-ocr page 1-
-ocr page 2-
f*™ ï-L^os
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
J.HGÜNNIN&J.H
ü£RIT£5üSP£^R
wr^XëobCËï^T
-ocr page 6-
-ocr page 7-
PALESTINA HET LAND DER AARTSVADERS.
-ocr page 8-
leiden: stoomdrukkerij van l. van nifterik hz.
-ocr page 9-
«*-#-v—r-K-->l-
PAKELSTINA
HET LAND DER AARTSVADERS
DOOR
Dr. A. H. SAYCE
Hoogleeraar in de Assyriologie te Oxford
Uit het Eugelsch vertaald onder toezicht en met eeue Voorrede
VAN
Dr. E. H. VAN LEEUWEN
Hoogleeraar te Utrecht
UTRECHT
J. L. BEIJERS
1896.
-ocr page 10-
.
-ocr page 11-
INHOUD.
Voorrede..............    blz.      IX
Voorrede tan den schrijver.......      „    XIII
Hoofdstuk I. De gesteldheid van het land . .      „          1
„ II. De bevolking van het land . .      „        18
„         III. De Babyloniërs in Kanaan en de
verovering door Egypte . . . .      „       34
Hoofdstuk IV. De aartsvaders.......      „      120
„ V. Egyptische reizigers in Kanaan .      „      151
„         VI. Kanaanietische beschaving engods-
dienst..........      „      181
-ocr page 12-
-ocr page 13-
VOORREDE.
In een opstel, dat onder den titel: „Professor Sayce over
het Oude Testament" eene plaats vond in de „Stemmen voor
Waarheid en Vrede" dezes jaars (blz. 163
—175), drukte ik
de hoop en de verwachting uit, dat de uitgave van eene neder-
landsche vertaling van het boek, waarin ik aanleiding vond
tot dat schrijven, niet lang op zich zou laten icachten. Lan-
ger dan ik gewenscht en gehoopt had, is dat echter nog het
geval geworden; maar de ingenomenheid waarmede ik, zooals
ik er bijvoegde,] de bezorging van die uitgave had op mij
genomen, is er niet door verminderd. Integendeel; met klim-
mende belangstelling heb ik uitvoering gegeven aan mijn
opgevat voornemen om, hierin ter zijde gestaan door de be-
kwame hand van mijn zoon, thans predikant te Harlingen,
Saycé\'s „Patriarchal Palestine" te Meeden in een, naar ik
hoop, betamelijk nederlandsch gewaad. Hierdoor hoop ik mede
er iets toe bij te dragen, dat ook in ons vaderland meerdere
bekendheid gegeven worde aan de merkwaardige getuigenissen,
die, eeuwenlang bedolven in het stof der aarde, thans
— is
het niet providentieel?
— in deze kritieke tijden der kritiek
op verrassende wijze worden aan het licht en naar voren ge-
-ocr page 14-
X
bracht, om een woord te kunnen meespreken in „onzen strijd
voor den Dijbel"
]), met name voor de historische waarde en
betrouwbaarheid van het Oude Testament.
Want — ik herhaal hier een enkel woord van hetgeen ik
vroeger schreef in bovengenoemd opstel — : „Niemand zal,
denk ik, ontkennen, dat het nuttig en noodig is, dat de groote
Oud-testamentische kwestie, die ik samendrong in de vraag:
historie of roman ? en die overal de theologische en ook wel
de niet-theologische wereld in spanning houdt en voor een groot
deel onrustig maakt, van alle kanten bezien en nauivgezet
overwogen worde. Men mag het ontkennen zooveel men wil,
en het zich ontveinzen of niet, maar de kwestie betreft waar-
lijk niet enkel een en andere op zichzelf staande overlevering
uit den grijzen voortijd; neen, zij raakt directelijk de histo-
rische wortelen van het Christendom, d.i. van het Evangelie
van Jezus Christus en zijner apostelen. Ieder gevoelt, hoeveel
er bijvoorbeeld, om alleen dit ééne te noemen, staat en valt
met een figuur als Abraham, zooals hij optreedt ook in de
getuigenissen van Christus zelf." Ik voeg er nu bij: indien
bij wat men noemt de „litteraire" kritiek de logica niet zoek
ware op het oogenblik dat zij zich inbeeldt, tevens bekleed
te zijn met het gezag der „historische" kritiek, m.a.w. tevens
gerechtigd te zijn tot een uitspraak, die de Oud-testamentische
verhalen betreffende de aartsvaders — om nu van dezen alleen
te spreken
— verwijst naar het gebied der mythen en fabe-
len, dan mocht de gemeente des Nieuwen Verbonds haren
Bijbel oprollen, en beproeven, of zij een bodem kan vinden
voor hare voeten in de ijle sferen eener gevoelsmystiek, hoe
eerbiedwaardige vertegenwoordigers deze ook moge hebben aan
te wijzen.
Hoe het zij, dit staat vast voor ieder eerlijk gemoed: de
1) Ik denk hierbij aan het belangrijk, kortelings verschenen ge-
schrift: ïiOnze strijd voor den Bijbel", van Prof. M. Kahler, ver-
taald door H. Weiland, met eene Voorrede van Dr. J. H. Gunning,
Hoogleeraar te Leiden.
-ocr page 15-
XI
waarheid bovenal.\' ook al moest zij gekocht worden met opoffe-
ring van dierbure overtuigingen. En het is dus maar de
vraag, of onze oude Bijbel, ook voor dat deel hetwelk de
geschiedenis, het getuigenis, de persoonlijkheid van onzen
Christus, die de Waarheid zelve is, heeft sadmgeweven met
de Oud-testamentische verhalen betreffende de aartsvaders,
zich vermag te handhaven tegenover de ontkenningen eener
kritiek, die niet schroomt, zich te laten voortstuwen tot deze
uiterste grens: die aartsvaders hebben zelfs nooit bestaan!
Welnu, hier komen o.a. de aardhoogten van Chaldea met
hare eeuivenlang verloren, thans ontcijferde schatten uit de
dagen der aartsvaders zelf, en de eerst in 1887 ontdekte,
met spijkerschrift beschreven leemen boekenschatten van Tel
el-Amarna in Egypte hun sprake mengen in het twistgeding
der geleerden
— en, het is goed gezegd *): „de Assyriologie
en Egyptologie, die eerst minachtend wijs
V hoofd schudden
over zooveel in de Schrift en die in onze dagen dat hoofd
stilhouden en dieper buigen over de hieroglyphen [en, zhb voeg
ik er bij, over het spijkerschrift] waarvan reeds veel werd
ontcijferd" geven mede getuigenis aan de waarheid der Schrift.
Het staat nu wel boven allen twijfel vast, dat er reeds ten
tijde en zelfs reeds voor den tijd van Abraham een vrij
levendig verkeer bestond tusschen Palestina, Chaldea, en Egypte ;
en het ligt voor de hand, hoe reeds door dit ééne feit een
goed deel van de theorie en van de zoogenaamde resultaten
der negatieve kritiek wordt omvergestooten, maar ook hoe
daardoor een licht kan opgaan over menig geschiedverhaal
uit het O.T., en welke gevolgtrekkingen daaraan vastzitten.
Dit geschrift nu van prof. Sayce kan mede er toe dienen, op
het een en ander opmerkzaam te maken. Van bijna niemand,
ook zelfs onder de theologen, is het natuurlijk te vergen, dat
hij zich geheel inwerke in de Assyriologie en Egyptologie.
Maar wel is het voor ieder ontwikkeld bijbellezer en bijbel-
1) Zie het uitnemend geschrift van H. van Eyck van Heslinga :
De eenheid van het scheppingsverhaal (1896), blz. 67.
-ocr page 16-
XII
onderzoeker in dezen tijd nuttig en noodig, althans ah uil
de verte een blik te werpen op de uiterst belangrijke en menig-
maal verrassende documenten uit den grijzen voortijd, waar-
van ook hier het een en ander ons wordt medegedeeld, en
die, hou men overigens ook moge oordeelen over enkele bijzon-
derheden, in hun geheel genomen den onafwijsbaren indruk
geven: ook door deze getuigenissen wordt het bevestigd: het-
geen, beide door het Oude en door het Nieuwe Testament,
ons is overgeleverd van de eerwaardige patriarchen, is historie
en geen roman.
Bezen indruk bij menigeen te mogen versterken, zij mede
een door God gezegende vrucht van dit boek.
Utrecht Juli 1896.                 Dr. E. H. van Leeuwen.
-ocr page 17-
VOOREEDE VAN DEN SCHRIJVEE.
Vóór weinige jaren zou het in dit boek behandelde onder-
werp in enkele bladzijden kunnen zijn samengetrokken. Buiten
\'t geen wij konden machtig worden uit het Oude Testament,
wisten wij maar weinig van de geschiedenis en de aardrijks-
kundige gesteldheid van Kanaün vöör de verovering van dit
land door de Israëlieten. Thans echter is dat anders geworden
ten gevolge van de ontdekking en ontcijfering van de oude
gedenkteekenen van Baby Ion en Assyrië, van Egypte en Pales-
tina. Een stroom van licht is uitgestort over de aloude ge-
schiedenis van het land en zijne bewoners, en al zijn wij nog
maar aan het begin van onze ontdekkingen, wij kunnen toch
reeds de omtrekken der geschiedenis van Kanaün teekenen, en
ze zelfs reeds hier en daar invullen.
Over \'t geheel heb ik aangenomen, dat wij in de verhalen
van den Pentateuch geschiedenis hebben en geen verdichting.
De oudheidkundige kan inderdaad ook niet anders. Het onder-
zoek van de gedenkteekenen maakt het van dag tot dag duide-
lijker, dat het scepticisme der zoogenaamde „hoogere kritiek"
niet gerechtvaardigd wordt door de feiten. Zij, die de bewijzen
voor deze bewering mochten willen onderzoeken, zouden mijn
-ocr page 18-
XIV
boek over „The Higher Criticism and the verdict of the Monu-
ments" •) moeten ter hand nemen. Daar heb ik louter als oud-
heidkundige geschreven, en dus niet als godgeleerde die be-
hoort tot de een of andere school. Daarom moeten de lezers
van dat boek daarin enkel en alleen zien het onherleidbaar
minimum van vertrouwen in de historische geloofwaardigheid
van het Oude Testament, waarmede het oudheidkundig onder-
zoek, dat betrekking heeft op de landen van het Oosten die
hier in aanmerking komen, zich bij mogelijkheid kan tevreden
stellen. Maar het is duidelijk, dat dit onherleidbaar minimum
veel minder is dan hetgeen een onbevooroordeeld historicus
zal toelaten. De archaeologische feiten pleiten veel meer voor
de traditioneele, dan voor de zoogenaamd „kritische" be-
schouwing betreffende den ouderdom en het gezag van den
Pentateuch, en zijn van dien aard, dat zij eene bijdrage leve-
ren tot het goed recht der bewering, dat wij in dien Penta-
teuch niet alleen een historisch monument bezitten, welks
berichten betrouwbaar zijn, maar ook zulk een monument,
hetwelk in substantie een werk is van den grooten hebreeuw-
schen wetgever zelf.
Voor hen, die hechten aan hunne christelijke belijdenis, is
er behalve de archaeologische, nog eene andere zijde aan het
vraagstuk. De moderne „kritische" beschouwingen over den
Pentateuch zijn in heftige tegenspraak met de leer en het
geloof der Joodsche Kerk ten tijde van onzen Heer, en die
leer en dat geloof, eveneens door Christus en zijne apostelen
aangenomen, zijn een erfdeel geworden van de Christelijke
Kerk. Die leer en dat geloof ontmoeten wij gedurig in de
belijdenisschriften der Kerk; en indien wij er toe komen, ze
te verwerpen of te herzien, dan moeten wij tevens het histo-
risch Christendom verwerpen en herzien. Ik kan niet inzien,
hoe wij ons christenen kunnen noemen in den zin, die sedert
1800 jaren aan dezen naam gehecht is, en tegelijk de geloofs-
1) Van dit boek verscheen in \'t laatst van 1893 de eerste, en in
1894 reeds de vierde uitgave.
          Vert.
-ocr page 19-
XV
artikelen, die overal en ten allen tijde door het historisch
Christendom zijn gehandhaafd, naar onze individueele inzichten
kunnen verwerpen of veranderen. Voor hen, wier oog verder
reikt dan tot de omslagen van spraakkunsten en woordenboeken,
moet het groote feit van het historisch Christendom zwaarder
wegen dan al de bespiegelingen van dezen en genen geleerde,
hoe vernuftig die ook mogen zijn en hoeveel arbeid er ook
aan besteed zij. Wel verre dat de Kerk zou verplicht zijn,
hare leer in overeenstemming te brengen met de theoriën van
den een of ander, is veeleer het omgekeerde het geval.
Christus heeft beloofd, dat Gods Geest zijne apostelen zou
leiden in al de waarheid; en zij, die gelooven aan de waar-
heid dier belofte, kunnen niet tevens gelooven, dat „de Geest
der waarheid" te eeniger tijd een geest van begoocheling zou
geweest zijn.
De archaeologie van het Oosten staat in allen gevalle aan
de zijde van hen, die in de hebreeuwsche patriarchen wezen-
lijke menschen van vleesch en bloed zien, en die staande
houden, dat wij in de verhalen van den Pentateuch historische
gedenkschriften bezitten, vele waarvan opklimmen tot den tijd
der gebeurtenissen zelve, die zij mededeelen. Elke nieuwe ont-
dekking, die door de archaeologen gedaan wordt, levert een
nieuw getuigenis voor de waarheid der Oud-testamentische ge-
schiedverhalen. Toen het manuscript van dit werk reeds ge-
reed was voor de pers, zijn nog weer een tweetal dergelijke
ontdekkingen gedaan door Mr. Pinches, aan wien de archaeo-
logie van het Oosten en het Bijbel-onderzoek reeds zooveel
verplicht zijn; in dit boek heb ik maar even de aandacht er
op kunnen vestigen. Hij heeft een gebroken tafeltje met spij-
kerschrift gevonden, dat een heel verhaal geeft van de re-
geering van Khammurabi, een tijdgenoot van Kedor-Laomer
en Arioch, over de oorlogen die hij voerde, en over de wegen
waarlangs hij kwam tot de opperheerschappij in Babylonië,
terwijl hij de Elamieten daaruit verdreef, zijn mededinger
Arioch overwon, en Babel voor \'t eerst tot hoofdstad van een
vereenigd koninkrijk maakte. Ongelukkig is het tafeltje nog
-ocr page 20-
XVT
al beschadigd; maar wat er van over is wijst op Khammu-
rabi\'s veldtochten tegen Elam en Rabbatu — misschien een
stad van Palestina — op zijn onderwerping van Babel, en op
zijn voorspoedig gevoerden strijd tegen Eri-Aku of Arioch
van Larsa, Tudghulla of Tidal, den zoon van Gerza. .., en
Kudnr-Lagamar of Kedor-Laomer zelf. De hebreeuwsche tekst
van Genesis (XIV) is dus geverifieerd zelfs tot de spelling
der eigennamen toe. De andere ontdekking van Mr. Pinches
is nog belangrijker. De naam Abramu of Abram is reeds ge-
vonden in babylonische contracten uit den tijd van Khammu-
rabi; thans heeft Mr. Pinches daarin de specifiek hebreeuwsche
namen Ya\'qub-ilu of Jacob-el en Yasup-ilu of Joseph-el ge-
vonden. Het is van belang, er aan te herinneren, dat de
namen Jacob-el en Joseph-el reeds ontdekt waren onder de
plaatsen in Palestina, die door den egyptischen vorst Thothmes
III veroverd zijn, waaruit het besluit getrokken is, dat de volle
namen der hebreeuwsche patriarchen moeten geweest zijn Jacob-el
en Joseph-el. Jacob en Joseph zijn afkortingen, op dezelfde wijze
als Jephtha voorkomt nevens Jiphtha-el (Jos. XIX : 14), Je-
schurun nevens Israël, of het egyptische Yurahma nevens het
bijbelsche Jerahme-el]). Zooals later in dit boek (blz. 142,
143) vermeld is, heeft eene kortelings door prof. Flinders
Petrie gedane ontdekking het bewijs geleverd, dat de naam
Jacob-el voorkwam niet alleen in Babylonië, maar ook in het
Westen. Er bestaan kevervormige amuletten, die hij toekent
aan de periode toen Egypte bestuurd werd door overweldigers
uit Azië, en waarop de naam geschreven staat van een Pharao-
Ya\'aqub-hal of Jacob-el.
Behalve de namen van Jacob-el en Joseph-el heeft Mr.
Pinches nog andere kennelijk hebreeuwsche namen ontmoet,
zooals Abdiël, in acten, opgesteld in den tijd der dynastie,
waartoe Khammurabi behoorde. Daar waren dus Hebreërs,
althans was er eene Hebreeuwsch sprekende bevolking in Baby-
1) In bovengenoemd werk: «the higher criticism" etc. ia uitvoeriger
over dit alles gehandeld (blz. 338, verv.)
                                 Vert.
-ocr page 21-
XVII
lonië woonachtig tijdens de periode, waarin, volgens het Oude
Testament, Abraham geleefd heeft. Doch dit is nog niet alles.
Zooals ik vijf jaren geleden heb aangetoond, is de naam van
Khammurabi zelf, evenals dat het geval is met de namen van
de andere leden der dynastie waartoe hij behoorde, niet Baby-
Ionisch, maar Zuid-Arabisch. De woorden, waaruit die namen
zijn samengesteld, en de namen der godheden die zij bevatten,
behooren niet tot de assyrische en babylonische taal, en er
bestaat een tafeltje in spijkerschrift, waarop zij voorkomen
met hun assyrische vertaling. De dynastie moet nauwe betrek-
kingen gehad hebben met Zuid-Arabië. Dit is echter niet het
belangrijkste deel der zaak. De namen zijn niet alleen Zuid-
Arabisch, maar ook evengoed Hebreeuwsch. Die van Kham-
murabi bijvoorbeeld bevat den naam van den god \'Am, die
\'Ammi geschreven wordt in den naam van zijn nakomeling
Ammirzaduqa; en \'Am of \'Ammi kenmerkt niet alleen Zuid-
Arabië, maar evenzeer de Hebreeuwsch sprekende landen. Wij
behoeven slechts namen als Ammi-nadab of Ben-Ammi te noe-
men, om dat toe te lichten, üok zaduqa of zadoq is zoowel
Hebreeuwsch als Zuid-Arabisch; maar in de assyrische taal
van Babylonië was dit woord niet bekend.
Derhalve toen Abraham geboren was in Ur in Chaldea,
regeerde daar een dynastie, die niet van babylonischen oor-
sprong was, maar die behoorde tot een ras, dat tegelijk he-
breeuwsch en zuid-arabisch was. De contract-tafeltjes bewijzen,
dat juist eene dergelijke bevolking onder hen in het land
woonde. Zouden de opgaven, die wij aantreffen in het 16d(:
Hoofdstuk van Genesis, op merkwaardiger wijze kunnen be-
vestigd worden? Daar toch lezen wij, dat aan „Heber twee
zonen geboren werden: de naam des eenen was Peleg", van
wien de Hebreërs afstammen, terwijl de naam des anderen
was Joktan, een der voorvaderen van de stammen van Zuid-
Arabie. De overeenstemming tusschen het bijbelsch verhaal
en de jongste ontdekking der archaeologische wetenschap is
dus volkomen, en maakt het onmogelijk te gelooven, dat het
bijbelsch verhaal in Palestina zou zijn samengesteld in den
-ocr page 22-
xvin
laten tijd, dien onze moderne critici daaraan willen toekennen.
Elke herinnering aan de feiten, die erin belichaamd zijn, ware
dan al lang vergaan.
Juist terwijl ik schrijf annonceert prof. Hommel nieuwe
ontdekkingen, die betrekking hebben op de aloude geschiede-
nis van Genesis. Spijkerschrift-tafeltjes zijn opgegraven, waar-
uit blijkt, dat eeuwen vöör den leeftijd van Abraham een
koning van Ur, genaamd Ine-Sin, niet alleen Elam verwoest,
maar ook Simurra, het Zemar van Gen. X : 18, in het land
van Phoenicië, veroverd had. Eene dochter van dien koning
of van een zijner naaste opvolgers was hoogepriesteres èn van
Elam èn van Markhas of Mer\'ash in Noord-Syrië, terwijl
Kimas of Noord-Arabië door de babylonische legers over-
stroomd werd. Zoo vermenigvuldigen zich de bewijzen van de
nauwe betrekkingen, die er bestonden tusschen Babylonië en
Westelijk-Azië al lang vöör den tijd der aartsvaders, en wij
behoeven er dus niet langer iets vreemds in te vinden, dat
Abraham met zijn verhuizen naar Kanaan zoo weinig moei-
lijkheden ondervond, of dat hij daar dezelfde maatschappelijke
toestanden en beschaving aantrof als die hij in Ur had achter-
gelaten. De taal en het schrift van Babylonië moeten bijna
evengoed aan den welopgevoeden Kanaaniet als aan hem
zijn bekend geweest, en de herinneringen aan den patriarcha-
len tijd zullen in de boekerijen van Kanaan zijn bewaard ge-
bleven na den tijd der verovering van dit land door de Isra-
ëlieten.
Een enkel woord nog ter verklaring van de herhalingen,
die men in de volgende bladzijden hier en daar zal aantreffen.
Zij zijn noodig geworden door den vorm waarin ik dit boek
heb moeten samenstellen. Eene doorloopende geschiedenis van
„Palestina het land der Aartsvaders" kan vooralsnog niet
geschreven worden, en het is de vraag of dat ooit het geval
zal zijn; dientenvolge heb ik dit onderwerp in eenige afzon-
derlijke Hoofdstukken moeten behandelen, en, om niet te kort
te doen aan de duidelijkheid, soms in herhaling moeten ver-
vallen.
-ocr page 23-
XIX
Ten slotte moet worden opgemerkt, dat de naam van het
volk, dat met de Philistijnen verbonden was in hun oorlogen
tegen Egypte en in de overmeestering van Palestina, veran-
derd is van Zakkur in Zakkal. Dit is geschied tengevolge van
eene scherpzinnige opmerking van prof. Hommel. Hij heeft
namelijk aangetoond, dat dit volk in een babylonischen tekst
uit de kassietische periode vermeld wordt onder den naam
Zaqqalu, zooals de hieroglyphe, welke dit woord bevat, moet
gelezen worden. (Zie de „Proceedings of the Society of Bibli-
cal Archaeology" van Mei 1895).
-ocr page 24-
/ ■
HOOFDSTUK I.
De gesteldheid van het land.
Palestina het land der Aartsvaders! — Daar zijn er die ons
willen wijsmaken, dat reeds deze benaming verkeerd is. Hebben
niet de duitsche critici en hunne engelsche leerlingen ons ver-
zekerd, dat er geen aartsvaders bestaan hebben en dat er dus
ook geen tijdperk der aartsvaders geweest is? En toch, wat
ook de critici mogen zeggen, er is werkelijk een tijdperk der
aartsvaders geweest. Terwijl de kritiek door haren arbeid het
vertrouwen in de geloofwaardigheid der schriftelijke gedenk-
stukken van den Pentateuch niet weinig ondermijnd heeft, is
de archseologie eveneens aan het werk geweest om, geholpen
door de spade der werklieden, die den grond voor haar om-
woelden, en door het geduld der geleerden, die er in slaagden
het gevondene te ontcijferen, de bouwstoffen te verzamelen tot
herstelling van het geschokt vertrouwen. En de oude gedenk-
teekenen zijn toch steviger bewijsgrond dan de hedendaagsche
gissingen en vooronderstellingen, waarop men zijne theoriën
bouwt. De leemen tafeltjes en de steenen met inscripties zijn
betere getuigen voor de waarheid, dan taalgeleerdheid of kritisch
scepticisme. De criticus moge beproefd hebben aan te toonen
dat Mozes en zijne tijdgenooten niet lezen of schrijven konden,
toch weten we nu, dank zij de archeeologische ontdekkingen,
dat er een wonder zou moeten gebeurd zijn indien de kritiek
1
-ocr page 25-
2
<
gelijk had. De Pentateuch is ten slotte dat, waarvoor hij zich
uitgeeft; en wat hij mededeelt is geschiedenis en geen ver-
dichting ]).
Met theologische beschouwingen houden wij ons nu niet op.
Het Palestina der aartsvaders is voor ons het Palestina van het
aartsvaderlijk tijdperk, zooals de archeologische nasporingen het
ons hebben leeren kennen; dat het ook het land is van de
openbaring Gods aan de menschen, dit blijft voor ons nu buiten
beschouwing. Voor ons doel is het genoeg, te doen zien dat de
nieuwe ontdekkingen het bewijs geleverd hebben, dat er werke-
lijk een aartsvaderlijk tijdperk geweest is, en dat wij in de
verhalen van het boek Genesis geloofwaardige getuigenissen
van het verleden bezitten. Er was inderdaad een Palestina
der aartsvaders, en veel van hetgeen slechts even is aange-
duid in het Oude Testament, is opgehelderd en aangevuld door
de oude gedenkteekenen der Oostersche wereld.
Of het strikt nauwkeurig is, den naam Palestina voor dat
land te bezigen reeds voor dat vroege tijdperk, is een vraag
die verschillend kan beantwoord worden. Palestina is Philistea,
het land der Philistijnen, en de naam Palestina is eerst inge-
voerd na de vestiging der Philistijnen in Eanaan en den tijd
hunner overwinningen over Israël. Zooals wij later zullen zien,
is het waarschijnlijk dat zij de kust van Eanaan niet bereikten,
vóórdat de aartsvaderlijke tijd bijna, zoo niet geheel voorbij
was. Hun naam komt niet voor in de bescheiden met spijker-
schrift, waardoor de gemeenschap werd onderhouden tusschen
Eanaan en Egypte in de eeuw vóór den Uittocht; en het eerst
wordt iets van hen vernomen als een deel van dat groote ver-
bond van noordelijke stammen, die Egypte en Eanaan aanvielen
in de dagen van Mozes. Maar al zou de naam Eanaan zonder
twijfel nauwkeuriger zijn dan Palestina, deze laatste heeft nu
eenmaal eene zoo zuiver geografische beteekenis gekregen, dat
1) Ik heb de vrijheid genomen, hier een goede halve bladzijde van
het oorspronkelijke te doen wegvallen als zijnde slechts een herhaling
van hetgeen reeds in de voorrede gezegd is.
                           Vert.
-ocr page 26-
3
wig hem gebruiken kunnen afgezien van den tijd van zijn ont-
staan. Iedereen weet te goed, welk land er mede bedoeld is,
dan dat hij aanleiding zou kunnen geven tot misverstand; en
daarom kan hij, de geschiedenis vooruitloopend, bij voorbaat
gebruikt worden, evenals dat ook het geval is met den naam
der Philistijnen zelf, (in het een en twintigste hoofdstuk van
Genesis). Abimelech was koning van een volk, dat hetzelfde
gedeelte van het land bewoonde als de Philistijnen in later tijd,
en dat volk kan dus beschouwd worden als hunne vroegere
vertegenwoordigers.
De benaming Palestina bezigen wij derhalve enkel in geogra-
phischen zin, en geenszins met het oog op haar historischen
oorsprong. Er is meê bedoeld het land, dat in het Oude Testa-
ment bekend is als Kanaan, dat aan Abraham beloofd was en
door zijne nakomelingen veroverd werd; het land waar David
regeerde en Christus werd geboren; waar de profeten den weg
bereidden voor het Evangelie, en waar de christelijke kerk ge-
sticht werd.
Het is een smalle strook land, grootendeels bergachtig, woest
en dor. In het oosten en westen is het ingesloten door de
woestijn van Arabië en de Middellandsche Zee. Aan de noord-
zijde wordt het door den Libanon en den Anti-Libanon ge-
scheiden van Syrië. Van deze bergen bereikt de eerste zijn
hoogste punt in de trotsche toppen en diepe kloven van het
gebergte Hermon (9383 voet boven den spiegel der zee), ter-
wijl de Libanon zuidwaarts loopt, totdat hij, in zee vooruit-
springend, eindigt in het gewijde voorgebergte Karmel. De
vruchtbare vlakte van Esdrelon of Meggido ) scheidt de ber-
gen van het noorden van die van het zuiden. Deze laatsten
vormen een afgebroken hoogvlakte tusschen de Jordaan en de
Doode Zee aan de eene zijde, en de vlakte van Saron en de
zeekust van het land der Philistijnen aan de andere, totdat
1) «Het dal Megiddo" (2 Chron. XXXV: 22) en »de vlakte Jizreëls"
(Rioht. VI: 33) zijn \'t zelfde als »de vlakte van Esdrelon" (Judith
1:8).
                                                                                Vert.
-ocr page 27-
4
zij ten slotte uitloopen in de dorre woestijn van het zuiden.
Hier, aan den rand der wildernis, was Berseba de zuidelijke grens
van het land in de dagen der monarchie; terwijl Dan, de
noordelijke grens, ver weg in het noorden lag aan den voet
van den Hermon, en niet ver van de bronnen der Jordaan.
Graniet en gneis \'), bedekt met harden, donkeren zandsteen
en massa\'s kalksteen, vormen als het ware het geraamte der
landstreek. Hier en daar, op den Karmel en den Gerizim, komen
lagen van het tertiaire nummuliets) van Egypte te voorschijn,
en in de vlakten van Megiddo en van de kust, zoowel als in
de „G-hor" of vallei der Jordaan, bevindt zich rijke alluvi-
ale grond. Maar overal elders is de bodem geheel of bijna
geheel ongeschikt om iets voort te brengen; dat is dan alleen
mogelijk, wanneer terrassen worden aangelegd aan de hellingen
der bergen, waarvoor de grond moet worden aangebracht uit
de vlakten beneden, wat natuurlijk veel tijd kost en een zwaar
werk is. Menigmaal is beweerd dat Palestina in oude tijden
over grooter uitgestrektheid bebouwd was dan nu. Maar indien
dat zoo is, dan was het alleen omdat een grooter oppervlakte
van den bebouwbaren grond bewerkt werd. De vlakten van
de kust, die nu ten prooi zijn aan malaria en roofzieke Be-
douïnen, waren ongetwijfeld dicht bevolkt en goed bezaaid.
Maar het is niet mogelijk, dat de grond vroeger voor een
grooter deel dan tegenwoordig werkelijk ter bebouwing ge-
schikt is geweest.
Het was ook volstrekt geen boschrijk land. Het is waar,
op de hellingen van den Libanon en den Karmel waren ceder-
bosschen, en daarvan zijn er nog enkele over. De assyrische
1)  Gneis is een rotssoort, veelszins overeenkomende met graniet.
Zeer dikwijls komen beide met elkander voor, en gaan zelfs weder-
keerig in elkander over.
                                                          Vert.
2)  Nummuliet. Zoo noemt men een soort van versteende dieren, die
zeer menigvuldig voorkomen in de krijt- en tertiaire formatien. In
vroeger tijden hield men ze voor versteende munten; vandaar de
benaming. De pyramiden van Egypte zijn grootendeels uit de gesteen-
ten der nummulieten bevattende formatie opgetrokken.
           Vert.
-ocr page 28-
5
koningen spreken er meer dan eens van, dat zij van die boomen
omhakten of gebruikten voor hunne gebouwen te Nineve. Maar
ten zuiden van den Libanon waren bosschen schaarsch. De
terebinth \') was zulk een ongewone verschijning, dat hij een
voorwerp van vereering of een soort van wegwijzer werd. De
palm groeide alleen aan de zeekust of in de vallei der
Jordaan, en de tamarisk en de wilde vijgeboom waren over
het geheel niet veel meer dan heesters.
Toch was Kanaan, toen de Israëlieten er voor \'t eerst bin-
nenkwamen, in waarheid een land „overvloeiende van melk
en honig." Geiten waren er in overvloed op de heuvels, en
de bijen van Palestina, ofschoon wild van aard, zijn nog be-
roemd om de groote hoeveelheid honig die zij kunnen maken.
De Ferezieten of „fellahs" bebouwden met ijver de velden, en
met hooge muren omgeven steden lagen op de bergen zoowel
als in de vlakten.
De hooglanden evenwel hadden gebrek aan water. Enkele
stroomen vallen in zee ten zuiden van den Karmel; maar
behalve in de lente, als zij door den regen gezwollen zijn, is
er slechts weinig water in. De Kison, die de vlakte van Me-
giddo besproeit, is een rivier van eenig belang; maar ook deze
is weinig meer dan een bergstroom. Inderdaad is de Jordaan
de eenige rivier in den waren zin van het woord, welke
Palestina bezit. Ontspringende in het noorden uit de wateren
van Merom, nu het meer Hüleh geheeten, stroomt zij eerst
in de Zee van Tiberias, en dan door een lange, diepe vallei
in de Doode Zee, waarin zij op een diepte van 1293 voet be-
neden den spiegel der zee zich oplost. De Doode Zee heeft
geen uitweg, en kan haar stilstaande wateren niet anders kwijt
raken dan door verdamping. Dientengevolge is haar water nog
des te zouter geworden, en zijn hare oevers voor het grootste
gedeelte een beeld des doods.
In de vallei der Jordaan daarentegen is de plantengroei
1) Terebinth, in onze Staten-vertaling »eik" of «eikenboom". Vert.
-ocr page 29-
6
even weelderig en tropisch als in de wouden van Brazilië.
Door een dicht gewas van riet en struiken baant de rivier
zich een weg, snel vooruitschietend naar de laatste draaikolk,
waar zij teniet gaat met een verval van 670 voet, gerekend
van het punt waar zij de Zee van Tiberias verliet. Maar de
aldus door de rivier doorloopen afstand is groot in vergelijking
met haar vroeger verval van 625 voet tusschen het meer
Huleh en het meer van Galilea. Hier heeft zij zich een weg
gebaand door een diepen trechter, waarvan de klippen aan
weerszijden bijna loodrecht omhoog rijzen.
De Jordaan ontleent haren naam aan haar snel verval. Het
woord komt van een wortel, die „afdalen" beteekent, en de
naam zelf wil zeggen: „de naar beneden stroomende." Wij
ontmoeten dien naam reeds op de Egyptische monumenten
van de negentiende en twintigste dynastie. Eamses II, de Pharao
der verdrukking, heeft hem geschreven op de muren van Kar-
nak, en Eamses III, die geregeerd moet hebben terwijl de
Israëlieten nog in de woestijn waren, vermeldt de „Yordan\'\'
te Medinet Habu onder zijne veroveringen in Palestina. Beide
keeren wordt hij genoemd in verband met „het meer van
Rethpana\'\', dat bijgevolg de egyptische naam moet zijn voor
de Doode Zee. Rethpana komt wellicht overeen met een he-
breeuwsch woord Reshphön, eene afleiding van Resheph, den
god van \'t vuur. In de dichterlijke taal van het Oosten heeten
de „spranken der vurige kolen" de „zonen" van dezen
(Job V: 7)l), en het is dus zeer wel mogelijk, dat wij in dien
ouden naam van de Doode Zee eene herinnering hebben aan
de wijze, waarop de steden van de Jordaan vlakte zijn ten onder-
gegaan.
Ten oosten van de Doode Zee en de Jordaan is de land-
1) Want lettel-lijk staat er t. a. p. «de zonen van Resheph", »de zonen
der vlam" vliegen omhoog. De Statenvert. teekent er bij aan: »Zoo
wordt bij de Hebreen een pijl genoemd: de zoon des boogs (Job
41 :19) en: de zoon des pijlkokers (Klaagl. 3 :13); de tarwe: een zoon
des dorschvloers (Jes. 21 :10)"
                                            Vert.
-ocr page 30-
7
streek weder bergachtig en dor. Hier was net grondgebied van
Euben en Gad en van den halven stam van Manasse; hier ook
lagen de koninkrijken van Moab en Ammon, van Bazan en
dat der Amorieten. Hier ook lag het land van Gilead, ten
zuiden van de Zee van Tiberias en ten noorden van de
Doode Zee.
Den naam Muab of Moab kunnen wij lezen op het voetstuk
van het tweede der zes kolossale beelden, die Bamses H op-
richtte tegenover de noordelijke pylon l) van den tempel van
Luxor. Hij komt daar voor onder de opsomming van zijne
veroveringen. Het standbeeld is het eenige egyptische gedenk-
teeken, waarop de naam tot nogtoe is gevonden. Maar alleen
reeds de vermelding er van is voldoende, om zijne oudheid te
waarborgen, en te bewijzen, dat hij in de dagen vóór den
Uittocht reeds goed bekend was in Egypte.
Ten noorden van Moab kwam het koninkrijk Ammon, of
der kinderen van Ammi. De naam Ammon was eene afleiding
van dien van den god Ammi of Ammo, dien men schijnt be-
schouwd te hebben als den stamvader des volks; „de vader
der kinderen Ammons" heette diensvolgens Ben-Ammi, „de
zoon van Ammi" (Gen. XIX : 38). Ver in het noorden, dicht
bij de samenvloeiing van de Euphraat en de Sajur, en
slechts weinige mijlen ten zuiden van de Hettitische vesting
Karchemis, schijnt de dienst van denzelfden god bekend te zijn
geweest aan de Arameesche stammen.
Hier lag, volgens de Assyrische inscripties, Pethor, en van
Pethor kwam de profeet Bileam naar Moab om de kinderen
Israëls te vloeken. Pethor, zoo vernemen wij (Num. XXII: 5),
lag „aan de rivier [d. i. de Euphraat] in het land der kinderen
van Ammo", zooals er eigenlijk staat. Te vertalen: „in het
land der kinderen zijns volks", zooals ook onze Staten-Ver-
taling doet, geeft geen zin. Op de Assyrische monumenten
1) Pylonen zijn de grootsohe, op torens gelijkende gebouwen, die
den ingang vormden tot de Egyptische tempels.
                     Vert.
-ocr page 31-
8
wordt van Ammon soms gesproken als Beth-Ammon, „het huis
van Ammon", als ware Ammon een persoon geweest.
Evenals Moab was Ammon een landstreek met kalksteenge-
bergten en naakte rotsen. Doch er waren vruchtbare velden
aan de oevers van de Jabbok, die niet ver van de hoofdstad
Eahbath haar oorsprong nam.
Ten noorden van Gilead en de Yarmuk lag de vulkanische
hoogvlakte van Bazan, Ziri-Basana of „de vlakte van Bazan\'\',
zooals zij genoemd wordt op de tafeltjes in spijkerschrift van
Tel el-Amarna. Haar westelijke helling naar het meer Merom
en de Zee van Tiberias was bekend als Grolan (nu Jolan); het
oostelijk plateau van metaalhoudend lava was Argob, „het
steenachtige\'\' (nu El Lejja). Bazan was ingesloten door den
Hauran, welks naam wij het eerst aantreffen op de monumen-
ten van den Assyrischen koning Assur-bani-pal. Aan de noord-
zijde grensde het aan Ituraea, zoo genoemd naar Jetur, den
zoon van Ismaël (Gen. XXV: 15). De weg door Ituraea (het
tegenwoordige Jedur) liep naar Damascus en zijne waterrijke
vlakte.
De tuinen van Damascus liggen 2260 voet boven de zee.
Des zomers wordt de lucht afgekoeld door de bergwinden; in
den winter ligt er somwijlen sneeuw op het land. Westwaarts
is de gezichtseinder begrensd door de witte bergtoppen van
den Libanon en den Hermon. Oostwaarts weidt het oog over
eene groene vlakte, bedekt met de hoogten van oude steden en
dorpen, en doorsneden door de heldere en snelle stroomen
Abana en Pharphar. Maar de .\\bana is nu de Barada gewor-
den, of „de koude\'\', terwijl de Pharphar nu de Nahr-el-
Awaj heet
Het tegenwoordige Damascus staat op dezelfde plek als de
stad, uit welke Paulus ontvluchtte, en „de straat, genaamd de
Rechte\'\' is nög te herkennen aan haar rij van romeinsche
zuilen. Maar het is niet zeker, of het Damascus van het Nieuwe
Testament en het tegenwoordige hetzelfde is als het Damas-
cus van het Oude Testament. Waar de muren der stad zijn
blootgelegd voor het oog, zien wij dat hunne grieksche funda-
-ocr page 32-
9
menten op te voren niet bebouwden bodem rusten; geen over-
blijfsels uit een vroeger tijdperk liggen er onder. Daarom kan
het wel zijn, dat het Damascus van Ben-Hadad en Hazaël
eerder wordt aangewezen door een van de aardverhoogingen
in de vlakte, dan door de tegenwoordige stad. In een van
deze hoogten werd voor enkele jaren het steenen standbeeld
van een man ontdekt, in assyrischen stijl vervaardigd.
Een oude weg leidt van de perzik-boomgaarden van Damas-
cus langs de oevers der Abana en over den Anti-Libanon
naar de ruïnen van den tempel van den zonnegod te Baalbek.
De tempel dagteekent xiit den tijd der Antonijnen; l) maar hij
was gebouwd ter uitoefening van denzelfden eeredienst als van
den tempel te Heliopolis, de stad van den zonnegod; en die
tempel dagteekent uit onheuglijk oude tijden. Overblijfsels van
een ouder tijdperk zijn nog zichtbaar in de reusachtige steen-
klompen, die dienst doen als fundamenten van den westelijken
muur. Hunne bewerking doet ons denken aan Phoenicische
bouwmeesters.
Baalbek was de heilige stad van de Beka, d. w. z. „de kloof\',
tusschen den Libanon en Anti-Libanon, waar doorheen de rivier
de Litany zich een weg baant naar zee. Éénmaal wordt hij
genoemd in het Oude Testament. Amos (1: 5) zegt, dat de
Heer „den grendel van Damascus zal verbreken, en zal uit-
roeien den inwoner uit Bikath-Aven" of Bikath-On, d. i. het
Beka van On. De naam On herinnert ons, dat Heliopolis in
Egypte, de stad van den egyptischen zonnegod, ook On werd
genoemd; en hierbij ontstaat de vraag of de naam en de eere-
dienst van den syrischen On niet ontleend waren aan die van
den egyptischen. Gedurende bijna twee eeuwen toch was Syrië
een egyptische provincie, en de priesters van On in Egypte
kunnen zich wel gevestigd hebben in de „kloof der vallei
van Coelo-Syrië.
1) Zoo worden de romeinsohe keizers Antoninua Pius en Marous
Aurelius genoemd. De eerste regeerde van 138 tot 161, de tweede
van 161 tot 180 na Chr.
                                                           Vert.
-ocr page 33-
10
Van Baalbek, de stad van „Baal van de Beka", neemt de
reiziger zijn weg over den Libanon en door de sneeuw van
Jebel Sannln — bijna 9000 voet hoog — naar de oude Phoe-
nicische stad Beyrout. Van Beyrout wordt reeds melding ge-
maakt op de tafeltjes met spijkerschrift van Tel el-Amarna,
onder den naam van Beruta of Beruna, „de waterputten". Het
was reeds een zeehaven van Phoenicië, en eene pleisterplaats
op den hoogen weg, die langs de kust liep.
Het kustland was den Grieken en Romeinen bekend als
Phoenicië, „het land van den palmboom." Maar zijn eigen be-
woners noemden het Kanaan, „de laaglanden". Het omvatte
niet alleen de strook bebouwde kustlanden, maar ook de weste-
lijke hellingen van den Libanon. Phoenicische koloniën en
buitenposten zijn gevestigd geweest meer in het binnenland,
ver van de kust, zooals te Lais\'), het latere Dan, waar „het
volk onbezorgd woonde" -), ofschoon „zij ver weg waren van
de Sidoniërs"; of te Zemar (het latere Sumra) en Arka (dat
nog denzelfden naam draagt). Het grondgebied der Phoeniciërs
strekte zich zuidwaarts uit tot Dor (nu Tantürah), waar het
\'t grensland der Philistijnen raakte.
Dat was Palestina, het beloofde land voor Israël. Het was
een land van woeste en schilderachtige bergen, waartusschen
hier en daar eenige strooken vruchtbare grond tusschen de
zee en de bergkloof, waar de Jordaan doorheen stroomt, en
uitloopende in de waterlooze woestijn van het zuiden. Het was
bovendien een land van niet grooten omvang; niet veel meer
dan honderdzestig mijlen lang en zestig mijlen breed. En dit
grondgebied in zijn geheel was alleen gedurende de regeering
van David en Salomo in het bezit der Israëlieten. De zeekust
met hare havens was in handen der Phoeniciërs en Philistijnen;
en ofschoon de Philistijnen een enkelen keer, tegen wil en
dank, de oppermacht erkenden van den joodschen koning, hand-
1)  (Richt XVIII: 29).
2)   Bedoeld is Rioht. XVIII: 7, waar de Staten-Vertaling heeft
«het volk,........zijnde gelegen in zekerheid."
                   Vert.
-ocr page 34-
11
haafden de Phoeniciërs hunne onafhankelijkheid; en zelfs Sa-
lomo moest havenplaatsen vinden voor zijne kooplieden, niet
aan de kast van zijn eigen koninkrijk, zooals het oorspronke-
lijk was, maar in de verafgelegen edomitische zeehavens Eloth
en Ezeon-Geber, aan de golf van Agabah. Toen Juda Edom
verloor, hield zijn buitenlandsche handel op te bestaan.
De Negeb, of -woestijn van het zuiden, was toen, wat het
nóg is, de schuilplaats van roovers en vrijbuiters. De Be-
douïnen van tegenwoordig zijn de Amalekieten der Oudtesta-
mentische geschiedenis. Toen, evenals nu, maakten zij de
zuidelijke grens van Juda onveilig, de velden der landlieden
verwoestende en plunderende, en als bondgenooten zich aan-
sluitende bij iederen vijand, die van het zuiden een inval deed
in het land. Saul heeft hen terdege getuchtigd, zooals de
Romeinen en de Turken het later gedaan hebben; maar zij
namen de les slechts voor korten tijd ter harte; want nauwe-
lijks had de sterke hand, waarvoor ze ontzag hadden, zich
weder teruggetrokken, of „de kinderen der woestijn" keerden
als sprinkhanen terug tot hun prooi.
Het is zoo: de Bedouïnen zwerven nu om in de leemachtige
vlakten, en kampeeren tusschen de moerassen van het meer
Hüleh, waar in gelukkiger tijden hunne tegenwoordigheid on-
bekend was. Maar dat is het gevolg van een zwak en bedorven
bestuur, alsmede van de ontvolking der laaglanden. Ook in
het Oude Testament zijn er sporen van, dat de Amalekieten
in tijden van regeeringloosheid en verwarring ver in het land
doordrongen. In het lied van Debora en Barak wordt van
Ephraïm gezegd, dat Amalek tegen hen gestreden heeft; en in
overeenstemming daarmede wordt „Pirhathon in het land van
Ephraïm" beschreven als liggende „op den berg van den Ama-
lekiet" (Richt. XII: 15). Evenzoo is er ook op spijkerschrift-
tafeltjes van Telel-Amarna dikwijls sprake van de „Plunde-
raars", waarmede de Bedouïnen, de Shasu van de egyptische
teksten, moeten bedoeld zijn, en die over het geheel altoos
klaar schijnen geweest te zijn om een oproerigen vazal te hel-
pen, of deel te nemen aan binnenlandsche onlusten.
-ocr page 35-
12
De Libanon, de „witte" berg, had zijn naam van zijn glinsterende
kalksteenrotsen. In de vóór-israëlitische dagen van Kanaan geloofde
men, dat het de woonplaats der goden was, en er bestaan phoe-
nicische inscripties, gewijd aan Baal-Libanon, den „Baal van
den Libanon" \'). Hij was een bijzondere vorm van den zonne-
god, die zijn zetel had op de bergketenen, die aan de oostzijde
Phoenieië insluiten, en wiens geest verondersteld werd, op een
of andere geheimzinnige wijze in de bergen zelve te wonen.
Doch er waren bepaalde toppen, die zich boven al de andere
ten hemel verhieven, en waar dientengevolge de heiligheid van
den geheelen bergketen als in één middelpunt was samenge-
trokken. Wie aanbidden wilde, gevoelde zich in \'t bijzonder
op die hoogten dicht bij den Grod des hemels; en daar werd
om die reden het altaar gebouwd en het offer gebracht. Eén
dezer toppen was de Hermon, „de gewijde", welks naam de
Grieken veranderden in Harmonia, den naam der vrouw van
Agenor den Phoeniciër. Staande op den top van den Hermon
kan men Palestina als het ware voor zich uitgespreid zien
liggen, zooals het zuidwaarts zich uitstrekt naar de bergen
van Juda. De muren van den tempel, die in den griekschen
tijd gebouwd werd, waar oorspronkelijk niets dan een altaar
stond, kunnen daar nog nagespeurd worden; en tegen de hel-
lingen van den berg, of boven zijn gapende kloven, zijn de
bouwvallen te zien van andere tempels van Baal — te Dêr el-
\'Ashair, te Raklek, te Ain Hersha, te Rashêyat-el-Fukhar —
alle wijzende naar het centraal-heiligdom op den top van
den berg.
De naam Hermon, „de gewijde", was slechts een bijnaam,
en de berg had andere en meer bepaalde eigennamen. De
Sidoniërs noemden hem Sirjon (Deut. III: 9), en elders nog
weer heet hij Sion (Deut. IV: 48), indien dat tenminste geene
bedorven lezing is voor Sirjon. Zijn amoritische naam was
Senir (Deut. III: 9), die als Saniru voorkomt op eene assyrische
1) Vergel. hierbij Richt III: 3.         Vert.
-ocr page 36-
13
inscriptie, en teruggaat tot de vroegste schemering der ge-
schiedenis. Toen de Babyloniërs voor \'t eerst hunne tochten
tegen het Westen begonnen, lang vóór de geboorte van Abra-
ham, was de naam Sanir reeds bekend. Toen werd hij gebruikt
ter aanduiding van geheel Syrië, zoodat de beperking ervan
tot den berg Hermon alleen, van later moet dagteekenen.
Een andere heilige bergtop was de Karmel, „het vruchtbare
veld," of misschien oorspronkelijk „het grondgebied van den
god." De berg Karmel is het eindpunt van den noordelijken
bergketen, en het altaar op zijn top kon reeds van verre door
phoenicische zeevaarders gezien worden. Hier riepen de priesters
van Baal te vergeefs tot hunnen god om regen, en hier was
het altaar des Heeren, dat Elia bouwde.
De bergen van het zuiden hebben geen in het oog springenden
bergtop of een voorgebergte, zooals de Hermon en de Karmel.
Ook de Thabor behoort tot het noordelijk gebergte. Ebal en
Grerizim alleen, boven Sichem, steken uit boven de anderen,
en werden van de vroegste tijden af als verblijfplaatsen der
godheid vereerd. De tempelberg te Jeruzalem had zijn heilig-
heid niet zoozeer aan zijn eigen gesteldheid te danken, als wel
aan de stad, binnen welker gebied hij gelegen was. In werke-
lijkheid stak de naburige hoogte van Zion boven hem uit. De
bergen van het zuiden waren meer hoogvlakten, dan verheven
bergketens en op zichzelf staande hoogten.
Maar juist te dezer oorzake hebben zij een belangrijke rol
gespeeld in de geschiedenis der wereld. Zij waren niet te hoog
om bewoonbaar te zijn, maar ook hoog genoeg om hunne
bewoners tot beschutting te dienen tegen vijandelij ken overval
en in tijden van oorlog. Het gebergte van Efraïm, het stuk
bergachtig land, waarvan Sichem en Samaria het middelpunt
vormden en aan welks zuidelijk eindpunt de heilige stad Silo
lag, vormde de natuurlijke kern van een koninkrijk, evenals
bet zuidelijk stuk, waarvan Hebron en Jeruzalem op dezelfde
wijze de hoofdsteden waren. Hier waren valleien en hooger
gelegen landen, waar voedsel verbouwd kon worden, voldoende
voor de behoeften der bevolking, terwijl de steden met hare
-ocr page 37-
14
dikke en hooge muren moeilijk te naderen en nog moeilijker
te veroveren vestingen waren. Het klimaat was gelijkmatig,
ofschoon de winters koud waren; en het kweekte een ras van
geharde krijgslieden en nijvere landbouwers. Het gebrek aan
water was het eenige bezwaar; meestal was men afhankelijk
van het regenwater, dat bewaard werd in vergaarbakken, die
in de rotsen waren uitgehouwen.
Dit gedeelte des lands, dat gevormd werd door die zuidelijke
bergen, was de eerste en laatste vesting van Israël; want feite-
lijk waren dat de koninkrijken Israël en Juda. Van daar uit,
namelijk te Sichem, werd de eerste poging aangewend om eene
monarchie te vestigen in Israël, en op die wijze de israëlietische
stammen te vereenigen; en eveneens ging ook de tweede en
met beter gevolg bekroonde poging van daar uit, onder Saul
den Benjaminiet en David den Judeër. De Israëlieten slaagden
er nooit in, vasten voet te krijgen aan de zeekust, en hun be-
zit van de vlakte van Megiddo en de zuidelijke hellingen van
den Libanon was een bron van zwakheid en niet van kracht.
Het leidde tot den ondergang van het koninkrijk Israël. De
noordelijke stammen in Galilea losten zich als het ware op
in de oude bevolking, en lmn land kreeg den naam van
„Galilea der heidenen"\'), in onderscheiding van het eigenlijke
Israël. De vlakte van Megiddo bleef lang in het bezit van de
Kanaiinieten, en was tot het laatste toe blootgesteld aan in-
vallen van de zijde der zeekust. Zij was eigenlijk het slag-
veld van l\'alestina. Het vijandelijke leger koos zijn weg langs
de zeekust, en niet door de ongebaande wegen en gevaarlijke
passen van het bergachtig binnenland; en de vlakte van
Megiddo was, om zoo te zeggen, de brug, die toegang gaf tot
het midden des lands. Als de vijand bezit genomen had van
die vlakte, dan waren de bergbewoners van het noorden afge-
sneden van hunne broeders in het zuiden, en dan lag de weg
naar het hart der bergen zelve voor hem open.
1) Zie Jen. VIII: 23 on Matth. IV: 15.          Vert.
-ocr page 38-
15
Maar het in bezit nemen van die vlakte vereischte tevens
het bezit van wagens en ruiters, en van een talrijk en wei-
geoefend leger. De wijze van oorlogvoeren der bergbewoners,
de guerilla-oorlog, was hier niets waard. De krijgskans was
in het voordeel van den staat, die over de talrijkste legioenen
en den grootsten rijkdom beschikte, d. i. aan de zijde van den
aanvaller, en niet van den aangevallene.
In gunstiger positie was dientengevolge het koninkrijk Juda.
Dit vormde een beter en minder uitgestrekt geheel, zonder
open vlakte die verdedigd, of afgelegen grondgebied, dat be-
schermd moest worden. De hoofdstad lag hoog op de bergen,
geducht versterkt door de natuur, en niet gemakkelijk te
naderen door een vijandelijk leger. Terwijl Samaria als een
weerlooze prooi bezweek voor de assyrische legermacht, was
Jeruzalem nog getuige van den val van Nineve zelf.
Datgene nu, wat geldt voor de latere dagen der israëlietische
geschiedenis, geldt evenzeer voor het tijdperk der aartsvaders.
De sterkte van Palestina lag in zijn zuidelijke hooglanden;
wie van deze bezit nam, was meester van het geheele land,
en de weg lag voor hem open naar den Sinaï en naar Egypte.
Maar het ging niet gemakkelijk ze te vermeesteren, en veld-
tocht op veldtocht was noodig, voor en aleer een veroveraar
er ongestoord bezit van kon nemen. In den tijd der achttiende
egyptische dynastie, was Jeruzalem reeds de sleutel van Zuid-
Palestina.
Als land had Palestina dus tweeërlei kenmerkende eigen-
aardigheid, en met zijne bevolking was dat vanzelf eveneens
het geval. Het was een land van bergen en vlakten, van afge-
broken hooglanden en rotsige zeekust. Zijn bevolking bestond
eensdeels uit bergbewoners, bedrijvig, vaderlandslievend en
arm, met eenige neiging tot ascetisme, en anderdeels uit zee-
lieden en kooplieden, ondernemend, rijk, en weelderig, met
weinig gevoel voor vaderland of eenheid, het vergaderen
van schatten beschouwende als het hoogste levensdoel. Aan
de eene zijde gaf het der wereld de eerste lessen op het
gebied van zeevaart en handel; aan de andere zijde heeft
-ocr page 39-
1G
het de menschheid onderwijs gegeven in den godsdienst.
In beide opzichten is de ligging van het land den arbeid
des volks ten goede gekomen. Gelegen halverwege tusschen de
twee groote rijken der oude Oostersche wereld, was het tegelijk
de verkeersweg en het vereenigingspunt der beschaving van
Egypte en Babylonië. Lang vóórdat Abraham naar Kanaiin
verhuisde, was zoowel de beschaving als de godsdienst van
Babyion er ganschelijk doorgedrongen, en lang voor den Uit-
tocht was het eene egyptische provincie geworden. Den ver-
overaar uit Azië versperde het den weg naar Egypte; en omge-
keerd beveiligde het Azië tegen een overval uit Egypte. De
wereldhandel liep door Palestina heen en had er zijn punt van
ontmoeting; de kooplieden uit Egypte en Ethiopië konden in
Palestina handel drijven met die uit Babylonië en het verre
Oosten. Het was door de natuur bestemd tot een land van han-
del en verkeer.
En toch was Palestina, terwijl het op die wijze een ver-
keersweg vormde tusschen de beschaving van den Euphraat
en die van den Nijl, een te smalle strook land om zelf een
geducht koninkrijk te worden. Het rijk van David duurde
niet veel langer dan één menschenleeftijd, en dat was nog ten-
gevolge van den gelijktijdigen zwakken toestand zoowel van
Egypte als van Assyrië. Met de Arabische woestijn aan de
eene, en de Middellandsche Zee aan de andere zijde, was het
onmogelijk dat Kanaiin zich kon ontwikkelen tot een grooten
staat. Zijn rotsen en bergen mochten een ras van geharde strij-
ders en groote denkers kweeken, maar zij waren niet geschikt
om een rijken en volkrijken staat in het aanzijn te roepen.
De Phoeniciërs aan de kust werden zeewaarts gedreven, en
moesten ter zee de bestaansmiddelen en den rijkdom zoeken, die
hun eigen land niet geven kon. Palestina daarentegen was er
op aangelegd om zich de denkbeelden en de beschaving van
anderen ten eigendom te maken en daarvan de drager te wor-
den, niet om zelf daarvan de schepper te zijn.
Maar wanneer die denkbeelden er eenmaal post gevat hadden,
werden ze gewijzigd en met andere verbonden, veredeld en
-ocr page 40-
17
gegeneraliseerd, zoodanig dat ze geschikt werden om algemeen
eigendom te worden. Phoenicische kunst is alles behalve oor-
spronkelijk; hare grondbestanddeelen zijn deels aan Babylonië,
deels aan Egypte ontleend; maar de verbinding dier bestand-
deelen was het werk der Phoeniciërs, en juist die verbinding
werd het erfdeel der beschaafde wereld. De godsdienst van
Israël kwam uit de wildernis, van de hoogten van Sinaï, en
het palmenrijke Kades, maar het was in Palestina dat hij een
vasten vorm aannam en zich ontwikkelde, totdat in de vol-
heid des tijds de Messias geboren werd. Uit Kanaan zijn de
profeten en het Evangelie gekomen, maar de Wet die daar-
aan voorafging, was van elders gebracht.
\'2
-ocr page 41-
HOOFDSTUK II.
De bevolking van het land.
In de dagen van Abraham trok Kedor-Laomer, koning van
Elam, en heer over de koningen van Babylonië, westwaarts
met zijne babylonische bondgenooten, teneinde zijne oproerige
onderdanen in Kanaan te tuchtigen. Het leger drong Palestina
binnen van de oostzijde der Jordaan. In plaats van voort te
rukken langs de zeekust, hield het de richting der Jordaan-
vallei. Eerst deed het een aanval op de hoogvlakte van Basan,
en versloeg toen „de Kefaïeten in Astheroth-Karnaïm, en de Zu-
zieten in Ham, en de Emieten in Shave-Kiriathaïm" (d. i. de
vlakte van Kiriathaïm). Daarna trok het verder naar het ge-
bergte Seïr, en onderwierp de Horieten „tot aan het effen
veld van Paran, hetwelk aan de woestijn is." Vandaar keerde
het zich wederom naar het noorden, door de oase van En-
Mispat of Kades Barnea, en trok, na zoowel de Amalekieten
als de Amorieten in Hazezon-Thamar verslagen te hebben,
het dal van Siddim binnen. Daar had de slag plaats, die ein-
digde met de nederlaag van den koning van Sodom en zijne
bondgenooten, die gevankelijk werden weggevoerd naar het
noorden. Maar te Hoba „hetwelk is ter linkerhand van Da-
mascus", werden de in het land gevallen vijanden achter-
haald en verslagen door „Abram den Hebreër," die met zijne
amorietische bondgenooten in de vlakte van Mamre woonde;
-ocr page 42-
19
en de buit, dien zij behaald hadden, werd hun ontnomen l).
Het verhaal geeft ons een beeld van de aardrijkskundige ge-
steldheid van Palestina en van zijn bevolking bij het begin
van het tijdperk der aartsvaders. Vóór het einde van dat tijd-
perk waren de toestanden belangrijk gewijzigd; de oude steden
waren voor het meerendeel blijven bestaan, maar nieuwe stam-
men hadden de plaats van de oude ingenomen, nieuwe konink-
rijken waren verrezen, en de grenzen van weleer waren door
nieuwe vervangen. De Amalekieten alleen bleven wat zij altijd
geweest waren, de ontembare nomaden van de zuidelijke
woestijn.
Refaim of „Reuzen" was een gewone bijnaam, die gegeven
werd aan de voorhistorische bevolking van het land. Og,
koning van Basan ten tijde van den Uittocht, was „alleen
van de overige der reuzen overgebleven" (Deut. III: 11);
maar zulke reuzen waren ook de Enakieten in Hebron, de
Emieten in Moab, en de Zamzummieten in Ammon (Deut.
II: 11, 20). Zonder twijfel waren zij de vertegenwoordigers
van een ras, dat in vergelijking met de Hebreen en met de
Arabieren der woestijn bijzonder groot was; en de israelietische
spionnen beschreven zichzelven „als sprinkhanen\'1, bij hen ver-
geleken (Num. XIII: 33). Het is echter mogelijk, dat de naam
werkelijk een volksnaam was, die alleen toevalligerwijze geleek
op den klank van het hebreeuwsche woord voor „reuzen\'\'. Hoe
dat wezen mag, zeker is het, dat op de lijst van veroverde
kanaanietische steden, die de Pharao Thothmes III van Egypte
liet ingriffelen op de muren van Karnak, de naam Astarte of
Ashteroth Karnaim gevolgd wordt door dien van Anaurepa,
waarin Mr. Tomkins den naam On-Repha, „On van den Reus"
of „On van de Reuzen" wil zien. Dicht in de nabijheid lag
in later dagen Raphön of Raphana2), Arpha van Dekapolis
1) Zie de geschiedenis van dezen krijgstooht van Kedor-Laomer,
en van de overwinning die Abraham op hem behaalde, in Gen.
XIV.
                                                                                 Vert.
1) Zie 1 Maoo. V:37.
-ocr page 43-
20
(d. i. Let land der tien steden)l), dat nu Er-Bafeh heet; en in
Baphön herkent men gemakkelijk eene herinnering aan de
Befaim van Genesis.
Behoorden deze Befaim tot hetzelfde ras als de Emieten en
de Enakieten, of werden deze laatsten Befaim of „Beuzen"
genoemd, eenvoudig omdat zij de reusachtige voorhistorische
bevolking van Kanaiin vertegenwoordigden ? De vraag kan ge-
makkelijker gedaan dan beantwoord worden. Wij weten uit
het boek Genesis, dat Amorieten zoowel als Hethieten te Hebron
woonden, of in de onmiddellijke nabijheid hiervan. Abram was
woonachtig in de vlakte van Mamre2), te samen met drie
amorietische opperhoofden; en Hoham, koning van Hebron, die
streed tegen Jozua, wordt geteld onder de Amorieten (Joz.
X : 3). De Enakieten kunnen diensvolgens wel een stam der
Amorieten geweest zijn. Zij hielden zichzelven voor afstamme-
lingen van Enak, een ouden kanaanietischen god, die bij de
Phoeniciërs optreedt als de godin Onka. Maar daartegenover
staat, dat de Amorieten te Hebron wel indringers kunnen ge-
weest zijn; wij weten dat Hebron bepaaldelijk eene hethietische
stad was, en de amorietische bondgenooten van Abram behoor-
den eerder te Mamre dan te Hebron tehuis. Het is evenzeer
mogelijk, dat de Enakieten het vreemde bestanddeel der be-
volking geweest zijn; wij vernemen niets van hen in de dagen
der aartsvaders; en dan eerst wanneer de Israëlieten gereed
staan om Kanaiin binnen te trekken, verschijnen zij ten tooneele.
Og, de koning van Basan, was echter een Amoriet; daarvan
hebben wij de zekerheid door Deuteronomium (III: 8), en ver-
der (vs. 11) wordt van hem gezegd, dat hij „alleen van de
overige der reuzen was overgebleven." De uitdrukking is op-
merkelijk, omdat zij in zich sluit dat de oude bevolking voor
het grootste gedeelte uit het land verdreven was. En dat was
inderdaad het geval. Te Babbath, de hoofdstad van Ammon,
1)  Zie Matth. IV: 25; Mare. V:20, VII: 31.
2)  De St. Vort. heeft: »aan de eikenbossehen van Mamre." Zie eohter
de kantteekening bij Gen. XIII: 18: »and. in de effene velden." Vert.
-ocr page 44-
21
was de bazalten sarkofaag l) van den laatsten koning van Basan
nog in wezen, maar de koning zelf en zijn volk waren niet
meer. Ammonieten en Israëlieten hadden hun plaats inge-
nomen.
De kinderen van Ammon hadden bezit genomen van het
land, dat eens toebehoorde aan de Zamzummim (Deut. II : 20).
Dezen worden Zummim genaamd in het verhaal van Genesis
(XIV: 5), en van hen wordt gezegd dat zij gewoond hebben
in Ham. Maar Zummim en Ham zijn niets anders dan foutieve
overschrijvingen van een tekst in spijkerschrift van het he-
breeuwsche Zamzummim en Ammon, en hetzelfde volk wordt
bedoeld in Genesis en in Deuteronomium. In Deuteronomium
wordt ook van de Emieten gewag gemaakt (Deut. II: 10, 11.
Ook Gen. XIV: 5), terwijl daar tevens wordt aangewezen,
waar zij gewoond hebben. Zij waren de bezitters van het land
vöör de Moabieten, en evenals de Zamzummim waren zij „een
groot en menigvuldig en lang volk" (Deut. II: 10, 21), dat
door de Moabieten zonder twijfel terzelfder tijd verdreven
werd als toen de Ammonieten de Zamzummim overwonnen.
De „vlakte van Kirjathaim", d. i. der „twee steden", moet ge-
legen hebben ten zuiden van de Arnon, waar Ar (Num.
XXI: 15, 28, en Deut. II: 9, 18, 29) en Kir-haréseth 2)
stonden.
Zuidwaarts van de Emieten, in de rooskleurige bergen van
Seir, naderhand in het bezit der Edomieten, hadden de Ho-
rieten zich gevestigd, wier naam algemeen gehouden wordt
voor een afleiding van een hebreeuwsch woord, dat „een hol"
beteekent. Om die reden heeft men hen aangezien voor Tro-
glodyten of holbewoners, en dus voor een wilden volksstam,
die noch huizen noch vaste woonplaats had. Maar het is even-
1)   Deut. 111:11 staat »zijn bedstede van ijzer". Bedstede kan, vol-
geus de commentaren, ook zijn sarkofaag (letterlijk: vleesohverteerder,
d. i. grafgesteente); en «ijzer" kan zijn =. ijzersteen, bazalt of kalk-
steen.
                                                                                        Vert.
2)  Zie over de verwoesting dezer stad 2 Kon. 111:25.          Vert.
-ocr page 45-
22
goed mogelijk, den naam in verband te brengen met een ander
woord, dat „wit" beteekent, en alzoo in hen de vertegenwoor-
digers van een blank ras te zien. De naam Hor is verbonden
met Bethlehem (1 Chron. IV : 4), en Kaleb van den Edomi-
tischen stam van Kenaz wordt „de zoon van Hur" genoemd
(1 Chron. II: 50). Er is geen reden om aan te nemen, dat er
ooit holbewoners in dat deel van Palestina bestaan hebben.
De ontdekking van de ligging van Kades-Barnea hebben wij
allereerst te danken aan Dr. Bowlands, en in de tweede plaats
aan de archaeologische kennis van Dr. Clay Trumbull. Het
is nu nog bekend als Ain Qadis, „de bron van Qadis", en ligt
verscholen tusschen de bergpartij, die in de zuidelijke woestijn
zich verheft ongeveer halverwege tusschen het gebergte Seir en
de Middellandsche Zee. Het water stroomt er nog uit de rots,
frisch en helder, en voedt de oase die er omheen ligt. Door de
natuur zelve is het aangewezen als verzamelplaats en „heilig-
dom" van de stammen der woestijn. De ligging der plaats in
het midden des lands, de veiligheid die zij verschaft tegen een
onverwachten aanval, en de overvloedige toevoer van water,
dit alles te samen was geschikt om het te maken tot een
En-Mizpat of „Bron van het strafgericht", waar rechtszaken
behandeld en wetten bekrachtigd werden. Hier was het, dat
de Israëlieten jaar op jaar vertoefden gedurende hun omzwer-
ving door de woestijn, en van hier uit werden ook de ver-
spieders uitgezonden naar het Beloofde Land. In die dagen
waren de bergen, die het omgaven, bekend als „het gebergte
der Amorieten" (Deut. 1:19, 20). Ten tijde van den inval der
Babyloniërs waren de Amorieten echter niet zoover naar het
zuiden doorgedrongen. Zij waren toen nog niet verder dan
Hazezon Thamar, „het palmbosch" aan den westelijken oeVer
der Doode Zee, hetwelk een later levend geslacht Engedi
noemde (2 Chron. XX: 2); En-Mispat was toen nog in de
macht der Amalekieten, de beheerschers van „al het land"
rondom (Gen. XIV : 7).
De Amalekieten hadden zich toen nog niet met de Israëlieten
vermengd, en zij waren dus nog Bedouïnen van zuiveren bloede.
-ocr page 46-
23
Zij waren de Shasu of „Plunderaars" van de egyptische op-
schriften, soms ook de Sitti genaamd, de Sute der teksten in
spijkerschrift. Evenals hun tegenwoordige nakomelingen, leef-
den zij van \'t geen zij roofden van hunne meer vreedzame
naburen. Evengoed als van Ismael, had het ook van de Amale-
kieten kunnen voorspeld zijn: „zijne hand zal tegen allen zijn,
en de hand van allen tegen hem" (Gen. XVI: 12j. Zij waren
het wilde kroost der wildernis, en werden gehouden voor „de
eersteling der Heidenen" of „der volken" (Num. XXIV : 20)!).
Van En-Mispat trokken de babylonische legerscharen noord-
waarts langs de westzijde der Doode Zee. Jeruzalem aan de
linkerhand latende liggen, daalden zij af in het dal Siddim,
waar zij zich bevonden in de Jordaan-vlakte, en bijgevolg in
het land der Kanaanieten. Zöö wordt het ook in het boek
Numeri verhaald: „de Amalekieten wonen in het land van
het zuiden; maar de Hethieten en de Jebusieten wonen op het
gebergte; en de Kanaanieten wonen aan de zee en aan den oever
der Jordaan" (Num. XIII: 29).
Het woord Kanaan beteekent, zooals wij reeds zeiden, de
„laaglanden", en het komt nu eens in een langeren, dan weer
in een korteren vorm voor. De kortere vorm wordt door de
Grieken Khna geschreven. Op de tafeltjes van Tel el-Amarna
is het Kinakhkhi, terwijl de langere vorm Kinakhna is. Deze
langere vorm komt alleen voor in de teksten in hieroglyphen-
schrift. Daar lezen wij, hoe Seti I de Shasu of Amalekieten
van de oostelijke grens van Egypte verjoeg naar het „land
Kana\'an", en zich meester maakte van hunne vesting, die den-
zelfden naam draagt als de plaats die Majoor Conder heeft
aangewezen in Khurbet Kan\'an bij Hebron. De langere vorm
bleef ook onder de Israëlieten bewaard, evenals onder de Phoe-
niciers, de oorspronkelijke bewoners der zeekust. Munten van
Laodicea aan den Orontes dragen het opschrift: „Laodicea, een
stad in Kanaan", en Augustinus verzekert, dat in zijn tijd
1) In den engelsohen bijbol staat dan ook: »theflrstofthenations."
Vert.
-ocr page 47-
24
het landvolk van Carthago in Noord-Afrika, wanneer men hun
vroeg naar hun afkomst, nog steeds ten antwoord gaven, dat
zij Kanaanieten waren (Epist. ad Kom. 13).
In vervolg van tijd heeft de naam Kanaan geografisch een
beteekenis gekregen van veel breeder omvang dan hij oorspron-
kelijk had. Evenals Philistea, het land der Philistijnen, de aan-
duiding werd van geheel Palestina, zoo werd met Kanaan, het
land van de Kanaanieten der kust en der vallei, later het ge-
heele land tusschen de Jordaan en de zee bedoeld. In die betee-
kenis wordt reeds in de spijkerschrift-tafeltjes van Tel el-Amarna
van Kanaan gesproken. Reeds in de eeuw vóór den Uittocht
omvatte Kinakhna of Kanaan ongeveer het gansche land, dat
nu bedoeld is met Palestina. Het was feitelijk de landstreek ten
zuiden van „het land der Amorieten\'\', en dit laatste lag onmid-
dellijk ten noorden van de wateren van Merom.
In de geografische tafel in het 10de Hoofdstuk van Genesis
wordt Kanaan vermeld als een zoon van Cham en als de broeder
van Mizraim of Egypte. Daarin hebben wij een aanwijzing van
den tijd, tot welken dat bericht moet opklimmen. Er is slechts
één tijdperk in de geschiedenis geweest, waarin Kanaan geogra-
fisch beschreven kon worden als een broeder van Egypte, na-
melijk het tijdperk der achttiende en der negentiende dynastie,
toen het een tijdlang een provincie der Pharao\'s was. In geen
anderen tijd is het nauw verbonden geweest met de zonen van
Cham. In een vroeger tijdvak stond het eerder in betrekking
met Babylonië dan met het Nijldal, en met den val der negen-
tiende dynastie kwam er voor goed een eind aan de heerschap-
pij van Egypte over een gedeelte van Azië.
Sidon, zoo vernemen wij verder, was de eerstgeborene van
Kanaan (Gen. X : 15). De stad van dien naam maakte er aan-
spraak op, de oudste der Phoenicische steden te zijn in de „laag-
landen" van de kust. Zij was gegroeid uit eene verzameling
visschershutten, en Said, de god der visschers, bleef tot het
laatst haar schutsheer. De visschers werden na verloop van tijd
zeevaarders en voorname kooplieden, en het zeedier, waarnaar zij
vischten, was de purperslak met haar kostbare kleurstof. De
-ocr page 48-
25
stichting van Tyrus, de stad der „rots", die in later dagen de
oppermacht over Phoenicie aan Sidon betwistte, was van jonger
datum. Aan Herodotus werd verhaald, dat de groote tempel
van Baal Melkarth, „de koningin der stad", dien hij daar zag,
gebouwd was drie en twintig eeuwen voordat hij de stad be-
zocht. Maar Sidon was nog ouder, ouder zelfs dan Gebal, de
heilige stad der godin Baaltis.
De breeder geografische beteekenis, die de naam Kanaan
kreeg, staat in verband met de uitbreiding van het land niet
alleen aan den zeekant, maar ook aan de andere zijde. He-
thieten en Amorieten, Jebusieten en Girgasieten, Hevieten en
de volken van den zuidelijken Libanon werden allen getrokken
binnen de grenzen van het grootere Kanaan, en werden daar-
om zijne zonen genoemd. Zelfs Hamath maakte aanspraak op
het recht van te worden opgenomen in den broederkring. Het
is naar waarheid gezegd: „en daarna zijn de huisgezinnen der
Kanaanieten verspreid\'\' (Gen. X : 18).
Hethieten en Amorieten waren saamgesmolten zoowel in het
noorden als in het zuiden. Kades aan den Orontes, de zuide-
lijke vesting van het Hethieten-rijk in het noorden, lag, zooals
de egyptische gedenkschriften ons mededeelen, in het land der
Amorieten, terwijl in het zuiden Hethieten en Amorieten zich
met elkander vermengd hadden te Hebron, en Ezechiel (XVI: 3)
verklaart, dat Jeruzalem van tweeërlei maagschap was, zeggende:
„uwe geboorten zijn uit het land der Kanaanieten; uw vader
was een Amoriet, en uwe moeder eene Hethietische". Ook heb-
ben nieuwere onderzoekingen bewezen, dat Hethieten en Arno-
rieten volken waren, zeer verschillend van geaardheid en oor-
sprong. Over de Hethieten worden wij in menig opzicht inge-
licht door de inscripties in hieroglyphen- zoowel als door die
in spijkerschrift. De Khata der egyptische teksten waren de
geduchtste macht van West-Azië, waarmede de Egyptenaren
der achttiende en negentiende dynastie te doen hadden. Zij waren
stammen van bergbewoners uit het gebied van den Taurus,
die naar de vlakten van Syrië afgedaald en zich daar gevestigd
hadden te midden eener Arameesche bevolking. Karchemis
-ocr page 49-
20
aan den Euphraat werd een hunner Syrische hoofdsteden, die
den heirweg beheerschte, waarlangs de kooplieden hun han-
delswaren en de legerhoofden hun troepen vervoerden van het
oosten naar het westen. Thothmes III, de veroveraar van West-
Azië, beroemt zich op de geschenken, die hij ontving uit „het
groote land van Khata", naar het schijnt „het groote" genaamd
om het te onderscheiden van een ander, kleiner land van Khata,
nml. dat der Hethieten van het zuiden.
De spijkerschrift-tafeltjes van Tel el-Amarna stellen, tegen
het einde der achttiende dynastie, de Hethieten voor als voort-
durend zuidwaarts trekkende en de Syrische bezittingen van
den Pharao bedreigend. Weerspannige Amorieten en Kanaanie-
ten zagen naar hen uit om hulp, en „het land der Amorieten"
in het noorden van Palestina kwam in hun bezit. Toen de eerste
Pharao\'s van de negentiende dynastie beproefden, het egyptische
gebied in Azië te heroveren, zagen zij zich geplaatst tegenover
de meest geduchte tegenstanders. Tegen Kades en „den grooten
koning der Hethieten" werden de egyptische legers tevergeefs
in het veld gebracht, en na een oorlog van twintig jaren was
Ramses II, de Pharao der verdrukking, genoodzaakt vrede te
sluiten. Een offensief en defensief verbond werd tusschen de
beide mededingers gesloten, en Egypte was voortaan gedwon-
gen, op voet van gelijkheid met de Hethieten te onderhandelen.
De Khatta of Khata der assyrische opschriften zijn reeds
eene in verval gerakende macht. Zij zijn verbrokkeld in een
aantal afzonderlijke staten of koninkrijken, van welke Karche-
mis de rijkste en voornaamste is. Zij zijn reeds bezig terug te
trekken naar de bergen van Klein-Azië, vanwaar zij gekomen
zijn. Maar hun gebied in Syrië blijft nog geruimen tijd in hun
bezit. Tijdens de regeering van David waren er nog Hethieten
te Kades. Hethieten-vorsten konden hunne diensten leenen aan
Israël in den tijd van Elisa (2 Kon. VII: 6), en het was niet
vóór het jaar 717 v. Chr. dat Karchemis door Sargon van
Assyrie veroverd, en de transporthandel vandaar naar Nineve
verplaatst werd. Maar toen de Assyriërs voor het eerst bekend
werden met het kustland der Middellandsche Zee, waren de
-ocr page 50-
27
Hethieten de beheerschers van zulk een uitgestrekt gebied, dat
de geheele landstreek naar hen genoemd werd. Op dezelfde
wijze als „Palestina" of „Kanaan", werd de benaming „land
der Hethieten" voor de Assyriers de aanduiding, niet alleen
van Noord-Syrië en den Libanon, maar ook van Zuid-Syrië.
Zelfs Achab van Israël en Baézade Ammoniet worden door
Salmaneser II gerekend onder de koningen van dat land.
Dit gebruik van dien naam door de Assyriers wordt opge-
helderd door het bestaan van een hethietischen stam te Hebron,
in het verst afgelegen zuidelijk deel van Palestina. Verschillende
pogingen zijn door ongeloovige critici gedaan, om zich van
deze laatstgenoemden te ontdoen; maar de opgaven in Genesis
worden bevestigd door Ezechiels verhaal van de stichting van
Jeruzalem. Zij stemmen daarenboven volkomen overeen met
hetgeen de oude gedenkteekenen vermelden. Zooals wij gezien
hebben, ligt in de inscriptie van Thothmes III opgesloten, dat
er reeds in zijne dagen een tweede, kleiner land der Hethieten
bestond, en het groote babylonische werk over sterrekunde
maakt gewag van de Hethieten, waaruit blijkt dat dezen reeds
in zeer oude tijden bekend waren.
Assyrische en babylonische teksten zijn niet de eenige ge-
tuigenissen van het spijkerschrift, die melding maken van de
„Khata" of Hethieten. Hun naam wordt eveneens aangetroffen
op de monumenten der koningen van Ararat of Armenië, die
regeerden in de negende en achtste eeuw vóór onze jaartelling,
en die het spijkerschrift overgenomen hadden van Nineve. Maar
de Khata van deze armenische teksten woonden heel wat noor-
delijker dan de Hethieten van den Bijbel en van de egyptische
en assyrische monumenten. Het land, dat zij bewoonden, lag in
oostelijk Klein-Azië in de nabijheid van het latere Malatiyeh.
Werkelijk behoorden zij hier oorspronkelijk tehuis.
Dank zij de egyptische kunstenaars, hebben wij een juiste
kennis van het hethietisch type. Het was niet mooi: een lange,
recht-vooruitstekende neus, terwijl kin en voorhoofd weinig ont-
wikkeld waren. De wangen waren hoekig met vooruitstekende
jukbeenderen, en het gezicht was baardeloos. De huidkleur
-ocr page 51-
28
der Hethieten was geel; hun haar en oogen waren zwart. Zij
schijnen hun haar gedragen te hebben in drie lange vlechten,
die over den rug hingen, evenals de staart van een Chinees,
en iets kenmerkends was ook dit, dat zij laarzen droegen met
opstaande punten.
Men zou kunnen meenen, dat de egyptische kunstenaars een
caricatuur van hun tegenstanders geteekend hebben. Maar dat
is niet zoo. Precies hetzelfde profiel, soms zelfs nog leelijker,
is te zien op de hethietische monumenten, die gebeiteld zijn
door de beeldhouwers van het volk zelf. Dat is juist een der
zekerste bewijzen, dat deze monumenten, met hunne nog niet
ontcijferde opschriften, van hethietischen oorsprong zijn. Zij zijn
afkomstig van het volk, dat gelijkelijk door Israëlieten, Egyp-
tenaars, Assyriers en Armeniers Hethieten genaamd werd.
Een scherpe tegenstelling met de Hethieten vormden de
Amorieten. Ook zij zijn afgebeeld op de muren der egyptische
tempels en graven. Terwijl het hethietisch type heenwijst
naar het mongoolsche ras, vertoont de Amoriet het europeesche
type. Zijn neus is smal en eenigszins spits, zijn lippen en neus-
vleugels zijn dun, zijn jukbeenderen hoog, zijn mond is vast-
beraden en welgevormd, zijn voorhoofd verstandig. Hij heeft
fraaie bakkebaarden, die uitloopen in een puntbaard. Te Abu-
Simbel is de huidkleur mat-geel geschilderd — bij de Egyp-
tenaars gelijkstaande met wit — de oogen blauw, baard en
wenkbrauwen rood. Te Medinet Habu is zijn huid, zooals Prof.
Petrie het uitdrukt, „eerder bleekrood dan vleeschkleurig",
terwijl zij in een grafkelder van de achttiende dynastie te Thebe
wit is geschilderd, en de oogen en het haar een lichte rood-
bruine kleur hebben.
Uit alles blijkt, dat de Amorieten behooren tot hetzelfde
volkstype als de blauwoogige Lybiers der egyptische monu-
menten, wier huidige nakomelingen de Kabylen en andere Ber-
ber-stammen van Noord-Afrika zijn. Het uiterlijk van laatst-
genoemden is niet slechts europeesch, maar zij maken ook aan-
spraak op bijzondere verwantschap met de blonde „goudharige"
Kelten. Hun hooge gestalte komt ook zeer goed overeen met
-ocr page 52-
29
hetgeen in het Oude Testament van de Amorieten gezegd wordt,
want ook zij worden daar gerangschikt onder de Refaim of „reu-
zen", met wie vergeleken de Israëlieten „als sprinkhanen" waren.
Terwijl de Kanaanieten woonden in de laaglanden, „aan de
zee en aan den oever der Jordaan", woonden de Amorieten op
het gebergte (Num. XIII: 29). Dit is weder in overeenstemming
met hun europeesche verwantschap. Zij konden het best aar-
den in de koelere en hoogere berglucht, evenals tegenwoordig
de Berber-stammen van Noord-Afrika. Het blonde, blauwoogige
ras kan beter tegen de koude dan tegen de hitte.
Amorietische stammen en koninkrijken waren te vinden in
alle deelen van Palestina. Zuidwaarts lag, gelijk wij gezien
hebben, Kades-Barnea in „het gebergte der Amorieten", terwijl
Kedor-Laomer hen aantrof aan den westelijken oever der Doode
Zee. Toen Abraham zijne tenten opsloeg in de vlakte boven
Hebron, was deze in het bezit van drie amorietische vorsten;
en ten tijde der verovering van Kanaan door Israël, waren
Hebron en Jeruzalem, Jarmuth, Lachis en Eglon alle Amorie-
tisch (Joz. X : 5). Jacob gaf aan Jozef de verzekering, dat het
erfdeel van zijn stam zou liggen in dat gedeelte van Sichem,
hetwelk de aartsvader „uit de hand der Amorieten genomen"
had (Gen. XLVIII: 22), en aan de oostzijde der Jordaan lagen
de amorietische koninkrijken van Og en Sihon. Maar de egyp-
tische opschriften, en meer bepaald de tafeltjes van Tel el-
Amarna zeggen ons, dat de hoofdzetel der amorietische macht
onmiddellijk noordwaarts van Palestina lag. Hier was „het land
der Amorieten", waarvan dikwijls melding wordt gemaakt door
de gedenkteekenen als het land, zich uitstrekkende in de berg-
ketenen van den Libanon en Anti-Libanon, van den Hamath
zuidwaarts tot den Hermon. Ten oosten was het begrensd door
de woestijn, ten westen door de steden van Phoenicië.
In oude tijden, lang vóór de dagen van Abraham, moeten
de Amorieten reeds de overheerschende bevolking in dit deel
van Syrië geweest zijn. Toen de babylonische koning, Sargon
van Akkad, zijn zegevierende wapenen richtte naar de kusten
der Middellandsche Zee, was het tegen „het land der Amorieten"
-ocr page 53-
30
dat hij zijne veldtochten ondernam. Van dien tijd af was dat
de naam waaronder Syrië, en meer bepaaldelijk Eanaan, bij
de Babyloniers bekend was. De breeder geografische beteekenis,
welke die benaming bij dezen kreeg, was van denzelfden aard
als die van „Hethieten" bij de Assyriers, van „Kanaan" bij
de Israëlieten, en van „Palestina" in ons spraakgebruik. Maar
daaruit blijkt, welk een belangrijke rol de Amorieten gespeeld
hebben in wat wij nog moeten noemen het voorhistorisch tijd-
perk van Syrië, en tevens welk een uitgestrekt gebied zij in
hun macht moeten gehad hebben.
Natuurlijk volgt hieruit niet, dat dit gansche gebied door
hen in bezit werd genomen op een en denzelfden tijd. Met zeker-
heid weten wij, dat de verovering van het noordelijk deel van
Moab door den amorietischen koning Sihon slechts kort voor
den inval der Israëlieten plaats vond, en een gedeelte van den
Amorietischen zegezang op die gebeurtenis is bewaard gebleven
in het boek Numeri. „Er is een vuur uitgegaan uit Hesbon"
— zoo heet het daar — „eene vlam uit de stad van Sihon;
zij heeft verteerd Ar der Moabieten, en de heeren der hoogten
van de Arnon. Wee u Moab! Gij volk van Kamoz zijt ver-
loren! hij heeft zijne zonen, die ontliepen, en zijne dochters in
de gevangenis geleverd aan Sihon, den koning der Amorieten\'\'\').
In het zuiden schijnen de Amorieten niet voorbij Hazezon-
Thamar getrokken te zijn, terwijl de tafeltjes van Tel el-Amarna
het waarschijnlijk maken, dat in den tijd toen zij geschreven
werden, noch Bazan noch Jeruzalem in het bezit der Amorieten
waren. Het is mogelijk, dat de amorietische veroveringen in het
zuiden een der gevolgen waren van den val van het egypti-
sche ruk en van den inval der Hethieten.
Tusschen de Hethieten en de Amorieten plaatst de geogra-
fische tafel van Genesis de Jebusieten, en het boek Numeri
constateert evenzoo, dat „de Hethieten en de Jebusieten en de
Amorieten wonen op het gebergte." (Num. XIII: 29). De Jebu-
sieten echter waren slechts de plaatselijke stam, die in de dagen
1) Num. XXI: 28, 29.
-ocr page 54-
31
der inbezitneming van Kanaan door de Israëlieten Jeruzalem
bezet hield, en zij waren, wat hun afkomst betreft, waarschijn-
lijk of Hethieten of Amorieten. In ieder geval is er geen spoor
van hen te vinden op de in spijkerschrift vervatte stukken
van Tel el-Amarna. Integendeel, in deze is Jeruzalem nog al-
leen bekend onder zijn ouden naam Uru-salim; op den naam
Jebus is er geen enkele toespeling.
Maar die stukken doen ons zien, dat Ebed-Tob, de koning
van Jeruzalem en nederige vazal van den Pharao, zeer in het
nauw was gebracht door zijne vijanden, en dat, in weerwil
van zijne dringende beden om hulp, de Egyptenaren niet in
staat waren eenige hulp te zenden. Zijne vijanden waren de
„Khabiri" of „Verbondenen", van wie men niet recht weet, wie
ze eigenlijk geweest zijn, maar die bijgestaan werden door het
Bedouïnenhoofd Labai en zijne zonen. Een voor een werden de
steden, die tot het gebied van Jeruzalem behoorden, door zijne
tegenstanders veroverd, en ten slotte, zooals een ander tafeltje
ons zegt, viel Ebed-Tob zelf met zijn hoofdstad den vijand in
handen. Misschien was het deze gebeurtenis waardoor Jeruza-
lem een Jebusietische stad werd. Indien dat zoo is, dan hebben
wij in de vijanden van Ebed-Tob de Jebusieten van het Oude
Testament te zien.
De Girgasiet wordt genoemd na den Amoriet (Gen. X:16);
maar wie hij mag geweest zijn, is moeilijk te zeggen. In het
egyptische heldendicht, vervaardigd door den hofdichter Pen-
taur, ter herinnering aan de heldendaden van Kamses II in
zijnen strijd met de Hethieten, wordt tweemaal melding ge-
maakt van „het land Qarqish." Het was één der landen, die troe-
pen geleverd hadden aan het hethietische leger. Maar het schijnt
gelegen te hebben in Noord-Syrie, zoo niet in Klein-Azië, zoo-
dat het niet gemakkelijk te begrijpen is hoe „de Grirgasiet"
kon gerekend worden onder de zonen van Kanaan, tenzij wij
mogen onderstellen, dat een deel dier bevolking den stroom
der Hethieten gevolgd is en zich gevestigd heeft in Palestina.
De Hivvieten, wier naam volgt op dien der Girgasieten (Gen.
X: 17), zijn eenvoudig de „dorpbewoners" of fellahs, in tegen-
-ocr page 55-
32
stelling met de stedelingen. Zij heeten dus evenzoo als de Fere-
zieten, die genoemd worden in Gen. XV: 20, en wier naam
dezelfde beteekenis heeft. Maar terwijl de Ferezieten bepaalde-
lijk de landelijke bevolking uitmaakten van Zuid-Palestina,
waren dat de Hivvieten van het noorden. Op twee plaatsen
schijnt de naam werkelijk gebruikt te zijn als volksnaam;
eens in Gen. XXXVI: 2, waar wij lezen, dat Ezau zich tot
vrouw nam de kleindochter van „Zibeon den Heviet"; en eens
in Joz. XI: 3, waar melding gemaakt wordt van „de Hevieten
onder aan Hermon, in het land van Mizpa." Maar eene ver-
gelijking van eerstgenoemde plaats met een later gedeelte van het-
zelfde hoofdstuk (vs. 20, 24, 25), bewijst dat „Heviet" een bedor-
ven lezing is voor „Horiet", terwijl het waarschijnlijk is, dat in
Joz. XI: 3 „Hethiet" moet gelezen worden in plaats van „Heviet"\'.
De laatste vier zonen van Kanaan vertegenwoordigen steden,
en geen stammen. Arka, dat Irqat heet op de tafeltjes van Tel
el-Amarna, en nu bekend is als Tel \'Arqa, was een der meer
in het binnenland gelegen steden van Phoenicië, in het gebergte
tusschen den Orontes en de zee. Sin, waarvan Tiglath-pileser
III gewag maakt, is in dezelfde buurt gelegen, evenals Zemar
(nu Sumra), dat, gelijk Arvad (het tegenwoordige Ruad), her-
haaldelijk genoemd wordt in de berichten van Tel el-Amarna.
Het was destijds eene belangrijke phoenicische vesting —
„gelijk een vogel op een rots gezeten" — en stond onder het
bestuur van den landvoogd van Gebal. Arvad was eveneens een
belangrijke plaats als zeehaven, en zijne schepen werden zoo-
wel voor den oorlog als voor den handel gebruikt. Wat Ha-
math betreft (nu Hamah), het Khamat en Amat der assyrische
teksten, het was reeds een stad van den eersten rang in de
dagen der achttiende egyptische dynastie. Thothmes III telt
het onder zijne veroveringen in Syrië, onder den naam Amatu;
en Ramses Hl eveneens. De daar ontdekte hethietische in-
scripties doen ons zien, dat het, evenals Kades aan den Orontes,
eens in de macht der Hethieten kwam.
Ziedaar de volkerenkaart van Palestina in het tijdperk der
aartsvaders. Eanaanieten in de laaglanden, Amorieten en He-
-ocr page 56-
33
thieten in de hooglanden betwistten elkander de opperheer-
schappij. In de woestijn in het zuiden woonden de Amalekieten-
Bedouïnen, altijd gereed om hunne rustige naburen uit te
plunderen en te vermoorden. Het gebergte van Seir was in
het bezit der Horieten, terwijl voorhistorische stammen, die
waarschijnlijk behoorden tot het amoiïetische ras, de hoogvlakte
ten oosten van de Jordaan bewoonden.
Dit was het Palestina waarheen Abraham verhuisde, maar
dat ten gevolge daarvan eene groote verandering zou onder-
gaan. Voordat er vele geslachten waren voorbijgegaan, namen
Moab en Ammon, de kinderen van zijnen neef, de plaats in
van de oude bevolking van het oostelijk tafelland, terwijl Edom
zich vestigde in het gebergte Seir. Nog enkele geslachten ver-
der, en ook Israël trok Kanaan, zijn erfdeel, binnen. De Amo-
rieten werden uitgeroeid of schatplichtig, en de Jordaan- en
Kisonvalleiën werden in bezit genomen door de binnengedron-
gen stammen. De steden, ver in het zuiden des lands, waren
reeds in handen der Philistijnen, en de vreemdelingen uit
Caftor hadden er de Avieten van een vroeger tijdperk ver-
drongen.
Intusschen was het land meer dan eens overstroomd door
vreemde veroveraars. Kanaan was onderworpen geweest aan
Babylonië, en had in ruil voor zijn onafhankelijkheid het ge-
schenk der babylonische beschaving ontvangen. Vervolgens
was het Egypte, dat er binnendrong op zijn tocht ter verove-
ring van Azië, en Kanaiin werd een tijd lang eene egyptische
provincie. Maar de egyptische overheersching nam op haar
beurt een einde, en Palestina werd de prooi van andere in-
dringers : de Hethieten en de Bedouïnen, het volk van Aram
Naharaim en de horden uit het noorden. Egyptenaars en Baby-
loniërs, Hethieten en Mesopotamiërs vermengden zich met de
vroegere bewoners des lands, en wisenten de oude grensschei-
dingen uit. Voordat het tijdperk der aartsvaders ten einde
was, had de volkerenkaart van Kanaan een algeheele verande-
ring ondergaan.
3
-ocr page 57-
HOOFDSTUK III.
De Babyloniërs in Kanaün en de verovering door Egypte.
De eerste schemerachtige aanduidingen van Kanaiin\'s aloude
geschiedenis krijgen wij uit de babylonische stukken in spij-
kerschrift. Babylonië was nog niet onder één hoofd vereenigd.
Van tijd tot tijd stond er een vorst op, wiens veroveringen
hem veroorloofden aanspraak te maken op den titel van „koning
van Sumer en Akkad," van Zuid- en Noord-Babylonie; maar
lang duurde dat nooit, en dikwijls beteekende het niets anders
dan het bezit der opperheerschappij over de andere heerschers
des lands.
Het was in de dagen toen Babylonië aldus verdeeld was in
meer dan één koninkrijk, dat het eerste chaldeeuwsche rijk,
waarvan wij weten, gevormd werd door de militaire bekwaam-
heid van Sargon van Akkad. Sargon was van semietische af-
komst, maar naar het schijnt van nederige geboorte. Aan zijn
vader, Itti-Bel, wordt niet de titel van koning gegeven, en
de latere legenden, die zich om zijnen naam vormden, vertel-
den, dat zijn moeder iemand van geringen stand was, dat hij
niet wist wie zijn vader was, en dat zijns vaders broeder in
het bergland woonde. Heimelijk ter wereld gebracht in de
stad Azu-pirani, „van waar de olifanten voortkomen", werd
hij door zijn moeder in een biezenkistje, dat met pek besmeerd
was, toevertrouwd aan de wateren van den Euphraat. De rivier
-ocr page 58-
35
droeg het kind naar Akki, den Besproeier des land», die mede-
lijden met hem had, en het opvoedde als zijn eigen zoon. Zoo
werd Sargon een landbouwkundige en hovenier, evenals zijn
pleegvader, totdat de godin Istar hem zag en liefkreeg, en
hem zijn koninkrijk en kroon gaf.
Hoe ook in werkelijkheid de geschiedenis mag geweest zijn
van Sargons opkomst, zeker is het, dat hij zich de verkregen
macht waardig betoonde. Hij bouwde zich een hoofdstad; mis-
schien Akkad bij Sippara; en daar legde hij een bibliotheek
aan, die allengs voorzien werd van een goeden voorraad leem-
tafeltjes met de geschriften van verschillende schrijvers. De
standaardwerken over sterrekunde en waarzeggerskunst wer-
den er voor bijeengebracht. Van die over sterrekunde werd
liet eerste geruimen tijd later door Berossus in het grieksch
vertaald. Maar bij het nageslacht bleef de herinnering aan
Sargon voornamelijk leven als veroveraar en als stichter van
het eerste semietische rijk in West-Azië. Hij versloeg zijne mede-
dingers in zijn vaderland, en maakte zich meester van de
heerschappij over Noord-Babylonië. Daarna trok hij naar Elam
in het Oosten, en verwoestte er de velden. Vervolgens wijdde
hij zijn aandacht aan het westen. Viermaal maakte hij een
tocht naar „het land der Amorieten", totdat het ten laatste
volkomen onderworpen was. Zijn laatste veldtocht duurde drie
jaren. De landen „van de zee der ondergaande zon" erkenden
zijne oppermacht, en hij vereenigde ze met zijne vroegere ver-
overingen tot „één enkel" rijk. Aan de kust der Middellandsche
Zee richtte hij standbeelden voor zich op als gedenkteekenen
zijner overwinningen, en door hem was het, dat de berooving
van Cyprus „oversloeg naar de landen der zee." Tegen het
einde zijner regeering brak er in Babylonië een opstand tegen
hem uit, en werd hij belegerd in de stad Akkad; maar hij
„deed een uitval en sloeg" zijn vijanden, en verdelgde hen
geheel. Daarop volgde zijn laatste veldtocht tegen Noord-
Mesopotamië, van waar hij wederkeerde met vele gevangenen
en rijken buit.
Sargon\'s zoon en opvolger was Naram-Sin, „de lieveling
-ocr page 59-
36
van den Maangod\'\', die de veroveringen van zijnen vader
voortzette. Zijn tweede veldtocht was die tegen het land Ma-
gan, onder welken naam Midian en het schiereiland van den
Sinaï aan de Babyloniërs bekend waren. Het gevolg van dezen
veldtocht was, dat hij Magan aan zijn rijk toevoegde en diens
koning gevangen nam.
De kopermijnen van Magan, die vermeld worden in een
oude babylonische geographische lijst, waren oorzaak dat zoo-
wel de Babyloniërs als de Egyptenaren haakten naar het bezit
van dat land. Wij vinden de Pharaos der derde dynastie reeds
bezig bezettingen te leggen en mijnwerkers-koloniën te vestigen
in de provincie Maf kat, zooals zij die noemden, en de Be-
douïnen, die hen dwarsboomden, over de kling te jagen. De
geschiedenis van Naram-Sin bewijst, dat de verovering van
dat gebied eveneens in de bedoeling der babylonische vorsten
lag reeds in het begin hunner geschiedenis. Maar terwijl de
weg van Egypte naar den Sinaï kort en gemakkelijk was,
was die van Babylonië daarheen lang en moeilijk. Voordat
een babylonisch leger het schiereiland kon binnentrekken,
moest het in den rug gedekt zijn tegen Syrië. De verovering
van Palestina was inderdaad noodzakelijk, voordat de koper-
mijnen van Sinaï in het bezit der Babyloniërs konden komen.
Daarom was de bevestiging van Sargon\'s rijk in het westen
noodig, voordat de inval in het land Magan kon plaats hebben,
en bijgevolg bleef die inval weggelegd voor Naram-Sin. De
vader had den weg gebaand; de zoon verwierf den grooten
prijs — de bron van het koper, dat in de oude wereld ge-
bruikt werd.
Het feit dat geheel Syrië in de jaarboeken van Sargon be-
schreven wordt als „het land der Amorieten," toont aan, niet
alleen dat de Amorieten de heerschende bevolking in het land
waren, maar ook dat zij zich tot ver naar het zuiden moeten
uitgebreid hebhen. Het „land der Amorieten" vormde de basis
en het uitgangspunt voor Naram-Sin\'s expeditie naar Magan.
Derhalve moet het zich hebben uitgestrekt tot de zuidelijke
grens van Palestina, zooal niet verder. De weg, waarlangs
-ocr page 60-
37
zijne legers optrokken, moet wel dezelfde geweest zijn als die
waarlangs later Kedor-Laomer trok, en moet hem gevoerd
hebben door Kades-Barnea. Waren de Amorieten misschien
reeds in het bezit van het bergland waarin Kades lag, en was
dit wellicht hun meest zuidelijk gelegen gebied?
Er waren, behalve de algemeene naam van „het land der
Amorieten," nog andere namen waaronder Palestina en Syrië
aan de oude Babyloniërs bekend waren. Een van die was
Tidanum of Tidnum; een andere was Sanir of Shenir; en dan
nog een, waarvan de lezing onzeker is; misschien Khidhi of Titi.
Mr. Boscawen heeft gewezen op eene bij zonderheid, die zeer
zeker eenige aandacht verdient. De eerste babylonische vorst, die
doordrong in het schiereiland van den Sinaï, droeg een naam,
samengesteld met dien van den Maangod, en daarin hebben
wij een getuigenis van eene bijzondere vereering van die god-
heid. Nu is de naam van den berg Sinaï eveneens afgeleid
van dien van den babylonischen Maangod Sin. Het was de
hooggelegen plaats, waar de god van oude tijden af moet zijn
aangebeden geweest onder zijnen babylonischen naam. Dat
wijst dus op babylonischen invloed, zoo niet op de aanwezig-
heid van Babyloniërs op die plaats. Zou het ook kunnen zijn,
dat de berg, waar de God van Israël zich later openbaarde
aan Mozes, door Naram-Sin, den chaldeeuwschen veroveraar,
gewijd was aan den Maangod van Babel?
Indien dat werkelijk het geval was, zou het meer dan twee-
duizend jaren vóór den uittocht van Israël geweest zijn. Na-
bonedes, de laatste koning van het latere babylonische rijk,
die een voorliefde had voor oudheidkundige onderzoekingen,
deelt ons mede, dat Naram-Sin 3200 jaren vóór hem regeerde,
d. i. dus ongeveer 3750\' v. Chr. Die tijdsopgave, hoe buiten-
gewoon zij ook schijnt te zijn, wordt door andere getuigenissen
bevestigd, en zoo zijn de Assyriologen er toe gekomen, haar als
bij benadering nauwkeurig te aanvaarden.
Hoe lang Syrië een deel van het rijk van Sargon van
Akkad bleef, weten wij niet. Maar het moet lang genoeg zijn
geweest om er de babylonische beschaving in te voeren. De
-ocr page 61-
38
kleine steenen cylinders, die door de Babyloniërs gebruikt wer-
den, om er hun leemen documenten mede te zegelen, werden
op die wijze bekend aan de volken van het Westen. Meer dan
een, tehuis behoorend in den tijd van Sargon en Naram-Sin,
is er in Syrië en op Cyprus gevonden; terwijl er een groot
getal andere bestaan, die de meer of minder goedgeslaagde
proeven zijn der inwoners des lands om de babylonische origi-
neelen na te maken. Maar die namaaksels bewijzen, dat met
den val van Sargon\'s rijk het gebruik der zegel-cylinders in
Syrië, en bijgevolg van gezegelde documenten, niet verdween.
Die schrijfkunst, een der kenmerken van babylonische be-
schaving, moet tegelijk met deze zijn overgebracht naar de
kusten der Middellandsche Zee.
Op de zegel-cylinders waren soms figuren van menschen en
goden, soms alleen zinnebeeldige teekenen gegraveerd. Zeer
dikwijls werden er regels in spijkerschrift bijgevoegd, en een
gewone formule gaf den naam op van den eigenaar van het
zegel, tegelijk met dien van zijnen vader en van de godheid
welke hij diende. Een van de op Cyprus gevonden zegel-cy-
linders beschrijft den eigenaar als een aanbidder van „den
god Naram-Sin." Wel is waar blijkt uit de bewerking ervan,
dat het zegel behoort tot een veel lateren tijd dan dien van
Naram-Sin; maar het opschrift bewijst toch óók, dat de naam
van den veroveraar van Magan nog voortleefde in het westen.
Een andere cylinder, in den Libanon gevonden, spreekt van
„den god der Amorieten\'\', terwijl een derde, eveneens vandaar
afkomstig, het opschrift draagt: „Multal-ili, de zoon van Ili-
isme-anni, de dienaar van den god Nin-si-zida." De naam van
dezen god beteekende in de oude vöör-semietische taal van
Chaldaea: „de heer van den rechtopstaanden hoorn", terwijl
het der vermelding waard is, dat de namen van den eige-
naar en van zijn vader eenvoudig zijn samengesteld met het
woord Ui of el, „god", en niet met den naam van een of andere
bepaalde godheid. Multal-ili beteekent: „Voorzienend is God",
Ui-isme-anni: „O, mijn God, hoor mij!"
Vele eeuwen moeten voorbijgaan, voordat de gedenkteekenen
-ocr page 62-
39
van Babylonië wederom licht doen opgaan over de geschiede-
nis van Kanaan. Omtrent 2700 voor Chr. regeerde een hooge-
priester in een stad van Zuid-Babylonië, onder de suzereini-
teit van Dungi, den koning van Ur. Des hoogepriesters naam
was Gudea, en zijn stad (nu Tel-loh genoemd door de Ara-
bieren) was bekend als Lagas. De door de Sarzec hier gedane
opgravingen hebben tempels en paleizen, verzamelingen van
leemen boeken en gebeeldhouwde steenen standbeelden aan het
licht gebracht, wier oudheid opklimt tot de vroegste geschiedenis
van Babylonië. Het grootste en beste deel der gedenkteekenen
heeft betrekking op Gudea, die het grootste gedeelte van zijn
leven schijnt besteed te hebben aan het bouwen en herstellen
van de heiligdommen der goden. Uit dioriet gemaakte stand-
beelden van den vorst bevinden zich thans in het Louvre, en
de inscripties, die er op worden aangetroffen, maken het zeker,
dat het steen waarvan ze gemaakt zijn, aangevoerd was uit
het land Magan. Op den rand van een der beelden staat de
platte grond van het koninklijk paleis, met de schaal der af-
metingen er bij aangegeven op den hoek van een soort teeken-
bord. Prof. Petrie heeft aangetoond dat de eenheidsmaat, die
er op voorkomt, de el is van de bouwmeesters der pyramiden
van Egypte.
Het dioriet van Sinaï was niet het eenige materiaal dat in
Babylonië werd ingevoerd voor de gebouwen van Gudea. Balken
van cederhout en van den busboom ]) werden aangevoerd van den
berg Amanus, boven aan de golf van Antiochië; steenblokken wer-
den over den Euphraat verscheept van Barsip bij Karchemis;
stofgoud kwam van Melukhkha, de „zouf\'-woestijn in het oosten
van Egypte, in het Oude Testament Havila genoemd2); koper
werd gebracht uit het noorden van Arabië; kalksteen van den Li-
banon („de bergen van Tidanum"), en een andere steensoort van
1)   Busboom komt tweemaal voor in onze Stat. Vert. (Jes. XLI: 10;
LX: 13). Het is waarsohijnlijk een palmsoort.
                           Vert.
2)   Gen. 11:11 o. a. wordt gesproken van »het land van Havila...
waar het goud is."
                                                                    Vert.
-ocr page 63-
40
Subsalla, in de bergen van het land der Amorieten. Voordat
balken en steenen aldus uit het verre Westen konden worden
aangevoerd, moet er al lang een geregeld handelsverkeer bestaan
hebben tussehen Babylonië en de landen aan de Middellandsche
Zee, moeten er goede en talrijke wegen door West-Azië ge-
weest zijn, en moet babylonische invloed wijd en zijd zich
hebben doen gelden. De veroveringen van Sargon en Naram-Sin
hebben vruchten gedragen voor den handel der volgende tijden.
Wederom valt het gordijn, en Kanaiin wordt voor een tijd
aan ons oog onttrokken. Babylonië is een vereenigd koninkrijk
geworden, met Babyion tot hoofdstad en middelpunt. Kham-
murabi (2356—2301 v. Chr.) is er in geslaagd, de suzereini-
teit van Elam af te schudden, door zijn mededinger Eri-Aku,
koning van Larsa, met zijne elamietische bondgenooten te ver-
slaan, en zichzelf tot alleenheerscher van Babylonië te maken.
Zijn geslacht schijnt gedeeltelijk, zoo niet geheel, van Zuid-
arabische afkomst geweest te zijn. Hunne namen zijn eerder
arabisch dan babylonisch, en den babylonischen schrijvers viel
het moeilijk ze nauwkeurig over te schrijven. Maar eenmaal
in het bezit van den babylonischen troon, zijn ze geheel en
al Babyloniërs geworden, en onder Khammurabi is de letter-
kundige roem van het hof van Sargon van Akkad weder
herleefd.
Ammi-satana, de achterkleinzoon van Khammurabi, noemt
zichzelf koning van „het land der Amorieten". Babylonië maakte
derhalve nog aanspraak op het oppergezag in Palestina. Zelfs
de naam des konings is een aanduiding van zijne betrekkingen
met het westen. Geen der bestanddeelen waaruit hij is samen-
gesteld behoorde tot de babylonische taal. Het eerste gedeelte
ervan, Ammi, werd door de babylonische taalkundigen ver-
klaard als beteekenend „een geslacht", maar het is waarschijn-
lijker dat het de naam van een god is. Wij treffen hem aan
in de eigennamen, beide van Zuid- en van Noordwestelijk
Arabië. De oude Minaeïsche inscripties van Zuid-Arabië bevat-
ten namen zooals Ammi-Karib, Ammi-Zadiga, en Ammi-Zadaq.
De laatste van deze is dezelfde als die van Ammi-Zaduq, den
-ocr page 64-
41
zoon en opvolger van Ammi-satana. De Egyptenaar Sinuhit,
die ten tijde der twaalfde dynastie het hof van Pharao ont-
vlnchtte, evenals Mozes, om zijn leven te redden, en die naar
de Kadmonieten ging ten oosten van de Jordaan, vond bescher-
ming bij hen door bemiddeling van hun opperhoofd Arnrnn-
anshi. De Ammonieten zelve waren de „zonen van Ammi",
en in talrijke hebreeuwsche namen vinden wij dien van den
god. Ammi-el, Ammi-nadab, en Ammi-saddai worden in het
Oude Testament vermeld. De assyrisehe inscripties maken ge-
wag van Ammi-nadab, den koning van Ammon, en het is
mogelijk, dat zelfs de naam van Balaam, den arameesohen
ziener, samengesteld is met dien van den god. In ieder geval
lag de stad Pethor, waar hij vandaan kwam, „aan de rivier (de
Euphraat) van het land der kinderen van Ammo"; want zöö
moeten de hebreeuwsche woorden letterlijk vertaald worden \').
Ammi-satana was niet de eerste van zijn geslacht, wiens
gezag in Palestina erkend werd. De inscriptie, waarin hij het
feit vermeldt, is slechts een bevestiging van hetgeen wij al
lang wisten uit het boek Genesis. Daar lezen wij, hoe Kedor-
Laomer, de koning van Elam, met de drie van hem afhanke-
lijke vorsten, Arioch van Ellasar, Amrafel van Sinear, en Tideal
der Goiim (der volken), een inval deed in Kanaiin, en hoe de
koningen van het dal Siddim, dat „vol lijmputten" was, hem
schatplichtig waren. Dertien jaren bleven zij onderdanig, maar
toen kwamen zij in opstand. Daarop trok het babylonische leger
wederom naar het westen. Basan en de oostelijke oever der
Jordaan werden onderworpen, de Horieten in het gebergte Seïr
werden verslagen, en toen trokken de aanvallers terug door
Kades-Barnea, onderweg de Amalekieten en de Amorieten ten
onder brengend. Daarop volgde de strijd in het dal Siddim,
die eindigde met de nederlaag der Kanaanieten, den dood der
koningen van Sodom en Gomorra, en het buitmaken van
1) Num. XXII: 5, waarvan bepaaldelijk bedoeld zijn do woorden:
«Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns
volks."
                                                                                       Vert.
-ocr page 65-
42
„al de have en al hunne spijze." Onder de gevangenen was
Lot, de neef van Abram; en om hem te bevrijden, wapende
de aartsvader zijn onderhoorigen, en vervolgde de overwin-
naars. Nabij Damascus achterhaalde hij hen, en hen des nachts
overvallende, heroverde hij den buit van Sodom en tevens zijns
broeders zoon met zijne have.
Arioch is de Eri-Aku der teksten in spijkerschrift In de
oude taal van Chaldaea beteekende de naam „dienaar van den
Maangod." De koning is ons welbekend door inscripties uit
denzelfden tijd. Behalve de baksteenen met opschriften, af-
komstig van den door Arioch vergrooten tempel van den Maan-
god in de stad Ur, bestaan er talrijke contract-tafeltjes, die
dagteekenen uit den tijd zijner regeering. Hij verhaalt ons,
dat hij de zoon was van een Elamiet, Kudur-Mabug, zoon van
Simti-Silkhak, en vorst (of „vader") van Yamut-bal, aan de
grenzen van Elam en Babylonië. Maar dat is nog niet alles.
Hij geeft Kudur-Mabug ook den titel van „vader van het
Amorietenland". Wat met dezen titel eigenlijk bedoeld wordt,
is moeilijk te zeggen; één ding echter is zeker, te weten dat
Kudur-Mabug op een of andere wijze macht en gezag moet
gehad hebben in het verre westen.
Ook zijn naam is merkwaardig. Namen, samengesteld met-
Kudur, „een dienaar", waren in de elamietische taal iets zeer
gewoons, en wel zóó dat dan het tweede gedeelte van den
naam die van een godheid was, aan wier dienst de drager
van den naam zich gewijd had. Zoo hebben wij Kudur-Laga-
mar, „de dienaar van den god Lagamar", Kudur-Nakhkhunte,
„de dienaar van Nakhkhunte." Mabug echter was geen ela-
mietische, maar een mesopotamische god, naar wien de stad
Mabug bij Karchemis, door de Grieken Bambykê geheeten, en
door de Arabieren gehouden voor dezelfde plaats als hun
Membij, „een bron", genoemd was.
De hoofdstad van Arioch of Eri-Aku was Larsa, de stad
van den Zonnegod, nu Seukereh geheeten. Met de hulp van
zijne elamietische verwanten, breidde hij vandaar zijne macht
uit over het grootste deel van Zuid-Babylonië. De oude stad
-ocr page 66-
43
Ur, eens de zetel van de regeerende dynastie van chaldeeuwsche
koningen, maakte een deel uit van zijn gebied. Ni pur, thans
Niffer, viel hem in handen, evenals de zeehaven Eridu aan
de kust der Perzische Golf; en op een zijner inscripties ver-
meldt hij zijne verovering van „de oude stad Erech" als een
roemrijk feit. Ter herinnering aan den dag harer inname
bouwde hij uit dankbaarheid een tempel voor zijnen god Ingi-
risa, „voor de bewaring van zijn leven."
Maar zijn god beschermde hem niet voortdurend. Er kwam
een tijd dat Khammurabi, koning van Babel, in opstand kwam
tegen de elamietische overheersching, en de legers der Ela-
mieten uit zijn land verdreef. Eri-Aku werd aangevallen en
verslagen, en zijne steden vielen den overwinnaar in handen.
Khammurabi werd alleenheerscher over Babylonië, dat van toen
af onder één scepter vereenigd bleef.
Moeten wij in den Amrafel van Genesis den Khammurabi
der spijkerschrift-inscripties zien? Het verschil van namen
schijnt het onmogelijk te maken. Bovendien wordt ons ver-
haald, dat Amrafel koning van Sinear was, en het is niet
zeker dat het Sinear van het veertiende hoofdstuk van Genesis
dat deel van Babylonië was, hetwelk Babel tot hoofdstad had.
Zöö was werkelijk de indeeling van het noordelijk deel des
lands, en indien wij het bijbelsche Sinear moeten houden voor
het Sumer der gedenkteekenen, zooals sommige Assyriologen
aannemen, dan zou Sinear de zuidelijke helft geweest zijn. In
de latere tijden der Hebreeuwsche geschiedenis moge met Si-
near de geheele vlakte van Chaldaea bedoeld zijn, met de stad
Babel erbij ; maar dat zal wel een uitbreiding der beteekenis
van die benaming geweest zijn, op dezelfde wijze als wij daar-
van een voorbeeld zagen in den naam Kanaan.
Tenzij Sumer en Sinear dezelfde woorden zijn, is er buiten
het Oude Testament slechts één Sinear bekend in de oude
aardrijkskunde. Dat was in Mesopotamië. De grieksche geogra-
fen noemden het Singara (thans Sinjar^l, een oase in het midden
der woestijn, en gevormd door eene afgezonderde bergstreek
met een overvloed van bronnen. In de annalen van den Egyp-
-ocr page 67-
II
tischen veroveraar Thothmes III wordt er reeds melding van
gemaakt. In zijn drieëndertigste jaar (1470 v. Chr.) zond de
koning van Sangar hem schatting, bestaande in lazuursteen
„van Babel\'\', en verschillende daaruit vervaardigde voorwer-
pen. Van Sangar werden ook paarden uitgevoerd naar Egypte,
en in een der brieven van Tel el-Amarna schrijft de koning
van Alasiya in Noord-Syrië aan den Pharao: „Stel mij niet
gelijk met den koning der Hethieten en den koning van San-
khar; wat voor geschenken zij mij ook mogen gezonden heb-
ben, ik zal u het dubbele weder geven." In het hieroglyphen-
en spijkerschrift zijn Sangar met Sankhar gelijk aan het he-
breeuwsche Sinear.
Hoe de naam Sinear van Mesopotamië naar Babylonië werd
overgebracht, is een raadsel. Het mesopotamische Sinear ligt
nergens bij de baby Ionische grens. Het Ugt in een rechte lijn
westelijk van Mosul en het oude Nineve, en niet ver van de
oevers van den Khabur. Kan het misschien tengevolge van
verwarring van Sumer met Sangar zijn, dat het met Babylonië
wordt verbonden?
Hoe dat ook te verklaren zij, het is duidelijk dat de ligging
van het koninkrijk van Amrafel in geen geval zoo gemakke-
lijk bepaald kan worden als men tot nu toe gemeend heeft.
Het kan zijn Sumer of Zuid-Babylonië; het kan ook zijn Noord -
Babylonië, met zijn hoofdstad Babel; maar ook kan het zijn
de mesopotamische oase Sinjar. Indien wij den naam van
Amrafel niet vinden in de spijkerschriftteksten, is het onmoge-
lijk zekerheid te verkrijgen.
Er is evenwel één feit, hetwelk schijnt aan te duiden, dat inder-
daad Sumer of Noord-Babylonië bedoeld is. Het verhaal van
Kedor-Laomer\'s veldtocht begint met de woorden, dat hij „ge-
schiedde in de dagen van Amrafel, den koning van Sinear".
Kedor-Laomer was de leider der expeditie; hij was bovendien
de suzerein zijner bondgenooten; en in weerwil daarvan wordt
als tijdstip van den veldtocht aangegeven, niet de tijd van zijne
regeering, maar van een der van hem afhankelijke koningen.
Er bestaat weinig reden om er aan te twijfelen, dat het ver-
-ocr page 68-
45
haal ontleend is aan de babylonische jaarboeken; en zoo zou
dan uit de tijdsopgave volgen, dat Amrafel een babylonisehe
vorst was, misschien de bestuurder der stad, die, van de dagen
van Khammurabi af, de hoofdstad des lands is geweest. In dat
geval zouden wij een sleutel hebben ter verklaring van den
verschillenden vorm van \'s konings naam in het hebreeuwsch
en in het babylonisch.
Lagamar of Lagamer, in het hebreeuwsch Laomer geschreven,
was een der voornaamste godheden van Elam, en de Babylo-
niers hielden hem voor een zoon van hun eigen riviergod Ea.
T)e elamietische koning Kedor-Laomer, of Kudur-Lagamar, zooals
zijn naam wordt geschreven in zijn eigen taal, moet verwant
zijn geweest aan den elamietischen vorst Kudur-Mabug, wiens
zoon Arioch een afhankelijke bondgenoot was van den elamieti-
schen monarch. Misschien waren zij broeders, van wie de jongste
als zijn aandeel in de heerschappij den titel van „vader" —
niet „koning" — van Yamutbal en het land der Amorieten
ontving. In ieder geval is het een zoon van Kudur-Mabug, en
niet van den elamietischen vorst die een vorstendom in Baby-
lonië krijgt.
In het boek Genesis wordt Arioch „koning van Ellasar"
genoemd. Maar Ellasar is duidelijk het Larsa der inscripties
in spijkerschrift, misschien met het woord al, „stad", er voor-
gevoegd. Larsa, het tegenwoordige Senkereh, lag in Zuid-Ba-
bylonië, aan den oostelijken oever van den Euphraat, niet ver
van Erech, en in het noorden van Ur. Zijn koning was rech-
tens heer van Sumer, maar hij maakte er aanspraak op, ook
heer van het noorden te zijn. In zijn opschriften neemt Eri-
Aku den titel aan van „koning van Sumer en Akkad", d. i.
van beide deelen van Babylonië, en het is mogelijk, dat er een
tijd geweest is waarin zijn mededinger, de koning van Babel,
zijne opperheerschappij erkende.
Wie „Tideal, de koning der Goiim (der volken)" mag geweest
zijn, kunnen wij niet zeggen. De heer Henry Eawlinson heeft
voorgesteld, in Goiim een vervorming van Gutium te zien, de
naam onder welken Kurdistan bekend was in \'t oude Baby-
-ocr page 69-
40
lonië. Mr. Pinches heeft onlangs een tafeltje in spijkerschrift
ontdekt, waarop melding wordt gemaakt, niet alleen van Eri-
Aku en Kudur-Lagamar, maar ook van Tudkhul; en Tudkhul
zou een nauwkeurige overzetting in het Babylonisch zijn van
het hebreeuwsche Tideal. Maar het tafeltje is geschonden, en
het is nog niet zeker of het betrekking heeft op het verhaal
van Genesis. Voor het oogenblik moeten wij derhalve Tideal
onverklaard laten.
De naam van een der kanaanietische koningen, die verslagen
werden door het baby Ionische leger, heeft zijn bevestiging
gevonden in een inscriptie in spijkerschrift. Dat is de naam
van „Sinab, koning van Adama." Wij hooren door Tiglath-
Pileser III van Sanibu, koning van Ammon; en Sanibu en
Sinab is dezelfde persoon. De oude naam van den koning van
Adama was aldus vereeuwigd aan de oostzijde der Jordaan.
Het is mogelijk, dat de „lijmputten" van Siddim begeerd
werden door de babylonische koningen. Asphalt werd ook wel
in Babylonië zelf gevonden bij Hit; maar indien Amiaud gelijk
heeft, dan was een der dingen die van buitenslands voor Grudea
van Lagas werden ingevoerd, juist asphalt. Het kwam van
Madga, dat beschreven wordt als liggende „in de bergen van
de rivier Grur(?)ruda\'\'. Maar nergens anders in de spijkerschrift-
literatuur wordt die plaats vermeld.
Toen Abram terugkeerde met de gevangenen en den buit
van Sodom, toog de nieuwe koning uit, hem tegemoet „tot het
dal Schave, dat is het dal des konings." Dat was in de onmid-
dellijke nabijheid van Jeruzalem, zooals wij kunnen opmaken
uit do geschiedenis van Absalom (2 Sam. XVIII: 18). In over-
eenstemming daarmede lezen wij verder, dat terzelfder tijd
„Melchizedek, koning van Salem", en „priester des allerhoog-
sten Grods", „voortbracht brood en wijn", en den hebreeuwschen
overwinnaar zegende, die daarop hem tienden gaf en al
den buit.
Niet voordat de tafeltjes in spijkerschrift van Tel el-Amarna
ontdekt en ontcijferd zijn geworden, is de geschiedenis van
Melchizedek opgehelderd en verklaard. Tot hiertoe scheen zij
-ocr page 70-
47
alleen te staan. De critici hadden de geloofwaardigheid er van
betwist, en hadden geloochend dat zelfs de naam van Jerusa-
lem of Salem bekend was vóör Davids tijd. Maar de gedenk-
teekenen zijn ons te hulp gekomen, en hebben doen zien, dat
de critiek, en niet de bijbelsche schrijver gedwaald heeft.
Verscheidene van de belangrijkste brieven van Tel el-Amarna
werden geschreven aan den Pharao Amenophis IV, Khu-n-Aten,
door Ebed-Tob den koning van Jeruzalem. Niet alleen is daar
de naam TJru-salim of Jeruzalem de eenige die gebruikt wordt,
maar de stad zelve is reeds een der belangrijkste vestingen
van Kanaan. Zij was de hoofdstad van een groote landstreek,
die zuidwaarts zich uitstrekte tot aan Keilah en den Karmel
van Juda. Zij beheerschte den toegang tot het dal Siddim; en
in een zijner brieven spreekt Ebed-Tob ervan, dat hij de
groote wegen heeft hersteld, niet alleen in de bergen, maar
ook in den Kikar of „vlakte" der Jordaan (Gen. XIII: 10).
Naar het bezit van Jeruzalem waren de vijanden van Ebed-
Tob, die hij eveneens de vijanden van den egyptischen koning
noemt, zeer begeerig.
Nu verklaart Ebed-Tob keer op keer, dat hij geen egyptisch
stadhouder, maar een schatplichtig bondgenoot en vasal van
den Pharao is; en dat hij zijn koninklijke macht niet erfelijk
van zijnen vader of van zijne moeder had ontvangen, maar door
den arm (of het orakel) van „den Machtigen Koning." Daar
„de Machtige Koning" door Ebed-Tob onderscheiden wordt van
den „grooteu Koning" van Egypte, moeten wij in hem den
God zien, dien Ebed-Tob diende, de „allerhoogste God" van
Melchizedek, en de prototype van „den Sterken God" van Jesaia
(Jes. IX : 5.) Het is dezelfde machtige Koning, zoo verzekert
Ebed-Tob den Pharao in een anderen brief, die de zeemacht
van Babylonië en Aram-Naharaim zal verslaan.
Hier dus, in de vijftiende eeuw vóör onze jaartelling, hebben
wij een Koning van Jeruzalem, die zijn koninklijke waardig-
heid verschuldigd is aan zijnen God. Hij is inderdaad priester
zoowel als koning. Zijn troon verkreeg hij niet als erfgoed;
wat zijn koninklijk ambt betreft, is hij, evenals Melchizedek,
-ocr page 71-
48
zonder vader en zonder moeder. Tusschen Ebed-Tob en Mel-
chizedek bestaat meer dan overeenkomst alleen; er is een tref-
fende en verrassende gelijkenis. In de beschrijving, door Ebed-
Tob van hem gegeven, hebben wij de verklaring van \'t geen ons
zoo lang raadselachtig was in den persoon van Melchizedek.
De oorsprong van den naam Jeruzalem is nu eveneens op-
gehelderd. Het was geen uitvinding van Davids tijd; integen-
deel, hij klimt op tot het tijdperk, toen er verkeer was tusschen
Babylonië en Kanaan. Op de spijkerschrift-inscripties wordt hij
geschreven Uru-Salim, „de stad van Salim\'\', den God des
vredes. Een der tafeltjes van de bibliotheek van Mneve heeft
ons lang geleden er over ingelicht, dat in een der aan de
Babyloniërs bekende talen Urn hetzelfde beteekende als het
babylonische alu, „een stad"; en wij weten nu, dat deze taal
die van Kanaan was. Het zou zelfs den schijn kunnen hebben,
dat het woord oorspronkelijk van Babylonië zelve was ovcr-
gebracht, in de dagen toen babylonische schrijfkunst en be-
schaving pas waren doorgedrongen tot het westen. In de
sumerisehe of vóór-semietische taal van Chaldaea beteekende eri
„stad", en eri werd naar de uitspraak der Semieten urn. Zoo
kwam het, dat Uru of Ur, de geboorteplaats van Abraham,
zijn naam ontving in een tijd toen het de heerschende stad
van Babylonië was; en ofschoon de semietische Babyloniërs
zelven nooit het woord gebruikten in het dagelijksch leven,
vond het zijn weg naar Kanaan.
Het ontstaan van de „stad" in het westen maakte een deel
uit van die babylonische beschaving, welke werd overgebracht
naar de kust der Middellandsche Zee, en zoo was het woord,
waardoor de „stad" werd aangeduid, ontleend aan de oude
taal van Chaldaea, op dezelfde wijze als het woord voor
„paleis", h ê k a 1, het sumerisehe <"-</al, of „Groot Huis" was.
Het is opmerkenswaardig, dat ook de naam Haran, de rust-
plaats van Abraham op zijn weg van Ur naar Palestina, het
huis als het ware halverwege tusschen Oosten en Westen, is
afgeleid van een sumerisch woord, dat „de heirweg" betee-
kent. Haran en U r waren twee der geschenken, die van
-ocr page 72-
49
hen, die de oorspronkelijke taal van Chaldea spraken, hun weg
vonden naar Kanaan.
Wij kunnen nu begrijpen waarom Melchizedek „koning
van Salem" genaamd werd. Zijn hoofdstad kon beschreven
worden óf als Jeru-salem óf als de stad Salem. En dat zij
dikwijls alleen als Salem werd aangeduid, wordt bewezen door
de egyptische monumenten. Een der steden van Zuid-Palestina,
welker verovering door Eamses II wordt voorgesteld op de
muren van het Ramesseum te Thebe, is Shalam of Salem, en
„het gebied van Salem" wordt vermeld als gelegen tusschen
„het land van Hadasa" (Jos. XV: 37) en „het gebied der
Doode Zee" en „der Jordaan", op de lijst der plaatsen, die
Ramses III te Medinet Habu zelf beschrijft als door hem ver-
overd in hetzelfde gedeelte der wereld. .
Het is mogelijk dat Jesaia zinspeelt op den ouden naam
van Jeruzalem, als hij den Messias den titel geeft van „Vrede-
vorst". Maar in ieder geval geeft het feit dat Salim, de god
des vredes, de beschermgod van Jeruzalem was, een bijzondere
beteekenis aan Melchizedek\'s handelwijze met Abram. De aarts-
vader was in vrede teruggekeerd van een tocht waarop hij
de aanvallers van Kanaan verslagen had; hij had den vrede
hersteld in het land van den priester-koning, en diens vijanden
verdreven. De aanbieding van brood en wijn was van Mel-
chizedek\'s kant een teeken dat hij bevrijd was van den vijand,
en een bewijs van dankbaarheid jegens den bevrijder, terwijl
de tienden, die door Abram gegeven werden, eveneens een
teeken waren dat de vrede weder in het land hersteld was.
De naam van Salim, den god des vredes, was onder den een
of anderen vorm wijd verbreid in de semietische wereld. Sala-
manu, of Solomon, was de koning van Moab ten tijde van
Tiglath-pileser III; de naam van Salmaneser van Assyrië
wordt in het spijkerschrift geschreven Salman-asarid, „de god
Sulman is opperhoofd"; en een der brieven van Tel el-Amarna
werd gezonden door Ebed-Sullim, „de dienaar van Sullim",
die landvoogd van Hazor was. In een der assyrische steden
(Dimmen-Salim, „de hoeksteen des vredes") werd de god „Sul-
4
-ocr page 73-
man de visch" vereerd. Wij moeten ook niet vergeten, dat
„Salma de vader der Bethlehemieten" was (1 Chron. II: 51).
In den tijd der verovering van Kanaan door Israël was
Adoni-Zedek de koning van Jeruzalem (Jos. X: 1). Deze naam
is gelijk aan dien van Melchizedek, ofschoon de nauwkeurige
verklaring ervan twijfelachtig is. Hij wijst echter op een be-
paald gebruik van het woord „zedek", „rechtvaardigheid", en
daarom is het van belang dat wij het woord werkelijk ge-
bruikt vinden in een der brieven van Ebed-Tob. Hij zegt daar
van den Pharao: „Zie, de koning is rechtvaardig (zaduq) jegens
mij." Wat het nog opmerkelijker maakt dat wij het woord aan-
treffen, is dat het geheel onbekend was aan de Babyloniërs. De wor-
tel zadaq, „rechtvaardig zijn", bestond niet in de assyrische taal.
Er is nog een ander punt in de geschiedenis der ontmoeting
van Abram en Melchizedek, dat niet moet worden voorbijge-
zien. Toen de aartsvader wederkeerde uit den strijd tegen de
vijanden, ontmoette hem buiten Jeruzalem niet alleen Melchi-
zedek, maar ook de nieuwe koning van Sodom. Derhalve
bevond zich de pas aan het bewind gekomen vorst in de
bergen en in de schaduw van den allerhoogsten God, en niet
in het dal Siddim. Wijst dat er niet op, dat de koning van
Jeruzalem reeds dezelfde heerschappij uitoefende over het om-
•liggende land als Ebed-Tob in de eeuw vóór den uittocht?
Zooals wij gezien hebhen, schrijft Ebed-Tob van zichzelf, dat
hij de wegen herstelde in de „Kikar" of „vlakte", waarin
Sodom en Gomorra lagen. Daaruit schijnt te blijken, dat de
priester-koning van de groote vesting in de bergen reeds erkend
werd als de opperste heerscher der Kanaanieten, en dat de
naburige vorsten hem moesten huldigen bij het aanvaarden
hunner regeering. Dat zou een reden te meer zijn geweest,
waarom Abram hem tienden gaf.
Lang na de nederlaag van Kedor-Laomer en zijn bondge-
nooten bracht Abraham, volgens de bijbelsche voorstelling,
weder een bezoek aan Jeruzalem. Doch hij was toen niet meer
„Abram de Hebreër", de bondgenoot van de amorietische opper-
hoofden in de vlakte van Mamre, maar bij was geworden
-ocr page 74-
51
Abraham, de vader van het volk der belofte. Izaak was ge-
boren, en aan Abraham werd bevolen, zijn zoon den Heere te
offeren „op een der bergen in het land Moria." Daar werd op
het laatste oogenblik tot hem gezegd: „strek uwe hand niet
uit aan den jongen", en een ram werd in de plaats gesteld
van het menschen-offer. „En Abraham noemde den naam
van die plaats Jahveh-Yireh; waarom heden ten dage gezegd
wordt: Op den berg des Heeren zal het voorzien worden."
(Gen. XXII: 14). Volgens den hebreeuwschen tekst der Chro-
nieken (2 Chron. III: 1) was deze berg des Heeren, waar
Abraham zijn offer bracht, de tempelberg te Jeruzalem. De
in Genesis vermelde spreekwijze schijnt te wijzen op hetzelfde
feit. Bovendien zou de afstand van Ber-seba tot den berg —
drie dagreizen — dan ook de afstand zijn van Jeruzalem tot
de plaats vanwaar Abraham gekomen was.
Het is zelfs mogelijk, dat wij in den naam Jahveh-Yireh een
toespeling hebben op het eerste gedeelte van den naam Jeru-
salem. Het woord uru, „stad", werd yeru of yiru in de he-
breeuwsche uitspraak, en tusschen dit woord en yireh is het
verschil niet groot. Jahveh-Yireh, „de Heer ziet", zou dus ook
kunnen vertaald worden „de Heer van Yeru."
De tempelberg heette uitdrukkelijk „de berg des Heeren."
In Ezechiel (XLIII: 15) wordt het altaar, dat er op stond,
Har-el genoemd, „de berg van God." Deze benaming herinnert
ons aan Babylonië, waar de troon der genade van den grooten
tempel van Bel-Merodach te Babel Du-azagga, „de heilige
heuvel", heette. Op dezen „zetel der orakels", zooals het ge-
noemd werd, plaatste de god zich op den troon bij het begin
van ieder jaar, en maakte zijnen wil bekend aan de menschen.
Maar de troon werd alleen „de heilige heuvel" genoemd omdat
hij een afbeelding op kleine schaal was van „de heilige heu-
vel", op welken de gansche tempel gebouwd was. Zoo werd ook
het altaar te Jeruzalem „de berg van God" genoemd door Eze-
chiel, alleen omdat het den grooteren „berg des Heeren" ver-
tegenwoordigde waarop het gebouwd was. De tempelberg zelf
was de oorspronkelijke Har-el.
-ocr page 75-
/
52
De lijst van veroverde plaatsen in Palestina, te Karnak
door Thothmes III opgeteekend, legt indirect getuigenis af
van hetzelfde feit. De naam van Babba in Juda wordt daar
onmiddellijk voorafgegaan door dien van Har-el, „de berg van
Grod." Voor de ligging van dit Har-el wordt een plaats aan-
gewezen, die ons juist in dezelfde bergstreek brengt, in het
midden waarvan Jeruzalem lag. Wij weten nu, dat Jeruzalem
reeds een belangrijke stad was in den tijd der achttiende egyp-
tische dynastie, en dat het een der door Egypte veroverde
plaatsen was. Het zou dus wel vreemd zijn, indien de samen-
steller van die lijst daarop geen acht geslagen had. Mogen wij
in het Har-el van den egyptischen schrijver dan ook niet den
heiligen berg der israelietische geschiedenis zien?
Er is een plaats in een der brieven van Ebed-Tob, die nog
meer licht kan doen opgaan over de geschiedenis van den
tempelberg. Ongelukkigerwijze is een der daarop voorkomende
spijkerschrift-figuren slecht gevormd, zoodat de lezing ervan
niet vaststaat, en nóg ongelukkiger is juist die figuur een der
gewichtigste in de geheele paragraaf. Indien Dr. Winckler en
ik zelf het goed hebben afgeschreven, dan spreekt Ebed-Tob
van „de stad van den berg van Jeruzalem, de stad van den
tempel van den god Mnip, (wiens) naam (aldaar) Salim is, de
stad des konings." Wat wij lezen als „Salim", wordt echter
anders gelezen door Dr. Zimmern, zoodat volgens zijn afschrift
genoemde plaats aldus moet vertaald worden: „de stad van
den berg van Jeruzalem, de stad des tempels van den god
Nin-ip is haar naam, de stad des konings." In het eene geval
wil Ebed-Tob uitdrukkelijk verklaren, dat de god van Jeruza-
lem, dien hij vereenzelvigt met den babylonischen Nin-ip,
Salim of Salman, de god des vredes, is, en dat zijn tempel
stond op „den berg van Jeruzalem"; in het andere geval is
er geen sprake van Salim, en wordt het onzeker gelaten of
de stad Beth-Nin-ip al dan niet gelegen was binnen de
muren der hoofdstad. Waarschijnlijker is het, dat zij afge-
scheiden was van Jeruzalem, al lag zij ook op denzelfden
„berg" als de groote vesting. Indien dat zoo is, dan zouden wij
-ocr page 76-
53
Jeruzalem mogen vereenzelvigen met de stad op den berg
Zion, de jebusietische sterkte van later tijd, terwijl met „de
stad Beth-Nin-ip" zou bedoeld zijn al wat gelegen was rondom
den tempel van den Moria.
Hoe dat ook zij, de vesting en de tempelberg waren onder-
scheiden van elkander in de dagen van de Jebusieten, en wij
mogen daarom aannemen, dat zij het öök waren in de dagen
van Abraham. Zoo zou het verklaard zijn waarom de berg
Moria, op welks top de aartsvader zijn offer bracht, niet be-
sloten was binnen de muren van Jeruzalem, en waarom er
geen gebouwen op stonden. Het was integendeel een plek, waar
schapen konden weiden, en waar een ram met zijn hoornen
kon verward raken in het dichte kreupelhout.
Toen Abraham in Kanaan kwam, zal hij zich omringd ge-
zien hebben door alle kenmerken van een beschaving, waar-
mede hij vertrouwd was. De langdurige invloed en regeering
van Babylonië hadden naar „het land der Amorieten" alle
elementen van chaldeeuwsche beschaving overgebracht. Ver-
huizing uit Ur der Chaldeën naar het verre westen beteekende
enkel een verplaatsing naar eene andere luchtstreek en een
andere bevolking, niet het heengaan naar een land met geheel
andere zeden en gewoonten dan die aan welke de aartsvader
tot dusver gewoon was geweest.
Zelfs de babylonische taal was bekend en werd gesproken
in de steden van Kanaan, en de letterkunde van Baby-
lonië werd beoefend door het kanaanietische volk. Dit is een
der feiten, die wij zijn te weten gekomen door de ontdekking
der tafeltjes van Tel el-Amarna. Het gebruik van spijkerschrift
en van de babylonische taal was verbreid over geheel West-
Azië, en nergens had het dieper wortel geschoten dan in Kanaan.
Hier waren scholen en onderwijzers, om onderricht te geven
in de vreemde taal en het vreemde schrift, en archieven en
bibliotheken, waar de leemen brieven en boeken konden over-
geschreven en bewaard worden.
Lang voor de ontdekking der tafeltjes van Tel el-Amarna had-
den wij uit het Oude Testament zelf kunnen opmaken, dat zulk
-ocr page 77-
54
bibliotheken eenmaal in Kanaan bestonden. Een der kanaanie-
tische steden, die door de Israëlieten ingenomen en verwoest
werden, was Debir in het bergachtig gedeelte van Juda. Maar
Debir, „het heiligdom", was ook bekend onder twee an-
dere namen. Het werd ook genoemd Kirjath-Sanna, „de
stad van onderwijs\'\', en ook Kirjath-Sefer, „de stad der
boeken" •).
Wij weten nu evenwel, dat de laatste naam niet volkomen
nauwkeurig is. De punctuatie der Masoreten moet verbeterd
worden, en wij moeten lezen Kirjath-Sofer „de stad des (of
der) schrijvers", in plaats van Kirjath-Sefer „de boeken-stad".
Een egyptische papyrus heeft ons den juisten naam leeren
kennen. In den tijd van Ramses II schreef een egyptische
letterkundige een spottend verhaal — doorgaans bekend als De
reizen van een Mohar
— van de tegenspoeden die een reiziger
in Palestina ondervond, en daarin wordt melding gemaakt
van twee dicht bij elkander gelegen steden in Zuid-Palestina,
Kirjath-Anab en Beth-Sofer geheeten. In het boek Jozua wor-
den eveneens de steden Anab en Kirjath-Sefer in één adem
genoemd -\'), en het is dus duidelijk, zooals Dr. W. Max Muller
heeft opgemerkt, dat de egyptische schrijver de woorden Kir-
jath, „stad", en Beth, „huis", verwisseld heeft. Hij zou moeten
geschreven hebben Beth-Anab en Kirjath-Sgfer. Maar hij heeft
ons den juisten vorm van den laatstgenoemden naam gegeven,
en daar hij aan het woord Sofer de nadere bepaling „schrift"
heeft toegevoegd, heeft hij verder eiken twijfel aan de ware
beteekenis van den naam opgeheven. De stad moet een van
die middelpunten van kanaanietische geleerdheid geweest zijn,
waar, evenals in de bibliotheken van Babylonië en Assyrië,
een groot aantal schrijvers geregeld aan den arbeid was.
De taal, die men bezigde voor de documenten in spijker-
1)  Zie Joz. XV: 49; XV: 15—17, vgl. met Joz. X: 38, 39. Vert.
2)   Joz. XV: 49 en 50 staat: «Kirjath-Sanna, die is Debir, en
Anab" etc.
                                                                                Vert.
-ocr page 78-
55
schrift, was bijna altijd die van Babylonië, welke de gewone
taal der diplomatie en der beschaafden geworden was. Maar
somtijds werd ook de oorspronkelijke taal des lands gebruikt,
en daarvan zijn één of twee voorbeelden bewaard gebleven.
De legenden en overleveringen van Babylonië dienden als lees-
boeken bij het onderwijs, en zonder twijfel werd óók de baby-
Ionische geschiedenis in het westen bekend. Het verhaal van
Kedor-Laomer\'s veldtocht is wellicht op die wijze ontleend aan
de leemen geschriften van het oude Babylonië.
Ook de babylonische godenleer vond haar weg naar het
westen; en herinneringen eraan zijn achtergebleven op de kaart
van Kanaiin. In de namen van kanaanietische steden en dorpen
ontmoeten wij menigmaal namen van babylonische godheden.
Rimmon of Hadad, de god der lucht, dien de Syriërs vereen-
zelvigden met den Zonnegod; Nebo, de god der profetie, de
vertolker van den wil van Bel-Merodach; Anu, de god van
het uitspansel, en Anat, zijn metgezel — die allen komen wij
tegen, nu eens in plaatsnamen, en dan weer in namen van
personen. Mr. Tomkins heeft waarschijnlijk gelijk, wanneer hij
zelfs in Bethlehem den naam wil zien van de oorspronkelijke
chaldeeuwsche godheid Lakhmu. De kanaanietische Moloch is
de babylonische Malik, en Dagon was een der oudste chal-
deeuwsche godheden en de metgezel van Anu. Wij hebben gezien,
hoe gemakkelijk Ebed-Tob den god, dien hij diende, vereenzel-
vigde met den babylonischen Nin-ip, en onder de Kanaanie-
ten, die in de brieven van Tel el-Amarna genoemd worden, is
er meer dan een, wiens naam is samengesteld met dien van
een babylonischen god.
Schrift en letterkunde, godsdienst en mythologie, geschiede-
nis en wetenschap, al deze dingen werden tot de volkeren van
Kanaan gebracht als gevolg van de veroveringen en den han-
del der Babyloniërs. De kunst ging natuurlijk hand aan hand
met deze van buiten-af ingevoerde beschaving. De zegel-cylin-
ders der Chaldeën werden nagemaakt, en babylonische figuren
en versieringen werden door de kanaanietische kunstenaars
overgenomen en gewijzigd. Op deze wijze was het, dat de
-ocr page 79-
56
rozet, de cherub, de heilige boom, en de palm naar het westen
kwamen, en daar gebruikt werden tot versiering van metaal-
en aardewerk. Nieuwe versieringen, in Babylonië onbekend,
werden ontworpen; o.a. de koppen van dieren in goud en
zilver als deksels van metalen vazen. Enkele dezer „vazen
van Kaft" (Phoenicië), zooals zij genoemd werden, zijngeschil-
derd op de egyptische monumenten; en Thothmes III beschrijft
in zijn jaarboeken „de schalen met geitenkoppen er op, en één
met een leeuwenkop, de voortbrengselen van Zahi", of Pale-
stina, die hem als schatting gebracht werden.
De buit, dien dezelfde Pharao op de kanaanietische vorsten
veroverde, geeft ons eenig denkbeeld van de kunst die zij
voorstonden. Wij hooren van wagens en van tent-pinnen,
overtrokken met gouden platen; van ijzeren wapenrustingen
en helmen; van gouden en zilveren ringen, die gebruikt wer-
den in plaats van geld; van ivoren, ebbenhouten, en ceder-
houten, met goud ingelegde, staven; van gouden scepters; van
tafels, stoelen en voetbanken van cederhout, sommige ingelegd
met ivoor, andere met goud en kostbare steenen; van gouden,
zilveren en bronzen vazen en schalen van allerlei soort; en
van de bekers met twee ooren, die een bijzonder fabricaat van
Phoenicië waren. IJzer schijnt in Kanaan reeds vroeg bewerkt
geworden te zijn. De Israëlieten waren niet in staat de be-
woners van „het dal" te verdrijven, daar dezen ijzeren wagens
bezaten. En toen de wagen van den egyptischen Mohar onklaar
geworden was door de hobbelige wegen van het kanaanietisch
gebergte, ging hij er terstond meê naar een smid, zooals de
schrijver van den papyrus vertelt. Het kostte geen moeite om
in Kanaan een smid te vinden.
De purperverf van Phoenicië is sedert de grijze oudheid be-
roemd geweest. Het was een der voornaamste handelsartikelen,
die door de Kanaanieten zoowel naar Egypte als naar Baby-
lonië gebracht werden. Het was zonder twijfel in ruil voor
het purper, dat het „sierlijk babylonisch overkleed", waarvan
wij lezen in het boek Jozua (VII: 21), zijn weg vond
naar de stad Jericho; want Babylonië was even beroemd
-ocr page 80-
57
om zijn geborduurde mantels als Kanaan om zijn purperverf.
Omtrent den handel van Kanaan vernemen wij iets door
een der spijkerschrift-tafeltjes van Tel el-Amarna. Het is een
brief van Kallimma-Sin, koning van Babylonië, aan den egyp-
tischen Pharao, waarin hij bij dezen aandringt op het sluiten van
een handelsverdrag, waarbij bepaald werd dat de kooplieden
van Babylonië met Egypte mochten handel drijven, op voor-
waarde dat zij inkomende rechten betalen aan de grenzen.
Goud, zilver, olie en kleederen behooren tot de artikelen waar-
van rechten moesten geheven worden. Als grensscheiding werd
waarschijnlijk aangenomen de zoom der egyptische provincie
Kanaan, en niet die van Egypte zelf.
Babylonië en de beschaafde landen van het Oosten waren
niet de eenige landen, waarmede de Kanaünieten handel dreven.
Negerslaven werden ingevoerd van Soudan, koper en lood van
Cyprus, en paarden van Klein-Azië, terwijl de opgravingen
van Mr. Bliss te Lachis kralen van baltisch barnsteen, saam-
gevoegd met de kevervormige amuletten der achttiende egyp-
tische dynastie, aan het licht hebben gebracht.
Een groot gedeelte van den handel van Phoenicië ging over
zee. Langs dien weg werden de balken van cederhout uit de
bosschen aan de Golf van Antiochië, en de purperslakken van
de kusten der Aegeïsche Zee vervoerd. Tyrus, welks rijkdom
reeds geroemd wordt op een der tafeltjes van Tel el-Amarna,
was op een eiland gebouwd, en — zooals een egyptische papy-
rus ons mededeelt — moest het water in booten naar de stad
worden aangevoerd. Hetzelfde was het geval met Arvad, welks
zee wezen een belangrijke plaats inneemt in de briefwisseling
van Tel el-Amarna. De schepen van Kanaan waren inderdaad
reeds in oude tijden vermaard. Twee soorten van schepen, die
aan de Egyptenaren bekend waren, werden „schepen van
Gebal" en „schepen van Kaft" (Phoenicië) genoemd; en Ebed-
Tob verzekert, dat „zoolang er een schip op zee vaart, de arm
(of het orakel) van den Machtigen Koning de machten van Aram-
Naharaim (Nahrima) en Babylonië overwinnen zal." Bileam\'s
profetie: „de schepen van den oever der Chitteërs, die zul-
-ocr page 81-
I
58
len Asser plagen; zij zullen ook fleber plagen"!), verplaatst
ons in denzelfden tijd.
Het Aram-Naharaim der Schrift is het Nahrima der hiero-
glyphen-teksten, het Mitanni der inscripties in de oorspronke-
lijke landstaal. De hoofdstad Mitanni lag aan den oostelij ken
oever van den Euphraat, niet ver van Karchemis; maar met
de Naharaim, of „Twee Rivieren", zijn waarschijnlijk eerder
de Euphraat en de Orontes, dan de Euphraat en de Tigris
bedoeld. Op een der tafeltjes van Tel el-Amarna wordt het
land Nahrima genoemd, maar gewoonlijk heet het Mitanni of
Mitanna. Het was het eerste onafhankelijk koninkrijk van
eenige beteekenis aan de grenzen van het egyptische rijk in
den tijd der achttiende dynastie, en de Pharaos Thothmes IV,
Amenophis III, en Amenophis IV huwden achtereenvolgens
met leden der koninklijke familie dezes lands.
De taal van Mitanni is ons bekend geworden door de brief-
wisseling in spijkerschrift van Tel el-Amarna. Zjj was sterk
agglutineerend, en geleek op geen enkelen taalvorm, oud of
nieuw, waarmede wij bekend zijn. Misschien waren de menschen,
die deze taal spraken, evenals de Hethieten, uit het noorden
gekomen, en bewoonden zij een land, dat oorspronkelijk aan
arameesche stammen behoorde. Misschien ook waren zij de
vertegenwoordigers der oude bevolking des lands, die overwel-
digd en verdrongen was door semietische veroveraars. Welke
van deze meeningen de juiste is, zullen wij waarschijnlijk nooit
te weten komen.
Benevens haar eigen taal, had de bevolking van Mitanni ook
haar eigen godenleer. Tessupas was de god der lucht, de Ha-
dad der Semieten; Sausbe werd vereenzelvigd met de phoenie-
cische Astheroth; en Sekhrus, Zizanu en Zannukhu worden
vermeld onder de overige godheden. Maar ook van de Assy-
riërs namen zij menige godheid over: Sin, de Maangod, wiens
tempel in de stad Harran stond; Ea, de Riviergod; Bel, de
Baal der Kanaanieten, en Istar, „de meesteres van Nineve."
1) Num. XXIV 24.
-ocr page 82-
59
Zelfs Ammon, de god van Thebe, werd in hun pantheon opge-
nomen in de dagen toen Egypte zijn invloed deed gelden.
Het is onmogelijk te bepalen, tot welken tijd de invloed van
Aram-Naharaim op de toestanden in Kanaan opklimt. Maar
het koninkrijk lag aan den heirweg van Babylonië en Assyrië
naar het westen, en zijn opkomst kan mogelijk wel in ver-
band hebben gestaan met het verval der babylonische opper-
heerschappij in Palestina. Het gebied, waarin het rijk zich
vormde, werd door de sumerische bewoners van Chaldea Suru
of Suri genoemd — een naam waarin eerder de oorsprong
ligt van het latere „Syrië", dan van Assyrië, zooals gewoon-
lijk verondersteld wordt; en de semietische Babyloniërs gaven
het den naam Subari of Subartu. De verovering van Suri was
het resultaat van den laatsten veldtocht van Sargon van Akkad,
waardoor hij geheel noordelijk Mesopotamië in zijn macht kreeg.
De brieven van Tel el-Amarna leeren ons, dat de Babylo-
niërs nog langs slinksche wegen invloed in Kanaan trachtten
uit te oefenen in de eeuw vöör den Uittocht, hoewel zij erken-
den, dat het een egyptische provincie was, en onderworpen aan
egyptische wetten. Maar de herinnering aan de macht, die zij
eens bezeten hadden, was daar nog levendig, en de invloed
hunner beschaving bleef onverminderd dezelfde. Wanneer hun
heerschappij feitelijk een einde nam, weten wij nog niet. Het
kan evenwel niet lang vöör den tijd der verovering door Egypte
geweest zijn. Op de tafeltjes van Tel el-Amarna worden zij
steeds Kassieten genoemd, welke naam hun alleen kan ge-
geven zijn na de verovering van Babylonië door de kassietische
bergbewoners van Elam en na de opkomst van een kassietisch
koningshuis. Dat was omstreeks 1730 vöör Chr. Gedurende
eenigen tijd moet de regeering van Babylonië derhalve reeds
in Kanaan erkend zijn geweest. Hiermede stemt overeen een
opgave van den egyptischen geschiedschrijver Manetho, waar-
voor de critici, in hun wijsheid of in hun onwetendheid, niets
dan minachting hebben overgehad. Hij verhaalt ons, dat de
Hyksos, toen zij uit Egypte verdreven waren door Ahmes I,
den grondlegger der achttiende dynastie, Jeruzalem veroverden,
-ocr page 83-
60
en het versterkten, — niet, zooals men allicht zou meenen,
tegen den egyptischen Pharao, maar tegen „de Assyriërs", zoo-
als de Babyloniërs door Manetho\'s tijdgenooten genoemd werden.
Zoolang er geen gedenkstukken waren, die er mede konden
vergeleken worden, kostte het den critici weinig moeite om te
bewijzen, dat deze opgave ongerijmd en onhistorisch was; dat
Jeruzalem toen nog niet bestond, en dat de Assyriërs of Ba-
byloniërs eerst vele eeuwen later in Kanaan kwamen. Maar
nu weten wij, dat Manetho gelijk heeft, en dat zijne critici
ongelijk hebben. Jeruzalem bestond, en babylonische legers be-
dreigden de onafhankelijkheid der kanaanietische staten. In een
zijner brieven deelt Ebed-Tob, de koning van Jeruzalem, aan
den Pharao mede, dat hij niet bevreesd behoeft te zijn voor de
Babyloniërs, omdat de tempel te Jeruzalem sterk genoeg is om
hun aanval te weerstaan. Rib-Hadad, de bestuurder van Gebal,
legt hetzelfde getuigenis af. „Toen gij gezeten waart op den
troon van uwen vader", zegt hij, „namen de zonen van Ebed-
Asherah (den Amoriet) het land der Babyloniërs in beslag, en
namen het land van den Pharao voor zichzelf; zij (onderhan-
delden heimelijk met) den koning van Mitanna, en den koning
der Babyloniërs, en den koning der Hethieten". In een ander
schrijven spreekt hij in gelijken geest: „De koning der Baby-
loniërs en de koning van Mitanna zijn sterk, en hebben het
land van den Pharao reeds voor zichzelven genomen, en heb-
ben de steden van uwen stadhouder veroverd". Als Greorgius
Syncellus opteekent, dat de Chaldeën oorlog voerden tegen de
Phoeniciërs, in 1556 vöör Chr., put hij zonder twijfel uit een
of andere oude en geloofwaardige bron.
Wij moeten ons echter niet voorstellen, dat de Babyloniërs
in dit tijdvak der geschiedenis Kanaan op den duur in bezit
hadden. Het schijnt veeleer, dat zij hun gezag rechtstreeks slechts
van tijd tot tijd hebben uitgeoefend, en dat het gehandhaafd
moest worden door telkens herhaalde invallen en veldtochten.
Duurzaam was wel de invloed der babylonische beschaving en
zeden, maar niet het babylonisch bestuur zelf. Nu en dan ja
werd Kanaan een provincie van Babylonië ; maar telkens waren
-ocr page 84-
61
er slechts bepaalde gedeelten van het land onderworpen aan
het vreemde bestuur, terwijl weder op een anderen tijd de
babylonische heerschappij slechts in naam bestond. Maar het
is duidelijk, dat Babylonië zijn oude aanspraken op de heer-
schappij over Kanaan niet liet varen, voordat dit geheel en al
door egyptische wapenen onderworpen was; en ook dan nog
hooren we gedurig van kuipergen met de Babyloniërs tegen
het egyptisch gezag.
Het was gedurende dit tijdperk van babylonischen invloed
en voogdij, dat de overleveringen en de mythen van Chaldea
bekend werden aan de bevolking van Kanaan. Wederom zijn
het de tafeltjes van Tel el-Amarna, die ons hebben doen zien,
hoe dat gebeurde. Onder deze tafeltjes zijn fragmenten van ba-
bylonische legenden, waarvan er één eene verklaring wil geven
van de schepping der menschen en van het ontstaan der zonde;
en deze legenden werden gebruikt ter bestudeering van de
vreemde taal door de schrijvers van Kanaan en Egypte, die
zich de taal en het schrift van Babylonië wilden eigen maken.
Indien wij ooit de bibliotheek van Kirjath-sefer ontdekken,
dan zullen wij zonder twijfel onder hare leemen gedenkschrif-
ten dergelijke voorbeelden van chaldeeuwsche letterkunde vin-
den. De overeenkomst tusschen de phoenicische en de babylo-
nische scheppingsverhalen is reeds menigmaal aangewezen, en
sedert de ontdekking van het chaldeeuwsche zond vloed-verhaal
door Greorge Smith weten wij, dat dit laatste sprekend gelijkt
op dat van Genesis, zelfs in het gebruik van dezelfde woorden
en volzinnen. De langdurige nawerking der babylonische let-
terkunde in Palestina gedurende het tijdperk der aartsvaders
geeft de verklaring daarvan, en laat ons tevens zien, hoe de
overleveringen van Chaldea haar weg vonden naar het westen.
Toen Abraham in Kanaan kwam, kwam hij in een land welks
beschaafde bewoners reeds vertrouwd waren met de boeken,
de geschiedenis en de overleveringen van zijn geboorteland.
Zonder twijfel waren er daar velen, aan wie de naam en
de geschiedenis van „Ur der Chaldeën" reeds bekend was.
Het is zelfs mogelijk, dat in de boekerijen van Kanaan
-ocr page 85-
62
reeds afschriften van de boeken der Chaldeërs bestonden.
In ieder geval was er één babylonische held, wiens naam
zoo goed bekend was geworden in het westen, dat hij daar
spreekwoordelijk geworden was. Het was de naam van Nimrod,
„een geweldig jager voor het aangezicht des Heeren" l). Tot
nu toe zwijgen de spijkerschrift-inscripties nog over hem ; maar
het is waarschijnlijk, dat hij een der oude kassietische koningen
was, die zich van de heerschappij over de steden van Babylo-
nië hebben meester gemaakt. Hij wordt de zoon van Cusch of
Kas genoemd, en „het beginsel zijns rijks" was Babyion, dat
gedurende zes eeuwen de hoofdstad des lands geweest is. Zijn
naam was echter evenzeer onder de Kanaiinieten als onder de
bewoners van Chaldea bekend, en de god, voor wiens aange-
zicht hij zijn daden verrichtte, was Jahveh, en niet Bel.
Omstreeks 1600 vöör Chr. werden de Hyksos geheel en al
uit Egypte verdreven. Oorspronkelijk waren zij aziatische hor-
den, die de vlakte van den Nijl overstroomd hadden, en haar
verscheidene eeuwen in hunne macht hielden. In \'t eerst brach-
ten zij verwoesting overal waar zij kwamen. De tempels der
egyptische goden werden verwoest, en hunne priesters gedood.
Maar op den duur bleek de egyptische beschaving den ver-
overaars te sterk te zijn. Het ruwe opperhoofd eener wilde
horde werd een egyptische Pharao, wiens hof op dat van het
oude koningshuis geleek, en die zich omringde door geleerde
mannen. De steden en tempels werden hersteld en verfraaid,
en de kunst leefde weder op. Slechts met uitzondering van
ééne bij zonderheid werd het moeilijk, de Hyksos-vorsten te
onderscheiden van hunne voorgangers op den troon van Egypte.
Die uitzondering betrof den godsdienst. Het voornaamste wezen
in den godsdienst der Hyksos was en bleef Sutekh, de Baal
van West-Azië, wiens eeredienst de vreemdelingen hadden
medegebracht uit hun vroeger vaderland. Maar zelfs Sutekh
1) Zie Gen. X: 8 en 9.        Vert.
-ocr page 86-
63
werd vereenzelvigd met Ra, den Zonnegod van On, en de
Hyksos-Pharaos maakten er geen gewetenszaak van om, in na-
volging van de vroegere koningen, hun eigen namen te ver-
binden met dien van Ra. Maar de Egyptenaren weigerden die
verwisseling te erkennen, en bleven steeds Sutekh vereenzelvi-
gen met Sit, den vijand van Horus.
Aanvankelijk was geheel Egypte genoodzaakt, zich aan de
heerschappij der Hyksos te onderwerpen. Gedenkteekenen der
Hyksos zijn in het zuiden gevonden, zelfs te Gebelên en
El-Kab, en de eerste Hyksos-dynastie vestigde haar zetel te
Memphis, de oude hoofdstad des lands. Maar allengs werd
het middelpunt van de macht der Hyksos beperkt tot de delta.
Zoan of Tanis, het tegenwoordige San, werd de zetel van het
bof. Hier waren de koningen der Hyksos dicht in de nabij-
heid van hunne verwanten in Azië, en bovendien verder ver-
wijderd van de zuiver-egyptische bevolking, die meer zuidelijk
woonde. Van Zoan uit, dat, „zeven jaren" na, Hebron „ge-
bouwd" — of liever herbouwd — was (Num. XIII: 22), be-
stuurden zij de vlakte van den Nijl. Hun gezag werd versterkt
door den naijver en de onderlinge twisten der leenroerige
egyptische vorsten, die het grondgebied van Egypte onder
elkander verdeelden. De vreemdeling hield het land in bedwang
door middel van den ouden leenplichtigen adel.
Thebe had echter nooit vergeten, dat het de geboorteplaats
en hoofdstad geweest was van de machtige Pharaos der twaalfde
en dertiende dynastie, de geweldige vorsten, die Soudan ver-
overd, en met ijzeren hand over de leenplichtige heeren ge-
regeerd hadden. De erfgenamen der thebaansche Pharaos be-
stonden nog steeds als vorsten van Thebe, en achter de sterke
muren van El-Kab werd de gedachte aan onafhankelijkheid
bij hen geboren. Apophis II werd aan zijn hof te Zoan den
opkomenden storm gewaar, en trachtte dien in zijn aanvang
te bezweren. Volgens het verhaal van later tijd zond hij be-
leedigende boodschappen aan den vorst van Thebe, en beval
hem, Sutekh, den god der Hyksos, te aanbidden. De vorst
tartte zijn suzerein, en de vrijheidsoorlog begon. Deze duurde
-ocr page 87-
64
verscheidene menschenleeftijden, waarin de thebaansche vorsten
zich meester maakten van Boven-Egypte, en een inheemsche
dynastie van Pharaos vestigden, die gelijktijdig regeerde met
de Hyksos-dynastie in het noorden.
Voet voor voet werden de Hyksos teruggedrongen naar
den noord-oosthoek der delta. Ten laatste viel Zoan zelfden
Egyptenaars in handen, en zochten de Hyksos een schuilplaats
in de groote vesting Avaris aan de uiterste grens van het
koninkrijk. Hier werden zij overwonnen door den thebaanschen
vorst Ahmes, en teruggejaagd naar Azië, vanwaar ze gekomen
waren. De achttiende dynastie werd gesticht, en Ahmes begon
de reeks aziatische veroveringen, die Kanaan tot een egyptische
provincie maakten. In het eerst was het een revanche-oorlog;
maar al spoedig werd het een veroveringskrijg, en op den
vrijheidsoorlog volgde de opkomst van het egyptische rijk.
Thothmes II, de kleinzoon van Ahmes, voerde zijn legers zelfs
tot aan den Euphraat en het land van Aram-Naharaim. Het
grondgebied, dat men op die wijze op een soort van militairen
verkenningstocht was doorgetrokken, werd veroverd en inge-
lijfd door zijn zoon Thothmes III, gedurende diens lange regee-
ring van vier en vijftig jaren (20 Maart 1503 vóór Chr., tot
14 Februari 1449 vóór Chr.). Kanaan aan beide zijden der
Jordaan werd een egyptische provincie, en kreeg een bestuur
ongeveer zooals Indië tegenwoordig heeft. Aan sommige steden
werd toegestaan, haar oude vorstenhuis te behouden, onder ver-
plichting van schatting te betalen aan Egypte, en soldaten te
leveren voor het egyptische leger. Van tijd tot tijd kregen zij
bezoek van een egyptischen „Gevolmachtigde", en een egyp-
tisch garnizoen hield een wakend oog op hun bestuur. Somtijds
werd den vorst een egyptische Resident toegevoegd. Dit was
bijv. het geval te Sidon en Hazor. Waar de stad evenwel uit
strategisch of staatkundig oogpunt van belang was, werd zij
ingelijfd bij het egyptische rijk, en onder het onmiddellijk
toezicht van een egyptischen stadhouder geplaatst, zooals te
Megiddo, Gaza, Gebal, Gezer en Tyrus. Evenzoo stond Ziri-
Basana, „het veld van Basan", onder het bestuur van één
-ocr page 88-
.
65
enkelen khazan of „prefect". De troepen, die óók politiedienst
deden, werden verdeeld in verschillende soorten. Er waren
tsabi yidati of „hulptroepen", tsabi saruti of „militie", khab-
bati
of „bedouinenplunderaars"; verder tsabi matsarti of „egyp-
tische soldaten van het garnizoen", en tsabi bitati of „re-
serve" die in onvoorziene omstandigheden werd opgeroepen.
Tot de hulptroepen behoorden de Serdani of Sardiniërs, terwijl
de Sute — de Sati of Sitti der hieroglyphen-teksten — het
grootste gedeelte der Bedouïnen („Bashi-bazouks") vormden, en
de egyptische troepen verdeeld waren in ruiterij of liever
strijdwageDs, en Misi (Mas\'u genoemd in het hieroglyphen-
schrift) of voetvolk.
Brokstukken der jaarboeken van Thothmes III zijn bewaard
gebleven op de ingevallen muren van zijnen tempel te Kar-
nak. Daar ook kunnen wij de lijsten lezen van de plaatsen
die hij veroverde in Palestina — het land van de Boven-Lotan,
zooals het heet — zoowel als in Noord-Syrië. Evenals de jaar-
boeken zijn de geographische lijsten samengesteld uit aanteeke-
ningen, op de plaats zelve gemaakt door schrijvers die het
leger volgden; en in sommige gevallen is het duidelijk te zien,
dat zij in egyptische hieroglyphen vertaald zijn uit het baby-
Ionisch spijkerschrift. Dit feit wijst op de overwinning, die
Azië reeds begon te behalen op zijn egyptische overwinnaars.
Maar de jaarboeken zelve leveren een nog overtuigender bewijs
van den aziatischen invloed. Het versieren van de muren van
eenen tempel met de beschrijving van veldtochten in een
vreemd land, en van de schatting die den Pharao werd ge-
bracht, was geheel in strijd met egyptische denkbeelden.
Naar egyptische zienswijze moesten de onderwerpen, die de
stof leverden voor de versiering van het heiligdom, alleen van
godsdienstigen aard zijn. Slechts de goden, en de vaststaande
termen waarmede hun eigenschappen, hunne daden en hunne
feesten beschreven werden, mochten daartoe gebezigd worden.
Zoo hadden gewoonte en geloof het vastgesteld. Hiervoor de
gedenkschriften van ongewijde geschiedenis in de plaats te
stellen, was assyrisch, en niet egyptisch. Ja, het denkbeeld
5
-ocr page 89-
6G
zelf van het schrijven van kronieken, waarin de geschiedenis
van een regeering in \'t kort werd opgeteekend: jaar voor jaar,
en veldtocht bij veldtocht, behoorde tehuis in de koninkrijken
van den Tigris en den Enphraat, en niet in dat van denNijl.
Het was iets nieuws in Egypte, en het bestond daar ook alleen
gedurende de korte periode van den aziatischen invloed. De
Egyptenaar gaf betrekkelijk weinig om geschiedenis, en maakte
gebruik van papyrus, wanneer hij haar wenschte te boek te
stellen. Jammer genoeg voor ons, zijn de jaarboeken van
Thothmes III het eenige monument van egyptische geschied-
schrijving op steen.
In het twee en twintigste jaar zijner regeering (1481 vóór
Chr.) deed de egyptische Pharao zijn eerste ernstige poging
om Kanaan te onderwerpen. Gaza werd zonder veel moeite
veroverd, en het volgend jaar, op den vijftienden dag der
maand Pakhons, vertrok hij vandaar, en elf dagen later sloeg
hij zijn tenten op te Ihem. Daar vernam hij, dat het leger
der verbonden kanaanietische vorsten, onder bevel van den
koning van Kades aan den Orontes, zijn aanval te Megiddo
afwachtte. Niet alleen de verschillende volken van Palestina
waren in dat leger vertegenwoordigd, maar troepenafdeelingen
waren gekomen van Naharaim aan de oevers van den Euphraat,
zoowel als van de Grolf van Antiochië. Een tijd lang aarzelde
Thothmes of hij tegen hen zou oprukken langs den weg, die
door \'Aluna naar Taanach loopt, of langs Zaft (misschien
Safed), vanwaar hij Megiddo van het zuiden zou genaderd
zijn. De aankomst van zijne verspieders deed hem echter tot
het eerste besluiten, en diensvolgens ging hij op marsch, nadat
de officieren gezworen hadden, dat zij de hun aangewezen
stellingen in het gevecht niet zouden verlaten, zelfs niet om
den persoon des konings te verdedigen, en den negentienden
der maand sloeg hij zijn legerplaats op te \'Aluna. De weg was
slecht geweest en voor wagens onbruikbaar, zoodat de koning
genoodzaakt was geweest om te voet te gaan.
\'Aluna moet dicht bij Megiddo geweest zijn, aangezien de
achterhoede van de egyptische strijdmacht daar werd opge-
-ocr page 90-
07
steld tijdens het gevecht, dat volgde, terwijl de linkervleugel
zich uitstrekte tot Taanach, en de rechtervleugel tot Megiddo.
De voorhoede was vooruitgeschoven in de vlakte beneden, en
de koninklijke tent was opgeslagen aan den oever van de beek
Qana, een zijtak van de Kison. De beslissende slag had plaats
op den een en twintigsten der maand. Thothmes reed in een
wagen van gepolijst brons, en posteerde zich bij de troepen aan
den Noord-west-kant van Megiddo. De Kanaanieten waren niet
in staat, den aanval der Egyptenaren te weerstaan. Zij vluchtten
binnen de stad, met achterlating van hunne paarden en wagens
die met goud en zilver waren opgelegd, terwijl zij die de stad
bereikten nadat de poorten reeds gesloten waren, met touwen
over de muren getrokken werden. Waren de Egyptenaren niet
achtergebleven om de vijandelijke legerplaats te plunderen, dan
zouden ze tegelijk met de vluchtenden binnen Megiddo ge-
komen zijn. Zooais de zaken nu stonden, werden ze gedwongen,
de stad in te sluiten, door er een wal van „frissche groene
boomen" omheen te leggen; en de belegerden werden eindelijk
door den honger genoodzaakt om zich over te geven.
In het veroverde kamp was de zoon van den koning van Me-
giddo gevonden, benevens een rijke buit, waaronder gouden en zil-
veren wagens van Asi of Cyprus. Twee stel ijzeren wapenrustingen
werden ook buitgemaakt; één toebehoorende aan den koning
van Kades, de andere aan den koning van Megiddo. De zeven
tentpinnen van de koningstent, opgelegd met goud, vielen
eveneens den Egyptenaars in handen. De lijst der buitge-
maakte voorwerpen werd op een lederen rol geschreven, die
neergelegd werd in den tempel van Ammon te Thebe. Daarin
werden opgesomd: 3401 gevangenen; 83 handen van gesneu-
velden, 32 met goud opgelegde wagens, 892 gewone wagens,
2041 merries, 191 veulens, 602 bogen, en 200 wapenrustingen.
Voordat de veldtocht geëindigd was, was het egyptische
leger tot ver in het noorden doorgedrongen, en veroverde
Inuam, ten zuiden van Damascus; evenzoo Anugas of Nuk-
hasse, en Harankal, in het noorden van het land der Amo-
rieten. Al deze plaatsen schijnen den koning van Kades te
-ocr page 91-
68
hebben toebehoord, toen zijn eigendom er uit -werd wegge-
dragen. Toen Thothmes naar Thebe terugkeerde, was de hoe-
veelheid buit, die hij medebracht, onnoemelijk groot. „Behalve
kostbare edelgesteenten", gouden schalen, phoenicische bekers
met twee ooren, en dergelijke dingen, waren er 97 zwaarden,
1784 pond gouden ringen, en 966 pond zilveren ringen, die
als geld dienst deden; een standbeeld met een gouden hoofd,
tafels, stoelen en stokken van ceder- en ebbenhout, ingelegd
met goud, ivoor en edelgesteenten, een gouden ploeg, de gouden
scepter van den overwonnen vorst, en rijk geborduurde stoffen.
De landerijen der veroverde provincie werden vervolgens opge-
meten door de egyptische landmeters, en het bedrag der jaar-
lijks van deze te betalen schatting werd vastgesteld. Meer
dan 208.000 maten tarwe werden bovendien naar Egypte ge-
bracht van de vlakte van Megiddo. De kanaiinietische macht
was volkomen gebroken, en Thothmes was nu vrij om zijn
rijk verder naar het noorden uit te breiden.
Diensvolgens zien wij, dat hij in het volgend jaar (1479 vöör
Chr.) schatting ontving van den assyrischen koning. Deze schat-
ting bestond in lederen armbanden, verschillende houtsoorten,
en wagens. Waarschijnlijk werd in dien tijd Karehemis inge-
nomen, nadat van de rivierzijde de stad bestormd was. Vijf
jaren later werd het eerste gedeelte der jaarboeken in den
muur van den nieuwen tempel van Ammon te Karnak inge-
grift, en dit deel eindigde met een verhaal van den veldtocht
van dat jaar. Deze werd ondernomen in Noord-Syrië, en was
geëindigd met de verovering van Uarrt en Tunip, thans Ten-
nib, ten noordwesten van Aleppo. Niet minder dan honderd
pond zilver en evenveel goud werd te Tunip buitgemaakt;
eveneens lazuursteen van Babylonië, en malachiet van het
Sinaïtisch schiereiland, benevens ijzeren en bronzen vaten.
Enkele schepen werden er ook genomen, geladen met slaven,
brons, lood, platina, en verschillende voortbrengselen dergrieksche
zeeën. Op den terugtocht naar huis nam het egyptische leger
bezit van Arvad, en legde beslag op zijn rijken voorraad
tarwe en wijn. „Toen bedronken de soldaten zich, en zalfden
-ocr page 92-
69
zich niet olie, zooals ze dat gewoon waren in Egypte bij feeste-
lijke gelegenheden."
Het volgend jaar werd Kades aan den Orontes, bij het meer
van Homs, aangevallen en verwoest. Zijn boomen werden om-
gehakt en zijn koren meegevoerd. Van Kades rukte Thothmes
voort naar het land der Phoeniciërs, en nam de steden Zemar
(thans Sumra) en Arvad in. De erfgenamen van vier der over-
wonnen vorsten werden als gijzelaars naar Egypte gebracht,
„zoodat wanneer een dezer koningen kwam te sterven, de
Pharao dan zijn zoon zou nemen en in zijn plaats stellen."
In het jaar 1472 vóór Chr. werd het land der Amorieten
onderworpen; of liever dat gedeelte ervan, dat bekend was
als Takhis, het Tahas van Genesis XXII: 24, aan de oevers
van het meer van Merua gelegen, waarin wij waarschijnlijk
het meer van Homs hebben te zien. Bijna 500 gevangenen
werden naar Egypte gebracht. De syrische vorsten kwamen
nu geschenken aanbieden aan den veroveraar, medebrengende
o. a. meer dan 760 pond zilver, 19 wagens met zilveren orna-
menten versierd, en 41 lederen halssieraden, met bronzen
schubben bedekt. Terzelfder tijd werd het bestuur van \'t ge-
heele land grondig geregeld onder de nieuwe egyptische re-
geering. Heirwegen werden aangelegd, en voorzien van posthui-
zen, waar overal versche paarden in gereedheid werden gehouden,
zoowel als „de noodige voorraad brood van verschillend soort,
olie, balsem, wijn, honig en vruchten." De steengroeven van den
Libanon werden vervolgens aangesproken, om den Pharao te voor-
zien van kalksteen voor zijne bouwwerken in Egypte en elders.
Twee jaren later was Thothmes wederom in Syrië. Hij trok
voort tot aan den Euphraat, en richtte daar op den oostelijken
oever der rivier een gedenkzuil op, naast die welke zijn
vader Thothmes II er reeds had geplaatst. De gedenkzuil was
een keizerlijke steenen scheidspaal, die de grens van het egyp-
tische rijk aanwees. Een andere dergelijke gedenkzuil had
Hadad-ezer, de koning van Zoba, juist op dezelfde plaats willen
oprichten, toen David hem in den weg trad en versloeg (2
Sam. VHI: 3).
-ocr page 93-
70
De Pharao ging toen scheep en voer den Euphraat af, „de
steden van den koning van Naharaim veroverend en de velden
verwoestend." Vervolgens ging hij weder stroomopwaarts tot
de stad Ni, waar hij nog een nieuwe gedenkzuil plaatste, ten
teeken dat de grenzen van Egypte tot zoover waren uitge-
breid. Er waren nog olifanten in de buurt, evenals vier en
een halve eeuw later nog, in den tijd van den assyrischen koning
Tiglath-pileser I. Thothmes vermaakte zich met er jacht op te
maken, en niet minder dan 120 werden er gedood.
Op den terugweg naar Egypte werd hem de schatting en
„j aarlij ksche belasting" van de bewoners van den Libanon ge-
bracht, en de heerediensten, die zij jaarlijks moesten doen,
werden eveneens vastgesteld. Thothmes gaf toe aan zijn nei-
ging voor natuurlijke historie, door als gedeelte der schatting
verschillende vogels aan te nemen, die in Syrië inheemsch,
of ten minste in Egypte onbekend waren, en die, naar ons
gemeld wordt, „den koning meer waard waren dan iets
anders." Hij had reeds zoölogische en botanische tuinen in
Thebe aangelegd, en de vreemde dieren en planten, die zijne
veldtochten ervoor verschaften, werden geschilderd op de muren
van een der kamers in den tempel, dien hij te Karnak
bouwde.
Vóór zijn terugkeer naar Egypte ontving hij de schatting
van „den koning van Sangar", of Sinear, in Mesopotamie, en
„van het groote land der Khata." Die van den eerstgenoemde
bestond hoofdzakelijk uit lazuursteen, ruwe en kunstig be-
werkte, van welke „de lazuursteen van Babyion" het meest
gewaardeerd was. Onder de geschenken was „een ramskop
van echten lazuursteen, die 15 pond woog." „Het groote" land
der Hethieten, zoo genoemd om het te onderscheiden van het
kleinere hethietische land in het zuiden van Palestina, zond
8 zilveren ringen, 400 pond wegende, benevens „een groot
stuk kristal".
Het volgend jaar trok Thothmes door „het land van Zahi",
het „vasteland" der phoenicische kust, naar Noord-Syrië, waar
hij den koning van Anugas of Nukhasse tuchtigde, die neiging
-ocr page 94-
71
tot oproer had getoond. Grroote hoeveelheden goud en brons
werden meegenomen; eveneens 15 wagens, met goud en zilver
opgelegd, 6 ijzeren tentpinnen, bezet met edelgesteenten, en
70 ezels. Lood en verschillende hout- en steensoorten, 608
kruiken wijn van den Libanon, 2080 kruiken olie, en 690
kruiken balsem, werden ook ontvangen van Zuid-Syrië, en post-
huizen werden gebouwd langs de wegen van het land van
Zahi. Een vloot van phoenicische koopvaardijschepen werd ver-
volgens naar Egypte gezonden, geladen met blokken hout uit
de bosschen van Palestina en den Libanon voor de gebouwen
van den koning. Terzelfder tijd zond „de koning van Cyprus",
dat nu een egyptische bezitting was, zijne schatting aan den
Pharao. Deze bestond uit 108 brokken koper, wegende 2040
pond; 5 stukken lood, wegende bijna 2900 pond, 110 pond
lazuursteen, een olifantstand en andere voorwerpen van waarde.
Het volgend jaar, 1468 vóór Chr., had er een veldtocht
plaats tegen den koning van Naharaïm, die zijn soldaten en
paarden verzameld had „van de uiterste einden der wereld".
Maar het mesopotamische leger werd geheel in de pan gehakt.
De buit viel den Egyptenaars in handen, die evenwel slechts
10 gevangenen medenamen, wat wel den schijn geeft, dat het
gevecht niet van bijzonder belang was.
In het jaar 1464 vóór Chr. was Thothmes wederom in Noord-
Syrië. Onder den buit, die gedurende dezen tocht behaald
werd, waren „schalen met geitenkoppen er op, en een met een
leeuwenkop, werk van het land van Zahi". Paarden, ezels en ossen,
522 slaven, 156 kruiken wijn, 1752 kruiken boter, 5 olifants-
tanden, 2822 pond goud, benevens koper en lood, dat alles
was onder den oorlogsbuit. De jaarlijksche schatting werd alleen
van Cyprus ontvangen, en bestond dezen keer in koper en
merries, en evenzoo van Aripakh, een landschap in den
Taurus.
Het volgend jaar voerde de Pharao zijne troepen aan tegen
een land, waarvan de naam is verloren geraakt, maar dat lag
„in het land der vijandige Shasu" of Bedouïnen. De buit, die
er uit werd medegebracht, wijst uit, dat het ergens in Syrië
-ocr page 95-
72
was, waarschijnlijk in de buurt van den Libanon. Goud en
zilver, een zilveren beker met twee ooren, versierd met een
stierenkop, ijzer, wijn, balsem, olie, boter en honig behoorden
tot den buit. Er kwam ook schatting van „den koning van
het groote land der Hethieten", waarbij zich ook een aantal
negerslaven bevonden.
Er brak toen evenwel oproer uit in het noorden. Tunip
kwam in opstand; evenzoo de koning van Kades, die een
„nieuwe" vesting bouwde om zijn stad te beveiligen tegen
een aanval. Thothmes trok tegen hen op, langs den weg, die
langs „de kust" liep, welke hem door het land der Feukhu
of Phoeniciërs voerde. Eerst deed hij een aanval op de steden
van Alkana, die hij geheel verwoestte, en daarna viel hij
met zijn troepen in het naburige land van Tunip. De stad
Tunip werd ingenomen en verbrand, haar oogst werd ver-
treden, hare boomen omgehakt, en hare inwoners als slaven
weggevoerd. Toen kwam de beurt aan Kades. De „nieuwe"
sterkte viel bij den eersten aanval, en het geheele land werd
gedwongen zich te onderwerpen.
De koning van Assyrië zond wederom geschenken aan den
Pharao, welke het egyptische hof beschouwde als schatting.
De geschenken bestonden hoofdzakelijk in groote blokken „echte
lazuursteen", benevens „lazuursteen van Babyion". Kostbaarder
geschenken kwamen er van de onderworpen vorsten van Syrië.
Vooraan onder deze was „een koningsdochter, prachtig getooid
met [een kleeding van] goud." Dan waren er vier wagens
met goud opgelegd, en zes gouden wagens, ijzeren wapentuig
met goud ingelegd, een zilveren kruik, een gouden helm, inge-
legd met lazuursteen, wijn, honig en balsem, ivoor en ver-
schillende houtsoorten, tarwe in zóó groote hoeveelheid dat het
niet kon gemeten worden, en de vijf en zestig slaven, die ieder
jaar moesten geleverd worden als deel van de jaarlijksche
schatting.
De jaarboeken van de twee volgende jaren verkeeren in te
veel geschonden toestand om veel licht te kunnen geven. Boven-
dien hadden de veldtochten, die er in beschreven worden,
-ocr page 96-
73
voornamelijk plaats in Soudan. In het jaar 1461 vóór Chr.
eindigt het verhaal. In dat jaar werd het verhaal van de
overwinningen van den Pharao „die hij behaald had van het
23ste tot het (4)2ate jaar" J), op den muur van den tempel ge-
grift. En de kroniek sluit met de korte, maar veelzeggende
woorden: „Zoo heeft hij gedaan; moge hij leven in eeuwig-
heid!"
Thothmes bleef niet eeuwig leven, maar overleefde toch de
voltooiing van zijnen tempel veertien jaren. Na zijn dood
kwam Noord-Syrië in opstand, en de eerste daad van zijn zoon
en opvolger, Amenophis II, was het onderdrukken van dat
oproer. Ni en Ugarit, de brandpunten der ontevredenheid,
werden veroverd en getuchtigd, en onder de gevangenen van
Ugarit waren 640 „kanaanietische" kooplui met hunne slaven.
De naam „kanaanietisch" had dus reeds de tweede beteekenis
van „koopman" verkregen, die wij in het Oude Testament
vinden (Jes. XXIII: 8; Ezech. XVII: 4). Het is een belang-
rijk bewijs, dat de handel van het kanaanietische volk
zijn vertakkingen in alle deelen van de beschaafde wereld had,
en zij hunne handelshuizen overal hadden opgericht. Zelfs een
tafeltje in spijkerschrift uit Kappadocie, dat waarschijnlijk uit
denzelfden tijd is als de tafeltjes van Tel el-Amarna, bevat
den naam Kinanim „de Kanaaniet", om er mede aan te duiden
iemand die getuige is in een zaak. Met altijd evenwel werden
de Kanaanieten zoo eervol onderscheiden. Somtijds was de be-
teekenis van den naam gelijk aan die van „slaaf, eerder dan
van „koopman", zooals dat het geval is in een papyrus, waar
melding wordt gemaakt van Kan\'amu of „kanaanietische slaven
van Khal". Zoo ook hooren wij in een anderen papyrus van
een slaaf Saruraz, den zoon van Naqati, wiens moeder Kadi
uit het land van Arvad was. De egyptische oorlogen in Pales-
tina moeten noodzakelijk ten gevolge gehad hebben, dat velen
1) De insoriptie heeft »32ste jaar"; maar aangezien de oorlogen
duurden tot na het veertigste jaar van des korting* regeering, moet
dit een vergissing van den beeldhouwer zijn.
-ocr page 97-
74
zijner bewoners tot slaven gemaakt werden; en, zooals wij
gezien hebben, maakte een zeker aantal jonge slaven deel uit
van de jaarlijksche schatting die van Syrië geheven werd.
De opvolgers van Thothmes III breidden het egyptische
rijk ver naar het zuiden uit tot in Soudan. Maar in Azië had
het zij n uiterste grenzen reeds bereikt. Palestina was, te samen
met Phoenicië, het land der Amorieten, en het gebied ten
oosten der Jordaan, eene egyptische provincie geworden, en
werd aangemerkt als een deel van Egypte. Verder noord-
waarts was de band met het rijksbestuur losser. Daar waren
hier en daar egyptische vestingen en bezettingen; en enkele
belangrijke steden, zooals Tunip bij Aleppo en (Juatna aan de
Khabür, waren onder het bestuur van egyptische prefecten
gesteld. Maar elders werd aan de onderworpen bevolking toe-
gestaan, onder hun eigen koningen te blijven. In sommige ge-
vallen, zooals bijvoorbeeld in Anugas of Nukhasse, waren de
koningen weinig meer dan stadhouders van den Pharao; maar
in andere gevallen, zooals in Alasiya, noordelijk van Hamath,
was hun gezag gelijk aan dat der heerschers over de onder
protectoraat gestelde staten in het tegenwoordige Indië. Werke-
lijk noemt dan ook de koning van Alasiya den Pharao zijn
„broeder", en uitgenomen zijn verplichting om schatting te
betalen, was hij inderdaad een onafhankelijk vorst.
Het egyptisch gezag werd in het noorden erkend tot aan
den berg Amanus. Karchemis, dat weldra een hethietische sterkte
zou worden, was in handen der Egyptenaars, en de Hethieten
zei ven waren nog niet te voorschijn gekomen uit de vestingen
van den Taurus. Hun grondgebied was nog beperkt tot Kata-
onië en Klein-Armenië tusschen Melitênê en de Saros, en zij
dongen naar de gunst van den egyptischen koning door hem
geschenken te zenden. Thothmes zou geweigerd hebben te
gelooven dat zij, vóórdat het vele jaren verder was, Noord-
Syrië aan zijne opvolgers ontrukken en de mededingers van
den egyptischen Pharao worden zouden.
De egyptische bezittingen aan den oostelijken oever van den
Euphraat lagen langs de Ehabür, in de richting der oase van
-ocr page 98-
75
Singar of Shinar. Ten noorden van de Belikh lag het machtige
koninkrijk Mitanni, (Aram-Naharaira, zooals het heet in het
Oude Testament), dat nooit door de egyptische wapenen onder-
worpen werd, terwijl de leden van zijn koningshuis in het
huwelijk traden met de opvolgers van Thothmes. De hoofd-
stad Mitanni lag ongeveer recht tegenover Karchemis, en
beschermde dus de egyptische grens aan de oostzijde.
Zuidwaarts van de Belikh vormde de woestijn de grens.
Syrië, Basan, Ammon en Moab werden alle opgenomen in het
rijk van den Pharao. Maar daar werd aan de uitbreiding er
van paal en perk gesteld. Het gebergte Seir is nooit door de
Egyptenaren veroverd. De „stad" Edom komt op een der
tafeltjes van Tel el-Amarna voor als een vreemde staat, welks
inwoners oorlog voeren tegen het egyptische rijk. De onder-
werping van de Edomieten in hunne bergvestingen zou groote
moeilijkheid hebben opgeleverd, en er zou bovendien niets
mede gewonnen zijn geweest. Edom was niet rijk, noch door
landbouw noch door handel; het was inderdaad een land van
onvruchtbare bergen; en van den handel, die naderhand langs
de Arabah naar Elath en Ezion-geber aan de Golf van Aga-
bah ging, hadden de Egyptenaren zich reeds verzekerd door
het bezit van de Golf van Suez. Zoover wij weten, was de
eerste en laatste der Pharaos, die een veldtocht tegen de wilde
stammen van het gebergte Seir waagde, Eamses III; en zijn
veldtocht had alleen ten doel, een tuchtiging toe te dienen.
Geen poging om het „Roode Land" bij zijn gebied in te lijven,
werd ooit gedaan door een egyptischen koning.
Het Sinaitisch schiereiland, de provincie Maf kat of „Mala-
chiet", zooals het genoemd werd, was in het bezit der Egyp-
tenaren geweest sedert den tijd van Zosir van de derde dynastie,
en tot het tijdvak der Ptolemaeën toe werd het beschouwd als
een deel van het egyptische rijk. Het oudste egyptische rots-
beeldhouwwerk wordt gevonden op het schiereiland, en stelt
Snefru voor, den stichter der vierde dynastie, de Bedouïnen,
die het land bewoonden, verslaande. Het bezit ervan werd op
prijs gesteld wegens de koper- en malachietmijnen, die er ge-
-ocr page 99-
76
vonden werden. Deze werden ontgonnen door de egyptische
koningen met behulp van dwangarbeid. Bezettingen werden
er gelegd om de mijnen en de wegen die er heenleidden te
beschermen, kolonies van beambten verrezen er, en tempels
werden gebouwd, die gewijd waren aan de goden van Egypte.
Zelfs nog ten tijde der regeering van Eamses III was de hoe-
veelheid delfstof, welke de mijnen opleverden, verbazend groot.
Voor het meerendeel lagen de mijnen aan de westzijde van
het schiereiland, tegenover de egyptische kust; maar Ramses
III ontgon ook koper mijnen in het land van \'Ataka, meer
oostwaarts, en de naam der godin Hathor is in hieroglyphen-
schrift door Dr. Friedmann gevonden aan de kusten van
Midian.
Het overwonnen Syrië werd verplicht, bij te dragen aan de
schenkingen ten behoeve der egyptische tempels. Zoo werd de
tempel van Amon te Thebe door Thothmes III begiftigd met
de inkomsten van de drie steden Anugas, Inu\'am en Haran-
kal; terwijl Seti I, de vader van Ramses II, „al het zilver,
goud, lazuursteen, malachiet en edelgesteente dat hij mede-
bracht uit het vernederde land van Syrië", er aan ten geschenke
gaf. In Syrië zelf werden door de Egyptenaren steden ge-
sticht, en tempels voor hun goden gebouwd; Heneptah stichtte
een stad in het land der Amorieten; Ramses III bouwde een
tempel voor Amon in „het land Kanaan, groot als de horizon
van den hemel boven, waarheen het volk van Syrië met zijne
geschenken kwam"; en onlangs te Graza ontdekte hieroglyphen-
inscripties leveren het bewijs, dat daar een andere tempel voor
de godin Mut door Amenophis II gebouwd is.
Amenophis had den opstand in Xoord-Syrië met weinig
moeite onderdrukt. Zeven amorietische koningen werden als
gevangenen uit het land Takhis weggevoerd naar Egypte, en
langs den Nijl naar Thebe gebracht. Daar werden zes van hen
buiten de muren der stad opgehangen, evenals het lichaam
van Saul door de Philistrjnen werd opgehangen buiten de
muren van Beth-San; de zevende werd naar Napata in Ethi-
opië gebracht, en aldaar op dezelfde wijze gestraft, om aan
-ocr page 100-
77
de negers van Soudan een les in de gehoorzaamheid te geven.
Amenophis II werd opgevolgd door Thothmes IV, die ge-
roepen werd om een nieuwen vijand het hoofd te bieden, nml.
de Hethieten. In het begin zijner regeering begonnen zij voor
het eerst van hunne bergen af te dalen, en de grensstad Tu-
nip had den eersten schok van den aanval te doorstaan. Het
was waarschijnlijk met het doel om zich tegenover deze ge-
weldige vijanden te versterken, dat de Pharao huwde met de
dochter van den koning van Mitanni, die haar naam veran-
derde in Mut-em-ua. Dit was het begin der huwelijken tus-
schen leden der egyptische en aziatische vorstenhuizen, welke leid-
den tot het aziatisch-worden van het hof en van den godsdienst
van Amenophis IV, en ten slotte tot den val der achttiende
dynastie.
De zoon van Mut-em-ua was Amenophis III, wiens lange
regeering van zeven en dertig jaren even roemrijk en voor-
spoedig was als die van Thothmes III. Te Soleb, tusschen den
tweeden en den derden waterval, bouwde hij een tempel, die
gewijd was aan zijn eigen vergoddelijkt persoon, en op welks
zuilen hij de namen zijner vazal-staten liet beitelen. Tot deze
behooren Tunip en Kades, Karchemis en Apphadana aan de
Khabür. Sangar, Assyrië, Naharaim, en de Hethieten staan er
öök op, maar dit moet zijn krachtens de schatting of geschenken
die van hen ontvangen waren. De Pharao voorzag zijn harem
van aziatische prinsessen. Zijne gemalin Teie, die grooten in-
vloed uitoefende zoowel op den godsdienst als de staatkunde,
kwam uit Azië, en onder zijne vrouwen waren de zusters en
dochters der koningen van Babylonië en Mitanni, terwijl een
zijner eigen dochters gehuwd was met Burna-buryas, den vorst
van Babylonië. Van zijn huwelijk met Grilu-khipa, de dochter
van Sutarna, koning van Aram-Naharaim, wordt melding ge-
maakt op een der kevervormige amuletten, waar verder ver-
haald wordt, dat zij naar Egypte vergezeld werd door drie-
honderd zeventien „hofdames". Behalve dat hij door huwelijk
zich verbond met de koningshuizen van Azië, bracht Ameno-
phis III een groot gedeelte van zijn tijd in Syrië en Mesopo-
-ocr page 101-
78
tamië door, zich vermakende met de leeuwenjacht. Hij beroemt
er zich op, gedurende de eerste tien jaren zijner regeering
niet minder dan honderd twee dezer dieren gedood te hebben.
In het laatste van die jaren huwde hij koningin Teie, die op
amuletten de dochter van „Yua en Tua" genoemd wordt.
Misschien zijn dit saamgetrokken vormen van Tussatta en
Yuni, die destijds koning en koningin van Mitanni waren.
Maar als dat zoo is, dan is het vreemd, dat geen konings-
titels gegeven worden aan hare ouders; bovendien heeft de
vervaardiger der amuletten van Yua den vader, en van Tua
de moeder der koningin gemaakt. Tuya is de naam van een
Amoriet in een der brieven van Tel el-Amarna, terwijl het in
een anderen dier brieven den schijn heeft alsof Teie de dochter
was van een babylonischen koning. Een der dochters van
Tusratta, Tadu-khipa, was werkelijk gehuwd met Amenophis,
maar zij nam niet de plaats in van voornaamste koningin.
Onder de regeering van Meneptah van de negentiende dynastie
was de kanselier een inboorling uit Basan, met name Ben-
Mazana, wiens vader Yu de Oudere heette. Yua is dus mis-
schien een woord van amorietischen oorsprong; en men heeft
vermoed, dat er verband bestaat tusschen dezen naam en het
hebreeuwsche Yahveh. De mogelijkheid hiervan moet erkend
worden, maar bewezen worden kan het niet.
Toen Amenophis III stierf, schijnt zijn zoon Amenophis IV
nog minderjarig geweest te zijn. In ieder geval werd de ko-
ningin-moeder Teie oppermachtig in het bestuur van het rijk.
Haar zoon, de nieuwe Pharao, was opgevoed in het geloof
zijner moeder, en had de denkbeelden en neigingen van zijne
aziatische voorvaderen geërfd. Een gips-masker, dat onmiddellijk
na zijn dood genomen werd, is door Prof. Petrie te Tel el-
Amarna ontdekt, en geeft ons het gelaat te zien van een fijn
en diepzinnig denker, eerder een wijsgeer dan een koning,
een man van ernstige, zelfs ietwat dweepzieke overtuiging.
Amenophis IV ondernam niets meer of minder dan de her-
vorming van den staatsgodsdienst van Egypte. Gedurende ver-
scheidene eeuwen had de godsdienst der priesters en schrijvers
-ocr page 102-
79
overgeheld naar het pantheïsme. Binnen de wanden der tempels
werd weliswaar geleerd, dat de verschillende godheden van Egypte
niets dan openbaringen van den eenen Oppergod waren. Maar
deze leer bleef zoo goed als beperkt tot de tempels zelve. Met
de troonsbestijging van Amenophis IV werd het anders. De
jonge koning verwierp onbeschroomd den godsdienst, waarvan
hij krachtens zijn ambt het hoofd was, en beleed een dienaar
te zijn van den éénen God, wiens zichtbaar beeld de zonne-
schijf was. Van de goden van Egypte werd alleen Ra, de oude
Zonnegod van Heliopolis, erkend als de vertegenwoordiger van
den waren God. Het was de Baaldienst van Syrië, gewijzigd
door de wijsgeerige begrippen van Egypte. De Aten-Ra van
den „ketterschen" Pharao was een aziatische Baiil, maar —
anders dan de Baiil van Kanaan — hij stond alleen; er waren
geen andere Baals, geen Baalim, naast hem.
Amenophis stelde zich er niet mee tevreden, het nieuwe
geloof te prediken, en de verbreiding ervan te bevorderen; hij
trachtte het zijnen onderdanen op te dringen. De andere goden
van Egypte werden verbannen, en de naam en het hoofd van
Amon, den beschermgod van Thebe, aan wiens hulp zijne
voorouders hun macht en overwinningen hadden toegeschreven,
werden van de monumenten verwijderd, overal waar ze ge-
vonden werden. Zelfs de naam van zijn eigen vader werd niet
gespaard, en de door den koning uitgezonden dienaars wischten
van het èène einde des rijks tot het andere dat gedeelte er
van uit, hetwelk den naam van den god bevatte. Zijn eigen
naam werd vervolgens veranderd, en Amenophis IV werd
Khu-n-Aten, „de glans van de zonneschijf."
Aan Khu-n-Aten\'s poging om het oude geloof van Egypte
omver te werpen, werd natuurlijk door de machtige priester-
schap van Thebe weerstand geboden. Er brak een godsdienst-
oorlog uit, zoover wij weten voor de eerste maal in de
geschiedenis der menschheid. Aan de ééne zijde begon een
hevige vervolging tegen de aanhangers van het oude geloof;
aan de andere zijde werden alle mogelijke pogingen aangewend
om het streven van den Pharao te verijdelen, en hem ten val
-ocr page 103-
80
te brengen. Zijn positie werd met den dag onzekerder, en ten
slotte keerde hij de hoofdstad zijner vaderen den rug toe, en
bouwde zich een nieuwe stad, ver weg in het noorden. De
priesters van Amon hadden dus gezegevierd; de oude afgods-
dienst werd opnieuw ingevoerd in den grooten tempel van
Karnak, ofschoon het officieele hoofd afwezig was, en Khu-n-
Aten met zijne archieven en zijn hof gevlucht was naar een
veiliger woonplaats. Boven-Egypte werd overgelaten aan den
dienst van Amon en Min, terwijl de koning zich dichter bij
zijne kanaiinietische bezittingen vestigde.
Hier werd aan den oostelijken oever van den Nijl, onge-
veer halverwege tusschen Minyeh en Siüt, de nieuwe hoofdstad
gesticht op een strook lands, die door een halven cirkel van
klippen in atnphitheatervorm tegen aanvallen beveiligd was. De
stad besloeg, met haar paleizen en tuinen, bijna twee mijlen
in de lengte langs de rivier. In het midden verrees de tem-
pel van den nieuwen god van Egypte, en dicht er bij het
paleis des konings. Beide waren schitterend versierd met schil-
der- en beeldhouwwerk, en mozaïk van edelgesteenten en goud.
Zelfs de vloeren waren met fresco\'s beschilderd, terwijl de
muren en zuilen geëmailleerd waren, of versierd met de kost-
baarste stoffen, die de egyptische wereld kon voortbrengen.
Hier en daar stonden albasten, bronzen of gouden beelden,
waaronder sommige bijna grieksch van vorm en ontwerp. Hand
in hand met de hervorming van den godsdienst ging een her-
vorming van de kunst. De oude conventioneele kunst van
Egypte liet men varen, en een nieuwe kunst deed haar intocht,
die er naar streefde, de natuur met realistische getrouwheid na
te volgen.
De wallen, die de ligging van Khu-n-Aten\'s stad aanwijzen,
zijn nu bekend als Tel el-Amarna. De stad had een kort, maar
schitterend bestaan van omstreeks dertig jaren. Toen kregen
de vijanden van den Pharao en van zijn hervormingswerk
geheel de overhand, en zijn stad met hare tempels en paleizen
werd met den grond gelijk gemaakt. Uit hare puinhoopen
worden nu door den verbaasden fellah en den onderzoeker
-ocr page 104-
81
van dezen tijd de prachtige overblijfselen van het verleden
opgedolven.
Maar onder deze overblijfselen zijn er geen van grooter waarde
gebleken, dan de leemen met figuren in spijkerschrift beschre-
ven tafeltjes, die onze vroegere denkbeelden omtrent het oude
Oosten geheel hebben omver geworpen. Zij werden bewaard
in wat wij nu zouden noemen het Departement van Buiten-
landsche zaken. Dit maakte een deel uit van de openbare ge-
bouwen, die met het paleis verbonden waren; de baksteenen
waarvan het was opgetrokken, waren gemerkt met een inschrift,
dat aanwijst waartoe het gebouw bestemd was. Verscheidene
tafeltjes waren overgebracht uit het archief van Thebe, maar
het grootste deel der verzameling behoort tot de regeering
van Khu-n-Aten zelf. Zij bestaat bijna geheel uit officieele
briefwisseling; brieven van de koningen van Babylonië en
Assyrië, van Mesopotamië en Kappadocië, en berichten van
de egyptische stadhouders en de vasallen in Syrië en Palestina.
Zij geven ons een levendige en verrassende schildering van
Kanaan omtrent 1400 vóór Chr.
Brokstukken van woordenboeken ten behoeve der schrijvers
zijn ook te voorschijn gekomen uit het puin van het gebouw,
alsmede h"et zegel van een dienaar van Samas-akh-iddin, die
het toezicht had op de spijkerschrift-brief wisseling. Evenals
verscheidene kanaanietische stadhouders, droeg hij een baby-
lonischen naam. Zelfs de broeder van Amenophis III, die tot
koning van Nukhasse was aangesteld, kreeg den babylonischen
naam Rimmon-nirari. Dit is wel het sterkste bewijs van den
omvang en de macht van den babylonischen invloed in het
Westen.
Te Khut-Aten, zooals de „kettersche" Pharao zijne nieuwe
hoofdstad noemde, was hij omringd door de aanhangers van
het nieuwe geloof. Velen hunner waren zonder twijfel Egyp-
tenaars; maar velen, misschien de meerderheid, waren van
aziatische afkomst. Reeds onder zijn vader en grootvader
waren er vele Kanaanieten en andere Aziaten aan het hof, en
werden de hooge staatsambten door dezen bekleed. Maar onder
6
-ocr page 105-
82
Khu-n-Aten kreeg de regeering een nog tienmaal sterker azia-
tisch karakter. De geboren Egyptenaar moest plaats maken
voor den vreemdeling, en Let bestuur van den syrischen
vreemdeling, die het land scheen uitgejaagd met de Hyksos,
werd onder een anderen vorm hersteld. Kanaan was in naam
eene aan Egypte onderworpen provincie, maar in werkelijk-
heid had het zijn overwinnaar gevangen genomen. Een half-
aziatische Pharao beproefde, een aziatischen geloofsvorm aan
zijne onderdanen op te dringen, en vertrouwde zijne regeering
toe aan aziatische ambtenaren; zelfs de kunst had opgehouden
egyptisch te zijn, en had een aziatisch kleed aangetrokken.
De graven van Khu-n-Aten\'s opvolgers zijn uitgehouwen in
de rotsen aan de achterzijde der stad, terwijl zijn eigen graf
zich bevindt aan het einde van een lang ravijn, dat uitloopt
in de oostelijke woestijn, tusschen twee hooge rijen steile
rotsen. Slechts weinige van die graven zijn afgewerkt, en dat
van den koning zelf is prachtig ontworpen, maar onvoltooid
en geschonden. De beeldhouwwerken op de muren zijn ge-
broken, en de granieten sarcofaag, waarin het lichaam van
den grooten koning rustte, is in stukken gebroken voordat zij
in de nis kon worden gebeurd, die er voor bestemd was. De
koninklijke mummie scheurde in reepen, en de porceleinen
figuren, die er bij begraven waren, braken op den grond in
stukken.
Het is duidelijk, dat de dood van Khu-n-Aten welhaast
moest gevolgd worden door de zegepraal zijner vijanden. Zijn
hoofdstad werd verwoest, de steenen van zijnen tempel werden
naar Thebe gevoerd, om daar het heiligdom van den zege-
vierenden Amon te versieren, en de aanhangers van zijn her-
vorming werden gedood of verbannen. De wraak, die op hen
genomen werd, gold zoowel de eer van het volk als van den
godsdienst. Zij bedoelde niet alleen een herstelling van het
nationale geloof, maar ook de herstelling van den geboren
Egyptenaar in het bestuur over zijn land. De leidende ge-
dachten bij deze beweging waren gelijk aan die welke ten
grondslag lagen aan die van Arabi in onzen eigen tijd; maar
-ocr page 106-
s:*
toen was er geen engelsen leger om er tegen op te treden.
De opkomst van de negentiende dynastie beteekent de zegepraal
der nationale zaak.
Uit de brieven in spijkerschrift van Tel el-Amarna blijkt,
dat reeds vóór Khu-n-Atens dood zijn rijk begon uiteen te
vallen en zijn macht te tanen. Brief op brief werd hem door
de stadhouders in Kanailn gezonden, met dringende aanvrage
om troepen. De Hethieten vielen het rijk in het noorden aan,
en binnen de grenzen werd het bedreigd door opstandelingen.
„Indien er dit jaar hulptroepen komen", schrijft Ebed-Tob
van Jeruzalem, „zullen de provincies van mijn heer den koning
behouden blijven; maar indien er geen hulptroepen komen,
zullen de provincies van mijn heer den koning verwoest wor-
den\'\'. Op deze smeekbeden kon geen antwoord gezonden worden.
Er was burger- en godsdienstoorlog in Egypte zelf, en het
leger was noodig om den Pharao in zijn eigen land te ver-
dedigen.
Het beeld, dat de briefwisseling van Tel el-Amarna ons geeft
van Kanailn, is aangevuld door de ontdekking van Lachis.
Vijf jaren geleden ondernam prof. Flinders Petrie voor het
„Palestina Exploration Fund\'\' het doen van opgravingen in
den hoogen wal van Tel el-Hesi in Zuid-Palestina. Tel el-Hesi
ligt midden tusschen Gaza en Hebron, aan den rand der bergen
van Judea, met het uitzicht op een snellen bergstroom. Zijne
opgravingen werden bekroond met de ontdekking van ver-
schillende steden, die achtereenvolgens de eene op de puin-
hoopen van de andere gebouwd waren, en maakten het waar-
schijnlijk dat daar Lachis gestaan had. De opgravingen werden
het volgend jaar door Mr. Bliss hervat, en de waarschijnlijk-
heid werd tot zekerheid. De onderste der steden was het
Lachis van het amorietische tijdperk, welker bijna negen en
twintig voet dikke muren van ruwen baksteen werden bloot
gelegd, terwijl haar aardewerk voor het eerst de eigenaardig-
heden van het amorietisch fabrikaat aan het licht heeft gebracht.
De geweldige muren bevestigen het getuigenis der israëlietische
spionnen, dat de steden der Amorieten „groot" waren „en ge-
-ocr page 107-
84
sterkt tot in den hemel toe" (Deut. 1: 28). Niettemin dragen
zij ook de kenmerken, dat de vestingen, die zij omgaven,
ondanks hun sterkte, meer dan eens moeten veroverd zijn.
Zonder twijfel was dit het geval in den tijd der egyptische
oorlogen in Kanaiin.
Het is mogelijk dat, evenals te Troje, alleen de citadel zoo
geducht versterkt was. Lager dan deze lag het voornaamste
gedeelte der stad, welker inwoners ee\'n veilige schuilplaats
vonden in de citadel, wanneer een vijand hen met een aan-
val bedreigde. Het versterkte deel had geen bijzonder groote
afmetingen. Zijne ruïnen meten slechts ongeveer tweehonderd
voet in de lengte en in de breedte, terwijl het ommuurde
gedeelte, waarbinnen het gelegen is, een kwartmijl in doorsnede
is. Hier is een regelmatige reeks aardewerk gevonden, dag-
teekenend uit den na-exilischen tijd, en dan door de opeen-
volgende lagen heen opklimmend tot de oorspronkelijke amo-
rietische vesting. Aan prof. Petrie komt de eer toe, de kenmerkende
eigenaardigheden dezer verschillende lagen bepaald, en den ouder-
dom ervan bij benadering vastgesteld te hebben.
De door prof. Petrie begonnen arbeid werd voortgezet door
Mr. Bliss. Diep onder de ruïnen der amorietische stad vond
hij voorwerpen, die ons verplaatsen in den tijd van Khu-n-
Aten en zijne voorgangers. Het zijn egyptische kralen en
kevervormige amuletten der achttiende dynastie, en op een
der kralen staan de naam en de titel van „de koninklijke
vrouw Teie." Tegelijk met deze werden barnsteen-kralen ont-
dekt, die afkomstig waren uit de Oostzee, en zegel-cylinders,
sommige van welke ingevoerd w#ren uit Babylonië, terwijl
andere namaaksels zijn van babylonisch werk. De baby Ionische
cylinders behooren tot het tijdvak, dat loopt van 3000 tot
1500 vöör Chr., terwijl de nagemaakte in denzelfden stijl zijn
als die welke gevonden zijn in de voorhistorische graven van
Cyprus en Phoenicië.
Maar ééne ontdekking werd door Mr. Bliss gedaan, die alle
andere verre in belangrijkheid overtreft. Het is een spijker-
schrift-tafeltje, hetwelk, wat soort, inhoud en ouderdom betreft,
-ocr page 108-
I
85
gelijk is aan die van Tel el-Amarna. Zelfs de egyptische stad-
houder, die er op genoemd wordt, was ons reeds uit de brief-
wisseling van Tel el-Amarna bekend als de stadhouder van
Lachis. Een der brieven in spijkerschrift, die nu te Berlijn
bewaard worden, is door hem geschreven, en Ebed-Tob brengt
ons ter kennis, dat hij later vermoord werd door het volk van
zijn eigene stad.
Hier volgt de vertaling van den brief, die ontdekt werd te
Tel el-Hesi») :
„Tot.... rabbat{?) [of misschien: Tot den ambtenaar Baya]
(spreekt aldus)... abi. Aan uwe voeten werp ik mij neder.
Waarlijk, gij weet, dat Dan-Hadad en Zimrida de geheele stad
in oogenschouw hebben genomen, en Dan-Hadad zegt tot Zim-
rida: Zend Yisyara tot mij fen] geef mij 3 schilden(?) en 3
slingers en 3 zwaarden, omdat ik prefect(?) over het land des
konings ben, en dit tegen mij gehandeld heeft; en nu wil ik
u uwe bezitting wedergeven, die de vijand u ontnam; en ik
heb mijn ... gezonden, en ... rabi-ilu ... heeft zijn broeder
met spoed [met] deze woorden afgezonden."
Yisyara was de naam van een Amoriet, zooals wij ver-
nemen uit een der tafeltjes van Tel el-Amarna, waar hij te-
samen met andere oproermakers genoemd wordt als tot den
koning gezonden in bronzen ketenen. Van Dan-Hadad weten
wij verder niets, maar Zimrida\'s brief luidt als volgt:
„Aan den koning, mijn heer, mijn god, mijn Zonnegod, den
Zonnegod die van den hemel is, (schrijft) aldus Zimridi, de
stadhouder der stad Lachis. Uw dienaar, het stof uwer voeten,
buigt zich zevenmaal zevenmaal neder aan de voeten van den
1) Deze vertaling verschilt in sommige opzichten van die, welke
vroeger door mij gegeven werd, daar zij steunt op de oopio van don
tekst, die van het te Konstantinopel berustend origineel gemaakt
is door Dr. Scheil (Recueil de Travaux relatifs a la Philologie et a
l\'\'Archéologie êgyptiennes et assyriennes,
XV, 3, 4, 137). Zooals ik
destijds opmerkte, was mijn oopie gemaakt naar een afgietsel, en was
daardoor op verscheidene plaatsen onzeker. Ik betwijfel, of zelfs nu
de uitgegeven tekst in zijn geheel nauwkeurig is.
-ocr page 109-
86
koning, mijnen heer, den Zonnegod van den hemel. Ik heb
zeer aandachtig geluisterd naar de woorden van den bode,
dien de koning, mijn heer, tot mij gezonden heeft, en nu heb
ik met spoed (een gezant; gezonden overeenkomstig zijn bood-
schap."
Het was tegen het einde van Khu-n-Aten\'s regeering, toen
het egyptische rijk uiteen viel, dat de moord op Zimrida plaats
had. Ebed-Tob beschrijft het aldus in een brief aan den ge-
heimschrijver van den Pharao: „De Khabiri (of Bondgenooten)
veroveren de vestingen des konings. Geen enkel stadhouder
blijft er over voor den koning, mijnen heer; allen zijn gedood.
Zie, Turbazu, uw ambtenaar, [is gevallen] in de groote poort
der stad Zelah. Zie, de dienaars, die handelden tegen den
koning, hebben Zimrida van Lachis verslagen. Zij hebben
Jephthah-Hadad, uwen ambtenaar, vermoord in de poort der
stad Zelah."
Wij hooren van een anderen stadhouder van Lachis, Yabni-
el genaamd, maar hij bekleedde waarschijnlijk het ambt vóór
Zimrida. In ieder geval is de volgende depêche van hem
bewaard:
„Aan den koning, mijnen heer, uiijn god, mijn Zonnegod,
den Zonnegod, die van den hemel is, (schrijft) aldus Yabni-el,
de stadhouder der stad Lachis, uw dienaar, het stof uwer
voeten, de stalknecht uwer paarden; aan de voeten van den
koning, mijnen heer, mijn god, mijn Zonnegod, den Zonnegod
die van den hemel is, buig ik mij zevenmaal zevenmaal
neder. Roemrijk en de voornaamste [zijt gij]. Ik, de stalknecht
van [de paarden] van den koning, mijnen heer, luister naar de
[woorden] van den koning, mijnen heer. Nu heb ik al de
woorden gehoord, die Baya de prefect tot mij gesproken heeft.
Nu heb ik alles gedaan."
Zimrida van Lachis moet onderscheiden worden van een
anderen Kanaaniet van denzelfden naam, die stadhouder van
Sidon was. Deze was een persoonlijke vijand van Rib-Hadad,
den stadhouder van Gebal, wiens brieven aan Khu-n-Aten een
aanmerkelijk gedeelte der verzameling van Tel el-Amarna uit-
-ocr page 110-
K7
maken. Het gezag van Eib-Hadad strekte zich oorspronkelijk
over het grootste deel van Phoenicië uit, en zoo mede over
de sterke vesting Zemar of Simyra in het gebergte. Maar zijn
steden werden hem een voor een ontnomen door zijne tegen-
standers, die hij beschuldigt van opstand tegen den Pharao.
Zijne naar Egypte gezonden brieven zijn dan ook vol van
vragen om hulp. Maar hij kreeg geen hulp; en aangezien ook
zijne vijanden niet nalieten, zich voor te doen als getrouwe
onderdanen van de egyptische regeering, is het moeilijk uit te
maken of dat uitblijven van hulp zijn oorzaak had in wan-
trouwen van den Pharao jegens Rib-Hadad zelf, dan wel in
gebrek aan de noodige hulptroepen.
Rib-Hadad was door Amenophis Hl tot stadhouder benoemd,
en in een zijner brieven ziet hij spijtig terug op „den goeden
ouden tijd." Toen hij zijn brieven schreef, was hij oud en ziek.
Abimelech, de stadhouder van Tyrus, was schier de eenige
vriend, die hem overbleef. Niet tevreden met het aanstoken
van oproer in zijn gebied, en met hem zijne steden te ont-
weldigen, klaagden zijne vijanden hem bij Pharao aan van
ontrouw en wangedrag. Deze aanklachten waren voor een deel
op waarheid gegrond. Hij erkent, dat hij gevlucht is uit zijn
stad, maar beweert, dat het was om zijn leven te redden. De
troepen, waaarom hij gevraagd had, waren hem niet gezonden,
en hij kon noch zijn stad noch zichzelf langer verdedigen.
Hij voert ook aan, dat de buitensporigheden, door eenigen
zijner dienaren bedreven, gedaan waren zonder dat hij er iets
van wist. Dit schijnt hij geschreven te hebben in antwoord
op een bericht van Ammunira, den gouverneur van Beyront,
waarin deze den koning meldde, dat hij den broeder van den
gouverneur van Gebal als gijzelaar hield, en dat laatstge-
noemde tegen de regeering in het land der Amorieten kuipe-
rijen gesmeed had.
De voornaamste onder de tegenstanders van Rib-Hadad was
Ebed-Asherab, een inboorling uit het land Barbati, en gouver-
neur van het amorietisch gebied. Er wordt gewag gemaakt
van verscheidene zijner zonen, maar de bekwaamste en invloed-
-ocr page 111-
88
rijkste \'van dezen was Aziru of Ezer, die groote macht bezat.
De geheele familie, hoezeer ook zich voordoende als gehoor-
zame dienaren van den Pharao, gedroeg zich tamelijk onai-
hankelijk, en zocht zich in de hoogte te werken ten koste der
naburige gouverneurs. Zij hadden eene aanzienlijke macht „plun-
deraars", of Bedouinen uit de oostelijke woestijn, ter hunner be-
schikking, en Rib-Hadad beschuldigt hen, dat zij in \'t geheim
een verbond gesloten hadden met de koningen van Babylonië,
van Mitanni, en van de Hethieten. Het gezag van Aziru strekte
zich uit tot aan de noordelijke grens des rijks. Wij treffen hem
aan, vereenigd met den egyptischen generaal Khatip, of Hotep,
om een inval der Hethieten af te slaan, en hij zendt een brief
aan den koning en aan den eersten minister Dudu, om uit te
leggen, hoe het kwam dat het hun niet gelukt is, de Hethieten
tegen te houden. Tunip was door de vijanden ingesloten, en
Aziru vreest, dat het hun in handen zal vallen. De Hethieten
waren reeds doorgedrongen in het land van Nukhasse, en
rukten vandaar voort naar het land der Amorieten.
Op deze berichten volgde oogenblikkelijk eene lange brief
van de bevolking van Tunip, waarin zij zich beklaagde over
het gedrag van Aziru, en protesteerde tegen eene behandeling
zijnerzijds, gelijk aan die welke hij de stad Ni had aangedaan.
Hij bevond zich toen in het land der Hethieten, zonder twijfel
om tot den oorlog tegen den algemeenen vijand op te wekken.
Aziru gaf een volledig antwoord op die beschuldigingen.
„O, mijn heer!" zóó vangt hij aan, „luister niet naar de snoode
mannen, die mij bij mijnen heer den koning belasteren: ik
ben voor altoos uw dienaar." Men had hem beschuldigd van
gebrek aan eerbied voor den Pharao, omdat hij den konink-
lijken commissaris Khani bij diens komst te Tunip geen plech-
tige ontvangst had bereid. Maar, zóó verdedigt hij zich, hij
had niet geweten, dat de commissaris in aantocht was, en zoo-
dra hij zijn komst vernomen had, „was hij hem gevolgd, maar
had hem niet kunnen inhalen." Terwijl Aziru afwezig was,
hadden zijne broeders Khani behoorlijk ontvangen, en Belti-
el (of Bethuel) voorzag hem van vleesch, brood en wijn. Boven-
-ocr page 112-
80
dien ontmoette Aziru zelf den commissaris op diens terugreis,
en voorzag hem van paarden en muilezels. Ernstiger was de
beschuldiging, dat hij zich van de stad Zemar had meester
gemaakt. Hierop antwoordt Aziru, dat hij dat gedaan had uit
zelfverweer, aangezien de koningen van Nukhasse hem altoos
vijandig gezind geweest waren, en hem beroofd hadden van
zijne steden op aansporing van Khatip, die ook al het zilver
en goud, dat door den koning onder zijne hoede gesteld was,
had weggenomen. Ook had hij Zemar niet wezenlijk veroverd,
maar hij had door geschenken de bevolking voor zich gewon-
nen. Ten slotte wierp hij ook de beschuldiging van zich af,
dat hij een gezantschap van den koning der Hethieten ont-
vangen, en daarentegen geweigerd had, den egyptischen bood-
schapper te ontvangen, terwijl toch het door hem bestuurde
land aan den koning behoorde, en de koning hem er over had
aangesteld. Dat de egyptische afgezant, zöö beweert hij, onder-
zoek doe, en hij zal bevinden, dat Aziru oprechtelij k gehan-
deld heeft.
De in bezit name van Zemar is het voorname onderwerp van
vele brieven van Rib-Hadad. De stad was gedurende twee
maanden belegerd geweest door Ebed-Asherah, die te vergeefs
beproefd had, den gouverneur van Gebal om te koopen. Rib-
Hadad trachtte de stad te redden, maar Aziru verbond zich
met Arvad en de naburige steden van Noord-Phoenicië, nam
twaalf van Rib-Hadad\'s mannen gevangen, eischte voor elk
dezer mannen een losprijs van vijftig zilverlingen, en maakte
zich meester van de schepen van Zemar, Beyrout en Sidon.
De hulptroepen, die van Gebal naar Zemar gezonden werden,
vielen het opperhoofd der Amorieten te Abiliya in handen, en
de toestand van Rib-Hadad werd van dag tot dag hopeloozer.
Pa-Hor, de egyptische landvoogd van Kumidi, voegde zich hij
Rib-Hadad\'s tegenstanders, en wist de Sute of Bedouinen te
bewegen tot een aanval op zijne Sardinische garde. Yapa-Hadad,
een andere landvoogd, volgde het voorbeeld van Pa-Hor, en
Zimridi, de gouverneur van Sidon, was altoos zijn vijand ge-
weest. Tyrus alleen bleef getrouw aan zijne zaak, niettegen-
-ocr page 113-
90
staande een „Ioniër", die belast was geweest met eene zen-
ding daarheen uit Egypte, paarden, wagens, en manschappen
voor Ebed-Asherah overgebracht had, en het spreekt dus van-
zelf, dat Eib-Hadad zijn gezin te Tyrus in veiligheid bracht.
Maar nu begon Tyrus evenals Gebal last te lijden ten gevolge
van het verbond tusschen Zimridi en Ebed-Asherah.
Zemar viel ten slotte Ebed-Asherah en diens zonen in han-
den, terwijl de prefect Khayapa of Khaip in een aanval ge-
sneuveld was. Abimelech, de gouverneur van Tyrus, beschul-
digt Zimridi, dat hij van alles de aanstoker is. Dit moge zoo
zijn, of niet, maar geheel Noord-Phoenicië kwam nu onder het
bestuur of onder den invloed der Amorieten-hoofden. Heeft
Rib-Hadad de waarheid gesproken, dan had Ebed-Asherah
„gezonden naar de soldaten te Bit-Ninip, met de boodschap:
verzamelt u, en laat ons optrekken tegen Gebal, indien er daar
nog zijn die zich uit onze handen gered hebben, en wij zullen
gouverneurs aanstellen in alle provinciën. Op deze wijze zijn
alle provinciën tot de Bedouinen overgegaan." Te Gebal begon
gebrek aan levensmiddelen te komen, en de gouverneur schrijft
naar Egypte om koorn.
Rib-Hadad dreigt nu den Pharao, dat hij naar zijn vijan-
den zal overloopen, indien er niet onmiddellijk hulp kwam, en
terzelfder tijd doet hij een beroep op Amon-apt en Khayapa,
de egyptische commissarissen, die gezonden waren om onder-
zoek te doen naar den stand van zaken in Kanaan. Aan het
verzoek om hulp werd in zooverre gevolg gegeven, dat in
allerijl troepen gezonden werden naar Zemar. Maar het was
te laat; tegelijk met Arka was het reeds bezet door Ebed-
Asherah, die daarop aan den Pharao schrijft, met de betuiging
van zijne trouw aan Khu-n-Aten, en de verzekering dat hij
de „huishond" van den koning is, en dat hij het land der
Amorieten bewaart voor „den koning", zijnen heer. Verder
beroept hij zich op den egyptischen commissaris Pakhanate,
die hem een bezoek had moeten brengen, en die zal kunnen
getuigen, dat hij Zemar en het daaromheen liggend gebied
„verdedigde" voor den koning. Dat Pakhanate vriendschappe-
-ocr page 114-
91
lijk gezind was jegens Ebed-Asherah, kan worden opgemaakt
uit een bericht van Rib-Hadad, waarin hij dien bevelhebber
beschuldigt, dat hij geweigerd had, hulptroepen te zenden tot
ontzet van Gebal, en dat hij lijdelijk had toegezien terwijl
Zemar bezweek. Ebed-Asherah verzoekt den koning dan verder
zeer dringend, zelf te komen, en niet eigen oogen te zien,
welk een getrouw landvoogd hij werkelijk was.
De brieven van Abimelech van Tyrus gaven een geheel
andere voorstelling van de zaak, en de ongelukkige Pharao
mag wel verontschuldigd worden indien hij evenzeer als wij
in de war geraakte bij zijn onderzoek naar de waarheid. Abi-
melech had van zijn kant óók een grief. Zoodra namelijk Zim-
ridi van Sidon kennis gekregen had van Abimelech\'s benoeming
tot gouverneur van Tyrus, nam hij bezit van de naburige stad
Usu, welke schijnt gestaan te hebben op de plaats van Palae-
tyrus op het vasteland; daardoor sneed hij den Tyriërs den
toevoer af van hout, voedsel en drinkwater. De stad Tyrus
was destijds beperkt tot een rotsachtig eiland, zoodat levens-
middelen en water er in booten moesten worden aangevoerd. Van-
daar, dat het bezetten van de stad op het vasteland door den vijand
oorzaak werd, dat vele inwoners stierven van gebrek. Om haar
benarden toestand nog erger te maken, werd de stad geblok-
keerd door de vereenigde vloten van Sidon, Arvad en Aziru.
Ilgi, „koning van Sidon", schijnt naar Tyrus gevlucht te zijn
om bescherming te vinden, terwijl Abimelech meldt, dat de
koning van Hazor zich gevoegd had bij de Bedouinen onder
Ebed-Asherah en zijn zonen. Er is een brief van dezen koning
van Hazor bewaard gebleven, alsmede een andere brief van
Ebed-Sullim, den egyptischen gouverneur der stad, wiens macht
bijna even groot was als die van den koning.
Weldra werden echter de Sidonische schepen genoodzaakt
tot den aftocht, en de gouverneur van Tyrus maakte zich ge-
reed, ze te vervolgen. Intusschen zond hij zijn afgezant Elime-
lech naar Khu-n-Aten met verschillende geschenken, en deed
den koning verslag van hetgeen in „Kanaan" gebeurd was. De
legerbenden der Hethieten waren vertrokken, maar Etagama,
-ocr page 115-
92
elders Aidhu-gama genaamd, de pa-ur of „vorst" van Kades,
in het land van Kinza, had zicli bij Aziru gevoegd, om Namya-
yitsa, den gouverneur van Kumidi, aan te vallen. Abimelech
voegt er bij, dat zijn mededinger Zimridi van Sidon schepen
en manschappen uit de steden van Aziru tegen hem saamge-
bracht en hem verslagen had, maar dat alles nog in orde zou
komen als ;de Pharao hem maar vier compagniën soldaten tot
ontzet wilde zenden.
Maar Zimridi draalde óók niet met het zenden van zijne
voorstelling der gebeurtenissen naar het egyptische hof, en den
koning verzekering te doen van zijne onkreukbare trouw. Hij
schrijft: „mijn heer de koning weet zeer goed, dat de koningin
der stad Sidon de dienstmaagd van mijn heer den koning is,
die haar aan mij gegeven heeft, en dat ik geluisterd heb naar
de woorden van mijnen heer, den koning, dat hij haar zenden
zou aan zijn dienaar, en mijn hart was bigde, en mijn hoofd
was verheven, en mijne oogen waren verlicht, en mijne ooren
hoorden de woorden van den koning, mijnen heer.... En de
koning, mijn heer, weet, dat er groote vijandschap tegen mij
bestaat; alle [sterkten], die de koning in [mijne hand] gaf, zijn
overgegaan naar de Bedouinen, maar zijn door den aanvoerder
der egyptische krijgsmacht hernomen". — Deze brief werpt een
geheel ander licht over de betrekkingen der twee, naar het
gezag dingende, partijen in Phoenicië.
De verzekeringen van Rib-Hadad worden echter gesteund
door die van zijn opvolger in het bestuur over Gebal, El-rabi-
Hor. Rib-Hadad zelf verdwijnt van het tooneel. Hij zal wei-
licht gestorven zijn; want hij klaagt, dat hij oud en ziek is;
of hij is uit Grebal verdreven, want in een zijner brieven meldt
hij, dat de stad neiging toonde tot oproer, terwijl hij in een
anderen bericht, dat zelfs zijn eigen broeder zich tegen hem
gekeerd had, en naar de amorietische partij overgegaan was. Mis-
schien ook was hij van zijn post ontzet; hoe het zij, wij ver-
nemen, dat de Pharao hem geschreven had, dat Gebal oproerig
was, en dat er zich vele koninklijke eigendommen bevonden.
Ook vernemen wij, dat Rib-Hadad zijn zoon gezonden had
-ocr page 116-
93
naar het egyptische hof, om zijne zaak daar te hepleiten, ter-
wijl ouderdom en zwakte als reden waarom hij zelf niet
gekomen was werden opgegeven. Zeker is het, dat wij een
nienwen gouverneur te Gebal vinden, die den bastaard-naam
draagt: El-rabi-Hor, „een groot god is Horus".
Zijn eerste brief dient om te protesteeren tegen Khu-n-Aten\'s
wantrouwen jegens Gebal, hetwelk hij „uw stad en de stad
van [uwe] vaderen" noemt, en om zonder omwegen te verze-
keren, dat „Aziru in opstand is tegen den koning, mijnen
heer". Aziru had een verbond (?) gesloten met de koningen
van Ni, Arvad, en Ammiya (de Beni-Ammo van Num. XXII: 5)l)
en verwoestte, met hulp van den Amoriet Palasa, de steden
van den Pharao. Zoo vraagt El-rabi-Hor den koning, geen
acht te slaan op het een of ander wat de oproerling mocht
schrijven omtrent zijn inbezitneming van Zemar of zijn moord
op koninklijke stadhouders, maar hem zelven eenige troepen
te zenden voor de verdediging van Gebal. In een tweeden
brief herhaalt hij zijne beschuldigingen tegen Aziru, die nu
Adon, den koning van Arka, had „geslagen", en zich meester
gemaakt van Zemar en de andere steden van Phoenicië,
zoodat Gebal „alleen" aan de zijde des konings is, die „toeziet"
zonder iets te doen. Bovendien was een nieuwe vijand komen
opdagen in den persoon van Eta-gama van Kades, die zich
verbonden had met den koning der Hethieten en den koning
van Naharaim.
Brieven aan Khu-n-Aten van Akizzi, den stadhouder van
Qatna, dat, zooals de inscripties van Assur-natsir-pal ons lee-
ren, gelegen was aan de Khabiir, stellen Aziru in hetzelfde
licht. Allereerst wordt aan de egyptische regeering bericht,
dat de koning der Hethieten, te samen met Aidhu-gama (of
Eta-gama) van Kades, een inval heeft gedaan in het egyptisch
grondgebied, de steden verbrandde, en van Qatna het beeld
van den Zonnegod wegnam. Khu-n-Aten, zoo wordt betoogd,
kon deze laatste misdaad niet ongestraft laten. De Zonnegod
1) Zie boven, blz 41.
-ocr page 117-
94
had hem en zijn vader geschapen, en zij waren naar zijn
naam genoemd. Hij was het voornaamste voorwerp van des
Pharao\'s vereering, de god, om wiens wil Khu-n-Aten Thebe
verlaten had.
Bij den hethietischen koning hadden zich, toen hij een inval
deed in Syrië, de stadhouders van eenige, overigens onbekende,
noordelijke steden gevoegd, maar de koningen van Nukkasse,
Ni, Zinzar (het Sonzar der egyptische teksten), en Kinanat
(het Kanne van Ezech. XXVII: 23) bleven den egyptischen
monarch getrouw. De oproerige stadhouders waren evenwel in
het land van Ube, — het Aup der hieroglyphen-teksten —
en zetten Aidhu-gama aan om daar een inval te doen.
Een andere brief voert Aziru ten tooneele. Hij wordt be-
schuldigd, een inval te hebben gedaan in het land Nukhasse,
en gevangenen gemaakt te hebben van het volk van Qatna. Tot
den Pharao wordt de bede gericht, hun te hulp te komen, of hen
vrij te koopen, en wagens en soldaten te zenden, om zijne mesopo-
tamische onderdanen te helpen. Indien zij komen, zullen alle
landen rondom hem als heer erkennen, en zal hij heer óók van
Nukhasse zijn; indien zij niet komen, zullen de mannen van
Qatna gedwongen zijn, Aziru te gehoorzamen.
Het is waarschijnlijk, dat de misdaden van Aziru, waarop
hier gewezen wordt, bedreven werden in den tijd toen hij in
Tunip was, om dit openlijk te beschermen tegen een aanval
der Hethieten. Uit hetgeen Akizzi zegt, schijnt te blijken dat
hij, in plaats van getrouwelijk zijn zending te vervullen, er
naar gestreefd heeft om zijn eigen macht in Noord-Syrië te
vestigen. Terwijl hij in naam een ambtenaar van den Pharao
was, zocht hij inderdaad een amorietisch koninkrijk in het
noorden te stichten. Hierin zou hij een voorganger van Og en
van Sihon geweest zijn, wier koninkrijken werden opgebouwd
op de puinhoopen van het egyptische rijk.
Een bericht van Namya-yitsa, den stadhouder van Kumidi,
plaatst het gedrag van Aziru evenwel in een gunstiger licht.
Het werd een weinig later geschreven, toen de opstand tegen
het egyptisch gezag zich uitbreidde over Syrië. Een zekere
-ocr page 118-
95
Biridasyi had de stad Inu\'am in oproer gebracht, en was, na
de poort voor Namya-yitsa gesloten te hebben, naar de Stad
Ashtaroth-Karnaim in Basan gegaan, waar hij op de wagens,
die den Pharao toebehoorden, beslag legde, en ze aan de Be-
douïnen uitleverde. Daarop smeedde hij, tesamen met de ko-
ningen van Bazruna (nu Bosra) en Khalunni (bij de Wadi
Allan), een samenzwering om Namya-yitsa te vermoorden, die
evenwel naar Damascus ontsnapte, ofschoon zijn eigen broeders
zich tegen hem keerden. De oproerlingen vielen vervolgens
Aziru aan, namen eenigen van zijne soldaten gevangen, en
verwoestten, in verbinding met Etu-gama, de landstreek Abitu.
Etakkama, zooals Etu-gama zijn eigen naam spelt, betuigde
echter dat hij een trouw dienaar van den egyptischen koning
was, en een der brieven van Tel el-Amarna is van zijne hand.
Wij hooren daarop weder van Namya-yitsa in Accho of
Acre, waarheen hij met Suta, of Seti, den egyptischen zaak-
gelastigde, de wijk genomen had. Seti was reeds in Jeruzalem
geweest, en had daar onderzoek gedaan naar de houding van
Ebed-Tob.
De schildering van beginnende regeeringloosheid en opstand,
die ons voor oogen wordt gesteld door de briefwisseling uit
Phoenicië en Syrië, wordt herhaald in die betreffende
Midden- en Zuid-Palestina. In het eerstgenoemde waren de
hoofdzetels van het egyptisch bestuur gevestigd te Megiddo,
te Khazi (het Graza van 1 Chron. VII: 28) bij Sichem, en te
Grezer. Elk dezer steden stond onder een egyptischen stad-
houder, als zoodanig met bijzondere zorg door den Pharao
benoemd.
De stadhouder van Khazi droeg den naam Suyarzana; Me-
giddo stond onder het gezag van Biridï, terwijl Yapakhi stad-
houder van Graza was. Van laatstgenoemden ambtenaar bevinden
zich in de verzameling van Tel el-Amarna verscheidene brieven,
wier voornaamste inhoud aanvragen zijn om hulp tegen zijn
vijanden. Het onder zijn bestuur geplaatste district was name-
lijk aangevallen door de Sute of Bedouinen, onder aanvoering
van zekeren Labai of Labaya en zijn zonen. Labai zelf, hoe-
-ocr page 119-
9G
wel een geboren Bedouien, was bepaaldelijk een egyptisch
ambtenaar, naardien de egyptische staatkunde slim genoeg
geweest was om aan de machtige Bedouinen-hoofden den titel
van stadhouder te geven, en om hen gehecht te maken aan
de egyptische regeering door den vereenigden invloed van om-
kooping en vrees. Zoo schrijft dan Labai aan den Pharao, om
zich te verdedigen tegen de beschuldigingen, die tegen hem
waren ingebracht, en om Khu-n-Aten de verzekering te geven,
dat hij „een getrouw dienaar des konings" was; „ik heb niets
misdaan, en ik heb geen aanstoot gegeven, en ik houd mijne
schatting niet terug, en veronachtzaam ook niet het bevel om
mijne beambten terug te zenden". Labai schijnt door Ameno-
phis III benoemd te zijn tot stadhouder van Sunem en Bene-
barak (Jos. XIX : 45), en had zich meester gemaakt van de stad
Grath-Bimmon, toen zij opstond tegen den Pharao; maar na
den dood van Amenophis had hij met zijn zonen op echte
Bedouinen-wijze de egyptische ambtenaren overvallen, en elke
gelegenheid aangegrepen om Midden- en Zuid-Palestina te plun-
deren. Zooals wij zullen zien, behoorden Labai en zijn bond-
genoot Malchiel onder de voornaamste tegenstanders van Ebed-
Tob van Jeruzalem.
Bij ééne gelegenheid echter werd Labai feitelijk gevangen
genomen door een der egyptische ambtenaren. Er bestaat een
brief van Biridi, waarin gemeld wordt, dat Megiddo bedreigd
werd door Labai, en dat het, al was de bezetting ook ver-
sterkt geworden door de komst van eenige egyptische troepen,
onmogelijk was, zich buiten de stadspoorten te wagen, uit vrees
voor den vijand, en dat de stad het denkelijk niet zou kunnen
houden, tenzij nog twee regimenten gezonden werden. Wij
weten niet, of deze hulptroepen nog gezonden zijn, of niet.
Maar Labai moest, om zijn leven te redden, vluchten met zijn
bondgenoot Yasdata, die stadhouder was van de een of andere
stad bij Megiddo, zooals wij vernemen uit een brief van dezen,
waarin hij zegt, dat hij zich bij Biridi bevindt. Van Yasdata
hooren wij verder niets, maar Labai werd te Megiddo gevangen
genomen door Zurata, den bestuurder van Acre, die, onder
-ocr page 120-
97
voorwendsel van zijn gevangene met een schip naar Egypte
te zenden, hem eerst bracht naar de stad Khinatuna (\'En\'athón),
en vervolgens naar zijn eigen huis, waarheen hij door om-
kooping gebracht werd om te worden vrijgelaten tegelijk met
zijn metgezel Hadad-mekhir (die, in het voorbijgaan gezegd,
ons twee brieven heeft nagelaten).
Het was waarschijnlijk na de vermelde gebeurtenissen, dat
Labai aan den Pharao schreef, ten einde zich van alle schuld
vrij te pleiten; maar wat hij aanvoert kan, in weerwil van den
gewonen toon van onderworpenheid, aan het egyptische hof
moeilijk voor goede munt zijn opgenomen. In een zijner brieven
verontschuldigt hij zich, deels op grond hiervan dat zelfs „het
voedsel voor zijn maag" hem ontnomen geworden was, deels
met de bewering, dat hij Gezer had aangevallen en bezet
enkel en alleen om zijne eigendommen en zijn vriend Malchiel
terug te krijgen, deels omdat zekere Bin-sumya, dien de Pharao
tegen hem had afgezonden, wezenlijk „eene stad en daarin een
eigendom aan mijn vader gegeven had," zeggende, dat, indien
de koning zendt om mijne vrouw, ik haar moet terughouden,
en indien de koning zendt om mijzelf, ik hem in plaats daar-
van een koperen staaf in een grooten beker moet geven, en
den eed van trouw afleggen." Een tweede brief is nog minder
onderdanig. Daarin beklaagt hij zich, dat de egyptische troepen
zijn volk slecht behandeld hebben, en dat de beambte, die bij
hem is, hem bij den koning belasterd heeft; en verder ver-
klaart hij, dat twee zijner steden hem ontnomen zijn, maar
dat hij al wat hem nog is overgebleven van zijn vaderlijk erf-
deel tot den einde toe zal verdedigen.
Malchiel, de bondgenoot van Labai in zijn aanval op Gezer,
evenals later in dien op Ebed-Tob van Jeruzalem, schijnt niet
een Bedouien van afkomst geweest te zijn. Maar zoolang het
Bedouienhoofd hem van dienst kon zijn, was Labai zeer be-
reid gebruik te maken van zijn hulp, en het was altoos ge-
makkelijk genoeg, het verbond te laten varen, zoodra het
hinderlijk werd. Malchiel was de behuwdzoon van Tagi van
Gath, en de ambtgenoot van Su-yardata, een van de weinige
7
-ocr page 121-
9*
kanaanietische landvoogden, dien de egyptische regeering schijnt
te hebben kunnen vertrouwen. Su-yardata en Malchiel bestuur-
den beiden een deel van zuidelijk Palestina, en wij vernemen
nog al \'t een en ander over hen van Ebed-Tob. „De twee
zonen van Malchiel" worden ook vermeld in een brief van
eene dame met een babylonischen naam; zij worden daarin
genoemd in verband met een poging om de steden Ajalon en
Zorah (Jos. XV : 33) los te maken van het verbond met Egypte.
De door vrouwen gevoerde briefwisseling aan het hof van den
Pharao behoort tot de merkwaardigste en belangwekkendste
dingen, waarin op de tafeltjes van Tel el-Amarna de maat-
schappelijke toestand zich afspiegelt; die briefschrijfsters ver-
diepten zich met vurige belangstelling in de politiek van den
dag, en hielden den egyptischen koning geheel op de hoogte
van alles wat er omging.
De brieven van Ebed-Tob zijn zóó belangrijk, dat het \'t best is,
ze in hun geheel te geven. Zij schijnen allen geschreven te zijn bin-
nen den tijd van enkele maanden, misschien zelfs van weken,
toen de vijanden van den stadhouder van Jeruzalem zich rond-
om begonnen te verzamelen, en er op zijne aanvragen oin hulp
geen antwoord kwam uit Egypte. De stippeltjes in de regels
duiden de woorden en zindeelen aan, die tengevolge van het
breken der leemen tafeltjes zijn verloren gegaan.
I. „Tot den koning, mijnen heer, [mijn] Zonnegod, [spreekt]
aldus Ebed-Tob, uw knecht: ik werp mij zevenmaal zevenmaal
neder aan de voeten van den koning, mijnen heer. Zie, de
koning heeft zijn naam gevestigd aan den opgang der zon en
aan den ondergang der zon. Men heeft mij belasterd. Zie, ik
ben niet een stadhouder, een vasal van den koning, mijnen
heer. Zie, ik ben een bondgenoot van den koning, en ik heb
de aan den koning verschuldigde schatting betaald, ja ik. Noch
mijn vader, noch mijne moeder, maar het orakel (of de arm)
van den Machtigen Koning heeft mij gevestigd in het huis
van [mijn] vaderen .... Er zijn, als een geschenk, 13 [vrouwen]
en 10 slaven tot mij gekomen. Suta (Seti), de gevolmachtigde
van den koning, is tot mij gekomen: 21 vrouwelijke slaven
-ocr page 122-
9!)
en 20 mannelijke slaven, gevangen genomen in den oorlog,
zijn gegeven in de handen van Suta als een geschenk aan den
koning, mijnen heer, zooals de koning verordend heeft voor
zijn land. Het land van den koning is verwoest, ganschelijk.
Vijandelijkheden zijn tegen mij bedreven tot aan de bergen
van Seir (Jos. XV : 10) en de stad Gath-Karmel (Jos. XV : 55).
Al de andere stadhouders leven in vrede, maar tegen mij is
oorlog, vermits ik wel den vijand zie, maar niet de tranen
zie van den koning, mijnen heer, omdat een oorlog tegen mij
begonnen is. Zoolang daar een schip is in het midden der zee,
zal de arm (of het orakel) van den Machtigen Koning de
landen van Naharaim (Nakhrima) en Babylonië overwinnen.
Maar nu overweldigen de verbondenen (Khabiri) de sterkten
van den koning. Green enkele van hare stadhouders blijft den
koning, mijnen heer, over; allen zijn omgekomen. Zie, Turbazu,
uw militaire beambte, [is gevallen] in de groote poort der stad
Zelah (Jos. XVIII: 28). Zie, Zimrida van Lachis is vermoord
door de knechten, die zijn opgestaan tegen den koning. Jeph-
thah-Hadad, uw militaire beambte, is verslagen geworden in
de groote poort van Zelah... Moge de koning [mijn heer]
hulp zenden [aan zijn land]! Moge de koning zijn aangezicht
keeren naar [zijne onderdanen]! Moge hij met spoed troepen
zenden naar [zijn] land! [Zie,] indien er dit jaar geen troepen
komen, zullen al de landen van den koning mijnen heer vol-
komen verwoest zijn. Zij zeggen den koning mijnen heer niet
in het aangezicht, dat het land van den koning mijnen heer
verwoest is, en dat alle stadhouders gedood zijn, indien er dit
jaar geene troepen komen. Laat de koning een gevolmachtigde
zenden, en laat hem tot mij komen, ja tot mij, met hulptroe-
pen, en wij zullen sterven met den koning [onzen] heer. —
[Tot] den geheimschrijver van den koning mijnen heer [spreekt]
Ebed-Tob [uw] dienaar. Aan [uwe] voeten [buig ik mij neder.]
Laat een verslag van [mijne] woorden den koning [mijnen]
heer worden voorgelegd. Ik ben uw [trouwe] dienaar."
II. „Tot den koning mijnen heer spreekt aldus Ebed-Tob,
uw knecht: aan de voeten van den koning, mijnen heer, buig
-ocr page 123-
100
ik mij zevenmaal zevenmaal neder. Wat heb ik gedaan tegen
den koning, mijnen heer ? Zij hebben mij belasterd, mij lagen
leggende in de tegenwoordigheid van den koning, den heer,
zeggende: Ebed-Tob is afvallig geworden van den koning
zijnen heer Zie, noch mijn vader, noch mijne moeder hebben
mij op deze plaats verheven; het orakel van den Machtigen
Koning heeft mij het huis mijns vaders doen binnengaan.
Waarom zou ik een zonde bedreven hebben tegen den koning,
mijnen heer? Met den koning, mijnen heer, is leven. Ik zeg
tot den beambte van den koning [mijnen] heer: Waarom hebt
gij de verbondenen lief, en haat gij de stadhouders? En aan-
houdend zend ik tot den koning, mijnen heer, om te zeggen,
dat de landen van den koning, mijnen heer, verwoest worden.
Aanhoudend zend ik tot den koning mijnen heer; en laat
de koning, mijn heer, nadenken, dewijl de koning, mijn heer,
de mannen der lijfwacht, die de vestingen genomen hebben,
heeft aangesteld. Laat Yikhbil-Khamu [gezonden worden]....
Laat de koning hulp aan zijn land zenden. [Laat hem troepen
zenden] naar zijn land, die al de vestingen van den koning,
mijnen heer, beschermen, dewijl Elimelech het geheele land
des konings verwoest; en laat de koning hulp zenden aan
zijn land. Zie, ik heb veel met den koning, mijnen heer, ver-
keerd, en de tranen van den koning, mijnen heer, niet gezien;
maar vijandschap is sterk tegen mij; toch heb ik geen enkel
ding, wat dan ook, genomen van den koning, mijnen heer;
en laat de koning zijn aangezicht naar mij toe keeren; laat
hem met spoed een wacht [voor mij] zenden, en laat hem een
gevolmachtigde benoemen, en ik zal de tranen van den koning,
mijnen heer, niet zien, terwijl de koning [mijn] heer zal leven
wanneer de gevolmachtigde vertrokken is. Zie, de landen van
den koning [mijnen heer] worden verwoest; toch geeft gij mij
geen gehoor. Alle stadhouders zijn gedood; geen stadhouder
blijft den koning, den heer, over. Laat de koning zijn aange-
zicht wenden tot zijne onderdanen, en laat hem hulptroepen
zenden, ja de troepen van den koning, mijnen heer. Geen
provincies blijven den koning over; de verbondenen hebben
-ocr page 124-
101
al de provincies des konings verwoest. Indien er dit jaar hulp-
troepen komen, zullen de provincies van den koning, den heer,
behouden worden; maar indien er geen hulptroepen komen,
worden de provincies van den koning, mijnen heer, verwoest. —
[Tot] den geheimschrijver van den koning, mijnen heer, [zegt]
Ebed-Tob : Geef een verslag van mijne woorden aan den koning,
mijnen heer: de provincies van den koning, mijnen heer, wor-
den door den vijand verwoest."
III. [Tot] den koning, mijnen heer, [spreekt] Ebed-Tob, [uw]
knecht: [aan de voeten van den koning] mijnen heer [buig ik
mij] zeven [maal zevenmaal neder. Zie, laat] de koning [hoo-
ren naar] de woorden [van zijnen dienaar] .... Laat [de koning]
zijn aandacht schenken aan alle districten, die in vijandschap
tegen mij verbonden zijn, en laat de koning hulp aan zijn
land zenden. Zie, het land der stad Grezer, het land der stad
Askalon, en de stad La[chis] hebben levensmiddelen en olie, en
al wat de vesting noodig heeft, als vrede-offers aangeboden.
En laat de koning hulp zenden aan zijne troepen, laat hem
met spoed troepen afzenden tegen de mannen, die zijn opgestaan
tegen den koning, mijnen heer. Indien er dit jaar troepen
komen, dan zullen beide: provincies [en] stadhouders, behouden
blijven voor den koning mijnen heer; [maar] indien er geen
troepen komen, dan zullen er geen provincies of stadhouders
voor den koning [mijnen heer] overblijven. Zie, noch mijn
vader, noch mijne moeder hebben dit land der stad Jeruzalem
aan mij gegeven: het was een orakel [van den Machtigen
Koning] dat het aan mij gegeven heeft, ja aan mij. Zie, Malehiél
en de zonen van Labai hebben het land des konings aan de
verbondenen gegeven. Zie, de koning, mijn heer, is rechtvaar-
dig jegens mij. Wat de Babyloniërs betreft, laat de koning
den gevolmachtigde vragen, hoe bij zonder sterk de tempel-
[vesting van Jeruzalem] is......Gij hebt de provincies in de
handen der stad Askfalon] overgegeven(?j. Laat de koning
van hen overvloed van levensmiddelen, overvloed van olie, en
overvloed van wijn eischen, totdat Pa-nr, de gevolmachtigde
des konings, naar het land der stad Jeruzalem komt, om Adai
-ocr page 125-
102
met het garnizoen en de [rest des volks] te bevrijden. Laat de
koning nauwkeurig letten op de [bevelen] des konings; [laat
hem] tot mij spreken; laat Adai mij bevrijden — Gij zult het
niet laten varen, zelfs deze stad, mij eene bezetting zendende,
[en] zendende een koninklijken gevolmachtigde. Het hangt van
uw welgevallen af, [hen] te zenden. Aan den koning [mijnen
heer] heb ik [een aantal] gevangenen [en een aantal] slaven ge-
zonden. [Ik heb gezien naar] de wegen des konings in de vlakte
(kikkar, Gen. XIII: 10) en in de bergen. Laat de koning,
mijn heer, acht geven op de stad Ajalon. Ik ben niet in staat,
mijn weg naar den koning, mijnen heer, te richten, volgens
zijne bevelen. Zie, de koning heeft zijn naam in het land van
Jeruzalem voor altijd gevestigd, en hij kan het grondgebied
der stad Jeruzalem niet aan zijn lot overlaten. — Tot den
geheimschrijver van den koning, mijnen heer, spreekt Ebed-Tob,
uw knecht, aldus. Aan uwe voeten bnig ik mij neder. Uw
dienaar ben ik. Leg een verslag van mijne woorden voor den
koning, mijnen heer. De vasal van den koning ben ik. Moogt
gij lang leven! — En gij hebt daden verricht, die ik niet
kan opsommen, tegen de mannen van het land van Ethiopië....
De mannen van het land der Babyloniërs [zullen nooit] mijn
huis binnenkomen......"
IV. (Het begin van den brief is verloren gegaan, en het is
niet zeker, dat Ebed-Tob er de schrijver van is). „En nu, wat
de stad Jeruzalem betreft, indien dit land nog den koning toe-
behoort, waarom is Gaza tot zetel gemaakt van \'s konings
regeering? Zie, het district der stad Gath-Karmel is vervallen
aan Tagi en de mannen van Gath. Hij is in Bit-Sani (Beth-
Sannah); en wij hebben bewerkt, dat zij Labai en het land der
Sute aan de mannen van het district der verbondenen zouden
geven. Malchiel heeft tot Tagi gezonden, en heeft eenige
jongens als slaven meegenomen. Hij heeft aan de mannen van
Keilah al hunne beden ingewilligd, en wij hebben de stad
Jeruzalem bevrijd (of: zijn van de stad Jeruzalem vertrok -
ken). Het garnizoen, dat gij er in hebt achtergelaten,
staat onder bevel van Apis, den zoon van Miya-riya (Meri-
-ocr page 126-
103
Ra). Hadad-el is in zijn huis te Gaza gebleven....."
V.  „Tot den koning, mijnen heer, [spreekt] aldus Ebed-Tob,
uw knecht: aan de voeten van mijnen heer [den koning, buig
ik mij] zevenmaal zevenmaal. Zie, Malchiel scheidt zich niet
af van de zonen van Labai en de zonen van Arzai, om het
land van den koning voor zichzelf op te eischen. Wat den stad-
houder betreft, die zóó handelt, waarom stelt de koning geen
onderzoek naar hem in? Malchiel en Tagi zijn het, die zoo
hebben gehandeld, daar zij de stad Rubute (Rabba, Joz.
XV : 60) genomen hebben .... (Verscheidene regels ontbreken
hier). Er is geen koninklijk garnizoen [in Jeruzalem]. Moge
de koning eeuwig leven! Laat Pa-ur tot hem gaan. Hij is
voor mijne oogen vertrokken, en is in de stad Gaza; en laat
de koning hem een lijfwacht zenden, om het land te verdedigen.
Het geheele land des konings is in opstand. Beveel Yikhbil-
Khamu [te komen], en laat hem het land van den koning
[mijnen heer] in oogenschouw nemen. — Tot den geheim-
schrrjver van den koning [mijn heer spreekt] aldus Ebed-Tob,
uw dienaar: [aan uwe voeten buig ik mij neder]. Leg [een verslag]
van mijne woorden den koning voor. Moogt gij lang leven!
Uw dienaar ben ik."
VI.  „[Tot] den koning, mijnen heer, spreekt aldus Ebed-Tob,
uw knecht: aan de voeten van den koning, mijnen heer,
buig ik mij zevenmaal zevenmaal neder. [De koning kent
de daad] die zij verricht hebben, ja Malchiel en Su-ardatum,
tegen het land van den koning, mijnen heer, bevelvoerende
over de krijgsmacht der stad Gezer, de krijgsmacht der stad Gath,
en de krijgsmacht der stad Keilah. Zij hebben zich van het
district der stad Rabba meester gemaakt. Het land des konings
is overgegaan aan de verbondenen. En nu op dit oogenblik is de
stad van den berg van Jeruzalem, de stad van den tempel van den
god Nin-ip, wiens naam is Salim(?)l), de stad des konings, over-
gegaan tot de zijde der mannen van Keilah. Laat de koning
1) Of, de lezing van Dr. Zimmern aannemende: »De stad, wier naam
is Bit-Nin-ip."
-ocr page 127-
104
luisteren naar Ebed-Tob, uw dienaar, en laat hem met spoed
troepen zenden, en het land des koning» aan den koning terug-
geven. Maar indien er geen troepen komen, is het land des
konings overgegaan aan de mannen der verbondenen. Dit is
het werk [van Su-ar]datun en Malchiel... ."
Aan de getrouwheid van Ebed-Tob schijnt evenwel aan het
egyptische hof getwijfeld te zijn, waar meer vertrouwen werd
gesteld in zijnen mededinger en vijand Su-ardata (of Su-yar-
data, zooals de eigenaar van den naam dien zelf schrijft).
Mogelijk is de aanspraak, die de vasal-koning van Jeruzalem
er op maakte, zijn koninklijk ambt ontvangen te hebben van
den „Machtigen Koning", en niet van den „grooten koning"
van Egypte, en diensvolgens een bondgenoot van den Pharao
en niet een gewoon stadhouder te zijn, niet vreemd aan de
verdenking waaronder hij stond. In ieder geval vernemen wij
uit een brief van Su-yardata, dat de inbezitneming van Keilah
door de vijanden van Ebed-Tob, waarover deze zich zoo bitter
beklaagt, te wijten was aan de bevelen der egyptische re-
geering zelf. Su-yardata zegt daar — „De koning [mijn heer]
beval mij, oorlog te maken in de stad Keilah: oorlog werd ge-
maakt ; (en nu) wordt eene beschuldiging tegen mij ingebracht.
Mijne stad is tegen mij opgestaan. Ebed-Tob zendt naar de
mannen der stad Keilah; hij zendt zilver, en zij zijn opgetrok-
ken tegen mijne achterhoede. En de koning weet, dat Ebed-Tob
mijne stad uit mijne hand genomen heeft." De schrijver voegt
er bij, dat „nu Labai Ebed-Tob heeft gevangen genomen, en
zij onze steden genomen hebben." In zijne volgende berichten,
die hij zendt naar de regeering in het moederland, beklaagt
Su-yardata zich er over, dat hij „alleen" is, en vraagt dat er
troepen tot hem gezonden worden, zeggende dat hij eenige
almehs of meisjes als een geschenk met zijn „dragoman" ver-
zendt. Bij dit punt breekt de briefwisseling af.
Malchiel en Tagi schrijven ook aan den Pharao. Wat Tagi
aangaat, de wegen tusschen Zuid-Palestina en Egypte stonden
onder toezicht en bescherming van zijn broeder; terwijl Mal-
chiel vraagt om ruiterij, om den vijand te vervolgen en ge-
-ocr page 128-
105
vangen te nemen, die den oorlog begonnen was tegen Su-yar-
data en hemzelf, die „het land des konings" had in bezit
genomen, en gedreigd zijne knechten te dooden. Hij beklaagt
zich ook over het gedrag van Yankhamu, den Hoogen Grevol-
machtigde, aan wien was opgedragen, onderzoek te doen naar
het gedrag der stadhouders in Palestina. Yankhamu had, naar
het schijnt, beslag gelegd op Malchiels eigendom, en zijne
vrouwen en kinderen weggevoerd. Het was zonder twijfel deze
onrechtvaardige handelwijze, waarop Labai in zijn brief van
verontschuldiging doelt.
Het grondgebied, waarvan Jeruzalem de hoofdstad was, strekte
zich zuidwaarts tot den Karmel van Juda uit, Grath-Karmel,
zooals het door Ebed-Tob, alsmede in de geografische lijsten
van Thothmes III, genoemd wordt, terwijl het in het westen
reikte tot Keilah, Rabba, en het gebergte Seïr. Van Hebron
wordt geen melding gemaakt, noch in de brieven van Tel el-
Amarna, noch in de egyptische, geografische lijsten, die ouder zijn
dan de opkomst der negentiende dynastie. De stad moet derhalve
onder een of anderen naam bestaan hebben, of in handen van
eene aan Egypte vijandige macht geweest zijn.
De naam Hebron heeft denzelfden oorsprong als die der
Khabiri, die in Ebed-Tob\'s brieven ten tooneele verschijnen
aan de zijde van Labai, Babylonië, en Naharaim, als de aan-
vallers van Jeruzalem en zijn grondgebied. Het woord be-
teekent „Verbondenen", en komt voor in de assyrische teksten;
o. a. in een lofzang, die door Dr. Brünnow is uitgegeven, waar
wij lezen: iatu pan khabiri-ya iptarsanni, „van het aangezicht
mijner bondgenooten heoft hij mij weggedaan." Het woord is
evenwel niet assyrisch, daar het in dat geval een anderen
vorm zou gehad hebben; maar het moet ontleend zijn aan de
kanaanietische taal van het Westen.
Men is het er niet over eens, wie de Khabiri of „Verbonde-
nen" waren. Sommige geleerden zien in hen elamietische vrij-
buiters, die de babylonische legers op hun tocht naar Syrië
volgden. Deze meening steunt op het feit, dat van de Khabiri
ééns melding wordt gemaakt als van een elamietischen stam,
-ocr page 129-
106
en dat in een babylonisch stuk een „Khabiriet" (khabird) wordt
genoemd tesamen met een „Kassiet" of Babyloniër. Een andere
zienswijze is, dat zij moeten vereenzelvigd worden met Heber,
den kleinzoon van Aser (Gren. XLVI: 17), omdat Malchiël de
broeder van Heber genoemd wordt, evenals in de brieven
van Ebed-Tob Malchiël verbonden wordt met de Khabiri. Maar
deze laatste beschouwing is gebaseerd op de veronderstelling,
dat „Khabiri" een eigennaam is, en niet een beschrijvende titel.
Iedere vereeniging van „Bondgenooten" kon Khabiri genoemd
worden, zoowel in Elam als in Palestina, en er volgt niet uit,
dat de twee vereenigingen dezelfde waren. In de „Verbonde-
nen" van Zuid-Kanaan hebben wij een geheel van verbonden
stammen te zien, die zich gevreesd maakten bij den stad-
houder van Jeruzalem in de laatste dagen van het egyp-
tische rijk.
Het schijnt dat Elimelech, die natuurlijk een ander persoon
was dan Malchiël, hun aanvoerder was; en daar Elimelech
een kanaanietische naam is, mogen wij daaruit het besluit
trekken, dat de meerderheid zijner volgers eveneens van kana-
anietische afkomst waren. Het tooneel hunner vijandelijkheden
lag ten zuiden van Jeruzalem. Grath-Karmel, Zelah en Lachis
zijn de steden, die genoemd worden in verband met hunne
pogingen om „de vestingen des konings" in te nemen en te
verwoesten. „Het land des konings", dat was „overgegaan aan
de Verbondenen", was het grondgebied, op het bestuur waar-
over Ebed-Tob aanspraak maakte, terwijl het district, dat door
Labai en zijne Bedouïnen bezet was, werd overgegeven „aan
de mannen van het district der Verbondenen." Deze laatsten
hadden hun voorspoed te danken aan de kuiperijen van Mal-
chiel en de zonen van Labai.
Dit alles brengt ons in de nabijheid van Hebron, en doet de
vraag rijzen, of „het district der Verbondenen" niet hetzelfde
was als waarvan Hebron, „het Bondgenootschap", de centrale
vergaderplaats en het heiligdom was. Hebron heeft zijn gewijd
karakter tot den huidigen dag bewaard; langen tijd maakte
het, evenals Jeruzalem, er aanspraak op, de oudste en heiligste
-ocr page 130-
107
gewijde plaats in Zuid-Palestina te zijn, en vele jaren was het
de hoofdstad van Juda. Bovendien weten wij, dat „Hebron"
niet de eenige naam was, dien de stad droeg. Toen Abram
„bondgenoot" was van de drie amorietische vorsten, was het
bekend als Mamre (Gen. XIII : 18), en in later dagen, onder
de regeering der drie zonen van Anak, werd het Kirjath-
Arba genaamd.
Volgens het bijbelsch verhaal was Hebron tegelijk amorie-
tisch, hethietisch en kanaanietisch. Hier bestond dus een ver-
bond van stammen en rassen, die samenkwamen bij een gemeen-
schappelijk heiligdom. Als Ezeohiel zegt, dat Jeruzalem zoowel
van hethietische als van amorietische afkomst is, heeft hij wellicht
gedoeld op de verovering en inbezitneming der stad door zulk
een bondgenootschap als dat van Hebron. In ieder geval ver-
nemen wij uit Su-yardata\'s brief, dat Ebed-Tob zijne vijanden
in handen gevallen is; hij werd door Labai gevangen genomen,
en het is mogelijk dat zijne stad terzelfder tijd de prooi der
Khabiri werd.
Maar dit alles zijn beschouwingen, waarvan de juistheid of
onjuistheid nog blijken moet. Het eenige waarvan wij zeker
kunnen zijn, is, dat de Khabiri of „Bondgenooten" hun woon-
plaats hadden in het zuidelijk gedeelte van Palestina, en dat
wij niet buiten de grenzen van Kanaan behoeven te gaan om te
ontdekken wie zij waren. Ebed-Tob onderscheidt hen althans zorg-
vuldig zoowel van de Babyloniërs als van het volk van Naharaim.
In zijne brieven worden, evenals overal elders in de brief-
wisseling van Tel el-Amarna, de Babyloniërs Kassi of Kassieten
genoemd. De spelling van den naam is in de spijkerschrift-
teksten anders dan die der Ethiopiërs, de Kash der hieroglyphen-
inscripties. In het hebreeuwsch echter worden beide namen ver-
tegenwoordigd door Cusch, en zoo komt het, dat wij niet
alleen een Cusch hebben, die de broeder van Mitsraim is, maar
ook een Cusch. die de vader is van Nimrod \'). De naam van
1) Zie Gen. X: 6, 8. Vert.
-ocr page 131-
108
laatstgenoemde voert ons terug tot den tijd der tafeltjes van
Tel el-Amarna.
Nahrima of Naharaim was de naam waaronder het koninkrijk
Mitanni bekend was bij zijne kanaiinietische en egyptische
naburen. Mitanni was de hoofdstad, en wellicht was Lutennu
(of Lotan), zooals de Egyptenaren Syrië en Palestina noemden,
er slechts een verkeerde uitspraak van. Tesamen met de Baby-
loniërs had het volk van Naharaim zich gevreesd gemaakt bij
de inwoners van Kanaiin, en de schrik voor hun naam drong
naar het zuiden door tot Jeruzalem toe. Zelfs de stadhouder
der kanaiinietische stad Misikhuna, niet ver van de Galileesche
Zee, droeg den Mitannischen naam Sutarna. Eerst na de ver-
overing van Kanaiin door de Israëlieten is de laatste inval
in dat land door een koning van Arain-Naharaim gedaan.
Gaza en Joppe stonden tegelijkertijd onder denzelfden stad-
houder, Yabitiri; deze doet, in een brief, die ons bewaard is
gebleven, het verzoek ontheven te worden van den last van
zijn ambt. Askalon, dat tusschen de beide zeehavens inlag,
was echter in de handen van een anderen prefect, Yidna gehee-
ten, van wien wij verscheidene brieven bezitten, in een van welke
gesproken wordt van den egyptischen gevolmachtigde Rianap
of Ra-nofer. Het rechtsgebied van Rianap strekte zich noord-
waarts uit tot aan de vlakte van Megiddo, terwijl er óók
melding van gemaakt wordt door Pu-Hadad, den stadhouder
van Yurza, nu Yerzeh, ten Zuid-oosten van Taünach. Maar
deze beambte had meer in het bijzonder zijne taak in het zui-
den van Palestina. Hadad-dan, wien het bestuur over Mana-
hath en ïamar, ten westen van de Doode Zee, was toever-
trouwd, noemt hem „mijn gevolmachtigde", in een brief waarin
hij zich beklaagt over het gedrag van zekeren Beya, den zoon
van „de vrouw Grulat." Hadad-dan begint met te zeggen, dat
hij den gevolmachtigde en de steden des konings beschermd
had, en voegt er dan bij: „de stad Tumur is mij vijandig, en
ik heb een huis in de stad Mankhate, zoodat de troepen van
den koning, mijnen heer, mij kunnen gezonden worden; en
zie, Baya heeft haar mij ontnomen, en heeft er zijn gevol-
-ocr page 132-
109
machtigde geplaatst, en ik heb mij beroepen op Rianap, mijn
gevolmachtigde, en hij heeft de stad weder in mijn bezit ge-
steld, en heeft de troepen van den koning, mijnen heer, tot
mij gezonden." Hierop gaat de schrijver voort met te verhalen,
dat Beya ook tegen de stad Grezer „de dienstmaagd van den
koning, mijnen heer, die mij geschapen heeft", had samenge-
spannen. De oproerling nam toen eene hoeveelheid buit mede,
en men werd genoodzaakt, zijne gevangenen vrij te koopen voor
honderd stukken zilver, terwijl die van zijn bondgenoot werden
vrijgekocht voor dertig stukken zilver.
De misdrijven van Beya of Baya namen hiermede nog geen
einde. Wij hooren nogmaals van hem, dat hij een troep soldaten,
die gezonden waren om het koninklijk paleis te Joppe te verde-
digen, aanviel en gevangen nam, en dat hij die stad zelve be-
zette. Hij werd echter later daaruit verdreven, volgens de
bevelen des konings. Beya beweerde ook, een egyptisch stad-
houder en een trouw dienaar van den Pharao te zijn, wien
hij een brief zond om te zeggen, dat Yankhamu, de Hooge
Gevolmachtigde, niet in zijn district was. Waarschijnlijk was
dit in antwoord op een beschuldiging, die de egyptische be-
ambte tegen hem had ingebracht.
De amhtsplichten van Yankhuma strekten zich uit over
geheel Palestina, en al de stadhouders van dit land stonden
onder hem. Wij treffen hem aan, zijn gezag uitoefenende niet
alleen in het zuiden, maar ook in het noorden, te Zemar en
te Grebal, en zelfs onder de Amorieten. Amon-apt, wien meer
in \'t bij zonder het oppertoezicht over Phoenicië was toever-
trouwd, werd door hem van koorn voorzien, en dikwijls wordt
van hem gewag gemaakt in de brieven van Rib-Hadad. Mal-
chiel klaagde over zijne tyrannieke gedragingen, en die klacht
schijnt aanleiding gegeven te hebben tot een onderzoek door
een vertrouwd persoon van de zijde der regeering in het
moederland; althans schrijft zekere Sibti-Hadad, in antwoord
op de vragen van den Pharao, dat Yankhamu een trouw die-
naar des konings was.
Het land ten oosten der Jordaan schijnt ook behoord te
-ocr page 133-
110
hebben tot zijn rechtsgebied. Ten minste werd de volgende
brief aan hem gericht door den stadhouder Mut-Hadad, „de
man van Hadad." „Tot Yankhamu, mijnen heer, spreekt aldus
Mut-Hadad, uw dienaar: aan de voeten van mijnen heer buig
ik mij neder. Aangezien Mut-Hadad in uwe tegenwoordigheid
heeft verklaard dat Ayab gevlucht is, en het bevestigd(?) is
dat de koning van Bethel gevlucht is voor de ambtenaren van
den koning, mijnen heer, moge de koning, mijn heer, leven!
Ik bid u, vraag Ben-enima, vraag ... tadua, vraag Isuya, of
Ayab in deze stad Bethel geweest is gedurende [de laatste]
twee maanden. Altijd sedert de aankomst van [het beeld vanj
den god Merodach, is de stad Astarti (Ashtaroth-Karnaim)
geholpen, omdat al de vestingen van het vreemde landvijan-
dig zijn, namelijk de steden Udumu (Edom), Aduri (Addor),
Araru, Mestu (Mosheh), Magdalim (Migdolj, Khinianabi (\'En
han-nabi), Zarki-tsabtat, Khaini (\'En), en Ibilimma (Abel).
Wederom heb ik, nadat gij mij een brief hadt gezonden, tot
hem (nml. Ayab) gezonden, [om te wachten] tot uw aankomst
van uwe reis; en hij bereikte de stad Bethel, en [daar] hoorden
zij het nieuws."
Wij vernemen uit dezen brief, dat Edom een „vreemd land"
was, niet door de egyptische wapenen onderworpen. De „stad
Edom", waaraan het land zijn naam ontleende, wordt opnieuw
vermeld in de inscripties van den assyrischen koning Esar-
haddon, en daar was het dat de assyrische belasting-ontvangers
de schatting der edomietische natie inden. Het schijnt, dat het
land Edom in den tijd van Khu-n-Aten zich verder noordwaarts
uitstrekte, dan in een volgend tijdvak der geschiedenis, en dat
ook het gebied, hetwelk later het grondgebied van Moab was,
er toe behoorde. Den naam van het laatstgenoemde land ont-
moeten wij het eerst onder de aziatische veroveringen van
Ramses II, en wel gegrift op het voetstuk van een der kolos-
sale beelden, die vöör den noordelijken pylon van den tempel
van Luxor stonden; toen de brieven van Tel el-Amarna wer-
den geschreven, was Moab bij de kanaiinietische provincie
van Egypte gevoegd.
-ocr page 134-
111
Een merkwaardige brief aan Khu-n-Aten van Burna-buryas,
den babylonischen koning, werpt een helder licht op den aard
van het egyptisch bestuur in Kanaiin. Tusschen de voorgan-
gers der twee vorsten hadden bondgenootschap en vriend-
schapsbetrekkingen bestaan, en niettemin hadden de kanaiinie-
tische onderdanen van den Pharao een schandelijke misdrijf
gepleegd aan eenige babylonische kooplieden, dat tot een
breuk tusschen de beide landen zou geleid hebben, indien het
ongestraft gebleven ware. Bedoelde kooplieden waren Palestina
binnengetrokken onder geleide van den Kanaaniet Ahitub, met
het plan, daarna Egypte te bezoeken. Maar te En-athón, bij
Acre, „in het land Kanaan", vielen Sum-Adda, of Shem-Hadad,
de zoon van Balumme (Balaam), en Sutatna, of Zid-aton, de
zoon van Saratum >), die stadhouder van Acre was, hen aan;
doodden eenigen hunner; mishandelden anderen, en roofden
hunne goederen weg. Daarom zond Burna-buryas, met het oog
op dat voorval, een gezant, die de opdracht had om de vol-
gende klacht voor den Pharao te brengen: „Kanaan is uw
land, en de koning [van Acre is uw dienaar]. In uw land is
mij onrecht aangedaan; straf gij [de overtreders]. Het zilver,
dat zij wegnamen, was een geschenk [voor u], en de mannen,
die mijne knechten zijn, hebben zij gedood. Dood hen, en
wreek het vergoten bloed [mijner knechten]. Maar indien gij
deze mannen niet ter dood brengt, zullen [de bewoners] van
den heirweg, die mij toebehoort, zich opmaken, en voorwaar,
zij zullen uwe gezanten dooden, en het verdrag om de per-
sonen der gezanten te eerbiedigen zal geschonden worden, en
ik zal van u vervreemd worden. Shem-Hadad heeft de voeten
van een mijner mannen afgeslagen, en hem gevangen gehouden ;
en Sutatna van Acre heeft een anderen man op zijn hoofd
laten staan, en hem toen tegen zijn gezicht getrapt."
Er zijn in de verzameling van Tel el-Amarna drie brieven
van Sutatna, of Zid-atna („de god Zid heeft gegeven"), zoo-
1) Zijn naam wordt Zurata gesohreven in den brief van Biridi,
stadhouder van Megiddo; zie boven, blz. 96.
-ocr page 135-
112
als hij zijn naam schrijft; en in een van deze vergelijkt hij
Akku of Acre met „de stad Migdol in Egypte". Zonder twijfel
werd den bahylonischen koning voldoening gegeven voor het
ongelijk, dat zijnen onderdanen was aangedaan, ofschoon het
twijfelachtig is of de ware schuldigen gestraft werden. Er be-
staat een andere brief van Burna-buryas, waarin wederom
melding gemaakt wordt van de Kanaiinieten. Hij verhaalt daar,
dat zij in den tijd van zijn vader, Kurigalzu, tot den baby-
lonischen vorst hadden gezonden, zeggende: „Trek op tegen
Qannisat, en laat ons in opstand komen." Kuri-galzu had echter
geweigerd naar hen te luisteren, berichtende, dat, indien zij
zich wilden losmaken van den egyptischen koning en zich
„met een ander" verbinden, zij iemand anders moesten zoeken
om hen te helpen. Burna-buryas verklaart, dat hij evenzoo
gezind was als zijn vader, en diensvolgens een assyrischen
vasal had gezonden, om den Pharao te verzekeren dat hij
met ontevreden Kanaiinieten geen samenzweringen zou smeden.
Aangezien het eerste gedeelte van zijn brief vol is van aan-
vragen om goud voor de versiering van een tempel, dion hij
bezig was te Babyion te bouwen, was zulk een verzekering
zeer noodig. De berichten van Bib-Hadad en Ebed-Tob even-
wel toonen aan, dat de babylonische monarch, in weer-
wil van zijne vriendschapsbetuigingen, gereed was om in het
geheim hulp te verleenen aan de opstandelingen in Palestina.
De Babyloniërs konden niet zoo licht vergeten, dat zij eenmaal
meester van het land waren geweest, en konden dus het egyptisch
gebied in Azië niet anders dan met afgunstige oogen aanzien.
De briefwisseling van Tel el-Amarna breekt plotseling af,
midden in den tijd van een in elkander vallend rijk, met zijne
stadhouders in Kanaiin, die tegen elkander strijd voerden
en kuipten, en den Pharao om hulp vroegen, die echter
nooit verscheen. De egyptische gevolmachtigden trachtten te
vergeefs, vrede en orde te herstellen, terwijl Babyloniërs en
Mitanniërs, Hethieten en Bedouïnen de onrustige provinciën
aanvielen. Het aziatisch rijk der achttiende dynastie ging even-
wel niet geheel te gronde met den dood van Khu-n-Aten. Een
-ocr page 136-
113
schildering in het grafgesteente van vorst Hui te Thebe toont
aan, dat onder de regeering van zijn opvolger, Tut-ankh-
Amon, de egyptische opperheerschappij nog in enkele deelen
van Syrië erkend werd. De hoofden der Lotan of Syriërs wor-
den voorgesteld in hun veelkleurige kleederen, sommigen met
witte en anderen met bruine huidkleur, en komende voor den
egyptischen monarch met de rijke schatting van hun land.
Gouden bakken vol edelgesteenten, gouden en zilveren vazen,
waarvan de deksels den vorm hebben van gazellen koppen en
de koppen van andere dieren, gouden rij k-geëmailleerde ringen,
paarden, leeuwen, en een tijgervel — ziedaar de geschenken,
die zij den Pharao aanbieden. Het was het laatste gezant-
schap van dien aard, dat in langen tijd uit Syrië kwam.
Met de opkomst der negentiende dynastie en de herstelling
van een krachtige regeering in het moederland, begonnen de
Egyptenaren opnieuw hun oogen te wenden naar Palestina.
Seti I dreef de Bedouïnen voor zich uit, van de grenzen van
Egypte naar die van „Kanaan", en legde een rij versterkingen
en waterputten aan langs „den weg der Philistijnen", die langs
de- kust der Middellandsche Zee naar Gaza liep. De weg naar
het noorden lag nu, langs de zeekust, voor hem open. Wij
hooren dan ook van zijn verovering van Acre, Tyrus en Usu
of Palaetyrus, vanwaar hij naar den Libanon trok en Kumidi
en Inu\'am innam. Een zijner veldtochten moet hem in het hart
van Palestina gevoerd hebben; want op de lijst van veroverde
steden vinden wij de namen Karmel en Beth-anoth, Beth-el
en Pahil of Pella, en Qamham of Chimham (zie Jer. XLI: 17).
Kades, „in het land der Amorieten", werd bij verrassing ge-
nomen, en Seti beroemt er zich op, Alasiya en Kaharaim, de
Hethieten en de Assyriërs, Cyprus en Sangar verslagen of
hunne vrijwillige onderwerping verkregen te hebben. Het
schijnt echter dat hij ten noorden van Kades zijn weg alleen
langs de kust nam, tot aan de Golf van Antiochië en Cilicië,
steden en landstreken, waarvan wij weinig meer dan de namen
kennen, verwoestende.
Seti werd opgevolgd door zijn zoon Eamses II, den Pharao
8
-ocr page 137-
114
der Verdrukking, en den stichter van Pithom en Kamses. Zijn
lange regeering van zeven en zestig jaren duurde van 1348
tot 1281 vóór Chr. De eerste een en twintig jaren ervan
werden besteed aan de herovering van Palestina, en aan bloe-
dige oorlogen met de Hethieten. Maar deze bergbewoners van
het noorden hadden zich te stevig in de oude egyptische pro-
vincie Noord-Syrië genesteld, om verdreven te worden. Al
wat de Pharao kon bewerken was, dat hij hun verder voort-
rukken naar het zuiden stuitte, en Kanaan bewaarde voor hun
overheersching. De oorlog tusschen de twee groote machten
van West-Azië nam ten laatste een einde door de volkomen
uitputting der strijdende mededingers. Een offensief en defen-
sief verbond werd gesloten tusschen Ramses II en Khata-sil,
„de groote koning der Hethieten", en werd nog te hechter
door het huwelijk van den Pharao met de dochter van den
hethietisehen vorst. Syrië werd verdeeld tusschen de Hethieten
en de Egyptenaren, en zij kwamen overeen dat geen van bei-
den, onder welk voorwendsel dan ook, een inval zou doen
in het grondgebied van den ander. Bovendien kwam men
overeen dat, indien één der beide landen werd aangevallen
door een buitenlandschen vijand of door oproerige onderdanen,
de ander te hulp zou komen; verder ook, dat staatkundige
uitgewekenen zouden uitgeleverd worden aan den vorst, wiens
onderdanen zij waren; maar er werd bepaald, dat in dit ge-
val de straf voor hetgeen zij misdreven hadden hun geheel
zou worden kwijtgescholden. Het hethietisch afschrift van het
verdrag werd gegraveerd op een zilveren plaat, en de goden
van Egypte en die der Hethieten werden aangeroepen als ge-
tuigen voor de naleving ervan.
De fabelachtige daden van Sesostris, die schepping van
grieksche verbeelding en onwetendheid, werden toegekend aan
Ramses II, wiens lange regeering, buitensporige ij delheid, en
rustelooze bedrijvigheid als stichter van grootsche bouwwer-
ken, hem tot een der beroemdsten onder de oude Pharao\'s
gemaakt hebben. Het was dus natuurlijk, dat in den aanvang
van de ontcijfering der hieroglyphen de grieksche verhalen in
-ocr page 138-
115
hun geheel werden aangenomen, en dat Eamses II beschouwd
werd als de grootste der egyptische veroveraars. Maar voort-
gezette studie heeft weldra doen zien, dat althans in laatstge-
noemd opzicht zijne vermaardheid onverdiend was. Evenals
zijne gedenkteekenen, waarvan er vele nog gestolen zijn van
zijn voorgangers, of die overigens de kenmerken dragen dat
de fraaiheid van bearbeiding is opgeofferd aan overhaasting en
schijn, zoo is ook een goed deel der aan hem toegekende ver-
overingen op rekening te stellen van de verbeelding der schrij-
vers. Ten gevolge van de tcrugwerking, die deze ontdekking
had, waren de nieuwere geschiedschrijvers van oud Egypte
geneigd, hem zijn roem als veroveraar gansch en al te betwisten.
Maar wij weten thans, dat dit overdreven was, en dat Eam-
ses II, al was hij dan ook geen veroveraar als Thothmes III,
toch het aziatische rijk, dat zijn vader veroverd had, heeft ver-
dedigd en uitgebreid, zoodat de lijsten van overwonnen steden,
die hij in de muren zijner tempels liet griffelen, niet enkel
herhalingen zijn van oudere lijsten of ijdele verzinsels van
vleiende kroniekschrijvers. Egyptische legers trokken wederom
Noord-Syrië en Cilicië binnen, en rukten waarschijnlijk voort
tot aan de oevers van den Euphraat. Er is geen reden om te
ontkennen, dat assyrische legers door de zijne verslagen zijn,
of dat de koning van Mitanni een gezantschap naar zijn hof
gezonden heeft. En wij bezitten nu in het verdrag met de
Hethieten niet alleen het zijdelingsch bewijs, dat Kanaan
weder eene provincie was van het egyptische rijk, doch er
zijn ook andere bewijzen. De namen van sommige steden van
Kanaan, die in het eerste tijdperk der regeering van dezen
Pharao veroverd werden, staan nog te lezen op de muren van
het Eamesseum te Thebe. Daaronder zijn Askelon, Shalam of
Jeruzalem, Merom, en Beth-Anath, die in het achtste jaar
zijner regeering stormenderhand werden ingenomen. Dapul,
„in het land der Amorieten", werd terzelfder tijd veroverd,
een bewijs dat het egyptische leger tot de grenzen der Hethie-
ten is doorgedrongen. Te Luxor komen nog andere kanaanie-
tische namen voor op de lijst van veroverde plaatsen; zoo b.v.
-ocr page 139-
116
Karmel in Juda, Ir-shemesch en Hadasah (Jos. XV : 37), Gaza,
Sela en Jacob-el, Socho, Yurza, en Khorkha in Moab. De naam
van Moab zelf komt het eerst voor onder de onderworpen
volken, terwijl wij uit een lijst van volkplantingen van mijn-
werkers vernemen, dat zoowel Cyprus als het Sinaitisch schier-
eiland stond onder egyptisch gezag.
Een vermakelijk verbaal van de ongelukkige lotgevallen
van een militairen beambte in Palestina, dat geschreven is in
den tijd van llamses, strekt ten bewijs, dat de Egyptenaren
dat land geheel in hun bezit hadden. Op alle deelen van
Kanaiin heeft het betrekking, en, zooals Dr. Max Muller on-
langs heeft aangewezen, wij ontmoeten daarin voor \'t eerst de
namen van Sichem en Kirjath-Sepher. Een gelijksoortig ge-
tuigenis wordt gegeven door eene hieroglyphen-inscriptie, die
kortelings door Dr. Schumacher ontdekt is op den zoogenaamden
„steen van Job" in den Hauran. De steen (Sakhrat \'Ayyub) is
een zuil uit één stuk ten westen van de Galileesche Zee, en
niet ver van Tel \'Ashtereh, het oude Asteroth-Karnaim, dat
een zetel was van egyptisch bestuur ten tijde van Khu-n-Aten.
De zuil is versierd met egyptisch beeldhouwwerk en hierogly-
phen. Eén der figuren stelt een Pharao voor, boven wiens
beeltenis in een randversiering de naam van Eamses II staat,
terwijl tegenover den koning, ter linkerzijde, een godheid is
afgebeeld, die de kroon van Osiris draagt. Boven den god staat
diens naam in hieroglyphen. De naam is evenwel niet egyp-
tisch, maar schijnt bedoeld te zijn voor den kanaiinietischen
Yakin-Zephon of „Yakin van het Noorden." Het is dus dui-
delijk, dat wij in dit gedenkteeken een getuigenis hebben
van de regeering van Eamses II, al werd het gedenkteeken
ook door de bewoners des lands opgericht voor een inheemsche
godheid. Voor korten tijd had het hieroglyphenschrift van
Egypte de plaats ingenomen der vroegere spijkerschrift-teekens
van Babylonië, en de egyptische beschaving was er in ge-
slaagd die, welke van het Oosten was gekomen, te verdringen.
De negentiende dynastie eindigde nog ongelukkiger dan de
achttiende. Wel werd het groote bondgenootschap van noorde-
-ocr page 140-
117
lijke en libysche stammen, die Egypte ter zee en te land aan-
vielen gedurende de regeering van Meneptah, den zoon en
opvolger van Eamses II, met goed gevolg teruggeslagen, maar
het egyptische rijk scheen zijn krachten daardoor te hebben
uitgeput. Overweldigers maakten zich meester van den troon,
en het huis van Eamses werd weggevaagd door burgeroorlog
en regeeringloosheid. De teugels der regeering werden door
een Syriër, met name Arisu, gegrepen, en Egypte wasgenood-
zaakt, voor een tijd zich te buigen onder het juk van den
vreemdeling. De omverwerping van den buitenlander en het
herstel van de oud-vaderlandsche monarchie was het verschul-.
digd aan de dapperheid van Set-nekht, den grondvester der
twintigste dynastie en den vader van Eamses III.
Het was onder èèn der onmiddellijke opvolgers van Eamses
II, dat de uittocht der Israëlieten uit Egypte moet hebben
plaats gehad. De egyptische overlevering wees op Meneptah,
maar de tegenwoordige geleerden neigen meer tot zijne opvol-
gers Seti II en Si-Ptah. Met deze gebeurtenis zou de aarts-
vaderlijke geschiedenis van Kanaan eigenlijk moeten eindigen.
Maar de egyptische gedenkteekenen werpen er nog licht op,
en stellen ons in staat om die geschiedenis na te gaan onge-
veer tot het oogenblik toen Jozua en zijne opvolgers het Be-
loofde Land binnentrokken.
Palestina maakte nog een deel uit van het koninkrijk van
Meneptah, althans zekerlijk gedurende de eerste jaren zijner re-
geering. Een schrijver heeft ons een gedenkschrift nagelaten
betreffende de beambten, die in het midden van de maand
Pakhon, in het derde jaar van de regeering des konings, door
de grensvesting Zaru naar en uit Kanaan kwamen. Een hun-
ner was Baal — . .., de zoon van Zippor van Gaza, die een brief
voor den egyptischen opzichter der Syrische boerenbevolking
(of Perezieten) overbracht, alsmede een anderen brief voor Baal-
[sa]lil-ga[b]u, den vasal-vorst van Tyrus. Een andere bode
was Sutekh-mes, de zoon van \'Aper-dagar, die eveneens een
bericht overbracht aan den opzichter der boerenbevolking, ter-
wijl een derde afgezant in omgekeerde richting kwam,
-ocr page 141-
118
uit de stad van Meneptah, „in het land der Amorieten."
In de oproerige bewegingen, die de bemachtiging van den
troon door de twintigste dynastie voorafgingen, werden de
aziatische bezittingen van Egypte natuurlijk verloren en nim-
mer heroverd. Kamses III echter, de laatste der veroveraars
onder de Pharaos, ondernam minstens één veldtocht naar
Palestina en Syrië. Evenals Meneptah, had hij den schok te
weerstaan van een aanval op Egypte door de vereenigde hor-
den van het noorden, die de gansche beschaving dreigden te
niet te maken. De volken van Klein-Azië en van de Aegeïsche
Zee hadden zich over Syrië uitgestort, evenals in later dagen
de noordsche barbaren zich hebben uitgestort over de provin-
ciën van het romeinsche rijk. Gedeeltelijk over zee, gedeeltelijk
over land, trokken zij door Phoenicië en het land der He-
thieten, alles verwoestende overal waar zij kwamen, en de
overwonnen vorsten van Naharaim en Kades met zich mede-
voerende. Gedurende eenigen tijd sloegen zij hunne legertenten
op in „het land der Amorieten", en zetten vervolgens hun tocht
naar het zuiden voort. Eamses III stiet op hen aan de noord-
oost-grens van zijn koninkrijk, en versloeg hen volkomen in
een heeten strijd. De schepen der indringers werden ge-
nomen of zonken, en hun landleger werd gedecimeerd. Een ont-
zaglijke buit werd bemachtigd, en ontelbare gevangenen wer-
den gemaakt, en de geslonken macht van den vijand trok terug
naar Syrië. Daar maakten de Philistijnen en Zakkals zich
meester van de zeekust, en legden bezettingen in de steden
aan de zuidgrens. Gaza hield op, eene egyptische vesting
te zijn, en werd, in plaats daarvan, een wezenlijke slagboom
tegen de verovering van Kanaan door Egypte.
Of de Philistijnen, toen Eamses III de wegtrekkende vijan-
den, die in zijn land gevallen waren, tot Syrië vervolgde, zich
reeds gevestigd hadden in hun toekomstige woonplaats, is niet
zeker. Maar Gaza viel hem in handen, en zonder bezwaar
trok hij voort langs de kust der Middellandsche zee, evenals
de veroveraar-Pharaos, die hem waren voorafgegaan. In zijn
tempel-paleis te Medinet Habu heeft hij een gedenkschrift nage-
-ocr page 142-
119
laten van zijne veroveringen in Syrië. De groote steden der
kust werden ongemoeid gelaten. Hij deed geen poging om
Tyrus en Sion, Beyrout en Grebal te belegeren of in te nemen,
en het egyptische leger trok die steden voorbij, onderweg alleen
kampeerende op plaatsen als „het hoogland van den Karmel",
„de bron der Magoras" of rivier van Beyrout, en de Bor of
„Waterbak". Overigens waren de halten bij onbekende dorpen
als Inzath en Lui-el. Ten noorden van Beyrout trok het leger
oostwaarts door den bergpas van den Nahr-el-Kelb, en nam
de stad Kumidi in. Vervolgens trok het over Shenir of Her-
mon naar Hamath, dat zich overgaf, en vandaar steeds noord-
waarts naar „de vlakte" van Aleppo.
In het zuiden van Palestina, wat later het gebied vanJuda
was, ondernam Ramses nog een anderen veldtocht. Hij beweert,
dat hij daar Lebanoth en Beth-Anath, Karmel in Juda en
Shebtin, Jacob-el en Hebron, Libnah en Aphek, Migdal-gad
en Ir-Shemesh, Hadasa en het district van Salem of Jeruzalem
heeft ingenomen. Vandaar trokken de egyptische legerscharen
verder naar het Meer Reshpon of de Doode Zee, en grepen
toen, na de Jordaan te zijn overgegaan, Korkha in Moab aan.
Maar de veldtocht was niet veel meer dan een strooptocht;
hij had geen blijvende gevolgen, en ieder spoor van egyptisch
gezag verdween met het vertrek van het leger van den Pharao.
Eanaan bleef ten prooi aan den eersten den besten onverschrok-
ken overweldiger, die kracht en moed genoeg had om door te
tasten.
-ocr page 143-
HOOFDSTUK IV.
De Aartsvaders.
Abraham was geboren in „Ur der Chaldeën". TJr lag aan
de westzijde van den Enphraat in Zuid-Babylonië, waar de
wallen van Muqayyar of Mugheir de ligging aangeven van
den grooten tempel, die lang vóór de dagen van den he-
breeuwschen aartsvader is opgericht voor den dienst van den
Maangod. Hier in Ur was Abraham getrouwd, en vanhier is
hij uitgegaan met zijn vader, om eene nieuwe woonplaats in
het westen te zoeken. Hun eerste tijdelijke verblijfplaats was
geweest Haran in Mesopotamie, aan den heirweg naar Syrië
en de Middellandsche Zee. De naam Haran beteekende in de
oude taal van Chaldea „weg", en gedurende vele menschenleef-
tijden hadden de legers en de kooplieden van Baby lonië daar
halt gemaakt op hun tocht naar de Middellandsche Zee. Even-
als Ur, was het gewijd aan den dienst van Sin," den Maan-
god, en zijn tempel evenaarde in beroemdheid en oudheid dien
der babylonische stad, en was waarschijnlijk door een baby-
lonischen koning gesticht.
Diensvolgens zou Abraham te Haran nog geweest zijn binnen
de grenzen van babylonischen invloed en babylonische bescha-
ving, ja wellicht ook van het babylonisch bestuur. Hij zal
daar denzelfden godsdienst hebben aangetroffen als dien hij
in zijne geboorteplaats had achtergelaten; dezelfde godheid
-ocr page 144-
121
werd er aangebeden, onder denzelfden naam en met dezelfde
plechtigheden. Hij was werkelijk op den weg naar Kanaiin,
en bevond er zich onder eene arameesche, eerder dan een
babylonische bevolking, maar Babylonië met zijn geloof en
beschaving was door deze nog niet verzaakt. Zelfs de taal van
Babylonië was in zijne nieuwe woonplaats bekend, zooals door
den naam der stad zelve is aangeduid.
Haran en Mesopotamie waren niet het doel der reis van den
toekomstigen vader van het israëlietische volk. Hem werd be-
volen, elders een ander land en een andere maagschap te zoeken.
Kanaiin was het land, dat God hem beloofde te „wijzen", en in
Kanaan zouden zijne nakomelingen „een groot volk" worden.
Diensvolgens „togen zij uit, om te gaan naar het land Kanaan,
en zij kwamen in het land Kanaan" (Gen. XII: 5).
Maar zelfs in Kanaan was Abraham niet buiten het bereik
van den babylonischen invloed. Zooals wij gezien hebben in
het vorige hoofdstuk, waren babylonische legers reeds doorge-
drongen tot de kusten der Middellandsche Zee, was Palestina mede
begrepen binnen de grenzen van een babylonisch rijk, en hadden
babylonische beschaving en godsdienst zich verre verbreid onder
de kanaiinietische stammen. Het spijkerschrift had zijn weg gevon-
den naar Syrië, en daarmede tevens de babylonische letterkunde.
Eeuwen waren reeds verloopcn sedert Sargon van Akkad zich
meester gemaakt had van de kust der Middellandsche Zee, en
sedert zijn zoon Naram-Sin zijne krijgsmacht gelegd had in het
schiereiland van den Sinai. De Istar der Babyloniërs was de Asto-
reth der Kanaanieten geworden, en een levendige babylonische
handel had zich al lang bewogen langs denzelfden weg, dien
Abraham volgde. In de dagen van den aartsvader zelf maakten
de bestuurders van Babylonië er aanspraak op, óók de bestuur-
ders van Kanaan te zijn; gedurende dertien jaren „dienden"
de kanaanietische vorsten Kedor-Laomer en zijne bondgenooten;
de vader van Arioch is in de inscripties van zijn zoon óók
„de vader van het land der Amorieten", en een weinig later
maakte de koning van Babyion nog aanspraak op het opper-
gezag over het Westen.
-ocr page 145-
122
Zoo was het dns niet een vreemd en onbekend land, waar
Abraham heenging. De wetten en zeden, waaraan hij gewend
was; het schrift en de letterkunde, die hij geleerd had in de
scholen van Ur; de godsdienstige voorstellingen, waaronder hij
geleefd had in Chaldea en Haran — al deze dingen vond hij
weder in Kanaün. Zijn nieuw vaderland was vol van baby-
Ionische kooplieden, soldaten, en denkelijk ook ambtenaren, en
van tijd tot tijd moet hij de taal zijner geboorteplaats om zich
heen hebben hooren spreken. De invoering van het schrift en
de letterkunde van Babylonië in het "Westen bracht bekend-
heid met de babylonische taal mede, en die bekendheid spiegelt
zich af in sommige plaatsnamen in Palestina. De aartsvader
was zelfs niet buiten bereik van het toezicht der babylonische
regeering gekomen. Van tijd tot tijd, dit staat vast, werden
de vorsten van Kanaan genoodzaakt, de suzereiniteit van
Chaldea te erkennen, en, zooals de Babyloniërs het zouden
hebben uitgedrukt, de wetten van „Anu en Dagon" te ge-
hoorzamen.
Op deze dingen moet nadrukkelijk gewezen worden, deels om
het belangrijke ervan, deels omdat wij nog maar sinds kort be-
gonnen zijn, ze te beschouwen in verband met de bijbelsche
verhalen. Men zou ze voor een deel wel hebben kunnen opmaken
uit de verhalen van Genesis, en meer bepaaldelijk uit het be-
richt van den veldtocht van Kedor-Laomer; maar dat dit alles
zoo was, druischte gansch en al in tegen de bevooroordeelde denk-
beelden van den tegenwoordigen historicus, en kreeg dienten-
gevolge nimmer een bepaalden vorm in zijne voorstelling. Maar
ook dat behoort onder de velerlei winst, die de ontcijfering
van de spijkerschrift-inscripties den beoefenaar der Oud-testa-
mentische studie heeft opgeleverd, en wij kunnen de geschiede-
nis van Abraham\'s verhuizing er nu door verstaan op een
wijze zooals nooit te voren mogelijk was. Hij was geenszins
een ruw nomadenvorst, die een tocht ging maken naar onbe-
kende streken, en daar rondzwierf onder een volk met geheel
andere gewoonten en beschaving. Wij weten nu, waarom hij
dien weg nam; hoe het kwam, dat hij bondgenooten krijgen
-ocr page 146-
123
kon onder de bewoners van Kanaan; dat hij hun taal ver-
stond, en deel kon nemen aan hun maatschappelijk leven.
Evenals de Engelsehman, die verhuist naar een britsche kolonie,
zoo had ook Abraham punten van aanraking met de bescha-
ving van zijn nieuw vaderland.
Maar toen hij Kanaan bereikte, was hij nog niet Abraham.
Hij was nog „Abram, de Hebreër", en het was als „Abram,
de Hebreër", dat hij een verbond maakte met de Amorieten
van Mamre, en de terugtrekkende krijgsmacht der babylonische
koningen versloeg. Abram — Abu-ramu, „de verheven vader" —
is een babylonische naam, en is gevonden in verdragen uit den
tijd van Kedor-Laomer. Toen de naam veranderd werd in Abra-
ham, was dat een teeken, dat de babylonische landverhuizer
als een inboorling van het Westen geworden was.
Het was onder de schaduwen van „het eikenbosch More"
bij Sichem, dat Abraham \'t eerst zijne tenten opsloeg, en zijn
eerste altaar den Heer bouwde. Boven hem verhieven zich de
Ebal en de Grerizim, waar in later tijd de vloek en de zegen
der Wet den volke verkondigd werden. Vandaar trok hij ver-
der zuidwaarts naar één der heuvelen ten westen van Beth-el,
het tegenwoordige Beitin, waar hij zijn tweede altaar bouwde.
Terwijl het eerste was opgericht in de vlakte, werd het tweede
aan de berghelling gebouwd.
Maar ook hier bleef hij niet lang. Wederom „vertrok Abram,
gaande en trekkende naar het zuiden" (Gen. XII: 9). Toen
kwam er een hongersnood, waardoor hij genoodzaakt werd, de
grens van Egypte te overschrijden, en het hof van den Pharao
te bezoeken. De stamverwante Hyksos regeerden toen over de
Delta, en den aziatischen vreemdeling werd gereedelijk gast-
vrijheid verleend. Hij was „zeer rijk in vee, in zilver, en in
goud", en, evenals tegenwoordig een vermogende arabische
Sheikh, werd hij met de verschuldigde eer in de egyptische
hoofdstad ontvangen. Het hof van den Pharao bevond zich
zonder twijfel te Zoan.
Onder de bezittingen van den aartsvader waren, naar wij
vernemen, ook kemelen. Het kameel komt niet voor onder de
-ocr page 147-
124
egyptische hieroglyphen, en het is ook niet gevonden onder
de afbeeldingen op de muren der egyptische tempels en graven.
Den naam van dat dier heeft men \'t eerst aangetroffen in een
papyrus uit den tijd der negentiende dynastie, en het is één
der woorden, die de Egyptenaren van dien tijd hadden over-
genomen van hunne kanaanietische naburen. Het dier werd
door de Egyptenaren ook niet gebruikt, en het schijnt, dat het
gebruik ervan in tammen staat in het Nijldal niet ouder is
dan de tijd der verovering door de Arabieren. Maar al werd
het door de Egyptenaren niet gebruikt, het is toch onder de
Semieten van Arabië van zeer oude tijden-af een lastdier ge-
weest. In de oorspronkelijke sumerische taal van Chaldea heette
het: „het dier van de Perzische Golf", en \'de semietische naam,
waarvan óns woord kameel is afgeleid, klimt op tot de eerste
aanvangen van semietische geschiedenis. Wij kunnen ons dus
iemand van het semietisch herdersvolk niet voorstellen als
zonder het kameel in Egypte komende; met reizigers uit een
der steden van Eanaün mocht dat het geval zijn, maar niet
met zulken, die een zuiver nomaden-leven leidden. En merk-
waardig is het, dat, terwijl wij vergeefs rondzien naar de af-
beelding van een kameel onder het beeldhouw- en schilderwerk
van Egypte, de beenderen van het dier ontdekt zijn in de
diepte van den alluvialen bodem van het Nijldal.
Abraham moest Egypte weder verlaten, en wederom trok
hij door de woestijn van het „Zuiden", en sloeg zijn tenten
op bij Beth-el. Hier verliet hem zijn neef Lot, die, geen be-
hagen scheppende in het leven van een /.wervend Bedouien,
ging wonen in de stad Sodom aan het noord-einde der Doode
Zee. Terwijl Abraham zich afgescheiden hield van de inhoor-
lingen van Kanaan, werd Lot derhalve één hunner, en ont-
kwam te nauwernood aan het gericht, waarmede later de
steden der vlakte bezocht werden. De tenten verzakende, ver-
zaak te hij niet alleen het vrije leven van den landverhuizer
uit Chaldea, maar ook den God van Abraham. Als inwoner
eener kanaanietische stad kwam hij geheel en al onder den invloed
van haar geloof en eeredienst, van haar zedelijke en maat-
-ocr page 148-
125
schappelijke toestanden, van haar wetten en bestuur. Hij hield
op, een buitenlander en vreemdeling te zijn, iemand van een
ander volk en vaderland, en met zijn eigen godsdienst en ge-
woonten. Hij kon een huwelijk aangaan met de inboorlingen
van zijn aangenomen land, en deelnemen aan hun godsdienst-
plechtigheden. Langzamerhand ging hij met zijn gezin op in
de bevolking, die hem omringde; haar goden werden hun
goden, haïir zedelijkheid — of onzedelijkheid — werd de hunne.
Er kwam ja een tijd dat Lot moest vluchten uit Sodom, en er
al zijn rijkdom moest achterlaten; maar de misgreep was reeds
gedaan, en zijn kinderen waren in hun denken en doen Kana-
anieten geworden. De volken, die uit hem voortkwamen, al
waren zij ook van een ander ras dan het oudere volk van
Kanaiin, waren in ander opzicht toch den Kanaiinieten gelijk.
Zij waren niet „een afgezonderd volk", aan hetwelk de Heer
zich door de Wet en de Profeten zou openbaren.
Het was niet voordat Lot zich van Abraham gescheiden had,
dat het land Kanaiin beloofd werd aan de nakomelingen van
den aartsvader. „Hef uwe oogen op", zoo sprak de Heer tot
hem „en zie van de plaats, waar gij zijt, noordwaarts en zuid-
waarts, en oostwaarts en westwaarts. Want al dit land, dat
gij ziet, zal ik u geven, en aan uw zaad tot in eeuwigheid"
(Gen. XIII: 14, 15). Wederom trok Abraham daarom van
Sichem weg zuidwaarts, nu niet om naar Egypteland te gaan,
maar om te wonen „aan de eikenbosschen van Mamre, die bij
Hebron zijn" (Gen. XIII: 18), waar de grondvester der davi-
dische monarchie later als koning zou gekroond worden. Het
is waarschijnlijk, dat het heiligdom, waardoor Hebron in latei-
tijd is beroemd geworden, in Abraham\'s dagen nog niet be-
stond; ten minste de naam Hebron, „het bondgenootschap",
was toen nog niet bekend, en de stad heette Kirjath-Arba. Of
zij ook Mamre heette, is twijfelachtig; Mamre schijnt veeleer
de naam geweest te zijn van het tafelland, dat zich uitstrekte
aan gene zijde der vallei van Hebron, en dat ingenomen was door
de amorietische bondgenooten van den hebreeuwschen aartsvader.
Het was terwijl hij „woonachtig was aan de eikenbosschen
-ocr page 149-
126
van Mamre, den Amoriet" (Gen. XIV: 13), dat de veldtocht
van Kedor-Laomer en zijne babylonische bondgenooten plaats
had, en dat Lot met de kanaanietische gevangenen werd weg-
gevoerd. Maar de zegepraal der overwinnaars was van korten
duur. „ Abram de Hebreër" vervolgde hen met zijne gewapende
volgelingen, ten getale van driehonderd en achttien, in ver-
eeniging met zijne amorietische bondgenooten, en onverwachts
de achterhoede van den vijand bij nacht overvallende, bevrijdde
hij de gevangenen en de have. Daar was blijdschap in de
kanaanietische steden, toen de aartsvader wederkeerde met zijn
buit. De nieuwe koning van Sodom toog uit, hem te gemoet,
tot het dal Schave, „het dal des konings" van later tijden,
even buiten de muren van Jeruzalem, en de koning van Jeru-
zalem zelf, Melchizedek, „de priester des allerhoogsten Gods",
verwelkomde den wederkeerenden overwinnaar met brood en
wijn. Toen gaf Abram tienden van den buit aan den God van
Salem, terwijl Melchizedek hem zegende in den naam des aller-
hoogsten Gods.
Buiten de bladzijden van het Oude Testament is de bijzon-
dere vorm dier zegening alleen gevonden in de arameesche
inscripties van Egypte. Ook daar ontmoeten wij reizigers uit
Palestina, die van zichzelf schrijven: „Gezegend zij Augah van
Isis", of „Gezegend zij Abed-Nebo van Khnum". Het schijnt
dus eene formule geweest te zijn, bepaaldelijk eigen aan
Kanaün; zij heeft ten minste geen spoor nagelaten in andere
deelen der semietische wereld. De tempel van den allerhoogsten
God — El Elyön — stond waarschijnlijk op den berg Moria,
waar later de tempel van den God van Israël zou worden
opgericht. Er moet aan herinnerd worden, dat er onder de
door Ebed-Tob, den koning van Jeruzalem, aan den egyptischen
Pharao gezonden brieven één is, waarin hij spreekt van „de
stad van den Berg van Jeruzalem, welker naam is de stad
van den tempel van den god Nin-ip." In dezen „Berg van
Jeruzalem" kan men moeilijk iets anders zien dan den „Tem-
pelberg" van later dagen.
In de spijkerschrift-teksten van Ebed-Tob en de latere assy-
-ocr page 150-
127
rische koningen wordt de naam Jeruzalem geschreven Uru-
Salim, „de stad Salim". Salim of „Vrede" is bijna zeker de
inheemsche naam van den god, die vereenzelvigd werd met
den habylonischen Nin-ip, en misschien maakt Jesaia — ervaren
als hij was in de oude geschiedenis van zijn land — daarop
eene toespeling, wanneer hij zegt, dat een der titels van den
Messias wezen zal „Vredevorst". In alle geval, indien de aller-
hoogste God van Jeruzalem werkelijk Salim, de God des Vre-
des, was, zouden wij eene verklaring hebben van den zegen,
die door Melchizedek over den aartsvader werd uitgesproken.
Ahram\'s overwinning had aan Kanaan den vrede hergeven;
hij had de gevangenen wedergebracht, en was zelf in vrede
wedergekeerd. Het was dus gepast, dat hij verwelkomd werd
door den priester van den God des Vredes, en dat hij aan
den god van de „Stad des Vredes" tienden offerde van den door
hem behaalden buit.
Dit geven van tienden was niet iets nieuws. In zijne baby-
Ionische woonplaats moet Abraham met dat gebruik zijn ver-
tronwd geweest. De spijkerschrift-inscripties van Babylonië wijzen
er menigmaal op. Het klom op tot den vóör-semietischen tijd
van Chaldea, en de groote tempels van Babylonië werden rijke-
lijk ondersteund door de esrd of tienden, die zoowel van den
vorst als van den boer geheven werden. Dat de god een tiende
deel ontving van de goede dingen, die door hem, naar men ge-
loofde, aan de menschheid geschonken werden, dit achtte men
niet te veel gevergd. Er zijn in het Britsch Museum ver-
scheidene tafeltjes, die kwitanties zijn voor het voldoen van
de tienden aan den grooten tempel van den Zonnegod te Sip-
para ten tijde van Nebucadnezar en zijne opvolgers. Eén dier
tafeltjes doet ons zien, dat Belsazar, zelfs op het oogenblik dat
het baby Ionische rijk aan de handen zijns vaders ontviel, toch
nog gelegenheid vond om de door zijne zuster verschuldigde
tienden te betalen; terwijl uit andere blijkt, dat Cyrus en
Cambyses hun vreemden oorsprong niet beschouwden als reden
om te weigeren, tienden te betalen aan de goden van het
koninkrijk, dat zij omvergeworpen hadden.
-ocr page 151-
128
Het babylonische leger was nabij Damascus verslagen, en
onmiddellijk daarna vernemen wij, dat „Eli-ezer de Damas-
cener" Abraham\'s huisbezorger was (Gen. XV : 2). Wij kunnen
niet zeggen, of er tusschen die twee feiten eenig verband is;
maar het kan zijn, dat Eli-ezer zich verbonden had aan
den hebreeuwsehen overwinnaar, toen deze wederkeerde „van
het slaan van Kedor-Laomer." De naam Eli-ezer, „mijn God
is een hulp", is een eigenaardigheid van Damascus. Meermalen
hebben wij, in plaats van El, „God", Hadad, de opperste god-
heid van Syrië; maar op dezelfde wijze als onder de Isra-
elieten Eli-akim en Jeho-iakim gelijke waarde hebben, was dat
onder de Arameërs van Syrië met Eli-ezer en Hadad-ezer het
geval. Hadad-ezer was, om daaraan even te herinneren, de
koning van Zoba, die door David verslagen werd l).
Sarai, Abraham\'s huisvrouw, was nog kinderloos; maar de
aartsvader had eeh zoon bij zijne egyptische dienstmaagd, den
voorvader der ismaëlietische stammen, die zich verbreid hebben
van de grens van Egypte af tot Mekka in Midden-Arabië.
Toen Ismaël dertien jaar was, werd tusschen God en Abraham
het- verbond opgericht, dat bezegeld werd met de instelling
der besnijdenis. Van de vroegste tijden van Egypte\'s geschie-
denis af had de besnijdenis daar bestaan; voortaan werden
ook allen, die Abraham als hun voorvader eerdon, erdoor onder-
scheiden. Met de besnijdenis ontving Abraham den naam, waar-
onder hij voortaan zou bekend zijn; hij was niet langer Abram,
de Hebreër uit Babylonië, maar werd Abraham, de vader van
Ismaël en Israël. De nieuwe instelling en de nieuwe naam
waren gelijkelijk het zegel en teeken van het verbond, dat
was opgericht tusschen den aartsvader en zijn God, waarbij
God beloofde, dat Hij hem „gansch zeer vruchtbaar maken",
en dat Hij het land Kanaiin aan hem en zijn zaad „tot eeuwige
bezitting geven" zou, terwijl Abraham en zijn nakomeling-
schap Gods verbond voor altoos zouden moeten houden.
1) Zie 2 Sam. VIII: 3, verv.
Vert.
-ocr page 152-
129
Het kan niet lang daarna geweest zijn dat de steden der
vlakte verwoest werden „met een regen van zwavel en vuur
van den Heer uit den hemel". Die uitdrukking is ook gevon-
den op de spijkerschrift-tafeltjes van Babylonië. Oude sumerische
zangen spraken van „een regen van steenen en vuur", al zijn
met de steenen misschien hagel- en dondersteenen, en met het
vuur de bliksemstralen bedoeld. Maar van welken aard het
vlammen-doodskleed ook mag geweest zijn, waarin de schuldige
steden der vlakte gehuld, en waardoor de naphtha-bronnen,
die zich een uitweg baanden, in brand gestoken werden, de
herinnering aan de ontzettende gebeurtenis overleefde de verste
eeuwen. De profeten van Israël en Juda wijzen nog op de
verwoesting van Sodom en hare zustersteden, en in den brief
van Judas (vs. 7) wordt er op gedoeld als daar sprake is van
het dragen van „de straf des eeuwigen vuurs". Sommige ge-
leerden hebben ook eene toespeling er op gezien in de over-
levering der Phoeniciërs, volgens welke hunne voorouders naar
de kustlanden van Kanaiin zouden gekomen zijn tengevolge van
eene aardbeving aan de oevers van „het Assyrische Meer".
Dit meer moet echter waarschijnlijk eerder in de buurt der
Perzische Golf dan in de Jordaan-vallei gezocht worden.
Het dal Siddim en „de steden der vlakte" waren gelegen
aan het noordeinde der Doode Zee. Hier waren de „lijmputten"
(Gen. XIV: 10), waaruit de naphtha voortkwam, en die de
nederlaag der kanaanietische vorsten in hun strijd met het
babylonische leger veroorzaakten. De overlevering, welke de
zoutpilaar, waarin de vrouw van Lot veranderd werd, aan de
zuidpunt der Doode Zee plaatste, was van laten oorsprong,
waarschijnlijk van niet vroeger dan de dagen toen Herodes
zijn slot Machaerus bouwde op de onneembare klippen van
Moab, en de naam Gebel Usdum, die door de tegenwoordige
Arabieren gegeven wordt aan een der bergtoppen aan de zuid-
zijde der Zee, bewijst niets voor de ligging der stad Sodom.
In het Oosten worden namen lichtelijk van de ëéne plaats op
eene andere overgedragen, en een berg is niet hetzelfde als
een stad in een vlakte.
9
-ocr page 153-
130
Er bestaan twee voldoende redenen waarom wij eerder aan
de noord- dan aan de zuidzijde naar de overblijfselen der ver-
gane steden moeten rondzien onder de talrijke aardhoogten,
die zich boven de rijke en vruchtbare vlakte in de nabijheid
van Jericho verheffen, waar de „lijmputten" nog kunnen wor-
den nagespeurd. Geologische onderzoekingen hebben aangetoond,
dat de Doode Zee en de onmiddellijk daaraan grenzende streek
aan de zuidzijde gedurende het historisch tijdvak geen ver-
andering ondergaan hebben. Wat het meer tegenwoordig is,
dat moet het ook in de dagen van Abraham geweest zijn.
Het is niet grooter en ook niet kleiner geworden, en het
schrale zout, waarmede het den grond vergiftigt, moet dezen
destijds evenzeer vergiftigd hebben. Geen vruchtbare vallei,
zooals die van Siddim, had er aan de zuidzijde kunnen zijn;
geen bloeiende kanaanietische steden hadden kunnen opkomen
te midden van de woeste oorden der zuidelijke wildernis. Zoo-
als uitdrukkelijk verhaald wordt in Numeri (XIII: 29), woon-
den de Kanaanieten alleen „aan den oever der Jordaan", en
niet in de woestijn, verre buiten het bereik van den vrucht-
baar-makenden stroom.
Doch er is nog een andere reden, waardoor de zuidelijke ligging
wordt buitengesloten. Toen Abraham zich des morgens vroeg op-
maakte, zóó vernemen wij (Gen. XIX : 27, 28), „zag hij naar So-
dom en Gomorra toe, en naar het gansche land van die vlakte; en
hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de
rook eens ovens." Het was mogelijk, dat te zien van de heu-
vels van Hebron, indien het land aan het noord-einde der
Doode Zee gelegen was; maar had het aan den zuidkant ge-
legen, dan zou dat niet mogelijk geweest zijn. Bovendien komt
alleen de noordelijke ligging overeen met de geografische aan-
duidingen van Genesis. Toen de babylonische legermacht, die in
het land gevallen was, zich noordwaarts gewend had, nadat
zij de Amalekieten der woestijn ten zuiden van de Doode Zee
verslagen had, stootte zij niet op die van den koning van Sodom
en zijne bondgenooten, voordat zij ook „de Amorieten, die te
Hazézon-thamar woonden", voorbij waren (Gen. XIV: 7, 8).
-ocr page 154-
131
Hazézon-thamar, zooals wij vernemen uit het tweede Boek
der Chronieken (XX: 2), was het latere Engedi, „de Bron van
de Kid", en Engedi lag aan den westelijken oever der Doode
Zee, halverwege tusschen haar noordelijk en haar zuidelijk
uiteinde.
In de warme, weeke vallei der Jordaan, waar een schier
tropische, weelderige plantengroei uit den vruchtbaren bodem
opwast, en waar de rivier zich in de Doode Zee als in een
graf verliest, werden de volken van Ammon en Moab geboren
(Gen. XIX : 37, 38). Dit oord nu bevond zich in de onmiddel-
lijke nabijheid van de landen, die later hun naam droegen.
Van den berg boven Zoar had Lot het uitzicht op de blauwe
heuvelen van Moab en de meer verwijderde hoogvlakte van
Ammon.
Intusschen had Abraham Mamre verlaten, en zijne schreden
wederom naar het zuiden gericht. Thans vestigde hij zijn woon-
plaats te Gerar, tusschen Kades-barnea en Sur, den „muur" van
Egypte. Kades is in onze dagen door de vereenigde pogingen
van Dr. John Eowlands en Dr. Clay Trumbull teruggevonden,
verscholen in een berggroep, die zich ten zuiden van de woes-
tijn van Berseba verheft. De bron van helder en overvloedig
water, die te midden dier bergen voortstroomt, was de En-
Mispat — „de Bron van het strafgericht" — van oude tijden,
en heet nog \'Ain-Qadis, „de Bron van Kades". Gerar is het tegen-
woordige Umm el-Jerar, nu eenzaam en woest, terwijl de eenige
overblijfselen van het verleden der stad bestaan in een grooten
hoop puin en een massa potscherven. Zij ligt maar enkele uren
ten zuiden van Gaza.
Daar werd Izaak geboren en besneden, en daar ook werden
Ismaël en Hagar uitgedreven, ten gevolge waarvan zij kwamen te
wonen in de woestijn Paran (Gen. XXI: 21). Het gebied van
Gerar strekte zich uit tot Ber-seba, „de put van den eed",
waar Abraham\'s knechten een put groeven, en waar Abime-
lech, koning van Gerar, hem het bezit ervan onder eede ver-
zekerde. Het kan zijn, dat één der beide nog te Wadi es-Seba\'
bestaande putten, met de steenen die hun opening omgeven en
-ocr page 155-
132
die door de touwen der waterputters diep zijn uitgesle-
pen, dezelfde is als die, welken de herders van Abimelech
aan die van Abraham met geweld ontnomen hadden (Gen.
XXI: 25). De putten der woestijn zijn van zeer hooge oudheid;
waar het water schaarsch is, wordt de ontdekking ervan
niet lichtelijk vergeten, en de Bedouïnen komen er jaar op
jaar, om hunne kudden er uit te drenken. De oude put-
ten worden gedurig vernieuwd, of nieuwe worden er naast ge-
graven.
Gerar lag in dien zuidwesthoek van Palestina, die ten
tijde van den Uittocht door de Philistijnen bewoond werd.
Maar zij waren er eerst later gekomen. Want gedurende het
gansche tijdvak der achttiende en negentiende egyptische dy-
nastie was het land in handen der Egyptenaren geweest. Gaza
was hun grensvesting geweest, en nog tijdens de regeering
van Meneptah, den zoon van den Pharao der Verdrukking, lag
er eene egyptische bezetting, en werd het door egyptische
ambtenaren bestuurd. De Pulsata of Philistijnen kwamen niet
vöör de onrustige dagen van Kamses III van de twintigste dy-
nastie. Zij maakten een deel uit van de barbaarsche horden, die,
gekomen van de kusten van Klein-Azie en van de eilanden der
Aegeïsche Zee, zich uitstortten over Syrië en zich verbreid-
den over het Nijldal, en het land Kaphtor, vanwaar zij kwa-
men, was misschien het eiland Kreta. De inbezitname van het
kustland van Kanaan door de Philistijnen is dus den inval
der Israëlieten in het beloofde land niet lang voorafgegaan;
werkelijk mogen wij uit de woorden van Exodus XIII: 17
misschien het besluit trekken, dat de Philistijnen reeds bezig
waren met de verovering van hun nieuw grondgebied toen de
Israëlieten uit Egypte trokken. "Wanneer derhalve in Genesis
gezegd wordt, dat het koninkrijk van Abimelech in het land
der Philistijnen lag, dan is dat gezegd met het oog op een
lateren toestand; d. w. z.: toen de geschiedenis van Abraham
en Abimelech geschreven werd zooals zij daar voorkomt, was
Gerar eene philistijnsche stad, maar in de dagen der aartsvaders
was zij dat nog niet.
-ocr page 156-
183
Te Ber-seba plantte Abraham een tamarisk •) en riep aldaar
den naam des Heeren, des eeuwigen Gods, aan (Gen. XXI: 33).
Ber-seba bleef lang één der heilige plaatsen van Palestina.
De boom, die bij de bron geplant werd, was een teeken zoo-
wel van het water, dat daar onder den grond stroomde, als
van haar heiligheid. Alleen daar, waar zoet water werd aan-
getroffen, konden de nomaden der woestijn tesamenkomen, en
de boom was een teeken van het leven en de verkwikking
waarnaar zij verlangden. De bron was heilig, en dus ook de
eenzame boom, die er naast stond, en onder welks takken
mensch en dier schaduw en bescherming tegen de middag-
hitte vonden. Zelfs het Mohammedanisme, dat puritanisme van
het Oosten, is niet in staat geweest, het geloof aan de
goddelijke natuur van zulke boomen bij de nomaden uit te
roeien; nog altoos kan men ze versierd zien met lappen, ge-
scheurd van de kleederen der reizigers, of overschaduwen ze
het graf van een of anderen beroemden heilige. Nog altoos
zijn zij meer dan wegwijzers of rustplaatsen voor den ver-
hitten en vermoeiden reiziger; als de herder er onder staat,
gevoelt hij, dat hij staat op heiligen grond.
Te Ber-seba was het, „dat God Abraham verzocht", hem
bevelende, zijnen zoon te offeren. Dit bevel, waardoor Abra-
ham\'s geloof beproefd werd, was in overeenstemming met de
wreede godsdienstige gebruiken van Syrië, en sporen van het
geloof, waardoor deze in het aanzijn geroepen waren, vindt
men in de oude babylonische literatuur. Zoo lezen wij in een
ouden babylonischen tekst, waarin over godsdienstplechtig-
heden wordt gehandeld: „de nakomeling, die hoog wordt onder
de menschen, hij geve den nakomeling voor zijn leven; hij
geve het hoofd van den nakomeling voor het hoofd van den
man; hij geve den hals van den nakomeling voor den hals
van den man." Een phoenicische legende verhaalt, hoe de god
El zich met koninklijk purper bekleed, en zijn eenigen zoon
1) In onze Statenvertaling staat neen bosch", maar hoogstwaarschijn-
ljjk is één enkele boom bedoeld.
          Vert.
-ocr page 157-
134
Yeud ten tijde eener pestziekte geofferd had; en de schrijvers
van Griekenland en Home beschrijven met afgrijzen de offers
van de eerstgeborenen, waardoor de geschiedenis van Carthago
bezoedeld was. De vader werd in tijden van onrust opge-
roepen om aan de godheid af te staan wat hem het naaste en
liefste was; alleen de vrucht van zijn lichaam kon de zonde
zijner ziel afwisschen, en Baal eischte van hem, dat hij zon-
der een klacht of traan zijn eerstgeborene en eenige hem zou
offeren. Hoe kostbaarder het offer, dos te welgevalliger was
het aan de godheid; hoe moeilijker de strijd om het af te
staan, hoe grooter de verdienstelijkheid ervan was. Het kind
stierf voor de zonden van zijn volk; en dat geloof was slechts
de blinde en onwetende uitdrukking van een waar instinct.
Maar Abraham moest in een beteren weg onderwezen wor-
den. Drie dagreizen ver trok hij noordwaarts met zijn zoon,
en toen hief hij zijne oogen op, en zag van verre dien berg
in „het land Moria", op welks hoogte het offer moest gebracht
worden. Alleen door Izüak vergezeld beklom hij den berg, en
hij bouwde aldaar een altaar, en bond zijnen zoon, en strekte
zijne hand uit om het vreeselijk offer te brengen. Maar op
het uiterste oogenblik kwam het bevel, zijne hand „niet uit te
strekken aan den jongen" — eene nieuwe en betere open-
baring werd hem gegeven, en een ram werd gesteld in zijns
zoons plaats. Het kan niet toevallig zijn, dat — zooals M.
Clermont-Ganneau heeft aangewezen — de tempel-tarieven van
Carthago en Marseille ons doen zien, dat in de latere gods-
dienstgebruiken van Phoenicië een ram in de plaats kwam
voor het vroegere menschen-offer.
Waar lag die berg in het land Moria, waarop Abraham
zijn altaar bouwde? Uit 2 Chron. 111:1 zou men kunnen
opmaken, dat het de berg was van den toekomstigen tempel
te Jeruzalem. Ook de woorden van Genesis wijzen in dezelfde
richting. Daar toch lezen wij: „En Abraham noemde den naam
van die plaats Jehovah-jireh; waarom heden ten dage gezegd
wordt: Op den berg des Heeren zal het voorzien worden".
Het is moeilijk te gelooven, dat met „den berg des Heeren"
-ocr page 158-
135
ieta anders kan bedoeld zijn dan die har-el of „berg Gods", waar
Ezechiël den tempel plaatst, of ook dat het spreukmatig ge-
zegde, dat wij aanhaalden uit Gen. XXII: 14, betrekking
kan hebben op eene minder heilige plaats, dan die, waar de
Heer troonde tusschen de cherubs boven het verzoendeksel.
Het is echter niet zeker, of de lezing van den hebreeuwschen
tekst in de vermelde zinsnede juist is. Althans de Septuagint
vertaalt: „op den berg is de Heer gezien", en in 2 Chron.
III: 1 heeft zij, in plaats van „Moria", Atnóreia, „van de
Amorieten".
Het is waar, dat de afstand van Ber-seba tot Jeruzalem over-
eenkomt met de drie dagreizen van Abraham (Gen. XXII: 4).
Maar het is moeilijk, de beschrijving van het tooneel van Abra-
ham\'s offerande in overeenstemming te brengen met den toe-
komstigen tempelberg. Het was een eenzame plek, waar Izaük
op het altaar gebonden werd; de aartsvader was daar met zijn
zoon alleen; en de plaats was begroeid met kreupelhout, dicht
genoeg dat een ram er met zijn hoornen in kon blijven vast-
zitten. De tempelberg daarentegen lag öf binnen de muren
eener stad öf even daarbuiten, en de stad was reeds een hoofd-
stad, beroemd wegens haren eeredienst van „den Allerhoogsten
God." Ware de Moria van Jeruzalem werkelijk de plaats van
Abraham\'s altaar geweest, dan is het vreemd, dat de schrij-
vers van het Oude Testament daarop niet gezinspeeld hebben,
of dat de overlevering ervan zwijgt. Wij moeten ons tevreden
stellen met de wetenschap, dat Abraham geleid werd naar één
der bergen „in het land Moria", en dat „Moria" een „land"
was, en niet een enkele bergtop 1).
Abraham keerde terug naar Ber-seba, en ging vandaar naar
Hebron, waar Sara stierf. Hebron (of Kirjath-Arba, zooals het
1) "Wij moeten niet vergeten, dat de Septuagint, in plaats van
Moria, leest More, d. i. »de hooglanden", terwijl de Syrisohe Verta-
ling dat woord eenvoudig verandert in den naam van de «Amorieten".
Voor \'t geen eohter kan worden aangevoerd voor een tegenovergesteld
gevoelen, zie blz. 52, 53.
-ocr page 159-
136
toen heette) was in het bezit van een Hethieten-stam, in tegen-
overstelling met het land daaromheen, dat in het bezit der
Amorieten was. Evenals te Jeruzalem, zoo hadden de Arno-
rieten zich óók weten te nestelen in het amorietisch gebied,
en zich gevestigd in de versterkte stad. Maar terwijl de He-
thietische stad bekend was als Kirjath-Arba, „de stad van
Arba", heette het amorietisch gewest Mamre; de vereeniging
van Kirjath-Arba en Mamre vormde het Hebron van later tijd.
Kirjath-Arba schijnt gebouwd geweest te zijn in het dal,
dicht bij de poelen, die de tegenwoordige bewoners nog steeds
van water voorzien. Aan de oostzijde vertoont de helling van
den heuvel een menigte graven, die, uitgehouwen in de rots,
als de cellen van een honingraat op en nevens elkander liggen;
en, als wij eene oude overlevering mogen gelooven, dan heeft
Abraham zijne vrouw in één dier graven een laatste rustplaats
bezorgd. De „dubbele spelonk" Machpela — want zóó vertaalt
de Septuagint — bevond zich in den akker van Ephron, den
Hethiet, en van dezen kocht de aartsvader het land voor 400
sikkelen zilvers, d. i. ongeveer 560 gnlden. De spelonk, zóó ver-
nemen wij (Gen. XXIII: 19), lag tegenover Mamre, waaruit men
zou kunnen opmaken, dat de eik, waaronder Abraham eens zijn
tent heeft opgeslagen, niet ver verwijderd geweest is van dien,
die nog steeds wordt aangewezen als de eik van Mamre op
de gronden van het russisch hospitium. Het graf van Machpela,
dat door de overlevering hier wordt aangewezen, is gelijkelijk
door Joden, Christenen en Mohammedanen steeds in hooge eere
gehouden. De kerk, die er in de dagen van het Byzantijnsche
rijk overheen gebouwd is, en door de kruisvaarders weder
voor den christelijken eeredienst ingericht, is nu veranderd in
een moskee, maar de heiligheid ervan is gebleven. Zij staat
midden in een hof, die omringd is door een stevigen muur
van zware steenen, waarvan de onderste lagen in den tijd van
Herodes bewerkt en gemetseld zijn. De dweepzieke Moslem
duldt niet, dat iemand anders dan zijn geloofsgenoot de heilige,
ommuurde ruimte betrede; maar als men op de achter de stad
gelegen steilte klimt, kan men een blik werpen op de moskee
-ocr page 160-
137
en haar heiligen omtrek, en ziet men het geheele gebouw als
een landkaart vóór zich in de laagte.
Meer dan één engelsch reiziger heeft vergunning gekregen,
in de moskee te gaan, en tegenwoordig zijn wij goed bekend
met de bijzonderheden van haren bouw. Maar het in de rots
uitgehouwen graf, waarin de lichamen der aartsvaders gezegd
worden begraven te zijn, is nog nooit door een navorscher
onderzocht. Maar het is waarschijnlijk, dat, als het een onder-
zoeker gelukte er in door te dringen, hij niets vinden zou
wat zijn moeite beloonde. Gedurende de lange periode dat He-
bron in de handen der christenen was, is de spelonk meer dan
eens door pelgrims bezocht. Maar in de gedenkschriften, die
daarvan tot ons gekomen zijn, zoeken wij te vergeefs naar
eenig bericht over de overblijfselen, die er in zouden aanwezig
zijn. Indien de mummies der aartsvaders er in waren bewaard
gebleven, dan zou dat wel bekend geweest zijn aan de reizigers
uit den tijd der kruistochtenJ).
Evenals de andere graven in dien omtrek, zoo is ook de
spelonk Machpela zonder twijfel reeds zeer lang geleden geopend
en van haar inhoud beroofd geworden, \'t Is bekend, dat in
Egypte de graven geschonden werden lang vóór den tijd van
Abraham, ondanks de gestrenge straffen die op zulke heilig-
schennis gesteld waren; en de hebzucht van den Kanaaniet
was niet minder groot dan die van den Egyptenaar. De met
de dooden begraven schatten waren te groote verleiding, en
de grafschender waagde daarvoor de straffen van deze en van
de toekomende wereld.
Na Sara\'s dood zond Abraham zijn knecht naar Mesopo-
tamië, om aldaar uit zijne maagschap te Haran eene vrouw te
zoeken voor zijn zoon Izaak. Dientengevolge werd Eebekka,
de zuster van Laban, naar Kanaan gebracht, en werd de
vrouw van haar neef. Izaak woonde toen „in het zuiderland",
bij den put Lachai-Roï nabij Kades (Gen. XXIV : 62). „Alzoo
werd Izaak getroost na zijner moeders dood."
1) Zie het Zeitschrift des deutschen PalUstina-Vereins, 1895.
-ocr page 161-
138
Toen, zóó vernemen wij verder, nam Abraham weder eene
vrouw, wier naam was Ketura, door wie hij de voorvader
werd van een aantal arabische stammen. Deze hadden, nevens
de Ismaëlieten, de noordelijke en middelste deelen van het ara-
bische schiereiland in hun bezit, en vestigden volksplantingen in
het land Midian. Dit is het laatste wat wij van den grooten aarts-
vader hooren. Niet lang daarna stierf hij „in goeden ouderdom",
en werd, evenals zijn vrouw, begraven in de spelonk Machpela.
Izaak woonde nog te Lachai-Roï, en daar werden hem de
tweelingen, Ezau en Jacob, geboren. Daar woonde hij ook nog,
toen er een hongersnood kwam in het land, gelijk aan „den
eersten honger, die in de dagen van Abraham geweest was."
(Gen. XXVI: 1). De geschiedenis van Abraham\'s onderhande-
lingen met Abimelech van Gerar herhaalt zich in het leven
van Izaiik. Op nieuw hooren wij van Pichol, den krijgsoverste
van Abimelech; op nieuw wordt de huisvrouw van den aarts-
vader door dezen voorgesteld als zijne zuster; en op nieuw
twisten zijne herders met die van den koning van Gerar over
de putten, die zij gegraven hadden, en ontleent de put van
Ber-seba, die gegraven wordt, zijn naam aan de door Isaük
en den koning gezworen eeden. Het is moeilijk te begrijpen,
dat de geschiedenis zich zoo ganschelijk zou herhaald hebben;
dat het leven van den koning van Gerar en van zijn krijgs-
overste zich over zulk een groot aantal jaren zou hebben uit-
gestrekt; of dat de oorsprong van den naam Ber-.seba zoo
spoedig zou zijn vergeten geweest. Eerder moeten wij aan-
nemen, dat de twee verhalen met elkander vermengd zijn, en
dat het vroeger bezoek van Abraham te Gerar de geschiedenis
van Izaak\'s verblijf in het gebied van Abimelech gekleurd
heeft\'). "Wel kunnen wij gelooven, dat de knechten van Izaak
1) Ik laat deze beweringen voor rekening van den schrijver, en
merk alleenlijk op, dat een tegenovergesteld gevoelen verdedigd wordt
door geleerden van naam. Zie o. a., om slechts één der nieuwere
schrijvers op dit gebied te noemen, prof. A. Kohier: Lehrbuch der
Biblischen Geschichte Alten Testaments,
I. (1875) blz. 129, vv. Vert.
-ocr page 162-
139
putten gegraven hebben, en daarover getwist hebben met de
herders des lands; maar dat Ber-seba tweemaal zijn naam zon
ontvangen hebben naar aanleiding van eene herhaling van
hetzelfde voorval, dat is wat anders. Op één dier putten —
die van Eehoboth — wordt waarschijnlijk gewezen in de
egyptische Reizen van een Mohar, waar hij Kehoburta ge-
naamd wordt.
Izaak was geen zwerver zooals zijn vader. Lachai-Roï in de
woestijn, „het dal van Gerar", Ber-seba en Hebron waren de
plaatsen, waar hij zijn leven doorbracht, en zij lagen allen
dicht bij elkander. Er is geen spoor van zijne tegen woordig-
heid in het noorden van Palestina; en als de profeet Amos
(VII: 16) „het huis van Isaiik" noemt als vertegenwoor-
digende het noordelijk koninkrijk, nml. dat van Israël, dan
kan hij die woorden niet bedoelen in aardrijkskundigen zin.
Izaiik stierf te Hebron, en werd begraven in het familiegraf
Machpela.
Maar lang voordat dit gebeurde was Jakob den toorn van
zijn broeder ontvlucht naar zijn oom Laban te Haran. Op
zijn reis daarheen had hij zich te slapen gelegd op den rotsigen
bergrug van Bethel, en had in den droom gezien „een ladder,
welker opperste aan den hemel raakte; en ziet, de engelen
G-ods klommen daarbij op en neder." De gesteldheid van den
grond zelf, waarop hij rustte, moet mede invloed gehad hebben
op den eigenaardigen vorm van zijn droom. De uit kalksteen
bestaande rots loopt trapsgewijze naar boven, zoodat zij het
aanzien heeft van op elkander gestapelde steenklompen, en
als een reusachtige trap zich hemelwaarts verheft. Op den
heuvel, die als een toren boven de ruïnen van Bethel uitsteekt,
kunnen wij ons nog verbeelden, „de ladder" van Jacob voor
ons te zien.
Maar het droomgezicht was meer dan enkel en alleen een
droom. God verscheen daarin aan den aartsvader, en herhaalde
aan hem de belofte, die aan zijne vaderen gedaan was. De
linie van Abraham als den vader van het volk der belofte
moest in Jacob worden voortgezet. Toen nu de vluchteling
-ocr page 163-
140
des morgens ontwaakte, kwam hij tot het besef van de be-
teekenis van zijn droom. Daarom „nam hij den steen, dien hij
tot zijne hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opge-
richt teeken, en goot daar olie bovenop", en hij noemde die
plaats Beth-el, of „Huis Gods". Sindsdien was het een gewijd
altaar, een heilig gedenkteeken van dien God, die zich daar
geopenbaard had.
De semietische wereld was vol van zulke Bethels, of gewijde
steenen. Er wordt gewag van gemaakt in de literatuur van
Oud-Babylonië, en een engelsch reiziger, Mr. Doughty, heeft
bevonden, dat ze nog bestaan nabij het Oud-testamentische
Thema ]) in Noord-Arabië. In Phoenicië bestonden ze in menigte.
De eenzame rots in de woestijn of terzijde van een berg was
in de oogen der aloude Semieten de woonplaats eener godheid;
ontzagwekkend en indrukwekkend was hem zulk een eenzaam
gevaarte, dat de eeuwen trotseerde, en dat hem beschutting
bood tegen de hitte des daags en de gevaren des nachts. Als
zijne vereering en aanbidding eenmaal van den steen op de
godheid werden overgebracht, dan werd hij hem tot een sym-
bool, tot een altaar, waarop olie of wijn werd uitgegoten om
het toe te wijden aan de goden; en op de Syrische zegels en
op de gebeeldhouwde tegels van Assyrië vinden wij dan ook
zulke steenen vervormd tot draagbare altaren, en in den vorm
van een zuil het symbool van de godin Ashêra geworden.
Een steen, die eerst zelf een Beth-el geweest was, waarin de
godheid woonde, werd alzoo allengs het altaar van den god,
wiens werkelijke woonplaats men zich in den hemel dacht.
De kanaanietische stad, bij welke Jacob het gedenkteeken
van zijn droom had opgericht, heette Luz (Gen. XXVIU: 19).
In de dagen der Israëlieten echter werd de naam van het ge-
denkteeken overgebracht op dien der stad, en werd de stad
Luz zelve Beth-el of „Huis Gods" genoemd. De god, die daar
vereerd werd, toen de Israëlieten in Kanaan kwamen, schijnt
1) Bedoeld zullen zijn plaatsen als b. v. Jes. XXI: 14, Jer. XXV: 23,
Job YI.-19, e.a.
         Vert.
-ocr page 164-
141
On geheeten te hebben — een naam, die misschien ontleend
was aan dien der stad van den egyptischen Zonnegod. Bethel
was ook Beth-On, „de tempel van On", vanwaar de stam
Benjamin later den naam Ben-Oni kreeg, de „Onieten" \'). Beth-
On bestaat nog, en de plaats der oude stad is nog bekend als Beitin.
Wij behoeven de lotgevallen van Jacob in Mesopotamië niet
te volgen. Zijn nienwe woonplaats lag ver van de grenzen
van Palestina, en al was het ook, dat de koningen van Aram-
Naharaim nu en dan strooptochten in het land Kanaan maakten,
zoodat hun wapenen gevreesd werden zelfs binnen de muren
van Jeruzalem, zij hebben toch nooit eenige duurzame ver-
overing gemaakt aan de kusten der Middellandsche Zee. In
het land der Arameërs verdwijnt Jakob voor een tijd uit de
geschiedenis van het Palestina der aartsvaders.
Als hij weder te voorschijn komt, dan is hij een man van
middelbaren leeftijd, rijk aan kudden van groot en klein vee,
en reeds vader van een gezin, hem geschonken door zijn beide
vrouwen. Hij is op de terugreis naar het land, dat aan zijne
nakomelingschap beloofd, en waar hij zelf geboren was. Laban,
zijn schoonvader, tegelijk van zijn dochters en van zijn huis-
goden beroofd, vervolgt hem, en heeft hem, bijna met Kanaan
in het gezicht, achterhaald op het gebergte van Gilead. Aldaar
wordt een verbond gemaakt tusschen den Arameër en den
Hebreër, en een steenhoop wordt opgericht tot een getuigenis
van het feit. De steenhoop behield een dubbelen naam, den
arameeschen naam, dien Laban er aan gaf, en den kanaanietischen
naam Gal-Ed, „de hoop der getuigenis", waarmede hij door
Jacob genoemd werd. De dubbele naam was een teeken van
de tweeërlei bevolking en taal, die door den steenhoop van
elkander werden gescheiden. Noordwaarts waren de Arameërs
met hun arameesche taal; zuidwaarts was het land Kanaan,
en de taal, die wij het Hebreeuwsch noemen.
De plaats, waar de steenhoop was opgericht, droeg ook nog
. 1) Het is mij niet bekend, vanwaar de sohrjjver dit beeft. Althans
niet van Gen. XXXV: 18.
          Vert.
-ocr page 165-
142
een anderen naam, namelijk Mizpa, de „wacht-toren", de voor-
post vanwaar de inwoner van Karman de nadering bespeuren
kon van de vijandelijke benden uit het noorden of uit het
oosten. De weg naar de Jordaan werd er door beschermd, en
men hield er ook een waakzaam oog over de oostelijke hoog-
vlakte. In later tijd verzamelde Jephtha daar ook zijne strijd-
bare mannen om zich heen, en verloste hij zijn volk van het
juk der Amorieten.
Wederom „toog Jakob zijns weegs", en zond van Hahanaïm,
het „dubbelleger", boden naar zijn broeder Ezau, die zich reeds
gevestigd had in het gebergte Seïr. Daarop volgde in de
stille nachtelijke duisternis de geheimzinnige worsteling met
den „man", van wien Jacob zeide: „ik heb God gezien van
aangezicht tot aangezicht." Als de dageraad was opgegaan,
verdween de verschijning, maar niet voordat Jacob\'s naam
veranderd was. „Uw naam", zóó werd tot hem gezegd, „zal
voortaan niet Jacob heeten, maar Israël; want gij hebt u
vorstelijk gedragen met God en met de menschen, en hebt
overmocht." En zijn heup was ontwricht, „en daarom eten de
kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht
der heup is, tot op dezen dag." De plaats, waar de worsteling
plaats had, over het veer van de Jabbok, werd genaamd
Pnuël, „het aangezicht Gods." Er bestond meer dan één Pnuël
in de semietische wereld, en te Carthago werd de godin Tanith
betiteld Peni-Baal, „het aangezicht van Baal."
De naam Israël was, zooals wij ook kunnen merken aan
den naam Jeschurun, die hem soms vervangt, afgeleid van
een wortel, die beteekende „recht zijn", of „oprecht". De Is-
raëlieten waren inderdaad „het volk van oprechtheid.\'" Het is
alleen door één dier woordspelingen, waarop de oosterling nog
altijd zoo gesteld is, dat de naam Israël kan worden in ver-
band gebracht met het woord sar, „een vorst". Maar de naam
Jakob was onder de Semieten welbekend. Uit de egyptische
inscripties zien wij, dat zijn volle vorm was Jakob-el. Evenals
Jeschurun nevens Israël, of Jephtha nevens Jiphtha-el (Joz.
XIX: 27), is Jakob slechts een afkorting van Jakob-el. Een
-ocr page 166-
143
der door den Pharao Thothmes UI veroverde plaatsen in
Palestina, wier namen vermeld zijn op de muren van den
tempel te Karnak, namelijk Jakob-el-a, was ongetwijfeld eene
herinnering aan den hebreeuwschen aartsvader. Professor Flin-
ders Petrie heeft ons bekend gemaakt met egyptische kever-
vormige amuletten, waarop in hieroglyphenschrift de naam
staat van een koning Jacob-har of Jacob-hal, die regeerde in
het Nijldal voordat Abraham daar kwam; en Mr. Pinches heeft
onlangs den naam Jacob-el ontdekt onder de personen, die ver-
meld worden op contract-tafeltjes uit den tijd van den baby-
lonischen vorst Sin-mu-ballidh, die een tijdgenoot van Kedor-
Laomer was. Wij hebben dus het getuigenis van gedenkstukken,
waaruit blijkt, dat de naam Jacob ten tijde der hebreeuwsche
aartsvaders in de semietische wereld welbekend was.
Jacob en Ezau hebben elkander ontmoet en zich met elkan-
der verzoend, en daarna reisde Jacob naar Sukkoth, „de hut-
ten". De ligging van dit dorp van „hutten" is niet bekend,
maar het kan niet ver geweest zijn van de oevers der Jordaan,
en den weg naar Nablus. Het naburige Sichem, in den griekschen
tijd Neapolis genaamd, het tegenwoordige Nablus, was de vol-
gende pleisterplaats van den aartsvader. Indien wij de engelsche
vertaling volgen, dan zou het geweest zijn te „Salem, eene stad van
Sichem" J), dat hij zijne tenten opsloeg. Maar vele \'uitnemende
geleerden meenen, dat de hebreeuwsche woorden beter aldus
vertaald worden: „En Jacob kwam in vrede tot de stad
Sichem," waarmede gedoeld wordt op zijn vreedzaam scheiden
van zijn broeder. Er bestaat echter nog een gehucht, dat thans
nog Salim heet, ongeveer drie mijlen ten oosten van Nablus,
en het kan dus wel zijn, dat Jacob werkelijk op zijn reis
vertoefd heeft op een plaats, die Salem heette. In dat geval
kan het veld, dat hij kocht van Hemor, „in het gezicht der
stad" (Gen. XXXIII: 18), niet daar geweest zijn, waar sedert
1) In den engelsohen Bijbel staat (Gen. XXXIII: 18) »And Jacob
Game to Shalem, a city of Shechem", waarvoor onze Statenvertaling
heeft: ȣn Jacob kwam behouden tot de stad Siohem." Vert.
-ocr page 167-
144
de dagen van onzen Heer „de fontein Jacobs" is aangewezen
(Joh. IV: 5, 6). Deze toch is op een aanmerkeiijken afstand
westwaarts van Salim gelegen, halverwege tusschen dit dorp
en Nablus, en dicht bij het dorp \'Askar, dat soms is aange-
zien voor het Sichar van Joh. IV : 5. De „fontein" ligt op
een diepte van meer dan honderd voet in de harde rots, en
de groeven, in lang vervlogen eeuwen door de touwen der
waterkruiken aan den rand van den put gemaakt, zijn daar
nog zichtbaar. Maar tegenwoordig kan men er geen water uit
halen. Want de bron is verstopt door het puin van de ruïne
eener kerk, die in den ouden christelijken tijd er overheen is
gebouwd, en waarvan niets meer in wezen is dan alleen een
stuk van een gewelf. De put is gegraven geworden op een
plaats, waar de weg van Sichem naar de Jordaan zich scheidt
van dien die noordwaarts loopt, alhoewel Sichem zelf verder
dan een mijl daarvan-af ligt. Wij moeten opmerken, dat Jo-
hannes niet zegt, dat de put lag in „het stuk lands, hetwelk
Jakob zijnen zoon Jozef gaf," maar daar „nabij".
Al kwam Jakob in vrede te Sichem, de vrede was toch
niet van langen duur. Zijne beide zonen Simeon en Levi namen
wraak voor de beleediging, hunne zuster Dina aangedaan door
den zoon van den sichemietischen „landvorst", terwijl zij op
verraderlijke wijze de stad overvielen, en doodden „al wat
mannelijk was". Jacob moest dientengevolge dit oord verlaten,
met achterlating van het altaar, dat hij had opgericht. Hij
maakte zich op naar de kanaanietische stad Luz, het Bethel
van later dagen, waar hij het droomgezicht van de ladder, wel-
ker opperste aan den hemel raakte, gezien had. De „vreemde
goden", die medegebracht waren uit Mesopotamië, werden be-
graven „onder den eikenkoom, die bij Sichem is" (Gen. XXXV : 4),
tegelijk met „de oorsierselen, die aan hunne ooren waren".
Deze eik was één dier heilige boomen, die in de semietische
wereld in menigte bestonden, evenals een andere eik te Beth-el,
onder welken de voedster van Bebekka iets later begraven
werd (vs. 8).
Te Beth-el bouwde Jakob een ander altaar. Maar hij kon
-ocr page 168-
145
daar niet blijven, en wederom trok hij verder zuidwaarts. Op
deze reis stierf zijne vrouw Eachel terwijl zij het leven schonk
aan zijn jongsten zoon, en boven haar graf richtte hij „een
gedenkteeken" op, waarvan de schrijver van G-enesis verhaalt,
dat het in zijn tijd nog bestond (Gen. XXXV: 20). Het was
als de grenspaal tusschen het gebied van Benjamin en van
Juda te Zelzah (1 Sara. X : 2).
Te Bethlehem vertoefde Jakob geraimen tijd. Zijne kudden
verspreidden zich onder de hoede zijner zonen over het land,
overvloedig voedsel vindende op de heuvelen, en water bij de
bronnen, waardoor het „heuvelland van Juda" beroemd was.
De toenemende behoefte aan meerdere weiden werd aanleiding
dat zij noordwaarts trokken, tot voorbij den „Schaapstoren"
die een wachtpost was voor de jebusietische vesting Zion
(Micha IV: 8). Bethlehem zelf was in dien tijd meer alge-
meen bekend onder den naam Ephratha. Bethlehem, „de tempel
van Lehem", moet de heilige naam der stad geweest zijn, en
die naam ontleend aan den dienst van haar voornaamsten
god; en Mr. Tomkins heeft ongetwijfeld gelijk, wanneer hij
in dien god den babylonischen Lakhmn ziet, die met zijn vrouw
Lakhama beschouwd werd als een der oudste goden der eerste
wereld.
Te Bethlehem was Jakob maar enkele mijlen van Hebron
verwijderd, waar Izaük nog woonde, en waar hij bij zijn dood
door zijne zonen Jakob en Ezau in het familiegraf van Mach-
pela begraven werd. Dit was, naar het schijnt, de laatste keer
dat de twee broeders elkander ontmoetten. Ezau ontnam, deels
door huwelijk, deels door verovering, den Horieten het ge-
bergte Seïr, en grondvestte het koninkrijk Edom, terwijl de
zonen en de kudden van Jakob zich van Hebron in het zuiden
van Kanaiin verbreidden tot Sichem in het midden des lands.
De twee gewijde heiligdommen der toekomstige koninkrijken
Juda en Israël, waar de eerste troon in Israël werd opgericht,
en waar het davidische rijk het eerst gevestigd werd, werden
aldus de grenzen van het gebied der herders. Op beide plaatsen
bezat de hebreeuwsche aartsvader een deel van het land, dat
10
-ocr page 169-
146
rechtens het zijne was. Het was een teeken, dat het huis van
Israël later bezit zou nemen van het land, waar de zonen van
Israël met hun kudden omzwierven. De herdersstam ging reeds
over in een volk, dat een vaste woonplaats heeft met eigen land
en eigen begraafplaatsen.
Maar voordat deze verandering geheel en al kon tot stand
komen, was een lange tijd van vermeerdering en van voorbe-
reiding noodig. Egypte, en niet Kanaan, was het land, waar het
uitverkoren volk zou toebereid worden voor zijn toekomstige
bestemming. Kanaan zelf moest komen onder egyptisch bestuur,
en den invloed der babylonische beschaving inruilen voor dien
van Egypte. Het was een nieuwe wereld en een nieuwe be-
schaving, waarin de nakomelingen van Jakob moesten te voor-
schijn komen uit den smeltoven der egyptische slavernij. Het
Egypte, dat Jakob kende, was een Egypte waarover aziatische
vorsten regeerden, en welks onderkoning een Hebreër was.
Het was het Egypte der Hyksos-veroveraars, welks hoofdstad
Zoan was, aan de grenzen van Azië, en welks bevolking onder-
worpen was aan aziatische vreemdelingen. Het Egypte, dat
door zijne nakomelingen verlaten werd, had Azië op zijne
beurt aan zich onderworpen, en den buit van Syrië gebracht
naar zijn prachtige hoofdstad in het verre zuiden. De aziatische
golf was teruggerold van de oevers van den Nijl, en egyp-
tische verovering en beschaving hadden zich over Azië tot den
Euphraat toe verbreid.
Doch het was niet alleen Egypte, dat eene verandering on-
dergaan had. Het Kanaan van Abraham en Jakob had zijn
beschaving, zijn letterkunde, en zijn wetten uit Babylonië.
Zijn vorsten erkenden menigmaal de opperheerschappij der
babylonische heerschers, en de godheden van Babylonië wer-
den er vereerd. Het Kanaan van Mozes was langen tijd een
provincie van het egyptische rijk geweest; een egyptisch be-
stuur had het babylonische vervangen, en egyptische zeden en
gewoonten waren diep doorgedrongen onder Kanaans bevol-
king. De inval der Hethieten uit het noorden had den heirweg
naar Babylonië versperd, en den handel van Palestina naar
-ocr page 170-
147
het Westen en het Zuiden geleid. Terwijl Abraham, de in-
boorling van Ur, en gekomen uit Haran, zich in Kanaan en
zelfs te Zoan nog bevonden had binnen den kring der invloe-
den, waaronder hij was opgegroeid, kwamen zij, die door
Mozes waren uitgeleid uit Egypte, in aanraking met een land,
dat eerst kortelings was bevrijd geworden van het juk der
Pharaos. Het was een egyptisch Kanaan, dat door de Israë-
lieten moest onderworpen worden, en daarom was het goed,
dat zij door hun langdurig verblijf in Gosen voor hunne taak
waren voorbereid.
De bijzonderheden van dat verblijf behoeven wij hier niet
te vermelden. De geschiedenis van Jozef is te bekend om ze
hier op te halen, hoewel wij nog maar pas begonnen zijn, uit
hetgeen door de onderzoekingen in Egypte al meer en meer
volledig wordt aan het licht gebracht, te zien, hoe waar die
geschiedenis is in al hare bijzonderheden. Wij zien de midi-
anietische en ismaëlietische karavaan haren weg nemen langs
Dothan (dat nog steeds onder dienzelfden naam bekend is),
met haar pakken specerijen uit Gilead voor de bewoners der
Delta, en den jongen hebreeuwschen slaaf met zich voerende.
Wij zien zijne opkomst in het huis van den egyptischen
meester, zijne onrechtmatige gevangenschap, en zijn plotselinge
verheffing tot bestuurder van Egypte in Pharao\'s naam. Wij
lezen de aandoenlijke geschiedenis van den ouden vader, die
zijne zonen zendt om koorn te koopen uit de koninklijke voor-
raadschuren of larits van Egypte, en die ten slotte zijn meest
geliefden en jongsten zoon na lange aarzeling medegeeft; voorts
de geschiedenis van de schaapherders, die niet weten, dat zij
zich nederbuigen voor den broeder, dien zij als slaaf verkocht
hebben, en die nu de macht heeft om te beschikken over hun
leven en dood; de wijze waarop Jozef zich bekend maakt aan
de verbaasde en ontstelde smeekelingen; Jakob\'s uitroep, als
hij eindelijk overtuigd is, dat „de regeerder in het gansche
land van Egypte" niemand anders was dan zijn lang betreurde
zoon: „Het is genoeg; mijn zoon Jozef leeft nog; ik zal gaan,
en hem zien, eer ik sterf!"
-ocr page 171-
148
Jakob en zijn gezin reisden in wagens langs den heirweg,
die het zuiden van Palestina met de Delta verbond. Die weg
liep over Ber-seba en El-Arisch naar de Sur, d. i. een reeks
versterkingen, die de oostelijke grens van Egypte bescherm-
den. De thans bestaande karavaanweg is voor het grootste
gedeelte nog dezelfde als die oude heirweg. Hij was dus onder-
scheiden van „den weg der Philistijnen", die langs de kust
der Middellandsche Zee liep, aan den noordelijken oever van
het Sirbonische Meer. In Egypte woonden de Israëlieten niet
ver van de in het land Gosen gelegen hoofdstad der Hyksos,
het tegenwoordige Wadi Tumilat, zooals de opgravingen van
Dr. Naville bewezen hebben. Hier werden zij een groot en
welvarend volk, totdat de kwade dagen kwamen, toen de Egyp-
tenaren zich verhieven tegen den invloed en de macht van
het semietische ras, en Eamses II den vrijgeboren herdersstam
tot staats-lijfeigenen maakte.
Maar de tijd van Ramses II was nog ver weg toen Jakob
stierf, „oud, en zat van dagen", waarna zijn mummie werd
overgebracht naar het graf zijner vaderen „in het land
Kanaan." De plaatselijke overlevering verbond den naam
Abel-Mizraïm (Gen. L : 11), „de weide van Egypte", aan de
oostzijde der Jordaan, met den langen begrafenis-stoet, die van
Zoan naar Hebron trok. Maar wij kunnen niet gelooven, dat
de rouwklagers zóó ver van den aangewezen weg zouden zijn
afgeweken, al ware het ook, dat de beteekenis van den naam
der plaats, door de overlevering er aan toegekend, uit taai-
kundig oogpunt kon worden toegelaten. De overlevering geeft
wel getuigenis aan het feit van den optocht, maar meer
ook niet.
Met de begrafenis van Jakob valt weder een sluier over de
bijbelsche geschiedenis van Kanaan tot de dagen, toen de ver-
spieders werden uitgezonden door Jozua. Jozef was begraven
in Egypte, en niet te Hebron, hoewel hij de Israëlieten vóór
zijn dood had laten zweren, dat zij „zijne beenderen" eenmaal
zouden „opvoeren" naar Palestina (Gen. L: 25). De weg naar
Hebron was niet meer open, en de macht der Hyksos-vorsten
-ocr page 172-
149
moet snel zijn gebroken. De vrijheids-oorlog was uitgebroken,
en de nationale koningen van Opper-Egypte drongen den
vreemdeling terug naar Azië. De bestuurders van Zoan hadden
geen troepen meer te missen voor een begrafenis door de ooste-
lijke woestijn.
De schrijver van het boek der Chronieken heeft echter iets
aangeteekend, waaruit schijnt te blijken, dat er, kort na den
dood van Jakob, misschien nog bij zijn leven, nog eenige ge-
meenschap bestond tusschen Zuid-Kanaiin en de hebreeuwsche
volksplanters in Gosen. Wij vernemen daar namelijk (1 Chron.
VII: 21—26), dat eenige zonen van Efraïm gedood werden
door de mannen van Gath, wier vee zij hadden willen stelen,
en dat hun vader, na een rouw van vele dagen, getroost werd
door de geboorte van andere zonen. Deze aanteekening staat
bovendien. niet alleen. Thothmes III, de groote veroveraar
der achttiende egyptische dynastie, bericht, dat twee der plaat-
sen, die hij in Palestina heeft ingenomen, Jakob-el en Jozef-el
waren. Het is verleidelijk, in die twee namen herinneringen
te zien aan den hebreeuwschen aartsvader en zijn zoon. Is
dit werkelijk het geval, dan zou de naam van Jozef meer dan
twee eeuwen vóór den Uittocht zich gehecht hebben aan eene
plaats in Kanaan. De geografische lijsten van Thothmes III,
en de brokstukken der aloude geschiedenis, die door den Chro-
niekschrijver zijn bewaard gebleven, zouden alzoo elkander
steunen en aanvullen. De egyptische ruiterij, die de mummie
van Jakob vergezelde naar hare rustplaats te Machpela, zou
dan niet het eenige bewijs zijn van het gezag, hetwelk Jozef
en zijn gebieder konden doen gelden in Kanaan; Jozef zelf
zou zijn naam hier dan ook hebben achtergelaten, en zijne
kleinkinderen zouden dan gestreden hebben tegen „de mannen
van G-ath."
Deze dingen echter zijn beschouwingen, die wij voor beter
geven, tenzij ze mochten bevestigd worden door oudheidkun-
dige ontdekkingen. In het boek Genesis wordt na den dood
van Jakoh over Kanaan niet meer gesproken. Van nu af is
de aandacht van den Pentateuch gevestigd op Egypte en de
-ocr page 173-
150
israëlietische herdersstammen in Gosen, totdat de tijd aanbreekt
wanneer de periode der aartsvaders vervangen wordt door
die van den wetgever, en Mozes, de aangenomen zoon der
egyptische prinses, zijn volk terugbrengt naar Kanaan. Jozef
was door de handen van Midianieten uit Palestina naar Egypte
gevoerd, om hier de vertegenwoordiger van den Pharao en
de schoonzoon van den hoogepriester van Heliopolis te worden;
voor Mozes, den aangenomen kleinzoon van den Pharao, „onder-
wezen in al de wijsheid der Egyptenaren", was de taak weg-
gelegd om, na jaren van beproeving en voorbereiding in Midian,
de nakomelingen van Jakob uit hun egyptiseh diensthuis te
brengen naar de grenzen van het Beloofde Land.
-ocr page 174-
HOOFDSTUK V.
Egyptische reizigers in Kaïiaün.
Palestina is van den aanvang zijner geschiedenis af een
land van pelgrims en reizigers geweest. Het was het doel der
verhuizing van Abraham en de zijnen, en het is ook het
land waarover gehandeld wordt in het oudste reisverhaal, dat
wij kennen. Reeds meer dan eens hebben wij in het voorbij-
gaan gesproken over den egyptischen papyrus, die doorgaans
bekend is als De reizen van een Mohar, en waarin een sarkastisch
verhaal gegeven wordt van een reis in Palestina en Syrië. De
schrijver was een professor, denkelijk in de letterkunde, aan
het hof van Ramses II; hij gaf een reeks brieven uit, gericht
aan zijn vriend Nekht-sotep, die langen tijd bewonderd werden
als modellen van stijl. Nekht-sotep was één der geheimschrij-
vers, die verbonden waren aan den militairen staf, en onder
de brieven bevindt zich een soort van parodie op een verhaal,
dat door Nekht-sotep gedaan wordt van zijne lotgevallen in
Kanaan. De parodie had deels ten doel, te doen zien, op welke
wijze een verhaal als het hier bedoelde behoorde geschreven
te zijn door een degelijk stylist, deels om het bewijs te leve-
ren van de meerdere voortreffelijkheid van des schrijvers
leven boven dat van den krijgsman, en misschien ook nog
voor een ander deel om den man, aan wien het stuk gericht
is, een weinig in het ootje te nemen. Nekht-sotep had zich
-ocr page 175-
152
blijkbaar heel wat laten voorstaan ~op zijne reizen in den
vreemde, en zijn vriend, die was thuisgebleven, had het er op
gezet, te bewijzen, dat hij zelf het aangenaamste leven van
beiden gehad had. Nekht-sotep wordt schertsend vereerd met
den titel van Mohar (of nauwkeuriger Muhir), een woord uit
het Assyrisch, in welke taal het oorspronkelijk de beteekenis
had van een militairen bevelhebber, en dan verder van gouver-
neur eener provincie.
Maar reeds lang vóór de dagen der negentiende dynastie
waren er egyptische reizigers in Palestina geweest, of ten
minste in de aangrenzende landen. Eén der egyptische ge-
schriften, die tot ons gekomen zijn, bevat de geschiedenis van
zekeren Sinuhit, die uit Egypte had moeten vluchten tenge-
volge van staatkundige beroerten, waarin hij, na den dood van
Amon-m-hat I van de twaalfde dynastie, was betrokken ge-
weest. Over den Nijl gaande bij Kher-ahu, het tegenwoordige
Oud-Cairo, kwam hij aan den oostelij ken oever der rivier, en
ging toen verder naar de linie van forten, die Egypte tegen
de aziatische vijanden beveiligde. Hier kroop hij weg tusschen
het struikgewas der woestijn totdat de nacht inviel, opdat „de
wachters van den toren" hem niet zouden zien, en toen zette
hij zijn reis voort onder bedekking der duisternis. Met het
aanbreken van den dag bereikte hij het land Peten en de beek
Qem-uer, in de richting van het tegenwoordige Suez-kanaal.
Daar versmachtte hij van dorst; zijn keel reutelde, en hij
zeide tot zichzelf: „dit is de voorsmaak van den dood." Maar
een Bedouïen bemerkte hem, en had medelijden met den vluchte-
ling; hij gaf hem water en gekookte melk, en Sinuhit voegde
zich een poos bij den nomadenstam. Vervolgens reisde hij voort
naar het land Qedem — de Kadmonieten van het Oude Testa-
ment (Gen. XV : 19 ; Eicht VI: 3) — vanwaar de wijze man-
nen van het Oosten kwamen (1 Kon. IV : 30)J). Nadat hij
daar anderhalf jaar vertoefd had, noodigde \'Ammn-anshi, de
1) In het hebreeuwsoh is Qedem = »het Oosten" (Richt. VI: 3;
1 Kon. IV: 30).
         Vert.
-ocr page 176-
153
vorst van Boven-Tenu, den egyptischen vreemdeling uit, tot
hem te komen, omdat hij de taal van Egypte wenschte te
leeren kennen. Hij voegde erbij, dat hij van „de Egyptenaren,
die in het land waren", reeds van Sinuhit gehoord had. Hier-
uit blijkt, dat er reeds gedurende eenigen tijd eenig verkeer
geweest was tussohen Egypte en „Boven-Tenu."
Het is wel waarschijnlijk, dat Dr. W. Max Muller in Tenu
terecht een verkorten vorm ziet van Lutennu (of Kutenu),
onder welken naam Syrië bekend was bij de Egyptenaren. Er
was een Boven-Lutennu en een Beneden-Lutennu; het eerst-
genoemde was Palestina en het aangrenzend land, en omvatte
dus ook het edomietisch gebied, waarover \'Ammu-anshi of
Ammi-anshi als koning regeerde. In den naam Ammu-anshi
hebben wij den naam der godheid, die als Ammi of Ammon
voorkomt in het koninkrijk der Ammonieten, en die misschien
het tweede bestanddeel in den naam Balaam vormt. Dezelfde
godsnaam wordt aangetroffen in de samenstelling van den
naam van aloude koningen van Ma\'in in Zuid-Arabië en van
dien van babylonische koningen in het verre Oosten 1).
Ammu-anshi gaf zijn oudste dochter aan Sinuhit ten huwe-
lijk, en vertrouwde hem het bestuur toe over een district, dat
Aia heette, en dat gelegen was aan de grenzen van een na-
burig land. Aia wordt beschreven als rijk aan wijngaarden,
vijgen en olijven, tarwe en gerst, melk en vee. „De wijn was
er overvloediger dan water", en Sinuhit had „dagelijksche
rantsoenen van brood en wijn, gekookt vleesch, en gebraden
gevogelte", en bovendien overvloed van wild. Hij woonde daar
verscheidene jaren. De kinderen, die zijne aziatische vrouw
hem schonk, groeiden op, en werden stamhoofden. „Ik gaf den
dorstigen water", zegt hij ; „ik maakte dat de reiziger, dien
men onderweg overlast had aangedaan, zijn reis kon voort-
zetten; ik strafte den roover. Ik voerde het bevel over de
Bedouïnen, die een verren tocht maakten om de vorsten van
1) Zie boven, blz. 41.
-ocr page 177-
154
vreemde landen aan te vallen of terug te drijven, en zij trok-
ken (onder mij) op, want de vorst van Tenu stond toe, dat
ik vele jaren lang de generaal zijner soldaten zou zijn". Sinu-
hit heeft inderdaad een proef van zijn persoonlijke kloekheid
gegeven in het eerste tijdperk zijner loopbaan. De kampioen
van Tenu was tot hem gekomen in zijn tent, en daagde hem
uit tot een tweegevecht. De Egyptenaar was gewapend met
boog en pijlen, en een dolk; zijn tegenpartij met een strijd-
bijl, werpspiesen, en een schild. De strijd duurde kort, en
eindigde met de besliste overwinning van Sinuhit, die zijn
tegenstander verwondde, en hem beroofde van zijne wapenen.
Voor Sinuhit kwam echter allengs de tijd des ouderdoms,
en het verlangen werd in hem levendig om vóórdat hij stierf
het land zijner vaderen nog eens terug te zien. Daarom zond
hij een verzoekschrift aan den Pharao, waarin hij hem smeekte
om vergiffenis voor hetgeen hij in zijn jeugd misdreven had,
en om vergunning, naar Egypte weder te keeren. De bede
werd ingewilligd, en er werd een brief gezonden aan den uit-
gewekene, waarin hem verlof gegeven werd om terug te
komen. Zoo verliet dan Sinuhit het land, waar hij zoo lang
gewoond had. Vooraf legde hij nog een feest aan, en gaf zijne
eigendommen aan zijne kinderen, terwijl hij zijn oudsten zoon
aanstelde als hoofd van den stam. Daarna reisde hij zuidwaarts
naar Egypte, en werd vriendelijk ontvangen aan het hof. De
grove Bedouïnen-kleeding werd vervangen door fijn lijnwaad;
hij baadde zijn lichaam in water vermengd met welriekende
parfuineriën; hij mocht zich weder uitstrekken op een rustbed,
en genot hebben van den weelderigen disch der Egyptenaren.
Een huis en een pyramide werden voor hem gebouwd; een
tuin met een vijver en koepel werd voor hem aangelegd, en
een gouden standbeeld met een mantel van electron]) werd
1) Electron of electrum is een op barnsteen gelijkend mengsel van
goud en zilver, in de verhouding van èèn deel zilver en vier deelen
goud.
          Vert.
-ocr page 178-
155
daarin geplaatst. Sinuhit was niet langer een aziatische „bar-
baar", maar werd weder een beschaafd Egyptenaar.
De reizen van Sinuhit waren niet vrijwillig ondernomen ; doch
er kwam een tijd, dat een tocht naar Palestina bijna evenzeer in
de mode was als tegenwoordig. De veroveringen van Thothmes
III hadden Syrië tot eene egyptische provincie gemaakt, en
Syriërs gebracht in het egyptisch bestuur. Goede wegen wer-
den aangelegd in het nieuw-verkregen gebied, en van post-
huizen voorzien, waar men voedsel en logies kon krijgen, en
zoo werd de gemeenschap tnsschen Egypte en Kanaan gemak-
kelijk en levendig. De val der achttiende dynastie veroorzaakte
slechts een tijdelijke verbreking der gemeenschap tusschen beide
landen; met de vestiging der negentiende dynastie werd die
gemeenschap weer hersteld. Boodschappers trokken heen en
weer tusschen Syrië en het hof van den Pharao; bewoners
van Azië verdrongen elkander weder in het Nijldal, en de
egyptische burgerlijke ambtenaar en de reiziger volgden de
overwinnende legers van Seti en Eamses als op den voet. De
reizen van een Mohar
is een gedenkschrift, dat mede de vrucht
is van die vernieuwde bekendheid met de steden en wegen
van Palestina.
De schrijver daarvan pronkt gaarne met zijne kennis van
Syrië. Al had hij zelf het ook niet gewaagd, de bezwaren van
het reizen in den vreemde het hoofd te bieden, hij was er
toch op gesteld te laten merken, dat hij evenveel van Kanaan
wist als zij, die er werkelijk geweest waren. Een reis daarheen
was bij slot van rekening niet iets om er op te pochen. Zulk
een reis was iets zóó gewoons geworden, dat de aardrijkskunde
van Kanaan even goed bekend was als die van Egypte zelf,
en den thuisgebleven schrijver viel het dus niet moeilijk, een
reisgids er voor samen te stellen.
Het volgende is de vertaling, die door Dr. Brugsch van den
papyrus gegeven is met zoodanige veranderingen als voortge-
zette studie en voortgezet onderzoek hadden noodig gemaakt.
„Ik zal u het beeld van een Mohar schetsen, ik zal u laten
weten, wat hij doet. Zijt gij niet gegaan naar het land der
-ocr page 179-
156
Hethieten, en hebt gij niet het land Aupa gezien? Weet gij
niet, waarop Ehaduma gelijkt, en ook hoe _het land Igad\'i
gevormd is? De Zar (of Vlakte) van koning Sesetsu (Sesos-
tris) — aan welken kant daarvan ligt de stad Aleppo, en
waar bevindt zich haar veer? Zijt gij niet den weg naar
Kades (aan den ürontes) en Tubikhi gegaan? Zijt gij niet met
een aantal huurlingen naar de Shasu (Bedouïnen) geweest, en
hebt gij niet den weg betreden naar de Magharfat] (de holen
der Magoras bij Beyrout), waar de hemel donker is bij dag?
De plaats is beplant met ahornboomen, eiken, en acacias, die
ten hemel reiken; zij is vol beesten, beeren(?) en leeuwen,
en in alle richtingen door Shasu omringd. Hebt gij niet
den berg Shaua beklommen, en zijt gij er niet bovenop
geweest? Daar houden uwe handen den [teugel] van uwen
wagen stevig vast; een schok heeft uwe paarden, die
hem trokken, schichtig gemaakt. Ik bid u, laat ons naar
de stad Beeroth (Beyrout) gaan. Hebt gij u niet gespoed
naar haren opgang, nadat gij het veer daartegenover zijt over-
gegaan ?
„Verklaar gij dezen smaak in [het leven van] een Mohar!
Uw wagen ligt daar [vóór] u; uwe [voeten] zijn verlamd; gij
neemt in den avondstond den terugweg. Al uw ledematen zijn
ingekrompen. Uw [gebeente] is in stukken gebroken, en gij
valt in slaap. Gij ontwaakt: het is de tijd van den somberen
nacht, en gij zijt alleen. Is er niet een dief geweest om u te
bestelen ? De een of andere knecht is in den stal gegaan; uw
paard slaat achteruit; de dief heeft zich weggemaakt in den
nacht, uw kleederen zijn gestolen. Uw knecht ontwaakt in
den nacht; hij ziet, wat hem overkomen is; hij neemt weg
wat nog" over is, hij gaat naar slecht gezelschap, hij voegt
zich bij de Bedouïnen. Hij wordt een Aziaat. De poli-
tie(?) komt; zij [zoeken naar] den roover; hij wordt ont-
dekt, en verstijft van schrik. Gij ontwaakt, gij vindt geen
spoor van hen. want zij hebben weggenomen wat u toebe-
hoorde.
„Word [wederom] een Mohar, die geheel en al is toege-
-ocr page 180-
157
rust. Laat uw oor gevuld worden met hetgeen ik u verder vertel.
„De stad Hidden — dit is bedoeld met haren naam Gebal —
hoedanig is haar toestand ? Van hare godin [zullen wij spreken]
een anderen keer. Hebt gij die stad niet bezocht ? Wees zoo goed
om uit te zien naar Beyrout, Sidon, en Sarepta. Waar zijn de
veren van het land Nazana ? Hoe is het land Authu (Usu) ?
Zij liggen hooger dan een andere stad in de zee, Tyrus, de
haven, is haar naam. Drinkwater wordt er in booten aange-
voerd. Zij is rijker aan visch dan aan zand. Ik zal u van iets
anders vertellen. Het is gevaarlijk, in Zair\'aun te komen.
Gij zult zeggen, dat het brandt van een zeer pijnlijke wond(?)
Kom, Mohar. Ga voort op den weg naar het land Pa-\'A ...ina.
Waar is de weg naar Achshaph (Ekdippa) ? Naar welke stad ?
Ik bid u, zie uit naar den berg User. Hoe ziet zijn top er uit?
Waar ligt de berg van Sakama (Sichem)? Wie kan hem be-
klimmen ? Mohar, waartoe moet gij een reis maken naar het
land van Hazor? Hoe is het daar gesteld met het veer? Wijs
mij, hoe men gaat naar Hamath, Dagara, [en] Dagar-el, naar
de plaats waar alle Mohars elkaar ontmoeten. Wees zoo goed,
den weg daarheen op te sporen; werp een blik op Ya,. ..
Als men naar het land Adamim gaat, waar is men dan tegen-
over? Trek u niet terug, maar onderricht ons. Ga ons voor,
opdat wij het weten, o leidsman!
„Ik zal u nog andere steden noemen. Zijt gij niet geweest
in het land Takhis, te Kafir-Marona, Tamnah, Kades, Dapul,
Azai, Harnammata, en hebt gij Kirjath-Anab, bij Beth-Sopher,
niet gezien? Of kent gij niet den naam van Khalza in het
land Aupa, [gelijk] een stier aan zijn grenzen? Hier is de
plaats, waar alle machtige krijgers gezien worden. Wees zoo
goed, te zien naar de kapel van het land Qina, en vertel mij
iets van Eehob. Geef een beschrijving van Beth-sha-el (Beth-el),
en ook van Tarqa-el. Hoe komt men over het veer van het
land der Jordaan? Laat mij weten hoe men komt in het land
van Megiddo, dat er tegenover ligt. Gij zijt een echte Mohar,
bij zonder bedreven in het werk van den sterken arm. Ik bid
u, bestaat er wel een Mohar, aan u gelijk, om geplaatst te
-ocr page 181-
158
worden aan het hoofd van een leger, of een seigneur J) die uw
meerdere is op de jacht?
„Neem u in acht voor den mond van den afgrond, die 2000
el diep, en vol rotsen en steenklompen is. Gij keert zigzags-
gewijze terug, gij draagt uwen boog, gij neemt het ijzer in
uw linkerhand. Gij laat de oude menschen zien, indien hun
oogen goed zijn, hoe gij, uitgeput van vermoeidheid, u met uw
hand ondersteunt. Ebed gamal Mohar n\'amu („de slaaf van
een kameel is de Mohar, zeggen zij"); dat zeggen zij, en gij
wordt beroemd onder de Mohars en de helden van Egypte-
land. Uw naam wordt gelijk aan dien van Qazairnai, den heer
van Asel, toen de leeuwen hem vonden in het kreupelbosch,
in de engte die onveilig gemaakt wordt door de Shasu, die in hin-
derlaag liggen tusschen het geboomte. Zij hadden een lengte van
vier el, zij zagen er grimmig uit, zij hielden niet van lief koozingen.
„Gij zijt alleen, geen sterke is bij u, geen armee is achter
u, geen Ariel, die den weg voor u bereidt en die u inlicht
aangaande den weg vóór u. Gij weet den weg niet. De haren
staan op uw hoofd overeind, zij rijzen te berge. Uwe ziel is
in uw handen gelegd. Uw pad is vol van rotsen en steen-
klompen, er is geen uitweg in de nabijheid, het is geheel be-
groeid met slingerplanten en wolfsdood. Ter eener zijde is de
afgrond, ter anderer zijde de berg en de rotsmuur. Gij rijdt
er tegenin. De wagen hotst waar gij zijt. Gij zijt te verschrikt
om de paarden tegen te houden. Als uw wagen in den afgrond
stort, sleurt hij u meê naar beneden. De ceintures worden om-
ver gestooten. Zij vallen naar beneden. Gij bindt het paard
vast, omdat de disselboom gebroken is op het pad van de
engte. Niet wetende, hoe dien weer vast te hechten, kunt gij
hem ook niet herstellen. De essieu wordt terstond verlaten,
dewijl de vracht te zwaar is voor de paarden. Het is gedaan
met uw moed. Gij begint te loopen. De hemel is onbewolkt.
Gij hebt dorst; de vijand is achter u; een siddering overvalt
1) Over de fransohe woorden zie onder, blz. 160. Vert.
-ocr page 182-
159
u; een tak van een doornige acacia kwelt u; gij slingert hem
weg; het paard wordt er door gewond, en eindelijk vindt gij
een rustplaats.
„Leg mij eens uit, waarom gij houdt van [de levenswijze van]
een Mohar!
„Gij komt te Joppa; gij vindt er den dadelpalm in vollen
bloei. Gij doet uwen mond wijd open, om te eten. Gij vindt
het meisje, dat den tuin in orde houdt, mooi. Zij doet alles
wat gij van haar verlangt.. . Gij wordt betrapt, gij wordt in
het verhoor genomen, en hebt er uw behoud aan te danken
dat gij een Mohar zijt. Gij geeft voor een waardeloos vod uw
fijnsten gordel in betaling. Gij slaapt eiken avond met een
dierenvel als deken over u heen. Gij slaapt een diepen slaap,
want gij zijt vermoeid. Een dief steelt uwen boog en uw
zwaard naast u weg; uw pijlkoker en uw soldatenkleeding
zijn in de duisternis in stukken gesneden; uw beide paarden
zijn weggeloopen. De rijknecht neemt zijn weg over een glibbe-
rig pad, dat vóór hem oprijst. Hij maakt, dat uw wagen in
stukken breekt, hij treedt in uwe voetstappen. [Hij vindt] uwe
stukken van uitrusting, die op den grond gevallen en in het
zand gedrongen waren, zoodat zij er geen spoor van is achter-
gebleven.
„Smeeken baat u niet, zelfs wanneer uw mond spreekt: geef
mij voedsel en water, opdat ik behouden mijn doel bereike — zij
zijn doof, en willen niet hooren. Zij zeggen niet ja op uw
woorden. De ijzerwerkers gaan in de smidse; zij doorsnuffelen
de werkplaatsen der timmerlieden; de ambachtslieden en de
zadelmakers zijn bij de hand; zij doen alles wat gij vraagt.
Zij zetten uwen wagen in elkander; zij leggen de stukken
ervan, die onbruikbaar geworden zijn, ter zijde; de spaken
worden fagonné gansch nieuw; de raderen worden eraan ge-
zet; zij zetten de courroies aan de as en aan het achterste
gedeelte; zij maken uw ketting in orde, zij brengen den bok
van uwen wagen weer op zijn plaats; de [werkers] in ijzer
smeden de...; zij maken den ring, die ontbreekt aan uw
zweep, zij zetten de lanières er weder aan.
-ocr page 183-
160
„Gij spoedt u voort, om te strijden op het slagveld, om
daden van een sterke hand en van vasten moed te ver-
richten.
„Voordat ik schreef, zocht ik naar een Mohar, die zijn macht
kent, en de jeunesse leidt, een bevelhebber in de armee, [die
reist] zelfs naar het eind van de wereld.
„Antwoord mij niet: dit is goed, en dat is verkeerd. Zeg
mij uwe meening niet. Kom, ik zal u alles vertellen wat vóór
u ligt aan het eind uwer reis.
„Ik begin voor u met het paleis van Sesetsu (Sesostris).
Hebt gij er niet met geweld den voet gezet? Hebt gij niet
gegeten den visch uit de beek .. . ? Hebt gij u er niet in ge-
wasschen? Met uw verlof zal ik u herinneren aan Huzana;
waar is het veer daarheen? Kom, bid ik u, naar het paleis
van het land TJazit, ja Osymandyas (Kamses II) in zijne over-
winningen, [naar] S.. z-el, tesamen met Absaqbu. Ik zal u
inlichten over het land \'Ainin (de twee Bronnen), welks ge-
woonten gij niet kent. Het land van het meer Nakhai, en het
land Rehoburta hebt gij sedert uw geboorte niet gezien, o
Mohar! Rapih is wijd uitgestrekt. Waarop gelijkt zijn muur?
Hij strekt zich een mijl ver uit in de richting van Graza."
De fransehe woorden, die Dr. Brugsch van tijd tot tijd in
de vertaling heeft ingelascht, vertegenwoordigen de semietische
woorden, die de egyptische schrijver gebruikt heeft. Zij doen
zien, hoe het destijds mode was, den egyptischen taalschat aan
te vullen met woorden en spreekwijzen van Kanaün. Het was
de wraak, door Palestina genomen voor den inval en de ver-
overing door de legers van Seti en Ramses. Zoo komt armee
overeen met het semietische tsaba, „leger", jeunesse met »«\'-
aruna, „jonge menschen". De egyptische schrijver maakt echter
enkele fouten, op dezelfde wijze als hedendaagsche schrij vers nog
wel maken als zij woorden gebruiken uit een vreemde taal. In
plaats van te schrijven, zooals hij bedoeld had, \'eöefZ gamal
Mohar n\'amu
(„de slaaf van een kameel is de Mohar, zeggen
zij"), heeft hij de kanaanietische klinkletter ayin bij het ver-
keerdo woord gevoegd, en den naam van het „kameel" ver-
-ocr page 184-
\'
.
161
keerd gespeld, zoodat de zin veranderd is in abad kamal Mohar
n\'amu
(„het kameel van den Mohar is omgekomen, zij zijn
blijde»)i).
De meeste plaatsnamen, die in den papyrus voorkomen, kun-
nen worden terechtgebracht. Aupa, het Ubi der tafeltjes van Tel
el-Amarna, lag aan de grenzen van het land der Hethieten,
en niet ver van Aleppo. De Zar of „Vlakte" van Sesostris
komt voor op de lijsten van veroverde steden en landen, die
door Thothmes III, Seti I, Ramses II, en Ramses III werden
opgemaakt ter herinnering aan hunne overwinningen in Syrië.
Het woord is waarschijnlijk uit Babylonië gekomen, waar de
zeru de tusschen den Tigris en Euphraat gelegen alluviale
vlakte aanduidde. Kades, de zuidelijke hoofdstad der Hethieten,
„in het land der Amorieten", lag aan den Orontes, dicht bij
het meer Homs, en is door Majoor Conder als het tegen woor-
dige Tel em-Mindeh aangewezen. Tubikhi, waarvan wij reeds
gehoord hebben in de Drieven van Tel el-Amarna, wordt ook
vermeld in de geografische lijsten, die door Thothmes III
geschreven zijn op de muren van zijn tempel te Karnak; het
wordt daar genoemd onmiddellijk vóór Kamta of Qamdu, het
Kumidi van Tel el-Amarna. Het is het Tibchath van het
Oude Testament, waaruit David „zeer veel kopers" nam (1
Chron. XVIII: 8). Maghar(at), of „holen", gaf zijn naam aan
de Magoras, de rivier van Beyrout, en eveneens aan Meara
van het boek Jozua (Joz. XIII: 4). Wat den berg Shaua be-
treft, deze wordt door den assyrischen koning Tiglath-pileser
III beschreven als liggende in de nabijheid van den noorde-
lijken Libanon, terwijl de stad Beeroth, of „waterbakken",
waarschijnlijk Beyrout is.
De Mohar wordt vervolgens voorgesteld als naar Phoenicië
te gaan. Grebal, Beyrout, Sidon, en Sarepta worden achtereen-
1) Het is merkwaardig, dat eene dergelijke vergissing in de spelling
van Vfterf, «slaaf" of «dienaar," gemaakt is in eene arabische inscriptie,
die ik ontdekt heb op de rotsen bij Silsileh in Opper-Egypte, waar
de naam Ebed-Nebo geschreven is Abed-Nebo.
14
-ocr page 185-
162
volgens genoemd, terwijl de reiziger ondersteld wordt, van het
noorden naar het zuiden te reizen. De „godin" van Gebal
was Baaltis, zoo menigmaal vermeld in de brieven van Kib-
Hadad, die haar „de meesteres van Gebal" noemt. Maar als
hij zegt, dat de naam der stad „Verborgen" beteekent, dan is
hij door de verkeerde uitspraak ervan in het egyptisch mis-
leid geworden. Het werd Kapuna in den mond zijner landge-
nooten, en aangezien kapit in het egyptisch beteekende „ver-
borgenheid", waagde hij de gevolgtrekking, dat dit ook het
geval was met het phoenicisch woord. In de „veren van het
land Nazana" moeten wij de rivier Litany herkennen, die
tusschen Sarepta en Tyrus uitloopt in de zee. De verder ge-
noemde stad, Authu of Usu, wordt zoowel op de tafeltjes van
Tel el-Amarna als in de opschriften der assyrische koningen
met Tyrus verbonden. Het schijnt het Palaetyrus of „Oud-
Tyrus" der klassieke overlevering geweest te zijn, de stad, die
gelegen was op het vasteland, vlak tegenover het meer be-
kende, op een eiland gelegen Tyrus. De phoenicische overleve-
ring schrijft de stichting dier stad toe aan Usöos, die afkomstig
was van de bergen Kasios en Libanon, en broeder van Mem-
rumus, den „verhevene", en van Hypsouranios, den „heer des
hemels", „die de uitvinder was van het maken van kleederen
uit dierenvellen en van het varen in booten, en die de menschen
ook geleerd heeft, het vuur en de winden te aanbidden, en
twee steenen zuilen ter eere der godheid op te richten. Van
Usu heeft de Mohar zich natuurlijk begeven naar het rots-
eiland Tyrus.
Dan volgt er een naam, die moeilijk terecht te brengen
is. Het eenige wat vaststaat, is dit, dat er tusschen Zar of
Tyrus en Zair\'aun eenig verband is, zoowel wat den naam
als wat de plaats betreft. Misschien heeft Dr. Brugsch gelijk,
als hij meent, dat de daarop volgende zin een woordspeling
bevat op het hebreeuwsche woord zir\'dh, „horzel", dat den-
zelfden wortel als Zair\'aun schijnt te hebben. Wellicht is
Zair\'aun de oude stad ten zuiden van Tyrus, welker ruïnen
thans TJmm el-\'Amud heeten, en die, naar beweerd wordt,
-ocr page 186-
163
oorspronkelijk Turan genaamd was. Ongelukkiger wij ze is de
naam, die dan verder genoemd wordt in de reizen van den Mo-
har, twijfelachtig; indien het Pa-\'A(y)ina is, „de Bron", dan zou-
den wij er het tegenwoordige Ras el-\'Ain, „het Hoofd der
Bron", in kunnen zien. Dit ligt op den weg naar Zib, het
oude Achshaph of Ekdippa.
„De berg User" herinnert ons op merkwaardige wijze aan
den stam Aser, welks grondgebied de bergketen insloot, die
zich verhief achter de phoenicische kust. Maar hij kan ook
den berg Karmel aanduiden, welks kruin de reiziger ziet, als
hij den weg volgt ten zuiden van Tyrus en Zib. Het noemen
ervan doet den schrijver denken aan een anderen berg in de-
zelfde streek, welks top eveneens door de wolken boort. Het is
„de berg van Sichem", hetzij Ebal, hetzij Grerizim, die beiden
ongeveer 3000 voet boven de oppervlakte der zee zich ver-
heffen. Het is de eerste keer, dat ergens anders dan in het
Oude Testament van Sichem wordt melding gemaakt.
Sichem lag echter niet op den weg van den Mohar, en van
zijn berg wordt slechts zeer in het voorbijgaan gesproken. Wij
worden daarom naar Hazor geleid, dat later een stad van
Naphtali werd, en waarvan wij nader iets hooren in de brieven
van Tel el-Amarna. Van Hazor liep de weg noordwaarts naar
Hamath, het tegenwoordige Hamah. Hazor lag niet ver ten
westen van Adamim, dat de geografische lijsten van Thothmes
III plaatsen tusschen de Zee van Galilea en de Kison, en dat
ongetwijfeld het Adami van Naphtali is (Joz. XIX: 33). Hier
neemt de reis van den Mohar plotseling een einde. Daarna
bepaalt de schrijver zich er toe, enkel een aantal syrische
steden op te noemen, zonder acht te slaan op de geografische
ligging. Hij wil blijkbaar alleen zijn kennis van Kanaan
luchten; misschien ook is het hem er om te doen, twijfel op
te wekken aangaande de uitgestrektheid der reizen van den
Mohar.
Takhis, overeenkomende met den naam Tahas van Gen.
XXII: 24, lag, zooals wij zagen, in het land der Amorieten,
niet heel ver van Kades aan den Orontes. Kafir-Marona, „het dorp
-ocr page 187-
164
Marona", zal in dezelfde richting gelegen hebben. Het tweede
gedeelte van den naam ontmoeten wij ook elders in Palestina.
Zoo was één der vorsten, tegen wien Jozua streed, de koning
van Simron-Meron (Joz. XII: 20), en de assyrische inscripties
maken melding van een stad Samsi-muruna.
Tamnah was geen ongewone naam. Wij lezen van een Tamna
of Timna in Juda (Joz. XV: 57), en van een ander in het
gebergte van Efraim (Joz. XIX: 50). Dapul kan het Tubaliya
der brieven van Eib-Hadad zijn; Azai, „de uitweg", schijnt
bij een bergpas gelegen te hebben, terwijl Har-nammata, „de
berg Nammata", door Ramses III Har-nam genaamd wordt,
die het in verband brengt met Lebanoth en Hebron. De twee
volgende namen, Kirjath-Anab en Beth-Sopher, zijn van bij-
zonder belang, omdat daarmede voor \'t eerst, zoover wij weten,
melding gemaakt wordt van Kirjath-Sepher, het middelpunt
der kanaanietische letterkunde in het zuiden van Palestina,
dat door Othniel, den Keneziet, werd ingenomen en verwoest.
In het Oude Testament (Joz. XV: 49, 50) worden Kirjath-
Sanna of Kirjath-Sepher en Anab in één adem genoemd, even-
als dat geschiedt met Kirjath-Anab en Beth-Sopher door den
egyptischen schrijver, en het is derhalve duidelijk, dat deze
de woorden Kirjath, „stad", en Beth, „huis", als ongeveer
hetzelfde beteekenende, het eene op de plaats van het andere
gezet heeft. Maar de wijze, waarop hij den tweeden naam spelt,
doet ons zien, hoe het in het Oude Testament zou moeten
luiden. Het was namelijk niet Kirjath-Sepher, „de stad der
boek(en)", maar Kirjath-Sopher, „de stad der schrijver(s)", en
Dr. W. Max Muller heeft aangetoond, dat aan het woord
Sopher de beteekenis van „schrijven" gehecht is, waaruit
blijkt, dat de egyptische schrijver ten volle begreep, wat er
mede bedoeld was. Kirjath-Sanna, „de stad van onderwijs",
zooals het ook genoemd werd, was slechts een andere manier
om nadruk te leggen op het feit, dat daar een boekerij en een
school bestonden, evenals er waren in de steden van Babylo-
nië en Assyrië. Beide namen, Kirjath-Sopher en Kirjath-Sanna,
waren evenwel meer beschrijvingen, dan de oorspronkelijke be-
-ocr page 188-
165
namingen; de eigenlijke naam schijnt geweest te zijn Debir,
„het heiligdom", de tempel, binnen welks muren de boekerij
gevestigd was, waaruit de egyptische schrijver aanleiding ge-
nomen heeft om de stad te noemen „Beth" of „tempel", in plaats
van „Kirjath" of „stad".
Evenals Anab en Kirjath-Sopher, lagen ook Adullam en
Zidiputa in zuidelijk Kanaan. In de spelonk van Adullam
zocht David een wijkplaats voor de vervolging door Saul, en
wij vernemen van Sisak, dat Zidiputa (of Zadiputh-el, zooals
hij het noemt) in het zuiden van Juda lag. Van hier worden
wij eensklaps naar het noorderdeel van Syrië verplaatst, en
den Mohar wordt gevraagd, of hij iets weet van Khalza in
het land Aupa. Khalza is een assyrisch woord, dat „vesting"
beteekent, en Aupa, het Ubi van de tafeltjes van Tel el-
Amarna, lag niet ver van Aleppo. De toespeling op den „stier"
is duister.
Vervolgens worden wij wederom teruggevoerd naar Palestina.
In de jaarboeken van Thothmes III wordt ons verhaald, dat
„de beek van Qina" zich ten zuiden van Megiddo bevond,
zoodat de naam van die streek waarschijnlijk is bewaard ge-
bleven in dien van „Kana in Galilea." Rehob kan Rehob in
Aser zijn (Joz. XIX : 28), dat dicht bij Eana lag, hoewel de
naam in Syrië te algemeen is om er met zekerheid iets van
te bepalen. Beth-sha-el daarentegen is Beth-el. Dezen naam
ontmoeten wij \'t eerst in de geografische lijsten van Thothmes
III, en het feit, dat het, wat den vorm betreft, een babylo-
nische naam is, aangezien Bit-sa-ili in het babylonisch gelijk
staat met het hebreeuwsche Beth-el, is één der vele bewijzen,
dat die lijsten zijn samengesteld naar een origineel in spijker-
schrift. De naam Beth-sha-el of Beth-el brengt den schrijver
vanzelf tot dien van Tarqa-el, die den naam van den hethie-
tischen god Tarqu bevat. Maar het is onmogelijk te zeggen,
waar Tarqa-el lag.
Tegen het einde van het boek wordt melding gemaakt van
sommige plaatsen, die gelegen waren aan den weg tusschen
Egypte en Kanaan. Rapih is het Raphia der klassieke aard-
-ocr page 189-
166
rijkskunde, het Rapikh der assyrische inscripties, waar twee
gebroken zuilen thans de grens tussohen Egypte en Turkije
aanwijzen. Rehoburta is waarschijnlijk het Rehoboth, waar de
herders van Izaak een put groeven voordat de aartsvader naar
Ber-seba toog (Gen. XXVI: 22), terwijl wij in het meer
Nakhai misschien het Sirbonische meer te zien hebben, een meer
van klassieke vermaardheid.
Nog twee toespelingen blijven er in den papyrus over, die
niet met stilzwijgen mogen worden voorbijgegaan. Vooreerst
die, waarbij sprake is van „Qazairnai, den heer van Asel",
den beroemden leeuwendooder. Wij weten verder niets van
dezen syrischen Nimrod; maar professor Maspero heeft zonder
twijfel gelijk, als hij meent, dat Asel eigenlijk Alsa had
moeten geschreven zijn, en dat het bedoelde land het konink-
rijk Alasiya was, dat in het noordelijk deel van Coelo-Syrië
lag. Verscheidene brieven van den koning van Alasiya zijn
bewaard gebleven in de verzameling van Tel el-Amarna, en
wij maken daaruit op, dat zijn gebied zich over den Orontes
heen uitstrekte van de woestijn tot de Middellandsche Zee.
Egyptische papyrussen verhalen, dat paarden en verschillende
soorten van dranken uit Alasiya werden ingevoerd in Egypte.
In den tijd van Samuel en Saul werd Alasiya door eene
koningin geregeerd.
De tweede toespeling betreft den ijzersmid in Kanaün. Het
is duidelijk, dat er daar vele zulke smeden waren, en dat de
reiziger, wanneer zijn wagen moest hersteld worden, zich ver-
voegde bij den ijzersmid, en niet bij den bronswerker. Zelfs
het woord, dat ter aanduiding van het metaal gebezigd wordt,
is het kanaanietische barzel, dat gebruikt is in den vorm
van parzal. Niets zou duidelijker kunnen aantoonen, hoe het
handwerk van ijzersmid iets eigenaardig kanaanietisch moet
geweest zijn, en hoe algemeen in Kanaün het gebruik van
ijzer het gebruik van brons moet vervangen hebben. Dit is
geheel in overeenstemming met hetgeen in de jaarboeken van
Thothmes III is aangegeven met betrekking tot het ijzer, dat
hij uit Syrië ontving; eveneens stemt het overeen met de bij-
-ocr page 190-
167
belsohe aanduidingen, waar wij lezen van de „ijzeren wagens",
waarin de Kanaanieten ten strijde togen (.Foz. XVII: 16,18).
In Palestina schijnt werkelijk een bepaalde klasse van rond-
trekkende ijzersmeden bestaan te hebben, evenals dat in Europa
het geval was in de middeleeuwen, een klasse van menschen,
die de geheimen van hun handwerk zorgvuldig bewaarden,
en die niet alleen een bepaalde kaste, maar ook een bij zonder
ras vormden. Het woord Kain beteekent „een smid", en de
nomadenstam der Kenieten, waarvan wij lezen in het Oude
Testament, was eenvoudig het zwervend ras van „smeden",
wier woning de tent of de spelonk was. Vandaar, dat zij
evenmin Kanaanieten als Israëlieten waren, en zoo kwam het
ook, dat de Philistijnen in staat waren, te maken, dat er
„geen smid gevonden werd in het gansche land van Israël"
(1 Sam. XIII: 19); niets anders was daartoe noodig, dan te
beletten, dat de Kenieten zich ophielden in het israëlietisch
gebied. Geen Israëliet was bekend met de geheimen van hun
ambacht, en niemand kon hen dus vervangen, want ook de
Kanaanieten, die nog in het land waren onder israëlietisch
oppergezag, waren evenzeer onbekend met de kunst van ijzer-
smeden. Al hield een ijzersmid ook in Kanaan verblijf, hij
vereenzelvigde zich toch nimmer met de eigenlijke bewoners.
De Kenieten bleven een afzonderlijk volk, en konden derhalve
als zoodanig gerangschikt worden naast de Hevieten, of „dorpe-
lingen", en de Perezieten, of „fellahin".
Indien de Reizen van een Mohar mogen beschouwd worden
als een handboek voor de aardrijkskunde van Palestina ten
tijde der negentiende egyptische dynastie, dan kunnen de lijsten
der plaatsen, die door Thothmes III veroverd en op zijn bevel
op de muren van zijn tempel te Karnak geschreven zijn, be-
schouwd worden als een soort atlas van Kanaan ten tijde der
achttiende dynastie. De naam van elke plaats is omgeven door
een rand, en boven eiken naam ziet men het hoofd en de
schouders van een kanaanietisch gevangene. Het haar en de
oogen der figuren zijn zwart of eigenlijk donker-purperkleurig,
terwijl de huidkleur nu eens rood en dan weer geel is. Het
-ocr page 191-
168
geel moet de olijfkleur der bevolking van de Middellandsche
Zee, het rood de door de zonnehitte verbrande huidkleur voor-
stellen. Een onderzoek van de verschillende namen toont dnide-
lijk aan, dat ze ontleend zijn aan de aanteekeningen der
schrijvers, die het leger van den Pharao op zijn tochten ver-
gezelden. Soms komt dezelfde naam tweemaal voor, en dan
niet altijd in denzelfden vorm. Daaruit kan het besluit ge-
trokken worden, dat de aanteekeningen niet altoos door den-
zelfden berichtgever gemaakt zijn, en dat de samensteller der
lijsten zijn stof geput heeft uit verschillende bronnen. Verder
is het duidelijk, dat de aanteekeningen gemaakt zijn met de
letterteekens van het babylonische spijkerschrift, en niet met
die der egyptische hieroglyphen. Zoo is, gelijk wij reeds ge-
zien hebben, de naam Beth-el vervormd uit het babylonische
Bit-sa-ili, dat in het assyrisch gelijkstaat met het hebreeuwsche
Beth-el.
De namen zijn uit de aanteekeningen der schrijvers o ver-
geschreven in de volgorde, waarin ze daar stonden, en zonder
dat ook maar in \'t minst de meerdere of mindere belangrij k-
heid ervan in aanmerking genomen is. Terwijl daardoor menig-
maal onbeteekenende dorpen zijn opgeteekend, zijn somwijlen
de namen van belangrijke steden overgeslagen. Beschrijvende
voorvoegsels, zooals b. v. abel „weide", arets „land", har „berg",
emeq „vallei", \'én „bron", zijn menigmaal als plaatsnamen be-
handeld, en komen afzonderlijk voor in een rand. Wij moeten
dus niet verwachten, dat wij op de lijsten eene volledige op-
gave van palestij nsche plaatsen of ook maar van de voor-
naamste steden zullen vinden. Zij geven enkel de richting aan
van den tocht, die door het leger van Thothmes of door zijn
spionnen en boden gemaakt werd.
Behalve de kanaanietische lijsten bestaan er ook lange lijsten
van plaatsen, die door den Pharao in Noord-Syrië veroverd
zijn. Daarmede hebben wij hier echter niet te maken. Onze
aandacht moet zich nu bepalen tot de plaatsen in Kanaan. Zij
worden genoemd als liggende in het land van de Boven-Lotan,
of zooals een andere lijst aangeeft, in het land der Fenkhn.
-ocr page 192-
169
Ten tijde van Thothmes III waren derhalve het land van de
Boven-Lotan en het land der Fenkhu één en hetzelfde, en
beteekenden beiden het land, dat nn Palestina heet. In het
woord Fenkhu is de oorsprong van het grieksche Phoenix of
„Phoeniciër" gemakkelijk te herkennen.
De lijsten beginnen met Kades aan den Orontes, de hoofd-
zetel van het bondgenootschap, welks nederlaag Kanaiin aan
de voeten van den Pharao bracht. Daarop volgt Megiddo,
waar de beslissende slag geleverd, en de krijgsmacht van den
koning van Kades verslagen werd. Vervolgens Khazi, dat
eveneens vermeld wordt op de tafeltjes van Tel el-Amarna,
die ons doen zien, dat het lag in het heuvelland ten zuiden
van Megiddo. Wellicht was Khazi de stad Graza van 1 Chron.
Vü: 28, die in de dagen der Israëlieten door Sichem ver-
drongen werd. Kitsuna, het Kuddasuna der tafeltjes van Tel
el-Amarna, is de volgende plaats, die vermeld wordt, maar wij
weten niet, waar zij lag. Ook de daaropvolgende naam, „de
Bron van Shiu", is onmogelijk terecht te brengen. Maar van
Tubikhu, de zesde naam, hebben de spijkerschrifttafeltjes van
Tel el-Amarna \'t een en ander medegedeeld; het schijnt het
Tibchath van 1 Chron. XVIII: 8 te zijn. Het lag in Coelo-
Syrië, evenals Kamta, het Kumidi der tafeltjes, dat op één
lijst volgt, hoewel op een andere lijst de plaats ervan wordt
ingenomen door het onbekende Bami. Dan volgen de namen
van Tuthina (misschien Dothan), Lebana, en Kirjath-niznau;
verder Marum of Merom, het tegenwoordige Meirom, Tamasqu
of Damascus, Abel of Atar, en Hamath. Aqidu, de zeventiende
naam, is onbekend, maar Mr. Tomkins heeft denkelijk gelijk
als hij meent, dat de volgende naam, Shemnau, \'t zelfde is
als Simron van Joz. XIX : 15, waarvoor de Septuagint Symeon
leest. Dat deze lezing de rechte is, wordt bewezen door het
feit, dat in de dagen van Jozephus en den Talmud de plaats
Simonias heette, terwijl de tegenwoordige naam Semünieh is.
De tafeltjes van Tel el-Amarna maken er Samkhuna van.
Daarop volgen zes onbekende namen, waarvan een Beeroth,
of „Bronnen", de eerste is. Dan volgt Mesekh, „de plaats der
-ocr page 193-
170
zalving", op de tafeltjes van Tel el-Amarna Musikhana genoemd;
dan Qana en \'Arna. De twee laatstgenoemde plaatsen komen
voor in het verhaal van den slag bij Megiddo, en moeten in
de onmiddellijke nabijheid van deze stad gelegen hebben. Eén
der nevenrivieren van de Kison liep langs Qana, terwijl \'Arna
verscholen lag in een bergengte. Daar werd de tent van Thoth-
mes opgeslagen twee dagen vóór den strijd. De beek Qana
schijnt de tegenwoordige rivier Qanah geweest te zijn, en voor
\'Arna moet misschien \'Aluna gelezen worden.
Thans worden wij geleid naar den oostelijken oever der
Jordaan, naar \'Astartu in het land Basan, het Astheroth-
Karnaïm van Genesis, het tegenwoordige Tel Ashtarah. Met
\'Astartu wordt Anau-repa verbonden, dat door Mr. Tomkins
wordt aangezien voor het „On der Refaïeten" (Gen. XIV: 5).
In elk geval is het \'tzelfde als het Raphon of Raphana der
klassieke schrijvers, het tegenwoordige Er-Rafeh. Verder worden
genoemd Maqata, dat in het late boek der Maccabeën Makhed
heet, en nu bekend is als Mukatta; Lus of Lius, het bijbelsche
Laïs, dat onder zijn lateren naam Dan de noordelijke grens
van het israëlietisch koninkrijk werd, en Hazor, de vesting van
Jabin, van welks koning wij iets vernemen in de tafeltjes van
Tel el-Amarna. Verder Pahil of Pella, ten oosten van de Jor-
daan, beroemd in de jaarboeken der oudste Christenheid; Kenu-
artu, het Cinneroth van het Oude Testament (Joz. XI: 2;
1 Kon. XV: 20), waarnaar de Zee van Galilea ook het meer
Gennesareth heette; Shemna, welks ligging onzeker is, en
Atmam, het Adami van Joz. XIX : 33. Daarop volgen Qasuna,
waarin wij het Kisjon van Issaschar herkennen (Joz. XIX : 20);
Shanam of Sunem, thans Sölam, ten noorden van Jizreël;
Mash-al, het Mis-al der Schrift (Joz. XIX : 26, XXI: 30), en
Aksap of Ekdippa aan de phoenicische kust. Vervolgens lezen
wij, achter een naam, die niet terecht te brengen is, den naam
Ta\'anak, het bijbelsche Taanach, het tegenwoordige Ta\'anuk;
Ible\'am, in welks nabijheid Ahazia, de koning van Juda, ge-
dood werd door de knechten van Jehu (2 Kon. IX: 27);
Ganta-Asna, „de tuin van Asnah"; Lot-melech, „Lot van den
-ocr page 194-
171
koning"; \'Aina, „de Bron"; en \'Aak of Acre. Van Acre wor-
den wij langs de kust zuidwaarts geleid naar Rosh Kades,
„het heilig voorgebergte" Karmel, welks naam onmiddellijk
volgt als Karimna. Dan nog Beer, „de put", Shemesh-Atum,
en Anakhertu. Dit laatste is het Anacharath van Joz. XIX : 19,
dat tot den stam Issaschar behoorde.
Van ShemeshAtum hooren wij weder in een der inscripties
van Amenophis III. In het district van den Libanon was een
opstand uitgebroken, en de koning trok Kanaan binnen, om
dien te onderdrukken. De eerste stad, die de gevolgen van zijn
toorn te dragen had, was Shemesh-Atum, vanwaar hij achttien
gevangenen en dertien ossen medenam. De naam der stad toont
aan, dat zij was toegewijd aan den Zonnegod. In het hebreeuwsch
zou het zijn Shemesh-Edom, en een egyptische papyrus, die
nu te Leiden bewaard wordt, zegt ons, dat Atum of Edom de
vrouw was van Resheph, den kanaiinietiscben god van het
vuur en van den bliksem. In Shemesh-Atum of Shemesh-Edom
hebben wij dus een gemengden naam, die zeggen wil, dat de
Shemesh of Zonnegod, die erdoor wordt aangeduid, niet de
mannelijke godheid van den gewonen eeredienst was, maar de
Zon-godin Edom. In den tijd der Israëlieten schijnt het tweede
gedeelte van den naam, Atum of Edom, weggevallen te zijn;
in allen gevalle is het waarschijnlijk, dat Shemesh-Atum het
Oud-testamentische Beth-Semes was (Joz. XIX: 22), hetwelk
tegelijk met Anacharath vermeld wordt als behoorende tot
Issaschar.
Op Anacharath volgen twee onbekende Ophrahs; dan Khasbu
en Tasult, in de brieven van Tel el-Amarna Khasabu en Tu-
sulti genaamd; voorts Xegebu, misschien het Nekeb van Gralilea
(Jos. XIX: 33), Ashushkhen, Anam, en Yurza. Yurza is nu
vertegenwoordigd door de ruïnen van Yerza, ten zuid-oosten
van Ta\'anach, en in de verzameling van Tel el-Amarna zijn
er brieven van den gouverneur dier stad. Op dezen naam vol-
gen die van Makhsa, Yapu of Joppe, en „het land Gantu" of
Gath. Vervolgens krijgen wij Luthen of Ruthen, dat mogelijk
Lydda is, Ono, Apuqen, Suka of Socho, en Yahem. Onder de
-ocr page 195-
172
dan volgende namen lezen wij die van een Migdol, van Sheb-
tuna, het tegenwoordige Shebtin, van Naun, dat ons herinnert
aan den naam van den vader van Jozua (Num. XIII: 16), en
van Haditha, nu Haditheh, vijf mijlen ten westen van Shebtin.
Zoo heeft de lijst ons gebracht aan den voet van het ge-
bergte van Efraïm, en het is dus niet vreemd, dat de volgende
naam die van den Har of „Berg" zelf is. Daarop volgt een
uiterst belangrijke naam, te weten Jozeph-el of „Jozef-god".
Het is moeilijk te verklaren, hoe de naam Jozef ten tijde van
Thothmes kon verbonden worden aan de bergachtige streek,
waar later „het huis van Jozef" zich vestigde; maar wij moeten
er aan herinneren, dat, zooals in een vroeger hoofdstuk is aan-
gewezen, volgens den Chroniekschrijver (1 Chron. VII: 21, 22),
reeds ten tijde van Efraïm zijne zonen gedood werden door de
mannen van Gath, „omdat zij afgekomen waren om hun vee
te nemen" ]).
Drie namen verderop ontmoeten wij eene andere samenstel-
ling met el, nml. Har-el, „de berg Gods". In Ezech. XLIII: 15
wordt Har-el gebezigd als aanduiding van het „altaar", dat
moest staan in den tempel op den berg Moria, en de berg
Moria zelf wordt in Genesis (XXII: 14) „de berg des Heeren"
genoemd. Het kan dus zijn, dat wij in het Har-el der egyp-
tische lijsten den naam hebben van den berg, waar later de
tempel van Salomo zou gebouwd worden. Hoe dat wezen mag,
de dan volgende namen doen zien, dat wij ons bevinden in de
buurt van Jeruzalem. Achtereenvolgens worden genoemd Lebau,
Na\'mana of Naüma (Joz. XV: 41), Meromim, „de hoogten",
\'Ani, „de twee bronnen", Rehob, Ekron, Hekalim, „de palei-
zen," Abel of „de weide" van Autar\'a, Gantau of „tuinen",
1) Mr. Pinohes deelt mij mede, dat hij op oude babylonisohe oon-
traot-tafeltjes uit den tijd van Kedor-Laomer de namen Yasupu of
Jozef-el en Yakub-ilu of Jaoob-el gevonden heeft. Deze ontdekking
is van groot belang, wanneer wij bedenken, dat Abraham uit Ur der
Chaldeën kwam, en zij is eeno nieuwe reden van dankbaarheid, die
de onderzoekers van den Bijbel aan Mr. Pinohes verschuldigd zijn.
Zie, voor nadere bijzonderheden, de Voorrede.
-ocr page 196-
173
Maqerput of „bouwland", en \'Aina of de „Bron" van Karmel,
wat overeenkomt met Gath-Karmel van de tafeltjes van Tel
el-Amarna, de Karmel van het Oude Testament. Verder krijgen
wij Beth-Ya, een naam, die ons herinnert aan dien van
„Bitja, de dochter van Pharao", die door Mered, den nakome-
ling van Kalei», tot vrouw genomen werd, en wier stiefzoon
Jered, „de vader van Gedor" was (1 Chron. IV: 18). Op Beth-
Ya volgt Tapun, dat door de Grieken versterkt werd na den
dood van Judas den Maccabeër (1 Macc. IX : 50), en dan het
Abel van Yertu of Yered, misschien het district der Jordaan,
en verder Halkal, en Jacob-el, een naam, op dezelfde wijze als
Jozef-el gevormd. Wij kunnen er uit zien, dat de herinnering aan
den aartsvader in het zuiden van Palestina bleef leven. De
twee daarop volgende namen zijn onbekend, maar daarop vol-
gen Rabatu of Babba in Juda, Magharatu, het Maarath van
Joz. XV : 59, \'Emequ, „de vallei" van Hebron, Sirta en Bartu,
het Bor has-Sirah, of „bornput van Sira" van 2 Sam. III: 26.
Dan volgt Beth-sa-el, de babylonische vorm van Beth-el; Beth-
Anta of Beth-Anoth (Joz. XV : 59), waar de babylonische godin
Anatu vereerd werd; Chelkath (2 Sam. II: 16); de Bron Qan\'am;
Gibea; Zela (Joz. XVÜI: 28), door Ebed-Tob van Jeruzalem
Zilu genaamd; en Zafta, het bijbelsche Zefat (Richt. 1: 17).
De laatste drie namen op de lijst — Barqna, Hum en Akto-
mes — hebben geen spoor nagelaten in de Schrift, evenmin
als in de klassieke literatuur.
De geografische lijsten van Thothmes DII dienden den lateren
Pharaos tot model. Ook zij versierden de muren hunner tem-
pels met de namen der plaatsen, die zij veroverd hadden in
Palestina, in Noord-Syrië, en in Soudan; en wanneer een groote
ruimte moest gevuld worden, vond de beeldhouwer er geen
bezwaar in, er ook de namen bij te zetten van vreemde steden,
die niet veroverd waren. De oudere lijsten werden overgewerkt,
en de namen, die daar gestaan hadden, eigende de latere koning
zich menigmaal toe, geheel verkeerd gespeld. Het toppunt van
zulke ijdele aanspraken op nooit behaalde overwinningen werd
bereikt te Kom Ombo, waar Ptolemeus Lathyrus, een vorst,
-ocr page 197-
174
die, in plaats van veroveringen te maken, verloor wat hij ge-
erfd had, vereerd wordt met de onderwerping van talrijke
volken en stammen, vele van welke, zooals b.v. de Hethieten,
al lang van het tooneel der geschiedenis verdwenen waren.
De laatste der Pharaos, wiens geografische lijst werkelijk zijne
veroveringen in Palestina aangeeft, was Sisak, de bestrijder
van Rehabeam, en grondvester der twee en twintigste dynastie.
De lijst der plaatsen, die gegrift is op de muren van het hei-
ligdom, dat hij bouwde te Karnak, is een zuivere en histo-
rische opgave.
Evenzoo is het met de lijsten, die gemaakt zijn door de on-
middellijk op Thothmes III volgende koningen : Amenöphis III,
van de achttiende, Seti I en Eamses II, van de negentiende,
en Ramses III, van de twintigste dynastie. Het is zoo, dat in
enkele gevallen de lijsten van den eenen Pharao letterlijk door
een anderen zijn nageschreven; maar het is óók waar, dat
déze Pharaos de landen, waarop de lijsten betrekking hebben,
inderdaad overwonnen en onderworpen hebben. Daarvan heb-
ben wij onwraakbare getuigenissen van elders. Er is een tijd
geweest, dat het mode was, de overwinningen, die aan Ramses
II in West-Azië werden toegeschreven, in twijfel te trekken.
Dat was de natuurlijke terugwerking tegenover de oudere
meening, die men van de grieksche schrijvers der oudheid had
overgenomen, dat Ramses II een wereldveroveraar geweest
was, die zijne overwinningen tot in Europa, zelfs tot de gren-
zen van den Kaukasus had uitgestrekt. Toen deze meening
haar grond verloor, volgde de tegenovergestelde meening,
namelijk dat hij in \'t geheel geen veroveraar geweest was.
Deze bewering werd gesteund door de verbazende ijdelheid
zijner inscripties, en ook doordat daarin geen enkele bijzonder-
heid van zijne latere Syrische oorlogen voorkomt.
Maar wij weten nu, dat men met dit oordeel wat al te
haastig geweest is. Het was daarmede evenals met de bewe-
ring, dat Kanaün door Thothmes Hl nooit tot eene egyptische
provincie gemaakt was; eerst het getuigenis van de tafeltjes
van Tel el-Amarna heeft die bewering kunnen te niet doen.
-ocr page 198-
175
Het is een feit, dat het egyptisch gezag over geheel Palestina,
zelfs aan den oostelijken oever der Jordaan, gedurende de
regeering van Ramses II wederom is gevestigd geworden, en
de veroveringen van den Pharao in Noord-Syrië waren werke-
lijkheid, en niet denkbeeldig. Dat is het resultaat geweest van
de ontdekkingen der laatste drie of vier jaren.
Wij hebben geen reden om te betwijfelen, dat ook de veld-
tochten van Ramses III in Azië historisch zijn. Het groote
bondgenootschap van noordsche barbaren en aziatische over-
weldigers, dat zich had uitgestort over Egypte, was gansch en
al te niet gedaan; het egyptisch leger was trotsch op zijn
overwinningen, en Syrië, overstroomd als het geworden was
door de vijanden uit het noorden, was niet in staat, aan een
nieuwen aanval het hoofd te bieden. Bovendien was het voor
de veiligheid van Egypte noodig, dat Ramses de verdelging
der belagers zijns rijks voltooide door den oorlog over te bren-
gen naar Azië. Maar het is opmerkelijk, dat de plaatsen, die
hij zegt veroverd te hebben, hetzij in Kanaan of verder noord-
waarts, gelegen waren aan twee heirwegen, en dat de namen
der groote, juist aan die heirwegen gelegen steden voor het
meerendeel ontbreken. De namen, die wel zijn opgegeven, zijn
echter feitelijk dezelfde als die reeds door Ramses II, en wel
in dezelfde volgorde, zijn opgesomd. Maar de door Ramses III
gegeven lijst kan niet zijn nageschreven van de oudere lijst
van Ramses II; wij hebben daarvoor voldoende reden. De
namen, zooals zij voorkomen op de lijst van laatstgenoemden,
zijn hier en daar verkeerd gespeld; er zijn letters weggelaten,
of verkeerde letters zijn er geschreven, terwijl diezelfde namen
op de lijsten van Ramses Hl volkomen juist geschreven zijn.
Seti I, de vader van Ramses II, schijnt te veel te doen ge-
had te hebben met zijne oorlogen in Noord-Syrië en met het
beveiligen van den weg langs de Middellandsche Zee, om te
beproeven, Palestina te heroveren. Te Qurnah echter vinden
wij onder de namen der door hem veroverde steden die van
\'Aka of Acre, Zamith, Pella, Beth-el (Beth-sha-il), Inuam,
Kimham (Jer. XLI: 17), Kamdu, Tyrus, Usu, Beth-Anath en
-ocr page 199-
176
Karmel, maar van een bezetten van Zuid-Kanaan is daar geen
spoor. Dit schijnt eerst later begonnen te zijn, met den aan-
vang der regeering zijns zoons.
Op de muren van het Ramesseum te Thebe komen afbeel-
dingen voor van de bestorming en inname der palestij nsche
steden. De meeste dier afbeeldingen zijn nu grootendeels ver-
gaan, maar wij kunnen nog de namen herkennen van Askelon,
van Salem of Jeruzalem, van Beth-Anath en Qarbu[tu], van
Dapul in het land der Amorieten, van Merom, van Damascus,
en van Inuam. Elders wordt ook melding gemaakt van Yurza
en Socho, terwijl er te Karnak twee geografische lijsten zijn,
die de richting aangeven van den weg, die door de troepen
van Eamses II gevolgd is. De eerste lijst bevat de volgende
namen: het district Salem; het district Rethpana; het land
der Jordaan; Khilz; Karhu ; Uru; Abel; Karmel; het boven-
district Tabara of Debir; Shimshon; en Erez Hadashta, „het
nieuwe land." Op de tweede lijst lezen wij: Rosh Kades, of
het Karmel-gebergte; Inzat; Maghar; Rehuza; Saabata; (xaza;
het district Sala\'; het district Zasr; Jacob-el; en het land
Akrith, het Ugarit van de tafeltjes van Tel el-Amarna.
Wij hebben reeds gezien, dat Jeruzalem lang vóór den tijd
van Ramses Dl eene belangrijke stad en vesting was, de hoofd-
stad van een gebied van eenigen omvang, dat bekend was
als Uru-Salim, „de stad van den god des vredes". „De stad
Salem" werd als vanzelf verkort tot het enkele „Salem";
en zoo komt het, dat in Gen. XIV, evenals in de inscripties
van Ramses II en Ramses UI, sprake is alleen van Salem.
De naam Rethpana, die dan volgt, is op de lijst van Ramses
II foutief geschreven, en zijn juisten vorm moeten wij opmaken uit
de lijst van Ramses III. Deze deelt bovendien mede, dat Rethpana
een meer was, en, daar deze naam staat tusschen die van Jeruza-
lem en van de Jordaan, moet de Doode Zee er meê bedoeld zijn ]).
1) Voor \'t geen in het oorspronkelijke hierover verder gezegd wordt,
maar wat ik heb laten wegvallen, mag ik terugwijzen naar blz. 6.
Vert.
-ocr page 200-
177
Khilz, de vierde naam op de lijst, is waarschijnlijk het baby-
Ionische Khalzu, of „vesting". Zeker was het de eerste stad
aan de oostzijde der Jordaan, en zij zal dus wel gediend heb-
ben ter bescherming van het veer over deze rivier. Karhu
is het Korkha van den Steen van Mesa, misschien het tegen-
woordige Kerak, dat ten tijde van Achab de hoofdstad van
Moab was, en Uru is de babylonische vorm van „Ar (stad)
der Moabieten", waarvan wij lezen in het boek Numeri
(XXI: 28). Het land „Moab" zelf is een der landen, die Ram-
ses zegt onderworpen te hebben. Karmel, waarvan sprake is
op de lijst, is Karmel in Juda, niet het meer bekende Karmel
aan de kust. Tabara of Debir zal zijn die oude zetel van ka-
naanietische geleerdheid en letterkunde, die in het Oude Testa-
ment Kirjath-Sepher en Debir heet, welks ligging helaas! nog
steeds niet bekend is. Maar het moet gelegen hebben tusschen
Karmel en Shimshon, „de stad van den zonnegod", waarschijn-
lijk hetzelfde als het bijbelsche lr-Semes (Joz. XIX : 41). Erez
Hadashta, „het nieuwe land", heet in het boek Jozua Hadasa
(XV: 37), waar het wordt opgenoemd onder de bezittingen
van Juda.
De tweede lijst brengt ons, in plaats van door Juda en
Moab, langs de kust zuidwaarts van het gebergte Karmel.
Maghar wordt door Ramses III „de bron van de Maghar"
genoemd, en is de Magoras of rivier van Beyrout der klassieke
literatuur. Deze rivier ontleende haar naam aan de maghdrat
of „holen", waar zij doorheen loopt, en waarvan wij reeds
gehoord hebben in de Reizen van een Mohar. De twee vol-
gende namen, die van plaatsen aan de kust ten noorden van
Gaza, zijn geheel onbekend; maar Sala\', door Ramses III Se-
lakh geschreven (naar een origineel in spijkerschrift), is mis-
schien de bergstad Sela van 2 Kon. XIV: 7, die ons beter
bekend is als Petra. Over Jacob-el hebben wij vroeger reeds
gesproken.
Ramses III heeft zijne overwinningen aan de vergetelheid
ontrukt in den nu tot een bouwval geworden tempel te Medi-
net Habu, waar hij de namen der door hem overwonnen vol-
12
-ocr page 201-
178
ken en steden heeft laten opschrijven. Uit de namen dier
steden knnnen wij opmaken, dat zijne legers getrokken zijn
langs de wegen, die reeds door Ramses II gevolgd waren;
dat zij door het zuiden van Palestina in Moab gevallen zijn,
en hun weg genomen hebben langs de zeekust tot in Noord-
Syrië. Wij lezen achtereenvolgens de namen Hir-nam, of Har-
nam, in de Reizen van een Mohar Har-Nammata genaamd;
Lebanoth; Beth-Anath, (Jos. XV : 59) en Qarbutu; Karmim,
„de wijnbergen", en Shabuduna of Shebtfn; Mashabir(?), He-
bron en zijn \'En of „Bron"; het „district Libnah"; \'Aphekah
en \'Abakhi (Joz. XV : 53); Migdal, zonder twijfel het Migdal-
Gad van Joz. XV : 37; Qarzak; Karmel in Juda, en het boven-
district van Debir; Shimshon en Erez Hadasth; het district
Salem of Jeruzalem, en het „Meer Rethpana"; de Jordaan;
Khilz, de vesting; Korkha en Uru. Een tweede lijst geeft de
richting aan van den tocht langs de kust der Middellandsche
Zee. Eerst krijgen wij \'Akata, misschien Jokteël in Juda
(Joz. XV : 38), dan Karka en [Zidi] puth, Abel en het district
Sela\'; het district Zasr en Jacob-el; Rehuza, Saaba en Gaza,
Rosh-Kadesh, Inzath en de „Bron", Lui-el, dat ook gelezen
kan worden als Levi-el, Bur, „de Waterbak"; Kamdu; „Qubur
de groote"; Iha, Tur, en eindelijk Sannur, het Saniru der
assyrische teksten, het Senir van het Oude Testament (Deut.
III: 9). Dit brengt ons naar den berg Hermon en het land
der Amorieten, zoodat het niet vreemd is, dat wij na twee
verdere namen dien van Hamath ontmoeten.
Met betrekking tot deze lijsten is één bijzonderheid zeer
merkwaardig, namelijk, dat er geen enkele der groote phoe-
nicische kuststeden in vermeld is. Acre, Ekdippa, Tyrus, Sidon
en Beyrout worden allen met stilzwijgen voorbijgegaan. Zelfs
Joppe wordt niet genoemd. Na Gaza komen enkel en alleen
beschrijvende benamingen, zooals „de Bron" en „de Water-
bak", of de namen van overigens onbekende dorpen. Met
Kamdu in Coelo-Syrië begint een nieuwe lijst van steden-
namen.
Het is duidelijk, dat de noordelijke veldtocht van den Pha-
-ocr page 202-
179
rao niet veel meer dan een strooptocht was. Er werd geen
poging gedaan om de steden der kust in te nemen, en er de
egyptische macht weder te vestigen. Het egyptisch leger trok
er eenvoudig langs, zonder te beproeven, zich ervan meester
te maken. Wellicht hadden de Philistijnen zich reeds gevestigd
aan de kust, en waren zij te sterk gebleken om zich met hen
te bemoeien; misschien ook werkte de egyptische vloot samen
met het landleger, en bedoelde Eamses niets anders dan zijn
krijgsmacht te voeren naar een of ander punt aan de kust
van Noord-Syrië, vanwaar de schepen haar desnoods naar Egypte
konden terug brengen. Wat ook de reden moge geweest zijn,
het blijft een feit, dat van de steden der kanaanietische kust
alleen Gaza den Pharao in handen viel. Alleen in het zuider-
deel, dat niet lang daarna het gebied van Juda werd, gelukte
het hem door te dringen en de groote steden in te nemen.
Met de lijsten van Ramses III is onze kennis van de aard-
rijkskunde van Palestina ten tijde der aartsvaders ten einde
gebracht. Voortaan hebben wij te doen met Kanaan uit den
tijd der verovering van dat land door de Israëlieten en hunner
vestiging aldaar. De berichten van het Oude Testament be-
vatten een veel rijker voorraad van geografische namen, dan
wij ooit kunnen hopen, uit de egyptische gedenkstukken te
verzamelen. Maar deze laatste doen ons toch zien, in hoe geringe
mate de plaatsnamen van het land door de israëlietische verovering
veranderd zijn geworden. Enkele steden, zooals Kirjath-Sepher,
kregen een anderen naam, maar over \'t geheel bleven de steden, en
zelfs de dorpen, onder hun oude namen voortbestaan. Wanneer
wij de namen der steden en dorpen van Juda, die in het boek
Jozua worden opgesomd, vergelijken met de geografische lijsten
van een Thothmes of een Ramses, dan worden wij getroffen
door de overeenkomst tusschen beide. Dat in beide b. v. een
naam als Hadasa, „het Nieuwe (Land)", voorkomt, kan niet
toevallig zijn. Het is een bewijs te meer voor de oudheid van
het boek Jozua, althans zeker voor de oudheid der bronnen
waaruit het zijn stof geput heeft. De aardrijkskunde geeft in
allen gevalle geen steun aan de theorie, die in dat boek een
-ocr page 203-
180
maaksel van lateren datum ziet. Zelfs de voornaamste steden
der israëlietische periode zijn dat voor het meerendeel reeds
in de vroegere periode van Palestina. De toekomstige hoofd-
stad van "Pavid, hij voorbeeld, heette reeds lang vóór de
geboorte van Mozes Jeruzalem, en nam reeds toen eene eerste
plaats in onder de koninkrijken van Kanaiin.
-ocr page 204-
HOOFDSTUK VI.
Kanaiinietische beschaving en godsdienst.
Uit de jaarboeken van Thothmes III hebben wij reeds ver-
nomen, welk een hoogen trap de beschaving bereikt had in
den kring der handelsvorsten van Kanaan ten tijde der acht-
tiende egyptische dynastie. Kunstig bewerkte gouden en zilve-
ren vazen, prachtig bronswerk, voorwerpen gesneden uit ebben-
en cederhout, en ingelegd met ivoor en kostbare steenen —■
ziedaar het een en ander van hetgeen vervaardigd werd in
Palestina. IJzer werd gehaald uit de heuvelen van het land,
en men smeedde er wapenrustingen, wagens, en oorlogstuig
van, terwijl aan de kust bontgekleurd glazen vaatwerk ver-
vaardigd werd. De barnsteen-koralen vonden te Lachis een
middelpunt voor den handel met de verre Oostzee, en het is
mogelijk, dat er ten slotte waarheid is in het oude geloof dat
de Phoeniciërs hun tin kregen van de Brittannische eilanden.
De mijnen van Cyprus leverden wel koper in overvloed, maar,
zoover wij weten, waren er slechts twee deelen van de wereld,
vanwaar de volken van West-Azië en van het oostelijk deel
der Middellandsche Zee het tin konden krijgen, dat in zoo
groote hoeveelheid noodig was in het Bronzen Tijdperk: te
weten het Maleische Schiereiland en Cornwallis. Het Maleische
Schiereiland kan niet in aanmerking komen, want er is niet
het minste spoor van eenig handelsverkeer met het zoo ver
-ocr page 205-
182
verwijderde Oosten; en wij schijnen dus Cornwallis te moeten
beschouwen als de bron van het tin. Is dat juist, dan zal dit
handels-artikel waarschijnlijk over land vervoerd zijn, evenals
het barnsteen uit de Oostzee.
Kanaan was door de natuur aangewezen als een land van
kooplieden. Zijn lange kustlijn strekte zich uit tegenover de
half-barbaarsche volken van Klein-Azië, van de Aegeïsche Zee,
en van de noordkust van Afrika, terwijl de zee het voorzag
van de kleurstof der purperslak. Het land zelf vormde den
verkeersweg en de schakel tusschen de groote koninkrijken
van den Euphraat en den Nijl. Daar ook was het, dat de be-
schaving van Babylonië en die van Egypte elkander ontmoet-
ten en aan elkaar sloten, en het lag voor de hand dat de
Kanaünieten, die al de energie en handigheid van een handels-
volk bezaten, een deel zoowel van de egyptische als van de
babylonische beschaving zich zouden eigen maken en die ver-
schillende bestanddeelen met elkander verbinden. Behalve deze
verbinding was er in de kanaanietische kunst weinig oorspron-
kelijks, maar als eenmaal de bouwstof gegeven was, wist de
bevolking van Palestina er gebruik van te maken voor nieuwe
en sierlijke vormen, en haar kunstvaardigheid op praktische
wijze in overeenstemming te brengen met de behoeften van
het buitenland.
Wilden wij laten zien, welke verandering die aanraking van
Kanaan met de van elders aangebrachte beschaving daar heeft
te weeg gebracht, dan zouden wij ons moeten wenden tot de
ruwe figuren, die gesneden zijn op de rotsen van enkele dalen
van Phoenicië. Bij voorbeeld dicht bij Tyrus, in de Wadi el-
Qana, kan men nog enkele van die primitieve afbeeldingen
zien, waarin nauwelijks de vorm van een mensch te herkennen
is. Even slecht gevormd zijn de zegels en cylinders, die men
heeft nagebootst naar de babylonische. Op het eerste gezicht
schijnt het onmogelijk, dat zulke zonderlinge en kinderachtige
aanvangselen zich kunnen ontwikkeld hebben tot de hoogte
der uitnemende kunst uit den tijd van Thothmes III.
In dezen tijd echter had Kanaan reeds een lang verleden
-ocr page 206-
183
van beschaving achter zich. Het land was vol van scholen en
boekerijen, bezat prachtige paleizen, en vele werkplaatsen der
kunstenaren. De kuststeden hadden hare vloten, deels voor den
handel, deels voor den oorlog, en een levendige handel werd
gedreven met alle deelen der bekende wereld. Het gevolg
daarvan was, dat Palestina een verbazenden rijkdom bezat;
de door Thothmes weggehaalde buit kan het voldoende be-
wijzen. Behalve de natuurlijke voortbrengselen van het land —
koorn, wijn en olie, of ook de slaven die het te leveren had —
werden onmetelijke hoeveelheden goud, zilver en kostbaar ge-
steente, soms in ruwen toestand, soms ook kunstig bewerkt,
uitgevoerd naar Egypte. En al was de uitvoer ook nog zoo
groot, toch schijnt de voorraad nimmer te zijn uitgeput ge-
weest.
De wederkeerige invloed der beschaving van Kanaan en
Egypte in de dagen, toen Kanaan eene egyptische provincie
was, spiegelt zich af in de talen der beide landen. Ter ééner
zijde ontleende de Kanaaniet aan Egypte woorden als tebah
„ark", hin „een maat" en ebyön „arm", terwijl Kanaan op
zijne beurt den taalschat zijner veroveraars niet weinig ver-
rijkte. Zooals de Reizen van een Mohar ons hebben doen zien,
bestond er onder de negentiende dynastie een groote voorliefde
voor het gebruik van kanaanietische woorden en spreekwij-
zen, op dezelfde wijze als men bij ons te lande dikwerf
gaarne fransche woorden gebruikt. Maar reeds vóór de op-
komst der negentiende dynastie was het egyptische woor-
denboek vol van semietische woorden. Zeer dikwijls wer-
den er voorwerpen door aangeduid, die uit Syrië waren inge-
voerd. Zoo werd b.v. een „rijtuig" een merkabut genoemd, ter-
wijl een „wagen" agolta heette; hurpu, „een zwaard", was
het kanaanietische khereb, op dezelfde wijze als aspata, „een
pijlkoker", ashpah was. Het kanaanietische kinnor, „een lier",
was in het Egyptisch geheel hetzelfde woord geworden, en
dat was ook het geval met eenige soorten van „syiïsch brood."
De egyptische woorden voor „wierook" (qadaruta), „ossen"
(abiri), en „zee" (ywn) waren aan de dezelfde bron ontleend,
-ocr page 207-
184
hoewel het mogelijk is, dat het laatstgenoemde woord, evenals
qamhu, „tarwe", uit Syrië is ingevoerd in den vroegsten tijd
van Egypte\'s geschiedenis. Zooals licht te begrijpen is, hebben
ook verschillende soorten van zeeschepen hun oorspronkelijke
namen medegebracht van de phoenicische kust. Reeds ten tijde
der dertiende dynastie werden de grootere schepen Kabanitu,
„Gehalieters", genoemd; wij lezen ook van „booten", die Zo
heetten, het kanaiinietische Zi, terwijl een transportschip be-
titeld werd qauil, het phoenicische gol. Diezelfde naam werd
in het Grieksch ingevoerd als gaulos, en dit beteekende „een
phoenicisch schip van een rond-oploopenden vorm."
De taal van Kanaan was feitelijk die, welke wij Hebreeuwsch
noemen.
Van „de sprake Kanaans" gewaagt Jesaia (XIX: 18) als
van Hebreeuwsch, en de zoogenaamde phoenicische inscripties,
die nog zijn bewaard gebleven, doen ons zien, dat het onder-
scheid tusschen die beide talen nauwlijks merkbaar is. Toch
waren er enkele punten van verschil; het hebreeuwsche be-
palend lidwoord b.v. wordt niet aangetroffen in de phoenicische
teksten. Maar het verschil betreft enkel de uitspraak, evenals
dat hetwelk, naar gebleken is door de ontdekking van den
Steen van Mesa, tusschen de taal van Moab en die van Israël
bestond.
Hoe de Israëlieten er toe gekomen zijn „de taal van Ka-
naiin" aan te nemen, dat is een vraag waarmede wij ons hier
niet kunnen inlaten. Er zijn meer voorbeelden van, dat de
veroveraars van een land de taal hunner voorvaderen hebben
laten varen, en die van het overwonnen volk hebben aange-
nomen. En eensdeels moet er ook aan herinnerd worden, dat
de voorvaderen van Israël gewoond hadden in Kanaan, waar
zij de landstaal natuurlijk geleerd hebben, en anderdeels, dat
hun oorspronkelijke taal zelf een vorm van het Semietisch
was, even na aan het Hebreeuwsch verwant als het Fransch
of het Spaansch aan het Italiaansch.
De tafeltjes van Tel el-Amarna hebben ons het een en
ander geleerd van de taal van Kanaün zooals die gesproken
-ocr page 208-
185
werd vóórdat de Israëlieten in het land kwamen. Enkele van
de brieven, die gezonden waren uit Palestina, bevatten kana-
anietische woorden, die in beteekenis geheel overeenkomen
met gelijkluidende babylonische woorden, die er in voorkomen.
Evenals deze, zijn zij geschreven in spijkerschrift-vorm, en,
aangezien elke figuur van het spijkerschrift een lettergreep en
niet maar een letter beteekent, weten wij nauwkeurig, hoe
de woorden werden uitgesproken. Dit voordeel missen wij in
het phoenicische alphabet, zoowel in de inscripties van Phoe-
nicië als op de bladzijden van het Oude Testament; en wij
kunnen ons dus beter een denkbeeld vormen van de uitspraak
der kanaanietische taal in de eeuw vóór den Uittocht, dan
van die der hebreeuwsche taal in den tijd van Hizkia.
Onder de woorden, die ons zijn overgeleverd door de brief-
wisseling van den Pharao, komen voor: maqani, „vee", anay,
„een schip", sust, „een paard", waarmede, ook in beteekenis,
overeenkomen de hebreeuwsche woorden miqneh, oni, en sAs.
De koning van Jeruzalem zegt anuki, „Ik", d. i. het he-
breeuwsche anochi, terwijl badiu, het hebreeuwsche b\'yado,
en akharunu, het hebreeuwsche akharono, beteekenen „in zijne
hand", en „na hem." „Stof" is ghaparn, in welk woord de
keel-letter gh \'t zelfde is als de kanaanietische ayyin (\');
„buik" (of maag) is batnu, het hebreeuwsche beten. Op een
andere plaats vinden wij rusu, het hebreeuwsche rosh, „een
hoofd", har, „een berg", samama, „hemel", en mima, „water",
in het hebreeuwsch shdmayim en mayim, dat, zooals wij kun-
nen opmaken uit de schrijfwijze van het spijkerschrift, door
de Masoreten verkeerd gepunctueerd is, evenals het geval is
met khaya, „levend", het hebreeuwsche khai, en vuetmakhzü,
„zij hebben hem verslagen", het hebreeuwsche makhatzu.
Het was hoofdzakelijk het bepalend lidwoord Aa(«), waar-
door het Hebreeuwsch en het Phoenicisch of Kanaanietisch
zich van elkander onderscheidden. En wij bezitten eene merk-
waardige aanduiding op de tafeltjes van Tel el-Amarna, dat
ditzelfde onderscheid bestond tusschen de taal der Kanaünieten
en die der Edomieten, die zoo na verwant waren aan de Isra-
-ocr page 209-
186
elieten, zooals wij vernemen uit het Oude Testament. In den
brief aan den Pharao, waarin melding gemaakt wordt van de
vijandelijkheden van Edom tegen het egyptisch gebied, heet
één der edomietische steden Khinianabi. Overgeschreven in
hebreeuwsohe letters zou dat zijn \'En-han-nabi, „de Bron van
den profeet". Hier dus komt het hebreeuwsche lidwoord (han)
te voorschijn, en wel bepaaldelijk in den vorm, dien het heeft
in de taal van Israël. Dit is eene merkwaardige toelichting
van het feit, dat Jacob en Ezau broeders waren.
Heeft de taal van Egypte invloed gehad op die van Kanaan,
des te meer was dat nog het geval met die van Babylonië.
Lang voordat Palestina eene egyptische provincie werd, was
het een provincie van Babylonië geweest. En zelfs toen het
feitelijk nog niet onder bahyIonisch bestuur stond, werd het
toch reeds beheerscht door de beschaving van Babylonië. Oor-
log en handel samen drongen de chaldeeuwsche beschaving op
aan „het land der Amorieten", en de Kanaanieten verzuimden
niet, er hun voordeel mede te doen. Het baby Ionisch spijker-
schrift werd overgenomen, en tevens werd daarmede de taal
van Babylonië onderwezen en aangeleerd in de scholen en
boekerijen, die werden opgericht en aangelegd in navolging
van die der Babyloniërs. Babylonische letterkunde werd inge-
voerd in het Westen, en de kanaanietische jeugd werd bekend
met de geschiedenis en legenden, met de goden- en fabelleer
der bevolking van het land van Euphraat en Tigris.
Deze aanrakingen hebben natuurlijk de sporen nagelaten
van den invloed, dien zij hadden op de taal van Eanaan.
"Woorden, die de Semieten van Babylonië overgenomen hadden
van de oudere sumerische bevolking des lands, werden wederom
overgeleverd aan de volken van Palestina. De „stad" was eene
sumerische schepping geweest; zoolang de Semiet niet gekomen
was onder den invloed der sumerische beschaving, had hij
zich tevreden gesteld met het wonen in tenten. In het baby-
lonisch of assyrisch — de taal der semietische bewoners van
Babylonië en Assyrië — werd dan ook het woord, dat „tent"
beteekende, aangenomen om het denkbeeld van een „stad" uit
-ocr page 210-
187
te drukken, nadat de tent was ingeruild voor het stads-leven.
In Kanaan daarentegen werd het sumerische woord zelf aan-
genomen in een semietischen vorm. \'ƒ/*, \'ar, of uru, „stad",
was oorspronkelijk het sumerische eri.
Ook het kanaanietische hêkdl, „een paleis", kwam uit sume-
rische bron, namelijk <"-yal, d. i. „groot huis". Maar het woord
was door de semiotische Babyloniërs naar het Westen geko-
men, die \'t eerst het samengestelde woord hadden overgenomen
in den vorm i\'kallu. Het paleis was, evenals de stad, bij de
eenvoudige semiotische nomaden niet bekend. Beide behoorden
tot de beschaving, waarvoor de Sumeriërs van Chaldea, met
hun samenkoppelende taal, de wegbereiders waren.
Het was evenwel niet uitsluitend aan ééne zijde, dat woor-
den werden overgenomen. Palestina heeft van zijn kant ook
weer de baby Ionische taal verrijkt met een aantal woorden, al
schijnt het ook, dat deze hun weg niet schijnen gevonden te
hebben in de volkstaal. Zoo vinden wij op de tafeltjes van
Babylonië en Assyrië, die dienst deden als woordenboeken,
woorden als bin-bini, „kleinzoon", en mu, „wijn". Zonder twij-
fel waren er aan de oevers van den Euphraat schrijvers, die
even gaarne als de egyptische schrijvers uit den tijd der negen-
tiende dynastie hunne kennis van de taal van Kanaan lucht-
ten, hoewel hun letterkundige werken nog niet ontdekt zijn.
Het aannemen van de babylonische schrijfwijze moet aan-
merkelijk van invloed geweest zijn op de kanaanietische taal,
in zooverre namelijk als deze daardoor gekleurd werd met
babylonische woorden. In den tijd der tafeltjes van Tel el-
Amarna is er geen spoor van het gebruik van eenige andere
schrijfwijze in het Westen. Het moge zoo zijn, dat de brieven,
die uit Palestina aan den Pharao gezonden zijn, geschreven
waren in de babylonische taal en met babylonisch schrift,
maar er zijn bewijzen, dat het spijkerschrift öök gebruikt werd
voor de oorspronkelijke taal des lands. De Heer de Clercq
bezit twee zegelcylinders uit denzelfden tijd als de briefwisse-
ling van Tel el-Amarna, en op één dier cylinders staat deze
inscriptie in spij kerschrift: „Hadad-sum, de burger van Sidon,
-ocr page 211-
188
de kroon der goden\'\', terwijl op den anderen staat: „Anniy, de
zono van Hadad-sum, de burger van Sidon." Op de eerste is
Hadad-sum voorgesteld staande met opgeheven handen voor
den egyptischen god Set, terwijl achter hem de god Resheph
staat met een helm op het hoofd, een schild in de ééne, en
een strijdbijl in de andere hand. Op het zegel van Anniy
komen Set en Resheph wederom voor, maar in plaats van den
eigenaar van den cylinder staat daar de god Horus tnsschen
hen in.
Wij weten niet, wanneer het spijkerschrift, dat alleen letter-
grepen afbeeldde, in Palestina vervangen werd door het zoo-
genaamde phoenicische alphabet. Waarschijnlijk werd dit nieuwe
schrift ingevoerd ten gevolge van den inval der Hethieten,
waardoor de Semieten van het Westen gescheiden werden van
die van het Oosten. Doordat de Hethieten bezit namen van
Karchemis, werd de heirweg voor den handel der Babyloniërs
naar de Middellandsche Zee versperd, en toen de heilige stad
Kades aan den Orontes den Hethieten in handen viel, kon het
niet anders of Kanaan moest allengs meer onder den invloed
van dezen dan onder dien der Babyloniërs komen. Hoe dat
wezen mag, de onderstelling ligt voor de hand, dat de schrij-
vers uit Zebulon, over wie gesproken wordt in het lied van
Debora en Barak (Richt V : 14), de letters van het phoenicische
alphabet, en niet het babylonische spijkerschrift gebruikt hebben.
Zoolang de oudere boekerijen, met haar grooten letterkundigen
voorraad in spijkerschrift, geopend en toegankelijk bleven, zullen
er natuurlijk wel enkelen geweest zijn, die het konden lezen ;
maar wij hebben daarbij eer te denken aan de oudere inwo-
ners des lands, dan aan de vreemde veroveraars uit de woestijn.
Toen de inscripties werden aangebracht op den Moabietischen
Steen, moet, zooals duidelijk blijkt uit den vorm der letters,
het phoenicisch alphabet reeds lang in gebruik zijn geweest
in het koninkrijk van Mesa. De gelijkenis, die deze letters
hebben met die der oudste grieksche inscripties, maakt het
eveneens duidelijk, dat de invoering van het alphabet op de
eilanden der Aegeïsche Zee moet hebben plaats gehad in een
-ocr page 212-
189
tijd die niet verre afligt van dien van den Steen der Moabieten.
Maar in die invoering ligt mede opgesloten, dat het nieuwe
alphabet onder de kooplieden van Kanaan reeds burgerrecht
gekregen, en het moeilijk lettergrepen-schrift van Chaldea ver-
drongen had. Door middel van dat alphabet hielden Hiram en
Salomo briefwisseling met elkander, en het is waarschijnlijk,
dat ook Mozes daarvan gebruik heeft gemaakt. Wij mogen
zelfs de gissing wagen, dat de vestiging der Israëlieten in
Palestina dit land met het „phoenicische" alphabet begif-
tigd heeft.
Zooals wij reeds gezien hebben, maakten de Kanaanieten
zich alras de eerste beginselen der babylonische kunst eigen.
De zegel-cylinders werden nagemaakt, in het eerst nog zeer
onbeholpen, en babylonische voorbeelden van ornamentatie,
zooals de rozet, de heilige boom, en de gevleugelde cherub,
werden overgenomen en op eigenaardige wijze nader uitge-
werkt. Na verloop van tijd werd door verbinding van deze
babylonische met de egyptische kunst een nieuwe soort van orna-
menteerkunst in het aanzijn geroepen.
Maar het was inzonderheid op het gebied van den godsdienst,
dat de invloed van Babylonië zich \'t sterkst heeft doen gelden.
De godsdienst, met name in de oude wereld, was steeds onaf-
scheidelijk verbonden aan de beschaving van een volk; het
was onmogelijk, den godsdienst van een land aan te nemen
zonder tegelijk de beschaving ervan aan te nemen. Bovendien
behoorden de Semieten van Babylonië en van Kanaan tot het-
zelfde ras, en dat bracht vanzelf zekere gemeenschap van
godsdienstige denkbeelden meê. Bij beiden was het hoogste
voorwerp van vereering Baal of Bel, „de heer", en deze was
niets anders dan de Zonnegod onder verschillende namen. Elke
plaats had haar eigen bijzonderen Baal; er waren feitelijk
evenveel Baals of Baalim als er namen of eigenschappen waren
voor den Zonnegod, en voor de vereerders van den Baal was
hij op elke plaats, waar zijn eeredienst bestond, de opperste
god. Maar de god geleek op zijn vereerder, die gemaakt was
naar zijn beeld; hij was de vader en het hoofd van een gezin,
-ocr page 213-
190
met een vrouw en een zoon. De vrouw was wel is waar
slechts de kleurlooze afspiegeling van den god, en menigmaal
metterdaad slechts de vrouwelijke Baalah, die, naar den eisch
der semietische talen met haar vrouwelij ken geslachtsvorm,
bestaan moest nevens den mannelijken Baal; maar dit was
geheel in overeenstemming met de semietische beschouwing
van de vrouw als de mindere man, meer zijn slavin dan zijne
gezellin, meer zijn schaduw dan zijn hulpe.
Het bestaan van eene onafhankelijke godin, ongehuwd, en in
het bezit van al de eigenschappen van den god, was in strijd met
de begrippen van den Semiet. Niettemin vinden wij in Kanaan
niet alleen een Baiil, maar ook eene Astoreth, die de Grieken
Astartê noemden. De spijkerschrift-inscripties hebben ons een
verklaring van dat feit gegeven.
Astoreth kwam uit Babylonië. Daar was zij bekend als Istar,
de avondster. Zij was één dier sumerische godinnen geweest
die, in overeenstemming met het sumerische stelsel, hetwelk
de moeder plaatste aan het hoofd van het gezin, op gelijken
voet met de goden stonden. Zij lag buiten den kring der
semietische godenleer, volgens welke de mannelijke Baal het
eenig hoofd was der godenfamilie; zoodat zij de hooge plaats,
die zij innam in den lateren babylonischen godsdienst, te dan-
ken had aan de samensmelting van sumerische en semietische
geloofsvormen, gelijk die plaats had toen de Semieten het voor-
naamste bestanddeel der bevolking in Babylonië werden. Maar
de sumerische invloeden en herinneringen waren te sterk om
eenige verandering toe te laten hetzij in den naam hetzij in
de eigenschappen der godin. Zij bleef Istar, zonder eenig vrouwe-
lijk toevoegsel, en het werd nimmer vergeten, dat zij de avond-
ster was.
Anders was het in het Westen. Daar werd Istar Astoreth
met den vrouwelijken uitgang, en zij ging later over in een
Maangodin „met wassende horens." Astoreth-Karnaim, „Asto-
reth met de twee horens", bestond reeds ten tijde van Abra-
liam. In Babylonië was de Maangod van het oud sumerisch
geloof nimmer onttroond geworden; maar er was geen Maan-
-ocr page 214-
191
god in Kanaan, en dientengevolge was de verandering van de
babylonische godin in „de koningin van den nacht" zeer ge-
makkelijk.
Eenmaal in Palestina thuis gebracht met een naam, die op
zoodanige wijze veranderd was, dat haar vrouwelijk wezen er
in uitkwam, verloor Astoreth welhaast hare onafhankelijkheid.
Evenals er Baalim of „Baals" waren nevens Baal, waren er
Astaroth of „Astoreths" nevens Astoreth.
De Semieten van Babylonië zelf hadden reeds een aanvang
gemaakt met de verandering. Ook zij spraken van Istarüt of
„Istars", en gebruikten dat woord in den algemeenen zin van
„godinnen." In Kanaan evenwel had Astaroth niet zulke al-
gemeene beteekenis, maar duidde die benaming eenvoudig de
verschillende Astoreths aan, die op verschillende plaatsen en
onder verschillende titels vereerd werden. De Astoreth van
Grebal was onderscheiden van de Astoreth van Basan, al ver-
tegenwoordigden beiden dezelfde godheid.
Het is waar, dat juist in het Westen Istar niet altijd de
vrouwelijke tegenhanger van Baal werd. Hier en daar bleef
de oude vorm van den naam behouden, zonder eenigen vrouwe-
lijken uitgang eraan toegevoegd. Maar wanneer dat het geval
was, dan had het ook vanzelf ten gevolge, dat het vrouwe-
lijk karakter der godheid vergeten werd. Istar werd beschouwd
als een god, en zoo wordt dan ook op den Steen der Moabieten
Astar vereenzelvigd met Kanioz, den beschermgod van Mesa,
op dezelfde wijze als ook Atthar in Zuid-Arabië een manne-
lijke godheid is.
De vereering van Astoreth nam die van de andere godinnen
van Kanaan in zich op. Onder deze was er ééne, die weleer
eene zeer hooge plaats had ingenomen. Het was Ashêrah, de
godin der vruchtbaarheid; op de tafeltjes van Tel el-Amarna
heet zij Asirtu en Asrata. Ashêrah werd zinnebeeldig voorge-
steld als een boomstam zonder takken, of als een rechtop-
staande kegel, vastgezet in den grond, en somwijlen werden
het zinnebeeld en de godin met elkander verward. Het zinne-
beeld van Ashêrah, dat dikwijls naast het altaar van Baal
-ocr page 215-
192
stond, is in onze Statenvertaling verkeerdelijk vertaald door
„bosch"]). Op zeer oude zegels vinden wij het op bovenge-
noemde wijze voorgesteld. In Palestina was het doorgaans een
houten zinnebeeld; maar in den grooten tempel te Paphos
op Cyprus was er een van steen, en wel van zeer oude dagteeke-
ning en van bijzondere heiligheid. Maar de Ashêrah werd eene
Astoreth, toen deze laatste de oudere Ashêrah verdrong.
De egyptische gedenkteekenen brengen ons met nog andere
kanaanietische godheden in kennis. Wij noemden reeds de
godin Edom, de vrouw van Eesheph. Haar naam komt voor
in dien van den Grethiet Obed-Edom, „de dienaar van Edom,"
in wiens huis de ark des Heeren drie maanden bleef (2 Sam.
VI: 10, 11). Ook over Eesheph spraken wij vroeger als den
god van het vuur en van den bliksem. Op de egyptische mo-
numenten wordt hij voorgesteld gewapend met speer en helm,
en hij wordt daar betiteld als „groote god" en „heer des
hemels." Nevens hem vinden wij afbeeldingen van zekere
godin Kedesh of Kesh. Zij staat op den rug van een leeuw,
met bloemen in haar linker-, en een slang in haar rechterhand,
terwijl op haar hoofd de maanschijf voorkomt tusschen de
horens eener koe. Zij kan de godin Edom zijn; misschien ook
is zij de zonnegodheid, die in Babylonië A betiteld werd, en
wier naam een deel vormt van dien van een koning der Edo-
mieten, A-rammu, van wien Sanherib melding maakt.
Maar een aanmerkelijk aantal der godheden van Palestina
was, evenals Istar, aan Babylonië ontleend. Op de tafeltjes van
Tel el-Amarna wordt de god van Jeruzalem vereenzelvigd met
den krijgshaftigen babylonischen Zonnegod Nin-ip, en verder
noordwaarts, in Phoenicië, was er een heiligdom van dien-
zelfden god. Onder de godheden, die oorspronkelijk thuis be-
hoorden aan de oevers van den Euphraat, waren Anu en Anat
en Rimmon de voornaamsten. Anu, wiens naam in het He-
1) Ashêrah is altoos vertaald als »bosch", evenals in den engelschen
Bybel: »grove". Zie b.v. Richt. 111:7; 2 Kon. XIII: 4, 6, 7; en vele
malen elders.
           Vert.
-ocr page 216-
193
breeuwsch Anah geschreven wordt, was de god van den hemel,
en hij stond aan het hoofd der babylonische godenreeks. Zijn
vrouw Anat was niets anders dan zijn kleurlooze weerschijn,
een schepping der semietische talen. Maar zij deelde in de ver-
eering, die haren man bewezen werd, en zijne goddelijkheid
straalde op haar af. Anat werd, evenals Astoreth, onder allerlei
vormen vermenigvuldigd, en de Anathoth of „Anat" beteeken-
den niet veel meer dan „godinnen". Het verschil tusschen de
Astaroth en de Anathoth bestond alleen in den naam.
De talrijke plaatsen in Palestina, die genoemd zijn naar den
god Eimmon, zijn een bewijs van zijne populariteit. De baby-
Ionische Bimmon of Ramman was eigenlijk de god der lucht,
maar in het Westen was hij dezelfde als de Zonnegod Hadad,
en een plaats bij Megiddo droeg den samengestelden naam
Hadad-Rimmon (Zach. XD : 11). Het schijnt, dat zijn vereering
in Kanaiin van zeer oude tijden dagteekent; althans in het
Sumerisch heette hij Martu, „de Amoriet", en zegelcylinders
spreken van „de Martu-goden." Eén van dezen heeft men in
den Libanon gevonden. De assyrische tafeltjes zeggen ons, dat
hij in het Westen ook bekend was als Dadu, en onder dezen
vorm treffen wij hem aan in namen als El-dad en Be-dad, of
Ben-dad.
Evenals Rimmon, moet ook Nebo reeds in overoude tijden
naar Palestina zijn overgebracht. Nebo, „de profeet", was de
tolk van Bel-Merodach van Babyion, de beschermheer van de
spijkerschrift-letterkunde, en de god, aan wien de groote tem-
pel van Borsippa (het tegenwoordige Birs-i-Nimrud) gewijd
was. Als zeker mag worden aangenomen, dat hij tegelijk met
de letterkunde, waaraan zijn naam als beschermheer verbon-
den was, naar het Westen gekomen is. Hier kan men zijn
naam en dienst herkennen in meerdere plaatsnamen. Mozes
stierf op den berg Nebo, en Nehemia (VII: 33) spreekt van
eene stad genaamd, „het andere Nebo."
Een andere god, dien de bevolking van Kanaan uit Baby-
lonië gekregen had, was Malik, „de koning", de oorspronkelijke
titel van Baal. Wij kennen Malik uit het Oude Testament
13
-ocr page 217-
194
beter als Moloch, aan wien de eerstgeborenen geofferd werden
in het vuur. Te Tyrus heette die god Melech-kirjath, d. i. „ko-
ning der stad", welke benaming samengetrokken werd tot
Melkarth, en in den mond der Grieken Makar werd. Er is
een plaats in Amos (V: 25, 26), waarover de assyrisch" teks-
ten een licht hebben doen opgaan. Wij lezen daar: „Hebt gij
mij veertig jaren in de woestijn slachtofferen en spijsoffer toe-
gebracht, o huis Israëls? Ja, gij droegt de tent van uwen
Melech1), en den Kijün, uwe beelden, de ster uws gods, dien
gij uzelven hadt gemaakt". Sikkuth en Kijün zijn de baby-
Ionische Sakkut en Kaivan, welke laatste naam aan de planeet
Saturnus gegeven werd. Sakkut was een titel van den god
Nin-ip, en uit Amos kunnen wij opmaken, dat hij ook Malik,
„den koning", vertegenwoordigde. Zelem, „het beeld", was
eene andere babylonische godheid, en stelde oorspronkelijk
„het beeld" der zon of de zonneschijf voor. Zijn naam en dienst
werden overgebracht naar Noord-Arabië, en te Teima, het
Thema van Jesaia XXI: 14, is een gedenkteeken ontdekt, dat
aan hem is toegewijd. Uit hetgeen Amos zegt, schijnt te blijken,
dat de babylonische god in „de woestijn" is aangebeden nog
in de dagen, toen de Israëlieten daar rondzwierven. Dit is
trouwens niet vreemd, want de babylonische invloed heeft zich
in het Westen doen gelden reeds lang vóór den tijd van den
Uittocht, en zelfs de berg, waar God sprak tot den hebreeuw-
schen wetgever, was Sinai, de berg van Sin. De dienst van
Sin, den babylonischen Maangod, moet derhalve zijn weg ge-
vonden hebben tot in de woestijnen van Arabië. Inscripties
uit Zuid-Arabië hebben ons reeds doen zien, dat Sin ook daar
bekend was en vereerd werd.
Een andere god, die oorspronkelijk in Babylonië thuis be-
hoorde, was Dagon. De naam is oorspronkelijk sumerisch, en
werd verbonden met Anu, den god des hemels. Evenals Sin,
schijnt hij te Haran te zijn vereerd geworden; ten minste
1) In het Hebreeuwsoh staat er: »gij droegt Sikkuth uwen Melech,
en Kyün uwe Zelem".
                                                    Vert.
-ocr page 218-
195
Sargon vermeldt, dat hij de wetten dier stad schreef „over-
eenkomstig den wensch van Anu en Dagon". Tegelijk met
Ann zal hij naar Kanaiin gebracht zijn, en hoewel wij zijn
naam in het Oude Testament voor het eerst ontmoeten in
verband met de Philistijnen, is het toch zeker, dat hij reeds
een der godheden van Kanaiin was, toen de Philistijnen dit
land bemachtigden. Een der kanaiinietische landvoogden, die
voorkomt op de tafeltjes van Tel el-Amarna, draagt den as-
syrischen naam Dagon-takala, „wij vertrouwen op Dagon".
De Phoeniciërs maakten hem tot den god van het koorn, ten-
gevolge van de gelijkenis van zijn naam met het woord, dat
„koorn" beteekent; maar oorspronkelijk zal hij een god van
de aarde geweest zijn. De meening, dat hij een vischgod was,
is van later datum dan waarvan de Bijbel spreekt, en is ont-
staan uit eene verkeerde afleiding, welke zijn naam in verband
bracht met het hebreeuwsche dag, „een visch". De babylo-
nische vischgod, wiens beeltenis op enkele zegels wordt aan-
getroffen, was een vorm van Ea, den god der diepte, en had
met Dagon niets te maken.
Behalve de genoemden, waren er zonder twijfel nog andere
godheden, die de volken van Kanaiin aan de Babyloniërs ont-
leend hadden. Waarschijnlijk is het juist gezien van Mr.
Tomkins, dat in den naam van Beth-lehem eene herinnering
zit aan den babylonischen god Lakhmu, die deelnam aan de
schepping der wereld, en die door een later filosofeerend ge-
slacht vereenzelvigd werd met Anu. Doch de godenleer van
het oude Kanaiin is nog weinig bekend, en de godengalerij van
dat land is nog voor het grootste gedeelte een verzegeld boek.
Nu en dan ontmoeten wij er iets van in een of anderen papyrus
of in een inscriptie op steen, waardoor wij voor \'t eerst kennis
krijgen van den naam eener overigens onbekende godheid. Wie
is b.v. de godin Ashiti-Khaur, die op een egyptisch gedenk-
teeken, dat zich nu te Weenen bevindt, nevens Kedesh be-
titeld wordt als „de meesteres des hemels" en „bestuurder van
al de goden"? De gelofte-altaren van Carthago maken bij her-
haling melding van de godin Tanit, de Peni of het „Aange-
-ocr page 219-
196
zicht" van Baal, die door de Grieken vereenzelvigd werd met
Artemis. Zij moet zijn bekend geweest in het moederland
Phoenicië, en toch is daar tot nog toe geen spoor van hare
vereering gevonden. In het oudste Palestina waren „vele goden
en vele heeren", en hoewel zij, naar eene zeer verklaarbare
meening, allen werden samengenomen als de Baals en Astha-
roth, hadden ze toch ieder een afzonderlijken naam en titel,
en ook hun eigen altaren en priesters.
Maar al waren er talrijke altaren, de tempels waren zeld-
zaam. De voornaamste zetels van den eeredienst waren „de
hoogten", vlakke plaatsen op de heuvel- of bergtoppen, waar
altaren waren opgericht, en waar men meende dichter bij de
woonplaats der goden te zijn dan in de vlakte beneden. Het
altaar was menigmaal een rotsklomp, die, gewijd door heilige
olie, beschouwd werd als de woonplaats eener godheid. Die
heilige steenen werden beth-els genaamd, baetyli, zooals de
Grieken het woord schreven, en zij zijn een onderscheidend
kenmerk van het semietisch geloof. In later tijden werden vele
van die steenen beschouwd als „uit den hemel gevallen" te
zijn. Deze steendienst was zóó diep geworteld in de semie-
tische geaardheid, dat zelfs Mohammed, in weerwil van zijn
afkeer van beeldendienst, genoodzaakt was, zijn godsdienst te
verbinden met de vereering van den Zwarten Steen te Mekka,
en de Kaaba is dan ook nog altoos een der meest vereerde
voorwerpen van het mohammedaansch geloof.
Maar de heilige steen was niet enkel een voorwerp van
vereering of het geheiligd altaar eener godheid — hij kon ook
de plaats van een tempel innemen, en alzoo inderdaad een
beth-el zijn, een „huis Gods". Zoo heeft Mr. Doughty te Medain
Salih in Noordwest-Arabië drie rechtopstaande steenen ontdekt,
die volgens eene inscriptie de mesged of „moskee\'\' van den god
Aera van Bozrah waren. In den grooten tempel van Melkarth
te Tyrus zag Herodotus twee pilaren, de eene van goud, de
andere van smaragd, die ons herinneren aan de twee pilaren
Jachin en Boaz, die door den phoenicischen bouwmeester van
Salomo werden opgericht in „het voorhuis" des tempels te
-ocr page 220-
197
Jeruzalem (1 Kon. VII: 21). Dergelijke steenen pilaren zijn
gevonden in den phoenicischen tempel te Gozo, de tempel der
Keuzen genaamd; één dier pilaren staat nog overeind.
Terwijl zekere steenen aldus beschouwd werden als de woning
eener godheid, werden ook de hoogten zelve, waarop zij zich
bevonden, plaatsen van godsdienstige vereering. De voornaamste
bergen van Syrië werden vergoddelijkt; de Karmel werd een
Penu-el of „Aangezicht Gods"; de Hennon was „de Heilige",
en de berg Libanon was een Baiil. Ook rivieren en bronnen
werden als goden aangebeden, en de visschen, die er in zwom-
men, werden voor heilig gehouden Aan de phoenicische kust
was een rivier Kadisha, „de heilige", en de kanaiinietische
maagd zag in de roode klei-aarde, die de rivier Adonis van
de heuvelen wegspoelde en medevoerde naar beneden, het bloed
van den gedooden Zonnegod Tammuz.
De tempel van Salomo, gebouwd als hij was door phoeni-
cische bouwmeesters en werklieden, kan ons er eenig denkbeeld
van geven, waarop een kanaiinietische tempel geleek. In zijn
hoofdomtrekken geleek hij op een tempel in Babylonië of
Assyrië. Ook daar was een voorhof en een binnenste heiligdom,
met een parakku of „verzoendeksel" en met een steenen of
houten ark, waarin een steenen tafel met inscripties bewaard
werd. Evenals de tempel te Jeruzalem, had de babylonische
tempel uiterlijk ongeveer het aanzien van een langwerpig vier-
kant, met zijne vier, van geen enkele versiering voorziene
muren zich ten hemel verheffend. In het opene voorhof stond
een „zee", soms gedragen door ossen van brons, waar de
priesters en de dienaren van den tempel hunne wasschingen
verrichtten, en waar de heilige vaten gereinigd werden.
Het kanaiinietische altaar bereikte men door middel van
trappen, en het was groot genoeg dat er een os op kon geofferd
worden. Behalve slachtoffers bracht men den goden ook offeran-
den van koorn en wijn, van vruchten en olie. Er waren twee
soorten van zulke offers, het zau\'at of zond-offer, en het shelem
of dank-offer. Het zond-offer moest in zijn geheel aan den god
gegeven worden, en heette daarom kalil of „geheel"; daaren-
-ocr page 221-
1JW
tegen mocht een gedeelte van het dank-offer door den offeraar
worden medegenomen. Ook vogels konden een dank-offer zijn,
maar geen zond-offer. Dit was ten minste de regel in de latere
tijden van den phoenicischen eeredienst, waartoe de offer-
tarieven behooren, die zijn bewaard gebleven.
In deze offer-tarieven wordt geen melding gemaakt van
menschen-offers, en, zooals Mr. Clermont-Ganneau heeft aange-
wezen, neemt de ram er de plaats in van den menseh. Maar
dit was het gevolg van de zachtere zeden van een tijd, toen
de Phoeniciërs in nauwe aanraking met de G-rieken gekomen
waren. In de vroegere dagen der kanaanietische geschiedenis
bekleedde het menschen-offer een voorname plaats in den sy-
rischen eeredienst. In tijden van gevaar en beroering, of ook
wanneer de naastbestaanden eene bepaalde zonde moesten boeten,
werd de eerstgeboren zoon als offer geëischt. Het offer werd
verbrand, en dit werd in de hebreeuwsche taal met eene ver-
zachtende spreekwijze beschreven als „door het vuur gaan".
Aan deze menschen-offers paarden zich de gruwelen, die be-
dreven werden in de tempels ter eere van Asthoreth. Vrouwen
gaven zich daar over in ontucht, en mannen, die zich „hon-
den" noemden, verlaagden zich tot het allerschandelijkste. Het
waren deze gemeenheden, in naam van den godsdienst be-
dreven, die maakten dat de ongerechtigheid der Kanaiinieten
vol werd.
Met meer genoegen vestigt men de aandacht op hetgeen van
de kanaanietische godenleer en bespiegelingen over het ont-
staan der wereld in brokstukken tot ons gekomen is. Ongeluk-
kigerwijze behoort het grootste gedeelte daarvan in zijn tegen-
woordigen vorm tot den jongeren tijd der grieksche en romeinsche
overheersching, toen men getracht heeft, de afzonderlijke legenden
der verschillende phoenicische staten saam te smelten tot een
goed sluitend geheel, en ze den griekschen lezers aan te bieden
in een wijsgeerig kleed. Daardoor is het onmogelijk te bepalen,
in hoeverre de door Philo van Grebal vermelde geschiedenis
der goden en van het ontstaan der wereld werkelijk af komstig
is uit de aartsvaderlijke periode van Palestina, en in hoeverre
-ocr page 222-
199
daarin latere toevoegselen zijn. Over \'t geheel echter is zij van
ouden datum. Dit blijkt uit het feit, dat een groot gedeelte
ervan rechtstreeks of zijdelings ontleend is aan Babylonië. Hoe
dit kan geschied zijn, is verklaard door de tafeltjes van Tel
el-Amarna. Het was in den tijd toen Kanaiin onder den invloed
stond van babylonische beschaving en babylonisch bestuur, dat
de mythen en overleveringen van Babylonië haar weg vonden
naar het "Westen. Onder de tafeltjes bevinden zich gedeelten
van babylonische legenden, waarvan er één met zorg is opge-
teckend door den egyptischen of kanaiinietischen schrijver.
Het is de geschiedenis van de koningin der onderwereld, die
door de goden genoodigd was tot een feest in de hemelen. De
godin, aan de uitnoodiging geen gevolg kunnende of willende
geven, zond haren knecht, den pest-demon, maar met geen
ander gevolg dan dat Nergal werd afgevaardigd om naar de
onderwereld te gaan en zijne meesteres te dooden. De veertien
poorten der onderwereld, elk met een wachter, werden voor
hem geopend, en eindelijk greep hij de koningin bij de haren,
smeet haar op den grond, en dreigde haar het hoofd af te
snijden. Maar Eris-kigal, de koningin, smeekte om genade,
met dit gelukkig gevolg, dat zij de vrouw van Nergal, en dat
deze de heer der graven werd.
Eene andere legende had de strekking, eene verklaring te
geven van het ontstaan van den dood. Adapa of Adama, de
eerste mensch, die geschapen was door Ea, was eens bezig met
visschen in de diepe zee, toen hij de vleugels brak van den
zuidewind. De zuidewind spoedde zich naar den hemel, om
zich te beklagen bij Anu, en Anu beval den schuldige, voor
hem te verschijnen. Maar Adapa werd door Ea onderricht,
wat hij doen moest, Gehuld in een morgengewaad, stal hij de
harten van de twee wachters aan de hemelpoort, de goden
Tammuz en Gis-zida („de welbewaakte post"), zoodat zij voor
hem pleitten bij Anu. Spijs en water werden hem aangeboden,
maar hij weigerde die uit vrees dat het de spijs en het water
des doods zou kunnen zijn. Alleen olie nam hij aan, om zich te
zalven, en voor zijn kleeding. Toen zag Anu naar hem, en ver-
-ocr page 223-
200
hief klagend zijn stem, zeggende: „O, Adapa! waarom eet gij
niet, waarom drinkt gij niet ? De gave des levens kan de uwe
niet zijn." Alhoewel het aan „een zondig mensch" was ver-
gund geworden, „de binnenste deelen van hemel en aarde te
aanschouwen," had hij de spijs en het water des levens ver-
worpen, en nu was voortaan de dood het lot der menschen.
Het is merkwaardig, dat het begin van deze legende, waar-
van het laatste gedeelte gevonden is te Tel el-Amarna, vele
jaren geleden gevonden is onder de overblijfselen der boekerij
van Nineve, vanwaar het is overgebracht naar het Britsch
Museum. Maar de aard en strekking ervan bleven onverklaard,
totdat het laatste gedeelte ontdekt was. Het afschrift, dat voor
de boekerij van Nineve gemaakt werd, was een late uitgave
van den tekst, die achthonderd jaar vroeger uit Babylonië
gekomen was naar de oevers van den Nijl, en dit is bij ver-
nieuwing een zeer sterk getuigenis voor het feit, dat Palestina
in de aartsvaderlijke periode eene habylonische beschaving en
letterkunde bezat.
Wij behoeven er ons dus niet over te verwonderen, dat de
legenden van het ontstaan der wereld en de godsdienstige mee-
ningen van Phoenicië over \'t geheel naar Babylonië wijzen.
De waterachtige chaos, waaruit de wereld geschapen werd; de
goden-regeeringen, waarbij het eene paar goden voortkwam
uit een ander en ouder paar; de overwinning van Kronos over
den draak Ophioneus — dit alles wijst op een babylonischen
oorsprong. Maar veel gewichtiger dan deze weerklanken der
babylonische godenleer in die van Phoenicië, is de nauwe
verwantschap, die bestaat tusschen de overleveringen van
Babylonië en de eerste Hoofdstukken van Genesis. Zooals
tegenwoordig met nauwkeurigheid bekend is, komt het baby-
Ionisch verhaal van den zondvloed zelfs in bijzonderheden
overeen met het bijbelsch verhaal, met dit onderscheid evenwel,
dat het veelgodendom van Chaldea in den Bijbel vervangen
is door een wezenlijk monotheïsme, terwijl er ook enkele trekken
in voorkomen (zooals b.v. de vervanging van het babylonische
„schip" door een „ark"), die doen zien, dat het verhaal naar
-ocr page 224-
201
Palestina is overgebracht. Eveneens is ook de geschiedenis van
den Toren van Babel, wat haar oorsprong betreft, babylonisch,
terwijl twee van de rivieren van Eden de Tigris en de Euphraat
zijn, en Eden zelf het Edin of de „Vlakte" van Babylonië is.
Niet zoo heel lang geleden was het nog mode te zeggen,
dat zulk samentreffen van de babylonische en hebreeuwsche
letterkunde enkel en alleen het gevolg kon zijn van het lang-
durig verblijf der Joden in Babel gedurende de zeventig jaren
der ballingschap. Thans weten wij echter, dat de overleve-
ringen en legenden van Babylonië in Kanaan reeds bekend
waren voordat de Israëlieten in het Beloofde Land gekomen
waren. De hebreeuwsche schrijver moest, om ze te leeren
kennen, naar Chaldea gaan; toen Mozes geboren werd, waren
■zij zoowel in Palestina als aan de oevers van den Nijl reeds
in omloop. De babylonische kleur van de eerste Hoofdstukken
van Genesis is juist datgene wat de oudheidkunde ons zou
hebben doen verwachten voor het geval dat de Pentateuch
geweest ware. uit den tijd waarop hij aanspraak maakt.
Werkelijk zijn er hier en daar gedeelten, die uit dien tijd
moeten zijn, en uit geen anderen. Als in het tiende Hoofdstuk
van Genesis Kanaan genoemd wordt als de broeder van Cusch
en Mizraïm, d, i. van Ethiopië en Egypte, worden wij in eens
teruggevoerd naar de dagen, toen Palestina eene egyptische
provincie was. Die opgaaf kan op geen anderen tijd zien.
Geografisch lag Kanaan buiten den zuidelijken aardgordel,
waartoe Ethiopië en Egypte behoorden; maar alleen gedurende
de tijden der achttiende en negentiende dynastie waren die
drie landen allen een gedeelte van een en hetzelfde rijk. Met
den val van dat rijk zou die opgave niet juist meer, en zelfs
niet begrijpelijk meer geweest zijn. Na den tijd der israëlietische
verovering waren Kanaan en Egypte van elkander gescheiden,
om niet weer vereenigd te worden, uitgenomen een korte wijle
tegen het einde der joodsche monarchie. Palestina behoorde
voortaan tot Azië, en niet tot Afrika, dat wil zeggen, tot de
middelste aardstreek,. die aan de zonen van Sem was overgelaten.
In hetzelfde Hoofdstuk van Genesis komt nog een ander
-ocr page 225-
202
gedeelte voor, dat ons terugvoert naar den aartsvaderlijken
tijd van Palestina. Het is dat gedeelte, waarin melding ge-
maakt wordt van Nimrod, den zoon van Cuseh, het beginsel
van wiens rijk was Babel en Erech en Accad en Calne in het
land Sinear, en die in het Westen een zöö bekende figuur was»
dat het daar spreekwoordelijk geworden was te zeggen: een
geweldig jager als Nimrod. Hier worden wij wederom terug-
gevoerd naar een tijd, toen de kassieten-koningen van Babylonië
over Kanaan regeerden, of hunne legers daarheen voerden, en
toen de Babyloniërs de Kassieten of zonen van Cusch genaamd
werden, zooals dat het geval is op de tafeltjes van Tel el-Amarna.
Nimrod zelf kan de Kassietenvorst Nazi-Murudas zijn. De
spijkerschrift-teksten van dien tijd doen ons zien, dat de namen
der Kassieten-koningen op zonderlinge wijze door hun onder-
danen werden afgekort; dit was zelfs in Babylonië het geval,
terwijl b.v. Kasbe en Sagarta-Suria geschreven werd in plaats
van Kasbeias en Sagarakti-Suryas, welke laatste naam zelfs
als Sakti-Surias voorkomt, terwijl Nazi-Murudas wordt aan-
getroffen als Nazi-Battas. Evenzoo nemen Duri-galzu en Kuri-
galzu de plaats in van Dur-Kurigalzi. Daarom kan Nazi-Murudas,
bepaaldelijk in het verre Kanaan, zeer goed algemeen bekend
zijn geweest als Na-Muruda.
Wij kunnen ook ongeveer bepalen, tot welken tijd Nimrod
moet behoord hebben. Wij vernemen immers, dat uit dit konink-
rijk „Assyrië is uitgegaan, en heeft gebouwd Nineve en Kalach"
(Gen. X : 11). De spijkerschrift-inscripties hebben ons doen weten,
wie Kalach gebouwd heeft. Het was Salmaneser I, die ook
de hersteller was van Nineve en hare tempels, en van wien
Sanherib opgeeft, dat hij zeshonderd jaren vóór hem geregeerd
heeft. Die tijd zou overeenkomen met de regeering van Bam-
ses II, den Pharao der Verdrukking, en tevens met den tijd
der geboorte van Mozes. Er wordt dus een periode door ver-
tegenwoordigd, toen de invloed van Babylonië nog niet uit
Kanaan verdwenen was, en toen er nog gemeenschap bestond
tusschen het Oosten en het Westen. Eamses beweert, dat hij
Assyrië en Sinear overwonnen heeft, en hoewel het door hem
-ocr page 226-
203
bedoelde Sinear niet Chaldea, maar het Sinear van Mesopo-
tamië was, het lag toch binnen de grenzen van het babylonisch
bestuur. De regeering van Ramses II is de periode, die wij,
althans naar hetgeen wij tot dusverre weten, kunnen beschou-
wen als de laatste, waarin de oude invloed van Babylonië in
Kanaün nog voortduurde, en tevens is het de periode, waartoe,
volgens de traditioneele kerkleer, de schrijver van den Penta-
teuch hehoorde. Zoo is derhalve de stem der oudheidkunde in
overeenstemming met die van het gezag der overlevering, en
bewijst de echte wetenschap ook in dit opzicht hare diensten
aan de Algemeene Christelijke Kerk.