-ocr page 1-
*%w
^5
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
mm izfewdr
$
/fcW^
-ocr page 5-
<Hrettfc3tn$en op d5ooe <H88er.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
GUNNING y.X^f
JËJrenfe3ittjSen ■♦
* op (Bob* «Eftfter
H. PIERSON.
\'s-GRAVENHAGI
W. A. BESCHOOR.
BIBLIOTHEEK DER
«UKÜUNlVERSlTEIT
UTRECHT.
-ocr page 8-
Stoomdbpiukrjj D. van Bun k Zoon — Rotterdam.
-ocr page 9-
EEN WOORD VOORAF.
Toen Ruth op Boaz\' akker aren had gelezen,
stond zij, thuis komende, verbaasd over de opbrengst.
Zij wist niet, dat Boas zijn volk den raad had ge-
gegeven, om harentwille ditmaal wat slordig te zijn
en veel te laten liggen.
Zoo gaat het ons vaak, als wij, na lang aren te
hebben gelezen, die in een bundel vergaderen en uitslaan.
Terugziende op de jaren achter ons, krijgen wij den
indruk niet veel vergaderd te hebben: hier een aar en
daar een tweetal, soms eenige bij elkander. Maar bij
de uitkomst viel hel mede. Trouwens wij ivislen niet,
dat de goddelijke Eigenaar van den akker ons onmerk-
baar meer had laten vinden dan wij verwachtten.
In den loop der jaren ontvangt men velerlei indrukken,
die, neergelegd in korte overdenkingen, door het bewaren
en vereenigen meer waarde verkrijgen.
Wat te midden van veel arbeid en velerlei erva-
ringen, nu bij voor-, dan bij tegenspoed, bij dankzegging
-ocr page 10-
en rouw, bij overwinning en nederlaag, werd genoten
en ondervonden van Gods Woord, wordt daarom hier
in een boekdeeltje verzameld.
De lezers van „De Bode der Heldringgestichten"
zullen er wellicht hun oude bekenden onder terugvinden,
soms ook wat anders en beter gekleed zoo wij hopen.
IVellicht maakt men ook nieuwe kennissen.
H. P.
Zetten, November 1901.
-ocr page 11-
INHOUD.
Blad/..
DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ......           I
IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?.......          8
DE OVERSPELIGE VROUW.............        14
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD ...       20
NOG EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD .        28
DE VIJF NOODEN................       33
DE DWAASHEID DES EVANGELIES...........        39
HET BEELD GODS................        47
TOOVERBEKEERINGEN...............       53
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE..........        59
HET WIEROOKVAT OMGEKEERD...........       68
JEZUS NIET VOLMAAKT?..............        74
PROFETEEREN EN WAARZEGGEN...........        79
DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI ! I—9.........       84
BODE, HERAUT, GEZANT..............        89
DE CATECHISATIE-JOB..............       94
ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH...........      102
DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN...........      IO9
OUDERDOM..................     115
JEZUS\' MOEDERTAAL...............      120
EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET..........      I27
DIENEN OF BEHEERSCHT WORDEN..........     133
WEG, WAARHEID, LEVEN.............      137
DE OOGST IS GROOT...............      I42
-ocr page 12-
-ocr page 13-
^^^^^^ë^i^i^
DE TWEE STEUNPILAREN DER
MAATSCHAPPIJ.
Eerlijkheid en Eerbaarheid. Het laat
zich niet weerspreken, dat deze twee de steunpilaren
zijn van het maatschappelijk leven. Neem een van deze
twee weg en de geheele maatschappij valt in elkaar.
Hoe kan de handel bestaan, als er geen crediet, geen
vertrouwen meer is ? Hoe kan het huisgezin bestaan,
als de kuischheid met voeten getreden wordt ?
Dit gevoelt de wereld onwillekeurig ook en men
kan met recht zeggen, dat aan den man meer bijzon-
der het eerste, aan de vrouw het laatste is toever-
trouwd. Het crediet, het goed vertrouwen op te hou-
den, is daarom de aangewezen taak van den man,
omdat hij zich meest buitenshuis beweegt, terwijl de
handhaving van het gezin bij uitnemendheid de taak
der vrouw is.
Deze gedachten liggen zoozeer op den bodem
der maatschappij, dat zij de oneerlijkheid het hardst
-ocr page 14-
2         DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
in den man, en de oneerbaarheid het hardst in de
vrouw straft.
Dit is billijk en overeenkomstig den eisch der
gerechtigheid Gods.
Er zijn zeker evenveel vrouwen als mannen, die
stelen, maar er zitten heel wat meer mannen voor
diefstal in de gevangenis dan vrouwen. Omgekeerd
zijn er evenveel oneerbare mannen als vrouwen, maar
de vrouw, die de kuischheid met voeten treedt, wordt
zwaarder gestraft dan de man. Als een jong meisje
speelt met haar eerbaarheid, laadt zij de verachting
der wereld op zich, want God heeft in het hart van den
man de behoefte gelegd, om de vrouw te eeren, en
haar in reinheid en zuiverheid van zeden boven zich
te stellen.
Het is een waarheid, dat een jonge man, die op
18-jarigen leeftijd in den handel gaat en zijn patroon
besteelt, meestal even reddeloos verloren is als de
jonge dochter, die op dien leeftijd een misstap begaat.
Ja, zelfs in de beschaafde kringen zal het meisje,
dat zich dwaas aanstelt, zich niet weet te beheerschen,
en de jonge mannen naloopt, volkomen rechtmatig
ondervinden, dat er ook met haar gespeeld wordt. Zij
heeft dit aan zich zelve te wijten. Gods wetten van
eerlijkheid en eerbaarheid worden niet straffeloos met
voeten getreden.
Wij zijn daarom met het Evangelie in de hand
alles behalve gezind, een ziekelijke liefde te prediken,
die de oneerlijke en eerlooze mannen en vrouwen
vergoelijkt. Integendeel: op het standpunt der wet,
-ocr page 15-
DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.          3
uit het oogpunt der menschelijke maatschappij is
afkeer van den man, die steelt en van de vrouw, die
haar eer wegwerpt, niet alleen billijk, maar gewenscht
en in menig opzicht gezegend. Het zou er nog veel
slechter uitzien in deze wereld, indien het anders ware
en menigeen wordt daardoor binnen de perken ge-
houden van een uitwendig goed gedrag.
Daarin openbaart zich ook de toorn Gods tegen
de zonde en deze wet is een heilzame tuchtmeester tot
Christus, wanneer die met een ootmoedig hart wordt
erkend, als billijk en goddelijk rechtmatig. Wie daar-
aan tornt, zondigt tegen Gods ordening en haalt de
steunpilaren der maatschappij omver.
Wil dat zeggen, dat de mannen mogen doen, wat
aan de vrouwen verboden is ? Allesbehalve. De vrou-
wen mogen evenmin stelen als de mannen maar zij
doen het evenzeer, misschien nog meer — doch wor-
den er zonder twijfel veel minder voor gestraft. Vraag
eens in de militaire kringen, hoe zwaar het stelen
onder kameraden wordt aangerekend en doe dan
eens onderzoek naar de diefstallen van gelijke soort,
door vrouwen gepleegd! Gij zult zien, dat het alzoo
is. Doch hoezeer dit alles volkomen rechtmatig is en
wij Gods ordeningen eeren door dit te erkennen, het
Evangelie heeft wat beters te zeggen.
In de Schrift lees ik, dat de Heere Christus zich
ontfermd heeft over oneerlijke mannen en over oneer-
bare vrouwen.
Er is echter een groote neiging bij vele geloovige
Christenen, om de woorden des Heeren in een
-ocr page 16-
4          DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
anderen zin dan den letterlijken te verstaan, maar
nergens komt dit meer uit dan in de verdraaiing van
het woord: „de Zoon des Menschen is gekomen om
te zoeken en zalig te maken wat verloren was."
Van dat woordje verloren maakt men iets zeer
onbestemds en zegt met een zucht: „mochten wij maar
inderdaad verloren zijn."
Zoodoende wordt er iets van gemaakt, dat de
Heere Jezus nooit bedoeld heeft, en wij zelven lijden
er schade onder, als wij het woord niet opvatten, zoo-
als de Heere het meende. Hij verstaat onder verlo-
renen diegenen, welke de wereld als zoodanig be-
schouwt. Reddeloos verloren is, in het oog der wereld,
ten eerste de man, die steelt en ten tweede de vrouw,
die zich vergooit. Juist die kom ik zoeken, zegt de
Heiland, opdat ik u, hoogstfatsoenlijke mannen en
vrouwen, zou leeren, dat gij dezelfde genade van
noode hebt en dat gij onder het woord zondaar niet
moet verstaan, een bekommerde, innige, teergevoe-
lige, smachtende ziel, maar wel zeer zeker een die
door en door slecht is. Ik kom de zielen genezen, niet
van ingebeelde en gedroomde zonden, maar van zeer
duidelijke en tastbare boosheden.
Ziet gij dien man daar, die onlangs heeft ingebro-
ken, en die nu uit dien gevangeniswagen stapt met
een paar rijksveldwachters naast zich? Dat is een
zondaar, en op dien man gelijkt gij als twee druppelen
waters in Gods oog, zoolang er geen nieuw leven
bij u komt. — Ziet gij die vrouw daar met opge-
pronkte kleeding, met een onbeschaamd gezicht?Dat
-ocr page 17-
DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.          5
is een zondares, en op het hart van die vrouw gelijkt
uw hart als twee druppelen waters in des Heeren oog,
zoolang er geen nieuw leven bij u is te bespeuren.
Maar nu komt onze Heer en Zaligmaker met deze
blijde boodschap: „Ik kan wonderwerken doen, Ik
kan dien inbreker tot een eerlijk man maken, eerlijker
dan gij zijt. — Ik kan die vrouw tot een toonbeeld
maken van eerbaarheid en reinheid, waar menig
meisje van ongerepten naam zich voor moet
schamen."
Dit is de belofte des Evangelies en daarom is
dat woord: de Zoon des menschen is gekomen om
te zoeken en zalig te maken wat verloren was — voor
alle niet-verlorenen zoo heilzaam en zoo heerlijk
tevens, mits zij het in al zijn strengheid over zich heen
laten gaan.
Nu weet ik, wie verloren genoemd worden en nu
komt de vraag tot mij: „wilt gij naast deze verlorenen
staan, met dezen gerekend worden, even als dezen
behoudenis verkrijgen? Durft gij het uitspreken tot
die verlorene: ik ben in Gods oog, wat gij zijt en ik
kan door geen ander middel behouden worden dan
door hetzelfde Evangelie, wat u behouden moet.
Jezus Christus is in de wereld gekomen om zondaren
zalig te .maken, van welke ik de voornaamste ben ?"
Een dief te bekeeren tot een eerlijk man, een
gevallen vrouw te maken tot een eerbare en reine ziel
— dat zijn wonderwerken, waar de wereld voor staat.
En «terecht, zij gelooft niet eens dat het mogelijk is.
Doch juist dat ongeloof doet des Heeren heer-
-ocr page 18-
6          DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.
lijkheid der- te meer uitkomen en ieder, die door Gods
genade tot inzicht van zijn toestand is gekomen, juicht
dankbaar: „kan dat, dan kan ik ook gered worden,
dezelfde genade die dezen behoudt, kan het ook mij
doen."
Dit te vergeten, is een der grootste zonden die
de Christenen onzer dagen op zich laden. Men gelooft
niet aan de zwartheid der zonde en daarom gelooft
men evenmin aan de heerlijkheid des Evangelies. De
Christenen maken op de wereld vaak den indruk
van Farizecn en hoewel de wereld allerminst recht
heeft, hen aan te klagen, is het toch zeker waar, dat
onze Heer en Heiland nooit dien indruk heeft ge-
maakt. De wereld heeft Hem uitgejouwd als „vraat en
wijnzuiper" maar niet als „huichelaar."
De fout ligt bij ons daarin, dat de zonde bij ons
vooral een schuld is en niet een diep bederf.
Wij voelen niet, dat wij op God denzelfden indruk
maken, die een Rachab of Zaccheus op ons maakt. Met
groote woorden trachten wij ons berouw uit te druk-
ken en wij voelen niet, dat de zonde de vreeselijkste
werkelijkheid is. Daarom zijn er zooveel bekommerde
zielen in de Chr. gemeente, omdat zij de zonde niet
kennen en niet erkennen en dus ook de genade
miskennen.
Zoolang de Chr. gemeente het woord verloren
niet vat, verstaat zij maar half het woord behouden.
Eerst dan als zij beseft: Jezus Christus heeft oneer-
lijke mannen en oneerbare vrouwen tot een spiegel
gesteld van allen — buigt zij zich dankbaar neer in
-ocr page 19-
DE TWEE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ.          1
de aanbidding van dit wonderwerk Gods en juicht
in de verlossing ook aan zoogenaamd fatsoenlijke (!)
menschen aangeboden.
Doch tevens gevoelen wij dan ook, dat wij alleen
door diepe wegen van tucht en vernedering kunnen
ingaan in het Koninkrijk Gods.
Met zachten balsem en met zoetelijken troost zijn
de wonden niet te heelcn; de geneesmeester der zielen
heeft meer dan dat; Hij gaf er zijn hartebloed voor
en ging onder in den dood, om uit den dood herrij-
zcnde het nieuwe leven aan te brengen aan ieder, die
zijn genade ondervindt.
De zonde is een vreeselijke werkelijkheid, maar
de verlossing is een even heerlijke waarheid.
-ocr page 20-
At>
AO AO AO AO AO
W <V <V <V <V
A£> A£> AO A£> AC>
<V <7V <7t? <3V -3V
M/
AO At AO AO AO AO
<3V OV <3V <7V <V <3V
A> A> A> AC> AO AO
<7V W <7V W <3\\7 W
<7V
IS DEZE TEKSTVERKLARING
TE GEWAAGD?
Met die vraag kom ik tot u, mijn lezer, en wellicht
zal uw oordeel zijn, dat mijn denkbeeld uit de lucht
gegrepen is. Doch, laat dit zoo zijn, althans zal het u
iets te denken geven.
In de gelijkenis van den verloren zoon staat, dat
de oudste zoon, terugkeerende uit het veld, het
gezang en het gerei hoorde in zijns vaders huis
en vraagde, wat dat mocht zijn.
Nu trof mij dezer dagen, bij het uitspreken daar-
van, dat zingen bij beurten, die reizang, en ik vraagde
mij af: wat mag de Heere Jezus wel daarmee bedoeld
hebben? Waarom dat zingen bij beurten? Wat zou
men wel gezongen hebben bij den terugkeer van den
verlorene ?
Daarbij kwam mij in herinnering, wat in het
schoone, nooit verouderde werk van Miss Rogers
-ocr page 21-
IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?            9
over „Huiselijk leven in Palestina" verhaald wordt
aangaande het zingen bij beurten, zooals dat heden
ten dage nog in het Oosten gebruikelijk is.
Eens kwam zij met haren broeder, EngelschCon-
sul, in een klein plaatsje van Galilea en werd daar
gul ontvangen, \'s Avonds kwamen er verscheidene
gasten. Een grootc kandelaar werd in het midden
op den grond gezet en allen plaatsten zich op kussens
langs de wanden. Maar nu begon men ter eere van
haren broeder en haarzelve op eigenaardig Ooste-
sche manier een soort van beurtzang. Een van de
gasten sprak — al zong hij niet bepaald — een zegen-
wensch uit in verheven woorden en de anderen vielen
in met een refrein, waarvan de inhoud zeer eenvoudig
maar toch aangrijpend was. De voorzinger zeide b.v.
„Abraham verliet zijn land en zijn maagschap en
verkeerde als vreemdeling in een vreemd land, maar
hij werd machtig in het land, zijn geslacht nam toe en
zijn naam werd grooter. Zoo ook moge de naam van
Rogers bekend worden in dat land, en mogen zijn
kinderen en kindskinderen hier wonen in eere."
Daarop vielen allen zingende in: „Mogen zijn kinds-
kinderen hier wonen in eere." — Straks had de voor-
zinger weer een andere voorstelling en bracht hij ook
aan de zuster van den gast alzoo een vricndelijken
groet — en telkens viel het koor weer in met de afge-
sproken woorden of met de laatste woorden van den
spreker.
Zulk een manier van hulde bewijzen komt ook
voor bij rouwbeklag op een begrafenis.
-ocr page 22-
IO          IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?
Enkelen heffen aan, met smart terugziende op
hetgeen de overledene geweest was:
„Wij zagen hem in het midden der ruiteren,
Dapper rijdende op zijn paard, het paard dat hij liefhad";
en de anderen hernemen:
„ Ach, wij zullen hem nooit weerzien in het midden der ruiteren,
Dapper rijdende op zijn paard, het paard dat hij liefhad";
en zoo telkens weer bij elke vermelding van hetgeen
hij geweest was.
Ook bij de muren des tempels, waar de Joden nog
elke week te Jeruzalem samenkomen, om hun klaag-
liederen aan te heffen, geschiedt dit op dezelfde wijze.
De voorzinger begint en de aanwezigen vallen in, in
dezer voege:
„Wegens het paleis, dat verwoest is,"
„ „zitten wij eenzaam en weenen." "
„Wegens het paleis, dat vernield is,"
„ „zitten wij eenzaam en weenen." "
„Wegens de muren, die verstoord zijn,"
„ „zitten wij eenzaam en weenen." "
en zoo gaat het verder, om straks weer tot een anderen
vorm van zang en tegenzang over te gaan.
In psalm 136, met het welbekende refrein: „want
zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid" is ons een
oude Paaschpsalm bewaard, waarschijnlijk nog door
den Heere Jezus in den nacht vóór zijn kruisiging in
den kring der Zijnen aangeheven.
Dit alles is vrij algemeen bekend. Doch nu op de
-ocr page 23-
IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?          II
gelijkenis van den verloren zoon toegepast, rijst de
gedachte bij mij op: is het niet merkwaardig, dat tot
twee malen toe daarin de woorden voorkomen: „deze
mijn zoon (of: uw broeder) was dood en is weder
levend geworden, hij was verloren en is gevonden."
De vader spreekt ze uit tegenover zijn dienstknechten
en tegenover zijn oudsten zoon. Is het nu te gewaagd
daaruit af te leiden, dat het zingen bij beurten zich
ook om die woorden beweegt en men daar in huise-
lijken kring, waar de dienstknechten het zelfs zoo
goed hebben, die woorden tot referein heeft gekozen ?
Hoe liefelijk wordt dan het tooneel. Allen vieren
mee feest. De vader wil het gaarne aanwakkeren.
„Men behoorde dan vroolijk en blijde te zijn," zoo
zegt hij immers zelf.
Mij dunkt, ik hoor dien Oosterschen voorzinger
zich uitputten in allerlei woorden en de gansche
schaar van huisgenooten invallen.
„Ver ging hij heen, naar het vergelegen land en
verliet zijns vaders huis, en er was rouw in de woning,
die hij verliet," vangt de voorzinger aan en de andere
zingen hem tegen:
„„Uw zoon was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is gevonden.""
„Ledig was de woning en ledig de plaats in het
harte zijns vaders, als hij hem zag heen trekken om
niet weder te keeren."
„„Uw zoon was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is gevonden.""
„Geen bode kwam berichten, geen stem werd ge-
-ocr page 24-
12          IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?
hoord, geen vreemde wist te melden, waarheen hij
getogen was."
„„Uw zoon was dood" enz.
„De vader ging droevig in rouw en zijn oog werd
dof en zijn hart smachtte naar den zoon zijner lenden."
„„Uw zoon was dood"" enz.
Zoo kon de gansche geschiedenis a. h. w. in zang
en tegenzang aller harte bezig houden, om weldra van
droeve klacht in blijde bewoordingen over te gaan
als de terugkomst van den zoon, als de omhelzing
van den vader, als het kleed en de ring en de schoenen
worden vermeld, of als het berouw van den zoon werd
geschilderd.
Hoe levendig wordt dan het gansche tooneell
Hoe veel rijker van kleur! \'t Is maar niet dat oogen-
blik alleen van den terugkeer, dat oogenblik was
spoedig voorbij. Neen, men rekt de vreugde, men
verdiept zich in het lijden en het verblijden. Het klinkt
naar buiten en de oudste zoon verneemt het van verre
en verbaast zich over de ongewone feestelijkheid.
Bij het verloren schaap en de verloren penning
komt zoo iets niet te pas. Daar heet het kort en goed:
„weest blijde met mij," en daarmede is alles geschied.
Maar hier gaat men verder. Men staat stil bij
al de bijzonderheden. Men geniet van de wederkomst
des verlorenen. Men verlustigt er zich in met breed-
sprakig gezang.
Nooit kon de vreugde der engelen Gods ons lief-
lijker worden geteekend dan in dat gezang en dat
gerei. Zij, die hun „Heilig, heilig, heilig" ter eere
-ocr page 25-
IS DEZE TEKSTVERKLARING TE GEWAAGD?          13
Gods nooit moede gedurig herhalen in hemelsche
koren, worden hier voorgesteld als niet uitgeput in
zang en koor, wanneer het de redding eener ziel geldt.
Scherp en zwart steekt daarbij de houding van
den oudsten zoon af. Hij blijft buiten en wil niet
ingaan.
Maar als de vader daar in de schemering hem
tracht te bewegen, klinken de tonen van den reizang
uit de woning en de vader zelf neemt ze over en zegt
a. h. w. „Hoor het, de zang zegt het u, deze uw broe-
der was dood en is weer levend geworden, hij was
verloren en is gevonden I"
Zing mee in het koor der engelen, laat u niet
terughouden, ga naar binnen, vermeerder de feest-
vreugde. Laat den gevondene voelen, hoe dankbaar
geheel het huis is voor zijn wederkomst.
En gij, farizeër, zoudt niet instemmen met Gods
knechten ? Wie blijft zwijgen als dat koor aanheft
en invalt ?
-ocr page 26-
3ïrT3ETSrE ES3 • SE I ^K I 32
7I\\ I 7K 7I\\lg^oi7Kl7Kl7t\\
DE OVERSPELIGE VROUW.
Vaak is mij verzocht de beschouwing over de ge-
schiedenis der overspelige vrouw, die ik op menigen
kansel heb gegeven en herhaaldelijk behandeld, in
de „Bode" op te nemen.
Zie hier het antwoord op die vragen.
Eene kleine opmerking ga aan die behandeling
vooraf. Gedurig hebben schilders en teekenaars, die
den Heiland in deze geschiedenis voorstelden, ver-
geten, dat in vs. 2 van Johannes 8 uitdrukkelijk staat:
„nedergezeten zijnde, leerde hij hen." Gewoonlijk stelt
men Hem voor in de meest onmogelijke houding, nl.
staande en zoo diep voorovergebogen, dat Hij met
den vinger in de aarde kon schrijven, een stand, die
terstond onwaarschijnlijk blijkt, als men dien zelf even
aanneemt.
Hij zat en zat op Oostersche wijze waarschijnlijk
of o p ot althans weinig boven den grond, zoodat het
zeer gemakkelijk was even nederbukkende met den
-ocr page 27-
15
DE OVERSPELIGE VROUW.
vinger in de aarde te schrijven. Dat deze kleinigheid
niet zonder beteekenis is, zal straks blijken.
Het was Loofhuttenfeest, het liefelijkste en aan-
trekkelijkste van de drie groote feesten, wanneer de
eerstelingen van den naoogst in den tempel werden
gebracht; wanneer alle huizen, met loofhutten ver-
sierd, vooral des avonds na het opsteken der lampen
een eigenaardig tafereel opleverden als van een alge-
meene illuminatie.
Op dat liefelijk en zoo bij uitstek rein en huiselijk
feest vinden de farizeën een man en vrouw op de
schandelijkste wijze zich vergrijpende aan Gods streng
gebod. Zij ergeren zich aan dit vreeselijke feit en niet
zonder reden, want nooit treft ons de uiting der zonde
meer dan in het midden van een heilige feestvreugde.
Zij gebieden de vrouw mee te gaan, de man is waar-
schijnlijk terstond ontvlucht en hem laat men loopen.
Maar nauwelijks is zij in hun macht, of de ge-
dachte komt op: wat zal nu Jezus van Nazareth, die
de zondaren en zondaressen altijd in bescherming
neemt, van zulk een feit zeggen?
Mozes heeft uitdrukkelijk bevolen, dat zulken ge-
stcenigd zullen worden; wat zal Hij nu daaromtrent
beslissen? Spreekt Hij deze vrij, dan is zijn gezag weg,
want Mozes in dit opzicht tegen te spreken is alle zede-
lijkheid met voeten treden. Vonnist Hij haar, dan is
Zijn gezag nog reddeloozer verloren; Hij geeft
Zichzelven een slag in het aangezicht en doet aan de
Farizeën den besten dienst, dien zij van Hem verlan-
gen kunnen.
-ocr page 28-
i6
DE OVERSPELIGE VROUW.
Ziedaar de strik zoo fijn mogelijk gespannen. En
inderdaad, hoe zal men Gods heilige rechten hand-
haven, wanneer de liefde tot zondaren er toe leidt om
kwaad goed te noemen of althans te vergoelijken?
Jezus hoort hen aan, maar wat niemand had ver-
wacht en wat toch het meest natuurlijke, het meest
eenvoudige heeten mocht, geschiedt. Hij, die onbe-
vlekt rein is, rein in het midden van een zondige
wereld, krijgt een geheel anderen indruk dan de Fari-
zeën van deze treurige geschiedenis hadden ontvan-
gen. Hun eerste indruk was ergernis, Zijn eerste
indruk is schaamte. Hij schaamt zich over zooveel
onbeschaamdheid bij die vrouw en bij deze mannen,
die zoo luide aanklagen. Hij schaamt zich bij de aan-
raking met zooveel gemeenheid en met gebogen
hoofd, pijnlijk aangedaan, maakt Hij met verlegen
houding de begrijpelijke beweging met de hand, die
wij kennen, maar die alleen begrijpelijk is, als zij
zonder opzet geschiedt. Wat Hij in de aarde schrijft?
Niets, het zijn maar lijnen en figuren.
Eindelijk richt Hij zich op en spreekt het bekende
woord: „Wie van u zonder zonde is, werpe eerst den
steen op haar."
Dat woord heeft door de geheele wereld geklon-
ken, maar is het begrepen in al zijn diepte? Het was
zoo barmhartig mogelijk uitgedrukt. Als Jezus pijn
had willen doen, als Hij zich uit de moeilijkheid had
willen redden, hoe geheel anders had hij kunnen spre-
ken. Vlak voor de hand lag het om te zeggen: „gij
geveinsden! wat verzoekt gij Mij, toont Mij de wet van
-ocr page 29-
n
DE OVERSPELIGE VROUW.
Mozes," en als zij die hadden gehaald en voorgelezen,
kon Hij zeggen: „Mozes heeft bevolen, dat de man
en de vrouw beide zullen gesteenigd worden en in
enkele gevallen laat hij zelfs den man alleen boeten,
gij brengt mij de vrouw en laat den man gaan, brengt
mij dien eerst, zoo zal ik uitspraak doen; gij, die
leeraars der wet wilt hecten en de wet niet kent!"
Niets van dat alles doet Hij. Waarom niet ? Hij
wil vooreerst de vrouw geen wapen in handen geven
en haar schuld kleiner maken dan zij is, maar boven-
dien: het is Hem niet te doen om zich zelven te red-
den, maar om hen te redden, die in hun hoogmoed
zich zoo vergaten.
Wederom zit Hij neder en wederom schrijft Hij
in de aarde, doch nu stellig niet meer gelijk zoo-
even, onwillekeurig, onbewust, omdat H ij zich
schaamde, maar met geen ander doel dan opdat
zij zich leeren schamen.
Dit is de gewone manier des Heeren. Als Hij
iemand beschaamd wil maksn, ziet Hij hem niet aan.
Lukas 7 :44 doet Hij evenzoo, als Hij Simon den
Farizeer toespreekt en intusschen zich omkeert naar
de zondares aan Zijn voeten. Niets is gevaarlijker dan
iemand aan te zien bij zulke scherp indringende woor-
den. Hij wil geen verzet, geen brutaal antwoord, geen
nijdigen hoogmoed uitlokken, Hij wil het geweten
alleen laten spreken. En zoo gebeurt het ook. Allen
gaan heen, zij schamen zich niet voor dien Jezus,
maar voor elkander, voor hun eigen geweten. Nie-
mand heeft het hart zich tot rechter op te werpen.
3
-ocr page 30-
l8                          DE OVERSPELIGE VROUW.
Eindelijk blijft de vrouw met Jezus alleen. Nu
komt nog het moeilijkste. Haar van de steeniging te
redden, was al zwaar genoeg, maar hoe zal Hij haar
de heiligheid der wet Gods en de genade tevens doen
voelen. Op menigeen maakt hetgeen nu volgt den
indruk van een flauw slot. Wij zouden zonder twijfel
haar nog eens ernstig onderhanden hebben genomen
en haar gewis een lange vermaning hebben gegeven.
Dat Jezus dit doen kon als Hij het verkoos, bewijst de
geschiedenis der Samaritaansche, die ook een over-
spelige was en bij wie Hij lang aanhield.
Hier doet Hij het anders en het wekt bij ons
— met eerbied gezegd — de gedachte: zij komt er
veel te gemakkelijk af. „Doe het nu nooit weer," —
is dat alles?
Ja, dat is alles, en dat wij dit niet terstond begrij-
pen ligt aan onze gebrekkige liefde, waardoor wij ons
niet verplaatsen in iemands toestand. Zie, deze vrouw
heeft doodsangst uitgestaan, en die bij ervaring weet,
wat dat beteckent, weet ook dat zulke oogenblikkcn
onvergetelijk zijn. Jaren later herinnert men zich tot
de kleinste omstandigheden toe en de seconden schij-
nen tot uren te worden, zooveel maakt men door.
Stel u in haar plaats. Zij wist niet, hoe het af zou
loopen. Dat woord: „wie van u zonder zonde is," enz.
was een waagstuk der goddelijke liefde. Zij moest
daarin haar vonnis hooren, want zij kon niet verwach-
ten, dat geen enkele van die strenge mannen rein
was; zij verwacht elk oogenblik het begin van den
vreeselijken doodsstrijd. Het oordeel Gods gaat over
-ocr page 31-
DE OVERSPELIGE VROUW.
19
haar heen, zij staat op den rand der eeuwigheid. En,
let wel, Jezus heeft haar zeer beslist lang genoeg in
die spanning gelaten, terwijl Hij in de aarde schreef.
Hij spaart haar allesbehalve, Hij laat haar het vreese-
lijkste oogenblik doorleven, dat zij ooit gekend heeft.
Eindelijk komt er licht. Wat zal Hij zelf doen?
Hij althans is zonder zonde, Hij heeft dus het recht,
haar te vonnissen. Maar nu komt Zijn genade zoo
voorzichtig, zoo teeder, zoo nauwgezet mogelijk haar
te gemoet. „Zoo veroordeel Ik u ook niet" — dus: zij
die het wilden doen mochten niet, en Hij Die
mocht, wil niet. Hij kiest met opzet een kort woord,
dat zij letterlijk onthouden kan en wel onthouden moet,
bij de angsten die zij doorstond.
Hij spreekt haar niet vrij, zooals de zondares bij
Simon met een heerlijk: „uwe zonden zijn u ver-
geven," — zoover is het niet. Zij mag dankbaar zijn
den dood nog te ontkomen.
Zoo leert ons Christus, hoe wij tegenover de zonde
hebben te staan. Toch zullen er bezwaren overblijven
in ons hart; wij kunnen Christus geen gelijk geven,
tenzij wij beginnen met Hem te gelooven. Hij zegt
geen woord te veel noch te weinig — wij zeggen er
duizenden te veel en honderden te weinig.
Zeker is het dat methodistische bekeeringsijver
geen steun kan vinden in dit verhaal. Maar laat ons
dan toch van Hem leeren en niet onze wijsheid boven
de Zijne plaatsen.
-ocr page 32-
iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii^i
""","T"TT\'"fTT\'",,"\'"""",rTTTTT\'\'"\'\'TT\'"r\'rTTT
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE
GESTICHTEN GELEERD.
„Vergeef ons onze schulden gelijk ook wij ver-
geven onze schuldenaren," is een bede, waar ik lang
geen weg meê heb geweten. Een ontzettend woord
door een diep gezonken vrouw gesproken, heeft er
mij een oog op gegeven, zooals nimmer te voren. Wie
eerlijk zijn meening uitspreekt zal met mij erkennen,
dat wij de bede stellig niet in dien vorm zouden heb-
ben gegoten. Het klinkt ons vreemd in de ooren, tot
God te zeggen: „vergeef Gij, gelijk ik vergeef." Ge-
woonlijk bedenkt men er wat op en legt er eerst iets
anders i n, om het er dan weer u i t te leggen. Zoo
vat de een het op alsof er stond: „vergeef ons onze
schulden, opdat ook wij onzen schuldenaren ver-
geven." Men is dan in eens gereed, maar vergeet dat
men de zaak eenvoudig omdraait. De ander legt ze
aldus uit: „vergeef ons onze schulden, want wij zijn,
door Uwe genade, ook voornemens onzen schulde-
-ocr page 33-
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD. 21
naren te vergeven." Heel fraai, maar dat staat er niet
en het Iaat zich allerminst rijmen met de woorden zoo-
als zij bij Lukas (XI :4) voorkomen: „want ook
wij vergeven," enz.
Trouwens de woorden, die er in Matth. VI : 14,
15 opvolgen, verbieden die uitlegging. Daar staat
uitdrukkelijk, dat Gods vergeving afhangt van ons
vergeven, m. a. w. dat wij geen vergiffenis kunnen
ontvangen, wanneer wij niat beginnen met ver-
geving te schenken. Dit is bovendien geheel in over-
eenstemming met de woorden van Matth. V : 23, 24,
waar de zaak wel omgekeerd is, maar toch ook de
vergiffenis der menschen moet vooraf gaan aan
de vergiffenis, die wij van God hopen te ontvangen.
Dit klinkt in onze Gereformeerde ooren zoo
Roomsch, dat wij er niet aan willen, en hopelooze
pogingen doen, om aan de bctcekenis der woorden
te ontkomen. „Hoe, zegt menigeen in zijn hart, wij
zouden dan Gods genade moeten verdienen door
genade te bewijzen ? Wij zouden door onze vergevens-
gezindheid aanspraak hebben op Gods vergif-
fenis ? Dat kan niet waar zijn en dus moet er wat op
gevonden worden."
Doch dit is onze wijsheid boven Gods wijsheid
plaatsen. Wij mogen des Heeren woorden niet plooien
en wenden tot zij lijnrecht het tegendeel beduiden van
hetgeen er staat. Dit is geen schriftverklaring maar
schriftverdraaiing.
Maar wat dan ?
Allereerst de woorden aannemen, zooals zij er
-ocr page 34-
22 EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD.
staan. De Heere Jezus weet het beter dan wij, maar
Hij heeft ons niet in het duister gelaten en zelf een
gelijkenis gegeven, die ons op den weg kan helpen.
Ik bedoel de gelijkenis van den onbarmhartigen
dienstknecht: Matth. 18 :2i—35. Versta mij wel. Ik
zeg niet, dat die gelijkenis volkomen past op onze
bede, maar alleen dat zij ons helpen kan in onze
verklaring. Die gelijkenis is veel makkelijker te be-
grijpen dan de bede. In die gelijkenis gaat alles ge-
regeld; immers de Koning vergeeft en uit dankbaar-
heid voor die vergeving moet de dienstknecht ook ver-
geven; doch daar hij dit niet doet, wordt de schuld
hem weder aangerekend. Dit is volkomen helder.
Maar wat daar vooraf gaat (namelijk Gods ver-
geving) komt in de bede: „Vergeef ons" enz. juist
achteraan. De mensch vergeeft eerst en vraagt
dan aan God: vergeef mij nu ook, gelijk ik vergeef.
Daar zit de moeilijkheid.
Vaak had ik getracht dil te mogen verstaan,
maar het was en bleef mij duister. Op Steenbeek heb
ik er meer van geleerd dan de theologische handboe-
ken mij duidelijk konden maken.
Nog heugt mij jaren geleden een vrouw, die bij
haar aankomst met heete tranen haar schuld scheen
te beweenen, zoodat zij mij althans den indruk gaf van
diep berouw, schoon wel wat hartstochtelijk. Zij had
zich uit een slecht huis moeten loswringen, want men
wilde haar niet laten gaan. In den aanvang ging het
goed, maar van lieverlede kwam haar ware aard aan
het licht. Driftig stoof zij op bij de minste aanmer-
-ocr page 35-
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD. 23
king en was een toonbeeld van de meest overdreven
lichtgeraaktheid. Eindelijk durfde zij zoo onbe-
schaamd mogelijk een der Christelijke vrouwen, welke
uit liefde voor den Heer zich aan dezen arbeid wijden,
toevoegen: „Ik kom althans eerder in de wereld
terecht dan gij, want gij zijt hier ook, omdat gij niet
beter kunt." En vanwaar die woede ? Om niets, om
een kleinigheid, der moeite niet waard te vertellen.
Sedert heb ik bespeurd, dat bij de diepst gezonkenen
lichtgeraaktheid een van de hoofdzonden is
en ik heb er ontmoet, die moorden op het geweten
hadden en jaren lang met alle geboden Gods den
spot gedreven en wier kitteloorigheid aan krankzin-
nigheid grensde.
Er ging mij een licht op. In zulke schelgekleurde
karakters kunnen wij als in een spiegel ons eigen
beeld herkennen. Wat dezulken in het overdrevene
toonen, ziet God wellicht in ons hart op dit zelfde
oogenblik en de slotsom waartoe wij daardoor komen
is deze: „de lichtgeraakte heeft geen berouw."
Laat ons met deze gedachte gewapend èn de
gelijkenis van Matth. 18 èn de bede: „Vergeef ons
onze schulden" enz. van nabij bezien.
In Matth. 18 vergelijkt de Heere Jezus onze
schuld jegens God bij een som van ioooo talenten,
dat is, als wij Hebreeuwsche talenten nemen, onge-
vcer 47 milliocn gulden, of als wij Grieksch rekenen:
27 millioen en de schuld van den naaste jegens ons
bij 100 penningen d. i. ongeveer 2,7 gulden. De reden
van die groote tegenstelling in de cijfers is duidelijk.
-ocr page 36-
24 EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD.
De Heiland wil zeggen, dat onze schuld bij God
onnoemelijk groot is en er aan geen afdoen te denken
valt, terwijl de schuld van den naaste daarbij in het
niet verdwijnt.
Past men dit toe op de bede: „Vergeef ons onze
schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren"
zoo blijkt daaruit het volgende: God verlangt aller-
eerst, dat er waarachtig berouw zij. Hij vergeeft
gaarne, mits de vergeving in oprechtheid en oot-
moed gevraagd wordt. Maar waaruit zal nu blijken of
er ootmoed is? Hieruit, dat wij onze zonden groot
achten. En waaruit zal blijken of wij dit doen? Hieruit
dat wij de zonden van den naaste jegens ons gering
schatten. De vraag is, of wij de zaken zien gelijk zij
zijn. Het is niet meer dan de eenvoudige waarheid,
dat onze zonden milliocncn en millioencn bedragen
tegen een 37-tal van onze naasten jegens ons. Erken-
nen wij die waarheid? Het is gemakkelijk om ze te
erkennen als een leerstuk, en zich zelven te noemen:
arm, ellendig, verdoemelijk, enz. enz. maar dat zijn
klanken. De zaak wordt veel spoediger beslist langs
een anderen weg, wanneer men nl. als tweede vraag
stelt: op hoeveel rekent gij uw zonde jegens God, op
hoeveel de zonde van den naaste jegens u ? Is uw
berekening overeenkomstig het bovengenoemde, dan
is het toch wel heel zonderling om f37 meer te achten
dan 47 millioen. Wat zoudt gij oordeelen van den
man, die 47 millioen te betalen heeft en met angstige
oogen zijn boeken zit na te cijferen, maar die op eens
bespeurende, dat hij nog f37 heeft in te vorderen, van
-ocr page 37-
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD. 25
blijdschap opspringt ? Zijt gij dwaas — zullen allen
hem toeroepen — wie krijgt het in het hoofd f 37 te
gaan opeischen, als hij 47 millioen heeft te betalen!
Ik ga nog verder. Hoc zou ons oordeel zijn over
den man, die tot zijn schuldeischer sprak: „scheld
mij de 47 millioen kwijt, want ik ben ook zoo braaf:
ik scheld wel f37 kwijt." Zal niet ieder hem antwoor-
den: „dwaze mensch, durft gij daarvan nog een
deugd maken, dat gij f37 kwijtscheldt, terwijl gij
van 47 millioen kwitantie vraagt ? Staan die twee
gevallen gelijk?" Heel wat anders wordt het echter,
wanneer de schuldenaar spreekt: scheld mij die 47
millioen kwijt gelijk ik de f37 kwijtscheld, dat wil
zeggen: ik weet wel dat, naar mijn schuld gemeten,
f37 niets beteekent en der moeite niet waard is om
over te denken, maar ik vraag slechts: doe gij met
die ontzettende schuld, zoo als ik met die kleine reke-
ning doe, nl. ze vernietigen, er de pen doorhalen. Ik
vraag niet, dat gij de gevallen gelijk stelt, maar ik
vraag: geheele kwijtschelding zonder akkoord, zon-
der er verder over te spreken, zooals men doet, als
het kleine sommen geldt.
Wanneer wij dus deze bede tot God richten, dan
is dit niet in Roomschen zin, alsof wij de genade
verdienden, want hoe ter wereld kan iemand ooit
door f37 kwijt te schelden verdienen, dat hem
47 millioen kwijt gescholden wordt? Wel verre van
te willen verdienen, zeggen zij dus veeleer: ik geef
mij op genade over, ik kan alleen vragen: wees Gij
in groote dingen zoo barmhartig, alsof het een kleinig-
-ocr page 38-
26 EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD.
heid betrof. Zijn wij evenwel lichtgeraakt, dan kunnen
wij die bede niet bidden, want dan keeren wij de
dingen om; dan is f37 ons een onoverkomelijke som
en 47 millioen niets hoegenaamd.
De bede is dus ontzaglijk ernstig. Die haar
bidt, velt over zich zelven een streng oordeel; hij
slaat zijn eigen zonden zoo hoog aan, dat al de rest
daarbij in het niet verdwijnt. Hij laat alle gedachte
van verdienen varen en haalt de schouders op als
gij er nog van spreekt.
Is dit zoo, dan is de vraag, of ons berouw echt
of valsch is spoedig beantwoord. Geen tranen, geen
aandoeningen, geen diepe bevindingen bewijzen iets
voor ons schuldgevoel, zoolang wij de zonde geheel
anders berekenen dan de Heere Jezus, m. a. w. zoo-
lang wij lichtgeraakt zijn.
„Dat is een heerlijk Evangelie voor goedige
menschen," zegt deze of gene wellicht bij zich zelven.
Inderdaad? Hebt gij wel eens iemand ontmoet, die
van nature niet lichtgeraakt was ? Ik nooit. Wij
zijn het allen, zelfs de onverschilligste, het is maar
de vraag op welke punten. Indien gij u sommige din-
gen niet aantrekt, die ik mij wel aantrek, omgekeerd
is dit evenzeer het geval. Wij hebben in dezen elkaar
niets te verwijten.
Doch hoe minder de zonde jegens God gevoeld
is, hoe lichtgeraakter men wordt en daarom is er
niets vreemds in gelegen, wanneer bij een diep ge-
vallcne die lichtgeraaktheid zich het duidelijkst open-
baart.
-ocr page 39-
EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE GESTICHTEN GELEERD. 27
„Vergeef ons onze schulden" enz., kan dus dan
alleen in waarheid gebeden worden, wanneer de
mensch zijn eigen zonden aanziet voor hetgeen zij
zijn. Als God ziet, hoe gij andercr zonden beschouwt,
dan ziet Hij ook, hoe zwaar uw eigen zonden u
wegen. Lichtgeraakt en berouwvol gaan nooit samen.
-ocr page 40-
NOG EEN SCHRIFTVERKLARING OP DE
GESTICHTEN GELEERD.
Twee teksten uit Matthcus V en Mattheus VI
worden door iedereen, die de Bergrede leest en goed
leest, onwillekeurig tegenover elkaar gesteld en zoo
goed of kwaad men vermag in overeenstemming
gebracht.
„Ik bedoel Mattheus V : 16: „Laat uw licht alzoo
schijnen voor de menschen, opdat zij uwe goede wer-
ken mogen zien en uwen Vader, die in de hemelen
is verheerlijken;" en daartegenover Matth. VI :3,4:
„als gij aalmoes doet, zoo laat uw linkerhand niet
weten wat uw rechter doet, opdat uw aalmoes in \'t ver-
borgen zij."
Hoe moet ik die twee rijmen? O, zegt men, dat is
doodeenvoudig; die twee teksten strijden in het minst
niet. In Matth. VI bedoelt de Heer Jezus, dat men met
zijn goede werken niet te koop moet loopen, gelijk de
Farizeën doen; in Matth. V wil Hij, dat wij onze
-ocr page 41-
NOG EEN SCHRIFTVERKL. OP DE GESTICHTEN GELEERD. 20,
goede werken niet verborgen houden, en onze Chris-
telijke wandel overal een getuigenis aflegge van de
genade Gods, die ons geschonken is. Met andere
woorden: wij behoeven onze goede werken niet ver-
borgen te houden, maar wij moeten ze zoo betrachten
dat, niet wij, maar de Vader, die in de hemelen is, ver-
heerlijkt worde.
Dat klinkt heel fraai, maar het baat mij niet veel,
als het op de praktijk aankomt. Hoe moet ik het nu
met mijn aalmoezen aanleggen: behoor ik ze verbor-
gen te houden of niet ? Moet ik ze in stilte geven, ja,
dan neen?
„Zeer zeker," antwoordt men, en ik stem het van
harte toe. Maar ik beweer op mijn beurt, dat, als gij
wezenlijk u aan dit woord houdt, de wereld er ook
niets van bespeuren zal en gij het zelf onmogelijk
maakt uwe goede werken te zien. Ik kan toch niet te
gelijker tijd verholen houden en openbaren. In Matth.
V zegt Christus uitdrukkelijk: „laat uw licht schijnen."
Nu zou ik wel eens willen weten, hoe men een lamp
kan aansteken, zoodat iedereen het schijnsel ziet en
toch die lamp zoo bedekken, dat het licht verborgen
blijft.
Men versta mij wel. Jezus zegt: gij moet het er op
aanleggen, dat men uwe goede werken ziet en zelfs
begeert Hij, dat men er mee doe als met een kaars,
die men opzettelijk op een kandelaar plaatst, doch
in Matth. VI zegt Hij: „gij moet het er op aanleg-
gen, dat men uwe goede werken niet ziet."
Ik heb er veel boeken op nagelezen, maar geen
-ocr page 42-
30                      NOG EEN SCHRIFTVERKLARING
schijnt die moeilijkheid goed te voelen, of een poging
te doen ze op te lossen. Op de gestichten leerde ik
beide teksten eerst in hun volle waarheid erkennen;
ja, ik bespeurde, dat men beide zaken welbewust in
het oog moet houden, zal de eere Gods daaruit voort-
komen. Hoe meer de Christen zijn werken opzettelijk
verbergt, hoe meer hij opzettelijk het licht doet stra-
len. Omgekeerd: hoe meer hij in het openbaar het
licht aansteekt en doet schijnen, hoe gemakkelijker
het wordt, in stilte te doen wat zijn hand vindt om
te doen.
Dit schijnt vreemd en toch is het eenvoudig.
De eerste tekst, Matth. V: 16, is tot de Christe-
lijke gemeente, de tweede tekst tot ieder ge 1 oo-
v i g e in het b ij zonder gesproken. Dit is duidelijk
uit Matth. V : 14: „gij zijt het licht der wereld; een
stad boven op een berg liggende kan niet verbor-
gen zijn."
Wij moeten dus alles doen, wat wij kunnen, om
de gemeente groot en heerlijk te maken; het hemel-
sche Jeruzalem, dat van boven is, moet hoog opge-
bouwd worden; het geestelijke Sion behoort niet maar
van zelf uit de aarde te verrijzen, maar behoort als een
tempel Gods door geregelden arbeid steeds verheve-
ner te stralen.
Ieder moet het zien, dat deze stad bestaat, dat zij
zich uitbreidt, dat zij op een berg hoog boven de
wereld is gegrondvest. Wij behooren haar alle eere te
geven, alle sieraden daaraan toe te voegen, die in onze
macht staan. Doch wat is het middel daartoe ? Dat
-ocr page 43-
OP DE GESTICHTEN GELEERD.
3\'
elk in de meest mogelijke stilte doet, wat de Heere
God hem oplegt.
Zie, dit leert men op de gestichten in stoffelijken
en in geestelijken zin.
Stoffelijk. Als een vreemdeling bij ons komt en
hij wandelt de gestichten rond, dan zal het hem wel
nimmer in het hoofd komen, den directeur er op aan
te zien, wanneer overal de muren en de vloeren helder
wit zijn, want hij weet, dat ik daar nooit een hand naar
uitsteek. Hij begrijpt ook, dat niet één, maar een aan-
tal handen daaraan arbeiden; hij beseft voorts, dat
wanneer niet in stilte door elke verpleegde gewerkt
wordt, het geheel zulk een oog niet hebben zou. Zullen
de kannen en het vaatwerk, zullen de klcedcren en de
bedden er helder uitzien, zoo moeten allen opzettc-
1 ij k meewerken om het zulk een uiterlijk te geven.
Wanneer echter ieder liep te pronken met zijn werk,
zag het geheel er zeker ellendig uit. Daarom, hoe meer
elk met opzet zijn aandeel in het werk verbergt,
hoe meer hij o p z e 11 e 1 ij k het geheel kan doen
stralen.
Welnu, men gevoelt zeer goed, dat dit van nie-
mand afhangt, maar van den geest van orde en net-
heid die allen behcerscht.
Geestelijk. Wij wezen er vroeger reeds op, dat wij
hier niets kunnen uitrichten zonder geschikte Chris-
telijke harten en handen, die ons bijstaan. Of hier
zielen zullen gered worden, hangt voor een zeer groot
deel af van de vraag of de Heilige Geest allen, die ons
ter zijde staan leert, leidt, vermaant en bekrachtigt. Ik
-ocr page 44-
32 NOG EEN SCHRIFTVERKL. OP DE GESTICHTEN GELEERD.
wenschte wel eens sommigen eenigen tijd naast mij te
zien, om te bespeuren, hoe weinig men eigenlijk doen
kan, wanneer men aan het hoofd van inrichtingen
staat en hoe veel juist die naast ons arbeiden van be-
teekenis zijn. Wanneer dezen in stilte arbeiden, zal het
geheel te meer aan zijn doel beantwoorden.
Leert men dit in het klein alzoo inzien, des te
rijker van beteckenis worden beide teksten, wanneer
men die op de gehcele gemeente toepast.
Geheel de gemeente moet één stad zijn. Welnu,
indien wij in een vreemde stad kwamen, waar wij nie-
mand kenden en wij zagen alle straten schoon en rein;
alle huizen keurig net, zelfs in de achterbuurten geen,
woning vervallen; geen kleeding haveloos; geen kroe-
gen om de 10 huizen; geen rumoer over straat of bij
het voorbijwandclcn der school, zoo zouden wij aan-
stonds weten: hier doet elk in stilte zijn plicht. Het kan
niet anders of de overheid, de geestelijken, de onder-
wijzers, de huisvaders, de huismoeders doen hier in het
verborgen wat hun hand vindt om te doen, want
anders zou dit stadje er zoo niet uitzien. Liepen allen,
uit bij onzen doortocht, wij zouden juist den tegenover-
gestelden indruk krijgen.
Zoo behoort de gemeente te zijn. Alles moet ter
cere Gods geschieden en daarom behoort alles in stilte
te gebeuren en daardoor juist in het openbaar. Helaas,
dat het zoo vaak andersom gaatl
-ocr page 45-
^s^M^-^WMM^MM
DE VIJF NOODEN.
„Met innerlijke ontferming bewogen," of „met
innerlijke barmhartigheid bewogen" (hetgeen een
andere vertaling is van hetzelfde woord) is een uit-
drukking, die eenige keeren van en door den Heere
Jezus in de Evangeliën wordt gebruikt.
Treffend is het evenwel, dat deze uitdrukking
juist ten aanzien van de vijf groote nooden voorkomt,
waaraan het menschelijk geslacht onderworpen is.
Juist deze vijf. Geen enkele wordt er gemist en ook
omtrent geen andere komen ze voor.
Die vijf nooden zijn: honger, ziekte, dood,
onkunde en zonde.
Wanneer wij vragen, hoe de Zoon des Menschen
tegenover die vijf heeft gestaan, dan moet het ant-
woord zijn: „met innerlijke ontferming bewogen,"
want het oorspronkelijke heeft maar één woord, dat
zich alleen door een omschrijving laat weergeven.
3
-ocr page 46-
DE VIJF NOODEN.
34
Laat ons de teksten eens nagaan.
I.  Allereerst Markus 8 :2: „Ik word met ontfer-
ming bewogen over de scharen, want zij zijn nu drie
dagen bij Mij gebleven en hebben niet wat zij eten zou-
den." Hij die zelf 40 dagen in de woestijn heeft gevast
en die den honger kent, vergt van Zijn discipelen het
onmogelijke niet. Hij is bevreesd, dat sommigen
onderweg bezwijken zullen en besluit hun nog brood
uit te deelen, eer hij ze van zich laat gaan.
Wij herkennen ook hier denzelfden geest, die in
het Onze Vader spreekt. Hij vergunt ons te bidden om
het dagelijksch brood en laat zelfs die bede voor-
afgaan aan de bede om vergeving van zonde en ver-
lossing uit de verzoeking. Evenwel, die bede volgt
op de drie eerste: „Uw naam worde geheiligd; Uw
koninkrijk kome; \\J\\\\ wille geschiede." — Zoekt
eerst het koninkrijk Gods, blijft de grondwaarheid
van alles en zoo is het ook in bovenstaand verhaal.
Drie dagen lang hebben zij Hem gevolgd, hangende
aan Zijn lippen, thans bewijst Hij ook de waarheid
van het woord: „alle dingen zullen u worden toege-
worpen." Doch met dat al, de meewarigheid met de
menschelijke lichamelijke behoefte is zoo groot, dat
Hij zich niet schaamt het te uiten in de sterke bewoor-
dingen: „Ik word innerlijk met ontferming bewogen,"
daarmede bewijzende, dat Hij dezen nood voorwaar
niet gering schat en er niet op nederziet uit de
hoogte.
II.  De tweede ellende is: ziekte. De vader van
den maanzieken zoon zegt tot den Heere (Markus
-ocr page 47-
DE VIJF NOODEN.                                  35
9 :22): „indien Gij iets kunt, wees met innerlijke ont-
ferming over ons bewogen." Het was tamelijk over-
bodig dat te zeggen tot Hem, die meer dan iemand
heeft getoond, hoe zwaar Hem het menschelijk lijden
op de ziel woog. Ziekten, kwalen en wonden — de drie
vormen, waarin dit lijden zich vertoont, hebben alle
drie het voorrecht van deze goddelijke ontferming ge-
noten. Behalve Mattheus 14 :14, waar het in het alge-
meen wordt verzekerd, hebben wij vooreerst in
Markus 1 :41, die vreeselijkste aller ziekten, de me-
laatschheid, waarvan het verzekerd wordt, dat zij
Christus\' medelijden wekte. Zijn ontferming drijft
Hem ook tot die teedere beweging met de hand, waar-
mee Hij den armen verstooteling aanraakt en toont
hem niet te schuwen.
Wat de kwalen aangaat, hebben wij Matth.
20 :34 het verhaal van twee blinden aan den weg van
Jericho, waarop dit woord van toepassing is. En Jezus
zelf heeft in de gelijkenis van den Barmhartigen
Samaritaan ons niet alleen doen hooren, wat de Sama-
ritaan, maar ook wat Hij in Zijn hart gevoelt voor die
ellenden, welke de eene mensch nog den anderen aan-
doet; alsof er al geen pijn genoeg in de wereld was.
Immers Hij zegt: „doch een zeker Samaritaan rei-
zende, kwam omtrent hem en hem ziende, werd
met innerlijke ontferming bewogen.
(Lukas 10 :33).
III. De derde ellende is de dood. De dood, de
vijand van Hem, die h e t 1 e v e n is, de laatste vijand,
die te niet gedaan zal worden; die heel wat tranen
-ocr page 48-
36
DE VIJF NOODEN.
heeft teweeggebracht en de teerste banden ver-
scheurd. Lukas 7:13 ontmoet Christus den lijkstoet
van den jongeling te Naïn, den geliefden zoon eener
door allen geliefde en diep beklaagde moeder, en
wederom heet het, dat Hij, de weduwe ziende, met
innerlijke ontferming over haar bewo-
gen werd. Proeft gij in dit woord niet de teederheid
van den Zoon Gods en beseft gij niet, wat het der god-
delijke liefde kosten moet om dag aan dag, uur aan
uur het vonnis des doods, waaronder wij allen liggen,
uit te spreken? De hemelsche Rechter voltrekt, de
jaren en eeuwen door, het vonnis over ons uitgespro-
ken in het Paradijs, maar nu weten wij met welk hart
dit geschiedt.
Doch, hoc groot deze lichamelijke nooden ook zijn
mogen, er zijn twee geestelijke ellenden nog grooter
dan deze :onkunde en zonde.
IV. Onkunde. Zij is een ellende, maar niet zoo
zeer de onkunde, welke de wereld zoo droevig acht:
gebrek aan kennis van de aardsche zaken. Neen veel-
eer onkunde in de hemelsche dingen. Markus 6 :34
heet het: „en Jezus uitgaand.?, zag een groote schare
en werd innerlijk met ontferming bewogen
over hen, want zij waren als schapen, die geen herder
hebben en Hij begon hun vele dingen te leer en."
In den gelijkluidenden tekst (Matth. 9 :36) staat, dat
zij vermoeid en verstrooid waren, of eigenlijk: afge-
jaagd en verwaarloosd. Zoo is het, de groote menigte
is afgejaagd, daar zij niet weet, waar zij de rechte
geestelijke spijze moet zoeken en verwaarloosd, daar
-ocr page 49-
DE VIJF NOODEN.
37
zij niet behoorlijk geleid en gevoed is met orde en
regelmaat. Daarom dwaalt zoo menigeen rond en
krijgt zijn eisch niet: weet niet waarheen zich te wen-
den met zijn geestelijke nooden, verloopt zich in
allerlei dwaze denkbeelden en waanwijsheid; tobt zich
af in een zoeken naar waarheid, dat nooit bevredigd
wordt. Geleerd, onderwezen moet er worden, zal men
aan die dwalende schapen een weldaad bewijzen.
V. Eindelijk de zonde. Hieromtrent hebben wij
een dubbel getuigenis van Christus zelven: één in
de gelijkenis van den onbarmhartigen dienstknecht
(Matth. 18:27) en net andere in die van den verloren
zoon (Lukas 15:20). Merkwaardig is het dat God in
de eerste voorkomt als Soeverein, als een koning, die
met zijn dienstknechten rekening houdt, en in de
tweede als Vader, die zijn zondig kind nog liefheeft.
En in beide komt al weer hetzelfde woord voor. In
de eerste heet het: „en de Heer van dezen dienst-
knecht met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde,
heeft hem ontslagen" enz. In de tweede: „en als hij
nog verre was, zag hem zijn vader en werd met
innerlijke ontferming bewogen."
Ziedaar dus, hoe de Heiland onzer zielen, de Mid-
delaar des Nieuwen Verbonds, over den Soeverein
en den Vader spreekt. Zoo ergens, dan treedt Hij
hier op in Zijn middelaarschap. Hij mag zoo spreken,
want Hij draagt de schuld des menschen tegenover
den goddelijken Soeverein, en Hij herstelt in den zon-
daar het beeld van het kind Gods.
Op dat getuigenis moogt gij u verlaten. Geen be-
-ocr page 50-
38                                 DE VIJF NOODEN.
vlekte lippen, geen onheilige mond, die de zonde licht
telt, heeft dit gesproken.
Buig u in dankbare aanbidding voor de waarheid
die Hij, de Heilige, heeft geopenbaard. Die waar-
heid is gevestigd en bezegeld met Zijn dood.
-ocr page 51-
Afr
AC- A> A> AC> A>
<JV <?V <?V <?V W
AC> AC- AC> A> A>
<3V <?\\7 <3V <7V <V
SE
ZE
AZ> AC- AC- A£> AC> AC>
<v w w <;v <?v <?v
A£> A/> A> A£> AC> A£
<7V W W W W <V
<v
DE DWAASHEID DES EVANGELIES.
Het is een groote zegen voor onzen tijd, dat de
dwaasheid des Evangelies beter dan vroeger door
velen wordt gevoeld en flinkweg uitgesproken.
Toen Paulus overal uitging, om het Evangelie te
prediken, was het — volgens zijn eigen zeggen — den1
Joden een ergernis en den Grieken een dwaasheid.
Nadat het op den troon was verheven, is dit ver-
anderd en scheen het Evangelie verstandig en wijs,
ook in het oog der wereld. Zoo is het eeuwen lang
gebleven en de Hervorming heeft voor een deel haar
veroveringen hieraan te danken, dat haar leer in het
oog ook der wijzen en verstandigen wel aannemelijk
was. Er waren wel altijd ongeloovigen en spotters,,
maar over het geheel genomen, paste het Christen-
dom vrij wel op de wijsheid ook der wereld.
Eerst sedert een eeuw is dit met den dag anders
geworden en dat niet slechts bij aanzienlijke, hoog-
beschaafde, ontwikkelde mannen en vrouwen, maar
-ocr page 52-
4<3                      DE DWAASHEID DES EVANGELIES.
ook onder de standen der maatschappij, die zich met
geen geleerdheid en wetenschap inlaten.
Zoodoende staan wij weder voor dezelfde dingen
als Paulus. Joodsch is onze tijd niet; „den Joden een
ergernis" past niet zoo volkomen op onze hedendaag-
sche mecningen; het andere „den Grieken een duaas-
heid" is veel meer waar. Men haalt er medelijdend
de schouders voor op en het ongeloof is doorgedron-
gen tot zelfs onder meisjes en kinderen uit de eenvou-
digste standen.
Dwaasheid schijnt alles, wat het predikt. Al die
wonderverhalen, de ingeving van de Heilige Schrift,
de zending van den Zoon Gods, de geschiedenis van
dien Heiland, Zijn dood en opstanding, het leerstuk
der verzoening door het bloed des kruises; ja het
denkbeeld zelf van een openbaring door God aan de
wereld gegeven; nog sterker: het geloof aan God,
aan den hemel, aan onsterfelijkheid, dit en nog zooveel
meer klinkt velen als louter onzin in de ooren.
Nu zijn er twee middelen, om die dwaasheid op
te ruimen, en die worden vaak gebruikt; doch beide
deugen niet, omdat zij in tegenspraak zijn met het
Evangelie zelf. Wel bereikt men er bij velen zijn doel
schijnbaar mede, doch onder voorwaarde, dat zij de
oogen sluiten en zich gevangen geven.
Dit gelukt vaak en men is daarbij meestal ter
goeder trouw, omdat men zich zelven in de eerste
plaats opdringt, wat men anderen wil meededen.
Laat ons die twee middelen nagaan en straks een
anderen weg inslaan.
-ocr page 53-
DE DWAASHEID DES EVANGELIES.                      41
Het eerste middel om de dwaasheid des Evange-
lies op zijde te zetten is: een flink, goed doordacht,
wel beredeneerd stelsel te maken. — Het tweede
middel is: het Evangelie van zijn vriendelijken, schoo-
nen kant te laten zien.
Beide middelen helpen vaak boven serwachting.
Het eerste bij vermoeide geesten, het tweede bij ge-
voelige zielen.
I. Er zijn vele vermoeide geesten, die behoefte
hebben aan rust.
Wat biedt men hun nu aan? Wijst men hun den
weg naar Hem die gezegd heeft: „komt tot Mij, Ik
zal u rust geven?" O neen. Men geeft hun een flink
stelsel, om zich bij neer te leggen.
Dat helpt. Alle stelsels, mits door verstandige
menschen bedacht, zijn, als men er eens goed inzit,
nooit dwaas. Ik ken geen enkel stelsel, dat voor een
wijs man te dwaas zou zijn, mits hij de moeite neemt
het goed te bestudecren. Zelfs de leer der Roomsche
kerk is alles behalve dwaas en als ik er eenmaal over
heen was, zekere denkbeelden aan te nemen, zou ik
er mij best bij kunnen neerleggen. Wie zich verbeeldt,
dat men dom moet zijn, om Roomsch te wezen, heeft
nooit zijn eigen domheid ingezien.
Laat echter de Roomsche kerk varen. Elk stelsel
kan even goed dienen, mits men begint een paar onbe-
wezen dingen aan te nemen. Dat moet men trouwens
overal doen, en de ongeloovigen, die altijd den mond
vol hebben van smaadwoorden over onbegrepen leer-
stukken, zijn er zelven vol van.
-ocr page 54-
42                  DE DWAASHEID DES EVANGELIES.
Wanneer men daarom aan de dwaasheid des
Evangelies ontkomen wil, is het eenvoudigste middel:
kies een weldoordacht stelsel, leer het goed van
buiten, laat een verstandig man het u uitleggen en het
verband der dingen u doen zien, dan zijt gij gered.
Gij laat uw verstand even zwijgen — en als dat offer
gebracht is, komt de rest spoedig in orde. Gij zult
weldra vrede hebben voor uw verstand en hart en
zelfs de meest vreemde leerstukken worden u helder
als glas.
II. Het andere middel is meer geschikt voor
gevoelige zielen.
Dezen worden lichter getrokken door hetgeen
schoon is, dan door hetgeen waar is. Als gij hun de
waarheid, die gij hen wilt doen gelooven, maar
schoon, liefelijk, aangenaam, dichterlijk, heerlijk van
vorm weet voor te stellen, nemen zij die wel aan. Zij
hechten zich aan het schoone en nemen de waarheid
op den koop toe. De kunst is maar om te weten, wat
zij mooi vinden; die hun smaak weet te vatten, heeft
hen in zijn macht. Zijn zij week en teerhartig, geef hun
zoete woorden en liefelijke beelden, zijn zij krachtiger
van natuur, geef hun grootsche, verhevene gedach-
ten. Zijn zij dichterlijk, doe hun voor alles de stoutste
beelden aanschouwen.
Het Evangelie is rijk genoeg en die er in thuis is,
kan zeer goed de schoonheid des Evangelies op den
voorgrond plaatsen, ja daarachter de waarheid ver-
steken of daarin voorzichtig verbergen, om ze als met
honig omgeven aan deze zielen toe te dienen.
-ocr page 55-
DE DWAASHEID DES EVANGELIES.                   43
Beide manieren blijken in onze dagen voor velen
doeltreffend te zijn.
Er is een behoefte aan vastheid en verlangen
naar verheffing bij hen, die op den duur geen vrede
hebben bij hun eigen ongeloof.
Zullen wij een dezer twee wegen inslaan? God
beware ons daarvoor.
Al erken ik gaarne, dat het Evangelie stof ge-
noeg geeft voor de diepzinnigste philosophie — het is
daarom nog geen philosophie. Al verheug ik mij, dat
de Schrift overvloeit van schoonheden, en het Evange-
lie ook de kunst aan zich onderworpen heeft, het i s
daarom nog geen schoonheid.
Integendeel in zijn diepste wezen is het dwaas
voor het verstand en leelijk voor onzen smaak.
Het Evangelie vleit ons op dit punt voorwaar
niet; het maakt zich niet aannemelijk of smakelijk.
Het schrijft bij monde van Paulus: „nademaal in de
wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door
de wijsheid, zoo heeft het Gode behaagd door de
dwaasheid der prediking zalig te maken die ge-
looven."
Wat meer is: wanneer de geloovige zich gaat
aanstellen, alsof het voor z ij n verstand wijsheid was
geworden, dan is het de vraag, of hij het ooit goed
begrepen heeft. Er zijn Christenen, die met zeker zelf-
behagen de meest krasse leerstukken aan de wereld
voorleggen en zich verlustigen in de gedachte: „voor
u is dit dwaas, voor mij echter niet, want Gods Heilige
Geest verlichtte mijne oogen."
-ocr page 56-
44                   DE DWAASHEID DES EVANGELIES.
Wie zoo denkt, verbeelde zich niet, de dwaasheid
des Evangelies te kennen. Die dwaasheid is immers
voor zijn verstand volkomen wijs. Hij zit in zijn eigen
stelsel als een spin in zijn web, en voelt zich volkomen
op zijn gemak. De erkentenis: het Evangelie is eene
dwaasheid, moet altijd voorop blijven staan, niet tegen-
over anderen alleen, maar ook tegenover ons zelven.
Is dit zoo, en blijft dit voorop staan, dan is de
vraag: wat beweegt u die dwaasheid te gelooven ?
Mag men om Christen te worden, niet meer den-
ken en niet meer voelen? Welnu dan kan men met
hetzelfde recht eischen, dat wij Turken of Buddhistcn
of Vuuraanbidders worden. Ja, dan kan een of andere
nieuwe profeet ons een boodschap uit den hemel aan
komen preeken en er is geen reden, waarom wij zijn
dwaasheden niet even goed gelooven zouden. Hoe
dwazer hoc liever — zou het dan eindelijk worden. Dit
bezwaar is niet gering.
Laat ons daarop het antwoord zoeken. Dat ant-
woord is eenvoudig maar ernstig. Wij hebben in ons
hart veel vertrekken, maar in het diepst van ons hart
hebben wij een klein vertrek. Dat is ons geheim. Daar
zit van allerlei uit ons verleden en uit ons heden. Daar
schuilt de bron van al onze daden. Daar zijn de her-
inneringen, die telkens opkomen en onze vreugde ver-
gallen, onze rust wegnemen, onze kalmte verstoren.
Daar zijn de kwalen, die ons gcheele bestaan bederven
en alles als een zuurdeesem doortrekken. Daar zijn de
onherstelbare fouten, aan niemand beleden, door nie-
mand ooit vermoed. Geen man laat zijn vrouw, geen
-ocr page 57-
DE DWAASHEID DES EVANGELIES.                   45
vrouw haren man, geen vriend zijn vriend in dat ver-
trek binnen. Ja, wij zelven houden den sleutel niet
gaarne onder ons bereik, zeer zelden treden wij er
binnen en dan nog zeer kort. De onbekeerde heeft er
zelfs den sleutel opzettelijk van verborgen, uit vrees,
dat hij er bij ongeluk in zou treden. Het gaat den
ongeloovige, evenals in het welbekende sprookje van
dien wreeden man, die zijn vrouw verbiedt in zeker
kamertje binnen te gaan, wel wetende dat zij hem dan
ter dege zal leeren kennen in al zijn slechtheid. Zij
kan gelukkig zijn, mits die sleutel niet gebruikt wordt,
mits zij de waarheid nooit ten volle leert kennen.
Zoolang zij daaraan getrouw blijft, is haar man voor
haar een rijk, gelukkig, goedwillig echtgenoot. Zoo
ook de ongeloovige. Gij kunt tevreden, zelfs gelukkig
zijn bij de wereld met haar gaven, haar kennis, haar
wetenschap, haar genot — mits dat ééne vertrek ge-
sloten blijft. Zoolang het dicht blijft, is ook het Evan-
gelie een dwaasheid, en blijft het verre achter bij de
wijsheid dezer wereld.
Maar omgekeerd. In dat slot den sleutel te steken,
dat open te doen, daarin te staren, het geheel te door-
zoeken is alleen mogelijk, waar Hij met mij gaat, die
alle geheimen weet.
Zoodra dit gedaan wordt, houdt het Evangelie op
dwaasheid te zijn. In dat diepste afdalende, zie ik
Christus in een geheel ander licht. De woorden, „Ik
ben de weg, de waarheid en het leven, niemand komt
tot den Vader dan door Mij" — krijgen dan eerst hun
volle recht. Alle onbegrepen leerstukken, al die namen
-ocr page 58-
46                  DE DWAASHEID DES EVANGELIES.
aan Hem, den „God met ons," gegeven, worden vol
leven en werkelijkheid. Het dwaze wordt de wijsheid
zelve.
Doch dit is het treffende en vernederende tevens:
zoo vaak ik dit vertrekje sluit, komen al mijn bezwaren
weer boven en daarom blijft het Evangelie dwaasheid
ten einde toe, want telkens keert de vrees terug voor
die afzichtelijke tafereelen en er is nieuwe geloofs-
moed, er is een ernstige behoefte aan waarheid noodig
om er weder in te treden.
Ziedaar mijn antwoord.
De wereld, de ongeloovige durft dit vertrek niet
ingaan. De meest ontwikkelde, geleerde, fijn be-
schaafde man staat op dit punt gelijk met den bede-
laar. Hoe geleerd hij zijn mag, het laatste woord zijner
wijsheid is: houd dat kamertje maar dicht. Die wijs-
heid heeft de domste weetniet even spoedig geleerd
ook zonder studie.
De Christen spreekt anders. Ik ben even als gij,
zegt hij, — maar ik heb Hem leeren kennen, die lust
heeft „tot waarheid in het binnenste, die in het
verborgene wijsheid bekend maakt." Met Hem ga
ik dit kamertje binnen en sedert Hij er binnentrad,
staat daar van Zijn hand geschreven: „Die uit de
waarheid is, hoort Mijne stem."
-ocr page 59-
\\y_ il \\[/f il >;/
:
&&Q O /\\
s\\ II 7I\\
HET BEELD GODS.
Het klinkt misschien velen onzer lezers zonderling
in de ooren, wanneer zij vernemen, dat tweehonderd
jaren geleden sommige predikanten zich verdiepten
in vragen als deze: „of Adam in het Paradijs vóór zijn
val kennis had van de leer der Dricéénheid?"
Hoe kan iemand daar nu over redcneeren! roept
wellicht menigeen uit.
Zeker, de vraag is vreemd, en toch, al zouden wij
er ons niet gaarne in verdiepen, de beteekenis van
die vraag was alles behalve gering te schatten.
Theologanten vergeten wel eens, dat zij voor ge-
wone hoorders sprekende, zich behooren uit te druk-
ken in vormen, die voor dezen aannemelijk zijn. Ieder
theologant begrijpt terstond, wat er achter die vraag
stak, maar van eenvoudige Christenen kan men dat
niet vergen.
Laat mij trachten duidelijk te maken, wat de bc-
doeling was van die kwestie en ik hoop den lezer te
-ocr page 60-
48
HET BEELD GODS.
doen beseffen, dat zij van groot gewicht is voor een
iegelijk onzer.
Die vraag komt hierop neer: wat heeft de
mensch, te midden van zijn zonde, nog overgehouden
van Gods beeld? Mogen wij gelooven, dat in iederen
mensch nog genoeg van Gods beeld over is. om tot
hem te kunnen zeggen: „Keer tot uzelven in en gij
zult God vinden op den bodem van uw hart" — of
moeten wij veeleer aannemen, dat de mensch alles
heeft verloren, wat er van Gods beeld en gelijkenis in
in hem gelegd was ?
Wie zal tegenspreken, dat deze vraag ernstig is?
Maar wat heeft dit nu met die kwestie van zoo even
te maken ?
Zie hier het antwoord. De theologanten, die pre-
dikten, dat Adam de leer der Drieéénheid kende, be-
doelden dat de mensch, zooals God hem geschapen
had, van nature in zijn hart een zuiveren spiegel had,
die al Gods heerlijkheden weerkaatste. Hij kon God
dus volkomen kennen, uit zich zelven, voor zoover
namelijk een mensch God kennen mag.
Toen de mensch zondigde, bedierf hij dus zijn
menschelijke natuur, maar daardoor werd ook die
spiegel bedorven en het beeld Gods onkenbaar. Maar
evenals een bedorven mensch toch nog altijd een
mensch blijft en van zijn ouden adel de herinnering
behoudt, zoo ook bleef de herinnering aan dit beeld
Gods in flauwe omtrekken nog altijd bij hem over.
De Roomsche kerk leerde het tegendeel. Zij pre-
dikte, dat de reine mensch van nature God niet kon
-ocr page 61-
49
HET BEELD GODS.
kennen; dat lag niet in zijn aard en wezen. Ja, Adam
kende God wel, maar God had hem dit als een extra-
gave gegeven. Het lag niet in Adam\'s aard en wezen,
om God te kennen; het was iets, dat er bijkwam als
een soort van bijzondere gunst.
Toen de mensch dus in de zonde viel, nam God
dit weg; dat was heel treurig, maar de mensch ver-
loor er niets bij van zijn aard en wezen. Zijn natuur
was en bleef dezelfde vóór en na den val.
Om nu de beteekenis van deze twee mee-
ningen te doen uitkomen wil ik een gelijkenis
gebruiken.
Hebt gij ooit een teckening gezien van Leonardo
da Vinci\'s laatste avondmaal ? Waarschijnlijk wel,
want zij is overal te vinden. Christus zit daar aan een
tafel, die in haar breedte voor ons staat. Een keurig
wit tafellaken, waarin de vouwen nog zichtbaar zijn,
ligt er overheen gespreid. Christus zit in het midden;
rechts van Hem Johanncs, daarnaast Judas, die het
zoutvat omstoot; dan Petrus, die achter Judas\' rug
om Johanncs aanspreekt. De andere apostelen, drie
aan drie, met elkaar sprekende.
Wij herinneren het ons thans. Welnu, die schil-
derij heeft een treurige geschiedenis gehad. Zij was
bestemd voor de eetzaal van een klooster en werd met
opzet op den muur geschilderd. De bedoeling was,
dat de kloosterlingen alle dagen zouden eten in tegen-
woordighcid van Christus zelven. Recht tegenover
Christus moest de tafel staan van den prior en een.
12-tal monniken en dan in de lengte der zaal de
-ocr page 62-
HEN BEELD GODS.
5"
twee tafels voor de andere broeders, zoodat het geheel
een vierkant maakte.
Deze gedachte was schoon, maar men voelt ook,
dat de schilder zijn stuk niet in een lijst kon zetten.
Het moest op den muur zelvcn staan, dan kon men
zich verbeelden, dat de kloosterzaal zooveel grooter
was en Christus daar werkelijk zat.
Doch door die schoonc gedachte van het op den
muur te schilderen, heeft het schilderstuk schandelijk
veel geleden. Had hij het maar op een doek geschil-
derd met een lijst er om, zoodat het vrij hing, dan zou
het een beter lot hebben gehad.
Want ziet, de muur liet hier en daar los en men
moest het bijwerken. De man, die dit deed, was echter
niet zeer bekwaam en bedierf er veel aan. Doch nog
meer: in later tijd wilde men in dien muur een grooter
deur hebben en nu hakte men, vlak onder de plaats,
waar de Christus zat, een leclijke opening in den
wand. Xog erger: toen de Franschen in Milaan
waren, namen zij het klooster in bezit en maakten van
die zaal een paardenstal!
Thans ziet het stuk er ellendig uit. Ja, wie goed
ziet, kan er altijd nog een overblijfsel in vinden van,
het prachtige beeld, maar het is alles vuil, verkleurd,
afgebrokkeld-—in een woord: bedorven.
Dit alles zou voorkomen zijn, als het maar een
los schilderij ware geweest.
Passen wij deze geschiedenis nu op ons onderwerp
toe, wat vinden wij dan?
Celijk Leonardo da Vinci met zijn schilderij, zoo
-ocr page 63-
5\'
HET BEELD GODS.
heeft, volgens de Protestantsche leer, God met Zijn
beeld gedaan. God teckende zijn beeld niet los op het
doek, maar op den wand van des menschen hart en
daar staat het nog, ook na den val des menschen,
maar ach! schandelijk bedorven, bemorst met het
vuil der zonde, mismaakt door onverstandige verbe-
teraars, voor een deel weggenomen door een
schennende hand — gelijk door die opening in den
muur.
Neen, zegt de Roomsche kerk, dat is zoo niet.
Adam kende God wel, maar het was bij hem,
alsof God Zijn beeld op een losse schilderij had ge-
schilderd. Toen Adam dus viel, nam God er die schil-
derij uit en des menschen hart bleef dus precies het-
zelfde, evenals een kamer in zijn geheel blijft, al
neemt men er al de schilderijen uit.
Volgens de Protestantsche leer is dus de val des
des menschen veel dieper. Het gansche hart is er
mee bedorven, het beeld Gods onkenbaar en mis-
maakt, zoodat men wel een zeer scherp oog moet heb-
ben, om er het oude nog in te kunnen vinden.
Volgens deze leer stond de mensch oorspronkelijk
dus veel hooger, maar is zijn ellende ook veel groo-
ter. Doch nog altijd is er de schilderij, hoe leclijk en
afzichtelijk ook geworden.
Wie zal ze herstellen ?
Niemand kan dit, behalve Hij, die de schilderij
maakte. Wie zal er zich aan wagen om Leonardo\'s
schilderstuk te herstellen? Niemand, of hij moet even
groot zijn in de kunst als de schilder zelf.
-ocr page 64-
52
HET BEELD GODS.
Zoo ook kan niemand Gods beeld herstellen, dan
Hij die even groot is als God, die het schiep.
Dat is onze kracht en onze troost tevens. Wij
mogen tot den mensch kom Dn met de zekerheid, dat
hij Gods beeld nog heeft. Wij mogen een beroep doen
op zijn geweten en hem voorhouden: „gij zijt niet te
verontschuldigen," want hij heeft nog sporen en over-
blijfsels van die oude gerechtigheid. Dat geeft kracht
aan onze prediking.
Maar tevens troost, nu wij weten, dat Hij die zeg-
gen kon: „Ik en de Vader zijn één," met goddelijke
hand het mismaakte bedorven beeld, door het bad der
wedergeboorte en de verzoening in het bloed des
kruises, kan herstellen.
-ocr page 65-
illiiiiiiiiiiiiiiiiiiiliiiiiiiiiiiiiiiii
TTTTTTTTTTTTTTTTyyT^T^TTTTTTTTTTTTTTTTTT
TOOVERBEKEERINGEN.
Het werk der wedergeboorte is een wonder, ja
zelfs h e t wonder bij uitnemendheid.
Doch laat ons toezien, dat wij het wonder niet ver-
warren met tooverij.
Dat dit gevaar bestaat is moeilijk te loochenen.
De geschiedenis van Simon den Toovenaar is er een
bewijs van. Deze toch zag het werk van Petrus aan
voor een tooverkunst en bood zelfs geld aan, om die
kunst te leeren.
Tooverij en wonder hebben schijnbaar punten
van overeenkomst, zoodat de wereld ze dan ook gc-
regeld verwart.
Het wonder is vreemd, onverklaarbaar geheim-
zinnig en ook de tooverij leeft van al wat geheim-
zinnig en vreemdsoortig is.
Het wonder ontstaat door het woord: God
spreekt
en het is er, Hij gebiedt en het staat er; de
Heere Jezus wordt herhaaldelijk aangezocht om maar
-ocr page 66-
54                              TOOVERBEKEERINGEN.
een woord te spreken en men zal gered zijn. Zoo
wil dan ook de tooverij leven van het gesproken
woord, en met het tooverwoord al de geheime schat-
ten der natuur voor zich openen.
Doch juist deze namaak doet ons het verschil
van beide kennen en de heerlijkheid van het wonder
schittert te schooner, naarmate de tooverij zich met
meer valsche tooisels omhangt.
Wat is het verschil ?
Het wonder is goddelijk, hemelsch, de tooverij
aardsch.
Wonder noem ik, wanneer de hemelsche krach-
ten in de aardsche ordeningen nederdalen.
T o o v e r ij noem ik: gebruik maken van al de ge-
heimzinnigheden en vreemdsoortige krachten, die in
deze wereld met al haar raadselen te vinden zijn voor
ieder, die ze zoekt.
Het wonder treedt op met het Heilige en
brengt dit in deze onheilige wereld; de t o o v e r ij ge-
bruikt het onheilige, om er naar believen mee te spe-
len, en er vertooning mee te maken.
Tooverij is goochelen, doch niet met een onschul-
dig doel: neen veeleer met de bedoeling, om zich aan
te stellen als van hooger afkomst. Vandaar dat zij
ook het woord misbruikt, om zich den schijn te
geven van geestelijk te zijn. Haar kracht zit echter
niet in het woord, maar veeleer in het listig door-
eenmengen van geestelijke en zinnelijke krachten.
Laat ons nu terugkeeren lot onze eerste stelling:
het werk der wedergeboorte is een wonder.
-ocr page 67-
TOOVERBEKEERINGEN.
55
De wedergeboorte is — zooals de naam zelf reeds
doet gevoelen — noodzakelijk een wonder, want:
hoe kan een mensch voor de tweede maal geboren wor-
den ? Zij ontstaat door het nederdalen van Gods Geest
in het hart. Een levenskiem, een zaadkorrel van het
eeuwige hemelsche leven, wordt diep in den bodem
des harten neergelegd. Soms blijft het daar lang wer-
keloos liggen, soms werkt het al spoedig, maar in
geen geval komt het terstond voor den dag, evenmin
als een zaadkorrel aanstonds boven den grond komt.
De wedergeboorte is alt ijd plotseling, het werk
van één oogenblik, evenals het inwerpen van het zaad
in den akker slechts één oogenblik noodig heeft,
maar de bekeering, die uit de wedergeboorte
voortspruit is a 11 ij d langzaam. Eerst moet het zaad
wortel schieten; dan komt het naar boven en vertoont
nog maar weinig bij zijn eerste verschijning. Plotse-
selinge bekeeringen bestaan er niet, zij zijn altijd
de vrucht eener langere of kortere werking van het
zaad der wedergeboorte, dat ongezien en vaak onbe-
wust in het hart is gestrooid door des Meesters hand.
Daarom kan ook nooit het werk der wederge-
boorte menschenwerk zijn. Geen wedergeborene kan
ooit zeggen, dat deze of gene mensch hem die nieuwe
geboorte heeft aangebracht. God gebruikt den dienst
der menschen, de prediking des woords, voor dit
werk, maar zoo, dat nooit eenig mensch daarvan de
eere krijgt. Gewoonlijk zal hij die het goede zaad in
het hart van een zondaar heeft uitgestrooid, daarvan
niet de minste heugenis hebben en de wedergeborene
-ocr page 68-
56
TOOVERBEKEERINGEN.
weet vaak zeer goed, dat het woord, waaraan hij
zijn leven te danken heeft, schijnbaar achteloos en
onwetend in zijn hart geworpen is.
Het gevolg daarvan is, dat juist het wonder der
wedergeboorte den wil des rnenschen vrij maakt.
Treffend is de tekst uit Jesaja 61, door den Heer te
Nazareth besproken waarin het heet: „de Geest des
Heeren is op mij — Hij heeft mij gezonden.....om
den gevangenen te prediken loslating en den gebon-
denen opening der gevangenis." De wil die gebonden
zat onder de zonde wordt vrij, de persoon des men-
schen wordt nieuw, er komt een ander mensch in
plaats van den ouden en wel verre, dat men ophoudt
een wil te hebben, krijgt men dan juist in waarheid
een w i 1.
De tooverbekeering doet alles juist andersom. Zij
gaat uit, niet van God, maar van den mensch, en
maakt gebruik van al de zonderlinge krachten, welke
in den mensch sluimeren en waardoor de eene geest
over den anderen kan heerschen. Het gevolg daarvan
is, dat juist de wil des rnenschen niet wordt geraakt,
niet gedood en niet vernieuwd, maar eenvoudig ge-
bonden en krachteloos gemaakt. Paulus klaagt er dan
ook over dat de Galaten zich hebben laten betooveren,
om de waarheid Gods niet gehoorzaam te zijn en zich
onder een vreemd menschelijk juk gevangen te geven
(Galaten III : i).
Wie zulk een tooverbekeering wil tot stand bren-
gen vindt daartoe middelen in overvloed, want het
hart des rnenschen is rijk aan vreemdsoortige krach-
-ocr page 69-
TOOVERBEKEERINCEN.
57
ten en door deze te leiden of te laten werken kan men
er heel wat mee uitrichten.
Hoe men het daarbij aanlegt, is vrij onverschillig
en hangt van het karakter en de godsdienstige mee-
ningen, ja ook van den volksaard af; doch bij alle
tooverbekeeringen is het einde, dat de wil des men-
schen wordt gebonden en tot slaaf gemaakt van
andere menschen. God alleen is in staat nu ons zoo te
regeerendoor Zijn Woord en Geest, dat ons wezen, ons
hart, onze persoon, ons I k niet ondergaat in Zijn ge-
meenschap, maar juist de ware Ik, de nieuwe mensch
tot vollen wasdom komt en die waarlijk vrij wordt.
Maar zoodra menschen door hun tooverbekeerin-
gen ons trachten te redden, verwonden zij ons geeste-
lijk bestaan of binden het met onzichtbare koorden,
zoodat aan geen vrijheid meer te denken valt. Of men
dit nu doet in grove of in fijner vormen maakt weinig
uit. Het eigenaardige van alle tooverbekeering is, dat
de bekeerder zich zelven plaatst tusschen God en de
ziel van zijn bekeerling en dus van het werk Gods een
menschenwerk maakt.
De een doet dit op de manier der Amerikaansche
Revivalisten, die op de zenuwen werken. De ander op
de manier van sommige Engelsche boekjes en romans,
door den vinger te leggen op één fijn punt, ééne
snaar, één kleine plek in het hart, en zich te verbeel-
den, dat men met aandoeningen den wil kan omzetten.
De derde door geestelijke woorden en ervaringen met
zinnelijke hartstochten te vermengen en met zich te
laten dwepen; een gevaarlijk spel zoowel voor den
-ocr page 70-
58
TOOVERBEKEERINGEN.
bekeerder als den bekeerling en dat menigmaal tot
zondige lusten heeft gebracht. Een vierde, door zich
tot keurmeester en ijker van bekeeringen te maken en
de zoekende zielen niet tot den levenden Christus,
maar tot het volk Gods te brengen. Een vijfde door
een soort van nieuw evangelie te brengen, een of
andere waarheid met groote eenzijdigheid te prediken
en er het eenige kenmerk van te maken, waaraan
Gods kinderen te kennen zijn. Een zesde door opge-
schroefde, onware geestelijke stemmingen tot dage-
lijksch gebruik te willen maken.
Doch wie zal al de toovermiddelen noemen, hun
getal is legio. Zij loopen schijnbaar hemelsbreed uit-
een en verraden toch alle hun gemeenschappelijken
oorsprong.
Zij zijn tooverij en een bespotting van het wonder.
Zij eindigen in slavernij en gebondenheid.
Waar de Geest des Heeren is, daar is vrijheid.
-ocr page 71-
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.
Niets moeielijker, zelfs voor gevorderde Christe-
nen dan voor zich zelven vastheid te verkrijgen aan-
gaande de roeping Gods.
„Benaarstigt u om uwe roeping en verkiezing vast
te maken," zegt Petrus in zijn 2den brief (I, 10) en
daartoe kan niets beter dienst doen, dan de lijnen
zuiver te trekken, die de richting van ons geestelijk
leven bepalen.
Een van de belangrijkste vragen is daarbij zeker
ook, wat het ware leven der wedergeboorte is, in
onderscheiding met het leven der wereld.
Hieromtrent geef ik de volgende beschouwing.
Het leven der wedergeboorte is:
geen natuurlijk,
geen tegennatuurlijk,
geen onnatuurlijk,
maar een bovennatuurlijk leven.
-ocr page 72-
ÓO                     HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.
I. Het eerste is het leven der wereld, het tweede
heeft een Roomsche kleur, het derde vindt men vaak
in Protestantsche kringen en het vierde moet volgens
de Schrift ons leven zijn, getuige het woord: „indien
gij met Christus zijt opgewekt, zoo zoekt de dingen
die boven zijn."
De wereld dweept met al wat n a t u u r 1 ij k is.
Zij smaalt op de fijnen, op de vromen, omdat zij niet
dulden kan, dat er een grens wordt getrokken tus-
schen: heilig en onheilig, rein en bevlekt, goddelijk
en duivelsch, hemelsch en wereldsch. Zij vindt alles
goed, zoodra het maar natuurlijk is, maar vergeet
daarbij, dat zij zelve gewoonlijk zeer willekeurig te
werk gaat en alles wat z ij zich veroorlooft, ook in
haar oog natuurlijk is; maar wat verder gaat, bij haar
scherpe veroordeeling vindt.
Indien men eenmaal geoorloofd acht, wat natuur-
lijk is, dan hangt alles af van iemands smaak. Zoo
doende kan men het meest ongebonden leven goed
praten. Drinken, brassen, zwieren, Zondagsschennis,
ja de geheelc kermis der ijdelheid, waarvan de wereld
vol is, wordt geoorloofd, want het is natuurlijk.
Grenzen zijn er dan niet. Men laat zijn eigen lusten
den vrijen teugel en vindt het bespottelijk in iets zonde
te zien.
De geloovige heeft dat anders geleerd. Hij weet,
dat het natuurlijk leven in de zonde ligt, door de zonde
bedorven is en dat het onzin is van dit natuurlijk
leven, aan zich zelven overgelaten, iets anders dan
zonde te verwachten.
-ocr page 73-
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.                  6l
Het natuurlijk leven te besnoeien, te fatsoenee-
ren, te versieren, op te smukken baat ons niets. De
Schrift leert ons, dat de natuurlijke mensch niet ver-
staat de dingen, die des Geestes zijn en dat er voor
den ouden mensch der zonde niets anders overblijft
dan sterven, met Christus onder te gaan, opdat
de nieuwe mensch daaruit opsta, in ware gerech-
tigheid en heiligheid.
II. Dat de wereld geen begrip heeft van de
eeuwige dingen, dat haar smalen op vroomheid en
op fijnen geen vat heeft op hen, die wat beters hebben
leeren kennen, behoeft geen betoog. Deze dingen
zijn voor elk, die ook maar eenige kennis heeft
gekregen aan zich zelven, waarheden, die vanzelf
spreken.
Doch nu vervalt men licht in de fout, waarvan de
Roomsche kerk ons soms een levend voorbeeld geeft,
nl. het leven Gods tot een tegennatuurlijk leven te
maken en de heiligheid hierin te zoeken, dat men alles
juist andersom doet.
Men redeneert dan aldus: het natuurlijke deugt
niet, derhalve alles wat tegen de natuur inligt, is
goed en Christelijk.
Zoo kwam men er toe Luther, toen hij monnik
werd, op te dragen met een bezem den vloer te rei-
nigen en zijn talenten aldus te begraven. Men kwam
er toe te eischen, dat iemand aan een werk gezet
werd, waarvoor hij niet den minsten aanleg had en
hem te ontnemen, wat hem bijzonder aantrok, ja
waarvoor hij een roeping gevoelde. Zie hier twee ge-
-ocr page 74-
62                  HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.
loovigen: de een houdt veel van ziekenverplegen en
heeft daar handigheid en geschiktheid voor, de ander
houdt veel van onderwijzen en is een leermeester van
uitnemende soort. En nu zette men den eersten in een
school en den tweeden in een hospitaal. Of de kin-
deren daardoor slecht leerden en de zieken onhandig
werden verpleegd, deed er minder toe; het was goed
voor die twee, dat zij leerden zich zelven te verlooche-
nen. Het is wel gemakkelijk, zoo meende men, om te
doen wat gij aangenaam vindt; neen, gij moet juist
doen, wat gij onaangenaam vindt, dan eerst is uw
leven godverheerlijkend.
Men ging nog verder. De natuurlijke mensch ver-
zorgt gaarne zijn eigen lichaam en siert dit op. Welnu
dan is het Christelijk daar vlak tegen in te gaan en
vuilheid, onreinheid wordt een deugd. In het klooster
van Port Royal, waar anders zooveel voortreffelijks
werd gevonden, kwam men er toe een eere te stellen
in slordigheid, zoodat men zich beroemde op het dra-
gen van hetzelfde linnen week in week uit.
Niet zeldzaam is het in Roomsche boekjes allerlei
walgelijke dingen als deugden te hooren aanprijzen
en b.v. deze of die non hoog te hooren verheffeny
welke de pestbuilen van een doodkranke kuste, om
zich te gewennen aan het verloochenen van alle
wereldsche lusten.
Het uiterste van deze richting is, dat men zijn ge-
weten present geeft aan een of ander persoon, die
boven ons staat en voortaan zich zelven beschouwt
als een stok in diens hand, zonder wil, zonder gevoel,
-ocr page 75-
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.                  63
zonder voorkeur, zonder afkeer, zonder menschclijk
bestaan zelfs.
Dit tegennatuurlijke mag in Protestantsche krin-
gen niet tot zulke uitersten zijn gekomen, dat het nu
en dan sommige geesten sterk aantrekt, zou ik niet
durven ontkennen.
Het is zonder twijfel een poging om de natuur te
dooden, maar wat er aan ontbreekt is juist het voor-
naamste en wel: het opstaan van een nieuwen mensch.
De oude gaat dood, naar het schijnt, maar er komt
geen nieuwe.
Beziet men het echter van nabij, dan blijkt het
maar al te duidelijk, dat de oude mensch daar inder-
daad slechts schijnbaar sterft. Om maar iets te noemen
en juist het ergste: dat kussen van pestbuilen is niet
veel anders dan een vorm van wellust, waarin de oude
mensch behagen kan leeren scheppen en een walge-
lijk genot kan vinden. De wellust verkleedt zich in de
zonderlingste gedaanten.
III. Is dit tegennatuurlijke in Protestantsche krin-
gen zelden te vinden, des te meer treft men daar het
onnatuurlijke aan.
Vandaar dat de wereld zich soms niet zonder
reden ergert aan de fijnen en maar al te veel reden
heeft, hen te beschuldigen van huichelarij.
Wanneer De Genestet in een zijner leekedichtjes
dezulken geeselt en een jong predikant schetst, die
in plaats van een dienaar Gods te zijn, zich plooit en
schikt naar zekere vormen, wanneer hij eindigt met
de woorden:
-ocr page 76-
64                  HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.
Ik dacht: zoo me dat nu een nieuw mensch
verbeeldt,
Dan .... de oude was beter voor God,
zoo heeft hij zonder eenigen twijfel gelijk, al wist hij
zelf niet het rechte woord te vinden. Hij zegt: „Ja
reinig en heilig, o mensch, uw natuur" enz. maar dit
geeft niets, omdat de oude natuur niet geheiligd kan
worden, daar zij juist sterven moet.
Indien De Genestet dit niet begrepen heeft, ligt
de schuld voor een deel aan hen, die iets beters be-
hoorden te kennen en te vertoonen. Zij stellen zich
vaak zoo aan, dat zij bewijzen het Christelijk leven
verkeerd te verstaan. Het natuurlijk leven is voor
hen een zondig leven, doch nu verbeelden zij zich, dat
het geestelijk leven zoo onnatuurlijk mogelijk moet
zijn. Alles wordt opgeschroefd en zij komen er toe, om
er twee levens op na te houden, die zij als het ware
naast elkander laten staan. Zij houden den ouden
mensch en den nieuwen beide te vriend; zij hebben
twee mantels en trekken nu eens den eenen en dan
den anderen aan. Gewoonlijk — maar niet altijd —
hebben zij tweeërlei spraak en de toon van hun stem
is letterlijk niet te herkennen, zoodra zij van de
wereldsche tot de geestelijke dingen overgaan.
Dit is nog geen huichelarij, maar het voert er
zonder twijfel toe en menigeen vervalt er in, eer hij
het weet. Merkwaardig is het dan ook, dat dezulken
zelden of ooit waarschuwen tegen huichelarij; zij zijn
er niet eens verdacht op, hoe groot het gevaar is, dat
-ocr page 77-
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.                 65
hen in dat opzicht bedreigt. Zij gelooven zoo weinig
aan dat gevaar, dat zij u voor een vreemdeling in de
dingen van Gods koninkrijk aanzien als gij er voor
waarschuwt.
„Huichelarij," maar komt gij er toe om hen daar-
van te verdenken ? Zij weten immers zeer goed, hoe
schuldig en doemwaardig zij voor Gods aangezicht
staan! Liefst noemen zij de huichelaars dan ook met
een vreemden naam: hypokricten, en die hypokrieten
worden dan zoo zwart afgeteekend, dat zij voor zich
zelven wel verzekerd zijn, daar geen deel aan te heb-
ben. Hoe menigeen is zoodoende in de huichelarij eer
hij het weet!
IV. Wat ons al deze verkeerde richtingen kan
doen mijden, is de stellige waarheid, dat het Chris-
telijk leven een b o v e nnatuurlijk leven is.
Het beste kan men het zich voorstellen, als men
denkt aan een duiker, die in de zee afdaalt, om op den
bodem eenig werk te verrichten. De man trekt een
duikerpak aan, zet een grooten helm op, waaraan een
lange slang is verbonden. Het einde van die slang
steekt buiten het water uit en wordt in de boot, die
boven hem drijft goed verbonden aan een luchtpomp.
Die luchtpomp voert hem telkens versche lucht van
boven toe.
Nu leeft en werkt hij daar beneden in dien don-
keren afgrond, alsof hij een bewoner van de zee was,
maar hij heeft zijn kracht van boven. Hij ademt
daar boven, hij heeft zijn ware leven daar boven.
Doch al wie hem ziet, bemerkt daar niets van,
-ocr page 78-
66                 HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.
omdat het geheim van zijn bestaan verborgen
blijft.
De toepassing van dit beeld is zoo duidelijk, dat
wij die niet behoeven te geven.
Slechts deze opmerking nog, die wij aan onze
lezers verder ter uitwerking overlaten.
Juist omdat dit geestelijk leven b o v e nnatuur-
lijk is, vergist ieder, die het niet bij ervaring kent, zich
daar gedurig in. Soms ziet men het aan voor een bloot
natuurlijk bestaan, dan schijnt het weer tegennatuur-
lijk, enkele malen onnatuurlijk; maar het rechte besef
heeft hij slechts, die het geheim er van weet. Verbeeldt
u, dat de visschen der zee eens een oordeel moesten
uitspreken over dien man met zijn duikerhelm op.
Wat zouden zij zich schromelijk vergissen!
Nu eens zouden zij denken: hij is een onzer, want
hij beweegt zich overal even gemakkelijk als wij. Maar
op eens zien zij toch, dat hij heel anders is. Zoo denkt
de wereld vaak ook, als zij een waarlijk wedergeborene
ontmoet. Die man is als een onzer, hij valt mee, hij is
toch zoo f ij n niet als men wel zeide. Doch op eens
wordt men boos, want hij doet toch weer heel anders
dan de wereld en men vindt hem óf tegennatuurlijk óf
onnatuurlijk. Maar ook de tegennatuurlijke en onna-
tuurlijke lieden erkennen hem niet als een hunner en
zij staan telkens verlegen, niet wetende waar zij hem
zullen plaatsen.
De reden is duidelijk. Een leven als van den
duiker moet zonderling schijnen, want hoewel hij
arbeidt en doet als een bewoner der zee, is hij er toch
-ocr page 79-
HET LEVEN DER WEDERGEBOORTE.                 67
geen en al is alles volkomen begrijpelijk voor hem, die
zijn geheim kent, het blijft \\ oor allen die daar buiten
staan een raadsel.
Zoo behoort het ook. De wind blaast, waarheen
hij wil en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van
waar hij komt noch waar hij henengaat, alzoo is een
iegelijk mensch, die uit den Geest geboren is.
-ocr page 80-
^^K^feafelfea^lK^^
HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.
Sla een oogenblik met mij de Openbaring van
Johannes op, dat boek vol raadselen, waarvan ieder
de verklaring meent te weten en niemand er eene
geeft, die anderen bevredigt.
Ik waag mij aan geen verklaring. De profetieën,
de gezichten, die daarin voorkomen, zijn naar het mij
toeschijnt bestemd, om in het heilig donker te blijven,
waarin de ziener ze heeft aanschouwd. Die drie zeven-
tallen, waaruit telkens een nieuw zevental voortspruit,
kan men niet pasklaar maken op den loop der wereld-
geschiedenis zonder te wringen of te plooien. De ge-
schiedenis gaat zoo afgemeten niet voort, dat men ze
in cijfers kan uitdrukken.
Liever geniet ik het boek, door eenvoudig met
den Ziener mee te gaan en mij te verdiepen in zijn
Openbaringen zonder ooit te vragen, of soms deze of
die bepaalde gebeurtenis daarmede bedoeld wordt.
Ook zonder nadere verklaring is het aangrijpend ge-
noeg, als men den draad eenmaal gevat heeft.
-ocr page 81-
HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.                    69
Telkens worden Gods oordcelen verschoven en
vertraagd. Eerst zeven zegelen, maar als er zes zijn
geopend is er een oogenblik van stilte, waarin de
dienaren Gods worden verzegeld tegen de naderende
plagen. Het 7de zegel echter draagt zeven nieuwe ge-
zichten in zijn verborgen schoot. (Hfdst. VI, VII).
Zeven b a z u i ndragers komen uit dit laatste zegel
voort, maar wederom als er zes zijn voorbijgegaan is
er een tijd van wachten; gedurende dien tijd wordt het
blazen van de zevende voorbereid. (VIII—XIV).
Zeven engelen met fiolen of schalen van
Gods oordeelen komen uit het blazen van de 7de
bazuin voort. Als de laatste engel zijn taak heeft
volbracht is het einde aller dingen nabij (XV—XIX),
en wordt het jongste gericht voltooid (XX), om over
te gaan in de beschrijving van het hemelschc Jeruza-
lem (XXI, XXII).
Deze losse schets is zeker geheel onvoldoende,
om ons de Openbaring van Johannes in hare diepte
te doen kennen. Zij is echter wel voldoende, om ons
te doen inzien, dat wij hier geen algemeene geschie-
denis der wereld voor ons hebben, want zoo regel-
matig is de gang der tijden nooit.
Het doel kan niet anders zijn, dan ons te doen
beseffen, dat, hoe zonderling de draden van Gods
wereldbestuur ook door elkander mogen loopen, van
Gods zijde bezien alles orde en regelmaat is. Wat hier
op aarde ver uit elkaar ligt, is bij God in nauw ver-
band; wat hier bont dooreenloopt is bij God een ge-
regeld tafereel.
-ocr page 82-
70                    HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.
Gelijk de draden in een borduursel van onderen
gezien louter verwarring, maar van boven aanschouwd
een volkomen beeld vertoonen, zoo is het in de ge-
schiedenis der volken.
Wij kunnen dus zeggen, dat de tooneelen van dit
boek zich gedurig herhalen; zij keeren telkens terug,
zij zijn altijd opnieuw waar; zij vinden hunne toe-
passing tot het einde der eeuwen toe en men zou haast
kunnen verzekeren, dat iedere verklaring een stuk van
die waarheid weergeeft. Ditmaal licht ik slechts een
van de tooneelen er uit en vestig daar uw aandacht
op. Wij lezen het in Openb. 8 :3—5.
Er staat een reukaltaar in den hemel. Een engel
plaatst zich daarnevens. Men brengt hem veel wie-
rook. Hij legt vuur van het altaar in zijn gouden wie-
rookvat, doet daarop de gebeden der heiligen en voegt
daarbij den wierook hem geschonken. Een dichte en
welriekende walm stijgt daaruit op tot Gods eer. Maar
daarop neemt hij het wierookvat, vult het met vuur
van het altaar, en keert het plotseling om naar de
aarde. Het vuur valt neder en stemmen, donderslagen,
bliksemen en aardbeving zijn er het gevolg van.
Welk een treffende voorstelling!
De gebeden der heiligen, door het heilig vuur en
het reukwerk aan God opgedragen, keeren op de
aarde terug en verwekken daar ontzettende too-
neelen.
De oordeelen Gods zijn dus de omgekeerde ge-
beden der heiligen. De hevigste beroeringen zijn het
gevolg van de stilste verzuchtingen. Men moet de din-
-ocr page 83-
HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.
71
gen wel van Gods zijde bezien, om dit te kunnen
schrijven en gelooven.
Wat schijnt er machteloozer dan gebeden! De
wereld lacht er mede en vreest ze niet. Een dreige-
nient van een geweldenaar beteekent in haar oog
meer dan duizenden gebeden en verzuchtingen. Wat
deert het haar, of Stcfanus bidt: Heere Jezus, ontvang
mijnen geest! Zij antwoordt niet steenen, en zoo doet
zij niet eens, maar alle eeuwen door. Zij stopt er de
ooren voor en meent, dat niets gemakkelijker is dan
te triomfeeren over de kinderen Gods.
Maar zij bedriegt zich. Als het woelt en gist hier
op aarde; als er geluiden worden gehoord en stern-
men weerklinken; als donderslagen van oorlogen en
geruchten van oorlogen elkaar opvolgen; als blikse-
men van schitterend licht de oogen verblinden; als
de aarde dreunt onder onze voeten — dan ziet zij niet
in, dat al deze dingen samenhangen met de gebeden
der heiligen. Natuurlijk, zij gelooft niet dat die ge-
beden opstijgen en zij gelooft evenmin, dat al
die oordeelen nederdalen. Zij ziet alleen op de
natuurlijke oorzaken, maar bespeurt van de hemel-
sche niets.
Toch is het zoo, gelijk Johannes het beschrijft. Er
zou geen woeling en gisting zijn in deze wereld, wan-
neer zij alleen een tooneel was van zonde en boosheid.
Zij zou dan reeds lang tot stilstand, tot verderf en tot
den dood zijn overgegaan. Waf dood is vergaat, maar
gist niet meer. Maar als er leven schuilt in den dood;
als het heilig vuur van Gods altaar midden in de
-ocr page 84-
72                    HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.
wereld komt vallen; als de gloed van Gods liefde in
de ijszee der zonde sissende neerzinkt, dan ontstaat er
werking, dan wordt de dood heftig en verzet zich met
al de kracht van den haat tegen hetgeen hem komt
vernietigen.
Het zijn de gebeden der heiligen, die de wereld
regeeren, omdat zij haar niet met rust laten.
Zoo heeft het de Heere Christus bedoeld, als Hij
zeide: „Ik ben gekomen om vuur op de aarde te wer-
pen en wat wil Ik? Het is aireede ontstoken."
Als die lastige vromen met hun eindeloozc gebe-
den er maar niet waren, hoeveel strijd en moeite zou-
den dan verdwijnen, hoe zouden wij de wereld kunnen
inrichten naar onzen zin.
Maar of de wereld ze al minacht, zij wordt telkens
weer herinnerd aan die lastige vromen en hun gebe-
den. Zij vindt ze overal verspreid en overal even
ondragelijk. Soms vervolgt zij hen te vuur en te
zwaard, gelijk in de dagen der eerste Christenen en in
de tijden der Hervorming, dan weer meent zij hen het
best te overwinnen door zich aan te stellen, alsof zij
er niet waren; maar noch het een noch het ander kan
haar baten; vervolgd, worden zij niet uitgeroeid; ver-
geten, komen zij telkens zich weer vertoonen en wek-
ken den tegenstand op.
Wij mogen God danken, dat het zoo is. De
beroeringen en bewegingen komen van boven en niet
van beneden, zij zijn een bewijs, dat Gods heiligheden
op aarde werken en, in de wereld dringende, daar
Gods raad volbrengen.
-ocr page 85-
HET WIEROOKVAT OMGEKEERD.                   73
Of zij wil of niet, de wereld moet zich inlaten met
Gods wil en woord en werk.
Dit is echter geen reden tot hoogmoed voor Gods
kinderen, want men vergete het niet, wat de voor-
waarde is voor deze machtige werking. De Engel legt
in het wierookvat: Gods vuur en Gods wierook en
voegt daar de gebeden der heiligen bij. Het hemel-
sche vuur maakt die gebeden aannemelijk voor Gods
aangezicht, daardoor worden zij gelouterd van de
zonde, die hun aankleeft; de hemelsche wierook
maakt ze tot lieflijken reuk, en in den dichten walm
verdwijnt al het onvolmaakte en onbegeerlijke, dat er
in schuilt.
Dit is onze troost. Gebeden, hoe bezoedeld en
flauw ook, zijn een macht; zij stijgen van beneden tot
God op; zij brengen verband tusschen hemel en
aarde — want zij zijn vooreerst een teeken van de wer-
king des Heiligen Gcestes in de harten der geloovigen
en zij keeren als heilig vuur op de aarde weder, om
de wereld te beroeren en te doen voelen, dat God|
regeert.
-ocr page 86-
AC- AC- AC- AC- AC-        ■/"*. AC- A> AC- AC- AC-
<7V W <V <;y <3V         \\ / <7V <?V <1V W <V
AC- AC AC- AC- 4I> 4I>     /\\    AC- AC AC- AC- AC- AC-
W <7V W <7V <V <V      <v     ^ <^ <V <V <V <^
JEZUS NIET VOLMAAKT?
„Wat noemt gij Mij goed ? Niemand is goed dan
Een, namelijk God," zoo luidt het welbekende woord
tot den rijken jongeling, die zoo lichtvaardig van zich
zelven verklaarde, dat hij alle geboden had onderhou-
den van zijne jonkheid af en die gaarne een of ander
moeilijk gebod wilde betrachten, om volmaakt goed
te zijn.
Deze tekst staat velen in den weg en men heeft
allerlei uitleggingen bedacht, om aan de moeilijkheid
te ontkomen, die deze uitspraak oplevert. De een
maakt er van: „indien gij Mij goed noemt, zoo noemt
gij Mij God" — een verklaring, die veel van spitsvon-
digheid heeft en die ronduit gezegd den Heere een
woord in den mond legt, dat noodzakelijk tot misver-
stand aanleiding moest geven en den rijken jongeling
geen nut kon doen. Ernstige wederlegging verdient
deze verklaring niet.
Beter is dan nog een andere verklaring: „indien
-ocr page 87-
JEZUS NIET VOLMAAKT?                           75
gij Mij goed noemt, begrijp dan toch eerst, wat goed
z ij n beteekent. God alleen is goed, speel dus niet zoo
met dat woord goed: goede Meester, wat goeds
doende zal ik het eeuwige leven beërven ?" Maar ook
deze verklaring, die ik zelf menigmaal heb gegeven,
voldoet mij niet langer. Zij is te gewrongen en in elk
geval kon de rijke jongeling er onmogelijk de bedoe-
ling van vatten.
Ieder, die de woorden eerlijk leest en verklaart,
zal moeten erkennen: als ik er bij gestaan had, toen
de Heere dat woord uitsprak, zou ik er redelijker wijze
niets anders onder hebben kunnen verstaan, dan dat
Christus het woord goed uitsluitend aan God toe-
kende. Heeft de Heere dat niet bedoeld, dan is Zijn
woord voor het minst genomen zeer onduidelijk
geweest.
Zoo is het ook met Zijn woord tot Johannes den
Doopcr bij gelegenheid van den doop in de Jordaan.
Als Johannes weigert, antwoordt de Heere: „laat nu
af, want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te ver-
vullen." Het laat zich nu eenmaal niet tegenspreken,
dat de doop van Johannes een doop der bekeering was
tot vergeving der zonden en indien Christus,,
zelf zonder zonde, zich liet doopen, dan gaf Hij, met
allen eerbied gezegd, een verkeerden indruk aan
allen, die het bijwoonden, zoodat werkelijk die doop
niet anders dan een vertooning mocht heeten.
Redeneer dit niet weg, want de eenvoudige zin
der woorden laat niet toe er iets anders aan te
hechten, dan een uitdrukkelijke verklaring: ik wil ge-
-ocr page 88-
JEZUS NIET VOLMAAKT?
76
rekend worden onder hen, die dien doop van noode
hebben, en dat niet in schijn, maar wezenlijk.
Wanneer wij echter ophouden onze wijsheid en
onze gewrongen verklaringen aan Christus op te drin-
gen en Hem op Zijn woord gelooven, zullen wij zien,
dat de woorden volkomen juist zijn.
Reeds dit wat Paulus zegt: „Dien, die geen zonde
gekend heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt,"
moet ons over zulke uitspraken anders doen oordee-
len. „Zonde gemaakt" — dat is de meest krasse uit-
spraak, die er gegeven kan worden. Het is veel meer
dan: als een zondaar behandeld te worden, het
beteekent: een zondaar worden. Jezus Christus is
om onzentwil uit liefde een zondaar geworden, niet
in dien zin dat Hij is gaan zondigen, maar daarin, dat
Hij zich medeschuldig voelt aan onze zonde. Ja eigen-
lijk is het woord nog veel ingrijpender, want zon-
da a r worden is zwakker dan zonde worden.
Hoe het zij: de Heere wil niet goed heeten.
Waarom niet ? Omdat God alleen goed kan heeten.
God is in zich zelven volmaakt; niemand kan aan de
eeuwige rust, waarin Hij leeft, iets af- of toedoen. Hij
bestaat om zich zelven en is in zich zelven de eeuwige,
onveranderlijke, wiens heerlijkheid door niets of nie-
mand kan worden gebaat of geschaad.
Maar de Zone Gods, mensch geworden om
onzentwil, staat niet buiten de wereld en is niet in
zich zelven volmaakt, om de eenvoudige reden, dat
Hij het niet w il en daarom niet kan zijn. Hij mag als
het hoofd Zijner gemeente heilig zijn, de gemeente is
-ocr page 89-
JEZUS NIET VOLMAAKT?
77
het niet en zoolang zij het niet is, is Hij het evenmin.
Hij kan en wil zich van haar niet losscheuren. Haar
leven en Zijn leven kunnen niet gescheiden worden,
zij zijn één en ondeelbaar. Haar zonde is dus Zijn
zonde, haar gebrek is Zijn gebrek, haar onvolmaakt-
heid is Zijn onvolmaaktheid. Wat met haar gebeuren
moet nl. den doop der bekecring tot vergeving der
zonde ondergaan, moet met Hem gebeuren, want zoo
Hij zich niet liet doopen, zou Hij zich van haar los-
maken, tegenover haar staan.
Van dit hooge standpunt der liefde is het woord:
,,niemand is goed dan Een nl. God," volkomen begrij-
pelijk. De Heere is niet op aarde gekomen om goed
te heeten, Hij verlaat juist den schoot des Vaders, om
midden in deze zondige wereld te staan en haar lijden
en strijden tot Zijn eigen lijden en strijden te maken.
Hij wil niet volmaakt zijn buiten haar om, maar in en
met haar.
Daarvan begrijpt de rijke jongeling niets en daar-
van begrijpen ook de oppervlakkige Christenen niets,
die altijd de leer der volmaakbaarheid prediken, in
tegenspraak met de H. Schrift. De rijke jongeling
droomt van een volmaaktheid buiten allen en alles
om. Hij denkt zich een toestand van zelfbehagelijk ge-
not over eigen voortreffelijkheid tegenover een wereld,
die in den boozc ligt. Zoo doen vele Christenen het
hem na en stellen zich aan, alsof zij op zichzelven
staande volmaakten konden worden. „Dat kunt gij
niet," is het antwoord dat Christus hun geeft; „zoo-
lang de gemeente in haar geheel niet volmaakt is,
-ocr page 90-
JEZUS NIET VOLMAAKT?
78
kunt gij het evenmin zijn." En om den rijken jonge-
ling dit practisch te doen voelen zegt de Heere tot
hem: „zoo gij wilt volmaakt zijn, ga heen, verkoop
alles wat gij hebt" enz. Met andere woorden: hij moet
gevoelen, dat niemand goed zijn kan. tenzij dan in
de gemeenschap met het geheel. Een lid mag zich niet
losmaken, evenmin als Hij, die het Hoofd is, zich los-
maakt. Zoodoende voelen wij eerst den diepen zin van
dat: ,.zonde gemaakt" en tevens ook den troost van
het woord: zoovelen dan i n H e m volmaakt zijn, laat
ons dit gevoelen enz. Wij zijn voor Gods oog reeds i n
Christus volmaakt, omdat ons Hoofd heilig is — maar
Christus is in ons nog onvolmaakt en zoolang Hij Zijn
gemeente niet aan zichzelven heeft gelijk gemaakt,
wil Hij den naam van goed niet dragen, maar blijft
onze zonden de Zijne noemen. Ziedaar, waarom wij het
woord zoo letterlijk mogelijk moeten nemen, opdat wij,
alle farizeesche volmaakbaarheid afleggende, gevoe-
len zouden, wat goed zijn beteekent en wat onze
Heiland voor ons heeft overgehad.
-ocr page 91-
7I\\ II 7K
7I\\
c
«s
7\\
^K 11^
/K II 7K
PROFETEEREN EN WAARZEGGEN.
Het groote verschil, dat er tusschen profetceren
en waarzeggen bestaat, wordt vooral bij gelegenheid
van liet Kerstfeest in vele Christelijke kringen voor-
bijgezien. Zonder twijfel is het goed, dat men de pro-
fetieën van het O. T. door kinderen laat van buiten
leeren, maar daar is een gevaar aan verbonden. Dat
gevaar is de profeten aan te zien voor waarzeggers,
en al hunne beteekenis dus te zoeken in het precies
voorspellen van enkele bijzonderheden uit het leven
onzes Heeren, die letterlijk uitkwamen.
Zulk een manier van handelen doet mij denken
aan de wijze waarop, naar men beweert, menig
Engelschman reist. Hij zit .en loopt met zijn reishand-
boek altijd bij de hand en leest er in, wat hier of daar
te zien is. Zijn boek is hem alles. Zegt dat boek, dat
hier of daar een bijzonder fraaie boom staat, dan
moet hij weten, of dat zoo is en heeft hij den boom
gevonden, dan geniet hij niet van het schoone gezicht
-ocr page 92-
8o                    PROFETEEREN EN WAARZEGGEN.
daar voor zijn oogen, maar is tevreden, omdat zijn
boek precies uitkomt. Zoodra hij dat weet, gaat hij
verder.
Zoo handelt menig Christen met zijn O. T. Als
hij gezien heeft, dat het uitkomt is hij tevreden.
Psalm 22 : 19 bv. zegt hem: „Zij deelen Mijn kleede-
ren onder zich en werpen het lot over Mijn gewaad"
— en Joh. 19 :24 verhaalt hem, dat dit ook op Gol-
gotha gebeurd is. — De zaak is in orde, meer heeft
hij niet noodig.
Is dat dan niet goed ? Wel neen, gij hebt dan nog
niet eens de helft van de waarheid. Uw O. T. is geen
reishandboek, het is veel me<:r dan dat. Gij maakt den
profeet tot niets meer dan een waarzegger en hij is
veel meer dan dat, ja heel wat anders.
De waarzegging heeft alleen beteekenis voor het
nageslacht, de profetie heeft beteekenis voor het
toenmaals levend geslacht en voor het nageslacht
beide. De waarzegging wordt vervuld, als zij precies
uitkomt en allerlei omstandigheden die uitkomst aan-
brengen door een soort van onverbiddelijk noodlot;
de profetie wordt alleen vervuld, wanneer hare gees-
telijke beteekenis is begrepen en aan hare geestelijke
bedoeling is voldaan. De waarzegging stoort zich aan
niets en aan niemand; de profetie kan niet tot haar
doel geraken, als zij niet leeft in de harten dergenen,
die haar hooren.
Laat mij een van de profetieën noemen om dit
op te helderen en wel een der meest bekende,
Micha V : 1 : „En gij Bethlehem Efratha" enz.
-ocr page 93-
PROFETEEREN EN WAARZEGGEN.                    8l
De oppervlakkige Christen zegt: hoe merkwaar-
dig is die profetie uitgekomen! Door het gebod van
Augustus, dat de geheele wereld zou beschreven wor-
den, moest Maria naar Bethlchem en juist daardoor
gebeurde het gelijk Micha had voorspeld.
Zeer belangrijk gewis voor ons, maar ik vraag op
mijn beurt: wat hadden de tiidgenooten van Micha
daar aan, die 750 jaren vóór Christus leefden ? Wat
zoudt gij er aan hebben, als men u eens voorspelde,
dat in het jaar 2650 de Heere Jezus zichtbaar zou
nederdalen met de wolken des hemels en in het dal
Josafats Zijn richterstoel oprichten ? — gij zoudt het
kunnen opschrijven en voor het nageslacht bewaren,
maar overigens liet het u geheel denzelfde. Welnu,
voor Micha\'s tijdgenooten was dat immers zoo en
niets meer.
Heel anders echter wordt het, wanneer men dit
woord als profetie leert kennen. Dan beseft men er
de groote beteekenis van voor tijdgenoot en nage-
slacht. Zie, toen Micha dezen tekst neerschreef, stond
het huis van David in volle glorie en had het nog
voortreffelijke koningen te wachten. Niemand dacht
aan de mogelijkheid, dat Jeruzalem zou ophouden den
troon van Davids geslacht in zijn paleis te zien. Maar
terwijl er niets is, dat iets anders doet verwachten,
spreekt Micha het woord uit, dat als een diep vernede-
rend woord allen tijdgenooten in de ooren moest klin-
ken. Uw Messias zal niet komen, tenzij het huis van
David tot den ouden, eenvoudigen, nederigen toestand
terugkeert, waarin God het te Bethlehem opzocht.
-ocr page 94-
82                   PROFETEEREN EN WAARZEGGEN.
Derhalve: Israël zal zijn Messias niet zien, tenzij
het eerst zich leert vernederen. Hoe eer die vernede-
ring komt; hoe eer het ware Israël die vernedering
aanneemt; hoe eer het zich losmaakt van alle vleesche-
lijke verwachting, hoe nader het staat aan de komst
van den Messias. Die komst wordt dus bevorderd, als
het zijn oogen wendt naar Bethlehem en naar al wat
voor God dus als waar en echt bestaan kan. Bethle-
hem is dus het zinnebeeld van de ware verbrijzeling
des harten, die voor Israël de voorwaarde is voor het
verschijnen van zijn Heiland. Neemt Israël die pro-
fetie aan, dan wordt de vervulling verhaast, verwerpt
het die, zoo veel te langer wordt die komst vertraagd.
Het innig geloof in de profetie brengt de vervulling
der profetie.
Zoo is het ook in onze dagen. Het Koninkrijk
Gods zal komen; wij hebben het profetische Woord
dat zeer vast is, maar het komt niet, tenzij Gods kin-
deren daarnaar leeren vragen, zoeken, verlangen,
smachten met al den gloed der liefde. Die profetie
wordt niet vervuld, zoolang Gods kinderen hier op
aarde zich vrij behaaglijk gevoelen en het Koninkrijk
Gods wel schoon vinden, maar er niet naar hongeren
en dorsten.
Geschiedt dat niet, buigen zij het hoofd niet, dan
zal de profetie wel komen, maar niet als een noodlot,
neen door diepe wegen van vernedering heen. Had
Israël eer geloofd wat Micha zeide, het had eer ver-
kregen wat hij beloofde. De tijdgenooten zagen
naar Jeruzalem en niet naar Bethlehem, daardoor ver-
-ocr page 95-
PROFETEEREN EN WAARZEGGEN.                    83
traagden zij zelven de belofte. Maar toen de Simeons,
de Anna\'s, de herders, de stille zielen, gelijk Maria,
hadden leeren wachten, ja hunkeren naar de vertroos-
ting Israéls, toen kwam Hij, Die èn lichamelijk èn
geestelijk aldus in Bethleham geboren is. Hij moest
in Bethlehem geboren worden, niet omdat God dat
zoo willekeurig bepaalde, maar omdat het een diep
zedelijke beteekenis had.
/
-ocr page 96-
iiii;.iiiiiiiiiiIiiiiiiiliiiiiJ.j..i.i.u;.j..Lii
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT^TTTTTT
DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI :l— 9.
In deze profetie vindt men tot drie malen toe het
getal Zeven, en hoe meer wij de woorden der profetie
nagaan, des te heerlijker beteekenis krijgt het geheel.
Laat ons dit in bijzonderheden aantoonen.
Jesaja beschrijft ons achtereenvolgens: I. den
persoon; II. het werk; III. de heerschappij van den
Messias.
I. Het eerste vers der profetie heeft niet veel ver-
klaring van noode. Wat dat rijsje uit den afgehou-
wen tronk van Isaï (Davids vader) beteekent, weet
elk bijbellezer, die eenige kennis heeft van de profe-
tiën. Maar, dat aan de woorden van vs. 2 de gouden
kandelaar met zijn zeven lichten tot grondslag ligt,
is terecht door Delitsch opgemerkt; alleen heeft hij
het heilig zevental niet in de overige verzen herkend.
De gouden kandelaar in den tempel had één stam of
schacht in het midden, terwijl links en rechts van die
schacht drie armen uitgingen. Zoo ook in dezen tekst.
-ocr page 97-
DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI : I —9.            85
De schacht of stam is aangeduid in de woorden:
„op Hem zal de Geest des Heeren rusten," en verder
vinden wij 3 paren daaraan toegevoegd: 1. de Geest
der wijsheid en des verstands; 2. des raads en der
sterkte; 3. der kennis en der vreeze des Heeren.
Rechts dus: de Geest der wijsheid, des raads en
der kennis des Heeren; links: de Geest des verstands,
der sterkte en der vreeze des Heeren.
De drie Geesten rechts hebben betrekking op het
denken (de theorie) en de drie links op het doen
(de praktijk).
1.     De w ij s h e i d is het inzicht in de Goddelijke
waarheid, het verstand veeleer het doorzicht
in de roerselen en bewegingen van het mensche-
lijk hart.
2.     De raad is het beramen van plannen en vooral
het beramen van het goddelijk verlossingsplan,
de s t e r k t e is de uitvoering van dat plan.
3.     De kennis des H e e r e n is het aanschouwen
Gods, hetzelfde wat de Heere Jezus in Johannes
V: 19, 20 zegt, dat de Zoon niets van zich zelven
kan doen en dat de Vader Hem alles toont wat
Hij doet; de vreeze des Heeren is de prac-
tische godsvrucht, die zich uitspreekt in daden tot
des Vaders eere.
Zulk een Heiland hebben wij van noode en zulk
een is ons geschonken.
II. Zijn werk wordt ons beschreven in vs. 3, 4,
en ook daar hebben wij weer één gedachte, waar al
de rest om gerangschikt wordt.
-ocr page 98-
86             DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI : I —9.
Die hoofdgedachte is: Zijn rieken zal zijn in de
vreeze des Heeren. De uitdrukking is vreemd en
moeielijk te vertalen. De zin is gemakkelijker te ver-
staan.
Van onze zintuigen is de reuk het fijnste. Breng
een korf vol wierook in den tempel en gij zult ze ge-
makkelijk kunnen verbergen, zonder dat iemand ze
ontdekken kan, maar neem een handvol wierook en
verbrand die. aanstonds is de geheele tempel er van
vervuld en geen mensch wiens reuk gezond is, zal er
onkundig van blijven. Welnu de Messias zal door zijn
reuk zelfs het minste, wat er van godsvrucht aanwezig
is, aanstonds ontdekken. Hij is fijn van reuk om ter-
stond te bespeuren, dat in het hart van Zaccheus, van
den moordenaar, van den vader des maanzieken zoons
een beginsel van leven aanwezig is. Maar ook de reuk
des doods zal Hij aanstonds bemerken.
Daaromheen staan weer drie paren, doch niet zoo
in het oog vallend als in het voorafgaande. Er wordt
gesproken van i. de o o g e n en de o o r e n; 2. den
mond en de lippen en 3. de lenden en nog eens
de lenden. Het eerste (de oogen en de ooren) be-
hoort niet alleen bij het rieken, maar ook bij het vol-
gende. Daar Hij niet met oogen en ooren maar door
Zijn reuk beslist, zoo zal Hij aan de eene zijde de
armen en zachtmoedigen (of geringen) met billijkheid
beoordeelen, maar ook met mond en lippen de godde-
loozen streng bestraffen.
Zoo heeft immers de Heiland gedaan en zoo doet
Hij nog. Voorbeelden zijn er genoeg uit Zijn omwan-
-ocr page 99-
DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI ! I—9.             87
deling en uit de geschiedenis Zijner Kerk te vinden
om elk dezer punten op te helderen.
Als overgang tot het derde punt wordt vs. 5 van
beteekenis. Gerechtigheid en waarheid zullen Hem als
een gordel omringen; gelijk een gordel vastheid geeft
aan de lendenen, zoo zal Zijn vastheid in het oordeelen
en heerschappij voeren in recht en waarheid schuilen.
III. Daarom is Hij de Koning, wiens heer-
schappij in vs. 6—9 ook weer in zeven punten be-
schreven wordt.
Wederom gaat één punt vooraf: de wolf zal met
het lam verkeeren. In deze woorden ligt reeds al de
rest. Wolf en schapen of lammeren worden gedurig
in de Schrift tegenover elkander gezet. Denk maar
aan Matth. VII: 15; Lukas X.3; Joh. X: 12; Hande-
lingen XX: 29. De korte inhoud dus van al wat er
volgt is in deze woorden reeds begrepen. De vol-
gende beelden van Zijn heerschappij zijn al weder in
3 paren aangegeven.
1. De sluwe luipaard met zijn gluiperig overleg
tegenover het onbesuisde, speelsche geitebokje, dat
te dartel is om kwaad te vermoeden; de jonge leeuw
tusschen het domme kalf en het logge mestvee, dat
zijn kracht en lusten opwekt, het beeld van o ver-
moe d, die alles voor zich laat bukken en niets ont-
ziet. Zoo is de wereld helaas, waarin wij leven. De
onbesuisde jeugd, die zich waagt, wordt een prooi
van allerlei listen; de domheid en logheid worden
misbruikt door de vermetelheid van hem, die zijn
kracht kent en voelt, gelijk de jonge leeuw.
-ocr page 100-
88             DRIE MAAL ZEVEN IN JESAJA XI : I —9.
2.  De koe en de berin, de leeuw en de os. De
berin is het beeld van ontevredenheid tegenover de
tevredenheid van de koe, die ligt te herkauwen in de
weide. De leeuw en de os vertegenwoordigen de on-
tembare, vernielende en de getemde, nuttige kracht.
3.  De adder, waarmee het kind speelt; de basilisk,
waar het oudere kind de hand naar uitsteekt, zijn het
beeld van vergif en valschheid. Vooral het
laatste beeld is treffend. De basilisk heeft een paar
fonkelende, glinsterende oogen. Het kind, dat ze ziet,
grijpt er naar en ach I het is schandelijk bedrog, de
adder bijt en geeft doodelijk venijn van zich. Het
beeld is vooral hier, bij ons te Zetten, zoo treffend;
omdat wij telkens hooren, hoe arme kinderen, die
alles voor goud aanzien wat blinkt, in de diepste
ellende worden gestort.
Achl wie kan zich voorstellen, dat er een tijd zal
komen, waarin al wat blinkt echt goud zijn zal en men
de onnoozelen, de onkundigen, de onschuldigen niet
meer zal behoeven te waarschuwen.
Dat z a 1 gebeuren, zegt de profetie. Het is aan-
vankelijk vervuld. In deze zondige wereld, waar
onrecht regel is en recht een uitzondering, is de Zone
Gods afgedaald en Hij die het Lam Gods is, heeft
zich door den wolf laten verscheuren, opdat Hij uit
den dood verrezen, het koninkrijk Gods voor goed
zou vestigen.
Eenmaal komt het driemaal heilige Zevental van
Gods beloften in vervulling.
-ocr page 101-
BODE, HERAUT, GEZANT.
Jesaja 61 : i—3 is boven alles ons een profetie van
beteekenis, omdat Jezus zelf daarover gepreekt heeft
in de Synagoge te Nazareth. Die tekst is door Hem
met voorliefde gekozen en zoo behandeld, dat de hoor-
ders aanvankelijk verwonderd waren over de aange-
name woorden, die uit Zijn mond voortkwamen. Zon-
der twijfel moesten die woorden wel zeer aan-
genaam zijn, want vriendelijker en liefelijker kan
het werk van den eenigen Profeet en Leeraar niet
worden voorgesteld dan hier geschiedt.
Wanneer ik dezen tekst lees, dan zie ik in beel-
den voor mij, wat deze profeet komt doen. Ik z i e hem
eerst als een Bode van Gods gunst optreden
in de stad, waarheen hij zijn schreden richt. Hij begint
met rond te gaan van huis tot huis. Aan de hutten der
armen, of der zachtmoedigen, der verdrukten, meldt
hij zich aan, om hun te zeggen dat er een blijde bood-
schap voor hen is. Zoo deed Jezus bij Zijn optreden,
-ocr page 102-
9o
BODE, HERAUT, GEZANT.
toen Hij overal verkondigde: „het koninkrijk Gods
is nabij gekomen." Daarbij doet Hij overal onderzoek,
of er ook zieken, gebrokenen van harte zijn, want Hij
heeft meer dan een boodschap, Hij heeft balsem mede-
gebracht om de verwonden te verbinden en die bal-
sem drupt op hen af in het woord: Uwe zonden zijn
u vergeven. Erger dan armen en zieken echter zijn
de slaven en de gevangenen. (In den tekst
heetcn zij gevangenen en gebondenen, maar
de bedoeling is slaven en die in de gevangenis zijn.)
Hun, die als slaven in de macht van anderen staan,
wier slavenleven hun niet vergunt zich los te maken
van hun omgeving, komt Hij namens den Koning aan-
kondigen, dat het tijd is hun banden te ontbinden en
hen tot vrije mannen te verklaren. Wanneer Hij alzoo
in de achterbuurten, in de ziekenhuizen en bij de sla-
ven Zijn boodschap heeft gebracht, klopt Hij ook aan
de poort der gevangenis en allen, die daar om misda-
den en schulden zijn opgesloten, door hun eigen
kwaad onder de macht des Satans gebracht, wordt
medegedeeld dat het oogenblik hunner verlossing
daar is.
Nadat Hij alzoo de gansche stad is rond geweest,
gaat Hij naar het marktplein, in het midden gelegen
en treedt op als Heraut van Gods recht. Hij
roept daar al het volk te zamen, want er is een publi-
catie, een afkondiging te doen, als het ware voor de
pui van het stadhuis of van des Konings burcht. Luide
wordt het uitgeroepen, zoodat het verzamelde volk
het hooren kan: „de Koning geeft een jubeljaar!"
-ocr page 103-
91
BODE, HERAUT, GEZANT.
Een jubeljaar, dat is het 50ste jaar in Israël,
waarin alles hersteld wordt in den ouden vorm. Het
verkochte erf, het verpande huis, de vervreemde akker
— alles komt aan den oorspronkelijken eigenaar terug.
Dat is de dag der wrake onzes Gods; de dag der ver-
gelding, wanneer de verdrukker van weduwe en wees
gedrongen wordt het ontroofde of tijdelijk in beslag
genomen goed weer te geven en alle treurigen worden
vertroost.
Herstellen dus in het openbaar van hetgeen in
den loop der jaren in stilte was verbeurd. Zoo deed
Jezus, toen Hij na Zijn omwandeling op aarde in het
openbaar aan het kruis, ten aanhoore van iedereen en
ten aanhoore van alle volken uit alle eeuwen en uit
alle landen uitriep: „Het is volbracht!" Zoo luide kan
geen Heraut over het marktplein zijn stem verheffen,
als deze boodschap heeft geklonken over de gansche
aarde en over alle geslachten.
Maar nog is hij niet ten einde. Na Zijn omgang
door de stad, na Zijn publicatie op de markt, zien wij
Hem naar binnen gaan in des Konings huis of burcht
om als Gezant van des Konings weibeha-
gen, als gemachtigde en uitdeeler van des Konings
schatten beschikkingen te maken. Zijn dienaars gaan
met hem naar binnen en nu volgt er: (vs. 3) „om den
treurigen Sions te beschikken, dat hun gegeven
worde sieraad voor asch, enz." Hij zelf blijft binnen;
maar Hij beveelt Zijn dienaars elk stuk door Hem aan-
gewezen naar buiten te dragen en aan de bedoelde per-
sonen uit te reiken. Hier allereerst een hoofddeksel,
-ocr page 104-
BODE, HERAUT, GEZANT.
92
een koninklijken hoed voor een, die daar in zak en asch
staat.Werp uw zak af en zet dit sieraad op uw hoofd.
Daar vreugdeolie voor een, die met een somber
gelaat voor zich heenstaart, omdat het leed hem zoo
zwaar drukte. Ginds een gewaad des lofs, een
wijden, ruimen mantel voor een benauwden geest, dat
is voor hem, die daar zoo nauw zit opgesloten in zijn
angst en zijn bekommernis. Zij moeten er allen feeste-
lijk uitzien, als de Koning komt.
Die schatten vindt hij in overvloed in des Konings
paleis en laat ze naar buiten dragen.
En wat heeft onze Heiland anders gedaan, toen
Hij, in des Vaders huis binnengetreden, van daar uit
de gaven Zijns Geestes zond door de hand Zijner die-
naren. Gelijk Petrus na zijn val voor zak en asch weer
de kroon op het hoofd kreeg; gelijk Hij Thomas voor
treurigheid het aangezicht weer deed blinken van
vreugdeolie; gelijk de benauwde Emmaüsgangers de
breede plooien van een rijk kleed uit Zijn schatten
zagen te voorschijn komen, zoo doet Hij telkens nog.
Wij zien Hem niet meer, want Hij is in des Konings
paleis, maar Zijn gaven zien wij telkens naar buiten
dragen.
En eindelijk, als dat alles is voleindigd, zal de tijd
daar zijn, om den Koning der koningen te gemoet te
komen. Allen staan gereed en gekleed en gaan mede
de stad uit. Schaart u langs den weg, heet het nu, in
breede rijen, aan weerszijden, opdat gij staan moogt
als eikeboomen der gerechtigheid, als
een planting des Heeren, opdat Hij verheer-
-ocr page 105-
BODE, HERAUT, GEZANT.
93
lijkt worde. De Koning nadert, de geredden en geze-
genden staan als een heg, recht overeinde, fier en
blijde, niet als krijgers, maar als bloeiende en groei-
ende krachtige boomen, om den Koning te verheer-
lijken, die hen zoo beweldadigde.
Dit moet nog komen. Hetgeen voorafgaat is reeds
geschied, en geschiedt nog dagelijks. Zalig die een-
maal een plaats vindt in die dubbele rij waartusschen
de Koning heentreedt.
-ocr page 106-
^^K^fe^iii^^feaK^I
DE CATECHISATIE-JOB.
\\Tijf en dertig jaren geleden schreef Prof. Oort in
den „Gids" een artikel over Job en zijn vrienden, waar-
van de heugenis mij lang bijbleef, wegens de uitdruk-
king: „de catechisatie-Job," die daarin voorkwam.
(„Gids" Februari 1867.)
Hij bedoelde met die uitdrukking, dat men de
geschiedenis van Job vaak pasklaar wil maken voor
kleine kinderen door ze te verwateren en daarin had
hij volkomen gelijk.
Ook geeselde hij onbarmhartig de dwaze voor-
stelling, alsof Job met taai geduld en lijdzame vol-
harding al de slagen verduurd had, door God hem
aangedaan en als loon voor zijn trouw alles dubbel
terug had ontvangen.
Dat alles was zeer juist en het stuk is nog altijd
waard gelezen te worden, om menigeen wakker te
schudden uit zijn slaperigheid.
-ocr page 107-
DE CATECHISATIE-JOB.
95
Jammer maar, dat de beoordeelaar, in plaats van
nederig te zitten aan de voeten van den schrijver,
het snoeimes ter hand nam en al wat in zijn kader niet
paste, eenvoudig wegsneed. Daarom bracht hij ons
ten slotte geen stap verder en het boek bleef even
raadselachtig als te voren.
Het zij mij vergund aan te toonen, dat de grond-
gedachtc van dien „catechisatie-Job" toch welbe-
schouwd de ware is, mits in een geheel anderen vorm
gegoten.
Wat Prof. Oort ergert in het boek is, dat alles ten
laatste terecht komt. Dit is in zijn oog zulk een mis-
kenning van de beteekenis dezer lijdensgeschiedenis,
dat hij zonder vorm van proces het laatste hoofdstuk
schrapt van vs. 7—17 en het boek laat eindigen met
de woorden:
,,Daarom verfoei ik mij
En heb berouw in stof en asch."
Een later schrijver — zoo meent Prof. O. — had
met zulk een afgebroken stuk geen vrede en maakte
er dus een slot aan, waarbij Job in alles dubbel en
dwars tevreden wordt gesteld, zooals in de kinderver-
haaltjes geschiedt. Het laatste woord zou dus zijn:
„God is groot en wij begrijpen Hem niet," zoodat alle
twijfel eenvoudig wordt onderdrukt (bl. 231).
Maar hoe nu ? Op de volgende bladzijde (232)
hekelt Prof. O. scherp de theologie der drie vrienden
van Job, omdat hun wijsheid niet hooger reikt dan:
„geloof of verga; de twijfel is hoogmoed en niets
-ocr page 108-
DE CATECHISATIE-JOB.
meer," wat precies op hetzelfde neerkomt. Waarom
Job dus boven zijn vrienden staat, is niet duidelijk;
hij komt toch tot geen andere slotsom dan zij.
Het stuk van Prof. O., dat Z.H.G. na 35 jaren wei-
licht zelf niet meer in bescherming zal nemen, geeft
dus niets beters. Laat ons hopen dat dit ons gelukken
moge.
Wat is de beteekenis van Jobs lijden ?
Is het de vraag, waarom de rechtvaardige zoo
vaak lijdt en waarom de zonde haar billijke straf niet
ondervindt ? Gewis ook dit, maar dit is de hoofd-
zaak niet.
Is Job — zooals Prof. O. zegt — een twijfelaar, die
de ernstigste vragen aangaande God durft stellen en
daarmede in den grond der zaak gelooviger toont te
zijn, dan zijn oppervlakkige vrienden? Gewis ook dit,
mits men het niet zoo koel uitdrukt als Prof. O. (bl.
230): „zijn eigen lijden geeft Job aanleiding om de
waarheid der geijkte leer door priesters, profeten en
wijzen gepredikt, te onderzoeken," — een volzin, die
doet denken aan de studeerkamer van een geleerde,
maar niet aan den mesthoop van Job. — Maar de
kwestie ligt dieper.
De hoofdvraag is:heeft God Job lief, ge-
lijk Job God liefheeft?
Of Job werkelijk God liefheeft is Satans vraag;
een vraag, die spoedig wordt uitgemaakt. Satan ver-
dwijnt weldra van het tooneel, Jobs houding maakt
hem te schande, en hij is reeds in het niet verzonken,
als Job (Hoofdstuk 3) zijn geboortedag vervloekt.
-ocr page 109-
97
DE CATECHISATIE-JOB.
Voor Job is het geen vraag, of hij God liefheeft;
dat spreekt van zelf. Maar de vraag, waar Satan niets
van begrepen zou hebben, en waartoe het eindeloos
gehamer der vrienden op het oude aanbeeld: „alle
ongeluk is straf" aanleiding geeft, is en blijft: „heeft
God Job lief?"
Geen oogenblik komt in het gansche boek bij Job
een gevoel van haat tegen God, ook in zijn heftigste
uitingen niet. Zijn liefde tot God staat vast; ja juist,
omdat hij God liefheeft, durft hij bitter en bitter kla-
gen. Voorwaar men kent het hart van de vromen niet,
als men meent, dat hun heftige uitdrukkingen, hun
brutaal omgaan met God een bewijs zouden zijn van
gebrek aan liefde. Zij durven veel, omdat de liefde
vaststaat. Zij staan niet met God op den deftigen voet
van koude vereering, maar in de warme betrekking
der liefde, waarbij men zijn eigen hart binnenste
buiten durft keeren, wel wetende dat men alles ver-
dragen kan van Hem, dien men liefheeft, omdat voi-
komen oprechtheid de bron is van al die klachten.
Bovenal zij zijn geen geleerden, die hun woorden
wikken en wegen, maar kinderen Gods, lastige kin-
deren vaak, doch altijd kinderen, die zich tegenover
hun vader toonen zooals zij zijn.
Daarom is Job niet bang den dag zijner geboorte
te vervloeken, want hij blijft mensch van vleesch en
bloed en bij den eersten aanval van zijn grievendst
leed moet alles er uit. Doch bij dien uitval blijft het
ook. Met dat al, wat hem het meest pijn doet is, dat
God zoo vreemd doet. Gods eer is er mede
-ocr page 110-
98                             DE CATECHISATIE-JOB.
gemoeid. Hij weet bij ervaring, hoe nauw de band is,
die God en hem verbindt. Hij is door God gekoesterd,
vertroeteld, bedorven zou men haast zeggen; maar
opeens is alles veranderd en wat hem nu hindert, is
niet de vraag, waarom de deugd niet beloond wordt,
want die gedachte is hem te min; hij heeft God niet
liefgehad om van Hem te trekken, daartoe staat Job
veel te hoog.
De toestand van Job tegenover God is als die
van twee boezemvrienden, die, hoe verschillend
van rang en stand ook, volkomen zeker zijn
van eikaars liefde en waarvan de hoogstgeplaatste
plotseling van gedrag verandert, terwijl hij, hoe vaak
ook boden, brieven, vragen tot hem komen om verkla-
ring, eenvoudig zwijgt.
De kwestie van loon en straf heeft daarmede niets
te maken en dat de vrienden altijd met datzelfde aan-
komen, prikkelt Job gedurig weer.
Daarom klaagt hij zoo bitter over hun hojuding.
Elihu\'s redenen, Hoofdstuk 32—yj, geven althans
eenige verklaring, maar geen voldoende. Deze bedoelt
te betoogen, dat de ellende geen straf behoeft te zijn,
maar uit liefde over iemand gebracht kan worden, als
een middel om hem te heiligen; een gedachte waar
Job geen beteekenis aan behoeft te ontzeggen en
waarop hij dan ook zwijgt.
God komt eindelijk tusschenbeide en geeft de
oplossing. Zoo schitterend en tevens zoo teedcr
mogelijk.
Schijnbaar is die oplossing niets anders dan het
-ocr page 111-
DE CATECHISATIE-JOB.
99
woord: God is groot en wij begrijpen Hem niet. Maar
een goed verstaander heeft maar een half woord noo-
dig en Job is een goed verstaander. God geeft hem
allerlei voorbeelden voor het schijnbaar doellooze
Zijner schepping. Wat weet Job van de hemelen en de
onderwereld af ? Maar ook waarvoor dienen al die nut-
telooze dieren als: de leeuw, de steengeit, de woudezel,
de buffel, de struis, het paard (destijds nog geen huis-
dier geacht), de arend ? Al die dieren zijn niet nuttig
in den gewonen zin. Maar zij zijn althans schoon en als
zoodanig levende teekenen van Gods heerlijkheid.
Job begint de oplossing al te vermoeden. Het doel
van Gods handelingen ligt ver boven den mensch nl.
in God, in Zijne eer. Job betuigt reeds zich te schamen
(39:36—38). Wij voelen wat er achter schuilt. Zoo was
Job een toonbeeld van Gods heerlijkheid, toen God
hem versierde met al Zijn rijke gaven. Maar nu komt
het zwaarste.
God noemt thans twee leelijke dieren op: het nijl-
paard en de krokodil. Waartoe zijn die ? Zijn zij zoo
aantrekkelijk ? Alles behalve, maar wat in hen de aan-
dacht trekt is: kracht en onwrikbare vastheid.
Voelt gij het, Job ? Dat is het hoogste van Gods
eer: wezens te scheppen, die tegen alles, alles bestand
zijn. Daartoe heeft Hij u verkoren. Hij rekende zoo
vast op uwe liefde, dat Hij van u het zwaarste offer
durfde vergen tot verhooging van de eere Zijns
naams.
Dat had Job niet begrepen, dat is zijn zonde,
waarover hij zich diep verootmoedigt. Hij had God
-ocr page 112-
DE CATECHISATIE-JOB.
IOO
lief, dat stond bij hem vast, maar nu blijkt het, dat
hij niet zijn gansche ziel voor God overhad. Toch
was hij in weerwil daarvan een toonbeeld voor allen
en daarom kon God van hem getuigen, dat zijn woor-
den goed en die der vrienden slecht waren geweest.
Evenwel treffend is het, hoe Jobs nevelen worden
weggevaagd. De redenen Gods brengen hem tot zwij-
gen, maar innig aandoenlijk is het woord (42: 5): „met
het gehoor des oors heb ik U gehoord maar nu ziet
u m ij n 00 g." Alles is vergeten, alles is verklaard,
nu hij zijn God maar weer ziet. Als hij God maar
weer ziet is ook alle smart verdwenen.
Moet nu het dichtstuk uit zijn?
Weineen zeker niet. Het is u i t voor hem, die geen
hooger wijsheid kent, dan het mahomedaansche:
„God is groot." Het is niet uit voor hem, die weet
wat liefde is.
Is het liefde, om eeuwig te doen lijden hen, die
ons liefhebben ? Wie zal het beweren ?
God verlangt niets liever dan Zijne kinderen bij
zich, rondom zich te hebben. Niets doet Hij liever dan
ze koesteren en weldoen en met weldaden overladen.
Zijn hart hangt aan hen, evengoed als het hunne
aan Hem.
Job heeft geen oogenblik rust, zoolang er een
nevel ligt over Gods liefde; zijn God is hem te na aan
het hart, om bij twijfel te kunnen leven.
Zou God dus kunnen dulden, dat er een nevel
bleef hangen over Zijn houding? Onmogelijk.
Eindelijk is het oogenblik gekomen, dat God aan
-ocr page 113-
IOI
DE CATECHISAT1E-JOB.
Zijn liefde den vrijen loop mag laten. Bij al het
zondige, dat ook Job aankleefde, is deze toch Zijn
kind gebleven en in dieperen zin is Jobs geduld niet
uitgeput. Nu zal God hem eens ter dege goed doen en
daarmede toonen voor alle eeuwen, dat Hij niet van
harte beproeft.
Dit slot is niet kinderachtig, want dan zou het be-
gin ook kinderachtig zijn. Als Gods liefde zich in het
begin vertoont in een schat van weldaden, waarom
zou Hij dit aan het slot niet mogen doen? Onze God
heeft niets gemeen met het noodlot, met den Muzel-
manschen Allah, voor wien men bukt. Hij heeft een
hart voor de Zijnen en het is Hem leed genoeg, als
Hij in raadselen moet blijven.
Het einde aller dingen is voor Gods kinderen,
dat Hij met eigen hand alle tranen van hun oogen af-
wischt, niet als loon van hun deugd, want zij dienen
Hem niet om loon, maar omdat Hij (laat mij dit kin-
derlijk uitdrukken) nog veel meer van Zijn kinderen
houdt, dan zij ooit van Hem kunnen houden.
-ocr page 114-
7I\\ I 7l\\ I 7I\\ I? Wi B 7K 1 7K 11 7t\\
ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH.
Met den dag wordt het duidelijker, dat het Bud-
dhisme van lieverlede onze Christelijke maatschappij
binnendringt en de reden is niet ver te zoeken. Men
maakt Christus los van het O. T. en leest de Evange-
liënniet meteen Israëlietischmaar meteen Westersch
oog, en zet daarbij nog wel een Buddhistischen bril op.
Velen schijnen van dat gevaar niets hoegenaamd
te beseffen en toch is het bekend, hoe de Buddhisten
inderdaad een soort van Zendingswerk hebben aange-
vangen, om de Christelijke wereld tot hun inzichten te
bekeeren.
Wat dat Buddhisme wil, kan hier alleen in een
paar trekken vermeld worden en het best is daartoe
even de legende te herinneren, die aangaande den oor-
sprong van dat geloof bestaat.
Een koninklijk kind, een prins in Indië, was door
zijn ouders omringd met al wat hem gelukkig kon
maken. Alles was er op aangelegd om hem in den
-ocr page 115-
ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH.                 I03
.vaan te brengen, dat er geen leed bestond. Hij groeide
dan ook op in volslagen onwetendheid aangaande
armoede, ziekte, ouderdom en dood.
Doch wreed was de ontnuchtering, die er op
volgde, toen hij volwassen geworden, uitging om de
wereld te bezien. Het eerste, wat hij zag, was een arme
zieke bedelaar, het tweede een verschrompeld oud
man, het derde een lijk dat uitgedragen werd. Zijn ge-
heele bestaan werd geschokt, neen, veeleer onderste
boven gekeerd en uitgegoten, toen hij bespeurde, dat
men hem zijn leven lang had bedrogen en de wereld
lijnrecht het tegendeel was van een paradijs. Daar hij
de waarheid bovenal liefhad en zocht, wist hij geen
ander redmiddel te vinden dan al wat hij tot heden
had genoten voor leugen te verklaren, en zich terug te
trekken in een uitsluitend geestelijk bestaan. Zich los
te maken van al het stoffelijke en zinnelijke; niet meer
te voelen, te genieten, te willen, — weg te vloeien in
de aanschouwing van het eeuwige, — eindelijk alle
zintuigen te verliezen, zelfs zijn eigen bestaan niet
meer te beseffen, — om ten slotte als een droppel
water in de zee zijn ziel te laten versmelten met het
Al, het Oneindige — dat was de hoogste wijsheid.
Armoede, gebrek, ellende, smart, ja den dood lief
te hebben en te zoeken, was dus de weg tot de hoogste
zaligheid, want daarin was het afsterven gelegen van
al het stoffelijke en zinnelijke, de verlossing der ziel
uit de banden, die haar omknelden.
Dit stelsel heeft hij zelf met ijzeren wil op zich zel-
ven toegepast en al hebben zijn latere volgelingen en
-ocr page 116-
104                 ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH.
tegenwoordige leerlingen heel wat water in dien wijn
gedaan, de kern van zijn leer blijft toch dezelfde:
geest en stof zijn onverzoenlijk en de geest behoort
zich alleen gelukkig te gevoelen in het verloochenen
van alle stoffelijke begeerten en aandoeningen.
Dit Buddhisme heeft zich in allerlei vormen ge-
openbaard, ook daar waar men zelfs den naam er
van niet kende. Het heeft op ons, Europeesche volken,
die met Indië stamverwant zijn, altijd een machtigen
invloed gehad. De Roomsche kerk heeft het in haar
monnikenleven verheerlijkt en Franciscus van Assisi,
dien velen thans als den tweeden Jezus gaan beschou-
wen, is er een goede afdruk van, al heeft het Christen-
dom ook hem bewaard voor die overgeestelijkheid,
die zich alleen in aanschouwing verliest en den naaste
daarbij vergeet. In onze dagen predikt Graaf Tolstoï
in Rusland een Evangelie, dat sterk Buddhistisch is
gekleurd, en in onze groote steden vormen zich krin-
gen, die min of meer in dien Buddha den Verlosser
der menschheid aanschouwen.
Er is dus alleszins reden om op dat gevaar te
wijzen. In zwakker vormen toch en gematigd werkt
deze zuurdeesem ook in onze Christelijke kringen.
Men is er reeds aan toe om de armoede te verheerlij-
ken, alsof Jezus ooit gezegd had: „indien gij niet wordt
als d e armen, gij zult het koninkrijk der hemelen
geenszins ingaan;" in plaats van: „indien gij niet
wordt als d e kinderen" — terwijl het wel onbegon-
nen werk zal zijn, kinderen tot Buddhisten te maken.
Men komt er ook van lieverlede toe de smart te
-ocr page 117-
ISRAËLIETISCH OF BUDDH1STISCH.                 I05
verheerlijken en den dood niet langer als den koning
der verschrikking voor te stellen. Evenzoo heb ik her-
haaldelijk bespeurd, dat sommigen het huwelijk als
iets onheiligs gaan beschouwen en kuischheid verwar-
ren met den ongehuwden staat. De Christenen hebben
van ongeloovigen vaak moeten hooren, dat zij hun
Christelijk ideaal niet durfden toepassen en een soort
van verwaterd Christendom huldigden, dat aan de hei-
lige eischen van zelfverloochening en wereldverzaking
niet voldeed. Velen schijnen dit verwijt werkelijk te
billijken en er komt zoodoende een ongezonde trek in
onze Christelijke maatschappij, die niet anders dan
nadeelig kan terugwerken op de wereld.
Immers dit Buddhisme, die scheiding van geest
en stof, moet noodzakelijk leiden tot twee uitersten, die
wij dan ook duidelijk in onze dagen kunnen vinden nl.
aan de eene zijde beestelijkheid en aan de andere
overgeestelijkheid. Vooral in landen, waar de
Roomsche kerk regeert, die nog steeds aan haar mon-
nikenvroomheid hooge waarde toekent, kan men
deze schrille tegenstelling overal ontdekken en het is
alleen onze Protestantsche nuchterheid, die er ons nog
van terughoudt.
Doch alleen een dieper inzicht in de beteekenis
des Evangelies kan ons in dezen den rechten weg
wijzen. Onze Heiland heeft met dien Buddhistischen
geest niets gemeen, al kan men menigen tekst aanha-
len, die op den klank af genomen, schijnbaar daar-
mede eenige verwantschap vertoont.
De Heere Jezus is boven alles Israëliet geweest en
-ocr page 118-
IOÓ                 ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH.
nooit heeft Hij iets anders geleerd dan dat Hij de ver-
vulling is van het O. T. Hij leidt Zijn discipelen gedu-
rig tot de Schrift in en bewijst hun, dat zij die niet ver-
staan. Wat het O. T. dus predikt, is in Hem werkelijk-
heid geworden, Hij is met recht de Zone Gods, maar
ook de Koning I s r a ë 1 s.
Nu heeft het O. T. nooit de armoede, noch de
smart, noch den dood verheerlijkt.
Abraham, de vader der gcloovigen, is niet arm
maar r ij k. Job wordt door God gezegend en na zijn
lijden te hebben doorgemaakt, dubbel gezegend, want
God heeft Zijn kinderen veel te lief, om hun niet alles
te geven wat Hij geven kan. Salomo in al zijn heerlijk-
heid is de type van den Koning bij uitnemendheid en
elke Israëliet geniet van de verheffing van Jozef aan
Farao\'s hof en van Mordechai en Esther in het paleis
van den Perzischen koning.
De smart wordt door alle vromen des Ouden Ver-
bonds afgebeden en bitter, heftig, onstuimig zelfs zijn
de klachten van de Psalmisten en van Jeremia. Jesaja
53 is geen loflied op de smart, maar een klaaglied
daarover.
En wat den dood betreft, het geheele O. T.
spreekt er over als iets bitters, onnatuurlijks, onmen-
schelijks.
In Jezus Christus vinden wij diezelfde beschouwin-
gen. Abraham wordt door Hem als de gastheer in den
hemel voorgesteld, in wiens schoot de arme Lazarus
eindelijk vindt wat hem toekomt. Salomo is ook Hem
de type van den Vredevorst. Het lijden en de dood ver-
-ocr page 119-
ISRAËLIETISCH OF BUDDHISTISCH.                 IO7
vullen Christus zoo zeer met angst, dat Hij uitroept:
„hoe word Ik geperst totdat het volbracht zij!" en in
Gethsémané bidt Hij, voorover liggende met het ge-
laat op de aarde :„als het mogelijk is, laat dezen
drinkbeker van Mij voorbijgaan."
Wat is dus de echt menschelijke, gezonde opvat-
ting van Christus? Dat alle lijden, alle ellende en de
dood zelf lijnrecht tegen Zijn natuur ingaan. Indien
Hij ze aanvaardt, het is omdat het moet, omdat
de zonde een scheur heeft gebracht in ziel en lichaam
en die scheur eerst moet hersteld worden, door die ten
einde toe te laten doorwerken, maar dan ook te her-
stellen door Zijn dood en opstanding.
Het Israëlietische karakter was dus ook het Zijne
en het gaat niet aan te spreken van het N. T. alsof het
daarin onderscheiden was van het Oude. In één op-
zicht echter verschilde Jezus met de Joden van Zijn
tijd, nl., dat deze niet erkenden, hoe diep de ellende
was door de zonde teweeggebracht. Zij beseften niet,
dat door geheel het O. T. een kreet ging naar verzoe-
ning met God, zoowel in de offers en den tcmpeldienst,
als in de profetiën en Psalmen. Wie dat miskende,
kon droomen van een Messias, die aanstonds in heer-
lijkheid zou komen ; wie dat erkende, moest wel inzien,
dat al deze heerlijkheid eerst komen kon na overwin-
ning van de zonde. Het ideaal van den Jood was dus
ook het ideaal van den Heiland, maar toen Hij leed
en stierf was Hij het, die dat ideaal mogelijk maakte,
terwijl de Jood van zijn tijd meende, dat Hij het ver-
nielde.
-ocr page 120-
Io8                 1SRAËUETISCH OF BUDDHISTISCH.
De opstanding van Jezus Christus is daarom voor
ons de spil van ons geloof. Ziel en lichaam, beide door
God geschapen, zijn even heilig en door Hem tot één
geheel gevormd. De zonde heeft ze uit elkaar gerukt,
maar de eenige, waarachtige, afdoende verlossing is
het herstel van beide, wanneer de zonde is vernietigd
en het eeuwige leven is aangebracht.
De verlossing is geen overgeestelijk vernietigen
van het natuurlijk leven, maar veeleer het diep besef,
dat ellende, lijden, dood, door God niet gewild en
door ons als onnatuurlijk moeten beschouwd worden,
met dien verstande evenwel, dat in Christus de kracht
wordt verkregen om dit onnatuurlijke te aanvaarden,
omdat Hij door Zijn dood en opstanding alles heeft
hersteld wat de zonde bedierf.
-ocr page 121-
40 40 40 40 40 40   r^Ti   40 40 40 40 40 40
<V <V <3V <V -3V W    N/     <1V <7V <V <3V <7V <V
40 40 40 40 40        / \\         40 40 40 40 40
<v w w <7v <v       <ro        <?v <v <?v <\\? <?v
DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.
Ronduit gezegd viel het mij bitter tegen, toen ik
onlangs een paar goede bijbelverklaringen nalezende,
daarin vond, dat de lofzang dien Christus zong in de
Paaschzaal vóór Zijn heengaan naar Gethsémané,
niet was het Hallel: Psalm 115 tot en met 118, maar
Psalm 136, waarmede het Paaschfeest in Israël geslo-
ten werd. De eerste vier Psalmen passen zoo treffend
op het lijden van Christus, de laatste schijnt er geheel
buiten te staan. Bovendien Ps. 136 is zulk een echt
Oud-Testamentische Psalm, met dat telkens weerkee-
rend refrein: „want Zijn goedertierenheid is in der
eeuwigheid," dat wij dien zeker niet zouden hebben
gekozen.
Bij eenig nadenken echter drong de gedachte zich
sterker aan mij op: het kan geen andere geweest zijn
dan Psalm 136. Meer dan ooit verblijdt het mij in onze
dagen, dat het Oud-Testamentische in Christus niet
dogmatisch, maar Israëlietisch opgevat tot zijn recht
komt bij sommige jongere theologanten. Da Costa,
-ocr page 122-
IIO                    DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.
die dit reeds 50, 60 jaren geleden heeft gewild, zou ge-
nieten, als hij sommiger woorden in onze dagen las.
Zelfs de lang miskende leer van het Koninkrijk der
hemelen komt meer en meer in het licht van het O. T.
te staan en zal er zonder twijfel door winnen. Wij moe-
ten Israëlietisch voelen, om onzen Heer en Heiland te
verstaan.
Zoo ook bij het zingen van dien lofzang. Christus
troost en sterkt zich tot Zijn lijdensweg door Zich als
\'t ware te dompelen in het O. T. en Hij bewijst daar-
mede op nieuw de waarheid van de vaak gemaakte op-
merking, dat de groote geesten gewoonlijk hun stich-
ting in heel wat anders zoeken dan de kleine. Kleine
geesten sterken en troosten zich meestal met iets aan-
doenlijks, teeders, gemoedelijks; groote doen het met
krachtige spijs, te zwaar voor gewone gemoederen.
Lees den Psalm en gij zult de bevestiging van deze
waarheid in Christus ontdekken.
Ik zie Hem voor mij staan met Zijn elftal
(de twaalfde was reeds wegl) rondom zich. Hij zelf
neemt de taak op zich van den voorzanger en de disci-
pelen vallen in.
„Looft den Heer want Hij is goed" klinkt het van
Zijn gezegende lippen en allen stemmen in zacht gepre-
vel bij: „want Zijne goedertierenheid is in der eeuwig-
heid."
„Looft den God der Goden" .... „want Zijne goe-
dertierenheid is in der eeuwigheid."
„Looft den Heer der Heeren" .... „want Zijn goe-
dertierenheid is in der eeuwigheid."
-ocr page 123-
DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.                     III
Zoo gaat het voort, den ganschen Psalm door, in
al zijn bijzonderheden ook met de woorden, die ons
weinig toespreken aangaande Sihon den Amoriet en
Og, den Koning van Bazan in vs. 19, 20.
Wat mag den Heiland in dien Psalm het harte
hebben gesterkt, dat Hij dien zingen kon bij Zijn nade-
rend lijden ?
Hij zong, Hij die straks zou bidden met het hoofd
op de aarde, in de heftigste spanning, maar die uit dat
zingen ook de kracht putte, om nog vóór Gethsómané
Zijn Hoogepriesterlijk gebed uit te spreken.
Hij zong van Gods majesteit: 1. in denatuur
vs. 1—9, 2. in Zijn oordeelen vs. 10—15, en 3. in
Zijn leiding met Israël vs. 16—22, met nog een
4-tal woorden tot slot.
God grootmaken is het begin van den Psalm en
werkelijk is er niets, wat de ziel meer staalt dan zich
in Gods majesteit te verdiepen. Onze kleinheid te voe-
len tegenover Zijn grootheid is niet neerdrukkend,
maar verheffend. Uw wil geschiede, komt veel gemak-
kelijker over de lippen, wanneer wij bedenken,
dat die wil alles beheerscht en, hemel en aarde
omvattende, alle tijden overziende, de hoogste wijs-
heid bezit.
Daarbij komt nog, dat het lijden een geheel
andere beteekenis krijgt, wanneer dat een deel uit-
maakt van Gods hooge plannen met Zijn gansche
schepping. Christus, die straks zal bidden: „indien het
mogelijk is, laat dezen drinkbeker van mij voorbij-
gaan," wenscht niet anders dan zekerheid, dat deze
-ocr page 124-
112                 DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.
weg en geen andere de weg is door God gewild.
Gods raadsbesluit, meer verlangt Hij niet, moet voor
Hem volkomen zeker staan. Zoo Hij dit weet, buigt Hij
onmiddellijk en zonder aarzeling.
Doch nu verdiept Hij zich in Gods oordeelen,
zichtbaar in de verlossing van Israël uit Egypte. Hij
voelt zich Israëliet en tevens de Beloofde der vaderen,
Middelaar gelijk Mozes, maar veel heerlijker; de Ver-
losser ook van alle volken, die de geestelijk gebonde-
nen uit het rijk der slavernij zal uitvoeren. Gelijk
Mozes in den nacht, zoo gaat Hij in den nacht uit, om
Zijn volk te verlossen; gelijk Mozes alleen stond tegen-
over de Roodc Zee, met steile rotsen aan weerszijden,
den vijand achter zich, de zee voor zich en rondom een
volk, dat hem steenigen wilde; gelijk deze den weg
baande door de hooge wateren heen, zoo ook zou Hij
het pad banen door den afgrond des doods en Zijn
volk uitleiden in vrede. Diezelfde God, wiens Paasch-
feest aan Israël tot een eeuwige inzetting was gewor-
den, leefde en voltooide Zijn werk, door Zijn volk nog
veel grootscher verlossing te schenken in den Zoon
Zijns wclbehagens, Zijn uitverkorene. O, terwijl Israëls
voorgangers dezen Jezus als een afvallige, een god-
lasteraar uitwierpen, was Hij het juist, die het Oude
Testament in zijn volle kracht deed uitkomen. Wat
Mozes in het klein deed, Hij zou het in het groot doen;
wat Mozes voor zijn volk was, Hij zou het voor alle
volken zijn. Is het wonder, dat dit herhaalde refrein:
„Zijne goedertierenheid duurt in der eeuwigheid," dat
goddelijk harte sterkte; de keten van Gods majestu-
-ocr page 125-
DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.                  II3
euse gangen gaat door de gansche wereldgeschiedenis
heen en de klank van Gods onveranderlijke goedheid
klinkt door van eeuw tot eeuw. Zijn lijden brengt
voortaan den steeds terugkeerenden toon van lof en
dank op de lippen Zijner geloovigen. Dat lijden is de
overwinning op alle booze machten der duisternis.
Geen Farao, geen Satan vermag iets meer. De overste
dezer wereld is geoordeeld en het slotakkoord van al
Gods oordeelen wordt van Golgotha vernomen in de
woorden: Het is volbracht I
De majesteit van Gods leiding met Zijn volk, eerst
in de woestijn, daarna bij de verovering van Kanaan
vormt het laatste gedeelte van den Psalm: „Die Zijn
volk door de woestijn geleid heeft," zoo zingt Hij voor
en Zijn discipelen vallen in: „want Zijne goedertie-
renheid duurt in der eeuwigheid!" „Die groote konin-
gen geslagen heeft"___„want Zijne goedertierenheid
duurt in der eeuwigheid!" „En heeft hun land ten erve
gegeven"___„want Zijne goedertierenheid duurt in
der eeuwigheid!"
Hier opent zich het verschiet van de toekomst.
Dat zal het lot Zijner gemeente zijn. Eerst door de
woestijn, daarna de eindstrijd, de volkomen nederlaag
van alle machten der duisternis, het erfdeel aan Gods
heiligen toekomende eindelijk, eindelijk hun gegeven
door de machtige hand, die hen uitvoerde en invoerde
in het Kanaan der ruste.
En intusschen nog een drietal slotakkoorden in
de laatste vier verzen: 23—26. Ellende, verlossing en
heiligmaking, de drie waarheden van ons Christelijk
8
-ocr page 126-
114                 DE LOFZANG VOOR HET LIJDEN.
geloof komen ook hier weer door al Gods leidingen
te voorschijn.
„Die aan ons gedacht heeft in onze vernedering.
Die ons ontrukte aan onze tegenpartijders. Die aan
alle vleesch zijn spijze geeft," en als einde de terugslag
op den aanvang: „looft den God des hemels."
„Looft den God des hemels".... is Jezus\' laatste
loftoon en de discipelen vallen in: „want Zijne goeder-
tierenheid duurt in der eeuwigheid."
Aan het slot van Psalm 72 staat: „de gebeden
Davids, des zoons van Isai, hebben een einde."
Aan het slot van dezen Psalm zou men kunnen
schrijven: „de lofzang van den Zoon Gods heeft een
einde." Nu begint het lijden, dat zijn hoogtepunt vindt
in den angstkreet: „Eli, Eli! Lama Sabachthani 1" om
voortaan zich op te lossen in den juichtoon van alle
zaligen: „Eere zij het Lam dat geslacht is!"
-ocr page 127-
OUDERDOM.
„Zeg, weet gij \'t wel, in Dietsch of in Latijn:
„Wat ieder worden wil en niemand toch wil zijn?"
zoo zong eens de puntige dichter Huygens, en het
antwoord is: oud.
Ook de Schrift waarschuwt ons tegen den ouder-
dom, als een slechten tijd, om zich te bekeeren. „Ge-
denk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongeling-
schap," heet het in Prediker XII, en daarop volgt die
treffende beschrijving van den ouderdom, die in
hoofdtrekken terstond duidelijk genoeg is om een die-
pen indruk te maken, maar wier beteekenis meer van
nabij beschouwd niet weinig versterkt wordt. Laat ons
die kortelijk uitleggen.
De dichter kiest zijn beelden (vs. 2) eerst van het
meest verhevene. Hij vergelijkt des menschen geest
bij de zon en zijn geheugen, zijn denkkracht bij het
licht, dat zich overal verspreidt tot in halflicht, tot in
schemerlicht toe; hij waarschuwt, dat die zon en dat
licht verminderen. Maar ook de ziel, die als de maan
-ocr page 128-
ii6
OUDERDOM.
wordt voorgesteld en de 5 zintuigen, die met de 5 pla-
neten (destijds in het Oosten op dat getal bepaald)
worden vergeleken, worden duister en, in plaats van
het heerlijk licht of het rustige schijnsel van vroeger,
komen de tobberijen telkens, als wolken na den regen,
terug en verduisteren het oordcel gedurig.
Terecht ziet hij allereerst den geestelijken achter-
uitgang des menschen, die het moeilijkst wordt
erkend, want de oude van dagen verbeeldt zich allicht,
dat zijn wijsheid door de ervaring eer toeneemt dan
vermindert, al mag zijn lichaam ook diensten weigc-
ren. Toch is het zoo en het is maar al te waar, dat
waarachtige bekeering zelden op later leeftijd komt.
Dante zegt, dat hij op zijn 33ste jaar bekeerd is en ik
heb een vroom prediker hooren beweren, dat hij nooit
bij iemand na dien tijd bekeering had gezien. Dit mag
nu geen algemeene regel zijn, de zeldzaamheid van
zulk een bekeering springt ieder in het oog, die
levenservaring heeft opgedaan.
Hoe het zij, zonder twijfel moet de grijsaard den
achteruitgang van het lichaam erkennen en daarop
wijst ons de dichter thans.
Stonden wij zooeven nog a. h. w. buiten de
woning, waarin \'s menschen ziel huist, en zagen wij
daar het licht flets, somber op vallen, terwijl donkere
wolken daarvoor heentogen in eindelooze reeks, thans
treden wij op het huis toe en zien de wachters (de
armen en handen) beven en de sterke mannen, die het
huis bedienen (de beenen), zich krommen; de maal-
sters daarbinnen laten geen vroolijke liederen meer
-ocr page 129-
OUDERDOM.
117
hooren bij haren arbeid, omdat zij weinig in getal zijn
en door de vensters (de oogen) ziet men de nieuwsgie-
rige turende blikken niet meer, die Debora zoo tref-
fend in haar lied beschrijft, als zij Sisera\'s moeder
voor het traliewerk laat staan en haar hoort roepen:
„waarom vertoeft toch zijn wagen ?" In het Oosten,
waar de huizen meestal geen vensters hadden dan de
kleine getraliede openingen boven de deur is dit beeld
nog veel sprekender dan bij ons. De vensters zijn niet
gesloten, maar het flikkerend vuur der oogen zoekt
men daarachter vergeefs; de belangstelling is minder
in hetgeen daar buiten omgaat.
Van zelf komt hij van het tralievenster boven de
deur op den ingang zelven en beschrijft (vs. 4) den
mond als de dubbele deur, die ingevallen en naar bin-
nen gebogen is, wanneer de molen daarbinnen, het
gebit dat de spijzen vermaalt, een dof geluid geeft.
Nog steeds houdt hij vast aan het denkbeeld van
een woning en dieper naar binnen gaande komt hij
tot de slaapkamer, waar hij den grijsaard \'s morgens
vroeg reeds ziet ontwaken, bij het eerste getjilp der
vogels, omdat de slaap spoedig wijkt. De lust aan
muziek is met dat al lang vergaan, de dochteren des
gezangs zijn nedergebogen, dat is de liederen smaken
niet meer. Geest en lichaam worden zwak; men vreest
voor de hoogte en er is verschrikking op den weg,
liefst blijft men in de woning vertoeven. En geen won-
der, want de amandelboom bloeit, de boom, die aan
zijn kale, bladerlooze takken de eerst roode bloesems
in sneeuwwitte ziet verkeeren en daarmede een tref-
-ocr page 130-
u 8
OUDERDOM.
fend zinnebeeld van de grijsheid is; de sprinkhaan is
zichzelven een last: de lenden, veerkrachtig en vlug
in de jeugd, zijn zwak geworden, de fiere gang, de
forsche sprong is een slepend voortschuiven gewor-
den, alle lust is verdwenen en reeds wachten de rouw-
klagers in de straat op het oogenblik, als de dood zal
intreden en hun diensten zal vorderen.
Maar nog is het zoover niet. Hoe gebrekkig ook
het leven zij, het is nog altijd leven en het oogenblik
van sterven is in zekeren zin nog plotseling en geweld-
dadig, een verbreking van de laatste banden, die het
leven vasthouden. Schoon zijn de beelden, die nu vol-
gen, in hun soberheid vooral. Eerst wordt de levens-
lamp beschreven: een gulden schaal aan een zilveren
koord hangende, een veredelde omgekeerde voorstel-
ling van den schedel, die nog zwak hangt aan den rug-
gestreng. De zilveren koorde wordt zachtkens ontke-
tend, wordt losser en losser; de gulden schaal wordt
daarna met geweld stuk gestootcn en de levenslamp
gaat uit, daar zij haar olie verliest. Eindelijk komt het
sterven zelf. De kruik aan den springader wordt ge-
broken en het rad aan den bornput aan stukken ge-
stooten. Het hart en de longen houden op hun werk
te doen, de kruik van het hartebloed vloeit niet meer,
het rad der longen gaat niet meer, de keten loopt rate-
lend af en in het rochelend geluid van den stervende
hoort men dien eigenaardigen klank, welks heugenis
ons nooit vergaat, als wij dien eens vernomen hebben.
Straks keert het slof naar de aarde, waaruit het geno-
men werd en de geest tot God, die hem schonk.
-ocr page 131-
OUDERDOM.
119
Bedenk, zegt de dichter dus, dat, zoo al uw leven
gerekt werd, dit toch het onvermijdelijk einde is van
alles. Gebruik de dagen, terwijl de gedachte helder en
de kennis in volle kracht is; terwijl gij nog alles kunt
opnemen, omdat de hand weet te grijpen en de voet
te wandelen, en de oogen begeerig zijn om te zien, de
honger groot is om verzadigd te worden, terwijl er
ooren zijn om te hooren en moed om te ondernemen,
de taak te behartigen door God u aangewezen; terwijl
de zilveren schaal van uw schedel vol kostelijke olie
en de bornput van het hart nog vol levensbloed is.
Verspil de jonge jaren niet, de kwade dagen
komen toch en zijn niet af te wijzen.
Zalig de man, die het leert en, zoo hij het leert,
weet hij dat ook de ouderdom zijn zegen mede kan
brengen, ja dat in Jesaja 40 zelfs beloofd wordt: jon-
gen worden moede en jongelingen vallen, maar die
den Heere verwachten, varen op met vleugelen gelijk
arenden, loopen en worden niet moede, wandelen en
worden niet mat.
Zelfs dan nog, als alles vergaat, getuigt ook
dat woord van het bouwvallig huis, dat ineen zinkt,
van een zooveel beter gebouw, een huis niet met han-
den gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
-ocr page 132-
1 i i | i ! i i i i i i i 1 ii ii ii i i j[ i i i i i i i i i ii ii j_| i i
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTii
JEZUS\' MOEDERTAAL.
Een geleerd boekje is onlangs in Duitschland
verschenen, slechts 175 bladzijden groot, maar die het
schreef heeft heel wat kennis en studie van noode ge-
had om het samen te stellen.
Het is een oude kwestie in de Chr. Kerk, welke
taal Jezus gesproken zou hebben: Hebreeuwsch of
Grieksch? Velen oordeelden, dat daar de Joden He-
breeuwsch spraken, natuurlijk Hebreeuwsch de taal
moest zijn, waarin ook de Heiland zich tot hen
richtte. Die taal was dan wel niet het hooge, deftige
Hebreeuwsch, maar de gewone spreektaal, die men
Arameesch noemde. Anderen meenden, dat men in
Galilea best Grieksch verstond en vonden het aange-
namer te gelooven, dat de Hecre die taal had gespro-
ken, omdat ook het N. T. in het Grieksch is geschre-
ven en wij dus de woorden des Heeren dan zuiver voor
ons hadden, juist zooals ze waren gesproken.
-ocr page 133-
JEZUS\' MOEDERTAAL.
121
Nu verscheen onlangs liet bedoelde werkje van
den heer A. Meyer te Bonn, die met tal van redenen
betoogt, dat het Hebreeuwsch (of Arameesch) en niet
anders de taal des Heeren geweest kan zijn. Wij zullen
zijn betoog niet volgen, maar liever iets meedeelen,
dat onzen lezers ook belang zal inboezemen, al zijn zij
geen theologanten.
Meyer heeft namelijk beproefd, of hij sommige
duistere plaatsen in het N. T. beter kon begrijpen, als
hij ze in het Arameesch vertaalde en zie dat is hem van
sommige merkwaardig gelukt, zoodat men hem moeie-
lijk zal kunnen weerspreken.
i. Johannes de Dooper zegt, Matth. 3:9, dat God
machtig is zelfs uit steenen Abraham kinderen te ver-
wekken. Vreemd is die overgang van steenen op
kinderen, maar heel duidelijk wordt het als men
weet, dat in het Arameesch steenen: a b n a j a en kin-
deren: b\'nüja beteekent, zoodat er een woordspeling
in ligt: ik zeg u dat God van a b n a j a wel b\'n a j a
maken kan.
2.  Zoo ook in Johannes 8:34: een iegelijk die de
zonde doet is een dienstknecht der zonde. In het Ara-
meesch alweer een woordspeling. Te doen heet
a b\'d a, te dienen heet a b d a, dus wie de zonde
a b\'d a, die is der zonde a b d ü. Wij zouden er een
woordspeling van kunnen maken door te zeggen: wie
zonde doet de zonde dient; maar heel best gaat
het niet.
3.   In Matth. 7:6 staat zeer vreemd: „geeft het
heilige den honden niet, noch werpt uw paarlen voor
-ocr page 134-
JEZUS* MOEDERTAAL.
122
de zwijnen." Welk verband is er tusschen het heilige
en de paarlen en wat is het heilige hier bedoeld? De
schrijver deelt ons mede, dat in het Arameesch het
w oord ring en het woord heilige verbazend veel
op elkaar gelijken, zoo dat men licht het een voor het
ander kan lezen. Nu moet men er bij weten, dat
de Rabbi\'s gaarne de waarheid van Gods wet verge-
leken bij een ring met paarlen bezet. De ring was
dan de wet in haar geheel, de paarlen waren de gebo-
den afzonderlijk. „Geef den ring niet aan de honden
en de paarlen niet aan de zwijnen" wordt dus een vol-
komen zuiver geheel, waarvan de beteekenis natuur-
lijk niet verandert,- maar waarvan het verband duide-
lijker is.
4.  Matth. 11 :28, de heerlijke tekst: „Komt her-
waarts tot Mij die vermoeid en belast zijt" enz. is in
het Arameesch een schoone woordspeling, omdat
zachtmoedig en rust veel op elkaar gelijken,
het eerste is n j a c h, het tweede n i c h a. Doch de
woordspeling gaat voor ons verloren en wij voelen er
weinig van.
5. Wat echter meer beteekent is hetgeen de Heere
tot de zonen van Zebedeüs zegt: „Kunt gij Mijn drink-
beker drinken en met Mijn doop gedoopt worden ?"
Gewoonlijk vat men het woord doop op als b 1 o e d-
d o o p en brengt die in verband met de doornenkroon
of met het bloedzweet in den hof van Gethsémané.
Maar iedereen voelt, dat die verklaring vrij gedwongen
is. Drinken en gedoopt worden staat zoo wei-
nig in verband met elkaar. Veeleer zou men na drin-
-ocr page 135-
JEZUS\' MOEDERTAAL.
123
ken aan spijs denken en verwachten te lezen: kunt gij
drinken wat Ik drink en eten wat Ik eet ? Welnu: als
men goed leest, zegt Meyer, staat er dat ook. D o o-
p e n is niets anders dan het i n d o o p e n van spijs,
zooals wij weten dat de Hcere deed bij het Paasch-
feest, toen Hij eerst een bete indoopte en aan Judas
gaf met de woorden: wat gij doet, doe dat haastelijk.
In het Arameesch is dit zoozeer de vaste uitdrukking,
dat men het vaak eenvoudig gebruikt voor eten;
evenals men in het Fransch met soep vaak heel het
middagmaal bedoelt. Door deze opmerking krijgt de
geschiedenis een geheel nieuw licht. Johannes en
Jakobus willen zitten aan Jezus\' rechter- en linkerhand
in Zijn heerlijkheid of in Zijn Koninkrijk, als Hij op
Zijn troon zal zitten. Zij hebben het woord, door den
Heere kort te voren (Matth. 19:28) gesproken: „gij
zult zitten op 12 tronen oordeelende de twaalf ge-
slachten Israëls," niet vergeefs gehoord en verzoeken
om de eereplaats.
Jezus echter neemt de vraag in een anderen zin,
huiselijker, nederiger en vraagt: eer wij over die tro-
nen beslissen, kunt gij aan Mijn maaltijd mee aanzit-
ten, Mijn drank drinken, Mijn spijs eten? Welke tro-
nen gij later zult bezetten is ook van later zorg, kunt
gij nu reeds naast Mij zitten aan Mijn maaltijd ? En wat
is Christus\' maal ? Een lijdensbeker en een spijs in bit-
tere saus gedoopt ? Ja gewis, maar er is veel meer dan
dit in de uitdrukking te vinden. Hij die zijn dorst ver-
gat aan de put van Sichem en die verklaarde, dat Zijn
spijs was te doen den wil des Vaders, bedoelt er alles
-ocr page 136-
JEZUS\' MOEDERTAAL.
124
mede, wat Hij ondervond. Kunt gij leven van alles
waarvan Ik leef ? dat is de vraag. En als de apostelen
beslist en kortaf antwoorden: Wij kunnen! weer-
spreekt Jezus het niet, maar zegt met weemoed: deel-
genootschap aan Mijn maaltijd hier op aarde kan Ik
u beloven, deel aan Mijn leven, Mijn arbeid, Mijn gc-
heele bestaan, maar de rest is in des Vaders hand.
6.  Een niet minder belangrijke verklaring is die
omtrent Lukas 17:20, 21, waar Meyer het recht tot
een geheel andere vertaling bewijst en dan aldus leest:
„Het koninkrijk Gods komt niet heimelijk en men zal
niet zeggen: ziet hier of ziet daar! want ziet het
koninkrijk Gods zal plotseling in uw midden staan."
7.  In verband daarmede is een andere vertaling
van Luk. 16: 16 en Matth. Il: 12 van groot gewicht.
Daar heet het (Lukas): De wet en de profeten zijn tot
op Johannes, van dien tijd af wordt het Koninkrijk
Gods verkondigd en een iegelijk doet geweld op het-
zelve." — (Matth.): „Van de dagen van Johannes den
Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen
geweld aangedaan en de geweldigen nemen het met
geweld." Het Arameesche woord heeft meer betee-
kenissen dan geweld doen, het beduidt ook: in
bezit nemen, gr ij pen. Tot op Johannes dus
werd door de profeten het Koninkrijk der hemelen
voorgespiegeld als in de verte, in de toekomst; nu
echter wordt het verkondigd, het staat voor de deur,
die het kunnen, grijpen het, nemen het in bezit, zoodat
Daniël 7:18 vervuld wordt. Misschien (maar Meyer
wil dit niet te sterk beweren) mag het woord gewei-
-ocr page 137-
JEZUS\' MOEDERTAAL.
125
digers in vromen of heiligen veranderd wor-
den. In elk geval is de beteekenis, dat de rechthebbers
op dat koninkrijk niet meer behoeven te wachten,
maar hun erfdeel nemen.
8. Omtrent de woorden van het avondmaal: „dit
is Mijn lichaam, dit is Mijn bloed," maakt de schrijver
de zeer juiste opmerking, dat als de Heere in het Ara-
meesch gesproken heeft de letterlijke opvatting van i s
(dit brood is of verandert in Mijn lichaam) zooals
de Roomsche kerk leert, onmogelijk moet heeten, aan-
gezien het woordje is in het Aramcesch niet bestaat
en men het er bij moet denken.
Maar merkwaardig is ook, dat het woord
lichaam door Jezus gebruikt vaak even goed be-
teekenen kan zelf, zoodat Zijn bedoeling was: „dit
ben Ik zelf" of m. a. w. „Ik geef Mij zelven aan u." De
woorden, die Paulus 1 Cor. 11 :24, 25 tot twee malen
geeft: „doet dat tot Mijne gedachtenis," worden, als
men ze in het Aramcesch vertaalt, ook sprekender en
beteekenen dan: „maakt er een gedachtenis, een her-
kenningsteeken van," zorgt dus brood en wijn steeds
zoo te gebruiken, dat de eenheid met Mij voortdu-
rend werkelijkheid voor u is.
Enkele dezer verklaringen mogen ons bij den
eersten opslag vreemd toeschijnen, de schrijver heeft
er nog meer, dan wij hier kunnen vermelden. Genoeg
zij het om ons de overtuiging te geven, dat wij het
N. T. hoe vaak ook besproken nog niet uitgeput heb-
ben en telkens nieuwe schatten zich daar laten ontdek-
ken. Maar van ganscher harte stemmen wij in met de
-ocr page 138-
I2Ó                            JEZUS\' MOEDERTAAL.
woorden in de voorrede, waarin de schrijver zegt, dat
wij onzen Heiland meer en meer tot het volk te bren-
gen hebben. Wel — zoo eindigt hij — mogen wij niet
beproeven het heiligdom van Zijn inwendig leven, Zijn
diepste zelfbewustzijn wetenschappelijk bloot te leg-
gen, uitgaande met fakkels en stokken
om Hem te vangen, maar wat Hij gesproken
heeft moeten wij naar Luthers voorbeeld aan ons volk
in zijn eigen taal zeggen, gelijk Hij het in Zijn moeder-
taal eenvoudig en machtig verkondigd heeft.
-ocr page 139-
^^K^^ifeii^^fe^i^
EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.
Zonder er veel bij na te denken is men geneigd,
om zich Elia voor te stellen als een oud man, die door
het gezag, dat de jaren geven, grooten indruk maakt
op zijn koning en zijn volk.
De Schrift zegt er niets van, maar er zijn een paar
gegevens, die ons duidelijk doen zien, dat wij niet met
een oud man te doen hebben, al mag hij dan ook tot
rijperen leeftijd gekomen zijn, toen hij werd wegge-
nomen.
i Koningen 18:42 staat, dat hij op Karmel bid-
dende zijn aangezicht legde tusschen zijne
knieën. Geen oud man, die zoo zal bidden. Men
moet wel zeer lenig zijn om het te kunnen, het zou dan
nog eerder mogelijk zijn met het aangezicht op de
aarde te liggen, gelijk onze Heiland in Gethsémané.
Eenige verzen verder (vs. 46) staat, dat Elia zijne len-
denen gordde en vóór Achab heenliep, een weg van
-ocr page 140-
128               EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.
stellig vier uren gaans, zoo niet meer, tot waar men
te Jizreël komt. Hij doet hier geheel, als de voodoo-
pers thans nog in het Oosten doen, die hun koning
voorafgaan en vaak sneller gaan dan diens paarden.
Al zou men ook meenen, dat „de hand des Heeren, die
over Elia was" hem bijzondere krachten verleende,
het staat niet voor een oud man, wel voor een lenig,
gespierd en jeugdig man om zich aldus te gedragen.
Nemen wij deze gegevens aan, dan wordt de
geheele geschiedenis van Elia tijdens den hongers-
nood, op den Karmel en in de woestijn ons veel duide-
lijker en aanschouwelijker.
De onstuimigheid, de frischheid waarmede hij
optreedt, is veel begrijpelijker in een jeugdig profeet
dan in een grijsaard. Op rijper leeftijd verwacht men
veel minder van zulke treffende tafereelen als de
Karmel ons te zien geeft en wordt niet zoo moedeloos,
als de vruchten daarvan zoo luttel blijken te zijn.
Mozes althans staat heel anders tegenover Israël.
Elia zelf had nog veel te leeren en de geschiedenis
van de droogte was voor hem misschien van even
groote beteekenis als voor Israël en Achab. De pro-
feet moest leeren, dat God alles dwingt, behalve het
menschenhart. De raven moeten hun gulzigen aard
afleggen en geven in plaats van rooven. De natuur
moet het onmogelijke zich laten opleggen en aan de
weduwe van Zarfath uit een ledige kruik en een ledige
flesch het dagelijksch onderhoud verschaffen. Zelfs
de dood mag zijn prooi niet houden, als het jongske
der weduwe is gestorven, maar moet zijn ijzeren poor-
-ocr page 141-
EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.                120,
ten laten openbreken. Alles laat zich dwingen, zelfs
de wolken gehoorzamen door hun regen in te hou-
den of te geven op het woord van Gods dienaar.
Maar waar ook geweld mag triumfeeren, het men-
schelijke hart wordt niet veroverd door de forsche,
krachtige, overweldigende maatregelen van den pro-
feet. Al kan hij zelfs vuur uit den hemel doen neer-
dalen om het offer te verslinden, dat hij ter eere van
Jehovah heeft aangericht, het menschelijk hart eischt
andere middelen. O gewis, Elia mag voor een oogen-
blik allen bezielen en hij perst de schare den uitroep
af:de Heere is God! de Hcere is God! Hij
beveelt den dood van al de Baaispriesters en Baals-
profeten, maar daarmede is nog niets gewonnen.
Toch achte men den profeet daarom niet klein.
Zulk vuur, zulk een ijver, zulk een doorzettende kracht
eischt God de Heere van jeugdige profeten; zij
behoeven niet anders, zij behooren niet anders
te zijn. Wie in zijn jeugd niet ijvert, zal op zijn ouden
dag geen gloed vertoonen. Mozes, later met moeite
tot zijn arbeid gebracht, als hij 80 jaar oud is, heeft
in zijn jonge jaren ook met forsche hand Israël willen
verlossen. Wat dragen, dulden, lijden is, heeft hij
eerst geleerd in zijn tocht door de woestijn.
Heerlijk is het, zooals God de Zijnen leidt en zoo-
als Hij hen gebruikt in Zijn werk. Als Elia met snel-
len loop vóór Achab henengaat, dan is hij grootsch
in zijn optreden. Een jong, vurig profeet, die zijn
koning als het ware meesleept, den weg wijst, voor-
gaat om hem in triomf te Jizreël binnen te voeren,
a
-ocr page 142-
130               EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.
opdat het grootsche werk, op den Karmel begonnen,
nu verder zou worden toegepast en uitgebreid. — Zoo
had het moeten zijn! \'t Is duidelijk, dat hij Achab ge-
heel aan zijn leiband heeft. Als hij zelf gaat bidden,
zegt hij tot dien flauwen koning: eet en drink gij maar
— en de onbeduidende man doet het inderdaad, alsof
er niets gebeurd ware. Is het wonder, als Elia waant
dien man te kunnen kneden als was? Maar helaas!
zulke wasachtige naturen laten zich door laaghartige,
maar besliste goddeloozen nog beter kneden en als
Achabs vrouw, Izebel, den profeet wil doen vermoor-
den, is Achab weer geheel in haar macht.
Doch de Heere vergeet de zijnen niet. Elia gaat
heen, niet uit vrees, maar diep neerslachtig over
de geringe uitwerking van zoo treffende gebeurte-
nissen.
In de woestijn krijgt hij geen bestraffing, zoo
als men het vaak opneemt, maar veeleer een ver-
troosting. Dat de opeenvolging van gezichten
(wind, aardbeving, vuur en daarna het suizen van een
zachte koelte) geen bestraffing beteekent; dat de
bedoeling niet is Elia\'s kwade, forsche houding af te
keuren, blijkt genoeg uit hetgeen er volgt, waar hem
wordt opgedragen (1 Kon. 19:15 —17) een koning
over Syrië en een over Israël te zalven, wier strenge
maatregelen Gods oordeelen zullen uitvoeren. Veeleer
is het een vertroosting, om Elia te leeren, dat
God niet uitgeput is, wanneer alle forsche maat-
regelen vruchteloos blijken; dat er dus geen reden is
tot moedeloosheid. De Heere opent hem een nieuw
-ocr page 143-
EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.                13!
verschiet, maar leert hem tevens dat, al moet hij op
den ingeslagen weg voortgain, God nog rijker voor-
raad van krachten heeft, dan waarover Elia tot
heden beschikte.
Hij wordt daarmede gesterkt en vooral de op-
dracht, om Elisa te zalven tot zijn opvolger, moet hem
doen beseffen, dat hij slechts een instrument is, door
God gebruikt, zoolang het Hem behaagt en het werk
dus van geen enkel mensch afhangt, zelfs niet van
de Elia\'s.
Merkwaardig is het, dat bij de verheerlijking op
den berg Mozes, de oude van dagen en Elia, de jeug-
dige profeet, aan weerszijde van Christus staan. Bei-
der eenheid wordt in Christus gevonden; op beiden
straalt de heerlijkheid van Christus af.
Ja nog meer. Elia, hoe vurig, hoe gespierd ook,
bezit niet alleen de kracht maar ook de lenigheid van
de jeugdiger jaren. Zijn nederknielen met het hoofd
tusschen de knieën is een teeken, dat hij niet te ver-
geefs in Gods leerschool is geweest. Zijn gebed op
Karmel is ernstig, krachtig, vol geloof en vast verze-
kerd, het gelijkt in niets op de dwingende taal van de
Baaipriesters. Maar als hij in de eenzaamheid neer-
knielt, zich kromt voor zijnen God, den last zijns volks
op den gebogen rug draagt, toont hij ons zijn diepen
ootmoed, zijn vurig en hoopvol wachten op Gods ant-
woord. Hij weet wat bidden is, hij weet ook wat uit-
zien is naar verhooring, als hij zijn jongen tot 7 malen
laat heengaan om naar de wolken te speuren, die hij
van over de zee verwacht.
-ocr page 144-
I32               EEN LENIG EN GESPIERD PROFEET.
Niet minder dan Mozes is hij daarin een vooraf-
schaduwing van Christus.
„Niet door kracht of door geweld, maar door
Mijnen Geest zal het geschieden," spreekt.... wie ? —
de Heere der heirscharen. Hij. die alles kan zoo
Hij wil, houdt Zijne heirscharen terug om Zijn Geest
uit te zenden. Nochtans Hij is en blijft de Heere der
heirscharen. Hij gebruikt ze als het Hem behaagt
en eenmaal zal de Christus, die in Gethsémané de
legioenen Zijns Vaders niet opriep om te helpen,
wederkomen met al Zijn heilige engelen en de lenige
doch gespierde Profeet zal niet minder naast Zijn
troon staan dan de zachtmoedige boven alle men-
schen, Mozes, de middelaar des O. V. Beide zijn Zijne
dienaren. In beide heeft Hij Zijn welgevallen.
-ocr page 145-
&/> &> 4> A£> A> A>    i^^i     AC> 4t> A£> A£> AC> AC>
<3V <v w <\\? <;v <;v     N/.      <iv <?v <?v <v w <JX7
4£> A> A> 4^ A>          / \\          A£> AO At> A£> AC>
W <3S7 W <J^ <JV        t%^1         W W <?V W <7V
DIENEN OF BEHEERSCHT WORDEN.
Niets is gemakkelijker dan beheerscht wor-
den en niets is moeielijker dan dienen.
Dit schijnt een paradox van de wonderlijkste
soort, want beheerscht worden is dwang en dienen
is v r ij h e i d, weshalve men zou mogen verwachten,
dat de mensch liever vrijwillig dient dan gedwongen
beheerscht worden.
Toch bedriegen wij ons grootelijks. Was dienen
zoo gemakkelijk, zoo zou het niet veel bijzonders zijn,
dat de Zoon des Menschcn gekomen is om te dienen;
Hij zou dan niet veel meer doen dan wat ieder vrij-
heidslievend mensch gaarne hem nadoet. Het heeft
er echter al heel weinig van. Dienen, vrijwillig dienen
is zoo zeldzaam en beheerscht worden is zoo algemeen,
dat juist de Zone Gods moest nederdalen op aarde
om ons het verschil te doen kennen.
Hij zelf maakt dan ook een scherp onderscheid
tusschen het een en het ander en zegt ons gedurig,
dat de koningen der aarde vrij wat meer van hunne
dienstknechten gedaan krijgen dan Hij. Zij heerschen
-ocr page 146-
134                DIENEN OF BEHEERSCHT WORDEN.
over de volkeren en de geweldigers worden genadige
heeren genoemd. Was Hij zelf aardsch koning, zijn
dienaars zouden voor Hem gestreden hebben, nu is
het juist andersom.
Wij zien dan ook dat een koning, een generaal,
een man, die zich laat gehoorzamen, oneindig veel
meer kan verkrijgen van zijn onderdanen dan Jezus
Christus. Duizenden hebben den dood in de vreese-
lijkste vormen getrotseerd, die voor de hoogste liefde
niets over hadden. God zelfs heeft bij lange na niet
den invloed op Zijn schepselen, dien een afgod heeft
en terwijl scharen van heidenen hun kinderen, hun
eigen leven veil hebben voor hun afgod, kan de Heere
God Zijn martelaren bij tientallen tellen.
De moeders, die den Moloch dienden, legden haar
kinderen op de armen van het afschuwelijk beeld en
lieten ze vandaar neervallen in het vuur dat er onder
lag, en niemand verbaasde er zich over. Maar als God
van Abraham de offerande zijn zoons vraagt, trilt ons
heele hart van aandoening, zoodra het oogenblik na-
dert, waarop aan den zwaren eisch zal worden voldaan.
Vreemd mag dit alles schijnen, het is toch maar
al te duidelijk, dat het zoo is.
Had Jezus aan Petrus toegelaten het zwaard te
gebruiken, hij had er met vernieuwde woede op in
geslagen, op gevaar af van zijn leven er bij te laten,
bukkende voor de overmacht; nu de Heere hem ver-
zocht te waken en Hem niet te verloochenen, be-
zwijkt hij.
Het is dan ook een zonderlinge verwarring van
-ocr page 147-
DIENEN OF BEHEERSCHT WORDEN.                I35
begrippen gehoorzaamheid gelijkluidend te ach-
ten met zelfverloochening, zooals men bij de
orde van de Jezuieten en bij het Heilsleger gedurig
doet. Die twee hebben niets van elkaar. Gehoorzaam-
heid kan er zijn zonder zelfverloochening en wie een
krachtig gezag uitoefent, kan blinde gehoorzaamheid
zonder veel moeite verkrijgen. De menschelijke natuur
werkt in dat geval mede, zij gehoorzaamt gemakkelijk
aan een mensch, een leider, een generaal, een koning,
een afgod. Maar gehoorzaamheid aan God, die alleen
zelfverloochening mag heeten, eischt heel wat meer.
Wil men het verschil zien, zoo is een eenvoudig
voorbeeld voldoende. Twee menschen vragen een
dienst, de vraag is bij beiden even billijk en even
zwaar. De een is echter een persoon, waarmede gij
dweept, de ander een, die u koel laat. De eerste
vindt u niet alleen terstond bereid, maar veeleer over-
bereid nog veel meer te doen dan verlangd wordt. Bij
den ander hebt gij een zekeren onwil niet kunnen ver-
bergen; zoo het verlangde al gedaan wordt, het ge-
schiedt met loomen tred en weinig geestdrift.
Dit gaat zoo ver dat menschen, die zich laten
bedienen, die met zich laten dwepen gewoonlijk harts-
tochtelijke vereerders krijgen, en men tegenover die
waarlijk dienen zich meestal beklaagt, dat men nooit
iets voor hen doen kan. Paulus ondervond dit te
Corinthe in hooge mate. Daar had hij nooit een
gave van de gemeente aangenomen, maar toen later
Joodsch-Christelijke ijveraars uit Jeruzalem zich in-
drongen, verwierven dezen een grooten aanhang door
-ocr page 148-
I36               DIENEN OF BEHEERSCHT WORDEN.
de brutaliteit waarmede zij zich lieten bedienen. Paulus
zegt dan ook niet zonder bitterheid (2 Corinthe 11: 20):
„Want gij verdraagt het, zoo u iemand dienstbaar
maakt, zoo u iemand opeet, zoo iemand van u neemt,
zoo u iemand in het aangezicht slaat."
Wat is de reden van zulk een laagheid in de men-
schelijke natuur? Waarom zoo weinig de hooge
waarde erkend van hen die waarlijk dienen? Omdat
men zelf zoo zelden dient, om Gods wil dient, zich
zelven verloochent. Wie zich laat beheerschen, krijgt
altijd iets terug voor zijn diensten, al was het maar een
blik van goedkeuring, maar al krijgt hij niets terug,
hij heeft in elk geval het streelend gevoel van zich
zelven te voldoen, van zijn afgod schooner te maken,
van iets aan te brengen.
Die waarlijk dient, krijgt niets terug dat zicht-
baar, tastbaar, grijpbaar is dan alleen in het geloof;
Gods oog ziet hem en vergeet hem niet, maar hij
beseft zeer goed, dat hij God niet rijker maakt, dat
zijn dienst uit waarachtige liefde ook allen zweem van
loon, in welken vorm ook, buitensluit.
Deze dingen te overdenken, is vooral in de
Paaschdagen van belang, opdat wij de heerlijkheid
leeren verstaan van het woord, dat de Zoon des men-
schen niet is gekomen om gediend te worden, maar
om te dienen en Zijn ziel te geven tot een rantsoen
voor velen. Hij eischt niets, Hij geeft alles. Wie dit
verstaat leert, dat de dienst van dezen Koning en
voor dezen Koning in niets gelijkt op heersenen of
beheerscht worden.
-ocr page 149-
lliliiiiiiiiiiiiiiiiiliiiiiiiiiiiiilliii
TTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTTT
WEG, WAARHEID, LEVEN.
De welbekende woorden: „Ik ben de weg, de
waarheid en het leven" zijn zoo vaak door ons ge-
hoord en herhaald, dat wij ons nauwelijks rekenschap
geven van de vraag: welk verband is er tusschen die
drie uitspraken ?
De uitdrukking weg is beeldspraak, dat gevoelt
ieder, maar is het woord waarheid dit ook ? Als
Jezus zegt: Ik ben de waarheid, zegt Hij immers
niets dan wat letterlijk moet genomen worden? Het
woord leven kan men als beeldspraak opvatten,
maar desnoods ook als letterlijk zoo bedoeld. Zoo-
doende komt er verwarring en onzekerheid in onze
voorstellingen: eerst beeldspraak, dan geen beeld-
spraak en eindelijk iets twijfelachtigs! Dit geeft iets
zwevends aan den tekst en belet ons er den vollen zin
van te genieten.
Wij zullen verder komen, wanneer wij ze alle
-ocr page 150-
i38
WEG, WAARHEID, LEVEN.
drie als beeldspraak opvatten. Beeldspraak onder-
stelt beelden, voorstellingen, die wij des-
noods zouden kunnen uitteekenen, die wij althans met
ons geestesoog aanschouwen kunnen.
De drie beelden, die ik voor mij zie bij het lezen
van dezen tekst, zijn i. een w e g, gelijk van zelf
spreekt; 2. een tempel der waarheid en 3. een
maaltijd in dien tempel aangericht. Hiermede heb-
ben wij alvast éénheid verkregen in onze gedachten
en kunnen ons afvragen, hoe deze drie verklaringen
onderling met elkaar in verband staan.
1. De w e g allereerst, die ons naar den tempel
heenvoert, waar God Zijn heerlijke woning heeft op-
geslagen. ,,Niemand komt tot den Vader dan door
Mij," heet het onmiddellijk daarop.
Hij is de weg geweest voor tal van zielen, die
door Hem tot den Vader zijn gekomen. Van allerlei
geesten ontmoet ik op dien weg. Mattheus, door Hem
gelokt en geroepen en uit zijn treurig beroep overge-
bracht in Zijn gemeenschap. Zaccheüs, naar Hem uit-
ziende en door Hem gezien, door Hem verkoren om
in Zijn nabijheid afstand te doen van den zondigen
levensweg. De boetvaardige zondares bij Simon den
Farizeër, die in Hem den heilige en de heiligheid
leert liefkrijgen, in plaats van hare zinnelijke, onreine
liefde. De Samaritaansche, eerst onwillig en in verzet,
door Hem gewonnen en overwonnen. Nathanaèl,
door Hem in de ziel gegrepen, en in verrukking uit-
roepende: Rabbi, Gij zijt de Zone Gods, Gij zijt de
Koning Israëls! Nicodemus, verlost van zijn Farizee-
-ocr page 151-
WEG, WAARHEID, LEVEN.
139
sche inbeelding en ingeleid in het geheim der weder-
geboorte. Maria, die het eene noodige, in Hem gevon-
den, ook bij Hem genieten wil. Al deze personen en
nog zooveel anderen hebben zich aan Zijn persoon
gehecht en zij nooden ons als \'t ware, om met hen te
treden naar den Vader, in het midden van de feest-
houdende menigte, opgaande met een stem des lofs
en der dankbaarheid.
Geen andere weg is er dan door Hem, dan i n
Hem, ja dan Hij zelf. Hem persoonlijk te gelooven,
lief te hebben, is het middel om den Vader te kennen,
want die Hem ziet, ziet den Vader.
2. Hij is de waarheid. Wanneer ik daarin een
beeldspraak zie en Christus den tempel noem, zoo volg
ik Zijn eigen spraakgebruik, daar Hij gezegd heeft:
„breekt dezen tempel af," wijzende op Zijn eigen
lichaam.
Wat het nu inheeft, Christus tot een tempel te
maken, een tempel der waarheid, is niet zoo spoedig
verklaard als gezegd. Een tempel is ruim en ook
Christus als de waarheid is ruim. Hij heeft ons
geen leerstelsel, geen nauw omschreven geloofsbe-
lijdenis of keurig gesteld leerboek gegeven. Veel kan
men over Hem schrijven, maar Hij, in Wien de vol-
heid der Godheid lichamelijk woont, is ruimer dan
alles, wat men over Hem kan zeggen.
Zijn persoonlijkheid is zóó rijk, zóó vol, zóó veel-
voudig, dat wij Hem in geen enkele omschrijving
kunnen samenvatten. Blijf ik bij het beeld van een
tempel, zoo kan ik de verschillende gedaanten, waarin
-ocr page 152-
I40                         WEG, WAARHEID, LEVEN.
Hij zich aan ons vertoont, als zooveel tafereclen mij
denken, aan de wanden van dien tempel geschilderd.
Hier de kinderzegening en daartegenover het laatste
oordeel. — Hier de bruiloft te Kana en ginds de ver-
zoeking in de woestijn. — Hier de rijke Maria met
haar zalfolie en ginds de rijke jongeling, wien de
cisch te zwaar valt. — Hier de kring van de apostelen
en Jezus, die verklaart: Ik en de Vader zijn één en
ginds Gethsémané met Zijn bede: niet Mijn wil, Uw
wil geschiede. — Hier de intocht van Jeruzalem met
de hulde door Hem aanvaard en ginds het Kruis van
Golgotha en de diepste vernedering.
De tegenstellingen zijn overstelpend vele, maar
in dien grooten tempel is ruimte voor dat alles; wij
verzinken in dien schat van genade en in die stroo-
men des geestes.
3. Hij is het leven. In dien tempel staat de
goddelijke disch gereed. Daar eten wij het hemelsche
brood en drinken den hemelschen wijn. En de gast-
heer is het gastmaal tevens. Hem te eten en te drin-
ken is het leven te hebben in zich zelven. Niet in dien
zin, dat wij eenmaal door Hem leven zullen, maar in
den veel dieper zin, dat wie Hem in zich opneemt nu
reeds het eeuwige leven in zich heeft.
Drie vooral onder de Apostelen hebben dit ge-
voeld en beschreven. Petrus in 1 Petr. 1:3, 4» als
hij spreekt van de levende hope, door de opstanding
van Christus in hem gewekt. Johannes, die, aan
de borst des Heeren liggende, het heerlijk geheim
opving van de afscheidsredenen, van den Trooster,
-ocr page 153-
WEG, WAARHEID, LEVEN.                         I4I
die met den Vader en den Zoon woning zou maken
in het hart der Zijnen of als de wijnstok leven en
levenskracht zou doen uitgaan tot al de ranken.
Pau lus eindelijk, die niet alleen zijn Heiland be-
schreef als Hoofd, maar wiens geheele bestaan ver-
dween voor zijn Christus, als hij zeide: ik leef, doch
niet meer ik, Christus leeft in mij. Alle drie doen zij
ons voelen hoe Christus het leven voor hen is.
Zoo komt, dunkt mij, de tekst tot ons in zijn
eenheid en veelvuldigheid. Jezus Christus leide ons
door Hem tot den Vader, dat is tot Hem zelven en
doe ons in Hem alles vinden wat wij noodig hebben
om te zeggen: het leven is mij Christus.
-ocr page 154-
\\s Sk 1 st/1
7t\\ II 7K 1 7k
il
75L
7\\ II 7K
DE OOGST IS GROOT.
De klacht over gebrek aan arbeiders in den wijn-
gaard des Heeren is zoo algemeen, dat wij die waar-
lijk niet behoeven te herhalen.
Maar waar wij gewoonlijk niet op letten, is, dat
de klacht van den Heer Jezus samenhangt met een
uitspraak, die men gewoonlijk juist andersom leest
dan er staat.
Jezus zegt: „de oogst is wel groot" en wij spreken
gewoonlijk alsof er stond: ,,de oogst is bitter klein."
Vraag maar rond bij alle predikers en zendelingen en
gedurig hoort gij de klacht over een schralen oogst.
Opgewonden Christenen, die aandoening voor bekee-
ring houden en alle tranen voor echt aanzien, mogen
hoog opgeven van den zegen op hun arbeid, zij die
wat dieper zien zeggen veeleer: „de oogst is uiterst
klein."
-ocr page 155-
DE OOGST IS GROOT.                            I43
Hoe kan onze Heiland zoo anders oordeelen dan
wij ? Gebeurt het dan zoo vaak in Gods koninkrijk,
dat er, evenals in Egypte tijdens de vruchtbare jaren,
handen te kort komen om den oogst binnen te halen ?
Het schijnt veeleer het tegendeel.
Moet er ook een ander woord staan b. v. de
wijngaard is wel groot of het zaaisel is ruim
uitgestrooid ? Maar er staat toch duidelijk: de o o g s t
is groot.
Men zal toegeven, dat dit te denken geeft. Zeer
waarschijnlijk bezien wij de dingen in een verkeerd
licht en past het ons, de bedoeling des Heeren nauw-
keuriger na te gaan.
Onze fout is vooral hierin gelegen, dat wij veel
te veel aan onzen arbeid denken en vergeten wat God
doet. Wij verbeelden ons, dat als w ij niet zaaien, het
zaaien uitblijft en gewis is het onze verplichting om
het goede zaad met volle hand uit te strooien. Maar
God zaait veel meer dan wij kunnen nagaan en wij
hebben nog veel meer te klagen over zaad, dat niet
rijp wordt of op don akker verrot, dan over gebrek
aan zaad en zaaiing. Wij hebben niet zoo zeer te bid-
den om zaaiers, dan wel om arbeiders, die het rijpende
graan bijtijds binnenhalen. Jezus zegt niet: bidt den
Heer des oogstes, dat Hij zaaiers uitzende, maar dat
Hij arbeiders in Zijn oogst uitstoote. Het zaaien ge-
schiedt op allerlei vaak geheimzinnige wijzen. Gelijk
de wind zaadkorrels overbrengt van verre streken
soms, zoo worden Gods woorden op den adem des
Geestes vaak gedragen, waar men het allerminst zou
-ocr page 156-
144
DE OOGST IS GROOT.
vermoeden. Vraag eens aan ernstige Christenen, wat
het meest tot hun bekeering heeft bijgedragen en zij
zullen u wellicht mededeelingcn doen van schijnbaar
toevallige invloeden, die meer bij hen hebben uitge-
werkt dan al wat opzettelijk in hun hart gezaaid was.
In Jezus\' dagen was het gerucht, dat van Hem uitging,
reeds menigmaal een middel om de zielen te winnen.
De stemmen van boven, als die tot Samuël, tot Saulus
kwamen, zijn voorwaar nog niet verstomd, en mach-
tig in hun werking voor het hart, dat ze hoort en ver-
staat. De verloren zoon voelt de trekking van zijns
vaders huis, als hij bij den zwijnentrog zit en de
honger hem het beeld van de welbekende woning voor
het uitgeput brein doet verschijnen. Menig goed zaad
in een hoek verborgen komt, na jaren lang werkeloos
te hebben gelegen, tot wasdom zonder eenigen
invloed van buiten. Wat ons echter ontbreekt is arbei-
ders, om dien oogst binnen te halen en daarom wil
Jezus ons leeren bidden. Markus 4: 26—29 staat in de
gelijkenis van het zaad, dat onmerkbaar opkomt, deze
uitdrukking, die beter vertaald moest zijn: „en als de
vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel
daarin, omdat de oogst daar is." Dit woord zich
voordoet is niet juist, zooals ieder begrijpen kan:
immers welke landbouwer zal terstond gaan oogsten,
als de vrucht zich voordoet, zich vertoont? Er
moest staan: „en als de vrucht het toelaat" en dat
is een zeer juiste voorstelling. De vrucht moet niet te
rijp norh te onrijp zijn, het juiste oogenblik moet ge-
kozen worden.
%MAt
-ocr page 157-
145
DE OOGST IS GROOT.
Welnu, dat is het waaraan het vaak faalt. Veel
komt op en wordt öf te vroeg óf te laat óf in het ge-
heel niet geoogst en in alle drie gevallen lijdt Gods
koninkrijk schade.
Wij komen oogen, ooren, handen, harten te kort,
om het juiste oogenblik waar te nemen.
Een oog als van den Heiland, toen Hij in de
groote vijf zalen van Bethesda lette op den kranke,
wiens hart juist een rijpe vrucht des geloofs vertoonde,
gereed om te worden geplukt.
Een oor, om bijtijds op den kreet te letten van den
blindgeborene aan den weg te Jericho, in plaats van
hem het zwijgen op te leggen.
Handen, om den geraakte met gemeenschappelijk
geloof tot vóór de voeten van Christus te brengen.
Harten, om de leiding Gods met een of andere
ziel te verstaan, gelijk Eli het bij Samuël deed of
Ananias bij Paulus.
Dat het uitzenden van duizenden predikers hier
de leemte niet kan aanvullen, spreekt immers van
zelf. Zoo ergens, dan is hier het algemeen priester-
schap der geloovigen noodig. Er is aan persoonlijke
aanraking behoefte, opdat de ziel, in wier akker het
goede zaad viel en wies, door tijdige zorg worde bin-
nengeleid in het koninkrijk Gods.
Het zaaien doet Gods hand veel ruimer dan wij
kunnen nagaan. Hij gaat over de gansche aarde en
strooit veel meer uit dan wij weten, maar Hij laat
het oogsten aan de arbeiders over, opdat zij er de
vreugde en den zegen van zouden genieten. Maar
-ocr page 158-
146
DE OOGST IS GROOT.
daarom dragen zij er de verantwoording ook van,
als er veel, zeer veel verloren gaat. Bidt dan den Heer
des oogstes, dat er vele arbeiders komen. Hij wil er
om gebeden zijn, opdat wij medearbeiders zouden zijn
in Zijn oogst.