-ocr page 1-
i^fe^^^bfe^^^^^fe^fefe^fe^^^^feSfes
DE DROPPELEN YAN W
ÜHp>
>=C=*=0=<
JLen woord over den voortgang en den zegen
van het Zendingswerk,
DOOR
H. S. B.
sa
ERMELO. - ZENDINGSDRUKKERIJ.
Jk
E
-ocr page 2-
m*»n2S03
GUNNING
1
K
•*»4 67
J.H.£üNNIN£J.Hi
^^sff
VV^VX
ivj1
-ocr page 3-
-ocr page 4-
<
>. :-.;>•* .V*.*_**** *
-ocr page 5-
DE DROPPELEN VAN ONDER DEN DORPEL,
-ocr page 6-
Protestanten
200 millioen.
\'
Qrieksch
Katholieken
105 millioen.
Boomsch-
Katholiehen
195 millioen.
Joden
bijna 8 mill.
i
Mohammeda-
nen 180 mill.
Heidenen
812 millioen.
VERKLARING.
Algemeene berekening van de bevolking der aarde
1600 millioen. [Duizend vjjfhonderd millioen.]
Ieder vierhoekje Btelt een millioen zielen voor.
-ocr page 7-
,1 .
7
GU
mm
DE DROPPELEN VAN
DEN DORPEL.
.
EEN Y/OORD QYER DEN VOORTGANG EN DEN
ZEGEN YAN HET ZENDINGSWERK,
-
DOOR
H. S. \'B.sio&.i^a
:
[Wf]
I
. ■                                 ■ :
Prijs f 0.25
ERMELO. - ZENDINGSDRUKKERIJ.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INLEIDING.
De bladzijden, die den vriendelijken lezer hierbij
worden aangeboden, bevatten een rede, die te Ouddorp
voor een kleinen kring van belangstellenden werd uit-
gesproken in den zomer van 1896, op den 300-jarigen
herinneringsdag van de aankomst der eerste Nederlandsche
schepen ter kust van Bantam.
De schrijver ervan eischt voor zich niet den lofkrans
der oorspronkelijkheid, van welke trouwens, bij de bloote
mededeeling van de feiten en cijfers der naakte historie,
kwalijk sprake kan gaan. Het was hem slechts te doen,
om eenige belangstelling te wekken voor de Zending in
een gemeente, waar tot op korten tijd geleden, voor de
prediking des Evangelies in de wereld der Heidenen zoo
goed als niets gevoeld werd. En daartoe heeft hij gebruik
gemaakt van alle Zendingsgeschriften die hem tot dit
doel konden dienen en zich onder zijn bereik bevonden.
Dankbaarheidshalve worden — ook om den zegen dien
zij onder het lezen schonken — hiervan enkele vermeld.
Het zijn:
„Lichtelralen op den Akker der Wereld". — Rott. Bredée.
Berichten der Utrechtsche Zendingsvereeniging.
Arthur T. Pterson : Het hulpgeroep der Zending. —
Nijmegen. Miborn.
-ocr page 10-
Ermeloosch Zendingsblad. Zenrlingsdrukkerij te Ermelo.
Hoffmann. Merkwaardigheden uit de geschiedenis der
Zending. 2 dln.
Paton. Het leven van John. G. Paton, Zendeling op
de Nieuwe Hebriden.
Onder bovengenoemde en vele andere uitnemende
geschriften over de Zending, die in den laatsten tijd het
licht hebben gezien, moet dit zwakke woord wel een
geringe plaats innemen. Dat het thans, door den druk
vermenigvuldigd, bestemd wordt in wijderen kring bekend
te raken, dankt het dan ook alleen aan de omstandigheid,
dat de Heero der Gemeente machtig is, Zich te verheer-
lijken, ook in het zwakke. Vergezelle Hij het daartoe
met Zijn genadigen zegen !
Ouddorp.                                                       H. S. B.
P. S. Mocht deze uitgaaf een batig saldo opleveren,
dan is dit bestemd, deels voor de Zending, deels voor
de Christelijke School in de plaats mijner inwoning.
B.
-ocr page 11-
(I                9Q                 2)
�9999999999999999999�
og slechts een drietal jaren1), M. V.! en
het laatste decennium der 19e eeuw is in
liet graf gezonken, waarboven het morgen-
rood van een nieuwen eeuwkring aanlicht.
„ Gij twintigste eeuw zult g1 óók uw Paasch-
feest vieren ?" zoo vroeg in de middeleeuwen een dichter-
lijk kerkleeraar; en bange twijfel vervulde zijn ziel, of
in die voor hem nog zoo verre toekomst het Paaschfeest
voor het menschdom nog wel zin en beteekenis zou hebben.
Welnu, M. V.! indien het eerstvolgende drietal jaren
ons geen ingrijpender veranderingen in den loop der
wereldhistorie te zien geeft, dan anders in een heel
milennium plegen plaats te grijpen, dan zal de uitkomst
zijn vrees op het allerdeerlijkst beschamen.
Wel heeft het dikwijls zoo geschenen, alsof er in de
20ste eeuw geen plaats meer zou wezen voor een feest
ter eere van don Gekruisigden Christus. Wat al stormen
hebben, sinds de wanden der enge kloostercel getuigen
waren van de bange twijfelzucht van onzen dichter, tegen
het huis Gods aangewoed! „Zij hebben mij dikwijls
benauwd, van mijne jeugd af aan", zegge nu Israël; „zq
mij dikwijls van mijne jeugd af aan benauwd. Ploegers
\') Zie de Inleiding.
-ocr page 12-
8
hebben op mijn rug geploegd; zij hebben lange voren
getrokken. Maar nochtans: zij hebben mij niet overmocht"\').
„Het Christendom is door twaalf menschen in de
wereld rondgedragen ? — ik zal u toonen, dat één man
voldoende is, het er uit te bannen", sprak honderd jaar
geleden Voltaire.
Zijn schimptaal was even belachelijk als de schimptaal
van Goliath. Thans, na honderd jaren, is het Christendom
niet slechts niet vernietigd, maar het is twaalfvoudig toe-
genomen in beteekenis en in kracht. De aarden pot der
Voltairiaansche wijsbegeerte heeft zijn oorlog tegen de
steenrots van het Christendom uitgestreden, en er is bijna
geen scherf meer van te vinden, waaruit de Ongodisten
van dezen tijd de bittere wateren van het materialisme
willen drinken; maar de Steenrots staat nog, — onbe-
wogen, ongerept. De Heere heeft de snorkerijen van
dezen Franschen Filistijn beschaamd gemaakt, en zelfs
zijn zwaard bevindt zich thans in de hand van zijn
weerpartij : in het huis, waar vroeger Voltaire de slag-
orden Israëls hoonde, bevindt zich nu een Bijbeldrukkerij!
Twintig eeuwen zijn sinds den eersten Kerstnacht over
het menschdom henengevaren, en nog altyd is het Chris-
tendom even levend als in den beginne.
„De wereld wentelt op den wiekslag voort der jaren;
„Geslachten, volken vluchten heen ;
„Gewoonten, wetten gaan als wisselende baren,
„Niets blijft er dan het Kruis alleen!"
En nog altijd is dat kruis wèl „ den Joden een ergernis
en den Grieken een dwaasheid, maar hen, die gelooven,
een kracht Gods tot zaligheid" 2).
Men heeft het einde der nu dalende eeuw niet kunnen
afwachten, om uit een harer sprekendste kenmerken een
naam voor haar af te leiden.
•) Pb. 129.
2) Rom. 1.
-ocr page 13-
„De verlichte negentiende eeuw", zoo betitelt haar een
geest van ijdele zelfvoldaanheid. „De eeuw van stoom
en electriciteit", zoo roept een ander, meer geneigd tot
het concrete dan tot het abstracte. Maar geen van beide
benamingen kunnen ons voldoen. Wij wenschen de
dingen van deze aarde te beschouwen van een stand-
punt, dat hooger is dan de aarde, en waar wij ons tegen-
over de 19e eeuw plaatsen, daar rijst bij ons allereerst
de vraag: Welke beteekenis heeft deze eeuw voor het
koninkrijk Gods? En, gedachtig aan deze vraag, zullen
wij, waar wc een naam aan onze eeuw moeten toekennen,
een gansch anderen voorstellen, we wenschen haar te
noemen: de eeuw der Zending.
De eeuw der Zending! Ja, waarlijk, M. V.! wij hopen, dat
gij ten minste na afloop dezer samenkomst het met ons eens
zult zijn, dat men geen passender benaming voor haar zou
kunnen vinden, dan deze. Voor wie maar eenigszins belang
stelt in de dingen van het Koninkrijk Gods, is er inder-
daad niets merkwaardigers dan de reusachtige uitbrei-
ding, die het werk der Zending juist in deze eeuw heeft
ondergaan. „Onbekend maakt onbemind," zegt het
spreekwoord en, zoo ergens, dan is het op de Zending
van toepassing. De geringe belangstelling, die er in
vele gemeenten — en helaas, ook in de onze! — voor
het werk der Zending gevonden wordt, is dan ook slechts
hieruit te verklaren, dat de meesten onbekend zijn met
dit wonder der 19e eeuw. Want niemand, die ook
maar iets gevoelt voor het Koninkrijk van Jezus Christus,
kan koud blijven bij het vernemen, van wat God in deze
onze eeuw heeft gewrocht. Zal ik er u iets van trachten
te schilderen ? Zal ik het voor u trachten te belichamen
in een beeld? De verbeeldingskracht van het koude
Westen zou hierbij te kort schieten. Indien gij er iets
van zult verstaan, dan moet ik mijn blik naar het
-ocr page 14-
10
Morgenland richten, en de verve voor mijn tafereel leenen
van een der gloeiendste en meest fantastische koloristen
uit het heilig Oosten. Ezechiël, de profeet, begeleide
met zijn klinkende Godsbazuin ons gebrekkig stamelen,
en de profetie der vertroosting, die hij eertijds het ge-
plaagde Israël voorhield aan de stroomen van den Chebar,
zij ons het beeld, waarin wij het werk aanschouwen, dat
de God van Israël in onze dagen gewrocht heeft.
Gij vindt deze profetie in zijn 47ste Hoofdstuk, vs. 1—9.
Daarna bracht (de engel) mij weder tot de deur
van het Huis, en ziet, er vloten wateren uit, van
onder den dorpel des Huizes naar het oosten; —
want het voorste deel van het huis was in het
oosten; — en de wateren daalden af van onderen,
uit de rechterzijde des Huizes, van het zuiden des altaars.
En Hij bracht mij uit door den weg van den
noorderpoort, en voerde mij om door den weg van
buiten, tot de buitenpoort, den weg die naar het
oosten leidt; en ziet, de wateren sprongen uit de
rechterzijde.
Als nu die man naar het oosten uitging, zoo was
er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend
ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de
wateren raakten tot aan de enkelen.
Toen mat hij nog duizend ellen en deed mij door
de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot
aan de knieën; en Hij mat nog duizend, en deed mij
doorgaan, en de wateren raakten tot aan de lenden.
Voorts mat Hij nog duizend, en het was eene
beek, waar ik niet kon doorgaan : want de wateren
waren hooge wateren, waar men door zwemmen moest;
eene beek, waar men niet kon doorgaan.
En Hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, menschen-
kind? — Toen voerde Hij mij en bracht mij weder
tot aan den oever der beek.
Als ik wederkeerde, ziet, zoo was er aan den oever
der beek zeer veel geboomte, van deze en van gene zijde.
Toen zeide Hij tot mij: Deze wateren vlieten af
naar het voorste Galiléa, en dalen af in het vlakke
-ocr page 15-
11
\'
veld: daarna komen zij in de zee; in de zee uitge-
bracht zijnde, zoo worden de wateren gezond.
Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er
wemelt, overal, waarheen een der twee beken zal
komen, leven zal; en daar zal zeer veel visch zijn,
omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn;
en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles
waarheen deze beek zal komen."
Beschouwen wij dit visioen van Ezechiël als een beeld
van het werk Gods in deze eeuw. Het toone ons:
1°. Hoe God den stroom des evangelies geleid heeft
over den dorren bodem des Heidendoms.
2°. Hoe deze stroom de woestenij gezet heeft tot een
vruchtbaren „hof des Heeren."
I. Het was een hoogst eigenaardig gezicht, M. V.!
dat den zoon van Buzi te beurt viel. „God zal kracht
geven", zoo luidt de vertaling van zijn naam en jaren
zijns levens besteedt hij, om er het verdwaasde Juda op
te wijzen, niet zijn kracht te zoeken in het navolgen van
de afgoderijen der volkeren, maar in den levenden God.
En als eindelijk al zijn treffende zinnebeeldige waar-
schuwingen vruchteloos blijken, als eindelijk hot recht-
vaardig oordeel Gods over het wederspanning volk komt,
dan is het wederom Ezechiël die mede gaat met de
schare der ballingen, maar nu niet om ze langer te ver-
schrikken met de verkondiging van boete, die toch reeds
te spade zou komen, maar om ze te vertroosten, door ze
te wijzen wederom op Hem, „die kracht zal geven." Moge
Juda ook in ballingschap zijn, en in droefheid harp en
luit aan de wilgen hangen, — moge Jeruzalem verwoest
en de tempel tot een puinhoop gesteld zijn, — toch
blijft daar een reden over tot troost. Niet eeuwig zal
de toorn Gods duren. Immers, er is een oogenblik in
Zijn toorn, maar een eeuwigheid is er in Zijn goed-
gunstigheid. Het volk van Juda zal eens terugkeeren;
-ocr page 16-
12
Jeruzalem zal herbouwd, een nieuwe tempel opgericht
worden. In talrijke visioenen aanschouwt de ziener aan
den Chebar reeds, hoe de stad en het heiligdom er als-
dan uit zullen zien; en een Engel des Heeren geeft
hem met architectonische juistheid de lengte op van eiken
muur, de breedte en hoogte van elke kamer. Voor den
oppervlakkigen lezer onxer dagen moge de opsomming
van al deze afmetingen iets eentonigs hebben, maar welk
een troost moeten deze dorre cijfers hebben bevat voor
de arme ballingen in Babyion, die nog kort geleden
dat zelfde Jeruzalem in vlammen hadden zien opgaan!
Doch daar was meer.
Een uiterlijke bouw des tempels en der Jeruzalemsche
paleizen alleen was niet voldoende geweest; in de opnieuw
geboren stad moest ook een nieuw leven ontwaken. Welnu,
staande in de poort des vernieuwden tempels, ziet de
profeet, en ziet! er vloten wateren van onder den dorpel
naar het Oosten. De ziener kon het visioen onmogelijk
misverstaan. Voor welken Oosterling is het water niet
het zinnebeeld der levenwekkende en reinigende genade
Gods ? Maar ach, hoe gering waren deze wateren! Slechts
enkele droppels, die van onder den dorpelsteen uitlekten
en verder voortvloeiden door de onderaardsche goten en
gewelven, naar wie weet waarheen! De profeet heeft
echter geen tijd, om aan jammerklachten lucht te geven,
want de engel Gods voert hem door de Noorderpoort
naar buiten de stad, en ziet, daar ziet hij tot zijn ver-
wondering de verloren gewaande wateren van onder den
stadsmuur helder en rein naar buiten vlieten. Duizend
ellen verder zijn de droppelen van onder den dorpel
reeds aangegroeid tot een goot, die de enkelen van den
profeet bespat. Nog duizend ellen, en de wateren reiken
tot aan de knieën ; bij een volgend duizendtal ellen zijn
zij reeds tot de lendenen geklommen, en als de engel
nog duizend ellen gemeten heeft, zyn zij aangegroeid tot
-ocr page 17-
13
een beek, waar men niet door kan gaan, „want de wateren
waren hooge wateren geworden, een beek, waar men
door zwemmen moest." En altijd verder bruist deze beek.
Aan weerszijden van hare oevers groent het geboomte
bij menigten; hare wateren bevochtigen het gansche
Galiléa, (anders het minst bevoorrechte deel des Israëli-
tischen lands, vooral in Ezechiëls dagen); een heir van
visschen spartelt in hare stroomen; overal waar zij komt,
brengt zij nieuw leven en — wonder der wonderen! —
als zij zich uitstort in de zee, heeft zij het vermogen,
zelfs de brakke wateren gezond te maken.
„Hebt gij het gezien, menschenkind!" zoo roept de
engel den verbaasden profeet toe. En dezelfde roepstem
herhalen wij ook voor u, M. V.! want ziet! heden, in
deze 19e eeuw, is — z\\j het dan ook in een anderen
zin, dan hier bedoeld wordt — deze Schrift in uwe ooren
vervuld. O, zeker, ik weet het: in de eerste plaats ziet
deze profetie op het herstel van den Joodschen staat na
de Ballingschap; en hare volledige vervulling zal zij alsdan
eerst erlangen, wanneer de strijd tegen Gog en Magog
volstreden\'), en de troon des Lams opgericht zal zijn,
van waaronder deze wateren eeniglijk hunnen oorsprong
zullen nemen1). Maar daar valt, voor wie geen vreemdeling
is in de historie van Gods leidingen met zijn volk, een
heilige harmonie op te merken in de daden des Heeren,
waardoor de èène verlossing de type wordt van de andere,
de voorafgaande gerichtsoefening het voorbeeld van de
volgende; zoodat in één daad des Heeren vele volgende
als \'t ware verborgen liggen. Daarvandaan ook, dat
wij de uitstorting van Gods genadegaven na de balling-
schap als beeld mogen beschouwen van de uitstorting Zijner
genade, waarvan wy in deze eeuw getuigen mogen zijn.
\') Ei. 37, 38.
\') Op. 22.
-ocr page 18-
14
„De eeuw der Zending", zoo noemden wij de 19e eeuw.
En terecht. Want de tijd, die daaraan onmiddellijk vooraf-
ging, was in dit opzicht zoo dor en onvruchtbaar als de
landouwen, die Ezechiël zag, vóór ze door het vrucht-
baarmakend water besproeid werden. Sinds eeuwen had
de kerk het Zendingswerk verwaarloosd, en, laat ons er
bijvoegen: zeer tot haar eigen schade. De gemeente toch
van Christus is een Zendingsgemecnte, en zij kan hare
roeping, allen volken het Evangelie te verkondigen, niet
straffeloos verzuimen. „Toen ik zweeg, werden mijne been-
deren verouderd", dit is niet alleen de ervaring van
David, en van de bijzondere personen uit Gods volk,
maar ook van de Gemeente in haar geheel. Zoodra dan
ook de Zendingsgecst in de kerk begon te wijken, kwam
daar plaats open voor allerlei verderfelijke dwalingen,
waarin zij honderden jaren bleef liggen. Het Protestantisme
ontstond; maar de aldus herboren Kerk had te zwaron
strijd te voeren tegen den Paus en de Jezuïeten, om aan
uitbreiding in de Heidenwereld te kunnen denken. En
in de 18e eeuw verzonk het Protestantisme in zulk een
staat van doodigheid, dat het volkomen ongeschikt was,
om in dezen zijn Goddelijke roeping te betrachten. In
Nederland verhieven mannen als Brakel en Smytegelt
vergeefs hunne stemmen tegen de algemeene ontkerstening.
In Duitschland scholden de predikanten op het piëtismeé,
en preekten op het Paaschfeest over verschillende wijzen
van begraven, en wisten, waar zij spreken moesten over
het Kind, dat voor ons in de kribbe werd gelegd, niets
beters te doen dan een redevoering te houden over „het
nut der stalvoedering". In Engeland ging Blackstone al
de beroemde predikanten van Londen hooren, maar ver-
klaarde, in hunne preeken niet meer Christendom ge-
vonden te hebben, dan in den eersten den besten roman,
en niet te hebbeu kunnen hooren, of het Christenen waren
of Mohammedanen die daar het woord voerden. — De
-ocr page 19-
15
enkelen, die aandrongen op een meer werkdadig Chris-
tendom, werden veracht en met vijandschap bejegend.
Er was geen kerk in ons gansche vaderland, waar er in
de verste verte aan zoo iets als Zending werd gedacht,
ja, het werd voor onrechtzinnig gehouden, er aan te
denken.
Wie had gedacht, M. V.! dat er uit zulk een Babel
van traagheid en onverschilligheid verlossing mogelijk
was. Wie had gedacht, dat op zulke ruïnen ooit weer
iets gebouwd zou kunnen worden?
Welnu, wat aan menschen onmogelijk scheen, dat heeft
God gedaan. De Heero heeft den spotters het zwijgen
opgelegd en de machten der hel beschaamd gemaakt.
Hij heeft medelijden gehad met Jeruzalem, en een wel-
gevallen aan haar gruis. .En ziet, uit de aldus herbouwde
Stad Gods is oen beek ontsprongen, die leven heeft ge-
bracht in het dorre, en die de wateren der wereldzee
heeft gezond gemaakt.
Nietig en onbeteekend was het begin van dezen stroom.
Hier een droppel en daar oen droppel, die in \'t eerst
weinig of niets geacht werden.
In het jaar 1712 richtte een twaalf-jarige schooljongen,
Nicoi,aas vax Zinzendorf, aan de school van Dr. Francke
te Halle onder zijn schoolmakkers een vereeniging op
onder den naam „De Orde van het Mosterdzaad." De
regel dezer Orde was, dat elk dor leden zou trachten,
één ziel te winnen voor het Koninkrijk der Hemelen.
Ouder geworden, werd Zinzendorf, zoowel door de
Lutherschen als door de Gereformeerden, uitgeworpen,
maar dat neemt niet weg, dat deze Mosterzaad-orde voor
duizenden en duizenden ten zegen is geweest. Laat ik
hier van de leden der Broedergemeente, naast den naam
van Zinzendorf, die jarenlang in West-Indië doorbracht,
en het middel werd, waardoor duizenden arme slaven
vrrjgekochten van Christus werden, ook nog de namen
i
-ocr page 20-
lfi
noemen van Dober, die, om slaven te kunnen winnen,
zelf het pijnigende slavenjuk op de schouderen nam; en
van Netschmann, die in het barre Labrador en in Groen-
land een Eskimo werd, opdat hij de Eskimo\'s winnen mocht.
Deze pogingen der Broedergemeente bleven echter
meer op zichzelf staan. Wat den eersten stoot gaf aan
de groote zendingsbeweging der 19e eeuw, was het werk
van een eenvoudig man, William Cauey, schoenmaker te
Paulespury in Engeland. Deze godvreezende man werd
door den Heere krachtig bepaald bij het woord: „Predikt
het Evangelie aan alle creaturen." Toen hij optrad, be-
stond er niets van eene vereeniging tot Bijbelverspreiding.
Ofschoon het reeds twee en een halve eeuw na de Her-
vorming was, was de Bijbel onder het volk van Enge-
land, voornamelijk op de dorpen, haast nog even schaarsch
verspreid als in de Middeleeuwen. Maar hij heeft gedurende
zijn leven van zijn driestal meer dan 300.000 Bijbels
verspreid. Zwaar drukte op zijn ziel de nood der
arme Heidenen. Het was hem echter onmogelijk, om
eenigen steun te vinden voor zijn streven. „Ga toch
zitten," — zoo voegde op een vergadering, waar hij de
belangen der Zending bepleitte, een der rechtzinnigste
en geleerdste predikanten van zijn tijd, Dr. Ryland, hem
toe, — „ga toch zitten man, en laat de zorg voor een
verlorengaande wereld aan God over!" Jarenlang
worstelde hij met doodende onverschilligheid. En eerst in
1793 vond hij steun. Het waren twaalf arme Baptisten-
predikanten, die in dat jaar met Carey in het huis eener
behoeftige weduwe te Paulespury samenkwamen. Zij
knielden neer op den vloer, en beloofden aan God en
aan elkander, wat thans iedereen belooft, die lidmaat
wordt onzer Ned. Herv. Kerk, namelijk, „zooveel in hun
vermogen was mede te zullen werken tot den bloei van
het Godsrijk." Daarna legden zij bij elkaar, \'tgeen elk
hunner op dat oogenblik bezat; de som van deze eerste
-ocr page 21-
17
bijdragen voor do Zending bedroeg 12 pond, 6 shillings
en 2 stuivers. Hiermede was de grond gelegd tot liet
twee jaar later, in 1795 opgerichte Londensche Zendings-
genootschap.
En tot welk een oogst van zegen heeft die nietige
eersteling aanleiding gegeven!
In 1797 werd het Nederlandsche Zendelinggenootschap
opgericht; in 1800 de Jcinicke-Zending. Daar op volgden
de Baxeler, de Ryjnsche Zending, en het Amerikaansch
Genootschap;
en, waar honderd jaar geleden in alle
Protestantsche kerkgenootschappen de Zending voor een
onmogelijk iets werd gehouden, daar is er thans niet één
Protestantsche kerk, die geen eigen Zendings-organisatie
heeft, en allen doen hun best, om elkander in Zendings-
ijver te overtreffen. De twaalf pond en enkele shillings van
Carey en de zijnen, zijn aangegroeid tot een jaarlijksche
uitgaaf van 25 millioen guldens. Het Woord Gods
is vertaald in bijna driehonderd talen. Een leger van
drie duizend Zendelingen doet thans den aanval op het
Heidendom, en in 14000 Christel ij k e scholen wor-
den de kinderen der Heidenen thans onderwezen.
Wanneer men deze dingen nagaat. M. V. ! dan moet
men uitroepen: Wat heeft God gewrocht! Met een
machtige hand en een uitgestrekten arm heeft Hij ons
uitgeleid uit het Babel van traagheid en onverschilligheid.
Het leger van Israël, dat eeuwen lang in werkelooze
rust lag tegenover het Kanaan van \'t Heidendom, is thans
over zijn geheele linie in den strijd gewikkeld. De
droppelen, die honderd jaren geleden van onder den
dorpel vloeiden, zijn aangegroeid tot een beek, waar men
niet door kan gaan, een beek, „waar men door zwemmen
moet, want de wateren zijn hooge wateren geworden."
-ocr page 22-
18
Doch niet alleen dat God in zijne gemeente een Zen-
dingsijver heeft uitgestort als nooit te voren, maar ook
heeft Hij zelf een ruime baan gemaakt voor Zijn Evangelie.
Volken, die eeuwenlang volkomen afgesloten waren
voor elke poging, om ze met het Christendom bekend
te maken, zijn in eens uit hunne schuilhoeken te voor-
schijn gehaald. Zware en eeuwenoude grendels zijn met
één slag gebroken, en God heeft de poorten van het
Heidendom wagenwijd opengeworpen. Ja, men mag zeg-
gen, dat geen tijdperk, zelfs niet de tijd der Apostelen,
gunstiger was voor de uitbreiding van het Christendom
dan dat, waarin wij thans leven.
Wat al bezwaren heeft God opgeruimd, die aan het
Evangelie in den weg stonden !
Daar waren vooreerst de bezwaren van het reizen. Wij
kunnen ons thans geen denkbeeld vormen van de moeiten
en zorgen, die de Zendelingen hadden te dragen, enkel
reeds om de plaats hunner bestemming te bereiken.
Geregelde vaart bestond nergens, zelfs niet naar de
grootste centra der bevolking in het buitenland. Waar
thans elke week de groote transatlantische booten u in
enkele dagen van het eene einde der aarde naar het
andere einde brengen, daar moest men vroeger vaak
weken en maanden wachten op een koopvaardijschip,
dat toevallig dezen of dien koers moest volgen. Een reis
naar Indië duurde negen a tien maanden. Betrouwbare
gegevens aangaande het land, dat men ging bewonen,
bestonden er niet; de kaarten der werelddeelen waren
nog zoo goed als ^blank, en wat er nog op voorkwam,
was geheel fout. De kennis der aardrijkskunde van
vreemde landen bestond bijna uitsluitend uit fabelachtige
berichten van zeelieden, en bracht den toekomstigen reiziger
naar die streken eer van de wijs, dan hem van dienst
te zijn. Eenmaal iu de Heidenwereld aangeland, bestond
er zoo goed als geen kans, eenige verbinding met het
-ocr page 23-
19
moederland te onderhouden. Van al de onmisbare levens-
behoeften, als artikelen voor woning en kleeding, die men
in alle oorden der wereld thans uit Europa betrekken
kan, was er toen geen enkele die bekomen kon worden.
Naast den Evangelie-arbeid hadden de Zendelingen in
het dikwijls moordend klimaat het ambacht te beoefenen
van metselaar, timmerman, landbouwer, smid, schoen-
maker, kleermaker, en wat niet al! En dat alles dikwijls
zonder de allernoodigste grondstoffen en gereedschappen
te hebben. — Welk een onderscheid bij den toestand
van tegenwoordig! Men reist thans tienmaal zoo snel als
voorheen. Groote zeemonsters van schepen stoomen op
geregelde tijden naar alle steden van eenige beteekenis
in de vijf werelddeelen. De geringste en verstafgelegen
eilanden van Indië en de Zuidzee worden op vaste dagen
aangedaan door de postbooten, die den Zendeling brieven
van zijn dierbare achtergelaten betrekkingen en levens-
behoeften uit het vaderland bezorgen. Het reusachtige
Azië is doorsneden door een spoorweg van den Oeral
tot de Japansche Zee, welhaast ook van de Zwarte Zee
tot de Perzische Golf; stoombooten brengen u langs den
Nijl tot in het hart van Afrika; de geheimen van Indië\'s
en Amerika\'s binnenlanden zijn wereldkundig geworden,
en de locomotief doorvliegt de eeuwige vastelanden van
oceaan tot oceaan.
Daar waren voorts bezwaren der taal. De Zendeling
kende dikwijls de taal, waarin hij moest prediken, zelfs
niet bij name, laat staan er één volzin in te kunnen
stamelen. Daar de wetenschap van de verwantschap der
talen nog in de wieg lag, bood de studie der spraak in
het nieuwe land hem bijna onoverkomelijke moeilijkheden
aan. Het Woord Gods moest worden overgebracht in
talen, waarin voor vele begrippen zelfs geen woorden te
vinden waren. Er waren Heidenen, die nog niet eens bij
name wisten wat liefde, vrede of eerlijkheid was. Zelfs
-ocr page 24-
20
die woorden waren in hun spraak onbekend. — Thans
is de Schrift in bijna al de voornaamste talen van het
Heidendom overgebracht; en in uitstekende scholen
ontvangt de Zendeling, alvorens te vertrekken, onderwijs
in de spraak van het land, waar hij zich gaat vestigen,
en aangaande de zeden en gewoonten van deszelfs in-
woners.
En eindelijk, niet het minst waren er bezwaren van
maalschappeljjken en politieleen aard. De vrouwen waren
opgesloten in de harems en zenana\'s en even onbereik-
baar als de sterren des hemels. Het kastenwezen in
Indië deelde het menschdom af in klassen, die op dood-
straf geen gemeenschap met elkaar mochten hebben. In
al de landen van het vroeger zoo machtige Turksche rijk
stond Christen te worden gelijk met het leven te ver-
liezen. China was in letterlijken zin door een muur van
de buitenwereld afgesloten, en in Japan was de toegang
op verbeurte des levens aan eiken Christen verboden.
Indië en Amerika stonden onder de voogdij van Room-
sche Staten, die in Europa de belijders der waarheid
in duivelachtigen ijver met galg en brandstapel ver-
volgden.
Welnu, M. V.! God heeft al deze afsluitingen ver-
broken, en al deze hinderpalen op zij geworpen. Merkt
op de hand des Heeren! Een driehonderd jaar geleden
waren de Roomsche landen in Europa oppermachtig.
Maar ziet, God heeft gewild, dat de overheerschende macht
in de overzeesche gewesten een protestantsche zou zijn,
en de hegemonie ging over van Portugal en Spanje op
Engeland en Nederland. Thans wordt in het reusachtig
land rondom den evenaar door enkele duizenden Neder-
landers en Engelschen een bevolking in bedwang ge-
houden van 300 millioen zielen. Geldzucht heeft hen
derwaarts gedreven, \'t, is waar; maar dit neemt niet weg,
dat God met de toelating van dat alles Zijn bedoeling
-ocr page 25-
.
21
heeft gehad. Men zou kunnen zeggen met Jozef: „Gij-
lieden wel, gij hebt dit ten kwade gedacht, maar God
heeft dat ten goede gedacht, om te doen, gelijk het is
heden ten dage, en om een groot volk te behouden van
den dood."
Want juist doordien al deze millioenen
onder de heerschappij geraakten van het protestantsch
Europa, werd daar de deur geopend voor de Zending.
Waar anders ieder Zendeling een onvermijdelijken dood
zou hebben gevonden, daar mag hij thans onder be-
scherming der Nederlandsche of Britsche vlag overal het
Woord Gods prediken, onverhinderd. — China, wie zou
gezegd hebben, dat China ooit toegankelijk zou worden
voor de prediking des Evangelies ? . Welnu, een even
onrechtvaardige als schandelijke opium-oorlog moest in
Gods hand liet middel worden, om dit reusachtige „rijk
van het midden" te ontsluiten. — Japan, dat vroeger
alleen gemeenschap wilde houden met de Hollanders, en
dan nog slechts handelsgemeenschap op het eilandje
Decima, heeft, na eeuwenlange afzondering, vrijwillig zijn
grenzen opengezet voor de Europeesche beschaving. — Het
rijk van Siam werd ontsloten door de gelukkige werk-
zaamheden der zendeling-geneesheeren; de regeering zelf
noodigde de boodschappers Gods uit over te komen,
evenals de Macedonische man in het droomgezicht van
Paulus, die den Heiden-apostel toeriep: Kom over, en
help ons! — Afrika, dat vroeger even onbekend als
ontoegankelijk was, is thans zoo goed als geheel onder
de koloniseerende volken verdeeld, en het is opmerkelijk:
overal is de toegang voor het zendingswerk ontsloten.
Ja, zélfs in den reusachtigen Congo-Staat, die onder
beheer staat van het Eöomsche België, is den protes-
tantschen zendeling op alle plaatsen vrije beweging
gewaarborgd. —
Het kasle-stelsel in Indië wordt verbrijzeld onder de
raderen van den locomotief, want de gierigheid der Brah-
-ocr page 26-
22
mimen heeft dit voordeel behaald op de kastegeest, dat
in spoor- of tramwagen het standsonderscheid is opgeheven.
En zoo kan men daar het schouwspel zien, dat menschen
van verschillenden stand naast elkaar zitten in één spoor-
wegcoupé, dat ze een praatje met elkaar aanknoopen, en
elkander beleefdheden bewijzen. Het is waar: nog altijd
wordt iemand in Engelsch-Indië buiten de maatschappij
geworpen, indien hij het Christendom aanneemt; doch
het aantal Christenen is reeds zóó groot, dat zij reeds
een afzonderlijken stand vormen. En deze Christenen
maken den kern der bevolking uit. Zoodoende heeft de
straf opgehouden een straf te zijn.
Geheel Voor-Indië is reeds bezaaid met Zendings-stations
en tot diep in het binnenland, in den hoofdzetel van het
Boedhisme, zijn er Christelijke kerken opgericht. Het
onderwijs der kinderen is er in handen der Christenen,
en zelfs de Zenana\'s, die honderden jaren gesloten waren
voor elke mededeeling van het Evangelie, zijn ontsloten
door zulk een eenvoudig middel, als alleen de Goddelijke
Vooi\'zienigheid gebruiken kan.
De Zenana\'s zijn n.1. de verblijfplaatsen der vrouwen,
die bij de Boedhisten in strenge afzondering leven, en
door afzonderlijke slaven bewaakt worden.
Deze Zenana\'s nu zijn ontsloten door niets meer dan eene
borduurnaald eener Zendelingsvrouw. Deze laatste had n.1.
met kunstige hand een paar pantoffels geborduurd,
die zij naar een Zenana ter bezichtiging zond. Een uit-
noodiging volgde; de vrouwen en meisjes werden de
leerlingen der Christelijke dame in de edele borduurkunst.
En ziet! terwijl de vingers ijverig bezig waren met bor-
duren, vond de Zendelingsvrouw gelegenheid, aan de harten
harer leerlingen dat scharlaken snoer te strengelen, waar-
door zij verbonden werden aan den Zaligmaker harer zielen.
Ziedaar, M. V.! den aanvang der sinds dien zoo
beroemd geworden Zenana-zending, die thans honderden
-ocr page 27-
23
vrouwen in haar dienst heeft en jaarlijks een uitgaaf
eischt van een half millioen gulden.
Daarbij, M. V.\' God heeft den Heidenen het vertrouwen
op hun eigen goden ontnomen. Zoo verheerlijkt als het
Boedhisme thans in Europa wordt, zoo veel minachting
vindt het in Indië. De Heidenen hebben een voorgevoel
van het naderend einde des Heidendoms. Het gaat hen
als den soldaat van het Midianitische leger, wiens ka-
meraad in den droom een groot gerstebrood gezien had,
dat het legerkamp verpletterde, en die, bij het vernemen
daarvan, uitriep: Dat is het zwaard van Gideon, den zoon
van Joas! — „Laat ons met rust; onze kinderen kunnen
toch niet anders dan Christenen worden", zeggen de
Boedhisten in Engelsch-Indië. — „Ik vertrouw mijn eigen
Goden niet meer!" riep de koning van Siam uit. —
„Japan kan in de toekomst niet anders doen, dan het
Christendom aannemen, want alles, wat Japan heeft,
heeft het aan het Christendom te danken", schreef Fu-
kawaza, een Japansch staatsman, die zelf nog Heiden is.
— Kortom, God is overal bezig de sterkte des Heiden-
doms neder te werpen.
En niet alleen het Heidendom, ook het Boomsch-
Gaiholicisme
is in de hartader aangetast. Schitterend treedt
het Pausdom nog op in landen met een gemengde be-
volking, maar in eigenlijk Roomsche streken ligt het
te zieltogen. Terwijl in Italië de Roomsche kerken ledig
staan, en de priesters in een oude, gescheurde soutane
zich verhuren als boerenknechts, worden de kerken der
Waldenzen met den dag te klein. — God heeft deze
landen wonderbaar voor Zijn Evangelie ontsloten. In het
land der Inquisitie geniet thans de Protestantsche kerk
de bescherming der wet. In Frankrijk, waar voor anderhalf
honderd jaar nog de rook van de brandstapels den hemel
verduisterde, bloeit thans de Mac-All-Zending. De dragon-
nades en ontbanningsedicten van Lodewijk de XIV hebben
-ocr page 28-
*.■\'", «                                                                               ■
24
er het Protestantisme gebogen, — gebroken is het niet.
Met verjongde kracht richt het fier de kruin weer omhoog;
langzamerhand worden de Protestanten weer meester van
het intellectueele Frankrijk; zij bezetten de voornaamste
regeeringsposten, en worden, — volgens Rome — voor
dit land opnieuw een staatsgevaarlijke macht. — Toen
in 1879 de troepen van Victor Emanuël een bres schoten
in de Porta Pia, was het eerste voertuig, dat de Eeuwige
stad binnendrong, een Bybelwagen; en ondanks de ver-
vloekingen der Pausen werd er vlak tegenover den
cathedraal van St. Pieter een Protestantsche kerk opgericht.
Wanneer men deze dingen nagaat, die God tot stand
heeft gebracht, dan moet men de handen ineen slaan van
verbazing. Eeuwenoude slagboomen heeft Hij verbrijzeld,
alsof het stroohalmen waren. Het is een werk, als dat
van den Engel des Heeren, die Petrus met één slag de
ketenen van handen en voeten deed vallen, en alle grendelen
en deuren van zelf deed openspringen. De muren des
Heidendoms zijn omver geworpen, als de muren van Jericho.
Ieder soldaat van liet leger van den hemelschen Jozua
kan recht tegenover zich de veste des vijands binnen-
stormen. De droppelen van onder den dorpel zijn niet
alleen op wonderbare wijze aangegroeid tot een stroom,
maar deze stroom heeft ook bruisend en schuimend allen
tegenstand verbroken, en zich een weg gebaand tot het
„Galilea der Heidenen."
II. In de tweede plaats zouden wij U aantoonent
hoe de stroom des Evangelies niet alleen door God op
wonderbare wijze naar de wereld des Heidendoms is
geleid, maar ook hoe de wateren van dien stroom aldaar
de dorre plaatsen hebben gesteld tot een hof des Heeren.
Practische menschen vragen altijd allereerst: "Welke
gevolgen zal dit hebben? "Wat levert het op? En ook in
-ocr page 29-
25
de zaak der Zending hebben zij, dunkt mij, alle recht,
zoo te vragen. Het Woord Gods is een "Woord des
Levens, en zijn bestemming is leven te wekken in de
dorre doodsbeenderen. Christus is de Levensvorst, en
leven is het, wat van Hem uitstraalt. „Zijt Gij de
Messias, of verwachten wij een anderen?" zoo deed
Johannes de Dooper, in een aanval van moedeloosheid,
door zijne discipelen aan Jezus vragen.1) En welk ant-
woord geeft Jezus, om te bewijzen, dat Hij waarlijk de
van God gezondene isP „Gaat heen," zegt Hij, „en ver-
telt, wat gij gezien hebt: de blinden worden ziende, de
dooven hoorende, en de dooden worden opgewekt." Wat
is dus het bewijs, dat Hij de Christus is ? Dit: dat de
blinden ziende, de dooven hoorende, de dooden opge-
wekt woivlen!
Een gemeente dus, waar niets van dat alles te vinden
is, waar nooit gehoord wordt van geestelijk-blinden, die
ziende worden, van geestelijk-dooden die opgewekt
worden, mag daarom wel eens ernstig onderzoeken, of
het wel waarlijk de Christus is, dien zij heeft, en of zij
soms niet voor een dooden Heiland geknield ligt in
plaats van voor een levenden. Het kan zijn, dat een
deel des zaads op den weg door de vogelen wordt op-
gepikt; dat een ander deel op de rots verzengd wordt;
dat een ander deel in de doornen wordt verstikt. Maar
als er van het zaaisel heelemaal niets terecht komt, dan
is er alle aanleiding tot de vraag: Hebt gij wel goed
zaad in uw akker gezaaid?
Gij weet, hoe de reizigers in de woestijn soms smachten
naar een droppel vocht. Maar hoe zullen zij het water
ontdekken? Zij hebben daartoe een zeer eenvoudig
middel: zij kijken slechts, of zij niet ergens een groen
plekje of het loof van geboomte ontdekken. En waar
\') Matth. 11.
-ocr page 30-
26
zij dit zien, daar klopt hun het hart reeds van vreugde,
want daar is water.
De droppelen van onder den dorpel wiesen niet slechts
aan tot een beek, waar men niet door kon gaan, maar
de profeet zag ook aan den oever „zeer veel geboomte
van deze en van gene zijde." Zoo ook hebben de wateren
des Levens niet alleen de Heidenwereld bevochtigd, maar
zij hebben daar ook nieuw leven doen uitspruiten; barre
zandwoestijnen zijn geworden tot een vlakte van Saron,
onvruchtbare tronken tot eikeboomen der gerechtigheid.
De akker der Zending is niet alleen door God heerlijk
toebereid, maar Hij geeft ons ook de eerstelingen te
aanschouwen van het golvend graan, dat er op gewassen
is. Doen wij, M. V.! als de discipelen, en lezen wij, al
gaande langs dezen akker, hier en daar een korenaar af.
In de eerste plaats wil ik dan gedenken aan u, Maria
Rafa Rawawy, gij heldin; vrouw, die met uw zwakke
krachten meer hebt gedragen, dan eenig man wellicht in
staat zou zijn geweest, en die niet moede zijtgeworden!
Maria Rafa Rawawy was de echtgenoote van een hoog-
geplaatst officier op Madagaskar. Onder de regeering van
koning Radama was daar het Christendom gepredikt, en
had er in korten tijd reusachtige vorderingen gemaakt.
Het is opmerkelijk, op welke wijze de Heere op deze
vrouw beslag legde. Zij was een ijverige dienares der
afgoden, en een besliste vijandin van het Christendom. Op
zekeren dag bracht zij met haar man een bezoek aan
een vervaardiger van afgodsbeelden, om eene bestelling
bij hem te doen. Het afgrijselijk beeld moest nog den-
zelfden dag worden gemaakt, en Maria bleef bij den
beeldsnijder eten. Zij zag, hoe hij enkele takken en
brokken van den boom waaruit hij het beeld vervaardigde,
opnam en in den haard wierp, waarboven de ketel met
rijst hing te koken. Rafa Rawawy lette daar echter toen
-ocr page 31-
27
niet op; ze betaalde haar twee daalders en vertrok. —
Korten tijd daarna kreeg zij echter bezoek van een
vriendin, die het Christendom had aangenomen. Deze
sprak met haar over den weg der zaligheid, en over het
Woord Gods, dat zij bij zich droeg. Zij wilde er Rafa
Wawawy iets uit voorlezen, en sloeg open bij Jesaja 44,
waar zij las: „ De helft (van het hout) brandt hij in het
vuur; bij de andere helft daarvan eet hij vleesch
.... Het
overige nu daarvan maakt hij tot een god, lot een gesneden
beo ld; hij knielt er voor neder en bidt het aan, en zegt: Red
mij, want gij zijt mijn Oodf"
. . . En niemand van hen
brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand
dat hij zeggen zou: de helft daarvan heb ik verbrand in het
vuur, ja, op de kolen daarvan heb ik spijs gebakken, ik heb
vleesch daarbij gebraden en ik heb gegeten; en zou ik het
overblijfsel daarvan tot een gruwel maken ? Zou ik nederknielen
voor hetgeen van een boom gekomen is
P" — Dit woord drong
als een pijl in haar hart. Zij zag de nietigheid in van den
dienst der afgoden en leerde zoeken naar Hem, die zich
vinden laat van degenen, die naar Hem vragen met hun
gansche hart, en wien zij nu diende met evenveel ijver,
als zij het vroeger de stomme beelden gedaan had. —
Toen de vervolging onder Ravonarola uitbrak, behoorde
deze vrouw onder de eerst aangeklaagden, en wat zij
toen geleden heeft voor de zaak des Heeren, is haast
niet te beschrijven. Zij werd beschuldigd een „bidster"
te zijn, en bekende volmondig wat haar ten laste werd
gelegd, namelijk, dat zij overal, in huis en in het veld,
om genade en vergeving had gebeden tot den God der
Christenen. Op koninklijk bevel werd haar huis ter plun-
dering overgegeven aan het gepeupel, dat haar het dak
letterlyk boven het hoofd afbrak en haar zelve op straat
wierp. In ellendigen toestand werd zij hier door vier
politiebeambten opgepakt, en in de gevangenis geworpen.
Den volgenden dag zou zij worden ter dood gebracht.
-ocr page 32-
28
Doch dienzelfden nacht ontstond er een vreeselijke brand
te Tamatawe, en in de drukte en in de verwarring werd
Rafa Rawawy vergeten. Vijf maanden bracht zij nu door
in de gevangenis, krom gebogen onder het gewicht der
ketenen, waarmee men haar had beladen. Eindelijk werd
zij door de koningin als slavin verkocht naar het binnen-
land. Aldaar aangekomen, werd zij indachtig gemaakt
aan het woord des Heilands: „Wanneer zij u in de eene
stad vervolgen, vliedt in de andere stad", en zij besloot
te ontvluchten. Wat zij op dezen tocht, die maanden
lang duurde, geleden heeft, gaat alle verbeeldingskracht
te boven. De gevaren der omzwervingen van Enseus
met zijn driehonderd strijders, bekend uit het gedicht
van Virgilius, zinken in het niet bij wat deze zwakke
vrouw heeft doorworsteld. De eenvoudige vermelding
daarvan moet elk mensch tot tranen roeren,~ tranen van
medelijden met haar lot, tranen van dankbaarheid aan
den Heere, die zich in hare zwakheid machtig heeft
betoond en haar uit den muil des leeuws heeft verlost.
Niet minder trouw aan den Heiland zijner ziel be-
toonde Bok-Sinü, „die lieflijke onder de Prinsen van
Indië". Al is het ook, dat hij er niet zooveel voor heeft
moeten lijden, hij heeft toch alles, wat deze wereld be-
geerlijks biedt, schade geacht, om de uitnemendheid van
de liefde van Christus.
Bor-Sing was de zoon van den Radja van Cherra, en
had de weelde van het hof zijns vaders verlaten, om
in de Zendingsschool de „parel van groote waarde" te
zoeken. De oude radjah kwam te sterven, en bode op
bode werd op Bor-Sing, die rechtens troonopvolger was,
afgezonden, om hem te bewegen, van het Christendom
afstand te doen, ten einde zijns vaders zetel te kunnen
bezetten. — „ik kan mijn zwaard afleggen en weg-
werpen; ik kan mijn kleed afleggen en wegwerpen;
-ocr page 33-
\'
29
maar hoe kan ik vergeten en verloochenen, wat Jezus
aan mijn ziel gedaan heaft?" riep hij uit. „Maar het kost
u de kroon!" werd hem toegevoegd. „Wees niet be-
vreesd," antwoordde hij bedaard, „ik heb reeds een
andere kroon: de kroon der onverderfelijkheid, welke
mij de Heere in dien dag geven zal, en niet alleen aan
mij, maar aan allen, die Zijn verschijning in onver-
derfelijkheid hebben liefgehad."
Een ander voorbeeld van hartvernieuwende genade
levert de blinde Bartimeüs van de Sandwich-eilanden.
Deze blindgeborene werd door God uit de diepste diepte
van het Heidendom opgehaald. Toen hij gedoopt werd,
gaven de zendelingen hem den naam van Bartimeüs, en
wanneer er ooit een voorbeeld gevonden wordt, van wat
het evangelie vermag in een arme zondaarsziel, dan is
het voorzeker deze blinde. Hij was een prediker van
zeldzame kracht, en hij kon den menschen „de hardste
waarheden zeggen met de zachtmoedigheid van een
engel." Het is niet te zeggen, waardoor hij de meeste
menschen tot Christus heeft gebracht: door zijn vurige
en welsprekende woorden, of zijn innig-Godzaligen levens-
wandel. Zóó thuis was deze blinde in de Schrift, dat
het gemis zijner oogen voor hem geen beletsel te noemen
was. Hij kende niet alleen om zoo te zeggen den Bijbel
letterlijk van buiten, maar wist ook met zeldzame nauw-
keurigheid aan te wijzen, waar deze of gene Schriftuur-
plaats te vinden was. — Deze man levert een eigenaardige
illustratie op bij het woord des Heilands: „Ik ben tot
een oordeel in de wereld gekomen, opdat degenen, die
zien, blind worden, en die blind zijn ziende mogen worden."
Toen Kobert Moffat naar Zuid-Afrika toog, werd hij
reeds in Europa gewaarschuwd tegen een Hottentotsch
hoofdman, die Afrikaander genaamd werd. Deze naam is
in de geschiedenis van het zwarte werelddeel even berucht,
-ocr page 34-
30
als die van Atilla in het Blanke. Hij was in Z.-Afrika
het spook, waarmee men de jeugd vrees aanjoeg, en de
verhalen zijner gruweldaden deden den hoorders een
rilling van afgrijzen door de leden loopen. Het gouver-
nement stelde een prijs op zijn hoofd, maar hij hield
zich in veiligheid achter de Vaalrivier, waar hij door zijn
duivelachtige wreedheid de schrik was van blanken en
zwarten. Moffat ondernam het, naast dezen tyran te
gaan wonen, en ziet! in dezen woesteling kwam een zoo-
danige verandering, dat hij een nieuw mensch mocht
heeten. Hij werd van de wreedste de zachtmoedigste
man; hij werd een vriend en helper van allen, die met
hem in aanraking kwamen; hij werd een Schriftonder-
zoeker en welhaast een prediker des evangelies. Hij
was een leeuw geweest, en is een lam geworden.
Bijna eenzelfde natuur als die van Afrikaander, was
Gueugis, een Armcnisch rooverhoofdman.
Aan roovers heeft men in Armenië nooit gebrek ge-
had, maar Guergis was een der ergste; ja4 hij was voor
Armenië, wat Schinderhannes was voor Europa.
Nu was in die streken door een Amerikaansch ge-
nootschap eene Christelijke school gesticht, en het ge-
lukte, ook het dochtertje van Guergis deze school te
doen bezoeken.
Na eenigen tijd kwam de roover eens uit nieuwsgierig-
heid, met geweer en dolk gewapend, in de school, om
naar zijn dochtertje te zien. De onderwijzeres sprak tot
de kinderen over de liefde Gods, maar hij begon luide
te spotten en te schelden. Zijn eigen dochter bad voor
hem. Hij hief de gebalde vuist op om haar te slaan,
doch God hield zijn arm terug. Dagen achtereen ging
hij daarmede door, totdat de Heere hem op zekeren dag
plotseling, als door een bliksemstraal tegen den vloer wierp,
zooals Hij eenmaal Saulus op den weg naar Damaskus
-ocr page 35-
31
ter aarde sloeg. Gucrgis ging als een gebroken man
naar buiten. Hij weende en bad, en verklaarde, dat een
hel nog verdraaglijk moest zijn bij de pijn, die hij leed.
Toen mocht de onderwijzeres, juffrouw Fisk, het middel
zijn, om hem toe te roepen.: „Saul, broeder! word ziende."
En van af dat oogenblik kon men hem van dorp tot dorp
zien trekken met Bijbel en Gezangboek in plaats van met
geweer en dolk, overal verkondigende, wat groote dingen
God aan zijn ziel had gedaan, terwijl hij zich onderweg
den tijd kortte, door met zijn prachtige stem de bergen
van zijn vaderland te doen weergalmen van liederen,
als: „Rots der Eeuwen, troost in smart!" en „Mijn Hei-
land heeft zijn bloed geplengd." En op zijn sterfbed nam
hij afscheid van de wereld onder dezen juichtoon: „O,
\'t was vrije genade, vrije genade!"
Tot hiertoe bespraken wij het werk Gods onder bij-
zondere personen
; thans werpen wij een blik op de ver-
anderingen, die gansche volken ondergingen. En wat wij
hier ontmoeten, gaat de stoutste verbeeldingskracht te
boven. De veranderingen, door het Evangelie teweeg-
gebracht, spotten met elke psychologische verklaring, en
er blijft niets anders over, dan te zeggen: „Van den Heere
is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen!"
Van het jaar 1853 tot het jaar 1879, dus gedurende
een tijdperk van vijf en twintig jaren, arbeidde de Lone-
Zending zonder eenige vrucht. Tengola werd bewerkt en
bewerkt, maar, helaas! het scheen, alsof al deze arbeid
een ploegen op rotsen was. Men overwoog reeds, of het
niet wenschelijk zou wezen, dit terrein te verlaten en
elders zijn krachten te beproeven.
Doch ziet! wat gebeurde? God bezocht dit volk met
hongersnood. De Zendelingen wezen het volk op de
-ocr page 36-
32
straffende hand Gods voor hun verhardheid en ongeloof
des harten. Zij deelden hun laatste brood met de inlanders
en ... . leden voorts mede. Toen gingen der schare
de oogen open. „Indien de oordeelen Gods op de aarde
zijn, dan leeren de volken gerechtigheid". Dat woord
werd ook hier bevestigd. Door boete en berouw gedreven
Een negervader onder de duisternis des heidendoms.
over zooveel versmaden liefdearbeid Gods, verdrong zich
het volk om de Zendelingen, teneinde van hen woorden
des eeuwigen levens te vernemen. In den tijd van 21
dagen werden 5492 bekeerlingen gemaakt, ja op één
dag zelfs 2222. Zóó overvloedig was deze regen des
Heiligen Geestes, dat de Zendelingen zelf verschrikt
-ocr page 37-
33
worden van deze krachtige openbaring Gods, evenal Mozes,
die een deksel moest leggen op zijn gezicht, wijl hij bevond
dat zijn ïnenschelijke oogen niet bestand waren tegen
den glans van Hem, die rijdt op saffieren wolken. In
een tijd van 45 dagen werd er een gemeente gevormd
Een negervader onder het Licht des Evangelies.
van 11000 zielen, zoodat de Zendelingen verlegen waren,
de zaak aan hun genootschap mede te doelen.
Ziet daar, M. V.! werkingen des Heiligen Geestes,
die wellicht alleen door die van den eersten Pinksterdag
worden overtroffen.
-ocr page 38-
34
In het jaai\' 1816 landde oen Duitsche schoenmaker,
Wilhelm Johnson, als Zendeling te Sierra-Leona, op de
Westkust van Afrika. Hij vond daar een 1000-tal Zwarten,
die onlangs uit de slavenschepen verlost, en hier aan
land gezet waren. Het was een bevolking, ellendiger
dan ellendig; samengelezen uit twee en twintig verschil-
lende stammen, en naar het scheen onverbeterlijk. Diefstal,
rooverij en moord heerschten er op groote schaal. Zij
hokten bijeen in ellendige hutten, en hadden van het
huwelijk of van zedelijkheid niet het minste begrip. Hun
godsdienst bestond in een soort duivelen-aanbidding en
ging gepaard met allerlei gruwelen. —
Welnu, M. V.! ofschoon deze schoenmaker reeds in
1823 stierf, heeft hij het toch nog mogen beleven, dat
aan deze kust ord \' en welvaart kwamen in plaats van
de vroegere wanor.\'e en ellende. Het huwelijk verving
er de onbeteugelde hoererij; het heidensche rooven en
moorden hield op; er kwam onder deze menschen zulk
een dorst naar kennis, dat er geen scholen genoeg te
bouwen waren, en bij Joiinsons dood stond er een ge-
meente van 2000 zielen te weenen aan zijn groeve.
John Williams had reeds eenige jaren bij zijn vader
aan \'t aambeeld gestaan, toen de Heere hem in \'t hart
gaf, zijn leven toe te wijden aan de Zending. Deze smids-
jongen is de apostel geworden der Zuidzee-eilanden.
De toestand der menschen van de Zuidzee-eilanden ver-
schilden in zooverre van die der bewoners van de kust van
Sierra-Leona, die ik u zooever; beschreef, dat die van
Polynesië voor het grootste gedeelte daarenboven ook nog
menscheters waren.
„De eilanden zullen wachten op \'T;i\'ne leer", zegt de
Schrift, en dit woord is letterlijk i ^rvulling gegaan.
Zoodra de tijding des Evaugelis da. gon gepredikt
te worden, konden er geen Zendelingen genoeg naar dit
-ocr page 39-
35
reusachtige eilandenrijk worden uitgezonden "Wanneer
er ooit een ongeschikt terrein was om te evangeliseeren,
dan was het zeker wel op deze Zuidzee-eilanden, waar
de bevolking verspreid is over duizenden eilanden, die
soms dagen, ja weken zeilens van elkaar liggen. Maar
ziet, onder deze eilanders heerschte zulk een dorst naar
de blijde Boodschap des Heils, dat zij in hunne vlerk-
prauwen van het eene eiland naar het andere voeren,
om de Zendelingen achterna te gaan, en te hooren. Het
is alsof de Psalmdichter het oog heeft gehad op deze
volken, als hij schrijft:
Het woeste volk zal voor Hem knielen;
Zijn vijand likt het stof;
En Tarsis voert met rijke ki< .en,
Geschenken naar Zijn hof
Met giften zullen langs de troomen
De koningen der zee,
En Scheba nevens Seba komen,
Hem smeekend om den vree.
Binnen den tijd van één jaar hadden op de Hervey-
eilanden alle 7000 inwoners hun afgodsbeelden wegge-
worpen, en een Christelijke kerk gesticht van 607 voet
lengte.
Bij de geboorte van koningin Pomahe kwamen de
eerste Zendelingen op de Samoa-eilanden, en toen deze
vorstin op 70-jarigen leeftijd in haar Heere en Heiland
ontsliep, waren al deze eilanden, 300 in getal, reeds
geëvangeliseerd. Er is \'ians wellicht op de Samoa-eilanden
geen enkel huis, waar niet dagelijks Gods Woord gelezen
wordt, of het moest het huis van een .... Europeaan
zijn. Zware storir ; zijn sinds wel over Samoa heenge-
varen; goddelo < naam-Christenen hebben getracht
er het goede k\' JB verstikken; de hebzucht der Duitsche
koloniale politiek heeft zelfs een tijdlang den duivel over
-ocr page 40-
36
deze eilanden als zijn buit doen juichen; maar Gods
hand heeft Zijn werk niet laten varen. Samoa staat naast,
ja, in vele opzichten boven de beschaafde natiën, en
wat meer is, het is nog altijd een parel aan de koningskroon
van Christus.
Van het eiland Tierré del Fuego zoide eens de be-
roemde natuuronderzoeker, Charles Darwin, dat, naar
zijn inzien, van deze menschen nooit iets terecht zou
komen, en een Zendingspost op deze eilanden verloren
moeite zou zijn. God heeft echter het woord van dezen
ongeloovige beschaamd, en Darwin heeft zijn nederlaag
erkend, door schatplichtig te worden aan de Zending,
tot een bedrag van 60 gulden \'sjaars.
Het moet echter erkend worden, wanneer er ooit redenen
waren tot wanhopen, dan was het hier. Het land was
vol afgoden van In uit en van steen, en er waren bijna
evenveel tempels en tempeltjes als er huizen waren.
De eerste Zendeling, die alhier de banier des kruises
plantte, was de kapitein Ali.en G-aiidxbii, een lid van
de Baptisten-gemeente. Daar niemand van \'de inlanders
den moed had, om zijn bijgeloof te overwinnen, ten einde
met hen eenigo gemeenschap te kunnen uitoefenen, moest
de Zendeling met al zijn helpers van honger en gebrek
omkomen. Men vond later zijn uitgeteerd lijk onder een
boom, en daarbij een papiertje, waarop hij zijne laatste
woorden had geschreven : „Doch gij mijn ziel, zwijg Gode,
want van Hem is mijn verwachting." 0
En ziet! M. V.! God heeft de verwachting van dezen
Zijn dienstknecht niet beschaamd doen uitkomen. De
Baptisten-Zendelingen, die in zijne plaats traden, mochten
acht jaren later vermelden, dat \'Ai der volwassen bevolking
lidmaat was der Christelijke kerk, en Va der kinderen
i) P». 62.
-ocr page 41-
37
leerlingen waren der Christelijke school. Tegenwoordig
onderhouden de inwoners van Tierra del Fuego liun eigen
kerk en hun eigen Christelijke school, en liet Amorikaansch
Baptisten-genootschap ontvangt van dit eiland jaarlijks
zoo voel voor de Zending, dat het per hoofd ongeveer
42 gulden bedraagt.
Een toonbeeld wat het Heidendom wordt, buiten God,
leverden nog in het begin dezer eeuw de Fidzji-eilanden
op. De Moordbaai aldaar herinnert nog aan de ongelukkige
bemanning van de expeditie van la Perouse, die daar
in 1787 door de inlanders werd overvallen, vermoorden
opgegeten.
Het menscheneten was daar zoo in zwang, dat ei\' af-
zonderlijke rooftochten naai\' naburige eilanden werden
ondernomen, om mensclienvleesch machtig te worden.
Het volk was des duivels buit met alles wat het was
en had, en hij deed met hen wat hij wilde. Het leven
van eiken inwoner des lands was, naar de uitdrukking
der Schrift, „als tegenover hem hangende"; de man werd
door zijn buurman, de vrouw door haar echtgenoot, het
kind door zijn moeder beschouwd met den roofzieken
blik van de vraatzucht, die slechts op een gelegenheid
wacht, om haar slachtoffei te dooden en te verslinden.
Gelijk een dronkaard de slaaf is van zijn hartstocht voor
den drank, en daar alles, alles voor opoffert, zoo waren
do Fidzjiërs de slaven van hun hartstocht voor mensclien-
vleesch, die de heiligste inspraken der natuur het zwijgen
oplegde. Bij elke godsdienstige plechtigheid werden een
of moer slaven geslacht en opgegeten. Wanneer de prauw
van een hoofdman in zee werd gebracht, werd hij voort-
goschoven over de naakte lichamen van een aantal slaven,
die onder het gewicht van het zware vaartuig gekraakt
en tot brij gemalen werden.
Moord en diefstal heerschten er op onbeperkte schaal;
-ocr page 42-
-
38
daar zij altijd oorlog voerden met elkaar, bezat hun taal geen
woord voor „vrede", evenmin als voor „huwelijk" en „zede-
lijkheid", daar al deze begrippen onbekend bij hen waren.
Op den 12en October 1835 landden aldaar de twee
Methodisten-Zendelingen, William Cross en David Gakgiix.
Langzamerhand verdwenen oorlog, moord, veelwijverij
en menscheneten, en 15 jaar later waren op deze eilanden
200 kerken; het personeel van predikanten en onder-
wijzers bedroeg 2350, en dat der Avondmaalgangers 26000.
Wanneer men thans in de stad Bau op de Fidzji-
eilanden de hoofdkerk betreedt, wordt de aandacht ge-
trokken door een reusachtigen steen, die ingericht is tot
doopvont, maar die aan een der zijden duidelijk de sporen
vertoont van bloed en van brein. Deze steen lag vroeger
voor den Heidenschen hoofdtempel, die hier eenmaal stond;
en die sporen van bloed en brein zijn afkomstig van de
arme slaven, die, alvorens geofferd en opgegeten te
worden, met hunne hoofden tegen dezen steen te morzel
werden geslagen.
Dat is een der weinig overgebleven gedenkteekenen
des Heidendoms op de Fidzji-cilanden. De Fidzjiërs zijn
als de man uit het Evangelie, uit wien het legioen dui-
velen werd uitgeworpen; men vindt hen zittende aan
de voeten van Jezus, gekleed en wèl bij hun verstand-
Wanneer men zulke werkingen des Heiligen Geestes
nagaat, M. V.! dan is er alle reden, om verbaasd te staan
en elkander toe te roepen, wat Paulus toeriep aan de
Joden te Antiochia:
„Mannen broeders! Ziet toe, dat over u niet kome het
oordeel, \'t welk voorspeld is door den profeet, zeggende:
ziet gij verachters, verwondert u, en verdwijnt! Want
Ik werk een werk in uwe dagen, een werk, \'t welk gij
niet zult gelooven, zoo het u iemand verhaalt."\')
\') Hand. 10, Jes. 28, Hab. 1.
-ocr page 43-
39
De stoutste verbeeldingskracht schiet te kort bij wat
de werkelijkheid ons in deze eeuw der Zending te aan-
schouwen geeft. De Engel des Hecren is dezen verloren
hoop Zendelingen voorgegaan, en de kleinste hunner is
geworden tot duizenden. De droppelen van onder den
dorpel zijn uitgegaan en hebben den woestijn gesteld
tot een lieflijkheid als van Thirza.
„O, onze God, wie is een God gelijk Gij, die wonder-
heden doet op de aarde ?"
Wij hebben onzen tocht langs den akker der Heiden-
wereld volbracht. Wij hebben gezien, hoe wonderbaar
God dezen akker heeft toebereid, en welke heerlijke
vruchten Hij er ons van te aanschouwen geeft. Maar we
mogen niet heengaan, zonder nog eenmaal een blik te
hebben geworpen op de onmetelijke velden, die daarachter
liggen, en nog altijd op den ploeg des landmans wachten;
niet heengaan zonder een blik te hebben geworpen in
ons eigen hart, om te onderzoeken, hoe wij zelven staan
tegenover dit heerlijke werk Gods.
Het schijnsel des Evangelies is er; ook in de Heiden-
wereld heeft het zijn stralen geworpen, en wij hebben
ons heden mogen verheugen in zijn glans. Maar „indien
wij ons verblijden in het licht, laat ons ook gedenken
aan de duisternis", want die is groot. We zien hier\') een
aanschouwelijke voorstelling van het bevolkingscijfer des
aardbodems. Elk vakje stelt een millioen menschenzielen
voor. Het aantal Protestanten is voorgesteld door een
witte tint, vervolgens komen we tot de Grieksch- en
Roomsch-Katholieke kerken; nog lager volgen de Mo-
\') Achter den spreker was een zeer vergrootte reproductie
opgehangen van de grafische voorstelling, die in dit boekje
tegenover den titel een plaats vindt, en die de lezer vriendelijk
wordt uitgenoodigd eens aandachtig te bezien.
-ocr page 44-
40
hamniedanen mot de Joden en gaandeweg wordt de kleur
donkerder, totdat eindelijk hot breede veld aanbreekt
van het zwart des Heidondoms. O, zeker! liet Licht is
er, maar welk een baaierd van duisternis staat daar nog
altijd tegenover!
Wachter op de hetl\'ge muren,
Wachter! wijkt nog niet de nacht?
Ach, wij tellen rnst\'loos d\' uren,
Tot ons d\'ochtend tcgenlacht.
Als \'t gesternte gaat verbleeken,
Als het duister is geweken,
En de zon op berg en dal,
Warme stralen werpen zal.
Maar, waar er ook reden is voor dezen zucht des
verlangens, daarom toch niet versaagd, M. Y!
Ziet! vertoont zich uit het donker,
Niet alreê der bergen top?
Gaat met zacht en rein geflonker
Ginds de morgenster niet op?
Heid\'nen houden op te dwalen
In de doodsche schaduwdalen;
Met ontsluierd aangezicht
Groeten zij het rijzend licht. \')
De eerstelingen des akkers zijn reeds daar, en — heft
uwe oogen op — ik zeg u, dat ook de velden aireede
wit zijn, om te oogsten.
Wat staat gij dan ledig op de markt?
O, gij kerk des Heeren, in plaats van u te bedroeven
over deze breede banen van niillioentallen Heidenen,
moest gij er u over schamen, want van deze achthonderd
vier en zeventig perken der duisternis gaan achthonderd
vier en zeventig niillioen aanklachten op tot de bron
der Gerechtigheid, — aanklachten tegen u!
\') Uit Gez. 237.
-ocr page 45-
41
Het is heden \') de dag waarop wij gedenken, hoe voor
nu 300 jaren de eerste Nederlandsche schepen liet anker
lieten vallen ter reede van Bantam. Wat hebben wij
gedaan met die volken, die God aan onze hoede heeft
toevertrouwd? O, M. V.! in plaats van onzen bruinen
broeders het Evangelie te brengen, zijn wij gelijk geweest
aan dien onrechtvaardigen dienstknecht, dien zijn heer
gesteld had over zijne mededienstknechten, om ze ter
rechter tijd het bescheiden deel spijzen te geven, maar
die ze honger liet lijden en hen kwalijk behandelde 2). Wij
zijn geweest als de vier melaatsche mannen van Samaria,
die gevallen waren in het verlaten legerkamp der Syriürs,
en gouden en zilveren sieraden en kleederen namen en
het verbergden, zonder te gedenken aan den nood der
hongerende bevolking in de stad a).
O, mijn Broeders en Zusters, wij doen niet recht!
„Deze dag is een dag van goede boodschap, en wij
zwijgen stil. Indien wij vertoeven tot aan den morgen,
zoo zal ons de ongerechtigheid vinden. Komt, laat ons
opstaan, on dit aan het huis des konings boodschappen!"
De eerste legerbenden van koning Jezus hebben zich
in slagorde gesteld tegen het Heidendom. Er is een
geruisch in de toppen der moerbeiboomen, dat ons ver-
kondigt, dat de overwinning des Hoeren zal zijn. Er is
een beving des Allerhoogsten in het kamp zijner vijanden,
die de barensnood is hunner nederlaag. De Heere doet
\'vuur en zwavel regenen op Zijn haters. De sterren des
hemels strijden mede uit hunne loopbanen.
Het bazuingeluid klinkt langs de bergen, (Mi roept
gansch Israël op tot den heiligen krijg, zelfs de vrouwen
om den buit te doelen.
\') Zie Inleiding.
2) Matth. 24.
) Kon. 6 en 7.
-ocr page 46-
42
Zon sta stil te Gibeon en gij, maan! in het dal van Ajalon,
totdat de Heere zijn vijanden zal hebben verdelgd!
Is er iemand in ons midden, die den moed heeft in
dezen strijd achter te blijven?
O, M. V.! helden zijn ons voorgegaan. Laat ik er enkele
van noemen, opdat hun voorbeeld ons aanvure en opwekke
tot liefde voor de zaak des Heeren.
Ik wijs u dan op een Livinustone, die jaren lang,
duizenden mijlen reizende, in het woeste Afrika door-
bracht. Door honderden koortsen uitgeput, sleepte hij zich
voort tot de Zambesi; men vond hem in knielende houding
in zijn armelijke hut. Biddende had hij den geest gegeven....
Op een Rosine Kbapp, die door dat zelfde Afrika haar
man volgde op de vlucht door de onmetelijke bosschen,
achtervolgd door woedende vijanden. Midden in de wil-
dernis beviel zij op deze vlucht van een kind, dat zij
doopte met den Arameeschen naam voor „traan". „Stel
mijn graf in het midden van dit volk", zeide zij, toen
zij, te midden liarer smarten haar einde voelde naderen,
„begraaf mij in hun midden, opdat zij mogen weten, hoe
lief ik hen gehad heb".....
Op een John Paton, die zijn alles op het altaar legde,
om op de Nieuwe-Hebriden het Evangelie te verkondigen.
"Welk een vervolging heeft deze dienstknecht des Heeren
gedragen! Dag en nacht door duizend dooden gekweld,
gejaagd als een dier van den eenen boom in de andere,
bleef hij op op zijn post, onvervaard en ongebogen, zelfs
toen zijn geliefde echtgenoote door de werpspeer van een
heiden van zijn zijde was weggerukt. Toen hij voor hot
eerst weer den Engelsehen bodem betrad na jaren
arbeidens, was hij zelfs de taal van zijn vaderland
vergeten.
„Er wonen Kannibalen; ze zullen u slachten en opeten!"
had men hem toegeroepen, toen hij voor de eerste maal
naar zijn arbeidsveld zou gaan.
-ocr page 47-
43
„Welnu, wat zou dat?" antwoordde Paton op eenvou-
digcn, maar bestraffenden toon, ,»\'& zal wellicht worden
verslonden door de Kannibalen, maar gij zult in elk geval
opgegeten worden door de wormen; ik zie dus niet, welk
verschil er in dat geval is tusschen u en mij."
„Gedenken wij deze onze voorgangers, die het Woord
Gods gesproken hebben, en volgen wij hun geloof na,
aanschouwende de uitkomst hunner wandeling." \')
Maar ik weet wat gij zeggen wilt: deze allen waren
reuzen in den kamp des Heeren, en ik ... . !"
Welnu, M. V.! indien dezen in de voorhoede van het
leger Gods hebben gestaan, — er is plaats ook in de
achterhoede.
Kunt gij niet met een Jozua strijden in het dal, —
gij kunt toch niet Mozes op den berg de handen des
gebeds uitbreiden \').
«Kunt gij naast de stoutste zeilers
»U niet wagen in den strijd,
«Waar de golf nu berghoog wentelt,
»En zich straks als afgrond splijt....
»Ook aan \'t strand zijn schepelingen,
«Draag hun zorg en arbeid mee;
»Gij kunt licht de hand eens leenen,
»Waar een vaartuig steekt in zee!"
Is er hier een weduwe, die slechts eene handreiking
kan doen van enkele penningen? — De Heere kan ze
meer verklaren dan alle schatten der rijken. Is er in ons
midden een jongske, dat slechts enkele gerstebrooden en
een paar vischjes heeft ? — Laat hij ze nederleggen aan
de voeten des Heilands; Zijn zegenende handen kunnen
ze doen vermenigvuldigen tot spijze voor duizenden.
„Gij zult niet ledig komen voor het aangezicht des
Heeren", zoo luidde de wet van het oude Israël. Welnu,
*) Hebr. 13.
\') Ex. 17.
-ocr page 48-
44
wat is er in uwe hand, waarmede gij den Heere zoudt
tegentreden, als dankoffer? Indien er zoo iets als een plicht
der dankbaarheid bestaat, hoe groot moet dan onze dank-
baarheid wel niet zijn jegens Hein, die alles, alles opgaf
voor ons, toen wij nog vijanden waren, die zelfs zijn
leven voor ons veil heeft gehad? O, gij allen, mannen
en vrouwen! ik roep u lieden op ter rekenschap uwer
schuld tegenover Jezus Christus, en ik vraag u met den
ontrouwen rentmeester: Hoeveel zijt gij mijn Heere
schuldig? Gij Christen, die eenmaal rondzwierft als een
melaatsche buiten de poort van het Samaria der wereld,
dat u niet meer voldeed en u trouwens ook had uitge-
stooten uit zijn midden, maar die anderzijds ook bevreesd
waart, u oj» genade of ongenade te wagen binnen het
legerkamp van den heiligen God, — hoeveel zijt gij mijn
Heere schuldig voor de schatten der genade, die gij ge-
vonden hebt in Zijn tenten ? En gij, die nog niet kunt
roemen in het:
»Mij is erbarming wedervaren,
aErbarming duizendmaal verbeurd",
hebt ook gij Jezus Christus niet ergens dank voor te
weten? Gij hebt gehoord van de menschonslachterijen,
van den moord on den diefstal in\'t donker Afrika en op de
Fidzji-eilanden. Hoe komt het, dat ook in ons midden
diezelfde toestanden niet heersenen ? Vanwaar komt het,
dat gij u moogt bewegen in een geordende maatschappij
en veiligheid geniet van eigendom en leven? Is ook dit
geen zegen van het kruis van Christus? Gij die buiten
het Christendom staat, nochtans, hoeveel zijt ook ffij
schuldig aan Jezus Christus?
Indien Hij nog in ons midden ware, zooals Hij een-
maal in het midden was van Israël, zwervende van oord
tot oord, menigmaal zonder een plaats te hebben, waar
Hij het moede hoofd kon nederleggon — o, ik weet het:
-ocr page 49-
45
dun zouden er velen onder ons zijn, die het zich een eer zouden
rekenen, Hem een peluw te spreiden, en den onvervalschten
nardus hunner dankbaarheid t*> plengen op Zijn voeten.
Maar dat is nu voorbij. De dagen Zijns vleesches,
„waarin Hij gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen
Hij heeft geleden" \'), zijn geëindigd. Zijn voeten staan thans
in de gouden straten en de doornenkroon des lijdons
heeft Hij afgelegd voor de gloriekroon dei\' overwinning.
Doch wat wij Hem niet meer kunnen aanbieden, Hij
heeft ons bevolen het te schenken aan de armen en
kranken en dwalenden, die Hij ons in Zijne plaats achterliet.
De laatste wensch van een dierbaar wezen, dat van
ons weggenomen wordt, geldt steeds voor heilig. Welnu,
het laatste woord, dat Jezus op aarde tot ons gesproken
heeft, was een bevel: „Predikt het Evangelie aan alle
volken !" Is er iemand in ons midden, die wenscht te doen
alsof, dit liefdewoord nooit gesproken ware?
„God wil het!" was de algemeene kreet van Europa,
als antwoord op de prediking van Peteü den kluizenaar
en onder die leuze trokken niillioenen heen ter kruisvaart
naar de heilige stad. Ik wek u heden op ten nieuwen
kruistocht tegen het heidendom, een kruistocht niet met
den zwaarde, maar met het Woord des Hoeren, en ik
roep u toe, en de aarde roept het toe aan de hemelen:
God wil het! God wil het!
De tochten der middeleeuwen zijn geëindigd in droevige
teleurstelling. Maar deze Kruistocht kan niet anders eindigen
dan met de zege.
„Kinderen, daar ligt de overwinning!" riep Napoleon
bij een veldslag in Italië, terwijl hij met den degen op
\'s vijands legerkamp wees, zijn soldaten toe. Zoo ook
heeft Christus, wijzende op den dag der dagen, ons
beloofd, dat die dag de dag zijner zegepraal zal zijn.
\') Hebr. 5.
-ocr page 50-
46
Zoo dan, mijn geliefde Broeders en Zusters, laat ons
standvastig zijn en onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde
in het werk des Heeren, als die weten, dat onze arbeid
niet ijdel zal zijn inden Heere \'). Want wonderbare vruchten
hebben wij zien rijpen op de velden, waarlangs de drop-
pelen van onder den dorpel hun weg genomen hebben,
maar daar is een belofte van eindeloos meer. Welk een
dorheid, welk een donkerheid hier ons oog nog moge
aanschouwen, het woord van den profeet, dat zeer vast
is, — wat zeg ik? — het woord van den onverander-
lijken God heeft het ons vergewist: Eenmaal zal het
„leven alles, waar deze beek zal komen."
»Waterstroomen wil ik gieten,
Spreekt de Heer, »op \'t dorre land;
»Koele bronnen zullen vlieten
„Door \'t verschroeiend Oosterzand,
»Waar nu pelgrims smachtend gaan,
Zal een hof des Heeren staan.
»\'s Heeren heilwoord kan niet falen,
»Als Zijn Geest den hof doorwaak,
»Zal het lichten in de dalen,
»Rijpen, wat de hoop nu zaait:
■ Ziet, Hij komt eens met de wolken,
»Wien heel d\'aard als Koning groet!
»Rijz\' \'t Hosanna! jubelt volken!
»Strooit uw palmen voor Zijn voet!
»Christ\'nen, Joden, Heid\'nen saüm
«Knielen dan in Jezus\' Naam!"
Amen.
\') 1 Cor. 15.
^töS^-