-ocr page 1-
-ocr page 2-
YY)YY) IQ&S\'Z\'
GUNNING
4K
57
J.H£ZJNNINkJ.H
mm \'\' 1
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
SCHILD en PIJL.
.
-ocr page 6-
Stoomdruk -.P.W. VAN DE WEIJER, - Utrecht.
-ocr page 7-
GUNNING y.&f/
l
child en Pijl.
K
ggaaaa;
^P
y«ET EEN \' VOORWOORD
t
f ?:■ pmil f
ROMMEL
EN EEN SLOTWOORD
VAN
Otto Funcke,
. Uit het fdoogduitsch door .
E. A A A.
o<St&ft)^g
UTRECHT
A. H. TEN BOKKEL HUININK
•gr"
BIBLIOTHEEK DER
RIjKSUMIVERSITEIT
UTRECHT.
-ocr page 8-
e
-ocr page 9-
child en Pijl is de titel van het boekje, dat als een
eerstelinge in de wereld treedt en daarom een inleidend
woord verzocht heeft.
"Wat de oude Scriver indertijd met zyn „Godsdienstige
Overpeinzingen" wilde, zou dit boekje zoo gaarne in de
taal van de kinderen dezer eeuw aanbieden.
Er bloeien overal bloemen aan den weg, door velen
onopgemerkt, waarvan zoo licht een ruiker te maken ware,
zoo men slechts het oog om ze te ontdekken, de hand
om ze te rangschikken had.
— Ons boekje beweegt zich niet op veel begane paden,
noch is naar beroemde voorbeelden bewerkt.
Het is een eigenaardige vogel die hier zyn wijsje zingt;
dat ieder zinge en fluite, zoo hy het slechts ter eere
Gods en tot heil der menschen doet. Wie echter iets
-ocr page 10-
2
van een gezond mensch in zich heeft, zal ook bij anderen
die tot\' deze soort behooren een weerklank vinden. Een
Schild wil het bieden tegen zoo menigen schijnbaar goed
gerichten aanval en dien helpen afweren.
Wel is waar werpt de slinger, met steenen uit Gods
woord, slechts den Goliath des ongeloofs en van het Materia-
lisme ter aarde, doch menigmaal ook is het iemand
vergund hem ter goeder ure met zijn eigen zwaard het
hoofd af te houwen. Daarvan zal de lezer verscheidene
voorbeelden in dit boekje vinden. Het komt met zijne
vragen uit kringen waarin de schrijver door zijn maat-
schappelijke positie en werkkring meer dan anderen zich
bewoog.
Laat zich daarom niemand ergeren wanneer hij iets te
veel van Darwinisme mocht hooren. Buiten de kerk
worden vele vragen behandeld, waarvan de priesters in
het heiligdom zelfs geen flauw vermoeden hebben.
Treft soms hier of daar een Pijl of wordt een ge-
wetensvraag tot het hart gericht, toch zijn het geen ver-
giftige pijlen. Zij mogen wonden, beleedigen doen zij niet.
Het is veel meer een ruim hart dat tot ons spreekt,
dat gaarne allen zou uitnoodigen om tot den waren vrede
te komen.
Heeft de nu zalige Blumhardt eens gezegd: Ieder mensch
moet van een natuurlijk een geestelyk mensch worden
-ocr page 11-
3
en dan weder van een geestelrjk mensen een natuurlijk,
(van zelve in een anderen zin) dat is een frisch, vrij
en vroolrjk mensch, zoo zal de lezer bevinden, dat de
schrijver deze verandering ondergaan heeft.
En zoo ga dan dit boekje onder Gods leiding tot allen,
inzonderheid tot hen wien deze wijze van schrijven en
spreken geestverwant is, tot menschen die „Stichting"
zoeken, wien echter het „Stichtelijke" in onze Christelijke
literatuur reeds sedert lang „Maagpijn" heeft veroorzaakt.
EMIL FROMMEL.
Tlieol. Doet.
-ocr page 12-
DE VERSTANDIGE KOOPMAN.
p zekeren avond zat een vroolrjk gezelschap van jonge
kooplieden in een herberg bij elkaar. Onder het genot
van eenige flesschen rijnwijn, bespraken zij met geestdrift
de onderwerpen die hun het meest belang inboezemden.
Men hoorde er onder anderen ook spreken over buiten-
gewone scherpzinnigheid in handelszaken. Ieder wist te
vertellen, hoe hij zelf of een zyner vrienden, door zijn
handelsvernuft een of ander buitengewoon voordeel be-
haald had.
Hoe een gelukkige speculatie B. er boven op geholpen
had, — hoe C. door verstandig wachten met open oog
en oor het juiste oogenblik had weten aan te grijpen
om een schitterende beursspeculatie te ondernemen.
Het gesprek werd immer levendiger, de wyn smaakte
steeds beter en maakte de tongen meer en meer los.
-ocr page 13-
5
Zoo werd dan ook ten slotte over de handelwijze van
zekere „ondernemers" veel gezegd wat een leek in deze
dingen wel ietwat bedenkelijk voorkomen moest. Deze
vroolijke jongelieden beoordeelden echter alles zeer toegefelijk.
Bij hen niet minder als bij hunne Joodsche heeren collega\'s
scheen de hoofdzaak te zijn: „te maken goede zaken".
Aan het benedeneind der tafel had een lange, bedaarde
man plaats genomen, die er zoo bescheiden en onge-
dwongen zat, dat het vroolijke gezelschap hem geheel en
al over het hoofd had gezien.
Gedurende een kleine pauze in het gesprek riep de
onbekende den kelner, om te vragen of zijn kamer gereed
was. Hierdoor werd de opmerkzaamheid der aanwezigen
op hem gevestigd. Zoo de heeren een glaasje minder
gedronken hadden, zouden zij zich zeker niet tot hem
hebben gewend, noch hem hebben gevraagd wie hij was,
of hij ook koopman was, of hij ook reeds proeven van
zijn handelsgenie gegeven had en zoo meer.
Zij stonden op en gingen naast hem zitten. Hij bleef
zeer bedaard en wilde zich, nadat hij hun gezegd had, dat
hy zijne onkunde in deze zaken erkennen moest, naar
zyn kamer begeven.
Maar een der beschonkenen hield hem terug en riep:
„Luister eens goede vriend, gij hebt al onze geschiedenissen
mede aangehoord. Gij zijt er ons ook een schuldig, vertel er
-ocr page 14-
6
ons een anders laten wij u niet los. Wij hebben allen
een voorbeeld van koopmanswijsheid ten beste gegeven,
vertel gij nu eens, wie uwer vrienden heeft het grootste
handelsgenie aan den dag gelegd?"
„Bravo, Bravo!" Schreeuwden de overigen, „goedgespro-
ken! Ja vertellen, vertellen! Anders komt ge er niet uit."
Onwillig zag de vreemde om zich heen, en scheen in
weerwil van den onstuimigen aandrang zijner kwellers
de zaal te willen verlaten.
Bang was hij in ieder geval niet, want een donkere on-
weerswolk trok zich op zijn voorhoofd te zamen en zijn
oogen vonkelden.
Plotseling scheen hij zich echter te bedenken. . Een
vluchtiglachje gleed over zijne lippen en zijne gelaatstrekken
ontplooiden zich. Hij zette zich weder neder en zeidé:
„Ja ik wil u een\' voorbeeld van handelsscherpzinnighèid
geven, van de grootste scherpzinnigheid, die er in deze
zaken ooit heeft plaats gehad. De man van wien ik u
verhalen wil (ik heb hem persoonlijk niet gekend, doch
dat doet niets ter zake) was een koopman par excellence.
Sedert hij geleefd heeft zijn er vele handelsovereenkomsten
gesloten, maar geen zoo verstandig, zoo gewichtig, zoo
rijk aan gevolgen als de zijne."
Hij zweeg een oogenblik. Er was iets in zijn wezen
dat de jongelieden imponeerde. Byna hadden zij er be-
-ocr page 15-
7
rouw van, dat zij zich tegen over hem een scherts veroor -
loofd hadden. „De manvanwien ik spreek," vervolgde hij,
„ik hoop gij hebt ook reeds van hem gehoord, ik weet het
bijna zeker, al mocht gij ook sedert lang niet meer aan hem
hebben gedacht, was ook een koopman, een koopman die
goede parelen zocht en toen hij een kostbare parel vond,
ging hij heen, verkocht alles wat hij had en kocht die."
„Müne heeren," ging hij voort terwijl hij opstond, „ik
heb nu aan uw verlangen voldaan. Ik heb u een voor-
beeld van koopmanswijsheid gegeven."
„Ik hoop van ganscher harte dat gij allen, hetzij vroeger
of later een even goede zaak maken zult."
„Ik ben uw dienaar," en na een vluchtige buiging ging
hij de deur uit. Verbluft en sprakeloos zagen de jonge
lieden hem na. Zij waren te verbaasd om hem te kunnen
antwoorden.
„Wat meent hrj toch," vroegen sommigen, „wat wil hij
daar mee ? Och \'t is immers een gelijkenis uit den bijbel,
\'t is zeker een Dominee of zoo iemand," zei een ander.
Toch schenen ze van het drinken en geruchtmaken
voor dien avond genoeg te hebben.
Het is vreemd, wanneer een ademtocht uit de eeuwig-
heid door de muffe en bedompte wereldatmospheer gaat,
zoo ademen allen anders of zij willen of niet.
Het gezelschap was op het punt om uit elkander te
-ocr page 16-
8
gaan, toen een jonge man naar voren trad en zeide:
„Wil ik u eens wat zeggen, ik schaam mij over onze
handelwijze. Wij hebben een vreemden heer zonder oor-
zaak beleedigd. Gij moogt lachen of niet, ik ga tot hem
en vraag hem, wat mij zelven betreft, om verschooning."
„Doe wat gij wilt," zeiden zijne vrienden. Wij gaan
naar huis. Die kerel heeft alle gezelligheid bedorven.
Duivels! Wat wil hij toch met zijn antieke geschiede-
nissen, laat hij die liever voor zich houden!"
Nauwelijks was de vreemdeling op zijn kamer gekomen
en had plaats genomen, of er werd aan de deur geklopt.
Op zijn „binnen" trad de jonge koopman op hem toe. „Ik
kom, zeide hij zeer openhartig en eerlijk, ik kom, daar
ik u vergeving vragen wilde voor onze handelwijze van
heden avond.
Wij hadden allen te veel gedronken, anders zou deze
fatale geschiedenis niet voorgevallen zijn. Uwe groot-
moedige handelwijze, tegenover onze ongemanierdheid,
heeft mij diep beschaamd.
Ik bid u, vergeef mij. Hier is mijn kaartje."
Adolf Marlen, stond er op.
De aangesprokene stond op, groette zijnen gast vrien-
delijk en stak hem de hand toe. „Van ganscher harte
vergeef ik u, mijn lieve jonge vriend", antwoordde hij
terwijl hij hem ook zijn kaartje toereikte.
-ocr page 17-
o
„Gij ziet ik heet Asten en ben predikant".
„Neem hier plaats naast mij. Uw bezoek verheugt mij
waarlijk. Vrees niet dat ik u ambtshalve een predikatie
houden zal. Neen, neen! Vertel mij wat uit uw verleden
en iets van uwe plannen voor de toekomst, — maar wacht
even, steek eerst een sigaar op."
Marlen, onwillekeurig aangetrokken door de vriendelijke
en hartelijke manieren van den predikant, voldeed aan
diens verzoek en zette zich nevens hem op de sopha.
Toen begon hij zijnen nieuwen vriend trouwhartig het
een en ander uit zijn leven mede te deelen.
Asten hoorde den jongeling zwijgend aan, en mocht
zóó menigen blik, niet alleen in zijn uitwendige omstan-
digheden, maar ook in zijn innerlijk karakter slaan.
Geheel zonder gedachte aan God was dit jonge leven
geweest, dat zich voor zijne blikken ontvouwde, en geheel
voor de wereld in al zijn denken, doen en handelen,
wenschen en pogen, en toch had de ernstige waarlijk
christelijke man, de innige overtuiging dat hij hier geen
Goddeloos leven voor zich zag, ofschoon het tot heden
zonder God had geleefd.
Hij gevoelde dat deze ziel, ofschoon nog niet door
Gods Geest aangeraakt, het toch ieder oogenblik kon
worden.
Gave God, dat vele ijverige christenen meer van deze
-ocr page 18-
10
soort van helderziendheid bezaten in den omgang met
ongeloovigen, gave God dat zij meer takt hadden bij het
aanraken of liever niet aanraken van de duizenden en
nogmaals duizenden wonden hunner medemenschen.
Eindelijk sprong Marlen op , trok zijn horloge en schrikte
toen hij zag hoe laat het reeds was.
„Nogmaals moet ik u verschooning verzoeken", zeide
*
hij, „hoe kon ik mij zoo vergeten! Gij hoordet my zoo
opmerkzaam aan, dat ik er waarlijk niet aan dacht
hoelang ik het u reeds lastig maakte, neem mij niet
kwalijk!"
„Stel u gerust, waarde heer Marlen", zeide Asten. „De
tijd is voor mij even snel voorbij gegaan als voor u.
Uwe korte autobiographie heeft mij uitermate veel be-
langstelling ingeboezemd. Ik dank u hartelijk voor uw
vertrouwen. Bezoek me spoedig eens weer. Ik vraag er
u ernstig om, dan wil ik u ook iets uit mijn leven ver-
halen wanneer het u niet verveelt. Tot zoolang geef ik
u een raadsel op, opdat gij mij niet zult vergeten. Wilt
ge trachten het te raden?" — „Ja wel", zeide Marlen,
„ik zal al het mogeln\'ke doen, hoe luidt het?"
Asten nam de beide handen van den jongen man in de
zijne, zag hem vriendelijk in de oogen en zeide: „Dit
is het raadsel:
-ocr page 19-
11
„Het is vol en toch ledig;
Het is licht en toch zwaar;
Het is sterk en toch zwak;
Ofschoon het nu slaapt, eenmaal zal\'het ontwaken."
„Dat klinkt zeer raadselachtig!" antwoordde Marlen
lachend.
„Ja het is een moeieiijk raadsel! Geve God dat gij het
eenmaal moogt raden! En nu goeden nacht. Kom spoedig
terug en God zegene u."
Marlen ging langzaam de straat op. „Een merkwaardig
mensen!" dacht hij, „maar hartelijk — zeer hartelijk!
Geen vermaningen — geen goede raadgevingen! Hij heeft
nauwelijks een woord gesproken. Ik heb zelf al dien tijd
gepraat. — Hoe opmerkzaam heeft hij mij aangehoord.
En dan dat raadsel! „Geve God, zeide hij zoo ernstig,
dat ik het eenmaal raden moge. - Zonderling! Ik zal
hem nog eens bezoeken."
Maar Marlen ging niet weder naar hem toe.
Spoedig daarop werd hy ziek. Zijn vroolijke vrienden
bezochten hem telkens en deden wat zij konden om hem
op te vroolijken, want zij hielden allen veel van den be-
minnenswaardigen jongen man.
Het was een slepende koorts, die zyne krachten meer en
meer sloopte. Geen middel baatte, niets scheen te helpen.
-ocr page 20-
12
Lange slapelooze nachten bracht hij door; eenzame
uren, waarin gedachten van allerlei aard hem bestormden.
Hij sprak zijne gedachten niet uit. Niemand uit zijne
omgeving zou ze\'toch begrepen hebben, dat gevoelde hij.
Hij werd steeds stiller, steeds ernstiger. Soms dachten
zijne vrienden dat hij niet goed bij het hoofd was; hvj
fluisterde dikwijls zachtjes voor zich heen, zonder het te
weten: „Het is licht en toch zwaar, vol en toch ledig,
zwak ja, ach ja, zwak — ledig — zwaar."
Op zekeren dag, toen hij zich wat krachtiger gevoelde,
nam hij Asten\'s kaartje uit zijn portefeuille en verzocht
zijn verpleger, dien heer in het hotel op te zoeken en
zoo hfj er nog mocht zijn, te vragen eens bij hem te
komen.
Hij kon nauwelijks de terugkomst van den bode afwach-
ten. Eindelijk kwam hij met de vroolijke tijding, dat de
heer Asten hem nog in den loop van den voormiddag
zou komen bezoeken.
Toen de predikant binnentrad, kon hij een uitroep van
schrik niet weerhouden, zóó veranderd vond hij den zieke.
Marlen strekte zijn doorschijnende magere hand verlangend
naar hem uit.
Te zeer bewogen om te kunnen spreken, zette zich
Asten naast hem, maar de liefde en het diepe medelyden
dat uit zijne door tranen benevelde oogen straalde, zeiden
-ocr page 21-
13
meer dan alle woorden ter wereld. „ Dominee, lieve dominee,\'\'
fluisterde Marlen, het raadsel dat gij mij onlangs opgaaft,
heb ik geraden!" En hy wees op zijn hart. „Ledig",
herhaalde hij, „ledig, zwaar, zwak, maar Gode zij dank,
waakzaam."
Wat die beiden elkander zeiden, moet in den hemel-
schen phonograaf zoolang besloten blijven tot het eens
op \'s Heeren dag aan het licht zal komen.
Zalig en vredevol, stierf na een korten tijd, de veel
beweende en betreurde jonge koopman, Asten\'s hand
vast in de zijne houdend. Volgens het verlangen van
den afgestorvene, hield ook Asten de lijkrede.
Al de jonge lieden, die op den bewusten avond in de
herberg te zamen waren geweest, stonden rondom het
graf van hunnen geliefden collega. Zij waagden het
nauwelijks, den zoo edelen en verheven daar staanden
man, in het aangezicht te zien.
Met een rustige, ernstige stem las hij den tekst: „Een
koopman zocht goede parelen en als hij een parel vond
van zeer groote waarde, ging hij heen, verkocht alles
wat hij had en kocht die." Allen bogen hunne hoofden,
en God alleen weet wat er in hunne harten omging.
De predikatie zal ik hier niet herhalen.
Ik geloof de lezer kan zich die zelve denken.
Slechts de slotwoorden wil ik nederschrijven: „Hij die
-ocr page 22-
14
hier koud en stil voor ons ligt, heeft alles verkocht wat
hij had: Zijn kracht, zijn hoogmoed, zijn eigengerechtig-
heid, zijn aardsch geluk, zijn gezondheid, zijn leven,
Alles, Alles! Hij heeft echter ook daarvoor de parel van
groote waarde gekocht. Zij is zijn eigendom vooraltijd,
in alle eeuwigheid. Zij was ook de zijne, toen hij stierf.
Ik vraagde hem, zijt gij tevreden met den handel?
Hebt gij het kleinood te duur betaald?"
Met een gelukzalig lachje antwoordde hij mij: „Neen,
o neen!" En hij was te huis!
-ocr page 23-
DE HEERLIJKE LEUGEN.
nlangs zeide my een beminnenswaardig jongmensch
die juist „menschen begint te zien, als zag hij boomen!" (*)
„Wanneer het Christendom een leugen is, dan is het de
heerlijkste leugen die ooit gelogen werd."
En hij had gelijk. Wanneer het christendom een leugen
is, dan is het ook de allerheerlijkste leugen die ooit ge-
logen werd, en dat niet alleen, maar het is ook een
wonderlijke leugen, die tot in het innerlijkste wezen van
den mensch de waarheid schept; een leugen, die iedere
leugen onmogelijk maakt, die alle bedrog en allen schijn
vernietigt; een leugen, die de duisternis schuwt en tot
het licht zich opheft; een leugen, die standhoudt, wan-
O Noot van den Vertaler. Zie Markus 8 : 22-26.
-ocr page 24-
16
neer alles verkleurt en verbleekt, een leugen wier stichter
verklaarde, dat Hij zelf de waarheid was.
Is echter het God en de onsterfelijkheid loochenend
materialisme een waarheid, zoo is het de gruwelijkste
waarheid die ooit uitgesproken werd, en dat niet alleen,
maar het is ook een wonderlü\'ke waarheid, die tot in het
innerlijkst wezen van den mensch de leugen schept, een
waarheid, die iedere waarheid overbodig maakt (want
waarom zouden wij voor de waarheid leven en sterven,
wanneer wij heden of morgen uitgebluschte lichten zullen
zijn en onze nakomelingen in hun tijd even zoo); een
waarheid, die ieder naar waarheid dorstend hart tot ver-
twijfeling brengt, of brengen zou; een waarheid die ver-
bleekt en verkleurt, zoodra de ziel het met de waarheid,
met de zonde, met den dood ernstig neemt; een waarheid,
wier stichters zich niet schaamden te verklaren dat er in
\'t geheel geen waarheid is.
v%&r
-ocr page 25-
WIE HEEFT GELIJK?
illl&aat mij beproeven twee tafereelen voor uwe blikken
te ontrollen, tafereelen, die dagelijks met des levens
levendigste kleuren worden geschilderd.
Het eene stelt u een gehoorzaal voor.
Nauw op een gedrongen zitten de studenten, en luis-
teren aandachtig naar de woorden van den geleerden
professor. Hij ontsluiert hun de geheimen der wetenschap
en de raadselen der natuur, al naar het vak dat hij het
zijne noemt, hetzij Physiologie, Physiek, Anthropologie,
Geologie of wat dan ook.
Indien hij echter behoort tot het groote aantal dergenen,
die ik nu op het oog heb, dan leert hij zyne toehoorders
behalve het onderwerp dat hij behandelt, nog wat anders.
De juiste grenzen van zijn studievak overschrijdend
treedt hij nu en dan op een gebied, waarvan hij niet
2
-ocr page 26-
18
alleen niet veel weet, maar dat hem volstrekt onbekend
is,
en spreekt ook daarover zijn oordeel uit, ja voert
beweringen aan met een zekerheid, als waren zij het
resultaat van beproefde wetenschap.
Humoristische aanmerkingen ontvallen hem over het
oude geloof, sarkastische zinspelingen op de eenvoudig-
heid van hen, die een persoonlyken God of zelfs den
Christus als hun Heiland erkennen. De jonge student
zal spoedig aan zich zelf gaan twijfelen. Hij begint zich
over zijne vroegere lichtgeloovigheid te schamen. Zijn
bijbel ligt ongeopend op de tafel of is ter zijde gelegd.
Hij houdt op met bidden. Zou men hem wel voor een
waarlijk wetenschappelijk ontwikkeld man houden, indien
hij nog bad, zooals hij het als kind deed: Onze Vader,
die in de hemelen zijt!? Wat, hij zou naar de kerk gaan
en zich laten voorpreeken van een Schepper van hemel
en aarde, thans, nu hij weet, — nu ja, het is niet altijd
even gemakkelijk te zeggen, wat hy weet, maar in ieder
geval iets dat hem zyn vroegere beschouwingen belachelijk
doet voorkomen. Hij wil niets van ontsterfelykheid
hooren, nu men hem bewezen heeft, dat de eenvoudige
gedachte er aan onwetenschappelijke onzin is, noch wil
hij iets van zonde en berouw weten, want hij heeft
geleerd, dat, datgene wat de christen zonde noemt in
\'t geheel niet bestaat. Zoo zit hy in zyn gehoorzaal
-ocr page 27-
19
dag aan dag veel leerend en veel «erleerend, tot hij niet
meer dezelfde is, die hy eens was — tot hy een ander
man geworden is. — Hy weet nu wel meer van de
natuurwetten, van het menschelyk organisme, van schei-
kunde en wijsbegeerte, maar minder van God, van de
eeuwigheid, van zyn eigen ziel.
EN NU HET ANDERE TAFEREEL.
In een donker gemaakte kamer ligt een stervende
christen, hetzij nu een zwak jong meisje, of een tot nog
toe krachtig man, dat is geheel hetzelfde.
In het aangezicht van den dood zijn de sterksten dik-
wyls de zwaksten en de zwaksten de sterksten. Misschien
is de stervende geleerd, misschien ook niet, ook dat is
onverschillig; dan zijn de geleerden als de ongeleerden
en de ongeleerden als de geleerden. Het lichaam is in
angst en nood, de ziel niet. Ofschoon de kelk des lijdens
tot op den bodem moet geledigd worden, ofschoon alle
aardsche verwachtingen en plannen schipbreuk leden en
de gruwzame nacht des doods aangebroken is, zoo is
daar toch vrede, zalige vrede, vast vertrouwen, onwrik-
baar geloof aan Hem, die de banden des doods verbroken
heeft.
Smart en rouw vervullen de harten der achterbly\'ven-
den, maar geen vertwyfeling. Woorden van troost en
-ocr page 28-
20
bemoediging worden hun toegefluisterd: (door wie?) „Vreest
niet, Ik ben met u, Ik zal u niet begeven, noch
verlaten." „Ik ben de Opstanding en het leven. Wie
in mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven."
Dit is geen tractaatjes-geschiedenis voor kinderen. Wij
allen weten, dat er zulk een sterven bestaat. Wel ons,
wanneer de weg naar de overzijde van het graf ons
eens zoo heerlijk aangetoond is.
Niets is zoo zeker op deze gansche, wijde wereld als
dit, dat een der hoofdfiguren van deze beide tafereelen
zich in een geweldige dwaling bevindt; zij kunnen niet
beiden gelijk hebben. Of de atheïstische professor spreekt
woorden van waarheid en licht, met recht een onnoozel
bijgeloof uit den weg ruimend, en de stervende christen
is een arme, ellendige dwaas, niet eens benijdenswaardig
in zijn dwaling (want wie wil zich door een leugen laten
troosten ?), — of de gevierde leeraar begaat, met niet weinig
zelfvoldoening, een daad, waarvoor hij zelf met ontzet•
ting zou terugdeinzen, wanneer hij de vreeselijke gevolgen
kon overzien. Hij legt het er op toe de menschen van
hun God te scheiden. Aangenomen, er is een God, zou
hij zich een verschrikkelijker taak kunnen kiezen?
Het is een onbetwistbaar recht van den natuuronder-
zoeker de kring van de bewijsbare wetenschap zooveel
mogelijk uit te breiden; de eindoorzaken zooveel mogelijk
-ocr page 29-
21
terug te dringen; zooveel hij vermag alle dingen naar
stoffelijke voorbeelden te verklaren; wanneer hij echter
alles verklaard heeft, wat met mogelijkheid verklaard kan
worden, hoeveel blijft dan nog onverklaard en onver ■
klaarbaar! "Welk een uitgebreid, nog te onderzoeken veld
blijft over, waarvan hij hoegenaamd niets weet.
Vermijde hij dan gids te willen zijn op het geestelijk
gebied des christens. Voor wien kan hij daar een weg-
wijzer zijn? Laat hij bijvoorbeeld, hoevelen hebben
het helaas niet gedaan, van de macht des gebeds zwijgen,
wanneer hij er toch geen begrip van heeft wat bidden
is. "Wat zou hij zeggen wanneer een kunstenaar of veld-
maarschalk, al was hij nog zoo beroemd, zich over zijn
physiologische onderzoekingen of over zijn eigenaardige
scheppingstheorie, geringschattende, spottende aanmerkin-
gen veroorloven zou.
Hij mag niet vergeten, welke ernstige studiën hij in
zijn vak maken moest, om als autoriteit te gelden. Hij
moet rechtvaardig zijn en bedenken dat de wetenschap
van den godsdienst ook een ernstige studie behoeft, en
dat niet alleen, maar dat zij doorleefd moet zijn om be-
grepen te worden. Hij moet zich ernstig afvragen, of
hij werkelijk voornemens is, er toe bij te dragen, der
wereld het geloof te ontnemen; hij moet wel overwegen
wat dat beteekent, en de gevolgen bedenken. Wanneer
-ocr page 30-
22
hij evenwel zich daartoe toch genegen toont, laat hy dan
in zijn eigen gezin, bij zijn eigene kinderen er mede
beginnen. Laat hij tegen zijn aankomenden zoon zeggen,
dat er geen verantwoordelijkheid is, doch dat zijn daden
slechts het „noodzakelijk gevolg zijn der sterkste motieven"
en „in rechtstreeksche verhouding staan tot onvermijdelijke
oorzaken, even zoo goed als het in een kring ronddraaien
der aarde-"
Laat hem aan zijn dochtertje zeggen, „dat de daden
van slechte menschen slechts voorbijgaande kwade ge-
volgen hebben en de daden van goede menschen slechts
voorbijgaande goede; dat ten slotte goed en kwaad ge-
heel verdwijnen en door latere geslachten geneutraliseerd
zullen worden."
Menige vader zou zeggen: zoo ver ga ik niet! Ik
voed mijne kinderen op in de strengste zedeleer. Laat
hij zich echter geen illusies maken — schrapt hij het
geloof aan God en de onsterfelijkheid uit zijn opvoedings-
program, zoo zal hij welhaast ontdekken, dat zijne kinderen
logischer denken dan hij. Heeft hy eenmaal den geest des
ongeloofs opgeroepen, zoo zullen er nog andere geesten
komen eu hij zal, evenals de welbekende tooverleerling
van Goethe, niet in staat zyn ze te bannen.
Voor alles echter, mag de jonge toehoorder niet te
haastig zijn. Dat hij zelf onderzoeke en oordeele, en
-ocr page 31-
23
wel grondig. Een Duitsch schrijver zegt zoo schoon:
„heeft het geloof op gezag opgehouden, zoo laat het
ongeloof op gezag niet zijn plaats innemen."
Het is geen bewijs van een sterken geest zich in een
maand of een jaar alles te laten ontnemen, wat tot dien
tijd de overtuiging en de kracht van het leven was, en
dan nog wel door een man, die wellicht van het innerlijk
christelijk leven niet meer begrip heeft dan wij van de
taal der Hottentotten.
-ocr page 32-
E A P P 0.
Si
k had een prachtige Newfoundlander. Dat er een
warme vriendschap tusschen ons beiden bestond, behoef
ik wel niet te verzekeren. Ik wenschte wel, dat gij
hem eens had kunnen zien, wanneer ik mij gereedmaakte
een wandeling te doen en hij nog in twijfel verkeerde,
of hij mij vergezellen mocht of niet.
Hoe stond hy daar en zag mij met een uitdrukking
van de gespannendste verwachting aan. Hij vroeg mij
formeel: mag ik mee? Knikte ik hem dan toe en zei:
„Ja ouwe jongen, meegaan! Gij moogt uw leven weer
eens heerlijk genieten" — welk een vreugdesprongen,
welk een verrukking! Uit louter dankbaarheid werd hij
plotseling galant, wilde mrjn parapluie dragen, mij mijn
pakje afnemen. Hij zou mij gaarne omhelsd, mrj bijna
van liefde doodgedrukt hebben.
-ocr page 33-
25
Wanneer het maar eenigszins mogelijk was, nam ik
hem steeds mee, en hij beschouwde zijn dagelijksch
uitstapje met mij als zijn onaantastbaar voorrecht.
Maar — maar — zooals aan den menschelijken hori-
zont soms donkere wolken opkomen, leidingen, die wij
niet verstaan en waartegen wij in opstand komen, zoo
zyn ook de wegen van een hond niet altijd enkel blijd-
schap. Eappo zou deze waarheid smartelijk ondervinden.
De hondsdolheid, die verschrikkelijke ziekte, was uit-
gebroken. Verscheidene menschen waren gebeten. De
strengste voorzorgsmaatregelen werden onmiddelijk door
de politie genomen; de honden moesten dag en nacht aan
een ketting liggen en mochten slechts van een muilkorf
voorzien en aan een zeer kort koord buitenshuis gebracht
worden.
Toen ik den daarop volgenden dag mijne gewone
wandeling wilde maken, stond Eappo daar, als altijd,
in gespannen verwachting. Ik zeide: „Neen, Rappo, gy
moogt niet mee, terug!" Hij zag mij in de oogen, als
wilde hij mijne gedachten daarin lezen. Het is slechts
scherts, dacht hy wellicht bij zich zelven, en begon
weder te springen. „Neen, arme jongen, gy moogt
niet mede gaan," herhaalde ik. Hij zag dat mijn ge-
zicht zeer ernstig was, hy stond stil, de ooren omlaag,
de staart bewegingloos. Ik ging naar de tuindeur, deed
-ocr page 34-
26
haar open, ging naar buiten en trok ze weder achter
mij toe. Hij zag mij door de tralies na. Toen ik terug
kwam, was hij weder vroolijk als te voren. Waarschijn-
lijk had hij over de zaak nagedacht, en was tot het
besluit gekomen, dat ik een uiterst gewichtige reden
moest gehad hebben om hem heden thuis te laten. Maar
den daarop volgenden dag was het weder zoo en den
volgenden ook. Ten laatste kwam hij in het geheel
niet meer bij mij, wanneer ik de huisdeur uittrad. Hij
zag mij donker en treurig aan, alle vroolykheid was
uit zijn wezen geweken. Hy dacht zeker, dat ik een
trouwelooze vriend was.
Ik behandelde hem beter dan ooit, ik gaf hem zijn
lievelingseten, maar het bleef bij het oude. Hij kon
maar niet begrijpen, waarom ik hem het genoegen, waar-
naar hij zoozeer verlangde, onthield. Zeker gaf hij zich
aan oproerige gedachten over, wanneer hij zoo vastge-
ketend voor het hondenhok lag en ik juist was uitgegaan.
Over het „waarom" van zijn ellendig hondenbestaan
heeft hij bepaald zijn hondenhersens bijna gebroken.
Waarom, waarom kan ik niet meegaan als vroeger?
Over de weilanden stormen, in het water springen, de
vogels achterna jagen ? Waarom moet ik hier alleen aan de
ketting liggen ? \'t Is afschuwelijk! Het zou zeer natuur-
lijk geweest zijn, wanneer hij zoo dacht. Wat weet hij
-ocr page 35-
27
van den verschrikkelrjken beet van een dollen hond, van
de kwalen, die hem daardoor zouden worden berokkend,
zoo het hem veroorloofd ware als vroeger rond te loopen ?
Wat weet hij van de wet, die moest worden uitgevoerd,
zoowel voor zijn eigen welzijn, als tot bescherming der
menschen? Niets, geheel niets!
Indien hij wist, indien hij verder zien kon, indien hy
begrijpen kon, — hoe gewillig zou hij zich aan iederen
wensch van zijn heer, aan iedere politieverordening onder-
werpen , — hoe duidelijk zou hem alles zijn — hoe zou
hh" smeeken om zijn muilkorf, om het korte eindje touw,
om de ketting!
Ik meen, wij kunnen hierin ook een les voor ons
menschen ontdekken! Niet waar?
-ocr page 36-
W I E?
ele vroolijke kinderen dezer wereld denken, dat de
christenen noodzakelijkerwijze, een kniesoorig, treurig,
alle vroolijkheid schuwend volkje moeten zijn, overal op
hunnen levensweg duisternis en droefgeestigheid verbrei-
dend. Ik vraag echter ieder verstandig mensch: Wie heeft
reden om treurig te zijn? De mensch, die daar gelooft, dat
een almachtig liefhebbend Vader zijn leven bestuurt, dat
zijn zonden vergeven zijn, zijn leed slechts een korte pooze
duurt; dat daarentegen zijn grootste aardsche vreugde slechts
een zwakke onontwikkelde kiem van eeuwige hemelsche
blijdschap is, dat de dood verwonnen is door de zegepraal,
dat alles ten slotte in eeuwige heerlijkheid uitloopen zal —
öf de mensch die daar gelooft, dat hem ieder oogenblik zijn
geluk, zoo hem geluk is ten deel gevallen, voor altijd kan
ontroofd worden; dat zijn geliefden hem slechts voor het
oogenblik toebehooren, dat alles wat hrj in het leven ge-
-ocr page 37-
•21)
roepen, waarvoor hij gestreden heeft, spoedig het eeuwige
„niets" toebehooren zal, en dat hij zelf snel en onver •
biddelijk, de duisternis der vernietiging te gemoet gaat?
Ik vraag u: Wie kan vroolijk zijn? "Wie?
-ocr page 38-
EEN STUKJE PSYCHOLOGIE.
TH
oor den Heer werd aan een Engel opgedragen, een
menschelijke ziel na te gaan en iedere vijf jaar over haar
vooruitgang en ontwikkeling verslag te geven. Zooals
bekend is, zien de Engelen niet met aardsche oogen zooals
wij. Zij zien niet, wat wij zien, of liever letten daar
niet op, maar zij zien veel, wat wij niet zien en niet
zien kunnen, zoolang de aardsche sluier niet vaneen
gescheurd is. De ziel, die deze engel moest gadeslaan, was
die van een lief kind, een knaap van tien jaar. Den engel
scheen zij aanvankelijk nog een vormelooze stof toe, noch
schoon noch leelijk, noch helder, noch duister. Hrj zag, hoe
deze ziel zich op een punt bevond, van waar uit, wanneer
zij zich voortbewoog (en zij moest zich voortbewegen)
zij of langzaam nederzinken moest in een peilloozen af-
grond, waar alles in een ondoordringbare duisternis ge-
-ocr page 39-
31
huid is, of omhoog zweven tot de heuvelen des lichts,
waar zich alles in onbegrijpelijke heerlijkheid oplost. De
engel wist ook, dat de ziel zich noodzakelijk op een
wondervolle wyze vormen, beschaven en ook bekleeden
moest, en wel öf uit de haar omringende stof van den
afgrond, öf uit die van de heerhjke, schitterende gewes-
ten des lichts.
Dat alles zag en wist de engel; doch het kind zag en
wist dit niet, noch zijne liefhebbende ouders en vrienden,
als de knaap vroolijk van zijn dagelrjkschen weg naar
de school terugkwam, met zyn vriendjes knikkerde, of
hen plaagde of liefkoosde.
De jongen ontwikkelde zich naar onze wijze van zien
op het voordeeligst. Hy* toonde een fabelachtigen dorst
naar kennis en een buitengewone eerzucht. Zijne ge-
tuigschriften waren zeldzaamheden in de annalen van
het gymnasium.
Te huis, ofschoon zeer met zichzelven ingenomen,
tamelijk zelfzuchtig, en dikwijls zeer onvriendelijk en
onaardig tegenover zrjne omgeving, was hij toch een
aangebeden kind. In aanmerking genomen, zijn buiten-
gewone begaafdheid en zijn zonder twijfel steeds meer te
voorschyn tredende geestesgaven, werden hem deze kleine
zwakheden, zooals ze genoemd werden, gaarne vergeven.
Het was zijn vijftiende geboortedag; een vroolyk feest.
-ocr page 40-
32
Veel schoone dingen werden hem gezegd, zeer werd
hij geprezen over zijn vooruitgang op school.
„Heb geen zorg," zeide hij, ik zal mij wel op de hoogte
weten te handhaven.
In den kring zijner geliefden stond hij daar, deze
bloeiende jongeling, zoo frisch, zoo schoon, zoo vroolijk
en vol hoop, de grens der jeugd haast overschrijdend.
Wie zou zich niet met hem verheugen?
Ongezien van allen, zweefde de engel boven de hoofden
van het gezin. Met een zorgvollen, medelijdenden blik
zag hij op den knaap neer. Hij zag die frissche wangen
niet, die glinsterende oogen, dat hooge voorhoofd, hij zag
wat anders. Hij zag, hoe de stof der ziel, die voor vijf
jaren nog ongevormd tusschen den afgrond en de hoogere
sferen stond, begonnen was, zich te vormen; nog niet
binnen vaste grenzen, maar toch zóó, dat hij reeds
zien kon, hoe hier en daar eenige leelrjke trekken be-
gonnen te ontstaan, die, zoo zij zich later mochten ont-
wikkelen, licht afschuwelyke misvormingen konden wor-
den. De ziel was ook begonnen zich heur kleed te weven,
en dat kleed was niet schoon. Onduidelijke omtrekken
van vlekken waren er op zichtbaar; ook had zich de
ziel volgens hare natuur bewogen, doch niet naar boven.
Lichte schaduwen van den afgrond beroerden haar, die
haar tot heden niet konden bereiken.
-ocr page 41-
33
Met gebogen hoofd en diepzuchtend, keerde de engel
terug tot den troon des Heeren; aan zyne voeten knielend
fluisterde hij wat hij te zeggen had, en het trilde als
een adem van weemoed door den hemel.
Vijf jaren later, hij had zyn examens en een paar
vroolijk maar ook vlytig doorgebrachte studiejaren achter
den rug, vierde hij zijn geboortedag te Rome. Zijn vader
was gestorven, de slag had hem voor een oogenblik
ontroerd, doch de reis naar Rome stond voor de deur.
Hij zou zich aan een vroolijk gezelschap van dichters
en kunstenaars aansluiten en die wilden niet wachten.
De dood van den vader bracht zorgen voor de toekomst.
„Moeder" smeekte hij, „ik behoef toch mijn reis niet
op te geven?" „Neen, mijn jongen" had zy geantwoord,
„gy moogt reizen." Een traan parelde in heur oog en
een zucht ontsnapte haar borst. „Ik kan velerlei zaken
ontberen, ik ben nu alleen en heb niet veel meer noodig,
gy moet reizen."
Hij zag die traan niet, noch hoorde dien zucht. „Gij
zyt mijn lief moedertje," riep hij uit, haar vroolyk om-
armend. Binnen acht dagen was by weg.
Deze laatste vyf jaren hadden zijn dichtertalent doen
ontwaken. Ofschoon hij nog jong was, begon zijn naam
toch reeds bekend te worden. Hy had zijn belofte ver-
vuld en zich op de hoogte staande weten te houden niet
3
-ocr page 42-
34
alleen, maar hij had zich hooger, nog hooger weten te
verheffen. Zijn fonkelend vernuft, zijn geestige invallen
en geheel zijn innemende persoonlijkheid verschaften hem
overal vrienden en bewonderaars. Nu zat hy in een
romeinsche Osteria, de zon was op het punt om onder te
gaan en zond heur laatste schitterende stralen over de
eeuwige stad.
Zijne vrienden hadden ter zijner eere een zangkorps be-
steld. De melodieuze stemmen klonken wonderbaar schoon
in den gulden, warmen zomeravond. Steeds vroolijker
en luidruchtiger werden de feestvierenden. Kwinkslagen
vlogen over en weer, er werd een toast uitgebracht
op een schoone Italiaansche, die niet te vergeefs zijn
levensweg gekruist had, en die hem op dienzelfden
avond op een bekend plaatsje verwachtte. Lachende
stemde hij er mede in. „Benijdenswaardige kerel\'!" riep
een zijner vrienden uit, „hoe gelukkig zijt ge reeds nu
en wat staat je noch niet te wachten!" Hij stond op
om zijne vrienden te danken.
De bijna ondergegane zon verlichtte nog -even zyn
blond, lokkig hoofd. Stralend van geluk stond hij daar,
een beeld van jeugdige schoonheid.
In dit oogenblik was de engel, zijn opdracht getrouw,
stil op de aarde gekomen en naderde onbemerkt den held
van den dag. Hij hoorde dat vroolvjke gejuich niet!
-ocr page 43-
35
Hij zag die trotsche mannengestalte niet, dat door genot
en wijn verhitte aangezicht. Hij zag de afschuwelijke
misvormingen die voor vijf jaren slechts even te bespeuren
waren, nu bijna afschrikwekkend ontwikkeld; in het
eigen geweven gewaad der ziel waren allerlei afschuwelijke
teekeningen gewerkt, die uit vuile vlekken waren samen-
gesteld, en die nu eens hier dan weder daar duidelijker
of zwakker te voorschijn kwamen. De ziel was nu ook
dieper in den afgrond gezonken, en ofschoon, zooals ik
reeds zeide, de aardsche zon nog het schoone aardsche
hoofd verlichtte, zoo stond de ziel daar, waar nauwelijks
een enkele lichtstraal uit de verheerlijkte hemelsche wereld
ze meer bereiken kon.
De engel keerde zich weenend van hem af, en als hij
berichtte wat hij gezien had, weerklonk door den hemel
een droeve klacht.
Wederom vijf jaren later.
De nu reeds rijke en gezeten man werd meer en
meer geacht, zijn genie meer en meer erkend, zijn dwaze
studentenstreken lagen reeds lang achter hem, niemand
kon iets ten zijnen nadeele zeggen. Men rekende het
zich tot een eer met hem te .mogen omgaan. Alles
wat kunst en beschaving schoons en verhevens konden
opleveren, werd in zijn huis gekend en gewaardeerd.
Hy werkte ijverig. Zyn vrouw echter zag er bleek en
-ocr page 44-
3G
treurig uit en sprak hem slechts met een zekere
schuwheid aan.
De dienstboden in zyn huis wachtten zich wel, een
zijner wenschen onbevredigd te laten, het zou hun be-
rouwd hebben. Menige bittere traan was reeds ongemerkt
in de dienstbodenkamer geschreid. De armen die in zijn
huizen woonden, kwamen nooit met hun aangelegenheden
tot hem, maar ontweken hem angstig. Dergelijke onaan-
genaamheden had hij verre van zich weten te houden.
Geheel in zichzelf gekeerd en verdiept, leefde hij naar
allen schyn op een effen pad voort.
Maar de engel kwam en zag hem, en verborg zijn
gelaat in de handen.
Zijn vijf en dertigste verjaardag vond hem op het
toppunt van zijn roem. Zijn hoofdwerk was verschenen
maar het was een godonteerend werk; de held een ver-
goding van den van God vervreemden wereldgeest; en toch,
toch had dit werk de halve wereld in verrukking ge-
bracht , honderden van gelukwenschen en betuigingen van
eerbied bedekten zrjn schrijftafel. Daar werd gescheld.
Een eigenhandig schrijven des konings werd hem over-
handigd, een ridderorde en een adelsdiploma inhoudende.
"Wie kan bevatten, met welk een gevoel hij die konink-
lrjke toezending ontving! Zijn hooge gestalte scheen nog
hooger, toen zijn levendige phantasie hem de schitterende
-ocr page 45-
37
toekomst schilderde, die hem wachtte. Van stoute droomen
en hemelhooge plannen vervuld, riep hij uit: „Ik verdien
ook al het geluk, dat my toestroomt! Was het mijn
doel niet, van mijn vroegste jeugd aan, om het zoover
te brengen? Mijn geest, mijn talent, mijn genie, heb
dank, — gij liet mij niet in den steek! Wat geeft mij
der Christenen God? Ha, Ha! zou Hij mij zoover hebben
gebracht? Met dat eeuwig geredeneer van ootmoed, be-
rouw en zelfverloochening — wat zou er wel van mij
geworden zijn? Neen, ik wil de wereld toonen, dat men
het ook zonder dezen God stellen kan, en beter zonder
Hem dan met Hem."
Het was Zondag; zijne vrouw, zooeven uit de kerk
teruggekeerd, trad langzaam zijn studeerkamer binnen.
„Stoor mij niet," riep hij onwillig toen zij hem naderen
wilde. Gij hebt toch geen verstand van datgene wat mijn
leven uitmaakt. — Daar, lees den brief des konings en laat mij
dan alleen, ik moet werken." — „Lieve man," begon zij
schuchter, „lieve man," ik wilde u slechts vragen....." —
„Stoor mij niet," herhaalde hij op barschen toon, lees
den brief, zeg ik u, en laat mij dan alleen." Een karaf
oude cognac stond op een zilveren presenteerblaadje naast
hem; hij vulde er een glas mede, goot er een paar
droppels water bij en dronk het in eenen teug ledig.
Hy had behoefte aan deze versterking, om zrjne van
-ocr page 46-
38
opgewondenheid trillende zenuwen tot bedaren te brengen,
\'s Avonds was er een groot feestmaal. Wat ik voor tien
jaren hoopte, dacht hij, is thans in vervulling getreden;
de stoute droomen die ik nu nog koester, zullen misschien
na verloop van weder tien jaren ook vervuld zijn! —
En de engel zweefde omlaag en herkende nauwelijks de
ziel. Zij stond zoo diep in den afgrond, zoo ver van
het licht; vlammen verlichtten haar, huivringwekkende
vlammen en vuur, waarvan in Jesaja 50:11 gesproken
wordt. — Vlammen die zich de ziel zelf ontsteekt, die
een vaal, schrikwekkend licht om haar heen verspreiden
en haar met hare verterende stralen omspelen, ofschoon
zij zelven uit duisternis en verderf geboren zijn. Het
bederf, dat uit de arme ziel zelve scheen te komen, deed
den verheerlijkten engel terugdeinzen, huiv\'rend wendde
hij zich af en waagde het nauwelijks voor den troon des
Heeren te treden.
En weder waren bijna vijf jaren voorbijgegaan; kouder,
harder, steeds meer zich zelf vergodend was de groote
man geworden. Hij hield buitengewoon veel van zrjn
zoontje, dat den roemvollen naam zijns vaders verder dra-
gen en in zrjne voetstappen treden moest; het was zrjn
afgod. Zijne vrouw kende hij niet eens, zou ik haast
zeggen. Hij had haar op jeugdigen leeftijd gehuwd; zrj
was hem te eenvoudig, te stil, te ernstig. Hij kende
-ocr page 47-
39
de parel niet, die hem ter zijde stond. Daar trof hem
een slag. Zijn zoon, zijn innig geliefde, lag doodkrank
terneer. De vader zat aan zijn bed, stijf en gevoelloos,
spraak- en hopeloos, en zag hoe de dood meer en meer
zijn schrikwekkenden schaduw over de geliefde trekken
uitbreidde. Daar trad de moeder binnen; zwijgend vatte
hij hare hand, zoo stonden zij naast elkander en ver-
wachtten het ontzettende.
Toen alles voorbij was, werd de vader door dezelfde
verschrikkelijke ziekte aangetast. In onuitsprekelijke smart
lag hij daar ter neder en toch bij volle kennis. Zijne
vrouw zat dag en nacht bij hem; hij sprak weinig met
haar; hij kon slechts weinig spreken, maar het klonk
anders dan te voren, weeker, zachter, liefdevoller. Als
de zoetste hemelsche melodie, ontroerden haar dezen toon.
„Op zekeren dag zei hij nauwelijks hoorbaar:
„Mijn lieveling" (zoo had hij haar in de eerste dagen
van hun verloving steeds genoemd) „mijn lieveling, ver-
geef mij!" Zij drukte ontelbare kussen op zijn- heete
koortsige hand. „Lees," fluisterde hij; „lees iets, wat
gij altijd leest, gij weet wel, iets van genade, van vergeving.
Toen verbanden de gruwelijkste smarten weer alle
andere gedachten. Zijne krachtige leden werden door
kramp overvallen, zijn edele gelaatstrekken misvormd,
zoodat eenige zijner vertrouwdste vrienden, die een oogen-
-ocr page 48-
40
blik aan zijn leger mochten komen, ontzet terugdeinsden
en haastig de kamer ontvluchtten.
„Welk een onheil, welk een ellende!" riepen zij uit.
„Hoe gansch anders was het heden voor vijf jaren, toen
hij ons aan dien feestmaaltijd den brief des konings voor-
las — deze krachtige van gezondheid overvloeiende ge-
stalte, deze uitnemende geest, deze vreugde, deze heer-
lijkheid! Het deed weldadig aan hem te zien — en nu!
Welk een vervloekt noodlot heeft hem overvallen! Zijn
kind gestorven, hij zelf aan den \'rand van het graf,
zijn kracht gebroken, zijn aanblik ontzettend om aan
te zien!"
„Welk een jammer, welk een ellende!"
Toen de engel wederkwam, scheen het als vreesde hij
bijna de ziel te aanschouwen, zoo verschrikkelijk was
hem de herinnering aan dien laatsten aanblik. Langzaam
keerde hij zich tot haar. Daar ontvlood zijn engelen-
borst een kreet van verrukking, een zalig lachje gleed
over zijn gelaat en hij vouwde zijne handen tot een stil
dankgebed. Hij zag de stuiptrekkingen niet, waardoor
de kranke juist weder bezocht werd, noch de verschrik-
kelijke opzetting die zijn gelaat onkenbaar maakte, —
hij lette niet op den ademnood, die zijn arme borst
dreigde vaneen te doen springen. — Hij zag slechts hoe
de afschuwelijke misvormingen der ziel op het punt
-ocr page 49-
41
waren te verdwijnen, hoe het met vlekken bezaaide ge-
waad , reiner en helderder werd; hoe zich overal schoonere
omtrekken vertoonde. Hij zag, hoe de vale, spookachtige
vlammen, die de ziel zichzelf had ontstoken, waren
uitgebluscht en in hun plaats het hemelsche licht, dat
van des Heeren troon uitstraalde, haar weder bereikte,
verwarmde, deed leven.
Zij stond niet meer in dien huiveringwekkenden af-
grond. Als door een liefderijke hand opgeheven, was zij
langs de steile kanten der diepte omhoog geklommen;
zij kon weder vooruit zien; zij kon in de verte andere
zielen aanschouwen, die geheel in het licht des Heeren
wandelden; zij gevoelden heur geluk en verlangde slechts
ook deze gewesten des lichts te bereiken.
Toen de engel het heerlijke, dat hij gezien had in
het rijk des lichts vermeldde, was er
„Blijdschap voor de engelen Gods." Lucas 15 : 10.
Nog eens waren er vijf jaren vervlogen. De zwaar be-
proefde was van zijn langdurige ziekte genezen; langzaam
keerden kracht en gezondheid weder, maar zijne vroegere
vrienden klaagden, dat hij toch geestelijk gebroken was.
„Hij is niet meer dezelfde," zeiden zij, „hij is een
schijnheilige, een veinsaard geworden. Hij heeft den
geest des tijds in eens den rug toegekeerd. Hij is de
vernuftigste niet meer onder ons jonge vrydenkers. Zijn
-ocr page 50-
42
gevleugelde woorden, die met het oude geloof en met
de zoogenaamde goddelijke dingen, zoo fijn, zoo pittig
konden spotten, zijn verlamd. „Weet gij het reeds,"
roept de een uit, „hij moet het boek waaraan hij eigenlijk
zijn roem te danken heeft, teruggetrokken en openlijk
verklaard hebben, dat hij de daarin uitgesproken meenin-
gen niet meer deelt." — „Jammer, jammer" merkte
een tweede op, zijn vrouw heeft hem betooverd!" Een
luid gelach, volgde op deze spotternij.
Hij echter vierde stil en gelukkig zijn vijf en veertigste
geboortedag. Eenige vertrouwde, eensdenkende vrienden
waren bij hem.
Zijne vrouw zat gelukzalig aan zijne zijde. „Mijn
kind," vroeg hij, „zing ons eens mijn lievelingslied voor
wij willen allen medezingen."
Zij zette zich voor de piano en met een zachte heldere
stem, zong zrj:
So nimm denn meine Hande
Und führe mich
Bis an mein selig Ende
Und ewiglich!
Ich mag allein nicht gehen,
Nicht einen Schritt,
Wo du wirst gehn und stenen,
Da nimm mich mit!
-ocr page 51-
4a
In Dein Erbarmen hülle
Mein schwaches Herz,
Und mach\' es ganzlich stille
In Freud\' und Schmerz;
Kann ich auch nicht verstehen
Wie Du mich führst,
"Will fröhlich weiter gehen,
Weil Du regierst.
Wenn ich auch gar nichts fühle
Von Deiner Macht,
Du führst mich doch zum Ziele
Auch durch die Nacht.
Lasz ruhn zu Deinen Füszen
Dein schwaches Kind,
Ich will die Augen schlieszen
Und folgen blind.
Hun onbewust vermengden zich hemelsche stemmen
met de hunne. De engel was ditmaal niet alleen ge-
komen. Teedere, lichtende gestalten vervulden ongezien
de kamer. Dat was een ander koor als te Rome voor
vijf en twintig jaren. Dit lofgezang weerklonk tot inde
onmetelrjke ruimten der eeuwigheid en werd door andere
engelenkoren verder gedragen, steeds verder, tot voor
-ocr page 52-
44
den troon van den Levensvorst, die op aarde in de dagen
zijner vernedering, gezegd had:
„Ik ben gekomen, om te zoeken en zalig te maken,
wat verloren is!"
-ocr page 53-
EEN MISLUKTE PROEFNEMING.
k had mijn neefje gezegd, dat, wanneer hij met een
stukje barnsteen op de mouw van zijn wollen kieltje
heen en weer wreef en dan snel het barnsteen boven
eenige kleine papiersnippers hield, deze er tegen aan
zouden springen en een tyd lang er aan zouden blijven
hangen. Den volgenden morgen besloot het ventje, zijn
eerste wetenschappelijke proefneming te doen, doch wist
niet dat ik hem gadesloeg. Misschien herinnerde hij zich
niet precies wat ik hem gezegd had, of hield het voor
onnoodig mijne voorschriften zoo getrouw op te volgen,
tenminste hij nam een stukje hout en nadat hij dit op
zyn katoenen boezelaartje krachtig had gewreven, pro-
beerde hij de papiersnippers er mede op te heffen.
Na herhaalde, steeds mislukte pogingen wierp hy het
stukje hout driftig weg en riep uit: „\'tis niet waar,
\'t is onzin!"
-ocr page 54-
46
Hetzelfde heeft niet lang geleden een wereldberoemde
geleerde over de macht des gebeds gezegd. Hij zeide
ook: „\'t is niet waar, — \'t is onzin," hij drukte zich
slechts ietwat geleerder en bombastischer uit.
Zou het niet mogelijk z\\jn, dat zijne proefnemingen
betreffende de verhooring des gebeds, met even weinig
oplettendheid omtrent de noodzakelijke voorwaarden ter
verkrijging van een goede uitkomst, zijn genomen, als
die van nnjn neefje?
Wil men zich het zalige geheim der gebedsverhooring
geopenbaard zien, zoo zijn verschillende voorwaarden
noodig. Onder andeïen! Een van vooroordeel vrij, naar
waarheid dorstend gemoed, een ootmoedig hart, dat de
zwakheid van eigen kracht kent, een vurig verlangen
naar de gemeenschap met God. Misschien heeft de groote
natuurvorscher niet aan al deze voorwaarden voldaan.
-ocr page 55-
DE BIJBEL EN DE VIOOL.
k trad onlangs mijn woonkamer binnen; daar lagen
naast elkander op de piano, een bybel en een viool.
Dit was niets byzonders; het viel mij toen ter tyd
ook niet op. Ik had mjj voorgenomen mijn boekenkast
in orde te maken en was juist van plan daarmee te be-
ginnen, toen ik gestoord werd en wel door een kleine
jongen, die ik by mij gevraagd had om hem plaatjes te
laten zien. Zyne moeder was eene arme vrouw, die ik
gedeeltelijk in mijn dienst genomen had, en de knaap
was mijn lieveling geworden.
De acht jaren van zyn leven had hy\' in een boerenhut
op een armzalig dorp doorgebracht; eerst sedert eenige
dagen woonde hy in de stad en was een en al verbazing
over zyne omgeving.
Zooals alle kinderen doen, deed hy mij onophoudelijk
allerlei vragen over alles, wat hy zag. Hy\' ging op de
teenen door de kamer, ieder voorwerp beschouwende.
-ocr page 56-
48
Eindelijk bleef hij voor de viool staan. „Wat is dat?
vroeg hij. Ik noemde hem den naam. maar dat hielp
hem niet veel. Ik liet hem het instrument in de handen
nemen en onderzoeken — hij schudde het hoofd en kon
er niet uit wijs worden.
„Waar dient het voor?" vroeg hij verder. „Het maakt
schoone muziek," verklaarde ik. Eens had hy een kleine
kinderfluit gehad en herinnerde zich dat hij daarop blazen
moest, om geluid voort te brengen.
Zoo blies hij dan ook bedeesd op den viool, doch zonder
gevolg. Ik toonde hem den strijkstok — hij hield die
voor een zweep.
In ieder geval was mijn kleine vriend geen (ten minste
nog geen) Joachim of Paganini. Daar kwam onverwachts
mijn zoon binnen, die zeer aardig viool kan spelen, en
ik verzocht hem wat te spelen. Hij nam de „zweep"
en begon.
Ik sloeg den knaap gade en zag hoe de vroolijksto
verrassing, verwondering en vreugde zich op zijn gelaat
afteekende.
Ofschoon zn\'ne ooren kleine ongeoefende boerenooren
waren, zoo verstonden zy toch de welluidendheid der
tonen. Mijn zoon moest steeds door spelen, het beviel
den jongen al te goed. Toen ging hij naar huis om zyne
moeder al de wonderen te verhalen die hij beleefd had.
-ocr page 57-
49
Ondertusschen waren de boeken op hun plaats gezet,
daar zag ik den bijbel leggen, en nam hem juist op om
hem weg te zetten toen ik weder, en ditmaal door een
gewichtiger bezoek, werd verhinderd.
Het was een beroemd man, een kunstenaar, hoogbe-
schaafd, geestig en zeer wellevend. Ik wist echter, dat
hy* een vyand van allen godsdienst was. Hij had altijd
een vroolyk, zorgeloos leven geleid, werd zeer bewonderd
en geëerd in deze wereld en had zich nooit met ernstige
dingen bezig gehouden. De bijbel nog in de hand houdende,
plaatste ik mrj tegenover hem en wij spraken eenigen
ty\'d over allerlei onverschillige dingen; toen verhaalde ik
hem de kleine scène van den knaap en de viool, die hier
zoo even was afgespeeld. Hij lachte er hartelijk om en
stond toen op met de opmerking dat hij vreesde mrj in
mijn bezigheid als bibliothecaris gestoord te hebben — de
boekenkast stond nog open.
Voornemens afsQheid te nemen, vroeg hy, ik weet
niet welken inval volgend, wat het toch voor een boek
was dat ik in de hand hield.
Ik reikte het hem ovef; Nadat hij het geopend had,
lachte hy, en gaf het my\' weder terug. „Het is gewis
het laatste boek dat gij en ik nog zouden kunnen noodig
hebben," waagde ik op te merken.
Hy\' nam het nogmaals ter hand en bladerde er werk-
4
-ocr page 58-
50
tuigelijk in. Zyne oogen gleden over de heerlijke be-
loften, die voor zoovelen het leven en de kracht zyn
geweest; zij maakten op hem geen indruk. Het hoofd
schuddend, zeide hij: „Ik heb nooit kunnen begrijpen
waaraan dit boek zynen invloed te danken heeft. Voor
mij is het een volkomen raadsel."
Ik kon niet nalaten te zeggen: „mynheer D, gij her-
innert mij aan dien kleinen jongen, van wien ik u zooeven
verhaalde, die nooit een viool gezien had. Hij wist niets
van de heerlyke tonen die er aan ontlokt kunnen worden;
hij wist niet, hoe de zielen van duizenden geroerd en
getroffen kunnen worden dot)r het trillen van die vier
kleine snaren, en gij — gij houdt dit boek in de hand,
gij slaat de bladen om, gij beziet den band en gij legt
het weder ter zyde, gy weet niet welke tonen het te
voorschijn roepen kan, hoe zijne machtige accoorden de
harten aangrijpen kan en hen opvoeren tot alles wat
hoog, heilig en edel is." Hy bleef een oogenblik in ge-
dachten staan, toen zeide hy: „gij hebt gelyk, uw bybel
is een instrument dat ik niet bespelen kan — hoe leert
men dat toch?
„Er zijn vele leermeesters," antwoordde ik.
„Noem mij den grootste, die de beste leerlingen heeft
gevormd".
„Het verdriet."
-ocr page 59-
61
„Op die hoogeschool zou ik niet gaarne mijn examen
doen", zeide hij langzaam.
„Wij mogen onze leermeesters niet altijd zelve kiezen",
merkte ik op.
Zelden had ik hem zoo ernstig gezien. Hij gaf mij
zwijgend de hand en ging weg.
-ocr page 60-
MASSA EN GEEST.
3£f
30
oe groot moet een mensen wel zijn, om de goddelijke
opmerkzaamheid waardig gekeurd te worden? — Een
meermalen tegen het christendom aangevoerde tegenwer-
ping is deze, dat het onmogelijk is, dat de macht, die
billioenen van werelden geschapen heeft en in hun onme-
telijke banen bestuurt; zich aan zulk een atoom als de
mensch, zou laten gelegen liggen. Ja, atoom, zou bijna
nog een te veel zeggende benaming voor hem zijn,
daar de aardbol dien hij bewoont en die hem zoo groot
toeschijnt, zelf slechts een atoom is in de oneindige uit-
gestrektheid van het heelal!
Deze gedachte is niet enkel een uitvloeisel van de
moderne wetenschap. Voor ongeveer 3000 jaren, riep
David uit: „Wanneer ik den hemel aanschouw, uwer
handen werk, de maan en de sterren, die gij gemaakt
-ocr page 61-
53
hebt — wat is de mensch dat gij zijner gedenkt, en het
menschenkind dat gij u zijner aanneemt!"
Deze tegenwerping is een der lafste. Ook liet David
zich daardoor niet op het dwaalspoor brengen. Een pas-
send antwoord daarop, kan door eenige vragen gegeven
worden.
Heeft zuiver stoffelijke groote wel in het geheel iets
met onze zaak te maken? Zou b.v. de innerlijke waarde
van den bijbel verhoogd worden, wanneer hij in plaats
van zich in een gemakkelijk formaat te mogen verheugen,
zoo groot was als de Mont-blanc? Stellen wij ons een
oogenblik den mensch van zulk een afmeting voor, dat
hij, met astronomische afstanden rekening houdend, even
gemakkelijk van den eenen melkweg tot den anderen,
loopen kon, als over de keien van een straat of de
patronen van een tapijt, zou deze opeenhooping van stof
hem tot een meer beteekenend schepsel maken dan hij
nu is?
Is het menscheljjk lichaam klein, zoo heeft de men-
schelijke geest, ik zou haast zeggen, bijna grenzelooze
afmetingen en behoeft zich door geen wetenschappelijke
openbaring van de uitgestrektheid van het heelal bevreesd
te laten maken, daar toch de geest zelf, die in dat
minimum van stof besloten is, die overweldigende ont-
dekkingen gemaakt heeft.
-ocr page 62-
54
Kopernicus beschouwde het zonnestelsel, als ware het
een op zijn tafel werkende machine.
Al ware de mensen ook een millioen mijlen hoog, zou
dit feit, zijne geschiktheid om met den Allerhoogsten
in gemeenschap te treden, vermeerderen ? Zou God, die
een „Geest" is, hem daarom meer lief hebben ? En andere
gedachten rijzen onwillekeurig bij ons op. Door den mond
van verscheidene zijner Schrijvers (van den Psalmist,
Jesaïa, Petrus, Johannes, ja van den Heer zelf) leert
de bijbel, dat het gansche gebouw der stoffelijke schepping,
met zijn verbijsterende ondoorgrondelijkheden, eigenlijk
toch slechts als een seconde, in verhouding tot de eeuwig-
heid staat. Dat deze gansche schepping met der tijd zal
uitgediend hebben en oud en broos geworden, een weder-
geboorte en verheerlijkingsproces zal moeten ondergaan,
en wel door een vreeselijke omwenteling.
„Zij (de hemelen) zuilen vergaan, maar Gij blijft. Zij
zullen allen als een kleed verouden, Gij zult ze veranderen
als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn." De hemel
zal als een rook verdwijnen en de aarde zal als een
kleed verouden (Psalm 102: 27 en Jesaïa 51: 6).
De allernieuwste wetenschap leert hetzelfde, namelijk,
dat de tegenwoordige staat der dingen, noodzakelijk eens
een einde nemen moet, dat de machine ten slotte uit-
gewerkt zal hebben. Het schijnt bijna, of David, Jesaïa
-ocr page 63-
55
en Petrus, de voorlezingen van Helmholz en andere
moderne geleerden bijgewoond hebben.
Wij zien dus, dat zoowel van wetenschappelijk als
van godsdienstig standpunt, deze stofmassa\'s, hoe over-
weldigend zij ook zijn mogen, toch niet tegen één enkele
onsterfelijke menschenziel opwegen kunnen.
Een enkele naar heiligheid strevende ziel is heerlijker,
dan alle lichtgevende nevelvlekken te zamen genomen.
Ja: „Eén schitterende gedachte overtreft ze allen in
glans."
-ocr page 64-
DE VADER DER LEUGEN.
jij den aanvang der wereldgeschiedenis loochende do
duivel Gods "Woord. Nadat de ontzettende straf voor
\'s menschen ongehoorzaamheid was uitgesproken: „Gij
zult den dood sterven," zeide de duivel: „Gij zult den
dood niet sterven," en de mensch geloofde hem liever
dan zijnen God.
Thans nu de Heer in genade gekomen is en gezegd
heeft: „Wie in mij gelooft, zal leven, al ware hrj ook
gestorven," Loochent de duivel weder de goddelijke uit-
spraak, en zh\'ne taktiek veranderend, zegt hij: „Gy zult
toch zekerlijk sterven! Gij zult allen nederzinken in den
duisteren, eeuwigen afgrond der vernietiging."
En weder gelooven velen hem liever dan hunnen God.
-ocr page 65-
DE LOODEN SOLDATEN.
\'ij zien nu door een spiegel (glas, engelsche ver-
taling) in een duistere rede, maar alsdan zullen wij zien
van aangezicht tot aangezicht."
Een zeer aardige geschiedenis wordt van een armen,
ongelukkigen knaap verhaald, die op zekeren dag te
Londen overreden, en bewusteloos in een kinderhospitaal
werd gebracht.
Zijn leven was vol ongeloofelijke ellende geweest, hy
had geen ouders meer en was in dienst van een afschu-
welyke, aan den drank verslaafde vrouw, die hem dage-
lijks uitzond om te bedelen; wee echter, zoo hij van
zyne omzwervingen met ledige handen terug kwam,
harde slagen waren dan zyn deel.
Des nachts lag hij op een zak vuile lompen, in een
verpeste lucht. Zijn voedsel bestond uit harde brood-
korsten of een weerzinwekkenden brij. Het eenige ge-
-ocr page 66-
58
noegen dat de medelijdenswaardige knaap kende, was
zijne blikken over al de heerlijke zaken te laten weiden,
die voor de winkelramen uitgestald waren; de verrukke-
lijke koeken, heerlijke vleeschwaren, \'t betooverende
speelgoed. Hij wist het wel, al deze dingen waren
niet voor hem, er was altijd een glas voor, zoodat
hij ten slotte met de gedachten, ze niet te bezitten,
geheel verzoend raakte, en het hem nooit inviel, dat
al deze heerlijkheden ook zonder dien doorzichtigen
scheidsmuur voor hem konden bestaan. Een doos met
looden soldaten had zijn opmerkzaamheid in bijzondere
mate geboeid.
Lang had hij ze beschouwd en er op kinderlijke wijze
naar verlangd, doch — daar was helaas, het glas.
Op zekeren dag werd hij, zooals ik reeds zeide, over-
reden, en in een hospitaal gebracht, een hospitaal, zooals
ik wenschte dat ze allen waren, bestuurd en geleid door
de liefde van Christus. Toen hij uit zijn bedwelming
ontwaakte, bevond hij zich in een helder sneeuwwit
bedje in een vriendelijke kamer, waarvan de vensters met
frissche bloemen versierd waren, maar boven alles zag
hij een zacht liefdevol gelaat over zich heen gebogen.
Krachtige, heerlijke bouillon werd hem gegeven, nooit in
zijn leven had hij iets dergelijks geproefd. Toen moest
hij weder slapen.
-ocr page 67-
59
Men trok een gordijn voor het venster, om zijne oogen
tegen het schitterende zonlicht te beschermen. Dat alles
kon hij maar niet begrijpen, hij geloofde bijna, dat hij
een engeltje in den hemel was geworden. Zoo goed
het ging betastte hij zijne schouders, om te voelen of
hij niet reeds vleugeltjes had, hy vond er echter geen.
Alles was hem raadselachtig, doch de toestand van uit-
putting en verdooving waarin hij zich bevond, veroorloofde
hem niet er veel over na te denken.
Hij was niet zoo ernstig gewond, als men aanvankelijk
geloofde. De pijnen bleven weg en hij viel spoedig in
een diepen slaap, die den ganschen nacht aanhield.
Den volgenden dag zag hij eenige der andere kinderen
met paardjes, wagentjes en dergelijke dingen spelen.
Verstomd zag hij toe — zij schenen werkelijk die schoone
zaken met de handen aan te raken.-
Spoedig was hij ook in staat om in zijn bedje rechtop
te zitten; de vriendelijke verpleegster steunde hem met
een kussen in den rug, legde een plank voor hem op
het ledikant, en toen bracht zij hem — hij kon nauwe-
lijks zijn oogen gelooven — een doos met looden soldaatjes,
juist zooals die welke hij voor het winkelraam had gezien.
Nadat hij ze eenige minuten lang, nieuwsgierig bekeken
had, strekte hij langzaam, verlegen, bijna bevreesd, zrjn
handje er naar uit; toen volgde een uitroep van verwon-
-ocr page 68-
60
dering, van de hoogste verrukking: „O maar daar is
geen glas voor!"
En hoe zal het ons dan zijn, wanneer wij eens daar
komen, waar ook wjj zullen uitroepen: „0, maar daar
is geen glas voor!"
Ach ja! Hier is altijd een glas tusschen ons en dat-
gene wat wij hopen en waarnaar wij verlangen, tusschen
ons en Hem, dien wij zoo gaarne nader zouden treden,
tusschen onze innigste gebeden en de verhooring er van.
Wanneer wij hier aan onze geliefden denken, die van
ons werden genomen, ofschoon wij weten, dat zij daar-
boven zijn, zien wij hen toch slechts door een glas en
dikwijls door een dik, zeer donker glas.
O, hoe zal het ons dan zijn, wanneer niets ons meer
scheidt van onzen Heiland, van onze geliefden!
Niets! niets! Geen glas meer tusschenbeiden.
-ocr page 69-
DE KNARSENDE DEUR.
■H|th oen ik onlangs zat te ontbijten\', knarste er onophou-
delyk een deur; er behoorde waarlijk een zekere zelfbe-
heersching mijnerzijds toe, om daardoor niet zenuwachtig
te worden.
Toen kwam onze\' Karel binnen, die tot die zeldzame
klasse van gedienstige geesten behoort, die zelf denken
en handelen, en oliede de deur.
Zij knarste al minder en minder, tot zy\' zich eindelijk
zonder geraas heen en weer liet schuiven, en ik eindigde
in rust en vrede myn ontbyt.
Onwillekeurig kwam de gedachte bij my op, dat er
vele menschen zijn even als deze deur; kermende, jam-
merende, klagende menschen, die, wanneer zij in de
wereld heen en weer geschoven worden, door de onvermij-
delyke aanraking met hunne medemenschen, een onaan-
genamen toon doen hooren, die telkens, wanneer men
-ocr page 70-
62
tracht hun hart te openen, wanneer men hun een dienst
vraagt, bijvoorbeeld een klein offer aan geld, tijd of moeite,
steunen en zuchten, ja waarlijk knarsen, als onze deur.
Dan dacht ik ook, hoe eenige druppelen van die kos-
telijke olie der Christelijke liefde, in hunne harten ge-
druppeld, hun knarsen kan doen ophouden, zoodat zij
zachtmoedig en stil door de wereld zullen gaan, zonder
wanklanken en dissonanten te laten hooren.
Wanneer ons dan een ontevreden, ongeduldige uitroep
op de lippen zweeft, laat ons dan denken aan die knar-
sende deur, maar vóór alles aan de olie!
-ocr page 71-
DE STUKJES BLIK.
WjS>tel u voor, er verscheen een verhandeling over de
astronomie van de hand van iemand, die de sterren voor
kleine stukjes glinsterend blik aanzag, die allen op tamelijk
gelijken afstand van elkander en van onze aarde verwij ■
derd waren — zou dat niet koddig zijn om te lezen?
Nauwelijks minder belachelijk, schijnen ons sommige
aanmerkingen toe, die door zekere schrijvers, ook door
„groote denkers" op het christendom gemaakt zyn, en
die juist zooveel kennis van hun onderwerp aan den dag
leggen, als onze geïmproviseerde sterrekundige van het
zijne. Zij weten niets van de onmetelykheid van het
Christendom, van zijn hoogte en diepte, van zijn lengte
en breedte, van zrjn machtig verleden dat tot den aan-
vang der dagen terugreikt „eer de wereld was" en van
zyne glorieryke toekomst, die van eeuwigheid tot eeu-
wigheid voortduurt!
-ocr page 72-
64
Ed. von Hartmann, de beroemde pessimistische philosoof,
zegt onder andere verbazingwekkende dingen: „Hoe meer
men zich met het berouw kwelt, des te eerder mag men
hopen, den persoonlijk beleedigden God weder te verzoenen,
en bij wjjze van uitzondering, kwijtschelding terug te ont-
vangen
van de door Hem op de begane zonde gestelde
aardsche en eeuwige straf. Zoo doet ten slotte het be-
rouw zich als een zelfopgelegde boete voor, om daardoor
de strengere straf van den eeuwigen Rechter te ontgaan.
Professor Haeckel *) zegt, van de Mosaïsche „Scheppings-
hypothese" sprekende, die ook door den beroemden, deïs-
tischen natuuronderzoeker Agassiz wordt aangenomen:
„In deze gansche rij van voorstellingen is de Schepper
niets dan een almachtig mensen, die, door verveling
geplaagd,
zich met het uitdenken en vervaardigen van
de grootst mogelh\'ke verscheidenheid speelgoederen van
organischen aard vermaakt.
Nadat hu" zich daarmede duizenden van jaren heeft
bezig gehouden, beginnen zij hem te vervelen, hij ver-
nietigt ze door een algemeene omwenteling van de
oppervlakte der aarde, terwijl hu\' al het onnutte speelgoed
op hoopen te zamen werpt, om zich met iets nieuws,
iets beters den tijd te verdrijven...... Daar komt hrj
*) Natürliche Schöpfungs-geschichte.
-ocr page 73-
65
(volgens Agassis\' inzicht) eindelijk — ofschoon zeer laat —
op de goede gedachte om Zijn\'s gelijken te scheppen.....
De mensch, het kind en evenbeeld Gods, geeft hem
zooveel te doen, veroorzaakt hem zooveel vreugde en
moeite, dat hij zich sedert nooit meer verveeld heeft,
en niets nieuws meer behoefde te scheppen."
Herbert Spencer, de groote engelsche philosoof, die er
misschien meer dan iemand anders in dezen tijd toe bijge-
dragen heeft, om het geloof der menschen aan het wankelen
te brengen, schaamt zich niet te beweren: (nadat hij al
die geloofsplaatsen opgenoemd heeft, die uit den ouden
Godsdienst verwijderd moeten worden, om plaats te maken
voor den nieuwen Godsdienst der „eeuwige energie.")
„Zoo moet ook het geloof uitsterven, dat een godheid,
die in tallooze werelden, en onmeetbare ruimten tegen-
woordig is en gedurende de muloenen van jaren van het
vroeger bestaan der aarde geen eerbewijzing van de zijde
harer bewoners noodig had, van verlangen brandt zich
te laten prijzen
en die toornt op de menschen naar zijn
beeld geschapen, wanneer zij hem niet voortdurend ver-
tellen hoe groot hij is."
Kant zegt: Wanneer iemand bijvoorbeeld denkt: Indien
ik tot God bid, zoo kan het mij in geen geval nadeel
doen, want als Hij niet bestaat, zoo heb ik onnoodig
werk verricht, mocht Hij er echter toch zijn, zoo zal
5
-ocr page 74-
66
Hij mij helpen, - zoo is deze persoonsvoorstelling, een
huichelarfj, want wij moeten aannemen dat bij het bidden,
degene die bidt, volkomen van het bestaan van God
overtuigd is. Daarom geschiedt het, dat hij, die reeds
grooten voortgang in het goede heeft gemaakt, ophoudt te
bidden ,
daar oprechtheid tot zijn hoofdprincipes behoort, en
daarom schamen zij zich ook, die biddend gevonden worden."
Hoe klein schijnt ons hier die groote geest!
Een ander Duitsch geleerde laat zich aldus over het
bidden uit: Afgezien daarvan, dat een eerlijk rechter zich
door bedelarij niet op het dwaalspoor zal laten brengen
of omkoopen, wordt het gevoel van eigenwaarde bij de
bedelenden gedood
, daarbij komt nog, dat in een geschrift
dat tegenover het volk als een „heilig" wordt aangeduid,
een voortdurend klagelijk gehuil naar vreemde hulp weer-
klinkt
(vooral de psalmen Davids zijn daar sterk in en
bijzonder weerzinwekkend.)
Slechts de ruimte ontbreekt ons, ontelbare dergelijke
citaten te geven tot opsiering van het reeds aangevoerde.
Wanneer men ze leest, doen zrj denken aan de kleine
stukjes blik
van onzen sterrekundige, in tegenstelling met
den melkweg, met de nog onbegrijpelijker nevelvlekken
van andere wereldstelsels en de oneindige afstanden der
sterren die slechts benaderend door lichtjaren kunnen
gemeten worden.
-ocr page 75-
HISTORISCHE KORTZICHTIGHEID.
let was onder den Romeinschen procurator Pontius
Pilatus, dat de stichter der Christensecte de doodstraf
onderging." (Tacitus) Aldus verhaalt de wereldgeschie-
denis; doch met een merkwaardige kortzichtigheid van
den historischen blik, ziet deze geschiedenis geheel en
al de gebeurtenissen over het hoofd, die met het ontstaan
en de ontwikkeling van het Christendom in het nauwste
verband staan. Met uitzondering van eenige weinige
woorden van Plinius over de uitbreiding van deze verachte
secte, en een veel bestreden bewering van den Joodschen
historieschrijver Flavius Josephus, zwijgt, voor zoover
ons bekend is, de litteratuur dier dagen over dit onder-
werp.
Indien iemand aan Tacitus gezegd had, dat die jonge
gekruisigde timmerman (wiens dood hij slechts terloops, als
geheel onbeteekenend vermeldt) door zyne onaanzienlyken
-ocr page 76-
08
levensloop en door de woorden die hij tot eenige onbe-
schaafde visschers richtte, eigenlijk het machtige Romein-
ache rijk ten onder zou brengen; dat alle gebeurtenissen
der wereldgeschiedenis (evenzoo goed als Tacicus\' eigen
verschijning op het wereldtooneel) ieder, hetzij ze voor of
na de geboorte van dien Joodschen misdadiger geschied
zijn, chronologisch zouden worden geordend; dat meer
boeken over hem geschreven zouden worden dan over
eenig ander mensch die hier ooit op aarde geleefd heeft;
dat ieder van zijn leeringen, ieder zijner woorden door
de gansche beschaafde wereld zouden onderzocht worden,
om aangenomen of verworpen te worden, dat groote
rijken ontstaan en in de vergetelheid zouden verzinken,
terwijl zijn naam na verloop van twee duizend jaren
nog zou genoemd worden tot aan de uiterste einden der
wereld, als den eenigen naam, in welken de mensch
zalig worden kan — wat zou Tacitus wel hebben ge-
antwoord? Had hij dat alles vooruit gezien, zou hy naar
allen schijn, de onbeduidende gebeurtenissen die in Judea
hadden plaats gegrepen, anders hebben beoordeeld. Had
Plinius in de toekomst kunnen lezen, hij had anders over
die paar bedrogen dwazen gesproken, wier verderfelijke
leeringen, zoo hij meende, spoedig in de wereld zouden
hebben uitgediend.
Maar deze groote mannen zagen nu juist niet in de toe-
-ocr page 77-
69
komst, ja zij zagen niet eens duidelijk in het heden, en zij
vermoedden niet wat in den tijd waarin zij leefden en werk-
ten de machtigste Factor in de wereldgeschiedenis was.
Indien hun de voorzeggingen van het Oude Testament
waren bekend geweest en indien zij daaraan geloofd
hadden, welk een inzicht in het verborgen wezen dei-
dingen zou hun deze kennis niet verschaft hebben."
Zou het niet mogelijk zijn, dat vele beroemde mannen
van onzen tijd, Geschiedvorschers, Staatslieden, Leiders
der openbare meening, misschien de hoofdfactoren der
ontwikkeling van onzen tegenwoordigen tijd evenzoo over het
hoofd zien, wijl zij niets van de voorzegging weten willen ?
De dagen schijnen niet verre meer, dat de oprechte
Christenen weder een verachtte secte zullen uitmaken»
evenals ten tijde van Plinius. Wie de voorzegging niet
kent, zou licht kunnen gelooven dat het Christendom
zijn einde te gemoet gaat — ten minste hy die in
zekere geleerde en vermaakzoekende kringen verkeert,
of in de rustelooze handelswereld opmerkzaam omziet.
Het Christendom, en alles wat er toe behoort, ver-
wekt in \'t algemeen weinig belangstelling. De wereld
kan het evenzoo goed zonder het Christendom stel-
len. Zij zal zich, (zoo gelooven velen) met behulp
der steeds vooruitgaande wetenschap en van de steeds
meer zich volmakende beschaving, ten slotte tot een
-ocr page 78-
70
waar brandpunt van geestelijke en stoffelijke heerlijkheid
ontwikkelen. Zij zal door haar eigen kracht en deugd,
een hoogtepunt van zedelijkheid en geluk bereiken, dat
buiten ons bevattingsvermogen ligt. Waartoe heeft zij
dan nog een God noodig?
Die zoo denken, weten niet dat al dit verloochenen
van God en die zelfverheerlijking in de Schrift voorzegd
zyn. Zij weten ook niet hoe verder daarin gezegd wordt,
dat deze hedendaagsche zelfvergodings-waanzin eens een
einde nemen zal, als wanneer de jonge Galileër (die voor
Tacitus slechts een onbeduidende rustverstoorder was en
voor de wereldwijzen van heden ook slechts een sedert
langen tijd gestorven dweeper) tot de ontstelde en ver-
schrikte aarde wederkeeren zal, om voor altijd haar Heer
en Koning te zijn.
Wanneer dat zoo is, zoo zouden de kenteekenen van
zijn wederkomst, de gewichtigste Factoren der tegenwoor-
dige wereldgeschiedenis zijn. De uitbreiding der christelijke
zending, de beweging onder de Joden, alle gebeurtenissen
die voor hun terugkeer naar Palestina den weg banen,
deze door de meesten niet geachte dingen zouden nu van
oneindig grooter gewicht zijn, dan al de interessante en
opgewonden berichten, waarmede de kolommen onzer
couranten, opgevuld zijn. Ik zeg hier niet dat het zoo
is, doch Tacitus zou gelachen hebben indien hem iemand
-ocr page 79-
71
toen ter tijd de toekomst van het Christendom in de
wereld, had voorspeld.
Velen lachen heden, wanneer men hun de nu nog toe-
komstige toekomst van het Christendom, zooals die in
de Schrift wordt ontvouwd, voorspelt. En toch zou Tacitus
zonder grond gelachen hebben. Misschien is dat moderne
lachen ook ongegrond!
-ocr page 80-
DE AANVANG DES GELOOFS.
n onzen verwarden tijd is het een voorrecht van
slechts weinigen, zeker en vrij van twijfel aan het een-
voudig geloof hunner kindsheid in hun later leven vast
te houden. Er kunnen wel mannen en vrouwen zijn die
nooit door den gedachtenstroom des tijds zijn bereikt —
door dien gedachtenstroom die als een geestelijke orkaan
door de wereld giert, sporen van verbrijzeld geloof en ver-
nietigde hoop achterlatende. Toch zrjn er slechts weinigen,
die met de heilige woorden op hunne lippen leven en
sterven: „Hij versteekt mij in Zrjne hut ten dage des
kwaads". Hij verbergt mij in het verborgene Zijner tent,
Hy verhoogt mij op een rotsteen". Die uitverkorenen
wassen als kostbare vruchten aan een zonnige berghel-
ling, beveiligd voor wind en storm, rustig rijpend tot
aan den oogst. — Maar onze Heer heeft het zoo gewild,
dat het grootste aantal Zyner kinderen heden ten dage
-ocr page 81-
73
door strrjd en twijfel tot Hem zouden komen, en het is geen
bewijs dat een man Gods kind niet is, wanneer veront-
rustende vragen en beangstigende problemen hem kwellen.
Rechts en links hoort hy datgene, wat hij tot heden
voor het heiligste hield, bekritiseeren en bestrijden. —
Een tooneelspeler brengt een klein kind, dat eenvoudig
aan de waarheid van al het wonderbare en heerlijke dat
hij op het tooneel aanschouwde gelooft, na de voorstel"
ling achter de schermen. Hij toont hem het toestel dat
het effect van den zonsondergang teweegbrengt, het val-
luik, waardoor de vermeende geest verschenen is; hij
toont hem de machinerieën, die het gehuil van den wind
of den bliksem en den donder zoo natuurlijk nabootsen.
Hij toont hem hoe de golven van de door den storm be-
wogen zee, uit grrjs katoen vervaardigd zijn.
Teleurgesteld, volkomen van alle illusie beroofd staat
het kind daar, en weet niet waaraan het nog gelooven zal.
Zoo gaat het menigeen in zijn innerlijk leven. Het
schijnt hem toe alsof de bijbel, waaraan hij geloofde, die
tot nog toe voor hem Gods woord was, welks samen-
stellers hij voor diegenen hield die zij voorgaven te zijn,
en die de waarachtige woorden en daden van een levenden
Heiland getrouw weergaven, het schijnt hem toe, alsof
die bijbel onder de niets ontziende hand van bekwame
Kritici zich voor zijn oogen als een nevelbeeld oplost.
-ocr page 82-
74
Christus, tenminste de Christus die in de evangeliën
geschilderd wordt, is slechts een dichterlijke droom van
eenige onbekende mannen, het geloof aan zijn opstanding
slechts het resultaat van de zinsverbijstering eener
zenuwachtige vrouw, de wonderen die hij volbracht,
mythen, die zich om zijne edele maar zuiver menschelijke
persoonlijkheid gekristalliseerd hebben. Vele der geachtste
en beroemdste mannen, wier namen lichtende sterren
op het gebied van wetenschap en philosophie, van kunst
en geschiedenis, ja, ook van theologie zijn, arbeiden ge-
meenschappelijk er aan het gebouw van zijn oud geloof
af te breken.
De physiologen met hun wondervolle ontdekkingen
omtrent de samenstelling van het menschelijk organisme,
trachten te bewijzen dat datgene, wat hij in zijn geeste-
lijke onmondigheid ziel noemde, slechts een bewonderens-
waardige combinatie van scheikundige processen is, en
dat de onsterfelijkheid een sprookje, een onmogelijkheid
of iets dergeiyks is. Het geloof aan een persoonlijken
God, die gebeden verhoort, is een impertinentie van het
bedrogen verstand;" de vrije wil een leugen; de zonde
echter iets, „waarover het maar beter is niet te spreken;"
deugd en ondeugd zü\'n slechts „producten als suiker en
vitriool."
De atheist loochent; de agnostikus stelt zich tevreden,
-ocr page 83-
75
nooit te weten; de pessimist gelooft alles gaat te niet,
en beveelt der menschheid de zelfmoord aan, als de eenige
oplossing van het tewisprobleem; de optimist sluit zijne
oogen voor al het booze in deze wereld, of tracht het te doen.
Allen strijden min of meer met elkaar, geleerden,
philosofen, groote denkers, hooge geesten, ja theologen
en zelfs geloovigen strijden en twisten met elkander.
Sommigen houden vast aan de ingeving der Heilige Schrift,
anderen hebben dat punt reeds lang opgegeven. Enkelen
vereeren Christus als Gods eengeboren Zoon, anderen
houden Hem slechts voor een groot leeraar. Alles is
vol twijfel en onzekerheid.
Wijsgeerige stelsels volgen elkander op; ieder van hen
heeft een groot aantal geestdriftvolle aanhangers, die ge-
looven, dat de groote Pilatus-vraag eindelijk beantwoord
is. Maar ieder volgend stelsel werpt datgene ter neder,
wat het vorige voor eeuwig meende vastgesteld te hebben.
Daar rijst de gedachte in hem op: Is het met het
Christendom niet evenzoo? Zal niet iets nieuws, iets
beters zjjn plaats in de wereldgeschiedenis innemen, iets,
dat meer met de wetenschap, met de moderne verlichting
overeenstemt ?
Deze zwarigheden bestormen hem van buiten, gevaar-
lyker echter en moeielyker te overwinnen, zijn de be-
denkingen die dikwijls zijn innigst zieleleven raken. Hij
-ocr page 84-
70
grypt naar zyn bijbel, hulp en licht zoekend, en vindt
misschien juist daarin dingen, die hem verlegen maken,
dingen, die hij in zyn tegenwoordigen toestand niet in
zich opnemen kan, die hem afstooten. De ontzettende
raadselen in de wereldregeering Gods vervullen zijn ziel
met angst en beving. Zijn hart zoekt verlichting in het
gebed, maar het gebed is koud en levenloos, hij ontvangt
geen antwoord, de hemelsche electrische stroom is ver-
broken. Hij leest in Jac. 1:5 — 7.: „En indien iemand
van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begeere___
zoo zal ze hem gegeven worden. Maar hij begeere ze
in geloof, niet twijfelende, want wie twijfelt is een baar
der zee gelijk, die van den wind op en neder geworpen
wordt. Want die mensch meene niet, dat hij iets ont-
vangen zal van den Heer." Dat is echter juist zyn
toestand. Hij is een baar, gedreven door den wind.
„Hy bidt echter in het geloof\' — ja, hij wil juist
om het geloof bidden, dat hij niet meer heeft! Hoe kan
hy\' geloovig bidden? Hij wendt zich tot zijne boeken en
vindt in bijna allen, misschien wel in allen, dingen die
hem mishagen, die hem het vertrouwen in de betrouw-
baarheid van den schrijver rooven.
De een is te enghartig, de andere gaat hem te ver,
de kritiek kan hy\' op iedere bladzyde bespeuren. Hij
vertrouwt misschien op een grooten, nog levenden geest,
-ocr page 85-
77
en denkt, wanneer ik slechts met hem spreken kon,
mijn hart voor hem uitstorten, zekerheid bij hem halen, —
dan zou de chaos in mijn gemoed zich in orde veranderen.
Hij is tot hem gekomen — en is ontmoedigd, onbevre-
digd en teleurgesteld weer van hem gegaan.
Vloeit zijne onrust misschien niet daaruit voort, dat
hij zich met dingen kwelt, waarmede hij zich in \'t geheel
niet behoeft te kwellen?
Is het ten slotte niet juist, dat hij slechts tot een
hoogere orde der dieren behoort, en zich met dierlijke
dingen (ik spreek [wetenschappelijk) te vreden moet stellen ?
Is hij niet een arm, ongelukkig schepsel, door een
zonderlinge luim der natuur, met smachtend verlangen
en hoop bezield, die zij nooit denkt te vervullen; een
schepsel door zijn geest, zijn hart en zijne gevoelens
voor zijne omgeving geheel ongeschikt — een schepsel,
dat slechts voor de eeuwigheid gevormd schijnt te zyn?
Verbijsterd als een, die den weg verloren heeft en die
vreest dat zij die den wegwijzer plaatsten, zelf den rechten
weg niet wisten, dwaalt hij in onzekerheid rond.
Wat moet hij doen? Wanneer gij, lieve lezer, in zulk
een labyrinth van twijfel zijt geraakt, wat kunt gij doen?
Stel u voor gij zijt ziek. Een geneesheer schrijft u
een zeker dieet voor; hij verordend dit te doen, dat te
laten. Wanneer gij vertrouwen in uw dokter stelt, zoo
-ocr page 86-
78
is dat natuurlijk een groot voordeel; gij zult geneigd zyn,
zijne voorschriften getrouw op te volgen. Reeds het ge-
loof aan zijn woord zal uw beterschap bevorderen, gij
zult u niet zoo licht door anderen, die de gansche zaak
belachelijk willen maken, laten overreden zyn raad te
verwaarloozen.
Stel u echter voor, gij hadt geen vertrouwen in uw
geneesheer, of slechts zeer weinig. Gij hebt misschien
reeds verscheidene dokters geraadpleegt — maar zonder
gunstig gevolg, nu staat gij in twy\'fel, of de een niet
beter is dan de ander. Toch zijn u voorbeelden bekend,
waarin hij werkelijk schijnt geholpen te hebben, toestanden,
geheel als de uwe, waar beterschap volgde, waar gy
zelf gezien hebt, hoe gevaarlijke verschijnselen wegge-
bleven en meer gunstige te voorschijn getreden zyn.
Zou het dan ten slotte de moeite niet loonen, u, onver-
schillig, met of zonder vertrouwen, onder zyne behan-
deling te stellen, zijn raad op te volgen? Het is toch
niet noodzakelijk dat gij aan hem gelooft, om zijne
geneesmiddelen in te nemen, om zoo te leven als hij
het u voorschrijft; gij kunt het doen zonder geloof, als
een proefneming, een experiment als gij het zoo noemen
wilt. Hij zegt u: „Vermijd dit en dat, hoe gaarne gij
het ook doet, hoeveel zelfopoffering het u ook kosten
moge het te laten; dwing u dagelijks een uur te wande-
-ocr page 87-
79
len, hoe krachteloos gij u ook gevoelen moogt, volg een
bijzondere leefregel, hoe het u ook tegen de borst stuit —
leef juist, zooals ik het u voorschrijf."
Gü volgt een tijdlang nauwgezet zijne voorschriften.
Wanneer uwe krachten dan toenemen, uwe smarten
verminderen, uw nachtrust beter wordt, en de eetlust
vermeerdert, dan zult gij spoedig ondervinden of uw
arts een kwakzalver is of niet.
Er is echter een andere Arts, die voorgeeft, zielsziekten
te genezen, die gezegd heeft: „Gij wilt niet tot Mij
komen, opdat Ik u het eeuwige leven geve." Gh\' weet
zeer goed, dat Hij anderen geholpen heeft; er zijn u te
veel gevallen voorgekomen, waarin Zijn methode een
verwonderlijke uitkomst had, „waar zij den moede kracht
gegeven heeft en de sterkte vermenigvuldigde, hem die
geen krachten had, waar zij gebrokene harten geheeld en
hunne smarten gestild heeft." Uw vader, uwc vrouw,
uwe zuster of uw vriend hebben zyn geneesmiddelen
beproefd en kunnen niet nalaten te roemen, hoe goed
zy hun gedaan hebben.
Hoe zou het zyn, wanneer ook gij ze probeerdet,
wanneer ook gij u door Zijn raad liet leiden?
„Beproef Mij daarin," zegt deze Arts of ik u dan niet
openen zal de vensteren des hemels en u zegen uit-
gieten, zoodat er geen schuren genoeg wezen zullen."
-ocr page 88-
80
Voeg uw leven naar Mijn raad, en zie of er niet een
herstellingsproces in u zal plaats grypen! Niemand mag
zeggen: „Ik weet niet wat Hij voorschryft, ik weet niet
wat Hy van my wil."
Er is zoo iets, dat men geweten noemt.
Slechts de materialist of het door de wetenschap ver-
warde verstand van een hyper-geleerden philosoof kan
het loochenen. Er bestaat een onderscheid tusschen goed
en kwaad. Gij en ik, wij weten het beiden. Deze over-
tuiging berust niet op de opinie eener secte, ja niet
eens op een godsdienstigen grondslag.
Het is niet noodig een geloovig Christen te zijn om
dit te erkennen. Wy hebben een geweten en kunnen
aan zyne stem gehoor geven of niet. Dit is zulk een
afgesleten waarheid, dat zij in \'t geheel geen indruk
meer op ons maakt, en toch is het slechts het bewustzijn
van dit feit en het handelen er naar, dat het eerste
begin is van den aanvang des geloofs.
"Wij kunnen van den Heere Jezus Christus denken
wat wij willen, toch is er in ieder hart, dat niet geheel
verdorven is, iets, dat met Zijne leer instemt en het
verhevene Zijner heiligheid gevoelt, en zulk een hart
zal erkennen of het in overeenstemming met deze leer
leeft of niet. Ik geloof daarin zal iedereen mij gelijk
geven. Een ieder moet de grootheid der bergpredikatiën
-ocr page 89-
81
erkennen. Het oprechte voornemen echter, de daarin
gegeven voorschriften te gehoorzamen, zal beloond worden,
wordt beloofd.
„Mijne leer is niet de mijne, maar desgenen, die mij
gezonden heeft. Zoo iemand wil desgenen wil doen, die
zal bekennen
, of deze leer van God is, of dat ik van
mijzelven spreek."
„Wie myne geboden heeft en dezelve bewaart, die is
het die mij liefheeft. En wie mij liefheeft, zal van mijnen
Vader geliefd worden, en ik zal hem liefhebben en ik
zal mijzelven aan hem openbaren.
„Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren
en mrjn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot
hem komen en zullen woning by hem maken."
„Indien gij mij lief hebt, zoo bewaart mijne geboden, en
ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen trooster
geven, opdat hy bij u blijve in eeuwigheid, namelijk
den geest der waarheid, welken de wereld niet kan ont-
vangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet."
Dit zy\'n wonderbare, geheimzinnige beloften, gegeven
door dien Eenen, van wien Zijne vy\'anden zelfs getuigen,
dat Hij een mensch was, verschillend van alle andere,
grooter dan alle andere.
Er zy\'n uitdrukkelijke beloften, dat Hy hulp, licht,
kracht en vrede geven wil, dengenen die zich aan Hem
6
-ocr page 90-
82
toevertrouwen; eerst zijn woord bewaren, dan zal hij
zich openbaren.
Een twijfelaar, zooals wij hem ons voorstelden, n.1. een
die naar waarheid en licht verlangend uitziet, en vol-
gaarne offers brengen wil om ze te vinden, die echter
nog onrustig, angstig, verward en radeloos daar naar
uitziet, tot zoo iemand zou ik gaarne zeggen:
„Laat een tijdlang uwe wetenschappelijke en theologi-
sche studiën varen, laat uwe boeken ongebruikt liggen,
gij hebt er reeds te veel van gehad. Laat philosophie,
systemen en theorieën voorloopig rusten, en wanneer gij
bijvoorbeeld een arme kranke weet, die geestelijk en
lichamelijk troost behoeft, wanneer gij dan juist niet veel
lust hebt hem te bezoeken, wanneer gij eengewichtigen
arbeid, die haast heeft, gaarne zoudt voleinden, zoo laat
dit werk liggen en ga tot dien ongelukkige.
Zie toe, wat gij voor hem doen kunt, geef hem een
verkwikking, en denk daarbij, al kunt gij er nog niet
aan gelooven, aan de woorden:
„En zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft, alleen
een beker koud water, in den naam eens discipels, . ...
hij zal zijn loon geenszins verliezen." Volvoer deze kleine
liefdedaad, om de kunst van uwen Geneesheer te beproeven
en zie toe, of de belooning niet op de een of andere
wijze volgen zal, vooreerst slechts in een zeker gevoel
-ocr page 91-
83
van bevrediging en zelfvoldoening zooals gij sedert lang
niet meer ondervondt.
Gij hebt de neiging, hard over uwe naasten te oordee-
len, gij weet, dat liefdeloosheid uw hoofdgebrek is, dat
gij dikwijls scherpe, sarcastische, onbarmhartige aanmer-
kingen over af wezenden maakt, die den bijval en de bewon-
dering van het gezelschap opwekken, waarin gij u bevindt.
Nu dan, wanneer zulk een snijdend woord u op de
lippen speelt, dan in den naam van uwen nieuwen Heer,
laat dat woord onuitgesproken blijven. Denk er aan!
„Wie daar zegt, ik ben in het licht, en hjj haat zijnen
broeder, die is nog in de duisternis. — "Wie zijnen
broeder liefheeft, die blijft in het licht en geen duisternis
is in hem." — Ik ben vast overtuigd dat zulk een
geringe zelfbeheersching die, zij het dan ook nog zonder
bijzondere geloofskracht, doch met het ernstig en oprecht
voornemen, den Meester te gehoorzamen, wordt beoefend,
u uwen God nader zal brengen, dan het lezen van
honderden van theologische boeken.
„Wie mij een voetstap nader treedt
Door \'s twijfels donk\'ren nacht,
Dien kom ik mijlen te gemoet
In gulden vlammenpracht."—
Misschien heeft het caricatuur van alles, wat werkelijk
edel en verheven is, dat wat de wereld dikwijls „Eergevoel,
-ocr page 92-
34
gevoel van eigenwaarde" noemt, uwe ziel in bezit ge-
nomen. Gij hebt iemand beleedigd. Gij hadt ongelijk en
gü weet het — het is de oude geschiedenis, ik behoef
hier niet alles neder te schrijven, wat in uw hart om-
gaat, ofschoon ik het zeer goed zou kunnen doen. Gij
kunt hem niet om vergeving vragen — wat zouden de
menschen zeggen!
Hij zou u uitlachen en met uwe verootmoediging pralen,
enz. enz. En toch! Ga heen tot den beleedigde en vraag
hem om vergeving.
Die bittere artsenij helpt u misschien.
Hoe hij uw komen opneemt, daarmee hebt gij niets
te maken, dat is zijn zaak.
Gij hebt slechts, met Dien te doen, die gezegd heeft;
„Neemt mijn juk op u en leert van mij dat ik zacht-
moedig ben en nederig van hart, en gij zult rust
vinden voor uwe zielen."
Ik zou mij zeer moeten vergissen, zoo gij niet in deze
woorden een troost vondt, die gij nooit zoudt gevonden
hebben, zoo gij niet beproefd hadt ze op te volgen — Rust
voor uwe ziel.
Gij hebt een vijand, iemand, die steeds een doorn in
uw oog was, die u overal op uwen levensweg hinder •
lijk was, en wel met opzet — ja een, die zich zwaar
jegens u bezondigd heeft. Nu biedt zich een gelegenheid
-ocr page 93-
85
aan, waarop gij hem met gelijke munt betalen kunt.
Gij kunt door één woord verhinderen, dat hem een schit-
terende betrekking, waarnaar hij reeds jaren lang ver-
langend heeft uitgezien, wordt aangeboden.
Wanneer gij het echter ernstig met uwen Raadgever
meent, zoo laat dezen man gaan, leg hem niets in den
weg, ja doe een goed woord voor hem. Misschien zijt
giï\' nog niet ver genoeg op uwen nieuwen heilsweg ge-
vorderd, om het wapen des gebeds in uwen innerlijken
strijd te gebruiken.
Welnu, zie toe of gij niet uwe wraakzuchtige gevoelens,
met behulp van uw eigen mannelijke wilskracht kunt
overwinnen. Velen zeggen: het Christendom is voor
lafaards; ik zeg u: het is voor helden! Slechts hij die
moedig strijdt en lijdt, kan een echt Christen zijn. Ja,
help dezen man aan zijne betrekking. Geloof my, gy
zult ondervinden, dat in uw hart snaren trillen, die
tot heden nog nooit daarin weerklonken, en gy zult
spoedig bemerken, dat zy niet door aardsche vingeren
zyn aangeraakt.
Of gij koestert een onheiligen hartstocht — gij weet,
dat gy ze uit uw hart moet rukken. Maar gy kunt er
niet toe komen het te doen — het kost te veel! Anderen
zyn ook niet zoo streng jegens zichzelven, zy denken er
in \'t geheel niet aan deze genotvolle zonden op te geven.
-ocr page 94-
86
Maar grj — gij, die u onder de tucht van den heiligen
Meester hebt gesteld, gij moogt geen lafaard zijn!
Neem alles wat goed en edel in u is te zamen en
strijd den heiligen strijd. Misschien, daar gij reeds een
tijdlang de bevelen van uw Zielenarts gehoorzaamdt,
zult gij nu de macht des gebeds bespeuren. Gij zult
bevinden, dat het u met helm en pantser bekleedt en
een zwaard in uw hand geeft, (want bedenk gij gaat
vooiwaarts, gij gaat uwe genezing te gemoet). Ruk den
onreinen daemon uit uw gemoed en gij zult \'de woorden
verstaan: „Zalig zijn de reinen van hart, want zij zullen
God zien."
God zien! Dat was immers altijd uw vurig verlangen —
daarna hebt gij uitgezien te midden van den nevel
des twijfels. Begint gij nu de heerlijke omtrekken van
Zijn wezen te aanschouwen? Gevoelt gij een nieuwe
kracht, een nieuwen geest in u werkzaam?
Ja zeker! Het is slechts de vervulling van datgene
wat uw hemelsche Geneesheer u beloofde. Hy openbaart
zich slechts aan u, wijl gij Zijne geboden bewaardet of
ten minste beproefdet ze te houden. Zoo kon ik tallooze
voorbeelden geven.
Ieder leven en iedere dag des levens biedt menigvuldige
gelegenheden aan, deze eenvoudige onwetenschappelijke
philosofie in praktijk te brengen. Zij is zoo eenvoudig,
-ocr page 95-
87
zoo weinig in overeenstemming met de stelsels van den
dag, heeft zoo weinig met de „natuurlijk voortplantings
keuze," met den, „strijd om het bestaan" te maken, zoo
weinig met Spencer\'s moderne zedeleer, hangt zoo weinig
van geleerde exegese af, wordt zoo weinig door de debat-
ten van anthropologische, ethnologische en andere gezel-
schappen geinfluenceerd, dat men licht den tegenzin van
velen begrijpen kan, om zich met zoo iets kinderlijks en
alledaags ernstig af te geven.
En toch — zou het niet mogelijk zyn, dat de „God-
delijke dwaasheid wijzer is dan de menschen zijn en de
Goddelijke zwakheid sterker dan de menschen?" Kan
het niet zijn, dat God „datgene wat dwaasheid is voor
de wereld, uitverkoren heeft, opdat hij de wijzen te schande
make, en wat zwak is voor de wereld, opdat hij te
schande make wat sterk is?" Zal niet Hij, „in "Wien
verborgen zijn, alle schatten der wijsheid en der kennis,"
zich aan ieder eenvoudig, kinderlijk hart kunnen openbaren
en hem wonderen, waarheden en diepten kunnen doen
zien, waarvan de groote geesten en denkers, als daar
zyn, een Hegel, Spinoza, Kant, Goethe en hoe zij allen
heeten mogen, zelfs geen flauw vermoeden hadden? Het
schijnt zoo. „Ik ben verstandiger dan al mijne leer-
meesters, want uwe getuigenissen zijn mjjne redenen. Ik
ben wijzer dan de ouden, want ik bewaar uwe geboden."
-ocr page 96-
88
Dan keer tot uwe studiën terug. Gij zult vele dingen
anders beschouwen dan tevoren. Gij zult met bewon-
dering en verrukking de uitkomsten en ontdekkingen der
wetenschap begroeten, gij zult u echter niet meer zoo
licht door eenvoudige hypothesen op het dwaalspoor laten
brengen, en zult niet zonder verder onderzoek de ge-
volgtrekkingen, die uit die hypothesen voortvloeien,
als onfeilbaar aannemen. Gij zult iets in uwe eigene
ziel ontdekken, waarop de sophismen en veronderstel-
lingen, die in de wereld elkander verdringen, zonder
gevolg zullen afstuiten.
Niemand kan u doen gelooven, dat helder koud bron-
water uwe lippen niet verkoelt en uw brandenden dorst
niet lescht. "Wanneer gij uw vriend een brief schryft,
en gij ontvangt een hartelijk antwoord, waarin hy u
over al het gevraagde opheldering geeft, zoo kan niemand
u doen gelooven, dat gy niet met uwen vriend in ver-
binding hebt gestaan. Zoo kan ook niemand u laten
gelooven, dat gy\' niet met uwen God in gemeenschap leeft.
Uw bybel zal u steeds dierbaarder worden, want ofschoon
gy er nog alty\'d onbegrypeljjke dingen in zult vinden,
daarnevens zult gij ook wat anders vinden, wat gy wel
begrijpt en dat uwe hoop, uw vrede, uw kracht, uw
troost in leven en sterven is.
Gij zult bidden, wy\'1 gy gevoelt, dat uwe gebeden ver\'
-ocr page 97-
89
hoord worden. Gy zult steeds meer aan Gods beloften
gelooven, daar gij ervaren hebt, dat Hij ze vervult.
Gy zult bekennen, dat deze leer van God is.
Niemand denke, dat door dit streven van den twijfelaar
om God eerst door uiterlijke gehoorzaamheid nader te
treden, een geest van phariseïsme of eigengerechtigheid
zal opgewekt worden. Geen ernstige, heilige poging, om
de zachte stem van het geweten te volgen, zal in trotsche
eigengerechtigheid ontaarden. Hoe meer de zoekende het
goddelyk ideaal gelyk wordt, des te meer zal het hem
duidely\'k worden, hoe oneindig ver hij er nog van verwy-
wijderd is. Hij zal steeds meer en meer ondervinden, dat
geen rank vrucht dragen kan, tenzij zij blijve in den wijn-
stok. Hij zal worden doordrongen van het bewustzijn, dat
hy nu slechts de deur zijns harten geopend heeft, om den
heiligen, hoogen Gast binnen te laten, die alleen de zonden
der wereld draagt en uitdelgt, en die beloofd heeft woning
te maken, by hem die zy\'n woord bewaren wil.
-ocr page 98-
EEN WAAR SPROOKJE.
GS,
n een bloemenhandel bevonden zich een aantal zaden,
in houten kastjes geordend en bewaard.
Het waren meest onaanzienlijke kleine wezens van
onderscheidene grootte en kleur, vele onbeduidend als
een zandkorreltje. Deze zaden konden echter denken en
ook elkaar hunne gedachten mededeelen. Zij spraken
over allerlei dingen, juist zooals wij het in onze praat-
lustige wereld plegen te doen.
Zij waren nooit uit het achterste gedeelte van den
bloemenwinkel te voorschijn gekomen, en konden derhalve
niet alles wat in de buitenwereld omging, beoordeelen
en begrijpen; toch stelden velen zich aan, als konden
zij over alles mee praten.
Eenige vragen hielden verscheidene onder hen levendig
bezig; vragen, die zaden en ook menschen moeten inte-
resseeren, namelijk: Wat zijn wij ? Hoe zal onze toekomst
-ocr page 99-
91
zijn? Zijn wij slechts kleine, drooge stoflichaampjes of
is er iets in ons verborgen — een geheimzinnig leven,
dat wij niet verstaan en dat ook geheel buiten onsbe-
vattingsvermogen ligt?
Zij wisten dat zij vroeger of later uit hun kastje, dat
zij zoo liefhadden, genomen en in de koude aarde gelegd
zouden worden, om daar tot bederf over te gaan. De
armen hadden een verbond van liefde en vriendschap
gesloten en toch moesten zij ieder oogenblik vreezen,
dat de tuinman komen zou, die het verschrikkelijke aan
hen volbrengen moest. Zonderling was het, dat juist
zij, die zich voor de meest ontwikkelden hielden, zich
eigenlijk geheel niet om de zaak bekommerden. Het
scheen hun onverschillig te zijn of zij voor altijd in de
duisternis der vernietiging verzinken moesten, of niet.
Ja, sommigen waren zelfs zeer verheugd in het be-
wustzijn hunner eeuwige vernietiging. Eén zeide zelfs:
„De Idee des eeuwigen levens, de gedachte niet te kunnen
sterven, is wel de afschrikwekkendste die een zaden-
phantasie zich bedenken kan *)." Deze geleerden hadden
dan ook (zoo zij verzekerden) in naam der exacte weten-
schap onomstootelijk bewezen, dat de gedachte, dat een
zaadkorrel zijn identiteit ook na zijn dood nog zou kunnen
*) BUchner, Kraft und Stoff.
-ocr page 100-
92
behouden, bodemlooze onzin was, een onzin die geen
beschaafde en ontwikkelde zadengeest maar een oogenblik
zou kunnen aannemen.
Deze redenaars hadden de physiologie der zaden grondig
bestudeerd. Zij waren in de geheimen van de zaden-
anatomie zeer ervaren, hadden andere zaden ontleed en
hielden daarover zeer interessante voordrachten.
Toen vroegen anderen: „Welke kracht heeft ons ge-
schapen? Wat is dan eigenlijk het levensbeginsel in ons?"
Toen antwoordde een der beroemdste hunner leermeesters
met een verstandig lachje: „Levend protoplasma is anders
niets, als een moleculenmachine. Het eindresultaat van
hun werkkracht of van hun levensuiting, hangt gedeeltelijk
af van hunne samenstelling, gedeeltelijk van de kracht die
hen drijft.
Van levensprincipe te spreken, als van iets anders dan
den naam van een reeks van gebeurtenissen, is hetzelfde
als of men van de „horologiteit", van een horloge sprak *).
Velen lieten zich door deze woorden overtuigen, dat
er geen leven na dit leven meer kon zyn, en voegden
zich zonder verder bedenken in het onvermijdelijke.
Eenige viooltjes-, primula-veris en andere zaden echter,
de bescheidenste en minst eischende van allen, ver-
•) Huxley.
-ocr page 101-
93
klaarden, dat zij toch innerlijk overtuigd waren, dat
in hunne kleine, bruine schalen een ander leven ver-
borgen was. Hoe of wat echter dit leven zijn zou,
was hun niet duidelyk, maar zy hadden een voorge-
voel van reiner lucht, schitterender licht, van een
vreugdevoller bestaan. Zij geloofden, dat iets, wat
geen zadenoog gezien, wat geen zadenoor gehoord had en
in geen zadenhart opgeklommen was, voor hen zou
bereid zijn.
De geleerden lachten eens en zeiden: „dat zijn heel
aardige droomen en dweeperyen voor u kleine eenvoudige
dingetjes; wrj zouden ze u ook niet gaarne ontnemen,
maar wrj groote dahlia- en zonnebloemenzaden, wy\' hebben
ze niet noodig. Wh\' weten, dat met den dood van het
lichaam alles voorbrj is, en dat het leven verder niets
is, dan de tydelyke verbinding van ongelijksoortige ver-
anderingen, beiden, gelyktijdig en achtereenvolgens, ver-
bonden met uiterlyke Coexistensen en Sequensen." *)
De kleine schaar der geloovigen, door deze uitspraken
echter niet overbluft, hield dikwijls geheime byeen-
komsten, waarin zy van hunne heerlijke verwachtingen
te zamen spraken, en zy vonden daarin zulk een zoeten
troost, dat velen byna met vurig verlangen naar den
•) Herbert Spencer.
-ocr page 102-
94
tuinman uitzagen, die hen buiten in de eenzaamheid
brengen moest.
Eindelijk brak de groote dag aan. De tuinman kwam,
de zaden moesten weg. Ja, weg moesten zrj, om in
een grooten tuin in de donkere aarde gestrooid te worden.
Toen de viooltjes- en primula-veriszaden elkander voor
de laatste maal zagen, gevoelden zij zich van een zalig
gevoel doorstroomd en fluisterden elkaar een hartelijk
vaarwel toe. „Wij zullen elkander wederzien", zeide de
een en verdween onder een kluit aarde. „Salomo in
al zijn heerlijkheid was niet bekleed als wy zullen zijn,"
zeide een ander en verzonk ook in het graf. Zoo allen.
De spotters, de lichtzinnigen, de geleerden, de grooten,
de geringen — allen waren zij van de wereld verdwenen.
Dagen verliepen, koude winden waaiden, stormen woed-
den, de zon scheen en verwarmde de aarde — maar
alles bleef bij het oude — geen verandering, geen teeken
van leven, niets verroerde, niets bewoog zich. Ja de
philosofen hadden gelyk gehad — de zaden waren weg
voor altijd!
Maar, o wonder! Toen de trjd vervuld was, wat was
geschied? Welk een verrukking, welk een genot! Onder
den blauwen hemel, in de klare lucht, welke verheerlijkte
gestalten worden daar door zoele winden heen en weer
bewogen!
-ocr page 103-
95
„Dat is een spelen
Van blaad\'ren en stelen,
Een knikken van rozen,
Een dart\'len en kozen,
Een wieg\'len en glijden,
En luister verspreiden,
Een sierlijk zich neigen
Van bloemen en twijgen;
Een lisp\'len en fluist\'ren,
Aandachtig, een luist\'ren,
Een vroolijk begroeten,
Bij \'t weder ontmoeten!"
Ja, daar zijn onze zaden, maar hoe veranderd! Het
viooltje roept de primula-veris toe: „Zie mij aan, o mijne
zuster, zie mij aan — zie mijne bladeren, mijne kleuren,
mijne bloemen, herkent gy mij ? Ik herken u wel, gij
zrjt de primulaveris! Wij zyn dezelfden en toch niet
dezelfden; „geef mij den opstandingskus" en heur geurende
bloemen raakten elkander teeder aan. Daar waren de
duizendschoontjes, getint als het morgenrood, de meiklokjes,
de vergeet-mij-nietjes, de rozen, allen in hun eigen be-
tooverende persoonlijkheid en toch slechts de verheer-
lijking van datgene, wat in de kiem reeds aanwezig was,
ofschoon het kleine zadenontleedmes en de kleine zaden-
microskoop, het nooit hadden kunnen ontdekken.
-ocr page 104-
96
En dan der nachtegalen zang, het klaterend beekje ,
het spel der zon door \'t groene loof, de fonkelende dauw
op \'t fluweelen gras, het fladderen der kapellen, knop
voor knop begroetend. De vreugde was hun bijna te
groot. Alle bloemen neigden hunne hoofden, het was
alsof zij de vervulling van „Gods dierbaarste en aller-
grootste beloften" nauwelijks dragen konden.
Hoe het den kleinen geleerden te moede was, weet
ik niet!
r^gJujB^fc^l
-ocr page 105-
HOEVEEL TE MEEE!
3L\\Lort voor Kerstmis bezocht ik na een lange afwezig"
heid, de mij zoo lieve familie D. Het waren vlijtige
achtenswaardige menschen, die door ziekte en zoogenaamde
slagen van het noodlot, diep in de ellende geraakt waren. De
man, een mandenmaker, was voor eenige weken overreden
en had sedert dien tijd te bed gelegen. De vrouw, moeder
van vele kinderen, waarvan zij reeds zoo menige, bijna
met een gevoel van dankbaarheid, in het graf gelegd had,
was zwak en kon zich nauwelijks verder slepen. Een
paar dikke vroolijke jongens (zooals men ze Gode zy dank,
trots allen honger en ellende, menigmaal in zulke families
aantreft) speelden paard met een ouden lederen riem;
doch op een armzalig bed lag een kranke knaap van
ongeveer acht jaar, wiens magere, bleeke trekken de
sporen van een langdurig lrjden droegen. Zij hadden die
geduldigde, hopelooze, afgestompte uitdrukking, die, in
7
-ocr page 106-
98
het byzonder op een kindergezichtje, zoo onnatuurlijk en
aangrijpend is. Gouden lokken omlijstten zijn voorhoofd,
de oogen waren gesloten en hij antwoordde niet op mijne
vragen.
Zijne moeder verhaalde mij van een gevaarlijke operatie,
die hn\' zoo even in het ziekenhuis had ondergaan, en
ook van een toekomstige, die spoedig zou worden onder-
nomen. Dat alles liet hem koud en gevoelloos. Toen
begonnen wij over Kerstmis te spreken. Daar openden
zich langzaam zijne groote, blauwe oogen, ook vond
hij weder woorden. Wij hadden te zamen een klein ge-
heim onderhoud, dat ten slotte een flauw lachje op zyne
lippen, maar heete tranen in mijne oogen bracht. Daarop
ging ik met de moeder naar buiten, zij zeide mij snikkend
dat zij alle hoop opgegeven hadden. Het ventje zou
spoedig uitgeleden hebben. De gedachte aan Kerstmis
alleen, scheen hem nog staande te houden „Ziet gij,"
zeide vrouw D., „voor een paar dagen toen het hem wat
beter ging, heeft hij deze verlanglijst geschreven en mij
in de hand gedrukt." Eenige beverige, bijna onleesbare
woorden stonden er op; zü\' waren uitgeveegd en weder
begonnen - op nieuw uitgeveegd en weder aangevangen;
scheef en krom zag het kleine, smerige, bekladde docu-
ment er uit, en toch, hoe dierbaar was het voor het
moederhart!
-ocr page 107-
99
Zij verhaalde mij, hoe zij en haar man, kou en honger
geleden, en zich moe gewerkt hadden, om een paar
stuivers over te sparen, opdat ze daarmee de wenschen
van hun lieveling zouden kunnen vervullen.
Veeleischend waren deze wenschen niet. De stoutste
eisenen bestonden in een kleine mondharmonica en een bel,
waarmee hij de anderen zou kunnen roepen, wanneer
hij alleen in de kamer te bed lag. Met tranen, ik zou
ze bijna vreugdetranen noemen, in de oogen zeide zij
mij: „Wij hebben hem ook alles gekocht, alles, wat hij
zoo gaarne wilde hebben." En zij ontsloot een latafel,
waarin de bescheiden gaven, zorgvuldig in papier gewikkeld
lagen. „Wij willen ons gaarne alles ontzeggen" zeide zij,
„wanneer maar de kleine krijgt wat hij wenscht."
Toen ik dat alles medeaanzag en medeaanhoorde en
aan de woorden dacht: „Zoo dan gij, die boos zyt,weet
uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer
zal uw Vader, die in den hemelen is, het goede geven
dengenen die Hem bidden." Zoo was het mij als of een
machtige golf van geloof en vertrouwen op God mijn
hart overstroomde.
„Hoeveel te meer! Hoeveel te meer!"
Ik dacht: o dat toch ieder van ons in dezen heiligen
Kersttijd ook een verlanglijst schreef en hem kinderlijk
in Gods vaderlijke hand drukte, al mocht hij dan ook
-ocr page 108-
100
scheef en krom geschreven zijn, zonder schoone volzinnen,
door tranen bevlekt en half uitgewischt. Mocht het slechts
zijn met een kreet uit het diepst van \'t gemoed om ver-
geving, geloof, licht, kracht, geduld, troost, vrede in
leven en sterven.
Ja deze ontzaglijke verlanglijst mogen wij Hem in de
hand, in het hart drukken. "Wij mogen het niet slechts,
maar wij moeten het ook, want onze Heiland, nederge-
daald uit Zijn heerlijkheid, kwam op onze ellendige aarde
en heeft, als die arme moeder daar, honger geleden en
ontbering en heeft zich moede gewerkt, opdat Hij ons
die groote gaven, zou kunnen schenken, die wij van
Hem bidden.
Denk aan die kleine duur gekochte mondharmonica,
aan de bel, aan het prentenboek, die het vurigst verlangen
van het kind uitmaakten; — denk er aan; „Hoeveel
te meer" — en dan ga heen en schrrjf uw verlanglijst.
-ocr page 109-
PARALLELLE GEDACHTENGANG.
IC
arwin zegt in zijne „Afstamming van den mensch\'\'
(bladz. 82-83).
„Daar de apen ongetwijfeld veel van datgene verstaan,
wat door de menschen tot hen gesproken wordt en daar
zij in hunnen natuurstaat hunne kameraden, bij dreigend
gevaar, door kreten waarschuwen — — zou het dan niet
mogelijk zijn, dat een buitengewoon schrander, op een
aap gelijkend dier, er toe gekomen was, het huilen van
een roofdier na te bootsen, om daardoor zyne medeapen
den aard van het te verwachten gevaar aan te duiden?
En zoo zou dit een eerste schrede tot de vorming der
spraak geweest zijn. Toen nu de stem meer en meer
werd gebruikt, werden de stemorganen krachtiger en
volgens het beginsel der overgeërfde werkingen van het
gebruik, steeds meer volmaakt; en dit zal weder op het
■•
-ocr page 110-
102
spraakvermogen teruggewerkt hebben. Doch van nog
veel meer beteekenis is zonder twijfel de betrekking
tusschen het voortgezette gebruik der spraak en de ont-
wikkeling van de hersens geweest. De geestelijk vatbaar-
heid moet by een vroegeren voorvader van den mensch
veel hooger ontwikkeld zijn geweest, dan bij den thans
nog levenden aap, zelfs vóór de onvolkomenste vorm dei-
spraak in gebruik kon komen.
Wij kunnen echter veilig aannemen, dat het voortdurend
gebruik en de verdere ontwikkeling van dit vermogen,
daardoor op de ziel teruggewerkt zal hebben, dat zij haar
in staat stelde en aanmoedigde, lange gedachtenreeksen
te doordenken."
„Alleen hebben deze processen in een zeer, zeer ver
verwijderd tijdperk plaats gegrepen."
Ik was ondeugend genoeg door deze wijze van denken
herinnerd te worden, aan een ander voorbeeld van ont-
wikkeling, dat ik vroeger eens gehoord had.
Een leerling van een beroemde school in Exeter (Ver.
Staten N.-Am.) moest voor verscheidene jaren een opstel
maken over „de Boekdrukkunst.—
Ik geef hier zijne woorden getrouw weder:
De Boekdrukkunst.
„De mensch zou geheel onwetend zyn, zoo hij deze
kunst niet verstond. De groote mannen uit den nieuweren
-ocr page 111-
103
tijd begonnen met den afdruk van de letter A. Zij voeren
daarmee voort, gingen van lieverlede verder, en in den
loop der tijden werden zij begaafde mannen en werden
verlicht enz:"
Het eenige onwetenschappelijke in deze verhandeling
schijnt dit te zijn, dat de jonge schrijver de ontwikkeling
van de letter A niet heeft vastgesteld als plaats gehad
hebbende „in een zeer ver verwijderd tijdperk."
De problematische tante.
Nog zegt Darwin (Afstamming van den mensch) in het
hoofdstuk over De vergelijking der geestvermogens van den
mensch met die der lagere diersoorten:
„De volgende
veronderstelling schijnt mij in den hoogste mate waar-
schijnlijk
toe, namelijk dat ieder dier, welk het ook zijn
moge, wanneer het slechts met duidelijk te voorschijn
tredende sociale instinkten behebt is, (ouder- en kinder-
liefde hieronder begrepen) onvermijdelijk een zedelijk ge-
voel of geweten verkrijgen zou, wanneer zich zijn intel-
lectueele vermogens zoover, of nagenoeg zoover als bij de
menschen ontwikkeld hadden" .... Het kan doelmatig
zijn, in de eerste plaats voorop te stellen, dat ik niet
beweren wil dat ieder streng sociaal dier, indien slechts
zijne intellectueele bekwaamheden tot dezelfde werkzaam-
heid en tot dezelfde hoogte als bij de menschen ontwik-
keld waren, juist hetzelfde zedelijke gevoel zou bezitten.
-ocr page 112-
104
Op dezelfde wijze als verschillende dieren een zeker
schoonheidsgevoel hebben, ten gevolge waarvan zij ver-
schillende dingen bewonderen, zoo zouden zij ook een
gevoel van recht en onrecht kunnen hebben, dat hen
tot zeer verschillende handelingen doet besluiten. Om
een buitengewoon voorbeeld te geven: Indien bijv. de
mensch juist onder dezelfde omstandigheden opgevoed was
als de bijen,
zoo is er nauwelijks aan te twijfelen, of
onze ongetrouwde wijfjes zouden het even zoo goed als
de werkbijen voor een heilige plicht houden, hunne
broeders te dooden, en de moeders zouden trachten hunne
huwbare dochters te verdelgen, en niemand zou er aan
denken dit te verhinderen."
Deze gevolgtrekkingen schijnen mij, oprecht gesproken,
min of meer verward te zijn. Wanneer bijv. de „geeste-
lijke vermogens van een streng sociaal dier," zeggen wij
die van een buffel, zich zoo ver ontwikkeld hadden als
by een mensch — dus met andere woorden, indien de
bewuste buffel een mensch was, indien hy „de Faust"
had kunnen schrijven, zoo zou hy waarschijnlijk, onver •
mijdelijk
een geweten hebben.
— En zoo de mensch Juist onder dezelfde omstan-
digheden opgevoed was als de byen" — dus met andere
woorden indien de mensch een by was, zoo zou hij enz.
enz. Ik moet aan een Berlynsche spreekwyze denken:
-ocr page 113-
105
„Wanneer uwe tante vier wielen had, dan zou zij misschien
een vigelante zijn." Ja zij zou zich zelfs onder zekere
gunstige omstandigheden, onvermijdelijk tot het hoog-
tepunt van een vigilante Ie klasse kunnen verheffen.
-ocr page 114-
EEN TEKST VAN CHOCOLADE.
*
(3gj*; e Heer F, een mijner vrienden, bezocht op zekeren
dag een arm ongelukkig gezin, om daar lichamelijken
en zoo mogelijk ook geestelijken troost te brengen. Het
was een zeer droevig beeld dat hij aanschouwde. — De
oude grootvader lag op een haveloos bed, langzaam
wegstervend, door een smartelijke, ongeneeselrjke krank -
heid bezocht. Zrjn zoon een ontevreden en er somber
uitziend man, van ongeveer vijf en dertig jaar, was
bezig een kast te maken. Naar allen schijn had de tering
reeds heur vernietigende hand op hem gelegd. Zijne
vrouw, die een bleek kind op den arm hield, was een
hoogst onaangename verschijning. Alles was vuil en on-
ordelijk, de atmospheer ondragelijk en de glazen zóó dof
dat het licht er nauwelijks door dringen kon. De Heer
F. wist dat deze familie zich steeds tegen eiken gods-
-ocr page 115-
107
dienstigen invloed verzet had. Zij had geleden, veel
geleden doch zonder hoop, altijd morrend en klagend.
Nadat hij den grijsaard wat wijn , de vrouw vleesch en
koffie gegeven had en zij hem plichtmatig hadden bedankt,
stond hij daar, besluiteloos wat te zeggen, want hij ge-
voelde dat een woord zonder takt gesproken, hier veel
meer kwaad zou doen dan in \'t geheel geen. Hij infor-
meerde naar het werk — naar de gezondheid van den
jongen man enz. Plotseling echter begon het kleine kind
te schreien en wilde zich niet laten sussen. Toen schoot
hem te binnen dat hij eenige chocolaadjes in den zak
had. Hij nam er een van en wilde dat aan het kind
geven.
De kleine begon echter nog heviger te schreien en toen
hij bleef aanhouden, begon het te trappelen en raakte
van boosheid buiten zichzelven, zoodat hij zijn pogingen
staken moest.
De vader en moeder lachten; zelfs de oude grootvader
glimlachte en zeide langzaam: „Het weet niet hoe zoet
het is, anders zou het zich niet zoo afkeerig toonen." —
Toen dacht myn goede vriend: Nu heb ik een tekst
voor mijn preek, en welk een tekst! — doch zijne ge-
dachten moeten wel duidelijk op zijn gelaat leesbaar ztjn
geweest, want instinktmatig schenen alle drie te be-
grijpen, waar hij heen wilde. — De oude keerde zich
-ocr page 116-
108
onwillig af, de zoon begon zyn hamer weder te gebruiken,
en de vrouw ging in de kamer er naast, om nog iets in
orde te brengen.
„O, wat handelt gij toch geheel op dezelfde wijze als
uw kindje," zeide de Heer F.
Zij gaven geen antwoord op zijne woorden en zagen
er zoo verhard en wederspannig uit, dat hem de moed
weder verging en hij zich gereed maakte om weg te
gaan. Toen kwam hem het kind nog eens te hulp. Het
had het stukje chocolade op den grond laten vallen.
Toen de kleine die op den vloer zat, het stukje lekkers
zag liggen, kroop het er langzaam heen en op de onzekere
manier, die kleine kinderen zoo eigen is, greep het er
naar en stak het in den mond. — Het deed een kreet
van innerlijk welbehagen hooren, en maakte allerlei kinder.
lijke gebaren, terwijl het met het kleine handje over het
maagje streek. Toen het de zoetigheid op had, kroop het
naar zijnen nieuwen vriend toe en riep: „meer, meer!"
De Heer F. zag op zijne kleine, onwillige gemeente
neder en zeide: „Laat heden uw kindje uw leermeester
zijn. Het heeft u reeds tijdens ik hier ben, twee ge-
duchte lessen gegeven. Het deed u vroeger na — doe
gij het nu ook na — probeer het! — Werp het niet
weg alvorens het geproefd te hebben. Ik laat u hier dit
boek achter." „Het is zoeter dan honig en honigzeem."
-ocr page 117-
109
„Lieve jonge man,\'\' ging hij voort, terwijl hij den aan-
gesprokene vriendelijk by de hand nam, probeer gy het
ook eens. Lees uw ouden vader deze aangestreepte plaatsen
voor; denk aan uw dochtertje; misschien roept gij ook
spoedig: meer, meer!
<^4P
-ocr page 118-
DE HALVE VOGEL.
Een fragment.
este Karel, uw praten baat helaas niets. Ik ben
geen kind. Mijne overtuiging is niet meer te veranderen.
Ik ben met deze overtuiging ook volkomen tevreden.
Zoo ik die vervloekte pijn in \'t been maar niet had, zou
ik ook een zeer gelukkig mensch zijn. Ik verlang anders
niet, dan de paar jaren die ik nog te leven heb, in vrede
door te brengen en ben dan volkomen bereid, het tijde-
lijke met het eeuwige te verwisselen. Ik heb reeds veel
in de wereld genoten, en zal, hoop ik, nog meer genieten,
doch bezit echter ook de wilskracht mij veel te ontzeggen
wanneer dit noodig mocht zyn. Dat ellendige been ver-
oorzaakt mij veel last, dat wil ik u gaarne toegeven;
ik zie echter niet in dat my\'ne smarten verlicht zouden
worden, indien ik aan God geloofde. Integendeel, ik
zou mij zelven met allerlei twyfelingen kwellen, en
-ocr page 119-
111
zou vragen: Waarom zendt God mij toch zulk een af-
schuwelijke plaag? Ik zou niet weten hoe of wat.
Nu denk ik maar: Zoo, iets komt, en misschien zal
er nog meer komen; en \'t gaat weer weg of misschien
gaat het niet weder weg! \'t is beter dat men de zaak
maar zoo licht opneemt als men kan.
Ik heb tenminste geen bovennatuurlijke vraagstukken
op te lossen. Neen, neen! laat mij met rust. Ik verlang
niets meer. Ik kan \'t heel goed „met zonder" (zooals
de kinderen zeggen) uw innerlijk leven klaar spelen,
zoo ik slechts dit vervelende been niet had.
Henri, gij herinnert mij aan de jongens die fluiten en
zingen, wanneer zij over het kerhof gaan, om hunne
angst, voor zichzelven, te verbergen. Zoo spreekt ook
gij, allerlei onzin, om de leegte van uw hart te bedekken.
Misschien ken ik u beter, dan gij u zelven kent.
Niet het zieke been verhindert u gelukkig te zijn. Gfj
zrjt een te diep denkend en edel mensch, om met uwe
meeningen gelukkig te zyn, al hadt gij ook ledematen,
zoo krachtig en lenig, als die van een jongen tijger.
Geloof my, in uwe ziel staan woorden geschreven die
gij voor uitgewischt houdt. Zij zijn echter niet uitge-
wischt en kunnen nooit uitgewischt worden. Gy kent
de chemische inkt, die onzichtbaar is, tot men het be-
schreven papier bij het vuur houdt, dan komen de woor-
-ocr page 120-
112
den helder en duidelijk te voorschyn. — Zoo is het ook
met uwe ziel.
Wanneer zy by het vuur der droefheid en der verlei-
ding gehouden wordt, dan zullen de heilige woorden van
uwen God weder te voorschijn komen.
„Gy zyt een dweeper, Karel. Gij steekt de neus steeds te
hoog in de wolken, kom toch beneden als een verstandig
mensch en tracht u met de aarde te vreden te stellen.
Schel eens! Wij zullen een ordentelijk glas punsch te
zamen drinken en daarmee uw geestelyken nevel doen
opklaren. Ik zeg u, ik wil niet als een onbestendig,
onverstandig kind naar het onbereikbare en onbegrijpelijke
jagen. Ik wil een man zijn en nog wel een heele man.
„Henri — Gij zijt geen heele man." Hoor eens, dat is
sterk! Wat meen je daar mee?
Ik zou geen heele man zijn?
Neen, beste vriend, gij zijt geen heele man, gij zyt
slechts een halve man; bovendien bestaat gij slechts
uit het kleinste en onbeduidendste deel van een man.
Val mij niet in de rede! — Neen dank je, ik wil geen
punsch. — Laat my\' myne gedachten uitspreken. Gy\'
tracht stelselmatig, een deel van uw wezen te onder-
drukken, te dooden, met al zyn ingevingen, gevoelens
en eischen. Wat zoudt gij van een vogel zeggen, die
zich voorgenomen had niet te vliegen. — die steeds
-ocr page 121-
113
slechts op de aarde rondwandelde en zijne wormpjes
zocht, nooit echter zijn vleugels uitsloeg, om omhoog
te stijgen in de heerlijke blauwe lucht, en die andere
vogels, die hij in den morgenzonneschijn van tak tot
tak zag zweven, voor dweepers verklaarde.
Gij zijt zulk een vogel. G-ij hebt u voorgenomen uwe
vleugels niet te gebruiken. Uwe vleugels waarmede gij
omhoog stijgen moest, om u te verheffen boven allen
aardschen jammer en zonde, gij laat ze nutteloos hangen.
Uw geliefde Darwin leert u echter, dat ongebruikte
ledematen verkwijnen. Zoo kon het met uwe geestelijke
vleugels ook zijn, en dat ware wetenschappelijk te be-
wijzen. Gij leeft slechts ten halve. Daarom is iedere oude
bedelvrouw, die de vleugelen harer ziel gebruikt, een
harmonischer, volkomener wezen dan gij, daar zij dereden
van haar bestaan begrijpt. — Neem mij de „halve vogel"
niet kwalijk, lieve Henri. — Laat ziel en geest den
vrijen loop; word een heel mensch! Gebruik uwe vleu-
gels al de dagen van uw leven, en eindelijk op den dag van
uwen dood, en in plaats dat zij loom nederhangen, zullen
zij u omhoog dragen tot voor den troon van uwen God."
„Maar Henri, gij hebt uw punsch ook niet opgedronken!"
8
-ocr page 122-
LICHT IN TWEE DONKERE KAMERS.
Het duet.
/ou er wel een heerlijker zinnebeeld van onzen Heiland
kunnen zijn, dan dat des lichts!
Wie bemint niet het levenwekkende, vreugdeversprei-
dende, alles verheerlijkende zonlicht, wanneer het in de
lente de viooltjes te voorschijn roept, wanneer het
\'s avonds, tusschen de donkere dennen van het eenzame
woud, zijn gouden stralen nederzendt, wanneer het op de
golven der zee lustig op en neder gaat, en de zeilen der
voortsnellende schepen met zilver overgiet! — "Wie werd
niet door een zalige huivering bevangen, als zich de
lichtwereld der Alpen voor hem ontsloot; — als hij bij
\'t aanbreken van den dag, de machtige sneeuwspitsen van
het Berner-Oberland het vuur had zien opvangen; eerst
-ocr page 123-
115
de allerhoogste, dan hier dan daar andere, tot ten slotte
allen als in vurig goud schitterden en gloeiden — als dan
eindelijk het wonderbare licht omlaag gleed, omlaag in
de stille dalen; steeds dieper, de zwarte schaduwen ver-
jagend, dalend tot in de afschrikwekkendste afgronden,
een onafgebroken overwinningstocht.
Ja dat is heerlyk.
Maar nog heerlijker is het te aanschouwen, hoe zich
het licht van Christus een weg baant in de menschenhar-
tenwereld;
hoe het daar, zoo men het slechts den vrijen
loop laat, eerst de verhevenste, God toe gekeerde hoog-
ten der ziel bestraalt, dan omlaag dalend, andere nog in
nevel gehulde plaatsen aangrijpt en verlicht, om ten laatste
tot in de diepste diepten van het leven door te dringen,
ja, neder te dalen tot in den onafzienbaren afgrond des
lijdens, der zonde en des doods. Dat is wel het heerlykste
en verhevenste schouwspel, dat zich voor een menschenoog
of hart hier op aarde openbaren kan.
En zoo wil ik u lieve lezer, nu ook niet op eenberg-
top voeren, om u de glorie der aardsche zon te toonen,
maar ik wil u van twee stille binnenkamers vertellen,
die zonder Christus duister zouden geweest zijn, als de
stikdonkerste nacht, die echter door Zyn glans bestraald,
een zacht en vredig licht verspreidden.
Daar lag zij, de lieve kranke, reeds maanden aan haar
-ocr page 124-
116
legerstede gekluisterd; hare pijnen waren dikwijls bijna on-
dragelijk. Op genezing was niet te hopen, en zy vreesde
voor een smartelijk einde, daar haar borst steeds be-
nauwder, de ademhaling moeielijker, de lichamelijke angst
grooter werd. Al het opgespaarde geld was reeds sedert
lang verdwenen. Haar man, die zij eens hartstochtelijk
liefhad en dien zij voor tien jaren tegen den wil harer
ouders gehuwd had, ofschoon zij wist dat hij een
vloeker en dronkaard was, had haar het leven tot een
hel gemaakt, en was in vele opzichten medeoorzaak
van deze zware ziekte. Zij was van hem gescheiden
en sidderde dikwijls van angst, dat hij hare schuil-
plaats ontdekken en vloekend en lasterend haar kamer
binnendringen zou.
Een vriendin harer jeugd verpleegde haar met onwankel-
bare liefde en zelfopoffering. Zij hadden als kinderen op
dezelfde schoolbank gezeten en elkaar toen op kinderlijke
wijze eeuwig trouw gezworen. Hoe heilig hadden zrj
dezen eed gehouden! Het arme meisje maakte vesten voor
een winkel, en moest ieder oogenblik, dat vrouw T. haar
maar eenigszins missen kon, ijverig gebruiken, om de paar
stuivers te verdienen, die tot hun beider levensonderhoud
noodig waren.
Trots alle armoede en de bijna bovenmenschelijke taak
die zrj zich zelve gesteld had, hield zrj toch de kleine
-ocr page 125-
117
kamer rein en helder. De lucht was steeds zuiver en
frisch; het weinige keukengereedschap blonk u tegen,
en de lieve kranke op haar sneeuwit bed geleek een
theeroos.
Men kon komen wanneer men wilde, het zag er altijd
uit alsof juist „de groote schoonmaak" zooals de vrouwen
zeggen, had plaats gehad. Hoe zij het deed, weet ik
niet — maar zij deed het met een opgewekt, vroolijk ge-
laat; nimmer viel het haar te zwaar. Eén moet haar
wel daarbij geholpen hebben; Eén, die gezegd heeft:
„Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht."
Daar hoorde zij op zekeren dag, dat men voorloopig
geen werk meer voor haar had, het was een slechte tijd.
Vele vesten lagen nog onverkocht in den winkel; eenige
arbeidsters waren ontslagen, en het was onzeker wanneer
men haar weer werk kon geven. Dat was een slag!
Juist op dezen dag kwam ik hen bezoeken en zij toonden
mij den heilloozen brief van den kleermaker.
Wij zwegen allen een oogeblik, toen nam ik eenige
versjes, die ik voor mrjne lieve vriendinnen afgeschreven
had, uit rmjn portefeuille. Ik was van plan, ze voor te
lezen, in geval ze ze niet mochten kennen:
Werp zorgen en smart
In \'t liefhebbend hart
Van den machtig u helpenden Jezus,
-ocr page 126-
118
Als kommer u kwelt,
U alles ontsnelt,
O, vlied dan tot uwen Ontfermer.
Hij maakt lichter uw last,
Houdt ze meelijdend vast,
Heft ze op met machtige handen.
Zacht, vriendlijk is Hij,
Voor u en voor mij,
Zijn woord geeft ons hemelsche vrede.
Hij hoedt u, houdt wacht,
Laat daarom de nacht
Van lijden noch dood u verschrikken.
Toen ik echter begon te lezen, lachtte vrouw T. mij
zoo vroolijk toe, dat ik dadelijk bemerkte, dat ik niet be-
hoefde voort te gaan.
Zij zeide: „G-uste, willen wij het eens probeeren?
"Willen we het eens voorzingen? Ik wil eens zien of
het nog gaat!" En zij begonnen.
Ik heb in mijn leven veel schoone muziek gehoord,
vele indrukwekkende koralen, vele heerlijke, bezielende
symphoniën, maar nooit heeft mü\' iets zoo getroffen, als
deze twee zwakke, bevende, dikwijls haperende vrouwen
stemmen, die te midden van lyden en dood, de almacht
-ocr page 127-
119
en goedheid van hunnen God prezen. Toen het lied ge-
eindigd was, schitterden de oogen der kranke; zij trok
hare Guste tot zich, drukte haar aan het hart en zeide:
„Spoedig ben ik gelukkig, vrij van allen jammer bij
Hem, bij mijn Heiland, die alles voor mij gedragen en
geleden heeft, spoedig ben ik bij Hem. Gij, mijn arm
kind moet nog een poosje hier beneden alleen blijven,
maar Hij zal u niet verlaten, vertrouw u aan Hem toe
in alles. Hij zal u leiden en behoeden, zoo gij u slechts
aan Hem vastklemt, tot wrj daar boven weer in alle
eeuwigheid te zamen zullen zijn."
De tranen van beiden vloeiden rijkelijk, doch het waren
tranen zonder vertwijfeling, zonder hopeloosheid, zonder
bitterheid — tranen, die hen nader tot hunnen God brachten.
Dit is geen verdichte geschiedenis; zij droeg zich juist
toe als ik ze u beschreef.
Niets hadden ze te verwachten, deze armen, dan meer-
dere ellende, meerder lijden, scheiding en dood,
. Zie, hoe het licht dat van Christus uitstraalt, deze
donkere kamer in een lichtpaleis herschapen heeft. Ik
dacht: zou misschien niet zoomenigeen, die zich ver-
oorlooft verachtelijk en medelijdend op het eenvoudig
Christelijk geloof neder te zien, toch ten slotte niet gaarne
iets bezitten dat hem het leed, wanneer het eenmaal
over hem komt, zóó helpt dragen?
-ocr page 128-
120
Is het zoo kinderachtig, zoo belachelijk, een verstandig
man zoo onwaardig, smart, nood en dood zóó onder de
oogen te zien, als deze vrouwen het deden?
Is het zoo tüeiewschappeiijk, niets te weten, van datgene
wat in zulk een ure helpen kan; niets te weten van de
machtigste levensproblemen; niets op de dringende vragen
der menschen te kunnen antwoorden! Niets te weten
van datgene, wat ook maar een enkelen ademtocht des
vredes, een enkelen straal van hoop aan het angstige
menschenhart geven kan?
En is het zoo onwetenschappelijk, datgene te weten,
wat „den moede kracht, en den zwakke sterkte geeft,
zoodat zij loopen en niet moede worden, wandelen en
niet mat worden;"
Dat te weten, wat hen „vroolijk in de hoop, geduldig
in droefheid" doet zijn? Datgene, wat hen: zij het dan
ook na zwaren stryd, overwinnaars doet blijven in leven
en dood?
-^^~
-ocr page 129-
II.
DAT IS HET JUIST.
Let is de avond vóór Kerstmis. Een man, genaamd
Tanner, ligt op een armzalig bed uitgestrekt en lijdt
onuitsprekelijk. Keeds sedert lang heeft hij met vurig
verlangen naar den dood uitgezien, niet omdat hn\' aan een
eeuwige zaligheid gelooft, maar omdat hij gaarne van zijn
pijnen verlost wil zijn. De dokter, die maar niet begrijpen
kan, dat deze man nog onder de levenden is, heeft ge-
zegd dat hij hem niet meer kwam bezoeken, daar hij
hem toch niet helpen kon.
Anna, zijne jonge vrouw, afgemat door de lange ver-
pleging en door den arbeid, dien zij buitendien nog ver-
richten moest, zit aan het bed van haar man, en houdt
het gelaat met de handen bedekt. Geen aardsche licht-
straal dringt door deze duisternis. Aan God gelooft dit
>
-ocr page 130-
122
echtpaar niet, al deze ellende, al deze jammer heeft hun
geheel in de war gebracht.
De liefdeloosheid der menschen, de harde woorden, die
zij hooren moeten, de wijze vermaningen van hun vrienden
en verwanten, wien de zaak te lang duurt, hebben hun
geheel tot vertwijfeling gebracht. Het (juist niet van
Gods geest doordrongen) spreekwoord „eigen schuld plaagt
een mensch het meest" wordt hun iederen dag opnieuw
voorgehouden. En daar is wel iets van waar. Zij hebben
ondoordacht gehandeld — zij zijn lichtzinnig geweest.
De goede vrienden maken hun dat slechts al te duidelijk,
maar de troost die in deze uitspraken ligt, is uiterst
gering. Van zalige kerstvreugde is bij die beiden, op
dezen avond voor kerstmis, niets te vinden.
Zn\' zouden het ongetwyfeld als het grootste voorrecht
en geschenk hebben beschouwd, zoo ze nu te zamen
konden sterven. De jonge vrouw neemt de heete hand
van haar man in de hare en drukt er een kus op.
„Anna, drinken" fluistert hij, en zn\' reikt hem een glas
water. Dan staat zij op gaat naar het venster en ziet
naar buiten.
Hare oogen blijven rusten op het tegenoverliggende
huis. Zij kan in een kamer zien, waarin een schitte-
rende kerstboom staat. Daar springen vroolijke kinderen
om heen, daar omhelzen man en vrouw elkaar, daar
-ocr page 131-
123
is gezondheid, geluk en overvloed. — Zij denkt aan ver-
vlogene dagen, aan haar eigen kindsheid; dan trekt zij
snel het versleten gordijn weer voor het venster — haar
hart breekt. — Zij kan het niet meer aanzien.
Droevig snikkend, gaat zij weder bij haren man zitten,
en legt zijne heete, gezwollene voeten, die hrj zelf niet
meer bewegen kan, op een koele plaats van het bed.
Daar wordt geklopt.
Zij maakt de deur open.
Drie pleegzusters uit een nabij gelegen ziekenhuis treden
binnen. Zij hebben door een apotheker van de ongeluk -
kigen gehoord en nu komen zij met geschenken, met
wijn, met levensmiddelen en met meer nog dan dit alles,
met de ware, echte liefde van Christus in het hart.
Zij spreiden een helder wit kleed over de kleine tafel
uit, stekon kaarsen aan; plaatsen frissche bloemen er
tusschen; dan vragen zij vriendelijk of ze eens zingen
mogen. Eerst schudt de kranke met het hoofd. Hij wil
daar niets van weten.
Daar buigt zich een zuster over hem heen en fluistert
hem toe: „Laat ons maar beginnen; wy zullen onmidde-
lrjk ophouden, zoo het u niet bevalt."
Hij kan haar vriendelijk smeekende stem niet weerstaan
en knikt zonder spreken. Zy\' heffen langzaam een koraal
aan Hy valt hun niet in de rede. De laatste woorden:
-ocr page 132-
124
„Help mij in nood en dood; ach God verlaat mij niet!"
schijnen nog in de lucht te zweven. — Tanner heeft
zijne oogen gesloten, een traan rolt over zijn ingevallen
wang. Wat gaat er wel in zijne ziel om!
Nadat twee der zusters, vriendelijke, troostende woorden
gesproken en Anna uitgenoodigd hebben, iets te gebrui-
ken nemen zij afscheid; de derde echter maakt geen
aanstalten om weg te gaan. „Blijft gij nog een poosje
bij ons?" vraagt de jonge vrouw, die haren blik van het
lieve gezicht der zuster niet afwenden kan. „Ik blijf
van nacht hier," antwoordt zij; „wij laten u volstrekt
niet meer alleen. Wij willen u uwen lieven man helpen
verplegen. Wij verstaan het en kunnen zóó menige
last van uwe schouders nemen." Man en vrouw zien
elkander aan — en zwijgen; — dan stottert Anna ver-
legen: „Neen! maar dat kan niet! Dat moet gij niet doen,
wy hebben geen geld — wij kunnen niets betalen" —
„Betalen," valt haar de zuster in de rede, „gij moet
ook niet betalen! Wie denkt daaraan? Meent grj dat wjj
om geld bij u komen?"
„Maar," vraagt Tanner, die nu de groote schitterende
oogen op haar heeft gericht: „waarom komt gij dan?"
„Waarom wij komen? Wel lieve vriend, wyl het onze
grootste vreugde is te komen, en wrjl de liefde tot onzen
Heiland ons daartoe dwingt.
-ocr page 133-
125
Kort daarop verhaalde mij de arme, oude grootmoeder
der jonge vrouw van hare kleinkinderen. Ik geef hier
getrouw hare woorden weder:
„Tanner leeït nog," zeide zij, maar wat zijn dat heel
andere menschen geworden, Anna en haar man, u zoudt het
niet kunnen gelooven! Hij is zoo rustig, zoo te vreden;
hij weet dat hij sterven moet, maar hij zegt altijd maar:
„Zoo God het wil! Zoo God het wil! En hij troost Anna
maar altijd door. Dat komt alles van die goede menschen,
die zusters.
Anna valt hen dikwrjls om den hals en dan schreien
ze te zamen. Ze doen dan ook alles even goed, zoo lief
zoo vriendelijk! Daar heeft die eene Tanner onlangs een
luchtkussen gebracht en heeft het onder hem gelegd.
Hy was reeds heelemaal doorgelegen. Nee, dat had
u moeten zien! Hij dacht, dat hij reeds in den hemel
was; en de zuster streek hem over het hoofd en zeide
dat het haar nog meer pleizier deed dan hem, en dat
hy maar tot den lieven Heiland moest gaan en Hem
bidden, en die zou alle smarten wel van hem wegnemen
jn den hemel, en zou hem zyne zonden vergeven en hem
vrede geven en gelukkig maken. En Tanner luistert er
maar wat graag naar.— Dan lezen zrj weer wat moois,
dan zingt er weer een. — Nee! — dat is alles heel
anders geworden 1"
-ocr page 134-
126
„Ja," zeide ik diep getroffen, „de lieve Zusters hebben
het licht des Heeren in die donkere kamer ontstoken
en nu wordt alles rondom helder."
Ja, Ja!" riep de oude uit, als of het iets heel natuurlijks
was: „Dat is het juist!"
Ik wil met de heerlijke woorden van een edele vrouw
besluiten:
„Ik ben bij de armen rijk, bij de kranken gezond en
bij de stervenden levend geworden!"
-ocr page 135-
DE PLICHT OM GELUKKIG TE ZIJN.
I
erkwaardig, dat de wetenschap niets weet van
datgene, waaraan de ziel behoefte heeft; of wanneer het
in zekere kringen niet geoorloofd is van de ziel te spreken,
zoo willen wrj liever zeggen;
De wetenschap weet niets van die innige, onverstoor-
bare behoeften, niets van die eeuwige vragen, welke zich
door de geleidelijke ontwikkeling der hersens en door
blijvende overerving, trapsgewijze in het menschelijk
lichaam hebben gevormd. Merkwaardig, dat, als de natuur
zonder invloed van buiten, al het bestaande enkel en
alleen uit zich zelf heeft voortgebracht, zrj ook niet deze
behoeften, die zrj te voorschijn riep, bevredigen kon,
en zrj deze vragen, die zij toch zelf opgeworpen heeft,
niet weet te beantwoorden. Merkwaardig, dat zij zulk
een ding als het menschenhart heeft gevormd, dat ver
over haar heen, opwaarts ziet, ver over alles wat zij ge-
-ocr page 136-
128
ven kan, zijne voelhorens uitstrekt; en dat alleen door
iets, dat in \'t geheel niet bestaat, d. w. z. door de ge-
meenschap met God kan worden bevredigd.
Onze aarde is slechts een „reusachtig kerkhof waar,
wanneer er geen hemel is, niet slechts menschenbeenderen
maar ook menschenwerken, menschendaden, goede en
booze, menschenliefde, menschenhaat, menschenstrijd en
overwinning, menschenverlangen, hoop en verwachtingen,
menschenvreugde, deugden en misdaden, menschenberouw,
vertwijfeling en vrede in een huiveringwekkenden chaos
bij elkander liggen.
„Hier, aan deze onbegrijpelijke en ondenkbare begraaf-
plaats", zegt Otto Funcke, „maakt de wetenschap rechts-
omkeer. Zij heeft niets meer te zeggen." Des te meer
hebben wrj juist nu te vragen. Ons hart keert nog niet
om. Wie zich in deze beschouwing verdiepte, en wie
zich het ontzettende rekenvoorbeeld opgaf, de smarten,
het lijden, de zorgen, de doodsangsten, op te tellen, die
dezen billioenen en nogmaals billioenen gestorvenen ver-
duren moesten, eer zij tot de rust der eeuwige vernieti-
ging mochten geraken, dien zou wel eens een huivering
door de leden kunnen varen, dien konden de wangen wel
eens verbleeken, vooral wanneer hij er aan denkt, dat
hy zelf eens met al zyn doen en laten, wenschen en
pogen, tot deze verschrikkelijke schaar behooren zal,
-ocr page 137-
129
om nog een droppel meer in den oceaan van het „niets"
te zrjn.
Er zrjn in zoo menig leven, (wie zou dit kunnen
loochenen) uren, ja, jaren van geluk, waar de wereld den
gezonden, van zorgen vrijen geest, heerlijke genietingen
kan doen smaken, doch men behoeft juist geen buitenge-
woon groot philosoof te zijn, om zich over de onzekerheid
en korten duur van dat aardsche geluk, in allerlei be-
schouwingen te verdiepen; ook is dit geen nieuw thema
in de wereld.
Onbegrijpelrjk echter zrjn voor mij de talrijke aanhangers
eener eigenaardige school, die den donkeren achtergrond
van ieder gelukkig aardsch-genrebeeld niet bemerken,
of niet bemerken willen, en die dood en zonde met al
hunne consequenties, als kleine, onbeduidende, nauwelijks
de aandachttrekkende by\'zaken aanzien. Deze „diepe
denkers", denken dikwijls in \'t geheel niet aan deze
diepste dingen en het schijnt dikwijls juist daarom den
oppervlakkigen lezer hunner werken toe, dat zy deze
diepste dingen beheerschen en er boven staan.
Een schitterend voorbeeld van deze levensbeschouwing
is in een zeer naïef boekje te vinden, dat onlangs door
M. zur Megade, naar de 7e Engelsche uitgave, in het Duitsch
is vertaald. Het is getiteld „Die Preuden des Lebens"
(De genoegens des levens) en is door den beroemden, in
-ocr page 138-
130
de wetenschap zeer hoog aangeschreven staanden Engels-
man, John. Lubbock vervaardigd. Zijn wetenschappelijke
verhandelingen zijn in ieder geval juister en bevredigender
dan zijn psychologische. Het boekje bevat zeer veel waars
en interessants, alleen zou het iemand zonderling te moede
zijn, zoo hij met dit geschrift gewapend, een der ontelbare
plaatsen waar menschelrjke ellende wordt aangetroffen
zou willen bezoeken, om daarmede een angstig hart te
troosten.
Sir John Lubbock vindt het zeer onrechtvaardig dat niet
alle menschen gelukkig zijn, en één hoofdstuk heeft tot
opschrift: „De plicht om gelukkig te zijn." Hij haalt een
groot aantal geleerden en philosophen aan, uit den ouden
en nieuweren tijd, die allen, op de een of andere wijze,
hetzelfde liefelijke thema, van aardsch geluk, bezingen.
De schoonheid der natuur, de vreugde van het reizen
en van het weder terugkeeren tot den huiselyken haard,
het genot, dat de litteratuur aanbiedt, de ontspanning,
die het bezoek aan museums en schilderij "tentoonstellingen
verschaft, de nog niet ontsluierde geheimen der natuur,
die ons tot verdere navorschingen uitnoodigen; al deze
zaken worden aantrekkelijk voorgesteld. Hij citeert Sir
Arthur Helps, die zegt: „Wat! zich onthouden, wanneer
er nog zooveel te onderzoeken is? Weet grj, wat de.
lelie haar schoonen vorm, het viooltje dat donkere blauw,
-ocr page 139-
131
de roos haar geur verleent? Hebt gjj eenig begrip van
de bestandeelen, waaruit het adderengift bestaat ? enz. enz.
Ga heen o, mensch ? leer, werk, weet iets en laat mij
niets meer hooren van uwe sombere onthouding." Sir
John Lubbock zegt zelf: Leed kan onvermijdelijk zijn,
doch droefgeestige onthouding mag, in niemand worden
verontschuldigd. En toch hebben vele menschen zich
onthouden, zij spreken van een betere wereld en be-
denken niet, dat het slechts hun eigen zwartgalligheid
is die al het bestaande verduistert."
Hij zegt evenzoo: „niet de groote slagen van het nood-
lot, noch ziekte en dood zijn het, die op ons bestaan
de donkerste schaduw werpen, dat doen veeleer de kleine
speldeprikken in dit leven."
Naar een citaat van Marcus Aurelius, dat aldus besluit:
„En ten slotte zullen wij met een vroolijk gemoed den
dood verwachten; den dood, die niets is dan een oplossing
in de eerste beginselen, waaruit ieder levend wezen te
zamen is gesteld," voegt Lubbock hier aan toe: „Ik
moet erkennen, dat de laatste woorden op mij hun uit-
werking missen; Marcus Aurelius had ze, volgens mrjn
oordeel, voor zijn bewijsvoering niet eens noodig gehad.
De gedachte aan den dood heeft oneindig veel minder
invloed op den levensloop der menschen, dan men zoo
oppervlakkig denken zou!"
-ocr page 140-
132
De zonde als zoodanig noemt hij in \'t geheel niet.
Ik zou byna het geheele boekje moeten afschrijven,
indien ik alle ongeloovige beschouwingen, die het bevat,
zou willen teruggeven. Stond de schrijver alleen, zoo
zou het waarlijk nauwelijks de moeite waard zijn van
zijn woorden notitie te nemen. Doch hij staat niet alleen.
Er zyn verbazend veel dergelijke professoren in de ziel-
geneeskunde, en men kan helaas de patiënten die zich
onder hunne oppervlakkige behandeling bevinden, bij dui-
zenden tellen.
„De gezonden hebben den medicijnmeester niet van
noode, maar die ziek ZH\'n," zegt Christus.
Deze medicijnmeesters zeggen: De zieken hebben den
medicijnmeester niet van noode, maar die gezond zijn —
en den gezonden bieden zij dan ook veel heerlijks en
verheffends aan.
De zieken echter laten zrj maar aan hun lot over. Zij
hebben nieuwe, moderne zaligsprekingen vervaardigd,
deze heeren, en gelooven, dat die voor de verlichte
menschheid passender en weldadiger zijn, dan de oude.
Zrj zeggen:
„Zalig zijn zij, die geestelijk rijk zijn, want hunner
is het aardrijk."
„Zalig zy\'n zy die niet lijden, want zij zullen vertroost
worden."
-ocr page 141-
133
„Zalig zijn de koogmoedigen, want zy zullen het aard-
rijk beërven."
„Zalig zijn zy, die hongeren en dorsten naar de weten-
schap,
want zij zullen verzadigd worden."
„Zalig is het dier, hetzij tijger of mensch, wiens om-
geving een gunstige is, en zoo hy tot deze gunstige
omgeving behoort."
Het schijnt mij toe, dat een leermeester, die ons arme
aardbewoners zulke schoone dingen voorzegt, met een
mensch kan worden vergeleken, die in een tuchthuis
een voordracht houdt over de genoegens des levens, en
tegen de gevangenen zegt, dat het geheel en al hun
eigen schuld is, wanneer zy ongelukkig zijn. Zij moeten
slechts denken aan de blauwe hemel van Italië, aan de
pyramiden van Egypte, aan het Britsch museum te
Londen, waar zooveel schatten zijn verzameld, aan het
genot der vryheid, of aan een deugzaam familieleven;
zy moeten bedenken, hoe gelukkig de mensch is, wanneer
hy zyn luim volgend, door woud en dal rond waalt, zich
aan een heerlijke bron verfrischt of onder de schaduw
der dennen uitrusten kan. "Wie zou niet tevreden en
goedsmoeds zyn, die zich al deze heerlykheden, in den
geest, voorstellen kan.
De woorden des Christendoms schynen daar tegenover
een afgezant van den troon, die, met de begenadiging
-ocr page 142-
134
des konings in de hand, het tuchthuis betreedt; die in
plaats van den armen gevangenen onbereikbare droomen
voor te phantaseeren, ze werkelijk met één machtwoord
uit den kerker verlost, en hen, zoo zij slechts willen,
de boeien de zonde verbreekt en die hun nog gansch
andere dingen toonen wil, dan Italie\'s blauwe hemel en
Egypte\'s pyramiden; dingen, waarvan Sir John Lubbock,
niet in de verste verte eenig begrip heeft.
Christus zegt: Een iegelijk die deze mijne woorden
hoort en dezelve doet, die zal ik toonen waaraan hij
gelijk is. Hij is gelijk een man die zijn huis op een
steenrots gebouwd heeft. En er is slagregen nedergevallen
en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben
gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen en het is
niet gevallen, want het was op een steenrots gegrond".
Sir John Lubbock en consorten zeggen: Er zijn in
\'t geheel geen slagregens, geen waterstroomen, geen win-
den (ofschoon ieder kind hun loeien en huilen hooren
kan) en zoo graven zij volstrekt niet, doch bouwen hunne
grootsche, met prachtigen ornamenten versierde paleizen
in \'t verstuivende zand, en geen kaartenhuis, door een
kind op een 3pecltafeitje gebouwd, staat onzekerder.
Ik geloof, deze leeringen worden door zoo velen zonder
tegenspraak aangenomen, wyl zooals ten tijde van Jesaja,
„Velen des Heeren wet niet hooren willen, maar zeggen
-ocr page 143-
135
tot de zieners: Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt
ons niet wat recht is, spreekt tot ons zachte dingen,
schouwt ons bedreigerijen; Wijkt af van den weg, maakt
u van de baan, laat de Heilige Israels van ons afhouden."
(kap. XXX. 9b. tot 11).
„Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u. Niet ge-
lijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u. Uw hart
worde niet ontroerd en zij niet versaagd.
Zouden niet deze woorden onzes Heeren, ingeval ze
waarlijk in geloof worden aangenomen, de wereld geluk-
kiger maken, dan dat peinzen over het blauw van het
viooltje, over den geur der roos, over den schoonen vorm
der lelie, ja zelfs dan het onderzoek naar de bestandeelen
van het adderengift. Terloops zy hier opgemerkt, dat
Sir Arthur Helps er van overtuigd kan ztfn, aan zijne
leerlingen een taak te hebben opgegeven, die hen lang
zal bezig houden niet alleen, maar die zij van hun stand-
punt uit, nooit kunnen uitvoeren. Bloemen, hunne ver-
schijning in de wereld, hun vorm, hun kleur, hun geur,
hunne betooverende schoonheid en nooit eindigende ver-
scheidenheid, blyven voor den Godloochenaar een eeuwig
raadsel. Niet de natuurlijke teelkeuze, niet de strijd om
-ocr page 144-
186
het bestaan enz. hebben de theeroos tot datgene gemaakt,
wat zij is; hebben aan het viooltje dat donkere blauw
verleend, of de lelie heur heerlijkheid gegeven.
Een Ander dan Sir Arthur Helps, heeft ons voorjaren
op de lelie des velds gewezen en ons opgewekt daarover
na te denken. Ook heeft deze Andere ons vermaand,
het slangengift te onderzoeken, dat schrikkelijke gift der
„oude slang, welke is de duivel." Ik herinner er slechts
aan. Hoe verschillend kunnen twee over denzelfden tekst
prediken! Ja, Christus geeft niet zoo de wereld geeft.
Deze moderne wereldverlossers geven zooals de wereld
geeft. Dat is het groote verschil. Zij belooven beschaving,
comfort, ontwikkeling van den kunstzin, een klimmende
belangstelling voor wetenschappelijke problemen. Zij be-
looven steeds grootere uitvindingen, waardoor het leven
voortdurend gemakkelijker en genotrijker worden zal.
Zij dweepen van een wetenschappelijk paradijs, waarin
de aarde eens zal worden veranderd. Hackel ziet vol
vertrouwen dit schitterend tijdstip naderen. „Zoodra de
mensch door erkentenis van zrjn ware afkomst, van de
staartlooze, smalneusige apen (catarrhina lepocera) op een
hoogere baan van zedelijke volmaking zal worden gevoerd."
Al deze voorrechten belooft ons de wetenschap, maar
de „vrede Gods," die hooger staat dan alle wijsheid, kan
zy der menschheid niet belooven, want in haar exacte
-ocr page 145-
137
levens-mathesis wordt deze vrede met een X. aangeduid;
een onbekende, en door hare rekenkunde, nooit uit te
vinden grootheid.
„Niet als de wereld geeft, geef ik u." Neen! niet
als de wereld geeft, geeft deze jonge gekruiste Galileër-
Hfj geeft zooals slecht Hij geven kan, die door den Vader
uitgezonden, in de wereld gekomen is; die het hart des
menschen en wat daarin verborgen is, kent; die niet het
verhevenste, het edelste, het eigenaardigste in dit hart
met voeten treedt, maar het ontwikkeld, verlicht, het
meer volmaakt en verheerlfjkt; hier op aarde het zalige
werk aanvangend, om het in den hemel tot in alle eeu-
wigheid voort te zetten. Dat is een philosophie God en
menschen waardig.
Het Christendom scheept de met schuld beladene door
gewetensangst geprjnigde zielen, niet met woorden af,
zoo als ze Spinoza der wereld heeft gegeven. Zn\'ne defl-
nitie van gewetenswroeging luidt aldus:
„Het is een tegenover de vroolijkheid staande droefgees-
tigheid, waaraan het begrip is verbonden van een gebeurde
zaak, die tegen verwachting uitgevallen is." Kende deze
groote. denker het leven en het menschenhart wel?
Deze philosofen zijn als gastheeren, die hunne honge-
rige gasten een heerlijken maaltijd belooven; die de tafel
prachtig dekken met het fijnste Sèvres-porcelein, met de
-ocr page 146-
138
kostbaarste glazen van geslepen glas, en haar met vazen
en bloemen versieren; die schotel op schotel binnenbrengen
en op de tafel zetten, doch zij zijn allen leeg, niets is
er in wat den honger der gasten zou kunnen stillen.
Er is nog een gastheer, die dekt zijn tafel ook en roept
de hongerigen, opdat zij er aan plaats zullen nemen.
De tafel mag niet zoo keurig gedekt, het schilderwerk
op de borden niet zoo kunstig zijn , doch de schotels die
Hy\' binnen brengt en op de eenvoudige tafel zet, bevatten
het brood en den wijn des levens. Hy zegt: Gij die
geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt
zonder geld en zonder koopprijs wijn en melk.
Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen niet
verzadigen kan? Hoort aandachtig naar mrj en eet het
goede.... Dan zult gy in blijdschap uittrekken en in
vrede voortgeleid worden."
Is het niet vreemd, dat heden na 1900 jaren van
worsteling en stry\'d, nadat wereldry\'ken verrezen en
weder in het niet verzonken zyn, nadat wetenschap en
philosofle al het mogelijke hebben gedaan, nadat de wy\'s-
heid dezer wereld zoo vermeerderd is, dat de mensch zich
zelf begint to aanbidden omdat hy\' zooveel weet en
omdat hy zoo groot is — is het niet vreemd, dat de
woorden, die voor 19 honderd jaren door een jongen,
ongeleerden timmermanszoon werden gesproken, de eenige
-ocr page 147-
139
zijn (niemand aan dit loochenen) die vrede geven. Zijn
stem weerklinkt luid en helder over ons aardsch „Reuzen-
kerkhof." Ik ben de opstanding en het leven. Wie in
Mij gelooft zal leven al ware hy ook gestorven — Ik
ben gekomen om zalig te maken wat verloren was" —
Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in
heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt
opgewekt in kracht. Zoo dan mijne geliefde broeders,
zrjt standvastig, altijd overvloedig zijnde in het werk
des Heeren, als die weet dat uw werk niet ijdel is in den
Heer. Wie dat gelooft, heeft niet alleen stervensmoed,
maar ook levensmoed. Onze arbeid is niet ijdel in den
Heer. Het einde is niet een „Reuzenkerkhof\', maar een
ondenkbaar, onbegrijpelijk zalige paaschmorgen, waarop
alles wat wij in Gods naam en ter zijner eer hebben ge-
werkt en volbracht, iedere daad, ieder woord, iedere
strijd, iedere overwinning voor Hem en door Hem be-
haald, met ons zal opstaan.
Ja Paulus kon wel een hoofdstuk schrijven over „de
plicht om gelukkig te zijn, Sir John Lubbock echter niet.
-ocr page 148-
en arm, arm mensch, rijk, beminnenswaardig en
begaafd, was aan den drank verslaafd geraakt.
Langzamerhand had hem het monster omslingerd en
hield hem steeds vaster in zijn demonische omarming
gekneld. Zyn gezondheid was verdwenen, zyn hoop ver-
nietigd, zijn kracht gebroken.
Somtyds, in heldere oogenblikken, gevoelde hij den
ganschen omvang van zijn afgrijselijke, door eigen schuld
veroorzaakte ellende. "Wanhopig verdedigde hy zich dan
tegen zyn verschrikkely\'ken vyand. Hy nam het eene
besluit na het andere.
Hij wilde zich verbeteren. Ja, hij wilde weder een
man worden, en worstelde als een drenkeling met de
hem omringende wateren; doch dan zonk hy wederom,
machteloos ineen en was weder de oude, hulpelooze
zwakkeling.
-ocr page 149-
141
Een bedenkelijke oogontsteking trof hem en noodzaakte
hem, den hulp van een dokter in te roepen. Na een
nauwkeurig onderzoek, zeide deze hem: „Ik zal u de
waarheid zeggen, mijn goede vriend. Wanneer gij het
drinken niet opgeeft, geheel en al opgeeft, zoo zijt gij
binnen zes weken blind, blind voor altijd.
Weet gij wat dat beteekent? Denk er eens over na!
blind! uw leven lang!"
De ongelukkige zweeg. Bewegingloos zat hij daar ter
neder en hield het gelaat in de handen verborgen.
Eindelijk herstelde hij zich, greep naar de brandewijn-
flesch, die flesch, die zijn meesteres, zijn gebiedster
was, en zeide: Leef dan wel, gij heerlijk licht."
-ocr page 150-
DE BEGREPEN EN ONBEGREPEN TAAL.
Stellen wij ons een man voor, die een voordracht
houdt over een geschrift, dat in een hem onbekende taal
geschreven is.. Hrj spreekt veel en geleerd over het bij-
zondere maaksel van het papier, over de chemische be-
standdeelen van de inkt: hij stelt vast in welke eeuw
het geschrift is vervaardigd, hij vertelt zeer interessante
dingen over de letters die brj het drukken zijn gebruikt;
weet veel te verhalen van de geschiedkundige ontwik-
keling van de boekdrukkunst, maar den zin der woorden
kan hrj niet verklaren; want hrj kent de taal niet waarin
het geschreven is.
Stellen wij ons een ander voor, die niets van de
boekdrukkunst verstaat, misschien nooit een drukpers
gezien heeft, en niet eens weet hoe de letters op het
papier zrjn geraakt, die echter de taal die den eerste
-ocr page 151-
143
onbekend was, machtig is, die den zin der woorden be-
grijpt en teruggeven kan.
Als de eerste, schijnt mij zoo menig ongeloovig natuur-
onderzoeker te zijn, die welbespraakt en geleerd over de
natuurwetten weet te spreken, toch echter slechts hun
omtrek weet te beschrijven.
Als de tweede, zoo menig onwetend kind van God,
dat niet geleerd over de uitkomsten der wetenschap kan
redetwisten, doch de taal der natuur verstaat en wien
deze natuur een boek met goddelijke gelijkenissen is, dat
hem de strijdvragen van deze en de andere wereld ge-
makkeljjk doet oplossen. Schoon is het voorwaar, als
beide, geloof en geleerdheid, te zamen worden aangetroffen,
Schillers\' woorden een weinig veranderend, zou men dan
kunnen zeggen
„Waar eenvoud zich aan Weten paart
Daar wordt een goeden toon gehoord."
.
-ocr page 152-
VALSOHE GETUIGENIS.
jn de Overpriesters en de geheele raad zochten ge-
tuigenis tegen Jezus, om Hem te dooden, en vonden
niets. Velen getuigden valschelijk tegen Hem doch hunne
getuigenissen waren niet eenparig". Zooals het voor 1800
jaren was, zoo was het sedert dien tyd en zoo is het
nog heden. Velen, velen getuigen valschelijk tegen Hem,
doch hunne getuigenissen stemmen niet overeen. Wan-
neer zij
overeenstemden, wanneer van het begin tot het
einde alle tegenstanders van het Christendom hunne aan-
vallen op een vaste onloochenbare basis van waarheid
hadden kunnen gronden — wanneer al de geleerdheid en
wetenschap, al de philosofle, al de snijdende en onbarnv
hartige kritiek, al de trotsche geestverheffing en bittere
vyandschap, al het sarcasme en al de satire, gedurende de
vervlogene eeuwen tegen een godsdienst, die niet goddelrjk
-ocr page 153-
145
is, in het strijdperk waren getreden, zoo zou er zelfs
geen armzalig restant van zijn overgebleven en niemand,
noch man, noch vrouw, die slechts half bij het ver-
stand was, zou het in de hersens krijgen, zich Christen
te noemen.
10
-ocr page 154-
DE WEG NAAR DE KERK.
Let gedruisch en de onverpoosde drukte van onze
groote stad moede, vluchtte ik eens, om weder een weinig
op mijn verhaal te komen, naar buiten. Het was een
aardige plaats. De rust en de vrede die er heerschten,
hadden een gunstige uitwerking op mijn min of meer
geschokte zenuwen.
De zondag brak aan. Een zondagmorgen in het voor-
jaar buiten, is een heerlijk ding.
Op dien morgen ging ik uit, om den weg naar de
kerk te zoeken, doch ofschoon ik wel eenig vermoeden
had, in welke richting de kerk lag, zoo wist ik toch
niet zeker of ik niet een te grooten omweg maakte, om
nog tijdig de godsdienstoefening te kunnen bijwonen.
Het was een bekoorlijke weg, bloeiende vruchtboomen
aan beide zijden, hier en daar een buitenplaats, begroeide
heuvels in de verte, een klein kabbelend beekje zich een
-ocr page 155-
UI
weg banend door de geurende heggen, groene weiden met
grazende kudden! — Hoe verkwikkend was dat alles voor
de arme, begeerige oogen van een stedeling.
Daar kwam ik een aardige, net gekleede boerin tegen.
Ik sprak haar vriendelijk aan en vroeg: „Ben ik op den
rechten weg naar de kerk?" Zy antwoordde beleefd: „Ja!
maar gij moet spoedig links afslaan en dan weder rechts
het pad door het bosch volgen tot aan de brug, dan zult
gij achter de school de kerk zien staan." „Dank u" zeide
ik, terwijl ik een weinig ondeugend lachte, „maar neem
my niet kwalijk, hoe komt het, dat, terwijl gij den
weg naar de kerk zoo buitengewoon goed weet, gij toch
de tegenovergestelde richting gaat?" — Zij kleurde hevig
en begon eenige woorden te stotteren. Toen ik hare
groote verlegenheid bemerkte, deed ik geen verdere infor-
matiën, want ik dacht er aan, hoe dikwijls ook ik in
mijn leven buitengewoon goed den weg naar de kerk
had geweten, goede raadgevingen had uitgedeeld, en toch
dikwyls op den tegenovergestelden weg had kunnen
worden aangetroffen.
Er is een wonderlijk oud spreekwoord! Zij die in glazen
huizen wonen, moeten niet met steenen werpen.
-ocr page 156-
„TOEVALLIGE OVERDENKINGEN» BIJ EEN
TANDARTS.
jr zijn allerlei zware gangen, die men in de wereld
doen moet. Daaronder behoort ook die naar den tand-
arts. Men kan een lichte huivering niet onderdrukken,
wanneer men er aan denkt, of er over hoort spreken,
en menigeen heeft zich op het punt om binnen te treden,
nog ijlings uit de voeten gemaakt, als hij de schel hoorde
die hij zelf had overgehaald. En toch — al hetgeen
voorbijgaat is voor mij een gelijkenis, zoo ook de tand-
operatie. Kan men ook niet daarbij, zooals de oude Gotthold
Scriverus, zijne toevallige overdenkingen hebben?
Daar komt iemand tot den gevreesden man en zegt
hem heel onschuldig: „Mijne tanden zijn noch zeer goed,
er ontbreekt eigenlijk niets aan. Het is eigenlijk bijna
de moeite niet waard, dat ik tot u kom. Slechts één
-ocr page 157-
149
plaats schn\'nt mh\' min of meer ziek te zyn, ik verzoek
u beleefd, er eens even naar te zien!"
De arts is een nauwgezet man, onderzoekt nauwkeurig
en zegt dan: „\'t Is erger dan ge denkt. Wortels moeten
er uit, en twaalf moeten er geplombeerd worden. Zoo
gij dat goedvindt, kunnen de overige tanden gered worden
anders niet.
Dat was erg genoeg, doch onze patiënt bewilligt er
in. Zonder veel gesteun ging het echter niet. O, wat
deed dat uitbreken en afschampen een pijn! Maar het
moest geschieden, zou het geen broddelwerk zijn. Doch
nu moesten de ledige holten ook gevuld worden, en wel,
met zuiver, glinsterend goud. — Tot zoover de tandenge-
schiedenis, en nu de „toevallige overdenking."\'
Zoo wij er toe besluiten, tot onzen hemelschen Arts
te gaan en Hem zeggen: „Ons hart is zeer goed en
gezond. Wij behoeven eigenlijk in \'t geheel niet te
komen, doch wij hebben een klein gebrek, waarvan wij
gaarne zouden bevryd worden." O! toont Hij ons dan
niet nooit gedachte, diep bedorven plaatsen aan, die genezen
moeten worden! Zegt Hij ons niet: deze en die oude wor-
tels moeten er uit, anders baat u de geheele genees-
kundige behandeling niets! En doet het uittrekken en
uitbreken van oude zonden en hartstochten geen pjjn?
Ook mogen de van hun vroegeren verderfelrj ken inhoud
-ocr page 158-
160
bevrijde plaatsen des harten, niet ledig blijven. Anders,
keert „de onreine geest, nadat hij is uitgevaren, weder
terug en indien hy* het hart ledig vindt, zoo gaat hij
heen, en neemt met zich zeven andere geesten, boozer
dan hij zelf, en het laatste van dien mensch wordt erger
dan het eerste."
Doch wat moet er in? — Het zuivere, edele goud des
evangelies, dat alle bederf weert.
De tandarts zegt nu zy\'n patiënt ook, hoe hij zich
verder moet gedragen, welke voorzorgen hij in acht
moet nemen. Hij schrijft hem antiseptische middelen
voor, om de mondholte voor schadelijke bacillen te
beschermen, die hij inademen of met zijn dagelijksch
voedsel zou kunnen binnen krijgen.
Ligt ook hier de moraal niet voor de hand? Men
zou mij kunnen verwijten, dat deze opvatting, noch
schoon en aangenaam, noch aesthetisch is — maar zoo
velerlei op de wereld is waar en nuttig om te overdenken,
wat noch schoon en aangenaam noch aesthetisch is. —
Dat zy mijne verontschuldiging.
-ocr page 159-
DE VERLATEN KAMER.
w
m
oeveel duizenden harten zijn er, die tot in hun diepste
diepten hebben ervaren wat droefheid is! Harten, wier
zon ondergegaan is, die het beste en liefste hebben zien
uitdragen — weg — weg, voor altijd.
Hoevelen hebben reeds in hun leven, een kamer, voor
iemand die hun dierbaar was, gemeubeld; met trouwe
zorg alles volgens den smaak van den toekomstigen be-
woner gerangschikt, op ieder van zijn liefhebberijen acht
geslagen, hier een geliefd portret opgehangen, daar een
begeerd boek nedergelegd, het venster met lievelings-
bloemen versierd — en hebben toen de onuitsprekelijke
smart moeten verduren, die kamer op zekeren dag
ledig en verlaten te zien, de leuningstoel ongebruikt, de
kasten ledig, het bed steeds in troostelooze orde glad
gespreid, de boeken ongelezen, de bloemen verwelkt! —
-ocr page 160-
152
ik behoef niet verder te gaan: Ieder zal zijn eigen droe-
vige herinneringen zich voor den geest hebben gehaald.
Wie dat doorleefd heeft, weet wat smart is.
Hoe troostrijk en hoopvol zijn voor dezulken, dewoor-
den van onzen Heer! „In Mijns Vaders huis zijn vele
woningen. — Ik ga heen om u plaats te bereiden. En
zoo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal
bereid hebben, zoo kom Ik weder en zal u tot Mij ne-
men, opdat gij óók zijn moogt waar Ik ben."
Ja, op eenvoudige, aardsche wijze hadden wij ook eene
„plaats bereid" voor ons kind, onze moeder, onze vrouw;
— doch, zoo het Christendom geen droom is, geen fabel,
geen dichterlijke waan — zoo het de eeuwige, heerlijke
waarheid is, de eenige werkelijkheid, welk een plaats
zal dan de Vorst des levens voor zijne geliefden hebben
bereid! Hoe heerlijk zal Hij een der vele woningen voor
zijn kind hebben ingericht! Zijne woorden zijn zoo troost-
rijk, wijl zij ons een brug zijn, een verbinding tusschen
de zichtbare en onzichtbare wereld — alsof onze manier
en wyze van handelen niet zal ophouden aan de over-
zijde des grafs. Dat „gaan om plaats te bereiden" is zoo
aardsch, zoo natuurlijk, zoo begry\'pelrjk.
Wij kunnen ons niet voorstellen, hoe Hij die plaats
bereiden zal, doch wij kunnen er zeker van zyn, dat aan
de verheerlijkte lippen, een kreet van verrukking zal ont-
-ocr page 161-
153
snappen. Wanneer hier op aarde een vader tot zyn zoontje
zeide: „Ik wil u een plaats bereiden, waar gij, wanneer
ge een man geworden zijt, alles vinden zult wat u ge-
lukkig en tevreden kan maken" en zyn kind er dan
opstaan zou, om dadelijk die plaats op te zoeken en al
hare wonderen en heerlijkheden te zien, zoo zou het
naar alle waarschijnlijkheid bitter teleurgesteld zijn.
De dingen, die het kind vreugde zouden verschaffen,
zoo de sluimerende geestesgaven ontwaakt, zijn verstand
ontwikkeld, zijn geheele wezen zich in een anderen, hoo-
geren gedachtenkring bewoog, die het dan een bron van
onuitsprekelijke, heerlijke vreugde zouden zijn, zou het
nu niet waardeeren; het zou hun beteekenis niet in \'t
minste vatten, noch hun waarde begrijpen. De micros-
coop, de telescoop, de electrische batterij, de parelen
der wereldlitteratuur, de „echte Amati," wat zou dat alles
nu voor hem zyn? Niets. Zelfs hier, in ons dagelijksch
leven, kunnen wij gemakkelijk opmerken, hoe de ont-
wikkeling van den geest, ons voor kleinere zaken onont-
vankelyk, voor hoogere ontvankelijk maakt.
De gelouterde Christen, die de vreugde eener innige
gemeenschap met God kent, op wien het vleeschelljke steeds
minder, het geestelyke steeds meer macht verkrijgt, hoe
weinig zal hy reeds hier de ruwe stoffelijke genietingen
waardeeren, waarin zoo velen hun geluk zoeken. On-
-ocr page 162-
154
eindig veel meer moet dit het geval zijn, wanneer het
aardsche omhulsel geheel afgelegd is.
Zoo zouden wy ook nu de dingen niet kunnen ver-
staan, die ons de Heer bereid heeft: „Indien Ik u de
aardsche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult
gij gelooven indien Ik u de hemelsche zoude zeggen."
Een der grootste en diepdenkendste der Duitsche philo-
sofen, Hermann Lotze, zegt: „Zoo bestaat er dan, zonder
uitzondering, een wederkeerige betrekking tusschen het
menschelijk leven, dat wij zien en het lichaam. De
hoogere mate van ontwikkeling tot welke de ziel, bevrijd
van dezen band, zou kunnen geraken, kunnen wij echter
niet te weten komen voor en alleer die band is geslaakt."
Het is bemoedigend, zulke beschouwingen te hooren
van mannen, die hun licht niet door openbaring ont-
vangen, maar slechts door de ernstigste studie der physische
en geestelijke wetten van het heelal, tot zulk een slotsom
zn\'n gekomen.
Onze geliefden zijn op een plaats, waarvan ons arm,
sterfelyk verstand slechts een negatieve beschrijving kan
begrijpen. Hrj zegt ons, wat daar niet zal zijn: geen
dood, geen leed, geen geween, geen smarten, geen nood,
geen scheiden, geen tranen, geen rouw. Welk een onuit-
sprekelyke heerlijkheid verbergt ons reeds dit „geen."
-ocr page 163-
PHOTOGRAPHIE-INSTANTANEË
met toelichting.
ragen wij niet allen een photographisch apparaat
met ons rond, door middel waarvan wij beelden van
verrassende duidelijkheid en duurzaamheid te voorschijn
kunnen roepen? De preparaten die hiertoe noodig zh\'n,
zjjn van oneindig fijneren aard, dan de chemische, die
de photograaf gebruikt.
Wie zou kunnen zeggen, waaruit ze bestaan!
Zij zijn ontastbaar, onweegbaar, onzichtbaar, ondenk-
baar; — doch de portretten worden in onzen photographie-
album bewaard, waar men ze ieder oogenblik, zoo men
dit wenscht, kan opslaan.
"Wel hem, aan wien zich niet bij tijden tegen zijn
wensch, ja, wellicht tot zijne vertwijfeling, zulk een
beeld helder en duidelijk opdringt! Wel hem, wanneer
h|j niet zelf als een onheilspellende gestalte er tegelijk mede
-ocr page 164-
156
is opgenomen. Zulk een beeld is een verschrikkelijk
bezit, waarvan men zich niet kan ontdoen.
In mijne verzameling bevindt zich onder anderen een
photographie-instantanée, die nog zoo duidelijk en getrouw
de beelden wedergeeft, als waren ze eerst heden genomen;
en toch is het reeds langen, langen tijd geleden, dat ik
de gezellige woonkamer van een vriend binnentrad, en
daar de groep aanschouwde, die mij sedert onvergetelijk
in de herinnering is gephotographeerd.
Om een groote tafel, waarop de teekeningen van
Hofmann\'s „Gedenke mein" lagen uitgespreid, stonden
een nog jonge vrouw met haar kind, een knaap van
vijf a zes jaar, en een grijsaard van bijna negentig, met
zilverwit haar en een langen, sneeuwwitten baard. De
moeder, wier trekken van veel kommer getuigden, had
drie lieve kinderen, daar buiten op het kerkhof, in de
koude aarde moeten zien neder leggen. Haar hart was
daarbij schier gebroken.
Door haar man, een beminnenswaardig maar zeer
ongeloovig geleerde, geinfluenceerd, waren alle hemelsche
lichtstralen in haar ziel uitgebluscht.
Edel gezind, het goede zoekend, hare plicht naar krach-
ten vervullend, te eerlijk om te huichelen, streed zij
dapper verder.
De knaap was een allerliefst kind, maar zoo fijn,
-ocr page 165-
157
zoo teeder, zoo bleek. Het scheen alsof er maar één
koude windvlaag noodig was, om hem daarheen te voeren,
waar zijne zusjes reeds zoo vroeg hunnen langen slaap
sliepen. Hij had bovengenoemde teekeningen vroeger al
eens bij mijn vriend gezien, en nu zn\'ne moeder geen rust
gelaten, alvorens zij hem nog eens bij hem had gebracht,
opdat hij nogmaals die schoone platen zou kunnen bezich-
tigen. Toen ik binnentrad, bezag het kind juist: „De
opstanding van het dochtertje van Jaïrus".
Zijne ernstige,
blauwe oogen rustten als geboeid op de plaat, die door zijne
kleine armen en zijn slanke, witte, bijna doorschijnende
handjes als omlijst scheen: „Dochterken, ik zeg u sta op."
Zijne moeder dacht aan het drietal, buiten op het
stille kerkhof, en zij zag ook neder op de gestalte van
den Heiland en op de geheimzinnig weder tot bewust-
zrjn terugkeerende trekken van het ontwakende meisje.
Het was doodstil in de kamer, — toen vroeg het kind
langzaam als door een heilige vrees bevangen: „Mama,
zullen wij onze Ettie ook weder terug krijgen!"
De oogen der moeder schoten vol tranen, doch zij gaf
hem geen antwoord. Het werd weder stil als tevoren.
„Mama," vroeg het toen nog langzamer, „mama, als wij
sterven, hoe zal het dan zyn?"
Weder doodsche stilte. De kleine riep bijna boos:
„mama zeg dan toch!" Maar zij zeide niets.
-ocr page 166-
158
Nu zocht hrj een andere teekening uit: „De Kinder-
vriend".
Lang bekeek hij de aardige plaat en las toen den
tekst die er onder stond: „Laat de kinderkens tot mij
komen en verhinderd ze niet, want derzulken is het
koninkrijk Gods." „En Hij omving ze met Zijne armen,
en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij ze".
Toen kwamen in het kleine kinderhart weer allerlei vra-
gen op: „Mama, wie is deze Jezus? Waarom moeten de
kinderen tot Hem komen? Wat is het koninkrijk Gods?"
Ik wist wel waarom mijn lieve oude vriend zweeg;
waarom hij het der moeder voorloopig overliet, haar
kind te antwoorden of liever niet te antwoorden. Hij
zag die beiden zoo liefdevol, zoo medelijdend aan, door
den geest van Hem bezield, die eens klaagde: „Hoe menig-
maal heb Ik uwe kinderen bijeen willen vergaderen, ge-
lijkerwijs een hen hare kiekens bijeen vergadert onder
de vleugelen, en gij hebt niet gewild." „Mama zijt ge
boos op mrj? U spreekt in \'t geheel niet met me?"
„Neen mijn hartje, ik ben niet boos op u," snikte de
moeder, terwijl zy haar kind vast aan de borst drukte,
„neen ik ben niet boos op u."
Het scheen een oogenblik tevreden te zyn (kinderen
laten zich zoo licht van hun gedachten afbrengen) en
greep nu naar de plaat: „Naar Golgotha" en las: „Gij
dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent
-ocr page 167-
159
over u zelven en over uwe kinderen." Weder bekeek
het de afbeelding vol bewondering. „Wat beteekent dat
kruis, mama — Waarom draagt Hij het! — Waarom
moeten die vrouwen niet over Hem weenen? — Waarom
moest Hij toch sterven?"
Het was, of zich de geschiedenis der menschheid in deze
kleine scène afspeelde. De eenvoudige, veelbeteekenende
vragen van het kind schenen mij als de eenvoudige,
veelbeteekenende vragen, die het menschenhart eeuwig
en altijd gevraagd heeft en steeds vragen zal, trots
alle philosophie en trots alle beroemde systemen en
theorieën.
Ja, het hart van den trotschen geleerde, die meent
op het hoogste punt der wetenschap te staan, stelt ook
(laat hij het maar niet ontkennen) de eenvoudige kinder-
ljjke vraag: „Zullen wij onze Ettie, of onzen Frits, of
ons Liesje ooit weder terugkrijgen?"
Een even bange stilte heerschte rondom hen — een
doodelijke stilte.
„Wanneer wij sterven, hoe zal het dan zrjn?"
Wie is deze Jezus?
Waarom draagt Hij zrjn kruis?
Waarom moeten de vrouwen niet over Hem weenen,
maar over zichzelven en over hunne kinderen?
Waarom moest Hij sterven?"
-ocr page 168-
160
O, kleine, rooskleurige kinderlippen, wat hebt gij voor
hoogten en diepten aangeroerd!
„Vraag het oom maar eens, Hansje," fluisterde hem
zijn moeder toe. „Hij zal het u misschien zeggen."
En hij zeide het hem.
Hij kwam mij voor als Daniël, die meer wist dan alle
sterrewichelaars en wijzen en toovenaars en Chaldeërs te
zamen, daarom, omdat een hooger geest bij hem gevonden
werd, waarbij verstand om verborgene zaken te openbaren.
Niet, dat het lieve Hansje mij nu juist aan Nebucad-
nesar of Beltzazar herinnerde, en toch waren de vragen
die hu\' gedaan had noch moeielijker noch geduchter,
dan die van dien grooten koning.
Het kind zag tot den ouden man op: Zijn jeugdige oogen
die noch zoo weinig gezien hadden, die nog zoo frisch,
zoo onschuldig vragend, in de haar onbekende wereld rond-
blikten, zagen in die van den grijsaard, in die oogen,
die reeds op zooveel beelden in de wereld hadden gerust,
beelden van vreugde en leed, van licht en duisternis.
Zij werden vochtig, toen Hansje met zijn helder kinder-
stemmetje, zijn vraag herhaalde: „Lieve oom, zullen
wij onze Ettie ook weder terug krijgen?"
Toen vertelde hy het kind (doch noch veel meer aan de
moeder) de oude en altijd nieuwe geschiedenis. Eenvoudig
zonder commentaar. De knaap luisterde met verrukking.
-ocr page 169-
161
„Maar dat is heel mooi", zeide hij toen, „dat is heel
mooi mama, waarom hebt grj my dat alles nooit verteld,
en papa ook niet? Misschien weet papa het heelemaal
niet. Ik zal hem alles vertellen, wanneer ik thuis kom."
De jonge vrouw zweeg weder. Kon zij haar kind
zeggen, dat zij en zyn vader er geen woord van geloofden,
dat, datgene wat zijn hartje reeds brjna een behoefte
toescheen, slechts een sprookje was? — Deze Jezus,
was Hrj werkelrjk slechts een dweeper? (Want dat moest
Hij toch zjjn wanneer Hn° slechts een gewoon mensch
was). Deze vrede, dien Hij den Zijnen geeft, die zich zoo
duidelyk op het gelaat van den grijsaard weerspiegelde,
was die een misleiding?
Deze antwoorden op de vragen van haar kind, deze
woorden van geloof, vertrouwen, van licht waren zij
bedrog ?
Myn vriend zag, hoe al deze vragen het hart der
moeder bezighielden en zeide geen woord.
(O, heilige takt, o, goddelyke voorzichtigheid, ik wenschte,
velen kenden u!) — Terwrjl zij den kleine hoed en
mantel aandeed om te vertrekken, zag hö nog steeds
naar de platen om. Hn\' kon er zijne oogen niet van
afhouden en prevelde zachtjes voor zich heen: Ja! dat
moet ik alles aan papa vertellen! Wat zal die blij zyn!
Nu waren zy beiden reisvaardig. Mevrouw S. reikte
11
-ocr page 170-
162
mijn vriend de hand. Hij vertelde mij later, dat zy
ze hem bijna te pletter had gedrukt.
Hansje wees met zijn kleinen vinger nog eens op de
plaat van het dochtertje van Jaïrus en zeide:
„Dat is mooi!"
Zoo gingen beiden naar huis. Moge dat woord voor
tweeërlei uitlegging vatbaar zijn!
Moge zij en de lieve man en vader nog op deze
wereld „naar huis gaan" — naar huis gaan, aan het
hart van den eeuwig zich ontfermenden God.
-ocr page 171-
„IK BEN HET LICHT DER WERELD»
^nlangs verzocht mij een vriend, voor een dag ot
acht bij zich te logeeren. Gaarne maakte ik van zijn
uitnoodiging gebruik, en kwam op een kouden winter-
avond bij hem aan.
De voor mij bestemde kamer werd mrj vluchtig van
buiten aangewezen en mijn koffer er in gebracht. Ik zelf
ging echter al spoedig met mijn vriend in zijn bibliotheek
daar hij mij gaarne een nieuw, zeldzaam werk wilde
laten zien, dat eerst sedert korten tijd in zijn bezit was.
Wij beschouwden het geruimen tijd, toen sloop ik stil
naar mijn kamer, daar ik hem ook een boek had
medegebracht, waarnaar hij reeds lang verlangend had
uitgezien en dat ik uit mijn koffer wilde halen. De deur
sloeg echter achter mij toe en ik stond plotseling in
het donker.
-ocr page 172-
164
Ik tastte met uitgestrekte armen onzeker in het rond,
maar raakte al spoedig een gloeiend heete kachel aan.
De smart was gevoelig.
Ik kon een luiden kreet niet onderdrukken.
Voorzichtiger, naar ik meende, zette ik mijn onder-
zoek voort, doch viel over een tafeltje en wierp het met
de zich daarop bevindende zaken op den grond.
Niet weinig verschrok ik, want ik hoorde iets kraken
en het rinkelen van scherven. Wat had ik toch wel
voor een onheil gesticht?
Het nauwelyks wagend een schrede verder te doen,
stond ik stil. Ik verkeerde in een pijnlijken toestand.
Waar was imjn koffer? Waar de deur, waardoor ik was
binnen gekomen?
Ik wist het niet. En waar waren mijne lucifers toch?
Den geheelen nacht kon ik toch niet zoo blijven staan.
Weder deed ik een poging en ging een stap voorwaarts.
Nu stond ik aan een tafel, ik strekte mrjn hand uit,
doch wierp weder iets om.
Dat was me dan toch een weinig te sterk. Ik geraakte
werkelyk in angst.
Wat moest ik doen? Nog eens strekte ik de hand
uit, vond eindelijk het lang gezochte lucifersdoosje en
maakte licht.
„Goddank!" riep ik uit. Ach! hoe anders was het nu!
-ocr page 173-
165
Hoe geheel anders. Zóó zag er dus mijn kamer uit!
Daar stond mrjn koffer! Daar was de deur! Maar o wee,
wat had ik uitgevoerd! Een groote glazen lamp lag in
duizend stukken op den vloer, ook had ik het evenwicht
van een inktkoker verbroken en een zeer bedenkelijke
vlek op het nieuwe tafelkleed gemaakt.
(Ik moet bekennen, dat ik het op dat oogenblik een zeer
troostrijke gedachte vond, dat mijn vriend jonggezel was.)
Ik zag echter nog iets anders. Uit mijn kamer voerde
een openstaande deur in een andere kamer, die vijf a zes
treden lager dan de mijne lag. Ware ik in de duisternis
nog eenige schreden verder doorgedrongen, zoo had ik
leelijk kunnen vallen, ja misschien armen en beenen
kunnen breken.
Hoe dankbaar was ik, dat ik dit gevaar was ontsnapt.
Nu was echter alles helder. Ik wist waar ik was. Ik
kon vinden wat ik zocht. Nu zag ik alle zaken, zooals
ze in werkelijkheid waren. Nu kon ik zeker voorwaarts
gaan, want het was immers licht.
Heerlijke predikatie en een zalige toepassing zijn in
den titel mede begrepen.
-ocr page 174-
DOODE EN LEVENDE WATEREN.
nlangs liep ik door een tamelijk slecht onderhouden
straat. Plotseling viel mijn aandacht op den gootsteen en
wel, op een voor mij zeer onaangename wijze. Hh"
verspreidde een zeer onwelriekenden geur. Stilstaand,
vuil water had zich verzameld, allerlei vuiligheid en
ontuig had zich hier en daar vastgezet. Oude beenderen
en overblijfsels van bladeren, doode reeds half vergane
muizen en dergelijke zaken meer, leverden voor het oog
weinig bekoorlijks op.
Ik was in een ontevreden, ietwat pessimistische ge-
moedsstemming geraakt en dacht zoo bij mij zelf, welk
een zinnebeeld zijn deze zwarte, kwalijk riekende wa-
teren, van nog zwartere en weerzinwekkender wateren,
die ook door het midden van een groote stad stroomen.
Myne gedachten waren van een zeer ernstigen aard,
-ocr page 175-
167
want ik had in den laatsten tijd vele ontmoedigende en
treurige ondervindingen opgedaan. Onder anderen was
ik onlangs aan een ziekbed geweest, waar een jong
teringachtig meisje in angst en nood den laatsten adem
uitblies, terwijl hare beide ellendige zusters, niettegen-
staande myn tegenwoordigheid, zich versierden en op-
schikten om op onheilige wegen te gaan. Het rochelen
der stervende en het luide lachen van de twee niets-
waardige zusters, die om een paar oorringen half twistten,
half vochten, vormden een ontzettend trio. Ik huiverde,
ik mocht er niet aan denken. — En nog iets anders
had ik gehoord.
Een man, dien ik kende en die vroeger een welgestelde
boekhouder in een groote handelszaak was geweest, doch
nu door den drank geheel gedemoraliseerd en achteruitge-
gaan was, had weder bewezen, hoe diep, hoe onpeilbaar
diep, een mensch zinken kan, wanneer hij door God aan
zich zelven is overgelaten.
Zijn zoon, een vijftienjarige knaap, door zijns vaders
gedrag tot vertwijfeling gebracht, had zich in de deur
van de woonkamer, opgehangen.
Toen de ellendeling beschonken thuis kwam, vond hy
daar het lyk. Familieleden hielden een inzameling onder
elkander en bi-achten hem 20 gulden. Daarmede moest
hy zyn kind een fatsoenlyke begrafenis verschaffen.
-ocr page 176-
168
Hij echter ging met het geld naar de kroeg, waar hij
onder gemeene kameraden, bij brandewijnflesch en kaartspel,
de 20 gulden verkwistte, zoodat hrj zonder een cent thuis
kwam. Toen reed hij in half dronken toestand het lijk van
zijn kind in den nacht op een handkar rond, met het voor-
nemen, zyn verschrikkelijke last hier of daar af te laden.
Ach! dacht ik, zoo zulke dingen gebeuren, wat kan
dan helpen! Het is alles toch te vergeefs!
Plotseling hoorde ik een klateren en plasschen, een
ruischen en vloeien. Ik keerde mij om en zag hoe
kristalhelder water door den gootsteen stroomde, hoe dit
heldere water met kracht het vuil en ontuig wegdreef.
Spoedig vloeide daar een kleine, heldere stroom als een
liefelijk beekje, verfrisschend en verkwikkend.
Ik bemerkte nu dat halverwege de straat, arbeiders met
lange slangen bezig waren, de goten te reinigen.
Toen had ik een antwoord op mijne bange gedachten,
Ja! de levende wateren van boven, zy konden ook deze
doode wateren zuiveren en helder maken.
Ik zou juist dien avond voor de eerste maal een ver-
eeniging bijwonen, gesticht met het doel, dienstmeisjes
de zondagavonden op een vroolrjke, christelijke wijze te
doen doorbrengen, om ze ver van de giftige danshuizen
te houden en belangstelling voor heilige, edele dingen in
hen op te wekken.
-ocr page 177-
169
Toen ik binnentrad, waren er ongeveer achttien meisjes
om een groote tafel verzameld. Zij dronken juist koffie
en aten er met zichtbaar welgevallen, gebakjes bij.
Ik zette mij rustig neder en liet mijne blikken rond-
dwalen. Het gezelschap was uit de meest verschillende
typen te zamengesteld. Sommige gezichten waren fijn-
besneden, aardig en zacht. Menige voorname dame had
misschien gaarne, wat schoonheid en houding betrof, met
ginds slank meisje geruild.
\'Anderen weder zagen er flink en gewoon uit, met
roode, ruw gewerkte handen en onbeholpen, plompe
manieren. Doch daar zaten zij nu allen te zamen met de
vriendelijke dames, die het gesprek leidden, kinderen van
éénen vader, zusters van éénen heiligen broeder. Er werd
een lied gezongen. Toen las de presidente een aardige
kleine geschiedenis voor (die ik hierbij ieder met warmte
aanbeveel) getiteld: „Zonder handen" door Agnes Vollmar.
Het was roerend te zien, hoe de belangstelling steeg, hoe
de onverschilligsten ten laatste dichter brj schoven, om
geen woord te verliezen.
Ik kon bijna zien, hoe de klare, frissche stroom van
hemelsch water in de harten van deze arme meisjes
drong, onreine gedachten medevoerend en in hun plaats
heilige zaden in de ziel zaaiend.
Ik heb mrj voorgenomen, in dit boekje niemand de
-ocr page 178-
170
les te lezen, zooals men dat noemt, anders zou ik hier
helaas, maar een al te gunstige gelegenheid hebben, vele
\'heeren een recht ernstig woord te zeggen over de ver-
antwoordelijkheid, die zij dragen, wanneer zij jonge meisjes
die bij hen in dienst zijn, alle veertien dagen, zondags laten
uitgaan, zonder te weten, waarheen of met wien zij gaan.
Doch ik wil nu maar geen vermaningen geven.
Ik had een paar maal hooren fluisteren: „Wanneer
juffrouw Arnold nu maar komt, och wanneer die slechts
kwam! Ach misschien is het nu wel te laat." Ik vroeg
zachtjes aan mijn buurvrouw: „Wie is juffrouw Arnold?"
„Een blinde," was het antwoord, „een die geheel blind
is." Bijna hoopte ik, dat zij niet zou komen, ik dacht
dat zy een weemoedigen geest over onzen avond zou
brengen en de vroolijke stemming bederven. Daar werd
gescheld. Men hoorde een vroolijke stem in de gang.
Een blyde beweging werd onder de meisjes bemerkbaar,
en de blinde trad binnen — als een stroom van zonne-
schijn, een teedere, liefelyke verschijning. Bewonderend
zag ik haar aan, ach ik kon het immers doen, zonder
haar verlegen te maken.
„Zjjt ge allen hier, lieve kinderen?" riep ze. „Nu
kom eens bij my, Grietje, gij zit daar tegenover me, ik
hoorde dadelijk uw stem! En gij Martha, lief kind, zrjt
gy ook hier? Dat is aardig. Ik was zoo gaarne vroeger
-ocr page 179-
171
gekomen, maar ik werd opgehouden. Wat, heb ik vandaag
een vroolijke geschiedenis beleefd!" Toen vertelde zij een
grappig, klein\' avontuur. Lees nu maar verder. Ik ga
bij u zitten en luister mee. Vergeef me, dat ik u
stoorde." Zij nam een fijn haakwerkje en begon met
hare slanke vingers rjverig en vlug te werken.
Wij hadden juist van den jongen gelezen, die zonder
armen geboren was en toch zoo heerlijk zijn aardschen
loopbaan voleindigde, en hier zat een lief, jong meisje
zonder oogen, licht om zich heen verspreidend, licht
uitstralend, niettegenstaande de duisternis die haar omgaf.
Het scheen mij brjna toe, alsof het om het even was,
hoe gebrekkig de uitwendige mensch ook geschapen is,
wanneer slechts de inwendige edel en goed gevormd zij.
Juffrouw Arnold plaatste zich voor het kleine harmonium
en begon een psalm te zingen. Zij speelde de begelei-
ding zeer schoon. Wij allen stemden mede in en het
werd mij zonderling te moede.
Ik hoorde weder „de stroomen van levend water vloeien."
Nu werd een hoofdstuk uit de Schrift voorgelezen en een
kort gebed uitgesproken. Toen maakten de meisjes zich
gereed om , naar huis te gaan, en ik ook. Ik was zoo
recht van harte, met myn avond tevreden.
Menigeen zal vinden, dat het nauwelijks de moeite
waard is, zoo iets eenvoudigs en onbeduidends te be-
-ocr page 180-
172
schrijven; doch voor mrj was het niet onbeduidend. O,
het eenvoudige is niet altijd onbeduidend! Telkens en
telkens weder, duidelijk voor oogen te zien, hoe het
ware, oprechte Christendom alles waar het mede in aan-
raking komt verheft, al het onreine en gemeene terug-
dringt en al het reine en edele te voorschijn roept, is
een machtige sterking voor het geloof. Ik denk, zoo-
menig atheist zou zijn ongeloof onder de voeten voelen
wankelen, zoo hij de stille zelfopofferende werkzaamheden
der inwendige zending en haar resultaten goed kon
gadeslaan. Hij zou vele dingen zien, die zijne geleerde
theorieën zouden schokken en hij zou wellicht ook vragen
als destijds de oversten en ouderlingen en schriftgeleerden
en Annas de hoogepriester en Kajaphas en Johannes en
Alexander:
„Door welke kracht, of in wiens naam hebt gy deze
dingen gedaan?"
-ocr page 181-
WEGGEGEVEN EN TOCH BEHOUDEN.
et was kort voor kerstmis. Welk een vreugde, ver-
wachting, geheimzinnige voorgevoelens en onderdrukt
verlangen, houdt niet dat ééne woord kerstmis in zich
besloten. Ik spreek op dit oogenblik niet van die ware,
hemelsche kerstmis, van de vreugde, de verwachting,
de geheimzinnige voorgevoelens, het onderdrukte ver-
langen, die voor alle menschen in dat eene goddelrjke,
onwaardeerbare kerstgeschenk hunne vervulling vonden.
Ik spreek hier ?an de gelukkige kinderwereld.
Van al die kleine, heerlrjke geheimen, die tot iederen
prijs voor papa en mama in het diepste duister moeten
gehuld blijven. Van die kleine verbazingwekkende hand-
werkjes, het werk van teedere, niet altijd reine vingertjes-
in verborgen oogenblikken vervaardigd, en die dan, wan-
neer het groote tijdstip gekomen is, oom\'s of tante\'s hart
-ocr page 182-
174
Zoo oneindig gelukkig zullen maken. Het schoonste van
deze aardsche kerstmis is dit, dat de wensch, anderen
gelukkig te maken, daarbij zulk een grooten rol speelt.
Nu komen daar nog de bijzondere verwachtingen bij,
die ieder der op het verlanglijstje uitgedrukte wenschen
betreffen, de visioenen van poppenkamers, verfdoozen
en kookmachines, van hobbelpaarden, looden soldaten en
vestingen, die den bezitter zoo gewichtig toeschijnen, als
Metz of Straatsburg aan den grooten von Moltke. En
dan de gouden appelen en noten, de heerlijke peperkoeken
die zich in de nachtelijke droomen van de kleinen mede
invlechten!
O, wie zou kunnen zeggen, dat kerstmis geen heer-
lijke tijd is!
Zoo dacht ook Greta Sanders. Zy was een lief kind van
lieve ouders. Bij hen had het aardsche feest het hemelsche
niet verdrongen, en hunne harten waren dubbel verblijd.
Greta\'s grootste verlangen bestond in een pop, die de
beginselen der taal machtig was, d. w. z. die papa en
mama kon zeggen. Zij was inwendig overtuigd, dat deze
vermetele droom, zou worden bewaarheid. Zij had toch,
door de onvoorzichtigheid van hare mama, op zekeren
dag een half afgemaakt jurkje op de tafel zfen liggen,
dat haar omtrent de grootte en de toiletbenoodigdheden
der pop, duidelyke en verrassende ophelderingen gaf.
-ocr page 183-
1W
Den avond zelf zal ik niet beschreven. Wie zou zich
niet dien schoonen, schitterenden boom en het evenzoo
schoone, evenzoo schitterende gezichtje van onze Greta
kunnen voorstellen!
Wie weet niet, zonder dat het hem extra meegedeeld
wordt, hoe de pop zorgvuldig werd te bed gebracht, en
hoe het bedje naast dat van het overgelukkige moedertje
werd geplaatst, opdat zij, zoo vroeg mogelijk haar nieuw
kindje zou kunnen kussen en liefkoozen. Zoo iets behoeft
men in \'t geheel niet te vertellen. Ik vind in \'t alge-
meen, dat de schrijver zijnen lezers meer vertrouwen
schenken, hun scherpzinnigheid en gezond menschenver-
stand hooger schatten moet, dan hij het dikwijls doet.
Dan zou hij hun wel toevertrouwen dat zij zonneklare
dingen ook zonder zijn hulp zien en begrijpen kunnen.
Naar alle waarschijnlijkheid zou dan zoomenig boekje
van heel wat minder omvang worden.
Den volgenden morgen, toen Greta nog geheel in haar
moederplichten verdiept was, riep hare mama: „Greta,
houd eens een oogenblikje op met spelen en kom bij
mij. Wij willen een visite maken."
Greta legde haar speelgoed weg en maakte zich klaar.
Spoedig waren moeder en dochtertje op weg.
„Waar gaan wij heen?" vroeg Greta.
„Dat zult ge spoedig zien" was het antwoord.
-ocr page 184-
176
Mevrouw Sanders was een moeder, die haar kind, o,
zoo gaarne een of ander genoegen deed, die het echter
ook even zoo gaarne, misschien nog liever, een voorbij -
gaande smart veroorzaakte, wanneer zij wist, dat deze
voorbygaande smart, zich later in een groote on vergane
kelijke vreugde veranderen zou. Ach, mochten toch
vele moeders het leeren, hunne kleinen zoo op te voeden!
Zij zullen het ook doen, wanneer zij zich zelve door
den goddelijken leermeester, zoo hebben laten opvoeden.
Zy gingen door steeds smallere en armoediger straten,
tot zy eindelijk een smerig, vervallen huis bereikten.
Hier gingen zy in en stegen vier steile trappen op.
Boven gekomen, klopte mevrouw Sanders aan een kleine
lage deur.
Een half verkleumd kind deed open en zy traden in
een klein donker vertrek.
De lezer heeft, naar ik hoop, reeds vele dergelyke
ellendige vertrekken gezien, meermalen zulke ongelukkige
gezinnen bezocht, om hun tweeërlei troost te brengen —
gezinnen, waar dood, ziekte en armoede, hun verschrik"
kelijke macht uitoefenden, tot vertwijfeling, of nog erger,
stompzinnigheid zich van de harten had meester gemaakt
en elke straal van hoop scheen uitgebluscht. Greta echter
had nog nooit iets dergelyks gezien. Zy werd door het
tooneel, dat zich aan haar oog voordeed, diep getroffen.
-ocr page 185-
177
De armzalige bedden, de kale, vochtige wanden, de weinige
gebroken meubels, de koude, half ingestorte haard, de
paar broodkorsten en de ketel slappe koffie, die het
middagmaal uitmaakten, dat alles was haar nieuw. Terwijl
mevrouw Sanders met de zieke moeder sprak, ging Greta
naar de kinderen en trachtte kennis met hen te maken,
doch zij staarden haar slechts sprakeloos en verlegen aan.
„Hebt gij in \'t geheel geen kerstboom gehad", vroeg
zij zachtjes. De kinderen schudden met het hoofd. „In
\'t geheel geen
geschenken, geen pop?" Weder een hoofd-
schudden. „Geen appels, geen noten?" Steeds hetzelfde
stomme antwoord.
Greta kon het niet begrijpen. Hare oogen schoten vol
tranen en haar hartje werd al zwaarder en zwaarder.
„Zoudt gij niet gaarne zoo iets hebben?" vroeg zij op
kinderlijke wijze verder.
Deze vraag maakte de tong van den kleinen jongen
los, en een zacht, verlangend „Ja" werd hoorbaar.
Greta zeide niets. Hare moeder had nu al het noodige
met de arme vrouw besproken en stond op, om te
vertrekken.
Hoe geheel anders zag het gezicht der zieke er uit.
Hoe lang reeds hadden hare lippen geen lachje gekend,
hoe lang hare oogen geen vreugdetranen geschreid.
Mevrouw Sanders was zelve diep bewogen, en hare ziel
12
-ocr page 186-
178
verhief zich tot God, Hem dankend dat hij haar het geluk
had vergund, zijn arm kind moed en troost te geven.
Moeder en kind bevonden zich spoedig weder op de
straat, — Greta zweeg nog altijd, hetgeen ze gezien had,
in haar hartje overleggend. Plotseling zeide mevrouw
Sanders: „Greta, gij weet dat uwe lieve papa mij elke
maand een bepaalde som gelds geeft, die ik voor mijne
armen besteden mag. Ik had nog juist genoeg om de
zieke van hout en levensmiddelen te voorzien, maar
nu is mijn kas ledig. Ik heb geen cent meer over om
den armen kinderen een kerstvreugde te bereiden.
Zoudt gij hun niet iets kunnen geven?"
„O hoe graag, lieve, lieve mama; ik heb er altijd
door aan gedacht, wat wij toch zouden kunnen doen, om
hun een heerlijk kerstfeest te bereiden. Die arme, arme
kindertjes, o, mama! wat heb ik een medelijden met hen."
Dralend, bijna angstig, want zij wist nog niet hoe
haar voorslag zou opgenomen worden, zeide mevrouw
Sanders: „Greta, hoe zoudt gij het vinden, wanneer g\\j
dezen armen kinderen, alles wat gij gisteren gekregen hebt
eens als kerstgeschenk gaaft?" — Greta zweeg.
Er kon wel in haar hartje omgaan, wat eertijds in
de borst van dien jongeling (Matth. 19 : 21) omging,
toen de Heer tot hem zeide: „Zoo gij wilt volmaakt
zijn, ga henen, verkoop wat gij hebt en geef het den
-ocr page 187-
179
armen, en gij zult een schat hebben in den hemel; en
kom herwaarts, volg Mij."
Een oogenblik later vroeg zij: „De pop ook?"
„De pop ook. Gjj behoeft niet dadelijk te antwoorden,
mijn lieve kind. Denk er eens over na en zeg mij dan
later wat gij besloten hebt."
Toen begon mevrouw Sanders over andere dingen te
spreken. Greta was eerst zeer stil en in zich zelf gekeerd.
Er lag een donkere schaduw over haar anders zoo vroolijk
gezichtje. In den loop van den dag verdween die schaduw
echter meer en meer, zij werd vroolijker en tevredener.
Zij drukte hare moeder een kus op de wang en ging
toen naar haar kamertje. Spoedig kwam zij terug met
een groot, nu juist niet zeer fraai ingepakt pakje, dat zy
op den schoot harer moeder legde. „Hier," zeide zij met
heldere vroolijke oogen, „hier, mama, ik heb alles inge-
pakt wat ik gisteren gekregen heb.
De kinderen zullen alles hebben. Gaarne geef ik het
hun. Eerst viel het mrj moeielrjk, maar ik weet, dat
het Christuskindje het ook zou gedaan hebben."
De moeder drukte haar kind vast aan haar hart, en
zoo willen we hen verlaten.
Van Greta behoefde men niet te vermelden, wat
men van den ryken jongeling berichten moest. Men
behoefde van haar niet te zeggen: „En toen z\\] dat
-ocr page 188-
180
woord hoorde, ging zrj bedroefd weg; want zy had een
schoone pop.
Eenige dagen daarna was het Greta\'s geboortedag.
Kinderen betreuren het dikwijls zeer, wanneer deze
dag zoo spoedig op kerstmis volgt. De beide feesten
oefenen een neutraliseerenden invloed op elkander uit.
De kinderen beweren dat men hun met kerstmis minder
geeft, omdat hun verjaardag zoo spoedig volgt; en omge-
keerd geeft men hun minder op hun verjaardag, omdat
het pas kerstmis is geweest.
Doch iedere regel heeft zijn uitzondering.
Toen Greta \'s morgens vroeg ontwaakte, stond er een
hemelsblauwe wieg voor haar bedje.
Daarin lag een pop, een pop welke mijn pen, zich harer
onmacht bewust, weigert te beschrijven. Toen mevrouw
Sanders binnentrad, viel Greta haar om den hals en
drukte al de haar overweldigende gevoelens in het eene
woord mamal uit.
Doch welk een verrassing, geluk en dankbaarheid lag
er in den toon.
Mevrouw Sanders kende de plaats uit de Schrift, Lucas
18 : 29 en 30 en had ze wat, het „ Wederontvangen
in dezen tijd
betreft," heerlyk verwezenlykt.
Onder hen, die kwamen gelukwenschen, die met bloemen
en geschenken verschenen, bevonden zich ook drie kleine,
-ocr page 189-
181
arme, gelukkige wezens. Zij konden niets geven en er
kwam geen woord over hunne lippen maar in hunschit-
terende, van vreugde stralende oogen en de handjes,
die zij gaven en de buigingen, die zjj maakten, lag
een gelukwensch, zooals geen van al de anderen had
uitgesproken.
-ocr page 190-
KNOOPEN EN KNOOPSGATEN.
Een metaphysische scherts.
p een afgelegen eiland leefde eens een volkje, dat
met de overige wereld sedert eeuwen niet in aanraking
was geweest. Het klimaat was zoo schoon dat de men-
schen zich om hun garderobe weinig bekommerden. Zij
hadden zich zoo volkomen afgezonderd, dat zy ten slotte
dachten, dat ze alleen op de wereld waren en dat er
buiten hun werk- en gedachtenkring niets bijzonders en
belangwekkends meer kon wezen. Zij hadden tijd genoeg
om over zooveel, wat gebeurt na te denken en te peinzen;
waarbij, zooals het dan gewoonlijk gaat, veel verstandigs
maar ook veel onverstandigs voor den dag kwam.
Eens woedde brj hen een vreeselijke storm. De zee
rondom hen was in wilde woede geraakt. In den nacht
moest een schip op hunne kust gestrand zrjn, want een
verbrijzelde reddingsboot lag aan den oever en een mantel,
-ocr page 191-
18S
die misschien aan een der drenkelingen had toebehoord,
was aan een gebroken plank van de boot blijven han-
gen. — Groot was de opgewondenheid over deze vondst.
De storm was bedaard. — In de warme zon droogde de
mantel spoedig. De curiositeit werd mede naar de stad
genomen en aan de inwoners, die nooit iets dergelijks
gezien hadden, getoond. De hoofdman van dit volk kwam,
nadat hij den mantel aan een nauwkeurig onderzoek had
onderworpen en lang en diepzinnig er over nagedacht
had, op de schitterende gedachte hem aan te trekken. De
mouwen wekten een ongehoorde bewondering. Zij hadden
juist de lengte van menschenarmen en men kon er zich
ongedwongen in bewegen. Dat was zeer merkwaardig.
Ook ontdekte men zakken; dat bracht hen in verrukking.
„Daar kan men immers wat insteken," riep er een en
wist niets spoediger te doen, dan een handvol noten uit
een nabystaand vat te nemen en ze daarin te steken.
„Zie," schreeuwde hy, „ze vallen er niet uit, ze bljjven
er in." „Warm is hij ook," zei een ander onderzoeker,
„hy bestaat uit twee verschillende stoffen, die te zamen
gevoegd zyn; juist of hij daardoor warmer worden zou!"
Nu kwamen de knoopen aan de beurt.
Hierdoor geraakten zy van verwondering buiten zichzelven.
Hij, die den mantel aanhad, betastte eerst zorgvuldig
de kleine stukjes hout. Hy schudde twyfelend het hoofd.
-ocr page 192-
184
Plotseling stak h\\j een vinger door het knoopsgat, greep
naar den daarby\' behoorenden knoop en bracht hem in
het gat. „Het houdt! het houdt het geheel te zamen,
zie slechts", riep hy vol geestdrift uit. Met steeds grootere
belangstelling, deed hrj nu met de overige knoopen even-
zoo. Eenigen er van echter waren los; één ontbrak
geheel en al en twee schenen doelloos te zijn, men kon
niet zien waartoe ze dienen moesten, ook waren twee
knoopsgaten ingescheurd.
Desniettemin waren allen vol bewondering over het
zonderlinge, dat dit gewaad zich zóó gevormd had, dat
het tot nut der menschen dienen kon. Veel werd daar-
over gesproken en geredetwist.
Toen kwam een gewone veldarbeider, onderzocht de
zaak nauwkeurig en zeide toen zeer openhartig: „Maar
dat ding moet toch door iemand gemaakt zijn opdat
een mensch het zou kunnen aantrekken, het geheele
werk is er naar, men ziet toch dat er plan en bedoeling
in is." Er verhieven zich echter anderen en zeiden:
Neen, dat zou een geheel verkeerde en al te eenvoudige
opvatting zyn. De daadzaak, dat verscheidene knoopen
slechts aan een draad hangen, dat een paar geheel doel-
loos zijn (zrj dienden nota bene om een nu verloren
geraakten gordel te bevestigen), dat één knoop geheel
ontbreekt en dat twee knoopsgaten ingescheurd zyn, al
-ocr page 193-
185
deze dingen leveren toch het overtuigendste bewijs, dat de
mantel slechts door een toeval is ontstaan en een plan
van vervaardiging onmogelijk kan worden aangenomen.
Een ander, hooger geplaatst, was het eens met den
eerste en zeide, dat ook hij niet kon ontkennen, dat
het hem in weerwil van de ontbrekende knoopen en
de ingescheurde knoopsgaten voorkwam, dat de mantel
niet louter door toeval was ontstaan. „Het schijnt mij
over \'t algemeen toe" voegde hij er bij, „dat de schaal
zeer ten gunste van de onderstelling overslaat, dat by
de schepping intelligentie aanwezig geweest is." *)
De voering werd nu nog nauwkeuriger in oogenschouw
genomen. Schoone teekeningen waren er in geweven.
De eene geleek precies op de andere en zij hadden geheel
dezelfde kleurschakeeringen. Alles was mathematisch cor-
reet ontworpen en uitgevoerd. Hoemeer zij de patronen
beschouwden, des te meer wonderen ontdekten zy er in.
Toen meende de domme boer weer, dat toch iemand
het regelmatige, nauwkeurige, zonder fouten vervaardigde
patroon moest hebben bedacht. Doch hy werd spoedig
tot zwijgen gebracht. Want de hoofdman zeide dat juist
het verwonderlijk kunstig uitgevoerde patroon, een bewijs
van het tegendeel was. Zou toch de schepper van den
*) John. Stuart MUI.
-ocr page 194-
186
mantel, aangenomen, er bestond er een, dit samenge-
stelde, verwonderingwekkende weefsel voor het inwendige
hebben gebruikt, daar waar het menschelijk oog het
niet eens zien kon, zoo de mantel gedragen werd. „En
hier" vervolgde hü, wil ik een oogenblik stilstaan," om
mjj uit te spreken over een, over ons geheele eiland door-
gedrongen begrip, dat alles ten gebruike der menschen
geschapen is. Zij die zóó denken, zijn, geloof ik, te
zeer met zichzelven ingenomen. Bloemen bloeiden eer
menschenoogen ze zagen. *)
De heerlykste kristallen liggen bh" billioenen op de
Alpen, (naar ik gelezen heb) die nooit door een menschen-
voet werden betreden; evenzoo is het met de voering
van dezen mantel. De eenige gezonde opvatting van deze
zaak is, dat dezelfde natuurkracht die ons heeft geschapen,
ook dezen mantel heeft voortgebracht. Wanneer onze
ijdelheid er ons toe brengt te gelooven, dat dit gewaad
voor een mensen ontworpen en bedacht is, ja, dan
houdt alle wetenschap op!"
Zoo redeneerde men maar steeds door. Ten slotte
vond de mantel een eereplaats in het museum dier stad,
waar hrj het gezochtste en meest bewonderde voorwerp
van de gansche verzameling was.
*) Tyndall.
-ocr page 195-
HIER IS MIJN DAALDER.
n een kleine Duitsche universiteitsstad leefde een oude
dokter, Berger genaamd, met zijne dochter, eene weduwe.
Het waren, om zoo te zeggen, ongeloovige Christenen. Ik
bedoel, zij handelden volgens de leer van Christus zonder
het te weten. Men kon de lieve menschen niet bezoe-
ken zonder van het bewustzijn doordrongen te worden,
dat bij hen een zeldzame nauwgezetheid van geweten
en plichtsbetrachting heerschte. De beide kinderen van
mevrouw Farnstedt waren voor den grootvader een nooit
uitgeputte bron van vreugde en verkwikking, hun op-
voeding, de onophoudelijke zorg der moeder. Men kon
zich moeielijk een schoonere verhouding denken, als die
tusschen grootvader, moeder en kinderen.
Menig Christelijk huisgezin had hier kunnen leeren,
wat huiselijk leven, liefde en trouw zijn.
-ocr page 196-
188
Deze menschen waren hartstochtelijke aanhangers van
Darwin en Hackel. Zij geloofden aan Hackel\'s „Natuur-
lijke scheppingsgeschiedenis" en Darwin\'s „Afstamming
van den mensen," zoo als wij aan onzen bijbel gelooven
of gelooven moesten. God en onsterfelijkheid waren voor
hen kinderlijke, bijna belachelijke begrippen. — Toch
was juist die vriend met wien zij het meeste en het
liefste omgingen, Professor Stroom, een beslist Christen.
Merkwaardig, dat deze zoo uiteenloopende karakters zoo
nauw tot elkander in betrekking stonden.
Misschien gevoelde de geloovige man, dat deze menschen
naarmate van het licht dat zij bezaten, ernstig en eerlijk
handelden, ja zelfs veel meer dan dat; in vergelijking
waarvan zoo menig Christen in naam, ver, ver van het
licht dat hij beweert te bezitten, verwijderd blijft en
zoo zijn God schande en oneer aandoet.
Misschien bestond er ook tusschen hen een persoonlijke
sympathie. Wat ook de oorzaak mocht zijn, zij waren
nauw aan elkander verbonden. Zeer zelden echter onder-
hielden zij zich over godsdienstige aangelegenheden, alle
andere zaken echter, die in de wereld voorvielen, werden
levendig besproken.
Zoo was dan op zekeren dag Prof. Stroom in het huis
zijner vrienden. Zij dronken juist te zamen een kop
koffie, toen de kleine jongen met vlammende oogen en
-ocr page 197-
189
met een door boosheid vertrokken gezichtje, de kamer
binnenstormde; zijn zusje volgde hem op den voet, snik-
kend en scheldend.
„Paul heeft mtf geslagen" riep zij uit, „mijne wang
gloeit nog!"
„En Cato heeft myn huis, dat ik juist opgebouwd had,
met moedwil omvergegooid! Die ondeugende, nare meid!"
„Kinderen" zeide de grootvader op kalmen toon, „komt
eens by imj. Houdt ge niet veel van my?" — Geen
antwoord. — „Ik vraag u of ge niet veel van mij houdt?"
Hy legde een hand op den schouder van ieder kind en
trok ze naar zich toe.
Zü zagen hem met hunne eerlijke kinderoogen, waaruit
alle boosheid van lieverlede verdwenen was, aan. Eindelijk
zeide het meisje: „Ja grootpa, ik houdt veel van u." —
De jongen draalde nog een oogenblik, toen fluisterde h;j:
„Ik houd ook veel van u."
„Goed" antwoordde de oude man, „dan zal het heden
uw straf zijn, te weten, dat gij mij beiden zeer veel
verdriet hebt gedaan, want niets doet mij meer verdriet,
dan wanneer mijne lieve kinderen zoo onhartelijk en lief-
deloos zijn. Gy doet my toch niet gaarne verdriet, —
niet waar?"
„Neen" zeiden beiden tegelyk.
„Nu dan Cato, ga heen en bouw het huis van uw
-ocr page 198-
190
broertje weer op, en gij, Paul, geef uw zusje een harte•
lijken kus op de wang, waarop gij haar geslagen hebt,
maar ga eerst naar uwe moeder, die hebt gij ook diep
bedroefd.
Ziet ge, het kwaad doen is iets verschrikkelijks; gij
maakt u zelf ellendig en ongelukkig en gij maakt hen
die u liefhebben, ook ellendig en ongelukkig — ga heen
en vraag uwe lieve moeder om vergiffenis!"
Met tranen in de oogen gingen zij tot haar en vleiden
zich tegen haar aan.
Dat was een heerlijke kleine verzoenings-scène.
Men kon zien, hoe de booze wolken werden wegge»
vaagd, hoe de zon der liefde en eendracht de kleine
gezichtjes verlichtte, hoe het moederhart bewogen en
verteederd werd. — De oude dokter vond het noodzakelijk
zijne oogen buitengewoon ijverig met zijn zakdoek af te
wisschen. — Vergenoegd elkander omhelzend, gingen de
kinderen daarop weder naar hun speelkamer terug.
„Zachtheid en goedheid z\\jn niet altijd voldoende,"
zeide daarop Dr. Berger, „dikwijls moet men het anders
inrichten; maar wanneer het gelukt, wanneer door het
eenvoudige ontwaken van het kinderlijk geweten; het
berouw kan worden opgewekt, zoodat men zonder straf
een gunstigen invloed op het kinderlyk hart verkrygt, dan
geef ik toch de voorkeur aan deze wyze van handelen."
-ocr page 199-
191
„Lieve vader," antwoordde mevrouw Farnstedt, „Wat
hebt gij toch steeds gelijk! Wat zijt gij toch altrjd lief-
derijk en verstandig!" en zij drukte een kus op zijn
sneeuwwit hoofd. Het werd een oogenblik stil, toen
zeide Prof. Stroom: „En al datgene, wat ik heden hier
gezien en gehoord heb, was oorspronkelijk slijm."
„Slrjm?" riepen vader en dochter gelijktijdig uit.
„Deze scène met onze kinderen was oorspronkelijk slijm ?
Hoe moeten wij dat begrijpen?" vroeg mevrouw Farn-
stedt lachend.
„Maar mijn lieve beste vriend," viel Dr. Berger in,
„ik bid u, gij zult toch niet..."
„Vergeef mij, dat ik u in de rede val," zeide Prof.
Stroom, „en vergun mij dat ik u iets uit uw Evan-
gelie voorlees." Hij haalde het werk van Hackel te
voorschijn, dat steeds op zijn plaats in de bibliotheek te
vinden was, en las:
„„De oudste voorvaders van den mensch, zoowel als
van alle andere organismen, waren levende wezens van
den eenvoudigst mogelijken aard. Orgdnismen zonder orga-
nen
zooals de thans nog levende moneren. Zij bestonden
uit zeer eenvoudige, door en door gelijksoortige, vorm-
looze klompjes van een slijmachtige of eiwitachtige stof.
De eerste van deze moneren ontstonden in het-begin
der Laurentische periode door Ur-teling of Archigonie,
-ocr page 200-
192
uit zoogenaamde anorganische verbindingen van koolstof,
zuurstof en stikstof. In de 13e verhandeling hebben wy
bewezen dat de aanneming van zulk een Ur-teling een
noodzakelijke hypothese is." *)
„„Door de descendentie-theorie wordt het ons voor de
eerste maal mogelijk, deze eenheid der natuur zoo te
bewijzen, dat een mechanisch-causale verklaring ook van
de ingewikkeldste organische verschijnsels, b. v: b. het
ontstaan en de inrichting
der zintuigen, in werkelijkheid
niet meer moeielijkheden voor het algemeene begrip
oplevert, dan de mechanische verklaring van een of ander
physiek proces, zooals b. v. b. de aardbevingen, de rich-
tingen van den wind, of de stroomingen der zee zyn.
Wrj komen hierdoor tot de uiterst gewichtige overtuiging,
dat alle natuurlichamen, die wy kennen, geiykmatig levend
zyn, dat het contrast dat men tusschen een levende en
doode lichamenwereld vaststelde, niet bestaat. Wanneer
een steen los in de lucht geworpen, volgens vaste wetten,
ter aarde valt, of wanneer in een zoutoplossing zich een
kristal vormt, zoo is dit verschijnsel niet meer en niet
minder een mechanisch levensverschynsel, dan het
groeien en bloeien der planten of de werking der harts-
*) Natürliche Schöpfungsgesehichte. Bladz. 579.
-ocr page 201-
193
tochten brj de dieren, dan het gevoel of de gedachtenvor-
ming der menschen."" *)
„Dus Shakespeare, Goethe, Schiller, Raphaël, Beet-
hoven, al de deugden, de trouw, de liefde, de zelfop-
offering op de wereld, al de zonde, de haat, de nijd,
de zelfzucht, het geweten, het berouw, — waar zal ik
beginnen, waar eindigen — het begrip der Godheid, der
onsterfelijkheid, — dat alles, zonder invloed van buiten,
zou zonder plichtplegingen, men weet niet hoe of waarom
of waar van daan uit deze slrjmklompjes te voorschijn
zy\'n gekomen, als de duizend wonderlijke zaken uit den
cylinderhoed van een goochelaar.
Luister eens naar deze woorden:
„Vrees niet want ik ben met u; wees niet verslagen,
want ik ben uw God. Ik sterk u, ook help ik u, ook
ondersteun ik u met de rechter hand myner gerechtigheid."
en deze: „Als droevig zijnde doch altijd blijde, als arm
doch velen rijk makende, als niets hebbende en nochtans
alles bezittende." — En verder: „Daarom vertragen wij
niet; maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven
wordt, zoo wordt nochtans de inwendige vernieuwd van
dag tot dag. "Want onze lichte verdrukking, die zeer
haast voorbijgaat, werkt ons een gansch zeer uitnemend
*) Ebenda bladz. 21.
13
-ocr page 202-
194
eeuwig gewicht der heerlykheid, dewijl wy niet aan-
merken ^de dingen die men ziet, maar de dingen
die men niet ziet; want de dingen die men ziet zijn
tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn
eeuwig." Die woorden zouden slechts ontwikkeld slijm
of eiwit zyn?"
„Een van Grimm\'s sprookjes eindigt ongeveer aldus:
"Wie dit niet gelooft, moet mij een daalder brengen."
„Op zekeren dag werd er bij de gebroeders Grimm
gescheld. Een klein meisje wenschte een der heeren te
spreken, daar zy hem wat wilde geven. Men diende
haar aan. Vertrouwelijk trad het de studeerkamer van
den geleerde binnen en legde een daalder op de tafel.
Toen zeide het bedeesd: „Mijnheer de professor, ik ge-
loof niet aan de geschiedenis die gij geschreven hebt en
daarom breng ik u mijn daalder."
Indien Hackel aan het slot van zijn werk dezen volzin
had toegevoegd, zoo zou ik tot hem gegaan zijn en gezegd
hebben: Mijnheer de professor, ik geloof niet aan de geschiede-
nis die gij geschreven hebt; hier is mijn daalder. - En ik zie
in den geest een lange, lange ry tot hem gaan, een ry van
ernstige, dcnkonde mannen, ongeleerden, doch ook ge-
leerden, mannen en vrouwen, die in het leven geleden,
gestreden en overwonnen hebben, ik zie ze allen hun
daalder wegbrengen. En gij, mijne lieve vrienden, gij brengt
-ocr page 203-
195
iederen dag van uw leven uw daalder onbewust naar
Hackel. — Waarom, deze trouwe arbeid aan uwe kinderen;
waarom het streven in hen de edelste, reinste gevoelens
te verwekken; waarom hen voor iedere verkeerdheid zoo
ernstig te waarschuwen; wanneer wij allen heden of
morgen zullen uitgeblazen worden als lichten, wanneer
het feest voorbij is.
Gelooft gij, dat een architect jaren lang nauwgezet aan
een gebouw zou arbeiden, zoo hij zeker wist, dat op den
dag dtr voltooiing het gansene gebouw met.den grond
zou worden gelijk gemaakt, om voor altijd spoorloos te
verdwijnen ?"
„Gij weet ik spreek zelden met u over deze dingen,
doch nu kon ik niet anders.
De onmogelijkheid datgene te gelooven wat gij gelooft,
overweldigde mij te zeer. Ik ben niet geleerd genoeg,
om na te gaan, of de theorie van Darwin de juiste
is. Misschien heeft de altijd scheppende geest deze
methode gekozen, om de wereld, zooals sij nu bestaat,
voort te brengen. Doch een hypothese moet zij toch
voor haar vurigste aanhangers blijven. Hackel geeft
immers zelf toe, dat niet slechts de hoofdschakel tusschen
mensch en dier ontbreekt,*) maar dat ook de andere
\') Ebenda, Bladz. 677.
-ocr page 204-
196
overgangen van dier tot dier ontbreken,*) zoodat, naar
Hackel zelf te oordeelen, een leek zijn systeem een uit
enkel ontbrekende schakels bestaande keten toeschijnt.
Doch dat alles mag zijn reden hebben, dat wil ik niet
bestrijden. Zooals ik reeds zeide, daarvoor ben ik niet
geleerd genoeg; maar ik hoop toch nog een weinig ge-
zond menschenverstand te bezitten, en dit verzet zich
tegen de bewering, dat er gedachten zonder geest, plannen
zonder iemand, die een plan maakt, wetten zonder wetge-
vers zouden kunnen bestaan: dat er iets voortgebracht
kan worden zonder voortbrenger, een zieleleven zonder ziel
zijn kan; dat gij, uwe dochter en uwe lieve kinderen zoo
geheel doelloos, toevallig voor een paar dagen in deze
wereld, ik zou haast zeggen, als sneeuw zijt neer gevallen,
om als de sneeuw spoedig voor altijd te verdwijnen.
Om dat alles aan te nemen, daartoe behoort een te
eenvoudig geloof — en dat bezit ik niet. Ik moet nu weg.
Vergeef mij dat ik u in \'t geheel niet aan het woord
liet komen. Ik wil u ook heden niet aan het woord
laten komen. Een ander maal zult gij mij antwoorden."
Stroom was reeds de deur uit, toen hij nog eens terug
kwam en zeide: „Lieve Berger, slechts nog een enkel
woord:
*) Ebenda, Bladz. 369.
-ocr page 205-
197
Mij is het, alsof gy eens niet meer onbewust maar
bewust aan uw Orakel zijn daalder brengen zult. Henig-
maal waag ik het zelfs te hopen, dat Hackel zelf, wanneer
zijn zoo belangwekkend als werkzaam leven, het einde
te gemoet gaat — wanneer de donkere wateren hem
naderen, de koude golven zijne voeten zullen aanraken
en zijn ziel alle ingebeelden troost en alle „valsch be-
roemde kunst" zal moeten opgeven — dat dan ook hij
misschien zijn eigen vroeger „Ik" een daalder brengen
zal en tot hem zeggen: Gij Hackel van eertijds, gij God
en onsterfelijkheidsloochenaar, ik geloof nu niet meer
aan de geschiedenis, die gij eens geschreven hebt — hier
is mijn daalder. — Dat geve God.\'\'
-ocr page 206-
SLECHTS EEN SPBOOKJE.
Loe begeerig zijn onze kinderen toch, om altijd en
altijd weer de aardige oude sprookjes te hooren die eens
onszelf zooveel vreugde hebben veroorzaakt. Hoe dikwijls
moeten wij van den toovenaar vertellen, die de oude
bedelaarster met zijn tooverstaf aanraakte en haar in
een schoone, jonge prinses veranderde, — Van het stuk
brood dat door een hongerig kind aan een nog hongeriger
kind werd gegeven, en dat plotseling in goud veranderde,
zoodat die beiden levenslang genoeg hadden, om brood,
ja zelfs koeken en suikergoed te koopen; of van het
brave meisje, wier zachte woorden kostelijke parelen
werden, terwijl de hatelijke gezegden harer zuster zich
in venijnige padden en schorpioenen veranderden.
„Asjeblieft, nog maar één geschiedenisje! nog maar
één!" Hebben wrj dan niet gewichtiger bezigheden uit-
-ocr page 207-
199
gesteld en door de kleine luisteraars omringd, steeds ver-
der en verder verteld?
Dan zeiden ze: „Ach, maar dat is immers niet waar!"
en wij lachten en antwoordden: Neen, neen, \'t is ook
maar een sprookje."
Eens echter is aan de bewoners onzer aarde een ge-
schiedenis bekend gemaakt, wonderlijker dan wij er ooit
een aan onze kleinen hebben verteld — de geschiedenis
van Een, die met zijn heiligen tooverstaf in waarheid
alles verandert. „Zie, Ik maak alles nieuw," zegt deze
Toovenaar. Alles op aarde verandert Hij en verandert
het tot in zijn innerlijkst wezen.
Wat den menschen „een dwaasheid en een smaad" is,
maakt Hij tot hunnen „roem"; Hun rijkdom verandert Hu\'
in armoede — hun armoede in rijkdom, hun kracht
in zwakheid, hun zwakheid in kracht, hun hoogmoed
in zelfvernedering — hun zelfvernedering in eere, hun
vreugde in droefheid — hun droefheid in vreugde, hun
licht in duisternis — hun duisternis in licht, hun leven
in sterven — hun sterven in leven.
Waar is de toovenaar, die met dezen Toovenaar ge-
lijk staat? Hebt gy nooit den wondervollen invloed
Zyner macht waargenomen? Hebt gij nooit de heerlijke
uitwerking gezien, die ontstaan is door de aanraking
Zn\'ner hand, of van den zoom Zijns kleed."
-ocr page 208-
200
Wonderen, die even zoo lijnrecht tegenover de ge-
roemde wetten der „ontwikkeling" staan als de veran-
dering van een oude bedelaarster in die eener jonge
vorstin — God geve, dat het ons ook niet te wonderlijk
toeschijne, om waar te zijn, en dat wrj ook niet zeggen
als zoovele anderen:
sprookje!"
„Ach \'t is immers slechts een
-ocr page 209-
EEN PAASCHGANG.
Let was paasch-zondag. Ik kwam juist uit de kerk
en had een van die paaschpreken gehoord, die in waarheid
paaschpreken zijn, waarbij het iemand te moede is, als
ware men zelf met Petrus en Johannes, aarzelend en
bevend, in het Goddelijke graf gegaan om het ledig te
vinden.
Ik had van het afwentelen van den steen gehoord, van
dien steen, waarvan zoo eenvoudig en toch zoo goddelijk
diepzinnig geschreven staat: „Want hij was zeer groot".
Ja! hij is „zeer groot". Zoo groot, dat hij menigmaal
hemel en aarde verborgen houdt; dat wij niets dan hem
kunnen zien, geen troost, geen kracht, geen hoop.
Op allerlei wijze heeft de wereld getracht, hem af te
wentelen; heeft daaraan gebeurd en zich er aan verbeurd.
Zy heeft alle aardsche wijsheid en kunst en wetenschap
-ocr page 210-
202
er bij geroepen; alle macht, waarover zij kon beschikken,
heeft moeten dienen om dezen steen op te heffen. Doch
de arme zwakke wereld heeft hem niet van zijn plaats
kunnen krijgen, „Want hij was zeer groot". Het eenige
wat zij door aanwending van al hare kracht en al hare
macht heeft kunnen bereiken is dit, dat zij door hare
betoovering en haar overredingskunst velen harer kinderen
hem voor een oogenblik uit de gedachte heeft kunnen
verdrijven. Maar zoo zeker als de eene dag op de andere
volgt, zoo zeker komt in ieder menschenleven de ure,
waarin deze steen voor hem ligt, massief, sterk, billioenen
centenaren zwaar; en waar wordt het dynamiet gevonden
dat hem uiteen zou kunnen doen springen?
Op dezen morgen echter was het mij, zooals ik reeds
zeide, zoo heilig, zoo triompheerend te moede, alsof de
deuren des hemels een klein weinig geopend waren ge-
weest en een straal van onuitsprekelijk heerlijk licht in
mijn hart gedrongen was.
De steen was weg, door een engelenhand zachtkens
voortgedragen.
„Er zijn in een menschenleven oogenblikken, waarin
hij den wereldgeest nader staat dan ooit." Ik heb nooit
goed kunnen begrijpen wat de groote dichter daarmee
zeggen wilde. Doch een ding is zeker waar, dat er in
een menschenleven oogenblikken zyn, waarin hu\' Gods
-ocr page 211-
203
geest nader staat dan ooit. Wee het leven, dat daarvan
niets weet!
Ja er zijn oogenblikken, waarin men den wereldgeest
geheel ontrukt is, waarin de wereld voor ons opgehouden
heeft te bestaan, waarin wiï\' het wondervolle geheim
van de gebedsgemeenschap met onzen hemelschen Vader,
begrijpen, weten en niet slechts gelooven. Tenten tot
langer verblijf mogen wij daar niet oprichten; het zijn
slechts oogenblikken.
Zijt gij wel eens met den spoortrein door de heerlijke
„Riviera" gereden? Gij moest door een langen, donkeren
tunnel; doch aan de zeezijde zyn af en toe openingen
aangebracht. Gij zaagt uit de duisternis in het verruk-
kendste landschap.
De blauwe zee, oranjeboomen, grijze olijvenbosschen,
met teedere amandelbloesems prijkende heuvels, verlicht
door de gouden Italiaansche zon, vlogen ons bliksemsnel
aan de oogen voorbrj; dan reedt gij weder verder in stik-
donkeren nacht. Doch deze lichtgaten waren u borg dat
grj spoedig uit den langen tunnel zoudt komen, om dan
vrtj en gelukkig Gods heerlijke natuur rondom u te
kunnen bewonderen.
Door deze verhevene gedachten bezield, ging ik uit de
kerk naar huis, zonder veel op hetgeen er rondom mij
voorviel te letten, toen ik brjna tegen twee halfbeschon-
-ocr page 212-
204
kene, smerige, havelooze sjouwers aanliep. Ha, ha, lachte
de eene, zoo recht spottend en hatelijk, „Weet je, wat
hij gedaan heeft ?" — De vuilik bidt tegenwoordig."
Toen volgde weder een afschuwelijk lachen. Verder hoorde
ik niets, doch ik werd van mijn geestelijke hoogte plot-
seling op de aarde teruggeslingerd! Ik was zeer verstoord
over de ruwheid van het volk.
Een onuitsprekelijke weerzin vervulde mij. Wat zagen
dezen menschen er gemeen en dierlijk uit. Moge God
mij bewaren ooit met zulk uitvaagsel der menschheid in
aanraking te komen! dacht ik. Doch lang beheerschten
mij, Gode zij dank, zulke gedachten niet — maar een ge-
voel van diep medelijden nam hun plaats in. Het heilige
woord: Vader, vergeef het hun want zij weten niet wat
zij doen," schoot mij te binnen. Misschien hadden zij
nog nooit iemand op hunnen levensweg ontmoet, wiens
leven en daden, hun hadden kunnen leeren wat bidden is.
Zij waren in een langen, donkeren tunnel en niemand
had voor hen lichtgaten gemaakt, waardoor zij een andere
dan hun ellendige, vervallen wereld hadden kunnen zien
doorschemeren. Gods barmhartigheid zal dezulken oor-
deelen. Dat is niet onze zaak. Een ding erken ik echter
gaarne. Ik koesterde den levendigsten wensch, den door
die arme kerels zoo diep verachten en smadelijk genoemden
derde te leeren kennen.
-ocr page 213-
205
Hoe gaarne zou ik hem de hand hebben geschud, hoe
gaarne een woord van bemoediging hebben gezegd —
dezen onbekende, die toch op zijne wijze den smaad der
wereld ter wille van zijn Heer verdroeg.
Mijn wrevel was bedaard om echter weer in verhoogde
mate te worden opgewekt, toen ik aan andere, gevierde,
hoogverheven en geachte geesten dacht, wier schriften
en geleerde voordrachten, in den grond genomen, ofschoon
in eene schoone, aantrekkelijke taal uitgedrukt, juist het-
zelfde bedoelen, dan het gezegde van dien armen sjouwer:
„Ha - ha! die - bidt!"
En wat zegt zoo menig hooggeprezen wetenschappelijk
of letterkundig werk, dat fraai ingebonden op de toon-
bank van onzen boekhandelaar ligt? — Hebt gij ze ge-
lezen? Weet gij, wat er in staat?
En wij zouden laag op deze arme menschen nederzien
en ons over de ruwheid van het volk driftig maken ? Zullen
wrj ons aan den ellendigen toestand van een zieke erge-
ren of niet veel meer aan den dokter, die hem het
eenige geneesmiddel, dat hem helpen, ja zelfs genezen
kon, onthoudt? Zullen wij op den armen patiënt schimpen
en boos worden, omdat hrj steeds zieker wordt, of op
hem, die hem langzaam, maar bestendig vergif ingeeft,
vergif, dat zijne levenskrachten verzwakt en zijn weder •
standsvermogen vernietigt?
-ocr page 214-
206
Zullen wij schelden op den arme, die in het donker
zit, of op hem die hem het licht beneemt? Oordeel
zelf, lieve lezer!
Ja op die ongeloofzaaiende schrijvers mocht ik mij
boosmaken, meende ik, aan die duisternis verspreidende
lichten kon ik mijn drift den vrijen teugel vieren!
Toen kwamen mij weder de goddelijke woorden te
binnen: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet
wat zij doen."
Misschien spreekt de Heer deze woorden ook over hen
uit! Zij weten ook niet wat zij doen, deze „Oversten"
der wereld, want indien zij de wijsheid Gods erkend
hadden, „zouden zij den Heer der heerlijkheid niet ge-
kruisigd hebben" en zouden Hem niet telkens opnieuw
willen kruisigen.
Zij zien Hem niet. De steen, dien zij niet wegnemen
konden, „want hij is zeer groot," ligt er voor. Ach dat
een engel des Heeren tot hen kwame en den steen van
de deur huns harten afwentelde, opdat ze Hem, die opge-
staan is uit het graf, mogen erkennen. Dat geve God.
-ocr page 215-
LIEDEREN ZONDER WOORDEN.
e heerlijke liederen zonder woorden van Mendelsohn,
zijn niet de eenige die er bestaan, er zijn andere, nog
schoonere.
Een jonge vrouw, wier man nog tot de van verre
staanden behoorde (d. w. z. met het hoofd, niet met
het hart, want dat is een verbazend onderscheid), zeide
onlangs tot haar vader: „Papa" ik heb sedert maanden
Adolf geen goede lessen gegeven; ik heb volstrekt niet
met hem over zulke dingen gesproken; ik heb hem vol-
strekt niets voorgepreekt. Ik heb hem alleen duchtig
met zijn werk geholpen, ik heb mij door niets laten
ontmoedigen. Ik heb alles uit liefde voor hem gedaan,
en nu is hij zóó hartehjk voor mij, dat kunt ge u niet
voorstellen. Hij blijft eiken avond thuis en wil nooit
van mij weg.
-ocr page 216-
208
De oude grijze vader omarmde zyn kind en zeide
lachend: „En gij denkt, mijn lieveling, dat gij hem
niets hebt voorgepreekt?"
Het was een lied zonder woorden.
Een zeer vrome, (?) kerksche familie had een dienst-
meisje, dat haar plicht zoo nauwgezet mogelijk vervulde.
Zy werkte zich halfdood, had nooit tijd om naar de
kerk te gaan en zij sprak zelden of nooit over haar
innerlijk leven, terwijl daarentegen verscheidene leden
der familie waar zij in dienst was, zeer gaarne over dit
punt uitweidden en nooit te veel heerlijke zaken van
hun Christelijke ondervindingen konden mededeelen. Het
arme meisje echter kreeg nauwelijks genoeg te eten en
moest ofschoon zij zeer zwak was, in een koude, voch-
tige kamer slapen. Op zekeren dag werd zij onverdiend,
op een onbarmhartige manier uitgescholden. Zrj had
een kleinigheid vergeten te doen, iets van zeer weinig
beteekenis. Haar hart bloedde, want zij gevoelde de lief-
deloosheid en onrechtvaardigheid zeer diep. \'s Avonds op
haar kamer gekomen, nam zrj haar Nieuw Testament en las:
Gij huisknechten, zrjt met alle vrees, onderdanig den
Heeren, niet alleen den goeden en bescheidenen, maar
ook den harden. Want dat is genade indien iemand om
der conscientie wil voor God zwarigheid verdraagt, lijdende
ten onrechte."
-ocr page 217-
209
Toen knielde zij neder en bad om kracht om haar
plicht te doen, om even zoo trouw en eerlijk als te voren
haar harde meesteres te dienen en zonder bitterheid te
gehoorzamen.
Den volgenden morgen ging zij haren weg, bescheiden,
vriendelijk als altijd, en bediende met bijzondere zorg
juist hen, die haar zoo\'n smart hadden aangedaan.
Ook het leven van dit meisje was een lied zonder
woorden
, Mendelsohn heeft nooit een schooner geschreven.
Het leven van hare meesteres was een woord zonder lied.
Dat de lieve lezer zich een album van dergelijke liederen
moge aanleggen. "Wanneer hij goed acht geeft zal zijn
verzameling met den tijd grooter worden. Het beste zou
echter zijn, wanneer hij er zelf een voor componeerde.
14
-ocr page 218-
BENEDEN EN BOVEN,
Lebt gij nooit op een Alpentop gestaan, van waar-
uit zich een uitgestrekt panorama aan uwe blikken voor-
deed? — Kwam u dan alles niet wonderlijk voor? Zag
er alles niet zoo geheel anders uit dan beneden in het
dal? — In een enkel oogenblik verstondt ge beter de
geographie en topographie van de u omringende land-
streek, dan wanneer gij uwen atlas tien jaren lang hadt
bestudeerd. Stondt gij daar beneden voor een van de
dorpshuizen, zoo zouden de muren van het kleine gebouw
u ieder uitzicht benomen hebben.
"Wat zoudt gij weten van heuvels en dalen, van woud
en veld, van de machtige bergketens met hunne grotesk
gevormde spitsen, die den horizont begrenzen, van de
bochten en wendingen der groote rivier, die zich als een
zilverdraad door het landschap slingert ? Maar niet alleen
zoudt gij dat alles zien wanneer gij boven stond en naar
-ocr page 219-
211
beneden zaagt, maar ook zoomenig waarom zou daar
boven niet in u opkomen, dat u beneden onwillekeurig
op de lippen zweefde. Beneden zoudt gij van uit uw
beperkt en eng begrensd standpunt zoomenig ding niet
begrijpen, zoomenig ding zelfs niet zien, dat boven klaar
en duidelijk voor uwe oogen zou liggen. Het overzicht
van het geheel loste u zoomenig raadsel op, dat gij
beneden nooit zoudt hebben geraden.
Och, zegt gij, dat is immers niets nieuws, dat is
immers reeds duizendmaal beweerd! Dat is volkomen
waar. Maar juist omdat zekere dingen zoo oud en afge-
zaagd zijn, dat wij er nooit meer naar luisteren, schij-
nen .zij ons dikwrjls fonkelnieuw toe, wanneer zrj soms
plotseling in ons hart dringen.
Hoe heerlijk het ook is in kerk en huis, telkens
en telkens weder Gods woord te mogen hooren, zoo ligt
hierin toch een zeker gevaar. Dat toch ieder ijverig
kerkganger zich met waken en bidden daarvoor wachte,
dat de ernstige dingen der eeuwigheid hem tot een ge-
woonte
worden. Hoe menigeen, die zijn leven lang vlijtig
de kerk bezocht, zijn leven lang de psalmen meegezongen
en meermalen aan \'s Heeren tafel aangezeten heeft hoort
nochtans, misschien na verloop van jaren, voor de eerste
maal de goddelijke boodschap, hoort voor de eerste maal
de woorden die hij reeds lang van buiten kende. Waarom ?
-ocr page 220-
212
Omdat hij eensklaps op een geestelijken berg werd ge-
voerd. Er zijn predikatien, die ons zoo leiden, die ons
met bovennatuurlijke kracht op hoogten verheffen, van
waaruit, even als op den aardschen berg, ons een
grootsch uitzicht wordt vergund over ons inwendig en
uitwendig, ons tegenwoordig en toekomstig leven. In
één oogenblik begrijpen wij de beteekenis en het doel
van ons bestaan beter, dan ons een studie van tien lange
jaren in allerlei theologische boeken en systemen had
kunnen verschaffen.
Wij gevoelen ons als van de aarde weggenomen. Bogen
en zuilen van de oude kerk verdwijnen uit ons gezicht,
schip, koor en altaar schijnen voor onze oogen te ver-
zinken; \'t is ons als waren wij in een huis, niet met
handen gemaakt, dat eeuwig in de hemelen is.
Zoomenig waarom besterft ons op de lippen, een
waarom dat hart en ziel pijn deed. — Waarom moest ons
dit leed wedervaren ? vraagt gij. Waarom moest ons
hart verscheurd worden? O, God! waarom, waarom? —
Gjj stondt te dicht voor uw leed; zijne muren benamen
u ieder ander uitzicht. Wat wist grj van de machtige
bergen, waarvan uwc hulpe komt? Wat wist gij van de
wendingen en bochten van dien kristalhelderen stroom
met zn\'ne levende wateren, die als een zilverdraad door
uw leven slingert, om u te verkwikken en te verfrisschen?
-ocr page 221-
213
Maar boven ziet gij hem. Beneden scheen u de weg waarop
gij wandeldet, plotseling op te houden; gij kondt niet ver-
der , dacht gij — hier was een afgrond, daar een naakte
rotswand, ginds een vlietende bergstroom, uw hart ver-
saagde, uw moed werd uitgebluscht, gij zonkt in elkander.
Gh\' wist niets van de groene weiden en de stille
wateren, ginds beneden in de diepte, die gij met eenige
schreden bereiken kondt. Nu van boven af ziet gij ze,
en uw wanhopig „Waarom hebt Gij mij verlaten?" ver-
andert zich in een vredevol: „Wat buigt gij u neder,o,
mijne ziel en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God
want ik zal hem nog loven, Hij is de menigvuldige ver-
lossing mijns aangezichts en mijn God."
Dit is geen phantastisch schilderij, geen dichterlijke
droom. Het is, Gode zij dank, omorikbaar vaste werke-
Ujkheid.
Vraag het zoomenig oud moedertje, dat hier
of daar op een dakkamertje langzaam wegteert. Het
weet niets van phantasie en poëzie, maar het heeft toch
dat heerlyke uitzicht van boven uit aanschouwd. Het
heeft gezien hoe een treurige, eenzame weg „nochtans"
in heerlijkheid eindigt. Vraag het zoomenige moeder,
in wier huis liefde en geluk uitgebluscht zyn, die door
haar handenarbeid zich zelve en hare kinderen moet on-
derhouden, die wellicht \'s avonds sidderend naar den
voetstap van haar beschonken man luistert, die echter
-ocr page 222-
214
zonder morren en klagen, rustig, men zou bijna kunnen
zeggen, vroolijk haar levenspad verder gaat. Waarlijk, ge-
loof my, zij heeft een panorama gezien, zooals zij van
uit onze arme, zondige wereld nooit had kunnen aanschou-
wen. Zij is boven op den berg geweest. En de stem
sprak: „Kom hier op, en ik zal u toonen wat na dezen
geschieden moet." (Openb. 4: 1.)
Wanneer de Heer ons reeds hier op aarde soms op
op bergen voert, waar het „Waarom" in onze harten
bijna verstomt, hoe zal het ons dan zijn, wanneer de
ure gekomen is, waarvan Hij zegt: „Op dien dag zult
gij Mij niet vragen," — wanneer wij in gelukzalig weten.
in ootmoedig begrijpen, aanbiddend aan zyne voeten zul-
len nederzinken, en niets meer vragen.
Nooit meer beneden, altijd boven.
-ocr page 223-
Een eenvoudige familiekroniek uit het leven,
(in het\' hj zonder voor Apothekers.)
Boter........25 ets
Melk........ 5 „
Worst........12 „
Geneesmiddelen.....2.25 „
Hout........10 „
Petroleum....... 9 „
Geneesmiddelen.....1.60 „
Ontbyt........10 „
Deze woorden waren met een potlood op den omslag
van een klein boekje genoteerd, dat my een arme vrouw,
wier man ziek was, geleend had.
Zy vertellen hun eigen geschiedenis.
-ocr page 224-
MEENINGEN.
k moest op zekeren dag een bezoek afleggen bij een
zeer voorname familie, — een familie, bij wie deze we-
reld veel meer in aanmerking kwam, dan de toekomende.
De vader was een man van fijne manieren, een vroolijk
heer, gewoon veel in de salons der groote wereld te
verkeeren. Zijn geestes-horizont was zeer beperkt • en
overschreed nimmer een bepaalden kring, die aanving
wanneer ik het zoo noemen mag, met bordeaux-, rijn-,
champagne- en andere wijnen, zich uitstrekte over
sigaren, paarden, schoone vrouwen, schaakspel, vingt —
et — un, en schouwburg, om dan ten slotte met bordeaux-,
rijn-, champagne- en andere wijnen weder opnieuw te
beginnen.
Hij ontving mij zeer vriendelijk en wellevend en be-
sprak met mij de aangelegenheid, die mij tot hem had
gevoerd.
-ocr page 225-
217
Plotseling trad zijn twaalfjarigen zoon de kamer binnen.
„Vader", riep hij uit, „ik ben in de kerk geweest!"
„In de kerk, gij? Hoe komt ge daartoe?" „Paul Kra-
mer heeft me verzocht er met hem heen te gaan."
„Gij moest met dien jongen niet omgaan. Weet gij
dan niet, dat ik het u verboden heb?" „Maar vader, het
was zoo schoon in de kerk, — de man heeft zulke schoone
dingen gezegd, waarvan ik nog nooit gehoord heb. Hij
verhaalde de geschiedenis van den verloren zoon, hoe hij
zoo moede en treurig eindelijk weder tehuis kwam, en
stel u voor, hij zeide ook"___— „Ach wat," viel hem de
vader wrevelig in de rede, „stoor ons nu niet? Ziet gjj
dan niet, dat ik bezoek heb?" Toen zag hij zijn aan-
vallig kind aan. Zijne trekken werden zachter en htj
zeide: „Ga nu maar heen! Ik zal u ditmaal vergiffenis
schenken, maar zorg dat gij mij niet weder zulken domme
streken uithaalt. Deze scène herrinnerde mij levendig
aan een geheel andere, die ik voor jaren beleefde. Mrjne
lieve, nu overledene zuster, werkte met veel zegen onder
de armen. Hare onbaatzuchtigheid en christelijke beschei-
denheid, opende haar vele harten.
Eens ontdekte zrj, ik weet niet meer waar, of hoe,
een ellendigen kleinen jongen, wiens havelooze moeder,
hem geheel verwaarloosde. Zy\'ne kleeren waren zoo
smerig en gescheurd dat allereerst, bjj een poging tot
-ocr page 226-
218
hervorming, een reinigingsproces moest worden gevoegd.
Zij liet een badkuip met water vullen en hield toen
zelf het toezicht over de volkomen reiniging van den zeer
verwonderden jongen.
De oude zaken werden verbrand en zij stak hem van
top tot teen in nieuwe kleedingstukken. Toen bracht
zrj hem in de woonkamer. Hij zag er als een geheel
ander mensch uit. Mijne zuster kon de oogen niet van
hem afhouden.
Zijne moeder was ontboden, in de hoop dat de aanblik
van haar als \'t ware herschape kind, een goede en blij-
vende indruk op haar zou maken.
Zij kwam ook spoedig en bekeek hem lang en nauw-
keurig. Toen zag zij mijne zuster vol verwijt, haar
zoon echter medelijdend aan en zeide eindelyk:
„Nou deze eene keer zal het je wel niet hinderen."
-ocr page 227-
TWEEËELEI AETHEE.
anneer een hypothese zekere feiten verklaart, die
anders onverklaarbaar zijn, en wanneer gedurende een
reeks van jaren niets kan worden aangevoerd, wat deze
hypothese omverwerpt, zoo is de weterschap gerechtigd
zulk een hypothese, zonder meer, als feit te beschouwen,
ofschoon zij niet kan bewezen worden.
Zoo noemt bijvoorbeeld de wetenschap (om slechts één
ding te noemen) den aether „een niet meer te ontberen
hypothese". Deze aether is „een oneindig fijne stof, die
het geheele hemelruim vervuld, ja, ook de hardste
lichamen doordringt, voor onze zinnen niet waarneembaar
is,
op welks bestaan de geheele leer van de voortplan-
ting des lichts en der warmte berust....
Hypothesen zijn noodzakelijke hulpmiddelen, om geheele
-ocr page 228-
220
klassen van verschijnsels van uit een gemeenschappelijk
gezichtspunt te kunnen verklaren.....
De bovengenoemde hypothese van de golvende bewe-
ging des aethers, grenst echter aan zekerheid, daar alle
bekende physische verschijnsels er nauwkeurig en eenvou-
dig uit afgeleid kunnen worden."
De natuuronderzoeker spreekt deze grondstellingen uit,
en maakt ze tot de basis van zijn denken en onderzoeken.
Zou de Christen niet iets dergelijks veroorloofd zyn?
Wij willen hier toegeven, dat datgene, wat hij gelooft,
een hypothese is, d. w. z., dat hij het niet zwart op wit
kan bewijzen, dat het „voor onze zinnen onwaarneembaar is"
Maar mag dat eene reden zyn om deze hypothese te
verwerpen ?
De onzichtbare, onweegbare, onbewijsbare aether is
het hulpmiddel, zegt men, dat de lichtstralen door gol-
vende en trillende bewegingen voortplant. Is er misschien
in het heelal niet een iets, nog oneindig veel „fijner"
dan de aether, voor onze grove zinnen nog onwaarneem-
baarder, een iets echter „op welks bestaan de ge-
heele leer van de voortplanting des (geestelijken) lichts
in het menschenhart berust? — In de wetenschap van
het Christendom heet dit hulpmiddel echter niet aether,
maar geest van God. Dit is een even onmisbare hypothese
als die van den aether, en „grenst aan zekerheid, daar
-ocr page 229-
221
alle bekende (geestelijke) verschijnsels er nauwkeurig en
eenvoudig uit afgeleid kunnen worden." De erkenning
hiervan is ook een „noodzakelijk hulpmiddel, om geheele
klassen van (geestelijke) verschijnsels, van uit een gemeen-
schappelyk gezichtspunt, te kunnen verklaren." — Ja
wie zou ze zonder deze hypothese kunnen verklaren?
Een groote oorzaak van het ongeloof en de kleinge-
loovigheid in de wereld is deze, dat er zooveel aan de
schrijftafel in de studeerkamer, over het voor en tegen
van hét Christendom wordt gedisputeerd. Het is alsof
iemand een boek over de zeevaartkunde schreef, die
nooit op zee is geweest en nooit een kabeltouw of zeil
in de handen heeft gehad.
Wij moeten ons Christendom meer experimentaal be-
oefenen. Wij moeten onderzoeken, of het werkelijk in
staat is, datgene te volbrengen, wat het voorgeeft te
kunnen volbrengen.
Ik zag onlangs in een paar groote, schoone, brekende
oogen. Het waren die van een armen teringachtigen
man. \'t Is wel mogelijk, dat hij in gezonde dagen
weinig aan bovenaardsche dingen gedacht heeft, maar
toch was hij altijd een braaf mensch, een trouwe zoon
en echtgenoot geweest. Nu lag hij daar, zwaar lijdend,
nauwelijks ademend, zoo zwak en hulpeloos als een
klein kind, met den dood voor de oogen. Aan zijne
-ocr page 230-
222
zijde stond zijne jonge, hartelijk geliefde vrouw, die hij
zoo spoedig verlaten moest.
Ik las hem iets voor uit het leerboek van de groote
Gods-hypothese. Hoe gretig dronk hij mijne woorden
in. Ik las van vergeving van zonden, door Hem die ze
aan het kruis heeft uitgedelgd; van kracht die hem, den
zwakke zou worden verleend, om zijn verschrikkelijk
lijden te dragen; van Hem die met hem zou gaan door
het duistere dal, die zijne hand zou vatten en hem lei-
den tot de bronnen des levenden waters.
Er vloog een uitdrukking van zalige vrede over zijn
reeds door den stempel des doods geteekende trekken.
Hoe plantte de hemelsche geestes-aether met gedachten ■
snelheid de lichtstralen over, in dit arme, ellendige
menschenhart!
In mijne nabuurschap leefde voor eenige jaren een
schrijnwerker, een zeldzaam intelligent, ik zou haast
zeggen, begaafd man.
Hij woonde met zijne jonge vrouw en zijn Hansje,
een vyfjarigen knaap, in een kleine kamer, die hij zeer
goedkoop kon huren, daar het huis waarin hij zich be-
vond, spoedig zou worden afgebroken. Hem was dat
onverschillig, want hij wist, dat zyn aardsche hut nog
eerder dan het oude huis „afgebroken" zoo worden, om even
als het laatste, voor een ander, schooner gebouw plaats te
-ocr page 231-
223
maken. Ik ging hem dikwijls bezoeken, God weet het,
niet om te onderwijzen, maar om in ootmoed en bewon-
dering te keren. Op zekeren dag werd het knaapje ook ziek.
Het verzocht dat zijn ledikantje naast het bed van
den vader zou worden geplaatst.
Dagen en bange nachten verliepen. Hansje werd steeds
bleeker, steeds zwakker.
De dokter schudde het hoofd. Het hart brak mij,
wanneer ik den daar wegterenden man en zijn stervend
kind aanzag!
Wat waren dat voor blikken, als die vier oogen elkaiv
der ontmoetten! Hansje stierf. Het lijkje lag daar stil
en bleek. Ik legde een roos in het magere handje. Op
den dag van de begrafenis verzocht de vader mij, bij
hem te blijven, terwijl zijn kleinood, zijn lieveling werd
uitgedragen naar het kerkhof.
Gaarne., doch met een beklemd gemoed stemde ik toe.
Ja, ik twijfelde aan de macht van het Christendom. Ik
vreesde een hartbrekend tooneel. Toen de korte lijkrede
was geëindigd, plaatste ik mij naast het bed van den
vader en nam zijn hand in de mijne. In tranen smeltend
kuste zijne vrouw hem op het voorhoofd.
Hij wierp nog een blik op zijn kind, dat hem dien
blik niet weder teruggeven kon. Toen werd de kleine
kist weggedragen; men hoorde de stappen der mannen
-ocr page 232-
224
in den gang weerklinken. — Daar richtte zich de dood-
zieke man, plotseling nog eens op, terwijl een glans op
zrjn gelaat kwam, — „Hansje, Hansje," riep hij met
een heldere stem, „ik kom spoedig," toen zonk hij weder
terug in zijne kussens.
O, wereldling! ga in dat kamertje, ga binnen met
uw wijsheid, met uw geleerdheid, zie toe wat gij uit-
richten kunt, en — verstom voor dezen Geest voor dit
iets dat gij noch zien, noch begrijpen kunt! Doch trek
uwe schoenen uit, want gij staat op heilig land.
Ja, zou men tot mij kunnen zeggen, zulke levens, die
hebben uitgediend, die misschien reeds gedurende den
tijd hunner werkzaamheid, zeer gebrekkig hunne functiën
verrichtten, keeren zich dan, wanneer aardsche vreugde
en arbeid ten einde zijn, met een zeker soort van senti-
mentaliteit tot de zoogenaamde godsdienstige dingen.
Doch zou een God, toegegeven dat er een is, zich met
zulke ellendige overblijfselen van een mislukte loopbaan
tevredenstellen? — De Christen mag ook op deze honende
vragen, getroost, zy het dan ook deemoedig antwoorden:
Ja! en dat is juist het heerlijkste van het Christendom.
De Engelschman Robertson, een zeldzaam mensch en
zeldzaam Christen, zegt in een predikatie over den ver-
loren zoon: „Dat is de glorie des Evangeliums van onzen
meester, dat het een toevlucht voor gebrokene harten
-ocr page 233-
225
is. De wondervolle genade onzes Heeren wijst nooit den
kreet van een vermoeid, teleurgesteld, wanhopig hart af.
Gode zij dank, de hoon van den spotter is waarheid."
Ja, onze God neemt de ellendige overblijfsels van een
door de wereld bedrogen leven aan, en verheerlijkt ook
hen nog in Zijn evenbeeld. "Wee de philosophie, al is
ze nog zoo verheven, die zich slechts tot hen wendt, die
naar den geest rijk zijn, die den ongelukkigen, den met
schuldbeladenen, den stervenden niets te verkondigen
heeft. Zulk een leer kan nooit een onmisbare, aan zeker-
heid grenzende hypothese worden, omdat ieder oogenblik
dingen kunnen worden aangevoerd die haar omverwerpen
en omdat zij „geheele klassen van verschijnsels" zonder
verklaring links laat liggen.
De eerlijke tegenstander van het Christendom zal het
echter niet te wagen te beweren, dat deze hypothese
van Gods geest slechts in de laatste oogenblikken van
een uitgediend leven haar macht uitoefent.
Kant is toch zeker wel een onpartijdige getuige. Hij
zegt van piëtisten, die hij in zijne jeugd kende: „Zij be-
zaten het hoogste wat een mensch bezitten kan, die
\'rust en vrooljjkheid, dien innerlijken vrede, die door
geen hartstocht kon worden gestoord. Geen haat, geen
vervolging was in staat, hen tot toorn of vijandschap te
prikkelen. In één woord, zelfs de eenvoudige opmerker
15
-ocr page 234-
226
werd onwillekeurig tot achting genoodzaakt." „Zij beza-
ten het hoogste wat een mensch bezitten kan."
Is dit
niet een verwonderlijk getuigenis uit den mond van dien
grooten denker?
Daarmede geeft hn\' onbewust toe, dat hij niet het
hoogste bezat wat een mensch bezitten kan. Wat was
het dan, dat hun dien innerlijken vrede gaf, die door
geen hartstocht, geen haat, geen vervolging gestoorde
rust en vroolijkheid ? Zouden het slechts bakersprookjes
geweest zijn?
De groote philosoof is ons het antwoord hierop schul-
dig gebleven.
O, niet alleen den gemartelden ïyder reikt deze geest
een machtig reddende hand. Neen! in iederen leeftijd,
in iedere levenspositie, van den keizer tot den armsten
bedelaar, in iedere levensomstandigheid, op het toppunt
van \'t geluk zoowel als in de donkere diepten des lijdens
plant deze geestes-aether het licht, de kracht en de wijs-
heid Gods over.
Het schoone jonge meisje, dat in wolken van witte
tule gehuld, met bloemen versierd en met een kloppend
hart voor de eerste maal de balzaal betreedt; de grijze
veldheer, die misschien in den laatsten veldslag zyne
troepen ter overwinning of ten doode voerde; het geluk-
kige bruidspaar, dat knielend den zegen des leeraars ont-
-ocr page 235-
227
vangt; de levenslustige jongeling, die vol moed en kracht
zijne carrière aanvangt; de moeder, die in de kinderkamer
met hare kinderen speelt; en de staatsman die het lot
der volkeren bestuurt, allen, allen, zullen, zoo zij door
dit licht worden bestraald, anders handelen dan wanneer
dit niet het geval ware. Wijzer, vredevoller, gelukkiger,
zullen zij hun weg vervolgen.
Het waren rijke, voorname menschen, van wie ik u
nu in korte woorden verhalen wil.
Man, vrouw, zoon en dochter.
Beide kinderen waren uit het eerste huwelijk van
mevrouw van D. Zjj waren acht en negen jaar oud,
toen hun moeder voor de tweede maal huwde. Het
echtpaar, ofschoon niet gerechtelijk gescheiden en ofschoon
het voorloopig in hetzelfde huis te zamen verder leefde,
was in werkelijkheid reeds lang gescheiden en hunne
harten stonden zóó ver van elkaar, alsof het eene aan
de Noord-, het andere aan de Zuid-pool sloeg. Ik weet
niet waardoor die verwijdering het eerst ontstond. Er
heerschte een ijzige koude tusschen hen, uitgezonderd als
deze koude voor een onheilig vuur plaats maakte en
beiden in toorn tegen elkaar ontstaken. Hun huis werd
langzamerhand door hunne vrienden gemeden. Wie
zou er ook genoegen in kunnen vinden, in zulk een gezin
te verkeeren. De kinderen, die van lieverlede grooter
-ocr page 236-
228
werden, ondervonden dat alles op een smartelijke
wijze. Van liefde was tusschen vader en stiefkin-
deren nooit sprake geweest. Ook de moeder bemoeide
zich weinig met hare dochter. Haar zoon Erich
echter was haar alles. Nooit kwam een woord van
verwijt over hare lippen, wanneer hrj zijne, dikwijls zeer
bedenkelijke, streken uitvoerde. Voor de straf zorgde de
vader dan des te radicaler, wat dan weder hartstoch-
telijke scenès tusschen het ongelukkige echtpaar te
voorschijn riep.
De zestienjarige Marie, in wie alle onbeminnelijke
eigenschappen waren opgewekt alle beminnelijke verstikt,
ontevreden, zwartgallig, door vader, moeder en broeder
verwaarloosd, troostte zich in haar eenzaam lot door het
lezen van romans. In deze boeken waren ten minste
liefde, trouw en edelmoedigheid te vinden, ofschoon ook
andere minder schoone, doch boeiende dingen. Niemand
bekommerde zich om haar, niemand sloeg acht op hetgeen
zij deed. O hoe treurig zag het er in dit arme verwil-
derde jonge hart uit. Nu kwam de ty\'d dat zij zich
moest voorbereiden, om tot lid der kerk te worden aange-
nomen. Zy moest het doen; anderen deden het ook.
Er werd weinig over gesproken tot wien men haar zenden
zou. Haar was het volkomen onverschillig.
Zij beschouwde de gansche zaak als onzin. Maar wat
-ocr page 237-
229
zoovelen „toeval" noemen, voerde haar tot een geestelijke
die haar een nieuwe wereld openen zou.
Vooreerst oefende slechts de persoonlijkheid van dezen
man, dien zij nu zoo dikwijls zien en hooren moest, een
geduchten invloed op haar uit. Zijn edel, verheven en
toch zoo eenvoudig wezen, zijn geest, zijn humor, zrjn
heilige ernst, zijn zin voor kunst, zijn aesthetisch ge-
voel, zijn groote. welsprekendheid, doch bovenal zijn on-
wrikbaar vast geloof en zijn zelfopofferende liefde, hoe
kon het anders of dit alles moest voor dit kind een open-
baring zijn! En hij zag spoedig wat in haar verborgen
lag. Met heiligen takt en bekwaamheid, toonde hrj haar
voor en na de zonden in haar hart en wie haar daarvan
kon en wilde verlossen.
Hij opende haar de poorten des gebeds. Hij leerde haar
welke heerlijke vruchten uit de gemeenschap met God
voortkomen.
Zacht en liefdevol toonde hy haar „de stille wateren"
en „de grazige weiden", die zij zelfs in haar troosteloos,
jong leven vinden kon. Hij openbaarde haar, wat liefde was.
Zooals het steeds geweest is, zoo was het ook nu.
Hare ouders letten niet op haar. Zij bemerkten de ver-
andering niet, die in haar plaats greep, het nieuwe
leven dat in haar werkzaam was, even zoo min als wrj
in het voorjaar het een rozenstruik kunnen aanzien,
-ocr page 238-
230
dat het frissche, warme levenwekkende lentesap stam
en takken doordringt.
Op zekeren avond klaagde de heer van D. hevig (om
nu eens een zachte uitdrukking te gebruiken) over koude
voeten. Hij beweerde dat, hij daar altijd veel aan leed.
Hij vervloekte het weder, en verwenschte den winter
met al zijn ap- en dependenten. Zijne echtgenoote liet
zich door zijn metereologische beschouwingen volstrekt
in hare lectuur niet storen. Maar Marie had de woorden
gehoord. Den volgenden avond, toen haar vader van zijn
bureau terugkwam, zeide zy schuchter: „Papa hebt gij
weder zulke koude voeten?" „Ik heb uwe pantoffels
warm gemaakt, zal ik ze u brengen?" „Neen, neen" gaf
hij eerst ongeduldig ten antwoord, „laat dat maar, laat
dat maar." Toen zag hij haar aan. Er was iets in haar
wezen, dat hij tot nog toe niet had opgemerkt. Zy stond
daar zoo bereidwillig, alsof zij zich werkelijk verheugen
zou, indien zij hem een dienst kon bewijzen.
„Ja" zeide hij toen kalmer, „ja mijn kind, breng ze mij."
Nu zag mevrouw van D. verwonderd op.
„Hier papa, hier zyn ze! Trek ze nu maar spoedig
aan, anders worden ze weer koud."
„Maar dat is fameus," riep hy uit, toen hy de weldoende
warmte bespeurde. „Dank u, dank u, myn kind." Zy\'
verliet de kamer. De courant viel hem uit de hand,
-ocr page 239-
231
terwijl hij haar nazag. Lang zag hy, zonder het te
weten naar de deur, waar zrj uitgegaan was. Toen
stond hij op, stak de handen in de zakken en wandelde
langzaam de kamer op en neder.
Spoedig zeide mevrouw D. „Het is verschrikkelijk sto-
rend, wanneer gij zoo onrustig zijt. Gij maakt mrj
zenuwachtig." Zonder een woord te antwoorden, ging
hij zitten, nam de courant op en begon te lezen.
Marie was naar hare kamer gegaan. — „Dank u,
dank u mijn kind! — Dank u, dank u mijn kind!\'\'
Telkens en telkens weder, hoorde zij deze woorden in
haar hart weerklinken.
Hoe is toch dikwijls het groote zoo klein, en het
kleine zoo groot, het gewichtige zoo onbeteekend en het
onbeteekenende zoo gewichtig! Nooit was in dit gezin
iets grooters en gewichtigers geschied, dan het warm
houden en brengen van deze pantoffels.
Niet in eens kwam de verandering in deze familie
tot stand. Zoo snel rijpen Gods vruchten niet; al het
waarachtig blijvende in zijn rrjk moet langzaam en van
lieverlede toenemen. De „zuurdeeg," was echter in dit
gezin nedergelegd, welke ten laatste het geheel moest
doorzuren, (men zou beter kunnen zeggen door zoeten).
Marie\'s leven was niet meer doel en- troosteloos; Zy had
ich ten doel gesteld, door onvermoeide liefde de harten
-ocr page 240-
232
der haren te winnen. Ontmoediging ontbrak niet. Dik-
wijls verviel ook zij weer in den gewonen sleur. Soms
voerden twist en oneenigheid als vroeger heerschappij,
en het arme kind kwam er dikwijls bijna toe, den zwaren
strijd op te geven.
Maar het begin was gemaakt, en teleurstellingen, ver-
nederingen en tranen werkten slechts schijnbaar de voort-
zetting van dezen goddelijke arbeid tegen, in werkelijk-
heid echter werd hij er door bevorderd.
Op denzelfden tijd, dat ik in dit gezin verkeerde, wel wetend
welke krachten er in werkzaam waren, bezocht ik ook af
en toe het atelier van een beeldhouwer, die de buste,
van een gemeenschappelijken vriend, in marmer bewerkte.
Het kwam mij voor dat hetzelfde op beide plaatsen
geschiedde. Daar zag ik hoe het vormlooze stuk marmer
van lieverlede de trekken van mijn besten vriend begon
weder te geven, terwijl de gelijkenis steeds duidelijker
werd, de uitdrukking steeds meer op de zyne geleek,
tot eindelijk het ziellooze stuk steen levend, bijna ademend,
het aangezicht van den vriend wedergaf.
In het andere atelier, voleindigde de hemelsche Kuns-
tenaar ook zijn beeldhouwerswerk aan de zielen zyner
kinderen. In deze heilige werkplaats werd het marmer
der koude, harde harten met goddelh\'ken hamerslag en
beitelsteek tot het evenbeeld des Meesters gevormd,
-ocr page 241-
233
scherpen kanten werden weggenomen, harde lijnen ver-
dwenen om voor andere, weekere meer harmonische
plaats te maken. Iedere slag verwerkelijkte steeds meer
het idee van den Goddelijken Kunstenaar, die ook de
macht bezat den dooden steen door Zijn adem en door
Zijn licht, met leven te bezielen en te verlichten.
„O lieve ouders", smeekte Marie op een zondagmorgen,
„gaat toch heden met mij naar de kerk. Ach doet het
toch, ter liefde van mij! Ik verzoek er u vriendelijk om.
Voor mijne aanneming moet gij toch nog eens den
man hooren aan wien ik zooveel verschuldigd ben en
dien ik zoo liefheb."
Er volgde een kleine pauze. Toen zeide de heer van
D. tot zijne vrouw: „Waar is Erich? Hij moet ookmee-
gaan." Dat was het antwoord.
Kort daarop betraden onze lieve vrienden, voor de eerste
maal sedert jaren, eensgezind en vreedzaam Gods huis.
Oude herinneringen der jeugd zullen wel in de harten
der ouders ontwaakt zijn.
In woorden even zacht en mild als verheven en geducht,
schilderde de groote Godsgetuige daarboven op den kansel
de zalige macht der liefde. — Het zrj verre van mij een
welsprekende leerrede in zwakke woorden, gebrekkig te
willen herhalen. Doch — aan hare vruchten kan men
een dergelijke predikatie kennen.
-ocr page 242-
234
Op den terugweg naar huis werd geen woord gesproken,
doch te huis aangekomen, drukten vader en moeder
zwijgend een kus op Marie\'s voorhoofd.
Ik wil niet en détail schilderen, slechts hier en daar
nog een penseelstreek doen. De lezer moet zelfde opene
plaatsen aanvullen.
Eenige weken later gaf Erich een partijtje. Hij had
verscheidene jonge gymnasiasten uitgenoodigd. Vroolijk
en lustig ging het er toe. Er werd gepraat, gezongen en
punsch gedronken. Marie wilde juist de geopende deur
der kamer voorbijgaan, toen zn\' woorden hoorde, die haar
deden stilstaan. „Erich", zeide een jongmensch, „is het
waar wat ik van u hoor, dat gij een kerkganger ge-
worden zijt? Hebt gij soms min of meer aanleg om fijn
te worden? Heeft het zustertje u reeds zoover gebracht?" —
Marie beefde. Toen antwoordde de stem haars broeders:
„Hoor eens Berthold ik wil u wat zeggen. Hoort allen
eens! Ik wil u allen wat zeggen! Ik houd veel van u,
en gij moet niet boos op my zijn; doch — laat mijne
zuster met rust. Ik wenschte van harte, dat ieder van
u er zoo een had. En wat het kerkgaan betreft,
ga liever een volgende keer eens mede!" Het was een
oogenblik stil in de kamer, toen riep Erich: „Komt laat
ons nog een lied zingen!" Op een andere keer kwam
Marie plotseling de woonkamer binnen. Hare ouders
-ocr page 243-
235
zaten te zamen op de sopha, hand in hand. Zij hadden
zeker iets ernstigs besproken. Verlegen als een jong
paar, dat op een vertrouwd plekje betrapt is, vlogen zij
op; doch slechts een oogenblik, toen zeide de heer van
D. lachend terwijl hij de hand zijner vrouw weder in de
zijne nam: „Marie zal zeker niet boos op ons zyn, omdat
ze ons hier zoo gevonden heeft, dat lieve, lieve kind.
Zrj echter knielde voor hen neder en legde het hoofd op
moeders schoot. Tranen vielen op des vaders hand,
gemengde tranen van moeder en dochter.
Hoe licht was het in dit huis geworden! Van waar
kwam dat licht? Hoe kon het zoo zacht en helder in
deze harten dringen. O, de „onmisbare hypothese" van
den geestes-aether verklaart dit alles; „zij stelt ons
in staat, deze geestelijke verschijnsels eenvoudig uit haar
af te leiden, en leert, dat de geestes-aether ook de hard-
ste lichamen kan doordringen." En wat is harder dan
een hard menschenhart?
Nog eens! Nooit is iets aangevoerd, dat deze hypothese
werkelrjk zou kunnen omverwerpen. Bittere vyanden
heeft zij van den beginne af gehad, tegenstanders van
allerlei aard. Haat, vervolging, spot, „valsch beroemde
-ocr page 244-
236
kunst", wetenschap en philosophie hebben met taaie
volharding en zeldzame scherpzinnigheid gepoogd, haar
te vernietigen.
Maar nog heden, zoo het u veroorloofd is een van
Gods geest doordrongen ziel te leeren kennen, zult gij
daar dezelfde krachten zien werken, die in Josef werkten,
die David den 51sten Psalm ingaven en Paulus deden
uitroepen: „Ik vermag alle dingen door Hem, die mij
machtig maakt in Christus."
O, mochten alle golfbewegingen en trillingen van dezen
hypothetischen geestes-aether ons aller hart doordringen
en verlichten, en mocht deze geestes-aether voor ieder
van ons, alvorens wij onze aardsche oogen voor eeuwig
sluiten, tot een zalige werkelijkheid worden!
-ocr page 245-
r geschiedt niets nieuws onder de Zon — zoo heeft
naar men weet, de „prediker Salomo" voor 3000 jaren
geschreven.
Ik geloof echter toch, dat hij heden ten dage zeer dik-
.wijls gelegenheid zou hebben, om aan zijn eigen woorden
te twijfelen. Dikwrjls is het in waarheid enkel windma-
kerij, wanneer de menschen schrijven en roepen: „Nog
nooit vertoond". Maar wrj leven toch werkelijk in een
tijd waarin veel geschiedt dat nog nooit geschied is en
wat ook aan alle vroegere geslachten onmogelyk toescheen.
De lezer kan zelf bij massa\'s zulke dingen opnoemen,
van het valscherm van den heer Leroux tot het feit dat
zelfs „dienaren der Christelijke Kerk" in hunne ge-
schriften openlijk bespotten, wat sedert alle tijden den
Christenen heilig is geweest.
-ocr page 246-
238
Maar ook dat is wat nieuws, dat twee vrienden voor
het boek van een vriend een Voorwoord en een Slotwoord
schrijven. "Wanneer twee mannen een derden leiden,
zoo schijnt het als of die derde een rheumatiseh of zelfs
gebrekkelijk man is.
Zoo scheen mij ook het Voorwoord en Slotwoord dat-
gene te zijn, wat de Romeinen een „testimonium
paupertatis" noemen, in \'t Hollandsch, een teeken, dat
aan het boek niets goeds is en men het eerst door een
galvanische batterij van rechts en links op de been moet
helpen.
En toch is in werkelijkheid juist het tegendeel \'t geval.
De schrijver staat waarlijk zoo vast in zijn schoenen als
slechts weinigen. En zijn boek is er even berekend als
geschikt voor, velen die wankelend op de beenen staan
in een vasten stap te brengen. Ik heb er mij zeer aan
verkwikt en gesterkt. Wanneer het mij niet als ydel-
heid zou worden toegerekend zou ik gaarne zeggen (zoo
als eens Adam, toen hij voor de eerste maal zijn lieve
vrouw aanschouwde): „Dat is ditmaal been van mijn been
en vleesch van mijn vleesch." By menige geschiedenis
dacht ik: „Zie, juist zoo had ik ook de zaak beschouwd
en verstaan." Maar de schrijver heeft het op een veel
oorspronkelijker wijze gedaan en in één opzicht is hij mü
in ieder geval ver vooruit. Hij is met de ongeloovige
-ocr page 247-
239
moderne wetenschap veel beter bekend dan ik; hetzelfde
geldt van de heillooze dwalingen dezer wetenschap, en
van de schrikkelijke verwarring die zij veroorzaakt heeft
en nog dagelijks veroorzaakt. Ik spreek natuurlijk slechts
van de ongeloovige wetenschap en ook slechts van man-
nen, die de grenzen der wetenschap overschrijden, en van
uit het standpunt der wetenschap over dingen oordeelen,
die met de wetenschap even zoo weinig te maken hebben,
als de kerkgeschiedenis met de leer der kleuren.
Deze dwazen dwingt de schrijver, op gepaste wrjze, bin-
nen hunne grenzen terug te treden.
Hij helpt echter met evenveel heilig sarcasme als met
zachte barmhartigheid hen terecht, die door menschen als
Hackel Büchner, Feuerbach enz. zich het hoofd op hol
hadden laten brengen en het hart vergiftigen. "Werkelrjk
zijn er onder degenen, die zich tegen het geloof in, op de
onomstootelyke resultaten der exacte wetenschap beroe-
pen, duizenden en tienduizenden die van deze wetenschap
evenveel weten als een ezel van het fluitspelen. Ik heb
meer dan eens vermakelijke scènes, beleefd, wanneer ik
bijvoorbeeld zoo\'n nieuwbakken schoolmeester of een
Commis voyageur, die driest en goddeloos beweerde:
sedert Darwin was het ieder kind duidelyk, dat wonderen
en onzin hetzelfde waren en dat de gebeden niet verhoord
konden worden, — ik heb vermakelijke scène\'s beleefd,
-ocr page 248-
240
wanneer ik zulke menschen uitnoodigde, voor de ge-
zamenlijke doop- of bruiloftsgasten duidelijk te maken wat
de groote Darwin dan geleerd had.
Daar bevond ik dan gewoonlijk dat hij hen niets,
geheel en al niets, als stotteren en rood worden had
geleerd. Ik heb dan echter den geesel der spotternij
vlijtig gebruikt. Want het is soms zeer barmhartig te
spotten, zoo als dan ook de profeet Elia eertyds met
bijtenden spot de Baaispriesters verpletterd heeft. Maar
er zijn ook eerlijke menschen, denkende menschen, die
van de uitkomsten der wetenschap werkelijk wat weten,
zedelij k-ernstige menschen (dus niet zulke menschen,
wien het water op de molen is, dat ieder mensch doen
moet, wat hij doet, dat hij dus niet anders kan, en
dus zonde en schuld niets zijn), neen, er zyn ook
ernstig opwaarts strevende, naar God verlangende en
zoekende menschen, die toch door de wetenschap geheel
in de war gebracht zijn.
Wie echter hen met barmhartigheid terecht helpt, die
doet een goed werk. En wie hen slechts met goed ge-
volg daartoe brengt dat zij aan hunnen twijfel twijfelen,
die doet een goed werk. En juist zij die, wel is waar,
twijfelen aan de waarheid, maar gaarne zouden gelooven,
hun beveel ik dit boek aan.
Nu wil ik my echter ook „aanbevelen." Ik zou zeker
-ocr page 249-
241
gezwegen hebben. Maar wanneer mijn vriend Frommel
kommandeert, zoo kan ik niet goed ongehoorzaam zijn
daar hij een soort van geestelijk generaal is, die het kom-
mandeeren gewoon is en ik hem zoo liefheb. Hij dacht
nu eenmaal het moest uit de F. F. zijn. Verscheidene
menschen zouden het boek ter wille van Frommel, ver-
scheidene ter wille van Funcke lezen en zoo zou het
eerst op den rechten weg komen, en dat is hetgeen we
zoo gaarne zouden wenschen en waarvoor de lezer ons
ten slotte danken zal. En hierin, zal hij wel, zooals
gewoonlijk, gelijk hebben.
OTTO FUNCKE.
-ocr page 250-
-ocr page 251-
*
teW
m
^1
■ P
| QJ^
^it^ C2
^■5
lol
tf^
INHOUD.
Bladi.
Voorwoord...............      1
De verstandige koopman..........     4
De heerlijke leugen............    15
Wie heeft gelijk?............    17
Rappo................    24
Wie?................    28
Een stukje Psychologie..........    30
Een mislukte proefneming.........    45
De bijbel en de viool...........    47
Massa en Geest.............    52
De Vader der leugen...........    56
De looden soldaten............    57
De knarsende deur............    61
De stukjes blik . . . ■.........    63
Historische kortzichtigheid.........    67
De aanvang des geloofs..........    72
Een waar sprookje............    90
Hoeveel te meer!............    97
Parallelle Gedachtengang..........  101
Een tekst van Chocolade..........  106
De halve vogel.............  110
-ocr page 252-
* ■
244
Bladz.
Licht ia twee donkere kamers........114
1.    Het duet.
2.    Dat is het juist!
De plicht om gelukkig te zijn........127
De keuze...............140
De begrepen en onbegrepen taal.......142
Valsche getuigenis............144
De weg naar de kerk...........146
„Toevallige overdenkingen" bij een tandarts . . . 148
De verlaten kamer............151
Photographie-instantanée..........155
„Ik ben het Licht der wereld"!.......163
Doode en levende wateren.........166
Weggegeven en toch behouden........173
Knoopen en knoopsgaten..........182
Hier is mijn daalder...........187
Slechts een sprookje...........198
Een paaschgang.............201
Liederen zonder woorden..........207
Beneden en boven............210
Een eenvoudige familiekroniek uit het leven . . .215
Meeningen.............•. . 216
Tweeërlei Aether.............219
Slotwoord..............237