-ocr page 1-
K-U
>\\.
)kjf«
ii Wi
(f UW
f e ra*
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
wa/w \\1&fï
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
GUNNING y-«9.
sül..
-^U
\\i j^Mru/ f L\'
fiö
"■^èMS "S5"
GEDACHTEN EN SCHETSEN
DOOR
S. ULFERS
Predikant te Rotterdam
ROTTERDAM — J. M. BREDÉE
-BiDUOTiir:r.K der
RIJKSUNIVERSITEIT
U T r( ECHT.
-HB
-ocr page 8-
-ocr page 9-
JL
So.-
IDoorrebe.
jUf-i ens was ik er, aan de poorten van het eeuwige
>*fc7^ Paradijs. Ik was aangetrokken door den zang,
die er klonk van binnen, een hemelsch geluid; en
door de groene boomen, een frisch gebladerte, met
schaduw beneden; en door den zilverstroom, met gouden
rimpels, van het licht dat daar binnen scheen als een
gloed; ik was aangetrokken door een eeuwigen drang, die
mij zeide, dat ik daar t\'huis zou zijn, en dat ik daar
t\'huis hoorde, zooals nergens.
Maar aan de poort had ik gevonden een engel, een
geweldigen, met een omgekeerd zwaard in zijne hand.
En hij had grimmig gezien; en strenge woorden had hij
gesproken; en als een bliksem had het geschitterd, toen
hij zijn zwaard ophief, dreigend, tegen mij, die vluchten
wr~
-ocr page 10-
VI                                       VOORREDE.
ging met snelle trage voeten: snel, om den dood te
ontgaan; traag, om mijn hart dat er bleef.
Eens was ik er, aan de poorten van het eeuwige
Paradijs. En nu ben ik er weer gekomen. Met bevend
hart, sidderend. Ik moet en ik wil. Het eeuwige mysterie
heeft mij weer getrokken, uit verre landen, weer hier
heen; en al moet ik nu sterven door het zwaard van den
poortwachter, — verjagen, de woestijn in, laat ik mij
niet meer. Nog eens wil ik een blik slaan in dat groen
van ruischende boomen, en zien den gloor van het licht,
tusschen de breede stammen tot mij komende van het
binnenste des hofs. Nog eens wil ik den witten stroom
aanschouwen, met de bloemenkleuren aan de zachte
oevers, en weiden met mijne oogen langs zijne glooiende
landouw. Nog eenmaal wil ik hooren de stemmen, zangerig
als zonnestralen, hoog als de blauwe ether, golvend als
de zefir. En dan, dan wil ik sterven, o God! op den
drempel van Uwe poort, door Uw dienaar, liever dan
leven in mijne oude woestijn.
Zoo ben ik weer gekomen, ten tweede male aan de
poorten van het eeuwige Paradijs. Met bevend hart, en
sidderend, en moede, doodmoede van het lange leven in
de woestenij.
Maar zie: de poort, — wijd staat zij open. Het zwaard
-ocr page 11-
VOOEEEDE,                                      VII
is er niet meer, met zijn drager. Zou hij dood zijn, die
oude, die grimmige, die mij verjoeg?
En een vriendelijke knecht, — knecht toch nog in
zijne godengestalte — komt naar mij toe, en zegt: „Kom
binnen, mijn arme, en neem rust in het huis van mijn
Koning; gij zijt van zeer verre gekomen, vermoeide!
Neen, vlied niet; zie, ik haal u in met groote stappen,
en ik houd u vast met sterke armen. Wat? vreest gij?
En spreekt de angst uit uwe oogen? Kom, mijn Heer
heeft het gezegd, ik moet u dwingen om in te gaan!"
En ik, die vrees, en die kwam om te sterven aan de
poort van mijn lust, word levend toegedragen naar de
wijd openstaande deur in armen, sterker dan mijne vrees.
Hoe was alles zoo veranderd ? Tusschen mijn eersten
gang naar het Paradijs, en mijne tweede komst ? En hoe
had ik het niet geweten?
Dat, dat zal ik u keer op keer verhalen, mijn lezer!
Want gij moet ook binnen, heeft de Heere gezegd.
S. Ulfers.
Tnr---------------------------------------■                                                "ttk
-ocr page 12-
iU*.
_uttJ
I
ÏT\'
-ocr page 13-
Dan be Zwaluwen.
rijft het u, en trekt het u naar boven, naar
hoogere dingen? Laat u niet afbrengen van dien
aandrang daarbinnen.
Al raakt gij, door de u omringende duisternis, het
spoor soms bijster, zoodat gij niets ziet, houdt de Hand
vast, al ziet gij die Hand niet. Al wordt de weg, dien
gij te gaan hebt, u soms verborgen, zoodat gij niet meer
weet, welken kant uit, en waarheen; zoodat gij zijt als
de reiziger in de woestijn, die eerst nog zijne wegwijzers
heeft en zijn pad, maar die straks, zonder eenig kenteeken
meer, dat pad zich ziet verliezen in het spoorlooze zand; —
o, luister dan nog naar de stem van uw godsdienstig,
zedelijk leven binnen in u, dat in uwe eenzame verloren-
heid u drijft om uwe oogen op te slaan en uwe armen uit
te strekken naar Hem, die in den hemel troont!
Weet gij het, van de zwaluw ? Ook de zwaluw heeft
een drang, haar ingeschapen. Als zij in het najaar in
koude en wind, in hagel en sneeuw, de bodem van den
ir
m
l
-ocr page 14-
2                        DE GOD DER KLEINE DINGES.
naderenden winter ziet, dan ontwaakt in haar die drang,
om te trekken naar het zuiden. En dan trekt zij zonder
zich te laten verleiden door een enkelen schoonen najaars-
dag. Zij volgt den drang. En over de bergen, die zij kent,
en over de wouden en de stroomen, die zij kent, vliegt
zij zuidwaarts. Die bergen en die wouden en die stroomen
zijn haar, daar boven bij de wolken, de wegwijzers langs
haar weg. Maar — als zij komt daar ginder bij de Mid-
dellandsche Zee, dan, met die eindelooze wateren vóór
zich, ontbreekt haar elke aanduiding, elke aanwijzing.
Welken wegwijzer heeft zij dan door de luchten ? — Geen
enkelen! — Maar met geloof, dat da"a"r aan de andere
zijde van die zee het land is, dat zij zoekt, vliegt zij verder,
zelfs over die zee, naar den aandrang van haar wezen.
En zij rept den vleugel, als na dien dapperen geloofs-
tocht haar geloof aanschouwen wordt, aan de overzijde,
bij Afrika\'s stranden.
Wanneer alzoo door God ook in ons leven, bij den
weg, dien Hij ons aanwees, somtijds de teekenen verge-
ten schijnen, en wij de aanwijzingen missen, hoe dan?
Hoe verder?
Vraag het aan de zwaluw ! Leer het van de zwaluw!
De <5o£> öer ftletne Mngen.
aat ons gelooven in den God, zooals het Chris-
tendom ons Hem heeft leeren kennen, in den
God der kleine dingen.
De God der Grieken was een God der groote dingen;
-ocr page 15-
DE GOD DER KLEINE DINGEN.                          3
uit Aviens vuist de bliksemstralen sproten naar de zijden
van het heelal, en wiens stemme een donder was langs de
heuvelen en over de dalen; en gansch Griekenland, in
zijne geloovige dagen, beefde voor den geweldigen Don-
dergod.
Maar de God der Christenen is een andere. Deze is
een God, die, als op den Libanon onder het onweder de
sidderende hinde een jong werpt op de steenrots, in die
hinde de moederliefde geschapen heeft, waardoor zij niet
op eigen behoud bedacht is en het hol opzoekt, maar
haar eigen lichaam tot een weer en schild strekt boven
het geworpen jong tegen bliksemstraal en regenvloed.
Deze is een God, die, als in het nest daarboven in
den eenzamen boom van de wildernis de jonge raven
met opgesperden bek om voedsel krijschen, den ouden
raven den weg wijst, door het ingeschapen instinct, over
woestijn en veld naar de plek, waar het aas ligt, der
raven voedsel.
Deze is de God, die, als de krachtige os voor den
ploeg loopt, met eiken tred het ploegijzer verder wrin-
gend door de zuigende klei onder de brandende stralen
der zon, dan aan den ploeger het gebod geeft: Den
ploegenden, dorschenden os zult gij niet muilbanden.
De God der Christenen is een God, die denkt om de
leliën des velds, en die ze bekleedt met meerder pracht
dan vorstengewaad; die denkt aan de muschjes, de voge-
len van geen prijs op de markt; die denkt aan de ver-
schoten, de versleten kleederen van een kind op straat,
als de sneeuwstorm daar doorheen giert; die denkt om
de korst brood, die daar ligt op de tafel der arme vrouw,
en die deze korst zegent.
De God der Christenen is een God, die het parlement,
-ocr page 16-
4                          DE GOD DER KLEINE DIXGEX.
waar de zaken van het heelal worden geregeld in het
groot, elk oogenblik kan verlaten, om neder te dalen in de
woningen van weduwen en weezen en verstootenen op
aarde.
Deze is een God, die niet alleen troost in het groote
verlies van een moeder of broeder of kind of echtgenoot,
maar die evenzeer de kleine kwalen van een somber
humeur helpt dragen, en een vroolijken avond wil geven
na een treurigen dag. Die den doodsteek in de beende-
ren wil genezen, maar evenzeer de schram der huid, de
wonde door een doorn op den grond. Die niet alleen
van het verderf der helle onze ziel wil verlossen door
Christus\' groote offerande, maar ook van elke overblijvende
kleine zwakheid. Die niet alleen den volwassen man helpt
in zijn heroïeken strijd tegen den Duivel, maar ook den
kleinen knaap, die zijn jongensstrijd heeft op school om
geen leugens om bestwil te zeggen.
Deze is de God, die niet alleen in staat is, om hem,
die in den afgrond valt, onder weg op te vangen, en
veilig op een uitstekende rotspunt te stellen, maar
veelmeer, die het ongeluk voorkomt, door boven aan den
rand den man tegen te houden en met eene kleine wen-
ding veilig te bewaren. Die niet alleen in staat is, om
bij twee op elkaar botsende treinen het wonder te ver-
toonen van wonderlijk geredde reizigers, maar die veel-
meer van te voren den slapenden wisselwachter opwekt,
en als in den droom naar den wissel brengt.
Laat ons gelooven in den God, zooals het Christendom
ons Hem heeft doen kennen: in den God der kleine dingen.
-ocr page 17-
Sli^.__________________________________________________________________,j»t*
LEXTEVERWACHTING.                                    5
Xenteverwacbting.
/?2
als de boom daar staat in den winter, kaal
en dor, en de takken naakt uitsteken tegen den
hemel, — zal dan de landman daarbij staan, en jammeren
om den boom, dat hij gestorven is?
Immers neen; want hij weet, dat de tijd komt, dat de
lentewind zijn hof zal doorwaaien, en dat, bij het koeste-
rend licht eener warmere zon, die schijnbaar dorre stam
sappen zal opwaarts zenden, en dat die schijnbaar dorre
takken bladeren zullen uitschieten, en knoppen zullen
uitbotten, waaruit geurende bloesem en zwellende vrucht
zich zullen ontwikkelen.
Zoo denkt, als die landman, ook de Christen. Hij
weet dat zijn winter slechts één jaargetijde is in de
opvolging van vier jaargetijden, en geen eeuwige winter.
Hij weet dat zijne duisternis geen eindelooze duisternis
is, maar slechts eene tusschen twee lichte dagen in. En
in zijn winter, en onder zijne duisternis, buigt hij het hoofd
niet, maar heft hij het op, en denkt hij aan des Heeren
woord: „Dewijl hij Mij zeer bemint, zoo zal lic hem
nithelpen; hij zal Mij aanroepen, en Ik zal hem verhooren.""
IfcerfeMenst.
fijri en meisje, — zij zal spoedig bruid wezen, — zit
»Hc5 stil voor het venster, haar naaiwerk op den
schoot, somtijds opziende, naar buiten, de straat af. Straks
-ocr page 18-
b                                          EENZAAMHEID.
springt zij op, en snelt zij heen, met blij gezicht; want
hij staat daar buiten, en klopt aan de poort, de geliefde.
Een handdruk, eene omhelzing; vroolijk kussen! En de
voorbijganger aan den overkant van de straat, die het
gezien heeft, voelt mede, en lacht; en hij prijst beiden
gelukkig.
Zoo is er een samenkomen der gemeente met haren
Heer, in den tempel; zoo is daar de ontmoeting tusschen
de bruid en den Bruidegom, Christus. En menigen toe-
valligen bezoeker heeft het een eeuwigen indruk gegeven
Indrukwekkend waren reeds de tonen des lieds; indruk-
wekkend reeds de woorden van den trouwen leeraar;
maar als daar bovendien de gansche gemeente zich ging
buigen in het stille gebed, terwijl één de tolk was van
allen bij een onzichtbaren, en toch tegenwoordigen God,
— dan voelde die toevallige bezoeker iets mede van de
liefde, die daar sprak in de ontmoeting van de bruid en
den Bruidegom; en hij prees beiden gelukkig, wat weemoe-
dig, dat hij er geen deel aan had, en nog buiten stond,
jaloersch op de zaligheid dergenen, die vroolijk zijn in
de liefde van hunnen Heer.
Eett3aambetö.
|e mensch bemint in den regel de eenzaamheid
niet.
En dat moet in den regel ook niet.
In den woeligen arbeid van het dagelijksch leven, dan
gevoelen wij ons op onze plaats. Gedachten denken,
J
_______________                                          *
-ocr page 19-
EENZAAMHEID.                                          7
en ook uitspreken, en tegen gedachten van anderen in-
wisselen, dat is ons ware leven. Dingen doen, die onze
hand vindt te doen, in onze volle, rijpe kracht, dat is
ons ware zijn! Zóó voelen wij ons mensch!
De mensch bemint in den regel de eenzaamheid niet.
Maar dat wel eens om eene andere reden.
Daar is voor velen iets schrikwekkends in. O! liever
de volle zaal! liever de tafel met aanzittende gasten!
liever de vroolijke balzaal! liever den dichten drom van
menschen op straat! liever de luidruchtige stemmen bij
den fonkelenden beker! liever het geraas, al is het niet
altijd even welluidend! liever de afwisselende afleiding
in allerlei vorm!
Waarom ?
Omdat in de uren der eenzaamheid, als alles stil is
rondom ons, gehoord wordt, wat anders niet wordt gehoord,
en wat overstemd wordt: de stemme Gods in ons geweten.
Zeg mij, wat was dat, toen gij op uw krankenleger
laagt, toen alles zoo stil was rondom u, in den nacht,
terwijl de slaap van u week? Toen stond God vóór u,
en het gevoel der eeuwigheid overviel u. Toen stond,
als tegen den duisteren achtergrond uwer gedachten een
lichtend iets, als in den vorm van een kruis, en aan dat
kruis de gedaante als van eens menschen zoon. Toen
ging voor uw geest voorbij de vergankelijkheid aller
dingen. Toen beseftet gij de waarde van zooveel dingen,
waarin gij waarde hadt gesteld. De dwaasheid kwam
vóór u op in den vorm van een verloren leven. En de
vrees kwam boven, dat ook de eeuwigheid voor u ver-
loren kon zijn. Zooveel, en zooveel meer, dat zwart was,
en schril klonk, en op een afgrond geleek, die rook
opwelde!
-ocr page 20-
8                                  DE TIJD EN DE DOOD.
Toch zijn deze uren beter voor u, dan de uren der
wisselende afleiding in allerlei vorm. God zendt ze u,
terwijl de Booze u de andere zendt. Hoor naar den engel,
die in die oogenblikken naast u komt staan, uit hoogere
sterren afgedaald; naast u komt staan, zoo vriendelijk,
zoo goed, zoo ernstig, en die u wijst met den vinger
naar boven. En zeg bij uzelven: „Ik zal opstaan, en tot
mijn Vader gaan, en ik zal zeggen: Vader! ik heb ge-
zondigd tegen den hemel en voor U!"
2>e tijö en öe öooö.
aar zijn twee dingen, die alles, alles bederven in
den voorspoed van den wereldmensch.
En dat zijn de Tijd, en de Dood.
De Ouden hebben beiden voorgesteld als twee grijs-
aards: den Tijd, als een mageren grijsaard met den
zandlooper; den Dood, als een nog magerden grijsaard
met de zeis.
Beide komen in het mooie huis van den machtigen
bewindhebber, te midden van het goud des rijken,
aan de vroolijke tafel van den eter. Laten de gasten
maar vreemd en verontwaardigd opzien over dezen, die
ongenood zijn! Deze geven er niets om. De Tijd zet te
midden der gerechten zijn zandlooper; „de gasten mogen
nog gerust dooreten," zoo lacht hij grijnzend. Maar als
het zand is verloopen, dan staat hij op; en de Dood
met zijne zeis staat ook op; en zij gaan heen, zij beiden;
maar niet voordat de Dood zijn offer heeft gewenkt
-ocr page 21-
9
OORZAAK EX ZWAKHEID VAX ALLE WET.
om mede te gaan in de eenzame duisternis daarbuiten.
Daar is weening en knersing der tanden.
Daar zijn twee dingen, die alles, alles bederven in den
voorspoed van den wereldmensch.
En dat zijn: de Tijd en de Dood.
©or^aafe en 3waftbeiö van alle wet.
joiH Ik land heeft zijne wetgeving. Maar wat is de wet
W^ in elk land, van ouds af tot nu toe, anders dan
ééne lange poging van de zijde des menschen om zich-
zelven te beschermen tegen zichzelven ? De mensch weet,
dat, als er geen wet is, de ondeugden en de misdaden
weer zoodanig over de maatschappij zich zullen gaan uit-
gieten, gelijk in het voorjaar de sneeuwlawinen van de
Alpenhoogten zich neerstorten in hare breedte en in hare
lengte over de hutten langs de glooiing, en over de
dorpen aan den voet, en over de lachende dalen in den
zonneschijn in de diepte. En daarom maakt de mensch
wetten, opdat de zondenlawinen zijne schoone maatschappij
niet verwoesten.
Elke wetgeving is een bewijs voor de overerfelijkheid der
zonden, en Paulus sprak in den striktsten zin de waarheid
toen hij zeide: dat allen gezondigd hebben, en dat Adams
zonde zich in allen herhaald heeft, en dat de zonde eene
verderfelijke macht is, die elk geslacht erfelijk als van
hand tot hand overreikt aan het geslacht, dat na hem komt.
Maar zijn ooit alle wetgevingen sterk genoeg geweest
om de lawinen der zonde te keeren, als zij kwamen?
-ocr page 22-
10                                     VERDWAALD.
Dert>waal£>.
zdH venals een wandelaar in het bosch een weg inslaat,
• ~T\' en hem vervolgt, totdat hij straks, aan een
zeker punt gekomen, merkt, dat hij den verkeerden
weg is ingeslagen, en hij daarom weer terug moet naar zijn
punt van uitgang, als hij nog kan, en niet reeds geheel
is verdwaald, — zoo moet ook de Christen in zijn
geloofsleven menigmaal terug van een ingeslagen weg,
als hij merkt, dat hij een tijdlang iets verkeerds heeft
geloofd of gedaan. Gelukkig, als die mensch het nog
in tijds merkt, en niet geheel verdwaald en verstrikt is in
de begrippen, of erger, in de zonden, waaraan hij zoo
lang weer gewoon is geweest!
Maar wee dien Christen, die, alle teekenen en weg-
wijzers aan weerszijden verachtende, vol eigendunk zeker
van zijne richting, maar doorloopt, totdat hij het te laat
ontdekt, dat zijn gang mis was; te laat ontdekt, omdat,
ziet! de avond is gedaald, en de nacht invalt, de nacht
des doods, als wanneer van overbeginnen hier geen sprake
meer zijn kan!
©noverwonnen.
elfs bij de bitterste beproevingen — en dat zijn
voor den Christen de uren, als de misleidingen
des Boozen hem te slim zijn geweest; als de strijd tegen
-ocr page 23-
ARMOEDE DER WERELD.                             11
eigen boezemzonden of tegen de geestelijke boosheden
in de lucht hem te machtig is geweest; en als hij zich
neergeworpen voelt op den grond door den machtigen
vijand van ouds, — zelfs dan nog, alsof de Christen de
onsterfelijkheid in zich droeg, kromt en buigt hij zich
uit onder de macht des Verleiders met den roep: „Ver-
heug u niet, o mijn vijand! als ik gevallen ben, zal ik
wederom opstaan!"
Wat Christus ter laatste instantie den arm Zijner
jongeren kan stalen, zoodat zelfs de duivelen schreeuwen
onder de slagen, en pijnlijk vlieden!
Brmoeöe öer werelö.
k acht de aardsche deugden geenszins gering, en
„ vind ze een goedpassend kleed voor een mensch;
maar ik vraag, of dat kleinburgerlijk kleed aan den poort-
wachter van het paleis daarboven wel passend genoeg zal
schijnen, om hem binnen te laten onderde koninklijke gasten?
Ik acht de verstandelijke ontwikkeling zeer hoog;
maar ik vraag, wat deze is zonder de zedelijke ontwik-
keling, dat wil zeggen, zonder het toenemen in gelijkenis
en beeld van God?
Ik acht het zeer der moeite waard voor den sterren-
kundigen, dat hij zijne nachten er aan geeft, om eenmaal
te kunnen zeggen: „Ook ik heb eene ster ontdekt van
de Asteroïden!" Maar ik vraag, wat deze kennis baat,
als zijn bestaan eenmaal zal voortgezet worden ver achter
die kleine sterren, in sferen, waar de ziel des menschen zal
-ocr page 24-
*?*■_______......_____________,__________,___________________________aJL&
12                                     BE CATACOMBEN.
zwerven als eenc dwaalster, zonder middelpunt, ver afgewe-
ken uit de baan rondom der zonnen Zon, God in den hemel?
Ik acht het zeer betamelijk, dat de mensch zich hier
goud en zilver verzamelt; waarom niet? Maar ik vraag,
wat hij doen zal, als hij komt in die streken, waar zijn
munt geen pasmunt is, gesteld zelfs, dat Charon bij de
overvaart over de donkere wateren niet gezegd heeft:
„Leg af, alles wat gij draagt! Alleen naakt vaar ik u
over in mijne boot!"
Arme mensch der wereld, die op die wijze rijk zijt,
of verstandig of burgerlijk braaf! ik wil niet ruilen voor
uw lot het lot van den eenvoudigen Christen, die zich
bewust is: Ik rijp voor de eeuwigheid!
2>e Catacomben.
^j n de vroegste dagen der Christelijke kerk, toen de
\\j) wreede vervolging der Romeinen de getrouwe
Christenen wegdreef van de oppervlakte der aarde naar
holen en toevluchtsoorden onder den grond, naar de
Catacomben, die als eene onderaardsche doodenstad zich
uitstrekten beneden en onder het woelige leven der levende
stad daarboven, — toen was er ééne figuur, boven alle
andere, die de vervolgde Christenen daar in hunne don-
kere gevangenissen telkens en telkens zoo gaarne uittee-
kenden tegen die muren en grafsteenen, nitteekenden
met grove lijnen: de figuur van den Goeden Herder.
Somtijds teekenden zij de Apostelen aan weerszijden
van Hem; somtijds teekenden zij ook de schapen rondom
nr-
-ocr page 25-
NOG NIET VEROUDERD.                               13
en vóór Hem, met naar Hem toegekeerde koppen, op-
ziende naar hun bevrijder, hun gids.
Somtijds, zooals in een later tijdvak, werd Hij voor-
gesteld, een afgedwaald schaap op den schouder dragende,
of langzaam en zacht de zieken en de vermoeiden van
de kudde drijvende.
Al die teekeningen van den Goeden Herder, hoe ruw
en grof ook in die steenen van de Catacomben gebeiteld,
hadden ten doel om de teederheid uit te drukken en de
zorgende hulp en liefde van den Goddelijken Heiland,
te midden van Zijne vervolgde, gejaagde, verstrooide ge-
meente. Maar evenzeer zijn zij ons de teekenen van de
warme hulde en liefde, die de eerste Christenen Hem
toedroegen; en wanneer wij in de Catacomben deze figu-
ren beschouwen, zeggen wij onwillekeurig: Ziet, hoe
lief zij Hem hadden !"
Welnu, — teekenden de eerste Christenen, gedurende
den tegenspoed der kerk, met grove lijnen, de figuur
van den Goeden Herder in de steenen der Catacomben, —
laten wij, de latere Christenen, in den voorspoed der
kerk, niet ophouden, diezelfde edele gestalte voor de
oogen van onze nakomelingschap te doen schitteren in fijnere
vormen, in duizend werken van Christelijke barmhartigheid!
IBoö niet vetrouöert).
k zal bereid zijn, wat mij betreft, om de banier
. des Evangelies neer te strijken, zoo spoedig de
nieuwere wereld of de nieuwere wetenschap gebleken is
-ocr page 26-
1-1                                 DB STERVENDE BOOM.
bevrediging te geven aan de behoeften van ons godsdien-
xtig gevoel.
Daar is eenmaal een godsdienstig gevoel in den mensch.
En het behoort tot de wonderen op aarde, dat dit gods-
dienstig gevoel iets is, dat niet wegsterft op aarde. Zooals
het verstand iets is, dat den mensch bijblijft van geslacht
tot geslacht; zooals het schoonheidsgevoel iets is, dat den
mensch bijblijft van geslacht tot geslacht; zooals het
geweten iets is, dat den mensch bijblijft van geslacht tot
geslacht; zoo gaat het godsdienstig gevoel met den mensch
mede door de eeuwen. Het is een deel van zijn wezen.
Welnu, zeg ik, zoo spoedig de nieuwere wereld of de
nieuwere wetenschap dit godsdienstig gevoel bevredigen
kan, het niet doodende, zooals zij doet; bevredigen kan,
niet gedurende een vijftigtal jaren, zooals zij wel eens
doet, maar gedurende een duizendtal jaren, en nog eens
een duizendtal jaren, zooals de leer der Apostelen het
heeft kunnen bevredigen; — zoo spoedig zullen wij ook
geneigd zijn om te zeggen: Het Christendom is oud en
verouderd, en het moet nu maar der verdwijning nabij
zijn; en daar moet nu een nieuwe naam zijn onder den
hemel, door welken de volken moeten zalig worden!
Maar toch niet eer!
De stervenöe boom.
m
e mensch zonder God is als de boom, de jonge
boom, uitgedolven uit den grond bij den oever
van een waterrijken stroom, en wreed, wreed overge-
-ocr page 27-
VERSTORVEN HOOP EN LEVENDE HOOP.              15
plant in den dorren zandgrond tusschen de steenen op de
heide. De jonge vruchten, reeds uit de bloesems gevormd,
vallen af, onrijp, op den grond. De bladeren volgen, en
vallen af, verwaaid door den drogen wind. En de takken,
verstervende op den uitterenden stam op de verdorde
wortels, voorspellen den dood, die niet verre meer is!
Wee, wee den boom! Wie redt den boom?
De mensch met God, in God — is diezelfde boom,
maar weergebracht tot zijn oorsprong, tot de oevers van
den waterrijken stroom. Van den reuk zijner wateren zal
hij weder uitspruiten; hij zal een tak maken als een plant;
zijne bladeren zullen zijn als een dicht geboomte; zijne
vrucht valt niet af.
O mensch! terug tot uw oorsprong! Hij, God, is uw
leven en de lengte uwer dagen!
IDerstorven boop en levenoe boop.
w>
e schipbreukelingen hebben van de laatste drij-
vende overblijfselen van hun schip een vlot
gemaakt. Zij klemmen zich daaraan vast in den duisteren
nacht te midden van de golven, die hun de onstuimige
vraag doen om verslonden te worden. Waar is de hoop
gebleven ? Daar is geen andere dan eene. verstorvene hoop.
Maar na een bangen nacht vol vreezen zien zij straks
den dageraad opgaan, en met den dageraad aanschouwen
zij het land, vlak bij, het land met zijne heuvels en bos-
schen. En de hoop leeft weer.
-ocr page 28-
16                         DE AKKERS NA DEN REGEN.
Zoo is ook bij den mensch in den vreeselijken nacht
van de zonde de hoop op eene eeuwige, zalige toekomst
verstorven, terwijl hij zich vastklemt aan wat de wet der
vergankelijkheid hem nog niet heeft afgenomen.
Maar de dageraad van den dag van Jezus\' opstanding
uit de dooden toont hem het eeuwige land niet zoo ver
af en niet zoo onbereikbaar meer; en als hij in het ge-
loof de handen uitstrekt naar de eeuwige heuvelen, dan
herleeft ook de hoop weer.
Welgelukzalig is de mensch, die, zooals Petrus het
uitdrukt, „wedergeboren is tot eene levende hoop, door
de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.1"
2>e afcfeers na £>en regen.
».
ij gebrek, bij armoede, bij krankheid, bij stervens-
\\&j smart, of aan het graf zijner dierbaren; bij de
wisselende vlagen van wat eene wereld, onwetend blind,
de slagen van het noodlot noemt, buigt Gods kind wel
het hoofd, om al die vlagen over zich heen te laten
gaan, maar om dan straks weer dat hoofd stralend op
te heffen, als het glanzen zal van de weldadigheden zijns
Gods, — zooals onder het onweder, daarbuiten op het
veld, op de korenakkers, de halmen zich buigen onder
den klaterenden regen, om zich straks weer op te heffen,
wanneer na den regen de zon weer schijnt, zich weer-
kaatsend in al de druppelen, die nog hangen aan de
volle aar.
-ocr page 29-
aiAv___________________________________________________________.jy
*
DE VLINDER.                                      17
De vlinöer.
"•■Kv eem ^en mens°h) d\'e zijnc hoogste droomen ver-
\\<-J^- wezenlijkt ziet, als een ieder zich voor hem
buigt als voor een machtigen bewindvoerder eener natie;
neem den mensch, die in eigen oogen zich al wonderlijk
verheven acht, als, om zijns gouds wil, hij hoogere spor-
ten op de maatschappelijke ladder heeft bereikt dan de
anderen, die lager hem achterop klimmen; neem den
mensch, wiens hoogste lust bevredigd is, als niets zich
in den weg stelt aan zijne leuze: „Eet, drink, en wees
vroolijk!" Ja, neem uzelven, in zooverre gij een weinig
op een dezer drie soorten gelijkt!
O! meent gij, dat er iets benijdenswaardigs is in dat
lot, dat van zulk een voorbijgaand karakter is als het
karakter van den vlinder, van dat weeke insect, dat aan
den morgen van den dag zijne vleugels ontplooit, en den
dag over rondfladdert in den zonneschijn, maar dat des
avonds die vleugelen weer invouwt, inplooit voor goed,
om ze nimmer weer te ontplooien?
Stille befceerlnö.
*
V/j en zegt dat er bloemen zijn, wier knop zich
opent gedurende den nacht. Dan, als de sterren
schijnen, als rondom de aarde schijnt te slapen, als de
-ocr page 30-
18                                      „WAAROM?"
nachtelijke duisternis ligt over bosch en stroom en veld,
— dan zwelt de knop, en barst hij open; en als straks
de zon opgaat boven de morgennevelen, en ze wegvaagt,
dan beschijnen hare stralen eene opengebroken bloem, in
wier geurende bloembladen de dauwdroppel reeds eene
plaats heeft veroverd, die de zonne vroolijk hare stralen
terngkaatst en weerzendt.
Zoo zijn er menschen, wier bekeeringsdaad plaats
grijpt in de stille uren der van God gezonden eenzaam-
heid. In de binnenkamer, ongezien en ongemerkt, van
geen menschen gadegeslagen, heeft de worsteling der
ontplooiing plaats, de strijd om tot de ruimte en de vrij-
heid te komen der kinderen Gods. En als zij straks van
uit die eenzaamheid treden in het volle licht van het
woelige leven, dan blinkt het aangezicht van den glans
der Zonne der Gerechtigheid, die het nu bestraalt; en
de dauwdrop in het nog betraande oog spreekt niet meer
van de worsteling der smarten, maar vroolijk van de
schittering dier Zon.
„Maarom?"
cK/cii aarom wordt mij mijn man ontnomen," zoo
\\5P^- zucht de weduwe, „juist toen ik aan zijn steun
het meest behoefte had?"
„Waarom worden wij van kinderen beroofd," zoo
zuchten de ouders, „toen wij juist de meeste hoop en
de beste verwachtingen van hen mochten koesteren?"
.Waarom moet ik krank nederliggen," zucht de zieke
-ocr page 31-
«WAAROM?"                                      19
op haar leger, „nederliggen als een onnut lid der maat-
schappij, waarin ik leef en niet verkeer?"
„Waarom wordt aan mijne schoonste hoop de bodem
ingeslagen," zucht de idealist, „juist toen mijne beste
illusiën schenen werkelijkheid te zullen worden?"
„Waarom blijf ik arm," zucht de arbeider, „hoewel
ik werk in hot zweet mijns aanschijns, terwijl anderen,
zonder eenige verdienste, zich baden in weelde, die zoo
ongelijk is verdeeld?"
„Waarom worstel ik tegen de tegenspoeden," zucht
de rampzalige, „terwijl aan anderen het geluk slag op slag
in den schoot wordt geworpen?"
In den regel protesteeren de menschen tegen hunne
tegenspoeden en rampen in zoodanigen vragenden vorm.
En bij al die vragen over den vreemden loop der dingen,
voegen wij altijd nog onze eigene vragen daartoe:
Waarom is er zooveel arbeid vergeefsch, ook nuttige
arbeid? De mensch brengt zooveel voort in taaie vol-
harding, door de spieren van den arm, en door de vin-
dingrijkheid van zijn geest; maar al wat hij voortbrengt,
is op den duur eene vermeerdering en vergrooting van
de puinhoopen; alles gaat voorbij !
Waarom is ook zooveel evangeliearbeid vergeefsch, en
laat God het toe, dat bij al den ijver Zijner dienaars
zooveel goed zaad verloren gaat, alsof het onnut en van
geen waarde was ? Hoe kan Hij toelaten, dat zendelingen
zestig jaar arbeiden, zonder dat zij eenige vrucht hebben
gezien op hun arbeid, zoodat zij sterven, als hadden
zij vergeefs geleefd op de aarde? Waarom, als juist een
jong Christendom opgebloeid is, barsten dan de vervol-
gingen er over los, zoodat, gelijk in den eersten Chris-
-ocr page 32-
üJLv
JL
■£
20                                      „WAAROM?"
telijken tijd, drie of vier honderdduizenden hun geloof
ontgelden moeten met het zwaard, of in het vuur, of
voor de dieren? Hoe kan God het toelaten, dat, zooals
in de eerste Klein-Aziatische gemeenten, zooals in Spanje
en in Frankrijk, in Italië en in Oostenrijk, en zooveel
elders een geplant levend Christendom weer wordt gedood
en uitgeroeid, zoodat daar nu heerschen de Turk en de
Paus ?
De vragen vermenigvuldigen zich.
Waarom laat God een grijsaard, die zichzelven een
last is, leven? En waarom neemt Hij den krachtvollen
jongeling weg, die idealen genoeg had, om er zijne krach-
ten aan te wijden, en krachten genoeg, om er eenige dier
idealen aan te wagen ? Waarom drogen er bronnen op, waar
wateren noodig zijn, zoodat het land, eerst een Paradijs, er
eene woestijn wordt in dorheid? En waarom, zooals in Ame-
rika, overstroomen daar de wateren de volkrijke vlakten,
zoodat tienduizend menschenlevens er mede verloren gaan,
en tegelijk de steden en dorpen, zoo rijk aan voortbrengse-
len van den menschelijken geest? Waarom, terwijl op
de eene plaats het brood in overvloed en weelde wordt
gegeten, lijdt half China een hongersnood?
Duizend vragen, niet waar? En wij hebben er nog
meer. Doch waartoe nog meer vragen ? Wenschtet gij het
alles anders ? O, mijn vriend en broeder! het is nooit
de vraag geweest, hoe gij het alles tvenscht! Praktisch
genomen, is er maar ééne vraag, namelijk: hoe gij het
alles draagt!
*nr
TTR
-ocr page 33-
&1.
„\'t kan verkeeren!"                         21
„\'t IKan verfeeeren!"
onder is liet om op te merken, hoe de Christen
vast en zeker rekent op het verkeeren dei-
dingen, als hij in rampen is. Wonder is het om op te
merken, hoe de Christen vroolijken moed houdt onder
die duisternissen en raadselen.
„\'t Kan verkeeren!" zegt met Breeroo de mensch, die
geen geloof heeft in Gods wereldbestuur, „\'t Zal ver-
keeren!" zegt de Christen; en hij weet, waarom hij
zulks zegt.
2>e soöomsappel.
kit?ie hoop in eene betere toekomst na onze rampen
voedt men niet alleen op godsdienstig terrein.
Iedereen, godsdienstig of niet godsdienstig, heeft die
hoop: „Ach! de hemel zal toch wel eens opklaren!"
Waarop berust echter deze hoop? Is dit wel meer
dan een wensch ? Een dier duizend wenschen, die opko-
men en vergaan, zooals de appel in de asch aan de kus-
ten van de Doode Zee ?
De hoop, die geen grond heeft, is geen hoop. De
ware hoop heeft een fundament. En welke hoop heeft
er een beter fundament, dan die, welke gegrond is op
niets minder dan op de wijze almacht Desgenen, die
gezegd heeft: „Mijne gedachten zijn niet uliedergedach-
ten, en uwe wegen zijn niet Mijne wegen" ?
-ocr page 34-
r
22                                       DRAAGKRACHT.
SDraagfcracbt.
^ïj^aar is eene wonderbare draagkracht in het geloof
\\5/ aan Gods wijze voorzienigheid.
Zie, op den brandstapel zullen eenige mannen en vrou-
wen verbrand worden. Eene booze volksmenigte staat
er wild om heen, en vervult de lucht met opgeworpen
stof en met hare woeste kreten. Barbaarsche krijgsknech-
ten houden den fakkel bij de houtmijt.
Maar — die Christenen staan daar, terwijl rook en
vlammen hen gaan omringen, kalm en getroost, met het
aangezicht als van engelen, terwijl de psalm eendrachtig
opstijgt uit hun mond.
O! ook zij hebben het leven zoo lief, en zouden zoo
gaarne op deze heerlijke aarde willen blijven; maar als
het niet kan, en als het niet mag, — al begrijpen zij
niet den vuurweg, waarlangs hun God hen leidt, — hun
geloof in de eeuwige wijsheid huns Gods geeft hun kracht
in dat vuur; en zij zingen aanbiddend, wanneer zij tus-
schen rook en vlammen Gods vriendelijke gestalte zien
overbuigen, om hun in de ooren te fluisteren: „Mijne
gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe icegen zijn
niet Mtjne wegen."
Daar is eene wonderbare draagkracht in het geloof aan
Gods wijze voorzienigheid.
7?nr~                                                                            --------ttk
-ocr page 35-
„IN DE WERELD ZULT GIJ VERDRUKKING HEBBEN. 23
„3n be werelb 3ult gij verbrufefting
bebben."
at wil men toch van het Christendom? Dat het
de rampen en tegenspoeden op aarde opheffe ?
Weggenomen worden ons de tegenspoeden en rampen
niet, zoolang de tegenwoordige orde der dingen zal duren.
Ook het Christendom neemt ze niet weg. Het Christen
zijn waarborgt voorzeker niet tegen de levensnooden en
levenssmarten, al hebben velen gemeend er een waarborg
in te vinden. En het Christendom heeft er zelf heusch
geen schuld aan, als het door sommigen als eene zekere
assurantie wordt aangezien tegen nood en smart. Het
laat zich de assurantiepenningen daarvoor niet betalen.
Laat iedereen, ook de ongeloovige, het toch goed weten,
dat de Heer der Christenen gezegd heeft tot de Zijnen
van alle eeuwen: „In de icereld xult gij verdrukking
hebben.\'"
Hmplius.
m
ichael Angelo liep door eene van de klassen
zijner leerlingen. Hij verbeterde hier en daar
wat aan de teekeningen en schetsen. Bij eene dier tee-
keningen gekomen, zag hij, dat zij uitnemend was in alle
opzichten; groepeering en uitvoering, alles was goed.
-ocr page 36-
24                            lükas 9 : 57—62.
Alleen was alles te eng, te gedrongen geteekend. Met
krijt schreef hij daarom er over heen: ampliits. Dat
wil zeggen: breeder, ruimer.
Zoo schrijft ook God nog altijd door alle menschen-
werk heen, wanneer Hij ons het werk van voren af aan
laat overdoen, als wij Zijne liefde geteekend hebben, of
eene dogmatiek geschreven hebben, of wat philanthropic
gedreven hebben : amplius, amplms !
Xufeas 9 : 57-62.
ir
eet gij het, van die eerste Christenvervolgingen?
,             Hoevelen zijn zij geweest, die onder Nero
zijn gekruisigd, in huiden van wilde dieren genaaid en
van honden verscheurd, en die als fakkels in zijne tuinen
hebben dienst gedaan? En hoe velen zijn er onder
Domitianus als martelaren gevallen ? — Veertig duizend. —
Hoevelen heeft Diocletianus in hunne huizen laten ver-
branden, of aan elkander vastgebonden in de zee laten
werpen? — Zeventien duizend in ééne maand tijds.
Men neemt aan, dat in die eerste vervolgingen, die
het jonge Christendom heeft doorgemaakt, niet minder
dan honderdvierenveertig duizend gewelddadig zijn ver-
moord, behalve zevenhonderd duizend, die omkwamen
in verbanning of slavernij. — Een kleine millioen!
Als ik van die millioen de karakteristiek geven zal,
dan komen mij drie onvergetelijke woorden van den
Heiland voor den geest, waarmede Hij zelf hen zou
gekarakteriseerd hebben.
-ocr page 37-
____________________________________________^JtJ&
*
MISBRUIK VAN DEN KANSEL.                         25
Dat zijn mannen, vrouwen en kinderen geweest, die
niet als de vossen hunne holen hebben opgezocht, en als
de vogelen hunne nesten hebben liefgehad,, maar die ate de
Zoon des menschen niet hadden waar zij het hoofd
op konden neerleggen, tenzij op een kruis of op een
schavot.
Dat zijn mannen, vrouwen en kinderen geweest, die
niet den tijd hebben gehad hun vader te begraven, xelven
tot den dood geleid wordende, en het aan de dooden
overlatende hunne dooden te begraven.
Dat zijn mannen, vrouwen en kinderen geweest, die
de hand aan den ploeg hebben geslagen, zonder omzien
en zonder loslaten.
Welk eene onvergelijkelijke armee van helden en heldin-
nen heeft toen Christus toch gehad, zooals geen wereld-
veroveraar kan aanwijzen! Een millioen Zijner helden
lagen dood op het slagveld, gesneuveld met eere! En
toch was Zijn slag gewonnen! Als dat de verslagenen
zijn, hoe groot, Heere, zijn dan Uwe legioenen?
„Heere der Heirscharen is Zijn naam!" en daar is
geen koning als de onze!
3]JLv
/üMsbruift van öcn feansel.
venals door de hoorders wordt dikwijls ook door
v*y de predikers een misbruik der kerk gemaakt.
Hoe wordt somtijds de verantwoordelijkheid vergeten van
het ambt, dat bekleed wordt!
Is de kansel de plaats, waar de idéé mag afgebroken
wnr----------------
-ocr page 38-
20
PHILANTHROPEN.
worden, waaraan de kansel of de kanselredenaar zijn
bestaan heeft te danken?
Is hij de plaats, waar tegen een ongeloovig publiek
van uit de hoogte de donderen en de bliksemen mogen neer-
geslingerd worden? Menig prediker is als Petrus geweest,
doende op den kansel, zooals Petrus in den hof. En omdat
er geen Jezus bijstond, die de afgeslagen ooren heelde,
ontvluchtte het ongeloovig maar denkend publiek de kerk.
Ga ik te ver, als ik beweer, dat de kansel voor anderen
weer is de ezel, dien zij beklimmen, opdat het volk Hosanna
roepe ? Zoodat het de vraag is, waar een acteur lofgieriger
lauweren kan oogsten, in de kerk of in den schouwburg?
Ga ik te ver, als ik beweer, dat sommigen de trappen
van den kansel beklimmen, zooals anderen de trappen
van het beursgebouw, namelijk om zaken te doen, en om
te zien, hoe zij het in den kortst mogelijken tijd \'t verst
zullen brengen in de wereld ?
Ga ik te ver, als ik beweer, dat enkelen den kansel
beschouwen als de plaats, waar zij hunne gestolen waren
kunnen uitstallen, in tegenoverstelling van elk ander soort
dieven, die altijd een heler zoeken voor zich, de stelers?
Wee! wee! de arme kerk! En daar is nog wel geschreven:
„Mijn huis zal een huis des gebeds genaamd worden T
Ipbtlantbropen.
m
oe staat het gewoonlijk met de Christelijke mild-
dadigheid ?
Tk wil de goeden niet te na spreken. Maar hoe staat
-ocr page 39-
A^___________________________________________________________JtljL,
DE RUITER MET DEX GROENEN TAK.               27
het bij zoovelen met de Christelijke milddadigheid?
Wanneer God den drinkbeker des lijdens vult, dan
bidden wij: „Ach Heere! niet te vol, Heere!" Maar is
het de beker der goedertierenheden, dan roept de menscli:
„Schenk maar voort, lieve Heer!" En wat er dan over
vloeit, dat geven wij weg aan God of Zijne zaak. Wij
moeten altijd eerst onzen eigen beker goed vol hebben.
En dat restje, dat overloopt, dat noemt men dan: philan-
thropie.
Laat het zoo bij ons niet wezen, broeders!
De ruiter met oen groenen tafe.
(r \\
\' " Florence in Savanarola\'s tijd woedde een vreese-
f-
lijke hongersnood. Dagelijks verzamelde het volk
zich bij hoopen op de pleinen, maar er was geen brood;
aan de poorten, maar daar kwam geen renbode met de
tijding van brood. Eindelijk, na vele dagen, weer uitge-
loopen naar de poort, zien zij in de verte een ruiter den
weg afkomen. Hij wuift met een groenen tak in de hand.
Hij snelt de poort binnen, de straten door. Het wuiven
met den tak is de goede boodschap. Brood! zoo roept
alles met dankbare blijdschap. En eenige uren later is
de stad van brood voorzien.
Gemeente van Jezus ! Wees gij de ruiter met den groe-
nen tak! Wuif den armen eene goede boodschap toe.
*
"ir*
-ocr page 40-
28                            GEHEIME OOGENBLIKKEN.
©ebeime oogenbUfcften.
lor mensch heeft zoo zijne geheime oogenblikken.
)e dief, als hij bezig is met zijn handwerk. De
overspelige, als hij zich verzekert, dat niemand hem na-
loopt op zijn weg, dien hij gaan wil. De gierigaard, als
hij voor zijne kast het geld telt, en door de vingers laat
glijden. De eerzuchtige, als hij met een vreemden gloed
in de oogen tot zichzelven zegt: „Welk een hoogen rang
in de maatschappij heb ik bereikt; hoe hangen de scha-
ren mij aan!" Gedachten, die geheim zijn, waarvan men
niet wilde, dat zij zelfs den boezemvriend of de vrouw
der jeugd bekend waren.
Ik wensch den Christen toe een leven, zoo openbaar
mogelijk. Dat zijn huis van glas zij. Dat hij niets te
maken hebbe met geheimen, wat hemzelven betreft. En
als de wereld hem ooit betrapt op geheime oogenblikken,
dat zij dan geen andere mogen zijn, dan die, welke hij
doorbrengt in zijne binnenkamer, op de knieën, met God.
"Waanneer worot öe 38003e openbaar?
\'Is iemand in ketenen neerligt, stil, dan voelt hij
C^ de handboeien niet; maar laat hem eens opstaan
en zijne vrijheid zoeken, dan zal hij die handboeien wèl
voelen, en de ketenen zullen wringen, tot bloedens toe.
-ocr page 41-
KERSTDAG.                                       29
Als iemand den stroom afglijdt, dan gaat het van zelf,
het roeien; en dan kan hij op zijne riemen wel rusten,
gemakkelijk; maar laat hij zijne boot eens keeren, den
stroom op, en zelfs gespierde armen zullen moede wor-
den, en de breede borst zal hijgen.
Laat zoo de zondaar eens beproeven, om aan zijne
ketenen te schudden, en tegen den stroom der wereld in
te gaan. En de wereld zal een schreeuw geven, en de
Satan zal opstaan, en alle demonen zullen hem tegen
wezen!
Dat er een Booze is, dat merkt men niet eer, dan
wanneer men tegen hem opstaat.
Ifcerstöag.
oe dichter wij het Kerstfeest naderen, hoe korter
en donkerder de dagen worden.
Traag en laat gaat de zon op; straks nog trager en
nog later. En het is bijna als gaat zij slechts op, om
onder te gaan. Zoo kort is de dag. Hare vertooning
schijnt slechts ten doel te hebben, om ons te laten zien,
dat zij niet geheel weg is, en om ons haar niet te doen
vergeten.
Korte dagen zijn het, maar donkere tegelijk. Zonne-
stralen zien wij slechts zelden; het is maar zonnelicht,
als het nog licht kan genoemd worden. Een vaal licht,
een bleek licht, een geel licht, een zwart licht.
De wolken hangen neer, lager dan de torens, lager
dan de huizen, lager dan de masten van de schepen;
-ocr page 42-
30                       DE GOD DER KLEINE DINGEN.
zij vallen plat op de kleine schuiten, plat op het water
van de havens, plat op de effen vlakte der rivier.
De woningen aan de overzijde van de gracht zijn bijna
onzichtbaar; blokken schijnen zij, van donkere verf,
zonder deuren en vensters. De menschen op straat, de
wagens en paarden, grijze gestalten en vormen. En de
lampen moeten straks op, als de klok nog middag wijst.
Somber zijn ook al die dagen. En als het werkzame
leven niet tot den arbeid riep, en als de kunst niet
middelen schiep, om korte dagen lang te maken, en
donkere dagen met licht te overgieten, dan zou een
winterslaap de uitkomst zijn van den drang, van den lust
en van den dwang der natuur.
Kom, gij heerlijke Kerstdag, en breek aan! Kom
spoedig, o dag van den opgang van de Zonne der
gerechtigheid! Maak ons zondaarshart blijde met Uw
eeuwig licht!
2>e <5ob ber feleine ötngen.
orgt God ook voor de kleine dingen ? Bemoeit
Hij zich met het geringe, het onbeduidende zelfs
in het heelal? Merkt Hij er op, dat eenc bloem geknakt
en noodeloos vertreden wordt ? Merkt Hij er op, dat een
inuschje ter aarde valt van den tak, dood geworpen door
den steen van den knaap? Merkt Hij er op, dat een
klein kind geheel alleen boven aan de trap staat, op het
punt van over te hellen en neer te storten naar beneden
op den steenen vloer ? Merkt Hij er op, dat eene nog
-ocr page 43-
31
EEX STEEN DES AANSTOOTS.
onbedorven ziel voor het eerst komt in eene kleine ver-
zoeking van tamelijk onbeduidenden aard?
Zeker! zeg ik n. Hij is niet alleen een God voor de
groote dingen, maar ook een God voor de kleine dingen.
Hij is niet alleen in den donder en in de zwarte wolken,
maar ook in het geluid van den zachten avondwind. Hij
is niet alleen in den verschroeienden bliksemstraal, maar
ook in het zachte goud van den zonnestraal, die door de
ruiten in het ziekenvertrek valt. Hij is niet alleen in de
aardbeving, die geweldige beving, die de aarde en de
steenrotsen splijt, maar ook in de zacht trillende beving
van de zwellende bladen van een bloesemknop, die zich
openen gaat onder den dageraad. Hij is bij den jongeling
in de heetste ure der vreeselijke verzoeking, maar niet
minder, als deze den eersten onbedachtzamen stap zet
op den niet geheel verkeerden, maar ook niet geheel
goeden weg.
JÊen steen bes aanstoots.
^*n Israël, bij den landbouw, was het den landlieden
?->V geen kleine ergernis, dat op hunne akkers zooveel
steenen verstrooid lagen, die voor den goeden landbouw
zeer hinderlijk waren. Kleinere steenen konden wegge-
ruimd worden. Maar grootere bleven midden op het veld
staan, konden niet weggeruimd. Zij waren een steen des
aanstoots of eene rots der ergernis.
Gij, zaaier van het Woord! erger u niet te zeer aan de
groote steenen midden op uw veld. Laat hen staan, als
-ocr page 44-
\'02                               AELES KAN HERSTELD.
gij hen niet kunt wegruimen in de gemeente. Zaai er om
heen; als het zaad op de goede aarde terecht komt, dan
zal het nog wel zijn!
alles fcan berstelfr.
lies kan hersteld worden.
Het veld van uw leven, dat verwoest is, kan
weer tot vruchtbaar land gemaakt worden. De Heere
doet wonderen.
De bron des levens, die verdroogd was in uw binnenste,
kan weer stroomen met volle wateren. De Heere doet
wonderen.
De winter uwer ziel kan weer plaats maken voor eene
bloeiende lente. De Heere doet wonderen.
Dat oude leven zelfs, o grijsaard! dat een afgehouwen
tronk gelijk is, kan weder uitspruiten en een tak maken
als eene plant. De Heere doet wonderen.
Het kostbare leven, dat gij, alsof het geen waarde
had, u tusschen de vingers liet doorvloeien als zand, —
Hij geeft het u weder als een verzameld talent in uwe hand.
En het geweten, dat wonderlijkste der wonderlijke din-
gen in den mensch, dat bij een Judas een vreeselijke
engel Gods werd, die hem sloeg en geeselde en voortjoeg
naar de strafplaats der eeuwige duisternis, het geweten
kan ook worden de instemmende toon, de aanvangende
harmonie met de eeuwige harmonieën Gods.
Alles kan nog hersteld worden. Alleen de Duivel zegt:
„Daar is geen hope meer!"
-ocr page 45-
DE BELIJDENIS VAN HEMELVAARTSDAG.            33
2>e belijöenis van ibemelvaartsöag.
jcjlH ene heerlijke belijdenis spreekt de Christelijke ge-
.vjfcT^ meente uit op Hemelvaartsdag; deze namelijk,
dat zij in den diepsten grond een louter geestelijk
lichaam is.
Ziet, als wij bij eenig volk, in eenigen staat, vragen
aan de burgers: „Waar is uw koning?" dan wijzen ons
aller handen naar de hoofdstad; daar, naar het paleis ;
daar, naar de troonzaal; en daar zien wij, al is het in
staatsie en in pracht op den troon: een mensch als ieder
ander. Slechts de vrees, soms de overlevering, soms de
eerbied, soms de liefde, doen ons dien mensch op den
troon vereeren.
Vraag aan de gemeente der heiligen, waar haar Hoofd
is, haar Heer, en geen hand wijst horizontaal eene plek
aan hierbeneden, waar Zijne woonplaats is. Maar aller
hand wijst opwaarts, in de hemelen. Daar is Zijn troon.
Daar is Hij gezeten, aan de rechterhand des almachtigen
Vaders.
Het is deze belijdenis, die de gemeente van Christus
uitspreekt op Hemelvaartsdag.
Maar ligt, zoo vragen wij, in deze belijdenis dus niet
van zelf opgesloten, dat het karakter der gemeente hier
op aarde, vooreerst ten minste, louter geestelijk, louter
zedelijk is, en geenszins staatkundig?
Daarmede, dat Christus opgevaren is ten hemel, is de
laatste hoop weggenomen, in de eerste tijden, op een
wereldsch koninkrijk. De discipelen hebben dat gevoeld,
-ocr page 46-
51A._____________________________________________________JtSit
34                    DE AVEDERKOMST VAN CHRISTUS.
hoe ongaarne ook. De eerste Christenen eveneens. En
wij dienden dat ook te gevoelen.
Hij, die hier een godsstaat wil vestigen, met aardsche
hulpmiddelen, vergeet, dat er eens eene hemelvaart heeft
plaats gehad. Een godsstaat hier vestigen is hetzelfde,
als Christus wederom van boven afhalen, en hier brengen.
Wij hebben hier geen koningschap, geen burgerschap,
geen erve. Wij zijn vreemdelingen en bijwoners op de
aarde. Ons burgerschap in in de hemelen.
2>e weöerfeomst van Cbristus.
en overspannen gevoel deed de eerste Christenen
de wederkomst van Christus reeds tijdens hun
leven verwachten. Was het overspanning, of geestdrift
des verlangens? Zij zeiden, soms zoo beslist: „Eer wij
ontslapen, is onze Heer weerom!"
Hebt ook gij, o Stefanus! dat gedacht in de ure van
uwe verantwoording voor den Joodschen Raad, o vurig
jongeling met het aangezicht eens engels! toen gij in de
opwinding uwer rede, of liever, in de verheffing des
Heiligen Geestes, dien Eaad zaagt naar de diepte zinken,
onder uwe voeten; toen gij, als sloegen de eeuwen zich
over, en als werd de bazuin reeds geblazen, de hemelen
geopend zaagt, en Christus staande aan de rechterhand
Gods, Zich opmakende om nu te komen, te komen, gelijk
Hij beloofd had?
Hebben ook de martelaren het gedacht, die in lange
rij achter Stefanus aau zijn gekomen, en zijne bloedige
-ocr page 47-
JL
EEN KENMERK VAN ONZEN TIJD.                    35
voetstappen hebben gedrukt ? Hebben ook zij het gedacht,
als zij op het schavot in de laatste oogenblikken geen
oog hadden voor het blinkend zwaard, maar wel voor de
ruimte boven hen, of daar misschien reeds die blinkende
wolk verscheen, met den Zoon des menschen daarop; —
of als zij op het rookend brandofferaltaar hun lichaam
offerden, en, zingende, nog met den rook hunne ziels-
begeerte opzonden: „Kom, Heer Jezus! kom nu, eer de
vlam mij gansch verteert!" — of als zij voor de wilde
dieren in het beestenperk geen hand uitstaken tot afwe-
ring van den leeuw en den panter, maar wel die hand
verhieven naar den hemel, of er in de laatste oogen-
blikken nog redding kwam, en de bazuin des Aartsengels
het gebrul van den leeuw overstemmen zou ?
Was het overspanning van gevoel, die hen de weder-
komst van hun Heer reeds bij hun leven deed verwachten,
of was het de geestdrift des verlangens?
......In elk geval: zelfs die overspanning is beter
dan de koelheid, de lauwheid, waarmede wij, Christenen
van onzen tijd, soms geen oogen hebben voor de toekomst
onzes Heeren, onze toekomst.
lEen ftenmerft van oti3en tijö.
aar zijn tegenwoordig veel menschen, die vertwij-
felen aan den godsdienst. Hoe is dat gekomen ?
Eerst hebben zij lange jaren in twijfel gezocht naar
den waren godsdienst. Zij vonden bij kennisneming ver-
scheidene godsdiensten. Welken moesten zij kiezen?
ir
T
-ocr page 48-
4JJ^___________________________________________________________•>[*
36                    EEN KENMERK VAN ONZEN TIJD.
Elke godsdienst, elke kerkelijke gemeenschap beweerde
de ware te zijn. De keus was niet gemakkelijk. Daar
viel op elke kerk zooveel af te dingen. Op elke voor-
stelling van den godsdienst was zoo veel aan te merken.
Wat moest men doen?
Daar kwam bij, dat zij, die dan de belijders van den
godsdienst waren, of ten minste heetten, niet de aantrek-
kelijkste figuren waren. De godsdienstige menschen leefden,
helaas! in voortdurenden twist met elkander. Die atmospheer
lokte niet aan. De godsdienstige menschen vertoonden
zooveel gemaaktheid, zenuwachtige opgeschroefdheid, ja
men moest bepaald zeggen, huichelarij, dat zich bij
dezulken aan te sluiten eene overwinning op zichzelven
kon geacht worden, zoo niet gezegd moest worden, dat
het eene daad zou zijn van bedenkelijken aard. De gebeden
in dien kring waren te lang. De liederen te slepend. De
gesprekken onnatuurlijk. Het dagelijksche leven droog en
dor, gespeend aan de schoone kunst, en wetenschap, en
zooveel meer.
„Godsdienst! wat is godsdienst?" zoo riep men daarom;
„wij hebben genoeg van den godsdienst, als wij de
godsdienstigen aanzien!"
En zoo kwam het, dat langzamerhand eene goede menigte
zich onverschillig begon aan te stellen, en straks zich
geheel los ging maken van den godsdienst, en er mede
brak voorgoed. Zoo kwam het, dat de aankomende jeugd,
door de ouders niet meer aangedrongen, opgroeide in
een gebrek aan kennis van den godsdienst, als waarover
zij, die deu godsdienst onderwijzen, zich nog gedurig
verbazen, al hebben zij reeds lang geleerd zich niet meer
te verbazen.
Gebrek aan godsdienst is niet zoozeer een kenmerk
*
■r--------------------------------------------------------------------------------Trr*
i
-ocr page 49-
SIJ^_________________________________________________________________-JSJ
DE WIJZE EN DE DWAZE MAAGDEN.                 37
van onzen tijd, als wel het „vertwijfelen" aan den gods-
dienst. Men heeft de hoop opgegeven zelf ooit nog
godsdienstige gevoelens te zullen hebben. Dit is een
leelijk pessimisme. En het ergste er van is, dat gods-
dienstige menschen somtijds niet eens beseffen van dit
pessimisme der wereldlingen voor een groot deel zelven
de schuld te hebben.
Welnu! tegen dat vertwijfelen aan den godsdienst weet
ik één middel: Ziet af, gij kinderen der wereld! van ons,
de belijders van den godsdienst! En ziet op Christus,
op Christus zelven! En niemand behoeft meer te vertwij-
felen aan den godsdienst!
2>e wij3e en öe öwa3e maagben.
.hristus is nog altijd niet wedergekomen; in al die
tijden van afwisselenden bloei en verzwakking
van het Christendom; noch in het eene tijdperk, noch
in het andere tijdperk.
Dat was vermoeiend, dat wachten; dat staan en
opzien naar den hemel. Of de gemeente wakende was,
of slapende, de Heer kwam niet.
Zie, daar zijn de tien maagden, in die vijf en vijf het
trouwe beeld der Christelijke Kerk, — ter zijde van
den weg, tegen den muur des wijngaards, op den grond,
met den sluier over het hoofd, in slaap gevallen. Bij
wijlen ontwaken zij; en zij luisteren; maar slapen weer
in. Daar is nog geen geroep: „de bruidegom komt."
TS
-ocr page 50-
SM-._______________________________________                           -*\\*
38                                HET WARE WACHTEN.
Ook nu in dezen tijd, is er weer een tijdelijk wakker
zijn der maagden. Zij zien uit langs den flauw beschenen
nachtelijken weg. Daar zijn teekenen: zien zij niet een
aankomend licht in de verte, als van den voorste dei-
metgezellen van den bruidegom? Neen, het is een schijnsel
van de lamp van den wachter des wijngaards. Hooren
zij niet den verren klank van trommelen en fluiten en
van een hoorn? Neen, het is de hoorn van den wachter
des wijngaards. Straks slapen de maagden weer in, de
vijf en de vijf; tot de eene of de andere nog eens wakker
wordt, en alweer teleurgesteld in slaap valt.
Ach! het duurt ook zoo lang; en eene feestelijke ver-
wachting zelfs van eene komende bruiloft vermag niets
tegen den slaap en de vermoeidheid.
Waarom toeft gij ook zoo, Bruidegom?
1bet ware wacbten.
viwle gemeente, die op Christus\' wederkomst wacht,
\\&T heeft onder dat wachten niet ledig te zitten.
Dat het geen wachten zij met de handen in den schoot!
Zij heeft zooveel nog te doen. Daar rechts en links ligt
het zaaiveld, en het moet toch bezaaid. Wat zou de heer
zeggen van zijn bouwland, als hij tegen den oogst kwam,
om het te bezien, en als hij zag, dat de arbeid was vergeten?
Talmt de Koning met Zijne wederkomst misschien, om-
dat Zijn volk het werk nog niet af heeft?
Aan den arbeid, gemeente! Niet als Elia in Horeb\'s
spelonken u teruggetrokken! Want gij hebt, als Elia, tot
nr----------------------------------------------------------vt*
-ocr page 51-
.^JLJJL
GOD ALMACHTIG — ONMACHTIG.                     39
koningen een boodschap! En gij hebt jonge profeten te
zalven ten dienst!
Zoo, arbeidende, uw Heer verwachten, — dat is het
ware wachten.
Zoo is dat opzien naar den hemel niet het opzien van
een droomer, die niets doet; niet het opzien yan een lui-
aard; maar het opzien van den ijverigen daglooner, die
spit, en spit in de aarde, en zich het edele zweet van
het aangezicht wischt, en die, zonder de hand af te laten
van de spade, alleen even het hoofd opheft, en met de
oogen de baan meet van de zon, welke neigt naar de aarde.
(Boö almacbtfö — onmacbtig.
J\'^/A Is een mensch, door begeerlijkheid gedreven,
W overgaat tot wat op de begeerlijkheid volgt,
overgaat tot de daad, dan werpt zich nog eerst de gansche
hemel tusschen dat voornemen en de daad in, als om
den mensch te verhinderen, als om niet toe te laten dat
het zoover komt. En als de mensch, die om kwaad te
doen meer macht heeft dan al de hemelingen verhinderen
kunnen, toch volhardt, en die booze daad doen wil, —
dan komt nog eerst God zelf tusschenbeide.
Vreeselijk is die worsteling tusschen God en uwe ziel,
eer Hij u loslaat, in tegenstelling van de worsteling tus-
schen God en Jacob aan de beek Jabbok. Daar worstelde
Jacob om een zegen, en hij liet zijn God niet los, aleer
Hij hem gezegend had. Hier worstelt gij om los té wor-
den van uwen God, tot Hij u loslaat zonder zegening,
*|                                                                            v                                                                        f»
irr---------------------------------------------------------------TT-R
-ocr page 52-
31 Ju
.\'&
iJL
40                        DE DOOBN IN HET VLEESCH.
met een vloek beladen, aan de afdaling gansch beneden,
op het laagste terrein uwer zonden, bij den oever des
doods, bij de donkere wateren.
Arme ziel! vanwaar die kracht om kwaad te doen, die
sterkte tot de zonde, waarin zelfs de almachtige God u
niet verhinderen kan, tenzij gij zelf meê wilt!
Arme ziel! word niet bevonden tegen God te strijden!
Want Hij is het leven en de lengte uwer dagen!
S)e öoorn in bet vleescb.
e Grieksche wedloopers zullen loopen. Duizenden
van volk omringen de baan. Aan het begin
der baan, daar staan de mannen, afgelegd hebbende allen
last; licht, sterk en welgemaakt.
Het teeken wordt gegeven.
Onder ademlooze stilte des belangstellenden volks zijn
zij in den snellen loop gestort, als een pijl, die de boog-
pees ontsnapt.
Wie zal den prijs behalen ?
De voorste der wedloopers, reeds bijna aan het midden
der baan, springt onder het loopen plotseling omhoog,
onder het slaken van een luiden kreet, en komt weer
neer op den grond, wankelende, ja, bijna vallende. In
dit oogenblik zijn anderen hem reeds voorbijgesneld.
Een algemeen roepen gaat op onder het volk: „Hij
heeft een doorn in het vleesch gekregen! Hij zit hem
in den hiel of onder den voet! Arme! hij liep zoo wèl!"
Doch de bijstanders zien hem weer opstaan, aansnellen,
-------------------
-ocr page 53-
SLix.________________________________________________________sJLUL
DE DIENST DER LEEUWEN.                           41
bijsnellen, voorbijsnellen. En de kreten van medelijden
zijn overgegaan in kreten van aanmoediging, van opge-
wondenheid, als zij hem zien, de pijn met bovenmatige
inspanning verdragende, de pijn bij eiken stap; als zij
hem zien, niet achtende de smart, jagende naar het doel,
den prijs der eere, een bladertak. En de jubel der dui-
zenden kent geen grens, als zij hem zien, toch overwinnaar,
trots den doorn in het vleesch, terwijl hij bij den eindpaal
zich neerwerpt, en aanstonds, in zittende houding, nu eerst»
met de hand beproeft den doorn uit te trekken; — een
beeld, door Grieksche beeldhouwers in marmer vereeuwigd.
O Christen! die met Paulus zegt: „Eén ding doe ik,
vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot het-
geen vóór is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der
roeping Gods," — verstaat gij nu, waarom gij niet eens
moogt stilstaan, om den doorn in uw vleesch uit te halen,
al hebt gij er driemalen om gebeden? Zoudt gij er den
prijs om willen verloopen?
Het beeld van dien jongeling, die den doorn zich ver-
wijdert uit den voet, kan niet het beeld zijn van den
Christen op aarde, die nog den prijs moet winnen; is
een beeld uit de dreven der gelukzaligen, als de prijs
reeds gewonnen is.
2>e Menst ber leeuwen.
yooals een leeuw woont in de eenzaamheid, zoo
woonde Simson op de rots Etam.
Leeuwen leven niet in troepen; meestal met hun klein
mr
-ocr page 54-
42                            „GEEP MIJ UW HART.
gezin, of dikwijls, zelfs dat verlatende, alleen. Gevreesd
in den omtrek, hun kol liefhebbende, waar zij de rust
na den maaltijd hebben, verlaten zij dat hol alleen, als
de honger hen drijft, om in de nabuurschap, waar zij
zich koning over gevoelen, hun roof te drijven.
Zoo deed Simson, zoo leefde Simson op de rots Etam.
Daar is niet veel in zijne historie, dat op een godvruch-
tigen wandel gelijkt. Hij is een dier reuzen geweest uit
de oudheid, die, zooals wij dat in de oude geschiedenis
meer aantreffen, er van hielden, om door de kracht van
den arm, eenzaam, den strijd te voeren tegen machtige
vijanden, en door verbazende lichaamskracht, die ook
Gods gave is, te overwinnen. Hij leefde voor den strijd,
voor persoonlijk vechten van man tegen man, en hij ge •
bruikte de rust tusschen dien vechtarbeid voor genietingen
des vleesches, waar een zondige reuk aan was.
Dit nam niet weg, dat hij in \'s Heeren hand een mid-
del is geweest om Zijn volk heil te verschaffen bij tijden,
en verademing onder de verdrukking. Ook de leeuwen
gebruikt God tot Zijn dienst, zoo goed als de duiven.
„(Beef mij uw bart."
at is er toch voor begeerlijks aan het mensche-
lijk hart, dat er een strijd is in den hemel en
op de aarde om zich van dat hart meester te maken?
„Mijn zoon! geef Mij uw hart!" zoo roept God, als de
eerste, die er het recht toe heeft, en die den zondaar te ge-
moet komt, den zondaar, die bezig is het weg te schenken.
-ocr page 55-
„GEEF MIJ UW HART."                            43
„Geef mij uw hart," heeft ook de zonde gezegd, met
hare verleidingen. En veler harten hebben zich aan haar
overgegeven, totdat eene zeer late ervaring hun leerde,
dat zij de diepere behoefte des harten niet vervulde,
al had zij die gevleid, en dat de verleidelijkste verzoeking
slechts gevolgd werd door de meest bittere ledigheid.
„Geef mij uw hart!" heeft ook de wereld gezegd met
hare schittering en genot. En te veel lieden hebben zich
haar in de armen geworpen, tot zij, ook dikwijls te laai,
het te weten kregen, dat de wereld het ledige in ons
hart niet vullen kan dan met hare eigene ledigheid. Wat
baat het, den afgrond te willen dempen met een handvol
aarde, die eene kinderhand er in strooit? En wat geeft
het, de zandwoestijnen van Afrika te drenken met eene
kan waters?
„Geef mij uw hart!" zoo heeft ook de natuurlijke
liefde tot den mensch geroepen, uit den mond van eene
moeder, van een echtgenoot, van een kind. En hoeveel
menschen hebben zonder terughouding toegegeven aan
eene neiging, die de meest natuurlijke neiging is; — want
is de liefde dat niet? — toegegeven aan eene neiging, die
zelfs de goedkeuring van God wegdraagt; — totdat zij
gevonden hebben, dat er geen schepsel op de wereld
is, dat aan een ander schepsel de rust des harten schen-
ken kan, wanneer de natuurlijke liefde volop is genoten ?
„Geef mij uw hart!" zoo hebben zij alle drie tegelijk
geroepen: de zonde, de wereld, en de natuurlijke liefde.
En de mensch heeft toen, niet wetende wat te doen,
zijn hart onder al de drie verdeeld, — om te eindigen met
de kennis der teleurstelling.
Arme mensch! arm hart! zeg mij: toen ten laatste
de zonde u verraderlijk de belofte brak, en de zoetheid
-ocr page 56-
44 „GEEF MIJ EENE PLAATS WAAR IK STAAN KAN."
der verleiding niet meer schonk; toen de wereld een
tijdlang u met schijnbeelden had betooverd, en u eindelijk
de ledige werkelijkheid liet zien: toen ook de natuurlijke
liefde zich ontrouw aanstelde, en zich aan u onttrok; —
arme mensch! toen gij van al de drie verlaten stondt,
omdat zij niets meer aan u hadden, nadat zij u bedorven
hadden; toen gij eenzaam dwaaldet, met wroeging en
spijt over een verloren leven; — wie was er toen nog
meer, die uw hart begeerde, en het van u vragen kwam?
Er was niemand meer, dan uw God, die medelijden
met u had over uwe eenzaamheid en verlatenheid, en die
weer tot u terugkeerde. Evenals Hij de eerste was ge-
weest, die het u vroeg, is Hij weer de laatste, die het
het u vraagt: „Mijn zoon! geef Mij uw hart!" En als
het kon, vraagt Hij het nu dringender dan voormaals,
alsof de prijs van dat hart sedert zijn bederf gestegen was.
Wat is . er toch begeerlijks aan het menschelijk hart,
dat er zulk een strijd wordt gestreden om zijn bezit, in
den hemel en op de aarde?
„(Beef mij eene plaats, waar ift staan fcan."
jziri ene wanhoopsvraag is het zoo dikwijls: „Geef mij
W-y eene plaats, waar ik staan kan!"
De Heere zegt: „Zie, er is eene plaats bij Mij; daar
zult gij u op de steenrots stellen."
-ocr page 57-
RIJ DEN AFGROND.                                   45
JBij öen afgronö.
k heb laatst eene prachtige plaat gezien.
Twee kinderen, een jongen en een meisje, speelden
op eene rotsvlakte. Daar was niemand bij. Bloemen plukten
zij. Dat de moeder hen zoo alleen had gelaten, ik begrijp
het niet, zoo aan den kant van den afgrond.
Vlinders kwamen op de bloemen; vlinders, vliegende
bloemen.
En de jongen liep de kapel achterna, die vluchtte, de
zijde van den afgrond te gemoet; de kapel achterna,
met uitgestrekte hand. Eén stap nog, arm gedachteloos
kind! en gij ligt in de diepte!
Maar in dien oogenblik stond reeds een engel, met
zacht vredig gelaat, gereed met uitgestoken arm, om, als
het noodig werd, hem te houden, den jongen, als hij
dien éénen stap nog ging doen.
Heere! zend ons Uwe engelen, dat zij ons bewaren
op al onze wegen, bij de afgronden der zonde!
Sabbat.
oe heerlijk is toch het lot der gemeente van
Jezus, van allen, die in waarheid tot haar
behooren!
Op een dag als dezen, onzen rustdag, waarop wij te
-ocr page 58-
46                                          SABBAT.
midden van al onzen voorspoed, te midden van gezond-
heid, kleeding en voedsel, zonder eenig gebrek, Gods
heiligdom binnengaan, gevoelen wij de heerlijke voor-
rechten, aan den dienst van den waren God verbonden.
Het xondagsgewaad, dat zoo recht ons toont het onder-
scheid tusschen de andere dagen en dezen dag, als het
onderscheid tusschen vuil zijn en helder zijn, tusschen
werken en rusten — hoe gaarne trekken wij het aan!
Hoe heerlijk is die rust nu, vooral voor hem, die wer-
kelijk Christen is geweest in de verloopen dagen, dat
wil zeggen, die goed heeft gewerkt!
De samenkomst in goeden getale tot broederlijke
vergadering neemt weg het gevoel, dat wel eens ons
bekruipt, als stonden wij heel alléén op de wereld, zonder
kennissen en zonder vrienden, tusschen louter vreemde-
lingen in; en wekt het daaraan tegenovergesteld gevoel
van de gemeenschap der heiligen, zoodat wij zeggen, ter-
wijl wij rondzien, voordat de prediker op stoel is: „Hoe
liefelijk is het, als broeders samenwonen!"
De overdenking van een gedeelte van Gods heilig
Woord, van een gedeelte uit de Heilige Schriften der
Christenen, — zooveel mooier dan de heilige schriften
van andere godsdiensten, — zooveel als ik er ook van
gelezen heb, — voert ons terug van de velerlei afdwa-
lingen van ons hart, soms eene week lang, tot de kern-
gedachte van ons leven, Jezus Christus; zoodat wij voelen,
zooals de woestijnbewoner voelt, wanneer hij, na zijne
gedurige omzwervingen, telkens weer terug mag keeren
tot zijne bron, waar hij zijn kemel ontzadelt, en drinkt
van het heldere water, gezeten onder den wuivenden
dadelpalm. Dat overdenken van Gods Woord sticht zoo
liefelijk, en sterkt zoo krachtig tegen komende dagen!
-ocr page 59-
*Jj»^_ ________.....________._________________________________________________sJLUi
AAN DE JABBOK.                                     47
En het gebed en de luide xang der gemeente, — zij
heffen ons op als op wonderbare vleugelen, uit dit
alledaagsche, dat wel eens verveelt, of dat soms zoo
neerdrukt; heffen ons op uit dit lager bestaan, zoodat
wij van daar de vergezichten genieten van de heerlijk-
lieden, waar de aarde en de hemel vol van zijn.
Zondag, Zondag! gij zijt zooveel heerlijker dan elke
andere dag van de week, als gij de dag van God zijt,
en die andere de dagen van den mensch zijn!
Hoe heerlijk is toch het lot der gemeente van Jezus,
van allen die in waarheid tot haar behooren!
Ean öe 3abboft.
tx k wil eene vergelijking maken tusschen den toestand
VjV van ons onwedergeboren hart, en de geschiedenis
van Jacob, die daar worstelt te middernacht tegen den
engel aan de beek Jabbok.
Als Jacob, gaat de onwedergeboren ziel eene onzekere,
donkere toekomst te gemoet, om te vallen in \'s vijands
handen.
In den nacht onzer ziele wordt ons van God een
helper toegezonden, Jezus Christus.
Maar juist door die duisternis onzer ziele miskennen
wij Hem, en zien wij Hem voor een vijand aan, die onze
vriend en helper is.
En het gevolg er van is, dat wij bevonden worden
tegen Jezus te strijden. Arme ziel!
Gezegend het oogenblik in de geschiedenis uwer ziel,
-ocr page 60-
48                              "WAT IS GELOOVEN?
als het licht van den hemel, de aanbrekende dageraad,
het u komt laten zien, dat die vermeende vijand, Jezus,
uw zegenaar is! En als gij dan, bij die betere kennis,
niet meer tegen Hem worstelt, maar bidt: „ Heer fik laat
n niet gaan, tenzij Gij mij zegent/"
2>e ifoeer ooft in bet öoobenrijfe.
m
et is een duister dal, het dal der schaduwen des
doods, een kil en somber oord; en vreeselijk
moeten de verschrikkingen zijn op dien zeer lagen weg.
Maar Hij, die overal is, die hemel en aarde vervult,
vervult ook dat duistere dal met Zijne tegenvvoor-
digheid.
In die ure, als alles onder u wegzinkt, zullen Zijne
eeuwige armen van barmhartigheid zich onder u en om
u heen uitbreiden, en zij zullen u dragen. En zij zullen
u niet durven aanraken, de handen van den dood!
Hïïlat is gelooven?
n een Boedhistischen tempel in Indië staan twee
beelden. Het eene stelt voor: een man, worstelende
met eene slang, en bezwijkende. Dat zijt gij, o mensch!
Het andere beeld stelt voor: een mensch, de vaneen ge-
scheurde stukken der slang, overwinnend, omhoog hou-
-ocr page 61-
HOE KON DE RECHTVAARDIGHEID GODS ENZ. 49
dende in de forsche handen. Dat is Jezus, die den mensch
van de slang verlost.
En nu, — hartelijk te vertrouwen, met de dankbaarheid
des verlosten, dat Hij dat voor u deed, — dat is gelooven.
1E>oe feon öe recbtvaarbfgbeio ©obs 3e3us\'
boob toelaten?
hA ndien er ooit eene groote zonde gepleegd is, dan is
\\$ het geweest die daad, die de wereld beging, toen
zij den meest onschuldige der menschen ter dood bracht.
"Wat had Hij gedaan, Jezus, dat eene gansche bevolking,
in woede over Hem ontstoken, geroepen had: „Kruis
hem?"
Wat had Hij gedaan, Jezus, dat die woede zelfs alle
menschelijkheid en alle medelijden uitbande, zoodat er
geen gratie overschoot, en men zich zelfs verheugde te
kunnen loopen vóór en langs Zijn kruis, om Hem da*a*r
nog te kunnen bespotten en smaden?
Had Hij zoo iets verschrikkelijks gedaan? Was Hij
een dief geweest, die zijne straf nu verdiende ; of, erger
dan een dief, was Hij een woekeraar geweest, die armen
om het brood had geholpen, die de huizen der weduwen
en weezen had opgegeten, en over wien nu een lang
ingehouden rechtmatige toorn van de wijkbewoners werd
uitgegoten ?
Was Hij een moordenaar geweest, die zijne hand met
bloed des naasten had bezoedeld, en dien nu het rechterlijk
vonnis achterhaald had ?
mr--------------------------------------------------------------------------VK
-ocr page 62-
50              HOE KON DE RECHTVAARDIGHEID GODS
Was Hij een staatkundig misdadiger? Had Hij oproer
gepredikt? Was Hij opgestaan tegen bestaande machten,
of bestaande ordeningen, en had Hij beproefd ze omver
te werpen?
Had Hij iets onmenschelijks gedaan? Had Hij men-
schen ongelukkig gemaakt? Was Hij oorzaak geweest
van veel tranen en veel smarten?
Niets van dat alles ! Integendeel! Eene gansche bevol-
king van het noorden tot het zuiden kon getuigen, dat
Hij, de jonge prediker, altijd getuigd had en gesproken
voor orde en wet, voor onderdanigheid aan bestaande
machten. „ Geeft den keizer wat des keizers is, en Gode
wat Gods is", dat ééne gevleugelde woord, dat als van
mond tot mond overvloog, en een appèl was aan ieders
geweten, had meer tot de orde in den staat bijgedragen
dan al de regeeringsartikelen van een Pilatus, en dan al
de overredingen der Sadduceën.
Eene gansche bevolking van het noorden tot het zuiden
kon getuigen, dat Zijne godsdienstleer geen dwepende op-
gewondenheid had te weeg gebracht, die gevaarlijk kon
worden voor de rust der zielen, of die vijandig gekant
was tegen den godsdienst der vaderen en der oude pro-
feten. Hij ontbond geen wet en geen profeten; Zijne
leer bracht rust en kalmte in duizende harten, en in die
harten weerklonk er iets als deze stem: vIk heb zoo
lang de waarheid gezocht, maar nu heb ik haar eindelijk
gevonden!"
Eene gansche bevolking van het noorden tot het zui-
den kon getuigen, dat vooral armen, ellendigen, nood-
druftigen, weduwen en weezen, ontzaglijk veel aan Hem
waren verplicht. Hunne kranken had Hij genezen, van een
lang lijden en eene vreeselijke toekomst verlost. Hunne
-ocr page 63-
S4JL,_____________________________________________________-JÜ*
JEZUS\' DOOD TOELATEN?                             51
armen had Hij brood gegeven; en Hij had onder hen
gewoond, om dagelijks hun moed te kunnen inspreken.
Hunne bedroefden had Hij gezocht, om met hen te spreken,
en hen te troosten. O! hoeveel handen hadden dankbaar
de Zijne gegrepen! Hoeveel monden hadden Zijn lof vol
dankbaarheid verkondigd! Hoeveel oogen hadden in Zijn
oog gezien, uitdrukkende den dank, dien de mond niet
kon uitdrukken!
Drie jaren slechts had Hij zóó gewerkt. Nog eens drie
jaren, en daar in dat land zou de gouden eeuw zijn aan-
gebroken, waar de dichters van gezongen hadden. Nog
eens drie zulke jaren, en daar zou een aardsch Paradijs
zijn opgebloeid in Zijne omgeving, waar geen tranen meer
zouden worden geschreid, en waar geen krankheden meer
zouden verwoesten, en geen dood meer zou heerschen,
en geen zonde meer zou verderven. Nog eens drie zulke
jaren. . . .
Maar wat ga ik mij verbeelden, hoe het geworden zou
zijn, ware Jezus langer in dat land geweest, waar Hij
gelijk was aan de opgaande zon na nachtelijke duisternis,
en waar Hij gelijk was aan een zachten regen na dorre
tijden.
Ik herhaal echter: indien er ooit eene grove misdaad
is gepleegd, dan is het geweest die daad, welke de
wereld beging toen zij den meest onschuldige der men-
schen ter dood bracht.
En wanneer ik nu, met dit alles voor oogen, moet
vragen: Hoe kon het, bij eene eeuwige rechtvaardigheid,
bestaan, dat zoo groot onrecht werd toegelaten, en dat
de hemel niet toornend tusschenbeide kwam? — dan
zoek ik, en zoek ik te vergeefs naar een antwoord, totdat
-ocr page 64-
52                              DE KOEPING DER KEEK.
ik het vind in het woord van den profeet: „Hij is om
onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden
is Hij verbrijzeld
; de straf, die ons den vrede aanbrengt
was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing
geworden."
2)e roeping oer feerft.
JrfA ch! dat de kerk van Christus haren Heer toch
weer meer gelijk worde! haren Heer, zooals Hij
op dien onvergetelijken dag aan het kruis zich betoonde !
Dat zij eene kerk worde, die weet te dienen en te lijden,
die weet lief te hebben tot het einde ; eene gemeente, die
weet lief te hebben allen die haar omringen, de goeden
en de boozen, ja, deze laatsten vooral; die weet te zegenen,
die haar vervloeken, en die weet wel te doen aan die
haar geweld aandoen!
Dat toch opgegeven worde haar zoeken naar wereldsche
macht, naar staatkundige heerschappij. Dat toch losge-
laten worde dat pogen om bondgenootschap te hebben
met het menschvergodend Katholicisme, en met het
menschvernietigend Socialisme. Dat zij toch weer haar
eenzaam standpunt opzoeke, om zich rein en onbesmet
te bewaren van de wereld; dat eenzaam standpunt, dat
ook Christus had op dien dag aan het kruis; midden in
de wereld, voor de wereld, maar niet van de wereld.
Dat zoo de kerk van Christus hare roeping op aarde
weer begrijpe, gehjk, God zij geloofd! de zeven duizend
wel begrijpen, namelijk, eenzaam staande, en des noods
J________________________________________________________________________________fc>
.\'
-ocr page 65-
DE ROEPING DER KERK.                             53
verguisd van de wereld, toch philanthroop te zijn, bidder
te zijn voor die wereld bij God. Dat de kerk van Chris-
tus hare roeping op aarde weer begrijpe, namelijk den
beelde des Zoons gelijkvormig te zijn, dat is: alle ellende
der andere menschen over te nemen, in zich op te nemen,
en voor hen te dragen; alle smart der anderen op zich
te laden, en op die wijze hen daarvan te bevrijden; alle
armoede der anderen te verdrijven met haren rijkdom;
alle krankheden der anderen te genezen met hare liefde,
dien balsem, die niet beschaamt. Dat de kerk van Chris-
tus hare roeping weer begrijpe, een toevluchtsoord te zijn
voor alle vermoeiden en belasten, een toevluchtsoord te
zijn voor dwalenden, bedroefden, nooddruftigen, hongeren-
den naar de gerechtigheid, ongetroosten en door onweder
voortgedrevenen!
O, ik twijfel er geen oogenblik aan, of bij het open-
baar worden dezer alles vergevende, alles verzoenende
liefde, zullen de kinderen der wereld weer naderen, om
één te kunnen worden met de gemeente van Jezus, om
deel te verkrijgen aan hare zaligheden. De armen zullen
weer met vertrouwen aankloppen aan hare poorten. De
dwalenden zullen zich richten naar den glans van het
koepeldak haars tempels. De vermoeiden zullen komen
uitrusten in de schaduw bij hare pilaren. De kranken
zullen zich laten dragen op hunne beddekens naar hare
voorhoven. Die niet geloofden, zullen komen neerknielen
bij hare altaren, in aanbidding.
En wat door den ouden profeet aangaande Jezus was
gezegd, zal dan van Jezus\' kerk gezegd zijn: zij zal zijn
„eene verberging tegen den wind, en eene schuilplaats tegen
den vloed, en als ivaterbeken in eene dorre plaats, en als
de schaduw van een xwaren rotssteen in een dorstig land.
"
-ocr page 66-
»1X-_________________________________________________________________ ■■»[*
54                    BIJ HET UITGAAN VAN DE KERK.
JBij bet uitgaan van öe her!?.
fiflfi en eigenaardig gezicht altijd, dat uitgaan van eene
•^y kerk, van de straat af gezien!
Hooge, breede deuren, wijd opengeworpen. Uitstroo-
mende menschen, in feestkleed. De armen tusschen de
rijken. De kleinen tusschen de grooten. Blijde gezichten,
maar getemperd. En nog meer, nog altijd steeds meer.
En alles even ordelijk. Terwijl machtige orgelklanken,
die den tempel te eng vinden, mede door de geopende
deur naar buiten zweven, het kerkplein over, met de
menschen mede.
Een eigenaardig gezicht altijd, dat uitgaan van eenc
kerk, van de straat af gezien!
„Wat doet gij, Christenen, toch altijd in de kerk?"
zoo vroeg mij een geheel ongeloovige, die met mij het
tooneel aanschouwde. „Waar trekt gij die lieden toch
mede aan, dat zij altijd weerom komen, zondag aan
zondag?"
En ik antwoordde hem, zoo goed als ik kon, om hem
zoodanige dingen begrijpelijk te maken, zoo het mogelijk
ware; want de natuurlijke mensch verstaat slechts natuur-
lijke dingen.
Maar zoo hij geestelijke dingen hadde verstaan, hij
zou het geheim van den drang bij de scharen hebben
begrepen: , God geeft den moeden kracht, en Hij ver-
menigvuldigt de sterkte dien, die geen krachten heeft."
Knr                                                                                       ■\'vte
-ocr page 67-
u*^_                        _____________________________.jye
HEMELVAART.                                     55
hemelvaart.
ft®
ie zal beschrijven de gevoelens, die onzen Heer
vervuld hebben op den dag Zijner wederop-
neming in de hemelen ?
Het moet voor Hem wat geweest zijn, om weer in te
gaan in Zijns Vaders huis, na zoo lange en zoo vreese-
lijke afwezigheid!
Als wij eens een tijdlang afwezig zijn geweest van
vrouw of kinderen, in den vreemde, en wij komen dan
weer terug, en wij doen dan weer de deur open van de
oude woning, en wij staan dan weer in het welbekende
vertrek, en wij zien dan weer in de vroolijk groetende
oogen, en wij ervaren dan weer de zaligheid van den kus
des wederziens, — wat dat dan reeds voor öns is!
En zoo was Jezus ook weg geweest in den vreemde,
ver, ver weg van Zijn Vader. Hij had hier Zijn vaderlijk
huis wèl gemist. Ook had Hij de tijden gekend, alsof
Hij zelfs de liefde Zijns Vaders bovendien kwijt was;
zoo eenzaam had Hij hier gestaan; zoo verlaten had Hij
zich wel gevoeld. Vooral: wanneer de menschen zeiden
met spot: „Gij hebt geen Vader daarboven, gij gods-
lasteraar! Laat God het dan toonen, dat Hij uw Vader
is, en dat Hij het wèl met u meent!" En vooral: in dat
vreeselijke oogenblik aan het kruis, toen het er ook allen
schijn van had, en toen Hij zelf het ook uitriep: „Mijn
God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten ? * Vreese-
lijke tijden!
Maar gelukkig, dat was nu alles over! En nu, nu zou
het wederzien zijn!
A______________________________________
-ocr page 68-
56                                        HEMELVAART.
Kunt gij u voorstellen, wat dat voor een wederzien is
geweest tusschen dien Vader en dien Zoon?
Als ik lees in den Bijbel, dat toen Stephanus ging
sterven, de Heer ging opstaan van Zijn troon om de
binnenkomende ziel van dien mensch te ontvangen en te
begroeten, — wat moet dan bij den Vader de ontvangst
en de begroetenis van den Zoon zijn geweest!
Als ik lees in den Bijbel, dat, toen de verloren zoon
terugkwam in zijne gescheurde kleederen, met de teekenen
der zonde nog op zijn verwoest gelaat, de Vader naar
hem toeliep en hem kuste, en tot de dienaars zeide :
aBrengt hier voor het beste kleed, en geeft een ring aan
zijne hand, en slacht het gemeste kalf;" als, zeg ik, de
Vader dat deed voor zijn slechten zoon, wat zal Hij dan
gedaan hebben voor dezen edelen, heldhaftigen Zoon, die
altijd Zijn wil had gedaan, gehoorzaam zelfs tot den dood
des kruises?
Kunt gij het indenken, dat wederzien?
Ik stel mij voor, dat na de eerste begroetenis, waarbij
de engelen vol eerbied zich de vleugelen zullen hebben toe-
gevouwen voor het aangezicht, de Vader Hem bij de hand
heeft genomen voor de oogen des ganschen hemels, en
dat de Vader hem naar zijn troon heeft geleid, en dat
Hij gesproken heeft: „Zet U aan mijne rechterhand, mijn
Zoon! mijn eeniggeborene! en heersch met mij eeuwiglijk,
totdat Ik al Uwe vijanden U zal gegeven hebben onder
Uwe voeten! Gij engelen! weest blijde met mij, want uw
Koning is weerom, en Hij heeft den Booze overwonnen!"
En ik stel mij voor, dat toen het gejuich aanving, en de
begroeting, en de hulde, en het eerbiedig lof betoon, de
blijdschap der duizendmaal duizenden, die daar deelden
in de blijdschap des Vaders en des Zoons.
-ocr page 69-
.JLVL
HET GEHEIM VAN EEN BLIJ LEVEN.                 57
1bet gebeim van een blij leven.
^/ elk een heerlijke troost is het voor ons, geloo-
vigen! om het ons in te denken, dat wij daar
ook zullen komen, waar Jezus, als de eersteling, ons is
voorgegaan, en dat daar onze dierbare vrienden en ouders
en kinderen, die met ons hun Heiland hebben liefge-
had, reeds verzameld zijn in eene heerlijkheid, waarbij
der koningen pracht op aarde niets is! Denkt gij er
wel dikwijls aan? Waarom denken wij er zoo weinig
aan?
Wat zouden wij toch altijd veel blijder en opgewekter
leven, als die gedachte meer bij ons was: „Ik reis naar
den hemel!" Denkt gij niet, dat wij dan veel beter ons
zouden getroosten van nog op eene ellendige aarde te
moeten zijn?
Wat zouden wij toch altijd veel blijder en opgewekter
leven, als die gedachte meer bij ons was: „Ik krijg eene
erfenis, zoo groot als tien steden." Denkt gij niet, dat
wij dan veel beter ons zouden getroosten het nog zoo
armelijk hier te moeten doen?
Wat zouden wij toch altijd veel blijder en opgewekter
leven, als die gedachte meer bij ons was: „Nog maar
een kleinen tijd, dan ben ik van al mijne zonde af!"
Denkt gij niet, dat wij dan ook moediger de zonden
onder de oogen zouden zien om er tegen te vechten?
Wat zouden wij toch altijd veel blijder en opgewekter
leven, als die gedachte meer bij ons was: „Ik reis naar
mijne dierbaren toe, en ik kom hun eiken dag nader!"
ir--------------------------------------------------------                           -----------TTK
-ocr page 70-
au*.
JtB
58
TROUW GETUIGEN.
Denkt gij niet, dat wij het dan beter zouden dragen,
van hen gescheiden te zijn geworden ?
Waarom denken wij er zoo weinig aan, dat wij een
hemel hebben? Waarom, wij dwazen?
XErouw getuigen.
Je genade om prediker van het Evangelie te zijn
is eene s>enade, die God niet alleen enkelen, maar
ook aan de gemeente in haar geheel, goedertieren verleent.
Iedereen mag het wezen, onder zijn aardsche bedrijf door,
in zijn werkkring, op zijne manier. Ja, iedereen moethet
wezen, waar en zooveel hij kan. Het behoort tot uw dis-
cipelschap. Iets van wat Paulus gevoelde moet in elk
Christen leven: „Wee mij! indien ik het Evangelie niet
verkondig!"
Gij ouders! hebt zoo schoone gelegenheid bij uwe kin-
deren ; weest priesters in uw eigen gezin! Gij onderwijzers!
hebt zoo schoone gelegenheid bij de jeugd, u ter opvoe-
ding toevertrouwd; strooit eeuwige zaden in dien ont-
vankelijken grond! Gij heeren! hebt zoo schoone gele-
genheid bij uwe ondergeschikten. Iedereen, hij moge wezen
wie of wat hij wil, een rijke of arme, heeft naast zich
een zondaar loopen, die naar het verderf toeijlt. Dat hij
hem toespreke, en tegenhoude, en behoude! Gij moet
niet alleen en eenzaam den hemel willen binnengaan,
maar iemand aan dé hand mede binnen brengen, die er
anders zou buiten gebleven zijn.
Ach! dat dit meer gebeurde, dat dit meer gebeurdel
""VIS
-ocr page 71-
SLS-.
.JÉ.K
ZÓÓ NIET TREUREN.                                   59
Daar zouden meer wonderen geschieden van bekeering,
en voor de tweede maal zou Jezus zeggen, in den geest
verheugd: „Ik zie den Satan, als een bliksem, uit den
hemel vallen!"
Zóó niet treuren.
k moet een Christen over zijne dooden heel anders
Lx)
„ zien treuren, dan zooals een niet-Christen treurt.
Vele bedroefde Christenen, als ik het eens zeggen
mag, loopen ruggelings naar den hemel. Zij reizen wel
naar den hemel, maar altijd nog met het gelaat gekeerd
naar de ledige graven, waar hunne dierbaren niet eens zijn.
Laten zij zich omkeeren, den rug toekeeren naar de
ledige graven, en het aangezicht wenden, vooruit naar
den hemel, waar hun Jezus is, en waar hunne dierbaren
wèl zijn.
Hun gezicht zal aanstonds vroolijker zijn, vroolijker bij
den aanblik van zooveel heerlijkheid!
©penbartigfoetö.
ffi
etrus had er geen karakter naar, om in eenige
zaak de achterste te zijn. Ware hij een krijgs-
man geweest, wij zouden wel geweten hebben, waar in
den strijd zijne plaats zou geweest zijn. In de voorste ge-
ir
"ttr;
-ocr page 72-
60                                    BEGIN TOCH!
lederen, met de anderen misschien wel ver achter zich,
onbesuisd, edel, en dapper.
De Heere Jezus moet hem zeer hebben liefgehad. Van
zulke karakters houdt men van zelf, met al hunne gebreken
op den koop toe.
Die menschen, die niets uit berekening doen, en zich
geven zooals zij zijn, zijn beminnelijk en aantrekkelijk
boven die berekende, slimme menschen, die wèl oppassen
om hunne gebreken te laten zien, en die altijd de tijden,
gelegenheden en omstandigheden zeer voorzichtig in acht
nemen, opdat zij in aller oog verstandig en volmaakt
mogen schijnen.
Daar is eene burgerlijke volmaaktheid, die uit berekende
voorzichtigheid voortkomt, en die nooit de liefde van
anderen verovert, al verwerft zij voor een tijd lang eenige
bewondering.
„Laat uwe fouten maar zien," zoo zeg ik tot de jonge
menschen vooral, „en bedekt ze niet te behendig; als
het uit eene eerlijke rondborstigheid voortkomt, zullen de
menschen er u niet minder om liefhebben."
Begin tocb!
<V]k smeek het u, onwedergeboren zondaar! vang toch
tj) eens den strijd tegen uzelven aan. Begin toch de
aanvechting tegen uwe bedorven natuur. Begin eens te
schudden aan die ketenen, die gij om handen en voeten
gevoelt. Beproef eens dat juk u van de schouders te
werpen, dat een booze demon daarop heeft gelegd. En
-ocr page 73-
BEGIN TOCH!                                     61
zie den Satan voor het eerst eens in de oogen, al is het
met siddering, en zeg hem, dat gij hem haat, en dat gij
het gaat aandurven tegen hem, in Jezus\' naam!
Zoo moet men beginnen, op de eene of andere manier;
maar altijd toch beginnen! Ook de bekeering heeft een
begin, en dat begin is soms zoo klein, zoo onmerkbaar,
zoo schijnbaar onbeduidend. Maar een begin moet er
wezen. En het is tot dat beginnen, dat ik u aanzet, dat
ik u aandring.
Want het overige, ik heb het zoo dikwijls gezien, komt
dan vanzelf. De verdere ontplooiing van dat nieuwge-
boren zieleleven volgt dan van zelf, en gaat door, en gaat
voort, men „weet zelf niet hoe." Als maar de korrel in
de aarde gelegd is, dan volgt van zelf het zwellen; dan
volgt van zelf het schieten van den wortelscheut neder-
waarts, en het schieten van den halmscheut opwaarts;
en dan volgt van zelf de ontwikkeling van den halm, van
de aar en van het koren in de volle aar. Daar is een God,
die den regen zendt en die de zon gebiedt, en die zoo-
veel andere natuurkrachten beveelt, om den wasdom te
geven aan de geboren plant.
Waarom begint gij ook niet, als gij ook wilt wederge-
boren worden? Waarom begint gij niet, al is het vast
tegen maar één kleine zonde?
O, ik wilde het; want gij zoudt eens wat zien!
Straks zou het oogenblik komen, dat de een of ander
u tot Jezus leidde, zooals Simon geleid werd tot Jezus
door Andreas, zijn broeder.
Straks zou het oogenblik komen, in Jezus\' nabijheid,
van volkomen zelfontdekking, en zoudt ook gij roepen:
i,Heere, ga uit van mij!" verwonderd, dat Hij niet
heengaat.
-ocr page 74-
SliL.
JLVt
62                                    MARTELAARSCHAP.
Straks zou het oogenblik komen, dat het nieuwe leven
in u gevoelen zou, nergens meer vrede te kennen dan
in Jezus, en zou het ook binnen in u roepen: „Heere!
tot wien zou ik heengaan? Gij hebt de woorden des
eeuwigen levens!"
En, al verder gebracht door de genadewerking Gods
in u, zou ook voor u het oogenblik aanbreken, dat gij,
zonder de oogen neer te slaan, zoudt kunnen belijden:
„Heere Jezus! Gij, die alle dingen weet, Gij weet, dat
ik U liefheb!"
Martelaarschap.
al ik den moed hebben om u te zeggen: „wees
\\^> een martelaar?" En zult gij, gesteld dat ik het
zcide, het van mij willen aannemen?
Martelaar zijn, om des geloofs wil, dat zal onze tijd,
onze eeuw, geloof ik, van u niet vergen. Men zal u geen
hand af houwen. Men zal u geen voet af houwen. Men
zal u geen oog uitrukken.
En toch geloof ik, dat gij zonder martelaarschap van
een verminkten arm of voet, of van een uitgerukt oog
het koninkrijk Gods niet zien zult.
Daar is nog een ander martelaarschap dan wat soldaten
of Sanhedrinsleden u kunnen aandoen. En daar zijn nog
andere litteekenen en verminkingen, dan die gij van
stalen wapenen kunt opdoen. Wij denken aan dat marte-
laarschap, dat ieder geloovige lijdt, als hij getrouw is in
den strijd tegen zichzelven, en tegen de zonde, en tegen
ir
■"■*■?
-ocr page 75-
______________________________________________uJLUL
MARTELAARSCHAP.                                63
den Duivel. Ik denk aan dat martelaarschap, waarvan
Jezus sprak, toen Hij zeide: „Indien uwe hand u ergert,
houw ze af; het is u beter, verminkt tot het leven in
te gaan, dan, twee handen hebbende, heen te \'gaan in
de hel, in het onuitblusschelijk vuur, waar hun worm
niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt. En indien
uw voet u ergert, houw hem af; het is u beter, kreupel
tot het leven in te gaan, dan, twee voeten hebbende,
geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk
vuur, waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uit-
gebluscht wordt. En indien uw oog u ergert, werp het
uit; het is u beter, maar één oog hebbende, in het
koninkrijk Gods in te gaan, dan, twee oogen hebbende,
in het helsche vuur geworpen te worden, waar hun worm
niet sterft, en het vuur niet uitgebluscht wordt."
Ja, daar is een martelaarschap, waarbij, eer dat de
heidenen komen om uw lichaam te dooden, gij reeds zelf
moet begonnen zijn om dat lichaam te dooden, naar dat
diepzinnige woord van Christus: „Zoo wie zijn leven
verliezen zal, die zal het behouden."
Gij verstaat mij: dat martelaarschap keer ik niet van
u af, maar wensch ik u toe! Moge het u gegeven zijn,
dat martelaarschap te leeren kennen ten bloede toe, ten
einde toe; totdat uwe ziel, bij hare hemelvaart van de
aarde naar het Paradijs, blijde zal zijn, blijde als de oude
martelaars, om hier achter te laten een gansch lichaam,
dat slechts een lichaam der zonde was!
-VR
wr-
-ocr page 76-
64                                     VOORZIENIGHEID.
Doorsienigbciö.
„TttHch," zoo hoor ik iemand zeggen, „ik zie Gods
^~r voorzienigheid en hulp geenszins in mijn leven ;
mijne kinderen heb ik verloren, en Zijne voorzienigheid
is niet tusschenbeide getreden in de krankheid !" — „Ja,"
zoo hoor ik een ander, „ook ik heb die niet bemerkt,
want ik ben arm geworden, en Hij heeft toegelaten dat
mij het brood is ontnomen!" En een derde voegt zich
daarbij met eene andere klacht, en een vierde, en velen
meer. Het is een koor van klachten en murmureeringen,
eene halve wereld, die de beschuldigende hand opheft
tegen God, waarbij, indien de zaak niet zoo droevig ware,
ik haast zeggen zou, dat Gods voorzienigheid het zwaar
te verantwoorden heeft.
Zoo, vriend, is er geene voorzienigheid? Hebben wij
geen God, in ons leven ingrijpende, besturende, toe-
latende, weerhoudende, zooals Hij goed denkt? Zoudt gij
meenen, meer onder Gods voorzienigheid te staan, indien
het u in alles naar den zin ging? Gods voorzienigheid,
wil dat zeggen: dat gij uw brood toen had moeten behou-
den in overvloed en weelde ? Dat gij uw echtgenoot niet
hadt moeten verliezen, noch uw kind, noch uw broeder
of vriend? Gods voorzienigheid, wil dat zeggen, dat het
u naar den vleesche had moeten gaan in alle dingen?
Neen! o weet het toch, dat bij Gods wereldbestuur
Hij ééne wet heeft, die Hij boven alle andere laatheer-
schen, namelijk deze, dat het zedelijk geluk van ééne ziel
gaat \'boven het stoffelijk geluk van duizenden! Dat het
beter is, dat een oog, eene hand, een voet verloren wordt,
-ocr page 77-
-^±.UL
*!»■__________________________________________________________________________
1
VOORZIENIGHEID
65
dan dat men met twee oogcn, handen en voeten gewor-
pen moet worden in het vuur, dat niet uitgebluscht wordt!
Wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld
gewon, en hij schade leed aan zijne ziel! Onthoud het,
Gods gouvernement heeft wel uwe stoffelijke belangen
niet uit het oog verloren, maar heeft uw eeuwig wel en
wee veel meer in het oog! Ach, gij zult de wereld-
geschiedenis eerst begrijpen, als zij als eene voleindigde
wereldgeschiedenis achter u zal liggen. De toekomende
eeuw kan eerst goed de voorbijgaande eeuw verklaren.
Gij zult uwe eigene levensgeschiedenis eerst goed begrijpen,
als zij eene voleindigde levensgeschiedenis is. Van uit
het standpunt, of hoogtepunt der eeuwigheid is eerst uw
geheele leven open en bloot voor u; en dan eerst zult
gij de draden en lijnen duidelijk voor u zien liggen,
waarnaar uw leven is geweven. — Was ook niet de
levensloop van Christus één donker, wonderbaar raadsel,
waarin, tot aan den vfeeselijken kruisdood toe, Gods
voorzienigheid afwezig scheen, totdat de morgen der
opstanding dat raadsel verklaarde! Welnu, gij die klaagt
onder uwe rampen, die treurt over uwe dooden, zijt gij
meerder dan uw Hoofd Christus, en wilt gij de raadselen
uws levens reeds hier alle ontward zien ? Heb geduld,
als Jezus, en wacht tot de voorzienigheid zich blinkend
rechtvaardigen zal op den dag der opstanding!
Laat Hem besturen, waken!
\'t Is wijsheid wat Hij doet;
Zóó zal Hij alles maken,
Dat g\' u verwondren moet;
Als Hij, die alle macht heeft,
Met wonderbaar beleid
Geheel het werk volbracht heeft,
Waarom gij thans nog schreit.
ir
TTB
m
5
-ocr page 78-
66                            GEEN AEBEID NUTTELOOS.
©een arbetö nutteloos.
Srf^ij zijt teleurgesteld in de vruchten van uwen
k§7 arbeid, o gij, die uwe krachten gegeven hebt aan
de verbetering der wereld?
Weet, dat er niets verloren gaat!
Op zichzelf beschouwd, — »ja," zoudt gij kunnen
zeggen, „deze moeite, deze arbeid is vergeefsch geweest."
Maar in den samenhang met allen anderen arbeid, met
het geheel van den arbeid, die in de wereld verricht
wordt, is niets vergeefsch.
Wat nut doet een enkele zonnestraal, zal hij denken,
als hij, vóór hij de aarde bereikt, door de wolken opge-
vangen wordt en zich in haar verliest? Ik zeg u, voor
de instandhouding van de wereld heeft die ééne straal
evenveel gedaan als elke andere, die de bloemen daar-
beneden bereikte, al scheen het hem niet.
Weet elke zaaier, waar zijn zaad terecht komt? Hij
bestemt het zaad voor den akker, waar hij zijne voeten
op zet; maar als de wind het opneemt, en elders heen
verwaait, dan meent hij, dat het verloren zaad is. Maar
dat hij zie over den muur zijns hofs. En zal hij zijne
oogen gelooven, dat da\'a\'r de ontwikkeling, de groei, de
vrucht voortgang hebben gehad?
Geen arbeid van den Evangeliedienaar, geen vermaning
van ouders, geen inspanning zelfs voor verloren idealen,
gaan nutteloos verloren, zonder vrucht, o kind van God!
Beschouw elke zaak toch niet te veel op zichzelve, maar
in het samenstel des geheels, in het samenstel van Gods
eeuwig wereldplan!
-ocr page 79-
HET ZAAD OP DE STEENACHTIGE PLAATSEN.         67
ibet 3aab op öe steenacbtiöe plaatsen.
Is er op het gebied van den godsdienst iets
•
          nieuws is, een nieuw stelsel, eene nieuwe secte, —
dan zijn er altijd menschen, die zich haasten om er bij
te zijn; niet omdat dit het beste is, maar omdat het het
nieuwste is. Zij hebben een voorraad van bewondering
en toejuiching van te voren in gereedheid, om uit te
storten over een ieder, die iets nieuws heeft of uitdenkt,
of die iets bijzonders doet. Zij hebben eene sterke vrees
om bij hunne eeuw ten achter te zijn, om bij de laatste
mode op het gebied van godsdienst achter te zijn. Zij
hebben zelven niets oorspronkelijks, maar staan te allen
tijde ten dienste van hen, die wel buitensporig oorspron-
kelijk zijn.
Daar moeten velen van dat soort te Jeruzalem geweest
zijn, op den dag dat Jezus Zijn intocht daar hield. Wat
hebben zij zich gehaast de opgaande zon te begroeten!
Maar, eenige weinige dagen later was de mode weer an-
ders in zake godsdienst. En toen riepen zij even hard:
„Kruis hem!" met de bovendrijvende partij, als zij van
te voren geroepen hadden: „Hosanna!" óók met de
bovendrijvende partij.
O, gij zaad, dat op de steenachtige plaatsen gevallen
zijt! gij draagt uw oordeel in u; diezelfde zon, die u
haars ondanks uit uwe verborgenheid naar voren bracht,
moet straks u verschroeien!
-ocr page 80-
68
ONVERSCHILLIGHEID.
©nverscbilliöbeit).
n onze groote stad is er eene groote klasse van
V onverschilligen, zegt men. Deze lieden beweren
openlijk, dat zij niets om den godsdienst geven. Zij staan
buiten den godsdienst, met over elkander geslagen armen;
zij worden er niet koud of warm onder; zij hebben andere
zaken genoeg om zich mede te bemoeien. „Laat die wil
zich met den godsdienst inlaten," zoo zeggen zij, „maar
wij hebben wat anders te doen."
Ik neem toch de vrijheid om te betwijfelen, dat er
onverschilligen zijn.
De Christelijke godsdienst, die den mensch juist in
zijn diepste innerlijke wezen raakt, die zijn gevoelen en
zijn denken raakt, veroorzaakt daarbinnen altijd een wond,
of is er een balsem.
Alleen die mensch, aan wien de waarheid nog nooit
in hare lengte en breedte en hoogte en diepte is geopen-
baard, kan in een zekeren staat van onverschilligheid,
die aan onwetendheid grenst, blijven voortdommelen; maar
is dat eens geschied, dan is de voorgewende onverschillig-
heid in den regel slechts een dunne sluier over zijne be-
paalde vijandschap heengeworpen. Jezus zeide: „ Wie niet
vóór Mij is, die is tegen Mij."
Zeg aan de onverschilligen, dat hun sluier een zeer
doorzichtige is.
-ocr page 81-
PLANLOOS LEVEN.                                     69
flManloos leven.
*
ie het geloof niet heeft, is den wandelaar gelijk,
die het doel zijner reize vergeten heeft, en
zijn eigen tehuis te gelijk. Hij staat tusschen dat verleden
en die toekomst in, zonder plan. Heden zoekt hij dit,
morgen wat anders. Wie Christus niet heeft, weet niet
wat hij wil.
Maar hoe komt het dan, dat onder die niet-Christe-
nen, die planlooze menschen, toch maar de rijkste, de
geleerdste, de geniaalst ontwikkelde menschen gevonden
worden ?
Het komt, omdat zij den kinderen gelijk zijn, die
onderweg, van school naar huis, vergeten, dat zij naar
huis moeten. Van den weg afgeleid, zoeken zij langs den
schoonen boschkant de bloemen bij handen vol. De grijze
arbeider, die op den akker zijn gereedschap bijeenbindt,
en over den schouder gooit, om ginds zijne woning op te
zoeken, roept dien kinderen vermanend toe, zich huis-
waarts te spoeden, bezorgd als hij is, omdat, ziet, het
onweder opkomt en de nacht invalt. Maar zij antwoorden :
„Gij, oude man! gij denkt ook om geen bloemen; gij
denkt ook om geen vogels; gij hebt er geen oog voor;
gij hebt er geen hart voor!"
De kinderen der wereld, zeker, zij verzamelen zich
schatten van kunst en wijsheid en geld. En de Christen,
hij gaat ze voorbij, niet omdat hij er geen hart voor
heeft (o! zoo goed als zij!) maar omdat hij naar huis
reist, omdat het soms moet. Daar komt een onweder op;
-ocr page 82-
*L*u____ ___________________                                              ___^Jti
1
70                        „HEERE, HOE LANG NOG?"
daar komt eene nacht invallen! Wij hebben hier geen
blijvende stad; wij zoeken de toekomende! En het zou
toch zonde zijn, om, planloos, aan dat toekomende niet
te denken, ter wille van een handvol bloemen en vogels.
„Ibeere, boe lang nog?"
JrH oe sterk is bij de ware discipelen van Jezus het
\\,J diepingeworteld verlangen naar Zijne wederkomst!
„Heere! komt Gij nog altijd niet?" zoo is hunne klacht;
„ Heere! wij hebben het altijd aan onze vijanden gezegd,
dat Gij komen zoudt; maar nu bespotten zij ons, en zij
zeggen: „Waar is uw God?" En het is te begrijpen,
dat de gemeente van Christus bij de lange teleurstelling
het hoofd buigt en zwijgt tegenover hare wederpartijders.
Hoe anders is ons lot, dan dat der jongeren, die Hem
hadden zien heenvaren op den Olijfberg. Deze keerden
weder van dien top naar Jeruzalem, de stad van hun
arbeid, «met groote blijdschap." En wij doen het om-
gekeerde. Wij gaan menigmaal ons Jeruzalem uit, omdat
de plaats van ons werken ons te eng wordt, in droefheid;
en wij gaan den berg op, en beklimmen dien top, en wij
gaan opzien naar den hemel, niet meer met de vraag:
„Waar is Hij gebleven?" maar om met zoekend oog de
ruimte des uitspansels te bespieden, of er nog geen voor-
uitgaand schijnsel is, dat Zijne wederkomst profeteert.
„Heere, hoe lang nog?"
-ocr page 83-
MAAR EÉN IDEAAL.                                   71
"Ifcerftganöers.
• oor sommige kerkgangers is de kerk de plaats,
V waar zij heengaan, omdat zij zich t\'huis vervelen.
Voor menigen jongen man of jonge vrouw is de kerk
de plaats, waar zij komen om te zien en gezien te worden.
Voor menigen eigengerechtige, de plaats, waar hij zijn
tol komt betalen aan zijne zelfvoldaanheid.
Voor een enkele, de plaats, waar hij, zich gemakkelijk
neervleiende in den hoek van zijne bank, komt slapen.
Voor menigen farizeër, de plaats, waar hij komt dan-
ken dat hij beter is dan de andere zondaars.
Voor menigen waanwijze, de plaats, waar hij zijn bet-
wcterig talent den teugel kan vieren.
Arme prediker! gij moet het toch doen met dat publiek!
Gelukkige prediker! die hen dan allen zoo juist bij
elkander hebt, om tot hen te kunnen zeggen: „Er is
geschreven: Mijn huis xal een huis des gebeds genaamd
worden.1\'
/IBaar één töeaal.
i
v]
r< venals wanneer men den top eens bergs bestegen
-fc/ heeft, men daarachter weer de nog hoogere
punten zich uitsteken ziet, en de begeerte in den beklim-
mer opkomt, om ook die nog te bestijgen, — alzoo is
-ocr page 84-
SL4-.__________________________________________________________________^tM
72              WIE IS EK ARM GEWEEST ALS JEZUS?
het ook met den mensch in het bereiken van zijne idealen.
Elk bereikt ideaal laat een nieuw achter zich zien, hooger
en schooner. En zoo legt de mensch zijn weg af, den
langen weg, die verkort schijnt door de jacht naar de
dingen vóór hem.
Toen aan Kingsley gevraagd werd: Wat is uw ideaal ?"
antwoordde hij: „Er is er maar één, het hoogste!"
Mie is er arm geweest als 3e3us
»■
^VcV \'e \'s er arm 5?ewees* a\'s Jezus, mijn Heere?
vjy^ Welk eene armzalige aankomst op aarde was
dat, te Bethlehem in den stal! Vraag het aan de herders,
hoe arm Jezus was. Vraag het aan de Wijzen uit het
Oosten. Vraag het aan de herbergen, waar Jozef halt
hield op zijne reis naar Egypte.
Bezat Hij een huis in Galilea? Had Hij een akker?
Had Hij dienstknechten ? De boot, waarop Hij overvoer
op het meer van Gennezareth, was de Zijne niet. Het
beest, waarop Hij reed, was het Zijne niet. Het bed,
waarop Hij lag, was het Zijne niet.
Om de gestelde belasting te betalen, kon Hij niet
anders dan een wonder doen, en moest Hij Petrus zenden
met den angel naar zee. En welke bedelaar heeft Hem
ooit om een aalmoes gevraagd?
En toen Hij gestorven was, en men nemen ging, wat
Hij achtergelaten had, was Zijne geheele erfenis: eenige
kleederen, de kleederen welke Hij aanhad op den dag
Zijns doods.
I                                                                                                                          fe
-ocr page 85-
*!«,,.____________________________                                      ____~e.it
HET EERSTE KRUISWOORD.                            73
Geboren in het huis van een ander. Etende aan de
tafel van een ander. Begraven in het graf van een ander.
Wie is er arm geweest als Jezus, mijn Heerc?
Vergeet het nimmer, o mijne ziel! „dat Hij om uwent-
ivü is arm geworden, daar Hij rijk ivas, opdat (jij door
Zijne armoede xoudt rijk worden.\'\'
Ibet eerste ftrutswoorö.
jcfH ens, toen Jezus verongelijkt was door de Sama-
W> ritanen, baden Hem twee zonen van Zebedeüs,
zonen des donders: „Heere! wilt Gij dat wij vuur van
den hemel laten dalen, om dat vlek te verteren?"
Zoo zie ik in mijne verbeelding, in het oogenblik der
kruisiging, de heirmacht van Gods engelen opspringen
van hunne tronen, Michaël en de anderen. Voor een
oogenblik vergeten zij hunne engelennatuur. Met den toorn
in het oog, drommen zij zich samen voor den troon des
Eeuwigen, en zij vragen : „Heere! zullen wij afvaren, en
die gevloekte wereld slaan ? Wij zullen het geen tweemaal
doen! Zeg ons, dat wij afvaren!"
Maar daar klimt van de aarde die kruistoon omhoog:
„Vader! vergeef hun; deze menschen, zij weten niet
wat zij doen!"
En Michaël, en de engelen, zij kennen die stem, de
stem van hun Heer. En de zwaarden worden in de
scheeden gestoken. En zij bedekken met de schilden hun
aangezicht. En de engelen weenen, weenen!
En de Eeuwige zelf, de Vader, Hij voelt in dien
*|                                                                                                                                               
-ocr page 86-
74                          DE HAND AAN DEN PLOEG.
oogenblik, dat Hij een offer brengt, het offer van Zijn
Zoon, ach, Zijn eengeborene!
Daar was eene verzoening gaande in dien dag, tussohen
God en den mensch, die niet wist wat hij deed. En Hij,
die de verzoening bewerkstelligde, was een godslasteraar,
zooals de menschen spotten; een Godszoon, zooals de
engelen beweenden.
Als in het leven van Jezus wij een strijd aanschouwen
tusschen Hem en den Booze; tusschen Hem, die den
mensch redden wilde, en den Booze, die den mensch
verderven wilde; en als wij dien strijd op het hevigst
zien op den dag van Golgotha, dan zien wij gansch
tragisch den dwazen mensch partij kiezen voor den Booze,
partij kiezen voor zijn verderf; en de Redder, die kwam
om de gevangenen te bevrijden, stierf door de hand
dergenen, dien Hij redden wilde. De mensch weet niet,
wat hij doet.
Daarom eeuwig ter eere van u, o Jezus! — en onver-
getelijk zal het zijn, — dat gij te midden dier verwarring
van den strijd, uit de hitte des gevechts, met luider stem
boven al het strijdgewoel hebt uitgeroepen tot den recht-
vaardigen Rechter, die het aanzag: „Vader! vergeef het
hun, want zij weten niet wat zij doen!"
2>e banb aan öen ploeg.
iemand, die zijne hand aan den ploeg slaat, en
ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tof
het koninkrijk Gods.
-ocr page 87-
jtyt
ajju
*
DE HAND AAN DEN PLOEG.                          75
De vergelijking is aan het landelijk en landbouwend
leven der Israëlieten ontleend.
O, bruikbare landbouwer ! die uwe hand aan den ploeg
slaat, en begint de voren te trekken, maar die omziet,
en telkens omziet! Zal uw meester u niet ontslaan, omdat
gij naar \'s landmans wijs niet eens de voren recht kunt
trekken op den akker, des bouwknechts beste roem?
O, bruikbare landbouwer! die uwe hand aan den ploeg
hebt geslagen ginds op den akker, maar die het plotse-
ling bedenkt, dat gij nog iets anders hebt te doen in uwe
schuur, en daar weer heenloopt; en die het dan weder
bedenkt, dat gij nog iets te doen hebt in den hof; en
die het daar weder bedenkt, dat gij nog iets te doen
hebt bij uw vee; en die van het een naar het ander
loopt, zonder iets deugdelijks uit te voeren! Zal uw
meester u niet ontslaan, omdat gij ongeschikt zijt voor
uwe taak?
Zoo is ook hij niet geschikt voor het koninkrijk Gods,
die het eene oogenblik dit wil en het volgende oogenblik
wat anders; en die telkens door nevengedachten wordt
afgetrokken van de ééne groote gedachte, die hem be-
zielen moet. Ga uws weegs, gij, werwaarts gij wilt; tot
de navolging van Christus zijt gij niet geschikt!
Het beeld van den man op den akker, die met zijne
hand den ploeg vasthoudt, en zijn hoofd omgewend
houdt, zij uw beeld niet, mijn broeder! Maar liever dat
van Paulus, die zeker eene andere houding vertoond heeft,
toen hij, de gebrekkige, dat woord sprak met de hem
eigene geestdrift: „Eén ding doe ik: vergetende hetgeen
achter is, en strekkende mij tot hetgeen vóór is, jaag ik
naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die ran
boven is in Christus Jezus."
*JV
■TTK
-ocr page 88-
au** __________________:-------------------------------:--------------jjl[*
76                        BENE WONDERLIJKE WERELD.
1bij beeft ons eerst Uefgebao.
jjffie meeste menschen denken nog, dat God dan
\\£}j eerst ontfermend en genadig over ons wordt, als
wij ons beginnen te beteren; dan eerst, als wij berouw
hebben en leedwezen over onze zonde.
Hoe komen de menschen hier aan ? Wie heeft hun dat
zoo verteld?
Zoo is het immers niet. Gods genade gaat aan alles
vooraf.
De meeste menschen meenen nog dat God ons dan
eerst zal liefhebben, als wij ons gaan bekeeren, en als
wij beginnen met Hem lief te hebben.
Hoe komen de menschen hier aan ? Wie heeft hun dat
zoo verteld?
Zoo is het immers niet. Gods liefde gaat aan alles
vooraf. Hij heeft ons eerst liefgehad; van vóór de grond-
legging der wereld. En Hij zal de laatste zijn om op te
houden van liefhebben.
Eene wonoerltjfce werelo.
9.
onderlijkc wereld, waarin wij leven!
v5P^- Daar is een zoeken naar waarheid geweest
bij al de geslachten, die elkander zijn opgevolgd, van
i            \'                                        t
wr~                                                                      -----—->vfc
-ocr page 89-
EENE WONDERLIJKE WERELD.                    77
eeuw tot eeuw. En toen de Waarheid kwam, in den
persoon van Christus, riepen de geslachten: „Kruis hem !
Wonderlijke wereld, waarin wij leven!
Daar is van geslacht tot geslacht gejaagd naar de op-
voeding, de ontwikkeling van den mensch, om hem ein-
delijk moer de volmaaktheid nabij te brengen. En toen
er een volmaakt mensch werkelijk geboren was en leefde,
toen haastte zich het menschdom om dien mensch te
doen verdwijnen van de aarde. De onvolmaakte aarde
kon het aangezicht van den volmaakten mensch niet ver-
dragen, en riep: „Weg met hem!"
Wonderlijke wereld, waarin wij leven!
Daar is een zoeken geweest naar genezing van alle
krankheid, ja meer nog: een zoeken geweest naar de kunst
der wereldverjonging, der wereldvernieuwing; en als in
brandende koorts dorstte de oude wereld naar het geheim
van deze kunst. En toen Hij kwam, die bleek dit geheim
te kennen, zonder er een geheim van te maken; toen
Hij kwam, die krachtiglijk bewees de wereld te kunnen
vernieuwen, toen riep de aarde : „Wat hebben wij met
u te doen?"
Wonderlijke wereld, waarin wij leven!
Een spotwoord was de eenige lof, die Hem gegund
werd. Een doornenkroon was de eenige belooning, die
Hij waardig gekeurd werd. Eene plaats aan het kruis was
de eenige plaats, die voor Hem overschoot.
-ocr page 90-
78 VOLGEN WAAR HIJ OOK HEENGAAT.
Een blih terug en vooruit.
enigmaal komen wij in ons leven op punten, waar
\\^/ wij onwillekeurig een blik in het verleden, en
een blik in de toekomst werpen.
Zoo doen wij vooral onwillekeurig op het doodsbed.
Dat is daar, bij een terugblik, een zeer onvoldaan gevoel.
En dat is daar, bij een blik in de toekomst, dikwijls een
gevoel van angst.
Daar is Eén geweest, die op beide punten gerust kon
zijn. Met den blik op Zijn verleden, Zijn afgeloopen werk,
kon Hij zeggen: „Het is volbracht!" En met den blik
vooruit in de toekomst, kon Hij zeggen: „Vader! in
Uwe handen beveel ik mijnen geest!"
Dolgen, waar 1fofj ooi? been gaat.
oe gaat het bij de keus van een beroep? Hoe
doen onze jongens soms?
Naar zee, naar zee! zoo willen zij. En zij droomen
van het genot, op die breede watervlakte op de vleugelen
des winds heen te varen, vreemde landen te zien, en
vreemde menschen met hunne zeden en gewoonten.
En het is wèl. Daar is ook veel bekoring in.
Maar als zij op schip den dagelijkschen arbeid moeten
verrichten, allen dag denzelfden arbeid, den vervelenden
-ocr page 91-
-UÉ.B5
KONINGSKINDEREN.                                   79
arbeid, onder de bevelen van hooger geplaatsten; als zij
door golven en winden weggestormd worden over den
oceaan, en dan koude en vorst en nat hebben door te
staan, — dan heeft het menigeen berouwd, wien het
varen maar half in het bloed zat; en de spijt kwam
boven. En de lust ging over. Aan den wal zochten zij
wat anders om hun brood van te hebben.
Onze zeevaderen zeiden het dan ook genoeg aan het
jongere geslacht: „Die de zee wil hebben, moet de zee
nemen, zooals zij is!"
De navolging van Christus, — men wete het, eer men
begint, — is ook geen zoetvoerige vaart over altijd effen
wateren. Die eenmaal besluit om te zeggen: „Heer! ik
zal u volgen, waar gij ook heengaat!" zij er op voor-
bereid : hij zal storm hebben, tot zinkens toe!
Ikontngsfetnöeren.
\\ Is koningskinderen, die lang en ver weg zijn
\\?J geweest, wandelen wij van uit het erf onzer
ballingschap, door den vreemde, naar de stad onzer erfenis.
Onze weg is lang en moeilijk, door vele, vele landen,
altijd verder.
En de bewoners des lands vragen ons: „Wie zijt gij,
o pelgrims?" En ons antwoord is: „Koningskinderen!"
En de bewoners des lands vragen ons: „Waarheen is
uwe reize, o pelgrims?" En ons antwoord is: „Naarons
koninkrijk!"
En de bewoners des lands spotten: „Gij, konings-
-ocr page 92-
80                    werkeloosheid: ongeloof.
kinderen ? maar uw kleed is armelijk, en uw schoeisel
verteerd! Geeft bewijs, dat gij koningskinderen zijt!"
En wij, wij antwoorden niet verder, niet tegen den
spot, maar wandelen steeds voort, door den vreemde.
Daar achter de bergen, daarginds, achter de eeuwige
heuvelen, daar is het bewijs, in de stralende toekomst, als
de Koning zal opstaan op Zijn troon, te midden Zijner
engelen, en ons omhelzen zal, en zeggen: „Mijne kin-
deren !"
De ongestaoige menscb.
9)
at is de mensch, die ongestadig is in al zijne
C*
wegen? Een wind? Eene golf van de zee?
De wind is ongestadig; dan waait hij uit het noorden,
dan uit het zuiden; maar die wind doet zijn nut.
De golven van de zee zijn ongestadig; dan zijn zij den
hemel nabij, en dan den afgrond nabij; maar de golven
doen haar nut.
Maar de onvaste mensch, die als de wind dan rechts
en dan links heen zwenkt, die als de golven dan hoog
opgewekt en dan diep verslagen is; — de onvaste
mensch, wat is zijn nut, waarvoor is hij geschikt?
TKHerfceloosbeib: ongeloot
et is heerlijk, om van onzen Christus te gelooven»
dat Hij „alle macht in hemel en op aarde"
-ocr page 93-
t
DE BEEK KRITH.                                      81
heeft, en om daarop dan ook volkomen te vertrouwen.
Het is heerlijk, om van Hem dan ook te denken, dat Hij
het alles in orde zal brengen op de wereld, zooals het
zijn moet, en dat Hij het alles zal doen komen in Zijn
koninkrijk, zooals het komen moet. Daar hapert iets aan
het leven der gemeente, als dat geloof of dat vertrouwen
voor een tijd sluimert of uitgebluscht is.
Maar sluit dat nu in, dat de Christen werkeloos mag
blijven, en gerust lijdelijk mag toezien, dewijl immers de
Heere het alles doen zal? En is dat te grooter geloof,
naarmate men lijdelijker is, en op die wijze alles aan
Hem overlaat?
Stel u een soldaat voor, die ging zeggen: „Onze veld-
heer is zoo groot," en die daarbij zorgeloos op wacht stond.
Stel u een Petrus voor, niet visschende, maar liggende
aan het strand van Galilea\'s meer, en tot wien de vraag
kwam: „Waarom vischt gij niet, Petrus?" en die daarop
antwoordde: „Och! als straks mijn Meester zegt: Steek
af naar de diepte! dan vang ik zooveel, dat ik genoeg
heb voor vele dagen!"
Neen, dat is niet heerlijk, om zóó te gelooven. Dat is
geen geloof.
2>e beeft Iftrttb.
1 Kon. 17:1—10.
joïH en eenzaam dal, te midden van woest gebergte.
^7^ Dat zijn daar aan weerskanten, steil en vol
rotsspleten, de zijden van het gebergte van Efraïm. Be-
fc
-ocr page 94-
82                                 DE BEEK KRITH.
neden, diep in het dal, baant zich eene beek den door-
tocht over eene steenachtige bedding, tusschen groote
steenblokken, die de natuur haar in den weg schijnt
geworpen te hebben als om haar den doortocht te weige-
ren: de beek Krith.
Dóar om heen breiden zich de bosschen uit, donker
en somber, tenzij de zon, hoog aan den hemel staande,
loodrecht tusschen de bergwanden hare stralen kan neer-
zenden, en dat is slechts gedurende weinige uren. Dan
immers, in de baan die zij beschrijft, trekt zij zich boogs-
gewijze achter den westelijken bergrug terug. En in de
schaduwen liggen dan weer het enge dal, de beek en de
bosschen.
Stil is het er, en eenzaam, Eenig wild gedierte breekt
slechts bij tusschenpoozen met huilend geluid voor oogen-
blikken de stilte af. Hoog in de boomen op wiegelenden
tak zitten de raven in droomerige rust, tot zij, krassend
met schor geluid, opvliegen naar de rotspunt daarginder,
en van daar weer verder, tot zij zich over de bergen
verzamelen rondom de plek, waar het aas is. Tegen den
avondtijd keeren zij weder, en zij zoeken hunne takken
weer op.
Eenzaam oord! zoo stil, zoo woest, zoo ongerept, alsof
sedert de schepping geen menschelijke voet nog dien
grond had betreden, alsof sedert de schepping nog geen
menschenhand het had ontwijd! Daar staat geen huis.
Daar staat geen hut. Er woont geen mensch.
Doch zie, daar aan den oever der voortvlietende beek ligt
een man; eene profetengestalte; de man in het haren kleed.
Hij ziet niet op naar den hemel, of de zon reeds
boven de bergen verschenen is, dan of zij reeds ter kimme
zich spoedt.
-ocr page 95-
DE BEEK KRITH.                                      83
Hij ziet niet rond, of in de bosschen de schaduwen
zich donkerder verzamelen en terugtrekken, als was daar
de woning der schaduwen.
Hij hoort niet naar de %rerre geluiden der wilde dieren;
ook het ravengekras bereikt zijn oor niet.
In zichzelven gekeerd, verzonken in gedachten, neer-
liggende aan den oever der beek, staart hij voor zich
heen. Ziet hij zelfs wel, dat de wateren zich heenspoeden
langs zijn voet, de heldere wateren, tusschen steen en rots,
hem voorbij, hem voorbij, al verder, den grooten Jor-
daanstroom te gemoet?
Wat maakt gij hier, Elia?
Hier is Elia alleen, met zijn God!
Wie heeft niet wel eens zoo alleen gezeten, in een
dergelijk dal, van bergen ingesloten; of in een vriende-
lijk landschap tusschen de bloemen bij het mos; of op
het groene gras in de schaduw der linden; of aan de
duinen bij het stille strand onzer zeeën? Wie heeft niet
wel eens zoo alleen gezeten; hetzij in de stille binnen-
kamer, als het dagwerk gedaan was, en de laatste ure
vóór den nacht in stille gedachten werd doorgebracht bij
den opengeslagen Bijbel op tafel; hetzij in het droeve
ziekenvertrek, waar ook soms elke klank versterft, en
alleen het zwijgen, alsof het ook een klank was, wordt
gehoord ?
Hoe dan ook, in zulke oogenblikken, elke omgeving
voor onze gewaarwording als wegvalt! Hoe dan onze
gedachten, ver buiten deze omgeving uit, eene vlucht
nemen naar ginds, en naar ginds, ook wel eens naar
boven! Beelden uit het verleden rijzen dan voor ons op.
En zij staan weder vóór ons, de menschen, die gestorven
zijn, alsof zij nog leefden. Wij spreken dan weer met
-ocr page 96-
84                                     DE BEEK KRITH.
de echtgenoot, die wij verloren. Wij drukken dan weer
de hand van den vriend, die ons ontnomen werd. Wij
klemmen dan weer in de armen het kind, ons ontrukt.
Wij zien dan weer in het oog van den geliefde, dien wij
begeerden, maar nimmer mochten bezitten. O wreede dood !
Uren der eenzaamheid ! Wie heeft ze niet gekend in
zijn leven! Machtige uren, zooals Elia ze beleefde! De
voortvlietende beek herinnerde ons aan het voorbijgaan
onzer vreugde; het afvallend gebladerte aan het ver-
welken onzer gedroomde bloemen; een langs den rotswand
afbrokkelende, neerstortende steen aan de wet des ver-
derfs, die zelfs over de bergen heerscht; en het tikken
van het uurwerk aan den wand van het stille ziekenvertrek
was als kwam het ver, ver uit eene andere wereld, van
den slinger der eeuwigheid.
Machtige uren, waarin de menschelijke ziel hare eeuwig-
heid bewust wordt; waarin zij gevoelt het wegzinken
aller dingen, die ons omringen, vrienden en magen, huis
en erve, eer en goud; en waarin de mensch als alleen
wordt gesteld, zwevende in de lucht, in het heelal, verder
en verder naar het groote onbekende, of naar het groote
bekende oord!
God zendt ze u; dat weet gij toch? Hij wil het, dat
gij eens, van alle aanwezigheid der menschen bevrijd,
met uzelven alleen zijt. God zendt ze u, die uren van
diepe gedachten, bange duisternis, vreeselijke smarten;
die uren, waarin harten worden gebroken en zielen ver-
brijzeld. Maar Hij zendt ze niet anders, dan opdat gij
na bangen strijd weer zult opstaan, als herboren, verjongd,
sterk en stout, bekwaam tot een nieuw leven, tot eene
overwinning! Zooals Elia, die tot de eenzaamheid ging
aan de beek Krith als een gebroken man, als een vluch-
-ocr page 97-
85
TWEEDERLEI LEVEN.
teling, maar die uit de eenzaamheid weer uitkwam als
een held, naar Zarfath, naar Karmel, naar den profetenslag!
Gelukkig de mensch, wiens uren der eenzaamheid uren
zijn der gemeenzaamheid met God.
ZEweefcerlet leven.
ndiex ivij alleenlijk in dit leven xijn hopende,
*v zoo xijn tcij de ellendigste van alle menschen."
Maar daar is nog een ander leven, waarop wij zijn
hopende. Die zestig, zeventig jaren, die wij hier leven,
zijn maar een snel voorbijgaand oogenblik. En dan komt
die lange, lange eeuwigheid, waar wij op rekenen, en
waar de kinderen der wereld niet op rekenen.
Wij weten, dat daar tweederlei leven is, aan gene zijde
des grafs, in de nieuwe wereld der geesten.
In die andere wereld is er een middelpunt, als het middel-
punt des lichts, de troon van God. Glansrijk, schitterend,
heerlijk schoon is dat licht, dat van den troon uitgaat,
en zijne stralen schiet naar alle zijden. In die stralen
rondom den troon, tot op grooten afstand, baden zich de
engelen; en op hunne zilverwitte vleugelen schittert de
weerschijn van dat licht. Het straalt op hunne aangezichten;
het straalt door hun wezen. En in die stralen rondom
den troon, tot op grooten afstand, baden zich ook de
heilige geesten der gestorvenen, de zielen der reinen,
der geloovigen in Christus. Dat licht schittert ook op
hunne aangezichten, straalt af ook op hunne witte kleederen
der gerechtigheid. Gelijk de zon in het midden van den
-ocr page 98-
86                                 TWEEDERLEI I.EVEN.
hemel, alzoo zetelt God, der zonnen Zon, in het midden
Zijns koninkrijks, en Zijne vroolijke glansen zijn over al
de zaligen, van sfeer tot sfeer.
Hoe verheugen zij zich in dat licht! Hoe weerklinken
uit hunne duizende monden de eeuwige lofzangen in
hemelsch accoord! Hoe buigen zij zich in onuitsprekelijke
zaligheid voor God en het Lam, dat geslacht is ! Hoe
werpen zij hunne kronen neder aan de voeten van Hem,
die alleen de hemelkroon draagt!
O! hoe heerlijk is dat oord der zaligen, die woonplaats
dergenen, die Christus hebben liefgehad! Hoe heerlijk is
het te wezen bij den troon van God, in en bij het
middelpunt des lichts!
Maar daar in die andere wereld, aan gene zijde des
grafs, is er ook eene plaats, ver van dat middelpunt,
waar Gods licht niet doordringt. Ver, ver van den troon
van God, op oneindigen afstand, is die plaats, waar God
niet wil, dat het schijnsel van Zijn licht zijne stralen
zendt. Daar is het duister. Gelijk als aan het zeestrand,
wanneer men bij nacht uitziet over de groote, groote zee,
en men aan den gezichtseinder niets dan donkeren nevel
onderkennen kan, donkeren nevel, waar het oog niet in
dringen kan, — alzoo is van verre de plaats der veroor-
deelden. Gelijk als wanneer men van een hoog rotspunt
langs de steile wanden in de diepte ziet, in den afgrond,
welke zoo diep is, dat de bodem aan het gezicht ont-
trokken is door de duisternis, die er heerscht daar
beneden, terwijl wonderbaar vreemde geluiden van onder
opstijgen en het oor bereiken, — alzoo is de aanblik op
die plaats der veroordeelden. Daar is het nacht.
En de geesten wentelen zich daar om in eeuwige
-ocr page 99-
HET GEDULD VAN DEN HEILIGEN GEEST.            87
donkerheid. Daar is geen licht, dan dat van onheilige
blikken straalt. Daar stijgen de jammerkreten op van te
laat en pijnigend berouw. Daar worden uit den afgrond
gehoord de tonen van haat en woedenden toorn, en van
afgrijselijke zelfvervloeking. Daar stijgen de geluiden op
als van zuchten uit angstigen boezem, en als van tanden-
knersende woestheid. Daar heerscht de namelooze, eeuwige
smart.
O! hoe ontzettend is dat oord der gedoemden! Hoe
ontzettend, te wezen bij den gebonden Satan in duisternis,
ook gebonden te wezen alsdan, ver, ver van den lichten
stralenden troon van God!
,Indien ivij alleenlijk m dit leven xijn hopende, xoo
zijn ivij de ellendigste van alle menschen."
Maar daar is nog een ander leven, waarop wij zijn
hopende; tweederlei leven, waar wij mede rekenen, en
waarmede de kinderen der wereld niet rekenen. De
Christen wil wel hier de ellendigste van alle menschen
wezen, als maar dat doel bereikt wordt: het wonen in
het licht bij Gods troon!
De bron.
cfV, ij hebben mij gevraagd, hoe ik altijd kon vroolijk
v5? zijn, en of er clan niets was op mijn weg, zoo-
als op de wegen van een ander, dat neerdrukte, en som-
ber maakte, en vreeselijk diep verslagen?
En ik heb geantwoord, aan degenen die het verstaan
konden: „Wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht;
-ocr page 100-
88                                       DE BRON.
als gij vast, zalft uw hoofd, en wascht uw aangezicht,
opdat het door de menschen niet gezien worde, als gij
vast, maar van uwen Vader, die in het verborgen is."
En ik heb gezegd, dat ieder ander reeds een zwaar ge-
noeg kruis zelf heeft; en dat die sterk is, de anderen
niet met het gewicht van zijn kruis nog daarenboven
moet verzwaren.
En toch kan ik het mij begrijpen, dat het vreemd
moet schijnen, hoe wij altoos kunnen vroolijk zijn; immers,
als men het geheim van een blij leven niet kent.
Kent gij het geheim niet van de bron? AVeet gij het,
waarom de voortdurende straal waters niet stelpt, die
daar vloeit uit de rots ? Altijd door, altijd door, gaat dat
voort, klaterend, stralend, vroolijk mild. Laat de zon maar
stralen aan wolklooze lucht, weken en maanden aaneen,
bij het waaien van den oostenwind. Laten de beken,
tusschen steeds lagere oevers, hare wateren inkrimpen,
on straks geheel teleurstelling bieden aan de hinde, die
van de heuvelen geloopen is, begeerig naar drinken. Die
bron vloeit voort, verkwistend met haar schat, uitdeelend
zonder maat. Ja straks, als nergens meer water is, op de
velden en in de dalen, dan zal zij, alsof het wonder
ware! hare gave vermeerderen, en zwellen, zonder regen,
zonder wolken boven zich, terwijl de vrouwen komen
met hare kannen, en niet weten, hoe dit wonder komt.
„Waarom zwelt gij, terwijl wij verdrogen?" zoo klagen
de beken. „Dat is," zoo klatert met lachen de bron,
„dat is, omdat het op mijne bergen, zeer verre, op mijne
bergen, van waar ik kom, wel mild heeft geregend!"
Het geheim van een blij leven is geen ander. „Gij
Heere! zijt mijn regen op zeer verre bergen; en dat de
menschen niet weten, hoe de bron van mijne blijdschap
-ocr page 101-
MARTELAARS.                                     89
niet ophoudt van vloeien, het is, Heere ! omdat zij niet
zien, hoe uwe wateren mij toestroomen, onzichtbaar, langs
verborgene aderen!"
/Martelaars.
oo iemand achter Mij wil komen, die verloochene
zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op, en
volge Mij."
In den ouden tijd, onder de Romeinsche keizers, en
later onder de vervolgingen der Roomschen, moest dit
woord wel aldus verstaan worden: zoo wie achter Mij wil
komen, die zij een martelaar. En daar waren toen vele
martelaars, helden en heldinnen, die de draagwijdte van
dat woord verstonden.
Maar ook nu, zonder de vervolgingen, zijn zij er niet
even goed, die helden- en heldinnen-martelaars?
Die huisvader, die zwoegend om brood voor vrouw en
kinderen, in zijne bekommering niet mort, maar geloof ten
vertrouwt op dien God, die Zijn tijd der verlossing kent, —
is een martelaar, die zijn kruis achter Jezus aandraagt.
De kranke, die op haar lang, lang ziekbed, hoe ge-
folterd en gepijnigd ook, onderworpen, lijdzaam en stil,
niet bidt om één uur van verkorting van het lijden, even
erg als het lijden van foltertangen en gloeiende roosters,
maar die den arbeid Gods aan hare ziel laat uitwerken, —
is eene martelares, die haar kruis achter Jezus aandraagt.
Die jongeling, die de krachten des lichaams en der
wereld overwint, en, om in de taal van Paulus te spreken,
zichzelven met vuisten slaat, om niet verderfelijk bevon-
-ocr page 102-
90                              DE WEENENDE PETRUS.
den te worden, en die alzoo zich overgeeft in de zeldzame
zelfverloochening om Christus\' wil, — is een martelaar,
die zijn kruis achter Jezus aandraagt.
Die man, of die vrouw, of dat kind, die het toelaat,
dat de oude mensch in hem gedood wordt, onder de
pijnen en smarten der bekeerende daden Gods, en die,
hoe bekneld en gevangen, het toelaat, dat zijn oude
mensch voor de wilde dieren geworpen wordt, — is een
martelaar, die het kruis achter Jezus aandraagt.
O! hoe velen zijn de helden en heldinnen, de onge-
kenden en de ongezienen in de Christelijke gemeente,
die aldus de martelaars van ouden tijd nabij streven in
den weg des kruises, en die hun nabij zullen streven in
den weg der verheerlijking!
Houdt moed, houdt moed, gij martelaars zonder roem!
Wij zijn niet ver meer van de gerichtsplaats. Houdt het
uit, nog eenige oogenblikken. Wij zijn niet ver meer van
den akker des doods. Daar ontvalt ons de oude mensch,
en met den ouden mensch — het kruis!
En tot den nieuwen mensch spreekt dan de Heere, die
op den troon zit: „Zoo wie achter Mij gekomen is, en
zichzelven verloochend heeft, die neme zijne kroon en zijn
koninkrijk, en heersche met Mij!"
2>e weenenbe fl>etrus.
aarbuiten op de straat, voor des hoogepriesters
v»y woning, daarbuiten op de donkere straat, daar
staat Simon.
Simon! waarom slaat gij met de hand tegen het voor-
-ocr page 103-
DE WEENENDE PETRUS.                           91
hoofd? Siinon! waarom graaft gij met de hand in den
boezem, alsof gij met uwe sterke vingeren daar het
bonzend hart ineen wilt wringen? Waarom scheurt gij
uwe kleederen?
Zie, hij wankelt verder; hij weet niet welke straat in >
wat gaat het hem aan, welke zijde de stad in, of welke
zijde de stad uit! Wat gaat het hem aan, of de late
wandelaar stilstaat, en omziet, verwonderd over dat vreemde
doen! Waarom keert hij weer terug, langs de donkere
straten, alweer en telkens naar diezelfde plek voor des
hoogepriesters huis ?
Simon! waarom werpt gij u neder daar voor de poort,
en grijpt gij met de handen in de aarde, om zand en
stof op uw hoofd uit te schudden?
„Wee! ik heb mijn Heer verloochend!"
Petrus, de sterke man, weent.
En het stof, dat hij zich op het hoofd werpt, is ge-
drenkt met de tranen, die niet ophouden te vlieten.
„Wee! ik heb gezegd, dat ik Hem niet kende! En ik
heb Hem gekend, als een die mij liefhad, zooals geen
ander mij heeft liefgehad. Hij heeft altijd woorden des
levens tot mij gesproken. En Hij heeft mij geroepen,
daar van de zee, tot eene blijdschap, zooals ik niet kende.
Hij heeft mijne moeder genezen, toen zij stervende lag.
Hij heeft mij uit de wateren opgehaald, toen ik wandelde
op de zee, en daalde naar de diepte. Hij is niet uitge-
gaan van mij, toen ik uitriep: Ga uit van mij, want ik
ben een zondig mensch! Maar Hij is bij mij gebleven,
en heeft mij waardig geacht Zijn discipel te wezen. En
Hij heeft mij altijd gedragen, geduldig met al mijne ge-
breken. Wee! ik heb mijn Heer verloochend!"
-ocr page 104-
=yj^._____________________________________________________^.f*
*
92                           DE WEENENDE PETRUS.
„O! dat de grond zich opende voor mijne voeten! Dat
de aarde mij verzwolg! Daarbeneden in de diepte, onder
de schaduwen van het doodenrijk, ware ruste voor mij!
Komt, huizen en tempel! valt over mij heen, en bedekt
mij voor de gestalte van mijn Heer! Komt, heuvelen
en bergen! valt over mij heen, en begraaft mij, dat ik
niet zie het gelaat van dien Jezus! O! dat ik nimmer
geboren ware geweest; of dat ik gestorven ware, eer ik
het licht aanschouwde; of dat ik vergaan ware op het
meer, zooals mijne makkers, die van den storm gegrepen
zijn! Wee! ik heb mijn Heer verloochend! *
„Waarmede zult Gij mij straffen, Heere ? Mijne ziel is
zoo bang. O! kondet Gij mij maar straffen, Heere! Maar
ik weet, dat is Uw hart niet! Gij vergeeft liever zeventig
maal zevenmaal. En dat juist kan ik nu niet dragen. O!
kondet Gij mij maar straffen! Dat ware verlichting en beter
te dragen dan uwe zachtstralende vergevende oogen, die mij
aanzagen! Want eene straf zou mij verpletteren, vernietigen,
dat ik niet meer was. Maar Uwe genade doorboort mij,
en laat mij levend! Ja, dood mij, o zend mij nederwaarts
naar het doodenrijk! Laat mijne schim overgaan naar het
Gehenna, waar buitenste duisternis is! Tenzij, tenzij er
nog wederoprichting mogelijk zij van deze zonde, en tenzij
ik weer met blijdschap gelooven kan, dat het waar is,
dat Uwe liefde meer is dan mijn kwaad! Wee! wee! ik
heb mijn Heer verloochend!"
Berouwvoller heeft nimmer eene Magdalena gelegen,
met het kind van hare schande in den arm, voor de
poort of voor het altaar van eene heilige kerk, dan deze
forsche visscher voor de poort van des hoogepriesters
huis, in den donkeren nacht.
-ocr page 105-
EENIG VERLANGEN.                                   93
Straks is Petrus heengegaan. Misschien weggejaagd
door een lansknecht, of opgeschrikt door een groot rumoer
daarbinnen, dat hem verkondigde, dat het oordeel ge-
vallen was over Jezus, en dat men Hem ging wegleiden
om gekruisigd te worden.
Straks is Petrus opgestaan, heengegaan. Maar den weg
der behoudenis op, den weg der bekeering, en zelfs nog
der eere in het koninkrijk Gods.
jÊénfö verlangen.
ï^lacob is heengereisd naar Egypte. Hij ging er
«5^ heen, — waarom? Niet om den Nijl te zien, cf
om de pyramiden te zien, of om de zuilenrijen der tem-
pels te zien, of de paleizen of de schatten des konings.
Neen, hij ging er zijn zoon Jozef zien, den zoon zijner
huisvrouw Rachel.
Ik geloof, dat als wij ook eenmaal zijn afgereisd en
in den hemel gekomen zijn, wij misschien voor een
oogenblik zullen getroffen zijn door de pracht van des
Konings paleis, — maar dat wij met de oogen weldra
iets anders, iemand anders zullen zoeken: Jezus!
Zullen wij zien naar de poorten van de Godsstad, die
van paarlen zijn? Ja; maar wij zullen zeggen: „Waar is
de Koning?"
Zullen wij zien naar den hof, dat hemelsch Eden met
de boomen des levens ? Ja; maar wij zullen zeggen:
„Waar is de Koning?"
Zullen wij zien, naar den kristallen stroom, aan welks
-ocr page 106-
94                                         DE LANDMAN.
grazige oevers de kinderen der verlosten weiden? Ja;
maar wij zullen zeggen: „Waar is de Koning?"
Zullen wij zien naar de gouden straten, waar de Che-
rubim en de Seraphim ons tegenkomen en begroeten?
Ja; maar wij zullen zeggen: „Houdt mij niet op, gij
engelen! O brengt mij, gij hemelingen ! naar den Koning,
den Koning! Zegt mij, waar is Hij?"
Wij zullen het alles voor een oogenblik vergeten, om
dien Eéne, dien onze ziele zoekt.
Totdat wij Hem zullen zien, zien, hoe Hij van den
troon opstaat, om ons te naderen — en die ontmoeting
zal plaats hebben, waarvan Jozefs en Jacobs ontmoeting
slechts in de verte eene zwakke afschaduwing is geweest.
Eene omhelzing; een kus ; een weenen aan zijn hals ; een
weenen van onze zijde over zooveel genade, over zoo-
veel genade.
5>e Xanbman.
ijn Vader is de Latidman."
Welk een troost is het om te weten, dat er
in elk geloofsleven eene opvoedende, opleidende genade
Gods werkzaam is, die zorgend de plant verpleegt; die de
zonnestralen koesterend er op schijnen laat, maar ook
die stralen weer inhoudt bij tijden; die den regen zendt,
maar die ook den regen doet ophouden; die de takken
afbreekt, maar andere gebroken takken weer aanbindt;
die bij den morgen en bij den avond komt zien, of de
wasdom der plant gelukkig voortgaat!
-ocr page 107-
IN DE KEEK EEN CHRISTEN, OVERAL EEN CHRISTEN. 95
Hemelsche Landman! Uw vriendelijk oog is de zon,
die ons koestert. Uw adem des monds, Uw woord, is
de regen die ons verfrischt. En de aanraking van Uwe
hand is de wondervolle toevoeging van kracht, waardoor
wij groeien en vrucht dragen! Wees nimmer verre van
ons! Doorwandel Uwen hof, de planting Uwer heerlijk-
heid! En zij in den dag des oogstes, den schoonen
herfstdag onzes levens, het aanzien onzer vrucht de ver-
heuging van Uw aanschijn, Heere!
3n oe feeifc een Gbrtsten, overal een Cbristen.
®:
at zon u dunken van een man, die des
zondags zijne lippen plooit tot een gebed
en tot een lied in \'s Heeren tempel, en die de geheele
week geen woord over de lippen laat komen, dat den
godsdienst betreft? Als eene geheele week lang, onder
duizend gesprekken door, nooit iets uit den mond komt
over God, over Christus, over den Bijbel, over een
eeuwig leven, — wat zult gij van zulk een man zeggen ?
Als een koopman zijn hart vol heeft van zijne zaken,
dan zal hij er over spreken natuurlijk. Als eene moeder
haar hart vol heeft van de ziekte van haar kind, dan
zal zij er over spreken natuurlijk. Als een jongen zijn
hart vol heeft van roeien, en zwemmen, en rijden, dan
zal hij er over spreken natuurlijk.
Maar als nu een Christen in zijne gesprekken nooit of
zelden de dingen aanroert, die juist zijn Christus betreffen,
dan zal ik zeggen: „dat er iets aan zijn geestelijk leven
-ocr page 108-
&J^____________________________________________________u±J£
i
96                     HOE STERFT HE OUDE MENSCH?
hapert, dat er iets stuk is daarbinnen." Uit zijne gesprek-
ken zal ik hem oordeelen, en ik zal zeggen: „Verander
u toch met Gods genade; want dat de Christus geen
plaats heeft in uwe dagelijksche gesprekken, dat is, omdat
de Christus nog geen plaats heeft in uw hart."
fl)oe sterft t>e oube menscb?
jtvM ens was er een tijd, dat de Christenen, meer dan
Sfc7^ tegenwoordig, het ondervonden, dat de levensweg
een kruisweg is. In den tijd van het opkomend Protes-
tantisme, en nog vroeger, in den tijd van het opkomend
Christendom, was het alzoo. Toen was Christen zijn en
martelaar zijn veelal hetzelfde. Brandstapel, schavot,
kruisiging, pijniging, dierencircus, verlies van eer en goed
en leven, — dat alles teekende zich als eene schrikwek-
kende zekerheid voor het oog van een iegelijk, die zich
aan het Evangelie overgaf en toewijdde. En zwakke vrou-
wen, kleine kinderen, wankelende grijsaards, zij wisten,
dat met den overgang tot het nieuwe geloof, voor hen
geen uitzondering gemaakt werd. En evenwel, hoe somber,
in de ure van overgang en belijdenis, die toekomst zich
ook voor hen afteekende; hoe vreeselijk ook, en hoe nabij
die dag van het martelaarschap hun ook reeds toescheen, —
zij weifelden niet; zij gingen met vasten gang en beslist
gemoed dien dag te gemoet, hij mocht komen, wanneer
hij wilde, hij mocht komen in welken vorm ook.
Dat vreeselijke lot heeft God voor het tegenwoordige
van Zijne kerk afgenomen. De brandstapels hebben uit-
-ocr page 109-
JtML
ÏL*^.
HET SNOEIEN VAN DEN WIJNSTOK.                   97
________^____________,^^„__„„_..____________________,___________I
gerookt. Een schavot wordt niet meer opgericht voor
andersdenkenden. De wilde dieren zijn nu niet anders
dan tot vermaak in onze natuurkundige verzamelingen
voor eenige stuivers te kijk. En de martelwerktuigen
liggen te roesten in onze musea, als oudheden bewaard,
waar wij ze soms gaan bezichtigen in het zelfverheffende
gevoel onze vaderen ver vooruit te zijn in beschaving
en humaniteit.
Is daarmede dan nu voorgoed het woord van Christus
te niet gedaan: „Zoo iemand achter Mij wil komen, die
verloochene zichzelven, en neme zijn kruis dagelijks op
en volge Mij?" Is er dus niets meer aan van dien eisch?
En heeft dat woord zijne beteekenis voor onzen tijd ver-
loren? En luidt de eisch des Christendoms voor het
tegenwoordige ongeveer alzoo: „Zoo iemand achter Christus
wil komen, hij vreeze niet, want niemand hangt meer aan
een kruis, en de martelingen zijn lang voorbij; zoo iemand
achter Hem wil komen,\' hij kome, en hij zal dagen des
vredes en des gemaks en der ruste hebben aan zoete
wateren ?"
Hoe weinig kent men het Christendom, als men dit
meent! Nog altijd sterft de oude mensch niet anders dan
aan een kruis, of op een schavot, of op een brandstapel.
ibetsnoeten van öen wijnstofc.
8
k heb de sappen uit de gesneden wonden wel
„ zien uitdruppelen, alsof het tranen waren, die
de rank stortte onder de pijn der insnijding, wanneer de
wijngaardenier bezig was.
wnr
---------tb;
7
-ocr page 110-
98 DE VOORSPOEDIGE MEN8CH DE VROOMSTE!
Verontrust u niet, mijn broeder, onder de smarten
uwer «iel, die gij lijdt onder het mes uws Heeren! Het
is beter maar één oog hebbende, in het koninkrijk Gods
in te gaan, dan twee oogen hebbende in het helsche
vuur geworpen te worden; het is beter kreupel en ver-
minkt het leven in te gaan, dan twee voeten en twee
handen hebbende geworpen te worden in de hel, in het
onuitblusschelijk vuur der knetterende doode ranken.
Verontrust u niet onder de smarten uwer ziel, onder
de snijdende smarten, die de Hovenier u aandoet; —
al wie vrucht draagt, dien reinigt Hij, opdat hij meer
vrucht drage. Hoe meer een mensch begeert, dat de lange
ranken maar aan hem gelaten worden, des te meer wordt
hij tot bladeren, en wellicht nog tot bloesems ; maar tot
vrucht wordt hij niet.
Daarom, laat de landman snoeien, snoeien, zoo dat de
rank vrucht drage, opdat de dag niet kome, dat geen
snoeien meer baat, en de landman wrevelig den ganschen
tak afsnijdt!
2>e voorspoeöige menscb öe vroomste!
anneer, dunkt u, moet de godsdienst het hoog-
ste woord hebben ?
Straks, als de bezoekingen en de tegenspoeden komen?
Straks, als de armoede nadert ? Straks als de geneesheer
de sponde nadert? Als de gordijnen voor de vensters
worden nedergelaten ? Als esne doodkist wordt gesloten,
en als een lijkwagen voor de deur rijdt, en de grafbidder
zijn werk doet?
-ocr page 111-
99
ZENDING.
Vele menschen denken wel zoo. De godsdienst is eene
zaak van zieken en bedroefden.
Neen, zeg ik u, hij is eene zaak van den gezonden
mensch, van den voorspoedigen mensch.
Als gij uwe kinderen vroolijk rondom uwe tafel ziet
zitten, zingt dan een psalm! Als gij eene bruiloft houdt,
opent dan uw fiïjbel, en spreekt den Naam des Heeren
uit! Als uwe zaken bloeien, knielt dan voor uw lessenaar,
en zegent den Heere! Als uw heele leven rondom u heen
lacht, o! vergeet dan den Heere niet! De voorspoedige
mensch moet de vroomste wezen!
Zcnbing.
et is een heerlijk werk, dat werk der Christelijke
zending, dat zichzelf naar buiten uitwerken van
het leven der Christelijke gemeente.
Evenals eene bron hare wateren uitwelt en voortstuwt,
en het niet laten kan, zoo is, God lof! de gemeente be-
gonnen met een stroom van zich te doen uitvloeien,
ginds heen, naar de woestijnen der heidenen.
Evenals eene zon stralen van zich uitschiet, en het niet
laten kan, zoo is, God lof! de gemeente begonnen licht
van zich te doen voortstralen, ginds heen, naar de duister-
nissen van de volken, die in schaduwen des doods zijn
gezeten.
Evenals de vloed van de zee, volgens eene vaste wet,
de zee zelve opbeurt tot hooger dan gewonen waterstand;
en evenals die vloed, eigenlijk eene opgerezen zee, strand
-ocr page 112-
3L^
JLit
100                              LOGOS SPERMATIKOS.
na strand bezoekt in zijne wandeling langs de werelddeelen,
evenzoo bezoekt nu de vloed van het Christelijk leven
strand na strand tot aan de verste kusten.
Het is een heerlijk werk, dat werk der Christelijke
zending. Wee! waar dat zichzelf naar buiten uitwerken
der Christelijke gemeente niet plaats heeft! Daar is de
bron verdroogd. Daar is de zon uitgedoofd. Daar is de
zee eene doode zee!
Xogos spermatiftos.
ij zenden uit de poorten van onze Christe-
lijke veste onze dappere helden uit, de
donkere heidenwereld in, en wij hooren van hun strijden,
van hunne heldhaftige daden, en van hunne zegepralen ; wij
hooren van land op land, dat zij toevoegen aan ons
geestelijk koninkrijk. Maar nog veel verder dan waar
zij hun voet hebben kunnen zetten, nog veel verder dan
waar zij hebben kunnen binnendringen, is reeds een
Sterkere hun vóór, de Heilige Geest, die van zeer verre
de volken tot ons doet roepen: „Komt over, en helpt
ons!" En de zendelingen, waar zij ook komen, merken,
dat Hij er reeds is geweest, en weer verder is.
öoösöienst in 3afcen.
ommige menschen zeggen: „Wat hebben mijne
zaken met den godsdienst te maken? Als ik op
-ocr page 113-
GODSDIENST IN ZAKEN.                            101
kantoor zit, heb ik te schrijven, te rekenen, op te tellen,
af te trekken, en zoek ik winst te maken, zooveel ik
kan; de godsdienst behoort op mijn kantoor niet t\'huis;
daar is de kerk goed voor."
Deze menschen hebben ongelijk.
Men begrijpe mij; ik wil niet hebben, dat men zijn
kantoor inrichte tot een bidstondlokaal; ik wil niet, dat
men de koopmansboeken wegruime, om op den lessenaar
de psalmboeken in folio er voor in de plaats te leggen;
en ik wil niet, dat de kantoorknecht bij de deur ga fun-
geeren als een kostertjen. Ik begeer niet, bij eenigen
tak van arbeid, dat de arbeid nagelaten worde, om er de
eene of andere godsdienstige plichtpleging voor in de
plaats te stellen. Dat ieder in zijn eigen vak zijn plicht
in acht neme, getrouw vervulle. Wie twaalf uren te wer-
ken heeft, werke die twaalf uren. Wie naaister is, naaie;
wie smid is, smede; wie onderwijzer is, onderwijze; wie
een huishouden heeft, houde huis. Zes dagen zult gij
arbeiden, en al uw werk doen.
Maar het is zulk een verschil, of men als een Christen
zijn werk doet of als een heiden. Men kan werken als
eene soliede firma, of als eene zwendelfirma. De godsdienst,
die des zondags met de lippen beleden wordt, legt plich •
ten op van eerlijkheid, getrouwheid, nauwkeurigheid en
ijver, welke juist op de werkdagen practisch kunnen wor-
den ten toon gespreid, op de beurs zoo goed als in de
keuken, in het huishouden zoo goed als op de werkplaats.
En Go.d gave, dat de wereldlingen het juist d&dv meer
konden zien, wat voor een mensch de Christen is.
De godsdienst van zondag legt bovendien plichten op
van liefde en barmhartigheid. Welnu, dat het op de
werkdagen onder den arbeid te zien zij, dat de liefde
-ocr page 114-
102
ONTWAKEND LENTELEVEN.
uitgeoefend wordt. Gelukkig, dat menig kantoor eene
kamer van barmhartigheid is, waar de patroon, tusschen
zijne boeken in, niet vergeet zijne philanthropische orders
te geven.
Neen, al behoeft de werkplaats niet ingericht te wor-
den als bidstondlokaal, moet daarom het gebed zelf gc-
weerd worden uit de werkplaats?
Sluit den godsdienst niet buiten uwe zaken. Het zal
uwe zaken er niet te slechter om gaan, dat gij ze drijft
als een Christen.
©ntwaftenb lenteleven.
jc*-< venals in de lente de winter, als bij afreist, niet
Vfc7^ op eenmaal al zijn hagel en sneeuw met zich
medeneemt, maar deze, als achterblijvende troepen, nog
plundering genoeg laat plegen op de velden van den land-
man; evenals in de lente het nieuwe leven moeite doet
om zijne vleugelen te ontplooien, hier eene schuchtere
bloem, en daar een knop zich los worstelt uit de windselen;
hier eene zoele zonnestraal de bloemen, die slapen in woud
en weiland, wakker roept, en ginds de eerste lentevogels
hunne liederen gaan schallen, bedeesd voor de weerkeerende
sneeuw en noordenwinden; totdat de stroom van het
nieuwe leven volkomen zich meedeelt aan bosschen en
beemden, en er geen houden meer aan is, en overal het
forsche jonge groen de nieuwe liederen zingt voor den
Schepper en Zijne overwinnende lente; — alzoo ontplooien
-ocr page 115-
WAT IS ZWAK EN WAT IS STERK?                 103
ook in des Christens ziele slechts langzaam en worstelend
tegen de oude bindselen, onder den wannen gloed van
het nieuwe geloof en van de nieuwe liefde, de knoppen
en bloesems van alle deugden des lichts; en slechts lang-
zamerhand worden daar de snaren der harp gespannen,
en aangeroerd tot een lofzang; maar machtiger, en steeds
machtiger wordt ook hier het nieuwe leven onder de
lenteschepping der genade, totdat elke gedachte en elke
polsslag een loflied is geworden op die eeuwige Zon der
gerechtigheid, die daar alles heeft nieuw gemaakt.
lïïlat is swafc en wat is sterft?
at is zwak, en wat is sterk?
m
Is zij zwak, de jonge teringlijderes, die
aan haar venster naar den zuidenwind uitziet, den zui-
denwind, die niet waaien wil, en die niet komen zal, eer
zij weg is en ver heen? En is hij sterk, die krachtige
man, die nooit ziek is, en die iets voorneemt, en hij
volbrengt het, en die daar heengaat tusschen de andere
menschenkinderen, van de schouderen opwaarts hooger
dan zij?
Wat is zwak, en wat is sterk? Straks komt voor
beiden de allersterkste: ons aller laatste vijand. Sluit
uwe deur voor hem, en doe de grendelen er voor. Zie,
daar staat hij toch in uwe binnenkamer. Roep uit: „Ga
weg, ga weg, gij dood!" Zie, hij grijnslacht; en terwijl
hij u spaart, neemt hij mede uw dierbaarste, zonder het
offer te willen aannemen van uw eigen lichaam, dat gij
-ocr page 116-
aü&*
JtML
104 DWAZE ZELFVERLOOCHENING EN WIJZE ZELFZUCHT.
biedt, terwijl gij uitroept: „Mijn zoon, ware ik in uwe
plaats gestorven, mijn zoon!"
En toch — hij zelf is ook zwak, de dood. Als hij
buiten komt met zijn offer, staat Christus reeds voor
hem, en bevend voor den allersterkste, geeft hij Hem den
doode over en vlucht hij naar zijne eigene duistere plaats,
terwijl de doode in Christus\' armen geen doode meer is.
2>wa3e 3elfverloocbentng en wij3e 3elf3ucbt.
at een man, die rijk is, en die allen dag vroolijk
en prachtig leeft aan weelderige maaltijden en
in zeer fijn lijnwaad en purper, dat zulk een man eens
een monnik in de woestijn bezoeke, een monnik, die dat
alles vrijwillig heeft opgegeven, wat de rijke man nog
vasthoudt, die zich voedt met oud brood, die zich laaft
met water uit het houten vat, en wiens geheele kleeding
is een kemelsharen mantel. Laat deze twee mannen een
uur samen zijn. En ik verzeker u, dat de rijke man den
monnik eerst minachten zal als een dwaas; maar dat hij
daarna zal heengaan met de gedachte, die hij niet van
zich afzetten kan: „Deze man is toch grooter dan ik!"
De zelfverloochening is zoo groot, dat waar zij zelfs
onnoodig geoefend is, zooals bij den monnik, zij in haar
meest dwazen vorm nog oneindig grooter is dan de zelf-
zucht in haar verstandigsten vorm. Met andere woorden:
beter dwaas in de zelfverloochening dan verstandig in
de zelfzucht.
*
*
-ocr page 117-
DE LAATSTE STAP VAX VERACHTERIKG.            105
2>e laatste stap van veracbtering.
v>vtel u een Christen voor, die verachtert in de
~£v genade. Demas bijvoorbeeld krijgt de tegenwoor-
dige wereld weer lief. Dat gaat niet in eens, maar traps-
gewijze.
Daar is eerst nog eene worsteling gaande geweest, voor
hij de tegenwoordige wereld weer voorgoed heeft lief
gekregen. Daar is eene trekking geweest tot de wereld,
maar ook tot God. Hij heeft eerst nog dapper tegen-
gestreden, en is toen moede geworden. Zijne conscientie
heeft gedurig gesproken, maar de stem des verleiders
heeft ook gesproken. En onder dat alles door heeft
Demas ook nog gebeden. Maar het gebed is hem moei-
lijker en moeilijker gevallen. O! wat kan het bidden
moeilijk vallen! En toen heeft hij op het laatst den strijd
opgegeven. Hij geeft zich over. Als een ten doode gewonde
ligt hij neder. Demas is verloren. Arme Demas!
Als een Christen verachtert in de genade, — wan-
neer begint dan het laatste stadium in die verachtering ? Ik
houd mij overtuigd, dat het laatste stadium in dien strijd
begint, wanneer het gebed ophoudt. Zoolang de tegen
de wateren worstelende man nog het hoofd boven houdt,
en roept, roept om hulp, is hij nog niet verloren. Maar
als het hoofd onderduikt, en geen roep meer van onder
de wateren opstijgt, al is die mensch nog levend, — dan
is hij verloren.
Wee dien man, die niet meer bidt, of niet meer bid-
-ocr page 118-
106                                  GRAFWAARTS.
den kan! Hij is ver heen in het verderf. En op het
hellend vlak ter verdoemenis is hij reeds verder dan ter
hal verwegen!
(Brafwaarts.
omtijds gaan onder ons de menschen, die in rouw
~cy verkeeren, naar het kerkhof, om er het graf
hunner dooden te bezoeken. Op een stillen morgen; gansch
eenzaam; van weinigen vergezeld.
Hoe stil is het hier, op den godsakker. Niemand, om
de stille overpeinzingen te storen. De bloemen spruiten
reeds tusschen het gras uit. Aan de takken is al wat jong
groen. Een enkele vogel kweelt eentonig zijn lied.
Dit pad langs. Die groote steenen voorbij. Een eind
verder nog dan dat groote kruis en die gebroken kolom.
Daar, daar dicht bij dien treurwilg, is de lage heuvel,
de zeer lage heuvel, waar gij bij gaat stilstaan, door
niemand in de nabijheid nieuwsgierig gadegeslagen. En
het is met zekeren eerbied, dat gij u bukt, om er uwe
weinige bloemen neder te leggen, bloemen met tranen
bedrupt.
Het hart wordt weer vol, te vol. Alles van vroeger
rijst weer in dat oogenblik voor uwe verbeelding op: zoo
veel liefs en zoo veel leeds. En gij bidt, gij bidt. Gij
weet zelf niet hoc lang!
Straks keert gij weerom, de drukke straten weer in
van de woelige stad; tusschen al de menschen door naar
uw dagelijksch werk. Maar gij zijt weerom gekeerd met
-ocr page 119-
DE GRONDGEDACHTE DER SCHRIFT.                107
vertroostingen! Daar bij de graven is u uw Heiland ont-
moet, en heeft Hij eene taal der vertroostingen u toege-
fluisterd: „Waarom weent gij?" En toen gij het Hem
geklaagd hadt, heeft Hij U geantwoord: „Ik ben de op-
standing en het leven! Die in Mij gelooft, zal leven, al
ware hij ook gestorven."
Zoo grafwaarts te gaan, en daar uw Heiland te ont-
moeten, en zoo de zoetheid Zijner beloften te smaken, —
dat geeft kracht en moed, dat geeft weer leven aan uw
leven !
De öronögeöacbte öer Scbrift.
ie, daar liggen menigten van hoopen losse stec-
nen. Wat wanordelijke, leelijke, niets schoons
aanbiedende hoopen steenen! Doch laat de gedachte des
bouwmeesters er zich mede in betrekking stellen, en de
steenen voegen zich samen tot een krachtig fundament,
rijzen op als sierlijke pilaren, breiden zich uit tot hechte
muren, richten zich op tot spitse boogvensters, welven
zich tot een trotsch koepeldak, en voltooid voor aller
oog staat daar de grootsche dom, bewondering wekkend!
Wat is de Heilige Schrift anders? Allerlei gedachten,
voorstellingen, woorden, los samenhangende stukken, zon-
der band, zonder éénheid! Maar laat de grondgedachte:
„Christus, gestorven als offer voor de zonden," bij de
beschouwing der Schrift steeds voor oogen zweven, en
eene éénheid, eene samenhangende éénheid, zoo grootsch
en zoo schoon als nog geen dom u kan te aanschouwen
-ocr page 120-
108             UIT HET DOODEXRUK WEERGEKEERD.
geven, wordt dan die Bijbel voor u, bij welks genot uwe
ziel in bewondering en verrukking wegsmelt en verzinkt.
Men kan niet de ziel uit iets wegnemen, en zeggen:
„Zie, het leeft!" Ook de Bijbel is niet levend, dan voor
hem, die de ziel des Bijbels heeft leeren kennen:
„Christus, gestorven als offer voor de zonden!"
"Clit bet öoobenrijft weergefteerö.
ie, daar staat eene gedaante vol majesteit voor
ons. De overwinning is op zijn aangezicht.
Gebroken ketenen houdt hij in de hand.
Laat ons hem vragen. „Wie zijt gij, Heere?" En Hij
antwoordt: „Ik ben Jezus, de Verrezene!" — „Van
waar komt gij, Heere?" — „Ik kom van uit de afgronden
beneden, de afgronden des doods!" — „Wat hebt gij
er gedaan, Heere?" — „Ik heb den dood overwonnen,
en heb zijne ketenen verbroken, waarmede hij den afgrond
toesloot; zie, hier zijn zij in mijne hand!" — „En onze
dierbaren, die onder de macht des doods gevallen waren,
hebt gij hen gezien, Heere?" — „Ik heb hen uitgeleid uit
de gevangenis; Ik ben de Eersteling; zij komen na Mij,
en leven!" — „En wij zelven, moeten wij nog onderde
macht des doods vallen? Wij vreezen, Heere!" — En
Hij antwoordt: „Wat zijt gij ontroerd? Vreest niet; die
in Mij gelooft zal leven, al ware hij gestorven!"
-ocr page 121-
WIE REDT TEGEN DEN DOOD?                   109
Mie reöt tegen öen öooö?
e dood, — vergun mij de vergelijking, — is die
geest, die van de schepping der wereld af, on-
gestorven op deze wereld rondwaart.
Met de zeis over de schouders doorwandelt hij de
aarde, van pool tot pool, van oost tot west. Zijne voeten
worden nimmer moede, noch mat. Hij gaat en komt, en
komt en gaat; rusteloos, van land tot land.
In de volkrijke stad doorwandelt hij de straten in de
middernachtsure, en menigte van mannen en vrouwen en
kinderen worden er gemaaid voor de schuren des doods.
Op de slagvelden, waar de krijgslieden geschaard staan
man aan man, bij duizenden, daar maait hij met de zeis,
gelijk de landman het staande koren afmaait.
Op de golven der zee wandelt hij de schepen te gemoet
en klimt hij aan boord, en de schepeling, in de stervens-
ure, ziet zijne gedaante, sidderend.
Tn stad of dorp, op de zee of in de woestijn, waar
komt hij niet, de geest der verschrikking? Waar heeft
hij niet zijne schreden gezet ?
Door de open deur van de arme hut treedt hij binnen,
en zonder mededoogen werpt hij den vader, de moeder
of het kind op het arme bed krank neder; zonder me-
dedoogen legt hij de koude verstijvende hand als eene
schaduw op het gelaat van dien arme. En hoe ook de
overbüjvenden weenen en schreien, hij is zoo koud, en
onverbiddelijk, en gaat weer ter deure uit, naar eene an-
dere plaats.
-ocr page 122-
110                     WIE REDT TEGEN DEN DOOD V
Daar komt hij bij de woning van den rijke. Geen
grendel, noch slot houdt hem buiten, den gevreesde, den
ongenoode. Hij klimt door de vensters binnen. Hij spot
met goud of zilver, zelfs met koningskroon of keizersstaf.
Hoe verschrikkelijk is daar zijne komst; hoe gevreesd zijn
naderen; hoe zielsbenauwend zijn greep; hoe verpletterend
zijne kracht. En als hij weer heengaat, de koning der ver-
schrikking, dan is het daar uit met zang en spel, en dans
en lach. Dan is het schreien en klagen, tusschen goud
en fluweel.
Daar is geen braaf vroom man, of die geest voert
hem mede door het dal der schaduwen. Daar is geen
misdadiger, of hij knevelt en levert hem over aan de
straffers des doodenrijks. De woning der godvruchtigen
bezoekt hij, en de cel des gevangenen gaat hij binnen;
hij stelt zich bij diens legerstede, tot zijn werk gedaan is.
En al zijne slachtoffers verzamelt hij te eener plaatse;
naar den doodenakker, daar voert hij hen heen. Daar
liggen de rijken en de armen; de sterken en de zwakken.
Daar liggen de wijzen en de dwazen, de vrienden en de
vijanden, naast elkander. Wat verschilt de een van den ander?
Daar is ruste; daar is stilheid; daar houden de boozen
op van beroering; daar rusten de vermoeiden van kracht;
daar zijn de gebondenen te zamen in rust; do slaaf hoort
er de stem des drijvers niet; de kleine en de groote is
daar; de knecht, vrij van zijn heer!
Wie helpt, wie redt tegen den dood?
„ Bij den Hecre, den Heerc, zijn uitkomsten tegen den
dood!"
-ocr page 123-
*lï-____________________________________________ .*[*
OPVOEDING.                                    111
©pvoeöing.
STTyeeft maar toe, o ouders! aan al de lusten van
v^y uwc kinderen; staat al hunne wenschen maar toe;
geeft hun altijd den zin; gaat nooit hun dwazen wil te
keer; leert hun nooit om zichzelven eens te verloochenen,
en zich eens voor anderen op te offeren; gewent hen
niet aan een ijverig en werkzaam leven; en — gij
zijt goed op weg om zoodanig zwakke karakters te vor-
men, die, verwend en vertroeteld, weldra allen aanleg
zullen toonen voor het tegenwoordig modepessimisme.
Ik spreek van eene heel gewone zaak: de opvoeding.
Maar hier ligt dikwijls het geheim van iemands latere
mislukking in de wereld.
Wee de teedere kasplanten, die zoo verzorgd en
verweekt hebben gestaan in de oostersche broeiing en
vochtigheid van eene oranjerie, — indien zij straks
moesten blootgesteld worden aan de verdrogende hitte
van de zon daarbuiten, of aan den harden, verdervenden
wind, of aan de sneeuwvlagen en den hagelslag van den
herfst. De kasplanten worden er niet aan gewaagd, zij
worden er voor gespaard. Maar uwe kinderen, als zij
grooter geworden zijn, — zij kunnen er niet voor gespaard
blijven; zij moeten allen de stormen des levens door-
maken.
Arme ouders! die hunne kinderen tot zwakke karakters
hebben laten opgroeien! Bij de eerste stormen zullen
hunne kinderen droefheid der wereld openbaren, lust tot
modepessimisme, gemengd met al die murmurceringen en
*nr---------------------------------------------------------------------------------TH5
-ocr page 124-
112                                    BEKEERING.
opstand tegen God, welke droefheid, ter juister tijd vol-
dragen, den dood werkt.
Gelukkige ouders! die hunne kinderen gevormd hebben
tot vaste, tot sterke karnkters, en die daartoe, van jongs
af, getracht hebben hun mede te geven het geloof in
God, den Bestuurder van het wel en het wee der menschen\';
die aan hunne kinderen in de jeugd reeds medegegcven
hebben het geloof in Christus, den Sterke, die voor anderen
leefde en voor anderen stierf. Deze tot sterkte gevormde
karakters zallen, als zij ouder geworden zijn, ook hunne
teleurstellingen, hunne rampen, hunne smarten hebben.
Maar zij zullen ze kunnen weerstaan zonder te vervallen
in die droefgeestigheid, die den dood wenscht, en den
zelfmoord begeert. Zij zullen ze weerstaan, zooals in de
zee de rots de golven weerstaat. De golven zullen wel
daarover komen; zij zullen er tegen aanslaan, aandrui-
schen, aanspatten; maar straks heft die rots het hoofd
weer op, terwijl de wateren er langs neervloeien: en die
wateren zullen slechts gediend hebben om het vuil er
van af te wasschen; blinkender en reiner weerkaatst de
granietwand het heldere zonnelicht.
JBefceenng.
»
aar is een man, levende midden in de wereld.
Zijn hart hecht zich aan wat de aarde hem geeft.
Zijne ziel kleeft aan het stof. Hij bekommert zich niet om
God of godsdienst. Hij doet wat hem behaagt, en ontziet
God niet, en geen mensch. Hij eet en drinkt, en is vroo-
-ocr page 125-
SJ.4-.___________________________________________________________
BEKEBRING.                                     113
lijk, want morgen moet hij sterven. Hij doet zonde, maar
geeft er niet om. Kwaad is in zijn hart, maar het doet
hem geen leed.
"Wel heeft hij gehoord, dat hij eenmaal rekenschap
moet geven, maar nog is er geen vrees. Wel weet hij,
dat de dood komt, maar hij is nog niet beangst. Wel
weet hij, dat hij doet, wat kwaad is in de oogen des
Heeren, maar hij doet het, en ziet niet om. Wel kwelt
hem zijn geweten somtijds, maar dat die stem zwijge! Is
hij niet zijn eigen meester? En wie verhindert hem te
laten en te doen wat hij wil?
Zoo leeft hij dag aan dag. Zoo vervult hij de begeerte
zijns harten; en hij voldoet aan den lust zijner oogen.
Zoo is het hem goed. Zoo wil hij zijn.
Maar daar grijpt God hem in de ziel. De hand des
Heeren is over hem. De Almachtige stelt zich in zijnen
weg, en diens woord is: „Tot hiertoe, en niet verder!"
En tot zichzelven komt de zondaar. De rust gaat over
in onrust, en de vrede wijkt van hem. Zijne oogen worden
geopend, en hij ziet zichzelven zooals hij is, in al zijne
onzaligheid. Hij bemerkt, dat hij in een duisteren nacht
ronddwaalt ten verderve; hij ziet, dat hij gewikkeld is
in banden van zonde en verdoemenis. De onrust drijft
hem voort. Maar waar zal hij een uitweg vinden in deze
donkerheid des harten? Zelf kan hij zich niet redden,
dat ziet hij in. En in den angst zijner ziel, en in de be-
kommering zijns harten, en in het vurig verlangen om
hulp en verlossing, roept hij uit: „Wie zal mij het goede
doen zien?" En voor het eerst valt zijn oog smeekend
op het Kruis, dat nog nooit iemand heeft teleurgesteld.
O, gij onbekeerde jonge man! mocht ik hier uw beeld
hebben geteekend!
_T_r-------------------------------------------------------------------------------^
8
-ocr page 126-
114                          HET ONGELOOF, WREED !
t>et ongeloof, wreeö!
m
M
oe arm staat het ongeloof, hoe nietig, hoe niets-
waardig, als het eens aan een doodsbed, tegen
wil en dank, wat zeggen moet, wat zeggen moet tot den
stervende, en tot de bedroefd weenenden!
Stel u voor, den ongeloovige, daarbij staande, terwijl
een mensch sterft. Wat zal hij hem zeggen? Waarmede
zal hij troosten? Waarmede zal hij sterken, bemoedigen,
kracht geven in de laatste oogenblikken ? Welken staf
zal hij medegeven op dien laatsten zwaren gang door het
dal der schaduwen?
Kan hij komen, met dat eenige woord, dat de sterven-
den boven alles willen hooren: „God vergeeft de zonden
om Christus\' wil?" — Neen, hij gelooft niet aan God;
hij gelooft niet aan Christus; hij gelooft niet aan de ver-
giffenis, evenmin als aan de zonden.
Kan hij komen, om te bemoedigen en te sterken, en
kan hij zeggen: „Mijn broeder, wees sterk; straks opent
zich de hemel voor u?" — Neen, hij gelooft in geen
hemel.
Kan hij komen en zeggen: „Mijn broeder, dit leven
eindigt wel, maar wees blijmoedig, het eeuwige leven
begint?" — Neen, hij gelooft niet aan onsterfelijkheid.
O! als de ongeloovige aan een sterfbed zijn beginsel
tegen den stervende eens dorst uitspreken, zooals een
Christen daar zijn beginsel uitspreekt, de ongeloovige zou
moeten zeggen met verpletterende ontzetting: „Mensch!
over eenige oogenblikken zijt gij niets meer, niets; be-
-ocr page 127-
atA._________________________________________^JL\\t
DROEFGEESTIGHEID.                                115
grijpt gij? Uwe ziel vervluchtigt tot niets, gij lost op in
het niet, zoo aanstonds, begrijpt gij?" En zijn woord zou
bitterder zijn dan de dood zelf!
Ongeloof! gij zijt wreed, onzeglijk wreed, tegen de le-
venden, wien gij alles durft zeggen, en tegen de sterven-
den, wien gij niets zegt in uwe lafheid!
Drees geen licbamclijften boob meer, na bebou»
benis uit 3ebelijfeen boob.
"Is wij een God hebben, die den zedelijken dood
£> kan herstellen, meent gij, dat Hij geen raad
zou weten tegen den stofï\'elijken dood?
Die de ziele kan redden uit geestelijke banden, meent
gij, dat Hij uit de stoffelijke banden des grafs het lichaam
niet zou kunnen los maken?
Als gij uit zedelijken dood gered zijt, vrees dan den
lichamelijken dood niet meer!
Droeföeestigbeib.
^droefgeestigheid is dikwijls eenvoudig het gevolg
v^T van ledigheid.
Daar zijn rijke menschen, menschen, die veel geld
hebben en weinig broodzorgen; en die, helaas! daarom
weinig werk zoeken. De menschen, die zich vervelen,
*
mr
•■"^rrs
-ocr page 128-
116                            DROEFGEESTIGHEID.
vooral als zij jong zijn, hebben allen aanleg om droef-
geestig te worden.
Waar zal men zijn veel ledigen tijd mede doorbrengen ?
Op den gemakkelijken stoel lezen ? Ach, zij hebben al
zooveel gelezen. Voor het raam een handwerkje nemen ?
Ach, zij hebben al zooveel gehandwerkt. Heden avond
op partij gaan? Ach, zij hebben al zooveel partijen
gehad. Morgen op reis gaan ? Ach, zij hebben al zooveel
reizen gedaan.
Een leven, waarin allerlei lichte arbeid slechts dienst
moet doen, om den tijd te dooden, is een ongelukkig
leven. De verveling legt zich als een zware nevel over
dat jonge leven heen; straks breidt zich de droefgeestig-
heid over haar slachtoffer uit. Een kwaad humeur wordt
geboren. De murmureeringen worden geboren. Het geloof
aan God wordt er bij ingeboet. Een geloof in de opzet-
telijkheid der ellende van alle dingen komt er voor in
de plaats. En die droefheid der wereld werkt den dood.
Dat zulke menschen toch arbeid zoeken, als zij niet
ten onder willen gaan. Arbeid, ten bate van anderen;
arbeid voor armen en kranken; arbeid voor de heidenen.
Daar is arbeid genoeg. De velden zijn wit om te oogsten,
en de arbeiders zijn weinige. Daar mag overal gebrek
aan arbeid zijn in de koninkrijken der wereld; maar daar
is nimmer gebrek aan werk in het koninkrijk Gods.
In een ieder, die niet werkt, kan de droefgeestigheid
aangroeien tot een demon, die daar roept: „Alleen in
den dood is ontkoming van uwe smart!" terwijl toch de
Heere Christus nabij is, die den demonen bevelen kan
om uit te gaan en hunne woning te zoeken in de zwijnen
als passender verblijfplaats.
-ocr page 129-
„GOD IS ONZE ZALIGHEID."            .         117
„Öoö is onse 3aUQbetö."
fciWJaar zÜn er> ^ie m het krijgsmansleven hun geluk
\\a) zoeken. Als de veldslag geleverd wordt; als
het kanongebulder, met wolken rooks, de lucht vervult;
als de gelederen op elkaar storten met doodend geweld;
als het zwaard in de geklemde vuist om zich heen maait;
als de gewonden beginnen te vallen tot een muur van
lijken; als het bloed van vijanden en broeders zich
dooreen mengt op den slijkerigen bodem; als het „victorie!"
eindelijk davert van slagorde tot slagorde; — dan is de
ware krijgsman eerst in zijn element. Dat is zijn geluk,
zijne beste zaligheid. Zijn dorst gaat uit naar den kamp;
krijgsdaden zoekt hij het liefst van wat er is. Daarvan
te spreken vloeit zijn hart over. De litteekens op wang
of schouder zijn zijn roem en zijne eer; en voor een kruis
of een lint op de borst, van den veldheer hem geschonken,
waagt hij meer, dan een ander waagt voor eene halve
wereld vol schatten. — De krijgsman, weergekeerd van
het slagveld, gaat naar den tempel van Mars, en de ver-
overde zwaarden en bogen legt hij neder aan de voeten
van zijn god: Die god is zijne zaligheid!
Niet zoo de handelsman! In de volkrijke stad is zijne
plaats. Hij haat den oorlog, want dan kwijnen in den
regel zijne belangen. De tijden van vrede en rust zijn hem
nuttiger doorgaans. Zijn streven is gewin, het verkrijgen
van welvaart. Om dat te bereiken ijvert hij bij dag en
bij nacht, acht hij geen moeite te groot, geen reizen te
ver. Zijne schepen, onder gunstigen wind of onder stormen
""VI
-ocr page 130-
*].
118                         »GOD IS ONZE ZALIGHEID."
kampend, zendt hij uit naar de einden der wereld, over
alle zeeën. Het goud van verre bergen moeten zij halen,
de schatten van andere werelddeelen; en hier in zijne
schatkamer stapelt hij ze op, om, mild op zijn tijd, ze
onder anderen weder uit te deelen. Alle uitvindingen
worden hem dienstig, en niets is er, of hij weet er zijn
gewin van te trekken. Anderen doen wat anderen willen,
maar voor hem bestaat er niets beter. Voor den handel
leeft hij, voor den handel sterft hij. — De koopman
gaat ter beurze. Dat is zijn terrein. En daar aan den
ingang op eene verhevene zuil staat het beeld van Mercu-
rius. Hij ziet op, het beeld aan, terwijl hij binnengaat
en prevelt: Die god is mijne zaligheid!
En alweer anders is de geleerde! Wat bekommert hij
zich om den oorlog; laat vechten wie vechten wil. Wat
bekommert hij zich om voordeel; laat handelen wie han-
delen wil. Neen, zijne zaligheid is zijne studie, is onder-
zoek naar de verborgene dingen des hemels en der aarde.
Zijne plaats is niet het slagveld, is niet de woelige drukte
der volkrijke straat, is de studeercel. Van uit die cel
bespiedt hij de wonderen des hemels. Hij berekent den
loop der sterren, den afstand tusschen zonnen en manen.
De wetten volgens welke zij allen zich bewegen en draaien
en wentelen, speurt hij na; en hij voorspelt even zeker
hare komst en hare verdwijning aan den hemel alsof hij
in den raad Gods had gezeten. Van uit zijne studeercel
doorloopen zijne oogen de gansche schepping. Hij, de
geleerde, is aan geen tijd of plaats gebonden. Wat in
de diepte der bergen is, weet hij. Wat op de bodem
der zeeën is, weet hij. Daar in zijne cel bepeinst hij de
dingen, die niemand gezien heeft, en niemand zien kan.
Met de onzichtbare dingen als met geesten is zijn ver-
-ocr page 131-
„GOD IS ONZE ZALIGHEID."
119
keer; hij ondervraagt hen, en zij antwoorden. En ver
boven de andere menschen verheven, zonder hoogmoed,
ziet hij neer soms op de anderen daarbeneden; neen:
wetenschap, onderzoek der waarheid, dat is zijn geluk.
En als hij opziet, in zijne cel, naar het beeld van Minerva,
daar aan den wand, dan peinst hij weer verder, na de
woorden: Die god is mijne zaligheid!
Zoo verdeelt zich het menschdom in verschillend stre-
ven naar verschillend doel. Ieder zoekt geluk, geluk op
zijne wijze, naar eigen aard en karakter en gestel. Wat
een streven, een jagen, een zwoegen, een werken!
Maar onder die allen is er eene soort van menschen,—
Christenen, heeten zij. Zij zijn er niet veel. En onder
de duizende anderen verdwijnt haast hun getal in het
niet. Niet vele edelen zijn zij; niet vele lijken; niet vele
wijzen zijn zij. Zij steken af bij de andere menschen der
wereld. Krijgsman zijn zij niet in hun hart. Den handel
drijven zij, om brood. Geleerdheid verachten zij geenszins.
Maar het staat nog alles lager dan wat zij het hoogste
vinden. De dingen der wereld, al hare heerlijkheid, ver-
werpen zij niet; wel, als het geëischt wordt. Maar het
is hun niet het hoogste. Zij kennen iets, dat zij veel
heerlijker en beter en hooger achten. Het is een hoop
armen van geest, eenvoudigen, stillen in den lande;
geen schreeuwers; zich nooit op den voorgrond stellende.
Christenen noemen zij zich, kinderen Gods; en onder
elkander: broeders. Vraag het hun eens, wat zij het
hoogste, waarin zij hun geluk en hunne zaligheid vinden ?
O, gij zoudt het hooren, als gij in de eenzaamheid van
hunne binnenkamer, hen eens kondt zien nederknielen, met
gevouwen handen; gij zoudt het hooren, als van hunne
lippen dit gebed opsteeg: „God is onze zaligheid; die
-ocr page 132-
120 HET GÉKROOKTE BIET EN DE ROOKENDE VLASWIEK.
Ood is ons een God van volkomen heil; en bij den
Heere, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood F
Ifoet gefcroofcte riet en t>e rooftenöe vlaswiefc.
et gékrookte riet zal Hij niet verbreken. En de
roolcende vlastviek zal Hij niet uitblussehen."
Van den Messias is dit gezegd.
Wij verstaan dit beeld, niet waar? De Jood verstond
het van zelf.
Zie, daarbuiten op de grenzen van zijn erf, buiten den
wijngaard, wies het riet. Als de barre noordenwind scherp
inwoei in de dalen, of van uit de lucht het ijs als stuk-
ken daarheen wierp, dan boog het jonge riet, gekrookt,
den teeren stengel ter aarde. En wanneer nieuwe vlagen
nog kwamen aanzetten, dan, dan brak de gékrookte
stengel geheel. — Zoo zou de arbeid van den Messias
niet zijn. Integendeel: zooals de zoele westenwind,
met regendampen bezwangerd, straks het gékrookte riet
kwam verfrisschen en kracht geven, zoodat zij zich weer
ophief, de zwakke plant, in het leven gespaard en gered, —
zóó zou de arbeid van den Messias wezen aan zijn arme,
neergebogen volk.
En ook dat andere beeld verstaat gij, niet waar? De
Jood verstond het van zelf.
Zie, daarbinnen in de huiskamer brandde de niet on-
sierlijke olielamp, waar de vlaswiek, de pit, in dreef, en
licht en vroolijkheid verspreidde in het duistere vertrek.
Maar de olie is verbrand, verbruikt tot den bodem toe.
-ocr page 133-
PESSIMISME.                                    121
En smeulend, rookend, flikkert de laatste vlam, om het
leven kampend, vreezend voor elk tochtjen, dat haar
uitblusschen zou. Totdat de huisvrouw, daarbij gekomen,
olie bijgiet in de lamp, en de vlaswiek, nieuw voedsel
ontvangend, opflikkert, en helder brandend, in de stralende
oogen der kinderen tienvoudig haar eigen beeld weerkaatst
vindt. — Zóó zou de arbeid van den Messias wezen: het
laatste overblijfsel van licht onder Zijn volk zou Hij weer
aanwakkeren tot stralende glansen; Hij zou de rookende
vlaswiek niet uitblusschen.
En zoo is het ook gekomen, altemaal! Jezus, Gij hebt
ons, gekrookt riet, niet verbroken; Gij hebt ons, eene
rookende vlaswiek, niet uitgebluscht! Wij leven. En,
Heere, het is door Uwe zachtmoedigheid!
pessimisme.
k waarschuw u niet tegen bedroefdheid, maar tegen
to
„ droefgeestigheid. Wij zeggen nooit: „Gij moogt
niet bedroefd zijn!" Integendeel, wees het wel, onder
uwe tegenspoeden. Het zou heel onnatuurlijk zijn, wanneer
men het niet was. Waarvoor heeft men zijne tranen?
Maar ik waarschuw tegen droefgeestigheid, dat is: de
droefheid, die zich vastgezet heeft. Eene gewone bedroefd-
heid is iets, waar men wel van af wil; wat men hoopt,
dat spoedig over en voorbij is. Maar droefgeestigheid is
eene kwaal, een hang, eene neiging tot droefheid; en, hoe
vreemd het ook klinken moge, een lust tot droefheid.
Eene gewone bedroefdheid is eene gezonde zaak. Maar
-ocr page 134-
122                            DER DOODEN RAAD.
droefgeestigheid is eene ziekte. Zij is de modekwaal van
onzen tijd. Zooals sommige geneesheeren voor hun onder-
zoek de bacillen aankweeken, zoo kweeken sommige
jonge menschen met eene zekere voorliefde de veel
gevaarlijker bacil der droefgeestigheid bij zich aan. Met
een geleerd woord zegt men dan, dat men de pessimis-
tische levensbeschouwing toegedaan is. En men coquetteert
met de smart.
Bij jonge menschen, zoover mijne waarneming mij niet
bedrieglijk geleerd heeft, is, ik verzeker het u, die droef-
geestigheid bijna alleen te verklaren uit een ziekelijk
gevoel, dat voortgekomen is uit een wie weet waardoor
verzwakt zenuwleven ; of, wat even erg is: uit een zondig
leven, dat geen vrede met God en met het geweten
gemaakt heeft.
©er booben raab.
»:
at is er onder de zon bitterder droefheid en
MS
dieper zielesmart, dan te staan bij het sterf-
bed dergenen, dien gij bemint?
Om daar te staan bij het leger des kranken, en, ter-
wijl doodsche stilte heerscht rondom, het aangezicht te
aanschouwen van een, wiens laatste ure gekomen is.
Om op dat gelaat te zien den strijd des levens tegen
den sterkeren dood, en dikwijls ook den nog zooveel
heviger strijd van ziel en geest. Om dan te zien, hoe de
krachten allengskens gaan wijken, en het lichaam zoo
krachteloos neerligt: hoe de adem uit geprangde borst,
-ocr page 135-
„WAT IS WAARHEID?                            123
luid hoorbaar, straks afneemt, totdat hij, steeds korter,
afgebroken, op het laatst nauw hoorbaar meer is. Om daar
te hooren van veege lippen nog enkele woorden, afscheids-
woorden, die ten laatste niet verstaanbaar zijn. Om daar
te zien, hoe uit de oogen het licht vermindert en ver-
dwijnt, totdat zij roerloos staan en gebroken. Totdat er
als eene schaduw eene onzichtbare hand zich legt op dat
aangezicht!
O wat, o wat onder de zon is er zoo smartelijk en
zoo pijnlijk en zoo bitter als het sterven van een kind,
of zuster, of broeder, of vader, of moeder?
Zie, zij zijn allen heengegaan, onze dooden, een elk
naar zijne plaats.
Maar indien zij eens konden wederkomen, voor een
oogenblik, en weer aan ons verschijnen, wat zouden zij
allen ons zeggen, de een met eeuwige smart in de
klank van zijne stem, en de ander met hemelsch lachen
op het gezicht ?
Dit: „Vrees God, vrees God! En houd Zijne geboden !
Want dat is verreweg het beste!"
„mat is waarbel&r
at is toch het vinden van de waarheid?
Is dat het vinden van eene stelling?
Neen, het is het vinden van de oorzaak der zedelijke
dingen.
Evenals het verstand niet rust, voor het de oorzaak
der zienlijke dingen gevonden heeft, en dan ruste vindt,
-ocr page 136-
124                          DB ZINGENDE PRIESTERS.
zoo vindt ook het menschelijk geweten geen rust, voor
het gestuit is op de oorzaak der zedelijke orde, dat is,
Jezus Christus.
Hadt gij dan geen geweten, Pilatus! dat gij, met den
Christus vóór u, zeggen kondt: „ Wat is waarheid ?"
2>e 3tngenöe priesters.
roeger, in tijden die niet meer zijn, als Jeruzalem
sliep, dan waakten de priesters, op den tem-
pelberg; en zij zongen den nachtpsalm.
Stil lag de groote stad, daar beneden aan hunne voeten,
in schaduwen, waar vormen van daken en vormen van
huizen en geboomte als lichtere schaduwen nauw tegen
afstaken; wat hoog lag alleen kon blinken in stralen van
de maan, die opging, ginds, heel ver, boven de Doode Zee.
Stil lag de groote stad, daar beneden aan hunne voeten;
en zij sliepen, de mannen en de vrouwen, en de kinderen,
achter de gordijnen van de vensters der binnenkamers.
En ook zij sliepen, als in de binnenkamer mede binnen
genomen, de drukte, en het gewoel en de zorgen. Ledig
de straten, ledig de tuinen, ledig de lucht, de zwarte
schaduwlucht zonder geluid.
Slaap maar, gij groote stad! neem rust, en wees veilig,
daar beneden ! Hier boven waken uwe priesters. In den
voorhof waken zij. Hunne handen zijn uitgestrekt naar
de sterren, en hooger dan de sterren. Lange, heilige ge-
beden prevelen zij zachtkens in hoorbaren rhythmus;
en straks, al luider, en luider: totdat de klanken, over-
-ocr page 137-
DE ZINGENDE PRIESTERS.                           125
gegaan in een zang, een hoogen zang, veelstemmig,
golven gaan, den voorhof uit, over uwe daken heen, over
uwe bergen heen, ver naar de schaduwverte, waar geen
raking is van nevel, land en lichtlooze lucht.
Slaap, o Jeruzalem! uwe priesters waken met heilige
gebeden.
En gij, o wereld rondom mij! slaapt ook gij? Slaapt
gij nog altijd, in uw donkeren zondenacht? Is er nog
geen licht, dat breekt door uwe opgetaste zwarte wolken?
Hangt het nog altijd boven u, en om u, dat duistere,
dat klanklooze, dat doode; — en zijt gij moede, moede,
van uw strijd en uwe zorgen, zoodat de zondeslaap u
noodig is, en gewenscht, voor nieuwe zorg ? Is de morgen
nog verre, wereld?
O! dan wil ik waken in uw nacht, en bidden; want
ook ik ben een priester, uw priester, sedert ik Jezus
ken. Ik zal handen uitstrekken naar zeer hoog, en vragen
om genade, genade voor u. Ik zal niet slapen, maar mijne
priesterroeping verstaan. En ik zal zeggen tot mijn God,
dat ik u zeer liefheb, en dat het niet mag, dat gij ramp-
zalig zijt. Ik zal het zeer dringend zeggen. Wakend, ter-
wijl gij slaapt, o schoone slechte wereld!
En als de dag straks aanbreekt, dan zal ik tot u ko-
men, en ik zal u zeggen: „Toon mij uwe kranken; toon
mij uwe armen ; toon mij uwe boozen, dien gij zelve boos
vindt; toon mij, die den dag weer met tranen beginnen;
alle dezen; waar zij zijn; — want ik wil hun verhalen
van Jezus! van het Eeuwige Licht!"
-ocr page 138-
126
RUTH EN NAOMI.
2)e paraMjsbelofte.
ft
reeselijk, in schitterende kronkelingen, komt daar
de slang over den bodem, kruipend, den kop
opgericht, den bek geopend, giftvol bij den scherpen tand.
De kinderen, zij spelen, zij spelen, en zien niet het
gevaar, en beseffen niet, de onnadenkenden, de vroolijk
schaterenden.
Eén oogenblik nog, en de dood is in hun midden, de
scherpe dood, schuifelend, sissend zwart, met kleuren
uit de hel. Wie redt?
Dat doet de oudste broeder. Toegeschoten als een
bliksem, en zich ten doode wijdend, — met één sprong,
heeft hij den voet gezet, den voet, verpletterend op het
slangenhoofd, dat berst en splijt en kraakt van tand op
tand ; van tand op tand, maar die hem dringen in den
voet, die hem de verzenen verwonden met doodelijk
venijn, — zoodat ook hij daar neerligt weldra, dappere
redder, één in den dood met de hel, die sterft.
Wat zullen wij doen, wij kinderen! die hier bij staan,
bleeke getuigen van zijn moed en zijn offer?
Wij zullen Hem zeer lief hebben, Jezus! En wij zullen
het iedereen zeggen, eiken dag, dat als wij leven, het
door Hem is, door Jezus!
IRutb en töaomi.
at is een liefelijk beeld, dat de Bijbel ons te
zien heeft gegeven in Ruth en Naomi.
-ocr page 139-
HET ONBEKEERDE LEVEN.                          127
Twee vrouwen, weenende in elkanders armen. Eene
oude moeder en eene jonge schoone vrouw, met eene on-
deelbare liefde aan elkander verbonden. De jonge vrouw
aan de oude moeder eene trouw zwerende, zoo groot en
zoo sterk, als de dood slechts ontbinden kan. En dan,
hand in hand, voortschrijdende, den weg der woestijn in,
met het hoofd opgeheven naar de bergen aan de overzijde,
met den blik naar de verte.
Een liefelijk beeld, Ruth en Naomi.
Ik ken een soortgelijk, maar nog liefelijker beeld.
En dat is: Een zondaar, uitweenende aan de borst
van Jezus, van diens machtige armen omvangen; en dan
aan het hart van Jezus zijne keuze mededeelende; en dan,
hand in hand met dien Jezus, den weg inslaande door
de woestijn des levens, met het hoofd opgeheven naar
de eeuwige bergen, met den blik naar het Kanaan in
de verte.
De beste oogenbliftfeen van bet onbefteeröe
leven.
elke waren de beste oogenblikken van uw on-
bekeerd leven?
Die acht ik de beste oogenblikken van uw onbekeerd
leven, als gij, dorstende naar vrede, in gepeinzen ver-
zonken, u de vraag gingt stellen in ernst: Zou het waar
zijn, dat er bij Jezus vrede is en waar geluk voor mijn
hart?
Gij hebt ze zeker wel gehad, die oogenblikken, als gij,
-ocr page 140-
128                     DE TOESTAND NA DEN DOOD.
peinzende voor den lessenaar op uw kantoor, al uwe pa-
pieren en boeken vergat, en vragen steldet en beantwoorddet,
als waarover uw klerk naast u verbaasd zou hebben ge-
staan, wanneer hij ze geweten had. Of als gij, o huismoeder!
te midden van uwe huiselijke bezigheden zoo angstig bij
u zelve zeidet: „Misschien kan Jezus mij helpen." Of
als gij, zoekende naar de waarheid, stil uw Bijbel ter
hand naamt, en die heilige bladen gingt lezen. Of als
gij op den sabbat naar de kerk uwe schreden richttet,
met de gedachte: „Ik zal gaan, en hooren, wat de pre-
diker zegt; misschien zal het mij doen helder worden,
wat ik doen moet om gelukkig te zijn."
Zie, dat zijn de beste oogenblikken van uw onbekeerd
leven geweest. Toen deedt gij hetzelfde werk, dat die
tollenaar Zacheüs deed, die peinzend van zijne boeken en
geldstapels opstond, en van wien de Evangelist zeide:
„Hij zocht Jezus te zien, wie Hij tvas.\'
Wc toestanö na oen öooö — eene 3efcerbeto of
eene on3efcerbetb ?
m
e toestand na den dood — eene zekerheid of eene
onzekerheid ?
Toen Amerika, dat werelddeel ver in het westen, nog
niet ontdekt was, — toen dreven aan Europa\'s kusten
planten en houtsoorten aan met den zeewind, die men
te voren niet kende. Voortbrengselen, naar het scheen,
uit onbekende gewesten, welke naar het spel, dat de
stroomen dreven, getuigenis gaven aan den denker, dat
-ocr page 141-
*
DE TOESTAND NA DEN DOOD.                      129
daar aan de overzijde der zee ook nog een land moest
zijn. En die denker was er: Columbus. Leidde hij er
niet uit af, dat dat land bestaan moest ? Dat dat land te
bereiken was ? En had hij niet den moed der overtuiging,
die hem dat geloof deed vasthouden, al sprak heel eene
schare van geleerden en priesters hem tegen? En had
hij niet de heldhaftigheid de poging te wagen om op het
onbekende pad der oceanen zich te werpen, en dat land
te zoeken ?
Welnu, zeg ik, zoo komen er op onze kusten van dit
aardsche bestaan dingen aangedreven, die planten gelij-
ken uit eene andere wereld. Zoo doen er zich in ons leven
feiten voor, die uit de wetten der natuur, die ons om-
ringt, niet te verklaren zijn. Zoo ontwaren wij verschijn-
selen, die heenwijzen naar eene onzichtbare wereld, welke
daar ligt achter de zichtbare. Zoo hooren wij stemmen
in ons binnenste spreken, die, — wij merken het te
duidelijk — geen stemmen zijn uit het alledaagsche leven,
waarin wij verkeeren; stemmen, die, van geen menschen
of van geen stoffelijke wereld ons ingefluisterd, als van
uit zeer verre tot ons overkomen, en getuigenis afleggen
van dingen, die hier op aarde niet te zien zijn. Zoo heeft
ons hart bijwijlen gewaarwordingen, die oorzaken hebben
buiten ons hart om, en buiten de zichtbare wereld om.
O! wij zouden op al deze verschijnselen kunnen wijzen,
op zoo vele, die uit de eeuwigheid, als uit een ver land
aangedreven, ons de redelijke zekerheid geven, dat er een
land aan de overzijde is.
En zooals Columbus stond aan den oever der Spaansche
zee, en volhield: „Dat land, dat land ligt daarginds
achter den horizon!", zoo roepen ook wij, staande aan
de kusten van dit aardsche leven: „Daarginds, aan de
-ocr page 142-
130            WELDADIGHEID ALTIJD VEROORDEELD.
overzijde van den dood ligt een eeuwig leven, ligt de
hemel!"
WeUmotgbeiö alttjb veroorbeelö.
oe dikwijls heeft de barmhartigheid niet de aan-
merkingen der wereld rondom haar te hooren!
„Het had zóó moeten zijn, of aldus!" of: „ Het had geheel
niet moeten zijn!"
Deed de kerk wèl aan de armen, — het heette, dat
dit de zorgeloosheid en luiheid bevorderde.
Deed de kerk wèl aan de weduwen en weezen, —
het heette, dat dit eene oorzaak zou worden van licht-
zinnigheid bij het aangaan der huwelijken.
Richtte de kerk gestichten op om oude mannen en
vrouwen op te nemen, — het heette, dat zoodanige
maatregel de menschen zou afleeren om te zorgen voor
den ouden dag.
Deed de gemeente aan zending onder de heidenen, —
het heette: Daar was hier genoeg te doen!
Deed de gemeente dan hier het een of ander, zooals
, diaconessenarbeid of Christelijk onderwijs, — dan was ook
dat niet goed; het geld kon beter gebruikt!
Bestreed men de prostitutie op zedelijk terrein, dan
heette het, dat wat ter eener zijde werd goedgemaakt,
aan de andere zijde werd bedorven, en dat het beperken
van de zonde aan den eenen kant, diezelfde zonde des te
weliger zou doen tieren aan den anderen kant.
Beproefde men een philanthropischen arbeid, waarvan
-ocr page 143-
VERDORVEN NATÜURORDE.                    131
Jezus Christus het middelpunt zou zijn, dan heette het:
„Alles goed en wel; maar jammer, dat het weer zoo
positief Christelijk getint is!"
Voorwaar, de barmhartigheid kan het de wereld niet
naar den zin maken. Als zij er zich aan storen zou, zij
zou op het laatst niet meer weten, hoe!
En daarom, dut zij maar voortga! Zij zal in te witter
licht blinken, naarmate de figuur van Judas zwarter is,
die daarbij staat, en zegt: „Deze zalf had duur verkocht,
en aan de armen gegeven kunnen worden."
Deröorven natuurorbe.
9
ij moeten aan eene vreeselijke wanorde zijn ge-
™
woon geraakt in de schepping, dat wij de
wanorde orde zijn gaan noemen.
Daar is de dood. Behoort hij wel tot de orde der
dingen in de natuur? En hebben wij wel gelijk, als wij
ons gewennen dien als iets noodwendigs en natuurlijks
te beschouwen ?
Neen, zoo antwoordt de gemeente van Christus. Neen,
dat kan niet de natuurorde zijn, dat een God van liefde
en recht dit leven zou doen eindigen in een niet. Dat
kan niet de natuurorde zijn, dat deze rede, welke werelden
in zich opnemen kan, en oneindigheden kan beseffen,
wegzinkt in het niet, als dit lichaam wegzinkt in het graf.
Dat kan niet de natuurorde zijn, dat deze ziel, geschapen
tot heiligheid, na vreeselijke worstelingen van heiligheid,
zich zou oplossen tot niet, na een laatsten kreet van
-ocr page 144-
132                                    BEVREDIGD.
teleurstelling. Dat kan niet de natuurorde zijn, dat de
moeder haar kind uit de armen afgeven moet tot eene
vernietiging, haar kind, dat zij verkregen heeft als een
eigen bezit na veel arbeid en smart.
Dat is de verdorven natuurorde. Dat is de schreeu-
wende wanorde in de schepping.
Laten de ongeloovigen komen en zeggen, dat volgens
hunne wetenschap dat alles zoo zijn moet, en dat het niet
anders kan, en dat het altijd zoo blijven moet! In naam
van het Evangelie der opstanding van Jezus Christus
verklaren wij, dat wij leven onder eene verkeerde wereld-
orde; verklaren wij dat Jezus Christus reeds den dood
voor zichzelven te niet heeft gedaan, als een bewijs hoe
het zijn moest, en hoe het zijn moet; en verklaren wij
profetisch, dat de tijd komen zal, juist in het oogenblik,
als de dood over ons zegevieren zal, dat ook over ons
dan de herstelde natuurorde aanbreken zal, en dat de
dood geen dood zijn zal.
De dood is de wanorde ; en de orde zal er weer zijn, wan-
neer, gelijk de gemeente gelooft, de dood niet meer zijn zal.
töevrebtgb.
&<|k ben zoo alleen. Daarbuiten tegen het glas het
V_,) eentonig getik van den regen. Ik kan er niet door
zien, door het waterig glas, het doffe, beslagen glas.
Hangen de wolken zoo laag? Raken zij tegen mijn venster?
En drupt de wolk, zonder neervallen, als spatten naar
rechts, en links, en onder? Is daar niets achter die
wolk meer, — geen straat, en geen huis, en geen dak ?
-ocr page 145-
BEVEEDIGD.                                   133
Het is al wolk, van hier tot heel ver, — al grijs, en
zwart, en nat, en ledig, en zonder lijn, en zonder klank.
Ik ben zoo alleen. Verraderlijke rijkdom, in veelkleurige
vertrekken! Men had mij gezegd, dat er in u verzadiging
was voor mijn hart, mijn veelbegeerend hart. Maar men
heeft mij belogen. Dat is niet waar. Gij zijt eentonig,
meer dan de dagen. Gisteren was het al zoo, en eergis-
teren; en morgen zal het alweder zoo zijn. Goud en flu-
weel! gij ziet mij aan als met de oogen van een doode,
ongesloten oogen, en daar is geen taal uit uwe oogen.
Ga weg, ik kan niet meer met u samen zijn, ik kan met
u niet leven; gij liegt zelf, en hebt altijd mijn arm hart
ledig gelaten, ledig als een hemel zonder sterren!
Ik ben zoo alleen. Men had mij gezegd, dat de liefde
verzadiging had voor mijn hart, mijn veelbegeerend hart.
En zij is ook gekomen, gekomen met een dans in haar
stap; slank, rechtop, met blozen op hare wang, en lachen
in hare oogen, met zangen in hare stem. En zij heeft
zich tot mij gebogen, en zij heeft gebloosd, en gelachen,
en zingende woorden gezegd, hier bij mijne ooren; dicht
bij mijn mond. En toen was het alles groen, vol kleuren
bij de boomen, en goud bij de zon. Maar toen mijn hart
haar de oude, de wereldoude vragen ging doen, van God,
en een eeuwig leven, in het vertrouw vol oogenblik, toen
kon zij niet meer lachen, en zij deed zeer ernstig, en
had geen woord terug. En deze liefde, die niet loog,
zeide eerlijk weg, dat zij op die vragen geen antwoord
immers wist. En wij hebben beiden geweend, wij, onweten-
den, om het eeuwig mysterie. Haar heb ik nimmer gevloekt,
— in mijne eenzaamheid is zij de zoetste troost geweest.
Ik ben zoo alleen. Zijn zij allen van mij weg, de vroo-
lijke menschen, de ook onwetende menschen ? Is er geen
-ocr page 146-
134                                   BEVREDIGD.
muziek meer? En zijn al de vogels dood? En de bloemen
dood? Roep niet zoo, mijn hart! roep niet zoo luide de
oude vragen. Ik weet het nog niet. Ik heb het al aan
zoo velen en zoo veel gevraagd. Maar kan ik het hei-
pen, als ik het nog niet weet? Als ik het gevonden heb,
zal ik het u zeggen, mijn hart! Maar tot zoolang, pijnig
mij toch niet, en houd toch op met folteren! Dat is al
sedert zoovele dagen, dagen!
Ik ben zoo alleen. Daarbuiten tegen het glas het
eentonig getik van den regen. Ik kan er niet doorzien,
door het waterig glas, het doffe, beslagen glas. Hangen
de wolken zoo laag? Raken zij tegen mijn venster? En
drupt de wolk, zonder neervallen, als spatten naar rechts,
en links en onder? Is daar niets achter die wolk meer,
geen straat, en geen huis meer, en geen dak ? Het is al
wolk, van hier tot heel ver, grijs, en zwart, en nat, en
ledig, zonder lijn en zonder klank. Van waar ben ik, en
waar ga ik heen? En wie zegt stil, met zachte stem aan
mijn hart, wat het weten wil?
En er kwam eene stem, en die stem riep: „Kom tot Mij,
gij die belast en vermoeid xijt, en Ik xal u rust geven!"
En die stem scheurde de nevelen, als eene breede
straat van heldere lucht. En aan het einde van die zag
ik een kruis, en aan dat kruis, als eens menschen zoon.
En daar, — was de lucht blauw; en grooter scheurden
er de wolken; en goud, goud glansde er de zon gloeiende
roode en witte randen aan de wolken, die vloden.
En ik, — ik ben heengegaan tot Hem, die geroe-
pen had.
Daar ben ik nooit eenzaam meer geweest, en heeft
mijn hart geen vragen meer gedaan.
-ocr page 147-
TROOST IN TRANEN.                            135
TTroost in tranen.
uilen wij het aanzien zonder gevoel, als onze
Q^ schoone tuin van den storm geteisterd is, en de
bloesems en knoppen verwaaid zijn, en ook de stam zelf
ontworteld neergelegd is ? En zullen wij er niet bij staan
met een aangezicht, dat al weenen wil?
Kunnen wij het dan helpen, als wij weenen bij die
wieg, waar schoone, stralende oogen gesloten zijn, en zoete
lippen sprakeloos verbleekt liggen? En kunnen wij het
helpen, als de tranen machtiger oorzaak van vloeien
hebben, dan van stelpen, en als daar verstand zwak is
tegenover gevoel? Waar hebben wij onze tranen voor?
Daarom, wees niet ongeduldig met hen, die niet aan-
stonds hunne neerslachtigheid kunnen afleggen. En ver-
wonder u niet, wanneer zij, die pas door het vuur door-
gegaan zijn, niet zoo vroolijk kunnen zijn als vroeger,
en wanneer er nog eene wolk van angst het licht van
hunne oogen verdonkert. En zeg niet tegen Jakob, dat hij
recht loope als een man, wanneer hij juist zijn strijd te
middernacht heeft gestreden tegen den Sterke bij de beek.
Laat ze vloeien, uwe tranen. Houd ze niet in, en drijf
ze niet terug naar een besloten hart. God gaf ze u, Hij,
die wist, dat er verlichting was in dat stroomen. En
als gij eene moeder hebt, leg uw hoofd aan haar hart,
en ween uwe smart uit. En als gij een God hebt, ga in
Zijne armen, en zeg het Hem alles !
Ttnr--------------------------------------------------------------------vte
-ocr page 148-
136                           MODERNE I.AOKOONS.
ZlDoöerne ï-aoftoons.
hA k herinner mij van de Grieken een beeld: de
\\_,) marmergroep van Laokoon, drie mannen, die
gebeten worden ten doode door de slangen, met welke
zij worstelen. Hij had tegen een der goden gezondigd,
Laokoon, de priester; en terwijl hij bezig was te offeren
aan het strand, kwamen zij van over zee, van Tenedos,
de twee vreeselijke slangen, van den toornigen god
gezonden, en doodden hem met zijne twee zonen in hunne
geweldige kronkelingen, terwijl de scharen het zagen.
Marmerschoon is dat beeld, en ontroerend, die uitbeiteling
van de smart!
Onze moderne Laokoons, zien zij er anders uit? Die
man, die daar zijn kruiwagen voortduwt, onder de andere
polderjongens; die metselaar, die daar de kalk naar boven
draagt, vijftig treden de ladder op, en altijd weer over;
die vrachtrijder, die zijn wagen geleidt met de zweep in
de hand, welke wel zijn oud paard, maar niet zijne zorgen
voortjagen kan ; die bleeke vrouw, die gebogen over hare
waschtob heeft gestaan totdat de zon heet werd, en
totdat de zon onderging. Zie op hun gelaat, en merk er
op. Dat is Laokoonssmart! Dezelfde opgetrokken wenk-
brauwen; dezelfde saamgeperste lippen, straks geopend
tot een schreeuw; datzelfde voorhoofd, gerimpeld; die-
zelfde oogen vol pijn; diezelfde armen, die vechten tegen
het noodlot, om het op te geven, als zij niet meer
kunnen.
Alleen de slangen zijn anders. Uwe slang, o moderne
-ocr page 149-
DE DAGERAAD AAN DE JABBOK. 137
Laokoon! is. een kruiwagen, en is een bak met kalk, en
is eene zweep, en is eene waschtob!
Maar uwe smart is dezelfde, ... Laokoonssmart!
En ook is er nog geen godenbevel gekomen, dat ze
terug roept, uwe slangen, naar Tenedos!
Hoe lang nog, o Heere?
2>e öageraaö aan öe 3at>bofe.
m
eb ik zoo tegen U gestreden, mijn God?
Maar ik wist het niet. De nacht was ook zoo
duister. En ik kon U niet zien. De wateren van de beek
Jabbok ruischten zoo, en mijne ziel was zoo bang. Ik
dacht dat het mijn vijand was, een afgezondene van die
kwaad wil. En ik sloeg tegen U, en wilde U dwingen
tot vluchten. De angst van mijn hart maakte, dat ik U
miskende, en Uwe vorstelijke gedaante niet zag. Ik heb
het niet geweten.
Totdat de dageraad kwam, van den weg der woestijn,
dien ik gegaan was. En ik bevend merkte, dat Gij het
waart, en dat Gij niet gekomen waart om te verderven,
maar om te behouden. En ik neerviel, nu gewillig, om
Uw zegen te ontvangen, eer Gij weer heen gingt als over-
winnaar.
Heb ik zoo tegen U gestreden, mijn God? Ik zal het
niet meer doen, want ik weet nu, dat in den nacht der
tegenspoeden Uwe tegenwoordigheid zegenend openbaar
zal worden, als straks de dageraad opgaat. Ik weet het
nu, dat de beste zegeningen, die mij zijn toegekomen,
Uwe tegenspoeden waren! Ik zal het niet weer doen!
-ocr page 150-
au*_________________._________________________~Jt£
138                           .WAAR 18 UW GOD?"
Wonderlijk zal het ons te moede wezen, en zeer be-
schaamd zullen wij staan, als wij eenmaal bij het licht
van den hemelschen dageraad het verbaasd ontwaren
zullen, dat Degene, met Wien wij in onzen aardschen
nacht het meest geworsteld hebben, niemand anders is
geweest dan Hij, onze Verlosser!
„Maar is uw <SoÖ?"
. an een mysterie spreekt men, omdat de gangen
onzes Gods somtijds verborgen zijn, en de vraag
opkomt: Waar is God?
Van een mysterie spreekt men, omdat wij, menschen-
kinderen, zouden zeggen: Een God moest nooit verborgen
zijn, moest altijd openbaar zijn !
Van een mysterie spreekt men, omdat wij, menschen-
kinderen, met Job en Asaf altijd vragen: Waarom laat
God de wereld zoo lang begaan, zonder zich te vertoonen,
zonder in te grijpen, te stuiten, te keeren, en te zeggen:
„Tot hiertoe, en niet verder!"
Van een mysterie spreekt men, omdat de menschen-
kinderen verbaasd vragen : Waarom blinkt niet de Voor-
zienigheid uit, voor dat de tijden donker worden; en
waarom is zij zoolang afsvezig, alsof de Heere weggereisd
was naar een ver, vreemd land ?
Dat er voor u geen mysterie zij, gemeente van Jezus!
AVant in het rijk der natuur is voor u elke bergtop
eene vingerwijzing naar boven; elk blauw meer de weer-
spiegeling van Gods heerlijkheid; elke oceaan de uitroeping
i
-ocr page 151-
il.
EEN ZELFSTANDIG MAN.                            139
van Zijne oneindigheid; elke lelie de schaduw Zijner
kleederen, waarmede Hij bekleed is.
Dat er voor u geen mysterie zij, gemeente van Jezus!
Want in het rijk der zedelijke orde zijn alle gewetens,
het roepend geweten, het vermoorde geweten, het ver-
zoende geweten, de gangen, waardoor God heengegaan
is met Zijne heilige straf en met Zijne vergevende liefde.
En mocht ook dit alles voor uw twijfelend hart soms
verdonkerd worden, verdonkerd worden tot den nevelom-
trek van toch een mysterie, — o gemeente van Jezus! —
mocht ook dit alles in uw strijdend zieleleven door de
menigvuldige verslagenheid uws harten u ontnomen wor-
den, — bij de vraag der wereld rondom u: „Waar is
uw God?" — één antwoord behoeft u nimmer te ont-
breken: Wijs, wijs met uwe uitgestrekte hand naar het
oosten, naar Golgotha, naar het kruis der eeuwen, en
zeg: Daar, daar is mijn God, geopenbaard, geopenbaard
in het vleesch!
Een 3elfstant>tg man.
m
at is een heerlijk gezicht in de wereld: een vrij
man, een zelfstandig man.
In den regel legt de menschenvrees, de gedurig opko-
mende vraag: „Wat zullen de menschen er van zeggen?"
onzen braven maatschappelijken burger aan zooveel dui-
zend dunne koorden vast, dat het een zeldzaam gezicht
is: een vrij man, een zelfstandig man.
afar
TT*
-ocr page 152-
140                        EEX ZELFSTANDIG MAN.
De openbare meening bestuurt hem met stevige leidsels,
hem, die er geen meening meer op na houdt. Oude
gewoonten houden hem mede in het gareel. Kerkelijke
of staatkundige tradities zijn ook al even zoo vele koor-
den om hem heen. Conversatieplichten en salonreglementen
trekken hem ook naar dezen of genen hoek. En de mode
in de kleeding, evenals de mode in het denken, is iets
dat hem niet rechts, of niet links kan laten gaan, als
een overblijfsel van eigen wil het hem nog voor een
oogenblik zou kunnen doen wenschen.
In Engelsch-Indië is bij het volk zeer geliefd de ver-
tooning van een gevangen tijger, die bij feestelijke optoch-
ten op straat, door een vijftig man aan lange touwen
wordt gehouden, en die, door die overmacht gebonden,
gedwee en netjes moet medewandelen midden op straat.
Arme onvrije man, gij levert niet eens die indruk-
wekkende vertooning; want gij hebt niets van den gebonden
moed en de getemde kracht van zulk een dier; gij hebt
zelfs uwc koorden noodig; zij houden U staande; gij
zoudt omvallen zonder hen.
Bid God, om uwe koorden door te snijden! Bid God,
om zoo eens te mogen vallen! Dat zou uwe eerste vrije
daad zijn. Misschien, dat gij aldus nog komen kondt
tot de vrijheid en de kracht van een Wesley, die, toen
men hem zeide: „De wereld is tegen u," door die kracht
antwoorden kon: „Dan ben ik tegen de wereld!"
Dat is een heerlijk gezicht in de wereld: een vrij
man, een zelfstandig man.
-ocr page 153-
MATTHEUS 11 : 28.                             141
flfoattbeus U : 28.
Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en
belast zijt, en Ik zal u rust geven.
fezus beweert met dezen roep tot de vermoeide en
beladen menschheid, dat Hij het middel weet, dat
Hij het geheim weet tot bevrediging van hare diepst
gevoelde smarten en behoeften.
En dat Jezus dit nu beweert, is niets bijzonders in de
geschiedenis der menschheid. Duizenden vóór Hem en
nk Hem hebben dezelfde groote bewering met meerderen
of minderen eigenwaan en aanmatiging geuit. Het bijzon-
dere van dit woord van Jezus zit in iets anders, en laat
ik straks zien. Was Jezus de eenige in de geschiedenis
der volkeren, die uitgeroepen had : „Komt tot Mij, Ik
zal u rust geven?"
Als daar in het oude Egypte de duizenden van volk
zich verdrongen in de voorhoven der tempels van Ra en
Serapis, wat was dit anders, dan omdat hunne ziel on-
rustig was bij de gedachte aan onbestemde eeuwigheden,
en omdat die godsdienst bij monde zijner priesters tot
die duizenden geroepen had: „Komt herwaarts tot mij,
ik zal u rust geven?"
Als daar in Griekenland aan het zeestrand in het
groen der olijvenboschjes, onder de schaduw der steile
rots, tegen wier voet de golven breken van de diepe
blauwe zee, als daar door de vroomheid der oude Hellenen
tempeltjes werden neergezet, waarheen bij morgen of bij
-ocr page 154-
142                            MATTHEUS 11 : 28.
avond de vrouwen uit het gebergte afdaalden met hare
offeranden in de hand, om ze den priesters aan te bieden
met eerbied — wat was dit anders, dan omdat hare
zielen onrustig waren over het onbekende van het lot
haars levens, en omdat de priesters in die tempels het
luide hadden geroepen: „Komt herwaarts tot mij, ik zal
u rust geven."
Als daar de Phoenicièr, die bij Tyrus of Sidon zijne
netten in de zee wierp, en die in zijne zwakke boot, van
den storm overvallen, kampend tegen den donder en
den bliksem, en kampend tegen de afgronden waters,
die hem verzwelgen willen, niets weet van vrees voor
deze watermachten, en nog vroolijk zijn lied zingt aan
het roer, wakkre zeeman, die hij is; — als deze zelfde
Phoeniciër, zeg ik, straks wel vreezende, wel sidderende
den tempel van Baal-Melkart binnengaat, om te buigen
voor het groote beeld, waarbij de priesters staan, —
wat bewijst dan die sidderende tempelgang anders, dan
dat zijn hart onrustig is in hem bij de gedachte aan de
ongeziene machten, en dat die priesters hem hebben toe-
geroepen : „Komt herwaarts tot mij, en ik zal u rust
geven?"
Als daar in Judea de rabbi\'s een godsdienst samen-
stellen, bestaande uit vele gebeden, vasten, wasschingen
en reinigingen, met doorslaande nauwgezetheid te betrach-
tcn; en als daar de lieden deze rabbi\'s daarvoor hoog-
achten, en hunne voorschriften opvolgen, hoe zwaar die
lasten ook zijn om te dragen, — wat is dat anders, dan
omdat hunne harten onrustig zijn tegenover de heiligheid
van Jehova, en omdat zij gelooven, wat die rabbi\'s hun
zeggen: „Komt herwaarts tot mij, en ik zal u rust
geven ?"
ir---------------------------■                                                              -tt
-ocr page 155-
ajjii._____                 _________________________________J±st
MATTHEUS 11 : 28.                             143
Als daar uit de bosschen van Indië de monnik
Cakyamouni, na jaren van onthouding te hebben door-
gestaan in woeste eenzaamheid, weer de bewoonde streken
gaat bezoeken, en de volkrijke stad Benares bereikt, en
daar buiten den muur van de stad, onder den grooten
boom van den hertekamp gaat staan om te prediken, in
zijne bedelaarspij, te prediken den nieuw gevonden gods-
dienst, — wat drijft dan 20,000 menschen uit die stad
samen onder dien boom? En wat doet dan die scharen
den nieuw gepredikten godsdienst van Boedha zoo geree-
delijk omhelzen? Het is omdat zij vermoeid en beladen
zijn, omdat hun hart onrustig is in hen, en omdat ook
deze Boedha hun toeroept: „Komt herwaarts tot mij, ik
zal u rust geven!"
En, nog eens, als daar in de Arabische woestijn een
bende zwarte woestijnruiters bij het licht van de maan,
weerkaatst door de eindelooze zandgolven, woest rennend
met opgestoken zwaarden, zich storten gaat in een dol
gevecht, en op dat oogenblik, krijschend als gieren, den
kreet aanheft: „Allah is Allah, en Mohammed is zijn
profeet!" — wat is dat anders dan de openbaring van
den diepen onvrede, die daarbinnen \'s menschen boezem
vervult, en wat is dat anders dan het troost zoeken in
den godsdienst van Mohammed, die ook gezegd heeft
op zijne wijze tot zijne wilde ruiters der woestijn : Komt
herwaarts tot mij, en ik zal u rust geven."
Zietdaar, dat ook Jezus dezen uitroep tot de zuchtende
mensohheid gedaan heeft, is niets bijzonders. Honderd
godsdienststichters en wijsgeeren vóór Hem en n& Hem
hebben hetzelfde gedaan en beloofd. Maar het bijzondere
in Jezus\' woord en uitnoodiging is dit, dat Hij niemand
heeft teleurgesteld, xooals die anderen.
               •
-ocr page 156-
JL
SU*..
144                             MATTHEÜS 11 : 28.
Niemand teleurgesteld ! — En dat hebben al die andere
godsdiensten hunne belijders wèl gedaan! Zij hebben allen
rust beloofd aan het zoekende, onrustige hart. Maar zij
hebben hunne belofte niet gehouden.
Hebben de Egyptisclie priesters hunne lieden niet
teleurgesteld, en brak de tijd niet aan, dat al den volke
bekend werd, hoe priesterbedrog gespeeld had met hunne
kinderlijke bereidwilligheid tot gelooven?
Zijn ze niet vervallen, de Grieksche tempels, en spra-
ken die puinen niet van de teleurstelling des volks, dat
geen offer meer over had voor goden, die toch niet hiel-
pen, dat met nijdigen lach zijne goden over boord wierp,
en wanhopig een altaar plaatste voorden onbekenden God?
Hebben de oude tcijsgeeren, die na de priesters, rust
beloofden aan de ziel der menschen, hunne volgers niet
teleurgesteld? En zijn hunne volgers niet geëindigd, als
Pilatus, met de schouders op te halen over alle leermees-
ters, en te zeggen: Wat is waarheid?
Heeft de Phoenicische visscher of koopman niet geleerd
op zijne verre reizen over zee, dat zijn Baal-Melkart
geen voldoening geven kon voor de raadselen van het
leven, en wendde hij zich niet af van diens tempel, hem
latende vervallen, tot hij eene woonplaats werd van de
kruipende hagedis en van den nachtvogel ?
Heeft de Boedhistische godsdienst woord gehouden, die
wel optreedt met de bewering rust te geven aan de ziel, maar
die blijkt als middel daartoe niets anders te hebben dan het
woord: Sterf en ga tot niet, en dan zult gij rust hebben?
En is ook dat rust, wat Mohammed\'s godsdienst geeft,
als hij de ziel des menschen geen kalmen vrede, maar
versteening biedt door de leer: Buk onder het noodlot:
daar is niets aan te veranderen?
-ocr page 157-
HJè*.
MATTHEÜS 11 : 28.                             145
Ziet, als op de puinhoopen van alle godsdiensten staat
de groote persoon van onzen Heere Jezus Christus, en
met het aangezicht gekeerd naar de duizende teleurge-
stelde en bedrogen menschenkinderen roept Hij: „Gij
hebt het overal beproefd, beproeft het nu bij Mij: Komt
herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en
Ik zal u rust geven!" En het bizondere, dat in Zijn
woord ligt, is dit, dat het niemand teleurstelt. Vraag dit
aan de getuigen, die uit alle eeuwen bereid zijn hunne
zedelijke ervaring mede te deelen.
Waarom liep een Petrus achter Hem, jaren aan één,
met achterlating van zijn vischmeer, en van zijne erve,
en van zijne huisvrouw? Was het niet, omdat daar in
Jezus\' voetstappen gerustheid en bevrediging waren voor
een mensch, die zichzelven had leeren kennen als een
zondig mensch?
Waarom verwisselde Paidus van rabbi\'s, Paulus, die
eerst aan de voeten der Farizeën gezeten had, en nu
aan de voeten lag van den Rabbi Jezus, dien hij den
Zoon van God noemt? Was het niet, omdat deze Rabbi
met zijn kruis der verzoening hem de rust des gewetens
had aangebracht, wat alle andere rabbi\'s met hun nauw-
gezette wetten hem zelfs niet in de verte hadden kunnen
aanwijzen ?
Waarom zocht het oog van den zachtzinnigen, d\\vee-
penden jongeling Johannes zonder onderlaten in het oog
van Jezus te zien, en was deze altijd geboeid aan Jezus,
zijne tegenwoordigheid geen oogenblik kunnende missen?
Was het niet, omdat het liefhebbend hart van dezen
jongeling alleen tot rust kwam in de aanschouwing van
Hem, die de liefde des Vaders volkomen openbaarde?
Waarom liet een Augustinus af van een onzedelijk
ir                                                                                               "i
10
-ocr page 158-
146                             MATTHEUS 11 : 28.
leven en ging hij zijn scherp verstand en zijne hartstoch-
ten wijden aan Jezus? Was het niet omdat, Hellenist
als hij was, zijn hartstochtelijk hart eindelijk in Jezus de
volkomene, de eeuwige schoonheid ontdekt had, zoodat
hij uitriep: „O eeuwige schoonheid ! hadde ik u eerder
gekend! ik had mijne liefde en mijn geest aan vrouwen
nimmer gegeven!"
Waarom was het, dat een Luther een oorlog aandorst
met al de machten zijner eeuw, en in eene taal, machtig
als de donder en zacht als het kirren van eene duive,
aan de kinderen van zijn tijd de persoonlijkheid van
Jezus opdrong? Was het niet, omdat hij geleerd had,
dat er bedrog was in de spreuken der pausen en pries-
ters, en dat er, meer dan in het zevenmaal klimmen op
den Pilatustrap, ruste was voor een arm zondaarshart in
de gemeenschap met Hem, die gesproken had: „Komt
tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u
rust geven!"
Ja, daar is geen teleurstelling in de belofte, die Chris-
tus hier doet. En dat komt, — ja waarom zouden wij,
de levende gemeente van Christus, niet gaarne mede-
getuigen te midden der onrustige jagende maatschappij,
die ons omringt — dat komt, omdat in Zijn persoon de
mensch alles terugvindt, waar zijne zedelijke natuur in
haar zuchten om geschreid heeft. Laat een wereldsch
gelukskind, als Goethe, zeggen: „Ik heb gedurende mijn
vijfenzeventig-jarig leven zelfs nog geen vier weken
bepaald genoegen gehad," de Christen, die vermoeid en
beladen tot Jezus gekomen is, roemt zaligheden, die niet
van hem af kunnen genomen worden al zijne dagen.
Laat een Byron klagen: „Als ik de dagen optel, waarin
ik iets van geluk geproefd heb, dan kan ik er nog
-ocr page 159-
maïtheus 11 : 28.                         147
geen elf in mijn heele leven vinden," maar de Christen
belijdt: „Sedert ik mijn Jezus heb, is de zon mijns vre-
des nimmermeer ondergegaan!"
In den persoon van Jezus, die levende openbaring
Gods, ziet de mensch zijn God, vindt de mensch zijn
God, en vangen de vrede en de rust aan voor het
hart, dat geschapen is om slechts de iust in God te
vinden.
In den persoon van Christus lost zich de vraag op
des denkers: Is er een eeuwige scheppingsgeest boven
ons? Want Hij toont ons die eeuwige scheppingsmacht,
en Hij toont ons dat deze macht een Vader is voor al
Zijne menschenkinderen, die hen liefheeft, de staanden
en de gevallenen.
In den persoon van Christus lost zich het bange raad-
sel des doods op; want het licht, dat van Zijn aan-
schijn straalt, werpt glansen af in eene eeuwige toekomst.
In den persoon van Christus vindt de schuldige rust
van de verpletterende slagen eens ontwaakten gewetens;
want, om in Testamentische taal te spreken: „Zijn bloed
reinigt van alle zonden."
In den persoon van Christus vindt onze gevallen natuur
haar zedelijk herstel; want zij wordt vernieuwd van dage
tot dage, door de kracht, die er uitgaat van de aanschou-
wing van het beeld Gods in Hem.
In den persoon van Christus is het vreemde raadsel
des levens geen raadsel meer! Hem kennende en aan-
schouwende, vraag ik niet meer: Van waar ben ik?"
want de liefde uit Zijn oog antwoordt mij: „Uit God;"
vraag ik niet meer: „ Waarheen ga ik ?" want de liefde
uit Zijn oog antwoordt mij: „Tot God." En zoo is mijn
leven geen onbestemd stuk uit de natuurhistorie, maar
-ocr page 160-
148                             MATTHEÜS 11 : 28.
een gang des geestes uit God, door God, tot God; en
zoo is mijn leven geen grief meer tegen zichzelf; want „uit
God," zoo ben ik verzoend met mijne donkere geboorte in
zonde en ellende; „door God," zoo ben ik verzoend met de
tegenspoeden mijner jaren; en „tot God," zoo ben ik ver-
zoend met de bittere gedachte mijns doods, die aanstaande is.
Neen, daar is geen teleurstelling in uwe belofte, mijn
Heiland! Daar is vrede en rust bij U, bij U alleen, mijn
Heiland, voor ons, vermoeiden en belasten!
Gemeente van Jezus! hoort gij telkens Zijne stem bo-
ven het gedreun der groote maatschappij, waarin gij leeft? —
Hoort gij ook dezer dagen Zijne stem boven de kreten
en het gehuil der verslagenen van eene vreeselijke krank-
heid ? — Hoort gij Zijne stem boven de puinhoopen van
vervallen godsdiensten en stelsels ?
Laat er niet één zijn onder u, die de rust van zijn
hart nog zoeken wil, waar niemand haar gevonden heeft.
Want tot u zou ik willen zeggen: Gij zijt aan de duive
gelijk, die aan de arke ontvlogen, daar fladdert boven de
eindelooze wateren van den zondvloed; daar is geen rust
voor het hol van uwen voet; terug naar de hand, die
daar uitgestoken is voor u, de hand uit het venster van
de arke der behoudenis! Terug tot Jezus! Bij Hem zijn
wij veilig, en gerust; — veilig voor de vreeselijke
zonde; veilig onder de beproevingen des levens; veilig
voor de angsten en vreezen der pestilentiën: want Hij
is onze Rotssteen, en Hij zegt: Daar is eene plaats nevens
Mij; daar zult gij u op den rotssteen stellen!"
Tranquilli in undis; rustig te midden der baren, zijn
wij alleen bij U, Heere Jezus!
-ocr page 161-
DE GAVE DER TALEN.                           149
2>e gave £>er talen.
Jrr\\ et is de Heilige Geest, die de vreemde talen
Vj leert spreken. En de leeraar heeft de taal zijner
menschen te leeren, om hun te kunnen prediken.
De zendelingen doen zoo; en zij beijveren zich drie,
vier, en meer jaren daarvoor.
Maar hebben wij hier niet hetzelfde moeitevolle werk ?
Is het genoeg, dat wij Hollandsch kennen, om verstaan
te worden? En is een Servaas de Bruyn het machtig
middel, dat de correspondentie der zielen bewerkstelligt?
De verschillende levens- en wereldbeschouwingen doen
tegenwoordig zoo groot onderscheid in de taal ontstaan
van éénzelfde volk, en het verschil van geloofsrichting
maakt den eenen mensch zoo spoedig onverstaanbaar
voor den ander, dat menig hoorder in de kerk teleurge-
steld het gebouw verlaat: de prediker had wel zijn
Hollandsch gesproken, maar had toch zijne taal niet gespro-
ken, was in zijne diepte niet afgedaald; de hoorder had
er dan ook niets van begrepen.
Arme prediker! leer dan ook de taal des ongeloofs,
en vermag er u in uit te drukken, zooals een Fairbairn
en een Carlysle, opdat de ongeloovigen u verstaan!
Dat is de gave der talen in de gemeente.
Dat is eene openbaring van het bezit des Heiligen
Geestes, en een bewijs van „door Hem uitgezonden te
zijn."
Leer alleen niet de tale Kanaans spreken, want dat
is bedorven Syrisch, met Hethitische bestanddeelen ver-
mengd!
-ocr page 162-
»(K-_____________________________________________________-Ji|
150                             WIE IS DAPPER?
Mie is tapper?
®
üs5
ie is er dapper?
Zijn dat in den oorlog die soldaten, die
daar aan komen rijden, aaneengesloten, met luide hoera\'s,
de sabels zwaaiende, in dollen ren, de kaken des doods
te gemoet? En die, weinig oogenblikken later slechts,
zonder wijken, neergeschoten liggen, één voor één, trouw
aan het commando ? En van wien de wereld met hoogen
roem de daden zal vermelden?
Neen, ik heb er gezien, meer dapper dan zij.
Ik heb gezien eene weduwe, eene arme en zwakke, daar
achter in de steeg. „Terug!" zoo riep zij tegen de
reuzen van armoede en zorg, die brutaal en wreed bij
haar de deur in wilden dringen; en zij weerde hen af met
de hand, de voorgestrekte hand; en met de andere hield
zij beschermend de kinderen, de kleinen, die achter haar
schuilden, zich bergende in haar kleed. En zij was sterk,
de zeer zwakke.
Ook den volgenden dag, als zij weerom kwamen, de
reuzen. En vele dagen, dagen lang. Totdat de twee er
een medebrachten, sterker dan zijzelven, de krankheid.
Toen wankelde zij. En zij viel. Maar het was eerst over
haar lijk, dat zij konden binnenkomen, om ook de kinde-
ren te grijpen.
Daar is meer dapperheid in de stille steeg, dan op
het slagveld. Daar is langeren moed in de vrouw dan
in den man. En het ware veld van eer is daar, waar
de eer nooit komt met haar palmtak. Want op het lijk
d-
-ocr page 163-
DE ONVRUCHTBAARHEID VAN DEN TWIJFEL. 151
in de arme kamer, en op de kist, die weggedragen werd,
lag geen blad, en ook geen bloem.
i                                          _____________.
2>e onvrucbtbaarbetö van ben twijfel.
oo goed als een vulkanische berg van de vrucht-
bare vlakte van Sodom en Gomorra eene Doode
Zee maakt, zoo zeker maakt de twijfel van een mensch
met goddelijke talenten een dor wezen, vol van een doodsch
en schrikkelijk bestaan. En zoowaar geen mensch de nabij-
heid van den vulkaan zegent, zoo zegene ook geen mensch
toch het bestaan van den twijfel bij zichzelven. Op zijn
best verdrage men den twijfel, als een aanvangspunt of
als een stadium van overgang tot de waarheid, — hoewel
de waarheid nimmer uit haar voortgebracht wordt, —
maar men zegene, men roeme den twijfel toch nooit als
een ideaal, hooger staande dan dat andere ideaal, het
bezit der waarheid. Veeleer, dewijl het waar is, dat God,
de Rechtvaardige, ons zal doen komen in het gericht
voor elk ijdel woord, dat gesproken is, zal Hij ons ook
doen komen in het gericht voor den twijfel, in zooverre
deze ons gansch ijdel, dat is onvruchtbaar heeft gemaakt
voor onszelven, voor onzen naaste en voor het konink-
rijk der hemelen.
-ocr page 164-
152                HOE DEN TWIJFELAAR GENEZEN?
1boe öen twijfelaar gene3en?
1
oe zal de twijfelaar genezen worden van zijn
twijfel ?
Als de twijfelaar van zich weg kan doen dat deel van
zijn twijfel, dat voortgesproten is uit onzedelijkheid — (want
daar ligt de bron van een groot deel twijfel); — en als
hij van zich weg kan doen dat deel van zijn twijfel, dat
voortgesproten is bij hem, omdat hij zijne rede, het eene
orgaan, had gesteld boven zijn geweten, het andere
orgaan — (want ook daarin ligt de oorzaak van een
groot deel twijfel); — en als hij van zich weg kan doen
dat deel van zijn twijfel, dat voortgekomen is uit zijn
gebrek aan onderzoek der Heilige Schriften — (want
ook daarin ligt de oorzaak van een groot deel twijfel);
— laat hij dan gaan staan met het overig deel van zijn
twijfel voor het kruis van den Christus. En wij vreezen
geen oogenblik of da\'a\'r zal geloof geboren worden.
Maar gij ziet het, daar is veel dat van hem af moet
om genezen te worden! Onzedelijkheid, — of verstands-
hoogmoed, — of gebrek aan bijbelkennis, — of alle
drie tegelijk.
De twijfel onverantwooröelijft.
Is een boom geen vrucht voortbrengt, dan kan men
het den boom niet als schuld toerekenen; want
-ocr page 165-
*u^_____________________________________________________^Jt.\\t
*
DE TWIJFEL ONVERANTWOORDELIJK.               153
hij is niet verantwoordelijk voor zichzelven. Toch houwt
de hovenier hem om, opdat hij niet onnuttelijk eene plaats
besla in de aarde.
Als eene rivier, die uit de rotsen vloeit over de steenen
bedding, geen goudzand bevat, dan kan men het der rivier
niet als schuld toerekenen; want zij is niet verantwoor-
delijk voor zichzelve. Nochtans veracht de goudzoeker
haar, en gaat hij haar voorbij, totdat hij de andere rivier
gevonden heeft, waar tusschen het zand de goudkorrel
fonkelt.
Als eene schelp, uit de Indische zee opgehaald, geen
parel bevat, zoo is dit haar niet als schuld toe te reke-
nen ; want zij is niet verantwoordelijk voor zichzelve. Noch-
tans werpt de parelvisscher haar verachtelijk van zich; en
hij duikt op nieuw in de diepte der zee, totdat hij andere
schelpen gevonden heeft met wèl gewenschte parelen.
En wat zullen wij dan van u zeggen, o onvruchtbare
twijfelaar ? Gij zijt wèl verantwoordelijk voor uzelven!
Dit zullen wij van u zeggen: dat in deze wereld, waar
God en menschen van alles de vrucht zoeken, wij het
u wèl als schuld toerekenen, dat gij onvruchtbaar zijt;
en dat er in deze werkzame wereld voor u geen plaats
is; en dat, als gij soms nog een talent hebt, dat van u
moet afgenomen worden.
1bet oorbeel bes berouws en bet oorbeel ber
genabe.
r zijn er, die „zichzelven des eeuwigen levens
niet waardig keuren," en dat is het oordeel des
ir------------------------------------------------------------------tb
i
-ocr page 166-
2LK._____________________________________________________JtB
154                                 FORMULIEREN.
berouws; maar alzoo heeft de Heere niet geoordeeld,
sedert Hij gesproken heeft: „Zoo waarachtig als Ik leef,
indien Ik lust heb in den dood des goddeloozen!" en dat
is het oordeel der genade.
jformulieren.
jrilH venals de priester, die den gewonde aan den weg
^" langs ging, zijn schoon priesterlijk kleed had moe-
ten in stukken scheuren om die wonden te verbinden, —
wat Jezus gedaan heeft, die Zichzelven ontledigd heeft, —
zoo moet ook de Kerk van Christus het bijwijlen niet te
veel vinden om hare schoone stelsels te verscheuren,
als deze in fragmenten (en dus niet als een stelsel in haar
geheel) beter dienst kunnen doen tot verbinding van de
wonden der maatschappij.
Geen loon vóór. oen tijo.
\'Is wij, leeraars, doen „den dienst om te betuigen
*cV het Evangelie der genade Gods," dien moeilijken
dienst, is daar geen loon aan verbonden?
Alle dienst heeft zijn loon immers ? En deze dan niet ?
Eens sluit ook de dienaar zijne oogen, tegen den avond-
tijd, als hij zijn loop heeft volbracht, zoo ver, dat hij
gekomen is „bij de schemerende bergen." Zeker heeft
hij onder zijn dagwerk er ook wel eens aan gedacht, aan
A                                                                                                                                  f*
nnr------------------------------------------------------------------------ite;
-ocr page 167-
SJA^___________________________________________________________JtSfL
„DES HEEBEN TEMPEL, DES HEEREN TEMPEL IS DEZE !" 155
zijn loon. Maar hij heeft altijd wel geweten zijn loon te
zullen ontvangen niet vóór den tijd, evenals de arbeider
weet, dat zijn daggeld hem pas gegeven zal worden,
niet onder de twaalf uren, maar nu de twaalf uren. En
als hij daar zijne oogen zal opendoen in die wereld, van
waar zijne opdracht kwam, in die hoogere sferen, — dan
zal hij zien en hebben «zijn loon zeer groot."
,2)es Ibeeren tempel, öes Ibeeren tempel is öe3e!"
Je twist tusschen Izaak en Abimelech om de water-
putten was der moeite waard.
Maar het geschreeuw tusschen Jood en Samaritaan:
„Des Heeren tempel, des Heeren tempel, des Heeren
tempel is deze!" was eenvoudig vervelend.
fltet Cbrtstenöom geen formule.
"■gV, oo min God eene formule is, en zoomin mijn gebo-
Vo^ ren worden eene formule is, en mijn arm zijn,
en krank zijn en sterven eene formule is, en mijn eeuwig
voortbestaan eene formule is, — zoomin moet ook het
Christendom eene formule wezen.
Te midden van de werkelijkheden, waarvan God er
één is, en de menschelijke ziel een tweede is, en het
geboren worden een derde is, en het menschelijk lijden
*|____________________________________________________________ fc
-ocr page 168-
156                            DE LEIDERS GELEID.
een vierde is, en het sterven een vijfde is, en de eeuwig-
heid een zesde is, — te midden van al die werkelijk-
heden heeft het Christendom geen formule te zijn, maar
ecne zeer reëele kracht Gods tot zaligheid, hier en ginds.
2>e leibers geleib.
i^ •
lA/V/ ee den leeraar, die zich, met verloochening
VjP^- van zijn beginsel, moet gaan schikken naar
do begrippen van zijn volk. Een onbruikbaar herder, die
bung is voor zijn schaap, voor zijn bakker, of groente-
boer, of kopersmid, en die het aan hunne oogen vraagt,
wat hij leeren zal van den kansel!
Wees maar als Micha, de zoon van Jimla, o mijn
leeraar! En antwoord maar op al de dwaze eischen van
hun eigenwijs hart: „Zoo waarachtig als de Heere leeft,
hetgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken!"
Xeeuwen bij be bron.
aarbij zal ik u vergelijken, o valsche prof eten ?
Is het u niet genoeg, dat gij u stelt in de
plaats der ware profeten, en dat gij hunne erve rooft, en dat
gij hunne eer tot de uwe maakt, dat gij ook nog durft tot
de zondaars zeggen, dat er bij u ruste is en bemoediging
*1                                                                      I*
itnr------             —---------------------------------------------------tet*
-ocr page 169-
SJJi^____________________________________________________JtSlL
Y
MATERIALISTISCHE OOOEN*.                      157
voor een arm verslagen hart? Moet gij ook nog dooden
wat in andere harten leeft, en kunt gij niet anders vol-
daan zijn dan door telkens nieuwe verslagenen, lust heb-
bende in het vermenigvuldigen der getalen van altijd
meerdere gedooden ?
Waarbij zal ik n vergelijken, o valsche profeten ?
Ziet, als de woestijnreiziger de oase nadert met de
wuivende palmboomen boven de koele bron, meenende
den dorst te laven, dan schiet hij plotseling voor den
dag, de leeuw, op hem, den niets vermoedende; en als
hij, de arme, niet sterven wil van den dorst, dan moet
hij sterven van de klauwen.
Gij zijt die leeuwen bij de bron; en de dorstende
zondaars, zij kunnen er niet bij genaken.
flDaterlalisttsche oogen.
"Is de ongeloovige wereld eens voor een oogen-
C>v blik zich toestaat, wat aandacht te wijden aan
het werk dat wij doen, wij leeraars; en zij met een onwil-
lekeurig gevoel van meerderheid er een oordeel over
gaat uitspreken, dan zegt zij, als zij welwillend is: „Och,
zij zijn nog goed als politie, en zij houden de ongere-
gelden nog wat in toom; en zij doen ook nog wat goed
bij de armen door geld- en brooduitdeeling."
En dit is nu een zeer kleine tak van dienst, dien wij
verrichten, en dien de Heere ons opgedragen heeft. De
andere veel grootere arbeid, de arbeid voor het konink-
rijk Gods, de arbeid voor de onzienlijke wereld, de arbeid
nr~
^r&
-ocr page 170-
153 DE ONVRUCHTBAARHEID VAN" DEN TWIJFEL.
welke eeuwige gevolgen heeft, de arbeid die hier niet
getaxeerd kan worden door een menschelijken maatstaf,
en waar geen wereld ook eene belooning voor geven kan,
— deze andere veel grootere arbeid der leeraars wordt
door haar niet gezien.
Ik kan het niet helpen, dat de materialistische wtreld
alleen dien kleinen zichtbaren tak van dienst ziet, en
dezen houdt voor het beste deel van ons werk, en dat
zij van dat andere grootere werk niets ziet.
Dat komt van hare materialistische oogen.
3De onvruebtbaarbetö van öen twijfel.
wijfelen of gelooven, — wat is altijd vruchtbaar-
der geweest?
Ik vraag het hun, die den twijfel zoo verheerlijken
kunnen.
Als er in de wereld iets goeds, iets schoons, iets groots
is tot stand gebracht, dan is dit voortgekomen uit men-
schen, die wisten wat zij wilden, die geloofden in wat zij
wilden.
Niet de twijfel, maar het gelooven heeft Israël tot
het volk gemaakt, waaruit de diepste kennis is uitgegaan
aangaande de onzienlijke dingen; Israël, anders een nietig
en onbeduidend volk.
Niet de twijfel, maar het gelooven in een hoog ideaal
der kuust heeft Griekenlands beeldhouwers bekwaam ge-
maakt om het menschelijk lichaam, het hoogst gewrocht
der schepping, uit marmer te houwen, in volmaakter
vorm dan de werkelijkheid hun allen dag te zien gaf.
-ocr page 171-
DE ONVRUCHTBAARHEID VAN DEN TWIJFEL. 159
Niet de twijfel, maar het gelooven heeft Columbus tus-
schen spot en stormen doorgedreven, tot hij Amerika vond.
Niet de twijfel, maar het gelooven heeft ons vaderland
vrij gemaakt van Spaanschen druk eenmaal, en later van
Fransche heerschappij.
Niet de twijfel, maar het gelooven heeft overal de ker-
ken en kathedralen gebouwd, en alzoo brandpunten van
licht geschapen en kennis, van geslacht tot geslacht.
Niet de twijfel, maar het gelooven is de beweegkracht
geweest tot het voortplanten van het Evangelie onder
volken, die men zelfs tot beschaving ongeschikt achtte,
en heeft er den moed en het succes aan gegeven.
Niet de twijfel, maar het gelooven is in den tijd dei-
Hervorming de kracht geweest, die het aandurfde een
menschdom te gaan bevrijden van het vreeselijk monster
des bijgeloofs, dat onaangetast heerschte.
Niet de twijfel, maar het gelooven heeft in alle landen
den stoot gegeven tot het oprichten van toevluchtsoorden
voor gevallen vrouwen, voor krankzinnigen, voor armen
en kranken, en weduwen en weezen, voor nooddruftigen,
die geen helper hadden.
Niet de twijfel, maar het geloof is op de gansche aarde
het vereenigingspunt, de band der liefde, die de mensch-
heid verhindert in atomen uit elkander te vallen, en die
zelfs de verste volken aan het onze bindt tot ééne kudde
onder eenen Herder, en het menschdom maakt tot eene
familie.
Niet de twijfel heeft de wereld overwonnen, de wereld
met al hare dwaasheid en ijdelheid, met al hare liefde-
loosheid en armoede, met al hare verleiding en dood. Zij
heeft er geen hand tegen uitgestoken. Maar het gelooven
is reeds de wereld overwinnende.
-ocr page 172-
160 DE VOGELEN OP HET ZAADVELD.
Een geloof als een mosterdzaad heft een berg op, en
plant hem in het hart der zeeën; maar eene twijfel als
een berg verzet een mosterdzaad zelfs niet van zijne
plaats.
Onvruchtbare twijfel! verdwijn, en sta het worden der
dingen niet langer in den weg; der dingen, die blijven
tot in eeuwigheid!
H)e vogelen op bet saaovelö.
«
ijt gij behouden?
es
Deze vraag der belangstelling in uw eeuwig
lot wordt u op zooveel verschillende plaatsen gedaan.
Die vraag: Zijt gij behouden ? is u gedaan in uw eigen
huis, te midden van de uwen, aan uwen haard. Maar
gij werdt afgeleid door de uwen, door een souper, dat
volgde.
Die vraag is u gedaan bij eene begrafenis, op het kerk-
hof, tusschen veel rouwfloers, en sprekende lijkgesteenten.
Ernstig genoeg klonk het daar! Maar het antwoord werd
verdrongen, te huis, door het levendig gesprek over de erfe-
nis en de legaten.
Die vraag is u gedaan in de kerk, onder de prediking
van den leeraar, dien gij volgt week aan week, onder
het indrukwekkende van bezielde, trouwe taal. Maar gij
vergat het antwoord te geven, afgeleid door eene kleine
opschudding in het ruim, waar eene juffrouw flauw viel.
Die vraag werd u gedaan in den spoortrein, bij het
eerlijk eenvoudig getuigenis van een medereiziger, die
-ocr page 173-
SU^._____________________________________________________.JL(£
DE EERSTE SMART DER WEDERGEBORENEN. 161
medelijden en liefde voor u voelde, al kende hij u niet.
Maar de indruk van zijne vraag ging over, omdat de con-
ducteur het portier opende, al rijdende, en u om het kaartje
vroeg.
Die vraag werd u gedaan op de markt, onder een toe-
vallig gesprek, door u of door den ander — niet toevallig! —
opgezet. Maar het gesprek werd plotseling afgebroken
door den boer van buiten de stad, die u op den rug
klopte om een handel te beginnen.
Die vraag werd u gedaan door uw geweten op uw ziek-
bed, toen de geneesheer bedenkelijk, stil, het hoofd
schudde tegen de angstig vragende oogen der vrouw, die
hem de deur uitleidde. Maar het hoofd, het zieke hoofd
stond er niet naar, om met een lastig geweten zich bezig
te houden.
Eenmaal, eenmaal zal er geen afleiding meer zijn, om
een antwoord te geven op die vraag, die daar, helaas!
niet meer gedaan wordt. In eene plaats van buitenste
duisternis, waar in woeste verlatenheid, met knersing der
tanden, uw vreeselijke kreet de duisternissen doorboort:
„verloren, verloren ben ik!"
Ach! laat toch den vogelen niet toe, dat zij aankomen,
en neerstrijken op het zaad, dat uitgestrooid wordt op
uw veld, om er mede heen te vliegen, het zaad in den bek.
2)e eerste smart öer weöeraeborenen.
tk heb Jezus gevonden!" zoo juichte mijne ziel na
vreeselijke, voorbijgegane donkerheden. En ik ging
heen tot mijne vrienden, die altijd hadden deelgenomen
mir--------------------------------------------------------------------vte
11
-ocr page 174-
162 DE EERSTE SMART DER WEDERGEBORENEN.
in mijn wel en in mijn wee; en ik riep het hun toe in
de overvloeiing van mijn hart. Maar mijne vrienden be-
grepen mij niet, en keken mij aan, met groote vreemde
oogen; en zij namen geen deel, voor het eerst, in mijn
wel en mijn wee.
„Ik heb Jezus gevonden! * zoo juichte mijne ziel na vree-
selijke, voorbijgegane donkerheden. En ik ging heen, tot
mijn vader en moeder, en ik greep hunne hand, en ik viel
hun om den hals, en ik vertelde het hun in de overvloei-
ing van mijn hart. Maar zij drukten mijne hand niet terug,
en er was geen omhelzing van hun kant; en zij deden
zeer koel, en zij zeiden geen woord weerom, zij, die anders
zoo goed en zoo vriendelijk konden zijn.
„Ik heb Jezus gevonden!\' zoo juichte mijne ziel na
vreeselijke, voorbijgegane donkerheden. En ik ging heen
tot de lieden in mijne straat, en tot de makkers in de
werkplaats. Zij mochten mij altijd goed lijden. En mijne
oogen straalden het uit, en mijn hart was zoo vroolijk,
toen ik het hun zeide. Maar zij bleven niet staan om mij
aan te hooren, en deden onverschillig, en gingen door; en
als ik verwonderd omkeek, zag ik hen, lachend; en een hunner
vloeken, mij vroeger zoo gewoon, sneed mij het hart door.
Toen heb ik mij neergebogen, alleen in de binnenka-
mer; bedroefd, dat er geen weerklank geweest was op
mijne vreugde; en snikkend, in tranen, die niet ophielden,
heb ik geroepen: „Maakt dat op eens zoo eenzaam, Heere
Jezus! dat ik U gevonden heb ?"
En de eerste smart der wedergeborenen scheen mij even
groot als hunne eerste vreugde.
Maar toen zijn zij gekomen, de engelen uit den hemel,
allen met stralend gezicht; met de harpen, vroolijk zin-
gend; en zij riepen: „Wij, wij deelen in uwe vreugde!"
-ocr page 175-
L3--
,WAAU IS UW GOD?"                            163
En toen is ook Hij gekomen, mijn Heiland zelf; en ik
zag, dat Hij blijde was, als een herder, die een verloren
schaap weerom vond, toen Hij zeide, terwijl Hij zich
overboog: „Nu zijt gij de mijne, eeuwiglijk!" En zangen
ruischten om mij heen, die ik nimmer gehoord had. En
mijne eenzame duistere kamer werd als het lichtend voor-
portaal des hemels.
En mijne vreugde kwam weerom, als de vreugde des-
genen die begrijpt, dat er „blijdschap is bij de engelen
in den hemel over één zondaar, die zich bekeert."
„Maar is uw ©oö?"
l*v
ds wij de redevoeringen van Christus lazen in de
Evangeliën, zooals zij daar medegedeeld zijn; en
wij in de verbeelding ons schaarden onder Zijne toehoor-
ders, en luisterden, luisterden naar de taal, zooals nooit
iemand gesproken had, en mede opgeheven werden door
die taal, die ons verplaatste naar de hemelen; en als wij
zoo onder den diepen indruk kwamen van eene goddelijke
wijsheid, zooals nimmer van zachtmoedige lippen afvloeide;
hetzij wij de bergrede mede aanhoorden, of de gelijkenis-
sen, of de Johanneïsche redenen, waar Jezus den Vader
verklaarde, gelijk Hij was; — ik zeg: — als wij zoo
luisterden, luisterden naar Jezus, naar den Leeraar-Pro-
feet, — dan, dan weken wij eene schrede terug vol eerbied,
terwijl wij Hem aanzagen in Zijn goddelijk gelaat, en wij
prevelden aanbiddend: „Hier is, hier is God, zonder
eenige verberging Zijnszelfs." En de vraag des vroegeren
twijfels: „Waar is God?" bestierf in het diepste van ons
-ocr page 176-
164                           „WAAK IS UW GOD?"
hart. Hier hadden wij Hem gezien in het aangezicht van
Zijnen Zoon.
Of als wij de groote daden van Christus lazen in de
Evangeliën, zooals zij daar medegedeeld zijn; en wij in
de verbeelding ons schaarden onder Zijne toeschouwers,
en Zijne wonderen aanzagen, wonderen, zooals nooit
iemand gedaan heeft, vol macht en majesteit en heerlijk-
heid; wonderen van kracht, wonderen van erbarming en
medelijden: hetzij wij mede aanschouwden het gebieden
van een storm op het Galileesche meer, of de oprichting
van een doode, van Lazarus, uit het graf, of het weder-
geven van een hersteld kind aan eene weenende Kananee-
sche vrouw; — ik zeg: — als wij zoo zagen, zagen de
daden van Jezus, den wonderdoenden Profeet, — dan, dan
vielen wij neder in aanbidding, en kusten de zoomen Zijns
kleeds, roepende: „Hier is, hier is God, zonder eenige
verberging Zijnszelfs!" En de vraag des vroegeren twij-
fels: „Waar is God?" bestierf in het diepste van ons hart.
Hier hadden wij Hem gezien in het aangezicht van Zijnen
Zoon.
Of als wij den grooten dood van Christus lazen in de
Evangeliën, zooals hij daar medegedeeld is; en wij in de
verbeelding ons mede schaarden onder de velen, die aan-
schouwers zijn geweest van Zijn lijden en sterven: een
lijden, dat zoo groot was, dat zoo ontzaglijk was, dat de
kreet: „Mij dorst!" niets was bij dien anderen kreet:
„Mijn God! Mijn God! waarom hebt Gij Mij verlaten?"
een lijden, dat zoo groot was, dat de doodsteek in Zijne
beenderen niets was bij den uittartendcn schreeuw Zijner
smaders: „Waar is nu uw God?"; een sterven, dat zoo
ellendig was, dat het scheen, als was alle vloek van den
hemel en van de aarde opgehoopt op dat ééne gebogen hoofd,
-ocr page 177-
GOD OPKXBAAK IN HET OORDEEL. 165
en als was alle bitterheid van allen dood samengevloeid
in dien éénen dood; — ik zeg: — als wij zoo zagen en
mede gevoelden de verschrikkelijkheid van dien smadelij-
ken dood des kruises, en daarbij gedachten: „Ik deed
door al mijn zonden Hem al die jammeren aan!" maar
tegelijk in de toeëigening des geloofs het gevoelden:
„Hier is verzoening, vergeving gevonden voor mij, voor
mij!" — dan, o dan vielen wij neder in het stof, en ver-
mengden wij dat stof met onze dankbare tranen, roepende ;
„Hier is, hier is God zonder eenige verberging Zijnszelfs!"
En zelfs de laatste zweem des vroegeren twijfels: „Waar
is uw God ?" bestierf in het diepste van ons hart. Hier
hadden wij Hem gezien in het aangezicht van Zijnen
Zoon.
O Christen! Christen! van alle antwoorden op de vraag
van den spotter: „Waar is uw God?" zij dit antwoord
uw beste, uw dierbaarste: „Inhet aangezicht van Christus
heb ik mijnen God gezien!"
In de geschiedenis, in de natuur, in de wereld van
het geweten, zien wij slechts „de gangen onzes Gods."
Maar in Christus: „God zei ven."
(3oo openbaar in bet ooroeel.
W
aar is uw God?" zoo riepen Davids spotters,
in den dag toen hij heenvlood, barrevoets, door
den gang der olijven, naar de woestijn, zijne oude schuil-
plaats.
En waar zijn God was, bleek bij het uiteenstuiven der
-ocr page 178-
SLSu._____________________________________________________^±i
166 GEEN GRIEVEN MEER TEGEN DE VOORZIENIGHEID.
benden van Absalom; bleek bij den eik, waar die man
aan hing, met de haren verward in de takken, doorboord
met eene spies, de spiesen van Joab; bleek bij den konink-
lijken intocht te Jeruzalem, bij den gang naar den tem-
pel, toen de koning inging en voor Gods aangezicht ver-
scheen, met eene stem van vreugdegezang der feestvierende
menigte.
Zoo zal het blijken, waar uw God is, o Christen! als
Hij blinkende verschijnen zal, op de wolken des hemels,
na Zijne lange afwezigheid, met de legerscharen Zijns he-
mels achter Hem, schitterend op witte paarden; en als
de onzichtbare demonen, dan zichtbaar geworden, hui-
lend wegvlieden zullen, duikend in zwarte afgronden, om
nimmer weer boven te komen; en als uwe spotters met
eene vreeze, die het hart scheurt, zullen roepen tot de
bergen: „Hebt gij dan geen holen om ons te bergen?"
en als gij zelf, staande, met opgeheven hoofd en uitge-
strekte hand, zult zeggen: „Heere! ik heb U lang ge-
wacht, maar Gij zijt gekomen, en hebt mij niet bedro-
gen;" en als de aarde zal wezen voor de vreedzamen, en
die niet spotten.
(Been grieven meer tegen De lDoor3lentgbetö.
J^irying ik laatst niet binnen in de werkplaats van
l\'V een beeldhouwer? Ik zag hem staan aan een groot
stuk marmer, en de beitel en de hamer deden er groote
stukken afvliegen. Ik dacht er over, hoe het marmer
smart zou gevoelen, indien het een levend wezen was. „Gij
moet nu nog niet komen," zeide de kunstenaar, „kom
itnr-------------------------------------------------------------*vfc
-ocr page 179-
GEEN GRIEVEN" MEER TEGEN DE VOORZIENIGHEID. 167
later; gij kunt nu nog de vormen niet zien, dien ik reeds
in gedachten heb!"
Ik kwam weer, toen het beeld halverwege was.
«Gij moet nu nog niet komen!" zeide de kunstenaar,
„kom later, gij vindt er nog niets te bewonderen aan!"
En ik ben later gekomen, toen uit het ruwe marmer-
blok een engel gehouwen was, een engel als verlost was.
En ik begreep iets van het ideaal, dat den kunstenaar
voor den geest gestaan had; iets van den langzamen,
maar zekeren arbeid, dien hij verricht had. En ik heb
er uit geleerd, God, die de zielen der menschen vormt
tot gelijkheid aan het volmaakte beeld van Christus, niet
te beoordeelen of te veroordeelen dan na Zijn volbrach-
ten arbeid.
Neen, ik zal geen grieven meer hebben tegen de voor-
zienigheid Gods, ook al begrijp ik haar nu niet altijd;
geen grieven meer hebben tegen de voorzienigheid, nu,
terwijl zij nog maar ter helfte bezig is aan haar verhe-
ven arbeid. Neen, in alle dingen, in groote dingen en in
kleine dingen, wil ik voortaan God Zijn gang laten gaan,
en Hem aanbidden.
En gij, als gij over den weg loopt, en het gras onder
uwe voeten vertreedt, den nietigen grashalm, waarvan
Christus in eene bekende troostrede gesproken heeft, denk
dan aan Hem, die ook u in uwe kleine en nietige din-
gen verzorgt; en als gij over straat gaat, en de musschen
voor u uit ziet vliegen, de vogels van geen prijs, waar-
van Christus gesproken heeft in Zijne bekende troostrede,
denk dan aan Hem, die ook u in uwe kleine en nietige
zorgen niet vergeet.
Wen er u aan om te gelooven dat alle dingen niet bij
geval, maar van Zijne vaderlijke hand ons toekomen.
-ocr page 180-
168                               „volg mij!"
„üoig flMj r
laAolg Mij !" zoo is des Heeren woord tot den
„ VaV rijke. „Maar Heer! hoe kan ik," zoo is des
rijken jongelings antwoord, „hoe moet ik dan met mijne
goederen handelen?"
„Volg Mij!" zoo is des Heeren woord tot den vroo-
lijken mensch. „Maar Heer! hoe kan ik," zoo is zijn
antwoord, „ik heb vele vrienden, en ik ontvang hen in
mijne gezellige woning, en wij hebben maaltijden onder
elkander, en wij leven allen dag vroolijk en prachtig.
Moet ik dan met mijne vrienden breken? Dat gaat toch
niet. En hen krijg ik niet mede, achter U aan; zij zouden
niet medegaan; zij zijn van eene andere richting. Het kan
niet, Heer!"
„Volg Mij!" zoo is des Heeren woord tot den arme.
„Maar Heer! hoe kan ik," zoo is des armen mans ant-
woord, „ik heb er immers geen tijd toe; ik moet den
geheelen dag hard arbeiden voor mijn brood, en des
avonds t\'huis komende, ben ik zoo moede, dat ik in slaap
zou vallen, ging ik in den Bijbel lezen. Ziet gij, Heer,
dat kan niet! En dan, ik wil het U eerlijk zeggen, ik
geniet door mijne armoede toch al zoo weinig van de we-
reld; zal ik dat nu ook nog gaan opgeven? Wat heb
ik dan aan deze wereld, wat aan mijn leven?"
En de Heere vraagt het aan nog vele anderen: „Volg
Mij!" Maar sommigen zeggen: „Ik kan geen Christen
worden om mijne echtgenoot; dat zou eene te groote breuk
veroorzaken, en ik moet toch al oppassen." En anderen
zeggen: „Ik kan het moeilijk om mijne hooge positie in
-ocr page 181-
au*
ONTMASKERING.                                169
de stad; heusch! ik heb het aardig ver gebracht; en dat
heeft geen toon in onze kringen!"
En zij hebben allen wat te antwoorden, de een na den
ander.
En zoo is het gekomen, dat de gang van onzen Heer
door de wereld bijna een zeer eenzame gang is. Zullen
ooit de menschen en de Messias bij elkander passen, dan
zal öf de Messias moeten veranderen; of de menschen
moeten veranderen.
©ntmasfeerlng.
&■
tayW ee, wee het oogenblik der ontmaskering! Eens
komt er een tijd, dat alles openbaar wordt! Wie
zal dan bestaan?
Judas heeft dat oogenblik gekend, hij, de vermomde,
toen Jezus aan den Paaschmaaltijd hem het masker van
voor het aangezicht wegnam, en dat vrceselijke gevoel
daarbij in hem opkwam, dat de Evangelist beschreven
heeft met de woorden: „Toen voer de duivel in hem."
Wat zal het zijn, als vele Christenen openbaar zullen
worden niets anders te zijn dan hunne broeders, de wereld»
lingen, even ongeestelijke lieden als zij!
Wat zal het zijn, als het geheim van veler godzalig
spreken blijken zal niets anders geweest te zijn, dan het
opentrekken van het register van den tremulant in de
menschelijke stem! En als de zoogenaamde zalving in
woorden en gebaren blijken zal niets anders geweest te
zijn, dan een paspoort tot entree in kringen, die anders
gesloten waren!
-ocr page 182-
170                           DK LAAGSTE PLAATS.
Wat zal het zijn, als zooveel philantropie blijken zal
niets anders geweest te zijn dan protestantsche aflaten
tegen den eeuwigen dag! En als zooveel staatkunde blij-
ken zal niets anders geweest te zijn dan de kunde om
eigen staat het hoogst op te voeren! En als zooveel we-
tenschap blijken zal niet anders te zijn geweest dan een
middel om de stem van het eigen geweten te dooden!
Laat ons oogen hebben voor het masker, dat over alles
heengeworpen is! En laten wij bidden, dat Jezus met
ons reeds vroeg de barmhartigheid hebbe om het mas-
ker weg te rukken, ook van ons eigen wezen, eer het
te laat is!
Laten wij bidden, om oprecht te mogen wezen als de
duive!
2>e laagste plaats.
anxeer gij zult genood zijn, ga heen en xet u
in de laagste plaats."
Welnu, wij zijn genood. En het is eene wonderbare
noodiging, die tot ons gekomen is.
Wij zijn genood, om aan den voet van Jezus\' kruis
te komen; samen te komen als uit de verschillende oor-
den des levens; samen te komen als tot eene toevlucht
en redding van een vreeselijk verderf. Jezus, de Gekrui-
sigde, noodt u, en Hij zegt: „Kom hier, gij verdwaalde!
hier is rust van uwe lange omzwerving. Kom hier, gij
beladene ! hier is ontheffing van den last en de vermoeie-
nis uwer ziel. Kom hier, gij onreine! hier stroomt mijn
bloed, dat reinigt van alle zonde!"
-ocr page 183-
DE LAAGSTE PLAATS.                           171
De noodiging klinkt luide, en klinkt welkom, in onze
arme, zondige, verslagene harten.
En wij, de geroepenen, wij stroomen samen uit de vele
hoeken en holen onzer zonde. En wij komen onder Zijn
kruis. En Zijne hand is over ons. Wij vinden er de ver-
zoening en de vergiffenis.
Zal er nu strijd zijn, onder dat kruis, over de eerste
en de laatste plaats? En zullen de gekomen genoodigden
twisten over den voorrang, bij de gedachte: „Ik was toch
niet zoo groot zondaar als die daar?"
Of zullen wij niet veel meer, onwillekeurig, alleen reeds
bij een blik naar binnen, de laatste plaats zoeken, oot-
moedig, tevreden, dat ook ons barmhartigheid is geschied,
en biddende, met den blik naar het aangezicht des Ge-
kruisigden :
„Geef me hier de allerlaagste plaats
Zoo Gij mij een plaats wilt geven!
Nooit heeft iemand zooveel kwaads
Tegen zooveel licht bedreven?"
„ Wanneer gij zult genood xijn, ga heen en zet u in
de laagste plaats."
Welnu, wij zijn genood. En het is eene wonderbare
noodiging, die "tot ons gekomen is.
Wij, kinderen Gods, die in Christus verzoend zijn, wij
worden genood om in deze wereld, Zijn wijngaard, Zijn
werk van barmhartigheid verder te verrichten. Deze noo-
diging, is, met het oog op ons verleden, reeds eers genoeg.
Veel en velerlei is dat werk. Armen kunnen wij brood
geven; kranken bijstaan in hunne laatste kwaal; voor blin-
den kunnen wij het gezicht wezen; bedroefden kunnen
-ocr page 184-
172                           DE LAAGSTE PLAATS.
wij troosten; dwalenden, op onze beurt, te recht helpen;
in eene dwaze maatschappij nog een restant wijsheid ver-
tegenwoordigen ; op eene donkere aarde het licht wezen; in
eene bedorven wereld het zout zijn. Is dat geen eers genoeg?
Wij worden genood tot een arbeid in den tempel des
Heeren op aarde. Daar is arbeid voor een hoogepriester
om het Heilige der heiligen binnen te gaan. Daar is arbeid
voor den priester om de offeranden te doen. Daar is arbeid
voor de Levieten, om de zangen te zingen. Maar daar
is ook arbeid voor de mindere dienstknechten onder de
Levieten: om het stof weg te vegen uit den voorhof en
het weg te dragen naar buiten.
Zullen wij, geroepen ten dienst onzes Gods, daar strijd
hebben over de eerste en laatste plaats? Ons te hoog
voelen voor het lagere werk ? Eerzuchtig begeeren om het
hoogere werk te mogen verrichten? Zullen wij, ons ver-
leden van zonde vergetende, ontevreden zijn met onze
Levietenplaats, en de priesterplaats ons toeëigenen?
Of zullen wij, ootmoedig gestemd door de genade, dat
ook wij een deel mogen hebben in het groote werk des
Heeren, dankbaar stamelen:
„Heer! dat de allerlaagste plaats
Onder hen mij blijv\' gegeven!
Niemand toch heeft zooveel kwaads
Tegen zooveel licht bedreven?"
„ Wanneer gij zult genood zijn, ga heen en xet u in
de laagste plaats.1\'
Welnu, wij zijn genood. En het is eene wonderbare noo-
diging, die tot ons gekomen is.
Het is de noodiging, om na volbrachten arbeid, en na
-ocr page 185-
3U--------------------------------------------------------------.------------------^jlul
*■
VROOM VERLOREN.                             173
den doorgang des doods, te komen en aan te zitten aan
de groote bruiloft des Lams, in de stad Gods.
Als wij daar binnen komen, is alle hoogmoed, en ook
alle ijdele eerzucht afgelegd. Aan den ingang worden wij
er met volkomen ootmoedigheid bekleed.
Wij zullen de bruiloftszaal binnentreden. En wij zullen
de duizende gasten aanschouwen: zalige kinderen Gods,
engelen, cherubim en seraphim en aartsengelen. En de aan-
blik zal ons overstelpen. En wij zullen, bijna van vrees
bevangen, bij de gedachte aan wat wij waren, zonder
denken, de laatste plaats kiezen, en ons nederzetten daar-
beneden aan het einde van de groote tafel.
En als dan, de gasten gezeten zijnde, de Bruidegom
binnenkomt, en de rijen langs gaat, en ook ons naderbij
komt, en ons aanziet, dan, uit vreeze, met het oog op ons
verleden, zullen wij nog eens smeeken:
„Heiland! dat de laagste plaats
In dit huis mij zij gegeven!
Nooit heeft iemand zooveel kwaads
Tegen zooveel lichts bedreven!"
Maar des Heeren oog zal vriendelijk zijn, en Zijne stem
vriendelijk. En Hij zal zeggen, Hij, die ons genood heeft:
»Vriend, ga hooger op F
Droom verloren.
je ziel, die, begeerig, niet tevreden is, voor zij een
keizerrijk heeft verkregen, kan verloren gaan;
maar evengoed die kleinere ziel, die God vlak in het
-ocr page 186-
174                              VROOM VERLOREN.
aangezicht ziet, en onderwijl van den kooper een halven
stuiver te veel afneemt op een pond suiker.
De ziel, die geheel zich met geen kerk inlaat, kan ver-
loren gaan; maar evengoed die ziel, die het lidmaatschap
van zijne kerk zoo hoog acht, dat zij het verwart met dat
van de onzichtbare kerk.
De ziel, die de wellusten liefheeft in de gemeene buurt,
kan verloren gaan; maar evengoed die ziel, die, gods-
dienstig wellustig, zich liefst vermaakt in fijne uitspinnin-
gen van teksten uit het Hooglied.
De ziel, die nooit den armen iets geeft in zijne magere
gierigheid, kan verloren gaan; maar evengoed die ziel,
die hare goudstukken uitstrooit zonder liefde, om van de
menschen gezien te worden.
De ziel, die zichtbaar gezwollen is van voor ieder
openbaar wordenden hoogmoed, kan verloren gaan; maar
evengoed die ziel, die liederen zingt uit diepten van ellen-
de, met glanzend zelfbehagen op het afstootend vroom
masker.
Wat kan het den Duivel schelen, of gij op de eene
of op de andere manier hoogmoedig zijt? Wat kan het
den Duivel schelen, of gij op de eene of op de andere
manier gierig zijt? Wat kan het hem schelen, of gij we-
reldsch wellustig of godsdienstig wellustig zijt? Wat kan
het hem schelen, of gij op de eene of op de andere ma-
nier de kerk van Christus haat? En heeft hij niet altijd
getoond, dat hij van een halven stuiver af tot een keizer-
rijk toe u geven wil, als gij maar nedervallende, hem
aanbidt?
Dat is hem alles eender!
-ocr page 187-
DE WAARDE VAN DES BIJBEI,.                     175
Succes.
\\f ij, predikers, moeten goed onderscheid maken
tusschen schijnbaar succes en werkelijk succes.
Zie dit aan Elia.
Zijn schijnbaar succes was op Karmel, toen de Baals-
profeten beschaamd stonden, en toen al het volk hem,
Elia, toejuichte met donderende kelen, en hij geëerd werd
bovenmate als de profeet van den dag, door een volk,
dat straks weer God en hem verliet.
Zijn werkelijk succes lag in de zevenduizend zielen,
die nimmer de knieën voor Baal hadden gebogen, die
gemeente Gods, onder Israël als eenlingen verspreid,
maar door Elia bewaard en behoed ten eeuwigen leven.
Zijn schijnbaar succes zagen allen; zijn werkelijk succes
werd niet opgemerkt.
Laten wij, predikers, zeer getroost wezen met ons wer-
kelijk succes, als de duizend kreten, die hulde roepen,
ons ontbreken.
2>e waaröe van ï>en Bijbel.
en oud moedertje zat voor hare deur, de lage
LLi
deur. Als zij heenzag, voor haar uit, dan zag
zij de gele duinen, golvend in lange lijnen tegen blauwe
lucht; de meeuwen vlogen er over heen, snel weg, maar
keerden altijd weder. En als zij heenzag, tusschen die
-ocr page 188-
SJJL.
JL
176                     DE WAARDE VAN DEN BIJBEL
duinglooiingen door, daarginds, dan zag zij de zee, ook
blauw, met een zilveren zeil, een vroolijk zeil; het glansde
zoo wit; en schuim en spatten vlogen er voor uit.
Een oud moedertje zat voor hare deur, de lage deur.
Daar ginds scheen de zon zoo warm, heel warm, bij de twee
vlinders, die opfladderden, altijd bij elkander, van bloem
tot bloem, het duin over, afdalend aan den anderen kant.
Maar hier in de deur was het koel, en oud moedertje
zat zoo frisch en rustig, de handen gevouwen naast den
Bijbel op haar schoot, het hoofd gebogen, niet lezend,
maar mijmerend.
„O moeder, is dat een boek voor u? te wijs voor u!
gij weet niet wat gij leest," zoo zeide ik lachend.
„Niet?" zei ze, en met haar vinger wijzend, „zou ik
dat niet verstaan: Aangaande de dagen onzer jaren,
daarin zijn zeventig jaren; en zoo wij zeer sterk zijn
tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en
verdriet. Zou ik dat niet verstaan?"
„Neen, moeder, maar het andere van het boek, dat is
te wijs voor u, dat hebt gij nooit verstaan."
„Niet?" zei ze, en zij sloeg de bladen om, langzaam,
lachend in hare oogen, totdat zij het vond: Alzoo lief
heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren
Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem ge-
looft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe. Dat
heb ik al lang verstaan."
„Ja, moeder, — maar dat is van het verledene; van
de toekomst, in dat boek beschreven, verstaat gij niets,
dat is te wijs voor u."
En weer gleden hare vingers, hare kalme vingers, over
de bladen; en vroolijk glansde dat gelaat, met een ander
schijnsel, dan wat van de zon aan het duin afkwam, toen
-ocr page 189-
SL4*
jJL
WAT IS HET EVANGELIE?                       177
zij blijde las: En God zal alle tranen van hunne oogen
afwisschen en de dood zal niet meer zijn; noch rouw,
noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn. „Dat is niet duis-
ter," zei ze, „niet duister om te weten."
En het oud moedertje zat voor hare deur, de lage deur.
En zij zag voor zich uit, over de gele duinen, golvend
in lange lijnen tegen blauwe lucht, waar de meeuwen
gingen en kwamen.
En zij zag de twee vlinders, fladderend boven den
duinrand, dalend naar het dal, als twee plekken zilver
tegen groene helm.
En zij zag voor zich uit, ver, ver over de blauwe
zee met het witte zeil, dat schuim en spatten vlokte voor
zich heen.
En zij lachte vriendelijk tegen dat alles, terwijl zij het
Boek dicht deed, en terwijl zij het vastklemde in vingeren
als die het niet los zouden laten.
Hïïiat is bet Evangelie?
m
at is het Evangelie?
Dit: de blijde boodschap van God uit denhe-
mel aan de menschen op aarde, dat zij in Christus heb-
ben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving
der zonden.
Heerhjker boodschap dan het Evangelie van Christus
heeft de aarde wel nimmer vernomen!
Daar is hier op aarde gepredikt: „Er is een God;" maa
dat wekte angst; want tegenover dien God wasde mensch
9:
ir
12
-ocr page 190-
178                       WAT IS HET EVANGELIE?
niet in het reine; en de mensch antwoordde wanhopend
op die prediking: „Hoe kan ik hem eeren!"
Daar is hier op aarde gepredikt: „Er komt een eeu-
wig leven na den dood;" maar dat wekte vreeze; want
het geweten voorspelde tegelijk, dat het eeuwige leven de
straftijd zijn zou voor onverzoende zonden. En de mensch
antwoordde wanhopend op die prediking: «Hoe kan ik
het begeeren!"
Daar is hier op aarde gepredikt: „Doe goede werken,
en verdien uwen hemel;" maar eene onmacht door gebon-
denheid aan demonische machten deed den mensch voelen,
dat van verdienen door goede werken geen sprake kan
zijn, want dat ook de beste werken met zonde bevlekt
zijn, en dat wij onze schulden nog dagelijks meerder
maken. En de mensch antwoordde wanhopig op die pre-
diking: „Hoe kan ik iets verdienen!"
Daar is hier op aarde gepredikt: „Kom, gij moet goede
hoop hebben op een eeuwig geluk, uwe zonden zijn niet
zoo erge zonden;" maar de taal des eerlijken gewetens
antwoordde: „Mijne zonden zijn wel zonden; hoe kan ik
hopen!"
En daar is hier op aarde gepredikt: „Ongelukkige
mensch, denk niet aan uw jammer; vergeet uw ziele-
leed, en neem de wereld in plaats van den hemel;" maar
de ziel, die nu eenmaal tot God geschapen is, antwoordde
met tranen: „Geen dubbele oogst van most of koren,
vergoedt de smarten van een ziel, voor wie de hemel is
verloren; hoe kan ik vergeten!"
                             #
En het was alles wanhoop en twijfeling, wat die veler-
lei prediking achterliet in de arme zondige menschen-
harten.
Totdat die andere prediking gehoord werd, door het
-ocr page 191-
**P
A*.
si
EENE SUGGESTIE.                               179
Evangelie: „Mensen! uwe zonden zijn vergeven!" Toen
hief de wereld haar hoofd op uit lange hopelooze verdoo-
ving; en zij luisterde, met wijd opene oogen. Dat was het,
waar haar hart naar smachtte: „verzoening en vergiffe-
nis." En zij stond op, en voor het eerst met de glansen
der hope op haar opgeheven stralend aangezicht, riep
zij uit: „Nu heb ik het gevonden, het woord van mijn
troost! Evangelie,gij zijt mijne bhjdste boodschap geweest!"
Eene suggestie.
*Xs er een God?
Vj) Die vraag is gedaan door Mozes, op de rots-
vlakte van Sinaï, toen hij, de eenzame, van dag tot dag
de schapen leidde naar de zijden des bergs, waar het
spaarzamelijk gras wies.
Die vraag is gedaan door den Egyptenaar, toen hij,
zonder antwoord, zijne tempels bouwde in de oasen van
zijn land, en zijne goden aanbad, al bekende de priester,
met het beeld van den sphynx, het zelf niet te weten.
Die vraag is gedaan door den Chaldeër, die opzag
naar de sterren, of ook de sterren het hem konden zeg-
gen ; en hij heeft die vraag dubbel gedaan, toen daar de Jood
in ballingschap hem een antwoord gaf, dat aannemelijk
had kunnen zijn, kwam het niet uit zoo verachtelijken
mond.
Die vraag is gedaan door den Griek, die met schitte-
rende verbeelding zijne blauwe lucht vervulde met go-
dengestalten, welke hij, genie dat hij was, later evenzoo
-ocr page 192-
180                               EENE SUGGESTIE.
verwierp gelijk hij ze gemaakt had, om te eindigen met
zijn altaar aan den onbekenden God.
Die vraag is gedaan door den Romein, die, hij mocht
gelegerd zijn aan de oevers van de Noorderzee, of bij de
de rivieren van Azië, het telkens uitriep: „Wat is waar-
heid?"
Die vraag is gedaan door de Wijzen van het Oosten,
die kwamen op het licht van de ster, en zochten, en
reisden door land en woestijn.
Die vraag is gedaan door den Indiër, die al zijne rijk-
dommen weggaf, om zijn werelddeel door te loopen, met
tot wonden gescheurde voeten, met den bedelstaf in de
hand, of hij den Grooten Onbekende vinden mocht; en
gedaan door de Hindoevrouw, die haar kind, haar eerst-
geborene, aan den Ganges gaf, in de meening, dat in de
zoo uitgestane smart ook gevonden mocht worden wat
zij zocht.
Is er een God?
Die vraag wordt gedaan door den denker onzes tijds,
als hij nederzit met de hand onder het hoofd, in zijne
cel, wanneer zijn geest, verre van het lichaam, uitgaat
naar de grenzen der schepping.
Die vraag wordt gedaan door den koopman, als hij
voor een oogenblik ophoudt met rekenen, en als hij voor
een oogenblik alleen staat op de volle beurs, onwillekeu-
rig, op eens overvallen door de gedachte, die meer dan
elke andere tolvrij is!
Die vraag wordt gedaan door de gastvrouw aan haar
rijken disch, als zij, hoe komt het zoo op eens? —
hare tafel en hare gasten plotseling vergeet, en een
oogenblik in gepeinzen zit, en vergeet te antwoorden op
de scherts van haar buurman.
-ocr page 193-
EENE SUGGESTIE.                               181
Die vraag wordt gedaan door den socialist-redenaar,
als hij, onder rook en geschreeuw van koortsige mannen,
van zijn onderwerp afdwaalt, zijn eigenlijk onderwerp,
hoe aan brood te komen.
Die vraag wordt gedaan door den dronkaard, als hij
daar voortstrompelt over straat, hij, die gedronken heeft,
omdat hij zich ongelukkig voelde, en die zelfs in zijne
benevelde verwarring dat mengt in zijne hortende zinnen.
Die vraag doet zoo menigeen, als zijn dierbaar kind
uitgestrekt ligt om te sterven, aan den dood, die binnen-
komt, alsof die uit Gods oorden kwam, en alsof die het
kon zeggen.
Die vraag doet de arme in de steeg, de gevangene in
de cel, de voddenraper en de straatjongen!
Is er een God?
Evenals eene machtige wolk zich samenpakt en legert
om den kop eens bergs, en hare schaduwen werpt aan
de zijden en aan den voet des bergs, zoo heeft die mach-
tige vraag zich gelegd over het denken der mensch-
heid, met al hare schaduwen en duisternissen.
En nu weet ik wel, dat er iets schoons is en iets god-
delijks in dat zoeken; dat het de diepe uiting is van eene
arme ledige ziel; dat het het uitsteken is van eene hand
uit de diepte naar eene werkelijkheid omhoog; dat het de
trekking is van \'s menschen hart naar dien God, waartoe
het is geschapen!
Maar ik weet ook, dat er iets demonisch fataals in is,
sedert Satanas de arme menschenkinderen fluisterend in
hunne ooren den zeer stelligen zin: „Er is een God!" een-
voudig veranderd heeft in een vragenden zin: „Is er een
God?" eene suggestie van ontzettende, eeuwige gevolgen.
-ocr page 194-
182                                   OPVOEDING.
©ptimisme.
f
Is er in de kerk gepredikt wordt, of als gij het
in uwen Bijbel leest, — dat God met u verzoend
is, en u liefheeft, al zijt gij een zondaar; dat God u al
uwe zonden vergeven heeft, en niet meer toerekent, wat
gij aan Christus te danken hebt, die daartoe stierf; —
och! wees dan niet pessimist, of kwaaddenkend; en zeg
niet: „Dat kan niet waar zijn!"
Maar denk goed, en geen kwaad van uwen God; en
zeg liever: „Dat is waar; God is er goed genoeg toe, en
Christus ook, om mij zoo lief te hebben; ik wil het niet
betwijfelen, het zal wel zoo zijn: Hij heeft mij vergeven."
Want weet gij wel, dat de oorzaak van veler ongeloof
en veler onbekeerlijkheid dikwijls niets anders is dan de
kwaaddenkendheid, waarmede de zonde ons leert te wan-
trouwen al wat ons goeds wordt aangezegd?
Wees optimist, mijn booze vriend! vooral bij hetaan-
hooren der blijde boodschap van Jezus Christus, onzen
Heer! Dat is een optimisme van onberekenbare, eeuwige
gevolgen.
©pvoeötng.
oevele ouders, ook Christenouders, die bij deopvoe-
ding hunne kinderen slechts aansporen, om te
zorgen, dat zij vooruitkomen in de wereld; die hen daar-
toe prikkelen, en die meenen het toppunt van opvoeding
-ocr page 195-
PLATO — MOZES — JEZUS.                     183
bereikt te hebben, als zij kunnen zeggen, dat hunne kin-
deren een post van eer of eene betrekking met geld heb-
ben verkregen. Dan heeft hunne opvoeding haar doel bereikt.
Laat ons deze zeer eenvoudige menschen hunne zeer
eenvoudige wenschen niet misgunnen!
Maar ontegenzeglijk hooger staat toch de opvoedings-
methode van dien vader, die zijnen zoon leert een \\vei-
nigje wereldverachting te hebben, niet al te veel, maar
een weinigje; en die zijnen zoon leert in te zien en te
begeeren de grootheid der zelfverloochening in de dienende
liefde voor die wereld, die hij niet voor zich wil nemen,
maar aan welke hij zich wil geven. En hoog staat die
moeder, die haren zoon zoo gaarne vertelt op moeders
manier van verre landen en volken, en van die groote
zelfverloochenende mannen, welke zendelingen heeten,
zoodat in het jonge hart de begeerte rijpt; „Ik ook, moe-
der! ik wil zulk een groot man worden!" Edele moeder,
die zich daarover verblijdt, al weet zij, dat zij dan eens
met bittere tranen zal moeten afscheid nemen van haar
jongen, dien zij afstaat aan den Heer!
HMato — /lD03es — 3e3us.
&IC \'ato — Mozes — Jezus — wie is de grootste?
Plato had gevonden, dat de zienlijke dingen
de vormen zijn der eeuwige dingen.
Mozes had gevonden, dat de zienlijke dingen de ver-
woeste vormen zijn van de eeuwige dingen.
En Jezus: Hij heeft gevonden, wat het middel was om
-ocr page 196-
184                     IS EE DAN GEEN HELPER?
die verwoeste vormen weer harmonisch aan de eeuwige
typen gelijk te doen zijn!
Plato — Mozes — Jezus — wie is de grootste?
Ss er öan aeen belper?
ft
s er dan geen helper voor haar, de vermoeide
x_s en verdwaalde ziel?
Zij is van zeer verre gekomen, uit weelderige tenten
van Mamre. Daar wuifden de palmen zachte schaduw
op den middag en koelte aan den avond. Daar zat zij
neder aan de deur, de andere maagden om haar heen, in
vroolijke scherts. Daar omringde een overvloed haar van
haars heeren schatten en van haars heeren goedheid. En
is zij toen moeten heengaan met niets dan eene flesch water
en een stuk broods, heengezonden, zooals men eene booze
dienstmaagd wegzendt?
En waarheen is nu hare reize? Weet zij het niet? Zij
dwaalt, en dwaalt, in deze woestijn van Berseba. Vele zijn
reeds hare voetstappen geweest op het wijkende zand, vele
op deheete scherpe steenen; en hare voeten kunnen het niet
dragen. Herwaarts, en derwaarts, een pad is er niet meer.
Hoever moet zij nog gaan? Wat geeft het, dat zij
nederligt, vermoeid en onmachtig ? Zal de rust haar ver-
kwikken ? Straks moet zij weer op, van honger, van dorst.
Totdat, totdat de dood achter de doornen, naar voren
komende, zijne afgrijselijke vraag haar doet, om de zijne te
zijn, en zij, van wanhoop schreeuwende, zijne armen om
zich voelt.
-ocr page 197-
„DE ARBEIDERS ZIJN WEINIGE."                 185
Is er dan geen helper voor haar, de vermoeide en
verdwaalde ziel?
Zeker! En Hij zal straks aankomen als een wervel-
wind; Hij zal nederdalen als een storm. En het zal haar
wezen als eene, die droomt, wanneer zij, de oogen opslaande,
Hem zien zal, schoon als de schoonste der menschen-
kinderen, en machtig als een der goden. En het zal haar
wezen, als ging de woestijn bloeien als eene roos, wanneer
Hij zeggen zal, zich overbuigende om haar in sterke armen
te nemen: „Ik ben uw Helper; Ik heb u liefgehad van
voor de grondlegging der wereld."
,2>e arbeiöers 3ljn weinige,"
at al zielen gaan verloren, bij gebrek aan ar-
beiders!
Zie, daar staat voor het oog van den bouwboer van
akker tot akker zijn oogst in goudgele aren. Prachtige
velden, vol van rijp koren. Genoeg om alle schuren van
zijn hof er mede, te vullen tot boven aan toe. De zon
schijnt goed; en alles loopt mee.
Maar daar zijn geen arbeiders. Daar is gebrek aan
volk. Dag in, dag uit, staat het koren; maar daar wordt
geen hand aan geslagen. Geen sikkel; geen gezang van
maaiers; geen wagens, huiswaarts keerend met zwaarte
van vracht. Korrel voor korrel valt uit de aar. En als
de herfst komt, ligt alles nog evenzoo. Plat geregend;
ten bodem geslagen; verrot. Een verloren oogst!
En de bouwboer, die dan weer daarbij staat, en het
-ocr page 198-
186                                  VOORWAARTS.
aanziet, — hij kan de tranen niet houden; hij houdt zich
het hoofd vast, en rukt zich de haren uit, over zoo groot,
zoo groot een verlies!
En dat: omdat er geen arbeiders waren! Welnu, is het
met den grooten oogst der zielen wel anders gesteld ? Is
er geen reden tot klagen voor den Heer des oogstes:
„De oogst is groot, maar de arbeiders zijn weinige?"
Vreemd: op alle terrein van de wereld is er gebrek
aan werk wegens overvloed van arbeiders; maar in het
koninkrijk der hemelen op aarde is er gebrek aan arbei-
ders bij overvloed van werk!
IDoorwaarts.
jdlH r is nu een tijd aangebroken in ons land, dat de
\\ks zending onder de heidenen steeds meer geld, en
steeds meer personen gaat eischen.
De armee te velde vraagt steeds meer om versterking.
En de republiek der kinderen Gods (ten minste republiek
in de oogen der wereld, die hun Koning niet ziet) zendt
telkens die versterking, aan mannen en aan geld. De
oorlog ginder wordt immers met succes gevoerd.
Evenwel gaat het steeds met meer moeite, om de mid-
delen te vinden. De begrooting wordt maar grooter en
grooter. Tekorten worden iets gansch ordinairs bij alle
genootschappen. En vele Christenen, ik twijfel er niet
aan, zouden gaarne een twaalfjarig bestand nu willen
sluiten. Dat kan haast niet langer zoo voortgaan, met die
zendingbelasting op der vromen kas.
-ocr page 199-
WAT DE ZONDAARS TEEKKEN KAN. 187
Maar wat te doen? Maar wat te doen?
Ach! wij zijn nu met de zending in het stadium van
de Joden voor de groote Roode Zee! Voorwaarts, is
moeilijk! Maar terug, kan toch ook niet! Is er ook een
Godswoord, dat hier licht geeft en zegt, hoe het nu
moet?
Zeker, het Godswoord beveelt luide: „Zeg aan de kin-
deren Israëls, dat zij voorttrekken!"
Mat öe 3onöaars trefcfcen ftan.
at is het, waardoor wij, Christenen, de zon-
daars tot ons zullen trekken? Is het door
geleerdheid ?
Dat is eene groote gave Gods, geleerd te mogen zijn;
eene groote mate verstand te mogen hebben; een scherp
doorzicht, een helder oordeel, eene levendige verbeelding,
een vast geheugen te mogen hebben.
Geleerdheid trekt zeker aan. Maar dit is toch niet,
wat de meeste zondaars aantrekt. Want om geleerdheid
van anderen te waardeeren of te genieten, moet men
toch zelf ook eenigermate geleerd zijn. En de ge-
leerdheid op zichzelve is toch bovendien niet de weg
om geloovig of ongeloovig te worden. De wetenschap
houdt zich slechts op met de zienlijke dingen, en
houdt op als zij aan de grenzen der onzienlijke dingen
komt. En zelfs de eenvoudigste gevoelt, dat daar op die
grenzen een ander orgaan ons te hulp moet komen;
-ocr page 200-
188                WAT DE ZONDAARS TREKKEN KAN.
niet het oog, niet het oor, niet de hand; maar het
geloof.
Wat is geleerdheid bij de schreiende behoeften van
een zondaarshart ?
Ook al heeft de geleerdheid alle bewijzen geleverd,
dat het geloof eene dwaasheid is, dan nog zucht het hart:
„En toch wil ik wel gelooven!"
En ook, al heeft de wetenschap alle bewijzen gele-
verd, zoo het mogelijk ware, dat het geloof eene waarheid
is, dan nog is een zondaarshart niet gewonnen, en zegt
het hardnekkig: „En toch wil ik niet gelooven!"
In den tijd van Voltaire waren er weinige Parijsche
Christenen opgewassen tegen zijn schitterend bijtend ver-
nuft. Maar het schaadde hun eenvoudig geloof niet. AVant
zij voelden, dat zijne wetenschap slechts ging tot aan de
grenzen van het rijk huns geloofs. Al die vuurpijlen van
zijn sprankend ongeloovig vernuft raakten zelfs hun he-
mel niet.
Neen, de wetenschap is het niet, wat op het hart des
zondaars den grootsten invloed uitoefent. Want als de
scharen uitgaan bij duizendtallen, om Johannes den Doo-
per te aanschouwen, in de woestijn bij den Jordaan, wat
gaan zij dan uit om te aanschouwen ? Zijne geleerdheid ?
Een profeet? Neen. Iets anders was het, dat zij in hem
gingen zoeken. Iets anders dan geleerdheid trok hen aan.
Iets anders dan een profeet. Iets meer dan een profeet.
Het was omdat er iets aan hem was, dat zelfs zijne groote
profetische talenten in de schaduw stelde, en dat dieper
in de harten der\' menschen doordrong.
Zij kwamen hooren de voorzegging, de toezegging der
vergiffenis van hunne zonden. En dat trok de duizenden
uit heel het land.
-ocr page 201-
si
jtxt.
ia.
„DIE TOT MIJ KOMT, ZAL IK GEENSZINS UITWERPEN." 189
Laten wij het weten, het zondaarshart zegt ons altijd:
„Gij zult mij kunnen trekken, niet door uwe geleerdheid,
o Christen! maar door de toezegging der vergiffenis van
mijne zonden!"
„2>ie tot mij fcomt, 3al tfe geens3ins uitwerpen."
ie tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen.\'
Maar hoe zal ik tot Jezus komen, ik, die in
afstand zoo ver van Hem af ben; ik, die Hem niet zie ?
Hoe moet ik tot Hem gaan ? Waar zal ik Hem vinden ?
Is Hij in de hemelen? Dat is zeer ver af, en onbereik-
baar voor mij. Is Hij op den troon Gods, zittende ter
Zijner rechterhand? Dat is zoo hoog; en van uit mijne
diepte kan ik tot Hem niet opklimmen; en daar loopt
geen pad over de bergen, en daar gaat geen weg langs
de sterren, dat ik, al hooger, tot Hem zou kunnen
komen. En zou ik durven, door de reien Zijner ho-
velingen heendringen? En zou ik durven, vlak voor
het hemelsche licht gaan staan? Zou ik niet omko-
men? Wie zegt mij, hoe ik mijn Jezus bereik? Want
ook mijn hart wil wel tot Hem. Maar hoe, maar hoe?
Gij, die zoo spreekt, ik zal het u zeggen. Uw komen
tot Jezus is: bidden, vele, vele malen, eiken dag.
Gij broodelooze! zeg niet: „Hoe moet ik tot Jezus
komen? Ik weet niet waar Hij is!" Ga in uwe binnen-
kamer, en buig uwe knieën, en spreek het uit, dat gij
honger hebt, en dat uwe kinderen honger hebben, — en
Hij zal het hooren. Hij is niet verre van u; maar staat
wnr
^TR
-ocr page 202-
190 „DIE TOT MIJ KOMT, ZAL IK GEENSZINS UITWERPEN.
nevens u, als gij bidt. Uw komen tot Jezus is: bidden,
vele, vele malen, eiken dag.
Gij, die uw kranke te huis hebt! zeg niet: „Hoemoet
ik tot Jezus komen? Ik weet niet waar Hij is!" Ga in
uwe binnenkamer, en buig uwe knieën zeer ernstiglijk,
en spreek het uit, dat gij uw kranke genezen wilt zien,
en dat gij het niet hebben kunt, dat hij sterft, — en Hij
zal het hooren. Hij is niet verre van u, maar staat nevens
u, als gij bidt. En gij zult later verbaasd staan, dat Hij
uw gebed heeft verhoord voor heel anders nog dan eene
tijdelijke behoudenis, namelijk voor eene eeuwige gene-
zing. Uw komen tot Jezus is: bidden, vele, vele malen,
eiken dag.
Gij, verloren zoon, met uwe vreeselijke zonde! zeg niet:
„Hoe moet ik tot Jezus komen? Ik weet niet waar Hij
is!" Ga in uwe binnenkamer, en buig uwe knieën, en
spreek het uit, al uwe vreeselijke zonde, — en Hij zal
het hooren. Hij is niet verre van u; maar staat nevens
u, als gij bidt. En gij zult verbaasd staan, dat uwe ge-
heele verlorenheid, die voor u eene reden te meer was
om te komen, voor Hem eene reden te meer is om juist
u te behouden. Uw komen tot Jezus is: bidden, vele,
vele malen, eiken dag.
O! ik wilde, dat het nu weer zoo was, dat het nu nog
zoo was, als toen bij de bergen van Galilea. Ik wilde,
dat er nu weer een algemeen toestroomen was van alle
man, tot Hem, die niet opgehouden heeft der wereld
Heiland te zijn; en dat Jezus nog het groote middelpunt
was van allen, die hulp behoeven in hun nood.
O! laat ik het u zeggen: Gaat toch uit al de oorden
van uw leven, uit al de toestanden van uwe smart, en
stroomt samen, tot Hem, die daar staat, groot, grootsch,
-ocr page 203-
MOZES OP NEBO.                                191
en machtig; vriendelijk, minzaam en zacht; als een God
op aarde gekomen. Uw komen tot Jezus is: bidden, vele,
vele malen, eiken dag. Hij zou u geenszins verstooten.
„Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen!" Zoo
zegt die groote Heer.
ZlDo3es op flkbo.
,ie, op de grenzen van het beloofde land, op den
berg Nebo, staat Mozes, de grijsaard. Hij ziet
uit, ziet uit, over bloeiende vlakten, blauwe bergen, scha-
duwrijke bosschen, zilveren rivieren: dat is het land zijner
begeerte. Honderd en twintig zijn de jaren zijns levens;
en grijs is het haar, dat eerwaardig hem golft over borst
en schouders. Maar onverzwakt ziet zijn oog, dat zieners-
oog, van af dien bergtop over Kanaiins rijken grond. En
onverzwakt steekt hij den krachtigen arm uit naar die
landouwen, het groote doel zijns levens; terwijl onver-
zwakt de oude bede hem, uit de ziele geweld, over
de lippen vloeit: „Jehova! laat mij, laat ook mij daar
binnen gaan !" — Maar eene stem, eene stem van boven
uit den hemel, die hij hoort in de klopping zijns gewe*
tens, de stem der gerechtigheid, die hij wel kent, ant-
woordt: „Gij zult daar niet binnengaan!"
Arm Jodendom! dat in Mozes uw edelste type vondt,
gij ook moogt, als Mozes, niet binnengaan in der Nieuwe
Bedeeling zaligheden, om uwer ongehoorzaamheid wil!
Hij sloeg den rotssteen, waar het water uit welde, dat
het volk redde van den dood van den dorst, den edelen
-ocr page 204-
*
192                             HEMELBESTORMERS.
rotssteen, uit moedwil, en uit ongeloof, als bij de ge-
dachte: „Kan uit een steen des volks behoudenis voort-
wellen?"
En gij, Israël! sloegt den Menschenzoon, waar der wereld
behoudenis uit sproot, den edelen Menschenzoon, uit moed-
wil en uit ongeloof, als bij de gedachte: „Kan uitNaza-
reth iets goeds voortkomen, en kan die dienstknechts-
gestalte Israël\'s Messias wel wezen?"
En daarom, evenals Mozes zijn beloofd land slechts
zien mocht zonder binnen te gaan, moogt gij der wereld
zaligheid nu slechts aanschouwen, zonder er deel aan te
hebben.
Arm Jodendom! levende in ons midden, overal om-
vangen door de armen der Christelijke kerk; levende
als op den rand der zaligheid, en toch daarbuiten; levende
nog altijd op de grenzen van het beloofde land: wij bid-
ben, wij bidden om uw vrede, den vrede van Jeruzalem!
Ibemelbestormers.
jTr-j oe is het toch over ons gekomen, dat ongeloof,
\\(J sedert wij een kind waren?
Ach! zoo is het gekomen!
Leermeesters hebben ons geleerd, dat wat wij altijd als
kind den hemel noemden, niets is dan het luchtruim, dat
zich boven ons uitstrekt tien kilometers lang, en dat
daarachter de oneindige ruimte zich uitstrekt van ster tot
ster. En wat bleef er zoo langzamerhand over van den
hemel, zooah het kinderlijk geloof zich dien gedroomd
______________________________________________*
sj-y—                                                                                        —"vb;
-ocr page 205-
HEMELBESTORMERS.                             193
en verbeeld had, en bevolkt had in dichterlijke fantazie ?
Leermeesters, en ook predikers, hadden ons geleerd,
dat, dewijl er heden geen wonderen meer gebeuren, vroe-
ger ook geen wonderen zijn geschied. En zoo gingen
voor ons wegvallen al die heerlijke geschiedenissen uit
het Oude Testament; en zij traden voor ons terug in een
duister rijk van sagen en legenden, al die mannen en
vrouwen, die wij eerbiediglijk hadden aangestaard.
In boeken hadden wij gelezen, dat de Bijbel niet was,
wat de Bijbel van zich beweerde, namelijk: een boek van
goddelijken oorsprong, van Gods Geest gedicht. Dat was
een strijd van vele boeken tegen het éénc Boek; van
jongere boeken tegen het oudste Boek; en wij namen er
kennis van; en de waarde van den Bijbel daalde aanmer-
kelijk, en onze eerbied voor den Bijbel tegelijk.
Met vrienden hadden wij omgegaan; en met nieuwe
vrienden maakten wij kennis, ook onder de predikers;
niet waar? die in hunne gesprekken ons mededeelden, dat
de Christus des geloofs moest teruggebracht worden tot
den Jezus der historie; dat van Zijn wonderbaren persoon
moest afgedaan worden juist dat wonderlijke; dat van Zijne
levensgeschiedenis moest afgedaan worden Zijn hemel-
vaart, Zijne opstanding, Zijne wonderdaden, Zijne wónder-
geboorte ; en dat wij dan overhielden den werkelijken Jezus,
zooals Hij geweest was. En wij geloofden de vrienden.
En zoo is het over ons gekomen, dat ongeloof, sedert
wij mannen zijn geworden. En terwijl wij ons met het ver-
stand daarbij groot deden, met het gevoel ware hemel-
bestormers te zijn geweest, zeide toch eene diepere weemoe-
dige klacht daarbinnen in ons hart, trots vrienden, mees-
ters en boeken, dat wij eigenlijk bestormers van eigen
zieleleven en eigen zielsgeluk waren geweest.
13
-ocr page 206-
194 ONGELOOF EENE ZAAK VAN OVERHAASTING.
Ongeloof eene 3aaft van overbaasting.
Jff^jie overgang van het kinderlijk geloof tot het te-
CaT genwoordige populaire ongeloof — is dat bij sommi-
gen niet wat te snel gegaan, en met overhaasting geschied ?
Eén gesprek met een ongeloovig vriend was soms
reeds genoeg om het oude geloof bij u weg te nemen,
en u te doen overslaan. Was uw oude geloof u zoo wei-
nig waard, dat gij na één gesprek u gehaast hebt, het
overboord te werpen als ballast, u hinderlijk op het
verdere van de levensreize?
Eén boek was soms reeds genoeg om u te doen geloo-
ven, dat de mensen voortkwam uit eene geregelde en ge-
leidelijke dierontwikkeling, en om te laten varen het oude
geloof, dat de mensch door zijn God geschapen was, van
Gods geslacht is. Was dan, vraag ik u, was er dan zoo
weinig adellijk gevoel in u, dat er maar één stoot toe noo-
dig was, om u dien goddelijken adeldom te doen ver-
werpen, zoodat gij met eigen hand uwe oude brieven
gingt verscheuren, en het wapenbord afrukte vóór aan
de poort?
Eén los gezegde, een spot, dien gij hoordet, was dik-
wijls reeds genoeg, om den ouden eerbied voor den Bijbel
te laten varen, en dat boek te stellen minder en lager
dan zooveel andere boeken, die hun ontstaan hadden te
te danken aan bepaald onzedelijke schrijvers. Was dat
niet wat snel? Die Bijbel heeft de schrijvers van alle
eeuwen getrotseerd, en zal er zijn, als al uwe mooie ro-
mans met wijsgeerige of onzedelijke strekking geen aftrek
meer vinden op de markt.
-ocr page 207-
ONGELOOF EENE ZAAK VAX OVERHAASTING. 195
En zoo is ook wat spoedig de Christus des geloofs
teruggebracht tot den Jezus der historie, alsof er onder-
scheid was tusschen die twee! Eén levensbeschrijving
van Jezus, door een Renan, was voldoende om u te doen
zeggen, nog eer het werk verschenen was : „Wij gelooven
niet meer in den Christus, den Godszoon!" of u zulks
te doen zeggen, enkel reeds op het gerucht van zulk
boek, ook zonder lezen!
En toen de hemel voor u ging wegvallen, geschiedde
dat ook niet te voorbarig, te snel en te overhaast? Zóó
worden die hemelen maar niet opgerold als een doek
of weggeschoven als eene gordijn! De hemel, zooals het
oude geloof zich dien had gedacht, namelijk, als de plaats
of de toestand van een leven, als dit leven ten einde
is gebracht; de hemel, gebouwd op de verwachtingen en
op de diepste behoeften van eene menschelijkeziel, namelijk,
als een leven onder betere omstandigheden dan hier ons
deel zijn; de hemel, waarnaar de ziel toch weer uitgaat
met ongeduldig verlangen, en waar zij hare handen naar
uitstrekt in hare beste oogenblikken, — hebt gij dien
prijs gegeven als een niets, en maar overgegeven als een
onnut ding zonder slag of stoot? Hoe hebt gij het kun-
nen doen, o wettig erfgenaam ! uwe groote erfenis maar
overgeven zonder twist en zonder proces?
Is aldus die overgang van het kinderlijk geloof tot het
populaire ongeloof bij sommigen niet wat te snel gegaan,
en met overhaasting geschied?
Overdoen! mijne vrienden! overdoen dat heele vlugg
proces van uw ongeloof. Misschien, dat bij langzamer
behandeling van uwe rekensom, gij nog een heel ander
eindcijfer krijgt, en er nog een credit blijft, een credo,
in plaats van een debet.
-ocr page 208-
196 .                 DE VREES DES BELIJDERS.
2>e vrees öes belijbers.
Sh
■A
oen de Heere Jezus aan den vooravond van zijn
vtay sterven met Zijne discipelen Zijn laatsten maaltijd
gebruikte, toen heeft Hij in dat gebed, dat Hij toen uit-
sprak, eene bede gedaan voor Zijne discipelen, die ik nim-
mer vergeten wil. Het was deze bede, deze sterke bede,
die bijna als geen gebed, maar veelmeer als een bevel
klonk: „ Vader, ik wil, dat ivaar ik ben, ook die bij mij
xijn, die Gij Diij gegeven hebt."
Welaan, ik heb deswege goede boodschap voor u, die
in uwe plechtige belijdenisure u in waarachtigheid aan
Hem overgegeven hebt om ook Zijn discipel te zijn:
Jezus wil, dat waar Hij is, ook gij bij Hem zijt; vrees
dus geenszins!
Zie, als daar op uw levensweg morgen de zonde tot u
nadert, de zonde in haar altijd verleidelijk schoon kleed,
— want het andere kleed, dat daaronder is, toont zij eerst
later, — als zij u aftrekken wil van uw rechtschapen
wandel, en aftrekken wil van uwe reinheid; als zij u de
wereld toont met blinkende kleuren, en u toefluistert: „Al
deze dingen zal ik u geven, als gij nedervallende mij
aanbidt;" en als gij, door uw natuurlijk hart, overneigende,
overhellende, misschien reeds haar in de oogen ziet met
begeerte, en misschien reeds uwe hand in de hare legt,
en met overgave zegt: „Het is goed, neem mij !" — dan, —
Jezus is getrouw, — dan zal Hij in dien oogenblik bij u
zijn; en Hij zal Zijne hand op uwen schouder leggen, en
Hij zal zijn recht op u doen gelden, en Plij zal met het
aangezicht naar den troon Gods zeggen: „Vader! ik wil,
-ocr page 209-
DE VREES DES BELIJDERS.                         197
dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gege-
ven hebt." En het zal alzoo wezen. Vrees dus geenszins!
Zie, als daar op uw levensweg morgen uw kostbaar
geloof eens aan het wankelen gaat, dat gij zoo plechtig
beleden hebt; als dat geloof eens ondermijnd wordt,
ondermijnd door zorgen, beproevingen, tegenspoeden,
krankheden, en bekommernissen van allerlei aard; on-
dermijnd wordt door leeringen, die uw oor bereiken, en
dieper dan het oor, uw hart bereiken; ondermijnd wordt
door eer. boek, dat gij leest, of door menschen, door
vrienden, die u uitlachen; ondermijnd wordt door ervarin-
gen, die in strijd zijn met den Bijbel, dien gij dagelijks
laast; als ten slotte de Booze de gedaante neemt van den
wijze, den wijze, die, met alle wetenschap verdraaid op zijne
hand, waardiglijk u toespreekt: „wees ook wijs, en zweer
dat oude geloof verstandiglijk af, zooals wij, wijzen!" en
als gij dan tegelijk bemerkt, dat bijna alle menschen
anders gelooven dan gij, dat gij zoo eenzaam staat; en
gij, reeds overneigende, overhellende, het kruis des ge-
loof s wilt afwerpen, en breken wilt, breken wilt met uwe
jeugd des geloofs, en met het geloof uwer jeugd; —
dan, — Jezus is getrouw, — dan zal Hij in dien oogen-
blik bij u zijn; en Hij zal Zijne hand op uwe schouders
leggen; en Hij zal Zijn recht op u doen gelden, en Hij
zal met het aangezicht naar den troon Gods zeggen:
„Vader, ik wil, dat waar ik ben, ook die bij mij zijn, die
Gij mij gegeven hebt." En het zal alzoo wezen. Vrees
dus geenszins!
Zie, als daar op uw levensweg morgen de dood nadert,
die onnatuurlijke dood; wanneer het u zijn zal, als gingt
gij in een dal van steenrotsen en spelonken, en als moest
gij door eene van die spelonken die duislere groeve in,
-ocr page 210-
198                                    OUDERDOM.
en, nog dieper, dien afgrond der verschrikkingen in;
als na die doorgestane smart en pijn, gij verplaatst zijt
in den oordeelsdag, voor den troon des gerichts; en daar
de Rechter van levenden en dooden, de allerrechtvaar-
digste Rechter, alle getuigen tegen u oproept; en de eerste
getuige, de wereld, opstaat, en zegt: „Hij heeft mij ook
gediend;" en de tweede getuige opstaat, de Booze, en
zegt: „Hij heeft zich aan mij ook wel overgegeven;" en
de derde getuige opstaat, de Engel, die al uwe kwade
werken heeft opgeteekend, en zijn boek ontzegelt, en te
lezen begint; en de vierde getuige opstaat, uw eigen u
veroordeelend hart, dat op dat alles een bevestigend, ja!
moet spreken; en als gij nauwelijks, den laatsten moed te
zamen vattend, durft stamelen: „En toch, o Heere, heb
ik in Jezus geloofd en op Hem vertrouwd!" — dan,—
Jezus is getrouw, — dan zal Hij in dien oogenblik op-
staan van Zijnen troon; en Hij zal Zijne hand op uwe
schouders leggen, en Hij zal met het aangezicht naar den
troon Gods zeggen: „Vader, ik wil, dat waar ik ben,
ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt." En het
zal alzoo wezen. Vrees dus geenszins!
©uöeröom.
•
at is de ouderdom?
Is het de vreeze voor den Jongeling, die daar
nadert, om de levenstoorts tegen den grond te stooten
en uit te blusschen onder den voet?
Is het een naderbij komen aan het verre, verre Nirvana?
-ocr page 211-
KEBSTDAG.                                     199
Is het een nederdalen tot de schimmen der onderwereld,
waar niemand Gods lof zingt?
Is het het uitdrogen van de bron, en het laatste ver-
vloeien van zijn uitgeweid water in mul woestijnzand?
Is het het stilstaan, het stilstaan van het uurwerk ein-
delijk, waar de slinger, van den gang, nog voortgaat eenige
slagen te doen, naar rechts en links, al kleiner?
Ja, de ouderdom kan dat alles wel wezen.
Maar hij kan ook wezen de laatste heldhaftige strijd
ter losmaking van de banden eener ellendige wereld; hij
kan ook wezen het laatste wegdrijven der laatste wolken
aan de verhelderde lucht; hij kan ook wezen het laatste
verdwijnen van de laatste duisternissen bij den opgaanden
dageraad; hij kan ook wezen de laatste voetstappen bij
de bergbeklimming, daarboven bij den top.
Ikerstöag.
Is gij komt, o Kerstdag! dan is het weer feest
xu op heel de aarde.
Bij de kribbe van het wonderbaar kind, te Bethlehem,
waar het in ligt, in doeken gewonden, is dan de gansche
Christelijke wereld vergaderd in den geest.
De grooten der aarde, de koningen en vorsten, zij
leggen voor een oogenblik hunne grootheid af, om eerbie-
dig te staan, vol gepeinzen, bij dat kind, nog grooter
koning dan zij.
De wijzen der aarde, zij staken voor eene wijle hunne
verre onderzoekingstochten op het gebied der wetenschap,
-ocr page 212-
Slj*^______________________________________________________uJLOL
*i
200                                     KERSTDAG.
en keeren vol gedachten terug tot het grootste vraagstuk
van alle onderzoek, dat kind, nog grooter wijze dan zij.
De rijken der aarde, zij vergeten voor een oogenblik
hun eigen rijkdom en schat, om met verbaasde oogen te
staren op die kribbe, waarin de grootste schat ligt, hier
ooit op de wereld vertoond; en enkelen hunner brengen
zelfs wierook, en mirre, en goud.
De armen der aarde vergeten voor een oogenblik hunne
armoede, en zorg en harden arbeid, en komen aangeloopen
uit hunne hoeken en holen, om zich te scharen in den
breeden kring, vol verwondering, vol verwachting, vol
verzekerdheid, dat hier voor hen eene bron gaat vloeien
van meer dan werkelijk brood en overvloed en rust.
De kranken op aarde, eene groote schare, blinden en
melaatschen, en veel anderen, volgenden grooten stroom;
en liggende, leunende, gedragen of staande, verbreeden
den kring in dubbele reien, met de oogen zoo smeekend
op de kribbe gevestigd, alsof die oogen zeggen wilden:
„Zoo Hij wilde, Hij kon ons genezen."
Ook de ellendigen, de moordenaars, de gevangenen
uit de cel, zij dringen aan en heffen de ketenen op aan
hunne handen, die toonende aan dat kind met klagelijken
mond: „Verbreek, verbreek nu onze boeien!"
En zelfs de heidenen, in duisternis gezeten en in scha-
duwe des doods, half onbewust, half gedreven van eene
inwendige aandrift, keeren hunne aangezichten uit hunne
donkerheid naar dat wonderlijk licht, dat opgaat in de
verte, en welks schijnsel is als de dageraad aan den
horizon.
Eene schare, meer dan honderdduizenden, de duizenden
verdubbeld, schaart zich vol gedachten en met eerbied
in den geest rondom dat wonderbaar kind; allen met
A                                                                                                                                                                          f*
-ocr page 213-
KERSTDAG.                                    201
hunne eigene gevoelens van hoop en vrees, van geloof en
van twijfel, van onderzoek en uitkomst, van tevredenheid
en voldoening, van blijdschap en zalige verrukking; en
velen, velen, die dat kindeken zegenen, zegenen met het
gansche hart.
Van de grootste tempels in de steden, tot de kleinste
kapellen aan de meeren tusschen de bergen, in de duizend
kerken der aarde, waar maar eene spits ten hemel wijst,
rijst gezang ten hooge. Dat gezang dreunt door de bogen
van den op zuilen staanden dom, van machtige scharen
aangeheven. Dat gezang klinkt zacht uit den mond der
weinigen, waar het landelijk vlek zich vergadert in het
stille gebouw. Op de bergen, waar de eenzame hut is
gebouwd; in de vlakten, waar de arme boeren samen-
komen in de kleine ruimte; op de schepen, die de zee
bevaren; overal, vroolijk, vroolijk gezang den Heere!
En zelfs uit het sombere ziekenvertrek, in de nauwe
achterbuurt der steden, zingt de zieke, met blijde schit-
terende oogen, met zwakke stem, het kind van Bethlehem!
Ja, waarlijk, als gij komt, o Kerstdag! dan is het weer
feest op heel de aarde! En grootsch is het, te mogen
weten, dat dan van alle menschelijke gedachten, de kribbe
van Bethlehem het middelpunt is.
Ook wij, Heere Jezus! wij komen tot Uwe kribbe
aangeloopen: met ons hopen, en ons vreezen, met ons
twijfelen en met ons gelooven, met ons verdorven en
met ons gereinigd gemoed; en wij brengen U eere en
aanbidding en lof. O Kindeken! lach vriendelijk, en
straal vriendelijk ons toe! wees ook ons een Heiland!
Daar is geen andere Verlosser!
-ocr page 214-
202                    AAN DE HAND VAN JEZUS.
San ^e banö van 5e3us.
»:
m
at is een machtig gevoel, dat de Christus opwekt
in het hart van Zijn discipel, als Hij zegt: „Zie,
Ik ben met u !"
Evenals de reiziger in de duistere wildernis, die eerst
wel beangst is geweest met duizend vreezen, onver-
wachts een metgezel gevonden heeft, die blijkt een
machtig bondgenoot voor hem \' te wezen, — zoo voelt
ook de Christen, in de ure, dat Jezus zich aan hem ont-
dekt als zijn Heiland, dat hij een sterken bondgenoot
gewonnen heeft voor al zijn leven. Op de zeer duistere
plaatsen in het bosch, — spreekt deze vreemdeling met
hem; en Zijn wonderlijk spreken verdrijft al de angsten.
Bij den afgrond, waar de weg zeer smal is, — houdt
deze vreemdeling zijne hand vast, opdat zijne voeten niet
afglijden; en de diepte baart hem geen schrik meer met
de geluiden uit den afgrond. En straks, als de moorde-
naars komen, — dekt deze vreemdeling hem met Zijn
lichaam, en toont Hij zich een bondgenoot, machtiger
dan de dood. En de Christenreizigcr heeft onder het
zalig gevoel dezer zekerheid maar ééne gedachte: „Wat
beweegt Dezen, om zich mijner te ontfermen, indien het
niet Zijne liefde is?"
Uwe hand, Heere Jezus! zullen wij nimmermeer losla-
ten! wij zouden de reize niet kunnen maken!
-ocr page 215-
„JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN. 203
IDrienöscbap.
j¥r\\ oe dikwijls worden wij niet door menschen ge-
V2) troost, door menschen, van God afgezonden.
Wat is een goed vriend niet waard! Hoeveel kracht
hebben wij niet dikwijls geput uit het woord, of uit het
oog van onzen naaste, die ons vriendelijk gezind was!
Wij wilden reeds den staf uit de hand laten vallen, —
maar een goed woord door onzen vriend ter rechter tijd
tot den moede gesproken, deed ons weer opstaan en ver-
der reizen!
God geve u, mijn broeder! vele goede en ware vrien-
den om naast u te loopen op den weg uwer vrcemde-
lingschap; en zoo het er niet vele mogen zijn, dan ten
minste één vriend.
Ook dat is genade op uw levenspad. En als gij er dan
een gevonden hebt, houd dan goede trouw aan hem!
,3e3«s, öe rëa3arener, oe honing oer 3ooen,"
rMezus, de Nazarener, de koning der Joden." Die
*-<jJ woorden boven den Gekruisigde, door de Joodsche
natie Hem als spottitel toegedacht, is als eeretitel door
de Christenheid van alle eeuwen voor Jezus aangenomen,
en zal nog eens als eeretitel Hem gegeven worden door
de Joodsche natie zelve, als zij, de Joden, aan het eind
der eeuwen bekeerd, hunne lippen zullen plooien, om ook
-ocr page 216-
204 „JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN.
juichend en met geloof te roepen: „Jezus Messias, Hij
is onze koning!"
„Jezus, de Nazarener, de koning der Joden." Waar-
lijk, zal het nog eens zoo zijn ? Waarlijk, zal het nog eens
zoo komen ? Zal dat volk nog eens den Gekruisigde eeren
en Hem aanbidden en liefhebben, als het beste en hoogste
offer, dat ooit te Jeruzalem is geslacht? Zal dat volk
werkelijk nog eens leeren buigen, en zich gewonnen geven
onder den scepter van Jezus, en ook Hem dienen, als
den besten koning, die ooit voor dat volk door God is
bestemd? Zal het mogelijk zijn, dat die spottitel boven
Zijn hoofd aan het kruis ook door hen als een eeretitel
wordt begroet en juichend aangeheven?
Maar — zij zijn immers zulk een verhard geslacht!
Achttien eeuwen zijn er sedert reeds voorbijgegaan, en
nog heeft dat volk in Jezus nooit iets anders gezien dan
wat het op dien dag op Hoofdschcdelplaats in Hem zag:
een bedrieger, een lasteraar, een van den Booze bezetene.
Achttien eeuwen zijn er sedert voorbijgegaan, en nog
heeft dat volk zich niet eens geschaamd over eene wan-
daad, waarvan de geschiedenis geen wedergade heeft; en
veel minder heeft het berouw gehad over zijne eigene
schande, wat alle natiën het als eene schande hebben toe-
gerekend.
Het is immers zulk een verhard geslacht. Nog komt die
oude wrok weer boven in hun hart, alsof het hun in het
bloed is gaan zitten, Avanneer zij maar den naam van
Jezus hooren noemen; en veeleer dan dat hunne lippen
maar met eenige bewondering Zijn naam zouden uitspre-
ken, vloeken die lippen Hem nog, en spuwen zij, als her-
haalden zij nog, wat zij op dien dag tegen Jezus aan het
kruis hebben gedaan. Zou het ooit mogelijk zijn, dat door
-ocr page 217-
„JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN. 205
zoo verhard volk, die spottitel boven Jezus\' hoofd aan
het kruis nog als een eeretitel zal worden begroet en
juichend aangeheven ?
En dan — zij zijn immers ook een van God, juist om
die schanddaad, gestraft en gevloekt geslacht! De toorn
Gods is over hen gekomen, en die toorn duurt reeds
achttien eeuwen, en die toorn zal immers nog voortdu-
ren ! Omdat zij, na de dienstknechten gesteenigd te heb-
ben, ten laatste ook den Zoon gedood hebben, daarom
heeft God immers die doodslagers vernield en den wijn-
gaard aan anderen gegeven. Jeruzalem is verwoest, en
van den tempel is geen steen op den anderen gebleven.
En zooals Kaix, de doodslager, verdreven, en zwervende
over de aarde van plaats tot plaats, draagt dat volk het
merkteeken zijner schuld aan zijn voorhoofd; en is het
balling, verachte balling, overal onder de volken der
aarde. Zou voor dat volk, dat zoo vreeselijk gestraft wordt,
en dat onder die straf maar niet sterven kan, zou voor
dat volk nog eens eene ontheffing der straf kunnen aan-
breken, en eene vergiffenis en eene genade, en zou het
mogelijk zijn, dat ook door dat zoo onder den toorn rus-
tende volk die spottitel boven Jezus\' hoofd aan het kruis
nog als een eeretitel zal worden begroet en juichend aan-
geheven ?
Zeker, het zal geschieden tot meerdere eere van Jezus.
Zijne eere zal volkomen zijn; en Hij, die reeds aangebeden
wordt door al de geslachten der aarde in steeds meerdere
mate, Hij zal ook door het laatste volk aangebeden wor-
den als Heiland en Zaligmaker der zielen. En ook dat
Israël zal niet achterblijven, al zal het lang achterblijven,
en al zal het eerst komen in de achterste rijen. Eenmaal, als
de volheid der heidenen zal ingegaan zijn, dan zal ook gansch
-ocr page 218-
206 „JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN."
Israël zalig worden. Eenmaal, als het getal Christenen op
aarde zoo groot zal zijn, dat het voor Israël schijnen zal,
als stond het geheel alléén; als het zijne eenzaamheid en
verlatenheid voorgoed zal gaan voelen, te midden van al de
andere natiën, die rijk gezegend om hem heen wonen;
zoodat het, als Ezau zal gaan roepen: „Mijn Vader! hebt
gij dan gansch geen zegen meer voor mij, mijn Vader?"; als
het zal gaan zeggen: „De gansche aarde rondom is vol van
den dauw, en ik ben dor en droog als het vlies van Gi-
deon!" als het, bij het ontwaken van een lang slapend
geweten, iets van angst zal gaan voelen en van schaamte
en van berouw over zoo lange verharding; en als zij, de Jo-
den, de een tot den ander, zullen zeggen, zooals de broeders
van Jozef zeiden, de een tot den ander: „Voorwaar, wij
zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid dei-
ziele wij zagen aan het kruis, toen hij ons om genade
bad, maar wij hoorden niet! daarom is deze benauwd-
heid over ons gekomen!" Dan, zeg ik, als eindelijk hun
steenhard hart zal verbroken wezen, en hun trotsch gemoed
zal verslagen zijn, en voor het eerst de belijdenis hun
over de weerbarstige lippen zal komen: „Wee ons! het
was onze koning, dien wij kruisigden!" en als zij ook,
zooals ieder ander zondaar, zullen buigen in het stof voor
dat kruis, en roepen om genade, — dan, dan zal met de
verharding ook de vloek van hen wijken, en er zal weder-
aanneming zijn, en vergiffenis, en volkomen genezing. En
dan zal de Vader in de hemelen zeggen tot Israël, Zijn
eerstgeborene: „Mijn verloren zoon! Ik kus u, als een
teeken der verzoening; mijn kind, wat zijt gij lang weg-
gebleven in den vreemde! Ik heb u met smart verwacht!
Mijn kind! wat moet gij geleden hebben in de balling-
schap ! Maar nu zal uwe smart over zijn. Richt aan, richt
-ocr page 219-
„JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN." 207
het maal aan, mijne dienaren! Maakt vreugde, want deze,
mijn oudste zoon, die zoo lang niet heeft willen binnen-
komen, om feest te vieren met zijn jongsten broeder, is
eindelijk ook binnengekomen; juicht mijne dienaren! juicht,
gij hemelen, juicht!"
Zeker, datzelfde volk, dat op Hoofdschedelplaats zich
ergerde met eenc duivelsche ergernis, omdat een heiden
Jezus hun koning dorst noemen, datzelfde volk zal zelf
nog eens, bekeerd, tot in zijne nieren bekeerd, zijne banier
opheffen, ten aanschouwe van den hemel en de aarde; en in
die banier zal het zelf vrijwillig geschreven hebben:
„Jezus, de Nazaretier, de koning der Joden."
En in mijne gedachten zie ik reeds de verre tijden na-
derbij gekomen, van een nieuw opgericht koninkrijk in
Israël. De Joden, zij zijn toegestroomd naar Jeruzalem,
uit alle oorden van de wereld. Ik zie Jeruzalem herbouwd
als eene koningsstad, en de velden bebouwd, bedektmetkud-
den rondom. Ik zie den tempel herrezen, zonder voorhof, of
afscheiding van het Heilige of van het Heilige der Heiligen,
een nieuwen tempel. En dan in dien tempel: een troon. En
op dien troon: den Nazarener. Daar naderen eerwaar-
dige mannen, eerbiedig: de nieuwe leden van den nieuwen
Raad; zij vallen voor Hem neer, zij zeggen: „Heere!
Gij zijt onze koning, wij bieden U onze onderwerping
aan!" — Daar naderen weer andere mannen, ook eer-
waardige mannen; de nieuwe priesters in den nieuwen
tempel; en zij doen de altaren rooken, geen schuldoffers
meer, maar dankoffers alleen; en zij zeggen : „Deze lof offers
en dankoffers zijn voor U, o onze koning! eeuwiglijk!" En
de nieuwe Levieten \'naderen, en zingen hunne nieuwe psal-
men, die weergalmen door den tempel, en zij zeggen: „AVij
zingen Uw lof, o koning! eeuwiglijk!" En het volk van
-ocr page 220-
208 „JEZUS, DE NAZARENER, DE KONING DER JODEN."
buiten stroomt binnen, altemaal Abrahams kinderen en
Jakobs zaad; en als zij neervallen met blijde aangezich-
ten om te aanbidden, en smeeken, en zeggen: «Wij zijn
gekomen om Uwen zegen, o koning!" dan staat de Na-
zarener op, op Zijn troon, en Hij spreekt: „Heden heeft
de Heere Mij den troon van Mijn vader David gegeven,
en gij zult Mijn volk zijn, en Ik zal uw koning Messias
zijn eeuwiglijk." En als het volk opstaat uit zijne aanbid-
dende houding, en Hem aanziet, den genadevolle, den
schoone, den machtige, dan weerhoudt het den ingehou-
den jubelkreet niet langer, en uit duizend Jodenmonden
weerklinkt het Hozanna, het Hozanna, weerkaatst en
voortgeplant door de stemmen der Joden daarbuiten, en
weggalmend over diezelfde stad, en over diezelfde plaats,
waar eens een vroeger Jodenvolk zich geërgerd had, om-
dat een Pilatus spottend boven zijn kruis had laten
vastnagelen het opschrift: „Jezus, de Nazarener, de ko-
ning der Joden."
Mocht die tijd spoedig aanstaande zijn! Jezus\' eere
zal volkomen zijn! Alle volk, ook Israël dat Hem krui-
sigde, zal Hem als koning uitroepen, als Hij wederkomt,
op de wolken! Kom, Heere Jezus! Gij, die hier aan een
veracht kruis hebt gehangen! kom, en bestijg Uwen
troon, dien de aarde U schuldig is, en geven moet, en
geven zal!
-ocr page 221-
HALVE OFFERANDEN.                           209
S)e ossen en scbapen van amaleft.
,a heen, Saul! en sla Amalek, en verban alles
§)J7 wat hij heeft, en dood hen, tot de ossen en scha-
pen toe!" zoo had de Heere door Samuël gesproken.
En de Amalekieten sloeg hij, maar de ossen en de schapen
behield hij, en hield hij achter.
En toen Samuël tot hem kwam, trad hij hem te gemoet,
als met vrijmoedigheid, met de woorden: „Ik heb des
Heeren woord gedaan."
„Neen, Saul, dat hebt gij niet; gij hebt het halve woord
des Heeren gedaan. Wat is dat voor eene stem der scha-
pen in mijne ooren, en eene stem der runderen, die ik hoor ?"
De schapen en runderen hadden hem verraden. —
Ach, mijn medezondaar! zoo zult ook gij uwe zonden
niet kunnen bedekken voor den Heere! Daar is niets ver-
raderlijkers dan uwe zonden. Zij vleien u, en lachen met
u, en gaan met u mede, maar verraden u in het vreese-
lijkste oogenblik, en worden uwe luidste aanklagers, naar
mate zij geheimer zijn geweest. Wee! uwe geheime zon-
den zullen luidkeels roepen tot den Heere als de schapen
en ossen van Amalek!
flMve offeranöen.
(Klxj ij lezen in de Schrift, dat die in Israël eene of-
\\Jg)^- ferande wilde doen, alleen komen mocht met
eene volkomene offerande, waaraan geen gebrek was.
14
-ocr page 222-
210                           GEHEELE OVERGAVE.
Zoudt gij meenen, dat het in het Nieuwe Verbond
anders geworden is, en dat de Heere tevreden zou zijn
met de offeranden van uw halve hart?
Neen, die van God genade avü ontvangen voor zijne
ziel, geve met eene geheele overgave Zijne ziel in Gods
hand; anders heeft hij niets lofwaardigs gedaan.
God kent geen halve offeranden, evenmin als Hij halve
genade of halve vergiffenis kent.
(Bebeele overgave.
jcilH ene vreemde zaak is het, om tot God met sommige
^&f^ gebreken te gaan, zonder al de gebreken Hem te
belijden.
„Zie, Heere!" zoo zeggen de zoodanigen, „ik belijdU
mijn leugenachtigen aard, mijn ongeloovig karakter, mijn
diefstal, mijn hoogmoed; o, ik belijd ze met tranen; zend
mij de verzekering van de vergeving mijner zonden!"
Maar zij zeggen er niet bij: de andere zonde, die zij even-
zeer moesten belijden, ja, welker bekentenis veel meer
blijk zou geven van de oprechtheid huns berouws.
Zou God geen recht hebben, om hun te antwoorden:
„O mensch! Ik zie uw berouw in deze dingen, die gij
belijdt; maar gij belijdt mij niet dat andere, dat gij uwen
broeder nog haat in stilte, en dat andere, gij weet zeer
wel, wat Ik bedoel. Doe eerst afstand van deze zaak, —
dan zal Ik uw hart blijdschap geven, en uw klagen zal
Ik veranderen in gejuich."
Kan God u wel in zulk een geval in de ruimte *stel-
-ocr page 223-
Jt^L
*J.
A*
PRD11TIEVE TOESTAND VAN BEKEERESTG.           211
len, dewijl gij maar met eene gedeeltelijke overgave uwer ziel
tot Hem komt, willende wel sommige zonden laten varen,
maar andere achtergehoudene zonden aan de hand houden ?
Is dit niet, gelijk Ananias en Saffira, maar eene gedeel»
telijke gave aan Zijne voeten leggen, onder den schijn
van alles aan Hem over te geven ? En is dat geen vloek-
waardig bestaan? En zou de rechtvaardige God niet te
recht u antwoorden: „Deze uwe zonden, die gij achter-
houdt, maken nog altijd eene scheiding tusschen u en Mij;
deze uwe ongerechtigheden verbergen nog altijd uw aan-
gezicht voor Mij, dat Ik u niet hoor?"
O, mijn broeder! als gij nog geen blijde verzekerdheid
hebt van uwe vergiffenis, en van uwe aanneming als kind
van God, — let eens op, of het ook ligt aan deze ver-
doemehjke oorzaak.
primitieve toestanö van befteering.
m
aar zijn menschen, die meestal liever een klaag-
zang aanheffen, dan een juichtoon; die liever
droevig, met benauwde stem, zouden wij haast zeggen, de
liederen des geweens en des zuchtens voortbrengen, dan
met vroolijk aangezicht juichend hun God te ontmoeten.
Nu, dat kan in den aard liggen. De eene mensch is
van meer zwaarmoedige natuur; de andere heeft meer
opgeruimd karakter.
Als de klaagzangers nu maar niet meenen Christelijker
en beter en vroomer te zijn in hun klagen, dan de blij-
moedige dankers van Gods gunsten in hun danken.
^
7ÜT
-ocr page 224-
aiA.________________________________________________.
212           PRIMITIEVE TOESTAND VAN BEKEERING.
Want het dient opgemerkt, dat bij een groot aantal ge-
meenteleden zij het hoogst geacht worden, die het meest
over hun ellendigen zondigen toestand kunnen jammeren en
zuchten; waartegenover de anderen, die wat blijmoediger
hun God dienen en roemen, wel eens met een bedenke-
lijk hoofdschudden worden aangezien. En dit gevoelen
eenmaal bestaande, is het zoo verwonderlijk niet, dal
velen in de goegemeente, waaronder ook de waarlijk
zoekende zielen, zich beijveren om zich dien jammerstaat
eigen te maken, en ook met dat klagen en zuchten mede
te doen, meenende nu een stap dichter bij het koninkrijk
Gods gekomen, en een graad hooger dan de gewone
menschen gestegen te zijn.
Ik wil nimmer aangemerkt worden, als den staf te
breken over de klagers en zuchters, bij wijlen zelf een
van hen zijnde! Want wij weten zelven te goed, dat er
een oprecht zuchten en klagen bestaat, dat aangenaam is
bij God; dat den Heiland liefelijk in de ooren klinkt,
omdat Hij daarin erkent het geroep van het lam, dat in
de doornen verward is geraakt, en tot welks hulpe Hij
aansnelt. Ik wil nimmer zelfs met een weinig hard woord
hen kwetsen; integendeel, voor hen zouden wij willen
bidden. Dat zijn trouwe zielen, wier hart waarlijk bedroefd
is, als Hanna, voor het aangezicht van Eli.
Maar ik wil toch de vrijmoedigheid nemen, om aan
ieders verstandig oordeel te onderwerpen, of alle klagers
en zuchters dien lof verdienen, voornamelijk zij, die zulks
als een goed werk beschouwen, en die deswege met
eenigen eigendunk bedenkelijk de schouders ophalen over
den blijmoedigen opgeruimden Christen.
Bij het onderzoek van de Heilige Schrift is het mij
ten minste dikwijls gebleken, dat in het klagen en zuch-
*
-TTB?
-ocr page 225-
SL
»
JEUGD EN OüDEEDOM.                          213
ten veel bedenkelijks kan liggen; dat het een zeer primi-
tieve toestand van mislukte bekeering kan zijn; dat het
dikwijls geenszins aangenaam in de ooren Gods klinkt;
dat het liederen des berouws zijn, die de Satan hun
voorzingt, en zij nazingen; en dat het een eigengerechtige
jammerstaat is, die niets gemeen heeft met den waren
jammerstaat der eerlijk bekommerden.
Laten zij oppassen, deze broeders! Want daar is in
dit voorgewend klagen en zuchten van sommigen zooveel
bedenkelijks, dat het een klagen en zuchten zijn zal, dat
zeer werkelijk zal voortgezet worden in de hel.
Seugö en ouöerbom.
e ouderdom komt met gebreken; maar is hij niet
begeerlijk?
Wat is jeugd, en wat is ouderdom? De jeugd is het
nieuwe schip, pas van stapel geloopen, dat uitvaart uit
de haven, ledig, om den schat te gaan halen ver over
zee, met uitgespreide zeilen aan hoogen slanken mast,
schitterend, wit tegen blauw. En de ouderdom is het
weerkeeren van dat schip, met verkleurde verwen, met
gescheurde zeilen en gebroken mast, binnenzeilend in de
haven, vol van den gehaalden schat, verkregen en bewaard
onder stormen en onweders.
Wat is dan beter, de jeugd of de ouderdom? Het
heenvaren naar de zee, of het binnenkomen in de haven?
Zij zijn beiden liefelijk en schoon, beiden goed, uwe
gaven, o Heere! En hebt Gij mij de eerste gave geschon-
ken, o Heere! onthoud mij de tweede ook niet!
wnr---------------------------------------------------------
-ocr page 226-
SL&.
JL
214                                HEILIGE GEEST.
©oösöienst, eene vrouwelijke aanörtft?
en zegt tegenwoordig: de godsdienst is voor den
x±n> man niet, maar voor de vrouw.
Maar hoe moet het dan eindelijk, gij jonge man, die
uwe bruid zoo warm in uwe sterke armen drukt! moet er
dan eene klove komen tusschen uwe vrouw, die zich in de
richting naar God toe beweegt, en tusschen u, die u in
de richting van God af beweegt? En moet die klove, bij
voortgezette richting, eindelijk zoo wijd worden tusschen
ulieden, zoo wijd als de oneindigheid?
Voorwaar, als er liefde is tusschen ulieden, dan begrijp
ik van die redeneering gansch niets.
■foctliöe (Beest.
e Geest des Heeren is een vurige geest, vol
geestdrift. En daaraan heeft onze kerk zoo drin-
gende behoefte.
Wij hebben genoeg van die Eli\'s-Christenen, wier goe-
dige lauwheid en vreesachtige vriendschappelijkheid met
iedereen de arke Gods in gevaar brengen, zoodat straks
uit hunner kinderen mond de jammerkreet opstijgt:
„Ikabod! Ikabod! De eere is uit Israël weggevoerd!"
Gods gemeente heeft nimmer een tijd gehad, dat zij aan
Eli\'s behoefte had. Aan Jozua\'s wel. Aan Jonathan\'s wel.
T
ir
-ocr page 227-
TAXATIE.                                      215
Aan David\'s wel. Aan Paulussen wel. Daar was geest-
drift, en Gods kerke was er mede gebaat.
Aan Jozua\'s, zooals hij daar stond in de schitterende
wapenrusting, schitterend door de stralen van de neigende
zon, in het strijdgewoel, en roepende: „Gij, zon! sta stil
te Gibeon!"
Aan Jonathan\'s, zooals hij, alleen van zijn wapendrager
vergezeld, de steenklip bij Michmas bestijgt, en den Philis-
tijnen het spotten verleert, waar hij hen met zijn blikse-
mend zwaard doet nedervallen ter weerzij.
Aan David\'s, zooals hij aan het hoofd zijner helden te
paarde zich werpt in der vijanden drom, zijn volk, Gods
volk, beschuttende met eigen lijf, bijna te roekeloos zelfs
zijn dierbaar leven wagend.
Aan Paulussen, zooals hij, nimmer zwervens moede,
van drift gedreven, voortreist van Antiochië, over de zee,
naar Griekenland, over de zee, naar Italië, het lijden van
Christus vol makende, zoo het kon, en een lichtend spoor
nalatende van gestichte gemeenten, overal waar hij zijne
voeten had gezet.
Kom, o Heilige Geest, en zij zullen er weer wezen, de
Jozua\'s, die gelooven; de Jonathan\'s, die moed hebben;
de David\'s, die gezalfd zijn tot regeeren; de Paulussen,
die het koninkrijk vergrooten!
Uajatte.
ergadert u geene schatten op de aarde, waar ze
de mot en de roest verderft, en waar de dieven
-ocr page 228-
216                                  DE ATHENERS.
doorgraven en stelen. Maar vergadert u schatten in den
hemel, waar ze noch mot, noch roest verderft, en waar
de dieven niet doorgraven, noch stelen." Een goed mid-
del om den mensch, om ons zelven eens te taxeeren. Elk
mensch is juist zooveel waard, als de schat, dien hij in
den hemel heeft weggelegd. Niets weggelegd, niets waard.
H)e Htbeners.
an de Atheners, dat merkwaardige volkje in Grie-
kenland, werd gezegd, dat zij hun tijd tot
niets anders besteedden, dan om op de markt rond te
loopen, en wat nieuws te zeggen, en te hooren. Eene
buitengewone nieuwsgierigheid, gepaard met veel ledigen
tijd, en eene natuurlijke spraakzaamheid, deden het hun
een hoogste genot achten, om steeds op de groote markt
te verkeeren, en daar hun tijd te verslijten in niets doen
en veel praten. Die nieuwsgierige Atheners!
Maar eilieve! deze nieuwsgierige Atheners waren toch
maar de menschen, die, toen Paulus daar kwam, hem
namen, en in het spreekgestoelte op den Areopagus
plaatsten, en het hem zeiden: ,,Spreek op, kunnen wij
niet weten, welke deze nieuwe leer is, daar gij van spreekt;
want gij brengt vreemde dingen voor onze ooren; wij
willen dan weten, wat dit zijn wil." Hunne nieuwsgierig-
heid was nog tot iets nut.
Maar daar is nu eene klasse van menschen, die op de
markt des levens zoo weinig dingen hunne belangstelling
-ocr page 229-
IN CHRISTUS IS NIETS VERLOREN.                 217
waard vinden, en die zoo weinig dingen de moeite waard
vinden, om er kennis van te nemen.
Als de Athener roept: „Daar is wat nieuws, daar is
wat opmerkelijks," sluiten zij de oogen; en zij dommelen
voort, in de schaduw van den Areopagus gezeten. Als de
Athenerroept: „Hieris wat te doen, de zending betreffende!"
zeggen zij: „Neen, laat mij sluimeren!" — „Hier is wat
te doen, de volksmisbruiken betreffende, de drankbeteu-
geling!" — „Neen, Athener, laat mij in ruste." — „Hier
is wat te doen, uwe zaligheid betreffende!" — „Neen,
Athener, ik slaap hier liever in de schaduw van dezen
kunstigen pilaar!" — „Daar klimt Paulus op het spreek-
gestoelte!" — „Neen, Athener, gij zijt lastig! ik zeg u,
laat mij!"
Kentelooze aandeelen in het groote bedrijfskapitaal der
menschheid zijn deze lieden! begraven talenten in de aarde,
zonder meer! Een Athener is beter dan een zoodanige!
En de Atheners zullen hen oordeelen!
5n Cbristus ts niets verloren.
n den tuin bij de bloemen staat een kind. Zijne
bloemen zijn het. Hij heeft zelf met zijne kinder-
lijke hand ze gekweekt. Maar de herfstnacht met zijne
vorst heeft die bloemen op eens verkleurd, verflenst en
gebroken. En het kind staat schreiend bij zijne bloemen:
„Wie geeft mij mijne bloemen weerom?"
Arm kind! ach, uwe tranen zijn gauw weer gedroogd en
vergeten. En uw jonge levensjaar is gauw voorbij, en
-ocr page 230-
*L*^________________________________________________jJtljL
218                            WOLKEN VOOR DE ZON.
dan is er weer lente, weer eene lente voor u; en dan
hebt gij uwe bloemen weerom.
Maar de grijsaard, die zijn winter te gemoet gaat, en
die wellicht geen lente meer zien zal, — wie geeft hem
zijne bloemen weerom ? Zijne verloren droomen, zijne verlo-
ren heerlijkheden, zijne verloren idealen?
Dat doet Christus, o grijsaard! Christus met Zijn Evan-
gelie, met Zijn kruis! Hij geeft u alles terug, alles, wat
de jaren u ontnamen, ook uwe lente, ook uwe bloemen!
Grijp naar Zijne hand, en volg Hem met uwe wankelende
schreden. Ginds in dien hof, waar Hij u brengt, vindt
gij ze allen weerom, uwe losgelaten idealen, uwe vervlogen
droomen, uwe lente, uwe bloemen ; maar alles nieuwer, ja
anders, ja schooner!
In Christus is niemand en niets verloren!
Wolften voor oe 3011.
§r?Yesteld, dat bij een langdurigen regen de landen
verzadigd zijn van water, water, en altijd door
water: dan zuchten de akkers naar wat meer zonneschijn,
naar den verkwikkenden warmen gloed van de koesterende
zon; en hare stralen zouden de natte akkers goed doen.
De akkers zouden schijnen met recht de zon te kunnen
toeroepen: „Waarom bestraalt gij ons niet? Ziet gij het
niet ? Uwe schuld is het, dat wij verteren van vocht, en
dat onze vrucht verloren gaat!" Maar zou dan de zon
niet het rechtvaardig antwoord kunnen geven: „Neen,
A                                                                                                                                                                                   I*
wr—--------------------—■ttk
-ocr page 231-
WOLKEN VOOR DE ZON.                         219
mijne schuld is het niet; want ik schijn altijd door; mijne
stralen met warmen gloed schieten steeds voort. Maar de
wolken, o aarde! uit uzelve voortgekomen, hebben zich
tusschen u en mij gesteld; uwe wolken maken, dat mijn
koesterende glans tot u niet doordringen kan. Neem uwc
wolken weg, en gij zult zien, dat ik dezelfde ben."
Zoo zijn er ook oorzaken, waarom God stille zit, en
niet nadert tot hulpe; waarom Hij zoo menigen zondaar
laat in diens jammerstaat, en hem laat klagen en zuchten.
Daar bestaan oorzaken voor die langdurige benauwdheid
en treurnis uwer ziel. Maar, het moet opgemerkt, die
oorzaken liggen bij u!
Gij gelooft het toch ook: God is altijd dezelfde; Hij
verandert nimmermeer Zijn aangezicht; Hij heeft een hart,
altijd gereed om toe te schieten, en niet geneigd, om een
klaagtoon langer te laten duren, dan noodig is; Zijne hand
is nog nooit verkort geweest, noch Zijn oor zwaar geworden.
Gij gelooft het ook: Bij Hem is geen onwil, noch traag-
heid; en als het aan Hem lag, zou Hij Zijne uitredding
niet uitstellen tot morgen of overmorgen ; Zijn tijd is altijd
het heden; het nu is Zijn welaangename tijd.
Maar daar bestaan wolken tusschen Hem en onze ziel;
wolken, die scheiding maken; en zoolang die daartusschen
zijn, kan de glans van Zijn aangezicht onze duisternis
niet beschijnen, — dat is eene zedelijke wet, — en kan
onze ziel niet in de ruimte worden gesteld, hoe wij ook
klagen, en kan de blijdschap des geloofs ons deel niet
worden, hoe wij ook er naar zuchten en de handen uit-
strekken.
Och! laten wij het toch begrijpen: laat de zoekende ziel het
begrijpen: hoe in dat verborgen zijn van onzen God de aan-
klacht onzes gewetens spreken gaat: „De hand des Heeren is
-ocr page 232-
220                             GEZEGENDE TAAK.
niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is
niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen hooren. Maar
uwe ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen u en
uwen God ; en uwe zonden verbergen Zijn aangezicht voor
u, dat Hij niet hoort."
De zonnestralen kunnen ons wel weer bereiken, maar
dan moeten de wolken weg.
(5e3eöcnöe taak.
eent gij, dat ik den twijfel geen ontzaglijken
nood vind?
Ik weet wel, dat velen den twijfel beschouwen als een
hoog standpunt van ontwikkeling, zelfs als eene soort van
ideaal, waar zij met eenig dwepen naar streven. Maar
ik weet tegelijk, dat er bij die lieden eenige opwinding
toe noodig is, om het zich wijs te maken.
Is dat geen nood, om de onzekerheid, de eeuwige on-
zekerheden om zich heen te hebben liggen, als nevelen,
die het oog geen doorgang geven ? En is dat geen op-
winding, om het dan aan zich zelven te gaan zeggen, dat
daar genot in is, om niets nog te weten?
Is dat geen nood, om onzeker te zijn in zijn bestaans-
doel, om onzeker te zijn in wat „sterven" is, om onzeker
te zijn in wat daarop volgt, en om in al die onzekerheden
in te gaan als de moede soldaat, die vechten gaat na
een heelen dag vechten, tegen vijanden, die hij niet zien
kan, en die verborgen liggen ?
Is dat geen nood ? En menig geleerde leeft daarin, en
-ocr page 233-
JtSt
3L4-.
221
GEZEGENDE TAAK.
menig koopman, en menig onderwijzer en zoovelen!
Welnu, de dienaar des Evangelies komt ook tot hen,
niet als geleerde, niet als onderwijzer, — maar als een
eenvoudig man, als een zedelijk man; en in die zedelijk-
heid als geen twijfelaar, maar als een zeer „zeker" man.
Hij weet het, — in hunne sterke oogenblikken zijn zij
onkwetsbaar, als Siegfried, in drakenbloed gedoopt. Maar
zij hebben hunne zwakke oogenblikken; als de twijfel hun
doet twijfelen aan hunne eigene twijfelingen; „als de
hemelen neervallen, de bergen versmelten, de aarde onder
de voeten verzinkt," door het nederdalen Gods; ja, als
God tot hen afkomt. — Dan is de twijfelaar in nood!
Gezegende taak, dan te mogen spreken, als een zeer
„zeker" man; dan getuige te wezen van eene eeuwige
wereld, die meer werkelijk is dan de zichtbare wereld;
getuige te wezen van een God, zeker zijnde van de me-
degetuigenis huns gewetens; getuige te wezen van Jezus,
die, meer dan eene ideale persoonlijkheid, eene historische
persoonlijkheid, dat heeft in de wereld ingebracht, wat
niemand meer daaruit heeft kunnen dragen: namelijk, het ge-
voel, het besef, het geloof aan al de verzoende schuld ; en
dan ten slotte getuige te wezen van eene goede, betere
hoop, en van een eeuwig leven, dat alle goeds in zich be-
vat voor wie moed grijpt, en met de verzoening in zijn
hart aanwandelt naar die eeuwigheid, een vaderhuis, — o
gezegende taak tegenover de twijfelende wereld, — tegen-
over haar is dat „de dienst, dien wij van den Heere Jezus
ontvangen hebben, de dienst om te betuigen het Evan-
gelie der genade Gods."
TTS
-ocr page 234-
222                             VALSCHE GERUSTHEID.
Dalscbe gerustbeiö.
Is ik strengelijk spreek, en aan sommigen een
w zoet gevoel van gerustheid ontneem, dat hun
niet wettiglijk toekomt, en dat zij maar hebben, om-
dat zij er zich langzamerhand aan gewend hebben, —
dan is dat alleen, omdat gij het weten moet, dat uwe
verzekerdheid van Gods liefde eene andere basis moet
hebben dan uwe goede werken, of uwe uitwendige vroom-
heid, of uw bewijs van lidmaatschap van de kerk, of
uwe vroegere bekeeringsgeschiedenis, die onder het her-
haald overvcrtellen zoo wonderlijk gegroeid en verfraaid
is; en dan is dat alleen, omdat gij het weten moet, dat
alleen Zijne genade in Christus de eenige grond is, die
u kan doen hopen op eene eeuwigheid in Zijn heerlijk
huis. Zijn hemel verkoopt Hij niet, maar geeft Hij om
niet, de groote God!
Zoo verbaas u niet, en erger u niet, dat ik een zoet
gevoel van onzuivere gerustheid u ontneem; en dat ik
het u zeg, dat veeleer, dan dat gij, onwedergeboren, u
valschelijk troosten zoudt op uwe wijze: „Gods liefde is
mijn," ik vreezen moet, dat èn dood, èn leven, èn engelen, èn
machten, èn tegenwoordige èn toekomende dingen, èn hoogte,
èn diepte èn alle schepsel u scheiden zullen van de liefde
Gods, die gij anders hadt kunnen hebben in Christus Jezus.
-ocr page 235-
223
VREDE.
IDrebe.
m
aar is een woord, liefelijk zooals bijna geen ander;
en dat woord is vrede. Onder den liefelij ken klank
van dat woord zijn wij opgegroeid, wij, Neerlands kinderen.
Wij behooren tot een geslacht, dat geen oorlog op
zijn bodem heeft gekend. Onze vaderen, tachtig jaren
geleden, hebben al de verschrikkingen, al de rampen van
den oorlog gekend. Maar wijzelven, wij hebben slechts
zegeningen van den vrede ontmoet. Zoolang wij leven,
heeft geen vijandelijke voet onze grenzen overschreden.
Zoolang wij leven, is rondom onze steden geen belegering
opgeworpen, en hebben wij het niet aanschouwd, dat
\'s vijands v uurmonden dood en brand braakten op torens,
op kerken en in straten. Geen ruiterscharen draafden
over onze akkers, om \'s landmans hope te vernietigen in
korter tijd, dan een onweder het kan. Geen schepen onzer
talrijke koopvaardijvloot werden gekaapt of geroofd, waar
en hoever zij zich ook waagden op \'s werelds water, onder
de dekking onzer vlag. Welke landen van Europa ook
werden geteisterd door het vuur van den oorlogsbliksem,
of omgeploegd door het zwaard; welke landen van Europa
hun volksbestaan zagen gehuld in wolken van rook en
donkerheid, — hier, hier straalde de zon der vrijheid
glansen om zich heen; hier hoorden wij den donder der
kanonnen slechts zeer, zeer in de verte, over de grenzen.
Al dat kwaad, het genaakte tot ons niet.
Daar is een woord, liefelijk zooals bijna geen ander;
en dat woord is vrede. Onder den liefelijken klank van
-ocr page 236-
slsu.
^t&
224                                      VEEDE.
dat woord zijn wij opgegroeid, wij, Neerlands kinderen.
Zie onze landouwen aan, de weilanden met grazende
kudden, van waar tegen den avondtijd de knecht of de
maagd wederkeert, de glinsterende emmers met room
dragende aan een gewenscht juk. Zie onze bouwakkers,
herfst op herfst, golvende in goud en geel, waarin de
scherpe sikkel garven snijdt, straks hoog opgestapeld op
den wagen, te zwaar bijna voor de sterke paarden. Zie
onze boomgaarden, elk voorjaar uitbottende in groen en
wit, alsof de lente met haar staf toovergaarden schiep,
de lente, die nu eenmaal ook drie kleuren bemint, licht
groen, licht rosé, en licht wit. Zie onze steden aan met
hare volkrijke straten, als tegen den morgen de deuren
en vensters zich openen, en achter spiegelglad glas alle
waren en alle schatten ten verkoop worden uitgestald; of
als tegen den avond, wanneer fabrieken en werkplaatsen
zich sluiten, eene nijvere arbeidersbevolking zich huiswaarts
begeeft, om bij eigen haard naast vrouw en kind brood
en rust te smaken. Zie onze havens, waar de schepen,
nauwelijks t\'huis gekomen van \'s aardrijks einden, weer
zeilree liggen, gehaast om nog meerder vreedzamen buit
weg te sleepen van overvloeden, opgestapeld in landen,
waar de zon ontgloort. Beduidt dit alles, wat ik in uwe
verbeelding oproep, beduidt dit alles niet: vrede?
Daar is een woord, liefelijk zooals bijna geen ander;
en dat woord is vrede. Onder den liefelijken klank
van dat woord zijn wij opgegroeid, wij, Neerlands
kinderen.
Zie de zegeningen van den vrede op onze scholen;
daar worden onze kinderen onderwezen van den Dollart
tot de Schelde, in de allernoodigste vakken, welke den
grondslag leggen voor de ontwikkeling des mans, een
wr
^K
-ocr page 237-
*
VREDE.                                        225
lichamelijke, eene geestelijke, eene zedelijke ontwikkeling,
zooals vroegere eeuwen aan den gewonen man niet hebben
gegund. Zie onze hoogescholen, waar de wetenschappen
dus worden beoefend, dat onze hoogleeraren en studenten
een welverdienden naam van degelijke geleerdheid ver-
werven over de gansche aarde. Zie de wijze van regeering,
zooals die uitgeoefend wordt door vorsten, raadslieden en
volksvertegenwoordigers; — bij al wat wij ook anders
wenschen in regelingen en wetten, — weinig volken kun-
nen hunne regeering, zooals wij, dank zeggen voor het wijze
handhaven van zoo langen vrede. En het laatste niet het
minst, — zie onze kerken, als op den rustdag het alle-
daagsche werkpak verwisseld is voor het feestkleed; als
binnen de gewelven onzer tempels de scharen samenvloeien,
en bij den zang der gemeente en den ruischenden klank
van het orgel, en onder de prediking van het Evangelie,
zielen vertroost worden in hare droefheid, dwalenden de
weg gewezen wordt ten leven, moeden worden opge-
beurd tot kracht. Als, zeg ik, dit alles geschieden kan,
van sabbat tot sabbat ongestoord, zonder geloofsdwang,
zonder inbreuk op de uitspraak van ieders geweten, met
den vollen loop der gezegende gewetensvrijheid, — zijn
al deze dingen dan niet de zalige zegeningen, die ons
deel zijn sedert een tijdperk van bijna eene heele eeuw ?
Daar is een woord, liefelijk zooals bijna geen ander;
en dat woord is vrede. Onder den liefelijken klank van
dat woord zijn wij opgegroeid, wij, Neerlands kinderen.
O! "Waarmede zal ik u vergelijken, gij, gezegende engel
des vredes? — Zijt gij een sterke engel, die, door uwe
kracht, wakende aan de grenzen van ons land, de booze
oorlogsgodes verwijderd houdt met gebiedende hand, ter-
wijl gij haar brandslingerende toorts uitbluscht met den voet?
15
-ocr page 238-
226          HET GEDULD VAN DEN HEILIGEN GEEST.
Waarmede zal ik u vergelijken, gij, gezegende engel
des vredes ? Zal ik u vergelijken met het beeld in brons,
dat ik zag, op het „Denkmal" aan den Ehijn, dat beeld,
voorstellende eene maagd, met aanminnig gelaat zooals
zelden een beeldhouwer schiep, houdende in de voorge-
strekte hand een tak vol bloesems en vruchten, die zij
aanbiedt aan het volk aan haar voet?
Waarmede ik u vergelijken zal, u met al den sleep
uwer zegeningen? Ik zou mijn Bijbel niet kennen, indien
ik het beeld voor u niet ontleende aan den profeet uit
ouden tijd.
Hoor, gij beeldhouwer! houw uit in wit marmer een
jongeling met hoopvol stralend gezicht; een jongeling voor
het aanbeeld, met een kolen vuur aan zijne voeten; in de
linkerhand een zwaard, in de rechterhand een hamer. En
stel hem voor op het oogenblik, dat hij bezig is dat
zwaard, het laatste zwaard, te versmeden tot eene spade,
eene spade voor den akker! En beitel op zijn voetstuk:
„zy zullen hunne zwaarden slaan tot spaden, en hunne
spiesen tot sikkelen; het eene volk zal tegen hel andere
geen zwaard meer opheffen, en zij zullen geen oorlog
meer leeren."
1bet geöulö van öen Ibeüigen (Beest.
! eer de levende zon de slapende krachten heeft
wakker gemaakt aan den wortel in de aarde!
Eer zij de sappen heeft doen opwaarts stijgen langs den
stam onder de schors! Eer zij de jonge eerste bladeren
-ocr page 239-
AANKOMST.                                    227
heeft doen uitloopen aan de einden der takken! Eer zij
de knop heeft doen zitten en zwellen en losbarsten tot
een witrozigen bloesem! Eer zij aan alle twijgen de
vruchtjes heeft gekoesterd met warme stralen, en doen
zwellen van zoet sap! Eer die gansche schoone vrucht-
boom daar staat in den rijkdom en in de volheid van
voldragen vruchten! Welk een arbeid, welk eene moeite!
Dat alles is niets, bij den arbeid en de moeite en het
geduld van den Heiligen Geest, eer dat de zondaar als
wedergeboren mensch daar staat, volmaakt, aan het
beeld van Christus gehjkvormig!
Hanfeomst
m
et zal wat wezen, als gij en ik, onze hoofden
V2> opheffende uit den vloed der vergankelijkheid,
en levend strandende aan de kusten der eeuwigheid,
elkander met blij aangezicht daar zullen groeten met den
kreet: „Ik was dood, maar ik ben weder levend ge-
worden !"
Het zal wat wezen, als wij daar, met de blijdschap
van uit de rivier des doods geredden, elkander bij de
hand zullen grijpen, en springen en juichen; en als wij,
nog éénmaal voor het laatst met huivering een blik
slaande in de donkere wateren, waaruit wij opstegen,
onze aangezichten gaan wenden naar de lichtende poorten
van het Paradijs, dat daar vóór ons ligt in zijne schoon-
heid, om, hand in hand, binnen te gaan met verwonderde
oogen!
-ocr page 240-
228 HET KRUIS EEN STAF VAN AARON.
Onze eerste begeerte zal wezen: „Laat ons den Heere
zoeken op Zijn troon. Waar is Hij ? Wij willen Hem
begroeten, hem danken ! *
1foet hruis een staf van Baron.
AtA et kruis van Christus, dat wij opnemen, is dat
Qi? een last of een lust?
Dat kruis, ik weet het wel, is eerst een zware balk,
ons op de schouderen gelegd; zwaar, naar het woord van
den Heer: „Een iegelijk, die achter Mij wil komen, die
verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge
Mij!" En vooral bij het begin, in de jeugd, lijkt dat kruis
den mensch wel zwaar; zijne eischen zijn soms zoo streng.
Maar, wonder! bij het klimmen der jaren, bij het voor-
bijgaan der dingen, is het, als wordt dat kruis minder
een last dan een steun, minder eene hindernis dan eene
hulp; en is het, als gaat het over van de schouders in
de hand. En het wordt in de hand van den mensch in
de rijpheid zijns levens een stok en een staf.
En, wonder! bij den gansch afgaanden leeftijd, bij
het naderen des doods, dan, bij de overvloeiende ver-
troostingen des kruises, dan is het zelfs, als gingen er
knoppen en bloesems uit den staf uitbotten, en als liept
gij met den opbloeienden staf van Aaron in uwe hand.
*_____________________________________________________\\*
-ocr page 241-
aa.s-..
HANDENARBEID VERACHTELIJK?                   229
Tbanöenarbeib veracbteltjfe ?
9
aarom is het geweest, dat Jezus tot zijn dertig-
®
ste jaar zich aan handenarbeid gegeven heeft?
Hij had wellicht kunnen droomen tot Zijn dertigste
jaar, aan ledige bespiegelingen in de bergen zich kunnen
overgeven, of aan het zeestrand; zooals sommigen zich
Hem ook voorstellen in dat eerste tijdperk van Zijn leven,
en van Hem beweren dat Hij gedaan heeft. Hij had als
woestijnmonnik in de afzondering van rotsholen dien tijd
kunnen doorbrengen, als voorbereiding van zijn daarop-
volgend predikambt; gelijk Boedha heeft gedaan, en
Mohammed later.
Maar Hij heeft het niet gedaan. In de werkplaats van
Jozef hanteerde Hij beitel en schaaf, en als een der
meest gewone timmerlieden werkte Hij daar aan het her-
stellen der eenvoudige gebroken meubelen, die de bur-
gervrouwen in de werkplaats brachten, of aan de versie-
ten ploegen en landbouwwerktuigen, die de boeren ter
reparatie aanboden; of Hij werkte aan het optrekken van
de schamele woonhuizen of schaapskooien, en later aan
de rijke villa\'s in het weelderige Kapernaum; en Zijn
brood at Hij in het zweet Zijns aanschijns.
Hoe is het gekomen, en waarom is het geweest, dat
Jezus als een der arbeiders een handwerk heeft uitge-
oef end ?
O hoort het, gij rijken, die wel eens van uwe hoogte
nederziet op den werkman, die zijne karwei verricht in
uw huis! dat heeft Jezus gedaan, opdat al Zijne discipe-
len na Hem het zouden weten, dat sedert Hij Zijne god-
4__________________________________________________fc
nnr~--------------------------------------------------—-----------^rfe
-ocr page 242-
3A».__________________________________-#\\
230                                 DE SNELTREIN.
delijke hand aan het handwerk heeft geslagen, ook het
handwerk een goddelijk beroep is verklaard, en dat het
nu uil moet zijn met alle aristocratische verachting van
den armen arbeider zelven.
2>e sneltrein.
¥~i et menschelijk leven, vooral van de goddeloozen,
is een sneltrein gelijk. Daar komt een oogen-
blik, waarin de vaart al sneller en sneller is geworden,
en van remmen geen spraak meer zijn kan. In dolle
vaart worden alle stations des nadenkens voorbijgevlo-
gen, overgeslagen. De Satan heeft, lachend, voorop, de
machine der hartstochten heet aangestookt tot berstens
toe. Als een bliksem leidt hij den trein langs de rails,
die hij heeft gelegd. „Halt!" schreeuwt gij, „ik ga te
gronde!" Maar spottend gilt de stoomfluit, en er is geen
antwoord dan het donderend wentelen der raderen, en de
vliegende sprongen van den razenden trein. Straks, bij
de kromming langs den afgrond, kan het niet langer; en
krakend, stortend, stuift het dolle beest omlaag, — als
wanneer gij, o zondaar! met uwe vrienden, verpletterd
zult nederliggen, daar beneden, op de scherpe steenen,
tusschen wolken van stof en zand en rook en vuur, zelf
gebroken tusschen verbrijzelde raderen en wagens en lijken.
Neem geen plaats op den trein, waar de duivel de
machinist is, al biedt hij u gratis eene plaats eerste klasse.
-ocr page 243-
HET EERSTE EX HET LAATSTE ZWAARD.         231
Det eerste en bet laatste 3waart>.
n het begin der wereldgeschiedenis stond een jon-
. geling, — Tubal-Kaïn was zijn naam — voor een
ruw aanbeeld, met een kolenvuur aan zijne voeten. Hij
had een metaal in zijne hand, en het was gloeiend. En
het eerste kunststuk, dat uit zijne hand kwam, was een
zwaard. En zijn grijze vader, die daarbij stond, Lamech,
— hij nam dat zwaard over in zijne hand, en hij voelde
de scherpte van dat zwaard; en hij hief het hoog op, en
zwaaide er mede om zich heen; en hij sprong den eer-
sten wilden krijgsdans; en in de woeste verrukking over
het wapen, kwam het eerste lied, dat de wereld vernam,
uit zijn mond; bah! een lied op het zwaard; ten aan*
hoore van zijne vrouwen, van Ada en Zilla! Dat was de
eerste zang aan het begin der wereldgeschiedenis.
Aan het eind der zondige wereldgeschiedenis zie ik, in
mijne verbeelding, ook een jongeling staan, aan een aan-
beeld, met een kolenvuur aan zijne voeten. In zijne linker-
hand het laatste zwaard. In zijne rechterhand den hamer,
den hamer, waarmede dat laatste zwaard wordt versmeed
tot eene spade. En als hij het gedaan heeft, dan ook barst
er een zang los; niet als de zang eens woesten grijsaards,
maar de zang eener gansche schepping, die het aan-
schouwde, en die nu luide jubelt, dat de gruwelen voorbij
zijn, en dat de eeuwige vrede gekomen is.
O! gij lied van den vrede! hoe lang nog, eer de heme-
len en de aarde, vereenigd, u aanheffen?
-ocr page 244-
232                            VALLENDE STERREN.
lDallen£>e sterren.
W>
e menschen, — zij droomen van naderende nieuwe
openbaringen, van kerken der toekomst, van ont-
hullingen der menschelijke rede en wetenschap, die de
leer van Jezus van Nazareth en Golgotha in de schaduw
zullen stellen.
Mijne broeders! gelooft hen niet. Indien gij iets wezen-
lijks kent van uw levenden Heer, dan weet gij ook, dat
Zijne openbaring voldoet aan al de behoeften van uw
bestaan, voldoet aan al uwe angsten voor den dood, aan
al de kwellingen van uw geweten, voldoet aan uwe be-
geerte om gemeenschap te hebben met den Heiligen Vader,
aan uwe begeerte om Hem gelijk te zijn. En indien gij
iets kent van de nieuwste pogingen der wereld om dat
Christendom te vervangen door nieuwe stelsels of geloofs»
leeringen, dan kent gij ze ook als eene reeks van vonke-
lende vallende sterren, die door de wereld der wetenschap
voor een oogenblik eene streep van stralend licht maken,
maar om straks weg te duiken en te verdwijnen in diepe
duisternis, ons als erfenis slechts wanhoop achterlatende.
©orspronftelijfce natuur.
m
aar is in iederen mensch eene neiging, om zich
met vertrouwen aan God over te geven. Maar
-ocr page 245-
ALLES VERLATEN.                             233
daar zijn telkens oorzaken gekomen, die deze neiging
hebben gedwarsboomd. De levensrichting van den mensch
is van nature, zooals God hem geschapen heeft, naar God
toe; maar daar is zooveel, dat die richting telkens ver-
andert. Geschapen, om geboren te worden met zijn aan-
gezicht naar God toegekeerd, sterft zoo menigeen met
dat aangezicht van God afgewend.
Ik wek u op om niet te luisteren naar de stemmen
van de ons opgelegde tweede natuur. Luister naar de
stemmen van uwe oorspronkelijke natuur. Spoor de oor-
spronkelijke richting van uw wezen op, o mensch! Graaf
in de diepten van uw zeer diepe hart, en zie daar uw
geest, ach! een geketenden geest; en verlos daar dien
geest, en breng den armen gevangene naar buiten in het
licht. Sedert Jezus op aarde kwam is dat niet onmogelijk
meer. En gij zult zien, dat die geest, ontwaakt en be-
vrijd, dadelijk met vleugelen zal willen opvaren naar den
hem verwanten Grooten Geest.
Onze neiging is, volgens onze oorspronkelijke natuur,
om vol vertrouwen ons over te geven aan God, buiten
Wien wij niet kunnen.
alles veiiaten.
m
e jongeling, die tot den Heer gezegd had, dat hij
Hem wel volgen wilde, maar dat hij toch wel
eerst zijn dooden vader wilde begraven, en die van den
Heer tot antwoord had ontvangen: „Laat de dooden
hunne dooden begraven," is, volgens eene sage, onder de
eerste Christenen verteld, Philippus geweest.
-ocr page 246-
234                     GEMEENSCHAP DER HEILIGEN.
Is dit waar, dan heeft Philippus hier even groote zelf-
verloochening getoond als die andere discipelen bij hunne
beroeping. Johannes en Jakobus verlieten hunne netten en
hunne schepen. Petrus verliet zijn huis, zijne vrouw en zijne
schoonmoeder. Mattheüs verliet zijne winstgevende betrek-
king, zijn tollenaarschap en zijne tolgelden. En Philippus,
zooals dan de sage luidde, zijn dooden, onbegraven vader.
Het kan waar zijn, van Philippus. „Wij hebben alles ver-
laten en zijn U gevolgd," zoo konden zij allen betuigen.
Maar, waar of niet v/aar, wilt gij die man zijn, die tot
den Heere zegt: „Ik wil mij door niets meer laten weer-
houden om Uw discipel te zijn?"
Laat het mij u aanraden! Om aan uwe zwakheid te
gemoet te komen, opent Christus u een vergezicht over
deze zelfverloochening heen: „Voortvaar, Ik zeg ulie-
den, dat er niemand is, die verlaten heeft huis of ou-
ders, of broeders, of vrouw, of kinderen, om het konink-
ryk Oods, die niet zal veelvoudig wederontvangen in dezen
tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven."
©emeenscbap bet heiligen.
jc*-< en zendeling had den dag over zwaar gearbeid.
^7^ Des avonds zat hij neder. Hij was vermoeid.
Hij dacht aan het vaderland, aan zijne jeugd, aan zijn
ouderlijk huis. Zouden zij nog leven, zijn grijze\' vader en
zijne moeder?
En hij dacht aan de kerk, — het was zondag, —
aan de feesthoudende schare, aan de verkwikkingen in
-ocr page 247-
VERZOEKING.                                   235
Gods huis. En met weemoed kwamen hem de woorden
op de lippen: nIk placht heen te gaan onder de scharen,
en met hen te treden naar Gods huis, met eene stem van
vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte;
wanneer zal ik weer ingaan en voor Gods aangezicht
verschijnen 9\'
Hij verviel in gepeins, en zijn hoofd boog. Hij ver-
langde naar de kerk, naar de gemeenschap der heiligen.
Tranen, die opwelden, werden nauwelijks teruggedron-
gen. Maar straks hief hij het hoofd weer op. En daar
straalde iets als licht op dat aangezicht, toen hij uitriep:
„Ik zal Hem nog loven, en mijn lof zal nog wezen in
eene groote gemeente!"
Misschien dat, omdat hij niet naar Gods huis kon
gaan, God in zijn huis kwam. Slapende, lag de glim-
lach des vredes op zijn gelaat. Hij droomde, daar in
dat stille eenzame woud, hoe hij binnenging in den groo-
ten tempel van Gods stad, en hoe hij verwelkomd werd
door de gemeente der heiligen in het licht.
Waarom stellen wij onze godsdienstoefeningen, onze
gemeenschapsopenbaringen niet meer op prijs?
\\Der3oeftfng.
SK?j verzoeking! wat zijt gij anders voor mij dan
^£^ eene bloem, die nergens bloeit dan altijd juist
aan den rand van een afgrond ?
Het is mogelijk, dat ik u plukken kan, zonder uit te
glijden naar de diepte.
-ocr page 248-
SA.
Ut
JL
236                            KRACHTVERLIES?
Maar het is ook mogelijk, dat ik u grijp, om tegelijk
met u neer te storten tot verplettering beneden op de
rots, een aas voor de arenden en de raven, met de ver-
dorde bloem in de hand.
Wat zal ik doen?
Dit zal ik doen, o gij verleidelijke bloem!
Eer ik de hand tot u uitsteek, en naar u overhel;
eer ik de voordeelige leugen ga liegen; eer ik den hevi-
gen hartstocht ga inwilligen; eer ik mijn waarschuwend
geweten het zwijgen ga opleggen ; zal ik vragen, alsof God
het mij vroeg: , Wat baat het een mensch, zoo hij zelfs
de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziel ?"
En ik zal aan u voorbijgaan, met de bede : „Heere!
behoud mij, want mijne ziel was bijna bezweken!"
Ikracbtverlles ?
tullen wij, de gemeente van Jezus hier in het
vaderland, misnoegd zijn en verstoord, als van
onze beste krachten uitvloeien naar ver heen, naar de
duisternissen der heidenwereld? En zullen wij de Chris-
telijke zending aanklagen, als eene, die ons van krachten
berooft?
Het is waar: veel geld vloeit nu naar buiten, waar
dat geld vroeger besteed werd voor den nood in eigen
kring. Het geld, dat vroeger de milddadigen gaven aan
weeshuizen, aan arm verzorging, aan gestichten van
liefdadigheid, dient nu voor een deel voor armen en wee-
zen ver over zee.
"irte
*rr-
-ocr page 249-
DES LEERAAKS BESTE LOF.                      237
Het is waar: veel jongelingen gaan nu het land uit,
die hier hadden kunnen blijven, want zij waren van de
besten ; en nuttiglijk hadden zij hier kerk en maatschappij
kunnen dienen.
Het is waar: ginds bouwen zij de kerk op, waar zij
hier het afbreken der kerk niet helpen weren.
Zullen wij klagen, dat het zoo gaat; en zullen wij haar
aanklagen, de Christelijke zending, die dit doet?
Neen, nimmermeer, sedert wij begrepen hebben, hoe
het zijn kon, dat Jezus Zich verblijdde, toen Hij gevoelde,
dat er kracht van Hem uitgegaan ivas
op de aanraking
der vrouw, die twaalf jaren ziek was geweest met en zon-
der dokter.
2>es leeraars beste lot
®
W>
at is de beste lof voor een leeraar ? Dat hij
algemeen gezien is? Dat men aan alle kanten
goed van hem spreekt? Dat hij geen vijanden heeft, en
dat men van hem zegt: Hij is zoo algemeen bemind in
zijne gemeente?
Maar Paulus was toch niet algemeen bemind en gezien.
Hij had wel zijn gemeentelid Onesiforus, van wien hij
schrijven kon : „De Heere geve den huize van Onesiforus
barmhartigheid, want hij heeft mij dikmaals verkwikt, en
heeft zich mijner ketenen niet geschaamd." Maar hij had
ook zijn gemeentelid Alexander, van M\'ien hij schreef:
„ Alexander, de kopersmid, heeft mij veel kwaads gedaan ;
de Heere vergelde hem naar zijne werken."
-ocr page 250-
238                                 MORGENLICHT.
Hij had wel een tijd, dat de gemeente Efeze hem zeer
liefhad; zij droegen hem op de handen, en weenden
zeer, toen hij verder ging op reis. Maar hij had ook
een tijd, dat hij aan Timotheüs schrijven moest: „O gij
weet, dat allen die in Azië zijn, zich van mij gewend
hebben."
En te Lystre werd hij op den eenen dag vergood, en
op den volgenden dag gesteenigd, tot hij voor dood op
de aarde lag.
Wat is de beste lof voor een leeraar? Dat alle men-
schen goed van hem spreken?
Ik kan het niet helpen, maar, als ik zie op een Paulus,
en op den Heere, dien hij diende, dan moet het woord
mij van de lippen: dat de betere lof voor den Evange-
liedienaar deze is: Hij is den Joden eene ergernis, den
Grieken eene dwaasheid, maar hun, die behouden worden,
is hij eene kracht Gods tot zaligheid!
Zlfooröenltcbt.
indt gij de wereld zoo schoon, en het leven zoo
heerlijk, o mijn vroolijke onbekeerde jongeling? —
Maar ik zeg u, dat gij de helft van dat schoone en heer-
lijke niet ziet!
De reiziger, die de Alpen in Zwitserland bij donkeren
nacht beklimt, — wat ziet hij, dan slechts eenige schreden
voor zich uit? En wat merkt hij van het buitengewone
tafereel, dat hem omringt, en waar hij door reist? En
wat weet hij van de schoonheden, ook van de gevaren,
-ocr page 251-
GEMEENTEN IN OUDEN TIJD.                       239
die van weerszijden van zijn pad zijn? Wat wil hij zien»
en genieten ? Immers niets! — Maar laat eerst de dage-
raad opgaan over dezen nachtelijken reiziger, — zie, dan
komen zij voor hem op, die bergketens, die zich daar
boven elkander stapelen, tot, daar heel hoog, hunne met
eeuwige sneeuw bedekte toppen zich verliezen boven de
wolken des hemels! Zie, dan strekken zij zich daar voor
hem uit, die liefelijke dalen, in velerlei kleur, tot daar
waar al die kleuren zich dompelen in het blauw van
gladde meren! Zie, dan deinen zij zich onder hem, die
afgronden, die er gapen naast zijn voet!
Laat de dag,\'de dag eerst komen, o jongeling! dat wil
zeggen: laat Gods woord met zijn licht voor u de wereld
en het leven bestralen, — en gij zult eerst weten wat
oneindig veel schoons en onuitputtelijk veel heerlijks deze
wereld en dit leven voor u hebben, zooals gij in uwe donkere
onbekeerdheid niet hebt vermoed. En gij zult tegelijk u
bewust zijn geworden van te midden van gevaren u te
bevinden, waar gij ook geen denkbeeld zelfs van hebt
gehad. En gij zult dat morgenlicht danken, dat, waar het
u onverwachts schoonheden onthulde, het u tegelijk van
een ontijdigen dood in den afgrond heeft gered.
Gemeenten in ouöen tijö.
SB]
ebt gij nu toch ooit van zulk eene gemeente
gehoord ? Zoo zijn zij toch niet meer! Ik bedoel
de gemeente te Efeze.
Daar woonde Alexander de kopersmid, — „de Heere
-ocr page 252-
240                       GEMEENTEN IN OUDEN TIJD.
vergelde hem naar zijne werken." *) Daar waren Fygellus
en Hermogenes, afvallig geworden met zoo velen, die zich
van Paulus afgewend hadden. 2) Daar waren die lidmaten,
die woordenstrijd voerden, hetwelk tot geen ding nut is,
dan tot verkeering der toehoorders. 8) Daar waren er, die,
zooals Hymeneüs en Filetus, van de waarheid waren
afgeweken, zeggende, dat de opstanding aireede geschied
was; die sommiger geloof verkeerden, wier woord voortat
gelijk de kanker, in het ongoddelijk ijdel roepen. 4) Daar
waren er, die behagen schepten in het opwerpen van
vragen, die dwaas en zonder leering zijn, wetende, dat
zij twistingen voortbrengen. 5) Daar waren er, die eene
gedaante van godzaligheid hadden, maar de kracht derzelve
verloochenden; dezen waren het, die in de huizen inslopen,
en namen de vrouwkens gevangen, die met zonden gela-
den zijn, en door menigerlei begeerlijkheden gedreven
worden, vrouwkens, die altijd leeren, en nimmer tot de
waarheid kunnen komen. 6) Daar waren er, die de gezonde
leer niet konden verdragen, maar ketelachtig zijnde van
gehoor, zichzelven leeraars wilden opgaderen naar hunne
eigene begeerlijkheden, en hun gehoor van de waarheid
afwendden, en zich tot fabelen keerden. 7) Daar waren
er, van wie niets anders kon gezegd worden, dan dat zij
menschen waren, verdorven van verstand, en verwerpelijk
van geloof. 8)
Hebt gij nu toch ooit van zulk eene gemeente gehoord?
Zoo zijn er toch niet meer! Zoo waren bepaald alleen de
gemeenten in den ouden tijd.
\') 2 Tim. 4 : 14.        \') 2 Tim. 1 : 15.        *) 2 Tim 2 : 14.
♦j 2 Tim. 2 : 17.        \') 2 Tim. 2 : 23. *) 2 Tim. 3 : 5—7.
\') 2 Tim. 4:3.          \') 2 Tim. 3 : 8.
-ocr page 253-
sjsu._______________________________________________^Jtyt
O, GIJ SYRISCHE NAAMAN!                      241
\\ 0lj S^riscbe fllaaman!
1^1
^e," zoo zegt misschien de een of de ander, „ik
ben in de kerk gekomen, om vertroost te wor-
den; en het zou mij zoo goed gedaan hebben, om van
Gods liefde verzekerd te worden; maar gij, leeraar! gij
ontneemt mij het vertroostende gevoel van Gods goed-
heid, en gij werpt mij mijne zonden voor de voeten;
moest ik dat komen hooren?"
O, gij Syrische Naaman! gij wilt van uwen profeet
hebben, dat hij tot u uitkome, met glimlachjes en bui-
gend, en dat hij spreke naar uw wensch en zalfjes legge
op uwe melaatschheid, zalfjes van hoop, dat het wel gaan
zal! Maar: „Ga heen, en wasch u van uwe zonden!" is
zijne boodschap, die zijn God hem gebiedt u te zeggen.
En zoo waar als hij een getrouw profeet is, hij zal zijne
boodschap niet veranderen om uwer eigenaardigheden
wil. Maar zoo wat zijn God zeggen zal, dat zal hij spre-
ken. Evenwel, vertoorn u niet vanwege zijne getrouw
heid; want gij zult merken, dat waar gij om gekomen
zijt, namelijk de verzekering van Gods liefde, niet anders
gevonden wordt dan juist op dien weg naar den Jordaan,
den weg der reiniging van uwe zonde.
3f5T"----------------------------------------------------------------------------------------"TTIS
16
-ocr page 254-
242               EEN OVERWINNAAR DIE NIET DOODT.
Uweeoerlet uitwerking van öe 3egeningen.
Is God ons zegent met Zijne weldadigheden, en
nog eens zegent, en alweer, dan gedraagt zich
ons hart daaronder op tweederlei manier.
Of wij wennen aan die gedurige goedertierenheid, en
vinden, dat het zoo hoort, en worden ongevoelig, en drin-
ken dan Gods goedertierenheden in als water.
Of wij gaan er ons onder gevoelen als Petrus, die een
schip vol visch kreeg, genoeg om er zijne schulden mede
af te doen, of om er weken en maanden brood van te
hebben, maar die de tranen er bij in de oogen kreeg, en
riep: „Heere! ga uit van mij, want ik ben een zondig
mensch!"
Een overwinnaar öie niet oooot.
k heb altijd tegen U gestreden, mijn God! Maar
Gij waart altijd de sterkere.
En toen ben ik voor U gevloden, met de vleugelen
des dageraads, naar het uiterste der zee; maar ook daar
kwam Uwe hand mij tegen. En ik vlood, en bergde mij
in de duisternis; maar die nacht ging lichten als de dag,
toen Gij ook daar mij te gemoet kwaamt. En ik vlood,
in verdubbelden haat, en bedde mij in zonden der hel,
zeggende: „Hier wil Zijne heiligheid niet naderen!" Maar
-ocr page 255-
TWEEDERLEI SCHOONHEID.                         243
Gij daalclet neder, zelfs in die hel. En ik wist niet meer,
waar te vlieden. Gij hadt mij bezet, van achteren en van
voren. Waar zou ik nog heengaan voor Uwen Geest?
Toen heb ik mij overgegeven, aan U, den overwinnaar,
den sterke. En terwijl ik mij overgaf, zeide ik: „Welk
gebruik zal Hij maken van Zijne overwinning? Nu zal
Hij mij dood en !"
Maar, Heere! toen heb ik het gezien, dat Gij o ver-
wint niet om te dooden. Want Gij hebt mij levend ge-
maakt. Uw aangezicht zag ik toen voor het eerst, vlak
voor mij, en Uw aangezicht was zeer vriendelijk. Nimmer
had ik zulk een medelijden gezien. En ik bevond, dat
Gij geen lust hebt in den dood des goddeloozen.
O! hadde ik het eerder geweten!
Maar nu zal ik het ook zeggen aan een iegelijk, die
het hooren wil: „Daar is geen God, zooals Gij!"
Uweeöerlet scboonbeiö.
m
aar is tweederlei schoonheid: eene schoonheid
van de jeugd, en eene schoonheid van den
ouderdom.
Schoon is beneden in het dal de jonge, slank opschie-
tende den, in zijne gelijkmatige, forsch uitgeslagen takken,
in zijn altijd jeugdig glinsterend groen. Maar is dan daar
boven op den Libanon de duizendjarige ceder minder
schoon, die daar alleen staat, met zijn gekorven bast, en
uitgeholden stam; met zijne enkele veraf hangende takken,
waar tusschenuit de donder zoo menigen tak heeft neer-
-ocr page 256-
244                      DE DIENSTKNECHTSGESTALTE.
gebroken; minder schoon, met zijne kruin, die, stout en
oud, bijna de wolken raakt, waar de sneeuw is?
Veracht den ouderdom niet. Na de eerste schoonheid
wensch ik u die tweede schoonheid; en zij wordt op den
weg der gerechtigheid verkregen.
De Menstfenecbtsgestalte.
oms, — laten wij het bekennen: wij zijn nog zoo
~ty aardsch, en tot de wereld gezind; — soms hin-
dert ons nog in Christus: Zijne dienstknechtsgestalte.
Het is waar. Wij zouden zoo gaarne wenschen, dat
Hij zich openbaarde in Zijn meerderen glans; dat Zijne
wonderen meer mede bevestigden het woord, dat wij
brengen; dat luisterrijker Zijne kerk schitterde, geëerd
van de menschen; dat Hij Zijn glans en almacht toonde;
dat Hij optrad met die beloofde heerlijkheid van den
Messias; dat de ongeloovigen op den mond geslagen
werden voor Zijn aangezicht; en zooveel meer. Wij zou-
den wenschen, dat het met het Christendom nog zoo
heel anders ging, dan het ging; dat het meer eer inlegde
bij de menschen, meer roem inoogstte bij de wereld.
Soms, zeg ik, hindert ook ons nog Zijne dienstknechts-
gestalte. En in dien kleinmoedigen wereldzin vragen wij
als Johannes: „Heer! zijt gij degene, die komen zou, of
verwachten wij een ander?" Dat gaat ons alles te lang-
zaam. En dan zouden wij willen komen, en nemen het
koninkrijk der hemelen met geweld!
Och! laat ons die dienstknechtsgestalte van onzen Heer
-ocr page 257-
WEES WELKOM, OUDE DAG!                   245
nimmermeer hinderen, mijne broeders! Doorlouteren wij
ons geloof. Zuiveren wij het van al zoodanigen wereldzin.
Het geloof, dat de Zoon des menschen wil op de aarde,
als Hij komt, is het geloof juist in Zijne dienstknechts-
gestalte en vernedering. De ongeloovigen zouden kunnen
en willen gelooven in Zijne Godheid; de gemeente gelooft
in Zijne menschheid.
En bovendien: wij zouden die dienstknechtsgestalte
toch niet willen missen, immers! Want niet de glansrijke
wonderdoende Christus, maar de hjdende, gekruisigde
Christus bracht ons immers de verzoening!
Mees weihom, ouöe oag!
eerhjk, altijd jong blijven! Naar, dat ouder worden!
— Zoo? Wat is dat dan toch, de ouderdom?
De ouderdom is: de hartstochten tot stilstand gekomen.
De ouderdom is: de wijsheid, uit ervaring geboren. De
ouderdom is: de kalme kracht, uit teleurstellingen voort-
gekomen. De ouderdom is: de rechte schatting van de
dingen hier beneden.
O! indien dat alles de ouderdom is, dan vind ik het
niet vreeselijk meer, dat hij nadert. Wees welkom, oude
dag! ik vrees u niet meer.
-ocr page 258-
246             ZONDEBEWU8TZIJN EEN SCHEIDSMUUR
Zonbebewust3ijn een scbeibsmuur.
»
at heeft Uwe liefde mij aangetrokken, Heere!
Zij trok mij al dichter en dichter, van zeer
verre. En toen ik nabij U kwam, zag ik Uw vriendelijk
aangezicht, en Uwe uitgebreide armen, bereid om te ont-
vangen en te omhelzen. En toen wilde ik met ongeken-
den drang, hartstochtelijk, naar U toe, naar die uitge-
breide armen, en naar die liefde, die mij trok, sterker
dan al de banden der aarde.
Maar, vreeselijk! toen trad plotseling mijn zonde-
bewustzijn tusschenbeide, als eene gestalte, groot en
wreed, en sterk. En die vreeselijke gedaante hield mij
tegen, en sloeg mij op den mond, en duwde mij terug,
en wierp mij meedoogenloos, maar verdiend, de woorden
in het aangezicht: „Van hier! wat steekt gij de hand
uit naar Gods liefde, gij zondaar! Raak haar niet aan,
gij bezoedelde! Hoe durft gij !" En ik vlood, geslagen
in de te genwoordigheid Gods ; vlood, weer mijne oude
ellende te gemoet, waar de duisternis en de nevelen maak-
ten, dat ik het niet meer zien kon, dat vriendelijk aan-
gezicht van U, o God! Dat was zeer diepe nacht.
En ware Uwe liefde niet opgestaan, en nedergedaald
van den hemel, in mijne afgronden; en had Uwe liefde
niet getwist met mijn zondebewustzijn, die gedaante, zoo
vreeselijk en zoo wreed en zoo sterk, en haar het gezegd:
„Als Ik vergeef, wie durft dan nog de zonde verwijten?"
en had Uwe liefde haar niet bevelend het zwijgen
-ocr page 259-
VIJFTIG RECHTVAARDIGEN.                      247
opgelegd, — ik lag daar nog neder met verslagen gemoed,
en gebroken hart.
Maar nu loof ik Uwe genade, o Heere! want niets
scheidt mij meer van Uw vaderhart, dat mij trekt; ook
niet meer dat zondebewustzijn.
Dijftiö recbtvmaröigen.
ij, die vergaan, liggen rondom u bij duizenden.
Uwe stad is eene groote stad. En naast uw
Christelijk element, o gemeente van Jezus! breidt zich
een goddeloos element onder de burgerij tegelijk uit op
onrustbarende wijze. Wat heidendom breidt zich uit bij
rijken en armen, in uwe onmiddellijke omgeving! Waar
leven die menschen voor? Wat weten zij van God af?
Wat van Christus? Wat van den Bijbel? Wat weten zij
van de eeuwigheid af? Waar gaan zij heen, op zondag-
avond, die massa menschen op straat, alsof Satan hen
op de schouders reed, hen mennende naar een volksthe-
ater, of herberg, waar zielen vermoord worden door drank
of door onzedelijke stukken? Wat weten zij, wat geven
zij er nog om, of daar een Zaligmaker roept: „Komttot
Mij, Ik ben het Lam Gods, dat de zonden der wereld
wegneemt?"
Zij, die vergaan, liggen rondom u bij duizenden. La-
ten wij het wèl weten: daar in de volksmassa\'s leven
hartstochten als vuur, die gevoed worden door demonen.
Beneden in den berg kookt het, en broeit het. Straks is
die heele volksmassa een barstenden vulkaan gelijk. La-
-ocr page 260-
248                        NIET DOOR VERDIENSTE.
ten wij het wèl weten: daar beneden en boven in de
volksmassa\'s is het geloof in een rechtvaardig God weg-
geredeneerd; daar leeft geen vrees meer voor de wrake
Gods; en dat volk wordt alleen nog maar ondergehou-
den door de vrees voor de wet en voor den politieagent,
als ook die vrees al niet verdwenen is. Laten wij het
wèl weten, dat, als de lagere, dierlijke natuur van den
mensch de breidels Gods heeft in stukken gereten, hij
dan voortholt, van Satan gereden en gezweept, liefst naar
de plaatsen der verwoesting, waar het bloed bij stroomen
vloeit, en de brand huizenhoog uitslaat.
Zij, die vergaan, liggen rondom u bij duizenden. Wat
gij te doen hebt, o gemeente van Jezus? Uwe stad red-
den ! Weest gij, vijftig rechtvaardigen! Blijft gij, vijftig
rechtvaardigen! Misschien, dat naar Gods barmhartige
wijze van doen, als de vulkaan losbreekt over Sodoms
vlakten, om uwentwil, o vijftig rechtvaardigen! uwe stad
wordt gespaard!
Kilct öoor verölenste.
Is, in den dag der dagen, ook ik zal geroepen
worden voor den troon der verantwoording, voor
den vreeselijken rechterstoel Gods, dan zal ik bevende
neervallen ter aarde met het aangezicht in het stof voor
Zijne voeten, een zondaar, des oordeels waardig, zooals
ieder ander, neen meer! en verwachtende de vreeselijke
uitspraak der rechtvaardigheid.
Maar dan zal er een opstaan in het getuigenis, ten
-ocr page 261-
NIET DOOR VEEDIENSTE.                         249
mijnen gunste, en zeggen: „Vader! toen ik krank lag op
de aarde, heeft hij mij bezocht, en hij heeft gemaakt dat
ik mijn moede hoofd neerleide, rustig en in hope."
En een ander zal zijn getuigenis versterken, en zeggen:
„Vader! toen ik op de aarde bedelende lag voor de poort
des rijken mans, die mij weigerde, is hij gekomen, en
heeft hij mij brood gegeven, en water tot mijne lippen!"
En een ander zal verder spreken: „Vader! mijn kleine
kind bleef zoo eenzaam achter op de aarde, toen ik hier
kwam, maar hij heeft het bij de hand genomen, en van
het verderf bewaard!"
En nog een zal opstaan, en spreken: „Vader! hij was
toch een leeraar, en heeft den weenenden de tranen
gedroogd, en de dooden mede begraven, en vele kinderen
geleerd, en in Uwe tempels immers Uw woord gepredikt!"
En nog één, en nog één van u, o leden mijner gemeente!
zullen goedwillig gedenkend mij voorspreken in dat vree-
selijke gericht.
Maar ik zal blijven nederliggen, met het aangezicht in
het stof, en het niet opheffen, wetende, dat geen goed
werk redt van de verdoemenis, en bevende om de af-
wachting van de vreeselijke uitspraak der rechtvaar-
digheid.
Totdat aan Gods rechterhand de Zoon zal opstaan, en
vriendelijk spreken zal: „Mijn Vader! hij heeft op mij
betrouwd, en heeft op mij gehoopt; Ik spreek voor hem,
wiens betrouwen Ik niet beschamen kan!"
Dan zal ik mijn aangezicht opheffen uit het stof, blijde,
en niet meer bevend; en vrijmoedig als een, die het
reeds weet, zal ik des Heeren uitspraak afwachteD. Want
die voorspraak, die voorspraak heeft nimmer gefaald.
-ocr page 262-
JbljL
SUL.
3 n b o u b.
liladz.
Van de zwaluwen....................     1
De God der kleine dingen.................     2
Lenteverwachting.....................     5
Kerkdienst........................     5
Eenzaamheid.......................     6
De tijd en de dood...................     8
Oorzaak en zwakheid van alle wet............     9
Verdwaald........................   10
Onoverwonnen......................   10
Armoede der wereld...................   11
De Catacomben.....................   12
Nog niet verouderd..................   13
De stervende boom....................   14
Verstorven hoop en levende hoop.............   15
De akkers na den regen.................   16
De vlinder........................   17
Stille bekeering.....................   17
„Waarom?".......................   18
„\'t Kan verkecren!"...................   21
De Sodomsappel.....................   21
■ZIT
-ocr page 263-
S-._____________________________________________________JLUL
*
INHOUD.                                 251
I
Rladz.
Draagkracht.......................   22
„In do wereld zult gij verdrukking hebben"........   23
Amplius.........................   23
Lukas 9 : 57—62.....................   24
Misbruik van den kansel.................   25
Philanlhropen......................   26
De ruiter met den groenen tak..............   27
Geheime oogenblikken...................   28
Wanneer wordt de Booze openbaar?............   28
Kerstdag.........................   29
De God der kleine dingen................   30
Een steen des aanstoots..................   31
Alles kan hersteld....................   32
De belijdenis van Hemelvaartsdag.............   33
De wederkomst van Christus...............   34
Een kenmerk van onzen tijd...............   35
De wijze en de dwaze maagden............       37
Het ware wachten...................   38
God almachtig — onmachtig...............   39
De doorn in het vleesch.................   40
De dienst der leeuwen..................   41
„Geef mij uw hart"...................   42
«Geef mij eene plaats, waar ik staan kan".........   44
Bij den afgrond.....................   45
Sabbat.........................   45
Aan de Jabbok......................   47
De Heer ook in het doodenrijk..............   48
Wat is gelooven ?.....................   48
Hoe kon de rechtvaardigheid Gods Jezus\' dood toelaten ? . .   49
De roeping der kerk...................   52
Bij het uitgaan van de kerk...............   54
Hemelvaart.......................   55
Het geheim van een blij leven..............   57
Trouw getuigen......................   58
wnr----------------------------------------------------------: *~ ^re
-ocr page 264-
252                                 INHOUD.
Bladz.
Zóó niet treuren....................   59
Openhartigheid......................   59
Begin toch!.......................   60
Martelaarschap......................   62
Voorzienigheid......................   64
Geen arbeid nutteloos...................   66
Het zaad op de steenachtige plaatsen............   67
Onverschilligheid.....................   68
Planloos leven......................   69
„Heere, hoe lang nog?"................   70
Kerkgangers.......................   71
Maar één ideaal.....................   71
Wie is er arm geweest als Jezus ?.............   72
Het eerste kruiswoord..................   73
De hand aan den ploeg..................   74
Hij heeft ons eerst liefgehad...............   76
Eene wonderlijke wereld..................   76
Een blik terug en vooruit.................   78
Volgen, waar Hij ook heen gaat..............   78
Koningskinderen.....................   79
De ongestadige mensen..................   80
Werkeloosheid: ongeloof..................   80
De beek Krith. 1 Kon. 17 : 1—10............   81
Tweederlei leven.....................   85
De bron.........................   87
Martelaars........................   89
De weenende Petrus...................   90
Eenig verlangen.....................   93
De Landman.......................   94
In de kerk een Christen, overal een Christen........   95
Hoe sterft de oude menschV................   96
Het snoeien van den wijnstok...............   97
De voorspoedige mensch de vroomste!...........   98
Zending.........................   99
-ocr page 265-
SjJ*^___________________________,_______._________Jtlt
INHOUD.                                253
Bladz.
Logos spermatikos....................100
Godsdienst in zaken...................101
Ontwakend lenteleven...................102
Wat is zwak en wat is sterk?...............103
Dwaze zelfverloochening en wijze zelfzucht.........104
De laatste stap van verachtering..............105
Grafwaarts........................106
De grondgedachte der Schrift...............107
Uit het doodenrijk weergekeerd...............108
Wie redt tegen den dood?.................109
Opvoeding. .......................111
Bekeering........................112
Het ongeloof, wreed!...................114
Vrees geen lichamelijken dood meer, na behoudenis uit zedelij-
ken dood.......................115
Droefgeestigheid.....................115
„God is onze zaligheid"..................117
Het gekrookte riet en de rookende vlaswiek.........120
Pessimisme........................121
Der dooden raad.....................122
„Wat is waarheid?"...................123
De zingende priesters...................124
De paradijsbelofte....................126
Iviith en Naomi.....................126
De beste oogenblikken van het onbekeerde leven.......127
De toestand na den dood — eene zekerheid of eene onzekerheid ? . 128
Weldadigheid altijd veroordeeld..............130
Verdorven natuurorde...................131
Bevredigd........................132
Troost in tranen.....................135
Moderne Laokoons....................136
De dageraad aan de Jabbok................137
„Waar is uw God?"...................138
Een zelfstandig man...................139
___________________________________________ \\
-ocr page 266-
I
254                                 INHOUD.
Bladz.
Mattheus 11 : 28.....................141
De gave der talen....................149
Wie is dapper?.....................150
De onvruchtbaarheid van den twijfel............151
Hoe den twijfelaar genezen ?................152
De twijfel onverantwoordelijk...............152
Het oordeel des berouws en het oordeel der genade.....153
Formulieren.......................154
Geen loon vóór den tijd..................154
„Des Heeren tempel, des Heeren tempel is deze!"......155
Het Christendom geen formule ,.............155
De leiders geleid.....................156
Leeuwen bij de bron...................157
Materialistische oogen...................157
De onvruchtbaarheid van den twijfel............158
De vogelen op het zaadveld................160
De eerste smart der wedergeborenen............161
„Waar is uw God?"...................163
God openbaar in het oordeel...............165
Geen grieven meer tegen de Voorzienigheid.........166
Volg mij.......................• 168
Ontmaskering......................169
De laagste plaats.....................170
Vroom verloren.....................173
Succes.........................175
De waarde van den Bijbel................175
Wat is het Evangelie?..................177
Eene suggestie.....................179
Optimisme........................182
Opvoeding........................182
Plato — Mozes — Jezus.................183
Is er dan geen helper?..................184
„De arbeiders zijn weinige"................185
Voorwaarts.......................186
#                     ___________________________________________________
WilT -                                                                                                         "TTt
9t,04Us
-ocr page 267-
INHOUD.                                255
Bladz.
Wat de zondaars trekken kan...............187
„Die tot mij komt, zal ik geenszins uitwerpen".......189
Mozes op Nebo.....................191
Hemelbestormers.....................192
Ongeloof eene zaak van overhaasting............194
De vrees des belijders..................196
Ouderdom........................198
Kerstdag........................199
Aan de hand van Jezus.................202
Vriendschap.......................203
„Jezus, de Nazarener, de koning der Joden"........203
De ossen en schapen van Amalek :............209
Halve offeranden.....................209
Geheele overgave.....................210
Primitieve toestand van bekeering.............211
Jeugd en ouderdom...................213
Godsdienst, eene vrouwelijke aandrift?...........214
Heilige Geest......................214
Taxatie.........................215
De Atheners.......................216
In Christus is niets verloren................217
Wolken voor de zon...................218
Gezegende taak......,..............220
Valsche gerustheid....................222
Vrede..........................223
Het geduld van den Heiligen Geest............226
Aankomst........................227
Het kruis een staf van Aüron...............228
Handenarbeid verachtelijk?................229
De sneltrein.......................230
Het eerste en het laatste zwaard..............231
Vallende sterren.....................232
Oorspronkelijke natuur..................232
Alles verlaten......................233
-ocr page 268-
256                                 INHOUD.
Bladz.
Gemeenschap der heiligen.................234
Verzoeking.......................235
Krachtverlies ?......................236
Des leeraars beste lof...................237
Morgenlicht.......................238
Gemeenten in ouden tijd.................239
O, gij Syrische Naaman!.................241
Tweoderlei uitwerking van de zegeningen..........242
Een overwinnaar, die niet doodt..............242
Tweederlei schoonheid...................243
De dienstknechtsgestalte..................244
Wees wolkom, oude dag!.................245
Zondebewustzijn een scheidsmuur.............246
Vijftig rechtvaardigen...................247
Niet door verdienste...................248
snr                                                                                "ttk