-ocr page 1-
I DE SCHARE. I
MAM GÜY PEARSE,
Schrijver van : „Gedachten over Heilkimaking" enz.
1 .. *\\• ■;■ h f. _____:____
\'4
\'I
1
! $■
I §
1 I
\'.
Vertaald naar de 6e Engelsche Uitgave
i
DOOR
CHRISTINE.
|
aft
v
~i
.\'
\'•
\'
AMSTERDAM.
.JACQUES DUSSEAU & Co. — Rokin 160.
il
vmmsmmmmmmm
r;x:,^\'ïVv\\ \\ v.x v-xs?
-ocr page 2-
8
$
GUNNING
3
M
, 31
J.HGüNNIN£J.H
VEf\\lTE.5üëFEün
W.w.UEL-blWMl
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
GUNNING Mi$
JEZUS CHRISTUS EN DE SCHARE
MARK GUY PEARSB,
Schrijver van: „Gedachten over Heiligmaking" enz.
Vertaald naar de 6e Engelsclic Uitgave
DOOR
CHRISTINE.
/cF-f
V
AMSTERDAM. - JACQUES DUSSEAU & Co.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
m
l
-ocr page 6-
Bij de uitgevers JACQUES DUSSEAU & 0°. te
Amsterdam, verschijnt mede:
MARK GUY PEARSE:
GEDACHTEN OVER HEILIGMAKING.
VERTAALD NAAR DE 60E ENGELSCHE UITGAVE
DOOR
Mevrouw DOEDES-CLABISSE.                   
.... Het is een aantrekkelijk geschrift. Niemand zal zich
beklagen het te hebben gekocht.
Pb. J. H. Gunning JHzn.)
.... Dit boek moet door alle christenen gelezen en her-
lezen worden. Wij wenschen het een rijken zegen toe.
(\'s Grav. Kerkbode.)
.... Het is een voortreffelijk geschrift.
(De Kerkelijke Courant.)
IN ENGELAND ZESTIGMAAL HERDRUKT.
Prijs f 1.25. Gebonden, verguld op snede .ƒ\' 1.75.
Alom -vei"ltrijgft>aar.
-ocr page 7-
Wat Jezus voor de schare deed en wat
Hij ons beveelt te doen.
Jtl.£ttNNIN£J.Hi
/i
£%&»&
;iUi\\
ïibi et f\\mic\\s>\\
\'ët-wm
_ü£RIT£5am5P£^R
m
W.
bDeNl
I
-ocr page 8-
.-
En Jezus, uitgaande, zag eeiie groote schare en werd
innerlijk met ontferming bewogen over hen: want zij waren
als schapen, die geenen herder hebben; en Hij begon hun
vele dingen te leeren.
En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen
Zijne discipelen tot Hem en zeiden: Deze plaats is woest,
en het is nu laat op den dag. Laat ze van U, opdat zij
heengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden
voor zichzelven mogen koopen: want zij hebben niet, wat
zij eten zullen.
Maar Hij, antwoordende, zeide: Geeft gij hun te eten. En
zij zeiden tot Hem: Zullen wij heengaan en koopen voor
tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?
En Hij zeide tot hen: Hoeveel brooden hebt gij ? gaat heen
en beziet het. En toen zij het vernomen hadden, zeiden zij:
Vijf, en twee visschen.
En Hij gebood hun, dat zij hen allen zouden doen neder-
zitten bij waardschappen, op het groene gras.
En zij zaten neder in gedeelten bij honderd te zamen en
bij vijftig te zamen.
En als Hij de vijf brooden en de twee visschen genomen
had, zag Hij op naar den hemel, zegende en brak de broo-
den, en gaf ze Zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden
voorleggen; en de twee visschen deelde Hij voor allen.
En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden.
En zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de
visschen.
Mark. VI: 34-43.
-ocr page 9-
EERSTE HOOFDSTUK.
WAT JEZUS VOOR DE SCHARE DEED EN WAT HIJ
ONS BEVEELT TE DOEN.
I. Ons werk.
Onze aandacht wordt hier allereerst bepaald
bij de teedere zorg van den Heer Jezus voor
Zijne discipelen. Hij en Zijne jongeren waren vermoeid
van den aanhoudenden arbeid, want er waren velen,
die kwamen en die gingen en zij hadden zelfs geen tijd
gehad om te eten. De Meester noodigt hen nu vrien-
delijk uit, zich een weinig met Hem af te zonderen
en wat uit te rusten. Voor ieder vermoeide zou dit
een heerlijk voorstel zijn geweest; voor ieder van
\'s Heeren discipelen was het een hemel van genot,
Hem eens alleen voor zich te hebben, zich rondom
Hem in eene stille plaats te mogen verzamelen, en
eens rustig met Hem te kunnen spreken over dui-
zend zaken, die zij Hem te zeggen hadden. Zoo gaan
zij op dezen zonnigen namiddag in het schip; de
1
-ocr page 10-
> ■••■\'■
2
Meester zet zich onder zijne jongeren neder, en de
roeiriemen brengen hen vlug naar eene kleine, half
verborgen baai, waar zij eens recht aangenaam van
hunne vrije oogenblikken hopen te genieten. Maar
hier en daar zijn zij door enkele personen opgemerkt
geworden. Men vertelt elkander, waarheen Jezus ge-
gaan is en de menschen verzamelen zich in menigte
aan het strand. Toen nu de Heer uit het schip ging,
drong zich de schare op Hem aan en vervlogen was
alle kans op rust en stilte. Voor de discipelen, ver-
moeid en hongerig als zij waren, was dit ongetwij-
feld eene groote teleurstelling; wij merken dit op
uit hun later verzoek om de schare weg te zenden.
Maar Jezus, de wachtende menigte ziende „ontving
se",
zegt Lukas. Eene andere vertaling bezigt een
woord, dat meer teederheid uitdrukt: „Hij verwel-
komde se",
als wilde men hierdoor zeggen, hoe onze
gezegende Meester in blik en woord toonde, dat Hij
zich verheugde hen te zien. Markus gaat nog verder
en deelt ons mede, dat Hij uitgaande en de groote
schare ziende „met ontferming over hen bewogen
werd."
Het woord ontferming toont aan, dat hij
met medelijden omtrent hen vervuld en zoo geheel
één met hen is, dat Hij hunne lasten draagt, hunne
vrees deelt en hunne verdrietelijkheden mede gevoelt.
Het Grieksche woord drukt nog meer uit. Het was
een medelijden, dat niet alleen Zijn gansche hart
vervulde, maar zich van Zijn geheelen persoon meester
maakte. Zulk medelijden wordt pijn. Met zulk har-
teleed werd Jezus vervuld over de schare, omdat
-ocr page 11-
8
zij waren als schapen, die geen herder hadden.
Iemands houding tegenover het volk duidt zijn chris-
tendom aan.
Sommigen vreezen het volk en weigeren
het ten. eenenmale alle vertrouwen. Anderen ver-
achten het volk, en wenschen er niet mede in aan-
raking te komen. "Weder anderen vleien het volk
en zoeken daardoor zich eene goede positie te ver-
werven en tot macht en aanzien te geraken. Jezus
Christus was met ontferming over hen bewogen.
Hij
leefde voor hen; Hij gaf zich geheel aan hen; Hij
predikte tot hen en richtte tot hen Zijne teederste
en meest vertroostende woorden. Hij deed wonderen
waardoor hunne ziekten werden genezen en hun
nood gelenigd. Uit hun midden vergaderde Hij Zijne
eerste discipelen en Zijne voornaamste apostelen.
En ten laatste, toen het noodig was, dat iemand voor
het volk stierf, gaf Hij zich voor hen over, Hij, de
Rechtvaardige, voor de onrechtvaardigen, opdat Hij
hen tot God mocht brengen. Wij kunnen er zeker
van zijn, dat er maar één christendom bestaat en
dat is de macht, die ons aan Jezus Christus gelijk
doet zijn. Daarom hij, die zich verre boven het volk
verheven gevoelt en hetzij met minachting hetzij
met vrees op het „gepeupel" nederziet, is geen christen.
Hoeveel een mensch waard is, onverschillig of hij
rijk of arm, hoog of laag in stand is, werd door den
Heer Jezus aangetoond, toen hij op Gods bestel voor
ieder mensch den dood smaakte. Jezus kwam uit
het volk, tot het volk, voor het volk.
En Rij begon hun vele dingen te leeren. Lukas voegt
-ocr page 12-
4
er bij, dat Hij tot hen sprak van het koninkrijk Gods.
Hij stelde hen allereerst het koninkrijk Gods voor
en zijne gerechtigheid. Eerst moesten zij de groote,
eeuwige waarheid leeren begrijpen, dat God bestaat;
dat Hij regeert;
dat wij in het koninkrijk Zijner liefde en genade
mogen ingaan en wonen als kinderen bij hun Vader ;
dat de wetten van Zijn koninkrijk heilig en gees-
telijk zijn, het hart met zijne roerselen oordeelende;
dat wij Zijn koninkrijk niet kunnen zien en nog
minder binnengaan, tenzij wij wederom geboren
worden;
dat wij niet alleen licht noodig hebben, maar leven,
nieuw leven; en
dat Christus gekomen is, om ons dit werkelijk
leven te doen deelachtig worden;
dat God in Christus de wereld met Zichzelven
verzoent.
Zoo leerde Hij hun vele dingen. Eerst en vooral
dit: de rechten van God, de bevelen Gods, de
zaligheid, die uit God is door Jezus Christus,
onzen Heer. Dit was voor Hem het voornaamste,
zonder dat Hij nu juist bij iedere ontmoeting met
het volk hiermede begon. Waar Jezus de schare
hongerig aantrof, kunnen wij er van verzekerd zijn,
dat Hij hen eerst gevoed zou hebben, ten einde hen
later te kunnen onderwijzen, en dat ook hier de
orde zou geweest zijn „eerst het natuurlijke daarna
het geestelijke."
De Heer Jezus schroomt niet om de menschen de
-ocr page 13-
5
verborgenheden van het koninkrijk Gods te open-
baren. Zijn godsdienst is geen spitsvondige theorie,
die alleen door de ontwikkelden kan worden ver-
staan ; het is eene werkelijkheid, die steun biedt aan
zoovele mannen en vrouwen, die met de nooden en
behoeften van dit aardsche leven hebben te kampen.
Zijn godsdienst is geen heerlijk genot, dat alleen
voor de rijken is weggelegd, geen indrukwekkende
tempeldienst, het is een leven waartoe de een-
voudigsten kunnen geraken, eene vreugde door de
armsten te genieten, een zegen waarin de minst
begaafden mogen deelen, eene rust voor de zwaar
beladenen, eene hoop voor de meest wanhopenden,
eene zaligheid voor den grootste der zondaren. Hij
leerde hun vele dingen.
Laat ons hierop vooral nadruk leggen; vermijden
wij het gevaar der eenzijdigheid, die het eene op den
voorgrond plaatst, terwijl zij het andere veronacht-
zaamt. God heeft ons twee handen gegeven, opdat
wij meer dan een ding tegelijk zouden kunnen vast-
houden. De godsdienst is niet alleen eene zaak van
gevoel, van zich gelukkig te gevoelen, gelijk som-
migen meenen, of van zich ellendig te gevoelen,
gelijk anderen schijnen te veronderstellen.
Tot woning behoeven de menschen iets meer dan
een schoon prieel, al ware het met de heerlijkste
rozen begroeid. Jona\'s wonderboom, met zijne ver-
kwikkende schaduw, staat zoolang het dag is en de
zuidenwind waait; maar met den nacht komt de
worm, en tegen den morgen de hevige oostenwind
-ocr page 14-
6
en ziet — de wuivende bladerdos van straks is ver-
dord. Het huis, waarin de Heer Zijn volk wildoen
wonen heeft fondamenten, stevige, duurzame fonda-
menten; en wanneer de wind blaast en de regen-
vlagen tegen het huis slaan, blijft het onwrikbaar
staan, want het is op de rots gegrond. "Wreed en
slecht is het, om het volle Evangelie Gods den men-
schen te onthouden, omdat men vreest, dat zij het
niet zullen verstaan. Vrees niet; geloof alleenlijk.
Even zeker als het licht geschikt is voor het oog
en het voedsel voor het lichaam en het geluid voor
het oor en de lucht voor de longen, even zeker is
Gods Evangelie geschikt voor het menschelijk hart.
Gij zoudt toch niet bevreesd zijn uwen kinderen
brood te geven, omdat zij geen scheikunde en natuur-
kunde bestudeerd hebben. Geef het ze gerust; zij
zullen zeer goed weten, wat zij er mede doen moeten.
Het Evangelie bekend te maken is genoeg; gij be-
hoeft het niet uit te leggen. Er is een geestelijk
instinct, dat het terstond zal vatten en het leven er
in zal vinden. Hierin ligt juist het bewijs van zijn
goddelijken oorsprong.
Hij leerde hun vele, vele dingen. Christus gaf hen
het Evangelie in al zijne verscheidenheid. Hij deed
het hen van alle zijden bezien. Het zou geen gunst
van den eigenaar van een aanzienlijk kasteel zijn,
indien hij de menschen uitnoodigde zijn slot te komen
zien en hen alleen de keukens en kelders toonde,
meenende, dat zij het andere toch niet zouden kun-
nen beoordeelen. Waarlijk; niemand zal de schoon-
-ocr page 15-
7
heid der bloemen meer naar waarde kunnen schat-
ten — laat ze door de broeikassen wandelen. Nie-
mand zal meer genieten van de schilderijen — open
de galerijen. Niemand zal meer genot scheppen in
de tuinen en het landschap. Hij leerde hun vele,
vele dingen. Voor de Farizeën had Jezus alleen de
vreeselijke eentonigheid van Zijne veroordeeling; maar
hoeveel verscheidenheid had Hij voor het volk! Welke
schoone gelijkenissen, welke vriendelijke uitnoodigin-
gen, welke heerlijke beloften! Zij, die thuis allerlei
gemakken hebben, mogen in eene vervelende predi-
king eene nieuwe opwekking komen zoeken: en boven-
dien hebben hunne banken zulke zachte kussens,
dat zij er gemakkelijk een slaapje in kunnen doen,
wanneer zij willen; maar laat ons G-od om genade
bidden, opdat wij het Evangelie in al zijne frissche
schoonheid aan de vermoeide mannen en vrouwen
der wereld mogen voorstellen — vroolijkheid, ver-
scheidenheid, vreugde moet hen daaruit te gemoet
stralen. Hij verwellcomde hen; hoe vermoeid Hij ook
ware, er was een glimlach op Zijn gelaat; Zijne
handen waren tot hen uitgestrekt, en zij gevoelden
zich reeds dadelijk verblijd, dat zij gekomen waren.
Vraag den Meester om den sleutel van het paradijs
en breng de menschen in Gods tuin. Zet geen bordjes
aan, dat zij niet op het gras mogen loopen, dat zij
geene bloemen mogen afplukken, en de vruchten
niet mogen aanraken. O neen, zeg hun, dat het
alles hun eigendom is — een paleis voor het volk, en
dat zij het in alle eeuwigheid mogen behouden, zoo
-ocr page 16-
.
8
Hij, die de Zaligmaker van het volk was, ook hun
, persoonlijke Heiland is. Hij leerde hun vele dingen.
Bit eerst. Maar wat nog meer?
Nu beginnen de discipelen zich ongerust te maken
over de schare, waarlijk zij zijn zeer bezorgd over hen.
De zon begint reeds te dalen, het avondkoeltje doet
zich gevoelen: en hier is dit groote gezelschap van
mannen, vrouwen en kinderen op grooten afstand
van huis en zonder eenigen leeftocht. Zij denken,
dat de Heer zoo vervuld is met het verkondigen
van Zijne groote geestelijke waarheden, dat Hij
deze aardsche aangelegenheden geheel over het hoofd
ziet. Hij is natuurlijk veel te veel met het hemel-
sche vervuld, om er aan te denken, dat de menschen
honger krijgen en dat het tijd is voor het avondeten."
Ten laatste wordt de bezorgdheid van de discipelen
zoo groot, dat zij het wagen hun Meester in de rede
te vallen. „Deze plaats is woest en het is nu laat
op den dag. Laat ze van u, opdat zij heengaan in
de omliggende dorpen en vlekken en brooden voor
zichzelven mogen koopen: want zij hebben niet, wat
zij eten zullen."
Deze plaats is woest. De gezegende Meester moet meer-
malen uit hun mond woorden vernomen hebben, die
Hem grootelijks verbaasden, maar nooit iets dat zoo
wonderlijk klonk als dit. „Deze plaats is woest!" — en
hier stond Hij, de Heer des oogstes, de Schepper van
het paradijs; Hij, die Zijne hand opent en in de be-
hoefte van ieder levend schepsel voorziet. Hoe konden
zij eene plaats woest noemen, wanneer Jezus daar was!
/
-ocr page 17-
9
Het is nu laat op den dag — alsof de Heer niet
wist, hoe laat het was! Waarlijk, Hij kende den tijd
beter dan zij, en wist dat het veel te laat voor de
menschen was, om heen te gaan, zonder eenig voed-
sel gebruikt te hebben.
Laat se van w. Hoe bedroefd moet de Heer geweest
zijn, toen Hij dit hoorde. Laat ze van u, omdat
hunne behoeften zoo groot en zoo vele zijn! „Laat
ze heengaan in de omliggende dorpen en vlekken
om brood voor zich zelven te koopen." De discipe-
len waren ook vermoeid en hongerig; hunne eigene
behoefte deed hen waarschijnlijk zoo haastig spreken.
Laat se van u. Zend hen heen. Het was niet de
eenige keer, dat zij zulk een liefdeloozen raad gaven.
Zij zeiden hetzelfde, toen de moeders hunne kindertjes
tot den Heer Jezus brachten, opdat Hij de handen
op hen zou leggen en hen zegenen. Zij zeiden het
ook, toen de arme moeder Hem kwam smeeken
voor hare zieke dochter. Indien ik den een of ande-
ren heilige moest uitkiezen, om mijn voorspraak
te zijn, zou ik het liefst een keus doen uit hen, die
het meest bij Jezus geweest waren en Hem het
best kenden. Maar dit „laat ze van u" schrikt mij
af. Ik ben daarom zeer blijde, dat ik mij tot den
Heer Zelven kan wenden. Ik ken Zijn woord: „Die
tot Mij komt, zal ik geenszins uitwerpen."
„Laat se van u, opdat sij in de omliggende dorpen
brood voor sichselven koopen.""
„Goed, maar wat moeten zij doen, die geen geld
hebben?"
-ocr page 18-
10
„Ja, daar kunnen wij ons natuurlijk niet mede
bemoeien."
„En als er nu eens geen brood te koop is, wat dan?"
„Dan moeten ze \'t maar zonder doen: onze zaak
is hen nu heen te laten gaan; verder moeten zij
voor zichzelven zorgen. "Wij moeten de verantwoor-
delijkheid niet op ons nemen, hen nog langer hier te
houden."
Zoo spraken de discipelen. Zoo spreekt de gemeente
nog. De discipelen van alle eeuwen zijn in deze zaak
zeer aan elkander gelijk geweest, en zeer ongelijk
aan den Heer Jezus. „Zend de menschen heen,"
zeggen wij. „De preek is gedaan; wij hebben hen
vele dingen geleerd; laat ons nu den zegen uit-
spreken — natuurlijk eerst collecteeren. Wat kan
iemand meer verlangen? "Wij hebben het geestelijke,
het voortreffelijke den menschen gegeven. Wij heb-
ben hunne zielen verkwikt. Laat hen nu naar huis
gaan, om hun avondeten te gebruiken en naar bed
te gaan."
en jezus zeide: „geeft gij hun te eten."
Nu waren de discipelen verwonderd, misschien
meer dan verwonderd, verontwaardigd. Zij vragen
min of meer beleedigd: „Zullen wij heengaan en
voor twee honderd penningen brood koopen om hen
te eten te geven? Wij! Hebben wij onze vischnetten
en alles niet verlaten, om u te volgen? En zullen
wij, die zulk eene hemelsche, zulk eene goddelijke
-ocr page 19-
11
roeping hebben, naar de bakkerswinkels gaan, en
zooveel brooden halen, als wij maar kunnen dragen,
om ze aan al deze menschen te geven?"
Zij waren verwonderd, bijna even verwonderd als
wij, predikanten en kerkelijke waardigheidsbeklee-
ders zouden zijn, indien de Meester tot ons zeide:
Geeft gij hun te eten. Stel u Petrus voor, den
eerste van eene aanzienlijke rij van Apostelen,
Pausen, Voorgangers, Bisschoppen, Opzieners, een
voorraad brood voor het volk halende! Het kan niet
letterlijk bedoeld zijn — werkelijk brood, dat de
menschen eten. Neen, neen, de gedachte is haast
oneerbiedig. Wij moeten het geestelijk opvatten. Het
is zooveel waardiger om het geestelijk op te vatten —
en zooveel goedkooper ook.
GEEFT GIJ HUN TE ETEN.
Dit is het bevel des Meesters aan Zijne discipelen
van alle tijden; en Hij bedoelt werkelijk, gewoon, alle-
daagsch brood en iets er bij om het smakelijk te maliën.
Is het niet wreed en ongevoelig, om hongerige man-
nen en vrouwen een Evangelie te brengen, dat alleen
hunne zielen belooft te redden en hen naar den
hemel belooft te brengen, wanneer sij sterven? Kun-
nen zij niet iets van dien hemel reeds hier genieten ?
De eenige zielen, waarvan wij iets weten, zijn zielen
met een mond, waarvoor zij eten noodig hebben,
en zielen met een rug, waarvoor zij kleeren noodig
hebben. Waarlijk, mijn goede Heer of Mevrouw,
-ocr page 20-
• •
12
gelooft gij, dat het u eenigen troost zou geven, indien
wij u verzekerden, dat gij daar nooit meer honger
of dorst zoudt lijden, wanneer gij hier geen stuk
brood kondt krijgen ? Zal het iemand eenigen troost
geven, te lezen van gouden straten en witte klee-
deren en kronen, wanneer men niets zoozeer noodig
heeft als eenig werk.
„Maar gij zoudt toch zeker de kerken niet willen
verlagen tot bakkers winkels en soeploodsen, en van
de predikanten armverzorgers willen maken?"
Verlagen? Wel zeker; indien gij het zoo noemen
wilt, wanneer de menschen het voorbeeld van den
Heer Jezus volgen, die Zichzelven vernederde, en
de gestalte van een dienstknecht aannam; die zich
omgordde, gelijk Petrus schrijft, om Zijne discipelen
te dienen en hunne voeten te wasschen. Hij, onze
Heer en Meester, staat in ons midden, en Hij zegt:
„Geeft gij hun te eten.\'"
Gelukkig leefden de discipelen niet in onzen ver-
heven tijd, want dan zouden zij nog eene andere
tegenwerping hebben kunnen maken: „Het is niet
goed om het volk zoo geheel als armen te behandelen.
Zij zullen het geheel verkeerd begrijpen. Zij zullen U
koning zoeken te maken, opdat zij altijd zoo ge-
makkelijk aan .den kost mogen komen. Het zal aan-
leiding geven tot verkeerde drijfveeren en hunne
zeden bederven." O, wat een doodelijk vergif is het
brood, wanneer het weggegeven wordt! Voor ons, die
het kunnen koopen is het uitnemend geschikt en
wij genieten er zeer van, maar onzen armen broeder
-ocr page 21-
13
op straat! geef het hem niet! het zou hem doen
stikken!
„Maar hij sterft van honger!" „Dat doet er niet
toe, gij zoudt zijn gevoel van eigenwaarde en onaf-
hankelijkheid kwetsen." — De volgende week werd al
wat er overbleef van die onafhankelijkheid in een
bedelaarsgraf gelegd!
Wanneer de Koning op den grooten dag op den
troon Zijner heerlijkheid zal gezeten zijn, omringd
door Zijne heilige engelen, en Hij tot degenen, die
aan Zijn linkerhand zijn, zal zeggen: „Ik ben hon-
gerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven;"
wat dunkt u? Zullen wij eene verontschuldiging voor
ons gedrag kunnen aanvoeren, die Hem zal voldoen ?
Geeft gij hun te eten: dit is het bevel des Meesters.
De Heere Jezus leert ons niet om alleen de zielen
te redden, maar om lichaam, ziel en geest, den ge-
heelen mensch dus, te behouden. Heeft Hij ons niet
leeren bidden: „Onze Vader, die in de hemelen
zijt, Uw naam worde geheiligd! Uw koninkrijk
kome! Uw wil geschiede op aarde als in den hemel?"
Kan men zich iets verheveners, voortreffelijkers
denken dan deze groote smeekingen? Wat volgt
nu? „Geef ons heden ons dagélijksch brood." Dat Gods
naam geheiligd moge worden ; dat het koninkrijk Gods
moge komen; dat Gods wil geschieden moge, maar —
geef ons heden ons dagélijksch brood. Dit is onmis-
baar bij het geestelijke en verhevene. Gij kunt
moeielijk in verheven stemming verkeeren, als gij
van honger dreigt om te komen. Gij kunt ook niet
-ocr page 22-
14
zeer geestelijk gestemd zijn, wanneer gij van koude
bibbert. Handel daarom met uw broeder, gelijk God
met u handelt. Geeft gij hun te eten."
Herinnert gij u het schoone verhaal, dat ons op
de laatste bladzijde van het laatste Evangelie mede-
gedeeld wordt, als om het in ons geheugen te doen
blijven, wanneer wij het boek sluiten? Het was
niet, toen Simon koud en hongerig en nat was, dat
de Heer Jezus hem naar zijne liefde vraagde. Toen
gevoelde hij niets anders dan behoefte aan zijn ontbijt
bij een aangenaam vuurtje. En toen zij aan land
kwamen, zagen zij hoe de vriendelijke Heiland zich
had neergebogen en met Zijne doorboorde handen
het hout bijeen had gelegd en een vuur had aange-
stookt. En zie, nu wachtte de Heer hen daar met
de vriendelijke uitnoodiging: „Komt ontbijten." Toen,
maar ook niet eerder dan toen, deed de Meester de
vraag: „Simon, hebt gij mij liever dan deze?" Dat
vuur verlevendigde elke edele aandrift en die vrien-
delijkheid deed het hart in vuriger liefde ontvlam-
men. Het is met Zijne eigene volmaakte kennis van
het menschelijk hart, dat Christus door woord en
voorbeeld het bevel aan Zijne gemeente achterlaat:
Geeft gij hun te eten.
En nu, laat ieder onzer zich ernstig en plechtig
en als onder Gods oog afvragen, hoe zijne houding
is tegenover het volk. Herinneren wij ons, dat onze
betrekking tot de armen over de uitkomst van ons
leven zal beslissen. Wij zijn door het geloof behou-
den, maar ons geloof vindt zijn eenig bewijs in goede
-ocr page 23-
\'
15
werken. Goede werken moeten in het geloof gegrond
zijn; maar het geloof moet de goede werken tot
vrucht hebben. De belichaming, het naar buiten
openbaren van den godsdienst is de zorg voor wedu-
wen en weezen. Nu en dan eene gift of eene in-
schrijving is niet het voldoen aan de rechten, die
het volk op ons heeft. Het bezoeken van de armen
is een bevel tot ons allen gericht — het wil niet
alleen zeggen, hen te helpen, wanneer zij onze hulp
komen inroepen. Wij moeten de toestanden, waarin
zij leven, bestudeeren en onze kracht inspannen,
om aan fatsoenlijke lieden geschikte woningen te
verschaffen; ook moeten wij zorgen dat eenig gemak
en genoegen binnen het bereik van de behoeftigen
komt. Bovenal moeten christelijke vaders en moeders
bereid zijn hunne dochters af te staan tot het leven en
werken onder het volk.
Eene bezoekzuster, die een
avond per week aan dit werk besteed, kan zeker
veel goeds doen; maar de wezenlijke moeielijkheden
en strijd der armen blijft gewoonlijk verborgen voor
zulk eene bezoekster, wier komst verwacht wordt.
Eene bijbelvrouw, die eiken dag in hun midden
verkeert, zal veel meer te weten komen; maar
wij kunnen onze verplichting niet op eene bijbel-
vrouw overdragen, die van hare armoede in de be-
hoeften der nooddruftigen niet kan voorzien en hunne
ellenden niet kan lenigen. De Roomsen Catholieke
kerk weet hare liefdezusters uit de beschaafde en
gegoede klassen der maatschappij te verkrijgen. Is
de Protestantsche kerk onmachtig om eene derge-
-ocr page 24-
16
lijke toewijding onder hare jonge meisjes in het
leven te roepen? Wij hebben in den laatsten tijd
in de Zending in het noorden van Afrika en in
China en vooral in het Leger des Heils gezien, hoe
meisjes, zoowel in het vaderland als daarbuiten,
zeer veel nut kunnen stichten door haren arbeid
onder de menigte. Zou het ook komen, omdat deze
vereenigingen vrijer zijn dan de kerken in het alge-
meen ? Waarom worden de gemeenten toch niet door
zulke voorbeelden aangespoord, om hetzelfde te doen ?
Er is tegenwoordig in de wereld geen kostelijker
en tegelijk nutteloozer wezen dan onze jonge dame—
het sierlijkste voortbrengsel der schepping — wel-
opgevoed, begiftigd met liefde, geestdrift, toewijding
en moed, en toch meestal veroordeeld tot een doel-
loos leven van theepartijtjes, enz. Waarom zou de
jonge dame, wier opvoeding voltooid is aan de beste
inrichtingen van onderwijs, die zich daar heeft bezig-
gehouden met het ontwikkelen van allerlei talen-
ten, die spoedig vergeten worden, niet voor een
jaar naar eenige inrichting gaan, waar haar geleerd
wordt op welke wijze men onder het volk moet
arbeiden, waar zij hare eigene gaven ontdekt en
leert, hoe daarvan het best partij te trekken. Dat
christen vaders en moeders hunne dochters voor zulk
werk niet geven willen maakt het christendom, dat
zij belijden, tot een spot. Wij kunnen den Gekruiste
niet aannemen en het kruis verwerpen. Zijn wij de
Zijnen, dan moeten wij Zijn leven openbaren en
Zijne werken navolgen. De Protestantsche kerk be-
-ocr page 25-
17
treurt het, dat Rome zooveel voortgang maakt. Wien
kan dit echter verwonderen, wanneer men ziet, dat
de Roomsche een leven van toewijding wil leven,
dat wij voor onszelven en voor onze kinderen ver-
werpen, terwijl wij ons tevreden stellen met van
tijd tot tijd eene geldelijke bijdrage te leveren. De
gemeente, die hare vrouwelijke leden aan het werk
zet, zal den grootsten invloed in de wereld uit-
oefenen.
WAT JEZUS VOOK DE SCHARE DEED EN WAT HIJ
ONS BEVEELT TE DOEN.
Mark. VI: 34—43.
II. Ons zelven.
En Hij zeide : „Geeft gij hun te eten." Hoe moeten
zij ontsteld zijn bij dat woord! Zij overzagen deze
groote menschenmassa, vijf duizend man behalve de
vrouwen en kinderen! Moesten zij die allen voedsel
bezorgen in deze woeste plaats? Het was totaal on-
mogelijk !
Natuurlijk was het dat. Dat was juist de reden,
waarom Jezus Christus hen beval het te doen.
Alleen het onmogelijke is Zijner waardig. Hebben
wij niet van de lieden uit den ouden tijd reeds ge-
leerd, dat het woord „ik kan niet" in ons woordenboek
2
-ocr page 26-
18
niet moet te vinden zijn. Het is juist het A. B. C.
van onzen arbeid. Zoodra wij denken, dat wij iets
kunnen, mogen wij er zeker van zijn dat wij niets
kunnen, maar wanneer wij zeker weten, dat wij
niets kunnen volbrengen, dan is er voor ons eenige
hoop. Indien ons werk als discipelen van den Heer
Jezus Christus iets beteekent, dan beteekent het het
onmogelijke
te verrichten. Bezie het uit welk oog-
punt gij wilt. Let op het werk zelf — de redding
van mannen en vrouwen; let op de toerusting tot
den arbeid — eene openbaring uit den hemel om
ons te besturen, de duizendmaal herhaalde belofte
van Gods tegenwoordigheid, de redding der wereld
door onzen Heer Jezus Christus, de gave des Heiligen
Geestes — dit alles is het onze, omdat ons werk
onmogelijk is, tenzij de Almacht tusschenbeid e
treedt. „Ik kan niet" zij uw roem, geen wanhoopskreet
en gij kunt het tot uw wachtwoord maken. „Gij
kunt niets doen," zeide de Meester, niet om te ont-
moedigen, maar opdat wij Hem eene plaats zouden
inruimen. Deze gezegende hulpeloosheid doet ons
tot den Almachtige gaan om hulp, en dan zijn ook
wij almachtig en het „ik kan niet" is veranderd in:
„Ik kan alle dingen door Hem, die mij kracht geeft".
De gemeente Gods is hare roeping niet getrouw,
zoolang zij niet in aanraking komt met het onmo-
gelijke. Om het vertrouwen van hare eigene leden
evenals dat van de wereld te winnen, moet de ge-
meente voortdurend zulke overwinningen behalen,
dat zij haren Goddelijken oorsprong en hare Godde-
-ocr page 27-
19
lijke zending daardoor bewijzen kan. Eene gemeente,
wier goederen vermeerderen en die „geens dings
gebrek" heeft, moet altijd arm en ellendig zijn; hare
kinderen kunnen geen geloof in haar hebben; hare leden
worden hopeloos, ongeloovig en spotten zelfs met
den godsdienst, dien zij belijdt. Wij kunnen alleen
in de rechte verhouding tegenover God blijven, wan-
neer wij datgene trachten te doen, dat ons de be-
hoefte aan hulp van den Almachtige diep in het hart
doet gevoelen. Niets doet ons zoo spoedig en zoo
zeker God vergeten, dan het gevoel dat wij wel
buiten Hem kunnen.
„Hoe vele brooden hebt gij ?" zeide Jezus. „Gaat
heen en beziet het." En toen zij het wisten, zeiden
zij: „Vijf — slechts vijf." Wij kunnen ons allen voor-
stellen op welken toon dit gezegd werd, den lang-
gerekten, zwaarmoedigen toon, waarop de gemeente
altijd spreekt over hare eigene hulpmiddelen met
zijwaarts gebogen hoofd, met handen die hopeloos
neerhangen en met een stem, die waarlijk beklagens-
waardig klinkt — „vijf. Daarna begon de moeielijke
rekening, die de gemeente Gods altijd bezig houdt.
Vijf brooden onder vijf duizend mannen, behalve de
vrouwen en kinderen — hoeveel is dat voor ieder?
Welk eene arme, kleingeestige, karige gemeente
is het toch zoolang de discipelen alleen op de
menigte en op de brooden staren. Wat zijn wij altijd
spoedig ten einde raad, uit gebrek aan geld en aller -
lei andere dingen, altijd in de war gebracht door
-ocr page 28-
20
zulke vreeselij ke onevenredigheid tusschen hetgeen
noodig en hetgeen voorhanden is, gelijk in dit ge-
val. Het geheele plan en begrip van onzen godsdienst
is eene belachelijke en bespottelijke zaak. Gij kunt
het niet doen, mijne waarde heeren! Een kruimel
per persoon en dat nog wel een kleine! Geeft het
op. Zegt aan de menschen, dat het u zeer spijt, maar
dat gij bemerkt eene groote dwaling te hebben be-
gaan, daar de voorraad niet toereikend blijkt te
zijn. Of gaat anders met een inschrijvingsbillet
rond, reist het land af en verzamelt de overgescho-
ten brokken en kaaskorsten, die men u nog misgunt,
en komt dan terug om te zien, dat vele menschen
heengegaan, zijn en dat zij, die gebleven zijn, niet
veel smaak in zulk eten vinden. Dat kunt gij misschien
doen: sommige menschen doen het, maar het is
een hard werk. Maar wacht! gij kunt nog iets doen:
als gij wilt, kunt gij den Heer Jezus Christus tusschen-
beide laten treden, om u te helpen.
"Wanneer wij geheel
buiten machte zijn het werk te doen, dat van ons
verlangd wordt, wanneer onze hulpmiddelen geheel
ontoereikend zijn, dan — wij behoeven niet te gaan
leenen of bedelen — dan is er plaats voor den A1-
machtige: verwacht dan een wonder. Uwe hulpeloos-
heid geeft God gelegenheid u te helpen.
Mattheus voegt hier een woord in het verhaal,
dat Markus overslaat. Van de vijf brooden en de
twee visschen zeide de Heer: „Brengt mij dezelve
hier." Welnu, dit is de ontbrekende schakel tusschen
de hongerige wereld en de Goddelijke hulpmiddelen.
-ocr page 29-
•
21
Daar boven op de heuvelen storten de regenwolken
hun overvloed uit en de nieren houden het water be-
sloten, als eene groote bewaarplaats voor de verander-
lijke jaargetijden. En daar beneden in de vlakte ver-
gaan de menschen van dorst, omdat er eene gelei-
ding ontbreekt, die de gemeenschap tot stand
brengt en de gave onder het bereik brengt; eene ge"
leiding van het meer in de hoogte, naar de vlakte in de
laagte. Er is eene onuitputtelijke genade, groot genoeg
voor de behoeften van de geheele wereld — vol van
genade en waarheid
is hetgeen gezegd wordt van
Jezus ©hristus. Vol van genade en waarheid, eene
onuitputtelijke bron van liefde en macht, die alle
droefheid kan lenigen, in alle behoeften kan voor-
zien en de hongerige ziel met goed kan verzadigen;
maar het eenige dat ontbreekt is de gemeenschap,
de aanraking, waardoor wij uit de Goddelijke volheid
mogen putten en daarvan uitdeelers worden. Eene
geleiding tusschen een meer en eene stad is zulk
eene eenvoudige zaak. Welnu, laat het water slechts
daardoor gaan en het zal een grooten weg afleg-
gen en velen van dienst zijn. Hij zeide: „Brengt ze
tot mij."
Wij weten nooit waartoe wij nut zijn,
tot dat wij in aanraking komen met den Heer. Laat
ons dit zeer ernstig in het oog houden. Het kan
zijn, dat gij den Heer Jezus Christus als uw Zalig-
maker hebt aangenomen, en toch heit gij uzelven
misschien nooit werkelijk en onverdeeld aan Hem overge-
geven, opdat Hij u in Zijn dienst kon gebruiken.
Hebt
gij wel? Het weinige, dat Hem geheel toegewijd is,
-ocr page 30-
\'■:■■■;■ \'\'s\':\'.■■;■\'■■;v\'-\';-\'?\';■■ •■\'\';./*■■ \'■\'"™?f&
22
zal verder reiken dan het vele, dat wij kunnen vin-
den buiten Hem. „Brengt se tot Mij". Het was een
belachelijk kleine voorraad — vijf gerstebrooden en
twee kleine vischjes: genoeg voor één hongerig
mensch en hier zijn vijfduizend hongerige menschen.
Maar dat doet er niet toe: veel of weinig, laat er
Hem over beschikken. Het grootste deel van het
werk Gods hier op aarde is niet gebracht door groote
geniën, maar door eenvoudige mannen en vrouwen,
die zich geheel aan Hem hebben gegeven. In Zijne
hand zijn vijf brooden meer dan gansche graanzol-
ders vol met het kostelijkste koren — vooral als gij
de deur gesloten houdt en den sleutel verloren hebt.
Staat gij niet even verlegen als de discipelen? Het
werk, dat gedaan moet worden, is zoo groot en gij
zijt — zonder gaven, zonder organisatie, zonder geld,
zonder eenig hulpmiddel. De Meester roept u toe:
Breng het tot Mij. Verlangt gij om iets te doen?
Hebt gij daartoe ook maar een zwak, flauw, weife-
lend verlangen? Welnu, ga er mede tot Hem. Be-
vindt gij u in eene omgeving, waar de zonde welig
opschiet en de overhand krijgt, en gevoelt gij dat
er iets tegen gedaan moet worden ? Ga ook daarmede
tot Hem. Wij zijn verantwoordelijk niet voor wat
wij zijn, maar voor wat wij konden zijn; endaar is
maar één weg, waarop wij ooit van de verantwoor-
delijkheid, die op ons rust, kunnen verlost worden —
en dat is wanneer wij ons geheel aan Hem hebben
overgegeven. Doe dit. Doe dit heden. Doe dit dage-
lijks. Geef u aan Hem over, om in Zijn dienst ge-
-ocr page 31-
28
bruikt te worden. Wind u niet op in noodelooze po-
gingen, die u toch niet baten kunnen. Doe geene groote
beloften. Zeg uw gezegenden Meester, dat gij u aan
Hem overgeeft, eenvoudig en in alle oprechtheid,
gij weet zelve het beste hoe, en dat gij verlangt ge-
heel de Zijne te zijn. Doe het nu, terwijl gij deze
woorden leest. Dit was al wat Hij van Zijne disci-
pelen eischte; toen, maar ook toen eerst, was Hij
gewillig, om het overige te doen. Dit is al wat Hij
van ons eischt: „Brengt ze tot Mij". Begin eiken
dag met de bepaalde daad van zelfovergave aan
den Heer, tot Zijn dienst en tot heil van anderen.
Dit is het kanaal, waardoor iets van Gods liefde en
mededoogen en hulpvaardigheid in onze arme wereld
kan vloeien, om die te zegenen en te verblijden.
WAT JEZUS VOOE DE SCHARE DEED EN WAT HIJ
ONS BEVEELT TE DOEN.
Mark VI: 34-43.
III. Onze Meester.
Eli nu? wat gebeurde er verder? En hij gebood
dat zij gouden nederzitten bij gezelschappen, bij honder-
den en bij vijftigen.
Het was eene groote liefdadig-
heidsinrichting. Wij hebben hier een zeer schoon
bewijs van des Heilands teedere zorg voor de schare
en het is ook een van die eigenaardige, bijna toe-
-ocr page 32-
\\ - ~          ---.,..„.„ .<: .x*^y.r::."r:
24
vallige trekken, die de waarheid der geschiedenis
bevestigen. Hij denkt niet aan Zichzelven, aan Zijne
grootheid of aan Zijne goedheid, maar Zijne gansene
gedachte is voor het volk. De goede Herder doet
hen nederliggen in grazige weiden. Zoo was er geen
gedrang; de sterken hadden niets vóór boven de
zwakken; zij, die het dichtst bij Hem waren, had-
den het niet beter dan de verstverwijderden. Niemand
was uitgesloten en niemand werd overgeslagen. En
toch zijn er menschen, die het bijna oneerbiedig
noemen, om te zeggen, dat Jezus verstand heeft
van zaken: Zijne discipelen dachten dat Hij zoo
opging in het geestelijke, dat Hij niet tot hunne
dagelijksche behoeften kon afdalen. Er is eene zaak,
die de Heer Jezus verstaat gelijk niemand anders —
en dat is het voeden van eene hongerige wereld.
En toen Hij de vijf brooden en de twee visschen ge-
nomen had, mg Hij op naar den hemel en gedankt
hebbende, brak Hij de brooden en de twee visschen deelde
Hij onder hen allen.
Hier is eene goede oefening in
het optellen en deelen voor ons, scholieren in de
school des Heeren. Indien gij de optelling kunt
maken, kunt gij ook gemakkelijk de deeling bewerk-
stelligen. Hoeveel is het — vijf brooden en twee
visschen zijn zeven — en Hij — Jezus? O! hier
komt uw rekenen aan een eind; gij hebt geene
cijfers genoeg, om uw optelling af te maken. HIJ,
HIJ, leg al den nadruk op dit woord; schrijf het
met eene hoofdletter en laat het vooral op den voor-
grond treden; toen HIJ de vijf brooden en de twee
-ocr page 33-
25
visschen genomen had — toen was alles in orde.
Ja, de deeling is gemakkelijk, wanneer gij de op-
telling geleerd hebt.
En zij aten en werden verzadigd — ALLEN —
niemand werd vergeten: geene arme, zwakke vrouw
werd teruggedrongen, geen schuchter meisje voorbij
gezien, geen klein kind vergeten. De gezegende
Meester neemt ons allen aan en heeft ons lief. Ik
meende vroeger, dat Hij geene gunstelingen had —
maar dat is eene vergissing. Wij zijn allen Zijne
gunstelingen, en Hij heeft ieder onzer lief met al
de liefde, die in Hem is. Zij aten allen en werden
verzadigd — vervuld gelijk Wiclif het overzet. De
genadige Heer geeft ruim en misgunt ons Zijne
gaven niet. Zij mochten nog eens en nog eens om
een stuk brood komen. Laat mij uwe aandacht
vestigen op deze en gene uit het gezelschap. Ziet
gij dien boerenarbeider, die dezen morgen vroeg zijne
woning heeft verlaten en sedert geene spijs meer
genuttigd heeft? Hij heeft wel een stukje meer
noodig. Welnu, hier is het, een stuk brood en nog
wat visch ook. Daar is een hongerige jongen, die
al voor de tweede maal bediend is; hij mag nog
wel eens wederkomen. En se namen van de brokken
op twaalf volle korven.
Zonder Jezus hadden zij veel
meer monden dan brooden, maar met Jezus hadden
zij meer brood dan monden. O! indien toch de ge-
meente van Christus wilde leeren, zich van Jezus\'
hulp te bedienen! Hij heeft ieders behoefte gade-
geslagen en komt tot ons met een ruimen voorraad,
-ocr page 34-
26
en Hij zal niets terughouden dat noodig is, om het
Evangelie Zijner genade te doen zegevieren. De
grootste en vruchtbaarste arbeider is niet de man,
die de meeste gaven, den grootsten rijkdom en den
meesten invloed bezit: het is de man, die zich Jezus
Christus het meest volkomen toeeigent. Velen, zeer
velen van des Heeren dienaren zijn bevreesd, om
tot Hem te gaan en Hem om geld en middelen te
vragen, teneinde Zijn werk voort te zetten, en als men
hen wijst op menschen als George Muller, Spurgeon
en Hudson Taylor, dan antwoorden zij u spottend,,
dat deze menschen slechts eene slimme wijze van
adverteeren gebruiken! Zoo spraken de Farizeën en
Schriftgeleerden ook over de wonderen, die God in
den ouden tijd deed — wonderen, die Hij verlan-
gend is voor ieder onzer te herhalen, indien wij Hem
daartoe slechts gelegenheid geven.
Letten wij er op, dat de voorraad niet vermenig-
vuldigd werd, voor zij begonnen uit te deelen. Zoo
lang zij het brood behielden, werd het niet meer;
maar toen zij het weg gaven, werd de voorraad
vermenigvuldigd. De discipelen zijn misschien be-
gonnen met een heel klein stukje voor ieder af te
breken; maar langzamerhand werden zij stoutmoe-
diger, en weldra deelden zij de grootste stukken uit
met eene mildheid, waarin onze God behagen schept.
De eenige gaven, die ons voor altijd toebehooren,
zijn de gaven die alleen bewaard kunnen blijven, wan-
neer zij worden weggeschonken. Liefde is geen liefde,
tenzij zij zich aan een ander geeft, evenals het zaad
-ocr page 35-
27
geene bloem kan worden, tenzij het zich met de
aarde vereenigt. Licht en vreugde moeten van buiten
komen, indien ik ze van binnen vinden zal. De
meesten onzer zijn arm en dor en ellendig, omdat
wij voor onszelven behouden, wat wij gekregen heb-
ben, om mede te deelen. Licht wordt alleen dan licht,
wanneer eenige wereld aan de zon een atmosfeer
verschaft, waarop zij hare lichtgolvingen kan over-
brengen. Het licht van ons leven moet gevonden
worden in hetgeen wij aan anderen schenken. Er
is maar eene wijze om Gods genade te behouden,
de mensch moet zich haasten om haar met anderen
te deelen.
Laten wij ons het tooneel van den Heer Jezus,
die de hongerige schare door middel van Zijne dis-
cipelen voedt, nogmaals voor den geest roepen. Er
is eene andere schildering, welke gij bij wijze van
tegenhanger daarnaast kunt plaatsen — eene andere
voorstelling van dit tooneel, die helaas! door de kerk
is aangenomen. Het is die van een feestmaal, waar
de bevoorrechten aanzitten, die voor hunne zlt-
plaatsen kunnen betalen; zij zijn daar in hunne
fraaiste kleeding vergaderd rondom de tafel des
Konings, waarop kostelijke spijs en drank staat; en
daarbuiten in den ruwen wind en in de koude
regenvlagen is de hongerige wereld, die begeerig
naar binnen ziet en verlangend is naar de stukjes
en kruimpjes, welke deze godsdienstige menschen
kunnen missen. Helaas! de wereld gaat verloren en
de kerk is machteloos uit gebrek aan gemeenschap
-ocr page 36-
28
met den waren Christus, den verheven Broeder van
alle raenschen, die rijk was maar om onzentwil arm
geworden is, opdat wij door Zijne armoede zouden
rijk gemaakt worden. Hij staat in ons midden, niet
alleen om de zielen der menschen van het eeuwig
verderf te redden — gelijk wij in onze blindheid
gemeend hebben; niet alleen om de menschen in
den hemel op te nemen, wanneer zij sterven —
maar om al de kwalen van onze arme mcnschheid weg te
nemen,
maatschappelijke kwalen, natuurlijke kwalen
en geestelijke kwalen. En rondom Hem zijn zij
alleen Zijne ware discipelen, die van Hem ontvan-
gen, niet alleen tot hun eigen voordeel en om zich-
zelven den Hemel te verzekeren, maar om Zijne
gaven uit te deelen aan onze arme wereld. Zij zijn
de „handen" waardoor de medelijdende Heiland in
de behoeften van de hulpbehoevende wereld voor-
ziet; de gehoorzame en gewillige dienaren, tot wie
de Meester zegt: „Geeft gij hun te eten." Handen,
geen prelaten met hooge titels en in prachtig ge-
waad, maar eenvoudige en dienstvaardige handen,
die zich bezig houden met soep uitdeelen, met
stuiversmiddagmalen voor de armen gereed te maken,
de huur voor arme menschen te betalen en nacht-
verblijven en werk aan mannen en vrouwen te
verschaffen; eerbiedwaardige vaders en moeders in
God door hun christelijk medelijden en hunne christe-
lijke hulpvaardigheid.
Er is eene Duitsche legende, die hiervan eene juiste
illustratie geeft.
-ocr page 37-
29
Er was eens eene arme vrouw ia Andernach, vrouw
Martha geheeten; zij woonde geheel alleen in een huisje en
had al de heiligen en de heilige maagd lief; zij was zoo
goed als een engel en verkocht taartjes bij de brug over den
Rijn. Haar huisje was zeer oud; de dakpannen waren ge-
broken en zij was te arm om nieuwe te koopen en de regen
stroomde naar binnen en geen christenziel in Andernach
wilde haar helpen. Maar vrouw Martha was eene goede ziel,
die niemand ooit eenig leed deed, die iederen morgen naar
de mis ging en daarna taartjes verkocht bij de brug over den
Ryn. Eens op een donkeren, winderigen nacht, toen al de goede
christenen in Andernach rustig sliepen, hoorde vrouw Martha,
die onder het dak sliep, een groot geweld boven haar hoofd
en in haar kamer ging het tik, tik, alsof de regen naar bin-
nen druppelde door de gebroken dakpannen. Arme ziel! zoo
was het inderdaad. Daarop hoorde zij kloppen en slaan op
het dak, alsof iemand daar aan het werk was; en zij dacht
dat het Pelz-Nickel was, die er de dakpannen afnam, omdat
zij niet dikwijls genoeg gebiecht had. Zij begon nu te bidden
en hoe harder zij haar Paternoster en haar Ave Maria bad,
hoe harder Pelz-Nickel sloeg en hamerde, en tik, tik, hoorde
zij aan alle kanten om zich heen in de donkere kamer, tot
dat de arme vrouw zoo bevreesd werd, dat zij naar het
venster liep, ten einde om hulp te roepen. Toen werd
oogenblikkelijk alles stil, doodstil. Maar zij zag het schijnsel
van een licht door den regen en de mist heen en eene groote
schaduw op het huis aan de overzijde. Daarop klom iemand
langs eene ladder van het dak van haar huis naar beneden
met eene lantaarn in de hand, en hij nam de lantaarn op
zijn schouder en ging de straat op. Zij kon het niet heel
duidelijk zien, daar de regen tegen haar venster aansloeg.
En in den morgen vond men de oude, gebroken pannen op
de straat verspreid en er waren nieuwe op het dak en het
lekte nooit weder in het oude huisje tot op dezen dag.
Nu gebeurde het op een stormachtigen avond, dat een arm
-ocr page 38-
30
zondig schepsel door de straten dwaalde met haar kindje in
de armen; zij was hongerig en koud en niemand in Ander-
nach wilde haar innemen. En toen zij bij de kerk kwam,
waar het groote crucifix stond, zag zij geen licht in de
kleine kapel op den hoek; zij zette zich neder op een
steen aan den voet van het kruis en begon te bidden; zij
bad tot zij in slaap viel met haar arm, klein kindje in de
armen. Maar zij sliep niet lang, want een helder licht scheen
haar plotseling in het gelaat, en toen zij de oogen opende,
zag zij een bleek man met eene lantaarn in de hand, die
recht voor haar stond. Hij was bijna ongekleed, en daar was
bloed aan zijne handen en lichaam en groote tranen in zijne
schoone oogen en zijn gelaat geleek op dat van den Zalig-
maker aan het kruis. Hij zeide geen enkel woord tot de arme
vrouw, maar keek haar medelijdend aan, gaf haar een
brood en nam het kindje in zijne armen en kuste het. Toen
keek de moeder naar het groote crucifix en ziet, daar was
geen beeld; zij uitte een kreet en viel voor dood neder....
Sedert dien nacht heeft het zich nooit weder bewogen.
Helaas! de Christus van alle eeuwen is slechts
de Gekruiste geweest — een Christus van achttien
honderd jaren geleden, — van wien wij houten
afbeeldsels snijden en over wien wij prediken.
Maar ach, de gemeente heeft den grooten medelij -
denden Christus zoo dikwijls vergeten, en uit het oog
verloren, dat Hij de Broeder en Helper van alle
menschen is, die nog altijd komt om het lijden en
de ellende van mannen, vrouwen en kleine kinderen
te verzachten en om te zorgen voor hunne wonin-
gen en hun dagelijksch brood. De Christus, die zeide:
„Geeft gij hun te eten", is heengegaan — en toch
heeft de arme wereld Hem nooit zoo noodig gehad
-ocr page 39-
:
31
als tegenwoordig. Waar is Hij, van wien de Psalmist
lang geleden zong: „Hij zal de ellendigen zijns volks
richten; Hij zal de kinderen des nooddruftigen ver-
lossen en den verdrukker verbrijzelen. Hij zal den
arme en nooddruftige verschoonen en de zielen der
nooddruftigen verlossen?" In onzen twijfel en droef-
heid mogen wij wel met Johannes vragen: „Zijtgij
degeen die komen zou of verwachten wij eenander?"
Wij hebben een Jesaja in ons midden noodig, om de
gemeente Gods wakker te schudden.
Roep uit de keel, houd niet in, verhef uwe stem
als eene bazuin, en verkondig mijn volk hunne over-
treding, en het huis Jakobs hunne zonden. Hoewel
zij Mij dagelijks zoeken en eenen lust hebben aan
de kennis mijner wegen.... Is niet dit het vasten,
dat Ik verkies, dat gij losmaakt de knoopen der
goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden des juks en
dat gij vrij loslaat de verpletterden, en alle juk ver-
scheurt? Is het niet, dat gij den hongerige uw brood
mededeelt, en de armen, verdrevenen in huis brengt ?
als gij eenen naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat
gij u voor uw vleesch niet verbergt? Dan zal uw
licht voortbreken als de dageraad, en uwe genezing
zal snellij k uitspruiten en uwe gerechtigheid zal
voor uw aangezicht heengaan en de heerlijkheid des
Heeren zal uwe achtertocht wezen .... En zoo gij
uwe ziel opent voor den hongerige en de bedrukte
ziel ve rzadigt; dan zal uw licht in de duisternis
opgaan en uwe donkerheid zal zijn als de middag."
Het is niet alleen de voorspoed van de gemeente
/
-ocr page 40-
32
op aarde, die hierdoor verzekerd wordt. Door deze
deur, en door deze deur alleen moeten wij ingaan,
om tot de gemeente hierboven te worden toegelaten.
De Zoon des menschen komt weder in Zijne heer-
lij kheid en al Zijne heilige engelen met Hem, en op
den troon Zijner heerlijkheid gezeten, zal Hij het
eindoordeel uitspreken over ieder menschenleven.
Hij zal de menschen van elkander scheiden — en
allen zullen behooren tot een van de twee groote
klassen. Tot de eene wordt het woord „Komt" gespro-
ken: tot de andere het woord „Gaat weg van Mij." —
Voor hen, die aan Zijne rechterhand zijn, is de zegen
des "Vaders, de vreugde des Heeren: voor hen,
die aan Zijne linkerhand zijn, is de diepe, donkere
verborgenheid der hel. Welke vreeselijke scheids-
muur wordt daar opgetrokken ? Luister:
„IK BEN HONGERIG geweest en gij hebt mij te
eten gegeven; ik ben dorstig geweest en gij hebt
mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling
en gij hebt mij geherbergd; ik was naakt en gij
hebt mij gekleed; ik ben krank geweest en gij hebt
mij bezocht; ik was in de gevangenis en gij zijt tot
mij gekomen .... Voor zoo veel gij dit een van deze
mijne minste broederen gedaan hebt, zoo hebt gij
dat mij gedaan."
-ocr page 41-
TWEEDE HOOFDSTUK.
GOD, DIE GROOT IS VAN GOEDERTIERENHEID.
Hij versmaadt niet; geweldig is Hij in
kracht des harten. Job XXXVI: 5.
Hij zeide ook tot sommigen, die bij
zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig
waren, en de anderen niets achtten, deze
gelijkenis: Luk XVIII: 9.
Go d is groot van goedertierenheid — dit is eene op-
vatting van God, die men niet overal aantreft.
Tennyson zingt van iemand, die de hoogste liefde,
de volkomenste haat en de diepste verachting in
zich vereenigde. Schooner beschrijving van een edel
karakter kan moeielijk in zoo weinige woorden ge-
geven worden. Dit in het oneindige is waar van
God. Hij bezit bovenal de hoogste liefde, de vol-
komenste haat en de diepste verachting. Het zal
het beste zijn eerst het beeld van menschelijke ver-
achting, door Jezus ons in deze gelijkenis geteekend,
in het oog te vatten en daarna bij tegenstelling te
zien, hoe God den verachtelijke bejegent.
3
-ocr page 42-
34
Onder denzelfden blauwen hemel vervolgen twee
menschen hun weg; zij begeven zich beiden naar
den tempel. Het trotsche gebouw verheft zich in
alle pracht voor hen; daar zijn de trappen, die leiden
naar de poort bijgenaamd de Schoone. Daar verheft
zich de marmeren zuilengang; het vergulde dak
schittert in den zonneschijn; en de torens wijzen
met hunne spitsen ten hemel. Alles verkondigt de
grootheid van den God Israëls. Geheel in overeen-
komst met de deftigheid van de plaats is de Fari-
zeër, die daar heengaat om te bidden; hij is iemand
voor wien de menschen op zijde gaan, dien zij nede-
rig groeten — iemand van de anderen onderscheiden
door kleeding, gelaat en manieren. Reeds door zijne
geboorte is hij hooger en voornamer dan anderen —
van afkomst een zoon van Abraham, dit is boven
allen twijfel verheven. Zijne omgeving en zijne maat-
schappelijke positie hebben hem beschermd tegen
de ruwe stormvlagen, waaraan het „geringe volk"
blootstaat. Door eene zorgvuldige opvoeding geleid,
is zijn geheele leven tot in de kleinste bijzonder-
heden beheerscht door zijn godsdienst. Daar gaat
hij, een waar gunsteling des hemels!
Nu gaat de tollenaar ter zijde, om hem te laten
passeeren, en wordt daarvoor beloond met een blik
van verachting, terwijl de blanke handen zijn kleed
bijeenhouden, opdat dit niet bezoedeld moge worden
door de aanraking van dezen afvallige. Een tollenaar!
Niemand was zoo veracht als deze ellendige in-
zamelaars der belastingen. Tollenaar was de laagste
-ocr page 43-
35
benaming, het leelijkste scheldwoord, dat men zijn
vijand naar het hoofd kon slingeren. Het waren
verraders, die zich niet schaamden de gehate belas-
tingen, welke de romeinsche regeering het volk Gods
had durven opleggen, te verzamelen. Dit was op
zichzelf al slecht genoeg. Maar de manier, waarop
deze belastingen werden ingezameld, moedigde hen
aan, ja, noodzaakte hen bijna, om onrechtvaardig
en hardvochtig te zijn. En omdat zij veracht werden,
werden zij natuurlijk ruw en onverschillig; zij be-
schouwden zichzelven als verloren, gelijk de menschen
zeiden, dat zij waren en leefden nu dienovereen-
komstig. De Farizeër wordt zeer geërgerd door het
gezicht van dezen tollenaar. Hij had zich voor de
godsdienstige plechtigheid, die hij ging vervullen,
zorgvuldig gebaad en gezalfd met kostbare olie en
in een wit kleed gekleed — en deze man had een
grof kleed aan, en was onverschillig omtrent zijn
uiterlijk. De trotsche Farizeër spoedde zich met
afschuw voort. Het was toch vreeselij k, dat men
altijd herinnerd moest worden aan het bestaan van
dat volk!
De tollenaar volgde van verre deze schitterende
persoonlijkheid en hij zuchtte: „O! ik wenschte zoo
gaarne hem te gelijken, en ook zoo goed en zoo wijs
te zijn! Ik ben zoo onwetend en daarbij zoo slecht,
ik begrijp niets en er is niets schoons of heiligs
aan mij. En ik moet tegen zooveel dingen strijden.
Hij bezit alles wat hem kan helpen. Zou het voor
iemand als ik ben wel van eenig nut zijn, om aan
-ocr page 44-
36
bidden te denken?" En met een treurig hart ver-
volgt hij zijn weg.
De Farizeër treedt stoutmoedig den tempel binnen
en bid staande — het woord heeft eene bijzondere
beteekenis. Hij neemt eene bestudeerde houding
aan, want op de houding werd zeer gelet, rechtop,
het hoofd achterwaarts geworpen, het gelaat ten
hemel gekeerd en de handen uitgestrekt. En hij bad
bij zichzélven — eene eigenaardige uitdrukking! Het
is alsof hij niet enkel bij maar ook tot zichzélven
sprak; alsof hij zijn eigen God ware, wien hij hulde
bracht in zijn gebed. „O God, ik dank U, dat ik niet
ben gelijk de andere menschen, roovers, onrecht-
vaardigen, overspelers of zelfs gelijk deze tollenaar.
Ik vast twee maal per week en geef tienden van
alles wat ik bezit./
Wij stellen ons voor, dat de Farizeër zich hier
omkeert en daar ver weg den tollenaar ziet, die
niet verder durft te gaan dan het voorhof der heide-
nen — en daar bidt hij. Indien iets de verachting
des Farizeërs kan opwekken, dan is het zeker dit.
Kan men zich grooter ergernis voorstellen, dan zulk
een man te zien bidden. Zoo iemand denkt nog over
godsdienst, waarlijk, het is ergerlijk! Het is een
wonder, dat de aarde zich niet opent, om hem te
verzwelgen. Hoe kan hij bidden? Hij weet zelfs
niet eens, hoe hij staan moet. Zie hem aan; de
houding is natuurlijk alles in het gebed. Zijn hoofd
hangt neder, zijn gelaat is naar den grond gekeerd
en. zijne handen zijn op de borst gevouwen. Waar-
-ocr page 45-
.
37
lijk, men ergert zich aan zulk eene oneerbiedigheid ?
Misschien nadert hij dicht genoeg, om het gebed, dat
uit dit treurige hart opstijgt, te hooren. „O God,
wees mij, zondaar, „genadig," dat zijn de woorden.
„Ik ben niet als de andere menschen, o God, niet
als deze goede man, zoo wijs, zoo heilig en rein, ik
ben de zondaar." „Verbeeld u eens, om dat aan God
te vertellen! Wel, als hij niet iets beters te zeggen
heeft, deed hij wijzer zijn mond te houden. Menschen,
die zoo onwetend en zoo slecht zijn, moesten eigenlijk
niet in den tempel toegelaten worden. Nu, ik dank
God, dat ik niet tot deze ellendige schepsels behoor.
Ik walg er van, als ik ze zie."
Toch zegt Jezus: Ik zeg u, Ik, die het weet, zeg
u, deze ging af naar zijn huis gerechtvaardigd meer
dan die.
Hij veracht niemand, want Hij is groot in
kennis en groot in liefde. Waar de trotschheid alleen
aanleiding vindt tot verachting, zal de liefde aan-
leiding vinden, om te beklagen en te helpen. Indien
een arm tollenaar het zondige van zijn leven begint
in te zien en zich verbeteren wil, wat dunkt u?
Zal een liefderijk God hem verwijten wat hij
geweest is en hem verstooten, als hij bevend tot
Hem nadert? Nooit, nooit! Gods hand zal verlan-
gend en vriendelijk naar hem uitgestrekt worden, om
hem te verwelkomen. Zal een liefderijk God hem
verachten en hem uit Zijne voorhoven verdrijven,
omdat hij zoo onwetend is? Neen, nooit, nooit! Hij
zal de waarheid zeer duidelijk maken en den weg
zeer gemakkelijk en Hij zelve zal hem het ABC
-ocr page 46-
38
van alles leeren. Zijn Geest zal hem leeren roepen
Abba, dat eenvoudige woord voor kinderlippen —
Abba, Vader. Zal God zijne pogingen bespotten,
omdat zijne geheele omgeving zoo vol moeielijkneden
en hindernissen is? O, welk eene godslasterlijke
veronderstelling! De goedertieren God zal zich in
oneindige ontferming neerbuigen en met onverander-
lijke zorg over hem waken en hem in Zijne A1-
machtige liefde uitredden. Hij veracht niemand.
Mijn broeder, deze boodschap der liefde is voor
ons. Verachting is iets wreeds; er is niets dat zoo
scherp en diep wondt. Het kan zijn, dat gij nu juist
het schild zijt, waarop de verachting hare pijlen af-
schiet. Gij zijt misschien iemand, die zijn eigen weg
gevolgd heeft, misschien een voorganger is geweest
in allerlei kwaad; die de eerste was om de dwaze
nauwgezetheid en schroomvalligheid van anderen te
bespotten; maar nu begint gij naar God te verlangen
en tracht waar, rein en goed te worden. Daar zijn
terstond een twintigtal minachtende stemmen, die
u verachten. Daar weerklinkt een helsch gelach in
de ziel. „Gaat gij vroom worden? Wilt gij tot de
brave menschengaan behooren? Iemand, die zoo slecht
is als gij! Dat zal u nooit gelukken; goede menschen
zijn heel anders als gij. Zij hebben een ander soort
van vleesch en bloed; zij hebben geen humeur, geene
drift, geene zwakheden en verkeerde gewoonten ge-
lijk gij." En daar zeggen zij, die u omringen, ook
spottend: „Gij moogt u waarlijk wel zoo bijzonder
aanstellen! Gij moogt waarlijk wel zoo\'n drukte
-ocr page 47-
\'
39
maken over den godsdienst!" Het is hard om te
verdragen. Sommige menschen zouden beter op het
slagveld kunnen sterven dan zulk eene spottende
minachting verdragen. „Gij zijt blind voor uw eigen
belang. Hoe kunt gij zoo bespottelijk bijzonder willen
zijn; het is of gij meent veel beter te zijn dan andere
menschen!" Luister, mijn broeder, luister, en laat
dit woord als zoete muziek in uwe ziel doordringen.
Mijn Heer zendt u deze liefdevolle boodschap: Hij
veracht niemand, want Hij is groot in wijsheid en
groot in liefde.
Hij veracht ons zelfs niet in onze zonde. Zeker
indien er iets is, dat zou kunnen maken, dat God
ons verachtte, dan ware het dat. Onwetendheid,
hulpeloosheid, ellende stemmen het hart tot mede-
lijden en roepen zijn hulp in, even als ons ook
het kleine kind juist door zijne hulpeloosheid on-
schendbaar is. Maar de zonde is zoo verachtelijk
in het oog van God, zulk eene groote dwaasheid, dat
zelfs God daardoor zou kunnen bewogen worden
ons te verachten, indien Hij niet zoo vol liefde
was. Ik heb, helaas! wij allen hebben meermalen
de vreeselijke uitwerkingen der dronkenschap gezien,
maar het scheen mij toe, als had ik nog nimmer
zulk een blik geworpen in de diepe ellende door deze
zonde veroorzaakt, dan toen ik eens in een huis
kwam, waar ik den man dronken zag zitten, afschu-
welijk lachend en hikkend, een zinneloozen gek, of-
schoon een man van goede positie en op andere
oogenblikken zeer knap. Zijne vrouw volgde mij tot
-ocr page 48-
40
aan de deur, en daar stond zij bij mij met roodge-
weende oogen en de handen tegen het hart gedrukt,
terwijl zij snikte: „O, bid voor mij tot God, opdat ik
hem niet moge verachten".
Zelfs het hart eener vrouw
kon zich nauwelijks weerhouden van den echtge-
noot, dien zij verlangde lief te hebben, als een dwaas
te verachten. Hoe afschuwelijk moet de zonde zijn
in het oog van Gods heiligheid; hoe laag, hoe leelijk,
hoe verachtelijk moet de mensen worden door het
slechte humeur, de spijtige zelfzucht, het liegen en
bedriegen, de valschheid! Toch veracht Hij niemand,
want Hij is goedertieren.
Wij zien het in de geschiedenis van den zondeval.
Hier is het schepsel uit stof geschapen en met
de majesteit van den wil begiftigd, in alles van God
afhankelijk en door Hem met allerlei goed gezegend.
Hij staat echter tegen den Allerhoogste op en maakt
zich onafhankelijk. "Wel mocht nu de machtige God
van hemel en aarde zijn zwak schepsel om zulk een
dwaze, onzinnige daad verachten. „Dwaze ziel, ik
zal u in het stof terugstooten; ik zal de verheven
gave, waarmede ik u had vereerd, van u terugnemen
en de majesteit van den wil zult gij niet langer be-
zitten. Ga, neem uwe plaats in onder de dieren
des velds, voortaan zijt gij ongeschikt om goed
van kwaad te kunnen onderscheiden, niet in staat
een eigen wil of keuze te hebben; gij zult als de
dieren uw instinkt volgen en niet meer uw ver-
stand ; gij leeft bij het tegenwoordige; gij zult eten,
drinken en slapen en daarna wederkeeren tot de
-ocr page 49-
.
41
aarde, waaruit gij genomen zijt: gij hebt uzelven
onwaardig en ongeschikt betoond, om zulk een zegen
te ontvangen." Zoo zouden wij misschien verwacht
hebben, God te hooren spreken. Maar Hij is goe-
dertieren. Met lijdzame hoop, met onwrikbaar ver-
trouwen, met oneindige liefde buigt Hij zich over
den mensch neder en veracht hem niet. En ziet,
Hij geeft hem de belofte van den Zoon Gods tot
redding en zaligheid. Het zaad der vrouw zal den
kop der slang vermorselen.
Maar er is meer in deze waarheid — oneindig
meer dan Elihu ooit vermoedde. Versmaden! neen
waarlijk, om den versmade op te richten en te ver-
lossen wordt Hij zelve versmaad en veracht! Worden
de zwakken en de kleinen veracht, zij die geen
kracht hebben, om zichzelven te beschermen en geen
helper om hen te redden? Hij wordt geboren als
een klein Kind en in de kribbe gelegd, in doeken
gewonden, blootgesteld aan al de ongemakken der
armoede. Hij zelve is zwak en klein en hulpeloos,
opdat Hij de zwakken en kleinen mocht heiligen en
Gode welbehagelijk maken. Worden de armen ver-
acht? Zijn de geringen de slaven van anderen? Hij,
die rijk was, heeft zich om onzentwil ontledigd, is
veracht geworden en heeft in één woord de gestalte
van een dienstknecht aangenomen, opdat wij door
Zijne armoede rijk mochten worden.
En ziet, het wonderlijkst van alles — daar hangt
Hij aan het hout als de verachte en verworpene onder
de menschen, opdat Hij den vloek der zonde mocht
-ocr page 50-
42
dragen en ons uit onzen schuld en onze doemwaardig-
heid mocht opheffen tot Zijn eigen geluk en heerlijk-
heid. Niemand werd ooit zoo bespot en veracht als Hij,
toen Hij daar aan het smadelijk kruis hing. De voor-
bij gangers schudden hunne hoofden en bespotten
Hem; de priesters en schriftgeleerden spraken
hunne verachting uit; de soldaten belachten Hem
op ruwe wijze; de menigte bespotte Hem, en de
kwaaddoeners zelfs voegden hunne bittere smaadre-
denen bij den spot, waarmede Hij van alle kanten
bejegend werd. Dit kruis van Christus is de verkla-
ring van den tekst, dien het ons in al Zijne heerlijke
volheid voor oogen plaatst: Hij veracht niemand,
want Hij is goedertieren.
Beschouwen wij nog eenmaal Zijn leven. Nooit
vertoonde dat wezen een blik van minachting, nooit
werd iemand door Hem veracht.
Daar nadert Hem een melaatsche, gesmaad en ver-
acht van alle menschen, iemand voor wien ieder af-
schuw gevoelt en tegenover wien zelfs het medelij -
den vergeten werd. Maar Hij buigt zich over den
ongelukkige met ontferming neder en de hand uit-
strekkend, raakt Hij hem aan en maakt hem gezond.
Daar komt ook de verachte vrouw, door de Farizeën
met diepe minachting aangezien, en over wie zij
vol afgrijzen met elkander fluisterden, toen zij bin-
nenkwam; maar ook voor haar is er in dit groote
hart plaats en aan Zijne voeten nedervallend vindt
zij zegen en liefde en een nieuw leven, onschuldig
en rein als het leven van een klein kind.
-ocr page 51-
43
Laat ons zoo stoutmoedig zijn, om deze gezegende
waarheid tot de onze te maken. Hij kent ons door
en door"; Hij leest in ons hart en weet onze zwakheid,
dwaasheden en zonde. En toch — Hij veracht ons
niet, want Hij is goedertieren.
Laat ieder onzer de
genade zoeken van zoo aan God gelijkvormig te
worden. Het staat in ons aller macht, om onze
nog ongeredde medemenschen in hunne zonden onder
te houden; de ketenen der zonde, waarmede zij geboeid
zijn, vaster te klinken en het matte schemerlicht
der hoop in hen uit te blusschen, en dat: door hen
met minachting te bejegenen. Teleurstelling komt de
mensch te boven; vertwijfeling niet. Als wij ons
onder de menschen bewegen met Goddelijke ontfer-
ming aangedaan, zullen wij den kouden winter uit
menig hart verdrijven en de gezegende lentewarm te
daarin doen ontstaan.
-ocr page 52-
I
DERDE HOOFDSTUK.
DE VOOEKECHTEN VAN DEN BURGERSTAND.
En de menigte der schare hoorde Hem
gaarne. Mark. XII: 37.
Zoolang de wereld bestaat zal men er deeen-
voudige volksklasse ruim vertegenwoordigd vin-
den. Naarmate het volk zich vermenigvuldigt, neemt
ook de eenvoudige volksklasse toe; en met het toe-
nemen der beschaving zullen de groote kloven, die de
menschen scheiden, zeker gedempt worden, de geringen
zullen opgeheven worden en de grooten zullen af-
dalen, en alles zal, Goddank, meer en meer bijdra-
gen tot het nut van den eenvoudigen stand. De
welvaart van de wereld hangt samen met de wei-
vaart van den werkenden stand.
Eenigen tijd geleden stond er een belangwekkend
stukje over Bergstompen in een tijdschrift, waarin
de schrijver de heuvelen van Dartmoor beschreef
als de afgeknotte stompen van eene oude bergketen,
die eens met de Alpen had kunnen wedijveren.
-ocr page 53-
45
Daarin werd verder verteld, hoe in den loop der
eeuwen duizend verraderlijke en verborgen invloeden
aan het werk zijn geweest, om deze hoogten af te
slijpen en ze te verspreiden in de korenvelden en
de weilanden van Devon. In het maatschappelijk
leven zijn er gelijksoortige krachten aan het werk,
die de machtigen vernederen en de voorrechten
van de hoogverhevenen op het volk doen over-
gaan, niet door revolutie of communisme, maar ook
hier door onmerkbare, verborgene, doch onweder-
staanbare invloeden. De toekomst der wereld behoort
aan de eenvoudige volksklasse. De godsdienst van
de toekomst is die godsdienst, die het geschiktst is
voor de volksklasse, en dat is de godsdienst van
Jezus Christus. Dit is Zijn roem en onderscheiding:
De menigte der schare hoorde Hem gaarne.
Het gebeurde eens, dat iemand in het bijzijn van
Abraham Lincoln over een of ander openbaar per-
soon sprak als zijnde iemand van een alledaagsch
voorkomen. Lincoln antwoordde: „De Heer geeft de
voorkeur aan menschen met een alledaagsch voor-
komen — daarom heeft Hij er zoo velen geschapen."
De Heer Jezus gaf ook zeker de voorkeur aan de
eenvoudige volksklasse. Hij heeft verkozen onder hen
geboren te worden en Zijn gansche leven onder hen
te wonen. Hij verliet gaarne het gezelschap van de
schriftgeleerden en Farizeën in Judea, om te gaan
naar de schare in Galilea. In hen vond Hij Zijne
aandachtigste toehoorders, Zijne meest betrouw-
bare volgers, Zijne meest toegewijde discipelen. He-
-ocr page 54-
46
rodes en Pilatus vonden geen schuld in Hem, maar
zij moesten hunne positie in acht nemen. Wie weet
of ieder van hen niet zuchtend tot zichzelven gezegd
heeft: Als ik maar iemand uit het volk was en doen
kon wat ik wilde, maar!
... Het is altijd zoo moeie-
lijk, om te doen wat men wil, indien men een hoog-
geplaatst persoon is. Nicodemus bracht Jezus een
beschermend bezoek bij nacht en later waagde hij
het aan Pilatus vergunning te vragen, om Hem te
begraven. En Jozef van Arimathea stond Hem eene
begraafplaats af. Maar het was moeielijker voor hen
om Zijne discipelen te worden dan voor de visschers
van Galilea.
Eens echter kwam er een zeer rijk man, om een
onderhoud met Jezus te hebben, maar hij was de
eenige, die ooit van den Zaligmaker heenging even
arm als hij gekomen was — die treurig heenging
in plaats van blijde. Onder de eenvoudige lieden trof
Jezus een waar geloof aan en eene liefde, die Hem gaarne
diende; de eenige vreugde, de eenige opbeuring en
vriendschap, die hij ooit in Zijn leven ontmoette,
vond hij in het gezelschap en in de hulp van de een-
voudigen dezer aarde.
Waarlijk, wij moesten de voorrechten van de een-
voudige standen der maatschappij meer op prijs
stellen. Anderen moeten soms hunne meening wij-
zigen naar hunne positie; hunne opvattingen worden
op allerlei wijzen gevormd en geleid door hunne op-
voeding. "Vroegere vooroordeelen zijn zeer moeielijk
uit te roeien en al worden zij overwonnen, toch
-ocr page 55-
47
zullen zij zich nog gedurig laten gevoelen. Wij ver-
gissen ons zeer, wanneer wij meenen, dab het voor
ieder even gemakkelijk zal zijn, de waarheid aan te
nemen en zich even spoedig en op dezelfde wijze
als ieder ander aan de zijde der discipelen des
Heeren te scharen. De omstandigheden maken iets
voor den een zeer moeielijk, wat voor den ander
gemakkelijk is. Er staat geschreven: „velen geloofden
in Hem, maar niet openlijk, uit vrees der Joden."
Hunne geheimhouding prijs ik niet aan, maar ik ben
er dankbaar voor, dat hun geloof ons is medege-
deeld; en ik zie niet in, dat hunne geheimhouding
hun geloof schade deed. Beter een verborgen geloof
dan geen geloof. Nicodemus kwam des nachts — het
zou misschien beter van hem geweest zijn, indien
hij overdag gekomen ware; maar het is stellig beter
om des nachts dan om in het geheel niet te komen,
Paulus predikte in het bijzonder tot hen, die aanzienlijk
waren en was niet beschaamd over zichzelven noch
over hen. God heeft het zoo beschikt, dat de kleine
kinderen leeren loopen, vóór zij leeren spreken en
loopen is eene moeielijke zaak, vooral voor hen, die
gewoon zijn gedragen te worden. Dit alles wordt
maar al te dikwijls vergeten. Medelijden met de armen
is een gevoel, dat wij allen kennen, en ik hoop dat
wij er naar handelen. Maar er is eene andere uit-
spraak, waarmede wij ook vertrouwd moeten worden.
Héb medelijden met de arme rijken. Bid voor hen, en vraag
God, dat wij hen mogen helpen. "Wij, alledaagsche
menschen, zijn een soort van maagdelij ken grond
-ocr page 56-
48
gelijk de prairiën, vrij en geopend voor het zaad der
waarheid. Maar de schriftgeleerden en Farizeën van
voorheen en van thans zijn aan de statige wouden
gelijk, waar veel omgehouwen en uitgeroeid moet
worden, vóór er ruimte is om te zaaien; en helaas!
de takken spreiden zich ver uit en de wortels gaan
diep in den grond en het uitroeien is eene zeer
moeielijke en misschien pijnlijke zaak. Er zijn verfij-
ningen, die eene bijzondere gevoeligheid in het leven
roepen en die iemand blootstellen aan dubbel lijden —
verkeerd begrepen te worden door hen, die men
verlaat en door hen, waarbij men zich voegt. Wanneer
men iemand zou benijden, zou men het iemand uit
den eenvoudigen middenstand moeten doen, die noch
zeer arm noch zeer rijk is; lieden, die de waarheid
in al hare eenvoudigheid kunnen ontvangen, omdat
zij een eenvoudig leven lijden en eenvoudige men-
schen zijn en Christus des te gereedelijker kunnen
volgen, omdat zij weinig hebben achter te laten.
Het is waar, Petrus zeide eens: „Wij hebben alles ver-
laten en zijn U gevolgd", maar voor zoo ver wij weten
bestond zijne bezitting alleen in een derde gedeelte
van een visschersboot en wat vischtuig, dat niet
heel veel zou opbrengen. Dit is het voordeel van de
eenvoudige lieden — zij kunnen Hem met vreugde
hooren overal waar Hij zich bevindt en zij kunnen
heengaan, om Hem te volgen.
De godsdienst van Jezus Christus is de godsdienst
voor de onaanzienlijken, omdat hij hen uit hun gerin-
gen staat opheft.
-ocr page 57-
49
Zelfs in deze eeuw, de beste die de wereld ooit
gekend heeft, is de grootste misdaad, waaraan iemand
schuldig kan zijn, dat hij een onaanzienlijk mensen
is. De wereld, zelfs de godsdienstige wereld, kan slecht-
heid nog wel verdragen, mits die maar gevonden
wordt in schitterende kringen en bij aanzienlijke
personen. Vernuft is nog altijd meer waard dan
deugd. Maar, hoe slecht dit alles ook in onzen tijd
moge zijn, het is ons bijna onmogelijk om ons
de trotsche hoogheid voor te stellen, waarmede de
voorname personen onder Joden, Grieken en Romei-
nen deze aarde bewandelden, en de grenzenlooze ver-
achting te begrijpen, waarmede zij zich van het volk
afkeerden. Het begrip zelfs van gelijkheid onder de
menschen was niet in de wereld doorgedrongen;
zelfs de verstandige Griek had geen woord, om dit
begrip uit te drukken. Jezus Christus leerde deze
waarheid het eerst en bevestigde ze. Jezus Christus
heeft ons geheel verlost van het alledaagsche. Hij
heeft het geheele menschengeslacht opgeheven en
geheiligd door een onzer te worden; door een met ons
te worden, door Zijne Openbaring van den Kader, en
door hetgeen Hij voor ons gedaan heeft.
Laat ons een oogenblik samen deze punten na-
gaan. Jezus Christus heeft al het onbeduidende, het alle-
daagsche uit de menschheid te niet gedaan door mensch
te worden gelijk wij.
Wij noemen dingen alledaagsch,
waarvan er veel zijn. Wie kan het dan helpen
alledaagsch te zijn, waar zooveel mannen en vrouwen
in zulk eene menigte gevonden worden. Het goed-
4
-ocr page 58-
I
50
koopste in de wereld zijn mannen en vrouwen. Maar
Jezus Christus heeft een prijs op de menschheid gezet,
en welk een prijs! Hij verbaasde de wereld door te
vragen, hoeveel een mensch een schaap te boven
gaat? Een schaap — wel, dat is geld waard; een
schaap wordt verzorgd; een schaap krijgt frissche
lucht en eene groene weide! Maar hoe groot is de
waarde van de menschheid nu, sedert de Zoon van
God uit den hemel nederdaalde, om deze zelfde
menschelijke natuur op Zich te nemen, been van
ons been en vleesch van ons vleesch te worden: om
het kleine Kindje onder de kleinen te worden, de
Knaap onder de kinderen, de Man onder de men-
schen? Indien men dat niet noemen kan het alle-
daagsche, dat door God geheiligd is, wat dan te zeg-
gen van die menschheid, waartoe God Zelve zich
heeft nedergebogen, om onder haar te wonen.
Hij sprak met menschelijke lippen; Hij strekte
vriendelijke menschenhanden uit naar de ongelukki-
gen; Hij boog zich neder over de arme wereld en
weende om haar leed; Zijne handen en voeten werden
tot ons heil aan het vreeselij k kruis genageld en nu
is daardoor onze menschelijke natuur opgeheven en
verheerlijkt. Op den troon des heelals gezeten en
den schepter over de werelden voerend is Hij, die
nog onze Broeder wil genoemd worden, Koning der
koningen en Heer der heeren! De menschheid is geene
onbeduidende zaak meer. Christus heeft haar voor altijd
geheiligd, veredeld en opgeheven. Door een onzer te
worden, heeft Hij ons verlost van het alledaagsche.
-ocr page 59-
51
Hij heeft ons ook van het alledaagsche verlost door
een met ons. te worden.
Wij noemen dat alledaagsch,
wat voor algemeen gebruik is. Helaas, wat is het
leven eene ongelukkige zaak, wanneer men hongerig
is en wanneer men in het zweet zijns aanschijns zijn
brood moet verdienen ! De menschelijke natuur heeft
niet veel te beteekenen, tenzij zij prachtig gekleed is,
door rijkdom omgeven, door kunst omringd en wan-
neer de gaven der natuur met kwistige hand er over
worden uitgestrooid.
Maar kom en zie de verlossing en de opheffing der
menschheid.
De Zoon Gods, de Koning der eere, wordt een
Kind in doeken gewonden en in eene kribbe ge-
legd, te midden van al de ongemakken der . ar-
moede. Is dit niet de Timmerman, die daar in
Zijne werkplaats met bijl, schaaf en zaag bezig
was? Hoe hard moet Hij werken, om Zijne moeder
eene woning te verschaffen en het dagelij ksch brood
te verdienen! Hoe zien wij Hem later zondereigen
tehuis en hongerig, zonder eene plaats om het
hoofd neder te leggen! Hoe vermoeid is Hij; Hij
heeft zelfs geen tijd om te eten! Hoe weinig kent
Hij de weelde dezer wereld, Hij, die op het ruwe
dek van het schip als op een bed rustte, door de
golven bevochtigd, en gekleed met een eenvoudig
gewaad, dat Hem nauwelijks tegen den guren
nachtwind kon beschermen! Hoe arm is Hij, die
met Zijn laatsten ademtocht Zijne moeder aan de
zorg van Zijn discipel moest toevertrouwen! Laat
-ocr page 60-
52
ons dezen toestand des levens, dien onze gezegende
Meester als de Zijne verkoos aan te nemen, toch
niet meer als alledaagsch beschouwen. In deze
eenvoudige omstandigheden leefde Hij het edelste
en verhevenste leven, dat de aarde ooit gezien heeft.
Hij verkoos het leven in den eenvoudigen stand als
dat, waarin Hij het best Zijns Vaders wil kon vol-
brengen en eene verloren gaande wereld het best kon
zegenen. Hij heeft den mensch boven zijne omstan-
digheden verheven.
Christus heeft ons verlost van het alledaagsche door
ons den Vader te openbaren.
Voor de liefde is niets
onbeduidend. Hoe onbeduidend was die arme jon-
gen, toen hij langs de schrale heuvelzij de de zwij-
nen moest hoeden, en bijna van honger omkwam —
verloren, onbekend, door niemand in dat verre land
geliefd. Maar daar komt hij thuis! En toen hij nog
zeer verre was, zag hem zijn vader, en liep hem te
gemoet en omhelsde en kuste hem. O, hij is nu
een persoon van zeer veel aanbelang! „Brengt hier
voort het beste kleed" — niets is nu goed genoeg
voor hem — „den ring voor zijn vinger, schoenen
voor zijne voeten en het gemeste kalf." Hij is nu
de hoofdpersoon. Deze mijn zoon! Zoo verlost God
ons van het alledaagsche. Ziet, hoe groote liefde ons
de Vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods zouden
genaamd worden: en dit z\'jn wij.
Hij is geen onbedui-
dend persoon, die, hoewel niet onderscheiden van de
menigte, kan nederknielen en zeggen: Onze Vader,
die in de hemelen zijt.
-ocr page 61-
53
Verder heeft Jezus Christus onze menschheid van
het alledaagsche verlost, door hetgeen Hij voor ons
gedaan heeft en doen zal.
Mijn broeder! wie gij ook
zijn moogt, indien gij des Heeren zijt en Hij de
uwe is, hef uw hoofd omhoog en wandel op aarde,
alsof gij iemand van aanbelang waart. Welke eer-
zucht, welke onderscheiding kan hiermede vergeleken
worden: de Zoon van God heeft mij lief gehad en zich-
zelven voor mij overgegeven!
Welke grootsche verwachting, welke rijke erfenis
staat hiermede gelijk: voorts is mij weggelegd de kroon
der gerechtigheid, welke de Heer, de rechtvaardige Rech-
ter, mij in dien dag geven zal."
Hij is geen alledaagsch persoon, die door geboorte
zoo verheven is, door familiebetrekking zoo hoog
onderscheiden, en die recht en aanspraak heeft op
zulk eene schoone bezitting, die hem wacht: „En wan-
neer de Zoon des menschen komen zal in Zijne heerlijk-
heid, dan zal Hij zeggen tot degenen, die aan Zijne
rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden mijns Vaders,
beërft het koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grond-
legging der wereld."
„ En zij zullen in eeuwigheid regceren."
Het leven verliest zijne onbeduidendheid in Hem,
en vindt in Hem zijne heerlijkheid, even als het
zaad, dat op den korenzolder lag als eene onbedui-
dende, onbeteekenende massa, maar in den akker
zichzelven verloor om zichzelven te vinden, en ont-
sproot als iets zoo schoons, dat zelfs Salomo in al
zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk een
van deze.
-ocr page 62-
\'
54
De gaven, die de Heiland zoekt, zijn gaven die
Hem de eenvoudigen kunnen brengen, — geloof,
dat Hem aanneemt en liefde, die Hem dient.
De gave, die de Heiland aanbiedt, is eene gave
welke door de eenvoudigen kan aangenomen wor-
den - HEMZELVEN ALS ONZE ZALIGMAKER,
ONZE BROEDER EN ONS AL.
-ocr page 63-
VIERDE HOOFDSTUK.
JEZUS EN NICODEMUS.
„Voorwaar, voorwaar zeg ik u: tenzij
dat iemand wederom geboren worde, hij
kan het koninkrijk Gods niet zien."
Joh. 111:3.
Dit hoofdstuk behoort zeker onder de wonder-
lijkste van den Bijbel. Het zou moeielijk zijn,
om een vers te vinden, dat zooveel inhoudt als het
zestiende vers van dit hoofdstuk. Het omvat het
oneindige: het oneindige in de liefde van God, in
den persoon van Christus, in de natuur des men-
schen — in hemel, aarde en hel. Maar het wonder
der wonderen is in dit hoofdstuk de onbewuste
openbaring van de grootheid en de heerlijkheid van
Christus. Het is een visioen als dat van Jacob —
eene ladder van de aarde naar den hemel reikende.
Roep u voor den geest den jongen Timmerman
van Nazareth, die een wonderbaar afgezonderd leven
heeft geleid — een leven, eenzaam en weinig begre-
-ocr page 64-
56
pen door hen, die Hem omringden. Plotseling op
dertigjarigen leeftijd aanvaardt Hij Zijn verheven
roeping en treedt in het openbaar op en in het
midden van eene groote menigte te Jeruzalem pre-
dikt Hij het koninkrijk Gods en doet vele teekenen.
En nu komt Nicodemus Hem bezoeken.
Deze Nicodemus is een man van goede positie in
de wereld, een raadslid en een voornaam persoon.
Wat zijn komen in den nacht betreft, misschien
was hij er nog niet op voorbereid, om den Heer
in het openbaar te belijden; maar het is even waar-
schijnlijk, dat hij op dit vreemde uur kwam, omdat
Hij wist, dat dit de eenige tijd was, waarop hij Jezus
waarschijnlijk een oogenblik rustig zou kunnen
spreken. "Wat er verder van hem wordt medege-
deeld doet ons hem kennen, niet als iemajid, die
verlegen of dubbelhartig is, maar juist als een moedig
en bedachtzaam man.
Zoo komt dan deze man van invloed den jongen
Profeet van Nazareth bezoeken. Hij beschouwt Hem
zeker als een man door God gezonden, maar is ge-
heel onwetend van Zijn verheven oorsprong en van
het groote doel Zijner komst. Hij wil Hem een
woord van vriendelijke aanmoediging geven. Wij
zijn zoo gewoon den Bijbel als een tekstboek voor
onze leerstukken te beschouwen, dat veel, indien
niet al het natuurlijke, er uit is verwijderd door
onze diepzinnige theologie. Het schijnt bijna ver-
keerd om te veronderstellen, dat Nicodemus met den
jongen Profeet was komen spreken over den maat-
-ocr page 65-
:                                    -
57
schappelijken en politieken toestand van Israël, zoo-
als een politiek leider heden ten dage een leeraar
zou kunnen gaan spreken, wiens helder inzicht en
ernstige woorden juist voor de tijdsomstandigheden
geschikt schijnen. Zoo zitten zij bij elkander.
Op een toon van grooten eerbied begint Nicode-
mus het gesprek. „Rabbi! wij weten, dat gij zij t een
leeraar van God gekomen: want niemand kan deze
teekenen doen, die gij doet, zoo God niet met hem
is. Wij weten — dit wordt niet uit de hoogte of
beleedigend gezegd, maar met het kalm zelfvertrouwen
van een man, die gewoon is met gezag te spreken,
en wiens woorden eerbiedig aangehoord en gehoor-
zaamd worden.
Jezus ziet hem aan met dat helder oog, dat in
iemands hart leest: „Voortvaar, voorwaar, zeg ik u"
hier is het bewustzijn van een verheven gezag, van
eene verheven, instinctmatige en natuurlijke ver-
zekerdheid. Ik segu — let op het persoonlijke hiervan.
Nicodemus wordt afgescheiden van de leeraars, van
Israël, van het gansche geslacht. Hij stond alleen
in \'s Heeren tegenwoordigheid. Ik zeg u — Nico-
demus, een leeraar van Israël, een Overste der Joden,
tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het ko-
ninkrijk Gods niet zien.
Meen niet, dat het koninkrijk
Gods den hemel beteekent — wij denken dat alles
alleen op den hemel betrekking heeft en zoo stellen
wij hetgeen wij nu en hier het meest behoeven,
buiten ons bereik. Het koninkrijk Gods is natuurlijk
de plaats, waar God gekend, bemind en gediend
-ocr page 66-
.
58
wordt, waar Hij als koning wordt erkend. Voor
Nicodemus was dit Judea. Voor ons is het de plaats
onzer woning, of moest het ten minste sijn. Gij zegt:
„ Wij weten." Ik zeg u: „Wanneer iemand niet wederom
geboren wordt, heeft hij geene oogen om het konink-
rijk Gods te zien" — hij weet niet wat het is en
waai* het is; hij heeft geene zintuigen, om het waar
te nemen.
De toon en de wijze van spreken waren even
indrukwekkend, als de woorden geheimzinnig waren.
Terstond, zonder eenige moeite, met de grootste ge-
makkelijkheid wordt de jonge Profeet, Leeraar, bij
ieder woord hooger en hooger stijgende, totdat hij
daar staat als de eeniggeboren Zoon des Vaders;
en Nicodemus daalt van den toon der vertrouwe-
lij ke verzekerdheid tot de nederige vraag :„ Hoe kun-
nen deze dingen geschieden?"
En dan buigt hij zich
nog dieper in een bewonderend en aanbiddend stil-
zwijgen.
Voor den leeraar met zijn nationalen trots, zich
grondend op het roemrijk verleden zijns volks, diens
heerlijke voorrechten, de schitterende beloften, die
het tot de gunstelingen des Hemels maakten, was
dit een onbegrijpelijk woord. Natuurlijk hadden de
heidenen, die geene kinderen van Abraham waren,
noodig om wederom geboren te worden. Z#behoor-
den niet tot het uitverkoren volk, en moesten door
den doop gereinigd en geheiligd worden, vóór het
hun kon toegelaten worden God te dienen, en onder-
danen van Zijn rijk te worden.
-ocr page 67-
■ ■
59
Maar wat beteekenden deze woorden voor Nico-
demus? "Waarom werd tot hem zoo op den man
af gezegd: „Ik zeg U?" Hij was van de secte der
Faiïzeën, een overste der Joden, uit den binnensten
cirkel van de uitverkorenen des Hemels.
Nicodemus is verbaasd, misschien is daar wel
iets van verontwaardiging in den toon van zijn
antwoord.
„Wat bedoelt gij?" vraagt hij; „gij kunt toch niet
meenen, dat een mensch werkelijk ten tweede male
geboren kan worden?"
Wederom klonken daar de ernstige woorden van
Jezus, terwijl de doordringende oogen op hem rustten
en zijn hart doorschouwden.
„Voorwaar, voorwaar, zeg ik u: zoo iemand niet
geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het
koninkrijk Gods niet ingaan."
Geboren uit water — dit was de eenige vernieu-
wing, waarvan Nicodemus iets wist, de doop van hen,
die tot het Joodsche geloof overgingen, of de doop
van hen, die onder leiding van Johannes den doo-
per, zich voorbereidden voor de nieuwe openbaring
van het koninkrijk Gods. Maar dat was slechts een
vorm, waarvan dit het wezen en de werkelijkheid
was: „Zoo iemand niet geboren wordt uit wateren
Geest, hij kan in het koninkrijk Gods niet ingaan" —
niet alleen, dat zoo iemand niet in het koninkrijk
is, maar hij kan er zelfs niet inkomen. Hetgeen uit
het vleesch geboren is, dat is vleesch; alleen dat uit
God geboren is, kan God kennen, Hem liefhebben
-ocr page 68-
60
en dienen. Zoo daalt de leeraar al dieper en de een-
voudige Man uit Nazareth stijgt hooger, wordt een
Leeraar van de verhevenste waarheden, die door Hem
niet twijfelend worden uitgesproken, alsof Hij ze
slechts flauw vermoedt, maar op een toon van gezag
worden verkondigd. Jezus gaat niet voorzichtig van
het eene punt tot het andere over, gelijk de zeelieden
uit den ouden tijd van de eene kaap naar de andere
overstaken, onzeker wat er achter mocht liggen;
Hij blikt neder op de geheele afgeronde waarheid
in al hare volheid. Voorwaar, voorwaar, zeg ik u,
wij spreken wat tvij weten en getuigen wat wij gezien
hebben.
Ik zeg u. Het persoonlijke geeft aan het ver-
haal meer levendigheid van voorstelling; het
geeft eene volheid en kracht, die wij niet kunnen
missen.
Indien geboorte en godsdienstige voorrechten er
iets toe konden bijbrengen, om iemand in het
koninkrijk Gods te doen binnengaan, zou Nicode-
mus zeker aanspraak kunnen maken, om daar te zijn.
Zijn geslachtsboom klom zonder breuk tot Abraham
op, aan wien het beloofd was, dat in zijn geslacht
alle geslachten der aarde zouden gezegend worden.
Hij behoorde tot een volk, dat door uitreddingen en
beloften, zoo als aan geene natie gegeven waren, be-
wijzen kon, Gods volk te zijn. Indien ooit iemand
aanspraak kon maken, om tot Gods kinderen tebe-
hooren door het nauwgezet vervullen zijner gods-
dienstige plichten, dan was hij dit. Hij was door het
-ocr page 69-
■■
61
oorspronkelijk sacrament aan God geheiligd, was
nauwgezet in het gebed, in het onderzoeken der Schrif-
ten, en in het nakomen van de wet. Indien uiterlijke
ceremoniën iemand het koninkrijk Gods konden
doen binnengaan, kon niemand daarop meer aan-
spraak maken dan Nicodemus, die iederen dag en
ieder uur van zijn leven doorbracht in allerlei gods-
dienstige plechtigheden, die met de ijverigste nauw-
gezetheid werden waargenomen. Indien de godsdienst
bestaat in begrippen, schriftuurlijke en orthodoxe
begrippen, in godsdienstzin, in vrome gebeden, in
edelmoedige gevoelens, dan is hier iemand, wien het
aan niets van dien aard ontbreekt. Toch wordt tot hem
gezegd: Voorwaar, voorwaar, ik zeg «, tenzij iemand
wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods
niet zien.
Maar — was dan al het bestaande niet anders
dan dwaasheid ? De geheele inrichting van den Jood-
schen godsdienst met zijne besnijdenis, altaren, pries-
ters, offers, profetieën, van geen nut, ofschoon God
Zelve het alles zoo had ingesteld en bevolen ? Juist,
het had alles geene nuttigheid, tenzij het wees op
iets hoogers. Het was onnut, even goed als voedsel,
licht en lucht, en opvoeding, omgang en beschaving
onnut zijn voor een doode. Schenk hem het leven —
en dan zullen deze dingen hem nuttig zijn, hem
dienen en hem zegen aanbrengen. Hij moet eerst
leven.
Sacramenten, dienst, prediking, de Schriften,
de geloofsbelijdenis kunnen slechts dan, wanneer
iemand leeft, van nut zijn, maar vóór alles moet
-ocr page 70-
62
er leven zijn. De Heilige G-eest Gods kan van al
deze dingen gebruik maken, doet dit zelfs dik-
wijls, misschien gewoonlijk, om door deze dingen op
de ziel in te werken. Maar zonder Hem hebben
zij geen nut. En Hij is aan geen dezer dingen ge-
bonden.
Sommigen meenen, dat het leven Godsnoodzake-
lijk en onfeilbaar aan de ziel wordt medegedeeld
door de sacramenten. Wij willen de sacramenten
niet gering schatten, maar toch vragen wij: „Waar
leest gij van doop en avondmaal op den grooten dag
van het Pinksterfeest?" Het was niet door de
sacramenten, dat de Heilige Geest het schuldgevoel
opwekte en de menschen bracht tot den uitroep:
„Mannen, broeders, wat moeten wij doen?" Ga de
geschiedenis na van de eerste gemeente, gelijk wij
die in het Nieuwe Testament beschreven vinden en
zoek naar de verborgenheid van het sacrament; —
uw zoeken zal te vergeefs zijn.
Gewoonlijk werkt de Heilige Geest op de men-
schen in onder de prediking des woords. Zelfs de
gave der talen bewijst, dat dit het middel is, waar-
door het licht en het vuur van God de harten der
menschen bereiken zullen. En het gebed der aposte-
len is, om te mogen spreken. Hij, die gezonden was, om
het Evangelie te prediken, verklaart, dat hij niet
gezonden was om te doopen, en verheugt er zich
in, dat hij maar twee personen in de geheele ge-
meente van Corinthe had gedoopt. Toch is het niet
altijd onder de prediking des woords, dat de kracht
-ocr page 71-
63
des Heiligen Geestes over de menschen komt, want
er is verschil van werking. Paulus wordt getroffen
onder een verblindend licht uit den hemel, terwijl
God Cornelius tegen komt in de stilte van zijne eigene
kamer. De naar huis terugkeerende Ethiopiër zit op
zijn wagen, toen hem Filippus ontmoet en hem
Jezus predikt. Lydia\'s hart wordt door den Heer
geopend, als Paulus predikt aan den oever der rivier;
en de gevangenbewaarder, bevend en verschrikt door
de vreeselijke aardbeving luistert naar de tijding van
Gods liefde en wordt behouden. In geen dezer ge-
vallen is een sacrament de aanvang van het werk
der genade, evenmin als toen de moordenaar aan
het kruis van Golgotha naar het Paradijs werd over-
geplaatst.
De eenige groote waarheid, die wij moeten vast-
houden is deze: daar moet eene werkelijke gemeen-
schap zijn lusschen God en onze ziel;
vormen, hoe
plechtig ook, en eene prediking al is zij nog zoo
indrukwekkend, zelfs de verhevenste waarheden zijn
niets, afgescheiden van de herscheppende kracht des
Heiligen Geestes. Gij moet wederom, geboren worden.
Gij moet: zoo zegt Christus, de Heer. Voorwaar, voor-
waar zeg ik u —
met denzelfden ernst wordt dit woord
tot ieder van ons gesproken. Hierop komt alles aan.
Het is eene zaak van leven en dood - eene zaak
van eeuwig leven of van eeuwigen dood. Laat ons
haar als zoodanig aannemen en betrachten. Gij moet
wederom geboren worden. Hoe
is eene verborgenheid,
gelijk Christus Zelve ons mededeelt en voor ieder
-ocr page 72-
64
verschillend, gelijk de Bijbel en ieders ervaring lee-
ren. Maar wat ons alleen aangaat is te weten, dat
het werk van den Heiligen Geest in ons plaats
vindt en ons eene nieuwe natuur mededeelt.
Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch. Het
vleesch is datgene, waardoor wij in gemeenschap zijn
met de wereld. Het is niet noodwendig iets kwaads,
zeker niet als zoodanig vervloekt. Door onze geboorte
uit het vleesch zijn wij geschikt voor de wereld
rondom ons; wij hebben oogen, om haar licht te
aanschouwen en zintuigen, die ons in staat stellen
aan ieder vereischte te voldoen; wij hebben de
macht, om de wereld ons voordeel te doen aan-
brengen, om ze ons toe te eigenen, te gebruiken en
te genieten. Maar buiten deze wereld, waaraan het
vleesch ons verbindt, is er eene andere wereld, die
onze oogen niet kunnen zien, onze handen niet kun-
nen tasten, ons verstand niet kan ontdekken. Wij
kunnen er niet binnengaan door eenige natuurlijke,
kracht.
En nu komt Gods Heilige Geest, om ons een ander
leven mede te deelen; om ons door eene nieuwe ge-
boorte geschikt te maken, om het leven Gods in te
gaan, juist zoo als de natuurlijke geboorte ons ge-
schikt maakte voor het leven in deze wereld. Zoo
worden wij der goddelijke natuur deelachtig, met
nieuwe zintuigen begiftigd en geschikt voor onzen
nieuwen toestand. Nu wordt God door ons gekend
en geloofd en bemind als een Vader, want er is een
nieuw bewustzijn, waaraan God zich openbaart.
-ocr page 73-
65
Jezus Christus is niet alleen eene herinnering, een
naam, maar een Almachtige Zaligmaker, een inwo-
nend Vriend en Broeder, de kracht en vreugde onzes
harten; onze ziel behoort Hem toe, tot wien wij
roepen: Mijn Heer en mijn God. Wij hebben een
nieuw levensdoel, nieuwe wenschen en verlangens
gekregen; ons leven hangt niet af van de omstan-
digheden buiten ons; wij zijn burgers van een ander
vaderland, verlangend naar de onderscheidingen, die
daar verkregen worden, ijverend voor zijn eer, be-
geerig om er een erfdeel in te ontvangen. Wij be-
zitten een leven, waarvan de dood niet het eind is,
maar de losmaking, de ontknooping, de „openbaring",
gelijk Johannes het uitdrukt. Uit God geboren, zijn
wij nu kinderen Gods, deelgenooten der Goddelijke
natuur, met al zijne uitgebreida. en onuitsprekelijke
vatbaarheden, erfgenamen Gods en mede-erfgenamen
van Jezus Christus.
En wanneer wij dit nu zoeken te bereiken, laat
ons er zeker van zijn, dat, indien het is wat het
zijn moet, het binnen ons bereik moet liggen. Indien
de Heer ieder onzer persoonlijk te gemoet treedt
met Zijn: Ik zeg «, gij moet wederom geboren worden,
dan kan ik er van verzekerd zijn, dat Hij deze
groote gave onder mijn bereik heeft gesteld. Laat
ons ijverig voortgaan, om de gave te zoeken, daar
alles afhangt van haar gemis of bezit.
Houd u er van verzekerd - DAT DE HEILIGE
GEEST VOOR IEDER GELOOVIGE VERKRIJG-
BAAR IS.
5
-ocr page 74-
66
Van deze vrije genadegift sluit God niemand uit.
Even zeker als G-ods liefde, waarvan niets ons kan
scheiden en die niemand kan beperken, de geheele
wereld omvat, en ook ons omsluit, afgescheiden van
den wil van paus of priester, van welk soort van
dienst ook, of van welk sacrament, even zeker als
Christus den dood voor ieder gesmaakt heeft, even
zeker als Zijne komst een feit is, dat niemand kan
uitwisschen en dat niemand kan beperken, even zeker
is de gave des Heiligen Oeestes voor ieder geloovige
verkrijgbaar.
Zij is aan geene enkele voorwaarde gebonden. De
doop is slechts het teeken, dat de Heilige Geest is
gegeven, even als het Avondmaal het feit van Chris-
tus\' dood aanschouwelijk voorstelt.
Gods oneindige goedheid is niet onderworpen aan
eenige gril of beperking van een mensch. Zijne
groote genade is aan geene plaats, aan geen vorm,
aan geen tijd gebonden. Zij is de gemeenschappe-
lijke en heerlijke erfenis van ieder man of vrouw —
Zijne vrije geest — die niet door enkele bevoor-
rechten kan gekocht worden, die door geene goed-
heid kan verdiend, die door geen gezag kan ver-
leend worden. Dit is even zeker het onze als de
Adams natuur, niet omdat wij christenen maar om-
dat wij menschen zijn, en niettegenstaande wij zon-
daars zijn.
Weten wij dit niet allen ? Hebben wij er niet allen
de bewijzen van? Tot ieder onzer is de Heilige
Geest gekomen, om zacht met ons te pleiten, ons
-ocr page 75-
67
aan te moedigen, heilige herinneringen in het ge-
heugen terug te roepen, vrees of begeerte in ons
op te wekken, een gevoel van zonde in ons levendig
te houden en ons aan te sporen tot een heilig leven.
Op deze wijze werkt de Heilige Geest in het hart
van alle menschen.
Maar nu treedt de verborgen kracht en de majesteit
van den wil tusschenbeide.
Wij kunnen den G-eest
wederstaan. Wij kunnen den Geest uitblusschen.
Wij kunnen ons overgeven aan den Geest. Zoo
velen er door den Geest geleid worden, die zijn
kinderen Gods. Het is deze verborgen macht, die
in ieders leven uitmaakt, wat het werk van den-
Heiligen Geest zal zijn. De liefde des Vaders is on-
gevraagd, onafhankelijk van onzen wil. Christus is
voor ons gestorven, zonder dat wij het vraagden of
begeerden. Maar de Heilige Geest wordt alleen ge-
geven aan hen, die er om vragen.
Hij komt tot alle menschen, om Zijne genade
gaven aan te bieden, om met hen te pleiten en hen
te vermanen. Maar Hij blijft aan de deur des harten
staan, die alleen van binnen uit geopend wordt,
zeggende: „Doe mij open." Ons bidden om den Geest
duidt niet aan, dat deze gave ons minder vrijwillig
wordt verleend dan de liefde Gods of de genade van
Christus, maar het vragen is het openen van de
deur. Het is de overgave van den wil.
De gave van den Heiligen Geest is het eenige
wat wij noodig hebben. Zonder Hem is niets het
onze; met Hem bezitten wij alles. Hij is gekomen
-ocr page 76-
.
68
om ons in het bezit te stellen van alles, wat Gods
liefde voor ons bereid heeft, van alles wat Jezus
door Zijn leven en door Zijn dood volbracht heeft.
Hij en Hij alleen kan ons het leven Gods mede-
deelen. Wij behoeven eene nieuwe natuur, een nieuw
leven. "Wat zijn theorieën, tranen, folteringen, wat
is geloof, gevoel, waar Jezus zegt: „Gij moet wederom
geboren worden?"
Al wat wij mogelijkerwijze kunnen
behoeven is het onze in de gave des Heiligen Gees-
tes. Hij werkt in ons het bewustzijn van zonde;
het waar berouw doet zich alleen dan gevoelen,
wanneer Hij ons Zijne genade mededeelt. Hij open-
baart ons Christus als onzen Zaligmaker, zoodat wij
in Hem mogen rusten met volle verzekerdheid, dat
Hij ons liefheeft en Zichzelven voor ons heeft over-
gegeven. Hij brengt ons het zalig gevoel van Gods
liefde, waardoor wij opzien en roepen: Abba, Vader!
Door Hem komen wij in het bezit van onze erfenis;
door Hem genieten wij den voorsmaak des hemels.
Begin nu met dit tot uw gebed te maken: O God,
geef mij Uw Heiligen Geest, om Jezus Christus\'1 wil.
Bid het \'s morgens, \'s middags en \'s avonds. Dit
kunt gij ten minste doen, al zoudt gij niets anders
kunnen verrichten. Alles zal het uwe zijn in deze
gave — licht, vrede, vreugde, liefde, zegepraal, alles
is het onze in den Heiligen Geest! Neem u voor, dit
gebed gedurig omhoog te zenden. Laat het den mor-
gen begroeten. Besluit er den dag mede. O God,
geef mij Uw Heiligen Geest, om Jezus Christus1 toü.
Spoor uwe vrienden aan, dit gebed op te zenden als
-ocr page 77-
\'
69
een kreet om het leven, een kreet die niet onver-
noord kan blijven. Laat hen u beloven, dat zij dit
gebed iederen morgen en iederen avond tot God
zullen opzenden. Het komt er niet op aan, hoe
zondig, hoe hard en verduisterd wij zijn, wij hebben
deze dingen noodig, en onze nood geeft ons juist
aanspraak op Gods mildheid. "Wilt gij niet terstond
besluiten, nu gij deze regelen gelezen hebt, om dit
gebed tot het uwe te maken? En vóór deze dag
voorbij is, ga heen en zoek iemand anders op, die
ook deze bede wil opzenden. Gods liefde kan niet
meer doen dan gedaan is. Jezus Christus heeft van
Zijn werk verklaard: „het is volbracht." Nu wacht
alles hierop, nu hangt alles hiervan af — dat wij
den Heüigen Geest zullen ontvangen.
Voor eenigen tijd geleden verzocht ik in eene
groote samenkomst aan hen, die onzeker waren
omtrent den weg der zaligheid, en aan hen, die
iedere week op nieuw de bekeering noodig schenen
te hebben, en aan hen, die altijd zoekende bleven,
en aan hen, die op Zondag dachten, dat zij gered
waren, maar er op Maandag weder aan twijfelden,
om al het andere te vergeten behalve dit ééne ge-
bed - O GOD, GEEF MIJ UW HEILIGEN GEEST,
OM JEZUS\' WIL! Ik drong er sterk op aan en sprak
er zoo ernstig mogelijk over.
Ongeveer twaalf maanden daarna ontving ik brie-
ven van allerlei soort van menschen, om mij mede te
deelen, hoe zij tot het volle licht van Gods genade
waren geleid en nieuwe schepselen waren geworden,
-ocr page 78-
"\'■\'■■■                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                          \'
70
sedert zij den Heiligen Geest hadden ontvangen. Nu
is al wat God voor ons heeft en al wat Hij voor ons
kan doen in ons hereik geplaatst. Het is het onze,
mits wij er slechts om vragen. Neem het besluit dit
iederen morgen, middag en avond te bidden. Doe het
nu en ga er steeds mede voort: O GOD, GEEF MIJ
UW HEILIGEN GEEST, OM JEZUS CHRISTUS\'
WIL. AMEN.
-ocr page 79-
VIJFDE HOOFDSTUK.
JEZUS EN DE VROUW AAN DEN WATERPUT.
„Indien gij de gave Gods kendet en wist
wie Hij was, die u vraagt geef mij te
drinken; gij zoudt van Hem begeerd heb-
ben en Hij zou u levend water gegeven
hebben." Joh. IV : 10.
In de vorige bladzijden behandelden wij het
derde hoofdstuk van dit Evangelie, en over-
dachten de geschiedenis van Nicodemus. In vele
opzichten is het vierde hoofdstuk een waardige
tegenhanger van het derde. Wanneer wij ze tegen-
over elkander plaatsen, vinden wij de tegenstelling,
die ze beide aanvult. In de geschiedenis van Nico-
demus zien wij, dat geene godsdienstige voorrechten,
geene godsdienstige vormen, geene godsdienstige op-
voeding, geen duidelijk begrip van de waarheid
iemand tot een kind van God kan maken. Niets
kan baten dan eene nieuwe schepping. Voorwaar,
voorwaar zeg ik u: tenzij iemand wederom geboren worde,
-ocr page 80-
■ • -                                                   ■
72
hij hm het JconinJcrijk Gods niet zien. Dit is het eenige
wezenlijke, de eenige groote noodzakelijkheid. Gods
Geest moet met onzen geest in persoonlijke aanra-
king komen. Dan en dan alleen zijn wij kinderen
Gods, uit God geboren, eene nieuwe schepping met
krachten en eigenschappen, waardoor wij het ko-
ninkrijk van God kunnen binnengaan en het als
ons eigendom bezitten.
Het vierde hoofdstuk brengt de andere zijde der
waarheid aan den dag. Zij is deze: geen toestand
is zoo laag, geene onwetendheid is zoo groot, geene
omstandigheden zijn zoo moeielijk, geene reputatie
is zoo slecht, om ons te kunnen uitsluiten van de
groote liefde van God. Gelijk de Vader de geheele
wereld liefheeft, gelijk de Zoon voor alle menschen
gestorven is, evenzoo is aan iedereen de Heilige
Geest gegeven, de vrije gave des levens. Er is geen
onderscheid.
De geschiedenis is zeer schoon. Indien het van
het derde hoofdstuk waar is, dat onze theologie al
het natuurlijke er uit heeft doen verdwijnen, is dit
even waar van dit hoofdstuk. Laten wij ons de ge-
schiedenis nog eens te binnen roepen, want een
levendiger en natuurlijker schildering is er in het
gansche boek niet.
Wij verwijderen ons uit de tegenwoordigheid van
Nicodemus. Sla nog eens even een blik op hem —
den man, die zich bewust is, dat hij tot het oudste
en meest geachte volk der wereld behoort, van alle
-ocr page 81-
73
andere volken door eene groote kloof gescheiden —
den Jood uit Jeruzalem, waar al deze onderschei-
dingen het meest uitkwamen, behoorende tot de
sekte der Farizeën, zeer nauwgezet achtgevend op
iedere kleinigheid in het leven; een man van rijk-
dom en positie, die gewoon is gezag uit te oefenen;
zeer deugdzaam, zeer godsdienstig, zeer vroom. Dit
is de man, dien wij verlaten.
Tusschen den Jood en ieder ander mensch was
een groote afstand, maar de afstand tusschen den
Farizeër en den Samaritaan was wel het grootst van
alle. Van al de heidensche volken waren zij het
meest veracht; en zij beantwoordden den haat en
de verachting, die de Joden hen toedroegen, door
hen met gelijke munt te betalen. Een Jood rekende
het even onteerend, om hun brood aan te raken als
zwijnenvleesch. Zij waren heidensche indringers op
Joodsch grondgebied.
Toen de Israëlieten gevankelijk weggevoerd waren,
werden er van de geringsten onder de Babyloni-
sche bevolking gezonden, om den grond te bebouwen,
en de steden van Samaria te bewonen; en spoedig
nadat zij zich daar gevestigd hadden, door leeuwen
geplaagd wordende, zochten zij bevrijding van deze
plaag door den „God van het land" te gaan aan-
bidden, naar de wijze der Joden. Dit volk, vreemd
door afkomst en godsdienst, was voor de Joden tot
eene onuitsprekelijke ergernis.
Uitgeput door de lange reis en afgemat door de
middaghitte, zat Hij „alzoo neder nevens de fon-
-ocr page 82-
.
74
tein"; de uitdrukking duidt algeheele uitputting aan,
Hij wierp zich op deze zitplaats neder met het eenig
verlangen, enkele oogenblikken van volkomen rust
te genieten. Maar Zijne rust wordt spoedig gestoord
door de nadering van iemand uit de naburige stad.
Jezus richt zich op en ziet eene vrouw met eene
waterkruik de bron naderen. Dat zij het ongeluk
had eene vrouw te zijn, was genoeg om iederen Jood
terug te houden van met haar te spreken, want van
de zes dingen, die geen man ooit zou doen, was dit
er een — nooit eene vrouw in het openbaar toe te
spreken. Van daar ook, dat er gezegd wordt: „En
Zijne discipelen verwonderden zich, dat Hij met eene
vrouw sprak."
Dat de jonge profeet van Nazareth,
in zulk eene afzondering opgevoed, en onderwezen
in al de strenge overleveringen van Zijn volk, zoo
volkomen vrij zou opstaan en zich zoo gemakkelijk
zoo ver boven de openbare meening zou kunnen
verheffen, is inderdaad een wonder. En toch zou het
een grooter wonder zijn, indien men zulk een karak-
ter had kunnen uitvinden en als een hoofdstuk gelijk
hetgeen wij hier behandelen, door deze Galileesche
visschers was uitgedacht.
Wederom rijst de tegenstelling tusschen dit tooneel
en de geschiedenis van Nicodemus voor onzen geest
op. Daar het flauw verlicht vertrek, waarschijnlijk
in de woning van den Apostel Johannes, die bij
beide gelegenheden tegenwoordig moet zijn geweest:
niemand dan een ooggetuige kon deze dingen zoo
-ocr page 83-
75
beschreven hebben. Hier de brandende zonneschijn,
het kabbelen van de beek, de fontein, met wat er
bij hoort en daarnevens de vermoeide Jezus, hier
uitrustend. En nu zet de vrouw de kruik neder en
maakt zich gereed water te putten.
Wij kunnen ons haar gemakkelijk voorstellen;
haar goed uiterlijk, wij kunnen het ons denken,
heeft veel te doen met hare geschiedenis en met de
vrije en gemakkelijke manieren, die zij zich heeft
eigen gemaakt in een leven en eene omgeving als
de hare. Zij wendt zich tot den vermoeiden vreem-
deling bij de bron, zeker meer als vrouw dan als
inwoonster van Samaria, want het vlugge en duide-
delijke onderscheidingsvermogen der vrouw was altijd
spoedig gereed Jezus Christus te eerbiedigen en lief
te hebben.
„Geef mij te drinken," zegt Jezus vriendelijk.
Verbaasd, dat een Jood haar aanspreekt en haar
zulk een dienst verzoekt, antwoordt zij, niet on-
vriendelijk, maar schertsend en ietwat spotachtig:
„Ik ben eene Samaritaansche vrouw. Gij, Joden,
hebt immers geene gemeenschap met de Samari-
tanen ?"
De oogen, die Nicodemus doorzagen, rusten nu op
haar, zoo ernstig, zoo medelijdend; en al de dwaze
onderscheidingen onder de menschen vergetende, is
het ook thans Zijne eenige begeerte haar te geven,
wat Hij aan iedereen kwam schenken.
„Indien gij de gave Gods kendet, en toie Hij is die
tot U zegt: Geef mij te drinken
; zoo goudt gij van Hem
-ocr page 84-
76
hebben begeerd en Hij zoude u levend water gegeven
hebben.\'\'\'
De blik, het indrukwekkende van de stem, het
vreemde van de woorden doen haar een anderen
toon aanslaan, en zij antwoordt nu met eerbied:
„Heer! de put is diep, en gij hebt niets om mede
te putten; van waar hebt gij dan dit levend water?"
Hoe volmaakt naar het leven is dit alles getee-
kend! De eerbied spreekt uit haar toon en manie-
ren, maar hare gereedheid om te antwoorden wordt
er niet door verstoord. Nicodemus zegt weinig en
redetwist in het geheel niet. Maar deze vrouw is
dadelijk klaar; haar vlugge tong is klaarblijkelijk
gewoon zich niet uit het veld te laten slaan in de eene
of andere woordenwisseling met andere babbelaar-
sters aan de bron. „En toch," gaat zij voort, „wie
gij ook zijn moogt, zijt gij meerder dan onze
vader Jacob" — op een soort van zegevierenden
toon — „onse vader Jacob, die ons den put gege-
ven heeft? en hij zelve heeft daaruit gedronken en
zijne kinderen en zijn vee."
Jezus antwoordt haar, de oogen nog altijd op haar
gevestigd houdende: „Een ieder, die van dit water
drinkt, zal wederom dorsten; maar zoo wiegedron-
ken zal hebben van het water, dat ik hem geven
zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het
water, dat ik hem geven zal, zal in hem worden
eene fontein van water, springende tot in het
eeuwige leven."
Vol eerbied en verwondering zegt zij nu: „Heer,
-ocr page 85-
77
geef mij van dat water." Zij wordt de smeekeling,
Hij de Gever.
Nog zijn die oogen op haar gevestigd, zoo uit-
vorschend en toch zoo vol medelijden. En toen
klinkt het plotseling van Jezus\' lippen: „G-a heen,
roep uwen man."
Terstond komt er verandering in haar blik, toon
en manieren. Misschien verblijd, om van die geheim-
zinnige dingen af te komen, voelt zij zich nu op
meer bekend terrein. Hare oogen flikkeren, het hoofd
wordt uitdagend achterwaarts geworpen, haar ant-
woord is kort en scherp: „Ik heb geen man."
Nog altijd rusten die oogen op haar, die in haar
hart lezen en haar geheele leven doorzien. Misschien
wendt zij zich nu af, om hun blik te ontgaan en
om het schuldgevoel, dat in haar opgewekt wordt,
te verbergen, en houdt zich bezig met het touw van
den put. Daar hoort zij echter in de stilte rondom
haar woorden klinken, die haar verbazen. „Gij hebt
wél gezegd: Ik héb geenen man; want gij hebt vijf
mannen gehad en dien gij nu hebt, is uw man niet\\
dat hebt gij met waarheid gezegd."
Wel mocht haar dit woord doen ontstellen. Ge-
heel verbaasd en uit het veld geslagen, schrikt zij
terug voor Hem, die daar zit als ware Hij de Rech-
ter der gansche aarde. Van ontzag vervuld, fluistert
zij: „Heer, ik zie dat gij een profeet zijt." Weldra
echter herstelt zij zich, en haar vlugge geest vindt
een uitweg. Zich van den lastigen blik van die
oogen afwendend, wijst zij naar den berg, die daar
-ocr page 86-
78
badend in het middaglicht voor hen oprijst. „Onze
vaders hebben op dezen berg aangebeden, en gij-
lieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men
moet aanbidden." Wat een heerlijken uitweg voor
een ongerust geweten bieden de godsdienstige ver-
schilpunten aan! "Welk eene gelukkige afleiding, om
de zonden van iemands leven te vergeten door te
redeneeren over de meeningen van anderen! En be-
halve dat, men geeft den schijn van zeer godsdien-
stig te zijn, wanneer men belang stelt in de gods-
dienstige meeningen van anderen — vele menschen
kennen werkelijk het verschil tusschen deze beide
zaken niet.
Zie, hoe de Heer haar woord gebruikt, om haar
onder bereik van Gods liefde te brengen; hoe Zijne
liefde zich boven de verschilpunten verheft, even als
de hemel zich uitstrekt over Jeruzalem en Gerizim.
Nicodemus moest eene liefde leeren kennen, die zich
uitstrekte buiten het Israëlietische volk en die de
gansche wereld omvatte. Zij moet van eene liefde
hooren, die haar omsluit; haar, eene Samaritaansche,
eene vrouw, die eene zondares was. Zij had ge-
sproken van onzen vader Jakob; maar een ander
is haar Vader, en ook Zijn Vader, de Vader van
ons allen.
„Vrouw," het \'woord klonk niet hard, maar vol
teederheid van Zijne lippen, „Vrouw! geloof mij, de
ure komt, wanneer gijlieden noch op dezen berg noch te
Jeruzalem den Vader zult aanbidden. Maar de ure
komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader
-ocr page 87-
79
aanbidden zullen in geest en waarheid, want de Vader
zoeld ook dezulken, die Hem alzoo aanbidden."
Plaats,
vorm, manier, uur, het maakt alles niets uit. Maar
gemeenschap en aanraking van onzen geest met den
Geest van God, dat is alles.
Ongetwijfeld waren zulke ruimere opvattingen der
waarheid nu en dan tot deze menschen doorge-
drongen; zij deelden met den Jood de verwachting
van zulk een Leeraar, en waarschijnlijk hadden
haar reeds sommige geruchten omtrent Hem bereikt.
Zich haastig tot Hem voorover buigende, staart zij
Hem aan. Zou Hij het kunnen zijn ?
„Ik weet, dat de Messias komt, welke genaamd
wordt Christus."
Daarop klonk haar het kalm, verzekerd antwoord
tegen: „IK BEN HET, DIE MET U SPREEK."
Gaan wij het karakter en de geschiedenis dezer
vrouw nog eens na, om ons de liefdevolle onder-
wijzingen ten nutte te maken, die in dit voorval
liggen opgesloten.
„Indien gij de gave Gods kendet en wie Hij is,
die tot u zegt: Geef mij te drinken; zoo zoudt gij
van Hem hebben begeerd en Hij zoude u levend
water gegeven hebben." Gij! wat had zij met deze
dingen te maken ? Iemand zoo onwetend, zoo slecht
als zij. Wat kon zij weten omtrent deze dingen en
wat konden zij haar schelen! Men heeft somtijds
tegen het christendom aangevoerd, dat andere groote
zedeleeraars gevoelens hebben geuit, die zeer veel
overeenkomst hadden met vele uitspraken, die van.
-ocr page 88-
.
80
de lippen van Jezus Christus zijn gevloeid. Wat
maakt dit echter uit? Het vernedert toch zeker den
Heer niet, wanneer men andere menschen verhoogt.
Hij heeft de waarheid, die Hij leerde niet uitgevonden,
Hij openbaarde die slechts, en indien anderen de genade
hadden ontvangen, om iets van dezelfde waarheid te
zien, laten wij ons daarover verheugen en God
danken. De zon wordt niet kleiner, omdat er zoo-
vele sterren zijn, die schenen vóór dat zij opging.
Maar wanneer andere menschen groote geestelijke
waarheden bekend maakten, geschiedde dit voor de
begaafden alleen, voor de ingewijden, voor menschen
als Nicodemus, wier verstand en positie en zedelijke
ontwikkeling hen in staat stelde, om de waarheid
te vatten en in zich op te nemen. Maar Jezus Chris-
tus is gekomen, om dit hoogste leven tot het gemeenschap^
pelijh erfdeel van alle menschen te maken.
Dit is de heerlijkheid van den Heer Jezus, dat Hij
niet alleen is gekomen, om zich te openbaren aan
de bevoorrechte en verlichte minderheid, maar om
ook deze vrouw, aan den waterput tot een kind
van God te maken.
Men heeft er op gewezen, dat er een gesprek is opge-
teekend van Socrates met eene dergelijke vrouw, als
die uit ons verhaal, maar daarin is geen mede-
lijden, geene hulp, geene bestraffing van haar kwaad,
geene aanwijzing tot bevrijding; de groote wijsgeer
vermaakt zich er alleen mede, om haar te leeren
hoe zij haar vreeselijk bedrijf beter kon uitoefenen.
Dit is de heerlijkheid van Christus — dat Hij ge-
-ocr page 89-
81
komen is, om het meest verheven leven onder bereik
te brengen van den laagst gezonken mensch; om
de heerlijkste poëzie in het eenvoudigste proza te
vertolken; om den eentonigen gang van het alledaag-
sche leven door hemelsche muziek op te luisteren;
om het stoute denkbeeld van het genie om te zetten
in de werkelijkheid van het dagelijksch leven. Hij
komt heden tot ieder van ons, verlangend om ons
dit levend water te geven, opdat wij nimmermeer
zouden dorsten. Onwetendheid, uiterlijke omstandig-
heden, zonde hebben niemand onzer van Zijne
liefde of genade kunnen uitsluiten. Hij buigt zich
tot ons neder; Hij doorzoekt en kent ons hart, en
tot u en mij zegt Hij: „Indien gij de gave Gods
kendet, en wie Hij is, die tot u spreekt; gij zoudt
van Hem begeeren en Hij zou u levend water
geven."
Bezien wij de geschiedenis nog eens, om vaneen
anderen kant een blik op deze wondervolle liefde
te werpen. „En Jezus, vermoeid zijnde van Zijne
reize, zat alzoo neder bij de fontein." Vermoeid,
warm, stoffig als Hij is, verlangt Hij naar een dronk
van het heldere water; en juist als Hij daarover
denkt, komt er eene vrouw aan met eene kruik. Wat
was nu natuurlijker dan dat Hij haar om drin-
ken zou vragen? Zoo zouden wij de geschiedenis
zeker gelezen hebben. Maar als de vrouw nadert, is
Zijn eigen dorst vergeten. Hij denkt niet meer aan
honger en vermoeienis. Zijn hart merkt alleen haar
6
-ocr page 90-
82
dorst op en gevoelt diep medelijden met hare be-
hoefte. „Indien gij de gave Gods kendet... gij zoudt
van Hem begeerd hebben en Hij zou u levend water
gegeven hebben."
Zoo is Jezus; vermoeid, maar nooit te vermoeid,
om medelijden te gevoelen en te helpen. Hij vergeet
altijd Zichzelven in Zijn ijver voor het heil van
anderen. En hoe is het nu? Hoe is het, nu Hij in
Zijne heerlijkheid is ingegaan, en geen vermoeienis
of dorst meer kent? Hoe is het, nu alle macht Hem
gegeven is in hemel en op aarde? Nu Hij in staat
is, om volkomen zalig te maken degenen, die door
Hem tot God gaan, denk eens welke groote betee-
kenis de woorden nu hebben, die tot ieder onzer
gesproken worden: „Indien gij de gave Gods kendet,
gij zoudt van Hem begeeren en Hij zou u levend water
geven."
Levend water. Water is het beeld van den Heili-
gen Geest. Al wat ons leven onderhouden moet,
zonder dat het voor ons door den dood behoeft heen
te gaan, is het beeld van den Heiligen Geest. Adem,
Licht, Vuur, Water: dit zijn de beelden, waaronder
Hij wordt voorgesteld. Wij behoeven niet uit te
weiden over den zin van deze woorden. In ons zijn
groote behoeften en diepe nooden, die God alleen
kan voldoen; er is een dorst, die steeds sterker in
ons wordt door alles, waarmede wij haai- zoeken te
lesschen. God te kennen; in Zijne liefde te rusten;
door Zijne wijsheid geleid te worden, te trachten
-ocr page 91-
83
Hem te behagen; Zijne tegenwoordigheid te bezitten;
naar Zijne woning te reizen als naar ons tehuis —
dit is onze rust, onze vrede, onze voldoening.
Gij soudt hegeeren .... en Hij zou geven. Zijne groote
gave is de onze, wanneer wij er slechts omvragen.
Er is niet anders noodig. Denk nog eens aan haar,
tot wie de woorden het eerst gesproken werden.
Niet het duidelijk begrip van de waarheid of het
verstaan van verborgenheden stelt ze in ons bezit.
Eerder komen wij door het bezit tot het rechte be-
grip er van. Het bestaat niet in het strijden tegen
moeielijke omstandigheden, en het streven naar een
ideaal; de bevrijding moet van binnen komen, en
niet van buiten. Het ligt niet in eene poging, om
onszelven te verbeteren. Wij drukken het niet te
kras uit, wanneer wij zeggen, dat wij te slecht zijn,
om door God verbeterd te worden en daarom eene
nieuwe natuur moeten deelachtig worden. De Hei-
lige Geest is eene gave — geheel en al eene gave —
eene gave en geene belooning. Eene vrije gift, die
men krijgt, wanneer men er om vraagt. Zij dit nu
voortaan ons gebed en al het andere zal het onze
zijn — O God, geef mij Uw Heiligen Geest om Jezus
Christus\' wil. Amen.
V
-ocr page 92-
ZESDE HOOFDSTUK.
JEZUS IN HET HUIS DES FARIZEËBS.
„En een van de Farizeërs bad hem, dat
Hij met hem ate." Luk. VII: 3G.
Wij hebben de geschiedenis van Nicodemus en
de geschiedenis van de vrouw aan den wa-
terput gevolgd. Het zal nu zeer belangwekkend zijn
om deze twee karakters te zamen te brengen —
de Farizeër en de vrouw die eene zondares was —
in de tegenwoordigheid van Jezus.
Er ligt iets liefelij ks in om aan te nemen, dat deze
geschiedenis wellicht voorafgegaan is door de woor-
den, die Lukas niet mededeelt, maar die Mattheus
ons aangeeft. De gezegende Heer stond in het mid-
den van eene groote menigte volks, en in eene ver-
rukking van vreugde riep Hij uit: „Komt allen tot
mij, gij die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust
geven."
Daar bevond zich iemand onder de menigte,
-ocr page 93-
I
85
in wier hart deze woorden vielen als dauw des
Hemels op een dorstig land. Hare ziel, door de zonde
verdord en verwelkt, dronk de boodschap des heils
met groote vreugde in en haar vervulden de woor-
den met hoop op een nieuw leven.
Wij kunnen ons voorstellen, dat Jezus, die zoo
spoedig de meest behoeftigen om zich heen opmerkte,
haar aanzag, terwijl Hij sprak, en Zijn blik gaf aan
de woorden eene oneindige heerlijkheid. Zij waren
voor haar, zekerlijk, zij kon ze geheel op zich
toepassen. Was zij niet vermoeid en beladen; ja
beladen met een gewicht, dat zij zelve niet kon af-
werpen. En was het niet tot haar, dat de vrien-
delijke uitnoodiging gericht was — Kom tot mij?
En welk eene gezegende belofte was daaraan ver-
bonden — Ik sol u rust geven. Wel mag zij naar
eene gelegenheid uitzien, om aan Zijne vriendelijke
uitnoodiging gehoor te geven.
Daarna verzocht een van de Farizeërs, dat Jezus
bij hem het middagmaal zou komen gebruiken; en
terwijl de menigte zich terug trekt, gaan zij ge-
zamenlijk naar des Farizeërs huis. En nu heeft Hij
zich uitgestrekt op de rustbank.
Laten wij eerst een blik slaan op den gastheer.
Hij heeft Jezus zeer onhartelijk ontvangen. De
eenvoudigste beleefdheden ontbraken. Warm en
stoffig als Hij was, kreeg Hij geen water om Zijne
voeten te wasschen; Hij ontving geen kus om Hem
te verwelkomen, gelijk dat de gewoonte was, daar
was geene olie om Zijn hoofd te zalven. En de rest
v
-ocr page 94-
86
van het onthaal zal dienovereenkomstig geweest zijn.
Er was geen spoor van geestdrift, geen gefluister
der toegenegenheid, geen teeken van eenige liefde
en hoogachting. Het was zelfs geene statige formali-
teit — alles was even ledig en koud.
Noem echter dezen man geen huichelaar. In het
geheel niet. "Wij overdrijven het karakter van den
Farizeër, en zoo bederven wij het geheel. Deze man
is juist een schoon type van eene groote menigte
godsdienstige menschen van tegenwoordig — is het
onchristelijk om te zeggen van de meeste godsdien-
stige menschen ? Menschen, die gaarne een soort van
welwillendheid betuigen voor de eischen van Jezus
Christus, maar die zich nooit heel veel moeite voor
Hem geven. Zij geven hun hart en geestkracht aan
hunne zaken — daarvoor ontzien zij zorg, noch
moeite. Zij geven hun geestdrift aan de politiek,
als zij in eene stad wonen; wonen zij buiten, dan
wekken hunne paarden en geweren eene evengroote
belangstelling bij hen op. Zij houden hun geld voor
zichzelven. Op Zondag willen zij gaarne een uurtje
aan den godsdienst wijden en van tijd tot tijd ook
wel eens eene geldelijke bijdrage geven.
Hoe treurig is het, dat onze gezegende Heiland,
de Koning des Hemels, nu nog in vele woningen
zulk eene koele ontvangst en zulk een karig onthaal
vindt! Deze menschen hebben soms een soort van
orthodoxie, waarop zij zich beroemen, maar voor-
namelijk is er in hen op te merken eene zekere fljn-
heid van smaak, die werkelijk de eenige godsdienst
-ocr page 95-
87
van velen is; zij hebben ook een zekeren standaard
van zedelijkheid, minder belangrijk echter dan de
standaard van smaak en voor ieder, die hun ge-
dragslijn niet volgt noch op hun trap van zedelij k-
heid staat, hebben zij een hard oordeel, gelijk zij
eene even groote verachting hebben voor hen, die
het wagen zich op een hooger standpunt dan het
hunne te plaatsen.
Bezien wij de zaak nader. Het is een godsdienst
zonder eenige liefde tot God of tot de menschen. Het
is een godsdienst zonder eenig diep gevoel van af han-
kelijkheid en zonder eenige blijde toewijding. "Wij
vinden dit soort van godsdienst ook nog na de ver-
woesting van den tempel en treffen het zelfs in de
christelijke kerk in Nieuw-Testamentische tijden aan:
„Want gij zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden,
en heb geens dings gebrek, en gij weet niet, dat gij
zijt ellendig en jammerlijk en arm en blind en
naakt. Ik raad u, dat gij van mij koopt goud, be-
proefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt
worden; en witte kleederen, \'opdat gij moogt bekleed
worden, en de schande uwer naaktheid niet geopen-
baard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf,
opdat gij zien moogt." Daar is het. Godsdienst zon-
der eenig diep schuldgevoel en dus zonder eenig
heerlijk gevoel van vergiffenis.
Godsdienst zonder eenige behoefte en dus zonder
rijkdom.
Godsdienst zonder Zaligmaker en dus zonder eenige
liefde.
-ocr page 96-
1
88
Deze man kende een wet, die een zekeren graad
van braafheid voorschreef; en dat was juist de
braafheid, die hij bezat. Brave menschen gelijk hij
gingen natuurlijk naar den hemel, en slechte men-
schen als deze vrouw zouden — ergens anders
komen. Hij vervolgde zijn levensweg zeer gerust, en
volmaakt tevreden met de schikking, die voor hem
zoo voordeelig was.
Helaas! hoe veel komt hij ook nog onder ons-
voor, die godsdienst zonder liefde en daarom zonder
hulpvaardigheid en zonder hoop voor anders dan
goede menschen; die godsdienst zonder liefde, die
door zijne vormen, zijne uitsluiting, door blik en toon
de zonden van den man, en op nog wreeder wijze
de zonden van de vrouw als een ijzeren juk op hen
doet rusten.
Deze man had nooit eenig begrip gehad van de
wet der oneindige Liefde Gods; van eene Liefde,
die zich niet kon tevreden stellen met die wet in
den donder op Sinaï gesproken, maar die onder de
menschen wilde nederdalen en zich in mededoogen
over hen wilde neer buigen en ze tot eiken prijs
(behalve tot den prijs van eigengerechtigheid) wilde
opheffen en helpen, om alles te worden wat de
wet verlangde — van zulk eene Liefde begreep
hij niets.
Dit is de liefde van G-od in Christus Jezus. Eene
liefde, die in den afgrond der menschelijke zonden
afdaalt gelijk de voet der groote bergen in de diepte
der zee; eene liefde, die alle menschen omvat, gelijk
-ocr page 97-
89
het hemelgewelf de wereld, ja. millioenen werelden,
omsluit.
Beschouw den man nog eens oplettend; wij allen,
die in godsdienstige vormen en inzettingen zijn opge-
voed, verkeeren in gevaar even als hij te worden. Het
is bij hem een godsdienst zonder den Heiligen Geest
van God, Die gekomen is om ons van zonde, van ge-
rechtigheid en van het toekomend oordeel te over-
tuigen; en om deze tot de groote en vreeselijke
werkelijkheden te maken, waardoor de wereld be-
oordeeld wordt; want zonder den Heiligen Geest,
die gekomen is om de liefde Gods in het hart uit
te storten, is God slechts een naam, de godsdienst
niet anders dan een vorm, de zonde slechts een be-
grip. Door den Heiligen Geest alleen leert iemand
uit den grond zijns harten zeggen: Abba, Vader!
en daardoor alleen ontstaat de ware broederschap
onder de menschen. Het eenig middel, om aan dit
verderfelijk Farizeïsme te ontkomen, is niet tevreden
te zijn met orthodoxie, noch met eenigerlei vorm,
maar met dag aan dag te bidden: „O God, geef mij
Uw Heiligen Geest."
Hij is gekomen om Jezus onder ons te openba-
ren — dan zijn eene koele ontvangst en een karig
onthaal onmogelijk, want dan is het hart geboeid
door Zijne schoonheid, vervuld met de vreugde van
Zijn dienst en ernstig verlangend Hem gelijk te
worden; wanneer Hij de onze is, dan is er hoop voor
alle menschen. Farizeïsme is niet anders dan dit:
een godsdienst zonder de inwonende, verlichtende
-ocr page 98-
90
en herscheppende Geest van God, die de Geest der
Liefde is.
Wenden wij ons nu tot de ongenoode gast.
De Oostersche gastvrijheid bedoelt letterlijk een
„open huis." Met nieuwsgierigheid volgde men Jezus
overal, en ofschoon Hij het huis is binnengegaan,
kan Hij zelfs nu niet verborgen blijven. Onder de
menigte, die zich aan die deur verzamelde, was ook
deze vrouw. Het is niet moeielijk te begrijpen, welke
uitwerking de koele ontvangst en het karig onthaal
op haar moeten gemaakt hebben. De bijna bestu-
deerde onverschilligheid deed hare liefde in veront-
waardiging ontvlammen. Terwijl zij twijfelachtig
staan blijft, kan het zijn, dat Jezus\' oog het hare
ontmoet. O! dat lieflijke „Kom tot Mij" was niet
alleen een woord; men las het op dat gelaat; de
half geopende lippen schenen het voortdurend te
fluisteren. Het oneindig mededoogen Zijns harten
verkondigde voortdurend de boodschap des heils,
waaraan Zijn geheele leven gewijd was — Komt tot
Mij gij die vermoeid en belast sijt en ik sal u rust
geven.
Zij kan deze bede niet langer weerstand bieden.
Met hare handen de flesch kostbaar reukwerk, in de
plooien van haar kleed verborgen, grijpende, ijlt zij
door het vertrek en valt aan de voeten van Jezus.
Toen gaf haar vol gemoed zich in tranen lucht, „een
stroom des harten," waarmede zij Zijne heilige voe-
ten besproeide; daarop kuste zij ze teeder en veegde
-ocr page 99-
91
ze af met de zijden haarvlechten en goot de kost-
bare zalf daarover uit, terwijl de plaats van den
heerlijken geur vervuld werd.
Onder het gezelschap aan tafel komt eene groote
stilte. De gastheer, die aan het hoofd van de tafel
zit, heft zich verontwaardigd op, hij trekt zijne
wenkbrauwen toornig samen, zijne oogen schieten
vuur, terwijl hij ze op de algemeen bekende indring-
ster richt; in zichzelven mompelende: „Indien
deze Man een profeet ware, Hij zou wel weten wat
en hoedanige deze vrouw is, die Hem aanraakt;
want zij is eene zondares.
Ach, Simon, indien gij wist wat en hoedanig man
hij is, die zit waar gij zijt, gij zoudt zoo niet spre-
ken; want hij is een zondaar! En indien gij wist
wat en hoedanig man Hij is, die uw gast is, hoe
groot zou uwe vreugde zijn; want Hij is de Vriend
van zondaars en hun Zaligmaker! Het is wonderlijk,
zeer wonderlijk! „Eene dwaze wereld, mijne heeren!"
heeft men dikwijls gezegd — en waarlijk het is
zeer dikwijls eene dwaze kerk ook.
Er zijn zeer vele ketterijen geweest, waarvoor
de menschen vreeselij k geleden hebben — zelfs in
den ban
zijn gedaan. Ketterijen, bestaande in een
woord of zelfs in eene enkele letter, hebben de ver-
ontwaardiging van de authoriteiten gaande gemaakt;
de menschen zijn gepijnigd, geradbraakt, verbrand,
opgehangen — en men heeft hen op allerlei wijzen
doen lijden. En toch over de meest ingewortelde en
de doodelijkste van alle ketterijen maakt de gemeente
-ocr page 100-
.
92
zich weinig bezorgd. Het is deze — dat Jezus Christus
in de wereld gekomen is, om goede menschen te redden, die
niet gelooven, dat zij eenige redding noodig hebben,
en
indien werkelijke zondaars tot Hem komen, vreese-
lijke zondaars, afschuwelijke zondaars — is dit eene
aanmatiging en een zich indringen, dat goede men-
schen niet kunnen dulden.
Zie hier de rechte persoon, op de rechte plaats, de
rechte zaalc zoekende, op de rechte wijze.
Eene zondares aan de voeten van Jezus — dit is een
gezicht, waarover al de hemelbewoners zich komen
verblijden, en zij zullen terugkeeren, om het in
de zoetste melodie, die ooit door engelen werd aan-
geheven, te bezingen. Ik wilde, dat wij er bij kon-
den blijven stilstaan, totdat wij de vreugde van
die heerlijke Tegenwoordigheid konden deelen, en
den geest van hare groote liefde konden vatten.
„Zij is eene zondares" — dit is het eenige getui-
genis omtrent haar, dat Jezus noodig had. Het eenige
waarvoor Hij op aarde kwam, het eenige werk dat
Hij te verrichten had, was het redden van zondaars.
Zelfs Zijn naam is Jezus, omdat Hij de menschen
van hunne zonden zalig maakt. Hij is gekomen, om
het verlorene te zoeken en zalig te maken; altijd
dwaalt Hij over bergen en door woestijnen, om de
verloren schapen te zoeken. Deze man ontvangt
zondaars. Zij zijn altijd op hun gemak met Hem,
laat zij maar niet bang zijn, zij zal geene andere
aanbeveling bij Hem noodig hebben.
-ocr page 101-
93
„Zij is onwetend," zeide Simon bij zichzelven.
„De schare, die de wet niet kent, is vervloekt.
Wat begrijpt deze ongelukkige vrouw van de ver-
borgenheden van het koninkrijk der hemelen ? Welk
begrip kan zij hebben van de verheven beloften en
de groote heerlijkheid daarvan?" Zij wist, dat sij
eene zondares was, en daarmede wist sij meer dan
Simon; ja, daarmede wist zij alles wat gij noodig had
te weten.
Eene zondares aan Zijne voeten. O, heerlijke toe-
vlucht! Eene zekere en veilige schuilplaats, in Zijne
schaduw, onder het bereik van Zijne hand, daar
waar het hart zijne smart en de gansche geschiede-
nis van zijne zonde mag uitstorten, waar Zijne liefde
zegenend kan nederblikken, en met genezende kracht
kan aanraken.
Zij kwam op de rechte wijze. Zij wierp zich in Zijne
liefdearmen en verwachtte van Hem haar heil. Zij
had geene hoop dan in Hem. Zij voelde dat de stor-
men om haar woedden, maar de Goddelijke Hand
hield haar vast, hief haar op, en zou hare voeten
op de rots stellen. Zij klemde zich aan Hem vast
met al de wanhoop van haar grooten nood, met al
de kracht van haar pas gevonden hoop, met al het
vertrouwen, dat hare liefde haar ingaf. En zij werd
des te nader tot Hem gedreven, naarmate anderen,
die haar omringden, haar verachtten.
Zij kwam tot Hem en vond de rust, die sij zocht.
De band, waarmede zij aan het verledene was ver-
-ocr page 102-
• ~                        -
94
bonden, werd losgemaakt en verbroken, de herinne-
ring werd uitgewischt. De aanraking van die ge-
zegende Hand genas het gebroken hart. Zijne woorden
weerklonken als hemelmuziek in hare ziel.
Uwe zanden zijn u vergeven. En daar kwam een
nieuw leven frisch, rein, schoon, als het leven van
een klein kind.
Het is Jezus, onze Zaligmaker, die ook heden tot
ons spreekt:
„Komt tot Mij en Ik zal u rust geven." Dit en
meer dan dit is het onze. Zij hoorde alleen de woor-
den van Zijne lippen; zij zag alleen Zijn gelaat
door vreugde en hoop verhelderd. Maar voor ons
heeft deze zelfde Jezus Zijn leven gegeven. Aan ons
is eene hoogte en diepte van liefde geopenbaard,
waarvan zij niet kon droomen. Voor ons heeft de
groote Zoon van God aan het smadelijk kruis ge-
hangen. - HIJ HEEFT ONZE ZONDEN IN ZIJN
LICHAAM GEDRAGEN OP HET HOUT.
Maar de geschiedenis is nog niet uit. Daar met
die snikkende vrouw aan Zijne voeten, terwijl Zijne
vriendelijke Hand op haar gebogen hoofd rustte, —
werd Jems haar Voorspraak en Verdediger. De stilte
werd verbroken, toen Hij opzag en zeide: „Simon,
ik heb u wat te zeggen." Met welk een rijken zegen
moet ieder woord op haar nedergedaald zijn — hoe
vriendelijk en teeder klonken Zijne woorden! „Een
zeker schuldheer had twee schuldenaars: de een was
hem schuldig vijfhonderd penningen en de ander
-ocr page 103-
•■
95
vijftig. En als zij niet hadden om te betalen, schold
hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van dezen
zal hem meer liefhebben?"
Simon antwoordde en zeide: „Ik acht, dat hij het
is, dien hij het meeste kwijtgescholden heeft."
En Jezus zeide: „Gij hebt recht geoordeeld." En
zich omkeerende naar de vrouw, zeide Hij tot Simon :
„Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen,
water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar
deze heeft mijne voeten met tranen nat gemaakt
en met het haar van haar hoofd afgedroogd. Gij hebt
mij geen kus gegeven, maar deze, van dat zij inge-
komen is, heeft niet afgelaten mijne voeten te kus-
sen. Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd, maar
deze heeft mijne voeten met zalf gezalfd. Daarom
zeg ik u: hare zonden zijn haar vergeven, want zij
heeft veel liefgehad."
Maar — is het dan beter om een groot zondaar
te zijn, een zondaar, door ieder uitgeworpen en
algemeen veracht? Neen, waarlijk niet. Maar wij
moeten het nederig zondaarshart hebben, dat naar
de vergiffenis verlangt, en eene liefde voor den Heer
gevoelen, wier hartelijke toewijding het gansche
leven wijdt aan Hem, die tot zulk een oneindigen
prijs ons heeft verlost van het verderf, — dit alleen
kan Hem en ons voldoen.
Hoezeer heeft de arme wereld rondom ons met
haar zonde en smart behoefte aan dezen godsdienst
van Jezus Christus! Het is geen godsdienst, die ons
doet meenen, dat wij boven anderen verheven zijn,
-ocr page 104-
96
en die ons toelaat tevreden te zijn, wanneer wij
slechts rustig onzen weg naar den hemel kunnen
vervolgen. Neen, het is een godsdienst, die ons groot
medelijden doet gevoelen voor anderen, die onze
hoop versterkt en ons ijverig doet zijn, om allen te
helpen.
Christus is heengegaan — kunnen wij dan nu
onze liefde voor Hem niet meer toonen? Voor zoover
gij dit een van deze minsten gedaan hebt, zoo hebt gij
dit Mij gedaan.
Wij kunnen de albasten flesch dei-
vriend elijkheid te voorschijn brengen, om vele levens
te zegenen en te veraangenamen. Dit is het ware
christendom: de groote liefde en hulpvaardigheid van
Christus vermenigvuldigd in iederen man en in iedere
vrouw, die Hem Heer noemt — Christus in ons
wonend; opdat Hij in ons Zijn leven vol hulp en
zegening nog eenmaal moge leven. Zoo vervullen
wij Zijne vreugde en vinden de onze.
-ocr page 105-
ZEVENDE HOOFDSTUK.
JEZUS EN DE MELAATSCHE.
„Toen Hij nu van den berg afgeklom-
men was, zijn hem vele scharen gevolgd.
En ziet, een melaatsche kwam, en aanbad
Hem, zeggende: Heerel indien gij wilt,gij
kunt mij reinigen. En Jezus, de hand uit-
strekkende, heeft hem aangeraakt, zeg-
gende: Ik wil, word gereinigd.
Matth. VIII: 4— 3.
Ziet, een melaatsche kwam. Dit is inderdaad iets
om naar te zien en om zich over te verwonderen.
De Zaligmaker begon Zijne loopbaan. Denk eens,
met welke groote verwachtingen Zijne moeder Hem
moet gevolgd hebben. Bij Zijne geboorte kwamen
engelen om de blijde tijding te brengen en zij deden
de lucht weergalmen van hun heerlijk lied. De wijzen
kwamen in hun statige pracht met goud en wierook
en myrrhe, en legden de eerbewijzen der wereld
aan Zijne voeten. De oude Simeon had Hem in den
tempel begroet als de Christus Gods. Het stille,
7
-ocr page 106-
98
eerbiedige Kind had de wetgeleerden verbaasd, toen
Hij in hun midden nederzat. Bij Zijn doop opende
zich de hemel, en daar kwam eene stem van den
Almachtigen Vader, zeggende: „Deze is mijn geliefde
Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb."
Nu heeft Hij ten laatste Zijn groot werk begonnen.
Hij heeft Zijn eigen inwijdingsprediking gehouden, en
gesproken als niemand anders ooit zou durven spre-
ken. Welk een gezag ligt in zijn: „Ik zeg u!" Wie
is dit anders, dan de Heer uit den hemel, die de
oude wet op zijde zet en plaats maakt voor eene
nieuwe, die alleen rust op Zijn machthebbend woord:
Ik zeg? Hoe is Hij zich bewust van Zijne Godheid:
„Niet ieder, die tot Mij zegt Heere, Heere, zal ingaan
in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet
den wil Mijns Vaders, die in de hemelen is. Velen
zullen te dien dage tot mij zeggen: Heere, Heere!
hebben wij niet in Uw naam geprofeteerd en in
Uw naam duivelen uitgeworpen, en in Uw naam
vele krachten gedaan? En dan zal ik hun openlijk
aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van
mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
En nu Hij van den berg afgekl ommen was, volg-
den Hem vele scharen. Ja, wel mag gansch Israël
uitgaan in Zijne tegenwoordigheid! Laten Zijne dui-
zenden Hem verwelkomen. „Sion, zie, uw koning
komt." Laat Hem zitten op den troon van Zijn
vader David. Laat Hij die grooter is dan Mozes,
Zijne plaats innemen in de voorhoven des tempels,
terwijl alle volken zich voor Hem buigen. Laat het
-ocr page 107-
99
vreugdegezang Hem begroeten: „Hosanna! Gezegend
is Hij, die komt in den naam des Heeren!"
Daarop klinkt plotseling te midden van het rumoer
der schare de treurige kreet: „Onrein, onrein." En
terwijl de menigte verschrikt de vlucht neemt, na-
dert daar iemand met een afzichtelijk uiterlijk; in
grafkleederen gehuld, komt hij nader en valt aan
de voeten Van Jezus neder, roepende: „Heer!indien
gij wilt, gij kunt mij reinigen."
Is dit niet de eerste groote les, die wij te leeren
hebben: de waarheid, die in ons hart moet ge-
schreven worden? Wij hebben ons den Christus
voorgesteld als zóó majestueus, zóó heerlijk, en wij
hebben gezucht: Och, dat ook ik tot Hem kon gaan,
even als de wijze mannen van ouds, die hun kos-
telijkste gaven brachten, om ze aan Zijne voeten
neder te leggen! "Wij denken aan Zijne heiligheid
en zuchten weder — konden wij ons toch ook
onder de vromen aan Zijne voeten nederzetten! Zie,
daar Tcwam een melaatsche!
Staan wij nog even hierbij stil. Zie hem daar
komen, afschuwelijk in zijn toestand van levend
dood zijn; vol van mélaatschheid, gelijk Lukas zegt,
wat kan hij anders brengen dan zichzelven, ver-
wond en mismaakt, in graf kleederen gehuld ? Denkt
gij, dat de Heer Jezus Zijne kleederen bijeen hield,
om niet met hem in aanraking te komen ? Volstrekt
niet. Hij stak Zijne hand uit en raakte hem aan. Hij
legde met broederlijke teederheid de rechterhand op
hem, zeggende: „Ik wil; word gereinigd." En on-
-ocr page 108-
100
middellijk verliet hem zijne melaatschheid. Dit leert
ons het evangelie.
Jezus is groot en heerlijk, niet opdat Hij in ma-
jesteit op den top des bergs moge verwijlen, maar
opdat Hij moge afkomen, om zich over een armen
melaatsche neder te buigen en hem gezond te
maken. En ook ik mag, God zij gedankt, tot Chris-
tus komen, niet omdat ik goed en heilig ben; maar
niettegenstaande ik trouweloos en onrein en zondig
ben, opdat Hij mij rein en goed moge maken. De
eenige gave die Hij zoekt, is mij zelve, juist zooals
ik ben. Het eenig gebed, dat Hij verlangt te hoo-
ren, is mijne bede om hulp.
„Toen Hij van den berg afgéklommen was." Het was
een veel dieper nederdalen dan zij wisten of vermoed-
den, dieper ook dan wij ooit kunnen begrijpen. Hij,
die zelf God is, kwam van den berg Gods afdalen,
en ontledigde Zichzelven, opdat Hij één met ons
mocht worden. In den ouden tijd was God neder-
gedaald op den berg, onder donderen en bliksemen
en terwijl de aarde beefde, alsof zij wankelde onder
het gewicht der heerlijkheid Gods. En al het volk,
verschrikt en beangst, riep uit: „Laat God met ons
niet spreken, opdat wij niet sterven."
Maar ziet, hier is een ander nederdalen. — Im-
manuel, God met ons, daalt van den berg af, en
zet zich als Broeder neder in het midden Zijner
discipelen, de zachtmoedige en nederige Jezus; en
Hij opende Zijn mond en leerde hen. Het Goddelijk
gezag uitte zich in de zoetste menschelijke klan-
-ocr page 109-
101
ken. De afstand was groot van den hemel tot de
aarde; van den troon Gods tot den berg, waar Hij
zich nederzette als de zachtmoedige Leeraar onder
de luisterende schare.
Maar Hij moet nog dieper dalen — En Hij Mom
van den berg af,
stap voor stap daalde hij neder,
totdat Hij den beganen grond bereikt had — en
daar knielt een melaatsche aan Zijne voeten. Hij
kan niet dieper dalen — nu is Hij binnen het be-
reik van alle menschen. Dit is Jezus Christus, de
Zaligmaker. Hij blijft niet op den berg verwijlen in
de stilte van de heilige plaats, terwijl Hij een uit-
gelezen gezelschap van vurige discipelen onderwijst;
Hij blijft niet in den tempel in de geheiligde voor-
hoven, om vrome en toegewijde zielen te verkwikken;
Hij komt in de stoffige, woelige straten der stad, en
buigt zich over een melaatsche. Dit is Jezus — die de
kloof dempte, die tusschen God en den mensch bestond.
Hij daalde neder van den berg Sinaï en dempte
ook de kloof, die de wet van de verbanning scheidde.
De wet wierp den melaatsche uit als vervloekt. „Ga
heen," sprak de wet, „wij hebben geene plaats voor
iemand als gij. Er is geene plaats voor*u. Wij kun-
nen u geene hoop geven; wij hebben geene macht
u te helpen. Ga heen."
Het was hem verboden het heiligdom binnen te
treden. Voor hem werd geen offer gebracht; geen
priester kon voor hem pleiten; in zijne koortsach-
tige ziel daalden geene troostende woorden neder.
-ocr page 110-
102
Zijne hand kon geene gave brengen; zij verontrei-
nigde, wat zij aanraakte; de tempel deuren waren
voor hem, den verworpeling uit Israël, gesloten. En
zoo ging hij voort als een levend doode, hen benij-
dend, die in het graf sliepen. Blootshoofds, de bo-
venlip bedekt, dwaalde hij door eenzame plaatsen,
roepende: „Onrein, onrein."
Maar hier was Iemand van den berg afgedaald,
die zich over hem heenboog, en, Zijne hand uit-
strekkend, hem aanraakte, en door die aanraking
werd hij, die verre was, nabij gebracht en in het
huisgezin Gods opgenomen. De vloek was opgeheven.
Waar die Hand aanraakte, was de melaatschheid
onmiddellijk verdwenen.
Nu was er ook geene veroordeeling meer. Nu
hij gereinigd was, kon hij met vrijmoedigheid in
de voorhoven des Heeren ingaan, en nu kon hij
weder aanspraak maken op al de zegeningen van
Israël. Dit is Jezus, de Zaligmaker, die tot ons ge-
komen is, om ons van den vloek der wet te ver-
lossen ; die voor ons ten vloek is geworden; het
handschrift dat tegen ons was vernietigd heeft —
en de stem die ons veroordeelde voor altijd het zwij-
gen heeft opgelegd. „Zoo is er dan nu geene ver-
doemenis voor degenen, die in Christus Jezus zijn."
Hij is onze vrede.
Er is nog een derde kloof — hoe vreemd het ook
moge schijnen. Christus dempte ook de kloof van maat-
schappelijke onderscheiding.
De melaatsche was een
door de maatschappij uitgeworpene — van allen
-ocr page 111-
103
geschuwd. G-een vriend kende hem; hij bezat geen
buurman. Hij werd beschouwd als geplaagd, van
God geslagen en verdrukt; en de menschen ver-
bergden als het ware hun aangezicht voor hem.
Zijne vrouw was hem eene vreemde geworden; zijne
kinderen keerden zich van hem af. Geen vriendelijke
groet trof ooit zijn oor; nooit werd hem de behulp-
zame hand toegereikt. Het medelijden was in vrees
veranderd en de liefde zelfs maakte plaats voor
afkeer.
Maar daar daalde Iemand den berg af, Wiens
groote liefde zich niet van hem afwendde. Met on-
eindig medelijden boog Hij zich over den geknielden
melaatsche; Hij strekte de hand uit en raakte hem
aan en die gezegende aanraking bracht hem terstond
terug tot de broederschap der menschen en tot de
menschelijke maatschappij. Het moet hem geweest
zijn, of hij al in den hemel was, toen hij die teedere
aanraking voelde, die toon van medegevoel vernam.
Niet geschuwd, niet veracht, niet onder den vloek
meer! Niemand zou zich meer met afschuw en wal-
ging van hem afwenden — welk een groote zegen
ligt daarin niet reeds! Helaas! voor hoevelen zou
dit als het begin van een nieuw leven zijn! En dit
geeft Jezus Christus aan den geringste.
Laat ons het goed begrijpen — het christendom
moet ons aan Christus gelijk doen worden, of het
heeft niets te beteekenen. Ieder christen moet zoo-
veel op Christus gelijken — dat God in hem te
midden der menschen woont en door hem Zijne
-ocr page 112-
104
liefdegaven uitdeelt, zoodat de tegenwoordigheid van
zoo iemand een evangelie der hoop, een evangelie
van hulpvaardigheid en een evangelie van genezing
is; hij moet iemand zijn, wiens liefdevol medelijden
zich nederbuigt tot den diepst gezonkene en den
verst afgedwaalde.
O! kenden wij allen dit ware christendom, dat
niet alleen in preeken bestaat, maar in de toe-
wijding van het geheele leven, niet alleen op Zon-
dag en in de kerk, maar gedurende de geheele
week in de meest alledaagsche werkzaamheden.
Dan zouden Hem weder vele scharen volgen. Zoo
en zoo alleen kunnen de groote kloven, die de
menschen scheiden, gedempt worden, — door man-
nen en vrouwen, wier godsdienst geen hooggeschatte
orthodoxie, geen zelfzuchtige zaligheid is, maar die
in hun leven hunne gelijkheid aan Christus toonen
door liefde en medelijden te bewijzen aan anderen.
Toen ik aan den Niagara was, zag ik eene han-
gende brug, die zich hoog boven de schuimende
golven verhief; men vertelde mij bij die gelegenheid,
dat dit reuzenwerk begonnen was met het over-
brengen van een dunnen draad zijde, die van de
eene naar de andere zijde gevoerd werd door middel
van een vlieger; de draad voerde een sterkeren
draad en deze een stevig touw met zich; het touw
werd een kabel en de kabel ging over in kettingen
en zoo ontstond langzamerhand eene zware brug.
Dit is het beeld van den christen, wiens opstijgen
naar den hemel een invloed op aarde teweeg brengt
-ocr page 113-
105
als dien van den zijden draad, waardoor de groote
kloven, die de menschen van elkander scheiden,
overbrugd worden en waardoor zij, die veraf zijn,
nader gebracht en door de liefde aan elkander ver-
bonden worden.
Slaan wij het tooneel nog even gade. Vele scharen
volgden hem; en daar kwam een melaatsche. On-
middellijk is de menigte uit elkander, overal ver-
spreid! De eenige figuren, die zich voor ons oog
vertoonen, zijn Jezus en de smeekeling aan Zijne
voeten.
De Evangeliën zijn niet geschreven om effect
te maken. Wanneer wij ons herinneren, welk eene
vurige geestdrift er in het hart der evangelisten leefde
voor Hem over Wien zij schreven; wanneer wij er
aan denken, dat zij te verhalen hadden van zulke
groote openbaringen der liefde, van zulke onwaardige
behandeling en zulk lijden, dan is het met recht ver-
wonderlijk, dat zij zoo weinig hunne eigene meening
en hunne eigene gevoelens doen spreken. Zij zelve
zijn verborgen; zij getuigen alleen van Hem. Maar
hun eenvoud en ongekunsteldheid vormt een kunst-
gewrocht van den hoogsten rang, welks waarde
vooral uitkomt in de sprekende helderheid en de
volkomen afgezonderdheid, waarmede Jezus en de
smeekeling aan Zijne voeten te voorschijn treden
uit de omgeving.
Zoo is het bij ieder voorval in Zijn leven. In
de geschiedenis van het verloren schaap is dit
het eenige schaap in de wereld; de negen en
-ocr page 114-
106
negentig zijn geheel uit het gezicht. De verloren
zoon vervult de geheele schilderij; hij is de eenige
zoon op de wereld. "Wanneer de boosdoener begint
te bidden zijn de hoofdman en de soldaten, de pries-
ters en de schriftgeleerden, de voorbijgangers en al
het volk verdwenen; hij neemt de geheele ruimte
in. Het is eene gezegende waarheid, dat de ziel, die
komt om Jezus te soeken, de hoofdpersoon is.
Met welke
groote helderheid treedt deze naar voren, alsof daar
geen ander was, om over te denken! Indien de wensch ,
naar iets beters in dit uur bij u opkomt; indien gij
uw eigen wil op zijde zet, om Hem na te volgen,
dan merkt Hij dat op, en Hij komt u te gemoet,
om u te helpen. De gansche hemel stelt belang in
de ziel, die Hem zoekt.
Ik heb aan het strand den kustbewaarder heen en
weder zien wandelen, ieder oogenblik het vergroot-
glas aan het oog brengend en een blik werpend op
de schepen, die komen en gaan — de machtige
oorlogschepen, de groote stoomschepen, de koop-
vaardij schepen met hunne witte zeilen, de vis-
schersbooten, de keurige jachten — maar aan deze
alle schenkt hij weinig of geene opmerkzaamheid.
Een enkele blik is genoeg, en hij gaat voort op
zijn weg, zonder ze een tweeden blik waardig te
keuren.
Maar zie — daar staat hij stil. Hij kijkt opmerkza-
mer. Wat doet hem toch zoo scherp turen ? Nu loopt
hij haastig naar den vlaggestok en seint naar den top
van de mast. Hij spoedt zich voort, om de beman-
-ocr page 115-
107
ning der reddingboot te waarschuwen. Daar ginder
is eene nood vlag geheschen.
Praat hem nu niet over de oorlogschepen, stoom-
schepen of jachten, hij zou het u zeer kwalijk
nemen; dat arme vaartuig daar is nu voor hem het
eenige schip in de wereld. "Wijs hem op de pracht
van het uitspansel, op de wonderen der zee — hij
vindt u onbescheiden. Hij heeft geen oog, geene ge-
dachte voor iets anders dan voor het schip in nood.
Vele scharen volgden Hem — en daar kwam een
melaatsche.
O, die melaatsche nam het geheele hart,
al de zorg van den Meester in! Hoe dierbaar is de
zoekende ziel aan het hart van Jezus! Meent gij,
dat Hij rustig op Zijn troon zit in de heerlijkheid
des Hemels en onder de Halleluja\'s van Zijne
heilige engelen ? Slechts één kreet van eene ziel, die
naar Hem verlangt en zie! Zijn eenige hemel is aan
uwe zijde — Zijne eenige vreugde bestaat daarin,
dat Hij zich over u kan heenbuigen, om u te ge-
nezen en te reinigen en u te verkwikken met de
woorden Zijner groote liefde. Zoo is Jezus.
Daar kwam een melaatsche. Hoe denkt gij, dat deze
melaatsche redeneerde ? Hoe zou hij de zaak in zich-
zelven overdacht hebben ? Achter een rots gekropen,
waar hij veilig verborgen was, stel ik mij voor, dat
de woorden van dezen vriendelijken Leeraar op de
vleugelen des winds tot hem werden overgebracht
en als den ademtocht van Gods liefde op zijne ziel
vielen. „Indien dan gij, die boos zijt, weet uwen
kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer
-ocr page 116-
108
zal uw hemelsche Vader goede gaven geven den-
genen, die Hem daarom bidden." Zekerlijk Hij, die
sprak alsof Hij het harte Gods kende, moet de
Christus Zelve zijn, denkt de melaatsche bij zich-
zelven. „En Hij wiens stem zoo vol liefde is als
Zijne woorden vol wijsheid zijn, zou niet weigeren
mij gezond te maken. Ach, kon ik maar tot Hem
gaan!"
En terwijl hij verlangend luistert, is de prediking
geëindigd en de scharen gaan met den Heer verder,
en alles wordt stil.
„Kon ik Hem ook maar volgen," zucht hij in zich-
zelven. „Maar ik ben melaatsch - onrein; het is
mij verboden iemand te naderen. Ik kan mijne me-
laatschheid niet bedekken of verbergen; alles wat
aan mij is, verkondigt het luide." En hij ziet naar
zijne handen, door de ziekte misvormd, en rilt, alsof
hij een afschuw van zichzelven heeft. „Helaas, ik
kan niet anders doen dan mij tusschen deze rotsen
verbergen met mijn treurig geroep van: Onrein,
onrein!"
Zoo zit hij op den berg, terwijl de schoone land-
streek en het blauwe meer zich voor zijn oog uit-
strekken en aan zijn voet is de kronkelende weg,
waar langs de scharen Jezus volgen.
Toen deed zich eene andere stem in zijn binnenste
hooren, eerst beschroomd, maar allengs moed schep-
pend: „Maar heb ik niet juist, omdat ik melaatsch
ben, het meeste recht, om tot Hem te komen? In-
dien Hij gekomen is om te helpen, zullen de meest
-ocr page 117-
109
hulpeloozen Hem het meest welkom zijn. Laten zij,
die aan eene voorbijgaande kwaal lijden, van Hem
wegblijven; ik kan alleen hoop op herstel vinden
in Hem. Mijn nood zal mijn waarborg zijn en mijne
onreinheid zal mij juist aanspraak doen maken op
hulp."
Maar nu sprak de Vrees in zijn hart: „Maar ik
ben melaatsch. Hij zal voor mijne aanraking terug-
schrikken. En het volk, verontwaardigd dat ik den
Messias naderen wil, zal steenen opnemen, om mij
te steenigen."
Hierop liet zich de stoutmoediger stem van de
Hoop hooren, die troostend zeide: „Juist omdat gij
melaatsch zijt, moet Hij u beklagen. Omdat gij zoo
hulpeloos zijt, moet Hij u beveiligen. Wie zou
meer Zijn medelijden opwekken dan gij? Dit gelaat,
deze handen, deze lompen zelfs zullen voor u spre-
ken en uwe geschiedenis vertellen, gelijk geene woor-
den dit kunnen doen."
„Maar ik ben een melaatsche," zeide de Vrees
weder. „Ik zou nooit dicht genoeg bij Hem kunnen
komen. De menigte zou mij niet in haar midden
dulden. Zij zouden mij elke nadering onmogelijk
maken."
„Onzin," sprak de Hoop weder, „omdat gij me-
laatsch zijt, zal de menigte zich bij uwe nadering
spoedig genoeg verspreiden en van schrik wegvluch-
ten. Uwe melaatschheid zal plaats voor u maken."
En de melaatsche lachte grijnzend bij de gedachte,
dat hij dit toch zeker doen kon, al was het hem
-ocr page 118-
110
ook onmogelijk, om iets anders te verrichten.
Nu springt hij op en is in een oogwenk den berg
af. Hij haalt de menigte in, werpt zich adem-
loos in hun midden, ze verschrikkend door zijn plot-
seling geroep — „Onrein, onrein!" Zij deinzen terug
en daar staat de Christus Zelve onverschrikt voor
hem en de melaatsche werpt zich aan Zijne voeten.
O, gezegende rustplaats! Nooit knielde iemand daar
te vergeefs; van daar werd nooit iemand ledig weg-
gezonden. Dit is het ware heiligdom, waarheen geen
vijand ons kan volgen, en waar geen wreker kan
treffen. Hij, wiens groote liefde voor ieder een vrien-
delijk welkom heeft, buigt zich over hem. Nu zendt
hij zijn gebed op en daar het op den man af en
krachtig is, dringt het door tot voor den troon van
God. Maar het antwoord is veel meer wondervol.
Het bestond slechts uit twee woorden, twee van de
woorden, die de melaatsche had gebruikt — alsof de
echo ze uit den hemel deed wederkeeren — Ik wil;
word gereinigd.
En daar viel des Heeren schaduw
op hem en Zijne hand raakte den melaatsche aan
en het was geschied. Zijne gloeiende vermoeidheid
is geweken en het leven, het zoete, reine, gezegende
leven kwam weder. Onmiddellijk was zijne mélaatsch-
heid geweken.
Zie, wat de melaatsche vond aan de voeten van Jems —
en wat wij ook mogen vinden.
Hij vond een nieuw woord. Tot nog toe was het
eenige woord, dat hem nacht en dag op de lippen
zweefde, het woord Onrein, onreml O, wat moet hij
-ocr page 119-
111
vermoeid zijn geweest van die treurige verzuchting!
Zie hem daar in den frisschen morgendauw, wanneer
nog slechts weinig menschen zich op weg bevinden,
uit zijne schuilplaats in de een of andere rots te
voorschijn springen, als een geest in grafdoeken ge-
huld, terwijl hij zelfs de lucht schijnt te bezoedelen,
als hij zich wegspoedt met den uitroep: „Onrein,
onrein!"
Op het middaguur, wanneer de herder zijne kudde
naar een schaduwrijk plekje geleidt om uit te rusten,
gaat hem de melaatsche voorbij als eene schaduw
des doods, en men hoort zijne klagende verzuchting:
„Onrein, onrein!" In het stille avonduur, wanneer
anderen zich haasten, naar de stad terug te kee-
ren, om hunne geliefden te huis weder te ont-
moeten, staat hij op en spoedt zich voort met den
kreet: „Onrein, onrein!" Zelfs in den nacht, als de
een of andere reiziger zich nog laat een weg baant
door de duisternis, wordt hij verschrikt door den
kreet, die plotseling zijn oor treft: „Onrein, onrein!"
Altijd en overal hetzelfde woord. De wet dwong
hem er toe. Iedere blik op zichzalven en ieder gevoel
bevestigde het. Met iederen polsslag deed het zich
in zijne vreeselijke eentonigheid hooren: Onrein,
onrein! totdat de verdroogde tong bijna geen ander
geluid kon voortbrengen en de lippen zich nauwe-
lijks konden plooien tot eenig ander woord. Maar
nu, aan de voeten van Jezus, vindt hij een nieuw
woord. „Indien Gij wilt, G-ij kunt mij rein maken."
O gezegende ontdekking, die ons allen wacht aan
-ocr page 120-
112
de voeten van Jezus! Ieder hart kent zijne eigene
bitterheid. Hoe vervolgt ons de zonde in het hart,
in gedachten en daden! Bij sommigen heeft de zonde,
gelijk de melaatschheid, het gansche leven verwoest.
Zij kan hen van huis en vrienden verdreven heb-
ben. En nu schijnt zij hen overal te vervolgen en
hen in hunne hulpeloosheid te bespotten. De zonde
vervult oog en oor en heeft zelfs de verbeelding
geheel bezet. Is er geene ontkoming? vraagt gij.
Zeker is er die, nu, hier, in de tegenwoordigheid
van Jezus Christus! Indien Gij wilt, Gij leunt mij
reinigen — reinigen.
Maak deze bede tot de uwe —
mij, mij, Gij kunt mij reinigen.
Aan Jezus\' voeten vond de melaatsche een nieuw leven.
Nu hij zelve gezond was geworden, scheen het of
alle dingen vernieuwd waren. Zijn vleesch kwam
tot hem weder als het vleesch van een klein kind,
liefelijk en schoon. Niemand in de gansche nabuur-
schap zag er zoo goed uit als hij, die eens een wal-
gelijk melaatsche was geweest. De grafkleederen
werden afgelegd en hij herleefde geheel; hij werd aan
zijne familie en vrienden weergegeven. Liefhebbende
harten begroetten hem weder als een der hunnen.
Hij zag rondom zich een nieuwen hemel en
eene nieuwe aarde. Alle dingen waren nieuw ge-
worden. Van alle zijden scheen hem schoone muziek
tegen te klinken, en het hart was vroolijk, omdat
het een zoo heerlijken zegen genoot, als hij niet ge-
meend had ooit te zullen ontvangen. Dit is het
-ocr page 121-
.
113
Evangelie van Jezus Christus — de tegenwoordig-
heid van een Almachtigen en medelijdenden Heiland,
die gekomen is om ons te reinigen. Niet alleen van
de straf der zonde komt Hij ons bevrijden, maar
ook van hare macht. Hij komt om ons rein te maken,
om ons te bevrijden van de schrikkelijke melaatsch-
heid der zonde. Het doel Zijner komst is, om ons
reine gedachten te geven en ons schoone deugden als
broederlijke liefde en gezegende hulpvaardigheid te lee-
ren beoefenen; om ons meer op Hem te doen gelijken.
Laten wij tot Hem gaan en zeggen: „Heer! ik
heb gehoord, dat Gij heden een feest bereid voor
Uwe vrienden en volgelingen en in Uwe goedheid
hebt Gij ook mij genoodigd. En nu wilt Gij, dat ik
vrijmoedig genoeg zal zijn, om U eene gunst te ver-
zoeken. Geef mij heden deze genade, dat ik Uwe
liefde mag openbaren onder de menschen. Verlos
mij voor altijd van minachting en trots en allerlei
slechte hoedanigheden, waardoor ik de menschen in
hunne zonden doe volharden, zoodat zij van zelfmis-
leiding tot wanhoop worden gevoerd. Dit zal mijn
hemel zijn en ik vraag geen anderen — om Uw hoop
in hun hart te mogen uitstorten, om Uw welkom door
mijn blikken uit te spreken, om Uwe liefde in mijn
leven te openbaren, om de rechterhand van Uwe Broe-
derlijke hulpvaardigheid altijd te mogen uitstrekken!"
Er is slechts één ware godsdienst — al het andere
is ketterij— het is die, welke ons reinigt van de
melaatschheid der zelfzucht, en die ons aan het beeld
van onzen Heer gelijkvormig maakt.
-ocr page 122-
ACHTSTE HOOFDSTUK.
JEZUS EN DE KANANESCHE VROUW.
„Heer, help mij." Matth. XV: 25.
De Heer Jezus was met Zijne discipelen buiten
G-alilea naar de landpalen van Tyrus en Sidon
gegaan. De menschen, die deze streken bewoonden,
waren Phoeniciers; zij behoorden tot het oude
Kanaanitische volk, dat door de Joden werd ge-
schuwd en veracht als heidenen en als verworpen
honden. Toch ontmoette de Heer hier een geloof
zooals er geen schooner en treffender in het Evan-
gelie wordt medegedeeld.
Reken er op, zulk eene verandering van lucht
is nog dikwijls zeer goed voor \'sHeeren discipelen.
Het is goed voor ons, om ons nu en dan van onze
godsdienstige overleveringen en uit onze statige eigen-
dommen te verwijderen om hen, die daar buiten
staan, te bezoeken. Brave menschen, die in Judea
leven, met zijn priester- en tempeldienst, zijn zeer
-ocr page 123-
115
geneigd te denken, dat het weinig nut heeft, om te
trachten eenig goed te verrichten onder hen, die zoo
ver af en zoo onwetend in godsdienstige zaken zijn,
terwijl er juist onder dezen smarten en diepe be-
hoeften des harten zijn, die hen doen verlangen naar
iemand als Jezus; en terwijl juist het nieuwe van
de waarheid deze menschen dikwijls het meest ge-
schikt maakt, om den Zaligmaker te ontvangen en
in Hem te gelooven. Onder dezen vindt Jezus nog
altijd een geloof, dat Hem verblijdt en hier wordt
nog als van ouds eene nieuwe wereld van hoop voor
de discipelen geopend.
Indien de gemeente zegeteekenen voor Christus
wil winnen, laat ze hare grenzen overgaan en zich
onder de heidenen begeven — zij behoeft daartoe,
helaas! nooit ver te gaan.
Ik heb opgemerkt, dat zij die over de grenzen ar-
beiden, niet dikwijls verontrust worden doortwijfe-
lingen omtrent het Evangelie — de twijfelingen zijn,
even als van ouds, onder de priesters en Farizeën.
De tijd der wonderen is, Goddank, niet over in die
streken! Daar worden nog altijd duivelen uitgewor-
pen, melaatschen gereinigd en dooden opgewekt;
daar wordt nog altijd aan armen het Evangelie ge-
predikt. Iedere gemeente moet in aanraking met
deze streken leven, en ieder christen moet van tijd
tot tijd een reisje daarheen maken. Indien Tyrus
en Sidon te ver weg zijn, en gij alleen binnen be-
reik van Soho zijt, kom dan eens op een Zondag-
middag in de bijeenkomst ten huize van den heer
-ocr page 124-
116
Nix, Lincoln House, Greek Straat, en gij zult vele
wonderlijke getuigenissen hooren omtrent de won-
deren, die in dit grensland in den naam van Jezus
Christus zijn geschied.
Nu was het in deze landpalen, dat „eene zeltere
vrouw van Hem hoorde"
zegt Markus. Hij deelt ons
mede, dat Jezus in een huis gegaan zijnde, niet wilde,
dat het iemand wist en hij kon toch niet verborgen
blijven. Waarom niet? Het was in dit achteraf plaatsje
niet zooals in Judea, waar iedereen den grooten Pro-
feet uit Nazareth kende, niet zooals in Galilea, waar
de scharen Hem overal volgden. Hier zal hij zeker
de rust vinden, die Hij zoekt. Maar Hij kon niet ver-
borgen blijven om eene seJcere vrouw; dat was de reden.
Hij wilde niet hebben, dat iemand wist waar Hij was.
Ja, dat zou misschien gemakkelijk genoeg geweest
zijn, ware er niet eene zekere vrouw geweest! Mij dunkt,
ik zie haar, vastberaden, beslist, met iets uitdagends
in haar blik en met oogen die schitteren van vurige
begeerte. Gij zult haar niet spoedig op zijde dringen.
„Het zwakke geslacht" zegt gij ? Misschien ja, in
physieke kracht. Maar in wil, in "vastberadenheid
is het zwakkere geslacht gewoonlijk het sterkst.
Lezen wij verder. Eene vrouw, wier dochtertje een
onreinen geest had, van Hem géhoord hebbende.
Nu be-
grijp ik, waarom Hij niet verborgen Icon blijven.
Hier was eene moeder vol ongerustheid over haar
kind; eene moeder, wier ziel slechts ééne gedachte
in zich omdraagt; die overal het arme, stuiptrek-
kende meisje voor zich ziet; eene moeder, wier hart
-ocr page 125-
117
met één innigen wensch vervuld is; die door ééne
groote begeerte wordt aangevuurd en geleid — deze
Profeet moet komen en haar kind gezond maken.
Nu kunt gij er zeker van zijn — Hij Icon niet ver-
borgen zijn.
De liefde is blind, zegt men. Wij hebben
dit spreekwoord dikwijls als eene groote dwaasheid
beschouwd, want geene oogen zien zoo scherp en
zoo ver als die der liefde — En als hij nog ver van
hem was, zag hem zijn vader en toeloopende, viel hem
om zijn hals en Jcuste hem.
Toch is het waar, de liefde
is blind, gezegend blind, stekeblind en doof en dood
voor hindernissen, voor moeielij kneden, voor afwij-
zingen, voor weigeringen.
Eene zoo wanhopige liefde als de liefde dezer
moeder kan niet wachten om te redeneeren — maar
klopt aan, vraagt, smeekt en overwint. De liefde,
evenals het geloof, lacht om onmogelijkheden en
zegt: Het zal geschieden. Dit is de sleutel tot
deze geschiedenis. „Eene vrouw, wier dochter deer-
lijk van den duivel bezeten was, had van Hem ge-
hoord." De moederliefde deed haar zoo dringend
aanhouden en verkreeg deze overwinning. Moeder-
liefde komt der almacht het meest nabij. "Wanneer
zij aan de deur klopt, kan de Heer niet verborgen
blijven.
Volgen wij de geschiedenis verder. Deze moeder
had alles tegen zich.
Zij was eene heidensche vrouw,
geheel buiten de beloften en voorrechten staande,
die aan Israël toebehoorden. En de trotsche Joden
-ocr page 126-
118
toonden hunne meerderheid in blik en woord; deze
heidenen waren uit ander deeg vervaardigd, dan de
kinderen van Abraham. Zij stonden buiten het licht
der waarheid, buiten de liefde Gods; zij moesten
vermeden worden; en als de Jood hen voorbijging,
spuwde hij op den grond en schold hen voor hond.
Welke hoop had zij om eenige gunst van den Zoon
van David te verwachten?
Maar de toestand van haar kind was zeer treurig.
Hoe vermoeid was zij van het heen en weder trek-
ken, om bij allerlei menschen hulp te zoeken. Te
vergeefs had zij al de toovermiddelen van haar eigen
volk beproefd. En wat wist zij van dezen Profeet
uit Israël? Zij is zeer onwetend omtrent Zijn per-
soon en afkomst en het doel Zijner komst; ook
weet zij weinig of niets van Zijne leer; zij heeft alleen
gehoord, dat Hij alle soorten van ziekten geneest;
dat Hij gereed is ieder, die tot Hem komt, te helpen,
zij hij rijk of arm, een vroom mensch of een zon-
daar. En nu deze Profeet binnen haar bereik is, zal
zij nu de gelegenheid, om Hem voor haar kind te
smeeken, laten voorbijgaan. Neen, waarlijk niet!
Haar ziek dochtertje verlatend, spoedt zij zich aan-
stonds voort, om Hem op te zoeken, in haar hart
zeggende:
„Ik zal Hem eenvoudig vragen mij te helpen."
„Hij zal met minachting op u nederzien als op
eene heidensche vrouw, die Zijne opmerkzaamheid
niet waard is," zegt iemand — misschien haar echt-
genoot.
-ocr page 127-
119
„Welnu, dan zal ik Hem eenvoudig vertellen in
welken nood wij zijn en hoe ons arme kleine meisje
lijden moet, en indien Hij zoo vriendelijk en goed
is als zij zeggen, geloof ik zeker, dat Hij medelij ■
den met mij zal hebben en mij zal helpen. Ik zal
tot Hem gaan en het Hem vragen."
Zoo redeneert de liefde. De smart kent geene
aardrijkskunde en let op geene grenspalen. En het
medelijden zal zeker tot in het land reizen, waar
de smart woont. „Indien Hij de smarten en ziekten
van anderen geneest, denk ik, dat Hij ook de mijne
zal genezen. Ik zal Hem met des te meer vrijmoe-
digheid vragen om mij te helpen, daar ik zoo on-
wetend ben en zoo van verre sta."
Zeg mij, mijn lieve vriend, is dit ook uw geval?
G-ij staat ook van verre. Gij behoort niet tot de
godsdienstige menschen, en hebt daartoe nooit be-
hoort; indien gij vroeger ook al met hen samengingt,
hebt gij u toch reeds lang afgescheiden en zij tover
de grenzen gegaan. En nu schijnt gij door hooge
bergen en diepe rivieren van het goede land Gods
gescheiden te zijn. Uw geheele leven en omgeving
doen geloof en gebed en braafheid als buiten uw
bereik zijn. En de geruchten, die over de grenzen
komen, verontrusten u; de menschen zeggen zooveel
verschillende dingen, dat gij niet weet, wat te den-
ken of wat te doen. Maar uw hart is soms droevig;
uwe ziel is terneergedrukt door treurige vrees, en
gij gevoelt u eenzaam en verlaten. Indien er zoo
iemand is als Jezus Christus, dan heeft niemand
-ocr page 128-
•
120
Zijne ontferming meer noodig dan gij. Wees dan
stoutmoedig genoeg, om dit voorbeeld te volgen. Zeg
tot uzelven : „Ik zal Hem vragen mij te hulp te
komen; juist omdat ik zoo ver van Hem verwijderd
ben en omdat ik zoo weinig weet. Al weet ik ook
niets anders, ik weet toch genoeg om tot Hem te
roepen: „Heer, help mij."
En nu gaat zij op weg. Nog altijd schijnt haar
alles tegen te loopen. Toen zij aan het huis kwam,
was de deur gesloten, en de naijverige discipelen
trachtten haar te verhinderen den Meester lastig te
vallen. Misschien zochten zij deze hinderlijke vrouw,
die niet stil te houden was, wel weg te zenden,
gelijk zij later wilden, dat de Heer zou doen.
Misschien ondervindt gij ook, hoe moeielijk het
is, om tot Jezus te naderen. Het schijnt wel, alsof
de deur voor u gesloten is, en de vrienden, van
wie gij hulp verwachtte, doen niet anders dan u
ontmoedigen.
Maar eene liefde gelijk de hare is niet zoo spoe-
dig ontmoedigd. Zij wacht en wacht, totdat ten
laatste de deur opengaat en dan is zij in een oog-
wenk naar binnen en voor den Heer neder vallende,
stort zij haar hart uit. „Gij zone Davids, ontferm u
mijner! mijne dochter is deerlijk van den duivel
bezeten."
Onmiddellijk heeft Jezus hare standvastige, onWe-
derstaanbare liefde gepeild, en zich daarin verheu-
gend, wilde Hij die tot haar hoogtepunt opvoeren.
-ocr page 129-
121
Hij antwoordde haar geen ivoord. Maar opstaande
verliet Hij het huis met Zijne discipelen.
Het was vreemd. Had zij niet gehoord, dat Hij
vol teedere ontferming was ? En nu sprak Hij tot
haar geen woord! Misschien werd zelfs het gelaat
wel van haar afgewend, opdat zij uit Zijne blikken
de liefde niet zou zien spreken, waarvan de lippen
weigerden te getuigen. Zij had waarlijk wel mogen
zeggen met dien krijgsoverste, die vroeger uit haar
land tot den profeet des Heeren was gegaan: Ik
meende, dat Hij mij anders zou ontvangen hebben.
Maar wat dit ook mocht te beteekenen hebben, één
ding kon en wilde zij doen, zij kon roepen: „Heer,
help mij!" Zoo volgde zij hem dan, hoewel met bre-
kend hart, niet ophoudende met roepen en smeeken.
„Laat haar van u," zeiden de discipelen, „want
zij roept ons na." Het kostte veel moeite, om aan
de discipelen te leeren, dat God zich ook om de
heidenen bekommert, en dit was eene van de vele
lessen. Stilstaande, zoodat de vrouw dicht bij Hem
kwam, zeide Jezus:
„Ik ben niet gezonden dan tot de verlorene scha-
pen van het huis Israëls."
Hierop kon zij niets antwoorden; zij kon alleen
hare behoefte kenbaar maken en om ontferming
smeeken: „Heer, help mij!"
Het antwoord, dat de Heer.haar gaf, hadden wij
wel uit Zijn eigen mond willen hooren. Zeker nam
de toon, waarop het gezegd werd, alle schijnbare
hardheid uit de woorden weg. Terwijl Jezus een
-ocr page 130-
122
blik sloeg in de diepte van die groote liefde, hield
hij voor een oogenblik de gave terug, opdat het
vurig verlangen haar hoogtepunt mocht hebben be-
reikt. „Het is niet betamelijk het brood der kinderen te
nemen en den hondekens voor te werpen."
Onmiddellijk
beginnen hare oogen te schitteren. Zij voelt, dat zij
het pleit ge.wonnen heeft: „Ja Heere! doch ook de
hondekens eten van de brokjes, die er vallen van
de tafel hunner heeren."
Het treft ons in het antwoord der vrouw, dat zij
het zoo volkomen eens is met de uitspraak des
Heeren, want hierin vindt zij juist eene reden voor
de verhooring van haar gebed. „Dat is het juist,
Heer! Ik behoor, helaas! niet tot uwe kinderen. Ik
kan mij niet scharen onder uwe bevoorrechte disci-
pelen. Ik wenschte, dat ik het kon. Ik ben niet
waardig, om aan Uwe tafel aan te zitten en brood
met u te breken. Maar, Heer, ik ben de kleine hond,
die zich onder Uwe tafel bevindt en tot U opziet,
verwachtende, dat Gij een stukje zult laten vallen."
En zij knielde aan Zijne voeten en zag tot Hem
op, terwijl hare oogen door hare tranen heen glin-
sterden, en haar smeekende toon overging in een
toon van vast vertrouwen. En toen Jezus zich tot
haar nederboog, wierp de liefde, die voor eene wijl
teruggehouden was, alle hinderpalen omver. Zij
blonk in Zijn gelaat; zij glinsterde in Zijne oogen
en weerklonk in de woorden: „ O vrouw! groot is uw
geloof! u geschiede gelijk gij wilt." Neem
wat gij wilt —
alle weigering is onmogelijk bij zulk eene bede.
-ocr page 131-
123
En nauwelijks wachtend om Hem te danken, en
vol vurig verlangen naar haar kind, snelt zij naar
huis, en vindt, dat de duivel uitgevaren is. O, welk
eene ontdekking! Denk eens, als nu nog bevende
moeders, bezorgde vrouwen, arme kleine kinderen
bij hunne tehuiskomst bemerkten, dat zij niet meer
bevreesd behoefden te zijn, dat zij niet meer ge-
vloekt zouden worden, want dat de duivel uitgevaren
was!
Hierom is Jezus Christus geopenbaard, dat Hij
de werken des duivels verbreken zou.
Hier vinden wij eene gezegende les voor ons allen.
"Wij leeren hier, dat hetgeen ons eigenlijk het stil-
zwijgen moest opleggen, in ons tot een juich toon is
geworden; dat wij juist kunnen zegepralen door het-
geen ons dreigde te verpletteren.
„Wat," zeide de Heer, „zoudt gij willen, dat ik
het brood der kinderen nam, om dat den honden voor
te werpen?"
„Neen, Heer," was het antwoord, „maar omdat
ik een hond ben, verwacht ik van u een kruimel
te ontvangen."
Laat ons deze vrouw hierin navolgen. Laat de
verschillende stemmen zich maar tegen ons verheffen.
„Wat!" zegt er een, „zoudt gij de zegeningen
willen hebben, die voor brave menschen bestemd
zijn; zouden die verleend worden aan een zondaar
gelijk g#?"
Laat het gestorven verleden voor ons oprijzen
en tegen ons getuigen. Laat ons vroeger leven
-ocr page 132-
124
zijne beschuldigingen tegen ons inbrengen. Aan
Jezus voeten nedergeknield, zullen wij tot Zijn
gelaat opzien en roepen: „Het is waar, Heer, ik
ben een onwaardig zondaar. Maar omdat ik een
zondaar ben, heb ik U noodig als mijn Zaligmaker.
Hoe grooter mijne zonden zijn, des te meer moet
ik mij aan U vastklemmen. Hoe heviger de storm
woedt, hoe meer ik eene schuilplaats moet zoeken
onder Uw kruis. Het is zoo, Heer, ik ben een zon-
daar, maar ik kom tot U, omdat gij zulk een Zalig-
maker
zijt!"
Weder doet zich eene verwijtende stem hooren : —
„Durft gij iets goeds te hopen? Gij zijt onwetend,
vol dwaling, nauwelijks in staat uw mond te openen
tot het gebed, daar gij ieder oogenblik eene nieuwe
dwaling begaat! Was er ooit iemand zoo dwaas als
gij? Denkt gij, dat zoo iemand de geheimen van den
godsdienst kan verstaan?"
„Wederom zeer waar — ik ben onwetend. Maar
daarom kom ik tot Hem, want Hij is zulk een
Zaligmaker;
juist zulk een Zaligmaker als arme
onverstandige zielen noodig hebben. Hoe onweten-
der ik ben, hoe meer ik tot mijn Heer zal opzien
om onderwijzing, en hoe meer ik zal kunnen leeren."
„Maar gij zijt zoo zwak van karakter. Denkt gij,
dat het u iets helpen zal of gij ergens om vraagt?
Gij zijt onbestendig en veranderlijk als de wind;
hoe dikwijls zijt gij plotseling braaf willen worden,
en er kwam toch niets van. Den volgenden dag be-
vondt gij u weer op het oude standpunt."
-ocr page 133-
125
„Het is alles eene groote, eene vreeselijke waar-
heid. En omdat ik zoo ontrouw en zoo vergeet-
achtig ben, zie ik tot Hem op om hulp en ont-
ferming. Daar ik zulk eene behoeftige ziel ben,
kan ik niets doen zonder Zaligmaker. Mijne zwak-
heid en mijne nooden geven mij juist aanspraak op
Zijne ontferming en omdat ik zonder Hem niets
doen kan, zal ik in Hem mijn alles vinden."
„Maar denkt gij dan werkelijk, dat er eenige hoop,
eenige kans voor u bestaat? Uwe omstandigheden
zijn zoo bijzonder; uw toestand is zoo moeielijk,
uwe verzoekingen zijn zoo menigvuldig; gij hebt zoo
weinig in uw voordeel! Voor ieder ander kan er
misschien nog een reden bestaan, om tot den Zoon
van God te komen. Maar voor u — welk eene dwaas-
heid om te verwachten, dat gij ooit iets anders zult
worden dan gij zijt!"
„Waar, zeer waar — ik zie rondom mij en sid-
der. Ik sla een blik naar binnen en wanhoop. En
omdat ik nergens eenige uitkomst zie, sla ik mijn
blik op Jezus, en ik wil op Hem blijven zien. Om-
dat mijne omstandigheden mij zoo schijnen tegen te
werken, wil ik mij in de armen werpen van een
Almachtigen Zaligmaker. Juist omdat niemand an-
ders mij helpen kan, wil ik aan Zijne voeten
nederknielen en tot Zijn gelaat opzien en zeggen :
Heer, help mij! Hij is zulk een barmhartig Zalig-
maker!"
Maar schijnen zich nu al de stemmen te zamen
nog eens tegen u te verheffen ? „Gij behoort niet tot
-ocr page 134-
126
de onzen," zeggen zij. „Uwe geboorte, omgeving,
meeningen, uw hart, uwe wijze van doen, alles
maakt scheiding tusschen u en deze godsdienstige
menschen. Wat verlangt gij hier?" O, laat uw hart
stoutmoedig genoeg zijn, om het antwoord uit te
spreken: „Gezegend zij Zijn naam. Ik sta niet buiten
den grooten cirkel, dien Zijne liefde beschrijft. Ik
ben niet buiten het bereik Zijner zegenende hand.
Hij heeft de macht om mij te steunen en te red-
den. Ik behoef niets meer te weten. Mij aan Zijne
voeten werpende, kan ik bidden: „Heer, help mij"
en de zegen zal niet uitblijven. Jezus is waarlijk —
zulk een Zaligmaker!"
-ocr page 135-
NEGENDE HOOFDSTUK.
JEZUS EN DE ARME LIJDEBES.
„En eene zekere vrouw.... van Jezus hoo-
rende, kwam onder de schare van achteren,
en raakte Zijn kleed aan." Mark. V:25, 27.
Jezus gaat omringd van eene groote menigte door
de kleine visschersstad. Naast Hem loopt de overste
der synagoge, wiens gelaat vurig verlangen uitdrukt,
en die vreest voor een oogenblik van oponthoud.
Aan alle kanten wordt de Heer gedrongen; daar
zijn ruwe visschers, die zich een weg hanen, flinke
jongens en meisjes, die zich niet laten terugdringen,
schriftgeleerden en Farizeën, die tusschen de menigte
zijn geraakt en er niet weer uit kunnen, en die met
afschuw terugschrikken van de aanraking met het
gemeene volk. De geheele plaats is vervuld met het
gedruisch en de opgewondenheid van de menigte. En
daar in het midden is Jezus, zoo goed mogelijk
voortgaande met den bedrukten Jaïrus.
-ocr page 136-
128
Plotseling, in een oogwenk, verandert het gansche
tooneel. Ziet, eene vrouw! roept Mattheus uit. Laten
wij onze oogen wijd openen, wanneer in het Evan-
gelisch verhaal gesproken wordt van eene vrouw,
die tot Jezus komt. Het geloof zou beroofd worden
van hare schitterendste overwinningen, de liefde
zou hare teederste toewijding verliezen, de moed
zou zijn edelste bijdragen missen, indien deze ver-
halen van vrouwen, die met den Heer in aanraking
kwamen, niet waren opgeteekend.
De liefde, die zich het eerst over Hem nederboog
op aarde, de laatste moedige daden van toewijding
aan Zijn kruis, de eerste begroeting na Zijne opstan-
ding waren van eene vrouw. Bij het aanschouwen
van het Heilig Kind welt er uit het hart van den
ouden Simeon een lofzang op, en daarna bidt hij,
als of het doel van zijn leven nu bereikt was,
dat hij in vrede moge heengaan tot zijne rust. Niet
zoo met Anna. Deze vrouw, hoewel vier en tachtig
jaren oud, verlangt zoo spoedig zij Jezus gevonden
heeft, dat haar levenstijd nog wat verlengd moge
worden, en wordt de eerste der Evangeliepredikers
en zendelingen, als zij van Hem\' gaat vertellen aan
allen, die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.
De discipelen, lezen wij, „verwonderden zich, dat
Hij met eene vrouw sprak." Maar Jezus wist wat hij
deed. Zie maar — zoo spoedig zij den Christus gevon-
den heeft, wordt zij eene zendelinge onder de heide-
nen, en brengt de geheele stad aan Zijne voeten,
zoodat het hart van Jezus verblijd wordt door het aan-
-ocr page 137-
.
129
schouwen van een geloof, zoo als Hij in Israël niet
gevonden had. Het is eene vrouw, die den Heer
verblijdt met hare standvastigheid en tegenwoordig-
heid van geest, toen zij, terwijl Hij zich schijn-
haar van haar afwendt met de woorden: „Het is
niet betamelijk het brood der kinderen te nemen
en den hondekens voor te werpen," daarop zege-
vierend antwoordde: „Ja, Heer, maar ook de honde-
kens eten onder de tafel van de kruimkens der
kinderen." Het is eene vrouw, die Hem de kostelijkste
gift en het rijkste teeken van liefde aanbiedt. En
toch is de Gemeente altijd half bevreesd geweest,
en is dat nog, om dezen wondervollen rijkdom van
kracht te gebruiken, die zij bezit in den arbeid der
vrouw. O, hadden wij toch des Meesters onderschei"
dingsvermogen en Zijne wijsheid!
Maar wat zien wij, als wij ons terzijde wenden?
Eene arme vrouw, met een bleek en vervallen uiter-
lijk. Hier is geene schoonheid, niets heldhaftigs,
niets dichterlijks. Een ziekelijk schepsel, in hare
sombere woning altijd bezig over zichzelve en hare
kwalen te spreken en over het geld, dat zij aan de
geneesheeren had te koste gelegd en hoe weinig het
haar gebaat had. Misschien was zij kibbelachtig en
bedilzuchtig geworden, en het past ons, die niet
zooveel geleden hebben als zij, niet, om haar daar-
over hard te vallen.
Maar wat is hier dan eigenlijk te zien? Jaïrus\'
dochtertje, het twaalfjarige meisje, door de liefde
9
-ocr page 138-
130
harer moeder omringt, terwijl de deftige vader voor
haar pleit, is het onderwerp voor de schilderij van
een kunstenaar of geeft geschikte stof voor een ge-
dicht, waarin zij wordt beschreven als het licht en
de vreugde harer ouders, de vroolijkheid van het
huisgezin, de trots van het dorp. Waarom nu te
roepen, ziet! wanneer daar niets anders te zien is
dan armoede, ellende en nood ? Twaalf jaren oud,
lezen wij van het meisje. Twaalf jaren van lijden,
lezen wij van de vrouw. Welk een verschil tus-
schen die twaalf jaren van de eene en de twaalf
jaren van de andere. Voor het meisje twaalf ja-
ren van zonneschijn en vroolijkheid; een schoone
lentetijd, die weldra in vollen zomer zou over-
gaan. Voor de andere twaalf jaren van gebrek
en leed; jaren, die haar hebben doen vervallen
en verouderen, en arm en wanhopig hebben ge-
maakt.
En toch is hetgeen er te zien is wel waard, om
er de geheele menigte voor te doen stilstaan, om
het te aanschouwen. Ziet eene vrouw, die ons
toont, dat Jezus Christus in Zijn hart plaats heeft
niet alleen voor onschuld en schoonheid, maar ook
voor onbeminnelijkheid en armoede en voor hen die
niets bekoorlijks hebben. Jezus Christus is niet al-
leen gekomen ora aangename, beminnelijke. men-
schen zalig te maken, die goed genoeg zijn, om
met den hemel in aanraking te komen. Hij is ge-
komen, om overal treurige harten op te zoeken, om
overal de behoeftigen te helpen, om ieder eene red-
-ocr page 139-
131
dende hand toe te reiken. Deze vrouw is het, die
een voorbeeld van geloof wordt.
Er zijn drie trappen in de geschiedenis, die men
wel zal doen op te merken, ofschoon het jammer
is het verhaal af te breken, om bij ieder punt te
blijven stilstaan: hooren, Jcomen, vinden.
Eene zekere vrouw van Jezus hoorende — daarmede
begint het.
Stel u haar voor, terwijl zij met eene buurvrouw
de gebeurtenissen van den dag bespreekt.
„Hebt gij het nieuws gehoord van dien grooten
Profeet van Nazareth? Het moet ongeloofelijk zijn
wat Hij doet."
God zij geprezen, zelfs babbelaarsters kunnen
eenig goed verrichten, wanneer Jezus het onderwerp
van haar gesprek is! Hoe gelukkig was het, dat de
vermaarde koperslager eens het gesprek van eenige
babbelaarsters afluisterde op een zonnigen dag nabij
Bedford.
„Neen," antwoordde de lijderes droomerig; „ik
hoor haast nooit iets, en mij komt bijna nooit
iemand bezoeken. Wie is Hij!"
„Ja, naar hetgeen men vertelt, moet Hij de meest
wondervolle Man zijn, die ooit op aarde heeft rond-
gewandeld. Sommigen zeggen, dat Hij Elia is, die
wedergekomen is, en anderen beweren, dat Hij zelfs
de Messias zou zijn."
„En wat doet Hij?" vraagt de lijderes op treuri-
gen en hopeloozen toon; want zij heeft de hoop
-ocr page 140-
•       /
132
geheel opgegeven om iets te hooren, dat haar van
eenig nut kan zijn.
„Wat Hij doet!" roept de andere uit. „Wel,
alles! Hij opent de oogen der blinden, werpt duive-
len uit, geneest ziekten en maakt melaatschen ge
zond. Men vertelde mij zelfs, dat Hij den wind en
de watergolven heeft geboden stil te zijn, en de
storm was terstond over en er kwam eene groote
stilte."
Hier zuchtte de arme lijderes — het was eene zucht
half van verlangen, half van wanhoop. „Hij is zeker
heel ver hier vandaan. In Jeruzalem denk ik, zoo-
dat een arm schepsel als ik geen kans heeft tot
Hem te gaan."
„Wel neen," zeide de andere. „Hij is hier — Hij
is hier juist aangekomen. Toen ik naar huis ging
ontmoette ik den overste Jaïrus, die zich haastte
om Hem te gaan opzoeken, want, zoo als ik hoor-
de, is zijn dochtertje zeer ziek, en zal zeker wel
sterven."
„En Hij rekent zeker nog al veel, zou Hij niet?
Ik ben arm, ziet ge, zoodat er voor mij geen kans
is!" spreekt de lijderes weer.
„Rekenen," zegt de buurvrouw lachend, „wel
neen! Hij rekent nooit iets."
„Maar och, ik ben bang voor die dokters," zegt
de arme vrouw, het hoofd schuddend, „gij weet ik
heb zooveel geleden van hunne medicijnen en door
hunne onvriendelijke handelwijze."
Hierop zegt de andere weer: „Mijne goede ziel,
-ocr page 141-
133
deze Profeet geeft in het geheel geene medicijnen,
en Hij geneest door Zijne aanraking oud en jong;
het komt er niet op aan wat hen scheelt, Hij
maakt ze gezond."
„En gij zegt, dat Hij op dit oogenblik door onze
straten gaat?"
„Ja," zeide de buurvrouw.
„Dan zal ik tot Rem gaan, om gezond gemaakt te
worden."
Toen zij van Jezus hoorde, ging zij tot Hem —
natuurlijk. Wat kon zij anders doen ? Indien zij haar
geheele leven lang over Jezus had hooren praten,
zou dat haar eenig nut hebben gedaan? Immers
niet? Als zij het verhaal allerbelangrijkst had ge-
vonden en van vreugde had geweend bij het hooren
dezer wondervolle woorden, welke nuttigheid zou
haar dit gegeven hebben?
Zij zeide: „Ik zal Hem gaan opzoeken, want als
ik Zijne kleederen maar aanraak, zal ik gezond
worden."
Het is eene treurige zaak, dat wij er zoo aan
kunnen gewoon raken om over Jezus te hooren, dat
wij eindelijk niet anders aan Hem denken dan als
een tekst voor preeken — een onderwerp voor onzen
Zondag dienst; dat wij ons Hem nooit voorstellen
als een gezegende Tegenwoordigheid, die ons leven
komt verlichten, maar aan Hem denken alsof
Hij geen wezenlijke Hulp was, geen genezende
kracht — alleen een klank. En toch is het inderdaad
mogelijk om zooveel over Jezus te hooren, dat wij ten
-ocr page 142-
•\' ■
134
laatste er nooit aan denken, om iets anders te doen
dan over Hem te hooren. Wel mogen wij ons over
dezen toestand verontrusten. Hoe meer belangstel-
ling de menschen in de prediking gevoelen, des te
aandachtiger zullen zij er naar luisteren en tevre-
den zijn met luisteren. Hoe meer de godsdienstoefe-
ning hen aantrekt, des te meer voldoening zullen
zij er in vinden. Zij hooren, maar komen niet tot
Hem. Zij weten alles, wat wij hun kunnen vertel-
len, maar toch kennen zij Hem niet.
Laat er een eind komen aan deze dwaasheid.
Toen zij van Jezus hoorde, ging zij tot Hem, zeg-
gende: „Indien ik ook maar den zoom Zijns kleeds
aanraak, zoo zal ik gezond worden." Ik, ik, o ge-
zegende stoutmoedigheid! De kracht des geloofs ligt
in het persoonlijke — ik, ik. „Indien ik Zijn kleed
mag aanraken."
Indien Hij tien duizend anderen kan genezen,
is Hij natuurlijk niet alleen gekomen, opdat ik
over Hem zou hooren, maar om mij te genezen. Indien
Hij een machtig Profeet is, waarom zou ik met
mijn lijden en smart van Zijne genade zijn buiten-
gesloten ?
"Wilt gij gaan denken even als zij? Wilt gij ge-
looven en zegt gij nu in uw hart: „Indien ik den
zoom Zijns kleeds maar mag aanraken, zal ik gezond
worden ?
Ik kan mij echter voorstellen, dat de praatster,
die het nieuws had overgebracht, eenigszins ver-
schrikte, toen de vrouw haar plan te kennen gaf,
-ocr page 143-
135
om zelve tot Jezus te gaan — een prediker gelooft
zelve niet altijd aan zijne eigene prediking!
„Wat! wilt gij tot Hem gaan! nul zoo als gij
daar zijt! en Hem aanraken? Neen, neen! Dat kunt
gij niet doen. Het is natuurlijk heel iets anders
voor Jaïrus — hij is een aanzienlijk man en
heeft veel invloed. Maar gij, zoo arm en zoo geheel
onbekend! Ik zal u zeggen, wat gij liever doen moet.
Ga morgen eens naar den overste Jaïrus en vraag
hem een goed woord voor u te doen bij dezen Jezus
van Nazareth — dan zal de groote Profeet misschien
willen hooren, wat gij te zeggen hebt."
Nu roept de lijderes, naar het mij voorkomt, ver-
ontwaardigd uit: „Morgen! Neen, waarlijk niet. Dan
is Hij misschien weer vertrokken. Ik ga nu en als
ik maar Zijn kleed aanraak, zal ik gezond worden!"
Hier hebben wij het waar geloof. Indien de
profeet gekomen is om te zegenen en te genezen,
dan zal Hij zeker het liefst hen helpen, die Hem
het meest noodig hebben. Hare hulpbehoevendheid,
hare armoede, hare eenzaamheid, waren zij niet
zoovele aanspraken op Zijne ontferming?
Van Jezus gehoord hebbende! O, als zij van Hem ge-
hoord had, wat wij van Hem gehoord hebben, hoe Hij,
die rijk was, om onzentwil arm geworden is; hoe Hij
geboren is als een zwak Wichtje en in eene ruwe
kribbe werd nedergelegd; hoe Hij als een eenvoudig
timmerman gearbeid heeft; zou zij niet uitgeroepen
hebben: Mijne armoede en geringheid zullen mij
Zijne sympathie en hulp verzekeren? Als zij van
-ocr page 144-
.
136
Hem gehoord had, dat Hij op aarde gekomen is,
om Zijn leven af te leggen en een smadelijken dood
voor ons te ondergaan, hoe stoutmoedig zou zij ge-
worden zijn? Indien zij Hem teedere woorden als
deze had hooren uitspreken: Komt allen tot Mij, gij
die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven ;
wat had haar dan kunnen terughouden? Indien zij
van Hem geweten had, wat wij weten, zou zij dan
niet zegevierend hebben uitgeroepen: Gezegend is
Zijn naam! Hij ml zich juist verblijden, omdat ik ge-
komen ben! Indien ik maar Zijn kleed aanraak, ml
ik gesond worden?
Iedere weg, die tot Jezus leidt, is goed; het komt
er maar op aan, of wij werkelijk tot Hem komen.
Niets is van eenig nut, zoolang wij niet tot Hem
gaan. Zijne groote liefde weet niets van statige
etiquette. Zoek Hem en gij zult Hem zeker vinden.
Laat het hart maar uitgaan, om Hem te zoeken,
en welken weg het ook uitgaat, het moet Hem
vinden.
En nu zegt de buurvrouw nog eenmaal:
„Nu, als gij dan toch gaan wilt, ga dan ten minste
niet op dit oogenblik. Het is nu een zeer ongeschikte
tijd. Hij zal nu juist op weg zijn naar het huis van
Jaïrus; het meisje is stervende en indien gij Hem
nu ophoudt, zou dat zeer treurige gevolgen kunnen
hebben — het dochtertje kon sterven."
„Och!" zegt de vrouw, „ik moet nu gaan! Misschien
doet zich de kans om gezond te worden nooit meer
voor. Ik zal Hem niet ophouden, daar zal ik voor
-ocr page 145-
137
zorgen. Het meisje zal er niet om lijden. Ik zal stil
achter Hem zien te komen en den zoom van Zijn
kleed aanraken en dan zal ik genezen worden."
Hier zien wij het vast geloof. De Heer Jezus heeft
maar één tijd, om ons zalig te maken — er bestaat
maar één tijd, waarin wij er verzekerd van kunnen
zijn, dat het Hem niet ongelegen zal komen en
dat Hij ons gaarne zal ontvangen. Hij heeft dezen
tijd duidelijk aangewezen en het is zeker het best,
om tot Hem te gaan op den tijd, dien Hij bepaald
heeft. NU — HEDEN is de dag der zaligheid: NU is
de welaangename tijd.
Er zijn voorrechten of vrijheden, die slechts te
genieten zijn op enkele dagen; er zijn zegeningen
aan sommige gelegenheden verbonden; plechtigheden
en schikkingen, die van de omstandigheden afhan-
gen. Maar de Heer Jezus heeft de groote zaak van
onze zaligheid niet afhankelijk gemaakt van het
goedvinden van anderen. Het uur van uw zoeken
is het uur, waarop God zich laat vinden.
Maar de buurvrouw geeft het nog niet op, en
terwijl de arme lijderes zich gereedmaakt, omheen
te gaan, wil zij haar nog terug houden.
„Blijf toch hier en luister naar reden. Het is
vergeefsche moeite, om er nu heen te gaan. Gij
zult nooit tot Hem kunnen naderen.
Toen ik hier kwam,
stonden de menschen overal op Hem te wachten.
Ik zou zelve ook wel hebben willen wachten, maar
ik was bang om doodgedrukt te worden. En dan
een arm, zwak schepsel als gij zijt! Gij zult er nooit
-ocr page 146-
138
door heen kunnen dringen! Gij deedt veel beter
thuis te blijven en een rustig oogenblik af te wachten,
wanneer gij er zeker van kunt zijn, tot Hem te
kunnen naderen."
Ziel — dit gesprek is geen verdichtsel! Of doet
de stem des ongeloofs zich niet aldus in uw hart
hooren ? Het is alles zeer goed voor andere menschen
zij hebben zooveel dat hen helpt. Maar zie eens naar
alles wat mij in den weg staat — zie mijne omgeving,
mijne zaken; sla mij eens eene week gade en zie
wat eene menigte dingen er zijn, die mij van Christus
terughouden. Het is noodeloos voor mij, om te trach-
ten tot Jezus te komen. Ik moet wachten tot de
omstandigheden wat gunstiger zijn."
„Wel," zegt zij, „ik kan het in elk geval beproeven.
Het is zeker de moeite wel waard dit te doen."
En weg gaat zij.
En als zij de nauwe straat uitkomt, gaat de
menigte juist voorbij; zij wordt hier geduwd, daar
gestooten, met de ellebogen achteruit gedrongen
en dan weer voortgestuwd, tot zij bijna begint
te wanhopen, toen de machtige Profeet plotseling vlak
voor haar
staat; het blauwe, lint dat Zijn kleed om-
zoomt hangt in haar bereik. Voort bewegen zich
hare bevende vingers en raken het aan — en op
hetzelfde oogenblik voelt zij de genezende kracht
haar lichaam doorstroomen. Zij was gezond gemaakt.
Ja, God zij geloofd, zoo gaat het altijd! Indien
eene ziel Christus wil vinden, is er geen macht ter
wereld noch in de hel, die het zal verhinderen. O,
-ocr page 147-
•
139
gij, die Christus zoekt, het komt er niet op aan,
hoe zwak en onwetend gij zijt, indien gij Hem maar
met ernst wilt zoeken, kunt gij van het welslagen
uwer poging overtuigd zijn! G-ods liefde is aan uwe
zijde, en zal het u doen gelukken. Zoekt en gij eult
vinden.
Zij raakte hem aan — velen drukten en verdrongen
Hem; ieder oogenblik raakte de menigte hem aan,
maar hier was iemand, die de hand uitstrekte en
Hem aanvatte. Zij ondervond de genezende kracht.
Dit is het beeld des geloofs in al zijne eenvoudig-
heid. Wij hooren zeer dikwijls van Christus; wij
komen dikwijls in Zijne tegenwoordigheid; wij kun■
nen in onze vurige begeerte Hem zelfs dringen en
verdrukken — toch kan er geene aanraking, geen
vasthouden zijn.
Zijn woord hoorende, kunnen wij belangstelling
daarin gevoelen, wij kunnen met goede plannen,
met goede voornemens vervuld zijn, maar dit alles
gaat verloren en geeft geen nut, omdat wij Hem
niet aanraken; wij klemmen ons in onze behoefte
niet aan Hem vast als aan onzen eigenen Zalig-
maker.
In het gebed en in geheel ons godsdienstig leven
kunnen wij vroom en oprecht zijn, en toch gevoe-
len wij de genezende kracht niet, omdat in ons
niet het geloof leeft, dat Hem aanvat in onze
nooden.
Juist op dit punt schieten wij zoo dikwijls te
-ocr page 148-
140
kort. Maar nu deze gedachte tot u is doorgedron-
gen, neem nu het besluit, dat gij dezen misslag
niet zult begaan. Vat Hem nu stoutmoedig aan als
uw Helper, uw Heelmeester, uw Zaligmaker, uw
Alles.
                                                          •
Wij blijven nog een oogenblik bij het tooneel
stilstaan, opdat wij mogen zien, welke ontvangst haar
geloof vond en met welke uitkomst het werd bekroond.
Indien wij aannemen, dat de buurvrouw de lijderes
gevolgd is, om te zien hoe het haar gaan zou, kunt
gij u nu voorstellen, hoe zij op een hoek buiten
het gedrang op den uitkijk staat. De geheele menigte
staat stil. Alle geluid verstomt, toen Jezus zich
omkeert en zegt: „Wie heeft mij aangeraakt?"
„Daar hebt ge het al," zegt de buurvrouw, „ik
heb het haar wel gezegd. De Profeet zal zeer boos
zijn, dat iemand als zij, zich zulke vrijheid jegens Hem
veroorlooft!" Daarop wordt in de stilte Petrus\' uit-
roep gehoord: „Meester, de scharen drukken en ver-
dringen u, en vraagt gij: Wie heeft mij aangeraakt ?"
Maar Jezus staat stil en ziet bedaard om Zich heen.
„O hemel! wat zal Hij zeggen? Wat zal Hij
doen?" denkt de buurvrouw. En terwijl Hij zoo
rondkijkt, komt daar iemand aanloopen. „O, ik zeide
het haar wel — zij kon geen slechter tijd gekozen
hebben."
Deze, een dienstknecht van Jaïrus, baande zich
een weg door de menigte en zeide: „Wees den
Meester niet moeielijk, uwe dochter is gestorven!"
-ocr page 149-
141
„Daar, dat komt er nu van, dat gij Hem op een
tijd als deze ophoudt. Het meisje zou misschien in
het leven zijn gebleven, als gij den Profeet niet
teruggehouden hadt."
Ach ja! er was nu niets meer aan te doen. De
vrouw staat daar als een schuldige, het hoofd ge-
bogen, de oogen vol tranen en met een gesmoorden
snik: op heeterdaad betrapt. Zij valt voor Hem
neder en bekent Hem alles. De schare is verlangend
te hooren, wat de wijze Profeet zeggen zal. Boos?
In het minst niet. O, welke teedere liefde was op
dat gelaat te aanschouwen! Hij strekte Zijne hand
zegenend over haar uit. Hij noemde haar bij een
teederen naam: „Dochter, vrees niet; wees welge-
moed; uw geloof heeft u behouden." Van onwelkom
zijn geen sprake! Nooit was een vriendelijker, een
meer liefdevol woord gesproken tot eenig mensch,
die tot Hem kwam.
O, wees verzekerd van een even vriendelijk wei-
kom, wie gij ook zijn moogt, die tot Hem wilt
naderen!
En wat de onaangenaamheid voor Jaïrus betreft!
Het oponthoud door haar veroorzaakt werd voor
hem tot een heerlijken zegen. Het dochtertje was
dood; en terwijl aan de eene zijde de boodschapper
stond, zeggende: „Wees den Meester nietmoeielijk,"
bevond zich aan de andere zijde de Heer zelve, die
tot de vrouw zeide: „Uw geloof heeft u gezond
gemaakt."
En Jaïrus wendde zich om, ten einde dat gelaat
-ocr page 150-
142
bloeiende van gezondheid te aanschouwen; de arme
lijderes stond daar rechtop en krachtig; en er was
voor hem eene nieuwe meening in de woorden van
Jezus: „Geloof alleenlijk, en uwe dochter zal be-
houden worden." Zoo versterkte de arme lijderes
het geloof van Jaïrus tegen den dood zelf.
Voor ons, voor iedereen, is het beste wat er te
doen is, stoutmoedig tot Hem te naderen en Hem
aan te nemen als ons eigendom. Vat Hem aan
door het geloof. De hand des geloofs, naar Hem
uitgestrekt, zal bemerken, dat de genezende kracht
even als vroeger aanwezig is. — Uw geloof heeft u
behouden.
-ocr page 151-
TIENDE HOOFDSTUK.
Jezus en de Blinde van Jericho.
„Jezus, gij zone Davids, ontferm u
mijner." Mark. X: 47.
He t was een oproerig tooneel in de poort van
Jericho. De tegenwoordigheid van Jezus was ge-
noeg, om de geheele stad in opschudding en eene
groote menigte menschen op de heen te brengen, allen
verlangend om Hem te zien; en behalve deze schare,
die zich rondom Hem verdrong, waren er eene
menigte pelgrims, die naar Jeruzalem gingen, om
het Paaschfeest te vieren. Het was de gewoonte,
dat men met elkander reisde in groote gezelschap-
pen, tot veraangenaming van de reis en tot meerdere
veiligheid, want dieven en rooverbenden maakten
dezen weg zoo onveilig, dat hij genaamd werd „de
weg des bloeds." De groote menschenmassa, de
opgewondenheid van het tooneel, het gedruisch en
gewoel van het volk, dat zich verdrong in de nauwe
-ocr page 152-
144
poort, alles maakte deze plaats tot eene zeer onge-
schikte, om een wonder tot genezing te verrichten.
Het was moeielijk, om tot Jezus te naderen; het
was dwaas Hem in zulk een gewoel te willen doen
stilstaan; het was niet te denken, dat Hij op dit
oogenblik naar iemand zou luisteren. Geprezen zij Zijn
naam! Ieder oogenblik is geschikt, om tot Jezus te
naderen. Wij kunnen nooit op een ongeschikt uur
komen; Hij is nooit te druk bezig. Nooit, nooit
kunnen wij tot Hem komen op een oogenblik,
waarin Hij buiten staat of onwillig zou zijn, om
ons te ontvangen en te zegenen.
Vlak bij de poort, een weinig buiten het gedrang,
zit de blinde Bartimeus te bedelen. Bedelaars zijn
gewoonlijk babbelaars; zij hebben niet veel anders
te doen dan te praten en de poort was de plaats
waar allerlei nieuwtjes verhandeld werden. Wij be-
hoeven dus niet te twijfelen of Bartimeus had reeds
veel gehoord over den Profeet, wiens roem door
het gansche land verspreid was. Wij kunnen ons
gemakkelijk voorstellen, hoe daar op zekeren dag
iemand, op zijne terugreis van Jeruzalem, geheel be-
stoven aankomt en in de schaduw van de poort
een weinig blijft uitrusten.
„Zoo, Bartimeus, gij nog hier?"
„Natuurlijk," zegt Bartimeus, „waar anders zou ik
mij bevinden ? Blinden zien te huis al even weinig als
op iedere andere plaats. Waar komt gij van daan ?"
„Ik ben in Jeruzalem geweest. En wat denkt gij
dat ik daar gezien heb?"
-ocr page 153-
146
„Wel, niet heel veel bijzonders, denk ik."
„Ja wel. Ik zag er iets, dat heel geschikt voor
u zou zijn."
„Mij dunkt," zegt Bartimeus, „dat gij niet zoo
ver hadt behoeven te gaan, om zoo iets te vinden.
Wat was het?"
„Ik zag dien grooten Profeet van Nazareth. Som-
migen zeggen van Hem, dat Hij Elia is, en anderen
beweren, dat Hij de Messias zelve zou zijn. Zooveel
is zeker, nooit sprak iemand gelijk die Man."
„Ik wenschte, dat ik Hem kon hooren," zegt
Bartimeus zuchtend.
„En wat denkt gij, dat Hij deed? Gij zult het
nooit raden."
„Dan kunt gij het mij evengoed vertellen. Wat
was het?"
„Welnu, Hij opende de oogen van een man, die
blindgeboren was!"
Nu wendde Bartimeus zijn gelaat vol belangstelling
naar den spreker.
„Hij opende de oogen van een blinde!" riep
hij uit.
„Ja, en Hij heeft nog vele andere wonderen
verricht."
De gansche ziel van den man kwam in beweging.
Hij strekte zijne handen zelfs smeekend uit.
„Denkt gij, dat Hij ooit dezen weg zal uitkomen ?"
vraagde hij ernstig.
„Dat kan wel gebeuren."
En van dien dag af droomde de blinde man van
10
-ocr page 154-
146
niets anders dan van Jezus\' komst, en verlangde
steeds vuriger, dat Hij naar Jericho zou reizen. Hoe
heerlijk, indien er voor hem ook op genezing te
hopen was! Wij kunnen het ons begrijpen, hoe vol
belangstelling hij aan ieder, die uit Jeruzalem kwam,
vraagde, waar Hij was en wat Hij deed. Hoe hij de
woorden, die anderen van Jezus\' lippen gehoord
hadden, bij zichzelven herhaalde en in zijn geheugen
bewaarde, en hoe gaarne" hij luisterde naar de
verhalen van de wonderen, die Hij gedaan had.
Dag en nacht vervulde het verlangen zijne ziel —
o, kwam Hij toch eens dezen weg langs!
Het deed hem goed, om over Jezus te hooren —
en toch maakte het hem treurig. Zijne blindheid
was veel moeielijker te dragen, als hij er aan dacht,
hoe anderen geholpen waren. Er waren menschen,
die uit Jericho naar Jeruzalem waren gegaan, om
van hunne kwalen genezen te worden, maar hij
had niemand, om hem te helpen! O, woonde hij
toch maar in Jeruzalem! Dan zou hij zich aan de
voeten van den Profeet werpen. Het was hard om
zoo hulpeloos te wezen en zoovele dingen tegen zich
te hebben — armoede evengoed als blindheid!
Is dit niet het beeld van zoo menigeen? Gij
komt den eenen Zondag na den anderen, om van
Jezus te hooren; gij verlangt er naar, iets van Hem
te vernemen; en dankt God als gij hoort, wat Hij
voor anderen gedaan heeft. De tijd der wonderen
is niet over, en waar Jezus Christus is, daar ge-
schieden wonderen even groot en heerlijk als vroeger.
-ocr page 155-
•
147
De oogen der blinden worden geopend, duivelen
worden uitgeworpen, melaatschen gereinigd en aan
armen wordt het Evangelie verkondigd. Maar gij,
helaas! gij zit daar gelijk de blinde man, gij hoort
van dit alles, maar het schijnt zoover buiten uw
bereik. Gij zijt blind en niet in staat deze dingen,
die anderen zoo gemakkelijk vinden, te begrijpen.
Uw toestand is zoo bijzonder en gij hebt geen van
al de hulpmiddelen, die anderen hebben. Alles schijnt
tegen u te zijn. En gij denkt bij uzelven, dat er
voor u niets anders te doen is, dan stil te zitten
en te verlangen, dat er eenige hulp zal komen op-
dagen. Dit is geen lang vergeten geschiedenis van
jaren geleden. Hoe velen hier in ons midden moeten
bekennen — Dat ben ik.
Nu komt de dag, waarop de geheele stad in op-
schudding raakt. „Wat is er toch te doen?" vraagt
de blinde man aan dezen en genen. Ten laatste
krijgt hij tot antwoord — „Jezus van Nazareih gaat
voorbij."
Zoo is dan nu de groote Profeet eindelijk binnen
bereik van den blinden man. Hij zal zich het oogen-
blik ten nutte maken. „Jezus van Nazareth gaat
voorbij"
welke muziek klonk ooit zoo zoet in zijn
oor. Welke hoop, welke mogelijkheid ligt in dit
woord! Hij, die allen genas, die tot Hem kwamen,
is nu in zijne nabijheid. Wel mag de blinde man
zijne stem verheffen. Plotseling klinkt dan nu ook
boven het gewoel zijn luid en duidelijk geroep:
„Zone Davids! ontferm u mijner!"
-ocr page 156-
148
Mijn broeder, Jezus is hier! Hij Zelve is gekomen.
Hij, die duizenden en duizenden zielen heeft gered
en gezegend, is binnen uw bereik. Hij, die machtig
is, om volkomen zalig te maken allen, die door
Hem tot God gaan, is gekomen om u te redden.
Zal uw verlangen geen verhooring vinden? Zal uw
treurig hart geen troost kennen ? Zal uw leven geen
kracht en vreugde ontvangen? Zal uw kwaal nooit
genezen worden? "Wend u tot Hem. Laat uw hart
zich tot Hem keeren. „Gij, Zone Davids, ontferm
u over mij!"
Maar de lieden, die zich rondom den bedelaar
bevinden, bestraffen hem.
„Houd u stil," zeggen zij.
„Waarom?" vraagt hij.
„Omdat gij maar een bedelaar zijt. Het is ver-
metelheid om te denken, dat deze groote Profeet,
om wien iedereen zich verdringt, ten einde Hem te
hooren, en die door het volk tot Koning van Israël
zal worden uitgeroepen, op iemand als gij \'zijt, zal
nederzien."
„Neen, neen," zegt Bartimeus, „hoe armer ik ben,
hoe meer ik te beklagen ben. Gij, zone Davids,
ontferm u over mij!"
„Zwijg toch; Hij is bezig tot het volk te spreken."
„Welnu," spreekt Bartimeus, „ik wil Hem ook
hooren. Denk eens, hoeveel ik missen moet. Ont-
ferm u mijner, Heer, gij, zone Davids, ontferm
u mijner!"
„Houd u toch stil," zegt een ander; „uw geval
-ocr page 157-
149
is hopeloos — een man, die al zoo oud is! Wat
helpt het u, om zoo te schreeuwen?"
„Indien Hij anderen kan gezond maken, kan Hij
het mij ook doen!" riep de blinde man. „Ontferm
u mijner, gij, Zone Davids, ontferm u mijner!"
Hij kon niet anders doen dan overluid roepen. De
melaatsche kon te voorschijn springen met zijn
geroep „onrein" en aan de voeten van Jezus neder-
vallen. De arme vrouw kon door de menigte dringen
en in stilte den zoom Zijns kleeds aanraken. Maar
in Bartimeus\' geval konden handen noch voeten
hem helpen; alles hing dus af van zijn geroep: „Gij,
Zone Davids, ontferm u mijner."
Wat dunkt u, indien hij den tijd had laten voor-
bij gaan met te denken over de wijze van genezing,
en daarvan zoo vervuld ware geweest, dat Jezus
voorbij was, voor hij iets gezegd had? Als hij bij
zichzelven gesproken had, betreffende het geval van
den man bij het water van Siloam: „De klei daar
is zeer bijzonder en ongetwijfeld zeer rijk aan ge-
zondmakende bestanddeelen. En natuurlijk het water
van Siloam staat zoo goed bekend; en daar het in
de Heilige Stad is, heeft het ongetwijfeld eene bij-
zonder goede uitwerking op de oogen."
Zoo brengen duizenden hun tijd door en zij laten
den Zaligmaker voorbijgaan. Zij tasten rond naar
het geloof. — O, hadden zij maar geloof en konden
zij zich maar bekeeren! Och, och, wat is er aan te
doen? Maar, indien deze man geen klei en geen
water van Siloam had, moest Jezus hem beklagen
-ocr page 158-
-
150
en hem des te eerder helpen. „Grij, Zone Davids,
ontferm u mijner."
Mijn vriend, indien gij minder hebt dan ieder
ander, wees dan des te stoutmoediger in uw roepen,
om hulp en ontferming. Uwe behoefte is des te
grooter; de aanspraak op hulp, die gij hebt, des te
gegronder. „Gij, Zone Davids, ontferm u mijner."
Neem heden het besluit dezen weg te bewandelen.
Zeg tot uzelven: „Ik zal tot Jezus gaan. Indien ik
Hem niets kan brengen, ik kan toch met kracht en
volharding smeeken. Ik gal aanhouden in het gebed."
Het eenige middel tot welslagen is deze volhar-
dende ernst in het gebed, die zich het zwijgen niet
laat opleggen — die geene afwijzing aanneemt. Laat
uw geloof en uwe hoop zich vastklemmen aan
Jezus en laat uw hart tot Hem uitgaan met de
bede: Gij, Zone Davids, ontferm u mijner!
Laat ons nu zien, hoe het den blinden man ging,
„En Jesus stond stil" O, wondervolle kracht van
het gebed! In den ouden tijd beval Jozua de zon\'
stil te staan. Maar hier belemmert een blinde
bedelaar de schreden van Hem, die de zon in het
aanzijn riep. En wat een oogenblik voor Jezus om
stil te staan!
Laat ons zien wat er geschreven staat over dit
voorval. „En zij waren op den weg gaande op
naar Jeruzalem; en Jezus ging voor hen; en zij
waren verbaasd en hem volgende, waren zij\' be-
vreesd. En de twaalven wederom tot zich nemende,
-ocr page 159-
151
begon hij hun te zeggen de dingen, die hem over-
komen zouden, zeggende: Ziet, wij gaan op naar
Jeruzalem en de Zoon des menschen zal den over-
priesteren en schriftgeleerden overgeleverd worden
en zij zullen hem ter dood veroord eelen, en hem
den heidenen overleveren; en zij zullen hem be-
spotten, en hem geeselen en hem bespuwen, en
hem dooden; en ten derden dage zal hij weder op-
staan."
Indien er ooit een oogenblik was, waarop de
Heer Jezus zich met Zijne eigene smarten had
kunnen bezighouden, was dat nu, toen Hij ver-
driet, smaad en schande in het vooruitzicht had,
zooals niemand ooit gekend had. Maar ziet, het
geroep van den blinden man bereikt Zijn oor — en
alles is vergeten behalve het leed van dien armen
man, en Zijn gansche hart is vol verlangen, om
hem ontferming te bewijzen en hem te genezen.
En hoe is het nu, nu Hij in Zijne heerlijkheid
is binnengegaan? nu Hij gezeten is aan de rechter -
hand des Vaders, waar Hij alle gelegenheid heeft,
om de kreet van ieder treurig hart te verstaan?
Jezus stond stil. Zien wij wat op dit voorval volgt.
Hij gaat Zijne luisterrijke intocht houden, als een
Koning begroet door het geroep van „Hosanna."
De opgewonden menigte is gereed de kleederen
neder te werpen, om Zijn pad te bedekken, en om
het met palmtakken te bestrooien. Maar al de
grootheid en heerlijkheid zijn vergeten bij het
hooren van het geroep van den blinden man. Het
-ocr page 160-
152
doet Hem stilstaan. Geene grootheid, geene ver-
heven heerlijkheid kan u, lieve ziel, van Uw Heer
scheiden.
„En Hij zeide, dat men hem roepen sou." De blinde
bedelaar werd plotseling iemand van aanbelang.
Zijn naam was op ieders lippen. Al de menschen,
die hem eerst hadden bestraft, waren nu zeer ver-
langend de eer te genieten van op eenigerlei wijze
tot hem in betrekking te staan; een twintigtal
handen werden naar hem uitgestrekt en eene menigte
stemmen riepen: „Wees goedsmoeds, Hij roept u."
Niet meer een blinde bedelaar, maar nu een van
de belangrijkste personen in Jericho.
Ziele, Jezus Christus heeft, u zoo lief, dat Hij zich
veel, zeer veel, aan u laat gelegen liggen. En wan-
neer Hij de uwe is, kan Hij de harten van hen,
die tegen u zijn, spoedig veranderen, opdat zij u
mogen helpen en zegenen.
Door een half dozijn handen geleid, terwijl de
schare voor hem uit den weg gaat, en iedereen
ruimte voor hem maakt als of hij een prins geweest
ware staat hij eindelijk voor den Heer. En Jezus
zeide tot hem: „Wat wilt gij, dat ik u doen zal?"
Zie het tooneel aan: een blinde bedelaar en de
Koning der Eere. En zie, de Koning stelt al de
wijsheid en de macht en de liefde van God ter be-
schikking van den bedelaar. O, zoo lief heeft Hij
ons! Hij geeft Zichzelven aan ons, om onze Vriend
en Helper te zijn en stelt zich in onzen dienst. „Wat
wilt giu dat ik u doen ml?"
-ocr page 161-
153
„Heer," riep de blinde man, „dat ik ziende mag
worden!" En onmiddellijk herkreeg hij het gezicht.
De glorie van aarde en hemel, en de schoonheid
van Jezus Zelve drong tot zijne ziel door. „Ga
heen," zeide de Heer tot hem, „uw geloof heeft u
behouden."
Dit is het Evangelie. Indien het iets te beteekenen
heeft, dan beteekent het dat Jezus Christus in de
wereld kwam, om ONMOGELIJKE dingen te doen.
Waartoe zou het dienen, dat de Zoon des men-
schen op aarde is gekomen, indien Hij geen blinde
bedelaars kan helpen, en de ellende en vloek der
wereld niet kan wegnemen.
"Waartoe is Hij, de verheven Zoon van God, die
alle macht heeft in hemel en op aarde, op de aarde
gekomen, indien Hij de dronkaards niet van den
drank kan verlossen, en den duivel van trots en
allerlei begeerlijkheden niet kan uitwerpen; indien
Hij geen gebroken harten genezen en verwoeste
huisgezinnen kan terecht brengen en blinde oogen
kan openen, om ze Hemzelven te doen aanschou-
wen en de liefde des Vaders en de heerlijkheid des
hemels.
Indien het Evangelie van Jezus Christus slechts
eene zaak van woorden en namen is, of van theorieën
en geloofsartikelen, en teksten voor eindelooze preeken
en uitlegkundig spel voor doctoren in de godgeleerd\'
heid — wie heeft er dan behoefte aan? Laat het
gaan.. Het leven is te ernstig, te kort, te treurig
voor zulke beuzelingen. Laat de doode prediker het
-ocr page 162-
154
doode Evangelie begraven, en hemzelven er bij als
hij wil.
Maar indien er eene kracht is, die de menschen
kan opheffen en gezond maken, die de ellende en
de bitterheid kan doen eindigen, maak daarvoor
dan plaats. En God zij geprezen, er is zulk eene
kracht. Jezus van Naeareth gaat voorbij.
-ocr page 163-
ELFDE HOOFDSTUK.
Jezus en de blinde van Jeruzalem.
En voorbijgaande, zag Jezus eenen mensch,
blind van de geboorte aan. Joh. IX: l.
He t moet ons inderdaad verwonderen, dat Jezus
dezen blinde op zulk een oogenblik heeft opge-
merkt. De geschiedenis is zoo schoon, dat wij de
verzoeking niet kunnen wederstaan van een weinig
terug te gaan tot het begin van dezen Sabbatdag.
Jezus was van den Olijfberg teruggekeerd en
trad den tempel binnen. Hier moest hem eene groote
tegenstelling treffen. Op den berg met Zijne disci-
pelen was alles kalmte en heiligheid.\' Daar was
rust en vrede, daar was gemeenschap met den
Vader en eenheid met Zijne volgelingen. Beneden
waren de elkander verdringende scharen, daar was
noodwendig botsing en onaangenaamheid met de
Pharizeën. In den tempel werd de verontwaardiging
van den Heer opgewekt door allerlei ontheiliging
van den godsdienst, die verlaagd was tot mensche-
-ocr page 164-
156
lijke inzettingen omtrent de munt, de dille en het
komijn, terwijl er eene groote verblindheid bestond
met betrekking tot de wet der liefde. Behalve dit
alles was het op den Sabbat, dat Zijne werken
van genezing de hevigste gramschap van de oversten
opwekten en Zijn leven in het grootste gevaar
brachten.
„Meester," hebben de discipelen misschien gezegd,
„het is beter voor U en beter voor ons, om op den
berg te zijn. Laat ons voor vandaag hier blijven
vertoeven."
Bethanie met de bekoorlijkheid van dat vriende-
lijk tehuis, waar zulk eene ware liefde en toe wij ■
ding verlangend was, om Hem te dienen, was op
zoo korten afstand gelegen. Waarom daar niet nog
eens een rustigen Sabbat doorgebracht?
Jezus\' afdalen van den berg is eene openbaring
van Zijn innerlijk leven. „Ik moet werken de wer-
ken desgenen, die mij gezonden heeft." Het was
Zijne vreugde, den wil des Vaders te volbrengen.
Hiertoe had Hij zich geheel overgegeven. Hierin
vond Hij rust, kracht en vreugde.
Zoo komt het, dat Hij vroeg op den Sabbatmor-
gen de stille berghelling verlaat en door de poort der
stad gaande, bevindt Hij zich wederom te midden
der menigte, die tot het Loofhuttenfeest te zamen
was gekomen, en die van het eerste oogenblik Zijner
verschijning in hun midden, zich met belangstellende
verwondering rondom hem verdringt. En meen niet,
dat Jezus, nu Hij Zijne heerlijkheid is binnengegaan,
-ocr page 165-
157
daar rust te midden der halleluja\'s van de engelen.
Zijne groote liefde en vurige begeerte om te helpen
brengt Hem nog in ons midden. Hij komt tot ons,
even als Hij vroeger tot de menschen kwam. Laten
onze harten Hem met ware liefde begroeten.
Daar is reeds een oploop, eene menigte menschen
banen zich een weg tot Jezus. Eenige schriftge-
leerden en Farizeën brengen eene vrouw, veracht
en ongesluierd in Zijne tegenwoordigheid. Daar staat
zij bevend voor Hem, het gelaat in de handen ver-
borgen, terwijl schaamte, verdriet en vrees in haar
kampten ; rondom haar zijn de schreeuwende beschul-
digers, wier oogen flikkeren van woede en die spot-
tend met de vingers op haar wijzen. „Meester, Mozes
heeft bevolen, dat zulke overtreders zouden gestee-
nigd worden!"
Het was eene listige vraag en groote stilte ont-
stond onder de toeschouwers. Indien Jezus de vrouw
veroordeelde, mocht het algemeen gevoelen zich tegen
Hem kanten. Indien Hij haar niet veroordeelde, zou
het schijnen alsof Hij zich tegen Mozes en de wet
stelde. Jezus boog zich neder en scheen op den
grond te schrijven.
Wederom kwam het toornig geschreeuw: „Mees-
ter, Mozes beval, dat zij gesteenigd zou worden.
Wat zegt gij?"
Zich opheffend en hen allen met doordringenden
blik aanziende, zeide Hij: „Wie van ulieden zonder
zonde is, werpe den eersten steen op haar."
Ach! hoe wel kende Hij deze menschen. die zoo
-ocr page 166-
158
verwoed waren over de zonden van anderen en deze
ongelukkige vrouw tot den dood vervolgden! En
wederom boog Hij zich voorover, alsof Hij op het
zand schreef.
Dit woord trof als een bliksemstraal ieders ge-
heugen en ieders geweten; en zij, van zonde in hun
eigen hart overtuigd, gingen de een na den ander
heen en Jezus werd met de vrouw alleen gelaten.
Hoe edelmoedig, hoe gepast, hoe ridderlijk was
deze verdediging! De edelste ridder en de volmaaktste
edelman der aarde was Jezus Christus van Naza-
reth. „Heeft u niemand veroordeeld ?" vraagde Jezus.
„Niemand, Heer," zeide zij in verwondering. En toen
hoorde zij woorden, die haar als zoete hemelmelodie
in de ooren klonken: „Zoo veroordeel ik u ook niet;
ga heen en zondig niet meer."
Zoo begint de dag. Merken wij in het voorbijgaan
nog even op, dat het volgens de wet is iemand op
den Sabbat te steenigen. Voor het veel verder op
den dag is, bestaat er gevaar voor eene andere
steeniging. Een volgend onderhoud met de oversten,
die woedend waren, dat zij het onderspit hadden
moeten delven, eindigde daarin, dat zij steenen op-
namen, om Jezus te steenigen. Maar Hij ging midden
door hen heen en verliet den tempel.
En voorbijgaande mg Hij eenen mensch, blind van
de geboorte af.
Het was zeer wonderlijk, dat Hij op
een oogenblik als dit iets anders zag dan den weg
ter ontkoming. Zijn leven was in gevaar. De woede
Zijner vijanden nam hand over hand toe; Zijne ver-
-ocr page 167-
159
volgers waren meer dan ooit besloten, om Hem te
vermoorden. Op zulke tijden letten de menschen
gewoonlijk alleen op hetgeen henzelven en hunne
eigene veiligheid betreft. Het is een heerlijk bewijs,
dat Jezus\' hart steeds geopend is voor de smarten
en nooden der menschen. Merk eens op wat de
menschen zien, en gij zult weten wat zij zijn. De
menschen zien gewoonlijk de dingen, waarnaar zij
kijken, en zij kijken gewoonlijk naar hetgeen zij
verlangen. Het is eigenaardig om te hooren naar
het verslag van wat de menschen gezien hebben;
hoe sommigen eene japon, anderen een gelaat en
anderen niets hebben gezien. „Hij zocht naar de
wormen, ik naar de goden", was de klacht van een
zeker dichter. Jesus gag een blinden man.
Sommige menschen zijn blind voor blinden. Gij
weet er is eene kleurenblindheid, die sommige kleu-
ren niet kan onderscheiden. Er is ook eene innerlijke
kleurenblindheid, die nooit verdriet, nood, ziekte of
eenigen anderen tegenspoed opmerkt. Zij ziet altijd
den goeden kant der dingen, omdat zij zich af-
wendt van al wat treurig is.
O, nooit was er iemand, die zulk een oog voor
treurige harten had als Jezus Christus! "Wanneer
Hij eenmaal een blinde gezien heeft, kan Hij niet
verder gaan. Farizeën en eigen levensgevaar zijn
vergeten. Het medelijden was opgewekt en vroeg
bevrediging. O, welk een Zaligmaker! Wel moge
Zijn naam zijn "Wonderlijk!
En het eenige christendom, dat dezen naam waard
-ocr page 168-
160
is, is het christendom dat ons aan Hem gelijk maakt;
zoodat, hoe wij ook verguisd en slecht behandeld
mogen worden, onze ziel toch altijd van liefde ver-
vuld blijft. Zien wij onze groote steden aan met al
het geraas en de bedrijvigheid langs straten en
grachten, dan weten wij, dat Gods zon daarop schijnt
en Gods vriendelijke sterren er op nederzien. En
zoo is het doel van Christus\' komst, om in ons
nietige, kleine, aardsche leven een hemel van mede-
lijden, liefde en genadige hulp te doen ontstaan.
De Meester zag een blinden man. Wat zagen de
discipelen?
Zijn gelaat was vol medelijden; het hunne
vol nieuwsgierig uitvorschen. Van hun standpunt
was dit alleen een geval ter ontleding, een arm
lichaam voor hunne anatomische proeven; en zij
begonnen terstond met het ontleedmes. „Meester,
wie heeft gezondigd deze of zijne ouders, dat hij
blind geboren is?"
Helaas! hoe vol is de wereld van menschen, die
gereed zijn om steenen te werpen op hen, die laag
geplaatst of ongelukkig zijn — steenen, die hen wel
niet dooden, maar hun geest kwetsen en hun hart
breken. Welk een vreemdsoortig gemis aan gevoel!
En welk een eigenaardige opvatting! Het is treurig
genoeg om blind te zijn, en treurig genoeg om arm
te zijn; zoodat het wel ons medelijden mocht op-
wekken. Maar neen! arm te zijn bewijst dat hij
slecht is; blind te zijn toont aan, dat hij zeer slecht
moet zijn. Welk een afschuwelijk begrip! Toch leeft
het voort tot op dezen dag.
-ocr page 169-
161
Eou niet ieder vreemdeling, die in ons midden
kwam, moeten veronderstellen, dat rijke menschen
uit den aard der zaak goed moeten zijn — goed ge-
boren worden. Het zijn de armen, die slecht zijn —
heel slecht! Voor wie zijn er stadszendelingen en
uitdeelers van tractaten en bezoekzusters en bijbel-
vrouwen? Alles voor de armen, zoodat men zou
gaan meenen, dat de Schrift, die zegt dat aan de
armen het Evangelie gepredikt wordt, hiermede
aanduidt, dat de rijken het niet behoeven.
Leest men niet in eene menigte goede boeken,
dat deze of gene was geboren uit „arme, maar vrome
ouders"? Waarom dat maar? „Uit rijke, maar vrome
ouders" is eene phrase, die ik nooit gehoord heb,
en toch was dit ee^i grooter wonder.
Eene koele beredenering van de groote maat-
schappelijke vraagstukken, die het leven van man-
nen, vrouwen en kinderen in zich sluiten is slecht
genoeg, maar het is tienduizend maal erger, wan-
neer goede lieden zich op de teenen verheffen en van
hun verheven standpunt met koude oogen en spot-
tende lippen spreken over de armen als een „dronken,
luie troep." Zoo iets is genoeg, om de menschen
zelfs den naam van den godsdienst te doen haten!
Niets gelijkt minder op den gezegenden Zaligmaker,
die de wereld redde door haar lief te hebben. Welk
eene groote klove is er dikwijls tusschen den Meester
en Zijne volgelingen!
Zeer merkwaardig is het antwoord van den Heer
Jezus: „Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders;"
u
-ocr page 170-
162
deze blindheid is hem niet opgelegd om Zijne zon-
den, maar om uwentwil, opdat zijne blindheid u
de oogen zou openen; want gij zijt blind, tenzij
deze blinde man u de oogen opene. Eene Goddelijke
homoeopathy!
Mijne oogen worden gedurig geopend door blinden.
Ik weet inderdaad niet, dat ik oogen heb, totdat
ik een blinde zie; dan vervolg ik mijn weg, God
dankende voor de wonderlijke gave des gezichts.
Opdat de werlcen Gods in hem gouden geopenbaard
worden.
Door welke menschen werd de wereld het
meest bevoordeeld, tijdens Christus op aarde was, door
de rijken of door de bedelaars? Denk, eens, hoe veel
armer de eeuwen geweest zouden zijn, indien er
geene zieken, lijdenden en behoeftigen in de wereld
waren geweest, toen Christus hier op aarde kwam!
Welk eene diepte van teederheid, welke hoop voor
alle menschen, welke machtige hulpvaardigheid,
welk eene openbaring van Christus kennen wij
tegenwoordig, omdat daar van ouds blinde bedelaars
en behoeftige lijders waren! Zeker, indien de men-
schen beloond worden naar den dienst, dien zij be-
wezen hebben, zullen deze een groot loon ontvangen.
Laten wij ons nu van den genadigen Meester
wenden tot den blinden bedelaar. Hij is een slimme,
knappe man; het verlies van zijne oogen heeft hem
des te meer geestigheid gegeven, en hij heeft eene
scherpe tong. Ik wil eens een oogenblik bij hem
gaan zitten, om met hem te praten.
Arme man! Boven zijn hoofd die diepe, blauwe
-ocr page 171-
163
lucht, waartegen het verheven dak van den tempel
zich scherp en helder afteekent; hier rondom de
volle galerijen, de trappen waarop zich de menigte
verdringt, de kleuren en vormen der dingen, de ge-
laatsuitdrukking en verschillende belangrijke dingen
in het leven, dit alles is voor hem verloren. Uwe
beproeving is eene zeer treurige, mijn vriend!
Eens ontmoette ik zulk een geestigen, slimmen,
knappen, blinden man. Ik had mijn intrek genomen
in een dorpje op de kust van Cornwallis, en de man
uit het huis, waarin ik mij bevond, zat in een stoel
bij het vuur. Ik verlangde kennis met hem te maken,
en ziende, dat hij blind was, zeide ik op medelijdenden
toon: „Uwe beproeving is zeer zwaar, mijn vriend."
Tot mijne verwondering stond hij op en zich boos
tot mij wendende, ontkende hij dit ten stelligste
„Neen, dat is zij niet," zeide hij, „volstrekt niet."
En hij verliet tastende het vertrek. Zijne vrouw
kwam haastig binnen, om hem te verontschuldigen
en mij uitlegging van zijn gedrag te geven. „O
mijnheer, het spijt mij zoo; ik had u willen vragen
niet tot mijn echtgenoot over zijne blindheid te
spreken. Hij wordt daar altijd zoo boos om. Hij
denkt dat oogen slechts dwaze dingen zijn,
weet gij.
En hij kan een heele boel meer zonder oogen dan
menig ander met oogen doen."
Die blinde man opende mij de oogen. Ik was
voortaan voorzichtiger en ik leerde hieruit, dat, over
het algemeen, een blinde zijn gebrek niet voelt.
Een doove ziet, dat hij doof is, maar een blinde
-ocr page 172-
164
kan niet zien, dat hij blind is. Als uitkomst van
die verandering in mijn gedrag ontving ik later het
verzoek, om twee of drie honderd blinden toe te
spreken. De reden, die mij gegeven werd op mijne
vraag, waarom men mij juist daartoe uitnoodigde,
was mij eerst eenigszins onaangenaam: „Hij zal ons
niet beklagen." De arme blinden niet beklagen! van
mijne jeugd af had ik zulks gedaan! Maar ik wist
wat zij bedoelden, en was blij, dat zij mijne kennis
van hun toestand begrepen — de blinden weten
alleen dat zij blind zijn, omdat zij beklaagd worden.
De blinde kent natuurlijk vele behoeften, vele
moeielijkneden — soms ook verdrietelijkheden en
nooden, maar dit schrijft hij niet toe aan het gemis
van het gezicht, maar aan den natuurlijken loop
der omstandigheden. En nu kan ik mij zeer goed
voorstellen, dat ik bij dezen blinde uit den ouden
tijd was neergezeten en met hem begon te praten;
en wanneer ik dan zijn vertrouwen gewonnen had,
zou hij misschien zijne blinde oogen naar mij toe
gewend hebben, zeggende: „Weet gij wat ik denk?
Dat het alles dwaasheid is om te praten over oogen
en over de heerlijkheid van het gezicht, en al dat
soort van dingen. Ik geloof niet, dat er oogen bestaan!
Bewijs het mij.
Wat zijn oogen?"
„Wel," antwoord ik zoo goed als ik kan, „oogen
zijn de werktuigen van het gezicht, waardoor wij
het zintuig van het gezicht bezitten."
„Gezicht? Wat is het gezicht? Hoe verklaart gij
mij dat?"
-ocr page 173-
165
Wat kan ik hierop zeggen\'? Ik weet niet of iemand
het gezicht aan een blinde kan beschrijven — en
natuurlijk is mijn zwijgen een klaar bewijs, dat
hij gelijk heeft en dat er geen oogen bestaan. Hij
antwoordt dus op kalmen toon: „Neen, mijn waarde
heer! ik heb soms droomen en verbeeld mij dan
het een en ander, misschien is dit het gevolg van
ongesteldheid der maag — maar niemand heeft ooit
kunnen sien,
het is onmogelijk."
Dit is het beeld van duizenden, van tienduizenden
rondom ons.
Voor u en mij. zijn, Goddank, de tegenwoordig-
heid en de hulp van onzen Hemelschen Vader even
werkelijk als de wereld rondom ons werkelijk is.
Ons leven wordt door Zijne liefde verheerlijkt, dit is
ons even zeker als de grond waarop wij treden, en
even helder als de hemel waaronder wij wonen.
Wij worden door Zijne zorg omgeven, door Zijne
gunst omringt als door een schild. Voor ons is de
Heer Jezus een werkelijk tegenwoordig Persoon,
een liefdevol Vriend en Broeder, onze gezegende
Meester, dien wij met blijdschap dienen; met Hem
te verkeeren is zoo gemakkelijk en natuurlijk als
de ademhaling.
En toch zijn er eene menigte menschen, voor wie
dit alles slechts een klank is, waaraan geen bepaald
begrip ten grondslag ligt. God is voor hen geene
werkelijkheid, alleen een naam, en Jezus Christus
is slechts Iemand, die lang geleden leefde. De gods-
dienst wekt hunne spotternij op. Zij kunnen er niets
-ocr page 174-
166
van zien, en gelooven er daarom ook niets van.
Wat kan men doen voor een man, die blind ge-
boren is en die niet gelooft, dat er oogen zijn? Het
dient nergens toe, hem te plagen met pleisters of
oogwater of pijnlijke operaties. Als iemand geene
oogen heeft, is het eene dwaasheid, ze te willen
openen. En wat zou het baten, indien de wonderen
van het oog hem al door welsprekende mannen be-
schreven werden? Lees hem, als gij wilt, daarover
een geleerd stuk voor. Maar wat geeft het hem?
De man heeft geen licht noodig, maar oogen. Argu-
menten, theorieën, bespiegelingen over Gods plan
der zaligheid, bewijzen voor de waarheid van het
christendom, uitleggingen van het geloof — wat
baten al deze dingen, wanneer de menschen blind
zijn, blind geboren? Kunnen wij dan niets doen,
om hen te helpen? Ja zeker, wel iets, maar het
moet de rechte zaak zijn. Roep Bartimeus. Hij is
daar ergens in de menigte, die den Meester omringt.
„Hier Bartimeus, hier is iets voor u. Daar boven
aan de stoep zit een blinde. Spreek eens met hem."
En Bartimeus zet zich naast hem neder en knoopt
een gesprek met hem aan: „Weet gij, dat ik even
als gij blindgeboren was?"
„En wat zijt gij nu?"
„Wat ik nu ben?" roept Bartimeus uit. „Wel,
ik heb een paar oogen zoo goed als iemand op de
wereld. Ik kan alles zien."
„En waart gij blindgeboren?"
„Ja, zeker; ik ben jaren blind geweest. Er zijn
-ocr page 175-
167
vele menschen hier in de stad, die mij kenden,
toen ik nog een blinde bedelaar in Jericho was."
„Wat hebt gij gedaan, om ziende te worden?"
„Ik hoorde, dat Jezus van Nazareth in de stad
was. Men had mij verteld van de wonderen, die
Hij deed; en toen Hij dicht genoeg bij mij was,
om door mij gehoord te worden, smeekte ik Hem,
zich over mij te ontfermen. Hij hield op mijn
geroep stil, alsof ik een prins ware geweest; riep
mij tot zich, en gaf mij de heerlijke gave des ge-
zichts in een oogenblik. Hij is nu hier in de stad
en zal zeker dezen weg langs komen. En Hij zal
voor u hetzelfde willen doen, als Hij voor mij ge-
daan heeft."
Dit zou den blinden man aan het denken, hopen
en verlangen brengen. Het krachtigste bewijs voor
de waarheid onzer leer, en de grootste kracht, die
wij hebben, om anderen te helpen, is hun te vertellen,
wat Jezus Christus voor ons gedaan heeft. Een
ding weet ik, dat ik blind was en nu sie."
En nu staat Jezus vóór hem. Hebt gij wel opge-
merkt, dat de Heer hem niet vraagde, of hij ziende
wilde worden of iets dergelijks? Misschien vreesde
Jezus den lust tot redeneeren van dezen man, en
Hij wist, hoe spoedig de kans dan voorbij zou
zijn. Hij maakte slijk tot een zalf; legde dit op
zijne oogen en zeide tot hem: „Ga heen, wasch u
in het badwater Siloam."
Hij beloofde hem niets.
Waarom maakte Hij dit slijk? Gedeeltelijk, dunkt
mij, omdat Hij misschien nog eenmaal wilde getui-
-ocr page 176-
168
gen tegen de drukkende tirannie, waaronder de
Farizeën den Sabbat hadden gebracht, daar zij
zeiden, dat het tegen de wet was om zijne oogen
met oogenmlf te zalven, omdat dit te veel op werken
geleek; terwijl het niet tegen de wet was, om
Jezus op dien dag te steenigen! Hij maakte slijk
als een teeken, geloof ik, voor hen, die oogen hadden
om het te zien, dat Hij, die in het begin den mensen
uit stof gemaakt had, ook nu uit het stof kon te
voorschijn roepen, wat den mensch ontbrak. Het
was het bewijs van den Schepper, het Licht der
wereld.
Daar was misschien eene fluistering der hope in,
dat gelijk door het slijk de genezende kracht kwam,
ook door het koude, doode slijk de volkomen ge-
nezing van het lichaam zal komen, en dat eens onze
blinde oogen geopend zullen worden, opdat ook wij
den Koning in Zijne schoonheid mogen zien.
Ook ligt hierin een vriendelijke wenk, om ons te
doen zien, dat, ofschoon Hij, door wiens woord de
hemelen gemaakt zijn, den zegen verleent, Hij zich
toch tot de aarde wil nederbuigen, om een werktuig
tot Zijn gebruik te vinden en zich van de zwaksten
en eenvoudigsten onder ons wil bedienen, om iets
groots en zegenrijks tot stand te brengen, indien
wij slechts lijdzaam in Zijne hand zijn.
Terstond rees de blinde man op en door eene
menigte menschen gevolgd, slaat hij den weg in
naar het badwater Siloam. Het was een heerlijk
geloof! Hij had kunnen beginnen zich eene menigte
-ocr page 177-
. . ■ ■■
169
vragen te stellen: „Ik heb allerlei dingen beproefd;
welk nut zullen mij die pleisters van slijk aanbren-
gen ? De man uit Jeiïcho heeft ze ook niet gehad!
Indien deze Jezus mij kan genezen, waarom doet
Hij het dan niet dadelijk?"
Neen! Christus zeide: „Ga heen, wasch u," en hij
ging en waschte zich - EN KWAM ZIENDE WEDER.
O! wat zou ik hem toen gaarne ontmoet hebben!
Het verwondert mij niet, dat het eene opschudding
in de stad teweegbracht. Het moet hem toege-
schenen hebben, alsof de hemel tot hem kwam. O,
hoe heerlijk om de lucht, de straten, het gelaat der
menschen — alles te zien! Ik zie hem vóór mij;
hij is bijna bevreesd zijn nieuw zintuig te gebrui-
ken; uit gewoonte strekt hij nog de hand uit en
zet den voet voorzichtig neder, maar is toch be-
tooverd door de zegening van het gezicht. Hij heeft
nu geen enkelen bewijsgrond noodig. Ieder zintuig
en ieder gevoel, de uitgestrekte wereld, die voor
hem lag, de lucht boven hem, alles waarop zijne
oogen rustten, getuigde van de volkomen verande-
ring, die hij had ondergaan.
Zijne buren waren er niet zeker van, dat hij dezelfde
man was. Is hij dat, die zat en bedelde?" „Ja," zeiden
sommigen. „Neen," zeiden anderen. „Hij is hem gelijk,"
beweerden weder anderen. „Ik ben het!" zeide de man,
met de overtuiging van iemand, die het moet weten.
Zoo plotseling, zoo volkomen, zoo heerlijk is de zegen,
dien Jezus kan mededeelen!
En nu, deze zelfde Jezus Christus is hier. Het
-ocr page 178-
170
zou iets wreeds zijn, om zulke wonderen te ver-
halen, indien Jezus heengegaan was. Het is duister
en ledig rondom ons, indien wij alleen kunnen terug-
zien op de nagedachtenis van zoo Iemand.
Jezus is hier, niet vluchtend uit de handen Zijner
vijanden, maar vertoevende in het huis Zijner
vrienden. "Waar is de ziel door verdriet nederge-
bogen, die door eenig drukkend leed wordt uitge-
dreven, alleen in duisternis en droefheid? O! dit is
juist de ziel, die door Jezus altijd gezien wordt.
Dit is de ziel, die Hij niet kan voorbijgaan. Lieve
ziel, juist omdat gij zoo behoeftig zijt, moogt gij
hoop voeden; en laat de verwachting uit uwe oogen
stralen, juist omdat gij blind zijt."
„Ach," zegt gij, „maar het is zoo donker rond-
om mij!"
Zoo was het ook rondom dezen man. En indien
de Heer zegt: „Ik ben het Licht dezer wereld,"
waar anders zal ik verwachten Hem te zullen vinden
dan daar, waar hij het meest noodig is, en waar
de duisternis haar treurigsten nacht verspreidt?"
„Maar ik heb zooveel dingen tegen mij."
Dat had de blindgeborene ook. Maar dit alles is
eene reden te meer, om hulp en ontferming van den
Heer Jezus te verwachten.
„Maar ik kan niet bidden."
Wel, ik zie niet, dat deze man eenig gebed uitsprak,
maar uit zijn gelaat sprak een krachtiger bede, dan
zijne lippen ooit konden uiten. Hij sloeg zijne
oogen verlangend tot Jezus op en liet Hem neder-
-ocr page 179-
171
zien op zijne ellende en nood. Denkt gij niet, dat
het blinde gelaat naar het licht gekeerd meer zeide
dan woorden?
„Maar ik begrijp den weg der zaligheid niet."
Zeer waarschijnlijk deed deze man dit ook niet,
toen hij de pleister van slijk op ieder oog had.
Hij bemoeide zich echter niet met de methode,
maar dacht alleen over den Meester, en deed wat
hem gezegd was. Jezus is hier; spreek tot Hem;
verlang naar Hem; verwacht Hem; strek de hand
uit en klem u aan Hem vast. Zeg tot Hem: „Ik
heb gehoord, dat Gij de Vriend en Zaligmaker van
zondaars zijt. Ik roep Uwe ontferming in. Ik heb
Uwe hulp noodig. Heer! red mij!"
Hij zal u redden; Hij kan het niet nalaten. Wij
klemmen ons vast aan de Almacht van Zijn genadig
woord: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen."
-ocr page 180-
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Jezus, de Vriend der treurenden.
Eu gingen en boodschapten het Jezus.
Matth. XIV : 42.
Di t veertiende hoofdstuk van Mattheus is in
vele opzichten zeer verwonderlijk. Hoewel het
vol van allerlei verschillende gebeurtenissen is, treft
het misschien het meest door de tegenstelling, die
men er in opmerkt. Het eerste deel is vol van
Herodes en het tweede vol van Jezus, — de aardsche
koning en de Koning des hemels.
Koning Herodes liet Johannes gevangen nemen en
hem in den kerker opsluiten. Eene treurige plaats,
voorwaar, waar zich de gevangene ophoudt! Door
toedoen van Herodias bevindt hij zich hier onder
strenge bewaking en is geen oogenblik zeker van zijn
leven. Nu komt de verjaardag des konings. Blaast
op de trompetten, laat de vlaggen wapperen, tooit
de koninklijke zaal in feestdos, brengt het rijkste
-ocr page 181-
173
en heerlijkste van daag te voorschijn! Noodigt de
rijksgrooten bij den koning ter maaltijd! — Hebt
gij het nieuws gehoord? De koning heeft een ver-
jaargeschenk aan Herodias gegeven — het hoofd
van Johannes den Dooper, op een schotel. Kpmt,
laat ons heengaan; wie zou langer op zulk eene
plaats willen vertoeven. Verraad, moord, onrecht
zijn helaas! de vlekken, die de wanden der paleizen
bezoedelen! Maken zij de gedenkschriften niet uit
van de koningen dezer aarde ?
Nu komt de tegenstelling. Wederom eene menigte,
nu niet van hooggeplaatste personen, maar van
mannen en vrouwen, kleine jongens en meisjes,
zieken, vermoeiden en treurenden. Ziet, hier is een
ander Koning! Maar geen purper of fijn lijnwaad
is hier voorhanden; hier is geen paleis; hier zijn
geene statige rijksgrooten. „En Jezus uitgaande, zag
eene groote schare en werd innerlijk met ontferming
over lien bewogen, en genas hunne hranken."
Dit is de
ware Koning.
Herodes vierde feest; binnen in zijn paleis schit-
terde het van goud; daar weerklonk de muziek, en
hij was er omringd door trotsche edelen en leger-
hoofden. Maar hier is een ander tooneel. Het is
avond, de lucht wordt koel, de zon haast zich ten
ondergang te midden van haar gouden pracht, de
schaduwen der heuvelen vallen op de menigte. En
de discipelen kwamen, zeggende: „Dit is eene woeste
plaats, en de tijd is nu voorbijgegaan ; laat de scharen
van u, opdat zij heengaan in de vlekken en zich-
-ocr page 182-
174
zelven spijze koopen." Maar neen, de Koning zendt
Zijne gasten niet aldus heen. „Het is hun niet van
noode heen te gaan," zegt Hij. En Hij deed de
scharen nederzitten op het gras, en toen brak Hij
de vijf brooden en deelde ze onder hen en „zij aten
allen en werden verzadigd."
Maar niets is zoo schoon als de woorden, die de
beide deelen van dit hoofdstuk, de geschiedenis van
Herodes en deze gebeurtenissen in het leven van
Jezus, aan elkander verbinden. En zijne discipelen
(de discipelen van Johannes) kwamen en namen het
lichaam weg, en begroeven hetzelve; en gingen en bood-
schapten het Jezus.
Verstomd, verbijsterd, verblind door
hunne groote smart, wat kunnen zij doen? Laat nu
ieder van hen maar naar zijn huis gaan; hun meester
is dood en begraven, wat blijft hen anders over dan
de eenzaamheid der smarte. Jezus was bijna een
mededinger van hun meester geworden, en Zijn
toenemenden roem had de menschen van hemafge-
trokken. Jezus stond veel toe, dat Johannes verbood,
en leerde veel, dat deze discipelen niet begrepen.
Indien Jezus inderdaad de Messias ware, hoe kon
Hij dan hebben toegelaten, dat Zijn getrouwe ge-
tuige omkwam door de hand van een tyran gelijk
Herodes ?
Vragen wij onszelven af, waarom de discipelen
van Johannes zich in deze oogenblikken tot den
Zaligmaker begaven, om Hem hun verdriet mede
te deelen? Het was spoedig genoeg verbreid gewor-
den, zoodat het niet alleen kan geweest zijn, om er
-ocr page 183-
175
Hem van in kennis te stellen. Iedereen wist het in
een dag. Maar treurig en geschokt als zij waren,
gevoelden zij instinctmatig, dat zij daar troost moesten
zoeken; daar zouden zij rust vinden, en zij gingen
heen en boodschapten het Jezus.
En dit is juist de samenvatting van het leven van
den Heer. De wereld vertelde Hem altijd hare nooden
en verdrietelijkheden. Een man knielt aan Zijne voe-
ten — het is Jaïrus, die Hem spreekt over zijn zieke
dochtertje te huis. Er komt een stilstand in de Hem
omringende menigte — het is eene arme vrouw,
die Hem bekent om welke reden zij Hem heeft
aangeraakt, en hoe zij genezen is. Daar komt een
hoofdman over honderd Hem over zijn dienstknecht
spreken, en eene moeder vraagt Hem hare zieke
dochter te genezen. O, Hij heeft een geopend ooi-
voor iedere klacht. Hij heeft een hart voor het leed
van de geheele wereld. Dit is de Zaligmaker, tot
Wien ook wij heden wenschen te naderen.
Is dit niet juist wat de wereld noodig heeft? Iemand
aan wien men al sijne zorgen kan mededeelen.
Ziehier de wijze raadgeving van eene verstandige
vrouw uit den lateren tijd: „Gij moet de menschen
nooit lastig vallen met uwe ziekteverschijnselen —
lichamelijke of geestelijke." Waarschijnlijk rekent
gij hen, die altijd uwe belangstelling vragen voor
de verschijnselen, die zij bij zichzelven waarnemen,
terwijl zij u in de kleinste bijzonderheden al de
kwalen van lichaam, ziel of geest opnoemen, onder
-ocr page 184-
176
de vervelendste menschen. Maar dat wij hen ver-
velend noemen, zou alleen daarin zijne oorzaak
kunnen vinden, dat het ons aan liefde en mede-
gevoel ontbreekt. Ik geloof, dat de grootste weldaad,
die gij aan tienduizenden menschen zoudt kunnen
bewijzen, zou zijn, hun iemand te geven aan wien
zij vrij hun gansche hart konden openen. Ook ge-
loof ik, dat vele arbeiders in het G-odsrijk u zouden
zeggen, dat de genade waarom zij voortdurend
bidden niet is moed en volharding, maar geduld om
te luisteren naar al de geschiedenissen van hen, die
tot hen komen.
Hebben wij allen dit niet op onze beurt noodig?
De jonge lieden met hun verlangen naar deugd, daar
waar de deugd bespot wordt, en het uitspreken van
de flauwe begeerte op zichzelve reeds eene groote
kracht, een gezegend begin zou zijn. Vermoeide
zielen door twijfelingen omringd en verontrust door
de schijnbare triomf van het kwade. Mannen en
vrouwen, door hun verleden terneergebogen, dat
donker, onveranderlijk verleden, waarvan niets hen
kan vrijmaken, verlangen een luisterend oor te vin-
den, een geduldig, liefhebbend vriend, aan wien zij
het alles kunnen vertellen. Daar zijn mannen en
vrouwen, verontrust door geldzorgen en moeielijk-
heden in hunne zaken en door de gewone, dage-
lijksche bezwaren van het leven, door geheim ver-
driet verteerd, dat zooveel gemakkelijker te dragen
zou zijn, als zij het aan eenig vriend konden toe-
vertrouwen. De drukkendste zorgenlast is, dat er
-ocr page 185-
177
niemand voor ons zorgt; het moeielijkst te verdra-
gen is de eenzaamheid van het verdriet. En helaas!
wij hebben allen zonden, tekortkomingen, die wij
voor onszelven willen verbergen, en waarvan, indien
wij ze slechts konden bekennen, de mededeeling
berouw en verlichting zou aanbrengen, en een broe-
derlijke handdruk zou ons helpen, om er afstand van
te doen. Dit is de groote behoefte der wereld! Indien
de gezegende Heiland aan deze behoefte niet had
voldaan, kon Hij niet zulk een Zaligmaker zijn, als
Hij is. En indien de vervulling dezer behoefte alleen
gevonden wordt door de bediening van mensenelijke
priesters, dan deden wij beter terug te gaan en
Joden te worden, want in het Nieuwe Testament
kunnen wij van het begin tot het einde zulk eene
instelling niet vinden, en indien wij dit konden,
zouden wij er niet half over voldaan zijn. Maar,
God zij geloofd, in dit boek vinden wij, dat Jezus
Christus Zelve gekomen is, om in deze behoefte te
voorzien. Wij hebben stdh een Hoogepriester. Maar
priester is een woord, dat te koud, te hard, te offici-
eel, te vormelijk is geworden, om duidelijk temaken,
wie Hij is en wat Hij voor ons zijn wil. Wij hebben
m Hem een liefhebbend Vriend.
Laten wij er ons heden toe zetten, om het karakter
van den Zaligmaker in dit licht te zien. Het kan
zijn, dat wij ons Hem voorgesteld hebben als den
Christus van lang vervlogen tijden, die Zijn leven
van volmaakte liefde leefde en daarna naar den
hemel is gegaan. Neen waarlijk, zonder Hem zullen
12
-ocr page 186-
178
wij daar nooit komen. Gij hebt Hem misschien ge-
kend als een groot Leeraar, wiens woorden gij hebt
gelezen en hebt getracht te gehoorzamen. Maar
woorden zijn hard en koud, en zelfs aan Zijne
woorden ontbreken handen, om te helpen en te
zegenen. Gij hebt Hem misschien gekend als den
Zaligmaker, die de zonden der wereld in Zijn lichaam
op het hout heeft gedragen. Maar voor zulk eene
vertrouwelijkheid is meer dan dit noodig.
Ik heb eens hooren vertellen van een man, die een
preek gehoord had, waardoor hij zeer getroffen werd,
en de indruk werd nog bij hem versterkt, totdat
hij gevoelde, dat hij een onderhoud met den predi-
kant moest hebben. Hij ging hem dus een bezoek
brengen. Maar hij werd zoo koel ontvangen ; er werd
zoo koud en op een afstand naar de reden zijner
komst gevraagd, dat de goede man er door verschrikt
werd; hij maakte eenige verontschuldiging en spoedde
zich heen, het aan den predikant overlatende, om de
zaak uit te leggen, zoo goed als hij kon.
Vraag nu u zelven eens af, welke hoedanigheden
wij in Hem verlangen, die ons tot Zich wil bren-
gen, om ons hart voor Hem te openen ? Er is eene
majesteit in Zijn omgang met de menigte, de natuur-
lijke majesteit van een koning. Hij spreidt eene
majesteit in Zijne wonderen ten toon, de majesteit
van den Schepper. Wij zien Hem te midden van
den storm, en vragen ons af: „Wie is toch deze,
dat de wind en de zee Hem gehoorzaam zijn?" Maar
welk soort van man is Hij, tot wien kleine gezel-
-ocr page 187-
179
schappen treurenden en enkele lijders zich zullen
wenden om troost, genezing en kracht?
Zij, die geene sympathie vragen of geven, zijn
koude en afstootende naturen. Eenzelvig en zelfge-
noegzaam stuiten zij u af, zoodra gij ze ziet. Er
zijn anderen, vele anderen, die alle vertrouwen
hebben verloren; zij zijn verhard geworden en spre-
ken op spottenden, uitdagenden toon. Maar hij die
ons vertrouwen wint, moet een hart hebben, vol
edelmoedige indrukken, gereed tot hulp. En ik kan
mij ook voorstellen, dat het verzacht moet zijn door
geleden verdriet en getroffen door medelijden met
onze gebreken.
Denk eens, hoe Jezus Christus Zelve verlangde
naar het medegevoel van Zijne discipelen. „Van
toen aan begon Jezus Zijnen discipelen te vertoo-
nen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en
veel lijden van de ouderlingen en overpriesteren."
Herinnert gij u, hoe ruw Petrus Hem berispte?
„Dit zal U geenszins geschieden, Heer." Toen kwam
de week van stilzwijgen. Christus\' hart was te vol
van smart, het lijden van het kruis te zwaar en te
vreeselijk voor Hem, om aan iets anders te denken.
En de discipelen weigerden Zijne woorden te hooren,
weigerden Hem hun medegevoel, totdat het mensche-
lijk brein des Heeren geheel overstelpt zou zijn ge-
worden, indien Hij geene verlichting had kunnen vin-
den door zieh te uiten, geene kracht had kunnen
putten uit he* medegevoel van anderen.
En Hij, geheel ter neergedrukt, stijgt den berg op.
-ocr page 188-
180
„En daar verschenen Hem Mozes en Elia, die met
Hem spraken over Zijnen uittocht, dien Hij vol-
brengen zou te Jeruzalem." Hij kent dien last der
smart en der eenzaamheid. Hij kent het verlangen,
de noodzakelijkheid van zulk eene verlichting, als
vriendelijke samenspreking kan brengen. Telkens
weer staat het geschreven, dat Hij de twaalven
tot Zich riep en hen begon te zeggen, wat er met
Hem gebeuren zou. Het schijnt ons toe, als hoorden
wij Hem zeggen: „Komt tot mij, mijne discipelen.
Ik heb uwe liefde, uw medegevoel noodig, de kracht
die gij Mij kunt geven. Laat Mij u mijne smart
mededeelen."
Herinnert gij u, hoe Hij in groote droefheid den
hof van Gethsemané binnengaat en tot de uitverkoren
discipelen zegt: „Blijft hier en waakt met mij?" En
op kleinen afstand van hen knielt Hij neder in het
angstig gebed; en daarna, naar menschelijk mede-
gevoel verlangende, komt Hij terug en vindt hen
slapende"! En wederom knielt Hij neder en Zijn zweet
werd gelijk groote droppelen bloeds. En ziet, weder
komt de hemel Hem te hulp; daar verscheen een
engel, die Hem versterkte. Dit is onze Christus,
onze Broeder, die Zelve de groote lasten kent, die
ons zoo bezwaren, en ons bidt om tot Hem te komen
en Hem alles te zeggen, wat ons deert.
Maar nogmaals, indien er een zoodanig vertrouwen
zal zijn, dan moet er innige gemeenschap heerschen.
Droefheid is iets heiligs, waarin zich een vreemde
n,iet mengt. Er moet eene volmaakte toegankelijk"
-ocr page 189-
181
heid, eene openhartigheid en eenheid met ons zijn.
Vrees gaat niet samen met vertrouwelijkheid. Hij
moet bij ons thuis zijn, en wij moeten thuis zijn bij
Hem. Sommige menschen hebben een Zaligmaker,
die zoo verheven is, dat zij alleen tot Hem kunnen
bidden. Ik kan van verre staan in mijn nood en
om hulp roepen, maar ik kan niet van verre staande
mijne geheime smarten vertellen, de vrees, die mij
vervult, en de schaamte, die mij gedurig vervolgt,
en het voortdurend mislukken mijner pogingen. Ik
viel als dood aan Zijne voeten,
zegt Johannes. Johannes,
de beminde discipel, die op de borst des Heeren ge-
leund had. „Ik viel als dood aan Zijne voeten," zoo
schrijft Hij, toen hij den Zaligmaker in Zijne majesteit
en heerlijkheid aanschouwde als Koning des hemels.
Maar ziet! Hij komt nog tot ons als onze vriendelijke
en eenvoudige Broeder. „Ziet," zegt Hij, „ik sta
aan de deur en ik klop"; „doe mij open, laat mij
binnenkomen en bij u te huis zijn; open mij niet
alleen uwe deur, maar uw gansche hart en vertel
mij al uwe nooden."
Voor dit volmaakt vertrouwen moet er nog iets
meer zijn. Er moet gelegene tijd zijn. „Een hart,
van zichzelven bevrijd, om te troosten en mede te
gevoelen," zoo zingt iemand in een schoon lied. Het
ongeduld, dat met het horloge in de hand staat en
zegt: „Ik kan u vijf minuten geven," geeftgewoon-
lijk niets of minder dan niets aan treurige harten.
Nooit was er een leven zoo welbesteed, als deze
drie korte jaren van Jezus Christus. „Hij had zelfs
-ocr page 190-
182
geen gelegenen tijd om te eten." Geen vrij oogenblik
voor Zichzelven, maar voor anderen — hoeveel vrijen
tijd! Het was waarlijk niet het minst wonderlijke
in dat leven, dat er zooveel vrije tijd was, om met
iedereen te spreken. Nicodemus komt des nachts; de
Heer heeft gelegenheid, om zich op zijn gemak met
hem te onderhouden! Hij zit vermoeid en warm aan de
bron; welk eene geschikte gelegenheid, om met de
vrouw te spreken, die water komt halen! En stel
u Hem nu voor, nu Hij Zijne heerlijkheid is binnen-
gegaan, vriendelijk en geduldig wachtend, dat wij
zuilen komen en Hem ons geheele hart openen.
Dit is Jezus; dit is Jezus, zooals wij Hem noodig
hebben en zooals Hij verlangt voor ons te zijn.
Hij staat in ons midden, maar, lieve vriend, zie
eens op naar dat gelaat. Mij dunkt, het staat min of
meer droevig. Hij kwam op aarde voorbereid voor
den bitteren smaad en de droefenis van Kalvarie; voor
de vreugde, die Hem voorgesteld was, heeft Hij het
kruis verdragen en de schande veracht. Maar aan
deze smart is zulk eene vergelding niet verbonden;
bij deze droefheid moet het Hem wonderbaar te
moede zijn.
„Gezegende Meester, waarom is uw gelaat droevig?
Gij hebt toch smaad en schande genoeg voor ons
geleden?"
„Ziel, ik ben gegriefd, omdat gij mij uwe bezwaren
niet toevertrouwt en mij uw gansche hart niet bloot-
legt. Ik ben bedroefd, omdat gij mij niet alles voor u
wilt doen wezen, wat ik voor u zou kunnen en
-ocr page 191-
183
willen zijn. Ik ben bedroefd, omdat gij belast zijt,
wanneer ik uw last van u kon wegnemen; omdat
gij een geheim hebt, dat gij met mij niet deelt."
Zijne liefde verlangt, dat wij Hem alles mededeelen,
al onze zonde, al ons verdriet, al onze vrees en al
onze vreugde.
Laat ons dit alles beschouwen als mogelijk, en
mogelijk voor ons. Zooveel is toch zeker, niet waar?
dat er eens Iemand in de wereld was, die zoo vol
teeder mededoogen en vriendelijke hulpvaardigheid
was, dat allerlei soort van menschen zich tot Hem
aangetrokken gevoelden en Hem hun hart openden.
Allen, die eenig leed of eenige ziekte en nood
hadden, kwamen tot Hem en vonden genezing, rust
en zegening.
Wat is er van dien gezegenden Jezus geworden?
Is Hij naar den hemel gegaan, om in groote heerlijk-
heid op Zijn troon te zitten te midden der heilige
engelen, ver van ons verwijderd en buiten ons be-
reik, en ons eene herinnering nalatend van hetgeen
vroeger was, om daaruit een geloofsartikel op te
stellen? Dan wil ik dat in het geheel geen Evan-
gelie noemen. Het is alleen de treurige geschiedenis
van mijn verlies; eene zwaarmoedige herinnering
aan mijne eenzaamheid en armoede.
Noemt gij het vriendelijk, om een hongerig weeskind
te vertellen van de liefde eener moeder. Denkt gij
zulk een kind te troosten door die lieve tegenwoor-
digheid, dat waakzaam oog, die teedere liefde te
beschrijven? En wanneer dan de kleine op zijn
-ocr page 192-
184
eigen toestand terugblikt, en er aan denkt, dat hij
zonder moeder en verlaten is? Ik wil niet zoo wreed
zijn, om zulk een Evangelie te prediken. Neen,
waarlijk niet — ben ik niet even behoeftig als men
in den vroegeren tijd was? Is het leven voor mij
niet evengoed eene verborgenheid als het voor hen
was? Heb ik niet mijne zonden, mijne smarten,
mijne lasten, gelijk zij ze hadden. En krijg ik alleen
maar het verhaal van wat zij bezaten? Mijne een-
zaamheid wordt niet vervroolijkt door iets over Hem
te hooren. Ik moet verblijd worden door Zijne
tegenwoordigheid. Ik moet Hem kennen evengoed
als Johannes, en Thomas en Maria en de zusters
uit Bethanie.
Antwoordt gij hierop zuchtend: „Helaas! dat is
onmogelijk voor ons, omdat Hij bij hen lichamelijk
tegenwoordig was!" Neen, juist die lichamelijke tegen-
woordigheid verborg Hem eenigszins en scheidde Hem
van hen. Ik zal Hem niet minder, maar juist meer
en volkomener kennen, dan zij Hem kenden. Hij
ging heen, maar om meer volkomen tot ons te
komen dan ooit te voren. „Ik zal u geene weezen
laten," zoo sprak Hij; „ik kom weder tot u." „Indien
iemand mij liefheeft, die zai mijn woord bewaren;
en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen
tot hem komen en zullen woning bij hem maken."
„Ziet, ik ben met ulieden," zeide Hij, „tot de vol-
einding der wereld." Wij zullen versterkt worden
door Zijn Geest in den inwendigen mensen, opdat
Christus door het geloof in onze harten moge wonen.
-ocr page 193-
•
185
„Ziet," zeide Hij in het visioen van Johannes, „ziet,
Ik sta aan de deur en Ik klop. Indien iemand
Mijne stem zal hooren en de deur opendoen, Ik
zal tot hem inkomen en met hem avondmaal houden
en hij met Mij."
Jesus Christus zoekt met ons eene even innige en
voortdurende gemeenschap als Hij ooit met iemand
had.
Het komt mij voor, als hoorde ik eene andere
verzuchting. „Helaas! ik kan mij voorstellen, dat
zulk eene groote eer, zulk een gezegend leven mo-
gelijk zou zijn voor heiligen; binnen bereik van hen,
die door hunne geboorte en omgeving altijd de at-
mosfeer des hemels hebben ingeademd; die door
reine voorbeelden en goede invloeden voor zulk een
verheven gemeenschap geschikt zijn; eene geeste-
lijke aristocratie, die vergunning heeft het paleis des
Konings binnen te treden. Maar ik! ik ben arm,
zondig, gering. Ik word van buiten door duizend
handen terug gedreven en van binnen door duizend
verkeerdheden nedergedrukt. Zulk eene gemeenzaam-
heid, zulk een verheven en gezegende gemeenschap,
zulk eene voortdurende nabijheid en vriendschap
kan nooit de mijne zijn."
Ziel, gij doet uw Heer een wreed en bitter on-
recht aan, door zoo over Hem te denken. Luister
naar Zijn woorden — niet tot de vurige geloovigen
gericht, wier zielen branden van innige liefde, maar
tot hen, die Hij moet berispen als onverschillig en
dood voor Hem. „Zie, ik sta aan de deur en ik
klop: indien iemand, iemand mijne stem zal hooren
-ocr page 194-
186
en mij open doen, zal ik tot hem inkomen en met
hem avondmaal houden."
Heeft onze gezegende Heer Jezus ooit iemand
verworpen? Was iemand ooit te arm, te slecht, te
diep gezonken, om een welkom uit Zijn mond te
hooren, en om al Zijne liefde op zich uitgestort te
zien ? Het is inderdaad eene zonde en eene schande,
om zoo over Hem te denken, die ons zoovele be-
wijzen Zijner groote liefde heeft gegeven.
Lieve ziel, daar is heden ten dage niemand in de
wijde wereld, dien mijn Heer meer bemint dan u;
er is niemand, dien hij meer verlangt te zegenen
dan u; er is niemand, dien Hij in nauwere gemeen-
schap met Zichzelven wil brengen en meer volko-
men tot Zijn eigendom wil maken. Uwe zonden zijn
juist de zonden, die Hij komt vergeven; uwe lasten
zijn juist de lasten, die Hij zoekt te dragen; uw
verdriet
is juist het verdriet, waarop Hij wacht, om
het weg te nemen. Deze vertrouwelijkheid is mogelijk
voor ons.
Zeker begint gij nu een weinig stoutmoediger te
worden. En vraagt gij nu: Hoe kan deze vriendschap
de mijne worden, deze vriendscliap waarin vrees noch
smart is, maar waarin mijn hart Hem alles zal open-
baren?
Wel, wij hebben gezien, dat Jezus dezelfde
is gebleven; wat Hij ooit voor iemand was, dat wil
Hij voor ons zijn. Houd dit bij het begin vast. En
laat ons dan verder gaan om te zien wat Hij is en
wat wij Hem mogen vertellen.
Het kan zijn, dat gij u dit hebt voorgesteld als
-ocr page 195-
187
het verheven voorrecht van heiligen, geestelijk en
verheven, die zich zoo hebben geoefend in het ver-
dragen, dat zij nauwelijks pijn, gebrek of leed meer
gevoelen: en gelijk de seraflm in het gezicht, indien
zij al op deze aarde staan, bedekken de vleugelen
hunne voeten: zij zijn hier als menschen, die meer
tot den hemel dan tot de aarde behooren en die
meer vliegen dan loopen. En uwe behoeften zijn zoo
alledaagsch, niet waar? En uwe gedachten zijn over
duizend kleinigheden? Welnu, kom en zie.
Ga niet naar de kerk wanneer de menschen zich
daar in aanbidding nederbuigen, maar ga mede naar
een bruiloft. Jezus is hier ook genoodigd. Zie, de wijn
is op, en de arme gastheer, verschrikt en verdrietig,
fluistert de moeder des Heeren met een zucht in
het oor: „De wijn is op, wat zullen wij doen?"
Terstond wordt deze nood tot Jezus gebracht „Zij
hebben geen wijn." Wat dunkt u? Richtte Hij
zich verontwaardigd en beleedigd op bij het hooren
van zulk een wereldsch verzoek? Was Hij zoo af-
getrokken door hemelsche overdenking, dat deze
menschen nauwelijks Zijne opmerkzaamheid konden,
trekken, en nog minder Zijne belangstelling konden
gaande maken?
Neen, zoo handelt Jezus niet. Hij is de Vriend,
de Koninklijke Broeder, die in onze woning komt,
om onze belangen tot de Zijne te maken, en er
vreugde in te vinden, om ons vreugde aan te doen.
En zie, toen de watervaten tot den rand toe vol
waren, en de wijn tot den hofmeester werd gebracht,
-ocr page 196-
188
zeide deze: „Zij hebben den goeden wijn tot nu toe
bewaard."
Zijne liefde is eene teedere liefde, die zich bemoeit
met alles wat ons betreft, wien niet alleen sommige
zijden van ons karakter aantrekken en die niet
alleen voor ons zorgt in sommige gevallen van ons
leven. Er zijn plaatsen, waar wij soms om een of
ander vragen en het verkrijgen. Maar het gebeurt,
dat wij daar om iets komen en tot antwoord krijgen:
„Dit behoort niet tot deze afdeeling." Ik geloof niet,
dat ooit eenig klein kind met een verzoek tot zijne
moeder kwam, om van haar te hooren, dat het
ergens anders heen moest gaan, daar dit verzoek
niet bij haar te recht was. Ik ben er zeker van,
dat er nooit eene ziel tot Jezus Christus kwam en
door Hem moest weggezonden worden, omdat hare
nood niet tot Zijne afdeeling behoorde. Liefde, die
werkelijk liefheeft, moet in alles liefde betoonen;
liefde, die ergens zorg voor draagt, moet voor alles
zorg dragen.
In dit zelfde hoofdstuk zien wij de discipelen ver-
ontrust over het avondeten van de schare. „Deze
plaats is woest," zeggen zij; „laat ze van u, opdat
zij, voor het geheel donker is, heen mogen gaan,
om zichzelven brood te koopen, want zij hebben
niets om te eten." Indien het antwoord van Jezus
iets beteeken t, dan beteekent het dit — dat iemands
behoefte aan avondeten hem niet van den Heer
moet verwijderen, maar tot Hem drijven.
Mijn broeder, zoolang gij en ik in deze wereld
-ocr page 197-
189
zijn, hebben wij een Evangelie noodig, dat alledaag-
sche behoeften en nooden kan vervullen. Onze gods-
dienst moet plaats geven aan heel veel, dat volstrekt
niet gevoelvol en zelfs niet geestelijk is, maar zeer
gewoon en van de aarde, aardsch. Brengt gij hiertegen
in, dat het gevaarlijk is, om onzen godsdienst aan
zelfzuchtige belangen dienstbaar te maken? Wel,
ik geloof, dat mijn Heiland veel liever heeft, dat ik
mijne zorgen tot Hem breng, al waren zij ook uit
zelfzuchtige gedachten geboren, dan dat ik mijn last
van zorgen zou dragen, alsof Hij zich daarom in
het geheel niet bekommerde. Indien mijne gedachten
en wenschen zelfzuchtig zijn — en helaas! zij zijn
het dikwijls — de beste plaats, om van zelfzucht
genezen te worden, is aan Zijne voeten; en de beste
wijze voor mij, om genezen te worden, is de aan-
raking van Zijne hand. Indien ik al mijne zorg op
Hem zal werpen, dan moet ik eene groote menigte
zorgen over alledaagsche dingen tot Hem bren-
gen, en indien mijn Heer voor mij zorgt, dan
zorgt Hij evengoed in deze dingen voor mij als in
andere.
Ik doe mijn Heer groot onrecht en mij zelve groote
schade, wanneer ik Hem niet al mijne belangen
kan toevertrouwen. Onze liefde handelt zelfs niet
zoo met onze kleinen — wanneer een kind ons
vraagt om brood, of visch, of om een ei, dan ant-
woorden wij niet: „Pas op, mijn kind, dat uwe
kinderlijke liefde niet bedorven wordt door zelfzuch-
tige beweegredenen."
-ocr page 198-
.
190
En zeg nu niet: „De tijd der wonderen is voorbij,
weet ge." Neen, dat weet ik niet. Is Gods liefde
verminderd? Is Gods macht opgehouden? Is Gods
kennis opgehouden? Zal ik met mijne nooden en
behoeften tot den Zaligmaker komen alleen, om
Hem te hooren zeggen: „Het spijt mij zeer voor
u, lieve ziel, maar ik kan u niet helpen — de tijd
der wonderen is voorbij, weet gij, en gij moet de
wetten der natuur volgen?" Nooit, nooit. Wij hebben
Christus zoo niet leeren kennen. Ik kom met mijne
zorgen en blik in het gelaat van Iemand, die
bedroefd is over mijne twijfelzucht, en die teleur -
gesteld is, omdat ik zoo weinig vraag; die zich ver-
wonderd over mijn ongeloof; wiens groote liefde
zich verheugd, wanneer zij mij kan zegenen. Hij,
die ons heeft geleerd, om tot Hem te komen met
de bede: „Geef ons heden ons dagelijksch brood,"
meent daarmede, dat ik Hem al de gewone, aardsche
behoeften van iederen dag zal vertellen en Hij heeft
zich verbonden, om naar mijn gebed te luisteren
en mij verhooring te schenken. Lieve, twijfelende
ziel, in den naam mijns Heeren zeg ik u, wanneer
de nood aan de deur klopt en wanneer de vrees u
woorden influistert, die u het bloed doen verstijven,
kom dan en vertel het aan Jezus.
Zie wederom. Daar is Johannes in de gevangenis,
terneergedrukt en verslagen, dagelijks blootgesteld
aan de wraak van Herodias en aan den luim van
den onstandvastigen koning. Geen wonder, dat Jo-
hannes verward en verbijsterd is.
-ocr page 199-
191
Is de Messias, de Koning der koningen, de Heer
der heeren gekomen, en zal deze Herodes op den
troon zitten en ongestraft zondigen en zal deze
Herodias haar zin volgen? Moet de voorlooper en
heraut van Christus vergeten in de gevangenis ver-
kwijnen? Was er niet voorzegd betreffende den
Christus, dat Hij de deuren der gevangenis zou
openen en de gebondenen vrijlaten? Kan Hij waar-
lijk de Messias zijn? Johannes was teleurgesteld,
meent bijna bedrogen te zijn. Hij had gemeend de
heerlijkheid van dat koninkrijk, dat de zoon Davids
zou oprichten, met Hem te zullen deelen en nu
zit hij geketend in de gevangenis. Daarom zendt
hij uit de gevangenis twee zijner discipelen, om
aan den Heer te vragen: „Zijt gij degeen, die
komen zou, of verwachten wij een ander?" Daar
spreekt uit \'s Heeren antwoord geene ontevreden -
heid, daar is geen zweem van verwijt in te bé-
speuren — verre van dat. Hij ging voort met
over Johannes den Dooper te spreken, gelijk Hij
nooit over iemand anders sprak; en terzelfder tijd
deed Hij vele wonderen en zeide: „Gaat heen, en
boodschapt Johannes de dingen, die gij ziet en
hoort."
Er zijn vele dingen, die ons gevangen en als in
ijzeren ketenen geboeid houden. Daar is de zegepraal
van het kwaad; wij zien de leugen op den troon
zitten, als in feestdos gekleed, terwijl de waarheid in
boeien geklonken is; trouw en goedheid zijn inden
kerker. Het is hard, het is geheimzinnig: zwaar-
-ocr page 200-
192
moedige gedachten overstelpen ons. De ziel, die het
goede wil doen, is machteloos. Teleurgesteld en
verontrust als wij zijn, schijnt alles ons op zulk
een tijd in eene hopelooze verwarring te zijn. Ons
geloof wordt aangetast en geschokt, en onze ziel
wordt vervuld met pijnlijken twijfel. „Waarom is
dit?" zucht het treurig hart. Of misschien is er
eene huiselijke ramp, die ons zwaar ter neder drukt;
en gelijk de beul, door Herodes gezonden, die met
het zwaard in de hand staat, is er altijd een grimmig
schrikbeeld, de mogelijkheid van iets kwaads, dat
ons dag aan dag bedreigt.
Ons leed kan ook van zuiver geestelijken aard zijn;
afschuwelijke influisteringen der hel kunnen onsbe-
dreigen, daar zijn bange twijfelingen, nauwelijks
onder woorden te brengen, maar die den hemel van
ons uitsluiten en onzen weg verduisteren — gelijk
nevelen, die wij niet kunnen aanvatten, maar die
alles rondom ons in nacht hullen. Wat kunnen wij
in zulke tijden doen?
Doe als deze discipelen deden — Ga en vertel het
aan Jezus.
Indien Hij mijne zonden wil dragen, zal
Hij niet weigeren mij van mijne twijfelingen te
genezen. Indien Hij mij genoeg bemint, om voor
mij te sterven, bemint Hij mij ook genoeg, om mij
van Zijne liefde te verzekeren. Het kan zijn, dat
ik het doel van Zijne handelingen nog niet begrijp,
maar Hij zal mij Zijne hand toereiken, om vast te
grijpen; Zijn arm geven, om op te leunen; Zijne
tegenwoordigheid zal mij vertroosten en rust geven.
-ocr page 201-
, I
193
Het kan beter zijn, het kwaad niet weg te nemen,
maar Hij zal mij Zichzelven geven tot mijne Toe-
vlucht en Sterkte. Droeve ziel, vertel Hem uwe
geschiedenis. Wanneer smart de ziel vervult, en
treurige gedachten u overstelpen, ga heen en vertel
het aan Jezus.
-ocr page 202-
DERTIENDE HOOFDSTUK.
DE BESTE WIJZE OM DE WERELD TE DIENEN.
„Deze arme weduwe" Mark. XII: 43.
Voor ieder onzer is het heden, evenals altijd,
de groote vraag: Hoe kan ik de wereld, waarin
ik leef, op de beste wijze dienen?
Uit de korte geschiedenis van deze arme vrouw
kunnen wij vele goede gedachten putten. Op zich
zelve genomen is de geschiedenis zeer schoon, maar
hare schoonheid en kracht wordt grootelij ks ver-
hoogd door hare plaatsing. De zetting van het juweel
verfraait het.
Het was op den Dinsdag, die het Paaschfeest
voorafging. Indien iets in het verledene eenigszins
overeenkomt met de drukte, die men in onze groote
steden kan opmerken, het gewoel, de zaken, de
verschillende belangen, de godsdienstige beweging,
dan was het wel Jeruzalem tijdens dit feest. Uit
-ocr page 203-
195
alle deelen van het dichtbevolkte Palestina, en
inderdaad uit alle deelen van wat destijds de wereld
genaamd werd, kwamen menschen, zoodat de stad
letterlijk overstroomd was.
De zaken gingen in dezen tijd uitmuntend. De
Jood, altijd een koopman, wist hoe zich zulke gele-
genheden ten nutte te maken. Het geschreeuw van
de verkoopers klonk door de straten, en drong
zelfs door tot in de voorhoven van den tempel,
van het huis des Vaders eene plaats van koophandel
makende. Iedere plaats, waar Jezus voorbijging,
was vol koopers en verkoopers. Even als de ker-
missen in ons land hun oorsprong hadden in kerke-
lij ke feesten, zoo waren de feesten van de Joodsche
kerk tijden, waarin men bijzonder veel handel
dreef. Men vond onder koopers en verkoopers
menschen, wier gansche ziel werd in beslag geno-
men door de gedachte aan hunne goederen en
aan hunne winst. Daar was eene even koortsach-
tige opwinding te bespeuren als in het leven in
onze steden en daar werd, evenals nu bij ons,
\'s menschen „waarde" voornamelijk bepaald door
zijn geld.
Evenals in onzen tijd vervulden ook politieke
vraagstukken de harten der menschen. Trotsche
uitsluiting sprak er uit de blikken en deed zich
opmerken in den statigen gang. Daar was ook het
materialisme van deze eeuw vertegenwoordigd, dat
alles in twijfel trekt en hen bespot, die zijne
vragen zoeken te beantwoorden. En boven alles
-ocr page 204-
196
verheven was daar de statige en prachtige eere-
dienst, welks middelpunt de tempel was, de roem
van het gansche volk. Toch hing bij al dit krach-
tig leven het vreeselij k oordeel over de stad, waar-
van Jezus gesproken had, toen hij op den Olijfberg
stond en de stad zag en over haar weende.
Onder deze groote menschenmassa op zulk een
gewichtig oogenblik, terwijl Hem verschillende groe-
pen van «wijze, rijke, en verheven aanbidders in de
voorhoven des tempels voorbijgingen, roept Jezus
Zijne discipelen tot zich en vraagt hen, om naar
dese arme weduwe te zien! Wie en wat was zij, om
eene dusdanige eer te genieten ? Laat ons ook naderbij
treden en zien.
Het zal goed voor ons zijn, om deze groepen wat
meer van nabij te bezien, naarmate zij ons in dit
hoofdstuk zullen worden voorgesteld — op den
achtergrond de arme vrouw, die zoo eigenaardig op
den voorgrond wordt gesteld.
I. Hier is de politieke groep. De Farizeën en Hero-
dianen, vereenigd in hun afschuw van hungemeen-
schaplijken^vijand, zondeneene deputatie, bestaande
uit eenigen hunner bekwaamste lieden, om aan
Jezus Christus eene verklaring te vragen van Zijne
houding tegenover de Romeinsche macht. Hij is
een man, die onder het volk den invloed van een
profeet heeft. Indien zij er Hem toe kunnen krij-
gen, om zich tegen het Romeinsche gezag op ver-
keerde wijze uit te laten, dan kunnen zij dit gezag
inroepen, om Hem te vernietigen. Indien Hij zich
-ocr page 205-
197
voor Rome mocht verklaren, zal het volk van Hem
afvallen en het zal gedaan zijn met Zijne macht.
Zoo zijn zij er zeker van, dat zij Hem zullen „van-
gen", gelijk het verhaal zegt. Gelijk de jager met
omzichtigheid nader sluipt en vreest het dier, dat
hij wil verrassen, te verschrikken, zoo komen zij
met vleiende woorden en sluikschen gang: „Meester,
wij weten dat Gij waarachtig zijt, en naar niemand
vraagt, want Gij ziet den persoon der menschen
niet aan, maar Gij leert den weg Gods in der waar-
heid. Is het geoorloofd, den keizer schatting te geven
of niet? zullen wij geven of niet geven?"
Jezus, hen doorziende en hunne geheimste ge-
dachten lezende, zeide : „Toon mij een penning." Hij
zelve, wij kunnen het ons voorstellen, bezat geen
penning; armer dan de arme weduwe was Hij, die
rijk was en om onzentwil arm geworden is. De
penning met het beeld van den Romeinschen keizer,
het teeken van hunne gehate onderwerping, werd
Hem overhandigd.
„Wiens is dit beeld en het opschrift," vraagt Hij.
„Des keizers," zeggen zij.
Hun het muntstuk teruggevende, zeide Hij: „Geeft
dan den keizer wat des keizers is, en Gode dat
Gods is."
Zwijgend en verwonderd gaan zij huns weegs.
En Jezus liet hen gaan. Om hen te zien, zal Hij
Zijne discipelen niet tot Zich roepen.
En nu gaat de arme weduwe hen voorbij en
heft haar oog voor een oogenblik op, om deze over-
-ocr page 206-
..•■■ ■
I
198
sten der stad aan te zien, en zuchtend vervolgt zij
haar weg, zeggende: „Ach! ware ik maar groot en
invloedrijk als zij, dan kon ik iets doen voor onze
ongelukkige stad! Maar ik ben niets!" En haar
schamel kleed rondom hare magere leden slaande,
omklemt zij des te vaster hare twee penningen —
haar al.
Over hunne bijzondere vraag spreek ik niet; ik
wil alleen op de vragers zien, en als zij huns weegs
gaan en wij tot onszelven inkeeren, gevoelen wij,
dat de hoop en het heil van de wereld niet in
handen is van de staatslieden. De wetgevers zijn
wat het volk hen maakt — ik had bijna gezegd,
wat het volk hen noodzaakt te zijn. Door het volk
gekozen, kunnen zij slechts den wil van het volk
volbrengen. Vind uit, wat het volk vormt en gij
zult begrijpen, waaruit hunne parlementen en regee-
ringen zijn samengesteld. Dank God voor wetten,
die het voor den mensch gemakkelijk maken, om
goed te doen en moeielijk, om kwaad te doen. Parle-
menten en rechtbanken hebben groote macht, en
wij, christenen, zijn zeer dwaas en zeer te veroor-
deelen, indien wij ons niet tot het uiterste inspan-
nen, om als onze wetgevers te kiezen menschen,
op wie niets aan te merken is. Zij, die Gods wetten
overtreden, behoorden geene macht te hebben, om
de wetten voor de menschen te maken. Maar indien
wij tot den grond der zaak willen doordringen,
moeten wij veel dieper gaan dan dit. De woorden
van den Heer Jezus zelve openbaren eene waarheid,
-ocr page 207-
199
tot heden toe onbekend — dat daar een domeinis,
waarin de staat zich niet kan mengen; dat de
geest des menschen geheel vrij moet gelaten wor-
den, om God te eeren en Hem te dienen. De wet-
geving op zichzelve kan nooit genoeg doen; zij
kan de menschen niet onzelfzuchtig, medelijdend,
liefhebbend, broederlijk gezind maken. Wij willen
de macht der regeering niet verkleinen: wij wijzen
er maar de grenspalen van aan. Goede wetten kun-
nen veel doen en hebben inderdaad veel gedaan;
maar om stad of natie te redden, zijn zij niet
voldoende.
II. Zie hier de groeft der wijsgeer en. „Toen kwamen
tot Hem de Sadduceën". — de Agnostieken, gelijk
zij zich heden noemen — zij, die niets weten, omdat
er niets te weten is. Het volk als laag en onont-
wikkeld verachtende, verachtten zij Jezus Christus
als iemand uit het volk. Bij dezulken is de gods-
dienst eene zaak, die niet ernstig besproken kan
worden, alleen bespottelijk gemaakt. De opstanding
was een bijgeloof, en bijgeloovig te zijn was niet
wijsgeerig. Engelen waren een mythe en mythen
waren alleen vermakelijk. De godsdienst was een
raadsel en het was moeilijk het raadsel op te lossen.
Het eenige ware geloof, de eenige ware godsdienst
was te twijfelen, te loochenen, te spotten. Deze
groep is ook heden onder ons werkzaam. O, het is
zoo treurig, dat, terwijl mannen, vrouwen en kinde-
ren leden, terwijl iedere dag de verwoesting van
de stad nader bracht, terwijl het uur van de krui-
-ocr page 208-
200
siging weldra aanbreken zou, deze menschen niets
beters te doen vinden dan de wereld te ergeren
met hunne geestigheden. „Indien eene wouw zeven
broeders achtereenvolgens huwde, wiens zal zij in
de opstanding zijn?" Van dezen kunnen wij alleen
zeggen, wat onze genadige Meester zeide: „Dwaalt
gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet, noch
de kracht Gods?"
Evenmin als zij de hoop waren van het verleden,
zijn zij die van het heden. Wellicht ging „deze
arme weduwe" op dit oogenblik juist voorbij, een
bescheiden blik werpende op deze geleerden! En
daarna, toen zij haar treurig oog op den grond vestigde,
zuchtte zij: „Ach! ware ik toch ook zoo knap, om
te kunnen redetwisten, dan zou ik ook misschien
iets voor deze groote stad kunnen doen! En wederom
zuchtte zij, en haar hand klemde zich om hare
twee penningen, haar alles, en zij dacht hoe treurig
het toch was, om zoo onwetend te zijn!
III. Nu zien wij de groep van de geldgevers. Jezus
was onder de schaduw van de zuilengang gegaan,
en zat nu tegenover de schatkist, waarheen eene
menigte menschen stroomdea, om hunne bijdragen
in de offerkist te werpen, die in den tempel stond.
Deze groep doet zich \'aan ons voor als een meer-
malen aangeprezen redmiddel voor de ellenden van
den tegenwoordigen tijd. Geef geld. Het is hetgoed-
koopstc ding om te geven; dat is, het kost het
minst, en men schat het het hoogst. Zie maar hoe
getrouw het tot den laatsten penning verantwoord
-ocr page 209-
201
wordt in de verslagen. Het brengt een soort van
voldoening aan de ziel, dat zij haar plicht gedaan
heeft, zoodat de goede ziel zichzelve ruim voor hare
goede daad kan beloonen. Eene inschrijving heeft
dit met de liefde gemeen, dat zij eene menigte van
zonden kan bedekken, ook de zonden van nalatig-
heid in het doen van het goede. Breng toch in elk
geval uwe tienden in de schatkist: gij hebt dit
noodig voor uw eigen goed.
En zeer zeker is het geld eene werkelijke kracht
ten goede, somtijds ten minste. Wij meenen gelijk
alle andere arbeiders, dat wij zeer veel meer goed
konden doen, indien wij over meer geld konden
beschikken. Indien de kerk de wereld zal over
winnen, dan moeten zeker de giften honderdmaal
vermeerderd worden. Aan vermaak, aan den drank,
aan allerlei andere dingen geeft ons volk zijne
millioenen uit, terwijl het zijne „kleine sommen"
met tegenzin geeft voor den arbeid der kerk. "Wat
waren tien duizend pond voor een groot werk gelijk
dat in het westelijk deel van Londen? En hoe-
velen konden dit geven en het minder gevoelen
dan menig handwerksman of dienstmeisje de enkele
guldens, die zij afzonderen!
Maar het geld zal ons volk niet redden. En laat
niemand denken, dat hij zijn plicht gedaan heeft
of ook maar de helft daarvan vervuld heeft, indien
hij op een inschrijvingsbillet geteekend heeft. Er
zijn zeven duivelen, waardoor de wereld gekweld
en zelfs vreeselijk gefolterd wordt. Deze zijn Hoog-
-ocr page 210-
202
moed, Drank, Wellust, Spel, Inspanning, Onkunde;
en eindelijk hoewel deze niet de minst treurige is:
Onberaden Liefdadigheid. Geld, indien het niet
anders dan geld is, is slechts een „klinkend metaal"
en geen werkelijk goud, dit wordt het alleen,
wanneer het met liefde en wijsheid gegeven wordt.
En onder deze groep staat de arme weduwe, die
de rijken van hun overvloed in de schatkist ziet
werpen. Haar treurig gelaat wordt nog treuriger
en haar beklemd hart zucht: „Ach, ware ik slechts
rijk, welke groote dingen zou ik doen! En zij grijpt
met schaamte hare kleine gift, de twee penningen,
die haar al uitmaakten.
IV. Be groote steenen. Hier is eene andere groep,
die, naar het mij voorkomt, de voorgestelde hulp-
middelen voltooit.
„En als Hij uit den tempel ging, zeide een van
Zijne discipelen tot hem: Meester! zie, hoedanige
steenen, en hoedanige gebouwen! Het was een protest
tegen, bijna eene berisping van de woorden, die de
Meester had gesproken: „Er zal niet een steen op
den anderen steen gelaten worden." Welke macht
kan steenen als deze omver werpen? En dat nog
wel van zulk eene heilige plaats; dit is toch het
huis Gods; de tabernakel van den Allerhoogste,
waar Hij zich eene verblijfplaats heeft verkoren!
Denk eens aan de priesters, de altaren, zie de mar-
meren voorportalen, de Schoone Poort, de torens
die zich in de lucht verheffen. Zeker, welke vijanden
ook tegen de Heilige Stad samenspannen, deze
-ocr page 211-
:;«\'>\'■ /;■■•;£"\'■\' /^..\'-:
203
tempel zal hen machteloos maken en hunne kwade
bedoelingen verijdelen. „Zie, deze steenen!"
Maar deze steenen konden de stad niet beveiligen.
Natuurlijk mag de bouwkunst ook hare plaats
innemen, want ook zij is eene gave Gods. Laat
ook het schoonheidsgevoel op aarde zijne plaats
hebben; helaas! dat er zoo weinig werkelijk schoons
gevonden wordt! De ziel mag door het lieflijke ge-
streeld worden en plechtig gestemd door hetgeen
verheven is. Maar het is een schrale troost bij
de lasten en bezwaren der menschheid, te midden
van den strijd en de moeite en het hartzeer,
om het oog te slaan op de fraaie bouwwerken
en te zeggen: „Zie, hoedanige steenen en gebou-
wen!" De hoop voor onze stad bestaat niet in
hare steenen.
V. Nu Jcomt er geen groep, maar een enJcel persoon.
En als Jezus daar zit en haar in het oog krijgt,
verliest Zijn gelaat zijne treurigheid. Heeft Hij eenige
hoop voor Jeruzalem gevonden ? Ja zeker, hoop voor
de wereld. Kom en zie. Te midden van statige
Sadduceën en prachtige Farizeën en vorstelijke
vreemdelingen, die van hunnen overvloed aanbren-
gen, komt daar zeer schroomvallig de arme weduwe,
met bleek gelaat en armoedig gekleed; zij gaat voor
ieder op zijde, en eindelijk haast zij zich half be-
schaamd als of zij geen recht had daar te komen
naar de schatkist en de hand opheffend, werpt zij
daarin haren ganschen schat. En Jezus riep Zijne
discipelen: „Zie, deze arme weduwe!"
-ocr page 212-
204
Wat hebben wij noodig! "Wel, ten eerste de ge-
zegende tegenwoordigheid van Hem, die tegenover
de schatkist zat. Wij hebben Hem, onveranderlijk
en voortdurend bij ons. „Ziet, Ik ben met ulieden
al de dagen!"
Maar wat behoeven wij meer? Bit
liefhebbend hart, dat zijn Al geeft.
Dese arme tveduwe — wat kan zij doen ? Hoe ver-
schrikt zou zij zijn, als zij wist, dat Jezus haar
gadesloeg! Hoe verschrikt als zij wist, dat Hij en
Zijne discipelen over haar spraken, dat zij waarlijk
al het andere vergaten, nu zij haar in het gezicht
kregen. Wie toch zal aan haar denken? Zij kan
geen invloed op de regeering uitoefenen. Zij heeft
zelfs geene stem. Wat kan zij doen, om de groote
sociale vraagstukken op te lossen? Hoe zou zij ooit
iemand kunnen helpen? Zij is zoo arm. Haar naam
kan niet in een verslag voorkomen — daarin ver-
meldt men geen halve stuivers. Toch staat zij daar
vlak op den voorgrond, terwijl Sadduceën en Fari-
zeën en rijke menschen en groote steenen allen op
den achtergrond wijken. Zij leeft altijd voort: en
haar voorbeeld is nog tot op dezen dag een zegen
voor de wereld.
Wat is het dwaas, om ons leven te verbeuzelen
met te droomen over de vele wondervolle dingen,
die wij zouden doen, indien wij iemand anders waren.
Zie, dese arme weduwe.
Hier is het beste, wat men der wereld geven kan —
een eenvoudig en liefhebbend hart, dat zichzelven en
al wat het bezit, aan God geeft; dat niet wacht op
-ocr page 213-
205
eenige organisatie, noch op bevelen, maar dat zijn
geheele wezen overgeeft aan de drijfveer der liefde
en zichzelven wegschenkt, om goed te doen. Het
beste, de eenige werkelijk goede zaak, die wij voor
deze groote wereld doen kunnen, is onze eigene
kleine wereld met liefde te vervullen. Broederlijke
liefde
is hetgeen, waaraan de wereld het meeste
behoefte heeft en noch de regeering, noch de lief-
dadigheid, noch de kerk kunnen als zoodanig daar
aan voldoen. Voorspraak is niet het meest noodig,
noch zelfs medelijden, noch alleen giften, maar de
ware liefde, die niets kan terughouden, de liefde,
die zijn al aan G-od en aan den naaste heeft toege-
wijd. Deze arme weduwe kan ondanks hare armoede
de weelde der liefde koopen, welke is de weelde
van God. Deze hoogste mogelijkheid ligt binnen het
bereik van den geringste! Dit leven van vriende»
lijkheid en hulpvaardigheid, dat zich ten nutte van
anderen overgeeft: waar hunnen wij het vinden?
Helaas! wat kan onze wreede zelfzucht en onzen
trots, wat kan onze halfheid in den dienst van
God, en onze algeheele onverschilligheid tegenover
onzen buurman verbreken?
Dit leven is het onze in Hem, en alleen in
Hem, die tegenover de schatkist zat. Door Hem
te ontvangen, opdat Hij in ons Zijn leven van liefde
moge leven — kan alleen dit Leven der Liefde het
onze worden. Denkt aan onze groote stad, hare
uitgebreide bevolking, haren rijkdom, haren invloed,
hare ontwikkeling, haar leven in al zijne verschei-
-ocr page 214-
206
denheid, en vragen wij ons zelven af: als Jezus
nederblikte om dit alles te aanschouwen, wat zou
voor Hem dan de hoogste waarde hebben? Zeker-
lijk zou Hij dan tot ieder van ons zeggen: „Mijn
zoon, geef Mij uw hart."
SKbol/0
-ocr page 215-
INHOUD.
Bladz.
Wat Jezus voor de schare deed en wat Hij ons beveelt
te doen.
I. Ons werk..............      1
II. Ons zelven.............    17
III. Onze Meester............    23
God, die groot is van goedertierenheid......    33
De voorrechten van den burgerstand.......    44
Jezus en Nicodemus.............    55
Jezus en de vrouw aan den waterput......    71
Jezus in het huis des Farizeërs........    84
Jezus en de melaatsche...........    97
Jezus en de Kananesche vrouw........  114
Jezus en de arme lijderes...........  127
Jezus en de blinde van Jericho........  142
Jezus en de blinde van Jeruzalem........  153
Jezus, de vriend der treurenden........  172
De beste wijze om de wereld te dienen......  194
-ocr page 216-
Bij de uitgevers JACgUES DUSSEAU & C°. te
Amsterdam, verschijnt mede:
Van Egypte naar Kanaün, door George F. Pentecost.
Prijs f 1.—; gebonden f 1.50.
Een venster op het Zuiden of „Bewaart u zei ven in de
liefde Gods," door George F. Pentecost. Derde druk.
Prijs f 0.95; gebonden ƒ 1.40.
D. L. Moody te Hnis, Zijne omgeving en werkzaamheden.
400 bladz. met 8 platen en portret. Prijs f 2.25; gebon-
den f 2.75; verguld op snede f 3.25.
Een onderhoudend en zeer fraai uitgevoerd werk,
bevattende vele wenken voor Zondagsschoolonderwijzers
en anderen die in het Evangelie arbeiden.
Kracht uit de Hoogte, of Het geheim van zegen in het
leven en op het werk des Christens, door D. L. Moody.
Prijs f 0.65; gebonden f 1.10.
Van W. HASLAM M.A.:
Uit den Dood in het Leven of Twintig jaren mijner Evagelie-
bediening. Met 4 plaatjes. Prijs f 1.80; gebonden f 2.25.
Bladzijden uit mijn Dagboek. Met een fraai plaatje in
lichtdruk. Prijs f 1.45; gebonden, verguld op snede ƒ 1.95.
Schetsen uit Keswick. Prijs in geïllustreerd omslag f 0.50;
gebonden, rood op snede f 0.75.
„Doch niet ik" of de volgende jaren mijner Evangeliebe-
diening. Met 2 platen {ter perse).
Tweede goedkoope Volksuitgave van: John G-. Paton, Zen-
deling op de Nieuwe Hebriden. Prijs f 1.90; ge-
bonden f 2.40.
Iedereen behoort het te lezen.
(Dr. Arthüe T. Pierson).
Verkrijgbaar bij alle Boekhandelaren.