ik ben eerst geweest bij de heeren Honig. Daar
ben ik 3134 jaar geweest. Ik ben er als kind gekomen
op 10 ets. daags. Het tweede jaar vroeg ik om 5 ets.
opslag, zooals dat toen gegeven werd, maar ik kreeg een
grooten mond; later kreeg ik het toch. Dat liep zoo
door, totdat ik op mijn 19de jaar, toen ik moest loten,
35 ets. daags had. Toen kwam er later een sterfgeval en
kwam ik in het werk van dien man, daardoor kreeg ik
12 stuivers daags, toen 14, en op 16 stuivers, daags ben
ik getrouwd.
3083.    V. Toen gij die vier kinderen hadt, die niets
verdienden, verdiende uwe vrouw er ook toen niets bij?
A. Neen, niets.
3084.    V. Hebt gij toen werkelijk geleefd van die
f4,80 \'s weeks?
A. Dat is te zeggen, ik moet de volle waarheid zeg-
gen. Ik heb toen geprobeerd om er \'s morgens wat bij te
verdienen. Ik ging toen met koffie aan den weg staan
om die te verkoopen aan de menschen, die vóór mijn tijd
naar de fabriek gingen, maar dat ging alleen, als het
niet regende, want ik stond met dat koffietafeltje in de
open lucht.
3085.    V. Wat bracht dat op ?
A. Een of twee dubbeltjes daags.
3086.    V. Deedt gij er \'s avonds nog wat bij ?
A. Neen.
3087.    V. Hoeveel bedsteden hadt gij ?
A. Twee.
3088.    V. Sliepen dan al uwe kinderen bij elkander ?
A. Ja.
3089.  De heer Kolkman: Waren dat allen meisjes, die
vier kinderen ?
A. Neen, twee jongens en twee meisjes.
3090.    V. Van welken leeftijd?
A. Van 12, 10, 8 en 6 jaar.
3091.    V. En sliepen die allen bij elkander in ééne
bedstede ?
A. Neen, ik had drie bedsteden; jongens en meisjes
sliepen afzonderlijk, want ik weet wel, dat het niet be-
taamt om die bij elkander te laten slapen. Ik bedoelde
twee bedsteden, behalve de onze.
3092.   De Voorzitter: Wat verdienen de lompensor-
teerders?
A. Dat weet ik niet.
3093.    V. Praat gij nooit met elkander over hetgeen
gij verdient?
A. Nooit.
3094.    V. Waarom niet?
A. De loonen in mijne afdeeling ken ik wel, maar
wanneer ik er in de andere afdeelingen naar vroeg,
zouden ze mij zeggen: „wat heb je er mee van noode.*\'
3095.    V. Wanneer gij ziek zijt, krijgt gij dan wat van
den patroon ?
A. Ja.
3096.    V. Op voorschot, of cadeau?
A. Cadeau.
3097.    V. Wat krijgt ge dan?
-ocr page 150-
141
y. Ik ben vol rheumatiek, wat ik gekregen heb door
met dat koffietafeltje in het barste weder te staan, maar
daarvoor blijf ik nooit thuis; doch bij andere ziekte heb
ik f \'2.50 gekregen.
3098. V. Hebt gij dan den dokter van de gemeente?
A. Ja.
8099. V. Krijgt gij des winters eene ondersteuning
van dezen of genen ?
A. Ik krijg geen cent.
3100.    V. Dan in het wel een toer om rond te komen?
A. Ik heb eene zuinige vrouw en ik zelf ben ook
zuinig. Niet één op Zaandijk kan zeggen: „ik moet iets
van Jan Bakker hebben."
3101.    V. Wanneer gij des avonds uwe centen thuis
brengt, dan hebt ge zeker eene week schuld ?
A. Neen, want wij koopen niets op krediet. Ik heb
wel dagen gehad, dat ik tweemaal per dag met vrouw
en kinderen niets anders at dan rijst uit het water, of
dat ik met mijne vrouw smulde, wanneer wij \'s avonds,
als ik moede uit de fabriek kwam, een pond rijst met
wat vet hadden, maar borgen deden wij niet.
8102. V. Eet gij wel eens boonen en erwten ?
. I. Ik lust ze wel, maar mijne vrouw heeft eene zwakke
maag, en die kan er niet tegen. Hier geldt het spreëk-
woord : „wat de kok niet lust, dat krijgt men niet."
3103.    V. Eet gij dikwijls in de week rijst?
A. Ja, veel.
3104.    V. En somtijds ook aardappelen met groenten?
.1. Ja, met wat groenten.
8105. V. En hoe werd dat klaargemaakt?
A. Met mosterddoop of zuurdoop, dat smaakt wel
lekker.
3106.    V. Eet gij boter op uwe boterham?
A. Neen. vet, allemansvet, of ook wel koe vet.
3107.    V. Gij hebt het nu toch iets beter dan vroeger?
A. Jawel, maar ik heb vroeger groote armoe geleden.
3108.    V. Tot hoe lang hebt gij school gegaan?
A. Op mijn 10de jaar ben ik van school naar den
papiermolen gegaan. Ik heb dan ook maar een heel klein
beetje lecren lezen en schrijven.
3109.   V. Hoe lang hebben uwe kinderen school gegaan?
A Tot het 12de jaar.
3110.    V. Is er geen van uwe kinderen op den molen?
A. Neen, er is er wel één op geweest. Nu is hij olie-
slager, omdat dit beter is.
3111.   V. Waarom zijt gij naar den papiermolen gegaan ?
A. Omdat mijn vader dat wilde, en ik er van kindsbeen
af op groot gebracht was. Ik heb nog eens olieslager
willen worden, maar dat ging niet, omdat ik toen al 35
cents daags op den molen verdiende.
3112.    V. \'s Winters werkt gij zeer kort, nietwaar?
A. Ja, dan kan het werk best af.
3113.    V. Spreekt de patroon veel met het volk?
A. Neen, altijd met den meesterknecht, behalve als
er wat verkeerd is gedaan.
3114.    V. Wat zal er met u gebeuren, wanneer gij
niet meer werken kunt?
A. Dat is weieene groote zwarigheid voor mij, want
dan ben ik geheel uit mijn brood.
3115.    V. Gelooft gij niet, dat gij dan door den patroon
ondersteund zult worden ?
A. Neen, dat geloof ik niet.
3116.    V. Kent gij oudjes, die van den palr>M>n onder-
steuning krijgen?
A. Ja, een man van 90 jaar, die f 2 in de week krijgt.
Jaren geleden was er eene weduwe, die f 1 onderstand
kreeg.
3117.    V. Er zijn immers getrouwde vrouwen bij u
op de fabriek?
A. Ja, eene.
3118.    V. Is zij weduwe?
A. Neen.
3119.    V. Wat verdient die vrouw ?
A. f3 \'s weeks.
3120.    V. En van de vrouwen in de andere afdeelingen
weet gij niets?
A. Neen.
Jan Bakkick.
A. Kerdijk. Voorzitter.
Kol.K MAN
S. Lk Pooi.e.
W. M. Visser.
\\V. H. J. Rou aards, Adj.-secretaris.
36
Enquête. — He Zaankant.
-ocr page 151-
-ocr page 152-
ZITTING VAN ZATERDAG 10 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de he<
Kerdijk. Voorzitter.
Kolkman.
Le Pooi.k.
Visser.
Verhoor van Pieter Meijn, oud 31 jaar. houtvlotter,
te Zaandam.
3124.    üe Voorzitter: Zijt gij altijd houtvlotter ge-
weest ?
A. Neen, vroeger was ik houtzager van Corn.VanWessem
en anderen; maar toen ik uit den dienst kwam, vond ik
mijne plaats ingenomen en ben ik, na nog een poosje bij
Akkerman geweest te zijn, wiens zaken ongelukkig niet
vooruitgingen, aan de vïotterij gegaan.
3125.    V, Hoe gaat daar het werk ?
d. Onze baas neemt het aan van den patroon en be-
steedt het weder aan ons uit. Eene ploeg van 6 man krijgt
voor eiken balk, groot of klein, 2 cents, dat is dus per
man V3 cent.
3126\'. V. Hoeveel verdient gij per dag?
.4. Dat hangt er van af, of de boot, die het hout
over boord werkt, veel stoom heeft, dus snel werkt, en
ook van weder en wind. Ons werk bestaat in het oppik-
ken van het over boord gegooide hout, het vervoeren naar
de houthaven en het sorteeren er van.
3127. V. Maar wat verdient gij wel op een dag, als
het medeloopt ?
A. f4, van \'s morgens 4 tot \'s avonds 8 uur. Wij
wan dan om 3 uur de deur uit en komen er om 9 uur in.
3)28. V. En hoe lang rust zit daar dan in?
A. IV4 uur.
3129. V. Eet gij thuis?
A. Gedurende het werk eten wij ons brood, maar als
•k \'s avonds thuis kom, eet ik mijn middageten. Als wij
»m 8 uur uitscheiden, dan wordt het gauw 8\'/i uur eer
* ij weggaan : men moet de touwen vastmaken en zoo voort;
11 :
voordat ik thuis ben, is het dus 9\'/j uur. In den zomer
is het een slavenleven.
3130.     V. Houdt gij aanteekening van al, wat gij
ontvangt?
A. Neen.
3131.    V. Kunt gij ons niet opgeven, hoeveel gij in
eene fortuinlijke week verdient ?
A. Ja, lfi, 17, 18 gulden, maar dit is dan ook het
meest.
3132.     V. En hoeveel denkt gij het geheele jaar door,
de eene week door de andere gerekend, te verdienen?
A. 6, 7 gulden in de week. Dit is f 300 gulden per
jaar.
3133.    V. Een vrij groot deel van het jaar hebt gij
op de schepen niets te doen; wat doet g\\j dan ?
A. Wat ik krijgen kan, rijst of koeken vletten.
3134.    V. En wat verdient gij daarmede?
A. Nu, wij hebben nu 6 weken gesloten water, maar
! ik geloof niet, dat ik er meer dan f 9 mede verdiend heb.
E Zoodra het winter is, zijn de ploegen uit elkaar, en als
zich iets voordoet, moet men waken, dat men er bij is,
want er zijn 60 of 70, die er ook naar zoeken.
3135.    V. Was het vak vroeger beter?
A. Ja.
3136.     V. Hoe komt het, dat het nu minder goed is?
\', Wordt er minder hout aangevoerd?
A. Neen, door de concurrentie in den handel. V roeeer
\' mocht alleen op het Kalf gevlot worden ; dat was een
j water van den vlottersbaas. Toen waren de houtzagersbazen
i wel verplicht om bij dezen te komen, en kon hij dus
-ocr page 153-
144
met den zomer al erwten en boonen uit den polder,
voor den winter.
3150.    V. Geeft een getrouwde man in den goeden
tijd vast geld aan zijne vrouw?
A. Ja, ik meen f 7 of f 8 in de week.
3151.     V. Zijn er geen in uwe ploeg, die er wat wild
, op los leven ?
A. In onze ploeg niet, in andere ploegen zijn er wel
3152.     V. Gaan die dan in den winter naar de
diaconie ?
A. Dat weet ik niet.
3153.    V. Ileerscht er veel misbruik van sterken
j drank onder ulieden ?
A. Onder onze ploeg niet. U mag het gerust weten:
wij nemen eiken morgen voor 41/J cent een borrel.
3154.    V. Maar in het algemeen?
A. ïk geloof het niet, want ons werk is daarvoor te
gevaarlijk.
3155.     V. Hebt gij nooit gehoord van misbruik van
sterken drank aan boord?
A. Vroeger is dat wel erg geweest, maar ik geloof
tegenwoordig niet meer.
3156.     V. Hebt gij wel eens bemerkt, dat er door
de politie toezicht op gehouden werd ?
A. Ja, ik heb de politie wel eens langs den dijk zien
loopen.
3157.    V. Hebt gij nooit ongelukken bijgewoond in
uw werk ?
A. Neen, dat gebeurt meer met het lossen. De lui
zijn doezelig en slaperig, omdat zij somtijds dag en nacht,
j ja wel 36 uren achter elkaar werken.
3158.     V. Hoeveel rust nemen zij, wanneer zij 36 uren
achter elkaar werken?
A. Alleen een oogenblik om hun broodje te eten.
3159.     V. Gaan ze in die 36 uren niet slapen?
i A. Neen.
3160.     V. In den regel werkt gij in het water bij het
lossen, niet waar?
A. Ja.
3161.    F. Werkt gij \'s nachts ook?
A. Neen, dat kan niet; maar wij werken toch, zoolang
wij kunnen zien. In den zomer is dit soms wel tot 9 uur
in den avond.
3162 V. Gij maakt dan immers eene soort haven om
het schip?
A. Ja, wij maken eene kom om het schip, gevormd
door balken, die met ijzer aan elkaar worden gemaakt.
In die kom werken wij. Nu gebeurt het wel eens, wan-
neer er weinig ruimte is, dat eene sleepboot er door heen
vaart, en dan wordt de kom vernield.
meer nemen. Sedert echter mag op de Voor-Zaan ook
gevlot worden en staan alle patroons gelijk. Nu ontvangt
de baas dus zelf minder, en dientengevolge moest het
loon wel dalen.
.\'5137. V. Hoeveel is het loon gedaald?
A. Het is nu wel de helft minder dan vroeger.
3138.    V. Maar toen moest gij het hout ook verder
sjouwen?
A. Neen, men bracht het ons daar ginds.
3139.    V. Was het vroeger 4 cents per stuk.\'
A. Ja. Wanneer die balken hier in de haven liggen,
dan sorteeren wij die en maken daarvan een vlot. Daar-
voor krijgt elke man \'/i cent. Dat werk doen wij, wan-
neer wij geen boot te lossen hebben.
314U. V. Het komt dus hierop neder, dat voor het
eerste werk ieder \'/a cent krijgt en voor het sorteeren
en vlot maken l/s cent?
A Die Va ce"t wordt wel eens \'/e cent, omdat men
soms met meer mannen werkt.
3141.     V. Alles te zamen verdient gij dus gemid-
deld f f? of f 7 in de week ?
A. Ja.
3142.     V. Is Ofl\'entierg de eenige vlottersbaas ?
A. 0 neen; zij komen als paddestoelen tevoorschijn.
3143.    F. Hebt gij er met uwe kameraads nooit aan
gedacht om liet zonder tusschenpersoon te doen, om ge-
zamenlijk dadelijk aan te nemen van den patroon, zonder
tusschenkomst van uw baas, zoodat u ten goede zou komen
wat deze thans verdient?
.4. Ik ben liever een goede knecht dan een kleine
baas ; daarbij komt, dat men minstens f 300 a f 400
aan gereedschap moet hebhen.
3144.    V. Wordt liet gereedschap door den baas ge-
geven?
A Ja.
3145 V. Verdienen de bootlossers meer dan gij?
A. Ik hoor wel eens zeggen, dat zij meer, maar
ook wel eens, dat zij minder verdienen.
3146. V. Hoeveel verdienen die wel eens op een
goeden dag ?
A. Van af f 8 tot f 11 in de twee dagen.
3147 V. Wanneer gij in eene week ruim verdiend
hebt, leeft gij er dan die week wat beter van?
A. Zeker niet, want ik zou niet graag in den winter
iemand behoeven aan te kijken om een stuk brood
3148.    V. Zijt gij getrouwd ?
A. Neen.
3149.    V. En hoe leven zij, die getrouwd zijn?
A. Uit onze ploeg koopen zij, die getrouwd zijn,
-ocr page 154-
145
A. Wij hebben met de Amsterdamsche vlotters niet
erg op; die schreeuwen ons te hard.
3173.     V. Heb gij nu nog iets, waarop gij de aau-
dacht der commissie wenscht te vestigen?
A. Ja, dat nachtwerken is ook een beroerd werk.
3174.    V. Maar gijlieden werkt toch niet \'s nachts,
naar gij zeidet?
A. Neen; maar wij krijgen er toch den rommel van.
De boot, die \'s nachts doorwerkt, gooit de balken over
1 boord, ook als wij er niet zijn. Komen wij nu den volgenden
morgen, dan kunnen wij eerst zoo\'n heele batterij van
balken uit elkaar trekken, en dat houdt heel wat langer op,
dan wanneer wij telkens den balk in blank water kunnen
opzoeken.
3175.    V. Wordt volstrekt niet in kroegen uitbetaald?
. 1. Er mag een heel enkele zijn, die dat doet, maar
dat zal niet veel wezen.
3176.    V. Heeft baas De Vries niet eene gelegenheid
om wat te gebruiken?
A. Ja, die heeft zelf zoo\'n hok.
3177.    V. Wordt daar sterke drank geschonken?
A. Dat weet ik niet; hij heeft geen vergunning.
3178.    F. Hoort gij er nooit over spreken?
A. Neen ; al was het zoo, dat er sterke drank geschonken
werd, dan zou men het nog niet zeggen, want die menschen
hangen van hem af.
P. Meun.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
3163.    V. Wordt gij per dag uitbetaald?
A. Neen, eens in de week, op Zaterdag-avond. Dan
worden de balken, die wij verwerkt hebben, geteld.
3164.    V. Waar wordt u het loon uitbetaald?
.1. Bij den baas aan huis.
3165.    V. Zijn er nog zaken, waarop gij onze aandacht
wilt vestigen?
A. Ja, b.v. op het werken op Zondag. Dat is een
beroerd werk. Verleden jaar hebben wij er veel last van
gehad. Wij kunnen het niet dwingen en ik noem het
ook geen zonde om op Zondag te werken ; maar wanneer
men zich de geheele week, in hemd en onderbroek ge-
kleed, in het zweet staat te werken, dan wil men den
Zondag wel als rustdag hebben.
3166.    V. Wordt gij daar extra voor betaald ?
A. Ja, buiten die 2 cents loon, krijgt de ploeg er
een maximum van f 25 voor.
3167.    V. En zoudt gij, niettegenstaande de ver-
dienste niet groot is, die Zondags-buitenkans gaarne op-
offeren voor een vrijen dag ?
A. Waarachtig. Als je den heelen dag werkt, dat het
zweet er \'s morgens om 6 uur al afloopt, dan wil je die
Zondagsverdienste, alleen omdat een wilde, dolle Engelsch-
man de kuur heeft om dat in zijn eigen belang te eischen,
gaarne opofferen. Nu ben ik ongetrouwd, maar mijne geheele
ploeg denkt er zoo over.
3168.    V. Weet gij, dat voor dien Zondagsarbeid toe-
stemming van den burgemeester wordt geëischt ?
A. Zij zeggen altijd, dat zij permissie hebben. Toch begin-
nen de Zaansche patroons het beter in te zien. Kamphuizen,
Kluyver, Van Wessem en anderen willen niet meer op
Zondag laten werken, al staan de kapiteins op hun kop.
3169.    V. Ts dat Zondagswerk in de laatste jaren
verminderd ?
A. J3, veel. Een jaar of 7 geleden was Zondagswerk
vrij algemeen, \'t Gebeurde, dat wij, als de boot om 10
uur aankwam, om 11 uur al aan \'t werk waren. Maar
wij hebben net zoolang gereclameerd, tot er verbetering
in is gekomen.
3170.    V. Hebt gij u wel eens tot den burgemeester
gewend met het verzoek, dat hij slechts in zeer bijzonder
dringende omstandigheden vergunning zou geven ?
A. Neen, maar ik geloof niet, dat het veel helpen zou.
3171.   V. Dat gelooft gij, maar dat kan pas blijken,
als gij het beproeft. Al ware de moeite dan vergeefsch
geweest, dan zou zij nog niet zoo heel groot zijn.
A. Ja, verbod van Zondagsarbeid zou wel gaan, als
Amsterdam het dan ook deed, want het is zoo gelegen:
als onze burgemeester zeide, dat hier \'s Zondags niet meer
mocht worden gelost, dan zouden in het vervolg de kapi-
teins naar Amsterdam gaan.
3172.    V. Hebt gij dan nooit met Amsterdamsche
vlotters trachten te overleggen om gezamenlijk te han-
delen ?
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Jan Honig, oud 50 jaar, firma Jan
Honig & Co , papierfabrikant, te Zaandijk.
3179.     De Voorzitter: Bestaat uwe firma al lang?
A. Sedert omstreeks 1650.
3180.    V. Werkt gij met stoom of met wind?
A. Met wind.
3181.     V. Hebt gij slechts één molen?
A. Ja.
3182.    V. Is dat vroeger niet een stoommolen geweest ?
A. Ja.
31S3. V. Dat is ongewoon; gewoonlijk wordt andere
drijfkracht door stoom vervangen.
87
-ocr page 155-
146
3195.    V. Om bekend te worden met de feitelijke
toestanden van arbeid en arbeiders. De verplichting tot
antwoorden is u opgelegd door den wetgever.
.I. Houd mij ten  goede: ik ben fabrikant, ik moet
door mijn volk leven,  en ik heb de ervaring gehad, dat
wanneer ik heelemaal   zuiver opbiechtte, de patroon de
dupe werd.
3196.    V. De wet legt u de verplichting op.
A. Nu dan, hij heeft ook nog dat zg. vleeschgeld.
f 26 of f 27 per jaar.
3197.    T. Is dat alles?
A. Ja.
3198.     V. Wat verdient de andere categorie van
werklieden, die aan de papierkuipen werken?
A. Dat hangt van den wind af. Zij hebhen weken
van f 10 of f 12, maar ook van f 7. Wanneer er. zoo-
als nu met de vorst, in het geheel geen werk is, dan
geef ik ze f 6 in de week en zoek werk.
3199.    V. Worden de papiermakers niet zóó verschil-
lend betaald, dat de een aanzienlijk meer heeft dan de
ander?
A. Ja.
3200.     V\'. Zijn de volgende cijfers juist, nl. dat er,
wanneer Hink wordt doorgewerkt, gemiddeld verdiend
wordt door den lsten papierraaker f 9, door den 2den
papiermaker f 6.50, door den 3den papiermaker f 6 en
door den 4-den papiermaker f 4.50?
A. Dat is voor den derden te veel. Deze verdient
slechts f4.50, want hij staat gelijk met den 4den, en zij
zijn gewoonlijk 16 jaar.
3201.    V. Ons is gezegd, dat een van die twee laatsten,
die volgens u gelijk staan, getrouwd is. Is dat niet juist?
A. Neen.
3202.     V. Het is dus beslist onwaar, dat een van die
papiermakers, die f 4.50 verdienen, getiouwd is?
A. Ja, ik wil geen getrouwden hebben in dien rang.
3208. V. Er werd door den getuige bij gezegd, dat
zijne kinderen nu een paar centen er bij verdienen, maar
dat hij den tijd heeft gekend, dat hij van f 4.50 leven
moest Kan dat niet waar zijn ?
A. Bij mij niet, want ik heb ze nooit.
3204 V, Het geldt een man, die een huisje van 12
of 13 stuivers in de week bewoont, waarbij een stukje grond
is, waarin hij \'s avonds werkt.
A. Ik weet het waarachtig niet, of het moest zijn een
oude man van 65 jaren, die zoo\'n jongenswerkje doet,
zekere Thomas Span, die al oud bij mij gekomen is op
verzoek van zijn schoonzoon, die schepper bij mij is, en
die meende, dat zijn schoonvader dat jongensbaantje wel
kon waarnemen.
3205. V. Komt er bij het loon der papiermakers, door
u genoemd, nog iets ?
A. Neen.
A. Ik maak op meer punten eene uitzondering, en
dat is in deze ook het geval geweest. Tn de fabriek, die
wij overnamen, werd met stoom gewerkt; maar daar
handpapier bijna niet meer te krijgen is, hebben wij ons
weder op de vervaardiging daarvan toegelegd.
8184. V. Welk papier maakt gij ?
A. Allerhande soorten, ook schrijfpapier, maar hoofd-
zakelijk papier voor de fabrieken voor de verpakking naar
Indiè. Het Hollandsche schrijfpapier laat ik in Gelderland
maken, hoewel het hier bijna niet meer gebruikt wordt.
3185.    V. Is het juist, dat de werktijd van de papier-
makers aan de kuipen anders is dan die van het overige
personeel ?
A. Zij werken per stuk en kunnen daarom zoo lang
werken, als zij willen en zelfs de uren kiezen, die zij
werken. Er zijn bij voorbeeld arbeiders, die een tuintje
hebben, en nu is het van belang, dat zij een uur vroeger
beginnen, om dan wat vroeger uit te scheiden en in hun
tuintje, te werken; maar dat een uur vroeger eindigen,
daar heb ik hoegenaamd niets tegen. Wat maakt dat
mij uit !
3186.     V". Dat is dus de keuze der uren, waarin zij
werken : maar gij zeidet, dat zij ook zoolang kunnen
werken, als zij willen. Hebt gij altijd werk voor hen ?
A. Meer dan zij kunnen maken.
3187.    V. De lompenscheurders werken immers des
zomers van zessen tot zessen ?
A. Niet eens.
8188. V. Is er zooveel werk voor hen, dat zij tot
\'s avonds achten bijv. zouden kunnen werken?
A. Als zij wilden, waarom niet?
3189.     V. Maar aan dat werk komt toch ook een eind ?
A. Dat is maar betrekkelijk.
3190.     V. Wy hebben Simon Oenen hier gehad; is
dat een geschikte, vlijtige man ?
A. Zeker, hij scheurt zoowat 2800 a 8000 K.G. in
de week.
3191.     V. Die werkt dus zooveel, dat hij tamelijk
wel aan zijn brood kan komen ?
A. Hij kan langer werken, maar hij gaat wel eens
om vier uur weg, om aan zijn huisje te werken.
3192.    V. Werken de pakkers geregeld langer?
A. Ja, van zessen tot zessen, en dan blijven zij nog
tot acht uur om karton te plakken, maar dat is overwerk.
3J93. V. Hoeveel verdienen zij?
A. f7.50 vast, ook als zij ziek zijn; bovendien ver-
dienen zij nog 30 ets. onder hunne vaste uren door, met
papier, dat van den papiermolen komt, na te zien.
3194. V. En hoe wordt het overwerk betaald?
A. Moet ik nu op dat alles antwoorden, en met welk
doel geschiedt dat ?
-ocr page 156-
147
3206.    V. Wij komen na tot het lompen sorteeren.
Daarvoor hebt gij twee man ?
A. Ja, waarvan één een brekebeen is.
3207.     V. Verdient Oenen bij u niet f6 per week?
.1. Ja, gemiddeld kan hij dat best halen.
3208.    /\'. Zijt gij eenigszins bekend met zijn gezin ?
A. Niet veel.
3209.    V. Hij deelde ons mede, dat hij nu een paar
kinderen heeft, die wat verdienen, maar dat er een tijd
geweest is, dat hij 4 kinderen thuis had en moest leven
van f 6 per week, met eene kleine bijverdienste van
zijne vronw, die voor de menschen wasohte. Kan dat
waar zijn?
A Dat is mogelijk.
3210.    V. Verdient de tweede sorteerder f3 in de
week ?
A. Ja, maar als Oenen 2800 K.G. scheurt, dan is
die tweede man, De Vries, met J 500 K.G. weg, hoewel
het een man van 35 jaar is.
3211.    V. Hoe leeft die man?
A. Hij kluist en is nog al eens bij zijne broeders,
die veel met hem op hebben. Ook krijgt hij nog eens
wat van mij, want ik mag hem wel lijden, het is een
aardige vent. Hij is bij mij gekomen met de vraag, of
ik hem van den weg af wilde helpen, maar het is mij
om het even, of ik hem heb of niet; die 1500 K.G., die
hij scheurt, maakt mij niets uit. Het is met de papier-
l\'abricage zóó, dat, als de wet voorschreef, dat men geen
lompen meer mocht sorteeren — ik zou intusschen niet
gaarne zien, dat de wet zoozeer ingreep — dan zou ik
mij toch kunnen redden, want er wordt tegenwoordig
voor een groot deel gewerkt met houtstof, cellulose en zoo
voorts, ter vervanging der lompen.
3212.    V. Kr is immers een tijd in het jaar, dat de
werklieden bij u niet kunnen werken?
A. Ja, zooals nu, als het vriest.
3213.     V. Verdienen zij dan toch wat?
A. Zij krijgen een gulden en 80 ets. daags van mij,
en komen daarvoor van 9 tot 4 uur, terwijl ik, als liet
een mooie dag is, en er b.v. rijderij is op de baan, nog
zeg: ga maar kijken.
3214.    V. Kunnen de cijfers van het gedeeltelijke
l»on, dat gij in weken, dat weinig gewerkt wordt, geeft,
zijn: f 6, f "ö, f 4 en f 3.50?
A. Ja.
3215.    F. Wat krijgen de lompen sorteerders ?
A. Die kunnen altijd werken, maar Oenen kan nu
meer verdienen door met een tentje op het ijs te staan,
en heeft mij daarvoor verlof gevraagd.
3216.    F. Is het lokaal, waar gesorteerd wordt, ver-
warmd ?
A. Neen.
3217.    F. Dan zal het toch bij deze koude wel feite -
lijk onmogelijk zijn om ei te werken?
A. Wel neen, best; als men zijne handen goed laat
gaan in een koud vertrek, is men er nog beter aan toe,
dan wanneer men niets doet in eene goed verwarmde
kamer.
3218.     V. Vindt gij het werkelijk een best werk om
lompen te sorteeren in een koud lokaal bij deze temperatuur ?
A Lompen scheuren, ik verzeker u, dat dit een warm
werk is.
3219.    F. Misschien vindt gij het nog een buiten-
kansje voor die menschen?
A. Nu, ik zou er voor bedanken.
• 3220. V. Maar voor die menschen noemt gij het
werk best ?
A. Ik heb van hen nooit klachten gehoord.
3221.     V. Maar zij werken dan toch op het oogen-
blik niet?
A. Omdat Oenen op het oogenblik meer kan ver-
dienen.
3222.     V. Wat krijgen de werklieden bij ziekte
van u?
A. De scheppers krijgen hetzelfde loon als wanneer
de fabriek stilstaat.
3223.    V. En de sorteerders?
A. Daarvan is er nog nooit een ziek geweest. Oenen
is een ijzeren man ; ik geloof niet, dat hij voor zijne
gezondheid nog een dag heeft verzuimd.
3224.    F. Hebt gij vroeger niet meer sorteerders
gehad ?
A. Ja, vijf.
3225.    /". Hoe ging het met hen, wanneer zij
ziek waren ?
A Dan kregen zij wat.
3226.    V. Ëen voorschot?
A. Dat was vroeger zoo, maar de toestand is ver-
anderd met de droogmaking van het IJ. Toen was het
precies, alsof het den menschen in den kop scheelde, zij
liepen allen weg. Daarna is er verbetering gekomen, maar
de fabrikanten lijden de schade.
3227.    V. Gaaft gij vroeger voorschotten ?
A. Alleen aan de stukwerkers.
3228.    V. Vindt gij het niet zeer natuurlijk, dat het
hun in den kop speelde om het beter te krijgen, dan zij
het in hun vak hadden ?
A. Ik vind het ondoordacht.
3229.    V. Wanneer gij het zoo gering hadt als zij,
zoodat het ondoenlijk was om met uw gezin er behoorlijk
van te leven, zoudt gij het dan van uzelven niet volkomen
natuurlijk vinden, dat het u, zooals gij het noemdet, in
den kop speelde om het beter te krijgen ?
-ocr page 157-
148
A. Het is met het papiermaken altijd zoo geweest.
Die menschen verdienen wel f 6, maar zij hebben ook
wel eens weken van f 8 en zouden bij ons ook nog wel
meer kunnen maken, wanneer zij dat verkozen. Daarbij
komt, dat zij hier en daar ook tehuis nog wel wat weten
te snappen. Het is dan ook een vast verschijnsel, dat zij
hunne dagtaak nooit ten einde brengen.
3240.    V. Gij spreekt van soms f 8, maar Oenen
had toch ook wel eens minder dan f6?
A. Neen, Oenen nooit.
3241.     V. Maar gij hebt toch gesproken van f 6,
als middencijfer ?
A. Wat doet er dit eigenlijk toe? Maar wanneer u
uu aan dit cijfer wilt vasthouden, mij wel.
3242.    V. Het is mij alleen te doen om de waarheid.
Ons is door een getuige uit eene andere fabriek gezegd,
dat hij, om iets te verdienen bij het onvoldoende loon,
\'s morgens met een koffiekarretje aan den weg ging
staan Hij voerde dit aan als een bewijs, dat hij door den
nood was gedrongen om te suppleeren, wat hij te weinig
verdiende. Acht gij dit waarschijnlijk ?
A. Ik meen, dat het een arbeider was van den
heer De Jong. Dit is waar, dat de vlijtige zijn brood nog
wel kan verdienen. Deze man vond het misschien ge-
makkelijker om op die manier een paar centen meer te
verdienen.
3243.     V. Uw tweede papiermaker krijgt f 6.50. Is
dat een vlijtig man ?
A. Ja.
3244.     V. Gaat het u niet aan het hart, een zoo
gering loon uit te betalen ?
A. Ik ben zoozeer mensch, dat ik van gauscher harte
meer zou geven, indien de fabriek het toeliet, maar ik
kan niet meer geven. Ik zal u, Mijnheer de Voorzitter,
ronduit de waarheid zeggen, fn mijne fabriek zijn de
financieele resultaten in de laatste 10 jaar zóó bedroevend
I geweest, dat ik van mijn kapitaal nog geen 3 pet. heb
j gemaakt. Ik kan waarlijk niet meer geven.
3246.     V. Zullen de papiermolens niet alle verdwijnen ?
A. Zeker, maar als het zoo blijft, dan verdwijnen de
stoomfabrieken ook. De gansche industrie is onhoud-
baar.
3247.    V. Kan zij niet vervormd worden naar de
nieuwere behoeften ?
A. Wanneer heel Europa één rijk was, zou het mis-
schien gaan. Ik noem een voorbeeld. Ik leverde papier
in Hamburg. Twee jaar laug verscheen er geen order.
Ik heb gedaan, wat ik kon; ik heb al het mogelijke
gedaan, en in plaats van f 25 te vragen, zooals vroeger,
heb ik het voor f 22 gedaan en de inkomende rechten
betaald. Nu heb ik eene bestelling gekregen, hetwelk dus
als bewijs kan dienen, dat mijn papier nog noodig is.
3248.     De heer Kolkman : Is die toestand een gevolg
van de inkomende rechten in Duitschland ?
A. De bezadigden zijn allen gebleven, maar het waren
de jongens van 17 en 18 jaar.
3230.    V. Zij dus, die lang in hetzelfde gareel hadden
geloopen en tevreden waren met het weinige, dat zij ver-
dienden, zijn gebleven. Uw vak is achteruit gegaan,
niet waar ?
A. Ja.
3231.    V. Vroeger was het een zeer bloeiend vak?
A. Dat is te zeggen, in het laatst van de vorige eeuw
was dat het geval.
3232.    V. En een twintigtal jaren geleden ?
A. Toen was het hetzelfde; na den vrijen uitvoer van
de lompen is het mis geworden.
3233.     V. Waren vroeger de loonen hooger?
A. Neen, lager.
3234.    V. Dus in den tijd, toen de zaken goed gingen,
toen uwe industrie eene bloeiende was, hadden de arbeiders
het eer nog slechter dan tegenwoordig, zoodat, indien thans
wellicht te recht door de fabrikanten gezegd wordt: ik kan
niet betere verdiensten geven aan de menschen, omdat
het met de industrie slecht gaat, de patroons in tijden,
toen het hun wel goed ging, toch ook zoo weinig hebben
laten verdienen ?
A. Het is niet aardig, dat te moeten hooren, want u
beschuldigt daardoor mijn vader.
3235.    V. Ik deed mijne vraag in het algemeen, en
meen Haar te moeten herhalen.
A. Ik moet u ronduit verklaren, dat ik er niet van
weet. Ik ben op 16jarigen leeftijd bij mijn vader in de
zaak gekomen, en de toestand van de werklui is er sedert
zeker niet minder op geworden. Het is regel geworden
om geen voorschot te geven bij ziekte, maar het geheele
loon te laten behouden. En als gij mij nu vraagt, was er
destijds geen behoefte, dan zeg ik volmondig: ja.
3230. V. Dus de maatregel is algemeen genomen,
omdat hij door de omstandigheden werd afgedwongen ?
A. Juist.
3237.     V. Zijt gij eenigszins op de hoogte van den
toestand der gezinnen uwer werklieden?
A. Het zijn allen, ik durf het gerust zeggen, knappe
menschen. en ik hoop, dat gij er mij niet op zult atta-
queeren, wanneer ik zeg, dat ik als een vader met hen
omga, door te antwoorden, dat ik een slecht vader ben,
omdat ik hen zoo slecht betaal
3238.     V. Neem bijv. Oenen, toen deze vier kin-
deren tot zijn last had, en zijne verdiensten niet meer
dan f 6 bedroegen, terwijl zijne vrouw er slechts eene
kleinigheid bij verdiende met wasschen, hoe kon hij met
zijn gezin daarvan bestaan ?
A. Dat is mij ook een raadsel.
3239.    V. Hebt gij u niet vaak bedroefd over den
toestand van degenen, die gij beschouwt als uwe kin-
deren?
-ocr page 158-
149
en van lezen houden, die niet te lui zijn om bijv. eens
uit hooien te gaan, als er bij mij niets te doen is, terwijl
anderen weder liever gaan liggen. De besten geven echter
de voorkeur aan de fabriek.
3257.     V. Er is daar dag- en nachtwerk ?
A. Ja.
3258.     V. Hoe is de verdeeling daarvan ?
A. Zij werken 12 uren, met een half uur rust, de
eene week de eene ploeg en de andere week de andere
ploeg \'s nachts, met verwisseling om 6 uur.
3259.   V. Uwe arbeiders gaan gedurende dat half uur
zeker niet naar huis om te eten ?
./. Een enkele, die vlak bij de fabriek woont. Wanneer
het aan den meesterknecht gevraagd wordt, kunnen zij
naar huis gaan, maar wie niet dichtbij wonen, verloopen
te veel tijd.
3260.    V. Die 12 uren arbeid met een half uur rust
is een vooruitgang; in vergelijking met den arbeidsduur
op de molens bij wind ; maar dunkt u die tijd toch niet
te lang, het geheele jaar door?
A. Mij dunkt een arbeidsduur van 12 uren niet te
lang, wanneer ik het werken van die menschen aanzie.
3261.     V. Dunkt u het niet betreurenswaardig, dat zij
niet thuis met hun gezin liet middagmaal kunnen ge-
bruiken ?
A. Neen. betreurenswaardig niet; of het wenschelijk
zou zijn om dit te veranderen, is eene tweede quaestie; met
het oog op de drankwinkels, die zij voorbij zouden moeten
gaan, meen ik van niet.
3262.     V. Maar vindt gij het tocli voor de beteren en
hunne gezinnen niet zeer betreurenswaardig, dat de regeling
zoo is?
A. Voor de besten wel, voor de minderen niet. Wat
nu de vermoeidheid betreft, dat is niet zoo erg; het werk
bestaat in het aandraaien van eene schroef, het losdraaien
van eene andere, en zoo ; veel lichtere arbeid dan wij ver-
richten, die den ganschen dag, soms langer dan 12 uren,
met het hoofd werken.
3263.    V. Of wij het gansche jaar door, met uitzon-
dering nog van den Zondag, zoolang werken, laat ik daar:
maar oefent het geen ongunstigen invloed op de gezinnen,
dat vader nooit thuis komt over dag ?
. I. Het is droevig, dat ik het zeggen moet, maar het
geluk van het gezin hangt meer af van de moeder dan
van den vader.
3264.    V. Dat zij zoo, maar kan de vader dan niets
ten goede van zijn gezin doen, vooral niet de goede werkman?
A. Ik durf mij beroemen op mijn personeel, ik ben
| er zeer tevreden over.
3265.     V. Wanneer dit zoo is, dan ligt de wenschelijk-
heid ook voor de hand, dat zij over dag thuis kunnen komen ?
a
A. Als allen waren zooals zij wezen moesten, misschien.
3266.    V. Hebt gij last van drankmisbruik op de
fabriek ?
38
A. Ja, en daarbij komt nog, dat wij met Duitsch
])iipier wordfen overstroomd.
3249.    V. Zoudt gij met het oog hierop meenen, dat
in het belang van uwe industrie, en dus indirect in dat
ook van uwe arbeiders, wettelijke maatregelen gewenscht
zouden zjjn ?
A. Zeker, want dan zouden wij weder prijzen kunnen
maken. Nu leveren wij partijen papier af. waar wij op
verliezen.
3250.    De Voorzitter : Zou uwe industrie, door zich op
andere papiersoorteu te werpen, niet in gunstiger toestand
gebracht kunnen worden?
A. Neen, en ik maak mij sterk, dat de heer Van
Gelder, die de door u bedoelde soort fabriceert, als hij
eerlijk opbiecht, deze uitspraak zal bevestigen.
Jan Honig Cz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
. Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaahü.s, Adj.-secretaris.
Verhoor van Hendrik Honig, oud 5J jaar, lid van de firma
Klaas Honig & Zoon, oliefabrikant, te Koog a./d Zaan.
3251. De Voorzitter: Gij werkt immers uitsluitend
met stoom?
A. Neen, ik heb een wind- en stoommolen, de laatste
sedert 4 jaren.
3-252. V. Hoe oordeelt gij over het gebruik van
stuom in uw vak?
A. De fabriek werkt nog kort, en aangezien de werk-
tuigen, door mij gekocht, niet nieuw waren, breekt er nog
al wat.
3253.    V. Ik meen meer, wat den arbeid betreft?
A. Nu, het volk heeft liet. dunkt mij, gemakkelijker
en geregelder, dan op den windmolen ; dii.tr is het meer
vast staan, als er wind is.
3254.     V. Beschouwt gij het wegnemen van dat
geraas van de heien niet als een voordeel?
A. Zeker, èn voor inijzeiven èn voor het volk ; wij
kunnen elkander nu verstaan.
3255.     V. Waardeert de werkman die nieuwe manier
van werken ?
A. Ik geloof liet wel; de verhouding in de fabriek
is gezelliger.
3256.     V. Waar werkt uw volk liever, op den wind-
niolen of in de fabriek ?
A. Dat hangt van den aard der menschen af. De een zal
dit. een ander het andere verkiezen Er zijn er, die vlijtig zijn
Enquête, — De Zaankant.
-ocr page 159-
150
A. Neen, volstrekt niet: zij mogen een borrel nemen
onder mijne oogen, ik heb dat liever dan dat het achter
mijn rug gebeurt, maar misbruik heeft niet plaats.
koolzaadlast gemaakt werden, zou dat dan voor de werk-
lieden voordeeliger zijn dan thans, nu zij per last betaald
worden ?
3267. V. Gelooft gij, dat de groote meerderheid van
het personeel zich buiten de fabriek te buiten gaat aan
sterken drank ?
A. Neen.
3268 V. Dan begrijp ik niet, waarom gij het met het
oog op de drankwinkels in het belang van uw personeel
acht, dat het \'s middags niet gaat middagmalen thuis. \\
Daarin is tegenspraak.
A. Ik wil verleiding voorkomen.
3269.    V. Die is bij personeel, zooals gij het uwe i
schetstet, toch niet zoo erg te vreezen; trouwens zondt gij !
nog verder moeten gaan en wenschen, al uwe werklieden
voortdurend in de fabriek gevangen te houden.
A. Dat is logica, en misschien is mijne vrees ongegrond;
maar waar ik mijns gelijken wel voor verleiding zie be-
zwijken, meen ik, dat het beter is den werkman daarvoor
zooveel mogelijk te bewaren.
3270.     V. Wanneer uwe fabriek 1 uur of l\'/j uur
stilstond, zou dat grooten invloed uitoefenen op uw bedrijf?
A. Als men stil staat, gaat er nationale arbeid ver-
loren.
3271.    V. En nu gaat er nationale rust verloren.
\\% c»rdt door uwe nachtploeg afieveringswerk verricht?
A. Ja, twee man doen dat om de 6 weken; ik heb
juist van een anderen man klachten gehad, dat hij niet
van dat werk gekregen had.
3272.    V. Wordt het per uur betaald?
A. Neen, per stuk, f 4 per 1000 kilogram.
3273.    V. Wordt er bij u ook des Zondags gewerkt ?
A. Verleden jaar is dit twee- of driemaal gebeurd.
3274.    V. Heeft er dan eene andere wijze van loons-
berekening plaats?
A. Neen.
./. Dat zou bij alle windmolens niet hetzelfde zijn.
Het is trouwens zeer moeilijk, want dan komt
men in quaestié\'n, het fabrikaat betreffende : de eene fabri-
kant verwerkt namelijk veel minder lasten, dan de ander.
3280.    F. Hangt het niet daarvan af, ol er kool- dan
wel lijnzaad verwerkt wordt ?
A. Neen, maar het wordt mij hoe langer hoe ondui-
delijker, of ik hier kom om over mijn werkvolk, dan wel
over mijn fabrikaat gehoord te worden.
3281.     V. Gij zijt hier om alle punten duidelijk te,
maken, die hier ter sprake komen in verband met bet
onderwerp van ons onderzoek.
//. Dan wil ik niet van mijzelf spreken, maar wel van
anderen. Er wordt tegenwoordig veel cacao vermalen;
daarbij heeft het volk er veel meer voordeel bij, per last
dan per koek betaald te worden. En dan moet ik er
nog bijvoegen, dat het ook met het lijnzaad een groot
verschil uitmaakt, of het uit Engelsch-Indië dan wel van
de Zee van Azof afkomstig is.
3282.     V. Maar wordt er niet gestadig en in geleidelijk
grooter mate zaad verwerkt, dat zwaarder is dan het
vroegere ?
//. Die vraag zou ik beter onder ons kunnen beant-
woorden.
3283.    V. Hoe dit zij, gelooft gij, dat de werklieden
liever per stuk betaald worden dan per last ?
A. Ik heb het tegendeel aan mijn molen ondervonden.
Toen daar in Nov. 1890 de bekende circulaire werd aan-
geboden, weigerde mijn werkvolk unaniem te teekenen,
omdat dit meende door die verandering er niet beter op
te zullen worden.
3284.     V. Er is beweerd, dat door velen niet getee-
kend werd, omdat zij dit niet durfden tegenover de
patroons. Dit was eene algemeene uitspraak, waarbij uw
naam niet is genoemd. Zijt gij overtuigd, dat het niet
onderteekenen door uw werkvolk geschied is, uitsluitend
omdat dit er voor zich geen voordeel in zag ?
3275 V. Bij u in de stoomfabriek wordt op stuk
gewerkt, niet waar?
A. Ja, behalve de machinist en de meesterknecht.
3276.    V. Wordt niet betaald per 1000 koeken?
A. Ja.
3277.     V. Is dat aan de stoomfabriek altijd zoo
geweest in tegenstelling met de windmolens, waar het per
last gaat?
A. Ja.
3278.    V. Waarom is het bij de stoomfabriek anders ?
A. Dat weet ik niet: ik denk voor eene betere rege-
ling; de betaling per last geschiedde ook vroeger, toen
men meer kool- dan lijnzaad verwerkte, terwijl men thans
met lijnzaad, dat zwaarder is. werkt.
3279.    V. Gesteld, dat aan de windmolens dezelfde
loonseenheid gegeven werd per getal koeken, die uit een
A. Ik wenschte, dat ik die vraag vroeger verwacht
had, dan had ik het kunnen onderzoeken. Ben der werk-
lieden uit die combinatie was namelijk de zoon van een
gepensionneerd blokmaler van mij. Die man was zeer boos
op zijn zoon, omdat hij van de beweging geen heil ver-
wachtte. Omdat het nu zoo vader tegenover zoon was, heb
ik er mij niet mede bemoeid, het interesseerde mij weinig
3285.     V. Er is toen eene gedrukte circulaire gezon-
den aan alle olieslagers, niet waar?
A. Ik heb er geen gezien.
3286.     V. Misschien hebben zij die circulaires alleen
in Zaandam verzonden ?
A Neen, ook wel verderop aan de Zaan; maar waar-
schijnlijk hebben ze, toen ze dat wisten van den zoon
van den blokmaler, gedacht: daar behoeven wij toch
niet aan te komen.
3287.     V. Volgens uwe mededeeling zou het voor
-ocr page 160-
151
een deel van de werklieden niet voordeelig zijn, indien
de toen geuite wensch ware verwezenlijkt. Is het u bekend,
»f van den kant der werkgevers overleg heeft plaats ge-
had met de werklieden, ten einde het punt te bespreken,
misverstand uit den weg te ruimen en over en weer tot
een helder inzicht te komen ?
A. Ik heb op de Korenmarkt te Amsterdam uit een
gesprek opgemaakt, dat het billijk was naar de vergadering
toe te gaan. Die heeren waren er wel toe genegen, maar
of\' de vergadering is doorgegaan, weet ik niet.
8288. V. Die vonden dus, dat het billijk was om in
overleg te treden, en alzoo zou het door die enkelen zijn
betreurd, zoo geen bespreking plaats had ?
A. Ik betreur het ook. Als gij mijn persoonlijk ge-
voelen omtrent de quaestie vraagt, dan antwoord ik, dat
de wijze van uitbetaling mij onverschillig is, doch mijn
volk was tegen de verandering.
3289.     V. Hebt gij ook jeugdige arbeiders, die deel
nemen aan het gebruiken van een borrel, waarvan gij
voorheen spraakt ?
A. Behalve den stoker, heb jk niemand onder de 18
jaar. Intusschen gaat dat gebruik van dien drank even
deftig, als wanneer de meer gegoede stand het bittertje
gebruikt.
3290.     V. Wordt in uwe fabriek alleen gesmeerd,
wanneer de machine stilstaat?
A. Dat gebeurt in het half uur rust door den tini-
merman.
3291.    V. Wordt een signaal gegeven door den m:i-
chinist?
A. Eerst fluit de machinist, en dan wordt het signaal
beantwoord.
j
.3292. V. Wordt er niet voor de derde maal gebeld?
A. Neen, in geval van nood, hebben wij eene spreek-
buis. Maar het sein gaat van de fabriek uit, waar de
ongelukken alleen kunnen gebeuren. Als de werklieden
dus hebben gewaarschuwd, dat er niets in den weg is,
dan belt de machinist, dat hij klaar is en dus begin-
nen zal.
3293.     V. Wordt het vliegwiel met de hand aange-
zet?
A. Neen, dat zit zoo tegen den muur, dat men er met
de hand niet bij kan komen. Het wordt met een haak
over het doode punt gebracht.
3294.    V. Kunnen de fuisters in de windmolens niet
leelijk rooken?
A. Bij stilte en als er te veel turf opgelegd wordt,
wel; maar als de molen werkt, is er uit den aard zóó-
*eel trek, dat men van rook geen last heeft.
3295.    V. Hoe gaat het, als uw volk ziek is?
A. Het volk is in een ziekenfonds, waaruit het f 6
trekt per week. Dan wordt door mij, naar luim zal ik
niet zeggen, maar naar omstandigheden, het loon aange-
^uld, hetzij door het verschil te geven of voor te schieten
Mijn personeel is niet groot, op de stoomfabriek een 16\'
man, dus wij doen dat huiselijk; als \'t noodig is, zeg ik
tegen mijne vrouw: laat daar dit of dat brengen.
3296.     V. Onder die 16 zijn er enkelen, die vast loon
hebben. Gaat dat bij ziekte geheel of gedeeltelijk door?
d. Ik heb nog geen ziektegevallen i^ehad. de influenza
uitgezonderd. Maar mijn stelregel is, en daarop wijs ik
hun steeds, dat mijne fabriek te vergelijken is met een
keten, waaruit geen schalm gemist kan worden.
3297.     V. Aan de Zaan schijnt er in dit opzicht vaksge-
wijze verschil te zijn. Bij sommige vakken gaat het loon
door bij ziekte, in andere vakken, de olieslagerijen, h v., niet.
A Stukwerkers verdienen niets, wanneer zij ziek zijn.
en hebben er naar onze moreele opvatting ook geen recht,
op; als zij wat ontvangen, krijgen zij het, want ziek zijn
is niet vangen.
3298.     V. Maar in de houtzagerijen en pellerijen gaat
het loon toch door ?
A. Bij sommige patroons wel, hij andere niet.
3299.     V. Gij betaalt om de 14 dagen, niet wanr.-\'
A. Ja.
3300 V. Zou er bezwaar bestaan om om de week
uit te betalen?
A. Neen, als men dat liever heeft, heb ik geen
bezwaar; maar in het huisgezin is alles er zóó op berekend,
dat ik zou vreezen moeilijkheden in het leven te roepen.
3301.     V. Gij hebt straks uwe vrees voor verleiding
uitgedrukt, wanneer de werklieden naar huis zouden gaan
om te middagmalen ; maar vreest gij de verleiding niet
voor de huisvrouw, om minder goed huis te houden
naarmate de termijnen van betaling verder van elkander
liggen ?
il. Ik mag geen vragen stellen, maar ik zou anders
zeggen: zou het niet beter zijn om per dag te betalen ?
3302.    V. Die wedervraag zou een zwak argument zijn
ten gunste van den door u gevolgden regel.
A. Aan de Zaan is het altijd om de 14 dagen
geweest.
3303.    r. In andere vakken dan het uwe toch maar
bij uitzondering. Meent gij niet, dat door die lange
termijnen het gevaar ontstaat, dat men de eerste dagen
te ruim leeft en zich dientengevolge in de laatste te
zeer moet bekrimpen?
A. Ik zou het niet kunnen zeggen, maar nu is met
den kruidenier en den handelaar in brandstoffen de zaak
geregeld op de betaling om de 14 dagen.
3304.    V Ik maak uit deze mededeeling op, dat
in den regel door het werkmansgezin op den borg wordt
geleefd ?
A. Neen, dat is uitzondering.
8305. V. Beschouwt gij het bij uw personeel als
regel, dat met het geld, hetwelk op Zaterdag-avond ont
vangen is, de volgende 14 dagen gekocht wordt, met
geld bij de visch?
A. «la; ik ben zeker, dat zij een bedrijfskapitaal voor
14 dagen hebben.
3306. V. Dan is uwe zooeven gemaakte opmerking
-ocr page 161-
152
3315.    V. Geschiedt het vaak, dat opmerkingen, jn
verband met de arbeidsregeling, met u persoonlijk l>e.
sproken worden?
A. Dat gebeurt wel, maar toch hoofdzakelijk met den
meesterknecht.
3316.    V. Neemt gij persoonlijk het werkvolk aan, of
geschiedt dit door den meesterknecht?
A. Het komt zoo zelden voor. De vaders en de groot-
! vaders van mijne tegenwoordige knechts werkten reeds bij
1 mijn vader en grootvader.
3317.    V. Gij spreekt daarvan vaders en grootvaders;
er zijn dus geheele generaties bij uwe familie in dienst
geweest ?
A. Zeker. Zoo is, geloof ik. van den gepensionneerden
i blokmaler reeds liet derde geslacht aan de fabriek.
3318.     V. Kunt gij ons eenige mededeelingen doen,
omtrent de loonen, die door u betaald worden Hebt gij
daarvan aanteekeningen ?
A. Ja.
3319.     V. Zijn de daarin voorkomende cijfers ge-
trokken uit een loonstaat?
A. Het zijn de sommen, die ik uitbetaal, gedeeltelijk
vast geld. gedeeltelijk berekend naar 1000 koeken per
week.
De meesterknecht heeft f 17, dan is er nog een nacht-
chef; een groote titel, doch hij is slechts een werkman.
Twee machinisten hebben f 13, een sjouwer heeft f 13
en een jongen beneden 16 jaar, wiens vader gestorven is
en die nu assistent-stoker is geworden, heeft f 9,50. Dit
| zijn de vaste loonen.
Nu de stukwerkers. Een is er van f 14, een van f 13,
4 van f 12.50, 2 van f 9.75, 2 van f 7.50 en 2 van
f 5. De laatste vier zijn jongens. Dit is het werkvolk aan
de stoomfabriek.
3320.    V. Hebben zij dit in 1890 verdiend?
A. Ja, dat hebben ze 52 keer verdiend. Nu komt er
nog iets bij. De meesterknecht heeft f 1 premie. Het
overwerk van de machinisten is door den meesterknecht
niet opgegeven. De machinisten hebben nu overwerk,
doordien zij dat jonge mensch, waarvan ik straks sprak,
van uit de smederij in de machinekamer controleeren.
Ik durf dat gerust taxeeren op f 3 \'s weeks.
3321.     V. Dus dat is niet zoozeer overwerk dan wel
extra-werk ?
A Ja, gedeeltelijk.
3322.    V Hoeveel bedraagt het overwerk voor stuk-
werkers?
A. Dat zal door elkander f 0.50 per week bedragen
3323.    V. Zijn er nog premiën ?
A. Dat niet direct, maar ik beu bijv. een paar malen
bekroond geworden op tentoonstellingen voor mijne
koeken, en dan heb ik hun daarvoor wat gegeven, omdat
ook zij daartoe hebben medegewerkt.
3324.    V. Dat zijn dus buitenkansjes?
A. Ja, douceurs.
omtrent de regeling met kruideniers, enz. mij duister Ik
deed de vraag intusschen te eer, omdat verschillende ge-
tuigen, over den algemeenen toestand sprekende, zeiden,
dat het in Zaandam werkelijk regel is, dat zij hebben
wat gij noemt bedrijfskapitaal; maar andere getuigen
lachten om zoo te zeggen over de onnoozelheid van de
vraag, en zeiden ons: gaat maar in de winkeltjes rond,
dan zult gij wat anders hooren.
A. Er zijn hier door de commissie getuigen gehoord,
die als werknemer komen en toch werkgever zijn. Dezen
nu zullen wel hun best doen. den toestand zoo leelijk
mogelijk te maken.
3307.    V. Ik doelde ook op getuigen, die niet tot eene
van deze beide categorieën behooren. Wat bedoelt gij
echter met getuigen, die zich voordoen als werknemers,
maar die werkgevers zijn ?
A. Daar versta ik door werklieden, die echter met
een knechtje, dat zij zeer zuinig betalen, voor zich zelven
werken. Zij behooren meestal tot de richting van de
sociaal-democraten.
3308.    V. Heeft uwe firma oud-gedienden, die niet
meer tot werken in staat zijn?
A. Ja, ik heb er een, die nog van mijn vader
afkomstig is en die krijgt sedert 5 of 6 jaar van mij
een pensioen van f 8 per week.
3309.     V. Hebt gij een boetestelsel ?
A. Dat heb ik nooit gehad.
3310.    V. Gevoelt gij niet de behoefte daaraan?
A. Neen.
3311.    V. Quaesties van te laat komen en kleine onheb-
belijkheden in de werkplaats, worden die door persoonlijk
overleg, door waarschuwing zonder meer, overwonnen,
zoodat strenge maatregelen onnoodig zijn ?
A. Ik heb geen klagen over wat ook. Die beschrij-
vingen van bar volk en barre patroons zijn mij geheel
vreemd. Bedoelt u misschien een geval met een dronken
man, vóórdat ik chef was, maar die bleek later een
slampamper te zijn ?
3312.    V. Neen, ik bedoelde, dat men in andere deelen
des lands in den regel een boetestelsel vindt toegepast
voor te laat komen en dergelijke kleine zaken, terwijl
hier integendeel zoo iets uitzondering schijnt te zijn.
A. Ik heb er tenminste nooit iets van gehoord.
3313.    V. Schrijft gij dit toe aan den aard van het
volk, of aan de omstandigheid, dat men hier fabrieken
van meer beperkten omvang heeft?
A. Ik heb maar eene kleine fabriek ; het volk behar-
tigt mijne belangen en ik de zijne. Zoo is liet met het
overmalen des Zondags. Den derden Zondag was er één,
die eens even mopperde tegen den meesterknecht, dat hij
alweder malen moest, maar dat was ook alles.
3314 V. Komt gij dikwijls met uw werkvolk in
aüii raking?
.4. Dagelijks. •
-ocr page 162-
153
A. Die benaming wordt meer bepaald door de ver-
dienste dan door den leeftijd; er is maar één jongen
beneden de 16 jaar.
3331.    V. Hoe lang werkt die?
A. Vroeger 16 van de 24 uren, maar nu slechts 9 uren,
ten gevolge van de invoering der arbeidswet.
3332.    V. En als hij 16 jaar is geworden, gaat hij
dan weer de geheele 16 uren in het etmaal medewerken?
A. Ja: maar men moet niet uit het oog verliezen, dat
door de voorkomende windstilten die arbeidsduur veel ge-
ringer is.
3333.    V. De gemiddelde arbeidsduur, jawel. Zoudt
gij het intusschen niet in het belang achten van dien jongen,
zoowel wat zijne lichamelijke als zijne geestelijke ontwik-
keling betreft, dat de wetgever de beperking van den arbeids-
duur op één-en-denzelfden uitstrekte tot de 18 jaar?
A Voor den windmolen geloof ik het niet. Eene be-
perking tot zestienjarigen leeftijd acht ik echter van groot
nut. ik kan intusschen, naar het eene geval, dat ik ken, con-
stateeren — doch ééne zwaluw maakt geen zomer —, dat die
jongen, die nu slechts 9 uren per dag werkt, lichamelijk
vooruit is gegaan.
3331-. V. Zijt gij niet bang, dat die jongen, 16 jaar
geworden, in den ontwikkelingstijd van zijn lichaam zijnde,
wanneer hij weder 16 uren, waaronder des nachts, moet
werken, de nadeelige gevolgen daarvan zal ondervinden ?
A. Voor een windmolen niet.
3335.    V. Waarom niet?
A. Omdat daar niet geregeld 16 uren gewerkt wordt,
maar voor de stoomfabrieken is het wat anders.
3336.     V. In de stoomfabrieken wordt geregeld, maar
korter gewerkt, niet waar ?
A. In de fabriek wordt 12 uren gewerkt, met inbegrip
van een rusttijd van 12 tot 12.30, en \'s morgens en
\'s middags telkens 15 minuten, terwijl op den oliemolen
niet wordt gerust.
3337.     V. De toestand is in den stoomoliemolen on-
getwijfeld gunstiger; wat niet wegneemt, dat ook de men-
schen, die daar werken, niet thuis kunnen gaan eten. Is
door u nooit overwogen om een langeren middagrusttijd te
geven ?
A. Ik heb daarover wel eens met mijn meesterknecht
gesproken.
3338.    V. En wat heeft u weerhouden om in te voeren,
wat gij zelf wenschelijk schijnt te achten ?
A. De niet duidelijk gebleken wensch van de werk-
lieden om dien langeren rusttijd te hebben.
3339.    V. Hebt gij er met de werklieden zelf over
gesproken ?
A. Neen, alleen met mijn meesterknecht.
8340. V. Gij hebt u dus niet persoonlijk overtuigd,
of het door de werklieden al dan niet gewenscht werd?
A. Persoonlijk heb ik dat niet gedaan.
89
3825. V. Geeft gij uw volk ook slachtgeld, of werke-
lijke slacht?
A. Neen, maar het is gewoonte geworden, hun f 4,
f 5 daarvoor te geven, zoodat zij zouden mopperen, als
zij het niet meer kregen.
3326.     V. Hebt gij nog iets mede te deelen?
A. Misschien is het niet aan de orde, maar ik wil
wel als mijne meening te kennen geven, dat ik het niet
aardig vind, dat de groote heeren door de Enquête-
Commissie niet worden opgeroepen, terwijl wij, fabrikanten
met 1 of 2 ton, worden aangekeken als uitzuigers van
het werkvolk, terwijl wij op schromelijke wijze moeten
ervaren, dat groote spoorwegmaatschappijen, die aanzien-
lijke dividenden uitdeelen, ons in alles belemmeren en
onze klachten naast zich nederleggen met beroep op goed-
keuringen van den Minister, enz., enz.
3327.    V. Ik kan mij bepalen tot de opmerking,
dat eene andere afdeeling van deze zelfde Staatscommissie
een onderzoek instelt naar de arbeidstoestanden bij de
openbare middelen van vervoer.
A. Dan laat ik dat punt daar, en kom ik tot mijne
laatste opmerking. Dat wij meer loon zullen te betalen
hebben, daar heb ik vrede mede, maar wij moeten het
hoofd boven water kunnen houden. Dat houd ik mijn
volk ook steeds voor. Ik doe het steeds opmerken, dat
wij ook werklieden zijn, en dat een kapitaal van een ton,
wel verre van ons tot kapitalisten te maken, zooals de sociaal-
democraat Eeguit o. a. hun steeds vertelt, in eene fabriek
zeer spoedig zoek gemaakt is, wanneer men niet alle
krachten inspant. Mijn volk weet dat dan ook wel. Ik
heb het liefst, dat mijne werklieden wat lezen, dan begrij-
pen zij de holheid van de sociaal-democratische stellingen
des te beter. Het Nieuws van den Dag, dat ik hun ver-
schaf, lezen zij dan ook, vooral de meesterknecht, die al
gaarne over politiek praat; maar voor andere lectuur
schijnen zij niet veel over te hebben, want ik heb hun
voorgesteld om daarvoor eene kleinigheid af te zonderen,
maar zij hebben dat niet gedaan.
H. Honig Kz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Ericus Gerardus Ouyvis Tz., oud 38 jaar,
oliefabrikant, firma T. Duyvis Jzn.,te Koog a/d Zaan.
3328.     De Voorzitter: Hoe talrijk is uw personeel?
A. Aan de stoomfabriek 24 man en aan den wind-
molen 6.
3329.     V. Zijn de laatsten allen volwassen?
.1. Neen, het zijn 4 volwassenen en 2 jongens.
3330.    V. Tot welken leeftijd strekt gij het begrip
van jongen uit?
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 163-
154
3341.    V- Heeft de meesterknecht u medegedeeld, dat
het door de werklieden niet gewenscht werd ?
A. Hij heeft mij medegedeeld, dat het door sommigen
zeer gewenscht werd, maar dat anderen er minder prijs
op stelden.
3342.    V\'. Zou het geven van dien langeren rusttijd
invloed uitoefenen op hunne verdiensten?
3352.    F. Hoe lang is er afgeblazen, vóórdat de man
er ingaat?
A. Minstens 14 uren.
3353.    V. Gebruikt gij voor het ketel-schoonmaken
jongens beneden de 16jaren?
A. In het geheel niet.
3354. V. Ook niet vóór de invoering van de ar-
beidswet?
A Neen. Ik wil er bijvoegen, dat slechts bij hooge
uitzondering de ketel \'s Zondags in den winter wordt schoon-
gemaakt. Het was sedert het voorjaar niet gebeurd. Het
geschiedt altijd in overleg met de werklieden.
3855. V. Hebt gij proeven genomen om het aanzet -
ten van ketelsteen te voorkomen?
A. Ja, maar zonder succes.
3356.     V. Vormde zich ondanks uwe pogingen toch
ketelsteen, of wel had het middel ter voorkoming daarvan
een nadeeligen invloed op ijzer of koper?
A. Er vormde zich altijd ketelsteen.
3357.     V. De wisseling van dag- en nachtploegen
geschiedt bij u zóó, dat de ploeg, die de eene week dag-
ploeg is, de volgende week nachtploeg is, niet waar?
A- Ongetwijfeld.
3343.    V\'. Het niet koesteren van dien wensch hangt
waarschijnlijk samen met het vooruitzicht, dat dan hunne
verdiensten zouden verminderen ?
A. Ja, het verschil in inkomsten is daarvan wel ge-
deeltelijk de reden. Daarbij komt, dat verschillende werk -
lieden te ver van de fabriek af wonen om er van te kunnen
profiteeren.
3344.    V. Wat den afstand van de woningen betreft, zou-
den de lieden niet allengs dichter bij gaan wonen, ten
einde aan den langen rusttijd iets te hebben?
A. Dat geloof ik wel.
3345.    V. Aan den anderen kant maak ik uit uwe
mededeeling op, dat er onder uwe werklieden zijn, die
zich eene vermindering van inkomen zeer gaarne zouden
willen getroosten, ten einde met hun gezin te kunnen
middagmalen. Is dat zoo?
A. Ja.
A. Ja. Zij werken van 6 uur tot 6 uur. Zij, die in
den nacht van Zaterdag op Zondag tot Zondag-morgen 6
uur hebben gewerkt, komen Maandag-morgen 6 uur terug
en hebben dus 24 uren rust; de anderen, die Zaterdag-mid-
dag om 6 uur uitscheiden met werken, komen Maandag-
middag om 6 uur terug en hebben dus 2 X 24 uren
rust.
3358.    V. Is uwe firma niet de eerste geweest, die
hier aan de Zaan eene oliefabriek heeft ingericht naar de
nieuwe methode?
A. Neen. de heer Prins heeft de eerste fabriek gehad,
doch die is afgebrand.
3359.    V. Is uw oordeel over de nieuwe inrichting
gunstig ?
A. Om dit te kunnen beoordeelen, zou ik er eene
fabriek van de andere soort bij moeten hebben.
3360.    V. Hebt gij geen kennis van eene stoomfabriek
naar de oude methode?
A. Ik weet niet, of het resultaat daarvan zooveel
gunstiger zou zijn.
3362.    V. Acht gij de hydraulische persen geen groot
voordeel voor den werkman?
A. Het eenige voordeel is, dat er in dat geval geen
heien zijn, die geweld maken, doch ik geloof niet, dat de
laatste een storenden invloed op den werkman hebben.
3363.    V. Gelooft gij niet, dat de werkman het er
hoogst onaangenaam bij heeft?
A. Ik heb er nooit over hooren klagen.
3346.     V. Wanneer de wetgever verplichte rusturen
voorschreef, zou daartegen bij u bezwaar bestaan ?
A. Neen.
3347.     V. Is het uwe overtuiging, op grond van uwe
kennis van het werkmansleven, dat een dergelijk voor-
schrift gunstig werken zou?
A. Dat geloof ik zeker.
3348.    V. Kent gij de gezinnen van een gedeelte
uwer werklieden voldoende?
A. Door mijn gering aantal arbeiders ben ik vrijwel
op de hoogte van de huiselijke omstandigheden van mijne
werklieden.
3349.    V. Is het uwe overtuiging, dat het niet tehuis
komen eten van den vader een betreurenswaardig feit is,
nadeelig werkende op het leven van het gezin?
A. Daarop antwoord ik volmondig: ja.
3350.    V. Wanneer gezegd wordt: voor sommige
werklieden, misschien wel voor de meeste, is het maar
beter, dat zij niet op straat komen in den rusttijd, omdat
de verleiding tot drinken dan voor hen te groot is, acht
gij dit dan eene juiste meening?
A. Wat mijne werklieden betreft, zeer zeker niet, en
ook in het algemeen geloof ik niet, dat dit van de werk-
lieden kan gezegd worden.
3351.    V. Wordt er bij u ooit des Zondags gewerkt ?
A. In den winter bij uitzondering slechts, voor het
bikken van den ketel of enkele reparatiën daaraan. Des
zomers geschiedt dit des Maandags.
-ocr page 164-
155
A. De behoeften zijn \'s winters grooter, en ik durf
gerust zeggen, dat bij mijne werklieden het meerdere loon
goed besteed wordt.
3377.    V. Betaalt gij om de 14 dagen ?
A. Neen, om de week, \'s Dinsdags. Dat is sedert 6
jaar zoo, vroeger betaalde ik om de 14 dagen.
3378.    V. Waarom zijt gij van die veertiendaagsche
betaling afgegaan ?
. 1. Omdat het naar mijn oordeel veel beter is, dat de
werkman, of laat ik liever zeggen de vrouw van den
werkman, eens in de week eene zekere som krijgt, dan
eene tweemaal zoo groote om de 14 dagen.
3379.    V. Dat zou ik ook denken ; maar spreekt gij
uit ervaring ?
A. Dat mag ik niet zeggen, want van de vroegere
manier hebben wij nooit nadeel ondervonden.
3380.    V. Hoort gij wel eens, dat de werklieden de
tegenwoordige wijze van betaling aangenamer vinden ?
A. Daarop kan ik bijna geen ja antwoorden.
3381.    V. Betreurt gij het, dat niet algemeen om de
week wordt betaald ?
A. Ja, het is bijna geen moeite, op een klein beetje
administratie na.
3382.    V. Hebt gij altijd \'s Dinsdags betaald ?
A. Neen. dat is tegelijk ingevoerd met de weke-
lijksche betaling; ik achtte het beter, dat\'s Zondags niet het
volle loon in handen was van den werkman. Ik kan al weder
niet zeggen, dat die meening op ervaring berust, maar ik
achtte voorkoming beter dan herstel.
3383.    V. Weet gij ook, hoe de werkman over dien
maatregel denkt ?
A. Neen: goed- noch af keuring heb ik er van gehoord.
3384.    V. Hoe gaat het, wanneer uwe werklieden
ziek zijn ?
A. Zij krijgen het halve zomerloon, terwijl zij zelf
in de onderlinge ziekenkassen zijn, die hier nog al talrijk
voorkomen ; zoodoende hebben zij bijna het volle loon.
3385.    V. Hoe gaat dit met de werklieden aan de
windmolens ?
A. Daar is zoo\'n klein personeel, dat ziekte, zoover
ik mij herinner, niet is voorgekomen; maar hoewel zij
er geen feitelijk recht op hebben, zou ik hen niet aan hun
lot overlaten.
3386.    V. De ontvangen inlichtingen hebben ons tot
de slotsom geleid, dat hier aan de Zaan in sommige hoofd-
vakken het loon geheel of gedeeltelijk doorgaat, terwijl
liet bij de olieslagerij regel is, dat het niet gebeurt.
tg dat niet zoo?
A Over de andere vakken kan ik niet oordeelen, en
van het olieslagers vak weet ik het niet. Ik heb steeds op
de stoomfabriek altijd de helft van het loon uitbetaald.
3387.    V. Heeft uwe firma al oude, afgeleefde werk-
lieden gehad ?
A. Ja, wij hebben twee oude werklieden, waarvan de
3364.    V. Gelooft gij niet, dat zulk werken onder
eeuwigdurend gedruisch verstompend werkt op de men-
schen ?
A. Dat betwijfel ik.
3365.    V. Heeft uwe fabriek verscheidene verdie-
pingen ?
A. Qua fabriek niet. Boven zijn de bergplaatsen.
3366.    V. Moet er boven dan niet gesmeerd worden ?
.1. Dat zijn maar kleinigheden.
3367.    V. Wordt de boel gesmeerd, als de fabriek in
gang is?
A. Nooit, dat geschiedt in het half uur rust.
3368.    V. Heeft er niet onlangs een ernstig ongeluk
bij u plaats gevonden?
A. Ja, op 6 Augustus 1889, met den accumulator.
Dat was treurig, maar geheel de schuld van den man
zelven, overigens een goed en bekwaam werkman.
3369.    V. Ware dat ongeluk niet te voorkomen
geweest door het nemen van voorzorgen?
A. Moeilijk, want de man had daar niet noodig, hij
behoefde er niet te komen.
3370.    V. Is het juist, dat hij geen gezin, maar eene
ongehuwde dochter naliet, die van de firma f 3 \'s weeks
ontvangt?
A. Ik weet niet precies, of het f 2.50 of f 3 is.
3371.    V. Ik kom tot de loonen. Naar welk stelsel
worden die betaald ?
A. Naar vast werk en naar stukwerk, \'s Zomers zijn
de loonen vast, \'s winters regelen zich die naar de hoe-
veelheid productie. Dit hangt samen met de grondstoffen.
3372.    V. Hoe groot zijn de loonen?
A. Zomer en winter dooreen genomen voor jongens
f 7.50, voor mannen f 14. Twee zijn daar tusschen in,
die hebben f 10 a f 11.
3373.    V. Kunt gij het verschil tusschen winter- en
zonierverdiensten aangeven ?
A. De jongens hebben \'s winters f2, de mannen f3
ii f3.50 meer.
3374.    V. Hebt gij het loonstelsel opzettelijk zóó in-
gericht, dat er \'s winters meer wordt verdiend ?
A. Neen ; ik kon, toen ik de looncijfers stelde,
niet weten, dat de fabriek zooveel stukwerk kon maken :
maar toen die loonen eens zoo waren, heb ik ze niet willen
verminderen ; vandaar, dat zij \'s winters een hooger loon
ontvangen dan \'s zomers.
3375.    V. Begrijp ik u goed, dat gij de eenheid te
gunstig hadt genomen?
A. Ja; ik wilde, dat zij, bij het stuk werkende, eene
kleinigheid meer zouden verdienen dan het vaste loon,
maar het is belangrijk meer geworden.
3376.    V. Ziet gij gunstige gevolgen van de omstan-
digheid, dat het loon \'s winters hooger is?
-ocr page 165-
150
I boezem der leden het denkbeeld rees, om een weduwen-
fonds in het leven te roepen. Dat is toen dan ook tot
stand gebracht, h uwe herinnering nu wel sekuur op dit
punt, dat, wat de bakkerij te Koog a/d Zaan in gevaar
bracht, niet was een pensioenfonds, maar wel degelijk
een weduwenfonds ?
A. Zeker. Maar u moet ook niet vergeten, dat te
Zaandam, naar ik meen, slechts Vs der winst voor het
weduwenfonds bestemd wordt. Had men daarvoor, zooals
indertijd te Koog a/d Zaan, de geheele winst genomen, dan
zou, naar mijne overtuiging, ook te Zaandam de zaak nooit
tot stand gekomen zijn. En toch was voor een weduwen-
fonds de geheele winst werkelijk wel noodig geweest.
3395.    V. Genieten uwe werklieden, boven het door
u genoemde loon, nog andere voordeelen ?
A. Neen.
3396.    V. Is door u nooit gedacht aan de invoering
van een premiestelsel, of aan een of anderen maatregel
om de belangstelling der werklieden te wekken voor de
resultaten van hun arbeid ?
A. Niet anders is op dit punt gedaan dan invoering
van stukloon.
3397.     V. Is door u nooit overwogen om in dat
opzicht verder te gaan ?
A. Vooral bij olieslagerijen is dit eene uiterst moei-
lijke zaak, omdat de markt voor het fabrikaat aan zóó
ontzettende wisselingen onderhevig is, dat de resultaten
ook voor een niet gering deel bebeerscht worden door
commercieele invloeden.
3398.    V Gij hebt u gunstig uitgelaten over het ge-
halte uwer werklieden: kunt gij dat ook ten aanzien van
hunne geestelijke ontwikkeling?
A- Dit loopt zeer bij hen uiteen.
3399.    V. Houdt eeu tamelijk belangrijk gedeelte van
uw personeel zich, buiten de werkuren, bezig met het
voeden van den geest?
A. Dat geloof ik wel.
3400.    V. Worden er nog al geregeld boeken en
couranten gelezen?
A. Dat wel.
3401.    V. Hebt gij soms in uwe fabriek couranten
ter lezing gelegd?
A. «fa, het Nieuws van den Dag, en daarvan wordt
druk gebruik gemaakt.
3402.    V. Wanneer door anderen wordt gezegd: al
leg ik eene courant ter lezing, er wordt toch geen gebruik
van gemaakt, dan onderschrijft gij dit oordeel niet?
A. Neen.
3403.     V. Is er bij u een apart schaftlokaal ?
A. Neen.
3404 V. Worden door u hooger loonen betaald dan
aan de andere fabrieken?
A. Ja, ik geloof de hoogste loonen te betalen, wat de
olieslagerijen betreft.
3405. V. Wanneer uw personeel een gunstiger oordeel
een, een zeer bekwame knecht, aan wien de firma veelte danken heeft, een wekelijksch pensioen van mij ontvangt
van f 8 en de andere een van f 2.50.
3388.    V. Zijn uwe werklieden verzekerd tegen onge-
lukken?
A. Neen, en wel om reden, dat een werkman, die
ten gevolge van een ongeluk niet werken kan, van mij de
helft van zijn loon krijgt en voor de andere helft zich
zelf verzekerd heeft. Gebeurde er in de fabriek een ongeluk
met doodelijken afloop, dan zou ik de vrouw en kinderen
zeker niet aan hun lot overlaten. Ik zou het meer beschouwen
als eene verzekering van mij-zelven, dan van de werklieden.
3389.    V. Zoudt gij het toejuichen, indien de wei-
gever, denkende aan den toestand in het algemeen, aan
de werkgevers de verplichting oplegde om hunne werklieden
te verzekeren tegen ongelukken en tegen den ouden dag?
A. Die verplichting zou voor de werkgevers zeer
moeilijk te dragen zijn. en ook de regeling van dit punt
zou groote moeilijkheden met zich brengen.
3390.    V. Weet gij een anderen weg, langs welken
te bereiken is, dat de arbeider niet afhankelijk worde van
den goeden wil van den werkgever — welke wil niet
altijd aanwezig is — noch van de liefdadigheid, wanneer
hij een ongeluk krijgt of afgewerkt is?
A. Voor mij zou de beste oplossing deze zijn, dat de
werklieden onder elkander zulk een fonds oprichtten, altijd
met steun van de patroons. Wij kunnen aan de verschil-
leude ziekenbussen in de Zaan zien, hoe uitstekend men
op die wijze slagen kan. En mocht dan eene enkele maal,
zooals tijdens de influenza gebeurd is. de toestand van de
kas eens slecht zijn, dan komt er ondersteuning van de
patroons.
3391.    V. Zijn hier wel eens pogingen gedaan om zulk
een pensioenfonds in het leven te roepen ?
A. In de Zaanstreek niet, geloof ik.
3392.    V. Denkt gij, dat bij de werklieden het ge-
voel van voorzorg voor het ver verwijderde tijdstip
van den ouden dag levendig genoeg is om aan de verwe-
zenlijking van het door u gewenschte te kunnen denken?
A. Neen, ik zou u daarvan een merkwaardig voor-
beeld kunnen bijbrengen. Bij de oprichting van de coöpe-
ratieve broodbakkerij te Koog a/d Zaan werd de bepaling
gemaakt, dat de winst zou strekken tot oprichting van
een weduwenfonds ; toen waren er weinig leden te vinden.
Zoodra nu werd niet besloten om de winst aan het eind
van het jaar uit te keeren, of de leden kwamen toe-
vloeien.
3393.    V. Uwe mededeeling interesseert mij in twee
opzichten. In de eerste plaats is ons door andere getuigen
verzekerd, dat de oorzaak, waarom de coöperatieve bakkerij
te Koog a/d Zaan niet marcheerde hierin scheen gelegen
te zijn, dat er iets in het bestuur niet pluis was. Is u
van die omstandigheid niets bekend ?
A. Ik geloof, dat wij beiden gelijk hebben ; in den tijd,
waarvan ik sprak, was het bestuur in goede handen. Later
schijnt dat anders te zijn geworden.
3394.    V. In de tweede plaats interesseert mij uwe
mededeeling, omdat, naar ons ook alweer verteld is, toen in
eene vergadering van de coöperat\'eve winkelvereeniging te
Zaandam de oprichting van een pensioenfonds werd voor-
gesteld, men daarvan niet wilde weten, maar uit den
-ocr page 166-
157
3417. V. Ts nooit een wensch aan u kenbaar ge-
maakt, die u aanleiding heeft gegeven te overwegen, hoe-
ver gij in dit opzicht zoudt kunnen gaan ?
A. Neen.
E. G. Drvvis Tz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.iaards, Adj.-secretaris.
rechtvaardigt dan over het algemeen over arbeiders wordt
geveld, schrijft gij dit dan toe aan de hoogere loouen.
waardoor gij de beste elementen tot u trekt?
A. Dit is moeilijk te beantwoorden. De toestand in
mijne fabriek is gunstig, maar of zij beter is dan in andere
fabrieken, durf ik niet beoordeelen.
3406.    V. Hebt gij een boetestelsel in uwe fabriek ?
A. Gelukkig niet.
3407.    V. Waarom zegt gij: gelukkig niet?
A. Omdat nooit gebleken is, dat boete noudig is om
de beden tot hunnen plicht te brengen.
3408.   V. Komt vaak wijziging van personeel bij u voor?
A. Bijna niet.
3409.    V. Als het voorkomt, wordt dan eenigen tijd
te voren de dienst opgezegd?
A. Dat is nog nooit gebeurd. De eenige reden voor
mutatie is sterfgeval.
3410.     V. Wordt van geen van beide kanten ooit de
dienst opgezegd?
A. Zoover ik mij herinner, en dat is van 1S70 af, heeft
zoodanig geval zich nog nimmer voorgedaan.
3411.    De heer Kolkman: Wordt hij u wel eens door
de werklieden de wensch te kennen gegeven urn catechisatie-
of ander godsdienstonderwijs bij te wonen ?
A. Neen, het personeel aan mijne stoomfabriek is ge-
heel boven de 18 jaar.
3412.    V. Hebt gij Katholieke werklieden ?
A. Ja, zelfs voor het grootste deel.
3413.    V. Kunnen deze hunnen kerktijd en hunne
feestdagen geregeld waarnemen?
A. De Protestanten en Katholieken schikken dat onder
elkander.
3414.    V. Doen zij dat zóó, dat het loon er niet
onder lijdt ?
A. Ja, trouwens het komt zelden voor.
3415.    V. Mag men dus aannemen, dat de menschen
hunne kerkelijke plichten werkelijk waarnemen, of doen zij
daar niet aan ?
d. Dat weet ik niet, daar informeer ik niet naar.
3416.     De Voorzitter: Mag ik er deze vraag nog
wnknoopen: kunt gij constateeren, dat Katholieke werk-
\'ieden, als zij dat verlangen, de mis op kerkelijke feest-
\'Jagen kunnen bijwonen ?
A. Dat niet, daarvoor zijn die dagen te talrijk. Ik
\'\'acht bij mijne verklaring meer aan Kerstmis en zulke
dagen. Op gewone feestdagen moeten allen doorwerken;
"iemand kan gemist worden, want alles is één geheel en
van elkander afhankelijk. Of de menschen nu vóór en
"a den werktijd ter kerke gaan, is mij onbekend.
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Pieter Molenaar Czn., oud 30 jaar,
pellersbaas, te Westzaan.
3418.     De Voorzitter: Zijt gij niet lid van de vereeni-
ging \'/Helpt elkander* te Zaandijk?
A. Ja.
3419.    V. Wat is dat voor eene vereeniging?
A. Het is een ziekenfonds.
3420.    V. Wat is de contributie en wat de uitkeering?
A. De contributie bedraagt 10 ets. per week en de
uitkeering f 1 per werkdag en f 6 per week.
3421.    V. Hoe lang wordt die uitkeering verstrekt?
A 26 weken in het loopende jaar; daarna moet men
eerst weer 4 weken gezond zijn geweest en zijn werk
hebben gedaan, om weder in de termen van ondersteuning
te vallen.
3422.    V. Komt het veel voor, dat de vereeniging
ten gevolge van die bepaling verplicht is om leden gedu-
rende eenige weken aan hun lot over te laten ?
A. Neen, heel zelden. Wij hebben vier algemeene
vergaderingen per jaar, en als nu een dergelijk geval zich
voordoet, dan bespreken wij dat op de vergadering en
nemen de maatregelen, die noodig zijn.
3423.    V. Hoeveel leden telt de vereeniging?
A. 700.
3424.    V. Is uwe vereeniging de eenige van dezen
aard?
A. Neen, er zijn er nog andere, die 200 of 300 leden tellen.
3425.    V. Zijn vrijwel alle arbeiders lid van eene
dergelijke vereeniging ?
A. Ja.
3426.    V. Een deel van de patroons voegt bij de
uitkeering, die de vereeniging geeft, ook zijn deel, niet
waar ?
A. Ja, zoo zijn er. In ons vak en in de houtzagerij
verdient hef volk vast loon, maar in de andere takken van
de industrie is dat niet het geval, daarom is de vereeni-
ging opgericht.
40
-ocr page 167-
158
3427.   V, Zijn in de pellerij, waar de werklieden vast
geld hebben, dezen toch lid van een ziekenfonds?
A. Ja
3428.    V. Gaat dan niettemin het vaste loon door?
A. Ja.
3429.    V. Die menschen hebben dus in ziektetijd,
een tijd, waarin de kosten voor liet gezin vaak grooter
zijn, ook werkelijk meerdere inkomsten?
A. Ja.
3430.     V. Dus voor derzulken is de toestand in geval
van ziekte volkomen in orde?
A. Zeker.
3431.     V. Laten in het oiieslagersvak de patroons niet
een gedeelte van het loon bij ziekte doorgaan ?
A. Dat geloof ik niet: op de oliefabriek »de Toe-
komst" van de firma Bloemendaal & Laan verzekeren
dan ook de arbeiders elkander onderling.
3432.     V. Is het u niet bekend, of b.v. de firmaT.
Duyvis Jzn. het wel doet?
A. Dat weet ik niet; enkele arbeiders van die fabriek
zijn lid van onze vereeniging.
3433.     V. En in de stijfselfabriek van den heer Jacob
Duyvis. gebeurt het daar ook niet?
A. Ja, daar krijgen zij eene toelage.
3434.     V. Wat is u bekend omtrent de toepassing
van de arbeidswet in uwe gemeente?
A. Ik weet. dat de heer Adriaan Honig eens bekeurd
is geworden wegens overtreding dier wet.
Verder weet ik nog, dat op de fabriek van de Gebrs.
Uroutes, te Westzaan, jongens bekeurd zijn, die eigen-
machtig een half uur rust hadden genomen, en met een
kwartje zijn beboet.
3435.    V. Het blijkt echter niet, dat in het geval bij
de Gebrs. Grootes de arbeidswet is overtreden; dat is
zeker tocli ook uwe meening?
A. Neen, want de jongens moesten, zonder rusttijd,
doorwerken van \'s morgens half zeven tot \'s middags
12 uur, en dit is toch niet door de arbeidswet geoor-
loofd.
3436 V. De wet zegt enkel in art. 6, dat de werk -
gever verplicht is te zorgen, dat de werktijd van per-
sonen. beneden de 16 jaren, worde afgewisseld door een
rusttijd van een uur tusschen des voormiddags 11 en des
namiddags 3 uur. Het bedoelde geval ligt dus geheel
buiten de wet.
Wordt echter de arbeidswet in uwe gemeente overigens
behoorlijk gehandhaafd?
A. Ja, want wanneer dit niet plaats had, zouden de
locale bladen er al spoedig melding van maken.
3437. V. Wordt bij u in de gemeente veel arbeid
verricht door jongens beneden de 13 jaren?
A. Ik meen, dat er bij de Gebrs. Grootes 7 of 8
kinderen beneden de 13 jaren werkzaam zijn.
3438.    V. Is dat de eenige firma ?
A. Ja.
3439.     V. Is ten gevolge van de nieuwe arbeidswet
in uwe streek in de Zaan de arbeidsduur van vele kinde-
ren tusschen de 12 en 16 jaren korter geworden?
A. Vroeger gebeurde het nog al veel, dat met Sint
Nicolaas vele kinderen \'s avonds en \'s nachts werden
geëxploiteerd door de chocoladebakkers, doch dit is
natuurlijk nu gedaan.
Hij de zakjesplakkerijen echter heeft men nog vele
kinderen tusschen 12 en 13 jaren, die natuurlijk nooit
overwerken. Zij werken altijd geregeld van \'s morgens 7
tot\'s avonds 7 uur. Dat is een arbeidstijd van 12 uren en
daar gaan de rusttijden af.
3440.     V. Werd er vóór de invoering der arbeidswet
in de zakjesplakkerij niet dikwijls overgewerkt, ten gevolge
waarvan kinderen beneden 16 jaar toch langer werkten ?
A. Dit was een noodzakelijk kwaad, want in de
zakjesplakkerij is stukwerk, en hoewel zij de noodige rust
konden nemen, werden zij tot overwerk gedwongen, omdat
de loon en zoo laag waren.
3441.    V. In dit opzicht heeft de arbeidswet dus
invloed uitgeoefend ?
A. Ja.
3442.     V. Waren er in de oliemolens vóór de invoering
der arbeidswet geen jongens beneden 16 jaar, die opwerkten
met de volwassenen ?
A. In de olieslagerijen is de arbeidsdag 16 uren.
daarom kon men ze vroeger wel gebruiken, doch thans niet
3443.    V. En hoe gaat het in de pellerijen ?
A. Daar werkt de wet ook gunstig. In de pellerijen
werken tegenwoordig de jongens van \'s morgens 5 tot
\'s avonds 7 uur.
De heer Arie Honig is beboet, omdat hij een jongen
16 uren in dienst had.
3444.    V. Alles te zamen heeft de arbeidswet grooten
invloed uitgeoefend ?
A. Ja.
3445.    V. Wordt die invloed door de werklieden
toegejuicht ?
A. Zeker, en ik juich het ook toe. Kr zijn bij mij
op den molen twee jongens beneden 16 jaar, die nu
\'s morgens om 5 uur komen. Vroeger kwamen ze om
half twee, dat gaf een werktijd van 18 uren.
3446.    V. Ook bij u op den molen werkten zij dus
vroeger langer dan nu. Waarom hebt gij daar niet reeds
vroeger verandering in gebracht?
,-/. Wanneer de nachtarbeid door de wet werd afge-
schaft, zou ik het toejuichen, maar nu is het onmogelijk.
Wanneer ik die jongens had afgeschaft, was ik verplicht
om er knechts voor in de plaats te nemen en dat kon
de zaak niet lijden.
3447.    V. Gij verheugt u er dus over, dat de wet u
daartoe dwong?
A. Zeker.
-ocr page 168-
159
A. Ja, dat is de bedoeling, want ik ken de opbrengst
van die industrie niet.
3457.    V. Gij vindt drie ploegen wel in het belang
van de arbeiders, omdat zij dan meer rust zouden hebben :
maar van den anderen kant zegt gij niet te weten, of het
kan lijden. Indien dit nu niet kon en het toch werd inge-
voerd, zoodat dientengevolge de industrie te gronde ging,
zoudt gij het dan nog wenschen ?
A. Neen.
3458.    V. Dus met uwe kennis van de toestanden
zoudt gij de verantwoordelijkheid voor zulk een maatregel
niet durven aanvaarden, omdat uwe kennis van de andere
vakken onvoldoende is ?
A. Juist.
3459.    V. Wordt het onder de werklieden als eene
trroote verbetering beschouwd, wanneer zij niet werken in
windoliemolens of stoommolens naar het oude systeem,
maar in oliemolens met hydraulische persen ?
A. Wij hebben bij ons drie van die laatste fabrieken,
namelijk van den heer Prins, van den heer Duyvis en van
den heer Honig. Nu is het mij bekend, dat de heer Prins
veel lager loonen geeft dan de heer Duyvis: het laagste
loon bij den heer Duyvis is f 11, bij den heer Prins f8,
en het hoogste loon is bij den heer Duyvis f 17 en bij
den heer Prins f 12.
3460.    V. Kan dit verschil wellicht hieraan liggen,
dat de werklieden van den heer Prins voordeelen genieten,
die zij bij den heer Duyvis niet hebben ?
A. Het eenige voordeel, dat zij bij den heer Prins
\'nebben is, dat, wanneer de steenkolen goedkoop zijn, zij
die tegen inkoopsprijs kunnen bekomen. De fabriek van
den heer Duyvis is beter ingericht, wat de persen betreft,
dan die van den heer Prins.
34 61. V. Zouden, om op mijne vraag van zooeven
terug te komen, de werklieden het eene groote verbete-
ring voor hen achten, wanneer overal hydraulische persen
werden ingevoerd?
A. Zeer zeker, want op die fabrieken wordt meer ver-
diend en heeft men niet dat eeuwige gerammei.
Het is dan ook niet te verwonderen, dat men aan de
Zaan spreekt van »heidoof#.
3462.     V. Staat de firma Duyvis hoog aangeschreven?
A. Ik hoor nooit anders dan met lof over hare ver-
houding met de werklieden spreken.
3463.    V. Welke is de regeling van den arbeid, die
u in uw eigen bedrijf voor den geest staat, met afschaffing
van den nachtarbeid ?
A. Mij dunkt, dat de bepaling van de arbeidswet, om -
trent het werken van jongens tusschen 5 en 7 uur, ook
voor volwassen werklieden moest gelden.
3464 V. Welke rusttijd zou er uws inziens moeten zijn ?
A. Zooveel rusttijd, dat er niet langer dan 12 uren
gewerkt werd.
3465. V. Acht gij een korteren arbeidsduur in uw
vak niet goed mogelijk ?
A. Neen, omdat in pelmolens, waar de patroon <;een
handel drijft, en er dus geen pakhuiswerk is te verrichten,
soms halve dagen lang niet gearbeid wordt. Alleen bij
fabrieken, door stoom gedreven, zou dat mogelijk zijn.
3448 V. Zoudt gij het van belang achten, dat de
wetgever de bepaling, die nu geldt tot het 16de jaar,
tot 18 jaren uitstrekte?
A. Ja, ik zou dat van harte toejuichen.
3449.    V, Beschouwt tfij het als zeer bedenkelijk, dat
jongens in hun groei en ontwikkeling, \'s nachts arbeiden ?
A. Ja.
3450.    V. En als de wetgever allen nachtarbeid, be-
houdens uitzonderingen in verband met gebiedende eischen
der nijverheid, verbood, welken invloed zou dat hebben
op uw bedrijf?
A. Ons vak zou er geen nadeel van ondervinden.
Van 5 tot 8 uur is een dag, die al lang genoeg is De
ondervinding heeft mij ook geleerd, dat in den nacht veel
slechter gewerkt wordt; \'t is, of de menschen in eene andere
wereld zijn Over dag geschiedt het werk beter.
3451.     V. Dus verbod van nachtarbeid zou niet
nadeelig werken op de levensvatbaarheid uwer industrie ?
A. Neen.
3452.    V. Welke belangen verhinderen u dan om dat
beginsel toe te pasten ?
A. Alleen kan ik het niet doen. Als de wet allen
tot afschaffing verplichtte, dan zouden enkele producten
er iets door stijgen.
3453.    f. Ik begrijp volkomen, dat de ondernemer
door de concurrentie genoopt wordt iets na te laten, wat
hij zelf zou verlangen, en daarom den wettelijken dwang
begeert, geldende voor allen ; \'maar j*ij zegt : ik beweer
zelfs, dat het niet nadeelig zou zijn voor ons, pelmolenaars,
indien wij den nachtarbeid afschaften. Welnu, wat is
dan de bijzondere reden, waarom gij, hoewel de af-
schaffing niet nadeelig voor u zelf achtende, het toch
niet kunt doen ?
A. De concurrentie. Onze pellers hebben windmolens.
De wind nu waait, wanneer hij wil, hetzij bij dag, hetzij
bij nacht. Wanneer wij nu bij den dag geen wind hebben
en bij nacht wel, dan kan degene, die dag en nacht werkt,
zijne klanten bedienen, terwijl ik, die alleen bij dag werk
(ik kan het beoordeelen, want ik heb het 10 weken lang
gedaan), de mijnen niet gerieven kan.
3454.    V. Gelooft gij, dat hetzelfde, wat gij mogelijk
acht in uwe industrie, ook mogelijk is voor de andere vak-
ken, die in uwe omgeving worden uitgeoefend ?
A. Die vraag is moeilijk te beantwoorden. In de
stoomoliesiagerijen zou het belang van den arbeider het
medebrengen; maar ik weet niet, of die industrie het
dragen kan, dat in plaats van met 2 met 3 ploegen
wordt gewerkt.
3455.     V. Gij bedoelt: zóó dat elk een feitelijken
arbeidsduur van 8 uren zou hebben ?
A. Ja.
3450. V Gij hebt daar het voorbehoud gemaakt: ik
weet niet, of de industrie het dragen kan. Begrijp ik u
iroed, dat gij ten aanzien van die industrie slechts den
wensch uitspreekt van Hetgeen uws inziens in het belang
van de arbeiders zou zijn, maar de mogelijkheid daarbij
voegt, dat die wensch voor bevrediging niet vatbaar is,
zonder dat de arbeider de dupe van de historie wordt?
-ocr page 169-
160
A. Ja, maar de ouders hebben behoefte aan de kleine
verdiensten der kinderen.
3477.    V. Redeneeren de werklieden in uw kring zoo:
liet gemis dier verdiensten zou ons zwaar vallen, maar
wij zouden ons dat getroosten, als de kinderen daardoor
tot een beteren toestand konden komen P
A. Zeker, zij zouden zich zien te redden, als de kin-
deren 2 jaren langer op school moesten blijven.
3478.    V. Gaan in uwe omgeving de kinderen wel
naar eene herhalingsschool ?
A. De hoerenkinderen wel, maar die op fabrieken gaan,
zijn daartoe \'s avonds te mat en te moede.
3479.    V. Wordt in uw kring gewenscht, dat hierin
verandering kome, en weet gij ook aan te geven hoe?
3466.     V. Gij spraakt voorheen van de behoefte aan
een arbeidsdag van acht uren. Behoort dan, naar uwe
meening, de wetgever een maximum-werktijd van 8 of
10 uren voor te schrijven, zelfs wanneer hij daardoor het
bestaan van de pelmolens onmogelijk maakt ?
A. Ik heb meer het oog op de afschaffing van den
nachtarbeid, dien ik nadeelig acht. Wanneer slechts de
rusttijden verwisseld kunnen worden, acht ik den be-
staanden toestand overigens voldoende.
3467.    V. Gij spreekt van wisselende rusttijden, dat
begrijp ik niet.
A. Wanneer de wind goed waait, is de molen ver-
plicht te malen. Maar dan kan de eene helft van het volk
werken en de andere rusten.
Wanneer mijn molen werkt van 5—7 uur, kan ik om
de beurt rust geven en de molen kan toch doorgaan.
3468.     V. Mijne vraag was, of gij aan den wetgever j
den raad zoudt geven om het gebiedend voorschrift van
een werkdag van 8 uren ook te geven voor de molens.
Zoudt gij dit doen?
A. Neen.
3469.    V. Hoe is in het algemeen de verhouding
tusschen werkgevers en werklieden in uwe omgeving?
A. Ik hoor wel eens klagen door arbeiders, maar ik
weet niet, of dit op goede gronden rust. Ik durf hierover
geen oordeel uitspreken.
Onlangs hebben de hoofden van windoliemolens getracht
om verbetering te verkrijgen van de loonen. Enkele pa-
troons waren er voor, andere er tegen.
3470.     V. Dat was de quaestie om de betaling per
last te vervangen door betaling voor het aantal koeken ?
A. Ja.
3471.     V. Ons is medegedeeld, dat dit lang niet altijd
in het voordeel van den arbeider zou zijn. Wat weet gij
daarvan ?
A. De zaak is mij door een voorstander medegedeeld.
Ik durf geen oordeel vellen.
3472.    V. Is er persoonlijke aanraking tusschen patroons
en werklieden ?
A. Bij groote fabrieken spreken de patroons alleen
met den chef. Bij de windmolens spreken zij dikwijls met
de werklieden.
A. Ja, maar ik ben niet met alle klassen van arbeiders
genoeg bekend, om het hoe te kunnen mededeelen.
3480.    V. Hoe is uw oordeel over den toestand der
woningen ?
A. Die is in de geheele Zaanstreek zeer slecht.
3481.    V. Wat noemt gij slecht?
A. Ik vind, dat een vertrek van 4 M2. oppervlakte en
2.20 M. hoog, waarin gekookt, gegeten en geslapen
wordt, veel te wenschen overlaat. De nieuwe verordening
heeft niet slecht gewerkt voor nieuwe huizen, maar er
zijn nog oude huizen, die heel slecht zijn.
3482.    V. Heeft eene woning van een gemiddeld gesteld
werkman niet buiten de woonkamer een keukentje ?
A. Er zijn er, die eene luifel hebben, zoo\'n schuin
afdakje tegen het huis, waar een petroleumstel of een
fornuis in gezet kan worden ; maar dat hebben zij lang
nog niet alle. Met eene stookplaats buitenshuis en een
tafeltje aan den buitenkant behelpt men zich dan. De
oppervlakte is een meter of vier.
3483.     V. Zijn woningen met twee vertrekken uit-
zondering ?
A. Ja, die komen alleen voor, als iemand ze laat
zetten voor eigen gebruik; een huurhuis bevat die nooit
dan wanneer het onder de categorie valt van de hooge
huren.
3484.     V. Wat noemt gij eene hooge huur ?
A. f 2, f 1.75.
3485.     V. Bestaat in Westzaan ook eene gemeente-
verordening, die aan burgemeester en wethouders het recht
geeft om, wanneer de woning gevaar oplevert voor de
gezondheid, te dwingen tot verbetering of haar anders
onbewoonbaar te doen verklaren door den gemeenteraad?
A. Dat zal wel, want die bestaan hier in de geheele
Zaanstreek.
3486.    V. Zijt gij voldoende bekend te Zaandijk ?
A- Ja, daar heb ik vroeger gewoond.
3487.    V. Zijn daar woningen, waaromtrent gij meent,
dat burgemeester en wethouders of de Gemeenteraad
van hunne bevoegdheid gebruik moesten maken ?
A. Ja, daar zijn huizen, waar het ongedierte in huis
kruipt; eene weduwe, die eigenares daarvan is, heeft ook
3473.     V. Komt naar uw weten de heer E. G. Duyvis
veel in aanraking met zijn personeel ?
A. Het kan onmogelijk dikwijls gebeuren, want hij
heeft een personeel van 16 of 18 man.
3474.    V. Mij dunkt, dit aantal kan geen bezwaar zijn.
Gij gaat veel met werklieden om; hoort gij daaromtrent
wel eens iets van hen ?
A. Ik weet, dat de verhouding tusschen den heer
Duyvis en zijne werklieden zeer goed is ; maar ik weet
niet, of hij veel met hen praat.
3475.     V. Wordt het door de werklieden vrij alge-
meen gewenscht geacht, dat de leeftijd, waarop de arbeid
mag aanvangen, door de wet worde verhoogd?
A. Ik voor mij zou het noodzakelijk vinden den
leeftijd van 12 op 14 jaar te brengen.
3476.    V. Mijne vraag was, of die wensen vrij al-
gemeen door de werklieden wordt gedeeld
-ocr page 170-
161
Verhoor van Dr. Pieter Hendrik Eykman, oud 28 jaar,
arts, te Zaandijk.
3496.    De Voorzitter: Hoe lang zijt gij reeds in uwe
gemeente en te Koog werkzaam ?
A. Ruim 3 jaren. Wel heb ik altijd aan de Zaan
gewoond, namelijk te Zaandam.
3497.     V. Kendet gij den toestand te Zaandijk reeds,
vóórdat gij daar als geneesheer kwaamt?
A. Neen.
3498.    V. Hoe is de toestand der woningen aldaar?
A. Nog al bevredigend. Ik heb er nog met mijn voor-
ganger, Dr Mulder, over gesproken, hoeveel flinker en
beter de nieuwe woningen er uitzien, bij de oude ver-
geleken.
3499.    F. Is het voor arbeiderswoningen, die nocli
tot de slechtste, noch tot de beste behooren, regel, dat
zij slechts uit één vertrek bestaan?
A. Dat geloof ik wel. Of er komt nog een klein
vertrek bij voor keukentje en slaapstede. Doch dat tweede
vertrekje ontbreekt ook vaak.
3500.    r. Alles moet daar dus in dat ééne vertrek
geschieden ?
A. Dat wil zeggen, dat er bij de meeste huisjes nog
een waschhok is.
3501 V. Komt gij dikwijls in woningen, waar zelfs
in het vertrek de wasch gedroogd wordt ?
A. Dat gebeurt daar in den winter toch meestal,
omdat er de kachel staat. Over de lucht, die daardoor in
het vertrek heerschte, heb ik mij dan ook dikwijls ge-
ergerd. Maar ik moet er bijvoegen, dat ik meermalen ook
bij meergegoeden mij geërgerd heb, omdat de luiers er
rondom de kachel hingen.
3502.    V. Komt gij ook wel in woningen, waarvan
gij de stellige meening hebt, dat zij in de termen vallen,
om het Gemeentebestuur te doen eischen, dat ze of ver-
beterd, of onbewoonbaar verklaard worden ?
A. Die stellige overtuiging heb ik van sommige
woningen. Ik heb burgemeester en wethouders daarop
dan ook attent gemaakt, die er den inspecteur van het
Geneeskundig Staatstoezicht over gesproken hebben, maar
deze vond geen termen tot afkeuring. Nu waren dat,
meen ik, 6 of 8 houten huisjes, een enkel b.v. met
naden, met lompen dichtgestopt. Deze werden toch over
het algemeen door knappe menschen bewoond, zoodat de
woningen niet verwaarloosd waren.
3503.    V. Was het oordeel van den inspecteur minder
ongunstig dan het uwe ?
A. Ja. Ik heb mij er zelf buiten gehouden, omdat ik
niet in conflict wilde komen met de inwoners.
De inspecteur zeide tot den wethouder, dat er te
Amsterdam nog slechtere woningen waren, die toch niet
werden afgekeurd.
3504.    V. Dit argument zal door velen niet afdoende
worden geacht. Blijft gij vasthouden aan uw oordeel ?
A. Ja. Èn uit dit oogpunt, dat de woningen veelal bouw-
vallig zijn, èn uit een algemeen hygiënisch oogpunt, wat
al eens aanwijzing gehad, maar verder is het niet
gekomen.
3488.    V. Hebt gij wel eens alleen of in verbinding
met anderen uit uw kring pogingen bij de overheid
aangevend, om bij haar aan te dringen op het gebruik
maken van hare bevoegdheid ?
A. Neen, want de overheid is wel op de hoogte van
die toestanden; het is in eene plattelandsgemeente anders
dan in eene groote stad zooals Amsterdam of Den Haag.
3489.     V. Dit neemt niet weg, dat elk burger voor
zijn deel reden kan vinden om mede te werken door de
overheid te wijzen op hetgeen wenschelijk is.
Kr bestaat te Zaandijk ook eene verordening op het
bouwen van nieuwe woningen. Wordt die stipt nageleefd ?
A. Stipt? Dat weet ik niet, maar de toestand verbetert,
en ik hoor niet, dat velen last met den gemeente-architect
hebben, dus wordt de verordening wel nageleefd.
3490.    V. Er is dus vooruitgang ?
A. Zeer zeker.
349 J. V. Er zijn in uwe streek nog al wat werklieden
eigenaar van woningen, naar het schijnt. Gebeurt het wel,
dat zij die krijgen met eigen opgespaard geld, of is het
uitsluitend op voorschot?
A. Meestal op voorschot; een enkele bouwt zulk een
huis gedeeltelijk met geld van een erfenisje, gedeeltelijk
door middel van eene hypotheek.
3492.    V. Welke loonen betaalt gij aan uwe werk-
lieden uit?
A. Ik heb twee jongens, die verdienen f3, een
verdient f5 en een f6, allen met het nachtgeld, dat be-
draagt fl, f 0.80 en f 0.60. Daarbij krijgen zij gort en
meel voor het gezin. Ik zelf ben meesterknecht.
3493.    V. Zijn dat de gewone loonen in uw vak?
A. Ja, maar er zijn er, die betalen minder; daar krijgt
de knecht, die bij mij f5 heeft, f 4 a f 4 50 en is het
nachtgeld fl, f0.60 en f0.50.
3494.    V. Dus uwe loonen staan gelijk met die bij
anderen; terwijl er echter ook lagere zijn ?
A. Ja.
3495.    V. Ik heb u onderscheidene vragen gedaan,
die in den regel tot arbeiders worden gericht, daar gij
vroeger zelf arbeider zijt geweest en o thans nog veel
in arbeiderskringen beweegt. Om diezelfde reden vraag
ik u, of gij van dat standpunt enkele punten, die op de
lijst voorkomen en door mij niet ter sprake zijn gebracht,
nog met ons wenscht te bespreken ?
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter, ik heb niets meer
te zeggen.
P. Molenaar Cz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. RoiJAARDs, Adj.-secretaris.
Enquête. — De Zaankant.
41
-ocr page 171-
162
3518. V. Afgescheiden van het financieel element,
zoudt gij dan steenen huizen, die aan redelijke eischen
voldoen, voor de gezondheid verre verkieslijk achten
boven houten huizen?
A. Dat zou ik zeker.
3514.    V. Zijn er te Koog en Zaandijk vereenigingen,
die niet uit winstbejag, maar ten algemeenen nutte, huizen
bouwen voor arbeiders ?
A. Neen.
3515.    V. Ook geen werkgevers?
A. Op het terrein van sommige fabrieken bevinden
zich arbeiderswoningen.
3516.    V. Zijn die goed ?
A. Zoover ze mij voor den geest staan, niet beter dan
het gros, maar ook niet slechter.
3517.    V. Is overigens de huisvesting in handen van
huisjesmelkers?
A. Ja.
3518.    V. Worden daarmede groote winsten behaald?
.1. Ik ken de uitgaven der eigenaars niet, maar de
prijzen, die zij maken, zijn nog al flink.
3519.    V. Is eene woning van f 1.75 \'s weeks eene
groote uitzondering ?
A. Neen, die komen voor; dat zijn gewoonlijk huizen
met twee vertrekken.
3520.    V. Te Zaandijk bestaat immers ook eene ver-
ordening op de keuring van voedingsmiddelen?
A. Ja, die is van jeugdige dagteekening. //Het Witte
Kruis" heeft een abonnement bij Dr. Van Hamel Roos aan-
gegaan tot het onderzoek van levensmiddelen en heeft
de gemeente in staat gesteld daarvan gebruik te maken ;
daardoor wordt melk, suikerwerk, enz. onderzocht. De
melk is hier zeer slecht.
3521.    V. Die verordening is van 27 Dec. 1889?
A. Juist.
3522.     V. Is de werking gunstig?
A. Neen, de melk is nog weinig beter. Er is een
monster onderzocht eenigen tijd geleden, en dit bleek te
bevatten 4.029 vaste stoflen; wanneer men nu weet, dat
melk 13 ïi 15 deelen vaste bestanddeelen op de 100 moet
bevatten, dan kan men nagaan, hoe zij gewasschen
moet zijn.
3523.    V. En wat is er gebeurd, toen dit geconsta-
teerd was ?
A. Niets, een particulier had het monster genomen;
gerechtelijk was dus niet vast te stellen, van wien het
afkomstig was. Er zijn hier op eene bevolking van 2500
zielen 17 melkverkoopers; misschien uit vrees voor hen
heeft men verzuimd in de verordening op te nemen, dat
op den emmer, die de melk inhoudt, moet geplaatst worden,
wat hij inhoudt: karnemelk, dunne melk of volle melk.
3524.    V. Heeft van gemeentewege sedert de invoering
der verordening geen toezicht op de melk plaats gehad?
betreft verlichting, gelegenheid om te luchten, toestand
van het drinkwater, benevens den ondergrond, welk laatste
punt verband houdt met de bouwvalligheid.
3505.    V. Art. 13 van de verordening van Kocg
zegt, dat van tijd tot tijd een onderzoek moet worden
ingesteld naar de deugdelijkheid van het drinkwater. Wordt
dit artikel toegepast ?
A. Ik weet niet zeker, of het te Koog wordt toege-
past, in Zaandijk wel. «Het Witte Kruis* legt waterlei-
dingen aan en vergoedt de kosten. Het Gemeentebestuur
oefent daar meer aandrang uit en zit er meer achterheen.
3506.    V. Gij noemdet zelf als eene der redenen, dat
sommige woningen zooveel te wenschen overlieten, den
slechten toestand van het drinkwater. Dus schijnt er toch
niet zoo streng de hand aan te worden gehouden f
A. Het gaat zoo lastig. Er moet eene uitspraak plaats
hebben van den kantonrechter, en dan kan de betrokkene
voor f 1 worden bekeurd. Hij kan den hak in statu
quo
behouden tot het Gemeentebestuur dien verandert,
en dat gebeurt nooit.
3507.    V. Neemt liet aantal aansluitingen aan de
waterleiding zeer toe?
A. »Het Witte Kruis" heeft 60 geleidingen gelegd en
bekostigd binnenshuis, inclusief de kranen Alleen moet
er eene contributie van 10 ets. door werkmansgezinnen
worden betaald Dit is eene quaestie van contract tusschen
huurder en verhuurder.
3508.    V. Zijn de kosten van aanleg ten laste noch
van eigenaar, noch van huurder?
A. Ja. in dat geval niet.
3509.    V. Nemen in de fabrieken de aansluitingen
ook toe ?
A. Ik geloof, dat de meeste fabrieken, die het water
voor de fabricage noodig hadden, aangesloten zijn, maar
dat is niet gedaan zoozeer met het oog op de behoefte
aan drinkwater. Dat de toestand in dat opzicht sterk
verbeterd zou zijn, durf ik niet bevestigen, althans op
molens is die nog slecht; daar gebruikt men watertonnen.
3510.    V. Hebt gij na het in het leven treden der
nieuwe bouwverordeningen te Koog en te Zaandijk nog al
nieuwe huizen zien bouwen ?
A. Ja.
3511.    V. Beschouwt gij het als een grooten vooruit-
gang, dat er geen houten huizen meer gebouwd mogen
worden ?
A. Dat die vooruitgang zoo groot is, kan ik niet inzien.
Die steenen huizen worden ook al niet best gebouwd.
De fundeeringen zijn niet waterdicht gemetseld en on-
doordringbaar gemaakt.
3512.    V. Zou de verordening niet in dien zin kunnen
aangevuld worden ?
A. Uit een gesprek met een raadslid is mij eens ge-
bleken, dat die verordening meer gemaakt is tegen brand-
gevaar dan ter wille van de bewoners. Men heeft ook
niet te veel willen bepalen om niet in strijd te komen
ook met de hnancieele belangen der bouwers.
-ocr page 172-
163
bakker, die te lang had gewerkt, en daardoor dikke
voeten had gekregen.
3533.    V. Had hij buitengewoon lang gewerkt ?
A. Hoe lang durf ik niet zeggen, maar voor een
bakker niet buitengewoon lang.
3534.    V. Kan in ziekte-tijden een gemiddeld gegoed
werkmansgezin in de buitengewone eischen, die de ziekte
aan de beurs stelt, voldoen ?
A. Het is een groot verschil, wat voor ziekte het is
en wie er ziek is. Wanneer het hoofd van het gezin geen al
te zware ongesteldheid heeft, dan zal het wel gaan, vooral
door de medewerking van de verschillende ziekenfondsen,
waaruit hij, naar ik meen, eene ondersteuning van f 6
\'s weeks geniet. Daarmede kan dan minstens het
huishouden gaande worden gehouden. Daarbij moeten dan
natuurlijk geen buitengewone uitgaven komen, zoodat
dan ook geneeskundige hulp en medicijnen meest op
jaarrekening geleverd worden.
Nu maakt het bovendien een groot verschil, of het
weekloon geheel of gedeeltelijk doorgaat, hetgeen met
den een wel, met den ander niet het geval is. Zoo ken
ik patroons, die 3 gulden in de week geven, wanneer de
patiënt lid is van een ziekenfonds, anders ook niets
bijdragen.
Toch ken ik enkele arbeiders, die niet in een fonds
willen gaan.
3535.    V. In een gezin, dat f 6 uit een fonds trekt
en geen toelage van den patroon geniet, hoe gaat het
daar ?
A. Ik geloof, dat over het algemeen de patroons wel
hulp verleeuen.
3536.     V. Zijn u ook gevallen bekend, dat het ge-
j heele vaste loon doorgaat, terwijl er toch ziekengeld
getrokken wordt? In zulk een geval is het gezin, wat de
geldelijke inkomsten betreft, er beter aan toe, dan in
gewone omstandigheden, wat gij natuurlijk, als medicus,
zult toejuichen, omdat de menschen dan in staat zijn in
het noodige voor den zieke te voorzien.
A. Die gevallen bestaan.
3537.     V. Maar hoe gaat het in gezinnen, die
minder inkomen hebben dan gewoonlijk, en daarbij
buitengewone uitgaven?
A. Dan schrijf ik gewoonlijk een briefje aan de
wDamesvereeniging", die te Koog a/d Zaan beter kan
helpen, dan te Zaandijk, omdat de eerste meer geld
heeft. Zoo heb ik een patiënt gehad, die geheel
geen inkomsten had, omdat hij buiten werk was. Die man
heeft op den dood gelegen ; hij had namelijk eene long-
ontsteking en is later wegens etter in de borst moeten
geopereerd worden. Patiënt heeft gedurende zijne ziekte,
waarvan hij gelukkig hersteld is, honderden eieren, tal
van liters melk en, naar ik meen, een geheel anker wijn
gehad.
De »Damesvereeniging* te Zaandijk kan tegenwoordig
alleen met melk helpen. Enkele patiënten krijgen er een
ei bij. door de hulp der vereeniging of van eene der be-
stuurderessen. Het is ook vooral daarom, omdat vroeger
teringlijders niet werden geholpen. Het gaat uit een
humaan oogpunt echter niet aan, die menschen te laten
loopen, maar daardoor zijn voor de anderen de toelagen
minder groot geworden.
3588. F. Kunt gij voor uwe patiënten, zoo al niet
alles, dan toch het noodige krjjgen?
A. Wij hebben een nieuwen burgemeester gekregen,
die zich de zaken wat meer aantrekt dan zijn voorganger;
die heeft eene waarschuwing gericht tot de melkverkoopers
Tot andere maatregelen is hij nog niet overgegaan uit
vrees, dat hij geen succes zou hebben bij de rechterlijke
macht.
3525.    V. Dat kan alleen de uitkomst leeren.
Geeft uwe ervaring u geen aanleiding om toezicht te
wenschen op vleesch en visch ?
A. Over het algemeen wordt geen slecht vleesch
verkocht.
Het is eene enkele maal voorgekomen, dat vreemden met
vleesch kwamen venten, dat bepaald slecht was. Eenmaal
ben ik ook door den burgemeester geroepen voor eene kar
met stinkend vleesch, die door de gemeente vervoerd
werd ; het vleesch is toen verder vervoerd door den
gemeente-veld wachter.
Riviervisch is er veel en in verschen toestand. Doch
de karnemelk is zeer slecht. Toen ik daar kwam, had
ik de illusie om enkele mijner patiënten met karnemelk
te genezen ; maar ik moest er van afzien en laat thans
de karnemelk voor mijne patiënten uit Amsterdam komen.
3526.    V. Leven vele menschen in Amsterdam niet in
de illusie, dat, als zij goede karnemelk willen hebben, zij
die uit deze streek moeten laten komen ?
A. Ik geloof het wel.
3527.    V. Hebt gij in uwe praktijk veel nadeelige ge-
volgen van arbeid waargenomen ?
A. Ik heb eenige borstlijders behandeld, voor wie het
blijven op een pelmolen bepaald slecht was, en die, toen
zij later venter op straat waren geworden, beter werden.
Ik heb ook enkele gevallen van infectie, bij degenen,
die omgingen met zeker soort zaad, verzwering aan de
vingers, gehad.
3528.    V. Die lijders aan ziekte der ademhalings-
werktuigen, waren dat menschen, die een zwak gestel
hadden, of een gezond gestel, dat door het stof onder-
mij nd was ?
A. Ik geloof, dat het gestel ondermijnd was door stof.
3529.    V. Hebt gij gevallen gezien van den nadee-
ligen invloed van langdurigen arbeid op jeugdige gestellen?
A. Het is moeilijk om zulke gevallen te constateeren.
i
3530.    V. Hebt gij niettemin als medicus sterke in-
drukken omtrent den zeer langdurigen arbeid, die soms van
jongens tusschen 16 en 18 jaar gevergd wordt?
A. Ik heb wel den indruk gekregen, dat eenigen er
ziek van geworden zijn.
3531.    V. Zegt.gij datzelfde van nachtarbeid?
A. Ja, ofschoon de invloed niet zoo groot is als
oppervlakkig schijnt; het komt nog al niet veel voor.
Bij bakkers echter, die lang moeten werken en voort-
durend. heb ik sterke stukken van overwerken gezien.
3532.    V. Kunt gij ons enkele gevallen mededeelen ?
A. Ik heb een patiënt, Van Eden, gehad, een brood-
-ocr page 173-
164
• I. Ja, het noodige wel. In den tijd van de influenza
hebben wij geen patiënt verloren, hoewel wij 3 gevallen
van longontsteking badden bij kostwinners. Zij zijn door
voldoende voeding beter geworden, en ik geloof, dat een of
meer zonder hulp zouden zijn gesuccombeerd. De wDames-
vereeniging" heeft in dien tijd aan voeding f70 besteed.
Indien daardoor het leven van één kostwinner is gered,
dan is dit nog eene goede rekening.
3540. V. Is in zoodanige gevallen ook door werk
gevers wel eens iets bijzonders gedaan ?
A. Ja.
P. H. Eykman.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
V. Zijn dat bemoeiingen uitsluitend van de laatste
3539.
jaren ?
A. De »Dames-vereeniging" bestaat langer dan
Witte Kruis", dat sedert 1873 bestaat.
/het
-ocr page 174-
ZITTING VAN MAANDAG 12 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kekduk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Pooi.e.
Visser.
3547.    V. Hebt gij wel eens aanleiding gehad om, op
grond van de verordening, bestaande woningen, wegens
gebrekkige inrichting, onvoldoend onderhoud, on-
reinheid of eenige andere oorzaak, schadelijk voor de
gezondheid, voor bewoning niet geschikt, af te keuren
en onbewoonbaar te verklaren?
A. Dit is voorgekomen bij 3 groepen, te zamen
12 woningen; die zijn vervangen door 10 nieuwe huisjes.
In alle andere gevallen hebben wij door eene waar-
schuwing verbetering gekregen.
3548.    V. Hebt gij voor het toezicht eene bepaalde
organisatie ?
A. De gemeente-opzichter oefent controle uit, maar
verder zijn wij zelf wel op de hoogte. Onze gemeente
is klein.
3549.   V. Zijn in den tijd, dat gij burgemeester zijt,
wel eens klachten over woningen tot u gekomen van
werklieden vereenigingen ?
A. Neen. Bijzondere personen klaagden wel eens over
drinkwater en brachten daarbij soms een monster mede;
maar wanneer wij wegens andere oorzaken dreigden met
afkeuring, was meermalen de bewoner niet eens geneigd
het perceel te verlaten.
3550.    V. Ik bedoelde, of niet door anderen dan de
bewoners wel eens over den toestand der woningen werd
geklaagd, omdat men meende, dat de overheid ten onrechte
de bepalingen der verordening niet toepaste?
A. Neen.
3551.    V. De verordening schrijft immers niet voor, dat
nieuwe woningen van steen moeten gebouwd worden?
A. Neen, in de bestaande verordening niet; ook bij
de nieuwe blijft het facultatief; in deze is de bepaling
echter opgenomen, dat, indien van steen gebouwd wordt,
naar gelang van de hoogte de muren zekere dikte hebben
moeten.
3552.    V. Is niet overwogen om imperatief het ge-
bruik van steen voor te schrijven?
Verhoor van Mr. Hendrik Johannes Christiaan Van Tienen,
oud 29 jaar, burgemeester van Wormerveer.
3541. De Voorzitter: Zijn in de bij u bestaande bouw-
verordening ook bepalingen opgenomen omtrent het
zomerpeil, waarnaar de woningen moeten aangelegd
worden ?
A. Ja, thans is dat gesteld op 3 decimeters, maar de
verordening wordt gewijzigd om aan het Gemeentebe-
stuur de bevoegdheid te geven, dat cijfer naar omstan-
digheden te kunnen regelen.
3-542. V. Geldt die wijziging ook de afmetingen der
vertrekken ?
A. Feitelijk niet; dat blijft, zooals het was; 2.80 M.
hoog; 16 M2. oppervlak, dus 44 M3. Die wijziging be-
treft alleen eene correctie.
3543.    V. Wordt aan de bepaling, dat overal, waar
de woning niet aangesloten is bij de waterleiding, een
waterbak moet zijn van 2 M3., stipt de hand gehouden?
A. Voor zoover mij bekend is, ja.
3544.    V. Ook houdt de verordening de bepaling in,
dat elke woning een afzonderlijk sekreet moet hebben,
niet waar?
A. Ja.
3545.    V. Geldt dat alleen voor nieuwe of ook voor
bestaande woningen?
A. Ook voor de bestaande.
3546.    V. Komt het in uwe gemeente niet voor, dat
verscheidene woningen een gemeenschappelijk sekreet
hebben ?
A. Dat zou misschien het geval kunnen zijn, maar
ook daartegen wordt zooveel mogelijk gewaakt. Wij
trachten het tonnenstelsel zooveel doenlijk in te voeren,
want dat wordt nog maar zeer sporadisch toegepast.
42
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 175-
166
A. Ja. maar men achtte het niet wenschelijk daartoe
over te gaan, wegens den eigenaardigen toestand en de
moeilijkheden, die men van dat voorschrift duchtte.
3553.    V. Zijn in de latere jaren veel nieuwe wonin-
gen van steen opgetrokken?
A. ,1a.
3554.    V. Ook door degenen, die huisjes houwen als
geldbelegging, of doelt gij soms op Bouwvereenigingen;
A. Degenen, die het doen om diensten te bewijzen,
zooals de Bouwvereeniging, bouwen huizen van steen;
maar ook in het andere geval komt het voor, dat men
steenen huizen touwt.
3555.    V. Hebt gij in den tijd, dat gij in de gemeente
zijt, vooruitgang op dit gebied kunnen constateeren?
A. Zeker.
A. Ik geloof het wel.
3565.    V. Waaraan schrijft gij het, naar ik meen,
geringe bezoek der school toe?
A. Hoofdzakelijk aan het denkbeeld, dat vooral bij
jongens, die pas op eene fabriek of werkplaats gekomen
zijn, schijnt te heerschen, als zou er in dat late school-
gaan iets kinderachtigs gelegen zijn. Ten gevolge van
de pogingen, dezer dagen door de schoolcommissie aan-
gewend, is, meen ik, het getal leerlingen weer tot 50
gestegen.
3566.    V. De commissie kreeg den indruk, dat het
gehalte van een gedeelte der werklieden in de Zaan-
streek gunstig te noemen is, ook wat betreft de geestes-
ontwikkeling. Gelooft gij, dat bij dezulken niet het ver-
langen bestaat om hunne kinderen herhalingsonderwijs
te doen genieten?
A. Ik geloof het wel.
3556.    V. Kent gij van nabij die woningen der Bouw-
vereeniging?
A. Van nabij niet. Het zijn echter zeer knappe arbei-
derswoningen, uitsluitend ten behoeve van arbeiders ge-
bouwd, zonder eenig financieel doel; ik meen, dat de
aandeelhouders niet meer dan 4 pet. rente mogen trekken.
3557.    V. Zijn die woningen zeer gezocht?
3567.    V. Ziet gij in het tot nog toe onbevredigend
bezoek der school verband met de uren, waarop in de
fabrieken gewerkt wordt?
A. Ik meen, dat ook op dat punt door de commissie
overleg met de werkgevers is gehouden.
3568.    V. Houdt de nieuwe regeling dus meer verband
met de arbeidstijden?
A. Ja.
3558.    V. Zijn u voorbeelden bekend van werkgevers,
die woningen voor hunne arbeiders hebben laten bouwen?
A. Neen.
3559.    V. De politie-verordening van uwe gemeente be-
helst ook bepalingen omtrent voedingsmiddelen. Art. 93
daarvan luidt: „Die vleesch, visch, vogels of andere waren,
hoe ook genaamd, blijkbaar bedorven, of om eenige
andere reden schadelijk voor de gezondheid zijnde, ver-
koopt, te koop stelt, in winkels aanwezig heeft of ver-
voert, wordt gestraft, enz." Zijt gij wel in de noodzake-
lijkheid geweest om dat artikel toe te passen?
A. Neen, een sterk sprekend geval heeft zich niet
voorgedaan; het is mogelijk, dat het een of ander aan
de controle ontsnapt is, maar er wordt zooveel mogelijk
gecontroleerd, ook door tusschenkomst van de genees-
heeren.
3560.    V. Hoort gij in uwe gemeente niet veel klagen
over slechte melk?
A. Neen.
3561.    V. Ons is door een geneesheer gezegd, dat in
eene naburige gemeente de melk buitengewoon veel te
wenschen overlaat.
A. Ik heb daarover nimmer klachten gehoord.
3562.    V. Is er in uwe gemeente herhalingsonderwijs?
A. Ja.
3563.    V. Sluit dat herhalingsonderwijs zich aan bij
de hoogste klasse van het gewoon lager onderwijs, zoodat
het werkelijk is herhalings- en voortgezet onderwijs;
dan wel wordt het gegeven zonder eenigen eisch van
toelating, dus bijgewoond door velen, die de lagere school
niet met vrucht hebben doorloopen ?
A. Op dat punt is dit jaar juist eene nieuwe regeling
getroffen.
3564.    V. Kunnen ook zij op de school terecht, die
reeds vroeg van de lagere school verdwenen zijn?
A. Ik geloof het wel.
3569.    V. Zijn er in uwe gemeente vrouwen of meisjes,
die op fabrieken werken?
A. Eene vrouw is op de zakjesplakkerij. Van de 93
kinderen, die verder op de fabrieken werken, zijn drie
meisjes, die in de termen van de arbeidswet vallen. Zij
gaan op de stoomwasscherij van den heer Hartog.
3570.    V. Werken er bij de firma Dekker geen meisjes?
A. Neen.
3571.    V. Is het u bekend, of zij er vroeger gewerkt
hebben?
A. Dat durf ik niet zeggen.
3572.    V Wat is door u gedaan om de uitvoering
der arbeidswet zooveel mogelijk te verzekeren?
A. In overleg met den inspecteur heb ik aan den
hoofdagent van politie opgedragen het aanleggen van een
register, en zich door onderzoek te overtuigen, of dit
klopt met het register, dat op de secretarie gehouden
wordt.
3573.    V. Wordt dat toezicht af en toe voortgezet?
A. Dat wordt steeds gedaan, en naar mijne overtuiging
wordt de wet correct toegepast.
3574.    V. Woont bij u in de gemeente niet een smids-
baas, Klinkenberg genaamd?
A. Ja.
3575.    V. Is daar de wet steeds getrouw nageleefd?
A. Het is mij niet gerapporteerd, dat dit niet is ge-
beurd.
3576.    V. Zijn door u geen overtredingen geconstateerd?
A. Neen.
3577.    V. Hebben er sedert de invoering der arbeids-
wet ongelukken plaats gehad in werkplaatsen of fabrieken ?
-ocr page 176-
167
A. Onmiddellijk, nadat de wet is afgekondigd, is er
een ongeluk gebeurd, dat echter niet van groote beteeke-
nis was. Dit geschiedde vóór de benoeming der inspec-
teurs; na dien tijd is er geen ongeluk meer gebeurd.
3578.    V. Worden in uwe gemeente voor het schoon-
maken van ketels jongens gebruikt?
A. Dat weet ik niet.
3579.    V. Is u nooit op grond van art. 7 van de wet
vergunning gevraagd om op Zondag jongens te laten
werken ?
A. Ik meen, dat dit zich eens heeft voorgedaan, doch
in den laatsten tijd niet.
3580.    V. Is u, op grond van art. 5 van de wet, wel
vergunning gevraagd om in spoedeischende gevallen een
tweetal dagen achtereen langer te laten werken dan de
wet toestaat?
A. Dat laatste zou, zoover ik die menschen ken, niet
onmogelijk wezen. Het meeste geld wordt dan echter
besteed aan drank.
3591.    V. Gij spraakt van het werkhuis. Gij kunt ons,
als secretaris van het bestuur, daarvan zeker iets naders
mededeelen ?
A. Ja, ik heb hier de cijfers van het aantal bezoekers
van de laatste tien jaren.
3592.    V. Die cijfers moeten gedeeld worden door het
aantal menschen en dagen ?
A. Ja.
1880
2400.
1886
996.
1881
979.
1887
1716.
1882
671.
1888
2059.
1883
1199.
1889
4665.
1884
1001.
1890
3545.
1885
983.
3593.    V. Waaraan schrijft gij niet alleen de schom-
meling, maar ook het veel grooter aantal van de laatste
4 jaren toe ?
A. De stijging van 1889 was een gevolg van het feit.
dat één gezin voortdurend in het werkhuis is gebleven.
3594.    V. Uit de cijfers op zichzelve valt dus niet
af te leiden het vermeerderd gebruik in het algemeen
van de instelling, omdat weinige gezinnen en personen
de hooge cijfers kunnen veroorzaken?
A. Juist. In 1889 telden wij 26 en in 1890 27 ge-
zinnen.
A. Neen.
3581.    V. Is nooit, in verband met genoemd artikel,
uw advies door den Commissaris des Konings inge-
roepen ?
A. Neen.
3582.    V. Hoe is het gesteld met het drankmisbruik
in uwe gemeente ?
A. Er wordt ontzettend veel sterke drank gebruikt,
doch openbare dronkenschap komt niet veel voor.
3583.    V. Zijn er in uwe gemeente windmolens?
A. Ja.
3584.    V. Is er niet veel drankmisbruik op die molens?
A. De losse sjouwerlui zijn de grootste consumenten.
Zij hebben zwaarder werk dan andere werklieden en
worden ook veel zwaarder betaald, waartegenover staat,
dat zij soms, als er geen schepen aankomen, gedurende
eenigen tijd geen verdiensten nebben.
3587.    V. Worden die menschen door de werkgevers
rechtstreeks aangenomen, of zijn er tusschenpersonen, met
wie alleen de fabrikant te doen heeft, zoodat deze niet
rechtstreeks met de werklieden in aanraking komt?
A. Daarop zou ik geen positief antwoord durven geven.
3588.    V. Hoe hoog zijn wel de loonen, die deze
sjouwers in tijden van werk maken ?
A. Soms wel f 25 \'s weeks, doch ongelukkig gebruiken
zij geen overleg. Wanneer dan later de booze dagen
komen, moeten zij vaak naar het werkhuis.
3589.    V. Kunt gij ook vertrouwbare cijfers mede-
deelen omtrent de gemiddelde verdiensten van die men-
schen, over een geheel jaar genomen?
A. Neen.
3590.    V. Profiteert in die gulden tijden het geheele
gezin van de hooge verdiensten, of neemt de man daar-
van het leeuwendeel voor zich, zoo door grooter drank-
gebruik als door meer en beter voedsel te nemen voor
zich alleen?
3595. V. Staat het werkhuis het gansche jaar open?
A. Ja. maar alleen in den winter wordt er gebruik
van gemaakt. Dit neemt niet weg. dat wanneer zich
iemand in den zomer aanmeldde, de directeur hem zou
moeten opnemen, behoudens het geval van verregaande
onzindelijkheid De directeur is overigens verplicht ieder-
een op te nemen.
3596.    V. Worden de verpleegden kosteloos gevoed
en verwarmd?
A. Ja, en l>ovendien wordt hun gelegenheid gegeven
iets te verdienen. De groote moeilijkheid is om dit zóó
te regelen, dat eenige hulp wordt gegeven, en dat toch
weer niet zooveel verdiend wordt, dat iemand de voor-
keur zou kunnen geven aan het verblijf in het werkhuis
boven een leven van eigen arbeid daarbuiten.
3597.    V. Zijn de verpleegden tot arbeid verplicht?
A. Neen.
3598 V. Heeft men niet overwogen het opleggen
van zoodanige verplichting, overeenkomstig krachten en
vermogens, als voorwaarde van toelating?
A. In de laatste jaren zeker niet; de arbeid wordt
alleen gegeven om de menschen iets te laten verdienen,
hij strekt niet ten voordeele van de inrichting. Daarbij
komen de beste krachten niet in een werkhuis.
3599. V. Ik dacht niet aan financieele overwegingen,
maar aan de moreele, dat men de meening moet tegen-
gaan, dat eten te krijgen is zonder werk.
A. Misschien heeft men daarover vroeger wel eens
gedacht, maar in de laatste jaren niet. Het komt trouwens
weinig voor, dat iemand den geheelen dag ledig zit.
-ocr page 177-
168
A. Ja, ook is er een fonds van werklieden, dat enkel
door heeren geadministreerd wordt.
3612.    V. Is het ziekenfonds wezen in uwe gemeente
zeer ontwikkeld, zoodat de meeste werklieden zich ver-
zekerd hebben tegen ziekte?
A. Ik geloof, dat zeer weinige werklieden niet ver-
zekerd zijn.
3613.    V. Niet alleen tegen medicijnen en geneeskun-
dige hulp, maar ook voor uitkeering ingeval van ziekte?
A. De werklieden-vereeniging, waarvan ik zoo even
sprak, heeft zich speciaal ten doel gesteld uitkeering bij
ziekte.
3614.    V. Zijt gij bekend met andere industrieele
streken in ons land, zoodat gij u een vergelijkend oor-
deel hebt kunnen vormen van den toestand der werklieden
in uwe gemeente en elders?
A. Daarvan heb ik geen persoonlijke ondervinding.
3615.    V. Zijt gij, als burgemeester, we! eens geroepen
tot inmenging of bemiddeling tusschen werkgever en
werklieden?
A. Neen.
3616.    V. Hebt gij, als hoofd der gemeente, den indruk,
dat de verhouding tusschen werkgever en werklieden
goed is?
A. Die vraag kan ik bepaald bevestigend beantwoorden.
3617.    V. Is dat ook het oordeel van de werklieden ?
A. Ik heb althans nooit eenige klacht, zelfs niet bij
vertrouwelijk gesprek, in dat opzicht vernomen.
H. J. C. Van Tienen.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. I.e Poole.
W. M. Visser
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
3600.    V. Hoe is uw oordeel over de instelling?
A. Gunstig. Te Wormerveer kan nu niemand zeggen,
dat hij van honger moet omkomen.
3601.    V. Waaruit bestaat het eten, dat verstrekt wordt ?
A. Dat bestaat hoofdzakelijk uit erwten en boonen, die,
zooals een onderzoek heeft aangetoond, van uitnemende
kwaliteit zijn.
3602.    V. Is het werkhuis eene gemeente-instelling?
A. Neen; de gemeente geeft een jaarlijksch subsidie
van f 500; de rest geven particulieren.
3603.    V. Hoe groot is het budget?
A. Precies kan ik het niet zeggen, ik meen 2000 a
3000 gulden.
3604.    V. Hoeveel verdienende verpleegden ongeveer?
A. Dat is verbazend ongelijk en hangt evenzeer van
het soort van werk af, als van de meerdere of mindere
handigheid van de betrokkenen. Wij hebben dikwijls
bespeurd, dat, wanneer er eene nieuw soort werk werd
ingevoerd, bijv. het sorteeren van boonen, men in de
eerste dagen zoo weinig mogelijk deed, om den indruk
te geven, dat het erg moeilijk was, doch later werd de
ijver grooter. Zij kunnen f 1 a f 1.50 verdienen, boven
het eten en de verpleging, om de huishuur goed te
maken, en wij zijn van oordeel, dat het niet tot een
hooger bedrag moet opgevoerd worden, ook met het oog
op de concurrentie.
3605.   V. Is het huis des Zondags ook open?
A. Des Zondags wordt gelegenheid gegeven om eten
thuis te krijgen, voor hen, die het werkhuis de vorige
week bezocht hebben.
36<>6. V. Welke artikelen worden er verwerkt?
A. Vroeger werden er blokjes gezaagd, maar door de
invoering van de vulkachels werd dat artikel weinig
meer gevraagd; het sorteeren van gort ging niet erg op,
en nu worden er boonen gesorteerd. Vroeger is ook eene
proef met het vlechten van matwerk mislukt.
3607.    V. Is de armenzorg, hetzij van de gemeente,
hetzij van de kerkgenootschappen, eene zware te Wor-
merveer ?
A. Ik geloof niet, dat er bij ons veel armoede geleden
wordt.
3608.    V. Is bij u de geneeskundige armenzorg zeer
uitgebreid ?
A. Niet bijzonder.
3609.    V. Worden er ook van gemeentewege verster-
kende middelen bij ziekte van minvermogenden ter
beschikking van den geneesheer gesteld?
A. Ik geloof, dat het burgerlijk armbestuur daarin
tegemoet komt met bons voor melk en dergelijke.
3610.    V. Zijn er in uwe gemeente, gelijk in andere
in deze streek, particuliere vereenigingen, met hetopzet-
telijk doel om de geneesheeren in staat te stellen aan
onvermogenden bij ziekte te verschaffen, wat zij noodig
hebben tot versterking?
A. In dien vorm bestaat er niets, maar er zijn twee
ziekenfondsen
3611 V. Dat zijn onderlinge fondsen van de werk-
liederi?
Verhoor van Adrianus Christianus Hermanus Wilhelmus
Koster, oud 49 jaar, pastoor aan „het Kalf\',
gemeente Zaandam.
3618.    De Voorzitter: Hoe lang zijt gij op uwe tegen-
woordige standplaats werkzaam ?
A. Tien jaren.
3619.    V. Uwe gemeente bestaat grootendeels uit ar-
beiders, niet waar?
A. Juist, meest pellers en olieslagers.
3620.    V. Welke van die beide categorieën staat het
hoogst ?
A. De pellers, vooral wat het drankgebruik betreft.
3621.    V. Bestaat er ook verschil, wat betreft het
overleg in de gezinnen?
A. Dat zal wel zoowat gelijk zijn.
-ocr page 178-
169
dags tot 6 of 8 uur malen. Kunnen de menschen dan later
op den dag hunne godsdienstplichten nog waarnemen ?
A. Ja, maar dan zitten ze toch in de kerk te slapen.
Met Pinksteren staan echter de molens soms 3 dagen
stil, a fortiori zou het op andere tijden ook wel kunnen.
3635.    V. Kunnen zij echter \'s Zondags na den mid-
dag de godsdienstplichten niet waarnemen ?
A. Ja, maar dat voldoet niet bij ons. Bij ons is het
verplichtend de morgemnis bij te wonen.
3636.    V. En hoe gaat het op Katholieke feestdagen ?
.4. Daar wordt niet aan gedacht, en het gaat niet aan
? om de menschen er toe te verplichten, en daardoor kans
te doen loopen gedaan te krijgen. Dat is zwichten voor
geweld.
3637.    V. Stellen de patroons de menschen wel niet
in staat om naar de mis te gaan ?
A. De meeste niet.
3638.    V. Zou in het bezwaar tegemoet zijn te komen
door de mis zóó vroeg te lezen, dat de menschen daarna
aan den arbeid kunnen gaan ?
A. Wij mogen niet zoovele missen lezen, als wij willen,
en voor een paar menschen gaat het niet aan in de
regeling verandering te brengen. In groote gemeenten
, gebeurt dat wel. bijv. te Rotterdam, waar ik gestaan
heb, maar daar heeft men dan ook honderden van die
menschen. Bij ons kan dat niet voor een paar lui. Het
ware echter te wenschen. dat de patroons uit zich zelven
; zoo welwillend waren om het bijwonen van de mis toe
j te staan.
3639.    V. Zoudt gij meenen, dat de werkzaamheden
aan de oliemolens wel zóó te regelen zouden zijn, dat
j aan redelijke wenschen van den werkman in dit opzicht
voldaan kon worden ?
A. Ja. door verwisseling.
3640.    V, Is geen enkele molen het eigendom van een
Katholiek?
A. Ja, de Houtsnip ; daar wordt noch op Zon-, noch
op dagen, te vieren als Zondag, gemalen.
3641.    V. En op dagen, dat alleen de mis bijgewoond
behoeft te worden ?
A. Dan wel.
3642.    V. Komen dan de werklieden echter toch in de
mis?
A. Als zij het aan den patroon vragen, wordt het
natuurlijk toegestaan.
3643.    V. Maar komen zij?
A. Dat hangt veel van het volk zelf af. Het zijn geen
kinderen; dus als zij geen verlof vragen, zegt de patroon
niet: „gij moet naar de mis gaan." Ik prent den werklie-
den ook altijd in, dat zij verlof moeten vragen. Zegt de
patroon dan: neen, welnu dan zijn zij verantwoord.
3644.    V. Begrijp ik u goed, dat de schuld van het-
I geen gij natuurlijk betreurt, niet uitsluitend mag gewe-
ten worden aan de werkgevers, maar dat een deel daar-
van ligt bij de werklieden zelf?
A. Ook wel; men heeft van die menschen, die maar
Gods water over Gods akker laten loopen.
3645.    V. Is het, in het algemeen gesproken, dus niet
te zeggen, dat, ook daar, waar de werkgevers Protestantsch
zijn, indien de werklieden zelf aandrongen om te mogen
43
3622.    V. Waaraan schrijft gij het toe, dat het drank-
misbruik sterker is bij olieslagers dan bij pellers?
A. Aan hun velen leegen tijd, tengevolge van de on-
gestadigheid van hun werk.
3623.    V. Gelooft gij, dat er ook in de molens sterke
drank gebruikt wordt?
A. Ook wel, maar alweer het meest in de oliemolens
3624.    V. Zou dat verband houden met den aard van
.hun werk?
A. Dat zou ik niet kunnen zeggen. Zij laten zich
daarover niet uit, maar ik vermoed, dat het een gevolg
is van hun leegen tijd.
3625.    V. Gelooft gij, dat het ongeregelde van hun
werk, waardoor zij, wanneer er wind is, bijzonder lang
moeten werken, en wanneer er geen wind is, weinig of
niets te doen hebben, ongunstig in dat opzicht werkt?
A. Zeker.
3626.    V. Zoudt gij dus een meer geregelden arbeid
een groot voordeel achten ?
A. Ja.
3627.    V. Neemt gij een ongunstigen invloed waar,
hetzij op den lichamelijken toestand der arbeiders, hetzij
op den toestand van het gezin, van het bij wind onge-
woon lang arbeiden?
A. Neen, het heeft wel invloed op het nakomen der
godsdienstplichten.
3628.    V. Daarop kom ik aanstonds terug. Heeft het
niet een ongunstigen invloed op het gezin, dat de man
dikwijls dagen lang niet thuis komt? Vindt gij het geen
groot kwaad, dat vader niet mee aanzit aan het maal ?
A. Neen, naar mijne overtuiging niet. Gij moet reke-
nen, dat de menschen niet van den molen weg kunnen,
en als ze het wel doen, voelen ze het in de beurs.
3629.    V. Waarop hadt gij het oog, toen gij zooeven
van de waarneming van godsdienstplichten spraakt?
A. Op de molens wordt soms den geheelen Zondag
gewerkt, soms tot \'s morgens 6 of 8 uur, waardoor de
menschen niet in de kerk komen.
3630.    V. Kunt gij ons den naam noemen van eene
firma, waar soms den geheelen Zondag wordt gemalen?
A. Neen, ik ken geen van die fabrikanten.
3631.    V. Zijn door u nooit pogingen gedaan om daar-
aan een einde te maken ? Gij beschouwt het toch zeker
van groot gewicht ?
A. Ik heb er wel eens met de werklieden over ge-
sproken.
k
3632.    V. Hebt gij nooit rechtstreeksche stappen gedaan
bij de patroons ?
A. Neen, want dan zou ik toch nul op het request
krijgen, en ze zouden zeggen: „dan moet de pastoor jelui
ook maar te eten geven."
3633.    V. De wetenschap daarvan kondt gij eerst
verkrijgen, wanneer gij u in verbinding steldet met die
heeren. Deedt gij dit nooit ?
A. Neen, het zou toch niets geven.
3634.   V. Gij hebt gesproken van molens, waar ze \'s Zon-
Enquète. — De Zaankant.
-ocr page 179-
170
doen, hetgeen zij als Katholieken als hun plicht beschou-
wen, daaraan door de werkgevers in het geheel niet
zon worden tegemoet gekomen?
A. Neen.
8646. V. Ik vraag dit zoo uitdrukkelijk, omdat gij
straks zeidet, u nooit tot de patroons te hebben gewend,
omdat gij toch nul op het request zoudt krijgen.
A. Ja, dat geeft niets.
3647.    1\'. Tusschen uwe verschillende uitingen is tegen-
spraak. Eerst zegt gij, dat aandrang van uwentwege
achterwege blijft, omdat die toch niets geven zou ; en
daarna verklaart gij niet te kunnen zeggen, dat aan
aandrang van de belanghebbenden niet zou worden
tegemoet gekomen.
A. Maar de meesten krijgen refus.
3648.    1\'. Acht gij een arbeidsduur van 16 uren met
zoo goed als geen rust, zooals in de oliemolens voor-
komt, te veel gevergd van een mensch?
A. Ja, zeker.
3649.    V. Beklaagt men zich daarover wel eens bij u?
A. Welzeker, dat is te begrijpen, vooral omdat de
arbeid afwisselend bij dag en nacht wordt verricht,
zoodat die menschen een ongeregeld leven hebben.
3650.    V. Hebt gij onder uwe parochianen ook werk-
lieden, die vroeger in een ouderwetschen oliemolen waren,
en thans werken in eene fabriek met hydraulische
persen ?
A. Zoover ik weet niet.
3651.    V. In de oliefabrieken schijnt het algemeen ge-
bruikelijk om per 14 dagen het loon uit te betalen. Zoudt
gij het eene verbetering achten met het oog op de ge-
zinnen, het geregelde der levenswijze en het besteden van
het geld, dat die wijze van uitbetaling vervangen werd
door eene wekelijksche?
A. Zeker, want aan het einde van de 14 dagen loopt
het wel eens op borgen uit.
3652.    1\'. Wordt er door uwe gemeentenaren veelge-
borgd?
A. Ja.
3653.    1 *. Hoort gij wel door huismoeders of huis-
vaders den wensch uiten om het loon per week te
ontvangen ?
A. Ja, die menschen zien des Zaterdags gaarne geld.
3654.    V. Die met eene zekere afgunst zien naar
andere gezinnen, waar wel wekelijks het geld inkomt?
A. Ja.
3655.    I\'. Hebt gij nooit gehoord van eene poging van
den kant van de werklieden om die veertiendaagsche
betaling afgeschaft te krijgen?
A. Neen.
3656.    V. Is er van uw kant wel eens met de werk-
lieden over gesproken?
A. Neen.
3657.    V. Hebt gij in uwe parochie eene Katholieke
school ?
A. Neen, daar hebben wij geen geld voor.
3658.    V. Waar gaan de meeste kinderen school?
A. Op de lagere school op „het Kalf\'.
3659.    V. Tot welken leeftijd blijven zij op school ?
A. Tot hun 12de of 13de jaar.
3660.    V. Blijven er velen tot hun 13de jaar ?
A. Ja, vooral meisjes.
3661.    V. In den regel hoort men, dat de meisjes
vroeger de school verlaten, omdat de jongens vóór hun
twaalfde jaar tegenwoordig nergens terecht kunnen, ter-
wijl de meisjes reeds lang te voren moeder in het huis-
houden helpen of in een dienstje gaan. Is dat bij u niet
het geval?
A. Vroeger niet, misschien is dat nu veranderd.
3662.    I\'. Maar het is toch eene oude geschiedenis,
want reeds sedert 1874 mogen de jongens vóór hun
twaalfde jaar niet op werk gaan. Op welken leeftijd doen
zij hunne eerste Heilige Communie?
A. Zij moeten 11 jaar geweest zijn.
3663.    F. Er zijn toch parochiën, waar een latere
; leeftijd als eisch wordt gesteld ?
A. Dat hangt van de bekwaamheid der kinderen af:
i maar de bisschop heeft bevolen, dat zij op hun elfde jaar
aangenomen moeten worden.
3664.    V. Vergis ik mij in de meening, dat er parochiën
zijn, waar zij nooit vóór den 12den verjaardag tot de Com-
munie worden toegelaten, onafhankelijk van den graad
hunner ontwikkeling ?
A. Dat is dan een arbitrair iets. Als regel geldt het
zooeven door mij genoemde voorschrift van den bisschop.
3665.  V. Acht gij verhooging van den leeftijd niet
wenschelijk in verband met het schoolbezoek, omdat de
eerste H. Communie in den regel het sein is voor het
verlaten der school ?
A. Neen, tusschen beide bestaat, mijns inziens, geen
bepaald verband.
3666.    V. Hoort gij wel van jongens van 12 tot
16 jaren, die thans nog \'s avonds laat in de fabrieken
arbeiden ?
A. Neen.
3667.    V. Gelooft gij. dat in uwe parochie dearbeids-
wet trouw wordt nageleefd ?
A. Ja, menigmaal hoor ik er in gezinnen over klagen,
dat de jongens niet genoeg kunnen verdienen. Zij zijn
echter veel te bang om bekeurd te worden.
3668.    V. Maar, wanneer zij 16 jaren zijn, gaan zij dan
onmiddellijk even lang in den tredmolen als de ouderen ?
A. Ja.
3669.    V.    Zoudt gij het, met het oog opden lichaams-
groei, van
   hoog belang achten, indien de leeftijd voor
onbeperkt
    en \'s nachts werken op 18 jaren gebracht
werd?
A. Zeker, want de jongens zien er uit als lijken. Dat
vroeg werken kan dan ook niet anders dan nadeelig voor
hunne gezondheid zijn.
3670.    V. Kwam het, vóór de invoering van de arbeids-
wet, veel voor, dat kinderen van 12—16 jaren met de
volwassenen gelijk opwerkten?
-ocr page 180-
171
3677.    V. Hebben de arbeiders, zonder nu te spreken
van de meest bevoorrechten en van de slechtst gestelden,
gewoonlijk één vertrek, zonder meer, of als regel een
tweede kamertje er bij ?
A. Zonder twijfel is het laatste geval regel. Die dat
missen, zijnde armen en bedragen niet meer dan 1.5 pet.
3678.    1\'. Hoeveel huur wordt er gemiddeld voor zulk
eene woning betaald ?
A. De huur loopt van f 1.25 tot f2.25. De meesten
verwonen echter f 1.50. De armen met één vertrek
betalen fl.
3679.    V. Ik heb den indruk gekregen, dat in
andere gemeenten het gros der arbeiders woont in één
vertrek voor fl a f 1.25. Heb ik het goed begrepen, dat in
uwe gemeente het gros gemiddeld f 1.50 verwoont en daar-
voor, behalve de gewone kamer, nog een kamertje heeft?
A. Jawel.
3671. V. Hebt gij nog op een of ander punt deaan-
dacht der commissie te vestigen?
A. Neen.
A. C. H. W. Koster.
A. Kebdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
\\V. H. .1. Roijaards, Adj.-serretaris.
A. Ja.
3680.    V. Behoort het te Wormerveer tot de uitzon-
deringen, dat kinderen van verschillend geslacht, b. v. op
hun 12de jaar, bij elkander slapen?
A. Na het 12de jaar worden de seksen bij het slapen
zoo spoedig mogelijk gescheiden.
3681.    V. Zooals ik reeds zeide, hebben verscheiden
getuigen, die ook met andere streken des lands bekend
zijn, de opmerking gemaakt, dat in deze streek meer dan
elders wordt besteed aan kleeding, in verhouding tot het-
geen men ten koste legt aan voeding. De vraag blijft intus-
schen, of in den regel dit meerdere besteed wordt om zich
deugdelijker te kleeden, dan wel aan flikjes en strikjes?
A. Over arbeiders in andere streken kan ik niet
spreken, maar ik zou zeggen, dat bij de jongeren, de
meisjes vooral, dat meerdere nog al eens besteed wordt
aan sieraden; toch tracht menige huismoeder meer naar
degelijkheid, en over het geheel zie ik minder bezwaar
in dat punt dan in de te groote zucht naar uitgaan en
uithuizigheid.
3682.    V. Openbaart die uithuizigheid zich bij bijzon-
dere gelegenheden, of is het een algemeen verschijnsel
in de avonduren?
A. Zij openbaart zich niet zoozeer in het \'s avonds
naar de herberg gaan, dan in het vooral \'s zomers veel
gebruik maken van pleizier-trein en boot. en ook \'s win-
ters naar Amsterdam naar de comedie. Ik behoor niet
tot de boetpredikers, ik zeg nog al spoedig, dat dit of
dat aan den werkman toekomt, maar ik erger mij dik-
wijls aan de groote stroomen werklieden, die \'s Zondags
aan trein en boot staan, niet omdat zij niet bij mij in
de kerk komen, maar omdat zij te veel lust krijgen om
uit te gaan.
3683.    V. Ouderen van jaren hebben ons gezegd, dat,
in vergelijking met hunne jeugd, het drankmisbruik in
deze streek aanmerkelijk verminderd is. Kunt gij over
het tijdperk van 13 jaar, gedurende hetwelk gij teWor-
merveer woont, eene dergelijke uitspraak doen?
Verhoor van Herman De Lang, oud 45 jaar, predikant
bij de Ned. Hervormde Gemeente, te Wormerveer.
3672.    De Voorzitter : Zijt gij al lang te Wormerveer ?
A. 13 jaren.
3673.    V. Zijt gij vroeger in andere industrieele streken
geweest, zoodat gij de toestanden van die streken met
die te Wormerveer kunt vergelijken ?
A. Ik ben alleen in mijn studententijd te Leiden !
geweest en later in boerenstreken. Vergelijkingen kan
ik dus niet maken.
3674.    V. Daarentegen kunt gij ons mededeelen, of in
die 13 jaren, die gij te Wormerveer hebt doorgebracht.
de toestanden zijn verbeterd ?
A. Dat is in sommige opzichten wel het geval, bijv.
ten aanzien van de woningen. In die 13 jaren zijn
arbeiderswoningen bijgebouwd, die allicht wat beter zijn
dan de vroegere. Vooral ook worden de woningen door !
de arbeiders zelf verbeterd. Meermalen heb ik tegen
eene huismoeder gezegd: „uwe woning is nu toch heel
wat beter dan 5 of 6 jaar geleden", terwijl zij mij dit ;
moest toestemmen ; gedeeltelijk is dit ten gevolge van
het feit, dat de kinderen meer verdienen, of het huis
uitgaan, maar de lust van den arbeider om de woning
te verbeteren is ook zeer toegenomen. Daarvan moet
iets op rekening gesteld van verkeerden weeldezin, doch
over het algemeen genomen gaat het comfort der
woningen vooruit, en is dit toe te juichen.
3675.    V. Gij bezigt de uitdrukking, dat de woningen
,.allicht wat verbeterd zijn". Moet ik daaruit.opmaken,
dat de verbetering zoo heel groot niet is?
A. Ik geloof, dat gij er dit ten onrechte uit opmaakt;
wel degelijk zijn de woningen beter ingericht dan 20 of
25 jaar geleden, en wordt er meer profijt getrokken van
de ruimte en meer zorg besteed aan de goede indeeling.
3676. V. Ten aanzien van hetgeen de bewoner in
zijne eigen woning doet, is ons door getuigen gezegd,
dat de Zaansche bevolking zeer toegeeft aan pronkzucht.
Gij zelf spraakt zooeven ook van weeldezucht; maar is in
t algemeen die lust, om de woning aangenamer te
maken zóó, dat zij uws inziens is te beschouwen als
eene deugd, dan wel als eene ondeugd?
A. Als eene deugd. Ik zie dat streven bijzonder gaarne.
Er moge al eens wat onder loopen. waarvan ik denk : dat
hadt gij wel kunnen nalaten ; als \'t maar niet besteed
wordt aan opschik en kleeding, maar aan zaken, die het
huisje verbeteren en het kamertje gezellig maken, dan
ben ik niet spoedig geneigd, zulks eene ondeugd te
noemen.
A. Neen, eene bepaalde verbetering in 13 jaar zou ik
niet durven eonstateeren ; maar mijn algemeene indruk is
toch ook dezelfde. De losse sjouwers gebruiken veel ster-
ken drank, maar menig arbeider doet dat niet. Drank-
misbruik is een algemeene kanker der maatschappij,
maar die kwaal vermindert hier.
3684.    V. Gij bevestigt dus, wat wij ook van anderen
vernamen, dat de losse arbeiders het meeste misbruik
maken van sterken drank ?
A. Ja zeker.
3685.    V. Is dat misbruik naar uwe meening toe te
schrijven aan het ongeregelde van hunne levenswijs
en hunne verdiensten?
-ocr page 181-
172
A. Zeker aan de ongeregeldheid van hunne leefwijze.
Zij moeten op straat afwachten, of er werk komt, en dat
leidt er toe, dat zij nog al eens in de herberg gaan.
In de tweede plaats de ongeregeldheid van hunne
verdiensten, want door elkander verdienen de losse
sjouwers meer dan fabrieksarbeiders en timmerlieden en
metselaars; dit is mij nog dezer dagen door een paar
knappe arbeiders verzekerd. Ik vroeg hen hiernaar, omdat
ik meende, dat patroons en de goedgezinde inwoners — bij
wie die sjouwers, althans hunne vrouwen, in slechte
tijden komen bedelen — daarop wel eens al te zeer
nadruk legden. Maar het is feitelijk zoo. Gewoonlijk, op
enkele goede uitzonderingen na, behouden die losse sjouwer-
lieden nog al eens een veel te groot deel der verdiensten
voor zich zelf, en een te klein deel komt bij de vrouw.
Er zijn nog al slechte onder, omdat zij, die hun werk
kwijt raken of op andere wijze zonder werk zijn, sjouwer
worden. Zij beroepen zich op de stelling, dat het sjouwer-
vak toch ook noodig is. Dat is waar; maar in ieder
geval, over het algemeen zijn het niet de besten.
3686.    V. Is het u bekend, of door de werkgevers,
die af en toe losse sjouwers noodig hebben, onder elkander
wel eens is overlegd, ten einde voor gemeenschappelijke
rekening die losse sjouwers in vast werkvolk om te
zetten, zoodat ieder op zijne beurt ze zou kunnen ge-
bruiken en zij een geregelder leven en geregelder ver-
diensten zouden krijgen ?
A. Eenigszins wel; wanneer men bij ons spreekt van
losse werklieden, maakt men onderscheid tusschen den
echten lossen werkman en den werkman van den zaad-
en graanfactor.
Die laatste zijn betrekkelijk losse werklieden, maar
zij zijn vast in dienst bij zulk een factor, hoewel hun
werk vrij ongelijk is. Nu gebeurt het meestal, dat zulk
een graanfactor iets van het loon afhoudt en hen daar-
mede in moeilijke tijden helpt.
3687.    V. En geschiedt die inhouding met toestem-
niing van de werklieden ?
A. Ja; zij vinden het zeer goed. Dat hangt veel van
den factor af; en de factor, op wien ik hier het oog heb
bijv., is een flinke en tevens barmhartige man.
3688.    V. Staan de losse sjouwers van die factors, die
men los-vaste sjouwers zou kunnen noemen, hooger dan
de eigenlijke losse ?
A. Ja.
3689.    V. Worden de ganschelijk losse steeds, naar
gelang der behoefte, rechtstreeks aangenomen door de
fabrikanten ?
A. Ja.
3690.    V. Hebt gij nu nooit gehoord van een overleg
tusschen de fabrikanten om los-vastheid te geven ook
aan dezen ?
A. Neen, ik geloof ook niet, dat dit mogelijk zou zijn.
3691.    V. Hebt gij voldoende kennis van het leven
in de huisgezinnen om mededeelingen omtrent de voeding
der mensenen te kunnen doen?
.4. Zeker. Ik geloof, dat het middageten vrij goed
is, en dat het in dat opzicht meer ontbreekt aan den
aesthetischen vorm dan aan de substantie zelve. Althans
bij de jónger-gehuwden; wordt het gezin wat grooter,
dan komt vooral vleesch of spek veel te kort Dat trou-
wens zelfs een zeer goed werkman dit niet dagelijks
op zijne tafel krijgt, is zeker.
3692.    V. Eet de werkman zijn pot geregeld met vet?
A. Dat geloof ik wel. Overigens, al komt de middag-
pot tekort, wil ik er toch op wijzen, dat de werkman
niet, zooals in andere streken, roggebrood eet, maar wel
wittebrood en kadetjes, al is er niet altijd kaas op,
zooals bij den Noordhollandschen boer, die ook weinig
roggebrood eet.
3693.    V. Welke is bij uwe catechisatiën uw indruk
van de geestelijke ontwikkeling der kinderen ?
A. Vrij goed. De kinderen der olieslagers staan echter
verreweg het laagst, wat intellect en ook wat moreel
betreft, wanneer men dit laatste niet te diep opvat,
maar daarmee zeggen wil: fatsoen en ordelijkheid. Dit
geldt ook voor de ouders, in vergelijking met alle andere
arbeiders.
3694.    V. Is uw indruk, dat de kinderen lang genoeg
ter lagere school gaan, om voldoende bagage voor het
leven mee te nemen ? Of betreurt gij het, op grond uwer
ervaring, dat het schoolbezoek niet langer wordt voort-
gezet ?
A. Ik zou voor mijne leerlingen wel wenschen, dat
zij langer dan tot hun 12de jaar school gingen, en ik
vind, dat een jaar langer het kind wel toekomt. Maar
ik weet niet, of, wanneer zij tot hun 13de jaar school
I gingen, de achteruitgang in de zes daaropvolgende jaren
niet even groot zou zijn. Ik vind overigens de ontwik-
keling van een kind van 12 jaar over het algemeen
vrij goed.
3695.    V. Wilt gij te kennen geven, dat, ook al
werd het bezoek van de lagere school verlengd, toch,
ter voorkoming van vervloeiing van het geleerde, voort-
zetting van het onderwijs gedurende korten tijd over dag,
of in de avonduren wanneer de arbeid is verricht, wen-
schelijk zou zijn ?
A. Zeker acht ik dit wenschelijk.
3696.    V. Hebt gij uwe catechisatiën voor kinderen uit
de werkmanskringen in de arbeidsuren ?
A. De schoolkinderen komen in de schooltijden met
! goedvinden van de onderwijzers. Voor werkjongens js
met goedvinden van den meesterknecht veel te schik-
ken. Jongens uit den werkmansstand — niet van
fabrieken —zijn \'s avonds met hun werk klaar, en wat
de jongens van de fabrieken betreft, ten aanzien van
dezen wordt altijd nog al inschikkelijkheid gebruikt.
Met de oliemolens gaat \'t het moeilijkst, omdat die
soms zoo ver staan, maar hierbij hangt toch ook veel
van den blokmaler af.
3697.    V. Ik vermoed, dat gij hier vooral doelt op
hooger leeftijd dan 16 jaar. Maar wat betreft uwe
catechisanten beneden 16 jaar, geeft gij aan deze ook
les in de avonduren ?
A. Neen, zij kunnen gewoonlijk \'s morgens daarvoor
vrij krijgen. Indien ze niet komen, is het meest hunne
eigen schuld of die hunner ouders.
3698.    V. Zijt gij niet in de noodzakelijkheid, gelijk
door anderen werd medegedeeld, om \'s Zondags catechisatie
te houden, ten einde aan sommigen niet te onthouden,
wat ze anders niet zouden krijgen?
A. Neen.
3699.    V. Geeft gij ook wel aan jongens van 12—
16 jaar \'s avonds, na afloop van den werktijd, cate-
chisatie ?
A. Ja, aan die van 14—16 jaren.
3700.    V. Constateert gij bij hen vermoeidheid naar
lichaam of geest?
A. Neen, doch soms wel in den voorzomer (\'s zomers
staat de catechisatie stil), dan kon ik soms zeggen : „nu,
ik zie wel, dat je den geheelen dag hebt gewerkt."
-ocr page 182-
173
fabriek met hydraulische persen werken, door de ont-
stentenis van lawaai en stof vooral, de nieuwe inrichting
gewaardeerd ?
A. Ik geloof het wel. Wie eenmaal in eene fabriek
zijn, willen ook niet terug.
3710.    V. Constateert gij wel nadeeligen invloed van
het niet of bijna niet aanwezig zijn van den vader in
de gezinnen van knechts op windoliemolens?
A. Neen, dat zou ik niet bepaald durven zeggen, maar
wel betreuren de beteren onder de moeders het, dat de
vader de kinderen in den drukken tijd bijna niet ziet,
omdat de vader slaapt, als het kind thuis is, of het kind
naar school is, als de vader aanwezig is.
3711.    V. Is het in uwe gemeente met de loonsbeta-
ling aldus gesteld, dat de regel is wekelijksche uitbe-
taling voor de meeste vakken, veertiendaagsche voor de
olieslagers ?
A. Ik geloof van ja.
3712.    V. Hebt gij reden om over de veertiendaagsche
uitbetaling een bepaald oordeel uit te spreken?
A. Neen.
3713.    V. Is uwe ervaring, dat de jeugdige werklieden
lezen ?
A. Ja.
3714.    V. Waar halen zij hunne lectuur van daan?
A. Van de Nutsbibliotheek en uit die van een parti-
culier boekhandelaar. Ik weet daar echter niet veel van,
want ik zit niet in de Nutsbibliotheek.
3715.    V. Is het u misschien bekend, of in de Nuts-
bibliotheek speciaal gelet wordt op de eigenaardige be-
hoefte aan lectuur voor de jeugd?
A, Neen.
3716.    V. Neemt de volwassen werkman deel aan het
intellectueele leven van de omgeving, waarin hij leeft ?
A. De meesten zeker niet; daar hebben zij geen
tijd voor.
3717.    V. Weet gij ook, of er in de gezinnen des
avonds veel gelezen wordt?
A. Ja; het lezen van couranten is in die 13 jaren
verbazend sterk toegenomen. Bijna in alle huishoudens
vindt men van die krantjes van 3 cents, zooals het
Nieuwsblad van Nederland, het Vliegend Blad en dergelijke.
Bij velen ziet men ook het Nieuws van den Dag of
weekbladen.
3718.    V. Is er te Wormerveer een opgewekt arbeiders-
vereenigingsleven ?
A. Dat is er niet; wel bestaat er eene vereeniging
„Samenwerking", eene uitstekende vereeniging, die bij
ziekte hulp verschaft.
3719.    V. Is er volstrekt geen aaneensluiting van de
werklieden ter behartiging van hunne belangen ?
A. Zoover mij bekend is, niet.
3720.    V. Is er geen coöperatieve vereeniging, gelijk
in andere gemeenten aan de Zaan ?
A. Dat geloof ik niet.
3721.    V. Zijn er in uwe gemeente knapen- ofjonge-
lingsvereenigingen voor jeugdige arbeiders?
3701. V. Ons is door verscheidene getuigen gezegd— i
en in dat opzicht staat catechetisch met herhalings-
onderwijs gelijk —, dat van het herhalingsonderwijs in i
de avonduren, wanneer het werk is verricht, bij knapen !
van dien leeftijd niet veel terecht komt, en dat het :
herhalingsonderwijs geen goede vruchten kan dragen,
indien de werktijd van die jongens niet wordt inge-
krompen. Is dit uwe meening niet?
A. Hierop moet ik het antwoord schuldig blijven.
8702. V. Heeft de arbeidswet te Wormerveer gunstige !
vruchten gedragen door hare bepalingen ten opzichte
van jongens beneden 16 jaren ?
A. Ja, iets wel.
3703.    V. Komen u wel eens overtredingen er van ter
oore, ook in de kleine ambachtsnijverheid ?
A. Neen.
3704.    V. Jongens van 16 jaar werken, naar wij ver-
namen, met de volwassenen in de oliemolens ook des
nachts op; acht gij dat niet zeer nadeelig?
A. Ja, mijne ervaring heeft mij daarvoor wel geen
bepaalde bewijzen aan de hand gedaan, maar dat moet
zoo wel zijn. Wel heb ik waargenomen, dat kinderen, j
die bij mij ter catechisatie gingen, sedert zij op de olie-
molens werkten, achteruit gingen. Zij werden slaperig,
verloren hunne levendigheid en aardigheid, en waren niet
meer zoo fatsoenlijk. Het eerste jaar, van 12 tot 13, was
de invloed van de school nog merkbaar, maar later ver-
minderden zij in ieder opzicht. Pat is in dat vak erger
dan in eenig ander bedrijf.
3705.    V. Waaraan schrijft gij dat toe ?
A. De arbeid is in den oliemolen al zeer eentonig en
geestdoodend. De afgelegen ligging der molens maakt
bovendien, dat de jongens geheel buiten het verkeer
met de menschenwereld blijven, en geeft, als de blokmaler
geen fatsoenlijk en zedelijk mensch is, aanleiding tot
allerlei zaken, die nadeelig op de jongens werken. Er
kan gesnoept, gedronken, gevloekt worden, zonder dat
de patroon, die zelden den molen bezoekt, dat bemerkt.
Dan trekt het olievak de minst ontwikkelden. Boeren-
arbeiders uit den omtrek, die nergens terecht kunnen,
worden soms bij ons olieslager, en de fusie van een
olieslager en zulk een boeren-arbeider geeft het treurigste
ras, dat men zich kan denken.
3706.    V. Staan de olieslagers ook in slechten reuk
bij andere werklieden ?
A. Ja, de jongens van een oliemolen worden wel eens
uitgescholden voor „oliepul"\'; dat uitschelden komt anders
niet voor, maar daarin uit zich de minachting van de
jongens uit andere ambachten voor die op de olie-
molens. Ook dit wordt echter beter in de laatste jaren.
3707.    V. Is ooit door u besproken met werkgevers,
of op de windoliemolens eene andere regeling van den
urbeid mogelijk zou zijn?
A. Dat is niet mogelijk. Het feit, dat het niet altijd
waait, is daarvoor een onoverkomelijk bezwaar, of de
oliemolenaars zouden allen stoomfabrieken moeten maken,
en dat kunnen alleen de welgestelde, niet de kleine.
3708.    V. Gelooft gij, dat algemeen de olieslagers-
knechts liever in eene fabriek zouden zijn?
A. Neen, want de rust, die bij windstilte tegenover
\'len anders langdurigen arbeid staat, vinden zij prettig,
"n het loon staat ongeveer gelijk.
3709.    V. Wordt door degenen, die in eene olie-
Enquête. — Be Zaankant.
44
-ocr page 183-
174.
A. Neen, alleen bestaat zulk eene vereeniging bij de
Christelijk Gereformeerden. Het muzikale leven is ech- !
ter vrij sterk onder de jeugdige mannen, getrouwde en ,
ongetrouwde, van 18 jaar af. De Zaan is (ook wat de
meer gegoeden betreft) niet zeer muzikaal, maar het j
muzikale leven heeft zich, en dat juieh ik zeer toe, in j
de laatste jaren zeer ontwikkeld, ook onder de volks-
klasse. Dit lijkt eene paradox, want wanneer het muzi-
kaal gevoel niet sterk is, zal het zich ook niet erg ontwikke- <
len, maar toch is dit zoo. De invloed van het zang-
onderwijs is niet gering geweest. Ook bloeit de liefheb- ;
berij voor bloemen.
3722.    V. Geven die muziekverenigingen ook uit-
voeringen?
A. Ja.
3723.    V. Eindigen die dan ook wel met een dansje?
A. Neen. Meestal zijn het fanfare-korpsen, die eene
* serenade geven van tijd tot tijd of eene tentoonstelling
opluisteren.
3724.    V. Ik heb u straks hooren zeggen, dat er veel
afhangt van den meesterknecht. Ik deel dat gevoelen
volkomen, maar mag ik vragen, of gij daarbij ook dacht
aan fabrieken?
A. Juist aan fabrieken.
3725.    V. Hebt gij ervaring ten goede en ten kwade,
in dat opzicht?
A. Ten kwade niet anders, dan dat een meesterknecht
bijv. eens niet bijzonder inschikkelijk was om een jongen
gelegenheid te geven naar de catechisatie te gaan.
Ten goede daarentegen wel. Een meesterknecht kan,
door vermindering van werktijd voor te staan, of door het
geven van vrij-af bij deze of gene gelegenheid bij den
patroon te bevorderen, een gewenscht tusschenpersoon
zijn. Zoo ken ik een meesterknecht, aan wiens tusschen-
komst het te danken is, dat de duur van den nacht-
arbeid van Zaterdag op Zondag van \'s morgens zes tot
\'s morgens drie uur is teruggebracht.
3726.    V. Welke fabriek was dat?
A. De fabriek „Hollandia" van de heeren Bloemen-
daal & Laan.
3727.    V. Over het algemeen gesproken, uitzonderingen
daargelaten, meent gij dan de meening te kunnen uit-
spreken, dat de meesterknecht zijne positie zóó begrijpt,
dat hij evengoed de belangen van den werkman als die
van den patroon te behartigen heeft?
A. Over het geheel wel. Bovendien is het zeker, dat
door de patroons — altijd ook in hun eigen belang —
de beste en fatsoenlijkste werklieden voor meesterknecht
worden gekozen.
3728.    V. De nachtarbeid van Zaterdag op Zondag,
waarvan gij zooeven spraakt, komt immers steeds voor,
waar met eene dag- en eene nachtploeg gewerkt wordt ?
A. Ik geloof van ja. De oliefabrieken werken tot
Zondag-morgen 6 uur, zooals b. v. de fabriek „de Liefde"
doet. Of dit anders kan, kan ik niet beoordeelen, doch
ik zou den arbeid Zaterdag-nacht om 12 uur willen doen
ophouden.
3729.    V. De regel schijnt deze te zijn, dat de arbeid,
die Zondag-morgen 6 uur wordt gestaakt, Maandag-ochtend
om 5 of 6 uur wordt hervat, wat ten gevolge heeft, dat
de man, eerst behoefte hebbende aan slaap, het beste
deel van zijn Zondag mist. Is ooit door u gesproken met
de werkgevers en gevraagd, of, al meenden zij geen
arbeidstijd te kunnen offeren, de arbeid toch niet kon
worden hervat \'s Zondag-nachts om 12 uur, nadat
natuurlijk \'s Zaterdag-nachts op datzelfde uur het werk
had opgehouden ?
A. Ja, doch dit komt overeen uit, daar de werkman
dan weer een gedeelte van zijn Zondag-avond moet
missen.
3730.    V. Is naar uw oordeel de verhouding tusschen
werkgevers en werklieden in den tijd, dat gij hier waart,
voor- of achteruit gegaan ?
A. Hieromtrent heerscht stilstand, vooruitgang zie ik
niet. Ik zou de verhouding als volgt willen qualificeeren:
goed, doch op een afstand. Hierbij dient in het oog gehou-
den, in de eerste plaats, dat, wanneer ik zeg: „goed, doch op
een afstand", dit de norm is en er betereen mindere zijn.
In de tweede plaats moet men niet vergeten, dat dit
bezwaar niet alleen de industrie, maar de geheele maat-
schappij geldt; ook hier geldt het: „goed, maar op een
afstand."
En wat ten derde vooral weegt, is, dat de werk-
lieden zelven groote schuld hebben door hun voort-
durend wantrouwen in de welwillendheid van de pa-
troons. Het is slechter geworden in die 13 jaren ten
gevolge van het opruien door de sociaal-democraten, die
altijd door verkondigen, dat iedere patroon een smeerlap
is. Daarin schuilt het groote kwaad, dat echter, als ik wel
zie, bijv. te Wormerveer. niet erger wordt, sedert de
menschen achter de schermen hebben gekeken en be-
grepen hebben, dat al die droomen toch geen werkelijk-
heid worden. Velen gelooven niet meer zoo erg in de
dingen, die Domela Nieuwenhuis vertelt.
3731.    V. Zijn u gevallen bekend, dat het wan-
trouwen van werklieden door patroons, die staan boven
den door u genoemden norm: „goed, maar op een af-
stand", overwonnen is geworden ?
A. Ik meen ja, al is dat niet altijd direct te zien;
maar in ieder geval moet dat wel zoo zijn, de aan-
houder wint, en onvermoeide welwillendheid moet en
zal het op den duur winnen. Ook de patroons koesteren
wel wantrouwen tegen de werklui, maar in veel mindere
mate. Beiden echter moeten meer in elkaar gelooven.
Een patroon moet zeer veel tact en groote zedelijke
hoedanigheden hebben, om te kunnen zijn goed en
niet op een afstand, en velen hebben dat in geenen deele.
Het is hier dezelfde geschiedenis als de houding van de
huisvrouw tegenover de meid. Zal die in onzen tijd
goed zijn, dan moet de eerste ook eene vrij grootere
mate van verstand en karakter hebben.
3732.    V. Meent gij niet, dat deze eigenschappen bij
eene beschaafde vrouw mogen worden verwacht, en even-
zoo bij den beschaafden werkgever?
A. Zeer zeker. Ik wil alleen maar zeggen, dat wi
de industrie gezondigd wordt en daar buiten.
3733.    V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen?
A. Zeer ongunstig, Mijnheer de Voorzitter, vind ik het,
dat de reparatiën op de fabrieken altijd \'s Zondags moeten
plaats hebben. Dat gebeurt van\'s morgens 5 tot 10.12,1
uur, zelden later; maar daarvoor is noodig de aanwezigheid
van den machinist, den stoker, den smid, een timmerman,
een metselaar, dus 5 personen. Men zegt: dit kan moeilijk
anders, omdat de fabriek \'s Maandags weer moet gaan-
Dat zal wel zoo zijn. Toch kan, verbeeld ik mij, goede
wil ook hier verbetering brengen. Onlangs zeide mij een
meesterknecht, die overigens het euvel in het algemeen
als onvermijdelijk voorstelde, dat hij, als er b.v. nieuwe
pelsteenen moesten ingezet worden, dit in de week liet
doen. Een bewijs, dat er wel eens iets anders kan, en dat het
veel afhangt van den meesterknecht en diens overleg
met den patroon.
Over het algemeen is de behandeling van de weduwen
en de oude werklieden hier zeer goed. Voor de weduwe
-ocr page 184-
175
wordt bijna altijd gezorgd, en hoewel er geen vaste pen-
sioenen worden gegeven, wordt voor oude werklieden in
den regel op de eene of andere wijze en dikwijls door
vaste wekelijksche toelagen gezorgd. Een paar afwijkende
gevallen zijn mij in de laatste jaren voorgekomen, trou-
wens van patroons buiten Wormerveer wonende.
De meesterknecht van een oliemolen, een uitstekend
fatsoenlijk man, met wien de patroon was ingenomen
geweest, stierf en zijne weduwe kreeg niets. Zij ging naar
den patroon, maar ontving op haar verzoek van dezen,
die een zeer welgesteld man was, ten antwoord: het spijt
mij wel, maar ik kan er niets aan doen.
Een tweede geval van dien aard is het volgende.
Een man had 14 jaar gewerkt bij één patroon — hij
was een fatsoenlijk man, al was hij misschien niet be-
paald een van de bekwaamsten in zijn vak — en werd
blind. De man werd zonder iets ontslagen. Van ver-
schillende particulieren heb ik voor dezen man een
wekelij ksch pensioen gekregen, maar de patroon schreef
mij, na tweemalen f 25 te hebben gegeven, op mijn
desbetreffend verzoek, dat in Wormerveer zooveel geld
voor de armen werd gegeven, dat men zich daar maar
mede meest zien te helpen.
De geneeskundige hulp is voortreffelijk. Er zijn twee
ziekenfondsen en de leden mogen zelf den dokter
kiezen uit de beide geneesheeren van het fonds, beiden
zeer kundige en welwillende artsen. Door de connecties,
die beide heeren in Amsterdam hebben, is het zeer ge-
makkelijk om zieken naar de inrichtingen te Amsterdam
te vervoeren, als dat noodig is, bijv. naar het Ziekenhuis
van Dr. Berns, en daarvoor kan ik altijd het geld krij-
gen, dat noodig is.
H. De Lang.
A. Kebdijk , Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaria.
3738.    V. Wachten zij, wanneer zij twaalf jaar zijn, het
einde van den cursus af, of verlaten zij de school om
negen uur als de cursus om half negen geëindigd is?
A. Wanneer zij werk kunnen krijgen, verlaten zij
terstond de school.
3739.    V. Worden door u wel pogingen gedaan om ze
tot het einde van den cursus te houden?
A. Somtijds, maar meestal zeggen de menschen, dat
zij den jongen niet tot begin Augustus op school willen
laten, omdat dan de beste tijd om werk te krijgen
voorbij is.
3740.    V. Zijn door u nooit bij werkgevers pogingen
gedaan om de plaatsen open te houden?
1 A. Neen.
3741.    V. Zoudt gij dat toch niet wenschelijk achten ?
A. Ik zou mij in zulk een geval plaatsen op het stand-
punt van de ouders. Zitten die jongens eenmaal in de
zesde klasse, dan behoeven zij ook niet langer te wachten,
want dan is het peil van ontwikkeling hoog genoeg om
het leven in te gaan.
3742.    V. Vindt gij het dus niet betreurenswaardig, dat
die jongens niet het einde van den cursus doorloopen ?
A. Het verschil van op te doene kennis voor die
jongens van Mei tot ultimo Juli is op mijne school niet
zoo groot, dat het vinden eener betrekking daarvoor
zoude moeten achtergesteld worden. De ouders moeten
gelegenheid hebben de jongens te plaatsen, hetgeen in eene
gemeente, als de onze, juist niet zoo heel gemakkelijk is.
3743.    V. Ik schijn dus te hebben gedwaald in de
meening, dat gij als onderwijzer het zeer moest betreuren,
wanneer de kinderen met Mei weggaan, in stede van met
Augustus. Bovendien was mijne vraag deze: of door u
wel pogingen gedaan worden, om eene plaats, die in Mei
voor een jongen openkomt, te doen openhouden tot
Augustus, zoodat de plaats niet voor hem verloren gaat ?
A. Die poging wordt door mij niet aangewend, want
een werkgever zoekt een jongen, meer niet, en als hij
den eenen jongen niet krijgen kan, neemt hij den anderen,
zoodat de poging toch niet gelukken zou.
374-1. V. Dit laatste kan alleen blijken, als de poging
werkelijk gedaan wordt.
A. Volkomen juist, maar bij mijn antwoord mag toch
ook wel rekening gehouden worden met mijne ervaringen
omtrent maatschappelijke toestanden.
3745. V. Verdwijnen de meisjes veel vroeger dan de
jongens uit de school ?
A. In den regel met haar 12de jaar.
374(5. V. Moet men, om tot de herhalingsschool toe-
gelaten te worden, de geheele lagere school hebben door-
loopen ?
A. De geheele school niet. De herhalingsschool voerde
van 1878 af een sukkelend bestaan. Wanneer zich 25
jongens aangaven, bleven er spoedig niet meer dan 13
over. Ik heb toen als directeur een verslag uitgebracht,
waarin er op werd aangedrongen om ons niet langer te
houden aan de wet, maar de berhalingsschool eenvoudig
te bestemmen voor jongens tusschen 12 en 16 jaren. De
grondslagen, waarop ik de inrichting wilde gebaseerd
zien, werden door het gemeentebestuur en door den
districts- en arrondissements-schoolopziener goedgekeurd.
De school, die met 52 leerlingen dit jaar is begonnen,
telt er thans nog 50, terwijl vroeger om dezen tijd de
school wel gesloten kon worden.
Verhoor van Gerrit Johannes Adelink, oud 55 jaar,
hoofd der Openbare School, te Wormerveer.
3734.     De Voorzitter: Uwe school is zeker eene gemengde
voor jongens en meisjes?
A. Ja.
3735.    V. Hoe is het met het schoolverzuim gesteld?
A, Dat is tegenwoordig nog al goed, maar vroeger
was dit veel minder. Wij hebben toen krasse maat-
regelen genomen om die verzuimen na te gaan; ik per-
soonlijk of een mijner onderwijzers bezocht de ouders,
en om de twee jaren hebben wij een schoolfeest, waar-
aan de verzuimers niet mogen deelnemen. Dit heeft
geholpen.
3736.    V. Meent gij vooruitgang in belangstelling te
kunnen constateeren van den kant der ouders?
A. Het feit is wel te constateeren, maar het motief
daarvoor zeer moeilijk.
3737.    V. Hoe staat het met den duur van het school-
bezoek? Blijven de jongens veelal langer dan hun
twaalfde jaar?
-4. In den regel verlaten zij de school op hun twaalfde
jaar; een enkele blijft tot zijn dertiende, en zeer zelden
blijven zij tot veertien jaar.
-ocr page 185-
176
3758. V. Vinden zij elders boeken van hunne gading,
wanneer zij ouder zijn geworden ?
3747. V. Hoeveel zijn er onder de 50. die de gewone
openbare school niet geheel doorloopen hebben ?
A. Ja, er is ook nog eene bibliotheek van het Nut,
daar vinden zij lectuur genoeg. Deze laatste bibliotheek
heeft twee afdeelingen, eene speciaal voor jongen.
3759.    V. Wordt er veel gelezen ?
A. Ja, iemand heeft mij wel eens gevraagd, of er ook
nieuwe boeken kwamen, want de oude (een HOOtal)
had hij al gelezen.
3760.    V. En is het over\'t algemeen ongezonde leeslust
of goede appetijt ?
A. Het laatste: rooverromans en lijfstraffelijke romans
heb ik indertijd naar den zolder doen verhuizen. Neen,
de werkman verlangt thans degelijke lectuur.
3761.    V. Hoe lang zijt gij te Wormerveer werkzaam ?
A. 29 jaar ruim.
3762.    V. En kunt gij ook intellectueelen vooruitgang
in dat tijdperk constateeren ?
A. Ja. Toen ik hier kwam was het in mijn vak treurig,
wat inrichting en onderwijs betreft. Ik stond met een
onderwijzer in een lokaal voor 123 kinderen. Na 1878 is
dat veel beter geworden. Wij hebben nu 6 lokalen en 6
onderwijzers, met goede leermiddelen, zoodat het peil van
het onderwijs zeer verhoogd is geworden.
3763.    V. Constateert gij ook in andere opzichten
vooruitgang ?
A. Ja, wat woningen en manier van leven betreft, is
er veel verbeterd. Het ziet er bij ons kleinsteeds, wei-
varend uit, zoodat men een gunstigen indruk van de
plaats ontvangt.
3764.    V. Hoe staat het met het drankmisbruik, in
vergelijking met vroeger ?
A. Dat is afgenomen. Wèl wordt drank nu en dan
in molens en fabrieken binnengesmokkeld, maar er wordt
toch streng tegen gewaakt.
3765.    V. Gij hebt eene school voor betalenden en
niet-betalenden, niet waar?
A. Bij mij gaan kinderen uit de hoogste en laagste
standen, die allen betalen.
3766.    V. Hoe wordt de grens getrokken tusschen
i betalenden en niet betalenden ?
A. Wie kosteloos onderwijs wenscht, vraagt dat aan
bij burgemeester en wethouders, en een van de wethouders
kent de menschen nog al in hunne huiselijke omstan-
digheden, zoodat deze adviseert. Wie geen 9, 10 gl. in
de week verdient, krijgt eene gunstige beschikking, maar
daar onze gemeente zich in de lengte uitstrekt, zenden
de menschen, die het even kunnen doen, de kinderen bij
mij om ze de lange wandeling te besparen.
3767.    V. Wordt aan dat bezwaar niet te gemoet
gekomen, door de kinderen kosteloos op uwe school toe
te laten ?
A. Van mijne school niet een; misschien een enkele
van de kostelooze lagere school. De herhalingsschool is
in twee afdeelingen verdeeld, waarvan men de laagste
gerust zou kunnen noemen eene inhalingsschool, want het
zijn allen stumpers, die daaraan deelnemen. Het zijn leer-
lingen van de kostelooze school of kinderen van parti-
culieren, die ik vroeger nooit gezien heb.
3748.    V. Is het met het schoolverzuim en den duur
van het schoolbezoek op de kostelooze school minder
gunstig gesteld dan bij u ?
A. De onderwijzers daar klagen zeer. maar cijfers zou
ik niet kunnen bijbrengen.
3749.    V. Klagen zij ook meer ten opzichte van de
meisjes, wat den duur van het schoolbezoek aangaat?
A. De meisjes verlaten daar vroeger de school en ver-
zuimen ook meer.
37.50. V. Wordt het herhalingsonderwijs gegeven in
uren, waarin er op fabriek of werkplaats gewerkt kan
worden ?
A. Juist dit jaar is de aanvang van de school gesteld
op half acht in verband met de arbeidswet. Vroeger was
de school van zessen tot achten.
3751.    V. Vertoonen de jongens, die gij aldus krijgt,
komende van den arbeid, naar lichaam en geest sporen
van afmatting ?
A. Neen, niet direct. Een enkelen keer is het voor-
gekomen, dat een jongen, die bij een boekverkooper
werkzaam was, voor het verder onderwijs bedankte. De
reden daarvan was, dat hij zooveel boeken en tijdschriften
rond moest brengen, dat hij \'s avonds liever zoude slui-
meren dan het onderwijs volgen.
3752.    V. Vertelde die jongen u hoeveel uren hij te
loopen had ?
.4. Neen.
3753.    V. Ondervindt gij bij de jongens van fabrieken
en werkplaatsen geen gevolgen van te langen arbeid?
A. Neen, dat kan ik beter constateeren bij de zoo-
genaamde ambachtsschool.
3754.    V. De jongens van die school zijn zeker uit de
bouwvakken ?
A. Ja, een enkele tuinmansjongen is er bij, maar uit
de fabrieken zijn er geen jongens.
3755.    V. Bezoeken veel jongens uit de fabrieken de
herhalingsschool ?
r
A. Neen. Eén had zich aanvankelijk aangegeven, maar
is niet op de les gekomen, daar hij bij een sigarenmaker
was; een andere, die op den molen „de Hoop" werkte,
had zich ook aanvankelijk aangegeven, doch is niet
verschenen.
3756.    V. Is aan uwe school eene bibliotheek ver-
I >onden \'i
A. Dat ligt in proces. De Minister wenscht de wet
naar de letter toe te passen. De onderhandelingen
tusschen den Minister en het Gemeentebestuur duren
nog voort.
3768. V. Hebt gij kinderen op school uit gezinnen
van losse arbeiders?
A. Verscheidenen.
A. Neen, maar de gelegenheid om boeken te krijgen,
is heel gemakkelijk. Er is eene particuliere inrichting,
door dames geadministreerd, waar de kinderen kosteloos
boeken kunnen krijgen.
.5757. V. Is er eene afdeeling voor kinderen?
A. Ja, de grens is tot 12 jaar, doch sommigen nemen
er tot hun 14de jaar deel aan.
-ocr page 186-
177
A. Tot hun twaalfde jaar; eene enkele maal tot hun
dertiende of veertiende jaar.
3781.    V. Gaan zij onmiddellijk, als zij 12 jaar zijn,
zelfs in het midden van den cursus, van school?
A. Zeker; een kind kwam mij op Zaterdag-middag
zeggen, dat het van school ging, omdat het dien dag 12
jaar geworden was.
3782.    V. Worden door u pogingen aangewend om
de ouders van dat besluit af te houden ?
A. Ja, maar wanneer er een „stiek" voor zulk een
jongen is, gaat hij toch van school.
3783.    V. Ligt het daaraan, dat de plaats anders aan
een ander wordt gegeven ?
.4. Ja, dat is meestal het geval.
3784.    V. Zijn er door u bij de werkgevers nooit
pogingen aangewend om in zulk een geval de ,,stiek" voor
den jongen open te houden ?
A. Neen; zij kunnen voor eene plaats zooveel jongens
krijgen als zij maar willen.
3785.    V. Maar gij hebt u nooit overtuigd, of dat
vermoeden als zou het toch niet geven, gegrond is ?
A. Neen.
3769.    V. Kunt gij verschil constateeren tusschen die
kinderen en andere ?
A. De ouders hebben nog al eens moeite om het
schoolgeld bijeen te krijgen.
3770.    V. Is die moeite om het schoolgeld te betalen
het gevolg hiervan, dat zij te weinig verdienen, of dat
zij in tijden van ruimte het er te breed van nemen ?
A. \'s Zomers hebben zij het heel goed, maar ten
gevolge van de vroegere welvaart wordt hier aan fle
Zaan over het algemeen nog al wat hoog geleefd, en
als die menschen eens 20 gulden verdienen \'s zomers,
hakken zij er wel eens te diep in, wat zij \'s winters
dan moeten bezuren.
G. .1. Adei.ink.
A. Kerdi.ik, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le POOLE.
W. M. Visser.
W. H. ,1. Kou aards. Adj.-secretaris.
3786.    V. Wordt door de kinderen, die uwe school
op hun 12de jaar verlaten, zooveel bagage in het leven
I medegenomen, als gij voor de reis hoogst wenschelijk acht?
A. Door velen niet.
3787.    V. Zijn er velen, die de hoogste klasse niet
doorloopen ?
A. Neen, enkelen.
3788.    V. Zoudt gij u, als onderwijzer, zeer verheugen,
indien het schoolbezoek langer duurde?
A. Zeker; ik zou het tot 14 jaar willen uitgebreid
zien.
378C. V. Zijt gij daarvan in het belang der kinderen
zóó doordrongen, dat naar uwe meening het financieel
bezwaar, hetwelk ongetwijfeld daardoor voor de gezinnen
zou ontstaan, daartegen niet mag opwegen ?
A. Ja, het belang van de kinderen moet hier voor-
gaan.
3790.    V. Zoudt gij u verheugen, indien de wetgever
den minimum leeftijd, waarop het kind mag gaan werken,
op 14 jaar stelde?
A. Ja, zeer.
3791.    V. Zoudt gij niet bang zijn, dat, al werd die
maatregel genomen, de jongens toch niet op de school
zouden blijven?
A. Neen.
3792.    V. Het verbod van arbeid zou in allen gevalle
voor de meisjes wel niet veel baten. Meent gij, dat ook
ten aanzien van dezen de wetgever maatregelen moet
nemen, met andere woorden: den leerplicht moet invoeren
om de verlenging van het schoolbezoek te verzekeren?
A. Dat zou zeer wenschelijk zijn in dat opzicht. De
meisjes verlaten vroeger de school, vooral om moeder in
de huishouding te helpen. Het zou echter het beste zijn,
wanneer de meisjes tot haar 13de jaar bleven.
45
Verhoor van Martinus Smink, oud 52 jaar, hoofd der
bijzondere Christelijke School, te Wormerveer.
3771.    De Voorzitter: Zijt gij niet vroeger werkzaam
geweest te Delft?
A. Ja.
3772.    V. En daar gaaft gij onderwijs aan dezelfde
catagorie van kinderen als hier?
A. Ja, aan werkmanskinderen, doch niet uitsluitend.
3773.    V. Wanneer gij de werkmanskinderen van daar
vergelijkt met die van Wormerveer, wat is dan uw oordeel ?
A. In algemeene ontwikkeling staan de kinderen
hier achter bij die uit Delft, maar niet in oordeel.
3774.    V. Zijt gij ook bekend met de ouders ?
A. Ja, met degenen, met wie ik door „Patrimonium"
in aanraking kom.
3775.    V. Kunt gij ook eene vergelijkend oordeel uit-
spreken over de werklieden van Delft en die van Wor-
merveer?
A. Neen, want de werklieden te Delft ken ik niet.
3776.    V. Hoe groot is het aantal uwer leerlingen?
A. 71, jongens en meisjes.
3777.    V. Betalen zij allen schoolgeld?
A. Ja, maar niet hetzelfde bedrag.
3778.    V. Hebt gij veel te kampen met schoolverzuim ?
A. Neen, heel weinig.
3779.    V. Hoe lang zijt gij hier onderwijzer?
A. Bijna 7 jaar.
3780.    V. Tot welken leeftijd blijven de kinderen op
school ?
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 187-
7S
wettelijke maatregelen ter verlenging van den duur van
het schoolbezoek.
M. Smink Jr.
A. Kkroijk. Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards. Adj.-secretaris.
3793.    V. Komt gij veel met oud-leerlingen in aan-
raking?
A. Neen, ik spreek er slechts een enkele.
3794.    V. Te weinigen om een oordeel over den invloed
van den arbeid uit te spreken ?
A. Daarover kan ik geen oordeel uitspreken.
3795.    V. Ons is gesproken over eene particuliere
kinderbibliotheek; wordt daarvan door uwe leerlingen
gebruik gemaakt ?\'
A. Ja, niet door allen, maar door velen uit de ver-
schillende klassen.
3796.    V. Wordt daarop door u aandrang uitgeoefend ?
A. Neen, dat is eigen liefhebberij.
3797.    V. Hebt gij eene bibliotheek aan uwe school ?
A. Neen.
3798.    V. Maken de oudere jongens en volwassenen
gebruik van de Nutsbibliotheek ?
A. Neen, de Jongelingsvereeniging heeft eene biblio-
theek. die ook voor de leden van „Patrimonium" openstaat.
3799.    V. Dat is voor vol wassen mannen toch niet
altijd de geschiktste lectuur\'?
A. Andere lectuur is mij bij hen niet bekend.
3800.    V. Wat gebeurt er in de Jongelingsvereeniging?
A. Een gedeelte van den avond is gewijd aan bijbel-
bespreking, dan wordt er eene voordracht gehouden en
ten slotte gezellige kout.
3801.    V. Vergadert de vereeniging op vaste dagen?
A. Ja. in een lokaal, dat aan mijne school grenst.
3802.    V. Wordt er druk gebruik gemaakt van die
vereeniging?
A. Zij verkeert tegenwoordig in een tijdperk van
renaissance, wat wel voor een goed deel aan mijn kwee-
keling zal te danken zijn.
3803.    V. Zijn er nog andere vereenigingen ?
A. Niet anders dan liefhebberij-tooneelgezelschappen.
Ook aan muziek en zang wordt veel gedaan in onzen
kring. Wij hebben een mannenkoor, dat in een van de
lokalen van de school zingt.
3804.    V. Blijft dit streng afgescheiden naar de rich-
ting?
A. Ja, vrij wel.
3805.    V. Acht gij dat wenschelijk ?
A. Neen, doch hierbij moet men niet vergeten, dat er
bezwaren kunnen bestaan, b. v. voor mannen van mijne
richting ten aanzien van uitvoeringen op Zondag.
3806.    V. Hebt gij van uwen kant nog onze aandacht
o]) het een of ander te vestigen ?
A. Ik wil alleen nogmaals de aandacht vestigen op
Verhoor van Dirk Van der Hoeven, oud 31 jaar, winke-
lier en koopman, secretaris van de afdeeling van
„Patrimonium", te Wormerveer.
3807.    De Voorzitter: Hoeveel leden telt de afdeeling
van „Patrimonium\'"?
A. Twee en dertig.
3808.    V. Zijn onder de leden verschillende vakken
vertegenwoordigd ?
A. De meeste leden zijn fabrieksarbeiders.
3809.    V. Bestaat het bestuur uit werklieden?
A. Neen.
3810.    V. Hoe komt dat?
A. De reden is daarin gelegen, dat het aan werklieden
soms moeilijk valt die functiën waar te nemen, meestal
door gebrek aan tijd.
3811.    V. In de schriftelijke mededeelingen uwer
afdeeling wordt gesproken van twee fabrieken, eene,
waar geen rusttijd wordt gegeven en de werklieden
onder het werk door hun eten zoo spoedig mogelijk
moeten gebruiken, en eene andere, waar ook wel geen
i rusttijd bestaat, maar waar het werk wat gemakkelijker
1 wordt gemaakt. Zijn dat fabrieken van dezelfde soort?
A. De eene is eene oliefabriek, de andere een rijst-
pelmolen. De eerste behoort aan de firma Prins.
3812.    V. Is dat op andere oliemolens beter?
A. Dat weet ik niet. Onze mededeelingen zijn alleen
ontleend aan de leden van Patrimonium.
3813.    V. Komt het veel voor, dat, zooals uwe afdee-
ling schriftelijk meldde, gezonden, het werk voor zieken
waarnemend, 18 uren moeten werken?
A. Alleen als er zieken zijn; hoe dikwijls, is moeilijk
op te geven.
3814.    V. Hebben de leden uwer afdeeling, toen zij,
blijkens de schriftelijke inlichtingen, den wensch te ken-
nen gaven van afschaffing van allen nachtarbeid, zich ook
van de mogelijkheid daarvan rekenschap gegeven? Dan
zou die wensch zeker grootere waarde hebben.
A. Ja. Of afschaffing van nachtarbeid mogelijk is.
hebben wij wel besproken; wij zien er ook wel de moei-
lijkheid van in, maar als leden van „Patrimonium"
hebben wij dat niet kunnen uitmaken.
Door de werklieden is intusschen wel de wensche-
lijkheid uitgesproken, maar de uitvoering van hunne
-ocr page 188-
179
vvenschen zou kunnen afstuiten op financieele bezwaren
van de patroons.
3815.    V. Het is de vraag, of die zóó overwe-
gend zouden zijn, dat het bedrijf ze niet zou kunnen
dragen, zoodat per slot van rekening de schade op de
arbeiders zou neerkomen. Heeft men zich daarom-
trent rekenschap gegeven ?
A. Neen, eene besliste opinie is daaromtrent niet
uitgesproken.
3816.    V. De afdeeling dringt ook aan op afschaffing
van allen Zondagsarbeid en vermeldt, dat die in den
regel duurt, voor de nachtploeg, tot Zondag-morgen 4,
6, 8 uur. Is u ook eene fabriek bekend, waar dat uur
vroeger is dan voorheen ?
A. Neen.
3817.    V. Thans rust de arbeid in de fabrieken
van Zondag-morgen tot Maandag-morgen. Zou het door
de werklieden een groote stap voorwaarts genoemd
worden, indien de arbeid eindigde des Zaterdagnachts
om 12 uur om weder \'s Zondag-nachts om 12 uur aan
te vangen ?
A. Ja, in de afdeeling van „Patrimonium" natuurlijk
wel ter wille van het beginsel. Hoe de andere werklieden
daaromtrent denken, is mij niet bekend.
3818.    V. Weegt, afgescheiden van hun beginsel, bij
de leden uwer afdeeling ook de omstandigheid, dat de
arbeiders, des Zondag-ochtends uit hun werk komende,
een deel van dien dag moeten slapen en niet aan het
huiselijk en maatschappelijk verkeer kunnen deelnemen?
A. Ja, ook wel.
3819.    V. Is er nooit aan gedacht om te trachten in
dat opzicht eene andere arbeidsregeling te erlangen ? Zijn
er stappen in dien zin gedaan bij de werkgevers?
A. Neen.
3820.    V. Waarom niet?
A. De afdeeling Wormerveer telt maar een klein
aantal leden. Er is echter nog nooit over het doen
van stappen gesproken.
3821.    V. Te Wormer bestaat ook eene afdeeling;
zoudt gij u niet met haar kunnen combineeren?
A. Jawel.
3822.    V. Dat waren dan al twee vereenigingen, die
stappen zouden kunnen doan; en toch is dat niet gedaan,
waar het eene in uw kring zoo diep gevoelde behoefte
gold?
A. Neen.
3823.    V. Er wordt in de schriftelijke mededeelingen
gesproken van eene fabriek, waar een fonds bestaat, door
•en der patroons geheel uit eigen middelen gesticht,
voor ondersteuning in sommige gevallen. Welke is die
fabriek?
A. Van Bloemendaal & Laan.
3824.    V. Wordt het bestaan van dat fonds zeer ge-
waardeerd?
A. Ja.
3825.    V. Hoe is, voor zoover uwe kennis reikt, de
regel in uwe gemeente in geval van ziekte en ouderdom ?
A. Omtrent de fabrieken kan ik weinig mededeelen.
3826.    V. Is het niet regel, dat de werkgever bij ziekte
het loon geheel of gedeeltelijk door laat gaan ?
A. Daar is geen regel voor; het is de vrije wil van
den patroon, wanneer hij het doet.
3827.    V. Zijn u gevallen bekend, dat de werkgever
den ouden, afgeleefden werkman niet aan zijn lot over-
laat, maar hem eene voldoende uitkeering geeft om zijn
levenseinde te halen?
A. Wel, dat hem eene ondersteuning gegeven werd. Of
die voldoende was, weet ik niet.
3828.    V. Is dat een opvallend feit in uwe gemeente ?
A. Ja.
3829.    V. De Iconen worden, zoo schreef uwe afdee
ling, in den regel des Zaterdag-avonds uitbetaald, maar
de nachtwerker brengt eerst des Zondags zijn loon
thuis. Dat wordt door uwe afdeeling betreurd. Is wel
eens door de leden van uwe afdeeling, mede met een
beroep op hun beginsel, tot de werkgevers het verzoek
gericht, om des Zaterdag-morgens uit te betalen, zoodat
het geld \'s Zaterdags in het gezin komt?
A. Door de afdeeling niet, maar wel door werklieden,
en hunne pogingen zijn meestal met een gunstigen uitslag
bekroond.
3830.    V. Dan begrijp ik de klacht niet. Zij, die het
gevraagd hebben, hebben wil van de reis gehad, en de
afdeeling heeft het niet gevraagd. Welke is dan de
reden van klagen? Of zijn u gevallen bekend, waarin
de werkman het gevraagd heeft en een weigerend
antwoord heeft gekregen ?
A. Zulke gevallen zijn mij niet bekend.
3831.    V. Het is dus de eigen schuld der werklieden,
dat geschiedt, wat in uw kring zoo betreurd wordt?
A. Voor zoover mijne kennis reikt, ja.
3832.    V. Kent gij werkgevers, die op andere avonden
in de week uitbetalen ?
A. Ja; de firma Van Gelder, die\'s Woensdags, en de
firma Wessanen & Laan, die \'s Dinsdags uitbetaalt.
3833.    F. Is dat altijd bij die firma\'s gebruikelijk
geweest ?
A. Voor zoover ik weet, wel.
3834.    V. Zijn er in uwe vereeniging olieslagers, die
om de 14 dagen betaald worden ?
A. Dat weet ik niet.
3835.    V. Er wordt in het stuk, hetwelk wij van uwe
vereeniging ontvingen, gedrukt op de behoefte aan een
officieel orgaan, ter behartiging van de belangen van den
werkman.
Hebt gij in de werkzaamheden van uwe afdeeling
ondervonden, dat eene vereeniging als de uwe inderdaad
niet in gewenschte mate kan opkomen voor de belangen
van de arbeiders?
A. Dat hebben wij in onze vereeniging niet onder-
vonden. Onze vereeniging is in die zaken nog al kiesch
geweest. Er is namelijk sprake geweest in „Patrimonium"
om in een bepaald geval tusschenbeide te komen. Maar
zij heeft dit niet gedaan, en wij hebben toen verder niet
meer van de zaak gehoord.
3836.    V. Bestaat intusschen in uwen kring de vrees,
dat eene vereeniging, als de uwe, niet hetzelfde zou kunnen
tot stand brengen, als een officieel lichaam?
-ocr page 189-
180
hoofden der werklieden vallen kan. Dat kan verholpen
worden door eene soort zoldering onder het wiel te maken,
zoodat het wiel, wanneer het valt, niet op de arbeiders
neerkomt.
3842.    V. Zijn daar wel eens ongelukken gebeurd .\'
A. Neen.
3843.    V. Zijn er niet juist onlangs in die fabriek
nieuwe voorzorgsmaatregelen genomen 1
A. Neen, doch wel in de nieuwe deelen,die de firma
er bij heeft gebouwd.
3844.    V. Wordt door de werklieden van den heer
Prins, die in de nieuwe inrichting werken, niet gezegd,
dat het een hemel is, vergeleken bij de oude ?
A. Ja.
3845.    V. Vindt dat zijne reden in het mindere stof,
dat er is, of in het v ervallen van het gedruisch ?
A. Ik denk in beide.
3846.    V. Hebt gij onze aandacht nog op een of ander
punt te vestigen ?
A. Ja, op de wenschelijkheid om in de fabrieken
beter te zorgen voor rusttijden om te eten.
D. Van der Hoeven.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Dat zon ik niet kunnen zeggen. Wel wenschten
wij een officieel orgaan voor het bijleggen van geschillen
tusschen werkgevers en werklieden, die dan langs
wettigen en goeden weg zouden kunnen opgelost worden.
8837. V. Denkt gij u zulk een officieel orgaan, dat
is eene Kamer van Arbeid, met het recht van beslissing
tusschen patroon en werkman ?
A. In het laatste ressort niet. De patroon is een
zelfstandig persoon, de werkman ook.
3838.    V. Wat beschouwt gij dan als hare roeping ?
A. In de eerste plaats om in bedoelde geschillen ad-
viseerend op te treden en die geschillen bij te leggen.
3839.    V. Denkt men zich in uwen kring die Kamer
samengesteld uit werkgevers en arbeiders beiden ?
A. Ja.
3840.    V. Verwacht men daarvan in uwen kring meer
heil dan van eene vertegenwoordiging van werkgevers aan
de ééne zijde, Ioh van eene vertegenwoordiging van
werklieden, aan de andere zijde? Verwacht men goede
vruchten van het te zamen zitten aan dezelfde tafel ?
A. Zeker, dit laatste is dan ook de bepaalde bedoe-
ling van onze afdeeling.
3841.    V. Werd in de schriftelijke inlichtingen uwer
afdeeling, gewagend van eene fabriek, waar de toestand der
werktuigen gevaar oplevert, gedoeld op eene bepaalde
fabriek ?
A. Ja, de fabriek van den heer Prins. Ik heb uit de
mededeelingen van een werkman gehoord, dat op den
zolder groote raderen zijn, die door den zolder heengaan,
hetgeen het gevaar oplevert, dat de heele boel op de
-ocr page 190-
ZITTING VAN DINSDAG 13 JANUARI 1891.
Tegenwoordig de heeren:
Kerdijk, Voorzitter.
Le Poole.
Visser.
A. Als er wind is, niet. Meer volk kan men niet
aannemen, want met windstilte hebben wij somtijds
geen werk.
3853. V. De plaatselijke toestand te Wormer is immers
zoo, dat vele arbeiders wonen in Wormer veer en werken
in fabrieken te Wormer of omgekeerd?
A. Het eerste is het geval; de werklieden op de
fabrieken van Wessanen & Laan, Rloemendaal & Laan
en Prins wonen te Wormerveer, en ik meen voor een
deel te Krommenie.
Verhoor van Dirk Wakker, oud 28 jaar, molenaar
en voorzitter der afdeeling Wormer van het
Nederlandsch Werklieden-Verbond
„Patrimonium".
3847. De Voorzitter: Met hoeveel man werkt gij
;ian den molen?
A. Met 2 knechts. Ik werk zelf mede.
•\'5848. V. Is het niet regel, dat er 4 man aan een
molen werken ?
A. Ja, maar mijn molen is voor de eene helft pel-,
voor de andere meelmolen. In slappe tijden hebben wij
wel met zijn tweeën het werk gedaan. In meer drukke
tijden hebben wij wel met 4 man gewerkt.
3849. V. Hoe is dan bij u de werktijd verdeeld ?
A. Dat hangt af van den wind. Wij beginnen om 8,
9 uur en blijven dan tot 5, 6 uur in den avond. Dan
gaat er een naar bed tot 12, 1 uur en werken de 2 man
door; dan gaat er weder een naar bed voor zoo\'n poos,
en dat wisselt zoo om. Ieder werkt hoogstens 17 uren,
en bij uitzondering wordt er wel eens 20 uren gewerkt.
De nachttijd is echter steeds minstens 7 uren.
38.50. V. Vindt gij dat niet een verbazend lange tijd ?
A. Och, betrekkelijk. Wij hebben telkens fatsoenlijke
rusttijden. Als wij een uur of drie gewerkt hebben, gaan
wij koffie drinken of wat eten. Evenwel, ik geef toe, dat
met 4 man de verdeeling mooier is te maken; dan
behoeft men niet langer dan 16 uren te werken.
3851.    V. Is de regeling van den arbeid niet anders
te maken, zoodat niet meer zoo langdurige arbeid behoeft
voor te komen?
A. Wanneer de winsten van het bedrijf dit toelieten,
zou men er een vierden man bij kunnen nemen, maar
bij wind zou men dan toch 16 a 17 uren moeten werken.
3852.    V. Is in dien arbeidsduur van 16, 17 uren
geen verandering te brengen?
Enquête. — De Zaankant.
V. Is de arbeidersbevolking van Wormer zelf
3854.
talrijk ?
A. Ik meen, dat op de fabriek „de Eendracht" te
Wormer 150 a 160 man werken; voegt men daar een
50-, 60-tal bij, dat als timmerlieden enz. werkt, dan krijgt
men een aantal van 200 werklieden ongeveer.
3855.    V. Hoe talrijk is het ledental van de afd.
Wormer van „Patrimonium"?
A. Vijftien.
3856.    V. Hoeveel werklieden zijn daaronder?
A. Er zijn 4 bazen en 11 werklieden.
3857.    V. Waarom zijn de afdeelingen Wormer en
Wormerveer, gevestigd in twee gemeenten, die feitelijk
één geheel vormen, slechts door eene gemeentelijke
grens gescheiden, niet één gebleven ?
A. Vroeger was ik lid van de afd. Wormerveer, maar
enkelen te Wormer wenschten geen lid te worden van
die afdeeling, en daarom is besloten tot oprichting van
eene afzonderlijke afdeeling.
3858.    V. Onderscheidene getuigen hebben ons gezegd,
dat de olieslagers een treurig bestaan hebben. Is dat ook
uwe meening?
A. In betrekkelijken zin, ja, maar de verdiensten zijn
vrij goed, al heeft men ook soms zeer drukken arbeid;
maar ook naarmate men harder werkt, verdient men
46
-ocr page 191-
182
meer geld. Het is echter een slaafsch leven, omdat het
werk met wind onafgebroken duurt.
3859.    V. Staan zij bij de bevolking het slechtst aan-
geschreven ?
A. Ja, men zegt: het is een olieslager, dat kan men
wel zien; omdat zij over het algemeen niet erg handig
zijn. Ook wat de ontwikkeling en de gezondheid betreft,
staan zij bij andere werklieden achter.
3860.    V. Is er iets op de u gezonden lijst van vraag-
punten, waarop gij het in het bijzonder wenschelijk acht
het volle licht te laten vallen ?
A. Neen.
3861.    V. Is de stoffelijke toestand van de papier-
makers in uwe gemeente zeer ongunstig?
A Neen.
3862.    V. Er zijn, naar ik meen, in Wormer geen
wind-papiermolens, maar gij hebt die waarschijnlijk daar
vroeger gekend, of iets van andere papiermolens gehoord ?
A. Weinig. De „Eendracht" had te Wormer een
papiermolen, maar die is eenige jaren geleden gesloopt.
3863.    V. Zijn de verdiensten in de papierfabriek
niet aanzienlijk lager dan in andere takken van bedrijf?
A. Dat geloof ik niet.
3864.    V. Hoort gij in uw kring veel klagen over de
niet vrije beschikking over den Zondag?
.1. Neen, want bij ons wordt, op eene enkele uitzon-
dering na, op Zondag niet gewerkt.
3865.    V. Hoort gij niet, dat het in hooge mate betreurd
wordt, dat men, door het werken van Zaterdag-nacht op
Zondag, een gedeelte van den Zondag moet slapen?
A. Wanneer gij in zeer engen kring bedoelt, ja; en
wel omdat wij Christen-werklieden zijn en elk uur van
den Zondag voor ons geheiligd is.
3866.    V. Dus in uwen kring betreurt men het alleen
om des beginsels wille?
A. Anders niet.
3867.    V. Wanneer er wind is, wanneer wordt dan
bij u de arbeid gestaakt?
A. Wij werken tot Zaterdag ongeveer middernacht
en beginnen weer met middernacht van Zondag op
Maandag.
3868.    V. Hebt gij door die regeling geldelijk nadeel ?
A. Neen, want hoewel wij vroeger eindigen, beginnen
wij ook weer vroeger, zoodat dit op hetzelfde neerkomt.
3869.    V. Gelooft gij, dat het ook buiten uwen kring
als eene verbetering zou worden beschouwd, wanneer, zoowel
voor fabrieken als voor molens, dezelfde regel gold, dat
\'s Zaterdags na middernacht niet werd doorgewerkt, maar
dan ook de arbeid werd hervat, niet Maandag-morgen,
maar Zondag-middernacht?
A. Ik geloof, dat de meeste arbeiders het liever niet
zouden wenschen ; \'s Zondag-avonds zit men namelijk bij
elkander zoolang men wil, omdat men eerst om zes
uur op den molen behoeft te zijn, maar wanneer men
\'s nachts om twaalf uur weer aan het werk zoude moeten
zijn, zou men den Zondag-avond moeten gebruiken om
te slapen.
3870.    V. Zoodat, naar uwe meening, de toestand eerst
zou worden, zooals gij dien wenscht, wanneer de arbeid
gestaakt werd van Zaterdag-middernacht, tot Maandag-
morgen zes uur bij voorbeeld?
A. Dat zou het allerverkieslijkst wezen.
3871.    V. Is het u bekend, of de arbeidswet in uwe
gemeente trouw wordt nageleefd?
A. Ik had liever ge wenscht, dat u mij die vraag niet
had gedaan.
3872.    V. Maar toch moet ik haar herhalen.
A. Is het mijn plicht te antwoorden?
3873.    V. Ja.
A. Dan zeg ik, dat ik aan de trouwe naleving twijfel.
3874.    V. Strekt die twijfel zich ook uit tot arbeid
van kinderen beneden 12 jaar?
A. Neen.
3875.    V. Doelt gij er op, dat kinderen tusschen 12 en
16 jaar langer werken dan de wet toelaat?
A. Zoo niet langer, dan toch op tijden, waarop het
niet mag, d. i. vóór \'s morgens 5 en na \'s avonds 7 uur.
3876.    V. Wordt er ook \'s ochtends vóór 5 uur door
personen van dien leeftijd gewerkt?
A. Ik heb alleen twijfel uitgesproken, doch het zou
mij moeilijk vallen dit bepaald door voorbeelden te
bewijzen.
3877.    V. Hebt gij er over hooren spreken, dat er
door jeugdigen tusschen 12 en 16 jaar \'s nachts werd
gewerkt ?
A. Ja.
3878.    V. Kan ik er op rekenen, dat gij de volle
waarheid spreekt?
A. Ja.
3879.    V. Komt dat nachtwerk, waarover gij hebt
hooren spreken, voor op molens of op fabrieken?
A. Op molens neemt men geen jongens beneden lti
jaar. Alleen op de pelmolens zou het de hutjongen
kunnen wezen. De gevallen, waarvan ik sprak, zullen zich
wel uitsluitend tot de fabrieken bepalen.
3880.    V. Betwijfelt gij, of in de papierfabriek de wet
strikt wordt nageleefd?
A. Ja.
3881.    V. Is u iets bekend van maatregelen, van
overheidswege genomen, om de wet getrouw te doen
naleven ?
A. Niets.
3882.    V. In kleine gemeenten zijn zulke zaken spoedig
bekend. Gelooft gij, (lat er in het geheel geen toezicht
wordt uitgeoefend?
A. Ik heb nooit gehoord, dat er wel toezicht wordt
uitgeoefend.
3883.    V. Op de molens werken de jongens van H>
—18 jaar met de volwassenen op, niet waar?
-ocr page 192-
183
A. Ja.
3895. V. Zijn er vele oliemolens in de gemeente?
A. Een stuk of tien.
3896.    V. Hoort gij het wel betreuren, dat om de
14 dagen uitbetaald wordt?
A. Neen, maar het komt ook maar bij uitzondering
voor.
3897.    V. Ons is bepaald gezegd, dat elders aan
de Zaan, in de oude windoliemolens, de 14-daagsche
uitbetaling regel is. In uwe gemeente dus niet?
A. Bij ons is het uitzondering, voor zoover ik weet (1).
3898.    V. In de schriftelijke inlichtingen uwer afdee-
ling staat, betreffende de trasmalerij enz.: „De Rietvink",
het volgende: „Bij ziekte ontvangen de arbeiders hun
volle geld, terwijl voor het hoofd der fabriek een pen-
sioenfonds (?) bestaat, waaruit bij overlijden ook zijne
weduwe geld ontvangt." Dat klinkt dwaas, een pen-
sioenfonds voor het hoofd der fabriek; is daar misschien
eene schrijffout in?
A. Ik had geen tijd om nader te informeeren, daarom
heb ik een vraagteeken achter het woord pensioenfonds
gezet; ik wil echter gaarne nog eens nader informeeren;
met „het hoofd der fabriek" wordt natuurlijk de meester-
knecht bedoeld (2).
3899.    V. Hebt gij zelf ons nu nog iets mede te deelen ?
A. Ik wensch er nog op te wijzen, dat ik het zeer
verkieslijk zou achten, indien de jongens in den molen,
in plaats van op zestienjarigen leeftijd, op hun veertiende
jaar als volle knecht mochten gebezigd worden.
3884.    V. Wordt het in uw kring betreurd, dat de
wetgever het verbod niet tot 18 jaar heeft uitgestrekt?
A. Neen, voor den molen zou ik juist omgekeerd willen
redeneeren. Daar kunnen de jongens gerust allerlei werk
verrichten, dat hun niets zal hinderen. In de werkelijk-
heid is dat zoo erg niet. Het duurt wel lang, maar het
werk is niet zwaar, en nu moet men een volwassen man
nemen voor allerlei jongenswerk.
3885.    V. Gij ziet er dus geen bezwaar in, dat jongens,
zooals ons werd medegedeeld, den dag na hun 16de jaar
met volwassenen op werken?
A. Neen, althans voor de molens. Wel, waar fabrieks-
werk is, want daarbij bestaat niet die afwisseling van
werken en rusten.
3886.    V. Hebt gij wel vernomen, dat jongens beneden
16 jaren gebezigd worden voor het schoonmaken van
stoomketels ?
A. Neen.
3887.    V. Worden stoomketels wel op Zondag schoon-
gemaakt ?
A. Hiervan ben ik niet op de hoogte. Het schijnt
echter wel te gebeuren.
3888.    V. Hebt gij ooit vernomen, dat iemand in
een ketel moest gaan vóór die geheel afgekoeld was?
A. Nooit.
3889.    V. Wordt in uw kring gewenscht, dat de mini-
mum-leeftijd, waarop de jongens mogen arbeiden, ver-
hoogd zal worden ?
A. Neen. Ik geloof, dat verbod tot het 12de jaar
voldoende is.
3890.    V. Acht men dus in uw kring het schoolgaan
tot 12 jaren voldoende?
A. Ja.
3891.    V. Zijn er onder de leden uwer afdeeling, die
voor hunne kinderen gebruik maken van herhalings-
onderwijs ?
A. Neen.
3892.    V. Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Vooreerst weet ik niet, of er zooveel kinderen van
leden zijn, die in de termen voor dat onderwijs zouden
vallen, wat ik betwijfel; maar bovendien meen ik, dat
de algemeene opinie is, dat de kinderen zulk onderwijs
niet noodig hebben, met het oog op den werkkring,
waartoe zij later geroepen zullen worden.
3893.    V. Vindt gij, dat een arbeider voor zijn kind
tevreden mag zijn met het onderwijs, hetwelk dit tot
ijn 12de jaar ontvangt op de gewone lagere school, en
daarmede uit?
A. Ik geloof, dat men in de meeste gevallen daarmede
kan volstaan.
3894.    V. De uitbetaling der loonen geschiedt te
Wormer om de 8 dagen, niet waar? Of komt 14-daagsche
uitbetaling voor?
A. In enkele oliemolens.
3900.    V. Zegt gij dat als werkgever?
A. Neen, ik heb het meer dan eens ook door anderen
hooren betreuren.
3901.    V. Het dunkt mij zeer vreemd, dat men het, juist
waar het nachtarbeid geldt, al komt die niet geregeld
terug, vrij onverschillig vindt, of jongens van 14 of 15
jaar — op een leeftijd dus, waarop nachtrust eene ge-
biedende behoefte van het lichaam is — van die nacht-
rust verstoken worden.
A. Maar is het nu voor een jongen van 14 jaar juist
een eisch, dat hij kan slapen van \'s avonds 10 tot
\'s morgens 4 uur ? Waarom zou hij niet kunnen slapen
van \'s avonds 6 tot 12 uur, dan heeft hij ook 6 uren
nachtrust? De verdeeling van den werktijd van 15 uren
moest geheel worden overgelaten aan den molenaar.
Maar juist omdat zulk een jongen niet vóór 5 uur mag
werken, heeft men niets aan hem.
3902.    V. Gij oordeelt het dus voor een jongen van
14 a 15 jaar niet nadeelig, dat hij 15 uren per dag werkt,
en evenmin nadeelig, dat zijne nachtrust niet steeds op
denzelfden tijd valt?
A. Juist.
D. Wakker.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M Visser
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretarifi.
(i) Later meldde de getuige schriftelijk, dat hij zich had vergist,
aangezien ook in zijne gemeente, naar hem bij nader onderzoek
was gebleken, de uitbetaling geschiedt om de 14 dagen.
(2) In een later schrijven berichtte de getuige: nlndien de mees-
teiknecht komt te overlijden, ontvangt zijne weduwe, zoolang zij
ongehuwd blijft, wekelijks\'f 3. Vroeger was deze gunstige bepaling
voor al de knechts vastgesteld, en als uitvloeisel daarvan geldt zij
thans alleen nog voor den oudsten."
-ocr page 193-
184
gevers als bij diegenen, welke het ambachtsonderwijs
nebben bestudeerd, de heerschende?
A. Verreweg de meesten zijn van oordeel, dat het
i het best is de jongens tot hun 13de of 14de jaar op school
I te laten, hen dan in de werkplaats te brengen en dan
i \'s avonds hunne opleiding aan te vullen met teeken-
j onderwijs en andere vakken, doch vooral ook met
! practisch timmeren en smeden.
3913.    V. Waarom geeft men dan op de ambachts-
i school, die toch alleen dienen moet als aanvulling van
de practische opleiding in de werkplaats, niet alleen
onderwijs in het teekenen, maar ook practische Hes in
timmeren en smeden? Is de opleiding in de werkplaats
in dat opzicht dan onvoldoende?
A. Wij zijn met het timmeren pas vijf en met het smeden
eerst een of twee jaar geleden begonnen. Het uitgangs-
! punt is daarbij geweest, dat de jongens op de werk-
plaatsen niet uitsluitend onderwezen moeten worden in hun
vak, maar ook tijd moeten besteden aan bijkomende
werkzaamheden. De andere werklieden hebben niet
genoegzaam tijd om onderwijs te geven. Die Hink en
gevat zijn, leeren toch wel, maar bij anderen laat dat te
wenschen over, en daarom heeft men gemeend die leemte
te moeten aanvullen.
3914.    V. Is die practische opleiding in de school
ingevoerd onder toejuiching van de bazen?
A. Niet van alle. Er zijn er ook, die er niet veel
in zien.
3915.    V. Maar erkennen zij, die er wel mede zijn
ingenomen, dat de practische opleiding in de werkplaats
ontoereikend is?
A. Ja.
3916.    V. Acht gij de ontwikkeling van de jongens,
die de amhachtsschool bezoeken en die, wat in uwe
gemeente gewoonte schijnt te zijn, tot hun 12de jaar
de gewone lagere school hebben bezocht, voldoende ?
A. Voldoende wel, vooral wanneer zij later nog wat
\' leeren; maar als zij een of twee jaren langer op school
i bleven, zou dat wel beter zijn.
3917.    V. Wettelijke verplichting, om de kinderen
langer op school te laten, acht gij dus wel wenschelijk,
maar niet in zeer hooge mate ?
A. Er zou veel voor te zeggen zijn, maar daar tegen-
over staat ook de schaduwzijde, dat de jongens dan
wellicht te oud zijn om van den beginne af een vak te
leeren.
3918.    V. Gij komt zeker met werkgevers in het
bouwvak veel in aanraking?
A. Ja, wij hebben een 25 leerlingen, die wij bij voor-
keur kiezen uit jongens, die in de bouwvakken zijn.
3919.    V. Hebt gij wel door werkgevers hooren zeggen,
dat het voor de vorming van den knaap voor zijn vak
bedenkelijk zou zijn, indien hij later dan op zijn twaalfde
jaar aan den winkel kwam ?
A. Ja, dit is mogelijk wel hetzelfde bezwaar, dat
voor een deel bestaat tegen de ambachtsscholen, waar men
den geheelen dag eene ambachtsopleiding heeft
3920.    V. Maar gij zeidet straks toch, dat in de
werkplaats de jongens in het begin werden gebruikt
om krullen te dragen en boodschappen te doen?
A. Ja, dat zal altijd wel zoo gaan. De jongens
kennen dan nog niets. Het is trouwens geen kwaad; die
dingen moeten ook gedaan worden, en de jongens leeren
er zich wat door redden. U zal wel meenen, dat de
Verhoor van Remmcrt Pieper, oud 39 jaar, hande-
laar in chemicaliën, enz., secretaris van de
amhachtsschool te Wormerveer. •
3903. De Voorzitter: Werkt de amhachtsschool gunstig ?
A. Dat geloof ik wel. De jongens leeren er hoofd-
zakelijk timmeren, smeden, teekenen, rekenen, enz. en
verder verschillende dingen, die hun zouden kunnen te
pas komen.
3904.    V. Wordt het timmeren en smeden er practisch
onderwezen ?
A. Ja.
3905.    V. Wordt het onderwijs uitsluitend des avonds
gegeven ?
A. Alleen des avonds. Het zijn jongens, die overdag
aan het werk zijn. De school begint om 7 of 8 uur.
alleen des Zaterdags om half zeven. Een enkelen keer
verzuimen de jongens wel eens met drukke werkzaam-
heden, overigens hebhen wij nooit last met de werkgevers.
3906.    V. Hebt gij ook leerlingen, die op de werkplaats
van den heer Klinkenberg zijn ?
.4. Ja.
3907.    V. Gelooft gij, dat in de ambachtsnijverheid
de arbeidswet, wat betreft het sluitingsuur van zevenen,
stipt wordt nageleefd ?
.4. Ja, dat geloof ik wel.
3908.    V. Stelt gij ook eischen voor de toelating tot
de school ?
A. Ja, er wordt een examen gehouden ; de leerlingen
van de herhalingsschool echter kunnen, wanneer de
onderwijzer een goed getuigenis omtrent hen geeft,
zonder examen komen. De leerlingen, die van de her-
halingsschool komen, hebben zelfs de voorkeur boven
degenen, die aan het toelatingsexamen voldoen.
3909.    V. Komen zij dus in den regel niet rechtstreeks
van de lagere school ?
A. Tegenwoordig niet meer, omdat wij de ambachts-
school als een vervolg op het herhalingsonderwijs
wenschten te doen strekken.
3910.    V. Op welken leeftijd komen de jongens bij u ?
A. Van het 13de tot het 16de jaar. Zij volgen dan
een driejarigen cursus.
3911.    V. Wordt de voorkeur gegeven aan avondlessen,
ten einde de jongens overdag te laten arbeiden, dan wel
zijn de lessen op avonduren gesteld, omdat men geen
kans zag de school ingang te doen vinden, indien zij
overdag werd gehouden ?
A. Hier zijn beide redenen geldend. De ambachts-
school wordt \'s avonds gehouden, deels omdat zij overdag
geen bezoek zou krijgen en daardoor ook te kostbaar
zou zijn, deels omdat men het dienstig acht de jongens
overdag te laten arbeiden en hun \'s avonds les in de
theorie te geven.
3912.    V. Gij weet, dat er groot verschil bestaat tusschen
voorstanders van vakopleiding omtrent den weg, dien
men kiezen moet: öf de leerling nog niet in de werk-
plaats, doch geheel in de school, in dezer voege, dat in
die school zoowel behoorlijk herhalings- als teeken- en
Sractisch onderwijs wordt gegeven; öf de jongen in
e werkplaats om zijn vak te leeren, doch dan de opleiding
van de werkplaats \'s avonds aangevuld.
Welke opvatting is nu te uwent, zoowel bij de werk-
-ocr page 194-
185
Verhoor van Cornells Wildschut, oud 66 jaar,
burgemeester van Wormer, Jisp en
Wijdewormer.
3929. De Voorzitter: Tellen de gemeenten Jisp en
Wijdewormer ook eene arbeidersbevolking buiten het
landbouwbedrijf ?
A. Te Wijdewormer zijn zij volstrekt niet en te Jisp
is het getal zeer gering.
■ 3930. V. En te Wormer?
A. Daar is de arbeidersbevolking niet onbelangrijk.
3931.    V. Welke maatregelen zijn door u genomen
om de naleving van de arbeidswet te bevorderen ?
A. Ik heb kennis gegeven, dat, wanneer men jongens
in dienst had, vallende in de termen der wet, men
dat moest opgeven; dat men arbeidskaarten moest
hebben en eene lijst der arbeidstijden opmaken om in
de fabriek te hangen.
3932.    V. Wordt door u toezicht gehouden op de na-
leving van de arbeidswet ?
A. Zeker, zoo goed mogelijk.
3933.    V. Meent gij de overtuiging te kunnen uit-
spreken, dat de nijverheid inderdaad zich aan de voor-
schriften der wet houdt?
A. Daaraan twijfel ik niet.
3934.    V. Wij hebben een getuige gehad, die, in tegen •
stelling met u, wel degelijk twijfel op dat punt
uitsprak, met name ten aanzien van de papierfabriek.
A. Ik zou meenen, dat voor dien twijfel in het
geheel geen grond bestaat. De directeur is iemand, dien
ik van nabij ken als een zeer vertrouwbaar man. Boven-
dien passeert de veldwachter menigmaal de fabriek;
trouwens, wat daar omgaat, is voor niemand een geheim.
3935.    V. Gij zijt dus niet in de noodzakelijkheid
geweest om overtredingen op dat punt te constateeren ?
A. Volstrekt niet.
3036. V. Is door u — krachtens de bevoegdheid, u
bij art. 5, 3de lid, der arbeidswet verleend — in spoed-
eischende gevallen wel eens toegestaan om jeugdige
personen gedurende twee dagen langer te doen werken,
dan volgens diezelfde wet geoorloofd is?
A. Dat is niet voorgekomen. Er werken dan ook
alleen jongens op de papierfabriek „De Eendracht".
3937.    V. Arbeiden er geen jongens op de molens?
A. Zij worden daar niet aangenomen.
3938.    V. Bestaat er in uwe gemeente geen ambachts-
nij verheid?
A. Natuurlijk, maar van luttel belang.
3939.    V. Zijn daarbij geen jongens in het werk ?
A. Voor zoover mij bekend is, niet. Daar zijn over-
tredingen bovendien nog gemakkelijker na te gaan, dan
aan de fabrieken.
3940 V. Zijn sedert de invoering van de arbeidswet
in uwe gemeente ongelukken gebeurd in fabrieken of
werkplaatsen ?
A. Ja, drie a vier weken geleden is er een klein
ongeluk voorgevallen in eene der fabrieken van Wessanen
ii- Laan, en wel in de pellerij.
47
jongens, als zij op de werkplaats komen, dadelijk moeten
beginnen het vak te leeren, maar dat gaat kwalijk.
3921.    V. Ik meen thans niets, maar veroorloof mij
alleen uwe meening te vragen. Woont gij lang te Wor-
merveer?
A. Ik ben er geboren en heb er altijd gewoond.
3922.    V. Oordeelt gij, dat de toestand der arbeiders in
uwe woonplaats vooruit is gegaan of niet?
A. Er is vooruitgang, wat betreft het loon en de
woningen.
3923.    V. Waaruit blijkt die vooruitgang in de wonin-
gen der arbeidersklasse?
A. Er zijn veel oude woningen afgebroken en door
nieuwe vervangen, die ruimere vertrekken bevatten en
betere slaapgelegenheid hebben.
3924.    V. Hebben de gewone arbeiders in den regel
woningen met meer dan één vertrek?
A. Ja, in den regel wel.
3925.    V. Wat is de prijs van zulke woningen?
A. f 1.50, f 1.60, f 1.75.
3926.    V. Wanneer wij uit andere gemeenten ver-
namen, dat daar voor den arbeider eerder regel is
woningen met één vertrek, waarvoor f 1 of f 1.25 huur
wordt betaald, dan acht gij dit niet de regel te zijn
te Wormerveer?
A. Alle huizen en toestanden ken ik niet. De loonen
zijn ook dikwijls hooger.
3927.    V. Ik denk thans noch aan de meer bevoor-
rechte arbeiders, noch aan de slechtst bedeelde, maar
aan den werkman, die het in zijn kring niet al te slecht
heeft. Nu zeidet gij, dat zulk een werkman bij u f 1.50
a f 1.75 verwoont met twee vertrekken, terwijl van andere
gemeenten getuigd werd, dat zulk een werkman daar
f 1.25 betaalt voor een huisje met ééne kamer en soms
een schuurtje om te wasschen. Is dus de toestand in
Wormerveer inderdaad gunstiger 1
A. De toestand te Wormerveer zal met dien van elders
niet veel verschillen.
3928.    V. Gij hebt eene lijst van vraagpunten ontvan-
gen. Hebt gij daarop punten gevonden, waaromtrent
gij ons nog nader wilt en kunt voorlichten?
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter.
R. Pieper.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
ünquéte. — Be Zaankant.
-ocr page 195-
186
3941.    V. Welk onderzoek is toen door u ingesteld
naar de oorzaak van het feit ?
A. Ik heb den veldwachter een onderzoek laten in-
stellen.
3942.    V. Is dat onderzoek alleen bij den fabrikant
of ook bij dengene, die door het ongeluk was getroffen,
ingesteld?
A. De getroffene woonde niet in de gemeente.
3943.    V. Wonen er veel arbeiders van de fabrieken
niet in uwe gemeente?
                                                    *
A. Die van Wessanen & Laan, Bloemendaal & I^aan
en Prins niet, docb die van de papierfabriek wel.
3944.    V. Weet gij nog, waarin dat ongeluk heeft
bestaan ?
A. Ik meen, in eene verstuiking van den voet.
3945.    V. Hebt gij in uwe gemeente niet eene veror-
dening. volgens welke burgemeester en wethouders ver-
betering kunnen eischen van woningen, die zij gevaarlijk
voor de gezondheid achten, of wel door den raad onbe-
woonbaar kunnen doen verklaren?
A. De woningen, dooreen genomen, zijn geschikt.
394(5. V. Hebben burgemeester en wethouders, respec-
tievelijk de Raad het recht, om woningen, die zij voor de
gezondheid nadeelig achten, onbewoonbaar te verklaren?
A. Ik herinner mij die clausule in de verordening
niet. Wij hebben eene nieuwe verordening opgesteld,
waarin wel het toezicht op de woningen is opgenomen,
maar of burgemeester en wethouders of de Raad het
recht hebben om woningen onbewoonbaar te verklaren,
weet ik niet.
3947.    F. Herinnert gij u. of ten aanzien van bestaande
woningen wel eens door de overheid is ingegrepen en
verbetering gelast?
A. Het is niet noodig geweest.
3948.    V. Gij noemdet de woningen „dooreen genomen
geschikt". Kunt gij de overtuiging uitspreken, dat op
dien regel geene uitzonderingen bestaan, zóó ernstig, dat
ingrijpen door de overheid gewenscht ware?
A. Dat is niet noodig geweest.
3949.    F. Gij herinnerdet u de clausule niet omtrent
het onbewoonbaar verklaren van de woningen. Dit
verwondert mij met het oog op de u gezonden lijst van
vraagpunten, waarop ook de huisvesting voorkwam.
Hoe is het nu gesteld in de nieuwe politie-verordening
met nieuwe woningen?
A. Dat kan ik niet zeggen. De woningen zijn goed,
en het is nog nimmer voorgekomen, dat er eene onbe-
woonbaar was.
3950.    V. Hoe lang blijven de kinderen in uw gemeente
op school?
A. Tot hun 12de jaar; daarop zijn haast geene uit-
zonderingen, ook de meisjes blijven zoolang. Indertijd
hebben wij beproefd herhalingsonderwijs te geven, maar
daarvan was men niet gediend.
3951.    V. Vielen de uren, bij de proef met herha-
lingsondcrwijs, ook in den tijd, dat de jongens nog op
werkplaatsen of in fabrieken waren?
A. Fabrieksarbeid voor jongens is bij ons zóó gering,
dat dit daarop geen invloed kon hebben.
3952.    F. Hoort gij wel spreken van grof drankmis-
bruik op de oliemolens?
A. Neen.
3953.    V. Kunt gij bevestigen, wat hier door bejaarde
getuigen uit andere gemeenten werd verklaard, dat drank-
gebruik, en misbruik ervan vooral, in den loop der
tijden is afgenomen?
A. Als er drank gebruikt wordt op de molens, zal
dit gering zijn. Over het algemeen zijn er, behoudens
enkele uitzonderingen, te Wormer niet, wat men noemt
dronkaards, en die zijn er vroeger ook bijna niet geweest.
3954.    V. Hebt gij in uwe gemeente eene zware armen-
verzorging?
A. Ja. Er wordt nog al wat voor geëischt. Als de
fabrieksarbeider sterft, blijft er eene weduwe over, en als
die weder sterft, krijgt men de weezen. Fabrieksplaatsen
zijn altijd arm.
3955.    V. Zijn er in uwe gemeente geen weduwen, die
door patroons, bij wie de mannen gewerkt hebben, onder-
houden of gesteund worden?
A. De heeren Van Gelder en Laan hebben in geval
van ziekte en overlijden wel aanvankelijk het loon laten
uitbetalen, maar op den duur gebeurt dat toch niet.
3956.    V. Komt het in uwe gemeente voor, dat bejaarde
werklieden, die niet meer arbeiden kunnen, na lange
jaren bij één patroon te zijn geweest, op hun ouden dag
aan de armenzorg vervallen ?
A. Natuurlijk komt dat voor. Gisteren sprak ik echter
nog iemand, die al van zijne jeugd af in de fabriek is
werkzaam geweest en eiken dag zoowat drie kwartier
daarheen moet loopen. Ik vroeg hem, of dat werk hem
niet vermoeide, maar kreeg tot antwoord: ons werk is
niet zwaar. Die man is nu 66 jaar, hij zal het wel tot
zijn 70ste volhouden.
3957.    F. Maar na een zeker aantal jaren, als de man
niet sterft, komt toch het oogenblik, dat hij niet meer
\' kan werken.
A. Ja, dan moet zulk een man ondersteund worden,
i want overleggen kunnen die lieden niet.
3958.    V. Is het dan niet regel, dat de patroon zulk
\' een man ondersteunt?
i
A. Neen, regel niet.
3959.    F. Zijn de werklieden meestal in ziekenfondsen?
A. Ja.
3960.    F. Zijn zij ook verzekerd voor uitkeering tijdens
i de ziekte?
I
A. Er is eene werkmansvereeniging, die gedurende de
ziekte uitkeeringen doet.
3961.    V. Is dat eene afzonderlijke vereeniging te
Wormer,of bedoelt gij de vereeniging „Samenwerking"?
A. Ik bedoel de vereeniging „Eigen Hulp" te Wor-
mer, die in 1890 eene totaal ontvangst had van f950,
waaronder f30 van begunstigers, en eene totaal uitgaaf voor
uitkeeringen van ruim f 950. zoodat er een klein nadeelig
saldo was. Aan het einde van het jaar had de vereeni-
ging in kas ongeveer f2400.
3962.    F. Is het u bekend, waarom men te Wormer
eene afzonderlijke werkliedenvereeniging heeft gevormd
en niet liever, waar feitelijk de grens tusschen Wormer
en Wormerveer niet bestaat, met Wormerveer eene
gemeenschappelijke vereeniging had ?
A. Het is natuurlijk.
3963.    F. Ik vind dat niet. Wij hebben getuigen ge-
had van de afdeeling van „Patrimonium" te Wormerveer,
-ocr page 196-
187
die een klein aantal leden telt, en van de afdeeling
Wormer, die een nog kleiner aantal leden heeft. Van
zelf rees toen de vraag: waarom doet gij niet samen,
dan zoudt gij krachtiger zijn. Wormer en Wormerveer
zijn, \'t is waar, officieel gescheiden, maar feitelijk zijn zij
slechts gescheiden door een water, dat de werklieden
gemakkelijk overschrijden, want velen, die in Wormer-
veer wonen, komen in Wormer werken. Van waar nu
die lust om zich te onthouden van samenwerking?
A. Wormerveer is eene groote, Wormer eene kleine
gemeente. Dergelijke vereenigingen, als waarvan gij spreekt,
bestonden te Wormerveer al lang, terwijl zij bij ons
dateeren van 9 en 10 jaar herwaarts. Men zou waar-
schijnlijk niet geslaagd zijn, als men getracht had zich te
Wormerveer aan te sluiten.
3964.    V. Maar het is u niet bekend, of men het
getracht heeft?
A. Men heeft gemeend het uit eigen krachten te
kunnen doen.
3965.    V. Zijn er nog punten, waarop gij onze aan-
dacht wenscht te vestigen?
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter, ik heb niets mede
te deelen.
C. Wildschut.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.secretaris.
A. Niet anders, dan dat het altijd zoo geweest is.
3973.    V. Maar verrichten zij dan in die drie kwartier
volstrekt geen werk?
A. Neen.
3974.  De heer L*s Poole : Wanneer begint gij te draaien?
A. De machine draait nacht en dag door.
3975.    De Voorzitter: Welke rusttijden zijn er aan
de fabriek?
A. Er wordt geschaft van 8 uur tot kwart vóór
negenen, van half elf tot elf uur, van 12—1 uur, van
drieën tot half vier, van zessen tot kwart vóór zevenen.
3976.    V. Geldt dit voor de dagploeg?
A. Ja. en ook voor het pakhuisvolk.
3977.    V. Gaat het volk \'smiddags naar huis om te
eten?
A. Neen, zij blijven aan de fabriek, en wanneer het
eten op is, nemen zij een tukje.
3978.    V. Is dat blijven aan de fabriek noodig in het
belang van het bedrijf?
A. Ja, er kon eens iets gebeuren.
3979.    V. Wordt het door de werklieden en in de
gezinnen niet betreurd, dat zij niet kunnen aanzitten
aan de middagtafel?
A. Ik heb er nooit over hooren klagen.
3980.    V. Hoe lang werkt de nachtploeg?
A. Van \'s avonds half acht tot den volgenden
morgen 11 uur.
3981.    V. Dus er wordt in de ochtenduren door twee
ploegen gewerkt; waarom dat ?
A. Dan gaat de eene ploeg de fabriek wat opknappen,
terwijl de andere ploeg doorwerkt. Het is bij ons altijd
een knappe boel.
3982.    V. Ja, wij hebben de fabriek gezien en weten,
dat het er knap uitziet. Het is zeker geen zwaar werk,
dat de menschen te verrichten hebben?
A. Neen, zij rijden hoogstens 50 KG. op een karretje,
en dat is niet veel.
3983.    V. Wordt er dikwijls overgewerkt buiten de
door u genoemde uren?
A. Het overwerk is er bij.
3984.    V. Wanneer staat de fabriek stil ?
A. Van \'s Zondag-morgens 6 uur tot \'s Maandag-morgen
6 uur.
3985.    V. Wordt er \'s Zondags gerepareerd ?
A. Daarmede houden de werklieden van het pak-
huis en de meelfabriek zich \'s Zondag-morgens van 5—8
uur bezig.
3986.    V. Begrijp ik het goed, dan komen zij, die
\'s Zaterdags dagploeg zijn geweest \'s Zondag-morgens terug,
werken \'s Zondags 3 uren en worden dan nachtploeg. Is
dat zoo?
A. Ja.
3987.    V. Wat verder den overgang van dag- en nacht-
Verhoor van Arie Rond, oud 51 jaar, stoker op de meel-
en oliefabriek van de firma Wessanen & Laan,
te Wormerveer.
3966.    De Voorzitter: Zijt gij altijd stoker geweest?
A. Op mijn twintigste jaar heb ik het vak van mijn
broeder geleerd, en op mijn zes-en-twintigste jaar ben ik
bij de firma Wessanen & Laan gekomen.
3967.    V. Gij zijt zeker wel op de hoogte van de arbeids-
regeling in de fabriek, buiten uwe stookplaats ?
A. Alleen wat de arbeidsregeling betreft.
3968.    V. Hoe is die?
A. Op de meelfabriek werken zij van 5 uur\'s morgens
tot 8 uur \'s avonds.
3969.    V. Met hoeveel rusttijd?
A. Zij komen om 5 uur in de fabriek en drinken
dan koffie tot kwart voor zessen.
3970.    V. Om 5 uur komen zij, en beginnen zij dan
eerst om kwart voor zessen te werken? Maken zij zelf
hunne koffie klaar?
A. Ja.
3971.    V. Zitten zij dan in de fabriek?
A. Ja.
3972.    V. Kunt gij ons zeggen, waarom zij om vijf
uur moeten komen, terwijl zij toch eerst kwart vóór
zessen aan het werk gaan?
-ocr page 197-
188
ploeg betreft, heeft deze zóó plaats, dat zij, die de eene
week dagploeg zijn geweest, de andere week nachtploeg
zijn, met dien verstande, dat zij, die \'s Zaterdag-avonds 8
uur uitscheiden, \'s Maandag-avonds om half acht het werk
hervatten en dus 2 X 24 uren rust hebben, met uit-
zondering van de 3 uren werk op Zondag-morgen?
A. Juist.
3988.    V. Met andere woorden: om de 14 dagen heeft
het volk ééne week van 21 en eene andere week van 2 \\ 24
uren vrij, behalve die paar uren op Zondag?
A. Juist.
3989.    V. En is dat met u als stoker ook zoo gesteld ?
A. Ik werk 14 uren daags, waaronder 2 overuren
zijn. Mijn dag loopt van 5 tot 7 uur, zonder tusschen-
pozen. Ik gebruik mijn eten onder het werk door, want
er kan geen kwartier af, omdat ik er geheel alleen
voor sta.
3990.    V. Hebt gij daarover wel met mijnheer ge-
sproken ?
A. Neen, ik doe het al 25 jaar en ben er aan gewoon.
3991.    V. En als gij nachtploeg hebt?
A. Dat is van 7 tot 9 uur, dus precies hetzelfde.
3992.    V. En is er voor 2 man altijd voldoende
werk?
A. Ja, als wij niets te doen hebben, poetsen wij den
boel, dan blijft alles knap.
3993.    V. Zou de gang der werkzaamheden er onder
lijden, als de werktijd van de nachtploeg werd verkort ?
A. Dan zou de boel dat karakter niet krijgen, en
niet zoo knap voor den dag komen. Zwaar is het werk
niet, maar druk, en gedaan moet het toch worden.
3994.    V. En hoe gaat het op Zondag ?
A. Dan blijven wij tot 10, 11 uur. Wij kijken dan
kleinigheden na of knappen den boel eens voor goed op.
3995.    V. Is dat altijd door zoo?
A. Ja.
3996.    V. Dus kunt gij nooit naar de kerk gaan ?
A. Neen.
3997.    V. Is het noodzakelijk, dat gij \'s Zondags altijd
met u beiden komt?
A. Ja, het is eene groote machine, dus dat moet wel;
wij zouden dat wel anders kunnen krijgen, als wij het
vroegen, maar dan zouden wij dien tijd van onze nacht-
rust moeten afnemen.
3998.    V, Is het algemeen het gebruik in de fabrie-
ken, dat er geen hulpstoker is?
A. Ja; in de fabrieken zijn wel menschen, die invallen
als wij ziek zijn, maar in gewone tijden krijgen wij
nooit hulp.
3999.    V. Welk loon hebt gij ?
A. f 12 en f 2 voor mijne overuren.
4000.    V. En gij werkt altijd 14 uren, dus dat is
vast f 14 ?
A. Ja.
4001.    V. Zijt gij in een ziekenfonds ?
A. Neen.
4002.    V. Gaat uw loon door bij ziekte?
A. Het vaste loon ja, niet de overuren.
4003.    V. Gaat het loon van de andere werklieden in
de fabriek ook door?
A. Ja, het vaste loon, maar zij hebben ook lasten-
geld, geloof ik.
4004.    V. Daarover zullen wij van andere getuigen
wel hooren.
Wordt er gesmeerd, ook wanneer de machine loopt, of
alleen wanneer alles stilstaat?
A. Als de boel gaat.
4005.    V. Staat de machine nooit stil?
A. Jawel, als er een riem breekt en dat gebeurt nog
al eens, er loopen zoo 400 a 500 riemen, maar men kan
overal bij, dus is er geen gevaar.
4006.    V. Is er nooit, een ernstig ongeluk gebeurd ?
A. Het eenige. dat ik weet, is een jaar of zeven ge-
leden ; toen heeft Kraai een arm verloren, maar dat was
zijne eigen schuld. Hij smeerde achterom, terwijl hij de
plaats aan den voorkant kon bereiken; toen pakte een
kamrad hem, en dat kostte hem een arm.
4007.    V. Hebt gij kinderen?
A. Ja, vier: een jongen van 23 jaar, een meisje van
21 jaar, een jongen van 14 en nog een meisje van 11 jaar.
4008.    V. Wat doet uw oudste zoon?
A. Hij is bij den heer Prins op de oliefabriek.
4009.    V. Wat verdient hij daar?
A. Als hij vol werkt, f6 in de week; hij werkt
op stuk.
4010.    V. Brengt hij al dat geld thuis, of geeft hij
kostgeld ?
A. Wij krijgen f 5; van de rest kleedt hij zich.
4011.    V. Werkt die jongen van 14 jaar al?
A. Ja, die is op de chocoladefabriek van de Erven
De Jong.
4012.    V. Hoe lang werkt die per dag?
A. Van \'s morgens 7 uur tot \'s avonds 7 uur, met
een rusttijd van 8 tot 9 uur \'s morgens.
4013.    V.    Werkte hij vroeger langer?
A. Soms
  tot tien uur.
4014.    V.    Werkt men op die fabriek nu ook nog langer?
A. Ja.
4015.    V. Maar komt uw jongen thans altijd des avonds
om 7 uur thuis?
A. Ja, geregeld, maar hij zal blijde zijn, als hij K>
jaar is en dan kan blijven doorwerken.
4016.    V. Gaat hij naar de avondschool?
-ocr page 198-
189
4032.    V. Komt er eiken dag vleesch of spek bij u
op de tafel?
A. Vijf malen in de week wel.
4033.    V. \'s Zondags eet gij natuurlijk vleesch ?
A. Dan eet ik meest visch, want daar houd ik veel
van.
A. Rond.
A. Kekdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Neen, hij kan goed lezen en schrijven, en als hij
\'9 avonds thuis is, leest hij couranten of boeken.
4017.    V. Zijt gij blijde, dat de wet hem verbiedt om
langer te werken?
A. Ja. zeker.
4018.    V. Is uw jongen op zijn twaalfde jaar van
school gegaan?
A. Ja.
4019.    V. Hebt gij er niet aan gedacht- hem langer
op school te laten?
A. Ja; ik zou het wel gewenscht hebben, al was het
tot zijn vijftiende jaar geweest, maar hij wilde liever
gaan werken
4020.    V. Gesteld, dat de wet u gedwongen had hem
langer op school te laten?
A. Dat zou mij pleizier gedaan hebben.
4021.    V. Wat verdient die jongen van 14 jaar?
A. f2 per week.
4022.    V. Wat hebt gij voor eene woning?
A. Ik heb eene woning met ééne kamer.
4023.    V. Geen aparte gelegenheid om te koken?
A. Dat geschiedt in hetzelfde vertrek.
4024.    V. Hoe groot is dat vertrek?
A. Ongeveer 18 M2.
4025.    V. Waar wascht uwe vrouw?
A. In hetzelfde vertrek; ik heb zulk eene kast of
portaaltje, daar wascht zij meestal.
4026.    V. Is er geen schuurtje achter uwe woning?
A. Neen.
4027.    V. Wat verwoont gij?
A. f 1.15 per week.
4028.    V. Ons is door meer dan één getuige gezegd,
dat werklieden te Wormerveer, van de gemiddelde
soort, dat wil zeggen, die niet tot de meest bevoorrechte
en ook niet tot de slechtst gestelde behoorden — en gij
behoort eerder tot de bevoorrechten dan tot de gemid-
delden —, meestal twee kamers hebben en dan ongeveer
f 1.50 a f 1.75 verwonen. Is dat niet juist?
A. Neen, meest één vertrek. Mijne dochter, die in een
nieuw huis woont, heeft ook maar één vertrek.
4029.    V. Kan er bij u, met uwe inkomsten, niet
meer dan f 1.15 voor woning af?
4. Zeker, ik heb ook al lang er naar uitgezien om
iets beters te krijgen. Ik zou de woning van mijne
dochter gekregen hebben, maar daarin is toch ook maar
één vertrek.
4030.    V. Zijn woningen met twee vertrekken dan
zoo gering in aantal?
A. Veel zijn er niet.
4031.    V. Eet gij geregeld een stuk spek?
A. Ik heb, goddank, best mijn brood en eet er dan
ook goed van.
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Dr. Pieter Cornells Korteweg, oud
37 jaar, geneesheer, te Wormerveer.
4034.    De lunrv.it f er: Hebt gij in uwe praktijk er-
varing omtrent nadeeligen invloed van zekeren arbeid
op de gezondheid der arbeiders?
A. Behalve den invloed van het te lange werken, zou ik
alleen weten te noemen doofheid bij de olieslagers, die
vrij veel voorkomt, wanneer zij langen tijd dat werk
hebben verricht. Dan, bij dezelfde lieden, uitslag aan de
armen, ten gevolge der behandeling van warme stof.
Vooral op sommige tijden komt die uitslag voor.
4035.    V. Wat de doofheid betreft, deze zal wel ver-
minderd zijn door de invoering van hydraulische
persen ?
A. Dat zou ik u niet kunnen zeggen.
403ö. V. Kunnen de menschen tegen het exceem
voorzorgsmaatregelen nemen?
A. Sommigen vinden baat bij een onschuldig zalfje,
dat ik hun voorschrijf. Zoo erg is dat exceem trouwens
niet. Ik herinner mij slechts één of twee malen het
geval van een man, die er ander werk om moest
zoeken, en, naar ik meen, het ook op dezelfde olie-
slagerij gevonden heeft.
4037.    V. Neemt gij veel gevallen van gebreken van
de ademhalingsorganen waar bij pellers?
A. Slechts enkele, meest bij lieden, die toch reeds
aanleg tot aamborstigheid hadden; maar ik herinner mij
niet, dat iemand er het werk om heeft gestaakt.
4038.    V. Gij spraakt daareven van invloed van zeer
langdurigen arbeia. Wilt gij daaromtrent uwe meening
toelichten ?
A. Ik acht den werktijd van 14 uren te lang, zonder
juist te kunnen zeggen, waarom. De menschen komen
te weinig in hun huishouden en oefenen er te weinig
invloed op uit.
4039.    V. Gij doelt hier op moreel-maatschappelijke
gevolgen, maar hoe is het met de invloed op de gezondheid ?
A. Invloed op de gezondheid zie ik niet; ik kan niet
zeggen, dat de menschen er ongezond uitzien.
4040.    V. Welke betreurenswaardige gevolgen ziet gij
van dat lange buitenshuis blijven van den man?
A. Dat is moeilijk te zeggen. De weinige tijd. dien
de man thuis doorbrengt, oefent invloed uit op vrouw
48
-ocr page 199-
190
en kinderen ; vermoedelijk zou het er met de logica en
met waarheidsliefde heter uitzien, indien de man meer
thuis was, terwijl ook omgekeerd de vrouw een zeer
gunstigen invloed op den man zoude uitoefenen, indien
de man meer uren tehuis was.
4041.    V. Wordt het door velen betreurd, dat de
man niet thuis komt middagmalen?
A. Ik geloof, dat men er aan gewend is, doch ik
praat hierover niet veel met de lui.
4042.    V. Krijgt gij den indruk, dat zij niet heter
weten of het hoort zoo, en bij de pakken neerzitten?
A. Dat is mischien wat sterk uitgedrukt. Ik geloof,
dat velen het liever zouden hebben, doch ik hoor wel
eens het tegendeel, nl. dat de werklieden het zeer ge-
zellig vinden om onder elkaar hun potje in de fabriek
te eten.
4043.    V. Hoort gij dit van werklieden of van werk-
gevers?
A. Van werkgevers.
4044.    V. Acht gij langdurigen arbeid en nachtarbeid
van jeugdige personen, b.v. die tusschen 1<> en 18 jaar,
uit een medisch oogpunt onverschillig of niet?
.4. Onverschillig zeker niet. Ik geloof, dat het nachten
achter elkaar werken bij de oliemolens een verstom-
penden invloed heeft.
4045.    V. Zoudt gij het als medicus toejuichen, indien
de wetgever de bepalingen omtrent arbeidsduur en de
uren, waarin mag worden gearbeid, die thans gelden tot
10 jaar, uitstrekte tot 18 jaar?
A. Ja, indien de noodige uitzonderingen niet werden
vergeten.
404(i. V. Gij meent de bevoegdheid van het uit-
voerend gezag om voor zekere bedrijven uitzonderingen
te maken ?
A. Ja, b.v. voor de oliemolens, die van den wind zoo
afhankelijk zijn, zou men wat moeten schipperen.
4047.    V. Met het noodige voorbehoud van uitzonde-
ringen, zoudt gij als uwe stellige meening willen uit-
spreken, dat het wenschelijk ware de bepalingen tot
het 18de jaar uit te strekken?
A. Jawel.
4048.    V. Wilt gij ons als bestuurslid van de Ver-
eeniging tot Bevordering der Volksgezondheid eene om-
schrijving geven van hare bemoeiingen ?
A. Deze Vereeniging is in de plaats getreden van
eene afdeeling van het Witte Kruis, en heeft ten doel
vooral om besmettelijke ziekten te voorkomen en, waar
ze ontstaan, in de behoeften, die deze na zich slepen,
te voorzien. Ook houdt zij zich onledig met zaken, die
op de volksgezondheid van invloed kunnen wezen, bijv.
de afvoering van faecale stoffen, de oprichting van volks-
baden en zulke zaken meer. Ook bij andere dan besmet-
telijke ziekten verleent zij wel eens steun en geeft zij
inlichtingen.
4049.    V. Wordt er nogal streng de hand gehouden
aan de bepaling der gemeente-verordening omtrent den
verkoop van voor de gezondheid schadelijke levens-
middelen ?
A. Wel eens. Bijzondere redenen bestaan daartoe te
Wormerveer niet. Visch is wel eens afgekeurd geworden.
Vleesch is bij ons, geloof ik, niet zoo slecht. Te Knollen-
dam is dat echter, naar het oordeel van een mijner
collega\'s, wel het geval; daar moet veel slecht vleesch
gegeten worden.
4050.    V. Een uwer ambtgenooten in eene andere
gemeente sprak hoogst ongunstig over de kwaliteit van
de melk. Is dat te Wormerveer ook zoo ?
A. Dat durf ik niet bevestigen. Feitelijk onder-
zoek daarnaar heeft nooit plaats gehad. In tijden van
schraalte zorgt de boer wel, dat hij steeds genoeg heeft,
en dan klagen de menschen er wel eens over, dat de
melk zoo dun is Ik betwijfel echter, of geregelde stel-
selmatige vervalsching veelvuldig voorkomt.
De arbeiders voeden zich niet met melk en, waar zij ze
voor de kinderen gebruiken, ben ik al tevreden, als ze
haar maar goed koken.
4051.    V. Acht gij het geen zaak van belang, wanneer
de melk verdund is ?
A. Wanneer stelselmatig van 2 kan er 3 worden
gemaakt, dan wel. Er wordt echter onder den naam van
getapte melk voor minder geld eene mindere melk dan de
gewone verkocht; dan weet men dus wat men krijgt.
4052.    V. Is uwe praktijk voor een groot deel arbeiders-
praktijk ?
A. Wij zijn met ons beiden te Wormerveer, en de
praktijk verdeelt zich vrij gelijk tusschen ons beiden;
alleen ben ik geen gemeentedokter meer, zooals ik
vroeger, toen ik alleen was, een paar malen ben geweest,
daardoor kom ik niet in de allerarmste gezinnen.
4053.    V. Uwe praktijk brengt u dus onder de betrek-
keiijk welgestelde arbeiders. Is het daar regel, dat het
kind, dat er behoefte aan heeft, melk en eieren krijgt,
wanneer gij het wenschelijk acht?
A. Men is daarmede zeer beperkt, maar als het
noodig is, redt men zich. Regel echter, dat kinderen van
meer dan een jaar melk en eieren zouden bekomen, is
het niet.
4054.    V. Waar de menschen bij ziekte niet in staat
zijn om in buitengewone behoeften te voorzien, hebt gij
daar ook de eene of andere Vereeniging achter u om
te helpen?
A. Ja, er bestaat eene vereeniging, die daarin voor-
ziet. Wat wij voorschrijven, wordt gegeven; wij hebben
geen andere beperking, dan die wij ons zelf opleggen.
4055.    V. Is de toestand te dien aanzien betrek-
keiijk bevredigend?
A. Ja; de zieken zijn niet in ongunstiger toestand
dan gezonden.
4056.    V. Wat eten de gezonde werklieden?
A. Meestal gemengde pot, veel rijst, aardappelen met
kool, erwten en boonen. De jonggehuwden en diegroote
zoons hebben, die wat inbrengen, in de week vleesch, de
anderen niet eens geregeld spek of iets dergelijks in
plaats van dat vleesch.
4057 V. Wordt de gestoofde pot algemeen met vet
gekookt ?
A. Ik geloof het wel, of met margarine en zoo.
4058.    V. Zijn gezinnen, waar het middagmaal zich
bepaalt
    tot aardappelen en groenten, niet met vet
bereid,
    maar met lawaaisaus, zeldzame uitzonde-
ringen ?
A. Ja; voor zooverre mijne praktijk reikt, behoort ook
het eten van ongesmeerde boterhammen tot de uitzonde-
ringen.
4059.    V. Wordt als regel wittebrood gegeten ?
-ocr page 200-
191
4070.    V. Maar bekomen daarentegen houten woningen
niet spoedig reten en gaten, waarvan in den winter
groot nadeel ondervonden wordt?
A. Dat zal enkel het geval zijn bij heel oude houten
woningen, die trouwens bij steenen woningen van den-
zelfden leeftijd achterstaan.
4071.    V. Kan het juist zijn, dat een man, die f 14
per week verdient, terwijl zijne kinderen ook nog geld
inbrengen, toch maar een huisje met één vertrek bewoont,
enkel en alleen, omdat hij zoo moeilijk eene woning met
twee vertrekken kan vinden ?
A. Dat inoeilijh vinden — ik leg hier den klemtoon
op het woord — kan in tijden van groot huizengebrek
inderdaad voorkomen.
4072.    V. Zijn er te Wormerveer ook nog andere
vereenigingen van dezelfde strekking als de „Bouw-
vereeniging" ?
A. Ik geloof het niet.
4073.    V. Kent gij patroons, die woningen voor hunne
arbeiders hebben gebouwd?
A. Het zijn er slechts enkelen.
4074.   V. Kunt gij ze met name noemen?
A. Ik meen, dat de heeren Pieper het hebben gedaan.
4075.    V. Hebben werklieden wel een eigen huisje ?
A. Niet veel.
4076.    V. Dus voorziening in de behoefte geschiedt
hoofdzakelijk door degenen, die huizen bouwen of koopen
als geldbelegging of bedrijf?
A. Ja, de Bouwvereeniging uitgesloten.
4077.    V. Deze is uitsluitend opgericht met het oog
op het algemeen belang?
A. Ja, de vereeniging bouwt de beste arbeiders-
woningen.
4078.    V. Is er veelal een stukje grond bij de woning
der arbeiders?
A. Meestal niet. Een achterplaatsje om huishoudelijke
bezigheden te verrichten is echter steeds aanwezig.
Verder zijn de privaten altijd buitenshuis, en dan is
er steeds een klein terreintje tusschen de sloot en het
huis.
4079.    V. Vindt men veel woningen zonder afzonder-
lijke privaten?
A. Ik meen, dat ze vrij wel ieder er een hebben.
4080.    V. Is het niet-boven-zeker-peil-liggen van vele
woningen nadeelig voor de gezondheid?
A. Het ware zeker gewenscht, dat sommige hooger
lagen. Hier betreden wij echter het gebied van de
hypothese ; malaria en typheuse koortsen zijn er wei-
licht in geringe mate aan toe te schrijven.
4081.    V. Wordt in die richting gearbeid?
A. Er is eene bouwverordening, die in cM. uitdrukt
hoe hoog de woningen boven peil moeten zijn gebouwd,
dat de grond gedeeltelijk moet worden uitgehaald, enz.
4082.   V. In dat opzicht voldoen de nieuwere woningen
dus meer aan uwe wenschen?
A. Erg mooi is het nog niet, vooral wegens den
onhebbelijken grond. Doch men moet niet vergeten, dat in
A. Ja ; zij eten meer wittebrood dan roggebrood.
4060.    V. Is dat, omdat zij het roggebrood niet lusten,
of omdat zij het wittebrood voedzamer vinden ?
A. Zij zeggen, dat zij er het zuur van krijgen, maar
ik geloof, dat het eene quaestie van smaak is.
4061.    V. Meent gij, dat de menschen voor hetzelfde
geld zich beter zouden kunnen voeden?
A. Het kon wel iets beter worden, en zij konden
wel wat meer boonen eten, maar dat is duurder.
4062.    V. Komt het wel voor, dat zij des middags uit- i
sluitend meelspijzen gebruiken?
A. Dat komt nog al dikwijls voor; dan eten zij een
ketelkoek van meel en water met wat stroop.
4063.    V. In de schriftelijke mededeelingen, die wij
van de vereeniging „Volksgezondheid" gekregen hebben,
wordt ten aanzien van de arbeiderswoningen gezegd : dat
die in het algemeen vrij goed kunnen genoemd worden.
Heb ik dat „in het algemeen vrij goed" aldus te verstaan,
dat er, bij het stellen van niet te hooge eischen, toch
over het algemeen te wenschen overblijft ?
A. Men moet onderstheiden tusschen de oudere en
nieuwere woningen. Wormerveer heeft zich in de twaalf
jaren, dat ik er gevestigd ben, snel uitgebreid; het
zielental is er van 3500 tot 5000 gestegen. Onder de
oudere woningen vindt men erg bekrompen en slechte;
in de laatste jaren zijn er dan ook nog al eenige afge-
keurd, behalve degene, die van zelf verdwenen zijn.
Wat de nieuwere woningen betreft, daarvan kan men
zeggen, dat, wanneer men zijne eischen niet te hoog stelt,
zij voldoende zijn.
4064.    V. Hebben die nieuwere woningen in den regel
twee vertrekken?
A. Zij zijn meestal saamgesteld uit eene vrij flinke,
ruime en hooge kamer, eene tweede kleinere kamer, een
voorportaal, zoodat men niet direct in de kamer komt,
en verder een vrij flinken zolder. Van die groote kamer
wordt een verschillend gebruik gemaakt: bij sommigen
wordt in die groote kamer, waarin twee bedsteden zijn,
gekookt, en dient de kleine kamer tot slaapkamer; bij
anderen wordt de kleine kamer als keuken gebruikt en
de groote als slaapkamer, zoodat die menschen geen
aparte slaapkamer nebben.
4065.    V. Is de zolder beschoten ?
A. In de meeste gevallen, geloof ik, wel.
4066.    V. Denkt gij nu niet uitsluitend aan woningen
der „Bouwvereeniging", of is de door u geschetste
woning de type van de meeste nieuwgebouwde woningen ?
A. Ja.
4067.    V. Hoeveel doet zulk eene woning ?
A. Ik meen van f 1.45 tot f 1.85. Boven de f 2 zijn
het in ieder geval geen arbeiderswoningen meer.
4068.    V. Zijn de meeste nieuwe woningen van steen ?
A. Bij de meeste is alleen de voormuur voor de net
heid van steen.
4069.    V. Zijt gij een beslist voorstander van steenen
woningen ?
A. Volstrekt niet, vooral met het oog op het gebrek
aan woningen, die daardoor, zoodra ze gereed zijn, snel
moeten betrokken worden. Steenen woningen zijn in
het eerste jaar altijd vochtig, wat met houten woningen
volstrekt niet het geval is.
-ocr page 201-
192
Wormerveer gebrek aan grond is, waardoor men heeft
moeten bouwen op plaatsen, waar men het anders niet
had gedaan.
4083.    V. Alles te zamen genomen, meen ik uit uwe
mededeelingen te mogen opmaken, dat in de jaren,
gedurende welke gij in Wormerveer hebt vertoefd, de
huisvesting wel beter is geworden?
A. Ja.
4084.    V. Vindt gij aanleiding om te zeggen, dat
naar uw oordeel nog wel eene enkele woning onbewoon-
baar behoorde te worden verklaard ?
A. Bij enkele uitzonderingen.
Dr. P. C. Korteweg.
A. Kerdijk, l oorzitter.
S. Lk Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Ad].-secretaris.
4093.   V. Moet gij dikwijls \'s Zondags werken ?
A. Ja, eiken Zondag. De fabriek draait dag en nacht,
dus moet ik van den Zondag gebruik maken om alles
eens goed na te gaan. Dat duurt echter zelden langer
dan \'s morgens 11 uur. Heb ik meer volk noodig, dan
kan ik dat nemen, een vasten timmerman heb ik al bij mij.
4094.    V. Moet die tweede timmerman, evenals gij,
\'s nachts en \'s Zondags komen ?
A. Ja.
4095.    V. Kunt gij, als gij het wenscht, \'s Zondags naar
de kerk gaan?
A. Jawel; maar ik ben niet kerksch, om u de waarheid
te zeggen. Als ik ergens heen moet, kan ik altijd weg;
mijn kameraad ook.
4096.    V. Op den zolder van de fabriek zijn nog al
lage drijfwerken, niet waar?
A. Ja, maar daar zijn hekken om.
4097.    V. Sedert wanneer?
A. Sedert een paar jaren, toen de heer Struve de
fabriek heeft bezocht.
4098.    V. Is de machinekruk omheind?
A. De smid is bezig er een hek om te maken.
4099.    V. Is het vliegwiel omheind ?
A. Ja, reeds lang.
4100.    V. Hoe wordt het aangezet?
A. Door een pal.
4101.    V. Nooit met de hand?
A. Neen.
4102.    V. Zijt gij nog bezig andere beschermingen
aan te brengen?
A. Neen. De heer Struve heeft niet veel aanmerkingen
gemaakt. Ik heb ook aan de stokers gezegd om, als zij
iets gevaarlijks zien, mij te waarschuwen.
4103.    V. Heeft de heer Prins, nadat de inspecteur
er geweest was, u gezegd alles te maken wat deze had
aangewezen ?
A. Ja.
4104.    V. Is er niet eene lintzaag?
A. Ja.
4105.    V. Heeft die eene bedekking?
A. Ja, voor het breken van de zaag. De he^r Struve
heeft gezegd die bedekking te verlengen, maar wanneer
ik dat doe, dan spat het naar mij toe, terwijl het nu in
de verte springt.
4106.    V. Is er niet bij den toegang tot den zolder,
onmiddellijk aan de linkerhand, een min of meer gevaar-
lijk werktuig?
A. Ja, op de oude fabriek, maar dat is omsingeld
met een hek.
4107.    V. Is er nooit, vóór die veranderingen aange-
bracht waren, een ongeluk gebeurd?
A. Neen.
Verhoor van Klaas Kraij. oud 40 jaar, timmerman
in de olieslagerij „de Liefde" van de firma
Jan Prins, te Wormerveer.
4085.   De Voorzitter: Gij werkt in de fabriek van
den heer Prins, maar zijt eigenlijk in dienst van den
timmermansbaas, den heer Gorter, niet waar? Hoe zit
dat in elkaar?
A. Dat is te Wormerveer zoo gebruik. De timmer-
mansbaas levert de gereedschappen en het hout, dat er
noodig is en ook het volk.
4086.    V. En wat verdient gij ?
A. 18 cents per uur.
4087.    V. Is dat in deze streek geen hoog loon ?
A. Neen. Een huistimmerman heeft 16 cents, maar
op den molen heeft een timmerman wat meer, dat is
voor onderhoud van gereedschap en kleeding, want op
den molen slijt men veel.
4088.    V. Hoe lang werkt gij?
A. Dat is heel ongelijk. Ik ben met den patroon
overeengekomen om te doen, wat er gedaan moet worden.
In den regel ga ik in den winter om 7 uur aan \'t werk
tot een uur of 6, 7 \'s avonds; maar als \'t noodig is,
werk ik zoolang tot de boel klaar is, des noods \'s nachts.
4089.    V. Wat verdient gij gemiddeld per week?
A. f 19, f 20.
4090.    V. Maar dan zoudt ge, tegen 18 cents per uur,
zoowat 110 uren in de week moeten werken! Daarvan
is natuurlijk geen sprake. Hoe klopt dat dan ?
A. Dat wordt zoo wat door elkander geslagen; ik
werk ook wel eens \'s nachts en altijd \'s Zondags.
4091.    V. Wordt gij voor den arbeid \'s nachts of op
Zondag extra betaald?
A. Ik werk niet per uur, ik vul mijn briefje altijd
maar in op 19, 20 gl., zooals dat uitkomt.
4092.    V. Dus dat gaat huiselijk toe; gij schijnt bij
den patroon in een goed blaadje te staan?
A. Ja, ik doe mijn best.
-ocr page 202-
193
4108.    V. Gij hebt ook de nieuwe fabriek helpen I A. Zij blijven toch liever in de fabriek, waar een
inrichten; welke voldoet naar uwe meening beter?
          ! fornuisje staat, waarop zij hun eten kunnen koken.
Trouwens zouden ze aan dat uur niet genoeg hebben, en
A. Iemand, die verstand van het gemaal heeft, zal daarom zou het minstens l\'/a uur moeten zijn.
het eens zijn, dat het gemaal van de oude schooner is.
. ™ ,r ,.r. •                       r.                          ,-i          4121. V. En kan dat er niet af?
4109.    V. Wie is de eerste firma geweest, die de
nieuwe inrichting heeft aangenomen?                                       A ^een, ^ ^ ^ gaan
A. De firma Duyvis.
4122. V. Betreuren zij het niet, dat zij niet thuis
4110.    V. Aan welke fabriek geven de werklui de \\ kunnen middagmalen?
voorkeur ?
A. Neen. Daarover hoor ik niemand klagen, zij eten
liever met elkaar in de fabriek.
0
4123.    V. Vindt gij daarin niet een bewijs, dat de
olieslagers laag staan in ontwikkeling?
A. Neen.
4124.    V. Gij gaat zelf toch liever thuis eten ?
A. Ik ben het nu eenmaal gewoon.
4125.    V. Wordt er boven de 12 uren per dag nog
overgewerkt?
                              »
A. Dat gebeurt heel zelden. Wanneer het heel druk
is, komen er sjouwerlui en schippers.
4126.    V. Werkt de nachtploeg niet veelal \'s ochtends
nog enkele uren door ?
A. Een enkelen keer, bij groote drukte, werken ze
wel eens 3 of 4 uren door.
4127.    V. Wanneer stopt de fabriek ?
A. Van Zaterdag-morgen 6 tot Maandag-morgen 6 uur.
4128.    V. En moet dan ook een deel van het personeel
in dien tijd herstellingen doen ?
A. Neen, dat zou alleen in buitengewone gevallen zijn.
4129.    V. Hoe dikwijls wordt de fabriek schoon
gemaakt?
A. Driemaal per jaar wordt zij geveegd, maar éénmaal
staat zij eene maand stil, om alles schoon te maken en
te herstellen.
4130 V. Hoe staat het met de loonen ?
A. Dat weet ik niet, dat zou u moeten vragen aan
Stadt.
4131. V. Is het juist, dat de loonen bij den heer
Prins lager zijn dan elders ?
A. Dat kan ik niet vast zeggen, maar wat in het
Volksblad heeft gestaan, is oneerlijk. De heer Prins is
de oudste olieslager aan de Zaan, en bij het inrichten
van zijne zaak heeft hij gezegd : zooveel volk moet er
wezen, en daarbij waren 2 meelmalers. Toen is er eene
andere fabriek gekomen, die hetzelfde werk door het-
zelfde aantal werklieden liet doen, als de heer Prins,
doch zonder die twee meelmalers.
4133. V. Kunt gij de bewering noch pertinent tegen-
spreken, noch pertinent bevestigen ?
A. Over een jaar genomen, geloof ik het niet
49
A. Zij vinden het pleizieriger in de nieuwe; het
werk is er wel iets zwaarder, maar zij staan er vrijer,
zoodat zij nog eens voor elkander het werk kunnen doen,
wanneer er één weg wil loopen om zijn brood te eten.
4111.    V. Er is minder i- .aai en minder benauwd-
heid in de nieuwe fabriek, niet waar?
A Minder lawaai zeker, maar de oude fabriek had
in den zolder gaten, waardoor de warmte wegtrok en
was daarbij zóó gunstig op het oosten en het westen
gelegen, dat heter\'s zomers minder warm was dan buiten.
4112.    V. Wordt er nooit gesmeerd, wanneer de boel
in gang is?
A. Er is \'s morgens om 8 uur stoptijd, en dan
worden de zware werkassen gesmeerd. Wanneer de
machine gaat, wordt alleen daar een beetje olie of vet
aangebracht, waar dat zonder eenig gevaar kan gebeuren.
4113.    V. Hoe lang staat alles stil?
A. Een uur.
4114.    V, Is dat op het oogenblik, dat de ploegen
wisselen ?
A. Neen, dat wisselen gebeurt \'s morgens om (J uur.
4115.    V. Is het uw werk om de machine te laten
-toppen ?
A. Ja.
4116.    V. Wordt er. vóórdat alles weer aan den
^ang gaat, een signaal gegeven?
A. Ja. dan klinkt er een groote bel, die door de ge-
heele fabriek hoorbaar is. Dan heb ik voor de zekerheid
nog een klein belletje naar de machinekamer laten
maken, waaraan daarna getrokken wordt. Vervolgens
wordt de groote bel nog eens geluid, en dan gaat het
er van door.
4117.    V. Er wordt immers gewerkt van 6—6 uur?
A. Ja.
4118.    V. Welke rusttijden gaan er af?
A. \'s Morgens om 8 uur de schafttijd, die een half
ü een uur duurt. Om 12 uur wisselen ze elkaar af om
hun eten te gebruiken, want het bedrijf eischt, dat de
fabriek moet doorgaan.
4119.    V. Hoe lang duurt die middagrusttijd?
.1. Ik weet het niet, want ik ga dan altijd naar huis
om te eten.
4120.    V. Gij zegt, dat het bedrijf eischt, dat de fabriek
aan den gang blijft; zou het echter niet gaan om de werk-
Heden in twee ploegen te verdeelen, en de eene rust te
sreven van 12—1 en de andere van 1—2 uur?
Knquétr. — 1)e Zaankant.
-ocr page 203-
194
maar ik kan het niet precies zeggen, omdat ik mij niet
met de administratie ophoud, ik durf gerust zeggen,
dat de firma Prins evenveel betaalt aan haar volk als
de firma Wessanen & Laan, die eene zelfde fabriek heeft.
4134.    V. Dus meent gij te weten, dat de werklieden
bij de firma Prins, een geheel jaar genomen, niet minder
loon in de week medenemen dan die bij de andere
fabrieken ?
A. Ja. maar ik kan het niet bewijzen. Als gij dat
precies wilt weten, moet gij Willem Stadt vragen.
4135.    V. Over die quaestie der loonen is toen heel
wat te doen geweest, niet waar?
A. Ja, maar ik heb er mij niet mede ingelaten; ik
bemoei mij niet met vergaderingen.
4136.    V. Is u ook bekend, of de werklieden der
firma zelve zich tot haar hebben gewend ter zake dier
quaestie ?
A. Neen.
4137.    V. Hoe gaat het bij ziekte der werklieden?
A. Dan krijgen zij f 4*/2 in de week, en onderscheidenen
hunner zijn nog in de werkmansvereeniging, die f6
\'s weeks geeft. Daarenboven heeft de chef last om
altijd uit te zien, of er behoefte is onder het volk, en dan
mag hij biefstuk of wijn geven, als het noodig is.
4138.    V. Zijn er oude werklieden, die geregeld eene
toelage van den patroon ontvangen?
A. Ja, wij hebben een ouden werkman, Jan Brusche,
die al een jaar ziek is, die heeft f9 \'s weeks; terwijl
Luttik, die nog negotie kan drijven in sigaren, lucifers
en dergelijke dingen, maar die sukkelachtig is, f3 in
de week heeft.
4139.    V. Hoe oud is die?
A. 60, 62 jaar. Het is altijd een zwak mannetje
geweest, en ik geloof, dat hij zich vroeger niet erg ver-
dienstelijk heeft gemaakt, zoodat hij zijn leven tekort
heeft gedaan.
4140.    V. Komt het niet voor, dat arbeiders van de
firma Prins aan hun lot worden overgelaten?
A. Neen, in mijn tijd niet.
4141.    V. Hoe lang werkt gij er reeds?
A. 9 jaar.
4142.    V. Hoe vaak wordt het loon uitbetaald?
A. Eens in de week.
4143.    V. Is dat altijd zoo geweest?
A. Ja.
4144.    V. Zij werken op stuk, niet waar?
A. Ja, per duizend koeken.
4145.    V. Ging dat niet vroeger per last?
A. Neen.
4146. V. Kent gij lieden, die op oliemolens werken ?
A. Neen.
K. Fraij.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-Secretaris.
Verhoor van Tijmcn Stelling «Janszoon, oud 53 jaar,
timmermansknecht, te Wormerveer.
4147.  De Voorzitter: Bij wien werkt gij ?
A. Ik heb gewerkt bij Gorter en bij Dirk Out, maar
op dit oogenblik ben ik zonder werk.
4148.    V. Waart gij geen vaste knecht?
A. Ik was vaste knecht en heb 20 jaren bij Gorter
gewerkt; toen is de slappe tijd gekomen, de patroon
moest volk afdanken, en daaronder behoorde ook ik.
Daarna ben ik bij Out geweest, maar ook deze heeft mij
door gebrek aan werk naar huis gezonden.
4149.    V. Is er te Wormerveer veel gebrek aan werk
in uw vak?
A. Niet veel. Wanneer er echter veel werk is, dan
komen veel werklieden naar Wormerveer, en wanneer er
weinig werk is, is er voor de eigenlijke dorpsbewoners
werk te kort. Van die menschen van buiten blijven er
allicht eenigen te Wormerveer hangen, en dan neemt men
de jonge menschen het eerst aan het werk.
4150.    V. Er is in den laatsten tijd veel gebouwd te
Wormerveer ?
A. Ja, en dientengevolge groote vermeerdering van
arbeiders in het bouwvak.
4151.    V. Wat is het loon in uw vak?
A. Dat wisselt af van f 400 tot f 700 \'sjaars. Per
uur krijgen de huismakers 15 a 16 cents, en de fabrieks-
werkers 17 cents.
4152.    V. Is in uw vak een middagrusttijd van ander-
half uur gewoonte ?
A. Meestal wel, maar bij groote drukte wordt die
ru8sttijd ook wel tot een uur ingekrompen.
4153.    V. Wordt die inkorting door de werklieden zeer
onaangenaam gevonden?
A. Wanneer men dicht bij het werk woont, maakt
het zooveel niet uit, maar woont men aan het andere
eind van het dorp, dan is de afstand te groot, en moet
men op het werk zelf den kost nemen.
4154.    V. In sommige tijden van het jaar wordt
zeker laat gewerkt, niet waar?
A. Ja, in den zomer wel.
4155.    V. Wordt er dan in den avond meer betaald ?
A. Neen, soms nog iets minder. De avondwerkers
arbeiden veel op stuk, en dan wordt het soms zóó nauw
uitgerekend, dat zij niet eens het gewone uurloon maken.
-ocr page 204-
195
4156.    V. Wanneer stukloon wordt toegepast, is het
dan te Wormerveer niet gebruikelijk om, zooala in andere
gemeenten wel geschiedt, in allen gevalle het uurloon
te garandeeren?
A. Neen, de baas houdt zich stipt aan de aanne-
mingssom.
4157.    V. Komen de jongens reeds op hun 12de jaar
bij het vak?
A. In den regel wel, vooral wanneer de ouders be-
hoeftig zijn.
4158.    V. Toen er verleden zomer laat gewerkt werd,
werkten toen de jongens ook mee ?
A. Ja.
4159.    V. Kunt gij dus pertinent verklaren, dat te
Wormerveer de arbeidswet niet stipt wordt nageleefd ?
A. Ja.
4160.    V. Kunt gij daarvan voorbeelden opnoemen?
A. Bij Gorter blijven de leerlingen even lang als
de anderen.
4161.    V. Gij weet zeker, dat dit gebeurd is?
A. Ja.
4162.    V. Zijt gij lid van eene werklieden-vereeniging ?
A. Niet zoozeer van eene bepaalde werklieden-veree-
niging, wel van de afdeeling van den sociaal-democra-
tischen bond.
4163.    V. Wordt het in den kring van die vereeniging
niet zeer wenschelijk geacht, dat de wet worde nageleefd ?
A. Waarachtig.
4164.    V. Is dan door de afdeeling of hare leden
de overheid . opmerkzaam gemaakt op overtredingen
der wet?
A. Neen, daarover is wel gesproken, maar het is niet
gedaan. Men is te veel in de vrees van zijne positie te
verliezen, om daartoe het initiatief te nemen; wij zijn
te veel afhankelijk van de patroons. Wellicht is dit
ook de reden geweest, dat ik persoonlijk in den laatsten
tijd van het werk ben afgeraakt.
4165.    V. De burgemeester is geroepen toe te zien op
de naleving der wet. Hebt gij reden en recht te ver-
onderstellen, dat de burgemeester nalatig is in dat toezicht?
A. Dat durf ik niet zeggen.
4166.    V. Ligt het niet op den weg uwer vereeniging,
die de naleving der wet „waarachtig" wenscht, de over-
heid opmerkzaam te maken op overtredingen?
A. Dat is zoo, m*ar zij heeft het niet gedaan.
4167.    V. Gij hebt de lijst van vraagpunten ontvangen.
Gaarne geef ik u gelegenheid om onze aandacht op het
een of ander in het bijzonder te vestigen.
A. De duur van den arbeid is de eerste vraag. Deze
is te Wormerveer te lang. In den zomer wordt gewerkt
van \'s morgens 5 tot \'s avonds 8 uur. Dat gaat hoofd-
zakelijk in de ambachten zoo. De tusschenpoozen zijn
slechts van 8 uur tot half negen, van 12 tot half twee en van
4 tot half vijf.
4168.    V. Staat daar tegenover, dat er \'s winters veel
minder gewerkt wordt?
A. Ja, gemiddeld is het, over een jaar genomen, bij
de ambachten 11 uren daags. Bij de stoomoliemolens
is het 12 uren achtereen. Voor den nacht geldt hetzelfde.
4169.    V. Ons is medegedeeld, dat bij de firma Prins
de fabriek l/ï of *U uur stilstaat om te smeren.
A. Dat mag een enkelen keer gebeuren; maar het zal
maar 10 minuten zijn. Het doel zal wel altijd zijn, zoo
spoedig mogelijk den boel gesmeerd te hebben.
4170.    V. Verder is ons medegedeeld, dat het volk,
door elkaar af te wisselen, om beurten gelegenheid heeft
om warm eten te gebruiken. Weet gij daar iets van?
A. Vroeger was dat bij Prins niet zoo, verleden jaar
nog niet, maar op „de Toekomst", van Bloemendaal &
Laan is dat op aandringen van het volk ingevoerd.
4171.    V. Ons is ook medegedeeld, dat het volk liever
in de fabriek blijft eten, dan dat het daartoe naar huis
gaat. Wat weet gij daarvan?
A. Dat is opmerkelijk. Die menschen dragen een pak
even vuil als de producten, waarin zij werken. Zij staan
soms in hooge temperatuur in een hemd en onderbroek,
zijn dus erg gevoelig voor verschil van koude en warmte
en doen dus beter door aan de fabriek te blijven.
Wat overwerk betreft, dat geschiedt aan de stoomsmederij,
eigenlijk eene ijzeren-schuitenmakerij, soms den nacht
over; in den laatsten tijd echter minder.
4172.    V. Werken zij daar dan 36 uren aan één
stuk door?
A. Dat zou ik niet gelooven; dat gaat, denk ik, door
tot den volgenden ochtend, maar het fijne weet ik
er niet van.
Zondagsarbeid. — De fabrieken staan \'s Zondags stil en
als zij dan 6-maal 24 uren hebben geloopen, is meestal
eenige reparatie te verrichten, die door den timmerman op
Zondag verholpen wordt. Deze werkt dan van \'s morgens
6 tot zoolang het noodig is, soms den geheelen dag.
4173.    V. Gebeurt het laatste veel ?
A. Als de karwei heel groot is, ontfermt de patroon
zich wel eens en laat de fabriek in de week staan.
4174.    V. Is er niet eens in het jaar een groote stil-
stand in de fabrieken ?
A. Ja, om de grootere vernieuwingen te doen.
4175.    V. Geniet het werkvolk dan het gewone loon?
A. Neen, fl daags.
4176.    V. Wil met uwe opmerkingen voortgaan.
A. Premiën. In de stoompellerij van Wessanen &
Laan is het loon betrekkelijk niet hoog, maar dit wordt
goedgemaakt door premiën per gemalen aantal lasten
of balen, die percentsgewijze over het loon worden om-
geslagen. Verder gebeurt dan wel, dat bij de afrekening
nog eene kleine toelage wordt gegeven van 10, 20 gulden,
naarmate het lijden kan.
Arbeid van jongens en meisjes. In de zakjesplakkerij,
tevens papierhandel, wordt veel met jongens en meisjes
van 12 tot 16 jaar gewerkt, en nog al lang.
4177.    V. Is dat de zaak van de firma Dekker?
A. Ja. Eveneens in de chocoladefabriek van de Erven
De Jong en bij De Ruiter. De arbeid is betrekkelijk licht,
en men werkt daar ook veel met jong volk beneden de
20 jaar. Daar wordt gewoonlijk nog al lang gewerkt,
\'s winters veelal tot 9,10 uur \'s avonds, ook door jongeren.
4178.    V. Bedoelt gij te zeggen, dat daar door jongens en
meisjes tegenwoordig nog tot \'s avonds laat wordt gewerkt?
-ocr page 205-
198
.1. Meisjes misschien niet.
4179.    V. Door jongens dan? Wordt daar, volgens uw
zeggen, de wet overtreden ?
A. Ik ken de wet niet uit mijn hoofd.
4180.    V. Zij verbiedt den arbeid na 7 uur \'s avonds
voor jongeren dan 16 jaar, behoudens uitzondering voor
een paar dagen. Bedoeldet gij nu te zeggen, dat de wet
er overtreden wordt?
A. Ik ben geen controleur; ik weet niet, of daar
\'s avonds eene schifting plaats heeft tusschen jongeren
en ouderen.
4181.    V. Dan moest gij ook niet te verstaan geven,
dat er na het wettelijk uur gewerkt wordt door knapen
van 12 tot 16 jaar. Gij moet dus verklaren niet voor de
waarheid ervan in te kunnen staan.
A. Dan verklaar ik voor de waarheid niet te kunnen
instaan.
4182.    V. In de schriftelijke mededeeling van de
afdeeling van den sociaal-democratischen bond, waartoe
gij behoort, wordt gezegd, dat op de papierfabriek ,,de
Eendracht" te Wormer jongens en meisjes veel geëx-
ploiteerd worden. Wat wordt daarmede bedoeld ?
A. Ik bon sedert jaren daar niet meer geweest, en
er wordt weinig over gesproken ; ik kan er daarom niets
van zeggen.
4183.    V. Dat stuk is toch mede door u ondertee-
kend. Nu zegt gij bij dit mondeling verhoor er niets
van te kunnen zeggen en dat er ook weinig over
gesproken wordt; maar dan bevreemdt het mij zeer, dat
in dat stuk pertinent gezegd wordt: „jongens en meisjes
worden hier veel geëxploiteerd". Wanneer het zoo is, zullen
wij gaarne door u worden voorgelicht.
A. Ik heb over dit punt niet gesproken.
4184.    V. Maar de onderteekening zal toch niet plaats
gehad hebben, vóórdat de verschillende punten bespro-
ken waren. Vindt gij het niet onvoorzichtig om aldus
mede te deelen, wat gij zelf losse praatjes noemt ?
A. Wat ik met zekerheid weet, zeg ik ook; maar
over deze zaak wordt wel eens zoo losjes gesproken.
Huisvesting der arbeiders. Deze vereischt wel eenige
verbetering. De woningen, die er zijn, voldoen niet
aan de eischen der gezondheid, en de goede, die bij ge ■
bouwd worden, zijn in den regel voor den arbeider
niet te verkrijgen, omdat de huur daarvan te hoog is.
4185.    V. Bemerkt gij geen vooruitgang op dat punt ?
A. Ja, maar zooals ik reeds zeide, de hooge huur is
voor een werkman, vooral wanneer hij een gezin heeft,
te bezwarend.
4186.    V. In de schriftelijke mededeelingen staat, dat
de huisvesting der arbeiders in hoofdzaak zeer on vol-
doende is; acht gij die uitspraak ook toepasselijk op
Wormerveer ?
A. De uitdrukking: „zeer onvoldoende" isvoorWor-
merveer misschien wel wat sterk, maar zij werd ook
meer genomen voor de geheele Zaanstreek.
4187.    V. Ik moet u doen opmerken, dat de waarde
der voorlichting stijgt, naarmate zij gepreciseerder is.
Indien nu de toestand te Wormerveer gunstiger is dan
in andere gemeenten, vindt gij het dan niet zelf af te
keuren, dat men zoo sterk gegeneraliseerd heeft?
A. De huisvesting is in ieder geval te Wormerveer
niet voldoende.
4188.    V. Het is u misschien bekend, dat de ge-
meente-verordening aan burgemeester en wethouders de
bevoegdheid verleent om in te grijpen, waar woningen
zijn, gevaarlijk uit een oogpunt van gezondheid. Zijn
< in de gemeente Wormerveer nog woningen, die, naar
uw oordeel en naar het oordeel in uw kring, be-
hoorden afgekeurd te worden, maar nog niet afgekeurd
zijn?
A. Ik weet wel, dat er slechte woningen zijn blijven
bestaan. Maar het is ook eene moeilijke zaak, want men
kan de bewoners toch maar niet zoo op straat zotten.
4189.    V. Wilt gij daarmede te kennen geven, dat
de overheid, hoewel willende handelen, door omstandig-
heden, van haar wil onafhankelijk, gedwongen wordt
miiiiler ver te gaan, dan zij wel zou wenschen?
A. Ja. zeer zeker.
Wat de verzekering van werklieden betreft, daarvan
werd vroeger in het geheel niet gehoord.
4190.    V. Neemt zij thans toe?
A. Ja, dat gaat den goeden weg op, maar voldoende
is het nog niet.
Van boetestelsels verder is te Wormerveer hoegenaamd
niets bekend.
4191.    V. Ook niet in grootere fabrieken?
A. Neen.
De verhouding tusschen werkgever en arbeiders laat
eindelijk nog al iets te wenschen over.
4192.    V. In welk opzicht?
A. Wanneer een werkman zich over iets heeft te
beklagen, moet hij zich eerst tot den baas wenden, en
die spreekt er op zijne beurt met den patroon over. De
werkman moest zich meer tegenover den patroon kunnen
stellen.
4193.    V. Zijn u gevallen bekend uit de latere jaren,
waarin de werkman verzocht den patroon te spreken, en
hem dit werd geweigerd?
A. Neen, vroeger wel, doch ik heb dit niet zoo kunnen
opmerken, daar ik in de laatste twee jaren een beetje
uit dien kring ben geraakt.
4194.    V. Wanneer het was voorgevallen, zou het in
uw kring wel bekend zijn, niet waar?
A. Ja.
4195.    V. En hebt gij er toch niet van gehoord?
A. Neen.
4196.    V. Is er toenemend wantrouwen van de werk-
lieden tegenover den patroon?
A. Neen, dat geloof ik niet.
4197.    V. Meent gij, dat de verhouding beter is dan
vroeger?
A. Neen, dat ook niet.
4198.    V. Wantrouwen acht gij waarschijnlijk een van
de grootste factoren eener slechte verhouding?
-ocr page 206-
197
A. Neen, \'t zou misschien goed zijn, maar wij ver-
wachten er niet veel van.
4202.    V. Hebt gij nu nog iets mede te deelen?
A. Ik meen nog, dat het jammer is, dat, vooral in het
timmervak, de menschen zoo spoedig naar huis gestuurd
kunnen worden, als er geen werk is, zonder vergoeding ;
zou niet een timmerman, evenals een onderwijzer, een
vast weekgeld kunnen krijgen, werk of geen werk ?
4203.    V. Uwe vraag zal opgenomen worden in het
verslag van uw verhoor. Hebt gij nog iets te wenschen
of te zeggen ?
A. Ja, over het geheel wenschte ik, dat de loonen
wat hooger stegen.
T. Stelling Jz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Ja, doch dit heeft altijd bestaan. Het is nu niet
erger dan vroeger.
4199.    V. Ons is door een getuige gezegd, dat het
wantrouwen grooter was geworden door verkondiging
van denkbeelden, die wantrouwen bevorderden. Is dat
uwe meening niet?
A. Dat kan ik niet zeggen; als ik fabrieksarbeider
was, zou ik het beter kunnen zeggen.
4200.    V. Hebt gij nog meerdere punten, waarover
gij spreken wilt ?
A. Licht en lucht laten wat te wenschen over, \'b.v.
de ventilatie in de fabriek van den heer Bon. Bij den
heer Prins is het ruim en groot genoeg.
In het algemeen is de ventilatie niet flink genoeg.
De verwarming. Die is in de oliemolens in den zomer
van 90—100 graden, \'s winters is het er lekker.
4201.    V. Wordt in uw kring de wensch gekoes-
terd naar officieele organen, die het belang van den werk-
man kunnen behartigen?
Enquête. — Ik Zaankant.
5d
-ocr page 207-
-ocr page 208-
ZITTING VAN WOENSDAG 15 JULI 1891.
Tegenwoordig de heeren
Kerduk. Voorzitter.
Kolkman.
Lk Poule
Vissek.
Verhoor van Jacob Stolp, oud 45 jaar, pellersknecht
bij de firma Wessanen & Laan, te Wormerveer.
4204.     De Voorzitter: Hoe is de werktijd aan de
fabriek geregeld ?
A. Wij werken met eene dag- en eene nachtploeg, die
om de week wisselen ; de dagploeg werkt van \'s morgens 6
tot \'s avonds 8 uur en de nachtploeg van \'s avonds 8 tot
\'s morgens 10 uur, zoodat beide ploegen gedurende 4 uren ge-
zamenlijk werken, met gezamenlijken rusttijd van 2 uren.
4205.     V. Heeft er bovendien nog wel overwerk plaats?
A. Zelden.
4206.    F. Gaat de dagploeg om te schaften naar
huis ?
A. Neen, het volk blijft aan de fahriek. dat is voor
de menschen zelven, met het oog op de afstanden, ook
beter.
4207.    V. Als er wat meer tijd gegeven werd, zoodat
men naar huis kon gaan om te schaften, zoudt gij dat
niet verkieslijk achten in \'t belang van het gezin ?
A. Dat wel, maar als zij bun uur rust krijgen, is
liet voor de werklui beter om aan den molen te blijven,
en ook voor de zaak, omdat er altijd het een of ander
kan gebeuren, wat dadelijke hulp vereischt.
4208.     V. Het komt dus voor, dat de menschen, die
den geheelen dag in de fabriek verblijven, geen vol uur
rust hebben?
A. Ja, dat kan gebeuren, maar het komt hoogst
zelden voor.
4209.    V. Zoudt gij het niet van groot belang achten
vuor het leven van den werkman en zijn gezin, dat de
rusttijd toereikend was om deel te nemen aan den maaltijd
van het gezin ?
A. Er zijn werklieden, die wel 20 minuten van de
fabriek wonen en dus heel hard zouden moeten loopen
om op tijd terug te zijn.
4210.     V. Indien de rusttijd wat langer werd geno-
men, zou dat bezwaar geringer worden. En bovendien,
indien de mogelijkheid bestond om thuis te eten, zouden
de menschen dan misschien niet wat dichterbij gaan
wonen ?
A. Er staan geen huizen zoo dicht bij de fabriek.
4211.    V. Niet vlak bij, maar toch wel korter bij
dan 20 minuten? Hebt gij nooit de werklieden hooren
praten over de wenschelijkheid om een langer schaft-
tijd te hebben ?
A. Och, er komt wel eens een kwartiertje bij, zóó
i nauw zien wij niet.
4212.    V. Gelooft gij, dat de werklieden er niet naar
verlangen om thuis te kunnen eten?
A. Dit is moeilijk te zeggen.
4213.    V. Gij kunt toch wel zeggen, of gij de werk-
lieden over dit punt wel hoort spreken ?
A. De een spreekt er zus over en de ander zoo.
4214.    V. Hebben zij nooit een verzoek gedaan om
wat langer rust, ten einde thuis te gaan middagmalen ?
A. Neen.
4215.     V. De fabriek werkt dag en nacht, maar zij
staat toch eens in de week stil ?
A. Ja, van Zondagmorgen 6 tot Maandagmorgen 6 uur.
4216.    V. In dien tijd heeft de verwisseling der
ploegen plaats ?
-ocr page 209-
200
4230.    F. Zijn er bovendien nog andere geldelijke
voordeden?
A. Neen.
4231.    V. Wanneer wordt het loon uitbetaald?
d. Des Dinsdagsavonds.
4232.    F. Is dit altijd zoo geweest?
A. Ja.
4233.    F. Zouden de werklieden het aangenamer
vinden om \'s Zaterdagsavonds betaald te worden?
A. Dat weet ik niet, sedert 25 jaar wordt \'s Dinsdags-
avonds uitbetaald. In Wormerveer wordt veel \'s Dinsdags
of \'s Woensdags uitbetaald.
4234.    F. Worden er veel boeten opgelegd ?
d. Neen, hoogst zelden.
4235.    V. Is er een reglement op de boeten ?
A. Neen. Boeten worden haast niet opgelegd. Als
men bijv. \'s Maandags wat laat komt, kijkt de meester
wat leelijk, voor de tweede maal zegt hij : «jongetje, wat
oppassen hoor!", en voor de derde maal zou men wel eens
een paar uren langer moeten werken.
4236.    F. Langer werken zonder loon ?
d. Ja, dat is een soort strafwerk.
4237.     V. Wie legt die straf dan op?
A. De meester, de chef van de fabriek; de patroon
bemoeit zich daarmede niet.
4238.    F. Krijgt hij er ook geen kennis van ?
A. Kennis misschien wel, maar de meester heeft wel
zooveel macht om die straf op te leggen.
4239.    V. Hebt gij veel last van misbruik van sterken
drank op de fabriek?
A. Neen, die komt er nooit in.
4240.    V- In de malerij van eene rijstpellerij heeft
men soms veel last van stof; is dit hier ook zoo?
A. Er wordt zooveel mogelijk voor gezorgd. De
waaierijen komen alle in eene stofkamer uit, meer is er
niet aan te doen.
4241.    F. Zijn daar exhausters?
A. Neen, alles komt door een soort tunnel in eene
groote kamer boven den stoomketel. Het komt wel eens
voor, dat liet wat stoffig is. maar gewoonlijk niet.
4242.    F. Zijn er openslaande ramen in den molen ?
A. Ja.
4243.    V. Komt het wel eens voor, dat de werklieden
zelf die ramen niet open willen hebben ?
A. Neen, ze worden den geheelen dag niet dicht
gedaan.
A. Ja.
4217.    V. Hoc lang heeft dus dan de werkman vrij,
die de dagploeg heeft ?
A. Van \'s Zaterdagsavonds 8 uur tot \'s Maandags-
morgena 6 uur.
4218.    V. Dit zijn dus 34 uren?
A. Juist; terwijl degenen, die de nachtploeg hebben,
uitscheiden \'s Zondagsmorgens om 6 uur en beginnen
\'s Muandagsmorgens om 6 uur; dat zijn 24 uur.
4219.    V. Is er, zoover gij weet, wel over gedacht om,
in plaats van, gelijk nu, de fabriek te laten stoppen van
\'s Zondagsmorgens tot \'s Maandagsmorgens, bijv. te stoppen
\'s Znterdagsavonds om 6 uur of om middernacht ?
A. Er is misschien wel over gedacht, maar ik geloof
niet, dat het mogelijk is.
4220.    V. Er zijn immers enkele jongens in de
fabriek werkzaam ?
A- Ja, twee jongens, een van 14 jaar, die niets anders
dan boodschappen doet en f 1.50 verdient, en een van
15 of 16 jaar, die f 3 loon heeft. Die jongens werken
echter niet \'s nachts.
4221 V. Hoe laat gaan die jongens des avonds
naar nuis ?
A. Om 6 uur, soms om 7 uur.
4222.     V. Hoe talrijk is het personeel 9
A. Het bedraagt ongeveer 50 personen.
4223.    V. Welk loonstelsel bestaat er? Is er dagloon
of\' stukwerk ?
d. Er is vast loon en stukwerk; hoe meer er gemalen
wordt, hoe meer er verdiend wordt.
4224.    F. Wat zijn de vaste loonen ?
A De oudste knechts verdienen aan vast loon f7.50;
dan zijn er 8 H 6 of f 6.50, en 14 a. 16, die f 4
verdienen.
4225.    F. Maar dan komen er bij de vaste loonen nog
premiën voor hetgeen gemalen wordt?
A. Ja, 3 cents per last; gemiddeld maakt dit f 5.40
in de week.
4226.     V. Krijgen allen dief 5.40?
A. Ja.
4227.    V. Wisselt dat bedrag niet sterk af?
A. Dat wisselt wel, maar ik heb het over hetgeheele
jaar genomen.
4228.    F. Deelen alle werklieden daarin, ook de pak-
huisknechts bijv.?
A . Ja. die ook.
4.\'i9. V. Die dragen toch niet bij tot het eigenlijke
maalwerk ?
A. Neen. maar die krijgen het nu eenmaal ook.
-ocr page 210-
4257.    F. Gelooft gij, dat de menschen, die de nacht-
ploeg achter den rug hebben, nog te kerk kunnen gaan,
als zij daaraan behoefte hebben ?
A Ja, die er bepaald behoefte aan hebben, kunnen
nog wel gaan.
4258.    V. Maar dan komen zij toch zeker half sla-
pende ter kerk?
A. Ja, dat zal wel.
4259.     De heer Kolkman: Gaat de uitkeering bij ziekte
geheel uit van de firma, of dragen de werklieden zelven
daartoe ook bij ?
A. Neen, wij dragen niets bij.
4260.     De Voorzitter: Hebt gij nog een of ander,
waarop gij o?ize aandacht wenscht te vestigen ?
A. Neen, dank u.
Jb. Stolp.
A. Kerduk, Voorzitter.
Kolkman
S. Le Pooi.e.
VV. M. "Visser.
W. H J. Rouaards, Adj-secretaris.
4244.    V. Is de kruk van de machine omheind?
A. Neen, dat is niet noodig.
4245.    V. Zijn aan de fabriek bijzondere voorzorgs-
maatregelen tegen brand en ongelukken genomen?
A. Tegen brand wel. Er loopt door middel van eene
kleine stoommachine eene leiding door de fabriek, en er
zijn ook nog extincteurs en handgranaten, benevens
eene spuit.
4246.    V. Hebt gij wel eens een brand bijgewoond ?
A. De fabriek is in 1881, geloof ik, afgebrand.
4247.    V. Zijn er toen persoonlijke ongelukken gebeurd?
A. Neen.
4248.    V Zijn er verbandmiddelen in de fabriek
aanwezig voor eerste hulp bij ongelukken?
A. Neen.
4249.    V. Zijn er wel ongelukken geweest in de
laatste drie jaren?
A. Neen, in de laatste 5 jaren zijn er geen ernstige
ongelukken gebeurd.
4250.    V. Is er eene bijzondere regeling in geval van
ziekte?
A. Getrouwde mannen krijgen een gulden daags,
zoolang zij ziek zijn.
4251.    V. En de ongehuwden?
A. Dezen krijgen, naarmate van hun loon, f 0,60,
f 0,70 ol f 0,80.
4252.    V. Kunnen allen daar vast op rekenen?
A. Ja.
4253.    V. Is het regel, dat die werklieden bovendien
lid van een uitkeeringsfonds zijn ?
A. Dat weet ik niet, want dat vertellen zij mij nooit.
4254.    V. Verzekert de fabriek de werklui tegen onge-
lukken ?
A. Neen.
4255.    V. De firma bestaat al lang en zal wel oudjes
hebben. Wat gebeurt daar mede?
A. Ofschoon op dat stuk geen regel of verplichting
bestaat, worden de menschen nooit in den brand gelaten.
Er zijn menschen, die met f 6.— gepensionneerd worden,
en ook weduwen krijgen wel, naar gelang het werk van
haar mannen is geweest. Cijfers hieromtrent kan ik
echter niet mededeelen.
4256.    F. Is het waar, wat de getuige Rond ver-
klaarde, dat de stokers 14 uren dienst hebben, en dat zij
\'s Zondags in den regel tot IJ uur aan de machine bezig
zijn, zoodat er van kerkgaan niets kan komen ?
A. Het kan voorkomen, maar niet dikwijls, want die
tot 6 uur dienst heeft, werkt niet meer. Op onze pellerij
\'s dat althans niet zoo, doch of het elders wel plaats
heelt, kan ik bevestigen noch tegenspreken.
Enquête. — Be Zaankant.
Verhoor van Willem Kapertz, oud 50 jaar, magazijnmees-
ter in de meelfabriek van de firma Wessanen & Laan,
te Wormerveer.
4261.   De Voorzitter: Er wordt in de meelfabriek, waar
gij werkzaam zijt, dag en nacht gewerkt, niet waar?
A. Ja, maar ik als meesterknecht werk alleen in de
dagploeg.
4262.    V. Hoe is bij de dagploeg de werktijd geregeld ?
A. Er zijn twee afdeelingen van 6 & 7 man elk;
daarvan werkt de eene van \'s morgens 6 tot \'s avonds
9 en de andere van \'s morgens 5 tot \'s avonds 8 uur.
4263.    F. Wat is de reden van dien verschillenden
arbeidstijd?
A. Onze dag is eigenlijk 14 uren, maar met goed-
vinden van den patroon hebben wij twee uren over. Dit
zou dan 16 uren zijn, maar dit mogen wij verminderen
op 15 uren, en omdat er nog al eens schippers komen
na 8 uur, is de patroon er voor, dat er eenigen tot 9
uur blijven.
4264.    V. Spreekt gij van het geheele personeel van
de fabriek, of alleen van het magazijnpersoneel?
A. Alleen van het magazijnpersoneel.
4265 F. Hoe talrijk is dat personeel?
A. Het bestaat uit 16 personen en een jongen, die
nog onder de wet is.
51
-ocr page 211-
202
42f>6. V. Wordt ten opzichte van dien jongen de
wet trouw nageleefd?
A. Ja; die jongen komt \'s morgens om 7 uur en
gaat \'s avonds om 7 uur weg. terwijl hij met den mid-
dag een uur buiten de fabriek is.
4267.     V. Gij zeidet, dat de arbeidsdag 15 uren is;
hoeveel rusttijd gaat daar af?
A. \'s Morgens, als wij om 5 uur komen, hebben wij
vóór het begin een kwartier om koffie te drinken : om
8 uur schaften wij :,/4 uur, en om 101/? uur nemen wij,
als het werk het toelaat, weder ili uur. Van 12 tot 1
uur hebben wij weder rust, en des middags om 4 of 5
uur drinken wij kollie; daarvoor hebben wij \'/j uur;
des avonds om 6 uur eten wij ons brood, doch nemen
daarvoor geen bepaalden rusttijd.
4268.    F. Men heeft dus te zamen ongeveer 21/* uur
rust per dag, zoodat de feitelijke arbeid 12\'/2 uur duurt?
.4. Juist.
4269.     V. Welk werk verricht het magazijn personeel?
A. Het werk bestaat in meel opzakken, tarwe naar
de fabriek brengen, het goed, dat de schippers hebben
moeten, opzakken en aan boord brengen, bet meel opleg-
gen en tien hoog leggen, enz.
4270.    V. Geschiedt het vervoeren der balen op wa-
gentjes of op den rug ?
A. Op den rug wordt er zelden iets vervoerd; dit
zou alleen kunnen gebeuren in den winter, wanneer men
naar boven zou moeten.
4271.    F Beschouwt gij derhalve den arbeid niet als
een zwaren ?
A. Neen, het werk is niet zwaar.
4272.    V. Een feitelijke arbeidsduur van l£\'/j uur
is intusschen zeer lang; is dit altijd zoo geweest 1
A. Vroeger was het langer, toen was het 16 uren.
Wij moesten toen komen om 4 uur \'s morgens, doch
begonnen eerst om 5 uur. In plaats van \'s middags 1
uur schaft, hadden wij l\'/a uur, en \'s namiddags voor
koffiedrinken in plaats van */ï uur één uur.
4273.     V. De dag was dus langer, maar de feitelijke
arbeidsduur niet ?
A. Juist.
4274.    F. Ts er van den kant der werklieden wel eens
aangedrongen op verkorting van den werktijd ?
A. De chef heeft eens gezegd, dat hij van \'s morgens
4 tot \'s avonds 9 uur te lang vond, dat wij liever onze
rusttijden moesten inkrimpen, dan konden wij 15 uren
werken.
4275.     V. Maar is ook aangedrongen op verkorting
van den tegen woordigen werkdag van 15 uren ?
A. Neen, ieder schijnt nu tevreden.
4276.    V. Zijn er geen werklieden, die dezen arbeids
dag als te lang beschouwen ?
A. Die zijn er wel onder, maar er wordt nooit over
gesproken. Vooral nu de patroon heeft gezegd, dat, als
de werkzaamheden het toelaten, wij nu en dan een uurtje
vroeger kunnen uitscheiden, zonder dat dit invloed zal
hebben op ons loon, schijnen de menschen zeer tevreden.
4277. V. Is naar uw eigen oordeel de arbeidsdag
niet te lang?
A. Zooals wij tegenwoordig werken, niet. De tijd is
wel niet kort, maar er schiet altijd wat rust over, vooral
nu wij zoo nu en dan een uurtje mogen weggaan.
4278 V     Gij zeidet straks, dat de werklieden vroeger
om 4 uur   moesten komen, terwijl zij pas om 5 uur
begonnen te  werken. Waarom kwamen ze dan niet liever
om 5 uur?
A- Dat lag aan den toenmaligen meester, die had
zoo graag, dat men vroeg kwam.
4279.    V. Waarom?
A. Dat durf ik niet zeggen. Hij haalde ons soms
ook om 1 uur \'s nachts uit ons bed.
4280.    V. Zoo maar uit liefhebberij ?
A. Dat weet ik niet, het is de volle waarheid.
4281.    V. Nu komen ze om 5 uur en gaan eerst
een kwartier koffiedrinken. Waarom doen ze dat niet
thuis?
A. Ter wille van de vrouw, die anders te vroeg zou
moeten opstaan.
4282.     V. Wat gij zegt, dat vroeger gebeurde, deelde
ons de stoker Rond mede, dat nog gebeurt, nl. dat zij om 5 uur
komen en om önU uur beginnen te werken. Is u er iets
van bekend, of dit in de andere afdeelingen der fabriek
inderdaad zoo is?
A. Ik weet het niet.
4283.     V. Verlaten de werklieden in den middag-
rusttijd van één uur de fabriek?
A. Neen, ik doe het om den anderen dag, omdat ik
dicht bij woon.
4284.     V. Wonen de anderen te ver af?
A. Niet allen, doch er zijn er, die er 20 minuten
vandaan wonen.
4285.     V. Zoudt gij het niet zeer wenschelijk achten,
dat de middagrusttijd iets langer was?
A- Ja, maar het zou niet in het belang der werk-
zaamheden zijn. Wij zouden \'s avonds een half uur langer
moeten werken.
4286.    V. Zou het niet te vinden zijn met eene kleine
uitbreiding van personeel?
A. Best mogelijk, doch dit zou ons in onze verdiensten
kunnen schelen.
4287.     V. Dit is de geldquaestie. Doch zoudt gij het
als een grooten vooruitgang beschouwen, indien het kon.
zonder dat de verdiensten verminderden?
A- Ik voor mij niet. Men is er zoo aan gewoon.
4288 V. Men kan aan het verkeerde zóó gewoon
raken, dat men niet dadelijk het betere waardeert. Doch
-ocr page 212-
20:3
denkt gij, dat het op den duur niet zou worden gewaar- j fabriek zou nu en dan een paar uren stil moeten staan,
deerd, indien de werkman door langeren middagrusttijd | U moet echter niet vergeten, dat die Zondagsarbeid met
aan de tafel van het gezin kon eten?
50 ets. wordt betaald, en verscheidenen zouden dat niet
gaarne missen.
4299.     V. Dus het is eene geldquaestie, van de zijde
van de werklieden evenzeer als van die der firma;
want of de fabriek zou nu en dan moeten stil
staan gedurende een paar uren, of liet.personeel zou eenigs-
zins moeten worden uitgebreid, bf gijlieden zoudt \'sZater-
dagsavonds een paar uren langer moeten werken ?
A. Ja, eene technische quaestie is het, zoover ik weet,
niet.
4300.     V. Geniet het personeel van uwe afdeeling
vast loon?
A. Ja. De jongen, die onder de wet is, heeft f 2.50 ;
de ongehuwden f 4—f6 en de gehuwden f 7.
4301.     V. Daar komt echter zeker nog iets hij?
A. Ja, twee cents van elk last, dat in de fabriek ge-
malen wordt.
4302.    V. Hebben allen die premie?
A. Ja. op één na, die pas voor eene week of vier
gekomen is; die verdient f 6 in de week en 5 cents per
uur overwerk.
4303.     V. Waarom deelt hij niet in het lastengeld?
A. Och, dat komt trapsgewijze.
4304.     V. Hoeveel bedraagt het lastengeld?
A. Ongeveer f 80 per jaar.
4305.    V. Dat is dus ongeveer f 1.50 per week, en
de gehuwden hebben een vast loon van f 7, dat maakt
derhalve f 8.50 ?
A. Ja, maar daar komen 12 uren overwerk :\\ 10 cents
bij in de week en 50 cents voor Zondag.
4306.    V. Hebben de menschen nog andere kleine
voordeelen ?
A. Neen.
4307.     V. Wordt een man, die f 9.20 verdient, in
Wormerveer beschouwd, als een goed loon te hebben?
A. Ik geloof het wel.
4308.    V. Kan naar uw oordeel een man, die f 9.20
verdient, zonder bijverdiensten door vrouw of kinderen
het leven van een gezeten werkman leiden?
A Dat geloof ik niet.
4309.    V. Eet die man, wanneer hij een middelmatig
groot gezin heeft, in den regel behoorlijk vet in zijn eten?
A. Daar kan ik niet bepaald op antwoorden, maar
bij ons is over het algemeen het eten tamelijk goed.
4310.    V. Hebben de meesten van die lieden neven-
inkomsten van vrouw en kinderen?
A. Van de vrouw niet, maar een paar werklieden
hebben wel van de kinderen eenige inkomsten.
A. Het zou beter zijn, vooreerst voor het huiselijk
leven en dan ook voor het voordeel, want het ia minder
voordeelig, indien er porties moeten worden afgescheiden
voor iemand, die buiten de deur eet, dan wanneer men
gezamenlijk aan tafel zit.
4289.    V. Wordt het potje gebracht ook voor de
veraf wonenden ?
A. Ja, door vrouw of kinderen.
4290.    V. Kunnen de werklieden het eten warmen?
A. \'s Winters zetten wij het op den stoomketel; dat
gaat best.
4291.     De heer Kolkman: Heeft het volk, toen, zooals
gij hebt medegedeeld, de middagrusttijd van l\'/\'j tot 1
uur werd ingekrompen, daarover niet geklaagd ?
A. Dat halfuur was een natijd dien wij zelven geno-
men hadden; naar aanleiding van de opmerking der jonge-
heeren, dat wij, als hun Pa er niet was, ij1 uur langer
bleven zitten, nebben wij maar weder één uur voor schaf-
tijd genomen.
4292.    V. Maar, tijdens die gewoonte, om l1/2UUI\'te
schaften, ging men toen naar huis, of bleef men toch aan
de fabriek ?
A. Men bleef voor het gemak, en ging na \'t eten
wat op één oor liggen. Als de patroon het naar huis
gaan verplichtend stelde, zou men natuurlijk gaati.
4293.     De Voorzitter: Is er een afzonderlijk schaft-
lokaal ?
A. Neen, wij zitten op eene baal meel of een doppenzak
en gebruiken zoo ons maal.
4294.    V, Komt overwerk voor?
A. Neen, dat is onder dien langen dag begrepen.
Uitzonderingen, als een schipper eens bijzonderen haast
heeft, zijn er wel.
4295.    V. Heeft in uwe afdeeling wel nachtwerk
plaats ?
A. Nooit, maar \'s Zondags werken wij altijd van 5 tot
8 uur.
4296.    V. Beschouwt gij dat werk op Zondag als
noodzakelijk ?
A. Voor die vraag moet ik weder de schouders op-
halen. De vroegere chef, van wien ik verhaalde, had
er behagen in, ons \'s Zondags om 1 uur \'s middags van
huis te laten halen, dat is waarheid, maar deze chef heeft
gezegd, dat hem zoo iets volstrekt niet aanstaat.
4297.     V. Sedert wanneer is die nieuwe chef er ?
A. Van 1869 af.
4298.    V. Dus dat Zondagswerk is een overblijfsel
van een vroegeren ongunstigeren toestand P
A. Ja. Ik moet hier echter iets bijvoegen. Wij zouden
wel van dat Zondagswerk af kunnen, maar dan moeten
wij \'s Zaterdagsavonds tot een uur of 11 werken, of de
-ocr page 213-
20
Verhoor van Cornelis Knijnsberg, oud 34 jaar, pellers-
knecht bij de firma Bloemendaal & Laan, te
Wormerveer.
4322.     De Voorzitter: Hebt gij altijd bij de firma
Bloemendaal & Laan gewerkt ?
A. Neen, vroeger heb ik in een pakhuis gewerkt,
daarna bij de firma Van Gelder.
4323.     V. Welk werk moest gij daar doen?
A. Eerst was ik loopjongen, toen ben ik in de ma-
chinekaraer gekomen, als papiersnijder.
4324.    V. Op welken leeftijd zijt gij daar gekomen?
A. Bijna 13 jaar.
4325.     V. Hoe lang zijt gij bij de firma Van Gelder
geweest, als papiersnijder?
A. Een jaar.
4326.    V. Waarom zijt gij er van daan gegaan?
A. Ik zou er het papiermaken leeren, maar dat ge-
beurde niet en toen ben ik met een kwaad hoofd weg-
loopen. De schuld lag bij mij.
4327.    V. Welk werk hebt gij nu bij de firma
Bloemendaal & Laan?
A. Ik ben nu op den maalzolder bij de pelsteenen.
4328 V. Hebt gij daar veel last van de stof?
A. Neen.
4329. V. Welke voorzorgsmaatregelen zijn daarvoor
genomen ?
A. Wij kunnen des verkiezende de bovenlichten van
de ramen openzetten.
433Ü. V. Zijn er geen bijzondere voorzorgsmaatre-
gelen, geen exhausters op de waaierijen ?
A. Ja.
4331.    V. Waar komen die uit?
A. In eene gesloten kamer, de z.g. stof kamer. .
4332.    V. Gij hebt dus weinig last van stof?
A. Ja.
4333.    V. Hoe is uw werkdag verdeeld?
A. Wij werken van \'s morgens 6 tot \'s avonds 8,
of van \'s avonds 8 tot \'s morgens 10 uur, om de week.
Dat zijn dus 14 uren.
4334.    V. Welke rusttijden gaan er af?
A. Wij hebben \'s middags een uur tijd om te eten,
en \'s morgens en \'s middags nog een half uur, doch
wij blijven in de fabriek. Er wordt wel voor gezorgd,
dat wij in dien tijd iets te doen hebben, b.v. opletten
op de pelsteenen.
4335.     V. Gij hebt dus geen vrije beschikking over
dien tijd?
4311.    V. Ons is medegedeeld, dnt in de rijstpellerij
van de firma bij ziekte, hoe lang die ook duurt, van
wege de firma, zonder bijdrage van de werklieden zelven,
eene uitkeering geschiedt, voor de ongehuwden varieerend
naar hun loon en voor de gehuwden van f 1 per dag.
ïs dit ook het geval aan de meelfabriek ?
A. Ja.
4312.    V. De getrouwde werkman kan dus, hij ziekte,
vast rekenen op ten minste f 6 per week. Dit is eene
belangrijke tegemoetkoming van de firma, maar toch lijdt
het gezin altijd nog door zulk een ziektetoestand. Zorgen
de werklieden nu ook hunnerzijds door in een zieken-
fonds te zijn?
A. Ja, ailen zijn in een werkmansfonds en ziekenfonds.
4313.    V. Keert dat ziekenfonds niet f 6 in de
week uit?
A. Men heeft er twee verschillende: dat te Zaandijk
keert na twee dagen ziekte uit, maar om uitkeering te
krijgen uit dat te Wormerveer moet men eerst 6 dagen
ziek zijn; dan krijgt men, ook voor die eerste 6 dagen,
eene uitkeering van f 6 per week.
4314.     V.
fabriek ?
A. Neen.
4315.    V.
A. Nooit.
4316 V.
A. Neen.
Is er een boetereglement bij u in de
Worden er nooit boeten toegepast?
Bestaat daaraan volstrekt geen behoefte ?
4317.     V. Is het uwe ondervinding, dat kleine onge-
rechtigheden, zooals te laat komen en dergelijke, zeer
goed te weren zijn zonder boete op te leggen ?
A. Ja, want dat gebeurt hoogst zelden.
4318.    V. Komt het in uwe afdeeling nooit voor, dat
bij wijze van straf wordt opgelegd eenige uren overwerk
zonder loon ?
A. Neen.
4319.    V. Wisselt het personeel sterk af?
A. Ik ben er nu 30 jaar, en ik geloof, dat er zoowat
3 personen zijn weggegaan.
4320.    V. In de laatste jaren ?
A. In de laatste 12 jaren, geloof ik.
4321.    V. Is het te Wormerveer regel, dat op Dinsdag
of Woensdag het loon wordt uitbetaald ?
A. Bij de firma\'s Wessanen & Laan en Bloemendaal &
Laan op Dinsdag, bij de andere firma\'s geloof ik op Zaterdag.
W. Kapkriz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj. -secretaris.
-ocr page 214-
205
4348.     V. Met den chef ook?
A. Ja, best.
4349.     V, Hoe is het met de boeten ?
A. Die zijn er in het geheel niet.
4350.     V. Ook niet voor te laat komen, b.v.?
A. Neen : er verslaapt er zich wel eons een, maar
dat loopt bijna altijd daarmee af, dat hij den tijd weer
inhaalt.
4351.   V. Krijgt de betrokkene dan toch niet een standje ?
A. Neen. niet dikwijls, want de meesterknecht weet
wel, dat men in een huishouden met kinderen niet
altijd zoo gemakkelijk slaapt.
435^. V. Gaan de pakhuislui \'s middags geregeld
naar huis eten ?
A. Neen, evenmin als de menschen uit de fabriek.
4353.     V. Hebt gij vast loon of vast loon plus eene
afwisselende inkomst, als b.v. lastengeld ?
A. Vast loon.
4354.     V. Hoeveel bedraagt dat ?
A. Ik heb f 13 in de week.
4355 V. Is dat het hoogste loon, dat bij de firma
verdiend wordt ?
A. Het is wel een van de hoogste loonen. Mijn maat
en ik hebben f 13; wij zijn de pellers.
4356.    V. Kent gij de loonen ook van andere werk-
lieden ?
A. Neen, ik weet, dat er zijn, die loonen hebben van
f 11 en ook van f 10.50, maar wij praten over eikaars
loon niet. Wij komen trouwens weinig bij elkaar; ieder
blijft op zijn eigen zolder.
4357.    V. Wanneer wordt het loon uitbetaald ?
A. Des Dinsdags; bij Van Gelder was het \'s Woensdags.
A. Neen.
4336.     V. Verlaat niemand de fabriek?
A. Alleen de meesterknecht en de pakhuismeester.
Wanneer iemand, die in het pakhui» werkt, vrij vraagt,
wordt hem dat verleend. Wanneer het noodig is, dat
iemand van de fabriek naar huis gaat, dan wordt hij afgelost.
4337.     V. Men is dus welwillend ?
A. Zeker, doch de regel is, dat men aan de fabriek
biijft.
4338.     V. Wordt dit door de werklieden betreurd ?
A. Ik voor mij zou graag naar huis willen gaan, als
het kon.
4339.     V. Zoudt gij dit ook willen doen, indien de
rusttijd niet langer was dan nu ?
A. Ik zou het ten minste best kunnen doen.
4340.     V. Wordt er veel over gesproken door de
werklieden ?
A. Neen.
4341. V. Waarom zou er door
worden gehecht ?
u waarde aan
A. Ten eerste om de gezelligheid van het thuis eten,
en dan, omdat het voordeeliger is, want wanneer het eten
aan de fabriek gebracht wordt, blijft er licht iets over, en
dat zou thuis etende niet gebeuren.
4342.    V. Ziet gij uwe kinderen minder dan gij aan-
genaam vindt?
A. Als ik de dagweek heb, zie ik alleen de oudste
\'s avonds nog. Als ik de nachtweek heb, zie ik ze meer.
4343.     V. Hoe lang zijt gij vrij bij de wisseling
der ploegen op Zondag ?
A. De dagploeg is vrij van \'s Zaterdagsavonds 8 tot
\'s Maandagsmorgens 6 uur en de nachtploeg van \'s Zondags-
morgens 5 uur tot \'s Maandagsmorgens 6 uur.
4344.    V. Vindt men een werkdag van 14 uren met
een paar uren rust niet zeer lang, en heeft men met
den patroon daarover nooit eens gesproken ?
A. Neen. Over zulke dingen praat men met den
patroon niet; alles gaat door den meesterknecht, ofschoon
de patroon welwillend genoeg is om ons te woord te staan.
4345.     V. Hangt er een reglement in de fabriek ?
A. Neen.
4346.     V. Hoe gaat het bij verandering van betrek-
king ? Wordt de dienst wederkeerig met een bepaalden
termijn opgezegd ?
A. Dat weet ik eigenlijk niet, want in de 14 jaar,
dat ik aan de fabriek ben, is het niet voorgekomen, dat
iemand is weggegaan.
4347.     V. Mag ik hieruit opmaken, dat de verhou-
ding tusschen patroon en werklieden eene gunstige is?
A. Ja, die is goed, en ook \'t volk kan goed met
elkander overweg.
Enquête. — Be Zaankant
V. Geniet gij nog eenig voordeel boven uw
4358.
loon?
A. Ja, vast 50 ets. \'s weeks voor overwerk. Het
gebeurt wel, dat wij een kwartier of een half uur langer
moeten blijven; daar is dat vast voor gesteld.
4359.    V. Hebt gij ook neveninkomsten, doordien
vrouw of kindereu wat verdienen ?
A. Neen; ik heb 5 kinderen en de oudste is pas 9
jaar.
4360.    V. Wat verwoont gij?
A. f 1.50 \'s weeks.
4361.     V. Wat hebt gij daarvoor?
A. Eene kamer met een klein kamertje en een Hinken
zolder.
4862. V. Hoe groot is die kamer?
58
-ocr page 215-
206
A. De maat weet ik niet, maar zij is overeenkomstig
de verordening.
3(53. V. Slaapt gij ook in die kamer ?
A. Ja, er zijn twee bedsteden in.
1364. V. Gebruikt gij het kleine kamertje als pronk-
kamertje ?
A Neen, daarvoor is het te klein; wij gebruiken het
voor werkkamer.
4305. V. Waar wordt gekookt ?
A. In de groote kamer.
4366. V. Kn waar wordt gewasschen ?
A. In de kleine kamer.
1-367. F. Is de zolder beschoten?
A. Ja.
4368. V. Zoodat, wanneer uwe kinderen groot zijn,
zij daar eene goede slaapplaats kunnen vinden ?
A. Zeker, het is daar best.
436!). V. Hebt gij de inrichting van de woningen,
gedurende den tijd, dat gij in Wormerveer zijt, zien
verbeteren ?
A. Zeer zeker, de nieuwe woningen zijn beter dan
de vroegere.
4370 V. Gij hebt een betrekkelijk hoog loon, maar
kan een man, die f 10 per week verdient, f 1.50 ver-
wonen ?
A. Dat weet ik niet.
1871. V- Zijt gij lid van eene werkmansvereeniging?
A. Neen.
4372.     V. Ook niet van een ziekenfonds?
A. Ik ben lid van een fonds, waarvan men alleen vrij
medicijnen krijgt.
4373.    V. Hoe doet gij dan in tijd van ziekte ?
A. Dan krijg ik, onverschillig hoe lang de ziekte
duurt, mijn volle loon van den patroon uitbetaald.
4374.     V. Geldt dat voor het geheele personeel ?
A. Ja.
4375.     V. Is er van den kant van de fabriek eene
controle op den ziektetoestand?
A. Dat weet ik niet.
4376.     V. Moet gij niet een briefje van den dokter
indienen ?
A. Neen, wij moeten aan den meesterknecht be-
richt geven.
4877. V. Draagt de werkman bij tot dat volle loon
in geval van ziekte, of wordt het geheel door de firma
gegeven ?
A. Geheel door de firma.
4378.    V. Is er aan de fabriek niet een zeker fonds
verbonden voor geval van ouderdom ?
A. Wij zijn verzekerd tegen invaliditeit en ongeluk-
ken ; verder bestaat er een fonds voor de weduwen, opge-
richt o.a. door eene gift van de patroons. Hoeveel er
uitgekeerd wordt, weet ik niet, maar het gaat niet in
verhouding tot de positie, welke de man heeft ingenomen
in de fabriek, maar naar de grootte van het huishouden.
4379.    V. Gij zeidet, dat gij op uw maalzolder blijft
om te eten ; is er echter niet een ander gedeelte van het
personeel, dat niet aan eene vaste plaats gebonden is ?
d. Ja, daarvoor is eene timmerschuur met stoom-
verwarming
4380 V. Is daarin tevens gelegenheid om het eten
te verwarmen?
A. Ja, er is een gasfornuis, maar den meesten wordt
het eten van huis gebracht.
4881. V. Is er eene waterleiding?
A. Neen, een regenbak.
1382. F. Is bij dien bak ook eene filtreermachine?
A. Die staat in de fabriek. Daar wordt al het water
gefiltreerd, en is het water niet goed, dan wordt het van
de waterleiding of bij den patroon gehaald
4383.    V. Hebt gij ons van uw kant soms nog iets
mede te deelen ?
A. Neen, ik ben tevreden en heb over niets te klagen.
4384.    V. Wij zijn hier niet alleen om klachten
aan te hooren, wij hooren gaarne ook wat goeds.
A. Ik weet verder niets mede te deelen dan alleen, dat
ik \'s middags gaarne tijd had om naar huis te kunnen gaan.
C. Knijnsbero.
A Kerdijr, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
"Verhoor van Klaas Stolp, oud 50 jaar, werkman in
de oliefabriek van den heer C. Bon, te
Wormerveer.
4385.    De Voorzitter: Zijt gij steenknecht?
A. Neen, ik ben chef op de fabriek.
4386.    V, Zijt gij altijd in het vak geweest?
A. Ja.
-ocr page 216-
207
43S7. F. Op welken leeftijd zijt gij er mede begonnen ?
A. 12 jaar.
438S. F. Hoe lang werktet gij in dien tijd?
A. 16 uren, toen waren er nog geen stoomfabrieken.
4389.    V. Hoe lang werkt gij bij den heer Bon?
A. 12 uren, van \'s morgens 6 uur tot\'s avonds 6 uur.
4390.    V. Hoeveel rusttijden hebt gij daaronder?
A In het geheel geen rusttijden.
4391.    F. Ook niet om \'s middags te eten?
A. Neen, anders moet men verzuimen.
4392.    F. Wordt er dan door de menschen geen warm
eten gebruikt?
A. Bijna niet. Brood is gemakkelijker te eten onder
het werk.
4393.    V. Wisselen de menschen elkander dan niet
eens af, zoodat de een wat zit, terwijl de ander werkt?
A. Dat kan niet, ieder heeft zijn eigen werk.
4394.    V, Zijn er geen fabrieken, waar om beurten
gerust wordt?
A. Neen, wel zijn er fabrieken, die 1l-2 uurof3/4uur
stilstaan.
4395.    F. Is er dus tusschen \'s morgens 6 en \'s avonds
6 uur geen oogenblik, dat gij van de beenen komt?
A. Meen.
4396.    V. Wordt daarover niet door de werklieden
geklaagd?
A. Neen, want men wil gaarne geld verdienen.
4397.    V. Klagen zij niet over vermoeienis ?
A. Neen.
4398.    V. Kunt gij fabrieken noemen, waar \'s middags
gerust wordt?
A. Bij *de Toekomst" van de heeren Bloemendaal
& Laan en aan de fabriek van den heer Duyvis, te Koog.
4399.    F. Er zijn geen hydraulische persen in de
fabriek, waar gij werkt ?
A. Neen.
4400.     V. Is er ook eene nachtploeg?
A. Ja.
4401.    F. Dag- en nachtploeg wisselen elkander \'s
morgens en \'s avonds om 6 uur af?
A. Ja.
4402.    V. Is er wel eens overwerk ?
A. Als er gesjouwd moet worden.
4403.    V. En dat gebeurt zeker \'s morgens door de
nachtploeg ?
A. Ja.
4404.    V. Komt dat sjouwwerk dikwijls voor ?
A. Ja, maar het is eigen wil.
4405.    V. Als de menschen het niet doen, wie moeten
het dan doen ?
A. Dan moet ik volk van den weg nemen.
4406.    V, Hoe wordt Hat extra-werk betaald?
A. Drie stuivers per 1000 koeken, of het dubbele,
zoodat ieder een stuiver of een dubbeltje krijgt.
4407.    V. Waaraan ligt dat verschil ?
A. Voor koeken, die niet gewogen moeten worden,
krijgen wij 3 stuivers, en voor koeken, die wel gewogen
worden, het dubbele.
4408 V. Hoeveel verdient men daarmede in een uur ?
A. 25 of 30 ets., wanneer het enkel geld is.
4409.    V. Wordt er overigens betaald per last, dat
vermalen wordt, of per aantal koeken ?
A. Per 1000 koeken.
4410.     V. Is er niet vóór eenigen tijd eene beweging
geweest om uitbetaling per last te verkrijgen ?
A. Ik heb er nooit van gehoord. De loonen zouden
daardoor ook veel lager worden, want wij maken gauwer
1000 koeken, dan dat wij een last verwerken.
4411.    V. Waren er geen werklieden, die per last
wenschten uitbetaald te worden?
A. Neen, er werd wel gevraagd ora meer geld voor
1000 koeken.
4412.    V. Wanneer is dat gebeurd?
A. Ik heb het van den winter in de couranten ge-
lezen.
4413.    V. Ons werd gezegd, dat het verzoek om be-
taling per last verband hield met de verandering in de
grondstof, die verwerkt wordt. Is u daarvan niets bekend?
A. Ik heb er nooit van gehoord.
4414.    V. Wat is het loon?
A. f5 per 1000 koeken. Dit verdeelen de knechts
onder elkaar. De blokmaler krijgt 13 stuivers, de steen-
knecht 18 of 14 stuivers en de jongen 20 ets.
4415.    V. Welke is de gemiddelde feitelijke verdienste ?
A. De blokmaler krijgt gemiddeld f 10 per week, de
steeuknecht f 13 en de jongen f 6. Eén steenkneclit
krijgt maar f 11, omdat hij minder werk heeft.
-ocr page 217-
208
4416.    V. Ik dacht, dat de blokmaler meer kreeg dan
de steenknecht?
A. Dit is het geval op den windmolen, omdat het
werk daar zwaarder is, en bij ons de steenknecht alleen
moet verwerken, waarvoor de blokmalers met hun beiden
staan.
4417.    V. De door u genoemde cijfers zijn de ge-
middelde, niet waar ?
A. Ja. In den winter wordt meer verdiend dan in den
zomer, wanneer ook nog de staantijd er bij komt.
4429. V. Geeft dat niet veel rook?
A. Neen, want het stoken gaat bijna altijd door.
Rook ontstaat alleen een oogenblik, als wij gestopt hebben,
b.v. als er eens extra gesmeerd wordt, als de deksels van
de stookgaten worden genomen.
4480. V. Worden de bouten bij de stampers werkelijk
altijd gebruikt?
A Ja wel. Men kan trouwens jongens van 20, 22
jaar niet telkens naloopen, als zij het uit hun eigen niet
doen. Een enkele laat het wel eens na, maar als er dan
eens een ongeluk gebeurt, doen de anderen het van den
schrik wel weer. Een jaar geleden is er nog een ongeluk
gebeurd. Een jongen kreeg een stamper op de hand, zoodat
zijn vinger openspleet. Hij heeft toen eene week of 7 niet
kunnen werken. Het was juist, toen de nieuwe wet in
werking was getreden.
4431.    V. Is er toen aangifte gedaan van dat
geval ?
A, Ja, direct.
4432.    V. En heeft er toen van overheidswege een
onderzoek plaats gehad?
A. Ja, er is een politieagent onderzoek komen doen,
en van de fabriek is deze ook naar den jongen zelf
gegaan.
4433.    V. Heeft die jongen gedurende de 7 weken,
dat hij niet kon werken, ook eenige tegemoetkoming
gekregen ?
A. Ja; wij zijn in de verzekering tegen ongelukken.
Daarvan heeft hij uitkeering gehad, en de patroon heeft
er wat bijgedaan.
4434.    V. Is er een ziekenfonds aan de fabriek ?
A. Neen.
4435.    V. Hoe gaat het dan met de werklieden in
geval van ziekte?
A. Dan geeft de patroon wat.
4436.    V. Een voorschot?
A. Neen, aan voorschotten doet mijnheer niet ; hij
geeft dan ondersteuning.
4437.    V. Bestaat er een bepaalde regel omtrent het
bedrag?
A. Het bedrag hangt van den rang af: een man
krijgt meer dan een jongen. Een man krijgt een gulden
of 8, een jongen een gulden of 5.
4438.     V. Zijn de werklieden ook nog hunnerzijds
in een ziekenfonds?
A. Neen, dat bestaat bij ons in Zaandijk niet; wel
in Wormerveer.
4439.    V. Gij hebt een vast loon, niet waar?
A. Ja, ik heb f 11 per week, maar daar komt een
dubbeltje bij van elk last, dat afgeleverd wordt.
4418. V.
verdiend?
Waarom wordt er in den winter meer
A. Omdat er dan ten gevolge van meer vraag harder
wordt gewerkt.
4419.    V. De uitbetaling heeft zeker ook bij den
heer Bon plaats om de 14 dagen, h het uws inziens
niet te betreuren, dat dit niet elke week geschiedt ?
A. Och, het huishouden regelt er zich naar; die
ongeregeld zijn, komen toch te kort, al krijgen ze geld
bij den dag.
4420.    V. Wat is de oorsprong van dat betalen om
de 14 dagen ?
A. Dat weet ik niet. Behalve bij //de Ooijevaar",
van den heer Dillewijn, gaat het bij alle molens om de
14 dagen, ook voor de timmerlieden, die er op werken.
4421.    V. Hoe lang staat \'s Zondags de molen stil ?
A. 24 uren, van \'s morgens 6 uur tot Maandag-
morgen 6 uur.
4422.    V. Wordt niet wel eens reeds \'s Zondags -
avonds weder begonnen ?
A. Ja; in drukke tijden.
4*23. V. Krijgt men daarvoor dan extra-geld?
A. Ja, f 1.— boven het loon.
4424.    V. Gebeurt dat dikwijls ?
A. Bij ons weinig, wij beginnen nooit bijna voor 10
uur \'s Zondagsavonds, maar er zijn wel molens, waar al om
4 uur wordt begonnen.
4425.     V. Hoe oud zijn de jongens in den regel?
A- Van 18 tot 22 jaar. Ik heb er een, die even
beneden de 16 jaar is, maar die gaat er een uur uit,
\'s middags om 12 uur, en heeft ook geen zwaar werk.
4426.    V. Wat voor werk verricht die jongen ?
A. Het is, zooals wij dat noemen, een schuurjongen;
hij houdt den boel schoon.
4427.    V. Wordt er onder het werk gesmeerd?
A. Neen, dan staat de fabriek. Er wordt tweemaal
\'s weeks gesmeerd; de fabriek stopt dan tot de timmerman
klaar is.
4428.    V. Hebt gij fuisters op de schoorsteenen ?
A. Neen.
-ocr page 218-
20!)
Verhoor van Klaas Abbestee, oud 41 jaar, olieafieveraar
in de olieslagerij «de Liefde" van den heer
Jan Prins, te Wormerveer.
4452.     De Voorzitter: Wij hebben van eene andere
fabriek gehoord, waar geregeld 12 uren doorgewerkt wordt
zonder een oogenblik rust; dat is bij den heer Prins,
geloof ik, niet zoo?
A. Wij werken van \'s morgens 6 tot \'s avonds 6 uur,
\'s morgens van 8—8V2 of van 71/» -8 hebben wij V2 «w
rust.
4453.    V. Is er \'s middags geen rust?
A- Neen.
4454.    V. Staat \'s morgens de geheele fabriek dan \' %
uur stil ?
A. Ja, dan moeten de werktuigen gesmeerd worden.
4455.    V. • Wij hoorden van eene andere fabriek, waar
dit tweemaal \'s weeks geschiedt.
A. Bij ons eiken dag.
4456.    V. Geschiedt dat smeren nooit onder het werk ?
A. Dat kan niet bij de groote stukken, dat zou te
gevaarlijk zijn.
4457.     V. Wisselen de menschen elkander \'s middags
niet af om te gaan eten ?
A. Dat gaat niet, de een moet wat harder werken
om den ander even te laten eten. Een blokmaler heeft
bijv. een jongen. De jongen moet dan even voor den
blokmaler heien, dan eet de blokmaler; deze op zijn
beurt snijdt een paar koeken, totdat de jongen gegeten
heeft.
4458 V\'. Eten de menschen eene boterham of ook
warm eten ?
A. De meesten warm eten. dat wordt hun gebracht,
en de jongen brengt het over het water.
4459.    F. Niemand verlaat dus de fabriek ?
A. Neen, behalve de meesterknecht, die gaat thuis
eten.
4460.    V. En gij zelf?
A. Ik blijf ook op de fabriek, hoewel ik, als afleve-
raar, vrij ben om rust te nemen, als ik wil. Nu het
niet druk is, heb ik \'s middags wel een uur rust.
4461.    V. Woont gij te ver van de fabriek om thuis
te gaan eten ?
A. lk woon over de Zaan, ik zou dan telkens moe-
ten overvaren, want de brug is te ver weg.
4440.    V. Op hoeveel kunt gij rekenen alles bij
elkander?
A. Gemiddeld op f 16 per week.
4441.    V. Gaat gij nooit naar huis om te eten ?
A. Neen, dat kan ik niet, want het is mogelijk, dat
er in dien tijd afgeleverd moet worden.
4442.     V. Eten de menschen gewoonlijk warm eten
des avonds?
A. Ja.
4443.    V. Eet dan het geheele gezin of de man alleen ?
A. Wanneer er kinderen zijn, die school gaan, dan
eten die om 12 uur warm eten, maar de vrouw eet dan
des avonds met den man.
4444.    V. Wordt er dan in die huishoudens tweemaal
per dag gekookt ?
A. Bij sommigen is dit het geval, anderen houden het
eten warm.
4445.    V. Gelooft gij, dat de menschen liever in een
fabriek werken dan in een molen?
A. Zij werken liever in de fabriek.
4446.     V. Wegens de meerdere verdiensten of wegens
de meer geregelde arbeidsverdeeiing ?
A. Wegens beide.
4447.    V, ïs de verdienste in de fabriek grooter?
A. Zeker. Op een windmolen kan een blokmaler niet
meer verdienen dan f 12.—, terwijl deze in de fabriek
het minstens brengt tot f 13.-—.
4448.    V. Zijn er niet lieden, die liever in een wind-
molen werken, omdat zij wel af en toe langer moeten
werken, maar dan weder eenigen tijd rust hebben?
A. Dat geloof ik niet: op den windmolen zeggen
zij: //niet werken gaat uit den zak.»
4449.    V. Hoe gaat het met het schoonmaken van
de fabriek?
A. Dat heeft ééns in het jaar plaats.
4450.    V. Het is er nog al stoffig?
A. Dat geloof ik. De zolders veeg ik gewoonlijk eens
in de week op.
4451.     V. Wanneer de fabriek schoongemaakt wordt,
dan staat die stil gedurende 3, 4 tl 5 weken, naardat er
werk is: krijgen de werklieden dan toch hun loon ?
A. De grooten verliezen een paar gulden van hun
weekgeld, maar de kleinen blijven hun volle loon behouden.
K. Stolp.
A. Kekdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Lk Pooi.k.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.jaards, Ail).-secretaris.
Enquête.
— Ue Zaankant.
4462
waar ?
V. Er werken dag- en nachtploegen , niet
•lii.
58
-ocr page 219-
210
4463 V\'. Zij wisselen elkander immers om fi uur
\'s morgens en \'s avonds af ?
A. Ja.
4464.    V. Wordt er veel overgewerkt, met name door
de nachtploeg ?
A. Tegenwoordig heel weinig. Teder man heeft een
kameraad, die hem kan allossen. Ts deze door ziekte of
andere oorzaak verhinderd, dan kan de ander natuurlijk
niet wegloopen, hij moet dan zoolang blijven, totdat er
een ander komt, of anders moet hij 6 uren overmalen
Is de ziekte van langeren duur, dan wordt er een noodmaler
genomen.
4465.    V. Zijn die noodhulpen altijd in de gemeente
beschikbaar ?
.4. Bij ons wel. Wij hebben altijd twee of drie
reserves. Zij helpen \'s winters bij het koeken inschepen.
4466.     V. Werken die lieden altijd aan de fabriek ?
A. Neen, zij verdienen verder hun kost ergens an-
ders. Gewoonlijk hebben zij reeds op de eene of andere
fabriek gewerkt.
4467.    V. Gij spreekt nu van overwerk ten gevolge
van oogenblikkelijke ongesteldheid. Maar werkt het
geheele personeel nooit over ?
A. Neen.
446*. V. En \'s Zondags ?
A. Dan staat de molen van \'s morgens 6 uur tot
\'s Maandags 6 uur stil.
4469.     V. Wordt er op Zondag nooit gewerkt ?
A. Neen, alleen gebeurt het wel, dat de timmerman
aan de noodige reparatiën zijne nachtrust niet opoffert,
maar er \'s Zondags eenige uren overdag aan besteedt.
4470.    V. Doch het eigenlijke fabriekspersoneel gaat
steels naar huis ?
A Ja.
4471 V. Is er niet eenigen tijd geleden eene beweging
geweest ten aanzien van de ïoonen in de fabriek van den
heer Prins ?
A. Ja. De Ïoonen waren ook wel wat lager, doch
daartegenover stonden enkele voordeelen, die men op
andere oliefabrieken niet genoot. O. a. werd bij ons
gedurende ziekte eene wekelijksche ondersteuning van
f4.50 gegeven, en wanneer de molen 2 of 3 dagen stond,
werd er niet het loon voor die drie dagen betaald, maar
per 50,000 koeken, wat veel voordeeliger was,
4472. V. Hoe is het toen met die beweging
gegaan ?
A. Men heeft de grieven onderzocht en de Ïoonen
zijn wat verhoogd, voornamelijk voor de jongeren, die
nu ook een fatsoenlijk stuk brood hebben. Vroeger ver-
diende een jongen slechts 11 cents per 1000 koekeu en
nu 15 cents.
4473.    V. Is het loon van de ouderen ook verhoogd ?
A. Ja, de blokmaler krijgt ook 2- cents per duizend
koeken meer.
4474.    V. Gedeeltelijk wordt in de fabriek van den
heer Prins met hydraulische persen gewerkt. Geeft men
daaraan de voorkeur ?
A. Ik geloof het niet
4475.    V. Zijn er onder hen, die in geval van ziekte
uitkeering krijgen, ook wel, die bovendien in een zieken-
en uitkeeringsfonds zijn ?
Ja, de meesten zijn er in.
4476.    V. Hebben er in de fabriek wel eens ongeluk-
ken plaats gehad \'.\'
A. Neen.
4477.    V. Hangt er een reglement in de fabriek ?
A. Neen.
4478.    V. Hoe gaat het, wanneer iemand weggaat of
bedankt wordt ? Heeft er dan opzegging plaats met een
zekeren termijn ?
A. Ik heb dat nog niet bijgewoond. Als iemand zich
misdraagt, wordt hij natuurlijk dadelijk weggezonden.
4479.    V. Hoe groot is uw inkomen ?
A. Gemiddeld f 12 a f 18, dat hangt af van de
afscheping.
4480.    V. Hebt gij een gezin ?
A. Ik heb zes kinderen. De oudste, een jongen van
18 jaar, werkt bij een kuiper; die daarop volgt, is bij de
heeren Bloemendaal 8f Laan ; en de derde van 14 jaar is
aan t mandenmaken.
4481.    V. Hoe lang werkt die jongste?
A. Van 7 tot 6 uur: ik wil hem nog niet zoolang
laten werken.
4482.    V. Wat verwoont gij, en wat hebt gij daar-
voor ?
A. Voor eene woning met een zijkamertje en een
beschoten zolder betaal ik 25 stuivers
4483.    V. Hoe gaat het met het slapen ?
A. Ik heb 2 bedsteden en 2 groote houten ledikanten,
in een waarvan de beide oudste jongens slapen.
4484.    V. Die groote jongens brengen zeker al
aardig geld in?
A. Ja, de een verdient f 4 en de ander f 3 in de
week.
4485.    V. Hoe gaat dat met zulke jongens te Wor-
merveer? Brengen die alles in, wat zij verdienen?
A. Ja, dat moet zoo ; ik geef hun dan zakgeld.
4486.    V. Uw totaal inkomen is dus nu tamelijk
goed. Kunt gij daarvan nu eiken middag bv. spek
eten?
-ocr page 220-
211
A. Neen, dat niet, maar ik kan fatsoenlijk vet in mijn
eten krijgen, en \'s Zondags een stukje vleesch.
4487.    V. Werken er veel jongens in de fabriek?
A. <la, zooveel blokmalers, als jongens, maar die zijn
allen 20 jaar en ouder. Er zijn gehuwde menschen onder,
maar de lieden, die dat werk doen, noemen wij hier
jongens.
4488.    V. Zijt gij ook lid van een werkmansver-
eeniging ?
A. Ja, van de Zaanlandsche vereeniging tot uitkeering
bij ziekte, die keert f 1 daags uit.
4489.    F. Is die vereeniging gevestigd te Zaandijk?
A. Ja, het hoofdbestuur.
4490.    V. Zijt gij nog lid van eene werkmansver-
eeniging van algemeenen aard? Van de socicaal-demo-
cratische vereeniging b.v. of van Patrimonium?
A. Neen.
4491.    F. In Wormerveer zijn de sociaal-democraten
tamelijk talrijk, niet waar?
A. Dat weet ik niet: daarmede bemoei ik mij niet.
4492.    V. Gebruikt gij uwe avonden tot ontspanning ?
A. Ja wel.
4498. V. In of buitenshuis?
A. Altijd thuis.
4494.    F. Houdt gij veel van lezen?
A. O, ja.
4495.     V. Hoe krijgt gij uwe boeken?
A. Uit de bibliotheek van Ramshorst en \'s winters
uit die van het Nut.
4496.     V. Hebt gij ons nog een of ander mede te
deelen ?
A. Neen, dank u.
K. Abbestee.
A. Kerdijk. Voorzitter.
KOLKMAN.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaahds, Adj.-secretaris,
Verhoor van Gerrit Zwart, oud 55 jaar, papiermaker
bij de firma Van Gelder Zonen, te Wormerveer.
4497.     De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk?
A. Ik regel het papiermaken.
4498.    F. Hoe geschiedt dat?
A. Er wordt eene hoeveelheid pap gemaakt, die vol-
doende is voor de machine. De machine verwerkt die
hoeveelheid dan zelve; zij brengt de pap eerst op het
doek, dan op het vilt en v^n daar op de cylinders en
op den haspel.
4499.    F.     Hebt gij altijd in eene papierfabriek gewerkt?
A. Ja, 41
  jaren.
4500.    V.     Dus gij zijt op uw 14de jaar begonnen ?
A. Ja.
4501.    F,    Zijt gij tot dien leeftijd school gegaan?
A Neen, zoo nu en dan ging ik naar school, want in
dien tijd was er veel armoede onder den arbeidenden
stand, zoodat men geen schoolgeld kon betalen.
4503.    F. Zijn er nog al jongens op de fabriek?
A. Ja, die werken bij de satineermachine.
4504.    F. Niet bij de cylinders?
A. Neen.
4505.    F, Er wordt immers bij de heeren Van Gelder
dag en nacht gewerkt?
A. Ja, des Zaterdagsnachts om 12 uur stoppen wij
om \'s Maandagsnachts om 12 uur weder te beginnen.
4506.    V. De jongens beneden de 16 jaren werken
zeker nooit des nachts ?
A. Neen.
4507.    F. Is dat vroeger wel geweest?
A. Dat weet ik niet, maar in de laatste jaren is het
niet gebeurd.
4508.    F. Hoe lang wordt er door de stoomwerkers
gewerkt?
A. Van des avonds 6 uur tot des morgens 6 uur
of omgekeerd.
4509.    F. Welke rusttijd gaat daar af?
A. Zij hebben geen vasten rusttijd: wanneer het
papier doorloopt, dan heeft men soms langen tijd rust.
4510. V.
fabriek ?
A. Neen.
De werklieden verlaten echter niet de
-ocr page 221-
212
4511.     V. Zou de fabriek niet zekeren tijd kunnen
stilstaan ?
A. Ja, maar dat is eene moeilijke zaak.
4512.    V. Krijgen de menschen hun potje gebracht
of brengen zij het zelf mede ?
A. De een brengt het mede, den ander wordt het
gebracht.
4513.     V. Is er in de fabriek gelegenheid om het eten
te warmen ?
A. Ja, op den stoomketel.
4514.     V. Is er eene schaftkamer, waar het eten kan
gebruikt worden ?
A. Ja, voor de menschen, die in de pakkamer het
papier klaarmaken. Die kunnen \'s morgens ook hun \'/»
uur rust nemen, en hebben van 12 tot l1uur bun
middag. Maar eene fabriek kan midden op den dag toch
niet stilstaan.
4515 V. Er werken nog al vele vrouwen op de
fabriek, is het niet ?
A. Getrouwde vrouwen tegenwoordig niet meer. wel
meisjes. Vroeger werkten er ook vrouwen.
1516. V. Is dit langzamerhand in onbruik geraakt ?
A. Ja, in de laatste drie jaren.
4517.     V. Wilde mijnheer ze niet meer hebben?
A. Er was geen behoefte meer aan. Het lompen-
scheuren geschiedt tegenwoordig machinaal, en er wordt
ook 2,3 minder lompen gebruikt dan vroeger.
4518.     V. Waarvoor worden de meisjes gebruikt ?
.4. \\ oor het uitzoeken van papier.
1-511). V Werken zij afzonderlijk?
A. Ja.
1520.     V. Gij zeidet straks, dat de fabriek van Zaterdag
tot Zondag des middernacht» stilstaat; is dat altijd zoo
geweest ?
A. Vroeger hebben wij tot \'s Zondags 6 uur moeten
werken.
1521.    V. Spreekt gij wel eens met werklieden, die
op fabrieken werken, waar men \'s Zondags tot 6 uur
\'s morgens moet arbeiden ?
.4. Ja wel, maar ik kan het niet met hen eens worden.
Die schijnen het niet erg te vinden, ik daarentegen heb
liever den Zondag geheel vrij; want als men den ganschen
nacht gewerkt heeft, moet men op Zondag slapen.
4522. V. Waarom hadden die anderen er niet op
tegen om tot 6 uur te werken ?
.4. Dat weet ik niet, men vraagt toch niet altijd naar
de redenen. Kr zijn menschen, die niet kerksch zijn, en
ik geloof ook niet, dat zij op Zondag zooveel slapen. Dat
is bij ons wat anders, ik kom van het eenvoudige boeren-
dorpje Wormer.
4523.    V. Beschouwt gij dit dan niet als tot de Zaan
behoorende ?
A. Neen, dat is een groot verschil.
4524.    V. Hoe zoo?
A. Het is bij ons nog veel eenvoudiger.
4525.    V. Is er werkelijk groot verschil tusschen de
bevolking van Wormer en van Worinerveer?
A. Zeker.
4520. V. Hoever hebt gij van uw huis naar de
fabriek te loopen ?
A. Vï uur-
4527.     7. Dan moet gij dus vroeg op pad?
A. Ja, dat zijn wij zoo gewoon.
4528.    V. Hoe is het met uw loon gesteld ?
A. Ik ontvang gemiddeld f 13 ti f 13.50 \'s weeks.
4529.    V. Is dat vast weekgeld ?
A. Neen, iederen Woensdag ontvang ik f 10 vast,
hetgeen ik voorloopig ontvang in afwachting van de
maandelijksche afrekening. Het ontbrekende wordt er dan
bij gerekend.
4530.    V. Is dat dus het gemiddelde loon ?
A. Ja, van f 10 tot f 14.
4531.    V. Zijn die f 3 of f 3.50 er bij gerekend ?
A. Ja.
4532.    V. Gij krijgt eens in de maand een grooter
bedrag van ongeveer f 12. Bestemt gij dit voor extra-
uitgaven ?
A. Ik weet, hoe ik leven moet. Ik kan niet de eene
week alles opmaken en de andere niets hebben.
4533.    V. Zijt gij fn een ziekenfonds, dat uitkeeringen
geeft 1
A. In de fabriek bestaat dit niet, maar er is een
gemeentelijk ziekenfonds en een \'/Eigen Hulp". In
geval van ziekte keert de firma Van Gelder het volle
loon uit.
4534.     V. Wat is die vereeniging, die gij «Eigen
Hulp" noemt ?
A. Voor deze vereeniging betalen wij 10 ets. \'s weeks
en daarvoor krijgen wij in geval van ongesteldheid eene
uitkeering van f 5 \'s weeks.
4535.    V. Geeft het ziekenfonds alleen geneeskun-
dige behandeling ?
A. Ja.
4536.    V. Betaalt de fabriek altijd het volle loon in
tijd van ziekte uit ?
-ocr page 222-
•zvs
A. Ja wel; ik neem, wat ik voor de instandhouding
van mijn lichaam noodig heb.
4550.     V. Kunt gij eiken dag spek eten ?
A. Neen: ik heb mijn onderhoud ... en dan —
al hebben mijne kinderen niets van mij noodig, zij komen
wel eens bij mij en ik ben grootvader. Wat ik noodig
heb, kan ik overigens krijgen.
4551.     V. Gij zijt dus gelukkig en tevreden?
A. Ja, dat ben ik.
4552.     V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen ?
A. Neen.
G. Zwart.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Li Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Ad}..secretaris.
A. Ja, gewoonlijk wordt mij b.v. f 13 uitbe-
taaltl. Indien het lang duurt, spreekt de directeur er wel
eens over om het bedrag iets te verminderen, doch
gewoonlijk zegt de patroon dan, dat hij nog wat zal wachten.
Onlangs is een man gestorven, aan wien 13 weken lang
hét loon was uitbetaald.
4537.    V. Kan het personeel daar vast op rekenen ?
A. Ja.
4538.    V. Zoodat in geval van ziekte degenen, die
tevens in het uitkeeringsfonds zijn, meer inkomsten hebben
dan in gezonde dagen, en dus ruim middelen hebben om
in extra-uitgaven te voorzien ?
A. Ja, de heer Van Gelder is er erg op gesteld,
dat wij in dat fonds gaan, hoewel hij er geen voorwaarde
van maakt voor zijne uitkeering. Dat geschiedt uit vrije
beweging.
4539.    V. Hebt gij wel eens ongelukken bijgewoond?
A. De laatste 25, 30 jaren niet, uitgezonderd eenig
letsel aan een vinger of dergelijke.
4540.    V. Zijn er ouden, die gepensionneerd worden ?
A. Een van 70 jaar krijgt f3.— per week en dan
zijn er twee van f 2.—, waarvan de eene 40 jaar is en
aan zijne borst lijdende is.
Is er bij u altijd op Woensdag uitbetaald
4541.    F.
geworden ?
d. Ja.
4542.    V.
A.
Neen.
4543.     V.
Verhoor van Willem Floriszoon Stadt, oud 65 jaar,
opzichter in de oliefabriek «-de Liefde" van
de firma Jan Prins, te Wormerveer.
4553.     Oe Voorzitter: Zijt gij altijd in het olievak
geweest ?
A. Ja, ik ben eerst 34 jaar bij mijnheer Duyvis
geweest en nu 20 jaar bij mijnheer Prins.
4554.    V. Hebt gij dus van onderop gediend ?
A. Ja.
4555.    V. Als gij uwe herinnring raadpleegt, vindt
gij dan, dat de toestand van den werkman voor- of
achteruit is gegaan ?
A. Vooruit. De werkman is lang niet meer zoo slaafsch.
Als ik tegenwoordig zeg : «jongens, er moet Zondag gemalen
worden," dan weigeren zij, en dat deden zij zelfs van den
winter, toen er goud te verdienen was. Vroeger zei
men wel tegen mij : «gij moet naar den molen,
wind of niet," en dan deed ik het. Tk heb \'s Zondags wel
om 4 uur naar den molen moeten gaan en kwam dan
om 7 uur thuis, zonder een cent verdiend te hebben. Ik
begrijp nog niet, hoe ik toen zoo stom ben geweest.
4556.    V. Gij meent dus, dat de werklieden zelt\'stan-
diger zijn geworden ?
A. Juist.
4557.    V. Is dit een verschijnsel, waarover gij u
verblijdt ?
A. Zeker; ik heb dat ook verteld in zeker versje.
54
Hangt er een reglement in de fabriek ?
Geldt er een boetestelsel ?
A. Alleen voor het rooken van eene pijp op verboden
plaatsen wordt boete betaald.
4544.    V. Spreekt gij wel eens met den patroon ?
A. Zelden, want wij hebben een directeur, maar
een man, met wien wij het best kunnen vinden, die een
mensch niet afgrauwt en vloekt. De verhouding is bij
ons best.
4545.    V. Zijn er ook bijzondere inrichtingen aan de
fabriek in het belang van den werkman?
A. Neen.
4546.     V. Zijt gij lid van «Patrimonium" of eene der-
gelijke vereeniging?
A. Neen.
4547.    V. Hebt gij kinderen ?
A. Ja, twee; een van 27 en een van 24 jaar, die
beiden getrouwd zijn.
4548.     V. Dus gij leeft met uwe vrouw alleen?
A. Ja.
4549.    V. Dan kunt gij met uw loon van f 13 het
zeker goed stellen ?
Enquête. — Be Zaankant.
-ocr page 223-
214
4558. V. Wat was dat voor een versje ?
A. Ik zal er een uittreksel van geven :
«Maar als die schoone morgen bloost.
Dan wordt liet welkom aangeheven.
Want het is een rustpunt in mijn leven,
Dat ik vrede vind hij gade en kroost,
Die ik bemin, die mij bemint,
Iets, wat ik niet in het malen vind;
Maar toch geen klagen of gesteen,
Ik besef en wil voor onwil vreezen,
Want ik ben te arm om kwaad te wezen.
Ga daarom maar druipstaartend heen !"
4566 V. Gelooft gij niet, dat op den duur de fabriek
er niet slecht bij zou
varen, als de menschen wat nu er
rust hadden ?
A. Zij behoeven niet zooveel te rusten, ik heb ook
altijd 16 uren moeten werken. Jongelieden kunnen best
werken.
4567 V. Maar de ouderen ?
A. Die moeten pensioen hebben. Als een blokmaler
47 jaar in functie is geweest en hij krijgt f 1 per week
pensioen, dan is hij kwaad af. Ik zelf zou niet graag zoo
kort willen werken, aan lezen krijg ik ook al een hekel. Maar
om \'s middags om 12 uur een uur rust te geven, daar valt
wel over te denken, er is al dikwijls over gemopperd.
\'s Morgens stop ik van 7V2 tot 8 uur om den boel te
smeren en alles na te zien. Wanneer dit halfuur op 12
uur wordt gebracht, konden ze ordentelijk eten.
Vroeger werkten wij op den windmolen 16 uren en
door inschikkelijkheid jegens elkander te betoonen konden
we ieder op zijne beurt eten.
Toch zou ik met dien langen rusttijd nog niets hebben,
want verscheidenen zouden gaan slapen.
4568.     V. Zou dat niet juist goed zijn, indien zij een
slaapje konden doen om met frisschen moed weer aan het
werk gaan ?
A. Neen. Een timmerman weet nu niet, hoe spoedig
hij zijn eten zal inslikken om dan te gaan slapen, en dit
moet niet.
4569.    V. De loonen zijn per stuk geregeld, niet
waar ?
A. Ja, per 1000 koeken.
4570.     V. Hoeveel bedraagt het loon gemiddeld?
A. f 12, f 10.50, f 10 of f 9,
4571.    V. Zijn dit gemiddelde cijfers, geen bijzonder
goede weken ?
A. Neen, goede weken zijn van f 14. Indien met
de groote schoonmaak de molen stilstaat, ontvangen ze
f 7a f 8.
4572.     V. De loonen zijn immers kort geleien
verhoogd ?
A. Ja, ze zijn gelijkgesteld met die van andere
fabrieken.
4573.     V. De loonen waren dus toen lager?
A. Ja, maar er waren emolumenten, bijv. 10 mud
kolen. Ik zeide tot den patroon : »de socialisten verlan-
gen geen giften, maar meer loon."
Ook de 75 ets. ziekengeld moet er af. Dit is eene
ondermijning van het Werkliedenfonds, want daaruit
krijgen de werklieden f 7, en als zij lid zijn van //Patri-
monium", nog f 2.50. Indien zij nu van den patroon
f 4,50 ontvangen, krijgen zij f 14.
4574.    V. Vindt gij het niet wenschelijk, dat de
inkomsten in tijd van ziekte hooger zijn dan anders?
A. Ja, indien er geen ziekenfondsen waren.
4575.    V. Wat doet er dat toe?
V. Is nu \'net \'s Zondags malen geheel de wereld uit?
4559.
A. Neen, er wordt des Zondags nog gewerkt, maar ik
heb in geen 211 jaren op een Zondag gemalen.
4560.    V. Is er, afgezien van liet Zondagswerk, ook
in andere opzichten vooruitgang gekomen in den toestand
van de olieslagers ?
A. Ja, het loon is veel beter geworden. De eerste
week, dat mijne vrouw de volksbriefjes zag, zeide zij :
«wnt verdient dat volk een boel geld. ik wenschte dat gij
altijd zooveel geld verdiend hadt."
Wanneer u nagaat, dat een personeel, als het onze. van
54 man. waaronder 22 jongens, wekelijks f 600 ver-
dient, dan kan men wel nagaan, dat zij een ordentelijk
loon hebben.
Ik zeide eens tot mijn patroon ; //wat heb ik, in ver-
gelijking met thans, een bedonderden tijd doorleefd," maar
hij zeide : «gij zijt er toch ook gekomen." Nu, maar dan
zeg ik : »ik ben 40 jaar te vroeg in het leven geschopt."
Uw werk is een edel werk voor de arbeiders, maar zij
begrijpen het niet, zij houden te veel vast aan allerlei
onredelijke eischen. Zoolang de branderijen niet afbranden
en de jenever niet bij den apotheker in het giftkastje
staat, zoolang is er aan de arbeiders niet veel te doen.
4561.     V. Hebt gij op de fabriek veel last van mis-
bruik van sterken drank ?
A. Toen ik er kwam, gooiden zij elkander met de
jeneverHesschen; nu gebruikt er geen een een borrel meer
op de fabriek.
4562.    V. Wordt er zoowel door dag- als nachtploeg
12 uren gewerkt ?
A. Ja.
4563.    V. In dien tijd hebben zij niet meer rust dan
\'s morgens \'/a uur ?
A. Neen.
4564.     V. Vindt gij het niet betreurenswaardig naar
voor de werklieden, dat zij \'s middags niet thuis hun eten
kunnen gaan gebruiken ?
A. Dat is niet anders, suikerfabrieken moeten ook
wel altijd doorwerken. Wij kunnen toch niet tweemaal de
fabriek op een dag stop zetten?
4565.    V. Maar als \'s morgens dat halfuur verviel,
zoudt gij dan \'s middags niet 1 uur of llj2 uur rust
kunnen geven ?
A. IV2 uur niet, want er zijn stukwerkers onder, en
die zouden niet willen. Maar 1 uur rust zou wel gaan.
-ocr page 224-
215
A. Genoeg, want daardoor wordt het liefdadigheids-
werk ondermijnd. Een mensch, die vast werk heeft, moest
van al die dingen niet trekken.
4576.    V. Het gaat toch goed samen ?
A. Ja, zoo krijgen zij een aardig leventje, beter dan
u of ik, geen zorg en tijd om met vrouw en kinderen
te spelen
4577.    V. Voor dat meerdere kunnen zij versterkende
middelen koopen, waardoor zij opknappen kunnen
. I. Dat is zoo, maar daar staat ook wel wat tegen.
Ik heb er wel een, die f 40.— heeft gekost aan verster-
kende middelen, dat komt dus weder bij het loon. Niet
dat ik het hun misgun, maar de fondsen lijden er door,
want er zijn er, die, eene wond aan \'t been hebbende,
eenvoudig den boel stuk krabben om er wat langer van
te halen.
4578.    V. Daartegen is toch door strenge controle
wel te waken ?
A. Dat hangt van den dokter af, maar wat is er aan
te doen, als zoo\'n vent de wond stuk krabt? Maak het
dan maar heel. Zoo heb ik er een, dat is de donder, een
kerel, die overal gezeten heeft, die "t op die manier een
tijdlang heeft volgehouden, een echte luiaard.
4579.    V. In \'t algemeen zal het volk die qualificatie
toch niet verdienen ?
A. Nu, een mensch kan niet altijd even ijverig
zijn, maar als het om geld gaat, behoort er gewerkt te
worden. Vroeger greep het werk anders in elkander, en
werkte de een soms voor den ander: sedert invoering
van stukwerk krijgt elk naar zijne verdienste.
4580.    V. Er wordt eens per week uitbetaald bij u,
niet waar?
A. Ja.
4581.     V. De olieslagers worden in den regel om de
14 dagen betaald; wat acht gij beter?
A. Met de week.
4582.     V. Waarom ?
A. Wel, ieder is niet bij machte om dat geld over
zooveel dagen te verdeden. Het was nog beter, als die
menschen eiken dag hun geld kregen, maar dat zou te
veel omslag geven.
4583.     V. Waaraan schrijft gij het toe, dat in uw
vak gewoonlijk om de 14 dagen betaald wordt ?
A. Aan de sleur; ik heb het nooit anders gekend.
Maar ik bemoei mij wel eens met die menschen. Als ik
er een heb, die drinkt, dan maak ik hem steekind, dat
wil zeggen, ik geef hem een gulden in de week en zijne
vrouw moet de rest komen halen. Willen zij dat niet,
dan jaag ik ze weg. Twee van die menschen heb ik nu.
De een was machinist en verdiende 14 a 15 gulden; ik
heb hem nu ander werk gegeven en hij verdient daarmede
ftt; daarvan krijgt zijne vrouw f 8 en hij oen, want een
propje moet hij drinken, maar zijne vrouw heeft mij meer-
malen verzekerd, dat zij nu rijker is dan vroeger, want
van de f 15, die hij vroeger verdiende, kreeg zij er niet
meer dan 6; de rest verdronk de man. Hij heeft
trouwens deze eigenschap, dat hij goed werkt, als hij
dronken is; dat komt niet-zoo heel veel voor.
4584.    V. Is het drankmisbruik bij de olieslagers
sterker dan in het algemeen ?
A. Och, als ik die millioenen naga, die verdronken
worden, dan is het bij ons nog niets.
4585.    V. In de fabriek wordt nooit gedronken, niet
waar?
A. Neen, daarom was het beter, dat zij 16 uren moesten
werken, want als die Surige arbeidsdag in het leven
werd geroepen, hadden zij nog al meer tijd om te drinken.
4586.    V. Die millioenen, die elders verdronken
worden, zullen wij nu maar laten rusten; maar hoe is
het met het drankmisbruik in Wormerveer?
A. Och, dat zal wel net zoo zijn, als overal.
4587.     V. Is er een boetestelsel in de fabriek ?
A. Neen, daaraan heb ik geen behoefte. Ik heb ze
goed in mijne macht. Eene boete slechts heb ik. Het
volk moet overvaren, en nu gebeurde het soms. dat er 30
man in die schuit waren en de jongens gingen schom-
melen, zoodat allen hadden kunnen verdrinken. Toen heb
ik gezegd, dat eerst de getrouwden en daarna de jongens
moesten overgezet worden. Wanneer nu een jongen met
de getrouwden overgaat, dan moet hij een kwartje boete
betalen ten voordeeie van de getrouwden, zoodat zij nu
wel oppassen.
4588.    V. Hebben er nog al wisselingen van personeel
in de fabriek plaats ?
A. Dat gebeurt zeer zelden, slechts eene enkele maal
voor dronkenschap.
4589.     V. Hehoeft gij, behalve voor dronkenschap,
nooit iemand te ontslaan ?
A. Neen, allen zijn graag bij mij, want niet een kan
mij beschuldigen hem ooit een cent te kort te hebben
gedaan. Het personeel is wel van den patroon, maar ik
heb er volle macht over; ik neem ze aan en ik ontsla
ze. Zij kunnen dan wel naar het kantoor gaan, maar
wanneer ik ze ontsla, dan bestaan daarvoor zeer zeker
gegronde redenen.
Zoo iets is gebeurd met dien machinist, waarvan ik
reeds sprak, die op Zondag dronken achter den ketel lag.
4590.    V. Dat was, zeidet gij, op een Zondag; was
de stoker dan op Zondag in de fabriek ?
A. De ketel moest gerepareerd worden, en de andere
ketel moest doorgestookt worden.
4591.    V. In den regel is er \'sZondags geen vuur op
de fabriek ?
A. Nooit.
4592.    F. Is er in de laatste jaren nog al wat gedaan
voor de veiligheid in de fabriek ?
A. Sedert uwe Commissie en andere heeren er zijn
geweest, zijn hier en daar hekjes geplaatst, bijv. ook om
de krukpen. Ventilatie is er in overvloed, misschien te veel.
4593.    V. Zijt gij erg ingenomen met de hydraulische
inrichting ?
A. Het is wel eene verbetering.
-ocr page 225-
4594.    V. Het werk is veel aangenamer voor de
menschen ?
A. Dat weet ik zoo niet.
4595.    V. Het lawaai is toch veel minder ?
.1. Ja, maar ik ben er zoo aan gewend, dat ik niet
slapen kan, als ik dat lawaai niet hoor.
4596.    V. Maar die eenmaal in de nieuwe fabriek
zijn, zullen wel niet verlangen weder in de oude terug
te keeren ?
A. Neen, maar de menschen gaan ook niet zoo van
de eene fabriek naar de andere. Het is veel gemakkelijker
een wildvreemde het werk te leeren, dan aan iemand,
die aan de ouderwetsche wijze van werken gewoon is. Bij
die nieuwe wijze van werken komt geen kunst te pas,
het is maar een slag. Verstand behoeven de menschen
niet te hebben, en toch is de nieuwe wijze wel zoo
zwaar en moeilijk als de oude, bij de laatste heeft men
slechts te doen met koekjes van 1ji kilo.
4597.     V. Wanneer gij spreekt van jongens, bedoelt
gij niet juist jeugdige arbeiders, niet waar?
A. Ja, dat is de oude methode. Een man werkt voor
jongen, al is hij 5U of 60 jaar.
4598.    V. Hebt gij in het geheel geen jeugdige arbeiders
beneden 16 jaar in dienst?
A. Neen, ik had er een paar, maar die heb ik een
half jaar de kast uitgezet en toen zijn ze weer terugge-
komen. Ik kan niet helpen, dat de wetgever dergelijke
bepalingen maakt.
4599.    V. Vroeger werkten er dus wel jongens beneden
] 6 jaar. Wat doen zij nu ?
A. Niets; deurtje schellen misschien. Ik zend ze naar
vader en moeder toe. Wanneer ik nu jongens in dienst
neem, vraag ik eerst, hoe oud ze zijn.
4600.    V. Hoe oud werden ze vroeger in dienst ge-
nomen ?
A Ze waren soms niet ouder dan 11 of 12 jaar.
Ze deden dan niets anders dan met het schuitje heen en
weder varen, waarbij zooveel haast niet was, of ze deden
boodschappen.
W. F. StaDt.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. Roijaards, Adj.-secretaris.
<
-ocr page 226-
16 JULI
ZITTING VAN DONDERDAG
1891.
Tegenwoordig de heere
Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Pooi.e.
Visser.
"Verhoor van Comelis Bon, oud 50 jaar, schipper en
oliefabrikant, te Wormerveer, wonende te Zaandam.
4601.    De Voorzitter: Hebt gij altijd eene stoom-
fabriek gehad ?
A. Ik had vroeger 2 windmolens.
4602.    V. Het gebruik van stoom in uwe industrie
heeft groote wijziging gebracht in de regeling van den
werktijd, niet waar?
A. Ja, op den stoommolen wordt 12 uren gewerkt,
op een windmolen 16 uren.
4603.    V. Geeft het volk de voorkeur aan de stoom-
fabriek ?
A. Ja, er is meer afwisseling, het werk is vast, de
verdienste meer en de werktijd minder. Bij ons heeft
een steenknecht f 13, op een windmolen f 9, en dan is
daarop het werk, vooral in den winter bij slecht weder,
ruw en gevaarlijk.
4604.    V. Denkt gij, dat de windmolens nogvoortdu-
rend in aantal zullen afnemen ?
A. Ja, er waren er vroeger 100 en meer, nu zijn er
nog een 70, maar dat zal nog wel verminderen, want
stoom is voordeeliger, omdat men zijn gedoe daarbij tot
één gebouw kan beperken, dus de kosten van al dat
gaande werk ontgaat.
4605.    V. Hoeveel menschen zijn er in uwe fabriek ?
A. Zeventien. Er zijn hier echter een paar Engel-
sche molens, van de heeren Prins en Duyvis, waar met
hydraulische persen wordt gewerkt, die met 17 man het
dubbele maken. De heer Klaas Honig heeft een Bel-
gisch type, dat minder koeken maakt dan de Engelsche
fabrieken.
4606.    V. Wordt bij u die 12 uren achtereen gewerkt
zonder rusttijd?
A. Ja, van 6 tot 6 uur. Een paar maal per week
staat de boel stil om gesmeerd te worden.
Enquête. — De Zaankatd.
4607.    V. Is er, afgezien van dat stilstaan om te
smeren, volstrekt geen rust?
A. Neen.
4608.    V. Is dus juist, wat ons werd gezegd, dat de
menschen in uwe fabriek 12 uren achtereen als het
ware niet van de been zijn ?
A. Nu, de steenknecht hangt wel een oogenblikje
I over de deur, maar zoodra de koeken er uit zijn, moeten
er andere in, anders verdient het volk niet genoeg. De
blokmalers nebben bijna in het geheel geen rust.
4609.    V. Vindt gij dat niet te veel gevergd van
een mensch?
A. Neen; in de windmolens is het nog wel erger dan
bij ons; daar is de arbeidsduur 16 uren.
4610.    V. In de eerste plaats zijn aan de molens
tijden, dat er geen wind is en er dus veel minder wordt
uitgevoerd, en ten tweede kunnen de menschen in dit;
16 uren toch wel wat rust nemen. Maar aangenomen, dat
het in de windmolens veel erger ware, dan nog blijft de
vraag of, hetgeen in de stoommolens van de werklieden
gevorderd wordt, niet te veel is.
A. Dat is eene quaestie van appreciatie, maar ik vind
het niet. De menschen zijn altijd gezond. Er zijn er
wel, die koortsig worden of een ongeluk krijgen, maar
dat kan ons ook overkomen. Ik ben ook wel 12 uren
in de weer.
4611.    V. Maar gij zult er toch zeker wel eens bij
gaan zitten?
A. Ja wel.
4612.    V. Er zijn immers oliefabrieken, waar wel rust
gegeven wordt?
A. Ja, eene, die van den heer Duyvis. Toen deze dat
half uur rust invoerde, heeft het dan ook in alle cou-
ranten gestaan, alsof een andere Wilberforce was opge-
staan, die het volk van de slavernij kwam bevrijden.
Ik wjl ook wel rust geven, als het volk daarna dan
maar zooveel harder werkt, dat het werk gedaan komt.
55
-ocr page 227-
218
4613. V. Vindt gij niet, dat er, zelfs wanneer er dien- I
tengevolge minder gearbeid werd, aanleiding bestaat om
aan de werklieden wat rust te gunnen?
A, Neen, dan mopperen zij over het loon en verdie-
nen niet genoeg.
4014 V. Zoudt gij dus geene aanleiding vinden om
ernstig te overwegen, of niet, met behoud van het tegen-
woordig loon, aan het werkvolk eens per dag eenige
rust kon worden gegeven ?
A. Als dit kon, zou ik er voor wezen; mijn bootsvolk
dat om 43/4 uur \'s morgens komt, houd ik nooit langer
dan hoogst noodig is, maar in een oliemolen moet men
door blijven werken, er zit dus niets op dan eene nieuwe
ploeg er bij te nemen, of men moet eene groote fabriek
hebben, zooals de heer Prins.
4615.    V. Wordt bij dezen niet dagelijks een half
uur rust gegeven ?
A. Ja, om te snieren, maar niet om het volk rust
te geven.
4616.    V. Gij meent, dat eene fabriek als de uwe niet
te drijven is, zonder de menschen 12 uren achtereen op
de been te houden ?
.1. Dat is betrekkelijk; die menschen zullen dan een
honderdtal koeken minder maken en dus ook minder
verdienen. Wij maken gewoonlijk 60000 koeken in de
14 dagen, maar van den winter hebben wij er wel
85000 gemaakt.
4til7. V. Hebt gij  tegen de menschen wel eens gezegd
een rusttijd te willen  instellen, maar dat slechts tijdelijk
te willen doen om te  zien, hoeveel verschil in productie
het geven zou ?
A. Dat heb ik niet gedaan.
461S. 1\'. Gij hebt udus niet overtuigd, of het ondoen-
lijk is. zonder geldschade voor u en voor de werklieden
een einde te maken aan den toestand, dat de menschen
12 uren werken zonder rust?
A. Neen.
4619.    V. Wordt er bij u des Zondags gewerkt?
A. Neen. Wij hebben eens een viertal Zondagen
moeten werken, omdat ik eene leverantie van koeken
had en anders boete zou hebben beloopen, maar toen
zijn wij \'s Zondagsavonds om acht uur begonnen te werken.
4620.    V. Het schijnt algemeen gebruik, dat de olie-
fabrieken stilstaan van \'s Zondagsmorgens 6 uur tot\'s Maan-
dagsmorgens 6 uur. Is door u wel eens overwogen om
\'s Zaterdagsavonds om 6 uur of om middernacht te stoppen?
A. Neen; de heer Honig heeft het wel geprobeerd
xiit een godsdienstig oogpunt, maar het is slecht bevallen.
4621.    V. In hoever?
A. Omdat de werklieden, wanneer zij \'s Zaterdagsnachts
stoppen, een» gedeelte van den Zondagavond moeten
verslapen, omdat zij om 12 uur des nachts weer aan
het werk moeten.
4622.    V. Maar wanneer zij \'s Zondagsmorgens om 6
uur stoppen, dan hebben zij feitelijk toch niet de beschik-
king over den geheelen Zondag, omdat zij dan toch ook
een gedeelte van den dag moeten verslapen?
A. Ja. maar die tot de nachtploeg behoort, heeft aan
een paar uren slaap op Zondag genoeg, omdat hij pas
\'s Maandagsavonds om zes uur weer op het werk behoeft
te komen.
4623.    V. Moet de nachtploeg niet nog al overwerk
verrichten ?
A. Ja, dat wordt extra betaald.
4624.    V. Hoe lang duurt dat overwerk?
A. Dat is verschillend, 2\'/2,3 uren bij het oliepompen;
daarvoor verdienen 3 man dan f 4.50. Voor koeken-
dragen krijgen zij 15 cents per 1000 koeken, in een uur
dragen zij 5000 koeken, verdienen dus per man 75 cents
per uur. Het gebeurt wel, dat daarmede 2, 3, soms wel
tot 6 uren heengaan.
4625.    V. Gebeurt het dikwijls?
A. Ja wel.
4626.    V. Hoe dikwerf wel ?
A. Dat is zoo niet te zeggen. Koeken bijv. kan men
niet altijd verkoopen, en dan moet soms ineens eene
groote massa worden opgeruimd.
4627.    V. Sluit dit overwerk zich dan rechtstreeks bij
het nachtwerk aan?
A. Gewoonlijk wel, de schipper komt om 6 uur de
koeken halen. Komt hij echter later, dan gaan de men-
schen naar bed en moeten weder gehaald worden.
4628.    V. In het eerste geval doen de menschen dus
feitelijk, in plaats van 12 uren, 14, 16, tot zelfs 18 uren
dienst zonder eenige rust?
A. Ja, maar 18 uren is groote uitzondering. Bij mij
werken aan de olieponip 3 man, bij andere fabrikanten
heeft men eene stoompomp, die het werk van een man
doet, zoodat er maar 2 behoeven bij te zijn. Zooals het
bij mij is, hebben de twee man, belast met de bascule
en met het brengen van het vat onder de pomp, een
zeer licht werk. De man, die moet pompen, heeft daaren-
tegen een zeer zwaar werk. De eene man doet niets
anders dan het vat onder de pomp brengen, de stop er
afdoen, den trechter er op plaatsen, en als het vat vol
is, de stop er opzetten en het vat even wegrollen.
4629.    V. Van de 3 man zijner dus 2, die geen bijzon-
der zwaar werk verrichten, maar toch op de been moe-
ten zijn, terwijl de derde man zwaar werk heeft?
A. Ja.
4630.    V. De feitelijke toestand is dus deze, dat het
dikwijls voorkomt, dat de nachtploeg 14, 16, soms 18
uren aan één stuk zonder rust op de been is, terwijl
van de drie mannen er één is, die ook gedurende de
laatste 2, 4 of zelfs 6 uren zwaar werk verricht ?
A. Ja.
4631.    V. Vindt gij zelf niet, dat dit aan hetonmen-
schelijke grenst?
A. Neen, want ik dwing ze er niet. toe.
4632.    V. Ge wilt waarschijnlijk zeggen, dat ze het
doen ter wille van het geldelijk voordeel?
A. Zeker; maar wat is er tegen, indien de menschen
op die manier genoeg geld verdienen om behoorlijk te
kunnen leven?
4633.    V. Wat er tegen is, zal voor anderen misschien
duidelijker zijn dan voor u.
Gij betaalt het loon om de 14 dagen uit, niet waar?
A. Ja.
-ocr page 228-
219
4634.    V. Hebt gij nooit overwogen om het om de
week te doen?
A. Neen. Ik weet wel, dat er wel eens per week een
vast loon betaald werd en per jaar werd afgerekend,
doch die proef is slecht bevallen, want de lieden hadden
altijd schuld.
4635.    V. Is er bezwaar tegen om niet dien maatregel
te nemen, maar geregeld per week al het verschuldigde
uit te betalen ?
A. Neen.
4636.    V. Zou het niet voor de meeste gezinnen beter
zijn, indien zij met dien korteren termijn het geld in
handen kregen?
A. Dat weet ik niet, ik kan het niet beoordeelen.
4637.    V. Vindt gij niet, dat het voor de hand ligt,
dat menigeen, wanneer de termijn zoo lang is, gedurende
de eerste dagen het er goed van neemt en de laatste dagen
niets heeft, zoodat het beter is, wanneer zij, die van eene
kleine som moeten leven, die met een korteren termijn
in handen krijgen?
A. Dit zal misschien wel zoo zijn. Voor twee jaar
b.v. heeft het omstreeks St. Nicolaas 6 weken gewaaid,
maar er is nog nooit zooveel koek en lekkernij verkocht,
als in dien tijd. Men kocht maar raak.
In een zoodanig gezin doet het er veel meer toe, of
de huisvrouw goed is.
4638.    V. Ik ben het volkomen met u eens, dat het
er voor de goede huisvrouwen niet veel op aankomt, en
dat het bij de slechte niet veel helpen zal; doch denkt
gij niet, dat het er voor de middelmatig goede wel
degelijk toe doet, of het loon om de 14 dagen, dan wel
om de week wordt uitbetaald ?
A. Ik weet het niet.                                                 .
4639.    V. Hebt gij in uw bedrijf niet veel last van stof ?
A. Ja.
4640.    V. Wat doet gij daartegen?
A. De ramen openzetten, als het niet te koud is.
4641.    V. Zijn er geen andere ventilatiemiddelen ?
A. Neen.
4642.    V. Wordt er vaak schoongemaakt?
A. Neen. De ramen worden wel dikwijls afgeraagd
en gewasschen, doch de groote schoonmaak is slechts
eens in het jaar, gedurende den staantijd.
4643.    V. Tegen den tijd van het schoonmaken is het
zeker heel vuil?
A. Ja, maar er wordt nooit over geklaagd.
4644.    V. Op andere fabrieken wordt alle dagen
gesmeerd, bij u maiar tweemaal \'s weeks; van waar dat
verschil?
A. Ik weet het niet, misschien dat bij een ander
de boel spoediger warm loopt.
4645.    V. Wordt er wel gesmeerd onder het werken?
A. Neen, gesmeerd niet; wel wordt er eens naar
gezien, of er iets warm loopt, maar dat zien er naar is
minder gevaarlijk dan het smeren zelf.
4646.    V. Is het een bevel uwerzijds, dat de boel moet
stilstaan bij het smeren?
A. Neen, maar ik zeg altijd, dat het zoo moet, want
ik word er al misselijk van, als ik die lui zoo tusschen
die excentrieken zie scharrelen; maar \'t zijn geen kinderen,
en zij luisteren niet altijd naar raad.
4647.    V. Is het een gebod, dat de pennen bij de
heien moeten worden gebruikt?
A. Ja, maar daar houden zij zich niet altijd aan,
wat wel eens tot bezeering aanleiding heeft gegeven.
Ik heb een werkman gehad, die zich bezeerd had, doch
daar gaf hij niet veel om, want de verzekering en de
ondersteuning van het werkmansfonds gaven bem te
zamen een weekgeld van een gulden of twaalf, zonder
dat hij behoefde te werken, en dat scheen niet slecht
te bevallen.
4648.    V. Hoe gaat het bij gewone ziekten ?
A. Dan geef ik een gulden of 6, 7 in de week, soms
ook f 3, naar omstandigheden, waar dan nog bijkomt
de ondersteuning van het ziekenfonds.
4649 V. Wordt er bij u misbruik gemaakt van ster-
ken drank ?
A. Neen, mijn meesterknecht gebruikt dien zelf niet,
en dat helpt.
4650.    V. Hebt gij last van Maandaghouden ?
A. Neen, ik vind het juist een aardig verschijnsel,
dat menschen, die om ziekte thuis geweest zijn, altijd op
Maandag weder beter zijn.
4651.    V. Maandaghouden komt dus in het geheel niet
voor bij u ?
A. Neen, dat doen zij niet. Vroeger had ik er een,
die zóó dronk, dat hij een paar maal heeft moeten zitten,
maar sedert hij getrouwd is, past hij beter op. Hij heeft
het nu op zijne oogen, zeker de jenever van vroeger, die
nu naar boven werkt.
4652.     V. Gij hebt twee stokers ?
A. Een machinist-stoker en een stoker, die elkander
van den dag op den nacht aflossen.
4653.    V. Moeten die niet om de beurt of samen \'s Zon-
dags werken ?
A. Een half uur in den regel; het meeste is 2 uren.
4654.    V. Wanneer wordt de stoomketel schoonge-
maakt?
A. Eens in de 4, 5, 6 weken. Ik heb een Nortonput,
zoodat hij niet zoo verschrikkelijk aanslaat. Om 6 uur
\'s morgens gaat het vuur uit en zetten wij alles open,
en om 8 uur des avonds begint het bikken.
4655.    V. Is de ketel dan al goed afgekoeld ?
A. Neen, koud is hij niet; dat kan niet in zoo\'n korten
tijd.
4656.    V. Welke temperatuur heeft de ketel op het
oogenblik, dat de menschen er in gaan?
A. Dat hebben wij nooit gemeten.
4657.    V. Hebt gij wel eens klachten gehoord over
de groote hitte?
A. Ja, een enkelen keer, maar de menschen verdie-
nen graag het geld ; soms doen het lieden van mijne,
soms van eene andere fabrielc.
4658.    V. Het is bij niet behoorlijke afkoeling zeker
een kwaad werk?
-ocr page 229-
220
A. Ja, maar het moet toch gebeuren.
4659.    V. Hebt gij er nooit over gedacht, \'s Maandags
wat later te beginnen, opdat de ketel beter kunne
afkoelen ?
A. Dan zouden de menschen minder verdienen.
4660.    V. Het zou overweging kunnen verdienen, of
gij, ter voorkoming van het werken in die hitte, niet
eenigen last op uw eigen schouders zoudt kunnen nemen.
A. Och, hoeveel gevallen zijn er niet, dat iemand
heel erg warm wordt; ik zie daarin zooveel bezwaar niet.
4661.    De heer Kolkman: Uwe werklieden zijn, als ik
u goed verstaan heb, tegen ongelukken verzekerd?
A. Ja.
4662.    V. Wie betaalt daarvoor de premie?
A. Ik.
4663.    V. Geeft gij uwe werklieden, die door ouderdom
niet meer kunnen werken, ook pensioen?
A. Ik ben nog zoolang niet olieslager; het is mij dus
nog niet overkomen. Een van mijne knechts op de boot
heb ik gepensionneerd, maar op de oliemolens is het geen
gewoonte.
4664.    V. Komt het daar nooit voor?
A. Ja, zij geven wel eens pensioen, als de menschen
70 jaar zijn, maar dat komt niet heel veel voor. De knecht
van Crok was 70 jaar.
4665.    V. Zoudt gij het wenschelijk achten, dat wet-
tolijke bepalingen werden in het leven geroepen, waarbij
de werklieden recht kregen op pensioen, zóó dat ook de
patroons daartoe moesten bijdragen?
A. Daar zou ik niet tegen zijn, maar dan moesten
ook bepalingen worden gemaakt, dat de patroons wat
meer kracht kregen, zoodat men kerels kon straffen, die
b.v. de koeken bedierven. Mij dunkt, dat mag er wel
tegenover staan, als men het werkvolk geheel in een
verguld lijstje zet.
4666.    V. Gij weet waarschijnlijk, dat er op dit
oogenblik eene wet aanhangig is, waarbij juist aan de
patroons de bevoegdheid, om korting op het loon te heffen,
wordt toegestaan, wanneer de werklieden door opzet schade
toebrengen aan de goederen van den patroon; dusdaar-
aan zou te gemoet gekomen zijn- De vraag is alleen, of
gij het zoudet goedkeuren, indien er wettelijke bepalin-
gen werden gemaakt, waarbij de werklieden recht op
pensioen kregen, ook door bijdragen van den patroon?
A. Daar zou ik niets tegen hebben.
4667.   De Voorzitter: Past gij boeten toe in uwe fabriek ?
A. Neen, in het geheel niet.
Corneus Bon.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Dirk Laan, oud 48 jaar, koopman
en fabrikant, firma Wessanen & Laan, te Wormerveer.
4668.    De Voorzitter: Uwe firma heeft verscheidene
fabrieken, niet waar?
A. Zij heeft er drie; eene stoomolieslagerij, eene stoom-
meelfabriek en eene stoomrijstpellerij, benevens een paar
windoliemolens.
4669.    V. Gij hebt dus ondervinding van de wind-
molens tegenover de fabrieken in de olieindustrie. Wat
is uwe ervaring van het oordeel der werklieden over het
werk in de fabriek of in den molen?
A. Zij zijn gedecideerd voor de fabriek, omdat er in
den windmolen onregelmatig werk is; daar werken zij
16 uren en in de fabriek slechts 12 uren, hoewel 12 uren
in de fabriek geen lichter taak is dan de 16 uren in den
molen. De stoomwerkers zijn ook van beter gehalte dan
de windwerkers, die te veel tijd van werkeloosheid heb-
ben, en zoogenaamd op de fuister gaan liggen.
4670.    V. Zijn de verdiensten in de stoomfabriek beter
dan in den windmolen?
A. De verdiensten zijn in de fabriek hooger en het
werk is er regelmatiger. Een windolieslager zal den eenen
tijd veel en den anderen tijd weinig verdienen, terwijl
een stoomolieslager regelmatige inkomsten heeft.
4671.    V. Op uwe stoomfabriek betaalt gij zeker per
week de loonen uit?
A. Op onze andere fabrieken betalen wij per week, op
onze oliemolens, zoowel wind- als stoommolens, om de
14 dagen. Dat is nog een gevolg van het oude gebruik,
dat vroeger bij alle windmolens bestond.
4672.    V. Zou het groot bezwaar opleveren om per
week uit te betalen?
A. Bezwaar niet, maar de menschen wenschen het
zelf niet.
4673.    V. Gelooft gij toch niet, dat het in het belang
van sommige gezinnen zoude zijn, wanneer zij het geld
op korteren termijn ontvingen?
A. Ik geloof het niet.
4674.    V. Staan de werklieden op uwe olieslagerijen
bij u even hoog aangeschreven, als de werklieden van
de andere fabrieken?
A. Eerlijk gezegd, neen. Onze werklieden op de olie-
slagerijen zijn wat ouder, de overigen zijn meerjeugdige
werkkrachten. Over het algemeen zijn de olieslagers
wat dommer, meerendeels ook Avat doof door het vele
leven, dat er is.
4675.    V. Is het vrij algemeen de meening, dat de
olieslagers wat lager staan ?
A. Ja.
4676.    V. Werken de olieslagers bij u ook 12 uren
zonder eenigen rusttijd?
A. Ja, zij hebben zoo nu en dan wel een minuutje
rust, maar bepaalde rusttijden zijn er niet. Overigens is
het werk ook niet bijzonder vermoeiend of zwaar.
4677.    V. Vindt gij het toch niet betreurenswaardig, dat
de menschen zoolang aan één stuk zonder rust moeten
werken ?
A. Ja, maar het kan moeilijk anders, tenzij de fabriek
stilstond.
-ocr page 230-
221
werk vroeger afgeloopen is. Overwerkgeld wil het volk
nu eenmaal hebben, hoe de regeling ook zij.
4688.    V. Begrijp ik u goed, dat er feitelijk een
werktijd is van 6 tot 8 uur; dat in naam wordt over-
gewerkt en daarvoor extra betaald wordt, maar dat,
wanneer het werk verricht is binnen den reglementairen
tijd, zij toch geld krijgen, alsof er overgewerkt ware ?
A. Ja, de menschen willen overwerkgeld hebben, en
wij gunnen hun dat ook, als \'t kan en noodig is. Als zij een
vast loon van f 10 hebben, moeten zij er naar hun wensch
van 1 tot 3 gulden aan overwerk bij hebben; ontvangen
zij vast f 13, dan moeten zij daar ook weer aan over-
werk bij verdienen. Zij zouden den geheelen nacht aan
de fabriek blijven hangen om maar overwerk te krijgen.
4689.    De heer Kolkman: In verband met het door u
zoo even gezegde vraag ik, of niet door een premiestelsel
of op andere wijze te bewerken ware, dat de menschen in
de oliefabriek ook in 10 uren verrichtten, wat zij nu
in 12 uren doen?
4678.    V. Bij andere industrieën wordt wel rusttijd
gegeven, bij olieslagerijen schijnt het tot de groote uit-
zonderingen te behooren?
A. Ik geloof niet, dat één olieslager het doet. Maar
zooals ikzeide, zij werken wel 12 uren, maar de arbeid is
ook niet vermoeiend.
4679.    V. Is nooit door u overwogen, of gij geen einde
zoudt kunnen maken aan den toestand, waarbij de
menschen 12 uren onafgebroken moeten doorwerken?
A. Zij kunnen wel eens eenige minuten langer weg,
maar krijgen geen bepaalden rusttijd.
4680.    V. Vindt gij dat niet zelf een onbehoorlijken
toestand ?
A. Bij hetgeen men tegenwoordig al zoo hoort verge-
lijken, ja. Doch het is meer schijn dan werkelijkheid.
Men vergete ook niet, dat zij volle 12 uren vrij hebben.
Ik zie er zooveel bezwaar niet in. Als ik het hoorde van een
vak, dat ik niet kende, zou ik het nog al kras vinden; maar
de ervaring in de Zaanstreek heeft geleerd, dat er niet
het minste bezwaar tegen is. Daarbij komt nog, dat de
arbeiders oud worden en hun vak gezond vinden. Dat
leert de ervaring.
4681.    V. Wordt er bij u voor het smeren gestopt?
A. Slechts een klein oogenblik. Sommige machines
worden gesmeerd, als de fabriek in gang is, andere smeren
zich zelf, en twee keer wordt er even gestopt, wanneer
het gevaarlijk zou zijn om doorwerkend te smeren.
4682.    V. Hebt gij nooit overwogen, of het niet beter
zou zijn eens per dag gedurende H uur te stoppen, gelijk
bij de firma Prins geschiedt? Dan hadden de arbeiders
tevens rust.
A. Neen. De inrichting van die fabriek is anders.
4683.    V. Ik bedoelde de oude fabriek, die toch met
de uwe overeenkomt.
A. Daar wordt, zoover ik weet, ook nooit geregeld
gestopt. Veel bezwaar zou er niet tegen zijn.
4684.    V. Gij weet, dat de wetgever voor vrouwen en
jeugdige arbeiders een rusttijd van één uur per dag heeft ge-
steld. Wanneer dit gebod werd uitgestrekt tot volwassen
arbeiders, zou dit dan veel bezwaar opleveren voor uwe
fabriek ?
A. Eene kleine verhooging van exploitatiekosten,
hetgeen ons slecht zou passen met het oog op de bescher-
mende rechten in andere landen.
4685.    V. Uwe meelfabriek is van grooter omvang
dan de oliefabriek, niet waar?
A. Ja.
4686.    V. Ons is door den stoker Rond medegedeeld,
dat de dagploeg daar werkt van 5 tot 8 uur, doch dat
zij, \'s morgens om 5 uur komende, eerst om kwart voor
6 beginnen te werken. Is dit juist?
A. Ja. Dit is een oud misbruik. Op dit gebied
bestaat in het algemeen nog al vrijgevigheid.
4687.    V Vroeger moet dat, onder een anderen chef,
nog erger geweest zijn, naar ons werd medegedeeld?
A. Wat zal ik u zeggen? Sedert het socialistische
Volksblad op krasse en ik mag zeggen op onware en
leugenachtige wijze allerlei dingen ten laste legt aan
onze meelfabriek „de Vlijt" (door hen genoemd: de
zuigpomp), heeft de directeur gezegd: „datoverwerkgeld
mag jelui behouden, maar als \'t werk af is, kan jelui
naar huis gaan", en het resultaat daarvan is, dat het
Enquête. — De Zaankant.
A. Neen; de fabriek verwerkt de grondstof, die tusschen
de steenen gebracht wordt en daarmede kan men zich niet
haasten, dan door b.v. minder slagen met de hei te
geven en dus te knoeien. Het pakken, plombeeren.
afschepen van het produkt, dat kan meer of minder
snel gebeuren.
4690.     De Voorzitter: Zou dus door grootere inspanning,
door meer toewijding in eene oliefabriek uws inziens niet in
korteren tijd hetzelfde resultaat te bereiken zijn ?
A. Neen, eene fabriek maalt oen bepaald aantal koe-
ken per uur; daaraan kan niets verhaast worden, of
men knoeit.
4691.    V. Hebben de werklieden in uwe meelfabriek,
afgescheiden van het overwerk, een vast loon ?
A. Ja, plus premiën, in verband met hetgeen vermalen
wordt.
4692.    V. Wat verdient bij voorbeeld een van uwe
beste werklieden?
A. Ik heb hier de lijst voor mij van 7 — 14 Juli.
Rond, de stoker, heeft een vast loon van f 11, maar hij
heeft ontvangen f 13.30, dat is dus f 2.30 van overwerk.
4693.    V. Deelen alle knechts in dat lastengeld ?
A. Ik geloof het wel.
4694.    V. Hoeveel bedraagt dit voor elk per last?
A. Dat klimt op naar de betrekking. Het begint met
een halven cent per last. Een zekere Weteling, een van
de besten van de fabriek, heeft f 7.— vast loon enont-
vangt f 14.70, waaronder f 5.50 aan lastengeld. Boven-
dien wordt telkens een zeker aantal lasten minder
gerekend, om aan het einde van het jaar te verrekenen.
4695.    V. Wisselt dat lastengeld zeer, ondanks het
inhouden van een zeker aantal lasten ?
A. Neen, dit is eene ontvangst, waarop zij gemiddeld
kunnen rekenen.
Een ander werkman heeft f 8.—, plus f 5.50 met het
urengeld, te zamen f 15.20. Anderen hebben f 7.— vast
loon en ontvangen f 10.90; die hebben maar 2 cents per
last. Verder een jongen van 20 jaar, die heeft f4.50, en
ontvangt f 6-— en heeft 1 cent per last. Een zekere Kapertz,
die gisteren voor de Commissie is geweest, heeft f 7.—
vast loon en brengt het tot f 14.20.
4696.    V. Wat is het minimum van inkomsten van
de getrouwde werklieden ?
A. Ik geloof f 10.90.
56
-ocr page 231-
222
4697.    V. Uw eigenlijke werkdag is van 6 uur \'s mor-
gens tot 8 uur \'s avonds; maar hoe lang is de feitelijke
arbeidsduur in dien werkdag?
A. Aan „de Vlijt" hebben zij, als zij komen, een kwartier
om koffie te drinken, van 8—8 \'4 uur schafttijd, om 11 uur
een kwartier om koffie te drinken, om 12 uur een uur om
te eten, om 4 uur een kwartier om thee te drinken en om
6 uur nog eens een kwartier, dus een totaal van 2X uur
rust, en een feitelijken arbeidsduur van ongeveer 11\'a uur.
4698.    V. Verlaat het volk in den middagrusttijd de
fabriek ?
A. Een enkele wel, die heel dicht bij woont; regel
is echter, dat allen in de fabriek blijven.
46i»9. V. Zou het niet mogelijk zijn, den middag-
rusttijd te verlengen tot VA uur door inkrimping van
de kleinere rusttijden?
A. Dat is dikwijls genoeg overwogen; de groote
moeilijkheid is echter, dat er dikwerf het een of ander
moet gedaan worden, waarvoor de menschen aan de
fabriek moeten gehouden worden.
4700.    V. Zou het niet zoo te regelen zijn, dat
de eene helft wat vroeger de 1\'A uur rust kreeg, en de
andere helft wat later, zoodat niet allen tegelijk van de
fabriek gingen ?
A. Ik geloof niet, dat de menschen dit zelf aange-
naam zonden vinden. Zij eten allen tusschen 12 en 1 uur,
ook in verband met de schooltijden. Het uur middagrust
wordt ook wel even verlengd.
4701.    V. Maar dan blijven zij toch in de fabriek.
Zoudt gij het niet in het belang van de huisgezinnen
achten, wanneer de man zijn middagmaal thuis kon
gebruiken ?
A. Ja, dat wel.
4702.    V. Is er dan overwegend bezwaar tegen ?
A. Ja, de menschen wonen te ver van de fabriek af.
Bovendien weet men soms om kwart vóór twaalf nog
niet, of men wel van 1—2 uur rust zal hebben of wat
later.
4703.    V. Hebt gij in den middagrusttijd altijd uw
geheele personeel noodig?
A. Neen.
4704.    V. Wanneer de eene helft bijv. rust kreeg
van IIV2 tot 1 uur, en de andere helft van 12\'/o—2 uur,
zoudt gij u dan uit een technisch oogpunt niet kunnen
redden met de helft, die gij altijd overhieldt?
A. Ik geloof het wel.
4705.    V. Zouden zij, indien ieder l\'/2 uur rust had,
het er niet voor over hebben om heen en weer te loopen ?
A. Ik denk het wel, doch de ervaring heeft geleerd,
dat zij niet erg huiselijk zijn.
4706.    V. Zouden zij het op de nu gevolgde wijze niet
hoe langer hoe minder worden?
A. Dat is wel mogelijk.
4707.    V. Hebt gij in uwe fabriek geen geschreven
reglement ?
A. Neen. In de rijstpellerij „de Unie" zijn wel de
werkuren aangeplakt.
4708.    V. Wordt er bij u een boetestelsel toegepast?
A. Neen. Een enkelen keer wordt de premie inge-
houden, doch daar komt het zelden toe, want wanneer
er eenmaal met inhouding der premie wordt gedreigd,
b.v. wanneer de machine al te vuil is, dan is den vol-
genden dag de machine schoon.
4709.    V. Wordt voor te laat komen geen boete
geheven ?
A. Neen. Wanneer zulks eene chronische kwaal bij
iemand werd, dan zou hij spoedig worden weggestuurd.
4710.    V. Kleine verzuimen worden echter met woorden
goedgemaakt ?
A. Ja. Wij straffen niet. Alleen in het pakhuis, waar
ik werkzaam ben, heb ik eene manier van straffen, die
mij uitmuntend bevalt. Wanneer iemand het al te erg
maakt, geef ik hem een paar dagen vacantie met behoud
van loon; daar schamen ze zich voor.
4711.    V. Gij werkt daarbij dus uitsluitend op het
eergevoel ?
A. Ja. Eenige jaren geleden heeft zich een geval
voorgedaan, dat ik zoodanige straf wel moest toepassen.
Op een kouden winterdag had ik last gegeven 011110000
K.G. koeken en meel in te laden. Daarvoor -werden drie
mannen bestemd. Telkens zaten ze echter in de kroeg,
en daarbij kwam, dat ze den tel ook nog kwijt waren
geraakt, en er in den eenen waggon 500 koeken te veel,
en in den anderen 500 koeken te weinig zaten. Ik heb
hun toen drie dagen vacantie gegeven, en alleen eene kleine
premie werd hun ingehouden. In Recht voor Alle-i heeft
toen eene gemeene, scheeve voorstelling van de zaak
gestaan, dat de menschen zich maar moesten laten dood-
vriezen, geene beschutting mochten zoeken, enz. Ik heb
het de lieden laten lezen en ze vonden het ook gemeen.
Ik bevind mij goed bij dat stelsel van straffen: de
menschen kruipen in huis, zij zijn er verlegen mede en
passen later wel op.
4712.    V. Rond vertelde ons, dat hij \'s Zondags meest
tot 11 uur aan de machine bezig is, zoodat het hem niet
mogelijk is naar de kerk te gaan.
A. Och, hij is niet erg kerksch en zoekt het dus
ook niet, anders zou er wel wat op te vinden zijn, want
vele anderen, die \'t zelfde werk hebben, zitten wel in
de kerk.
4713.    V. Wordt er bij u gesmeerd onder het werk ?
A. Ja, alles smeert zich bijna van zelf; voor een paar
dingen wordt maar gestopt.
4714.    V. Hebben er wel eens ongelukken plaats
gehad ?
A. Aan de meelfabriek heeft een jongen zijne hand
verspeeld door, in strijd met de regelen der voorzichtig-
heid, het kapje van de wals af te halen; en aan „de
Unie" heeft een jongen er het leven bij ingeschoten,
omdat hij, tegen de waarschuwing van zijn makker in,
meende een riempje op de schijf te kunnen brengen,
terwijl de boel in gang was. Maar dat was vóór den
brand, wel 15 jaren geleden.
4715.    V. Hebt gij eene regeling voor geval van
ziekte ?
A. Reglementaire bepalingen hebben wij niet, doch
er wordt wel ziekengeld gegeven.
Hier heb ik bijv. een zieke, Dik, die heeft f 3.60
ontvangen, dat is een gedeelte van zijn vaste loon zon-
der premie en lastengeld. Dat is de regel, dien wij
volgen op de fabriek. Voor de pakhuislieden is het
anders. Die hebben een vast loon van f9, maar daarvan
wordt bij ziekte 40 ets. daags afgetrokken, zoodat zij
f 6.60 ontvangen.
-ocr page 232-
\\
223
4716.    V. Zijn uw meeste werklieden bovendien in
eene werkmansvereeniging mei uitkeering bij ziekte?
A. Ja, vrij algemeen ; daarbij zijn bijna allen lid van
het ziekenfonds, eene uitstekende inrichting, waaraan
de dokters veel werk hebben voor weinig geld. Dat
kost voor man en vrouw elk een dubbeltje \'s weeks en
voor de eerste 4 kinderen 3 ets., de rest is vrij. Voor
dat bedrag hebben zij vrij dokter en apotheker.
4717.    V. Is uw werkvolk verzekerd tegen onge-
lukken ?
A. Neen.
4718.    V. Is de jongen, die destijds dat ongeluk heeft
gekregen, bij u in dienst gebleven?
A. Ja, die is boodschaplooper.
4719.    V. En hoe gaat het met de oudjes?
A. Die pensionneeren wij bijna altijd ; niet naar een
vasten regel, maar uit vrijen wil. Er is onlangs pas een
oud werkman van ons gestorven, die f 7 \'s weeks had.
Hij had er lang van geprofiteerd. Dan is er nog een
krasse man, ook van f 7. Ook geven wij wel eens 3, 4,
of 5 gulden pensioen, en trachten bij sommigen, door
hun de gelegenheid te geven zakken te verstellen (eene
lichte bezigheid), hunne inkomsten te vermeerderen.
4720.    V. En de weduwen ?
A. Die ondersteunen wij ook. Wat zij krijgen, hangt
af van den diensttijd van den man en van onze eigen
grillige opvatting, of de man getapt was bij ons of niet.
Wij hebben echter den naam van ook hierbij nog al
royaal te zijn.
4721.    V. Zoudt gij het betreuren of toejuichen, indien
eene algemeene wettelijke regeling de verzekering ge-
lastte van den werkman voor den ouden dag, op kosten
van den patroon ?
A. Theoretisch zou ik er niet tegen hebben ; practisch
echter wel. Ik houd meer van zedelijke wetten dan van
zooveel staatswetten.
4722.    V. Is dat de eenige reden, waarom gij tegen
zoodanigen maatregel zoudt zijn ?
A. Het wordt mij wat te kras met al die wetten ;
men loopt kans elk oogenblik zijne vingers te branden.
4723.    V. Maar ik vroeg, of gij verder geen bezwaar
zoudt hebben tegen den bedoelden maatregel ?
A. In theorie niet, zooals ik zeide. Ik heb van het-
geen van wege de Enquête-Commissie is gepubliceerd
nog al wat gelezen en daaruit veel vernomen, wat wer-
kelijk gruwzaam was ; maar, zooals ik reeds zeide, over
het geheel loopt alles nog al wel, als men ieder zijn
eigen boonen maar laat doppen. Dat tusschen beiden
komen, wanneer er iets is tusschen den patroon en den
werkman, werkt meer kwaad dan goed.
4724.    V. Hoe is over het algemeen uw oordeel over
de werklieden?
A. Gunstig; wij hebben geen dronkaards.
4725.    V. Wanneer gij uwe herinnering raadpleegt
over de verstreken jaren, dat gij zaken drijft, meent gij
dan vooruitgang in het geheele wezen van den werkman
en in zijn gedrag te kunnen constateeren?
A. Ja, betere ontwikkeling, betere woningen, waar-
voor de Bouwvereeniging te Wormerveer veel heeft gedaan,
betere scholen, enz.
4726.    V. Vindt gij ook vooruitgang in het geheele
wezen van den werkman ?
A. Ja, zijne manier van leven en zijne denkbeelden
zijn veel beter en dat is het geval, nadat de sociaal-
democraten zooveel drukte hebben gemaakt. Vroeger
was er geen streek, waar uw tegenwoordige collega
Domela Nieuwenhuis meer kwam dan bij ons, maar nu
is hij uitgepraat, en nu hebben velen meer dan genoeg
van het socialisme.
4727.    V. Een getuige heeft ons gezegd, dat er aan
de rijstpellerij geen boetestelsel is, maar dat het wel
voorkomt, dat er een paar uren langer gewerkt moet
worden zonder loon ?
A. Ik weet niets daarvan, maar het is mogelijk, als
er plichtverzuim heeft plaats gehad.
4728.    V. Men heeft ons opgegeven, dat aan de pel-
lerij de vaste loonen varieeren tusschen f 4 en f 7.50
met lastgeld, dat gemiddeld bedraagt f 5.40 per week ;
is dat juist?
A. De hoogste heeft vast f 8.50 met de premiën
f 19.50 ; dan komen er 6 van f 7.50 met premiën tot
f 12.96; een paar van f 6.50 tot f 1146; een paar van
f 5.50 tot f 10.96; een heele boel van f 4.50 tot f 9.%
en van f4.— tot f 9.46; enkelen van f 4.— tot f 8.55;
jongens van f3.50 tot f 7.14. Alles in eene gemiddelde week.
4729.    V. Geldt ook in de pellerij het stelsel, dat
allen lastengeld krijgen, doch verschillend naar gelang
van de schatting, waarin zij staan?
A. Ja, zij krijgen van 5*/a tot \'/2 cent per last.
4730.    De heer Kolkman: Gij hebt straks gezegd, dat
uwe industrie gedrukt wordt door de beschermende rech-
ten van andere landen. Zoudt gij verlangen, dat hier
te lande maatregelen werden genomen om dien druk
voor uwe industrie zooveel mogelijk te vergoeden?
A. Als ik lid der Kamer was, zou ik hevig tegen
beschermende rechten zijn. Ik acht het beter, dat 4 of 5
millioen menschen goedkoop brood eten, dan dat enkele
meelfabrikanten zich ten koste van het algemeen verrijkt
zagen. Als fabrikant zou ik echter gaarne meer verdie-
nen. Wij moeten voor onze olie in Duitschland veel
inkomende rechten betalen, en ik zou natuurlijk gaarne
zien, dat wij onze olie daar vrij mochten invoeren, temeer
daar de invoer van koeken uit Duitschland hier te lande
geheel vrij is. De inkomende rechten, in Frankrijk op
rijst geheven, zou ik ook wel afgeschaft willen zien.
Doch overigens ben ik volbloed vrijhandelaar; ik geloof,
dat vrijhandel voor ons land het eenige goede stelsel is.
Dirk Laan.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.iaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Remmert Adriaan Laan, oud 45 jaar, rijst-
peller en oliefabrikant, firma ISloemendaal & Laan,
te Wormerveer.
4731. De Voorzitter: Hoe talrijk is het personeel op
uwe rijstpellerij?
-ocr page 233-
224
A. 34 man, waaronder 4 machinisten en stokers.
4732.    V. Hebt gij ook jeugdige arbeiders in dienst?
.4. Slechts één onder de 16 jaren.
4733.    V. Levert het bezwaar op in uw bedrijf om dezen
overeenkomstig de bepalingen der wet te handelen?
A. Neen, die jongen loopt maar zoowat heen en weer,
en ten aanzien van hem wordt de wet precies toegepast.
4734.    V. Hadt gij vroeger meer jongens in dienst ?
A. Neen, in principe was ik er niet voor.
4735.    V. Hoe is de werktijd geregeld?
A. Er wordt gewerkt van \'s morgens 6 tot \'s avonds
S, en van \'s avonds 6 tot \'s morgens 6 uur.
4736.    V. Is dat niet van 8 uur \'s avonds tot 10 uur
\'s morgens, zoodat de ploegen gedeeltelijk samen werken ?
A. Dit gebeurt ook wel.
4737.    V. Er wordt meestal bij dag en nacht gema-
len, niet waar?
A. Ja.
4738.    V. Hoeveel rusttijd gaat van dien werkdag
van 14 uren af?
A. \'s Middags een uur, en dan wordt er dikwijls een
kwartier geschoft om koffie te drinken. Dit kan best,
omdat het werk zoo erg zwaar niet is.
4739.    V. Verlaten de werklui de fabriek in den mid-
dagrusttijd ?
A. Neen, ze blijven in het pakhuis, waar men hun
eten brengt, of waar ze het zelf op den ketel koken.
4740.    V. Is door u nooit overwogen om den mid-
dagrusttijd te verlengen, zoodat de mannen thuis konden
gaan eten?
A. Ja, maar daartegen bestaan bezwaren. Ten eerste
wonen sommigen te ver van de fabriek, soms in naburige
dorpen, en ten tweede moet de fabriek, als het kan,
doorwerken. Het verlies van steenkolen is niet zoo erg,
maar de aard van het fabrikaat legt meer gewicht in
de schaal. Wanneer de fabriek stopt, wordt in den eersten
tijd daarna minder goede rijst afgeleverd, en dit is een
groot bezwaar. Soms kan de fabriek echter door drie
man aan den gang gehouden worden.
4741.    V. Dezen wisselen elkaar dan af om te eten?
A. Ja.
4742.    V. Zoodat het technisch bezwaar door onder-
linge schikking overwonnen wordt?
A. Ja.
4743.    V. Zou het dan overwegend bezwaar opleveren
om dat uur tot anderhalf uur te verlengen?
A. Overwegend, wat zal ik daarop zeggen? Naast de
belangen van zijn volk heeft de fabrikant ook rekening
te houden met de concurrentie, die alles beheerscht. Er
op aangedrongen heeft het volk nooit, maar wij hebben
de zaak meermalen overwogen, en bij hot bouwen van de
nieuwe fabriek zal zij van zelf weder aan de orde komen.
4744.    V. Wordt er buiten die 14urenookovergewerkt?
A. Onbeduidend; het wordt trouwens niet hoog be-
taald, 10 ü 12 cents per uur, om misbruik te voorkomen.
4745.    V. Komt Zondagswerk voor?
A. Alleen voor den timmerman.
4746.   V. Is de mogelijkheid nooit overwogen om \'s Zater-
dags-middernacht te stoppen?
A. Neen, dat zou het volk ook niet gaarne hebben
om het gemis der verdienste. En het bezwaar drukt maar
op 8 man van de 30, om de 14 dagen.
4747.    V. Maar gesteld, dat de wetgever Zondags-
arbeid verbood, hoe zoudt gij het dan stellen?
A. Ja, dat weet ik niet; er zijn wel menschen, die
dat uit principe doen, maar hoe het hun bevalt, weet ik
niet. De concurrentie maakt, dat men met een paar centen
verschil dikwijls moet opkrassen.
4748.    V. Bestaat er op de rijstfabriek een vast loon-
stelsel?
A. Ja.
4749.    V. Hoe zijn daar de loonen?
A. Verbazend afwisselend. De eene machinist heeft
f 15, de andere f 12. Beiden hebben nogal veel overwerk,
want aan zoo\'n machine valt nog al eens wat te doen;
zoo had de eerste de vorige week f 1.80 overwerk, de
andere f 4. De stokers hebben f 10 en f 9.50 vast, beiden
hadden de laatste week f 1 overwerk. De overige loonen
zijn als volgt: de chef f21, de onderchef f 18, verder zijn
er knechts met loonen van f 15 tot f 10 voor de getrouw-
den, voor de ongetrouwden van f 7 tot f 4, en voor de
jongens van f 2.50.
4750.    V. Dus het minste loon van een gehuwd werk-
man is f 10?
A. .la, dat komt nu zoo uit, maar als zoo\'n knaap
van f 7 het ongeluk heeft te trouwen, kan ik niet maar
onmiddellijk zijn loon verhoogen, want dan zouden ook
de ongetrouwden hetzelfde kunnen vergen.
4751.    V. Hebben uwe werklieden ook nog afwisselende
inkomsten ?
A. Neen, lastengeld geven wij niet, want als er dan
eens best, zwaar goed te pellen valt, zouden de werk-
lieden, om maar veel lasten te maken, er de hand wel
eens mede kunnen lichten. Wij geven, als het lijden kan,
bij het eind van het jaar eene gratificatie van 10 tot 25
gulden. De duurste knechts krijgen wel 30, 40 gulden
tot f 100 toe, dat gaat naar bekwaamheid en succes
aan de fabriek.
4752.    V. Op welken dag der week betaalt gij uit?
A. Op Dinsdag. De Zaterdag wordt te Worrnerveer
een gevaarlijke dag geacht.
4753.    V. Is bij u wel eens een verzoek van de
werklieden ingekomen om uitbetaling op Zaterdag?
A. Neen, nooit. Dinsdag is een geschikte dag. Dan
is de spaarbank ook open, zoodat, wie sparen wil, on-
middellijk zijn geld kan wegbrengen, maar het is eigen-
aardig, dut de werklieden daar eenigszins geheimzinnig
mede zijn. Ik ben lid van de directie der spaarbank,
maar mijne werklieden komen liefst, als ik er niet ben.
4754.    V. Hebt gij een reglement in de fabriek ?
A. Neen; daar houd ik niet van. De ondervinding
leert, dat reglementen en contracten nooit volledig zijn.
-ocr page 234-
225
weduwe echter arm en het huishouden groot, dan krijgt
zij eene groote ondersteuning, al had haar man een
kleinen rang. Economisch is het wellicht minder goed,
het is meer een soort van philantropie.
4768.    V. Tot welk bedrag kan de ondersteuning
stijgen?
A. Tot f 6.—, f 7.-.
4769.    V. Strekt het fonds uitsluitend tot ondersteuning
van weduwen of ook van oude werklieden?
A. Ook van oude werklieden, maar die hebben wij
nog niet. Het fonds is ingesteld in 1887, er zijn weinig
ongelukken geweest en dus is het aardig aangegroeid.
Voor het overige zijn wij voor ongelukken nog verzekerd
bij de Maatschappij tot verzekering tegen ongelukken in
Den Haag.
4770.    V. Hebt gij uitsluitend eene stoomoliefabriek,
of ook nog windmolens?
A. Alleen eene stoomfabriek; vroeger hadden wij vier
windmolens, die hebben wij echter verkocht.
4771.    V. Is het ook uwe meening, dat de werklieden
aan het werk in de stoomfabriek de voorkeur geven
boven het werk in de windmolens?
A. Vrouwen hebben liever, dat de man in de stoom-
fabriek werkt, het loon is dan regelmatiger.
4772.    V. Zijn de verdiensten ook hooger?
A. Dat hangt er veel van af, of een windmolen veel
kan werken.
4773.    V. Hoe worden de loonen bij u in de olie-
fabriek berekend?
A. Alles per stuk.
4774.    V. Tot welke loonen kunnen uwe arbeiders
het brengen?
A. De machinist heeft f 14.— vast. de vorige
week voor overwerk nog f 2.50, zijn helper f 12,— .
De vaste timmerman f 17,—, zijn knechtje van 16
jaar f 3.50. De chef van de olieslagerij f 17,—,
die den boel aflevert f 13.—. Dat zijn alle vaste loonen.
De blokmalers hebben 21 cents per 1000 koeken, de steen-
knechts 24 cents, de jongens 17 cents, de pletjongens
8 cents. Het minimum koeken, per week gemaakt, is
58000, de blokmalers verdienen dus f 12.18, de steen-
knechts f 13.92, de jongens f 6.96, de pletjongens f 4.64.
In het voorjaar, toen het heel druk was, zijn die ver-
diensten wel met 20 °/0 of 25 °/ft toegenomen, doch toen
hebben zij ook harder moeten werken.
4775.    V. Ook langer?
A. Neen, niet langer, wel harder; zij moesten dus wat
actiever zijn.
4776.    V. Aan een der getuigen, ook oliefabrikant,
heb ik gevraagd, of niet met wat meer activiteit van
den kant der werklieden bij een korteren arbeidsduur
hetzelfde resultaat zou te verkrijgen zijn als thans in den
langeren. Daarop antwoordde hij ontkennend. Nu zegt gij,
dat bij u in het voorjaar, door harder te werken zonder
verlenging van den arbeidsduur, toch meer geproduceerd
werd. Lag dat aan grooter toewijding?
A. Dit kwam daardoor, dat de koeken zoo duur en
schaarsch waren, dat wij de olie er niet uithaalden. Dit
gaf dus een klein rendement, maar de prijs der koeken
was zoo absurd hoog, dat het toch in mijn voordeel was.
Dit alles was echter slechts eene toevallige omstandigheid.
4777.    V. Hoe lang is de werktijd bij u in de olie-
fabriek ?
57
4755.    V. Hebt gij een boetenstelsel ?
A. Neen, noch in de olie-, noch in de rijstfabriek.
Het gaat heel goed zonder boeten. Ongeregeldheden
komen meest voor onder de jongeren, en die kan men
zonder veel bezwaar wegzenden. Zoo\'n jongen van 18
jaar komt wel terecht, en als hij berouw toont, nemen
wij hem ook wel terug.
4756.    V. Hebt gij volstrekt geen last van misbruik
van sterken drank onder het personeel?
A. Absoluut niet.
4757.    V. Heeft er weinig wisseling van personeel bij
u plaats ?
A. Zeer weinig.
4758.    V. Wanneer een werkman weggaat, hetzij
uit zijn vrijen wil, hetzij door den uwen, heeft er dan
eenigen tijd te voren opzegging plaats?
A. Behalve onder de jongens herinner ik mij niet,
dat er weg zijn gegaan.
4759.    V. Heeft men in de rijstpellerij niet veel last
van stof?
A. Volstrekt niet, er is weinig stof; de lokalen zijn
gezond.
4760.    V. Hebt gij niet eenige staande assen onbe-
schermd?
A. Neen, zij zijn alle beschermd.
4761.    V. Uwe fabriek heeft immers de eigenaardig-
heid, dat het gebouw gestadig schuddende is?
A. Die kwaal is overwonnen door er een gebouw
aan te zetten.
4762.    V. Gebeurde het schudden vroeger, omdat het
gebouw geheel vrij stond?
A. Neen, het lag aan den grond; bij ons staat alles
op palen.
4763.    V. Hebt gij, ingeval van ziekte, eene vaste
regeling?
A. In geval van ziekte behouden de menschen hun
vol loon.
4764.    V. Hebt gij voor het uitkeeren van dat loon bij
ziekte eene controle-regeling?
A. Mijn meesterknecht let daarop. Wanneer een zieke
langs de straat zou loopen, zou zijn buurman hem spoedig
verraden.
4765.    V. Er wordt wel eens door werkgevers gezegd,
dat het groote bezwaar tegen uitkeering bij ziekte daarin
ligt, dat de ziekte gesimuleerd wordt. Is dat uw onder-
vinding niet?
A. Dat heb ik nooit ondervonden.
4766.    V. Zijn er onder uwe werklieden, die, niettegen-
staande zij hun loon behouden, in een uitkeerings-
fonds zijn?
A. Onder de rijstpellers niet.
4767.    V. Heeft uwe firma niet een fonds voorgepen-
sionneerden en weduwen?
A. Ja, maar dat is een geheel vrij fonds. Wan-
neer een knecht sterft en hij laat eene weduwe na, die
zich redden kan, hetzij omdat zij geld heeft, hetzij door-
dat hare kinderen haar helpen, dan krijgt zij eene kleine
ondersteuning, al had de man een hoogen rang. Is de
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 235-
226
aan de patroons. Dat zijn in één woord die menschen,
die hun hoed niet afnemen.
4790.    V. Meer dan één getuige verklaarde, dat de
olieslagers lager staan dan de pellers; beaamt gij die
meening niet?
A. Dat is verschillend. Mijn meesterknecht is een
ontwikkeld, zelfs zeer ontwikkeld man.
4791.    V. Komt gij persoonlijk veel met uwe werk-
lieden in aanraking?
A. Ik kom eiken dag twee- of driemaal op de rijstfabriek,
en op de oliefabriek kom ik ook dagelijks, zoodat zij
mij kunnen spreken; maar zij behandelen hunne kleine
grieven, enz. meestal met de meesterknechts.
4792.    V. Zijn er nog bijzondere instellingen aan uwe
fabriek in het belang der werklieden?
A. Neen, maar daar de olieslagers per stuk betaald
worden, leggen zij een dubbeltje per persoon \'s weeks ter
zijde om degenen, die ziek worden, te ondersteunen.
Wie ziek is, krijgt dan f 2 \'s weeks, wij leggen daar f2
bij, en uit het werkliedenfonds krijgen zij daarenboven f5.
4793.    V. Dus wat voor de werklieden in de rijst-
fabriek geldt, is niet evenzeer van kracht voor de olie-
briek ?
A. Neen.
4794.    De heer Le Poole: Komt het voor, dat de werk-
lieden met behoud van hun loon een vrijen dag krijgen,
een zooge^aamden zomerschen dag?
A. Neen.
4795.   V. Zoudt gij dit niet van belang achten voor
menschen, die zoo weinig vrij hebben?
A. Als de fabriek stilstaat, nemen de werklieden wel
een vrijen dag. Bovendien hebben zij met kermis vast
een vrijen dag. Het is nu bij ons kermis, en gisteren
zag ik toevallig, dat er heel wat werklui naar Amsterdam
gingen; die wenschten dus hun vrijen dag niet te be-
steden aan het kermishouden. \'s Zondags gaan er ook wel
eens werklieden naar Amsterdam.
4796.    De Voorzitter: Komt gij wel met de gezinnen
van de werklieden in aanraking ?
A. Weinig, dit is meer het werk van dames; zieken-
fondsen bestaan er te Wormerveer in massa.
4797.    V. Hebt gij ook woningen laten zetten voor
uwe werklieden ?
A. Ja, een paar voor den machinist en twee anderen,
bovendien heeft de meesterknecht met voorschot van
ons wat gebouwd.
4798.    V. Trachten gewone werklieden met wel eens
voorschot te krijgen voor het bouwen van een huisje?
A. Dat komt weinig voor. De trek naar een eigen-
dommetje komt eerst, als ze een paar honderd gulden
erven of betrouwen.
4799.    V. Gewoonlijk komen de werklieden immers
eerst op 18jarigen leeftijd in uw dienst?
A. Ja, meestal.
4800.    V. Wat hebben zij dan vroeger gedaan?
A. Zij zijn dan loopjongen geweest of zoo iets.
A. 12 uren.
4778.    V. Gaat er geen rusttijd af?
A. Ja, drie kwartier.
4779.    V. Staat de fabriek dan geheel stil?
A. Ja. Vroeger stond de molen \'s morgens, maar
omdat het meer in het belang van de werklui was,
hebben wij dit op den middag gesteld. Als het niet druk
is, staat de molen dikwijls een uur.
4780.    V. In uwe fabriek hebben de menschen dus
3/4 uur zittende rust, in onderscheiding met andere olie-
fabrieken, waar 12 uren staande wordt doorgebracht?
A. Ja. Maar hierbij moet in aanmerking genomen
worden, dat de mannen in die fabrieken wel even kunnen
gaan zitten, totdat de koeken er uitgehaald worden.
4781.    V. Gij zeidet, dat de fabriek vroeger\'s morgens
stond; was dat ook gedurende drie kwartier ?
A. Neen, slechts één kwartier.
4782.    V. De feitelijke arbeidsduur is sedert dien tijd
dus met een half uur verminderd ?
A. Ja.
4783.    V. Heeft dat nadeeligen invloed op de productie
gehad ?
A. Neen, het hindert niet.
4785.    V. Dus die vermindering van arbeidsduur legt
geen drukkenden last op den fabrikant?
A. Neen, doch ons vak is zóó speculatief, en het eene
jaar scheelt zooveel bij het andere, dat het moeilijk is
uit te maken.
4786.    V. Het treft mij, dat in andere oliefabrieken
12 uren aan één stuk wordt gewerkt, en dat dit bij u het
geval niet is. Ik heb u immers goed begrepen, dat die
vermindering van arbeidsduur geen overwegend geldelijk
nadeel voor den fabrikant oplevert?
A. Ja, doch ik kan het moeilijk bepalen.
4787.    V. Wordt het loon per week uitbetaald ?
A. Neen, om de 14 dagen, dat is zoo eene sleur en
geeft ons wel een klein gemak. De socialistische lui zijn
daar tegen, maar dat zouden zij ook zijn, als het per
week gebeurde, omdat die eenvoudig tegen alles zijn.
Als de vrouw maar goed is, kan dat ook best.
4788.    V. Als de fabriek schoongemaakt wordt, gaat
het loon dan door?
A. Dan krijgen zij gedurende die 2 a 3 weken een
daalder per dag vast, en aan bijwerk op de andere
fabriek een gulden of daaromtrent.
4789.    V. Over het personeel van welke uwer beide
fabrieken denkt gij het gunstigst?
A. Over de rijstpellers; maar dat volk is meer met
ons opgegroeid, omdat wij de rijstfabriek zelf bouwden,
terwijl wij de oliefabriek gekocht hebben en dus het
volk zoo goed niet kenden.
De olieslagers zijn daarentegen meer politiek ontwikkeld
in dien zin, dat zij meer meedoen aan de tegenwoordige
beweging, die al het kwaad van de maatschappij toeschrijft
-ocr page 236-
227
4812.    V. Met ploegen, die elk 12 uren werken?
A. Ja.
4813.    V. De dagploeg heeft een zekeren rusttijd ten
gevolge van het smeren ?
A. In den morgen XA uur ongeveer.
4814.    V. De nachtploeg daarentegen werkt 12 uren
achtereen zonder rust?
A. Ja.
4815.    V. Is door u nooit overwogen om zoowat
halverwege den werktijd een zekeren rusttijd in te
voeren ?
A. Nooit. De wenschelijkheid is nooit geuit geworden.
4816.    V. Maar komt het u zelf niet wenschelijk voor,
dat er behoorlijke rusttijd is bij zulk een langen
werktijd ?
A. De menschen schijnen er zich goed onder te be-
vinden.
4817.    V. Hoe komt het, dat de smeertijd in
den ochtend valt? Uit een technisch oogpunt zal het u
toch wel onverschillig zijn, of dit \'s ochtends dan wel
\'s middags plaats heeft ?
A. Ja, het is zoo\'n oude gewoonte.
4818.    V. Is nooit door u waargenomen, dat op het
einde van den langen werktijd het arbeidsvermogen
verminderde?
A. Dat heb ik nooit waargenomen.
4819.    V. Heeft uw baas ook nooit met u over de
wenschelijkheid gesproken om een rusttijd in te voeren ?
A. Neen.
4820.    V. De verwisseling der ploegen heeft altijd op
het uur van 6 plaats?
A. Ja.
4821.    V. Wordt er nog wel overwerk door de nacht-
ploeg in den morgen verricht?
A. Ja, bij afleveringen.
4822.    V. Heeft dat veel plaats?
A. In den winter meer dan in den zomer.
4823.    V. Hoe lang duurt dat overwerk?
A. Een paar uren.
4824.    V. Sluit dat overwerk dan onmiddellijk aan
bij het nachtwerk?
A. Dat hangt er veel van af, of de schepen gereed
zijn om te laden. Meestal is er een paar uur rusttijd
tusschen. Er wordt ook wel los volk voor genomen,
maar ons volk doet het gaarne, omdat het er extra voor
wordt betaald.
4826.    V. Hoe lang duurt de rusttijd dan?
A. Twee of drie uren.
4827.    V. Blijven zij dan op de fabriek?
A. Neen, zij gaan naar huis.
4801. V. Komen zij niet dikwijls van zakjesplak-
kerijen ?
Dat ik weet, niet.
gij ons
nog het een en ander
4802
mede te deelen ?
A. Ik wenschte er alleen nog op te wijzen, dat de
werklieden nog eenige kleine buitengewone inkomsten
hebben. Aan de olieslagerij bijv. krijgen zij afleverings-
geld voor de olie en de koeken, die zij afleveren, en
f 2.50 voor ketelbikken. Op dit laatste werk zijn zij zeer
gesteld, maar het wordt meestal opgedragen aan lieden,
die groote huishoudens hebben.
R. A. Laan.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Willem Jan Prins, oud 34 jaar, olieslager,
firma Jan Prins, te Wormerveer.
4803.    De Voorzitter: Hoe talrijk is uw personeel ?
A. Ongeveer 55 man.
4804.    V, Bevinden zich daaronder jeugdige arbeiders ?
A. Geen van beneden de 16 jaren.
4805.    V. Hebt gij nooit met jeugdige arbeiders ge-
werkt, of hebt gij daarmede opgehouden tengevolge van
de arbeidswet?
A. Vroeger hebben wij wel jeugdige jongens in dienst
gehad, maar dat was reeds vóór de invoering der wet.
4806.    V. Is uwe firma terstond begonnen met een
stoomoliefabriek, of heeft zij vroeger ook windmolens
gehad ?
A. Mijn grootvader had een windmolen, maar die is
door mijn vader veranderd in een stoommolen.
4807.    V. Uwe fabriek is immers met hydraulische
persen ingericht?
A. Ja, gedeeltelijk.
4808.    V. Aan welk soort van werk geeft gij de voor-
keur?
A. Dat is vrijwel hetzelfde.
4809.    V. Geven de werklieden de voorkeur aan de
eene of andere wijze van werken ?
A. Ik geloof het niet.
4810.   V. Gevoelen degenen, die aan het leven van
de oude inrichtingen gewend zijn, zich min of meer mis-
plaatst in de rustiger omgeving in een lokaal met hydrau-
lische persen?
A. Ik heb dat nooit vernomen.
4811.    V. Werkt gij dag en nacht?
A. Ja.
-ocr page 237-
.■
4828.    V. Wanneer stopt de fabriek ?
A. \'s Zondagsmorgens.
4829.    V. Heeft er \'s Zondagsmorgens na 6 uur
geen arbeid meer plaats?
A. Neen.
4830.    V. Reparatiën ook niet?
A. Door den timmerman soms, en eene enkele maal
ook door een paar van het volk.
4831.    V. Hebt gij er nooit over gedacht, vroeger te
stoppen dan \'s Zondagsmorgens 6 uur, des Zaterdags-
avonds of middernacht?
A. Neen.
4832.    V. Uwe loonen worden zeker per stuk berekend ?
A. Ja, per 1000 koeken.
4833.    V. Is van wege de werklieden wel eens het
verzoek tot u gekomen om per last betaald te worden?
A. Neen, nooit.
4834.    V. Kunt gij ons ook eene opgave verstrekken
omtrent de gemiddelde feitelijke verdiensten?
A. Als maximum f 14, f 13, f 12, f 11 of f 10.
4835.    V. Dat is dan zeker eene gunstige week?
A. Ja.
4836.    V. Hoe zijn de loonen in eene ongunstige week ?
A. f 12, f 11, f 10 of f 9.
4837.    V. Kunt gij een overzicht over het geheele
jaar geven?
A. Neen.
4838.    V. Mag ik uit uwe mededeelingen opmaken,
dat van de bij u door gehuwde arbeiders verdiende loo-
nen f9 het minimum is?
A. Ja, tenzij in het geval, dat de fabriek voor repa-
ratie staat.
4840.    V. Komt dat staan van de fabriek dikwijls
voor?
A. Zon- en feestdagen uitgezonderd, niet, tenzij wegens
reparatiën. In zoodanig geval wordt het loon naar een
getal van 50000 kilo \'s weeks berekend.
4841.    V. Hebben de werklieden nog andere geldelijke
voordeden ?
A. Het overwerk was onder de door mij genoemde
cijfers niet begrepen.
4842.    V. Hoe wordt het overwerk betaald?
A. Met drie stuivers per uur minstens. Voor elke 1000
koeken, die ik aflever, betaal ik 5 ets. aan eiken man; voor
1 vat olie 1 cent.
4843.    V. Hoeveel beloopt dat gemiddeld?
A. Een kwartje in een uur voor de koeken, en voor
de olie kan het soms wel twee kwartjes zijn.
4844.    V. Kunt gij geene opgaven doen betreffende het
feitelijk uitbetaalde bedrag aan overwerk ?
A. Neen.
4845.    V. Is er in de loonsregeling aan uwe fabriek in
de laatste jaren niet eenige verandering gekomen?
A. Ja.
4846.    V. Naar ons is medegedeeld, werd beweerd,
dat aan uwe fabriek lagere loonen werden uitbetaald
dan aan de andere fabrieken, waartegenover eenige
emolumenten stonden, die bij uwe firma wel en bij de
andere niet voorkwamen. Naar aanleiding daarvan zouden
de loonen zijn verhoogd, doch de emolumenten afge-
schaft. Is dat juist?
A. Ja, de loonen zijn verhoogd en de emolumenten
afgeschaft.
4847.    V. Waarin bestonden die emolumenten?
A. In steenkolen, die \'s winters werden gegeven.
4848.    V. Zijn nu ondanks die afschaffing de inkom-
sten der werklieden vermeerderd?
A. Ja.
4849.    V. Betaalt gij het loon om de 14 dagen uit?
A. Neen, iedere week.
4850.    V. Hebt gij dat altijd zoo gedaan?
A. Ja.
4851.    V. Is er niet een tijd geweest, dat het loon
om de 14 dagen werd uitbetaald, gelijk bij uw vak
algemeen is in de Zaanstreek?
A. Ja, doch dat was vóór mijn tijd.
4852.    V. Gij hebt dus geen ervaring omtrent dien
overgang?
A. Neen.
4853.    V. Stelt het volk prijs op de betaling per week ?
A. Dat weet ik niet.
4854.    V. Zijn u nog meer oliefabrieken bekend, waar
met de week betaald wordt?
A. Dat durf ik niet zeggen.
4855.    V. Hebt gij nog al wisseling in uw personeel?
A. Weinig.
4856.    V. Wordt wederkeerig een termijn van opzeg-
ging in acht genomen?
A. Och neen; men zegt: „gij kunt met het einde der
week vertrekken."
4857.    V. Blijft er wel eens iemand onverhoeds weg
zonder voorafgaande waarschuwing?
A. Eene enkele maal.
4858.    V. Hoe gaat het met lieden, die ziek worden ?
A. Onverschillig welk loon hij verdient, geniet een
zieke als minimum f 0.75 per dag, maar ik geef mijn
directeur plein pouvoir met verhooging, om naar omstan-
digheden te behandelen.
4859.   V. Zijn de menschen bovendien nog in een
uitkeeringsfonds ?
A. Ja.
-ocr page 238-
Verhoor van Jan Jacob Duyvis. oud 28 jaar, stijfselfabrikant,
firma Jacob Duyvis, te Koog a/d Zaan.
4870.    De Voorzitter : Tegenwoordig werkt uwe fabriek
immers met stoom?
A. Wij hebben drie fabrieken, die met stoom werken.
4871.    V. Brengt uw bedrij f mede, dat het wenschelijk
is met niet te groote fabrieken te arbeiden, dat gij er
drie hebt ?
A. Wij zijn in 1856 klein begonnen, maar hebben
langzamerhand debiet gekregen. Wij hebben er toen eene
fabriek bij gekocht en nog eene fabriek gehuurd.
4872.    V. Toen de firma begon, was het uitsluitend
handwerk ?
A. Ja.
4873.    V. En heeft de invoering van den stoom invloed
op het werk gehad ?
A. Voor het werkvolk zeer zeker, want de arbeid is
veel verlicht door den stoom, en het aantal arbeiders op
de fabriek is hetzelfde gebleven.
4874.    V. Is het werk ook veel geregelder geworden ?
A. Ja, zeker.
4875.    V. Hebt gij persoonlijk den toestand van vroeger
nog gekend?
A. Aan eene der fabrieken een weinig.
4876.    V. Is het werk, waar niet met stoom gearbeid
wordt, zeer ongeregeld?
A. Bepaald ongeregeld niet, maar, wanneer het goed
gereed is om te verwerken, dan moet het ook geschieden.
4877.    V. Hoe talrijk is uw personeel?
A. 25 personen, waaronder drie jeugdige, die onder
de termen van de arbeidswet vallen; deze werken echter
op de stijfselpakkerij.
4878.    V. Zoodat het vroeger weggaan van die jongens
niet de minste stoornis in het bedrijf brengt ?
A. Neen.
4879.    V. Wordt door u aan de wet streng de hand
gehouden ?
A. Zeer zeker.
4880.    V. Is een van die jongens niet hulpstoker ?
A. Neen, dat is een jongen, die bij den machinist
het vak leert.
4881.    V. Hoe is de werktijd bij u geregeld?
A. Daarop kan ik geen voldoend antwoord geven;
mijn meesterknecht is voor de Commissie geweest en
zal wel naar waarheid geantwoord hebben. Ik weet wel,
dat er genoeg rusttijd overblijft.
4882.    V. Brengt de aard van het bedrijf mede, dat
het werk ongeregeld is, zelfs waar met stoom gearbeid
wordt ?
A. Ja.
4883.    V. Kan dat, waar men met stoom werkt, niet
vast geregeld worden ?
A. Het is thans geregelder dan vroeger. Vroeger had
58
4860.    V. Is uw volkv erzekerd tegen ongelukken?
A. Ja, bij de „Eerste Nederlandsche," maar in de
laatste jaren zijn er geen ongelukken gebeurd.
4861.    V. Er zijn door u nog al maatregelen van
beveiliging genomen in den laatsten tijd, niet waar?
A. Ja, op verzoek van de heeren der Commissie zijn
nog al eenige wijzigingen aangebracht.
4862.    V. Ontvangen oude gedienden wel onder-
steuning ?
A. Ja, f 3 als minimum, maar dat kan stijgen tot
het volle loon, al naar omstandigheden.
4863.    V. Zoudt gij bezwaar hebben tegen eene wette-
lijke regeling, waarbij de voorziening van den ouden dag
van den werkman algemeen verplichtend werd gesteld,
grootendeels, zoo niet geheel, ten koste van den werk-
gever ?
A. Wanneer er een uitvoerbaar plan was, ja ; maar ook
voor den patroon voor het geval, dat de zaken niet goed
gaan. Een uitvoerbaar plan heb ik echter nog niet gezien.
4864.    V. Gij meent, dat de bijdragen eventueel te
zwaar zouden kunnen worden voor den ondernemer,
maar het beginsel juicht gij toe ?
A. Juist.
4865.    V. Hebt gij een reglement in uwe fabriek?
A. Neen; hoe meer reglementen, hoe meer overtre-
dingen.
4866.    V. Bestaat er ook geen boetestelsel?
A. Neen, dat is niet noodig.
4867.    V. Komt gij persoonlijk veel met de werk-
lieden in aanraking?
A. Mijn vader heeft dat in het begin veel gedaan.
Toen heeft hij een meesterknecht gekregen, die zijn
volste vertrouwen genoot en waardig was. Hij heeft toen
do ondervinding opgedaan, dat hij zelf op enkele punten
te toegevend was geweest voor de werklieden, op andere
misschien onbillijk. De meesterknecht nu is een man,
die zelf arbeider is geweest en dus veel beter kan nagaan,
hoe een arbeider moet worden behandeld en wat hem
toekomt. Aan dezen is nu de omgang met de arbeiders
overgelaten, terwijl hij in enkele gevallen overleg pleegt
met mij.
4868.    V. Gelooft gij, dat de werklieden met hem en
hij met hen in gewenschte verhouding leven?
A. Ja, in eene zeer gewenschte verhouding.
4869.    V. Zijn er misschien punten, waarop gij uwer-
zijde nog onze aandacht wenscht te vestigen?
A. Neen, dank u.
W. J. Prins.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Enquête.
— De Zaankant.
-ocr page 239-
230
ik een meesterknecht, die verslaafd was aan den drank,
zoodat er zelfs des Zondags moest gewerkt worden, en
nu wordt de machine des Zaterdags gestopt.
4884.    V. Hebt gij het nu met uw tegenwoordigen
meesterknecht goed getroffen?
A. Zeker.
4885.    V. Wanneer komt het volk \'s morgens ?
A. 5 uur, 5\'/2, soms 6 uur, dat hangt af van het
werk. Als ik soms op de fabriek kom, zie ik ze wel
kaartspelen; en als er brand is. deeersten.die er bij zijn,
zijn de stijfselmakers.
4886.    V. Naar huis gaan zij \'s middags niet ?
A. Zeker wel, zij gaan thuis eten, 1 uur of l\'/a uur.
4887.    V. Gaan allen tegelijk weg, of wisselen zij
elkander af?
A. Er moet altijd iemand op de fabriek blijven.
1888. V. Hoe lang is de arbeidsdag?
A. Van 12 tot 14 uren.
4889.    V. Waarvan afgaan de min of meer ongere-
gelde rusttijden?
A. Ja.
4890.    V. \'s Nachts wordt er niet gewerkt ?
A. Neen.
4891.    V. Hoe is uw loonstelsel?
.4. Wij hebben vaste loonen; ik heb hier eene opgave
gemaakt van de verschillende loonen. Wanneer de fabriek
eene geheele week stilstaat, verdient de meesterknecht
f8, de tweede man f6, de derde f5, de vierde f3. Te
Wormerveer heb ik nog een vijfden man van f2.50.
4892 V. Dat zijn de loonen, als er niet gewerkt wordt?
A. Ja. Als er gewerkt wordt, zijn die loonen één
gulden hooger, en dan, naar gelang van het aantal
brouwsels, tweemaal of driemaal meer. Gemiddeld kan
men rekenen tweemaal zoo hoog. Dat zijn de loonen
voor gewone stijfsel. Maken zij Urling\'s patentstijfsel,
dan komt er nog ongeveer f2 voor elk brouwsel bij
per persoon.
4893.    V. Hebt gij ook een overzicht van de feitelijke
verdiensten per jaar ?
A. Ja. Verleden jaar, een jaar minder gunstig dan
de beide voorafgaande jaren, verdiende de meesterknecht
f 921; verder heb ik uitbetaald loonen van f 725, f 627.
f 480, f 728, dat was de machinist, f 104, de leerling-
machinist. De meesterknecht heeft soms wel f 1000.
4894.    V. Uit uwe opgave zie ik, dat er ook loonen
zijn uitbetaald van f 400, f 470, f 480 en eenige van
f 350.
A. Dat zijn de pakkers.
4895.    V. Zij hebben dus gemiddeldf7a f8 inde week?
A. Ja, de loonen zijn in den laatsten tijd iets ver-
hoogd.
4897. V. Zijn er onder de gehuwde werklieden som-
migen, die maar f 7 verdienen?
A. Alleen de stoker, en dat was iemand, dien ik niet
noodig had. Ik zou het met den leerling-stoker best
kunnen doen, doch het was iemand, die aan den drank
verslaafd was. Ik heb hem toen bij mij genomen, en hij
is er gebleven en verbeterd.
4898.    V. Hebben uwe werklieden nog andere voor-
deelen, b.v. een premiestelsel?
A. Neen.
4899.    V. Niet enkele kleine emolumenten?
A. Ja, eenig afval, b.v. van oud ijzer, doch niet van
de tarwe. Dit is echter niet veel. De meesterknechts
hebben vrij cokes. Met November worden aan iedere
fabriek twee varkens geslacht en onder de werklieden
(alleen de stijfselmakers) verdeeld.
4900.    V. Is er bij u eene voorziening in geval van
ziekte ?
A. Daarvoor sta ik borg. Wanneer er iemand ziek is,
wordt het werk onder de anderen verdeeld, en als hij
lang ziek blijft, wordt er een man bij in dienst, genomen,
die daarvoor van mij eenige tegemoetkoming krijgt. De
meesten zijn lid van het fonds, waaruit zij f 6 \'s weeks
ontvangen in geval van ziekte.
4901.   V. De zieke behoudt dus een behoorlijk inkomen ?
A. Ja, zijne inkomsten zijn bijna onveranderd.
4902.    V. Zijn er in de latere jaren ongelukken bij u
voorgevallen ?
A. Ik weet van twee ongelukken. In het eerste geval
is de man met zijn been onder de krukas of kattekop
gekomen, waardoor het is gebroken. Ik heb toen den
dokter betaald, benevens voor versterkende middelen
gezorgd.
4903.    V. Was de krukas omheind?
A. Ja, het ongeluk was wel aan nonchalance te
wijten.
4904.    V. Wat was het tweede ongeluk?
A. De man wilde een riempje weghalen en toen
werd zijn arm door de spaken van het rad gegrepen.
4905.  De heer Le Poole: Gebruikt gij tot het ver-
| binden der riemen gespen, veters of riembinders?
A. Riembinders.
4906.  De Voorzitter: Ook riemopleggers?
A. Neen, dat gaat met de hand.
4907.    V. Gij hebt ook een paar woningen bij de
fabriek, niet waar?
A. Ja. De meesterknecht woont er in een voor f 0,50,
de twee andere doen fl.— \'s weeks.
4908.   V. Komt gij veel in aanraking met uwe men-
schen ?
A. Ja wel, moeilijkheden komen zelden voor. Ik ben
met 4 man begonnen en heb, ofschoon ik mijne zaak
steeds heb uitgebreid, er velen, die 14, 16, 20, 25 jaren
bij onze firma zijn; wel een teeken, dat er bij mij geen
groote wisseling van personeel plaats heeft.
4909.    V. Hebt gij te klagen over misbruik van sterken
, drank?
A. Wel gehad, tengevolge van het slechte voorbeeld
van den meesterknecht op „de Prinses". Alle knechts
-ocr page 240-
231
4920. V. Hebt gij ons nog een of ander mede te
deelen, waarop gij uwerzijds onze aandacht wenscht te
vestigen ?
A. Neen, Mijnheer de Voorzitter.
J. J. Duyvis.
A. Kebdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
deden mede, maar nadat ik dien vent heb weggejaagd
en door een ander vervangen, heb ik geen klagen meer,
en toch zijn \'t dezelfde menschen. Geld leenen, zooals
vroeger aan de orde was, komt bijna ook niet meer voor
aan die fabriek.
4910.    V. Hebt gij uw personeel tegen ongelukken
verzekerd?
A. Neen, ik ben daar niet voor, omdat m. i. daardoor
de band tusschen patroon en volk verslapt. Dat ontaardt
in eene verplichting, en dat moet het niet zijn. Ik sprak
laatst nog in dien geest met mijn meesterknecht, die
dat volkomen beaamde.
4911.    V. Heeft uw volk de overtuiging, dat op hun
ouden dag voor hen gezorgd zal worden?
A. Ja, er is niemand, die van de familie Duyvis kan
zeggen, dat zij een werkman op straat zet, omdat hij niet
meer werken kan.
4912.    V. Hebt gij thansgepensionneerde werklieden?
A. Een, die sedert 13 jaar f3 \'s weeks heeft. Die man
heeft zelf eigendommen en is alleen op de wereld, zoodat
hij goed rond kan komen.
4913.    V. Hebt gij onder uw personeel menschen, die
eene eigen woning bezitten?
A. Mijn meesterknechts Smit en De Groot hebben
samen met voorschot van mij een huis gekocht en
betalen dat wekelijks af.
4914.    V. Is onder uwe gewone werklieden niemand,
die iets dergelijks heeft gedaan?
A. Neen.
4915.    V. Moeten er bij u wel boeten worden toe-
gepast?
A. Neen, wij hebben geen boetestelsel.
4916.    De heer Le Poole: Gebruikt gij voor uw fabri-
kaat uitsluitend tarwemeel? Of hebt gij ook wel
beproefd gebruik te maken van afval van rijstmeel, dat
hier natuurlijk gemakkelijk te krijgen is?
A. Ik gebruik tarwe ; de rijststijfsel wordt te Utrecht
vervaardigd door mijn vader.
4917.    V. Heeft de rijststijfsel niet het voordeel, dat
zij, koud kan gebruikt worden?
A. Neen, dat kan met beide soorten geschieden.
4918.    V. Gevoelt gij de concurrentie van de Duitsche
fabrieken sterk?
A. Och, een profeet is nooit geëerd in zijn eigen
vaderland. In ons land verkoopt mijn vader weinig,
maar in België en Engeland, waar zooveel stijfselfabrieken
zijn, des te meer. Er gaan zelfs enkele waggons naar
Duitschland, niettegenstaande de hooge rechten. Daaren-
tcgen wordt uit alle genoemde landen weder hier stijfsel
ingevoerd. Het product van mijne fabrieken wordt bijna
uitsluitend in Holland verkocht.
4919.    De Voorzitter: Kunt gij uit eigen ervaring ook
ten vergelijkend oordeel uitspreken over het gehalte van
•iet werkvolk te Utrecht en dat aan de Zaan ?
A. Uit eigen ervaring niet.
Verhoor van Arend Haan, oud 40 jaar, zakjesfabrikant
en papierhandelaar, firma P. Haan, te Zaandijk.
4921.    De Voorzitter: Hebt gij bij uwe plakkerij ook
eene drukkerij ?
A. Ja.
4922.    V. Werkt gij uitsluitend met handpersen of
ook met stoom?
A. Met handpersen, snel- en trappersen.
4923.    V. Hoe groot is uw personeel?
A. 13 personen.
4924.    V. Waaronder van jeugdigen leeftijd ?
A. Er zijn er 5 beneden de 16 jaren.
4925.    V. Op welken leeftijd neemt gij ze aan?
A. Op twaalfjarigen leeftijd.
4926.    V. Sedert wanneer werkt gij in de zaak?
A. Sedert ruim 30 jaren.
4927.    V. Gebruiktet gij vóór de wet van 1874 jongens
van jeugdiger leeftijd dan 12 jaren?
A. Ja, kinderen van 9 of 10 jaren. Zij kwamen vóór
den schooltijd werken van 6 tot 8 uur en moesten dan
om 8 uur op school zijn; na den schooltijd kwamen zij
van 4^ uur tot 8 uur. Die kinderen verdienden dan al
zeer licht de huishuur, en loopen zij langs den weg, dan
doen zij maar kwaad.
4928.    V. Werd er in drukke tijden nog langer
gewerkt ?
A. Neen.
4929.    V. De wet van 1874 heeft echter verandering
in dien vroegeren toestand gebracht?
A. Zeker.
4930.    V. Hoe is tegenwoordig de werktijd bij u?
A. Er wordt gewerkt van 6—8, van 9—12, van \\y.—4
en van \\\\i—8 uur door de volwassenen.
4931.    V. Wordt er soms door de volwassenen niet
wel later gewerkt?
-ocr page 241-
2:52
4945.    V. De leeftijd, waarop men jongens in de
oliemolens aanneemt, wordt immers allengs hooger?
A. Een jongen van een jaar of 12, die flink gebouwd
is, kunnen ze best gebruiken.
4946.    V. Hoe is de toestand van uw bedrijt? Is het
er gunstig mede gesteld?
A. Wij hebben nog al last van de concurrentie.
4947.    V. Maar is het toch een vooruitgaand bedrijf?
A. Ik kan niet zeggen, dat het achteruitgaat.
4948.    V. Hebt gij wel met vrouwen gewerkt ?
A. Ik heb vroeger een paar meisjes in dienst gehad.
4949.    V. Is het toevallig, dat gij er nu geen hebt?
A. Ik heb ze liever niet.
4950.    V. Waarom?
A. Het komt minder te pas in eene werkplaats.
4951.    V. Hebt gij er nooit behoefte aan gehad om
vrouwen in dienst te nemen ?
A. Die tijd is er geweest en kan weer komen. Wan-
neer er te veel werk is, kan men geen jongens genoeg
krijgen.
4952.    V. Hebt gij den tijd gekend, dat gij geen
jeugdige werkkrachten kondt krijgen?
A. Ja.
4953.    V. De jongens doen zeker niets dan plakken?
A. Anders niets.
4954.    V. Werken ze niet met Amerikaansche ma-
chinetjes ?
A. Wij hebben die niet. Alleen volwassenen staan
aan de persen. Voor de kinderen is het werk niet ge-
vaarlijk.
4955.    V. Is er nooit een ongeluk gebe urd ?
A. Eens is een man met zijn vinger tusschen een
trapper geraakt. Hij was zeer bijziende en liet zich door
zijn jongen helpen. Terwijl hij de machine smeerde, begon
de jongen te trappen, en zoo geschiedde het ongeluk.
4956.   V. Worden \'s winters de lokalen behoorlijk ver-
warmd ?
A. Ja.
4957.    De heer Le Poole : Hoe dikwijls wordt de werk-
plaats schoongemaakt?
A. Zij wordt eiken dag geveegd.
4958.    V. Krijgt ze elk jaar eene groote beurt?
A. Indien er eenigszins tijd voor is, wel. Wij hebben
nu eene nieuwe werkplaats, die natuurlijk op tijd wordt
schoongemaakt.
4959.    De Voorzitter: Hebt gij die nieuwe werkplaats
pas betrokken ?
A. Ja, bij de drukkers wordt bij drukte wel eens tot
9X, 10 uur doorgewerkt.
4932. V. Verlaten de jongens tegenwoordig altijd om
7 uur de fabriek?
A. Zeker. Wij zijn op dit punt zeer stipt. In andere
bedrijven worden de bepalingen wel eens overtreden, maar
wij leven de wet nauwkeurig na.
Wordt er af en toe werk mede naar huis
4933. V.
genomen?
A. Neen.
4934.    V. Komt thuis werken in uw vak niet voor?
A. Ja wel, maar wij laten het liever thuis niet doen.
Een enkele knecht neemt wel eens werk mede, maar
dat is uitzondering.
4935.    V. Is het altijd zoo bij u geweest, dat er een
rusttijd \'s middags was van IX uur?
A. Ja, altijd.
4936.    V. Uw drukste tijd is zeker tegen St.-Nicolaas?
A. Ook al, doch ook wel op andere tijden.
4937.    V. Dan hebben de drukkers zeker veel overwerk ?
A. Ja, zij hebben dat ook graag, want er wordt extra
voor betaald.
4938.    V. Betaalt gij vaste loonen of per stuk?
A. Wij hebben twee knechts, die f9.— per week
vast hebben. De anderen werken op stuk.
4939.    V. Wat verdienen die gemiddeld?
A. Één f 11.—, een ander van f 8.— tot f 9.—,
anderen f 8.—, f 7.—, f 6.—, al naarmate zij ijverig zijn.
4940.    V. Die f6.— af 7.— verdienen, zijn daaronder
ook gehuwde lieden?
A. Neen, wij hebben maar één gehuwden knecht.
4941.    V. Wat verdienen de jongens?
A. Wij hebben er van f 4.—, f3.—, f2.50. De jongens
beginnen met f 1.—; maar met een beetje ijver kunnen
zij het spoedig tot een paar gulden brengen.
4942.    V. Blijven de jongens lang in het vak?
A. Neen, zij wisselen sterk af.
4943.     V. Komt het veel voor, dat zij be-
ginnen met in de zakjesplakkerijen te gaan, om nader-
hand over te gaan in een ander bedrijf, omdat zij in
dat andere bedrijf niet vroeger terecht kunnen?
A. Zeker.
4944.    V. Neemt de aandrang van jongens in den
lateren tijd toe. omdat de olieslagerijen bijv. de jongens
thans eerst op ouderen leeftijd aannemen?
A. Dat weet ik niet. De olieslagerijen moeten flinke
jongens hebben. Het gebeurt echter wel, dat de ouders
den jongen te spoedig naar den oliemolen zenden, waar
het werk te zwaar voor hem is.
-ocr page 242-
233
A. Ja, ten minste in Krommenie. Daar gebeurt het
vaak, dat zij—de jongere, wel te verstaan — \'s Zaterdags
na ontvangst van het loon zeggen, dat zij niet weer komen.
4969.    V. Zegt gij uwerzijds ook wel zoo plotseling op ?
A. Neen, ik heb zelfs een man, wien ik een paar jaar
geleden al heb gezegd, dat hij wat anders moest zoeken,
omdat hij bij mij geen toekomst heeft, maar die blijft
altijd maar hangen.
4970.    V. Weet gij eene reden op te geven, waarom
dat plotseling weggaan te Krommenie meer voorkomt
dan te Wormerveer?
A. Ik zou zeggen, dat de werklieden te Krommenie,
ten minste in mijn vak, in dit opzicht onverschilliger
zijn dan die te Wormerveer.
4971.    V. De jeugdige arbeiders gaan later naar andere
bedrijven over, omdat bij u het loon niet hoog genoeg
kan stijgen voor een volwassene, niet waar?
A. Anderhalf jaar geleden.
4960. V. Was de vroegere niet laag van verdieping ?
A. Ja, zij was 12 voet op het hoogst en 8 op het
laagst. Het was eene soort schuur.
A. Haan.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
8. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Ad).-secretaris.
A. Ja.
4972. V.
Hoever gaat het loon bij u?
Verhoor van Jan Dekker Pzn., oud 32 jaar, koopman en
zakjesfabrikant, firma P. Dekker Jzn., te Wormerveer.
4961. De Voorzitter: Hebt gij buiten de plakkerij
ook eene drukkerij ?
A. Jongens en meisjes van 12—16 jaar hebben f 2.ó0
per week, van 16—18 jaar f4.50, en van 18—20 jaar f 6,
alles als maximum.
4973.
lager?
V. Als maximum? Zijn dus de feitelijke cijfers
A. Ja.
4962. V.
A. Dat hangt af van de capaciteit.
4974.    V. Dat zijn de loonen voor plakkers en vouwers.
Zijn daar geen ouderen bij?
A. Neen, dat is meestal het jongere geslacht.
4975.    V. In welke bedrijven gaan nu de jongelui
te Krommenie over, die uw dienst verlaten?
A. In de weverijen en in de spinnerij, maareen meisje,
dat een beetje netjes is, zoekt liever een dienst.
4976.    V. De drukkers zijn oudere menschen, niet
waar?
A. Ja, daaronder zijn 4 getrouwde lieden; 3 zijn jonger.
4977.    V. Welk loon genieten de vier getrouwden?
A. Één verdient er f 12.50, één f 11.75, één f 10.50,
één f 9 en één f 8.50.
4978.    V. Zijn dat loonen, waarop zij week in week
uit kunnen rekenen ?
A. Ja, het is wel stukwerk, maar dat geld verdienen
zij toch geregeld. Het loon is eerder iets hooger, dan ik
opgegeven heb.
4979.    V. Daar zijn de overuren onder berekend?
A. Ja.
4980.    V. Komt er wel eens Zondagswerk voor?
A. Nooit.
4981.    V. Werkt gij uitsluitend met handpersen?
A. Ik werk met twee snelpersen, gedreven door een
gasmotor, en met drie handpersen.
4982.    V. Zijn uwe getrouwde werklieden in een
ziekenfonds?
59
Hoe groot is uw personeel ?
A. Een 50tal, meest jongens en meisjes van 12—16
en van 16—23 jaar; meisjes in mijne werkplaats te Krom-
menie. Getrouwde vrouwen heb ik niet in dienst. De
beide seksen werken in één lokaal, doch onder goede
controle van een stipten opzichter, zoodat van dat samen-
zijn geen nadeelige invloeden te bespeuren zijn.
4963.    V. Heeft de nieuwe arbeidswet invloed gehad
op de uitoefening van uw vak?
A. Niet erg, want ik heb nooit lang laten werken.
Te Wormerveer wordt gearbeid van 7 tot 8 uur en te
Krommenie van 6 tot 7 uur. Overwerk komt zelden voor,
enkele tijden in het jaar, maar daaraan nemen de jon-
geren geen deel. Vroeger werd er door het manvolk, dat
zulks verlangde, wel overgewerkt tot 8 a 10 uur \'s avonds,
maar geforceerd heb ik dat nooit.
4964.    V. Gaan de jongens te Wormerveer om 7 uur
naar huis?
A. Ja, en dat is wel eens lastig voor den man, met
wien zij samen werken.
4965.    V. Geeft gij wel werk mede naar huis ?
A. Neen, ik ben daar in principe tegen, omdat het
werk dan minder goed geschiedt. Wil men goed werk
hebben, dan moet er veel toezicht zijn, en dat gaat niet
bij thuiswerk.
4966.    V. Hebt gij vroeger wel werk mee naar huis
gegeven ?
A. Ja, maar alleen in drukke tijden, en dan nog
zeer weinig.
4967.    V. Uwe jeugdige arbeiders gaan in den regel
later in andere bedrijven over, niet waar?
A. Ja, ik ben nooit zeker van mijn jeugdig werkvolk. Zij
verdwijnen, bijvoorbeeld naar oliemolens, weverijen, enz.
4968.    V. Verdwijnen? Zonder waarschuwing?
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 243-
284
A. Eenigen zijn er in, anderen niet. Inde werkplaats te
Krommenie zijn er in eene vereeniging genaamd : „Hulp
in Lijden". Die vereeniging keert \'24 weken lang in één
jaar f 6 per week uit. En wanneer de man sterft, kan
de vrouw lid blijven tegen betaling van f 0,10 per week.
In Wormerveer zijn er in de vereeniging: „Door Een-
dracht Bloeiend". Ik heb er destijds op aangedrongen,
dat zij lid zouden worden, maar niet allen hebben het
gedaan.
4983.    V. Krijgen zij, in geval van ziekte, ook eene tege-
moetkoming van u?
A. Ja; in den regel keer ik het volle loon uit, maar
wanneer zij in een fonds zijn, slechts de helft, want.anders
kan de ziekte wel eens wat lang duren.
4984.    V. Oefent gij controle uit op hunne ziekte door
tusschenkomst van den dokter?
A. Dat niet; maar zoodra ik hoor, dat de patiënt
buiten loopt, dan weet ik, dat de ziekte niet meer van
ernstigen aard is. Ik raad echter altijd mijn werkvolk
aan om. wanneer zij niet geheel hersteld zijn, liever nog
thuis te blijven; want komen zij half ongesteld op het
werk terug, dan krijg ik slecht werk en het werkt niet
aangenaam op de omgeving.
4985.    V. Zijn te Krommenie de privaten voor de
werklieden van verschillende seksen afgescheiden?
A. Neen, er zijn twee privaten, één voor den haas en
één voor het personeel.
4986.    V. Maken dus jongens en meisjes daar gebruik
van hetzelfde privaat?
A. Ja.
4987.    V. Zoudt gij het niet wcnschelijk vinden, dat
eene scheiding werd gemaakt?
A. Ik heb driemaal een bezoek gehad van den Inspec-
teur van den arbeid. Hij roemde mijne werkplaats nog
al, wat bouw, ruimte, licht, enz. betrof, doch op de privaten
is minder gelet. Als ik er de plaats voor heb, ben ik echter
niet ongeneigd nog een privaat er bij te bouwen voor
afzonderlijk gebruik van de jongens en meisjes.
J. Dekker Pz.n.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Vissfr.
W.\'H. J. Rouaards, Adj.-secretaria.
-ocr page 244-
DAG 17 JULI 1891.
ZITTING VAN VEL
Tegenwoordig de heeren
Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Visser.
Verhoor van Jan Kramer Jzn, oud 48 jaar, werkman aan
de chocoladefabriek van de firma W. J. Boon & Co.,
te Wormerveer.
4988.    De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk?
A. Ik ben zoo wat hoofd van de fabriek, mijn werk
is den boel na te gaan.
4989.    V. Hebt gij altijd in dit vak gewerkt ?
A. Ja. 37 jaar bij denzelfden patroon. Eerst 18 jaar
op het magazijn en daarna 15 jaar op de fabriek.
4990.    V. Is het altijd eene stoomfabriek geweest?
A. Neen, eerst sedert 15 jaar. Aan de fabriek wordt
de chocolade gemalen, terwijl aan huis bij den patroon
nog eene inrichting is ter verdere bereiding van de chocolade.
4991.    V. Dus werd er vroeger met wind gemalen ?
A. Dat is al 31 jaar geleden, 16 jaar lang heeft de
patroon toen zijne chocolade door anderen laten malen, en
daarna heeft hij het zelf weder gedaan.
4992.    V. Werken er nog al jeugdige arbeiders ?
A. Op de fabriek niet, wel op de inrichting aan huis.
4993.    V. Waarvoor worden de jongens daar gebruikt?
A. Dat weet ik niet goed, voor licht werk in elk geval.
4994.    V. In uwe afdeeling zijn dus uitsluitend vol-
wassen werklieden?
.4. Ja, 9 mannen.
4995.    V. Hoe is de werktijd geregeld?
A. Van \'s morgens 6 tot \'s avonds 8 uur.
4996.    V. Welke rusttijden zijn daaronder?
A. Van \'s morgens 8—8%, van 12—1 en van 4—VA
of van VA—5 uur, al naar het met het werk uitkomt,
\'s Middags gaan allen naar huis eten.
4997.    V. De feitelijke arbeidsduur is dus 12 uren ?
A. Ja.
4998.    V. Is de middagrust vroeger niet VA uur
geweest ?
A. Dat is aan huis nog het geval, aan de fabriek is
het 1 uur.
4999.    V. Hoe komt dat?
A. Wij kunnen de fabriek zoolang niet verlaten, omdat
wij elkander afwisselen. Om 12 uur gaat eene partij eten,
en als die terugkomt, de andere partij.
5000.    V. Goed. maar zou hetzelfde niet kunnen ge-
beuren, als de rusttijd 114 uur was?
A. Kunnen wel, maar dat zou weder lastig zijn voor
sommige vrouwen, in verband met de schooltijden van
de kinderen.
5001.    V. De middagrusttijd valt toch tusschen de
schooltijden, niet waar?
A. Ja.
5002.    V. Welk bezwaar zou er tegen zijn om den over-
gang van de groepen te doen plaats hebben om 1 uur
en elke groep werklui 1! i uur rust te geven ?
A. Dat zou wel kunnen geschieden. De arbeid aan de
fabriek is echter niet zwaar.
5003.    V. Zoudt gij het toch niet als een voordeel be-
schouwen ?
A. Het zou wel beter zijn. Allen wonen echter dicht
bij de fabriek.
5004.    V. Heeft er overwerk plaats?
A. De fabriek is open van 6 uur \'s morgens tot 8 uur
-ocr page 245-
236
A. Ja, wij hebben eene temperatuur van 60 tot 80
graden, maar als \'t al te warm wordt, zetten wij de ramen
open, bovendien is \'t bij ons ruim en hoog.
\'s avonds. Daarvan zijn 10 gewone werkuren, 2 overuren
en 2 uren rusttijd.
5005.    V. Wordt er later dan 8 uur \'s avonds gewerkt ?
A. Zelden. Vroeger werd er wel eens tot 11 of 12 uur
gewerkt, maar de inrichting van de fabriek is zooveel
verbeterd, dat in korteren tijd hetzelfde wordt gedaan.
5006.    V. Thans wordt dus feitelijk 12 uren gearbeid,
waarvan gij twee overwerk noemt?
A. Ja.
5007.    V. Wordt er een vast weekgeld voor die 10
uren daags uitbetaald?
V. Doen de werklui de ramen niet spoedig
5020.
dicht?
A. Dat kan ik niet zeggen.
5021.    V. Hoe worden de specerijen gemalen?
A. Dat malen gebeurt in afzonderlijke kamertjes. Peper
wordt met platte steenen gemalen, kaneel en blauwsel
met kantsteenen.
5022.    V. Zijn die molens gesloten?
A. De pepermolen wel, daar staat eene kuip om, maar
voor de andere molens zou dat niet gaan.
5023.    V. Zijn in de nieuwe fabriek de machinedeelen
goed beschermd?
A. Ja, heel goed.
5024 V. Is er in latere jaren nog al wat gedaan tot
beveiliging van de bewegende deelen der machines?
A. Ja, al wat eenig gevaar kon veroorzaken, is afgezet.
5025. V. Ongelukken zijn bij u in de fabriek niet
voorgekomen?
A. Neen.
5026 V. Zijn de werklieden in een fonds voor uit-
keering bij ziekte?
A. Ja, 4 zijn er in het fonds van Wormerveer. Dit
geeft tegen eene contributie van 10 ets. \'s weeks eene
uitkeering van een gulden daags bij ziekte. Maar boven-
dien geeft de patroon aan de getrouwden f 6 en aan de
ongetrouwden het halve loon ondersteuning \'s weeks in
geval van ziekte.
5027.    V. In geval van ziekte hebben de werklieden
alzoo evenveel of meer inkomen, dan wanneer zij ge-
zond zijn?
A. Ja.
5028.    V. Geeft deze omstandigheid er geen aanleiding
toe, dat de ziekten soms wat langer duren, dan het
geval zou behoeven te zijn?
A. Neen, maar wij hadden nog nooit ziektegevallen
van langdurigen aard. De menschen gaan nu bij ziekte
niet zoo achteruit; ziek zijn kost altijd geld.
5030.    V. Oefent de firma of iemand van harentwege
controle uit over den duur der ziekte, of drijft hun
eigen fatsoen de werklieden om geen misbruik te maken ?
A. Ik geloof, dat de werklieden zelf zoo fatsoenlijk
zijn. Als zij trouwens maar één dag van de week op de
fabriek komen na hunne ziekte, krijgen zij het volle
loon.
•—v
5031.    V. Zij hebben er dus belang bij om bij eene
ziekte van enkele dagen spoedig terug te komen?
A. Daar staat tegenover, dat men 6 dagen ziek moet
zijn geweest vóór men trekken kan uit het Wormer-
veersche uitkeeringsfonds.
A. Ja.
5008. V.
betaald ?
Terwijl voor de twee overuren apart wordt
A. Ja, met 15 ets. per uur.
5009.    V. Waarom wordt nu niet de tijd van 6 uur
\'s morgens tot 8 uur \'s avonds als de feitelijke werkdag be-
schouwd en het loon dienovereenkomstig verhoogd ?
A. Omdat, wanneer er door een feestdag of dergelijke
reden niet wordt gewerkt, het loon wel doorgaat, doch
het geld voor de overuren niet.
5010.    V. Hoe hoog zijn de loonen ?
A. Van f 8 tot f 13. Ik verdien f 13.
5011.    V. Is de man, die f 8 verdient, gehuwd?
A. Neen, het minimum loon van gehuwden is f 9.
5012. V. Hebben die laatstgenoemden bijverdiensten
van vrouw of kinderen ?
A. Neen.
5013.    V. Hebben enkelen ervan een groot gezin ?
A. Eén heeft geen kinderen, één heeft er 2, één 3
en een ander heeft er 7.
5014.    V. Kan iemand met een tamelijk talrijk gezin,
die dit loon en geen nevenverdiensten heeft, inWormer-
veer dagelijks, zoo al niet spek, dan toch goed vet eten ?
A. Dat kan moeilijk, want voor huishuur en belasting
heeft zoo iemand gauw f 2.— noodig.
5015.    V. Betalen menschen, die een huisje van f 1.50
bewonen, belasting?
A. Ja, zoo van f 3.— tot f 12.
woning is?
naar gelang de
5016.    V. Wordt er bij de firma Boon\'s nachts gewerkt?
A. Neen.
5017.    V. Vallen die ochtendschafttijden wel eens weg?
A. Neen, zij vallen wel eens wat later, als \'t werk
dat eischt.
5018. V.
gemaakt?
Om hoeveel tijd wordt de ketel schoon-
A. Om de 6 weken; de fabriek krijgt dan meteen
eene beurt, zoodat het er bij ons altijd goed uitziet.
5019. V. De bereiding van cacao gaat immers gepaard
met groote warmte?
-ocr page 246-
A. Ik zou wel zeggen.dat er tegenwoordig meer wordt
uitgegaan, meer wordt genoten dan vroeger; de gelegen-
heden zijn er ook beter voor.
5045.    V. Wordt er veel uitgegaan?
A. Och, als men \'s Zondags zoo de treinen en booten
ziet, dan zijn zij alle vol. Ons volk maakt er echter
niet veel gebruik van.
5046.    V. Waarom uw volk niet?
A. Ieder is zoowat aan zijn huishouden gebonden.
5047.    V. Zijn er onder uw personeel ook. die lid zijn
van de eene of andere werkliedenvereeniging?
A. Neen, geen een.
5048.    De heer Kolkman: De sociaal-democratische be-
weging is te Wormerveer een tijd lang nog al sterk ge-
weest, niet waar?
A. Ja, maar zij neemt gaandeweg af.
5049.    V. Gij meent dus ook, wat reeds anderen
hebben getuigd, dat de beweging vermindert?
A. Ja, ik geloof, dat velen er van terugkomen. Een
5 jaar geleden bij den bouw der nieuwe fabriek was de
beweging nog al sterk.
5050.    V. Hebt gij er nooit last van gehad bij uw
personeel?
A. Nooit.
5051.    V. Zijn er ook oude werklieden, die door de
firma gepensionneerd zijn?
A. Geen een. Ik ben er 37 jaar, een ander 30, een
ander 15, enz. Die er eenmaal is, blijft er hangen.
J. Kramer Jz
,-Y. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaakds, Adj.-secretaris.
5032. V. Die mededeeling is ons ook reeds van andere
zijde gedaan; maar het is immers juist, dat men, wanneer
de ziekte eene week heeft geduurd, uit het fonds niet
alleen trekt de volgende week, maar ook de reeds ver-
loopene ?
.1. Ja.
5033- V. Kunt gij de verhouding van het overige
personeel tot u en tot den patroon gunstig noemen ?
A. Er heerscht de beste harmonie.
5034.    V. Zouden de andere leden van het personeel
ook in dien zien spreken?
A. Ik geloof het wel.
5035.    V. Met zulk een klein personeel en bij de goede
verhouding, die gij schetst, stelt men het zeker zonder
boeten ?
A. Boeten hebben wij niet; alleen van hem, diedik-
wijls te laat komt, worden een paar uren gekort.
5036.    V. Komt dat intusschen dikwijls voor?
A. Het is misschien een- of tweemaal gebeurd.
5037.    V. Beslist gij in zulk een geval, of de patroon?
A. Ik draag het voor aan den patroon en dan vindt
hij het goed.
5038.    V. De beslissing blijft echter bij den patroon ?
A. Ja.
5039.    V. Hebt gij last van misbruik van sterken drank
onder het personeel \'t
A. Nooit.
5040.    V. Hoe is het in het algemeen met het gebruik
van sterken drank in Wormerveer ?
A. Ik geloof, dat het onder het fabrieksvolk niet veel
voorkomt. Menschen, die van \'s morgens 6 tot \'s avonds
8 uur werken, hebben niet veel tijd om uitspattingen
te maken.
5041.    V. Wordt er niet in de molens nogal misbruik
van sterken drank gemaakt?
A. Dat weet ik niet.
5042.    V. Gij hebt altijd in Wormerveer gewerkt;
wanneer gij nu uwe herinnering uit jongere jaren raad-
pleegt. bespeurt gij dan vooruitgang, eenerzijds in den
stoffelijken toestand en anderzijds in het gehalte der
werklieden ?
A. Hunne positie is verbeterd, hoewel er vroeger niet
zooveel fabrieken waren als thans. Wanneer ik het loon
van een fabrieksarbeider stel tegenover dat van een ge-
woon werkman, dan heeft de fabrieksarbeider het niet
minder, en dat was vroeger wel het geval. Toen ik trouwde,
was mijn loon f f 6.— en f 0.10 per uur, en nu is dat
opgeklommen voor hen, die in dezelfde betrekking zijn
als ik toen was, tot f 9.— a f 10.— . jp,.
5043.    V. Gelooft gij, dat de kosten van lev-etisonder-
houd niet dienovereenkomstig zijn gestegen?
A. Ik geloof wel, dat het vroeger minder duur was
dan nu.
5044.    V. En het gehalte van de werklieden, is dat.
wat betreft ontwikkeling, levenswijze, gedrag, enz. uws
inziens beter dan vroeger?
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Jacob Visser, oud 37 jaar, gasfitter aan de
Gemeente-gasfabriek, te Wormerveer.
5052.    De Voorzitter: Wat waart gij, vóórdat gij te
Wormerveer aan de gasfabriek werkzaam werdt?
A. Ik ben vroeger smid geweest.
5053.    V. Ook te Wormerveer?
A. Eerst eenigen tijd in Uitgeest.
5054.    V. Hoe lang zijt gij aan de gasfabriek?
A. 16 jaren.
5055.    V. Zijt gij altijd fitter geweest?
A. Ik ben eerst smid geweest, daarna hulpfitter en nu
ben ik eerste man.
60
-ocr page 247-
238
.5056. V. Gij kunt zeker ook wel wat van het werk
van de stokers vertellen, niet waar?
A. Ja.
5057.    V. Hoe is uw werktijd geregeld?
A. Ik werk van 6—8, met M uur schafttijd, 1 uur mid-
dagrust en \'.4 uur theetijd.
5058.    V. Gaat gij thuis eten?
A. Ja. Ik woon vlak bij. Alleen wanneer ik wat verder
af te werken hel), moet ik wel eens mijne boterham mede-
nemen. Als het eenigszins kan, eet ik thuis.
5059.    V. Stelt gij daar prijs op?
A. Zeker. Het geeft anders dubbele kosten.
5060.    V. Hebt gij kinderen?
A. Ja, zes.
5061.    V. Er zijn, zooals gij wel zult weten, in uwe
gemeente heel wat werklieden, die niet thuis kunnen
gaan eten; denkt gij. dat zij dat betreuren?
A. Wie er aan gewend is, geeft er niet zooveel om.
O. a. gaan de stokers bij ons ook niet naar huis.
5062.    V. Hebt gij hen daarover wel eens hooren
spreken?
.1. Ja, vroeger wel eens, doch in den laatsten tijd
niet meer.
5063.    V. Zij hebben het dus opgegeven?
A. Ja, zij zijn er aan gewoon geraakt. Twee van de
stokers wonen in Krommenie, en dezen eten dan dikwijls
eerst \'s avonds warm.
5064.    V. Hoever wonen dezen van de fabriek?
A. Een half uur gaans.
5065.    V. Waaraan schrijft gij het toe, dat die menschen
in Krommenie wonen, en niet te Wormerveer zelf?
A. Het is zooveel goedkooper. Als ik het voor mijn
werk niet moest laten, deed ik het ook.
5066 V. Kunt gij eene vergelijking making aangaande
de prijzen?
A. Ik betaal voor eene slechte woning 26 stuivers, en
een van de stokers heeft in Krommenie eene flinke woning
voor 16 a 18 stuivers.
5067.    V. Wat heeft hij daarvoor?
A. Eene flinke, groote woonkamer, doch geen keuken.
5068.    V. Ook een beschoten zolder, met planken
onder het dak?
A. Ja.
5069.    V. En een schuurtje?
A. Dat niet.
5070.    Ir. Wat hebt gij daarentegen voor uwe 26
stuivers?
A. Een vertrek, waarvan een afgeschoten portaaltje in
de kamer zelf.
5071.    V. Ook een zolder?
A. Ja. maar een slechte, lang niet waterdicht. Ik heb
wel eens geklaagd, maar mijn huisbaas zegt: „als\'t je niet
aanstaat, ga dan maar weg, dan gebruik ik het huis voor
bergplaats."
5072.    V. De eene getuige heeft verklaard, dat de
woningen te Wormerveer veel te wenschen overlaten; een
ander daarentegen, dat zij goed zijn. of dat het ten minste
nog al gaat en dat vooral in den laatsten tijd in den
toestand veel verbetering is gekomen. Wat is, in alge-
meenen zin, uw oordeel ?
A. Dat men te Wormerveer voor f 1.30 a f 1.50 eene
flinke woning kan hebben, eene woonkamer met keukentje
en zolder; maar zooveel kan ik met f 12 in de week en
6 kinderen niet betalen.
5073.    V. Hoe stelt gij het met slapen ?
A. Twee jongens van 7 en 10 jaar slapen op den
zolder, een meisje van 7, een jongentje van 5 en een van
3 jaar slapen in ééne bedstede, en de jongste slaapt bij
ons in een kribje.
5074.    V. Geschiedt alles en alles in die eene kamer ?
A. Ja.
5075.    V. Betaalt gij ook belasting ?
A. Ja, ruim f 3 personeel en f 1.58 hoofdelij ken omslag.
Vroeger betaalde ik f 2.50 omslag, maar daarin is inder-
tijd vermindering gebracht.
5076.    1\'. Hoeveel schoolgeld betaalt gij ?
A. 60 ets. per maand voor 3 kinderen en dan 10 ets.
per week voor het kind op de bewaarschool.
5077.    V. Hoe is te Wormerveer de maatstaf voor de
kostelooze toelating op de school?
A. Daar heb ik al eens naar onderzocht. Ik wil mijne
kinderen niet geheel voor niet op school hebben, maar
ik meende, dat er toch wel eene vermindering van het
tarief zou zijn voor ons, die het zoo goed niet kunnen
betalen.
5078.    V. Gij hebt f 12 inkomen \'s weeks; kunt gij
nu, al hebt gij betrekkelijk veel te betalen aan belasting
en schoolgeld, toch niet meer verwonen dan f 1.30?
A. Dat zou ik dan op eene andere wijze weer moeten
vinden, want behalve wat ik reeds verteld heb, betaal
ik nog in de bussen en het ziekenfonds; bovendien loopt
het klompengeld voor de kinderen erg op. Alles loopt
schrikkelijk op.
5079.    V. Zijt gij in een fonds voor uitkeering bij
ziekte ?
A. Ja, tegen eene bijdrage van een duobeltje in de
week. De gemeente handelt met ons anders dan
met de brugwachters. Wij krijgen bij ziekte ons halve
loon, de menschen van de brug echter het geheele. Om
bij ziekte niet achteruit te gaan, ben ik dus in het fonds,
want ziekte kost altijd geld.
5080.    V. Hoe komt het, dat de brugwachters in eene
voordeeliger positie zijn te dezen opzichte dan gijlieden?
A. Voor ons heeft de directeur dat zoo geregeld.
5081.    V. Hebt gij nooit eens getracht gelijkgesteld
te worden met de bruglieden?
A. Neen, daar heb ik nog nooit over gesproken
5082.    V. Worden de brugwachters misschien be-
schouwd als ambtenaren?
-ocr page 248-
239
A. Er zijn er wel bij, die onbezoldigd Rijksveldwach-
ter zijn.
5083.    V. Ontvangen zij wekelijks of maandelijks hun
loon?
A. Bij de week.
5084.    V. Weet gij, wat zij verdienen?
A. Ja, f 12, f 11 en f 9 \'s weeks.
5085.    V. Hebt gij ook nog neveninkomsten, door-
dien gij als fitter dikwijls in de huizen van particulieren
komt? Fooien bijv.?
A. Vroeger wel, maar dat slijt uit. Indertijd kreeg ik
nog wel eens een kwartje of een dubbeltje, maar dat
wordt al minder.
5086.    V. Hoe komt dat?
A. Dat weet ik niet.
5087.    V. Komt er veel overwerk voor?
A. Bij ongeval of in een winter, als de laatste, wel.
5088.    V. Hoe wordt dat betaald?
A. f 0.20 per uur.
5089.    V. Houdt gij aanteekening van hetgeen gij
op die wijze per jaar er bij verdient?
A. Neen.
5090.    V. Maar het komt boven de f 12.— ?
A. Ja.
5091.    V. Kunt gij niet zeggen hoeveel dat ongeveer
bedraagt?
A. Ongeveer f 0.50 per week.
5092.    V. Komt het wel eens voor, dat gij op Zondag
moet werken?
A. Slechts in geval van nood gebeurt dat.
5093.    V. Wordt dat ook met f 0.20 per uur betaald?
A. Vroeger, toen ik f 11.— vast loon had, kon ik
daar steeds op rekenen, maar toen ik f 12 kreeg, zeide
de directeur, dat ik niet meer op dat overwerkgeld vast
moest rekenen, doch dat hij het zou geven, wanneer
het hem goeddunkte. Dat geldt ook voor de overuren.
5094.    V. Dus die f 0.50 overwerk per week is geen
vaste bate meer?
A. Neen.
5095.    V. Hoe is de arbeidstijd van de stokers?
A. Die werken 12 uren per dag, met rusttijden van
\'smorgens M uur, van 12—1 uur om te eten, en des
middags een poosje om koffie te drinken. Om 6 uur gaan
zij naar huis.
5096.    7. Zijn die menschen uitsluitend bij de ovens,
of doen zij ook ander werk?
A. Zij doen ook ander werk.
5097.    V. Is het stokers werk een zwaar werk?
A. Het is een slag. Wij werken met een regeneratief-
oven, waarin 2H mud cokes achter elkander geladen
wordt.
5098.    V. Hoe lang hebben zij daarover noodig?
A. Zeven a tien minuten.
5099.    V. En wanneer dat werk gedaan is, dan kunnen
zij gaan zitten?
A. In den drukken tijd hebben zij dan % uur rust,
maar in den zomer wel 3 a 4 uren.
5100.    V. Ook in den winter hebben zij dus geen 12
uren feitelijk werk ?
A. Neen, want dan komt er een tweede stoker bij en
nog een man om de kolen aan te rijden; dus dan zijn
er drie man. Het werk wordt zóó geregeld, dat, als
het te zwaar wordt, er iemand bijkomt.
5101.    V. Hoe is het met den Zondag?
A. In den zomer heeft men om de 3 weken een
vrijen dag.
5102.    V. Er is immers eene dag- en eene nachtploeg?
A. .la, twee personen bij dag, één persoon bij nacht.
5103.    V. De twee man, die bijv. van de week de
dagploeg hebben, werken die tot \'s Zaterdagsavonds 6 uur ?
A. De Zaterdag is de versvisseldag. Om 12 uur wisselt
men om. De een komt om 6 uur \'smorgens op en gaat
om 12 uur weg, de nachtploeg komt dan om 12 uur op
en gaat \'s avonds om 6 uur weg, de volgende staat dan
van \'s avonds 6 tot den volgenden morgen 6 uur.
5104.    V. Die dus \'s Zaterdagsavonds om 6 uur uit-
scheidt, komt eerst \'s Maandagsmorgens om 6 uur weder op ?
A. Ja, die heeft dan 36 uren vrij.
5105.    V. Terwijl de andere, die \'s middags 12 uur
uitscheidt, \'s avonds om 6 uur weder moet opkomen ?
A. Ja, die is 6 uren vrij.
5106.    V. En werkt dan weder van \'s avonds 6 tot
\'s Zondagsmorgens 6 uur?
A. Ja.
5107.    V. En de andere twee hebben, na \'s Zaterdags-
avonds tot 6 uur gewerkt te hebben, het gewone werk
op Zondag?
A. Juist.
5108 V. Het gevolg is, dat ieder om de 3 weken 36
uren vrij heeft?
A. Ja.
5109. V. Gaat het \'s winters ook zoo?
A. Dan kan er niemand gemist worden.
5110 V. Zoodat dan ieder öf nachtwerk heeft óf dag-
werk, ook op Zondag?
A. Ja.
5111. V. Hoeveel stokers zijn er \'s winters?
-ocr page 249-
240
A. In den winter krijgen wij, als wij er om vragen,
vrij brand voor de behoeften van het gezin.
A. Bij dag drie. bij nacht twee.
5113.    V. Is er wel eens over gesproken om \'s winters
verandering te krijgen en \'s Zondags vrij te hebben ?
A. Neen.
5114.    V. Zou het niet kunnen ?
A. Niet gemakkelijk, want ieder is niet met de machines
vertrouwd, zooals het behoort. Wij hebben b. v. een stoom-
straalexhauster, die eene zuiging te weeg brengt.
5115.    V. Wat doen de hulpstokers, die \'s winters dienst
doen, in den zomer?
A. Zij zijn bij metselaars- of timmermansbazen, waar
zij sjouwerswerk verrichten.
5116.    V. Vinden zij \'s zomers geregeld hun brood?
A. Ja, er is nog al veel werk.
5117.    De heer Visser: Werken zij\'s zomers nooit op de
fabriek ?
A. Neen, zij komen met October of November en gaan
reeds einde Maart bij de genoemde bazen vragen, of er
wat te werken is.
5118.   De Voorzitter: Gebruiken de stokers hun middag-
eten bij de vuren of in een apart vertrek ?
A. Zij blijven meest in de stokerij, hoewel er wel een
apart vertrek is.
5119.    V. Het kan hun dus niet schelen ?
A. Ik heb wel eens gehoord, dat zij het hier op Zaan-
dam zoo flink ingericht vonden, dat er een apart lokaal
voor de stokers was.
5120.    V. Waarom maken zij er dan geen gebruik van
te Wormerveer?
A. Het lokaal is niet zoo prettig ingericht te Wor-
merveer. Het doet eigenlijk als bergplaats dienst en is
niet als schaftlokaal ingericht.
5121.    V. Hoe zijn de loonen van de stokers?
A. Twee hebben f 11. Een heeft f 8, indien hij 6 dagen
staat en f 9 en nog iets, indien hij 7 dagen staat. Een
ander, die smid en hulpstoker is, krijgt f 8 en f9, indien
hij 7 dagen staat. De assistent-fitter heeft f 9.50. Verder
zijn er nog twee jongens.
5122.    V. Hoe oud zijn die jongens?
A. Een valt in de termen van de wet en mag dus
niet langer dan 11 uren werken. Hij arbeidt van 6—6,
waar de rusttijden afgaan.
5123.    V. Wat doet die jongen ?
.4. Die is behulpzaam in de fitterij en de fabriek.
5124.    V. Hebt gij buiten uw loon en overuren nog
andere voordeden van de fabriek ?
Jac. Visser.
A. Kerdi.tk, Voozitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
H. W. J. Roljaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Albert Glas, oud 53 jaar, werkman op de
papierfabriek van de firma Van Gelder & Zonen,
te Wormer.
5125.    De Voorzitter: Zijt gij altijd in dit vak werk-
zaam geweest?
A. Ongeveer.
5126.    V. Waarin bestaat uw werk?
A. In \'t maken van schriften en toezicht houden op
het personeel van de afdeeling vouwen en binden.
5127.    V. Hoeveel meisjes hebt gij onder uw toezicht?
A. 8, twee van 14 en 6 van hoogstens 18 jaar.
5128.   V. Komen er geen jongere kinderen op de fabriek ?
A. Neen. regel is bij ons, dat fatsoenlijke lui hunne
kinderen tot 13 jaar op school laten. Dan bieden zij die
bij ons aan, en zoetjes aan moeten zij dan leeren.
Werken bij u ook mannen?
5129.    V.
A.
Ja.
5130.    V.
In \'t zelfde lokaal?
A. Ja, maar niet ten nadeele van een of ander, want
ik voorkom alles, wat aanleiding kan geven tot verkeerd-
heden. Praatjes maken en stoeien, daarvan komt niets
bij mij in.
5131.    V. De privaten zijn zeker wel gescheiden voor
de meisjes en voor de jongens en mannen ?
A. Ja, dat spreekt. Er zijn 4 privaten voor de geheele
fabriek en 1 afgesloten voor de vrouwen ^n meisjes.
Daarvan moet de sleutel bij mij gehaald en terugge-
bracht worden.
5132.   V. Is dit laatste privaat in de onmiddellijke nabij-
heid van uw lokaal?
A. Neen, het is buiten.
5133.    V. Werken ook jongens onder uw toezicht?
A. Enkel groote jongens van 18, 19 en 20 jaar.
5134.    V. Hoe komt het, dat er wel jeugdige meisjes
in uwe afdeeling werken en geen jeugdige jongens?
A. Dat komt van het werk. De meisjes vouwen en
naaien, maar de jongens pakken en persen, dat is dus
te zwaar werk voor kleine jongens.
5135.    V. Hoe lang duurt de werktijd?
-ocr page 250-
241
5150.    V. Bij andere fabrieken is dit toch wel het
geval ?
A. Ja, maar bij ons niet.
5151.    V. Gelooft gij, dat de menschen de regeling
bij de heeren Van Gelder aangenamer vinden?
A. Dat geloof ik zeker. Als ik s nachts om 12 uur
naar huis ga, kan ik om 1 uur in bed zijn. Dan slaap
ik tot 7 uur, wasch mij frisch en heb dan den heelen
Zondag voor mij.
5152.    V. Gaan de lieden, die \'s Zondags om midder-
nacht moeten opkomen, vóór dien tijd \'s avonds niet
wat slapen?
A Velen wel.
5153.    V. Vinden zij het dan niet onaangenaam, dat zij
den Zondagavond niet vrij hebben?
A. Dat hindert minder. Als zij \'s avonds om 9 uur
naar bed gaan, kunnen zij altijd nog een paar uren
slapen.
5154.    V. Er zullen vermoedelijk onder de werklie-
den zijn, die om godsdienstige redenen de voorkeur geven
aan het stoppen van middernacht tot middernacht, omdat
zij clan op Zondag beter naar de kerk kunnen gaan?
A. Die niet godsdienstig zijn, geven toch ook de voor-
keur aan die regeling.
5155.    V. Hebt gij wel eens gehoord van werk-
lieden, die op fabrieken werken, waar gestopt wordt van
6 tot 6 uur, dat zij ook liever de regeling van de heeren
Van Gelder zouden hebben?
A. Dat heb ik we! eens hooren zeggen; ze zeggen wel
eens tegen ons: „jelui bent maar gelukkig."
5156.    V. Zijt gij altijd in dezelfde afdeeling der fabriek
werkzaam geweest?
A. Ja.
5157.    V. Welk werk verrichttet gij, vóórdat gij het
toezicht hadt?
A. Toen was ik pakker.
5158.    V. Wat verdiendet gij toen?
A. f 7.— f 8.-.
5159.    V. En de tegenwoordige pakkers?
A. Die verdienen hetzelfde. Als zij trouwen, krijgen
zij f 10.
5160.    V. Wat verdient gij nu?
A. f 12.
5161.    V. Komt er nog wat bij?
A. Als het druk is, voor overwerk.
5162.    V. Hoe wordt dat overwerk betaald?
A. Voor mij met 17 cents per uur.
5163.    V. En voor de pakkers?
A. Al naar zij per dag verdienen, 11, 12, 13 cents.
5164.    V. Wat verdienen de meisjes?
61
A. Van \'s morgens 7—S\'A, van 9—12, van IX
4K—6 uur.
en
5136.    V. Dat is dus S\'A uur arbeid en 2A uur schafttijd ?
.4. Ja.
5137.    F. Blijven de meisjes gedurende de schafttijden
op de fabriek?
A. Van 12 tot IX uur gaan zij naar huis. De overige
schafttijden brengen zij in een apart lokaal door, waar
zij koffie kunnen drinken, die in de buurt wordt gezet.
5138.    V. Is die regeling van den werktijd altijd zoo
geweest ?
A. Ja, zoolang ik weet.
5139.    V. Wordt door de meisjes wel overgewerkt?
A. Dat is al heel zelden. Als er eens eene bestelling
met spoed af moet, wordt wel eens gewerkt tot 7 uur,
maar nooit langer, want dat mag niet.
5140.    V. Gij spraaktdaar vaneene afzonderlijke kamer,
waar de meisjes in de kleine rusttijden gaan. Is die kamer
uitsluitend voor de meisjes en opzettelijk daarvoor
bestemd ?
A. Ja, in die kamer staat eene bank en tafel, en daar
brengen zij haar vrijen tijd door met breien of haken.
5141.    V. Doen de meisjes andere kleêren aan, als zij
in de fabriek komen, en verwisselen zij die in dat kamertje?
A. Ja.
5142. V.
A.
Ja.
Doen zij dat allen?
5143. V. Het lompenscheuren gebeurde vroeger door
vrouwen, niet waar ?
A. Door mannen en vrouwen.
Dat was een slecht, onaangenaam werk, is
5144. V.
het niet?
A. Ongetwijfeld.
5145.    V. Geschiedt het nu machinaal?
A. Neen, thans doen alleen mannen dat werk. Er
worden echter minder lompen gebruikt, meer hout.
5146.    V. Hebben die lompenscheurders niet een
laag loon?
A. Als zij goed werken, kunnen zij zelfs van f 10 tot
f 12 verdienen.
5147.    V. Hoe lang werken zij daarvoor?
A. Even lang, als de andere werklieden.
5148.    V. Wordt er in de andere deelen van de fabriek
ook feitelijk slechts 8\'A uur gewerkt?
A. Ja; de machinewerkers echter moeten 12 uren wer-
ken. \'s Zondagsnachts om 12 uur begint de fabriek, en
om 6 uur gaan zij naar huis; die in die week begint,
blijft nachtploeg en werkt van \'s Zaterdagsavonds 6 uur
tot middernacht.
5149.    V. Heeft de fabriek altijd stilgestaan van \'s Za-
terdagsmiddernachts tot \'s Zondagsmiddernachts? Heeft
zij vroeger niet gestopt van \'s Zondagsmorgens 6 uur tot
\'s Maandagsmorgens 6 uur?
A. Nooit.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 251-
242
A. De minste f 1,50, de hoogste f 6,—, ook al naar
zij werken; als het kermis is te Wormerveer, wordt er
natuurlijk minder vlug gewerkt. Alles wordt per stuk
berekend.
5165. V. Is er ook een premiestelsel, zoodat zij, wan-
neer zij meer werken, in verhoogde mate verdienen?
A. Neen.
A. Volstrekt niet.
5177.    V. Wonen de meesten van het personeel te
Wormer?
A. Ja.
5178.    V. Hoe komt het, waar andere fabrieken de
menschen uit Wormerveer krijgen?
A. Onze chef staat er op om lui uit Wormer te
hebben; hij is sterk tegen vloeken en drankgebruik.
De Zaansche heeren denken daar lichter over.
5179.    V. Is er in dat opzicht werkelijk groot verschil
tusschen de bevolking uit beide plaatsen?
A. Zeker, bij ons zijn zij in hun leven van het begin
tot het einde heel anders.
5180.    V. Zijt gij lid van „Patrimonium"?
A. Neen, ik ben Katholiek.
5181.    V. Werken er in de fabriek van de heeren Van
Gelder veel Katholieken?
A. Ongeveer \'/s-
5182.    V. Kunnen zij op feestdagen ter kerk gaan?
A. Ieder, die er om verzoekt, mag ter kerk gaan. Dat
geldt ook het gaan ter catechisatie. Misbruik daarvan
wordt echter tegengegaan door inhouding van den ver-
zuimden tijd. Bijv. als een jongen wel gevraagd heeft om
naar de leering te mogen gaan, maar er niet heengaat.
5183.    V. Geldt dat ook voor de Roomsch-Katholieken.
die naar de mis gaan ?
A. Ja.
5184.    V. Hoe gaat het op Katholieke kerkdagen, die
als Zondagen moeten worden gevierd ?
A. Dan kunnen de Katholieke werklieden \'s morgens
naar de mis gaan en \'s avonds, als zij vrij zijn, maar
overdag moeten zij werken.
5185.    V. Hoe gaat het met oude werklieden van
de firma?
A. Die worden gepensionneerd. Een oude werkman
heeft f 3 \'s weeks, en een ander, die eene beroerte heeft
gehad, eveneens; en als er eene uitdeeling van steenkolen
plaats heeft, krijgen zij ook wat evenals elk ander.
5166.    V. Is er een ziekenfonds aan de fabriek?
A. Neen, maar het volle loon wordt uitbetaald in !
geval van ziekte; natuurlijk niet, wanneer ze zich maar !
ziek houden.
5167.    V. Is het daarbij onverschillig, hoe lang de
ziekte duurt?
A. Ja. De patroon heeft er nooit op tegen om het
loon uit te betalen.
5168.    V. Geldt dit voor de meisjes ook?
A. Ja.
5169.    F. Hoe wordt er voor gewaakt, dat de lieden
zich niet. zooals gij zeidet, maar ziek houden ?
A. De dokter moet een bewijs afgeven.
5170.    V. Wordt er van de zijde van de fabriek nog
verdere controle uitgeoefend ?
A. Neen. Ik wilde er nog bijvoegen, dat er vroeger
een ziekenfonds was, waarvoor de knechts 2 ets. van den j
gulden moesten betalen. De patroon gaf het afval van
brand, dat was f 300 \'sjaars. Het ging echter niet goed, j
de lui hadden er op tegen om 2 ets. van den gulden te
betalen. Het fonds ging uit elkaar, en de patroon — dit
was de oude patroon — was er boos om. De jonge patroon
heeft toen gezegd, dat ieder moest ontvangen wat hij
verdiende, en dat hij in geval van ziekte het loon zou
uitbetalen.
5171.    V. Wordt dit door de werklieden gewaardeerd?
A. Ja, er wordt groote prijs op gesteld. Wanneer ik
nu h.v. ziek ben, krijg ik het loon, f 5 van de werk-
mansverceniging en geneeskundige hulp van het zieken-
fonds. De patroon is er natuurlijk niet toe verplicht,
maar hij doet het. De knechts hebben dan ook grooten
eerbied voor hem.
5172.    V. Wordt niet, bij de wekelijksche uitbetaling
van het loon, een gedeelte ingehouden tot eene maande-
lijksche afrekening?
5186.    V. Heeft die man, die eene beroerte heeft gehad,
een gezin?
A. Ja, hij heeft eene vrouw, maar hij heeft een eigen
huisje en krijgt nog wat van zijne kerk.
5187.    V. Zijn er meer werklieden, die een eigen huisje
hebben ?
A. O ja, ik zelf o. a.
5188.    V. Gij behoort tot de bevoorrechten, als ik het
zoo noemen mag, maar ik had ook het oog meer op hen.
die een lager loon verdienen.
A. Daar zijn er ook onder, die een eigen huisje
hebben.
5189.    V. Hoe zijt gij aan uw huis gekomen ? Hebt
gij voorschot gekregen, om het te bouwen of te koopen ?
A. Mijn schoonvader kwam te sterven en daarvan
erfde ik f 350. Toen dacht ik: als ik dat in mijn huis-
houden gooi, ben ik het gauw kwijt; daarom heb ik
A. Ja, dit gaat zoo hij stukwerk. Indien men h.v.
f 10.15 verdient, krijgt men f 10. Die 15 ets. hlijven
staan, en om de 4 weken wordt dit afgerekend.
5173.    V. Vinden de werklui dat onaangenaam?
A. Neen, maar het heteekent ook niet zooveel.
5174.    V. Heeft er bij het eind van het jaar nog iets
extra\'s plaats?
A. Dan krijgen ze die afrekening van de laatste 4 !
weken, en op Nieuwjaar krijgt elke getrouwde knecht
een bon voor steenkolen, en ontvangen de anderen f2.50
of f 3.— naar rang.
5175.    V. Zijn er velen, hoewel bij ziekte het loon
doorgaat, bovendien nog voor eigen rekening in een
uitkeeringsfonds?
A. Bij ons, zooals in heel Wormer, uilen.
5176.    V. Beroep op liefdadigheid bij ziekte is dus,
zelfs bij verhooging van uitgaven, niet noodig?
-ocr page 252-
243
aan den patroon gevraagd mij met een voorschot te
helpen, en dat heeft hij gedaan. Nu betaal ik hem lang-
zaam af met het geld, dat ik wekelijks weg leg. Elke
week leg ik een gulden in mijn doosje.
5190. V. Hoeveel voorschot hebt gij gehad?
A. f 600; het huis kost ongeveer f 1000. Nu ben ik
nog f 75 schuldig.
5191 V. In hoeveel tijd zijt gij zoover gekomen?
A. In 12 jaar.
5192.    V. Zijn er meer dergelijke gevallen in Wormer
aan te wijzen?
A. Ja, de Wormers zijn burgermenschen, die overdag
op de fabriek zijn en \'s avonds bij de vrouw thuis. Als zij
dus een huisje met een tuintje hebben, bewerken zij dat
zelf en telen er hunne groente.
5193.    V. Hebben veel arbeidere een stukje grond bij
hunne woning?
A. Ja, heel veel; dat huren zij van de gemeente.
5194.    V. Van de burgerlijke gemeente?
A. Ja.
5195.    V. Bebouwen zij dat zelf?
A. Ja, met aardappelen en groenten.
5196.    V. Gij zeidet daar, dat de gemeente ook grond
verhuurde ?
A. Ja, wanneer men een huisje huurt, waarbij geen
grond is, kan men een stukje van de gemeente
huren.
5197.    V. Tegen den gewonen huurprijs?
A. Ja
5198.    V. Hoe groot is zulk een stukje grond ?
A. Acht a tien roeden.
5199.    V. Kunnen zij daarop genoeg aardappelen en
groenten voor hunne eigen behoeften telen?
A. Ja.
5200.    V. Hoeveel huur doet eene arbeiderswoning?
A. f 1 per week.
5201.    V. Wat hebben zij daarvoor?
A. Een vertrek met een klein kamertje om te was-
schen, enz.
5202.    De heer Kolkman: Hebt gij kinderen?
A. Ja.
5203.     V. Gii hebt gezegd, dat ieder, die een beetje
fatsoenlijk is, te Wormer zijne kinderen tot hun dertiende
jaar op school laat?
A. Juist.
5204.    V. Op welken leeftijd doen de Katholieke kin-
deren hunne communie?
A. Op hun elfde jaar.
5205.    V. En laat men ze dan toch nog op school ?
A. Zeker.
5206. V. Dus het verlaten der school staat te Wormer
niet in verband met het doen der eerste communie?
A. Volstrekt niet.
5207. De Voorzitter:
mede te deelen?
Hebt gij uwerzijds ons nog iets
A. Niets anders, dan dat het volk uitstekend tevreden
is en de directeur erg goedig en zacht is; hij weet de
menschen met een zacht lijntje te leiden, en dat is veel
waard.
5208.    V. Worden er boeten toegepast ?
A. Nooit. Wanneer het niet langer kan met goede
woorden, dan moet de man de fabriek verlaten. Vloekt
hij bijv., dan wordt hem dit onder het oog gebracht, en
wanneer hij zich daaraan niet stoort, dan wordt hem
voor over veertien dagen de dienst opgezegd.
5209.    V. Wordt er altijd 14 dagen te voren opgezegd ?
A. Ja.
5210.    V. En zegt de werkman van zijn kant ook
altijd 14 dagen te voren op?
A. Die zegt in den regel eenvoudig: „ik verdom jelui,"
wat natuurlijk heel smerig is. Bij ons weet ik echter
niet, dat er ooit een knecht uit zijn eigen is weggegaan,
daar kan ik een eed op doen.
5211.    V. Hangt er een reglement in de fabriek?
A. Neen.
5212.    V. Met wien hebt gij altijd te doen, met den
directeur of met den patroon?
A. Met den directeur; de patroon komt nu en dan
uit Amsterdam en spreekt dan met den directeur over
de zaken. Als hij wat in de fabriek ziet; zegt hij het
ook altijd tegen den directeur.
5213.    V. Spreekt gij veel met den directeur?
A. Zeker, het is een zeer goed man.
5214.    V. Als de werklieden een wensch op het hart
hebben, vinden zij dan, daargelaten of die wensch altijd
wordt toegestaan, steeds een gewillig oor?
A. Altijd gewillig. Hij zegt altijd, als er wat is: „doe
i\'elui je\'best maar, wij zullen het wel schikken." Als bij
leete dagen de stoker het wat erg warm heeft, krijgt
hij van den directeur wat melk.
5215.    V. Is er soms groote hitte in de werkplaatsen ?
A. Neen, de zalen zijn ruim en voorzien van exhaus-
ters, maar voor de vuren kan het soms wel heet zijn.
A. Glas.
A. Kerdi.jk. Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
\\\\\'. H. J. Roijaards, Adj.-sccretaru.
-ocr page 253-
244
Verhoor van Jan Luijting. oud 60 jaar, pakhuisknecht
in de zeildoekmakerij van de firma
D. Van Leijden & Zoon, te Krommenie.
5216.    De Voorzitter: Zijt gij altijd in de zeildoek -
makerij werkzaam geweest?
A. Ja, van mijn 10de jaar af.
5217.    V. Hoe zijt gij begonnen ?
A. Als boodschaplooper.
5218.    V. Was er toen reeds eene werkplaats, of werd
er uitsluitend thuis geweven ?
A. Toen werd er thuis geweven.
5219.    V. Zijt gij zelf nooit wever geweest ?
A. Neen.
5220.    V. Gij zijt dus met uw 10de jaar voorgoed
van school gegaan ?
A. Ja, om voor mijne ouders in het huishouden wat
bij te dragen. Van het jaar wordt het 50 jaar, dat ik bij
de firma Van Leijden werkzaam ben.
5221.    V. Gij hadt op uw 10de jaar de school toch
niet geheel afgeloopen ?
A. Het was toen anders dan nu. Men kan er thans
zoo spoedig niet af.
A. Neen, het zijn jongens van 17 a 18 jaar.
5231.    V. Wat is het minimum voor getrouwde lieden ?
A. f9 a f 10.
5232.    V. Zijn dat vaste cijfers?
A. Ja, dat krijgen ze altijd, werk of geen werk.
5233.    V. Gebeurt het niet wel eens, dat er een dag
geen werk is?
A. Ja.
5234.    V. Gebeurt dat nog al dikwijls?
A. Neen.
5235.    V. Ge hebt opgegeven, wat de machinewevers
verdienen ; maar wat verdienen nu de handwevers ?
A. 27 pet. verdient f9 a f 10; nog eens 27 pet. maakt
van f7 tot f7.50; dan is er 10 pet. van f 5. — , en de rest
is daar tusschen in. Die prijzen gelden per stuk en een
stuk kan gemiddeld in 5 dagen afgemaakt worden.
Hierop zijn echter leeftijd en kracht van invloed.
5236.    V. Van die cijfers moeten echter kosten afgetrok-
ken worden, ten bedrage van gemiddeldfl.—, nietwaar?
A. Een gulden niet; winter en zomer dooreen 10
stuivers, voor meel, zeep en hout.
5237.    V. Is het dus uws inziens bepaald onjuist, als
er beweerd wordt, dat het aanmerkelijk meer bedraagt
dan 10 stuivers?
A. Het kan een cent of 3, 4, 5 schelen.
5238.    V. Wanneer beweerd wordt, dat het aanmerkelijk
meer is, is dit beslist onjuist?
A. Ja.
5239.   V. Die 50 ets. zijn dan de onkosten voor meel,
enz.; maar de thuiswevers werken in eene schuur, die zij
daarvoor moeten huren, dus dat komt er bij ?
A. Dat moet men niet rekenen. Zij huren een huisje
met eene werkplaats er bij. Als men de huur van de schuur
er bij rekent, zullen de onkosten zijn 75 ets. in de week.
5240.    V. Hebben zij niets uit te geven voor hunne
werktuigen ?
A. Neen, die geeft de patroon met al, wat er bij
behoort, en hij herstelt ze ook op eigen kosten.
5241.    V. Werkt de man alleen, of helpen vrouw en
kinderen ?
A. De man werkt alleen.
5242.» V. Verleent de vrouw geen hulp bij het spoelen?
A. Bij den een wel, bij den ander niet ; soms spoelt
ook wel eens een kind, dat van school komt, maar
noodig is het niet.
5243.   V. Ik vroeg u, of het feitelijk gebeurt ?
A. Dat weet ik niet; ik kom niet alle dag bij die
wevers kijken.
5244.   V. Maarregel is het niet, dat de vrouw spoelt?
A. Neen; wel spinnen sommige vrouwen.
5245.    V. Wordt dat afzonderlijk betaald ?
A. Ja, met 10 stuivers de 6 pond.
5222. V.
fabriek ?
Sedert wanneer is de fabriek eene stoom-
A. Sedert een jaar of vier.
5223. V. Wat is uw loon?
A. f 12 per week, doch ik krijg met Nieuwjaar en
Pinksteren, enz. nog al eens wat extra, zoodat ik gemid-
deld kan rekenen op een loon van f 16 in de week.
V. Er zijn ook vrouwen op de fabriek, niet
5224.
waar ?
A. Ja. 4 meisjes.
5225.    V. Wat doen die meisjes?
A. Zij dreilen, d. i. de garens op klossen werken. Zij
hebben alleen te kijken, of de draad breekt, en te zien,
of alles goed loopt.
5226.    V. Op welken leeftijd komen zij ?
A. Op 14jarigen leeftijd.
5227.    V. Niet vroeger?
A. Neen.
5228.    V. Wat verdienen zij ?
A. f 4.50 per week.
5229.    V. Wat zijn verder de loonen op de stoom-
fabriek ?
A. De vaste loonen zijn f 7K, f 7, f 6K en f 5X. De
arbeiders werken echter per stuk, zoodat ze geregeld
kunnen rekenen op f 10, f9, f 8 en f 6.
5230.    V. Zijn dat volwassen mannen, die f 6 verdienen?
-ocr page 254-
•
5246.    V. En hoeveel kan eene vrouw daarmede
maken ?
A. Er zijn er, die 5 van die bosjes maken in de week.
5247.    V. Waar wonen de meeste wevers? Te Krom-
menie of te Assendelft?
A. Te Assendelft.
5248.    V. Het thuisweven neemt af, niet waar?
A. Ja.
5249.    V. Wordt er minder mede verdiend dan met
het machinale weven?
A. Die van 9 en 10 gulden verdienen niet minder dan de
machinale wevers, maar die 5 en 6 gulden krijgen, wel.
5250.    V. Beschouwt gij het machinale weven als
lichter dan het hand weven?
A. Ja; vooral het weven van zware stukken, zoo-
als de menschen, die 9 en 10 gulden verdienen, maken,
is heel zwaar.
5251.    V. Zoodat die menschen spoedig op zijn?
A. Ja, dat geloof ik wel.
5252.    V. Er is in den laatsten tijd nog al beweging
onder de wevers geweest; welke waren hunne grieven ?
A. Dat hun loon verminderd was, en dit moest wel
geschieden, omdat er zoo weinig werk was.
5253.    V. Hoe kwam dat ?
A. Door concurrentie van het buitenland bij de aan-
bestedingen voor het Departement van Marine, zoodat
de firma niet genoeg werk meer had en zij, om het volk
aan het werk te houden, moest aannemen zonder ver-
dienste.
5254.    V. Was er, in tegenstelling met vroeger, eene
aanbesteding opengesteld ook voor het buitenland ?
A. Ja.
5255.    V. En hebben er buitenlandsche firma\'s inge-
schreven ?
A. Ja, en aangenomen ook.
5256.    V. Waren de inschrijvingen van de buitenland-
sche firma\'s veel lager?
A. Zij waren lager, hoewel onze fabrikanten reeds
laag hadden ingeschreven om hunne werklieden aan het
werk te kunnen houden.
5257.    V. Heeft niet onlange de firma Planteydt eene
groote aanneming gehad ?
A. Ja.
5258.    V. Zijn daar de Iconen ook verlaagd ?
A. Dat weet ik niet.
5259.    V. Hoe gaat het met de werklieden in geval
van ziekte?
A. Er is aan de fabriek een fonds tot ondersteuning
in geval van ziekte, verwonding of ouderdom. Voor den
ouderdom is het fonds echter nog niet in werking
getreden.
Enquête. — De Zaankant.
5260.    V. Wat dragen de werklieden tot dat fonds bij ?
A. 1 °/0 van hun loon.
5261.    V. En de firma?
A. 2 %.
5262.    V. Wat zijn de uitkeeringen ?
A. 90 °/0 van het gemiddelde weekloon in het voor-
afgaande jaar.
5263.    V. Wie bestuurt het fonds?
A. De firma, mijn persoon, en twee werklieden, Piet
Bakker en Jan Van der Laan.
5264.    V. Door wie worden die werklieden gekozen?
A. Door de werklieden zelven.
5265.    F. Kan het fonds met de gelden toekomen?
A. Thans gaat het nog wel, het bestaat eerst sedert
verleden jaar.
5266.    V. Hoe was het dan vroeger?
A. Toen waren de meesten lid van „Hulp in lijden".
Maar daar was wat voorgevallen, en toen is dit fonds
opgericht.
5267.    V. Zijn er ook nu nog werklieden, die lid zijn
van „Hulp in lijden"?
A. Neen.
5268.    V. Gelooft gij, dat zij allen de voorkeur geven
aan het tegenwoordige fonds?
A. Zeker. In „Hulp in lijden" betaalden zij 10 cents
per week en ontvingen maar eene uitkeering van f5.50 a f 6.
J. Luijting Wz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Cornelis Haan, oud 57 jaar, zeildoekwever
bij de firma S. Planteydt, te Krommenie.
5270.    De Voorzitter: Zijt gij altijd wever geweest?
A. Vroeger was ik handwever. Nu ben ik sedert 6
jaar op de fabriek.
5271.    V. Hebt gij altijd in Krommenie gewoond?
A. Neen; ik heb 15 jaar in Zuidholland gewoond.
5272.    V. Waar woondet gij toen?
A. Te Alblasserdam.
f; i
-ocr page 255-
246
5273.    V. Waart gij daar ook op eene weverij ?
A. Ja, bij den heer Van der Lee.
5274.    V. Op welken leeftijd zijt gij met het weven
begonnen?
A. Op mijn 15de jaar.
5275.    V. Gij zijt toch zeker niet tot dien tijd op school
geweest?
A. Neen. Ik was toen bij mijne ouders thuis. Mijn
vader had eene boerderij. Toen mijne ouders gestorven
waren, ben ik bij mijn oom in Alblasserdam gekomen,
waar ik het weven heb geleerd. Later ben ik naar
Krommenie gegaan.
5276.    V. Zijt gij liever handwever of machinewever?
A. Machinaal weven is zulk zwaar werk niet, doch
daartegenover staat, dat men met handweven meer zijn
eigen meester is.
5277.    V. Is handweven een zeer zwaar werk?
A. Ja, het gaat met handen en voeten tegelijk.
5278.    V. Werktet gij vroeger thuis?
A. Ja.
5279.    V. Werdt gij toen geholpen door uwe vrouw?
A. Neen.
5280.    V. Deedt gij het spoelen ook zelf?
A. Ja, sommigen laten dit echter doen.
5281.    V. Liet gij u niet helpen door uwe kinderen?
A. Die had ik toen nog niet.
5282.    V. Hoe lang werktet gij toen?
A. Gemiddeld van 5 uur \'s morgens tot 6 uur \'s avonds.
5283.    V. Met behoorlijken rusttijd zeker?
A. Natuurlijk.
5284.    V. Werktet gij ook \'s Zondags?
A. Neen.
5285.    V. Wordt dat nooit door de handwevers gedaan ?
A. Neen.
5286.    V. Hoe waren uwe verdiensten in dien tijd?
A. Ik werkte per stuk. Het gemiddelde loon was f 8,
soms bracht ik het tot f 10. Dit hangt van de qualiteit af.
5287.    V. Werktet gij eene geheele week over één stuk ?
A. Gewoonlijk wel. Anderen konden het wel eens in
korter tijd doen.
5288.    V. Kunnen de meesten in 5 dagen een stuk
afwerken ?
A. Dat zou wat overspannen zijn.
5280. V. Hoeveel onkosten gaan van die verdien-
sten af?
A. Gemiddeld f 0.50, \'s zomers wat minder, \'s winters
wat meer, omdat men dan licht en vuur noodig heeft.
5290.    V. Hoeveel kost bovendien de huur van een
schuurtje voor het werk ?
A. f 0.25 per week.
5291.    V. Is het loon voor de handwevers thans
niet lager dan vroeger?
A. Neen, bij ons niet, integendeel. Enkele firma\'s
hebben echter het loon wat afgeslagen, ik denk ter
wille van de concurrentie.
5292.    V. Waarom zijt gij bij het machineweven over-
gegaan ?
A. Uit gebrek aan werk.
5293.    V. Wat verdient gij nu ?
A. f9 voor een werkdag van 5 tot 8 uur met3rust-
tijden van 2 uren samen. Dat is de verdienste van
de vertrouwden, die hun werk goed verstaan. Nieuwelingen
beginnen met minder en klimmen langzaam op.
5294.   V. Zijt gij aan het einde van zulk een werkdag
van 13 uren feitelijken arbeid niet erg vermoeid?
A. Och, ledenbrekend zwaar werk is het niet, zoodat
een jongmensch er niet veel last van heeft, maar het is
eentonig werk; en voor iemand van mijn leeftijd is het
wel wat vermoeiend om altijd gespannen met zijn aan-
dacht bij het werk te zijn, en dat is toch bepaald noodig.
5295.    V. Wordt de fabriek geregeld om 8 uur \'s avonds
gesloten ?
A. In den regel .wel; overwerken is zeer zeldzaam.
5296.    V. Wordt dat dan extra betaald?
A. Neen, alleen als er \'s nachts gewerkt wordt, ver-
dienen wij f 1 extra. Als wij \'s nachts werken, beginnen
wij om 9 uur \'s avonds, na den gewonen werkdag mede-
gemaakt te hebben, en werken dan tot \'s morgens 6 uur.
Dat gebeurt echter altijd\'s Zaterdags, zoodat wij\'s Zondags
kunnen uitslapen. Het moet echter heel buitengewoon
druk zijn, vóórdat dit gebeurt.
5297.    V. Wordt gedurende dien nachtarbeid dan meer
rust toegestaan dan bij het werken over dag?
A. Ja, dan krijgen wij 3/4 uur in plaats van !/a uur
over dag.
5298.    V. En kunt gij dat werken \'s nachts na den
gewonen dag tot het einde toe volhouden ?
A. Nu, op het laatst wordt men het zat.
5299.    V. Hoe dikwijls komt zulke nachtarbeid voor ?
A. Zelden; in de laatste 8 weken is iiet tweemaal
gebeurd. De werktijd is nu ook al langer; vroeger werkten
wij van 7 uur \'s morgens tot 7 uur \'s avonds.
5300.    V. Is het loon ook gestegen met de verlenging
van den arbeidsduur?
A. Ja, naar evenredigheid ; vroeger had ik f 6.50, nu
daarentegen verdien ik f 9.
5301.    V. Verdienen uwe vrouw en kinderen nog wat
er bij ?
A. Mijne vrouw verdient ongeveer f 1 per week met
uit werken te gaan en door negotie te doen in huis.
5302 V. En hebt gij geen kinderen, die iets verdienen ?
A. Neen, ik heb een jongetje, maar die is getrouwd.
-ocr page 256-
247
5303.    V. Was die jongen reeds getrouwd, toen gij f 6.50
verdiendet?
A. Neen, toen hielp hij medeverdienen, maar nu moet
er in den regel nog bij.
5304.    V. Wat is uw zoon en hoeveel verdient hij ?
A. Hij is smidsknecht en verdient ongeveer f 8.70 per
week.
5305.    V.    En moet gij hem nu bijspringen?
A. Ja, want hij verdient niet altijd zooveel.
5306.    V.    Leeft gij thans met uwe vrouw alleen?
A. Ja.
5307.    V.    En kunt gij met die f 9 goed rondkomen?
A. Ja.
5308.    V.    Wat schaft de middagpot?
A. Geen
  biefstuk.
5309.    V. Kunt gij eiken middag goed vet in uw eten
hebben?
A. Zeker.
5310.    V. En des Zondags een stukje vleesch?
A. Ja, geregeld.
5311.    V. Er zijn bij de firma Planteydt nog al wat
jongens en meisjes aan het werk, niet waar?
A. Van de meisjes weet ik weinig; de jongens echter
werken ÏO1,^ uur per dag. Zij beginnen des morgens om 7 en
werken tot des avonds 7 uur, met 1 uur middagrust en
V2 uur schafttijd later op den dag.
5312.    V. Wat doen zij voor werk?
A. Licht werken: zij spoelen, maken klossen en draden,
en maken het werk voor ons in orde.
5313.    V. Dit is geen werk, waarvan de overige ar-
beiders onmiddellijk afhankelijk zijt?
A. Neen-
5314.    V. Hoewel zij een uur vroeger van de fabriek
gaan dan de overige werklieden, geeft dit dus geen
stoornis in den loop van het bedrijf?
A. Volstrekt niet; er zijn zooveel jongens, dat zij ons
bij kunnen loopen.
5315.    V. Wanneer gij ziek zijt, gaat het loon dan door?
A. Neen.
5316.   V. Krijgt gij dan in het geheel geen tegemoet-
koming van de firma?
A. Neen, niets.
5317.    V. Zijn allen in een ziekenfonds?
A. De meesten wel. De meeste werklieden zijn uit
Assendelft, die zijn in een fonds aldaar.
5318.    V. Is dat een fonds, dat niet alleen zorgt voor
geneeskundige behandeling, maar ook eene uitkeering doet ?
A. Dat weet ik niet, want ik ben er niet in.
5320.    V. Zijt gij nooit in een ziekenfonds geweest?
A. Vroeger wel, maar ik ben er van teruggekomen.
5321.    V. Waarom?
A. Dat weet ik niet, het is al zoolang geleden.
5322.    V. Zijt gij inde laatste jaren nooit ziek geweest?
A. Eene enkele maal wel, doch nooit langer dan ééne
week.
5323.    V. Dan hadt gij hoegenaamd geen verdiensten?
A. Neen.
5324.    V. Dan teerdet gij dus in?
A. Ja, maar ik heb een eigen huisje.
5325.    V. Eéne week ziek scheelt u toch f9?
A. Ja.
5326 V. Hebt gij er dan nooit aan gedacht, weder
in het ziekenfonds te gaan ?
A. Neen,ik weet niet meer, waarom ik er uitgegaan ben.
5327.    V. Hebt gij uw eigen huisje door erfenis
verkregen ?
A. Ja, van mijn vader; van de verdiensten zou ik het
niet kunnen koopen.
5328.    V. Zijn er meer op de fabriek, die een eigen
huisje hebben?
A. Neen.
5329 V. Hoe komt het, dat het nu zoo druk is bij de
firma Planteydt?
A. Zij hebben eene groote leverantie van Marine ge-
kregen, maar ik wilde wel, dat het gedaan was, het is mij
wat al te druk.
5330.    V. Zoudt gij liever terugkomen op f 6.50 met
minder langen arbeidsduur?
A. Ja, maar aan den anderen kant verzoet het geld
den arbeid.
5331.    V. Hoe denken de jongeren er over. Ik bedoel
menschen van een 40 jaar ?
A. Die maken nu zoo\'n groot onderscheid niet. Mijn
gestel is nooit bijzonder sterk geweest, doch anderen heb
ik nooit over vermoeidheid hooren klagen. Het werk is
niet zwaar, doch eentonig.
5332.    V. Gij hebt zeker wel wat gehoord over de
beweging, die in den laatsten tijd onder de handwevers
heeft plaats gehad?
A. Ik weet het niet.
5333.    V. Is er niet veel in de bladen over ge-
schreven ?
A. Ja wel. De beweging hield, geloof ik, verband met
eene werkstaking in Twente.
5334.    V. Weet gij er niets naders van ?
A. Neen, het is al een jaar of 8 geleden, dat ik hand-
wever was.
A. Ja.
5319. V.
Hoeveel bedraagt die uitkeeriiiK?
-ocr page 257-
248
A. Niemand ; alles staat stil; de stoom wordt laag
gehouden en gevaar is er niet; \'s avonds wordt het vuur
alleen ingerekend. Dat is overal zoo.
5347.    V. Is de machinekruk omheind ?
A. Neen, ik heb eene staande machine, heel in de
hoogte.
5348.    7. Waar zit het vliegwiel?
A. Aan den muur.
5349.    V. Zet gij dat aan met de hand?
A. Met eene staaf.
5350.    V. Zijt gij belast met het smeren?
A. Neen.
5351.    7. Staat de boel stil, als er gesmeerd wordt?
A. Ja, altijd.
5352.    V. Wat verdient gij ?
A. f 10 \'s weeks.
5353.    7. Komt daar nooit wat bij ?
A. Neen, door de slapte heb ik nooit overuren. Vroeger
kwam dat wel voor, toen werkte ik wel van 5 uur
\'s morgens tot 8 uur \'s avonds door.
5354.    V. Wanneer wordt de stoomketel schoongemaakt?
A. Om de 3 weken \'s Zondagsmorgens. Wij beginnen
dan om 5 uur \'s morgens en zijn om 11 uur, half 12 klaar.
5355.    7. Is om 5 uur de ketel al voldoende afgekoeld ?
A. Ja; hij is dan nog wel niet steenkoud, maar toch
heel goed te benaderen. Dat verschilt zooveel, de eene
ketel en de andere. Er zijn er wel, waar ze \'s Zaterdags-
middags al stoom aflaten, en die toch \'s morgens nog
niet voldoende afgekoeld zijn. Dit hangt veel van de
trekking af.
5356.    7. Wie helpt u bij dat schoonmaken ?
A. Drie mannen.
5357.    7. Geen jongens ?
A. Neen, daar mag niemand aan werken beneden
de 16 jaar.
5358.    7. Nu; maar vroeger?
A. Dat is altijd zoo geweest.
5359.    7. Komt gij wel eens in de fabriek?
A. Niet dikwijls, zoo wat eens in de week; ik ben
machinist alleen, dus is het niet sekuur, wanneer ik
van mijn ketel afga.
5360.    7. Het hekelen gebeurt in eene schuur achter
de groote werkzaal, niet waar?
A. Ja.
5361.    V. Is dat daar in den winter niet een afschu-
welijk koud werk?
A. Dat zal wel mogelijk zijn.
5362.    7. Het gebeurt immers vlak voor open luiken ?
5335.    V. Wat zal er, denkt gij, van u worden, wan-
neer gij niet meer werken kunt?
A. Dan is het met de verdienste gedaan.
5336.    V. De firma bestaat al lang, niet waar?
A. Ja.
5337.    V. Kent gij gewezen werklieden der firma, die
wegens ouderdom niet meer werken kunnen?
A. Neen.
5338.    V. Sterven de wevers dan zoo vroeg?
A. Ik weet het niet zoo precies, want er wonen er
veel in Assendelft.
5339.   V. Krijgen degenen, die als handwevers hun
leven lang voor de firma gewerkt hebben, geene tege-
moetkoming van haar, wanneer zij tot werken niet meer
in staat zijn?
A. Neen, het is armoede lijden.
5340.    V. Gaan ze dan veelal met eene kleine negotie
langs den weg?
A. Ja, sommigen wel.
C. Haan.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secrelaris.
Verhoor van Willebrordes Van Hesse, oud 45 jaar.
stoker in de Machinale Garenspinnerij,
te Krommenie.
5341.    De Voorzitter: Sedert wanneer bestaat de spin-
nerij ?
A. Sedert 1866. Ik ben er 24 jaar en was vroeger
bij de smidse.
5342.    V. Hoe lang werkt gij daags ?
A. Van 7 tot 7 uur met twee uren rust en 3
pauzen.
5343.    V. Sedert wanneer begint het werk om 7 uur?
A. Dat zal een jaar of vijf geleden zijn.
5344.    V. Waarom is het aanvangsuur toen verlaat?
A. Uit slapte.
5345.    V. Gaat gij thuis middagmalen ?
A. Ja.
5346.    V. Wie blijft dan bij de machine ?
-ocr page 258-
5378.    V. Hebt gij toen in die 9 en 7 weken in het
geheel geen inkomsten gehad?
A. Neen ; wel een voorschot van de fabriek, dat ik
terugbetaald heb in kleine wekelijksche termijnen.
5379.    V. Wordt ook thans bij ziekte door de fabriek
geen toelage verleend aan hen. die geen vast loon hebben ?
A. Ik herinner mij niet, dat er een ziek is geweest,
maar sinds wij een nieuwen directeur hebben, is de
toestand in het algemeen wel wat beter dan vroeger.
W. Van Hesse.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Ja, dat is voor het stof. De menechen zetten natuur-
lijk zooveel gaten open, als zij maar kunnen.
5363.    V. En dan werken zij wel met bouffantes om,
ten einde zich te beschermen tegen de koude, nietwaar?
A. Ja, dat gebeurt wel.
5364.    V. Zou er, zoover gij weet, niet eene inrichting
te maken zijn in zoo\'n schuur om het stofte verwijderen,
zonder dat de luiken steeds open behoeven te staan,
waar de menschen vlak voor moeten werken?
A. Misschien wel.
5365.    V. Klagen de menschen, die dat werk doen,
erg over de kou des winters ?
A. Dat kan ik niet zeggen. U moet denken : zij zijn bij
dat werk van kindsbeen opgebracht, zoodat zij er ten
laatste bijna niete meer van weten.
5366.    V. Komen de meisjes en de mannen in den
winter gedurende den schafttijd bij u in het ketelhuis?
A. Alleen de mannen komen, de meisjes blijven in
de zaal.
5367.    V. In de buurt der machines?
A. Ja.
5368.    V. Is daarvoor geen schaftlokaaltje ?
A. Neen.
5369.    V. Is de spinnerij des winters behoorlijk ver-
warmd ?
A. Er ligt midden in de fabriek eene verwarmingspijp.
5370.    V. Hoe breed is die pijp?
A. Ongeveer 15 duim.
5371.    V. Tot welke temperatuur daalt het des winters?
A. Dat weet ik niet.
5372.    V. Zijt gij in een ziekenfonds?
A. Neen.
5373.    V. Wanneer gij ziek zijt, hebt gij dan eenige
toelage van de fabriek ?
A. Ik geloof, dat de fabriek dan het volle loon uit-
betaalt, maar sinds ik vast loon heb, ben ik niet ziek
geweest. Vroeger, toen ik geen vast loon had, ben ik
wel ziek geweest.
5374.    V. Waart gij ook vroeger, toen gij geen vast
loon hadt, stoker ?
A. Neen, toen was ik smid.
5375.    V. Hadt gij toen geen toelage in geval van ziekte ?
A. Neen.
5376.    V. Waart gij toen in een ziekenfonds ?
A. Neen, dat bestond toen nog niet.
5377.    V. Hoe lang zijt gij toen wel ziek geweest?
A. De eerste maal 9 weken en den tweeden keer 7
weken.
Enquête. — De Zaankant.
Verhoor van Cornelis Woud, oud 32 jaar, hennepklopper in
een windmolen van de firma D. Van Leijden & Co.,
te Krommenie.
5380.    De Voorzitter: Waarin bestaat uw werk ?
A. Dat is doodeenvoudig. Er zijn in den molen 10
stampers, die gaan op en neer en vallen in kommen, gevuld
met hennep. Als wij denken, dat de hennep zacht genoeg
is, halen wij de stampers op, en doen den hennep weg. Is
hij niet zacht genoeg, dan moeten de stampers nog wat
werken
5381.    V. Dat zijn stampers, als in de oliemolens?
A. Ja, de stampers zitten in knevels, waarop de
stampers rusten, door lussen vastgehouden. Als-de stampers
opgenaaid moeten worden, worden die knevels vastge-
bonden.
5382.    V. Wordt dit wel eens nagelaten ?
A. Bij ons niet, wij werken maar met drie man.
5383.    V. Veroorzaakt dat stampen niet veel stof?
A. Ongelijk, dat hangt veel van de qualiteit van den
hennep af.
5384.    V. Zijn er bijzondere voorzorgsmaatregelen ge-
nomen tegen het stof?
A. De ventilatie is bij ons zoo goed mogelijk ingericht.
De molen is achtkant, op eiken kant met luiken voorzien.
De luiken, van de windzijde afgekeerd, kunnen dus altijd
opengezet worden om het stof te verwijderen.
5385.    V. Feitelijk hebt gij dus niet veel last van
het stof?
A. Menschen met goede borst hebben er niet veel
last van; als men eene slechte borst heeft, is het kwader
werk. Ik heb bij mij een man van 58 jaar en die werkt
van zijn 14de jaar in den molen.
5386.    V. Uw werk is zeker geheel afhankelijk van
den wind ?
A. Ja.
63
-ocr page 259-
250
5387.    V. Een groot deel van het jaar loopt de molen
dus niet?
A. Neen.
5388.    V. Hoeveel dagen loopt hij gemiddeld per jaar ?
A. Dat kan ik zoo niet zeggen.
5389.    V. Als de molen loopt, hoe is dan uw werktijd
geregeld ?
A. Van \'s morgens 5 tot \'s avonds 8 uur.
5390.    V. Blijft gij dien geheelen tijd op den molen ?
A. Neen, om 8, 12 en 4 uur hebben wij een uur
schafttijd, dan gaan wij naar huis.
A. Ja, wat afval van hennep. Gemiddeld heb ik
daarmede verleden jaar f 0.75 gemaakt. In dat opzicht
deelt echter de middenknecht gelijk op.
5403.    V. Te zamen maakt die dus f 7.75. Moet hij
daar met een gezin van leven ?
A. Hij heeft alleen eene vrouw.
5404.    V. Zijt gij in een ziekenfonds?
A. Ja, in „Hulp in lijden"; daarvoor contribueer ik
10 cents per week en trek ik f 6 per week bij ziekte.
5405.    V. Is de middenknecht daar ook in?
A. Neen.
5406.    V. Hoe stelt hij het dan bij ziekte ?
A. Dan doen wij zijn werk tegen vergoeding van \'ƒ3
van zijn loon.
5407.    V. Doet de patroon van zijn kant ook iets?
A. In ons werk niet.
5408.    V. Weet gij, waarom de middenknecht niet
in het fonds is ?
A. Het zal er niet af kunnen, en bovendien was hij
bij de oprichting er van in 1883 al te oud.
C. Woud.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
\\Vr. H. J. Roijaards, Adj.-sccretaris.
5391. V. Gaat gij drie keer per
huis?
een uur naar
A. Ja.
5392.    V. Staat de molen dan geheel stil?
A. Ja.
5393.    V. Wordt er, wanneer de wind heel gunstig
is. toch niet gedurende een van die rusttijden doorge-
werkt?
A. Ja, dat gebeurt wel eens, wanneer wij erg om
hennep verlegen zijn en de wind sterk is.
5394.    V. Wordt er ook \'s nachts gemalen ?
A. Neen, dat gebeurde wel vóór mijn tijd.
5395.    V. En \'s Zondags?
A. Dan wordt er niet gemalen.
5396.    V. Vroeger toch zeker wel?
A. Ja wel. Op het oogenblik is er nog een molen,
die \'s Zondags maalt.
5397.    V. Van wien is die molen ?
A. Van den heer Kabel; ik geloof, dat het de firma
Kroese is.
5398.    V. Maalt die molen altijd op Zondag, als er flink
wind is ?
A. Ja, het is een molen, die veel wind noodig heeft.
Wij werken met slechts 10 stampers, maar een molen,
die zooveel kuip- en stampwerk heeft, heeft veel wind
noodig. Dit verschilt nog al.
5399.    V. Gij wordt per stuk betaald, niet waar?
A. Ja. Wij verdeelen het geld onder elkaar. Voor
buitenlandschen hennep krijgen wij f4 per 1000 pond en
voor Hollandschen f 3. Voor het gemak rekenen wij
altijd per f 3. Daarvan krijg ik dan f 1.50, de midden-
knecht f 1 en de jongen f 0.50.
Verhoor van Willem Woud, oud 48 jaar, baas in de
Machinale Garenspinnerij, te Krommenie.
5409. De Voorzitter: Zijt gij al lang baas?
A. Een jaar of 13; eerst hebben wij een jaar of 7 een
Belg gehad, die mij het werk heeft geleerd. Ik ben van
1866 af aan de fabriek.
5410 V. Hoe talrijk is het personeel?
A. 41; mannen, vrouwen en jongens.
5411. V. Zijn daar vele jonge menschen onder?
A. Ja, jongens zijn er wat en het vrouwsvolk is meestal
nog al jong.
5412 V. Op welken leeftijd neemt gij die jeugdige
arbeiders en arbeidsters aan?
A. Op hun 12de jaar, als zij van school komen. Het
gebeurt wel, dat er eens een wat ouder is, maar de weg
van dat soort meisjes is van de school naar de fabriek.
Vroeger kwamen zij wel op 10- of lljarigen leeftijd, maar
sedert die wet van een jaar of 14, 15 geleden is dat ver-
anderd.
V. Hoeveel verdient gij gemiddeld per
5400.
week ?
A. In het halfjaar van Januari tot nu heb ik f 10.23
gehad per week, de middenknecht zoowat f 7 en de jongen
f 3.50.
5401.    V. Is die man, die f7 verdient, gehuwd?
A. Ja. Hij is 58 jaar oud.
5402.    V. Komt er nog wat verdienste bij ?
-ocr page 260-
5413.    V. Hebben de meisjes de school geheel afge-
loopen, als zij op de fabriek komen?
A. Ja, anders komt meester Timmers, het hoofd van
de armenschool, daarover klagen.
5414.    V. Vraagt gij een bewijs, dat de kinderen zijne
school geheel hebben doorloopen?
A. Neen. dat niet.
5415.    V. Werken die kinderen gelijk op met de vol-
wassen en ?
A. Ja, maar nu werken wij maar 10 uren daags, en
vroeger was de werkdag 15 uren met 2 uren schafttijd; toen
werkten zij ook gelijk op.
5416.    V. Waarom is de arbeidsduur verminderd?
A. Omdat het minder druk is.
5417.    V. Dus als de drukte even groot was gebleven,
zou dan de arbeidsduur ook zoo lang gebleven zijn?
A. Waarachtig zeker, ten minste als die nieuwe wet niet
gekomen was; nu zou het niet kunnen.
5418.    V. Vondt gij dien feitelijken arbeidsduur van
13 uren niet te lang?
A. Ja, het was veel te erg, want het is een slecht
werk in dat stof.
5419.    V. Hebt gij er destijds wel eens met den direc-
teur over gesproken, dat het te erg was voor die kinderen?
A. Neen.
5420 V. Waarom niet?
A. Ik weet het niet; men was er aan gewoon.
5421.    V. Gij vondt het toch een kwaad werk
voor die kinderen?
A. Het is een gemakkelijk werk; zij behoeven haast
niets te doen.
5422.    V. En gij zeidet, dat het een slecht werk was in
dat stof, dus nadeelig voor de kinderen?
A. Ja, maar dat is altijd niet even erg. Als er flink
wat wind is, is er minder stof.
5423.    V. Toch zeidet gij zelf, dat het een slecht werk
was ?
A. Dat is ook zoo.
5424.    V. Hoe is nu de werktijd geregeld?
A. Er wordt gewerkt van 7—S1/^ uur, van 9—12, van
1—4 en van Wi tot 7 uur.
5425.    V. Wordt het wel eens langer?
A. Nooit.
5426.    V. Gij zeidet terecht, dat het een zeer stoffig
werk is; van den winter, toen wij de fabriek bezochten,
vonden wij het ook erg vuil.
A. Wanneer het koud is, worden de ramen zooveel
mogelijk dicht gehouden en kan het stof moeilijk weg.
5427.    V. Wordt er niet geregeld schoongemaakt?
A. Er is een meisje, dat den geheelen dag het stof
opveegt.
5428.    V. Zou dat vuil echter niet door beter
schoonmaken voor een groot deel weggeruimd kunnen
worden?
A. Men kan niet meer doen dan aanvegen.
5429.    V. Het heeft ons getroffen, dat, behalve het
vele vuil en stof, de meisjes er zeer slordig uitzagen.
A. Het is een smerig werk en daarom verwisselen zij
hare goede kleeren voor oude.
5430.    V. Wij hebben elders fabrieken gezien, waar
hetzelfde soort werk verricht werd, doch waar de meis-
jes er toch niet zoo vuil en slordig uitzagen. Worden de
meisjes van de spinnerij niet spinlorren genoemd?
A. Dat is haar bijnaam.
5431.    V. Wordt er door u niet zooveel mogelijk op
gewerkt, dat zij er netjes uitzien, ook wat het haar
betreft?
A. Ja, maar het zijn meisjes uit den minderen stand.
5432.    V. Al zijn zij uit de mindere klasse, daarom
kunnen zij er toch wel zindelijk en netjes uitzien.
A. Wanneer gij ze om 12 uur de fabriek ziet verlaten,
dan zien zij er ook zindelijker en netter uit.
5433.    V. Wordt het als eene soort schande beschouwd
in de spinnerij te werken ?
A. Voornaam is het niet; ook krijgen zij niet de
opvoeding van een dienstmeisje en weten niets van het
huishouden af.
5434.    V. Wat wordt er van die meisjes?
A. De meesten trouwen.
5435.    V. Is er een afzonderlijk lokaal, waar zij
zich kunnen verkleeden ?
A. Neen.
5436.    V. Waar hangen zij dan hare kleederen, die
zij in de fabriek uittrekken ?
A. In eene hangkast aan de fabriek.
5437.    V. Wordt er van wege de fabriek iets gedaan
ten behoeve van die meisjes, bijv. om ze \'s avonds de
noodige handwerken te doen leeren?
A. Er wordt niets voor haar gedaan.
5438.    V. Werken jongens en meisjes in hetzelfde lokaal?
A. Neen, de jongens werken boven, de meisjes beneden.
5439.    V. Wat verdient zoo\'n meisje?
A. In het begin f 1.50, tot f 5.— toe.
5440.    V. Hebben de meisjes eene afzonderlijke beste-
kamer?
A. Er zijn twee bestekamers naast elkaar, maar de
jongens gaan daar ook op. Voor de hekelaars is eene
afzonderlijke bestekamer.
5441.    V. Zijn de bestekamers buiten?
A. Ja.
5442.    V. Toezicht is er dus niet?
•
i
-ocr page 261-
252
5456.    V. Zijn zij tegen ongelukken beveiligd?
A. Ja, er zijn hekken om.
5457.    V. Wat verdienen de hekelaars?
A. Dit is ongelijk. Verleden Zaterdag is hun van
f 13 tot f 15 uitbetaald. In den regel maken ze f 13 of
f 14, maar daarvoor werken ze dan ook hard van 5 tot
8 uur. Dat behoeft niet, want ze werken per stuk.
5458.    V. Zijn ze niet aan tijd gebonden?
A. Neen.
5459.    V. Is het niet een werk, dat den man vroeg
oud maakt?
A. Ja, door het stof. Daar went men wel wat aan,
doch ik weet wel, dat ik \'s Maandags veel meer last
van het stof in de fabriek heb dan \'s Zaterdags.
5460.    V. De longen lijden er dus onder?
A. Ja, ik heb er eene slechte borst van gekregen,
maar ik ben er ook 25 jaar in. De meisjes blijven er
niet zoo lang, zij komen op haar 12de jaar en trouwen
op haar 19de of 20ste.
5461.    V. Klagen de ouderen er niet over?
A. Neen.
5462.    V. De hekelaars ook niet?
A. Neen, zij hebben waarschijnlijk eene betere borst
dan ik. Het kan ook wel zijn, dat het beter is, wanneer
men er jong in is gekomen. Ik was al 23 jaar, toen ik
er kwam.
5463.    V. Is er een ziekenfonds aan de fabriek ?
A. Neen. Degenen, die lid zijn van „Hulp in lijden",
krijgen f5.50 daarvan en dit wordt door de fabriek zoo-
danig gesuppleerd, dat het volle loon wordt bereikt.
Vroeger was dit anders. Men kreeg f 5 voorschot en
moest daarvan 2 kwartjes per week terugbetalen.
5464.   V. Vroeger had men dus feitelijk geen inkom-
sten in geval van ziekte ?
A. Neen, geen inkomsten.
5465.    V. Heeft de nieuwe directeur de verandering
ingevoerd ?
A. Ja.
5466.    V. Zijn ze allen in het ziekenfonds?
A. De machinist niet. Hij heeft vast geld on zijn loon
gaat door in geval van ziekte.
De meisjes kunnen er niet in en krijgen half geld van
de fabriek. In de laatste jaren zijn er anders bijna geen
ziekten voorgekomen.
5467.    V. Is het personeel tegen ongelukken verzekerd ?
A. Neen, maar dat zou wenschelijk zijn.
5468.    V. Wanneer wordt het loon uitbetaald?
A. Des Zaterdagsnamiddags.
5469.    V. Past gij boeten toe?
A. Neen, niet meer; ik stuur een meisje, dat op den
duur reden tot klagen geeft, liever voor goed weg, en de
A. Neen, men kan er niet iemand bijzetten.
5444.    V. Van welken leeftijd zijn de jongens, die
mede van dezelfde bestekamer gebruik maken als de
meisjes ?
A. Vier onder de 16, vier boven de 16 jaar.
5445.    V. Vindt gij dat niet verkeerd?
A. Zeker, er zal ook wel verandering in worden gebracht.
5446.    V. Waarom wordt de bestekamer niet afgesloten,
zoodat gij weten kunt, wie er op ia ?
A. Men kan bij een personeel van 40 personen niet
op alles letten.
5447.    V. Is er op die bestekamer nooit iets gebeurd
van onzedelijken aard\'?
A. Bij mijn weten nooit.
5448.    V. De hekelaars werken immers in een afzon-
derlij k gedeelte van de fabriek ?
A. Ja.
5449.    V. En werken vlak voor open luiken\'?
A. Ja.
5450.    V. Toen wij van den winter de fabriek
bezochten, hebben wij gezien, dat de menschen voor
die luiken eene barre koude leden.
A. Ja, maar gij kwaamt ook juist op den koudsten
dag van den geheelen winter.
5451.    V. In gewone koude dagen zullen zij het toch
zeker ook nog erg koud hebben, is het niet?
A. Och, daar hebben zij zoo geen last van, het werk
verwarmt nog al, want het is een zwaar werk.
5452.    V. Is het niet mogelijk de lucht te ververschen
zonder ze direct voor die open luiken te plaatsen ?
A. Dat gaat moeilijk. Dat stof is zoo zwaar, dat het
niet naar boven wil om door een ventilator verwijderd te
worden. Nu wordt het stof dadelijk door de open luiken
naar buiten gedreven.
5453.    V. Gelooft gij niet, dat in dit opzicht verbetering
is aan te brengen ?
A. Neen.
5454.    V. Bij de kaarderij is immers ook veel stof?
A. Ja, nog meer dan bij de hekelaars. Wij hebben
boven het lokaal een luchtkoker gezet, maar die trekt
niet. En om de ventilatie door stoom te doen geschieden,
zou onze machine sterker moeten zijn. Daarvoor heeft men
3 paardekrachten noodig, en onze machine kan niets meer
missen. Nu hebben wij iemand laten komen om te zien,
of er niets aan te doen valt.
Wij hebben een besten directeur. Hij heeft al veel ge-
daan, maar hij kan niet over veel geld beschikken.
5455.    V. Werken aan de kaardmachines ook meisjes ?
A. Neen, een man met een jongen.
-ocr page 262-
53
Verhoor van Wijbe Joustra, oud 35 jaar, directeur van de
gemeentelijke gasfabriek, te Wormerveer.
5479.     De Voorzitter: Zijt gij vroeger aan anderegasfa-
brieken werkzaam geweest?
A. Ja, maar niet als directeur. Ik ben te Apeldoorn
aan de gasfabriek geweest, maar vroeger was ik bij het
machinebouwvak.
5480.    V. Hoe talrijk is uw personeel ?
A. Buiten de lantaarnopstekers, 7 man: 2 stokers,
2 hulp-stokers en 3 fitters.
5481.    V. Wordt dit personeel \'s winters uitgebreid?
.4. Ja, dan heb ik 2 losse werklieden, die niet aan
de gasfabricage deelnemen, maar cokes kloppen en be-
zorgen, teer pompen, enz.
5482.    V. Wat doen die menschen des zomers ?
A. Dat weet ik niet; ik geloof helpen bij metselaars
en stratenmakers en dergelijke karweitjes.
5483.    V. Wij hebben als getuige gehoord een uwer
fitters, Visser. Is dat een geschikt werkman ?
A. Ja.
5484.    V. Hij heeft ons medegedeeld, dat hij een vast
loon had van f 12 met eenige kleine buitenkansjes, is
dat juist?
A. Ja. Hij heeft evenals het geheele personeel vrij
brandstof.
5485.    V. Ook \'s zomers .\'
A. Ja, maar dan komt het weinig voor, althans dan
; vragen zij het niet. Overigens krijgen zij eene gratificatie,
als het bijzonder druk is geweest.
5486.    V. Hij deelt ons mede, dat vroeger zijn loon
f 11 was, maar dat hij toen vast geld had voor over-
werk; dit laatste was echter afgeschaft, toen hij f 12
\'s weeks kreeg, zoodat hij op het geld voor overure niet
meer vast kan rekenen. Komt dat uit?
A. Ja, de gratificatie wordt naar omstandigheden
uitgekeerd.
5487.    V. Wat verdienen de stokers.\'
A. f 11 en vrij brandstof.
5488.    V. En de hulpstokers?
A. Die hebben f 8, wanneer zij 6, en f 9,35, als zij
7 dagen werken. Dit is, omdat des zomers slechts een van
die mannen des Zondags werkt, maar in den winter
moeten beiden op Zondag dienst doen.
5489.    V. De stokers werken dus ook des zomers een
gedeelte van den Zondag?
A. .la.
5490.    V. De stokers wisselen elkander immers af,
dag en nacht?
.4. Juist.
5491.    1\'. Zoodat zij om de 14 dagen het grootste ge-
deelte van den Zondag vrij zijn ?
A. Nu hebben zij om de 3 weken een geheel vrijen
64
mannen werken op stuk, dus daarvoor is boete opleggen
minder noodzakelijk. De nieuwe directeur heeft aan ook
de boeten feitelijk afgeschaft.
5470.    V. Is het misbruik van sterken drank te Krom-
menie uws inziens geringer dan elders aan de Zaan?
A. Te Wormerveer is meer ruw sjouwervolk, dat ruimer
verdient en meer verteert.
5471.    V. Hoeveel doet te Krommenie eene redelijke
woning ?
A. f 0.50, f 0.75, en voor f 1.— heeft men zelfs eene
flinke woning met een bleekje.
5472.    V. Te Wormerveer zijn de woningen dus veel
duurder?
A. Ja, f 1.50, f 1.75, f 2.— is daar de prijs, maar dan
zijn de woningen beter ingericht, van steen, dus minder
koud, en voorzien van een achterhuisje, waar gewasschen
en gestookt kan worden.
5474. V. Zijn in den laatsten tijd de woningen in
Krommenie verbeterd?
A. Ja veel, met die nieuwe verordening is men aan
de maat gebonden.
5475.    V. Wordt daaraan streng de hand gehouden?
A. Ja, erg.
5476.    V. Zijn er wel huizen onbewoonbaar verklaard ?
A. Ja, in de laatste drie jaren wel een stuk of twee,
drie. Ook is wel gelast te repareeren. Ik heb verleden jaar
zelf eene groote reparatie gehad aan een huis van mij zelf,
dat in drieën was verhuurd; dat was heel lastig, omdat
ik aan de 16 M2 ruimte gehouden was en aan bepaalde
mate voor deuren en ramen.
5477.    V. De verordening is dus lastig, maar goed?
A. O ja, \'t is een beste verordening.
5478.    V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen, waarop
srij onze aandacht wenscht te vestigen?
A. Neen.
W. Woud.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 263-
254
Zondag, omdat een van de hulpstokers Zondagsdienst
doet. Dan blijft er een persoon aan de fabriek en zijn
de beide stokers vrij. ook de stoker, die anders dag-
dienst heeft.
5492.    V. Hoe lang hebben zij vrij, wanneer zij een
vrijen Zondag hebben ?
A. Een stoker, die in dezen tijd in den dagdienst is,
wisselt met den anderen \'s Zaterdagsmiddagsom 12 uur. Die
valt dan in den nachtdienst en treedt des avonds om 6 uur
op. werkt tot \'s Zondagsmorgens (> uur en is vrij tot \'s avonds
6 uur. Dus des Zondags is hij vrij van \'s morgens 6 uur
tot \'s avonds 6 uur, waar hij een zekeren tijd van slaapt,
zoodat hij feitelijk een klein deel van den Zondag voor
zich heeft.
5493.    V. Hoeveel heeft diezelfde man nu vrij de vol-
gende week ?
A. In de nieuwe week heeft hij nachtdienst, eindigt
des Zaterdagsmorgens om 6 uur en komt dan \'s Zaterdags
werken van 12 \'s middags tot 6 uur. Gaat \'s Zaterdag*-
avonds om 6 uur naar huis, komt terug \'s Zondags-
ochtends om (> uur en werkt tot \'s Zondagsavonds 6 uur.
5494.    V. Die man heeft dus nog minder aan den
Zondag dan de vorige week?
A. Ja, die werkt den geheelen dag.
5495.    V. Dat gaat dus om de andere week?
A. ,1a. Dat is thans evenwel zóó gewijzigd, dat wij in
den zomer .\'5 personen disponibel hebben. Daardoor kan
nu ieder op zijne beurt om de 3 weken een geheel vrijen
Zondag hebben.
5496.    !\'. Wat noemt gij een geheel vrijen Zondag?
.1. Wanneer tot nog toe iemand dagdienst had, dan
moest hij werken van \'s morgens (J tot \'s avonds 6 uur,
waarbij hij naast zich had een hulpstoker, die tegelijk
met hein werkte. Thans blijft die hulpstoker alleen aan
de fabriek, en de stoker is dus van 6 tot 6 uur vrij.
5497.    V. Als hij dus \'s Zaterdagsavonds uitscheidt,
heeft hij die derde week vrij tot \'s Maandagsmorgens (i uur?
,1. Ja.
5498.    V. In den winter komt die regeling evenwel
niet voor?
A. Neen.
5499.    V. Zou het onmogelijk zijn om aan den Zon-
dagsarbeid geheel een eind te maken?
A. Daartegen is veel bezwaar, aangezien er altijd
iemand op de fabriek aanwezig moet zijn om op de toe-
stellen te letten. De fabriek te Wormerveer is naar ver-
houding tot de productie nog te klein, het is nog niet
mogelijk om in de bestaande gashouders zooveel gas te
bergen, dat wij \'s Zondags niet behoeven te stoken.
5500.    V. Indien er een gashouder meer was, zou dat
bezwaar niet meer bestaan?
A. Neen. In Hoorn wordt op Zondag ook niet gewerkt;
ik meen dit ten minste in het rapport van den directeur
aldaar gelezen te hebben.
5501.    V. Er zoude dus in Wormerveer een nieuwe
gashouder bijgebouwd moeten worden ?
A. Ja. en het retortenhuis uitgebreid.
5502 V. Hoeveel zou dit kosten ?
A. Globaal berekend, voor uitbreiding en gedeeltelijke
vernieuwing van het retortenhuis, waarvoor trouwens de
plans reeds gereed zijn, f 15000, voor een nieuwen gas-
houder f30.000. dat hangt veel van de grootte af: te
zamen dus f45000.
5503.    V. Stel dat dit alles er was, zou er dan op
Zondag geen man meer in de fabriek noodig zijn ?
A. Direct niet noodig, durf ik niet zeggen, maar men
zou kunnen volstaan met een man een paar maal er heen
te zenden om op de ovens toe te zien, eenequaestie van
\'■■ of 1 uur. Wellicht zou hij dan ook eenige bezigheden
moeten verrichten, wanneer bijv. alles niet goed in orde was.
5504.    V. Afgezien van dat een paar maal daags komen
om even na te zien, zouden de menschen dan van Zater-
dagavond tot Maandagmorgen vrij kunnen zijn?
A. Zoo lang niet. Wel van Zondagmorgen tot Zondag-
avond, dus 12 uren achtereen.
5505.    V. Het is dus niet alleen de geldelijke quaestie,
om genoeg gas vooruit te kunnen stoken?
A. Neen, want er zijn ook nog andere werkzaamheden
te doen.
5506.    V. Zoudt gij den rusttijd niet kunnen brengen
op ten minste 18 uren ?
A. Daar zou ik niet voor kunnen instaan.
5507.   V. Zou het niet op eene andere wijze te vinden zijn,
| b.v. door hulppersoneel te gebruiken, wat zeker niet
! eene zoo groote uitgave zou vereischen?
A. Zeker, in den zomer zoude dit misschien moge-
lijk zijn.
5508.    V. Zoudt gij kans zien om een zoodanig hulp-
personeel te verkrijgen, zonder schade voor het werk ?
A. Dit zou in de eene fabriek kunnen, doch in de
andere niet. Bij mij zou het heel goed gaan.
5509.    V. Is dit denkbeeld wel eens overwogen ?
A. Neen.
5510.    V. Hoort gij er wel eens door de werklieden
over spreken, dat.zij zoo weinig Zondagsrust hebben?
A. Dat niet, maar zij zijn blij, als ze een dag vrij
hebben.
5511.    V. Wordt dat gewaardeerd?
A. Zeker.
5512.    V. Is de fabriek rendeerend?
A. Neen. Toen ik als directeur werd aangesteld, was
de fabriek in slechten staat. Zij was in handen van par-
ticulieren, van den heer Zwaan, geweest, en het kost veel
geld de fabriek zoodanig in te richten, dat zij goed is.
5513.    V. Liet toen de fabriek uit het oogpunt van
veiligheid te wenschen over?
A. Dat niet, maar uit het oogpunt van gezondheid
moest de stokerij eenigszins vergroot worden.
5514.    V. Was er overgroote hitte in de stokerij?
A. Ja, de ventilatie is niet voldoende.
-ocr page 264-
255
5515.   V. Zijn daarvoor ook reeds plans in bewerking?
A. Ja.
5516.    V. Het werk van de stokers is niet aanhou-
dend, niet waar?
A. Neen, het is een ambulant werk. Zij hebben dik-
wijls werkzaamheden buiten het lokaal te verrichten.
5517.    V. Wanneer de retorten zijn geladen, kunnen
zij dan, desgewenscht, in een ander lokaal gaan?
A. Ja, maar zij blijven veelal in de stokerij. Zij schijnen
niet zooveel last van de warmte te hebben.
5518.    V. Gaan zij \'s middags naar huis om te eten?
A. Neen, niet allen. Twee wonen er in Krommenie en
die eten in de stokerij, voor den derde wordt daar ook
meestal het eten bezorgd.
5519.    V. Is er geen afzonderlijke gelegenheid om te
eten ?
A. Zij schijnen daaraan geen behoefte te hebben. Het
schijnt, dat zij het prefereeren in de stokerij te blijven.
5520.    V. Is dat een aantrekkelijk ingericht vertrek?
A. Het is er niet zoo stoffig, doch het is geen bepaald
schaftlokaal, gelijk in groote fabrieken.
5521.    V. Bij ziekte wordt het halve loon uitbetaald,
niet waar?
A. Ja.
5522.    V. Ons is door een getuige gezegd, dat er anderen
in dienst van de gemeente zijn, die het volle loon uitbe-
taald krijgen. Is dat juist?
A. Daarvan is mij niets bekend.
5523.    V. Heeft men nooit het verzoek tot u gericht
om bij ziekte het volle loon te mogen behouden?
A. Neen.
5524.   V. Was de dienst te Apeldoorn zwaarder voor
de menschen, of minder zwaar?
A. Ongeveer dezelfde. Daar was alles gelijkvloers,
hier moeten de kolen worden opgereden, docb dat duurt
maar kort. Het werk van een stoker is over \'t geheel
niet zwaar.
5525.    V. Zijn de menschen, buiten de tegemoetkoming
van de gemeente om, nog in een ziekenfonds?
A. Ik geloof het wel, maar weet het niet zeker. Ver-
der zijn zij verzekerd tegen invaliditeit en ongelukken
voor f 500.— en voor tijdelijke onbekwaamheid totfl —
per dag.
5526.   V. Elders wordt in gasfabrieken wel geklaagd
over misbruik van sterken drank. Hebt gij daar last van ?
A. Volstrekt niet.
#
W. JOIÏSTRA.
A. Kekdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
W. H. .1. Koijaards. Adj.-secretaris.
-ocr page 265-
-ocr page 266-
ZITTING VAN ZAT
RDAG 18 JULI 1891.
Tegenwoordig de beeren
Kf.kdijk, Voorzitter.
Kolkman.
TiE POOLS.
Visser.
5533. V. Op welken leeftijd begon die afwisselende
dag en nachtarbeid voor die jeugdige arbeiders?
A. Op hun 12de jaar.
•5534. V. Werkten zij dan om de andere week den
geheelen nacht ?
A. Ja.
5535.    V. Hebt gij nooit waargenomen, welken in-
vloed dat op hen uitoefende ?
A. Geen slechten; mijn vorige directeur en mijn
tegenwoordige zijn beiden zoo begonnen, en zij hebben
er geen nadeelige gevolgen van ondervonden.
5536.    1\'. Hoe oordeelt gij over den maatregel van den
wetgever, die maakt, dat kinderen van 12 tot 16 jaar
thans geregeld hunne nachtrust genieten kunnen ?
A. Persoonlijk kan ik er mij wel mede vereenigen.
5537.    V. Waarvoor bezigt gij de jongens, die gij thans
nog aan het het werk hebt?
A. Voor heel licht werk : den boel schoonhouden :
later komen zij bij de satineermachine en klimmen zoo
zachtjesaan op.
5538.    V. De meisjes verrichten een afzonderlijk soort
van werk, niet waar?
A. Zij doen niets dan schrijf boekjes maken en papier
nazien.
5539.    V. De Commissie heeft verhoord den opzichter
over de meisjes-afdeeling; is dat een zeer vertrouw-
baar man ?
A. Ja.
5540.    V. Hij heeft medegedeeld, dat die meisjes in
een afzonderlijk lokaal gaan om hare vrije oogenbhkken
door te brengen. Wordt dit door die meisjes gewaar-
deerd ?
A. Ik geloof het wel.
65
Verhoor van Pieter Smidt—Van Gelder, oud 39 jaar,
papierfabrikant, firma Van Gelder Zonen, te
Wormerveer, wonende te Amsterdam.
•5527. De Voorzitter : Hoe talrijk is uw personeel ?
A. Te Wormerveer een honderd a honderdvijftien,
te Apeldoorn een honderdvijfendertig.
5528. V. Is de inrichting der fabrieken te Wormer-
veer en te Apeldoorn vrijwel dezelfde ?
A. Neen, geheel verschillend; de fabriek te Wormer-
veer is ingericht voor de vervaardiging van machinaal
papier, die te Apeldoorn voor handpapier.
•5529. V. Werkt gij te Apeldoorn dan niet met
stoom ?
A. Wel voor het vermalen van de grondstof, niet
voor het bewerken van het fabrikaat.
5530.    V. Gij hebt onder uw personeel een betrekke-
lijk groot aantal jeugdige arbeiders, niet waar?
A. Ik zou zeggen van niet. Wij hebben 10 jongens
en 3 meisjes tusschen de 12 en 16 jaar, en 8 jongens en
4 meisjes tusschen 16 en 18 jaar.
5531.    V. Is het aantal jeugdige arbeiders, beneden
de 16 jaar, vroeger grooter geweest en allengs geringer
geworden?
A. Ja.
•5532. V. Hangt die vermindering samen met de
inrichting van het bedrijf?
A. Neen, zij is het gevolg van de arbeidswet. Wij
werken dag en nacht en dat deden vroeger de jongens
ook mede. Nu zou men zeggen, dat ik voor dat werk
over dag jongens kan nemen en \'s nachts mannen, maar
dan zouden deze laatsten steeds \'s nachts moeten werken,
iets, wat zij niet gaarne zouden doen en ik niet wil
vergen. Ik heb dus voor dat werk dag en nacht maar
mannen genomen, die wisselen elkander nu af.
Enquête. — De Zaankant.
f
-ocr page 267-
258
A. Niet veel. Door de timmerlieden en smeden, die
de reparatiën \'s Zaterdagsnachts en \'s Zondagsmorgens
te verrichten hebben, wel.
5551.    V. Maar door het eigenlijke fabriekspersoneel
niet ?
A. Neen, misschien eens een enkelen nacht door
de pakkers.
5552.    V. Hoe wordt het overwerk betaald ?
A. Dat weet ik niet precies.
5553.    V. Wordt het per uur betaald?
A. Ja.
5554.    V. Heeft de fabriek altijd gestopt van \'s Zater-
dags-middernacht tot \'s Zondags-middernacht ? Vroeger
niet van \'s Zondagmorgens 6 uur tot \'s Maandags 6 uur ?
A. Het is altijd zoo geweest, gelijk gij het eerst zeidet.
Ik doe dat om de lieden in de gelegenheid te stellen
\'s Zondags naar de kerk te gaan en verder hun dag
zoo aangenaam mogelijk door te brengen.
5555.    V. Betaalt gij het loon \'s Zaterdags uit ?
A. Neen, \'s Woensdags.
5556.    V. Is dat altijd zoo geweest ?
A. Ja.
5557.    V. Is het juist, dat in uwe fabriek geen boeten
worden geheven ?
A. Ja. Wij hebben slechts ééne boete van 25 ets.
voor het rooken bij de lompen.
5558.    V. Hebt gij dit zoo van uw vader overgenomen ?
A. Ja.
5559.    V. Hebt gij er ook geen behoefte aan?
A. Neen, ik ben geen vriend van reglementen.
5560.    V. Er zijn fabrieken, waar geen reglementen
zijn, maar waar toch boeten worden toegepast?
A. Ik houd daar niet van. Wij vergen nietsonmogelijks.
5561.    V. Is de verhouding tusschen u en uw per-
: soneel gunstig?
A. Zeker, ik ben heel wel met de menschen en ben
gaarne op de fabriek.
5562.    V. Hoe is uw oordeel over het gehalte dei-
werklui ?
A. Het zedelijk gehalte is goed. Het is ferm volk,
zij maken geen misbruik van sterken drank en gedragen
zich zeer ordentelijk.
5563.    V. Is uw personeel uitsluitend uit de gemeente
Wormer ?
A. Ik heb twee knechts uit Wormerveer, die al
lang bij ons zijn.
5564.    V. Is er een opvallend verschil tusschen
werklui uit Wormer en uit Wormerveer, gelijk ons
door een getuige is gezegd ?
A. Onze fabriek bestaat al over de honderd jaar en
de werklieden zijn van vader op zoon bij ons.
5541.   T\'. Een volwassen werkman werkt dag of nacht.
Hoe is dan de arbeid verdeeld?
A. Zij werken van \'s morgens 6 uur tot \'s avonds
6 uur en van \'s avonds 6 uur tot den anderen morgen
6 uur. Daarvan gaat af: rusttijd van 8V2 tot 9 uur,
van 12 uur tot lH uur en van 4 uur tot 4\'^ uur, zoo-
dat zij een feitelijken werktijd hebben van 9Ji uur. Dit
geldt echter niet voor de machinisten en werklieden bij
de papier- en andere stoommachines, want die machines
moeten 24 uren doorloopen.
5542.    F. Heeft die arbeidsduur van 914 uur per dag
altijd op de fabriek bestaan?
A. Voor zoover ik mij herinner, wel.
5543.    V. Wat nu de andere categorieën van werk-
lieden betreft, hebben die- dezelfde rusttijden?
A. Die hebben volstrekt geen rusttijd.
5544.    V. Zijn die dan 12 uren achtereen op de been ?
A. Wel neen! Zij liggen er soms bij te rusten, en
dan is dit een teeken, dat alles goed marcheert. Als de
machines goed loopen, hebben zij niets te doen, dan om
de een of twee uren eens te controleeren, of het papier
gelijk van dikte blijft.
5545.    V. Zij hebben dus niet alleen geen gestadigen
inspannenden arbeid, maar kunnen er zelfs bij gaan zitten?
A. Zeker, zij zitten hunne boterham op te eten, steken
een pijpje op en maken het zich gemakkelijk.
5546.    V. Waar aan den eenen kant een gedeelte van
uw personeel bij een korten arbeidsduur een middag-
rusttijd heeft van l1j.1 uur, terwijl dit in vele fabrieken
dezer streek slechts 1 uur is. maar aan den anderen
kant eene categorie uwer werklieden den geheelen dag
in de fabriek moet blijven, vraag ik, of het niet mogelijk
zoude zijn, ook hun eene middagrust te verschaffen,
waarin zij naar huis zouden kunnen gaan om te eten?
A. Dat zou kunnen, wanneer ik geen concurrentie
had, maar alle papierfabrieken in Europa werken zonder
ophouden. Ik zou de fabriek moeten laten stoppen, dat zou
eene groote geldelijke opoffering zijn.
5547.    V. Zoudt gij bepaald de fabriek moeten laten
stoppen ? Zou het niet mogelijk zijn de zaak zóó te regelen,
dat een gedeelte van dit personeel de fabriek kon ver-
laten, en wat later het andere gedeelte?
A. Dat gaat niet. Het is een heel moeilijk vak; de
papiermaker moet eene studie van het vak hebben ge-
maakt, en kan slechts door een ander, die ook het vak kent,
worden vervangen. En op een gegeven oogenblik zou er
ets kunnen haperen, waardoor de tegenwoordigheid van
allen vereischt werd. Zoo iets is niet altijd te voorzien.
5548.    V. De wetgever heeft nu een rusttijd voorge-
schreven voor jeugdige arbeiders en vrouwen; gesteld dat
de wetgever ditzelfde deed ten opzichte van de volwassen
arbeiders \'i
A. Dan zou ik niet meer kunnen bestaan, tenzij de
ons omringende landen denzelfden maatregel voorschreven.
Wij zijn hier niet beschermd, staan geheel op eigen
beenen, zoodat er niets meer bijkomen moet, of de zaken
zouden verkeerd loopen.
5549.    V. Zou dus zulk een maatregel voor u bedenke-
lijk zijn, indien hij niet internationaal genomen werd?
A. Ja.
5550.    V. Heeft er veel overwerk plaats?
-ocr page 268-
259
Wij kennen elkander en de directeur gaat goed voor : De veiligheid blaast reeds af op 2 atmosferen, hoewel
de cylinder geperst is op 6 atmosferen.
5577.    V. Hoe gaat het glanzen ? Met de hand of met
kalanders ?
A. Met kalanders.
5578.    V. Is er geen gevaar, dat de jongens er met
hunne vingers tusschen komen?
en betracht hun belang.
.5565. V. Er is bij u dus langzamerhand een papier-
makers-geslacht ontstaan ?
A. Och ja, dat gaat zoo van zelf; de kinderen van
ouders, die bij ons werken, volgen de voetstappen van
dezen op.
5566. V. Welke regeling bestaat er bij ziekte?
A. Neen; er zijn tegenwoordig ijzeren staven voor,
A. Dan gaat het loon door, en mocht het wat lang I zoodat zij er niet met de vingers in kunnen komen,
duren of het vermoeden rijzen, dat er misbruik van
gemaakt werd, dan zou dat loon wat gereduceerd worden;
maar zoo\'n geval is nog niet voorgekomen, ééns uitge-
zonderd.
5567.    V. Is ook dat altijd zoo geweest?
A. Zoolang ik mij herinner, ja.
5568.    V. Is de verleiding niet groot voor de menschen
om daar misbruik van te maken?
5579.    V. Het oude rotten van lompen komt niet
meer bij u voor?
A. Ik herinner mij alleen, dat stroo vroeger gerot
werd; van lompen rotten heb ik nooit gehoord. De
lompen worden gescheurd, gekookt, uitgewasschen,
gemalen en overgemalen, enz.
5580.    De Voorzitter: Het lompenscheuren is zeer
verminderd bij u ?
A. Neen, zij zijn blij, als zij weder op de fabriek zijn. A. Ja, vroeger hadden wij 25 scheurders, nu nog
Wij zijn toch ook blij, als wij na een ongesteldheid i maar 4 of 5; dat komt, omdat wij nu met andere
weder onzen arbeid kunnen hervatten. Zoo gaat het hun ook. j grondstof werken, meest houtstof en cellulose.
5569. V. Ik heb de bedenking niet uit mijzelven, 5581. V. Dat lompenscheuren is uit den aard der
maar in dien geest hoort men velen spreken. Dat is l zaak een hoogst onaangenaam werk, maar hebt gij er
dus bij u positief niet zoo?
                                                    nooit nadeelige gevolgen van waargenomen bij hetdaar-
mede belaste personeel?
A. Neen; besmettelijke ziekten zijn bij ons nooit
voorgekomen.
5582.    V. Is het lokaal, waar dat scheuren geschiedt,
bijzonder geventileerd ?
A. Ja, met tuimelramen.
5583.    V. Komt het bij u veel voor, dat de werk-
lieden voorschot krijgen voor bijzondere behoeften?
A. Zelden, alleen bij bevallingen. De directeur geeft
dan meestal voorschot zonder dat ik het verneem.
5584.    V. Hoe zijn de loonen bij u geregeld ?
A. De loonen varieeren voor de mannen van f 11
tot f 14, voor de jongens van f 1.75, f 2.50 tot f 4; de
meisjes verdienen f 4.50 of ten hoogste f 5.
5585.    V. Is f 11 het minimum-loon voor de mannen ?
A. Een paar zijn er van f 9; de sjouwers en derge-
lijken verdienen op zijn minst f 8.
5586.    V. Zijn dat vaste weekloonen, of hebt gij een
gemengd loonstelsel?
A. Wij hebben twee loonstelsels: bij de papiermachi-
nes wordt op stuk bij de 100 kilo\'s gewerkt, maar de
pakkers en sjouwers hebben vast geld.
5587.    V. Kunt gij mededeelingen doen omtrent de
feitelijke verdiensten van de stukwerkers?
A. Een papiermaker kan f 14, hoogstens f 15 ver-
dienen, een molenaar f 12, een onderpapiermaker f 13
en een hulpmolenaar f 11.
5588.    F. Is er aan dat stukloonstelsel nog een
premie verbonden, een opklimmend cijfer boven eene
zekere hoeveelheid productie ?
A. Neen.
z
-ocr page 269-
260
5589.    V. Zijn uwe werklieden verzekerd tegen onge-
lukken ?
A. Neen.
5590.    V. Gij neemt het in eigen risico ?
A. Ja.
5591.    V. Een vast pensioenstelsel hebt gij niet, maar
feitelijk wordt door u aan ouden ondersteuning verleend ?
A. Ja.
5592.    V. Volgt gij een vasten regel om de werk-
lieden, die hun leven in uw dienst doorgebracht hebben,
feitelijk ondersteuning toe te kennen ?
A. Zeker.
5593.    V. Zijn er ook weduwen van werklieden, die
ondersteuning genieten ?
A. Neen.
5594.    V. Zoudt gij bezwaar hebben tegen eene wet-
telijke verplichting tot pensionneering der werklieden ?
A. Dat zou veel afhangen van de vraag, hoe die
wettelijke pensioensregeling was ingericht. Wanneer het
stelsel van het thans in Frankrijk aanhangige ontwerp,
waarbij het Gouvernement, de patroon en de werkman
gelijkelijk participeeren. werd ingevoerd, dan zou voor
ons het offer niet te groot zijn.
5595.    V. Die in Frankrijk ontworpen regeling is echter
niet verplichtend; eerst wanneer de werkman deel
neemt aan het pensioenfonds, moeten .Staat en patroon
insgelijks bijdragen. Maar ik bedoel, of uws inziens zonder
overwegend bezwaar de patroon verplicht zou kunnen
worden om voor allen bij te dragen?
A. Dat is een moeilijk geval. Ik heb een werkman
van 70 jaar, en toen die man 60 jaar bij ons in dienst
was, gaf ik hem een aandenken en zeide, dat ik hem een
pensioen zou geven, waarvan hij goed zou kunnen leven.
Daarop antwoordde hij liever bij ons te willen blijven,
want dat hij dood zou gaan, als hij niet meer in de
fabriek werkte. De man is in dienst gebleven en hij
werkt nog en goed. Wanneer iets dergelijks voorkwam,
zou men dan tegen den man moeten zeggen:, je moet weg"?
559(5. V. Dat zou nog volstrekt niet noodzakelijk zijn.
Maar afgezien daarvan, zoudt gij wenschen eene wettelijke
regeling, zóó dat algemeen de werkman, die zijn leven
lang gearbeid heeft, door genomen voorzorgsmaatregelen
behoed worde voor het overleveren aan de publieke wel-
dadigheid?
A. Ik gevoel veel voor eene verplichte pensionneering,
maar aan den anderen kant zijn er ook werklieden, die
niet deugen, waarmede samenwerking op den langen
duur onmogelijk wordt. Hoe moet het nu met hun
pensioen gaan, wanneer zij na een tijd van de fabriek
verwijderd worden ?
5597. V. Zoudt gij niet meenen, dat eene bepaalde
premie ter verzekering van een pensioen terecht kon
worden beschouwd als een gedeelte van het loon met
eene bepaalde bestemming, zoodat de man, even goed
als hij voor elk jaar werken het loon in zijn handen
ontvangt, ook kreeg een gedeelte loon met die bepaalde
bestemming, welk loon zijn eigendom bleef, onverschillig
of hij bij denzelfden patroon in dienst bleef, of bij een
ander overging, zoodat, wat er ook gebeurde, hij voor elk
jaar, dat hij bij een patroon gewerkt had, ook recht
kreeg op pensioen over dat jaar?
A. Dat zou niet zoo onbillijk zijn.
5598.    V. Als werkgever vindt gij die opvatting, dat
de premie voor pensioensverzekering beschouwd worde
als loon, dus niet onjuist?
A. Met die opvatting zou ik mij in beginsel zeer goed
kunnen vereenigen.
5599.    V. Gij zegt: „in beginsel". Bedoelt gij daarmede,
dat gij, wat betreft de financieele quaestie, een voorbe-
houd wenscht te maken ?
A. Ja.
5600.    V. Hebt gij woningen aan uwe fabriek ver-
bonden ?
A. Ja, 4. Twee daarvan zijn bestemd voor den machi-
nist, die een huishouden van 12 kinderen heeft en voor
wien ééne woning dus te klein is. In de andere twee
woningen wonen een stoker en nog een arbeider.
5601.    V. Die man met zijne 12 kinderen heeft zeker
kwade jaren gehad, toen nog geen er van mee verdiende ?
A. Hij had eene ferme vrouw, en daarvan hangt veel
af in een arbeidersgezin. Als dit het geval is, kunnen ze
met een klein bedrag rondkomen.
5602.    V. In dat gezin zijn nu zeker inbrengende
kinderen ?
A. Ja, een zoon is ook machinist en drie meisjes
werken bij ons. In dat gezin komt zeker f 40 in de
week in.
5603.    V. Is het wel eens gebeurd, dat werklieden
een huisje wilden bouwen en daarvoor voorschot vroegen ?
A. Ik geloof het wel. Zij kunnen het krijgen, indien
zij het verlangen.
5604.    V. Gij hebt ook eene fabriek te Apeldoorn. Zijt
gij met de werklieden daar ook bekend, zoodat gij over
hun gehalte ginds en hier een vergelijkend oordeel kunt
uitspreken ?
A. Daarvan ben ik niet zoo goed op de hoogte.
P. Smidt—Van Gelder.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. II. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Willem Baars, oud 25 jaar, sigarenmaker, en
secretaris van de afdeeling Krommenie van den
sociaal-democratischen bond, te Krommenie.
5605.    De Voorzitter: Hoeveel man werken er bij uw
patroon ?
A. Ik werk er alleen met 2 jongens, maar vroeger
werkte ik bij Baars met een aantal werklieden.
5606.    V. Is het te Krommenie bij de sigarenmaker?
regel om met jongens te werken?
A. Als men ze krijgen kan, maar dat gaat niet zoo
gemakkelijk als vroeger.
-ocr page 270-
261
5607.    V. Is er te Krommenie geen fabriek, waar in
\'t geheel geen jongens gebezigd worden ?
A. Neen.
5608.    V. Hoe denkt gij over het afschaften van jon-
gens bij het sigaren vak ?
A. Voor de jongens zou ik dat goed vinden, want
doordien de loonen voor ons zoo laag zijn, schiet er voor
de jongens niet veel over. Voor 15 stuivers of f 1.—
moeten zij een heelen dag met ons in touw zijn. Dat
is na de invoering van de arbeidswet wat beter geworden.
Mijne vakgenooten zouden afschaffing van de jongens
goedkeuren, omdat ten gevolge van de groote concurrentie
vele fabrikanten door jongens ons werk laten doen, op
soms 14jarigen leeftijd. Voor ons en voor de jongens zou
het beter zijn, als zij in den eersten tijd geweerd werden.
5609.    V. Maar is het geen bezwaar voor de jongens,
als zij er laat bijkomen? Kunnen zij het vak dan nog
leeren ?
A. Voor de leerlingen zou het goed zijn, als zij een
jaar of 2, 3 later in de leer kwamen. Wanneer een knaap
van school komt, wordt hij aan het strippen gezet, en
blijft dat doen tot zijn 15de jaar. Die 3 of 4 jaar leert
hij dus niets, zoodat hij even goed op zijn 15de jaar zoude
kunnen aankomen.
5610.    V. Wie neemt de jongens aan ?
A. De werkman, die ze ook betaalt.
5611.    V. Wie zorgt voor de naleving der arbeidswet
ten opzichte van die jeugdige arbeiders ?
A. De patroon.
5612.    V. Wordt de arbeidswet te Krommenie in uw \\
vak volledig nageleefd?
A. Ja, door alle patroons.
5613.    V. Zijt gij zelf op jeugdigen leeftijd bij het
vak gekomen?
A. Ja, op mijn 13de jaar.
5614.    V. Op welken leeftijd komen thans de jon-
gens aan ?
A. Meestal op hun 12de jaar.
5615.    V. Zoodra zij 12 jaar geworden zijn, of loopen
zij den cursus op de school nog ten einde?
A. Er zijner, die direct met hun 12de jaar de school
verlaten, maar er zijn er ook, die wachten tot 1 April,
wat de gewone tijd is om de school te verlaten.
5616.    V. Ik onderste], dat gij een voorstander zijt
van langer voortgezet onderwijs op de gewone lagere school?
A. Ja, en ook van het herhalingsonderwijs.
5617.    V. Wordt door u en uwe medearbeiders niet
daarheen gedreven, door te weigeren om jongens aan
te nemen vóór hun 13de jaar?
A. De beide leerlingen, die nu bij De Wit zijn, hebben
de school na hun 13de jaar verlaten; de een heeft zelfs
wat Fransch geleerd. Wij ijveren er ook wel voor om
de jongens tot hun 13de jaar op school te laten, maar
er zijn te veel ouders, die er naar hunkeren, dat het kind
iets kan inbrengen.
5618.    V. Zoudt gij het toejuichen, wanneer de wet-
gever tusschen beiden trad en den minimum-leeftijd ver-
hoogde, waarop met arbeiden mag worden aangevangen?
Enquête. — De Zaankant.
A. Zeer zeker, bepaald.
5619.    V. Hebt gij wel pogingen in het werk gesteld
bij uwe vakgenooten om zich onderling te verbinden in
hun kring te doen, wat gij zoudt wenschen, dat de
wetgever beval?
A. Ja, de Sigarenmakersbond in Nederland, waarvan
de meeste sigarenmakers te Krommenie lid zijn, heeft
besloten het aannemen van jongens zooveel mogelijk tegen
te gaan en te ijveren voor onderwijs tot het 14de levens-
i jaar. Wij doen daartoe ons best, maar worden tegenge-
werkt door de patroons.
De patroon heeft veel liever dat er nu en dan kin-
deren van 12 jaar op het werk komen, want zooveel
i te eerder kunnen zij sigaren maken, en de patroon
betaalt hun dan f 0.125 per 100 sigaren, terwijl de vol-
wassen werkman f 0.25 per 100 sigaren verdient.
5620.    V. Op welk jaar zoudt gij door den wetgever
den maximuin-grens willlen bepaald zien?
A. Op 14 jaar.
5621.    V. ("lij zeidet daareven, dat er zoovele ouders
zijn, die er naar hunkeren, dat hunne kinderen iets kunnen
verdienen. Zoudt gij dat bezwaar niet overwegend achten,
maar des ondanks wenschen, dat de wetgever doortastte
tot 14 jaar?
A. Dat bezwaar zou bij mij niet wegen.
5622.    V. De jongens, welke om 7 uur de fabriek
verlaten, werken die na dien tijd nog thuis ?
,1. Neen.
5623.    V. De volwassen arbeiders ook niet ?
A. Neen.
5624.    V. Bezoeken de jongens de avondschool?
A. In het sigarenmakers vak bezoeken zij nog al de
avondschool, omdat de sigarenmakers de jongens er toe
aansporen.
5625.    V. Hoe lang volgen zij de lessen aan die
school?
A. Dat is ongelijk; ik heb een leerling gehad, die
drie jaren achtereen de herhalingsschool heeft bezocht,
maar toen is hij sigarenmaker geworden en meende
genoeg geleerd te hebben.
5626.    V. Is het bezoek van de avondschool in Kroni-
menie nog al druk?
A. Ja, vroeger was er een burgemeester, die zeer
ijverde voor het herhalingsonderwijs, omdat hij over-
tuigd was dat die kinderen te weinig ontwikkeld waren.
Hij loofde prijzen uit, en het eerste jaar, dat hij aan het
werk ging, was het bezoek van het herhalingsonderwijs
belangrijk groot, en werd het de volgende jaren nog
grooter.
5627.    V. Meent gij, dat dit onderwijs door de ouders
voor hunne kinderen gewaardeerd wordt ?
A. Ja, meer dan vroeger.
5628.    V. Hoe lang is in uw vak de arbeidsduur
voor de volwassenen ?
A. \\Ay. uur per dag, na aftrek van de rusttijden.
")629. V. Beschrijf zulk een dag eens.
66
-ocr page 271-
262
A. De dag is van \'s morgens 5—12 uur zonder schaft-
tijd, de boterham wordt onder het werk genuttigd, en
van 1—9 uur, wederom zonder bepaalden schafttijd.
5630.    V. Is die arbeidsduur van li\'A uur alge-
meen, of hebt gij nu het oog op eene werkplaats, waar
bijzonder lang gewerkt wordt?
A. Er zijn op dit oogenblik in Krommenie 37 sigaren-
makers. Daarvan werken 30 met 15 jongens, te zamen
dus 45, op twee fabrieken. Een paar alleen werkende
sigarenmakers laat ik hier buiten beschouwing, die
hebben geen vast bepaalden werktijd.
5631.    V. Is die lange arbeidsduur verkiezing van
de werklieden, omdat zij op stuk werken ?
A. Neen, zij verlangen allen een korteren arbeidsduur.
5632.    V. Maar dan met verhooging van loon?
A. Neen, zij zouden zelfs tevreden zijn met wat
minder loon, als de werktijd maar wat korter werd.
5633.    V. Is in dien zin wel eens eene poging door
de werklieden gedaan 1
A. Ja wel, zelfs nog niet lang geleden. De fabrikant
Becker, vroeger Middelkamp, had eene groote bestelling
ontvangen. In den regel werkten de sigarenmakers daar
van \'s morgens 6 tot \'s avonds 8 uur, na aftrek van
1 uur schaft, dus 13 uren. Nu kwam de meesterknecht
en zeide, dat zij moesten werken van 5 tot 9 uur, en
\'s Zaterdags den geheelen nacht door. Het was den
werklieden echter meermalen gebleken, dat zij bij zulk
een langen arbeidsdag toch niet meer konden doen en
ook niet meer konden verdienen dan bij een korteren
arbeidsdag, omdat de oogen op het laatst te vermoeid
werden. Zij gingen dus gemeenschappelijk naar den
patroon on zeiden, dat zij wel wilden werken van 5 tot
S uur, maar niet langer, omdat zij toch ook nog iets
aan hun leven wilden hebben.
5634.    V. Wanneer er zooveel langer wordt gewerkt,
wordt dan het gewone stukloon gegeven of een hooger
A. Het gewone stukloon. Feitelijk krijgen zij dan nog
minder, want zulke groote bestellingen zijn gewoonlijk
van mindere soorten sigaren, waarvoor minder wordt
betaald. Terwijl zij anders 31 a 35 cents per 100 ont-
vangen, krijgen zij dan slechts 25 a 27 W cent.
5635.    V. Gij hebt 3traks gezegd, dat er in de twee
fabrieken wordt gewerkt 14^ uur, terwijl gij zooeven
zeidet, dat vóór die groote bestelling bij de firma Becker
werd gewerkt 13 uren. Die toestand van 14K uur werken
is dus van voorbijgaanden aard?
A. Ja, ik wil er nog bijvoegen, dat de werktijd zeer
wisselvallig is en wel eens tot 15 of 17 uren kan klimmen.
5636.    De heer Le Poole: Komt het bij uw vak te
Krommenie ook voor, dat er op de 1000 sigaren 40 meer
gegeven moeten worden ?
A. Dit is het geval niet.
5637.    De Voorzitter: Kunt gij ons betrouwbare loon-
cijfers noemen ?
A. Het hoogste loon, waar het jongensgeld afgetrok-
ken is, bedraagt f 10.
5638.    V. Bedoelt gij daarmede, dat een knap werkman
het tot f 10 kan brengen ?
A. Ja.
5639.    V. Met welken arbeidsduur?
A. Daarvoor is dan een flinke arbeidsduur noodig.
Zij verdienen tegenwoordig niet meer, omdat er goed-
koope sigaren worden gemaakt. Een werkdag van 6—8
uur is wel noodig om dit te verdienen.
5640.    V. Hoeveel verdient een middelmatig werkman ?
A. Ongeveer f 7.
5641.    V. Zijn de sigarenmakers meestal in een uit-
keeringsfonds voor ziekte?
A. Meest allen.
5642.    V. Is het een fonds van uw Bond of is het
„Hulp in lijden"?
A. Het algemeene werkliedenfonds „Hulp in lijden".
5643.    V. Wordt door de sigarenmakerspatroons in
geval van ziekte tegemoetkoming verleend?
A. Alleen aan de meesterknechts. De sigarenmakers
krijgen niets.
5644.    V. Worden op de sigarenfabrieken boeten toe-
gepast?
A. In Krommenie niet.
5645.    V. Wordt de ontstentenis daarvan door de
sigarenmakers als een groot voordeel beschouwd ?
A. Dat is zoo erg niet. want tegenover het boetestelsel,
dat op sommige sigarenfabrieken elders wordt toegepast,
staat ook weer, dat er premiën worden uitgeloofd. Wanneer
er echter een boelestelsel bestond, dan zou het bij ons
op het platteland spoediger toegepast worden dan in de
groote steden. In de groote steden, waar het minder
streng is, kunnen de lui wel een dag vrij krijgen, maar
op het land gaat dat niet zoo; hier is men strenger.
5646.    V. Wordt door de sigarenmakers hier nog al
Maandag gehouden?
A. Te Krommenie verzuimt nooit iemand, daar gaan
ze niet op sjouw, als in de steden.
5647.    V. Hebt gij in uwe hoedanigheid van secre-
taris der sociaal-democratische verecniging ons eenige
mededeelingen te doen, naar aanleiding der lijst van-
vraagpunten ?
A. Ja, Mijnheer de Voorzitter. Ik wensch te wijzen
op den arbeid van meisjes van 12 tot 16 jaar.
In den laatsten tijd is te Krommenie eene blikfabriek
opgericht geworden. Het inpakken van die stukken,
vroeger het werk van mannen, wordt nu verricht door
3 meisjes uit Assendelft tegen een loon van fl a f 1.50
per week, wat waarschijnlijk nooit hooger zal worden.
De arbeidsdag is van 8 tot 7 uur, niet overmatig, doch
daar komt bij, dat die meisjes bij het komen en gaan
3/4 uur moeten afleggen.
5648.    V. Wordt daar, ook ten opzichte van de mid-
dagrust, de arbeidswet nageleefd ?
A. Ja.
Een ander bezwaar, waar ik op wijzen wil, is
dit, dat, in strijd met het streven van den tijd om het
leerlingschap aan te moedigen in het belang eener goede
opleiding voor het vak, vele patroons, in dit geval ook
die blikfabrikant, het werk zóó verdeelen, dat het
onmogelijk wordt om het vak grondig te leeren. Een
jongen leert niet de verschillende deelen van een voor-
werp maken, maar een onderdeel, en verder komt hij
niet; de patroon heeft er wel voor gezorgd, dat dieleer-
lingen niets anders leeren dan alleen b.v. deksels maken,
-ocr page 272-
26:3
maar niet het overige van eene bus. Die jongens moesten
na een jaar of vier volslagen blikslagers zijn, maar nu
zullen zij dat nooit worden en nooit ergens anders
kunnen komen. Het staat dus te vreezen, dat het loon
voor hen nooit hooger zal worden.
5649. V. Is door de werklieden bij dien patroon wel
eens moeite gedaan om verandering in dien toestand te
brengen ?
A. Neen, die fabriek bestaat nog kort.
5650 V. Gij kunt dus niet zeggen, dat op dit punt
geen tegemoetkoming van den werkgever te wachten is?
A. Neen.
5651.    V. Gij wijst slechts op een gevaar, dat zal ont-
staan, wanneer de toestand onveranderd blijft?
A. Juist.
5652.    V. Hebt gij een oordeel over het werk van de
meisjes in de machinale garenspinnerij ?
A. Ja, de fabriek staat vlak bij mijn huis. De werk-
dag is niet bijzonder lang, maar het werk is zeer onge-
zond en de loonen zijn verschrikkelijk laag. Onder de
vraagpunten, die ik ontving, is er een, luidende: waar-
om juist het werk bij zoodanige bedrijven aan de
vrouwen wordt gegeven, en of mannelijke personen het
niet, of niet zoo goed, kunnen doen. Het antwoord daarop
is, dat de mannen het werk even goed kunnen doen,
maar de vrouwen het verrichten voor veel minder loon.
Een man kan niet de geheele week werken voor f 2.50
tot f 4.
5653.    V. Bij het bezoek van de spinnerij heeft het
ons getroffen, dat de meisjes er alles behalve netjes uit-
zagen. Intusschen werd ons verzekerd, dat de meisjes,
wanneer zij naar huis gaan, er wel degelijk netjes uitzien.
Kunt gij dat bevestigen?
A. Dat is zoo; aan de vaart bij de fabriek wasschen
zij zich en stoffen zij zich af.
5654.    V. Zij dragen den minder aangenamen bij-
naam van spinlorren, niet waar?
A. Ja.
5655.    V. Staan die meisjes minder goed aange-
schreven bij de bevolking?
A. Ja, bij een deel wel. Het blijkt dikwijls, dat,
wanneer een fabrieksmeisje in het huwelijk treedt, zij
voor huisvrouw niet deugt, en dit wijt men dan aan
dat meisje. Iemand, die er redelijk over denkt, zal be-
grijpen, dat dit ten onrechte is, want de omgeving, waarin
de meisjes op zoo\'n fabriek verkeeren, deugt volstrekt
niet om goede huisvrouwen op te leiden.
5656.    V. Dus een knap werkman zendt zijne dochter
niet naar de fabriek?
A. Neen.
5657.    V. De zeildoekindustrie te Krommenie verkeert
immers in minder bloeienden toestand?
A. Ja, in geheel Nederland is geen bedrijf te vinden,
dat er zoo ongelukkig bij staat, èn wat het werk betreft
èn wat het loon aangaat.
5658.    V. Die industrie verkeert in eene overgangs-
periode van handweverij naar machinale weverij?
A. Ja.
5659.    V. Zijn de machinale wevers, die allengs in
aantal zijn toegenomen, er naar uw oordeel ook slecht
aan toe?
A. Die hebben in geen geval een werk, waar het
zoo zeer op het lichaam aankomt. Hun werktijd is niet
zoo lang, maar de loonen zijn ook niet zoo hoog, hoewel
de handwever feitelijk minder verdient, doordat hij ver-
schillende uitgaven te doen heeft.
5660.    V. Weet gij, hoeveel er bij de handwevers per
stuk af gaat?
A. Wanneer zij in eene week eene rol afweven, dan is
dit f 1.—. De handwevers toch moeten f 0.25 huur voor
hunne werkplaats betalen, want daar zorgt de patroon
niet voor, en verder f 0.75 voor meel, hout en dergelijke.
5661.    V. Door een anderen getuige is ons eveneens
medegedeeld, dat de huur van het schuurtje f 0.25 in de
week kost, maar niet overeenstemmend met uwe mede-
deeling is, hetgeen hij zeide omtrent de kosten voor
hout, meel, enz., welke hij slechts op f 0.50 per week
schatte; in den winter iets meer, maar gemiddeld f 0.50.
Blijft gij nu bij uwe verklaring, dat die uitgaven wèl
! f 0.75 per week bedragen?
A. Zeker. Er zijn er zelfs, die nog meer uitgeven,
maar het gemiddelde bedrag is f 0.75, behalve de huur
voor de schuur.
5662.    V. Zijn de loonen der machinale wevers bij
alle fabrikanten vrijwel dezelfde?
A. Die loonen verschillen nog wel wat. Bij Sype-
, stein is er een, die f 9 verdient; bij Van Leijden ook
I een. Daarentegen zijn er bij van Sypestein meer, die
f 6.50 verdienen dan bij Van Leijden. Het gemiddelde
loon bij die twee firma\'s is f 6.
5663.    V. Is dat het loon van een gewoon wever, of van
een ouden wever, die niet meer zoo goed voort kan?
A. Oude wevers zijn er niet onder de stoomwevers.
het zijn allen menschen tusschen de 18 en 30 jaar.
5664.    V. Hoe komt dat?
A. Er worden tegenwoordig in Assendelft geene
jongelieden meer opgeleid tot handwevers. Als nu een
wever bij Van Sypestein bijv. een of twee zoons heeft,
die nog niets verdienen, vraagt de patroon hem of hij
die zoons niet wil doen opleiden tot stoomwever.
5665.    V. Zij moeten er dus nog in groeien?
A. Ja.
5666.    V. Wordt er bij de firma Planteijdt niet langer
gewerkt dan bij de andere fabrikanten ?
A. Ja, en dit is een gevolg van twee groote aanne-
mingen van Marine en Koloniën. Terwijl de werktijd
vroeger was van 7 tot 7 uur, is die nu geworden van
5 tot 8 uur; er wordt dan 3 uren langer gewerkt dan
bij de overige fabrikanten.
5667.    V. En het eenheidsloon is hetzelfde, als bij de
andere fabrikanten ?
A. Dat zal ik u zeggen. Er zijn wevers, die, wanneer
hun gevraagd wordt, wat ze verdienen, uit louter trotschheid
niet het zuivere bedrag noemen, maar een f 3 a f 4 er
bij doen. Vandaar, dat die praatjes in omloop komen.
Het hoogste bedrag is f 10 en dat is alleen bij Planteijdt,
omdat sommigen daar nog langer werken dan van 5
tot 8 uur.
-ocr page 273-
264
5668. V. Het is eene verrassende en bevreemdende
mededeeling, dat er wevers zouden zijn, die uit louter
trots een veel hooger cijfer noemen dan ze werkelijk
verdienen. De ondervinding leert eerder het omgekeerde.
Uwe verklaring, dat mensenen alleen om het heertje uit
te hangen het loon een f 3 ;i f 4 hooger noemen, dan
het werkelijk is, dunkt mij zonderling.
loon kan krijgen; welnu, die vrijheid bestaat voor
de zeildoekmakers niet. In die industrie heerscht nog,
hoewel het afgeschaft heet, het briefjesstelsel. Geen
zeildoekweverspatroon neemt een werkman aan, zonder
dat deze van zijn laatsten patroon een briefje kan toonen,
dat deze het goedvindt.
5678.   De heer Le Poole: Dit stelsel is immers hierdoor
ontstaan, dat de wever,die gereedschappen van den patroon
onder zich had. door een briefje moest bewijzen, dat hij
die bij het verlaten van zijn dienst in behoorlijke orde
had ingeleverd ?
A. Ja wel, maar tegenwoordig loonen er nog werklieden
te Krommenie die wel hun gereedschappen hebben terug-
gebracht, maar geen briefje kregen en nu niet weer aan
het werk konden komen.
5679.   De Voorzitter: Zijn dat werklieden, die watbij-
zonders op hun kerfstok hadden?
A. De zeildoekwevers zijn zeer onontwikkeld, zoodat
zij op aanmerkingen van den patroon waarschijnlijk
niet zwijgen of fatsoenlijk antwoorden, maar dikwerf
een ruw bescheid geven. Dat hebben deze menschen
misschien wel gedaan.
5680.    V. Zouden er misschien geen ernstiger redenen
zijn dan ruw optreden ?
A. Neen, daar zou ik van gehoord hebben.
5681.    V. Gij zeidet, dat het briefjesstelsel heet afge-
schaft te zijn, en gij ontkent, dat dit feitelijk het geval is ?
A. Ja, verschillende wevers hebben daarvan de onder-
vinding opgedaan.
5682.    V. Zijn er in den laatsten tijd wevers geweest,
die geen briefje konden krijgen, ofschoon zij hunne gereed-
schappen hadden teruggegeven?
A. Zij hebben wel een briefje gekregen, maar zijn
niet bij een ander aangenomen.
5683.    V. Gij zult het waarschijnlijk niet afkeuren,
wanneer de fabrikanten onderling een maatregel hebben
genomen om te voorkomen, dat gereedschappen, die hun
toebehooren, aan de rechtmatige eigenaars worden terug-
gegeven, wanneer de dienstbetrekking tusschen werkman
en patroon ophoudt?
A. Neen.
5684.    V, Indien dus het briefjesstelsel daartoe beperkt
blijft, keurt gij het goed ?
A. Ja.
5685.    V. Wildet gij voorheen te kenn n geven, dat
het briefjesstelsel, hoewel het afgeschaft heet, feitelijk
nog bestaat in dezer voege, dat, al heeft men het ge-
reedschap teruggebracht, men toch wel eens geen briefje
en dus ook geen ander werk kan krijgen?
A. Ik heb verschillende wevers gesproken, die be-
weerden, dat het niet enkel om dit punt te doen is,
maar er met dat briefjesstelsel bijbedoelingen in het
spel zijn.
5686.    V. Het is uiterst bedenkelijk om bijbedoelingen
als waar, als bestaande aan te nemen ; gemakkelijker is
het feiten te constateeren. Zijn u nu feiten bekend, dat
iemand, hoewel hij zijn gereedschap teruggebracht had.
toch het briefje niet kreeg en dientengevolge geen werk
kon krijgen ?
A. Neen, feiten zijn mij niet bekend.
A. Ja, dat komt omdat die jongens van een jaar of
16, 17 niet voor elkaar onder willen doen. De oudere
wevers doen dit echter niet.
5670.   De Voorzitter: Gij zeidet voorheen, dat de arbeids-
wet in uw vak trouw wordt nageleefd. Is dat in het alge-
meen het geval in Krommenie ?
A. Dat geloof ik wel. Ik denk niet, dat een patroon
of een werkman zich niet aan de wet houdt.
5671.    V. Hebben ze zich er vrijwillig naar gevoegd
of heelt het gemeentebestuur hen daartoe gedreven?
A. Ze hebben er zich vrijwillig naar gevoegd.
5672.    V. Hoe is de huisvesting der arbeiders te
Krommenie ?
A. Deze is nog al voldoende, omdat het gemeente-
bestuur goed de hand houdt aan de omtrent het bouwen
van woningen bestaande verordeningen, en de slechte
woningen doet afkeuren.
5673.   V. Meent gij den toestand bevredigend te kunnen
noemen ?
A. Ja. In andere plaatsen is het minder.
5674.    V. Zijn de huurprijzen niet geringer dan te
Wormerveer ?
A. Ja.
5675.    V. Ons is medegedeeld, dat woningen, die te
Wormerveer 26 stuivers kosten, te Krommenie niet meer
dan 16 stuivers kosten. Zijn die verhoudingscijfers juist?
A. Volkomen. Bij ons heeft men voor 15 stuivers een
knap huisje met een hokje om te wasschen en met een
bleekje, hetgeen elders een daalder kost.
5676.    V. Zijn er nog andere punten, waarover gij
wilt spreken?
A. Ja, over de uitbetaling van loonen. De meeste
zeildoekwevers wonen te Assendelft, en daar nu het geld
ontvangen wordt, als het stuk is goedgekeurd, en de een
op Maandag, de ander op Zaterdag zijn werk brengt,
is daarvan dikwijls het gevolg, dat de patroon om eene
of andere reden afwezig is, en de menschen uren lang
moeten wachten op hun geld, tot groot ongerief van de
menschen. Daaraan zou tegemoet kunnen worden gekomen,
wanneer de patroon aan een ander vertrouwd persoon
de keuring opdroeg, zooals geschiedt bij Schaap.
5677.    V. Zijn er in andere vakken patroons die
op een anderen dag dan op Zaterdag uitbetalen?
A. Neen.
Wat de verhouding tusschen werkgever en arbeiders
aangaat, die laat vooral bij de zeildoekwevers veel te wen-
schenover. Dit komt hoofdzakelijk hierdoor: velen zijn er
verblijd over, dat de arbeid vrij is, zoodat de arbeider daar
kan gaan, waar het hem het beste bevalt, of hij het meeste
-ocr page 274-
265
komt het wel voor, dat de patroons, indien het noodig
is, den werkman wat ondersteunen. Sommigen mogen
daarop laag neerzien, het is toch oorzaak, datdeverhou-
ding tusschen patroon en werkman er beter is.
Ik wil er nog op wijzen, dat in den winter soms gedu-
rende 7, 8 of 9 weken door de handwevers niet gewerkt
kan worden, omdat het sterksel, dat op de garens
wordt gesmeerd, bevriest.
5695.    V. Wordt er dan in het geheel niet gewerkt ?
A. Neen. De mensehen verdienen dan geen cent, en
l de loonen zijn zóó laag, dat zij niets over kunnen sparen
i voor den slechten tijd. Van de week heb ik daarover
\\ nog met een heel oud man gesproken, die er over
i klaagde, dat de patroons er niets aan deden. Dezen
winter is er veel over geschreven, en toen hebben de
patroons bedeeling gehouden.
5696.    V. Wat is er toen gebeurd?
A. De patroons hebben meel uitgedeeld en een half
pond spek per hoofd. Zij hadden toen eten genoeg, maar
daarentegen gebrek aan geld voor huishuur en licht.
Ten laatste gaven de patroons nog brandstoffen ook.
5697.    V. Wordt er door de fabrikanten geen voorschot
gegeven ?
A. Vroeger wel, maar 14 jaar geleden is dat afge-
schaft. De loonen waren toen zóó gedaald, dat er ten
slotte eene gedeeltelijke werkstaking is uitgebroken. Dr.
Simons en Dr. Bon konden het lijden der werklui ook niet
langer aanzien en ondersteunden hen. Tengevolge daarvan
is door de patroons een contract gemaakt, waarbij de
loonen tot hooger bedrag werden vastgesteld, doch het
voorschot, dat vroeger \'s winters werd gegeven en \'s zomers
werd ingehaald, werd afgeschaft. Langzamerhand zijn
de loonen echter weer zóó gedaald, dat zij weer even
. hoog zijn, als in het jaar dat de catastrophe plaats vond.
5698.    1\'. Is het u bekend, of de toestand van de
zeildoekindustrie van dien aard is, dat de werkgevers
tot verlaging van de loonen zijn gedwongen ?
A. Dit is mij niet bekend. Indien dit het geval was.
zou ik er niet over spreken. De heer L. Schaap, de
wethouder, betaalt b.v. voor eene rol best zeildoek altijd
f 8, d. i. het bedrag, dat in het contract vermeld stond.
De anderen betalen echter maar f 7.50.
5699.    V. Maar kunnen er geen redenen zijn, die de
andere fabrikanten daartoe noodzaken ?
A. Dat weet ik niet. Wij houden rekening met de
prijzen, welke door den heer Schaap worden betaald.
5700.    V. Ik herhaal mijne vraag, of gij ons nog
iets hebt mede te deelen?
A. Ja, het reinigen van de werkplaatsen laat veel te
wenschen over. En toch leert de ondervinding bij sigaren-
makers, wevers, enz., dat een paar dagen na de reini-
ging het werk veel aangenamer en frisscher van de
hand gaat.
5701.    V. Maar handwevers kunnen dat toch doen,
als zij willen ?
A. Betrekkelijk, zij nemen er niet gaarne een dag
van af. Mij ons wordt de boel maar aangeveegd, en eens
in \'t jaar, met Pinksteren, als \'t dan niet te druk is,
voor goed schoongemaakt.
5702.    De heer Kolkman: Komt er jenever in de fabriek?
A. Vroeger wel, maar nu geen drop.
5703.    V. Omdat de patroons het niet willen ?
67
5687.    V. Wenscht gij nog andere punten te be-
spreken ?
A. Ja, Mijnheer de Voorzitter, ik wenschte nog wel te
spreken over den toestand van de fabrieken, en meer bij zon-
der van de sigarenfabrieken, waarmede ik goed bekend ben.
Wanneer er gesproken wordt over de gezondheid
van de werklieden, dan zijn de sigarenfabrieken in Krom-
menie al zeer nadeelig ingericht voor de werklieden. Bij
Baars is er eene werkplaats, waaraan men met de hand
gemakkelijk den zolder kan aanraken. Die werkplaats
is ongeveer zoo groot, als eene gewone kamer, terwijl een
groot gedeelte ervan opgepropt ligt met werktuigen en
tabak. Een vreemdeling kan het er niet uithouden, en
zelfs de werklieden daar hebben last van de benauwde
atmosfeer. Nu is er wel een inspecteur geweest, die
de fabriek in oogenschouw heeft genomen, om te onder-
zoeken, of de toestand voldeed aan de eischen der gezond-
heid voor de werklieden. Die heeft gezegd, dat hier
en daar een koker of raam — want het is er ook
erg donker — moest worden gemaakt, maar alles is
toch bij het oude gebleven. Ook de werkplaats bij
Becker is erg ongezond, omdat zij geheel en al op
de zon staat. Nu staat er wel op het dak een lucht-
koker, maar aangezien de ruimte zóó klein is, dat
de werklieden op elkaar gepakt staan, is die lucht-
koker vlak boven het hoofd van twee der werklieden,
zoodat dezen, bij eenigszins koud weder, den geheelen
windstroom op hun hoofd krijgen, zoodat de koker
meestal niet wordt gebruikt.
5688.    V. Wordt dan niet met de ramen goed geven-
tileerd ?
A. De meeste keeren kan dit niet.
5689.   V. Is het niet ook uwe ondervinding, dat de werk-
Heden, gewend aan een minder goede atmosfeer, zelfs
de aanwezige ventilatiemiddelen niet naar mogelijkheid
aanwenden, en veel gevoeliger zijn vooreen gering tochtje
dan menig ander?
.4. Dat is mijne ondervinding niet. Wel zijn sigaren-
makers in den regel spoediger verkouden dan andere
werklieden, maar wij hebben ons nimmer ontzien om,
wanneer het kon, de ramen open te zetten.
5690.    V. Vindt gij, in het algemeen gesproken, dat
de verhouding tusschen werkgever en werkman minder
gunstig wordt?
.4. Ik vind minder gunstig.
6691. V. In hoever?
A. Hoofdzakelijk bestaat de industrie te Krommenie
uit de zeildoekmakerij en sigarenmakerij. In den laatsten
tijd is de verhouding tusschen patroons en werklieden
minder gunstig geworden, omdat de patroons nooit eens
komen zien, hoe de werklieden zich kunnen redden, hoe
zij leven, of zij wel met hun loon kunnen rondkomen.
Deden de patroons dit, dan zou de verhouding wel
gunstiger zijn. De wevers spreken hoogst zelden met den
patroon.
5692.    V. Gij doelt nu waarschijnlijk op de hand-
wevers; is de verhouding met de wevers in de fabrieken
zelve dezelfde ?
A. Die is beter. Wat de werkplaatsen betreft, daar is
de toestand niet zoo ongunstig.
5693.    V. Gij beweegt u zeker ook onder werklieden
in andere gedeelten van de Zaan ?
A. Ja wel.
5694.    V. Krijgt gij den indruk, dat daar de verhou-
ding gunstiger is?
A. Ja, gunstiger dan te Krommenie, omdat daar wel
patroons zijn, die zich met de werklieden bemoeien. Daar
Enquête. — De Zaankant
-ocr page 275-
26fi
A. Neen, het volk zelf wil dat niet, omdat het
slecht voor de oogen is; het wil niet eens op een ver-
jaardag of zoo getracteerd worden, omdat het drinken
slecht is voor de oogen en het werk.
5714.    V. Houdt gij strikt de hand aan de naleving
der wet?
A. Ja.
5715.    V. Nemen de jongens, die nu om 7 uur de
werkplaats moeten verlaten, nog werk naar huis mede ?
A. Neen. Ik heb wel een paar thuiswerkers,
slechts een daarvan werkt ook op de fabriek. Deze maakt
eene vreemdsoortige soort zakjes, waar veel omslag bij is,
dit doet hij thuis met vrouw en dochters, welke geheel
niet op mijne fabriek zijn. De anderen werken alleen
thuis, dat is dan om bijzondere redenen; de een b.v.
omdat hij op krukken loopt.
5716.    V. Is het u bekend, of de jongens van uwe
fabriek nog naar de avondschool gaan?
A. Neen.
5717.    V. Is er in Westzaan eene avondschool\'?
A. Zeker.
5718.    1\'. Wordt door u geen aandrang uitgeoefend
op de jongens om de avondschool te bezoeken?
A. Ik heb niet één Westzaander van dien leeftijd in
mijn dienst; de jongens komen van Assendelft naar
Westzaan.
W. Baars.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.taards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Jacobus De Jong, oud 48 jaar, papier-
fabrikant, firma Gebr. de Jong, te Westzaan.
5704.     De Voorzitter : Gij hebt te Zaandijk ook een
molen, niet waar, die uitsluitend door wind wordt gedreven?
A. Ja; die te Westzaan heeft hulpstoomvermogen
voor het papiermaken.
5705.    V. Gij hebt ook eene zakjesplakkerij met
annexe drukkerij ?
A. Ja.
5706.    V. Daar werken veel jeugdige arbeiders?
A. Ja.
5707.    V. Op welken leeftijd neemt gij die aan?
A. Van het 12de jaar af.
5708.    V. Verlangt gij een bewijs, dat die jongens
de school geheel hebben afgeloopen ?
A. Neen, ik neem alleen de proef, of zij lezen en
schrijven kunnen, anders wijs ik ze af.
5709.    V. Hebt gij nooit overwogen om liever een
getuigschrift te vragen van den onderwijzer ?
A. Neen.
5710.    V. Naamt gij vóór de wet van 1874 de jongens
op lager leeftijd aan ?
A. Neen; mijn vader stelde reeds dezelfde eischen
van lezen en schrijven, als ik nu.
5711.    V. Hoe is de werktijd geregeld?
A. De werktijden zijn van 6—8 uur, van 9—12 uur,
van l\'/j—4 uur en van 5—7 uur.
5719. V.
Westzaan?
Is het ver loopen van Assendelft naar
A. Een half uur.
5720.    V. Hoe komt het. dat gij alleen Assendelftsche
jongens in dienst hebt?
A. Te Assendelft was er niet genoeg werk tengevolge
van de stoomfabrieken. De jongens van daar waren
spoelere, en langzamerhand heb ik er van in mijn dienst
genomen.
5721.    V. Hebt gij ook jeugdige arbeiders in uwe
molens ?
A. In een molen 3, en in den anderen 4.
5722.    V. Wat voor werk verrichten die jongens daar?
A. Zeer licht werk; velletjes papier uitzoeken, pa-
pier rollen, enz.
5723.    V. Nemen zij geen deel aan het eigenlijke
papiermakerswerk ?
A. Dat werk bestaat in de fabriek te Zaandijk uit
twee kuipen. Nu is er bij elke kuip wel een jongen on;
te helpen, en dat zou men hoogstens licht knechtwerk
kunnen noemen, maar anders doen zij ;,een papier-
makerswerk.
5724.    V. Kunt gij u, wat de jongens in de molen?
aangaat, gemakkelijk houden aan de bepalingen van
de wet?
A. Dat is niet moeilijk.
5725.    V. Oefent het weggaan van die jongens des
avonds geen invloed op den-gang van het bedrijf?
A. Vroeger wel, maar nu niet meer. want wij hebben
meer personeel genomen.
5726.    T\'. Hebt gij bij de invoering van de wet ge-
vreesd, dat gij daardoor in moeilijkheden zoudt geraken •\'
Werd vroeger langer gewerkt dan tot 7 uur
5712. V.
\'s avonds?
A. Jaren geleden wel; maar in de laatste jaren is de
werkdag zoo geweest.
5713. V. Komt veel overwerk voor?
A. Weinig; sedert de jongens beneden de 16 jaar
niet meer na 7 uur \'s avonds mogen werken, hebben
wij alles er op ingericht om overwerk te voorkomen.
-ocr page 276-
267
A. Ik heb het wel gedacht, maar ik heb er geen
last van gehad.
5727.    V. Het is u dus medegevallen ?
A. Ja; ik vind den maatregel zelfs zeer goed.
5728.    V. Indien de wetgever verder ging en öf de
beperking, die nu geldt tot 16 jaar, uitbreidde tot 18
jaar öf wel voor de jongeren beneden 16 jaar den ar-
beidsduur nog meer beperkte en op 9 uren stelde,
opdat de jongens, niet al te vermoeid, aan het voortge-
zet onderwijs konden deelnemen, zou dat dan naar uwe
meening groot ongerief veroorzaken?
A. Dat wel, omdat het volk. dat met de jongens
werkt, dan niet langer zou kunnen werken dan de
jongens; maar den maatregel zou ik zeer waardeeren.
5729.    V. Gij hebt ook eenige vrouwelijke arbeiders?
A. Heel weinig. Vroeger had ik op de zoogenaamde
plakkerij te West-Zaan ook meisjes, maar die heb ik
langzamerhand afgeschaft. Op de papierfabriek heb ik
nog 6 vrouwen, allen boven de 16 jaar, 3 zijn reeds
oudjes
5730.    V. Zijn er ook getrouwde vrouwen onder?
A. Ja, eene heeft nog een man, en eene is weduwe.
5731.    V. Die vrouwen scheuren zeker lompen?
A. Ja.
5732.    V. Gebruikt gij nog uitsluitend gescheurde
lompen als grondstof?
A. Ja.
5733.    V. Ligt dit in den aard van het papier, hetwelk
gij fabriceert, dat gij lompen bezigt zonder bijvoeging
van andere grondstoffen?
A. Ja, wij maken Hollandsen wit papier van zuiver
lompen.
5734.    V. Het schoonmaken van lompen is zeker een
zeer vuil werk?
A. Neen, de lompen gaan in een grooten bak met
water en worden daarin machinaal dooreen geroerd, totdat
zij schoon zijn, het vuile water loopt voortdurend weg.
5735.    V. Het lompenscheuren behoort toch wel niet
tot de meest gezochte werkzaamheden?
A. Ik kan daarvoor altijd net zooveel menschen
vinden, als ik hebben wil. Zij zitten gezellig onder elkan-
der en werken precies zoolang, als zij willen. Het lokaal
is flink, groot en ruim en behalve van ramen ook van
luiken voorzien, die alle opengezet kunnen worden.
Als het huishouden klaar is, gaan de vrouwen wat naar
de zoogenaamde lompenkamer.
5736.    V. Wat verdienen die vrouwen ? •
A. Van f2 tot f4 per week. Alles gaat per kilo,
het hangt dus van haar zelf af, of zij wat meer of minder
verdienen, \'s Zaterdags werken zij nooit, dan blijven zij
thuis.
5737.    V. Zijn er in de lompenkamer bijzondere voor-
zorgsmaatregelen genomen voor de ventilatie?
A. Neen. Het meeste stof is ook reeds uit de lompen
verwijderd, want vóórdat zij onder de handen van de
vrouwen komen, komen zij eerst nog in den stofmolen;
daarin worden zij doorgewaaid, zoodat het meeste stof er
uit waait.
5738.    V. Hoe is de werktijd van uwe volwassen
arbeiders geregeld?
A. Voor hen, die per dag of per week betaald worden,
van \'s morgens 6 tot \'s avonds 6 uur, met de gewone
schafttijden.
5739.    V. Hoe lang duurt de middagschafttijd ?
A. VA uur.
5740.    V. Is dat altijd zoo geweest?
A. Ja.
5741.    V. Is het nooit slechts een uur geweest?
A. Neen.
5742.    V. Zijn dit lieden, die vast betaald worden?
A. Ja, zij hebben een vast week- of dagloon.
5743.    V. Wat is het onderscheid daartusschen?
A. De opperste knechts hebben een vast weekloon.
De anderen hebben een z.g. dagloon.
5744.    V. Ik deed de vraag om te weten, of zij, die
per dag betaald worden, niet alle zes dagen werken. Is
dit zoo?
A. Neen. Het komt feitelijk op hetzelfde neer.
5745.    V. Kunt gij ons de loonen opgeven van degenen,
die vast weekloon hebben?
A. In onderstaande opgave heb ik ook de stukwerkers
opgenomen.
Ik heb 27 mannen, die f 5.50—f 9 verdienen; voorts
17 jongens boven de 16 jaar, die f 2.40—f6.— hebben;
3 jongens van 12—16 jaar, die f 0.60—f 1.20 hebben;
10 jongens, die f 1.80—f 4.50 hebben; 3 vrouwen, die
f 3.00-f 4.00 hebben; 3 meisjes, die f 2.00—f 4.00
hebben.
Ik heb al deze loonen gemiddeld over 3 maanden
laten opmaken.
Ook voor de stukwerkers?
5746. V.
A.
Ja.
5747.    V. Is dat nu over een goeden of over een
minder goeden tijd genomen?
A. Dat maakt weinig verschil.
5748.    V. Zijn er onder de mannen, die f5.50 hebben,
ook gehuwde?
A. Een.
5749.    V. Is dat Bakker, dien wij als getuige hebben
gehoord?
A. Ja. Vroeger was zijn schoonvader meesterknecht
bij ons, en deze heeft verzocht hem in dienst te nemen.
5750.    V. Hij is vrij bejaard, niet waar?
A. Ja, doch hij werkt met de jongens gelijk op. Hij
is in de drogerij werkzaam.
5751.    V. Zijn er nog neveninkomsten?
A. Ja, de overuren. Die heb ik er niet bij genomen.
5752.    V. Kunt gij de geldelijke beteekenis daarvan
aangeven ?
-ocr page 277-
268
A. Ja, ik heb er een boel, die oud worden.
5764.    V. En wat gebeurt er met die oudjes?
A. Tot nu toe heb ik zulk een geval nog niet gehad,
maar mij staat veel te wachten in dit opzicht. Wel is
er een oude knecht van mijn vader, die in 1871 ge-
pensionneerd is met f 2 per week; die man is nog
krachtig en heeft nu 20 jaren lang f 104 ontvangen.
5765.    V. Gij zegt daar, dat u ten opzichte van oude
werklieden veel te wachten staat. Zoudt gij het toejuichen,
indien er eene wettelijke regeling tot stand kwam, ten-
gevolge waarvan ten deele op de werkgevers de last werd
gelegd, om jaarlijks een zeker bedrag te storten, opdat,
wanneer de werkman een hoogen leeftijd bereikte, aan
dezen eene wekelijksche uitkeering zou zijn verzekerd?
A. Daar zou ik niet tegen opzien; maar de papier-
industrie verkeert in een slechten toestand, zoodat menig-
een dan misschien zou zeggen: „weg met dien molen.\'\'
5766.    V. Is de toestand uwer industrie in de latere
jaren slechter geworden?
A. Ja.
5767.    V. Is dat uitsluitend een gevolg van de han-
delspolitiek van andere landen, of hangt het samen met
het feit, dat de windmolens de concurrentie niet kunnen
volgen ?
A. Ik denk, dat het aan beide is toe te schrijven,
maar voornamelijk aan buitenlandsche concurrentie.
5768.    V. Zoudt gij diezelfde meening ook uitspreken
ten opzichte van de stoomindustrie ?
A. Ik geloof, dat de stoomindustrie ook niet in gun-
stige omstandigheden verkeert.
5769.     De heer Kolkman: Zoudt gij het toejuichen,
indien hier te lande wettelijke maatregelen werden geno-
men om uwe industrie te beschermen, door het heffen
van inkomende rechten van buitenlandsch papier, tot
ongeveer gelijk bedrag als het Hollandsch papier in
het buitenland wordt belast?
A. Voor mijne industrie zou dit op het oogenblik wel
een voordeeltje geven, dat spreekt van zelf; maar toch
ben ik van dat stelsel geen voorstander, omdat het voor-
deel voor enkele fabrieken toch niet kan staan tegenover
het nadeel, aan het algemeen belang door protectie toe-
gebracht.
5770.    De Voorzitter: Wenscht gij onze aandacht wei-
licht nog op eenig punt te vestigen ?
A. Ik had eigenlijk verwacht, dat de heeren zouden
gezegd hebben: „wat verdienen de meisjes en jongens in
de zakjesplakkerij weinig". Ik zou dit hebben moeten
toegeven ; maar ter verontschuldiging diene. dat de prijzen
die wij kunnen maken, zóó miniem zijn, dat wij onmo-
gelijk meer loon zouden kunnen geven. Onze grootste
concurrenten in dit vak zijn de werkhuizen en gevan-
genissen. Mijn compagnon was onlangs in Zwolle, waar
wij altijd goede klanten voor zakjes hadden; wij konden
niets verkoopen, het meeste werd betrokken uit het werk-
huis. In Alkmaar hadden wij een paar jaar geleden nog
een klant, die jaarlijks voor f 1500 papieren zakjes af-
nam. Nauwelijks was de inrichting voor jeugdige ver-
oordeelden daar gevestigd, of in plaats van f 1500.—
hadden wij niets geen leverantie meer aan hem. Die
concurrentie is veel hinderlijker dan de invoer uit het
buitenland.
5771.    V. Is het u bekend, dat er in vele werkhuizen
en gevangenissen zakjes geplakt worden ?
A. Zoo direct in cijfers niet. Er zijn echter ver-
scheidene plakkers, die veel meer verdienen.
5753.    V. Kunnen de menschen aan de molens met
eene verdienste van f 7.— of f 8.— zonder bijinkomsten
met een gezin rondkomen?
A. De meesten wonen te Zaandijk, daarom weet ik
dat zoo niet. Ik erken, dat het loon niet groot is, maar
onze industrie laat niet toe hooger loon te geven.
5754.    V. Hoe lang werken de menschen aan een
windmolen ?
-4. Dat gaat zoo: altijd moeten er twee aan den
molen zijn, voor het geval er iets gebeurt, maar zij
verdeelen het werk onder elkander, zoodat zij, als er wind
is, in de 24 uren 16 uren arbeiden en 8 uitrusten. Ove-
rigens is het in den regel geen zwaar werk ; zij moeten
er zijn, dat is de hoofdzaak.
5755.    V. Op hoeveel dagen per jaar schat gij ge-
middeld, dat er dag en nacht gemalen wordt?
A. Op niet meer dan 60; een papiermolen heeft veel
meer wind noodig dan een andere molen.
5756.    V. Als er wind is, wordt er dan ook \'s Zondags
doorgemalen ?
A. Ja, eene enkele maal, als het heel druk is.
5757.    V. Wordt dan gewerkt op dezelfde wijze, als
op andere dagen?
A. Die arbeid wordt extra betaald met 15 ets. per
uur. Het is anders dan op de fabrieken; op Zondag
wordt gemalen, opdat de andere werklieden 2 of 3 dagen
daarna kunnen doorwerken, terwijl er geen wind is.
5758.    V. Als er geen wind is. komen de molenaars
dan toch evenlang aan den molen?
.4. Neen, dan komen zij van 6 tot 6 uur, evenals de
andere werklieden.
5759.    V. Dan hebben zij zeker weinig te doen?
.4. Ja, het is geen zwaar werk, maar zij moeten de
capaciteit hebben om met den molen om te gaan.
5760.    V. Zijn de bewegende deelen in uwe fabriek
omheind? De kalanders b.v.?
A. Neen, maar ik heb geen kalanders, zooals eene
stoomfabriek; ik heb alleen hulpstoomvermogen, een
machinetje van 4 paardenkrachten om handpapier te
maken.
5761.    V. Gaat in geval van ziekte het loon uwer
werklieden door?
.4. Ja, het geheele loon. Het is geen vaste wet, maar
steeds gebeurt het. Ik moet echter zeggen, dat wij weinig
zieken hebben gehad. De jongens zijn nog in de kracht
van hun leven, en de mannen zijn aan het werk ge-
wend, dat niet zwaar is. Verleden jaar heb ik een knecht
verloren, die 18 weken ziek is geweest; die heeft tot het
laatste toe zijn volle loon gehad.
5762.    V. Bestaat uwe firma al lang?
A. Van 1871 af, maar wij zijn de opvolgers van mijn
vader Gerbrand De Jong.
5763.    V. Gij zult dus ook wel menschen oud hebben
zien worden in dienst van uwe firma?
-ocr page 278-
269
5781.    V. Jongens beneden de 16 jaren?
A. Ja.
5782.    V. Wat doen die?
A. Een veegt den boel aan, en de andere drie maken
den kop aan de spoelmachine.
5783.    V. Gij leeft, gelijk ik veronderstel, stipt de
arbeidswet na ?
A. Ja.
5784.    V. Heeft de invoering der arbeidswet wijziging
gebracht in den werktijd ?
A. Neen, bij ons wordt en werd steeds gewerkt van
7—7 uur, met uitzondering van een enkel spoedgeval.
Dan beginnen wij om 6 uur.
5785.    V. Hebt gij meisjes aan \'t werk ?
A. Ja, die maken de klossen.
5786.    V. Werken die met de mannen in één lokaal ?
A. Ja.
5787.    V. Hebt gij een stukloonstelsel ?
A. Ja. Vroeger werd er nog al geluierd. Toen heb ik
gezegd: „naar den maatstaf van uwe tegenwoordige ver-
dienste zal ik voor de geheele bleekerij-arbeid een vast
loon geven per stuk, wekelijks te betalen, met een bijslag
tweemaal per jaar voor het overgewerkte." Het resultaat
is prachtig geweest. Op 31 Dec. heb ik aan 7 man
f 320.— en in Mei f 168.— kunnen uitkeeren. Daarvan
uwe ! ontving de meesterknecht f 101.— in December, een
; ander f 75.—, f 60.—, en zoo naar rato.
5788.    V. En het overige werk gaat per stuk ?
uwe : A. De zaak is zoo geregeld: ik geef een vast loon.
dat de man wekelijks krijgt, onverschillig of hij zoo-
veel geproduceerd heeft, dat hij dit loon op het stuk
; werkende zou verdiend hebben, en verder krijgen de
werklieden een bijslag naar evenredigheid van hetgeen
zij meer geproduceerd hebben.
5789 V. Wanneer er nu minder wordt geproduceerd
dan naar het loon moest zijn, trekt gij dat dan de volgende
week af?
A. Neen, een paar jaar geleden rekende ik om de
4 weken af. Toen gold derhalve zulk een compensatie-
systeem, maar daarmede heb ik spoedig opgehouden.
5790.   V. Hoe hoog zijn de minimum-loonen, waarvan
gij spraakt?
A. Voor de machinale wevers: f 7.20, f 6 60 en f 5.40
— het laatste bedrag is het loon van twee jongens van
17 en 18 jaren.
5791.    V. En de gemiddelde feitelijke loonen?
A. Verleden jaar f8.—, f7.50, f7.—, f6.50, f6.—.
5792.    V. Zijn die cijfers thans gunstiger?
A. Ja, dat hangt van het werk af. Betere garens
werken vlugger. Ik heb weken gehad van f 8, maar in
Juni was er eene week van f 11, en eene van f 10. Gemid-
deld is thans het feitelijk loon voor een goeden machi-
nalen wever f 9.
5793.    V. Indien ons is medegedeeld, dat het gemid-
delde loon van machinale wevers bij uwe firma bedraagt
f 6, dan is dit beslist onjuist?
68
A. In Utrecht is het ook zoo. Van de firma Wardorff zegt men, dat zij alles in de gevangenis laat plken. Ook in Noord wijk is eene armeninrichting, wzakjes geplakt worden.
5772. V. Hebt gij zelf wel eens in de gevangelaten arbeiden?
A. Neen, want wij hebben geen gevangenis in oonmiddellijke nabijheid.
.In. De Jong C4z.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secreta
Verhoor van Dirk Van Leijden, oud 36 jaar, zeildoebrikant, firma D. Van Leijden & Zn., tevens mededirecteur van de machinale garenspinnerij, te
Krommenie.
5773.    De Voorzitter: Sedert wanneer bestaat
machinale weverij ?
A. Ongeveer 4 jaar.
5774.    V. Werd vóór dien tijd het bedrijf door
firma geheel door handweverij uitgeoefend ?
A. Ja.
5775.    V. Gaat de handweverij erg achteruit?
A. Ja.
5776.    V. Hoe groot schat gij tegenwoordig het aahandwevers ?
A. 180.
5777.    V. En hoe groot is het vroeger wel geweA. 300 a 350.
5778.    V. Beschouwt gij de handweverij alstendoopgeschreven ?
A. Ja. Indien het mogelijk was uitsluitend bestevers te hebben, dan niet; doch dit kan natuurlijkHet vak gaat nu teniet, omdat er geen nieuwe hwevers worden aangekweekt. Wanneer wij 10 jaar vezijn, zijn er misschien weer 100 minder. Het is zekegeen 6 jaren gebeurd, dat ik een nieuwen handwheb gekregen.
5779.    V. Hoeveel hebt gij er nu nog?
A. Ongeveer 50.
5780.    V. Hoe talrijk is het personeel in uwe manale weverij?
A. 22 mannen en 4 jongens.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 279-
270
A. Ja, zeker. De werklieden betalen hunne premiën
voor het zieken- en ondersteuningsfonds in verhouding
tot hun loon over het afgeloopen jaar, en nu zijn de
cijfers, die ik heb medegedeeld, de gemiddelde, die vast
zijn gesteld op de vergadering, die ter zake van dat fonds
met de werklieden is gehouden.
57514. V. Dat ziekenfonds is van zeer jeugdige dag-
teekening. niet waar?
A. Van verleden jaar.
5795. V. Hoe was de toestand vóór dien tijd in geval
van ziekte?
A. Toen waren zij lid van „Hulp in lijden", en
in geval van ziekte suppleerde ik het verschil tusschen
de uitkeering en het weekloon.
579(5. V. Op welke grondslagen hebt gij dat fonds
opgericht ?
A. De werklieden betalen 1 °/o van hun loon, terwijl
wij ons verbonden hebben vijf jaren lang te geven 2 °/„
en steeds te blijven bijdragen 1 °/0.
5797.    V. Welke uitkeering hebben zij daarvoor?
A. 90 ° 0 van hun loon.
5798.    V. Meent gij met een totaal-bijdrage van 3°/0,
90 u/ft van het loon te kunnen blijven uitkeeren?
A. Wanneer een handwever goed doorweeft, kan
hij een stuk zeilgoed in 5 dagen afmaken. Maar de een
bebouwt er een stukje grond bij, de ander doet weer
wat anders. De gemiddelde tijd is zoowat eene week.
5805.    V. Gemiddeld komt het cijfer per stuk dus
overeen met het verdiende in eene week?
A. Ja.
5806.    V. Als zij het stuk in 5 dagen afwerken, spoelen
zij dan zelf ook ?
A. Dat weet ik niet, ik kom nooit bij de handwevers
aan huis. Als zij er eene week over doen, kunnen zij
gemakkelijk het spoelwerk er bij nemen; ik zou denken,
bij 5 dagen ook wel. Een wever weeft niet altijd door,
de helft van den tijd gaat heen met het sterken van
het garen, het garen moet dan gedroogd worden, en
dan eerst kan hij weder aan het weven. In dien tus-
schentijd kan hij best zijne kops maken.
5807.    V. Weet gij niet, of feitelijk door vrouwen
en kinderen medegewerkt wordt?
A. De vrouwen zullen zeker dikwijls spoelen, maar
de kinderen gaan meestal naar school, of anders naar
de fabrieken.
5808.    V. Maar zij zouden kunnen helpen voor, na
en tusschen de schooltijden?
A. Ik geloof het met
5809. V. ()mtrent de uitgaven, die de handwevers te
doen hebben voor hun werk, hebben wij tegenstrijdige
mededeelingen ontvangen. Overeenstemmend waren de
mededeelingen, dat zij voor het gebruik van een
schuurtje 25 cents per week moeten betalen; is dat ook
uws inziens ook?
A. Dat kan zeer goed. Maar er is nog eene neven-
bedoeling, waarom wij het gedaan hebben, en dat is om
tot een pensioenfonds te komen, want in onze weverij
hebben wij hoofdzakelijk jong volk. Wij hebben nu
reeds eene storting gedaan van 150 gulden. Nu willen
wij vijf jaren wachten en dan zien, of wij aan het
fonds ook nog iets kunnen verbinden, b.v. een zieken-
fonds met geneeskundige hulp.
A. Wanneer dat schuurtje ten minste niet onder de
woning begrepen is. Meestal huren de handwevers eene
woning met een schuurtje.
5810.    V. Dan zullen waarschijnlijk die woningen
iets hooger in huur zijn. dan woningen zonder schuur\'!1
A. Dat geloof ik niet.
5811.   V. Over de andere kosten voor meel en zeep.
enz. kregen we daarentegen tegenstrijdige berichten. De
een gaf 10 stuivers op, de ander noemde 15 stuivers. Is
dit laatste het gemiddelde?
A. Dat zeker niet. Er zal misschien wel een voor-
beeld van aan te halen zijn, maar het gemiddelde is 50
cents. Voor breed werk kan het 15 stuivers zijn geweest,
maar voor smal werk, z.g. Engelsche breedte, dat tegen-
woordig meer courant is, zeker niet.
5812.    V. Hoe gaat het met de uitbetaling aan de
huiswevers ?
A. Eiken morgen van 9 — 12 uur wordt dit gedaan,
behalve \'s Maandags.
5813.    V. Er is beweerd, dat het een grief van de
wevers is, dat zij vaak lang, soms uren, op hun loon
moeten wachten, omdat het werk gekeurd moet worden
en dat zij zelfs wel eens zonder loon huiswaarts moe-
ten gaan, wat voor hen te onaangenamer is bij den grooten
afstand. Is dit juist?
A. Wat mijne fabriek betreft, is het positief onwaar.
Wij zijn er met ons vieren voor om de wevers te helpen.
5814.    V. De bewering was, dat sommige patroons het
werk zelf keuren en het niet aan anderen willen overlaten,
5799.    V. En denkt gij dat te kunnen doen met 3 °/0
van het loon?
A. Neen, wij willen echter trachten om bij de wevers
liet idee ingang te doen vinden, een verder deel van hun
loon daarvoor af te zonderen.
5800.    V. Hebt gij reden om te vermoeden, dat de \\
wevers zich opofferingen voor dat doel zouden willen ge-
troosten?
A. Ja. Toen wij op de algemeene jaarlijksche ver-
gadering mededeelden, dat wij f 100 gaven voor het
fonds, zeiden zij: „kijk, dat gaat goed, want op die
manier hebben wij kans, dat wij aan de pensioentjes
zullen komen".
5801.    V. Gij spraakt daar van eene jaarvergadering;
verzamelt gij dan uw geheele personeel?
A. Ja. De firma is daar voorzitter, en het bestuur
is saamgesteld uit een werkman uit de weverij, één uit
de bleekerij en één uit het pakhuis; dat bestuur kiezen
zij zelf.
5802.    V. Zijn de verdiensten van de handwevers
geringer dan die van de machinale wevers?
A. Gemiddeld wel, niet van allen. Er zijn hand-
wevers, die f9.—, f 10.— ontvangen, waarvan natuurlijk,
zooals u weet, nog wat af moet. Gemiddeld verdienen
zij f 7.— . f6.—. Vijf heb ik er van f5, waarvan 4 zijn
boven de HO jaar.
5803.    V. Dat zijn de verdiensten per stuk?
A. Ja.
5804.    V. Hoe lang wordt er over een stuk gewerkt?
-ocr page 280-
271
en dat men, wanneer zij soms uit zijn, langen tijd moet
wachten, en het geld niet uitbetaald wordt. Is dat niet
het geval bij u?
A. Neen, nooit. Gisteren is het gebeurd, dat de
meester naar de Enquête-Commissie was. Zijn zoon heeft
het stuk toen aangenomen en het geld uitbetaald, maar
geen nieuw werk uitgegeven. Dit was echter eene excep-
tioneele omstandigheid.
5815.    V. Kunnen de wevers in den winter geruimen
tijd niet werken?
A. Als eene schuur erg slecht en tochtig is, dan
willen zij bij strenge vorst wel last hebben met de
pap. Vroeger werden in die omstandigheid voorschotten
verleend, die in den zomer ingehaald werden. Maar ;
om het misbruik, dat er van gemaakt werd, is men daar-
mede geëindigd, en sedert gebeurt het maar zelden, dat
zij om vorst moeten verzuimen. Het moet dan al erg
streng zijn, zooals dezen winter. Toen hebben zij wel
eene week of vijf gesukkeld.
\'\'
5816.    V. En hoe zijn de menschen dien tijd door-
gekomen ?
A. Wij hebben hen toen geholpen met turf en etens-
waren, maar niet allen hebben daarvan zelfs willen
profiteeren.
5817.    V. Zouden juist dezulken, die niet bedeeld
wilden zijn, niet gaarne een voorschot hebben aange-
nomen ?
A. Ik denk het niet; zij zullen den druk dienten-
gevolge in den zomertijd, nu zij er eens onder uit zijn,
niet terugwenschen.
5818.    V. Is het waar, dat er voor eenige jaren een
soort van contract is aangegaan tot verhooging van loon,
ik meen tot f 8, doch dat sedert langzamerhand het
loon weder tot het oude bedrag teruggezonken is ?
A. Neen, maar er is iets van waar. In 1878 is er
met eene commissie uit Assendelft gecorrespondeerd
door de fabrikanten over de loonen. Toen is tengevolge
daarvan eene lijst vastgesteld, die nog wordt toegepast;
maar er heeft zich het volgende voorgedaan. De Minister
van Marine heeft ons gedwongen om lagere prijzen te }
noteeren, en hoewel ik persoonlijk mondeling en schrif-
telijk met het oog op de loonen bij den Minister daar-
tegen ben opgekomen, heeft het niet mogen baten.
Toen de contracten gesloten waren, moest ik lagere
loonen geven. Het buitenland heeft toen nog een deel
van de leverantie gehad.
5819.    V. Die contracten zijn immers nu afgeloopen;
worden thans de destijds overeengekomen prijzen be-
taald aan het werkvolk ?
A. Ja, met uitzondering van het loon van breed
graaldoek. Dit kan niet meer opbrengen; het is een zeer
speciaal goed. Men had daarvoor f 8 gesteld, maar ik
betaal f 7.50.
5820.    V. De bewering van een der getuigen, dat
slechts ééne firma, de firma Schaap, zich aan de afspraak
houdt, was dus, afgezien van dat eene soort goed, slechts
ten deele juist, en dan nog alleen voor den tijd, waarin
de afgeloopen contracten met de Regeering liepen ?
A. Ja, overigens is het pertinent onjuist.
5821.    De heer Kolkman : Heeft de Regeering u toen
gedwongen om lagere prijzen te noteeren, en gaf zij
toch een deel van de leverantie aan het buitenland?
A. Ja, het was de Minister Dyserinck, drie jaar ge-
leden ; de heer Mac Leod was chef van uitrusting. Op
mijne persoonlijke schriftelijke en mondelinge bemoeiin-
gen heb ik geen succes gehad. Wij stonden toen tegen
den winter, en ik had de keuze tusschen het laten
schieten van het contract of de verlaging der loonen
voor dat doek. Het volk wist het trouwens ook, want
door het doek voor Marine loopt een bepaalde draad,
die bij particuliere leveringen niet voorkomt. De mede-
dinging was zóó sterk, dat Scrive et fils te Rijssel ook
nog een deel van de levering heeft gehad.
5822.   De heer Kolkman: Scheelden de prijzen veel ?
A. Met een perceel was ik gelijk, en een ander,
waarvoor ik lager ingeschreven had, is mij gegund. De
Minister wilde het niet gelooven, maar ik deed het om
den boel aan den gang te houden. Wanneer men moet
concurreeren met handwerk tegenover eene machinale
weverij, dan kan men dat niet anders doen dan door
verlaging van de loonen. Ook koopt de concurrent de
grondstoffen zeer zeker niet duurder, want in Frankrijk
heeft men bescherming.
5823.    De heer Le Poole : Geeft gij voor uwe stoom -
weverij de voorkeur aan jongens, die het vak nog niet
geleerd hebben, of aan handwevers, die vroeger reeds
zeildoek hebben geweven?
A. Ik geef de voorkeur aan jongens van 17 a 18
jaar, die vlug zijn.
5824.    V. Dus daardoor is voor de oude handwevers
de gelegenheid uitgesloten om bij de stoomweverij werk
te vinden ?
A. Ja. Een enkele oude handwever is nog geplaatst.
5825.    V. Komt dit daarvan, dat de handwevers te
veel gewend zijn aan hunne oude wijze van doen. of vatten
de jongens terstond zoo goed de bewerking op het
stoomgetouw?
A. IT moet denken, dat de jongens in Assendelft en
Krommenie van hunne jeugd af aan de weverij zagen. Zij
hebben idéé van draadmaken, van kettingen, kammen,
enz., zoodat zij heel spoedig het machinale weven leeren.
5826.    V. Hebt gij wel eens opgemerkt, dat de stoom-
wevers de eerste dagen der week minder hard werken,
en in de laatste dagen weder harder om tot hun loon
te komen?
A. Neen. Wel doet het zich soms voor, wanneei
het garen slecht is, of iets aan de machine moet ge-
repareerd worden, wat niet dadelijk gereed is, zoodat zij
zien, dat de week toch niet goed is en dat zij niet
meer dan het minimum-loon kunnen verdienen, dat
zij dan ook niet zoo vlug werken.
5827.   De Voorzitter: Hebt gij niet in het afgeloopen
jaar een klein, doch niet geheel onbeduidend ongeval gehad,
doordat een wever met zijne hand tusschen de tandrade-
ren kwam ?\'
A. Een anderhalf jaar geleden is een jongen met
zijne vingers tusschen het tandrad van de sterkmachine
gekomen, doordat hij stond te praten en zijne vingers
ondoordacht op het wiel legde.
5828.    V. Dit heeft geen ernstige verwonding ten
gevolge gehad ?
A. Neen. Voor ernstige ongelukken zijn wij ook
verzekerd.
5829.   De heer Le Poole : Uwe fabriek is nog al uit-
gebreid. Wanneer er een ongeluk mocht gebeuren, is
er dan door alle lokalen heen gelegenheid om aan den
machinist een sein te geven, ten einde de machine
dadelijk te doen stoppen ?
-ocr page 281-
272
A. Dat is niet noodig. Alle machines hebben eene
losse schijf; elke machine kan dadelijk afgezet worden.
5830.   De Voorzitter: Hebt gij wellicht onze aandacht
nog op het een of ander te vestigen ?
A. Bij uwe verschillende vragen hebt gij niet ge-
vraagd naar de beukerij, waaromtrent ook door een knecht
inlichtingen aan uwe Commissie zijn verstrekt.
5831.    V. Hij heeft ons eene beschrijving gegeven
van het beukwerk. Is dat niet eene bezigheid, die zeer
veel stof veroorzaakt ?
A. Ja wel, maar in den molen is dat toch geen
bezwaar, omdat deze goed geventileerd is. De molen
staat hoog en is aan alle zijden van luiken voorzien.
5832.    V. Laat gij ook bij u aan de fabriek beuken ?
A. Neen, alleen in den molen.
5833.    V. Gij zijt ook mede-directeur van de garen-
spinnerij, niet waar?
A. Ja.
5834.    V. Bij ons bezoek aan die inrichting heeft het
verwilderd uitzien van de meisjes en de groote stoffig-
heid ons getroffen. Hebben wij het toen exceptioneel
slecht getroffen ?
A. Zeker. Het was op dien Siberischen dag toen
alles dicht, er was geen mogelijkheid om het stof te ver-
wijderen, terwijl anders alles openstaat. De stofverwij-
dering is wel niet zooals zij wezen moest, maar om dat
goed te doen moesten wij een krachtiger ventilatietoe-
stel hebben; daarvoor is eene verandering der machine
en uitbouw van de kaardkamer noodig. Dit alles kost
veel geld, en wij hebben in 4 jaar geen dividend uitge-
keerd.
5835.   De heer Le Poole: Zou het niet mogelijk zijn
om te zorgen, dat na iederen schafttijd het stof was
weggeveegd en verwijderd, en met het oog daarop
iemand aan te stellen?
A. Wanneer gij in de fabriek komt, nadat de ma-
chine stil heeft gestaan, is alles frisch. De kaardmachine
geeft het meeste stof.
5836.   De Voorzitter: Nog iets over de zeildoekfabriek,
Door een getuige is gesproken over een briefjesstelsel -
volgens hetwelk een werkman niet bij een anderen pa-
troon in dienst kon komen zonder een briefje van ontl
slag van den vorigen. Hij voegde er bij, dat dit stelset
wel afgeschaft heet, maar feitelijk nog bestaat. Is die
juist? En zoo ja, krijgen dan de menschen het briefj
altijd, wanneer zij hun gereedschap maar terugbrengen ?
A. Dit is eene vraag, die vóór 10 a, 15 jaar misschien
van pas zoude zijn geweest, thans niet meer. Als iemand
mij 25 handwevers wil afnemen, krijgt hij f 1000 van
mij toe.
A. Sedert 1886. Ik heb nu 10 handwevers en vroeger
hield ik er 80.
5838.    V. Houdt gij de handwevers aan om hen niet
aan hun lot over te laten?
A. In zekeren zin ja, maar onder voorwaarde, dat ik
er zelf ook wat aan verdien. Mijne concurrenten denken
daar anders over; die hebben het loon verlaagd van
f 9 op f 7, indertijd, ik meen in 1887.
5839.    V. Is die verlaging geen gevolg van de con-
currentie bij aannemingen van de Regeering?
A. Dat kan ik niet zeggen, mijne wevers werken niet
voor aannemingen. Maar het zou mij verwonderen, omdat
de prijzen van het handgeweven doek voor aanbestedingen
2 of" 3 jaar geleden nog lager waren dan de ingeschreven prij-
zen van een fransch fabrikant, en toentertijd waren de loo-
nen van die soorten nog niet verlaagd. Bovendien wordt de
grootste, en zoo ik meen ingrijpendste, verlaging toegepast
op die soorten, welke nooit worden aanbesteed, nl. een-
en tweedraads doek; dit loon wordt veelal van f 10 en
f 9 gereduceerd tot f 7. In hoever dit gedaan wordt om
te kunnen concurreeren, weet ik niet, aangezien niet alle
fabrikanten de loonen voor deze soorten hebben verlaagd:
ik meen, dat de heer Schaap nog het bij contract be-
paalde loon geeft.
5840.   V. Wat verdienen de handwevers?
A. Tweedraadsdoek wordt betaald met f 10 per stuk
van 33 M., ééndraadsdoek van dezelfde lengte met f 9.
De andere soorten dalen van f 8.50 tot f 5 toe.
5841.    V. Krijgt elke handwever afwisselend die ver-
schillende soorten?
A. Neen. Tweedraadsdoek is de beste qualiteit, die
te vinden is. Wanneer nu een man ouder wordt, dan
kost dat beste doek hem te veel inspanning en krijgt
hij doek van minder qualiteit, en zoo daalt hij langzaam.
5842.    V. Zoodat een zeker man in een zeker jaar
altijd hetzelfde doek maakt en, naar gelang hij ouder
wordt, minder goed te maken krijgt?
A. Ja, het hangt af van de krachten. Als zoo\'n man
ernstig ziek is geweest, heeft hij soms ook de krachten
niet meer om het zeer zware werk te verrichten, dat
het tweedraadsdoek eischt; want die menschen kunnen
zich niet met versterkende middelen spoedig krachtig
maken en kunnen niet voldoen aan de hooge eischen,
waaraan de stoomweverij heden voldoen moet.
5843.    V. Dus de lieden die tweedraadsdoek maken,
zijn veel geringer in aantal dan de anderen?
A. Ik onderstel van ja.
5844.    V. Geeft gij thans nog ook mindere soorten
doek uit aan de handwevers?
A. Neen, die maak ik op de stoomfabriek.
5845.    V. Hoe lang werkt een wever over zulk een
stuk tweedraads best zeildoek ?
A. De regel is eene week; er zijn er ook, die drie
stukken in de veertien dagen maken, maar dat is uit-
zondering.
5846.    V. Werken dan vrouw en kinderen mede?
A. De vrouw spoelt en knoopt in enkele gevallen.
5847.    V. Werkt zij dan den geheelen dag mede?
A. Neen, een poosje.
5848.    V. Het hand we ven is een buitengewoon zwaar
werk, niet waar?
D. Van Leijden.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Dirk Planteijdt, oud 29 jaar, zeildoek-
fabrikant, te Krommenie.
5837. De Voorzitter: Sedert wanneer werkt gij machi-
naal ?
-ocr page 282-
273
Van 5 uur \'s morgens tot 8 uur \'s avonds.
V. Is dat, omdat gij het exceptioneel druk
A. Ja.
5849. V. Zoodat de mensehen zeer vroeg opraken t
A.
Dat is mijne overtuiging.
5864
hebt ?
.4. Ja; anders is de werktijd van 7 uur \'s morgens
5850. V. Komt het voor, dat de wevers geruimen | tot 7 uur \'s avonds, met rusttijden, voor de wevers boven
de 16 jaren van 8X — 9, van 12—1 en van 4—4)4 uur.
tijd, soms een paar uren, moeten wachten op het loon,
wanneer zij het werk aan de fabriek brengen, en zelfs
wel eens terug moeten komen, omdat men met de
keuring niet gereed is?
A. Het kan gebeuren, als bv. een der patroons op
het kantoor is, omdat de ketting geschoren moet worden,
en dan zeg ik: „ik zal het werk laten bezorgen." Dat
zij echter moeten terugkomen, is een zeldzaam geval.
5851.    V. \'s Winters kunnen de handwevers niet
werken ?
A. Neen.
5852.    V. Geldt dat bij exceptioneele koude, of is dat
eiken winter het geval ?
A. Dat hangt hoofdzakelijk af van de vorst, want
dan bevriest het sterksel van de ketting.
5865.    V. Wonen uwe wevers ver van de fabriek?
A. Het grootste gedeelte woont in Assendelft.
5866.    V. Is het van daar ver loopen ?
.4. Voor sommigen een kwartier, voor anderen een
half uur of een uur.
5867.    V. Hoe doen de lieden, die zoo ver wonen,
in hun schafttijd ?
A. Die kunnen zich in een ander gebouw verwarmen
en daar hunne koffie drinken, terwijl zij in dezen tijd
onder de boomen in het gras liggen.
5868.    V. Eten de lieden, die den schaftijd aan de
fabriek doorbrengen, geen warmen pot ?
.4. Neen, hoofdzakelijk brood.
5869.    V. Hebt gij niet overwogen, den middag-rusttijd
van een uur te verlengen ?
A. Ja.
5870.    V. Wat heeft u weerhouden die verlenging in
te voeren ?
A. Ik heb meermalen getracht dien rusttijd te ver-
lengen, maar dan ontaardde de rust meestal in onrust,
want er werd allerlei kattekwaad uitgevoerd. Komt er
dan vrouwenpersoneel uit de spoelerij bij, dan geeft dit
verhoudingen, die ik niet gewenscht acht.
5871.    V\'. Zoudt gij het er niet heen kunnen leiden,
dat zij naar huis gingen eten ?
A. Dat zou voor de meesten groot bezwaar ople-
veren. De meesten wonen meer dan \'; uur van de
fabriek. Verlenging van den middagschafttijd zou dus
in dat opzicht tot weinig resultaat leiden.
5872.    V. Tegenwoordig zijn de menschen dus \'s avonds
eerst thuis tegen 8\'; of 9 uur. Hebben zij dan den
geheelen dag geen warm eten gehad ?
A. Neen.
5873.    V. Hebt gij er nooit aan gedacht eene inrich-
ting te maken, waardoor zij aan de fabriek warm eten
zouden krijgen ?
A. Zeker, maar het denkbeeld is altijd afgestuit op
financieele bezwaren.
5874.    V. Hebt gij met de menschen zei ven er wel
eens over gesproken, om zoo iets tot stand te brengen,
in dien zin, dat zij er zelf iets toe zouden bijdragen ?
A. Ja wel, maar het heeft tot geen resultaat geleid.
Zij zouden wellicht hoogstens 10 cents in de week willen
bijdragen, maar dat is veel te weinig om voor de voe-
ding van 30 man te zorgen.
5875.    V. Gelooft gij niet, dat zij het zeer betreuren
geen warm eten te krijgen ?
A. Dat geloof ik wel, maar de gezinnen hebben zoo-
veel noodig, dat zij niets van hun loon kunnen afstaan.
«9
Hoe lang heeft dat van den winter wel
5853. V,
geduurd ?
A. Eene week of acht, negen.
5854.    V. Hebben toen die lieden eenig voorschot
van u gehad ?
.4. Allen.
5855.    V. Doet gij dat eiken winter, wanneer de be-
hoefte daartoe bestaat ?
A. Dit is de eerste winter, dat het voorgekomen is.
5856.    V. Ik dacht, dat het voorschotstelsel afge-
scliaft was ?
A. Het is inderdaad afgeschaft door eene vereeniging
van fabrikanten, maar ik heb mij sinds 1887 aan die
vereeniging onttrokken.
5857.    V. Hoe geven zij dat voorschot terug ?
A. Bij wekelijksche betaling van fl of f 0.50.
5858.    V. Geeft dit voorschotstelsel niet aanleiding
tot misbruiken ?
A. Zeker, ik ben er zelf de dupe van geweest, want
enkelen, aan wie ik een voorschot gegeven had, zijn
weggeloopen.
5859.    V. Staat daartegenover waardeering van uw
voorschot door anderen?
A. Zeer weinig.
5860.    V. Is het uw voornemen, bij voorkomende
gelijke omstandigheden toch hetzelfde te doen ?
A. Wanneer de menschen goed zijn en mijn werk
behartigen, dan zal ik dat zeker doen.
5861.    1\'. Hoe talrijk is uw personeel?
.4. Het bestaat uit omstreeks 50 personen.
5862.    V. Waaronder nog al jeugdige zijn?
A. Ja.
5863.    V. Hoe is de werktijd?
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 283-
274
5876.    V. Hoeveel rusttijden zijn er in den tegen-
woordigen werktijd van 5 tot 8 uur?
A. 2 uren, \'s morgens Vi uur, \'s middags 1 uur en
\'s avonds % uur.
5877.    V. De feitelijke arbeidsduur is dus 13 uren ?
A. Ja.
5878.    V. Bespeurt gij op het laatst van den dag
geen vermindering in hun arbeidsvermogen?
A. Neen, dat heb ik nooit bespeurd.
5870. V. Gelooft gij, dat een man van middelbare
krachten 13 uren kan weven met gelijke kracht en
met hetzelfde resultaat?
A. Ja, van de lichaamskrachten wordt niet veel gevergd
en van de hersenen, geloof ik, ook niet veel.
5880.    V. Hebt gij eene proef genomen, of gij met
verkorting van den werktijd niet hetzelfde resultaat zoudt
kunnen krijgen ?
A. Daar ben ik juist aan bezig. Als het gelukt om
van 7 tot 7 uur hetzelfde getal stukken te maken, zullen zij
hetzelfde geld behouden, dat zij nu hebben voor het
werk van 5 tot 8 uur.
5881.    V. Neemt gij die proef met het geheele per-
soneel\'?
A. Ja.
5882.    V. Hebt gij het hun gezegd ?
A. Neen.
5883.    1\'. Wordt de werktijd nog wel verlengd na8 uur?
A. Enkele arbeiders werken \'s nachts. Die gaan dan
om 4 uur naar huis en komen om 9 uur terug. Zij
werken dan van 9—12 uur, hebben een weinig rust,
verder tot 4 uur, weder een weinig rust, en dan tot
6 uur.
5884.    V. Komt dit dikwijls voor?
A. Vroeger is het wel voorgekomen, doch nu behoeft
het niet meer.
5885.    V. De loonen zijn op stuk berekend, niet
waar?
A. Niet altijd. Wanneer een ongeluk aan de machine
gebeurt, is dit voor rekening van den fabrikant. Van de
zware touwen worden 6 stukken en van de lichte 7 ver-
eischt. Voor de stukken van de zware wordt f 1.50, voor
die van de lichte f 1.30 betaald. Dit is dus f 9.
5886.    V. Hebt gij een vast minimum-loon ?
A. Ja, wanneer er een ongeluk met de machine ge-
beurt of de wever wachten moet, neem ik het voor
mijne rekening en betaal f 9.
5887.    V. Brengen zij het wel verder dan f9?
A. Neen, slechts bij uitzondering. Vroeger had ik
wevers, die het tot 11 stukken brachten, maar zij hadden
liever 6 stukken per week. Het is hunne eigen ver-
kiezing
5888.    V. Is bij de vermeerdering van werktijd het
loon evenredig gestegen?
A. Ja, feitelijk wel. Vroeger had ik niet zoo\'n gere-
gelde aftrek van de looms en betaalde ik f 6.50 uit.
Tegenwoordig is het f 9, maar daarvoor moeten 2 uren per
dag meer gewerkt worden. De rusttijden neem ik voor
mijne rekening.
5889.    V. Meent gij, dat de werklieden het als een
voorrecht beschouwen om meer te verdienen, al moet
er ook meer gewerkt worden, of beschouwen zij den
vroegeren toestand als gunstiger?
A. Ik geloof, dat ze liever meer verdienen en meer
werken, want wanneer er enkelen, die op leeftijd zijn,
dit wenschen, geef ik hun gaarne toestemming om te
7 uur te vertrekken, en dit is nog niet voorgekomen.
5890.    V. De verlenging van den arbeidsduur is
natuurlijk met grooteren bloei van de fabriek gepaard
gegaan?
A. Ja.
5891.    V. Is het juist, wanneer beweerd wordt, dat
gij bij de laatste aanneming van het Gouvernement
lager prijzen noteerdet dan het buitenland ?
A. Dat spreek ik zeer bepaald tegen.
5892.    V. Gij vreest de buitenlandsche concurrentie
niet?
A. Volstrekt niet, mits onder gelijke voorwaarde en
deskundige keuring, en het \'ons niet onmogelijk worde
gemaakt onze grondstoffen te koopen daar, waar de
concurrent die van daan haalt.
5893.    V. Gij zoudt dus geen protectie verlangen
voor uwe industrie?
A. Volstrekt niet; wij moeten al zoo hard werken,
dat ik het voor de industrie bejammeren zou, als er aan
protectie werd gedacht, want dan zouden wij nog tegen
veel grootere binnenlandsche concurrentie te strijden
hebben.
5894.    V. Is de inrichting uwer fabriek in de laatste
jaren veel verbeterd?
A. Zij is van den beginne af goed geweest, naar
het project van een Engelsch ingenieur. Zij werkt uit-
stekend.
5895.    De heer Le Poole: Wij vonden het dezen win-
ter bij u nog al koud. Zou daarin door verbetering van
de stoombuisgeleiding niet gemakkelijk verbetering zijn
te brengen?
A. De buizen zijn wat klein en waren door de vorst
gesprongen. Bovendien liet ik toen alleen bij dag stoom
aanbrengen, wat nu \'s nachts ook gebeuren zal.
5896.    V. Zoudt gij niet denken, dat geslagen buizen
van 15 a 20 c.M. binnenwerks beter zouden voldoen?
A. Ik zal het laten onderzoeken.
5897.    De Voorzitter: Voorziet gij in geval van ziekte
uwer werklieden?
A. Helaas! neen, maar er bestaat een algemeen fonds,
dat best werkt. Het is altijd eene quaestie van geld, en
de verhouding van de fabrikanten onderling werkt er
niet toe mede, om tot het doel te geraken, wat zeer te
betreuren is, omdat de nawerking er van zich onder de
werklieden doet gevoelen. Voor een jaar of acht is een
fonds opgericht, waar menigeen aan deelgenomen heeft.
Er is toen door de fabrikanten een reserve-kapitaal bijeen-
gebracht van f 1000; er zijn donateurs gekomen van f 2.50
per jaar enz. Dat ging heel aardig, totdat er oneenigheid
is gekomen en mijnheer Van Leijden met zijn volk er
uit geloopen is, toen is het mis gegaan.
5898.    V. Wordt door uwe firma niets gedaan in geval
van ziekte harer werklieden ?
-ocr page 284-
27Ï
A. Als iemand geen voldoenden onderstand krijgt,
geef ik wat. Maar dat is geen regel. De werkman, die
een ongeluk bij mij heeft gehad, is 8 weken op mijne
kosten in het ziekenhuis van Dr. Berns te Amsterdam
geweest, en zijne vrouw heeft al dien tijd het loon gehad.
•5899. V. Wat was dat voor een ongeluk ?
A. Het was half donker, en toen heeft de man nog
een draad aan den ketting willen doen, waarbij hij tus-
schen de walsen is geraakt en zijn armen heeft verplet-
terd. Nu werkt hij weer heel goed.
5900.    V. Uwe firma bestaat als handweverij reeds
zeer lang?
A. 40 jaar.
5901.    V. Er zijn dus zeker wel handwevers ontslagen,
die te oud waren geworden om te werken?
A. Ja, maar zeer weinig.
5902.    V. Wat gebeurde daar dan mede?
A. Enkelen zijn bij hunne kinderen in huis gegaan,
anderen worden onderhouden, weer anderen hebben
werk gezocht bij andere fabrieken.
5903.    V. Wordt door uwe firma niets gedaan voor
die afgeleefde menschen, die hun leven in haar dienst
hadden gesleten ?
A. Neen.
5904.    V. Oordeelt gij niet, dat daartoe toch een zede-
lijke verplichting op den werkgever rust?
A. Het is nog heel weinig voorgekomen, en wij heb-
hen er nooit over gedacht.
5905.    V. Gij deeldet toch mede, dat enkelen bij hunne
kinderen inwonen, anderen ondersteund worden. Geschiedt
dit laatste dus niet door uwe firma?
A. Toen de stoomweverij in werking kwam, zijn er
veel handwevers weggegaan. Enkelen hebben wij de
gelegenheid gegeven om bij de stoomweverij te gaan,
maar anderen zijn naar andere patroons gegaan. Zoover
ik weet, is er nog geen wever weggegaan, omdat hij niet
meer kon.
5906.    V. Waren dan onder de weggegane wevers
geen lieden van vergevorderden leeftijd?
A. Neen.
5907.    V. Is er nog iets, waarop gij onze aandacht
wenscht te vestigen ?
A. Neen.
D. Planteijdt.
A. Kerüijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.fc.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Verhoor van Pieter Ruiter Dirkzoon, oud 52 jaar,
chocoladefabrikant en koopman,
firma W. J. Boon & Co., te Wormerveer.
5908.   De Voorzitter: Hoe talrijk is uw personeel op
de stoomfabriek?
A. Het bestaat uit 9 volwassen menschen.
5909.    V. Werken die op vast loon?
A. Ja.
5910.    V. Welke zijn die loonen?
A Die loopen van f 8.— tot f 13.— en 15 cents per
uur voor overwerk.
5911.    V. Heeft er veel overwerk plaats ?
A. Geregeld 2 uren per dag.
5912.    V. Wat is de officieele werktijd voor deze
menschen ?
A. Van \'s morgens 6 uur tot \'s avonds 7 uur, waar-
van afgaan 2 uren schafttijd.
5913.    V. Hoeveel schafttijd hebben zij des middags ?
A. Een uur.
5914.    V. Zouden er overwegende technische bezwaren
zijn om den middagschafttijd op anderhalf uur te
brengen?
A. Dat zou groote bezwaren hebben.
5915.    V. Wonen de menschen dicht bij de fabriek,
zoodat zij naar huis kunnen gaan om te eten ?
A Zij wonen in de onmiddellijke nabijheid.
5916.    V. De feitelijke werktijd is dus met de overuren
13 uren?
A. Neen, slechts 12 uren, want ik betaal wel voor 2
uren, maar zij blijven niet langer dan 1 uur werken.
Vroeger hadden zij 1 uur zoogenaamden theetijd, maar
dat uur heb ik toen afgeschaft, omdat dat aanleiding
kon geven tot luieren, en daarom krijgen zij 2 uur extra
betaald voor 1 uur. Ik meen dat de loonen goed zijn.
5917.    V. Hebben zij nog voordeelen boven hun loon ?
A. Neen.
5918.    V. Nacht- en Zondagswerk komt bij u niet voor ?
A. Neen.
5919.    V. Vroeger ook niet?
A. Eene enkele maal, maar in de laatste 14 jaren niet
meer.
5920.    V. De chocoladeverpakking en -bereiding ge-
schiedt in een afzonderlijk gebouw?
A. Ja, bij mij aan huis.
5921.    V. Daar hebt gij buiten de volwassenen ook
nog jongens ?
A. Ja, 4 van 15, 5 van 18—21 jaar, en 12 ouderen,
waaronder er zijn, die reeds 30, 35 jaar bij mij zijn.
5922.    V. Hebben zij denzelfden werktijd, als aan de
fabriek ?
-ocr page 285-
5938.    V. Er wordt wel beweerd, dat bij hen, die in
een uitkeeringsfonds zijn en bovendien uitkeering van
den patroon krijgen, maar al te licht gevallen van voor-
gewende of te lang durende ziekte voordoen. Is dit uwe
ondervinding niet ?
A. Dat is bij mij nooit voorgekomen.
5939.    V. Gij kunt dus in dit opzicht gunstig getuigen
van uwe werklieden?
A. Ja.
5940.    V. Oefent gij eene speciale controle uit over de
zieken?
A. Neen, op een dorp controleert de een den ander.
5941.    V. Hebt gij een reglement in uwe werkplaatsen ?
A. Neen.
5942.    V. Worden er boeten toegepast?
A. Neen.
5943.    V. Is er nooit behoefte aan geweest?
A. Neen. Het is een paar malen gebeurd, dat ik geld
heb ingehouden voor te laat komen, maar hoogstens
2 a. 3 keer in 20 jaar.
5944.    V. De verhouding tot uw personeel is dus
eene bevredigende?
A. Ja.
5945.    V. Bezitten sommigen uwer werklui eene eigen
woning ?
A. Ja, ongeveer 3.
5946.    V. Hebben zij zooveel gespaard?
A. Een wel. De anderen hebben het misschien door
erfenis verkregen.
5947.   V. Heeft die ééne een voorschot gekregen ?
A. Ik heb hem een weinig geholpen.
5948.    V. Hebt gij oud-gedienden onder uw per-
soneel ?
A. Neen, de oudsten zijn van mijn leeftijd.
5949.    V. Is het somtijds niet bijzonder warm in uwe
fabriek ?
A. Ja, maar dat is niet in ons belang.
5950.    V. Neemt gij daartegen bijzondere voorzorgs-
maatregelen ?
A. Alleen veel ventilatie.
5951.    V. Is het drijfwerk omheind?
A. Ja, de heer Struve heeft mij op enkele zaken nog
opmerkzaam gemaakt.
5952.    V. Hebt gij nooit ongelukken gehad?
A. Dit is nooit voorgekomen.
P. Ruijtkr Dz.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
A. Neen, zij kunnen \'s morgens van 8—9 en van
12—1*/2 uur naar huis gaan.
5923.    V. Werken de jongens ook tot 8 uur ?
A. Neen, die gaan natuurlijk om 7 uur weg.
5924.    V. Heeft dit geen stoornis teweeggebracht in
uw bedrijf?
A. Zeker, in hunne plaats heb ik anderen moeten stellen.
5925.    V. Behalve de financieele lasten, ook andere
stoornis ?
A. Ja, de vier grooteren moeten nu het werk doen,
terwijl zij anders met andere bezigheden konden belast
worden.
5926.    V. Gaan die jongens na 7 uur nog naar eene
avondschool?
A. Daarvan is mij niets bekend.
5927.    V. Hebt gij daartoe nooit eenigen aandrang
uitgeoefend op de ouders ?
.4. Eene enkele maal, maar dat geeft toch niet veel.
5928.    V. Neemt gij de jongens op 12jarigen leef-
tijd aan ?
A. Neen, met 14 jaar.
5929.    V. Vroeger nooit ?
A. Neen.
5930.    V. Gelooft gij, dat de jongens tot hun 14de
iaar op school gaan ?
.1. Ik geloof het wel.
5931.    V. Wordt door u een bewijs van de ouders
verlangd, dat zij de geheele school hebben doorloopen ?
-4. Neen.
5932.    V. Hebben de menschen bij de chocoladeberei-
ding ook vaste loonen ?
A. Ja, allen hebben vaste loonen, niets gaat per stuk.
5933.    V. Zijn de loonen hooger of lager clan op de
fabriek ?
-4. De jongens verdienen f 2 en krijgen ook een uur
overwerk extra betaald. Vijf verdienen f 4—f 7, twaalf
ouderen f 7.50, f 8, f 9 tot f 13 toe.
5934.    V. Die van f 7.50, zijn daaronder getrouwde
menschen ?
A. Neen, als zij trouwen, krijgen zij f 9.
5935.   V. Is er een ziekenfonds aan uwe zaak verbonden ?
A. Neen, maar als iemand eene volle week ziek is,
krijgt hij f 0, omdat zijn huishouden toch moet leven.
Ongehuwden krijgen slechts het halve loon.
5936.    V. Gij zegt: „wanneer ze eene volle week ziek
zijn"; als zij enkele dagen slechts ziek zijn, gaat dan het
volle loon door?
A. Ja.
5937.    V. Gelooft gij, dat de menschen buitendien nog
in een uitkeeringsfonds zijn ?
A. Dat geloof ik wel, maar ik heb er nooit naar
willen vragen, omdat ik niet den schijn op mij wil
laden van wantrouwend te zijn.
-ocr page 286-
ZITTING VAN MAANDAG 20 JULI 1891.
Tegenwoordig de heeren
Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Pooi.e
Visser.
Verhoor van Klaas De Boer, oud 38 jaar, burgemeester
van Assendelft.
5953.     De Voorzitter: Zijt gij reeds geruimen tijd
burgemeester uwer gemeente?
A. Sedert 12 jaar ongeveer.
5954.    V- Heeft er in dieu tijd nog al verandering i
plaats gegrepen in de gesteldheid der bewoners van
Assendelft ?
A. Die is zoo wat stationnair gebleven: op oecono-
misch gebied is er zelfs achteruitgang te bespeuren, want
onze gemeente is in hoofdzaak eene landbouwende.
5955.    V. Hoe staat het meer in het bijzonder met de j
weverij ?
A. Die is zeer achteruitgaande. De eischen der in-
tlustrie worden steeds hooger, het doek moet voortdurend
harder in elkaar geslagen worden, wat het werk zóó ver
zwaart, dat het inderdaad boven de lichamelijke krachten
gaat; en toch nemen de loonen af; in plaats van f 10
en f 9 maken de lui tegenwoordig al stukken, want het
meest is stukwerk, voor f 8, f 7, ja f 6.
5956.    V- Vóór eenige jaren is er toch eene alge-
meene loonsverhooging ingevoerd ?
A. Ja, maar die is langzamerhand weder verdwenen.
5957.    V. Ons zijn op dit punt tegenstrijdige mede- j
deelingen verstrekt. De een sprak van eene algemeene
verlaging, waaraan echter een enkel fabrikant niet
zou hebben meegedaan; de ander van een verlaging !
alleen voor stukken, geweveu op grond van bepaalde
contracten met de Regeering; en volgens een derde
zouden er meer dan één fabrikant zijn, die het loon in
Het geheel niet verlaagd hebben. Wat is daarvan volgens u?
A. In \'t algemeen zijn de loonen bepaald lager dan
vroeger. Ik heb hier eenige staten, houdende gegevens
"mtrent de loonen. Kan ik u daarmede van dienst zijn?
Enquête. — Be Zaankant.
5959. V. De loonen op den staat voorkomende geven
aan, hetgeen per stuk wordt betaald, niet de feitelijke
week verdiensten ?
A. Het eerste, afgescheiden nog van de onkosten, die
de wevers hebben.
59C0 V. Omvatten deze staten de geheele gemeente
Assendelft ?
A. Ja.
5961.    V. Zijn de gegevens volkomen betrouwbaar?
A. Ongetwijfeld; ik heb mij zelf de moeite gegeien
om met een ambtenaar bij de wevers rond te gaan.
5962.    V. Zou ik u dan mogen verzoeken deze staten
tot eene kleine statistiek om te werken? Dan kan deze
hij het verhoor worden gevoegd.
A. Zeer gaarne, Mijnheer de Voorzitter. (1)
5963.    V. Hoeveel onkosten gaan er at van hetgeen
de handwevers ontvangen ?
A. Ongeveer een gulden per week.
(l) Staat van de loonen der zeildoekwevers, te Assendelft, per „rol".
Aantal arbeiders voor :
Fabrikant.
f5.—
f5.50f6.—
f6.50 f7.—f 7.50
f8.—|f 8.50 f9.—
f 10.—
Sijpesteijn .
>
3
13
6
14
6
7
2
5
5
Van Leijden
-
6
5
4
5
3 3
3
5
3
Schaap ■ . .
1
2
1
1
4
2
3
Van Eeden.
6
2
7
1
1 1
8
Planteijdt .
2
! 1
1
22
18
11
27
13
21
10
16
7
8
Op zeer weinige uitzonderingen na zijn deze arbeiders allen
hoofden van gezinnen.
Eén rol is gemiddeld de arbeid van een week.
Van de hierboven vermelde loonen moet voor iedere rol gemiddeld
nog f 1.— worden afgetrokken voor noodzakelijke onkosten : huur-
weefplaats, spoelen, enz.
70
-ocr page 287-
27S
5964.    V. Hoeveel rekent gij daarvan voor huur van
het schuurtje ?
A. 30 ets. Van morgen nog heb ik mij bij een paar
wevers op de hoogte gesteld. De geheele rekening is als
volgt: huur voor het schuurtje 80 ets , meel en zeep 30
ets., spoelen 30 ets., een kam 6 ets., het rijgen 5 ets.
In den winter komt daar dan nog een bedrag bij voor
hout, ongeveer 15 ets. per week ; dit hangt af van het
weer. Als dit koud of mistig is, moet er gestookt worden.
5965.     V. Onder de onkosten, die gij noemt, zijn er
ook voor het spoelen en rijgen. Als gij dat buiten rekeniug
laat, blijven over de factoren: schuurtje, meel, enz. en de
extra-winteruitgaven. Is dat samen gemiddeld 75 ets. per
week?
A. Ja.
5966.     V. De mededeelingen van andere getuigen
loopen iets uiteen van de uwe; zij zeiden, dat de huur
van de schuur f 0.25 was.
A. Ik heb steeds gehoord, dat het f 0.30 was.
5967.    V. Ons is gezegd, dat lang niet alle wevers
dat spoeien door anderen laten verrichten, maar het zelf
doen ?
A. Velen laten het door vrouw of kiuderen doen.
5968.    V. Maar doet de man het ook wel zelf?
A Als het een handig wever is, dan geschiedt dit
wel eene enkele maal.
5969.     V. En het rijgen, geschiedt dat ook dooreen
lid van het gezin ?
A. Neen, dat doen- wevers, die daar speciaal werk
van maken. Het rijgen kan ook niet alleen, maar moet
met een hulp geschieden.
5970.    V. Wanneer de vrouw spoelt, doet zij dat dan
een groot gedeelte van den dag ?
A. Neen, slechts een paar uren per dag.
5971.    V. Zoodat het huishouden er niet onder lijdt?
A. Neen, door het spoelen niet.
5972.    V. Gij drukt op het woord //spoelen»; zijn
er nog andere werkzaamheden, die de vrouw voor het
bedrijf verricht?
A. Vroeger wel, toen het handspinnen nog bestond:
maar dat is 20 jaar geleden. Men voorspelde toen verar-
ming, als het spinnen niet meer door haar geschiedde,
maar de toestand is integendeel verbeterd.
f>973. V. Wat verdiende eene vrouw daarmede?
A. Eene vrouw, die niets deed dan handspinnen, f 0.50
per dag, maar dan ten koste van het huisgezin.
5974. V. Gij zegt, dat men door het ophouden
van het werken der vrouw vermindering van inkomsten
en dus achteruitgang vreesde, doch dat de uitkomst anders
is geweest; kunt gij daaromtrent iets mededeelen ?
A. Vroeger zaten die vrouwen des zomers bijv. den
ganschen dag buiten te spinnen en werd het huishouden
totaal verwaarloosd, terwijl thans de toestand van de ge-
zinnen veel is verbeterd en er orde en zindelijkheid
heerscht.
5975.     V Spoelen de kinderen tusschen 10 en 12
jaar nog al eens mede?
A. Ik denk wel, dat het nog al eens gebeuren zal.
5976.    V. Vóór en na en tusschen de schooltijden?
A. Ja
5977.    V. Wordt van uwentwege het mogelijke
gedaan, om daarin verbetering te brengen?
A. Sedert jaren doen wij zooveel mogelijk ons best
daarvoor.
5978.     V. Werken zij geruimen tijd daarvoor?
A. Neen, zij werken alleen voor den vader. Jongens
van 13, 14 jaar werken soms voor 3 of 4 wevers.
5979.    V. Werken zij nog \'s avonds na 7 uur?
A. Neen, meestal \'s middags.
5980.    V. Gij houdt in dat opzicht ook het oog op
de naleving van de arbeidswet?
A. Zeker.
5981.    V. Hebt gij wel eens bekeuringen moeten doen?
A. Nog niet.
5982.    V. Is het u gelukt door waarschuwingen een
einde er aan te maken ?
A. Ja. Vier dagen geleden heb ik nog eene moe-
der gewaarschuwd, die mij in allen eenvoud vertelde, dat
haar kind van 10 jaar werkte.
5983.     V. Geldt dit ook voor ouderen dan 12 jaar
in de avonduren ?
A. Neen.
5984.     V. Het aantal handwevers is immers aanmer-
keiijk verminderd?
A. Ja, dertig jaar geleden, bij de grootste drukte,
waren er 350 handwevers, nu nog maar 160. De groot-
ste vermindering heeft in de laatste 4, 5 jaren plaats
gehad bij de oprichting der stoomweverijen.
5985.    V. Zijn toen vele handwevers bij de stoom-
weverijen overgegaan?
A. Heel weinig, meer ongetrouwde jongens.
5986.    V. Wat is er toen van hen, die buiten ver-
diensten kwamen, geworden?"
A. Het heeft gelukkig nog al een geleidelijk verloop
gehad. Leerlingen zijn er natuurlijk niet meer bijgeko-
men, enkelen zijn bij de boeren gaan arbeiden, en enkelen
hebben het dorp verlaten.
5987.    V. Is uwe armenzorg zeer verzwaard in de
latere jaren\'
-ocr page 288-
279
A. Tot nog toe heeft de particuliere liefdadigheid nog
al in den nood kunnen voorzien, maar de lasten worden
wel zwaarder.
A. Ik ken de arbeiders goed genoeg om te weten, dat
het werken in de fabrieken niet zoo zwaar is, en dat het
bij gelijk loon voor hen eene groote verbetering is.
5983. V, Waren er onder die handwevers, die lang-
zamerhand gedaan kregen, ook ouden, die levenslang
voor dezelfde firma gewerkt hadden ?
A. Zeker, verscheidenen. Als iemand 60, 70 jaar is,
kan hij niet meer weven, en komt hij natuurlijk ten laste
van het Armbestuur.
5989. V. Gij zegt: natuurlijk; zijn u geen gevallen
bekend, dat handwevers, die jarenlang bij dezelfde firma
hadden gewerkt, van deze eene tegemoetkoming hebben
gekregen?
A. Mij is geen enkel geval van dien aard bekend.
5998.     V. De handwevers geraken vroeg op, althans
ten deele, niet waar?
A. Sommigen zijn op hun 30ste of 35ste jaar letterlijk
afgeleefd. De rollen van f 8 a f 10 kunnen zij na hun
35ste jaar niet meer weven. Verleden week nog heeft de
heer Struve mij zijne verbazing over dat soort werk te
kennen gegeven. Ik zal blij zijn voor de gemeente, wan-
neer het handweven geheel vervalt.
5999.     V. Hoe lang werken zij gewoonlijk per dag ?
A. Dat hangt van hunne handigheid en inspanning
af. De meesten werken gemiddeld van 5—7 uur.
5990.    V. Is het waarschijnlijk, dat zich zulke gevallen
hehhen voorgedaan, zonder dat gij daarmede bekend zijt?
A- Neen, ik geloof niet, dat er een dergelijk geval is.
5991.    V. Werkten en werken nog vele wevers lang
voor dezelfde firma, of wisselen zij nog al eens?
A. Als de verhouding goed is, werken zij nog al veel
lang bij dezelfde firma. Dat verwisselen gaat ook niet
zoo heel gemakkelijk, want zij moeten een briefje van
ontslag krijgen, zonder hetwelk zy niet bij een anderen
patroon terecht kunnen.
6000.     De heer Le Poole: Ligt het zware van hun
arbeid niet in het aanslaan van de lade en het in-
trappen ?
A. Ja.
6001.     De Voorzitter: Meent gij, dat als regel kan
worden aangenomen, dat een handwever in 5 dagen een
rol af kan maken ?
A. Dit kan ten onzichte van eene rol van f 5.50 wel
het geval zijn, maar met rollen van f 8 a f 10 is dat
onmogelijk.
5992.    V. Hoe is dat stelsel van briefjes in de wereld
gekomen? Stond het uitsluitend in verband met de quaestie
van de gereedschappen, als waarborg, dat inderdaad het
gereedschap was teruggeleverd aan den patroon?
A. Neen, het was een middel tot zelfverdediging der
fabrikanten gezamenlijk tegen de wispelturigheid der
arbeiders. Op het oogenblik bestaat de gewoonte nog, dat
zij na het tehuis brengen van het gereedschap briefjes
van ontslag ontvangen.
5993.    De heer Le Poole : Behoort bij het gereedschap
ook het getouw?
6002.    V. Wordt door de menschen wel geklaagd, dat
zij, de stukken naar de fabriek brengende, soms uren lang
moeten wachten vóór zij hun geld krijgen en dikwijls
teruggezonden worden zonder dat de patroon hen heeft
geholpen ?
A. Tegenwoordig hoor ik er niet veel van.
6003.     V. Vroeger wel?
A. Ja. Een enkel geval herinner ik er mij wel van ;
maar in \'t algemeen kan men achten, dat die klacht tot
het verledene behoort.
A. Ja.
5994.     De Voorzitter: Gij meent dus niet, dat het
briefjesstelsel uitsluitend hierin bestond, dat een man bij een
anderen patroon niet in dienst kon komen, vóór hij het
bewijs had geleverd, dat bij bij zijn vorigen patroon het
gereedschap teruggebracht had?
A. Neen, dat was niet uitsluitend de zaak, gelijk ik
reeds zeide,
5995.     V. Thans zal het, bij den achteruitgang der
handweverij, wel niet veel meer beteekenen?
A. Neen; tegenwoordig kunnen de patroons de wevers
best missen.
5996.    V. Beschouwt ook gij de handweverij als ten
doode opgeschreven?
A. Ja, binnen enkele jaren zal dat het geval wel zijn.
5997.    V. Zijt gij voldoende op de hoogte van den
aard van den arbeid in de fabrieken, om te kunnen
zeggen, of het werken aldaar voor de menschen een
groote vooruitgang is?
6004.    V. Er ziju tijden in \'t jaar, dat een hand-
wever niet kan werken, niet waar ?
A. Bij strenge vorst. Dezen winter hebben zij 7, X
a 9 weken moeten verzuimen. Daarop is echter van invloed
de ligging en de soliditeit van de werkplaats.
6005.    V- Vroeger bestond er immers een uitgebreid
voorschotstelsel ?
A. Ja, thans niet meer gelukkig, want er werd nog
al eens spoedig de toevlucht toe genomen, met het gevolg,
dat de menschen geheel onder den patroon kwamen en
in den zomer altijd arm waren. Zulk een stelsel kweekt
in elk geval zorgeloosheid.
6006.    V. Past de firma Planteijdt dat stelsel niet
nog toe ?
A. Misschien, maar die heeft in elk geval maar een
paar handwevers te Assendelft over, slechts 3 of 4.
6007.    V. Keuren de arbeiders het verlaten van dat
stelsel goed, of beschouwen zij het als eene hardheid
van den patroon ?
-ocr page 289-
280
sterk vermeerderd als het aantal woningen, naar de statis-
tiek. Vroeger woonden 6 of 8 gezinnen in één huis.
6018.    V. Bestaat er eene gemeenteverordening, die
in dien geest werkt P
\\ Ja; voor nieuwe woningen helpt dat natuurlijk
het meest; het is moeilijk om op de oude woningen in
te werken.
6019.    V. Geeft die verordening niet de bevoegdheid
om woningen af te keuren of tot reparatiën te dwingen ?
A. Ja, dat is de laatste jaren ook een keer of 4, 5
gebeurd.
6020.    V. En voor nieuwe woningen zijn zeker strengere
eischen gesteld ?
A. Ja, voldoende, zoodat er vrij goede woningen voor
arbeiders komen. Als de eischen te streng waren, zou er
niet bijgebouwd worden, want de bevolking kan bitter
weinig verwonen.
6021.    V. Is er in latere jaren nog bijgebouwd?
A. Ja wel.
6022.   V. Ter vervanging van oude woningen, of
wegens den aanwas der bevolking?
A. Ter vervanging van oude woningen. Nieuwe
huizen werden niet door wevers gebouwd, maar door
boerenarbeiders of kleine boeren voor hunne kinderen, die
thuis met hen blijven werken. Zoo ontstaat er meer
ruimte van woningen en komt er gelegenheid om enkele
oude woningen af te keuren.
6023.    V. Wat bevat zulk eene arbeiderswoning ?
A. Eene kamer met portaal en de noodige bedsteden.
6024.    V. Is er niet een hokje bij om te koken ?
A. Bij enkele wel.
6025.    V. fs de zolder altijd behoorlijk beschoten,
zoodat de kinderen niet onder de pannen slapen ?
A. Zij zijn alle beschoten.
6026.    V. Is er gewoonlijk een stukje grond bij ?
A. Ja, soms zelfs wel een groot stuk, maar dat wordt
slechts gebruikt voor bleekveld.
6027.    V. Zijn in uwe gemeente bijzondere instel-
lingen in het leven geroepen om de armenzorg zooveel
i mogelijk door eigen hulp te voorkomen?
A. Ja, wij hebben een ziekenfonds voor arbeiders,
maar dat gaat slecht, omdat er zooveel wevers, die dik-
wijls ziek zijn, lid van zijn. Dat fonds telt 300 leden;
de contributie is f 0,10 per week en de uitkeering f 3,
maar toch was er verleden jaar een tekort van f 800.
Wij hebben ook eene arbeidersvereniging met een winkel,
waar zij de levensmiddelen zoo goedkoop mogelijk kunnen
krijgen, eene soort van coöperatie.
6028.    V. Coöperatie niet door de leden, maar voor
de leden?
A Juist; wij zijn er de bestuursleden van.
A. De meesten denken er zeker over in den laatsten
geest en zouden de toepassing er van terugwenschen.
De verstandigen echter niet.
6008.    F. Zijn er handwevers, die, ondanks hun zwaar
werk en geringe verdiensten, nog sparen ?
A. Ja, maar dan houden zij eenden of kippen. Onder
dezulken zijn er, die een huisje van f 400.— af 500.—
wel half in eigendom bezitten. Met werken alleen kunnen
zij niets overleggen, tenzij er in een gezin 3 of 4 vol-
wassen zoons zijn en alles bij elkander wordt gehouden.
6009.    V. Wordt er in uw gemeente nog al misbruik
gemaakt van sterken drank?
A. Onze gemeente wordt, onderscheiden in een noordelijk
en zuidelijk gedeelte In het eerste wonen uitsluitend
Katholieken, in het andere Protestanten. Het drankge-
bruik is in het eerste nog al belangrijk. Het getal van
hen, die hiervan bepaald misbruik maken, is in de laatste
jaren niet toegenomen.
6010.     V. Weet gij voor dat verschil van drankge-
bruik in de onderscheiden gedeelten uwer gemeente eene
oorzaak aan te geven ?
A. Neen, het is altijd zoo geweest.
6011.    V. Hebt gij eene R. K. kerkelijke gemeente
in uw dorp ?
A. Ja, eene vrij groote; een paar jaar geleden is er
nog eene groote nieuwe kerk gebouwd.
6012.     V. Is het grootste aantal arbeiders uwer
gemeente Katholiek ?
.4. Ja, verreweg.
6013.    V. Zoodat men misschien zou kunnen zeggen,
dat onder de wevers het meeste drankmisbruik voorkomt?
A. Neen, dat juist niet. Het is onder de wevers
niet grooter dan onder het andere gedeelte der be-
volking.
6014.    V. Komt er allengs eene andere industrie in
de plaats van de hand weverij ?
d. Neen, daar leent zich de gemeente niet toe.
6015.     De heer Le Poole: Is het niet mogelijk, dat
het inbrengen van de stukken, die geweven zijn, aanleiding
geeft tot drankgebruik ? De wevers ontvangen dan hun
geld en komen zoo licht in de verleiding om op de
thuisreis van de fabriek een borreltje te nemen.
A. Dat kan wel. Ik weet ook wel, dat in die win-
keltjes meer gedronken wordt door wevers dan door
boerenarbeiders.
6016.     De Voorzitter: Is de achteruitgang der loonen
uws inziens een onvermijdelijk gevolg van den toestand
der industrie?
A. Dat durf ik niet zeggen. Ik weet niet, of de
fabrikanten door de concurrentie tot loonsverlaging zijn
gedwongen.
6017.    V. Hoe is bet met de woningen gesteld?
A. Dat verbetert in de laatste jaren. Er wonen niet
zooveel gezinnen meer in één huis. De bevolking is niet zoo
-ocr page 290-
281
6041.    V. Zijn er bijzondere maatregelen genomen
om dit aan te moedigen?
A. Neen. Wel heeft het onderwijs in de handwerken
er toe bijgedragen om de meisjes langer op school te
houden; in het algemeen wordt het onderwijs meer ge-
waardeerd. Vroeger hadden de jongens van 12 jaar ook
nog meer gelegenheid om wat te verdienen dan tegen-
woordig. Dat is ook eene der redenen, waarom zij nu
langer op school blijven.
6042.    V. Ligt de moeilijkheid tegenwoordig, om
jongens van 12 jaar wat te laten verdienen, in het bijzonder
in de bepalingen van de arbeidswet ?
A. Neen, meer daarin, dat er tegenwoordig gebrek
aan werk voor hen is.
6029.    V. Heeft die vereeniging het stelsel van con-
tante betaling aangenomen, en dat altijd stipt gehandhaafd?
A. Tot heden toe wel.
6030.    V. Zijn daar uitsluitend arbeiders lid van?
A. Landbouwarbeiders en wevers.
6031.    V. Hoeveel leden telt die vereeniging?
A 300; terwijl de winkel een omzet heeft van f25000.
6032.     V. Hoeveel kunt gij uitkeeren?
A. Wij keeren niets uit, omdat wij zoo goedkoop
mogelijk verkoopen en niets anders dan geld voor de
noodzakelijke onkosten overhouden.
6033.    V. Geeft dat eene aanmerkelijke besparing voor
de arbeiders?
A. Ongetwijfeld. Door de oprichting van dien winkel
hebben wij wel schade gedaan aan de winkels, maar het
verderflijke borgstelscl hebben wij er ten minste mede
overwonnen.
6084. V. Omtrent dat borgen in de Zaandorpen
hebben wij zeer tegenstrijdige inededeelingen ontvangen
De een zeide, dat het heel weinig gebeurde, dat de menschen
de volgende week leefden van het loon, dat zij \'s Zater-
dags ontvingen : de ander daarentegen zeide: \'/vraag
het den winkeliers maar eens, die zullen u wel wat anders
vertellen". Was het borgen te Assendelft vroeger alge-
meen 1
A. Ja, ten minste onder de wevers.
6035.    V. En onder de landbouw-arbeiders ?
A. Bij die niet zooveel, ten minste niet bij de vaste
arbeiders.
6036.    V. Stellen de leden nog al belang in de ver-
eeniging?
A. Nog niet zoo erg, het is moeilijk om ze er bij
te houden.
6037.    V. Zijn de vrouwen niet op uwe hand?
A. Van de goede huisgezinnen wel; die de kunst
niet verstaan om met haar weekloon rond te komen,
kunnen natuurlijk bij ons niet terecht?
6038.    V. Blijven de kinderen in uw gemeente ge-
regeld tot hun 12de jaar op school?
A. De Katholieken verlaten meestal de school tusschen
het 11de en 12de jaar, de niet-Katholieken blijven meest
tot het 13de jaar. In de laatste jaren is daarin heel wat
verbetering gekomen.
6039.     V. Staat het bij de Katholieken in verband
met de communie?
A. Ook al, maar er is bij hen ook minder belang-
stelling in het onderwijs; vooral de meisjes verlaten bijna
allen vóór het 12de jaar de school.
6040.    V. Maar voor het overige neemt het getal van
hen, die tot hun 13de jaar op school blijven, gestadig toe?
A. Ja.
Enquête. — De Zaankant.
K. De Boer.
A. Kerduk, Voorzitter.
KüT.KMAN.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris
Verhoor van Andries Van der Plaats, oud 60 jaar,
hoofd van de burgerschool, te Krommenie.
6043.     De Voorzitter: Is uwe school uitsluitend eene
school voor betalenden ?
A. Tegenwoordig niet. Vroeger was het schoolgeld
meer dan nu. Ik heb er nu minvermogenden en dit jaar
ook kosteloos schoolgaande kinderen bij gekregen. Ver-
leden jaar is er eene nieuwe regeling van het onderwijs
gemaakt. De andere school, die vroeger kostelooze school
heette, is nu Noorderschool geworden en tegenwoordig
zijn daar ook leerlingen, die betalen. Dit jaar met April
heb ik ongeveer 15 kosteloos schoolgaande kinderen
gekregen.
6044.    V. Zijt gij reeds zeer lang te Krommenie
werkzaam geweest ?
A. Ja, 28^ jaar.
6045.    V. Hebt gij vroeger nooit kinderen van de
minvermogende klasse gehad ?
A. In den eersten tijd niet.
6046.    V. Is het altijd eene school voor betalenden
geweest ?
A. Ja, ik heb er wel eens 3 of 4 kosteloos gehad,
die vroeger betaald hadden.
6047.    V. Dus er is vroeger altijd eene splitsing in
de scholen geweest ?
A. Ja, de mijne heette de betalende school en de
andere de kostelooze school.
71
-ocr page 291-
282
6048.    V. Maar gij had dan toch ook kinderen uit
den werkmansstand ?
A. Ja, sommigen van knappe werklui, die gaarne
hunne kinderen op de burgerschool hadden
6049.    V. Uitsluitend van ambachtslui, of ook van
wevers ?
A. Neen,  dat geloof ik niet, tegenwoordig enkelen.
6050.    V.    Ziet gij daartusschen thans groot verschil ?
A. Neen.
6051.    V.    Hoeveel schoolgeld betalen die wevers?
A. 30 ets. in de maand is het algemeene schoolgeld.
Zijn er drie kinderen of meer uit een huisgezin, dan
betalen zij 10 °/0 minder. Ik had vroeger eene voorbe-
reidende klasse, waar 20 ets. per maand werd betaald.
Deze voorbereidende klasse is als zoodanig opgeheven en
is nu 1ste klasse geworden, waarvan het schoolgeld ook
30 ets. is. Mijne school is ook voor M. U. L. O. en
daardoor heb ik eene klasse van f 1 per maand.
6052.    V. Daar gingen toch geen kinderen van
werklieden op ?
A. Minvermogenden konden er voor half geld
onderwijs krijgen.
6053.    V. Hadt gij onder dat regime ook kinderen
van wevers ?
A. Neen
6054.    F. Hoe is uw oordeel omtrent het geestelijk
gehalte thans, vergeleken bij den tijd, toen gij te Krom-
menie kwaamt?
A. Dan is er bepaald vooruitgang. Vroeger hoorde
men nog wel eens zeggen : «mijne kinderen behoeven niet
meer te weten dan ik", maar thans verneemt men dat
niet meer. Ook het sterke vereenigingsleven is wel een
bewijs van intellectueelen vooruitgang.
6055.    V. Is de duur van het schoolgaan aanmer-
ki.\'lijk verlengd?
A. Ja. vroeger gingen vele kinderen op hun 10de
of 11de jaar van school; tegenwoordig blijven zij daar
tot hun 12de, maar dan zijn sommigen niet meer te houden.
6056.    V. Gij weet zeker, dat in een andere gemeente
aan de Zaan de kinderen vrij algemeen tot hun 13de
jaar op school blijven. Zoover is het bij u dus nog niet ?
A. Neen. Bij mijn collega is het zoo gesteld : vroeger
bleven de kinderen, al waren zij 12 jaar, den geheelen
cursus uit, maar sedert de vorige burgemeester op dat
stuk meer vrijheid heeft verleend, gaan zij op den datum
weg, dat is wel jammer.
6057.     V. Sedert hoe lang heeft dat plaats?
A. Sedert een jaar of drie.
6058.     V. Dat is dus geen vooruitgang, zou ik denken.
Kan liet ook een gevolg zijn van eene verkeerde opvatting
van de wet van 1874?
A. Neen, want zooals ik zeide, dat verschijnsel heb
ik eerst sedert een paar jaren waargenomen.
6059.    V. Gelooft gij, dat het tegenwoordig gemak-
kelijker is dan vroeger om kinderen van 12 jaar aan het
werk te krijgen?
A. Dat zou ik wel zeggen, anders begrijp ik niet,
waarom ze op dien leeftijd zoo dadelijk van school zouden
gaan.
6060.    V. Gij zeidet straks, dat de algemeene toestand
gunstiger was geworden; wat bedoeldet gij daarmede ?
A. De ontwikkeling, de zedelijkheid is beter dan vóór
25 jaar.
6061.    V. Doelt gij, waar gij spreekt van dezedelijk-
heid, op sexueele verhoudingen?
A. Ook eenigszins. maar het meest op het mindere
drankmisbruik.
6062.    V. Is het te dien opzichte beter gesteld te
Krommenie dan in andere Zaansche gemeenten ?
A. Die vergelijking kan ik niet maken
6063.    V. Gij spraakt ook van het opgewekte veree-
nigingsleven te Krommenie ; deel ons daarvan iets naders
mede.
A. Wij hebben een Nutsdepartement, eene afdeeling
van Volksonderwijs en eene van het Witte Kruis Verder
de vereeniging «Oefening baart wetenschap", iets tusschen
eene rederijkerskamer en een debating-club, twee tooneel-
gezel schappen, een mannenkoor, een gemengd koor en
eene Nutszangschool. eene uitnemende stichting, waarop
70 ïi 80 kinderen van allerlei stand onderricht krijgen
Verder bestaat nog een zangcursus en eene vereeniging
onder den naam van »de Lettervrienden», waar de be-
roemdste sprekers van het land zijn opgetreden : Multatuli,
Jan Ten Brink, Pierson, Schaepman en anderen.
6064.    V. Van welken leeftijd zijn de kinderen, die
zangles krijgen op de Nutszangschool ?
A. Van 10 tot 15 jaar.
6065.    V. Werkt de omgang der kinderen van ver-
schillende standen daar gunstig ?
A. Ja.
6066.    V. Gaan daar de kinderen der verschillende
categorieën van arbeiders om met die van de notabelen ?
A- Ja, er zijn er, die betalen, maar ook, die er koste-
loos onderwijs krijgen. *
6067.     V. Worden die niet-betalenden niet als een
soort bijloopers beschouwd ?
A. O neen.
6068.    V. Wordt aan de andere vereenigingen, die
gij noemdet, ook deelgenomen door de minder bevoor-
rechte standen ?
A. Er zijn twee tooneelgezelschappen, waarvan een
meer speciaal voor den werkmansstand. Ook is er eene
gymnastiek vereeniging.
6069.     V. Is die gymnastiek vereeniging eene werk-
mansvereeniging?
A. Neen, vroeger was er wel zulk eene vereeniging,
maar die is teniet gegaan, naar ik gis.
-ocr page 292-
283
A. Vroeger van 6 tot 7*/j uur, tegenwoordig van
6 tot 8.
6081.    F. Is de ondervinding niet opgedaan, vooral
door uw collega, dat die uren het schoolbezoek tegenwerken,
omdat de jongens tot 7 uur mogen werken ?
A. Zeker. De bazen willen de jongens niet vóór 7
uur missen, en of zij dan nog zoo geschikt zijn om
onderwijs te genieten, betwijfel ik.
6082.    V. Zoudt gij het dus toejuichen, indien de
arbeidsduur voor jeugdige personen nog meer beperkt
werd, dan thans het geval is ?
A. Ja, inzoover, dat zij dan om 6 uur vrij waren.
6083.    V. Is het u bekend, of de arbeidswet in uwe
gemeente getrouw wordt nageleefd ?
A. Dat weet ik niet.
6084.    V. Komen u wel gevallen ter oore van niet-
naleving dier wet ?
A. Neen.
A. Van der Plaats.
A. Kerduk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, AA\'j.-secretaris.
6070.     V. Bestaat dat tooneelgezelschap der werklieden
uit de aristocratie van den werkmansstand ?
A. Neen, het zijn alle soort van werklieden.
6071.    V. Er is zeker eene bibliotheek te Krommenie ?
A. Ja: er is eette Nuts bibliotheek met 730 banden,
waarvan veel gebruik wordt gemaakt. Er zijn 125 lezers,
die van 1 November tot einde Maart om de 14 dagen
een werk kunnen krijgen.
6072.    V. Is er ook eene speciale afdeeling voor jeug-
dige lezers ?
A. Speciaal niet, maar zij, die 16 jaar zijn, kunnen
daar boeken krijgen. In die bibliotheek zijn bijv. werken
van Van Lennep, Craandijk\'s Wandelingen, enz.
6073.    V. Zijn die Wandelingen van Craandijk een
gewild boek?
A. Dat juist niet.
6074.    V, Zijn er ook schoolbibliotheken ? En kunnen
zij, die tusschen 12 en 16 jaar zijn, daar nog boeken
krijgen ?
A. Zeker; zij die op de lierhalingsschool zijn, kunnen
uit de schoolbibliotheek boeken krijgen.
6075.    V. En zij, die die school niet bezoeken ?
A. Die krijgen wel eens een boek van mijn collega.
6076.     V. Wordt de herhalingsschool druk bezocht?
A. Dat kon wel wat beter. Om het bezoek te bevor-
deren, heeft men vroeger eerst geldgeschenken gegeven
en later boekgeschenken, doch het bezoek kon nog vrij
wat beter zijn.
6077.     V. Zijt gij zelf aan die herhalingsschool werk-
zaam ?
A. Ja, mijne school telt 240 leerlingen, terwijl ik 20
leerlingen daarvan op de herhalingsschool heb. Mijn col-
lcga heeft ongeveer 150 leerlingen en 28 op de herha-
lingsschool.
6078.    V. Dat is opvallend, dat uw collega, het
hoofd van de kostelooze school, meer leerlingen op de
herhalingsschool heeft dan gij ?
A. Dat ligt voor een deel daaraan, dat mijne school
meer bezocht wordt door jongens van de burgerklasse,
die blijven dan wat langer op school, en denken het
herhalingsonderwijs niet meer zoo noodig te hebben. Het
zou ook veel beter zijn, wanneer de leeftijd wat hooger
werd gesteld dan 12 jaren, dan zou ook de herhalingsschool
wat kunnen worden uitgebreid; nu moet soms het onder-
wijs op de herhalingsschool worden ingehaald. Die goed
onderwijs hebben genoten, profitecren thans niet zooveel
van het herhalingsonderwijs, als wel zou kunnen.
6079.    V. Wordt dan voor de toelating tot de herha-
lingsschool niet gevorderd, dat de gewone lagere school
geheel doorloopen is ?
A. Dat is wel het voorschrift, maar er wordt wel
eens van afgeweken.
6080.    V. Op welke uren van den dag wordt de
herhalingsschool gehouden ?
Verhoor van Petrus Adrianus Riedel, oud 39 jaar,
predikant bij de Ned. hervormde gemeente, te
Krommenie.
Voorzitter: Zijt gij al te Krommenie
6085. De
werkzaam ?
A. Sedert Sept. 1889.
6086.    V. Zijt gij vroeger in andere industriëele ge-
meenten werkzaam geweest?
A. Neen, in boerengemeenten.
6087.     V. Welken indruk hebt gij gedurende deze
twee jaren van den stoii\'elijken toestand der arbeiders
in uwe gemeente gekregen ?
A. Die is in de boerengemeenten, wat woning en
levenswijze betreft, beter dan te Krommenie.
6088.    V. Hebt gij. wat de woningen betreft, te
Krommenie zeer ongunstige toestanden aangetroffen ?
A. Ik heb gehoord, dat dit vroeger ongunstiger was,
maar dat de vorige burgemeester veel ten goede heeft
uitgewerkt. Onlangs zag ik nog eene woning, waar slechts
ééne slaapplaats was voor een man, vrouw en 5 kinderen.
De man was \'s nachts altijd uit. Drie kinderen sliepen
-ocr page 293-
284
A. Mijne meening is, dat Krommenie in dat opzicht,
bij die andere gemeenten niet achterstaat. Het meeste
misbruik heerscht dan ook bij de sjouwerlieden.
6099.    V. Is er onder deze laatste soort niet groote
afwisseling in verdiensten?
A. Ja, \'s winters soms niets en \'s zomers heel veel,
en dat maakt weelderig-
6100.    V. Wat verdienen zulke menschen gemiddeld ?
A. Dat durf ik niet zeggen.
6101.    V. Ons is gezegd door een getuige, dat, in af-
wijking van hetgeen in vele steden geschiedt, de siga-
renmakers te Krommenie geen Maandag houden; is
dat zoo ?
A. Ja, wij hebben in het geheel geen Maandaghouders.
6102.     V. In de werkplaatsen komt geen drank?
A Neen, bij de wevers zeker niet.
6103.    V. Hebt gij in de twee jaren, dat gij in de
gemeente zijt, gezien, dat handwevers bedankt zijn,
omdat de machinale weverij hoe langer zoo meer ingang
vindt ?
A- Neen, wel heb ik gezien, dat zij \'s winters geen
werk hadden, omdat er gebrek was aan werk. Het be-
staan van de wevers hangt voornamelijk af van de aan-
besteding bij de Marine; nu had één fabrikant bijna
alles aangenomen, zoodat de anderen bijna geen werk
hadden.
6104.    V. Oefent de omstandigheid, dat het sterksel
in den winter niet kan gebruikt worden, op hun arbeid
geen nadeeligen invloed uit?
A. Bij strenge vorst kunnen de wevers daardoor niet
werken.
6105.    V. Bestond hier vroeger geen voorschot-
stelsel in den winter voor die wevers?
A. Ja wel, maar de bijzonderheden daarvan zijn mij
onbekend.
6106.    V. Op welken leeftijd komen de kinderen bij
u op de catechisatie?
A. 11 jaar. Vroeger was dateerder, omdat er toen een
godsdienstonderwijzer was; wegens gebrek aan belang-
stelling is diens benoeming echter ingetrokken.
6107.    V. Die kinderen gaan zeker nog school ?
A. Ja.
6108.      V. Verlaten de kinderen op 12jarigen leeftijd
de school, of hebt gij er, die langer blijven?
A. Zeer enkelen blijven langer; de werkmanskinderen
sleehts bij hooge uitzondering. De kinderen verrichten
trouwens reeds gedurende hun- schooljaar eenige huiselijke
diensten: hout hakken, turf aandragen, boodschappen loopen,
enz. Dit doen zoowel jongens als meisjes.
6109.    V. En gaan de kinderen op hun 12de jaar
onmiddellijk naar fabriek of werkplaats ?
A. Ja.
dan onder de bedstede, en twee andere met de moeder
daarin. Meestal zjjn er echter twee bedsteden, het boven-
genoemde was een erg ongunstig geval.
6089.    V. Gebeurt het meer, dat de kinderen onder
de bedstede in eene soort kooi slapen P
A. Ja, dit gebeurt dikwijls.
6090.    V. Hoe komt het, dat de man, van wien gij
daareven hebt gesproken, \'s nachts nooit thuis is?
A. Hij is waker aan eene fabriek. Een van de fabri-
kanten laat zijne fabriek \'s nachts bewaken. De man was
ontslagen door de spoorwegdirectie en had lang zonder
werk geloopen.
6091.    V. Neemt gij dikwijls waar, dat kinderen, van
verschillend geslacht en soms een jaar of 12 oud, in
ééne bedstede slapen ?
A. Wanneer ze wat ouder zijn, slapen ze meest geschei-
den. Van onzedelijkheid heb ik nooit iets kunnen ontdekken
6092.    V. Hoe is het met de voeding gesteld ?
A. Die laat te wenschen over, maar dit kan moei-
lijk anders, indien men de loonen in aanmerking neemt.
Intusschen zou het wel wat beter kunnen zijn, indien
minder geld aan sterken drank werd besteed.
6093.     V. Wij hoorden, dat in de andere gemeenten
dezer streek vrij algemeen vet in het eten wordt gebruikt;
is dat in de uwe ook zoo ?
A. Dit is in Krommenie ook het geval.
6094.     V. Hoe is het gehalte van het brood?
A. Ik heb wel eens gehoord, dat dit in het algemeen
niet best is in Noord-Holland. Vergelijkingen b.v. met
Zeeuwsch brood kan ik niet maken. Het brood van de
fabriek //de Ruiter" te Zaandam is vrij goed, dat van
de bakkers echter minder.
6095.    V. Bestaat er groot verschil in ontwikkeling
en levenswijze tusschen wevers en andere werklieden?
A. Dat is mij niet opgevallen, maar de meeste wevers
wonen ook te Assendelft of Krommeniedijk.
6096.    V. Acht gij het handweversbedrijf, dat aan het
uitsterven is, buitengewoon inspannend ?
A. Ja, en ongezond. Het bedrijf wordt uitgeoefend
in dompige vertrekken, en de menschen zijn bleek en
schraal. Als zij in den hooitijd drie of vier weken mede
doen, zien zij er dadelijk, hoewel zij dan ook hard
moeten werken, veel beter uit. Zij zijn in den regel oud
vóór hun tijd
6097.    V. Heeft het drankmisbruik te Krommenie u
bijzonder getroffen?
A. Ja, maar ik kwam uit boerengemeenten, en dat
kan wel de reden zijn, waarom het mij bijzonder is op-
gevallen, dat er veel kroegen zijn en dat het erg roerig
kan wezen op straat. Trouwens ken ik gezinnen, waar de
man van de f 9 of f 10, welke hij verdient, er veel te
veel afneemt voor drank.
6098.    V. Kunt gij ons zeggen, hoe in dat opzicht
de toestand bij u is, in vergelijking met andere Zaansche
iudustrieele gemeenten?
-ocr page 294-
2S5
6120.     V. Gij krijgt de jongens op hun elfde jaar
bij u op de catechisatie, en kort daarop gaan zij deelnemen
aan den industriëelen arbeid. Kunt gij den invloed van
: dien arbeid op hen bespeuren ?
A. Ik heb 20 jongens van 13, 14 jaar tegelijk op
■ de catechisatie, die zijn bijzonder rumoerig, wat ook weder
niet zoo erg te verwonderen is, als men bedenkt, dat zij
den geheelen dag op de fabriek zijn. Het valt mij zeer
moeilijk orde onder ben te houden; worden zij wat
ouder, dan gaat dit beter.
6121.    V. Zijn zij niet vaak, in plaats van rumoerig,
slaperig?
A. Dat niet.
6122.    V. Hebt gij meisjes uit de garenspinnerij met
de andere meisjes tegelijk op uwe catechisatie ?
A. Ja. Ik ga van het beginsel uit geene scheiding
te maken. Alleen zal ik dit moeten doen, wanneer de
fabrieksmeisjes \'s middags niet meer kunnen komen.
6123.     V. Hebt gij dus op uwe catechisatie meisjes
i uit alle kringen ?
A. Ja.
6124.     V. Was dit alzoo ook onder uwen voorganger?
A. Neen, die had tweeërlei catechisatie; eene, waar
! schriftelijk werk werd opgegeven, en eene, waar dit niet
j geschiedde. Nu kwamen de meisjes uit de betere kringen
meest op eerstgenoemde catechisatie.
6125.    V. Heeft liet u eenige moeite gekost om
allen op dezelfde catechisatie te vereenigen? Was er eenige
tegenzin bij de meisjes uit de meer gegoede gezinnen
om met de fabrieksmeisjes samen op de catechisatie te
gaan ?
A. Dat heb ik niet kunnen ontdekken. In den be-
ginne hebben alleen een paar fabrieksmeisjes geklaagd,
dat zij door een paar meisjes uit de betere standen werden
uitgelachen. Ik heb er toen eens over gesproken en het
; is niet weder voorgekomen.
6126.    V. In het algemeen staan de meisjes uit de
garenspinnerij niet hoog aangeschreven bij de bevolking,
is het wel?
A. Neen, maar die van de zakjesplakkerij nog minder.
6127.     V. Van de zakjesplakkerij van den heer
Dekker?
A. Ja, men schaamt zicli te zeggen, dat men daar
een jongen of meisje heeft.
6128.     V. En is dit minder het geval met de meisjes
op de garenspinnerij, die zelfs, naar het schijnt, den
naam dragen van spinlorren?
A. Neen.
6129.    V. Wanneer gij zelf die meisjes gadeslaat,
schat gij ze zelf dan ook niet lager?
A. Neen, ik heb een paar meisjes uit de garen-
spinnerij op mijne catechisatie, die er zeer fatsoenlijk en net
uitzien, en het ook zijn.
6130.     V. Klagen die meisjes niet over de eentonig-
heid en de stoffigheid van hun werk?
72
6110.     V. Wurdt het in den laatsten tijd niet moei-
lijker om werk voor die jongens te krijgen?
A. Integendeel; de vraag naar kinderen overtreft steeds
het aanbod.
6111.     V. Op welke uren komen de kinderen, die
niet meer schoolgaan, ter catechisatie?
A. De kleinen komen \'s avonds van 7 — 8 uur, de
grooteren van 8—9. Ik voeg mij naar de arbeidsuren
op de fabrieken.
6112.    V. Blijven de kleineren, die van 7 — 8 uur
\'s avonds komen, niet wel eens we>^, omdat zij noi:
moeten werken in fabriek of werkplaats?
A. Dat heb ik niet ondervonden; wel, dat zij niet
komen, omdat zij met 9, 10 te geiijk gaan en dan op
straat blijven rondslenteren. Met de meisjes, die ik overdag
op de catechisatie heb, is het erger, omdat die moeilijk op
de fabriek kunnen gemist worden.
6113.    V. Wordt, voor zoover u bekend is, de arbeids-
wet in uwe gemeente stipt nagevolgd?
A. Voor zoover ik weet, wel; om 7 uur wemelt het
van meisjes en jongens op straat. Ook zijn er fabrieken,
die slechts tot 7 uur werken.
(il 14. V. Al is het regel, dat die fabrieken om 7
uur eindigen, toch zal in buitengewone omstandigheden wel
worden overgewerkt? Wordt er dan door jongens en meisjes
beneden de 16 jaar niet aan dien arbeid deelgenomen?
A. Ik geloof liet niet.
6115.    V. Zijn er onder uwe catechisanten, die de
herhalingsschool bezoeken \'?
A. Er wordt door hen weinig gebruik van die school
gemaakt. Ik spreek er wel met de ouders over, maar
wanneer de jongens niet willen, schijnt er niets aan te
doen. Ik heb de treurige ondervinding opgedaan, dat
wegens de afwezigheid van den vader, die den geheelen
dag van huis is, het ouderlijk gezag weinig beteekent.
6116.     V. Spreekt gij met de ouders, of alleen met
de moeder?
A. Met de moeder, want de vader is bijna nooit
thuis. Mij komt om half acht of half negen van zijn
werk en gaat dan om 9 uur naar bed, zoodat het voor
ons moeilijk is den vader te spreken.
6117.    V. Is het uwe ondervinding, dat de kinderen
terstond de school verlaten, zoodra zij 12 jaar zijn, en
dan te werk gaan zonder het einde van den school-
cursus af te wachten ?
A. De meesten doen het.
6118.    V. Is de ontwikkeling van de kinderen in uwe
gemeente grooter of geringer dan van die in platte-
landsgemeenten, waar gij vroeger werkzaam waart?
A. Eerder minder dan meer. Wanneer ik de jongens
huiswerk geef, verrichten zij liet niet.
6119.    V. Maar die jongens hebben dan ook den gan-
schen dag gewerkt?
A. Dat is juist.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 295-
286
A. Ja, er zijn vele weduwen, die eene kleine
, tegemoetkoming krijgen, of vrij huishuur, of nog 2 of
j 3 kwartjes. Het maximum bedraagt gezamenlijk niet
ï meer dan f 1.50 i\\ f 2.—. Om verbetering daarin te
brengen, heb ik wel eens voorgesteld, een gedeelte aan
het Burgerlijk Armbestuur over te geven, maar dat paar-
\' denmiddel durft men nog niet toepassen
6140.    V. Bepaalt het Burgerlijk Armbestuur zich
uitsluitend tot hen, die tot geen kerkgenootschap bedooren?
t
;         A. Ja
6141.    V. En worden afgeleefde werklieden ook wel
bedeeld van wege uwe kerkelijke gemeente ?
A. Een paar; trouwens wij hebben ook eene werk-
. verschaffing, waar tevens eten wordt verstrekt, ook voor
het gezin.
A. Neen. Ik heb geen klachten over haar werk gehoord. Ik ben een paar maal in de spinnerij geweestde eene maal waren zij allen aan het zingen, wat mij
als een gunstig verschijnsel trof. Toch zou ik een
meisje liever dienstbode willen zien worden.
6131.    V. Hoort gij dit ook zeggen door de moeders ?
A. Ja. maar de gezinnen hebben geld noodig. Eneene
dienstbode kan in den regel haar loon zelf wel gebruikenWanneer de meisjes op de fabriek gaan. geven ze het
geld aan de ouders, vandaar dat deze haar naar de fabriek
sturen. Zij kunnen soms f 4 u f 5 verdienen, en dit is
eene niet onaanzienlijke bijdrage in het huisgezin.
6132.    V. Is het te Krommenie nog algemeen ge-
bruikelijk, dat jeugdige arbeiders hunne verdiensten, be-
houdens een zakgeld, thuisbrengen, en zich niet als vaste
kostgangers beschouwen, die kostgeld betalen ?
6142. V. Hoe denkt het volk over die werkver-
schaffing ?
A. De vrouwen zijn er mede ingenomen, de mannen
niet, omdat zij er weinig verdienen.
6143 V. Niet omdat het tegen hun eergevoel
indruischt?
A. Zoo zijn er, maar voor de meesten geldt dat
argument niet.
A Zulke gevallen, als u \'t laatst noemde, doen zich
wel voor, maar het is de gewoonte niet. Ik heb opge-
merkt, dat in de zakjesplakkerij van den heer Dekker
door den patroon eenig geld van het weekgeld wordt
afgehouden, en die som eens in het jaar wordt uitbetaald
om kleeren te kunnen koopen. Dit is met goedvinden
van de ouders, daar zij zelf niet kunnen sparen.
6133. V. Houden de meisjes, die in zakjesplakkerijen
en in de garcnspinnerij werken, zich nog \'s avonds met hand-
werken bezig?
A. Ik heb, wanneer ik in de avonduren in een huis-
gezin kwam. wel eens opgemerkt, dat zij zich met hand-
werken bezig hielden. De moeders kunnen haar er soms
moeielijk toe krijgen, daar ze liever in de lucht gaan.
6134.    V. Wordt er van de zijde der fabrikanten wat
aan gedaan ?
A. Neen.
6135.    V. Zijn er in uwe gemeente bemoeiingen,
hetzij van eene kerkelijke gemeente of van anderen, in
het belang van de jeugdige arbeiders?
A. Neen. Alleen bezoekt de predikant de familiën, en
maakt hen opmerkzaam op het een en ander.
6136.     V. Gij komt natuurlijk veel in de huisge-
zinnen in geval van ziekte. Zijn de werklieden in het
algemeen lid van een uitkeeringsfonds?
A In het algemeen wel. Intusschen bestaat er ballotage
in het ziekenfonds en de helft wordt gedeballoteerd, omdat
zij te oud of te zwak zijn. Op de fabriek van Van Leijden
is een apart ziekenfonds. Het algemeeue fonds \'/Hulp in
lijden" werkt zeer goed. Het keert echter niet langer
dan \\i jaar uit, en na dien tijd krijgt men niets meer.
6137.     V. Hebt gij wel door werklieden van de firma
Van Leijden over dat fonds hooren spreken ?
A. Neen.
6138.    V. Weet gij, of er werkgevers zijn, die bij
ziekte hun menschen te gemoet komen ?
A. Neen.
6139.     V. Is de armenverzorging uwer kerkelijke
gemeente zwaar ?
6144.    V. Is die werkverschaffing eene particuliere
of eene gemeentelijke inrichting?
A. Eene particuliere, maar aangezien de vorige burge-
meester er het initiatief toe nam, heeft het wel eenigszins
het aanzien van eene gemeente-instelling gekregen. Als
ik mij niet bedrieg, geven particulieren er f 1300 si
f 1400 \'s jaars aan.
6145.    V. Wat wordt er gearbeid ?
A. Uitsluitend zaken, die geen werk ontnemen aan
de bevolking te Krommenie, b.v. dweildoek, omdat die
tak van industrie hier niet bestaat. Ook maken wij vuur-
makers, omdat ieder, ook zeer oude werklieden, daaraan
mede knn doen, maar dat is zeer schadelijk, omdat
die dingen ook in de gevangenissen worden gemaakt tot
bespottelijk lage prijzen ; wij hebben dan ook jaarlijks
f 1300 n f 1400 te kort.
6146.    V. Is er nooit gedaan aan zakjesplakken ?
A. Neen, wel aan het herstellen van stollen zakken,
maar de werklieden waren niet handig genoeg, zoodat de
arbeid niet loonend genoeg was.
6147.    V. Zijn er nog punten, waarop gij onze aan-
dacht wenscht te vestigen ?
A. Ik zou nog eene opmerking willen maken, die niet
nieuw is. Ik vind het wenschelijk, dat de jongens niet
vóór hun 14de jaar op de fabriek komen. Dat werken
van \'s morgens 7 tot \'s avonds 7 op zóó jeugdigen
leeftijd is niet goed; bovendien is de taal, die de jongens,
met name op de sigarenmakerijen, hooren, niet al Ie kiesch.
6148.    V. Ons is gezegd, dat de sigarenmakersknechts
het daarheen trachten te drijven, dat de jongens minstens
tot hun 13de jaar op school blijven; weet gij, of dit
zoo is?
-ocr page 296-
287
A. Het is mogelijk, maar ik weet liet niet
6149.     V. Gelooft gij, dat het werkmansgezin in het
algemeen de verdienste van het kind tot het 14de jaar
kan missen ?
A. Dit is een groot bezwaar, maar ik geloof, dat
wanneer het kind vóór zijn 14de jaar niets meer kon
inbrengen, dit bezwaar wel zou worden ondervangen door
eene loonsverhooging voor den vader.
6150.    V. Hebt gij wel eens met ouders van kinderen
van dien leeftijd over deze quaestie gesproken ?
A. Ja wel. ik hoorde dan, dat zij zelf gaarne zulk een
verbod zouden wenschen. Zij zenden nu de jongens naar
de fabriek, omdat ze f 1.—, of als zij wat handig zijn,
f 1 50 in de week verdienen, maar niet omdat zij het
zoo goed vinden voor de jongens.
6151.    V. De Commissie heeft elders een getuige,
die zijn eigen kind op zijn 12de jaar naar de werkplaats
had gezonden, hooren zeggen : //ik wenschte wel, dat de
wet mij dwong, want ik ben niet sterk genoeg tegen de
verleiding". Hoort gij in dien geest wel eens spreken ?
A. Neen.
jaar; komt er nu te kort, dan past het Witte Kruis bij.
De medicus kan vrij handelen, totdat het geld van dat
fonds op is.
6155.     V. Geldt, hetgeen gij zegt van het Witte
Kruis, ook voor Krommenie, of alleen voor Assendelft ?
A Alleen voor Krommenie.
6156.     V. Gij practiseert ook in Krommenie?
A. Ja.
6158.    V. Moogt gij, als gemeente-geneesheer, beschik-
ken over gemeentegeld ten dienste van zieken?
A. Neen.
6159.    V. Ondervindt gij hulp bij de gemeente, als
gij er om vraagt ?
A. Wel voor instrumenten, maar niet voor voedsel.
6160.     V. Kunt gij met het geld van de liefdadig-
heid ver genoeg komen ?
A. Dit zou wel het geval kunnen zijn, maar het is
steeds vragen en bedelen.
6161.    V. Komt gij wel in gezinnen, waar de kost-
winner niet in een ziekenfonds is?
A. Te Krommenie zijn bijna allen in het fonds//Hulp
in lijden".
6162.     V. Ons is gezegd, dat dit fonds niet allen aan-
neemt, dat men er eene tamelijk strenge ballotage heeft,
en niet alleen menschen van zekeren leeftijd, maar ook
zwakkeren weert; is dit juist?
A. Menschen, die doorloopend ziek zijn, worden natuur-
lijk niet opgenomen. Maar als er in eene gemeente als
Krommenie 300 leden zijn, dan gaat dit toch nog al
Menschen, die geen dronkaards zijn, gezond zijn en van
mij een bewijs krijgen, worden bijna altijd aangenomen.
6163.    V. Door de firma Van Leijden is kort gele-
den een eigen ziekenfonds opgericht, niet waar ?
P. A. Riedel
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S Le Pooi.e.
W. M. Visser
W. H. J. Roijaards, Ad).-secretaris.
Verhoor van dr. Quirinus Cesar Collard. oud 36 jaar,
geneesheer, te Assendelft.
6152.    De Voorzitter: Gij zijt immers secretaris van
de afdeeling van het Witte Kruis?
A. Ik ben het tot voor korten tijd geweest.
6153.    V. Wilt gij ons in het kort de bemoeiingen
van die vereeniging mededeelen?
A. Het Witte Kruis helpt in geval van besmettelijke
ziekte en gewone ziekte, waar het kan ; verder geven wij
ondersteuning in melk en eieren, windkussens en alle
mogelijke materialen, die bij de verpleging noodig zijn.
Wij hebben een badhuis, desinfectiehuis en eene inrich-
ting, als er veel zieken zijn. Verder wanneer er eene sme-
rige sloot is of het drinkwater niet deugt, zijn wij zoo
vrij er het gemeentebestuur op attent te maken.
6154 V. Gij spraakt onder andere van het ver-
strekken van melk en dergelijke zaken aan zieken. Heeft
de arts plein pouvoir van de vereeniging om in tijd van
nood in te grijpen ?
A. Door zekere familie Bakker is een Bakker-fonds
opgericht om aan onvermogenden in geval van ziekte
melk en eieren uit te deelen ; dat fonds is f 100 per
A. Ja.
V. Wordt dit door hare werklieden gewaar-
6164.
deerd ?
A. Ja, waar zij het meest trekken, vinden zij het
I het best.
6165.    V. Keert dat fonds meer uit dan //Hulp in
| lijden"?
A. Het fonds bestaat nog zoo kort; ik geloof, dat het
verleden jaar niet is toegekomen.
6166.     V. Hoort gij wel van gevallen, dat werklieden
bij ziekte eene tegemoetkoming van hun patroon ont-
vangen ?
A. Het komt dikwerf voor, dat, als iemand een onge-
luk heeft gehad, toch zijn loon wordt uitbetaald.
6167.    V. Maar bij ziekte?
A. Wanneer mer. het vraagt, kan men altijd wel een
voorschot op zijn loon ontvangen. Vroeger was dit nog
-ocr page 297-
288
A. Neen, zij staan recht op, werken met handen en
i voeten en hebben geen eenzijdige beweging. De spinsters
worden wel krom.
6178.     De Voorzitter: Hoeveel uur per dag kan de
man dat handweven doen?
A. Het is eene gymnastiek, die moet worden aange-
leerd. Zij doen het een uur of 8 per dag en werken een
halven nacht door, indien zij eene rol kunnen afkrijgen.
6179.     V. De verdiensten zijn in de latere jaren
minder geworden, niet waar?
A. Ja, zij mogen niet zooveel rollen weven, als
vroeger. Toen mochten ze er 3 in de 14 dagen weven,
en nu soms 1 in de 12.
6180.    V. Het bedrijf sterft immers allengs uit?
A. Gelukkig ja.
6181.     V. Wat ziet gij dan van die arbeiders worden ?
I
A. De jonge moeten boerenarbeider worden, en de
oude voortsukkelen zoo goed en kwaad als het gaat.
Tegenwoordig weven zij, «tot zij den zak krijgen".
6182.    V. Wat wordt door zou\'n ongelukkigen wever
verdiend ?
A. Eene rol van f 5  kan hij gewoonlijk in een week
wel klaar krijgen. Een   heel beste verdient f 9. Zij
mogen de rol echter niet  eerder brengen en kunnen dus
niet meer verdienen.
6183.    V. Wanneer er dus gezegd wordt, dat ze eene
rol wel in 5 ;\\ 6 dagen klaar konden krijgen, beteekent
uws inziens nog weinig ?
A. Ja.
6184.     V. Van het geld per rol gaat immers nog wat af?
A. In den winter hebben zij voor vuur, meel, zeep
gemiddeld f\' 1.50 noodig, zeggen zij, maar anderen hebben
mij verzekerd, dat dit overdreven is, en dat het gemid-
deld zoowat komt op f 1.
6185.    V. Ts daar de f 0.25 of f. 0.30 huur voor
het schuurtje bijgerekeud?
A. Dat weet ik niet.
6186.    V. Spinnen vrouwen en kinderen nog mede?
A. De vrouwen wel; die kunnen daarmede, zonder
haar huishouden te verwaarloozen, eene 40 centen daags
verdienen.
6187.    V, Doen de kinderen tusschen de schooltijden
nog een of ander?
A. Neen.
6188.    V. In zulke gezinnen is zeker armoede troef?
A. Erg.
6189 V. Wat eten zulke menschen ?
A. Als ze goedkoop zijn, aardappelen met azijn, of
anders rijst in water en water-en-meel, zoogenaamde
»ttoet". Dat is eene vaste massa. Ook eten ze wel boonen.
maar dat kunnen de magen niet verdragen, want zij eten
groote hoeveelheden, en die veroorzaken maagpijn.
gemakkelijker, maar na den laatsten eisch om loonsver-
hooging, die ook toegestaan is, is dat geven van voorschot
verminderd.
• 6168. V. Gij doelt hier speciaal op de zeildoek-
industrie?
A. Ja. Het komt echter veel voor, dat, wanneer een
hoofd van een gezin ziek wordt en het duurt een 4, 5
weken, hij ondersteuning krijgt.
6169.    V. Altijd op voorschot van zijn loon?
A. Ook wel zonder dat, hij krijgt dan zijn loon, zij
het ook eenigszins verminderd.
6170.    V. Er bestaat in dat opzicht dus eene wei-
willende gezindheid van den kant der patroons?
A. Zeker, vooral bij de tirma Van Leijden. Ik heb
nu een meisje van die firma onder behandeling, dat
contrefaite is; zij moet eene machine hebben en zal door
bemiddeling van den patroon die ook krijgen. De andere
firma\'s zijn evenwel ook zeer welwillend. Als een werk-
man ziek wordt, kan hij altijd gedurende een niet al te
langen tijd op eenigen steun rekenen.
6171.    V. Kent gij ook oude werklieden, die een
pensioen van hun patroon hebben gekregen?
A. Pensioen niet.
6172.     V. Het ziekenfonds te Assendelft gaat niet
schitterend, is het wel?
A. Eigenlijk niet, maar het heeft toch altijd kunnen
uitbetalen.
6173.    V. Is het waar, dat het getal zieken daar onder
de wevers bijzonder groot is?
A. Er zijn in den laatsten tijd zooveel oude wevers
geweest, die 19, 20 weken achtereen uit het fonds hebben
getrokken, en dat is een kwaad ding voor een fonds.
Onder de jonge wevers komen weinig zieken voor.
6171 V. Is dit eene toevallige omstandigheid, of is
het een gevolg van het vermoeiende, vóór den tijd oud-
makende van het bedrijf?
A. Het bedrijf is niet ongezond, indien ze maar te
eten hebben. Zij staan wel den geheelen dag in het zweet
en worden mager als brandhout, maar zij hebben frissche
lucht.
6175.     V. Maar is het werk toch niet buitengewoon
vermoeiend?
A. Ja. een wever van 40 jaar ziet er als een van 50
uit, en een van 60 jaar als een van 80.
6176.     De heer Le Poole: Acht gij het een vooruit-
gang voor het phvsiek van den werkman, dat de hand-
weverij in stoomweverij overgaat?
A. Ja, dat is niet zoo vermoeiend. Wanneer een wever
\'s zomers gaat hooien, wat ook zwaar werk is, wordt hij
dikker.
6177.    V. Constateert gij wel rugverkromming bij
handwevers?
-ocr page 298-
289
6200.     V. "Waarom niet?
A. Omdat daar alle woningen bezet zijn, en bij af-
keuring de menschen op straat zouden staan.
6201.     V. Zijn er woningen, die zeer veel te wenschen
overlaten?
A. Er zijn krotten.
6202.    V. Zijn het houten huizen?
A. Ja, een enkele heeft een steenen muurtje ; het is
echter wenschelijk um in die natte streek in hout te
wonen.
6203.     V- Zijt gij, als medicus, van oordeel, dat
in natte streken liet wonen in houten huizen de voorkeur
verdient ?
A. Ja, de steenen huizen kunnen niet goed genoeg
gebouwd worden, en de houten woningen laten de lucht
door.
6204.    V. Zoudt gij dat ook zeggen, wanneer de
steenen woningen goed gebouwd werden ?
A. Neen, maar daarvoor is geen geld.
6205.     V. Wat verwonen de arbeiders te Assendelft?
A. f 1.— of f 0.75, en voor eene woning met schuurtje
f 1.25 ii f 1.50: ordentelijke arbeiderswoningen zijn
schaarsch, en daarvuor wordt f 1.50 betaald.
6206.     V. Wat noemt gij eene ordentelijke woning ?
A. Eene woning, waarin men niet vies is te gaan,
waar men niet door den vloer zakt, niet door de bedstede
kan kijken, waar een goede regenbak is. In die goede
woningen heeft men een vertrek met bij vertrek om te
wasschen en te koken.
6207.     V. Is die treurige schets van hetgeen men
in eene niet ordentelijke woning vindt, toepasselijk op een
groot aantal woningen te Assendelft ?
A. Ja.
6208.     V. Hoe is het daar met de slaapplaatsen ?
A. Kr is eene bedstede en daarin wordt een krib voor
de kinderen gezet, terwijl, wanneer er veel zijn en er is
ruimte, een paar ook onder de bedstede slapen. Bij hun
huwelijk koopen zij een veeren bed, dat op een stroobed
wurdt gelegd, terwijl zij zich dekken met een moltonnen
of wollen deken. Als er twee bedsteden zijn, worden de
kinderen in de eene gestopt, en vader en moeder liggen
in de tweede.
6209.     V. Liggen meisjes en jongens boven de 12
jaar nog veelvuldig bij elkander?
A. Niet veel. Wanneer zij gezond zijn, worden zij,
op zekeren leeftijd gekomen, naar de vliering gestuurd.
Zijn er zieken, dan wordt de eene bedstede gewoonlijk
als ziekenphats gebezigd.
6210.    V. Liggen zij op de vliering zoo onder de
pannen ?
A. In de ]nieuwe huisjes is zij meest beschoten.
73
6190.     V. Er wordt dikwijls gezegd: //laat de werk-
lieden toch liever erwten en bonnen eten". Doch ik heb
wel eens een werkman hooren antwoorden: »dat is
gemakkelijk gezegd, maar die kunnen wij niet verteren
in de hoeveelheid, die wij noodig hebben". Dit stemt dus
overeen met uwe medische ervaring ?
A. Ja. Als die menschen aardappelen eten, gebruiken
zij groote hoeveelheden, dus van bonnen moeten zij, nm
genoeg te krijgen, nok veel eten. Zij nemen met groote
lepels die bonnen van inferieure kwaliteit in, en dat ligt
als knikkers in de maag. Daarom nemen zij liever, wat
ik straks opnoemde, of pannekoeken met raapolie gebak-
ken. Ken enkelen keer, als er eens eene koe of een varken
doodvalt krijgen zij wat vet, of een stukje schapen vleesch,
als het er eens goed aanzit.
6191.    V. Dus vet in het eten krijgt de wever in
den regel niet ?
A. Neen; alleen die goed wat verdienen, krijgen dat.
6192.     V. Onder de wevers zijn vele Katholieken?
A. Ja, het Noordelijk deel van Assendelft is Katho-
liek, daar wonen de meeste wevers. In het Prutestantsche
deei zijn er slechts enkelen.
619Ü. V. Acht gij het juist, wanneer beweerd wordt,
dat te Assendelft het meest gedronken wordt door de
wevers ?
A. Het heet altijd in de spraakwijs: »in het Zuiden
van Assendelft eten ze koele; in het Noorden drinken ze
jenever".
6194.    V. Waaraan schrijft gij dat toe?
A. Als een wever »te kuste" gaat (zijne rol wegbrengt),
moet hij 3 of 4 heilige huisjes voorbij, en dan heeft hij
op den terugweg geld in den zak. Zoo blijft hij een
uurtje langer weg.
6195.    V. Is dat pleisteren vrij algemeen?
A. Ja, men ziet soms 8, 9 kruiwagens voor zoo\'n
kroeg staan.
Bij uitzondering ken ik een gezin, waar 4, 5 kan in
de week wordt gedronken. Het geheele Noorden van
Assendelft, nuk de boerenstand, drinkt.
6197.    V. Maar de wevers in het «koeketende"
gedeelte ?
A. Dat zijn andere menschen. Het ziet er daar wel-
varender uit, niet zoo armoedig, de omgeving is beter;
door den terugslag daarvan zijn zij er waarschijnlijk
beter aan tne.
6198.    V. Is de toestand der woningen te Assendelft
ongunstiger dan te Krommenie?
A. Ja: de woningen Ie Krommenie zijn in den
laatsten tijd zeer verbeterd; dit is te danken aan de ver-
ordening op het bouwen aldaar.
6199.     V. Te Assendelft bestaat toch nuk eene ver-
ordening op het bouwen?
A. Ja, maar daar kan niet zoo goed de hand aan
gehouden worden.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 299-
290
6211.     V. Hoe is liet gesteld met het water?
A. Ik maak altijd attent op slechte regenbakken,
maar zij zijn niet altijd na te gaan. Ik heb er wel gezien,
waar bij weir.ig regen het grondwater inliep, waardoor
het water stinkend en smerig werd. In den laatsten tijd
heb ik met nog al eenig succes op verbetering daarvan
aangedrongen.
6212.    V. Dringt gij daarop aan bij bet Gemeente-
bestuur of bij de eigenaren der huisjes ?
A. Altijd bij Burgemeester en Wethouders, en die
bewerken op hunne beurt weer de eigenaars.
6213.    V. Is er geene verordening, welke voorschrijft,
dat er bij elke woning een regenbak moet zijn?
A. Bij elke woning moet eene bepaalde hoeveelheid
regenwater zijn, 2 kub. meter. Te Krommenie is dit
l1 i kub. meter, maar het wordt toch ook 2 kub. meter.
I.iirgen er nu 3 woningen bij elkander, dan krijgt de
regenbak een inhoud van 6 kub. meter.
6214.    V. Hebben de woningen in den regel een eigen
privaat ?
A Niet alle. Wanneer de woningen onder één dak
staan, hebben zij gezamenlijk 2 of 3 privaten.
6215.    V. Te Krommenie, zeidet gij, is de toestand
der woningen in den laatsten tijd verbeterd ?
A. Ja. Er is streng toezicht uitgeoefend. Wanneer
er klachten kwamen, werd dadelijk eene commissie benoemd
om te zien, of de woning aan de gestelde eischen vol-
deed. Was dit niet het geval, dan werd den verhuurder
verzocht de noodige verbeteringen aan te brengpn. Deed
hij dit niet, dan bleef de boel on verhuurd. Dit heeft uit-
stekend geholpen.
6216.    V. En gij voegdet er bij, dat dit te Krom-
menie gemakkelijker viel dan te Assendelft ?
A. Ja, in Assendelft was veel meer woningnood en
ook grooter armoede.
6217.     V. Ik dacht, dat Assendelft juist achter-
uitging?
A. Ik weet geen enkel hokje, dat onbewoond is.
6218.    V. Zijn er in den laatsten tijd te Krommenie
veel nieuwe huizen gebouwd ?
A. Ja, gedurende de laatste 4 jaren misschien wel
20 nieuwe arbeiderswoningen.
6219.    V. Door vereenigingen, of door particuliere
ondernemers ?
A. Door zoogenaamde huisjesmelkers.
6220.    V. Ons is medegedeeld, dat de woningen te
Krommenie veel goedkooper zijn dan bijv. te Wormerveer ;
kunt gij dit bevestigen ?
A. Dat is ook zoo. Vandaar dat vele Krommenieërs,
die te Wormerveer werk hebben, toch in Krommenie
blijven wonen. Zij kunnen bij ons voor f 1.50 eene goede
woning hebben, waarvoor ze in Wormerveer f 2.50 moeten
betalen.
6221.     V. Ons zijn cijfers van 26 en 16 stuivers
genoemd. Zijn die juist ?
A. Ja wel, maar degeen, die een ordentelijk loon ver-
dient, wil graag eene woning van f 1.50 hebben.
6222.    V. Waaruit bestaat dan de woning ?
A. Uit eene kamer met een zijvertrek. Er zijn een
regenbak of waterleiding, een paar bedsteden, gesloten
kasten, enz. De woningen zijn luchtig gebouwd en zien
er niet weelderig, doch ordentelijk uit.
6223.    V. In de zijkamer wordt dan gekookt?
A. Ja, en men verricht er andere huiselijke bezig-
heden.
6224.    V. En in het eigenlijk woonvertrek?
A. Daar wordt in geslapen en gegeten, en worden de
gasten in ontvangen, enz.
6225.    V. Hangt er geen goed te drogen ?
A. Neen.
6226.     De heer Le Poole : Worden in uwe gemeente
op te jeugdigen leeftijd huwelijken aangegaan ?
A Ja, als het noodig is, en dit gebeurt nog al eens.
6227.    V. Hoe worden die dan begonnen ?
A. De winkels borgen tot eene f 70 si f80, hetgeen
wekelijks na het huwelijk moet worden afbetaald De
baas van de fabriek houdt het loon dan gedeeltelijk in.
Wanneer ze trouwen, hebben ze gewoonlijk niets.
6228.     De Voorzitter: Kan er door de werklieden
te Krommenie belangrijk beter geleefd worden dan door
■ le uitstervende handwevers te Assendelft?
A De indruk, dien ik in den laatsten tijd van Krom-
menie heb gekregen, is niet kwaad, \'s Winters worden ze
door de Werkverschaffing geholpen, en \'s zomers is er
werk genoeg. Wanneer een man alleen het loon voor
liet gezin moet verdienen, ziet het er wat schraal uit,
maar wanneer er jongens zijn, die wat inbrengen, komt er
een f 16, f 17 in de week in en wordt er geen armoede
geleden.
6229.    F. Is de middagpot bij een werkman te
Krommenie beter dan bij den wever te Assendelft?
A. De een maakt het wat beter  klaar dan de ander;
weelde echter is het, als er in den  groentetijd wat kool
of salade en een paar ons vet in \'t  eten is. Dat krijgen
de armen zelden.
6230.    V. Zijn gedwongen huwelijken talrijk?
A. Ja.
6231.    V. Is dat bij de eene categorie van arbeiders
en arbeidsters grooter dan bij de andere?
A. Neen, zelfs boerenmeisjes en burgermeisjes maken
daarop geen uitzondering.
6232.     V. Komt het voor, dat er geen huwelijk op
de geboorte van een kind volgt?
A. Als er een vrijer is aan te wijzen, en dat is
meestal het geval, volgt een huwelijk.
6233.    V. Staan de zakjesplaksters in dit opzicht
het slechtst aangeschreven ?
-ocr page 300-
291
A. Neen, zij zijn zelden luchthartig: bovendien zij
gaan van de plakkerij tot de spinnerij over en omge-
gekeerd, al naar mate er wat te verdienen is.
6234.    V Neemt gij ook ongunstige invloeden waar
voor het lichaam, die als een direct gevolg van den
arbeid zijn te beschouwen?
A. Neen, de zakjesplaksters en spinsters zien er floris-
sant uit; zoolang zij niet gebukt gaan onder de zorgen
van het gezin, zijn het gezonde deerns.
6235.    V. Werkt het stof in de spinnerij niet nadee-
lig op de gezondheid?
A. Het geeft een mechanischen prikkel, maar chemisch
kwaad zit er in vlas niet. Die het, eenmaal verkouden,
inademt, blijft verkouden tot hij versleten is, maar ove-
rigens zoo gezond als een visch.
6236.    V. En het stof van de kaardmachine ?
A. Ja, dat is één stofmakerij, en toch hoort men er
niet over klagen. Het gaat daar, als bij de hekelaars, die
allen zieke luchtpijpen hebben. Men zou dat werk moe-
ten doen in de open lucht of in een gebouw, dat aan
ééne zijde geheel open was.
6237.    F. Dezen winter, toen wij een bezoek brach-
ten aan de garenspinnerij, klaagden de hekelaars erg over
de koude, maar toen was het een bijzonder koude dag;
hoort gij die klachten meer ?
./. Zij staan niet graag met den nek in den tocht,
want dan krijgen zij het spit in den rug. Daarom laten
zij, hoewel de patroon het tegengaat, alles toe.
«238. F. Is de sigarenfabriek van de firma Middelkamp
niet zeer laag van verdieping ?
A De sigarenmakerswerkplaatsen zijn geen van alle
bij/onder mooi, maar zoo bijzonder laag is deze niet.
6239.    V. Wanneer beweerd wordt, dat in die fabriek
van de firma Middelkamp een niet zeer lang man bijna
tot aan den zolder reikt, acht gij dat overdreven?
A. Het kan zijn, maar pertinent kan ik het niet
zeggen. Alle sigarenmakerswerkplaatsen zijn vrij groot
en hoog, maar het stinkt er formidabel.
6240.    V. Is er geen goede ventilatie?
.1. Zij hebben alle ramen, maar de sigarenmaker is
kouwelijk en is bang voor koude vingers, omdat hij dan
niet kan werken.
6241.    V. Heeft geen van die fabrieken bijzondere
ventilatiemiddelen ?
A. Neen. Er zijn wel dak raampjes, maar die houden
ze dicht.
6242.      V. Hebt gij wel eens pogingen aangewend
bij de patroons, om dezen te bewegen tot het aanbrengen
van ventilators?
A. Ja wel, maar meestal is het antwoord, dat dit geld
kost en het er niet af kan.
6243.    V. Zoodat feitelijk de sigarenmakerswerkplaatsen
uit een oogpunt van gezondheid te wenschen overlaten?
A. De sigarenmakers zijn over het algemeen gezond
en ik heb er weinig zieken onder. Zij zijn bleek en ner-
veus, maar dat komt door de tabak en door gebrek aan
versche lucht. Voor hen, die tuberculose hebben, is het
natuurlijk beter niet in zulk eene werkplaats, maar op het
land te werken.
6244. V. Nemen de jongens, die van school op die
werkplaatsen komen, gauw een vale tint aan?
A. Ja, na een jaar zeggen de menschen reeds: »men
kan zien, dat dit een sigarenmaker is."
Dr. Q C. Coi.lard.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman
S. Le Pooi,e.
W. M. Visser.
W. H. J. Rou aards, Adj-secretaris
Verhuur van Laurent Schaap, oud 55 jaar,
zeildoekfabrikant, en wethouder der
gemeente Krommenie.
6245.     De Voorzitter: Daar het ons bekend is, dat
de Burgemeester uwer gemeente eerst kort aldaar werk-
zaam is, hebben wij u verzocht te komen, om ons over
een en ander voor te lichten. Is naar uw oordeel het
stofi\'elijk leven van de werklieden te Krommenie in de
laatste 10 a 20 jaar vooruitgegaan?
A. Ik geloof, dat dit wel hetzelfde is.
6246.     V. Zijn de loonen vooruit-of achteruitgegaan?
A. Sedert een jaar of tien is er verhooging van loon
geweest in de weverij, voor de timmerlieden en metselaars.
6247.    V. Omtrent den stand der loonen in de
weverij hebben wij uiteenloopende mededeelingen ont-
vangen, in zoover, dat een getuige beweerde, dat de meeste
fabrikanten het loon weder op het oude peil hebben
gebracht.
A.. Dat is niet zoo.
6248.     V. Door een van de getuigen werd verklaard,
dat uwe firma de eenige was, die de loonen niet weder
verlaagd had, terwijl een ander getuige ons gezegd heelt,
dat, waar de loonen verlaagd werden, dit alleen geschied
is voor zekere contracten, die met de Regeering gesloten
waren. Wat is daarvan ?
A Ik geloof, dat die loonsverlaging tijdelijk is ge-
weest, omdat de Minister üyserinck en de heer Mac
Leod veel pressie op den prijs van het fabrikaat hebben
uitgeoefend, zoodat de wevers f 1 a f ü.50 minder kregen
per rol, maar alleen voor die contracten.
6249.     V. Zoodat niet juist is de verklaring van een
der getuigen, dat uwe firma de eenige was, die de loonen
niet weder verlaagd had?
-ocr page 301-
292
A. Tk heb er nooit aan geleverd en dus ook nooit
het loon verlaagd, maar de andere fabrikanten betalen
thans hetzelfde loon als ik.
6-250. V\'. Daarentegen is door een der getuigen ver-
klaaru, dat de loonen wel niet verlaagd zijn, maar dat er
veel minder voordeelige stukken werden uitgegeven dan
vroeger. Hoe is dat ?
A. Dat geloof ik niet. Ik geloof juist, dat er duurder
stukken door de handwevers worden geweven. Het mindere
doek wordt tegenwoordig geremplaceerd door het stoom-
doek, maar het echte Hollandsche draadsdoek, waarvoor
i\' 9—f 10 aan den wever betaald wordt, is tot dusverre
niet door stoom te maken.
6251.     V. Wordt dit in het geheel niet machinaal
gemaakt ?
A. Neen.
6252.    V. Zoodat in dit opzicht de handweverij nog
reden van bestaan heeft ?
A. Ja, maar dat zal met een 20 jaar ook ophouden,
er worden geen handwevers meer opgeleid.
6253.    V. Is het echte Hollandsche tweedraadsdoek
dus niet machinaal te maken ?
A. Neen.
6254.    V. Maar dat is toch zeker slechts eene qnaestie
van zoeken en vinden?
A. Juist. Maar zooals de geest des tijds is: men zoekt
meer naar goedkooper doek. Alleen enkele schippers,
vooral visschers, willen nog het oud-Hollandsche doek.
6255.    V. Werkt gij ook met stoom ?
A. Neen, ik heb uitsluitend handwevers, die thuis
werken.
6256.    V. Hoeveel wevers hebt gij ?
A. Ongeveer 25.
6257.    V. Wonen zij meest te Krommenie?
A. Neen, meest in Assendelft, in Krommenie wonen
geen 2U handwevers.
6258 V. Werken zij in den regel eene volle week
over eene rol ?
A. Dan kunnen zij het op hun gemak doen. Ik heb
wel eens een wever gehad, die 3 rollen in de 14 dagen
maakte.
6259.    V. Er is ons gezegd, dat zij tegenwoordig geen
3 rollen in de week mochten brengen, omdat de fabri-
kanteu er geen weg mede wisten; is dat zoo ?
A. Ja, er is geen behoefte meer aan.
6260.    V. Ook is ons door een der getuigen gezegd,
dat men eene rol best in 5 dagen kon afmaken : ook
naar uw oordeel?
A. Een vlus; wever wel.
6261.    V. Maar een middelmatig wever?
A. Tn zes dagen.
6262.    V. Het is dus geen gebrek aan ijver, wanneer
men er 6 dagen over doet, maar men moet een buitengewoon
goed wever zijn, om in 5 dagen eene rol af te doen ?
A. Zij verrichten b.v. eenig bijwerk voor een hoer,
melken wat voor hem, maar zij zorgen toch, dat de rol
in den tijd van 6 dagen af is.
6263.    V. Verwacht gij, dat binnen een kort aantal
jaren de handweverij geheel zal zijn uitgestorven ?
A. Ja, want de oudjes raken op, en er komen geen
nieuwe meer bij.
6264.    V. Hadt gij vroeger een grooter aantal ?
A. Ja, veel meer.
6265.    V. Hebt gij langzamerhand wegens gebrek aan
werk de menschen moeten ontslaan ?
A. Ja.
6266.    V. Wat is er van die menschen geworden?
A. Ze zijn boerenknecht geworden, of bij een ander
in dienst gegaan.
6267.    V. Verkeerden uwe concurrenten niet in iiet-
zelfde geval als gij ?
A. Zij hadden soms eene aanbesteding van het Rijk.
6268.    V. Maar stond daartegenover niet, dat zij ook
hoe langer zoo meer machinaal gingen werken ?
A Ja, doch ik spreek nu van een jaar of 6, 7 geleden.
6268«. V. Hoe is over het algemeen de verhouding
tusschen patroons en werklieden ?
A. Die is in de laatste jaren ongunstiger geworden.
6269.    V. Waaraan schrijft gij dat toe ?
A. Aan de lezingen van Domela Nieuwenhuis en het
lezen van Recht voor Allen en het Volksblad. Dit maakt
de menschen ontevreden.
6270.    V. Was er uws insziens geen reden van onte-
vredenheid tegenover de patroons?
A. Ik had, om een voorbeeld te noemen, een wever,
die f 9 verdiende, en van wien ik als wethouder bemerkte,
dat hij f2.10 aan hoofdelijken omslag schuldig was. Ik wist,
dat er f26 si 27 bij hem werd ingebracht, en daarom
zeide ik hem, dat hij werk kon krijgen, indien hij mij de
quitantie vanden hoofdelijken omslag vertoonde. Hij kwam
een half uur later in de fabriek en toonde mij de quitantie.
In het Volksblad stond toen echter, dat de wethouder
schandelijke pressie uitoefende op zijne werklieden om den
hoofdelijken omslag te innen. Dit is niet de manier om
de sympathie tusschen werkgevers en arbeiders te ver-
sterken.
6271.    V. Waar werden die f26 a f27 mede verdiend?
A. Zijn zoon verdiende f8, drie meisjes f 11 samen,
en hij zelf f9.
6272.    V. Is de aanraking tusschen volk en patroon
minder dan vroeger ?
A. Och, een wever komt zijn werk brengen, ontvangt
nieuw en gaat dan weder voor eene week heon.
6273.    V. Blijven wevers wel een leven lang hjj
dezelfde firma ?
-ocr page 302-
293
6283.    V. Waarom ?
A. Het rendeert niet en men is bang voor het ge-
halte der nieuwe bewoners. Er is op het oogenblik geen
enkele woning leeg, dagelijks komen 50, 60 werklieden
uit Assendelft naar ons om in de fabrieken werkzaam te
zijn. Die lieden denken zeer licht over trouwen, en als
zij gehuwd zijn, gaan ze niet gaarne \'s morgens om 5
uur van hunne vrouw weg tot \'s avonds een uur of 9.
Die zouden dus gaarne in Krommenie wonen, maar daar
zijn wij niet op gesteld, want als er stagnatie aan de
fabrieken komt, vervallen zij aan de armenkas.
Als het renteniers waren, zou het wat anders zijn.
6284.    V. Van den anderen kant wonen er men-
schen, die in Wormerveer werken, te Krommenie, niet
waar?
A. Ja, onze huren zijn lager.
6285.    V. Is dat een beter soort werklieden?
A. Ja wel.
6286.    V. Zijn daar niet vele sjouwers onder ?
A. Neen. het zijn ook fabriekslieden; menschen, die
een gulden of 8, 9 \'s weeks verdienen. Maar zij zijn
verplicht om alle dagen heen en terug te loopen.
6287.    V. Hoever is dat?
A. V2 uur.
6288 V. Kunt gij verklaren, dat er te Krommenie
geen noemenswaardige overtredingen van de arbeidswet
plaats hebben?
A. Die hebben niet plaats.
6289.    V. Gelooft gij, dat in de zakjesplakkerij,
in de blikfabriek en garenspinnerij de wet trouw wordt
nageleefd ?
A. In de fabriek van Planteijdt wordt lang gewerkt,
van 5 tot 8 uur, en daar hebben wij den veldwachter wel
eens heengezonden om te zien, of hij geen overtreding
kon constateeren, maar het is niet gelukt.
6290.    V. Zijn bij de invoering van de wet van
wege het gemeentebestuur de werkgevers opmerkzaam op
die wet gemaakt?
A. Dat weet ik niet; ik ben slechts sedert tweejaien
lid van den Raad.
6291.    V. Wanneer er getuigd is, dat het zedelijk
gehalte van de bevolking in de laatste 10 a 20 jaren
verbeterd is, kunt gij dat beamen?
A. Erger is het niet geworden.
6292.    V. Is het waar, dat het Maandaghouden bij u
onbekend is?
A. Ja.
6293.    V. Ook bij de ambachtslieden?
A. Ja.
6294.     V. Hebt gij van uw kant ons nog iets mede
te deelen?
A. Ik zou zoo gaarne zien, dat het gemeentebestuur
en het polderbestuur wat meer homogeen waren. Wij
74
A. Ja wel, ik heb nu een knecht, die al 40 jaar bij
ons werkt. Mijn vader kocht indertijd een huis voor hem
op afbetaling, en die man heeft nu eene eenden-en kippen-
boerderij, en zit in \'t geheel niet verlegen, als hij eene
week eens geen rol maakt. Maar die had eene beste vrouw,
en dat is de zaak.
6274. V. En als zij bij uwe firma te oud worden om
te werken, wat dan ?
d. Dan krijgen ze wat lichter werk ; zoo heb ik er
een gehad van 72 jaar, die bij zijne kinderen in was, die
het goed hadden ; gepensionneerd heb ik hem evenwel
niet Dat gebeurt niet met wevers, wel met de ziedhuis-
knechten. wat in den eigenlijken zin onze knechten zijn,
en die 12 ïi 13 cents per uur verdienen. Als die oud
worden, behouden zij hun loon, maar krijgen licht werk.
Met zulke menschen is onze verhouding ook heel anders
beter.
en
6275.     V. Gaat bij ziekte van zulke knechts het loon
geheel of gedeeltelijk door ?
A. Neen, dan genieten zij f6 uit \'/Hulp in lijden",
waarvan het grondkapitaal, bedragende f900, door de
patroons en anderen is bijeengebracht, en waaraan zij 10
cents per week bijdragen Naar omstandigheden geeft de
patroon er wat bij, als iemand met die f6 niet toe kan.
6276.    V. Zijn de woningen te Krommenie in den
laatsten tijd veel verbeterd ?
A. Ja, dank zij de bemoeiingen van den vorigen
burgemeester zijn de krotten opgeruimd en de nieuwe
woningen van veel beter gehalte, voorzien ook van een
regenbak of waterleiding.
6277.    V. Neemt de aansluiting aan de waterleiding toe ?
A. Niet erg, de vrouwen zijn er tegen. Zij zeggen,
dat zij niet met dat pompwater kunnen wasschen, wel
met regenwater. De waterleiding kost de gemeente te
veel geld; wij hebben f 10,000 moeten garandeeren.
6278 V. Schrijft de bouwverordening geen aanslui-
ting voor?
A. Neen, wel het hebben van een regenbak van
minstens 2 M3. voor elk gezin.
6279.    V. Zijn de krotten, waarvan gij spraakt, alle
opgeruimd ?
A. Van lieverlede. De burgemeester Van der Steen,
die een uitnemend hoofd der gemeente was, trok er dade-
lijk op af, als hij hoorde, dat er zoo\'n krot was, en dan
werd reparatie gelast onder bedreiging van onbewoonbaar-
verklaring.
6280.     V. Ts er veel bijgebouwd in de latere jaren?
A. Neen.
6281.    V. Wat bijgebouwd werd, waren dat houten
of steenen huizeu?
A. Houten woningen; steenen zijn te duur, omdat
men moet heien.
6282.    V. Zijn er ook bouwvereenigingen ten alge-
meenen nutte, of is alles particulier eigendom ?
A. Er heeft eene bouwvereeniging bestaan, die heeft een
huis voor 4 gezinnen gebouwd. De aandeelen zijn alle
afgelost, maar men ziet toch niet meer bijbouwen.
Enquête. — De Zaankant.
-ocr page 303-
291-
hebben stinkende slooten bij ons, en nu willen wij het
peil van den polder zoo gaarne verhoogen, maar het
polderbestuur wil maar niet hooren.
6295. De heer Le Poole: Waarom hebt gij u niet tot
Gedeputeerde Staten gewend ?
A. Dat geeft niets. In de laatste Raadsvergadering is
geconstateerd, dat het peil \'/i voet onder het zoraerpeil
was.
6*296* V. Gij weet, dat Gedeputeerde Staten keuren,
en de Provinciale Staten reglementen van waterschappen
kunnen veranderen. Er zijn dus middelen om aan uw
wensch te gemoet te komen.
A Ja.
6297.     De Voorzitter: Hebt gij vele, uit een hygië-
nisch oogpunt voor de gezondheid nadeelige slooten in
uwe gemeente?
A. Ja.
6298.     V. Staan daar de woningen meestal opp
A- Meestal niet, maar wel bijna alle privaten.
Ij. Schaap.
A. Kebdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. L« Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
6304.    V. Wordt er \'s Zondagsmorgens nog wel eens
later gewerkt?
A Neen, half zeven is het laatst.
6305.     V. En wanneer begint uw werk dan weder ?
A. \'s Zondagsavonds 9 uur.
6306.    V. Werkt gij al lang bij den heer Abercrombie ?
A. Vijf weken.
6307.    "V. Waar hebt gij vroeger gewerkt?
A. Bij Gerber op de Jan Hansenkade, te Amsterdam.
6308.    V. Was het daar zwaarder werk 9
A. Ja, 16 uren werken, langer staan en harder werken
dan hier. Er was enkel rust om wat brood te eten.
6309.     V. Hoe was het daar met den Zondagsarbeid ?
A. Wij werkten van \'s Vrijdagsavonds 10 tot \'s Zaterdags-
avonds 10, dus 24 uren, en de eene week van \'s Zondags-
naclits 1 tot \'s Zondagsmorgens 8 uur, om weer te beginnen
\'s Zondagsavonds om 10 uur. De andere week hadden we
dan vrij van \'s Zaterdagsavonds 10 tot \'s Zondagsavonds
10 uur.
6310.     V. Gij werktet dus 104 ü 111 uren per
week?
A. Ja.
6311.    V. Hoeveel uren rusttijd ging er af?
A. Geen uur per dag. Het brood werd onder het
werk opgegeten.
6312.     V. De feitelijke arbeidsduur was dan 98 a 105
uren in de week ?
A. Ja.
6313.     V. Gij overdrijft niet?
A. Neen.
6314.     V. Wat verdiendet gij daar?
A. f 5 in de week met kost en inwoning.
6315.    V. Was de kost goed?
A. Zeer goed.
6316.     V. Wat verdient gij hier?
A. Hetzelfde.
6317.    V. En gij werkt hier 90 a 95 uren in de
week?
A. Ja.
6318.     V. Het is dus hier wat minder ?
A. Ja. Het werk is ook minder zwaar.
6319.    V. Waardoor?
A. Het deeg is er minder zwaar en er wordt minder
roggebrood gebakken.
Verhoor van Cornelis Deudekom. oud 29 jaar, meester-
knecht bij den broodbakker J. Abercrombie,
te Zaandam.
6299.     De Voorzitter: Hoe is uw werktijd geregeld?
.4. Van \'s avonds 9 uur tot den volgenden middag
12, 1 uur.
6300.     V. Brengt gij dien tijd voortdurend in de
werkplaats door ?
A. Ja.
6301.     V. Hoeveel rust hebt gij in dien tijd?
A \'s Avonds van 11 tot 12 en \'s morgens van 5
tot 6 uur, soms iets langer of korter.
6302.    V. Zijn er nog kleinere rusttijden?
A. Soms een kwartiertje of 10 minuten.
6303.     V. Hoeveel werkelijken arbeidsduur rekent gij
dan gemiddeld per etmaal?
A. 13 ii 14 uren. \'s Vrijdagsavonds begin ik om 8 uur
en werk dan tot \'s Zaterdagsmorgens 10 uur, met dezelfde
rusttijden. Dan begin ik weder \'s Zaterdagsmiddags 5 uur en
werk door tot \'s Zondagsmorgens 6, 6V2 uur, dan evenwel
zonder eenigen rusttijd.
-ocr page 304-
295
6320.    V. /-on het mogelijk zijn het Zondagswerk
geheel te laten vervallen ?
.-/. Dat zou moeilijk gaan.
6321.     V. Hoeveel werklieden zijn er bij uw patroon ?
A. Vier.
6322.    V. Is in den korten tijd, dat gij daar zijt, de
Zondagsquaestie wel besproken ?
A. Neen, \'s Zondags wordl alleen klein brood gemaakt,
dat spoedig weggebracht is.
6323.     V. Is de werktijd voor de anderen even
lang als voor u ?
A. Ja, alleen met dien verstande, dat zij een uur of
10 per week veel lichter werkzaamheden verrichten, als
aanvegen en schoonmaken van den boel.
6324.    V. Gaan die menschen ook venten ?
A. Ja, twee er van. Een van hen begint van 3 tot
6 uur te werken, gaat dan de straat op tot 8 uur en na
eene pauze van VA uur weder tot 12 uur; na H uur
koffiedrinken gaat hij met den zoon van den patroon
weder uit tot 4, 5 uur en dan is hij klaar; de volgende
week doet de andere knecht deze werkzaamheden. Zoo
ruilen zij wekelijks om.
6325.    F. Het eigenlijke bakpersoneel gaat dus niet
de straat op?
A. Neen, alleen deze twee.
6326.     V. De handteekening op de briefkaart, die wij
van u ontvingen, was opvallend goed geschreven; waar
zijt gij school gegaan ?
A. Ik ben tot mijn 15de jaar op school geweest te
Schagen.
6327.    F. Hebt gij tot uw 15de jaar gewoon lager
onderwijs genoten ?
A. Ik ben twee jaar kweekeling bij het onderwijs
geweest.
6328.    F. Hoe komt het, dat gij naar het bakkers-
bedrijf verzeild zijt?
A. Ik had er geen zin meer in om met de jongens
om te springen, en mijn vader was ook bakker; zoo ben
ik in dat vak gekomen.
6329.     V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen?
A. Neen, dank u.
C. Deudkkom.
A. Keroijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Lk Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roltaards, Adj.-secretarie.
Verhoor van Jan Abercrombie, oud 46 jaar,
broodbakker, te Zaandam.
6330.   De Voorzitter: Wij hebben uw meesterknecht
gehoord, die ons verklaard heeft, dat de werktijd bij u
is: op gewone dagen van \'s avonds 9 tot \'s morgens 12,
uur: op Vrijdag van \'s avonds 8 tot \'s morgens 10
uur, en op Zaterdag van \'s avonds 5 tot \'s morgens 6 a
6V2 11UI\\ en dat dan \'s Zondagsavonds 9 uur het werk
weder begint. Is dat juist\'?
A. Ja.
6331.     V. Hoeveel rust krijgen de menschen in zoon
nacht ?
A. Omdat wij geen fabriek hebben, kunnen de knechts,
als het deeg gemaakt is, wat rusten en zoo na elke
werkzaamheid. De werkplaats is ruim en luchtig, zoodat
de werklieden telkens een pijpje kunnen gaan ronken,
hetzij buiten, hetzij binnen. Om 9 uur is het brood
gebakken en dan komt het bakken van krakelingen en
kleingoed, een werk dat zij spelend kunnen doen. Dat
duurt tot 12 uur.
6332.     V. Dat werk is minder zwaar dan het overige,
maar het is toch arbeid: hoeveel rust rekent gij, dat uwe
werklieden in den arbeidstijd rust hebben\'.\'
A Twee uren.
6333.    F. Hebt gij altijd in den nacht van Zaterdag
op Zondag gewerkt?
A. Ja
6334.    F. Doen alle bakkers te Zaandam dat?
A. Wel 12 of 18, want Marwijk Kooy uit Amster-
dam vent hier \'s morgens en \'s middags versch brood.
Dus wij moeten wel.
6335.    F. Doet de firma Marwijk Kooy dat ook
\'s Zondags?
A. Ja, dan komt om 3\'/4 uur eene versche zending
aan met de boot.
6336.    F. Maar gij zegt altijd \'s Zaterdagsnachts ge-
werkt te hebben; dus ook toen die concurrentie er nog
niet was?
A. Neen, Marwijk Kooy heeft dat al 25 jaar gedaan,
en nu is hier de fabriek van Verkade er bij gekomen eii
is het nog veel erger geworden.
6337.    F. Ik meende, dat de heer Verkade gezegd
had, dat hij er met dat \'s Zaterdagsnachts werken wel uit
wilde scheiden, als de andere bakkers het ook deden ?
A. Dat zou ik ook wel willen, maar hij heeft er mij
nooit een woord van gezegd.
6338.    F. Die is echter later begonnen?
A. Ja, maar daartoe overgegaan ten gevolge van het
doen van Marwijk Kooy.
6339.    F. En van de concurrentie van de particuliere
bakkers?
A. Dat zal ik niet betwisten. Wanneer men, zooals
ik, ] 23 opcenten en f200 belasting betalen moet, dan
kan men niet anders doen dan concurreeren, want de
lasten zijn te zwaar.
-ocr page 305-
296
6351. V. Als de wet Zondagswerk verbood, zoudt
gij dan \'s Zaterdags dubbel lang moeten werken ?
A. Ja, in Amsterdam werken zij ook wel \'s Ziterdags
8  uren langer, dan laten zij \'s Zaterdagsavonds het brood
voor \'s Zondagsmorgens venten.
6353.    V. Als gij van \'s Zaterdags nachts 12 uur tot
\'s Zondagsnachts 12 uur niet mocht werken, zoudt gij
dan \'s Maandagsmorgens niet later moeten gaan leveren ?
A. Uat zou best kunnen geschikt worden.
6354.    V. Zoo erg noodzakelijk is dat Zondagswerk
dus niet?
A. Neen.
6355.     V. Thans begint gij \'s Zondagsavonds om
9   of 10 uur om \'s Maandagsmorgens 6 uur met uwe
klanten te kunnen beginnen. Zoudt gij ze nog om 6
uur kunnen bedienen, wanneer gij eerst met middernacht
begont ?
A. Ja.
6356.    V. Waarom doet gij het dan nu niet?
A. Ik weet het niet. Wij behoeven ons nu niet te
haasten.
6357.    V. Wat verdienen uwe knechts?
A. Twee f 5 en den kost. Een jongen verdient f 3
en de jongste f 1.75.
J. Abercrombie.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e.
W. M. Visser.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
6340. V. Kunt gij \'s Zondagsavonds niet later dan 9
uur beginnen?
A. De tijd is 9 uur, maar het wordt gewoonlijk 10
uur; dan begint er één knecht en om 12 uur eerst komt
de tweede. Die het eerst begint, scheidt ook het eerst uit.
634-1. V. Wat zoudt gij er van zeggen, wanneer de
wet den Zondagsarbeid verbood?
A. Wanneer dat voor alle bakkers gold, zou ik het
toejuichen, want dan zouden de menschen des Zaterdags
wel het brood voor den Zondag nemen. Wij hebben ook
gaarne rust, en nu moeten ik, mijn zoon en een jongen
van 17 jaar, of een van bij de 16 jaar, het brood \'s Zondags
rondbrengen.
6342.    V. Ons is door een getuige verklaard, dat een
vun uwe knechts geregeld het brood rondbrengt. Is
dit zoo?
A. Ja. dat is een van die jongens, met mijn zoon,
week om week.
6343.    V\'. Werken die twee jongens van 17 en bijna
16 jaar in de fabriek?
A Ja.
6344.    V. Hoe laat komen zij ?
A. \'s Nachts om 3 uur. De jongste gaat om 6 uur
de bakkerij uit om de vroegklanten te beloopen, wat
anderhalf uur duurt; dan is hij vrij tot lO\'/a uur en
werkt weder tot 12 uur. Hij heeft dan rust tot 4 uur
en werkt tot 7 uur
6345.    V. Gaat hij in zijn rusttijden naar huis?
A. Ja, of hij gaat wat visschen.
6346.    V. AVelk loon krijgt hij?
A. f 175 met den vollen kost per week.
6347.     V. Hebt gij al uwe knechts in den kost, en eten
zij met uw gezin aan tafel?
A. Ja.
634S. V, Hebt gij in het geheel geen getrouwde
knechts?
A. Ik heb eens een getrouwden knecht gehad, maar
die zijn onveilig. Hij had f 9 en den kost, maar telkens
verdween er een pond boter, wat sucade of krenten, alles
werd weggesleept.
6349.     V. Trouwen de bakkersknechts dan niet?
A. Och, het zijn zulke rare menschen. Ik heb wel
20 knechts uit Amsterdam gehad, en als zij dan wat
verdiend hebben, een f 20 of zoo iets, dan gaan zij weer
terug naar Amsterdam. Het is hier te stil voor hen.
6350.    V. Werkt gij zelf ook altijd \'s nachts mede?
A. Zeker, om 4 uur kunnen zij mij altijd roepen,
en als het noodig is ook vroeger, als zij bijv. \'s morgens
eens uit willen.
Verhoor van Lammert Van Steen, oud 39 jaar,
huiswever, te Assendelft.
6358.     De Voorzitter: Op welken leeftijd zijt gij met
weven begonnen?
A Op mijn 12de jaar.
6359.    V. Vóór dien tijd spoeldet gij zeker mede?
A. Ja.
6360.     V. Buiten schooltijd ?
A. Ja.
-ocr page 306-
297
A. Ja.
6376.    V. Kunnen vele wevers van stukken van f 10
het bijv. tot hun 50ste jaar daarmee volhouden?
A. Er mogen er zijn, maar velen niet, vooral tegen-
woordig.
6377.    V. Dus vroeger eerder. Hoe komt dat?
A. Omdat het werk tegenwoordig zwaarder is.
6378.    V. Die zware stukken werden toch altijd ge-
maakt ?
A. Ja, maar het werk is nu zwaarder van gewicht.
Een stuk, dat vroeger woog 52—54 pond, wordt nu 58
zelfs 60 pond. Dit is zwaarder werk.
6379.    V. Wat is daarvan de reden?
A. De koopers zullen dat willen.
6880. V. Werkt uwe vrouw mede?
A. Zij spoelt.
6381.     V. Hoe lang is zij per dag daarmede bezig?
A. Ik moet negen keer sterken, en iederen keer heeft
mijne vrouw drie kwartier werk.
6382.    V. Dus zij werkt zoowat den geheelen dag
mede?
A. Ja.
6383.    V. Wanneer doet zij dan haar huishouden ?
A. Tusschen het spoelen door.
6384.     V. Hebt gij geen kinderen ?
A. Neen.
6385.    V. Er zijn immers ook vrouwen, die spinnen?
A. Tegenwoordig niet veel; wel de helft minder dan
voor 10 jaar.
63S6. V. Voor welke firma werk! gij ?
A. Voor mijnheer Van Legden.
6387.    V. Is het loon eenige jaren geleden niet ver-
hoogd?
A. Ja.
6388.    V. En is het naderhand weder verlaagd ?
A. Mijn loon niet, maar twee jaren geleden was er
een werk met een witten draad, daar werd twee kwartjes
minder voor gegeven.
6389.     V. Dat was werk voor de Marine, niet waar?
A. Ik geloof het wel.
6390.    V. Zijn, behalve voor het daareven genoemde,
voor andere soorten, dan die gij maakt, de loonen weer
lager geworden ?
75
6S61. V. \'s Avonds ook?
A, \'s Avonds was het niet zoo erg.
6362. V. Weefdet gij al zelfstandig op uw 12de jaar ?
A. Ja, ik leerde het onder toezicht van een baas.
Sedert ben ik er nooit af geweest. Weven is geen kunst.
6368.    V. Maar het eischt eene groote inspanning?
A. Ja, het ging ook niet best, toen ik 12 jaar was,
maar het ging toch.
6364.    V. Wat maaktet gij toen?
A. Een stuk van f 4.25.
6865. V. Hoeveel tijd hadt hij daarvoor noodig?
A. Voor het eerste 8 dagen.
6366.    V. En toen ge het een jaar gedaan hadt?
A. Eene week.
6367.    V. En tegenwoordig ?
A Ook eene week, 6 dagen.
6365.    V. Zijn het zware stukken, die gij maakt\'.\'
A. Ja, van f 10, het beste van alles.
6369.     V. Behoort gij dus tot de beste wevers ?
.4. Ja.
6370.     De heer Le Poole : Hoe breed is dat tweedraads
zeildoek ?
A. Een halven meter ruim.
6371.    V. Waarom wordt dat niet op het stootnge-
touw geweven, maar met de hand ?
A. Dat kan niet, want alles zou stuk geslagen worden.
6372.     De Voorzitter: Kunt gij altijd stukken krijgen
van f 10?
A. Tot nu toe, maar als ik verminder in mijn werk,
krijg ik stukken van f9, f8, enz.
6373.    V, Zoudt gij nog lang stukken van f 10
kunnen maken ?
A. Dat kan ik niet best beantwoorden, want het is
een zwaar werk; er is ter wereld geen zwaarder werk dan
weven. Na l>s uur werken loopt het zweet van alle leden
af. Ik heb een buurman, die dan al waternat is.
6374.    V. Hoeveel uren werkt gij per dag?
A Ik sta om half vijf op, begin om 5 uur en werk
dan knap door tot 11,\'., dan middagmaal ik en doe ik
een dutje, anders zou ik den avond om kwart voor 7 uur
niet halen. Dan bennen wij er.
6375.    V. Gij ziet er zeer oud uit voor uw leeftijd ;
gevoelt gij al, dat gij minder wordt ?
Enquête. — Be Zaankant.
-ocr page 307-
298
A. Er is grauw doek, daar minder voor wordt gegeven,
maar ik weet niet, of mijnheer meer kan belalen. Dan is
er nog draaddoek met een blauwen draad, dat geeft 7, 8
en 9 gulden. Maar vroeger was er maar ééne soort.
6391. V. Met hoevee! werd dat betaald?
A. Met f9.
(3392. V. Gij hebt gezegd, dat die beste stukken van
f 10.— niet op de machine gemaakt kunnen worden;
dus daarvoor zou de haudweverij moeten blijven bestaan.
De goedkoopere soorten echter worden hoe langer zoo
meer machinaal gemaakt. Wanneer gij nu dat dure werk
niet meer zult kunnen maken, dan. schiet er dus geen
werk meer voor u over?
A. Neen.
0393 V. Dus ziet gij zeker de toekomst bang
tegemoet\'.\'
A. Ja, treurig.
6384. V. Des winters, als het hard vriest, kunt gij
immers niet werken ?
A. Ik heb van den winter 6 rollen verspeeld; er zijn
er echter, die er wel 7 of 8 verspeeld hebben door de koude.
6395. V. Hoe hebt gij het gedurende die 6 weken
gemaakt?
A. Ik had wat van mij zei ven, en verder heb ik
schuld moeten maken.
f1396. V. Veel ?
A. Niet veel.
6397.     V. Voorschotten worden door den patroon niet
meer gegeven, is het wel ?
A. Neen.
6398.    V. Ons is gezegd, dat sommige wevers blijde
zijn, dat hel voorschotstelsel afgeschaft is, omdat zij den
ganscheiu zomer bleven onder den druk van het terug-
betalen: noe denkt gij daarover?
A. Ik had er van den winter wel gebruik van willen
maken: want dan had ik slechts bij één behoeven te
leenen en nu bij velen.
6399.    V. Dachten vroeger, toen voorschotten werden
verstrekl, niet vele wevers al heel spoedig, dat het te
koud was om te werken, terwijl men nu zoolang mogelijk
volhoudt?
A. Ik heb altijd zoolang mogelijk doorgewerkt.
6400.    V. Zijt gij lid van de arbeidersvereeniging,
die levensmiddelen levert?
A. Ja.
6401.    7. Werkt dat goed?
A. Ja, dat gaat wel.
6402.    V. Daar moet immers altijd geld bij de visch
gegeven worden?
A Ja.
6403.    V. En werkt dat gunstig op het gezin?
A. Dat werkt niet kwaad.
6404.    V. Er is immers ook een ziekenfonds ?
A. Ja, maar dat gaat niet best.
6405.    F. Door dat er te veel zieken komen ?
A. Ja, er zijn te veel oude wevers, die uitgeput zijn.
Als die ziek worden, blijven zij ook lang ziek. Ik zelf
ben een paar maal eene week of drie ziek geweest, eens
aan de rhuematiek en eens aan de influenza.
6406.    V. Gaan de wevers in den hooitijd wel niet
mede hooien?
A. Ja.
6407.    V. Doet gij het ook wel ?
A. Neen, ik kan dat werk niet.
6408.    V. Bevestigd gij, wat ons is gezegd, dat de
wevers, als zij uit hooien zijn geweest, er veel beter
uitzien dan vóór dien tijd ?
A. Nu, dat scheelt nog al wat; maar dat gaat er
weer gauw af, als zij aan de touwen staan.
6409.    V. Jongens worden niet meer bij de handwe-
verij opgeleid, is het wel ?
A. Neen.
6410.    V. Het getal wevers is dan ook zeer verminderd ?
A. Ja, er zijn er nog maar een 70 ü 80.
6411.    V. Wat is er van de meesten geworden?
A. Een gedeelte is er beter op geworden; die zijn naar
de fabrieken gegaan, waar zij evenveel geld krijgen, als
bij de haudweverij.
6412.    V. Neemt men daar dan ook handwevers aan?
Ik dacht, dat daar alleen jonge krachten werden aangenomen.
A. Er zijn er wel bij van 40 jaar.
6413 V. En de anderen, die niet naar de fabrieken
zijn gegaan ?
A. Die lijden soms armoede, maar toch niet veel
Voor mijn part ging de geheele handweverij naar de
maan, als ik maar wat anders had.
6414.    V. Ziet gij geen kans om wat anders ter
hand te nemen ?
A- Neen.
6415.     V. Woont gij aan de Noord- of aan de Znid-
zijde van het dorp ?
A. Zoo wat halverwege.
6416.    V. Waar wonen de meeste wevers?
A. Aan den Noordkant.
-ocr page 308-
299
6417. V. Wanneer beweerd wordt, dat er aan den
Noordkant meer wordt gedronken dan aan den Zuidkant,
acht gij dat juist?
A- Er wordt in Assendelft wel sterken drank gedronken,
maar geen misbruik.
6481. V. Zult
moeten komen ?
gij later in het werkhuis terecht
A. Dat kan niet; te Assendelft is er geen. Wij
moeten bedelen, of nemen dan althans een mandje in
de hand.
6418. V
Noordzijde?
Wordt er niet meer gedronken aan de
L. Van Steen.
A. Kerduk. Voorzitter.
Kolkman.
S. Le Pooi.e
W. M. Visser.
W H. J Roijaards, Adi -secretaris.
A. Ik geloof het niet Zij drinken borrels, als zij geld
hebben, maar ik doe het niet.
6420. V. Hebt gij ons nog iets mede te deelen ?
A. Ik leef alleen met mijne vrouw, en ik kan een
stukje kaas op mijn brood krijgen, dat kunnen velen
niet, en dat zal ik later ook niet kunnen.
-ocr page 309-
-ocr page 310-
ZITTING VAN DONDERDAG 23 JULI 1891.
(Aanvullingsverhooren LEIDEN.)
Tegenwoordig de heeren:
Kekdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Vissee.
Kouw (krachtens art. 4 al. 8 der wet).
Verhoor van Christiaan Adriaan Simonis, oud 52 jaar,
meubelmaker, te Leiden.
6633". De Voorzitter: Gij hebt den wensch te kennen
gegeven om alsnog gehoord te worden naar aanleiding
van hetgeen door een uwer gezellen, Van Zijp, vroeger
voor de Commissie werd verklaard. Aan dien wensch heeft
zij gevolg gegeven blijkens de tot u gerichte oproeping.
Omtrent welke punten begeert gij inlichtingen te
verstrekken ?
A. Van Zijp heeft verklaard, dat ongeveer een jaar
geleden het loon verminderd is met 5 pet., en dat sinds
zes jaar den gezellen voor elk groot stuk, bijv. eene kast,
eene chiffonnière, enz. f 1 minder wordt betaald. Wat dien
1 1 minder betreft, heeft Van Zijp gedeeltelijk gelijk;
maar bij andere patroons werd in het algemeen ook geen
hooger loon gegeven.
6634.    V. Gij bedoelt dien gulden vermindering van
een jaar of zes geleden ?
A. Ja; sedert eenige jaren was ik zeer achteruit-
gegaan en moest tegen andere bazen concurreeren. Ik
heb toen tot mijn volk gezegd, dat ik dien gulden, waar-
mee ik vroeger het loon had verhoogd, weder moest
terugnemen. In zooverre is hetgeen Van Zijp verklaarde
juist, doch hij vergat, dat die gulden hem niet toekwam.
Een paar bazen gaven dien gulden, omdat zij zonder
knechts waren, en dezen langs dien weg trachtten te be-
komen. De andere patroons deden het niet.
6635.    V. Als ik u wel begrijp, hebt gij vele jaren
geleden het loon verhoogd, in de meening dat ook andere
patroons dit deden, maar toen gij bemerktet, dat dit
laatste niet het geval was, en uwe zaak niet schitterend
ging, hebt gij dien gulden weder teruggenomen?
A. Ja.
6636.    V. Hoe lang is Van Zijp bij u werkzaam ge-
weest ?
A. Sedert 1883.
6637.    V. Had, toen hij bij u kwam, die vroegere
verhooging van loon reeds plaats gehad ?
Enquête. ■*— Aanvullingsverhooren Leiden.
A. Ja.
6638.    V. Het door hem vermelde feit van de verla-
ging van het loon een jaar of zes geleden was intus-
schen juist?
A. Ja.
6639.    V. Gij zeidet daareven, dat Van Zijp vergeten
had, dat hem dat verhoogde loon, hetwelk later door u
weder is ingetrokken, niet toekwam. Hoe kon hij weten
van die vroegere verhooging, die van vóór zijn tijd was ?
A. Iedere knecht weet het, als ergens anders een dub-
beltje meer wordt betaald, en dus wist hij ook, dat er
bij een ander f 12 werd gegeven voor het maken van
een mahoniehouten kast, terwijl ik er f 14 voor betaalde.
6640.    V. Ik doe u opmerken, dat. in hetgeen Van
Zijp omtrent die loonsverlaging gezegd heeft, niet de
minste onaangename strekking lag verscholen te uwen
opzichte. Integendeel hij verklaarde, des gevraagd, dat zij
een gevolg was van de zware concurrentie, en van het
gaan werken van knechts voor eigen rekening. Onwaar-
heid gesproken heeft trouwens Van Zijp, wat dit punt
betreft, niet?
A. Niet wat de heele vraag betreft, wel wat de 5 pet.
aangaat.
6641.    V. Laat ons die 5 pcts.-quaestie van verleden
jaar even laten rusten, tot wij het eens zijn omtrent de
loonsverlaging van een jaar of zes geleden.
Het feit, daaromtrent door hem medegedeeld, was juist;
alleen zoudt gij verlangd hebben, dat Van Zijp er bij
gevoegd had, dat de verlaging eerst plaats gevonden had,
nadat het u gebleken was, dat andere patroons minder
gaven ?
A. Juist.
6642.    V. Nu komen wij tot de 5 pcts.-quaestie
van verleden jaar. Is het niet juist, wat Van Zijp ver-
klaarde, dat ongeveer een jaar geleden het loon vermin-
derd is geworden met 5 pet?.
7fi
-ocr page 311-
302
A. Dat is niet juist. Ik heb u de staten overhandigd
van de balansen over 1887, 1888 en 1889, waaruit blijkt,
dat ik die jaren zonder winst heb gewerkt, hetgeen mij
deed besluiten mijne zaak te sluiten, welk besluit ik in
\'t bijzijn van Van Zijp aan al mijne knechts heb mede-
gedeeld. Het verwonderde mijne knechts niet zulks te
vernemen, want ten gevolge van de groote concurrentie
hebben een 25-tal bazen er te Leiden de bijl bij moeten
nederleggen, hetzij dat zij uit hunne zaak zijn gegaan of
gefailleerd zijn. De knechts konden dus we^l begrijpen,
dat het niet rooskleurig is in het meubelvak. Eén van hen,
Laterveer, nam het woord en vroeg mij, of er niets aan
te doen was, want als het zoo slecht bij mij was, zou
dat bij anderen ook wel zoo wezen, en ik had toch altijd
nog werk gehad. Ik heb toen geantwoord, dat ik zonder
winst niet kon werken en dat, wanneer ik van hun loon
afnam, wat ik noodig had, dit wel 10% zou zijn — ik
betaal alle weken ongeveer f 200 uit, f 20 \'s weeks is.
dunkt mij, niet te veel voor iemand, die met zooveel
knechts werkt — en dat konden zij niet missen. Later-
veer vroeg mij daarop of ik de zaak nog eens in bedenking
wilde houden. Ik heb toen geantwoord, het nog eenjaar
te zullen probeeren, mits de knechts 5% van hun loon
lieten vallen. Over een jaar zou ik dan verder zien. Zij
moesten daarover maar eens onderling stemmen, dan
zou ik later wel in de werkplaats komen om den uitslag te
vernemen. Zij hebben echter niet willen stemmen, zoodat ik
genoodzaakt ben geweest om ze een voor een in mijn kan-
toortje te laten komen. Daar hebben allen mij gezegd voor
5 % minder loon te willen werken. Maar in plaats van dat
te doen, heb ik alleen van het aangenomen werk van
de stukken, die f 20 tot f 14 aan werkloon kosten, 50
ets. op zijn hoogst gekort. Den witwerkers, den eiken-meu-
belmakers en den schilders heb ik niets gekort. Op het
oogenblik echter, dat ik vernam, wat Van Zijp voor de
Commissie van enquête had verklaard, heb ik van mijn
recht gebruik gemaakt en de loonen met 5 °;o verlaagd.
6643.    V. Is ook Van Zijp bij die samenkomst met
de knechts, waarvan gij daareven spraakt, tegenwoordig
geweest?
A. Ja, alle 20 of 21 knechts, die ik toen had; nu
werk ik met 18 knechts.
6644.    V. Arbeiden de witwerkers en de eiken-meu-
belmakers niet boven?
A. Dat staat door elkander; de mahonie-meubehnakers
staan zooveel mogelijk bij elkander, omdat zij elkander dan
kunnen helpen, en dezen staan beneden; daar werkte Van
Zijp.
6645.    V. En op de werklieden beneden is eene ver-
mindering van loon toegepast?
A. Ja.
6646.    V. Kan het nu niet zijn, dat Van Zijp niet
bekend was met hetgeen boven geschiedde?
A. Dat weet ik niet, maar ik kan het niet onderstel-
len. Als ik op een bepaald stuk een dubbeltje meer geef,
en dat te voren tegen een der knechts zeg, dan weten
zij het bij de uitbetaling allen; maar moeten daarentegen
de knechts een dubbeltje; laten vallen op een bepaald
stuk, dan weet niemand het bij de uitbetaling.
6647.    V. Ik deed u de vraag, omdat der Commissie
reeds herhaaldelijk gebleken is, — niet wat uwe werk-
plaats betreft, maar van andere werkplaatsen —, dat de
werklieden dikwijls niet van elkander weten, wat zij ver-
dienen, hoe weinig de lieden vaak over hunne verdien-
stcn met elkander spreken.
Nu wat het bedrag der feitelijk door u toegepaste
vermindering betreft. Is de maximum-vermindering, die
door u is toegepast, inderdaad niet meer dan f 0.50 ge-
weest?
A. f 0.50 per stuk, al was het bedrag aan loon
f 20.- of f 30.—.
6648.    V. Maar nadat het enquête-verslag te uwer
kennis gekomen was, hebt gij de destijds gemaakte
afspraak op allen toegepast en het loon met 5 °/„ ver-
minderd?
A. Ja.
6649.    V. Wat heeft u daartoe genoopt?
A. Daar men algemeen meende, dat ik 5 °/0 van het
loon kortte, heb ik van mijn recht gebruik gemaakt.
Ik ben aan de enquête het behoud van mijne zaak
schuldig; ik had blind blijven voortwerken en wist niet,
waar het scheelde, maar door de enquête ben ik tot de
overtuiging gekomen, dat de andere patroons minder
loon geven dan ik; vandaar dat ik het loon heb ge-
wij zigd.
6650.    V. Van Zijp heeft, zooals gij weet. verklaard,
dat hij thans wel f 3.— minder in de week verdiende
dan 6 jaar geleden. Kunt gij ons de verdiensten van
Van Zijp over de verschillende jaren opgeven?
A. Zeker, Mijnheer de Voorzitter. Van Zijp verdiende in:
1883  29 weken ƒ 356.30 gemiddeld per week f 12.28».
1884  52 „ - 646.17»           „           „ „ - 12 43.
I 1885 52 „ - 596.00 „
           „ „ - 11.46.
, 1886 52 " „ - 591.69 „ „ „ - 11.38.
1887  52      „       - 631.21             „           „       „    - 12.14.
1888  52      „       - 668.01             „           „      „     - 12.87.
1889  52      „       - 670.26             „           „       „     - 12.69.
1890  52      „       - 634.47             „           „       „     - 12 20.
6651.    V. Uit die opgave blijkt dus, dat de man in de
; laatste jaren evenveel heeft verdiend als zes jaar geleden?
A. Ja.
6652.    V. Heeft hij in den laatsten tijd misschien
langer gewerkt?
A. Neen, minder. In 1883 werd zelfs 1 uur langer
gewerkt, \'s zomers van 5 tot 8 uur, thans komen zij pas
om 6 uur.
6653.    V. Alles wordt op stuk gewerkt, niet waar?
A. Ja.
6654.    V. Wordt dan wellicht in den lateren tijd een
gedeelte van den schafttijd opgeofferd, of \'s avonds nog
nagewerkt ?
A. Neen. Van Zijp is een man, die punctueel komt
en weggaat op de vastgestelde uren. In de 8 jaar, dat
hij bij mij was, is hij, geloof ik, nog geen 8 minuten te
laat gekomen. Van later werken is geen sprake. Wel
gebeurt het eene enkele maal, dat men na 8 uur een
kwartiertje langer blijft, omdat men zin in het werken
heeft, of dat men iets wil afhebben. Maar in 1883 en
1884, toen de werktijd 1 uur langer was, hebben zij dat
kwartiertje langer misschien even goed gewerkt.
6655.    V. Het staat dus vast, dat 6 jaar geleden het
loontarief niet onbelangrijk is verminderd, terwijl toch
het boekje uitwijst, dat Van Zijp thans evenveel ver-
diende als vóór die verlaging. Dit kan liggen hieraan,
dat hij meer poot aan speelde, zich meer inspande,
om bij het lagere loontarief op het einde der week
toch hetzelfde te kunnen ontvangen; het kan ook daar-
aan liggen, dat hij in den schafttijd of \'s avonds wat
langer werkte; het kan eindelijk ook aan andere
omstandigheden liggen. Zijn er zulke andere omstandig-
heden in het spel ?
A. Het is een gevolg van de omstandigheid, dat de
materialen thans zooveel beter zijn, dus juist het omge-
keerde van hetgeen Van Zijp beweerde, die zeide, dat
zij slechter zijn geworden.
6656.    V. Inderdaad heeft Van Zijp verklaard, dat
men vroeger beter qualiteit van hout bezigde dan tegen-
woordig ?
-ocr page 312-
303
hier echter op tegen, en daar hij een knap werkman is,
heeft hij grooten invloed. Het is een knap man, maar
tegen zijn baas gekant.
6666.    V. Werkt hij nog bij u?
A. Met Nieuwjaar heeft hij ontslag genomen.
6667.    V. Was de verhouding minder aangenaam
geworden ?
A. Na het enquête-verhoor was ik tegen Van Zijp
niet meer zooals vroeger ; ik behandelde hem goed, maar
was afgetrokken, omdat ik meende, dat hij zich valseh
tegenover mij had gedragen. Zijn plicht ware het geweest
anders over mij te spreken, en niet te zeggen, dat mijn
hout slecht was en dat ik het loon 5 pet. had verminderd.
Hij wist toch, dat ik meer betaalde dan andere patroons,
op sommige stukken zelfs f2 meer, zooals kan blijken
uit het verhoor van Berlemon, die verklaarde, dat anderen
f 12 gaven voor zekere stukken, waarvoor ik f 14 gaf,
en uit de werkboekjes, die u in de hand hebt.
6668.    V. Is Van Zijp vrijwillig vertrokken, of hebt
gij hem den dienst opgezegd?
A. Dat is zóó gegaan. Ik had dezen winter voor een
duizend gulden hout te Rotterdam liggen, dat ik ten
gevolge van den strengen vorst niet thuis kon krijgen.
Ik moest dus voor mijn werk met hout scharrelen en
mijne zaken daarnaar wat regelen. Van Zijp, wel ziende,
dat ik niet meer zoo tegenover hem was als vroeger,
zeide op een keer tegen mij : „als mijn werk klaar is,
zal ik maar heengaan, want gij hebt toch geen hout meer",
waarop ik hem geantwoord heb: „dat zal mij genoegen
doen, want ik heb al lang genoeg van je gewalgd.\'*
6669.    V. Heeft hij, vóórdat hij wegging, eenigen tijd
te voren opgezegd?
A. Neen, ik heb zijn werk zelfs af moeten laten
maken. Het kan zijn, dat hij nog een paar uren is
gebleven, nadat hij zijn dienst had opgezegd.
6670.    V. Hebt gij nog iets mede te deelen?
A. Neen. Het is erg slecht in ons vak, maar het
helpt niet, of ik u dit al mededeel. En de middelen tot
verbetering ken ik ook niet. Het ligt hoofdzakelijk aan
den invoer uit het buitenland en aan de omstandigheid,
dat er zooveel meubelmakers in Leiden zijn. Daardoor
moeten wij ons werk buiten de stad leveren, hetgeen
de winst vermindert, daar wij het werk uit de tweede
hand hebben.
6671.    V. Werkt gij meest voor particulieren of voor
magazijnen?
A. Voor magazijnen in andere plaatsen.
6672.   V. Gij hebt ons medegedeeld, dat gij hooger
loon geeft dan andere patroons, maar kunt gij dat even-
eens zeggen, wanneer gij u vergelijkt met patroons, die
voor particulieren werken?
A. Ik zou haast zeggen, dat ik hooger loon geef dan
iemand anders.
Ch. A. Simonis.
A. Kerduk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
C. H. Kouw.
W. H. J. Hoi.iaards, Adj.-secretari*.
A. Dat is niet zoo, het zal wel 10 °/o schelen, dat
dat hout thans voordeeliger werkt. Het hout van 6 of 8
jaar geleden was veel onvoordeeliger in de bewerking. Wat
vurenhout betreft, hebben wij nu meest gekantrecht
hout, dat reeds op de vereischte breedte is gebracht.
Daardoor worden ruimschoots de 5 */, uitgewonnen, die zij
op het loon verloren hebben.
6657.    V. Geldt dit ook voor het mahoniehout?
A. Dat is hetzelfde gebleven.
6658.    V. De getuige Van Zijp heeft destijds niet spe-
ciaal uwe werkplaats genoemd, maar in het algemeen
gezegd, dat de qualiteit van het hout minder was geworden.
A. Dat is niet zoo. Het overige hout is hetzelfde ge-
bleven. Het gebeurt wel, dat ik soms eikenhout ontvang,
dat niet zoo gemakkelijk is te verwerken, maar dat ge-
beurt op elke werkplaats. Natuurlijk is het hout den
eenen keer wat gemakkelijker te verwerken dan den
anderen keer, doch over het algemeen is vurenhout
zooveel makkelijker te verwerken, dat zij het er gemak-
kelijk uithalen, indien zij eenige uren minder werken.
6659.    V. Vurenhout is zeker gemakkelijker te ver-
werken dan mahoniehout?
A. Ja.
6660.    V. En wordt er meer mahoniehout gebruikt dan
vroeger?
A. Neen, minder, door de concurrentie van het
buitenland.
6661.    V. Gebruikt gij ook minder eikenhout?
A. Ja.
6662.    V. Eikenhout is ook moeilijker te verwerken
dan vurenhout?
.4. Ja.
6663.    V. Heb ik dus goed begrepen, dat door u meer
vurenhout gebruikt wordt dan vroeger, terwijl dit gemak -
kelijker te verwerken is dan eikenhout of mahoniehout ?
A. Ja.
6664.    V. Door een tweetal getuigen, Berlemon, een
gewezen meubelmakersgezel, en Loeber, een meubelma-
korsbaas, is gesproken van een gerucht, waarvan de (\'om-
missie vreemd opkeek, dat nl., wanneer meer dan f 10
verdiend werd, door u 5 % voor contante betaling werd
gekort. Staat dit praatje vermoedelijk in verband met
uwe afspraak om het loon met 5 7, te verminderen, zoo-
dat men die twee zaken heeft verward?
A. Ik heb nooit gekort. Ik heb Berlemon bij mij
laten komen en hem gevraagd, waarom hij dit voor de
Enquête-Commissie had verklaard. Hij vertelde mij toen.
dat de knechts mij schandelijk achter mijn rug belas-
terden. Ik heb hem de loonen laten zien, en hij zeide
mij toen, dat hij nooit brievenbesteller zou zijn geworden,
indien hij bij zijn baas die loonen had gehad. Hij zeide
tegen mij, dat ik wel gemeene knechts moest hebben,
doch hij wist zelf niet, hoe het praatje in de wereld
was gekomen.
6665.    V. Hoe is uw oordeel over Van Zij pais werk -
man en mensch?
A. Hij is een knap werkman, maakt nooit misbruik
van sterken drank, maar is niet gemakkelijk tegenover
den baas. Wanneer een andere knecht een verzuim begaat
en ik hem daarover spreek, zegt hij, dat het niet zoo erg
is. Op meubelmakerswerkplaatsen is het gebruik, dat er
jenever wordt gedronken. Ik ben er altijd tegen gekant
geweest en heb het gebruik vrijwel uitgeroeid. Van Zijp,
die zelf geen misbruik van sterken drank \'maakte, had
-ocr page 313-
304
6685.    V. Wat is het hoogste, dat gij per stuk kunt
maken ?
A. Dat was vroeger f 11,75 voor eene losse kast.
6686.    V. Hoeveel is dit verleden jaar geworden?
A. Dat is eerst gebracht op f 11.15, ongeveer 5 pet.
minder, en nu op f 11.—.
6687.    V. Wanneer zijn die verdere 15 cents er afgegaan?
A. Een vier maanden geleden.
6688.    V. Toen gij bij den heer Simonis kwaamt wer-
ken, was de werktijd toen niet van \'s morgens 5 tot
\'s avonds 8 uur?
A. Ja.
6689.    V. En dat is later geworden ?
A. Van 6 tot 8 uur.
6690.    V. Hoeveel verdient gij tegenwoordig?
A. Zoowat f 8.—.
6691.    V. En toen gij 8, 9 jaar geleden bij den
heer Simonis begont te werken?
A. Ook f 8.—.
6692.    V. Waaraan ligt het nu, dat gij, terwijl gij vroe-
ger meer per stuk kreegt dan tegenwoordig, toch het-
zelfde weekloon ontvangt?
A. Dat weet ik niet.
6693.    V. Werkt gij langer dan vroeger?
A. Neen.
6694.    V. Gaat er wat van den schafttijd af?
A Neen.
6696.    V. Is het hout gemakkelijker te verwerken
dan vroeger?
A. Neen.
6697.    V. Is het niet waar, dat het hout tegen woor-
dig slechter is dan vroeger?
A. Neen. Alleen van den winter heeft de patroon eene
partij hout gekocht bij den heer Van Hoek, die bijzonder
slecht was.
6698.    V. Dat was ééne partij. Maar wanneer gezegd
wordt, dat in het algemeen het hout tegenwoordig min-
der gemakkelijker te verwerken is dan vroeger, is dit
dan onjuist?
A. Ja.
6699.    V. Het hout is niet van minder qualiteit
dan vroeger?
A. Neen, het is beter.
6700.    V. Ligt het daaraan, dat gij evenveel ver-
dient als vroeger, niettegenstaande het loontarief lager
is geworden?
A. Ik moet mij meer inspannen.
6701.    V. Werkt gij werkelijk niet langer?
A. Neen, wanneer een stuk werk af moet, word ik
door een ander geholpen, doch de patroon beveelt mij
niet om langer te werken.
Verhoor van Leendert Kooien, oud 39 jaar, meubelmakers-
knecht bij den heer C. A. Simonis, te Leiden.
6673.    De Voorzitter: Welk soort werk maakt gij?
A. Tusschenbeide werk, zoogenaamd kloswerk; dat
is werk van geen heel best mahoniehout.
6674.    V. Is dat wellicht werk van vurenhout, over-
trokken met een dun laagje mahoniehout?
A. Ja.
6675.    V. Hoe lang werkt gij bij den heer Simonis ?
A. Acht en een half jaar.
6676.    V. Heeft in dien tijd niet eene verlaging van
het loon plaats gevonden?
A. Ja.
6677.    V. Hoe lang is dat geleden ?
A. Even na Nieuwjaar van verleden jaar.
6678.    V. Maar ook een jaar of zes geleden?
A. Ja.
6679.    V. Hoe is het verleden jaar niet die loonsver-
laging in zijn werk gegaan?
A. Het was in den winter, toen heeft mijn patroon
gezegd tegen een knecht van den winkel, dat hij zou
sluiten. De patroon heeft nog nooit iemand midden in
den winter ontslagen, hoe moeilijk het ook was om de
knechts aan het werk te houden, maar hij kon het met
de concurrentie niet langer houden. Als wij voor 5 pet.
minder wilden werken, zou hij het nog een jaar probeeren.
Toen zei een knecht: „laat ons het nog een jaar pro-
!>eeren, want wanneer wij minder voor het werk krijgen,
ook bij een anderen baas, laten wij dan liever bij u
blijven."
6680.    V. Heeft de baas de werklieden bij elkander
geroepen en met allen te zamen er over gesproken ?
A. Ja, de baas zeide, dat hij wilde uitscheiden, en
toen heeft de baas, op aandrang van de werklieden, be-
sloten het nog te zullen probeeren, maar dan met eene
loonsvermindering van 5 pet.
6681.    V. Weet gij ook, of die vermindering toen
feitelijk voor allen heeft plaats gehad, ook voor de eiken-
hout- en witwerkers?
A. Ja, ten minste, dat hebben de kameraads mij ge-
zegd. Voor sommigen, die eene week met weinig ver-
diensten hadden, maakte de baas het echter goed.
6682.    V. Dus behalve voor sommigen, die weinig
verdiensten hadden, is het loon ook der eikenhout- en
witwerkers werkelijk met 5 pet. verlaagd ?
A. Zoover ik weet, ja.
6683.    V. Ons is gezegd, dat voor een stuk werk, al
was het bedrag er van ook f 18.— of f 20. — , slechts
f 0.50 werd gekort, zoodat zij, die aldus per stuk werkten,
eene veel geringere loonsverlaging hadden dan 5 °/0?
A. De loonsverlaging betrof onze geheele verdienste.
6684.    V. Gij zeidet immers daareven, dat gij niet
al te best werk maakt?
A. Ordinair en middelmatig werk.
-ocr page 314-
305
Hetgeen gij destijds verklaard hebt omtrent de vóór
een jaar of zes plaats gehad hebbende loonsverlaging,
zou niet onjuist zijn, maar die verlaging zou destijds
door den patroon zijn ingevoerd, nadat het hem geble-
ken was, dat andere bazen ook minder gaven, fs dat
niet zoo?
A. Daarvan is mij niets bekend.
6702.    V. Als gij bij lager loontarief evenveel verdient,
levert gij dus meer stukken af?
A. Ja.
6703.    V. Wanneer gij de loonen bij den heer Si-
monis met die bij andere bazen vergelijkt, wat is dan
uw oordeel?
A. Dat het bij den heer Simonis nog zoo kwaad niet is.
6704.    V. Betaalt hij hooger loon dan andere bazen ?
A. Ja.
6705.    V. Ons is gezegd, dat voor eene zekere soort
kast, waarvoor bij een ander f 12 betaald wordt, thans
door Simonis f 14 wordt gegeven; kan dat zijn?
A. Dat is mij niet bekend, maar zeer zeker zijn de
loonen in het algemeen bij den heer Simonis hooger.
6712. V. Voorts hadt gij verklaard, dat het loon ver-
leden jaar met 5 pet. was verminderd.
Ons werd medegedeeld, dat de heer Simonis, omdat
de zaken niet goed gingen, besloten had zijne werkplaats
te sluiten en met zijn zoon te gaan werken; dat hij dit,
j in een samenkomst met de werklieden, aan dezen had
gezegd; dat de knechts hem daarop hadden verzocht het
nog maar eens te probeeren; hij toen verklaard had,
dit alleen te kunnen doen bij wijze van proefneming,
met verlaagd loon en dat zij daar allen genoegen mede
genomen hebben. Is dat zóó ?
A. Van dat bijeenzijn weet ik niets; maar op Zater-
dagavond heeft de patroon het mij verteld, zooals ik u
destijds mondeling heb gezegd.
6713.    V. Een der gezellen heeft    het toch beves-
tigd; het verwondert mji daarom,
    dat gij, ook als
gij er niet bij waart geweest, niets
  van zourlt hebben
vernomen?
A. Ik weet er toch niets van; maar het kan wel zijn,
dat de patroon dien gezel eerst verteld heeft, wat hij
j hier moest zeggen, zooals hij dat indertijd met mij ook
gedaan heeft.
6714.    V. Wilt gij te kennen geven, dat de getuige
Kooien onwaarheid heeft gesproken naar uw vermoeden ?
A. Ik kan het denken, maar zou het niet durven
zeggen.
6715.    V. Kooien heeft op mijne vraag bevestigend
geantwoord; dus een van beide: óf hij heeft per-
tinent onwaarheid gesproken, óf die samenspreking heeft
plaats gehad.
A. Ik kan er mij niets van herinneren.
6716.    V. Dit zij dan, hoe het zij. in allen gevalle
is door den patroon gezegd, dat hij eene loonsverlaging
zou toepassen van 5 pet. Heeft die verlaging werke-
lijk plaats gehad ?
A. Van de knechts, waar ik niet mede werkte, weet
ik het niet, maar van stukken van f 12 werd 50 ets.
afgehouden, van stukken van f 24 f 1; dat is dus geen
volle 5 pet.
6706.    V. Hebt gij nog iets mede te deelen ?
A. Mijn patroon is geen kapitalist, hij moet tegen
anderen concurreeren, en als het kan, zal hij ons niet
onthouden, wat ons toekomt; maar de eene patroon
bederft het voor den ander,
6707.    V. Werkt Van Zijp niet meer bij den heer
Simonis ?
A. Neen, het hout was niet op tijd aanwezig; aan
een schrijfbureau, dat hij moest maken, ontbraken de
laden en de bodem.
6708.    V. Heeft de heer Simonis hem zijne betrekking
opgezegd ?
A. Neen.
6709.    V. Was er toen geen ander werk voor hem\'?
A. Genoeg.
6710.    V. Waarom ging hij dan weg?
A. Er was gebrek aan hout; had hij ander werk
gevraagd, dan zou hij dit zeker gekregen hebben, maar
hij ging uit eigen beweging weg.
L. Koolen.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
6717. V. En van stukken van f 18 b.v. ?
C. H. Kouw.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
naarmate het uitkwam met het
A. 70—75 ets.
rekenen.
6718.    V. Wanneer door den patroon gezegd wordt:
van geen een stuk heb ik het loon meer verminderd
dan 50 ets., dan is dit bepaald onwaar?
A. Van eene schrijftafel van f 24 is mij f 1 afge-
nomen.
6719.    V. En van stukken b.v. van f 18 of f 19 ?
A. Dat kan ik in de boekjes zien, uit mijn hoofd
weet ik dat zoo niet.
6720.    V. Maar is de bewering, dat 50 ets. het hoogste
bedrag is, dat gekort is, waar of niet?
77
Verhoor van Hendrikus Michel Paulus Van Zijp, oud 42
jaar, meubelmaker, te Leiden.
6711. De Voorzitter: De Commissie heeft u nog eens
opgeroepen, omdat de heer Simonis den wensch had
geuit gehoord te worden naar aanleiding van verkla-
ringen, die door u werden afgelegd en die minder juist
zouden zijn.
Enquête. — Aanvullingeverhooren Leiden.
-ocr page 315-
306
A. Ik maakte bijna uitsluitend schrijftafels van f24;
slechts bij uitzondering kasten; dus weet ik het van
de andere stukken niet.
6721.    V. Maar gij hebt toch verklaard, dat ,van
stukken van f 24 f 1 werd gekort ?
A. Ja.
6722.    V. Dus wanneer er beweerd wordt, dat van een
stuk werk nooit meer gekort werd dan f 0.50, verklaart
gij dat dan onwaar?
A. Dat kan ik niet zeggen.
6728. De heer Kouw: Maar gij beweert toch op een
stuk van f24.— fl minder ontvangen te hebben?
A. Ja.
6724. V. Wanneer gij van den eenen kant zegt,
dat van een stuk van f24.— f 1.— werd ingehouden,
moet gij ook kunnen verklaren, dat onwaar is de bewe-
ring, dat er nooit meer dan f0.50 werd afgehouden?
A. Dat kan ik niet verklaren.
672"). V. Is het u bekend, of ook bij de wit- en
eikenhoutwerkers verleden jaar feitelijk loonsverminde-
ring heeft plaats gehad?
A. Ik heb er wel over hooren praten, maar of die
vermindering is toegepast, weet ik niet.
6726.    J\'. De heer Simonis heeft ons overgelegd een
loonboekje, waaruit blijkt, dat gij in de laatste jaren om
en om evenveel verdiend hebt, als 6 jaren geleden. Toch
hebt gij bij uw vroeger verhoor verklaard, dat gij wel
f o.— per week minder verdiendet dan 6 jaar geleden.
Die verklaring is dus in strijd met de cijfers van het
boekje.
A. Ik heb er toen misschien wat diep in eens inge-
hakt.
6727.    V. Bedoeldet gij met uwe vroegere verkla-
ring wellicht, dat de Iconen met dat bedrag waren
verminderd, hoewel gij bij slot van rekening toch uw
oude loon aan het einde der week ontvingt?
A. Juist. Ik heb toen harder gewerkt.
6728.    V. Dat uwe inkomsten niet verminderden,
hoewel het loon lager werd, verklaart gij dan hieruit,
dat gij u meer ingespannen hebt dan vroeger?
A. Zeker.
6729.    V. Werd er langer door u gewerkt?
A. Den voorlaatsten winter heb ik met nog een
kameraad tot \'s avonds 10 uur gewerkt.
6730.    V. Was de werktijd toen langer dan 6 jaar
geleden ?
A. Neen. De werktijd is dezelfde gebleven, maar wij
werken nog wel eens in den schafttijd. In plaats van
l\'/o uur neem ik wel eens 1 uur schaft.
6731.    V. Ons is medegedeeld, dat gij altijd precies
op tijd kwaamt en weggingt.
A. Ja wel, maar wij kunnen, als wij willen, natuurlijk
wel een kwartiertje of half uur langer blijven.
6732.    V. Gij hebt ons medegedeeld, dat het hout
vroeger van beter qualiteit was dan tegenwoordig. Dit
is pertinent tegengesproken. Door den getuige Kooien is
er op gewezen, dat de heer Simonis werkelijk eenseene
zeer onvoordeelige partij hout had gekocht, maar dat,
wanneer hij aan die bepaalde partij niet dacht, het
hout thans eerder beter was dan slechter, meende hij.
Is dit volgens u onjuist?
A. Als dit zoo was, zouden de andere patroons het
ook wel nemen. Kooien werkt echter nooit met eiken-
hout en weet er dus niet veel van.
6733.    V. Is het vurenhout naar uw oordeel slechter
geworden ?
A. Verleden jaar heeft mijn patroon kaasplanken
geleverd aan een timmerman, en deze zeide toen. dat hij
niet wist, dat er zulk gemeen hout was.
6734.    V. Het vurenhout is dus bij den heer Simonis
volgens u tegenwoordig slechter dan vroeger?
A. Ik vond het vroeger beter.
6735.    V. Het eikenhout ook?
A. Ja.
6736.    V. En het mahoniehout?
A. Daar loopt ook wel eens een engeltje onder de
duiveltjes en omgekeerd.
6737.    V. Vurenhout is gemakkelijker te verwerken
dan eikenhout, niet waar?
.1. Ja.
6738.    V. Wanneer er tegenwoordig meer vuren-
hout dan eikenhout wordt verwerkt, in verhouding tot
vroeger, is dit dus gemakkelijker voor de werklieden?
A. Ja, maar de loonen zijn minder, men krijgt zooveel
minder per stuk. De werklieden zijn er dus niet veel
op vooruitgegaan.
6739.    V. Maaktet gij in den laatsten tijd meer stuk-
ken af dan vroeger?
A. Ja.
6740.    V. Worden door den heer Simonis niet hooger
loonen uitbetaald dan door anderen?
A. Ik weet het niet. Ik hoor echter wel over de
loonen klagen.
6741.    V. Zijt gij lid van eene werkrnansvereeniging?
A. Ja, maar er is eens in de drie maanden verga-
dering.
6742.    V. Worden dan daar geen vakbelangen be-
sproken ?
A. Neen. alleen ziekenbelangen en een jaarfeest.
6743.    V. Er zijn immers alleen meubelmakers lid van ?
A. Ja, en lijstenmakers.
6744.    V. Kunt gij, hoewel lid zijnde van een vak-
vereeniging, geen antwoord geven op de vraag, hoe de
loonen bij anderen zijn?
A. Neen.
6745.    V. Werkt gij nu niet meer bij den heer
Simonis ?
A. Neen. Sedert die Enquête-zaak was de verhouding
niet meer als vroeger. Eerst, toen hij mijn verhoor
gelezen had, sprak hij er nog vriendschappelijk
met mij over; maar eerst later is hij boos geworden om
hetgeen Berlenion over die 5 pets. korting voor contante
-ocr page 316-
307
betaling had verklaard, die door Berlemon was mede-
gedeeld. Sedert is de verhouding gansch anders ge-
worden.
6746.    V. Werdt gij in uw werk bemoeilijkt of be-
nadeeld ?
A. Neen, dat niet, ik kreeg ook goed werk en ver-
diende hetzelfde, maar de baas hield zich onzijdig; hij
kwam niet meer zoo aan de bank bij me staan praten.
6747.    V. Zijt gij uit eigen beweging weggegaan ?
A. Ja.
6748.    V. Zonder eenigen tijd te voren op te zeggen ?
A. Ja.
6749.    V. Is het waar, dat gij een onafgewerkt stuk
hebt achtergelaten?
A. Ja, omdat het ladenhout er niet was, maar ik
heb het stuk zelf afgestoken, wel een bewijs, dat ik er
mede klaar was.
6750.    V. Ware het intusschen niet plicht geweest
eenigen tijd te voren op te zeggen ?
A. Ja, ik heb dat altijd gedaan en zou \'t ook hier
gedaan hebben, als de verhouding anders ware geweest.
6751.    V. Vindt gij niet, dat het nochtans betamelijk
ware geweest om b. v. eene week te voren op te zeggen ?
A. Ja, dat weet ik ook wel.
6752.    V. Waar werkt gij tegenwoordig ?
A. Thuis, voor mij zelf.
6753.    V. En verkoopt gij, hetgeen gij maakt, aan
particulieren of aan magazijnen?
A. Als ik wat voor particulieren kan doen, neem ik
dat graag aan; verder verkoop ik aan voorkoopers, als ik
wat af heb.
6754.    V. Zijn uwe verdiensten nu grooter dan vroeger ?
A. Neen, dat is zoo wat gelijk. U begrijpt, ik moet
scharrelen, want ik kan geen voorraad opdoen, zoodra
ik wat afheb, moet het weg.
6755.   De heer Kou w : Van welke concurrentie hebben
de bazen het meeste last, van die van het buitenland
of van de thuiswerkers?
A. Bazen als Mesker en Speet, die fijn werk maken,
zullen meer last hebben van den invoer uit het buiten-
land, maar patroons als de heer Simonis, die hebben
meer concurrentie van de thuiswerkers, hoewel zij
goedkooper kunnen werken dan wij, omdat zij alles in
het groot opdoen.
6756.    V. Maar gij zit niet op lasten en de patroons wel,
is het niet?
A. Dat is zoo.
H. M. P. Van Zijp.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
C. H. Kouw.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
Aanvullingsverhoor van C. A. Simonis te Leiden.
6757.  De Voorzitter: Ik wensch u nog een paar vragen
te doen. Gij hebt straks medegedeeld, dat gij de verle-
den jaar afgesproken loonsverlaging met 5 pet. toen
ten deele niet hadt toegepast en, voor zoover gij haar
hadt in werking gebracht, in geen geval meer hadt
gekort dan 50 ets.
A. Ja, voordat Van Zijp voor de Enquête was ge-
weest.
6758.    V. Goed. Nu is ons door den getuige Kooien
verklaard, dat voor eene kast, waarvoor hij tot verleden
jaar f 11.75 ontving, verleden jaar, nadat gij dien 5
pct.-maatregel hadt aangekondigd, f 11.15 kreeg en thans
f 11. Dit klopt niet met uwe mededeeling, want
dit is eerst verleden jaar eene vermindering met 60 ets.,
nog wel voor stukken van betrekkelijk gering gehalte,
en nu nog eens met 15.
A. Ja, maar dat betreft een soort van werk, waarvan
geen sprake is geweest. Kooien maakt een werk, dat buiten
de rekening valt van mahonie-, eiken- en vurenhout.
Het is gewijzigd mahonie en aan dat artikel had ik niet
gedacht.
6760.    V. Ik had uit uwe mededeeling begrepen, dat
voor welke stukken ook nooit meer was gekort dan 50 ets.?
A. Ik had aan dit artikel niet gedacht. Dat zijn
kasten, die naar Amsterdamsch model worden gemaakt.
Daaraan is zooveel minder werk, dat het loon evenredig
daarnaar verminderd is.
6761.    V. Houdt gij dus uwe verklaring vol, dat, afge-
scheiden van dat eene geval, gij overigens voor uw ge-
heele personeel nooit meer dan f 0.50 per stuk hebt
afgehouden ?
A. Ja.
6762.    V. Van Zijp heeft ons verklaard, dat gij van
eene schrijftafel van f 24 f 1 hadt afgehouden.
A. Van een schrijf bureau zou dat wel kunnen zijn
6763.    V. Gij hebt straks medegedeeld, dat Van
Zijp, toen hij vertrokken is, zijn werk niet heeft afge-
maakt, zoodat een ander dit heeft moeten doen.
A. Ja.
6764.    V. Is het niet juist, dat hij het werk niet heeft
kunnen afmaken, omdat er geen hout was?
A. Toen hij wegging, was er wel hout, maar hij had
er nog geen behoefte aan.
6765.    V. Wanneer dus beweerd wordt, dat hij het
stuk, hetwelk hij onderhanden had, niet heeft kunnen
afwerken, omdat er geen hout was, dan verklaart gij
dit voor onjuist?
A. Ja.
6766.    V. Is het waar, dat, toen destijds Van Zijp
opgeroepen was om voor de Commissie te verschijnen
en hij u de lijst van vraagpunten liet zien, gij gezegd
hebt, wat hij moest verklaren ?
A. Ik heb hem alleen gesproken over de werkuren,
omdat er eenige jaren geleden een ambtenaar bij mij
is geweest om te vragen de uren, die gewerkt werden.
Nu is het bij ons de gewoonte om tot Paschen met licht
te werken, en met de opening van de Staten-Generaal
weder met licht te beginnen. Toen heb ik tegen dien
ambtenaar gezegd, dat wij werkten van 1 April tot 1
-ocr page 317-
308
October zonder licht en van 1 October tot 1 April met
licht, omdnt Paschen en Opening der Kamers mij zoo
/.onderling voorkwam om op te geven. En nu heb ik
alleen tegen Van Zijp gezegd, dat ik die datums had
opgegeven.
6767.    V. Wanneer beweerd wordt, dat gij pressie hebt
uitgeoefend op uw werklieden ten aanzien van de ver-
klaringen, die zij voor de Commissie moesten afleggen,
kunt gij dan dit beweren pertinent voor onwaar
verklaren ?
A. Zeker. Ik heb zelf? nog tegen Kooien en Van
Zijp gezegd, dat zij vooral de waarheid moesten spreken,
en mij niet behoefden te ontzien.
6768.    V. Van Zijp deelde ons mede, dat gij destijds na
zijn verhoor nog vriendschappelijk met hem hebt ge-
sproken, maar dat gij vooral ontstemd zijt geworden
door de verklaring van Berlemon omtrent de 5 pet.
korting van loon voor contante betaling, en dat daaraan
hoofdzakelijk uwe ontstemming te wijten was en uwe
minder vriendelijke houding tegenover hem.
-1. Ik had eerst bij een barbier even het verslag van
de Enquête ingezien, en toen even gelezen, dat Van Zijp
gezegd had, dat het vak van meubelmaker zoo slecht ging ;
dit vond ik toen zeer goed gezegd. Maar naderhand het
geheele verslag lezende, werd ik getroffen door zijne
valsche verklaring, dat hij f 3 per week minder ver-
diende dan vroeger, en dat het hout zooveel slechter was.
6769.    De heer Kouw : Getuige Van Zijp heeft thans
gezegd, dat hij zich vroeger ten aanzien van dat mindere
loon verkeerd had uitgedrukt, maar bedoelde, dat hij
zich nu meer moest inspannen om dezelfde verdienste
j te krijgen.
A. Dat is niet waar.
6770.    T\'. Hij zeide ook, dat hij een gedeelte van zijn
schafttijd daarvoor werkte.
A. Dat doen de meesten, maar dat is vroeger ook
zoo geweest. Zij nemen bijna allen maar 1 uur, hoewel
zij l\'/j uur kunnen krijgen.
Ch. A. Simonis.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
W. M. Visser.
C. H. Kouw.
W. H. J. Roijaards, Adj.-secretaris.
-ocr page 318-
ZITTING VAN VRIJDAG 19 SEPTEMBER 1890. ci>
Tegenwoordig de heeren :
Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
Le Pooi.e.
Visser.
2919.    V. Is het geheel van uw wil afhankelijk op
welk uur de extra-betaling ingaat?
A. Daaromtrent bestaat geen reglement.
2920.    V. Kunt gij dan verlangen, dat den ganschen
nacht wordt doorgewerkt?
A. Dat niet; dan geef ik f 1 en soms nog één extra
2921.    V. Maar wanneer gaat het recht op dien gulden
extra in ?
A. Na 12 uur, maar veelal gebruiken wij consideratie
en geven het al voor werk na elf uur.
2922.    V. Komt dat nachtwerk, dat recht geeft op
extra-betaling, veel voor?
A. Nachtuerfc niet dikwijls, waken wel, zoodat de
knechts in doorslag 12 gl. \'s weeks maken.
2923.    V. Dat zou dan gemiddeld 4 of 5 nachten in
de week zijn ?
A. Wel eens minder, maar ook wel eene geheele week
lang.
2924.    V. Loopt dat veel uiteen voor den een boven
den ander?
A. Ja wel; de lieden, die op de kleine schuiten zijn,
hebben daar minder gelegenheid voor, maar die krijgen
er dan een gulden extra bij.
2925.    V. Is dat misschien de grond van het verschil
tusschen de menschen, die 8 en die 7 gulden loon hebben ?
A. Ja, die hebben minder gelegenheid om in de waak
te vallen.
2926.    V. Hebben uwe knechts nog buitendien andere
inkomsten ?
A. Van mij niet, maar als zij suiker laden in het
Oosterdok en dat naar het entrepot brengen, verdienen
zij nog wat door mede te werken met de waggondragers.
Verhoor van Jan Frederik Hendrik Herfst, oud 52 jaar,
schuitenvoerdersbaas, te Amsterdam.
2911.    De Voorzitter: Hebt gij een groot aantal schui-
tenvoerders in dienst?
A. Met den meesterknecht mede 25.
2912.    V. Zijn die vast in dienst?
A. Ja.
2913.    V. Wat is hunne verdienste?
A. Zomer en winter, werk of geen, f 7.— en f 8.—
plus verval; die het laatste verdienen zijn de besten.
2914.    V. Getuige Wachter, die 25 jaren reeds bij u
is, verklaarde f 7.— te hebben. Hoe komt het, dat die
tot de laagste categorie behoort?
A. Daar kan ik geen reden van opgeven, maar hij
heeft nooit geklaagd.
2915.    V. Hier ook niet; hij heeft alleen het feit
medegedeeld. Maar is hij een \'geschikt man?
A. Ja, maar wat lomp en schreeuwerig.
2916.    V. Wat is de werktijd?
A. Die is geheel onbepaald, naar wij orders krijgen.
2917.    V. Op welk uur \'s avonds begint de extra-be-
taling?
A. In den regel om 11 uur.
2918.    V. Ons werd gezegd om 12 uur.
A. Om 11 uur ook wel. Verleden week heb ik nog
om 11 uur f 1.— betaald, die door mijn patroon afge-
houden is geworden.
(1) Tengevolge van een betreurenswaardig misverstand, is dit verhoor, behoorend in den bundel over los- en laad werk bij zee-
schepen. daarin niet opgenomen; weshalve het thans hier alsnog eene plaats krijgt.
Enquête. — Los- en laadwerk bij zeeschepen.                                                                                               7S
-ocr page 319-
310
2927.    V. Dat is dus eene suppletie van het loon te
uwen voordeele door anderen, waardoor het u mogelijk
is om den loonstandaard laag te houden?
A. Neen, daarop baseer ik mij niet.
2928.    V. Is het loon van 7 of 8 gulden voor die
soort arbeiders het normale hier ter stede ?
A. Dat weet ik niet.
2929.    V. Ons is gezegd, dat het bij andere bazen 9
gulden bedraagt.
A. Ik weet het niet, de concurrenten houden dat
voor elkander geheim.
2930.    V. Gij zegt, dat de menschen wel eens 5, 6
nachten waken; blijven zij dan de gansche week van
huis en op de schuit?
A. Neen, zij gaan eiken dag naar huis om te eten,
maar \'s nachts moeten zij op de schuit zijn om op het
goed te passen.
2931.    V. Krijgen uwe knechts bepaalde rusttijden?
A. Zij rusten meer dan zij werken. Dikwijls komt
het voor, dat wij opdracht krijgen om te 6 uur eene schuit
te zenden, en dat eerst om 12 of 2 uur begonnen wordt
met laden.
2932.    V. Ik bedoel, of zij onder den schafttijd zich
kunnen verwijderen?
A. Dat gebeurt zeer dikwijls.
2933.    V. Maar is het regel?
A. Neen, want wanneer op de boot of het schip
doorgewerkt wordt, dan moeten zij daar blijven.
2934.    V. Getuige Wachter heeft ons gezegd, dat hij
dikwijls twee dagen en een nacht op de schuit moest
blijven. Is dat zoo?
.-1. Hij heeft gelegenheid om naar huis te gaan om
te eten: maar verkiest hij op de schuit te blijven, dan
kan hij dat doen.
2935.    V. Het bedrijf is des nachts zeker nog al ge-
vaarlijk?
A. In de 35 jaren, dat ik het bedrijf uitoefen, is er
slechts éénmaal een man verdronken.
\'2936. V. Was die man verzekerd?
A. Dat weet ik niet; het is reeds zoo lang geleden.
2937. V. Krijgt uw vaste personeel ingeval van ziekte
het geheele of halve loon uitbetaald?
A. Zij krijgen bij ziekte hun geheele loon, maar duurt
de ziekte wat lang, dan krijgen zij hun halve loon.
2938.    V. Wordt door u gecontroleerd, of zij werkelijk
ziek zijn?
A. Ja, de meesterknecht gaat naar hun huis om te
zien, of zij ziek zijn.
2939.    V. De schuitenvoerders hebben eene groote
verantwoordelijkheid bij het vervoeren van waarde. Is
nu uw oordeel over het gehalte van uwe menschen over
het algemeen gunstig?
A. Ja, daarover kan ik niet klagen. In den beginne
drinken zij nog al eens een borrel; dan krijgen zij eene
week straf, als zij dronken zijn, en beteren zij zich niet,
dan worden zij ontslagen.
2940.    V. Is het u nooit voorgekomen, dat een vast
loon van f7 of f 8 met wisselvallige bate voor den nacht
feitelijk te gering is in verhouding tot de verantwoorde-
lijkheid, die de menschen hebben en de verleiding,
waaraan zij in de nachtelijke uren blootstaan?
A. De knechts hebben er nooit over geklaagd, want
anders zouden zij niet zoo lang in mijn dienst zijn,
bewijs getuige Wachter.
2941.    V. Zijt ook gij van oordeel, dat een groot
kwaad zich hier ter stede openbaart in het helen van
goederen, door diefstal afkomstig van schuiten? Ons is
medegedeeld, dat\' er zoogenaamde opkoopers zijn van
goederen, die zich de schuitenvoerdersknechts hebben
toegeëigend ?
A. Die bestaan er wel, maar wie het zijn, weetik niet.
2942.    V. Zijt gij zoo gelukkig geweest nooit in der-
gelijke gevallen gemoeid te worden ?
A. Zeer zelden. Het is misschien één- of tweemaal in
mijn tijd gebeurd, dat een knecht van mij wegens dief-
stal voor den rechter geweest is.
2943.    V. Beriepen zich de beschuldigden bij die
gelegenheid op hunne geringe inkomsten?
A. Neen.
J. F. H. Herfst.
A. Kerdijk, Voorzitter.
Kolkman.
S. Lk Poole.
W. M. Visser.
W. H. J. Roi.iaards, Adj.-secretaris
-ocr page 320-
SCHRIFTELIJKE INLICHTINGEN
IN ANTWOORD OP
DE LIJST VAN VRAAGPUNTEN.
(De Zaankant)
-ocr page 321-
-ocr page 322-
LIJST VAN VRAAGPUNTEN voor het onderzoek omtrent de
maatschappelijke toestanden der arbeiders, omtrent de verhoudingen tusschen
werkgevers en arbeiders in de verschillende bedrijven en omtrent den toestand
van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid
der werklieden.
Wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad n°. 1).
I.
Aard van den arbeid in de verschillende bedrijven en bjj de openbare middelen van vervoer.
Duur van den arbeid.
Werktijden.
Rusttijden.
Overwerk.
Nachtarbeid.
Zondagsarbeid.
Loon, premiën en soortgelijke voordeden.
Arbeid van jongens en meisjes van 12 tot 16 jaren.
Arbeid van jongens en meisjes van 16 tot 18 jaren.
Arbeid van vrouwen.
Bijzondere redenen, waarom hel werk van die verschillende personen juist aan hen is opgedragen.
Aard van hunnen arbeid.
Gevaren van bepaalde soorten van arbeid voor hunne gezondheid of voor hun leven.
Duur van hunnen arbeid, enz.
Loon.
Lichamelijke, verstandelijke en zedelijke toestand van bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes.
Leeftijd, waarop de arbeid van kinderen zonder bezwaar kan beginnen.
In hoever en tot welken leeftijd bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes onderwijs hebben
genoten en nog genieten.
Middelen tot bevordering van behoorlek schoolbezoek: behoefte aan wettelijke maatregelen.
Invloed van het arbeiden van gehuwde vrouwen in fabrieken, werkplaatsen, veenderijen, enz. op
den toestand van hare gezinnen.
Huisvesting der arbeiders.
-ocr page 323-
4
II.
a.    Opleiding van jeugdige arbeiders in en buiten de werkplaats.
Leerlingschap.
Fabrieksscholen.
b.    Verzekering of andere voorzorgen bij ongelukken, ziekten, ouderdom of overlijden.
c.    Verdere instellingen of maatregelen b\\j ondernemingen van nijverheid in het belang der arbeiders.
d.    Fabrieksreglementen.
Duur van arbeidsovereenkomsten: termen van opzegging.
Boeten.
Uitbetaling van het loon.
e.    Verhouding tussehen werkgevers en arbeiders,
liedenen van minder gunstige verhoudingen.
Werkstakingen: hare oorzaken en gevolgen.
/\'. Behoefte aan officieele organen voor de belangen der arbeiders.
Voorkoming, belegging en beslissing van geschillen tussehen werkgevers en arbeiders.
III.
a.    Toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der arbeiders.
Gevaar voor rampen en ongelukken.
Lucht.
Licht.
Verwarming.
Reiniging.
Voorbehoedmiddelen tegen bijzonder schadelijken invloed van grondstoffen of wijze van bewerking.
Afzonderlijke lokalen voor de beide seksen.
Duur van het verblijf in de gebouwen.
b.    Uitvoerbaarheid van maatregelen ter verbetering, ook in verband met de belangen der nijverheid.
e. Inrichting der openbare middelen van vervoer met het oog op de veiligheid en de gezondheid van
het personeel.
-ocr page 324-
.1
1. Vereeniging „het Werkhuis" te Zaandam.
In antwoord op de ons door u toegezonden missive met vraagpunten hebben wij de eer u te berichten,
dat >hct Werkhuis" te Zaandam in het leven is geroepen vooral om bedelarij te weren, door aan werkloozen
voedsel en werk te verschaffen. Daartoe is het gebouw van 8 uur vin. tot 7 uur nm. geopend.
Gehuwden worden met vrouw en kinderen daarin toegelaten, terwijl zy zelven en hunne vrouwen zich
bezighouden met het uitzoeken van boonen, erwten, gort, rijst, enz., en ook door de mannen, ingeval ander
werk ontbreekt, touwwerk gemaakt, hout gezaagd of zakken versteld worden, en enkelen door de directie
worden uitbesteed om of bij particulieren, of bij de stadsreiniging diensten te praesteeren.
Hun wordt daarvoor een loon uitbetaald, evenredig aan het werk, dat werd verricht, waarbij met de
qualiteit en quantiteil daarvan wordt rekening gehouden.
De vrouwen en kinderen werken in eene afzonderlijke locali
8
leil; jongens boven 14 jaren in de lokalen,
voor mannen bestemd.
Gevaren voor gezondheid en leven zijn aan hunnen arbeid niet verbonden. Van overwerk, nachtarbeid
of Zondagsarbeid is natuurlijk in deze inrichting geen sprake.
Zaandam, 3 Juli 1890.
Namens het Bestuur :
J. C. MEG Cz., Voorzitter.
Dr. J. F. M. CAL\'DHl, ie Secretaris.
2. Vereeniging „de Ambachtsschool" te Wormerveer.
Het Bestuur der Vereeniging «de Ambachlsschool" te Wormerveer heeft de eer, met voorbijgang van die
punten, welke niet of minder tot het gebied dier school belmoren, u het volgende te berichten naar aanleiding
der ontvangen Ljjst van Vraagpunten.
1.
c. De ambachlsschool alhier is een uitvloeisel van de afdeeling Wormerveer der Vereeniging «Volksonderwijs".
Een klein gedeelte der jongens, die in fabrieken, werkplaatsen, enz. werkzaam zijn, bezoekt die school, namelijk
ongeveer vijfentwintig leerlingen. De toelating geschiedt na een examen, of ook zonder examen, maar dan slechis
op gunstig advies van heeren onderwqzers aan de herhalingsschool. Wat het verstand betreft, worden dus
zekere eischen gesteld. De lichamelijke en zedelijke toesiand der leerlingen gaven geen aanleiding tot bijzondere
opmerkingen.
Naar het oordeel van het bestuur, kan de arbeid van kinderen zonder bezwaar op veertienjarigen
leeftijd beginnen, waarbij het dan wenschelijk acht, dat nog twee jaren de herhalings- of ambachtsschool bezocht
worde.
Op onze ambachtsschool kan men niet eerder dan op dertienjarigen leeftijd worden toegelaten. De cursus
duurt drie jaren. Het onderwijs wordt alleen gedurende zes wintermaanden en alsdan gedurende eenige avond-
uren gegeven. Daar sommigen eerst na 13jarigen leeftijd op deze school komen, komt het bezoeken daarvan
wel tot het 18de jaar voor.
De jongelui verplichten zich bij toelating tot het getrouw bijwonen der lessen: voldoen zij daaraan niet,
dan worden zij een volgend jaar niet weder toegelaten. Na welvolbrachlen cursus worden diploma\'s verstrekt:
bij de beoordeeling ter zake het verleenen dezer diploma\'s komt ook gelrouw school bezoek in aanmerking. Veel
verzuimen komen niet voor.
II.
«. Op onze school is aanvankelijk alléén theoretisch onderwijs gegeven. Sedert eenige jaren is echter
daaraan ook de gelegenheid geopend voor de leerlingen, die bij het timmervak zijn, om zich tevens practisch te be-
kwamen in het timmeren. Met het smeden is gedurende den laatsten cursus eene soortgelijke proef genomen, di>\'
aanvankelijk eveneens goede resultaten opleverde.
Wormerveer, 1=> Juli 1890.
Het Bestuur der Vereeniging voornoemd:
G. GOOI., Voorzitter.
R. PIEPER, Secretaris.
Enquête. — De Zaankant.                                                                                                                     2
-ocr page 325-
6
3. Afdeeling Wormerveer der Vereeniging „Volksonderwijs".
Hel bestuur der afdeeling Wormerveer van de vereeniging «Volksonderwijs" heeft gemeend, zich, by
de beantwoording der door uwe commissie gestelde vraagpunten, streng te moeten houden binnen de grenzen
der werkzaamheid van genoemde vereeniging.
Hei meende dil ie meer Ie moeien doen, wyl ook de commissie voor de hier bestaande ambachlsschool
en hel bestuur van het departement Wormerveer der Maatschappij Tot Nut van \'t Algemeen in gelijken geest
zullen handelen.
Daar geen der drie genoemde lichamen in direct verband staat met eigenlijken arbeid, kunnen de door
hen te behandelen punten slechts weinig in getal zjjn, maar hunne rapporten — in onderling verband
beschouwd — zullen allicht bijdragen tot de kennis van den toestand, bedoeld onder I c.
Voor zooveel «Volksonderwijs» betreft, komen alleen in aanmerking de vragen 9, 3 en 4 van punt Ie.
Het eenparig gevoelen van allen, die bij de besprekingen over vraag 2 tegenwoordig waren, was, dat
de ark\'id van kinderen zonder bezwaar kan beginnen op veertienjariyen leeftijd, maar even eenparig werd
de wenschelijkheid uitgesproken, dat middelen — wettelijke of andere — mochten gevonden worden, om
jeugdige werklieden te verplichten tot minstens zestienjarigen leeftijd de herhalings-of Ambachtschool te bezoeken.
Op vraag 3 van c kan geantwoord worden, dat het regel is, dat kinderen — ook de toekomstige
werklieden — in deze gemeente tol den volbrachten leeftijd van 1*2 jaren de lagere school bezoeken. Uitzon-
deringen lol 13 jaar komen voor: die lot 14 jaar zeer zelden.
Kinderen, die de lagere school op l\'Sjarigen leeftijd verlaten hadden, konden tot heden kosteloos
herhalingsonderwijs ontvangen, maar van deze gelegenheid werd niet algemeen gebruik gemaakt; door
meisjes bijna nooit.
De inrichting voor herhalingsonderwijs wordl nog in den loop van dezen zomer gereorganiseerd, om
haar in overeenstemming te brengen met de gewijzigde wet op het Lager Onderwijs en met de wet, die
den jeugdigen werklieden verbiedt na 7 uur des namiddags te werken.
Hei hoofd-idee der reorganisatie zal dan ook zijn, de lessen niet meer om (!, maar om 7\',4 of 7Va
te doen aanvangen.
Vraag 4. — De middelen, hier aangewend lot bevordering van behoorlijk schoolbezoek, zijn, behalve
de invloed van de hoofden der scholen, ieder in zijnen kring, schoolfeesten, om de 3 jaren op groote schaal
gegeven aan hen, die minder dan een bepaald aantal schooltijden verzuimden.
Voor het herhalingsonderwijs moet, behalve de invloed der onderwijzers, de kosteloosheid daarvan
genoemd worden.
In weerwil van deze pogingen tol bevordering van getrouw schoolbezoek, is het betrekkelijk school-
verzuim nog groot ten gevolge van huiselijke omstandigheden, als het doen van boodschappen, hel passen op
jongere kinderen, als de moeder wascht of schoonmaakt, enz.
Niet slechts als leden van «Volksonderwijs», maar ook naar onze persoonlijke, innige overtuiging, gegrond
op jarenlange ervaring, spreken wij de meening uit, dat alleen eene wel op den leerplicht — voor deze
gemeente zou men kunnen zeggen schoolplicht — afdoende verbetering kan aanbrengen.
Wormerveer, U Juli 1890.
Voor het Bestuur der Afd. voornoemd :
G. COOL, Voorzitter.
G. J. ADELINK, l.-Secretaris.
4. Bouwvereeniging te Wormerveer.
Het bestuur der Bouwvereeniging, gevestigd alhier, heeft de eer u, naar aanleiding van de hem toege-
zonden Lijst van Vraagpunten mede te deelen, dat, ingevolge Art. 1 der Statuten, het doel der vereeniging is: het
aanschaffen, bouwen en voor maligen prijs verhuren van arbeiderswoningen. Het meent daarom alleen omtrent
het punt "Huisvesting" u eenige inlichtingen te kunnen geven.
De Bouwvereeniging is successievelijk door bouwen in bezit gekomen van 35 arbeiderswoningen en 4
betere voor kantoorbedienden.
Deze woningen zijn ruim en luchtig gebouwd en voldoen in ruime mate aan de hier beslaande bouw-
verordening : behalve van goede regenwaterbakken voorzien, zjjn ze ook alle aan de duinwaterleiding aangesloten.
-ocr page 326-
7
De huurprijs der 4 betere woningen is f220; die der andere wisselt af van f50 tot f 110 per jaar,
inclusief waterverbruik.
Tot uw naricht dient nog, dat het bestuur zich niet herinnert, dat er ooit ééne der woningen van de
Vereeniging onbewoond is geweest; daarentegen zjjn er steeds, in het enkele geval dat een bewoner door bijzon-
dere omstandigheden zijne woning verlaat, vele gegadigden daarvoor.
Het Bestuur voornoemd:
L. F. BOEKENOOGEN, Voorzitter.
P. RUIJTER 1)7,., Secretaris.
Wormerveer, 14 Juli 1890.
5. Vereeniging „Arbeid en Hulp" te Landsmeer.
Het Bestuur der vereeniging «Arbeid en Hulp", gevestigd te Landsmeer, heeft de eer, in antwoord op
de missive van 28 Juni jl. en de daarbij gevoegde lijst van vraagpunten, het navolgende mede te deelen:
De vereeniging, opgericht in Januari 1887, stelt zich ten doel: arbeid en ondersteuning aan de behoef-
tigen in die gemeente te verschaffen, hun levenslot te verbeteren, en armoede en bedelarij te voorkomen. De
middelen, waardoor zij haar doel tracht ie bereiken, bestaan in:
a.   het verschaffen van werk, dat behoeftigen in en builen hunne woningen kunnen verrichten:
b.   het uitreiken van geld, levensmiddelen, brandstoffen en kleedingslukken aan behoeftigen, bij strikte
noodzakelijkheid.
Voorts stelt de vereeniging zich in betrekking met de instellingen van liefdadigheid en de Algemeene
Armenvoogdij in deze gemeente, geeft en vraagl inlichtingen de armenverzorging betreffende, let niet op het
verschil van godsdienst, wel op het zedelijk gedrag der behoeftigen, en op de opvoeding, die zij aan hunne
kinderen geven.
De vereeniging wordt in stand gehouden door wekelijksche, maandelijksche en jaaiiijksche bijdragen dei-
ingezetenen, welke bijdragen nagenoeg algemeen zijn. Zelfs de menschen, wien des winters werk verschaft
wordt, dragen des zomers wekelijks enkele centen bij, om de kas te helpen stijven. Voorts steunen gemeente-
en waterschapsbesluur de vereeniging mei een subsidie voor bepaalde werkzaamheden.
Hoewel het niet altijd even gemakkelijk gaat voor menschen, die geen handwerk verstaan (de meesten,
die zich des winters bij de vereeniging aanmelden, zijn visschers) werk te vinden, slaagt men toch meestal daar
wel in, heizij door uitdiepen van slooten, werkzaamheden aan wegen, puinkloppen voor wegen, wegruimen van
sneeuw, vegen van ijsbanen, openmaken der vaarten bij ijsgang, zagen van hout, enz., terwijl zooveel mogelijk
steeds naar werk wordt gezocht, waardoor eenig geld in de kas der vereeniging terugvloeit.
Het arbeidsloon kan uit den aard der zaak niet hoog zijn, en bedraagt 10 cenls per uur, bij een
werktijd van 8—4 uur met één uur rusttijd. In bijzondere gevallen, bijv. bij het openbreken der vaarten bij
ijsgang, wordt uit vrije beweging overwerk gedaan, waarvoor Manghebbenden bij die vaarten den werklieden
dan eene extra vergoeding toekennen. Nacht- of Zondagsarbeid wordt nimmer verricht.
Gemiddeld wordt aan 20 tol 25 mannelijke personen des winters arbeid ot hulp verstrekt, die allen
den leeftijd van 18 jaren hebben bereikt. De jaarlijksche begrooting bedraagt in ontvangst en uitgaaf circa
f600, welke som, na aftrek van kleine onkosten, geheel gebezigd wordt ter beantwoording aan het voor oogen
gestelde doel der vereeniging.
Schoon het doel der vereeniging van geheel philanlropischen aard is en de kassen der verschillende
armeninstellingen van zware financieele zorgen ontheft, oogst hel bestuur niettemin weinig dank in voor zjjne
goede zorgen, en wel in hoofdzaak van den kant der werklieden, enkelen uitgezonderd. Hare nuttige zijde heeft
ook hare schaduwzijde. De werklieden toch, des zomers met de visscherij veel geld verdienende, hebben niet
geleerd voor den winter te sparen. Wanneer nu dal jaargetijde daar is en hunne verdiensten niet meer zoo ruim
vloeien, is «Arbeid en Hulp" dadelijk de toevlucht. Liever werken zjj voor 70 cenls daags bjj de vereeniging,
dan te pogen met de vischvangst meer te verdienen, hetgeen toch zeer wel mogelijk is. Gemakzucht is ook
hier in \'l spel.
Punt I, b. c. d. en e, alsmede II en III zijn voor deze vereeniging niet van toepassing.
Het Bestuur der Vereeniging voornoemd:
1. W. REPELILS, Voorzitter.
J.
A. WOELDERS, Secretaris.
Landsmeer, 18 Juli 1890.
-ocr page 327-
s
6. Vereeniging tot oprichting en instandhouding van het Werkhuis te Wormerveer.
Namens het hoofdbestuur van het Werkhuis alhier, heb ik de eer u het volgende te berichten.
Denaam «Werkhuis" is misschien voor onze inrichting minder gelukkig gekozen, daar deze geheel en al
het karakter draagt van een toevluchtsoord voor behoeftigen. Het is dus geene werkinrichting in den eigen-
lijken zin des woords. Het hoofddoel is: „wering der bedelarij". Thans weet ieder ingezetene der gemeente, dal
er aan de deur niet behoeft te worden gegeven, daar het Werkhuis van des morgens 8 tot des namiddags 5,
6 of 7 uur (naar omstandigheden) voor een ieder openstaat en aldaar geheel gratis en, zonder dal er voor ge-
werkt moet worden, een gezond en voedzaam maal wordt verstrekt. Hel geheele gezin mag worden medege-
bracht, terwijl — zoo er kinderen beneden hel jaar zijn — voedsel wordt medegegeven voor de thuisgebleven
moeder.
Kinderen beneden de 12 jaar moeten de school bezoeken en komen tegen 12\'/2 uur in het Huis eten.
De ouders zijn daarbij geheel vrij in de keuze der school.
Het arbeiden is — geljjk reeds boven werd gezegd — geheel facultatief, en bestaat gewoonlijk in het
verrichten van eenig huiswerk (vooral voor de vrouwen), het uitzoeken van erwten en boonen en het zagen
van hout.
De betaling dezer werkzaamheden is zoodanig geregeld, dat f 1.50 a f 1.75 per week en per persoon
kan worden verdiend.
Het Werkhuis helpt den arme dus den winter doorkomen. De bezoekers behooren in den regel tot dezelfde
categorie. Eigenlijke werklieden melden zich zelden of nooit aan, daar de bevolking bjjna uitsluitend wordt
gerecruteerd uit de zoogenaamde „losse werklui" (zaadsjouwers, rijstdragers, enz.), die, tegenover een grof weekloon
in den zomer (soms f 20 a f 25), des winters geheel zonder verdienste zjjn.
De lokalen zijn luchtig en van zeer voldoende afmeting, terwijl er in den winter voor eene behoorlijke
verwarming wordt zorg gedragen.
Wormerveer, 15 Juli 1800.
Namens het Hoofdbestuur:
W. H. VAN TIENEN, Secretaris.
7. Departement Wormerveer der Maatschappij Tot Uut van \'t Algemeen.
In antwoord op uwe missive aan den heer Voorzitter van het dept. Wormerveer der Maatschappij Tot
Nut van \'t Algemeen, heb ik de eer, als secretaris van dat departement u te antwoorden:
1°. dat de werkkring van het departement uit den aard der zaak en door locale omstandigheid zeer beperkt is: en
2°. dat men daardoor slechts voor een zeer klein deel kan medewerken aan de verstandelijke en zedelijke
ontwikkeling van de personen, door u bedoeld en wel:
a. door de instandhouding en voortdurende uitbreiding eener volksbibliotheek;
b. door een jaarlijksch subsidie te schenken aan de scholen voor voorbereidend lager onderwijs,
die hier onzes inziens voortreffelijke resultaten opleveren;
c. door nu en dan geschriften onder het volk te verspreiden, die vanwege het hoofdbestuur verkrijgbaar
gesteld worden bjj den uitgever M. E. de Grauw, te Ouderkerk;
-ocr page 328-
9
d.     door het van tyd tot tijd doen houden van volksvoordraehlen ;
e.     door het schenken van medailles met gepaste toespraken en vertoon van feestelijkheid aan personen,
die een 50jarigen diensttijd met eere vervulden.
Wormerveer, 18 Juli 1890.
Namens het Departement voornoemd :
J. VV. BAGKEU, Secretaris.
8. Burger-vereeniging „Hulp in Lijden" te Krommenie,
Op uwe aanvrage om aangaande onze vereeniging de noodige inlichtingen te verkrijgen, zjjn wij ten
volle bereid u dezelve te doen toekomen.
Natuurlijk kunnen wij niet anders dan punt b van de tweede paragraaf beantwoorden, aangezien deze
alleen betrekking heelt op onze vereeniging.
In 1883 besloten eenige burgers deze vereeniging tot stand te brengen. J. Leguit Gz., G. Wout,
Jb. Seebach en A. Knjjnenberg noodigden de burgers op eene algemcene vergadering, waarop er terstond 148
als lid toetraden.
Aanvankelijk opgericht voor gehuwde mannen, weduwen en dienstboden boven 18 en niet ouder dan
53 jaar, is echter deze bepaling in 1887 in zooverre gewijzigd, dat ook jonge leden zich kunnen aanmelden.
Hieronder werd verstaan, dat zij ouder dan 15 en niet boven de 18 jaar waren; was deze leeftijd bereikt,dan
werden zij als gewoon lid ingeschreven.
Jonge leden belalen \'s wekelijks halve contributie, en genieten derhalve bij ziekte of verwonding ook
halve ondersleuning: zij hebben het recht de vergaderingen bjj te wonen, doch mogen niet medestemmen, noch
aan de debatten deelnemen.
Om u dienaangaande meer in kennis te stellen sluiten wjj hierbjj een reglement in.
Ons bestuur bestaat uit 5 leden en 4 commissarissen van toezicht; dezen worden gekozen uit de
donateurs.
Donateurs en donatrices zijn zij, die de vereeniging steunen met minstens f 2.50 per jaar.
De ondersteuning mag niet meer dan f 6 per week bedragen, om reden, dat de loonstandaard in
onze gemeente ongeveer f 7.50 a f 8 bedraagt.
Onze laagste uitkeering was in 1885 f 3.50 per week; veel zieken bij een ledental van 148: doch
deze toesiand was slechts tijdelijk, zoodat wij allengs konden vermeerderen en de uitkeering thans weder f5.50
per week bedraagt.
Op 31 December was de toestand aldus:
Aan effecten.......    f2500.—
Op de spaarbank......     - 8.4G
Hulpkas........    - 9.10
Saldo in kas.......    - 108.76
Totaal . . . f^6"26.32
De hulpkas, hierby vermeld, is bestemd voor die leden, welke buiten staat zijn om wekelijks hunne
contributie te betalen; dan wordt hun voor ten hoogste zes weken hulp verstrekt; hiervoor is in 1887 f 10
uitgetrokken.
Krommenie, 11 Juli 1890.
Het Bestuur:
Jn. KOOMEN.
Js. HOFF.
G. KAPER Cz.
G. WOUT.
Enquête. — De Zaankant.
3
-ocr page 329-
10
9. Departement Wormer-Jisp der Maatschappij Tot Uut van \'t Algemeen.
In antwoord op uwe missive van 1 Juli jl. heb ik de eer uwer Commissie het volgende te melden.
De verhouding tusschen werkgevers en arbeiders in deze gemeente mag gunstig genoemd worden.
Kapitalisten worden hier niet aangetroffen. Behalve enkele veehouders van 90, 30 koeien, zjjn hier velen,
die in hel houden van een paar koetjes een klein beslaan vinden. Eenigen Irachlen als visscher in hunne
behoeften Ie voorzien, anderen zich te verhuren als daglooner bij de boeren. Verder heeft men hier, misschien
in grooter aantal dan elders, winkclierljes.
Meer de aandacht uwer commissie waard is de papierfabriek der heeren Van Gelder, waar ruim 100
personen (mannen, jongens en meisjes) geregeld werk vinden. Zij werk! zoowel bjj nacht als bij dag, van
Zondag-avond 19 uur lot Zaterdag-avond 19 uur. Zondagsarbeid heeft niet dan in de uiterste noodzakelijkheid
plaats. Week aan week heeft hel werkvolk bij afwisseling dag- en nachtwerk: het uur van aflossen is 6 uur
\'s avonds en \'s morgens. In het algemeen is de geest onder hel fabrieksvolk uitmuntend. Er wordt een behoor-
lijk loon uitbetaald, en in geval van ziekte of ongeschikt worden voor den arbeid ontvangen de arbeiders voor
langeren of korteren tijd geheel of gedeeltelijk hun loon. Kapitale grieven bestaan bij de arbeiders niet. Indien
ze bestonden, zou ik er van gehoord hebben, doch ik heb mij er nooit op toegelegd ze uit te vorschen, mee-
nende daardoor wellicht ontevredenheid op te wekken.
De directeur is iemand, wien de belangen der arbeiders ter harte gaan en die een werkzaam aandeel
neemt in alles, wal in deze gemeente ten behoeve der arbeiders in het algemeen wordt verricht. Een onderling
werkliedenfonds tot geldelijke uitkeering en een onlangs opgericht ziekenfonds Ier verkrijging van geneeskundige
behandeling en medicijnen in geval van ziekte maken het leven der arbeiders zonder al te drukkende zorgen.
Wat de woningen betreft, vele arbeiders hebben een eigen huisje, dat zij dikwijls met medewerking der
patroons hebben kunnen koopen. Daar bijna bij elke woning een tuin is, waarin aardappelen en groenten
geteeld worden, kunnen de arbeiders hun vrijen tijd ten nutte van hun gezin besteden. Er wordt weinig
misbruik gemaakt van sterken drank en de mannen zijn huiselijk.
In vele opzichten kan dus de algemeene maatschappelijke toestand bepaald gunstig hceten. Alleen
betreur ik het zeer, dat het meerendeel der kinderen, zoodra de 19jarige leeftijd bereikt is en er werk voor ze
gevonden wordt (sommigen ook zonder dat), de school verlaten, de meisjes somtijds op 10- of 11 jarigen leeft yd.
De kinderen eindigen dus hun leertijd op een tijdstip, eigenlijk pas geschikt om het onderwijs met vrucht te
kunnen volgen, en het zal geen beloog behoeven, dat, indien het niel mogelijk is dergelijke toesianden langs
wettcljjken weg te veranderen en het verbod van kinderarbeid uil te strekken tot den 13jarigen leeftijd, er
dan ten minste overal op het platteland gelegenheid moest beslaan om herhalingsonderwijs te ontvangen.
Wormer, 99 Juli 1890.
De Voorzitter van tiet Departement voornoemd :
H. G. VAN GERVE.
10. Afdeeling Wormerveer van het Nederlandsen Werklieden-Verbond
„Patrimonium".
Als antwoord op uwe missive, dd. 98 Juni 1890, begeleidende cene lijst van vraagpunten, heeft hel
bestuur der afdeeling Wormerveer van het Ned. Werklieden-verbond «Patrimonium" de eer u het volgende te berichten.
Het bestuur heeft eene bijeenkomst gehouden met eenige leden der afdeeling, die op verschillende fabrieken
of in werkplaatsen arbeiden.
In die bijeenkomst werd de lijst van vraagpunten besproken.
Het bestuur meent niel beter te kunnen doen, dan u een kort overzicht te geven van hetgeen naar aan-
leiding van de lijst besproken werd.
Ia. 1°. Werktijden. — Er zp alhier fabrieken, waar de werktijd is van \'s morgens 6 tol \'s avonds 8
uur, terwijl eene andere ploeg arbeiders van \'s avonds 8 tol \'s morgens 10 uur werkt.
Op eene andere fabriek is de werktijd van \'s morgens 6 tot \'s avonds 6 uur, en van \'s avonds
(i lot \'s morgens t! uur voor eene andere ploeg arbeiders.
9°. Rusttijden. — Er is eene fabriek, waar geen rusttijd is en waar de arbeiders onder het werk
moeten eten, zoo goed mogelijk, of liever, zoo spoedig mogelijk.
Op eene andere fabriek is ook wel geen eigenlijke rusttijd, maar daar wordt het werk ietwat
gemakkelijker gemaakt onder het eten.
\'ón. Overwerk. — Er is eene fabriek, waar de gezonden voor de zieken moeten inspringen, waar-
door zij 18 in plaats van 19 uren moeien arbeiden. Daarin kon verbetering gebracht wor-
den door hel stellen van eene reserve.
-ocr page 330-
II
4°. Nachtarbeid. — Algemeen werd de wenschelijkheid uitgesproken van afschaffing van den nachtarbeid.
5°. Zondagsarbeid. — Niet minder van afschaffing van allen Zondagsarbeid. Er zijn fabrieksarbei-
ders, die tol 4, anderen, die tot 6 en sommigen, die lot 8 uur in den Zondag-morgen moeten werken.
«Patrimonium" zou o zoo gaarne zien, dat alle Zondagsarbeid mocht ophouden, niet alleen om
aan de arbeiders de noodige Zondagsrust te verschaffen, maar ook opdat zij naar hun wensen
den geheelen Zondag konden heiligen.
0". Loon, enz. — Op sommige fabrieken wordt aan de werklieden voor de duizend lijnkoeken f 5
uitbetaald, terwijl er eene fabriek alhier is, waar voor die hoeveelheid slechts f 4.48 wordt
gegeven. Dit schijnbaar kleine verschil beloopt in de week een aardig sommetje voor die
arbeiders.
De handwerkslieden zijn over het algemeen tevreden over hun loon. De schilders echter ontvangen
slechts 15 cents per uur, en hebben daarenboven eigenlijk maar een halfjaar volop werk.
\\b. Er zjjn fabrieken, waar jongens van 16—18 jaar denzclfden werktijd (dag- en nachtwerk) als de
volwassen werklieden hebben.
llb. Bij eene fabriek alhier bestaat een fonds, door een der patroons gehee! uit eigen middelen gesticht
en waarvoor de werklieden geene de minste contributie behoeven te storten, uit welk fonds onder-
steund worden : a. werklieden, die of door ongelukken bf door ouderdom geheel of gedeeltelijk on-
geschikt worden voor den arbeid, b. bij overlijden de weduwe en haar gezin.
• lid. Aan de meeste fabrieken wordt het loon des Zaterdag-avonds uitbetaald. Deze gewoonte heeft dit
nadeel, dat de werklieden, die de nachtweek hebben en dus des Zondag-morgens 4, 6 of 8 uur
naar huis gaan, dan eerst hun loon aan hunne vrouwen kunnen geven, waardoor dus velen op
den Zondag inkoopen moeten doen en daardoor den Zondag ontheiligen. Dit bezwaar weegt vooral
zwaar bij de leden van «Patrimonium». Beter is het daarom des Dinsdag-avonds bet loon uit te
betalen, zooals hier enkele werkgevers doen.
llf. De l>ehoefte aan officieele organen voor de belangen der arbeiders wordt ook onder de leden van
"Patrimonium» gevoeld, en werd ook in deze bijeenkomst uilgesproken. Byv. door de oprichting van
Kamers van arbeid zou daarin kunnen worden voorzien.
lila. Er is hier eene fabriek waar, door het aanbrengen van eenige verandering, het gevaar voor ongelukken,
die door het vallen of breken van werktuigen of gedeelten daarvan zouden kunnen plaats Ifebben,
vermeden of weggenomen kon worden.
Wormerveer, 23 Juli 1890.
Namens het Bestuur voornoemd:
D. VAN DEU HOEVEN, Secretaris.
11. Afdeeling Krommenie van de Noordhollandsche Vereeniging „Het Witte Kruis".
De Afdeeling Krommenie van de N. H. Vereeniging »Het Witte Kruis", zal de vragen van deStaats-
commissie van Arbeidsenquête beantwoorden, voor zooverre zij deze oordeelt betrekking te hebben op haren werkkring
en toestanden te betreffen, voorkomende te Krommenie.
De voornaamste hier beslaande takken van bedrjjf en nijverheid zijn :
het boerenbedrijf (kaasmakerij);
de zeildoekweverij met bijbehooren:
de sigarenmakerij:
de zakjesplakker\\j.
De boerenarbeiders meenen wij buiten bespreking te kunnen laten.
De gevaren voor de gezondheid bij de takken van nijverheid kunnen alleen ontstaan door inademing van
hennep-, tabak- en papierstof, wat in mindere mate weinig schade geeft, maar bij grootere hoeveelheden merk-
baren invloed heeft op luchtwegen en hel geheele gestel.
Direct gevaar voor het leven bestaat bijna alleen in de stoomzeilda\'kweverqen en stoomspinnerijen: echter
zijn de tamelijk dikwijls voorkomende kleinere en grootere kwetsuren meestal, volgens verklaring der gekwetsten,
veroorzaakt door eigen onvoorzichtigheid.
De arbeiders zijn gehuisvest in alleenstaande of in onder één dak gebouwde houten woningen,
elk bestaande uil een woonvertrek met eene vloeroppervlakte van circa "20 M2. In dit vertrek bevinden
zich meestal twee bedsteden, één of twee ramen, een schoorsteen, een voor- en een achterdeur. Achter dit
woonvertrek is gewoonlijk een klein vertrekje van eenige vierkante meters oppervlakte, waar de grovere huis-
houdeljjke werkzaamheden verricht worden.
-ocr page 331-
1-2
De handwevers doen hun werk in zoogenaamde weefschuren.
De beperkte woningen zien er meestal inwendig knap uit, wat natuurlijk afhangt van het meerder of
minder talent van de huisvrouw, om, bijv. voor man en vier kinderen, van eene wekeljjksche gemiddelde ver-
dienste van f 8, of voor ongeveer W cents per dag en per persoon, huisvesting, voeding en kleeding te
verschaffen. De woningen, hoe beknopt ook, zijn niet ongezond. Zjj zijn een voet of meer boven den grond op
paaltjes gebouwd, en de reten in vloer en wanden zijn gewoonlijk meer dan voldoende om bij eenige wind-
sterkte eene ruime ventilatie in het vertrek te geven.
De huurprijzen dezer woningen varieeren tusschen 1*2 en 30 stuivers \'s weeks, en indien de huisjes meer
beginnen te gelijken op varkenskotten dan op menschenverbljjven, dan is hier gelukkig nog eene gemeente-
politieverordening, krachtens welke de woningen te verbeteren zijn of onbewoonbaar verklaard worden.
De regenwaterbakken staan ook onder politietoezicht: zij moeten voldoenden inhoud hebben en in goeden
slaat verkeeren. «Het Wille Kruis" zorgt zooveel mogelijk, dal de arbeiderswoningen kosteloos aan de Zaan-
landsche waterleiding worden aangesloten.
De privaten bevinden zich buiten de woningen op de slooten, zoodat alleen b\\j onzindelijke menschen
de kamerlucht onfrisch riekt.
«Het Wille Kruis" verstrekt in geval van ziekte kosteloos het materiaal, dat bij de verpleging noodigis.
De handwevers, die hun bedrijf bij huis uitoefenen, hebben geen ongezond werk, zoolang de verdienste
hen in slaat steil door voldoend voedsel hun lichaam het arbeidsvermogen terug te geven, dat het door hun
tamelijk zwaren arbeid verliest.
De stoomzeildoekfabrieken zijn hier alle nieuw gebouwd en, wat oppervlakte en hoogte betreft, vrjj ruim.
De bewerking van het fabrikaat eischt veel licht, wat in ruime mate verkregen wordt door bovenvensters,
die aan den noordkant geplaatst zijn.
Of het groot geraas in de stoomweverijen schadelijken invloed heeft op het gehoororgaan, is hier niet
onderzocht: klachten zjjn er niet over vernomen.
Behalve in de ziederij en in de pakhuizen, zweeft er in alle lokalen eene groote hoeveelheid stof, niettegen-
staande overal door middel van ramen in ruime mate luchtverversching Ie verkrijgen is. Ongelukkig staat het
openen en sluiten der ramen in het bereik van den werkman, die liever in het stof dan in den tocht staat.
Het gevolg hiervan is, dal hel dikwijls in de gebouwen van de spinnerij, de kaarderij en hekelarij niet uit ie
houden is. De atmosfeer in weverijen, enz. is te verbeteren met goedwerkende, doelmatig geplaatsle ventila-
toren: maar de hekelaars zullen wel allijd een bijzonder soort menschen moeten zijn. Zij produceeren zooveel
slof, dat zij, in de open lucht werkende, bij een flink briesje er geen last van zouden hebben. Een groote, sterk
werkende ventilator zou het stof kunnen verwijderen, maar levens de te bewerken hennep medenemen.
Een respirator doet de werkman niet gaarne voor den mond. Men ziet ze hier nooil gebruiken.
Eveneens is het met de ventilatie in de sigarenfabrieken gesteld. De ruimte is over het algemeen groot
genoeg voor het aantal werklieden. Aan alle kanten bevinden zich openslaande ramen. Wanneer men op een
zomerdag hel vertrek der sigarenmakers binnentreedt en alle ramen openslaan, dan is hel daar, de eigen-
aardige scherpe tabakslucht uitgezonderd, niet onaangenaam. Maar \'s winters, wanneer alle ramen dicht zijn en
de kachel heet staat, dan is de atmosfeer in zulk een vertrek walgelijk. Ook hier is eene goede ventilatie,
buiten het bereik van den werkman, eene vereischte; te meer daar de sigarenmakers, den geheelen dag in dal-
zelfde vertrek zittende, hun werk verrichten. Een frisch uitziende sigarenmaker behoort dan ook tol de bijzonderheden.
Op de zakjesplakkerij is uit een hygiënisch oogpunt weinig aanmerking te maken, evenmin op hel
aldaar verricht wordende werk.
Namens de Afdeeling voornoemd :
Krommenie, U Juli 1890.                                                                          COLLAUD, Secretaris.
12. Departement Zaandam der Maatschappij Tot Uut van \'t Algemeen.
De werkkring van het departement bepaalt zich tot het onderhouden of steunen van inrichtingen van
onderwijs, het beheer eener spaarbank en van eene leesbibliotheek. Geen dezer instellingen slell het bestuur in
de gelegenheid, afdoende antwoorden te geven op de door u gestelde vraagpunten, uitgenomen misschien die
onder lilt. c en e van rubriek I.
Het heeft echter gemeend uwe vraag iets ruimer te mogen opvatten en, gebruik makende van ervaring,
opgedaan buiten den werkkring van het departement, waar noodig aangevuld door bij anderen ingewonnen
informatiën, op de voornaamste punten inlichtingen te mogen geven.
In de hierbij gevoegde tabel (1) worden de voornaamste punten, voorkomende onder lilt. a en b van
rubriek I beantwoord. Ter aanvulling daarvan volgen hier eenige opmerkingen.
I.
1. Aard van den arbeid, enz.
Voor de gezondheid bepaald schadelijke bedrijven worden in deze gemeente niet uitgeoefend. Het minst
(1) Zie bladz. 15
-ocr page 332-
18
bevorderlijk voor de physieke en inlelleclueele ontwikkeling is de olieslagerq. De benauwde warme
atmosfeer en het aanhoudend geklop der heien werkt afmattend en verdoovend.
De houtzagerij, waarbij het werk steeds in open lucht of in den tocht geschiedt, vereischt krachtige
gestellen en vormt die, maar geeft tevens eene zekere mate van ruwheid.
De werklieden op de gortpellerijen hebben hel voorrecht, voor zich — niet voor hunne gezinnen — gratis
gort te krijgen. Zij behooren lot de meest ontwikkelde arlieiders.
De werklieden op de windmolens verkeeren in een cigenaardigen toestand. Kr gaan dagen en weken
voorbij, waarin zy nauwlijks een hand behoeven uit te steken : dan komen er lijden, waarin zij
voortdurend hard moeten werken.
9. Duur van den arbeid. Werktijden. Rusttijden, enz.
Bjj de beoordeeling van den arbeidsduur moet liet bovenstaande in aanmerking worden genomen: het
bemoeilijkl de regeling der werk- en rusttijden. De regel is, dat een windmolen werkt, als er wind
is. Alleen de houtzaagmolens wijken daarvan af. Daar heeft men een vasten rustlijd lussehen 1*2
en 1 uur \'s middags: wanneer er bij goeden wind word! overgewerkl, duurt dit lol hoogstens 1*2
uur \'s nachts; niet dan bij hooge uilzondering maalt een houtzaagmolen \'s nachts door.
Op de oliemolens werken eene dag- en eene nachtploeg: ieder heeft een werktijd van 16 uren. De
arbeiders kunnen naar huis gaan om te slapen, overigens moeien zij de rust-en schalïlijdeii onderling
verdeelen. Op de overige windmolens werkt eene ploeg. Wanneer dag en nacht wordt doorgemalen,
moet men elkaar aflossen om ie rusten of te slapen in den molen.
Ook op de stoompellerijen en olieslagerijen geschiedt het eten, enz. in de fabriek onder het werk door,
bij onderlinge regeling.
3.      Loon, enz. - Het loon loopt op de verschillende fabrieken en molens nog al uileen. De in de tabel
genoemde cijfers zijn Ie beschouwen als gemiddelden. Vast weekloon en eene belooning voor overwerk
is regel. De olieslagers worden betaald naar het aantal lasten zaad, hetwelk is vermalen of het
aantal gefabriceerde koeken. Bovendien krijgen zjj betaling voor het afleveren van olie en koeken,
hetwelk echter grootendeels den blokmaker (meesterknecht) ten goede komt. Het loon der stijfsel-
makers hangt af van het aantal brouwsels, hetwelk in eene week wordt gemaakt. De in de label
gemelde cijfers gelden voor één brouwsel; men maakt er veelal twee, somtijds drie.
In alle vakken en bedrijven wordt het loon uitbetaald in geld op Zaterdag. Gehuwde houtzagers krijgen
gewoonlijk één zak zaagsel per week. Verschillende fabrikanten geven in November zoogenaamd
slachlgeld, hetwelk van f 10 lot f 35 bedraagt.
4.      Arbeid van jongens en meisjes.
Behalve in een paar waschinrichtingen wordt door meisjes of vrouwen in deze gemeente geen fabrieks-
arbeid verricht.
De jongens op de fabrieken en molens zijn meestal boven de 16 jaar, uilgezonderd op de houtzageryen.
De daar werkende zoogenaamde »koljongens" zijn veelal jonger. Du jongens verrichten lichten arbeid
en worden, zoo goed en zoo kwaad als hel gaat, door de boven hen slaande arbeiders opgeleid voor
hel vak, waarin zij werkzaam zijn. Bij de drukkerijen, zakkenplakkerijen en sigarenmakerijen heeft
de omstandigheid, dat hun werkkracht goedkoop te verkrijgen is, invloed op hun aantal. Op de
broodfabriek geeft men voor het snijden en inpakken van beschuit de voorkeur aan jongens.
5.      Lichamelijke, verstandelijke en zedelijke toestand van bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes, enz.
Deze is over \'I algemeen bevredigend. Ziekelijke, lichamelijk slecht ontwikkelde kinderen zijn er hier
betrekkelijk weinig. Grove onzedelijkheid komt hoogst zelden voor. Bijna zonder uitzondering hebben
de jongens de lagere school doorloopen: de groote meerderheid geheel, eene kleine minderheid lot de
4de of 5de klasse. De school wordt in den regel op 12- a lSjarigen\' leeftijd verlaten. Van hen, die
niet de zesde (de hoogste) klasse hebben bereikt vóór hun omslag, bezoekt een groot deel de door hel
departement opgerichte herhalingsscliolen.
Hel schoolverzuim op de openbare scholen bedroeg in 1889 om andere redenen dan ziekten van 1— 4 °/0.
Naar het oordeel van het bestuur is schoolbezoek tot het 14de jaar hoogst wenschelijk, en om daarto.\'
te komen invoering van leerplicht tot dien leeftijd. Middelen tot bevordering van behoorlijk school-
bezoek worden hier niel toegepast. De plaatselijke commissie van toezicht op het lager onderwijs
houdt echter streng controle over het verzuim der kosteloos schoolgaande kinderen.
De huisvesting der arbeiders is zeer voldoende. Dank zij de eigenaardige ligging der gemeente, ontbreekt
nergens licht en lucht, en behoeven geen arbeiderswoningen van meer dan ééne verdieping te worden
gebouwd.
II.
a.     Jongens, in de bouwvakken werkzaam, bezoeken meestal de Burger-avondschool. Overigens wordt
aan opleiding van jeugdige arbeiders buiten de werkplaats of fabriek niets gedaan.
b.     Eenige fabrikanten hebben hunne werklieden verzekerd tegen ongelukken. Pensioenverzekering wordt
niet toegepast. In den regel ontvangen ouden van dagen pensioen van hun patroon en behouden de werklieden
bjj ziekte hun loon. Maar zij hebben daarop geen recht, en niet alle patroons houden zich aan dien regel.
Eene vereeniging van patroons, »dc Toekomst", geeft uitkeeringen aan weduwen. De arbeidersvereeniging »HeIp
u zelven" en een paar kleinere corporaties geven steun aan weduwen en bij ziekten. Er beslaat een ziekenfonds
Enquête. — De Zaankant.                                                                                                                       4
-ocr page 333-
14
van geringe beteekenis; een, op grooter schaal opgezel, is in wording. Tot nu toe verleent de gemeente op
ruimen voet kosteloos geneeskundige hulp.
                     ,
e. Alleen aan de broodfabriek bestaat een fonds voor uitkeering bij ziekte. Daarvoor betalen de werk-
lieden 1 %, de firma IV2 °/o van het loon.
d.     Fabrieksreglementen, der vermelding waard, z|jn er niet.
Een termijn van opzegging der arbeidsovereenkomsten is niel vastgesteld. Men verbindt zich voor eene
week. Gewoonlijk echter wordt over en weer de dienst eenige weken vooraf opgezegd.
Omtrent boeten is niets te vermelden.
e.     De verhouding tusschen werkgevers en arbeiders laat weinig te wenschen over. De fabrieken z|jn
niet groot. Het meerendeel der werkgevers komt dagelijks zelf in aanraking met de werklieden, kent hen
persoonlijk niet alleen, maar is ook dikwijls op de hoogte hunner huislijke omstandigheden. Dit bevordert de
goede verstandhouding, en geschillen van beleekenis zijn dientengevolge onbekend. Ook in die gevallen, waarin
de werklieden gegronde redenen tot ontevredenheid kunnen hebben, openbaart deze zich niet in een open-
I |j ken str|jd.
f.     De werklieden laten niet blijken, dal z|j behoefte gevoelen aan offlcieele organen voor hunne belangen.
III.
Op de in deze rubriek voorkomende punten meent hel bestuur het antwoord te moeien overlaten aan
meer bevoegden.
Zaandam, 96 Juli 1890.
Het bestuur voornoemd:
P. MUL, Voorzitter.
W. J. PEKELHARING, waarn.-Secretaris.
-ocr page 334-
il)
•\'bo
§£>=!
e ca
si
gf!
i" o
o o
Idem.
en. Idem
sttijd ±2
erdag - Z
1 uren.
i
lakerijt
jg 41
briek.
ts van
verige
dighed
§
g
\' ?*■: p* ü
.? * ° s
<«~ o es
f
31
3$
werk
somt:
pil
ar *" °
S*
0 "
f 8
11
si i— 8
TB** §
S 4> 02
Sn&c
s
a
Ui
E
UU
12 .3\'?
=3\'S
m
II!
is\'
t* «\'
W
s
e
B
5 T3 -M
V V V
&,£ i
•e S
1111
IJl
I
•S-g
cc
y.
ir
r
o
«* «*
e-i «* ff>
-"ÖT -03 -OS
«-         ff» -^
cc
ff\'
ff;
ff\'
.03 -03
5-\'
ff»
ff-
SS
O
o
8
3
5
S
—
s
e.
r.
■-
U
—
:-
ex
2
c
-o:
ff\'

CC
-      ff»
7"    =«~
-\'os\'   -08
^—    GC
o —
—           ff<
_:
O
| -os
CC- ^
-OS
—
E
O
>
03
y.
•uiauHv
-sovomoz
ooi
f
1
i
VOI
s
=
B
\'sa
B
--
-=:
\'snac
ioz is:
f
nooit
tltiid
\'8 \'8
e
c
-
H
H 2
= E
s
s
—
B
U
\'S S
5 ié
■B     :5*
cj     S
os     —
e      03
■r.
c
c
B
c
s
3
ff\'
—
|
2
1
■—■2
3 56
3 g
35 Sis
— 56
o
SS
E
ca
w
>
O
3
3
—
3
B
co ._
ff\'
"33 S
:3>
3 ^~^~
=_         -* «*
3 T" I I
ff»
- ff»
i ,, s
ff\' T-l X
03
CL.
B
S
H
cd
a
ff»
co co
.«3 -03
cc
-os
ff\'
ff»
-^ff» ff»
I       *N O*
XXX
I I
cc cc
— 3
CA
ff\'
3 3
t- CC
03
-r.
O
cc
PS
«*!
y,
w
-
>
ei
9
IJ
CA
" . S
3 CO
Ti
y, y.
3
T 3
3
3
I 5» S*
"*" «af •*"
I ffrff»"
3
a
u
•*
r-
=
3
1
1
c
ff\'
a
•-f"
^
ff\'
cr
ff»
ff>
~
v
s
-i
=
B
09
B
f
ff\'
-03 -03
CC OS
-03
CC
<r»
e-» -
— cc
CM M
CC 00 CC
ff\'
>
03 = = =
V.
1
3
op
3 = = =
3
-
5
3
3
>* m i^ oo
3
=
-.z
ure
ff\'
II 1 1
ff*
a
_.
-e
eg
ff»
>
03
-r.
> >
03 03
llfni-
CC
B
3
«^
s
5C ff»
ff\'
="8 8
3 3
00 «O
-"8
-hl 2
3
3
ir:
cc r— w \\c.
II
s
i
-3
■*         Ov
J<       "O
03        O-
f
03
3
—
03
Ima
•gqi
—
E.
:i«T»
kke
3J
03
>-
K
BS
OJ
-
Sc
SS
I
o
"E.   "S
B         aj
-       B
11
3
I
■r.
\'S
o
3   i e
S    P £
ê
£
Z
-ocr page 335-
16
13. Burgervereeniging „Onderling Hulpbetoon" te Zaandam,
Wij hebben uwe missive van -28 Juni jl. ontvangen en in onze vergadering van 6 Juli daaraanvolgende
besproken, en ook de lijst van vraagpunten nagegaan.
Tol uwe inlichting is echter dienende, dat onze vereeniging, waarvan wij zoo vrij zijn u een reglement,
benevens ons laatste jaarverslag aan te bieden, niet is eene zaak van politieleen of godsdienstigen aard, maar eene,
die meer onder hel burgerlijke huishoudelijke is te plaatsen, zooals u bij nader onderzoek blijken zal.
In dien zin hebben wij dan ook ruim -21 jaar voorlgewerkl, en \'I is wel degelijk op verzoek van het
jongere geslacht, dat er verandering komt: en waartoe zulks leiden zal, zal de tijd leeren.
Wij zijn niet degenen, welke mei een Domela Nieuwenhuis de wet van 19 Januari 1890 (Staatsblad n°. 1)
als een prulleblad k-schouwen : want wij kennen dezelve niel.
Wij hebben ons beslaan te danken aan ons zelven maar ook aan onze meergegoede ingezelenen. Onze
zaak is eene vereeniging van welgezinde burgers, welke door eene kleine bijdrage elkander ingeval van leed en
nood steunen, voor zoover zulks strekken kan, en dientengevolge verzoeken wij van alle vraagstukken van den
dag verschoond Ie blijven.
Zaandam, 27 Juli 1890.
Namens het Bestuur:
G. SPIJKER, Secretaris.
14. Vereeniging „Volksgezondheid" te Wonnerveer.
Het bestuur der vereeniging «Volksgezondheid" alhier meent, dat van de haar door uwe Commissie ter
beantwoording toegezonden vragen alleen die onder Ie (Huisvesting der arbeiders) binnen den werkkring der
vereeniging valt.
Ook acht het bestuur bij het betrekkelijk kort beslaan der Vereeniging zich vooralsnog niet in staal op
andere vragen een voldoend antwoord te geven.
Het heeft daarom de eer u Ie berichten, dat de toestand der arbeiderswoningen in deze gemeente in
het algemeen vrij goed kan genoemd worden.
In de laatste jaren toch zijn lal van woningen geheel vernieuwd, en daarbij is rekening gehouden met
de vrij krasse bepalingen eener gemeentelijke verordening op het bouwen.
Deze bepalingen betreffen den toestand en de verbetering van den ondergrond, het peil van den vloer
boven AP. of dat van het water in den Westzaner-polder, de hoogte en oppervlakte der vertrekken, de grootte
en inrichting van regenbakken, de inrichting tot wegruiming van faecalién, enz.
Daarbij zijn ook vele woningen door verbreeding van straten en wegen in ruimer genot van licht en
lucht gekomen, terwijl de aansluiting aan de Zaanlandsche Duin waterleiding meer en meer toeneemt.
Om deze redenen meent het bestuur, dat de gemeente, ook ten aanzien der arbeiderswoningen, tegen-
woordig in vrij gunstigen toestand verkeert.
Het Bestuur der vereeniging voornoemd:
Dr. P. C. KOK TEW KG,
loco-President.
G. J. ADELINK,
Secretaris.
Wormerveer, \'27 Juli 1890.
-ocr page 336-
17
15. Afdeeling „Zaanland" der Maatschappij tot bevordering der geneeskunst.
Omtrent de meeste door uwe commissie gedane vragen acht de afdeeling Zaanland der Maatschappij
tot bevordering der geneeskunst, zich niet bevoegd inlichtingen ie verschaffen.
Op gevaar al\' van zich te weinig te bepalen tot zakelijke inlichtingen, meent zij er op te moeten wijzen,
dal, naar hare meening, in meerdere fabrieken de werktijden Ie lang zijn, en de rusttijden niet zoodanig geregeld
zyn, dat het middagmaal thuis kan genuttigd worden. Zij meent, dal hierdoor de man en vader minder met
zijn huisgezin medeleeft dan voor hemzelven en zijn gezin wenschelijk is.
Als meer direct gevolg ziet men slechte spijsvertering ontstaan bij arbeiders in windmolens, ten gevolge
van onregelmatige schafturen.
De huisvesting der arbeiders, nogal verschillend in de verschillende plaatsen, is in het algemeen vooruit-
gaande.
Verwondingen in fabrieken ziet men bijna alleen optreden aan vingers en handen ten gevolge van on-
voorzichligheid.
In smederijen en slijperijen, vooral in de houtzaagfabrieken, komen veelvuldig verwondingen van het oog
voor. Zeer veelvuldig ontslaat doofheid bij de olieslagers.
Chronische katarrhen der ademhalingsorganen ziet men veelvuldig bij hen, die werken in vlashekelarijen,
beukerijen en kaarderijen, ten gevolge van het stof, alsook bij de arbeiders in pelmolens, door wind gedreven.
Onder de sigarenmakers is anaemie veel voorkomende.
Eczemen aan handen en armen ziet men bij olieslagers somtijds ontstaan.
98 Juli 1890.
Namens de afdeeling voornoemd:
Dr. A. P. VAN ROOJEN, Pres.
Dr. I». C. KORTEWEG. Secr.
16. Vereeniging tot werkverschaffing aan minvermogenden te Krommenie.
De werkkring der vereeniging stelt ons slechts in staat op enkele der vraagpunten antwoord te geven,
zooals op: Ia. de aard van den arbeid.
Deze bestaat in het maken van houtvuurmakers, emballagedoek en dweilengoed en hel repareeren van
zakken.
De arbeid duurt van \'s morgens 9 tot \'s avonds 6 uur met één uur rust (van 12—1).
Er wordt gewerkt van den eersten Maandag na ti December tol 31 Maart.
Het loon is 35 a 55 cents per dag; het wordt in geld en eetwaren uitbetaald; één ration kost jh 10
cents en wordt in rekening gebracht voor 5 cents, zoodat bij eene verdienste van 55 cents betaald wordt:
50 cents en 1 ration
of 45 » " 9 rations
of 40 » •> 3
of 35 » » 4 »
Het aantal (1—4) rations hangl af van de hoegrootheid van \'t gezin. Zij bestaan uit aardappelen, erwten,
r\\jst, vet, boonen en meel; 9 rations zijn voldoende voor 3 menschen als middagmaal, voor 9 als middag- en
avondmaal.
De arbeiders zijn gehuisvest buiten de werkplaats in huizen, die beantwoorden aan de voorschriften, in
de plaatselijke verordening vervat.
De uitbetaling van hel loon geschiedt in de werkplaats des Zaterdag-middags.
De verhouding tusschen arbeiders en commissieleden en directeur (hier de werkgevers) is zeer goed.
Hoogst zelden geeft een arbeider reden tot ontevredenheid. Nooit is over behandeling, ééns (die klacht was
ongegrond) over de qualileit der levensmiddelen (in casu der aardappelen) geklaagd.
De toestand van de werkplaats is voldoende.
Gevaar voor rampen bestaat bijna niet: de arbeid is zeer eenvoudig handenwerk.
Luchtverversching kan goed geschieden: er is voldoende gaslicht en daglicht en eene huiselijke warmte
Er wordt geregeld gereinigd.
De duur van \'t verblijf valt samen met de werktijden.
Schadelijke invloed zou kunnen gevonden worden in het stol, door het spinnen veroorzaakt: dit geschiedt
in een afzonderlijk bovenlokaal.
Krommenie, 98 Juli 1890.
De Voorzitter van genoemde vereeniging :
F. V. d. STEEN v. OMMEREN.
Enquête. — De Zaankant.
                                                                                                                  5
-ocr page 337-
IS
17. Afdeeling Koog-Zaandijk van het Nederlandsen Werklieden-
Verbond „Patrimonium".
Do Afdeeling Koog-Zaandijk van het Nederlandsen Werkliedenverbond «Patrimonium" dankt uwe
Commissie voor het blijk van vertrouwen, gegeven in de toezending uwer circulaire.
De inhoud dier circulaire is ons een onderwerp van ernstige overweging geweest. Tot ons leedwezen
moeten wjj u evenwel antwoorden, dal onze afdeeling het niet raadzaam heeft geacht te trachlen, omtrent de
gestelde vraagpunten inlichtingen te verstrekken.
Namens genoemde afdeding :
H. MILO,
Secretaris.
Koog-Zaandijk, 98 Juli 1890.
18, Afdeeling Westzaan van de Vereeniging „Volksonderwijs".
Naar aanleiding van uw schrijven van den 58en Juni d. j., heb ik de eer u hel volgende Ie berichten
omtrent eenige feilen en toestanden van de jeugdige arbeidersbevolking ie Westzaan.
Arbeid van jongens boven de 19 jaar koml voor op de houtzaagmolens en vooral op de chocolade-
fabriek van de Heeren Gebrs. D. & M. Grootes, waar die jongens gebezigd worden lot lichte werkzaamheden.
als : pakken, sorleeren, emballeeren. Deze arbeid kan evengoed door jeugdig personeel als door ouderen verricht
worden, \'i Geldelijk belang der patroons brengt mede, dit aan jongens op te dragen. Loon f 9.50 per week.
Arbeid van jongens en meisjes boven de 12 jaar koml voor op de zakjesp
84
lakkerijen van de firma
Jb. De Jong en van den Heer J. Bakker Cz. Uit den aard der zaak zijn het ook daar lichte werkzaamheden,
waartoe de jonge meiisehen gebruikt worden.
Al die jeugdige arbeiders en arbeidsters hebben de lagere scholen bezocht, meestal tot hun 12de jaar.
Sommigen zijn van school vertrokken met getuigschrift van\'volbrachten cursus (zesjarig): anderen wachten niet
zoo lang, maar trekken naar de fabriek, zoodra ze hun 12de jaar bereikt hebben.
Er bestaat ie Westzaan aan de beide openbare scholen gelegenheid om herhalingsonderwijs te genieten
(tol nu toe kosteloos), van 1 October lot 1 April daaropvolgende, elke week vier keer, telkens \'s avonds van
tï\'/a tol 8 uur. Zij, die in \'t bezit zijn van een getuigschrift, worden vrij tot dal onderwijs toegelaten : van
de overigen wordt een examen verlangd, waarvan de eisenen matig gesteld zijn.
Toch wordt van herhalingsonderwijs weinig gebruik gemaakt, niettegenstaande het aandringen daarop
van hel hoofd der gemeente en de onderwijzers. In den afgeloopen winter bedroeg hel aantal leerlingen voor
beide scholen samen 13.
Daarbij is hel verzuim van dal onderwijs vrij groot, terwijl dal van de dagschool in het laatste jaar
ongeveer 3\'/2 pel. bedroeg.
Tot bevordering van trouw schoolbezoek, en dus ook indirect om den weg tot het verkrijgen van een
getuigschrift bovenbedoeld ie effenen, geeft de afdeeling Westzaan van "Volksonderwijs" zoo mogelijk elk jaar
een feest aan de trouw schoolgaande jeugd, waaraan ook die oud-leerlingen mogen deelnemen, welke bij \'t eind
van den laatst-voorgaanden cursus (1 April) met getuigschrift ontslagen zijn en in \'t voorgaande jaar zeer
weinig lessen verzuimd hebben.
.Mijns inziens is hei geldelijk voordeel, dat de ouders van de kinderen trekken, en dal een welkome
bijslag is bij hunne verdiensten, en vaak gemis aan den noodigen invloed van de zjjde der ouders, grootendeels
oorzaak van hel matig gebruik, dat van de herhalingsschool gemaakt wordt.
De Secretaris der afdeeling Westzaan van »Folksonderwijs":
L. KÜYSINK.
Westzaan, 2!» Juli 1890.
-ocr page 338-
19
19. Departement Zoog en Zaandijk der Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen.
Namens bel departement Koog en Zaandijk der Maatschappij tot Nul van \'t Algemeen heb ik de eer, u
eenige inlichtingen te zenden, naar aanleiding van de lijst van vraagpunten, door ons departement ontvangen.
Ie. Lichamelijke, verstandelijke en zedelijke toestand van bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes. —
Kan over hel algemeen gunstig genoemd worden.
In hoever en lot welken leeftijd bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes onderwijs hebben ge-
noten. Middelen tot bevordering van behoorlijk schoolbezoek: behoefte aan wettelijke maatregelen.—
Zij gaan school lot minstens 19 jaar, velen echter lot 13 jaar. De gemeentebesturen zijn zeer
vrijgevig met hel veiieenen van kosleloos onderwijs. In de gemeente Kor>g en in de gemeente
Zaandijk beslaan «commissiën tol bevordering van getrouw schoolbezoek», die zoo gunstig werken,
dat hel schoolverzuim lot een minimum is teruggebracht.
Te Koog en te Zaandijk bedroeg het schoolverzuim in 1889/90 1 %.
Behoefte aan wettelijke maatregelen bestaat hier niet.
Ie Huisvesting der arbeiders. — Kan over het algemeen gunstig genoemd worden. In de gemeente
Koog en in de gemeente Zaandijk bestaan wettelijke verordeningen op hel bouwen en veranderen
van woningen, en kunnen voor de gezondheid schadelijke woningen afgekeurd worden.
Ha. Opleiding van arbeiders in en buiten de werkplaats. — Voor timmerlieden en smeden beslaat gele-
genheid, zich op de burgeravondschool te Zaandam in hun vak te bekwamen.
Te Zaandijk beslaat eene timmerliedenvereeniging «Ons nuttig streven», waar onderwijs in teekenen
wordt gegeven.
ttb. Verzekering of andere voorzorgen bij ongelukken, ziekten, ouderdom of overlijden. — Alle arbeiders
zijn leden van begrafenisfondsen.
Te Zaandijk en Koog zijn vereenigingen, door de arbeiders zelf opgericht en beheerd, die onderstand
geven bij ziekten : «Zaanlands Eenheid coöperatief» en «Werkmans Ondersleuning», «Helpt El-
kander» en «Helpt Elkander coöperatief».
lila.         Reiniging. — De Ie Zaandijk beslaande zvveminrichling en badhuis geeft eenmaal \'s weeks koste-
loos gelegenheid tot baden en wasschen. De andere dagen voor C cenls.
Zaandijk, 29 Juli 1890.
Namens het Departement voornoemd:
i. J. HONIG, Secretaris.
20. Vereeniging van hoofdonderwijzers, leeraren Middelbaar Onderwijs en
schoolautoriteiten in de Zaanstreek.
De vereeniging van hoofdonderwijzers, leeraren M. O. en schoolautoriteiten in de Zaanstreek heeft de
eer het volgende ie uwer kennis te brengen.
I. b en c.
Ofschoon de vereeniging met dankbaarheid erkent, dat de wet-Van Houten eenen gunstigen invloed op
het schoolbezoek heeft uitgeoefend en ook de nieuwe arbeidswet den jeugdigen arbeidskrachten ten zegen zal
zgn, meent zij toch, dal het in \'t belang der kinderen zou wezen, indien het totale verbod van arbeid werd
uitgebreid lol dertien jaar. De vereeniging zou hel zelfs wenschelijk achten, dat het onderwijs werd voortgezet
tot den veertienjarigen leeftijd, maar erkent tevens, dat de sociale toestanden eene wettelijke regeling indien geest
in den weg slaan.
Eene wijziging van art. 80 der wet op het lager onderwijs, in dezen zin nl., dat eene opgave van
leerlingen van 6—13jarigen leeftijd werd voorgeschreven, zou zeer waarschijnlijk van goeden invloed zijn
op het schoolbezoek tol 13 jaar.
Schoolverzuim tot 12jarigen leeftijd komt in de Zaanstreek weinig voor; maar over \'I geheel kan
toch worden verklaard, dal vele kinderen te vroeg aan het werk worden gezet. Dit is niet alleen van nadeeligen
invloed op den lichameljjken toesiand, maar werkt tevens schadelijk op verstand en zedelykheid, te meer daar
-ocr page 339-
20
de jeugdige krachten vooral worden gebruikt op zakjesplakkerijen, waar de arbeid, evenals in sigarenmakerijen
en op oliemolens, over \'t geheel verstompend en ontzenuwend werkt op geest en gemoed.
Tot de vereenigingen, die het schoolbezoek bevorderen, verdienen met eere genoemd:
1. Het Zaanlandsch Schoolfonds, voorzitter de heer Dr. J. F. M. Caudri, en secretaris de heer A. J. J.
Zwaardemaker, beiden te Zaandam.
Deze vereeniging betaalt schoolgeld en leermiddelen voor die jongens, welke de burgeravondschool
wenschen te bezoeken, en wier ouders het aan de noodige middelen ontbreekt. Bovendien wordt door de school-
commissie van Zaandam een spaarbankboekje ad f 5 uitgereikt aan die leerlingen, welke den vierjarigen cursus
hebben doorgewerkt.
1. De vereeniging «Ons Onderwijs», te Koog a/d Zaan, die jaarlyks een schoolfeest organiseert ter
bevordering van trouw schoolbezoek, en welker leden zich verbinden geen kinderen beneden 13 jaar in dienst
te nemen.
3. De vereeniging «Ons Onderwijs», te Zaandijk, die in denzellden geest werkzaam is.
Door de schoolcommissie te Krommenie zyn vorige jaren met goed gevolg geld of boeken uitgereikt,
om het bezoek van het herhalingsonderwijs te bevorderen: evenzoo worden op de herhalingsschool van de afdeeling
Zaandam der Maatschappij tot Nul van\'t Algemeen pryzen uitgereikt, terwijl zoowel te Zaandam als te Koog a/d Zaan
door het uitreiken van getuigschriften aan leerlingen, die alle klassen der school hebben doorloopen, en door het
uitreiken van schoolboekjes, waarin elk kwartaal de vorderingen, enz. der leerlingen door cijfers worden uitge-
drukt, het schoolbezoek wordt aangemoedigd.
Toch, ondanks al deze gunstige verschijnselen, meent de vereeniging te kunnen verklaren, dat het
voortgezet onderwas te weinig wordt bezocht.
30 Juli 1890.
Namens de Vereeniging:
A. VAN DER PLAATS, Voorzitter.
H. BOOSMAN, Secretaris.
21, Vereeniging „Ons Onderwijs" te Zoog a/d Zaan.
De vereeniging «Ons Onderwys» te Koog a/d Zaan heeft de eer u het volgende mede te deelen.
Ia. Te Koog a/d Zaan komen de volgende bedreven voor: styfselmakerjj, olieslagerij, grutterij,
scheepstimmerwerf, houtzagerij, natte-verfwaren- en stopverffabriek, koekbakkerjj, pellery, papieren-zakken-
plakkerjj, machinefabricage, harenmakerij, schipperij, korenfactory, stoomdrukker^.
Ib. Arbeid van jongens komt voor op de zakkenplakkeryen, olie- en pelmolens, stjjfselmakery,
drukkerij, houtzagerij en by verschillende bedrjjven.
Vrouwenarbeid komt niet voor.
Ie. De vereeniging «Ons Onderwijs» tracht het schoolbezoek te bevorderen, vooral door schoolfeesten.
Leerlingen, die bijv. gedurende een jaar niet meer dan 6 schooltijden hebben verzuimd, mogen aan die
feesten deelnemen. Den kinderen beneden 9 jaar wordt een genoeglijke dag bereid in de gemeente; met de
leerlingen boven 9 jaar wordt per boot een uitstapje gedaan naar verschillende plaatsen, o. a. Wijk aan Zee
en Umuiden, Zandvoort, Kraantjelek, Beemster, Schoorl, Alkmaar, Heiloo, enz.
De goede invloed dier schoolfeesten is merkbaar: het moedwillig schoolverzuim bedraagt de laatste
jaren nog geen 1 °/0.
De vereeniging telt ruim 200 leden, waaronder de meeste fabrikanten of andere werkgevers: dezen
verbinden zich, geen kinderen beneden 13 jaar in dienst te nemen. Deze bepaling wordt algemeen nageleefd
en werkt zeer gunstig op het schoolbezoek.
Arbeid van kinderen beneden 13 jaar komt, voor zoover ons bekend is, alleen voor op zakjesplakkerijen.
II. De vereeniging wjjst er met genoegen op, dat een aantal werkgevers, o. a. de heeren M. K. Honig,
J. Otler, P. Van Wort, J. De Vries, J. Kluijver Az. en anderen, hunne werklieden hebben verzekerd tegen ongelukken,
terwijl een aantal vereenigingen, o. a. Het Witte Kruis, Moederlpe Liefdadigheid, Ziekenverpleging, Ziekenfonds
voor Werklieden, Coöperatieve bakkerij, Spaar- en Hulpbank der Maatschappy tot Nut van \'t Algemeen, Floralia,
in het belang van den arbeider werkzaam zyn.
-ocr page 340-
SI
De verhouding tusschen werkgever en arbeider is dan ook over \'t geheel goed; werkstakingen
kwamen tot dusver niet voor.
De uilbetaling van \'t loon geschiedt per week of per 14 dagen; boeten worden niet toegepast.
Omtrent de vele andere vragen kan de vereeniging geen volkomen vertrouwbare inlichtingen geven.
Koog a/d Zaan, 30 Juli 1890.
Namens de Vereeniging:
VAN LENNEP, Voorzitter.
R. BOOSMAN, Secretaris.
22, Afdeeling Hoog a/d Zaan van de Noordhollandsche vereeniging
„Het Witte Kruis".
De Afdeeling "Koog a/d Zaan» van de vereeniging «Het Wille Kruis» heeft de eer, het volgende Ie
uwer kennis te brengen.
De meeste punten van de Ijjst van vraagpunten kan de vereeniging met stilzwijgen voorbijgaan: slechts
omtrent een paar punten meent zij eenige gegevens te moeten verstrekken.
lo. De huisvesting der arbeiders is over \'t geheel vrij goed; eene gemeenteverordening waakt voor
eene goede inrichting der woningen en schrijft regenbakken of waterleiding voor. Sedert de Zaanstreek zich in
\'t bezit der waterleiding mag verheugen, hebben zich een groot aantal arbeiderswoningen daarbij aangesloten.
De vereeniging «Het Witte Kruis» tracht dit zooveel mogelijk te bevorderen, o. a. door de kosten van aanleg
geheel of gedeeltelijk voor hare rekening te nemen.
v2o. De vereeniging is verder in \'t belang der arbeiders werkzaam, door haar materiaal kosteloos in
gebruik af te staan in gewone ziektegevallen en bij epidemieën, door voor behoorlijke ontsmetting zorg te
dragen, waar dit noodig is, enz. Op dit oogenblik is zij bezig een badhuis te stichten en de gelegenheid lot
hel nemen van een kosleloos bad zoo ruim mogelijk te stellen. Ook tracht zij door het houden van populaire
voordrachten en het uilgeven van kleine geschriften betere begrippen omtrent de hygiëne onder de bevolking
te verspreiden.
30 Juli 1890.
Namens de Vereeniging:
VAN LENNEP, Voorzitter.
R. BOOSMAN, Secretaris.
23. De Zaanlandsche Kamer van Koophandel en Fabrieken.
De Zaanlandsche Kamer van Koophandel en Fabrieken heeft de eer, omtrent de lijst van vraagpunten
het volgende te antwoorden.
I.
a. De aard van den arbeid in de Zaanstreek bestaat uit arbeid in stoomfabrieken, windmolens en bij
de handwerksnyverheid; het meerendeel zijn olie-, pel-, houtzaag-, papier-, chocolade-, verf- en andere fabrieken
en molens.
Enquête. — De Zaankant.
C
-ocr page 341-
29
De duur van den arbeid is van 10 tot 14 uren daags; het overwerken geschiedt van tyd tot tyd en
wordt extra betaald.
Nachtarbeid komt alleen voor in sommige fabrieken, en dan steeds in 1 ploegen, die elkander afwisselen,
zoodat nacht- en dagwerk nagenoeg gelykelijk onder de arbeiders verdeeld wordt.
Zondagsarbeid is eene zeldzaamheid.
Het loon voor volwassenen bedraagt van f7 tot f 16 \'s weeks en wordt gewoonlijk ook by ziekte
uitbetaald.
b. Arlwid van jongens van 15—16 jaar komt weinig voor: die van meisjes van dien leeftijd nooit,
terwijl de arbeid van vrouwen hoogst zeldzaam is.
e. De lichamelijke toestand van de jongelieden is voldoende voor den gevorderden arbeid : hunne ver-
standelijke ontwikkeling heeft door vry algemeen genoten, goed lager onderwas, dikwijls gevolgd door herhalings-
onderwijs, eene hoogte bereikt, die gunstig kan genoemd worden, terwql de zedelijkheid geroemd mag worden
en in de geheele Zaanstreek geen reden lot klagen geeft.
Het zou wenschelijk zijn, dat de leeftijd, waarop kinderen ten arbeid mochten worden gesteld, wettelijk
bepaald werd op 14 jaar, vooral niet jonger: en dal tol op dien leeftjjd schoolplicht werd ingevoerd, opdat de
uitmuntende regeling van het lager onderwijs ten volle hare vruchten kon afwerpen voor de arbeidersbevolking.
d. De huisvesting is in het algemeen goed: de woningen voldoen aan de voorschriften der plaatselijke
bouwverordeningen.
II.
a.  Ter opleiding van jeugdige arbeiders bestaan er ambachtsscholen, avondscholen, huisvlijt- en teeken-
scholen. Er is geen leerlingschap, en ook zijn er geen fabrieksscholen.
b.   Onder de voorzorgen bij ongelukken, ziekte, ouderdom of overlijden, kunnen wjj wijzen op een
weduwenfonds, genaamd »de Toekomst", op ziekenbussen en een aantal begrafenisfondsen, die vrjj wel in de
behoeften voorzien.
d.   Fabrieksreglementen en werkcontracten beslaan er niet.
e.   De verhouding tusschen werkgevers en arbeiders is goed: werkstakingen zijn hier nooit voorgekomen.
/. Geschillen zijn zelden ontstaan, en dan nog altijd in der minne en spoedig bijgelegd, zoodal van
behoefte aan middelen ter voorkoming daarvan nooit is gebleken.
III.
o. De fabrieken en werkplaatsen zijn goed ingericht: ruime en luchtige lokalen, met goed licht en weinig
gevaar aanbiedende, waarvan de verwarming voldoende is, wat ook van de reiniging kan gezegd worden. Van
ziekten, ten gevolge van den arbeid in de fabrieken, is hier geen sprake.
Zaandam, 30 Juli 1890.
De Zaanlandsche Kamer van Koophandel en Fabrieken :
CORNs. CORVER VAN WESSEM, Voorzitter.
FRANCKEN, Secretaris.
24. Vereeniging tot het verschaffen van versterkende middelen aan herstellenden
en kranken, te Koog a/d Zaan.
In antwoord op uwe geëerde letteren van 28 Juni hebben wjj de eer u mede te deelen, dat onze
vereeniging tot het verschaffen van versterkende middelen aan herstellenden en kranken te Koog a/d Zaan
versterkende middelen uitdeelt op voorschrift van HH. Doctoren. Genoemde middelen bestaan uit: melk, eieren,
vleesch en wijn, die uitgedeeld worden aan huisgezinnen, waar niet boven de f 15 verdiend wordt.
Onze vereeniging bestaat nu 9 jaar, en er wordt jaarlijks voor een bedrag tusschen f300 a f400
uitgedeeld.
Koog a/d Zaan, 30 Juli 1890.
Wed. F. DL IJ VIS—Verkade.
Presidente.
-ocr page 342-
33
25. Sociaal-Democratische Vereeniging te Krommenie.
Met genoegen heeft de Sociaal-Democratische Vereeniging te Krommenie \'t op zich genomen, de ver-
schillende vragen, voorkomende op de door uwe commissie aan genoemde vereeniging gezonden vragenlijst, te
beantwoorden.
I.
a.   Stoom- en hand-zeildoek-weven, benevens de sigarenfabricatie, z\\jn hier de vakken, waar de meeste
arbeiders aan verbonden zijn.
Duur van den arbeid. — Dagelijks 12 a 13 uren arbeid.
Werktijden. — 6 werkdagen.
Rusttijden. — 1 uur schafttijd en l/i UU1\' theetjjd.
Overwerk. — In \'t weefvak weinig: in \'t sigarenvak somtijds 4 uren daags overwerk en \'s Zater-
dags den halven nacht.
Zondagsarbeid zeldzaam, enkel handweverjj.
Loon laag: enkelen verdienen f 9 in de week, doch de groote meerderheid f4.50, dooreengenomen geen f6.
b.       Arbeid van jongens en meisjes van 12 tot 16 jaren. — In de spinnerij en zakjesplakkerij werken
kinderen van 12 tol 16 jaar.
Arbeid van jongens en meisjes van 16 tot 18 jaren. — Er zijn er ook van dien leeftijd werkzaam.
Geen vrouwenarbeid.
Bijzondere redenen, waarom het werk van die verschillende personen juisl aan hen is opge-
dragen. - Uit winst van loon.
Aard »an hunnen arbeid. — Niet zwaar, doch zeer ongezond.
Weinig gevaren.
Duur van hunnen arbeid. — 11 a 12 uren.
Loon. - Van f\' 1 tol f 4.50.
e. Lichamelijke, verstandelijke en zedelijke toestand van bjj den arbeid gebezigde jongens en
meisjes. — Zwak. Dom. Zedelijk peil laag door \'t samenzijn.
Leeftijd, waarop de arbeid van kinderen zonder bezwaar kan beginnen. — Voor meisjes is \'t geen
werk, dus nimmer. Jongens 16 jaar.
In hoever en tot welken leeftijd bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes onderwijs hebben
genoten en nog genieten. — Tot 12 jaren veeltijds.
Middelen tot bevordering van behoorlijk schoolbezoek. — Geene. Behoefte aan wettelijke maat-
regelen is groot.
d.       Invloed van het arbeiden van gehuwde vrouwen in fabrieken, enz. op den toestand van hare
gezinnen. — Is voor deze gemeente niet te beantwoorden.
e.       Huisvesting der arbeiders. — Uiterst slecht.
II.
a.      Opleiding van jeugdige arbeiders in en buiten de werkplaats. Geene.
Leerlingschap bestaat niet.
Fabriekscholen. Geene.
b.      Verzekering of andere voorzorgen by ongelukken, ziekten, ouderdom of overlijden. Geene.
c.      Verdere instellingen of maatregelen b|j ondernemingen van nijverheid in het belang der arbeiders. Geene.
d.      Fabrieksreglementen. Enkele boetereglementen.
Duur van arbeidsovereenkomsten: termjjn van opzegging. Geene contracten.
Boeten. Op alle fabrieken; enkele zeer zwaar.
Uitbetaling van het loon. Op Zaterdag: wevers moeten soms vier uren wachten op \'t geld.
e.      Verhouding tusschen werkgevers en arbeiders. Niet best: de patroons behandelen de arbeiders uit de hoogte.
-ocr page 343-
24
Redenen van minder gunstige verhoudingen. Hier bestaat de gewoonte, dat, als men verandert
van werk, men juist een briefje als goedkeuring moet bezitten van den patroon.
f. Behoefte aan officieele org nen voor de belangen der arbeiders. Groot.
Voorkoming, bijlegging en beslissing van geschillen tusschen werkgevers en arbeiders. Daarvan bestaat
hier niets.
III.
a.      Toestand van fabrieken en werkplaatsen met het oog op de veiligheid en de gezondheid der
arbeiders. — Zeer nadeelig, met uitzondering van de fabriek van den heer Planteijdt: handwevers huren
hunne werkplaats zelven.
Gevaar voor rampen en ongelukken. — Niet groot.
Lucht. — Slecht voor de gezondheid.
Licht. — Veel te weinig.
Verwarming. — Geheel onvoldoende.
Reiniging. — Nooit of eens per jaar.
Voorbehoedmiddelen tegen bponder schadelijken invloed van grondstoffen of wjjze van bewerking. —
Geen voorbehoedmiddelen.
Afzonderlijke lokalen voor de beide seksen. — Geen afzonderlijke lokalen.
Duur van het verblijf in de gebouwen. — il a 13 uren.
b.      Uitvoerbaarheid van maatregelen ter verbetering, ook in verband met de belangen der nijverheid. —
Invoering van een bij de wet geregelden arbeidsdag en streng toezicht op de fabrieken.
t-. Inrichting der openbare middelen van vervoer met het oog op de veiligheid en de gezondheid van
het personeel. — Niet te beantwoorden.
En hiermede zijn de door uwe Commissie gestelde vragen zoo beknopt mogelijk beantwoord; veel kan er
ook hier worden verbeterd in \'t belang der arbeiders, vandaar onze aanbeveling van het voorgaande.
Natnens de Soc.-Dem. Vereeniging:
W. BAARS, Secretaris.
26. Departement Krommenie der Maatschappij Tot Nut van \'t Algemeen.
Voldoende aan de uitnoodiging vervat in uwen brief van 1 dezer, gericht aan den sedert afgetreden
Voorzitter onzer Vereeniging, Dr. J. G. Boekenoogen, heb ik de eer uwe Commissie beleefdelijk te berichten :
a.     dat de fabriekmatige arbeid zich hier ter plaatse hoofdzakelijk bepaalt tot het weven van zeildoek,
het hekelen van hennep, het spinnen van garens, het plakken van zakjes, het vervaardigen van sigaren, het
fabriceeren van blikwerken, het decoreeren van metaalwaren en het maken van vogelkooien;
b.    dat die arbeid in den regel wordt verricht van \'s morgens 6 tot \'s avonds 7 uur, afgewisseld door
rusttijden, te zamen twee uren bedragende;
c.     dat overwerk, nacht- en Zondagsarbeid slechts hoogst zelden, derhalve niet noemenswaardig, voorkomt:
d.     dat b\\j den onder a bedoelden arbeid een 150tal meisjes en jongens te werk gesteld zjjn, wierlicha-
melijke en zedelijke toestand, in \'t algemeen, bevredigend geacht wordt; deze genoten tot twaalfjarigen leeftijd
het gewoon lager onderwijs, terwijl velen nog aan het herhalingsonderwjjs deelnemen ;
e.     dal het loon afwisselt, voor volwassen mannen, tusschen f6 en f 14: voor meisjes en jongens,
tusschen f 1.50 en f5 per week;
ƒ. dat gehuwde vrouwen geen deel nemen aan den arbeid in fabrieken;
y. dat de arbeiders zijn gehuisvest in woningen, voor het meerendeel voldoende aan de plaatselijke
bouwverordening; ongezonde en bouwvallige woningen worden krachtens die verordening afgekeurd en onbewoonbaar
verklaard:
-ocr page 344-
25
h. dat de arbeiders tegen betaling eener matige contributie kunnen toetreden tol de plaatselijke vereeni-
ging "Hulp in lijden», beoogende het verleenen van onderstand bij ziekte; wyders, dat enkele firma\'s hare
arbeiders tegen ongelukken hebben verzekerd:
i. dat, voor zoover bekend, de verhouding tusschen werkgevers en arbeiders over \'t algemeen goed is,
zijnde sleehls éénmaal eene werkstaking voorgekomen bij den sigarenfabrikanl J. Baars, geëindigd met het vertrek
van eenige minder gewilde werklieden.
Krommenie, 30 Juli 1890.
De opgetreden Voorzitter van het departement voornoemd :
F. VAN DEN STEEN VAN OMMEREN.
27, Afdeeling Krommenie der Vereeniging ,.Volksonderwijs",
De afdeeling Krommenie der vereeniging «Volksonderwijs» heeft de eer u het volgende resultaat harer
opzettelijke bespreking mede te deelen.
I c al. 1, 3 en 4.
De jongens en meisjes, die bij den arbeid in fabriek, werkplaats, huis of veld gebezigd worden, verlaten
in den regel op 19jarigen leeftijd de school, zelden later, eerder iels vroeger. Het is bij de ouders, in het alge-
meen genomen, gewoonlijk niet de vraag, of hunne kinderen de noodige kennis hebben opgedaan, maar of dezen
oud genoeg zijn, om wat te verdienen. In het belang dier jongens en meisjes, en dus van het toekomstig ge-
slacht, zou het daarom zijn, als verplicht onderwijs tot het 14e jaar werd ingevoerd, zoodat ook veldarbeid tot
dien leeftijd verboden was. Dan zou hunne verstandelijke ontwikkeling beter kunnen zijn en tevens de liehame-
lijke en zedelijke toestand winnen. Op dat onderwijs tot het 14e jaar moest goed ingericht herhalings- en voort -
gezet onderricht tot het 16e jaar volgen, om den jongeling en hot meisje voldoende toegerust in de maatschappij
binnen te leiden. Tot dusver wordt het herhalingsondervvijs kosteloos aan leerlingen van 1*2—15 jaar verstrekt:
moest er worden betaald, dan zou het verloopen. De Plaatselijke Schoolcommissie heeft in 1887, om den lust op
(e wekken, eene geldelijke belooning uitgeloofd voor hen, die trouw opkwamen: verleden jaar gaf zij een boek-
geschenk, dit jaar niels. Ofschoon het gebruik, dal men tegenwoordig van hel herhalingsonderwijs gedurende
Oclober en de vier volgende maanden maakt, in vergelijking met de naburige gemeenten, nog al tamelijk is,
kon de vrucht er van veel meer beteekenen, als de dagschool goed en wat langer was doorloopen.
Krommenie, 30 Juli 1890.
De Secretaris der afdeeling voornoemd :
A. VAN DER PLAATS.
28, Afdeeling Zaandam van de Noordhollandscne Vereeniging ,,ïïet Witte Kruis".
In antwoord op uwe circulaire van 38 Juni 1890 hebben wij de eer u het volgende mede te deelen.
Het bestuur der vereeniging «Het Witte Kruis» afdeeling Zaandam, heeft gemeend zich alleen te moeten
bepalen tot de beantwoording van die vragen, welke gerekend kunnen worden met de volksgezondheid in verband
te staan.
I.
a. Omtrent werktijden, rusttijden, overwerk en nachtarbeid kunnen wij niet anders mededeelen, dan dal
deze in de verschillende fabrieken zeer ongelijk verdeeld zijn, doch dat niet geconstateerd kan worden, dal deze
verdeeling schadelijk op de algemeene gezondheid van de arbeiders influenceer!.
e. De huisvesting der arbeiders is over het algemeen vrij goed te noemen. Alleen\' vestigen wij met allen
ernst uwe aandachl op het feil, dat, niettegenstaande wij hier uitstekend leidingwater bezitten, er nog zoo vele
woningen gevonden worden, waarvan de bewoners zich van regenwater bedienen ; zelfs worden er nog steeds
woningen gebouwd met eene inrichting voor \'t gebruik van regenwater.
Enquête. — De Zaankant.                                                                                                                     7
-ocr page 345-
26
Hl.
a. Mogen wij verzekeren, dat voor lucht en licht, zoomede voor verwarming, voldoende aan de fabrieken
wordt gezorgd, een belangrijke goede dienst kan aan den arbeider bewezen worden, door er steeds op aan te dringen,
dat het gebruik van leidingwater, zoowel aan de fabrieken als aan de woningen, algemeen worde ingevoerd.
In antwoord op de vraag betreffende afzonderlijke lokalen voor de beide seksen kan worden medegedeeld,
dat aan onze fabrieken geen meisjes dienst hebben te doen.
Zaandam, 30 Juli 1890.
Namens het Bestuur voornoemd :
De Secretaris
P. VAN HEIJNSBERGEN.
29. Werklieden-vereeniging „Door Eendracht Bloeiende" te Koog aan de Zaan.
la. Olieslagerijen, door stoom gedreven: werktijd 12 uren, zoowel by dag als bij nacht: rusttyd
lk uur.
Windmolens: werktijd 16 uren zonder rust, nacht en dag door: met dien verstande, als er wind is. Als
het slil is, geen werk, te veel rusttijd en geen verdiensten, aangezien het stukwerk is, en dan moeten de arbeiders
toch het grootste deel van den dag bij of in den molen wezen. Deze arbeiders hebben dus over het algemeen te
weinig rusttijd, want als zij l(i uren werken, blijft er weinig of geen tijd over voor de opvoeding hunner kin-
deren of het huiselijk leven.
Kustlijden van andere ambachtslieden : van 8—8V2, 12 — 1 en 4—VU uur.
Werktijd in den zomer van 5 uur \'s morgens tot 8 uur \'s avonds, in den winter van 8—4 uur.
Overwerk bij uilzondering.
Nachtwerk : bij pelmolens en stijfselfabrieken.
Zondagsarbeid: bij enkele bakkers en alle winkels.
Loon : vasi weekgeld en stukwerk, bij sommigen voldoende, bij anderen te laag.
b.     Bij olieslagerijen, zakjesplakkerijen, drukkerijen en houtzaagmolens.
Geen werk van vrouwen en meisjes.
Duur van den arbeid volgens de wet.
Loon verschillend, vast weekgeld of stukwerk.
c.     3. In hel algemeen lol hun 13de jaar.
4. De vereeniging «Ons Onderwijs» bevordert het getrouw schoolbezoek, door het geven van school -
feesten aan die kinderen, die minder dan 6 verzuimen per jaar hebben. Schoolverzuim is er daarom bijna niet.
e. Tamelijk goed, behoudens enkele uitzonderingen, dat het geen bewoonbare woningen zijn. Maar bij
het bouwen van nieuwe woningen wordl gezorgd voor voldoende ruimte en licht.
Ila. In de fabrieken of werkplaatsen geen fabrieksscholen.
b. Verzekering bij ziekten o!\' verwonding: de vereeniging «Door Eendracht Bloeiende», samengesteld uit
arbeiders en bestuurd door arbeiders, die gralis de administratie, enz. waarnemen. De wekelijksche contributie is
10 cents en de uitkeering is f 1 per dag (werkdag). De vereeniging wordt gesteund door begunstigers, die
minstens f 5,60 per jaar moeten betalen, de hoogste is f 15.
De meeste werklieden hebben geen ander inkomen, als zij ziek zijn: sommige hebben nog hun geheel,
andere hun half weekloon.
Dat deze vereeniging gunstig werkt en de armoede gedeeltelijk weert, bewjjze hel volgende:
1885   ledental 183.
Uitbetaald aan 39 leden f 882,15 a 90 cents per dag, ook Zon- en feestdagen. Aan contributie ont-
vangen f 889.
1886   ledental 257.
Uitbetaald aan 45 leden f 1173,60 a f 1 per dag. Aan contributie ontvangen f 1053,70.
1887   ledental 246.
Uitbetaald aan 40 leden f 1304,60 a f 1 per dag. Aan contributie ontvangen f 1253,10.
1888   ledental 278.
Uitbetaald aan 66 leden f 1885 a f 1 per dag. Aan contributie ontvangen f 1364.
1889  ledental 991.
Uitbetaald aan 61 leden f 1928 all per dag. Aan contributie ontvangen f 1528,20.
-ocr page 346-
27
In dit boekjaar werd besloten den Zondag niet meer uit te keeren en geen verlenging van uitkeering
toe te staan, zooals dit aan één lid in \'87 en aan drie leden in \'88 werd toegestaan, zoodat hij 3!) weken in
plaats van 26 weken aan één stuk de uitkeering genoot.
Toestand der kas.
1885  f 1445,05V2.
1886  - 14-76,69.
1887  - 1553,50.
1888  - 1183,^72.
1889  - 911,U.
Aan donateursgeld wordt jaarlijks van f 150 tot t\' 180 ontvangen.
Tijdens het heerschen der influenza kreeg de vereeniging ook rijk haar deel, maar de buitengewone uil-
gaven werden gedekt door eene collecte bij leden en begunstigers, die (\' 6*23,24 opbracht.
Afdeeling Witte Kruis.
Damesvereeniging, die met versterkende middelen arbeiders en hunne gezinnen ondersteunt.
Voor ouderdom of overlijden geen instelling: afhankelijk van de goedheid der menschen: door enkele
patroons zyn in den laatsten tyd verzekeringen tegen ongelukken van hunne werklieden gesloten.
d.     Geen fabrieksreglementen; uitbetaling van loon om de week of veertien dagen in geld.
e.     Naar gelang der omstandigheden.
/. Geen.
Koog a/d Zaan, 31 Juli 1890.
Namens net Bestuur der VereenUjituj voornoemd:
W. STAM, President.
B. STOLP Kz., Secretans.
30. Afdeeling Wormerveer van het Nederlandsen Onderwijzersgenootschap.
De Afdeeling Wormerveer van het Nederl. Onderwjjzersgenootschap, waartoe ook omliggende ge-
meenten behooren, heeft, naar aanleiding van de toegezonden lijst van vraagpunten, de eer u het volgende
te melden.
1 b. en c.
In den regel verlaten de leerlingen op hun 12de jaar de school, ofschoon lang niet allen ten naastenbrj
voldoend lager onderwijs hebben genoten. Dit komt hoofdzakelijk door het schoolverzuim wegens kinderarbeid.
Te Assendelft bijv., waar zuivelbereiding en handweverij de hoofdbronnen van bestaan zijn, laat het
schoolbezoek in den hooibouw veel te wenschen over De handweverij eischt nog meer kinderarbeid. Door de
uiterst lage loonen kunnen de ouders geen geld vinden om hel spoelen (het op klossen winden van het inslag-
garen) uit te besteden. Spoelen is een licht werk, en een kind kan zonder groot bezwaar voor één weverspoelen.
Dikwijls echter spoelt een kind voor meer wevers, om de inkomsten van het gezin met eenige stuivers te
verhoogen.
In Wormerveer verzuimen vele meisjes, terwijl de moeders "Uit werken gaan".
Gepaste middelen tol bevordering van schoolbezoek zijn moeilijk te vinden, als men de kinderen niet
wil straffen voor de gebreken of den ongunstigen maatschappelijken toestand der ouders.
Alleen streng verbod van allen kinderarbeid en leerplicht kunnen afdoende helpen. Leerplicht zoo mogelijk
lot het 14de jaar zou wenschelijk zijn: evenzoo wctlcljjke regeling van het herhalingsonderwijs tot het 16de jaar.
Het herhalingsonderricht loeh is thans over het geheel van weinig beteekenis: in Assendelft is het slechts
schijn: in Wormerveer geeft het weinig resultaat, omdat het voor velen inhalingsonderwijs is: in Krommenie
gaat het wat beter.
In Wormerveer bestaat bovendien eene inrichting van particulieren aard, »de Ambachtsschool" geheeten,
waar van 1 Oct.—1 April avond-onderwijs wordt gegeven in natuurkunde, rekenen, leekenen, timmeren en
smeden: de cursus is een tweejarige.
De Secretaris der afdeelintj voornoemd:
A. VAN DER PLAATS.
Wormerveer, 31 Juli 1890.
-ocr page 347-
OS
31. Afdeeling Zaanstreek van de Sociaal-democratische partij in Nederland.
Bereids voldoen wrj aan uw verzoek om inlichtingen te geven op de door u geslelde vragen, en zullen
dat doen in zoover ons dat mogelijk is. Betreuren doen wij \'t echter, dal het eene vergeefsche moeite zal zijn,
daar, hoe onbillijk de toestanden ook mogen zijn, in ernst toch geen hervormingen Ie verwachten zijn van dal
lichaam, dal u in \'i leven riep. Dat lichaam toch is slechts de vertegenwoordiging van die menschen, die in vele
opzichten geen belang hebben bij hervorming, en vooral niel hjj die hervorming, welke de arbeiders zoude
verlossen van hun in vele opzichten ellendig beslaan. Immers, de geheele quaeslie is de geldquaestie, en wil die
quaestie worden opgelost, dan is dat de eenige weg, dat, wat de een ie veel heeft, komt aan diegenen, welke
tekort hebben, met andere woorden: er moei aan den eenen kant afsland worden gedaan van inkomsten en
voorrechten.
Daar nu juist zij, die afstand moeten doen, behooren tot diegenen, welke dal Staalslichaam kiezen en
vormen, waaruit uwe commissie werd geboren, is er niel de minste kans, dal er in ernsl iets Ier verbetering
van den arbeidenden stand zal worden gedaan. Dat wij ons geheel zullen onthouden van raad, vindt zijne oorzaak
in het bovenstaande. Dat wij niettegenstaande toch aan uw verzoek voldoen, komt daaruit voort, dat wij ons
niet verantwoord zouden achten, als uw commissie mocht zeggen, dat we onwillig waren u Ie helpen in uwe
moeilijke taak.
Naar onze meening zou de beste maatregel wezen: invoering van algemeen kies- en slemrecht, daar dit
de weg is, waardoor de arbeiders zich zelf kunnen helpen om lot verbetering te geraken.
I.
(i. Aard van den arbeid in verschillende bedrijven en bij openbare middelen van vervoer.
Blauwselfabriek te Westzaan. — Arbeidsduur 13 uren. Schafttijd 3 uren per dag. Loon van f 6.50 tot
f 9 per week. Aard van den arbeid zeer ongezond dooi\' het verwerken van zeer veel soorten slof, waaruit
het blauwsel wordt bereid.
Stijfselfabrieken. — Onregelmatige arbeidsduur, uitgezonderd de maïsslijfselfabriek van M. K. Honig te
Koog a/d Zaan, waar 14 uren per dag wordt gewerkt, met inbegrip van schafttijd. Het loon varieert van
f 5 tot f 18 per wa>k. Gedeeltelijk Zondagsarbeid.
Papierfabriek »de Eendracht" te Wormer. — Arbeidsduur van 13 lot 14 uren. Hel loon varieert lusschen
f 6 en f 11 per week. Aard van den arbeid zeer ongezond door hel verwerken van grondstoffen tot kleuring
van het papier. Jongens en meisjes worden hier veel geëxploiteerd.
Papiermolens. — Arbeidsduur van 13 lol 16 uren per dag, ook voor de malers op Zondag, wat
veel voorkomt. Loon van f 5.50 tot f 8 per week. Ook hier werken nog al jongens en meisjes tegen een
loon, dat varieert lusschen 00 en 80 cents daags. Aard van den arbeid iets beter dan aan eene fabriek.
Zakkenplakkerijen. — Arbeidsduur 13 uren per dag. Loon voor mannen van f 6 tot f 9, doch de
meeste f 6. Ook hier worden zeer veel jongens en meisjes geëxploiteerd: hun loon varieert tusschen f 1 en
f 4 per week.
Drukkerijen. — Arbeidsduur 13 a 14 uren. Loon voor mannen f 5 lot f 15, voor jongens
f 1.20 lol f4. Aard van den arbeid ongezond wegens de looden gereedschappen; veelal ongezonde en kleine
lokalen, vooral bij Heijnis te Zaandijk en De Jong te Westzaan.
Chocoladefabrieken. — Arbeidsduur van 13 tot 16 uren per dag, doch meestal 16 uren. Loon van
f 4 lot f 9.
In de fabriek van Grooies te Westzaan wordt veel gewerkt met jongens, welke voor \'I meerendeel 1 a 0
gulden per week ontvangen, en worden dan verhoogd tot f 4.50 en op OOjarigen leeftyd voor de keus gesleld,
voor dit loon te blijven werken of iets anders te beginnen.
Broodfabriek en bakkerijen. — Arbeidsduur op de fabriek 14 uren daags: in de bakkerijen van 14
lol 18 uren en \'s Zaterdags meest 00 a 04 uren aan éón stuk door. Loon voor gehuwden van f 7.50 tot f 10
per week, voor ongehuwden van f 1 tot f 4, plus inwoning. In hoofdzaak zeer bekrompen werkplaatsen.
Pellerijen, windmolens. — Arbeidsduur gemiddeld 15 uren per dag. Hel loon varieert lusschen f 3.50
en f 10.50 per week. Aard van den arbeid ongezond door het vele slof, waardoor veelal borstaandoening
ontstaat.
Bijst-pelfabrieken. — Arbeidsduur minstens 14 uren per dag, somtijds zonder schafttijd. Loon van f ft
lot f 11 per week. Aard van den arbeid beier dan aan de windmolens.
-ocr page 348-
29
Verfmalers. — Arbeidsduur 1-2 uren. Loon van f4- lol f7: overwerk LO cenls per uur. Aard
van den arbeid somtjjds zeer ongezond.
Olieslagerij-fabrieken. — Arbeidsduur 1*2 uren zonder schaft- of rusttijd. Loon varieert tusschen f4.50
en f 15.50 per wede. Op de persfabrieken iets meer, uitgezonderd bij den heerJ. Prins te Wormerveer. — Aard
van den arbeid niet ongezond, doch hangt van den bouw der fabriek af. Eene der meest ongezonde is de fabriek
van den heer C. Bon te Zaandam, welke zeer bekrompen is gebouwd.
Windoliemolens. — Arbeidsduur 16 uren, loon van f 4.50 tot f 11.50.
Machinisten en stokers. — Arbeidsduur van 1*2 tol 16 uren, loon van f7 lol f 14.
Aard van den arbeid voor stokers soms moordend, vooral op rijslfabrieken, en bij uitnemendheid op de
Unie van de firma Wessanen & Laan Ie Wormerveer.
Ambachtslieden, zooals timmerlieden, metselaars, schilders, smids, scheepsmakers, enz. — Arbeidsduur
gemiddeld 1*2 uren, daaronder begrepen de schafttijd: loonstandaard dooreen f 9 per week.
b.     Arbeid van vrouwen. — Weinig op de fabrieken.
Bijzondere redenen waarom het werk juist aan hen is opgedragen. Geld uitwinnen.
Aard van hunnen arbeid. Al opgegeven in Ia.
Gevaren van bepaalde soorten van arbeid voor hunne gezondheid of voor hun leven. Veel zitwerk, gevaar
voor misvorming.
Duur van hunnen arbeid, enz. — Als de anderen.
Loon. — Beeds aangegeven.
c.     Lichamelijke, verstandelijke en zedelijke toestand van bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes.
Zwak en onontwikkeld.
In hoever en lot welken leeftijd bij den arbeid gebezigde jongens en meisjes onderwijs hebben genoten
en nog genieten. Tot 12 jaar. Verder zoo goed als niets.
Middelen tot bevordering van behoorlijk schoolbezoek, behoefte aan wettelijke maatregelen. Behoefte
is leerplicht.
d.     Invloed van het arbeiden van gehuwde vrouwen in fabrieken, werkplaatsen, veenderijen, enz., op
den toestand van hare gezinnen. - Komt hier weinig voor, doch werkt zeer demoraliseerend op het huisgezin.
e.     Huisvesting der arbeiders. — In hoofdzaak zeer onvoldoende.
II.
a.     Opleiding van jeugdige arbeiders in en buiten de werkplaats. — In het geheele district bijzonder weinig.
Leerlingschap. — Niets van dien aard.
Fabrieksscholen. — Onbekend hier.
b.     Verzekering of andere voorzorgen bij ongelukken, ziekte, ouderdom of overlijden. — Eigen ondersteu-
ningskassen bij ziekte, doch zeer weinig ondersteund door patroons.
c.     Verdere instellingen of maatregelen bij ondernemingen van nijverheid in het belang der arbeiders. — Niets
van bekend.
d.     Fabrieksreglementen. — Geene.
Duur van arbeidsovereenkomsten; termijn van opzegging. — Geene wettelijke.
Boeten. — Niets van bekend.
Uitbetaling van het loon. — Per week en per 14- dagen.
c. Verhouding lusschen werkgevers en arbeiders. — Willekeurig.
Bedenen van minder gunstige verhoudingen. — Te gering loon en te lange werktijd.
Werkstakingen, hare oorzaken en gevolgen. — Komt hier zelden voor.
Voorkoming, bijlegging en beslissing van geschillen tusschen werkgevers en arbeiders. — Niels van dien
aard: de patroon heerscht willekeurig.
Enquête. — De Zaankant                                                                                                                      8
-ocr page 349-
30
III.
a.     Al aangegeven in rubriek Ia.
Gevaar voor rampen en ongelukken. — Tamelijk overal.
Lucht. — Zeer schaars.
Licht. — Dilo.
Verwarming. — Zeer ongelyk.
Reiniging. — Zeer slecht.
Afzonderlijke lokalen voor beide seksen. — Geene.
buur van het verblijf in de gebouwen. — Al opgegeven.
b.     Uitvoerbaarheid van maatregelen ter verbetering, ook in verband met de belangen der nijverheid.
— Hier doen wjj niet aan mee om bekende redenen.
Namens de afdeeling Zaanstreek van de Sociaal Democratische partij in Nederland ■\'
J. BAART, Zaandijk.
P. LEGUIT, Koog ad Zaan.
F. STELLING, Wormerveer.
J. MOLENAAR, Westzaan.
1 Augustus 1890.
32, Afdeeling Zaandam van het Nederlandsen Werklieden-Verbond „Patrimonium"
Ter voldoening aan uw verzoek, uitgedrukt in uwe missive van 38 Juni jl., hebben wij de eer u hel
volgende mede ie deelen.
Te dezer plaatse beslaan 2 rijstpellerijen, welke door stoom worden gedreven.
Uil een door ons ingesteld onderzoek naar den maalschappelijkcn toestand der arbeiders aan bedoelde
fabrieken is ons gebleken, dat er dagelijks 14 uren gearbeid wordt, namelijk van \'s morgens f! to! \'s avonds
8 uur, met inbegrip van VU\' uur rust- of schaftljjd. In den regel wordt er iederen dag 2 uren overgewerkl,
terwijl ook somtijds, wanneer het buitengewoon druk is, nachtarbeid wordt verricht.
Hei loon wisselt af van 9 tot 1-2 gulden per week : voor elk overwerk-uur wordt IV> cl. uitgekeerd.
\'s Zondags wordt er niet gearbeid.
Hel zoogenaamde premiestelsel bestaat er niet, en van andere voordeden buiten het loon is evenmin sprake.
De arbeiders zijn niet tegen ongelukken verzekerd, terwijl ook omtrent ouderdom of overlijden, voor
zoover ons bekend is, geen voorzorgen zijn genomen.
Ken reglement is in elk der fabrieken aanwezig, waarin o. m. bepalingen zijn opgenomen omtrent
boelen, uitbetaling van \'i loon, arbeidsduur, enz. Mei hel oog op den langen werktijd is de verhouding lusschen
patroons en werklieden niet bepaald gunstig te noemen.
Aangaande de door wind gedreven olieslagerijen kunnen w\\j u mededeelen, dal daar gedeeltelijk Zondags-
arbeid wordt verricht, welke voor de werklieden verplichtend gesteld is. Wanneer er wind is, wordt ergeregeld
1G uren gewerkt.
In de sloom-olieslagerijen wordt dagelijks 12 uren gearbeid: van \'s morgens 6 lol \'s avonds C uur,
terwijl eene tweede ploeg van \'s avonds 6 tot \'s morgens (! uur werkt, \'s Zondags zijn deze fabrieken gesloten.
De loesland aan de houtzagerden is, in \'t algemeen genomen, niet ongunstig te noemen
Zaandam, 3 Aug. 1890.
Namens de afd. Zaandam v. h. Ned. Werkl.-Verbond Patrimonium :
H. BRINKMAN, Vde Voorzitter.
G. KERKHOVEN, Secretaris.
-ocr page 350-
31
33. Afdeeling Wormer van het Nederlandsen Werklieden-Verbond ,,Patrimonium".
Als antwoord op uwe circulaire, dd. 28 Juni, diene het volgende.
Alhier zjjn 5 fabrieken: eene olieslagerij, twee rijstpellerijen, eene trasmalerij en blauwfabriek en eene
papierfabriek. Voorts telt men er een tiental oliemolens, benevens een zestal verf-, pel- of meelmolens.
De arbeiders van deze fabrieken en molens wonen, wat de papierfabriek betreft, benevens de verf-, pel-
of meelmolens, meest allen hier, terwjjl de arbeiders der overige fabrieken en oliemolens voor het meerendeel
hier niet woonachtig zijn.
Na deze inleiding gaan er eenige algemeene opmerkingen of inlichtingen, aan de hand van uwe lijst van
vraagpunten, vooraf.
I.
a. Ie alinea. Openbare middelen van vervoer zijn hier niet.
c.     Ie » Is goed te noemen.
1c al. Moeilijk uit te maken, daar sommige werkzaamheden zeer wel door kinderen van 10 a 1*2 jaar
verricht kunnen worden, terwijl zij voor weer andere niet oud genoeg kunnen worden geacht om ze zonder bezwaar
ten uilvoer te brengen.
3e al. Hel openbaar lager onderwijs wordt van 5—1*2 jaar bijgewoond. Na 1*2 jaar wordt er geen
onderwijs meer genoten, maar tot dien lijd wordt vrij geregeld de school bezocht, waartoe bijdraagt:
4e al. het bijhouden der absenlielijsten, waarvan de kinderen kennis dragen, en het jaarlijksche feestje
met prijsuitdeeling aan de leerlingen naar het meer of minder verzuim, dat zij hebben.
Wettelijke maatregelen achten wij ongewenschl.
d.     Fabrieks- of molenarbeid van gehuwde vrouwen komt niet voor.
e.     De huisvesting der alhier wonende arbeiders is in goede en goedgemeubileerde arbeiderswoningen.
II.
«. Ie al. Geschiedt alleen in of bij het werk, naar opvatting van de oudere arbeiders.
2e al. Bestaat niet.
3e al. Niet aanwezig.
b en c. Iels van dien aard is ons, behoudens eene enkele uitzondering, hierna te noemen, niet bekend.
(/. Ie al. Zijn er niet.
"2e al. Duur van arbeidsovereenkomst, benevens termijn van opzegging, is eene week, doch gewoonlijk
wordt zoo door patroon als arbeider langer termijn genomen.
3e al. Bestaan er niet.
4e al. Het loon wordt Zaterdag, aan sommige molens ot fabrieken ook Woensdag, wekelijks meestal,
uitbetaald in Ned. geld of munt- en bankpapier.
e. Ie en *2e al. De onderlinge verhouding is vrjj goed.
3e al. Werkstakingen zijn nog niet voorgekomen.
ƒ. Kamers van arbeid, bestaande uit patroons en arbeiders, zouden ter voorkoming of bijlegging van
geschillen goed kunnen zyn, terwijl bij overeenkomst tusschen patroon en arbeider vastgesteld kon worden, dat
eene uitspraak van haar door beiden geëerbiedigd zou worden.
III.
a.     Ie, 3e, 4c, 5e en 6e al. Is bevredigend
*2e al. Bestaat aan elke fabriek, enz.: doch bijzonderheden of gevallen, die bijzonder de aandacht
dienden te trekken, zijn ons niet ter oore gekomen.
7e al. Voorbehoedmiddelen bestaan niet, omdat de verschillende werkzaamheden het niet vorderen.
b.     Afschaffing van allen Zondagsarbeid
B IJ ZON DE BE INLICHTINGEN.
Stoomolieslagerij "De Liefde", lirma Jan Prins, te Wormerveer.
I. a. Ie al. De arbeid vereischt wel vlugheid, doch is juist niet zwaar.
2—6e al. De arbeidstijd is 12 uren, zonder rusttjjd. Met eene dubbele ploeg volk werkt men dag
en nacht door, en wisselt elkander by de week voor dag- en nachtwerk af.
-ocr page 351-
3-»
7e al. Zondagsarboid geschiedt daar steeds door sommige personen.
8e al. Het loon is voor gehuwden van f 9,50 tot f 12 en voor ongehuwden f 7,50 tot f 9.
b. Meisjes- of jongensarbeid komt niet voor.
II. b. Bij ziekte krijgen de olieslagers hun halve en de stokers en machinisten hun volle weekgeld.
e. De verhouding schijnt hier nog al gespannen, doordat openbaar gemaakt is, dat de arbeiders aan
deze fabriek, in verhouding lot andere dergelijke fabrieken aan de Zaan, het minste geld verdienen.
Stoomrijstpellerijen "De Unie" en »De Hollandia", firma\'s Wessanen & Laan en Bloemendaal k Laan.
(Deze opgaven zijn rechtstreeks van »De Unie." Aan »De Hollandia" is de toestand vrijwel dezelfde;
daarom geven wij deze opgaven voor beide fabrieken.)
I.     a. Ie alinea. De arbeid is somtijds druk, doch over het geheel niet zwaar.
2e—5e al. De gewone arbeid duurt 14 uren, waarvan 2 uren rusttijd gegeven wordt, terwijl nogal
eens enkele uren overwerk voorkomen.
6e al. De fabriek gaal \'s nachts door, met eene dag-en nachtploeg, die elkander bij de week afwisselen.
7e al. Zondagsari >eid geregeld tot \'s morgens 6 uur, terwijl enkele personen ook nog tot 10 a 11
uur werken.
8e al. Loon van de gehuwden is van f 9 tot f 12, terwijl voor overwerk 10 cents per uur betaald wordt.
b. Enkele gevallen slechts van jongensarbeid komen er voor.
II.     b. De firma Bloemendaal & Laan heeft een pensioen- en weduwenfonds voor hare arbeiders aan »De
Hollandia" in hel leven geroepen. Bijzonderheden ervan zijn ons niet bekend.
Tras-malerij, Blauwfabriek »De Bietvink", firma Jan Dekker, te Wormerveer.
I. a. De werktijd is 13 uren, waarvan 3 uren lot rusttijd dienen. Overwerk, nachtwerk en Zondagsarbeid
geschiedt er niet. \'t Loon is van f 8.55 tot f 12.
b. Twee jongens werken er, die licht werk verrichten en omstreeks f 2 verdienen.
II. b. Bij ziekte ontvangen de arbeiders hun volle geld, terwijl voor het hoofd der tabriek een pensioen-
fonds (?) bestaat, waaruil bij overlijden ook zijne weduwe geld ontvangt.
Papierfabriek »De Eendracht", firma Van Gelder Zonen, te Wormerveer.
I. a. 2e alinea. 12 a 13 uren.
3e en 4e al. De werklieden, die bij de machinerieën werken, hebben geen officieel vastgestelden rust -
tijd: de overige arbeiders 2 a 3 uren.
5e al. Overwerk komt voor de arbeiders, die niet aan de machines werkzaam zijn, nog al voor, waar-
voor zij afzonderlijk betaald worden.
6e al. Ook deze labriek werkt dag en nacht met dubbele ploegen.
7e al. Zondagswerk geschiedt er tot herstelling van kleinigheden of schoonmaken der ketels.
8e al. Het loon loopt van f 7 tot f 13 (en hooger?).
b. Een 6tal meisjes en een 12tal jongens werken er. Bust- en werktijd als boven. Loon van f2 tot f9.
II. b. Bij ziekte ontvangen de werklieden meestal hun volle loon.
Wind-oliemolens. —Een olieslager werkt, als er wind is, 16 uren, zonder rusttijd of overwerk. De molen
maalt nacht en dag door, als er wind is. \'s Zondags wordt er tot 4 of 8 uur \'s morgens gemalen.
Het loon is zeer verschillend: Ie omdat het niet altijd evenveel waait: 2e omdat de molens door hunne
standplaats met denzelfden wind niet evenveel kunnen doen: 3e omdat de werklieden allen niet even vlug zjjn en
het loon per lasten, die gemalen worden, berekend wordt. Gemiddeld kan men rekenen: Ie man f 12: 2e man
i\'10: 3e man f 8. Terwijl een pleljongen, die thans niet beneden 16 jaar kan zijn, f 2 verdient. Deze laatste
verrichtte vóór de wet zijn arbeid al op 8- of lOjarigen leeftijd.
Wind-, verf-, pel- of meelmolens. — Werktijd met wind 16 a 18 uren. Busttijd (behalve 1 of l\'/i uur
voormiddag) zeer ongeluk, al naar wind en werk het toelaten, somtijds meer rust- dan werktyd. Jongens
beneden 16 jaar kunnen door de nieuwe wet niet meer gebruikt worden.
Het loon bedraagt f 4 tot f 13. Bjj ziekte meest hel volle geld.
Het loon van timmerlieden, metselaars en schilders is van 14 tot 18 cenls, en der boerenarbeiders van
10 tot 15 cenls per uur.
Namens de af deeling Wormer van het N. W. V. "Patrimonium" :
D. WAKKEB, Voorzüter.
Wormer, 8 Aug. 1890.
-ocr page 352-
33
34, Afdeeling Zaandijk van de Noordhollandsche Vereeniging „Het Witte Kruis".
De afdeeling Zaandijk van de Noordhollandschc Vereeniging «Het Witte Kruis» heelt de eer, als antwoord
op de lijst van vraagpunten u het volgende mede te deelen.
I. b. 6e al. Op pelmolens komt chronische ontsteking der ademhalingswerktuigen voor en op ouderwetsche
oliemolens doofheid door het stampen der heien.
I. c. 3e al. Vrij algemeen genieten alle kinderen lager onderwijs lol hel 13e jaar.
I. e. 4e al. De Vereeniging voor gelrouw schoolbezoek zorgt hiervoor, zoodal aan wettelijke regeling in het
geheel geen behoefte is.
ld.          Arbeid van gehuwde vrouwen op fabrieken, enz. behoort tot de grooie uilzonderingen.
Ie.           De huisvesting der arbeiders is in den laatstcn tyd veel verbeterd en is nu over het geheel vry
voldoende ; er is eene gemeenteverordening op dal gebied.
Hfc.           «Werkmansondersteuning» en «Helpt elkander» zjjn twee vereenigingen, waarvan zeer vele
arbeiders lid zijn, en die legen wekelijksche contributie van 10 cents eene uilkeering bij ziekte
geven van IC per week. Alleen mannen zijn lid.
De afdeeling Zaandijk van «Het Witte Kruis» heeft materiaal voor ziekenverpleging (ook kribben, bedde-
goed en onderkleederen) voor een ieder gratis in bruikleen verkrijgbaar bij ziekte. Hiervan wordt door alle
standen zeer veel gebruik gemaakt, vooral omdal er van alles in voorraad is, wal men redelijkerwijze kan
verwachten.
«Het Wille Kruis» stelt ieder inwoner van Zaandijk in de gelegenheid, levensmiddelen, drinkwater, enz.
kosteloos te doen onderzoeken bij de HH. Van Hamel Roos en Harmens.
Het zorgl voor Gezondheidskoloniën (naar Hilversum en Zandvoort).
Het heeft een gediplomeerden ontsmetter en doet vele desinfeclies kosteloos verrichten.
Het bekostigt den aanleg van duinwaterleiding voor een 50- a 60lal woningen.
Hel opende voor eenige weken eene inrichting voor warme baden. De arbeiders kunnen voor
(> cents een warm regenbad verkrijgen (met handdoek en zeep). Een ruim gebruik bewijst, dat dit bad op hoo-
gen prijs wordt gesteld
Het verspreidt nuttige geschriften. De handleiding voor bakers van Dr. Barnouw wordt o. a. gratis
gegeven aan ieder, die ten gemeenlehuize een kind komt aangeven.
Aan «Het Witte Kruis» is verbonden de Damesvereeniging voor herstellende kranken: deze vereeniging
geeft op voorschrift van een geneesheer aan behoeftige zieken versterkende middelen. Vrijwillige bijdragen der
ingezetenen stellen de vereeniging daarloe in staal.
De vereeniging «Moederlijke Liefdadigheid» ondersteunt behoeftige kraamvrouwen door het beschikbaar
stellen van verloskundige hulp, klcedingstukken en voedsel.
De inrichting der ziekenverzorging behoeft dus niet achterlijk genoemd te worden.
Onder de hygiënische stichtingen kan ook nog genoemd worden de Zaanlandsche Bad- en Zweminrichting,
waar minvermogenden gratis kunnen baden.
Het is van belang hierbij te voegen, dat het aantal verzekeringen tegen ongelukken toeneemt, terwijl
een groot deel der arbeiders en hunne gezinnen lid zijn van een begrafenisfonds.
lila. De zakjesplakkerijen bevelen wij in het bijzond ar voor een onderzoek aan.
Op de stoomhoulzagerij «Voorwaarts» kreeg eene knecht eene oogaandoening door het fijne stof en de
vonken bij het slijpen der zagen. Door een doelmatig aangebrachte glasruit werd hierin voorzien.
Zaandijk, H Aug. 1890.
Namens de afdeeling voornoemd :
P. H. EIJKMAN, Secretaris.
Enquête. — De Zaankant.                                                                                                                   9
-ocr page 353-
34
35. Vereeniging „Helpt Elkander" te Zaandijk.
Mot bevreemding, dunkt ons, ziet gij onder het antwoord op de door u gezonden circulaire slechts iwee
liandleekeningen, waar die circulaire was gericht aan eene vereeniging met ongeveer 650 leden.
Dit vereischt toelichting.
Hij liet noemen toch van candidaten voor de commissie tot beantwoording der in uwe circulaire gestelde
vragen, kreeg onze vergadering van elk der genoemden een weigerend antwoord, op grond dal genoemde personen —
wat in eene werkmansvereeniging begrijpelijk is — zich beriepen op de ondergeschiktheid van hunne betrekking
en zoodoende op hel gevaar, verbonden aan openbaarmaking van de waarheid, wat allicht broodeloosheid
ten gevolge kon hebben.
Hij ons ondergeteekenden vestigde het op nieuw de. overtuiging, dal elke schjjn van toenadering van de
zijde der Regeering door het denkend deel des volks met wantrouwen wordt ontvangen.
Ondergeteekenden echter meenden aan uw verlangen te moeten voldoen, op grond, dal, mocht het
blijken, dal verbetering van den toestand van het arbeidende deel des volks hel wezenlijke doel der Staats-
commissie is, hel ons niet zou zijn ie verwijlen, waar de gelegenheid lot het geven van inlichtingen was open-
gesteld, zulks niet te hebben gedaan, en wij later het verwijl niet zouden moeten hooren: hel is niet zoo erg,
want, waar men vroeg naar klachten, werd hel zwijgen bewaard.
Windpelmolens. — Werkdag 15 uren met een loon van f5 tot f4 voor jongens, en van f4\'/2 tot f8
voor mannen, door nachtarbeid verhoogd mei 50 tol 100 cents per nacht, wat mei wind voor elk der op
zulk een molen werkenden persoon eene verlenging van den werkdag vordert van 6 uren, zoodat hel dan
een arbeidsdag van 18 uren wordt.
Stooinpellerij. — Werkdag van 14 lot 17 uren: gemiddeld loon van f8 tol f 1*2, met ongelijke rust-
iijden : op deze fabrieken werken weinig jongens, omdal het arbeid is, die veel kracht vordert.
Stoommeehnalerij. — Werkdag als voren bij de firma Wessanen & Zaan ie Wormorveer, kort geleden
eenigszins verkort met 1 uur per dag en zijn, len koste der arbeiders, daar 3 nieuwe werklieden aangenomen zijn,
en daardoor bel loon der gehuwden mei 00, dat der ongehuwden met 30 cents per week verminderd is.
Windhouizaagmolens. — Werkdag des zomers van \'s morgens 5 tol \'s avonds 7\'4 uur, des winters 2
uren korter: loon voor gehuwden van f 4\'. lot hoogstens f 10, jongens van f 1 tol f 3. Overwerk \'s avonds
mei wind. geregeld lol 11 uur, met een loon voor mannen tot hoogstens 15 cents en voor jongens tol 5 cents
per uur. Rust- of schafttijd zoo kort mogelijk.
Sloomhoulzagery — Werkdag gemiddeld 15 uren, met een loon als op windmolens voor werk en overwerk.
Hel volk der beide soorten zagerijen ontvangt bij den een per maand, bij den ander op langer termijn
eenige vergoeding voor hel brandhout, dat vroeger voor hel volk was, maar dat de patroons zoo langzamerhand
geheel lol zich hebben gelrokken.
Als eene in \'l oog loopende uitzondering in deze moet worden genoemd de heer C. Corver van
Wessem ie Zaandam, een man, die zich «verdienstelijk" heeft gemaakt door aan Zaandam een volkspark te
schenken als blijk van royalileit, maar die als patroon eener stoomhoutzagerij boven alles uitblinkt, als een, die
hei minste loon betaalt. Het hoogste loon, dat van den meesterknecht, is f JO per week, met eene brandhoutpremie
van f 55 per 3 maanden, 5 werklieden f 8 per week en ook I\' 55 per 3 maanden, 6 werklieden van f 6 per
week en f 55 per 3 maanden, en een gehuwde knecht van\'f 4.50 per week mei f 15 per 3 maanden, terwijl
de stoker aan de fabriek van genoemden heer met toelage en al f 5 per week ontvangt.
Met Pinksteren of kermis kan men dan ook te Zaandam een paar knechts van genoemden heer op den
Dam zien mei eene weegschaal of iels anders, om zoo doende, wanneer een ander feestviert, iets te verdienen.
Windoliemolens. — Loon gemiddeld van f 6 tot f 15 per week. Rij windstilte gedwongen rust : mei
wind onafgebroken werken gedurende 16 uren per etmaal.
Door de wet op den kinderarbeid des nachts zeer druk, daar hel werk van 4 alsdan door 3 personen
moet worden verricht, waarvoor zóó weinig wordt betaald, dat jongens boven 16 jaar voor zulk werk zich niet
aanmelden.
Stoomolieslagerij. — Werkdag bij nacht of dag onafgebroken 12 uren: loon ongeveer als op wind-
molens. De nieuw gebouwde fabrieken vrij goed ingericht, ofschoon de werklieden zich altoos in eene zeer
stoffige en zeer warme atmosfeer bewegen.
De fabriek »de Vlijt" echter van den heer C. Ron is een verbouwde windmolen. Op hetzelfde terrein,
waar vroeger hoogstens 6 menschen werkzaam waren, werken er thans onafgebroken 55, terwijl de
verwarming van het meel, wal bij andere fabrieken door sloom geschiedt, daar wordt bewerkt mei in den regel
zeer slechte turf, waarvan de mok zich zoo goed mogelijk een uilweg moet zoeken, wat op den gezondheids-
loestand van het volk een zeer ongunstigen invloed heeft.
Sloomolieperserijen. — Werkdag 15 uren onafgebroken, loon bjj uitstek varieerend. De heer Duivis ie
-ocr page 354-
35
Koog a/d Zaan betaalt van f 10 tot f 17 per week, terwjjl voor hetzelfde werk b\\j den heer Jan Prins te
Wormerveer (lid der Eerste Kamer) van f 7 tot hoogstens f 12 per week wordt betaald; laatstgenoemde heeft
echler de gewoonte bjj feestelijke gelegenheden, als een huwelijk of zoo iets in zjjne familie, een zeer klein
gedeelte van hel tekort betaalde loon aan zjjn werkvolk cadeau te geven.
Papiermolens. — Weinig meer aan de Zaan vertegenwoordigd en uitblinkend door zeer lage loonen: hoogste
loon f 9 per week, lerwjjl gehuwden soms niet meer dan f 5 per week verdienen: in dezen tak van industrie
werken nog enkele vrouwen ook al als beparing van loon, dat toch al zeer laag is.
Stoompapierfabriek. — Eene aan de Zaanstreek, en wel te Wormer, firma Van Gelder Zonen. Werkdag
12 tot 14 uren, loon varieerend. 4 of 5 personen hoogstens f 14 per week, deze werken geregeld in eene
ontzettend hooge atmosfeer, de anderen van f 6 tot hoogstens f 10 per week.
Vóór ongeveer 4 jaar werd door deze firma het loon met 10 °/0 verlaagd en het daaropvolgend nieuwjaar
aan ieder, op die fabriek werkzaam, eene premie van f 5 verstrekt.
De verwerking der tot de papierfabricatie gebezigde grondstoffen is schadelyk voor de gezondheid, terwjji
ongelukken aan deze fabriek niet lot de zeldzaamheden behooren.
Zakkenplakkerjjen. — Werkdag ongelijk, meest van \'s morgens 6 tot \'s avonds 7 uur, met 21/;; uur
rust; zoo noodig werkt men langer. Loon zeer laag; een meesterknecht hoogstens f 10 per week, terwijl de
plakkers, in den regel jongens, van f 1 tot hoogstens 1 4 per week verdienen: worden zij ouder, dan kunnen z|j
bij groote handigheid het soms lot f 6 a f 7 brengen, maar overigens is in deze industrie geen avancement te
maken dan door het afsterven van een der meesterknechts.
Nog vindt men aan de Zaan verschillende andere industrieën, schoon meest op kleine schaal, maar
voor bijna alle geldt naar ons oordeel te laag betaalde loonen.
Timmerlieden, schilders en metselaars. — Werkdag \'s zomers geregeld van \'s morgens 5 tot \'s avonds
8 uur, met 2 uren schaft(ijd : deze werkdag wordt — bij genoegzaam werk — gedurende ongeveer 6 maanden
per jaar gehandhaalü, dan kon het langzamerhand in tot op 8 uren, waarvan dan 1 uur schafttijd afgaat.
Het loon is voor gehuwden van 15 tot hoogstens 17 cenis per uur, ongehuwden daar ver beneden.
De winter is gewoonlijk voor zeer velen, welke een dezer drie bedrijven uitoefenen, een tjjd van werk-
loosheid, terwyl hier aan de Zaan geen industrie wordt gevonden, waar dezulken werk kunnen vinden.
Wij hebben in deze verschillende categorieën naar ons oordeel zeer vele der door u gestelde vragen
beantwoord.
Onder die vragen zijn er echter vele, welke op onze Zaansche toestanden niet kloppen, om reden dal men
hier voor den werkmanssland niet weet van leerlingschap, fabrieksscholen, fabrieksreglemenlen, arbeidsovereen-
komsten, of van bijleggen of beslissen van geschillen, omdal in zulke gevallen de patroon of chef eener fabriek
geheel willekeurig handelt, zonder dat een ontslagene of verongelijkte soms in de gelegenheid wordt gesteld
zich ie verantwoorden.
Zaandijk, 19 Aug. 1890.
De mmmissie uit de vereeniging «Helpt Elkander" te Zaandijk :
DUIK VAN HOORN.
PIETER MOLENAAR Cz.
-ocr page 355-
-ocr page 356-
BIJLAGE A.
LIJST der vereenigingen, die de vraagpunten schriftelijk hebben beantwoord.
1. De vcreeniging «Hel Werkhuis", te Zaandam.
5. De vcreeniging «De Ambachtsschcol", te Wormerveer.
3.     De afdeeling Wormerveer der vereeniging «Volks-
onderwijs."
4.     De bouwvereeniging te Wormerveer.
5.     De vereeniging «Arbeid en Hulp", te Landsmeer.
6.     De vereeniging tot oprichting en instandhouding van
het Werkhuis te Wormerveer.
7.     Het departement Wormerveer der Maatschappij «Tot
Nut van liet Algemeen."
8.     De burgervereeniging «Hulp in ljjden", te Krommenie.
9.     Het departement Wormer—Jisp der Maatschappij
«Tot Nul van \'t Algemeen."
10.     De afdeeling Wormerveer van het Nederlandsen
Werkliedenverbond «Patrimonium."
11.     De afdeeling Krommenie van de Noord-Hollandsche
vereeniging «Het Witte Kruis."
15. Het departement Zaandam der Maatschappij «Tot
Nul van \'t Algemeen."
13.     De burgervereenig «Onderling Hulpbetoon", te Zaandam.
14.     De vereeniging «Volksgezondheid", te Wormerveer.
De afdeeling «Zaanland" der Maatschappij tot be-
vordering der geneeskunst.
De vereeniging tot werkverschaffing aan minver-
mogenden, te Krommenie.
i 19. Het departement Koog en Zaandjjk der Maatschappij
«Tol Nul van \'t Algemeen."
50. De vereeniging van hoofdonderwijzers, leeraren Middel-
baar Onderwijs en schoolautoriteilen in de Zaanstreek.
■21. De vereeniging «Ons Onderwijs", te Koog a/d Zaan.
55. De afdeeling Koog a/d Zaan van de Noord-Hol-
landsche vereeniging «Het Witte Kruis."
53.     De Zaanlandsche Kamer van Koophandel en Fabrieken.
54.     De vereeniging tot het verschaffen van versterkende
middelen aan herstellenden en kranken. te Koog
a/d. Zaan
55.     De Sociaal-Democratische vereeniging te Krommenie.
56.     Het departement Krommenie der Maatschappij «Tol
Nul van \'t Algemeen.\'\'
57.     De afdeeling Krommenie der vereeniging «Volks-
onderwijs."
58.     De afdeeling Zaandam van de Noord-Hollandsche ver-
eeniging «Het Wille Kruis."
59.     De werkliedenvereeniging «Door Eendracht Bloeiende",
ie Koog a/d Zaan.
30.     De afdeeling Wormerveer van hei Nederlandse!)
Onderwijzers-Genootschap.
31.     De afdeeling Zaanstreek van de Sociaal-Democratische
partij in Nederland.
35. De afdeeling Zaandam van het Nederlandsch Werk-
liedenverbond «Patrimonium."
33.     De afdeeling Wormer van het Nederlandsch Werk-
liedenverbond «Patrimonium."
34.     De afdeeling Zaandijk van de Noord-Hollandsche
vereeniging «Het Witte Kruis."
35.     De vereeniging «Helpt elkander", te Zaandijk.
De afdeeling Koog—Zaandjjk van het Nederlandsch
Werkliedenverbond «Patrimonium."
De afdeeling Westzaan van de vereeniging «Volks-
onderwjjs."
17.
IR.
-ocr page 357-
LIJST der vereenigingen, die verklaard hebben op de haar toegezonden lijst
van vraagpunten geen inlichtingen te kunnen verstrekken.
N A A
Nommer.
Vereeniging «Moederlijke Liefdadigheid", te Wormerveer.
-Paidophilos" te Westzaan.
»          tot verzorging van behoeftige kraamvrouwen, te Krommenie.
3.
Werklieden-Vereeniging «Samenwerking" te Wormerveer.
-ocr page 358-
BIJLAGE C.
ALPHABETHISCHE LIJST der gehoorde getuigen en deskundigen.
Bladz.
Haan (A.), te Zaan\'dp........    231—233
Haan (C), te Krommenie.......    245—248
Herfst (J. F. H.), te Amsterdam.....    309—310
Hesse (W. Van), te Krommenie.....    248—249
Hoeven (D. Van der), te Wormerveer . . .    178—180
Honig (J.), te Zaandijk........    145—149
Honig Klzn. (H.), te Koog a/d Zaan. . . .    149—153
Honig (M.), te Koog a/d Zaan......    117—120
Hoogt (M. J. Van der), te Zaandam. . . .      10—14
Jesse (W.), te Zaandam........      14—18
Jong (J. De), Ie Westzaan.......    266—269
Jongh (A.), te Zaandam.......      37—39
Joustra (W.), te Wormerveer......    253—255
Kamphuis (C), te Zaandam ......      70—73
Kaper (W.), te Wormerveer......    201—204
Kleiman (H.), te Zaandam.......      94—96
Klokkemeyer (F.), te Zaandam.....      67—68
Kluijver Jr. (P.), te Zaandam.....      42—44
Knpsberg (C), te Wormerveer.....    204—206
Knuttel (P.), te Zaandijk......         127—131
Kolen (L.), te Leiden........    304—305
Korff (C. P.), te Zaandam.......      79—81
Korteweg (Dr. P. C), te Wormerveer . . .    189—192
Koster (A. C. H. W.), te Zaandam ....    168—171
Kramer (J.), te Wormerveer......    235—237
Kronenburg (J.), te Zaandam......      58—60
Kuyper (J.), ie Zaandam.......    125—127
Laan (D.), te Zaandam........    220—223
Laan (R. A.), te Wormerveer......    223- 227
79
Bladz.
Abbeslee (K.), ie Wormerveer.....    209—«211
Abercrombie (J.), te Zaandam.....    295—296
Adelink (G. J.), te Wormerveer.....    175—177
Baars (W.), te Krommenie......    260—266
Baarse (E.), te Zaandam.......60—62
Bakker (J.), te Zaandijk.......    140—141
Ben (J. Van der), te Zaandam.....64—66
Blees (S.), te Zaandam.......62—64
Boer (K. De), te Assendelft......    277—281
Bon (C.), te Zaandam.......    217—220
Boosman (B.), Ie Koog a/d Zaan .... 96—98
Brinkman (H.), te Zaandam......25—29
Buijs (W.), te Zaandam.......34—37
Collard (Dr. Q. C), te Assendelft ....    287—291
Crok (J.), te Koog a/d Zaan......    115—117
Dekker Az. (J.), te Koog a/d Zaan ....    120—123
Dekker (J.), te Wormerveer......    233—234
Deutekom (C), te Zaandam......    294—295
Duyvis Tz. (E. G.), ie Koog a/d Zaan. . .    153—157
Duyvis (J. J.), te Koog a/d Zaan ....    229—231
Ejkman (Dr. P. H.), te Zaandijk .
161—164
Flentrop (H.), te Zaandam.......      22—23
Fra ij (KI.), te Wormerveer.......    192—194
Gelder (P. Smidt Van), te Amsterdam . . .    257—260
Glas (Alb.), te Wormer........    240—243
Groen (J.), Ie Zaandam........      47—50
-ocr page 359-
Blad?..
171—175
98—101
269—272
Siadt (W. F.), te Wormerveer
Steen (L Van), te Assendelft .
Stelling (T.), te Wormerveer .
Stolp (J.), te Wormerveer . .
Stolp (K.), ie Wormerveer. .
Slroo Jz. (P.), te Koog a/d Zaan
Lang (H. De), te Wormerveer . .
Leguil (P.), lc Koog a/d Zaan . .
Legden (D. Van), te Krommenie.
Lcnnep (F. Th. Roeiers Van), te Koog a/d Z;
Luijting (J.), ie Krommenie . . .
tan
92—94
244—245
143—145
157—lf.1
105—109
137—139
136—137
50—53
184—185
281—283
272—275
85—88
227—229
283—287
187—189
19—22
53—58
275—276
291—294
39—42
en 307—308
177—178
114—115
102—104
66
Mep (P.), te Zaandam. .
Molenaar (P.), te Westzaan
Nota (J.), te Koog a/d Zaan
Oenen (S.), te Zaandijk. .
Tienen (Mr. H. J. Van), lc Wormervet
Timmer (P.), te Koog a/d Zaan . .
Valk (J.), te Zaandam . . .
Verkade Jr. (E. G.), Ie Zaandan
Versleeg (H. J.), te Zaandam.
Vis Jr. (H.), te Zaandam . .
Visser (J.), te Zaandijk. . .
Visser (J ), te Wormerveer . .
Vogclesang (W. L.), te Zaandan
Voogd (J.), te Koog a/d Zaan.
Vredenduin (P.), te Zaandijk .
Vries (G. R. De), te Zaandam
Wakker (D.), te Wormer .
Wessem (A. J. Van), te Zaandai
Wessem (C. Gorver Van),
Wildschut (C.), te Wormer .
Wille (J.), te Zaandam. . .
Wolters (G. J.), te Zaandam .
Woud (G.), te Krommenie . .
Woud (W.), Ie Krommenie
Zwaardemaker (H.), te Zaandam
Zwart Gzn. (J.), te Zaandam.
Zwart (G.), te Wormerveer .
Zjjp (H. M. P. Van), te Leiden
Pekelharing (G.), te Zaandijk. . .
Pel (G.), lc Zaandam.....
Pieper (R.), ie Wormer ....
Plaats (Andr. Van der), ie Krommenie
Planleydl (D.), Ie Krommenie . .
Poedcrbach, (P. T.) Ie Zaandam .
Prins (W. ,1.), te Wormerveer . .
Riedel (P. A.), Ie Krommenie . .
Rond (A.), te Wormerveer . . .
Rooien (Dr. A. P. Van), te Zaandam
Rooy (A. De), te Zaandam . . .
Ruiter Dz. (P.), Ie Wormerveer . .
Schaap (L.), te Krommenie .    . .
Schuddeboom, (.1.) Ie Zaandam    . .
Simonis (C. A.), te Leiden .     301-
Sminck (M.), te Wormerveer .    . .
Smit (J.), te Koog a/d Zaan .    . .
Smit (P.), te Koog a/d Zaan .    . .
Spijker (D.), te Zaandam ....
-304
-ocr page 360-
LIJST DER BIJLAGEN.
A.     Ljjst der Vereenigingen, die de vraagpunten schriftelijk hebben beantwoord.
B.     Lijst der Vereenigingen, die verklaard hebben op de haar toegezonden lijst van vraagpunten geen inlichtingen
te kunnen verstrekken.
C.     Alphabetische lijst van de namen der verhoorde deskundigen en getuigen.
AANWIJZING VOOR DEN BINDER.
Opgave van de verhoorde deskundigen en getuigen.
Getuigenverhooren.
Lijst van vraagpunten.
Schriftelijke inlichtingen in antwoord op de lijst van vraagpunten.
Bijlagen A—C.
Lijst der Bqlagen.