-ocr page 1-
amS"
■ «A f\\
• i
**
**
\\
**<
-ocr page 2-
L. In.
-ocr page 3-
—,.,^—— , „■ mmPm
sC . v.
-
•
ONTWERP
EENER
WET OP DE KRIJGSTUCHT,
MET
TOELICHTING,
ingevolge opdracht van de Ministers van Justitie, van
Marine en van Oorlog samengesteld door
Mr. E VAN DER HOEVEN, Hoogleeraar,
C. H. BOGAERT, Schout-bij-nacht, en
H P. J. HENNUS, Kolonel der Infanterie.
-
>
-ocr page 4-
i
-
-
-
-
.
-
-
•
\'
•
\'
-
- • •
-
-
-
■.
I
• -           -
. ■
-
-
-ocr page 5-
WET
OP l>K
KRIJGSTUCHT.
ONTWERP VAN WET.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
INHOUD.
Bladz.
Algemeene beschouwingen...............       i.
§ I. Omvang van de werking dezer wet.............       S.
§ II. Krijgstuchtelijke vergrijpen...............       3.
§ III. Krijgstuchtelijke straffen.
Afdeeling I. — In het algemeen..............      10.
Afdeeling II. — Krijgstuchtelijke straffen bij een leger te velde........     38.
§ IV. Oplegging en tenuitvoerlegging van krijgstuchtelijke straffen........      40.
§ V. Samenloop van strafbaar feit en krijgstuchtelijk vergrijp.........     56.
§ VI. Beklag over opgelegde krijgstuchtelijke straf...........      59.
§ VII. Slotbepaling.......,..........     61.
Bijlagen                                   ,...........bij bladz. 7.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
ONTWERP van
WET OP DE KRIJGSTUCHT.
MEMORIE VAN TOELICHTING.
Het nauwe verband waarin het militair strafrecht en
het krijgstuchtelijk recht tot elkander staan, maakt het
wenschelijk, dat de herziening van beide te gelijker tijd
ter hand wordt genomen.
Over de werking van het Reglement van Discipline
voor het krijgsvolk te Lande, zooals dit na de in 1879
daarin gebrachte wijzigingen luidt*), is men over het
algemeen niet ontevreden. En ofschoon bij de marine
meermalen ernstige klachten over verslapping van de
krijgstucht zijn gerezen, en zich de behoefte aan eene
meer gestrenge en indrukmakende straf niet zelden heeft
doen gevoelen, kon toch ook daarbij de tucht met
toepassing van de thans bestaande strafmiddelen \') in
den regel vrij wel gehandhaafd worden. Echter valt
het niet te ontkennen, dat aan de verkrijging van dit
resultaat dikwerf bezwaren verbonden waren, en dat
men zich maar al te vaak eene zeer vrije of analogi-
sche interpretatie van die reglementen moet veroorlo-
ven. Bedenkt men hierbij, dat de noodzakelijkheid van
aanvulling van leemten reeds dikwerf is gebleken; —
dat de geheele inrichting van de reglementen verouderd
is; — dat zij allerlei leerstellingen en beschouwingen
inhouden, die, hoe nuttig hare strekking ook wezen
moge, zeker in eene wet niet op hare plaats zijn, doch
veeleer in een of ander dienstreglement te huis behooren;
— dat het krijgstuchtelijk straffenstelsel voor menige
verbetering vatbaar is; — eindelijk dat bij de invoering
van het nieuwe Wetboek van Militair Strafrecht de
Reglementen van Discipline toch niet ongewijzigd zou-
den kunnen blijven, dan zal de wenschelijkheid om de
thans geldende disciplinaire voorschriften bij deze gele-
genheid aan eene algeheele herziening te onderwerpen,
wel niet worden tegengesproken.
Hieruit volgt evenwel niet, dat eene nieuwe wet op
de krijgstucht van geheel andere grondbeginselen zal
moeten uitgaan dan de thans geldende voorschriften.
Integendeel. De ervaring dat de handhaving van de
discipline met de thans verouderde reglementen bij de
landmacht niet bezwaarlijk viel, en dat ook bij de zee-
macht de tucht over het algemeen, zij het dan ook niet
altoos zóó als men wenschen zou, kon gehandhaafd wor-
den , — de omstandigheid dat reeds bij de wijzigingswet-
ten van 1879 de meer humane moderne richting haren
invloed zeer krachtig heeft doen gelden, — vooral
ook de waarheid dat de beginselen waarop de militaire
1)   Wet van 14 November 1879, Stbl. n° 192, tot wijziging
van het Reglement van Krijgstucht voor hot krijgsvolk te Lande.
2)  Wet van denzelfden datum, Stbl. n° 194.
-ocr page 10-
2
tucht rust, onveranderlijk dezelfde blijven, — dit alles
noopt den wetgever tot voorzichtigheid bij eene nieuwe
regeling en moet hem weerhouden van het doen van
proefnemingen, die, bij mislukking, hare verderfelijke
nawerking zeker maar al te lang zouden doen gevoelen.
Met behoud alzoo. in hoofdzaak, van de grondslagen
waarop de thans vigeerende wetgeving gebouwd is,
worden in het ontwerp nieuwe bepalingen alleen voor-
gesteld, ten einde ondervonden gebreken te herstellen,
gebleken leemten aan te vullen, of wijzigingen, wel-
ker wenschelijkheid de praktijk deed kennen, aan te
brengen.
In aansluiting aan den weg, bij de herziening van
het militair strafrecht gevolgd, is ook van het krijgs-
tuchtelijk recht voor de zee- en de landmacht de nieuwe
regeling in één ontwerp vervat. Eischen de bijzon-
dere verhoudingen bij beide hoofddeelen der krijgs-
macht eene voor beide verschillende beslissing ten aan-
zien van meer dan ééne aangelegenheid, éénheid van
wetgeving is desniettemin wenschelijk. Immers, die
éénheid is als het ware het symbool van de éénheid
van tucht die bij de geheele krijgsmacht moet heer-
schen, en het is derhalve te verwachten, dat zij de
hartelijke verstandhouding tusschen de militairen der
zee- en die der landmacht zal bevorderen, het beset
van hunne solidariteit zal verlevendigen, helderder
in het licht zal stellen, dat beide geroepen zijn tot
gezamenlijke bescherming der hoogste belangen van
Vaderland en Koning, en mede zal werken tot de zoo
noodige versterking van den onderlingen band die,
vooral met het oog op het thans meer dan vroeger in
praktijk gebrachte gemeenschappelijk handelen, beide
tot één organisch geheel moet maken.
§ I. Omvang van de werking dezer wet.
Art. 1. De bepalingen der Wet op de Krijgstucht
zullen alleen toepasselijk zijn op de militairen,
d. i., blijkens artikel 74 van dit ontwerp, op de
officieren, op hen die onder de militaire tucht staan
en aan wie hiervan overeenkomstig artikel 45 n°. 2 of
3 van het ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht aan-
zegging is gedaan, en op hen die volgens artikel 47 van
dat ontwerp onder militairen worden begrepen of vol-
gens artikel 49 met Nederlandsche militairen worden
gelijkgesteld.
Aan de oplegging van krijgstuchtelijke straf aan
niet-militairen in tijd van vrede kan zelfs geen oogen-
blik gedacht worden. In oorlogstijd zouden alleen de
burgers die bij eene op voet van oorlog gebrachte
krijgsmacht in dienstbetrekking zijn, of haar met toe-
stemming van eene militaire overheid vergezellen of
volgen, daartoe in aanmerking kunnen komen. Daar
evenwel hunne vergrijpen veeltijds zullen voortsprui-
ten uit onbekendheid met de eischen der militaire orde
enz.; — daar onderscheidene van de krijgstuchtelijke
straffen toch niet op hen toepasbaar zouden zijn en met
het doen ondergaan van die straffen in tijd van oorlog
toch reeds eigenaardige moeilijkheden zijn verbonden; —
en daar personen die geen deel uitmaken van de krijgs-
macht, in waarheid nooit in eenige krijgstuchtelijke
verhouding kunnen staan, schijnt het niet raadzaam
ook te hunnen aanzien de mogelijkheid van krijgstuch-
telijke bestraffing open te stellen. Worden door hen
feiten bedreven, die bij eene op voet van oorlog ge-
brachte krijgsmacht, niet geduld kunnen worden, dan
zal hunne verwijdering, des noods na voorafgaande waar-.
schuwing, zeker meer doeltreffend zijn, dan de toe-
passing eener disciplinaire straf, te meer daar hunne
handelingen, zoodra zij een ietwat ernstiger tint dragen,
-ocr page 11-
ongehoorzaamheid aan een militair l>evel of belemme-
mering van een militairen maatregel zullen opleveren,
en alzoo artikel 76 van het ontwerp-Wetboek van Mi-
litair Strafrecht op hen toepaslijk zal zijn.
Binnen of buiten het rijk in Europa. Men
vergelijke de aanteekeningen bij artikel 4 van het ont-
werp van een Wetboek van Militair Strafrecht.
§ II. Krijgstuchtelijke vergrijpen.
Art. *. Hierboven werd gezegd, dat de voornaamste
beginselen, die aan de thans geldende krijgstuchtelijke
bepalingen ten grondslag liggen, in hoofdzaak ook in
het ontwerp behouden zijn. Vergelijkt men alleen den
uiterlijken bouw van deze ^ met de daarmede corres-
pondeerende artikelen 10—28 van het Reglement van
Discipline voor de Zeemacht, en 8—27 van dat voor
de Landmacht, dan zal allicht de vraag rijzen, of het
ontwerp zich ook ten aanzien van de hier behandelde
aangelegenheid (de formuleering der verbods-en gebods-
bepalingen) wel getrouwelijk aan dat uitgangspunt houdt.
Toch is de afwijking in werkelijkheid veel geringer dan
zij wel schijnt te zijn.
De thans geldende reglementen labelzen vooreerst
eene min of meer nauwkeurige omschrijving van een
groot aantal feiten, en besluiten deze opsomming met
een artikel van zeer algemeene strekking \'), hetwelk
de gelegenheid biedt, om ter zake van alle in de vorige
artikelen niet met name genoemde indisciplinaire ge-
dragingen krijgstuchtelijke straf op te leggen.
Het ontwerp, die orde omkeerend, bevat in n°. 1
eene in algemeene termen vervatte omschrijving van
krijgstuchtelijke vergrijpen, en doet «lic in de latere
nummers volgen door eene speciale aanwijzing van eene
reeks van feiten die, onder de daar aangegeven voor-
waarden , mede als krijgstuchtelijke vergrijpen te be-
schouwen zijn.
De beginselen waarvan het ontwerp te dezen opzichte
is uitgegaan, komen in het kort hierop neder:
De militaire disciplinaire vergrijpen zijn in twee
soorten of klassen te onderscheiden.
Tot de eerste soort behooren alle handelingen of
verzuimen, die, wel is waar, geen delikt opleveren,
doch desniettemin eene schending van eene op den
militair als zoodanig rustende, algemeene of bijzondere
verplichting in zich bevatten; — feiten alzoo die, op
zich zelve vrij onbelangrijk, misschien noch de openbare
orde of rust kunnen aanranden, noch eenig nadeelig
gevolg kunnen verwekken, maar die toch niet geduld
of onopgemerkt gelaten mogen worden, omdat hunne
herhaling op meer uitgebreide schaal allicht schadelijk
zou worden voor de weerkracht der krijgsmacht. Mili-
taire tucht, d. i. regelmaat en orde in alles, zelfs in
het schijnbaar nietigste, — stipte nakoming van alle
voorschriften, — vlugge, consciëntieuze en nauwkeu-
rige voldoening aan de ter zake van den dienst gegeven
bevelen, ook waar deze slechts kleinigheden betreden, —
een voortdurend besef van ondergeschiktheid aan iedere
hoogere autoriteit, — het nalaten van elk min voeg-
zaam en met de waardigheid van den militairen stand
strijdig gedrag, ook buiten dienst, — in één woord:
o n a fg e b r o k e n plichtsbetrachting, is en zal
wel altoos de basis blijven, waarop de waarde en de
kracht van de krijgsmacht gegrondvest zijn 2).
1)  Art. 28 (27) Rejrl. v. Disc. Z. (L.). — Zonder deze artikelen
zou iiu\'ii met de thans bestaande regloinenton de discipline niot
hehlitm kunnen haudhavon.
2)   „IjB discipline fait la force principale des armées; il n\'j a
d\'armées viptorieuses quo les armées disciplinées; sans discipline,
pas de salut." — De la discipline en temps de paix et en temps
de guerre, par Ie Commandant B. — Paris, Dumaiue, 1880, blz. 1.
-ocr page 12-
4
Dat vooral in den oorlog en in soortgelijke hache-
lijke omstandigheden onverbiddelijke handhaving van
de militaire tucht noodzakelijk is, ligt voor de hand.
Zonder aarzelen, zonder zich een oordeel over de van
hooger hand gegeven bevelen aan te matigen, zonder
morren, zonder een oogenblik te denken aan of te
letten op eigen belang, moet een ieder dan, met vol-
komen zelfverloochening handelend, zich elke opoffering
getroosten, en zoo noodig een zekeren dood te gemoet
snellen , krachtig door het enkele besef dat de plicht
tegenover het vaderland het gebiedt. Slechts zeer en-
kelen echter bezitten uit hun aard zulk een sterk be-
wustzijn van plicht. Bij verreweg de meesten moet
het worden opgewekt, verlevendigd, ontwikkeld. Het
is geen aangeboren, doch eene door oefening en leering
verworven eigenschap. Ook in dit opzicht moet der-
halve de vredestijd een oefeningstijd zijn, en juist
daarom moet alsdan aan de handhaving der discipline
met even groote gestrengheid en onverbiddelijkheid de
hand gehouden worden. Men kan tot zekere hoogte
met recht beweren, dat overdrijving daarbij niet moge-
lijk is, althans veeleer baat dan schaadt.
Deze overwegingen alleen reeds zijn voldoende om
te rechtvaardigen, dat, in eene zoo algemeen en zoo
ruim mogelijk gestelde formule, alle niet in eenige
strafwet omschreven handelingen of verzuimen, in welke
eene verzaking van eenige op den militair als zoodanig
rustende verplichting is gelegen, onder n°. 1 van dit
artikel tot strafbare krijgstuchtelijke vergrijpen worden
gestempeld.
Er is echter nog eene andere, alles afdoende reden,
waarom de wetgever zich zelfs van elke poging om
eene volledige specifieke opsomming van de disciplinaire
vergrijpen te maken, behoort te onthouden. Deze reden
is eenvoudig, dat elke zoodanige poging noodwendig
volkomen ijdel zou zijn. Immers, zijn reeds de belang-
rijke militaire dienstverplichtingen veelvoudig en veel-
soortig, waarlijk talloos zijn de minder belangrijke.
Deze zijn a priori onmogelijk alle te voorzien, veel
minder nog in bijzonderheden te omschrijven. Telkens
en telkens weer wisselen zij en wijzigen zij zich naar
de omstandigheden; zij regelen zich naar stand, rang,
betrekking, werkzaamheden, toestanden, tijden, gele-
genheden enz.; vooral ook bij die tekortkomingen van
ondergeschikt belang is de strafwaardigheid en de mate
daarvan afhankelijk van de mate van onachtzaamheid
of roekeloosheid, van het opzet of de halstarrigheid
die zich bij den dader openbaarden, en van de moge-
lijke, waarschijnlijke of zekere gevolgen der daad.
Wilde men beproeven eene volledige lijst van discipli-
naire vergrijpen samen te stellen, men zou al zeer
spoedig tot de overtuiging der onuitvoerbaarheid van
het voorgenomen plan geraken, en zich genoopt zien
aan die lijst, als aanhangsel of aanvulling, één artikel
toe te voegen, waarin alle in de vorige artikelen
niet vermelde indisciplinaire feiten strafbaar worden
gesteld; een artikel alzoo, in hetwelk de erkentenis
van het vruchtelooze der poging zou zijn gelegen, en
dat tevens de overbodigheid van de geheele vooraf-
gaande lijst, als met één pennestreek, zou aantoonen.
Heeft, gelijk reeds hierboven is herinnerd, onze wet-
gever in 1814 en 1815 den laatstbedoelden weg ge-
volgd, in de moderne wettelijke voorschriften betrek-
kelijk de discipline ziet men er geheel van af, de
onderscheidene vergrijpen afzonderlijk te formuleeren,
maar bepaalt men zich tot eene alles omvattende alge-
meene aanduiding \').
1) Alleen waar een Raad van Discipline oordeelt over de zwaarste
disciplinaire vergrijpen, worden deze afzonderlijk vermeld. Zie bijv.
Spanje, zoemacht, artt. 318 en volgg.
Hoe onvolledig de in onze tegenwoordige reglementen voorko-
-ocr page 13-
5
Het bovenstaande geldt echter alleen voor het eigen-
lijke
, znirere disciplinaire recht.
De andere rubriek van krijgstuchtelijke vergrijpen
(n°. 2—6) bevat een aantal feiten, waartegen in de
strafwetgeving is voorzien en wel 1°. eene reeks van
delikten die, wanneer zij onder zeer verlichtende om-
standigheden zijn gepleegd, gevoegelijk disciplinair kun-
nen worden afgedaan, en 2°. ettelijke overtredingen,
waardoor ook wel de algemeene rechtsorde, maar in
veel sterker mate de krijgstucht wordt aangerand \').
Dit zoogenaamd oneigenlijke disciplinaire strafrecht is
vervat:
a) in n°. 2. Volgens dit nummer zal een niet gering
aantal in het militair strafwetboek als misdrijven om-
schreven feiten met krijgstuchtelijke straffen gestraft
kunnen worden, wanneer het begane feit naar het oor-
deel van den tot straffen bevoegden meerdere, tot wiens
kennis het is gebracht of aan wien de verdere behan-
deling der zaak wordt opgedragen, van zóó lichten
aard is, dat de zaak buiten strafrechtelijke behandeling
kan worden afgedaan.
Is het in het algemeen wenschelijk, dat de straf zoo
spoedig mogelijk op de strafbare daad (of het strafbare
verzuim) volge, vooral bij vergrijpen tegen de tucht,
door militairen onder zeer verlichtende omstandigheden
gepleegd, wordt dadelijke bestraffing door het helang
der militaire orde en discipline gevorderd. De vraag
of er uit een bloot wetenschappelijk oogpunt bezwaar
is tegen de toekenning van de bevoegdheid om feiten,
die als misdrijven omschreven zijn, als krijgstuchtelijke
vergrijpen te behandelen, is in het algemeen niet te
beantwoorden. Volgens sommigen kan en moet een
scherp en qualitatief onderscheid tusschen misdrijf en
disciplinair vergrijp, tusschen strafrechtelijke en disci-
plinaire straffen worden aangegeven en volgehouden.
Dezulken zouden zich in beginsel tegen de toekenning
van die bevoegdheid moeten verzetten.
Zoo zegt von Liszt 2): „Das Disziplinarvergehen ist
Verletzung der Dienstpflicht, nicht nothwendig Verlet-
zung der öffentlichen Rechtsordnung; das Amtsdelikt
ist begrifflich, also nothwendig, letzteres. Die Diszipli-
narstrafe gegen Beamte bezweekt Schutz des staatlichen
Interesses an getreuer PHichterfüllung und standesge-
miiszen Verhalten seiner ürgane..... Nicht Angriffs-
sondern Schutzobjekt der Strafe sind hier [d. i. bij de straf-
rechtelijke] und dort [d. i. bij de disciplinaire straf]
verschieden".
Anderen daarentegen zijn van oordeel, dat Hkcker
en Laband 3) eene ook theoretisch volkomen juiste
stelling verkondigden, toen zij ten aanzien van de po-
sitieve Duitsche militaire wetgeving verklaarden, „dasz
hinsichtlich der Thatbestiinde kein prinzipiell durch-
greifender Gegensatz zwischen dem milititrischen Dis-
ziplinarstrafrecht und dem militiirischen Kriminalstraf-
recht vorhanden sei".
mendo opsommingen zijn, blijkt het duidelijkst bij inzage van de
strafregisters. Verreweg hel grootste deel der straffen is opgelegd
wegens niet afzonderlijk in de reglementen omschreven feiten, al-
zoo mot toepassing van de artt. 28 (27) Regl. v. Disc. Z. (Ti.).
1)   De opsomming van deze feiten is geheel in overeenstemming
niet het advies van de Commissie, benoemd door de Ministers van
Justitie, van Marine en van Oorlog, om de ontwerpen van een
Wetboek van Militair Strafrecht en daarmede samenhangendo wet-
ten uit oen militair oogpunt te onderzoeken. Zie Rapport van die
Commissie, blz. 120 en vlgg.
2)  In het Reclitslexikon van von Holtzkndobkf, in voce Ord-
Hiingsttrafen.
3)  L*BANn, Staatsrecht, III, I, blz. 167; — Archiv für offent-
lichos Recht, I, blz. 223.
Mevks in von Holtze.ndobi\'f\'s Handb. des Deutschen Strafrechts,
III, blz. 041, tracht aan te toonen, dat alle pogingen om een
kenmerkend onderscheid tusschen strafrecht en disciplinair recht
aan te wijzen, zijn mislukt.
-ocr page 14-
»>
Volgens Schützb \') is er tusschen Amtsdelikte en
Disziplinarvergehen in beginsel geen verschil, maar
onderscheiden zij zich alleen van elkaar: ,,a) nach dem
strafenden Organ: dort die Strafhoheit, hier die Auf-
sichtshoheit des Staates; b) nach den Mitteln und
Zwecken der Strafe: dort die im StraflöB. normirten
offentlichen .Strafen zur Sühne der gebrochenen Rechts-
ordnung, hier Ordnungsstrafen zur Bieherung und Rein-
haltung des .Staatsdienerverhaltnisses; e) nach der Be-
grenzung, die dort, nicht hier, scharf und ausdrücklich
durch Gesetz gezogen sein musz".
Zij die geen principieel onderscheid tusschen straf-
recht en tuchtrecht erkennen, zullen de voorgestelde
bepaling ook in beginsel alleszins gerechtvaardigd achten.
Het voormelde twistpunt kan echter thans geruste-
lijk buiten beschouwing blijven; want, welke oplossing
men ook meent daaraan te moeten geven, in ieder
geval is het praktisch nut van den maatregel zóó
groot, dat men ook over dat eventueel bezwaar zal
moeten heenstappen. Trouwens, ook in de Duitsche
wetgeving wordt eene gelijke bepaling gevonden in
lid 2 van $ 3 van het Einfïihrungs-Gesetz zum Mil.
f*GB., en reeds in onze thans geldende krijgstuchtelijke
wetgeving wordt evenzeer hetzelfde beginsel, zij \'t dan
ook in anderen vorm, gehuldigd. Daarin toch zijn on-
derscheiden feiten omschreven , die dikwerf ook zouden
kunnen gebracht worden onder een der artikelen van
de Crimineele Wetboeken, feiten alzoo bij welke het
eigenlijk van de meerdere of mindere zwaarte in con-
creto zal afhangen, of zij door den krijgsraad dan wel
langs krijgstuchtelijken weg zullen afgedaan worden.
De dubbelslachtigheid van de bedoelde feiten, die
op deze wijze wordt erkend, spruit voort uit hunnen
aard. Met recht toch kan worden beweerd, dat in
ieder militair misdrijf een vergrijp tegen de krijgs-
tucht ligt opgesloten. Wordt het feit door den militairen
rechter berecht, dan zal deze bij de bepaling der straf
het delikt wel in de eerste plaats, doch niet uitslui-
tend als eene de algemeene rechtsorde verstorende
handeling beschouwen en waardeeren; hij zal tevens,
en zelfs zonder zich daarvan uitdrukkelijk rekenschap
te geven, de aanranding tegen de krijgstucht, die
daarin verscholen ligt, in het oog houden. Is echter
zoodanig feit gepleegd onder omstandigheden die daar-
aan als misdrijf een bijzonder licht karakter geven,
dan zal, bij de waardeering van het feit, zijn straf-
rechtelijke aard op den achtergrond, de strijd tegen
de eischen der krijgstucht daarentegen veel meer op
den voorgrond treden; en dan kan ook juist daarom
de bestraffing veilig aan de disciplinaire autoriteit wor-
den overgelaten.
Indien het mogelijk was, alle omstandigheden waar-
onder de hier bedoelde feiten gepleegd kunnen wor-
den , te voorzien, dan zou de wet zelve de splitsing
kunnen maken. Het is echter duidelijk, dat dit abso-
luut onmogelijk is, en daarom moet de aanvankelijke
beslissing te dien aanzien aan de disciplinaire autori-
teit worden overgelaten, behoudens de bevoegdheid
van den met de strafrechtelijke vervolging belasten
ambtenaar, om, ingeval hij van oordeel is dat die
autoriteit het karakter van het feit als misdrijf miskend
en te gering geschat heeft, alsnog de strafrechtelijke
behandeling der zaak te doen plaats hebben (art. 60
van het ontwerp). Op deze wijze wordt gelijkelijk vol-
daan aan de eischen der praktijk en aan die van het
recht.
De aanwijzing van de als misdrijven omschreven
feiten die, onder de aangegeven voorwaarden, discipli-
1) In het Kechtslexikon van von IIdi.i/.i.niiohfi, in voce Amls-
verbrechett.
-ocr page 15-
<
nair kunnen worden afgedaan, is in het wetsontwerp \')
geschied door de enkele opnoeming der nummers van
de wetsartikelen waarin die feiten zijn vermeld. Het
valt niet te ontkennen, dat het voor de niet-juristen
die de wet dagelijks zullen hebben toe te passen, ge-
makkelijker zou zijn, indien de feiten zelve waren ge-
noemd; doch de eischen der wetgevingstechniek ver-
zetten zich hiertegen. Aan het bezwaar wordt op een-
voudige wijze te gemoet gekomen, wanneer in de uit-
gaven der wet voor het praktische gebruik hetzij de
volledige tekst, hetzij althans de korte inhoud der aan-
gehaalde artikelen zal worden vermeld. (Zie de Bijlagen.)
Naar het oordeel van den tot straffen
bevoegden meerdere tot wiens kennis het
(feit) is gebracht of aan wien de verdere
behandeling der zaak wordt opgedragen.
Wanneer een hooggeplaatst officier kennis heeft gekre-
gen van een begaan vergrijp, zal het dikwerf voorko-
men, dat hij van zijne bevoegdheid om zelf te dier
zake straf oj> te leggen, geen gebruik maakt, doch
de zaak ter verdere behandeling overlaat aan dien
meerdere tot wiens gewonen werkkring de bestraffing
van dergelijke vergrijpen behoort. In zoodanig geval
is het natuurlijk deze laatste, die zal hebben te oor-
deelen over de vraag, of do zaak krijgstlichtelijk kan
worden afgedaan, dan wel of de krijgsraad daarvan
kennis zal moeten nemen. In de opdracht tot verdere
behandeling kan dienaangaande niets lieslist worden.
b). In nc. 3. Terwijl volgens n°. \'2 ettelijke feiten,
in het militair strafwetboek als misdrijven omschreven,
krijgstuclitelijk kunnen worden atgedaan , zal ditzelfde
voïgens n°. 3 met enkele in liet gemeene Wetboek
van Strafrecht als misdrijf omschreven feiten het geval
zijn. Hij die op een zuiver theoretisch standpunt blijft
staan, zal tegen deze bepaling allicht bezwaar hebben:
hij zal het met de eischen eener gelijke rechtsbedee-
ling onbestaanbaar achten, dat de niet-militair zich
voor elke weinig beduidende mishandeling, goederen-
beschadiging enz. voor den rechter zal te verantwoor-
den hebben, terwijl de militair in menig geval van
eene terechtstelling bevrijd zal blijven. Bij oppervlak-
kige beschouwing ligt hierin een ongemotiveerd pri-
vilegie voor den militair.
Doch ook alleen bij oppervlakkige beschouwing.
Bedenkt men namelijk, dat een licht misdrijf van
het gemeene recht wel altoos de maatschappelijke orde
eenigermate verstoort, maar dat dikwerf de daarin zich
openbarende strijd tegen de regelen der militaire tucht
en orde van veel grooter beteekenis zal zijn; — dat
den niet-militair in de hier bedoelde gevallen in den
regel slechts eene geldboete of eene vrijheidsstraf van
slechts zeer enkele dagen zal worden opgelegd, doch dat
de eischen der militaire tucht en orde eene vrij wat
ernstigere straf (zij \'t dan ook, dat zij den naam van
„krijgstuchtelijke" draagt) vorderen; — dat de disci-
plinaire straften, die de militaire meerdere te zijner
beschikking heeft, èn wat haren duur, èn wat hare
zwaarte, èn wat hare nawerking betreft, niet voor die
van het gemeene recht onderdoen; — bedenkt men
daarbij nog, dat de nu voorgestelde bepaling niet anders
is dan \'de bestendiging van den tegenwoordigen toe-
stand *); — dat het bestaande stelsel sedert 75 jaren
in de praktijk allernuttigst heeft gewerkt, zoodat de
militaire autoriteiten het als een grooten achteruit-
gang, als eene ramp voor de discipline bij de krijgs-
macht zouden beschouwen, indien hunne bevoegdheid
te dezen zou worden beperkt; — dat aan de mili-
taire chefs waarlijk niet kan worden verweten, dat zij
1)  Gelijke opmerking geldt voor de volgende nummers.
2)  Zie art. 24 (20) Kegl. v. Disc. Z. (L.).
-ocr page 16-
8
de hun bij de even bedoelde artikelen gegeven bevoegd-
heid hebben misbruikt, om de onder hen staande min-
deren boven de niet-militairen te begunstigen of ver-
Bchoonend te behandelen; — dat eindelijk ook weer
hier liet correctief, in artikel 60 van het ontwerp ver-
vat , bij mogelijke ongerechtvaardigde gebruikmaking
van de toegekende bevoegdheid kan worden aange-
wend; — bedenkt men dit alles, dan mag voorzeker
een bezwaar van bloot theoretischen aard geen voldoende
grond geacht worden, om af te wijken van eene rege-
ling, die tot dusverre tot geen werkelijk bezwaar aan-
leiding heeft gegeven, en daarvoor een nieuw systeem,
welks werking natuurlijk geheel onzeker zou zijn, in
de plaats te stellen. Voor een dergelijk waagstuk zijn
de belangen die op \'t spel staan, te gewichtig.
e). Ook n°. 4 beoogt eenvoudig de bestendiging van
den actueelen toestand. Eene bepaling gelijk ze thans
vervat is in artikel 156 van het Crimineel Wetboek
voor het Krijgsvolk te Water, zou de marine bezwaar-
lijk kunnen missen. Ontvreemding aan boord van een
oorlogsvaartuig, ook zelfs van voorwerpen van uiterst
geringe waarde , moet voorzeker steeds gestraft worden,
en bij voorkeur zoo spoedig mogelijk, opdat het den
schepelingen blijke, dat geen enkele oneerlijkheid ge-
duld kan worden. Maar het zou al te omslachtig zijn,
voor zaken van zoo weinig beteekenis altoos een krijgs-
raad bijeen te roepen; op kleine schepen is dit zelfs
dikwerf onmogelijk, zoodat de behandeling der zaak
dan zeer langen tijd zou moeten worden uitgesteld,
gedurende welken de vermoedelijke dader voortdurend
als verdachte zou moeten worden behandeld. Daarbij
komt, dat de militair die op eene langdurige reis bijv.
geen tabak of zeep meer heeft, terwijl eens anders
ruime voorraad ook voor hem als \'t ware voor het
grijpen ligt, allicht voor de zware verleiding waaraan
hij is blootgesteld, zal bezwijken.
Deze gronden om kleine oneerlijkheden disciplinair
af te doen, gelden niet voor de militairen aan den wal.
Zij kunnen zich de benoodigde of gewenschte voorwer-
]>en steeds gemakkelijk aanschaffen, en het feit heeft
dus alsdan steeds een veel ernstiger karakter. (Vgl. art.
156 C. W. Z. met art. 196 C. W. L.)
Ten aanzien van de voorgestelde bepaling zij voorts
o] «gemerkt:
1° dat, terwijl art. 156 C. W. Z. alleen sloeg op
kleine diefstallen , het artikel thans ook verduisteringen
betreft, omdat daarvoor dezelfde gronden gelden;
2° dat door de vermelding van de artikelen 310 en
321 duidelijk blijkt, dat alleen bij diefstal en verduis-
tering zonder eenige verzwarende omstandigheid ge-
pleegd , krijgstuchtelijke afdoening geoorloofd is, iets
waarover tot dusver onzekerheid bestond;
3° dat de bepaling geldt voor alle ingescheepte
militairen, dus ook voor militairen der landmacht,
die met een oorlogsvaartuig worden getransporteerd
(evenzoo volgens art. 156 jet. 5 C. W. Z. en 8
C. W. L.);
4° dat, gelijk tot dusver, bij tweede herhaling de
zaak voor den krijgsraad moet komen, terwijl nu aan
den twijfel, of daarbij ook de onder een vorig dienst-
verband gepleegde feiten in aanmerking moeten wor-
den genomen, een einde is gemaakt door de in al-
gemeene termen vervatte uitzonderende bepaling, dat
disciplinaire afdoening niet i» geoorloofd, indien „den
schuldige reeds tweemaal te voren wegens de
vermelde feiten eenige straf is opgelegd."\' De uitdruk-
king is zelfs zoo ruim mogelijk gekozen, omdat ook het
plegen van twee van die oneerlijkheden vóór de indienst-
1 reding de krijgstuchtelijke bestraffing van een derde of
volgend feit onmogelijk moet maken.
d). In n°. 5 en 6 zijn vermeld:
-ocr page 17-
9
«) de met, enkele geldboete strafbare overtredingen ,
die bij artikel 4 van het Ontwerp van Wet tot voor-
loopige regeling der rechtsmacht van den militairen
rechter aan de kennisneming van den kantonrechter
zijn onthouden, omdat altoos militaire belangen door
die gedragingen worden benadeeld, namelijk:
straatschenderij (Swb., art. 424, eerste lid),
nachtelijk rustverstorend rumoer of burengerucht
(art. 431),
weigering van hulpbetoon aan de openbare macht
(art. 446),
afscheuring enz. van eene bekendmaking vanwege
het bevoegd gezag in het openbaar gedaan (art. 447), en
dronkenschap op den openbaren weg (art. 453, eerste
lid), benevens
de overtredingen van bijzondere wetten of verorde-
ningen, die alleen met geldboete strafbaar zijn, indien
het l>egane feit naar het oordeel van de bevoegde
militaire autoriteit onbestaanbaar is met de militaire
tucht of orde; en
/3) enkele andere overtredingen, die evenzeer onbe-
staanbaar zijn met de militaire tucht en orde, en wel:
straatschenderij bij herhaling gepleegd (art. 424,
tweede lid),
ordeverstorende dronkenschap (art. 426),
het in het openbaar zingen van voor de eerbaarheid
aanstootelijke liederen en dergelijke feiten (art. 451) en
dronkenschap bij herhaling gepleegd (art. 453, lid
2—4).
Den militair voor deze feiten steeds voor den krijgs-
raad of voor het Hoog Militair Gerechtshof te doen
terechtstaan is voorzeker niet noodig en niet wensche-
lijk. Integendeel is het veel verkieslijker, ook in dit
opzicht de thans gebruikelijke praktijk te bestendigen,
daaraan wettelijke sanctie te geven. Aan deze praktijk
werd evenzeer (in overeenstemming met hetgeen sub a)
hierboven is vermeld) wel eens verweten, dat daarin
eene ongerechtvaardigde bevoordeeling van den militair
is gelegen. Daargelaten dat dit bezwaar in den regel
feitelijk ongegrond was, vermits nagenoeg altoos de
wegens zoodanige feiten opgelegde straffen in werkelijk-
heid veel zwaarder zijn, dan de zwaarste straf die de
rechter had kunnen opleggen, in ieder geval is thans
ook daaraan te gemoet gekomen door de hierboven reeds
meermalen aangehaalde bepaling van artikel 60, vol-
gens hetwelk de toepassing van krijgstuchtelijke straf
het recht tot strafvervolging niet doet vervallen.
De opmerking dat tegen deze laatste bepaling geen
principieel bezwaar bestaat, moge reeds hier eene plaats
vinden. Algemeen wordt toegegeven, dat een beroep
op den regel non bis in idem na het ondergaan
eener disciplinaire tuchtiging niet opgaat. Hield men
zich dus ten aanzien van de hierboven behandelde zaken
blootelijk aan de door de wetenschap als juist erkende
regelen, dan zou ter zake van elke straatschenderij,
burengerucht of openbare dronkenschap van een mili-
tair boven en behalve de bij het Wetboek van Straf-
recht gestelde geldboete eene krijgstuchtelijke straf
moeten worden opgelegd. Dat zoodanige dubbele bestraf-
fing den juridisch niet ontwikkelden soldaat allicht
wrevelig maken en verbitteren zou, en alzoo eene niet
gewenschte bron voor nieuwe vergrijpen zou zijn, be-
hoeft geen betoog. Zoo mogelijk moet derhalve in den
regel de zaak met ééne bestraffing worden afgedaan.
Maar dat er geen bezwaar tegen is, na disciplinaire
bestraffing alsnog tot gerechtelijke behandeling der zaak
over te gaan, wanneer dit in een bijzonder geval noo-
dig blijkt te zijn, heeft de ondervinding geleerd.
Door deze regeling, het zij hier nogmaals herhaald,
is zelfs de schijn, als zoude voor de militairen een
privilegie gelden, vermeden, en zijn te gelijker tijd de
-ocr page 18-
10
aan de zorg der militaire overheid toevertrouwde be-
langen volkomen verzekerd.
§ III. Krijgüuchtelijke straffen.
AFDEEUNG I
In het algemeen.
Moet de wetgever bij de samenstelling van het stelsel
der straffen, die ter zake van Misdrijven kunnen wor-
den uitgesproken, streven naar groot e eenvoudigheid
en beknoptheid, ten aanzien van de krijgstuchtelijke
straffen dient hij daarentegen voor eene groote verschei-
denheid te zorgen en eene zeer ruime keuze te geven.
Deze straffen toch behooren meer in het bijzonder het
karakter van maatregelen van militaire vorming en
opvoeding te hebben ; en dat deze maatregelen van zeer
onderscheiden soort zullen moeten zijn en ver uiteen-
loopende strekking zullen moeten hebben, springt ter-
stond in het oog, wanneer men bedenkt, èn van hoe
velerlei aard de vergrijpen tegen de militaire tucht, of
orde zijn, ter zake waarvan —, èn van hoe verschil-
lenden rang, stand en ontwikkeling de personen zijn,
op wie zij zullen worden toegepast.
Ook te dezen opzichte kan het ontwerp zich in hoofd-
zaak , en behoudens een aantal wijzigingen voor zoover
de bijzonderheden betreft, aansluiten aan den thans be-
staanden toestand. De vergelijking van dezen met de
ontworpen regeling zal te gelijker tijd een algemeen
overzicht van de nu voorgestelde bepalingen geven.
Aan de bespreking van de bijzondere straffen voor
de officieren, de onderofficieren en de mindere militai-
ren mogen enkele opmerkingen van meer algemeenen
aard voorafgaan.
Vooreerst zij er op gewezen, dat vooral ook bij de
vaststelling van het krijgstuchtelijke straffenstelsel re-
kening moet gehouden worden met het zedelijk en
maatschappelijk gehalte van hen die tot de krijgsmacht
behooren en zullen behooren. Straffen gelijk ze voorde
legers in vorige eeuwen noodig en geschikt waren,
zouden in onzen tijd volstrekt verwerpelijk zijn. De af-
schaffing van de lijfstraffen, nu tien jaren geleden,
was ook ten deele een noodwendig gevolg van de ge-
heel veranderde samenstelling onzer krijgsmacht; ja
zelfs fring men daarbij uit van de volmaakt juiste on-
derstelling, dat het voortdurend behoud van het oude
straffenstelsel een hinderpaal zou zijn voor eene afdoende
verbetering van het gehalte van het mindere personeel
bij de zeemacht.
Op den toen ingeslagen weg moet thans worden
voortgegaan.
Reeds dadelijk doet het ontwerp dit, door de b e-
risping als lichtste straf voor de militairen van allen
rang en stand op te nemen. Dat deze straf, thans
alleen voor de officieren en de onderofficieren der zee-
macht bekend, niet voor alle militairen, zonder onder-
scheid , eene geschikte straf zal zijn , ligt voor de hand.
Zou hare algemeene invoering bij de militaire macht,
zooals zij tot zelfs in de eerste jaren dezer eeuw was
samengesteld, volkomen ondoeltreffend, ja misschien
zelfs belachelijk geweest zijn, ook thans nog bevindt
zich bij de krijgsmacht menig ruw en ongevoelig in-
dividu , oj) wien eene berisping weinig of geen in-
druk zou maken, en te wiens aanzien deze straf alzoo
wel altoos buiten toepassing zal worden gelaten. Daar-
entegen worden ook reeds nu in alle rangen en even-
zeer onder de niet-gegradueerden tal van beschaafde
en zedelijk ontwikkelde personen gevonden, die voor
eene hun met ernst en waardigheid door hun superieur
-ocr page 19-
II
gegeven berisping zeer gevoelig zullen zijn. En het
aantal van de zoodanigen zal nog beduidend toenemen,
wanneer eerlang, gelijk men hoopt, het algemeen ze-
delijk en maatschappelijk gehalte onzer krijgslieden
nog meer verbeterd zal zijn. Vooral ook dan zal het
vaak de voorkeur verdienen, door eene berisping op
het eergevoel van den militair te werken, voordat men
tot de toepassing eener vrijheidsstraf overgaat.
Dat de berisping voor «Ie geheele krijgsmacht tot
eene krijgstucht elijke straf gemaakt wordt, zal, vermits
zij als zoodanig op het conduite-rapport of strafregister
zal moeten worden vermeld, nog dit voordeel hebben,
dat de opvolgende meerderen, onder wie de militair
komt te dienen, beter dan thans over zijn doorgaand
gedrag en zijne antecedenten zullen kunnen oordeelen.
In de tweede plaats zij reeds hier vermeld, dat het
ontwerp zich niet meer bedient van de thans gebruike-
lijke benamingen : politiekamer, provoost, provoost-
arrest , en dat het cachot of gat zelfs geheel vervallen
is. Ook hiermede heeft men ten doel de laatste schrik-
beelden van het oude en verouderde régime, als geheel
overbodig, te doen verdwijnen. Aan den anderen kant
echter is gezorgd, dat de arreststratTen, zoowel door
de wijze van executie als door hare facultatieve of im-
peratieve verbinding met de bijkomende straffen van
vermindering van soldij of van kost, de noodige inten-
siteit kunnen erlangen, opdat de militaire autoriteit
tegenover de minder goed gezinde , weerbarstige naturen
niet onmachtig sta.
Het arrest is verdeeld in drie soorten:
1°. het licht arrest, dat voor de officieren der
zeemacht het huis- of hutarrest met waarneming van
dienst —, voor die der landmacht het kamerarrest
met acces en dus met waarneming van dienst —,
voor de onderofficieren en de mindere militairen der
zeemacht het scheepsarrest —, en voor die der land-
macht het kwartierarrest vervangt;
2°. het verzwaard arrest, dat voor de onderoffi-
cieren der zeemacht het hutarrest —, voor die der
landmacht het kamerarrest (en de politiekamer) —,
en voor de mindere militairen der landmacht de straf-
of politiekamer vervangt, terwijl het voor de mindere
militairen der zeemacht nieuw ingevoerd wordt; en
3°. het streng arrest, dat voor de officieren der
zeemacht het huis- of hutarrest zonder waarneming van
dienst —, voor die der landmacht het kamerarrest
zonder acces en dus zonder waarneming van dienst —,
voor de onderofficieren en de mindere militairen der
zeemacht het provoostarrest —, en voor die der land-
macht de provoost vervangt.
Het verzwaard arrest moet zooveel mogelijk gepaard
gaan met nachtelijke afzondering; het streng arrest
(behalve dat van den officier) wordt zooveel mogelijk
in een cel ondergaan.
Van de vermelding der krijgstuchtelijke straffen op
een conduite-rapport (zeemacht) of straf boek (landmacht)
wordt in het ontwerp geen gewag gemaakt. Dit is
een maatregel van zuiver administratieven aard, die
alzoo bij de Reglementen voorgeschreven moet worden.
De bedoeling van de Regeering is, dat alle st ratten,
zonder uitzondering, daarop zullen worden vermeld; dus
ook de berisping (Op het voordeel hiervan werd reeds
gewezen. — Vgl. ook art. 3 der Wet van 14 Nov.
1879, Stbl. n°. 194) en de strafdienst. (Het strafexer-
ceeren wordt tegenwoordig in strijd met de bepaling
van artikel 54 Regl. v. Krijgst. L. niet in het straf-
boek ingeschreven.)
Ar*. 3. Straffen voor de officieren. Tusschen de krijgs-
-ocr page 20-
r„>
tuchtelijke straflen voor de officieren der zeemacht en
voor die der landmacht bestaat tot dusver een aanmer-
kelijk , doch door niets gerechtvaardigd verschil. Het
ontwerp heft dat verschil op en regelt deze aangelegen-
heid thans voor alle officieren op gelijke wijze, en wel
overeenkomstig hetgeen bij artikel 2 der Wet van 14
November 1879, Stbl. n°. 194, voor de officieren der
zeemacht is bepaald.
De ondervinding bij de marine heeft geleerd, dat de
berisping als lichtste krijgstuchtelijke straf voor den
officier uitermate geschikt is. Er is geen enkele reden
denkbaar, waarom zulks voor de officieren der landmacht
niet het geval zoude zijn.
Wat de vrijheidsstra f f e n betreft, is, ter wille
van het prestige der officieren , bij het ontwerp zooveel
mogelijk gezorgd, dat de tenuitvoerlegging daarvan
plaats vindt, zonder dat de minderen er van kennis
dragen. Om dezelfde reden, en ook omdat zij is geble-
ken onnoodig te zijn, wordt de in artikel 28 van het
Reglement van Krijgstucht voor het krijgsvolk te Lande
vermelde provoost straf voor de officieren der landmacht
afgeschaft. Trouwens, reeds thans is die straf in on-
bruik geraakt, en in de meeste garnizoenen is zelfs
geene geschikte plaats om ze te doen ondergaan. Voorts
kan aan de overname van de artikelen 40 en 47 van
datzelfde Reglement geen oogenblik worden gedacht.
Volgens die artikelen gaat de inarreststelling van den
officier gepaard „met afvraging van deszelfs zijdgeweer",
de opheffing met de „teruggave" daarvan. Deze bij de
wet voorgeschreven formaliteit is zoo vernederend voor
den officier en zoo schadelijk voor zijn invloed tegen-
over zijne minderen, dat men sints lang naar een
middel heeft gezocht, om het voorschrift, zij \'t dan
ook langs administratieven weg, ter zijde te stellen.
Dit middel meende men te vinden in de verwijzing
naar artikel 51 van het Reglement. Met het oog op
dat artikel, volgens hetwelk de met eenvoudig arrest
gestrafte officier verplicht is zijn dienst te blijven ver-
richten , zijn namelijk bij de Reglementen op den
Inwendigen dienst \') de bepalingen van de artikelen
46 en 47 sedert geruimen tijd eenvoudig „buiten
werking gesteld."
Terwijl volgens de bestaande bepalingen de officier
der landmacht kan gestraft worden met kamer-arrest,
met of zonder acces, ten hoogste gedurende den tijd
van twee maanden, kan den officier der zeemacht
het huis- of hutarrest voor niet langer dan veertien
dagen worden opgelegd. De ondervinding leerde, dat
de laatst vermelde termijn voldoende is.
Art. 4. Straffen voor de onderofficieren. Bij vergelij-
king met de tegenwoordige regeling valt op te merken:
a) ten aanzien van de onderofficieren der zeemacht:
1°. dat de berisping als lichtste straf behouden
blijft;
2°. dat de strafdienst, aan welke thans steeds
scheepsarrest verbonden is, volgens artikel 7 van het
ontwerp daarmede gepaard kan gaan. Dientengevolge
moesten de strafdienst en het lichtste arrest in de straf-
lijst onderling van plaats wisselen.
Voorts zal de strafdienst niet meer gepaard kunnen
gaan met inhouding van de halve soldij. De praktijk
heeft niet geleerd, dat de mogelijkheid tot deze com-
binatie moet worden opengelaten. Beter wordt het
geacht, de inhouding van soldij alleen aan de arrest-
straffen te verbinden.
1) Thans art. 190 van het Regl. op don luw. Dienst der Infan-
terie (1889), — art. 227 — Cavalerie. — In gelijken zin reeds
art. 150 van het Kegl. op den Inw. Dienst enz. van de Infanterie
van 26 Aug. 1817, Bijv. Stbl. VII, blz. 395; d\'Engelbromner,
I, bl. 379.
-ocr page 21-
13
Uitsluitend voor onderofficieren die een
minderen rang dan dien van sergeant-majoor
bekleeden. Voor de hoogere onderofficieren is de
strafdienst eene zeer oneigenaardige straf. Ofschoon
artikel 2 der Wet van 14 November 1879, Stbl. n°. 194,
de gelegenheid geeft, ook aan hen die straf op te leg-
gen , wordt daarvan zelden of nooit gebruik gemaakt;
zij wordt dan ook voor hen geheel overbodig geacht.
De straf van strafdienst ook voor de onderofficieren
der landmacht in te voeren, wordt niet voorgesteld.
Voor hen is zoodanige straf niet noodig, vermits men
eene zeer voldoende, ruime keuze van geschikte straf-
fen voor hen heeft; en niet wenschelijk, omdat aan
de oplegging van deze straf aan onderofficieren on-
miskenbare nadeelen verbonden zijn. Het schijnt voor-
eerst met een goede krijgstucht moeilijk bestaanbaar,
de soldaten die gestraft zijn met strafexerceeren,
te stellen onder het bevel van een onderofficier die
zelf ook daarmede is gestraft. Die toestand zou maar
al te dikwerf nadeelig werken, zoowel op de min-
deren die gekommandeerd worden, als op hem die
onder zulke omstandigheden het kommando voert. De
minderen zouden voor hem niet den noodigen eer-
bied hebben; het prestige van den meerdere zou er
op den duur onder lijden. En de gestrafte onderofficier
zelf zou zijne verplichting zonder eenige opgewektheid
en ambitie nakomen , omdat hetgeen hij te doen heeft,
door hem niet beschouwd wordt als een dienst, dien
hij zoo goed mogelijk zal verrichten, maar louter als
eene straf die hem korzelig maakt. Een ander nadeel
is nog, dat de gestrafte mindere militair allicht ten
onrechte zal gaan vermoeden , dat de onderofficier die met
het bevel over het strafpeloton is belast, zelf ook gestraft is.
Ofschoon dit alles in het algemeen als juist erkend
moet worden, moet toch de strafdienst voor de lagere
onderofficieren der zeemacht behouden blijven, omdat
men anders dikwerf aan boord van een varend schip
voor hen geene geschikte straf zou kunnen aanwijzen.
Is men wel in de gelegenheid, hun eene andere straf
te doen ondergaan, dan zal dit in den regel de voor-
keur verdienen. Zie voorts ook in de aanteekening sub
1° op artikel 7.
Ten minste 1 en ten hoogste 2 uur per
dag. Deze uitdrukking geeft te kennen, dat dagelijks
niet minder dan één en niet meer dan twee uur straf-
dienst mag worden ondergaan, doch wel bijv. 5 kw artier,
anderhalf uur, enz. De tijd zal natuurlijk afhankelijk
moeten zijn zoowel van de zwaarte van het vergrijp
als van de bestaande gelegenheid.
Gedurende ten hoogste 8 dagen. Thans
voor hoogstens 14 dagen. Deze termijn is ver-
kort , omdat de strafdienst, eiken dag weer opnieuw
ondergaan wordende, juist daardoor allicht aanleiding
zou kunnen geven tot ontevredenheid en gemor en
alzoo tot herhaalde vergrijpen. Eene straf die in ieder
geval voor een licht vergrijp zal worden opgelegd, nog
langen tijd daarna te doen voortduren, is daarenboven
zeker niet wenschelijk.
Ook om deze reden wordt in het tweede lid van
artikel 7 bij uitzondering de bevoegdheid gegeven
om twee hoofdstraffen, strafdienst en licht arrest, met
elkander gepaard te doen gaan. Ten gevolge van deze
combinatie zal het mogelijk zijn, de straf binnen een
korteren termijn te doen atfoopen. De kortste straffen
wekken het minst wrevel, en zijn daarom aanbevelens-
waardig. Verscheidenheid van krijgstuchtelijke straffen
is, gelijk reeds hierboven Werd gereleveerd, altoos
wenschelijk, omdat men dan beter rekening kan hou-
den met de verschillende toestanden en omstandigheden.
Voor de aan boord op te leggen straffen komt nog
hierbij, dat aldaar de gelegenheid om enkele soorten
-ocr page 22-
14
van straffen aan velen gelijktijdig te doen ondergaan,
100 uiterst beperkt is, zoodat daar vooral de keuze
van strafmiddelen ruim dient te zijn. Bevindt de bodem
zich in zee, dan zal de strafdieiist wel nimmer met
licht arrest verbonden worden, want dan heeft deze
straf weinig of geen beteekenis. Ligt echter het vaar-
tuig aan den wal, dan zal de bijvoeging van licht
arrest de straf van strafdienst aanmerkelijk verzwaren.
Vgl. het slot van het eerste lid van artikel 29.
3\'. De onder dit nummer in artikel 4 vermelde
verplichting om ten hoogste 2 uur vóór
het avondappel in de kazerne of het kwar-
tier of aan boord terug te zijn enz. zal in den
regel op de onderofficieren (en de mindere militairen)
der zeemacht wel niet toegepast kunnen worden. In zeer
enkele gevallen evenwel, bij voorbeeld ten aanzien van
hen die aan den wal gehuisvest of op schepen binnen-
gaats geplaatst zijn, en vooral indien te eeniger tijd
tot kazerneering van een deel der zeemacht mocht
worden besloten, zal deze straf ook voor hen, gelijk
thans reeds voor de onderofficieren (en de mindere mili-
tairen) der landmacht zeer goed uitvoerbaar zijn.
Eene korte beschouwing over deze ten onzent nieuwe
straf moge hier eene plaats vinden.
Zij is ontleend o. a. aan de Duitsche Disziplinar-Straf-
ordnung für das Heer en aan die voor de Marine aan
den wal, volgens welke zij aan „Gemeine mit Ein-
schlusz der Obergefreiten und Grefreiten (der Gefreiten-
Klassen)" voor een tijd van ten hoogste 4 weken kan
worden opgelegd (§ 3, C, 1, c). Zij schijnt verre te
verkiezen boven de bij ons administratief toegepaste
onthouding of intrekking der vergunning
om uit te blijven na het avondappel, 1°. om-
dat deze maatregel natuurlijk alleen kan worden toe-
gepast op de weinigen, aan wie zoodanige doorloopende
vergunning ingevolge de administratieve voorschriften \')
wordt verleend; 2\\ omdat die doorloopende permissie
in ieder geval eene gunst blijft (zie het aangehaald
artikel), en intrekking eener gunst nooit als eene straf
kan worden beschouwd; 3°. omdat de nu voorgestelde
maatregel veel gevoeliger zal zijn en hij daarenboven
den gestrafte op de uren waarop de tapperijen enz. het
meest bezocht worden, daarvan verwijderd zal houden,
en bierdoor eene uitnemende preventieve werking zal
hebben.
De maximum-termijn mag evenwel niet al te lang
gesteld worden. In de omstandigheid toch dat de ge-
strafte zelf voor de uitvoering dezer straf zal moeten
zorgen, zal, indien de termijn te lang genomen wordt,
somtijds voor hem aanleiding kunnen liggen om zijne
verplichting niet na te komen, en zich alzoo aan een
nieuw vergrijp schuldig te maken. Hij die anders het
recht had om later dan het gros zijner kameraden uit
te blijven, zal, indien hem dit recht tijdelijk wordt
ontnomen, zich allicht daarnaar schikken en spoedig
gewoon zijn met hen naar de kazerne terug te keeren.
Maar is iemand de eenige die vóór alle anderen
huiswaarts moet gaan, dan is er maar al te veel kans,
dat hij zich op den duur aan het gezellig samenzijn
met hen niet zal weten te onttrekken, en ten slotte
zal bezwijken voor de verleiding om met de anderen
uit te blijven, totdat ook voor hen de tijd om te ver-
trekken, zal zijn gekomen.
Daar men te dezen meer zelfbeheersching en wils-
kracht bij den onderofficier mag verwachten dan bij den
minderen militair, wordt de maximum-termijn voor de
onderofficieren op 14, voor de mindere militairen daaren-
tegen op slechts 8 dagen gesteld\').
1)   Zie art. 99 van het nieuwe Regl. Inw. Dienst voor de
Infanterie.
2)   Ia Oostenrijk is de termijn ten hoogste 30 dagen, zoowel
-ocr page 23-
ir»
Vooral ten aanzien van de onderofficieren ia het een
groot voordeel, dat niet dadelijk tot de oplegging van
arreststraf zal behoeven te worden overgegaan.
4°. Terwijl thans het scheepsarrest slechts voor ten
hoogste 14 dagen kan worden opgelegd, is nu het
maximum van het licht arrest gesteld op 21 dagen.
Behalve om in overeenstemming te blijven met de voor
de landmacht noodzakelijk geachte termijnsbepaling,
is deze verlenging wenschelijk, omdat voor de behoor-
lijke uitvoering van het verzwaard arrest, vooral aan
boord van kleine schepen, voor hen die geene hut be-
wonen , dikwerf moeilijk eene geschikte plaats is aan
te wijzen.
Ten einde, zoo noodig, het licht arrest eenigermate
te doen verzwaren, bepaalt het eerste lid van artikel
24, dat het gepaard kan gaan met inhouding van een
vierde gedeelte der soldij gedurende den straftijd.
5°. Met het tegenwoordige hutarrest zonder waar-
neming van dienst is de inhouding van de halve soldij
imperatief verbonden. Daar het de voorkeur verdient,
ook hier de oplegging der bijkomende straf facultatief
te laten, bepaalt het tweede lid van artikel 24, dat
gelijke inhouding met het verzwaard arrest kan
gepaard gaan.
6°. Met het streng arrest moet daarentegen,
even als thans met het provoostarrest het geval is, de
inhouding der geheele soldij imperatief verbonden blijven.
Vermindering van kost is als strafverzwaring bij
het provoostarrest voor de onderofficieren der zeemacht
niet bekend. Overeenkomstig het dienaangaande tegen-
woordig voor de onderofficieren der landmacht gel-
dende, waarvan de bestendiging wenschelijk is, zal
volgens artikel 25 ook het streng arrest van den onder-
officier der zeemacht met vermindering van kost ge-
paard kunnen gaan. Deze facultatieve verzwaring van
de strengste vrijheidsstraf zal wellicht in sommige ge-
vallen ten gevolge kunnen hebben, dat nog niet tot
verlaging behoeft te worden overgegaan.
7°. Voor de afwijkingen van de regeling der ver-
laging van die der degradatie vergelijke men de
aanteekeningen bij de artikelen 15 en 16.
b) ten aanzien van de onderofficieren der landmacht:
1°. üm de straks aangevoerde redenen wordt ook
voor hen de berisping als lichtste straf ingevoerd.
Daarentegen vervalt het stadsarrest, hetwelk in het
Reglement van krijgstucht voor het krijgsvolk te Lande
thans voor hen als lichtste straf vermeld is. Als vol-
komen ongeschikt, is deze straf echter reeds sinds ge-
ruimen tijd in onbruik geraakt.
2°. De redenen waarom voor de onderofficieren der
landmacht de strafdienst niet wordt voorgesteld, zijn
hierboven sub a) 2°. uiteengezet.
38. Ten aanzien van de verplichting om vóór
het avondappel in de kazerne of het kwar-
tier terug te keeren, zie hierboven sub a) 3°.
4°. Het licht arrest, overeenstemmende met het
tegenwoordige kwartierarrest, zal in den vervolge ge-
paard kunnen gaan met inhouding van een vierde ge-
deelte der soldij.
Tegenover deze facultatieve verzwaring staat inkrim-
ping van den termijn van eene maand tot drie weken.
5°. Desgelijks wordt de termijn van drie weken,
voor welken thans het kamerarrest kan worden opge-
legd, voor het verzwaard arrest ingekrompen tot
14 dagen, doch zal ook aan deze straf voortaan in-
houding van de halve soldij kunnen worden verbonden.
voor do mindere militairen als voor de „Offiziers-Stellvertreter,
Foldwobel und Cadeten."—Dienst reglement, §87, punt 657, B,
2, b) en C, 2, a).
-ocr page 24-
Ifï
De politiekamer voor de onderofficieren der land-
macht vervalt. Men vergelijke hierover de aanteeke-
ning bij artikel 9.
C°. Met de provoost gaat thans, krachtens admini-
stratieve regeling, de inhouding der soldij verbonden
(Vgl. art. 134 Regl. Inw. Dienst voor de Infanterie).
Daar aan regeling bij de wet de voorkeur gegeven                                                                   •
moet worden, bepaalt het laatste lid van artikel 24,
dat elke bestraffing met streng arrest van een on-
derofficier of van een minderen militair gepaard gaat
met inhouding der soldij gedurende den straftijd.
Op het vervallen van het cachot of gat werd in de
algemeene beschouwingen bij dezen titel reeds gewezen.
7°. Zie de aanteekening 7°. ten aanzien van de straf-
fen voor de onderofficieren der zeemacht.
Art. ». Straffen roor de mindere militairen. Bij ver-
gelijking met de tegenwoordige regeling valt op te
merken:
a) ten aanzien ra» de mindere militairen der zeemacht. :
1°. dat om de straks aangevoerde redenen ook voor
hen de berisping als lichtste straf wordt ingevoerd.
2°. Behalve hetgeen hierboven in de aanteekening
op artikel 4, sub a\\ 2° over den strafdienst is ge-
zegd (voor zoover dat niet uitsluitend op de onder-
officieren der zeemacht betrekking heeft), zij hier nog
opgemerkt, dat vermindering van kost niet meer met
deze straf verbonden zal kunnen worden. Daargelaten
dat het niet aangaat, hem wien men meer dan zijn
gewonen dienst d. i. meer werk doet verrichten, min-
der dan zijn gewoon voedsel te verstrekken, is daaren-
boven de gestrenge toepassing van die bijkomende straf
in dit geval aan boord onmogelijk te controleeren.
3°. Ten aanzien van de verplichting om vóór
het avondappèl in de kazerne of het kwar-
tier of aan boord terug te keeren enz., zie in
de aanteekening op artikel 4 sub a) 3°.
4°. Ten aanzien van het licht arrest kan verwe-
zen worden naar hetgeen in de aanteekening op artikel
4 sub a) 4° is gezegd.
5°. Terwijl thans voor de mindere militairen der zee-
macht slechts twee soorten van arrest, het scheeps-
en het provoostarrest, bekend zijn, wordt in artikel 5
A. n°. 5 een derde vrijheidsstraf, het verzwaard
arrest, ouk voor hen ingevoerd, blijkens artikel 24 met
facultatieve inhouding van de halve soldij gedurende
den straftijd. Vooral op groote schepen is wel eene ge-
schikte plaats voor het ondergaan van die straf aan
te wijzen, en, gelijk reeds straks werd gezegd, eene
ruime keuze van krijgstuchtelijke straffen verdient,
waar zij kan gegeven worden, alle aanbeveling. Die
invoering is bovendien van belang met het oog op de
schepelingen die reeds nu aan den wal gehuisvest zijn,
of die later wellicht gekazerneerd zullen worden.
63. Het streng arrest en het tegenwoordig pro-
voostarrest komen geheel met elkander overeen.
7°. Ten aanzien van de verlaging in klasse
kan worden verwezen naar de aanteekening bij de ar-
tikelen 15 en 16.
8°. De plaatsing in eene tuchtklasse wordt
een veel ernstiger straf dan de tegenwoordige plaatsing
in eene strafklasse. Men vergelijke de aanteekening bij
artikel 17.
h) ten aanzien van de mindere militairen der landmacht:
1°. Voor de redenen die pleiten vóór de invoering
der berisping als lichtste straf, ook voor de min-
dere militairen der landmacht, kan weder worden ver-
wezen naar hetgeen dienaangaande in de algemeene
beschouwingen over deze ^ is gezegd; en voor de rede-
nen waarom het stadsarrest vervalt, naar de daarover
-ocr page 25-
17
ten aanzien van de onderofficieren der landmacht, bij
artikel 4, sub b) 1° voorkomende opmerking.
Ook van de in artikel 30 van het Reglement van
Krijgstucht voor het krijgsvolk te L»nde vermelde straf-
wachten maakt het ontwerp niet langer gewag. Deze
straf wordt reeds sedert geruimen tijd niet meer toe-
gepast. (Vgl. art. 190 ltegl. van den Inw. Dienst der
Infanterie, — art. 221 — Cavalerie.) Ze thans weder
in te voeren, verdient geene aanbeveling. Door de be-
trekkelijk weinige vrije nachten die de manschappen
hebben, zou de toepassing van de strafwachten dikwerf
niet kunnen plaats hebben, zonder dat zij schadelijk
voor hunne gezondheid zou worden.
De thans reeds in onbruik geraakte werktoeren
in de chambrée en in het kwartier of in de stad worden
in het ontwerp evenmin vermeld. In den regel zijn de
manschappen door hunne gewone corveeën, enz. in hun
vrijen tijd reeds zoodanig verkort, dat het niet wen-
schelijk noch doelmatig schijnt, hen nog met buiten-
gewone werktoeren als straf te belasten.
Wel is overwogen of niet als nieuwe straf zou wor-
den voorgesteld de verplichting om gedurende ettelijke
malen op het middagappel in eene bepaalde kleeding
en uitrusting te verschijnen \'). De thans ter zake van
onzindelijkheid op kleeding of uitrusting opgelegde
straffen zijn namelijk niet altoos doeltreffend te achten,
zoodat daaraan niet bepaaldelijk het reinigen van de
onzindelijke voorwerpen verbonden is. Door de toepas-
sing van den bovenbedoelden maatregel is de gestrafte
wel degelijk daartoe verplicht, wil hij zich niet aan
vele straffen blootstellen, en het zal onmiddellijk blij-
ken , indien hij in zijne tekortkoming volhardt.
Ter bereiking van het beoogde doel is het evenwel
niet noodig de vermelde verplichting tot eene straf
te maken; want die en dergelijke maatregelen zijn
zonder twijfel te beschouwen als diensten, die te
allen tijde door den meerdere kunnen worden gelast,
ook al zijn ze in geene wet uitdrukkelijk vermeld.
2°. De strafdienst, blijkens artikel 7 gelijk aan
het tegenwoordige strafexerceeren, thans als krijgs-
tuchtelijke straf veel gebruikelijk, dient als zoodanig
behouden te blijven. De naam is veranderd, omdat
onder de zeemacht, wegens de daarbij vereischte rege-
ling dezer straf, een ruimere uitdrukking dan „straf-
exerceeren" noodig is.
Ten minste 1 en ten hoogste 2 uur per
dag. Zie in de aanteekening bij artikel 4, sub a) 2°.
8°. Ten aanzien van de verplichting om vóór
het avondappel in de kazerne of het kwar-
tier terug te k e e r e n, zie in de aanteekening op
artikel 4 sub a) 3°.
4°. Over het licht arrest vergelijke men de
aanteekening bij artikel 4, sub 4) 3°.
5°. De vergelijking van het verzwaard arrest
met de straf- of politiekamer geeft aanleiding tot gelijke
opmerkingen als bij artikel 4, sub (/) 4° gemaakt bij
de vergelijking van het verzwaard arrest voor de onder-
officieren der landmacht met het kamerarrest.
6°. Voor het streng arrest vervalt de thans
bij de provooststraf nog facultatief bestaande sluiting
in de boeien. Door de afschaffing van de kromsluiting
in 1879 is al het lichamelijk lijden, dat uit het boeien
voortsproot, verdwenen. Het eenige argument waar-
mede de tegenwoordige sluiting te verdedigen is, is
de daarmede gepaard gaande schande van in ketenen
te zijn geklonken. Doch daar de maatregel alleen bij de
provooststraf wordt, en natuurlijk ook alleen bij de
strengste arreststraf zou kunnen worden toegepast, komt
de gestrafte in dien toestand onder nagenoeg niemands
1) Oostenrijk, punt 857 C, 2, d).
-ocr page 26-
L8
oogen, en valt alzoo ook dat argument, en daarmede
alle reden van bestaan dezer at rat verscherping weg.
Veel krachtiger werkt de ook bij het ontwerp in stand
gehouden verscherping der straf door vermindering van
kost, en de inhouding der soldij, die, tot nu toe
slechts administratief geregeld, thans een wettigen grond-
slag zal verkrijgen.
Over het verbod om buiten dienst wapenen te dra-
gen, hetwelk als bijkomende straf almede aan het
streng arrest verbonden kan worden, zal bij de toe-
lichting van artikel 26 worden gesproken.
Op het vervallen van het cachot ot gat werd hier-
boven reeds gewezen.
7°. Dat de verlaging in klasse ook voor de
daarvoor vatbare militairen der landmacht eene nuttige
werking kan hebben, wordt door hare opneming als
bijkomende straf in het Wetboek van Militair Strafrecht
erkend. Ook als krijgstuchtelijke straf verdient zij voor
hen alle aanbeveling.
8°. De p 1 aa t sing in eene tucht klasse zal,
wat hare uitvoering betreft, over het algemeen overeen
kunnen komen met de thans bestaande plaatsing in eene
afzonderlijke of tweede klasse.
Ar». «. De wenschelijkheid der invoering van de
berisping als lichtste krijgstuchtelijke straf voor offi-
cieren . onderofficieren en mindere militairen is reeds in
de algemeene beschouwingen over deze § besproken.
Hier mogen nog enkele opmerkingen volgen betretfende
de wijze van tenuitvoerlegging van deze straf.
Zij zal volgens het ontwerp, in overeenstemming met
hetgeen dienaangaande bepaald is in artikel 3 der wet
van 14 November 1879, 8tbl. n°. 194, mondeling
of se li rif t el ij k kunnen geschieden, al naar gelang
de strafoplegger dit in de gegeven omstandigheden
wenschelijk acht. Bij officieren zal schriftelijke berisping
zeker veel meer kunnen voorkomen dan bij onderoffi-
cieren of mindere militairen; ten aanzien van deze
laatst en zal zij waarschijnlijk zelfs tot de groote uitzon-
deringen blijven behooren.
De berisping van den officier zal steeds door den
strafoplegger zelven moeten geschieden. Daarentegen
zal deze aan een onder zijn bevel staanden officier of
onderofficier, zoo noodig, kunnen opdragen, een on-
derofficier of mindere militair van zijnentwege eene
mondelinge berisping toe te dienen.
De mondelinge berisping zal op tweeerlei wijze kun-
nen geschieden: óf zonder inachtneming van bijzondere
vormen, dus bij voorkeur op het bureel of het dage-
lijksch rapport of op tijd van parade, zóó dat het pres-
tige van den gestrafte zoo weinig mogelijk wordt ge-
knakt . óf na bijroeping en ten aanhooren van een
of meer andere militairen, die echter natuurlijk niet
zullen mogen zijn van lageren rang en, voor zooveel
den officier betreft, bovendien niet van minderen ouder-
dom in rang dan de gestrafte. Deze laatste wijze bij
de tenuitvoerlegging der straf te volgen kan wensche-
lijk zijn , zoowel om haar een bijzonder ernstig en plech-
tig karakter te doen dragen, alsook om te voorkomen
dat de gestrafte onjuiste verhalen daarover aan anderen
opdischt, of om den persoon, tegen wien het vergrijp
gepleegd is, daardoor een zekere voldoening te geven.
Het slot van het artikel strekt, om de mogelijkheid
open te laten tot het maken van gewone aanmerkingen of
het geven van terechtwijzingen, hetgeen in den dienst zelfs
ten aanhooren van inferieuren dikwijls onvermijdelijk is.
Art. 7. De strafdienst werd hierboven, in de
aanteekeningen op artikel 4, sub a) 2° en op artikel
5, evenzeer sub a) 2° reeds besproken.
Hier zij alleen nog opgemerkt:
-ocr page 27-
19
1°. dat, blijkens de in het artikel gegeven om schrij-
ving, de strafdienst bij de landmacht uitsluitend be-
staat in strafexerceeren, terwijl bij de zeemacbt aan de
onderofficieren en, zoo noodig, ook aan de mindere mili-
tairen alle zoodanige dienst als strafdienst kan worden
opgelegd, die overeenkomt met den rang of stand en
de betrekking van den gestrafte. Andere werkzaamheden
dan die welke hem ook als gewone dienst werkzaam-
heden kunnen worden opgedragen, mogen hem alzoo
niet worden opgelegd. Volgens artikel 6 jet. 2 der Wet
van 14 November 1879, Stbl. n°. 194, zou men strikt
genomen ook den onderofficier kunnen doen strafschil-
deren, hetgeen natuurlijk zeer ongepast zou zijn.
Op de bezwaren die verbonden zijn aan het doen
kommandeeren van het strafpeloton door een met straf-
dienst gestraften onderofficier, is hierboven (bl. 13)
gewezen. Desniettemin wordt die wijze van uitvoering
dezer straf voor den onderofficier der zeemacht voor-
gesteld , vooral met het oog op kleine schepen, op
welke het aantal onderofficieren die daarmede belaat
kunnen worden, zeer gering is, zoodat zij steeds een
drukken dienst hebben. Indien nu de wet niet toeliet,
de mindere schepelingen die moeten strafexerceeren,
te stellen onder het kommando van de met strafdienst
gestrafte onderofficieren, dan zouden natuurlijk de
nietgestrafte onderofficieren daarmede moeten worden
belast. Zoodanige niet volstrekt noodzakelijke verzwa-
ring van dienst moet, zoo mogelijk , vermeden worden.
2°. dat de uitdrukking onder de rusttijden
uit gemeld artikel 6 is vervangen door: ten t ij d e
dat de gestrafte anders geen dienst zou
heb 1)ben te verrichten. Deze laatste uitdrukking
is ruimer en daarom l>eter. Bij de toepassing der straf
zal men nu niet langer gebonden zijn aan de bij de
voorschriften voor de rusttijden aangewezen uren; zij
kan nu bijv. ook in den loop van den avond worden
toegepast.
Art. 8. Alleen ten aanzien van de uitdrukkingen,
gebezigd ter aanduiding van de plaats waar de met
licht arrest gestrafte militair zijne straf zal moe-
ten ondergaan, behoeft dit artikel eenige toelichting.
ff) 1°. W o o n v e r b 1 ij f. Door woonverblijf wordt
verstaan de woning, het gebouw, of het gedeelte van
het gebouw of van de inrichting, die of dat den gestrafte
tot zijne gewone verblijfplaats dient en waar hij zijn
nachtverblijf heeft, alzoo de door den officier bewoonde
kamer of kamers, het door hem bewoonde huis met
eventueel daarbij behoorenden tuin of erf, het vertrek
of de vertrekken die aan sommige bij eene inrichting
(bijv. de Koninklijke Militaire Akademie) gedetacheerde
officieren voor hun particulier gebruik ter bewoning
worden aangewezen, enz.
a) 2°. D e voor z ij n gewoon verblijf be-
stemde localiteit. Hierdoor wordt, gelijk uit
de tegenstelling met artikel 10 a) 2° blijkt, niet enkel
de door den officier aan boord van een oorlogsvaartuig
bewoonde hut, maar ook de zoogenaamde „longroom"
of, voor de adelborsten der le klasse, de „voorlong-
room" verstaan.
In de algemeene beschouwingen over deze § is reeds
aangewezen, dat het licht arrest voor den officier aan
boord van een oorlogsvaartuig het voor hem thans be-
staande hut arrest met waarneming van dienst ver-
vangt. Deze laatste straf geeft in de uitvoering niet
zelden aanleiding tot moeilijkheden en tot allerlei on-
zekerheid. Vooreerst is bezwaarlijk te controleeren, of
de gestrafte zich niet op ongeoorloofde tijdstippen bui-
ten de hut begeeft, terwijl hij bovendien van daar
voortdurend kan verkeeren met de niet gestrafte offi-
cieren , die zich in de longroom bevinden. Daarenboven
-ocr page 28-
yo
wordt het nuttigen van de verschillende maaltijden als
dienst beschouwd; doch nergens is uitgemaakt, hoeveel
tijd daaraan besteed mag worden. Op grond van deze
praktische bezwaren is het verkieslijk, den met licht
arrest gestraften officier het verblijf ook in de longroom
toe te staan. Wel is waar zal hiervan het gevolg zijn,
dat de aan boord met licht arrest gestrafte officieren
der zeemacht wel omgang met andere zullen kunnen
plegen, terwijl de officieren der landmacht dit voor-
deel missen. Doch hiertegenover staat, dat de door
de laat sten bewoonde verblijven veel ruimer en luch-
tiger zijn dan de hutten aan boord.
fj) 1°. De kazerne of het kwartier. Dat
de met de lichtste arreststraf gestrafte militair ook op
de eventueel bij de kazerne behoorende binnenplaats
mag vertoeven, is nooit l>et\\vijfeld, en behoeft ook thans
niet uitdrukkelijk in de wet te worden erkend.
W o o n v e r b 1 ij f. Zie sub tt) 1° hierboven.
b) 2°. H e t s c h i p. Vermits de met licht arrest
gestrafte onderofficier of mindere militair, die de straf
van licht arrest aan boord van een oorlogsvaartuig
ondergaat, zich over het geheele schip mag bewegen,
zal hun op een varend schip deze straf wel nimmer
worden opgelegd. Is echter het vaartuig op reis in eene
haven binnengeloopen, dan zal de werking dezer straf
duchtig worden gevoeld en zal zij dus ook meer wor-
den toegepast. Wel is waar kan liet hoofdeffect van deze
straf even goed worden f>ereikt, door den schepeling
te verbieden naar den wal te gaan. Immers, het gaan
naar den wal is voor allen, voor de officieren zoowel
als voor de overige bemanning, steeds als eene gunst,
nimmer als een recht te beschouwen. Maar tusschen
het onthouden van die gunst en het opleggen van licht
arrest blijft ook onder die omstandigheden nog meer
dan één punt van verschil bestaan: vooreerst dat het
licht arrest in het strafregister moet worden ingeschre-
ven , de onthouding van de vergunning om naar den
wal te gaan, niet; — ten tweede dat aan licht arrest
inhouding van een vierde gedeelte der soldij kan wor-
den verbonden; — eindelijk dat de gestrafte geene
bezoeken mag ontvangen.
Voorlaatste lid. Deze bepaling betreft vooreerst
de op wachtschepen of andere vaartuigen binnengaats
geplaatste officieren der zeemacht, aan wie het in den
regel vergund is, wanneer de dienst hunne aanwezig-
heid aan boord niet vordert, des nachts hunne woning
aan den wal te betrekken. Ook de onderofficier der
zeemacht, geplaatst aan boord van een aan den wal
liggend oorlogsvaartuig, wien verlof wordt gegeven
des nachts in den regel aan den wal te verblijven, zal
niet kunnen beweren, dat hij een woonverblijf aan land
heeft en derhalve aldaar het hem opgelegde licht ar-
rest zal hebben te ondergaan. De hier bedoelde per-
sonen moeten hunne straf aan Ixwrd van hun bodem
ondergaan en het bovenbedoelde, hun gegeven verlof
is gedurende den straftijd van rechtswege vervallen.
Art. 9. Het verzwaard arrest wordt door den
onderofficier te land ondergaan in eene onderofficierska-
mer of in het vertrek hem tot het verrichten zijner
administratieve werkzaamheden aangewezen, en, indien
hij korporaal is, in een der vertrekken, bewoond door
de escouade waartoe hij behoort, of, wanneer hij tot
geene escouade behoort, in een hem aan te wijzen
vertrek. Het komt derhalve, gelijk reeds hierboven is
opgemerkt, voor hem overeen mot het thans bestaande
kamerarrest.
De politiekamer voor de onderofficieren der landmacht
kan vervallen. Werd zij behouden, dan zouden voor
die onderofficieren vier —, voor de mindere militairen
slechts drie soorten van arreststraf bestaan, en voor
-ocr page 29-
ai
dit verschil zou geen reden zijn aan te voeren. Boven-
dien is het wenschelijk, het verzwaard arrest door hen
te doen ondergaan in hunne chambrée, en niet in een
afzonderlijk straflokaal, omdat hun hooger zedelijk ge-
halte en hun meer ontwikkeld plichtbesef het niet
noodzakelijk maken, hen reeds bij het ondergaan van
deze tweede soort van vrijheidsstraf op te sluiten.
Voor zoover de mindere militairen der landmacht
betreft, gelden deze beweegredenen niet. Kon te hun-
nen aanzien de richting van den tegenwoordigen tijd
vrijelijk worden gevolgd, dan zou het wellicht zelfs
overweging verdienen, of niet reeds het verzwaard
arrest door hen in afzondering zou moeten worden
ondergaan *). Hiertegen bestaan evenwel twee bezwaren.
Vooreerst zouden dan, door den noodzakelij ken aanbouw
van een niet onaanzienlijk aantal cellen, de kosten,
die de nieuwe regeling der krijgstuchtelijke stratfen
ten gevolge zal hebben, beduidend vermeerderen. Ten
andere zou dan het hoofdverschil tusschen het verzwaard
en het streng arrest wegvallen, hetgeen niet wensche-
lijk geacht wordt.
Ten einde echter de met gemeenschappelijke opslui-
ting gepaard gaande bezwaren althans gedeeltelijk uit
den weg te ruimen, wordt bij het ontwerp de nach-
telijke afzondering aangenomen. Deze zal kunnen ge-
schieden door algemeene invoering van het stelsel van
„alcoves", zooals in artikel 5 van het Koninklijk Be-
sluit van 31 Augustus 1886, Stbl. n°. 159, zijn
bedoeld.
De bepaling dat ook aan de mindere militairen aan
boord van een oorlogsvaartuig een verzwaard arrest
zal kunnen worden opgelegd, en dat dit zal worden
ondergaan op de door den kommandeerenden officier
aan te wijzen plaats, is nieuw. Van welken aard die
plaats zal zijn, hangt geheel af van de inrichting van
het vaartuig. Vooral op groote schepen zal lichtelijk
eene daartoe geschikte plaats te vinden zijn, afgezon-
derd van de plaats waar, bij gebrek aan cellen, het
streng arrest zal moeten worden ondergaan. Daar de
keuze van die plaatsen geheel afhankelijk is van de
inrichting der schepen, kunnen zij niet bij de wet
worden aangewezen. Ter bevordering van de gelijkheid
in de toepassing is het echter wenschelijk, dat deze
zaak, zij \'t dan ook in grove trekken, bij voorschrif-
ten wordt geregeld.
Het slot van het artikel dient, om de thans voor
de onderofficieren aan boord bestaande straf van hut-
arrest met of zonder waarneming van dienst te
handhaven. Voor de zeemacht moet de mogelijkheid
van die combinatie blijven bestaan. Aan een verzwaard
arrest zonder waarneming van dienst wordt echter
voor de landmacht geene behoefte gevoeld.
Art. ÏO. Streng arrest. — a) Voor den officier
verschillen het licht en het streng arrest alleen hierin
van elkander, dat bij het laatste de gestrafte is uit-
gesloten van het verrichten van dienst, en dat aan
boord het streng arrest door hem die eene hut be-
woont, daarin moet worden ondergaan. De bezwaren
tegen dit laatste, waarop straks bij de bespreking van
l) Dit is in Duitschland het geval. Behalve het Kasernea- oder
Quartier-Arrest (dus overeenkomende met het licht arrest van het
ontwerp), bestaan aldaar drie soorten van arrest: „der gelinde,
der mittlere und der strenge Arrest", die alle drie in afzondering
worden ondergaan. De maximum-duur der straffen daargelaten,
ligt het verschil tusschen deze drie arreststratfen alleen hierin,
dat bij het „mittlere Arrest" do veroordeelde slechts eene houten
brits als legerstede en sterk verminderde voeding erlangt, terwijl
voor het „strenge Arrest" nog daarbij komt, dat do straf in eene
donkere cel wordt ondergaan. Veeleer heeft men hier dus te doen
met et -ui! strafsoort met verscherpingen, dan met drie verschillende
soorten van straf.
-ocr page 30-
22
het licht arrest werd gewezen, doen zich bij de hier
behandelde gestrengere straf minder gevoelen, dewijl
het gelukkig eene zeer groote uitzondering is, indien
zij moet worden opgelegd.
Ook voor het nuttigen der maaltijden, dat —gelijk
hierboven is opgemerkt — aan boord als dienst is te
beschouwen, mag de aan boord met streng arrest ge-
strafte officier zijne hut niet verlaten.
b) Door den onderofficier en den minderen militair zal
het streng arrest in afzonderlijke opsluiting moeten
worden ondergaan. Ter uitvoering van dit voorschrift
zullen vermoedelijk op meerdere plaatsen ettelijke voor
het doel geschikte cellen moeten worden bijgebouwd;
want de thans in de kazernen bestaande gelegenheden
laten hier en daar veel te wenschen over, en er valt
natuurlijk niet aan te denken, deze militaire discipli-
naire straf in eene strafgevangenis te doen ondergaan.
De voor dien bouw te maken onkosten zullen echter
wèl besteed zijn, vermits het op die wijze mogelijk
zal wezen, den zedelijk ontwikkelden jongen militair
te behoeden voor de gevaren, die noodwendig zijn ver-
bonden aan een verplicht voortdurend, soms vrij lang-
durig samenzijn in één lokaal uitsluitend met gestrafte
militairen van veel lager zedelijk gehalte.
Ook door hen die aan boord van een
oorlogsvaartuig zijn ingescheept, bij
voorkeur aan den wal. Aan tenuitvoerlegging
van het streng arrest in eene cel aan den wal wordt
de voorkeur gegeven boven tenuitvoerlegging in eene
cel aan boord, omdat op de eerstbedoelde wijze de straf
veel gelijkmatiger werkt. Tusschen de cellen aan boord
van de verschillende schepen bestaat meermalen een
vrij groot onderscheid. Bovendien zijn de cellen aan
den wal over het algemeen ruimer, minder benauwd,
beter ingericht en gezinder, dan die aan boord der
oorlogsvaartuigen.
AVanneer aan boord van een oorlogsvaartuig geene
cel beschikbaar is, om het streng arrest ten uitvoer
te leggen, zal, indien de gestrafte geen hutsgast is,
de plaats waar de straf moet worden ondergaan, door
den kommandeerenden officier overeenkomstig de dien-
aangaande te geven voorschriften \') moeten worden
aangewezen. Men zal daarbij indachtig moeten zijn,
dat eenerzijds het verblijf aldaar, zoo mogelijk, onaan-
genamer moet zijn, dan op de door hem voor het
verzwaard arrest aangewezen plaats; aan den anderen
kant zal men ook bij de aanwijzing van de plaats
waar de met streng arrest gestrafte zal hebben te ver-
blijven , met humaniteit moeten te werk gaan. Zoo
zullen, bij voorbeeld, hier en daar de koebrug wèl,
daarentegen nauwe of grootendeels gevulde kolenruimen
of liet galjoen daarvoor niet kunnen worden aangewezen.
Op de Engelsche schepen kan het „solitary confine-
ment", bij gemis aan eene cel, ook worden ondergaan
onder „a canvas screen". Deze wijze van tenuitvoer-
legging verdient onder zekere omstandigheden alle aan-
beveling.
Dat het bepaald noodzakelijk is, voor de toepassing
van het streng arrest buiten de cel de boeien te be-
houden , heeft de ondervinding geleerd. Zonder de
boeien zou de straf voor menig ongevoelig en ruw
zeeman zeker niet streng genoeg zijn, te meer daar
hij op vele schepen niet behoorlijk van de andere equi-
page afgezonderd zal kunnen worden gehouden. Te dezen
opzichte brengt de bepaling dat de handen op den rug
geboeid zullen worden, zelfs eenige verscherping. Was
de vroegere kromsluiting eene al te wreede straf, aan
den anderen kant is in de praktijk gebleken, dat de
thans in de Justitiëele Voorschriften vermelde sluiting
1) Zie in het voorlaatste lid der aanteekeuing op artikel 9.
-ocr page 31-
23
der handen vóór het lichaam de straf geen voldoend
zwaar karakter doet dragen \').
Laatste lid. Buiten de localiteit, waarin
hij de straf ondergaat. Dat de met streng arrest
gestraften worden uitgesloten van het verrichten van
hun gewonen dienst, heeft, natuurlijk niet ten doel,
hun hunnen tijd in ledigheid te doen doorbrengen,
doch hen van alle verkeer met hunne kameraden uit
te sluiten. Tot, het verrichten van werk dat in de cel
kan worden gedaan, kunnen zij echter zeer gevoegelijk
worden verplicht; ook het rein houden der cel kan
hun worden opgedragen.
Over het aanwenden van preventieve dwangmiddelen
tegen de met streng arrest gestraften en tegen de
voorloopig gearresteerden (bijv. de boeikeltingen, het
dwangbuis, enz.) wordt noch in artikel 1U noch in
artikel 46 gesproken. Dat de toepassing daarvan nood-
zakelijk kan zijn, wanneer de gearresteerde zich hef-
tig en voortdurend verzet of alles wat onder zijn be-
reik is, stuk slaat, ligt voor de hand. Daar deze mid-
delen van veiligheid en bedwang echter blootelijk als
politiemaatregelen en niet als straf worden toegepast,
behoeft daarvan in deze wet geen gewag te worden
gemaakt, gelijk zij dan ook in de gemeene strafwet-
geving met stilzwijgen zijn voorbijgegaan 8).
Art. io\'. Wanneer een detachement militairen met
een vaartuig, dat geen oorlogsvaartuig is, wordt overge-
voerd, zal de gelegenheid moeten bestaan, ook aldaar de
opgelegde arreststraffen ten uitvoer te leggen. Natuurlijk
kunnen de daarvoor te bestemmen plaatsen niet bij de
wet worden aangewezen, vermits de keuze daarvan ge-
heel afhankelijk zal zijn van de inrichting van bet
schip. Al wat de wet doen kan. is, den strafoplegger
voorschrijven, dat hij zich bij de aanwijzing der plaats
zooveel mogelijk gedrage naar de regelen, die voor
de tenuitvoerlegging van arreststraffen aan boord der
oorlogsvaartuigen gelden.
Art. 11. De bepaling is in overeenstemming met
het tweede lid van artikel 10, het eerste lid van arti-
kel 18 en het derde lid van artikel 2\'ó van het Wet-
boek van Strafrecht.
Ar«. 12. Het artikel heeft betrekking op elke arrest-
straf, zoowel op die welke in afzonderlijke, daarvoor
al dan niet uitsluitend bestemde localiteiten, als op die
welke in de woonverblijven, in de kazerne of op het
schip moeten worden ondergaan.
De gestraften mogen de plaats waar zij hunne straf
hebben te ondergaan, buiten dienst niet eigendun-
kelijk verlaten. Ontvangen zij echter daartoe den
last, dan zijn zij verplicht aan dit, evenals aan ieder
ander dienstbevel te gehoorzamen. De hier gebezigde
uitdrukking laat derhalve de gelegenheid open, om
den gestrafte, indien dit voor zijne gezondheid wen-
schelijk is, beweging in de open lucht te doen nemen.
Zelfs bij bestraffing met streng arrest zal dit echter
dikwerf niet noodig zijn. Hoe het zoogenaamde „luch-
ten" moet geschieden, hangt af van de omstandigheden.
De cellen aan den wal kunnen in den regel voldoende
gelucht worden door het openzetten der deur, voor
welke alsdan een schildwacht geplaatst wordt. Aan
boord evenwel zou dit niet altoos voldoende zijn, en
zal de gestrafte somtijds aan dek gebracht moeten
worden. Men zal zich hierbij moeten regelen naar de
1)   Verord. voor de Kon. Ned. Zeemacht, III, XI, art. 130.
2)   Vgl. Smidt, Swh., IV, blz. 621, 623 en 609 (aan liet slot
der redevoering van Mr. Kist.)
-ocr page 32-
L\'4
grootte van het schip, naar de weersgesteldheid, enz.
Vaste voorschriften dienaangaande zijn niet te geven.
Xaar aanleiding van het thans voor de officieren der
landmacht bestaande kamerarrest met acces zij uitdruk-
kelijk opgemerkt, dat ook het ontvangen van be-
zoeken hij elke arrest straf is verboden. Het toelaten
daarvan geeft somtijds aanleiding tot vroolijke bijeen-
komsten , die aan de straf haar karakter als zoodanig
geheel ontnemen.
De uitdrukking bezoeken te ontvangen moet
in den gewonen, dagelijkschen zin worden opgevat.
Dat hij die zich tot den gestrafte heeft begeven, in
hetzelfde gebouw woont als deze, is niet altoos vol-
doende om aan zoodanige samenkomst het karakter
van bezoek te ontnemen. De met licht of met streng
arrest gestrafte officier of de met licht arrest gestrafte
onderofficier, die zijne met hem wonende vrouw of
kinderen bij zich toelaat, ontvangt geen bezoek. Daar-
entegen wel de met verzwaard arrest gestrafte, geka-
zerneerde onderofficier, die op de door hem bewoonde
onderofficierskamer een zijner collega\'s die in eene
andere kamer tehuis behoort, bij zich ontvangt.
Art. 13. De thans bij de landmacht bestaande can-
tine in de kazerne is ingericht als een uitspannings-
lokaal , men zou kunnen zeggen, als een fatsoenlijk
koffiehuis of eene sociëteit. Het bezoeken van eene
dergelijke inrichting, ook al is zij binnen de kazerne
gelegen, is derhalve kwalijk overeen te brengen met
het begrip van straf.
Art. 14. Het in artikel 27 van het Wetboek van
Strafrecht aangenomen stelsel betreffende de toerekening
der voorloopige verzekerde bewaring op de bij vonnis
uitgesproken straffen wordt hier ten aanzien van het
voorloopig arrest op de disciplinaire arreststraffen toe-
gepast. De voorgestelde bepaling behoeft alzoo te dezer
plaatse geene toelichting. Alleen zij er op gewezen,
dat, daar de opgelegde arreststraf in het conduite-
rapport of straf boek moet worden ingeschreven onder
vermelding van den voor het voorloopig arrest toege-
stanen aftrek, de antecedenten van den militair voortaan
met meer juistheid uit de genoemde bescheiden zullen
kunnen worden beoordeeld, dan indien, gelijk thans som-
tijds geschiedt, daarop wordt vermeld, dat het vergrijp
voldoende door het voorloopig arrest is geboet, zonder
dat tevens wordt aangeteekend, welke straf aan het
vergrijp evenredig is geacht.
Geheel of gedeeltelijk. Men vergelijke de be-
raadslaging in de Tweede Kamer over artikel 27 voor-
meld \').
Artt. ld en 16. Deze artikelen zijn, mutatis mu-
tandis, overgenomen uit de artikelen 15 en 16 van het
ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht. Men zie alzoo
de aanteekeningen op die artikelen in de Memorie van
Toelichting van dat ontwerp.
Hier zij alleen nog opgemerkt, dat bij de zeemacht
de intrinsieke zwaarte van de verlaging in klasse zeer
veel zal afhangen van de wijze harer toepassing. Vaak
gebeurt het namelijk , dat een matroos der eerste klasse ,
die verlaagd is tot matroos der derde klasse, desniettemin
het werk van een matroos der eerste klasse blijft ver-
richten. Hierdoor heeft de straf natuurlijk eene veel
minder gevoelige werking voor den gestrafte. Voor
gelijkmatigheid in de toepassing kan bij de in artikel 76
bedoelde bepalingen worden gezorgd.
Zie ook in de aanteekening op artikel 76.
Art. 18. In de toelichting van artikel 16 van het
1) Smidt, Swb., 1, blz. 320.
-ocr page 33-
35
ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht is er aan her-
innerd, dat volgens artikel 13 der wetten van 1879
de degradatie zonder bepaling van eenigen termijn wordt
uitgesproken, de vermindering in klasse daarentegen,
volgens artikel 16 der wet van 1879, Stbl. n°. 193,
voor een bepaalden tijd, na verloop waarvan de gestrafte
weder in zijne vorige kwaliteit wordt hersteld.
Hetzelfde geldt thans ten aanzien van de krijgstuch-
telijke straffen:
Volgens artikel 8 der Wet van 14 November 1879,
Stbl. n°. 194, en artikel 4 der Wet van denzelfden
datum, Stbl. n°. 192, kan de gedegradeerde bij goed
gedrag weder bevorderd worden, zoodra de komman-
deerende officier den tijd daartoe gekomen acht, en er
zijn dan ook gevallen van zoodanige bevordering, na
degradatie, binnen een uiterst korten termijn (8 dagen)
bekend. Dat de straf op deze wijze vrij wel illusoir
wordt, ligt voor de hand. Voor eene herhaling van
dergelijke niet aanbevelenswaardige wijze van handelen
bestaat bij het stelsel van artikel 16 van het ontwerp
geen gevaar; want geen verstandig kommandant zal
reeds dadelijk bij de verlaging de straf voor een zoo
korten termijn opleggen.
De vermindering in klasse bij de zeemacht wordt
volgens artikel 9 der Wet van 14 Nov. 1879, Stbl.
n°. 194, ook als disciplinaire straf „steeds voor een
bepaalden tijd, niet korter dan eene maand en niet
langer dan een jaar, opgelegd. Na verloop van dien tijd
wordt de gestrafte weder in zijne vorige kwaliteit her-
steld". Om dezelfde reden die is uiteengezet bij de
toelichting van artikel 16 van het ontwerp-Wetboek
van Militair Strafrecht wordt ook voor het krijgs-
tuchtelijk recht met die bepaling gebroken.
Zoowel bij de zeemacht als bij de landmacht moet
derhalve in het vervolg bij de strafoplegging zelve
uitdrukkelijk worden bepaald, voor welken termijn
(bijv. voor 3 maanden, voor 6 maanden, voor een jaar)
de verlaging wordt uitgesproken. Gedurende dien ter-
mijn kan de gestrafte voor geene bevordering of aan-
stelling in eene hoogere klasse in aanmerking komen.
Eerst na afloop van dien termijn vindt hij zich weder
op dezelfde lijn gesteld met ieder ander, voor wien de
mogelijkheid van bevordering of aanstelling in eene
hoogere klasse, bij voldoening aan alle daarvoor gestelde
eischen, openstaat.
Het is wellicht wenschelijk te doen opmerken, dat,
wanneer een verlaagd militair in den loop van den
termijn waarvoor die verlaging is uitgesproken, op-
nieuw wordt verlaagd, de beide termijnen gelijktijdig
zullen loopen. Een matroos der eerste klasse die met
ingang van 1 Januari voor ten minste een jaar is ver-
laagd tot matroos der tweede klasse, en daarna met
ingang van 1 April voor ten minste 3 maanden tot
matroos der derde klasse, zal op 1 Juli weder tot
matroos der tweede en op 1 Januari des volgenden
jaars weder tot matroos der eerste klasse kunnen
worden aangesteld. Het geval behoeft in het militair
strafrecht evenmin eene uitdrukkelijke voorziening, als
de cumulatie van ontzetting van een recht krachtens
het Wetboek van Strafrecht bij opeenvolgende vonnis-
sen. Ook daarbij zal moeten worden aangenomen, dat
de termijnen gelijktijdig loopen. Hij die van heden af
voor een termijn van 5 jaar is ontzet van zeker recht,
en wien over een jaar opnieuw dezelfde straf voor een
termijn van 3 jaar wordt opgelegd, blijft niet gedurende
8, doch slechts gedurende 5 jaren van dat recht ontzet.
Artt. 19 en vlgg. De straf van plaatsing in eene
uchtklasse zal in hoofdzaak overeenkomen met de thans
n artikel 31 van het Reglement van krijgstucht voor
-ocr page 34-
26
het krijgsvolk te Lande vermelde plaatsing in eene af-
zonderlijke of tweede klasse. In twee opzichten verschilt
ze echter van deze:
a). Over de vraag of volgens evengemeld reglement
de plaatsing in de tweede klasse is te beschouwen als
eene straf, dan wel als een buitengewone maatregel
om hen, die voor de krijgstucbtelijke straffen onge-
voelig blijken te zijn, weder tot hun plicht te brengen,
loopen de meeningen uiteen.
Aanvankelijk werd de maatregel, als gevolg van een
doorgaand slecht gedrag, alleen toegepast op manschap-
pen , aan wie binnen den tijd van drie maanden, met in-
achtneming van eene trapsgewijze verzwaring der straffen,
de drie zwaarste disciplinaire straffen moesten worden op-
gelegd. Daar de noodzakelijkheid van uitzonderingen op
dien regel niet te loochenen viel, kon hij ook niet
consequent worden volgehouden. Wanneer liet belang
van den dienst het vorderde, werd de plaatsing van
soldaten in de tweede klasse toegelaten, ook al hadden
zij de evenbedoelde straffen niet, of niet binnen een
zoo kort tijdsverloop ondergaan.
Bovenvermelde opvatting moest noodwendig leiden
tot de gevolgtrekking, dat aan den in de tweede klasse
te plaatsen soldaat wegens het laatste vergrijp, het-
welk bem in de termen deed vallen om daarin te wor-
den geplaatst, eerst eene van de krijgstucbtelijke straf-
fen moest worden opgelegd, en dat eerst dan de beoor-
deeling moest volgen, of hij naar den aangenomen
maatstaf al of niet aan de gestrengere krijgstucht
behoorde te worden onderworpen.
Sedert 1874 wordt de andere opvatting gehuldigd,
en de plaatsing in de tweede klasse als eene straf be-
schouwd , die dan ook als zoodanig in de strafregisters
wordt aangeteekend \').
Aan de onzekerheid moet thans een einde worden
gemaakt. Vermits nu de vroegere handelwijze feitelijk
op hetzelfde neerkwam, alsof den soldaat voor één feit
twee straffen werden opgelegd, hetgeen voorzeker niet
verdedigbaar is, en de maatregel bovendien volkomen
voldoet aan al de voor eene krijgstucbtelijke straf te
stellen vereischten, verdient het de voorkeur, de plaat-
sing in eene tuchtklasse op te nemen onder de krijgs-
tucbtelijke straffen.
//). Hieruit volgt dan tevens, dat die plaatsing niet
meer, gelijk volgens bet tegenwoordige Reglement van
Krijgstucht, voor een onbepaalden tijd moet geschie-
den 2), maar dat de termijn bij de oplegging moet
worden bepaald (art. 18 Ontw.).
Die termijn zal, wegens goed gedrag tijdens het
verblijf in de tuchtklasse, ten gevolge van de toepas-
sing van liet voorwaardelijk ontslag (art. 22 Ontw. jet.
artt. 20 en 21 van het Ontwerp-Wetb. v. Mil. Sr.),
kunnen worden verkort. Maar aan den anderen kant
zal het verblijf van den gestrafte in de tuchtklasse
ook kunnen worden verlengd, wanneer namelijk nieuwe
vergrijpen, door hem aldaar gepleegd, opnieuw de op-
legging dezer straf noodzakelijk maken. Zie art. 20 en
de daarbij behoorende toelichting.
Ook omtrent de vraag, wanneer de tijd is gekomen,
om een soldaat als „onvatbaar voor het gevoel van eer"
te beschouwen en hem in eene afzonderlijke klasse te
plaatsen, heerscht verschil van opvatting. Bij de onder-
scheidene korpsen wordt dienaangaande niet op dezelfde
wijze gehandeld, en ook door de opvolgende Ministers
van Oorlog zijn ten aanzien van dit punt niet zelden
van elkander afwijkende voorschriften uitgevaardigd.
1)   Art. 20 Voorsehr. betr. liet Alg. Dépót van Disc. — Kec.
Mil. B. U. blz. 2076.
2)  „Totdat zij voldoende bewijzen van beterschap zullen hebben
gegeven".
-ocr page 35-
27
De wet kan aan dit verschil van inzicht, zooals het
zich trouwens ook bij de toepassing der strafwetten
door den rechter openbaart, natuurlijk geen einde ma-
ken. Jus in causa positum. Wenschelijk is het evenwel,
dat algemeen worde ingezien, dat de plaatsing in de
tucbtklasse het uiterste middel is om den militair
wegens indisciplinair gedrag tot zijn plicht te brengen,
en dat zij alzoo, een enkel buitengewoon geval uitge-
zonderd , eerst dan behoort te worden toegepast, wan-
neer alle andere minder strenge middelen van correctie
vruchteloos zijn aangewend.
Voor de zeemacht is de plaatsing in de tuchtklasse,
in den zin zooals zij bij het ontwerp wordt bedoeld,
als eene nieuwe straf te beschouwen. De noodzakelijk-
heid om haar als zoodanig op te nemen, dient alzoo
met eenige uitvoerigheid te worden aangetoond.
De belangrijkste vraag die bij de afschaffing van de
lijfstraffen als disciplinaire straf voor de mindere sche-
pelingen te berde kwam, betrof ongetwijfeld de aan-
wijzing van andere tucht middelen te harer vervanging.
De aard der lijfstraffen toch maakte haar in meer dan
één opzicht bijzonder geschikt voor disciplinaire straf:
Hare toepassing eischte slechts zeer weinig tijd; zij
onttrokken hierdoor het volk niet aan den dienst en
verzwaarden niet, gelijk het provoost-(of streng) arrest,
de dienstverplicht ingen van hen die zich goed gedroe-
gen ; zij konden onder nagenoeg alle omstandigheden
en zeer spoedig na het plegen van het vergrijp worden
ten uitvoer gelegd, terwijl de uitvoering van eene zware
krijgstuchtelijke vrijheidsstraf menigmaal, bij gebrek
aan beschikbare localiteit, zeer lang moet worden uit-
gesteld; zij werkten daarenl>oven afschrikkend.
Over de vraag of de vervanging van het oude straffen-
etelsel door dat van 1879 zonder eenige schade voor
de krijgstucht aan boord heeft plaats gevonden , heerscht
verschil van gevoelen. Uit een onderzoek, enkele jaren
geleden ingesteld, is gebleken, dat de discipline inder-
daad , vooral onder de jeugdige schepelingen te wen-
flchen overliet. Werd aan den eenen kant verklaard,
dat. de oorzaak daarvan niet moest worden gezocht in
de afschaffing van de lijfstraffen, doch veeleer in het
gebrek aan waarlijk militairen geest hij vele hoog en
laag geplaatste officieren, — aan het jeugdige kader,—
aan den algemeenen toestand onzer zeemacht , die het
bijeenhouden der equipagiën onmogelijk maakt, en
medebrengt dat een groot deel van het personeel voort-
durend in de koloniën en op kleine vaartuigen dient, —
aan de onmogelijkheid om de van de opleiding afkom-
stige schepelingen zóó te plaatsen als voor hunne ver-
dere vorming het meest wenschelijk moet worden geacht,
—   en eindelijk aan den langen duur der opleiding,
voor een deel het gevolg van de noodzakelijkheid om
hen op te jeugdigen leeftijd in dienst te nemen; —
aan den anderen kant werd met niet minder beslistheid
en met stellige overtuiging beweerd, dat de algeheele
afschaffing der lijfstraffen noodlottig is geweest voor de
handhaving der krijgstucht bij de zeemacht. Daardoor,
—    zoo werd betoogd, — is den kommandeerenden
officieren een strafmiddel uit de hand genomen, dat
meer dan andere middelen preventief werkte en daar-
door in den laatsten tijd vóór 1879 slechts weinig in
toepassing behoefde te worden gebracht. De lijfstraffen
werden van die zijde beschouwd als een strafmiddel,
dat, vooral voor jongere schepelingen geschikt, hen
beter op den rechten weg hield, dan de daarvoor in
de plaats gestelde straffen, die dikwijls een verhit te-
renden invloed op het moreel van jonge menschen
oefenen, en, vooral met het oog op dein Indië veelvul-
dig voorkomende gevallen van insubordinatie, werd de
wensch geuit, dat aan de kommandeerende officieren
-ocr page 36-
2*3
de bevoegdheid ware gelaten, om de in de straf klasse
geplaatsten aan den lijve te straffen, of dat die cate-
gorie van personen aan boord van een bepaald schip
werd geplaatst, alwaar de lijfstraffen op hen mochten
worden toegepast.
Aan sommige van de hierboven opgenoemde gebre-
ken , die de gevolgen zijn van den bijzonderen toestand
waarin onze zeemacht verkeert, valt niet zoo dadelijk
iets te veranderen of te verhelpen; gaandeweg moet
daarin verbetering komen. Maar zeker is het, dateene
wijziging van of verandering in het straffenstelsel die
gebreken niet kan opheffen. Andere daarvan zullen
meer en meer verdwijnen, naar gelang bij de beman-
ning van \'s lands vloot de overtuiging veld wint, dat
een goede krijgstucht alleen daar kan bestaan, waar
ieder officier, onderofficier en mindere genoeg gevoel
van eer en plicht heeft, om de hem opgedragen taak
naar zijn beste weten en met ijver en toewijding te
verrichten. Doch hoe die gevoelens zich ook mogen
verbreiden, het is wel niet te verwachten, dat ooit
alle schepelingen daarmede bezield zullen zijn. De
strijd tegen onverschilligheid, tegen langzaamheid en
loomheid in de uitvoering van gegeven bevelen, tegen
onwil, tegen lijdelijk verzet zal wel nimmer uitgestre-
den zijn. En of nu de militaire autoriteit uit liet thans
bestaande straffenstelsel altoos eene voldoende keuze
van wapenen voor dien strijd kan doen, dit valt wel
degelijk te betwijfelen. Reeds meermalen is gebleken,
hoe wenschelijk, ja hoe noodzakelijk het is, dat de
mogelijkheid bestond om op de mindere schepelingen
meer werkzame tuchtmiddelen toe te passen. De ver-
laging toch, eene straf die uitnemend werkt, kan bij
de matrozen der derde klasse en bij de lichtmatrozen, —
juist de categoriën waarbij het meest gestraft moet
worden —, niet worden toegepast; arreststraffen laten
hen veeltijds onverschillig; en zoo moet thans menig
schepeling die, na eene goede en kostbare opleiding
te hebben genoten, den lande nagenoeg geen dienst
heeft gepraesteerd, veeleer, door den noodlottigen in-
vloed dien hij op zijne kameraden geoefend heeft, den
Staat belangrijk nadeel heeft berokkend, met een
briefje van ontslag worden weggezonden, terwijl hij
in of door het vooruitzicht van eene meer gevoelige
en gestrenge straf dan hem thans kan worden opge-
legd , waarschijnlijk nog een zeer goed bruikbaar mili-
tair had kunnen worden.
Desniettemin wordt een voorstel tot wederinvoering
van de lijfstraf bij de marine thans niet gedaan. Wel
is waar zou het te voorzien zijn, dat de toepassing
van die straf in enkele gevallen eene goede uitwer-
king zou hebben, en zou zij kunnen worden onder-
worpen aan beperkende bepalingen, die elk misbruik
daarvan onmogelijk zouden maken. Tegenover die waar-
schijnlijke voordeelen staan echter de aan de lijfstraf-
fen verbonden, onmiskenbaar zeer groote nadeelen,
die bij de behandeling der afschaffingswetten van 1879
breedvoerig zijn uiteengezet, en waarop hier alzoo niet
nader behoeft te worden gewezen. Die nadeelen ver-
zetten zich tegen eene wederinvoering, zij \'t dan ook
op zeer bescheiden schaal, zoolang niet alle andere
maatregelen die doeltreffend kunnen zijn, zijn beproefd.
De verwachting nu, dat de invoering der plaatsing in
eene tuchtklasse, zooals bij het ontwerp wordt beoogd,
voor de discipline bij de marine eene alleszins gunstige
werking zal hebben, is niet ongegrond.
Menigen schepeling die zonder de ware ambitie deel
van de zeemacht uitmaakt, is het vrij onverschillig
hoe hij aan boord wordt behandeld. Traag in zijn werk,
blijft hij doof voor alle vermaningen; en, wordt hem
te dier zake eenige vrijheidsstraf opgelegd, hij troost
zich gereedelijk met de gedachte, dat, terwijl hij zijn
-ocr page 37-
29
tijd grootendeels slapende kan doorbrengen, een ander
zijn werk verricht. Slechts aan ééne zaak denkt hij
met opgewektheid, namelijk aan de genoegens van
weinig edelen aard, die hem, nadat hij na afloop der
reis aan wal gekomen of teruggekeerd zal zijn, aldaar
wachten. Alleen daarop heeft hij het oog gevestigd.
Er is alzoo geen beter middel om zoodanige stijf-
hoofdigen en onwilligen in toom te houden en tot hun
plicht te brengen, dan hun bij voortdurend plichtver-
zuim het vooruitzicht op al die gedroomde genietingen
te henemen.
Het middel daartoe werd reeds genoemd: het is de
plaatsing in de tuchtklasse. Niet wanneer de maatregel,
gelijk de strafklasse thans, alleen aan boord werkt.
Dan heeft hij weinig of geen invloed 1). Wel echter,
wanneer de straf zich in haar volle kracht zal doen
gevoelen bij de aankomst in Nederland of in Oost-Indië.
Weet de schepeling, dat voortdurend plichtverzuim
aan boord hem kan komen te staan op eene maanden-
lange onderwerping aan eene ijzeren krijgstucht aan
den wal, op een zeer zwaren dienst en een volledig
gemis van vrijheid, terwijl al zijne kameraden die hun
plicht deden, in genoegens baden, dan is er, voor-
waar , alle kans, dat hij van den nood eene deugd zal
weten te maken en niet in zijn wangedrag zal volharden.
Het spreekt wel van zelf, dat er ook aan boord
gelegenheid moet zijn om de straf van plaatsing inde
tuchtklasse aanvankelijk te doen ondergaan. Maar men
late den gestrafte daar niet langer dan noodig is, en
zende hem zoo spoedig mogelijk naar de daarvoor be-
stemde inrichting. Met het oog hierop zal het later
waarschijnlijk wel wenschelijk blijken. dat de straf
zoowel hier te lande als in Indië zal kunnen worden
ondergaan. Voorloopig echter zal bij wijze van proef-
neming de tuchtklasse voor de zeemacht naast die voor
de landmacht te Vlissingen geplaatst kunnen worden.
Ten einde de uitvoerende macht in dit opzicht niet te
binden , maar haar in staat te stellen , deze aangelegen-
heid naar de gebleken behoeften te regelen, bepaalt,
artikel 17 dat de straf zal worden ondergaan in eene
of meer daarvoor bestemde inrichtingen.
Ook de mogelijkheid om te eeniger tijd een of twee
vaartuigen tot strafschepen te bestemmen, is hierdoor
derhalve opengelaten.
Dat werkelijk de tuchtklasse een afschrikkend ka-
rakter heeft; dat menige weerbarstige natuur aldaar
tot onderwerping kan worden gebracht; dat menig
militair door een verblijf aldaar voor de krijgsmacht
behouden blijft, heeft de ondervinding bij de landmacht
bewezen. Voor de zeemacht is de zaak nieuw; maar
er is geen enkele reden denkbaar, Avaarom zij voor
het eene deel der krijgsmacht gunstig zou werken, en
voor het andere niet.
Al wat over de strafklasse voor de zeemacht in de
stukken betreffende het ontwerp-Wetboek van Militair
Strafrecht is gezegd, geldt evenzeer voor de tucht-
klasse. Van hare invoering worden voor de discipline
bij de marine de beste vruchten verwacht, want de
behoefte aan eene straf van meer intensieve zwaarte
dan de thans bestaande, die zich na het wegvallen der
lijfstraffen maar al te dikwijls heeft doen gevoelen, zal
waarschijnlijk door de invoering van deze nieuwe straf
bevredigd zijn.
Art. 18. De in de toelichting van artikel 18 van
het ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht aangevoerde
reden, waarom voor de plaatsing in de strafklasse een
betrekkelijk langdurige minimum-termijn moest worden
bepaald, geldt evenzeer voor de plaatsing in de tucht-
1) Ook heeft hij dan het nadeel, dat de toepassing op de groote
schepen eene geheel andere is dan op de kleine.
-ocr page 38-
:$o
klasse. Een maximum van één jaar wordt voor deze
krijgstuchtelijke straf voldoende geacht.
Art. 1*. Volgens het slot van artikel 18 gaat de
straf van plaatsing in de tuchtklasse in, onmiddellijk
nadat zij is opgelegd.
Wordt de straf aan boord van een varend schip
opgelegd, dan is natuurlijk de overbrenging van den
gestrafte naar de voor de uitvoering daarvan bestemde
inrichting feitelijk onmogelijk. Hij ondergaat dan zijne
straf aanvankelijk aan boord. Het spreekt van zelf,
dat bij dan aldaar in arrest gehouden moet worden,
totdat hij kan worden overgebracht. Werd hem de
vrijheid gegeven, het schip, bij voorbeeld wanneer het
op reis eene haven aandoet, te verlaten, dan zou hij
zich meer dan waarschijnlijk wel aan de uitvoering
der straf die hem wacht, trachten te onttrekken.
Maar ook wanneer de straf aan een militair aan
den wal wordt opgelegd, bestaan er bezwaren tegen
de onmiddellijke overbrenging van den gestrafte, en
wel vooreerst van administratieven aard: zijne kleeding
en uitrusting moeten namelijk in orde gebracht en zijne
komst aangekondigd worden. Daarenboven zou, met
het oog op een eventueel beklag, die overbrenging
toch niet terstond mogen plaats hebben. Ook voor hem
moet dus de bepaling gelden, dat de met plaatsing
in de tuchtklasse gestrafte onmiddellijk na de oplegging
der straf van rechtswege voorloopig in arrest is. Dit
voorschrift dient tevens om te voorkomen, dat de
gestrafte zich middelerwijl aan nieuwe vergrijpen schul-
dig maakt.
In arrest. Met voordacht wordt deze algemeene
uitdrukking gekozen, aangezien het van de omstandig-
heden zal afhangen , of licht arrest, dan wel verzwaard
of\' streng arrest zal moeten worden toegepast. De be-
slissing dienaangaande moet aan den verantwoordelij-
ken kommandeerenden officier worden overgelaten.
Ari. 20. Het ontwerp bevat geene uitdrukkelijke
bepaling aangaande de gevallen waarin de zoogenaamde
„verlenging" van het verblijf in de tuchtklasse is ge-
oorloofd. Ware eenig voorschrift dienaangaande nood-
zakelijk , dan zou het natuurlijk evenzeer betrekking
moeten hebben op den bij vonnis tot plaatsing in de
straf klasse veroordeelden militair, wiens plaatsing in
de tuchtklasse tijdens zijn verblijf in de strafklasse
wordt bevolen, en die alzoo na het uiteinde van de
hem bij vonnis opgelegde straf in de tuchtklasse moet
worden overgebracht.
De omstandigheid dat zoodanige bepaling wel voor-
kwam in bet oorspronkelijk ontwerp van wet tot wij-
ziging van liet Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk
te Lande, uit welk later weder opgenomen wetsontwerp
de Wet van 14 November 1879, Stbl. n° 191, is ont-
staan : — dat in die wet zoodanige bepaling niet voor-
komt : — doch dat desniettemin thans krachtens het
bestaande Voorschrift betrekkelijk het Algemeen Dépót
van Discipline \') het verblijf in de tweede klasse kan
worden verlengd; — en dat deze administratieve l>e-
paling door sommigen wordt gegispt, dit alles maakt
het wenschelijk rekenschap te geven, waarom het tegen-
woordig wetsontwerp de bevoegdheid tot „verlenging"
niet uitdrukkelijk vermeldt.
In hoofdzaak zal het daartoe voldoende zijn, indien
de geschiedenis van deze aangelegenheid wordt nage-
gaan.
Het tweede lid van artikel 13 van bovenbedoeld
oorspronkelijk ontwerp\') luidde:
1)  Ministerioele Boscliikking van 4 Aur. 1881, Kec. Mil. B. U.
blz. 2072, en van 2 Maart 1883, Ree. Mil. B. U. bh. 2254.
2)  Bijlagen 1867—1868, blz. 199.
-ocr page 39-
31
„Na verloop van dien [d. i. den bij het vonnis be-
paalden] tijd wordt hij in de gewone klasse van mili-
tairen teruggebragt, tenzij de kommanderende officier
van het corps, waartoe hij behoort, van oordeel is,
dat de termijn, ter zake van wangedrag in de klasse
van discipline, behoort te worden verlengd".
In de Memorie van Toelichtingy) wordt ten aanzien
van deze bepaling gelezen:
„Daar het zou kunnen gebeuren, dat bij zich in de
klasse van discipline aan zoodanig wangedrag schuldig
maakte, dat de chef van het corps hem te dier zake
krachtens zijne disciplinaire regtsmagt zou kunnen terug-
zenden naar die klasse, zoo behoort aan dien chef de
bevoegdheid te worden gelaten, den termijn te verlen-
gen. Daardoor wordt geen inbreuk gemaakt op de reg-
terlijke beslissing, omdat alleen wangedrag in de
klasse tot verlenging mag leiden: Eene verpligte
terugbrenging in de gewone klasse zou den prikkel tot
verbetering wegnemen en het doel der plaatsing in de
klasse van discipline doen missen".
Aangaande de voormelde bepaling werd door de
Rapport euro der Tweede Kamer in het Voorloopig Ver-
slag 2) gezegd:
„De 2,le alinea van dit artikel houdt eene zeer wille-
keurige bepaling in, die weder in strijd is met het
beginsel van art. 4, dat aan de plaatsing in eene klasse
van discipline het karakter van straf geeft. De kom-
manderende officier zoude door deze bepaling de strek-
king en gevolgen van een regterlijk vonnis kunnen
wijzigen. Dat kan onmogelijk worden toegelaten".
In de Memorie van Beantwoording 3) verdedigde de
Regeering de bepaling in dezer voege:
„De opmerking omtrent het willekeurige der bepa-
ling van de 2<le alinea van artikel 13, berust op een
misverstand. Zoo als reeds in de Memorie van Toe-
lichting is verklaard, en duidelijk in art. 13 is uitge-
drukt , mag de verlenging uitsluitend geschieden op
grond van wangedrag in de klasse van discipline.
Hierdoor wordt het regterlijk vonnis noch gewijzigd,
noch verzwaard, omdat de verlenging nimmer kan zijn
een gevolg van het vonnis of van het misdrijf, waar-
over dat vonnis is gewezen, maar van wangedrag of
vergrijpen, na die veroordeel ing en nji de plaatsing in
de klasse gepleegd".
De tegenstanders der bepaling waren door dit betoog
niet overtuigd. Na hernieuwde indiening van het ont-
werp werd in het, Voorloopig Verslag *) gezegd:
„Op nieuw is er met nadruk op aangedrongen, dat
de 2de alinea van dit, artikel zoude wegvallen. Onder
verwijzing naar het Voorloopig Verslag van 10 Februarij
186Ü, kwam men weder op tegen het denkbeeld om
aan een kommanderenden officier de bevoegdheid tot
wijziging eener regterlijke uitspraak te schenken: een
denkbeeld, dat met de eerste regtsbeginselen in strijd is".
De Regeering hield de juistheid harer zienswijze vol,
doch trok het besproken lid van artikel 13 in op de
navolgende gronden *):
„De bedenking tegen de 2de alinea van dit artikel
is op nieuw herhaald, maar reeds bij de Memorie van
Beantwoording op het vroeger Verslag wederlegd. Hoe
men in de bevoegdheid van den kommanderenden offi-
cier om wegens wangedrag in de klasse van discipline,
dus wegens feiten gepleegd na de veroordeeling, het
verblijf aldaar te verlengen, eene bevoegdheid tot wij-
ziging der regterlijke uitspraak kan zien, is moeijelijk
te bevatten. Krachtens zijne disciplinaire regtsmagt
1)  Ibid., blz. 208.
2)  Kijlagen 1868—1869, blz. 1025.
3)  Ibid., blz. 1120.
4)  Bijlagen 181\'.)—1870, blz. 1418.
5)  Ibid., blz. 1634.
-ocr page 40-
32
heeft de kommanderende officier de bevoegdheid den
veroordeelde dadelijk na de expiratie van den tijd bij
het vonnis bepaald, wegens nieuw wangedrag op nieuw
in die klasse te plaatsen, en de tweede alinea had al-
leen de strekking om bepaaldelijk uit te drukken, dat
de verlenging alleen wegens zoodanig wangedrag en
niet wegens de feiten waarover de regter uitspraak
heeft gedaan, mag geschieden. Vermits dit ook door
reglementaire voorschriften kan worden voorkomen, en
de alinea aanstoot blijft geven, kan zij zonder veel
bezwaar vervallen".
Dienovereenkomstig luidt na bet laatste lid van
artikel 7 van het bovenaangehaald Voorschrift betrek-
kelijk het Algemeen Dépót van Discipline:
„Indien een zoodanig militair zich gedurende zijn
verblijf bij het Depot schuldig maakt aan overtredin-
gen, bedoeld bij Art. 31 van het Reglement van
Krijgstucht voor het Krijgsvolk te lande, kan hij ter
zake daarvan, na expiratie van den bij het vonnis be-
paalden tijd, op nieuw, in de 2de Klasse worden ge-
plaatst door den hoofdofficier, bedoeld bij Artikel 3 van
het Koninklijk Besluit van 2 Juni 1878, N° 28".
Na aandachtige lezing van de vorenstaande stukken
zal men wel geen nader uitvoerig betoog verlangen
ten bewijze dat op de tegenwoordig gevolgde handel-
wijze niets valt aan te roerken. De laatstaangeh aaide
bepaling is zelfs, in beginsel, veel juister dan de oor-
spronkelijk in 18(59 voorgestelde. In deze laatste toch
werd gesproken van verlenging van den ter-
mijn; en waarschijnlijk is het deze onnauwkeurige,
thans nog menigmaal gebezigde uitdrukking, die des-
tijds aanleiding gaf en nog steeds aanleiding blijft
geven tot misvattingen. Er moet namelijk geen sprake
zijn van verlenging van den termijn (voor welken de
plaatsing oorspronkelijk is uitgesproken), maar alleen
van eene nieuwe straf, ter zake van een nieuw feit in
verband met een voortdurend wangedrag gedurende den
loop van den termijn, voor welken de straf is opge-
legd; evenals aan den veroordeelde, die in de straf-
gevangenis een misdrijf pleegt, opnieuw gevangenisstraf
wordt opgelegd. Volkomen juist is dit in de boven-
aangehaalde, van de Regeering uitgegane stukken in
bet licht gesteld. Volkomen juist was ook hare verkla-
ring, dat de voorgestelde bepaling eigenlijk overbodig
was, vermits deze alleen strekte om eene krachtens bet
Reglement van Krijgstucht reeds bestaande disciplinaire
bevoegdheid opnieuw te erkennen.
De geheele kwestie komt thans eenvoudig hierop
neder, of nok voor hen die in de tuchtklasse of in de
straf klasse zijn opgenomen, de plaatsing in de tucht-
klasse als krijgstuchtelijke straf wegens de gedurende
hun straftijd gepleegde vergrijpen zal bestaan. Dat deze
vraag in bevestigenden zin moet worden beantwoord,
en die plaatsing of, wil men, die verlenging van het
verblijf (niet van den termijn) in de tuchtklasse alzoo in
de in artikel 22 van het ontwerp jet. 23 van het ontwerp-
Wetboek van Militair Strafrecht bedoelde algemeene
maatregelen van bestuur zal worden opgenomen onder
de krijgstuchtelijke straffen, die aan de in de tuchtklasse
en aan de in de strafklasse geplaatsten opgelegd kun-
nen worden, hieraan valt niet te twijfelen.
Dat die nieuwe plaatsing of verlenging alleen op
grond van een of meer nieuwe feiten geoorloofd zal
zijn, blijkt implicite uit artikel 20, en kan boven-
dien in de nader uit te vaardigen voorschriften zeker-
heidshalve nog uitdrukkelijk vermeld worden.
De eenige vraag die nadere overweging verdient,
en die bij gelegenheid van de regeling der inrichting
van de klassen zal worden beslist, is deze, of de be-
voegdheid om die straf op te leggen, behoort toe te
komen aan den kommandeerenden officier daarvan, aan
-ocr page 41-
39
den kommandeerenden officier van het korps waarbij
zij eventueel zullen worden ingedeeld, of aan den kom-
mandeerenden officier van het korps enz , waartoe de
gestrafte behoort.
De in artikel 20 vervatte bepaling heeft alleen ten
doel, allen mogelijken twijfel aangaande den aanvang
van de tweede straf, aangaande het gelijktijdig loo-
pen van de twee termijnen, of aangaande de noodza-
kelijkheid om den gestrafte na verloop van den eer-
sten termijn naar zijn korps terug te brengen, op te
heffen.
Art. 21. De plaatsing in de tuchtklasse strekt,
om den gestrafte tot een beter militair te vormen.
Aan die vorming kan echter geene zorg besteed wor-
den , zoolang hij streng arrest ondergaat, want hij is
dan, volgens het laatste lid van artikel 10, uitgeslo-
ten van het verrichten van eiken dienst buiten de
localiteit, waarin hij de straf ondergaat. Het is der-
halve rationeel, dat de tijd door hem in streng arrest
doorgebracht, niet medetelt voor den tijd van zijn
verblijf in de tuchtklasse.
De bepaling zal ook voor de discipline in de tucht-
klasse bevorderlijk wezen. Tegenwoordig toch gebeurt
het niet zelden, dat manschappen hij het Dépót van
Discipline geplaatst, zich opzettelijk schuldig maken aan
vergrijpen , omdat zij aan eene opsluiting in provoost
of cachot de voorkeur geven hoven hunne gewone
diensten. De nu voorgestelde regeling maakt eene der-
gelijke poging om die diensten te ontloopen, geheel
vruchteloos.
Art. 22. Men vergelijke de aanteekeningen in de
Memorie van Toelichting van het ontwerp-VVetboek van
Militair Strafrecht bij de in dit artikel genoemde arti-
kelen.
Ook artikel 24 van het ontwerp-Wetboek van Mi-
litair Strafrecht wordt voor de in eene tuchtklasse ge-
plaatste militairen toepaslijk verklaard \'). De redenen
waarom de tijd door een veroordeelden militair in eene
strafklasse doorgebracht, niet als diensttijd wordt me-
degerekend, gelden evenzeer ten aanzien van den in
eene tuchtklasse doorgebrachten tijd. „Hoewel die tijd
niet buiten dienst wordt doorgebracht, zijn de in «leze
klassen geplaatsten toch aan den gewonen dienst bij
de korpsen on"trokken, trekt de Staat van hun dienst
geen voordeel. Ook als verscherping der straf verdient
het trouwens aanbeveling. Het is echter wenschelijk
de zaak bij de wet [op de Krijgstucht] zelve te rege-
len, als een gevolg van de [krijgstuchtelijke] straf,
en niet als eene voorwaarde der verbintenis, terwijl
geene reden bestaat om ten opzichte der miliciens bij
overeenstemming van gronden eene afwijkende bepa-
ling aan te nemen" *), of om voor hen dezelfde be-
paling te plaatsen in de wet die de nieuwe regeling
van den dienstplicht zal bevatten.
[Het doel waarmede het tweede lid van artikel 22 in
dit ontwerp ia opgenomen, wordt op eenvoudiger wijze
bereikt, indien in artikel
£.3 van het ontwerp-Wetboek
van Militair Strafrecht achter het in den aanvang daar-
van voorkomende woord
„strafklasse" worden ingevoegd
de woorden:
„of in de tuchtklasse".]
Hier zij nog opgemerkt, dat bij de samenstelling
van den algemeenen maatregel van bestuur, uit te
vaardigen ingevolge dit artikel jet. art. 23 van het
voormelde ontwerp, ook de wijze waarop de plaatsing
in de tuchtklasse aanvankelijk aan boord wordt onder-
1)  Vul. de Memorie van Toelichting van dat artikel.
2)  Mem. v. Toel. van art. 15 der wet vau 14 Nov. 1879, Stbl.
n°. 191, Bijl. 1870-77, SOS, u°. 3.
-ocr page 42-
34
gaan, meer in bijzonderheden dan in de wet van 1879,
Stbl. n°. 194, geschied is, zal moeten worden geregeld.
Behalve dat die maatregel gelijksoortige bepalingen als
thans in het tweede lid van artikel 10 dier wet vervat
zijn, zal moeten inhouden, zal daarbij, bij voorbeeld,
moeten worden voorgeschreven, in welke bijzondere
tenue de gestrafte zal worden gekleed, — dat hij
zooveel mogelijk van de andere equipage afgezonderd
moet worden gehouden en ook afzonderlijk zal moeten
schaften, — dat hij, wanneer hij geen dienst heeft,
op eene bepaalde plaats zal moeten verblijven, — dat
hem het genot van tabak en het koopen van versna-
peringen of andere voorwerpen bij den zoogenaamden
„kadraaier" of venter verboden is, enz.
Art. 23. In den vredestoestand schuilt voor menig
krijgsman, vooral voor menig minder militair tal van
gevaren. Zij die op het platte land een eenvoudig,
geregeld, ja eentoonig leven leidden, zien zich plot-
seling overgeplaatst in de steden met al hare verlei-
dingen van velerlei aard; de aan het bezoek van
tapperijen of andere inrichtingen van minder allooi
gewende stedeling vindt in zijn vrijen tijd steeds ka-
meraden , bereid en geneigd om hem daarheen te ver-
gezellen; de gelegenheden om misbruik van sterken
arank te maken, zijn, helaas, in den omtrek der ka-
zernen menigvuldig. Dat in dit alles de bron ligt voor
menig krijgstuchtelijk vergrijp, ligt voor de hand.
In tijd van oorlog evenwel zijn die gevaren veel
minder groot, hebben de militairen minder ledigen
tijd, en eischt de dienst eene veel grootere inspanning.
Het is alzoo niet onwaarschijnlijk , dat de in de
tuchtklassen geplaatsten altdan flinke militairen zullen
zijn, van wie het vaderland niet onbeduidende dien-
sten zal kunnen trekken.
Om deze reden wordt bij artikel 23 den Koning de
bevoegdheid gegeven om, hetzij de tuchtklassen op te
heffen, zoodat dan de gestraften weder naar hunne
korpsen enz. kunnen terugkeeren, hetzij aan die klas-
sen eene bijzondere bestemming te geven.
Een dergelijken maatregel toe te passen op de in
de strafklassen geplaatsten, zou natuurlijk geene aan-
beveling verdienen.
Art. 24. De bijkomende straf van gedeeltelijke of
geheele inhouding der soldij, bij dit artikel facultatief
of imperatief aan de arreststraffen verbonden, bestaat
tot dusver als zoodanig niet voor de landmacht. Bij
de zeemacht heeft deze straf een uitnemende werking,
en dat hare invoering ook voor de landmacht zeer
wenschelijk is, blijkt uit de praktijk bij onderscheiden
korpsen, waar de inhouding van soldij als administra-
tieve maatregel reeds dikwerf wordt toegepast.
Niet zelden zijn krijgstuchtelijke vergrijpen te wijten
aan misbruik van sterken drank. De inhouding van
soldij zal alzoo, naar men mag verwachten, te gelijker
tijd vermindering van dat misbruik en vermindering
van indisciplinaire gedragingen ten gevolge hebben, en
zij zal bij de landmacht vooral ter bereiking van dat
doel worden opgelegd.
De vraag of de ingehouden soldij in \'s Rijks kas
gestort zal worden, dan wel of daaraan eene andere
bestemming behoort te worden gegeven, bij voorbeeld
voor de zeemacht storting in het Fonds voor oude en
gebrekkige zeelieden, verdient nadere overweging. In
ieder geval zal deze administratieve aangelegenheid zóó
worden geregeld, dat de inhouding van soldij werke-
lijk een geldelijk nadeel voor den gestrafte oplevert.
Volgens de bij de landmacht geldende bepalingen is
dit thans niet het geval.
-ocr page 43-
3f>
Art. 25. De ondervinding heeft geleerd, dat onder
alle tucht middelen geen enkel eene zoo gevoelige en
afschrikkende, dus nuttige werking heeft, ala de ver-
mindering van voeding. Na zeer breedvoerige debatten,
waarbij ook Graaf von Moltkb haar behoud met
warmte bepleitte, in het Duitsche militaire strafwet-
boek opgenomen \') — bij artikel 8 der Wet van 14
April 1886, Stbl. n°. 62. voor de twee eerste dagen
van alle vrijheidsstraffen van het gemeene recht inge-
voerd , — in de wetgeving van een groot aantal andere
rijken, bijv. Noorwegen, Denemarken, Oosten rij k-Hon-
garije. Finland, Rusland, Zwitserland uitdrukkelijk
gehandhaafd, — elders krachtens voorschriften ter uit-
voering van de wetten evenzeer toegelaten, — is deze
strafverscherping ook in onze nieuwe Wet op de Krijgs-
tucht bepaald onmisbaar.
Volgens het ontwerp zal zij uitsluitend met de straf
van streng arrest gepaard kunnen gaan, vooreerst om-
dat zij als tuchtmiddel niet dan in ernstige gevallen
moet worden toegepast; ten andere omdat de controle
op de richtige en gestrenge naleving van het régime
bij het licht en het verzwaard arrest in den regel on-
mogelijk zoude zijn; eindelijk omdat de met licht of
met verzwaard arrest gestrafte militair, behoudens de
bepaling van het slot van artikel 9, zijn gewonen
dienst moet blijven verrichten, en het derhalve niet
aangaat, hem minder voedsel te verstrekken en zoo-
doende zijne lichaamskrachten te verzwakken.
Bij de zeemacht kan de vermindering van kost bij
het provoostarrest tegenwoordig worden opgelegd ge-
durende 5 achtereenvolgende dagen of voor een lan-
geren straftijd met ten minste om den derden dag
gewone voeding; — bij de landmacht: aan de onderoffi-
cieren bij het cachot of gat ten hoogste gedurende 4
dagen, en bij de provoost om den anderen dag gedu-
rende ten hoogste 14 dagen, en aan de mindere mi-
litairen bij het cachot of gat gedurende 4 dagen, of
om den anderen dag gedurende 8 dagen, en bij de
provoost om den anderen dag gedurende ten hoogste
14 dagen.
Er is geen enkele reden, waarom dergelijk ver-
schil in de regeling zou moeten worden behouden.
Volgens het ontwerp zal de voeding op water en
brood kunnen plaats hebben:
o) om den anderen dag ;
b)  gedurende ten hoogste 4 achtereenvolgende da-
gen, hetzij de eerste, wanneer men de straf dadelijk
zoo gevoelig mogelijk wil maken, hetzij vier dagen
in het midden van den straftijd, hetzij de vier laatste
dagen, wanneer men het nuttig acht, dat juist aan
het einde der straf de indruk het krachtigste zij; en
c)    tweemaal gedurende ten hoogste 3 achtereenvol-
gende dagen, wanneer het bijv. weuschelijk wordt be-
vonden, de straf zoowel in het begin als aan het
einde daarvan te verscherpen.
Bij het vervallen vau het cachot of gat als straf
voor de onderofficieren en de mindere militairen der
landmacht, is het wenschelijk dat aan het water-en-brood
régime bij het streng arrest eenige uitbreiding worde
gegeven.
Door het slot van het tweede lid van het artikel
wordt gezorgd, dat de beide termijnen met voeding
op water en brood elkander niet te snel opvolgen.
Het laatste lid bevat eene bepaling, die tot nog
toe in onze wetgeving gemist wordt. Met de tegen-
woordige wet in de hand kan men den schepeling 2,
3, 4 of nog meer malen achter elkander eene pro-
1) De bedoelde rodevoorin!; van von Moi/ike is o. a. te vin-
den bij Korr.vtANN, Das Militarstrafgcsetsbuch f. d. Deutscbo Reieh
mit Coinmentar, 2e Aufl., Nördllnfjen, 1885;— Steuograph. Ver-
liandl. des Reiclistages, 1873, blz. 8U.
-ocr page 44-
36
voostarrest-straf van 5 dagen Ie water en brood doen
ondergaan. In artikel 127 der Justitiëele Voorschrif-
ten\') is zelfs uitdrukkelijk bepaald, dat, „wanneer een
disciplinair gestrafte schepeling zich gedurende het
ondergaan dier straf weder aan een krijgstuchtelijk
vergrijp schuldig maakt, hem andermaal eene krijgs-
tuchtelijke straf kan worden opgelegd, zoo noodig de-
zelfde straf tot het daarvoor bepaalde maximum, al
ware reeds bij de eerste straf het maximum opgelegd,
en dat dan de andermaal op te leggen straf zal in-
gaan op den dag, waarop de eerste straf zal zijn ge-
ëindigd." Dit gaat, hoewel het volkomen in overeen-
stemming is met de wet, voor het hierboven vermelde
geval te ver. Daarom bepaalt het slot van artikel 25,
dat ook bij het na elkander doen ondergaan van twee
of m^er straffen van streng arrest de strafverscherping
van vermindering van kost altoos in dier voege moet
worden toegepast, dat het aantal dagen waarop ge-
wone voeding wordt verstrekt, steeds ten minste even
groot zal moeten zijn als het daaraan voorafgegaan
aantal dagen waarop de vermindering van kost is toe-
gepast.
Ten slotte zij opgemerkt, dat deze bijkomende straf
alleen op die onderofficieren zal kunnen worden toege-
past, die den rang van sergeant (of fourier) of een
minderen rang bekleeden. Voor de hoogere onderoffi-
cieren wordt de maatregel niet noodzakelijk geacht.
Art. 26. Het verbod om buiten dienst wapenen te
dragen, is tegenwoordig geene straf. Het wordt echter
als administratieve veiligheidsmaatregel toegepast, en
dit wel bij enkele korpsen zeer veelvuldig.
Dit is verkeerd.
Gelijk elk militair steeds zijne bevoegdheid om ook
buiten dienst wapenen te dragen, op hoogen prijs
moet stellen, zoo muet hij ook inzien, dat in het
verbod daarvan voor hem eene schande gelegen is.
Bovendien ontaardt de maatregel, zóó lichtelijk toe-
gepast, in eene indirekte tegemoetkoming aan de in
de dagbladen geuite, dikwerf zeer overdreven klachten.
Kwam het misbruik van de wapenen zoo veelvuldig
voor, dat preventieve maatregelen van algemeene strek-
king daartegen noodig waren, de Itegeering zou niet
schromen ze te nemen. Langs een omweg mag dat
doel echter niet bereikt worden.
Om die redenen wordt dan ook voorgesteld, het
hier bedoelde verbod als bijkomende straf facultatief
te doen gepaard gaan uitsluitend aan het streng ar-
rest en aan geene lichtere straffen.
De maatregel betreft uitsluitend de militairen der
landmacht en de niet ingescheepte mariniers Volgens
de thans bestaande voorschriften gaan de ingescheepte
mariniers steeds zonder wapenen aan den wal. Ditzelfde
is het geval met de andere mindere militairen der zee-
macht, die buitendien geen eigen wapen hebben.
Ar*. 27. Disciplinaire macht is een rechtsgevolg van
eene tusschen twee personen bestaande ambtelijke ver-
houding. Zoodra deze verhouding een einde genomen
heeft, is derhalve ook die macht rechtens te niet ge-
gaan \'). Algemeen wordt dan ook erkend, dat aan hem
die als ambtenaar zijn ontslag heeft verkregen, geene
disciplinaire straf meer opgelegd mag worden. Hieruit
volgt echter niet, dat, wanneer de diensttijd van een
ambtenaar verstrijkt, terwijl hij eene hem vóór zijn
ontslag opgelegde disciplinaire straf ondergaat, de ver-
dere uitvoering van die straf zou moeten worden ge-
staakt. Wel bestond vroeger bij de militaire autoriteiten
1)  Verorden, voor de Kon. Nederl. Zeem., III, hoofdst. XI.
2)   Laband, Staatsrecht, I, blz. 454.
-ocr page 45-
37
vrij algemeen de meening, dat een militair die op het
tijdstip waarop hij — milicien zijnde — in het genot
van verlof gesteld of gepasporteerd, en — vrijwilliger
zijnde — gepasporteerd had behooren te worden, eene
disciplinaire straf ondergaat, op dat tijdstip van het
verdere gedeelte der hem opgelegde straf moest worden
ontheven, ten einde met verlof of met paspoort te kun-
nen vertrekken. Maar bij Aanschrijving van den 13len Juli
1883 \') heeft de toenmalige Minister van Oorlog de
autoriteiten der Landmacht opmerkzaam gemaakt op
het onjuiste van die meening, en er op gewezen, „dat
de wet die de bevoegdheid geeft disciplinaire straf op
te leggen, moet geacht worden de geheele tenuit-
voerlegging daarvan te hebben gewild, zonder dat
daarop van invloed kan zijn de omstandigheid, dat de
gestrafte, indien hij zich niet aan overtreding der
krijgstucht had schuldig gemaakt, reeds vroeger met
groot verlof gezonden of gepasporteerd zoude zijn". De
tegenovergestelde beslissing zou gelijk staan met het
aan den militair, en in het algemeen aan den ambte-
naar verleenen van een vrijbrief, om den laatsten dag
van zijn ambtenaarschap de grofste disciplinaire vergrij-
pen ongestraft te begaan, gelijk trouwens, vóórdat de
bovenvermelde Aanschrijving in het liecueil Militair
was opgenomen, herhaaldelijk geschiedde.
Ten einde nu aan het verschil van opvatting ten
aanzien van dit punt voor goed een einde te maken
en tevens te gemoet te komen aan de bedenking, dat
een maatregel van tucht niet mag worden toegepast
op iemand die niet meer in gesubordineerde betrek-
king tot een ander staat, bepaalt artikel Ü6 dat de
met arrest gestrafte militair wiens werkelijke of ge-
heele diensttijd verstrijkt gedurende het ondergaan van
de straf, niet met onbepaald verlof huiswaarts gezon-
den of uit den militairen dienst ontslagen wordt, vóór-
dat zijn straftijd is verstreken.
Het artikel handelt alleen over de arreststraffen. Uit
het stilzwijgen der wet ten aanzien van de andere
straffen zal terecht worden afgeleid, dat daarvoor de
volkomen consequente toepassing van het bovenver-
melde beginsel niet wordt verlangd. De st rafdienst toch
is te onbeduidend om voor het ondergaan daarvan den
gestrafte nog langer in dienst te houden. Andere meer
of minder belangrijke straffen kunnen nog vóór het
verleenen van het. verlof of ontslag worden uitgevoerd
(verlaging, berisping). Yoor de plaatsing in de tucht-
klasse eindelijk is eene dergelijke bepaling niet noodig,
omdat de daarin doorgebrachte tijd niet als diensttijd
wordt medegerekend \'), en deze alzoo gedurende dien
tijd niet kan verstrijken.
Dat ook vooral ten aanzien van een militair wiens
diensttijd op enkele dagen na verstreken is, de straf
oordeelkundig gekozen moet worden , ligt voor de hand.
Meestal zal, ten einde de bepaling van artikel \'21 niet
noodeloos verzwarend werke, een verzwaard of streng
arrest van korten duur te verkiezen zijn boven een
meer langdurig licht arrest.
De werkelijke of de geheele dienst tijd.
Deze dubbele uitdrukking wordt gebezigd met het oog
op de dienstplichtigen en op de vrijwillig dienenden.
Ar*. 28. Voor de toelichting van dit artikel kan
worden verwezen naar de aanteekening bij artikel 26
van het ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht.
Hier zij nog opgemerkt dat de met arrest gestrafte
militair het recht om ridderorden enz. te dragen, ge-
durende den straftijd niet verliest. De arreststraffen
schijnen niet zwaar genoeg, om den daarmede gestraf-
1)  Ree. Mi). B. U. blz. 2371.
2)  Art. 22 van het Ontw. jet. art. 24 Ontw. Mil. Swb.
-ocr page 46-
3S
ten militair nog bovendien te treffen met een maat-
regel, die voor hem steeds zeer pijnlijk en vernederend
is. Ook zoude het al te lastig zijn, indien de chevrons
voor trouwen dienst bij het ondergaan van arreststraf-
fen telkens moesten worden weggetornd en daarna we-
der opgenaaid.
Dat de militair die het recht verliest om medailles
enz. te dragen, tevens gedurende dien tijd de daaraan
verbonden verhoogde soldij zal moeten missen, be-
hoeft niet in de wet te worden bepaald.
Ar*. *». In afwijking van artikel 9 van het Wetboek
van Strafrecht en van artikel 6 van het ontwerp-Wetboek
van Militair Strafrecht zijn de lijsten van de straffen in
de artikelen 3—5 en 30—32 van het ontwerp zóó in-
gericht, dat de lichtste het eerst en de zwaarste het
laatst worden vermeld. Aan deze volgorde wordt hier
de voorkeur gegeven, omdat in deze wet niet, gelijk
in de genoemde wetboeken, op ieder feit eene afzon-
derlijke straf kan worden gesteld. Ten einde nu aan
den belanghebbende als \'t ware aanschouwelijk voor te
stellen, hoe de straffen geleidelijk zwaarder worden
naar mate van de zwaarte van zijn vergrijp en naar
gelang hij in zijn indisciplinair gedrag volhardt, die-
nen zij in de wet in eene duidelijk in het oog vallende
opklimmende reeks te worden vermeld.
AFDEEL1NG IL
Krijgêtuchtelijke straffen bij een leger te velde.
Vergrijpen tegen de krijgstucht zullen te velde in
veel mindere mate voorkomen dan in tijd van vrede,
omdat alsdan de gelegenheden om zich daaraan schuldig
te maken, veel minder aanwezig zijn en de feiten veel
spoediger een ernstig en dus strafrechtelijk karakter
aannemen.
Bij de beoordeeling van de wijze, hoe krijgstuchte-
lijke straffen in oorlogstijd zullen ten uitvoer worden
gelegd, dient men rekening te houden met de omstan-
digheid, dat voortdurende verplaatsing eene kenmer-
kende eigenschap is van een te velde opereerend leger,
niet de vermoeienissen, de ontberingen, de gevaren,
waaraan alsdan de militair dagelijks blootgesteld is,
de zeer verschillende toestanden waarin hij zich kan
bevinden , enz.
Eerst na dat alles te hebben overwogen, kan men
overgaan tot het vaststellen eener lijst van straffen,
welker tenuitvoerlegging onder alle omstandigheden
verzekerd is.
Art. 30. Straffen voor de officieren. Ook te velde
zal de berisping voor de officieren een zeer doel-
matig disciplinair strafmiddel zijn, want vooral in die
omstandigheden is bij hen het gevoel van eer en plicht
sterk geprikkeld, en reeds eene ontevredenheidsbetui-
ging van den bevoegden meerdere zal dan voor hen
eene aangrijpende straf wezen.
Slechts ééne soort van arreststrafis behouden,
vermits het wel niet denkbaar is, dat men onder zoo-
danige omstandigheden den officier buiten waarneming
van dienst zal kunnen of willen laten.
Art. 31. Straffen voor de onderofficieren. Ook voor
ilen onderofficier is de berisping alsdan eene doel-
treffende straf, die met het oog op zijnen gewichtigen
werkkring, zijnen moreelen en inlellectueelen toestand
eene goede uitwerking belooft.
De straffen van arrest zullen bij hen geen uitge-
breide toepassing vinden, omdat zij , bij onvoldoende
plichtsbetrachting, al spoedig in de termen zullen
-ocr page 47-
:v.)
vallen voor de verlaging, die des te eerder op ben
zal worden toegepast, naar gelang hun mindere
dienstijver van nadeeligen invloed zal zijn op hunne
minderen.
Art. 32. Straffen voor de mindere militairen. Neemt
men in aanmerking dat zich vooral in oorlogstijd ook
onder hen tal van ontwikkelde personen zullen bevinden,
dan is het behoud der straf van berisping ook voor
hen voldoende gerechtvaardigd. Men mag immers aan-
nemen , dat het toepassen der straffen ook door de al-
lereerst daartoe bevoegden, steeds op oordeelkundige
wijze zal geschieden; door hunnen rang, door hunnen
leeftijd, door hun karakter geven de kapiteins daarvoor
de noodige waarborgen. Zij zullen de straf van beris-
ping bij voorkeur toepassen op hen, die voor het af-
keurend woord gevoelig zijn.
Het schijnt minder gewenscht, den strafdienst
ook als krijgstuchtelijke straf bij het leger te velde te
behouden, aangezien bet niet raadzaam is, alsdan eenige
niet volstrekt noodzakelijke inspanning van de physieke
krachten van den soldaat te vorderen. Behalve dat het
niet wel mogelijk zal zijn, hem bij zijne veeltijds hoogst
vermoeiende diensten nog strafdienst te doen verrich-
ten, is, ook bij het minder ontwikkelde individu, de
lichamelijke toestand van overwegenden invloed op den
moreelen; en alles wat op deren laatsten nadeelig zou
kunnen inwerken, moet zorgvuldig worden vermeden.
Daarom is ook geen sprake van vermindering van
kost noch van inhouding van soldij.
In den oorlog komen echter zware werkzaamheden
voor, die door de noodzakelijkheid worden geboden, en
die, worden zij niet door de gestraften uitgevoerd, toch
door anderen zouden moeten worden verricht.
Daaronder bekleeden het maken en verbeteren van
versterkingen en communicatiën eene eerste plaats. De
met arrest gestraften zullen daarbij nuttig werkzaam
kunnen zijn.
Daarenboven zal ook het verrichten van de meest
bezwarende corveeën tot den arbeid der met streng ar-
rest gestraften behooren.
Bij de korpsen waarbij eene indeeling in klassen be-
staat, zal de straf van verlaging zeker met voor-
deel kunnen worden aangewend.
De plaatsing in eene tuchtklasse zou op de
mindere militairen bij een leger te velde niet toege-
past kunnen worden; want de tuchtklassen in oorlogs-
tijd kunnen óf worden opgeheven en de daarbij geplaat-
sten naar hunne korpsen teruggezonden, óf worden
gebezigd tot den dienst in eene vaste sterkte, waar-
heen de gestraften uit het leger te velde kunnen wor-
den overgeplaatst.
Art. 3A. Het verschil tusschen het licht en het
streng arrest zal onder de hier bedoelde omstandighe-
den niet zeer groot kunnen zijn. De met streng arrest
gestraften zullen alleen aan eene meer voortdurende be-
waking moeten worden onderworpen. (Zie het slot van
het artikel.)
Eene arreststraf gelijk het licht arrest in gewone tij-
den zoude onder de meeste omstandigheden geheel il-
lusoir blijken te zijn. Ook voor de toepassing van eene
derde soort van arreststraf, overeenkomende met het
verzwaard arrest, zou geene gelegenheid bestaan.
Art. 37. Ook artikel 27 moet toepasselijk zijn,
aangezien geene bepaling bestaat, krachtens welke de
dienstplichtigen of de vrijwilligers, wier diensttijd ge-
durende een oorlog verstrijkt, tot het einde daarvan in
dienst gehouden kunnen worden.
-ocr page 48-
40
§ IV. Oplegging en tenuitvoerlegging can krijgstuch-
telijke straffen.
Art. SS. Het artikel vervangt de artikelen 53 en
54 van liet Reglement van Krijgstucht voor het krijgs-
volk te Lande.
Ofschoon niet zonder recht zal kunnen worden be~
weenl, dat dit voorschrift, als meer van leerstelligen,
dan van positieven aard, strikt genomen in eene wet
niet te huis behoort, wordt toch op zijn behoud te
dezer plaatse prijs gesteld, omdat het de uitdrukking
bevat van het hoofdbeginsel, waarvan de militaire
autoriteit bij het gebruik maken van de haar toege-
kende bevoegdheid om krijgstuchtelijke straffen op te
leggen, behoort uit te gaan.
Art. S». Hier wordt een meer positief voorschrift
aangaande het in het vorig artikel behandelde onder-
werp gegeven.
Uit deze bepaling blijkt namelijk vooreerst, dat bij
elke krijgstuchtelijke bestraffing eene hoofdstraf moet
worden opgelegd, maar tevens dat combinatie van
krijgstuchtelijke hoofdstraffen, op ééne uitzondering na,
nimmer geoorloofd is. De in de artikelen 3—5 en
30—32 vermelde straffenlijsten bevatten eene keuze
van strafmiddelen van den meest verschillenden aard en
zwaarte, ruim genoeg, om opeenstapeling daarvan nooit
noodig te doen zijn. Werd zoodanige cumulatie toe-
gelaten , dan zou de bestraffing bovendien al zeer licht
eene zwaarte en een omvang kunnen verkrijgen, die
haar de aan een tuchtmaatregel te stellen perken zou-
den doen overschrijden.
In de tweede plaats, en wel in het tweede lid van
het artikel, is bepaald, dat de onderscheidene bijko-
mende straffen alleen vereenigd met de uitdrukkelijk
in de wet aangewezen hoofdstraffen kunnen worden
opgelegd.
Eindelijk wordt nog, in het eerste lid, beslist, wat
er moet geschieden, ingeval één persoon zich schuldig
maakte aan meer dan één vergrijp, zonder te onder-
scheiden , of die verschillende vergrijpen in ééne han-
deling liggen opgesloten, in ééne daad samenloopen
(ééndaadsche samenloop), dan wel of zij door meerdere
op zich zelve staande handelingen worden gepleegd
(meerdaadsche samenloop). In beide gevallen kan met
de ojdegging van ééne hoofdstraf worden volstaan.
Voor den meerdaadschen samenloop van krijgstuchte-
lijke vergrijpen kan het stelsel of, wil men, kunnen
de stelsels van de artikelen 56 en 57 van het Wetboek
van Strafrecht niet worden aanvaard, 1° omdat in het
disciplinair recht niet op elk vergrijp afzonderlijk eene
bepaalde straf wordt gesteld; 2° omdat de krijgstuch-
telijke bestraffing, gelijk reeds vroeger werd herinnerd ,
moet strekken tot vorming van den militair, wiens
gedrag het bewijs heeft geleverd, dat hem sommige
in den militairen stand gevorderde eigenschappen nog
ontbreken, of althans dat hij die nog niet in voldoende
male bezit.
Artt 4©—45. Behoudens eenige uitbreidingen
waarop later zal worden gewezen, beoogen deze arti-
kelen , de tegenwoordige regeling der bevoegdheid tot
het opleggen van krijgstuchtelijke straffen te bestendi-
gen. Het hoofdbeginsel dier regeling is, dat deze be-
voegdheid alleen toekomt aan die militaire autoriteiten,
wier rang of positie, bezadigdheid, leeftijd of onder-
vinding de noodige waarborgen geven voor een onpar-
tijdig en nauwgezet onderzoek van de zaak en voor
een rechtvaardig oordeel. Voor de landmacht komt nog
hierbij, dat alleen de hoogere kommandeerende officie-
-ocr page 49-
41
ren bevoegd zijn tot het opleggen van de allerzwaarste
krijgstuchtelijke straffen.
Dit stelsel werkt goed.
Over willekeur of onverstand bij de gebruikmaking
der thans bestaande bevoegdheden valt nagenoeg nooit
te klagen. Van inkrimping van die bevoegdheden be-
hoeft derhalve geen sprake te zijn.
Aan den anderen kant behoort men ook zeer om-
zichtig te wezen met het toekennen van de bevoegd-
heid om te straffen, aan personen die ze tot dusver
niet bezitten. De bij menig jeugdig officier bestaande
zucht, om door dadelijke strafoplegging, zonder vol-
doend voorafgaand onderzoek, aan zijn gezag klem bij
te zetten, zou maar al te licht de aanleiding zijn tot
een minder juist gebruik van die bevoegdheid.
Ar*. IO. Aan de in dit artikel genoemde hooge
autoriteiten, en, om het zoo uit te drukken, in eer-
sten aanleg ook alleen aan hen, komt de bevoegdheid
toe tot het opleggen van alle, ook de zwaarste in de
artikelen 3—5 en 30—32 vermelde krijgstuchtelijke
straffen.
Zij bezitten die bevoegdheid echter niet ten aanzien
van alle militairen die als hunne minderen zijn te be-
schouwen , maar alleen ten aanzien van hen die onder
hunne bevelen staan, d. i. die aan hun gezag
zijn onderworpen.
N° 1. Dat de hier genoemde hoogste kommandeerende
officieren (de schout-bij-nacht, directeur en kommandant
in eene maritieme directie, — de generaal, divisie-kom-
ii:aui hint enz.) van de hun hier toegekende bevoegdheid
in den regel alleen ten aanzien van de onder hen staande
kommandeerende of andere hooge officieren gebruik zul-
len maken, ligt voor de hand. Slechts bij uitzondering
zullen zij behoeven in te grijpen in de dagelijksche za-
ken , voorvallende bij de onder hunne bevelen gestelde
onderdeelen der krijgsmacht; en zoodanige bemoeiing
is ook zelden wenschelijk. Volgens onze tegenwoordige
wetgeving schijnt hun de bevoegdheid om disciplinaire
straf op te leggen, zelfs in het geheel niet te zijn
toegekend. De Reglementen van Krijgstucht maken
alleen gewag van de kommandeerende officieren van
schepen of vaartuigen en van korpsen 1). Dat dezen
echter aan de disciplinaire rechtsmacht van hunne chefs
onderworpen moeten zijn, behoeft geen betoog. En
zelfs moet aan dien chef de voormelde bevoegdheid in
haar vollen omvang en onvoorwaardelijk worden toege-
kend , omdat in zeer enkele gevallen, ook dan wan-
neer vergrijpen door mindere militairen zijn begaan,
aan hem eerder dan aan iemand anders het opleggen
van straf toekomt. Men denke bijvoorbeeld aan het
geval, dat het vergrijp tegen hem zelven of in zijne
tegenwoordigheid gepleegd wordt.
N° 2. Den kommandeerenden officier van
(een of) meer oorlogsvaartuigen. Onder deze
uitdrukking vallen zoowel de directeuren en komman-
danten der marine in de maritieme directiën, voor
zoover zij oorlogsschepen onder hunne bevelen hebben,
als de vlootvoogd, de eskader- of divisiekommandan-
ten, de bevelhebbers van afzonderlijke gedeelten der
zeemacht2), de kommandant der zeemacht in Oost-
Indië, de stations-kommandanten (zoowel in Oost-, als
in West-Indië), de zoogenaamde oudst aanwezende zee-
offieieren en de kommandeerende officieren aangewezen
in artikel 83 der Instructie voor de kommandeerende
officieren van Zr. Ms. Oorlogsschepen *).
1)   Zie art. 126 Justiüëelo Voorschriften, Verorden, v. d. Kou.
Ned. Zeemacht, III, XI.
2)   Art. 25 der Instructie voor vlag- of hoofdofficieren enz.
Verord. voor de Kon. Ned. Zeemacht, Il , II.
3)  Verord. voor de Kon. Ned. Zeomaclil, II, IV.
-ocr page 50-
42
N° 3. Volgens de thans voor de landmacht bestaande
administratieve voorschriften •) wordt, indien door den
kommandeerenden officier van het korps plaatsing iii
de afzonderlijke of tweede klasse noodzakelijk wordt
geacht, de divisie-kommandant en, bij verschil van
meening tusschen deze beide autoriteiten, de Minister
van Oorlog in de zaak gemoeid. Het is niet wenscbelijk,
die regeling in den vervolge te bestendigen. Veeleer
schijnt het noodzakelijk, ook voor het opleggen van
de straf van plaatsing in eene tuclitklasse de volle ver-
antwoordelijkheid te laten rusten op den kommandee-
renden officier van het korps, het dienstvak. de dienst-
afdeeling of de inrichting waartoe de gestrafte behoort.
Hiervoor pleiten verschillende redenen: Het is minder
juist te achten, dat, waar de wet aan zekere autoriteit
eene bevoegdheid heeft toegekend, eene hoogere autori-
teit of de administratieve macht in hooger ressort oor-
deelen over de opportuniteit om van die bevoegdheid
gebruik te maken. De beslissing van den Minister,
waarbij in ieder geval of de divisiekommandant öf de
korpskommandant in liet ongelijk wordt gesteld, schaadt
altoos eenigermate aan het prestige van hem wien dat
lot treft. Ook mag worden betwijfeld of de Minister,
wiens oordeel zich uitsluitend naar den inhoud van de
stukken moet vormen, wel even goed als de met de
zaak en met den dader van nabij bekende kommandant
van het korps, in staat is, om de wenschelijkheid van
den voorgestelden maatregel te beoordeelen.
De bevoegdheid van den kommandeerenden officier
van het oorlogsvaartuig, korps enz., om de bij de wet
gestelde disciplinaire straften op te leggen, moet eene
in waarheid onbeperkte zijn. De meermalen geuite wensch
om hetzij de voormelde autorisatiën te behouden , hetzij
de oplegging van de zwaarste krijgstuchtelijke straffen
niet te doen plaats hebben, dan na een onderzoek der
zaak door, en op advies of met goedkeuring van eene
commissie uit de onder zijne bevelen staande officieren,
vindt zijn grond meer in somtijds gebleken misbrui-
ken , dan in het belang der zaak zelve. De wet eischt
een onderzoek der zaak, het verhoor van den verdachte,
rechtvaardigheid, oordeelkundige gebruikmaking van
de disciplinaire rechtsmacht. Wordt aan deze eischen
door enkele jeugdige kommandeerende officieren mis-
schien niet altoos in allen deele voldaan, dan ligt
hierin aanleiding, niet om andere wetsvoorschriften te
geven, maar om gestrenger toezicht op de richtige
naleving van de bestaande voorschriften te oefenen.
Hem wien men verantwoordelijk durft stellen voor de
krijgstucht aan boord of bij het korps, moet men ook
de volle beschikking durven geven over alle bij de
wet toegestane middelen om de krijgstucht te hand-
haven. Dat daarenboven de gelijkmatige toepassing der
wet, waarvoor men in de voormelde autorisatiën een
waarborg meent te vinden, hierdoor volstrekt niet
verzekerd is, en dat haar behoud alzoo evenmin uit
dien hoofde noodzakelijk is, heeft de ondervinding
geleerd. Ten aanzien van de plaatsing in de tweede
of afzonderlijke klasse wordt bij de onderscheidene
korpsen op zeer uiteenloopende wijze te werk gegaan.
Het zal voor de geregelde en zekere werking en
toepassing van dit artikel noodzakelijk zijn, ten aan-
zien van verschillende officieren uitdrukkelijk te be-
palen en ter kennisse van de belanghebbenden te
brengen, onder de bevelen van welken hoogeren offi-
cier of autoriteit zij, wat de disciplinaire rechtsmacht
betreft, gesteld zijn. Tegenwoordig is dit niet altoos
volkomen zeker. Zoo is in dit opzicht de positie, bij
1) Art. 2 van liet Voorschrift betrekkelijk het alg. depot vau
discipline, Itec. Mil. B. U. blz. 2073.
-ocr page 51-
4:5
voorbeeld, van den kommandant van het Koninklijk
Instituut voor de Marine, van de officieren die bij
de Verificatie van \'s Rijks zee-instrumenten of aan an-
dere wetenschappelijke inrichtingen gedetacheerd zijn,
van de officieren-machinisten gedetacheerd op de wer-
ven, enz. niet uitdrukkelijk geregeld, en is het alzoo
twijfelachtig, of zij geacht moeten worden te staan
onder de bevelen van den kommandant en directeur in
eene maritieme directie, dan wel rechtstreeks en uit-
sluitend onder den Minister van Marine. Noch bij deze
autoriteiten, noch bij de bedoelde officieren mag twijfel
dienaangaande blijven bestaan
Ook zullen dergelijke bepalingen gemaakt moeten
worden ten aanzien van de officieren op non-activiteit,
zoowel van de zeemacht als van de landmacht. Voor
de laatstbedoelden zou bijvoorbeeld kunnen worden
bepaald, dat zij voor de disciplinaire rechtsmacht staan
onder het bevel van den Bevelhebber in de militaire
afdeeling, in welke zij hunne woon- en verblijfplaats
hebben.
Derde lid. Het gebeurt vaak, dat, bij afwezig-
heid of ontstentenis van een der in het eerste lid ge-
noemde officieren, zijne functiën worden waargenomen
niet door den hoogsten in hun kommando aanwezigen,
doch door een anderen, met een minderen rang be-
kleeden officier, die met het oog op de te verrichten
werkzaamheden beter met die taak kan worden belast.
Zoo wordt bijvoorbeeld de generaal, divisiekomman-
dant der landmacht, in zijn dienst vervangen door den
hem toegevoegden chef van den staf, die slechts den
rang van luitenant-kolonel of majoor heeft, terwijl zich
in dat kom mandement onderscheidene kolonels bevin-
den. Het zou strijden met alle militaire begrippen,
deze laatsten, ook wat de disciplinaire rechtsmacht
betreft, onder zoodanigen waarnemenden divisiekom-
mandant te stellen. Vermits nu de regeling van der-
gelijke aangelegenheden in allerlei bijzondere gevallen
afhankelijk zal zijn van de op dat oogenblik tot het
kommando behocrende officieren, kunnen bij de wet
geene vaste regelen voor het overgaan van de disci-
plinaire bevoegdheid worden gegeven.
Art. 41. Over de bevoegdheid tot het opleggen van
disciplinaire straffen aan militairen der zeemacht han-
delt thans o. a. artikel 30 van het Reglement van
Krijgstucht voor het krijgsvolk te Water. Dit artikel
is verre van duidelijk. Het luidt:
„De handhaving der goede Krijgstucht, hij het Cri-
mineel Wetboek over het Krijgsvolk te Water der
Vereenigde Nederlanden, geheellijk toevertrouwd zijnde
aan de Commanderende Officieren, zoo zullen, onder
hun toeverzigt, de Straffen, wegens overtredingen tegen
de Krijgstucht begaan, tegen de Overtreders, door hen,
worden uitgesproken, met in achtneming der navolgende
bepalingen".
In dezelfde zinsnede derhalve wordt verklaard dat
die straffen „onder hun toeverzigt" (d. i. onder het
toezicht of opzicht van de kommandeerende officieren,
ergo door anderen), en dat zij „door hen" (alzoo niet
door anderen) zullen worden opgelegd. Tegenwoordig 1)
wordt, op grond van het bepaalde in de artikelen II
van het Crimineel Wetboek —, 5—7 der Rechtsple-
ging —, en 7 van het Reglement van Krijgstucht
voor het Krijgsvolk te Water, het artikel steeds in
laatstbedoelden zin opgevat. Tot voor eenige jaren
evenwel kwam het meermalen voor, dat de komman-
deerende officier aan den eersten officier de bevoegdheid
l) Zie art. 126 der Justitiëele Voorschriften, Verorden, voor de
Kon. Ned. Zeemacht, 111, XI.
-ocr page 52-
u
toekende om kleine zaken af te doen l); en zoolang de
lijfstraffen bestonden, werden dan ook op de groote
schepen des morgens op de dag wacht talrijke kleine
vergrijpen, vooral die door het jonge volk waren ge-
pleegd, door den eersten officier met „het end" afge-
daan. Dat de autoriteit van den kommandant hieronder
leed, is nooit gebleken.
Ook bij verschillende andere natiën is aan den eersten
officier eene min of meer beperkte bevoegdheid wat
aangaat het opleggen van krijgstuchtelijke straffen aan
hunne minderen toegekend. Dit is bijvoorbeeld, het
geval in Duitschland, Oostenrijk, Engeland en Italië.
In Oostenrijk heeft zelfs de officier der wacht de be-
voegdheid , des nachts aan zijn wachtsvolk zoogenaamde
kleine correctie-middelen op te leggen.
Het ontwerp doet een bescheiden stap in dezelfde
richting. Het kent aan den eersten officier de bevoeg-
beid toe, aan de onderofficieren en mindere militairen
die op het vaartuig ingescheept zijn, de straffen van
licht arrest of eene lichtere straf op te leggen.
Er bestaat niet de minste aanleiding voor de vrees,
dat hierin eenige vermindering van macht voor den
kommandeerenden officier zal worden gezien, of dat
zijn prestige daardoor zal verminderen. Integendeel.
Dat prestige zal veeleer worden verhoogd, wanneer hij
zich niet meer met alle mogelijke weinig beduidende
zaken behoeft in te laten. Daarenboven behoudt hij
niet alleen de volle bevoegdheid om alle straffen op
te leggen, maar hij heeft tevens de macht, om, in-
dien naar zijn oordeel de eerste officier een niet goed,
niet oordeelkundig of niet verstandig gebruik van zijne
bevoegdheid gemaakt heeft, met zijne hoogere auto-
riteit tusschen beide te komen, en de opgelegde straf
of de omschrijving van de strafreden te wijzigen, of
de oplegging der straf te niet te doen (art. 52).
Zal alzoo de invloed van den kommandeerenden of-
ficier ten gevolge van den nu voorgestelden maatregel
zeker niet verminderen, hier komt nog bij dat de be-
manning van het vaartuig met meer ontzag tegen den
eersten officier zal leeren opzien, en dat deze, beter
dan thans, in staat zal zijn, zijne veelomvattende taak
op het vaartuig naar den eisch te vervullen en aan
de door hem gegeven bevelen klem bij te zetten. Dit
is een groot voordeel. Van eene goede waarneming
van de betrekking van eersten officier hangt aan boord
ontzaglijk veel af. Die betrekking is „van overwegen-
den omvang en oefent grooten invloed op schip en
equipage"; hij is „de uitvoerende macht aan boord;
hij houdt een ieder tot zijn plicht en mag geen ver-
zuim , hoe gering ook, dulden" *). Door hem bevoegd-
heid tot strafoplegging, zij \'t dan ook binnen zekere
perken, toe te kennen, zal de richtige vervulling van
die verplichtingen voorzeker worden bevorderd.
Aan de voorgestelde bepaling is nog een ander voor-
deel verbonden: Volgens Artikel 65 van het ontwerp
is de krijgstuchtelijk gestrafte, die zich over de hem
opgelegde straf bezwaard acht en zich daarover wenscht
te beklagen, gehouden, dat beklag allereerst te doen
bij den tot straffen bevoegden meerdere die het naast
boven den strafoplegger gesteld is, of die hetzij bij
algemeene, hetzij bij bijzondere beschikking door of
vanwege den Koning zal worden aangewezen. Bleef
1)  Hij putte daartoe de bevoegdheid uit het navolgende voor-
schrift, voorkomende in liet Kegl. op den Inwendigen Dienst,
goodgekourd bij Kon. Besl. van 28 Dec. 1847, n° 55: „De Kom-
mandant kan ook aan den Eersten Officier eenige\' volmagt verlee-
nen tot kleine corrrectieu, zooals het opleggen van strafexercitien
of straf-schildwacht, maar overigens mag de Kommanderende offi-
cier geene willekeurige strafoefeningen bij zijne minderen dulden".
2)  Artt. 155 en 156 van het Regl. op den Inw. Dienst aan boord
van Zr M- oorlogschepen, Kon. Besl. van 19 Sept. 1883, n9 25,
Verord. v. d. Kon. Ned. Zeemacht, II, V.
-ocr page 53-
45
nu de kommandant van het vaartuig de eenige tot
straffen bevoegde autoriteit aan boord, dan zou bet
beklag nagenoeg altoos moeten worden ingediend aan
eenen op het vaartuig niet aanwezigen officier, en zou
de behandeling van zoodanige zaak dikwijls een zeer
langdurig verloop hebben. Wordt echter den eersten
officier de bevoegdheid tot bestraffing toegekend, dan
zal het eerste beklag in de door hem behandelde zaken
op eenvoudige, snelle en deugdelijke wijze kunnen
worden afgedaan.
Volgens sommige van de hierboven bedoelde buiten-
landsche bepalingen wordt de bevoegdheid aan den
eersten officier bij bet wettelijk voorschrift zelf recht-
streeks toegekend; volgens andere is de kommandee-
rende officier bevoegd, een gedeelte van zijne macht
aan den eersten officier te delegeeren. Het ontwerp
geeft de voorkeur aan den eerstvermelden weg. De
bevoegdheid om straffen op te leggen, dient te be-
rusten op de wet; zij kan bezwaarlijk afhankelijk ge-
steld worden van de wisselende inzichten der kom-
mandeerende officieren.
Art. 4*. Dat aan boord alle macht, ook die tot
strafoplegging, moet berusten in handen van hen die
met de leiding en het beheer van het vaartuig zijn
belast, is een natuurlijk gevolg van het gevaar waar-
aan de bodem ieder oogenblik kan zijn blootgesteld,
van de bijzondere verhouding waarin de opvarenden
tot elkander en tot de gezaghebbenden aldaar staan,
en van de op den scheepsbevelhebber rustende verant-
woordelijkheid voor alles wat aan boord geschiedt.
Ook de bevoegdheid om krijgstuchtelijke straf op te
leggen aan militairen der landmacht, die met een oor-
logsvaartuig worden getransporteerd, behoort alzoo
uitsluitend te worden toegekend aan de maritieme
autoriteiten, die bevoegd zijn zoodanige straf op te
leggen aan de zich aan boord bevindende militairen
der zeemacht, en zulks onafhankelijk van den rang
van den detacbementskommandant. Ook de officier
detachementskommandant van de ingescheepte mari-
niers zal, indien hij aan den wal bevoegdheid tot straf-
oplegging mocht bezitten, deze aan boord verliezen.
Art. 43. N° 1. Onder de hier gebezigde uitdruk-
king is de gamizoens- of plaatselijke kommandant niet
begrepen. De militairen van het garnizoen staan in den
regel niet onder zijne bevelen. Hij kan alleen vorderen, dat
zij door de kommandeerende officieren voor de door hem
noodig geachte garnizoens-diensten worden aangewezen.
Zijne bevoegdheid om krijgstuchtelijke straffen op te
leggen is in artikel 44 uitdrukkelijk geregeld.
N° 2. Voor de landmacht wordt de tegenwoordige
regeling bestendigd. Alleen in één opzicht wordt de
bevoegdheid van de in dit nummer vermelde officieren
uitgebreid. Volgens de thans geldende bepalingen \')
behoeven namelijk de bataljons-, afdeehngs-, compag-
nies-, escadrons- en batterijkommandanten tot het
opleggen van provoost- (of cachot-)straffen aan de on-
derofficieren of aan de mindere militairen de autorisatie
van den korpskommandant. Het ontwerp laat deze be-
perking varen. Hij die ecne straf oplegt, moet daarvan
ook alleen de volle verantwoordelijkheid dragen. Bo-
vendien zullen de hier genoemde officieren in den regel
zeer goed een zelfstandig en juist oordeel kunnen vellen
èn over het begane vergrijp, èn over den dader, èn
over alle omstandigheden die bij het bepalen der straf
in aanmerking moeten komen.
N° 4. Daar onder de niet nader beperkte uitdruk-
king officier detachementskommandant na-
1) Artt. 36 en 40 Hogl. v. Disc. L.
-ocr page 54-
46
tuurlijk ook de officier der zeemacht is begrepen, en
alzoo ook aan dezen de bevoegdheid om krijgstuch-
telijke straffen op te leggen, wordt toegekend, bevat
het artikel in dit opzicht eene voor de marine nieuwe,
doch zeer noodzakelijke bepaling.
Art. 44. Van de hun toekomende bevoegdheid om
ook aan militairen die niet rechtstreeks onder hunne
bevelen staan, krijgstuchtelijke straffen op te leggen,
maken de garnizoens- en plaatselijke kom-
man danten reeds tegenwoordig slechts in zeer zeld-
zame gevallen gebruik. In den regel laten zij de be-
handeling van dergelijke zaken over aan den korps- of
aan den detachements-kommandant. Niet ten onrechte.
Zij missen toch een der voornaamste factoren, noodig
ter juiste bepaling van de straf: zij zijn meestal met
de overtreders geheel onbekend, terwijl aan het raad-
plegen van de strafregisters en aan het hooren van de
verdachten voor hen bezwaren verbonden zijn.
Daarom moet het dan ook als regel gelden, dat
altoos wanneer dit mogelijk is, de bepaling der straf
ook wegens krijgstuchtelijke vergrijpen die den dienst
-van het garnizoen of van de plaats betreffen, wordt
overgelaten aan den meerdere, onder wiens bevelen
de overtreder staat.
Evenwel is het noodzakelijk, dat aan de garnizoens-
en aan de plaatselijke kommandanten de bevoegdheid
tot strafoplegging gegeven worde:
1" wanneer het vergrijp begaan is door
een militair, behoorende tot eene troepen-
afdeeling, die tot handhaving of herstel
van de openbare rust oforde is aangewezen.
üe garnizoens of plaatselijke kommandant heeft de
bevoegdheid, om tot beveiliging of bij verstoring van
de openbare orde in de plaats te beschikken over de
verschillende aldaar aanwezige militaire krachten. Oe
daarvoor noodige militaire politiemaatregelen (het uit-
zenden van patrouilles enz.) werden door hem of van
zijnentwege genomen. De daartoe aangewezen militai-
ren staan dan alzoo rechtstreeeks onder zijn gezag, en
aan dat gezag moet hij, door de oplegging van straf-
fen , klem kunnen bijzetten. In de grootere garnizoe-
nen bestaan de patrouilles uit militairen van verschil-
lende wapens en korpsen. Gelijkmatigheid in de be-
straffing van de door zoodanige personen gepleegde
vergrijpen zal bevorderd worden door de macht daar-
toe in ééne hand neder te leggen.
2° wanneer te kort is gedaan aan den
eerbied aan zijn rang verschuldigd.
Het ligt voor de hand, dat de garnizoens- of plaat-
selijke kommandant in een dergelijk geval het gezag
waarvan hij de vertegenwoordiger is, moet kunnen
doen eerbiedigen. Hij alleen is bovendien in staat, de
straf terstond na de overtreding te doen volgen en
haar derhalve zoo doeltreffend mogelijk te doen zijn.
3" wanneer zich in de plaats geen tot
straffen bevoegde meerdere bevindt,
onder wiens bevelen de militair staat,
die het krijgstuchtelijk vergrijp beging.
Dat ook in dit geval de garnizoens- of plaatselijke
kommandant de bevoegdheid bezitte, om krijgstuchte-
lijke straf op te leggen , is zeer wenschelijk. Men denke
aan de zoogenaamde klein-verlofgangers, aan tijdelijk
gedetacheerde onderofficieren, enz. De verwijzing der
zaak naar den onmiddellijken chef van den overtreder
zou noodeloozen omslag en tijdverlies baren.
Bij administratieven maatregel zal moeten worden
voorgeschreven, dat de garnizoens-of plaatselijke koin-
niandant in het hier vermelde geval de kommandee-
rende officieren in de plaats aanwezig, zal kunnen uit-
noodigen tot het opnemen in onderhoud en het in ar-
rest stellen van den gestrafte.
-ocr page 55-
47
Niet enkel de zich tijdelijk in het garnizoen bevin-
dende militairen der landmacht, maar ook die der
marine zullen in het vervolg aan de disciplinaire macht
van den garnizoens- of plaatsdijken kommandant on-
derworpen zijn. In zeeplaatsen zou die onderwerping
niet wenschelijk zijn, en zij zal ook niet noodig wezen,
wanneer bepaald wordt, niet alleen dat de klein-ver-
lofgangers enz. der marine zich aldaar moeten melden
op de maritieme directie of wel op het wachtschip,
maar ook dat zij, zoolang ze ter plaatse aanwezig zijn,
voor de toepassing van krijgstuchtelijke straf ook staan
onder de bevelen van den kommandeerenden officier
Tan dien bodem.
Art. 15. Ook aan den onderofficier detacheroents-
kommandant, zoowel van de zee- als van de land-
macht , behoort eenige bevoegdheid tot het opleggen
van disciplinaire straf te worden toegekend. De vaak
zeer geïsoleerde stelling waarin hij verkeert, en die
de mogelijkheid eener spoedige tusschenkomst van een
hoogeren militair uitsluit, maakt het noodig, hem de
macht te geven, om zelf zijne autoriteit te handhaven
en plichtverzuimen zijner minderen te bestraffen. Hij
behoort deze bevoegdheid echter alleen te bezitten,
zoolang hij in eene tot zekere hoogte zelfstandige po-
sitie verkeert. Dit is niet meer het geval:
1°. indien het detachement aan boord van een oor-
logsvaartuig is ingescheept (vgl. art. 42 en de daarbij
behoorende aanteekening);
2°. indien het detachement, en dus ook hij zelf,
hetzij aan den wal, hetzij aan boord, bijvoorbeeld,
van een koopvaardijsehip, waarmede het getranspor-
teerd wordt, deel uitmaakt van eene vereenigde troe-
penafdeeling onder de bevelen van een anderen meer-
dere (officier of hoostere onderofficier), die alzoo met het
algemeen kommando is belast. Zoo zal de onderofficier
detachementskommandant der mariniers, die, met zijn
detachement bij eene troepenmacht aan den wal inge-
deeld, gesteld is onder de bevelen van den komman-
dant dier macht, geene bevoegdheid hebben, om aan
de oader zijne bevelen staande mariniers eenige straf op
te leggen. Is die kommandant officier, dan geldt voor
hem artikel 43; is hij onderofficier, dan wordt hèm
in artikel 45 de voormelde bevoegdheid toegekend.
Art. 46. Moet de bevoegdheid voor iederen meer-
dere, om eenen mindere in voorloopig arrest te stellen,
als zekerheidsmaatregel en als preventief voor ernsti-
gere feiten noodwendig bestendigd blijven, aan den an-
deren kant is het niet te ontkennen, dat tegenwoordig
van die bevoegdheid wel eens een ruimer gebruik
wordt gemaakt, dan strikt noodzakelijk is.
Het ontwerp wil dit euvel zooveel mogelijk beper-
ken door de bepaling, dat het voorloopig arrest in
krijgstuchtzaken alleen in geval van een ernstig
vergrijp en dan nog alleen, zoo noodig, wordt
aangezegd \'). De meerdere die van zijne bevoegdheid
misbruik of zelfs maar een lichtzinnig gebruik maakt,
stelt zich bloot aan bestraffing.
Ieder meerdere. Het artikel geldt voor iederen
meerdere tegenover iederen mindere, zonder onderscheid
te maken, of één van hen of beiden al dan niet in
werkelijken dienst, op non-activiteit, met verlof, in
uniform of in burgerkleeding zijn.
Aangezien het voorloopig arrest slechts een preven-
tieve maatregel is, waardoor zelfs ook onschuldigen
1) Met voordacht is in het Ontwerp de uitdrukking ernstig
(en niot: zwaar) feit gebezigd. Ook een licht feit. waarin de
kiem voor een veel zwaarder gelegen is, kan als een ernstig
feit zijn te beschouwen.
-ocr page 56-
48
kannen worden getroffen. moet het in de toepassing
natuurlijk zoo weinig mogelijk drukkend worden ge-
maakt Daarom bepaalt bet derde 1 id van bet artikel,
dat lift in den regel te land op dezelfde wijze als de
krijgstuchtelijke straf van licht arrest wordt uitgevoerd,
terwijl aan boord, gelijk tot dusverre, door den komman-
deerende officier de plaats, waar de voorloopig ge-
arresteerden zullen moeten verblijven, zal worden aan-
gewezen. Eene meer gestrenge wijze van toepassing
kan echter gevorderd zijn, zoowel in het belang van
het onderzoek (bijv. indien er noodzakelijkheid bestaat
om den verdachte van de getuigen te isoleeren, of
als er vrees bestaat voor het doen te loor gaan van
bewijsmiddelen), als ter voorkoming van wanorde (bijv.
als de arrestant in staat van dronkenschap verkeert).
Het vierde lid van het artikel geeft daartoe de
gelegenheid. Met voordacht wordt daarin gezegd, dat
in de aangeduide gevallen het voorloopig arrest wordt
ondergaan op soortgel ij ke wijze als de krijgs-
tuchtelijke straf van verzwaard of van streng arrest,
omdat de voorloopig gearresteerden natuurlijk niet vol-
komen aan hetzelfde régime als de gestraften behoeven
te worden onderworpen. Zoo zal bijvoorbeeld ten aan-
zien van het nachtleger onderscheid tusschen de beide
categoriën gemaakt kunnen worden.
In ieder geval, derhalve ook dan wanneer het voor-
loopig arrest wordt ondergaan op de wijze voor het
licht of voor het verzwaard arrest bepaald, moet de
arrestant in den regel uitgesloten zijn van het ver-
richten van dienst buiten de plaats waar hij het
voorloopig arrest moet ondergaan. Dit is een nood-
wendig gevolg van het karakter van dat arrest als
zekerheidsroaatregel. Bovendien moet de gearresteerde
op ieder oogenblik voor het onderzoek beschikbaar zijn.
Tegen opdracht van diensten, die binnen de boven-
vermelde plaats kunnen worden verricht, bestaat na-
tuurlijk geen bezwaar; en ook bij oproer, brand, alarm
enz. zullen de voorloopig gearresteerden bij den troep
kunnen worden ingedeeld.
Art. 4L7. Ook deze bepaling heeft ten doel, de toe-
passing van het voorloopig arrest binnen enge grenzen
te beperken. Het voorschrift kan echter geen absoluut
hevel inhouden, daar meermalen het onderzoek niet
binnen 24 uren afgeloopen kan zijn.
Ook het beginsel van spoedige bestraffing, hetwelk
in krijgstuchtzaken nooit uit het oog mag worden ver-
loren , wordt hier gehuldigd *).
Ar». 48. Het verhoor van den verdachte moet
altoos plaats hebben. Daarom wordt het in de wet ver-
meld. Met dat verhoor zal echter het onderzoek bij
lange na niet altoos zijn afgeloopen. Dikwerf zal de
ondervraging van een aantal getuigen noodig zijn, om
de zaak tot klaarheid te brengen. Bepaalde regelen zijn
daarvoor niet aan te geven. Zoolang echter de tot
straflen bevoegde meerdere niet volkomen overtuigd is
van de strafwaardigheid van den verdachte, mag hij
hem geene straf opleggen. Kan hij uit een door hem
zelven of op zijn last ingesteld onderzoek die overtui-
ging niet verkrijgen, doch acht hij nog een nader
onderzoek wenschelijk, dan zal daartoe, gelijk ook
thans geschiedt, eene commissie van officieren kunnen
worden benoemd.
Het tweede lid van het artikel heeft vooral op het
1) „Sans la punition prompte et exemplaire d\'un délit, Ie délit
se répcte, la discipline est perdue, et sans discipline point d\'ar-
méc." — Generaal Kléhkk, geciteerd in „la Discipline en temps
de paix et en temps de guerre" par Ie commandant B. — Paris,
Dumaine. 1880, bk. 19.
-ocr page 57-
4y
oog het geval, dat een detachements-kommandant door
een hoogeren meerdere moet worden bestraft. Monde-
linge ondervraging zal dan in den regel vrij bezwaar-
lijk, en dikwerf tevens noodeloos zijn. Daarom moet
onder die omstandigheden de verdachte in de gelegen-
heid worden gesteld, zich schriftelijk te verantwoorden.
Art. 49. Oplegging van krijgstuchtelijke straf aan
dienstplichtigen met groot verlof kan noodzakelijk we-
zen , zoowel wegens het niet naleven van dienstvoor-
schriften van administratieven aard, als wegens andere
krijgstuchtelijke vergrijpen, zooals het oneerbiedig be-
jegenen van den meerdere enz.
De vraag, door wien in zoodanig geval de krijgs-
tuchtelijke straf zal moeten worden opgelegd, en welke
maatregelen te dien einde te nemen zijn, is voor ver-
schillende beantwoording vatbaar:
1°. De wet zou de bevoegdheid tot strafoplegging
kunnen toekennen aan den militie-commissaris of aan
den officier die onder eene nieuwe wettelijke regeling
van den dienstplicht dezen ambtenaar zal kunnen ko-
men te vervangen.
Kan deze al, voor zooverre het niet naleven van
voorschriften van administratieven aard betreft, wel-
licht gevoegelijk daartoe worden aangewezen, weinig
passend zou het zijn, de bestraffing ook van andere
krijgstuchtelijke vergrijpen aan hem over te laten. Men
stelle zich het geval voor, dat de verlofganger zijn
korpskommandant oneerbiedig bejegent. De verlofganger
blijft behooren tot de sterkte van het korps; de regi-
mentskommandant blijft zijn rechtstreeksche chef, en
het zou derhalve niet weinig afbreuk doen aan diens
prestige, indien hij de oplegging van straf in het hier
vermelde geval aan een ander zou moeten overlaten.
2°. De bestraffing van krijgstuchtelijke vergrijpen,
begaan door verlofgangers, zou aan den krijgsraad
kunnen worden opgedragen.
Twee bezwaren verzetten zich echter hiertegen, en
wel vooreerst dat de behandeling van dergelijke kleine
zaken liefst niet moet worden opgedragen aan een
college, hetwelk de militair anders slechts in bijzon-
dere en altoos min of meer zwaarwichtige gevallen ziet
bijeenkomen. Ook tegenover het publiek zou de zaak
zoodoende een veel ernstiger karakter verkrijgen, dan
zij werkelijk heeft. — In de tweede plaats moet het
toekennen van disciplinaire macht aan een rechtscollege
altoos zoo veel mogelijk worden vermeden.
3°. De behandeling van de zaak zou kunnen worden
overgelaten aan den naast bij zijnden korps- of garnizoens-
kommandant.
Daar deze echter dikwerf met de antecedenten van
den verdachte niet bekend zal zijn, zou de bepaling
van de gerechte mate van strnf bij zoodanige regeling
met niet geringe bezwaren verbonden zijn.
4°. De beste en eenvoudigste weg schijnt te zijn ,
dat de korps-kommandant enz. de autorisatie van den
Minister vrage, om den verlofganger onder de wape-
nen te roepen, en dat aan dezen dan ook in dit geval
de disciplinaire straf door den in gewone gevallen
daartoe bevoegden meerdere wordt opgelegd.
Het grootste bezwaar dat tegen deze regeling kan
worden aangevoerd, is wel, dat de verlofganger som-
tijds op grooten afstand van zijne standplaats woont.
Dit bezwaar is echter tegenwoordig tot een minimum
teruggebracht, nu de dienstplichtigen in den regel
worden ingedeeld bij de nabij hunne woonplaatsen ge-
legen garnizoenen.
De hier gekozen oplossing der moeielijkheid heeft
nog dit voordeel, dat het besef van solidariteit met
zijn korps enz. bij den verlofganger levendig wordt
gehouden. De regimentskommandant is en blijve ook
-ocr page 58-
50
voor hem het middelpunt, de ziel van het regiment
waartoe hij behoort.
Art. 50. Elke aanzegging van voorloopig arrest en
elke bestraffing van een militair, die niet zijn uitge-
gaan van den kom man deerenden officier van het oor-
logsvaartuig, het korps enz., moeten te zijner kennis
worden gebracht. De bepalingen dienaangaande komen
thans voor in de Reglementen op de Rechtspleging \')
en in de voorschriften voor den inwendigen dienst bij
de verschillende deelen der zee- en der landmacht. De
laatstvermelde zullen vóór de invoering der nieuwe Wet
op de Krijgstucht worden herzien, vermits zij aan
volledigheid te wenschen overlaten.
Art. ai. Ten einde te voorkomen, dat de voor
loopig gearresteerde langer dan noodzakelijk is, van
zijne vrijheid beroofd blijft, wordt in dit artikel de
bevoegdheid om het voorloopig arrest op te heffen,
gegeven aan iederen tot straffen bevoegden meerdere,
die de zaak behandelt, dus ook aan hem die van eene hoo-
gere autoriteit de zaak ter behandeling heeft gekregen,
en bovendien aan eiken boven hem gestelde meerdere.
Deze laatste bepaling is een natuurlijk uitvloeisel van
de in artikel 73 erkende verplichting van eiken meer-
dere, om toe te zien op het richtig gebruik der aan
zijne minderen toegekende bevoegdheden.
Art. 59. Het artikel geeft drieërlei bevoegdheden:
1°. Die om eene opgelegde krijgstuchtelijke straf of
de omschrijving van de strafreden te wijzigen.
Wanneer na de strafoplegging blijkt, dat de juist-
heid van de genomen beslissing te wenschen overlaat,
dan moet alsnog op die beslissing teruggekomen kun-
worden. De bevoegdheid daartoe wordt gegeven:
a)  aan den strafoplegge r zelven. Het in ge-
wone strafzaken geldend beginsel, dat een eenmaal ge-
slagen vonnis alleen door eene uitspraak van een hoo-
geren rechter mag worden vernietigd, kan voor het
krijgstuchtelijk recht niet worden aanvaard. Men denke,
om een sterk sprekend voorbeeld te nemen, aan het
geval dat de straf is opgelegd door den kommandee-
renden officier van een op zee varend oorlogsvaartuig,
en dat deze, eenige dagen nadat hij eene zeer zware
en langdurige disciplinaire straf (plaatsing in de tucht-
klasse) heeft opgelegd, op grond van nieuwe inlich-
tingen aangaande de omstandigheden waaronder het
feit gepleegd is, tot de overtuiging komt, dat het reeds
ondergane gedeelte van de opgelegde straf zwaar ge
noeg voor dat feit, ja misschien zelfs reeds te zwaar
is te achten. Moet hij zelf dan niet bij machte zijn,
het door hem te goeder trouw begane onrecht te her-
stellen ? Door een ontkennend antwoord op deze vraag
te geven, zou de wet te gelijker tijd eischen, dat het
plegen van onrecht tegen den gestrafte nog weken, ja
soms maanden lang wordt voortgezet.
b)   aan iederen boven den strafoplegge r
gestelden meerdere. Dat ook aan dezen de be-
voegdheid tot wijziging moet toekomen, volgt uit de
tusschen de beide genoemde personen bestaande hiërar-
chische verhouding De oorspronkelijke strafoplegger
kan dan echter voor de nieuwe in de zaak genomen
beslissing natuurlijk niet langer verantwoordelijk ge-
steld worden, doch de meerdere die van zijne bevoegd-
heid tot wijziging gebruik maakte, moet als strafop-
legger worden beschouwd. Dit wordt uitdrukkelijk be-
paald in het tweede lid van artikel 53. *)
De hoogere meerdere zal van de hem toegekende
1)  Artt. 4 Rul. Z. en 6 en 7 Ttpl. L.
2)  Zie art. 1»2 Heg] luw. Dienst der Infanterie.
-ocr page 59-
r.i
bevoegdheid tot wijziging wel niet zeer dikwerf gebruik
maken, doch zich in den regel dienen neer te leggen
bij de beslissing, genomen door den onder hem ge-
«telden strafoplegger aan wien bij de behandeling der
zaak overliet, te meer daar zoodanige wijziging altoos
eenigermate afbreuk doet aan het prestige van den
eersten strafoplegger. Maar aan den anderen kant moet
voor bijzondere gevallen de hem toegekende macht
ook eene zeer ruime zijn, en zoowel de bevoegdheid
tot verlichting, als die tot verzwaring van straf om-
vatten. Wanneer ter zake van een zeer zwaar vergrijp
eene belachelijk lichte straf, of ter zake van een zeer
licht vergrijp eene buitensporig zware straf is opgelegd,
dan kunnen in het eerste geval de belangen der disci-
pline verzwaring van straf eischen, terwijl in het
tweede geval het recht zelf verlichting van straf vor-
dert. Zoo gebeurt het ook wel, dat manschappen van
verschillende compagniën, die een volkomen gelijk feit
begaan hebben en die ook overigens, wat hunne ante-
cedenten enz. betreft, in volkomen identieke omstan-
digheden verkeeren, ieder door zijn eigen compagnies-
kommandant, worden gestraft de een met politie-kamer,
de ander met provoost. De korpskommandant, op het
dagelijksch rapport dit verschil in opvatting en in s:raf
ontdekkende, en oordeelende dat daarvoor geen enuele
reden bestaat, zal nu natuurlijk bevoegd moeten zijn,
om, overeenkomstig zijne opvatting van de zaak, de
straf van den eenen te verlichten of die van den an-
deren te verzwaren.
ü°. de bevoegdheid om de uitvoering van eene krijgs-
tuchtelijke straf te schorsen.
Ofschoon het zonder tusschenpoozen doen ondergaan
van de straf in den regel ook bij de disciplinaire
arrest ut raffen noodzakelijk is, laten zich toch omstan-
digheden denken, waarin het bijna onmenschelijk zou
zijn. zelfs bij deze lichtere soort van vrijheidsst raf aan
dat beginsel streng vast te houden. Men denke a an het
geval dat een der ouders, de echtgenoot e of een kind
van den gestrafte op sterven ligt, enz. De bevoegdheid
tot schorsing moet vooreerst aan den strafoplegger,
en voorts gelijkelijk aan de hier genoemde komman-
deereude officieren worden gegeven, niet enkel aan
den kommandeerenden officier onder wiens onmiddel-
lijk toezicht de straf wordt geëxecuteerd. Wanneer,
bij voorbeeld, de kolonel-regimentskommandant te
Leeuwarden kennis krijgt, dat een der aldaar wonende
ouders van een soldaat, behoorende tot het in den
Helder in garnizoen liggend bataljon van zijn regiment,
op sterven ligt, moet hij bevoegd zijn, de schorsing
per telegram te gelasten, opdat de gestrafte onmid-
dellijk kunne overkomen.
Voorts kan zij evenzeer noodzakelijk zijn bij het
houden van alarm aan boord of bij andere buitengewone
exercitiën, bij oproer, brand of andere rampen, waarbij
de tegenwoordigheid van een zoo groot mogelijk aantal
militairen gewenscht kan wezen, enz.
Ten einde echter nadrukkelijk te kennen te geven,
dat de hier vermelde schorsing nooit als eenvoudige
begunstiging van den eenen gestrafte boven den an-
deren , doch slechts in zeer buitengewone omstandig-
heden mag plaats hebben, bedient het ontwerp zich
met voordacht van de wel ietwat pleonastische uit-
drukking: bij hooge uitzondering in een bij-
zonder geval.
3°. de bevoegdheid om de oplegging der straf, ge-
heel of ten deele, te niet te doen.
Dit punt behoeft niet nader besproken te worden.
Het hierboven sub 1°. gezegde geldt ook te dezen.
Art. AS. Het ligt natuurlijk in den aard der betrek-
king van de hier genoemde kommandeerende officieren,
-ocr page 60-
52
dat zij op de hoogte blijven van alles, wat er bij het
onder hun bevel staand onderdeel der krijgsmacht ge-
schiedt. Daar dit belang evenwel van zuiver admini-
stratieven aard is, zou op dien grond de opneming
van dit artikel in het ontwerp niet gerechtvaardigd,
althans niet noodzakelijk zijn. Het heeft echter nog
een tweede doel; het strekt namelijk om te voorkomen,
dat door al te lichtvaardige strafopleggers van lageren
rang misbruik wordt gemaakt van de in de twee vo-
rige artikelen gegeven bevoegdheden.
Behalve de hier voorgeschreven kennisgeving van
gemaakt gebruik van de vermelde bevoegdheden, zul-
len nog wel andere noodzakelijk zijn. Wanneer bijvoor-
beeld een vlag- of opperoffieier aan een militair het
voorloopig arrest heeft aangezegd en de zaak vervolgens
ter behandeling heeft gezonden aan den kommandant
van het vaartuig of van het korps waartoe die militair
behoort, dan zal die kommandant, gebruik makende
van zijne bevoegdheid tot opheffing van het arrest,
verplicht zijn, zijnen chef hiervan kennis te geven.
Zoodanig voorschrift behoort echter tot de regeling van
den inwendigen dienst en moet alzoo niet in deze wet
worden opgenomen.
Over het tweede lid wordt met een enkel woord
gesproken in de aanteekening op het vorig artikel,
sub 1°. b).
Art. 51. Het beginsel van de continuïteit der straf,
op hetwelk in artikel 52 voor bijzondere gevallen in-
breuk gemaakt moest worden, moet overigens zooveel
mogelijk worden gehandhaafd, behoudens dat de zwaar-
ste straf in den regel het eerst dient te worden onder-
gaan. Wanneer aan een met licht arrest gestraften
militair wegens een gedurende zijn straftijd begaan
krijgstuchtelijk vergrijp de straf van zwaar arrest wordt
opgelegd, moet deze straf dadelijk worden uitgevoerd,
en zal daarna de uitvoering van het licht arrest wor-
den voortgezet. Zoo laat ook het Wetboek van Straf-
recht de gelegenheid open, om hem die in de rijks-
werkinrichting of in het gesticht waar hij hechtenisstraf
ondergaat, een misdrijf pleegt, de te dier zake tegen
hem uitgesproken gevangenisstraf te doen ondergaan,
vóórdat de eerstbedoelde straf is geëindigd 1).
Art. Aft. De hier vermelde bevoegdheid tot vrijstel-
ling van krijgstuchtelijke straf wordt alleen aan de
hooge, in artikel 40 genoemde officieren en aan den
hoofdofficier detachementskommandant toegekend, om-
dat daarbij anders allicht eene ongelijkheid zou heer-
senen, die aanleiding tot ontevredenheid zou kunnen
geVen.
Buitengewone omstandigheden. Terwijl het
eerste gedeelte van het artikel een algemeenen maat-
regel, althans een maatregel op uitgebreide achaal ter
viering van de daar bedoelde feesten op het oog heeft,
wordt in de zoo even aangehaalde uitdrukking meer
gedoeld op individueele vrijstelling van straf ter be-
looning van bijzondere feiten, waardoor de gestrafte
zich verdienstelijk heeft gemaakt, bijvoorbeeld bij het
dempen van een oproer, bij brand, wegens het redden
van een drenkeling, enz.
Art. ftft. Natuurlijk zullen de straffen, opgelegd aan
militairen der zeemacht, in den regel aan boord\'), —
de aan militairen der landmacht opgelegde in den regel
aan den wal worden ondergaan. In zeer vele gevallen
zal echter hiervan moeten worden afgeweken. Die ge-
vallen kunnen van zoo velerlei aard zijn en de beslis-
1)  Smidt, Swb., I, blz. 288 en 331.
2)  Behoudens de bepaling van artikel 10 6) aanhef.
-ocr page 61-
r.:s
sing aangaande dit punt is zoo zeer afhankelijk van
allerlei bijkomende omstandigheden, dat wettelijke voor-
schriften te dezen opzichte niet gegeven kunnen worden,
doch de beslissing moet worden gelaten aan de met
de uitvoering der straf belaste autoriteit. Wanneer een
militair der zeemacht aan den wal, of ook, wanneer
nij aan den wal gehuisvest is, aan boord zich aan een
krijgstuchtelijk vergrijp schuldig maakte, zal somtijds
de daarvoor op te leggen straf veel gevoegelijker aan
den wal, d. i. op de voor de militairen der landmacht
gebruikelijke wijze, dan aan boord van een vaartuig op
hetwelk hij niet te huis behoort, op hem kunnen wor-
den ten uitvoer gelegd. Somtijds ook niet. Heeft de
matroos het vergrijp begaan, terwijl hij aan den wal
eene militaire wandeling maakte, dan zal de straf te
dier zake onmogelijk anders dan na zijn terugkeer aan
boord kunnen worden toegepast. Is hij daarentegen
voor een meer geruimen tijd aan den wal gedetacheerd;
behoort hij bijv. tot de bezetting van een fort, of is
hij aldaar gekazerneerd, dan zal in den regel de gele-
genheid bestaan, om hem de hem opgelegde discipli-
naire straf aan den wal te doen ondergaan. Daarentegen
zullen de straffen, op militairen der landmacht, die
behooren tot de opvarenden van een oorlogsvaartuig,
gewoonlijk aan boord kunnen worden ten uitvoer ge-
legd. (Evenzoo is in artikel 8, tweede lid, van het
Crimineel Wetboek voor het krijgsvolk te Lande be-
paald , dat in het evenvermelde geval de militairen der
landmacht zijn „onderworpen aan de wetten voor het,
krijgsvolk te water vastgesteld".) Doch ook op dezen
regel zullen wederom uitzonderingen moeten gelden,
zooals bijvoorbeeld indien de straf is opgelegd aan een
ingescheept militair, die ontscheept moet worden, vóór-
dat zijn straftijd is verstreken.
Aangaande de aanvankelijke opneming der geëmbar-
keerde militairen van de landmacht in de tuchtklasse
voor de militairen der zeemacht zullen in den algemeenen
maatregel van bestuur, krachtens artikel \'2\'2 van het
ontwerp jet. art. 23 van het ontworpen militair straf-
wetboek, de noodige regelen moeten worden gegeven.
De vraag of de geëmbarkeerde militairen der land-
macht zullen worden gestraft door hun eigen detache-
mentskommandant of door den tot straffen bevoegden
officier der zeemacht, is in artikel 42 in den laatsten
zin beantwoord.
De vraag door wien de krijgstuchtelijke straf moet
worden opgelegd, wanneer militairen der zee- en der
landmacht gezamenlijk aan den wal dienst doen, wordt
beantwoord in de artikelen 43 en 45.
Art. 57. Het artikel dient om het oogenblik waarop
de straf aanvangt en eindigt, vast te stellen. Het ia
niet wenschelijk, ook voor de executie van de het meest
voorkomende krijgstuchtelijke straf, het arrest, vast
te houden aan de bepaling van artikel 88 van het Wet-
boek van Strafrecht, dat door dag een tijd van vier
en twintig uren wordt verstaan. Het artikel bepaalt,
dat de straf altoos eindigt in den vroegen morgen met
den tijd van reveille, omdat terstond daarna de werk-
zaamheden of exercitiën aanvangen, en de gestrafte
dan derhalve dadelijk daaraan deel kan nemen.
Uit het artikel blijkt voorts ook weder, dat de krijgs-
tuchtelijke straf altoos zoodra mogelijk, nadat zij is
uitgesproken, moet worden ten uitvoer gelegd.
Art. AS. De vragen of het willig ondergaan van
straf of van voorloopig arrest, het ten uitvoer leggen
van straf en het doen ondergaan van het voorloopig
arrest als dienstaangelegenheden zijn te beschouwen,
zijn wel eens in verschillenden zin beantwoord. Het ar-
tikel maakt aan den twijfel eeu einde, en voor den
-ocr page 62-
f>4
vervolge staat het alzoo vast, dat het niet willen on-
dergaan van straf of van voorloopig arrest, het door
den gestrafte wederrechtelijk verlaten van de plaats
waar hij zijne straf moet ondergaan (bet zoogenaamde
violeeren van het arrest), het ontvangen van bezoeken
aldaar, enz. valt onder de bepaling van artikel 105
van het ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht, en
dat het verzet tegen een meerdere bij gelegenheid van
de tenuitvoerlegging van straf te beschouwen is als
feitelijke insubordinatie in dienst gepleegd, zoodat daarop
niet artikel 112, doch de artikelen 1U8—111 van dat
ontwerp toepaslijk zullen zijn.
Arl. M. Ter toelichting van dit artikel kan worden
verwezen naar hetgeen daarover in het slot der aantee-
kening op artikel 2 hierboven is gezegd.
Gelijke bepaling wordt o. a. gevonden in § 45 van
de Duitsche Disziplinar-Strafordnung für das Heer (die
Kaiserliche Marine) en in & 656 van de Oosten rij ksche
bepalingen betreflende het krijgstuchtelijk recht.
Ook in Frankrijk heeft de jurisprudentie beslist, dat
door krijgstuchtelijke bestraffing het recht tot straf-
vordering niet vervalt, alhoewel de Fransche wetge-
ving geene uitdrukkelijke bepaling dienaangaande oe-
vat. Bij arrest van 8 Juni 1882 *) overwoog een der
Conseils de Révision:
„Attendu qu\'en aucun cas une punition disciplinaire
ne fait obstacle a 1\'eiercice ultérieur de 1\'action publi-
que, a raison du même fait;
„Qu\'en eflet, discuter que 1\'action publique est éteinte
par 1\'exercice de 1\'action disciplinaire, ce serait poser
en principe que, quel que soit Ie crime ou Ie délit
dont uu militaire se rendrait coupable, il suffirait,
pour Ie soustraire au chatiment, de lui infliger une
punition disciplinaire quelconque, principe tout a fait
inadmissible."
Art. «l. Voorziet artikel 60 in het geval, dat een
feit, hetwelk het onderwerp eener rechterlijke beslis-
sing had moeten uitmaken , ten onrechte als eene krijgs-
tuchtelijke zaak is beschouwd, artikel 61 handelt over
het omgekeerde geval, dat namelijk eene zaak die
krijgstuchtelijk afgedaan had moeten zijn, aan het oor-
deel van den militairen rechter is onderworpen.
Ter regeling van deze aangelegenheid staan den wet-
gever twee wegen open. Hij kan bepalen, of dat de
krijgsraad alsdan de zaak zal afdoen en den beklaagde
eene krijgstuchtelijke straf zal opleggen, óf dat de zaak
ter afdoening wordt verwezen naar den bevoegden kom-
mandeerenden officier.
Aan de eerstvermelde bepaling wordt door sommigen
de voorkeur gegeven. Dat de krijgsraad, die door de
behandeling der zaak volkomen op de hoogte daarvan
is, in ieder geval de beslissing geeft en de straf be-
paalt, schijnt ook werkelijk zeer eenvoudig en voor de
hand liggend. Toch rijzen hiertegen in dit geval ge-
wichtige bezwaren.
Vooreerst zou daardoor inbreuk worden gemaakt op
het beginsel van scheiding van de rechterlijke en de
disciplinaire macht. Wanneer de gewone strafrechter,
voor wien een deurwaarder, een postbeambte, een
schepeling enz. terecht staat, van oordeel is, dat het
bewezen feit of één of meerdere van de bewezen feiten
geen „strafbare feiten" opleveren, doch slechts tot dis-
ciplinaire bestraffing aanleiding kunnen geven, zal hij
zich natuurlijk van de kennisneming der zaak uit dit
oogpunt onthouden, en den beklaagde eenvoudig (in
1) Te vinden in den Monitour de 1\'Armée van fi Augustus 1882
en bij Coupois, Le code de Justice Militaire pour l\'armce de terre
interprété etc. Chalons-sur-Marne, 1887, II, blz. 33C.
-ocr page 63-
65
zoo verre) vrjjspreken of van rechtsvervolging ontslaan.
Zóó moet ook de militaire rechter, zoo mogelijk, uit-
sluitend met rechtspraak over „strafbare feiten" belast
blijven ]). De handhaving der tucht daarentegen blijve
bij voorkeur aan den bevelvoerenden officier overgela-
ten, buiten strikte noodzakelijkheid mag hij, eener-
zijd8, van zijne verantwoordelijkheid te dien opzichte,
ook zelfs gedeeltelijk, niet worden ontlast; in het dra-
gen van die verantwoordelijkheid mag hij, aan den
anderen kant, door hef ingrijpen van den rechter even-
min worden bemoeilijkt. Doet men dezen eene beslis-
sing nemen, ofschoon hij zelf constateerde, dat het feit
niet onder het eigenlijke strafrecht valt; — belast men
dus den strafrechter met iets anders dan met recht-
spraak over Misdrijven of Overtredingen, dan dwingt
men hem een terrein te betreden, dat het zijne niet is.
Maar er is meer. De nu besproken regeling zou niet
alleen theoretisch onjuist zijn; zij zou tevens tot een
groote praktische moeielijkheid aanleiding geven. Van
het in de artikelen 65 en 61) aangenomen stelsel, dat
ieder krijgstuchtelijk gestrafte die zich over de hem
opgelegde straf bezwaard acht, bevoegd is daarover
zijn beklag te doen, zou natuurlijk, ingeval de mili-
taire rechter de disciplinaire straf oplegde, niet kun-
nen worden afgeweken. Betrof echter de zaak een hoofd-
officier, die alzoo in eenigen aanleg voor het Hoog
Militair Gerechtshof terecht staat, dan zou beklag ter
zake van de opgelegde disciplinaire straf volstrekt on-
mogelijk zijn. En betrof de zaak een minderen officier,
een onderofficier of een minderen militair, dan zou voor
de behandeling van het beklag over de door den krijgs-
raad opgelegde disciplinaire straf voorzeker niet eane
hoogere militaire autoriteit, doch het Hoog Militair
Gerechtshof moeten worden aangewezen.
Het zou alsdan de vraag zijn, of dit beklag, het-
welk in den aard der zaak niets anders is dan een hooger
beroep, altoos zou moeten worden toegelaten, dan wel
of dit, evenals tot dusverre ten aanzien van het appel
in gewone strafzaken bij den militairen rechter 2), zou
moeten afhangen van de in het vonnis gebezigde be-
wijsmiddelen. Liet men het beklag altoos toe, dan
zou men óf alleen voor het nieuwe geval, óf, beter,
tegelijkertijd voor de geheele materie (want de reclame-
procedure is feitelijk in \'t geheel niet geregeld) wijzi-
gingen en aanvullingen in het formeel recht moeten
aanbrengen; en voor zoodanige herziening is het thans
niet de gelegenheid. En liet men het alleen toe in de
gevallen waarin ook het gewone appel openstaat, dan
zou ten gevolge van de omstandigheid, dat de zaak
ten onrechte voor den krijgsraad is aangebracht, den
gestrafte een rechtsmiddel zijn ontnomen. Quod absurdum.
De in het ontwerp voorgestelde regeling, dat na-
melijk de militaire rechter de zaak ter afdoening naar
den bevoegden kommandeerenden officier verwijst, is
derhalve verre te verkiezen. Dan hebben ook de hier
bedoelde disciplinair gestraften hetzelfde recht van be-
klag als alle andere. Dan blijft de disciplinaire macht
van den kommandeerenden officier ongerept, en zijne
1)   „Nicht der Strafrichter ist es, der übor diese gleichsam ein
Internum des Amtes bildeudon Vergchungon zu Gericht sitzen durf,
nicht in den Formen des gewóhnlichen Vorfahrens, das die Klira
und die Autoritiit des Beamten in der ölTentlichen Achtung weit
übor das Masz der Vergeliuug hinaiis herabsetzen wiirde, kaim
vorgegaugen werden, vielmehr muszesdie zur richtigen Wiïrdigung
des Thatbestandes am besten geeigneto vorgesetzto Behörde sein,
die in einem der Stellung und dem Ansehen des Beamten enUpre-
chcndcu, melir oder weniger geheimen Verfahren die That beur-
theilt und straft." Mbvés in von Holtzexdorh \'s Handbuch des
Deutschen Strafreclits, UI, blz. <K$9.
De in artikel 64 vervatte afwijking van dezen regel wordt door
het belang der zaak gevorderd. Men zie de toelichting van dat
&rtiK.ol
2)  Art. 202 Rechtspl. Z., — art. 222 Rechtspl. L.
-ocr page 64-
56
inferieuren grijpen niet in in zijn werkkring. Dan be-
slist de krijgsraad alleen, dat de zaak geene krijgs-
raadszaak is: dat is zijne roeping. En dan wordt de
krijgstuchtelijke straf opgelegd door hem, die beter
dan iemand anders in staat zal zijn , de noodzakelijke
en gerecbte mate daarvan te bepalen, door hem na-
melijk die als de natuurlijke disciplinaire rechter van
den dader te beschouwen is, en die, vermits krach-
tens het artikel alle stukken moeten worden mede-
gedeeld, zich ook met de zaak in al hare bijzonder-
heden bekend kan maken.
§ V. Samenloop van Hrafbaar feit en krijgi-
tuchlelijk vergrijp.
De samenloop hetzij van krijgstuchtelijke vergrijpen
onderling, hetzij van deze met Misdrijven of Overtre-
dingen eischt eene geheel andere regeling, dan die in
het eigenlijke strafrecht aan den samenloop van straf-
bare feiten gegeven is. Bij de beoordeeling der eerste
en bij de rechtspraak over de laatste moet men zich
vaak op geheel van elkander afwijkende standpunten
plaatsen en van geheel verschillende beginselen uit-
gaan; — de autoriteit aan welke de beoordeeling der
vergrijpen is overgelaten, is eene geheel andere dan
die met de rechtspraak belast is; —uiteenloopend zijn
ook de aard van de straffen, de wijze waarop — de
personen door wie — de plaatsen waar ze ten uitvoer
gelegd worden, en het doel dat er mede wordt be-
oogd ; — ten slotte, om met het voornaamste te ein-
digen , terwijl in het eigenlijke strafrecht de straf die
voor ieder speciaal misdrijf kan worden uitgesproken,
bepaaldelijk is aangewezen, moet het krijgstuchtelijk
recht zijh vergenoegen met eene algemeene opsomming
van de straffen, die ter zake van de disciplinaire ver-
grijpen kunnen worden opgelegd.
De verschillende gevallen of combinaties, die zich
bij den bovenvermelden samenloop kunnen voordoen,
moeten alzoo afzonderlijk worden behandeld, en de
aangelegenheid voor iedere combinatie zóó geregeld
worden, als het belang van de zaak het vordert.
Over het geval dat één persoon moet gestraft wor-
den ter zake van verschillende door hem begane krijgs-
tuchtelijke vergrijpen, behoeft in deze § niet te worden
gehandeld. Reeds in artikel 39 is bepaald, dat alsdan
slechts ééne hoofdstraf wordt opgelegd. Men vergelijke
de aanteekening op dat artikel.
Artt. S\'i en 63. Reeds hierboven \') werd opgemerkt,
dat in ieder militair misdrijf een vergrijp tegen de
krijgstucht ligt opgesloten. Evenzoo zal ook dikwerf
een bepaald commun delikt onbestaanbaar zijn met de
regelen der militaire tucht en orde. Aan deze gevallen
kan, aangezien dan in ééne handeling, in ééne daad
een strafbaar feit en eene disciplinaire tekortkoming
samenloopen, de naam van ééndaadsche samen-
loop worden gegeven2).
Zal nu zoodanig feit in zijne hoedanigheid van krijgs-
tuchtelijk vergrijp al dan niet afzonderlijk moeten
worden bestraft?
Het ontwerp onderscheidt naar gelang de zaak aan
de kennisneming van den militairen of van den
gewonen rechter onderworpen is.
In het eerste geval (art. 62) zou het niet aangaan,
den dader, zonder het tegen hem te wijzen vonnis af
te wachten, al vast disciplinair te straffen; noch ook ,
hem na zijne veroordeeling, boven de bij het vonnis
1)  In de Aanteekingen op art. 2 n°. 2, blz. 6.
2)  Naar het oordeel van Prof. M. de Vbif.s bestaat er uit een
taalkundig oogpunt geen bezwaar tegen dezo uitdrukking. Tijdschr.
v. Strafrecht, 1, blz. 473, noot 2.
-ocr page 65-
57
uitgesproken straf nog eene krijgstucbtelijke straf ter
zake van hetzelfde feit op te leggen. Immers, — ge-
lijk hierboven (blz. 6) in de beschouwing over artikel
2 n°. 2 reeds werd opgemerkt — bij de bepaling der
strafmate neemt de militaire rechter de aanranding
tegen de krijgstucht die in het feit verscholen ligt,
zonder twijfel in aanmerking. Legde nu de disciplinaire
autoriteit den dader nog eene afzonderlijke krijgstuch-
telijke straf op, dan zou het feit, uit hetzelfde oog-
punt beschouwd, tweemaal worden bestraft.
Wanneer het echter de gewone rechter is, die van
de zaak kennis neemt (art. 63), dan is de toestand
eene geheel andere. De kantonrechter of de rechtbank
weet niet steeds met voldoende kennis van zaken te
beoordeelen, of door een strafbaar feit van het ge-
nieene recht de belangen der militaire tucht of orde
zijn geschaad, veel minder nog in welke mate dit het
geval is, en allerminst, welke bestraffing aan het
feit, als vergrijp tegen de krijgstucht, evenredig is te
achten. Daarom dan ook heeft hij niet de bevoegdheid
om eene van de bijkomende militaire straffen op te
leggen. Toch zal het militair belang in zoodanig ge-
val dikwijls, bijvoorbeeld, de verlaging van den dader
of zijne onderwerping aan eene gestrengere krijgstucht
eischen.
Dat de definitieve beslissing der vraag, door wien de
bedoelde maatregelen zullen moeten worden bevolen,
moet worden aangehouden, totdat de herziening van
het formeel militair recht aan de orde komt, werd
betoogd in de aanteekening op artikel 10 van het
ontwerp van Wet tot voorloopige regeling der rechts-
macht van den militairen rechter. Inmiddels kan aan
de met de militaire belangen vertrouwde overheid de
bevoegdheid worden gegeven, om als het ware de uit-
spraak van den gewonen rechter met den door die
belangen gevorderden maatregel aan te vullen. Men
vergelijke ook artikel 72.
Art. «I. Werd de scheiding van het eigenlijke
strafrecht en het krijgstuchtelijk recht volkomen con-
sequent volgehouden, dan zou steeds in geval van
meerdaadschen samenloop van strafbaar feit
en krijgstuchtelijk vergrijp \') alleen het eerste ter
kennisneming van den rechter moeten worden gebracht,
het andere ter disciplinaire afdoening van den daartoe
bevoegden meerdere moeten worden gelaten.
Zoodanige regeling zou evenwel de rechtvaardige
beoordeeling van de beide zaken niet altoos bevorderen i).
Zeer vaak komt het voor, dat een krijgstuchtelijk ver-
grijp en een door denzelfden persoon gepleegd straf baar
feit zóó nauw samenhangen, dat het ééne zonder ken-
nis van het andere niet met juistheid kan worden ge-
waardeerd: het vergrijp kan zoowel het middel tot het
begaan van bet misdrijf, als ook het noodwendig ge-
volg daarvan zijn, — ze kunnen te beschouwen zijn
als ééne voortgezette handeling, — ze kunnen zelfs,
om zoo te zeggen, samen één geheel vormen. In zoo-
danige gevallen zou splitsing van de zaken niet wen-
schelijk zijn, en zal dan ook, volgens artikel 64, de
militaire rechter gelijktijdig van beide kennis nemen.
Bij de beslissing van de vraag, of hij dan ook bij
schuldigverklaring aan de beide feiten eene afzonder-
L) D. i.: wanneer één persoon twee of meerdere op zich zolve
staande handelingen heeft begaan, dio beide of alle nog moeten
hestruft worden, en waarvau één of meer vallen onder de bepaling
van een misdrijf of eeuo overtreding, on één of moor andere be-
liooren tot do krijgstucbtelijke vergrijpon volgons de daarvan in
artikel 2 gegeven omschrijving.
2) Ter wille van de eenvoudigheid wordt hier voorondersteld.
dat slechts twee feiten zijn gepleegd. Dezelfde beschouwing geldt
natuurlijk ook, wanneer het aantal gepleegde feiten grooter ia.
-ocr page 66-
r>s
lijke disciplinaire straf ter zake van het krijgstuchte-
lijk vergrijp zal moeten opleggen, vindt men zich
gesteld tegenover twee beginselen, waarvan de gelijk-
tijdige handhaving te dezen niet mogelijk is. Wil men
namelijk vasthouden aan het zoo juiste stelsel, dat bij
het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de bij meer-
daadachen samenloop op te leggen straffen is gehuldigd
(volgens hetwelk altoos voor ieder feit de bij de
wet daarop gestelde strafsoort wordt op-
gelegd), dan moet men ook bepalen, dat, in geval
van meerdaadschen samenloop van delikt en disciplinair
vergrijp, naast de op het eerste gestelde straf ook
steeds door den rechter eene krijgstuchtelijke zal wor
den uitgesproken. Doch wanneer nu de dader ter zake
van het strafbaar feit tot eene eenigszins langdurige
gevangenisstraf wordt verwezen, hoe zou het dan moe-
ten gaan met de executie van die bij hetzelfde vonnis
opgelegde disciplinaire straf? Deze vóór de gevange-
nisstraf ten uitvoer te leggen, zou natuurlijk geena
aanbeveling verdienen. En bij executie van de arrest-
of andere disciplinaire straf n a de gevangenisstraf
komt men in strijd met een van de hoofdbeginselen
van het disciplinair recht, dat namelijk de straf
zeer spoedig op het vergrijp moet volgen.
Het zou ook waarlijk bijna belachelijk en zeker niet
nuttig zijn, na eene gevangenisstraf van een half jaar of
van eenige jaren den dader ter zake van een zoo lang
geleden gepleegd vergrijp nog te doen strafexerceeren
of eene arreststraf van ettelijke dagen te doen ondergaan.
Verkieslijk schijnt het daarom, terzake van het krijgs-
tuchtelijk vergrijp geene afzonderlijke straf te doen
opleggen, doch het eenvoudig te beschouwen als ééne
van de vele omstandigheden, waarop de rechter bij de
waardeering van het strafbaar feit heeft te letten, en
alzoo vast te stellen, dat hij het bij de bepaling van
de straf in aanmerking zal nemen.
Dit alles geldt echter alleen dan, wanneer er tus-
schen het strafbaar feit en het krijgstuchtelijk vergrijp
samenhang of verband bestaat. Is dit niet het geval,
dan moet, om de hierboven in de aanteekening bij
artikel 61 aangegeven redenen, de rechter zich ont-
houden van de kennisneming van het krijgstuchtelijk
vergrijp. Of dan ter zake van dit laatste de krijgs-
tuchtelijke straf door de bevoegde disciplinaire auto-
riteit reeds vóór de behandeling van de ter kennisne-
ming van den krijgsraad staande zaak zal worden op-
gelegd , zal van de omstandigheden moeten afhangen.
Is het vergrijp zeer licht, dan is hiertegen geen enkel
bezwaar. Hetzij de dader naar aanleiding van de krijgs-
raadszaak in voorloopig arrest is, hetzij deze preven-
tieve maatregel niet op hem wordt toegepast, eene
kortdurende disciplinaire straf kan in beide gevallen
zonder eenig bezwaar op hem worden ten uitvoer ge-
legd. Is het vergrijp echter van dien aard, dat daar-
voor, bijvoorbeeld, plaatsing in de tuchtklasse noodza-
kelijk zou worden geacht, dan zal men, ten einde
verwikkelingen bij de executie te voorkomen, beter
doen door eerst de uitspraak van den rechter af te
wachten, en dit te eerder, omdat altoos de mogelijk-
heid bestaat, dat de rechter, gebruik makende van
de hem bij artikel 13 van het ontwerp-Wetboek van
Militair Strafrecht toegekende bevoegdheid, den be-
klaagde uit den militairen dienst zal ontslaan.
Bij de bepaling van de straf, d. i. van de
straf, welke de rechter ter zake van het feit of van de
feiten, die misdrijf of overtreding opleveren, zal uit-
spreken. Hieruit volgt alzoo, dat, wanneer de beklaagde
ter zake van dat feit of van die feiten niet veroordeeld
wordt, de militaire rechter zich ook van bestraffing
wegens het krijgstuchtelijk vergrijp heeft te onthouden.
Artikel 61 is alsdan toepaslijk.
-ocr page 67-
f>9
§ VI. Beklag over opgelegde irijgtlucAtelijke itraf.
Dat het recht van beklag of reclame in krijgstucht-
zaken behoort te worden behouden, wordt door ieder-
een erkend. De tegenwoordige regeling van dit onder-
werp laat echter veel te wenschen over: De bepaling
dat de reclamant in arrest moet blijven totdat de be-
slissing in zijne zaak is gevallen, is onverdedigbaar; —
de herhaalde bemoeiingen van de militair-rechterlijke
macht met de disciplinaire aangelegenheden, die uit
den aard der zaak niet tot hare competentie behooren,
verdient afkeuring; — de aanwijzing van den krijgs-
raad tot het onderzoeken van de reclamezaken heeft
het met alle militaire begrippen strijdige gevolg, dat
de mindere geroepen wordt om uitspraak te doen over
de wijze waarop zijn superieur gebruikt heeft gemaakt
van eene hem toekomende bevoegdheid. Is de straf
opgelegd door den kompagnieskommandant, dan geldt
dit bezwaar nog ten huidigen dage in zijn volle kracht;
ingeval echter de strafoplegger een hoofdofficier is,
heeft de praktijk, zonder op eenige wetsbepaling dien-
aangaande te kunnen wijzen, het bezwaar ontdoken,
door de reclame alsdan bij het Hoog Militair Gerechts-
hof te doen behandelen. Daaruit spruit evenwel weer
een ander nadeel voort: zóó wordt namelijk de schijn
geboren, alsof, tengevolge van de ingebrachte klacht
over de straf, de strafoplegger aangeklaagde wordt.
Voor de definitieve regeling van dit onderwerp is
evenwel thans de tijd nog niet gekomen. De aanstaande
herziening van het formeel recht, waartoe ook het be-
klag behoort, zal de geschikte gelegenheid zijn, om
te overwegen, hoe ook deze procedure moet worden
geregeld, met name of de beslissing in hoogste res-
sort niet zal behooren te worden opgedragen aan Ra-
den van Tucht, bestaande uit hooggeplaatste officieren
in werkelijken dienst. De nu voorgestelde bepalingen
dragen alzoo, vooral voor zoover de formaliteiten be-
treft, slechts een voorloopig karakter, hetgeen ook
ten duidelijkste blijkt uit de vermelding van het Hoog
Militair Gerechtshof in de artikelen 68 en 69; door
die vermelding wordt natuurlijk niet gepraejudicieerd
over de instandhouding van dat rechtscollege.
In afwachting van die definitieve regeling kunnen
echter reeds thans ettelijke gebreken van den bestaan-
den toestand worden opgeheven. Wat de hoofdzaken
betreft, verschilt het in de artikelen 65 en volgg. voor-
gestelde systeem van het thans geldende in zoo verre:
1°. dat de zoo even vermelde onhoudbare bepaling
aangaande de verplichting van den reclamant om zich
in arrest te begeven , geheel vervalt. Gehandhaafd daaren-
tegen wordt het oud en juist militair beginsel, de eerste
voorwaarde tot het bewaren der krijgstucht, dat de
gestrafte moet beginnen met te gehoorzamen, en dat
dus het ondergaan van de straf door het indienen van
het beklag niet wordt geschorst, behoudens de in het
belang van het onderzoek noodzakelijke uitzondering,
dat de met plaatsing in de tuchtklasse gestrafte voor-
loopig niet naar de tot het ondergaan daarvan bestemde
inrichting wordt overgebracht (art. 66, tweede lid).
2°. dat de gestrafte die zich over de opgelegde straf
wil beklagen, en aan wien volgens de bestaande, wel
is waar niet zeer duidelijke bepalingen de keuze is ge-
laten tusschen een eerste beklag bij eene hoogere auto-
riteit of rechtstreeksche aanbrenging der zaak bij den
krijgsraad1), in het vervolg steeds verplicht zal zijn,
1) Art. 9 (15) Rpl. Z. (L.) „Indien een gearresteerde zich, over
liet arrest, of over de hem opgelegde straf bezwaard vindt, zoo
dat hii meent ten onregte gearresteerd, of onschuldig of te zwaar
gestraft te zijn, zal hij daarvan (daarover) zijne klagten als dan
kunnen inbrengen, en zelfs mogen verzoeken, dat de zaak door
een Krijgsraad wordo onderzocht."
-ocr page 68-
60
in de eerste plaats aan een boven den strafoplegger
gestelden militair zijn bezwaar kenbaar te maken (Art.
65). De ondervinding heeft geleerd, dat de bemoeiing
van een hoogeren militairen chef dikwerf overijlde re-
clames stuit, en alzoo nuttig werkt in het belang van
de discipline, op welke het menigvuldig indienen van
reclames altoos een schadelijken invloed oefent.
3°. dat reclamezaken in het vervolg nooit meer voor
den krijgsraad zullen worden behandeld, doch, inge-
val het, beklag tot in het laatste ressort wordt voort-
gezet, alleen door het hoogste militaire rechtscollege,
zoodat voortaan de officieren, die zich met de opleg-
ging van krijgstuchtelijke straf hadden in te laten, hun
gedrag te dezen nooit meer door hunne minderen zul-
len zien beoordeelen (Art. 681).
4°. dat de gestrafte het beklag niet meer — gelijk
thans — onmiddellijk na de strafoplegging zal kunnen
doen, doch eerst na verloop van twee dagen (Art. 6ö,
eerste lid). Ook deze bepaling beoogt het voorkomen
van overijlde reclames. Menigmaal toch gebeurt het,
dat een gestrafte in de eerste oogenblikken van op-
gewondenheid na de oplegging der straf overgaat tot het
doen van den stap die hem duur te staan kan komen,
en waarover hij dan ook later veel berouw gevoelt.
Beter is het daarom, dat hij genoopt wordt, eerst over
de mogelijke gevolgen zijner handeling na te denken,
en dat hij dus niet dan na verloop van eenigen tijd,
als hij gelegenheid gehad zal hebben om tot kalmte
te geraken, tot het indienen van het beklag bevoegd
wordt.
5°. dat den gestrafte een termijn van twee dagen
om zich te beklagen wordt toegekend (Art. 66, eerste
lid). Volgens de thans bestaande bepalingen is hij vol-
strekt aan geen termijn gebonden. Het behoeft echter
wel geen betoog, dat dergelijke vrijheid om nog na
geruimen tijd eene reclame in te dienen, schadelijk
kan worden voor de discipline, en bet onderzoek naar
de ware toedracht der feiten buitengemeen kan bemoei-
lijken \').
Art. 65. De als van zelf aangewezen persoon, aan
wien de eerste behandeling van een beklag wegens
eene opgelegde krijgstuchtelijke straf moet worden op-
gedragen, is de hoogere disciplinaire autoriteit. Dit
stelsel wordt in het Duitsche recht zelfs niet enkel
voor de „erste Beschwerde-Instanz", maar voor alle
„fernere Beschwerde-In*tanzen" gehuldigd. Het beklag
kan volgens dat recht „ohne Umgehung einer Instanz,
bis zur Allerhöchsten Stelle hinauf erhoben werden"*).
De militair-rechterlijke macht neemt aldaar van de
reclame-zaken geen kennis.
Op twee der voordeden aan het in artikel 65 gehul-
digde stelsel verbonden , werd hierboven sub 2°. en 3°.
reeds gewezen. Een derde zeer groot voordeel is, dat
de behandeling van de reclame-zaak in eersten aanleg
veel sneller kan afloopen dan tegenwoordig. De behan-
deling voor den krijgsraad of voor het Hoog Militair
Gerechtshof vordert veel tijd. Men denke vooral aan
het geval, dat de straf is opgelegd door den komman-
deerenden officier of door den eersten officier aan boord
van een oorlogsvaartuig in zee.
1)   Van dezelfde beginselen als hierboven onder 4°. en 5°. vor-
melrl zijn, gaat ook liet Duitsche recht uit, doch dit bevat cenigs-
zins afwijkende termijnen. Het beklag kan namelijk niet vroeger
worden ingediend dan daags na do strafoplegging (La unit porte
conseil); daarna hoeft do gestrafte enn termijn van drie dagen,
binnen wolko hij hot beklag moet hebben ingebracht. § 5 der
Vorschrifton über den Dienstweg und die Benandlung von IV-
schwerden der Militar-Persoueu des Heeres und der Marine van
6 Maart 1873.
2)   § 10 der Vorschriften über den Dienstweg und die Behand-
lung von Beschwerden.
-ocr page 69-
61
Of die hetzij bij algemeene, hetzij bij
b ij zondere beschikking door Ons of van
Onzentwege is aangewezen. Deze bijvoeging
is noodig, vooreerst omdat onderscheidene tot straffen
bevoegde officieren in eene dubbele verhouding van
ondergeschiktheid staan; ten andere omdat de zaak
geregeld behoort te worden ten aanzien van alle straf-
opleggers, die niet onder de bevelen van een anderen
militair gesteld zijn.
Art. 66. Zie in de algemeene aanteekening voor
deze § sub 4°, 5° en 1°.
Art. 681. De meerdere die volgens artikel 65
in de eerste plaats over het beklag heeft te oordeelen,
zal, op zeer enkele uitzonderingen na (bijv. art. 45),
een hoofdofficier zijn. Maar zelfs waar hij in de excep-
tioneele zoo even bedoelde gevallen slechts den rang
van kapitein heeft, zou het toch niet aangaan, de zaak
in tweeden aanleg door den krijgsraad te doen onder-
zoeken. Zie in de algemeene aanteekening over deze §
snb 3°.
Hooge Militaire Gerechtshof in Neder-
landsch Indië. Met de heen en weer zending der
stukken naar en van het Hoog Militair Gerechtshof
in Nederland gaat, wanneer het beklag is gedaan bij-
voorbeeld door een schepeling behoorende tot de be-
manning van een in de wateren van Nieuw Guinea
kruisend oorlogsvaartuig, zeer veel tijd verloren. Het
schijnt daarom raadzaam, in dergelijke gevallen de be-
slissing aan het Hooge Militaire Gerechtshof in Ne-
derlandsch-Indië op te dragen. Dat Hof is dan boven-
dien beter bij machte, de zaak, zoo noodig, nog na-
der te doen onderzoeken.
Art. ÏO. Niemand is beter dan de meerdere of de
rechter wiens beslissing ingevolge artikel 65 of 681
is ingeroepen, in staat om te beoordeelen, of de klager
den eerbied dien hij als mindere aan den meerdere
(strafoplegger) verschuldigd is, bij het doen van het
beklag heeft verzaakt. Uit een nader onderzoek zal
verder kunnen blijken, of de klager ook tegen beter
weten het beklag inbracht. In bet eene en in het an-
dere geval moet de oplegging van straf te dier zake
aan de in den regel daartoe bevoegde autoriteit of aan
het daartoe bevoegde rechterlijke college worden over-
gelaten.
§ VII. Slotbepalingen.
Art. fl. In onze tegenwoordige wetgeving heerscht
niet de noodige eenheid van opvatting ten aanzien van
het juridische karakter van het wegzenden met een
briefje van ontslag. In de Memorie van Toelichting
behoorende bij de Wet van 14 November 18/9, Stbl.
n°. 194, tot wijziging van het Reglement van krijgs-
tucht voor het krijgsvolk te Water, wordt uitdruk-
kelijk gezegd, dat die maatregel „niet in strikten zin
als eene disciplinaire straf is te beschouwen". Daar-
entegen wordt in artikel 3 der Wet van denzelfden
datum, Stbl. n°. 192, tot wijziging van het Regle-
ment van krijgstucht voor het krijgsvolk te Lande,
even uitdrukkelijk gewag gemaakt van „de straf van
het wegzenden met een briefje van ontslag". Wat er
nu ook moge zijn van de vraag, of dit artikel alleen
betrekking heeft op de in artikel 31, dan wel ook
op de in artikel 25 van het Reglement van krijgstucht
voor het krijgsvolk te Lande vermelde wegzending,
in ieder geval ligt het voor de hand, dat de aard
van die wegzending niet kan veranderen, naar gelang
-ocr page 70-
89
zij op een militair der zeemacht of op een militair
der landmacht wordt toegepast. Voor beide deelen der
krijgsmacht behoort dienaangaande dezelfde opvatting
te gelden.
In welken zin deze tweestrijd thans in de nieuwe
wetgeving moet worden opgelost, schijnt niet twijfel-
achtig.
De maatregelen ter bescherming van de tucht bij
de krijgsmacht zijn tweeërlei \').
Vooreerst maatregelen die de strekking hebben, aan
hem die zich tegen de regelen dier tucht vergreep,
te dier zake een leed aan te doen, ten einde langs
dien weg aan hem (en ook aan anderen) te doen
blijken, dat de overheid dergelijke misdraging niet
duldt, de herhaling daarvan te voorkomen, en den
overtreder als militair te verbeteren, door hem een
juister inzicht in zijne plichten als zoodanig te geven.
Alleen deze maatregelen, vroeger veeltijds in volkomen
overeenstemming met hunne strekking disciplinaire
correctiën genoemd, zijn in den waren zin krijgs-
tuchtelijke straffen.
Wanneer de militaire overheid alle haar ten\' dienste
staande middelen heeft aangewend, d. i. alle krijgs-
tuchtelijke straffen, wellicht meermalen, heeft toege-
past, en daarna blijkt, dat zij daarmede het beoogde
doel niet bereikt; — wanneer de militair in zijn ver-
zet tegen de eischen der tucht blijft volharden; —
wanneer bij zich onvatbaar voor verbetering, onwillig,
weerbarstig, in één woord, ongeschikt voor de mili-
taire maatschappij blijft betoonen, niettegenstaande al
het somtijds zeer gevoelige leed dat hem is aangedaan,
en daaruit resulteert, dat hij nooit tot een goed mi-
litair is te vormen en dat zijn verder verblijf in de
militaire gelederen niet anders dan verderfelijk werken
kan; — of ook wanneer hij zich schuldig heeft ge-
maakt aan zoodanige liederlijke, onzedelijke handeling
dat hij door ieder ander moet worden geschuwd en
dat het van niemand te eischen is dat hij hem nog
langer als zijn krijgskameraad beschouwe, dan wordt
het zaak zich van hem te bevrijden, en dan wordt
een andere soort van tuchtmaatregel op hem toegepast:
hij wordt uit den dienst weggezonden, weggejaagd.
Deze maatregel, eene op de wet gegronde verbreking
van het dienstverband, is dus veeleer te beschouwen
als eene daad van administratief recht, dan als eene
straf. Immers, het ontslag wordt niet gegeven, om
hem een leed aan te doen, niet om hem af te schrik-
ken , niet om hem te verbeteren, niet om hem tot
een bruikbaar militair te vormen; doch het is alleen
in het belang van de krijgsmacht zelve, dat men zich
van hem ontdoet. Men zou bijna zeggen: hij wordt
niet ontslagen, maar de overheid ontslaat zich van
hem. Het wegjagen is wel is waar een maatregel van
tucht (en als zoodanig behoort daarover in deze wet
gehandeld te worden); echter niet, om de Duitsche uit-
drukking te gebruiken, van corrective, doch van
reinigende of epurirende Disziplin*).
Èn dit van de straf geheel verschillend karakter,
èn het overgroot belang van den maatregel maken
het noodzakelijk, de toepassing er van niet over te
laten aan de met het opleggen van krijgstuchtelijke
straffen belaste autoriteit, maar aan de verantwoorde-
lijke hoofden der departementen van algemeen bestuur.
Voor de zeemacht geldt dit stelsel reeds thans \'). Bij
de landmacht daarentegen geschiedt de wegzending
1)  Hetzelfde geldt trouwens voor de tuchtmaatregelen ten aan-
zien van allo andere ambtenaren.
2)   Hkikk.k in üerichtssaal, XXXI, blz. 487; evenzoo in zijn
Haiidbuch des 1). mil. Strafr.; Buddeus in Weiske\'s Keclits-
lexikon, 1, blz. 223; La band, Zlschr. f. adm. Recht, I, blz. 223.
3)  Art. 11 der Wet van 14 Nov. 1879, Stbl. n°. 194.
-ocr page 71-
68
met een briefje van ontslag door den kom mandeeren-
den officier, doch niet dan „na bekomen autorisatie
van het departement van oorlog" \'). Voor dit verschil
in behandeling van dezelfde zaak bestaat geen grond.
Het halfslachtige, thans voor de landmacht geldende
stelsel behoort niet te worden bestendigd.
Ten einde echter te zorgen, dat tot den maatregel
slechts in geval van gebleken noodzakelijkheid wordt
overgegaan, bepaalt het ontwerp, dat de hier bedoelde
personen niet dan op voordracht van een der in art.
40 genoemde officieren kannen worden weggejaagd.
Den minderen militair. Van den onder-
officier behoeft in dit artikel niet te worden gespro-
ken. Vóórdat hij in de termen zou kunnen vallen om
wegens herhaald wangedrag te worden weggejaagd,
zal hij zeker reeds tot minder militair verlaagd zijn,
en indien het zijne liederlijkheid is, op grond waar-
van hij zal moeten worden weggejaagd, dan mag hij
zelfs in den tijd, die er zal verloopen tusschen de
voordracht van den kommandeerenden officier en het
besluit van den minister, niet in zijn rang blijven
voortdienen, doch moet hij ook dan vooraf worden ver-
laagd.
Art. 72. Voor de noodzakelijkheid van deze bepa-
ling gelden de redenen, aangevoerd in de aanteekening
op artikel 63.
Art. 73. Het artikel behoort tot dezelfde rubriek
als artikel 38.
Art. 74. Men zie de toelichting van artikel 1 van
het ontwerp-Wetboek van Militair Strafrecht en die van
artikel 18 van het ontwerp van Wet tot voorloopige
regeling der rechtsmacht van den militairen rechter.
Uit den negenden Titel van het Eerste Boek van
het gemeene Wetboek van Strafrecht kunnen de arti-
kelen 78, 87 en 88, uit den gelijken titel van het
Wetboek van Militair Strafrecht de artikelen 45—47,
49, 51—54, 56 — 58 en 61 bij de interpretatie dezer
wet te pas komen.
Bij de samenstelling van dit wetsontwerp is zoo-
veel mogelijk dezelfde of eene soortgelijke terminologie
gebezigd als in het ontwerp-Wetboek van Militair
Strafrecht. Dut dan ook aan uitdrukkingen als: mili-
tair, meerdere, mindere, oorlogsvaartuig
en dergelijke in die beide wetsontwerpen, die zoo nauw
aan elkander aansluiten en die geacht kunnen worden
elkander aan te vullen, dezelfde beteekenis moet wor-
den gegeven, ligt voor de hand.
In het bijzonder zij echter hier opgemerkt, dat ook
artikel 54 van het Wetboek van Militair Strafrecht
bij de toepassing van de Wet op de Krijgstucht zal
gelden, en dat daarmede de vraag is beantwoord, of
de korporaals wat de krijgstuchtelijke
straffen betreft, al dan niet onder de onder-
officieren te rekenen zijn. Voor de zeemacht kan
daaraan ook tegenwoordig niet getwijfeld worden, om-
dat blijkens de Regeling van het personeel dek- en
onderofficieren en mindere schepelingen bij \'s Rijks zee-
macht 3), de korporaals ook administratief tot de on-
derofficieren behooren. Voor de landmacht daarentegen
heeft, zoolang het Reglement van Krijgstucht geldt,
onzekerheid aangaande de gestelde vraag geheerscht,
omdat bij de landmacht de korporaals administratief
steeds van de onderofficieren worden gescheiden, doch
het Reglement van Krijgstucht in \'t geheel geen mel-
1)  Art. 25 Kegl. v. Disc. L.
2)  Kon. Besl. van 17 Maart 1881, n° 13, Verorden, voor do
Kon. Ned. Zeemacht, I, VI.
-ocr page 72-
.
64
ding van hen maakt. Bij circulaire van den Minister
van Oorlog van 17 Maart 1825 nc 13 werd verzet
aangeteekend tegen de gelijkstelling van de korpo-
raals met de onderofficieren. Toen in 1836* bet oor-
deel van alle konuuiandeerende officieren der landmacht
over de militaire wetgeving gevraagd was, is het hier
besproken punt door sommigen ook aangeroerd. Uit
de destijds ingekomen rapporten blijkt, dat bij de ver-
schillende korpsen niet dezelfde regel werd gevolgd:
Bij eenige werden de korporaals gestraft met de voor
de onderofficieren bepaalde straffen. Daarentegen schreef
de Majoor-Ingenieur £. Bbrgsma, kommandant van
het korps mineurs en sappeurs \'):
„Bij bet reglement van Krijgstucht voor het Krijgs-
volk te Lande zal het noodig zijn, dat er eene nadere
bepaling ten opzigte der straffen waaraan de korporaals
onderworpen kunnen worden, gemaakt wordt, daar
artikel 2 van het Crimineele Wetboek de korporaals
onder de onderofficieren begrijpt, en dit bij de disci-
plinaire straffen geen plaats kan hebben, waardoor dan
ook bij vele korpsen in deze gevallen de straffen voor
den soldaat bepaald op den korporaal toegepast worden".
Bij aanschrijving van het Departement van Oorlog
van 15 September 1854 n° 3B, werd aan dit gebruik
een einde gemaakt door de bepaling dat aan de kor-
poraals geen andere straffen mogen worden opgelegd,
dan die voor de onderofficieren zijn vastgesteld *).
Wettelijke bekrachtiging van deze thans op art. 2
C. W. L. steunende, in de praktijk meestal gevolgde
handelwijze is wenscbelijk.
Art. 75. De bijzondere positie en de veelvoudige roe-
ping van het korps mariniers maakt ten aanzien van
de vraag, of zij geacht moeten worden tot de zee- of
tot de landmacht te behooren , afzonderlijke voorziening
noodig, geheel in overeenstemming met het bepaalde
in artikel 7 van het Ontwerp van Wet tot voorloopige
regeling der rechtsmacht van den militairen rechter.
Men vergelijke de toelichting van dat artikel.
Art. 76. In eene Wet op de Krijgstucht, die samen-
hangt met en ingrijpt in de huishoudelijke ordening
en verhouding bij alle onderdeelen der krijgsmacht,
alle aangelegenheden tot in de kleinste bijzonderheden
te regelen, zou niet uitvoerbaar zijn. Talrijke bepa-
lingen zullen om der wille van de eenvormigheid en
de gelijkmatige toepassing moeten worden gemaakt,
betreffende onderwerpen die van te weinig gewicht zijn,
om den wetgever daarover te laten beslissen, maar die
veelmeer tot het gebied van de uitvoerende macht
behooren. Sommige daarvan zijn bij het ontwerp uit-
drukkelijk voorgeschreven. Zie de artikelen 9, 10, 22,
40, 50, 65.
Als verdere voorbeelden mogen worden vermeld:
wat de wijze van tenuitvoerlegging der straffen betreft,
de vraag of de met streng arrest gestrafte officieren
aan boord mogen spreken met hunne kameraden in de
longroom, — of de met arrest gestrafte onderofficieren
en mindere militairen tabak mogen gebruiken, mogen
lezen, een mes of schaar bij zich hebben, lappen en
naaien enz., — of zij, zooveel zij verlangen, mogen
zitten, liggen, slapen, — welk nachtleger en dekking
hun zal worden verstrekt, — welke hunne tenue zal
zijn, — of de met arrest gestrafte militair, die aan
1)   Rapport gedateerd Nijmegen, 22 Sept. 1830, te vinden in
de Ontworpen van Militair Wetboek, Bibliotheek van het Depar-
tement van Justitie, n° 115, II.
2)  Vgl. de missive van den Advokaat-l\'iskaal voor \'s Kouings
Zee- en Landmacht aan don Minister van Marine, dd. 11 Jan.
1855, bij Huaiit kn Salmon , De militaire wetten voor het krijgs-
volk te water met aanteokeningen, tweede druk, 1880,1, blz. 12\'J.
-ocr page 73-
66
dek „lacht", aldaar met anderen mag verkeeren, —
of de gestraften aan boord een oorlam zullen ontvan-
gen , enz., enz.; — voorts administratieve voorschrif-
ten betreffende de ingevolge artikel 24 ingefiouden
soldij, het gebruik der maaltijden door de met ver-
zwaard of streng arrest gestrafte, buiten de kazerne
wonende onderofficieren, en tal van andere onderwer-
pen ; — eindelijk ook nadere bepalingen betreffende de
verlaging van onderofficieren. Zoowel volgens dit ont-
werp als volgens het ontwerp-Wetboek van Militair
Strafrecht zal namelijk de verlaging kunnen worden
toegepast op alle onderofficieren, zonder onderscheid.
Het is de bedoeling, dat ieder blijve in zijn specialen
tak van dienst. Vermits echter tal van onderofficieren
behooren tot onderdeelen der krijgsmacht, waarbij geen
minderen zijn , zal nader bij Ministeriëele beschikkin-
gen kunnen worden aangewezen, bij welke onderdeelen
die verlaagden zullen worden ingedeeld. Dit is bij
voorbeeld het geval met het konstabelspersoneel, de
provoosten, timmerlieden, zeilmakers, smeden, botte-
liers, ziekenoppassers, schrijvers en koks bij de zee-
macht, en met de fortificatie-opzichters bij de land-
macht.
Ari. 7B*. De voor de marechaussee thans geldende
voorschriften betreffende krijgstuchtelijke vergrijpen en
straffen komen voor in de Eerste Afdeeling van het
„Reglement op de policie, de discipline en de dienst
der marechaussee" van 30 Januari 1815 (d\'Engelbron-
ner, Bijvoegsel tot het Staatsblad, I, blz. 175) en in
de voorlaatste afdeeling van het „Algemeen reglement
voor de inwendige dienst der marechaussee" van 20
Maart 1815 (Bijv. Stbl. II, blz. 720 en d\'Engklbuon-
ner, I, blz. 208).
Art. 7S\\ De artikelen 9—12 der Rechtspleging
voor de zeemacht en 15—18 van die voor de land-
macht behandelen het beklag over eene opgelegde dis-
ciplinaire straf en dat over een voorloopig arrest. Al-
leen het eerste onderwerp wordt in de zesde § van dit
ontwerp behandeld. Van de thans bestaande bevoegd-
heid om ook tegen een voorloopig arrest te reclamee-
ren , wordt, voor zoover bekend , geen gebruik gemaakt,
en zij zou derhalve reeds daarom alleen geene besten-
diging behoeven Er is daarenboven geen enkele reden
om zoodanig beklag toe te laten, nu zelfs aan den
beklaagde in strafzaken het recht van verzet noch tegen
een bevel van voorloopige aanhouding, noch tegtm een
rechtsingang met bevel van gevangenneming of gevan-
genhouding is toegekend.
Behalve de hier vermelde afschaffing behoeven de
Reglementen op de rechtspleging geene wijziging. Wel
is waar zouden de bepalingen, voorkomende in de ar-
tikelen 2—14 der Rechtspleging voor het krijgsvolk
te Lande, betreffende het voorloopig arrest en de op-
legging van krijgstuchtelijke straffen, kunnen schijnen
hier en daar niet geheel overeen te stemmen met som-
mige bepalingen van het ontwerp der Wet op de Krijgs-
tucht. Maar deze schijnbare tweestrijd verdwijnt, wan-
neer men in het oog houdt, dat de Wet op de Krijgs-
tucht, evenals tot nog toe het Reglement van disci-
pline voor het krijgsvolk te Lande, alleen handelt over
het arresteeren enz. wegens feiten, die reeds dadelijk
eenvoudige disciplinaire vergrijpen blijken te zijn, ter-
wijl in de Rechtspleging sprake is öf van Misdrijven.
of allhans van feiten die zich voorloopig als Misdrij-
ven laten aanzien. De in de Rechtspleging voorkomende
voorschriften betreffende het arresteeren enz. moeten
voor deze laatste gevallen blijven bestaan, en behoe-
ven dan ook ten gevolge van de invoeriug der wet op
de Krijgstucht geene verandering te ondergaan.
-ocr page 74-
66
Op de artikelen 2—8 der Rechtspleging voor de
zeemacht is eene volkomen gelijke redeneering niet
toepasselijk, omdat het Reglement van discipline voor
het krijgsvolk te Water, in tegenstelling met dat voor
de landmacht, zwijgt over het voorloopig arrest wegens
disciplinaire vergrijpen. De voorschriften van artikel
2 en vlgg. der Rechtspleging voor de zeemacht zien
thans alzoo ook op het voorloopig arrest wegens een-
voudige krijgstuchtelijke feiten. Nu echter dit onder-
werp in de nieuwe wet wordt behandeld, zal deze van
zelve in zóó verre afbreuk doen aan de strekking der
in de Rechtspleging voorkomende voorschriften. Doch
deze laatste voorschriften zullen desniettemin ongewijzigd
moeten blijven, voor het geval dat het gepleegde feit
een misdrijf oplevert of althans zich aanvankelijk als
zoodanig laat aanzien.
Te meer is het onraadzaam thans aan de bepalingen
van de Rechtspleging te gaan tornen, nu toch binnen
korten tijd de herziening van het formeele militaire
recht ter hand genomen zal kunnen worden.
De overige artikelen van dit wetsontwerp behoeven
geene toelichting.
-ocr page 75-
Bijlage n° 2.
2J de feiten omschreven
de artikelen
De militair die, zonder daartoe bevoegd te
zijn, oorlogsbuit maakt of daarop uitgaat, zon-
der oogmerk om zich dezen wederrechtelijk toe
te eigenen.
79,
83   (indien de ongeoorloofde
afwezigheid in tijd van vrede
niet. langer dan 8 dagen, in tijd
van oorlog niet langer dan 1 dag
duurt),
84  (onder betzelfde voorbe-
houd),
94 (l)uiten tjjd van oorlog),
99 [zoowel in als buiten
dienst].
De militair die opzettelijk, zonder daartoe
gerechtigd te zijn, zich verwijdert en daardoor
zijue dicnstvcrplichtingen verzaakt
Indien zijne afwezigheid aan zijne schuld is
te wijten.
De militair die opzettelijk van eens anders
reispas, veilk\'heidskaart, reisorder of verlofpas
gebruik maakt, als ware hij de daarin genoemde
persoon
De militair die opzettelijk een meerdere min-
achtend bejegent of zich minachtend over hem
uitlaat.
De militair die opzettelijk een meerdere in
of buiten diens tegenwoordigheid, mondeling,
door een gebaar ot\' door middel van een ge-
schrift of afbeelding beleedigt, scheldt of met
ecnig kwaad bedreigt, of die een geschrift of
afbeelding, waarin hij weet dat eene üeleediging
voor een meerdere voorkomt, verspreidt, ten
toon stelt, aanslaat of in voorraad heeft.
De militair die weigert of opzettelijk nalaat
te gehoorzamen aan ecnig dienstbevel of dienst-
voorschrift, of die zoodanig bevel of voorschrift
eigenmachtig overschrijdt (opzettelijke ongehoor-
zaamheid i.
100 [zoowel in als buiten
dienst],
105, eerste lid fd. i. buiten
tijd van oorlog en zonder eenige
verzwarende omstandigheid],
106 n° 1 en 2 [d. i. zoowel
buiten als in tjjd van oorlog,
behalve wanneer het bevel strekte
om werkdadig op te treden tegen
den vijand of ter bestrijding van
oogenblikkelijk zeegevaar],
114. ... .........
Indien de ongehoorzaamheid aan onachtzaam-
heid is te wijten.
De militair die, getuige zijnde van eene
i wederrechtelijke aanranding tegen een meerdere,
of wetende dat deze wederrechtelijk van zijne
vrijheid van handelen beroofd is, hein niet naar
vermogen te hulp komt.
De schildwacht die zijn post eigendunkelijk
verlaat. eene op hem rustende verplichting
niet nakomt, of zich in een toestand brengt of
laat brengen waarin hij zijn dienst niet naar
bchooren kan verrichten.
120, eerste lid [d. i. buiten
tijd van oorlog en niet aan boord
van een oorlogsvaartuig in nood
verkeerende ],
-ocr page 76-
Bijlage n° 3.
2° de feiten omschreven in de artikelen 79 ■), 83 \'), (indien de onge-
oorloofde afwezigheid in tjjd van vrede niet langer dan 8 dagen, in tijd
van oorlog niet langer dan 1 dag duurt), 8i J) (onder hetzolfde voor-
behoud), !H*) (buiten tijd van oorlog), 99 5), 100"), 105 7), eerste lid,
1)   Art. 70. De militair die, zonder daartoe bevoegd te zijn, oorlogsbuit maakt
of daarop uitgaat, zonder oogmerk om zich dezen wederrechtelijk toe te eigenen,
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jarpn
2)   Art. S3. l)c militair die opzettelijk, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich
verwijdert en daardoor zijne dicnstverplichtingen verzaakt, wordt gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoo.-ste een jaar, indien zijne ongeoorloofde af-
wezigheid in tijd van vrede ten minste één dag en niet langer dan dertig
dagen duurt:
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, indien zijne ongeoorloofde
afwezigheid in tijd van oorlog niet langer dan vier dagen duurt.
3)  Art. Hl, Indien zijne afwezigheid aan zijne sehuid is te wijten, wordt hij
gestraft:
1°. met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden in liet geval van art. 83 n°. 1;
2°. met gevangenisstraf van ten hoogste een jnar in het geval van art. Si n°. 2.
i) Art. 1» l. De militair die opzettelijk van eens anders reispas, veilighei.iskairt,
reisorder of verlofpas gebruik maakt, a!s ware hij de daarin genoemde persoon, wordt
gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en zes maanden
5) Art. 90. De militair die opzettelijk een meerder- minachtend bejegent of
zich minachtend over hem uitlaat, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste
zes maanden.
Indien het feit in dienst wordt gepleegd, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar
C) Art. ÏOO. De militair die opzettelijk een meerdere in of buiten diens tegen-
woordigheid, mondeling, door een gebaar of door middel van een gesc\'irift of afbeel-
ding belccdigt , scheldt of met eenig kwaad bedreigt, of die een geschrift of afbeel-
ding, waarin hij weet dat eene beleediging voor een meerdere voorkomt, verspreidt,
ten toon stelt, aanslaat of in voorraad heeft, wordt gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste acht maanden.
Indien het feit in dienst wordt gepleegd, wordt hij gestraft met gevangenisstraf
van ten hoogste een jaar en zes maanden.
7) Art. lOS. De militair die weigert of opzettelijk nalaat te gehoorzamen aan
ecuig dienstbevel of dienstvoorschrift, of die zoodanig bevel of voorschrift eigenmach-
tig overschrijdt, wordt, als schuldig aan opzettelijke ongehoorzaamheid, gestraft met
gevangenisstraf van ten hoogste een jaar en negen maanden.
Indien het feit is gepleegd in tijd van oorlog, wordt gevangenisstraf van ten hoogste
vier jaren opgelegd.
De straffen kunnen worden verdubbeld:
1°. indien de schuldige opzettelijk in zijne ongehoorzaamheid volhardt, nadat een
meerdere hem uitdrukkelijk op zijne strafbaarheid heeft gewezen;
2°. indien tijdens het plegen van liet misdrijf nog geen vijfjaren zijn verloopen,
sedert de schuldige eene hem wegens gelijk misdrijf bij vonnis opgelegde straf
geheel of ten dcele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijt-
gescholden ; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uit-
voering dier straf nog niet is verjaard;
3°. indien twee of meer personen gezamenlijk of ten gevolge van samenspanning
het misdrijf plegen;
4°. indien de schuldige door woord of daad ook een anderen militair tot onge-
hoorzaamheid aanzet;
5°. indien hij het misdrijf pleegt bij een gevecht met den vijand.
Indien het in liet eerste of het in het tweede lid omschreven misdrijf vergezeld
gaat van twee of meer der in n°. 1—5 vermelde omstandigheden, wordt het maxi-
mum der ir het derde lid gestelde gevangenisstraf nogmaals met de helft daarvan
verhoogd.
De doodstraf kan worden opgelegd, indien het bevel strekte om werkdadig op te
treden tegen den vijand, of ter bestrijding van oogenblikkelijk zeegevaar.
-ocr page 77-
Bijlasje n° 4.
Als noot bij artikel 2:
1) De bovenbedoelde feiten /ijn:
in it°. * i
Art. ÏW, onbi\'vne.delijk oorlogsbuit maken of daarop uitgaan,
»        H3 en M4, opzettelijke of culpose ongeoorloofde afwezigheid, in tjjd van
vrede niet langer dan 8, in tijd van oorlog niet langer dan 1 dag,
•         l»4, gi\'truikmaking vau eens anders verlofpas enz. buiten tijd van oorlog,
. IM\', minachtende bejegening van een meerdere,
. ÏOO, eenvoudige belcediging • .          .
. ÏO.V, opzettelijke ongehoorzaamheid buiten tijd van oorlog,
KMI n°. 1 en 2, culpose ongehoorzaamheid, behalve indien het bevel strekte
om werkdadig op te treden tegen den vijand, of ter bestrijding van
zeegevaar,
, 11-4, hulpverzuim bij aanranding van een meerdere,
ISO" en 131, plirhtverzuim buiten tijd van oorlog van een schildwacht,
een oltirier van de wacht, een kommandant der wacht enz. en van
de andere daartoe behoorende militairen,
•       133", zich onttrekken aan — of ongeschikt maken voor een bepaalde soort
van dienstverplichtingen, buiten tijd van oorlog,
•       1\\J.">". opzettelijk onjuiste rapporten doen, of opzettelijke verzwijging, buiten
tijd van oorlog ,
» 13*», idem culpoos in tijd van oorlog,
•      137", beletten enz van een militairen maatregel buiten tijd van oorlog,
•       121), dwang door misbruik of aanmatiging van gezag,
» i:iO, misbruik van invloed als meerdere,
i:tl, omkooping van een mindere om hem te weerhouden van of over te
halen tot beklag, enz.
•       133, omkoopen van een meerdere,
« I IH, vcrkoopen, zoek maken enz. van kteeding of uitrusting;
in <*°. 3 :
Art. 1-13, opzettelijke rust verstoring door valsche alarmkreten of signalen,
» 300", eenvoudige mishandeling,
. : t.".<i\',
           ,         goederenbeschadiging;
IH W°. At
Art. 310, eenvoudige diefstal,
•       331,          «          verduistering;
11» N°. S I
Art. 43-1, straatschenderij,
» 4SO, ordeverstorende dronkenschap,
» 431, nachtelijk rustverstorend rumoer of burengerucht,
•      440, weigering van hulpbetoon aan de openbare macht,
•      4-47, afscheuring enz. van eene bekendmaking vanwege het bevoegd gezag
in bet openbaar gedaan,
. 4S1, in het openbaar zingen van voor de eerbaarheid aanstootelijke liederen
en dergelijke feiten,
•      4S3, openbare dronkenschap.