-ocr page 1-
-ocr page 2-
&ëu *** m?*
GUNNING
8
c
16
t
-ocr page 3-
.
\'
pc
. •
\'
i
. -
*
,
-ocr page 4-
\\
,
•
:
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
1488 1035
-ocr page 5-
VUNNING-Méê
*&fo~
/
\\
<^s_
<us)
HET
EVANGELIE YAN MATTHEÜS
VOOR DE GEMEENTE VERKLAARD
IN
BIJBELLEZINGEN
DOOB
J. H. L. ROOZEMEIJER
Predikant te Arnhem.
"
BIBLIOTHEEK DËft
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT.
ARNHEM,
J. W. en C. F. SWAAN
1896.
Afl./
t
/
"«*© \\
(ér*~
~^9p=
-ocr page 6-
• ■
-ocr page 7-
HET EVANGELIE VAN HATTHEUS.
De drie eerste van onze Evangeliën zijn verbonden door
eene onderlinge verwantschap, die ze zeer kennelijk van
het vierde, dat van Johannes, onderscheidt. Niet, alsof hier
een ander beeld van den Christus wordt geteekend, dan
da&r ons voor oogen gesteld wordt, noch ook, alsof hier
een andere weg des behouds dan diiar wordt gewezen. Om-
trent dit alles is tusschen alle Evangeliën volmaakte over-
eenstemming. Maar de wijze van beschrijving is eene andere
bij de drie eerste Evangeliën dan bij Johannes. Terwijl de
laatste eenen blik vergunt in het diepst van \'s Heeren we-
zen, voor zoover dat voor stervelingen kenbaar is, staan de
drie eerste Evangelisten bij de buitenzijde van Zijn leven
stil. Zij geven de mondelinge prediking der Apostelen
terug, die het beeld van Jezus schetste voor Joden en
Heidenen; Johannes daarentegen leidt de reeds toegebrachte
zielen dieper in het heiligdom in.
Beide beschrijvingen vullen elkander aan. Wij zouden
Jezus leven niet in de breedte kennen; wij zouden te
ROOZEMEIJER, Ev. MATTH. I.                                                                              1
-ocr page 8-
2
weinig weten van de voorvallen, die daarin hebben plaats
gevonden, van de woorden, door Jezus tot de schare ge-
sproken; wij zouden het licht missen, dat Hij heeft doen
stralen over allerlei ervaringen en plichten van het aardsche
leven, — indien wij alleen het Evangelie van Johannes be-
zaten. En daarentegen, wij zouden Jezus leven niet in zijne
diepte kennen, indien de enkele aanduidingen daarvan, door
de drie eerste Evangelisten gegeven, niet door Johannes
waren aangevuld.
Gelijk nu beide beschrijvingen naast elkander recht van
bestaan hebben, zoo beantwoorden beide aan behoeften, die,
in den loop der eeuwen, naast elkander aanwezig blijven.
Voor wie nog niet zijn ingegaan tot de persoonlijke levens-
gemeenschap met den Heer, blijft het Evangelie van Johan-
nes in zijn eigenlijk wezen onverstaanbaar; hun is noodig,
eerst den Christus te leeren kennen, gelijk de drie eerste
Evangelisten Zijne beeltenis malen. De waarlijk toege-
brachten daarentegen behoeven de voorlichting van het
vierde Evangelie, om dan daarna, bij het schijnsel, dat
daarvan afstraalt, te beter te leeren verstaan, wat in de
drie eerste Evangeliën van dien Heiland bericht wordt,
Wiens volheid van leven zich kenbaar maakt in al Zijne
woorden en werken.
Tusschen de drie eerste Evangeliën onderling bestaat zóó
groote overeenstemming, niet slechts in de mededeeling van
vele gebeurtenissen en redenen, maar ook in de woorden
zelve, waarin die mededeeling geschiedt, terwijl wederom op
andere plaatsen elk dezer Evangeliën iets heeft wat de andere
niet geven, — dat men daardoor tot het vermoeden is ge-
komen, dat er een oorspronkelijk geschrift heeft bestaan,
waaraan zij allen samen stof hebben ontleend, wat dan ver-
der door elk met van elders verzamelde berichten is aan-
-ocr page 9-
gevuld. Hierdoor wordt echter niet verklaard, hoe er dan,
in dat gemeenschappelijke, kleine afwijkingen of toevoeg-
gelen kunnen voorkomen. Met meer waarschijnlijkheid heb-
ben wij daarom bovengenoemde overeenkomst toe te schrijven
aan het feit, dat de mondelinge verkondiging van Jezus
woorden en daden, van zelf, door gedurige herhaling, vaste
vormen verkreeg. Welke verklaring men intusschen de meest
aannemelijke vinde, de betrouwbaarheid onzer Evangeliën
lijdt bij geene van beide schade.
Scherp onderscheiden, zeiden wij, zijn de drie eerste
Evangeliën van dat van Johannes, terwijl zij onderling
nauw verwant zijn. Met dat al heeft toch ook ieder van
deze zijne eigenaardigheid. Is het Evangelie, dat wij gaan
overdenken, in de eerste plaats voor Israël bestemd, dat van
Marcus, bijna uitsluitend feiten inededeelend, en den over-
winnenden gang van den Koning van het Godsrijk schet-
send, draagt het kenmerk van bestemd te zijn voor de Ro-
meinen, terwijl Lucas, Paulus leerling en reisgenoot, kennelijk
schreef voor de Grieksche wereld waarin hij leefde, en aan
welke hij het Evangelie als het woord der goddelijke ont-
ferming voor armen en ellendigen voorstelde. Elke schrijver
heeft zijne eigenaardigheden, krachtens karakter en werk-
kring, maar elk brengt intusschen het ééne, zelfde, goddelijke
Evangelie. Treffend juist is daarom het opschrift: „Het
Evangelie naar Mattheus, naar Marcus", enz. Het is de ééne,
goddelijke boodschap, van den hemel op aarde afgedaald, door
vier tolken overgebracht; één licht, gebroken in een viertal
stralen; één wonderbaar leven, op aarde geopenbaard, door
een viertal getuigen beschreven, opdat de kondschap daarvan
gaan zou tot de einden der aarde, tot het einde der eeuwen.
Het Evangelie van Mattheus is, volgens de getuigenis
-ocr page 10-
4
der Christelijke oudheid, oorspronkelijk in het Hebreeuwsch
door hem geschreven, eenige jaren vóór de verwoesting van
Jeruzalem, die in \'t jaar 70 van onze tijdrekening plaats
vond. Uit hooge oudheid is het bericht tot ons gekomen,
dat Mattheus dit, als een laatste roepstem tot zijne volks-
genooten, geschreven heeft, toen hij en zijne medeapostelen
Palestina verlieten, om elders te gaan prediken. Een
Christelijk schrijver uit den allereersten tijd, Papias, ver-
meldt: „Mattheus heeft, in het Hebreeuwsch, de redenen
des Heeren naar volgorde beschreven/\' Dit getuigenis laat
dus ruimte voor de mogelijkheid, dat de geschiedbeschiïjving,
waarin deze redenen, als eene schilderij in de lijst, vervat
zijn, van andere hand afkomstig, aan de algemeene mon-
delinge apostolische prediking ontleend is. Maar even
mogelijk is het, dat de uitdrukking van Papias ons geheele
Evangelie bedoelt, in hetwelk inderdaad, méér dan in eenig
ander, redenen des Heeren zijn medegedeeld, zoodat dan
door Papias het geheel genoemd zou zijn naar datgene,
wat er het voornaamste kenmerk van is. Deze opvatting
is te meer waarschijnlijk, omdat reeds in zeer hooge oud-
heid, dit Evangelie in zijn geheel „het Evangelie van
Mattheus" genoemd wordt.
Onzeker is of Mattheus zelf het oorspronkelijke, later
verloren gegane, Hebreeuwsche Evangelie in het Grieksch
heeft overgezet, of dat dit door iemand anders geschied is.
Zooveel staat wel vast, dat die vertaling insgelijks vóór
de verwoesting van Jeruzalem is vervaardigd: een duidelijk
bewijs daarvan zullen wij vinden in XXIV. 15.
Mattheus schreef in de eerste plaats voor Israël. Dit
blijkt uit zijn gansche geschrift. Vóór en boven alles is
Jezus in dit Evangelie de Messias, de van God gegeven
Koning Israels. We kunnen dit hier niet in bijzonderheden
-ocr page 11-
5
aantoonen; de overdenking van dit Evangelie zal het ons
telkens doen zien. Hier volsta de verwijzing naar de tal-
rijke aanhalingen uit het Oude Testament, die in de andere
Evangeliën slechts uiterst zelden voorkomen. Overal is
het er Mattheus om te doen, de overtuiging te doen ont-
staan: wat de oude Godspraak deed verwachten, dat vindt
in Jezus volkomene vervulling.
Eigenaardig juist is daarom de plaats aan dit Evangelie
gegeven, als eerste Boek van de verzameling der geschriften,
die samen het Nieuwe Testament uitmaken. Het is als
het ware de schakel, die het Oude aan het Nieuwe Testa-
ment verbindt. Geen enkel Nieuw Testamentisch schrijver
wijst zóó- herhaaldelijk op het O. Verbond terug als Mat-
theus, als om duidelijk de waarheid te doen uitkomen, die
de kerkvader Augustinus uitdrukte in het woord: „Het
Nieuwe Verbond ligt in het Oude verborgen; het Oude
Verbond treedt in het Nieuwe aan het licht." Beide open-
baringen gaan uit van denzelfden God, die eerst den weg
bereidde voor den Koning van het Godsrijk, en daarna dien
Koning zond, vol genade en waarheid.
Maar niet minder eigenaardig is de keuze van den man,
door God bestemd om dit Evangelie te schrijven, dat in de
eerste plaats voor Israël bedoeld was: Mattheus, de tollenaar
(zie H. IX. 9). Méér dan een der andere discipelen, die Jezus
vergezelden, was hij gewis door zijn vorig ambt geschikt ge-
maakt oin het doorleefde te boek te stellen. Ja, ondenkbaar
is het niet, dat hij, krachtens vroegere gewoonte van optee-
kenen, reeds tijdens Jezus orawaudeling, voor zichzelven het
een en ander in schrift bracht van wat hij merkwaardigs
hoorde en zag. Doch aan den anderen kant: hoe opmerke-
lijk, dat juist een diep verachte tollenaar aan het volk, dat zijn
volk was, en dat hij liefhad, niettegenstaande al den ondervon-
-ocr page 12-
6
den smaad, den Koning toonen moest, die Israels Redder en
Israels heerlijkheid was! Den verachte naar de wereld heeft
God uitverkoren, opdat hij aan het trotsche Israël de schrif-
telijke verkondiging zou brengen van den weg, waarop alléén
het voor dit Israël mogelijk was, het verderf te ontvlieden.
Oorspronkelijk is dit Evangelie voor Israël bestemd.
Doch voor de gemeente uit alle volken en van alle eeuwen
behoudt het zijne bijzondere beteekenis, niet alleen om de
vele woorden en daden onzes Heeren, die het vermeldt,
welke ons, zonder dat, onbekend zouden gebleven zijn,
maar óók om de samenschakeling van Oud en Nieuw Ver-
bond, welke het zoo bijzonder kenmerkt. Het Evangelie
van Gods genade toch moet blijken in verband te staan
met voorafgaande openbaringen, indien het waarlijk erkend
zal worden als het woord van dien God, die over de gan-
sche geschiedenis regeert, en die van den aanvang af zich
niet onbetuigd heeft gelaten aan Zijne schepselen.
Geve ons de Heer, het aldus te overdenken, dat wij,
hoe lauger hoe meer, in Israels Koning, den Heer en Hei-
land onzer eigene ziel leeren zien!
Hoofdstuk I. 1 —17. Het boek des geslachte van
Jezus Christus, den zoon van David, den toon van
Abraham.
Abraham gewon Izak... enz. Al de geslachten dan,
van Abraham tot David, zijn veertien geslachten; en
van David tot de Babylonische overvoering zijn veer-
tien geslachten, en van de Babylonische overvoering
tol Christus zijn veertien geslachten.
Het Evangelie, voor Israël bestemd, kon niet anders
aanvangen dan met een geslachtsregister. Geslachtsregisters
-ocr page 13-
7
zijn de wortels der geschiedbeschrijving. Eerst begon de
menscbheid de namen der voorouders voor vergetelheid te
bewaren; later groepte zich om deze namen de vermelding
van gebeurtenissen, in den tijd dezer voorouders voorge-
vallen. Het boek Genesis geeft ons van dezen gang van
zaken nog de trouwe weerspiegeling.
Bijzonder voor Israël moesten geslachtsregisters hooge I
waarde hebben; alleen door middel daarvan toch kon de
nakomelingschap haar afkomst bewijzen van de stamvaders,
met wie God het verbond Zijner genade opgericht had.
Dat deed de stamtafelen met zorg bewaren en bijhouden
door den dienst der Levieten; ze werden niet maar door de
familiën zelve gehouden, maar er waren, — gelijk de ge- \\
schiedschrijver Flavius Josephus bericht, die in het begin
onzer jaartelling leefde, — openlijke geslachtsregisters, of,
zoo als wij zouden zeggen : officieele stamboeken.
Hadden de geslachtslijsten groote beteekenis voor iederen
Israëliet, onmisbaar was het bovenal, dat van Hem, die
als Israels Messias verkondigd werd, de afkomst duidelijk
werd aangewezen. Aan Abrahams geslacht, aan Davids
huis was de Messiasbelofte zoo ondubbelzinnig vastgehecht,
dat van Hem, die als Messias erkend zou kunnen worden,
noodzakelijk moest worden aangetoond, dat Hij afstamme-
ling van David was. Daarom dan vangt Mattheus aan met
„het Boek des geslachts van Jezus Christus, den zoon van
David, den zoon van Abraham/\'
Maar al aanstonds stuiten wij hier op eene moeielijk-
heid. Ook Lucas deelt een geslachtslijst van Jezus mede
(III. 23—38), en die lijst verschilt aanmerkelijk van die
van Mattheus: van David af tot Jozef toe wordt een gansch
andere lijn gevolgd. Langs verschillende wegen heeft men
eene oplossing van dit bezwaar beproefd; eenvoudig en
-ocr page 14-
8
afdoende schijnt ons de verklaring van een der uitstekendste
Schriftuitleggers onzer dagen (Godet), die op verschillende
gronden aantoont, dat Lucas de geslachtslijst geeft, niet van
Jozef, maar van Maria. We kunnen hier dit betoog niet
overnemen; voldoende zij het, daarvan het resultaat mede
te deelen. Waar Lucas Jezus openlijk optreden vermeldt,
deelt hij mede, dat Jezus door het volk gehouden werd
voor den ■ zoon van Jozef, maar voegt er dan onmiddellijk
de werkelijke geslachtslijst van Jezus aan toe, beginnende
met Heli, den vader van Maria, omdat in geslachtslijsten
niet met de vrouw werd gerekend. Zoo is dan Luc. III. 23
aldus te lezen: „En Jezus begon omtrent dertig jaren oud
te wezen, zijnde de zoon, naar men meende, van Jozef
(maar werkelijk zijnde) de zoon (namelijk de kleinzoon) van
Heli, den zoon van Mattat," enz.
Op deze wijze vervalt het schijnbaar onoverkomelijk be-
zwaar. Lucas deelt de geslachtslijst mede van Jezus langs
de lijn van zijne moeder, Mattheus de geslachtslijst van
Jezus langs de lijn van Jozef. Dat hij die laatste mede-
deelt, terwijl toch ook voor hem de wonderbare geboorte
des Heeren als zoon der maagd Maria vaststaat, is geheel
in overeenstemming met de Israelietische beschouwing. Jozef,
de pleegvader, treedt voor de buitenwereld als hoofd des
gezins, als vader van Jezus op; zoo moet dan zijne afkomst
uit Davids huis worden aangewezen, indien Jezus als spruit
uit dat geslacht zal worden erkend.
De publieke geslachtsregisters, waarvan Josefus spreekt,
konden Mattheus in deze het licht verschaffen, dat hij be-
hoefde. Vooral van het huis D^ids werden die lijsten
zeker zeer zorgvuldig bijgehouden, gelijk ook blijken kan
uit het feit, dat nog op het einde der eerste eeuw de klein-
zonen van Judas, den broeder des Heeren, door de Ro-
-ocr page 15-
9
meinsche overheid als afstammelingen Davids waren uit te
vinden. De geschiedenis vermeldt, dat zij naar Rome wer-
den gedaagd, om te zien of van deze mannen eenig gevaar
voor den staat was te duchten, als erfgenamen van den
Koningsnaam, maar dat zij vrijgelaten werden, omdat het
bleek, dat zij eenvoudige handwerkslieden waren.
In de mededeeling van deze geslachtslijst veroorlooft nu
intusschen Mattheus zich eenige vrijheid, (of wel, hij ge-
bruikt eene lijst, waarin reeds die vrijheid genomen was)
zooals ons blijkt uit de vergelijking met het gedeelte dezer
lijst, dat ook in het O. Testament is te vinden. Tusschen
Rachab en David liggen vier eeuwen in, en toch komt
Rachab voor ais overgrootmoeder van David; de samen-
trekking der geslachten, die hier moet hebben plaats ge-
vonden is reeds in Ruth IV. 20 te zien. Maar ook onder
Davids afstammelingen heeft eene samentrekking plaats.
Tusschen Jorain en Uzzia zijn de drie geslachten Ahazia,
Joas en Amazia uitgelaten; insgelijks is de naam Jojakim
weggelaten, die tusschen Josia en Jechonias moest instaan.
De oplossing daarvan is te vinden in de driemaal veertien
geslachten, waarop Mattheus nadruk legt. De eerste lijst
deed hem veertien geslachten tellen, want de samentrekking
was daar reeds geschied, zooals uit Ruth IV. 20 te zien is. De
laatste lijst, van de Ballingschap tot Josef, die wij niet met an-
dere gegevens kunnen vergelijken, leverde, naar de tijdruimte
te oordeelen, waarschijnlijk ook juist veertien geslachten.
Hierin nu moest een man, die aan de getallen-symboliek van
Israël gewoon was, iets opmerkelijks zien: veertien tocli is de
verdubbeling van het heilige zevental. Vandaar eene inkrimping
der middelste lijst, om ook hier tot dit getal te geraken. Waar-
om juist de namen Ahazia, Joas en Amazia zijn weggelaten is
niet te zeggen; de meest waarschijnlijke verklaring, dat zij
-ocr page 16-
10
weggelaten zijn, die liet minst aan hunne roeping als ko-
ningen over het volk des Heeren getrouw zijn geweest,
wordt wederlegd door het feit, dat een Manasse en Araon,
die wèl genoemd worden, zeker niet boven hen uitmuntten.
Met eene juiste opvatting van historische nauwkeurigheid
verdraagt zich zulk eene weglating niet. Wij mogen niet
aarzelen, dit onbewimpeld uit te spreken; de zaak van het
Koninkrijk Gods is te hoog en te heerlijk, om door ver-
zwijgingen en uitvluchten gediend te worden. Maar ver-
valt nu hiermede de betrouwbaarheid van Mattheus ge-
schiedverhaal? Kunnen wij op zijne schildering van Jezus
leven geen staat maken, omdat in zijne geslachtslijst eene
vrijheid gebezigd is, die van stipte nauwkeurigheid afwijkt ?
Zóó kan alleen geoordeeld worden bij eene uiterlijke op-
vatting van het Schriftgezag. Moet het gezag der Schrift
rusten op de letterlijke feilloosheid der schrijvers in alle
nietigheden, op feilloosheid in getallen en plaatsbepalingen
en dergelijke, dan valt het gezag des N. Testaments reeds
weg door dit allereerste Hoofdstuk van het eerste Evangelie.
Het is, alsof onze God, juist door dit eerste Hoofdstuk
van Mattheus, waarschuwen en wapenen wil tegen zulk
eene opvatting, die voor de zielen zoo verderfelijk is, om-
dat zij, wat vastheid voor de eeuwigheid geven zal, afhan-
kelijk maakt van uiterlijkheden. Ieder, die Israels geschied-
boeken raadpleegde, kon zien, dat deze geslachtslijst geene
letterlijke nauwkeurigheid bezit: is dit dan niet eene dui-
delijke vingerwijzing, dat niet op dit gebied de ziel hare
vastheid heeft te zoeken? De Bijbelschrijvers toonen het
levensbeeld van den Christus. Dat doen zij op zulk eene
wijze, dat dit levensbeeld zelf zijne waarheid bewijst. De
Christus, dien zij toonen, kan geen product der verbeelding
zijn: was Hij niet zóó geweest, ze zouden Hem nooit aldus
-ocr page 17-
11
hebben kunnen schilderen. Zij geven Hem te aanschouwen
door hunne herinneringen weer te geven. Die herinneringen
zijn getrouw, naar de trouw, waarmede een liefhebbend hart
de trekken bewaart van een, die heengegaan is, niet volgens
de angstvallige getrouwheid van een proces-verbaal. Zou nu
de gemeente des Heeren die laatste trouw boven de eerste
hebben te verkiezen? Zóó zou alleen geoordeeld kunnen
worden als het om eene uitwendige kennis van de bijzon-
derbeden van Jezus leven te doen was. Maar voor het doel,
waarmede Jezus leven is beschreven, is het onbeduidende
bijzaak, of er bij zekere gelegenheid één of twee blinden
zijn genezen, of eenige gebeurtenis aan deze of aan die zijde
van den Jordaan geschied is. Hoe meer we leeren door-
dringen in de eigenlijke bedoeling van de zending van
Gods Zoon, des te ruimer blik verkrijgen wij op al die
kleinigheden, die tot het wezen der zaak niets afdoen. Het
woord omtrent het Leven, dat geopenbaard is, moet leven
wekken; wie aan de uiterlijkheden blijft hangen, verstaat niet
waartoe dat woord is gegeven. Gewisselijk om daarop heen
te wijzen heeft God ons een Bijbel gegeven, gelijk wij
bezitten. Het zou den Almachtige licht geweest zijn, een
boek te doen ontstaan, zooals velen zouden willen, dat de
Bijbel was, een boek, dat feilloos was, in alle nietigheden.
Maar dat heeft den Heer niet goedgedacht. Waarom ? Om-
dat Hij wilde, dat men niet bij liet Boek zou blijven staan,
maar komen zou tot Hem, van Wien dat Boek in al zijne
deelen getuigt; dat men zich niet verdiepen zou in uiter-
Hjkheden, die de ziel afleiden van hetgeen zij voor de eeuwig-
heid behoeft, maar den Geest des Heeren, sprekende uit de
Schrift, zou laten werken op het gemoed, om den verloren
zondaar te herscheppen tot een kind des Vaders.
Zoo is ons dan de geslachtslijst, waarmede ons Evangelie
-ocr page 18-
12
begint, in zijne eigenaardige samenstelling terstond eene
vingerwijzing op den aard en het doel van de Bijbelsche
geschiedbeschrijving. Doch ook nog tot andere opmerkingen
geeft zij aanleiding.
Vooreerst: letten wij op die lange rij van namen tusschen
Abraham en Christus, tusschen voorspelling en vervulling!
Hoevele geslachten zijn daar weggekwijnd, zonder te aanschou-
wen wat zoo duidelijk beloofd was! Moest het hun niet voor-
komen, alsof God vergat genadig te zijn, alsof de toezeggingen
ijdel bleken, die geslacht aan geslacht elkander overreikten ?
En toch, op Gods tijd is de vervulling gekomen. „Wat op
\'s Heereu tijd geschiedt, is bij tijds, en anders niet/\' Eerst
moest de volheid des tijds zijn gekomen, de voorbereiding op
de komst van den Christus volkomen zijn. Toen vervult zich
Zijn woord. Toen kunnen de allerongunstigste tijdsomstan-
digheden die vervulling niet tegenhouden. Toen geschiedt,
wat met smachtend verlangen verbeid is door Koningen en
Profeten. Zoo verbeide dan onze ziel met stille gerustheid,
Broeders en Zusters! wat er nog in de toekomst vervuld
moet worden van de heilsbeloften Gods! „Voorzeggingen
der zoenverwerving, voorzeggingen der Bijksbeërving, on-
deelbaar zijn ze, als God, die leeft!"
Ten andere: welk een verschil tusschen de personen, in
deze lijst te samen gevoegd! Oprecht godvreezenden en
goddeloozen, rijk gezegenden en geheel onbekenden zijn
hier bijeen. Zondaressen als Thamar en Rachab, zoowel
als de beminnelijke Ruth, worden uit de Heidenen toege-
voegd en ingelijfd in dezen stamboom van Israëls Messias.
De mensohheid in al hare verscheidenheden is saraenge-
vat in deze lijst. Zóó moest het zijn, opdat de goddelijke
Bedder waarlijk „Zoon des menschen" zijn zou, samenge-
schakeld met dat geslacht van zondaren, dat Zijne liefde
-ocr page 19-
13
kwam verlossen. Patriarchen, Profeten en koningen, maar ook
—■ men zie de namen na de Babylonische overvoering ver-
meld ! — gansch onbekende personen komen voor in die lijst: Hij
is verbonden aan het volk Israël in al zijne geledingen, verbon-
den zelfs aan dat Heidensch gedeelte der menschheid, waarvan
Israël in den tijd der voorbereiding zoo scherp was gescheiden.
En eindelijk, die afkomst wettigt Zijn recht op den titel
van Messias. Gegrond is dat recht in Zijn wezen; evenals
Zijn priesterschap erft Hij Zijne koningswaardigheid niet door
vader of moeder of geslachtrekening (Hebr. VII. 3). Maar,
zoo in Hem waarlijk de aloude Godsbeloften zullen blijken
vervuld te zijn, dan moet Hij voortkomen uit het volk, uit
het stamhuis, waaraan de heilbelofte in den loop der eeuwen
vastgehecht is. De zaligheid is uit Israël; de Christus komt
als de kroon op alle voorbereidende openbaringsdaden Gods;
Hij is voor ons, die uit de volken zijn, eene heenwijzing
op het oude volk des verbonds, en op hetgeen aan dat
volk van Godswege medegedeeld was.
I. 18. Be geboorte van Jezits Christus mi was
aldus: want als Maria, Zijne moeder, met Jozef on-
dertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij
zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.
De geslachtslijst, door Mattheus medegedeeld, daalt tot
op Jozef af; thans, met dit 18e vers, moet de geschiedbe-
schrijving deze lijn verlaten, en mededeelen wat er geschied
is met Maria, zijne ondertrouwde vrouw. Aan Davids huis,
aan den erfgenaam der koninklijke geslachtslijn wordt de Mes-
sias verbonden, maar Hij komt uit dat huis niet voort op
den natuurlijken weg. De Christus kon geen afstammeling des
menschdoms zijn: in het menschdom moest Hij worden in-
-ocr page 20-
14
geplant door een wonder Gods. Zijne wondervolle geboorte,
inet zoo heilige soberheid in de Evangeliën medegedeeld, is
noodzakelijk wegens Zija God-menschelijk wezen. Het moest
blijken, dat Hij een nieuwe, goddelijke loot was, op den
boom der mensehheid geënt. Een langs natuurlijken weg
uit de mensehheid geborene, zou besmet zijn door het bederf,
dat van Adam overerft op al zijne nakomelingen; hij zou
uit de aarde aardsch zijn, en zelf een Verlosser behoeven,
in stede van verlossing te kunnen aanbrengen.
Het geschiedverhaal van Mattheus omtrent Jezus geboorte,
draagt in alles de blijken van te zijn geschreven naar ge-
gevens van de zijde van Jozef, niet van Maria. Daarom
wordt niet de Engelenboodschap aan Maria vermeld; het uit-
gangspunt is de toestand, waarin Maria verkeerde. Zij, die
naam en lot in de hand Gods gegeven had, als nederige
dienstmaagd des Heeren, zij moest aan den Heer overlaten
haar te rechtvaardigen, \'t Was niet slechts maagdelijke
schroom, die haar de lippen sloot: het moest daarbij de
overweging zijn, dat haar eigen woord onmogelijk bij machte
zijn zou, haar van schuld te doen vrijspreken.
Haar staat kon niet verborgen blijven. Voegt de Evan-
gelist aan deze vermelding toe: „uit den Heiligen Geest",
dan is dat een toevoegsel, waartoe latere openbaringen grond
en recht gaven. Toen, bij het bekend worden van haren
toestand, kon niet geweten worden, dat dit was „uit den Hei-
ligen Geest"; alleenlijk, Mattheus laat het aanstonds volgen,
opdat bij zijne lezers niet een oogenblik smaad op Maria
zou rusten. Voor alle latere geslachten moest zij wezen de
gezegende onder de vrouwen, zalig geprezen door wie haar
naam hoorden noemen. Maar in den aanvang moet deze
gezegende den diepsten weg betreden, die door eene reine
maagd betreden kon worden. Door de diepte naar boven!
-ocr page 21-
15
dat is de weg voor allen, die door God tot grooten zegen
bestemd zijn. Wat een Jozef, een Aiozes, een David onder-
vonden, namelijk, dat God vernedert, dien Hij verhoogen
wil, dat moest ook de moeder des Heeren ervaren. Het is
eene leiding, door Goddelijke wijsheid verordend; slechts
in de diepte wordt het menschenhart alzóó gevormd en
gelouterd, dat het de heerlijkheid der toekomstige hoogte
kan dragen, zonder daardoor te worden bedwelmd.
I. 19 — 25. Jozef nu, haar man, alzoo hij recht-
vaardig was, en haar niet openbaarlijk wilde te schande
maken, was van wil, haar heimelijk te verlaten.
En alzoo hij deze dingen in den zin had, ziet, de
Engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeg-
gende: Jozef, gij zone Davids! wees niet bevreesd, Maria
moe vrouw, tot u te nemen, want hetgeen in haar ont-
vangen is, dat is uit den Heiligen Geest. En zij zal eenen
zoon laren, en gij zult zijnen naam heeten: Jezus,
want Hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.
En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden
hetgeen van den Heer gesproken is door den profeet,
zeggende: Ziet, de maagd zal zwanger worden, en eenen
zoon baren; en gij zult Zijnen naam heeten Immanuel,
{hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons).
Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed,
gelijk de Engel des Heeren hem bevolen had, en heeft
zijne vrouw tot zich genomen; en hij bekende haar
niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gebaard
had, en heette zijnen naam Jezus.
Ook op Jozef zal een deel van zegen en eere komen;
ook Jozef moet daarom mede door lijden en smart henengaan.
-ocr page 22-
1G
Welk een strijd moet daar in zijne ziel zijn gestreden! Aan
de ééne zijde de teedere liefde, waarmede hij aan zijne
Maria verbonden was; aan de andere zijde zijn afschuw
voor wat hij niet anders kon aanzien dan als gevolg van
schandelijke ontrouw. Zich door het huwelijk verbinden
met eene, die, naar hij niet anders meenen kon, zich aldus
had kunnen vergeten, — het was hem onmogelijk. Haar
aan de algeraeene verachting overleveren, door haar als
ontrouwe verloofde te verstooten, het was hem even ondoen-
lijk. Zijne „rechtvaardigheid" verbiedt hem, met de ver-
meende overspeelster zich te vereenigen; zijne bijblijvende
liefde, haar voor immer ellendig te maken. Zoo is hij dan
willens haar heimelijk te verlaten; bereid, daardoor zelf
verdenking op zich te laden.
Doch waar de nood op het hoogst is, daar is de redding
nabij. God zelf handhaaft Maria\'s eer, en herstelt Jozefs
geluk. De Engel des Heeren verschijnt aan Jozef in den
droom, en verkondigt hem de wonderdaad des Allerhoog»
sten. Zijn huiselijk heil wordt hersteld; méér nog, nadere
aanwijzing der heerlijkheid van den "Wonderzoon, die uit
Maria geboren zou worden, dan aan Maria zelve gegeven
was, achtervolgt deze aankondiging. De naam, die aan het
kindeken gegeven moest worden, reeds ter kennis van Maria
gebracht, wordt nader in zijne beteekenis ontvouwd. De
naam Jezus is de Grieksche vorm van den Hebreeuwschen
naam Jozua, die beteekent: Jehova is Helper. Was die naam
reeds door velen gedragen, thans eerst zal de beduiding
daarvan ten volle worden vervuld. De hulpe, de reddende
genade des Heeren zal openbaar worden in dat kindeken,
dat geboren zou worden. In Hem daalt de hulpe, de uit-
redding neder voor de machteloozen en ellendigen. Redder
zal Zijn naam zijn, waarmede geslacht na geslacht Hem
-ocr page 23-
17
verheerlijkt, waarmede de einden der aarde Hem zullen eeren,
die allereerst tot Israël komt als vervulling der beloften Gods.
Om aanstonds de vleeschelijke verwachting te keeren, die
zich zou kunnen hechten aan de spruit uit Davids huis,
voegt de Engel er de verklaring aan toe: „Want Hij zal
Zijn volk redden van hunne zonden." De eigenlijke ellende,
waaruit redding noodig is, is de ellende der zonde, en wel,
niet slechts de ellende, door de zonde veroorzaakt; neen!
de zonde zelve is die ellende, die allermeest den mensch
rampzalig maakt. Dat voelde Israël niet, waar het slechts
naar bevrijding streefde van het juk der vreemde overheer-
schers; dat voelt geen der menschenkinderen van nature.
Wat de mensch uit zichzelven zoekt, is slechts de weg-
neming van moeite en leed; eerst de Geest des Heeren,
die van zonde, en van gerechtigheid en van oordeel over-
tuigt, leert doordringen tot den wortel van alle ellende,
leert roepen om verlossing van het dvvangjuk der zondn.
Deze diepste, deze eenig werkelijke behoefte komt de Zoon
Gods vervullen. Daarom is Zijn naam „Jezus." Die naam
drukt Zijn wezen uit. De naam „Christus" wijst op Zijne
waardigheid, op de ambten door Hem vervuld, op de be-
trekking waarin Hij tot Zijne verlosten staat. Maar de naam
„Jezus" zegt, wat Hij is. Die naam drukt het heil uit, in
Hem geschonken, maar ook, waar Hij optreedt onder dien
naam, wordt aanstonds te verstaan gegeven: niets is Hij
voor wie genoeg hebben aan zich zelven! „hongerigen heeft
Hij met goederen vervuld, maar rijken zendt Hij ledig henen!"
Aan de verklaring van den naam Jezus wordt eene aan-
haling toegevoegd van een woord der profetie. Het is, bij
deze eerste aanhaling uit het Oude Testament, de plaats,
om een oogenblik stil te staan bij de wijze, waarop de schrij-
vers des Nieuwen Testarnents het Oude aanhalen.
ROOÜEMEIJER. Ev. MATTH. I.                                                                               2
-ocr page 24-
18
In de eerste plaats beroepen zij zich op rechtstreeksche
profetiën. Wat de Geest des Heeren aan de Zieners des
Ouden Verbonds heeft te aanschouwen gegeven van Hem,
die daar komen zou in de volheid des tij ds, en van het
heil, dat Hij bewerken zou, dat wordt in het Nieuwe Ver-
bond aangehaald, ten bewijze, dat waarlijk in Jezus de heils-
beloften Gods vervulling hebben gevonden.
Maar, naast deze eigenlijk gezegde Messiaansche profetiën,
zijn een aantal andere woorden en gezegden uit het Oude
Verbond aangehaald, die niet rechtstreeks den Christus gol-
den, in het verband, waarin zij waren nedergeschreven, en
die nochtans op eenigerlei wijze met den Christus worden
in betrekking gebracht. Zulke aanhalingen zijn in groote
menigte voorhanden; ook onze verdere beschouwing vau dit
eerste Evangelie zal ons daarvan een aantal doen aantreffen.
Hebben wij daarin nu slechts spelingen des veruufts te
zien, overblijfselen in de schrijvers van den .geest van liet
latere Jodendom, die zich vermeit in allerlei gezochte ver-
gelijkingen? Neen, zekerlijk niet! Voor deze overbrenging
op Christus en Zijn Eijk, vau woorden, die oorspronkelijk
aangaande andere personen en zaken gezegd waren, ligt een
deugdelijke grondslag in het feit, dat de leidingen, die God
met Israël heeft gehouden, voorbereidingen waren tot de
volkomene openbaring Zijns wezens, die Hij in Christus zou
schenken. Omdat het dezelfde God is, die zich in den tijd
der voorbereiding en der vervulling openbaart, en omdat
het heil, dat Christus brengen zou, de volkomen ontplooiing
is der heilsgedachten Gods, die aanvankelijk tot aanschou-
wing komen in hetgeen Hij met Israël doet en van Israël
maakt, — daarom heeft de gansche geschiedenis Israels een
typisch, een vooraf beeldend karakter. De beteekenis van
hetgeen in en met Israël geschiedt wordt niet uitgeput door
-ocr page 25-
19
het bloote feit, dat er plaats heeft, juist omdat Israël in zijn
volksbestaan slechts de bolster is van het Godrijk, dat in
de volheid des tijds tot ontwikkeling zal komen. Al deze
voorvallen hebben een geestelijken achtergrond in dat on-
zichtbaar Godsrijk, dat in de nationale vormen Israëls be-
sloten, (dat is dus tegelijk: bedekt) is, en dat bestemd is te
voorschijn te treden, als Gods tijd is gekomen. Zoo ziet dus
het geestelijk oog eene diepere beduiding ook in het uit-
wendige; zoo vindt het, bovenal waar de vervulling van
Gods raad is gekomen, treffende overeenkomsten in de ge-
schiedenis van den vóórtijd, met hetgeen nu in Christus en
Zijn koninkrijk zichtbaar wordt.
Dat men in het maken van zoodanige vergelijkingen
lichtelijk het spoor bijster kan worden, behoeft nauwelijks
gezegd te worden. Daar is in de Christelijke kerk, van
de eerste eeuw af, een zoeken van typen in zwang geweest,
dat letterlijk van alles Mies wist te maken. Daar zijn, zelfs
uit de oudste kerkvaders, voorbeelden bij te brengen van
de meest smakelooze en ongerijmde vergelijkingen; daar is
nog, in sommige kringen, een waan, alsof het blijk zou zijn
van echt geestelijken zin, in alles typen te zien, en gansch
geen rekening te houden met geschiedkundige beteekenis.
Dat alles is zeer stellig verwerpelijk. Doch — misbruik
neemt het gebruik niet weg. Moet de ziekelijke neiging
afgekeurd worden, die van alles typen maakt, daarom be-
hoeft niet geloochend te worden, wat uit het karakter zelf
van de Oude Bedeeling, als eene voorloopige en profeti-
sche, noodzakelijk voortvloeit. De schrijvers nu des N.
Testaments hebben door den Geest Gods, die hen leidde,
den juisten tact verkregen, om in dit vinden van typen
de rechte maat te houden. Leerrijk, en tegelijk eene be-
vestiging van hunne bezieling door den H. Geest, is eene
-ocr page 26-
20
vergelijking tusschen de wijze, waarop zij typen opmerken,
en de wijze, waarop dat geschiedt in de schriften, die slechts
kort na de hunne geschreven zijn. Om een enkel voorbeeld
te geven: de Brief van Barnabas, een der oudste geschriften,
bijna uit den tijd der Apostelen, ziet een type van Christus
in het getal 318 van de dienstknechten van Abraham, omdat
dit getal in het Grieksch geschreven wordt met de eerste
letters van den naam Christus; Clemens Romanus ziet een
type in de roode kleur van den draad, door Rachab aan het
venster gebonden, als heenwijzing op de roode kleur van het
bloed des "Verlossers. We noemen geene meerdere voorbeel-
den; het opgenoemde is voldoende om te toonen wat wij
bedoelen. Met deze onzinnige typen-duiding van de overigens
achtenswaardige „ Apostolische Vaders" vergelijke men de wijze,
waarop de bijbelschrijvers in deze te werk gaan; wie wordt
dan niet getroffen door de soberheid, den juisten tact, die
hunne aanhalingen kenmerkt? Zij kunstelen niet; zij zoe-
ken niet; maar wat van zelf aan hun blik zich voordoet,
als vergelijkingspunt bij de gebeurtenissen, die zij ver-
halen, — dat deelen zij mede, om in de geschiedenis de
leiding te doen zien van den éénen God, die in Oud en
Nieuw Verbond samen zich openbaart.
Wij hebben dus bij elk van die aanhalingen, die niet op
rechtstreeksche Messiaansche profetiën betrekking hebben,
in de eerste plaats te vragen naar het historisch verband,
waarin zulk een woord staat in het O. Testament, om dan
verder na te gaan, hoe daarin een type van den Christus
en Zijn Rijk kon worden gevonden.
Tot deze klasse behoort de aanhaling, die hier in Matth.
I. 23 voorkomt, van het woord van Jesaia VII. 14. Aan
koning Ahaz is door den Profeet aangezegd, dat het ge-
vaar, waardoor Juda bedreigd wordt, afgewend zal worden
-ocr page 27-
81
binnen korte tijdruimte. Die tijdruimte wordt aangeduid
als eene zulke, welke er verloopen moet, eer eene jonge
vrouw, pas in het huwelijk getreden, moeder wezen zal van
een kind, dat onderscheid kent tusschen goed en kwaad,
een tijdvak dus van drie of vier jaar. Zóó klaarblijkelijk
heeft deze aankondiging betrekking op de verlossing van
Juda uit de ellende, door Syrië en het Rijk der tien stam-
men daarover gebracht, dat hier gewis geene rechtstreekse he
Messiaansche profetie voorhanden is. Het jongsken, dat
geboren zal worden, wordt Immanuel genoemd, door eene
uiting van geloofsvertrouwen, dat, terwijl de ellende nog
ten volle aanwezig is, hoopvol uitspreekt: God is met ons!
Maar deze redding van Juda uit diepen nood, was toch
niet anders dan eene voorbijgaande verlossing. En het
kindeken, door het geloofsvertrouwen „Immanuel, God met
ons" genaamd, was een menschenkind geweest als alle
anderen. Nu eerst, waar de maagd een Zoon zal baren,
in wien werkelijk het eeuwigblijvende heil des Heeren
op aarde afdaalt, nu komt de ware Immanuel. De ver-
lossing onder Achaz was slechts, evenals iedere andere uit-
redding Israëls, een beeld geweest van de werkelijke ver-
lossing, die nu stond te komen. Wat het profetisch woord
toen had doen verwachten, was in die aardsche uitredding
niet tot volle verwezenlijking gekomen; eerst nu wordt
het profetisch woord „vervuld", eerst nu komt dat alles,
wat in dat woord was besloten geweest, en waarvan de
eerste aardsche vervulling slechts voorafbeelding geweest
was, die grootere dingen deed hopen.
De ware Immanuel is Hij, die goddelijke en menscbelijke
natuur in eenheid des wezens verbindt. In Hem is God
tot ons afgedaald; in Hem maakt God woning onder ons;
in Hem openbaart Hij Zijn heil, dat eeuwen lang „stond te
-ocr page 28-
22
komen", en zijn lichtglans vooraf openbaarde in menige tijde-
lijke verlossing, doch dat toch eerst nu tot werkelijkheid wordt.
In latere aanhalingen van Mattheus zullen wij dat ka-
rakter van volkomene Schriftvervulling bij woorden, die
vroeger aanvankelijke vervulling vonden, nog nader kunnen
gadeslaan. Maar reeds deze eerste aanhaling toont ons, hoe
diep de blik is, dien de Geest des Heeren hem deed slaan
in de Oude Bedeeling.
De droom, aan Jozef toegezonden, bewerkt wat God be-
doelt. Aanbidding en dank neemt de plaats in der vroegere
smart. Alle reden is weggevallen, waarom Jozef zijne onder-
trouwde vrouw zou verlaten; hij neemt haar tot zich, en
verbeidt met haar in eerbiedig ontzag de vervulling van het
Woord des Heeren. En het gelooven wordt aanschouwen;
de hoop wordt bezit: het kindeken wordt geboren, Wiens
naam genoemd wordt Jezus. Door lijden en strijden zijn
Maria en Jozef beiden henengegaan, — maar wat zegt dat
lijden in vergelijking van de heerlijkheid, die daar volgde!
Het wonderkind, aan Maria geboren, is door Engelen-
boodschap omstraald met goddelijke heerlijkheid. Dat dan
nu vrij het uitwendige nog arm en gering zij; wat God
gegeven heeft is de gave, waarnaar geslacht na geslacht
biddende heeft uitgezien!
Het wonderbaar feit der geboorte van den Zoon Gods
als Zoon des menschen wordt door den Evangelist slechts
met weinige woorden medegedeeld. Evenzoo zal het later
geschieden met het feit Zijner opstanding uil de dooden.
Menschelijke woorden zouden toch niet naar waarde de
grootheid dezer dingen kunnen uitdrukken; daarom is het
soberst bericht het meest in overeenstemming met de waar-
digheid der zaak. Het wonderfeit staat daar, hoog boven
alle beschrijving verheven; slechts in de omstandigheden
-ocr page 29-
23
die het vergezellen, spiegelt zich zijne heerlijkheid af. Wie
dit kindeken is, \'t is eerst door Gods Engel geboodschapt;
daarna zal het nog nader blijken, waar God raenschen toe-
voert, om Hem de hulde der aanbidding te brengen.
II. 1—2. Toen mi Jezus geboren was te Bethlehem
gelegen in Judea, in de dagen van den Koning Héro-
des, ziet, eenige wijzen van het Oosten zijn te Jeru-
zalem aangekomen, zeggende: Waar is d-e geboren
Koning der Joden ? Want wij hebben gezien Zijne ster
in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden.
Lucas, die voor de Grieksche wereld schrijft, vermeldt
de hulde, Jezus toegebracht door de Joodsche herders;
Mattheus, die voor Israël schrijft, verhaalt de aanbidding
Hem toegebracht door de heidensche wijzen. Zoover is het
er van daan, dat de Evangelisten zich in hunne berichten
zouden gevoegd hebben naar den wensch van hen, voor wie
zij schreven; zóó duidelijk stemmen zij allen overeen in de
beschrijving van den persoon en het werk van Jezus, als
tegelijk Israels Messias en der Heidenen Heiland.
Evenals Lucas vermeldt Mattheus, dat Jezus te Bethlehem
is geboren. Dat Jozef en Maria vroeger te Nazareth hebben
gewoond, is uit zijn bericht niet op te maken, maar wordt
toch ook door zijn bericht geeuszins weersproken. Uit Lucas
verhaal kennen wij de aanleiding tot deze komst in Beth-
lehem, gelegen in het bevel van den Heidenschen Keizer,
die wel geenszins vermoedde, dat zijn bevel tot het houden
van volkstelling eeue Godspraak in vervulling zou brengen;
die wel geenszins denken kon, dat daar in een der winge-
westen zijns Bijks een kindeken zou worden ingeschreven,
wiens Naam overschitteren zou al wat daar groot was in Bome.
-ocr page 30-
24
Niet naar het Westen, naar \'t Romeinsche Keizerrijk,
maar naar het Oosten wendt Mattheus zijnen blik. Daar, in
dat Morgenland, de bakermat van \'t menschelijke geslacht,
het land, waarvan eenmaal ook Abraham uitgegaan is, brengt
God de kondschap van Zijne gave aan de wereld. De aan-
kondiging sluit zich aan den levenskring, aan de gedachten-
wereld van de ontvangers dier openbaring aan. De naam
„wijzen" of Magiërs, duidt bepaaldelijk sterrekuudigen aan,
beoefenaars dier wetenschap, die in het Oosten in zoo hooge
eere stond, en die reeds tot belangrijke hoogte van ontwik-
keling gekomen was, schoon immer nog met sterrewichelarij,
voorzegging van menschelijke lotgevallen uit den stand der
sterren, vermengd. Naar hunne omstandigheden ingericht,
voor hunne behoefte berekend, is het openbaringsmiddel,
waarvan God zich bedient: een schitterende ster aanschou-
wen zij, een ster, waarin zij de aankondiging eener groote,
eener heerlijke gebeurtenis zien.
De beroemde sterrekundige Kepler (uit de 17° eeuw)
heeft berekend, dat ongeveer twee jaar vóór de geboorte
des Heilands een zoodanige stand der planeten Jupiter,
Saturnus en Mars aanwezig geweest is, dat deze drie slechts
één groote ster schenen te vormen. Sints dien tijd is door
velen dit beschouwd als de ster der Wijzen; we meenen
echter, zonder genoegzamen grond. Wel schijnt daarvoor te
pleiten, dat er omstreeks twee jaren moeten verloopen zijn
tusschen \'t aanschouwen der ster en de aankomst te Jeru-
zalem (vs. 16). Doch vooreerst is het bevreemdend, dat zij
de ster, indien die uit de samenstelling dezer drie planeten
bestond, aan den helderen hemel van Palestina eerst weder
ontdekt zouden hebben tusschen Jeruzalem en Bethlehem,
(vs. 9;. En ten andere, hoe zou dit samentreffen van drie
planeten, door deze Magiërs lang vooruit te berekenen, hen
-ocr page 31-
25
zoozeer getroffen hebben, dat zij daarin bet teeken zagen
van de komst des grooten Konings ?
Wij achten daarom de erkenning van een wonder natuur-
lijker en eenvoudiger, dan de natuurlijke verklaring. Een
wonderbaar teeken aan bet firmament geeft God aan deze
wijzen te aanschouwen; later, als zij in gehoorzaamheid
des geloofs zijn gegaan, en in dat geloof zijn bestreden,
komt wederom datzelfde wonderteeken hun geloof verster-
ken, staande voor hun blik boven het huis, waarin het
kindeken was.
Hoe kon nu echter het aanschouwen dier wondersterre
hen brengen naar Judea, om naar den geboren Koning der
Joden te vragen ? De zeer verspreide meening alsof die ster
hen vóór ging en den weg wees, wordt genoegzaam weder-
legd door het feit, dat zij eerst tusschen Jeruzalem en
Bethlehem de ster terugzien. De ster verkondde hun, die
gewoon waren in der sterren loop aanduiding van gebeur-
tenisseii te zien, niet anders dan dit: er is iets groots,
iets wonderbaars geschied! Waar zij dat zoeken moesten,
dat hadden zij door iets anders te weten. Dat wisten zij
door de heilsverwachting Israëls, die niet onbekend kon
zijn in die landen van het Oosten, waar, ook na de Baby-
Ionische Ballingschap, nog een groot aantal Israëlieten
woonachtig waren. Dat volk van Israël alleen had eene
verwachting, eene hoop, door woorden Gods onderhouden,
terwijl alle andere volken wel verlossing wensohten, maar
geene hope hadden op redding en heil.
Verlossing moet uit Israël voortkomen. Een Koning
Israëls moet de groote Bevrijder zijn, wiens heil zegen
spreiden zou ook over de volken. Daarom gaan de wijzen
derwaarts, waar Israël, als volk, in het land zijner vaderen
leeft. Wat moest daar eene heilbegeerte zijn in het hart
-ocr page 32-
2G
dezer mannen, om deze reis te ondernemen! Wat steekt dit
verlangen, in de Heidenwereld zich openbarend, bescha-
mend af tegen de onverschilligheid Israëls, die zich daarna
betoonen zal!
II. 3—6. Be Koning Herodes nu, dit gehoord
hebbende, werd ontroerd, en geheel Jeruzalem, met hem.
En bijeenvergaderd hebbende al de Overpriesters en
Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de
Christus zou geboren worden?
En zij zeiden tot hem,: Te Bethlehem, in Judea
gelegen; ivant alzoo is geschreven door den. Profeet :
En gij Bethlehem, gij land Tuda! zijt geenszins de
minste onder de vorsten van Juda, want uit u zal de
Leidsman voortkomen, die Mijn volk Israël weiden zal.
De komst der aanzienlijke mannen uit het Oosten, onge-
twijfeld vergezeld door een talrijk gevolg van dienaren, kon
reeds op zichzelf in Jeruzalem niet onopgemerkt blijven.
Te meer nog moest bun verschijning opzien baren, waar
zij komen vragen naar den Koning, dien zij zoeken. Hoe
werd reeds aanstonds hun geloof op zware proef gesteld!
Wat konden zij anders verwachten, dan dat zij Jeruzalem
van vreugdevolle geestdrift vervuld zouden vinden, waar de
Langverwachte gekomen was? Zij vinden — niets daarvan.
Zij vinden een volk, dat van niets bijzonders kennis draagt,
dat verzonken is in de gewone dingen van het alledaagsche
leven, een volk, ter neder gebogen onder den loodzwaren
scepter eens tyrans. Maar wat de stem in hun binnenste
gesproken heeft bij het aanschouwen der wondersterre, —
dat laten zij niet los. Zij vragen, zij onderzoeken, niet: is
er een Koning der Joden geboren ? maar: w&ar is de geboren
-ocr page 33-
■27
Koning der Joden? Dat Hij er zijn moet, dat staat voor
hen vast. Een geloof, door God in het hart verwekt, stelt
zijn goddelijk „nochtans!" tegenover al wat in den weg staat.
Koning Herodes verneemt van hun komst en hun vraag,
— en zijne ziel wordt ontroerd. Dat was niet de blijde,
zalige ontroering, waarmede een heilbegeerige van Gods
gave verneemt; dat was de ontroering van den despoot
die zijne macht bedreigd waant. Met al zijn macht en heer-
lijkheid, te midden van een voor hem sidderend volk, ge-
rugsteund door het werelddwingend Rome, vreest Koning
Plerodes, als er gevraagd wordt naar een geboren Kindeken.
Het is de vloek der tyrannen, gestadig in vreeze te moeten
leven. Het Idumeesch geslacht, waaruit Herodes was ge-
sproten, had door list en geweld zich in de plaats weten
te dringen, die aan de Makkabeesche vorsten toekwam; list
en geweld, slaafsche vrees voor de Eomeinen en onbarm-
hartige onderdrukking van Israël had Herodes op de hoogte
zijner macht doen blijven. Hoe? indien nu eens een wettig
Koning Israels was gekomen ? een Koning, door boven-
aardsche machten zelfs in verre landen bekend gemaakt?
Hij kan niet rusten, zonder een onderzoek in te stellen
naar de verwachtingen van dat raadselachtig volk, waar-
over hij regeert. Hij roept de overpriesters en schriftge-
leerden samen; niet het gansche Sanhedrin, want dan had-
den de ouderlingen, de vertegenwoordigers der geslachten
Israels, niet kunnen ontbreken; maar de beide deelen des
Sanhedrins, die meer bijzonder met de Heilige Schriften
vertrouwd waren. Zij moeten hem zeggen, wat Israël ver-
wacht, — opdat hij wete, waartegen hij zijne wapenen
hebbe te richten.
Niet te vergeefs wendt zich de Koning tot hen. Het
woord der profetie heeft de plaats aangeduid, waaruit de
-ocr page 34-
28
groote Koning Israels voortkomen moet; het woord van
Micha (V. 1.) wijst kennelijk Bethlehem aan.
Deze profetie draagt een gansch ander karakter, dan
liet woord van Jes. VII. 14, vroeger (H. I. 23) door Mat-
theus aangehaald. Hier hebben wij te doen, niet met een
type, maar met eene rechtstreeksche voorspelling, die op den
Christus henenwijst. Aan het vernederde en getuchtigde
volk des Heeren, wordt door Micha verlossing toegezegd.
En die verlossing wordt vastgehecht aan Davids huis. Uit
het nietige Bethlehem zal de Heerscher in Israël voortkomen.
Laat vrij Bethlehem klein zijn, onder de steden van Juda,
uit dat Bethlehem is David voortgekomen, de man naar
Gods hart, de koning, die het ideaal is van allen, die over
het volk des Heeren regeeren; uit dat Bethlehem zal, in
de volheid des tijds de groote Koning voortkomen, die een
Heerscher zijn zal in Israël, de vorst, die uit de diepten
der eeuwigheid voortkomt, de ware Koning Israels, van wien
alle aardsche vorsten Israels slechts de voorafbeeldingen
zijn. Niet rechtstreeks wordt het voorspeld, dat Hij te
Bethlehem geboren zal worden; de Davidszoon zou uit
Bethlehem voortgekomen zijn, al ware Hij elders geboren.
Grondlijnen, geene letterlijke aanduidingen geven de tolken
Gods in al hunne godsspraken; ook al vonden die later
eene letterlijke vervulling, zoo zijn toch alleen die grond-
lijnen bedoeld. Wat Micha verkondigt, het is, dat het ver-
nederde en verdrukte volk wederom zijn heil zal zien dagen,
en wel van dat zelfde starahuis uitgaande, eenmaal uit
Bethlehem gesproten, dat reeds in den vóórtijd zijn roem
en kroon is geweest.
Zoo wijzen dan de Schriftgeleerden naar Bethlehem
heen, en de nederbuigende goedheid Gods, die letterlijke
vervulling schenkt aan de Godspraak, maakt dat hunne
-ocr page 35-
29
aanwijzing doeltreffend is. Doch, brengen zij ook door hunne
Schriftkennis de Wijzen op het rechte spoor, — zij gaan
niet zelven naar Bethlehem; zij blijven waar zij zijn. Zij
komen, met al hun kennis, niet tot den Christus, dien de
Heidensche mannen vinden : verstandelijke kennis baat niet,
waar de drang des harten ontbreekt!
Hoe vaak vinden wij, ook in onze dagen, nog dat zelfde
terug! Hoe menigeen bezit kennis genoeg van wat Gods
openbaring leert, maar blijft daarbij in aardsche strevingen
verzonken! O gewis! kennis is goed en onmisbaar, doch zij
voert slechts tot het doel, als er zich zondaarsbehoefte,
hartelijk verlangen naar God en Zijne gave mede paart!
II. 7—10. Toen heeft Herodes de Wijzen heime-
lijk geroepen., en vernam, naarstiglijk van hen den
tijd, wanneer de ster verschenen was; en hen naar
Bethlehem zendende, zeide: Reist heen en onderzoekt
naarstiglijh naar dat hindehen, en als gij het zult ge-
vonden hébben, boodschapt het mij, opdat ik ook home,
en dat aanbidde.
En zij, den honing gehoord hebbende, zijn heenge-
reisd, en zie, de ster, die zij in het Oosten gezien
hadden, ging hun voor, totdat zij kwam, en stond boven
de plaats, waar het hindehe was.
Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met
zeer groote vreugde.
Daar is ontroering bij den koning, omdat hij zijn troon
bedreigd acht; ontroering bij het volk van Jeruzalem, om-
dat het burgeroorlog te gemoet ziet, en nieuwe gruwelen
ducht van den bloeddorstigen despoot. Zóó wordt de blijde
hemelboodschap onder Israël een oorzaak van schrik, omdat
-ocr page 36-
30
de vleeschelijke zin onvatbaar is, de geestelijke Godsbelofte
geestelijk te verstaan, en van een aardsch koninkrijk droomt,
waar een geestelijk rijk is bedoeld. Zoo toont zich, reeds
bij de eerste aankondiging, de misvatting die Jezus gansche
verschijning zal vergezellen, en die ten slotte den Gezon-
dene Gods zal doen sterven aan een kruis. Der menschen
zonde en zondelust doet Gods genadegave als een vloek
beschouwen.
Der menschen zonde en zondelust is oorzaak van al de
vijandschap, die de Christus Gods ontmoet. Hier is de
vleeschelijke zin oorzaak van het misverstand, dat in Hem
een aardsch Koning doet zien, en Hem als zoodanig doet
verwerpen. Maar later, als voor aller oogen zichtbaar zal
zijn, dat Zijn Koninkrijk niet van deze wereld is, dan we-
derom zal juist dit de oorzaak zijn, waardoor Hij verworpen
wordt. Noch als aardschen, noch als liemelschen Koning
juicht de menschheid Hem toe: de stugge en weerbarstige
zondaarsharten zal Hij eerst moeten veroveren door de
macht Zijner dienende, Zijner zelfopofferende liefde.
Herodes spreekt met de Wijzen in het geheim. Voor
zijne dienaren wil hij niet kenbaar maken, hoezéér deze
zaak hem gewichtig voorkomt. Alle omstandigheden, vooral
den juisten tijd, waarop de ster door hen gezien is, begeert
hij te weten. Bij dat alles doet hij zich voor, als deelend
in hun liefde en eerbied. Zelf stelt hij geen onderzoek in,
bevroedende dat dit toch niet zou baten, maar hij vertrouwt
dat zij, die door hoogere Macht reeds zoover geleid zijn, ook
wel verder de leiding zullen ontvangen, die zij behoeve?).
Hunne mededeelingen betwijfelt hij niet, maar wel verre
van daardoor tot geloof te worden geleid, wil hij zich van
de Wijzen bedienen, om zich, nu het nog tijd is, te ontslaan
van eenen, die voor zijn macht gevaarlijk zou kunnen worden.
-ocr page 37-
31
Zoo gaan daii de Wijzen naar Bethlehem. Wel was hun
geloof op zware proef gesteld! De stad des grooten Konings,
waar zij gehoopt hadden Zijne heerlijkheid te zien, weet
niets van Zijne komst. Nu worden zij naar een nietig
stedeken gezonden. Zal ook die gang niet te vergeefs zijn ?
Hun geloof moest worden beproefd. Dat is de weg Gods
met al Zijne kinderen. Zóó alleen wordt het gesterkt; zoo
alleen reinigt het geloof de harten, waarin het woont, en
vormt ze om vatbaar te worden voor het eindelijk aanschou-
wen. Maar die God, die op zoo zware proef hen stelt,
zorgt tevens er voor, dat het niet te zwaar worde; Hij sterkt
het geloof, opdat zij niet bezwijken. Tusschen Jeruzalem
en Bethlehem zien zij de wonderster terug, als om hen te
verzekeren, dat zij op den rechten weg zijn. Het goddelijk
teeken staat stil boven de nederige woning: zij zijn geko-
men tot het doel van hun tocht. Is het bevreemdend, dat
zij zich verheugden met zeer groote vreugde? Het verlan-
gen hunner harten gaat bevredigd worden; zij zullen aan-
schouwen, waar hun hart reikhalzend naar uitzag.
„Op Hem zullen de Heidenen hopen \\" had de stem der
profetie aangaande den Messias voorzegd. (Jes. XI. 10).
Door alle tijdperken der Godsopenbaring heen, was duidelijk
te kennen gegeven, dat het heil des Heeren niet alleen
ten bate van Israël zou komen. Ook dit behoort tot de
klare bewijzen, dat „de profetie voortijds niet is voortgebracht
door den wil eens menschen" (2 Petr. I. 21). Alle volken
der oudheid sluiten zich op in hunne eigene nationaliteit,
en zien met vijandschap of verachting neder op al wat
daar buiten staat. Naar natuurlijken aanleg vertoont Israël
dienzelfden karaktertrek. De leidingen Gods, om het afge-
zonderd te doen blijven in den tijd der voorbereiding,
schenen een glimp van wettigheid te geven aan Israëls
-ocr page 38-
32
volkstrots, en de harde bejegening door de Heidenen stelde
het volk op zulk een voet van vijandschap tegen de andere
natiën, dat zij de „haters van het menschelijk geslacht"
werden genoemd. En zie nu, de verwachting van dat volk
gaat uit naar eene toekomst, waarin de Heidenen deelen
zullen in de voorrechten Israëls, waarin de volken zullen
komen „aangevlogen als eene wolk, als duiven tot hare
vensteren" (Jes. LX : 8), waarin de Heere „Eahab en
Babel zal vermelden onder die Hem kennen, en zeggen
zal van den Eilistijn, den Tyriër met den Moor: deze is
geboren in de Stad Gods" (Ps. LXXXVII. 4). Zulke ver-
wachting kan geen voortbrengsel van den volksgeest zijn:
zulke voorzegging draagt het stempel van Goddelijke her-
komst.
Thans, bij de komst van de Wijzen uit het Oosten,
begint die profetie te worden vervuld. Eerstelingen zijn zij
van die duizendmaal duizenden, die, van Oosten en Westen,
zullen aanzitten met Abraham, Izaak en Jacob in het Ko-
ninkrijk Gods; voorloopers van die allen, die uit de volken
der aarde, in den Messias Israels de bevrediging vinden hun-
ner zondaarsbehoeften, en die, van nature vreemdelingen en
vijanden, worden gemaakt tot huisgenooten, tot kinderen Gods.
II. 11. 12. En in het huis gekomen zijnde, vonden
zij het hindehen, met Maria, zijne moeder, en neder-
vaïïende, heiben zij het aangebeden, en hunne schatten
opengedaan hebbende, brachten zij hem geschenken, goud
en wierook, en mirre.
En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in
den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Hero-
des, vertrokken zij door een anderen weg naar hun
land.
-ocr page 39-
33
Niet te vergeefs is liet geloof der Wijzen, aangevochten
door wat zij te Jeruzalem vonden, gesterkt geworden door
de wederverschijning der ster. Zij ergeren zich niet aan de
nederige woning; boven die woning heeft het Goddelijk
wonderteeken hun de verzekering gegeven: hier is Hij,
dien gij zoekt!
Hoe langen tijd reeds verloopen was, sinds de geboorte
des Heeren, eer de Wijzen te Bethlehem kwamen, is niet
met zekerheid te zeggen. Dat Herodes een tijd van twee
jaren aanneemt, waarbinnen het Kindeken kan geboren zijn,
wijst op een lange tusschenruimte sinds het verschijnen der
ster. Eeeds de toebereidselen tot hunne reis, die geruimen
tijd moesten innemen, doen vermoeden, dat daartusschen
meer dan veertig dagen zijn verloopen, zoodat de voorstel-
ling in den Tempel, waarvan Lucas spreekt, aan dit bezoek
is voorafgegaan. Anders toch zou de voorstelling in den
Tempel hebben moeten geschieden na den terugkeer uit
Egypte, terwijl juist toen (I. 22) gevaar verbonden was
aan het komen te Jeruzalem. Het bericht van Lucas (II.
39) is dus in ruimeren zin te nemen, waar deze, door
onbekendheid met de reis naar Egypte, het gaan naar Naza-
reth terstond op de voorstelling in den Tempel doet volgen.
Bij het aannemen van deze volgorde van gebeurtenissen
wordt te meer begrijpelijk, dat in het bericht van Mattheus
niet van de stal, maar van eene woning sprake is. De stal
had slechts tot verblijfplaats gediend gedurende den toevloed
der vreemdelingen. Daarna had Jozef zich te Bethlehem
eene woning ingericht; het vervolg der geschiedenis toont
toch, dat hij voornemens geweest was, da&r verder verblijf
te houden, een voornemen, dat hij nog na den terugkeer
uit Egypte zou hebben volvoerd, indien niet Herodes door
Archelaus ware opgevolgd. Alleen door dit aan te nemen
ROOZKMEIJER, Ev. MATTH. I.                                                                              3
-ocr page 40-
34
verklaart zich, dat later eene Goddelijke openbaring hein
naar Galilea moest verwijzen.
Het is de woning van een geringen handwerksman, die
de Wijzen binnentreden. Maar dit verwart hen niet. Het
kindeken, dat zij aanschouwen, is de van God Gezondene.
Daarom openen zij hunne schatten, en brengen Hem ge-
schenken. Men kwam in het Oosten nooit met ledige han-
den tot eenen Koning: zoo brengen zij dan gaven, gelijk
voor een Koning betameude waren.
Het onverstand der middeleeuwen heeft het woord „Konink-
lijke geschenken" opgevat alsof het beteekende „gaven van
Koningen" in plaats van gaven voor eenen Koning. Zóó
ontstond, in verband met het drietal der gaven, de sage,
die de Wijzen vervormt tot drie Koningen, en die daaren-
boveu hunne namen (Gaspar, Melchior en Balthazar) weet
te verhalen. In de gaven zelve zag men dan voorts eene
symbolische beteekenis: het goud vertegenwoordigde den
rijkdom, de wierook de aanbidding, en de mirre, de bittere
mirre, wees heen op het bitter lijden van den Christus. Al
deze dingen vindt men niet in den tekst; ze worden van
buitenaf daarin gedragen.
Het bijbelsch verhaal is schoon genoeg, om deze opsie-
ringen niet te behoeven. Koningen op het gebied van den
geest zijn deze Wijzen, edeler vertegenwoordigers der hei-
densche menschheid, dan uitwendige machthebbers konden
zijn. Zij brengen hun goud, hun wierook, hun mirre, niet
om daarmede wat af te beelden, maar omdat deze dingen
het kostbaarste zijn wat zij bezitten. Zij spreken met hun
gaven uit: wij buigen ons neer voor den Koning, van God
ons gewezen; wij geven Hem het onze, ten bewijze dat wij
ons hart Hem wijden. O zeker! wat deze Koning kwam
brengen, dat wisten zij nog niet; genoeg is het hun, dat
-ocr page 41-
35
Hij van God is aangewezen, en dat zij daarom in Hem den
Langverwachte, den Vervuiler van de behoefte der mensch-
heid mogen zien.
Zij brengen hun hulde, hun eerbiedige gave. Een zinne-
beeld is dit van den dank, die aan dezen Koning zal worden
gebracht door Zijne verlosten. Overigens, dit zal uiet het
eerste zijn, wat de menschheid tot dezen Koning doet gaan.
Men komt tot Hem niet allereerst om te brengen, maar
om te ontvangen. Men komt tot Hem met nood en schuld,
met behoeften en verlangens. Eerst waar Hij zelf Zijne
rijke gave schonk, waar Hij zichzelven gaf in de volheid
Zijner liefde, — daar volgt dan later de dank en de aan-
bidding der gezegenden, de nederige hulde, voorafgebeeld
door de gaven der Wijzen.
Slechts kort mag de vreugde duren, die der Wijzen hart
in de tegenwoordigheid van het goddelijk Kind vervult.
Goddelijke openbaring vermaant hen, langs een anderen
weg te gaan naar hun land, opdat zij niet weder in aan-
raking komen met den tyran, die over Israël regeert. Alle
zaligheid op aarde is nog slechts voorsmaak en onderpand
van die, welke volgen zal aan gene zijde des grafs. Hier
beneden heerscht nog de overste dezer wereld, en zijne
dienaren oefenen onder hem hun geweld uit; hier beneden
is het ongestoord genieten nog niet. Maar diep in het hart
dragen de Wijzen mede wat God hun heeft geschonken;
als later de kamerling, reizen gewisselijk ook zij hun weg
met blijdschap, want zij weten: het heil der wereld is
verschenen!
II. 13—14. loen zij nu vertrokken waren, ziet!
de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom,
zeggende: Sta op, en neem tot u dat kindeken en zijne
-ocr page 42-
36
moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat
Ik het u zeggen zal; want Her odes zal het kindehen
zoeken om het te dooden.
Hij dan opgestaan zijnde, nam het kindeken en zijne
moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte,
en was aldaar tot den dood van Herodes; opdat ver-
vuld zou worden hetgeen van den Heer gesproken is
door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijnen
Zoon geroepen.
Wat der herderen mond als Engelenboodschap aan Jozef
en Maria had gemeld, (Luc. II. 16), dat is voor hen be-
vestigd door tle komst der Wijzen. De heerlijkheid van den
„Zoon des Allerhoogsten", uit Maria geboren, is door de
mannen uit verren lande erkend, erkend op grond van een
Goddelijk wonderteeken hun geschonken. Hoe moeten Jozef
en Maria daarin den aanvang gezien hebben der algemeene
erkenning, die eenmaal volgen zou, het begin eener heerlijk-
heid, thans nog alleen zichtbaar voor den blik des geloofs!
En zij bedrogen zich niet in deze verwachting. Voor dezen
Koning zal eeiimaal alle knie zich buigen! Alleenlijk, ter-
wijl het geloof staart op den berg der heerlijkheid, die glanst
in het licht, is de weg nog niet herkenbaar, die daarheen
leiden zal, — die weg, die zoo gansch anders zal wezen,
dan het menschenhart zou vermoeden, die weg, die een pad
van smaad en lijden, van vloek en dood wezen zal.
Die weg is hun aangewezen door het woord van Simeon
in den Tempel (Luc. II. 35); die weg wordt thans
reeds zichtbaar, waar goddelijke, openbaring Jozef inlicht
omtrent het gevaar, dat hel kindeken dreigt. Reeds ter-
stond moet de vijandschap der wereld tegen den Christus
Gods aan het licht treden. Doch.... „dit kind moet veilig
-ocr page 43-
37
wezen !" God behoedt; God waarschuwt Jozef. In allerijl
wordt de vlucht beraamd, — en uitgevoerd. Naar Egypte,
het naastbijgelegen vreemd land, het land, waar een talrijke i
kolonie van Israëlieten woonde, begeeft zich Jozef met het
kindeken en Zijne moeder.
Dat verblijf van den Christus in Egypte brengt aan den
Evangelist wederom een profetisch woord voor den geest,
het woord van Hosea XI. 1. Hier hebben wij nu weder
niet met eene rechtstreeksche voorspelling te doen; de aan-
haling heeft overeenkomst met die van Jes. VII. 14, niet
met die van Micha V. 1. Kennelijk spreekt Hosea over het
volk Israël: „Als Israël een kind was, toen heb Ik hem
liefgehad, en Ik heb Mijnen zoon uit Egypte geroepen."
Ook het vervolg handelt over de halsstarrigheid, door Israël
betoond, en de geduldige leiding door God daar tegenover
gesteld.
Het woord van Hosea XI. 1 is dus niet aangaande den
Christus gesproken. Met welk recht haalde dan Mattheus
het aan ?
Israël wordt in dien tekst door God „Zijn zoon" genoemd.
Maar dit zoonschap, door Israël slechts in verre, zwakke
voorafbeelding bezeten, wordt ten volle verwezenlijkt in
Hem, die „de Zoon" is. Even als in het tweede gedeelte
van Jesaia eerst het volk Israël met den naam van „knecht
des Heeren" genoemd wordt (b.v. ,Jes. XLII. 19. XLIX. 3),
maar daarna in H. LUI Waarlijk op Hem gewezen wordt,
die in waarheid de Knecht des Heeren wezen zal, in wien
zich dat alles, waartoe Israël bestemd was, maar wat Israël
nooit bereikt had, ten volle zal verwezenlijken, — evenzoo
kan in Hosea XI. 1 het volk Israël in overdrachtelijken
zin „zoon Gods" worden genoemd, terwijl die naam alleen
in volle werkelijkheid door den Christus kan worden ge-
-ocr page 44-
38
dragen. Israël is boven alle andere volkeren gezegend,
voorwerp van Gods genadig welbehagen, voorwerp van Zijne
bijzondere zorg, geroepen om den Naam des Heeren te
eeren en te verheerlijken in de wereld; om al deze redenen
kan de Heer van Israël spreken als van Zijnen zoon. Maar
Hij weet, dat dit Israël niet waarlijk beantwoorden zal aan
zijne bestemming. Hij heeft dit Israël geroepen en afgezon-
derd met het oog op Hem, aan Wien Hij, als de volheid
des tijds is gekomen, in dit Israël eene woonstede bereiden
zal. Israël is er ter wille van den Christus. Dat is de
ware Zoon des Allerhoogsten. En daarom kan Mattheus
zeggen: eerst nu is dit woord „vervuld," eerst nu is het
in zijne volle beteekenis bewaarheid; nu, waar Hij den
Christus uit Egypte tot Kanaan doet komen, nu heeft God
Zijnen Zoon, den drager van de volheid Zijns wezens, uit
Egypte geroepen.
II. 16—18. Als Herodes zag, dat hij van de
Wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en
eenigen afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de
hinderen, die binnen Bethlehem, en in al diens land-
palen waren, van twee jaren oud en daaronder, naar
den tijd, dien hij van de Wijzen naarstiglijk onder-
zocht had.
Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door
den profeet Jeremia, zeggende: Eene stem is in Rama
gehoord; geMag, geween en veel gekerm; Rachel be-
weende hare kinderen, en wilde niet vertroost wezen,
omdat zij niet zijn!
Voor Herodes kon het niet anders dan den schijn heb-
ben, alsof de Wijzen hem bedrogen hadden. Maar een
-ocr page 45-
39
boosaardig, achterdochtig gemoed als het zijne kon de zaak
niet laten rusten. Ontvangt hij de begeerde aanwijzing niet
aangaande het ééne kind, waarvan hij in de toekomst gevaar
ducht, dan zal hij zichzelven helpen, door al de kinderkens
van Bethlehem, die omtrent van dien leeftijd zijn, te laten
vermoorden.
Men heeft de waarheid dezer geschiedenis betwijfeld,
omdat Flavius Josephus er geen gewag van maakt, die
overigens verscheidene gruweldaden van Herodes heeft ge-
boekt. Maar juist onder de vele euveldaden, door Herodes
begaan, ging dit vermoorden van eenige kinderkens, —
naar de bevolking van Bethlehem berekend, schat men het
getal op omstreeks twintig, — te lichter onvermeld voorbij.
"Wat zeide dit getal, in vergelijking bijvoorbeeld met de
vierduizend aanzienlijke Joden, die hij op zijn sterfdag
wilde laten ombrengen, opdat er bij zijn dood geen vreugde,
maar algemeene rouw in het land zou zijn? Daarbij, Jo-
sephus kon van deze gebeurtenis geene melding maken,
zonder duidelijker van den Christus te spreken dan in zijne
bedoeling lag.
De sluipmoord, op de onnoozele kinderkens gepleegd,
past volkomen bij Herodes karakter. Zoo moest dan aan-
stonds de komst van den Christus op aarde aanbrengen,
wat door alle tijden geschieden zou: de boosheid barst in
woede uit, en onschuldigen moeten lijden om Christus wil.
O gewis! voor deze kinderkens is deze vroege dood een
des te vroegere ingang in heerlijkheid geweest, en aan de
jammerende ouders heeft de ontferming Gods voorzeker de
beproeving geheiligd en ten zegen gesteld. Doch terwijl
de slag hen trof, moet radelooze smart hun ziel hebben
vervuld. De geboorteplaats van den Christus wordt een
schouwtooneel van jammer en wee; geklag en geween gaan
-ocr page 46-
40
op iii de velden, waarboven der Engelen loflied weer-
klonk.
Ook deze gebeurtenis geeft aan Mattheus aanleiding een
scbriftwoord aan te halen, het woord van Jerem. XXXI. 15.
De Profeet spreekt daar over den jammer der wegvoering
van de stammen Juda en Benjamin naar Babel. De stam-
moeder Benjamins, Rachel, stelt hij, in dichterlijke taal,
voor, als rouwklagend over hare nakomelingen. Zulke rouw-
klage, wil Mattheus zeggen, herhaalt zich ook hier; Rachel
is als de verpersoonlijking des volks, rouwbedrijvend over
de kinderkens, gevallen door het zwaard des tyrans. Ach,
de geschiedenis van het Godsrijk is op aarde eene geschie-
denis van tranen en klachten, door alle tijdperken heen:
eerst daarboven worden de tranen afgewischt, en vervangt
het eeuwig Hallelujah de rouwklachten der aarde!
II. 19—23. Toen Her odes nu gestorven was, ziet,
de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom,
in Egypte, zeggende: Sta op, neem het hindeken en
zijne moeder tot u, en trek in het land Israëls, want
zij zijn gestorven, die de ziel van het kindeken zochten.
Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen
het kindeken en zijne moeder, en is gekomen in het
land Israëls. Maar als hij hoorde, dat Archelaus in
Judea koning was, in de plaats van zijnen vader He-
rodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door god-
delijke openbaring vermaand in den droom, is hij
vertrokken naar de deelen van Galilea.
En daar gekomen zijnde, nam hij zijne woonplaats
in de stad, genaamd Nazareth, opdat vervuld zon wor-
den wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nasare-
ner zal geheeten worden.
-ocr page 47-
41
Goddelijke openbaring had Jozef naar Egypte geleid; zoo
kon hij dan niet uit eigene beweging dat land weder ver-
laten. Niet langen tijd behoefde hij te wachten op de
goddelijke roepstem, die hem weder naar de landpalen
Israels voerde. Slechts kort, misschien nog geen jaar, heeft
Herodes den kindermoord van Bethlehem overleefd; hij
stierf gelijk hij geleefd had, achtervolgd in het graf door
den vloek van zijn volk.
Thans kon Jozef terugkeeren. Maar de troonsbestijging
van Archelaus, door de Romeinen als opvolger zijns vaders
erkend, en met de heerschappij over Judea beleend, doet
hem aarzelen oin gevolg te geven aan wat kennelijk zijn
voornemen was: Bethlehem te kiezen tot zijne woonplaats.
Nogmaals komt goddelijke voorlichting hem besturen, en
verwijst hem naar Galilea. Opmerkelijk zijn die herhaalde
openbaringen, telkens in droomen aan Jozef geschonken;
aanduidingen van de gewillige en diepe afhankelijkheid van
den Heer, waarin hij verkeerde. Voor eigen lot en leven
had hij mogen te rade gaan met het licht, dat God schen-
ken wil op den natuurlijken weg, door nadenken en onder-
zoek; doch waar hij de aardsche hoeder is van den Won-
derzoon uit Maria geboren, daar heeft hij stap voor stap
de leiding door rechtstreeksche goddelijke openbaring van
noode.
Niet naar Bethlehem, maar naar Galilea wordt hij ge-
wezen. Is het niet, alsof hem daarin te verstaan wordt
gegeven, hoe geene Koningsheerlijkheid dit kindeken om-
stralen, maar uitwendige geringheid het omringen zal? De
aanvankelijke keuze van Bethlehem hing gewisselijk samen ■
met een onbestemd vermoeden, dat de Davidszoon te zijner
tijd met luister zou te voorschijn treden uit de aloude
Davidsstad. Maar dit is niet de lijn, die Gods leiding
-ocr page 48-
42
zal volgen. De kroon wacht aan het einde; de geringheid
en het lijden gaan vooraf.
Eenmaal naar Galilea gewezen, vestigt nu van zelf de
keus van Jozef zich op de vroegere woonplaats, zoowel van
hemzelven als van Maria. Het stedeken Nazareth wordt de
plaats, waar de Christus Gods opgroeien zal.
Wederom wijst hier Mattheus op het Oude Testament
terug: „opdat vervuld zou worden wat door de profeten
gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheeten worden."
Bij dit woord doet het opmerkelijke verschijnsel zich
voor, dat er geene enkele plaats in het Oude Testament
is aan te wijzen, waar dit gezegd wordt. Wij bespreken
niet de verschillende pogingen, tot wegneming dezer moeie-
lijkheid aangewend; we noemen alleen de verklaring, die
door haar eenvoud zich aanbeveelt. Nazarener heet de
Christus op geene enkele plaats in het Oude Testament,
— maar herhaaldelijk wordt Hij (zie Jes. XL 1 en LUL 2)
een „rijsje", een „spruit" genoemd. Die naam nu is in
i het Hebreeuwsch „nèzer". Aan dit „nèzer" denkt Mat-
theus bij den naam Nazareth, een naam, die denkelijk wel
van denzelfden stam afgeleid is. Hebben wij nu hier met
eene gezochte woordspeling te doen ? Geenszins. Wat de
naam „nèzer", spruit, rijsje, aanduidt, is de geringheid, de
nietigheid der verschijning van den Messias. Die gering-
heid, tegenstelling met de verwachte Koningsheerlijkheid,
komt aan het licht in het wonen in \'t onaanzienlijk Naza-
reth, een plaatsje, van waar niemand vermoedde (Joh. I. 47),
dat de gezondene Gods voortkomen zou. Geene letterlijke aan-
haling is het dus, die Mattheus hier geeft; maar de Geest,
die hem bezielt en leidt, doet hem in het Oud Verbond het
kenmerk aangeduid vinden, dat het leven des Heeren heeft
onderscheiden, een kenmerk, waaraan Israël zich stootte,
-ocr page 49-
1
43
als ware het in strijd met de heilbeloften Gods. Wat dus
voor oppervlakkige waarneming schijnt een dwaling des
Evangelisten te zijn, dat is, van naderbij beschouwd, een
blijk van den diepen blik, dien de Geest des Heeren hem
deed slaan in het profetische woord. Zóó was de Christus
aangekondigd; zóó is Hij in Nazareth opgevoed, en heeft
Hij als verachte Nazarener geleefd. Zóó moest Zijne ver-
schijning zijn onder de menschen, opdat Hij het werk der
verzoening zou volbrengen, dat later Zijne goddelijke heer-
lijkheid in volle majesteit zou openbaren.
III. 1—4. En in die dagen kwam Johanne» de
Dooper, predikende in de woestijn van Judea, en zeg-
gende: Bekeert n, want het. koninkrijk der hemelen,
is nabij gekom,en !
Want deze is het, van weihen, gesproken is door
Jesaja, den profeet, zeggende: De stem des roependen
in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren ! Maakt
zijne paden recht!
En. deze Johannes had zijne kleeding van kemels-
haar, en eenen lederen gordel om zijne lenden; en
zijn voedsel was sprinkhanen en wilde honig.
De dertig jaren der stille afzondering, waarin Jezus Zijne
jeugd doorbracht, worden door Mattheus ganschelijk voor-
bijgegaan, terwijl ook Lucas daarvan niet anders dan liet
bezoek van den twaalfjarigen Jezus aan den Tempel mede-
deelt. Het waren dn jaren der ontwikkeling, naar ziel en
lichaam, van Hem, die een zoo waar en echt menschelijk
leven kwam leiden; de jaren, waarin Hij in den stillen
kring zich oefende in die gehoorzaamheid, in dat letten op
de wenken des Vaders, dat het leven van den Godmensch
-ocr page 50-
44
op aarde heeft gekenmerkt. Die jaren hadden hunne betee-
kenis voor Hem, niet voor de wereld. Eerst met het open-
lijk optreden vangt de beteekenis Zijns levens voor de
menschheid aan; daarom heet die tijd bij Marcus (I. 1.)
„Het begin des Evangelies".
Al de Evangelisten wijzen op het optreden van den
voorlooper, Johanncs den Dooper; alleen Lucas deelt om-
trent diens geboorte en omgeving eenige bijzonderheden
mede, waardoor het blijkt, dat de wegbereider voor den
Christus uit priesterlijk geslacht afkomstig was.
Mattheus vangt aanstonds aan met de verschijning, die
zoo grooten indruk onder Israël maakte. En geen wonder!
Vier eeuwen lang had de stem der profetie gezwegen. Een
spreken Gods tot Zijn volk, — ach! het had alleen in den
grijzen vóórtijd plaats gevonden. Dieper en dieper zonk
Israël tusschen de volken; — en waar was de God des
Verbonds? „Och, of Gij de hemelen scheurdet!" dat was
de kreet, die opsteeg uit het hart der vromen. Maar daar
was geene stem, daar scheen geene opmerking te zijn. De
altaren rookten van talrijke offers; in de wetten des Heeren
en in de geschiedenis Zijner wondere leidingen verdiepten
zich de mannen, tot wie het volk als tot zijne voorgangers
opzag; meer en beter dan ooit hield Abrahams nakroost
zich van de onreine Heidenen gescheiden, — doch waar
was de levende band tusschen God en Zijn volk? Men
hield aan de overlevering vast, men vereerde een mummie;
de geest, de gloed was geweken; daar was geen indaling
Gods in het leveud heden, om tot het volk te zeggen: Zie,
hier ben Ik! Kom tot Mij!
Die eeuwen, waarin de Godsspraak zweeg, hadden hare
beteekenis gehad in de geschiedenis der voorbereidende lei-
dingen Gods. Het was de tijd geweest, waarin Israël het
-ocr page 51-
45
ontvangene in zich verwerken moest; de tijd, die toonen
moest of door al den arbeid, door God aan Israël besteed,
dit volk tot Hem komen kon. Israël kwam niet, nader; Israël
versteende. Zoo bleek het dan door overtuigende proef, dat
de menschheid onmogelijk tot God komen kon; niet alleen
de volken, die God in eigengekozen wegen had doen wan-
delen, ook het volk, dat met wet, en offerdienst en profetie
was gezegend, kwam niet waar het zijn moest; niets kon
de menschheid redden, dan de Christus alléén!
Thans wordt het zwijgen gebroken. De lang beloofde Ver-
losser gaat verschijnen; nu wordt op Hem heengewezen door
een man, van God gezonden, in wien de beteekenis der
gansche voorloopige openbaring zich samenvat.
Uit de stille afzondering van het woestijnleven treedt
Johannes te voorschijn. Eenzaamheid en ontbering hebben
de krachten zijns geestes gesterkt; overdenking en gebed
hebben hem voorbereid tot zijne roeping. Als gezant, als
heilheraut des grooten Konings komt hij, — maar zijn op-
treden kenmerkt zich niet aanstonds als dat van eenen, die
blijde boodschap komt brengen. Hij predikt, dat het Konink-
rijk der hemelen nabij gekomen is, maar aan die prediking
doet hij de roepstem voorafgaan: Bekeert u!
Daar was in het woord, dat hij bracht, wat in Israël
weerklank moest vinden; daar was ook, wat de hoogste
bevreemding moest wekken. Dat het Koninkrijk Gods komen
zou, dat was de verwachting der eeuwen geweest. Daarnaar
had geslacht na geslacht verlangend uitgezien, smartelijk
beseffend, dat het heden niet te zien gaf, wat de Godsbe-
lofte aangekondigd had. Maar van dat Koninkrijk had
Israël eene voorstelling als van een glans en glorie, die
Israël, gelijk het daar leefde, omstralen zou Zij waren,
meenden zij, de erfgenamen der belofte, de kinderen des
-ocr page 52-
46
Koniukrijks door hunne afstamming van Abraham, en door
hunne afzondering van de Heidenen tevens. Zóó als zij
waren behoorden zij immers tot dat Koninkrijk? De groote
dag van Jehovah\'s toekomst mocht een dag van schrik zijn
voor de volken; zij hadden niets te vreezen, maar alles te
hopen!
Daar treedt nu de verkondiger van het Godsrijk op, —
en zijn eerste woord is: „Bekeert u!" Keert om op den
weg, dien gij betreedt; wordt veranderd van zin, van nei-
ging, van levensrichting; zóó als gij zijt, en blijvende, die
gij zijt, kunt gij dat Koninkrijk niet ingaan. Dat Rijk is
een Rijk der Hemelen; geestelijk van aard, met geestelijke
gaven en geestelijke eischen; gij, die vleeschelijk zijt, hebt
daaraan geen deel; daarom, — bekeert u!
Die eisch blijft door alle eeuwen heen weerklinken, tot
allen, die dat Godsrijk willen binnengaan. Het aardschge-
zind gemoed is voor dat Godsrijk niet geschikt. Het hart,
dat van de begeerlijkheden des vleesches en der oogen en
van de grootschheid des levens tot hiertoe vervuld was,
moet ganschelijk veranderen, om deel aan het Godsrijk te
hebben.
Doch, — stelt die eisch niet een onmogelijke vordering ?
Kan ook de Moorman zijne huid, de luipaard zijne vlekken
veranderen? Hoe zal dat hart worden omgezet, overgebogen
om God te zoeken, dat alleenlijk van strevingen der zelf-
zucht vervuld is?
Zóó zou liet zijn, indien op den eisch niet de verkon-
diging volgde: het koninkrijk der hemelen is nabij geko-
men! Zie, dat dit koninkrijk op aarde is afgedaald, dat doet
krachten en werkingen uitgaan, die mogelijk maken, wat
voor menschen onmogelijk was. Iedere ziel, die tot bekee-
ring kwam, zal van achter erkennen: de roepstem zou ik
-ocr page 53-
47
uit mijzelven nooit hebben opgevolgd, maar de genade, die
daar uitstroomde van het koninkrijk Gods, is mij te machtig
geworden. Dat heeft mijn trots gebogen, mijn verlangen
gewekt; dat leerde mij bidden: Bekeer mij, o Heer! zoo
zal ik bekeerd zijn! en mijne oogen zijn geopend, en mijn
hart is veranderd, en wat ik vroeger vermeed, dat is nu
de lust mijner ziel! —
De verkondiger der goddelijke boodschap treedt onder Israël
op, niet als zelf iets aanbrengend, maar als wegbereider
voor den Christus. Daarom ziet Mattheus in hem vervuld,
wat door Jesaia (XL. 3) is gesproken van „de stem des
roependen". De Godspraak, die aan Juda verlossing uit
de Babylonische ballingschap toezegt, bezigt het beeld van
een afgezondene des Grooten Konings, die in de wildernis
een pad laat bereiden, waarop de verlosten des Heeren
zullen wederkeeren tot hun vaderland. Voor den Heer
moet een weg worden gebaand; de hoogten moeten geslecht,
de kuilen aangevuld worden, opdat de Koning, die zijne
bevrijden uitleiden zal, hen voere op een effen pad. Die
Godspraak brengt Mattheus nu over op den Dooper, en
noemt haar in hem vervuld. Met welk recht? Met het
recht van de diepe en eenig ware opvatting van Israels
geschiedenis, waarbij alle voorloopige verlossingen slechts
als beelden en onderpanden beschouwd worden van de vol-
komen verlossing, die de Christus aanbrengen zou. De
aloude profetieën wezen zelve daarop heen, voor elk wiens
geestelijk oog was ontsloten. Immers, zóó hoog en heerlijk
waren de toezeggingen, dat de vervulling in aardsche uit-
redding verre terugbleef achter hetgeen beloofd was. Of
was, om te blijven bij de Godspraak die thans ons bezig
houdt, die Joodsche staat, die na de wederkeering uit de
Ballingschap ontstond, dan waarlijk beantwoordend aan wat
-ocr page 54-
48
Jesaia had doen hopen? Hoe armelijk, hoe zwak, hoe door
zonde bezoedeld was die Joodsche staat! Had dan Gods
profeet te veel beloofd? groote woorden gebezigd om eene
armelijke werkelijkheid te schilderen ? Zekerlijk neen! Maar
dit, dit verklaart den afstand tusschen profetie en vervulling:
die vervulling is slechts een voorloopige; daar is een ach-
tergrond; daar komt eene vervulling in de volheid des tijds,
die al Gods heilbeloften tot waarheid zal maken.
Die vervulling is thans, met het optreden van Johannes
den Dooper, gekomen. Hij zelf noemt zich (Joh. I. 23)
„de stem des roependen". Zijne persoonlijkheid gaat op
in zijne levenstaak; zelf is hij niets; hij is: „de stem des
roependen". Bij Jesaia roept die stem: „Bereidt in de
woestijn een baan!" hier bij Mattheus wordt gesproken van
den „roepende in de woestijn", eene wijziging van uitdruk-
king, die in de hoofdzaak geene andere beteekenis geeft,
maar die slechts eene aanduiding te meer is, op hoe vrije
wijze het O. T. in het N. T. aangehaald wordt.
Johannes is wegbereider; Johannes is bovenal boetprofeet.
Zijn uiterlijk voorkomen is daarmede in overeenstemming.
Een kleed van ruw kemelshaar dekt zijne leden; sprink-
hanen, in de zon gedroogd, ook thans nog het voedsel van
de armsten des lands, met wilde honig uit de kloveu der
steenrotsen, — ziedaar zijne spijze. Dat leven van ontbering
behoort niet bij het komende Godsrijk; de Koning daarvan
is gekomen „etende en drinkende", en is door de men-
schen een vraat en wijnzuiper gescholden, omdat Hij niet,
als Johannes, zich allerlei ontzeide. Maar zulk een leven
paste den boetgezant. Wat hij te zeggen had tot het volk,
moest veel meer indruk maken waar hij optrad, gelijk hij
dat deed, dan indien hij zich geheel gewoon onder de
menschen had bewogen. En indruk maken, aandacht trekken,
-ocr page 55-
49
was noodzakelijk, waar voorbereidend het volk zou worden
bewogen. De Koning van het Godsrijk zelf, daarentegen,
zou „niet roepen, noch Zijne stem op de straten doen
hooren."
III. 5. 6. Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem,
en geheel Tudea, en het geheele land rondom de Jor-
daan, en werden van hem gedoopt in de Jordaan,
belijdende hunne zonden.
Aan het zuidelijk gedeelte van den Jordaan stroom, waar
hij de Doode Zee nadert, had Johannes, te voorschijn tre-
dend uit zijne afzondering, maar altijd nog blijvende in de
woestijn, zijn standplaats genomen. Daar was hij nog immer
ver van het gewoel der steden; da&r was het woest en
somber oord indruk bijzettend aan zijne boetredenen; maar
d&ar was toch ook tegelijkertijd, aan de veren of door-
waadbare plaatsen van de Jordaan, — die, in plaats van
bruggen, de verbindingen waren tusschen Oost- en West-
Palestina, — eene voortdurende beweging van menschen,
met wie Johannes nu in aanraking kwam.
En zijn woord vindt een luisterend oor. Wat mag dit
zijn? vraagt Israël zich af, dat sinds zóó lang geene levende
Godsstem vernam. Het woord van Johannes draagt het
kenmerk van een woord Gods te zijn, door het geweten
wakker te roepen. Zij, die hem hoorden, spreken over hem
tot anderen, en welhaast stroomt men van alle zijden toe
tot den boetgezant.
Was dat nu teeken van oprechte heilbegeerte, en werden
die allen, die zich door hem lieten doopen, waarlijk be-
keerd? Bekeering in massa heeft nergens plaats, is nooit
aanschouwd. Zelfs dat ééne geval, dat hiertegen schijnt te
Roozemkijer, Et. Matth. I.                                                                   4
-ocr page 56-
50
pleiten, de toebrenging der drieduizend op den Pinksterdag,
is nog geen beteering van de massa, als men dit aantal stelt
tegenover de honderdduizenden, die te Jeruzalem op dien stond
aanwezig waren. Wèl laat God voortdurend werken op de
massa, eerst waar Hij Zijn genadeverbond met Israël als volk
opricht, daarna waar Hij door den invloed des Evangelies
volkskerken doet ontstaan. Maar van die massa is het tel-
kens slechts een kern, die waarlijk Zijn heil deelachtig wordt
door persoonlijk geloof. Ook bij opwekkingen, hetzij door
algemeene rampen of langs anderen weg te weeg gebracht,
blijft immer slechts een overblijfsel als waarlijk gewonnen
te beschouwen; de groote menigte laat een tijd zich mede-
sleepen, doch als de nieuwheid is geweken en de eerste
indruk voorbijgegaan, keert zij tot vroegere on verschil! ig-
heid terug. Het ging niet anders met de volksbeweging,
die door Johannes\' optreden ontstond; daar vormde zich
een kern, waaruit de eerste discipelen van Jezus te voor-
schijn kwamen, doch hoe weinig blijvend de indruk op die
menigte was, die toestroomde om door Johannes gedoopt
te worden, dat is gebleken, toen Israël zijnen Koning
nagelde aan het kruis!
En toch was waarlijk Johannes niet de man, die opper-
vlakkige opwinding in de hand werkte. De doop zelf, dien
hij bediende, was voor Israël een e diepe vernedering, want
het stelde het volk Gods voor oogen, hoe zij evengoed rei-
niging behoefden als de Heidenen, die eerst na velerlei
reinigingen in het burgerschap Israels werden opgenomen.
De wateren der Jordaan dekten het oude leven onder het
vonnis des doods; wie uit die wateren oprees, kwam te
voorschijn als ganschelijk vernieuwd. Zoo bracht het zin-
nebeeld der toebereiding voor het koninkrijk Gods eene
ernstige roepstem. En niet minder werd de doopeling tot
-ocr page 57-
51
ernst vermaand, door de belijdenis van zonden, die aan het
gedoopt worden voorafging. Voorwaar! de gezant Gods
nam het niet lichtvaardig op; de doop en de schuldbelij-
denis beide hadden de strekking om alle lichtzinnigheid
buiten te sluiten.
„Belijdende hunne zonden" lezen wij, niet: hunne zonde.
Dat meervoud is niet zonder beteekenis. Het wijst aan, dat
zij, die gedoopt werden, niet maar in \'t algemeen bekenden
zondaren te zijn, maar dat zij hunne persoonlijke overtre-
dingen noemden, en daarvoor vergeving vroegen. Beide,
belijdenis van zonde, en belijdenis van zonden, is noodig.
Daar zijn er, aan wie het laatste zwaarder valt dan het
eerste; omgekeerd, daar zijn er ook, die lichter tot het
laatste dan tot het eerste komen. Belijdenis van zonde,
erkenning van zondaar voor God te zijn, gaat gemak-
kelijk voor wie onder de tucht van Gods woord en wet is
opgegroeid; die belijdenis is een stuk van de rechtzinnige
leer, waarin men is onderwezen, en die men later met
meer of minder overtuiging naspreekt. Maar oneindig zwaar-
der valt het denzulken eene afzonderlijke, persoonlijke over-
treding te bekennen; uit te spreken: ik ben oneerlijk ge-
weest; ik heb gelogen; ik heb onrechtvaardig gehandeld,
of iets dergelijks. En toch, zoo lang het dii&rtoe niet komt,
heeft de woordenvloed zoo weinig beteekenis, waarmede
men zich een verdoemelijk zondaar voor God noemt, —
omdat men heimelijk daarbij denkt: dat is nu eenmaal niet
anders! — Anderen daarentegen, zij die voortkomen uit
kringen, waarin zedelijkheid buiten verband met godsdienst
is ontwikkeld, zullen geneigd zijn afzonderlijke verkeerd»
heden te belijden, maar terugdeinzen voor de erkenning
van in het diepst des wezens voor God bedorven te zijn.
Zij kennen wel zonden, maar geene zonde; zij troosten zich
-ocr page 58-
52
met de gedachte, dat de vlekken, die zij in hun leven be-
speuren, toch eigenlijk slechts bijkomstige dingen zijn, en
dat de grondtoon huns levens is, zooals die zijn moet.
De tijdgenooten van Johannes, het volk, dat de wet des
Heeren ijverig onderzocht, behoorde tot de eerste soort.
Daarom is het Johannes niet genoeg, dat zij belijden zon-
daren te zijn: hij laat hen noemen, wat hunne overtredin-
gen waren, opdat zij waarlijk verbrijzeld van hart tot God
zouden komen.
III. 7, 8. Hij dan, ziende velen van de Farizeè\'n
en Sadduceë\'n tot zijnen doop komen, sprak tol hen:
Gij adderengebroedseh ! wie heeft u aangewezen te
vlieden van den toekomenden toorn ? Brengt dan vmch-
ten voort, der bekeering waardig.
De beweging, die uitdreef naar den boetgezant aan de
oevers van de Jordaan, ging van de menigte over op de
voorgangers; geestelijke stroomingen gaan zoowel van be-
neden naar boven, als van boven naar beneden. Farizeën
en Sadduceën beiden, hoe ook overigens tegen elkander in
strijd, sluiten zich samen aan bij het volk, en komen tot
Johannes.
De eerste oorsprong van deze beide partijen ligt in het
duister, gelijk dat gewoonlijk het geval is bij verschijnselen
op godsdienstig gebied, die niet aan een persoon zijn vast
te hechten, maar langzamerhand in den loop der gebeurte-
nissen zijn geworden.
Na de Ballingschap zijn beide partijen ontstaan. Iu \'t
algemeen hadden de oordeelen Gods het volk een afschrik
van de afgoderij, en van de vermenging met vreemde volken
gegeven. Maar bevreemdend was het niet, dat er waren,
-ocr page 59-
53
die oordeelden, daarin nog verder te moeten gaan, dan het
gros hunner volksgenooten. Stipte wetsbetrachting, voorna-
melijk opgevat als inachtneming van al de verbodsbepalingen,
die Israël van andere volken onderscheidden, stelden dezen
zich ten taak; daar, waar de wetsbepalingen zwegen, voeg-
den zij er nadere begrenzingen aan toe, die weldra eene
overlevering van geboden naast de wet stelden, waaraan
niet minder streng de hand werd gehouden dan aan de
bepalingen der wet. De mannen dezer geestesrichting werden
genoemd, en noemden zich zelven, met den naam Parizeen,
die „afgezonderden, afgescheidenen" beteekent. Wel namen
zij aan het gewone volksleven Israels deel; wel verwaar-
loosden zij den tempeldienst der offeranden niet, maar het
zwaartepunt van het godsdienstig leven lag toch voor hen
in dat zich rein houden van alle besmetting. Wasschingen
en reinigingen, vasten en onthoudingen, nauwgezetheid in
allerlei kleinigheden, waren voor hen de hoofdzaak. Uit
hun scherpe tegenstelling tegen al het niet-Israelitische volgt
van zelf, dat zij de nationale partij bij uitnemendheid vorm-
den, dat zij telkens in botsing kwamen met de heidensche
vorsten en volken, die Israël overheerden.
Tegenover hen stonden anderen, genoemd met den naam
Sadduceën, die „rechtvaardigen" beteekent. Deze waren
de mannen des behouds. De nieuwigheden, door de Faiï-
zeën aan de wet toegevoegd, verwierpen zij. Den tempel-
dienst hielden zij in hooge eere; een Israëliet, die zijne
offers bracht, en overigens zich hield aan wat uitdrukkelijk
in de wet geboden was, zonder dat te verscherpen, beant-
woordde, volgens hen, volkomen aan zijne roeping. De
tegenstelling tegen vreemde volken was bij hen op verre
na zoo scherp niet, als bij de Parizeen; integendeel, zij, die
meestal tot de meer vermogende klasse behoorden, zagen in
-ocr page 60-
54
eene zooveel mogelijk welwillende verhouding tot hunne
overheerschers eenen waarborg tot het behoud van hun
welstand.
Beide zienswijzen hadden een betrekkelijk recht; daar
was aan de eene zijde iets goeds in de strengheid, die
scherpe tegenstelling tegen het Heidendom bedoelde; daar
was aan de andere zijde iets goeds in het handhaven der
vrijheid, die de slavernij van menschelijke instellingen ver-
wierp. Het was slechts het op de spits drijven van de
eigenaardigheid der richting, wat afzonderlijke partijen deed
ontstaan, en zedelijk gevaar te voorschijn riep. Voor de
Parizeërs bestond het gevaar van uiterlijken vormendienst
en van zelfverheffing; hun partij was die, welke als de bij
uitnemendheid godsdienstige werd aangezien, en die daarom
aantrekkelijkheid had voor de huichelarij. Voor de Saddu-
ceërs lag het gevaar nabij van oppervlakkigheid en licht-
zinnigheid; bij hen schaarden zich de werelddienaars, die,
onder een glimp van ruime opvatting der wet, eigenlijk
naar den lust huns harten begeerden te leven.
Al zou het nu zeker onbillijk en onwaar zijn, indien
men alle Farizeërs huichelaars, en alle Sadduceërs wereld-
dienaars wilde noemen, — in de meerderheid van beide par-
tijen was zichtbaar, dat de opgenoemde gevaren niet maar
bloote mogelijkheden waren. Vandaar de strenge woorden,
zoo menigmaal door onzen Heer tot beide partijen ge-
sproken; vandaar ook het harde woord, dat de Dooper
hun tegemoet voert.
„Gij adderen-gebroedsels \\" zoo spreekt hij, — en hij
wijst met dien naam zoowel op hunne innerlijke valsch-
heid, als op het verderf, dat zij brengen over het volk; —
„wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden
toorn?" Uit die vraag klinkt de heftige bewogenheid zijns
-ocr page 61-
55
harten ons tegen. Het is als wilde hij zeggen: wat drijft
u hierheen? wat doet gij op den weg der heilzoekenden,
gij, die ingenomen zijt met u zelven; gij, die in den grond
uws harten naar geene behoudenis vraagt ? Wilt gij waarlijk
den toorn Gods ontvlieden, die over u het oordeel brengen
zal ? Indien het u ernst is met uw komen aan deze plaats,
„brengt dan vruchten voort, der bekeering waardig." Gij
neemt, door dezen doop te begeeren, de houding aan van
u waarlijk tot God te keeren: laat dan de waarheid daar-
van blijken in daden, die met die bekeering in overeen-
stetmning zijn.
Het woord van Johannes wil niet zeggen: Brengt vruch-
ten voort des nieuwen levens, want het komen tot zijnen
doop, ook als men oprecht was, beteekende niet, dat men
dit nieuwe leven bezat, maar dat men het zocht, Johannes
eischt niet, wat zij onmogelijk konden voortbrengen; slechts
dit vraagt hij, dat hun doen en laten toone, dat het hun
ernst is met Iiuti zoeken Gods, dat zij niet door moed willig
vasthouden aan de zonde openbaren: ons zoeken Gods is
een leugen! Zij stellen zich aan, als aangeraakt door de
voorbereidende genade: dit blijke dan nu uit geheel hun
bestaan!
De ernstige vermaning behoudt hare kracht ook nog voor
onzen tijd. Zij legt den vinger op de wonde bij zoo menig-
een, die jaar en dag beweert, zoekende en vragende te zijn
naar het heil des Heeren, en toch niet verder komt. O
zeker! dezulke kan nog geene vruchten der wedergeboorte,
geene vruchten des nieuwen levens dragen; maar de blijken
moeten er dan toch zijn, dat dat zoeken naar het leven
Gods ernstig gemeend is. Niet met bewustheid moeten
zonden aan de hand worden gehouden; het aanvankelijk
licht moet worden gevolgd; de „vruchten, der bekeering
-ocr page 62-
56
waardig" moeten toonen, dat de toekeering tot God eene
toekeering des harten is.
III. 9. En meent niet bij u zelven te zeggen: wij
hebben Abraham tot eeneu vader; want ik zeg u, dat
God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan
verwekken.
In het hart van hen, die tot hem komen, leest Johan*
nes de zelfgenoegzaamheid, waardoor de begeerte naar den
doop bij hen een ijdele vertooning wordt. Wie den doop
verlangde, sprak daardoor uit: ik ben onrein; ik heb genade
noodig; zóóals ik ben, kan ik aan het Godsrijk geen deel
erlangen. Doch deze mannen komen, door uiterlijke beweeg-
redenen gedreven, misschien om het volk te believen, maar
niet omdat zij iets van God hebben te vragen. Zij voelen
geene behoefte aan een ingaan in het Godsrijk; immers zij
meenen: zij zijn er reeds in! Zijn zij geene kinderen Abra-
hams? Met Abraham en zijn zaad heeft God zijn verbond
opgericht; zij stammen van Abraham af, en dus — de
sluitreden is gemakkelijk op te maken!
De sluitreden zou onberispelijk zijn, indien zij niet één
ding vergaten: in een verbond zijn twee deeleu begrepen.
Is God dus, krachtens dit verbond, bereid tot geven en
zegenen, — het andere deel des verbonds, de mensch, moet
willig en bereid zijn om te ontvangen, om zich te laten
zegenen met de geestelijke gaven Gods. En dit juist ontbrak
bij hen. Trotsch en hoog stond de Farizeëi, onverschillig
stond de Sadduceër tegenover den Heer; geen van beiden
stond in de nederige, geloovige verhouding, die Abrahams
nakroost betaamde. Wat zal dan hun beroep op hun afkomst
van Abraham hen baten ? Om Zijn woord aan Abraham
-ocr page 63-
57
gestand te doen, heeft God hen niet noodig: „uit deze
steenen," desnoods, „kan God Abraham kinderen verwekken !"
En inderdaad! voor de vleeschelijke nakomelingschap
Abrahams, die als volk den Christus verwierp, is eene andere
geestelijke nakomelingschap in de plaats gekomen, verwekt
uit de Heidenen, door een even groot wonder der godde-
lijke genade, alsof God uit de steenen der woestijn een volk
had doen ontstaan. Dor en doodig, niet naar God vragend,
buiten rechtstreeksche bearbeiding Gods, kwijnde de Hei-
den wereld voort; maar als de blijde boodschap tot hen
komt, gaan de volken vragen naar het heil des Heeren;
de wildernis gaat bloeien tot Zijne eer!
III. 10—12. En ook is aireede de bijl aan den
wortel der hoornen gelegd; alle hoorn dan, die geene
goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen, en in het
■vuur geworpen.
Ik doop u wel met water tot hekeering, maar die
na mij komt, is sterker dan ik, iviens schoenen ik niet
waardig hen, Hem, na te dragen; die zal u met den
Heiligen Geest en met vuur doopen; wiens wan in
Zijne hand is, en Hij zal Zijnen dorschvloer door-
zuiveren, en Zijne tarwe in Zijne schuur samenhrengen,
en zal het kaf met onuithlusschelijk vuur verbranden.
Na het wegnemen der valsche gerustheid, gaat de Dooper
tot rechtstreeksche waarschuwing over. De bijl aan den
wortel der booraen is het zinnebeeld van het naderend oor-
deel Gods. God komt ten gerichte over Israël. Lang heeft
de tijd van genadearbeid geduurd; welhaast zal God on-
derzoeken, welke vruchten Zijn wijngaard draagt, waaraan
Hij alles heeft te koste gelegd om hem goede vrucht te
-ocr page 64-
58
doen voortbrengen (Jes. V. 1—5.) De boomen, die geene
goede vrucht dragen, zullen worden uitgehouwen. Niet
eindeloos duurt het wachten der lankmoedigheid.
In dit verband wijst nu Johatmes op de beteekenis van
zijn doop, en op de betrekking, waarin hij staat tot Hem,
die na hem komen zal. Zijn doop is een doop tot bekee-
ring. Het heil aanbrengen kan hij niet; hij kan slechts op
het ontvangen van het heil voorbereiden, door de gezindheid
op te wekken, die noodig is, om \'s Heeren gave deelachtig
te kunnen worden. Hij bereidt slechts den weg voor den
Meerdere, die na hem komt.
„Wie na mij komt is sterker dan ik." In eene uitspraak,
door den Evangelist Johannes bewaard, wijst de Dooper op
het onderscheid in wezen: „Die na mij komt, is vóór mij
geworden, want Hij was eer dan ik" (Joh. I. 15.) Hier,
in het woord door Mattheus vermeld, wordt gewezen op
hetgeen van dit onderscheid in wezen een uitvloeisel is,
namelijk : het onderscheid in rcerking. Het verschil in wezen
ligt in de diepte; het verschil in werking is voor de uit-
wendige waarneming kenbaar. Johannes de Dooper werkt
voorbereidend; die na hem komt werkt beslissend. Zooveel
hooger staat Hij dan Johannes, dat deze niet waardig is
hem den geringen slavendienst te bewijzen, die aan den
binnentredenden gast bewezen werd, om hein gelegenheid
te geven zich na de reis te verfrisschen. Sterker kon zeker
wel niet door Johannes worden uitgedrukt, welk een af-
stand hem scheidt van zijnen Meerdere.
Hoe duidelijk wijst deze uitspraak op de goddelijke natuur
des Heeren! Immers, indien Hij een mensch uit de men-
schen geweest ware, zou dan de eene gezant Gods aldus over
van den anderen hebben kunnen spreken ? Men denke zich
zulk een woord door een profeet aangaande een anderen
-ocr page 65-
59
profeet gezegd, en men gevoelt terstond hoe onwaardig en
onwaar zulk een woord zou geweest zijn. Maar hier, waar
een uit de menschen geborene spreekt over den Zoon
Gods, hier is dat woord aan zijne plaats; hier is het uit-
drukking der werkelijke verhouding.
Doopt Johannes met water, tot bekeering, — wie na hein
komt, zal met den H. Geest en met vuur doopen. Het
verband, waarin dat woord voorkomt, wijst aan, dat de zeer
verbreide opvatting onhoudbaar is, volgens welke het doo-
pen met vuur eene nadere verklaring is van het doopen
met den H. Geest, en de geheele uitdrukking als eene be-
lofte des heils wordt verstaan. Het verband doet veeleer
eene bedreiging verwachten; eene bedreiging, die dan ook
werkelijk in dit woord is vervat, indien slechts liet doopen
met den H. Geest, en het doopen met vuur van elkander
onderscheiden wordt. De Sterkere komt, om te doopen met 1
den H. Geest, allen, die in ootmoed zich buigen onder den
Heer. Maar tegelijk, Hij doopt met vuur; Zijne verschij- /
ning is richtend en verdelgend voor allen, die in hoog-
moed en zelfgenoegzaamheid Gods roepstem wederstaan.
De komst van den Christus wordt hier van hare rich-
tende zijde voorgesteld. Dat wil niet zeggen, dat de Dooper
in den aanvang zijner prediking, — later zal hij van den
Christus ook als Heiland spreken, — alleenlijk heenwijst
op hetgeen geschieden zal ten jongsten dage. Neen! ook
in de eerste komst van den Christus is een bestanddeel
des gerichts, gelijk vooral in het Ev. v. Joh. herhaaldelijk
uitgedrukt wordt (zie bv. III. 19. V. 22. IX. 39.) Dat de
Heilige onder de menschen verschijnt, maakt de gedachten
en strevingen der harten openbaar. Het doet vragen naar
God, of het prikkelt tot welbewusten weerstand; de onver-
schilligheid moet wijken, eene keuze moet worden gedaan.
-ocr page 66-
60
En waar die keuze is de weerstand tegen God, daar is het
oordeel aanwezig in den geestelijken dood, in liet innerlijk
versterven. Gelijk een vuur verteert en verzengt, alzoo werkt
de verschijning van den Christus op dat deel der mensch-
heid, dat zich afwendt van het heil, dat Hij komt brengen.
De bedoeling van de komst van den Christus is zoozeer
het aanbrengen van zegen, dat zelfs in dit verband de
Dooper ten éérste vermeldt, dat Hij komt oin te doopen
met den H. Geest. Aan het verbrijzelde, aan het in den
dood overgegevene komt Hij leven brengen door Geestes-
mededeeling. Wees de waterdoop van Johannes alleen op
datgene, wat weggedaan en gedood moest worden, JTykomt
het goddelijk leven schenken, dat de plaats zal innemen van
het oude, zondige bestaan.
Doch hierop ligt in dit woord tot de Parizeen on Saddu-
ceën niet de nadruk. Die nadruk ligt op het doopen met
vuur. Het groot gericht is aanstaande; de Rechter, de
Vergelder komt. Daarom is de arbeid des voorloopcrs nog
een laatste waarschuwing. Versmaden zij innerlijk den doop
der bekeering, al ondergaan zij uiterlijk, om des volks wil,
de onderdompeling in de Jordaan, clan wacht hun de ver-
delgende vuurdoop van Hem, die komt ten gericht.
Nog verder ontwikkelt de Dooper deze aankondiging des
oordeels, als hij, van wie na hem komt, zegt, dat Zijne wan
in Zijne hand is. De wan dient om het koren van het kaf
te zuiveren; zoo is dus het beeld uitnemend geschikt om
de handeling des gerichts, het scheiding maken tusschen
boozen en goeden, voor te stellen. De tarwe is voor de
schuur; het kaf wordt verbrand door het vuur des eeuwigen
oordeels. De doorcenmenging van koren en kaf is slechts
in den tijd aanwezig; de scheiding tusschen beide is aan-
staande, en is voor eeuwig.
-ocr page 67-
61
Dreigend met de straf des Eechters spreekt Johannes de
Dooper over Hem, die na hem komen zal. Vanwaar dan,
dat hij later, gelijk het Ev. v. Johannes bericht, nog op
zoo gansch andere wijze van den Christus spreekt? Van
waar, dat hij Hem later als den Heiland, als het Lam Gods
verkondigt, dat de zonde der wereld wegneemt? Dat wordt
verklaard door wat Mattheus thans laat volgen.
Hl. 13—15. Toen kwam Jezus van Galïlea naar
de Jordaan, tot Johannes. om van hem gedoopt te
worden.
Doek Johannes weigerde Hem zeer, zeggende: Mij
is noodig van U gedoopt te worden, en komt Gij
tot mij?
Maar Jezus antwoordende, zelde tot hem: Laat nu
af, icant aldus betaamt ons, alle gerechtigheid te ver-
vullen, loen liet hij van Hem af.
Talrijk waren de verscheidenheden tusschen hen, die kwa-
men om door Johannes gedoopt te worden, — maar dit
hadden toch allen, ouden en jongen, aanzienlijken en ge-
ringen, samen gemeen, dat zij allen zondaren waren, ver-
werpelijk voor den heiligen God, veroordeeld door het eigen
geweten. Thans komt de Eenige, de Onvergelijkelijke onder
de menschen, Hij, die geene zonde gekend heeft, — en
Hij komt, om zich te laten doopen met den doop der
zondaren.
Hoe kan dat zijn? Geene andere verklaring is mogelijk,
dan die daar gelegen is in de eenheid, waarin de Zoon
Gods met de menschheid is getreden. De schuld, de on-
reinheid van die menschheid voelt Hij, als ware zij Zijne
eigene, door de plaatsbekleedende macht der liefde. Eigen
-ocr page 68-
62
zonde heeft Hij niet te belijden, waar Hij voor den Dooper
staat, en in liet woord, waarmede Hij den doop begeert, moet
die persoonlijke reinheid zijn uitgekomen, zóó sterk en zóó
treffend, dat de Dooper uitroept: „Mij is noodig van U
gedoopt te worden, en komt Gij tot mij?" Persoonlijk
kende hij Jezus niet (Joh. I, 38), al waren door de ver-
wantschap zijner ouders met Maria, de berichten hem ge-
wisselijk niet onbekend van al het wonderbare, dat Jezus
komst op aarde had gekenmerkt. Maar de indruk, dien
Jezus op hem maakt is genoeg, om hem te doen zien, dat
zijn Meerdere hier voor hem staat. Voor déze reinheid slaat
de boetgezant zelf de oogen neder: niet dooper, maar doo-
peling wil hij zijn tegenover Jezus!
Doch Jezus willigt niet in. Dat Johannes aarzelde was
goed, was natuurlijk, — docli aan dit gevoel mag hij niet
toegeven. „Laat nu af" zegt de Heer, houd op met be-
denking te maken; „het betaamt ons, alle gerechtigheid te
vervullen."
Dat woord is geene verklaring van Jezus daad: het is
niets anders, dan eene vordering van gehoorzaamheid. Zóó
te doen, is plichtmatig, zegt Jezus; en, op Jezus woord,
heeft de grootste dergenen, die uit menschen geboren zijn
(Mt. XI. 11.) eenvoudig als een kind te gelooven, zonder
te zien. Welk eene majesteit, in het allereerste woord, dat
ons Evangelie uit Jezus mond vermeldt! "Wie zóó kan
spreken tot een Profeet Gods, wie moet Hij zijn?
De Heer vraagt geloovige onderwerping. Verklaring kan
Hij van Zijn daad den Dooper ook niet geven; de moge-
lijkheid van dit te verstaan ontbrak nog. Eerst later, waar
het gansche werk des Heilands volbracht is, waar Hij Zijne
ziel gegeven heeft tot een rantsoen voor velen, daar wordt
ook over dit allereerste optreden licht verspreid. Daar blijkt
-ocr page 69-
63
die doop, dien Jezus ondergaat, eene aanduiding, dat Hij
de schuld, den vloek der menschheid op zich neemt,
dat Hij zich vereenzelvigt met die zondige menschheid,
om van haar af te nemen wat haar verpletteren zou,
en Zijn leven haar mede te deelen. De Doop in de
Jordaan is de aanvaarding van het Middelaarswerk; de
eerste stap, in het openlijk optreden, op den weg, die
uitloopt op Golgotha\'s kruis. — Dat kon de Dooper nog
niet begrijpen, — maar onder het woord van zijnen Meer-
dere buigt hij zich!
Het woord, door Jezus gesproken, eischt gehoorzaamheid
van Johannes, maar tegelijk wijst Hij daarmede Zijnen
eigenen weg als een weg van gehoorzaamheid aan. Dit is
voor Johannes het vervullen der gerechtigheid, dat hij zijn
ambt als dooper vervult. Voor Jezus bestaat het daarin,
dat Hij alles volbrengt, en alles ondergaat, wat daar voort-
vloeit uit Zijn aannemen der menschelijke natuur, uit Zijn
aanvaarden van het ambt van Israels Messias. En dit vol-
brengen van alle gerechtigheid is het, waardoor de tweede
Adam voor ons het heil verwerft, voor zooverre wij door
het geloof met Hem verbonden zijn.
" III. 16, 17. En Jezus gedoopt zijnde, is terstond
opgeklommen uit het water, en ziet, de hemelen wer-
den Hem geopend, en Hij zag den Geest Gods neder-
dalen, gelijk eene duive, en op Hem komen. En ziet,
eene stem uit de hemelen, zeggende: Deze is Mijn
Zoon, Mijn Geliefde, in denwelken Ik Mijn welbe-
hagen heb.
De allereerste daad van het openlijk leven des Heeren
is eene vrijwillige zelfvernedering. Met de zondaren stelt
-ocr page 70-
64
Hij zich gelijk, als ware Hij één van hen. Daarom volgt
als antwoord des Yaders op deze daad des Zoons, dat Hij
Hem kroont met goddelijke eere. Het moet openbaar wor-
den, dat Zijne vernedering eene vrijwillige is. Het moet
kennelijk worden, dat Hij niet een zondaar is als de an-
deren, maar de Geliefde, de Gezegende Gods.
Daar is eenige verscheidenheid in de wijze, waarop de
drie eei\'ste Evangelisten mededeelen wat na Jezus doop
geschiedde. Marcus schrijft: Hij zag de hemelen geopend;
Mattheus: de hemelen werden Hem geopend; Lucas: de
hemel werd geopend, en de Heilige Geest daalde op Hem
neder in lichamelijke gedaante. Men heeft hieruit afgeleid,
dat Marcus het voorval beschrijft als alléén gelegen in het
zieleleven des Heeren, Mattheus insgelijks nadruk leggend
op den indruk van de gebeurtenis op het gemoed van Jezus,
terwijl dan later Lucas de zaak zou beschreven hebben als
ook uitwendig waarneembaar. Die opvatting hecht intus-
schen al te groot gewicht aan verscheidenheid van zegs-
wijze. Immers, ook volgens het Ev. v. .Tohannes is het
gebeurde bij den doop van Jezus voor den Dooper het
middel geweest, waardoor hij Jezus als Gods Gezondene
leerde kennen. De gansche openbaring der heerlijkheid had
ten doel, Jezus verhevenheid kenbaar te maken; wat alleen
in Zijn zieleleven plaats vond, zou daartoe niet in staat
zijn geweest. Spreken dus Mc en Mt. voornamelijk van
wat de Heer zelf daar zag en hoorde, dit sluit geenszins
uit, dat ook voor Johannes, die daarvan getuige was, die
openbaring kenbaar was. Hoe we ons dit geopend worden
des hemels hebben te denken, weten wij niet; dit alleen
is gewis, dat bovenaardsche heerlijkheid zich kenbaar maakte,
in overeenstemming met het getuigenis, door God gegeven
omtrent Zijnen Zoon.
-ocr page 71-
65
Tweeledig is deze getuigenis. Allereerst: de Heilige Geest
daalt als eene duive op Hem neder. Van den Heiligen
Geest is Hij in het lichaam ontvangen; de Heilige Geest
is het leven van Zijn leven. Maar thans daalt de Geest on
Hem neder, als om aan te duiden, dat Hij nu de volheid der
krachten des Geestes deelachtig wordt. Thans wordt Hij toege-
rust tot Zijn Messiasambt. Wat innerlijk leefde in Zijn gemoed,
gedurende de jaren van „het opwassen in grootte en genade
bij God en de menschen" (Luc. II. 52), dat wordt nu
bekroond, verhoogd, bekrachtigd, tot dat volkomen door-
drongen zijn van den Geest, waardoor van Hem gezegd
kan worden: „God geeft Hem den Geest niet met mate",
(Joh. III. 34). En ook dit heeft beteekenis, dat de Geest
op Hem komt „als eene duive." Niet dit is hier de hoofd-
zaak, dat de duif het zinnebeeld is der reinheid; daarin
kan slechts bijkomstige beteekenis liggen, waar toch de
Geest Gods reeds uit het Oude Testament genoegzaam
gekend werd als de Heilige Geest. De hoofdnadruk valt op
het nederdalen als eene duive. "Waar onder de Oude Bedee-
ling een mensch door den Geest Gods wordt aangedaan,
daar komt die Geest plotseling, en voor een spanne tijds
tot den mensch. Moest dat in zinnebeeld worden uitgedrukt,
het zou zijn beeld vinden in den bliksem, die plotseling
komt, en schittert, en verdwijnt. Maar hier, op den Christus,
daalt de Geest als eene duive; het is een komen, om te
blijven en woning te maken.
Ten andere, de stem Gods verklaart Jezus voor den
Zoon, den Geliefde. Wat die naam van volheid der heer-
lijkheid omvat, dat kon gewis de Dooper nog niet geheel
verstaan; daarvan ziet zelfs de gemeente der verlosten nog
slechts een deel, — ja! aller eeuwen eeuwigheid zal noodig
zijn om den rijkdom diens Naams te ontvouwen. Maar dit
ROOZEMEIJEB, Ev. MATTH. I.                                                                              5
-ocr page 72-
66
werd dau toch in dien naam geopenbaard, dat in dezen
Jezus de Gezondene Gods was gekomen. Dit mocht Johannes
verkondigen aan allen, die verder hem zouden hooren:
het Godsrijk is gekomen, want de Koning van het Gods-
rijk verscheen.
„Deze is Mijn Zoon \\" Dat getuigt de stem uit den hemel
aan den aanvang van Jezus loopbaan. Dat zal de Vader
aan het eind van die loopbaan getuigen, als Hij den Christus
uit de dooden doet opstaan. En weerklinken zal dat woord
van geslacht tot geslacht, waar de trekkingen des Vaders
de vermoeide en belaste zielen zullen henenvoeren tot
dezen Christus, opdat zij zouden zien op Hem, en gelooven,
en het leven ontvangen door het geloof in Zijnen Naam.
IV. 1—4. Toen werd Jezus van den Geest weggeleid
in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.
En als Hij veertig dagen en veertig vachten gevast
had, hongerde Hem ten laatste.
En de verzoeker tot Hem gekomen zijnde, zeide:
Indien gij Gods Zoon zijt, zeg, dat deze steenen broo-
den worden.
Doch Hij, antwoordende, zeide: Er is geschreven :
De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij
alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat.
De doop des Heeren was het aanvangspunt van Zijn
openlijk optreden. Van nu af is het tijdperk der voorbe-
reiding afgesloten. In het vol en klaar bewustzijn van wat
Hij is, en van wat Hij der wereld komt geven, treedt Hij
op. De jaren, die volgen, brengen wel voor de omgeving
eene ontwikkeling van het heil, naar de mate hunner toe-
nemende vatbaarheid, zooals dit vooral in het Evangelie
-ocr page 73-
67
van Johannes duidelijk is waar te nemen, maar in Jezus
zelven is, van dezen aanvang af, alles voltooid. Van den
aanvang af treedt Hij op in het besef, dat Hij de Christus
is. Maar Hij, de waarlijk menschgeworden Zoon Gods, moest
er behoefte aan hebben, in een tijd van stille afzondering,
den weg te overzien en te overdenken, die vóór Hem lag,
vooraf de moeite en smarten en den strijd onder de oogen
te zien, die voor Hem aanstaande waren.
Zoo voert dan de Geest, welks volheid Hij nu, in Zijn
menschelijk leven, is deelachtig geworden, Hem naar de
woestijn. De plaats van die woestijn wordt door de over-
levering aangewezen in het Noordoosten van Judea, niet
ver van de Jordaan. Hij wordt daar heengeleid „om ver-
zocht te worden door den duivel." Niet alsof dit het naaste
doel ware; dit was gewis gelegen in de zoo natuurlijke
behoefte aan een tijd van stil nadenken. Doch van zelf
moest het overdenken van den weg, die vóór Hem lag,
voeren tot een verzocht worden door den Booze. De strijd
kon niet aangebonden worden tot verlossing der wereld, of
de Overste dezer wereld moest zich opmaken tot den kamp
tegen Hem, die hem zijn eigendom kwam betwisten.
Lucas bericht (in IV. 2): „Hij werd veertig dagen ver-
zocht van den duivel." Mattheus spreekt van verzoeking aan
het einde der veertig dagen. Beide berichten strijden niet
met elkander, doch vullen elkander aan. Eerst, gedurende
het eenzaam overdenken, doen zich de verzoekingen voor
uit hetgeen zich liet voorzien van den strijd; daarna, aan
het einde, belichamen zij zich in meer rechtstreeksche aan-
vechting, waar de Satan zich aansluit aan de uitputting,
volgende op de hooge stemming des gemoeds, die veertig
dagen lang de behoefte des lichaams teruggedrongen had.
Getuigen zijn niet tegenwoordig geweest; zoo is dus het
-ocr page 74-
08
bericht van dien zielestrijd tot ons gekomen door hetgeen
de Heer zelf aan Zijne discipelen medegedeeld heeft. Voor-
waar ! uit zichzelven zouden zij wel nooit zulte verzoeking
hunnen Heer hebben toegeschreven. Waren onze Evan-
geliën gewrochten van verdichting, geene verzoeking in
de woestijn, geen strijd in Gethsemané, geene klacht over
verlatenheid aan het kruis, zou daarin opgenomen zijn. Ook
in zulke trekken hebben wij bewijs voor de betrouwbaarheid
dezer geschiedverhalen.
Wat den Heer aanleiding gaf, Zijne verzoekingen later
aan Zijne jongeren te verhalen, kan niet duister zijn. De
Heer heeft hun de mededeeling niet onthouden van Zijnen
zielestrijd, opdat het hun een wapen zijn zou in hunnen
eigenen kamp.
Van Zijnen zielestrijd, zeggen wij. Immers, dat wij hier
te doen hebben, niet met uitwendig tastbare dingen, wijst
het verhaal zelf duidelijk genoeg aan. Anders toch zou
men aan den duivel de macht moeten toekennen, iemand
op de tinne des Tempels te plaatsen, en de vraag zou zicli
voordoen, waar toch wel op aarde de berg is te vinden,
van waar men alle koninkrijken met hunne heerlijkheid
kan overzien. Kennelijk gaat de gansche verzoeking in
den geest, in het gemoed des Heeren om.
Maar wordt nu hierdoor weggenomen, dat het werkelijk
verzoekingen des Satans waren? Geenszins. Ze zijn zelfs
onmogelijk anders, dan door diens rechtstreeksche werking
te verklaren. Uit het gemoed van den Zondelooze konden
geene verzoekingen oprijzen. Even zeker zijn zij van bui-
tenaf, rechtstreeks door den Satan, tot den geest des Heeren
gebracht, als wanneer zij, uitwendig waarneembaar, voor het
oog des lichaams waren geplaatst.
Aan den Oversten Leidsman des geloofs, die raensch is
-ocr page 75-
6!)
geworden ah wij, konden de verzoekingen niet worden
bespaard. Zóó alléén verwint de tweede mensch in den-
zelfden kamp, als waarin de eerste mensch is gevallen.
Opmerkelijk is het, na te gaan, hoe de drie verzoekingen
in de woestijn beantwoorden aan de drie grondvormen der
zonde: het streven naar genot, naar eer, en naar bezit ot\'
macht, samengevat in het woord des Apostels (1 Joh. II. 16)
als de begeerlijkheid des vleesches, de begeerlijkheid der
oogen, en de grootschheid des levens. Naar alle zijden
heen heeft de tweede Adam overwonnen, hier, waar aan
den aanvang van Zijnen weg de verzoeker Hem tegenkomt,
even als later in al dien zielestrijd, die Zijn aardsche leven
vergezelde, gelijk Hij daarop heenwijst in het woord tot
Zijne discipelen: „Gij zijt met Mij gebleven in al Mijne
verzoekingen." (Luc. XXII. 28).
De verzoekingen komen tot den Heer op de wijze, waarop
dat alleen mogelijk was. Niet wat zondig is in zich zelf,
houdt de Satan Hem voor; hij wijst Hem op datgene, wat
rechtens Hem toebehoort, en wat Hij alleen daarom niet
neemt, omdat Hij slechts in den weg der gehoorzaamheid
ontvangen wil wat de Vader Hem toeschikt.
De eerste verzoeking hecht zich aan de behoefte, die
zich voordoet, nadat de spanning des geestes de eischeu van
het lichamelijk leven een tijd lang heeft terug gedrongen.
De Satan zegt daarin: Als gij Gods Zoon zijt, wat zult
gij dan hongeren? Betoon uw macht; gebruik uw recht!
Aan den Zoon Gods moet de natuur onderworpen zijn;
„zeg, dat deze steenen brood worden!"
Zoo is dan de eerste verzoeking daarop uitgaande, dat
Jezus zich door Zijn macht en naar Zijn recht genot ver-
schaffe, genot, in de bescheidenste gestalte, als voorziening
in de behoefte des lichaams. Maar met zóó te doen, zou
-ocr page 76-
70
de Zoon buiten de perken zijn getreden van het leven der
vernedering, dat Hij gewillig had gekozen, als Hij „arm
werd om onzentwil" (2 Cor. VIII. 9.), en dat door voort-
gezette keuze doorgevoerd moest worden ten einde toe.
De Heer antwoordt met aanhaling van een schriftwoord,
het woord van Deut. VIII. 3, waar Mozes aan Israël her-
innert, hoe zij geleefd hebben van Manna, ten bewijze,
hoe de mensch niet enkel leeft van brood, maar van alles
wat God tot voedsel doet strekken. Dat Manna was in
Israels schatting, daartoe volkomen ongeschikt geweest; ge-
ringschattend hadden zij gesproken van „dit zeer lichte
brood,\'" maar het was toch intusschen voldoende geweest
om hun leven te onderhouden, omdat God er Zijnen zegen
in gelegd had. De bedoeling van dit woord in Jezus mond,
is: het is niet het voornaamste, brood te hebben, maar te
leven in kinderlijke afhankelijkheid van God, en te ontvangen
wat Hij toereikt. Alle genot, ook dit meest rechtmatige, wordt
door Jezus ondergeschikt gemaakt aan het gehoorzamen
aan den Vader; niets zal Hij zichzelven verschaffen, maar
wachten en aannemen, wat de Vader Hem beschikt. Zijn
recht en Zijn macht offert Hij op; niets wil Hij, dan
gehoorzamen en volgen.
IV. 5—7. Toen nam Hem de duivel mede naar de
heilige stad, en stelde Hem op de tinne des Tempels,
en zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, werp
u zelven nederwaarts; want er is geschreven, dat Hij
Zijn engelen van u bevelen zal, en dat zij n op de
handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger lijd
uwen voet aan emen steen aanstoot.
Jezus zeide tot hem: Er is wederomgeschreven: Gij
zult den Heere, uwen God, niet verzoeken!
-ocr page 77-
71
De eerste verzoeking is overwonnen; eene tweede komt,
met schijnbaren steun aan het Godswoord ontleend. In den
geest plaatst Satan den Heer op de tinne des Tempels, en
fluistert Hem toe: „Indien gij Gods Zoon zijt, werp U
nederwaarts". Dat herhaalde: „Indien gij Gods Zoon zijt,"
is eene uittarting, alsof hij zeggen wilde: Gij zijt het ge-
wis niet, anders zoudt gij durven doen wat ik u voorstel.
Gij, menschenkind, die daar hongert in de woestijn, Gij
die U inbeeldt Gods Zoon te zijn, — toon nu, dat Gij
het zijt!
Maar wat kon er aantrekkelijks zijn in de verzoeking,
zich van de tinne des Tempels neder te werpen ? Zulk een
wonderdadig ongedeerd nederkoinen van die duizelingwek-
kende hoogte, zou juist een wonder geweest zijn naar den
smaak des volks. Wie dit deed, zou stormachtig toege-
juicht zijn, en zonder aarzelen als de Christus erkend zijn.
Hoe effen, hoe gemakkelijk zou de geestdrift des volks
Hem den weg tot den troon Davids hebben gemaakt! En
immers, het welslagen was door het Godswoord toegezegd,
in het gedeelte van den XCIen Psalm, door den verzoeker
aangehaald!
Toch wijst de Heer af. Zoomin eer als genot zoekt Hij.
Niet om door Israël toegejuicht te worden is Hij gekomen;
Hij wil geen andere kroon, dan die Hij uit \'s Vaders
hand zal ontvangen aan het eind van den weg. En daarom
is Hem ook terstond doorzichtig, hoe verkeerd die aanha-
ling van het Psalmwoord is. Immers, wat wordt daar be-
loofd? Dat men in vertrouwen op God allerlei dingen kan
doen, die men zich uitdenkt, en dan daarbij wonderbaar
zal worden bewaard? Zekerlijk neen! Bit alleen wordt be-
loofd, dat hij, die op Gods weg wandelt, door den Heer
zal worden beschermd in gevaar.
-ocr page 78-
72
Op die valsche aanwending van een Schriftwoord gaat
de Heer niet in; Hij snijdt de gansche verzoeking af door
het Schriftwoord, ontleend aan Deut. VI. 16 : „Gij zult
den Heer, uwen God, niet verzoeken." Dat is : Gij zult
de macht, de trouw, de liefde Gods niet op de proef stellen
door willekeurige daden, alsof gij den weg te kiezen en af
te bakenen hadt, en God u dan ter wille zou moeten zijn
tot uwe redding. Aan God het besturen; aan den mensch
het nederig volgen. Wie op Gods weg is, mag hopen op
Zijne bescherming; eigengekozen wegen moeten leiden ten
verderve.
IV. 8—11. Wederom nam Hem, de duivel mede op
eenen zeer hoogen berg, en toonde Hem al de konink-
rijken der wereld, en hunne heerlijkheid, en zeide tot
Hem: Al deze dingen zal ik u geven, indien gij,
neder vallende, mij zult aanbidden.
Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, Satan! want
er staat geschreven: Ben Heere, uwen God, zult gij
aanbidden, en Hem alleen dienen.
Toen liet de duivel van Hem af, en ziet, de engelen
zijn toegekomen, en dienden Hem.
Eene derde poging wordt door den verzoeker in het werk
gesteld. Ditmaal plaatst hij Jezus, in den geest, op een hoogen
berg, waar al de heerlijkheid der wereld zich voor Zijnen
blik vertoont. En hij belooft Hem dit alles, — voor eene
enkele huldiging, voor een enkelen voetval! Is hij niet de
Overste dezer wereld? Staan al deze dingen niet in zijne
macht ? Zoo de Rabbi uit Nazareth slechts de wegen volgen
wil, die de Overste dezer wereld Hem wijst, wat zal dan
niet voor Hem bereikbaar zijn ?
-ocr page 79-
7.\'5
Gelijk de Heer recht gehad zou hebben op de hulde
Israels, in de tweede verzoeking Hem voorgespiegeld, zoo
kwam aan de Zoon des Vaders ook de heerschappij over al
het geschapene toe. Te heerschen was Zijn recht, — te die-
nen heeft Hij gekozen. Niet op den weg van het heerschen,
maar op den weg van het dienen, was alleen de menschheid
te redden. Hij is gekomen om \'s Vaders wil te doen; Hij
heeft zich gebogen onder de wet. En die wet eischt, gelijk
de keuze Zijns harten het wil: „Den Heer uwen God zult
gij aanbidden, en Hem alleen dienen." (Deut. X. 20). Dat
is de diepste grond, dat is de eerste aanvang van alle leven,
dat Gode welbehagelijk zijn zal. En nu dan ook, waar de
verzoeker dit allerdiepste heeft aangeraakt, en al zijne be-
toovering heeft zoeken aan te wenden, nu klinkt dan ook
het machtwoord hem tegen: Ga weg, Satan ! En de Satan
wijkt, — voor een tijd!
Alle verzoekingen heeft onze Heer overwonnen. En Hij
heeft ze verwonnen, niet door Goddelijke macht, maar op
den weg, den kinderen der menschen gewezen, door vast
te houden in den geloove aan God. Het wapen, waarvan
Hij zich in Zijnen strijd bedient, en dat Hij daarmede in
de hand geeft van allen, die achter Hem, onder Hem, en
door Hem, den goeden strijd zullen strijden, is het Gods-
woord, nedergelegd in de H. Schrift. Dat is het wapen,
waarvoor Satan vluchten moet! Maar tegelijk toont ons
deze geschiedenis, hoe dit wapen gebruikt moet worden.
Niet een enkel aanhalen van teksten baat, — immers ook
Satan heeft een bijbeltekst aangehaald. Wie van buiten af,
met onheiligen zin, tot de Schrift toetreedt, kan in dit tuig-
huis zich wapenen halen in den strijd tegen God! Slechts
wie zich inleeft in den geest der Schrift, wie zijnen geest
onder de tucht plaatst van den Heiligen Geest, die uit die
-ocr page 80-
74
Schrift spreekt, zal geene losse gedeelten daarvan rukken
uit hun verband, en verdraaien tot zijn eigen verderf. Daar
is kinderzin noodig, om recht te verstaan wat de Vader spreekt.
De strijd des Heeren is volstreden. Zal ook later de
verzoeker wederkomen, (Luc. IV. 13), om den Heiland der
wereld te belagen, en te pogen Hem af te brengen van
Zijnen weg, — thans is er een oogenblik van vrede, een
voorsmaak der eeuwige overwinning: de engelen Gods ko-
men, en dienen Hem, die den Vader heeft gediend met
volhardende trouw!
Daar is in dat verzocht worden onzes Heeren eene diepte,
waarvoor wij eerbiedig stilstaan. Dat Hij verzocht kon
worden, — wij zien het in deze geschiedenis; het zou
immers zonder dat eene schijnvertoouing geweest zijn, den
Zoon des Vaders onwaardig! Maar had Hij dan hunnen
zondigen ? Hier ligt de diepte, die wij niet peilen. Naar
de afgetrokkene mogelijkheid moet bevestigend worden ge-
antwoord, om de werkelijkheid van Zijn verzocht worden
te handhaven. Maar zijnde die Hij is, naar de liefde, die
den Zoon met den Vader verbindt, is deze mogelijkheid
tegelijk eene onmogelijkheid. Neen! het was niet twijfel-
achtig, of Hij de overwinning zou behalen; de verlossing
van ons geslacht hing niet aan een onzeker misschien.
Beide deze zijden der waarheid hebben wij gelijkelijk vast
te houden; de volkomene verbinding van beiden ligt buiten
en boven onzen beperkten gezichtskring.
IV. 12—16. Als nu Jezus gehoord had, dat Jo-
hannes overgeleverd was, is Hij wedergekeerd naar
Galilca; en Nazareth verlaten heblende is komen wonen
te Kapernaum, gelegen aan de zee, in de landpalen
van Zebulon en Naphtali, opdat vervuld zou wordm
-ocr page 81-
75
hetgeen gesproken is door Jesaia den profeet, zeggende :
Het land Zebnlon en het land Naphtali, aan den weg
der zee, over de Jordaan, Galïlea der volken; het
volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien ;
en dengenen, die zaten in het land en de schaduwen
des doods, dezen is een licht opgegaan.
Op het verhaal van de geschiedenis der verzoeking, laat
Mattheus aanstonds de mededeeling volgen van de vestiging
des Heeren in Galilea. Uit het Ev. van Johannes weten
wij, dat daartusschen eene tijdruimte in ligt van omstreeks
een jaar. l) Die tijd, door den Heer hoofdzakelijk te Je-
ruzalem en in Judea doorgebracht, om in het middelpunt
van het Israelietisch leven Zijn arbeid aan te vangen, wordt
door de drie eerste Evangelisten stilzwijgend voorbij gegaan.
Hun doel was: het beeld des Heeren te schetsen voor de
nog niet toegebrachten; daartoe nu konden trekken uitliet
leven in Galilea beter dienen, dan berichten over den arbeid
in Judea, waar de gesprekken met de aanzienlijken des
volks van zelf een meer diepzinnig karakter droegen.
Mattheus vat dus den draad van het geschiedverhaal op,
waar Jezus zich voor goed in Galilea komt vestigen; voor
een kort bezoek was de Heer daar, blijkens Joh. I. 44—
II. 12, reeds vroeger geweest. Thans komt Jezus er wonen,
nu aan de openbare werkzaamheid des Boopers een einde
gemaakt is door diens gevangenneming. Het werk van den
voorlooper, nog een tijdlang voortgezet na het optreden
van Jezus, om onderdanen voor den grooten Koning te
winnen, is gewelddadig afgebroken, — maar de Meerdere
komt nu de plaats van den mindere innemen.
\') Zie mijn: Ev. van Joh. deel I, pag. 170.
-ocr page 82-
7(3
De Heer vestigt zich te Kapemaum, dat ter oorzake
daarvan „Zijne stad" genoemd wordt (Mt. IX. 1), hoe vaak
ook die stad werd verlaten om Palestina in alle richtingen
te doorkruisen. Denkelijk is de keuze van deze stad ver-
oorzaakt door hare ligging aan den grooten weg van het
verkeer tusschen de verschillende deelen van het Joodsche
land. Zoo kozen ook later des Heeren Apostelen de veel
bezochte handelssteden tot middelpunten hunner werkzaam-
heid, opdat de zegen huns woords zich naar alle zijden
zou verbreiden.
Door dit wonen te Kapernaum is vervuld wat Jesaia
heeft geprofeteerd in H. VIII. 23 en IX. 1. We hebben
hier te doen met eene rechtstreeks Messiaansche profetie,
al sluit de profeet zich aan de ellende van zijnen eigenen
tijd, als aanknoopingspunt aan. Tegenover den jammer,
i waardoor die landstreek getroffen wordt als schouwtooneel
des oorlogs in Jesaia\'s tijd, ziet zijn geestesoog eene toe-
komst, waarin juist deze landstreek hoog bevoorrecht zal
zijn. In Jesaia\'s tijd was deze streek bewoond door de
i stammen Zebulon en Naphtali. Die landstreek wordt „do
weg der zee" genoemd, niet naar de onbeduidende zee van
Galilea, maar omdat hier doorheen de groote heirbaan
liep, die naar de Middellandsche zee zich uitstrekte. Het
is dat gedeelte van Palestina, dat het meest in aanraking
kwam met de vreemde volken; daarom ook waren al vroeg
onder de bevolking onderscheidene heidensche bestanddeelen,
. zoodat dit gedeelte des lands „Galilea der volken" heette.
Na de ballingschap droeg de bevolking in verhoogde mate
een gemengd karakter, zoodat de trotsche Jeruzalemmers
op Galilea als op een onrein land nederzagen.
Aan dat land nu is door Jesaia een heerlijke toekomst
toegezegd. Waren de inwoners in zijnen tijd in diepe
-ocr page 83-
77
ellende, gezeten in doodsschaduw, er zou een groot licht
over dat land, op \'s Heeren tijd, opgaan. En wèl is die
Godsspraak vervuld! Ddar heeft het Licht der wereld ge-
woond. Van die plek zijn de stralen des lichts uitgegaan
over de duistere aarde, om vrede en hope te brengen aan
de treurigen van hart.
IV. 17. Van toen aan heeft Jezus begonnen te
prediken en te zeggen: Bekeert u, want het koninkrijk
der hemelen is nabij gekomen f
Voorwaar! het koninkrijk van den Christus is niet van
deze wereld! De Koning treedt op, — als prediker! Geen
luister omringt Hem; geen leger volgt Hem; niets dan Zijn
woord is het wapen, waarmede de wereld zal worden verwon-
nen, en waardoor uit die wereld een schare van onderdanen
van het koninkrijk der hemelen zal worden samengebracht.
„Het koninkrijk der hemelen." Opmerkelijk is, dat, têr-
wijl Marcus en Lucas meestal spreken van het „koninkrijk
Gods", Mattheus bijna altijd den naam van „koninkrijk der
hemelen" bezigt. Het is, omdat hij in de eerste plaats voor
Israël schrijft, dat wel een koninkrijk Gods verwachtte, maar
zich dat voorstelde als een aardsch koninkrijk. Daarom moet
die naam „koninkrijk der hemelen" hen gedurig wijzen op
het geestelijk karakter dezes Rijks. Wel wordt het opge-
richt op aarde, maar het is niet aardsch van wezen; het
brengt op aarde de goederen des hemels; het kenmerkt zich
door den Geest, die in den hemel Gods heiligen vervult.
De inhoud van Jezus prediking bij Zijn optreden in
Galilea is volkomen dezelfde als die der prediking van den
Dooper, in H. III. 2 vernield. Toch, hoeveel rijker van
zin is nu dit woord geworden! Johannes kon nog slechts
-ocr page 84-
78
het koninkrijk aankondigen als welhaast aanstaande. Thans
/* er het koninkrijk, want de Koning is verschenen, en in
Hem komt het koninkrijk, omdat deze Koning niet zonder
onderdanen kan blijven. De openbaring der heerlijkheid
dezes koninkrijks is er echter nog niet, ja! deze zal slechts
verschijnen aan het einde der eeuwen. In dien zin geldt
gedurende deze gansche bedeeling tusschen de eerste en
tweede komst des Heeren, datzelfde woord: het is nabij-
gekomen; niet: het is gekomen. Al die eeuwen door blijft
de bede opstijgen: Uw koninkrijk kome! Maar nabijgeko-
men is het. Aan de conscienties beveelt het zich aan; den
vermoeiden van hart noodigt het tot de rust; het komt tot
de zielen, eer nog de zielen tot dat koninkrijk komen. Het
doet zijne heerlijkheid en zaligheid vermoeden, — maar
niets kan ontslaan van den eisch, dien het brengt: Bekeert
u! Hoe werd de kracht van dien eisch versterkt, waar
niet meer een zondig menschenkind, maar de vlekkeloos
reine als Godsgezant optreedt! Hoe moest het diepst van
het gemoed erkennen: om Hem toe te behooren is eenc
verandering noodig, die den ganschen mensch, het gansche
leven omvat!
IV. 18—22. En Jezus, wandelende aan de zee
van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon gezegd
Petrus, en Andreas, zijnen broeder, het net in de zee
xoerpende, {want zij waren visschers); en Hij zeide tot
hen: Volgt Mij na, en Ik zal u visschers der men-
schen maken.
Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem
gevolgd.
En Hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee
andere broeders, namelijk Jacobus, den zoon van
-ocr page 85-
79
Zebedeus, en Johannes, zijnen broeder, Ut het schip
met hunnen vader Zebedeus, hunne netten vermakende,
en heeft hen geroepen. Zij dan terstond verlatende
het schip, en hunnen vader, zijn Hem nagevolgd.
Met een eukel woord heeft de Evangelist het optreden
des Heeren te midden des volks gekenschetst. Thans gaat
hij \'s Heeren bemoeiing met afzonderlijke zielen vermelden.
Die twee vormen van arbeid gaan in de uitbreiding van
het Godsrijk immer gepaard, en versterken elkander weder-
keerig.
Daar ligt een waas van liefelijkheid en vriendelijkheid
over het verhaal, dat ons hier bezig houdt. De kalme rust
van \'s Heeren optreden, het suizen der zachte koelte, waarin
Jehovah\'s tegenwoordigheid zich openbaart, treedt ons te-
gemoet in dat „wandelen aan de zee". Niet met storm en
vuur gaat de Christus de wereld veroveren; Hij wandelt
aan de zee, en ziet uit naar hetgeen de Vader Hem tegemoet
voert.
De Galileesche zee, ook wel het meer van Tiberias ge-
heeten, naar de residentie Tiberias, door Herodes gesticht,
is een meer, dat door de wateren der Jordaan gevormd
wordt, op dezelfde wijze als het meer van Constanz door de
wateren van den Eijn. Zes uren is de lengte, ongeveer drie
uren is de breedte van dit meer, dat in de dagen van Jezus
door bloeiende steden en dorpen omzoomd was, maar thans
slechts door meest onvruchtbare rotsen omringd is. Overrijk
aan visschen, leverde het een bron van bestaan voor velen;
door een dichte bevolking omgeven, wemelde zijn oppervlakte
van eene menigte vaartuigen. Dat meer was, meer dan eenige
andere plek, het schouwtooneel van \'s Heeren werkzaamheid
op aarde.
-ocr page 86-
80
„En Jezus zag twee broeders, namelijk Sinion, gezegd
Petrus, en Andreas". Het was niet voor de eerste maal, dat
Jezus met hen in aanraking kwam. Johannes verhaalt ons
(in I. 41, 42) eene ontmoeting, die bijna een jaar vroeger
plaats vond. Die ontmoeting was de eerste aanraking; toen
waren de harten voor Jezus opengegaan; toen hadden zij
aanvankelijk in Hem den Beloofde erkend. Maar, nog niet
door Jezus voor goed aan zich verbonden, hadden zij wel
reeds nu en dan Hem vergezeld, doch om straks weder te
keeren tot hun gewoon bedrijf. Nu eerst worden zij daar-
van afgeroepen; nu eerst bestemd om Jezus gestadig te
volgen; terwijl nóg later tot hen en tot anderen de roeping
tot het Apostelambt komt, die hun voor goed hun levens-
taak aanwijst.
Midden in hun arbeid komt tot hen de oproeping: volg
Mij! De naaste zin van dat woord is de letterlijke be-
teekenis. Doch tegelijk, wat diepe zin ligt in dit eenvou-
dige woord! Dit ééne omvat alles in zich. Jezus te
volgen; te wandelen op den weg, dien Hij wijst; geene
eigengekozen wegen te gaan, en ook op den rechten weg
niet den Heer vooruit te loopen; te volgen, dus: te ge-
hoorzamen; te volgen met kinderlijken zin en kinderlijk
vertrouwen, ook dan, als de weg steil en hobbelig is, ook
dan, als de weg schijnbaar tot geen doel voert; altijd te
volgen, omdat het hart door liefde en aanbidding is ver-
bonden aan Hem, die vóórgaat, — dat is de éénige, de
alomvattende eisch voor allen, die, door alle eeuwen heen,
Jezus toebehooren. Dat is het inbegrip van alles, wat Jezus
van ons vraagt, Broeders en Zusters! als Zijn Geest onze
harten aan Hem verbindt, om Hem nu verder voor eeuwig
toe te behooren; een volgen, waarbij we niet vooraf weten,
waartoe ons dat voeren zal, een volgen, dat aan Hem
-ocr page 87-
81
overlaat, den rechten weg te kiezen. Dat, en dat alléén,
is tevens de eisch aan hen, die tot den eersten rang in
het Godsrijk, den Apostelrang, worden geroepen.
Aan dien eisch wordt eene belofte verbonden, eene vrieu-
delijke toezegging, die hun doet verstaan wat hooge eere,
wat gezegende taak hen wacht. „Ik zal u visschers van
menschen maken". Uit de zee der ellende zullen zij de
zielen uittrekken, door ze tot Jezus te voeren. Het ge-
duld, het beleid, den moed, die hun noodig waren geweest
in hun visschersbedrijf, zouden zij voortaan hebben aan te
wenden tot hooger doel; zielen zouden zij verzamelen,
medearbeiders met den Koning van het Godsrijk zouden
zij zijn.
Terstond geven zij aan Jezus oproeping gehoor. Daar zou
in dit oogenblikkelijk volgen iets raadselachtigs geweest
zijn, zoo zij den Heer hier voor het eerst aanschouwden;
volkomen verklaarbaar wordt het, waar Jezus, (blijkens
Joh. I. 41, 42) geen vreemde meer voor hen was; te
meer verstaanbaar, waar aan deze roeping de wonderbare
vischvangst vooraf ging, in Luc. V. 1—11 verhaald. Zoo
vult, wel verre van elkander te weerspreken, het ééne
Evangelie het andere aan.
Twee anderen worden insgelijks geroepen, en volgen op
de roepstem: Jacobus en Johannes. Ook dezen waren
(Joh. I. 41, 42) (1) reeds vroeger met Jezus in aanraking
geweest; het eerste viertal is vergaderd van het twaalftal,
de eerste aanvang gemaakt van de gemeente, die in hare
voleindiging eene schare zal wezen die niemand tellen kan,
en waarvan toch alle de leden, één voor één, en hoofd voor
hoofd, daardoor zullen toegebracht zijn, dat de Geest Gods
()) Vgl. mijne verklaring van het Kv. v. Joh. t. a. p.
Roozemeijf.r, Ev. Matth. I.
6
-ocr page 88-
82
in hun hart de roepstem van Jezus zal hebben verstaan-
baar gemaakt: „Volg Mij \\"
IV. 23 — 25. En Jezus omging geheel Galilea,
leerende in kunne Synagogen en predikende het Evan-
gelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekte en alle
kwale onder het volk.
En Zijn gerucht ging vandaar uit in geheel Syrië,
en zij brachten lot Hem allen, die kwalijk gesteld
rvaren, met verscheidene ziekten en pijnen bevangen
zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken en,
geraakten, en Hij genas hen. En vele scharen volg-
den Hem na, van Galilea, en van Dekapolis, en van
Jeruzalem, en van Judea, en van over de Jordaan.
Met deze woorden geeft de Evangelist een algemeen
bericht omtrent de werkzaamheid des Heeren gedurende
dezen tijd van Zijn openbaar leven. Hij bepaalt Zijn
arbeid niet tot Kapernaum, en hen, die Hem daar komen
zoeken; zelf gaat Hij uit, om de verlorene schapen Israels
te roepen tot de schaapskooi.
De Heer doorreist Galilea, dat is: het noordelijk ge-
deelte van Palestina, in vroegere eeuwen de woonplaats van
de stammen Issasehar, Zebulon, Naphtali en Aser. In tegen-
stelling met de bewoners van Judea, was de bevolking van
Galilea eene eenvoudige, landbouwende bevolking. De
Galileërs worden beschreven als heftige, dappere, licht tot
opstand geneigde mannen. Wat den Heer hier meer ingang
deed vinden dan in Judea, was de omstandigheid, dat hier
de waan van zelfgenoegzaamheid niet gevonden werd, die
in het middelpunt van het Israëlitisch volksleven zoo sterk
ontwikkeld was.
-ocr page 89-
83
Waar Jezus komt, treedt Hij op in de Synagoge. Die
synagogen waren wat zij nog thans zijn: plaatsen vaii ge-
meenschappelijke godsdienstoefening, waar men samenkwam
tot het hooren voorlezen van de Wet en de Profeten, en
tot het opzenden van gebeden. Met zekerheid is niet aan
te wijzen, dat zij reeds vóór de Ballingschap bestonden;
daarin en daarna ontvangen zij telkens grooter beteekenis.
Was in vroegeren tijd de offerdienst de hoofdzaak in Israels
godsdienst geweest, na de Ballingschap hield die wel niet
op, maar de nadruk werd toch meer gelegd op het kennen
en beoefenen der Wet, zooals die door de Schriftgeleerden
verklaard, en op allerlei bijzonderheden toegepast werd. Dit
gaf van zelf toenemende beteekenis aan de synagogen, die
daarenboven, als plaatselijke vereenigingspunten voor de
aanbidders van don God Israels, eene kracht en een steun
gaven aan het volksbestaan, waardoor dit in staat gesteld
werd in lateren tijd zelfs de verwoesting van Jeruzalem en
de verstrooiing des volks te overleven.
Naar de Synagoge was Jezus gewoon geweest, reeds als
kind en jongeling, zich op eiken Sabbat te begeven. (Luc.
IV. 16); thans komt Hij er, niet om te hooren, maar om
te prediken. Van het recht, dat aan iederen Israëliet toe-
kwam, om daar liet woord te nemen, zoo hij iets tot ver-
troosting of vermaning tot zijn volk had te zeggen (Hand.
XIII. 15) maakt Jezus gebruik. En wat Hij predikt is „het
Evangelie des Koninkrijks." Het is wel in waarheid iels
nieuws, wat Hij komt brengen. Het is niet een Avoord, dat
tot geduld en vertrouwen vermaant, in verwachting ecner
betere toekomst, zooals het woord van Israels Rabbijnen
noodzakelijk zijn moest; dit woord verkondigt, dat de lang
verbeide toekomst nu gekomen is; dat het Godsrijk opge-
richt wordt, en onderdanen zoekt. Het is eene prediking
-ocr page 90-
84
die aan de Schriften des O. Verbonds zich aansluit met de
verzekering: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld!
(Luc. IV. 21). Het is de verkondiging der blijde boodschap
van de geopenbaarde liefde Gods, en van de roeping, die
uit deze gave voortvloeit, gelijk straks de Bergrede van die
prediking een overzicht geeft.
Doch het blijft niet bij prediken. Kracht gaat van Jezus
uit, om alle ziekte en alle kwale te genezen. De gave Gods
is allereerst voor de ziel bestemd; doch opdat die gave
recht gekend en gewaardeerd zou worden, openbaart zij zich
ook als redding aanbrengende voor het uitwendige leven,
waarvan de nood zooveel eerder en méér door den van God
vervreemden mensch wordt gevoeld. Later, bij de bespreking
van afzonderlijke wonderen des Heeren, vinden wij over-
vloedige gelegenheid bij de bedoeling dezer wonderen nader
stil te staan.
Begrijpelijk is het, dat het gerucht aangaande dezen
llabbi zich met snelheid verspreidt. Flet gaat uit in „geheel
Syrië", eene uitdrukking, die gekozen wordt, omdat ook
Palestina tot deze Romeinsche provincie Syrië behoorde. Zoo
komen dan ook Heidenen hun deel zoeken en vinden aan
den zegen, die tot Tsrael is gekomen; van alle zijden brengt
men kranken en ellendigen tot den Heer, die zelf intusschen
zich niet buiten de landpalen Israels begeeft.
Van alle kanten, uit alle deelen van het Joodsche land,
die in vs 25 worden opgenoemd, stroomt men tot Hem
samen. Zeker, daar was heilbegeerte aanwezig indezebewe-
ging, maar dat de overgroote menigte door uitwendige be-
weegredenen werd gedreven, dat bleek straks, waar die
meerderheid onwillig zich afwendde. Toch wijst Hij, die in
de harten leest, hen niet af; Hij verkondigt het woord des
koninkrijks, opdat het ontvangen zou worden in de daarvoor
-ocr page 91-
85
vatbare harten. Zelf zal het woord, dat Hij predikt, scheiding
teweeg brengen tusschen hen, die „tot het licht komen" en
die „het licht haten" (Joh. III. 20, 21); maar Jezus weert
niemand af; Jezus brengt tot hen allen de blijde boodschap
des Koninkrijks.
Op welke wijze Hij dat doet, vermeldt Mattheus in de
Bergrede, die hij mededeelt als algemeen overzicht van
Jezus onderwijs.
V. 1. En Jezus, de schare ziende, is geklommen
op eenen, herg; en als Hij nedergezeten toas, kwamen
Zijne discipelen tot Hem.
Welke de berg geweest zij, waarop de Bergrede uitge-
sproken is, wordt niet nader aangeduid; de overlevering
blijft natuurlijk niet in gebreke, eenen bepaalden berg daar-
voor aan te wijzen. Ongetwijfeld heeft de Heer zulk eene
plaats gekozen, om te beter gehoord te worden door de
talrijke menigte, die Zijn woord kwam hooren. Het naast
rondom Hem verzamelden zich Zijne discipelen, voor zoo-
velen die reeds Hem vergezelden; daarom heen legerde
zich de schare. Die samenstelling van den kring der toe-
hoorders bepaalt van zelve den aard der rede; gedeeltelijk
heeft zij reeds toegebrachten, gedeeltelijk nog buitenstaanden
op het oog, en wel aldus, dat nergens de grenslijn scherp
wordt getrokken.
De rede des Heeren, hier door Matth. medegedeeld, wordt,
gedeeltelijk althans, ook bij Lucas (H. VI) aangetroffen.
Dat beide Evangelisten dezelfde rede bedoelen weder te
geven, blijkt uit de treffende overeenkomst, en wordt geens-
zins weersproken door Lucas bericht (vs. 17), dat Jezus stond
op „eene vlakke plaats." Bedoeld wordt eene hoogvlakte, in
-ocr page 92-
86
tegenstelling met den top des bergs, waar Jezus afgedaald
was; zoodanige plaats nu wordt ook door het Ev. v. Matth.
ondersteld, wijl anders de schare zich niet om den Heer
had kunnen verzamelen.
Deelen nu beide Evangelisten dezelfde rede mede, dan
ontstaat de vraag, wie der beiden in deze mededeeling het
nauwkeurigst is; met andere woorden: heeft Mattheus de
kortere rede aangevuld door woorden bij te voegen, die Jezus
bij andere gelegenheden gesproken heeft, of wel: heeft Lu-
cas slechts een gedeelte weergegeven van de op den berg
gehoudene rede?
Wij meenen, dat aan enkele invoegingen bij Mattheus
gedacht moet worden; ten voorbeelde wijzen wij op het
„Onze Vader." De aanleiding, waarbij Jezus dit gebed aan
Zijne discipelen gaf, wordt in Luc. XI. 1. medegedeeld;
noch die vraag, noch \'s Heeren antwoord laat zich denken,
indien reeds in de Bergrede dat gebed was gegeven.
Maar overigens, wat het geheel aangaat, is het bericht
omtrent deze rede door Mattheus voor de meest juiste terug-
gave te houden. Wat Lucas mededeelt zijn kennelijk slechts
fragmenten, los aan elkander gevoegd; in de rede, gelijk
Mattheus die geeft, is een organische samenhang, die on-
mogelijk ontstaan zou zijn door bijeenvoeging van wat bij
verschillende gelegenheden gesproken was. Aan het einde
van onze beschouwing der Bergrede zullen wij aanleiding
hebben op dien samenhang te wijzen.
. Daar is aangaande de heerlijkheid en verhevenheid der
Bergrede slechts éénc stem. Zelfs zulken roemen daarvan
de schoonheid, die overigens in de Evangeliën aan vesl
zich stooten. Hier, meenen zij, is alleen voortreffelijke zede.
leer, ontdaan van wonderen en dogma\'s, en met eerbied
luisteren zij naar den Eabbi van Nazareth, die zoo schoonfr
-ocr page 93-
87
en ware woorden sprak. En toch, die gansche Bergrede
rust op een ondergrond van mysterie en wonder, zooals ons
overdenken ons toonen zal. Neen! daar is geen scheiding
te maken tusschen den Christus der Bergrede en den Chris-
tus van Golgotha en den Olijfberg; slechts de gemeente,
die in Hem haar Redder vond, kan ivaarUjk verstaan, kan
beginnen te beoefenen, wat Hij in de Bergrede spreekt.
V. 2. 8. En Zijnen mond geopend hebbende, leerde
Hij hen, zeggende: Zalig zijn de armen van geest,
loant hunner is het koninkrijk der hemelen.
Onderscheid en samenhang beide van Oud en Nieuw
Verbond kon wel niet treffender aan het licht treden, dan
door dezen aanvang der Bergrede, beschouwd tegenover het
optreden Gods op den Sinaï. Daar eene ontzachelijke, on-
genaakbare majesteit, sprekende in donderslagen tot liet
volk, dat sidderend van verre stond; hier de vriendelijke
Menschenzoon, nedergezeten tusschen degenen, die Hem hoo-
ren. Baar eene Godsopenbaring, waardoor gestadig henen-
klinkt, dat de overtreder der wet is vervloekt; hier is het
eerste woord eene zaligspreking, uitlokkend, bemoedigend,
vertroostend.
En toch, beide bedeelingen weerspreken elkander niet;
beide komen van denzelfden God. De eerste moest den
weg banen tot de tweede; de eerste wees op de tweede
heen. Waardoor anders wordt de armoede van geest ge-
boren, dan dadrdoor, dat de eisch der wet is verstaan? En
wederom, dat God eene wet geeft, dat Hij Zich inlaat met
de menschen, is het niet een teeken van nederbuigende ont-
ferming? Dankt en juicht Israël, in zijne psalmen, wegens
liet bezit van de wet, \'t is in het besef, dat een spreken
-ocr page 94-
88
Gods, hoe het ook kome, immer een zegen moet brengen.
DU is die zegen: de wet ontdekt den mensch aan zich-
zelven. De wet maakt arm en ledig. Tot zulken nu, bij
wie de wet deze hare bestemming vervuld heeft, richt zich
de Middelaar des Nieuwen Verbonds.
I
           Armen van geest zijn dezulken, die gevoelen, dat zij niet
hebben wat zij hebben moeten. Van nature is de mensch
met zichzelven tevreden, heeft hij aan zichzelven genoeg.
Welk een arbeid Gods is er noodig, om dien waan te ver-
storen ! Trapsgewijze slechts wordt die arbeid volbracht.
Eerst gaat het hart tekortkomingen zien. Later, rechtstreek»
sche overtredingen. Nog later, een alles bezoedelend, alles
bedervend beginsel van zelfzucht, dat op den bodem des
harten ligt. Dan eerst wordt de ziel arm, behoefte gevoe-
lende aan genade, noodzakelijkheid erkennende van eenc
redding, die van buitenaf komt. Ze leert vertwijfelen aan
zichzelve; ze leert zich veroordeelen en verfoeien; ze leert
sidderen voor den heiligen God, Wiens oogen als vuur-
vlammen zijn.
En van dezulken nu heet het: Zalig zijn zij! Die toe-
stand wordt als begeerlijk en heerlijk aangewezen. Yoor-
vvaar! hij is dat niet in zichzelven; hij is dat alleen, omdat
aan wie in dezen toestand verkeercn, eene rijke belofte
gegeven wordt. „Hunner is het koninkrijk der hemelen."
Het Godsrijk, welks komen in heerlijkheid door Israël ho-
pend verwacht werd, gedurende al de eeuwen van zijn
volksbestaan, is voor die armen van geest. Het komt, met
alle zegeningen en schatten Gods, — maar het kan slechts
komen tot de harten, die ontledigd zijn van allo eigene
gerechtigheid en van alle eigene wijsheid; die arm zijn ge-
worden, en die dit met smart en schaamte, met ootmoedig
schuldbesef, erkennen. Niets moet er aangebracht worden
-ocr page 95-
8!)
om dat koninkrijk deelachtig te worden; uit vrije genade
worden de schatten daarvan geschonken. Voor hen is het
koninkrijk bereid; zij, en zij alléén, zijn geschikt om daarin
opgenomen te worden. Alle hoogmoed wordt neergeworpen
door het allereerste woord van den Koning van het Gods-
rijk, maar vriendelijk vertroostend daalt Zijn woord in de
verbrijzelde zielen.
De eerste zaligspreking wijst den grondslag aan van \'t
Godsgebouw, Met die armoede van geest moet aangevangen
worden, zal het werk Gods tot stand komen.
Hoe dat werk tot stand komt; hoe de in zichzclven
arme tot den rijkdom van het koninkrijk der hemelen ge-
voerd wordt, dat wijzen de volgende zaligsprekingen aan.
Daar is in deze volgende zaligsprekingen eene trapsge-
wijze opklimming. Drie paren van zaligsprekingen, staande
op den grondslag der eerste, wijzen den wasdom van geestelijk
leven aan, terwijl dan eene achtste het geheel bekroont. In
elk dezer paren beschrijft de eerste zaligspreking de verhou-
ding tot God, de tweede beschrijft de daaruit voortvloeiende
verhouding tot de menschen. Heeft men eenmaal een oog
gekregen op deze paarsgewijze schikking, dan bespeurt men
terstond welk een treffende opklimming aanwezig is, waar
eerst de verschillende uitspraken buiten onderlingen samen-
hang schenen te staan. Dan wordt onmiskenbaar, hoe onze
Heer in deze zaligsprekingen het geestelijk leven heeft willen
schetsen in zijn geleidelijken voortgang. Dan wordt verstaan,
hoe deze zaligsprekingen daar aan den aanvang der Berg-
rede aanwijzen, wie eigenlijk tot dat Koninkrijk der hemelen
behooren, waarvan de eischen in het vervolg der rede
worden blootgelegd. Uitgaande van de armoede van geest,
die de eerste aanvang is, en gedurende het gansche aardsche
leven de karaktertrek blijft van allen, die deelhebben aan
-ocr page 96-
90
de heilgoederen des Heeren, stijgt de beschrijving vau het
treuren tot het hongeren en dorsten, en van het hongeren
en dorsten tot de reinheid van het hart, terwijl telkens de
verhouding tot de mensehen eene meer zegenbrengende
wordt, naarmate het gemoed zelf meer wordt verrijkt. En
even als nu die eerste zaligspreking op een blij venden ka-
raktertrek wijst, die stand houdt op de verschillende trappen
van geestelijk leven, zoo geeft de laatste zaligspreking, die
van het vervolgd worden gewaagt, de ervaring te kennen,
die op al deze trappen van geestelijk leven door de kinderen
Gods wordt gemaakt. Bewonderenswaardige eenheid en samen-
hang is dus aanwezig, waar de eerste blik slechts ongeor-
dende nevens-elkanderstelling deed aanschouwen.
V. 4. 5. Zalig zijn die treuren, want zij zullen
vertroost worden.
Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het
aardrijk beërven.
Armoede van geest is het eerste wat door de goddelijke
arbeid aan de zielen wordt bewerkt; dat gevoel van armoede
moet brengen tot treuren, waar zieh de mensch bewust
wordt, hoeveel hij door die armoede ontbeert. Wie treurt is
niet langer alleen lijdelijk; hij heft zich op tot een wen-
schen naar uitkomst. Wie treurt, gaat beseffen, dat zijne
armoede een gemis is van datgene, wat de mensch niet
missen kan, zonder voor heden en toekomst rampzalig te
zijn. Dat treuren doet de ijdele wereld vreugd wijken; het
maakt ook een einde aan die stompzinnigheid, waarmede
de mensch door het leven als droomend heengaat, de dingen
nemende zooals zij zijn, en zich schikkend in de omstan-
digheden. Wie treuren gaat, „komt tot zich zelven", zooals
-ocr page 97-
91
dat zoo treffend juist in de gelijkenis van den verloren
zoon (Luc. XV. 17) wordt genoemd. Hij beseft niet slechts
zijn gemis, als de arme van geest, maar hij beseft ook dat
dit gemis moet worden weggenomen, zoo het wèl met hem
zijn zal. Zijne gebondenheid onder de zonde, zijn derven
van de gemeenschap Gods, wordt hem tot diepe, innige
smart.
Aan dat treuren wordt de belofte verbonden: „Zij zullen
vertroost worden." Die smart is geene hopelooze; die smart
is niet bestemd om te blijven. God, die deze smart ver-
wekte, geeft daarin zelf eene verzekering, dat Hij ze weg-
nemen wil; immers, Hij zou het gemis niet doen gevoelen,
zoo niet bij Hem de bereidheid was, daarin te voorzien. Zij
sullen vertroost, worden, zoo waarlijk als God de Ontfermer
is. Vreugde der wereld verdwijnt eenmaal, en maakt plaats
voor jammer en ellende; maar wie hier treurend in \'t stof
is gebogen, diens mond wordt eenmaal vervuld met gejuich,
door Hem, die een Belooner is dergenen, die Hem zoeken.
De zielsstemtning, hier beschreven, heeft tegenover de
menschen zachtmoedigheid tot noodzakelijk gevolg. Wie voor
God treurt, hoe zou hij tegenover menschen op zijn recht
staan, op zijn eigenbelang zien; hoe zou hij lust hebben
in twist, hoe zou hij zinnen op wraak ? Zijn hart is veel
te vervuld van zijn gemis aan leven en vrede, van zijn
schuld voor God, dan dat de aardsche dingen dat gewicht
voor hem hebben zouden, dat noodig is om er voor in drift
te ontvlammen. Wat menschen hem aandoen, hij draagt het
zachtmoedig; te gering denkt hij van zichzelven om eigen
eer te zoeken; te zeer is zijne ziel met verlangen naar
hemelsche gaven vervuld om te gaan strijden en twisten
over de goederen der aarde.
Eigenaardig is de belofte, aan dezen zielstoestand ge-
-ocr page 98-
92
schonken. „Zij zullen het aardrijk beërven." Dat gelooft de
natuurlijke raensch niet; dat leert ook de alledaagsche er-
varing niet. De zachtmoedigen worden op zijde gedrongen;
de strijders voor hun vermeend recht, de zoekers van hun
eigen belang, veroveren de wereld. En toch, dat alles schenkt
geene blijvende winst. De opperste Rechter, de Heer van
heinel en aarde, wijst eindelijk aan die zachtraoedigen toe,
wat zij niet door strijd en list hebben zoeken te veroveren.
De nieuwe aarde wordt hun erfdeel. Ja, nu en dan laat Hij
reeds in het tegenwoordig leven zien, hoe alleen de zacht-
moedigen komen tot een blijvend bezit, dat niet wordt ver-
gal d ; de zegen des Heeren maakt rijk, en — Hij voegt er
geene smart bij!
V. 6. 7. Zalig zijn, die hongeren en dorden naar
de gerechtigheid, want zij zullen verzadigd worden.
Zalig zijn de barmharligen, want, hun zal barmhar-
tigheid geschieden.
Het hongeren en dorsten geeft eene sterkere gemoedsbe-
weging dan het treuren te kennen; het reikt daarbij ook
verder. Wie treurt, staat nog alleen stil bij zijn gemis;
wie hongert en dorst heeft leeren zien, wat alleen dat
gemis aanvullen kau. Het is een hongeren naar de „ge-
rechtigheid", dat is: naar den toestand, waarin men voor
God is, die men zijn moet En die gerechtigheid wordt
niet gezocht op den weg van uiterlijke werken, gelijk de
Farizeërs die zochten, en gelijk ze door den natuurlijken
mensch in alle eeuwen gezocht wordt. Dat blijkt duidelijk
uit de uitdrukking „hongeren en dorsten", die niet passen
zou als aanwijzing van het streven van eigenwilligen gods-
dienst. "Wie hongert en dorst, waant niet door eigen krachts-
-ocr page 99-
93
inspanning zich te kunnen voeden en laven, maar strekt
zich uit tot het ontvangen van het brood en water des
levens. Dat blijkt insgelijks daaruit, dat deze zielstoestand
volgt op het treuren, dat wel verre is van eiken waan van
zichzelven te kunnen helpen. Wie hongeren en dorsten,
strekken met vurig verlangen zich uit naar de gave, die
God alleen schenken kan.
Hij, die ze schenken kan, Hij loil ze schenken. Zij zullen
ontvangen wat hun hart zoo vurig heeft leeren begeeren.
Hoe zij hun deel wordt, zegt Jezus niet. Dat deze gerech-
tigheid verkregen wordt, door deel te erlangen aan Zijne
volmaakte gerechtigheid op den weg der toeëigening des
geloofs, dat konden Jezus hoorders nog niet verstaan, toen
Hij de Bergrede uitsprak; dat zou de H. Geest aan de
zielen verklaren, als Zijn werk zou volbracht zijn, en de
vrucht daarvan was ontvangen. Hier nog niet anders dan
de belofte, maar eene belofte met volkomen gewisbeid ge-
schonken: zij zullen verzadigd worden.
Gelijk de zachtmoedigheid het uitvloeisel is van het
treuren, alzoo volgt de barmhartigheid uit dit hongeren en
dorsten. Immers op dezen hoogeren trap van geestelijke ont-
wikkeling kan ook eene hoogere levensopenbaring tegenover
de menseben plaats vinden. Wie zachtmoedig is, draagt en
duldt nog slechts; hij staat lijdelijk tegenover de omgeving,
die hem onrecht doet. Wie barmhartig is, gaat in anderer nood
en lijden in, om dat te lenigen. Die barmhartigheid is slechts
mogelijk, waar aanvankelijk het hart verruimd is. Daar moet
reeds iets ontvangen zijn, om te kunnen geven; daar moet
reeds iets gesmaakt zijn van de vertroosting, aan het treu-
ren toegezegd, eer barmhartigheid kan worden geoefend.
Die barmhartigen zullen barmhartigheid ervaren. Wat zij
aan menschen bewijzen, God zal het hun bewijzen, in den
-ocr page 100-
94
nog zooveel grooteren nood der ziele. Niet maar vertroos-
ting alleen wordt hun deel; eene ervaring doen zij op van
genade, die hun lijden verandert in eeuwige vreugde, in
stof van storelooze dankzegging.
V. 8. 9. Zalig zijn de reinen van harte, want
zij zullen God zien.
Zalig zijn de vreedzame», ivant zij zullen Gods
kinderen genaamd worden.
Het hongeren naar de gerechtigheid leidt tot verzadiging,
en die verworvene gerechtigheid maakt rein van hart.
Daarmede is de hoogste trap van geestelijke ontwikkeling
bereikt, en daarom wordt nu aan die reinheid van hart de
hoogste zaligheid verbonden: „Zij zullen God zien."
Doch hoe tan onze Heer spreken van „reinen van hart\'\' ?
Blijft niet ook de uitnemendste, zoo lang hij op aarde is,
met zonden bevlekt? Ongetwijfeld. En toch zegt een Apostel
(l Joh. III. 9j: „die uit God geboren is, doet de zonde
niet". Het nieuwe levensbeginsel namelijk, dat in hem ge-
wrocht is door den H. Geest, dat zondigt niet en kan niet
zondigen; het is nog slechts de nawerking van het oude,
nog niet ganscli overwonnen leven, waardoor hij met zonde
bevlekt blijft. Zijn eigenlijke wezen is naar God gekeerd,
en de diepste keuze zijns harten wordt bestuurd door Gods
wil. In dezen zin nu spreekt de Heiland van „reinen van
hart". In beginsel zijn zij deze reinheid deelachtig, en ge-
heel hunne vorming in het aardsche bestaan moet dienst-
baar zijn om dat beginsel meer en meer tot verwezenlijking
in het dagelijksch leven te brengen. Zeker! daar is nog
menige vlek en smet; maar toch, welk een onderscheid
tusschen het heden en verleden! De glans des Heeren heeft
-ocr page 101-
95
hunne ziel bestraald, en Zijne heiligheid reinigt hun hart.
„Zij zullen God zien", luidt de belofte, aan dezen ge-
ïnoedstoestand gegeven. In volkomenheid wordt ook deze
belofte, even als alle voorafgaande, eerst vervuld als dit
aardsche leven zal ziju voorbijgegaan. Maar ook, evenals
bij al die andere beloften, is ook hier een aanvang van
vervulling op aarde. Hoe reiner het hart wordt, des te
meer vallen de beletselen tegen de Godsgemeenschap weg.
Reeds de vrome lijder der oudheid wist van een onderscheid
tusschen een aanvankelijk kennen Gods, en een andere,
diepere gemeenschap, die ook hij een „zien Gods" noemt,
als hij zegt: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord,
maar nu ziet U mijn oog." (Job XL. 4. 5.) Gewisselijk,
dat is geen zien door uiterlijke waarneming; het is een
zien des Heeren in de sporen Zijner gangen, in de erva-
ringen Zijner liefde, in de openbaringen Zijner Majesteit.
Eens, als alle beletselen zullen zijn weggevallen, wordt dit
zien nog zooveel hooger en heerlijker, dat een Paulus het
heden en de toekomst tegen elkander kan overstellen als
een wandelen door geloof en een wandelen door aanschou-
wen (2 Cor. V. 7), doch dat geloof zelf is een aanschou-
wen in aanvang, een zien der ziele van de wereld der on-
zienlijke dingen. God te zien, dat is het hoogst wat voor
een schepsel bestaan kan; het is verzadiging der vreugde,
vervulling der diepste behoefte.
Aan dezen hoogsten trap van geestelijk leven beantwoordt
nu de hoogste zegenspreiding onder de menschen. Dit blijkt
ons eerst dan, wanneer wij liet woord „vreedzamen" ver-
vangen door de juiste vertaling: „vrede makers." Wij zagen
dat barmhartigheid een hoogere kracht veronderstelt dan
zachtmoedigheid; welnu! nbg hooger dan barmhartigheid
staat „vrede maken." Wie vrede maakt, werpt zich te mid-
-ocr page 102-
90
den van de strijdende, twistende inenschenwereld, die liem
omgeeft, om door woord, daad en voorbeeld den vrede Gods
aan te brengen. Dat eiscbt opoffering van eigen rust en
geluk; dat stelt bloot aan vijandige bejegening van de
beide partijen, die men zoekt te verzoenen. Dat vraagt een
innerlijke kracht, die stand houden kan tegenover den
gansenen stroom der wereld.
Indien dan ook op dit „Zalig zijn de vredeinakers!" de
belofte volgt: „Zij zullen Gods kinderen geuoemd wor-
den", dan wil dat, voorwaar! niet zeggen, dat zij door
de wereld met blijdschap en eere worden tegemoet ge-
komen. Integendeel. De wereld veracht en haat hen,
omdat zij in den partijstrijd niet ingaan. Geldt de strijd
particuliere belangen, dan zullen zij door beide strijdenden
voortdurend worden lastig gevallen, om zich partij te stel-
len, en alzoo den vrager te steunen. Geldt het maatschap-
pelijke belangen, zij zullen voor niet veel beter dan land-
verraders worden aangezien. Geldt het kerkelijke verbou-
dingen, zij zullen eenerzijds lauwen en ontrouwen worden
genoemd, anderzijds vreesachtigen en heulers niet de dui-
sterlingen. Eerst als hun plaats ledig wordt gelaten, gaat
de wereld beseffen, wat zij aan zulke vredemakers verloor;
eerst aan het eind der dagen blijken zij kinderen Gods,
omdat zij het beeld van Gods liefde vertoonden.
V. 10. Zalig zijn, die vervolgd worden om der
gerechtigheid wil, tvant hunner is het koninkrijk der
hemelen.
Niet boven de vorige zaligsprekingen gaat deze zalig-
spreking uit; het hoogste is reeds genoemd. Maar gelijk
de eerste den grondslag aangaf en tevens het blijvende
-ocr page 103-
97
kenmerk, zoo noemt deze zaligspreking, terugziende op al
de vorige, wat de ervaring zijn zal van allen, die aldus
leven. De vorm zelf van deze zaligspreking wijst daarop
heen. Immers zij wordt uitgedrukt door hetzelfde, als wat
in de eerste genoemd was: //hunner is het koninkrijk der
hemelen."
Onze Heer voegt dezen sluitsteen bij het opgetrokken
gebouw, om zoo duidelijk mogelijk elke gedachte te weren,
alsof Hij met Zijne zaligsprekingen aardsch genot toezeide
aan de burgers van het Godsrijk. Zij zullen vervolgd wor-
den: dat zal hun aller ervaring wezen!
Hoe is dat mogelijk ? kan men vragen. Al de eigenschap-
pen in de zaligsprekingen genoemd, bepaaldelijk die van
de tweede van elk paar, doen de burgers van \'t Godsrijk
kennen als zulken, die zegen brengen. Toch, de ervaring
leert de waarheid dezes woords. Gelijk een Jozef door zijne
broeders gehaat werd, omdat zijne deugd hun een doorn
in \'t oog was, daar zij hun geweten wakker maakte, zóó
kan nog immer de wereld dezulken niet dulden, die door
hunne gerechtigheid de ongerechtigheid der wereld in het
licht stellen. De wereld vervolgt hen; niet immer met
brandstapel en moordschavot, maar dan toch door laster,
door benadeeling, door verachting. Deswege nu spreekt de
Heiland hen zalig. Zij dragen, in die vijandige verhouding,
het stempel dat zij kinderen Gods zijn, dat zij tot het
koninkrijk der hemelen behooren.
Alleenlijk, een iegelijk zie toe, dat hij niet ten onrechte
deze zaligspreking op zich toepasse! De Heer zegt: „Zalig
wie vervolgd worden „om der gerechtigheid wil." Indien
dan een Christen tegenstand ontmoet, zoo onderzoeke hij
ernstig, of dit wel waarlijk geschiedt om de openbaring van
het nieuwe leven, dat in hem is. Wordt een Christen tegen-
Roozemeijer, Ev. Matth. I.                                                           7
-ocr page 104-
98
gestaan om wat er nog zondigs in hem is, om hoogmoed,
of hardheid, of gierigheid, of eenig ander kwaad, zoo be-
schouwe hij zich niet als een martelaar. Niet wie loon naar
werken ontvangt, wordt door den Heer zalig gesproken,
maar alleen wie waarlijk vijandschap ervaart om wat God
in zijne ziele gewrocht heeft.
Een welgeordend geheel, wij zagen het, vormen deze acht
zaligsprekingen. In haar noemt Jezus op, wie tot Zijn
koninkrijk behooren. Hoe geestelijk van aard dit koninkrijk\'
is, hoe tegengesteld aan al wat uit de wereld is, blijkt
daaruit ten duidelijkste. Even klaar komt hier aan het licht,
dat in dit Rijk alles door loutere genade geschonken en
bewerkt moet worden. De armen verwerven zichzelven geen
rijkdom; de hongerigen voeden zichzelven niet: aan \'s men-
schen zijde is het ledige, is het gebrek; de vervulling komt
van God. En wat Hij schenkt, is geen loon, en is ook
geen aardsche gelukzaligheid: geestelijk als Zijn eigen wezen
is, zijn ook de gaven, die Hij mededeelt.
Dat Rijk wordt gesticht, waar Jezus op aarde verschijnt.
Eerst is er de Koning; daarna worden door dien Koning
onderdanen geroepen en aan Hem verbonden. Dat Rijk blijft
gedurende de tegenwoordige bedeeling in geringheid ver-
borgen; eenmaal, als alles wat nu schittert en gerucht
maakt, in het niet is verzonken, wordt openbaar, dat alleen
dit koninkrijk van eeuwigen duur is.
V. 11. 12. Zalig zijt gij, als u de menschen
smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen
u spreken om Mijnentwil. Verblijdt n en verheugt
ii, want uw loon is groot in de hemelen; want
alzoo hebben zij vervolgd de profeten, die vóór u ge-
weest zijn.
-ocr page 105-
99
Het afgesloten geheel der zaligsprekingen is ten einde.
Maar alvorens verder te gaan, herhaalt de Heer de laatste
i\\og eens in den vorm van rechtstreeksche toespraak tot hen,
die zich aan riem hadden aangesloten. Nog eens nader
wil de Heer hun op het hart drukken, dat bij Hem
geen aardsche eer of rijkdom is te wachten, maar tege-
lijk hun doen gevoelen, dat zij de smaadheid, die zij om
\'Zijnentwil zullen te ondergaan hebben, groote vreugde moe-
ten achten.
Nooit zijn intusschen de woorden des Heeren bloote herha-
lingen van wat reeds gezegd is. In deze nadere vermaning
wordt vooreerst het lijden om der gerechtigheid wil duidelijker
omschreven. Zalig zijn zij van wie, liegende,kwaad gesproken
wordt; zoo is dan de naam van discipel vaji Jezus geen
dekmantel voor wezenlijk kwaad.
Voorts, het onpersoonlijke „om der gerechtigheid wil"
wordt nader omschreven als „om Mijnentwil". Hoe blinkt
reeds hier de majesteit des Heeren duidelijk uit! Wie der
menseben, wie der profeten zou aldus zich met de gerech-
ügheid kunnen vereenzelvigen? Dat kon alleen Hij, die
niet een mensch uit de menseben, maar de Heer uit den
heinel is. Vijandschap tegen de gerechtigheid is vijandschap
tegen Hem, in Wien deze gerechtigheid woont, door Wien
va] op aarde geopenbaard wordt. Hij is de Koning van het
Godsrijk; daarom, wat de burgers daarvan als zoodanigen
lijden, dat lijden zij om des Konings wil, en wat hun aan-
gedaan wordt, dat rekent Hij als aan Hem aangedaan. Als
Hij in den hemel der heerlijkheid verhoogd is, en de zijnen
op aarde vervolgd worden, dan spreekt Hij tot Saulus op
den weg van Damaskus: Saul, Saul! Wat vervolgt gij Mij?
Dat mag de zijnen sterken en troosten; zij lijden niet maar
om eene zaak; zij lijden om een persoon, om Hem, dien
-ocr page 106-
100
hunne ziele liefheeft, en deze liefde doet dragen, wat an-
ders ondragelijk zijn zou.
Maar tot nog iets hoogers, dan tot dragen en dulden
wekt de Heer hen op. „Verblijdt u en verheugt u \\" Immers,
in dit ondergaan dier vijandschap hebben zij de verzekering,
dat zij tot de groote Godsgemeente behooren, die door
alle eeuwen heen denzelfden weg bewandelen moet. Dat
is de ervaring van Gods profeten geweest, die versmaad en
verworpen zijn door hunne tijdgenooten, om de getuigenis
Gods, die zij brachten; eerst latere geslachten eerden in
hen de tolken des Heeren.
Ook voor Jezus discipelen ligt niet in het heden de
bekroning van hun arbeid en strijd. Zij worden op de toe-
komst verwezen. „Uw loon zal groot zijn in de hemelen."
Hier de moeite en het lijden; daar de rust en de vreugde.
Die hemelheerlijkheid wordt door Jezus een „loon" ge-
noemd. Behoeft het wel uitvoerige aanwijzing, dat hier
geen sprake is van een loon naar verdienste? Maar immers,
de gansche reeks der zaligsprekingen toont aan, dat zij,,
van wie hier gesproken wordt, slechts door genade gewor-
den zijn, wat zij zijn. De armen van geest hebben niet
zichzclven rijk gemaakt; de hongerigen hebben niet uit
zichzelven het brood voortgebracht, dat hen verzadigde; de
reinen van harte, van nature bevlekt en bezoedeld, hebben
evenmin zelven hun hart kunnen reinigen, als de moorman
zijne huid of de luipaard zijne vlekken veranderen kaïu
Dat zij nu om Jezus wil vervolgd worden, is ter wille
van wat God in hen tot stand gebracht heeft. En het loon,,
dat zij daarna zullen ontvangen, is dus de bekroning van
Gods eigenen genade-arbeid.
V. 13. Gij zijt het zout der aarde; indien nu
-ocr page 107-
101
het zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten
worden? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten
geworpen, en van de menschen vertreden te zoor den.
Nadat de Heer iu de zaligsprekingen geschetst heeft wie
de burgers van het Koninkrijk der hemelen zijn, en in het
toevoegsel (vs. 11. 12) hen als dragers van den naam van
Jezus heeft aangeduid, geeft Hij nu verder (vs. 13—15)
te verstaan, welke hunne roeping is ten opzichte van de
overige menschheid.
Tweevoudig is die roeping. De eerste wordt aangeduid
onder het beeld van „het zout," de tweede onder die van
„liet licht." Twee onderscheidene voorwerpen ook worden
genoemd, waarop die roepiug betrekking heeft. Dit valt te
beter in het oog, als het Grieksche woord, in onze verta-
Hng door „aarde" overgezet, door „land" wordt teruggegeven.
Voor het „land", dat is voor het vaderland, het Joodsche
volk, moeten Jezus discipelen een zout zijn; voor„de wereld",
dat is: de overige menschheid, moeten zij een licht wezen-
Wordt tot hen gezegd: „Gij zijt het zout des lands!"
dan wordt hun daarmede de roeping voorgehouden, om
bederfwerend op te treden en werkzaam te zijn onder hun
volk. Het zout dient om het bederf te keeren. Welnu!
tegenoyer alle krachten en invloeden, die Israël verderven,
moet van hen een heiligende, reinigende werking uitgaan.
Nog dieperen zin ontvangt deze vermaning, als men er bij
gedenkt aan het gebruik van het zout in den offerdienst
Israels. Aldus was in de wet (Lev. II: 13) voorgeschreven:
„Alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten;
en het zout des verbonds van uwen God van uw spijsoffer
niet laten afblijven; met al uwe offerande zult gij zout
offeren." Uitdrukkelijk wijst Jezus zelf bij eene andere ge-
-ocr page 108-
102
legenheid (Mc. IX : 49) op deze wetsbepaling heen; zoo ligt
het dan voor de hand, dat ook bij de [uitspraak in den tekst
Hem dit gebruik des zouts voor den geest stond. In de
teekenspraak van den offerdienst werd door deze toevoeging
des zouts aangeduid, dat wat de mensch den Heer had te
brengen, in zichzelf onaannemelijk en aan bederf onderwor-
pen was; het moest smakelijk gemaakt en tegen bederf
gevrijwaard worden door iets wat er aan toegevoegd werd.
Welnu! Israël heeft als volk de bestemming zich den Heere
te wijden en te offeren. Door het inwonend bederf vervult
het deze roeping niet, maar de burgers van het geestelijk
Godsrijk hebben nu de bestemming, daartoe het volk te
wijden, opdat het Gode de verheerlijking brenge, waartoe
het van alle natiën afgezonderd is om het eigen volk des
Heeren te zijn.
De allereerste opdracht aan Zijne discipelen toont weder,
hoe in de eerste plaats Israël het voorwerp van Jezus
arbeid is. Iti de allereerste plaats is Hij niet gezonden dan
tot de verlorene schapen van het huis Israels. De rechte
lijn van de komst van het Koninkrijk Gods, waarop ook
telkens door de profeten is heengewezen, zou geweest zijn,
dat Israël werkelijk tot een geestelijk volk des Heeren werd,
en alzoo de volken opwekte tot heilige jaloerschheid (zie
b.v. Jes. II 3. LX. 8 9.) Daartoe strekt ook de arbeid
van het aardsche leven des Heeren, dat zich uitsluitend tot
Israël bepaalt. Het is alleen de hardnekkige verwerping
Zijns Evangelies door Israël als volk, dat nu de Heidenen
doet treden in den kring, waarover Gods licht straalt, ter-
wijl Israël onder het oordeel der verharding ligt, totdat de
tijden vervuld zullen zijn (Roiu. XI. 25). Want dit is het
aanbiddelijke van het Godsbestuur: waar der menschen
zonde de genadige bedoeling Gods wederstaat, daar wordt
-ocr page 109-
103
toch, — maar nu langs eenen omweg — dit heerlijk doel
bereikt: Gods Koninkrijk komt, — maar nu eerst en vooral
onder de volken; — daarna wordt Israël, de eerstgeborene,
ten laatste opgenomen in het verbond der genade, dat het
eerst in ongeloof afwees.
Aan de taak, den discipelen opgelegd, wordt een ernstige
vermaning door den Heer toegevoegd. Het zout moet zout
blijven, om zijne werking te kunnen doen. Zullen zij het
volk heiligen, dan moeten zij allereerst zelven den Heer ge-
lieiligd blijven. Smakeloos geworden zout kan geen dienst
doen; het kan zelf niet meer gezouten worden, en het kan
niet meer inwerken op de spijzen; het dient tot niets; het
moet weggeworpen worden.
Men heeft gevraagd, of er, in het natuurlijke, zulk. zout
bestaat. Een reiziger in het Oosten heeft medegedeeld, dat
hij in de nabijheid van Aleppo, zulk zout gevonden heeft,
gevormd aan de zijden der rotsen. Maar hoe dit zij, dit
is van ondergeschikt belang. De Heer zegt niet: er is
zout, dat smakeloos wordt, maar: Indien het zout smakeloos
wordt, waarmede zal het gezouten worden ? Wordt het beeld
overgebracht, dau wil het zeggen: Indien een geestelijk
mensch weder vleeschelijk wordt, hoe zal die opnieuw gees-
telijk worden?
Van meer belang dan de vraag, of er, in het natuurlijke,
zouteloos geworden zout bestaat, is die andere, of in de
overbrenging het beeld opgaat ? Zeker, het uit God geboren
leven sterft niet meer (Joh. X. 27. 28. 1 Joh. III. 9.)
Maar dat nu onze ziel, Broeders en Zusters! niet in valsche
gerustheid aldus op deze waarheid steune, alsof zij \'s Heeren
ernstige vermaning overbodig zou maken! üe belofte der be-
waring geldt alleen hen, die in ootmoed op des Heeren wegen
gaan. Immers in dit aardsche bestaan treedt dit Goddelijk
-ocr page 110-
104
leven niet aldus in ongebroken kracht op, dat waakzaam-
lieid en gedurige zelf beproeving onnoodig zijn zou. Men kan
jaren lang zich als een christen voordoen, en zichzelven
voor eenen christen houden, en ten slotte toch afvallen
(Hebr. VI. 4—6). Wie nu alzoo afvallen, zijn in waarheid
nooit wedergeboren geweest (1 Joh. II. 19), maar zij hebben
dan toch in dien waan verkeerd. Geen stem uit den hemel
komt van de waarachtigheid der wedergeboorte verge wissen :
zoo beware dan een iegelijk nauwgezet de gebedsgemeenschap
met God, en beoefene de heiligmaking des levens, opdat hij
„van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij"!
V. 14—16. Gij zijt het licht der wereld; eene
stad, boven op een berg liggende, kan niet verlorgen
zijn. Noch steekt men eene kaars aan, en zet die onder
eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, en zij
schijnt allen die in het huis zijn. Laat mv licht alzoo
schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken
mogen zien, en uwen Vader, die in de hemelen is,
verheerlijken.
Met deze woorden geeft de Heer de tweede roeping Zij-
ner discipelen te kennen. Voor Israël moeten zij tot een
zout zijn; voor de wereld moeten zij tot een licht wezen.
Te midden van hun eigen volk moesten zij bederfwerend
werken; over de Heidenen moesten zij het licht laten
schijnen, dat van buiten af de duisternis verdrijft. De éene
werkzaamheid sluit de andere natuurlijk niet buiten; slechts
treedt de ééne meer hier, en de andere daar op den voor-
grond.
In de duistere, van God vervreemde, en daarom in don-
ker rondtastende menschenwereld schijnen Jezus discipelen
-ocr page 111-
105
als lichten, en dienen daarom als wegwijzers. Maar hoe
heerlijk deze naam ook zij, — behoeft het wel gezegd te
worden, dat dit woord in anderen zin genomen moet worden,
dan waar Jezus van zichzelven zegt (Joh. VIII. 12): „Ik
ben liet licht der wereld" ? Hij is het oorspronkelijke, god-
delijke licht; zij zijn slechts door Zijn licht bestraald, en
weerkaatsen het nu. Uit onderscheid ligt in den aard der
zaak; dit onderscheid wordt daarenboven aangewezen door
het volgende beeld: „eene stad, boven op eenen berg lig-
geude, kan niet verborgen zijn." Tegenover den berg, waarop
de Bergrede wordt verondersteld uitgesproken te zijn, lag,
op een anderen bergtop, de stad Safed, waarvan de witte
muren, schitterend in het zonlicht, allen omwonenden in de
oogen blonken. Die stad op den berg heeft geen licht van i
zichzelve, maar weerkaatst het hemellicht Alzoo bestraald,
kan zij niet verborgen blijven: evenmin kunnen dat de met
het licht des Heeren bestraalde discipelen, in de donkere
wereld, die hen omringt.
Dat licht kan niet verborgen blijven, zegt vs. 14; het
is ook bestemd om niet verborgen te blijven, leert vs. 15.
De kaars, die ontstoken is, wordt niet onder de korenmaat,
maar op den kandelaar geplaatst; de bedoeling is juist dat
zij licht verspreide. In het Koninkrijk Gods wordt niemand
gezegend, alléén tot zijn eigen nut; de gezegende moet op
zijne beurt ten zegen wezen.
Daarop is dan de vermaning van het 16° vers gegrond.
„Laat uw licht schijnen voor de menschen l" Ziedaar alles, wat
de Heer van Zijne geloovigen eischt. Het licht is er; het is van
God ontstoken, of liever, het is de weerkaatsing van het eeu-
wige licht, dat door de duisternis is heengebroken, en nu schittert
in de zielen, die voor dat licht geopend zijn. Het éénige, wat
nu de discipelen hebben te doen, is dit licht te laten schijnen,
-ocr page 112-
106
geene beletselen in den weg te stellen, waardoor dat licht
verborgen zou worden. Maar dit ééne, — hoeveel sluit het in!
Immers, ieder toegeven aan de overgebleven zondelust, iedere
gelijkvormigheid met de wereld, elk afgevoerd worden van de
levensgemeenschap met den Heer door de listen des Boozen,
belemmert het uitstralen van het aan de ziel geschonken
licht. De wereld kan geen goddelijk licht zien, waar de
wandel geene vernieuwing vertoont; het licht is onder de
korenmaat geplaatst, waar zinnelijkheid of hoogmoed of
hebzucht den Christen doen handelen, alsof hij nog zelf
een kind dezer wereld was.
Opmerkelijk, dat de Heer, in het beeld, dat Hij gebruikt,
heenwijst op datgene wat gezien, niet wat gehoord moet
worden. Inderdaad, dat wat der wereld tot getuigenis der
Godsgave verstrekt, is niet zoo zeer, wat de Christenen
spreken, als wel, wat zij doen. Ook verkondiging door het
woord is onmisbaar, doch zij werkt slechts als verklaring
der daad. Wat aandacht trekt; wat harten ontsluit; wat
vragen doet naar eigene behoudenis, dat is de openbaring
van een leven, dat niet door aardsche beweegredenen be-
stuurd wordt. En als dan daardoor het gemoed is ontsloten,
dan komt de verkondiging door het woord het geheim van
dat leven verklaren, en heen wijzen naar den goddelijken
oorsprong daarvan.
„Laat uw licht schijnen — opdat de menschen uwe goede
werken mogen zien." De samenvoeging wijst duidelijk aan,
wat de goede werken zijn. De Heidelbergsche Catechismus
zegt naar waarheid (antw. 91) dat goede werken zulke
werken zijn, die „uit waar geloof, naar de wet Gods, Hem
ter eere geschieden." Korter en klaarder nog worden zij
door dit woord des H\'eeren gekenschetst als uitstralingen
van het licht, dat in de ziel schijnt. De Christen zet er
-ocr page 113-
107
zich niet toe om goede werken te doen, als eene afzonderlijke
soort van verrichtingen; neen! de werken, die hij doet in
zijn gewone leven, in zijn huiselijken en maatschappelijken
kring, dat zijn goede werken, in zooverre zij de uitingen
zijn van het nieuwe levensbeginsel, hem medegedeeld. Be-
dekt hij slechts niet het licht, dat hem is geschonken, dan
zijn zijne werken van zelf goede werken.
Daar is in de kerken der Hervorming een zekere aarze-
ling om van goede werken te spreken, vanwege het wanbegrip,
dut de Roomsche kerk daarvan heeft. Doch de toegevoegde
dwaling neemt het recht niet weg om een naam te bezigen,
dien de Heer zelf gebezigd heeft. De dwaling der Roomsche
kerk is eerstens, dat zij de goede werken voorstelt als eene
afzonderlijke klasse van werken, waarvan een lijst zou kunnen
opgemaakt worden; ten andere, dat zij aan die werken ver-
dieustelijkheid toekent. Het eerste is eene dwaling, omdat
een werk slechts door het beginsel, waaruit liet voort-
komt, een goed werk is; het andere, omdat verdienste van
zelf is buitengesloten, waar het nieuwe leven, dat in de
goede werken zich uitspreekt, eene genadegave Gods is.
Zouden wij iets verdienen, we zouden dan iets moeten voort-
brengen dat volmaakt was; iets, daarenboven, waartoe wij
niet verplicht waren; iets, waarvan wij ons zelven eer kon-
den geven, als door onzen eigen wil uit ons binnenste
voortgebracht. Maar wie zal zich verdienste kunnen toe-
kennen voor het uitstralen van het licht, dat Gods genade
in zijne ziel ontstak?
Daarom is dan ook geen menschenroem de vrucht van
deze goede werken. „Opdat zij uwen Vader, die in de hemelen
is, verheerlijken." Dat is iets beters, dan betaling van ver-
dienste. Het kind van God brengt door zijnen godzaligen,
zegenspreidenden wandel, eere toe aan den Vader. De wereld
-ocr page 114-
108
leert zien, uit het leveu der kinderen Gods, hoe almachtig,
hoe genadig, hoe heerlijk die Vader moet zijn, van wien
zij zulk een leven ontvingen. En wat woorden niet uit-
werken konden, dat werkt dit leven van ootmoed en onbaat-
zuchtigheid, van dienende liefde en proefhoudende trouw,
waardoor de onderdanen des Koninkrijks zich kenmerken
in de wereld. Daar wordt een vragen geboren: wat mag
toch dit zijn? daar ontstaat een begeeren, om mede te
ontvangen, wat dezen bezitten. Kan er heerlijker doel zijn
voor het leven des Christens, en betere voorbereiding tot
het leven des hemels ?
V. 17. 18. Meent niet, dat Ik gekomen ben, om
de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet ge-
komen, om die te ontbinden, maar te vervullen. Want
voorwaar zeg Ik n: totdat de hemel en de aarde
voorbijgaan, zal er niet een jota noch een tittel van
de wet voorbijgaan, totdat hel alles zal zijn geschied.
Schijnbaar is er geen verband tusschen het voorafgaande,
en hetgeen hier wordt gezegd. Toch bestaat dit verband
inderdaad. Wat de Heer tot hiertoe had gesproken, scheen
geheel en al af te wijken van hetgeen wet en profeten
hadden gebracht. Daar eischen en vloekhedreigingen; hier
zaligsprekingen. Daar geboden voor het uitwendig leven;
hier een op den voorgrond stellen van gezindheden des
harten. Was het niet, alsof deze Leeraar gansch iets anders
kwam brengen, dan wat het volk in vorige eeuwen had
ontvangen? En indien dan toch dat vroegere waarlijk God-
delijke openbaring geweest M\'as, wat was dan van dit nieuwe
te denken ?
Daarom keurt de Heer noodig, Zijne verhouding tot wet
-ocr page 115-
109
«n profetie in duidelijk licht te stellen. Hij is niet gekomen
om die te ontbinden, d. i. om de geldigheid daarvan weg
te nemen. De uitdrukking „ontbinden" wijst op de eischen,
door wet en profeten gebracht, als op lasten, die vastge-
bonden zijn op de menschen, en die zij nu te dragen heb-
ben. Welnu, Jezus is niet gekomen om die banden los te
maken, en alzoo van die lasten te ontheffen; Hij is niet
gekomen om de menschen van de eischen Gods te ontslaan.
Voegt Hij nu, in tegenstelling, hieraan toe: „maar om
te vervullen/\' dan blijkt uit die tegenstelling, wat hier het
woord „vervullen" beteekent, namelijk: aanvullen, vol maken.
Wat de oude Bedeeling nog slechts ten deele eischte, —
en nog slechts ten deele eischen kon, — dat eischt Jezus
ten volle. Hij verzwakt de eischen niet, maar verscherpt
ze. Hij vraagt veel méér, dan ooit Mozes, of de profeten,
die Mozes\' arbeid voortzetten en verklaarden, hebben ge-
vorderd; Hij vraagt niet naar de uiterlijke daad, zooals
de Oude Bedeeling die gebood, waarbij dan de vordering
der rechte gezindheid slechts door het gebod heenschemerde ;
nu komt die diepste, die alomvattende eisch op den voor-
grond. Zeker, dat was niet iets anders, dan wat Mozes
en de profeten hadden gevorderd; ook bij dat uitwendige
was het eigenlijk om het inwendige te doen geweest. Maar
de eisch was nu vol gemaakt, vervuld met den ganschen
inhoud van wat Gode behagelijk was.
In dien zin kan de Heer zeggen, dat jota noch tittel van
de wet voorbijgegaan was. Jota en tittel zijn de kleinste
schriftteekenen in het Hebreeuwsche schrift; de bedoeling
is dus: ook het allergeringste wordt niet weggedaan. Dit
kan niet gezegd worden van de letterlijke uitspraken; gan-
sche reeksen van geboden zijn bij de Nieuwe Bedeeling
als van zelf vervallen: men denke aan de spijs- en otter*
-ocr page 116-
110
wetten. Zelfs kan het niet gezegd worden van do, letter der
zedewet, want, daargelaten dat deze zich niet zoo uitwendig
laat afscheiden van het geheel der wetgeving, heeft de Heer
zelf geestelijke vrijheid ten opzichte van ^het Sabbatsgebod
door eigen voorbeeld gepredikt, door in die gevallen, waar het
redding van kranken gold, de letter des gebods te overtreden,
i Dat geen tittel of jota der wet vervalt, wordt gezegd van de
geestelijke bedoeling daarvan. Wat eigenlijk de wet eischt,
is volkomcnc toewijding aan God, liefdevolle toewijding aan
de menschen. Daarvan wordt niets afgedaan. Dat wordt in-
tegendeel „vervuld," volmaakt, verscherpt. Dat blijft van
kracht, totdat hemel en aarde zullen voorbijgegaan zijn, omdat
het de uitdrukking is van den wil des Eeuwigen, die blijft,
waar al het vergankelijke voorbijgaat.
Maar hoe? Brengt dan de Nieuwe Bedeeling geen Evan-
gclie, maar eene verscherpte wet? Indien reeds de mensch
onmachtig is gebleken de wet der Oude Bedeeling op te
volgen, moet het dan niet tot wanhoop voeren, indien er
nu eene wet komt, die nog veel méér eischt?
De Nieuwe Bedeeling kan eene verscherpte wet brengen,
omdat zij eerst een Evangelie brengt. Zeker! indien Jezus
slechts was, wat zoo velen van Hem willen maken, een wijze
Leeraar, die met zijn voorbeeld zijne lessen bekrachtigde,
\'t zou inderdaad zijn om wanhopig te worden! Dan is de
blijde boodschap veranderd in een doemvonnis, dat allen
veroordeelt, en alle hoop voor eeuwig afsnijdt. Doch, Gode
zij dank! Jezus is als Heiland gekomen; Hij heeft den
vloek gedragen, de schuld verzoend, en Hij doet nieuwe
levenskracht indalen in allen, die in Hem gelooven. Hij
maakt de Zijnen tot kinderen Gods, en stort door den H.
Geest hun den kinderzin in het hart. En waar Hij dat
heeft gedaan, daar komt Hij nu eischen: gij kinderen
-ocr page 117-
111
Gods! gedraagt u als Gods kinderen! openbaart het leven,
dit u is medegedeeld!
De gansclie Bergrede wordt eerst verstaanbaar, als zij
met dien achtergrond in betrekking gesteld wordt. Zoo
menigeen roemt hare verhevene voorschriften, die van een
Middelaar en Verzoener niet weten wil. Voorwaar! wij
zeggen niet tot de zoodanigen: houdt op met de Bergrede
te prijzen! Neen, wij roepen hen toe: maakt ernst met die
Bergrede; dring telkens dieper door in hare eischen, en als
gij dan uw hart en uw leven in waarheid meet aan dezen
maatstaf, dan spoort die Bergrede zelve u aan, om voor
uw schuldig en machteloos hart een rijken Heiland te zoe-
ken! Is u de Bergrede een tweede wet, dan moet zij u
zijn hetgeen de wet is bestemd te wezen, namelijk een
tuchtmeester tot Christus. Eerst waar de Christus de Red-
der en Koning uwer ziel werd, kan u de Bergrede toonen,
hoe zich het leven der dankbaarheid moet ontplooien, dat
Zijne genade verheerlijkt.
V. 19. 20. Zoo wie dan één van deze minste ge-
boden zal ontbonden, en de memchen alzoo zal geleerd
hebben, die zal de minste genaamd worden in hel
koninkrijk der Hemelen. Want Ik zeg u: tenzij uwe
gerechtigheid overvloediger zij, dan der Schriftgeleerden
en der Farizeën, dat gij in het koninkrijk der Hemelen
geenszins zult ingaan.
Behoudt de gansche wet hare kracht tot het eiud der
eeuwen, omdat zij de uitdrukking is van den wil des Eeuwi-
gen en Onveranderlijken, dan volgt daaruit eerstelijk, dat
het geenen leeraar vrijstaat, daarvan iets af te doen; ten
andere, dat in de praktijk des levens van een iegelijk de
meest volkomene wetsbetrachting wordt gevorderd.
-ocr page 118-
112
Het eerste spreekt de Heer uit in vs. 19. Dat Hij dit
zegt tot hoorders, die zelve niet in de omstandigheden waren
om als leeraren op te treden, doet zien, dat Hij door deze
uitspraak èn aangaande ziehzelven wil te kennen geven,
dat Hij de wet niet komt ontbinden, èn een toestand op
het oog heeft, waarin Zijne discipelen leeraren des volks
v zouden worden. De eigenaardige uitdrukking: „ontbinden"
stelt de geboden voor onder het beeld van een opgelegden
last, en verspreidt licht over het binden en ontbinden in
Hoofdstuk XVIII, waarover daar ter plaatse nader moet
gehandeld worden.
                                      *
Het andere is een woord, dat rechtstreeksche toepassing
heeft op een iegelijk, tot wie de wet des Heeren komt.
Maar welk een eisch! Farizeën en Schriftgeleerden stonden
onder het volk in eere, als de stiptste wetbetrachters. Voor
hen waren de geboden van wet en profeten nog niet genoeg;
zij omtuinden, gelijk zij dat uitdrukten, die geboden nog
door eene menigte toegevoegde bepalingen, opdat toch maar
de vervulling dier geboden te meer verzekerd zou zijn. En
zulk eene wetsbetrachting moest nog overtroffen worden!
Hoe zou dat mogelijk zijn?
Voorzeker niet door nieuwe bepalingen toe te voegen aan
de reeds bestaande, konden Jezus discipelen een hoogere
gerechtigheid verkrijgen. In het reglementeeren van uiter-
lijk heden was het niet wel mogelijk verder te gaan, dan de
Farizeën reeds gingen. In hoeveelheid kon deze gerechtig-
heid niet overtroffen worden, — maar wel in hoedanigheid.
Wat Farizeën en Schriftgeleerden deden met knechtelijken
zin, in hoop op loon, met streeling van eigen hoogmoed,
dat moesten Jezus discipelen doen door den drang der dank-
bare kinderliefde, door de toewijding der ziel aan den Heer,
die den wil des Vaders tot de eigen keuze des harten
-ocr page 119-
113
maakte. Slechts een aldus vernieuwd gemoed behoort tot
het koninkrijk der Hemelen; het gaat dat koninkrijk in,
wanneer de volle openbaring daarvan aan het eind der
eeuwen zal gekomen zijn, ja ! het is reeds onderdaan van dat
koninkrijk in dezen aardschen levenstijd, waarin dat ko-
ninkrijk nog immer komende, nog niet in volle heerlijkheid
gekomen is.
V. 21—22. Gij hebt gehoord, dat tot de ouden
gezegd is: Gij zult niet dooden, maar zoo loie doodt,
die zal strafbaar zijn door het gericht.
Doch Ik seg u: zoo. wie te onrecht op zijnen broe-
der toornig is, die zal strafbaar zijn door het gericht;
en wie tot zijnen broeder zegt: Raka! die zal straf-
baar zijn door den Grooten Raad; maar wie zegt: Gij
dwaas! die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.
„Ik ben gekomen om de wet te vervullen" had de Heer
(Vs. 17) gezegd. Wat de wet eischte, komt Hij niet ver-
zwakken, maar verscherpen. Hoe dat bedoeld is, wijst Jezus
nu in eenige voorbeelden aan. Eerst vermeldt Hij telkens,
wat tot de ouden gezegd is, om er daarna Zijn: „Doch Ik
zeg u!" tegenover te plaatsen. Wat Hij vermeldt is niet
van of door de ouden gezegd, alsof dit slechts menschelijke
instellingen zouden zijn: de inhoud der woorden zelf toont,
dat de vertaling: „tot de ouden" gehandhaafd moet worden.
Het zijn geboden Gods, die Jezus aanhaalt; geboden Gods,
tegenover welke Hij Zijn: „Doch Ik zeg u" stelt. Wie moet
dan Hij zijn, die alzoo spreken kan ? Welk schepsel zou
gewaagd, welk Israëliet bovenal zich verstout hebben, om
het eigen woord tegen het Godswoord over te plaatsen?
Voorwaar! al kenden wij onzen Heiland alleen uit deze
RoozrareuER, Ev. Matth. I.                                                           8
-ocr page 120-
114
Bergrede, wij zouden gedrongen worden door een woord als
dit tot erkenning Zijner goddelijke natuur. Leeraars, profeten
zölfs, konden slechts voortbouwen op den grondslag, gelegd door
de Godsopenbaring aan Mozes gegeven. Alleen de eeniggeboren
Zoon, die den Vader volkomen kent, en uit de machts-
volkornonheid des Vaders spreekt, kan den tijd der voor-
bereiding gesloten, en eene nieuwe, hoogere Bedeeling ge-
komen verklaren. Wetgevend voor alle eeuwen der aanvanke-
lijke heilsopenbaring was de wetgeving van Sinai; maar nu,
nu spreekt God op nieuwe wijze door Hem, die het af-
schijnsel Zijner heerlijkheid is.
Iets nieuws wordt in de- plaats van het oude gesteld.
Intusschen, de nieuwe Bedeeling is gegeven door denzelfden
God, die eertijds de oude Bedeeling schonk. Daarom is
dit nieuwe niet in tegenspraak met het oude: het is er
alleen de volle ontplooiing van. „Het Nieuwe verbond,"
zegt een kerkvader (Augustinm) naar waarheid, „is in het
Oude verborgen; het Oude Verbond wordt in het Nieuwe
openbaar." De eisch des Heereu was in de eischen der wet
wel waarlijk nedergelegd; alleenlijk, die eigenlijke eisch
schemerde slechts heen door de uiterlijke wetsbepalingen.
Israël kon nog niet ten volle dragen, wat God van Zijn
schepsel vordert; daarom wordt slechts het uiterste des
kwaads verboden. Alzoo moest het volk worden opgeleid,
naar de opvoedende wijsheid Gods; later eerst, bij voller
mededeeling der genade, kon de volle omvang van den wil
Gods worden verstaan.
Waar dus nu de eisch der Nieuwe Bedeeling moet uitge-
sproken worden, behoeft alleenlijk de grondgedachte, neder-
gelegd in het gebod der Oude Bedeeling, worden te voorschijn
gebracht. De tegenstelling lost aldus in eene hoogere eenheid
zich op.
-ocr page 121-
115
Een eerste voorbeeld van den strengeren eisch der Nieuwe
Bedeeling geeft de Heer in de verdere strekking, door Hem
aan het zesde gebod toegekend. „Gij zult niet dooden!"
had Jehovah op den Sinaï gesproken, en als nadere beves-
tiging daarvan was in de wet (Levif. XXIV. 17) geschre-
ven: „Als iemand eenige ziel des menschen verslagen zal
hebben, hij zal zekerlijk gedood worden." Zulk een vonnis
werd geveld en voltrokken door de plaatselijke rechtbank
van iedere stad, (Deut. XVI. 18). Aanklachten wegens
misdaden van geestelijken aard, lastering van den Naam
Gods, werden daarentegen behandeld door den raad der
zeventigen, het Sanhedrin.
Met dit verbieden van den doodslag was intusschen alleen
het uiterste des kwaads genoemd; waar God den doodslag
verbiedt, daar verbiedt Hij tegelijk haat en nijd, als zijnde
de wortel van den doodslag. Dit nu was, in de gansch
uitwendige opvatting der wet, gelijk die door de Parizeen
gangbaar gemaakt was, geheel over het hoofd gezien. Het
was, alsof eene bloote gehoorzaamheid aan de letter der
wet voldoende was. Hiertegen is het, dat het onderwijs
van Jezus zich richt. Niet slechts de doodslager is straf-
baar: reeds wie ten onrechte op zijn broeder toornt, is
strafbaar. „Ten onrechte"; want er is ook een rechtma-
tige, een heilige toorn, een afkeer van het kwade, zonder
bijmengsel van zelfzucht, zooals dan ook onze heilige Heer
zelf heeft getoornd tegenover huichelarij en valschheid. Maar
wie ten onrechte toornt; wie toornig is, omdat zijn eigen ik
gekwetst is, of zijn eigen belang schade lijdt, die is even
strafbaar als de doodslager. En wie tot zijn broeder zegt
„Raka!" d. i. ijdel mensch, leeghoofd! ■—die is zelfs stral\'-
baar voor de rechtbank, die over geestelijke zaken vonnissen
moet. En wie zegt: gij dwaas! d. i. naar het spraakgebruik
-ocr page 122-
116
i des Ouden Verbonds: een mensch zonder God, een looche-
chenaar van Gods bestaan (vgl. Ps. XIV. 1,) —die zal de
straf lijden van dat helsche vuur, waartoe hij den door hem
gelasterde zou willen verwezen zien.
Duidelijk geeft de Heer door deze woorden te verstaan,
dat de booze wil voor God strafbaar is als de booze daad.
Hoe zou het anders kunnen zijn, in het oordeel van den
Kenner der harten, waar toch alleen het aan de gelegen-
heid ontbreekt, om uit den wil de daad te doen voortko-
ïnen? Niets minders dan zuiverheid des gemoeds kan vol-
staan voor den Alwetenden God.
V. 23—26. Zoo gij dan uwe gave zult op het
altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt, dat uw
broeder iets tegen u heeft, laat daar uwe gave voor
het altaar, en gaat heen, verzoent u eerst met uioen
broeder, en komt dan, en offert uwe gave.
Weest Uaastelijk welgezind jegens uwe wederpartij,
terwijl gij nog met hem op den weg zijt, opdat de
wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en
de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de ge~
vangenis geworpen wordt.
Voorwaar, Ik zeg u: Gij zult daar geenszins uit ko-
men, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.
Tot hiertoe heeft de Heer nog alleen het verbod ver-
scherpt. Thans gaat Hij wijzen op het gebod, dat daarin
verborgen ligt. Gij zult niet dooden, niet haten! is slechts
de keerzijde van: gij zult liefhebben. De onderdanen des
Koninkrijks mogen niet alleen geen kwaad anderen aan-
doen; zij moeten daarenboven alles uit den weg ruimen, wat
bitterheid en boosheid zou kunnen doen ontstaan. Zoo dringend
-ocr page 123-
117
is die plicht, dat al het andere er voor wijken moet. De I
hoogste godsdienstige verrichting in het leven van een Israëliet
was het brengen van zijn offer in het heiligdom Gods. Welnu!
indien hij in dit plechtig oogenblik indachtig wordt, dat
zijn medemensen iets tegen hem heeft, dan stake hij zijne
godsdienstige handeling, totdat eerst die zaak uit den weg
geruimd is.
„Indien uw broeder iets tegen u heeft." Dat is nog
sterker dan wanneer de Heer zeide: Indien gij iets tegen uwen
broeder hebt. Het eerste toch kan bestaan zonder dat in het
hart van hem, die zijne gave zou brengen, bitterheid aanwezig
is; het kan zijn dat eene onopzettelijke verrichting, eene niet
kwaad bedoelde daad tot zulke verwijdering heeft aanleiding
gegeven. Hoe licht zou het eigen bewustzijn dan vrijspreken
van alle schuld! Maar de Heer, die wel op hunne plichten,
docb geenszins op hunne rechten den blik der zijnen wil
gevestigd zien, vermaant de onderdanen des Koninkrijks om
in alles de minsten te wezen, en te pogen, de gestoorde
harmonie weder te herstellen. Dan eerst, als zij in het reine
zijn met hunnen broeder, als alle oorzaak van verwijdering
is weggenomen, kunnen zij met een verruimd hart, met
een hart, dat hen niet veroordeelt in het naderen tot God,
toegaan tot Zijn heiligdom, en Hem de hulde hunner aan-
bidding brengen.
Van dezelfde strekking is de nu volgende vermaning.
Wie er gelijk heeft, Jezus discipel of zijne tegenpartij,
laat de Heer geheel in het midden. Wat Hij, voor alle
gevallen, vermaant is: verzoen u met die tegenpartij, eer
de zaak voor den rechter komt. Kennelijk is sprake van
een gewoon rechtsgeding, — maar schemert toch nog niet
eene andere bedoeling door, waar de bedreiging wordt toe-
gevoegd van eene gevangenschap, waaruit geene bevrijding
-ocr page 124-
118
mogelijk is? De mensch is op aarde een reiziger naar den
Troon des gerichts; zoo zorge hij dan, dat.dddr geen aan-
klager tegen hem opsta; hij zij inschikkelijk en verzoenings-
gezind, wetende, dat hij zelf alleen van genade kan leven!
V. 27—30. Gij helt gehoord, dat tot de ouden
gezegd is: Gij zult geen overspel doen.
Maar Ik zeg u, dat zoo wie eene vrouw aanziet
om haar te begeeren, die heeft alreeds overspel in zijn
hart\'met haar gedaan.
Indien dan uw rechteroog u ergert, trekt het uit,
en iverpt het van uj want het is u nut, dat een uwer
leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel
geworpen worde. Fm indien uwe rechterhand n ergert,
houwt ze af, en werpt ze van u; want het is n nut,
dat een uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam
in de hel geioorpen worde.
Een tweede voorbeeld van wetsverscherping, die toch
eigenlijk slechts aanwijzing is van wat de wet zelve bedoelt,
voegt de Heer aan het eerste toe. Tot de ouden, — niet:
„van de ouden," want een goddelijk gebod, en niet eene
menschelijke uitbreiding der wet wordt genoemd, — tot de
ouden is gezegd: Gij zult geen overspel doen. Letterlijk
wordt dus alleen de echtbreuk verboden. Reeds was het
iets, reeds was het veel, indien het volk, pas uit de ver-
wildering der slavernij ontkomen, zich onthield van schen-
ding des huwelijks, en dezen vasten grond des maatschap-
pelijken levens eerbiedigde. Daarom wordt zelfs de hoererij
hier nog niet uitdrukkelijk genoemd, veel minder de licht-
zinnige omgang van het ééne geslacht met het ander, of
een der vele dingen, die de reinheid kunnen bevlekken*.
-ocr page 125-
119
Maar de bedoeling van den heiligen God kan niet beperkt
zijn tot het buitensluiten van het uiterste des kwaads.
Daarom stelt de Heiland, die de Nieuwe Bedeeling aanbrengt,
tegenover het wetsvoorschrift de geestelijke uitspraak : „Wie
eene vrouw aanziet om haar te begeeren, die heeft reeds
overspel in zijn hart met haar gedaan." De booze, vleesche-
lijke lust, opgekomen in het hart, en gevoed door het
verwijlen der gedachten bij dezen lust, is de kiem, waar-
uit later de zondige daad voortkomt, indien geene tus-
schenkomende verhinderingen dat beletten. Zoo is dan
die lust, die begeerte, in het oog van den Kenner der
harten, strafbaar en schuldig als de gepleegde misdaad
zelve. In het hart is de zonde bedreven, al is het uitwen-
dig gedrag nog onbevlekt: hoe zou dan de overtreder vrij
uitgaan, als had hij slechts te rekenen met menschelijk recht ?
Zulke reinheid, als alleen voor den heiligen God wel-
behagelijk zijn kan, moet eene reinheid zijn, niet slechts
van de uitwendige daden, maar van de innerlijke bewegin-
gen des gemoeds. Wie, die geen vreemdeling is in zijn
eigen binnenste, kan tegenover zulke eischen zeggen: ik
ben vrij van overtreding? Wie voelt niet, dat de Bergrede,
méér nog dan de wet van den Sinaï, den zondaar in het
stof werpt, en de noodzakelijkheid doet gevoelen aan een
bloed der verzoening, dat den schuldige ontzondigt ? Voor-
waar ! zij weten niet wat zij doen, die van het Evangelie
alleen de Bergrede willen laten staan, en het overige ver-
werpen ! Wat zij overhouden, losgemaakt van de Bedeeling
der genade, waarvan het bestemd is een onderdeel te zijn,
is tot niels anders geschikt, dan om het ernstig hart wan-
hopig te maken. Doch — wij komen daarop nader terug
als wij de beschouwing van de Bergrede hebben ten einde
gebracht.
-ocr page 126-
120
Op den strengen eisch, dien de Heer doet hooren, laat
Hij eene vermaning volgen omtrent het wederstaan van
alles, wat ergernis geeft. Het één is ten nauwste aan het
andere verbonden. Hoe zwaarder de plicht is, te eerder
doet zich iets voor wat daarvan zoekt af te leiden, wat van
den rechten weg afvoeren wil.
Van den rechten weg afvoeren. Dat is het, wat eigenlijk
het wezen van ergernis is. In de letterlijke beteekenis is
het woord, dat door „ergernis" wordt overgezet: een steen
op den weg, waarover men struikelt, Eene ergernis, een
steen des aanstoots, is dus datgene, wat iemand doet vallen
0]j den weg, dien hij moet betreden; of, met geringe wijzi-
ging van beteekenis: wat iemand van den rechten weg doet
afwijken.
Zoo verstaan wij dan, wat de Heer bedoelt als Hij zegt:
„Indien uw rechteroog u ergert; indien uwe rechterhand u
ergert." Het is, alsof Hij zeide: Wat u ook oorzaak van
vallen, oorzaak van afwijking van den rechten weg zijn
i zou, al ware het u dierbaar en schijnbaar onmisbaar als
uw oog of uwe hand, — doe het van u! Op dat ééne
komt het aan, dat gij op den rechten weg van Gods gebo-
den wandelt; offer alles op, wat u daarin verhinderen zou!
De Heer gebiedt hier iets veel zwaarders, dan wanneer Hij
zeide, dat zondige lusten moeten prijs gegeven worden,om Gode
welbehagelijk te wandelen. De hand, het oog is door God
gegeven. Slechts met beide oogen en beide handen is de
mensch in normalen toestand; slechts met beide kan hij
ten volle zijne levensbestemming vervullen. En toch, —
toch kunnen er omstandigheden zijn, waarin hij dat oog
uitrukken, die hand afbouwen moet, namelijk als hij alleen
zóó het eeuwig leven beërven kan. Voor dit hoogste, het leven
Gods, moet alles wijken, wat belemmering opleveren zou.
-ocr page 127-
121
Zoo geeft dan deze figuurlijke rede te verstaan, dat er
dingen kunnen zijn, onschuldig op zichzelf, maar die voor
bepaalde personen of in bepaalde omstandigheden tot gevaar
voor de ziel kunnen worden. Laat het ons ophelderen met
een paar voorbeelden.
Daar kan een omgang zijn van personen van verschillend
geslacht, liefelijk, opbouwend, opscherpend, — maar die
onder bepaalde omstandigheden leiden zou op wegen, die
de teederheid van den omgang met God in gevaar brengen.
Daar kan een ingaan zijn in onderzoekingen, nuttig en
prijselijk in zich zelve, — maar die voor een bepaald per-
soon aanleiding kunnen wezen om van den naasten plicht
de aandacht af te trekken.
Daar kunnen maatschappelijke verhoudingen zijn, op
zichzelve onberispelijk, maar die voor eenig gemoed gevaar
van eerzucht, gevaar van geldbejag opleveren.
In alle deze en dergelijke gevallen geldt de eisch: ruk
uit het oog! Houw af de hand! Zeker, uw leven wordt
armer daardoor. Zeker, aan schoonschijnende verontschuldi-
gingen om deze dingen aan te houden, die immers in zich-
zelve zoo onschuldig zijn, zal het u niet ontbreken. Maar,
zoo lief als u uwer ziele zaligheid is, breek af! laat varen!
Beter die uiterlijke verarming; beter dat het niet komt tot
ontplooiing uwer krachten; beter dat gij, geestelijk verminkt
en verzwakt, door het aardsche leven henenreist, dan dat
gij het leven uwer ziel zoudt verliezen. Het eeuwige moet
gaan boven het tijdelijke: wat zegt alle aardsche gemis, te-
genover het gewinnen des hemels?
Zondige lusten moeten van zelf, moeten in elk geval
worden opgeofferd. Maar deze in zich zelve rechtmatige
dingen moeten alleen dan geofferd worden, als zij voor
de ziel een gevaar opleveren zouden. Daarom kan alleen
-ocr page 128-
122
die ziel zelve beoordeel en, of zulk een geval aanwezig is.
Besturing van menschen brengt hier geen nut. Maar Hij
die de leiding Zijns Geestes beloofd heeft, Hij, die de ziel
vatbaar gemaakt heeft om de gemeenschap Zijner liefde te
kennen, en dus ook om te onderkennen, of die gemeenschap
belemmerd of afgebroken wordt, Hij laat geen gemoed in
het onzekere, dat eerlijk en oprecht voor Hem begeert te
leven.
V. 81. 32. Er is ook gezegd: Zoo wie zijne vrouw
verlaten zal, die geve haar eenen scheldbrief.
Maar Ik zeg u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten
zal, anders dan uit oorzake van hoererij, die maakt,
dat zij overspel doet; en zoo wie de verlatene zal
trouwen, die doet overspel.
Van zelf valt het nauw verband in het oog, tusschen
hetgeen de Heer hier bespreekt, en de voorafgaande uit-
breiding van het verbod van echtbreken. Hier handelt de
Heer over het verlof, gegeven in Deut. XXIV. 1. „Wanneer
een man eene vrouw zal genomen en die getrouwd hebben,
zoo zal het geschieden, indien zij geene genade zal vinden
in zijne ooge,7i, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden
heeft, dat hij haar eenen scheidbrief zal schrijven, en in
hare hand geven, en ze laten gaan uit zijn huis." Die be-
paling was eene beperking van het onbepaalde recht van weg-
zending, dat in de oudheid aan den man werd toegekend.
Wie een scheidbrief geven moest, kon niet in eene oogen-
blikkelijke opwelling van toorn zijne vrouw verstooten. Ja,
t waar de kunst van schrijven bijna uitsluitend bij de priesters
en levieten gevonden werd, maakte dit voorschrift eene
tusschenkomst noodzakelijk, die nog langduriger oponthoud,
-ocr page 129-
123
nog langer gelegenheid om tot inkeer te komen, veroorzaakte.
Volkomen begrijpelijk is zulk eene toelating voor eenen
volkstoestand, die strengeren eisch nog niet dragen kon.
Desniettemin was het slechts eene toelating vanwege de
hardheid des harten, niet de uitdrukking van de eigenlijke
bedoeling Gods met het huwelijk. Naar die bedoeling is het
huwelijk een band voor het leven. Eéne zaak alleen wettigt
echtscheiding, namelijk de feitelijke verbreking van het
huwelijk door overspel. Heeft de vrouw zelve den heiligen
band verbroken, dan bestaat ook die band niet meer, en is
de beleedigde echtgenoot gerechtigd ook den schijn van het
bestaan van dien band te doen ophouden door echtscheiding-
In alle andere gevallen is de echtscheiding tegen de orde-
ningen Gods, en het aangaan van een nieuw huwelijk door
de aldus ontbondenen, in Gods oogen overspel.
De burgerlijke wetgeving der Christelijke volken laat
tot echtscheiding meerdere vrijheid, dan die in dit woord
van Jezus is gegeven. Dit geschiedt, omdat die burgerlijke
wetgeving rekening houden moet, niet met den eisch der
heiligheid voor Christenen, maar met den feitelijken toestand
des volks, dat wel onder christelijke beademing leeft, maar
desniettemin er verre af is, uit wedergeborenen te bestaan.
Om grooter kwaad te voorkomen moet de echtscheiding,
buiten oorzaak van hoererij, wel zeer bemoeielijkt, maar
niet gansch onmogelijk worden gemaakt. Ook de Boomsche
kerk, schijnbaar op dit punt gestrenger dan de Protestant-
sche, opent eene deur, door de dispensaties des Pausen.
Voor de maatschappij gelijk ze is, kan dat ook niet anders.
Maar voor den waren Christen is alléén, wat de Heer noemt,
wettige reden van scheiding; andere gewichtige redenen kunnen
hem de verbreking van het samenleven noodzakelijk maken,
maar niets kan hem tot het aangaan van een ander huwelijk
-ocr page 130-
124
vrijheid geven. Zekerlijk, in zulke omstandigheden heeft hij
een kruis te dragen, — doch wie of wat zou recht geven, een
kruis, hoe zwaar het zij, van de schouders te werpen?
Heui moet het huwelijk heilig en onverbrekelijk blijven,
ook waar het hem niet een zegen Gods, maar een lijden
brengt.
V. 33—37. Wederom hebt gij gehoord dat tot de
ouden gezegd is: Gij zult den eed niet breken, maar
gij zalt den Heere uwe eeden houden.
Maar Ik zeg %i: zweert ganschelijk niet; noch hij
den hemel, omdat hij is de troon Gods; noch bij de
aarde, omdat zij is de voetbank Zjner voeten; noch
bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des grooten Ko-
nings ; noch bij uw hoofd zidt gij zweren, omdat gij
niet één haar kunt wit of zwart maken; maar laat
uw woord zijn ja, ja; neen, neen; wat boven deze
is, dat is uit den booze.
Een nieuw voorbeeld van uitbreiding der wet, die slechts
ontwikkeling is van bare eigenlijke bedoeling, geeft de Heer
in hetgeen Hij omtrent het eedzweren zegt. Hoewel niet
letterlijk, geeft Hij naar den zin der woorden in vs. 33
terug, wat in Levit. XIX. 12. Num. XXX. 2 en Deut.
XXIII. 23 gezegd is. In al deze plaatsen is de meineed
verboden. De kleingeestigheid en letterknechterij van het
latere Israël had intusschen in de omstandigheid, dat in
die plaatsen telkens sprake is van een zweren „bij den
Heer", aanleiding gevonden om allerlei eedzweringen, zoo
daarin slechts de naam des Heeren niet uitdrukkelijk ge-
noemd we.rd, voor geoorloofd te houden. Zoo zwoer men
dan, blijkens wat de Heiland hier opnoemt, bij den hemel,
-ocr page 131-
125
bij de aarde, bij Jeruzalem, bij zijn hoofd. Uit eene
andere rede van Jezus, in Mt. XX [II opgeteekend, weten
wij, dat de eeden, bij zulke voorwerpen gezworen, niet
voor verbindend gehouden werden, zoodat dit zweren dus
slechts een schijn van gewicht aan de verzekeringen, die
zij vergezelden, moesten toevoegen. Hierdoor wordt ver-
klaarbaar, waarom de Eleer hier, in de Bergrede, er op
wijst, dat men in al die eeden toch eigenlijk bij God zweert.
De hemel is Zijn troon; de aarde de voetbank Zijner voe-
teu: wat aan hemel en aarde beteekenis geeft, is dat ze
Zijn maaksel, en de openbaringen Zijner heerlijkheid zijn.
Jeruzalem is boven alle steden der aarde gezegend als de
plaats van het heiligdom Gods; bij die stad te zweren, is
dus te zweren bij Hem, die aan deze stad hare waarde
geeft. Des menschen hoofd is niet zijn, maar Gods werk;
zelfs aan de haren, het nietigste des lioofds, kan des men-
schen wil geene andere kleur geven, dan zij hebben, al
vermag zijne kunstvaardigheid eene andere kleur daarboven
te leggen; wie dus zweert bij het hoofd, zweert bij den
Schepper daarvan.
Iedere eed is dus een zweren bij God. Dit ligt in den
aard der zaak. Een eed moet verzekering aanbrengen. Dat
kan de eed slechts doen, door een beroep te zijn op den
Alwetende. Wat dus op den bodem ligt van al die ver-
basterde eeden, is juist dat, wat men door de verbastering
zou willen, maar niet kan ontwijken: God aanroepen tot
getuige voor de waarheid van wat men zegt.
En nu, na alle eedzwering te hebben teruggebracht tot
een zweren bij God, nu laat Jezus volgen, niet, gelijk
misschien Zijne hoorders verwachtten, „zweert alleen bij den
Heer, en houdt die eeden getrouwelijk," maar: „Ik zeg u,
zweert ganschelijk niet." Het ideaal, dat de Koning van
-ocr page 132-
126
het Godsrijk Zijnen onderdanen voorhoudt, is dat ieder
woord, ieder eenvoudig ja! of neen! de kracht, de betrouw-
baarheid van eenen eed hebben zal. Ziedaar de eigenlijke,
beteekenis van het gebod der wet, nu, in de volheid des
tijds, blootgelegd. Waarom was er gezegd: „Gij zult den
eed niet breken?" Opdat er eene vastheid wezen zou, die,
in gewichtige gevallen des levens, de goede trouw hand-
haven zou. Het is de zonde, die de menschelijke natuur
bedorven heeft, welke zoodanigen waarborg noodzakelijk
maakt. Door de zonde is de leugen in de wereld gekomen,
het ontwijken der waarheid uit eigenbelang. Tegen die nei-
ging stelt het eedzweren, het beroep op den Alwetende,
oenen dam. Maar het diepst van Gods wil is, niet dat te
midden van den doorgaanden stroom der onwaarheid, een
afgezonderd terrein voor de waarheid aanwezig zal zijn, doch
dat het gansche leven onder de heerschappij der waarheid
zal komen. Het ja! moet ja! het neen! moet neen! zijnen
blijven. Al wat daarboven gaat, al wat nadere verzekering
aan de bevestiging of ontkenning wil geven, is uit den
Booze. Want al die verzekeringen duiden aan, dat het enkele
ja! of neen ! niet betrouwbaar is. En wie waarborgt nu voorts,
dat dan deze verzekeringen ernstig gemeend zijn ? Wie het over-
vloedigst zijn met hunne krachtigste betuigingen, zijn het
minst te vertrouwen. Kegel en eisch van het Godsrijk is,
dat elk woord de kracht hebbe van eenen eed, als gespro-
ken in de tegenwoordigheid Gods, gesproken door hen, die
zich kinderen noemen van den God der waarheid.
Zweert ganschelijk niet! Dit woord verbiedt den eed zoo
zonder voorbehoud, dat de vraag zich van zelf voordoet,
met welk recht de gansche Christenheid, met uitzondering
alleen van de Doopsgezinden, den eed heeft gehandhaafd?
Bij deze bespreking wijzen wij aanstonds eene zeer ver-
-ocr page 133-
127
breide opvatting van den eed af, als ware deze eene in-
roeping van Gods vloek, voor het geval, dat men onwaar-
heid spreken zou. Ware de eed dit, dan zou hij in alle
omstandigheden verboden zijn. Maar de eedsformule zelve:
„zoo waarlijk helpe mij God almachtig!" wijst aan, dat
hier geen vloek wordt ingeroepen. Door deze plechtige
woorden spreekt de mensch, die den eed aflegt, uit, dat zoo
waarlijk hij in zijn leven Gods hulp en zegen begeert, zóó
waarlijk de waarheid door hem gesproken wordt. De eed
is, in zijn wezen, eene betuiging, dat inen, bij wat men
gaat verklaren of beloven, aan God denkt, en dus in het
bewustzijn van Zijne tegenwoordigheid spreekt. Alleen over
zulk eedzweren handelen wij, en zeggen dan, dat het recht
daartoe ligt in eene juiste onderscheiding tusschen de inaat-
schappij en het Koninkrijk Gods. Bestond die maatschappij
uit louter wedergeborenen, dan zou eedzwering ongerijmd
en overbodig wezen. Doch daarvan is het verre af. Die
maatschappij bevat wedergeborenen in zich; die maatschappij
leeft, in Christenlanden, onder de beademing en bearbei-
ding des Evangelies, doch zelve is zij niet Christelijk. Zij
bestaat uit wedergeborenen en onwedergeborenen samen, ja!
tot het eind der eeuwen toe vormen zij, die daarin waarlijk
den Heer toebehooren, de minderheid. Die maatschappij nu
heeft, bij gewichtige handelingen en verbindingen, behoefte
aan zekerheid. Had zij enkel met ware Christenen te doen,
ze zou slechts een ja! of neen! behoeven te eischen. Doch
nu moet zij de meuschen nemen gelijk zij zijn. In deze
menschen leeft en heerscht het eigenbelang, dat het met de
waarheid niet nauw doet nemen. Maar bij deze menschen
is nochtans een besef van de hoogheid en heiligheid Gods,
indien zij gedwongen worden, opzettelijk aan Hem te denken.
Welnu! bij de eedsvordering plaatst de maatschappij den
-ocr page 134-
128
mensch als in de tegenwoordigheid Gods, en stelt hem den
eisch, dat hij zijne getuigenis spreken, zijne gelofte afleggen
zal, denkende aan God. Zoo is er dan in de eedsvordering
eene eere, die de maatschappij den mensch aandoet, want
zij drukt er het vertrouwen mede uit, dat, zoo hij bij zijn
spreken aan God denkt, zijn spreken overeenkomstig de
waarheid zijn zal. Maar aan de andere zijde legt die eeds-
vordering den mensch eene schande op, omdat zij uitgaat
van de veronderstelling, dat zonder zulk eene opzettelijke
heenwijzing op God, zijn eenvoudig ja! of neen! niet be-
trouwbaar is. Voor den Christen is het vernederend, eenen
eed te moeten afleggen. Doch aan die vernedering heeft hij
zich te onderwerpen, omdat de maatschappij niet bevoegd
of in staat is te beoordeelen, wie christenen zijn. Zoo blijft
dan ook in het midden der christenheid de eed „het eind
van de tegenspreking" (Hebr. VI. vs. 16), gelijk de Koning
van het Rijk der waarheid zelf is ingegaan op de bezwe-
ring door Kajafas (XXVI. 63). De verwerping van den eed
door de Doopsgezinden hangt ten "nauwste samen met de
vereenzelving van de zichtbare Kerk en het Godsrijk, die
oorspronkelijk hun streven kenmerkte; wordt er erkend, dat
deze beide niet samenvallen, dan kan voor de maatschappij
de eed blijven gehandhaafd, in alle die gevallen, waarin hare
veiligheid dat eisclit, terwijl voor het persoonlijke, vrije leven
des Christens de regel blijft gelden: zweert ganschelijk niet!
Wat de maatschappij van hare leden slechts kan vorderen bij
plechtige en gewichtige aanleidingen, namelijk het spreken
als onder het oog van den alwetenden God, dat is de dage-
lijksche, de doorgaande regel voor den mensch, die burger
van het Godsrijk is geworden. Wat God in de heiligstel-
ling van den eed aan Israël voorhield, dat is, in den diepsten
grond, de vordering, dat in het gansche leven de waarheid
-ocr page 135-
129
heersche, e» alle leugen, als het eigen werk des duivels,
worde geschuwd.
V. 38—42. Gij hebt gehoord, dat gezegd is: oog
om oog en tand om tand.
Maar Ik zeg u, dat gij den booze niet loeder&taat;
maar zoo wie u op de rechterwang slaat, heer hem
ook de andere toe; en zoo iemand met u rechten wil,
en uwen rok nemen, laat hem ook d^n mantel; en zoo
wie u zal dwingen, ééne mijl te gaan, gaat met hem
twee mijlen. Geeft dengenen, die iets van u bidt, en
keert u niet af van dengenen, die van u leenen wil.
Deze uitspraak schijnt enkel eene tegenstelling met het
voorschrift der Oude Bedeeling, niet eene aanwijzing van de
diepere bedoeling daarvan te zijn. Toch is dat slechts schijn.
Het voorschrift van Ex. XXT. 24» „oog voor oog; tand
voor tand" is gewisselijk hard, — maar in vergelijking met
den toestand, waaraan deze rechtsregel een einde moest
maken, is daarin een groote verzachting te zien. De natuur
van den in zonde gevallen mensch drijft hem tot wraak, die
veel verder gaat dan teruggave van het geleden onrecht.
Die wraakzucht eischt zeventigmaal zevenmaal vergelding,
eenen doodslag voor eene ontvangene wonde (Gen. IV. 23).
Dit nu wordt ingetoomd door het wettelijk voorschrift;
verder mag men niet gaan, dan het ontvangen kwaad weder-
keerig te doen ondervinden. Dit was reeds veel; het was
zooveel, als in den toestand, waarin Israël tijdens de wet-
geving verkeerde, geëischt kon worden.
Eerst nu, waar de Koning van het Godsrijk de nieuwe
Bedeeling komt aanbrengen, kan uitgesproken worden, wat
het ideaal is, dat door de woorden der wet slechts heen-
Roozembijer, Ev. Matth. I.                                                           9
-ocr page 136-
130
schemert. Het Oude Verbond zegt: beperk de wraak! het
Nieuwe zegt: wreek u niet! vergeld geen kwaad met
kwaad! Die ideale vordering, dit doel waar de Christen naar
streven moet, wordt nu door den Heer op aanschouwelijke
wijze uitgedrukt in vs. 39—41. Behoeft het nog gezegd
te worden, dat deze woorden niet zijn op te vatten alsof
zij wettische voorschriften waren ? Eene letterlijke opvol-
ging zou de woede des vijands doen stijgen, of hem stij-
ven in het onrecht, dat hij begaat. Er zou geene hand-
having des rechts in de maatschappij mogelijk zijn, indien
men aan elk die kwaad deed nog daarenboven de gelegenheid
schonk zijn kwaad nog grooter te maken, en den roover
nog meer toevoegde, dan wat hij reeds nam. Daarbij, zóó
te handelen, zou anderen, voor wie men waken of zorgen
moet, ten zeerste benadeelen. Maar juist omdat eene letter-
lijke opvatting onmogelijk is, wordt de bedoeling des Heeren
verstaanbaar. Wat Hij inscherpt, is het tegendeel van de
wraakzucht. Beleediging en benadeeling moet de Christen
dragen zonder dat te willen vergelden. Daar moet in zijn
hart geen wortel van bitterheid opkomen tegen wie hem
aldus kwalijk behandeld heeft. Daarom, al is hij menigmalen
geroepen dat kwade te keeren, het geschiede nooit in een
gevoel van verbittering; het zij, waar het noodig is, eene
handhaving des rechts, doch zonder dat dit hartstocht gaande
maakt; het make geen verschil, of men zelf dat onrecht
lijdt, bij wat het zijn zou, indien een ander dat onrecht had
ondergaan.
De vermaning van het 42e vers hangt hiermede niet
onmiddellijk samen. „Geeft, dengenen die u bidt; keert u
niet af van dengenen, die van u leeuen wil". Dat is intus-
schen eene vermaning, die zonder nadere bepaling, evenmin
als een letterlijk voorschrift kan worden opgevat, als wat
-ocr page 137-
131
hier voorafgaat, en begrijpelijk is het dus, dat het daar-
mede samengevoegd wordt. Het is eene vermaning tot barin-
hartigheid, tot mededeelzaamheid, die eene bepaalde gezind-
heid eischt in den burger van het Godsrijk. Verhoudingen
en omstandigheden, plichten jegens huisgenooten, en wat
niet al, moet de maat en de wijze bepalen waarop die ge-
zindheid zich zal uiten, doch aanwezig moet de lust zijn
tot weldadigheid, en uitgesloten moet blijven de zelfzuchtige
waan, alsof alles slechts het eigen ik had te dienen. Vrij-
gemaakt en gezaligd staat de burger van het Godsrijk tot
zijne medemenschen in de verhouding van een, die den hoog-
sten schat heeft gevonden, en daarom zijne vreugde vindt
in geven, waar hij te voren slechts zocht te gewinnen.
V. 43—45. Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij
zult uwen naaste liefhebben, en uwen vijand zult gij haten.
Maar Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief; zegent ze,
die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten, en
bidt voor degenen, die u geteeld doen, en die u ver-
volgen; opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die
in de hemelen is; want Hij doet Zijne zon opgaan
over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen
en onrechtvaardigen.
De uitspraak, waarop de Heer hier terugwijst, staat niet
met zoovele woorden in het Oude Verbond te lezen. Wat
er aanleiding toe gaf, is hetgeen wij vinden in Levit.
XIX. 18: „Gij zult niet wreken, noch toorn behouden
tegen de kinderen uws volks; maar gij zult uwen naaste
liefhebben als u zelven: Ik ben de Heer I" Uitdrukkelijk
voorgeschreven wordt hier alleen de liefde tot den volks-
genoot; slechts hij wordt met den naam van „den naaste"
-ocr page 138-
132
aangeduid. Verder kon ook het wettelijk voorschrift, gegeven
aan een volk, dat pas aan de slavernij was ontkomen, on-
mogelijk gaan: het was reeds veel, indien zij althans hunne
volksgenooten als hunne broeders leerden beschouwen. Het
was een belangrijke schrede op den weg tot het doel, al
bracht liet ook nog niet tot dat doel zelf.
Het wettisch Israël intusschen, dat overal vraagt: met
hoe weinig kan ik volstaan? ziet in dit slechts met het
oog op de volksgenooten gegeven gebod van liefde, een
vrijbrief tot het haten der vijanden. En, naar den aard der
menschelijke natuur, bepaalt zich dat niet tot de vijanden
des volks, maar het wordt ook van toepassing geacht op
de persoonlijke vijanden. Zoo wordt de strekking van het
goddelijk gebod ganschelijk voorbijgezien, ja! in het tegen-
deel veranderd. En zoo moet dan wel het woord van
den Koning van het Godsrijk klinken als eene tegen-
stelling tegen het woord der Oude Bedeeling, al geeft het
alleen uitdrukking aan hetgeen daarin bedoeld en langzaam
voorbereid was.
„Ik zeg u: hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u
vervloeken; doet wel aan degenen, die u haten, en bidt
voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen \\"
Welk een eisch! Hier wordt gevorderd, wat bovenmensche-
lijk schijnt, ja! wat inderdaad boven het vermogen is van
de menschelijke natuur, gelijk die sinds den val is gewor-
den. Want hier hebben wij niet, als in vs. 39—42, te
doen met woorden, die door de omstandigheden noodzakelijk
beperking ontvangen; hier staan geen andere belangen
tegen de opvolging dezer geboden over. Zegenen van, bid-
dcn voor, weldoen aan vijanden is de eenvoudige en dui-
delijke eisch des Heeren. Hoe volkomen dat bedoeld wordt,
toont Zijn eigen goddelijk voorbeeld. Voorwaar! Hij heeft
-ocr page 139-
133
het niet maar voorgeschreven, Hij heeft het in beoefening
gebracht, Hij, die Zijn leven doorbracht in zegenen en
weldoen van een volk, dat Hem verstiet, die stervend nog
bad voor Zijne moordenaren.
Nog eens: Welk een eisch! Ach, indien dit slechts een voor-
schrift ware, door den leeraar der waarheid aan Zijne hoorders
gegeven, het zou het ernstig gemoed drijven tot wanhoop!
Maar de Christus der Bergrede is dezelfde, als die
van zich zei ven getuigt: Ik ben de ware wijnstok; en
van de Zijnen: gij zijt de ranken. Zijn leven is het,
dat Hij mededeelt aan wie in Hem gelooven, en Zijne
kracht wordt in hunne zwakheid volbracht. Daarom kan
Hij hier spreken, gelijk Hij doet. De Koning van het
Godsrijk beveelt niets, dan wat uitvloeisel is van Zijne
levensmededeeling. Was Hij niet de Verzoener der zon-
den, de Bron des nieuwen levens, de Bergrede zou nog
schrikwekkender zijn dan de wet Gods, op Sinaï gegeven.
De Christus der Bergrede is niet tegenover den Heiland te
stellen, dien de verloste gemeente belijdt als haar Heer
en haar God; Zijne Bergrede veronderstelt Zijn Middelaars-
werk, en ontleent aan dat werk hare kracht. Omdat Hij is,
die Hij is; omdat Hij geeft, wat Hij geeft, daarom kan Hij
aan de Zijnen den eisch eeuer liefde stellen, die alle men-
schelijke krachtsinspanning te boven gaat.
Hij, die de Zoon is, Hij maakt tot kinderen wie met Hein
zijn verbonden. Zoo kan Hij clan aan hen, die tot kinderen
gemaakt zijn, het voorbeeld voorstellen van den Vader, die
in de hemelen is. De Vader laat Zijne zon opgaan en Zijn
regen nederdalen, om daarmede boozen en goeden gelijkelijk
te zegenen. Zoo heeft dan ook het kind van God liefde te
betoonen, hetzij die liefde beantwoord of met vijandschap
vergolden wordt. Wat den natuurlijken mensch onmogelijk
-ocr page 140-
134
is, het wordt mogelijk voor hem, wiens hart is verwarmd
en gezaligd door de liefde Gods: zóó groot is die schat der
ziele, dat de begenadigde liefde kan geven, ook waar hij
vijandschap vindt, ter wille van de liefde, waarmede hij
zelf is gezegend.
Indien de Heer van Gods weldoen aan boozen en goeden
melding maakt, geeft Hij dan daarmede te kennen, dat er
bij God geen onderscheid is tusschen menschen en men-
sclien? Geenszins. Het zijn alleen uiterlijke zegeningen, die
aan rechtvaardigen en onrechtvaardigen gelijkelijk ten deel
vallen. Over boozen en goeden gaat de zon op; voor beiden
daalt de regen neder, maar de levensmededeeling der volheid
Gods is slechts voor de zielen, die zich tot Hem keeren.
Gods verborgen omgang vinden zielen, waar Zijne vrees in
woont. Dat onderscheid wordt door onzen Heiland nergens,
ook hier niet, uitgevvischt.
Ook dit vindt zijne afspiegeling in menschelijke verhou-
dingen. De kinderen Gods zijn geroepen aan allen, ook
aan hunne vijanden, liefde te bewijzen. Maar daarnaast staat
de broederliefde, die hen verbindt aan wie met hen den-
zelfden Vader toebehooren. Dat onderscheid verlaagt niet
die algemeene liefde tot iets oppervlakkigs; in uiting en
werking moet zij even sterk als de broederliefde zijn. A1-
leenlijk, waar die broederliefde zaligheid medebrengt voor
het hart, wordt de liefde tot de vijanden slechts onder
zwaren strijd beoefend. Hoc gedurig, hoe heftig komt de
natuurlijke neiging er tegen op! Hoe onmogelijk is het,
in haar te volharden, zonder het venster open te houden
naar het hemelsche Sion, opdat de kracht uit den hooge
het gemoed vervulle met dien ootmoed, die gaarne de hon-
derd penningen doet kwijtschelden, waar de tien duizend
talenten der eigene schuld niet toegerekend zijn.
-ocr page 141-
135
V. 46—48. Want indien gij liefhebt, die u lief-
hebben, wat loon hebt gij? Doen ook niet de tollenaars
hetzelfde ?
En indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet
gij boven anderen ? Doen ook niet de tollenaars alzóó?
Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die
in de hemelen is, volmaakt is.
De beteekenis van het woord „naaste" heeft de Heer,
naar de diepere bedoeling van het wetsvoorschrift alzóó
\'ontwikkeld, dat het niet slechts den volksgenoot, maar ook
den vreemde, ja zelfs den vijand omvat. Zulk een eisch
kon slechts aan de kinderen des koninkrijks worden ge-
steld, aan hen, die met hemelsche gaven en schatten waren
gezegend. Maar van dezulken dan ook kan en mag het
buitengewone worden gevorderd. Daarop wijst de Heer in
vs. 46 en 47.
„Indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt
gij ?" Dat wil hier zeggen: wat doet gij dan voor merk-
waardigs? Wat verricht gij, dat bijzondere gunst Gods tot
u trekken zou ? Liefde te betoonen, waar u liefde bewezen
wordt, is iets gansch natuurlijks, zóó zelfs, dat ook de
tollenaars, de verachten en uitgeworpenen, die beoefenen.
Naast het liefhebben, wordt nog het groeten genoemd.
De groet, die in Israël bestond in het „Vrede zij u \\" was
eene uiting, eene betooning der welwillendheid. Zoo wei- •
nig werd die groet als iets onverschilligs beschouwd, dat
nog tot op heden in het Oosten alleen aan geloofsgenooten
een groet gegeven, en die uitdrukkelijk teruggenomen wordt
indien hij bij vergissing is uitgesproken. Daarom noemt de
Heer dit groeten naast het liefhebben. De wereld bewaart
haar liefde en haren groet voor hen, van wie zij terugontvangt;
-ocr page 142-
136
gij kinderen des hetnelsclien Vaders, trekt niet die enge gren-
zen: van u is meer te eisenen, omdat gij meer hebt ontvangen.
Wat dat meerdere is, zegt de Heer niet uitdrukkelijk.
Maar het ligt opgesloten in den kindernaam, waarmede Hij
de Zijnen noemt. Zij staan tot God in eene nieuwe, in de
allerinnigste verhouding. De ban is van hunne zielen weg-
genomen; de vreeze heeft plaats gemaakt voor kinderlijk
vertrouwen. Mogen zij den Hoogheilige, den God Israels,
Vader noemen, dan is ook van de aldus gezegenden te
verwachten, dat zij in hunnen omgang, in hun handel en
wandel, zullen uitmunten boven wie buiten hunnen kring staan.
Die nieuwe verhouding wordt hier alleen als een bestaand
feit vermeld; met geen woord wordt gesproken van het-
geen haar tot stand brengt. Dat is, omdat de Zoon nimmer
Zijne eigene eere zoekt. Eerst de Geest, dien Hij zal
mededeelen, zal aan de Zijnen de heerlijkheid des Zoons
openbaren, door hen te doen verstaan, dat het alleen door
Hem is, dat zij zijn, die zij zijn. Immers, daar is iets
wonderbaars in het verschijnsel, dat te midden van een
Israël, dat sidderend boog voor de majesteit Gods/
dat, sinds de ballingschap vooral, geene verhouding van
vertrouwelijkheid, maar slechts van vreeze kende, eene
gemeenschap van menschen ontstaat, die deze heilig-
heid Gods kent en eert, maar desniettemin tot dezen
God het Abba! lieve Vader! spreekt. Wat is er, dat hun
daartoe vrijmoedigheid schenkt? In zichzelven belijden zij
arme en schuldige zondaren te zijn, niet waardig om voor
Gods aangezicht te verschijnen. Niet aan eigen daad of
toestand ontleenen zij hunne vrijmoedigheid, maar daaraan,
dat zij dezen God hebben leeren kennen in Hem, die het
afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner
zelfstandigheid is, en dat zij in Hem dien God als een God
-ocr page 143-
137
des ontfermens hebben leeren kennen. Ja! nog dieper zou de
Geest hen inleiden. Ze zouden leeren verstaan, dat die
liefde, in Christus geopenbaard, niet in tegenstelling is met
de heiligheid Gods, door geweten en wet gepredikt, maar
dat genade en heiligheid in ondeelbare eenheid uitblin-
ken, waar het werk der verzoening, volbracht op Golgotha\'s
kruis, de schuld boet van allen, die den Christus door het
geloof zijn ingeplant. Dat er kinderrecht en kinderrang
geschonken wordt aan doemschuldige overtreders, het is ter
wille van den Eeniggeboren Zoon, op Wien des Vaders wei-
behagen van eeuwigheid rust, en die nu de schuld der
menschheid overneemt en draagt, opdat zij deelen zou in
Zijnen zegen.
Dit alles wordt in de Bergrede niet besproken. Maar wat
de Bergrede bespreekt rust op dezen ondergrond, en wordt
slechts door de kennis daarvan verstaanbaar. Het onderwijs
des Heeren laat zich niet tegenover het onderwijs der Apos-
telen stellen; slechts wijst dit laatste den grond aan, waarop
de beloften en eischen van het onderwijs des Heeren steunen.
Naar allerlei zijden heen heeft de Heer de diepere be-
doeling der wet in het licht gesteld, opdat de kinderen
des Koninkrijks niet bij de uiterlijke voorschriften zouden
blijven staan, maar in geest en waarheid den Vader zouden
dienen. Aan het einde dezer uiteenzetting vat de Heer
hunne geheele roeping samen in het woord: „Weest dan
gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is,
volmaakt is." Hoogers laat zich niets uitdenken, en toch
met iets minders mogen zij niet tevreden zijn. Want indien
God hun Vader is, en zij Zijne kinderen zijn, dan is de
eisch gansch van zelf sprekend: Gij, kinderen! gelijkt op
uwen Vader! draagt Zijn beeld! laat aan u te zien zijn,
Wiens kinderen gij zijt!
-ocr page 144-
138
Ziedaar het Christelijk ideaal, zóó hoog staande boven
alle idealen uit den mensch voortgekomen, als de godsdienst
der openbaring staat boven de godsdiensten van mensche-
lijké vinding. Voor den Griek is het hoogste, het leven voor
het schoone en goede, waarvan, het eigenlijk wezen het
maat houden in alle dingen is. Voor den Romein, de
rechtvaardigheid, die aan een iegelijk vergeldt naar hij ver-
dient. Voor den Muzelman de onderwerping onder den wil
Gods. Voor den Buddhist, het verzinken in het niet, langs
den weg der gevoelloos makende bespiegeling. Maar aan
den Christen wordt voor oogen gesteld : Draag het beeld
uws Vaders! word volmaakt, gelijk uw Vader volmaakt is.
Iets hoogers dan dit bestaat er niet. Daarom kon dan
ook de verzoeker niets bedenken om den nog reinen mensch
ten val te brengen, dan eene listige verwringing van dit
ideaal, toen hij beloofde: gij zult zijn als God. Een ver-
wringing was het, want dat woord bedoelde: Gij zult op
God gelijken in macht, en gij zult dat doel bereiken door
u los te rukken van God. Maar toch. wat het voor den
nog reinen mensch tot verzoeking maken kon, dat is de
schijn van gelijkheid met datgene, wat het doel was, waar-
toe de mensch moest opgevoerd worden.
Dat doel nu komt de Koning van het Godsrijk weder
voor oogen stellen. Dat doel was onveranderd hetzelfde ge-
bleven, ook na den val des menschen. Alleenlijk, de tus-
schenin gekomene bedeeling der wet, die den gevallen
mensch tot opvoeding dienen moest, had dit doel omsluierd,
door allerlei uitwendige geboden hem voor te houden. Eerst
nu, waar de volheid des tijds is gekomen, die de volheid
van Gods genade openbaart, eerst nu kan dit doel weer
in onbenevelde heerlijkheid uitblinken.
„Weest volmaakt, gelijk uw Vader volmaakt is." Behoeft
-ocr page 145-
139
het nog gezegd te worden, dat dit doel op aarde nimmer
bereikt wordt, ja! dat ook in het leven des hemels de vol•
maaktheid der gezaligden slechts eene afspiegeling van d&
volmaaktheid Gods zal zijn, daar het onderscheid tusschen
Schepper en schepsel tot in eeuwigheid blijft bestaan? In
het aardsche leven blijft, zelfs die afspiegeling nog eene
gebrekkige; waar een Paulus verklaart: „ik acht niet, dat
ik het aireede gegrepen heb, of aireede volmaakt ben" (Phil.
III. 13), wie zal daar wanen, het doel bereikt te hebben ?
Maar, al is dat einddoel nog onbereikbaar, dat verlamt het
streven niet. Zelfs op het gebied van wetenschap en kunst
wordt de ernstige beoefenaar hoe langer hoe meer zich be-
wust, dat zijn ideaal hoog boven hein blijft zweven, maar
hoe heerlijker hem dat tegenblinkt, des te meer spant hij
alle krachten in om verder te komen. Hoeveel meer nog
wordt op geestelijk gebied de ijver aangevuurd, waar Gods
genade een eindelijk bereiken waarborgt! Al blijft het
aardsche leven een wandelen met vallen en opstaan, al
blijft ten einde toe het vleesch begeeren tegen den geest,
die vorming in de oefenschool maakt toch de kinderen voor
de bewoning van het Vaderhuis bereid. En zelfs, te midden
van al de tekortkomingen en struikelingen is er toch waar-
lijk vooruitgang te zien; het nieuwe leven wordt meer een
vanzel fsheid; het nieuwe levensbeginsel doordringt meer alle,
ook de eenvoudigste, verrichtingen van het aardsche bestaan,,
als profetie en onderpand van wat daar Boven is te wachten.
VI. 1—4. Hebt acht, dat gij moe aalmoes niet
doet voor de menschen, om, van hen gezien te worden,
anders zoo hebt gij geen loon bij uwen Vader, die in
de hemelen is.
Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat voor u
-ocr page 146-
140
niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen
en op de straten doen, opdat zij van de mensehen
geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: zij hebben
hunnen loon weg!
Maar als gij aalmoes doet, zoo laat moe linkerhand
niet weten wat uwe rechter doet, opdat moe aalmoes
in het verborgen zij, en uw Kader die in het verborgen
ziet, die zal het u in het openbaar vergelden.
Herhaaldelijk blijkt, dat de Bergrede des Heeren, gelijk
trouwens niet anders te verwachten was, ons niet in haar
geheel is medegedeeld. Gedachten en spreuken, in de
herinnering bewaard, worden hier teruggegeven; de schakels
der redevoering, die deze gedachten onderling in de uit-
gesprokene rede verbonden, zijn niet bewaard gebleven, even
als dit ook thans nog geschiedt, waar een getrouw, maar
ongeoefend verslaggever, mededeeling doet van eene rede,
die hij hoorde. De bezieling door Gods Geest, aan de Bij-
belschrijvers geschonken, doet hen de waarheid Gods op
juiste wijze teruggeven, maar schenkt hun geene aardsche
begaafdheden, die hunne opvoeding en levenskring hun niet
aanbrengen kon. We hebben dit niet als een gemis of gebrek
aan te merken. Juist dat niet aanwezig zijn van letter-
kundige begaafdheid waarborgt te meer, dat wij met geene
verdichting, maar met trouwe teruggave der heilswaarheden
in hunne geschriften te doen hebben. En het Evangelie
Gods, tot de menschheid gebracht, „niet in bewegelijke woor-
den der menschelijke wijsheid" (1 Oor. II. 4), blijkt juist
daardoor te meer van goddelijken oorsprong te zijn, waar het,
zonder uiterlijke voortreffelijkheden of kunstmatige hulp-
middelen, de kracht blijkt te hebben tot vernieuwing des
menschen, tot herschepping der menschheid.
-ocr page 147-
141
Zulk een ontbreken van de aaneenschakeling der gedach-
ten valt bij den overgang van het Ve tot het Vle Hoofd-
stuk in het oog. Op de vermaning: „weest volmaakt als
uw Vader volmaakt is!" kan niet terstond de leering om-
trent uiterlijke verrichtingen gevolgd zijn. Het niet uitge-
sproken verband is, dat de Heer na de aanwijzing van de
gerechtigheid, die den kinderen des koninkrijks betaamt, over-
gaat te spreken over de gevaren, die dat nieuwe leven
bedreigen. Eerst het gevaar der veruiterlijking, die tot
geveinsdheid voert, (VI. 1—18), daarna het gevaar van zich
te laten afleiden door de zorgen van het aardsche bestaan
(VI. 19 en vervolgens).
Het gevaar der veruiterlijking wordt besproken ten opzichte
van drie dingen: het aalmoezen geven, het bidden en het
vasten.
De onderlinge samenschakeling van wat in vs. 1 —18
genoemd is, valt te beter in het oog als wij, in vs. 1, met
de oudste handschriften lezen: „Hebt acht, dat gij uwe
gerechtigheid niet doet voor de menschen." Hier wordt dus
eerst de grondstelling voorop geplaatst: laat uwe vroomheid
niet schitteren in der menschen oogen; laat zij in haar
innerlijkst wezen eene zaak zijn tusschen God en uw hart.
Eerst het 2e vers gaat dit algemeene beginsel nu toepassen
op het geven van aalmoezen.
Beoefening van weldadigheid wordt algemeen, en terecht,
onafscheidelijk van vroomheid geacht. Maar als nu die wel-
dadigheid beoefend wordt om bij de menschen vertooning
te maken, dan is zij niet langer uitvloeisel der vroomheid.
Dan komt zij niet voort uit liefde tot God, maar uit het
streven om bij de menschen wel aangeschreven te staan.
Het is geen wonder, dat onder Israël, waar de dienst
des Meeren, na de Ballingschap, hoe langer hoe meer als
-ocr page 148-
142
iets uiterlijks beschouwd werd, het aalmoezen geven op
stuitende wijze tot vertooningmakerij was geworden. In
de synagoge en op de straten Het men door trompetgeschal
aankondigen, dat er uitdeeling aan behoeftigen gedaan zou
worden; schijnbaar, — want zonder een goeden glimp gaat
v niemand op menschen-behageu uit, — schijnbaar, om de
armen te doen weten, waar zij moesten komen om onder-
stand te verkrijgen, maar ondertusschen met het doel, om
de groote weldadigheid van den gever wereldkundig te
maken.
"Wie zoo doen, noemt de Heer „geveinsden". Hier, en op
menige andere plaats ligt in dien naam niet noodzakelijk
opgesloten, wat tvij gewoon zijn onder den naam van ge-
veinsdheid te verstaan, namelijk het opzettelijk bedekken
van de slechtheid des harten door een schoonen schijn.
In de taal der Schrift heet niet enkel de zichzelven bewuste
huichelaar een geveinsde. Met dien naam wordt ieder genoemd,
die een schoonen schijn aanneemt; ieder, wien het otn dien
schijn te doen is, ook dan, wanneer hij niet opzettelijk
tracht booze praktijken door dien schijn te bemantelen. De
1 naam „hypokrier", die in het oorspronkelijke hier gebruikt
i wordt, beteekent eigenlijk: een tooneclspeler; een persoon
wordt er dus door aangeduid, die een aangenomen rol
vervult, die niet zich geeft gelijk hij is, maar iets vertoonen
en schijnen wil voor de inenschen.
En van dezulken zegt Jezus, dat zij hunnen loon weg
hebben. Dat is niet: zij hebben geen loon. Neen! zij hebben
hunnen loon weg; dat, waar het hun om te doen was,
hebben zij verkregen. Zij begeerden lof bij de menschen;
welnu, dien lof verkrijgen zij. Maar daarmede hebben zij
dan ook alles, wat zij te wachten hadden; dat ze niet wanen,
nu ook nog daarenboven een welgevallen Gods tot zich
-ocr page 149-
143
te zullen trekken! Hun loon hebben zij; zoo blijft dan niets
meer te vorderen.
Gij dan, zegt de Heer tot de kinderen des Konink-
rijks, gij dan, doet niet alzoo! Is het u o ui de goedkeu-
ring Gods te doen, laat dan uwe daad slechts voor Hem
en niet voor de menschen zichtbaar zijn. Laat uwe wel-
dadigheid alzoo in het verborgene geoefend worden, dat,
bij wijze van spreken, uwe linkerhand niet weet wat uwe
rechter doet. In deze zegswijze worden linkerhand en
rechterhand als personen gedacht, waarvan de een, hoe dicht
ook bij de andere, niet weet wat die andere doet. Slechts
indien gij alzoo in stilte weldoet, verwerft uwe daad de
goedkeuring Gods. Dan toch filleen is zij uit het rechte
beginsel, uit drang des harten verricht; dan is het geen
rol die gij speelt, maar eene uiting uws harten.
God zal dat verborgene werk in het openbaar vergelden.
Behoeft nog herinnerd te worden, dat die vergelding geen
betaling is, als ware er door de goede daad iets verdiend?
Betaling komt slechts voor in de verhouding tusschen heer
en knecht, niet in die tusschen vader en kind. Maar dat
God zijn welgevallen in eene uit liefde verrichte daad
ook toont in zegen, dien Hij verleent, dat leeren O. en N.
Verbond beide. De zegenende ziel zal vetgemaakt worden.
Nu eens zijn het uitwendige gaven, dan weder innerlijk
geluk, waarmede de Heer die goede daden kroont. Het is
eene vergelding „in het openbaar", eene die voor menschen
waarneembaar is. Wat alzoo in de stilte verricht is, met
vermijding van alle openbaarheid, dat maakt God zelf open-
baar, in dit leven reeds door menigen waarneembaren zegen,
en eens in den dag des gerichts, als Hij voor de oogen
van hemel en aarde Zijne gezegenden openbaar maakt, in
het werk, dat zij verricht hebben.
-ocr page 150-
144
VI. 5—8. En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet
zijn als de geveinsden, want die plegen gaarne in de
synagogen en op de hoeken der straten staande, te
bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien wor-
den. Voorwaar zeg Ik u, dat zij hunnen loon weg
hebben.
Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uwe binnen •
kamer, en mee deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader,
die in het verborgen is, en tiw Vader, die in het ver-
borgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden.
En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van
woorden, gelijk de Heidenen, tvant zij meenen dat zij
door hunne veelheid van woorden zullen verhoord wor-
den. Wordt aan hen niet gelijk, want uw Vader iveett
wat gij van noode hebt, eer gij Hem bidt.
Niet slechts in het beoefenen van weldadigheid, ook in
het bidden kan zich de „geveinsdheid", de hypocrisie, de
zucht oin wat te vertoonen, eene rol te spelen, doen gelden,
Zelfs van het bidden, de innigste, heiligste verrichting
der ziel, kan een middel daartoe worden gemaakt. Maar
wie dat doet, zorgt wel er een glimp aan te geven
alsof die openbaarheid niet gezocht, maar slechts eene toe-
vallige omstandigheid was. Het gemeenschappelijk bidden
in de Synagogen, onder leiding des voorgangers, kon inge-
richt worden op eene wijze, dat men daarbij, door houding als
anderszins, in het oog viel. Maar hoe kon men er toe komen,
op de hoeken der straten te gaan staan bidden? Bij de
Joden waren, evenals dat in de Roomsche kerk wordt ge-
vonden, vaste gebedsuren in gebruik. Daar ligt in zulk
een gebruik wel iets aantrekkelijks; de gedachte is hart-
verheffend, dat op een zelfde oogenblik zoovele duizenden
-ocr page 151-
145
het hart tot God keeren. Maar het gevaar ligt voor de
hand, dat dit in een blooten vorm ontaardt, erger nog, dat
het de geveinsdheid in de hand werkt. Wat toch deden
die „geveinsden" ? Zij zorgden, ten tijde van die gebedsure,
op de straat, onder eene menigte van menschen te zijn;
dan staakten zij plotseling hun gang of hun gesprek, en
verdiepten zicli in \'t gebed. Hoe stipt, hoe nauwgezet sche-
nen dan zulke menschen! En zoo hadden ze dan hun doel
bereikt; ze hadden van hunne vroomheid eene vertooning
gemaakt.
Tegen zulk bedrijf\' waarschuwt de Heer. Zóó heeft men,
wederom, zijn loon weg, zijn loon, dat immers in die be-
geerde bewondering der menschen bestaat. Dat is geen bid-
den, waarop God antwoordt, want dat bidden was geen
vragen aan Hem; het was eene vertooning voor de menschen !
AVie bidden wil, ga in de binnenkamer. Hij zoeke de
eenzaamheid, niet omdat hij zich voor de menschen over
zijn bidden te schamen zou hebben, maar omdat deze hei-
ligste, innigste daad zijns levens den menschen niet aangaat.
Bij het belijden van den naam des Heeren heeft hij met
menschen, maar bij het bidden alleen met God te doen.
Hoe zou hij dan niet de eenzaamheid zoeken, en dat te
meer om afleiding te ontgaan, waar reeds zooveel strijd
tegen afleiding van binnen te voeren is! Zeker, daar is een
gemeenschappelijk bidden in het huisgezin, waarbij de huis-
vader voorgaat als priester Gods, een bidden dat nergens
zal ontbreken, waar de Josua\'s gelofte in de ziel der ouders
leeft: „Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere
dienen." Daar is ook een gemeenschappelijk bidden in de samen-
komst der gemeente, waarin die gemeente, als een vereenigd
gezin, den Vader hulde brengt, en de gemeenschappelijke noo-
den Hem voordraagt. Doch daarnaast is er behoefte aan het
Roozemeukr, Ev. Matth. I.                                                        10
-ocr page 152-
146
eenzaam gebed, waarin de ziel eigen schuld belijdt, eigen be-
hoeften blootlegt, tegen eigene verzoekingen kraclit vraagt. Dat
bidden blij ve tusschen den Heer en de ziel. Dan wordt het
„vergolden", beantwoord, verhoord, door Hem, die in het ver-
borgen ziet; dan wordt in het leven van dien mensen
zichtbaar, wat God hem schenkt, in antwoord op het ver-
borgene vragen.
Bidden is uitstorten der ziel voor God. Zoo blijve dan
de gedachte verre, of de menschen dit wel zien en opmer-
ken; een vertooning maken van het gebed doet het bidden
ophouden bidden te zijn. In tijden, waarin het niet voor
eene eere geldt, vroom te heeten; waarin er daarentegen
moed noodig is om voor de vreeze Gods uit te komen, —
is zeker deze waarschuwing niet in de éérste plaats noodig,
gelijk in de dagen van \'s Heeren omwandeling. Toch zijn
er in alle tijden, ook in onzen tijd, nog bijzondere kringen,
binnen welke deze herinnering noodzakelijk blijft. En, hetzij
de vroomheid eer of smaad brenge, het bidden, dat waarlijk
bidden zal zijn, moet bovenal in de binnenkamer worden
beoefend. Dat bidden alleen is waarlijk ongestoord, en
deugdelijk bewijs, dat het verkeer met den Heer zaligheid
voor de ziel is.
Nog een andere vermaning omtrent het gebed voegt de
Heer aan het gezegde toe. Waarschuwde Hij eerst tegen
een bidden als der Parizeen, thans waarschuwt Hij ook tegen
een bidden, gelijk dat bij de, Heidenen in gebruik is, een
bidden dat in een „ijdel verhaal van woorden", een her-
halen van klanken, vaak van onverstaanbare of onzinnige
klanken, bestaat. (Zoo, om een enkel voorbeeld te noemen,
bestaat het gebed der Buddhisten, dat tallooze malen her-
haald wordt, uit de enkele woorden: Um mani padmi hung!
d. i. o edelgesteente van de lotusbloem!) Voor het besef
-ocr page 153-
147
der Heidenen is het gebed een toovermiddel, bestemd om
eene of andere gewenschte zaak af te dwingen; zoo meenen
zij dan genoeg te doen met zich recht veel moeite te ge-
troosten, hetzij de woorden die zij spreken, beteekenis heb-
ben of niet.
Doet alzoo niet, zegt de Heer. Gebruikt geen ijdel ver-
haal van woorden! Dat beteekent niet, dat het ongeoor-
loofd zijn zou lang te bidden, indien de ziel veel te vragen
heeft: het eigen voorbeeld des Heeren toont het ons, waar
Hij meermalen den nacht doorbracht in het gebed. Wat
de Heer verbiedt, is het opeenstapelen van woorden, alsof
men door die veelheid van woorden het gebed beter of
krachtiger maken zou.
Hoe ongerijmd dat is, geeft Hij nader aan door de bij-
voeging : „Uw Vader weet wat gij van noode hebt, eer go
Hem bidt." Het is alsof de Heer zeide: gij behoeft de
zaak aan God niet uit te leggen, en gij behoeft ook niet
door langdurig bidden Hem te bewegen om naar u te hoo-
ren. Eer er nog een woord op uwe tong is, weet God al
wat in uw hart is, en al wat gij behoeft!
Welk eene vertroostende verzekering! Of zullen wij dit
heerlijk woord aldus misverstaan, alsof dit het bidden over-
tollig verklaarde, omdat God toch alles weet? Maar immers,
Hij, die herinnert dat God alle dingen weet, dringt zelf,
hier in dit verband en op allerlei andere plaatsen, op het
bidden aan. Dat bidden geschiedt niet om aan God iets
bekend te maken, wat Hij niet weten zou, maar om het
afhankelijk gevoel van behoefte te openbaren, en aan God
die éénige hulde te brengen, die een nietig schepsel den
Volheerlijke toebrengen kan, om bij Hem en bij niemand
of niets anders, toevlucht te zoeken in zijn nood. God
wil om Zijne gaven gebeden worden; God schenkt Zijne
-ocr page 154-
148
beste gaven niet zonder het gebed. Dit nu echter is on-
uitsprekelijk vertroostend voor het biddend hart, dat de
Heer de behoeften kent, eer de zwakke en gebrekkige woor-
den die uitspreken. Hoe vaak is ons vragen een zoodanig bid-
den, waarbij wij niet duidelijk kunnen zeggen, wat wij begeeren,
ja zelfs niet weten, wat wij werkelijk begeeren zullen.
Welnu, de Heer weet vooraf, niet slechts wat wij zeggen
willen, maar ook wat wij waarlijk behoeven. Zoo dan slechts
in ootmoed en vertrouwen dat gebed tot Hem opgaat, dan
doet Hij ons, niet naar onze gebrekkige woorden, niet naar
onze zoo vaak dwaze wenschen : Hij geeft ons naar wat wij
behoeven, gelijk Zijne wijsheid dat weet en Zijne liefde ons
schenken wil.
VI. 9—15. Gij dan, bidt aldus: Onze Vader, die
in de hemelen zijt! Uw naam worde geheiligd. Uw
Koninkrijk kome. Uiv wil geschiede, gelijk in den hemel,
alzoo ook op aarde. Geef ons heden ons dagelijksch
brood. En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij
vergeven onzen schuldenaren. En leid ons niet in ver.
zoeking, maar verlos ons van den Booze. Want uw is
het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in
der eeuwigheid. Amen.
Want indien gij den menschen hunne misdaden ver-
geeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u rergeven.
Maar indien gij den menschen hunne misdaden niet
vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook uwe misdaden
niet vergeven.
In Lucas XI wordt ons medegedeeld, dat de Heer het
allervolmaaktste gebed aan Zijne discipelen gaf in antwoord
op hunne vraag: „Heer! leer ons bidden, gelijk ook Johannes
-ocr page 155-
149
zijnen discipelen geleerd heeft!" Die vraag en dal antwoord
zouden onverstaanbaar zijn, indien de Heer reeds in de
Bergrede, kennelijk in den aanvang van Zijn openbaar leven
gehouden, dit gebed had gegeven. We hebben dus de plaat-
sing daarvan in de Bergrede als een toevoegsel van Mattheus
te beschouwen, die, gelijk hij ook in andere opzichten het
gelijksoortige bijeenvoegt, hier het voorschrift des gebeds
inlascht, bij andere gelegenheid door Jezus gegeven. Zulke
bijeenvoeging, met afwijking van de historische volgorde,
doet hoegenaamd geene schade aan het doel, waarmede de
Evangeliën geschreven zijn: beschrijving van den persoon,
het werk en de leer des Verlossers.
Daar ligt, in dit korte gebed, zoo grooten rijkdom van
zaken besloten, dat eene grondige ontwikkeling van deze
ons bestek verre te buiten zou gaan. Hoe zou het ook anders
kunnen? Die beden omvatten alle behoeften van het in-
en uitwendig leven, en staan dus in betrekking met het
gansche bestaan des Christens, ja, met alles, wat tot de
verheerlijking Gods in hemel en op aarde behoort. Enkele
vingerwijzingen mogen volstaan om iets daarvan te doen
inzien.
Het gebed spreekt God aaii met den naam, die het ken-
merk is der N. Bedeeling, gelijk de Jehovahnaam het kenmerk
der O. Bedeeling was: den naam „Onze Vader!" Die naam
roept terstond het vertrouwen wakker in liet hart van den
biddende. Gelijk het kind met zijne nooden tot den aard-
sclien vader gaat, mag hij zich henenwenden tot den Almach-
tige, die in Zijne genade zich alzóó tot den schuldigen
mensch heeft nedergebogen. Maar tegelijk wordt hij tot
eerbied gewekt door het toegevoegde, „die in de hemelen
zijt!" Hij, die genaakbaar is voor den zondaar, is en blijft
de Hoogheerlijke, zóó ver boven onze bevatting verheven, als
-ocr page 156-
150
de hemel hooger is dan de aarde. Ootmoed en vertrouwen,
de beide onmisbare vereischten van elk gebed, worden dus
reeds aanstonds door den aanhef van dit gebed opgewekt.
Als eerste bede volgt nu op dezen aanhef: „Uw naam
worde geheiligd!" Niets persoonlijks, niets voor eigene be-
hoefte, leert Jezus in de eerste plaats vragen, maar dat de
naam, d. i. het geopenbaarde wezen Gods, in Zijne hoogheid
en heiligheid worde erkend, dat God geëerd en geprezen
worde door al het geschapene.
De openbaring diens Naams sticht een Koninkrijk, een
Rijk, wel te onderscheiden van de heerschappij der voor-
zienigheid; een Rijk, waarvan verloste zondaren, die kinder*
recht en kinderrang verkregen hebben, de onderdanen zijn.
De bede om het komen van dit Rijk is dus eene bede om
bekeering van zondaars, om toenemende heiliging der toe-
gebrachten, maar tegelijk om de eindelijke voltooiing en
bekroning van dat Rijk, dat in deze Bedeeling altijd nog
slechts in wording is.
De derde bede vraagt voor de onderdanen dezes konink-
rijks de genade die zij behoeven, om hunne taak als on-
derdanen te volbrengen. Het is de bede om, gelijk de Engelen
in den hemel dat doen, ook op aarde gewillig en volgaarne
God te dienen in de taak, die Hij oplegt, welke die ook
zij; eene bede om bekwaammaking tot vervulling der roe-
ping, waartoe men als onderdaan van het Godsrijk verplicht
is, maar uitgesproken in een vorm, waarbij het persoonlijke
op den achtergrond, en de eere Gods op den voorgrond
treedt.
In deze drie eerste beden is de blik uitsluitend op God,
en Zijne verheerlijking gericht. Zoo leert de Heiland ons
daardoor, wat voor den geloovige het zwaarst wegen, wat
hem het meest ter harte gaan moet; zoo wordt alle zelf-
-ocr page 157-
151
zucht te keer gegaan, die anders, ook zelfs in de heiligste
verrichting der ziel, in het bidden tot God, nog zoo lichte-
lijk zich doet gelden.
Eerst nu volgen de beden om persoonlijke behoeften, en
dat wel naar den regel: „het natuurlijke het eerst, daarna
het geestelijke". Van die persoonlijke behoeften wordt het
eerst die aan het dagelijksch brood uitgesproken. Het woord,
hier door „dagelijksch" vertaald, beteekent eigenlijk: „toe-
reikend", hetzelfde als wat in Spr. XXX. 8 wordt genoemd:
„het brood des bescheiden deels". Wat den Christen noo-
dig is voor zijne reize door het aardsche leven, is in die
uitdrukking vervat; wie zijn dagelijksch brood heeft, lijdt
geen gebrek, maar bezit ook geen overvloed. Niet meer
dan het onmisbare mag worden gevraagd. En dat wel,
slechts voor ,,heden", opdat de bekommering voor de toe-
komst verre blijve van het gemoed.
De vijfde bede vraagt om vergeving van schuld om herstel
der betrekking tot den Vader, zoo vaak die gebroken is
door overtreding. Het is de bede, die het gansche aardsche
leven blijft vergezellen, omdat telkens opnieuw de gemeen-
schap met den Vader gestoord wordt; de bede, die met eene
gelofte van bereidheid tot schuldvergeving gepaard gaat,
niet als aandrang tot die bede, maar als uiting van den
dank voor de genade Gods, waarop de ziel mag staat
maken.
Even noodzakelijk als de vergeving van het gepleegde
kwaad, is voor het hart de bewaring tegen het kwaad,
waartoe het verder zou kunnen vervallen. Daarom vraagt de
zesde bede om afwending van verzoeking, en sterkte in den
geestelijken strijd, bekrachtiging in de worsteling tegen den
Booze, die het Godsrijk wederstaat, en het afbreuk wil
doen door de onderdanen ontrouw te maken. Het „leiden
-ocr page 158-
152
in verzoeking" is het tegenovergestelde van het „verlossen
uit de verzoeking" van 2 Petr. II. 9. Wat hier gevraagd
wordt is niet in tegenspraak niet Jac. I. 2: „acht het
voor groote vreugde als gij in velerlei verzoekingen valt/\'
Daar toch worden de beproevingen bedoeld, die het geloofs-
leven sterken; hier daarentegen het overgeven in de macht
des Boozen, als straf voor moedwillige overtredingen. Het
is de bede dat de Heer Zijne bewarende hand over ons
uitgestrekt houde; dat wij niet in de verzoeking inkomen,
niet door haar omstrikt worden, maar dat zij buiten ons,
tegenover ons blijve staan. Zóó omringden zij ook onzen
Heiland, maar zij gingen niet in Zijn wezen in; zij bleven
buiten Hem, zij hadden geen vat op Hem.
Eene lofzegging besluit het gebed, die de heerlijkheid en
macht Gods vermeldt als den grond, waarop de verhooring
van al deze beden geloovig mag worden ingewacht.
Wèl heeft de Christenheid met recht dit gebed „het aller-
volmaaktst gebed" genoemd. Niets is vergeten,— en toch, welk
eene kortheid ! Welk eene tegenstelling tegen dat ijdel verhaal
van woorden, waarmede de mensch waant, de Godheid te
moeten overhalen om genade te bewijzen! Welk een een-
voudige, natuurlijke toon, als van het spreken van een kind
tot zijnen vader; welk een op den voorgrond stellen van
Gods eer; welk eene onderschikking van aardsche behoeften
aan de nooden der ziel! Wie zal zeggen, voor hoevele
duizenden dit gebed het voertuig geweest is voor de smee-
kingeu des harten! Gewis, liet is niet gegeven, opdat alleen
dit gebed zou worden herhaald. Het moet leeren bidden uit
de volheid des gemoeds; het geeft toon en inhoud aan
voor de beden, die de ziel heeft op te zenden. Maar kan
het anders, of telkens keert de ziel met voorkeur terug
tot dat gebed zelf, dat de Heiland op de lippen gelegd
-ocr page 159-
153
heeft? Indien wij niet weten hoe wij bidden zullen gelijk
het behoort (Rom. VIII. 26); indien de toestanden zoo ver-
ward, de eigene begeerten nog zoo onduidelijk te onder-
scheiden zijn; indien daar een dofheid is over den geest,
die het vormen van persoonlijke beden belemmert, — welk
een voorrecht dan, een gebed te kunnen opzenden, waarvan
wij weten, dat het den Vader welbehagelijk is, een gebed,
dat zelf de biddende stemming opwekt in het hart, dat het
uitspreekt!
Daar is in dit gebed geene vermelding van den persoon
en het werk des Ileilands. Alzód moest het zijn, waar de
Zoon Zijne eigene eere niet zoekt. Maar zou ook zulke
vermelding wel noodig zijn? Het is het gebed, dat Hij
Zijnen discipelen geleerd heeft; het gebed, dat eerst door
Zijne verschijning is mogelijk gemaakt Wie zou tot den
Heilige durven zeggen: „onze Vader!" indien niet de
Zoon dien heiligen God als Vader had geopenbaard ? Voor-
waar ! de naam des Heilands wordt hier niet genoemd, maar
alleen dit, dat Hij op aarde is verschenen, en Zijn ver-
zoeningswerk heeft volbracht, maakt het mogelijk, dat van
deze bezoedelde aarde zulk een gebed kan opstijgen tot
God!
Aan het gebed voegt de Heer nog een naderen aandrang
toe van de gelofte, die Hij bij de vijfde bede heeft doen
uitspreken. Onlosmakelijk is het verband tusschen vergeving
ontvangen en vergeving schenken. Wij staan er thans niet
opzettelijk bij stil, omdat later de gelijkenis van den on-
bar nihartigen dienstknecht (Matth. XVIII), ons van zelf bij
dat onderwerp bepaalt. Slechts wijzen wij er op, hoezeer
op die vergevingsgezindheid nadruk gelegd wordt, waar de
Heer de gelofte daarvan doet afleggen in het gebed, dat
aan de Zijnen het bidden moet leeren.
-ocr page 160-
154
VI. 16 —18. Mi wanneer gij vast, toont geen
droevig gezicht, gelijk de geveinsden, tvant zij mismaken
hunne aangezichten, opdat zij van de mensehen mogen
gezien worden, als zij vasten. Voorwaar, Ik zeg u,
dat zij hunnen loon weg hebben.
Maar gij, als gij rast, zalft uw hoofd en wascht
uic aangezicht; opdat het van de mensehen niet gezien
worde als gij vast, maar van meen Vader, die in het
verborgen is, en uw Vader, die in het verborgen ziet,
zal het u in het openbaar vergelden.
Gelijk de Heer aangaande het aalmoezen geven en het bidden
heeft vermaand, dat men er geene vertooning bij de men-
schen van maken zou, alzóó vermaant Hij hier ditzelfde
aangaande het vasten.
De wet van Mozes had het vasten voorgeschreven voor
den grooten Verzoendag, den dag der plechtige veroot-
moediging van het gansche volk voor Jehovah. Voorts
was gebruikelijk, zooals uit de boeken des O. Verbonds
blijkt, dat een vasten uitgeroepen werd in tijden van
bezoeking of nood, als het volk God aanriep om uitredding.
Sinds de Ballingschap was het vasten meer en meer op den
voorgrond getreden. Waar de godsdienst meer en meer in
uitwendige verrichting ging bestaan, moest eene hande-
ling met voorliefde verricht worden, waarmede de mensch
zich eene ontbering oplegde. Vooral door de Farizeën werd
veelvuldig gevast; tweemalen, ja zelfs viermalen per week
te vasten was geene zeldzaamheid. En dit vasten bestond
niet, als het vasten der Eoomsche kerk, slechts in eene
afwisseling der gewone spijzen met andere, die niet minder
dan deze de zinnen kunnen streelen: het vasten der Israëlieten
was een iverkelijk vasten, waarbij gedurende den ganschen
-ocr page 161-
155
dag geen bete broods genuttigd, geene teug waters ge-
dronken werd.
Ook van dit vasten, even als van het aalmoezen geven
en het bidden, werd eene vertooning voor de menschen ge-
ïnaakt. Men zorgde er voor, dat het aan het uitwendig voor-
komen zichtbaar werd dat men vastte, door het nalaten van
het gewone zalven des hoofds en wasschen des aangezichts.
Een onooglijk voorkomen moest den indruk geven, hoe
men verdiept was in geestelijke overpeinzing en verootmoe-
diging, zoodat men zelfs geen oog of tijd had voor wat het
uitwendig voorkomen vereischte.
Daartegen nu waarschuwt de Heer. Dat maakte van het
vasten eene daad, waarmede men bewondering bij de menschen
zocht, en aldus „zijn loon weg" had, even als Hij daarop
bij bidden en aalmoezen geven had gewezen. Men deed het
voor de menschen; men moest het dus ook doen met het
loon, dat de menschen daarvoor gaven. God telde het niet;
God gaf er geen zegen op.
Met aldus over het vasten te spreken, maakt de Heer
van het vasten evenmin eene blijvende instelling voor Zijne
jongeren, als Hij dit doet van het offeren, waar Hij gebiedt:
„als gij komt om te offeren, verzoen u eerst met uwen
broeder." De Heer bespreekt de uitingen der vroomheid,
gelijk die onder Israël bestonden, en geeft wenken, in welken
geest en met welke bedoeling die handelingen verricht
moeten worden. Vraagt men of het vasten in den geest
ligt der Nieuwe Bedeeling, dan antwoorden wij met onder-
scheid te maken tusschen vasten als voorgeschreven hande-
ling en als uitvloeisel van persoonlijke behoefte. Als voor-
geschreven handeling valt het zeker niet in den geest der
Nieuwe Bedeeling. Voortdurende matigheid in het gebruik
van spijs en drank, niet onthouding van voedsel op bepaalde
-ocr page 162-
156
dagen, wordt door den dienst van God, waar die in geest
en waarheid Hem gebracht wordt, geëischt. De tijden waarin
voorgeschreven vastendagen in eere werden gehouden, zijn
in den regel tijden geweest van groote onmatigheid. Voor-
geschreven vasten wordt van zelf eene gansch uiterlijke
handeling, waarmede men iets zeer verdienstelijks meent te
verrichten, en waarvoor men zich later weer rijkelijk scha-
deloos stelt. Geheel iets anders is echter een vrijwillig, een
onopgemerkt vasten, waar de geest des menschen dat als
hulpmiddel tot de oefening in godzaligheid meent te moeten
aanwenden. Waar dat met ernst en in oprechtheid geschiedt,
is het gewis om de bedoeling den Heer welgevallig te zijn,
schoon dan ook zeker doorloopende matigheid, die het vleesch
niet toelaat den geest ten onder te houden, beter aan het doel
beantwoordt, dan tijdelijke geheele onthouding van spijs.
In elk geval, de ITeer gebiedt het vasten hier evenmin
als Hij het afkeurt. JJil alleen wil Plij, dat ook deze daad
als zij verricht wordt, voor God, en niet voor het oog der
menschen gedaan worde. Alle schijn, alle vertooning van
vroomheid worde vermeden: wat God welbehagelijk zijn
zal moet uitsluitend voor Hem zijn geschied.
VI. 19—26. Vergadert u geene schatten op de
aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar
de dieven doorgraven en stelen; maar vergadert u
schatten in den hemel, waar ze noch mot, noch roest
verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch ste-
len; want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.
Na alle deze waarschuwingen tegen uitwendig vertoon, wijst
Jezus hier op een ander beletsel tegen het wandelen naar den
eisch van het koninkrijk Gods: het streven naar rijkdom.
-ocr page 163-
157
De goederen der aarde, zelfs de overvloed daarvan, zijn
niet op zichzelf tot eene verhindering tegen een leven in
de vreeze Gods. Anders zou, wat God toebedeelt, niet met
wijsheid en liefde toebedeeld zijn. En zijn er ook niet
voorbeelden, door alle tijden heen, van rijken, die bovenal
rijk waren in God, die de aardsche goederen bezaten als
niet bezittende, maar als goede rentmeesters Gods over wat
hun toebetrouwd was? Niet de rijkdom zelf is schadelijk,
maar het streven naar rijkdom. Niet wie, door de leidingen
der voorzienigheid Gods, rijk zijn, maar wie rijk willen
worden vallen in verzoeking en in den strik, en hebben
zich met vele schandelijke en dwaze begeerlijkheden door-
stoken (1 Tim. VI. 9. 10).
Dat jagen naar aardsche goederen kluistert de ziel aan
de aarde, en belemmert het zoeken van de dingen die
Boven zijn. Ook wanneer dit verlangen naar rijkdom niet
voert (gelijk het\' toch, helaas ! zoo dikwijls doet) tot het
aanwenden van oneerlijke praktijken, tot verkrachting des
gewetens, tot een zich schikken in zondige gebruiken, —
ook dan nog nog schaadt het de ziel. Naar twee tegenover-
gestelde zijden kan het hart zich niet gelijkelijk richten ;
zoo moet het dan wel den hemel loslaten, waar het aldus
aan de aarde zich hecht.
Hoe dwaas is zulk een streven naar vergankelijk goed!
Daarop wijst de Heer, door de herinnering, dat mot en
roest het goed der aarde verderven, en dat de dieven het
kunnen ontrooven, aan wie met zoo angstige zorg het bij-
eenzainelde. Daar is in het bezit dezer dingen geen vast-
heid, geene duurzaamheid, nog daargelaten dat ze, zelfs
waar zij aanwezig zijn, de behoefte der ziel niet vervullen.
Van deze schatten af, en naar betere goederen heen,
doet Jezus den blik richten. „Verzamelt u schatten in den
-ocr page 164-
158
hemel!" Wat zijn die schatten? Dat zijn de gezindheden
en gevoelens, die hier aangeleerd moeten worden, om daar-
boven te worden bezeten. Wie hier beneden zich oefent in
ootmoed, in eenswillendheid met God, in ijver voor Zijnen
dienst, in liefde tot God en de naasten, die zamelt zich
schatten op, die tot in eeuwigheid blijven. Wat den hemel
tot hemel maakt, is de gemeenschap Gods: wie deze dan
zoekt als zijn hoogsten schat, die vergadert een rijkdom,
hem door niets meer te ontnemen.
Waar de schat is, daarheen wordt het hart getrokken.
Is de schat des harten in stoffelijke dingen, dan wordt dat
hart zelf hoe langer hoe meer stoffelijk, aardschgezind, onvat-
baar voor hoogere bezieling. Maar is de schat in den hemel,
dan wordt het hart hemelschgezind, hier beneden telkens
meer toebereid tot het Vaderhuis, totdat het ingaat in de
vreugde des Heeren.
VI. 22. 23. De kaars des lichaam» is het oog;
indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele
lichaam eenvoudig wezen. Blaar indien uw oog hoos
is, zoo zal mo geheele lichaam duister zijn. Indien
dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot
zal de duisternis zelve zijn!
Ook hier is het verband, door de kortheid der mede-
deeling, niet zoo aanstonds in het oog vallend, als zeker
in de rede des Heeren zelve het geval was. We hebbeu
ons den overgang van het voorafgaande tot het hier ge-
zegde, te denken als een doordringen tot een dieper waar-
heid. Hemelsche schatten en aardsche schatten kunnen niet
gelijkelijk nagejaagd worden. Hoe noodig is het dus, het-
geen blijvende waarde heeft, juist te onderkennen en te
-ocr page 165-
159
schatten! Dit geschiedt alleen dan, als het orgaan, waar-
mede het goddelijke moet waargenomen worden, onbelem-
merd werken kan.
In den kring der stoffelijke wereld is het oog het orgaan,
waardoor het licht wordt waargenomen. Het heeft dat licht
niet in zichzelf, maar het neemt het waar. Is dat oog „een-
voudig", in normalen toestand, dan bestuurt dat licht het \'
gansche lichaam in al zijne verrichtingen, dan leeft en arbeidt
de geheele mensch als een ziende, als een die in de sfeer
des lichts verkeert. Alzoo nu ook is er een geestelijk oog, »
een orgaan voor goddelijke dingen, in den godsdienstigen
aaideg des menschen. Ook dit orgaan heeft het licht niet
in zichzelf, maar het kan het waarnemen; het kan door de
goddelijke openbaring bestraald worden. Geschiedt dat, zoo
wordt het geheele leven door dat licht bestuurd, geheiligd,
vernieuwd. Maar, is dit orgaan voor het licht verduisterd,
hoe groot moet dan niet de duisternis zelve zijn! Dan is er
geen aanraking met de wereld des lichts; dan is niet an-
ders dan donkerheid mogelijk.
Wat leert dit woord des Heeren ? Dit, dat er geen
licht is voor den mensch in overgeleverde zedelijkheid, in
verstandelijk overleg, in invloed van omgeving, — in niets
anders, dan in het bestraald worden door de openbaring
Gods. Om deze te erkennen en te ontvangen, moet het
orgaan ongeschonden zijn, waardoor het waarnemen daarvan
alléén mogelijk is. Dit orgaan is de van God gegeven en
ook bij den val niet verwoeste aanleg tot Godsgemeen-
schap; die diepe, telkens sprekende behoefte aan den Heer,
die zich uit in de onrust en in het verlangen des gemoeds.
Die behoefte nu kan, door moedwillige en opzettelijke ver-
harding, worden gesmoord. Alzóó kan zich de mensch in
aardsche dingen begraven, dat hij naar de hemelsche niet
-ocr page 166-
160
meer vraagt. Dan is in hem het aanrakingspunt voor de
goddelijke genade vernietigd. Dan gaat hij onbekommerd en
ongevoelig, het eeuwig verderf te gemoet. Ziet toe dan^
roept de Heiland ons toe, wat gij doet met die vatbaarheid
uwer ziel; het licht kunt gij niet u zelven doen opgaan^
maar wat gij kunt is: uw oog geopend houden, of moed-
willig het sluiten !
Dubbele waarde heeft een woord als dit, waar het voor-
komt tusschen allerlei afzonderlijke vermaningen, die op
bepaalde plichten van het leven betrekking hebben. Het
wijst ons op de bron, waaruit de beoefening dier bijzondere
deugden voortvloeien moet. Geene rechte vervulling der
levenstaak is mogelijk, tenzij het oog der ziel zich in den
toestand bevindt, die noodig is om God te zien. Niet in
den raensch zelf is het licht, dat hij behoeft; slechts het orgaan
is er, om dat licht te ontvangen. Maar dat oog kan ver-
duisterd worden door moedwillig en volhardend dienen der
zonde; zoo zie dan een iegelijk biddende toe voor zich
zelven!
VI. 24. Niemand kan twee heeren dienen; want
of hij zal den eenen haten en den anderen liefhebben,
of hij zal den eenen aanhangen en den anderen ver-
achten; gij kunt niet God dienen en den Mammon.
Nadat de Heer doorgedrongen is tot de diepte der ge-
meenschapsoefening met God, die alleen het leven in Zijnen
dienst mogelijk maakt, keert Hij terug tot de tegenstelling
tusschen dit leven, en het leven dat er tegenover staat.
Wat Hij thans zegt, is intusschen geene herhaling van wat
Hij reeds gezegd heeft. Stelde Hij in vs. 19—21 het zoeken
naar aardsche schatten tegenover het vergaderen van heinnl-
-ocr page 167-
161
sche schatten, thans stelt Hij het ééne leven tegenover het an-
dere als het dienen van eenen verschillenden Heer. Inderdaad,
dit zoeken is een dienen. Waar de mensch voor de wereld
leeft, waant hij wel, recht onafhankelijk te wezen, en slechts
eigen zin en lust te volgen, maar juist die zin en wil is
gebonden, en komt in telkens grooter slavernij. Daar is, —
de gansche Schrift spreekt het uit, en vooral Jezus eigen
onderwijs legt nadruk er op, — daar is een Overste dezer
wereld, wiens onderdanen allen zijn, die geene burgers zijn
van het koninkrijk Gods. De mensch kan nu eenmaal,
krachtens zijnen aanleg, niet op zich zei ven staan; hij moet
een meester toebehooren. Welnu ! de dienst van den Overste
dezer wereld laat zich niet vereenigen met den dienst Gods.
Godsdienstige praktijken en gebruiken kan men daarbij wel
aanhouden, maar een werkelijk dienen van twee meesters,
die zoo volkomen tegenover elkaar staan, is niet mogelijk.
De werelddienst wordt hier door den Heer bepaaldelijk in
één vorm genomen: het streven naar geld en goed. Daar-
om stelt Hij tegenover God den Mammon, de persoonsver-
beelding van het gewin. Ddarvoor te leven, en voor God
te leven, kan niet samengaan. Wel zou de zondaar het
wenschen, omdat eene innerlijke stem hem zegt, dat al wat
met de aarde samenhangt vergankelijk is; wel begeert hij
betrekking ook op God te hebben, opdat hij ten dage des
kwaads eene toevlucht bezitte, — maar het hart kan slechts
éénen meester liefhebben en aanhangen; het moet den ande-
ren haten en verachten. Wie een dienaar dezer wereld is,
heeft aan God geen deel: al zijn pogen om beiden te dienen
is ijdele zelfkwelling, het loopt uit op niets!
"VI. 25. Daarom zeg Ik u: Weed niet bezorgd
voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult;
ROOZEMEIJER, Ev. MATTH. I.                                                                          \\\\
-ocr page 168-
162
noch voor uw lichaam, waarmede gij u Meeden zult;
is hei leven niet meer dan Itet voedsel, en Jtet lichaam
dan de Meeding!\'
Omdat niemand twee heeren dienen kan; omdat het leven
voor God en voor het aardsch gewin onvereenigbaar met
elkander is, daarom waarschuwt de Heer tegen bezorgdheid.
Immers, die bezorgdheid is oorzaak, — en geldt vaak tot ver-
ontschuldiging — van dat leven, dat opgaat in „aardsche diu-
gen te bedenken" (Phil. III. 10). Tegen het dienen van God
met het gansche hart is de bezorgdheid een van de krach-
tigste beletselen.
Wat is bezorgd zijn? Niet eene verhoogde, eene over-
drevene wijze van zorgen, maar iets dat daarvan onder-
scheiden is. Zorgen is geoorloofd; zorgen is een roeping en
plicht voor het redelijk schepsel; bezorgdheid onteert God,
en maakt den mensch tot zijn levenstaak onbekwaam. Want
zorgen is maatregelen nemen en middelen aanwenden met
het oog op de toekomst, gelijk God dat den mensch oplegt;
het is: doen, wat de hand vindt te doen. Wie in den zomer
spaart voor den winter; wie in de jeugd zich voorbereidt om
later een nuttig lid der maatschappij te worden; wie voor-
behoedmiddelen aanwendt tegen mogelijke gevaren, — die
allen zorgen, en volbrengen daarmede hun plicht. Maar wie
bezorgd is, doet niet wat zijne hand vindt om te doen; hij
houdt zich bezig met dat wat boven het bereik zijner hand
ligt, namelijk met de regeering Gods over zijn leven en
lot. Bezorgd zijn is vreezen, dat God niet goed regeeren
zal, en bestaande of opkomende nooden onvervuld zal laten.
Indien, gelijk Luther zegt, het geloof aan de voorzienig-
heid Gods het allerzwaarst geloofsartikel is, zoodat ook de
geoefende Christen daaraan nog altijd te leeren heeft, dan
-ocr page 169-
163
kan het ons niet verwonderen, dat de Heer noodig keurt,
zoo nadrukkelijk en uitvoerig tegen de bezorgdheid te waar-
schuwen, die immers niets anders is dan miskenning van
de voorzienigheid Gods.
Niet minder dan vijf redenen brengt de Heer bij, om
van de bezorgdheid af te manen. Kennende onze behoeften,
en willende aan onze zwakheid tegemoet komen, dringt Hij
van allerlei zijden de vermaning bij ons aan: weest toch
niet bezorgd!
De eerste dezer redenen vinden wij in dit 25e vers. God
heeft u het leven gegeven; zal Hij dan daarbij niet geven,
wat tot onderhoud van dit leven noodig is? God heeft u
het lichaam geschonken; zal Hij u dan daarbij niet geven,
wat gij tot dekking van dat lichaam behoeft? Het is eene
gevolgtrekking van het meerdere tot het mindere. Wie de
hoofdzaak gaf, zal gewisselijk ook schenken, wat daarbij
behoort, en zonder hetwelk die groote gave niet zou kunnen
bezeten worden. De Heer doet door deze overweging opzien
tot de wijsheid Gods, die gewisselijk voorzien zal in de
behoeften, die Hij zelf heeft geschapen.
VI. 26. Aanziet de vogelen des liemels, dat zij
noch zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren,
en uw hetnelsche Vader voedt ze nochtans; gaat gij ze
niet zeer veel te loven?
Dit woord is niet eene voortzetting der reeds uitgespro-
kene gedachte; hier gaat, integendeel, de gevolgtrekking
juist den omgekeerden weg. Was de aandrang om niet be-
zorgd te zijn in vs. 25 gelegen in de overweging: Hij, die het
meerdere geeft, zal ook het mindere niet onthouden, — hier
is het integendeel: Hij, die voor het mindere zorgt, zal
-ocr page 170-
164.
gewis ook voor het meerdere zorgen. Die de vogelen voedt,
hoe zou Hij de raenschen vergeten?
Die vogelen kunnen zichzelven niet helpen. Werd er niet
voor hen gezorgd, beschikte God hun niet het benoodigde
voedsel, ze zouden gewisselijk omkomen. Dat zij in \'t leven
blijven is kennelijk blijk van Gods zorg. Gij dan, o mensch!
durft gij aan diezelfde zorg u niet toevertrouwen ? Gaat gij,
als redelijk schepsel, voortgebracht naar Gods beeld, de
vogelen niet zeer veel te boven ?
Het is immers nauwelijks noodig hierbij op te merken,
dat dit woord niet tot zorgeloosheid aanspoort ? De vogelen
zaaien en maaien niet, arbeiden niet en zorgen niet. Maar
de mensch is geen vogel; indien dus hij het werken naliet,
zou hij te kort schieten in zijn taak. Trouwe arbeid blijft
zijne roepiiig, — maar daarbij houde hij de bezorgdheid
verre: zijn Vader waakt over hem met teedere zorg.
VI. 27. Wie toch van u kan, met bezorgd te zijn,
ééne el tot zijne lengte toedoen?
De lengte, hier bedoeld, is niet de lengte des lichaams.
Hieraan eene el toe te voegen komt wel niemand begeerlijk
voor, en is voor niemand oorzaak van bezorgdheid. De lengte
van het levenspad wordt bedoeld, van den weg, die naar
het graf is af te leggen. Hoe gaarne zou menig menschen-
kind dien weg iets, al ware het slechts eene el, langer
maken! Doch al zijne bezorgdheid baat hem daartoe niets.
Zijn leven, van menschelijk standpunt beschouwd, door be-
zorgdheid verkorten, — dat is te doen; maar het leven
door bezorgdheid verlengen, ziedaar wat gansch onmogelijk is.
Zoo geeft de Heer dan in dit woord te verstaan: wat
kwelt gij uwe ziel toch met eene bezorgdheid, die niets baat?
-ocr page 171-
165
Al tobt en vreest gij den gansenen dag, gij komt er niet
verder mede; gij verlengt uw leven daardoor niet. Laat
varen dan die nuttelooze bezorgdheid, die u niets aanbrengt,
die uwen Vader onteert, en die u belemmert in \'t volbrengen
der roeping, door God u opgelegd.
"VI. 28—30. En wat zijl gij bezorgd voor de
Meeding.\'\' Aanmerkt de leliën des velde, hoe zij wassen:
zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat ook
Salomo, in al zijne heerlijkheid, niet is bekleed geweest,
gelijk ééne van dezen. Indien nu God het gras des
velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen
wordt, alzóó bekleedt, zal Hij u niet veel meer Meeden,
gij kleiugeloovigen ?
Deze woorden bevatten eene vierde afmaning van be-
zorgdheid, slechts schijnbaar met de tweede overeenkomende,
doch werkelijk daarvan onderscheiden. In de tweede, (vs.
26), had de Heer gezegd: Hij, die voor het mindere zorgt,
zal ook wel voor het meerdere zorgen. In deze vierde zegt
Hij: God die het overvloedige schenkt, zal gewis voor het
noodige zorgen. Kleeding en voedsel is den mensch on-
misbaar, maar de pracht der bloemen is niet onmisbaar,"
de aarde zou woonplaats des menschen kunnen zijn, al waren
de bloemen er niet.
Zóó groot is die heerlijkheid der bloemen, dat ook Salomo,
in al zijnen luister, niet bekleed geweest is als ééne van
deze. "Wat de Zoon des Vaders hier uitspreekt, is eerst recht
duidelijk geworden in de laatste eeuwen, sinds het micros-
copisch onderzoek toonde, dat al wat menschenhanden ge-
maakt hebben, ruw en grof wordt bij nauwkeurige beschou-
wing, terwijl datzelfde onderzoek in de werken Gods hoe
-ocr page 172-
166
langer hoe meer schoonheid ontdekt. In waarheid, Salomo\'s
luister zinkt in het niet bij eene lelie des vekls! En wat
is zij toch anders, dan eene nietige grasbloem, kortstondig
bloeiend en welhaast voor niets geacht. Het verdroogde
gras werd in Palestina menigmaal tot brandstof voor den
bakoven gebruikt; met dat gras werd tegelijk de sierlijke
bloem afgemaaid, die in het midden daarvan prijkte, en
alzoo mede in den oven geworpen.
Die schoonheid verrukt slechts voor een korten tijd. Zij
dient, om de aarde te tooien; zij werkt mede, om de ge-
dachte te doen ontstaan: als het hier reeds zoo heerlijk is
op de voetbank van Gods voeten, welk een glans en luister
zal het dan zijn rondom Zijnen troon! Maar onmisbaar is
zij niet. De aarde zou den mensch voedsel kunnen geven,
al was op haar niets, wat het oog bekoorde. "Welnu, dit geeft
den Heer aanleiding tot de gevolgtrekking, die Hij uitspreekt.
Als God aldus de nietige bloem des velds bekleedt, zal Hij
niet veel meer u kleeden ? Als Hij zoo mild Zijne gaven uit-
strooit, zal Hij dan niet voor het noodige zorgen, gij klein-
geloovigen ?
„Gij kleingeloovigen!" Met dien naam drukt de Heer
uit, wat eigenlijk de oorzaak der bezorgdheid is. Ware er
slechts een levend en krachtig geloof, het zou niet mogelijk
zijn, zich alzoo over de toekomst te ontrusten. Al die bezorgd -
heid komt voort uit het „zien op wind en wolken" (Pred. XI.
4), waarbij wordt vergeten op te zien tot Hem, die boven
lucht en wolken troont. En zekerlijk wijkt zij niet anders uit
het hart, dan door vermeerdering van het geloofsvertrouwen,
dat van de liefde Gods telkens meer wordt doordrongen.
VI. 81. 82. Daarom, zijt niet bezorgd, zeggende:
Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of
-ocr page 173-
167
waarmede zullen wij ons Meeden? Want al deze din-
gen zoeken de Heidenen; want uw hemelsehe Vader
zveet, dat gij al deze dingen behoeft.
Herhaalt de Heer in deze woorden nog eens de reeds
vroeger gegeven vermaning, Hij voegt een vijfde aauma-
ning en herinnering daaraan toe. Bezorgdheid is alleen
begrijpelijk en natuurlijk bij de Heidenen. Zij kennen geen
levenden God; hun godsdienst is een sidderen voor onbe-
kende krachten of een buigen onder een ijzeren noodlot.
Dat zij bezorgd zijn bij het staren op de onbekende toe-
komst, het is hun niet ten kwade te duiden. Wat zouden zij
hebben, om zich aan vast te klemmen? De aarde en wat
uit de aarde is geeft aan den sterveling geen steunpunt;
de grond wankelt onder zijne voeten, en alles waar men
zich aan zou willen vasthouden, steun van menschen, hulp
van maatschappelijke inrichtingen, maatregelen van voor-
zorg, — \'t geeft alles geen afdoende gewisheid. Zal er
vastheid zijn voor den mensch, dan moet hem van Boven
eene hand worden toegereikt, waaraan hij zich vasthouden
kan. Hoe zouden de Heidenen dat vermogen, die niet an-
ders hebben dan wat uit hen zelven, en uit de aarde
voortkomt ?
Al deze dingen zoeken de Heidenen. Maar gij, die geene
Heidenen zijt, gij, die God als uwen Vader aanroept, doet
gij niet mede met die heidensche bezorgdheid! „Uw hemelsehe
Vader weet, dat gij al deze dingen behoeft." Dat is vol-
komen genoeg. Zoudt gij twijfelen aan Gods liefde ?\'t Is uw
Vader, die weet wat gij behoeft. Zoudt gij twijfelen aan
Zijne macht? \'t Is uw hemelsehe Vader, de Schepper en Heer
des heelals, die weet wat gij behoeft. Zoudt gij twijfelen, of
wel in al uwe veelvuldige behoeften zal worden voorzien?
-ocr page 174-
168
Uw hemelsche Vader weet, wat gij behoeft. Hij kent uwe
nooden, eer gij ze nog voor Hem hebt uitgesproken, eer
gij ze zelf nog hebt gevoeld.
Omdat Hij deze dingen weet, kan Hij ook de werkelijke
behoeften van de ingebeelde onderscheiden. Vaak wanen
wij allerlei dingen noodig te hebben, die wij toch werkelijk
niet noodig hebben, ja, die ons schaden zouden. Omgekeerd,
menig ding is er, waaraan wij niet denken, en waarin onze
hetnelsche Vader nochtans voorziet, omdat Hij weet, dat
wij daaraan behoefte hebben. Hoe veilig, hoe geruststellend
is dit kennen en weten! Gelijk het jonge kind onbezorgd
voortleeft in het ouderlijk huis, zóó mag de Christen even-
een s verkeeren in de wereld. De Vader zorgt, en de Vader
zal het wèlinaken. Elke bezorgdheid is een onteeren van
Hem.
Niet minder dan vijf redenen heeft de Heiland bijge-
bracht, opdat toch de Zijnen zich niet aan bezorgdheid
zouden overgeven. Daar is geen ander onderwerp, waarover
de Heer zóó uitvoerig heeft gesproken als over dit. Wat
spreekt daaruit eene kennis van het menschelijk hart! wat
spreekt daaruit tevens eene teedere liefde! In niets houdt
zoolang het ongeloof aan, als met betrekking tot de aard-
sche dingen. Menigeen, die met kalmte den dood te gemoet
ziet, omdat hij weet, dat hij een Heiland heeft, is toch nog
bezorgd en gedrukt, bij den blik op. zijn aardsche toekomst.
En hoe verlamt zulke bezorgdheid de veerkracht! Hoe bant
zij de blijdschap, die de kinderen Gods zoo ongestoord
zouden kunnen en mogen genieten! Dof en somber gaan
de dagen voorbij, die dankend konden doorleefd wor-
den, en wat de hand vindt om te doen, wordt slechts
tragelijk gedaan, als hoofd en hart vervuld zijn van ang-
stige vreeze.
-ocr page 175-
169
VI. 33. 34. Maar zoekt eerst het koninkrijk
Gods, en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen
u toegeworpen worden.
Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, toomt de
morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag heeft
genoeg aan zijn zelfs kwaad.
Daar is geen beter middel om de bezorgdheid te ver-
drijven, dan dat het hart vervuld zij van een ander zoeken.
Ledig kan het menschenhart niet zijn; is het niet bezig
met de dingen des Tleeren, dan is het bezig met zondige
lusten of met zondige bezorgdheid. Zal daarom voor de be-
zorgdheid geene plaats overblijven, dan moet het hart het
koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid zoeken.
Eigenaardig is die uitdrukking: „het koninkrijk Gods
zoeken.\'\'\' Immers, dat koninkrijk is er; het is verschenen,
geopenbaard in de komst van den Koning. Toch moet het
worden gezocht. Want dat koninkrijk komt niet met uit-
wendig gelaat, en bestaat niet in uitwendig waarneembare
dingen. Te midden van het gedruisch der wereld, moet
geluisterd worden naar de stem Gods, en het hart moet
zich keeren tot de onzienlijke wereld, om met dat koninkrijk
in aanraking te komen. Daar moet een zoeken en trachten zijn,
een vragen en verlangen, om aan dat koninkrijk en zijne
gerechtigheid deel te erlangen. En, waar eenmaal dit heil
des Heeren is verkregen, daar houdt nog het zoeken niet
op; neen! daar moet eiken dag op nieuw de ziel zich weder
richten naar de dingen, die Boven zijn, en zich afkeeren van
de dingen, die beneden zijn. Want de gerechtigheid van
dit koninkrijk moet altijd méér worden toegeëigend, altijd
méér samengroeien met het innigst wezen des menschen.
Zoo is er dan, voor geheel het leven, een nimmer geëindigde
-ocr page 176-
170
taak; zoo blijft er dan, bij wien wèl gestemd is, geen plaats
meer over voor de bezorgdheid tegen den komenden dag.
„Zoekt eerst het koninkrijk Gods," zegt de Heer. Men
zou verwachten, dat nu daarop volgen zou: en zoekt dan
daarna die andere dingen. Maar met eene verrassende rede-
wending, die bestemd is, des te dieperen indruk op de ziel
te maken, laat de Heiland volgen: „en al deze dingen zullen
u toegeworpen worden/\' Dat wil zeggen: als gij dat ééne
zoekt, dan behoeft gij naar al dat andere niet meer te zoeken;
dat wordt u daarenboven toegeworpen.
Daar is in het Oude Testament eene geschiedenis, die
treffende opheldering geeft aan dit woord onzes Heeren.
Toen koning Salomo, bij de aanvaarding zijner regeering,
van God wijsheid begeerd had, om dat groote volk, waarover
hij koning geworden was, wèl te regeeren, sprak de Heer
tot hem: „Daarom, dat gij deze zaak begeerd hebt, en niet
begeerd hebt voor u vele dagen, noch voor u begeerd hebt
rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden, maar hebt
begeerd verstand voor u, om gerechtzaken te hooren: Zie,
Ik heb gedaan naar uwe woorden; zie, Ik heb u een wijs
en verstandig hart gegeven, dat uws gelijke vóór u niet
geweest is, en uws gelijke na u niet opstaan zal. Zelfs ook
wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom
en eer, dat uws gelijke niemand onder de koningen al uwe
dagen zijn zal." (1 Kon. III : 11—13). Omdat hij het
beste, het noodigste begeerde, dat, wat niet tot zijn genot,
maar tot heil zijns volks strekte, da&rom gaf God hem die
andere gaven als toegift. Maar had hij rijkdom of eere be-
geerd, hij zou gewisselijk niet de wijsheid daarenboven heb-
ben ontvangen.
Alzóó nu ook gaat het, waar iemand het koninkrijk Gods
zoekt. Dat wat hij zoekt, het beste en uitnemendste, ont-
-ocr page 177-
171
vangt hij, en alle overige dingen, die hij behoeft, voorzie-
ning in zijne aardsche nooden, ontvangt hij daarenboven.
Eigenaardig drukt de Heer dat uit, door te zeggen: ze
worden toegeworpen, of, gelijk de grondtekst eigenlijk heeft:
zij worden er bij gezet. Daarin ligt de gedachte: het zijn ■
bijzaken. Ze worden er op toegegeven. Door aldus te spreken,
doet de Heer Zijne hoorders te meer beseffen, dat niet naar
deze dingen in de eerste plaats het begeeren en streven der
ziel zich richten mag. Het moet te doen zijn om het koninkrijk
Gods, als hoofdzaak, niet als middel, om daardoor andere
gaven te erlangen. Die zijn slechts voor den tijd; die be-
treffen slechts uitwendige behoeften. Wat het zwaarste is,
wege voor een iegelijk het zwaarst!
Nog eens, voor het laatst, herhaalt de Heer Zijne ver-
maning: weest niet bezorgd! Na al de reeds genoemde
drangredenen om niet bezorgd te zijn, volgt geene nieuwe;
alleen eene liefdevolle herinnering, hoe men zich door be-
zorgdheid noodeloos den last des levens verzwaart. „Weest
niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor
het zijne zorgen." Dat is, de dag van morgen, als hij komt,
zal weer zijne eigene bezwaren hebben; gij kunt die niet
wegnemen, door heden bezorgd te zijn voor wat morgen
komen zal. De Heer geeft hier door te kennen, — niet
dat de dag van morgen voorziening brengen zal in de zorgen,
die de dag van morgen oplevert; die voorziening komt
alleen door het liefderijk Godsbestuur! — maar dat de dag
van morgen weer zijne eigene moeite hebben zal, die men
niet voorkomen kan door vooruit bezorgd te wezen. Dui-
delijk wordt de bedoeling uitgedrukt door het slot der
rede: „Elke dag heeft genoeg aan zijn zelfs kwaad." Er
is iederen dag zoo véél, dat moeite veroorzaakt; daarom is
het niet wijs, de ziel te bezwaren met dat alles te gelijk.
-ocr page 178-
172
Dat kan de zwakke mensch niet dragen. Aa» den kommer
van den aanwezigen dag heeft hij genoeg; hij stelle de
toekomst in Gods hand.
Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad. Maar ook
elke dag brengt weer nieuwe proeven van Gods Vaderlijke
zorg, van Gods bijblijvende liefde. Voorwaar, het is gelijk
een dichter van vroegeren tijd zegt: „\'t Is waarheid, elke
dag heeft wel zijn eigen plagen, maar daar is ook geen
dag, die zijne vreugd niet heeft. Leer mij den last des
daags met stillen ootmoed dragen; niet vragen, naar wat,
licht! de dag van morgen geeft, maar steeds rondom mij
zien naar \'t geen mij kan verblijden; zoo vallen lasten
licht, die anders zwaar doen lijden. Geef mij een open
oog, o Heer! voor al uw goed! \'k Draag dan den last
des daags met een verheugd gemoed!"
VIL 1. 2. Oordeelt niet, opdat gij niet geoor-
deeld toordet! Want met welk oordeel gij oordeelt,
zult gij geoordeeld worden, en met ivelke male gij meet,
zal u wedergemeten worden.
Tot hiertoe gaf ons de Evangelist een onderling samen-
hangend, schoon dan ook slechts hoofdzaken teruggevend
verslag van de Bergrede des Heeren, waarin hoogstwaar-
schijnlijk niet anders dan het allervolmaakste gebed inge-
lascht was, dat, blijkens Luc. XI, bij eene andere gelegen-
beid door Jezus aan zijne discipelen geleerd was.
Hier echter, in het VII6 Hoofdstuk, geeft Mattheus losse
gezegden des Heeren terug, die wel in de Bergrede kunnen
uitgesproken zijn, doch die zonder onderlingen samenhang
worden medegedeeld. Het spreekt van zelf, dat de Bergrede
uitvoeriger geweest zal zijn, dan de teruggave daarvan in
-ocr page 179-
173
Mt. V—Vil, die wij in weinige minuten overlezen. Zoo
hebben we ons dus niet voor te stellen, dat de Heer zonder
onderlingen samenhang de gezegden zal hebben uitgespro-
ken, die wij hier in het "VIP H. bijeen vinden; gelijk dat
meestal geschiedt als iemand verslag geeft van wat hij ge-
hoord heeft, worden enkele kernachtige gezegden terugge-
geven, doch het onderling verband daarvan niet medegedeeld.
In het spreken des Heeren is gewisselijk geleidelijke samen-
hang geweest, maar een ijdel werk zou het zijn, dien te
willen opsporen tusschen de gezegden, die ons hier mede-
gedeeld worden.
Wij zoeken dan ook geen verband tusschen de vooraf-
gaande waarschuwing tegen bezorgdheid, en de hier voor-
komende waarschuwing tegen het oordeelen, maar gaan
terstond er toe over deze waarschuwing van naderbij te
bezien.
Daar is in deze waarschuwing iets wonderspreukigs.
Immers, er wordt niet gezegd: Veroordeelt niet! maar:
„Oordeelt niet!" Hoe kan iemand dat nalaten? Bij ieder
woord, dat men hoort, bij iedere daad die men ziet, vormt
zich de mensch daarover een oordeel, met de snelheid des
lichts. Men zet zich niet tot oordeelen, maar men kan een-
voudig niet nalaten, het één goed, en het ander kwaad te
vinden, van wat zich aan onze waarneming voordoet. Hoe
kan dan de Heer dit verbieden ?
Dit is het niet, wat de Heer verbiedt. Hij eischt nooit
eene verkrachting der menschelijke natuur. Wat Hij ver- i
biedt, is niet het zich terstond vormende oordeel over een
daad of een woord, maar het opmaken van een oordeel
over den mensch zelven, naar aanleiding van die daden of
woorden. Dat verbiedt Hij, omdat tot zulk oordeelen geen
menschenkind bevoegd is. Wij kunnen zien, dat eene daad
-ocr page 180-
174
óf verkeerd is, maar hoe zullen wij weten of die daad de
openbaring is van de diepste keuze des harten, óf dat zij
voor God betreurd wordt, terwijl er om kracht tegen her-
haalde afwijking wordt gebeden ? En het arglistig menschen-
hart zoekt zoo gretig, om in anderen iets kwaads te vin-
den, opdat men zichzelven moge verontschuldigen. Van
daar die ernstige waarschuwingen, als om te zeggen: door
anderen te oordeelen spreekt gij u zelven niet vrij; inte-
gendeel, gij haalt er u Gods oordeel door op den hals.
Met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten wor-
den. Zijt gij onbarmhartig in uw oordeelen, dan zal ook
over u het oordeel gaan naar het strenge recht. Wie geen
genade, maar alleen recht laat gelden, die toont voor zich-
zelven geen genade te hebben ingeroepen, — en die zie
dan toe, hoe het hem zelven gaan zal, als niet de genade,
maar het recht over hem vonnis velt, ten dage des gerichts!
VII. 3—5. En wat ziet gij den splinter, die in
het oog uws broeders is, maar den balk, die in uw oog
is, bemerkt gij niet ? Of hoe zult gij tot uwen broeder
zeggen: Laat toe, dat ik den splinter uit uw oog uil-
doe, en zie, er is een balk inmooog? Gijgeveinsde!
werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien,
om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.
Nog van eene tweede zijde wordt de waarschuwing tegen
het oordeelen aangedrongen. Hij die oordeelt, doet dat in
een gevoel van meerderheid, van verhevenheid boven den
inensch, dien hij oordeelt. En ondertusschen kan het ge-
schieden, dat zijn eigen kwaad nog veel grooter is. De
Heer drukt dat uit door de sterk sprekende, en daardoor
zich diep inprentende vergelijking met balk en splinter.
-ocr page 181-
175
Zelf een groot gebrek te hebben, maar daarvoor blind te
zijn, en dan zich in te laten met het kleiner gebrek van
een ander, — dat is een werk, dat op niets uitloopen moet.
De zedelijke bevoegdheid ontbreekt, om dan aan eens anders
verbetering te arbeiden. Niet alsof men eerst zelf volmaakt
zou moeten zijn, eer men vermanend of leidend bij ande-
ren optreden kan: dan zou althans de bediening des Woords
niet aan menschen, maar aan Engelen moeten toevertrouwd
zijn. Doch de eigene zonde moet gekend zijn, en betreurd
en bestreden worden, eer men, in den geest der broederlijke
liefde, arbeiden kan aan het zielehe.il van anderen. Het is
een toestand van meer of minder bewuste geveinsdheid, zoo
men alleen voor anderer gebreken een oog heeft. Wie in
\'t eigen hart leert zien, vindt in eigen tuin zooveel onkruid
te wieden, dat hem de lust en de tijd ontbreekt, om rich-
tend zich tegenover anderen als hun meerdere te stellen.
Begin bij het begin! vermaant dit woord onzes Heeren.
De wereldsche geest in het midden der Christenheid is al-
tijd bezig met pogingen om staat en kerk te hervormen
en te verbeteren, en doet bet licht nemen met zonden van
eigen hart en leven. De Geest van Christus leert een an-
deren weg gaan. Wie ijverigst is in eigen heiligmaking
verbetert het allermeest zijn omgeving, ook zonder daar-
toe rechtstreeksche pogingen aan te wenden: de geeste-
lijke dampkring, waarin men leeft, wordt van zelf reiner,
waar men voor zich zelven tracht teederder van geweten
te leven voor God.
VII. 6. Geeft het heilige den honden niet, noch
werpt uwe paarlen voor de zwijnen, opdat zij niet te
eeniger tijd ze met hunne voeten vertreden, en zich
omkem\'ende u verscheuren.
-ocr page 182-
176
Was er geleidelijke overgang van de waarschuwing tegen
liet oordeelen tot die tegen het letten op anderer gebrek
met voorbijzien van eigen kwaad, — zulk een overgang
ontbreekt tusschen de laatste en het verbod van de paarlen
voor de zwijnen te werpen. Deze op zichzelve staande ver-
maning waarschuwt tegen een lichtvaardig omgaan met de
heilige dingen.
Is hier een tegenspraak tegen het gebod: „Gaat heen
in de geheele wereld; predikt het Evangelie allen creaturen"
(Mc. XVI. 16)? Geenszins. Slechts geeft het een wenk,
I hoedanig die prediking geschieden moet. Het heilige; dat-
gene, wat slechts verstaanbaar is voor een hart, dat God
zoekt, — dat mag niet gebracht worden tot hen, die nog
elk orgaan missen tot waardeering daarvan. G ods verborgen
omgang is voor degenen, die Hem vreezen. Daarover kan
niet gesproken worden tot degenen, die nog buiten zijn.
De schatten van het geestelijk leven zijn paarlen, die slechts
gewaardeerd kunnen worden door hen, wier oog voor de
hemelsche dingen is opengegaan. De anderen spotten daar-
mede. Zij vertreden het, omdat zij er de waarde niet van
kennen. Ja, omdat zij zich teleurgesteld voelen door eene
aanbieding van wat zij niet waardeeren kunnen, wenden zij
zich in vijandschap tegen de brengers daarvan.
Niet de heilgeheimen Gods zijn voor de werelddienaars.
Tot hen kome de wet met hare klare eischen, die een weer-
klank in het geweten opwekken; tot hen kome het Evan-
gelie van eenen rijken Heiland, die in het hart behoeften
wakker roept. Maar de zalige zielservaringen der kinderen
Gods, en de diepe mysteriën der verlossende liefde, zijn voor
dezulken nog niet. Daar moet begonnen worden bij het be-
gin, zal er op geleidelijken weg voortgang komen. Er staat
geschreven: „Wie zielen vangt, is wijs" (Spr. XI. 30),
-ocr page 183-
177
maar evenzeer is het waar, dat er om zielen te vangen wijs-
heid van noode is, eene wijsheid, die God geven wil aan
wie ze ootmoedig bij Hem zoekt.
VII. 7. 8. Bidt, en gij zult ontvangen; zoekt en
gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.
Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt, en die
zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan
worden.
Hier volgt, na al de voorafgaande vermaningen, eene be-
lofte; eene belofte, onmetelijk rijk door haren inhoud, en
onwankelbaar vast door Hem, die haar geeft.
Op het bidden wordt ontvangen toegezegd. Dat bidden
wordt niet beperkt door eenige nadere toevoeging, gelijk als
wanneer de Heer zegt (Joh. XVI. 23): „Al wat gij den Vader
bidden zult in Mijnen naam, dat zal Hij u geven." Maar wèl
wordt dit bidden nader bepaald, als een aanhoudend, volhar-
dend bidden, doordien er gezegd wordt: Bidt; zoekt; klopt.
Daar ligt in deze woorden een opklimming van aandrang. Het
„bidden" is het eerste vragen, het blootleggen der behoefte.
Maar als er nu volgt: „zoekt", dan wordt daardoor aan-
geduid, dat de begeerde zaak niet voor de hand ligt; dat er
ijver, inspanning bij noodig is, gelijk als waarmede naar
eene aardsche zaak gezocht wordt. En als er dan nog aan
toegevoegd wordt: „klopt", dan verrijst voor den geest het
beeld van een geslotene poort, die geopend moet worden
om te kunnen binnen gaan.
Wie nu alzóó bidt, zal ontvangen; wie alzóó zoekt, die
zal vinden; wie alzóó klopt, dien zal worden opengedaan.
Hoe kan dit zoo zonder beperking worden beloofd? De
mensch ontvangt toch niet al wat hij vraagt; dat leert de
Roozemeijeb, Ev. Matth. I.                                                        12
-ocr page 184-
178
ervaring van eiken dag; hoe kan de Heer dat dan hier
heioven ?
Zoo wij slechts lezen wat er staat, dan zien wij, dat de
Heer dat ook niet belooft. Er staat niet: wat gij bidden
zult, dat zult gij ontvangen. Die belofte wordt slechts ver-
bonden aan wat „in Jezus naam" gebeden wordt (Joh.
XVI. 23.); dat is, aan hetgeen aldus gevraagd wordt, dat
men zijne vrijmoedigheid daaraan ontleent, dat men door
Jezus tot den Vader gezonden is, en dat men begeert, wat
Jezus ons leert vragen.
Hier, waar die nadere bepaling niet toegevoegd wordt,
hier wordt gezegd: gij zult ontvangen; gij zult vinden; u
zal opengedaan worden. Dat is: gij zult niet altijd juist
datgene verkrijgen, wat gij begeert, — maar ontvangen zult
gij zeker; vinden zult gij; opengedaan zal u worden. Wat
het zijn zal, hebt gij aan de liefde en wijsheid Gods over
te laten, die uwe nooden beter kent, dan gij zelve ze kent.
Vruchteloos zal uw bidden, als het een ernstig, volhardend
vragen is, nooit zijn; gij zult ervaren, dat God een Hoor-
der des gebeds is.
Iets anders dan dit wordt ook niet begeerd, door wie
Gods liefde leerde kennen, en daarbij zich bewust is van
eigene kortzichtigheid. Hij zou niet begceren zelf het roer
in handen te nemen, waarmede zijn scheepken gestuurd
wordt op de woelige levenszee. Hein is het genoeg, zijne
nooden aan den Vader te klagen, en af te wachten, welke
voorziening Hij daarin scheuken wil. Deze vastheid te hebben:
God hoort; God geeft; God antwoordt, —dat is volkomen
voldoende. En deze vastheid wordt in dit woord gegeven
door Hem, op wien wij staat kunnen maken, door Hem,
die zelf voor ons het onderpand is der liefde Gods. Vrij
mag nu het hart uitstorten, al wat dat hart beweegt; in
-ocr page 185-
179
de gebrekkige woorden verneemt de Heer de werkelijke
behoefte. En waar Hij met antwoorden en geven vertoeft;
waar op het bidden een zoeken, en op het zoeken een kloppen
moet volgen, daar maakt Hij dat dienstbaar om de ziel te
doen beseffen, wat zij eigenlijk noodig heeft; daar leidt Hij
haar op, om niet zoozeer gaven te vragen, als wel de
levensgemeenschap met Hem, die ééniglijk aan hare diepste
behoefte voldoet.
VII. 9—11. Of wat mensch is er onder u, zoo
zijn zoon hem zou bidden om brood, die hem een en
steen zal geven ? Fm zoo hij hem om eenen visch zou
bidden, die hem eene slang zal geven ? Indien dan gij,
die boos zijt, weet uwen hinderen goede gaven te geven,
hoeveel te meer zal uw Vader, die in de hemelen is,
goede gaven geven dengenen, die ze van Hem, bidden ?
Het is niet waarschijnlijk, dat onze Heiland tweemalen
volkomen dezelfde woorden gesproken zou hebben, ééns
hier in de Bergrede, en ééns bij de gelegenheid, door Lucas,
in het Xle Hoofdstuk van zijn Evangelie, vermeld. Den-
kelijk heeft Mattheus na de belofte der gebedsverhoo-
ring, het woord ingelascht, naar andere aanleiding door
Jezus over hetzelfde onderwerp gesproken.
En inderdaad, dit woord over wat een aardsche vader
niet kan doen, is treffende aandrang, om alle goede gaven
te wachten van de liefde Gods.
Welk mensch zal zijn hongerend kind een steen geven
voor het brood, eene slang voor den visch, waarom hij
vraagt? Het kan geschieden, dat hij niet bij machte is, hem
brood te geven. Het kan zelfs zijn, dat hij uit hardheid
het begeerde voedsel weigert. Maar een spotten met zijn
-ocr page 186-
180
hongerend kind, door hem iets te geven, dat in vorm eenigs-
zins op het begeerde voorwerp gelijkt, een steen voor een
brood, eene slang voor eenen visch, doch den honger niet
stillen kan, — dat kan hem gewis niet van het hart. Dat
zal hij niet doen; dat kan hij niet doen. Zijn ook alle
menschen samen te vatten onder die aanduiding: „gij, die
boos zijt," zoozeer is toch niet het menschelijke uitgeschud
door hen die boos zijn, dat de stem des bloeds ganschelijk
niet spreken zou, en eene wreedaardige bespotting het ant-
woord zijn zou op een kreet der behoefte.
En als nu dit onmogelijk is, hoe zult gij zoo iets dan
van uwen hemelschen Vader verwachten? Want inderdaad,
het zou een spotten zijn met de behoefte des menschen, indien
allerlei zegeningen hem werden voor oogen gesteld, en die
zegeningen hem dan niet werden geschonken, als hij er
om bad. Nog treffender komt dat uit in den vorm,
waarin Lucas dit woord des Heeren mededeelt: „hoe-
veel te meer zal uw hemelsche Vader den Heiligen
Geest geven, dengenen die Hem bidden." Al wat den zon-
daar op aarde gelukkig en in de eeuwigheid zalig maken
kan, is alleen dan zijn deel, wanneer hij door den Heiligen
Geest is wedergeboren tot een kind Gods. Wat zou het dan
nu anders zijn dan een wreedaardige spotterij, indien het
Evangelie hem kwam noodigen tot dit heil, maar dat ééne,
wat alleen daaraan deel geven kan, hem niet werd geschonken
op zijn bidden? Wacht, u dan, dit te veronderstellen van
dien God, Wiens wezen liefde is!
Voor hoevele zoekende en beangste zielen is dit woord
des Heeren reeds tot rijke vertroosting geweest! Het worde
dat ook voor u, mijn lezer! indien gij nog vreesachtig van
verre staat. Bedenk het toch, wat rijke belofte hier wordt
gegeven, en daarbij, wie Hij is, die ze uitsprak! Het is
-ocr page 187-
181
«iet maar een menschenkind, wiens woorden falen kunnen;
het is de Heer, die Zijn recht heeft gestaafd om de God-
mensch te heeten. Wat Hij aangaande den Vader ver-
klaart, kunt gij het daarop niet wagen voor de behoeften
uwer ziel ?
VII 12. Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de
menschen zouden doen, doet gij hun ook alzóó; want
dat is de wet en de profeten.
Ook dit is een los op zich zelf staand woord; één van
die puntige gezegden, die in het geheugen bewaard blijven,
ook waar de samenhang is verloren gegaan.
Onze Heer geeft in dit korte woord den regel aan, die
den mensch aangeeft, hoe hij in de verschillende omstan-
digheden met zijne naasten heeft te verkeeren. „Heb uwen
naaste lief gelijk u zelven\\" dat is de eisch, waarin alle
geboden der tweede tafel zich laten samenvatten. Maar op
welke wijze moet zich nu die liefde openbaren ? Tot
welke daden moet zij leiden in de onderscheidene verhou-
dingen, waarin de mensch tot allerlei menschen staat? Op
deze vraag vinden wij hier het antwoord. In de plaats van
den regel des O\' Verbonds, „Oog om oog, tand voor tand!"
die gelijk wij vroeger (V. 38) zagen, eene verbetering
aanbracht in de zeden, door de wraakzucht in te per-
ken, — komt nu de zooveel hoogere regel der Nieuwe
Bedeeling. Nu is het: wat gij wilt; d. i. wat gij, in die
omstandigheden verkeerende, voor u zelven begeeren zoudt,
doe gij dat uwen naaste ervaren. Die regel geeft de ge-
dragslijn aan in alle verhoudingen: tegenover meerderen en
minderen, gelukkigen en ongelukkigen, en wat daar méér
te noemen zou zijn. Gewisselijk niet immer kan men doen,
-ocr page 188-
182
wat men, in zulke omstandigheden geplaatst, zelf zou wen~
schen te ervaren, maar het doel is dan toch aangewezen,,
waarnaar gestreefd moet worden. Een hoogere regel kan er
niet zijn, noch ook een e, die duidelijker in alle voorkomende
gevallen van toepassing is.
Zulk een regel kan slechts gegeven worden, waar Gods
genadegave in haar volheid is medegedeeld. Dat éischt
een gestadig voorbijzien en vergeten van zich zelven,
als men zich zoo gedurig in anderer belangen heeft te
verplaatsen. Hoe zou dan een hart daartoe in staat zijn,
tenzij het verrijkt en verruimd is door Gods gave in
Christus? Van de gave, in Hem door den Vader gegeven,
spreekt onze Heiland slechts zelden; Hij laat dat over
aan het onderwijs, dat de Trooster later aan Zijne disci-
pelen geven zal; maar hoe groot deze gave moet zijn, dat
schemert telkens heen door de zwaarte der eischen, die Hij
stelt. Zonder die gave, zouden die eischen het onmogelijke
opleggen; het Evangelie zou geene blijde boodschap meer
zijn, maar, méér nog dan de wet, den mensch zijne onmacht
doen gevoelen; kwam het eischen zonder te geven, het zou
ons slechts tot wanhoop drijven.
Den naaste te doen, gelijk men zelf zou willen ervaren —
dat is de wet en de profeten. Daarop komen alle vorde-
ringen neder, door de wet gebracht en door de profeten
nog sterker op aangedrongen. Zeker! behalve deze zijn er
eischen aangaande de verhouding tot God; de eerste tafel
der wet is niet minder dan de tweede gewichtig. Maar
omdat liefde tot den naaste onmogelijk is, tenzij liefde tot
God vooraf gaat, daarom is de beoefening der liefde tot
den naaste bewijs, dat ook de liefde tot God niet ont-
breekt, en zóó kan dan gezegd worden, dat in dezen eisch
de gansche wet en de profeten zijn samengevat.
-ocr page 189-
183
VII. 13. 14. Gaat in door de enge poort, want
wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het ver-
derf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan,
want de poort is eng en de weg is nauw, die tot het
leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden.
Ook tussclien deze woorden, en het voorafgaande, is
geen samenhang aan te wijzen.
In deze welbekende, klare en ernstige woorden wijst de
Heer op tweeërlei levensrichting, uitloopende op tweeërlei
einden. Daar is een breede, gemakkelijke weg, waarop men
reist in het gezelschap van velen — maar het einde is het
verderf! Daar is een smal pad, met moeite en voorzichtig-
heid te betreden, waarop slechts weinigen gaan: dat is het
pad ten leven.
Tot recht verstand van de bedoeling des Heeren is het
noodig, er op te letten, dat de poort aan het begin, en
niet aan het eind van den weg staat. Zoo wordt dus niet
de poort van het hemelsch Vaderhuis bedoeld. Het is de
poort, die toegang geeft tot den weg. Voorts, de smalle weg
is niet voor te stellen als een weg, met rotsen omsloten:
dan toch zou geen afdwalen daarvan mogelijk zijn. Het is
een smalle weg, tusschen moerassig land, of wel langs af-
gronden loopend; een weg waarbij iedere zijtred gevaarlijk
is, maar die zelf veilig is.
Zoo beteekent dan de enge poort: de wedergeboorte,
waardoor men onderdaan wordt van het Koninkrijk Gods.
Wel is dat een enge poort! Wie die poort zal binnengaan,
kan slechts gebogen, en niets bij zich hebbende, intreden.
Dat is: alle hoogmoed, en ook alle wereldsche lust moet
worden afgelegd. Daar is geen wedergeboorte zonder een
aanvankelijk sterven van het oude, zondige bestaan.
-ocr page 190-
184
Zonder die enge poort te zijn doorgegaan, komt niemand
op den rechten weg. Een der schoonste voorstellingen, door
de Heidensche oudheid overgeleverd, doet een jongeling aan-
schouwen, aangekomen op een punt, waar de weg zich in tweeën
splitst. Aan de ééne zijde is een hobbelig pad, waar een ernstige
gids hem op heen wijst; aan de andere zijde een effen weg, met
bloemen gesierd, waarheen eene lachende gestalte hem lokt.
De Grieksche oudheid stelde daarmede het pad der deugd,
en den weg der ondeugd tegenover elkander. Maar bij al
het schoone dezer voorstelling is er eene dwaling hierin,
dat de jongeling het pad, waarop hij wandelt, slechts in de
juiste richting heeft te vervolgen om het begeerde doel te
bereiken. Menschelijke wijsheid, aan zich zelve overgelaten,
kon het niet verder brengen dan tot deze voorstelling. Het
onderwijs des Heilands gaat dieper. Op den rechten weg
komt men niet, zonder de enge poort te zijn doorgegaan;
daar is méér noodig dan ontwikkeling; „zonder wederge-
boorte zal niemand het koninkrijk Gods ingaan!"
Wie de poort is doorgegaan, is daarmede niet aan het
einddoel gekomen; de poort geeft toegang tot den weg,
die voert naar het doel. Wedergeboorte is aanvang van het
leven der heiligmaking. Wie door Gods genade tot ver-
nieuwing is gekomen, heeft nu die nieuwe keuze zijns harten
te openbaren in een leven, dat God verheerlijkt; hij kan niet
rusten bij het verkregene; de ontvangene genade wordt
drijfkracht tot het leven der dankbaarheid.
Dat leven der heiligmaking wordt vergeleken met het
wandelen op een smal pad. Daar is waakzaamheid noodig
om daarop te wandelen. Men komt niet van zelf, niet mede-
drijvend op den stroom van het leven der menigte, daarop
vooruit.
Wie een gemakkelijk leven begeert, wie strijd en waak-
-ocr page 191-
185
zaainheid schuwt, die gaat den anderen weg. Om de tegen-
stelling met het andere beeld is ook hier sprake van een
poort. Maar die poort is zóó wijd, dat men niet bemerkt,
eene poort door te gaan. Men gaat slechts voort naar den
lust van het on wedergeboren hart. Men wordt gedragen
door den stroom; men leeft zooals de groote menigte leeft, —
maar het einde van dien weg is het verderf; het verderf,
omdat men op dezen weg vreemd aan God blijft, die de
bron is van alle leven, en onverzoend en onvernieuwd ver-
vallen moet tot den toestand, die, naar het rechtvaardig
oordeel Gods, de vergelding is der zonde. Laat dan vrij
de andere weg smal en moeitevol zijn, — wie wijs is kan
niet aarzelen in de keuze.
Toch, zegt de Heer, zijn er slechts weinigen, die hem vin-
den. De oprecht-geloovigen, de kinderen Gods zijn steeds
„een klein kuddeken." Ach, de meerderheid kiest de ge-
nieting van het oogenblik, zonder te bedenken waar dat op
uitloopen moet! Slechts wie, door G ods genade in het hart
gegrepen, eigen schuld en ellende erkennen, zij keeren zich
tot de enge poort, zij kiezen den smallen weg met al zijn
bezwaren.
Onze Heer waarschuwt vooraf door dit beeld, dat men
zich geen gemakkelijk leven voorstellen moet, als men den
weg ter behoudenis kiest. Maar laat ons nu daarom de heer-
lijkheid, de dankstof niet voorbijzien, die insgelijks door
deze beeldspraak aangeduid wordt, \'t Is eene enge poort; —
maar er is dan toch een poort, \'t Is een smalle weg; maar
er is dan toch een weg. Indien God naar recht had willen
handelen, Hij had de menschheid laten ronddolen in de
woestijn, om jammerlijk om te komen. Maar zie! Hij heeft
een pad gemaakt, dat naar het verloren Vaderhuis voert,
en de poort, die tot dien weg toegang verleent, is wel een
-ocr page 192-
186
enge poort, — doch het is dan tocli eene opene poort. Eng
moet die poort wel zijn; daar moet zooveel worden afgelegd,
zal de ziel geschikt zijn voor het leven der kinderen Gods.
Maar de poort is wijd genoeg om aan een armen zondaar
toegang te verleenen. En wie door Gods genade den smal-
len weg betreden, zij worden voor afdwalen bewaard, en ge-
sterkt onder de moeite der reize, zoodat zij van ganscher
hart mogen betuigen: „Zij zal ons niet berouwen, de keus
van \'t smalle pad; wij kennen den Getrouwen, die ons
heeft liefgehad."
VII. 15—20. Maar ivacht u van de valsehe
profeten, die in schaapskleederen tot u komen, maar
.van binnen zijn zij grijpende ivolven. Aan hunne
vruchten zult gij hen kennen. Leest men ook eene
druif van doornen, of vijgen van distelen ? Alzoo een
ieder goede boom brengt voort goede vruchten, en een
kwade boom brengt voort kwade vruchten. Een goede
boom kan geene kwade vruchten voortbrengen, noch een
kwade boom goede vruchten voortbrengen. Een ieder
boom die geene goede vrucht voortbrengt, ivordt uit-
gehouwen, en in het vuur geworpen. Zoo zult gij hen
dan aan hunne vruchten kennen.
Niet slechts eigen lust doet den mensch den weg des
verderfs kiezen; ook de valsehe profeten verleiden hem
daartoe.
Valsehe profeten waren onder Israël tegenover de profeten
Gods gedurig opgetreden. Geen zwaarderen strijd hadden
Gods gezanten te voeren, dan tegenover hen, die óók be-
weerden een woord Gods ontvangen te hebben. Wat deze
valsehe profeten kenmerkte, en tegelijk hun invloed ver-
-ocr page 193-
187
schafte, was dit, dat zij de lusten des volks streelden. Im-
mer spraken zij van vrede en geen gevaar, en troostten de
menigte, door haar te zeggen, dat zij toch Gods volk waren, —
alsof niet in ieder verbond twee deelen waren begrepen!
Het was eene verkondiging: leef naar het welbehagen uws
harten; Gods gunst is u toch gewaarborgd!
Aan zulke valsche leidslieden zou het ook in de toekomst
niet ontbreken. Hoeveel gevaarlijker moest zulk een spreken
zijn, dat met het kleed der godsvrucht zich tooide, dan de
lichtzinnige taal van hen, die met den dienst Gods gan-
schelijk hadden gebroken ! Juist op dat karakter van schijn-
bare vroomheid wijst de Heer door de uitdrukking: „zij
komen in schaapskleederenj" zij doen als schapen der kudde
zich voor, maar intusschen zijn zij grijpende wolven, die
verscheuren en verderven.
Doch de waarschuwing zou niet baten, als er niet een
kenmerk opgegeven was, waaraan die valsche profeten,
die onbetrouwbare leidslieden onderkend konden worden.
Dat kenmerk is: „aan hunne vruchten zult ge hen
kennen." "Wat hunne leer uitwerkt, èn bij hen zelven, èn
bij hen, die naar hen hooren, dat zal u ten teeken zijn of
zij uit God zijn, of uit zichzelven spreken. Uit de vruchten
kan men tot den boom besluiten. Brengt hunne leer de
zielen dichter bij God? Wordt het geweten er teederder
door? Wordt het kwaad niet slechts in zijne uitwassen be-
snoeid, maar in den wortel aangetast? Voert hunne leer
tot een blijmoediger vertrouwen, tot kinderlijker liefde, tot
standvastiger gehoorzamen, ook waar het moeielijke plich-
ten geldt?
Of eene leer uit God of uit den mensch is, dat is niet
op te maken uit het aantal van wie haar aannemen, noch
uit het gezag van oudheid waarmede zij optreedt, noch uit
-ocr page 194-
188
hare aannemelijkheid voor het verstand. De eenig geldige
proef is deze: maakt zij hare aanhangers tot betere men-
schen, teederder van geweten, meer van liefde tot God
vervuld, dan andere menschen zijn? Niet altijd is dat ter-
stond te onderkennen; vruchten hebben tijd noodig om te
rijpen; doch ten slotte blijkt hieruit onbedriegelijk of eene
leer van God gekomen is, of niet. Goede vruchten worden
voortgebracht door de leer van hen, die de woorden Gods
brengen; zoo zal het niet zijn bij de valsche profeten, die
hun verdorven verstand stellen in de plaats der Godsopen-
baring. Wacht u dan voor dezulken! Laat u niet mede-
voeren ! De kwade boom wordt uitgeroeid en in het vuur
geworpen; slechts de goede boom wordt gespaard.
VII. 21 — 23. Niet een iegelijk, die tot Mij zegt:
Heere, Heere ! zal ingaan in het koninkrijk der heme-
len, maar die daar doet den wil Mijns Vaders die in
de hemelen is. Velen zullen te dien dage lot Mij zeg-
gen: Heere, Heere! hebben loij niet in Uwen Naam
geprofeteerd, en in Uwen naam duivelen nitgeioorpen,
en in Uwen naam vele krachten gedaan ? En dan zal
Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend;
gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt!
De valsche profeten treden op in schaapskleederen. Zij
doen zich voor, als behoorende tot de kudde. Het zijn dus
geene openlijke vijanden en tegenstanders. Dat geeft den
Heer aanleiding, er op te wijzen, dat uitwendig eerbetoon
aan Hem gebracht, uiterlijke belijdenis Zijns naams, niet
voldoende is om tot het koninkrijk der hemelen te behooren.
Niet een iegelijk, die Heere, Heere! zegt, zal ingaan.
Keurt Jezus dan af, dat men Hem met dien naam noemt?
-ocr page 195-
189
Geenszins. Elders (Joh. XIII. 13) zegt Hij tot Zijne dis-
cipelen: „Gij heet Mij Meester en Heer, en gij zegt wèl,
want Ik ben het." Wat Hij als onvoldoende ter behoudenis
aanwijst, is, dat dit een zeggen blijft, waar geen doen op
volgt. En als dat doen ontbreekt, dan is ook dat zeggen
slechts huichelachtig. Immers, wie iemand „Heer" noemt,
en dat waarlijk meent, die erkent zich aan dien „Heer" onder-
worpen, en gehouden tot het verrichten van wat Hij beveelt.
Deze menschen nu laten het blijven bij eene betuiging
der lippen. Misschien wel om dit te meer in het oog te
doen vallen, vermeldt Jezus, dat zij het woord „Heer" her-
halen, waarmede zij Hem toespreken. Overvloed van woor-
den moet het ontbreken der daden bedekken, — maar dit
bedekken baat niet voor Hem, Wiens oog alles ziet. Ten
dage des gerichts wordt het openbaar, dat niet de veelheid
van woorden behoudt, maar het ootmoedig volbrengen van
de opgelegde taak, met een hart, dat van dankbaarheid
vervuld is; het wandelen op het smalle pad, waarop ge-
stadige zelfverloochening moet worden beoefend.
Doch, — zij, die voor den Hechter gesteld worden, heb-
ben, waarop zij meenen zich te kunnen beroepen. „Heere,
Heere!" spreken zij: „hebben wij niet in uwen naam gepro-
leteerd, eu duivelen uitgeworpen en krachten gedaan ?" Het
is alsof zij zeggen willen: Indien wij u niet toebehooren,
wie zullen dan de uwen zijn? Getuigen niet onze daden
van den band, dio ons aan u verbindt?
Opzienbarende daden zijn het, die zij hebben op te noe-
men. Zij hebben, als met goddelijk gezag bekleed, zich als
boetprofeten gesteld tegenover de wereld; ze hebben dui-
velen uitgeworpen, hetzij dan door geheimzinnige macht,
over booze geesten uitgeoefend, zooals ook de leerlingen
der Schriftgeleerden (Mt. XII. 27) dat deden, hetzij door
-ocr page 196-
190
uiterlijke zonden uit te drijven door den invloed, die van
hun optreden uitging; zij hebben vele krachten gedaan, veel
en velerlei tot stand gebracht, waarop de wereld met ver-
bazing zag.
Hoe is het mogelijk, al zulke dingen te doen, indien
toch het hart den fleer niet toebehoort? Tiet is de macht,
die in het woord des Heeren ligt, ook daar, waar het ge-
bracht wordt door menschen, die zelven verwerpelijk zijn (1
Cor. IX. 27) of die uit onrein beginsel liet verkondigen
(Phil. I. 15. 16). Wèl is dat geene blijvende macht; wèl
is zulke invloed, op zichzelven staande, geen zegen bren-
gende, zoo daarbij later niet iets anders komt; doch voor
een tijd schittert en blinkt het dan toch, en zij, die deze
krachten doen, kunnen daarmede zich zelven misleiden alsof
zij waarlijk den Heer toebehoorden. Helaas, het is een
moedwillig, een op jammerlijke teleurstelling uitloopend
zelfbedrog!
Wat heeft hun dan ontbroken? J)it, dat zij wel velerlei
deden in den naam des Heeren, maar dat zij dien naam
niet hebben aangeroepen tot hunne eigene behoudenis, en
dat zij door de gemeenschap met dien naam hun binnenste
niet hebben laten louteren. De „naam", die, volgens de
gansche Schrift, het geopenbaarde wezen is, hebben zij ge-
bruikt als een klank, om er hun leven mede te tooien.
Daar is geene aanraking geweest tusschen den Heer en hun
hart. Klinkende en schitterende daden hebben zij tegenover
den Rechter te vermelden, — maar zij kunnen niet zeg-
gen: Heer, zijn wij niet als arme zondaars tot u gekomen,
om ons te werpen voor uwe voeten, steunende op uwe al-
machtige genade? Zij kunnen niet vragen: Heer! hebben
wij niet aan Uw hand gewaiideld op het smalle pad, telkens
struikelend, maar ook telkens weer opgericht door Uwe trouw ?
*
-ocr page 197-
191
Men kan velerlei te toonen hebben, en nochtans ver-
loren gaan. Maar men kan niet het nieuwe leven zijn
deelachtig geworden, al ware het dan ook gering als een
rookende vlaswiek, en dan tóch afgewezen worden. Wat
de Rechter den schijngeloovigen toeroept, is: „Gaat weg
van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt\\" De rechte
zin, de rechte verhouding tot God, de rechte beantwoording
aan Zijne eischen ontbrak hun. Door een eigenwilligen gods-
dienst hadden zij willen goedmaken, dat zij den godsdienst
des harten niet bezaten. Daarom spreekt de Rechter: „Ik
heb u nooit gekend." Kennen, als het in zijn eigenaardig
schriftuurlijke beteekenis voorkomt, is: in liefde aanzien,
door de gemeenschap der liefde doorgronden; het is dan
niet eene daad van het bloote verstand, maar van het ver-
stand dat door het hart bestuurd wordt. Zóó is het, wan-
neer het aangaande menschen gezegd wordt; indien het van
den Heer wordt gebezigd, dan geeft het te verstaan, dat
de Heer iemand aanschouwt als Hem toebehoorende, en Zijn
leven deelachtig. Die band, die betrekking, is er nimmer
geweest met dezen, die in Zijnen naam optraden, — want
hunne werken waren geene werken der dankbare liefde,
maar werken der ongerechtigheid. Hoe zou dus iets anders
mogelijk zijn, dan het vonnis: „Gaat weg van Mij" ? Waar
de geestelijke band ontbreekt, daar kan geen blijven zijn
bij Hem, die woont in het licht, en voor Wien geene
ongerechtigheid kan bestaan.
VII. 24—27. Een iegelijk dan, die deze Mijne
woorden hoort en ze doet, dien zal Ik vergelijken bij
een1 voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots
gebouwd heeft; en er is slagregen nedergevallen, en
de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben
-ocr page 198-
192
gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen, en het
is niet gevallen, want het was op de steenrots gebouwd.
En een iegelijk, die deze Mijne woorden hoort,
en ze niet doet, die zal bij eenen dwazen man ver-
gelehen worden, die zijn huis op het zand gebouwd
heeft; en de slagregen is nedergevallen, en de water-
stroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid,
en zijn tegen dat huis aangeslagen, en het is gevallen,
en zijn val was groot.
De Heer besluit Zijne rede met eene beeldspraak, wèl
geschikt om diepen en blijvenden indruk te maken. Het
is de toepassing op de gehoudene rede, eene toepassing,
die juist daarom zoo kort wezen kan, omdat de rede zelve
geheel praktisch en het geweten aangrijpend geweest was.
Het hooren, achtervolgd door het doen, en het Jioorew
achtervolgd door niet-doen, stelt de Heer tegenover elkan-
der; het eerste is een bouwen op de rots; het tweede, een
bouwen op den zandgrond.
Ieder mensch bouwt zich een huis der hope, iets, dat
hem tot veiligheid en beschutting zal moeten zijn ten dage
des kwaads. Wat de beide huizen onderscheidt, die hier
tegenover elkander worden gesteld, is niets anders dan de
grondslag, waarop zij opgericht zijn. Het huis op den zand-
grond kan even geriefelijk, even sierlijk zijn als dat op
den rotsgrond, ja! het kan dat in allerlei opzichten over-
treffen. Doch als de kwade dag komt, de dag der stormen
en slagregens en watervloeden, de dag, die de deugdelijk-
heid der beide huizen op de proef stelt, dan blijft slechts
dat huis staan, dat op de steenrots is gegrond. Waar het
op aankomt, dat is de bodem, waarin het fondament i*
gelegd.
*
-ocr page 199-
193
Daar komt een dag des gerichts. Elders (1 Cor. III. 12. 13)
wordt dit gericht met een vuur vergeleken, waardoor hout, hooi
en stoppelen verteerd worden, en alleen het goud en zilver
en de kostelijke steenen blijven bestaan; hier met een storm
en een vloed, die de deugdelijkheid op de proef stelt van
wat de mensch heeft gebouwd. Niets houdt stand, dan wat op
de rots staat. Het is het leven, ingericht naar de woorden
des Heeren; het leven, dat niet maar met klank en schijn
vervuld is geweest, doch dat de gerechtigheid beoefend
heeft, die van de burgers van Gods koninkrijk wordt geëischt.
Doch — wordt nu hier niet een andere weg des behouds
geleerd, dan de weg des geloofs in Christus, door alle
Apostelen als den éénig waren gepredikt; een andere weg
ook, dan die in het Evangelie van Johannes wordt voorge-
steld, als daar „het blijven in Christus" het éénige genoemd
wordt, wat ten leven doet ingaan ? Geenszins. Daar is geen
ander onderscheid, dan dat hier het uitwerksel, en Mar de
oorzaak wordt genoemd. Sprekende tot de menigte, en het
overlatende aan de werking des H. Geestes om later de
heerlijkheid des Verlossers te openbaren, wijst Jezus hier
alleen op het uitwerksel van het nieuwe leven. Maar dat
nieuwe leven komt in geen enkel hart, dan door het geloof
in Christus, en bestaat in niets anders, dan in de levens-
gemeenschap met Hem. Wat de Bergrede eischt, kan door
niemand worden volbracht, dan die in Christus verzoening
vond van schuld, en nu voorts leeft door het leven, dat
van zijn Goddelijk Hoofd hem toevloeit. Losgemaakt van
den persoon en het werk des Heilands, wordt de Bergrede
eene tweede wet, nog meer verpletterend en verdoemend
dan de eerste, omdat zij zooveel hooger eischen dan de eerste
- stelt. Dat spreekt de Heer hier niet uit; de zoekende zielen,
die daar hoorden naar Zijn woord, aangetrokken door de
ROOZKMEIJKR, Ev. MATTH. I.                                                                          13
-ocr page 200-
194
macht Zijner liefde, zouden het ervaren, hoe Hij het is,
die alleen dat nieuwe leven bewerkt, en later zou dan
de Apostolische verkondiging de wereld heenwijzen op
dien Christus, uit Wiens gemeenschap alléén dat Godegeval-
lige leven voortkomt. Hier was het genoeg, den eisch te
stellen; de persoonlijke aanraking bracht aan, wat later
vergoed moest worden door het woord der prediking.
Het huis op de rots gebouwd, wordt gesticht door het
leven, waarin het hooren door het doen wordt achtervolgd.
Maar omdat dit doen niet mogelijk is zonder de levensge-
meenschap met Christus, blijkt ook hier, dat de Christus
zelf die rots is, waarop alleen veilige toevlucht is. De
zandgrond spoelt weg; slechts de rots houdt stand. Zalig
wie op die „Bots der eeuwen" toevlucht vond; hij wordt
niet beschaamd in den dag des gerichts! Wat God in hem
aanschouwt, is niet een gebrekkig en bevlekt menschelijk
werk, maar het uitwerksel, de ontplooiing van het vol-
maakte werk van den Christus.
VII. 28. 29. En het is geschied, als Jezus deze
woorden geëindigd Jvad, dat de scharen zich ontzetten
over Zijne leer; want Hij leerde hen als machtlieb\'
bende, en niet als de Schriftgeleerden.
Aan het slot van de rede des Heeren, deelt de Evan-
gelist den indruk mede, dien deze rede op de hoorders
maakte. Eigenaardig is die indruk. Niet de liefelijkheid
der zaligsprekingen, niet de strengheid der eischen is het,
wat allermeest de schare treft; zij ontzetten zich, omdat
Jezus spreekt als macht hebbende, en niet als de Schrift-
geleerden. De inhoud van het woord wijkt terug voor den
persoon, die het woord uitspreekt. Wat er het merkwaar-
-ocr page 201-
195
digst van is, dat is niet, wat het verkondigt of gebiedt, maar
de wijze, waarop hier verkondigd en geboden wordt.
De schare geeft hiermede een blijk van een juist oordeel.
De Bergrede is niet te scheiden van Hem, die haar uit-
sprak; ze ontleent hare beteekenis en kracht aan Zijn per-
soon. Men heeft uit de schriften van Joodsche leeraren
spreuken bijeengezameld, waaruit zou moeten blijken, dat
Jezus niets oorspronkelijks heeft voortgebracht. Wij willen
hiertegenover niet slechts herinneren, dat dit slechts ten
deele opgaat, en aan het feit, dat veel in de Talmudische
literatuur van jongeren oorsprong is dan de Evangeliën,
zoodat daarin herinneringen aan gezegden van Jezus kun-
nen bewaard zijn. Wij willen zelfs voor een oogenblik aan-
nemen, dat al die spreuken van ouder dagteekening zijn, en
dan zeggen wij: hoe beter men geslaagd is in dit vinden
van overeenkomst tusschen gezegden van Jezus en spreuken
der Rabbijnen, des te duidelijker blijkt daardoor juist de
gansch ééuige heerlijkheid onzes Heeren. Want die spreuken
en lessen van de Rabbijnen hebben niets uitgewerkt, dan aan
een versteend Jodendom het aanzijn te geven; in den mond
van Jezus daarentegen zijn deze woorden tot middelen gewor-
den, die de gedaante der wereld hebben veranderd, en eennieuw
leven in de wegstervende menschheid hebben doen ontstaan.
Van waar dat verschil? Van waar anders, dan daarvan,
dat in de woorden van Jezus Zijn Geest, Zijn goddelijke
kracht zieh openbaart? Iets daarvan gevoelt de schare. Hij
spreekt niet als de Schriftgeleerden; Hij brengt niet, als
zij, de vruchten van menschelijk nadenken over hetgeen in
vorige eeuwen door openbaring was verkondigd; Hij brengt
een levend Godswoord; Hij spreekt als machthebbende. De
grond van het gezag Zijns Woords ligt in Zijn persoon.
Zijn: „Ik zeg u!" staat niet slechts tegenover de overle-
-ocr page 202-
196
veringen der vaderen, maar ook tegenover de uitspraken der
goddelijke wet. Wat Hij zegt is waarheid, omdat Hij het
zegt. Hij brengt de rechtstreeksche, de hoogste, de voor
alle eeuwen geldige Godsopenbaring. En Hij doet méér dan
dat. Hij brengt het goddelijk leven op aarde aan. Het
leven is Hem, en gaat van Hem uit tot allen, die tot Hem
in de betrekking des geloofs komen te staan. Ddarom kan Hij
zooveel strenger eischen brengen, dan de wet bracht, om-
dat in Zijne gemeenschap de bron der kracht tot opvolging
daarvan is gegeven. Eerst door Hem zelven heeft de Berg-
rede macht tot zegen verspreiding. T)e nieuwe eischen des
koninkrijks kunnen verkondigd worden, omdat de Koning
is verschenen, die zelf Zijne onderdanen aan zich verbindt
door de macht Zijner liefde, en den Geest der heiligmaking
hun mededeelt.
Zeker! dit alles stond de volksmenigte niet klaar voor
het bewustzijn. Maar dit voelen zij toch: hier is iets bui-
tengewoons. Daarom ontzetten zij zich, even als de schare
op den Pinksterdag. Ach, bij hoevelen van hen zal deze
indruk weer zijn voorbijgegaan, zoodat zij bleven die ze
waren, — neen! dieper dan vroeger zonken door verwaar-
loosde genade. Maar daarentegen, daar zullen anderen ge-
weest zijn, bij wie deze ontzetting overging in wat beters,
in een vertrouwend, geloovig opzien tot dezen Gezondene
Gods, om dan voorts door het leven te gaan, steunende op
Zijne kracht en werkende wat Hem welbehagelijk is. (1)
VIH. 1—4. Toen Hij nu van den berg afgeklom-
men was, zijn Hem vele scharen gevolgd.
En ziet, een melaatsche kwam, en aanbad Hem,
(1) Zie voorts, aan het einde van dit werk, het Aanhangsel, over: „De
Bergrede en du belijdenis der Kerk."
-ocr page 203-
197
zeggende: Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij rei-
nigen! En Jezus, de hand uitstrekkende, heeft hem
aangeraakt, zeggende: Ik ivil, word gereinigd! En
terstond werd hij van zijne melaatsehheid gereinigd.
En Jezus zeide tot hem: Zie, dat gij dit niemand
zegt; maar ga heen, toon u zelven den priester, en
offer de gave, die Mozes geboden heeft, hun tot eene
getuigenis.
Mattheus heeft, door de Bergrede mede te deelen, den
Heer als Leeraar doen aanschouwen, en hij heeft tegelijk
den indruk vermeld, dien Jezus optreden als Leeraar op de
schare maakte. Maar de macht, die zich in Zijn spreken
openbaarde, waar Hij Zijn: „Doch Tk zeg u!" stelde zelfs
tegenover de wet, aan Israël gegeven, moest nu ook nog
op andere wijze aan het licht treden. Een talloos tal van
wonderen moet nader Zijne heerlijkheid doen uitstralen.
Hier, waar Mattheus het eerste wonder verhaalt, na vroeger
slechts in het algemeen van wonderen gesproken te hebben
(IV. 23), hier is het de plaats meer opzettelijk bij de beteekenis
en bedoeling der wonderen stil te staan.
Wonderen zijn openbaringen eener bovennatuurlijke macht.
Herhaaldelijk komen zij in Israels geschiedenis yoor, doch
zij begeleiden deze geschiedenis niet met gelijkmatigen
gang. Wij vinden ze voornamelijk bij de vestiging van
Israels volksbestaan; in den tijd van El ia en Elisa; en bij
het optreden des Heilands. Telkens vinden zij derhalve
plaats, als de stompzinnigheid, waartoe het volk is verval-
len, het onmogelijk maakt de leidingen Gods op te merken,
zonder dat buitengewone gebeurtenissen opwekken uit die
onaandoenlijkheid. Ook ten tijde der verschijning van den
Zoon Gods was het zulk een tijd van onontvankelijkheid
-ocr page 204-
198
voor het Godswoord. De godsdienst was tot eene verstee-
ning geworden, en wat het hart des volks vervulde was
alleen de gedachte aan onafhankelijkheid en aardsche wei-
vaart. Zoo moesten dan de wonderen dienen, om aandacht
te vragen voor eene verschijning, die, zonder dat, onopge-
merkt zou gebleven zijn. Méér dan dit vermochten de
wonderen niet; het geloof konden zij niet doen ontstaan:
duizenden hebben deze wonderen gezien, en zijn gebleven
die zij waren. Maar de wonderen deden den blik op Jezus
vestigen. Dan, als men Hem gadesloeg, moest de ziel tot
beslissing komen, of zij in Hem Gods Gezondene wilde
erkennen, of Hem verwerpen wilde: die keuze zelve is
immer eene zedelijke daad, afhankelijk van het al of niet
behoefte gevoelen aan eenen Redder, die van zonde en
schuld verlost.
Ziedaar de eerste bedoeling der wonderen. Is nu echter
het geloof ontstaan; d. i. heeft de ziel in Jezus den Chris-
ten erkend, dan komen de wonderen dat geloof versterken.
Dan komen zij de uitwendige bevestiging geven, dat inder-
daad Jezus de Zoon van God is, omdat Hij, ook op het
gebied van het uitwendig leven, zich alzoo betoont, als van
den Zoon Gods te verwachten is.
Met verschillende namen worden in de Evangeliën deze
wonderen genoemd. De gewone naam: „wonderen" wijst
alleen op hunne afwijking van de bestaande orde der dingen.
„Teekenen" heeten zij, als heenwijzingen op eene hoogere
wereld, als aanduidingen der heerlijkheid van Hem, die ze
verricht. „Krachten" worden zij genoemd, als openbaringen
van de goddelijke macht, die daarin zoo duidelijk aan het
licht treedt. Maar het opmerkelijkst is de naam „werken",,
die vooral gebezigd wordt in het vierde Evangelie, dat tot
den grond der dingen doordringen kan, omdat het voor
-ocr page 205-
199
reeds toegebrachte gemoederen geschreven is. Die naam
doet de wonderen beschouwen, niet van het standpunt des
raenschen uit, voor wien de natuurorde eene onverbrekelijke
wet is, maar van de zijde des Heeren, die als Zoon des
Vaders boven die wet staat, waaraan de schepping is onder-
worpen. Voor Hem zijn de wonderen geene wonderen; het
zijn „werken"; het zijn de gansch natuurlijke uitingen Zij- \'
ner heerlijkheid. Eerst dan is de mensch tot de rechte
waardeering der wonderen doorgedrongen, als zij voor hem
opgehouden hebben dingen te zijn, waarover hij zich ver-
wondert, — omdat zijne ziel in Jezus den Christus heeft
leeren aanbidden.\'
Al de wonderen onzes Heeren openbaren niet alleen Zijne
macht, maar ook Zijne liefde. Immers, nooit heeft Hij eenig
wonder voor zichzelven verricht; altijd bezigt Hij Zijne
macht tot redding van ongelukkigen. Maar bij die betoo-
ning van macht en liefde, die aan al de wonderen eigen
is, heeft elk dier wonderen iets eigendominelijks, hetzij in
den aard van het lijden, dat weggenomen wordt, hetzij in
de omstandigheden, waaronder het plaats heeft, hetzij in de
gemoedsgesteldheid des menschen, aan wien het wonder ge-
schiedt. Dat blijkt ons reeds aanstonds bij dit eerste won-
der, door Mattheus verhaald.
Een melaatsche komt, om redding te zoeken. Melaatsch-
heid is eene zoo afschuwelijke ziekte, dat men haar in al hare
verschijnselen niet wel beschrijven kan. Er zijn van die
melaatschheid lichtere graden, waarin zij slechts eene huid-
ziekte is, die genezen kan worden. Doch waar zij in volle
kracht optreedt, daar is zij, even als de pest, met recht de
geesel Gods genoemd: de pest, die als in een oogwenk den
mensch uit het land der levenden wegrukt; de melaatsch-
heid, die duldeloos lijden doet, het lichaam lid voor lid
-ocr page 206-
200
doet wegsterven, tot eindelijk de dood intreedt. Om de be-
smettelijkheid, die in hooge mate haar eigen is, moet de
melaatsche in strenge afzondering van andere menschen
leven; op eene bepaalde plaats wordt voedsel voor zulk
een ongelukkige gebracht, dat hij tot zich neemt nadat de
brenger zich heeft verwijderd.
Zulk een lijder nadert nu den Heer, ongetwijfeld op
eenigen afstand. Maar hij verheft zijne stem en zegt:
„Heere! indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen!" Het ge-
rucht van \'s Heilands wonderbare werken is tot hem door-
gedrongen, en hij gelooft aan Zijne macht. Wat hij echter
niet weet, is, of deze Gezondene Gods ook gewillig zal zijn
hem te helpen. Had hij daaraan ganschelijk gewanhoopt,
hij zou niet gekomen zijn. Maar toch, hij weet het niet;
hij zegt: Indien gij wilt! Het is hem niet ten kwade te
duiden; hij kende Jezus nog zoo weinig. Ware slechts dat
aanvankelijk geloof dezes menschen aanwezig in het hart
van een iegelijk, die uit het Evangelie weet, dat Jezus niet
alleen helpen kan, maar ook wil! Helaas, hoe menigeen,
met meerder licht gezegend, wordt beschaamd door eenen,
aan wien nog slechts weinig was gegeven, maar die dat
weinige aangrijpt met een volkomen vertrouwen.
En zie, de melaatsche ontvangt de verzekering der be-
reidwilligheid van Jezus op eene wijze, die hij wel nooit
zal hebben verwacht. Jezus, de hand uitstrekkende, raakte
hem aan! Welk een aanblik voor de omringende schare!
Deze Profeet aarzelt niet, den melaatsche aan te raken!
Hij vreest niet, besmet te zullen worden; Hij weet, in zich
de kracht te bezitten om die besmetting te overwinnen.
Jezus, den melaatsche aanrakend, — is het niet een
treffend beeld van geheel Zijne afdaling tot het menschelijk
geslacht ? De toestand, waarin de menschheid is verzonken,
-ocr page 207-
201
is met niets anders juister te vergelijken, dan met de af-
schuwelijke, smartelijke, ongeneeslijke melaatschheid. Be-
zoedeld, doemwaardig staat die menschheid voor de oogen
van den heiligen God, en geene eigene krachtsinspanning
is in staat haar uit dien toestand op te heffen. Zie, tot
deze menschheid daalt de heilige Zoon Gods af, en — Hij
raakt haar aan; Hij vreest hare besmetting niet. Hij ver-
eenigt zich alzoo met haar, dat Hij hare besmetting op zich
neemt; Hij lijdt haar lijden; Hij sterft haren dood, —
alleenlijk, omdat Hij de Zoon Gods is, kan Hij niet onder-
gaan in dezen dood, maar triomfeert en verlost die mensch-
heid, die Hij één maakte met zichzelven.
De vriendelijke aanraking van \'s Heeren hand heeft ge-
strekt, om het geloof des melaatschen te sterken. Niet alleen
van het kunnen, maar ook van het willen des Heeren is
hij nu gewis. Thans weerklinkt het machtwoord: „Ik wil,
word gereinigd!" — en het wonder is geschied; de melaat-
sche is genezen!
Een wonder is niet te verklaren, niet te omschrijven,
juist omdat het een wonder is. Wij staan voor de goddelijke
daad, en aanschouwen haar, maar doorgronden haar niet.
Maar wat bedoelt het woord, waarmede de Heer Zijne
wonderwerking achtervolgt ? „Zie, dat gij dit niemand zegt."
Het ware toch zoo natuurlijk geweest, zou men meenen, dat
de genezene de meest mogelijke ruchtbaarheid gegeven had
aan wat er geschied was, tot grootmaking van den naam
zijns Redders.
Natuurlijk zou het geweest zijn; en soms ook wel heeft
de Heer tot eenen genezene gezegd: Ga heen, verkondig
wat groote dingen God aan u gedaan heeft. Maar in dezen
eersten tijd van Zijn optreden, toen nog de toejuiching der
menigte Hem omringde, verbiedt Jezus alle gerucht, opdat
-ocr page 208-
202
de aardschgezinde neiging des volks geen voedsel zou ont-
vangen, die er toe dreef, Hem tot koning te willen uit-
roepen. Daarom moet de melaatsche, die gereinigd is, een-
voudig gaan doen, wat er voorgeschreven was omtrent hen,
die van lichteren graad van melaatschheid hersteld waren;
hij moet eerst tot den naastbijwonenden Priester gaan, om
zich, na onderzoek, rein te doen verklaren, en daarna in
den tempel het voorgeschreven dankoffer gaan brengen, welke
dubbele daad verordend was tot een openlijk getuigenis, dat de
genezene weder in de samenleving kon worden opgenomen.
In zijn binnenste moest de geredde de herinnering op-
sluiten van het wonder aan hem geschied, en voorts in het
maatschappelijk leven eene nuttige plaats gaan innemen.
Treffend beeld der roeping, die tot de ziele komt, welke
door wedergeboorte ten leven is ingegaan : offer Gode dank, —
en voorts: laat niet uwe woorden vele zijn, maar laat aan
uwen arbeid, aan uw verkeer onder de meuschen gezien
worden, wat God van u gemaakt heeft!
VIII. 5—7. Als nu Jezus te Kapernaum inge-
gaan icas, kwam tot Hem een hoofdman over honderd,
biddende Hem, en zeggende: Heere l mijn knecht ligt
te huis geraakt, en lijdt zware pijnen. En Jezus zeide
tot hem: Ik zal komen, en hem genezen.
Kapernaum is de plaats, waar Jezus tijdens Zijn openbaar
leven woonde, en van waar uit Hij Zijne veelvuldige reizen
door Palestina maakte. Het wordt daarom „Zijne stad" ge-
noemd. (Mt. IX. 1.). In de dagen van \'s Heeren omwande-
ling was het eene volkrijke stad, met levendig verkeer,
gelegen aan den handelsweg tusschen Jeruzalem en Damas-
kus. Thans is het van de aarde verdwenen, alsof het nimmer
-ocr page 209-
203
bestaan had. Het was, ten tijde van haren bloei, juist eene
geschikte woonplaats voor den Heer, omdat hier zoovelen,
uit allerlei oorden, samenkwamen.
In de handelstad Kapernaum was eene Romeinsche bezet-
ting aanwezig. Een hoofdman over honderd, een onder-
bevelhebber van die Romeinsche krijgsmacht, wendt zich
met eene bede tot den Heer. Uit het meer uitvoerig ver-
haal van Lucas (VII. 1—10) leeren wij dezen man kennen,
als den Joden welgezind en hun godsdienst genegen. Wij
hebben ons dus hem voor te stellen als een proselyt der
poorte, een, die niet (gelijk de „proselyten der gerechtig-
heid") geheel in het Joodsche leven inging, maar alleen de
zoogenaamde Noachitische geboden (verg. Hand. XV. 29)
onderhield. Hij is en blijft nog een Heiden, maar een
Heiden, die zich henenkeert naar den God Israels.
Reeds deze aanvankelijke toekeering heeft dezen mensch
een onder de Heidenen ongewoon medegevoel gegeven. Hij
komt hulp vragen voor zijnen dienstknecht, dat is: voor
zijnen slaaf! Voor hem is die slaaf niet maar een voorwerp,
dat als een stuk vee verhandeld wordt. Het lijden van dien
slaaf gaat hem ter harte, en hij getroost zich moeite, om
voor hem redding te zoeken. De dienstknecht ligt „geraakt",
dat is: verlamd, en lijdt daarbij zware pijnen. Allerlei mid-
delen zijn gewis reeds beproefd, doch zonder baat. .. daar
verneemt de hoofdman, dat Jezus te Kapernaum is gekomen!
Zeker, hij heeft nog geen duidelijk begrip, wie Jezus is,
maar dat Deze de macht heeft tot redden, dat betwijfelt
hij niet.
Naar het meer omstandig bericht van Lucas, heeft hij
de oversten der Synagoge vooruit gezonden, om zijne voor-
spraak te wezen. En wel moeten zijne verdiensten jegens
Israël groot geweest zijn, dat deze mannen omtrent hem
-ocr page 210-
204
zóó loffelijk getuigenis afleggen, en zeggen: Hij is waard,
dat Gij hem dat doet! Dat zeide een Jood omtrent een
Heiden niet licht! „Hij is waardig"— straks zegt hijzelf:
„Ik ben niet waardig !" Zie, dat is de rechte toestand, als
anderen van waardigheid spreken, maar de persoon zelf zijne
onwaardigheid voelt en belijdt!
De Heer aarzelt niet, Zijne hulp toe te zeggen. Was Hij
niet gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis
Israël (Mt. XV. 24), en zocht Hij daarom uit zichzelven
de Heidenen niet op, daarom wijst Hij toch een Heiden
niet af, die, hulp begeerend, tot Hem komt.
VIII. 8. 9. En de hoofdman over honderd ant-
laoordende, zeide: Heer! ik ben niet waardig, dat
Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek al-
leenlijk een woord, mi mijn knecht zal genegen worden.
Want ik ben ook een mensch onder de macht van
anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg
tot dezen: Ga! en hij gaat, en tot den anderen, kom!
en hij komt; en tot mijnen dienstknecht, Doe dat!
en hij doet het.
Naar het leven geteekend zijn alle personen, die in de
H. Schrift sprekend of handelend optreden. Het zijn geene
figuren, die slechts tot stoffeering aangebracht zijn, geene
voortbrengselen der verbeelding, aan wie waarheden of dwa-
lingen in den mond worden gelegd. Dat blijkt ook weder
in de woorden van dezen hoofdman. Inderdaad! hier hooren
wij de taal van een eerlijk, een ontvankelijk gemoed, —
maar tegelijk hier spreekt zich eene beschouwing uit, die
slechts bij eenen onkundigen Heiden kon gevonden worden.
Des Heeren bereidheid om te komen ontroert zijn ge-
-ocr page 211-
205
moed. Zulk eene eere aan hem, die nog buiten Israels ge-
meenschap staat! Dat heeft hij niet verwacht; dat durft
hij niet aannemen. De groote Godsgezant spreke slechts
een enkel woord, en het zal voldoende zijn.
Welk een krachtig geloof uit zich in dit woord! Israël
aarzelt en wantrouwt; Israël wil altijd zien in plaats van
gelooven; deze Heiden verwacht alles van de macht van
Hem, tot wien hij zich wendt.
Maar de vorm, waarin hij dit vertrouwen uitspreekt, is
zeker een zeldzame. Door de vergelijking met zijn eigen
maatschappelijken rang, die eenerzijds een ondergeschikte
is, en waardoor hij toch andererzijds macht tot bevelen
heeft, wil hij te kennen geven, dat hij in Jezus eenen
machthebber op geestelijk gebied aanschouwt, aan wien de
geesten, ook die welke de krankheden beheerschen, onder-
worpen zijn. Geheel is hij nog bevangen in de heidensche
beschouwing, die geen onmiddellijke Godsregeering erkent,
maar allerlei zaken en toestanden beheerscht acht door af-
zonderlijke wezens. In de rangorde dier wezens nu kent hij
aan Jezus eene hooge plaats toe, en verwacht daarom, dat,
zoo Hij slechts gebiedt, die lagere geesten Zijne bevelen
zullen gehoorzamen, even als de krijgsknechten hem zelven
gehoorzamen.
Met zooveel dwaling is zijn geloof nog gemengd, — en
toch, het schaadt niet, waar dat geloof zelf slechts bestaat.
Van het wezen en werk des Heeren had hij voorstellingen,
waardoor hij bij den onkundigste in de christenheid achter-
staat, — maar aan hetgeen het oog zijner ziel in Jezus
gezien heeft, houdt hij vast met zulk eene kracht, dat hij
vergevorderden in Christelijke kennis beschaamt. Leere dit
aan een iegelijk onzer, wadrop het ten slotte eeniglijk aan-
komt! Zeker! dat zal ons juiste begrippen niet onverschil-
-ocr page 212-
206
lig doen rekenen: hoe zouden zij ous onverschillig kuu-
nen zijn, waar het Gods hoogste gave geldt? Maar hiervoor
zal het ons bewaren, dat wij met begrippen afgoderij zouden
plegen, in stede van ons af te vragen, hoe het staat met de
verhouding van onze ziel tot den Heer. Hoofdzaak toch is,
niet wat men weet van den Heiland, maar, wat men nu, ten
gevolge dier wetenschap, doet.
"VIII. 10 —18. Jezus nu, dit hoorende, heeft
zich verwonderd, en zeide tot degenen, die Hem
volgden: Voorwaar, zeg Ik u, Ik heb zelfs in Israël
zoo groot een geloof niet gevonden! Doch Ik zeg u,
dat velen zullen komen van Oosten en Westen, en
zullen met Abraham, en Izaak en Jacob aanzitten
in het Koninkrijk der hemelen; en de kinderen des
koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste
duisternis; aldaar zal weening zijn, en knersing der
tanden.
En Jezus zeide tot den Hoofdman over honderd:
Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En
zijn knecht is gezond geworden te dierzelver ure.
„Eu Jezus heeft zich verwonderd." Laat ons, alvorens
na te gaan, waarover de Heer zich verwonderde, een oogen-
blik bij die verwondering zelve stilstaan. Duidelijker dan
hierin kan wel nergens in uitkomen, hoe volkomen het
eeuwige Woord, dat bij God en God zelf was, in de vol-
heid des tijds is vleesch geworden. De menschelijke natuur
heeft Hij aangenomen, met al de beperking, die daaraan
eigen is. Dat blijkt hier op de treffendste wijze. Verwonde-
ring heeft slechts plaats, waar iets ongedachts en onver-
wachts zich aan den geest voordoet. Zoo hebben wij dan
-ocr page 213-
207
ernst te maken met de volle, wezenlijke menschheid des
Heeren, evenzeer als wij aanbiddend Zijne Godheid belijden.
Hij, die in de gestaltenis Gods was, heeft zich ontledigd van
Zijne Goddelijke heerlijkheid, waar Hij op aarde kwam, en
heeft als mensch onder de menschen verkeerd. Begrijpelijk
is de aarzeling veler geloovigen om die werkelijke menschheid
ten volle te erkennen, waar het ongeloof den Heiland als bloot
mensch beschouwt, met loochening Zijner Goddelijke heer-
lijkheid. Toch mag de afkeer van ééne dwaling ons niet
in de daartegenovergestelde doen vervallen. De waarachtige
menschheid onzes Heeren blinkt, even duidelijk als Zijne
Godheid, in Zijn levensbeeld uit; ze is daarenboven even
onmisbaar als deze tot het werk onzer behoudenis. Slechts
de tweede Adam kon herstellen, wat door den eersten Adam
was bedorven; slechts de mensch Jezus Christus kon de
Middelaar tusschen God en menschen zijn. Daarom waar-
deeren wij dankend die trekken in Zijn levensbeeld, die
ons in Hem onzen Broeder doen zien, ons in alles gelijk,
uitgenomen de zonde. Daarom heeft het beteekeuis voor
ons, van dit werkelijk mensch—zijn eene zoo sprekende
proeve te zien, als hier voor ons is vermeld.
Waar de Heer zich over verwondert, is, bij dezen Heiden
een geloof te vinden, zóó groot, zóó krachtig, als zelfs in
Israël niet bestond. En het was toch onder Israël zooveel
eerder te wachten! Israël was, door allerlei wonderbare lei-
dingen, tot het volk des Heeren gevormd. Israël alleen kende
den levenden God, die spreekt en antwoordt, die helpt en
uitredt. Israël las in zijne geschiedrolleu van een aantal
Godsgezanten, aan wie tijdelijk goddelijke kracht verleend
was, om de ijzeren macht te verbreken, waaronder, sinds
den val, de natuur den mensch geboeid houdt. Israël was
voorbereid om in Jezus den Gezondene Gods bij uitnemend"
-ocr page 214-
208
heid te kunnen erkennen, en daarom ook van Hem redding
en uitkomst in allen nood te kunnen verwachten. Maar
Israël heeft het hart verhard; het is verstompt geworden
door al de ongebruikte genade, — en nu wordt het be-
schaamd gemaakt door een verachten Heiden!
Hetgeen zich hier voordoet bij dezen Hoofdman, doet den
Heer eenen blik slaan in de toekomst. En Hij, die hier
zich verwonderd heeft over het woord, dat Hij hoorde, Hij
aanschouwt in profetisch vergezicht den tijd, waarin de lots-
bedeeling der volken zal veranderd zijn. De genade Gods
gaat zich van Israël af, en tot de Heidenen wenden.
Reeds door den profeet Jesaia (H. XXV) was het heil
des Heeren voorgesteld onder het beeld van eenen maaltijd,
dien Jehovah aanrichten zou. De trots der latere schrift-
geleerden had daarvan eenen maaltijd gemaakt, uitsluitend
bestemd voor Israël, terwijl de overige volken van verre
zouden moeten toezien. Jezus keert dat om. Van Oosten en
Westen zal men komen om aan te zitten met Abraham,
Izaük en Jacob; de kinderen des koninkrijks daarentegen,
de eerstgeroepenen, de toebereiden door al den arbeid der
voorloopige openbaring, zullen worden buitengeworpen, om-
dat zij de genade Gods door ongeloof hebben versmaad.
"Wat de Heer hier uitspreekt, lag, toen Hij het uitsprak,
nog in de toekomst. Het geloof van eenen enkelen Heiden
kon tot deze uitspraak wel aanleiding, maar geenen grond
geven. Het is de blik, die in de toekomst schouwt, welke
deze gewisheid aanbrengt. En achttien eeuwen lang reeds
heeft nu de geschiedenis de waarheid dezes woords getoond;
de Heidenen gaan in door de poort der hemelsche weder-
geboorte; Israël, als volk, blijft nog zich verharden, — tot
eindelijk de genadebezoeking Gods tot Israël terugkeeren zal.
Tot den geloovigen Hoofdman, die hulp kwam vragen,
-ocr page 215-
209
spreekt de Heer slechts een enkel machtwoord der ontfer-
ming: „U geschiede, gelijk gij geloofd hebt!" En zijn knecht
werd gezond. Een geloof, dat Jezus aangrijpt, kan niet be-
schaarad gemaakt worden; het is de uitgestoken hand, die
gevuld wordt met \'s Heeren heil.
VIII. 14. 15. En Jezus gekomen zijnde in het hui8
van Petrus, zag zijner vrotiios moeder te bed liggen,
hebbende de koorts. En Hij raakte hare hand aan,
en de koorts verliet haar, en zij stond op, en diende hen.
Ook in het huis, waar Jezus intrek neemt, treedt het
menschelijk lijden Hem tegen. De schoonmoeder van Petrus
ligt te bed, van koorts bevangen. Merken wij hier in het
voorbijgaan op, hoe de Eoomsche kerk, die Petrus tot prins
der apostelen maakt, en tot den hoeksteen waarop het
Godsgebouw wordt opgetrokken, dezen Petrus, dien zij zegt
te eeren, in het aangezicht slaat door haar verbieden van
het huwelijk aan hare geestelijken. — Dat Petrus gehuwd
was, blijkt hier; het blijkt, ook voor het vervolg van zijn
apostolische loopbaan, uit het woord van Paulus (1 Cor. IX. 5)
De Christus is niet gekomen om de natuurlijke levensbe-
trekkingen door onnatuur te vervangen, maar om die ban-
den, alle te zamen, te wijden en te heiligen.
Eene enkele aanraking des Heeren neemt het lijden der
kranke weg. „En zij stond op, en diende hen." Dat wordt
niet enkel bijgevoegd, om te toonen, hoe volkomen hare
genezing was; dit dienen was tevens de natuurlijke uiting
der dankbaarheid.
Zóó gaat het nog iramer voort in het koninkrijk Gods.
Wie den Heer dienen met toewijding en trouw; hetzij in
openbaren arbeid, hetzij in het door menschen onopgemerkte
ROOZEMETJER, Ev. MaTTR. I.                                                                          14
-ocr page 216-
210
werk der stillen iu den lande, — zij zijn eerst door den
Heer aangeraakt, door den Heer gediend, door den Heer
verlost van wat hen machteloos maakte. En al wat zij doen,
is de betooning hunner dankbare liefde; het is uitvloeisel
van Zijne vóórkomende daad; het is alles openbaring van
Zijne eere en heerlijkheid.
VIII. 16. 17. En als het laat geworden was,
hebben zij velen, van den duivel bezeten, lot Hem ge-
bracht, en Hij wierp de booze geesten uit met den
ivoorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren.
Opdat vervuld zou worden, dat gesproken was door
Jesaia, den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krank-
heden op Zich genomen, en onze ziekten gedragen.
Wat in het huis van Petrus voorgevallen was, werd na-
tuurlijk niet zoo aanstonds ruchtbaar. Maar de ontmoeting
op de straat met den Hoofdman, en de daarop gevolgde
genezing zijns knechts, werd van mond tot mond voortge-
dragen. En zoo geschiedt het dan, dat des avonds laat,
allerlei kranken en ellendigen tot den Heer worden gebracht.
Door \'t geheele openbare leven des Heeren heen, zien wij
Hein gestadig in aanraking met tallooze ongelukkigen. Geen
wonder. Waar voorziening in eene behoefte gegeven wordt,
daar blijkt eerst recht, hoe groot die behoefte was. We
zien dat nog in onze dagen. Wie zou, eer het toevluchts-
oord voor weezen geopend was, gemeend hebben dat in ons
land zoovele onverzorgde weezen werden gevonden? Wie
zou, eer de inrichtingen voor lijders aan vallende ziekte ge-
opend waren, hebben vermoed, dat in ons land zoovele
epileptischen werden aangetroffen? Waar dan de wónder-
macht van Jezus openbaar wordt, om allerlei ziekten en
-ocr page 217-
211
kwalen te genezen, daar stroomen van zelf, van alle kan-
ten, de ongelukkigen toe.
Onder deze ongelukkigen zijn een groot aantal van den
duivel bezetenen, wier ziel en lichaam door satanische macht
wordt gekluisterd en ellendig gemaakt. Ook in latere tijden,
ook in onzen tijd komt nog zulke bezetenheid voor: men
denke aan hetgeen de levensgeschiedenis van Pfarrer Blum-
hardt bericht omtrent zegenrijke werkingen, die van dezen
ootmoedigen dienstknecht Gods uitgingen op zulken, die
door banden der duisternis gebonden waren. Toch zijn en
blijven deze gevallen uitzonderingen in het midden der
Christenheid. Naar liet woord des Heilands: „Ik zag den
Satan als een bliksem uit den hemel vallen" (Luc. X. 18)
is de eigenlijke macht van den Overste dezer wereld ge-
broken; het zijn nog slechts de natrillingen, die zich doen
gevoelen. Maar tijdens het leven des Heeren op aarde spant
de Booze al zijne kracht in, en woedt en verderft in de
menschenwereld om den lledder te wederstaan, en Hein,
indien het mogelijk ware, terug te drijven van eene mensoh-
lieid, waarin zooveel gruwel zich toont. Zoover van dit
geheimzinnig gebied bekend is, veronderstelt deze bezeten-
heid een voorafgaand en volhardend dienen der zonde, zoo-
dat in zulke toestanden niet slechts ellende maar ook schuld
ojienbaar wordt. Doch schuld en ellende samen schrikken
Hem niet af, die in Zijne ontferming tot het menschdoin
zich nederboog, en die wist, hoe diep verdorven zij waren,
die Hij kwam redden. Hij toont Zich de beheerscher, niet
slechts van de krachten der natuur, maar ook van de mach-
ten der duisternis. „Hij wierp de booze geesten uit mot
den woorde;" Hij sprak, en de ketenen werden gebroken,
waardoor de ongelukkigen gebonden waren.
Evenzoo genas Hij „allen, die kwalijk gesteld waren;"
-ocr page 218-
212
die onderworpen waren aan een dier veelvuldige krankheden,
die het rnenschelijk geslacht teisteren. Hier is niet dat
rechtstreeksch verband tusschen ellende en zonde, als bij de
bezetenheid; hier is slechts dat meer verwijderd verband,
dat, zoo er geene zonde ware, er ook geen leed zou zijn.
Ook deze smarten neemt Hij weg. Waar Hij verschijnt,
moet liet zegenrijk doel van Zijne komst ook in deze uit-
wendige weldaden te verstaan worden gegeven. Maar al dit
lijden heelt Hij daardoor, dat Hij het door Zijn hart laat
henen gaan, en het alzóó opheft. Zijn goddelijk medelijden,
Zijne wonderbare sympathie, — naar de eigenlijke beteekenis
van dit woord, dat „medevoelen" beduidt, — dat neemt
het lijden over van de ongelukkigen, en doet het daardoor
van hen weg.
De Evangelist maakt daarop het woord van Jesaia van
toepassing: „Hij heeft onze krankheden op zich genomen,
en onze ziekten gedragen." Dat woord komt voor in Jesaia
LUI, in de welbekende en onvergelijkelijke Godspraak, die
over het verzoenend lijden en sterven van den Knecht des
Heeren handelt. Hoe kan dan Matthcus het bij deze kran-
keneenezineen aanhalen ?
Wij hadden reeds vroeger (bij Mt. II. 15.) gelegenheid
om op te merken, dat de woorden der profeten zoowel
aanvankelijke als volkomene vervulling vinden, toen wij er
op wezen, dat er bij den terugkeer uit Babel wel aanvankelijke
vervulling der profetie was, doch dat dit nietig volksbe-
staan van Juda nog niet volkomen de verwezenlijking gaf
van wat de beloften hadden doen verwachten, zoodat eerst
het heil, door Christus aangebracht, de geheele vervulling
der Godsbeloften brengt. Alzoo nu gaat het ook met deze
profetie des lijdens. Ten volle wordt zij eerst vervuld, waar
Jezus in Zijnen Middelaarsdood den vloek der zonde draagt,
-ocr page 219-
213
en dien daardoor van de menschen wegneemt. Maar aanvan-
kelijke vervulling vindt zij, waar Jezus ingaat in het lijden
en den nood der menschheid. Dat lijden, dat Hij wegneemt,
drijft Hij niet voor zich weg; Hij laat het ingaan in Zijn
liefdevol hart; Hij voelt er de smart van. Gelijk reeds men-
schelijk medelijden met een enkel voorwerp van inuige liefde,
de smart daarvan als eigene smart doet dragen, zóó heeft
de Zoon Gods door Zijn onvergelijkbaar medegevoel al dat
lijden van al die afzonderlijke ongelukkigcn, die. Hem om-
ringden, in Zich opgenomen. En omdat Hij het in Zich
opnam, daarom brak de macht daarvan; daarom kon genezing
van Hem uitgaan, \'t Is in den grond hetzelfde liefdewerk,
dat later zich voltooit op Golgotha\'s kruis: Hij neemt het
onze op Zich, opdat het Zijne ons deel worden zou.
VIII. 18 — 20. En Jezus, vele se/f ar en ziende
rondom zich, beval aan de andere zijde over te varen.
En er kwam een zeker Schriftgeleerde tot Hem,
en zdde tot Hem: Meester, ik zal u colgen, waar Gij
ook heengaat!
En Jezus zeide tol hem: De vossen hebben holen, en
de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des men-
schen heeft niet, waar Hij het hoofd neei-legge.
De geestdrift, door de krankengenezingen gewekt, houdt
aan en neemt toe, alzoo dat de Heer noodig oordeelt naar
de overzijde van het meer Gennesareth over te varen.
Immers, die scharen die Hem omringen, hebben in den zin
Hem Koning te maken, gelijk zij herhaaldelijk tijdens Jezus
openbaar leven die neiging openbaren. Hij, die macht heeft
over ziekten en kwalen, Hij zal juist de geschikte zijn om
den vurigsten wensch hunner ziel te vervullen: Hij zal hen
-ocr page 220-
214
kunnen bevrijden van het Roineinsche juk, en aan Israël
d<:n roem en den buit brengen, waarnaar het haakt. Hoe
gaarne zouden zij Jezus gevolgd zijn, indien Hij slechts
dezen weg had willen inslaan! Maar omdat Hij dit niet
wil, daarom zullen zij zich afwenden van Hem, en straks,
als Hij geboeid voor Pilatus staat, zullen zij toonen dezen
Koning niet te willen, alzóó dat zij hunne gansche nationale
verwachting wegwerpen met den kreet: „Wij hebben geenen
koning dan den keizer!" Ach, zij willen geen koning, naar
wien zij zich hebben te voegen; zij willen er een, die zich
naar hen voegen zal. Voor Jezus heerlijkheid hebben zij
slechts in zóó ver een oog, als zij hopen door Hem de
vervulling hunner wenschen te verkrijgen.
Door woorden zijn zij niet tot andere gedachten te brengen.
Daarom ontwijkt Jezus tijdelijk de plaats van Zijn tegen-
woordig verblijf, totdat die opgewondenheid bekoeld zal zijn.
Naar de overzijde, de minder bewoonde oostelijke zijde
van de Galileesche zee, wil Jezus zich heen begeven. Doch
eer Hij nog, met Zijne discipelen, in het scheepje gegaan is,
komt een schriftgeleerde tot Hem, die het voornemen uit-
spreekt: „Meester! ik zal U volgen, waar Gij ook henen gaat \\"
Kan er een beter voornemen zijn dan dit? En toch, de
Heer spreekt geen woord tot aanmoediging van dezen man,
maar een woord, dat veeleer hem afschrikken moet.
Wel was het voornemen goed, maar blijkbaar was het
niet rijpelijk overwogen. Dat drukt zich zelfs in de wijze
van spreken van dezen man uit. Het is hem niet genoeg,
te zeggen: Meester! ik zal u volgen! — hij voegt er nog
aan toe: waar Gij ook henengaat! Er spreekt daaruit eene
opgewondenheid, die denken doet aan Petrus woord: Meester!
al zouden zij u allen verloochenen, ik zal u geenszins ver-
loochenen, \'t Is eene gelofte van de soort van Jephta\'s
-ocr page 221-
215
gelofte: het eerste wat mij uit mijn huis tegenkomt, zal
ik den Heere offeren!
De Heer wil, dat men eerst de kosten berekenen zal,
als men den toren gaat bouwen. Het stroovuur der opge-
wondenheid is spoedig uitgebrand, en daarna is zulk een
hart des te bezwaarlijker te verwarmen. De Schriftgeleerde
moet zich rekenschap geven van de ontberingen en opoffe-
ringen, die het volgen van Jezus van hem eischen zal,
en dan daarna eene keuze doen. En al zijn thans aan
het volgen des Heeren niet meer die uitwendige ontberin-
gen verbonden, zou daarom nu zulk een ernstig overwegen
overbodig zijn? Men kan, door alle eeuwen heen, geen
christen zijn zonder zichzelven te verloochenen. De eischen
des Heeren druischen in tegen de eigene lusten; de wil
moet worden gebogen, waar men een en Heer en Gebieder
over zich erkent. Gewisselijk, dat alles behoeft van den dienst
des Heeren niet af te schrikken; het is en blijft de goede
keuze, Hem te volgen. Doch wie niet vooraf zich van dit
alles rekenschap geeft, wordt welhaast tegengehouden in
zijnen loop, bij de eerste moeielijkheid, die zich voordoet.
„De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels
hebben nesten, maar de Zoon des menschen heeft niet,
waar hij het hoofd nederlegge.\'\' Zóó volkomen is de armoede
geweest van Hem, „die, daar Hij rijk was, om onzentwil
arm is geworden" (2 Cor. VIII. 9). Hij, „door Wien alle
dingen geschapen zijn, die in de hemelen en op de aarde
zijn, die zienlijk en die onzienlijk zijn" (Col. I. 16), Hij
heeft zelfs niet, als de vossen der aarde en de vogelen des
hemels, een plek, die Zijn eigendom is. Hij leeft van de
gaven der liefde; Hij zwerft het land door, en ontzegt zich
al wat het leven liefelijk maken kan; Hij is nergens veilig
voor de aanslagen der boosheid. Zulk eenen Meester te
-ocr page 222-
216
volgen, — hoe kan het anders dan in zelfverloochening
geschieden? Hoe "kan het blijvende zijn, tenzij het eerst
wèl overwogen zij?
De Heer noemt zich hier met eenen naam, waarbij wij
nog opzettelijk hebben stil te staan: „de Zoon des men-
schen." Die naam is ontleend aan Daniel VII: 13. „En
er kwam een met de wolken des hemels, als eens menschen
zoon, en hij kwam tot den Oude van dagen." Van dezen
menschenzoon wordt voorts gezegd (vs. 14): „Zijne heer-
schappij is eene eeuwige heerschappij, en Zijn koninkrijk
zal niet verdorven worden." Daaruit blijkt, kennelijk, dat
deze Zoon des menschen dezelfde is, die elders bij Daniel
(IX: 25. 26) de Messias genoemd wordt.
De naam „Messias" was onder Israël de gebruikelijke
aanduiding geworden van den beloofden Verlosser. Juist
daarom onthoudt de Heer er zich van, dien naam op zich-
zelven toe te passen, en verbiedt Hij aan Zijne discipelen,
als zij tot de erkenning gekomen zijn, dat Hij de Christus,
d. i. de Messias is, dit onder het volk te verbreiden
(Mt. XVI. 20). Eerst waar het Hem den dood kosten zal,
spreekt Hij voor Kajafas uit, dat Hij de Christus, de Zoon
Gods is. (Mt. XXVI. 64).
Aan dien Messiasnaam was namelijk door het volk eene
uiterlijke, zinnelijke verwachting vastgehecht van een aardsch
Koninkrijk. Zoolang er dus nog mogelijkheid overbleef, dat
die naam tot volksbewegingen aanleiding zou geven, ver-
meed de Heer dien zorgvuldig. Was Hij eenmaal door kruis-
dood, opstanding en hemelvaart, aan deze aarde onttogen,
dan kon de verkondiging van Zijnen Christusnaam zich,
zonder gevaar van misverstand, over de aarde verbreiden.
In de dagen Zijns aardschen levens gebruikt de Heer
bij voorkeur den naam „Zoon des menschen." Die naam
-ocr page 223-
217
was niet in het volksbewustzijn ingegaan, als aanduiding
van den Beloofde; daarom hadden zich aan dien naam
geene vleeschelijke verwachtingen vastgehecht. Bij uitne-
mendheid was daarenboven deze naam gepast, om Jezus
wezen te kenschetsen. Immers, in de eerste plaats legt die.
naam nadruk op Zijne echt menschelijke natuur, op de
eenheid, waarin Hij met het menschelijk geslacht is getre-
den. Maar ten andere ligt in dezen naam nog iets diepers.
Wie „de Zoon des menschen" heet, wordt daardoor aange-
duid als de mensen bij uitnemendheid, de mensch in Wien
de idee der menschheid zich verwezenlijkt. De Zoon des
menschen is, evenals Adam dat geweest is, vertegenwoor-
digend stamhoofd des geslachts, en brengt tot aanschouwing,
wat God met de schepping der menschheid bedoeld heeft.
Dit nu veronderstelt eenen goddelijken oorsprong, eene in-
planting van Boven in het bedorvene menschdom; evenals
in Zacharia\'s godsspraak (VI. 12) „de man, wiens naam is
Spruite, die uit zijne plaats spruiten zal," doch die niet
verklaard wordt uit den dorren bodem, waaruit Hij voort-
komt; immers, uit dit met zonde bevlekt geslacht zou geen
reine vertegenwoordiger kunnen te voorschijn komen. God-
heid en menschheid te zamen in ondeelbare eenheid wordt
dus in dezen naam aangeduid, doch zóó dat eerst aandach-
tige waarneming dit doet opmerken. Voor de zinnelijke
menigte onthult deze naam niets van Jezus heerlijkheid, en
geeft dus geene aanleiding tot aaidschgezinde verwachting.
Daarom bezigt Jezus dezen naam, als den meest gewonen,
waarmede Hij zich noemt; eerst later zal openbaar worden,
dat deze Zoon des menschen in het diepst van Zijn wezen
de eeuwige Zoon is des eeuwigen Vaders.
VIII. 21. 22. En een ander uit Zijne discipelen
-ocr page 224-
218
zeide tot Hem: Heer! laat mij toe, dat ik eerst
heenga, en mijnen vader begrave.
Doch Jezus zeide tot hem: volg Mij, en laat de
dooden hunne dooden begraven.
De goddelijke wijsheid onzes Heeren blinkt in niets zóó
duidelijk uit, als in de zoo verschillende wijze, waarop Hij
verschillende personen behandelt. Heeft Hij, gelijk de on-
middellijk voorafgaande woorden verhalen, een opgewonden
gemoed tot ernst en nadenken vermaand, hier treedt eene
gansch andere zielsgesteldheid Hem tegen, en doet Hij
diensvolgens eene gansch andere vermaning hooren.
Tot recht verstaan van \'s Heeren woord zij men indach-
• tig, dat hier geene sprake zijn kan van eenen reeds
gestorvenen vader. Immers, in Palestina moest de be-
grafenis binnen een halven dag na het overlijden geschie-
den. Ware nu die vader juist gestorven, dan zou de zoon
zich onmogelijk hebben kunnen bevinden onder de menigte,
die Jezus omringde. Wij hebben dus het woord dezes mans
aldus te verstaan, dat hij, die reeds lang onder den indruk
van Jezus woord heeft verkeerd, wel besluiten wil Zijn dis-
cipel te worden, maar met de uitvoering van dat voornemen
wil wachten tot eerst zijn bejaarde vader gestorven zal zijn,
om dan, na aan hem den laatsten plicht vervuld te hebben,
zich aan deze nieuwe roeping te wijden. Hij begeert dus
een uitstel, niet voor korten, maar voor onbepaalden tijd.
Aan eenen vader de laatste eer te bewijzen, dat is ge-
wisselijk dure plicht, door kinderlijken eerbied en liefde
opgelegd. Ongerijmd zou het daarom zijn, aan te nemen,
dat Jezus over het algemeen Zijne discipelen daarvan af-
houden wil. Maar deze man, die hier tot Jezus komt, moet
beseffen, dat er iets is, waarbij zelfs het begraven eens
-ocr page 225-
219
vaders moet achterstaan. Klaarblijkelijk behoort hij tot die
langzame, die wikkende en wegende naturen, die een stoot
ontvangen moeten om tot eene beslissende keuze te komen.
Thans is hij onder den indruk van Jezus woord, van Jezus
persoon; indien hij dan mi niet tot een besluit komt, zal
die indruk weer vernauwen; het gunstig oogenblik zal voor-
bijgegaan zijn, en er komt misschien later niets meer van
hetgeen nu op het punt staat te geschieden. Was de vorige
spreker een man van sanguinisch temperament, déze behoort
tot de melancholieke naturen.
Deze man nu moet door een scherp, krachtig woord des
Heeren tot beslissing worden gebracht. De Heer spreekt
dan ook een woord tot hem, zooals Hij in andere omstan-
digheden niet zou gesproken hebben. „Laat de dooden
hunne dooden begraven." Laat het dooden-begraven over
aan hen, die geestelijk dood zijn; die dus nog geene hoo-
gere roeping hebben; die nog niets kunnen doen voor het
koninkrijk Gods.
Men gevoelt, dat is geen algemeene regel. Maar dezen
man was het noodig, tot besef te komen dat er voor hem
cene nadere en dringender plicht te vervullen was, dan die
ook door anderen vervuld kon worden; dat het koninkrijk
Gods hem een eisch stelde, waarvoor al het andere wijken
moet. Kwam hij mi niet tot beslissing, dan zou de aanvang
van hooger leven in hem weer gaan versterven, en hij zou
geheel terugzinken in het leven voor de gewone dingen
der aarde.
Woorden, tot bijzondere personen, naar hunne eigenaar-
dige behoeften gesproken, kunnen maar niet algemeen wor-
den gemaakt, alsof zij voor allen geldend waren. Waar zou
het heen met de maatschappij, als het woord tot den rijken
jongeling: „Ga heen, verkoop al wat gij hebt!" tot een
-ocr page 226-
220
eiseh voor alle mensclien gemaakt werd? Zoo is liet nu ook
met dit woord. liet ontslaat niet van de plichten van kin-
derlijken eerbied en liefde; het zegt alleen tot dezen man,
dat er voor hem op dit oogenblik nog iets noodigers te
doen is.
Uitgaande van de juiste opmerking dat het „volgen", waar-
toe de Heer hier roept, niet wel alleen op de overvaart over
de Galileesche zee betrekking kan hebben, en dus waar-
schijnlijk eene roeping tot het Apostelschap bedoelt, heeft
men de niet onwaarschijnlijke gissing gemaakt, dat deze man
i niemand anders clan Thomas zal geweest zijn. \'t Is intus-
schen slechts eene gissing. Dit alleen is zeker, dat een aar-
zelend, wikkend en wegend gemoed als van Thomas juist
van dien aard is, dat daarvoor een woord dat tot oogen-
blikkelijk handelen aanspoort, onmisbaar noodig kan zijn.
Was liet Thomas niet, \'t was gewis eene natuur, die met
de zijne verwant was.
Zoo leidt dus de lieer de zielen naar hare verschillende
behoeften. Gebruikt Hij den teugel, £ lij gebruikt ook den
prikkel. En veilig inag zich ieder hart toevertrouwen aan
de vormende wijsheid ecner liefde, die voor ieder kiest wat
hem van noode is.
VIII. 23—27. En als Hij in het schip gegaan
was, zijn Hem Zijne discipelen gevolgd.
Ei ziet, er ontstond eene groote onstuimigheid in
de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd;
doch Hij sliep.
Ei Zijne discipelen, bij Hem komende, hebben Hem
opgewekt, zeggende
: Heere ! behoed ons ! ivij vergaan !
En Hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig,
gij kleingeloovigen f Toen stond Hij op, en bestrafte
-ocr page 227-
221
de winden en de zee; en er toerd groote stilte.
En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoe-
danig een is deze, dat ook de winden en de zee Hem
gehoorzaam zijn?
Na het oponthoud, door deze samensprekingen veroor-
zaakt, begeeft zich de Heer in het gereedliggend schip.
Vermoeid legt Hij zich ter ruste neder, Hij, die over god-
delijke almacht beschikt, maar nochtans aan al de zwakheid
der menschelijke natuur onderworpen is. Niet lang duurt
Zijne rust. Een van die plotselinge heftige stormvlagen,
waardoor de Galileesche zee berucht is, verheft zich, en wel
met zulke kracht, dat de discipelen, ervaren visschers als
zij zijn, niet anders dan den dood voor oogen zien. In hun
nood wenden zij zich tot Hem, Wiens macht om te redden
zij reeds in zoo menige omstandigheid schitterend hebben
zien uitblinken. Wat zij eigenlijk verwachtten, zouden zij
zelven niet hebben kunnen zeggen; zekerlijk niet de stilling
van den storm, blijkens hunne verbazing nadat het wonder
geschied is. Maar dit weten zij: zoo er redding zal aange-
bracht worden, dan kan dit alleen door Jezus geschieden.
Dat geloof wordt niet beschaamd gemaakt. Doch eer het
bekroond wordt, wordt de zwakheid van dit geloof bestraft.
„Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen ?" Zeker, het
was goed, dat zij toevlucht tot Jezus namen. Doch dat
zij dit doen in radeloozen angst, en niet in kalm vertrou-
wen, dat toont dat hun geloof nog niet is wat het zijn moet.
Was dat geloof vol en vast geweest; hadden zij een helder
inzicht in Jezus heerlijkheid gehad, — zij zouden het on-
mogelijk hebben gerekend, dat zij roet Jezus zouden om-
komen.
Volgens Mattheus spreekt Jezus dat woord, eer Hij den
-ocr page 228-
222
storm stilt; volgens Marcus en Lucas eerst daarna. Er behoeft
hier echter niet aan tegenspraak te worden gedacht; spreekt
de Heer dit enkele woord vóór het wonder, het ligt voor
de hand, aan te nemen, dat Hij na het wonder er op te-
rug komt, om de nu tot kalmte gebrachte discipelen te
beter te doen verstaan, dat zij in gemeenschap met Hem
niet versaagd behoeven te zijn.
Hij spreekt, — en de storm zwijgt, de zee wordt stil!
Over de natuur en haar woeden gebiedt Zijn machtwoord
evenzeer, als dit woord de krankheden geneest, en de booze
geesten uitdrijft. Geen wonder, — omdat Hij is, die Hij is:
de eeuwige Zoon des eeuwigen Vaders. Hij, die de grond
is der schepping, „door Wien alle dingen zijn" (Col. I. 16),
Hij gebiedt, en de natuur gehoorzaamt Zijne bevelen. Maar
de tijdgenooten Zijner oinwandeling op aarde, die door de
aanschouwing Zijner werken 7iog moesten worden opgeleid
tot de erkenning van Zijn wezen, staren met verbazing op
een wonder, afwijkend van die welke zij reeds vroeger aan-
schouwden. „Hoedanig een is deze", zeggen zij, „dat ook
de winden en de zee Hein gehoorzaam zijn?" Dat ook de
onbezielde natuur aan Zijne macht is onderworpen, dat treft
de discipelen, en wie met hen zich in het vaartuig bovon-
flen, méér dan alle overige wonderen; dat stelt Jezus ver-
hevenheid boven de machtelooze menschelijke natuur meer
dan iets anders voor hen vast.
Van oude tijden af heeft de christenheid in dit schip,
door de stormen bedreigd, maar door Jezus bewaard, een
beeld gezien van \'s Heeren gemeente op aarde. En inder-
daad, deze wonderwerking op de Galileesche zee leent zich
op treffende wijze tot zulke vergelijking. Het bestaan der
Godsgemeente te midden van eene aan God vijandige we-
reld brengt van zelf dreigend gevaar met zich. De geest,
-ocr page 229-
223
die in de wereld heerscht, staat die Godsgemeente tegen,
en dreigt met ondergang. Gelijk een broos en nietig schip
in den kamp met de stormen niet bestaan kan, alzoo is
ook de gemeente, bestaande uit niet vele machtigen, niet
vele wijzen, niet vele edelen, in zich zelve buiten staat,
om het geweld der wereld te trotseeren. O, de vreeze is
begrijpelijk, die het gemoed vervult, zoolang liet eeniglijk
let op den wind en de golven! Maar aan de andere zijde:
voor de harten, die Jezus kennen, blijft het woord van
kracht: „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen?" Kan
dan het Godsrijk ten onder gaan ? Is niet de Koning zelf
waarborg, dat eindelijk dat Rijk triomfeeren moet ? Zie, het
blijvend wonder van het voortdurend bestaan eener gemeente,
in botsing met de macht der wereld, vervult de jaarboeken
der geschiedenis! Hoe zou dat mogelijk zijn, indien niet
Hij, Wien alle macht gegeven is, te Zijner tijd tot stormen
en golven sprak: Zwijg, wees stil ! Grooter dan de Helper
is de nood toch niet! Zeker, vaak houdt Hij Zijn werking
in, tot beproeving des geloofs. Dan is het alsof Hij slaapt;
alsof Hem de nood der Zijnen niet ter harte gaat. Het
moet nu eenmaal door stormen heengaan, opdat Zijne ver-
losten zouden worden opgevoed in de oefenschool des le-
vens. Maar een enkel machtwoord is voldoende om het gevaar
af te wenden, eer het schade kan doen. Geeno vreeze be-
taamt aan wie met Jezus zijn: dit ééne slechts onderzoeke ieder
hart, of het de reize op de levenszee in Zijne gemeenschap
maakt.
VIII. 28—34. En als Hij over aan de andere
zijde was gekomen in het land der Gergesenen, zijn
Hem twee, van den duivel bezeten ontmoet, komende
uit de graven, die zeer ivreed waren, alzoo dat nie-
-ocr page 230-
224
mand door dien weg kon voorbijgaan. En ziet, zij
riepen, zeggende: Jezus gij Zone Gods! Wat hebhen
wij met u te doen f Zijt gij hier gekomen om ons te
pijnigen vóór den tijd?
En verre van hen was eene kudde veler zwijnen,
weidende. En de duivelen baden Hem zeggende: In-
dien gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die
kudde zwiinen varen.
En Hij zeide tot hen: Gaat heen! En zij uitgaande
roeren in de zwijnen, en ziet, de geheele kudde zwijnen
stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven
in liet water.
En die ze weidden zijn gevlucht, en als zij in de
stad gekomen ivaren, boodschapten zij al deze dingen,
en wat den bezetenen geschied was. En ziet, de ge-
heele stad ging uit, Jezus te gemoet; en als zij Hem
zagen, baden zij, dat Hij uit hunne landpalen wilde
vertrekken.
De overzijde van de Galileesche zee, waar Jezus met
Zijne discipelen aankomt, is het land dat ten Zuid-Oosten
van die zee is gelegen. Gewoonlijk wordt het genoemd het
land der Gadarenen, naar de meest belangrijke stad Gadara.
Het maakte een gedeelte uit van de landstreek Dekapolis.
In vroegeren tijd was het bewoond geweest door den halven
stam van Manasse, die het noordelijkst gedeelte van het
Overjordaansche innam. Na de Babylonische Ballingschap
was het niet aanstonds weer door Joden bezet; eerst toen
Judea geen ruimte genoeg meer bood, was zoowel het
Overjordaansche als Galilea weder door de afstammelingen
van Abraham bewoond. Het echte, onvermengde Joodsche
volksleven werd intusschen alleen in Judea gevonden; zoo-
-ocr page 231-
225
wel in het Overjordaansche als in Galilea was het door
allerlei vermenging met Heidenen verontreinigd. Ook de
geschiedenis van den tekst geeft daarvan blijk, door de
vermelding van de kudde zwijnen, die gewis niet gehouden
zou zijn in een streek, waar de spijswetten Israëls algemeen
geldend waren.
Op den weg, die van den oever landwaartsin voert,
treden den Heer twee van die ongelukkigen tegemoet,
waarvan reeds vroeger in dit Evangelie melding is gemaakt;
twee bezetenen door demonische macht, en wel twee, die
in de hoogste mate daardoor ellendig gemaakt waren. Zij
hielden hun verblijf in de graven, dat is, in de spelonken
der rotsen, die tot het begraven van lijken gebezigd \\ver-
den. In hun waanzinnige woestheid maakten zij den weg
onveilig, — maar als Jezus hen ontmoet, gevoelen zij met
hunnen Meerdere te doen te hebben. De booze geesten, die
deze ongelukkigen beheerschen, en uit hen spreken, roepen
uit: Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met Ute doen?
Niet langs den natuurlijken weg kunnen deze bezetenen
Jezus kennen, nog veel minder Hem als den Zoon Gods
erkennen. Maar de booze geesten kennen Hem, en voelen
vooraf dat Zijne macht grooter is dan de hunne. Zij noe-
men Hem Zoon Gods, doch niet om zich aan Hem te
onderwerpen. Wat hebben wij met u te doen? vragen zij.
Wat is er voor aanraking tusschen u en ons ? Blijf Gij in
uwe sfeer des lichts; laat ons in onze duisternis. En als in
het voorgevoel van het oordeel, dat ten jongsten dage over
alle Satanische macht zal worden geveld, voegen zij er aan
toe: Zijt gij gekomen, om ons te pijnigen vóór den tijd?
De Heer is niet gekomen op aarde om de booze geesten
te" vonnissen, maar om de menschen te verlossen. De booze
geesten beseffen dat zij, waar Jezus reddende macht ver-
RoOZKMKlJBR, Ev. MATTH. I.                                                                          15
-ocr page 232-
226
schijnt, hunne prooi zullen moeten loslaten. Om dan nu
toch op andere wijze aan hun lust tot verderven te kunnen
voldoen, vragen zij: laat ons toe, dat wij in die kudde,
zwijnen varen!
De Heer antwoordt uiet op die vraag. Dat is beneden
Hem. Om dit ééne is het Hem te. doen, dat menschen, naar
het beeld Gods geschapen, niet langer de prooi des Satans
blijven. "Wat de zwijnen aangaat, de Heer veroorlooft niet,
en Hij verbiedt niet; de menschen komt Hij redden. Daarom
spreekt Hij zijn inaclitwoord: gaat uit! En het wonder
geschiedt; de booze geesten wijken uit de bezetenen.
Men heeft tegenover dit heerlijk machtsbetoon des Heeren
de armzalige bedenking geopperd, dat nu de eigenaars der
zwijnen zoo groote schade leden. Alsof, wat met die zwijnen
geschiedde, door de booze geesten voortgejaagd langs de
steilte, en verdronken in de zee, in aanmerking kwam
tegenover de redding van menschenzielen! Het gansche
winstgevend bedrijf van die eigenaars der zwijnen was op
den gewijden grond Israels een ongeoorloofde bron van
inkomst. De Heer treedt daartegen niet op, gelijk Hij op-
trad tegen de ontwijding van den Tempel door de haudela-
ren; daar waren in Israël wel andere praktijken te bestrij-
den. Maar dat Hij bij zijn redden van menschen ook
de belangen van die eigenaars der zwijnen zou heb-
beu moeten behartigen, dat was toch waarlijk niet te
verwachten van Hem, die als Gods Gezondene onder Israël
optrad, en de wetten eerbiedigde, door God aan Israël
gegeven. Hadden deze lieden een oog gehad voor Zijne
heerlijkheid, hunne stoffelijke schade zou door eeuwige winste
vergoed zijn.
Zulk een oog hadden zij niet. Als de knechten in de
stad komen boodschappen, wat met de zwijnen en wat met
-ocr page 233-
227
de bezetenen geschied is, dan nemen zij alleen dat eerste,
en niet het tweede ter harte. Of er ïnenschen van name-
looze ellende gered zijn, — wat gaat het hun aau? Als zij
maar geen schade lijden in hun ongeoorloofd bedrijf! De
gansche stad verzamelt zich, en gaat uit, Jezus te gemoet,
niet om Hem te eeren en te danken voor het wonder der
redding aan twee ellendigen geschied, neen! om Hem te
bidden, dat Hij uit hunne landpalen zou vertrekken I Ze
mochten anders misschien nog méér geldelijk verlies lijden!
Welk een verblinding! Welk een alleen op aardsche be-
langen gerichte zin! Maar is die alleen bij deze Gadarenen
te vinden? Zeker, openlijk zegt inen in het midden der
Christenheid niet zulke woorden; doch als dan toch een hart
zich sluit voor den Heer, omdat het een voorgevoel heeft,
dat Zijne gemeenschap offers zou kunnen kosten; omdat het
beseft, dat bij gemeenschap met Hem geen woekerwinst
mogelijk is, geen ontheiliging van den Rustdag uit geldbe-
jag kan blijven voortbestaan, geen leven voor aardschen lust
en aardsch genot kan worden voortgezet, — is dan niet
hetzelfde beginsel als bij deze Gadarenen aanwezig? Dan
sluit men liefst het oog voor \'s Ileeren geestelijke gaven;
dan sluit men het oor voor de roepstemmen Zijner liefde;
dan legt men het zwijgen op aan de diepste behoeften des
harten. En schoon dan ook al niet de lippen uitspreken:
Ga weg van mij! — inderdaad en in waarheid wordt dan
toch Hein de toegang ontzegd.
Waar de Heer aldus wordt tegengestaan, dringt Hij Zijne
liefde niet op. Zijn verblijf onder deze menschen zou niets
hebben uitgewerkt. Zoolang niets anders dan hun stoffelijk
voordeel hun ter harte ging, kon Hij niets voor hen zijn :
er moet behoefte aan redding gevoeld worden, zoo men den
Redder zal aannemen.
-ocr page 234-
228
Toch laat Hij deze menschen niet over aan hun lot.
Marcus (V. 18. 19) vervolgt het geschiedverhaal van de
genezing der bezetenen, — hij vermeldt er slechts éénen,
terwijl Mattheus van twee spreekt, — door de mededeeling,
dat de genezene begeerde met Jezus het land te verlaten,
en over te gaan naar de andere zijde. Begrijpelijk is die
wensch in den beweldadigde, en zeker zou die toegestaan
zijn, zoo geen hoogere reden het weigeren noodzakelijk
maakte. Jezus zeide tot hem: „Ga heen naar uw huis tot
de uwen, en boodschap hun, wat groote dingen u de Heer
gedaan heeft, en hoe Hij zich uwer ontfermd heeft." Juist
het omgekeerde eischt Jezus hier van wat Hij in bijna alle
andere gevallen beveelt. Telkens gebiedt Hij den bewelda-
digden : Zie toe, dat gij dit niemand zegt. Waarom nu hier
zoo gansch anders ? Als de Heer de ruchfbaarmaking Zijner
weldaden verbiedt, is het om geen voedsel te geven van
de neiging des volks om Hem koning te maken. Voorwaar,
hier onder de Gadarenen bestond dit gevaar niet. Hier
moest onder eene vijandige, stompzinnige bevolking getui-
genis afgelegd worden, opdat zij tot geloof mochten worden
gebracht. Welk een taak voor dezen genezene, onder een
volk, om het verlies hunner zwijnen verbitterd! De Heer
legt ze hem op, omdat Hij van deze vijandschap eene oor-
zaak ziet, die in Zijn liefdevol oog iets verschoonlijks heeft,
door de geringe geestelijke kennis, die deze menschen be-
zaten. Hij schudt tegenover Gadara niet het stof van de
voeten; Hij laat arbeiden aan terechtbrenging. En wat is
nu de uitkomst van het getuigenis dezes genezenen geweest ?
Dat lezen wij in het bericht omtrent deze zelfde landstreek,
dat wij iets verder (Mt. XIV. 35, Mc. VI. 53—56) vinden.
Daar wordt ons medegedeeld, dat tóen Jezus weer in dat
land Gennesaret kwam, de scharen toestroomden om voor
-ocr page 235-
229
hunne ellendigen hulp bij Hem te begeeren. Nu was het
niet meer: vertrek uit onze landpalen; nu baden zij Hem, dat
zij maar den zoom Zijns kleeds mochten aanraken!
Zulk een omkeer is teweeggebracht door het getuigenis
van éénen man. Klage dan niemand over de zwaarte zijner
taak, waar God hem in eene omgeving plaatst, waar geene
ontvankelijkheid is! Het schijnbaar ploegen op rotsen kan,
door Gods wonderbaar bestel, worden gekroond met over-
vloedigen oogst. Alleenlijk, het is noodig, dat er in wie
voor Jezus zal getuigen in engeren of ruimeren kring, per-
soonlijke ervaring zij van Zijne wonderbare genade. Had
deze man onder de Gadarcnen slechts verhaald, wat hij
van hooren zeggen wist, het zou weinig indruk hebben ge-
maakt. Maar zijn gansche bestaan getuigde van het wonder
aan hem geschied, van de liefde, aan hem verheerlijkt.
Slechts dan heeft de roepstem kracht, die op den Redder
wijst, als de drager daarvan mag getuigen, en dat openbaart in
.zijn leven: Hij heeft ook mij de ziele behouden!
IX. 1—8. En in het schip gegaan zijnde, voer
Hij over, en kwam in Zijne stad.
En ziet, zij brachten tot Hem, eenen geraakte, op
een bed liggende. En Jezus, hun geloof ziende, zeide
tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed! uive zonden
zijn
m vergeven.
En ziet, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in
zich zelven: Deze lastert God!
En Jezus, ziende hunne gedachten, zeide: Wat
overdenkt gij kwaad in uwe harten? Want wat is
lichter, te zeggen: de zonden zijn u vergeven? of te
zeggen: Sta op en wandel? Doch opdat gij moogt
weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de
-ocr page 236-
230
aarde, de zonden te verfjeven (toen zeide Hij tot den
</eraakte)
: Sta op, neem uw bed o/>, en ga heen naar
uw huis. En hij, opgestaan zijnde, ging heen naar
zijn huis.
De scharen nu, dit ziende, hebben zich verwonderd,
en God verheerlijkt, die zoodanige macht den men-
schen gegeven had.
Een gansch ander tooneel doet zich hier aan ons voor,
dan wat in de voorafgaande verzen beschreven was. Diuir
waanzinnige woede; hier volslagene machteloosheid; daar
vijandige gezindheid in de omgeving, hier een groot geloof
in wie den kranke brengen tot Jezus. Maar hier, zoowel
als daar, is liet een lijden, waarbij menschen geene redding
kunnen brengen, en alleen Jezus wondermacht heelend op-
treden kan.
Uit de landstreek, vanwaar Hij is uitgewezen, begeeft, de
Heer zich weder naar de stad, die de eer geniet van „Zijne
eigene stad" genaamd te worden, namelijk naar Kapernaurn.
Daar brengt men tot Hem eenen geraakte, d. i. eenen ver-
lamde, opdat Hij hem genezen zou, en in de daad van hen,
die hem brengen, ziet Jezus eene uiting van bijzonder ge-
loof. Hadden wij geen ander bericht, dan dat van Mattheus,
dan zouden wij daarvan geene verklaring hebben, maar wat
Marcus (II. 1 vv.) mededeelt, geeft de gewenschte ophcl-
dering. Blijkens dit bericht was bet huis, waarin zich Jezus
bevond, en de plaats daar rondom, door eene zoo dichte
volksmenigte bezet, dat er geene mogelijkheid bestond om
den kranke tot Jezus te voeren. Doch de liefde is vinding-
rijk. Is de gewone weg versperd, de dragers van den ge-
raakte weten raad. De woningen in het Oosten bestaan
alle uit eene vierkante steenmassa, waarbinnen zich een
-ocr page 237-
231
vierkante binnenplaats bevindt. Die woningen zijn door
platte daken gedekt, waarheen niet alleen een trap in de
woning, maar gewoonlijk ook een buitentrap, van de straat
af, toegang verleent. Langs dien buitentrap voeren zij nu
den kranke op het platte dak; maar ook nu zijn zij nog
niet waar zij zijn moeten: zij hebben het dak te „ontdek-
ken", open te maken. De binnenplaats toch werd des i
zomers door gordijnen bedekt, om de zonnehitte te weren;
des winters van boven met planken belegd. Die bedekking
hebben zij weg te nemen, en vervolgens het beddeken
waarop de kranke lag, met touwen neder te laten voor de
voeten van Jezus.
Zulk eenen arbeid nu verricht men niet, tenzij een krach-
tig geloof daartoe drijft. Indien deze mannen niet vastelijk
vertrouwd hadden, dat Jezus kon en wilde helpen, ze zou-
den zich zooveel moeite niet hebben getroost; zij zouden
de zaak als ondoenlijk hebben opgegeven, waar de gewone
toegang versperd was.
Dat geloof ziende, het geloof dezer dragers, richt Jezus
Zijn reddend woord tot den kranke. Die kranke zelf vraagt
niets; die kranke is geheel lijdelijk. Maar het geloof van
wie hem brachten, doet voor hem een beroep op de ont-
ferming des Heeren. Wat ligt daarin eene liefelijke bemoe-
diging voor ouders, voor opvoeders, voor allen die arbeiden
in het koninkrijk Gods! Zie, het kan geschieden dat er in
het hart van hen, voor wie zij redding zoeken, nog gan-
schelijk geene persoonlijke begeerte is. Maar zoo dan slechts
hun geloof aanhoudt, zoo hun smeeking en arbeid verdub-
belt, naar mate het voorwerp hunner zorg onaandoenlijker
is, dan aanschouwt de Heer in liefde hun geloof, en kroont
met rijken zegen. Wij hebben te doen met eenen Bedder,
wiens lust het is, wel te doen!
-ocr page 238-
232
Het woord, dat de Heer tot den geraakte spreekt, heeft
geen betrekking op diens lichaitielijken toestand. Hij, die het
hart kent, weet, dat deze mensch nog eene diepere behoefte
heeft. Zijne krankheid stond gewisselijk in rechtstreeksch
verband met zonde. Niet immer is dit het geval. Aangaande
den blindgeborene van Jeruzalem (Joh. IX. 3) zegt Jezus :
„noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders." Zijne blind-
heid is geen rechtstreeksch gevolg der zonde; zij staat
daarmede in geen ander, dan dit gansch algemeen verband,
dat, zoo er geene zoude was, er ook geen leed zou zijn.
In andere gevallen daarentegen kan krankheid een bezoe-
king Gods zijn wegens persoonlijke zonde, en is de krankheid
daarvan dadelijk gevolg. Zóó was het ongetwijfeld hier. Wat
deze man behoefde, was niet in de eerste plaats, dat hein het
gebruik zijner ledematen werd hergeven, maar dat zijn ziel
werd losgemaakt van de banden, die haar beknelden, ver-
lost werd van de hopeloosheid en troosteloosheid, die voort-
kwam uit het besef van te liggen onder het oordeel Gods.
De Heer begint daarom met het begin, als Hij tot dezen
naar ziel en lichaam inachteloozen en ellendigen mensch
spreekt: „Zoon! wees welgemoed! uwe zonden zijn u ver-
geven!" Welk eene gave! Welk een zegen vooreenen, die
niets hoopt, die niets verwacht! Indien ergens, dan blijkt
wel hier, hoe vrij die genade is, die zich in schuldvergeven
betoont. Geheel vóórkomende, zelfs door geene bede uit-
gelokt, toont zij zich hier. Met welke gewisheid mag zij
dan ingewacht worden, waar het hart zich heilbegeerig tot
haar keert!
Vergeving van zonde is de allereerste van alle gaven
Gods, die de zondaar behoeft. Eer daar kracht tot heilig-
making, hope des eeuwigen levens, of welke andere gave
ook, kan worden ontvangen, moet eerst de last afgewenteld
-ocr page 239-
233
zijn, die het gemoed bezwaarde. Daardoor kan het geschie-
den, dat Paulus ergens (Eph. I. 7) het gansche werk der
verlossing samenvat als aanbrengende „vergeving der mis-
daden." Die vergeving is niet opheffing der straf, maar
verzekering der gunst Gods, herstel der verbrokene betrek-
king tusschen God en de ziel. Daarom kan zij dan ook
alleen van God komen. De mensch kan ze niet zichzelven
verwerven, hetzij door werken, hetzij door gezindheden,
en de ééne mensch kan ze niet den anderen aanbrengen.
Die diepe, zalige vrede, die het uitvloeisel is van de ver-
geving der zonde, wordt daar alleen gevonden, waar God
Zijne genade aan het hart heeft verheerlijkt.
Wat moet het voor dezen kranke geweest zijn, zulk een
gave te ontvangen! Al ware ook zijne lichamelijke krank-
heid gebleven tot het einde zijns levens, nbg zou hij onuit-
sprekelijk beweldadigd zijn. De angst was geweken; de
moedeloosheid voorbij; van Gods ontferming verzekerd, had
hij thans geduldig een lijden kunnen dragen, waarin hij nu niet
langer eene straf had te zien, maar een opvoedingsmiddel,
door de goddelijke wijsheid verordend.
Maar ook de bijkomstige gave der genezing zou hem worden
geschonken. Eer dat echter geschiedt, heeft de Heer een
woord te spreken tot de Schriftgeleerden, die zich onder
de omstanders bevonden. Spraken zij al niet overluid, Jezus
bemerkt aan hunne gebaren en leest in hun hart, dat zij
in Zijn woord eene godslastering zien. En inderdaad, zij
zouden tot zulk een oordeel recht hebben gehad, indien
Jezus niet de eeniggeboren Zoon Gods was. Had een mensch
zondenvergift\'enis uitgesproken, hij zou zich hebben aange-
matigd wat aan geen schepsel toekwam; hij zou Gods eer
te na gekomen zijn. Niet dit is dezen Schriftgeleerden euvel
te duiden, dat zij niet dulden kunnen, dat een schepsel
-ocr page 240-
234
zich in de plaats Gotls stelt, maar dit, dat zij uit Jezus
woorden en werken nog niet geleerd hebben, in Hem den
Gezondene Gods te erkennen. Dat hadden zij hunnen weten;
de indruk van Jezus persoon was krachtig genoeg. Maar
in vijandigen onwil hebben zij dit miskend. Zij hebben
zich niet willen gewonnen geven; zij blijven het er voor
houden, dat Hij een mensch uit de menschen is. Daarom
ligt er boosheid, daarom is er schuld in de gedachte, waar-
mede zij Jezus woord veroordeelen.
Toch is hun hart nog niet tot algeheele verstoktheid
gekomen. Ware het dat, de Heer zou tegenover hen gezwegen
hebben met dat ontzettende zwijgen, dat het zwaarste oor-
deel aanduidt, zooals Hij eenmaal deed tegenover Herodes.
Tot hen spreekt de Heer, en wel zóó, dat Hij hun nog
een laatste hulpmiddel schenkt om Zijne goddelijke heerlijk-
heid te kunnen onderkennen.
„Wat overdenkt gij kwaad in uwe harten?" vraagt Hij.
„Want wat is lichter, te zeggen uwe zonden zijn u ver-
geven, of te zeggen: Sta op en wandel!"
Feitelijk is zondenvergeving en wonderbare genezing
beide evenzeer bovenmenschelijk. Daarom wordt deze vraag
slechts verstaanbaar, als wij nadruk leggen op het woord:
zeggen. Lichter te zeygen is: uwe zonden zijn u vergeven !
omdat hierbij niet aanstonds, niet duidelijk de machteloosheid
van zulk een woord uitkomt, zooals geschieden zou wanneer
men tot een verlamde zeide: „Sta op en wandel!" zonder
daartoe goddelijke macht te bezitten. Het is dus alsof de
Heer wil te kennen geven: Bij het woord dat Ik sprak,
kunt gij nog denken dat het de ijdele aanmatiging eens
menschen uitdrukt; daarom wil Ik Mijn recht oin alzoo te
spreken daardoor staven, dat Ik een tweede woord spreek,
waarbij aanstonds blijken kan of het uitwerking heeft, of niet.
-ocr page 241-
235
En zich keerencle tot den geraakte, zeide Hij: „Sta op,
neem uw bed op, en ga heen naar uw huis!" Ware nu
Zijn eerste woord eene godslasterlijke aanmatiging geweest,
het zou daarin openbaar zijn geworden, dat het tweede
woord zonder uitwerking ware gebleven. Maar neen! nieuwe
levenskracht daalt in den ongelukkige neder; hij staat op,
hij heeft de kracht om het beddeken, waarop hij aan Jezus
voeten is nedergelegd, op te nemen, en daarmede te gaan
naar zijn huis.
Zoo heeft dan de Vader getuigenis gegeven aan het woord
des Zoons; het wonder is geschied, en daarmede is Jezus voor
aller oog als Gods Gezondene aangewezen. Wat indruk dit
feit op de Schriftgeleerden gehad heeft, vermeldt de Evan-
gelist niet. Tot gelooven gedioonf/en zijn zij daardoor zeker-
lijk niet; door dwang wordt nooit cti nergens het geloof
opgelegd. Altijd moet er zijn een willen doen van Gods
wil, eene eerlijkheid van gemoed, een aanvang van behoefte
aan een goddelijken Redder. Het kan zijn, dat dit, op het
zien van Jezus wonder, in hun binnenste ontwaakt is.
Maar ook kan liet zijn, dat zij het hart hebben verhard, en
liever Jezus wonder aan werking des duivels hebben toe-
geschreven, dan voor Hein zich te buigen.
Van hen spreekt Mattheus niet. Doch aangaande de
schare vermeldt hij, dat ze zich verwonderd hebben, en
God hebben verheerlijkt, die zoodanige macht den menschen
had gegeven. Ook dit is nog het geloof niet. Komt het
niet verder, dan wordt het eene bloote verbazing, die straks
weer wordt verdrongen door andere indrukken, door de
voorvallen des levens gemaakt. Maar het kan. de weg zijn
om verder te komen. Het kan voeren tot inkeer in zich-
zelven, tot opzien naar boven; het kan leiden tot eene
verheerlijking Gods, niet slechts daarover, dat Hij onder men-
-ocr page 242-
236
schen de werking van heerlijke en zegenbrengende macht
doet waarnemen, maar hierover bovenal, dat Hij Zijne ge-
nade groot maakt, door zondaars te onttrekken aan het
verderf, en over te brengen in Zijne zalige gemeenschap.
IX. 0—13. En Jezus, van daar voortgaande,
zag een mensch in het tolhuis zitten, genaamd Mat~
theus, en zeicle tot hem: Volg Mij! En hij, opstaande,
volgde hem.
En het geschiedde, als Hij in het huis van Mat-
theus aanzat, ziet, vele tollenaars en zondaars kimmen
en zaten mede aan, met Jezus en Zijne discipelen.
En de Parizeen, dat ziende, zeiden tot Zijne dis-
cipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren
en zondaren?
Maar Jezus zulks hoorende, zeide tot hen: Die
gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode,
maar die ziek zijn. Doch gaat heen, en leert, ivat
het zij: Ik icil barmhartigheid, en niet offerande;
want Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaar-
digen, maar zondaars tot bekeering.
Eene nieuwe roeping tot liet Apostelschap, na de reeds
vroeger vermelde roepingen, maar evenzeer voorloopig als
deze, — blijkens de opzettelijke aanstelling in Matth. X, —
wordt ons hier vermeld. Immers, het: „Volg Mij!" des
Heeren kan niet eene noodiging tot een kortstondig bege-
leiden des Heeren geweest zijn; dan toch zou het niet
vermeldenswaardig zijn geweest.
Het is de schrijver van ons Evangelie zelf, die hier ver-
haalt, hoe de Fleer in den kring der Zijnen hem opnam.
Daar is in deze roeping iets zeer opmerkelijks, meer dan in
-ocr page 243-
237
eenige andere der roepingen tot het Apostelschap. De tol-
lenaars waren voorwerpen van verachting en haat bij de
Joden. Reeds het feit alleen, dat zij in dienst stonden der
Romeinen, onder wier juk Israël zoo noode zich kromde,
zou hen gehaat gemaakt hebben. Doch daar kwam méér
bij. De inning der belastingen werd in dien tijd verpacht,
zoodat het Rijk slechts eene vaste som ontving voor het-
geen eene grootere of kleinere landstreek opbrengen moest.
Die pachters nu zochten zich dan verder te verrijken, door
veel méér als belasting af te persen, dan waarop zij recht
hadden. En het goed, op zoo onrechtvaardige wijze verkrc-
gen, werd dan voorts, gelijk dat in den aard der zaak ligt,
op schandelijke wijze verbrast. Gewisselijk leefden zóó niet
alle tollenaars; noch van Mattheus, noch van Zacheus laat
zich verwachten, dat zij zich met deze schanddaden bezoedeld
hebben. Maar allen, die dezen stand toebehoorden, deelden
in de verachting, die den geheelen stand aankleefde. Zij
waren allen uitgeworpenen, buiten het heilige volk geslo-
tenen, naar de in Israël gangbare voorstelling; zij vooral
werden gerekend tot de „zondaren", de wettelijk onreinen.
Uit den kring dezer mannen nu kiest de Heer een Apostel.
Kon Hij op krachtiger wijze, dan daardoor, uitspreken, dat
voor Hem die menschelijke onderscheidingen niet bestonden ?
Zijn blik ziet zonde in alle menschen, ook in hen, die zich
zoo ver boven de zondaren verheven rekenden. Maar Zijn
blik ziet ook, in allerlei rangen en standen, ontvankelijke har-
ten, vatbaar om door Zijn woord en Geest, door de aanraking
Zijner liefde, opgeheven te worden uit den toestand, waarin
zij zich bevonden, en werktuigen te worden voor de uit-
breiding van het Koninkrijk Gods. Daarom toont Hij door
deze daad, dat de menschelijke onderscheiding van recht-
vaardigen en zondaren voor Hem niet geldt. Tot den kring,
-ocr page 244-
238
die, tijdens Zijn aardsche leven, Hem het allernaast staat,
en die, na Zijn heengaan tot den Vader, Zijn Evangelie
zal te brengen hebben tot Israël en de volken, roept Hij
ook een tollenaar. Voorwaar! zóó moest het zijn, opdat alle
menschelijke roem wegvallen zou, en de heerlijkheid van
Gods macht en ontferming duidelijk zou uitblinken.
De eere, hem wedervaren, dringt Mattheus tot het aan-
richten van een maaltijd, waaraan, naar de gastvrije zeden
van het Oosten, ook een aantal zijner staudgenooten komen
aanzitten. Amderen dan tollenaren en „zondaren" d. i. uit-
geworpenen uit het volksleven van het heilig Israël, komen
daar niet; zij zouden zich door zulke tafelgemeenschap be-
sinet hebben gerekend. Doch, waar de maaltijd, naar Oos-
tersch gebruik, met openstaande deur plaats heeft, nemen
voorbijgaande Earizeërs waar, in welk gezelschap Jezus hier
aanzit. Het wekt hunne verontwaardiging; het geeft hun
gewensehte aanleiding om Jezus in de oogen des volks te
verkleinen. Zelfs bij Jezus eigen discipelen rekenen zij op
instemming, waar zij zulke gemeenschap afkeurenswaardig
noemen. Zij vragen hun reden van deze handelwijze huns
Meesters, kennelijk in de verwachting, dat daarvoor geene
reden gegeven kan worden.
De discipelen antwoorden niet; ze worden door de vraag
in verlegenheid gebracht. Maar de vraag is door Jezus ge-
hoord, of wel, door de discipelen tot Hem overgebracht.
En Hij antwoordt, door te wijzen op de behoefte, die deze
tollenaren aan Hem, den lledder van zondaren hebben. Dat
Hij dat gezelschap opzoekt is niet om Zijnentwil, maar om
hunnentwil. O, indien Hij naar de omgeving gevraagd had,
die het meest in overeenstemming was niet Zijn eigen wezen,
Hij zou de omgeving der Engelen, Hij zou den heerlijken
hemel niet verlaten hebben, om te komen leven op aarde.
-ocr page 245-
239
Als Eedder is Hij op aarde gekomen, en daarom, wie red-
ding behoeven, zijn juist degenen, die bij Hem passen. „Die
gezond zijn", zegt Hij, „hebben den medicijnmeester niet
van noode, maar die ziek zijn." Met zóó te spreken, zegt
Hij niet, dat er menschen zijn, die Hem niet noodig heb-
ben: Hij spreekt alleen de algemeene waarheid uit: een
geneesmeester is alleen voor de kranken. Op geestelijk ge-
bied zijn allen krank; alleenlijk, er zijn er onder die kran-
ken, die wanen gezond te zijn. Zoolang die waan duurt,
voelen zij aan Jezus geen behoefte, en kan Hij ook niets
voor hen zijn. Het gaat hier evenals op lichamelijk ge-
bied; zoolang een kranke, al is hij ook door doodelijke
kwaal aangetast, zich zijne krankheid ontveinst, begeert hij
niets van eenen geneesheer; eerst moet behoefte gevoeld
worden, eer men vervulling van behoefte gaat vragen. De
overgroote meerderheid der menschen, hoe doodelijk krank
ook door de zonde, waaut gezond te zijn en geens dings
gebrek te hebben; in eigen schatting en naar de meening hun-
ner omgeving zijn zij onberispelijk. Maar deze tollenaren, door
allen veracht, kunnen dien waan niet koesteren; zij voelen
zich ellendig, en, waar een Redder tot hen zich nederbuigt,
daar zegt terstond eene stem in hun binnenste : dat is het,
wat wij noodig hebben.
Mijn lezer! onderzoek u zei ven, of dat woord des Heeren
voor u eene vertroosting of eene veroordeeling is. Het zegt
u, dat Jezus niets voor u zijn kan, zoolang gij nog recht-
vaardig in eigen oog zijt. Dat gij zondaar zijt, het sluit u
niet buiten; integendeel, voor zulken is Hij gekomen. Doch
erkent gij u niet als zoodanig, wat zou dan Jezus voor u
kunnen zijn? Eerst is noodig, dat gij door het ontdekkend
licht des H. Geestes, u laat overtuigen van uwe schuld, van
uwe onwaardigheid voor God. Dau alleen, als alle uwe eigene
-ocr page 246-
240
gerechtigheid in hare nietigheid door u erkend is, strekt gij u
smeekend uit tot den Behouder, ■ om dan te ervaren, hoe
Hij waarlijk gekomen is ook voor u. Hij sluit niet uit,
dan wie zichzelven uitsluiten: de zelfgenoegzamen, die de
stem verdooven, welke hen tot verootmoediging roept.
De berispende aanmerking der Farizeëu kwam uit hoog-
moed, maar daarom tevens uit hardheid voort. Die tolle-
naren stonden hun te laag, dan dat zij hun iets goeds zou-
den gunnen; met deze uitgeslotenen uit de volksgemeenschap
Israels mocht geen Rabbi zieh inlaten. Daarom wijst de
Heer hun aan, door een woord uit die Schrift, die zij zelven
als heilig erkenden, hoe zij door zulk een gemoedsbestaan
tegen den wil Gods in opstand waren. „Ik wil barmhartig»
heid en niet offerande," had de Heer door Flosea (VI. 6)
gesproken. Offers waren door God zelven verordend; wordt
dan nu hier de barmhartigheid daar tegenover gesteld, dan
is het om sterk te doen uitkomen, hoe dit allereerst en
allermeest door God wordt geeischt. Zoo lieten zij dan het
voornaamste na, zij, die zich voor zoo ijverige wetbetrach-
ters uitgaven. Hadden zij waarlijk deernis met deze diep-
gezonkenen gehad, zij zouden er zich over verblijd hebben,
dat Jezus zich met hen inliet, om hen op te heffen uit
hunne vervreemding van God.
IX. 14 —17. Toen kwamen de discipelen van Jo-
hannes tot Hem, zeggende
: Waarom vasten toij en de
Farizeën veel, en uwe discipelen vasten niet f
En Jezus zeide tot hen: kunnen ook de bruilofts-
kinderen treuren, zoolang de bruidegom bij hen is?
Maar de dagen zullen komen, wanneer de bruidegom
van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij
vasten.
-ocr page 247-
241
Ook zet niemand een lap ongevold laken op een oud
kleed; icant diens aangezette lap scheurt af van het
kleed, en er ivordt een erger scheur.
Noch doet men nieuwen wijn in oude lederzakken;
anders zoo hersten de lederzakken, en de wijn wordt
uitgestort, en de lederzakken verderven; maar men doet
nieuwen wijn in nieuwe lederzakken, en beide te samen
worden behouden.
Was de vrijheid, die de Heer gebruikte in Zijn omgaan
met uitgeworpenen, berispt door de Farizeën, de discipelen
des Doopers stooten zich aan eene andere vrijheid. De Heer
en Zijne discipelen onderscheiden zich in hun leven door
niets buitengewoons; zij onderhouden geen vasten, waarop
door de ernstigen in Israël zoo hooge prijs gesteld werd.
Het lag geheel in den geest van den strengen boetgezant,
dat ook hij aan zijne discipelen het vasten voorschreef. Die
discipelen kunnen zich geene vroomheid denken, die zoo
zonder vormen, zonder de zelfkwelling van vasten bestaat.
En toch, deze Jezus is door hun Meester als zijn Meer-
dere erkend. Bepaald afkeuren durven zij dus niet, maar
zij willen van Jezus de reden weten, waarom Zijne disci-
pelen zoo anders leven, dan wie verder in Israël als vro-
men bekend staan. Zij vragen het alleen met betrekking
tot Zijne discipelen; de eerbied voor Jezus weerhoudt hen,
op Zijn eigen gedrag aanmerking te maken, zooals de Fari-
zeën gedaan hadden.
In het antwoord, dat de Heer hun geeft, bespreekt
Hij evenmin het vasten op zich zelf, als Hij dat in de
Bergrede (VI. 16 — 18) gedaan had. Of het in het alge-
meen aanbevelenswaardig is te vasten of niet, daarover laat
laat de Heer zich niet uit. Maar Hij doet iets anders. Hij
Roozkmeijkr, Ev. Matth. I.                                                         16
-ocr page 248-
242
•
brengt het vasten, dat in verloop van tijd een ledige
vorm was geworden, tot zijne eigenlijke beteekenis terug.
Vasten moet eene uiting zijn van de droefheid der ziel.
Met te vasten geeft de mensch te kennen, alzóó door smart
overstelpt te zijn, dat hij geen voedsel tot zich nemen kan.
Waar dus die droefheid niet is, zou het vasten eene
ijdele vertooning zijn. En voor \'s Heeren discipelen was
het nu geen tijd van droefheid, integendeel! een tijd van
hooge en heilige vreugde. De Heer vergelijkt hen met deel-
genooten eener bruiloft, die in de tegenwoordigheid des
Bruidegoms zich verheugen.
Daar ligt in die aanduiding eene aanwijzing van Jezus
gansch éénige heerlijkheid. De betrekking Gods tot Israël
is door de profeten menigmaal onder het beeld van een
( echtverbond voorgesteld. Is Jezus nu de Bruidegom der
Godsgemeente, gelijk Hij ook in Joh. III. 29 door den
Dooper als zoodanig is aangeduid, dan neemt Hij de plaats
in, die in het Oude Verbond aan Jehovah toegekend wordt.
Hoe zou iets dergelijks van een menschenkind uitgesproken
kunnen worden, zonder de hoogheid Gods te na te komen ?
Alleen de Eengeboren Zoon des Vaders, het afschijnsel
Zijner heerlijkheid, kan de Bruidegom der gemeente Gods
wezen.
Hetzelfde beeld wordt later opgenomen door Paulus in
Eph. V. 25—27. Desgelijks komt het voor in de Openbaring
van Johannes, waar de verlangende Bruid naar de komst
des Bruidegoms uitziet (Openb. XXII. 17.) Den ganschen
rijkdom, die er in opgesloten ligt, ontwikkelt de Heer hier
niet, gelijk in \'t algemeen Zijn onderwijs tijdens Zijn aard-
sche leven slechts de grondslagen legt, waarop het onder-
wijs des H. Geestes verder voortbouwen zal.
Hier wijst de Heer alleen op het feit, dat Zijne tegen-
-ocr page 249-
243
woordigheid voor de zijnen de feestelijke tegenwoordigheid
des Bruidegoms is. In dezen feesttijd nu zou het vasten,
de uitdrukking der droefheid, onwaarachtig en dus onge-
past zijn. Maar die feesttijd zou geen blijvende zijn. Eerst
aan het eind der eeuwen, bij de voltooiing van het Gods-
rijk, zal de Bruid den Bruidegom ontvangen \'om nooit meer
van Hetn te scheiden. Vooraf zal er een tijd komen, waarin
de Bruidegom is weggenomen, een tijd, waarin zijn tegen-
woordigheid smartelijk wordt gemist. Dat geldt in de eerste
plaats, maar niet uitsluitend, den tijd tusschen Zijn sterven
en opstanding. Het geldt ook den daarna volgenden tijd,
tot Zijne wederkomst ten laatsten dage. Want, wel komt
Hij weder tot de Zijnen in den Geest, en kon Hij daarom
de Zijnen troosten in Zijne afscheidsredenen, maar bij allen
zegen, dien Zijne geestelijke nabijheid schenkt, blijft toch
nog steeds een gevoel van gemis, een ontbreken der volle
zaligheid. Dan, als Hij zal weggenomen zijn, dan zal het
tijd zijn van treuren; dan „zullen zij vasten"; dan zullen
zij smartelijk naar Hem verlangen. Of zich dat al of niet
in uitwendig vasten zal openbaren, laat de Heer in het
midden; maar nu althans, nu zij de vreugde Zijner nabijheid
genieten, nu kunnen de Zijnen niet vasten, alsof \'t voor
hen een tijd der rouwe was.
Het antwoord des Heeren aan de Johannes-jongeren reikt
nog verder en gaat nog dieper. Wat was de eigenlijke
reden, waarom zij zich aan het niet-vasten van Jezus dis-
cipelen gestooten hadden? Het was, dat daarin eene afwij-
king zich voordeed van de vormen, waarin zij gewoon waren
het godsdienstig leven zich te zien openbaren. Hun was
noodig, tot erkenning te komen, dat met Jezus verschijning
op aarde een nieuw, een hooger leven, dan wat vroeger
was gekend, gekomen was. Dit nieuwe leven kon niet in
-ocr page 250-
244
de oude vormen bekneld blijven; het moest zich nieuwe
vormen scheppen. Daarop wijst de Heer door de beide
beelden, die Hij bezigt. Ongevold laken, dat nog niet
gekrompen is, scheurt het oude kleed, waaraan het aan-
gezet wordt; nieuwe wijn, die nog niet uitgegist is, doet
de oude lederzakken bersten, waarin hij bevat wordt. Bij
het nieuwe past het nieuwe; bij nieuwen inhoud past nieuwe
vorm. Dat er vormen, dat er uitwendige gestalten zijn, dat
behoort tot het karakter van den aardschen toestand ; de Heer
keurt dit zóó weinig af, dat Hij integendeel den nieuwen
wijn in nieuwe lederzakken wil gegoten zien. Maar die
uitwendige verschijningsvormen moeten dan ook passen bij
den inhoud; geene oude vormen moeten aangehouden worden
bij nieuwen, daarin niet voegenden inhoud. Voor de Gods-
gemeente des Nieuwen Verbonds passen de vormen der
Oude Bedeeling niet meer.
Dit onderwijs des Heeren reikt dus veel verder dan de
bespreking van het vasten, dat daartoe aanleiding gaf.
Het stelt de beide bedeelingen tegenover elkander, al zijn
beide van denzelfden God gegeven, en al is de eerste eene
voorbereiding tot de tweede. In de oude Bedeeling openbaart
zich het Godsrijk als een volksbestaan, in de nieuwe Be-
deeling als eene gemeente. In de Oude treedt de wet, in
de Nieuwe het Evangelie op den voorgrond. In de Oude:
eene heilsverwachting; in de Nieuwe: eene heilsvervulling.
In de Oude: een dienst der plechtigheden, die schaduwen
zijn; in de Nieuwe: eene aanbidding in geest en waarheid.
In de Oude: een Heer tegenover zijne dienstknechten; in
de Nieuwe: een Vader tegenover Zijne kinderen. O zeker!
daar waren in de Oude Bedeeling aanduidingen geweest van
wat de Nieuwe zou brengen: hoe kon het anders, waar het
dezelfde God is, die eerst heeft gesproken door de profeten,
-ocr page 251-
245
en daarna door Zijnen Zoon? Maar dat nieuwe, het is in tus-
schen eerst geopenbaard, waar de volheid des tijds is gekomen.
Dat nieuwe is in inhoud zóó rijk, dat onmogelijk de vorm
alzoo aan den inhoud kan beantwoorden als onder de Oude
Bedeeling. Het leven der kinderen Gods kan ook in de
Nieuwe Bedeeling niet zonder vormen zijn. Maar waar zij
op de vormen grooten nadruk leggen willen, daar komen
zij, gelijk in de kerk van Eome, tot een terugzinken tot
het standpunt der Oude Bedeeling. Met die uitwendige heer-
lijkheid kan het evangelisch Christendom nooit of nimmer
zich meten. Het blijft, zoolang deze bedeeling duurt, een
dragen van den schat in aarden vaten; eerst als de volheid
des tijds is gekomen, zullen de aarden vaten veranderen in
gouden vaten, en de uitwendige vorm van het leven uit
■God schitteren in eene heerlijkheid, die aan den inhoud
beantwoordt.
IX. 18—22. Als Hij deze dingen tot hen sprak,
ziet, een Overste kwam en aanbad Hem, zeggende:
Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom, en
leg uwe hand op haar, en zij zal leven. En Jezus
opgestaan zijnde, volgde hem, en Zijne discipelen.
En ziet, eene vrouw, die twaalf jaren het bloed-
vloeien gehad had, komende tot Hem van achteren,
raakte den zoom Zijns kleeds aan; want zij zeide in
zich zelve: Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak,
zoo zal ik gezond worden.
En Jezus, zich omkeerende en haar ziende, zeide:
Wees welgemoed, dochter! Uw geloof heeft u behouden !
En de vrouw werd gezond van diezelfde ure af.
Het onderwijs des Heeren wordt ook nu, gelijk zoo menig-
-ocr page 252-
246
maal, afgebroken door eene bede om hulp. Daar is in het
menschenleven, als gevolg der zonde, zoo menigerlei ellende,
dat, waar een goddelijke Redder in het midden der mensch-
heid optreedt, ieder oogenblik eene bede om hulp tot Hem
komen moet.
De geschiedenis, hier verhaald, wordt ons uitvoeriger, en
dus ook nauwkeuriger, door Marcus medegedeeld. Uit diens
bericht weten wij, dat de man, die zich hier tot Jezus
wendde, Jaïrus heette, en dat hij overste der Synagoge was,
dus niet een krijgsman als de hoofdman van Kapernauin,
maar degene aan wien het opzicht en bestuur over eene der
Synagogen was toevertrouwd, denkelijk wel in genoemde stad.
Toont de hoofdman van Kapernauin door zijne bede,
welken indruk Jezus verschijning zelfs op het gemoed eens
heidens gemaakt had, Jaïrus bede bewijst, dat ook een man
van aanzien uit Israël in zijnen nood zich tot Jezus wendt.
Hoe vaak had hij misschien in de Synagoge reeds Jezus
redenen gehoord, en Zijne werken gezien! Nu, waar de
smart in zijne eigene woning gekomen is, nu zoekt ook hij
toevlucht bij den Helper, die reeds zoovelen had bewel-
dadigd. Het meer omstandig bericht van Marcus leert ons,
dat hij geene opwekking uit de dooden, maar herstelling
uit krankheid voor zijn kind kwam vragen; eerst Jezus
eigen woord leerde hem moed bewaren, toen, naar mensche-
lijk inzicht, de nagezonden boodschap : „Uwe dochter is ge-
storven!" alle hoop had vernietigd. Zóó wordt de toedracht
der zaak ons verstaanbaarder; anders toch zou deze man
een geloof zonder voorbeeld hebben bezeten, een geloof,
waartoe zelfs geene Maria en Martha zich opheffen konden.
Hij komt om genezing te vragen voor zijn kind, dat
doodelijk krank ligt. Met wat aandrang tot spoed zal hij
begeerd hebben, dat Jezus zou mede komen! Maar de
-ocr page 253-
247
volksmenigte Het geen haastig voortgaan toe; de scharen
verdrongen Jezus, lezen wij bij Marcus. En onderwijl komt
er nog een nieuwe oorzaak van oponthoud. Eene kranke
vrouw neemt het oogenblik waar, om zich tot Jezus om
hulp te wenden. De aard harer krankheid brengt mede,
dat zij schroomt, haren nood te openbaren; toch, zij moet
de gelegenheid aangrijpen, eer haar die ontsnapt: daar
dringt zij door de menigte heen, om den zoom van Jezus
kleed aan te raken, vertrouwende dat zelfs zulke aanraking
voldoende zijn zou tot hare genezing.
Dat vertrouwen was geloof, en daarom wordt het met
heerlijke uitkomst bekroond. Zeker! met dit geloof ging
eene onklare voorstelling gepaard, alsof op zekere toover-
achtige wijze de redding van Jezus uitging, buiten de wer-
king van Zijnen wil. Daarom kan de Heer de zaak niet
stilzwijgend laten geschieden; de vrouw moet uitspreken wat zij
begeerd en ervaren heeft, opdat zij hare genezing als eene
weldaad uit \'s Heeren hand zou ontvangen. Doch intus-
schen, dat ootmoedig en hartelijk geloof, met welke dwa-
ling het dan ook gemengd mocht zijn, heeft haar behou-
den. Ach, waar zou het heen met ons allen, indien de
dwalingen en gebreken, die nog met ons geloofsleven ver-
bonden zijn, ons uitsloten van des Heeren gunst? „Niet
ons ongeloof en waan, ons geloof — dat ziet Hij aan!"
Een vonksken van oprecht geloof is Hem voldoende, en
werkt heerlijker zegen, dan de meest klare begrippen en
juiste voorstellingen. Wat er dwalends in gemengd is, Hij
neemt het weg, gelijk Hij deed bij deze onwetende vrouw;
maar intusschen is dat geloof de hand, waarin Hij Zijne
gave legt. Zalig zij, die Hem vertrouwen: \'t geloof verwacht
nimmer te veel!
Met wat smartelijk ongeduld moet Jaïrus dit oponthoud
-ocr page 254-
248
hebben verdragen! Zijn kind is stervende; het kan van een
oogenblik afhangen, dat de komst des Meesters te laat is,
— en daar doet zich nu zulke belemmering voor! Maar
intusschen, hoe sterkt de heerlijke uitredding dier vrouw-
zijn geloof, als nu de boodschap des dienstknechts hem
bericht: Uwe dochter is gestorven! „Vrees niet!" zegt Jezus
tot hem,- en — vrees niet! weerklinkt het in zijne ziele,
waar hij in dit zelfde oogenblik een nieuwe proeve van
\'s Heeren macht heeft aanschouwd!
Tloe vaak wordt, ook in ons leven, ons tot winste, wat
wij schade achtten! Hoe menige leiding, zwaar om te ver-
staan, pijnlijk om te dragen, waarvan wij achterna moeten
zeggen: het is mij goed geweest: liet heeft mijn geloof
gesterkt, mijne kracht geschraagd tot wat daar volgen moest!
IX. 23—26. En als Jezus in het huis des
oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende
schare, zeide Hij tot hen: Vertrekt; want het doch-
tertje is niet dood, maar slaapt. En zij belachten Hem.
Als nu de schare uitgedreven was, ging Hij in, en
greep hare hand; en liet dochtertje stond op. En dit
gerucht ging uit door dat geheele land.
Eindelijk wordt het huis van Jaïrus bereikt. Het tijds-
verloop is lang genoeg geweest, om daar reeds het rouw-
misbaar te doen aanvangen, waarmede de Israëlieten hunne
dooden eerden. De „pijpers" of fluitspelers stemmen de
klaagzangen aan, waarmede de toegestroomde bekenden en
geburen hunne stemmen vereenigen. Die woelende menigte
wil de Heer eerst verwijderen. Het wonder der redding, dat
Hij verrichten zal, moet plaats hebben in besloten kring;
even als bij vele andere gelegenheden wordt door den Heer
-ocr page 255-
249
alles vermeden, wat de stemming zou storen van hen, aan
wie Hij Zijne weldaad gaat bewijzen, en wat onder het
volk slechts nieuw voedsel zou geven aan vleeschelijke op-
gewondenheid, die licht tot oproerige beweging kon voeren.
„Vertrekt!" zegt Hij tot de aanwezigen; „het dochtertje
is niet dood, maar slaapt." Voor den Vorst des levens is
de dood slechts een slaap, waaruit Zijn machtwoord even
lichtelijk wakker roept, als de menschelijke stem eenen
slapende doet ontwaken. Het dochtertje is niet dood, niet
aan de ouders en het aardsche leven ontrukt, waar Hij ge-
reed staat Zijn almachtsbevel te doen hooren. Maar de
schare belacht Hein. Die mensohen weten, wat zij weten;
kennelijk en klaar is de dood ingetreden; wat komt deze
dan spreken van een slaap? Zij weten, wat zij weten, —
maar zij kennen de Godskracht niet in Hem, dien zij be-
lachen. Zóó staat nog immer de menigte, die met niets dan
ervaringsfeiten en natuurwetten rekent, tegenover de geloo-
vige gemeente. Wat dat geloof verzekert en doet hopen, —
het is eene dwaasheid in de oogen der menigte. En inder-
daad zou het eene dwaasheid zijn, indien er niet een levende
God bestond, heerschende boven de natuurwet en de. nood-
zakelijke samenschakeling van oorzaken en gevolgen. Dien
God te kennen en Zijne beloften te bezitten, dat geeft
aan de gemeente der kinderen Gods die verzekerdheid aan-
gaande een eeuwig leven, waarin de dood is weggenomen,
de schuld verzoend, de kracht vernieuwd; de verzekcrd-
heid, die psalmen doet aanheffen in den nacht, te midden
van de bespotting der wereld. Golden er geene andere
wetten, dan die daar heersenen in den gevallen toestand des
menschdoms, dan zijn zij, die de vlam der hope brandende
houden, voor dwazen te achten. Geene redeneering is dan
ook in staat de tegenstanders te overtuigen; om te kunnen
-ocr page 256-
250
redeneeren moet men een gemeenschappelijk uitgangspunt
hebben. Dit nu is het uitgangspunt en steunpunt der ge-
meente Gods, dat zij eene hoogere orde, der dingen aan-
schouwd heeft in de vleeschwording van het eeuwige Woord;
zij heeft in Jezus den Christus gezien, en in Hem den
waarborg van een Godsrijk, dat opgebouwd wordt en
voltooid, en waarvan de heerlijkheid uitblinken zal, wanneer
te niet gedaan zal zijn, wat nu onder de wet des doods
gebonden is, ten gevolge der zonde.
Jezus antwoordt de schare niet, die Hem belacht. Hij
antwoordt niet met woorden; Hij gaat antwoorden met
eene daad. Als Hij is binnengegaan, — zooals Marcus
bericht, met den vader en de moeder van het kind, en de
drie discipelen, die Hem het naast stonden, — dan spreekt
Hij Zijn machtvvoord: Dochtertje! Sta op! — en de doode
ontwaakt ten leven. Hoe eenvoudig wordt dat ontzachelijk
wonder bericht! met wat sobere woorden! Maar ook, hoe
zouden woorden hier iets kunnen verklaren? Een wonder,
juist omdat het een wonder is, ontsnapt aan elke beschrij-
ving. Hier werken geene natuurlijke oorzaken, die bloot-
gelegd zouden kunnen worden; hier is eene onmiddellijke
daad der almacht. Een doode leeft, een blinde ziet, een
stomme spreekt, omdat Hij het wil, wiens wil de dingen
die niet zijn, in het aanzijn roept.
Ook bij de gevoelens en gewaarwordingen der aanschou-
wers verwijlt de Evangelist niet: trouwens, hoe zouden die
gedachten des harten zijn weder te geven in woorden?
Hij vermeldt alleen, dat het gerucht dezer daad uitging
door het geheele land. Hoe kon het anders? "Wie weet,
hoe menigeen, ook dergenen die eerst Jezus belachten, thans-
met eerbied en aanbidding zich tot Hem heeft gekeerd, —
maar ook, wie weet hoe menigeen, na dit gehoord te hebben,
-ocr page 257-
251
is heengegaan tot zijn akker en koopmanschap, alsof er
niets was geschied!
IX. 27— 31. En als Jezus van daar voortging,
zijn Hem twee blinden gevolgd, roepende en zeggende :
Gij Zone Davids! ontferm u onzer!
En als Hij in huis gekomen was, kwamen de Minden
tot Hem. En Jezus zeide tot hen: gelooft gij, dat ik
dat doen kan ? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! Toen
raakte Hij hunne oogen aan, zeggende: U geschiede
naar uw geloof. En hunne oogen zijn geopend geworden.
En Jezus heeft hun zeer slretigelijk verboden, zeg-
gende: Ziet, dat het niemand wete! Maar zij, uiige-
gaan zijnde, hebben Hem ruchtbaar gemaakt, door
het geheele land.
Onmiddellijk na de opwekking van het dochtertje van
Jaïrus volgt eene nieuwe wonderwerking des Heeren, die
echter weder onder eigenaardige omstandigheden plaats
vindt. De blinden, die hier Jezus hulp inroepen, spreken
Hem aan als Zoon üavids, een naam, die slechts zeldzaam
Hem gegeven werd. Die naam is eene duidelijke erkenning
Zijner Messiasheerlijkheid. Begrijpelijk wordt daardoor, dat
Jezus niet aanstonds ingaat op hunne bede. Immers., al
kwam die naam met het volste recht Hem toe, de Heer
vermijdt, zich alzoo te laten noemen, opdat geen oproerige
beweging daaruit aanleiding neme om Hem tot aardsch
koning uit te roepen. Hij gaat eene woning binnen, en geeft
nu den blinden gelegenheid, dddr tot Hem te naderen. Maar
ook nu nog vervult Hij niet aanstonds hunne bede; Hij
vraagt: gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Kennelijk wil Hij
deze mannen dieper inleiden, door hen te doen stilstaan bij wat
zij eigenlijk van Hem begeerden. Misschien hebben zij nog
-ocr page 258-
252
slechts een opgevangen titel nagesproken; misschien staat
hunne verwachting aangaande Jezus liefde en macht nog
niet op de hoogte van wat de Messiasnaam in zich sluit.
Zij moesten zich bewust worden van wat zij vroegen, en
daardoor juist moest hun geloof worden opgevoerd tot de
hoogte van stellige verwachting. Eerst waar dit is geschied ;
waar zij met een eenvoudig maar hartgrondig: ja! des Heeren
vraag hebben kunnen beantwoorden, volgt de genezing.
Gelooft gij, dat Ik dat doen kan? Daarop komt het
aan, ook voor wie met den nood hunner ziel zich tot Jezus
wonden. Gelooft gij waarlijk, dat gij door Mij vergeving
van zonden, vernieuwing des harten, vrede met God ver-
krijgen kunt? Mijn lezer! dat zult gij niet gelooven, tenzij
gij in Jezus den Christus Gods erkent. Maar ook, indien gij
Hein reeds als zoodanig erkent, onderzoek en beproef u
dan, of gij waarlijk gelooft, dat gij dit begeerde heilgoed
door Hem deelachtig kunt worden. Immer blijft de regel
in liet Godsrijk: u geschiede naar uw geloof! Wie weinig
verwacht, kan maar weinig ontvangen; wie veel verwacht, dien
wordt geschonken boven bidden endenken. Niet alsof de kracht
of waardigheid onzes geloofs ons die gaven aanbrengen moest,
maar het geloof is de hand, die de gave moet ontvangen.
Eerst moet dat geloof worden bekrachtigd en verhoogd, eer
de volheid van \'s Heeren liefde zich aan de ziel kan open-
baren. Gelooven moet aan het genieten voorafgaan. O, dat
wij toch nimmer wanen, die goddelijke orde te kunnen om-
keercn! Hoe menigeen wil eigenlijk eerst bezitten, en dan
gelooven; eerst vrede hebben, eerst zich vernieuwd gevoelen,
eer hij het wagen zal op \'s Heeren liefde en trouw! Zóó
komt men er nooit. Zóó blijft men eindeloos klagen, omdat
men den van God verordenden weg miskent.
De blinden zijn ziende geworden op Jezus machtwoord.
-ocr page 259-
253
Maar met ernst en strengheid verbiedt Hij hun nu, hunne
genezing wereldkundig te maken. Kon het dan verborgen
blijven, wat aan hen geschied was ? verborgen blijven, dat
zij, die blind waren, nu zagen? Immers neen! Doch dit
wijst ons den weg om te verstaan, wat Jezus verbod be-
doelde. Zij, die reeds vóór hunne genezing Hem als Zoon \'
Davids hebben aangeroepen, zij zouden nu nog des te meer
geneigd zijn Hem als Messias aan hunne landgenooten be-
kend te maken. Dat is het, wat Jezus verbod verhinderen
wil. Later, als de kruisdood aan alle vleeschelijke ver- •
wachting een einde zal gemaakt hebben, dan zal die
Christusnaam verbreid, geprezen en verheerlijkt kunnen
worden. Thans hebben zij in het hart te bewaren, wat groote
dingen hun zijn geschied, en te leven als gezegenden des
Heeren in dat maatschappelijk leven, waarin zij, als zienden,
weder eene plaats kunnen vervullen.
Wat de wijsheid des Heeren verordent, wordt door de
genezenen niet volbracht. Zij maken Jezus ruchtbaar. Zij
meenen misschien, zóó bun liefde te toonen, — maar onder-
tusschen, zij belemmeren den gang van het Godsrijk, waar
zij wijzer willen zijn dan de Heer. Wie onder ons nimmer
zijn eigen inzicht boven het bevel des Heeren stelde, die
werpe het eerst den steen op hen!
IX. 32—34. Als dezen nu uitgingen, ziet, zco
brachten zij tol Hem eenen mensch, die stom en van
den duivel bezeten was.
En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stom-
me. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Er
is nooit desgelijks in Israël gezien!
Maar de Farizeën zeiden : Hij werpt de duivelen
uit door den overste der duivelen.
-ocr page 260-
254
Een gansch ander soort van lijden, vooral eene geheel
andere gemoedsgesteldheid dan in de voorafgaande geschie-
denis, treffen wij hier aan. De beide blinden waren tot
Jezus gekomen met ongewone verheerlijking Zijns naams;
hier brengt men tot den Heer eenen inensch, die zelf niets
te vragen heeft, en niets van Hem verwacht. De bezeten-
heid door duivelsehe macht openbaart zich bij hem in den
vorm van stomheid. Geen aanrakingspunt is in hem voor
de werking des Heeren; cilleen liet geloof en de bede van
hen, die hem tot Jezus brengen, kan als zoodanig gelden.
Maar al heeft de ongelukkige zelf niets te vragen, Hij, die
geene woorden behoeft, kent zijnen nood, en Hij heeft de
macht en de liefde, die alleen hem verlossen kan. Hij doet
den boozen geest wijken, — en de stomme spreekt! Wat
kan dat spreken anders, dan danken en jubelen geweest
zijn ? De ban is weggenomen, waaronder hij gebonden was;
de geest is bevrijd, en daarom kan de mond weder spreken!
Voorwaar! het bevreemdt ons niet, dat dit wonder zoo
diepen indruk maakte. In Israël, dat toch bekend was met
groote daden Gods; dat in zijne geschiedenis talrijke proe-
ven vau heerlijke werkingen Gods bezat, in Israël, getuigt de
schare, is nooit desgelijks gezien ! Heeft het die schare er toe
gebracht, om bij dezen Bevrijder ook verlossing van andere
banden te zoeken ? Heeft die volksmenigte erkend, dat ook
zij zelve in de slavernij van den Booze gebonden was, en
dat alleen deze Jezus daarvan redden kan?
Het is van de meerderheid hunner niet te veronderstel-
len. Maar zóó krachtig is intusschen die indruk, dat de
Parizeen noodig keuren, iets anders daar tegenover te stellen,
dat dezen indruk wegnemen moet. Hij werpt de duivelen
uit, zeggen zij, door den overste der duivelen. Bij eene
latere gelegenheid, als Jezus die tegenwerping bespreekt,
-ocr page 261-
255
(XII. 24 eu verv.) zullen wij opzettelijk daarbij hebben stil
te staan. Hier wijzen wij alleen op de boosaardigheid van
dat gezegde. Dat er een schitterend wonder geschied is, —
zij kunnen het niet loochenen. Maar liever dan nu eere te
geven aan Hem, die het werkte, schrijven zij aan duivelsche
macht die wonderwerking toe. Zóó waar is het, dat wie
niet gelooven wil, liever het onzinnigste aangrijpt, dan dat
hij het hoofd zou buigen, en komen zou tot het geloof!
IX. 35 — 38. En Jezus omging al de steden en
vlekken, leerende in hunne synagogen, en predikende
liet evangelie des Koninkrijk» en genezende alle ziekte
en alle kwale onder het tolk.
En Hij, de schare ziende, werd innerlijk met ont-
ferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en
verstrooid waren, gelijk schapen, die geenen herder
hebben.
Toen zeide Hij tot Zijne discipelen: Be oogst is
wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan
den Heer des oogstes., dat Hij arbeiders in Zijnen
oogst uitstoote !
Een aantal wonderen des Heeren zijn in het VIII8 en
IX6 Hoofdstuk afzonderlijk verhaald. Thans vat Mattheus
het optreden en werken des Heeren nog eens in enkele
woorden samen, om daarmede den weg te banen tot de
mededeeling der instelling van het Apostelambt, waaraan
het Xe Hoofdstuk gewijd is. De Heiland reist de landstreek
rond, predikende en genezende. Die twee woorden omvatten
Zijne gausche werkzaamheid. Wat de gemoederen Zijner
volksgenooten allermeest vervulde, namelijk de staatkundige
toestand, wordt ganschelijk niet door Hem aangeraakt. En
-ocr page 262-
256
de maatschappelijke nooden, in dien tijd niet minder groot
dan in eenigen anderen, worden door Hem niet besproken.
Heeft Jezus dan voor deze dingen geen oog en geen hart?
Voorwaar! wij behoeven het niet te vragen, als wij Hem
tot tranen toe bewogen zien over het lot van Zijn volk, en
als wij denken aan Zijne ontferming over de schare. Doch
de Heer wil de aandacht van de hoofdzaak niet afleiden.
Hoofdzaak is, dat de schuldige mensch met God verzoend
worde voor de eeuwigheid; daarmede vergeleken is het bij-
zaak, of het aardsche vaderland vrij zij of onder vreemden
druk verkeere; bijzaak insgelijks, hoe de goederen dezer
aarde onder de meiischen verdeeld zijn. O gewisselijk, waar
Zijn Geest doordringt, wordt onrecht en verdrukking, ver-
korting van loon en afpersing, krachtiger te keer gegaan
dan door eenig ander middel. Doch altijd blijft het Evan-
gelie des Koninkrijks hoofdzaak, en maatschappelijke toestand
bijzaak. Bron van alle ellende is de zonde, is de zelfzucht
des harten; te klagen zal er blijven bij elke inrichting van
het burgerlijk leven, zoolang het levensdoel blijft: zoo min
mogelijk te .arbeiden en zoo veel mogelijk te genieten. Ge-
luk wordt gesmaakt, waar tevredenheid is met het beschei-
den deel, en die tevredenheid wordt alleen daar gevonden,
waar men in den Bestuurder van leven en lot een Vader
leerde zien, die in de aardsche oefenschool zijn kind voor
het vaderland opvoedt. Opmerkelijk mag het heeten, en een
bewijs te meer voor de goddelijkheid van het Evangelie van
Jezus: wie aan de volken het evangelie prediken van het genot
der goederen dezer wereld, kweeken haat en afgunst, voeren
tot bloedige botsingen en storten in diepten van ellende;
het Evangelie van het Koninkrijk der hemelen daarentegen,
dat de maatschappelijke verhoudingen onaangetast laat, brengt
zijdelings ook voor deze toestanden eenen zegen!
-ocr page 263-
257
Het staat daar zoo beteekenisvol in zijnen eenvoud:
„predikend het Evangelie des koninkrijks." Wat dat voor
een koninkrijk is, behoeft niet nader gezegd te worden.
Het is het ééne, onvergelijkelijke koninkrijk van den Heer des
Hemels en der aarde. Dat Hij een koninkrijk opricht; dat
Hij schuldige, oproerige zondaren tot Zijne onderdanen
maakt; dat Hij over hen regeeren wil door woord en Geest,
en hen beminnen en verzorgen wil,—dat is een Erangelh;
dat is de blijde boodschap, die met dank en aanbidding
het hart moet vervullen van een iegelijk, die beseft, hoe al
zijne ellende voortkomt uit zijne vervreemding van God.
Dit Koninkrijk is nu gekomen, nu de gezalfde Koning
is verschenen. Wat dat koninkrijk eischt, het is te hooren
in de woorden, het is te aanschouwen in het leven van
Jezus. Wat dat koninkrijk aanbrengt, het wordt zinnebeel-
dig te zien gegeven in al die wondere genezingen, door
Jezus bewerkt. De prediking van dat koninkrijk trekt den
blik af van de vele dingen, waar de gevallen mensch zijn
heil in zoekt. Die prediking doet inkeeren in eigen hart,
om daar schuld en doemwaardigheid te erkennen; zij doet
opzien naar boven, om in den heiligen Rechter een verge-
venden Vader te vinden.
Eerst door de komst des Konings komt het koninkrijk.
Toch, in Israël was dat koninkrijk voorbereid door de
voorloopige leidingen Gods. Maar zij, die Israël moesten
voorgaan, waren blinde leidslieden der blinden geworden.
Aan vormen hechtten zij, doch het wezen der dingen had-
den zij verloren. Met gebod op gebod vermoeiden zij het
volk, doch geen antwoord hadden zij voor de vraag van
een heilzoekend hart. Daarom was de schare aan eene kudde
gelijk, door de huurlingen overgelaten aan hun lot. Zij
waren vermoeid en verstrooid als dwalende schapen. Gode
ROOZEMEIJBR, Ev. MATTH. I.                                                                           17
-ocr page 264-
258
zij dank, nu komt de Herder, inet het ware herdershart,
vol mededoogen en ontferming! Hij zoekt de verdoolden;
Hij brengt ze naar de grazige weiden.
Doch in de dagen van Zijn aardsche leven is de Heer
aan de grenzen van ruimte en tijd gebonden. Hoe begeert
dus Zijne ziele, dat die arbeid verveelvoudigd moge worden
door tal van medearbeiders! De oogst is groot; de arbeiders
zijn weinige. Veel is te doen, en weinig kan slechts ge-
daan worden. Daarom zegt Hij tot Zijne discipelen: „Bidt
den Heer des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijnen oogst
uitstoote!" Want tot zulk een arbeider kan de mensch zicli
niet opwerpen: goddelijke roeping, goddelijke bekrachtiging
is noodig, opdat op het oogstveld des Heeren gearbeid
worde. Van Boven moet komen, wat naar Boven zal voeren.
X. 1 — 4. En Zijne twaalf discipelen tot zich ge-
roepen hebbende, heeft Hij hun wacht gegeven over de
onreine geesten, om die uit te werpen, en om alle
ziekten en alle kwalen te genezen.
J)e namen nu der twaalf apostelen zijn deze: de
eerste Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder;
Jacobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, zijn broe-
der; Fifippus en Barlholomeus; Thomas en Mattheus de
tollenaar; Jacobus, de zoon van Alpheus, en Lebbeus,
toegenaamd Thaddeus; Simon Kananites, en Judas
Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
De geestelijke nood des volks, die den Heer met erbar-
ming vervult, spoort Hem tevens tot eene handeling aan,
die de strekking heeft, aan dien nood te gemoet te komen.
Uit den kring der discipelen, die Hij bij verschillende ge-
legenheden rondom zich heeft verzameld, besluit Hij eenen
-ocr page 265-
259
meer beperkten, vasten kring van leerlingen te vormen, die
voor goed aan hun dagelijksch bedrijf onttrokken worden, om
gedurig met Hem te zijn, maar dan ook af en toe te worden
uitgezonden, opdat de arbeid voor het koninkrijk der hemelen
verveelvoudigd zou worden. De eerste roeping heeft bij al
deze personen reeds plaats gehad; de eigenlijke Apostel-
wijding heeft op den Pinksterdag plaats. Wat hier bericht
wordt, ligt tusschen deze beide in. Voor goed worden zij
hier afgezonderd tot den dienst van het koninkrijk Gods,
maar het latere zelfstandige optreden wordt eerst voorbereid
door een leertijd en vormingstijd, waarin zij overwegend
„discipelen", en nog slechts bij tusschenpoozen „apostelen",
afgezanten, moeten zijn.
Lucas (VI. 12) bericht ons, dat de Heer den ganschen
nacht, die aan de keuze der apostelen voorafging, door-
bracht in het gebed. Dat wijst ons op de groote beteekenis
van de afzondering en aanstelling dezer twaalven. Deze
mannen zullen de dragers der leveuswoorden, de betrouw-
bare getuigen van het leven van den Godmensen moeten
zijn. Door hunne bemiddeling zal Zijn Evangelie moeten
verbreid worden op aarde; alleen door hunne berichten zal
de Christus bekend worden aan de navolgende geslachten,
en tot onder de verste volkeren. Hoeveel hing er dus af
van hunne geschiktheid voor zulk eene taak! Hoe verstaan-
baar is bet, dat de Zoon, die op aarde bet leven leeft van
afhankelijkheid en gehoorzaamheid, den nacht biddende
doorbrengt vóór Hij de keuze doet!
En wat onderscheidt dan nu die mannen, tot zulk eene
taak geroepen? Geenerlei begaafdheid, geenerlei wetenschap
of welsprekendheid. Visschers, tollenaars, mannen uit het
verachte Galilea zijn zij. Het is, alsof de Heer, door de
geringheid der werktuigen, die Hij kiest, de goddelijkheid
-ocr page 266-
260
van dat Evangelie te beter wil doen uitkomen, dat in den
mond dezer zwakke predikers eene Godskracht zal blijken
te zijn, die de wereld overwint. Niets hebben zij, wat hen
aanbeveelt, dan dit ééne, dat alles vergoedt: zij kunnen
verklaren uit de diepte der ziel: „Gij weet, dat ik U liefheb,
Heer!" Die liefde maakt hen vatbaar om den Geest des Heeren
te ontvangen; die liefde doet hen Jezus woorden bewaren;
die, liefde prent Jezus beeld aldus in hunne harten in, dat
zij later dit beeld te aanschouwen kunnen geven in hunne
verkondiging. Niets hebben zij, dan een ontvankelijk hart,
waarin Jezus de volheid Zijner gaven uitstorten kan.
Yan slechts enkele dezer Apostelen zijn ons nadere
bijzonderheden bekend. Simon, toegenaamd Petrus, wordt
hier met nadruk „de eerste" genoemd; niet alsof hij een
ambtelijken voorrang bekleedde, maar omdat hij, naar den
aard van zijn vurig karakter, mogelijk ook door rijperen
leeftijd, — van hem alleen is ons bekend, dat hij gehuwd
was, — als van zelf zijne raedediscipelen voorging, eerst
in het belijden van den Christusnaam zijns Heeren, later
in de eerste prediking van den Pinksterdag. Na hem, Jo-
hannes, de meest geliefde discipel, die het best zijnen Meester
verstond; diens broeder Jacobus, de eerste bloedgetuige uit
dezen kring (Hand. XII. 2.); Andreas, de wegwijzer van
Simon tot Jezus; Bartholomeus, hier en elders met Filippus
gepaard, méér dan waarschijnlijk dezelfde als Nathanael,
maar om ons onbekende reden als „zoon van Tholomeus"
(=: Bartholomeus) vermeld; Thomas, door zijn tijdelijk
ongeloof bekend; Mattheus, de tollenaar-evangelist; Jacobus,
de zoon van Alfeus, Lebbeus en Simon Kananites, van wie
niets anders dan hunne namen door de geschiedenis bewaard
zijn. Zoozeer verdwijnen de discipelen bij den Meester ver-
geleken! Het nageslacht weet van hen nauwelijks iets anders
-ocr page 267-
261
dan de namen! Maar hun stille, verborgen arbeid heeft
intusschen uitgericht, waartoe zij gezonden waren; zij hebben
de gemeente Gods gegrondvest, en in het boek des levens
staan zij vermeld; in den hemel der heerlijkheid aanschou-
wen zij de vrucht van hunnen arbeid !
Eén naam alleen is er, die op deze lijst met zwarte kool
geteekend staat: „Judas, Iskariot, die Hem ook verraden
heeft." Bij de roeping van dezen Judas staan wij voor eene
verborgenheid. Dat Jezus zijn geinoedsbestaan niet van den
aanvang af doorzien zou hebben, — het kan niet aange-
no men worden, omdat Zijn blik de harten kende, en Hij
niet van noode had, dat iemand Hem zeide wat in den
mensch was ( Joh. II. 25). En insgelijks, dat Jezus hem
verkozen zou hebben, opdat hij verrader zijns Meesters zou
worden, het is evenzeer ondenkbaar, wijl dan Jezus door
zijne roeping oorzaak geworden zou zijn dier onvergefelijke
zonde. Moesten we verklaring geven, de waarschijnlijkste zou
ons dunken, dat Jezus, kennende de booze neiging in het
hart van dezen mensch, daartegenover eenen heerlijken aanleg
ontwaarde, en nu hem in den nauwsten omgang opneemt,
opdat aan dezen mensch het krachtigst middel zou geschon-
ken worden, waardoor het kwade van het goede overwon-
nen kon worden. Zou iets dezen geest behouden kunnen,
dan kon dat alleen de hoogste bevoorrechting zijn; helaas!
de versmading der grootste genade is hem geworden tot den
ontzettendsten val! Wie een engel des lichts worden kon,
hij is tot een duivel geworden!
X. 5 — 8. Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en
hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet heengaan
op den weg der heidenen, en gij zult niet ingaan in
eenige stad der Samaritanen; maar gaat veelmeer
-ocr page 268-
262
hten tot de verlorene schapen van het huis Israels.
En, heengaande, predikt, zeggende: Het koninkrijk
der fiemelen is nabij gekomen !
Geneest de kranten, reinigt de melaatseken, wett
de dooden op, werpt de duivelen uit. Gij hebt het om
niet ontvangen, geeft het om niet.
Reeds is in vs. 1 vermeld, niet welke macht Jezus Zijne
al\'gezondenen uitrustte. Gelijk de Meester goeddoende het
laud doorging, zóó zouden ook zij zegenbrengend optreden.
Die wondere werkingen moesten kracht bijzetten aan de
verkondiging, die zij brachten; moesten de stompzinnige
harten openen voor de goddelijke boodschap; moesten tege-
lijk op zinnebeeldige wijze aanduiden, welke de geestelijke
uitwerking des Evangelies zou zijn. Want, in waarheid!
dat Gods woord komt de onreine geesten verdrijven, die
heerschappij voeren over den gevallen mensch; het komt
de doodelijke krankheid der ziel genezen, waaraan Adams
geslacht wegsterft. Laat vrij in den loop des tijds de uit-
wendige wonderwerking verdwijnen, die alleen het eerste
optreden moest vergezellen; de eigenlijke, blijvende, gees-
telijke werking is een niet minder heerlijk wonder der god-
delijke genade. Waar zielen worden bekeerd en wedergebo-
ren, daar is wat beters dan eene genezing voor het korte
tijdelijke leven; daar is redding voor de eeuwigheid, daar
is eeuwige dankstof! —Mijn lezer, onderzoek uzelven : hebt
gij daarvoor reeds persoonlijk te danken ?
De opdracht, die de Heer aan Zijne uitgezondene disci-
pelen geeft, is de prediking van het nabijgekomen zijn van
het Koninkrijk der hemelen. Vroeger (bij IV. 17) hebben
wij gezien, waarom Jezus spreekt van een nabij-gekoinen
zijn. Het is nog immer bezig te komen, al is het versche-
-ocr page 269-
263
nen door de komst van den Koning. Het komt tot een
iegelijk, die er de prediking van verneemt, met de opvor-
dering om nu ook zelf een onderdaan te worden.
üie prediking moeten zij niet anders brengen dan tot de
verlorene schapen van liet huis Israels. Zij moeten niet gaan
op den weg naar de landen der heidenen; en, wordt ook
aangaande de Samaritanen een andere uitdrukking gebezigd,
omdat hun weg hen meermalen door der Samaritanen land
zou voeren, als zij van Galilea naar Judea, of omgekeerd,
hadden te gaan, toch geeft het verbod om in hunne steden
te gaan duidelijk te kennen, dat hunne prediking ook voor
die Samaritanen niet bestemd was. Later, wanneer de god-
delijke lankmoedigheid over Israël als volk zou uitgeput
zijn, dan zou de uve der Heidenen slaan. Des Heeren eigen
onderwijs toont, dat de uitsluiting der Heidenen slechts als
eene tijdelijke bedoeld was; het verbod zelf duidt hier aan,
dat de discipelen in den omgang met Jezus reeds zoover
waren gekomen, dat zij zonder dit verbod begrepen zouden
hebben, de blijde boodschap aan allen te moeten brengen.
Thans was liet daarvoor de tijd nog niet. Israël is het
aloude Godsvolk; Israël heeft de beloften ontvangen. Het
heil is allereerst voor de kinderen des verbonds, het geslacht
van Abraham (Gen. XVII. 7). De rechte weg zou geweest
zijn, dat Israël zijn Messias geloovig en gehoorzaam had
ontvangen, en dat daarna de volkeren waren komen deelen
in Israels zegen, üie rechte weg is door der menschen
zonde versperd; nu komt het Koninkrijk Gods langs een
omweg; nu gaan de Heidenen vóór door de poort der
hemelsche wedergeboorte, om aan het eind der eeuwen
Israël tot jaloerschheid te verwekken.
Dat Israël, de kudde, waarvan Jehova de Herder is,
(Ps. LXXX. 2) is nu eene verzameling verstrooide scha-
-ocr page 270-
264
pen. Zij zijn van hunnen Herder afgeweken, al noemen zij
zich nog naar Zijnen naam, en al geven zij hoog op van
hunne gehoorzaamheid aan Zijne wet. Thans heeft de God-
delijke Herder Zijnen Zoon gezonden als Zijn vertegenwoor-
diger; thans moeten zij om Hem verzameld worden. Ach,
wederom zal het zijn, gelijk God aan Jesaia (XLIX. 5)
voorzegd had: „Israël zal zich niet verzamelen laten"!
Ondank en vijandschap zal het antwoord op den goddelij-
ken liefdearbeid zijn. Maar in die opzoekende trouw, die
eerst aan de kinderen des verbonds het brood des levens
reikt; in die lankmoedigheid, die het uiterste tot Israels
redding beproeft, zal het blijken hoe God de waarmaker is
Zijns woords, op Wiens beloften het menschdoin veilig kan
steunen.
Met prediking en wonder werking moeten Jezus discipelen
optreden; met eene prediking, die het heil verkondigt, maar
tevens tot bekeering opwekt; en met eene wonderwerking,
die de liefderijke en zegenbrengende bedoeling van dit
optreden openbaart. Zij komen op last en in navolging van
hunnen Heer, niet om te vragen, maar om te geven. En
zóó getrouw moeten zij blijven aan het karakter hunner
zending, dat zij voor al hunne gaven geen loon mogen ont-
vangen. „Gij hebt het om niet ontvangen; geeft het om
niet." Ja, waarlijk! om niet hadden zij het ontvangen. Uit
de volheid huns Meesters, uit Zijne eigene vrije beschik-
king waren die wondergaven en was die wondermare hun
toegekomen. Geen eigen werk, geene eigene verdienste
had hier iets aangebracht. Zoo mochten zij zich dan
voor hunne gaven niet laten betalen, alsof die hun eigendom
waren. Onbaatzuchtige uitdeelers der genade Gods moesten
zij zijn, die tot wie hen hoorden konden zeggen: „wij zoe-
ken niet het uwe, maar u \\" (2 Cor. XII. 14).
-ocr page 271-
265
X. 9—15. Verkrijgt u noch goud, noch zilver,
noch koper geld in uwe gordels; noch male tot den weg,
noch twee rokken, noch schoenen, noch staf, want de
arbeider is zijn voedsel waardig.
En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onder-
zoekt, wie daarin waardig is; en blijft aldaar, totdat
gij daar uitgaat. En indien dat huis waardig is, zoo
home uw vrede daarover, maar indien het niet waardig
is, zoo koere uw vrede weder tot u.
En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe
woorden hoor en, uitgaande uit dat huis of uit die stad,
schudt het stof uwer voeten af! Voorwaar zeg Ik u:
het zal den lande van Sodom en Gomorra verdragelijker
zijn in den dag des oordeels, dan die stad.
Na de algemeene opdracht, die het doel hunner zending
aangeeft, ontvangen de discipelen thans nadere voorschriften,
hoe zij zich op hunne reis door de steden en vlekken van
Palestina hebben te gedragen. Vooreerst, zij moeten zich
niet voorzien van geld in hunne gordels, die gewoonlijk
als bewaarplaatsen van geld door reizenden werden gebruikt.
Wat zij noodig hadden, zouden zij op reis wel ontvangen.
Om die zelfde reden moeten zij dan ook geen male (of
koffer), en geene verscheidenheid van kleederen medenemen.
Dit woord geeft dus nadere verklaring, hoe het voorschrift:
„geeft het oin niet!" moet worden verstaan. Winst mogen
zij niet beoogen; de geestelijke gaven mogen zij niet uit-
deelen om er aardsche schatten voor terug te ontvangen.
Maar wat zij tot hun levensonderhoud, ter volbrenging van
den opgelegden last behoeven, dat zal, in den weg der
Goddelijke Voorzienigheid, hun geschonken worden door de
dankbare liefde van hen, die zij met geestelijke zegeningen
-ocr page 272-
266
hebben verrijkt. De algemeene regel is: de, arbeider is zijn
loon waardig. Dat geldt in het stoffelijke; dat geldt ook
in het geestelijke. Wie het Evangelie bedienen, moeten van
het Evangelie leven. Zoo lang zij op aarde zijn, hebben zij
aardsche behoeften, die om vervulling vragen. Dit noodige
nu, hetzij liet, naar den aard der tijdsomstandigheden, meer
of minder zij, dat moeten zij ontvangen om hun arbeid te
kunnen verrichten.
Ten andere moeten Jezus discipelen, bij hun komen in
eenige stad of eenig dorp, tijdelijke huisvesting zoeken bij
een, die de eere waardig is, hen te ontvangen. Op den in-
gang, dien hun woord zal vinden, moet het van zelf van
grooten invloed zijn, bij wien zij herbergen. Is dat een
geacht, een eerwaardig man, dan werkt dat gunstig op de
bewoners dier plaats; ja, voor hen zelven is van beteekenis,
een vriendelijk te huis te hebben in de plaats, waar zij
tijdelijk arbeiden, opdat zij daar nieuwe kracht mogen op-
zamelen tot den moeitevollen arbeid.
Hebben zij zulk eene woning gevonden, dan moeten zij
daar blijven, totdat zij die stad of dat dorp weer verlaten.
Het zou kunnen zijn, dat later hunne prediking hun toegang
verschafte tot aanzienlijker woning, waar overvloediger onthaal
hun bereid was; toch mogen zij dan niet verwisselen, opdat
het vooral duidelijk blijke, dat geen hebzucht hen drijft.
Zulk een huis hebben zij te zegenen met hunnen vrede-
groet. Het „vrede zij u!" was in Israël de gewone begroe-
ting, zeker tallooze malen gedachteloos uitgesproken, gelijk
dat met zulke vaste formulen gaat, ook onder ons: wie
toch denkt er immer over na, wat het zegt, iemand eenen
„goeden dag" toe te wenschen, of wel, zich zijn „dienaar"
te noemen? Maar als in zulk een huis, waar de discipelen
intrek namen, ontvankelijkheid bestond, dan zou hun vrede-
-ocr page 273-
267
groet waarlijk vrede brengen. Vrede, — dat is, naar Israelie-
tiscli spraakgebruik, het inbegrip van allen zegen. Gods
vrede zou dalen op het gezin, waaraan die vrede door Jezus
discipelen toegewenscht werd, indien dat gezin inderdaad
alzóó was als die discipelen meenden. Doch ook zelfs de \'
gedachte, dat zij zich vergissen konden, behoefde hen niet
terug te houden ; in dat geval zou hun vrede tot hen weder
keeren. Hun geestessteintning zou daardoor niet armer, neer-
gedrukter worden; God zou in dit geval hun vergoeding
schenken door vermeerdering van hun eigen vrede.
Met goddelijke boodschap treden zij op. Daarom, wie hen
verwerpen zal, die zal zware schuld op zich laden. De land-
streek, waar hun woord versmaad wordt, zal in den dag
des gerichts zwaarder verantwoording hebben dan Sodom
en Gomorra. Hoe kan dat zijn, waar toch om zoo gruwelijke
zonde Gods oordeel over Sodom is gekomen? Het is, omdat *
de mate van schuld niet allermeest door de afschuwelijkheid
van het kwaad wordt bepaald, maar door de mate van het
licht Gods, dat den zondaar bestraald heeft. Waar Jezus
Evangelie komt, daar komt de hoogste Godsopenbaring:
daarom maakt verwerping van dat woord den mensen aller-
meest schuldig voor God, Wien veel gegeven is, van dien
zal veel geëischt worden.
X. 16—18. Ziet, Ik zende u als schapen in het
midden der wolven; zijt dan voorzichtig gelijk de slan-
gen, en oprecht gelijk de duiven.
Maar macht u voor de mensehen; want zij zullen
u overleveren in de raadsvergaderingen en in hunne
synagogen zullen zij u geeselen. En gij zult ook voor
Stadhouders en Koningen geleid worden om Mijnentwil,
hun en den Heidenen tot getuigenis.
-ocr page 274-
268
Heeft Jezus eerst aan Zijne discipelen aangekondigd, dat
zij geen gewin door hun arbeid hebben te wachten, dat zij
miskenning en verwerping zullen ontmoeten, — thans gaat
Hij nog eene schrede verder, en kondigt hun vervolgingen
aan. Wel zouden die vervolgingen niet aanstonds, niet nu
op hnnne tochten door Palestina tijdens het aardsche leven
huns Meesters, hun deel zijn, maar terstond bij de eerste
uitzending wijst Jezus aan, waar het op uitloopen zal, op-
dat zij vooraf zouden weten, wat zij gaan ondernemen; opdat
zij de kosten zouden berekenen, eer zij den toreu gaan
bouwen. De Heer wil niet door overrompeling de menschen
brengen tot Zijnen dienst; zij moeten niet later door de
ervaring teleurgesteld worden.
Daarom stelt Hij hun aanstonds het gevaar voor oogen,
dat hun wacht. Doch terstond, reeds in den eersten aanhef,
spreekt Hij een woord, dat hen bemoedigen kan: „Ziet Ik
zende u!" Dat woord „Ik" staat in den grondtekst met
bepaalden nadruk. Het is, alsof de Heer daarmede zegt:
Gedenkt er aau, dat Ik het ben, die u uitzend. Indien gij
)iu gelooft aan Mijne liefde, aan Mijne macht, aan Mijne
wijsheid, zoo zult gij verzekerd zijn, dat de weg, dien gij
betreden moet, de beste is, en dat gij in al uwen nood
bescherming en uitredding zult ervaren. Gij hebt te gaan,
omdat Ik u zend; zoo kunt gij u dan in alles op Mij,
uwen Zender, verlaten.
Eerst nadat Hij alzoo op Zichzelven heeft gewezen, wijst
Hij nu op het gevaar, dat zij tegemoet gaan. „Ik zend u
als schapen te midden der wolven.\'\'\' Weerloos treden zij op,
met eene boodschap des vredes, — maar die boodschap
wekt bittere vijandschap op. De afgedwaalde mensch wil
zich niet tot God laten terugroepen: hij waant geroepen te
worden tot slavernij, tot verlies van al wat het leven be-
-ocr page 275-
269
geerlijk maakt. En waar hij nu zijne vijandschap niet aan
God kan doen gevoelen, koelt hij zijne woede aan hen,
die hem van God komen spreken. Gevaar dreigt de boden
van Christus, waar zij aan eene afgevallen wereld het woord
komen brengen, dat den hoogmoed kwetst, de aardschge-
zindheid bestraft.
In het midden dier wereld hebben zij te verkeeren,
,,voorzichtig als de slangen, oprecht gelijk de duiven."
Het eerste gedeelte dier vermaning is menigmalen mis-
verstaan. Men heeft er een vrijbrief in gezocht om listig,
met zoogenoemde slimme berekeningen, de zaak vfvn het
Godsrijk te dienen. Alsof het Rijk van licht en waar-
heid zulke middelen gebruiken kon! alsof het door
zulke dingen niet veel meer geschaad clan gebaat werd!
Het is er wel verre af, dat de Heer dat aanbevelen zou.
We hebben te blijven bij hetgeen de Heer in de slangen
ten voorbeeld stelt, niet andere eigenschappen der slangen
daarbij te halen. Indien iemand zegt: wees arbeidzaam als
de inier; wees vlijtig als de bij! dan is dat geen gebod
om, als de mier, alles te vernielen, of als de bij, te wonden
wie u Tiabij komt. Alzoo ook hier. Alleen de voorzichtigheid
der slangen wordt aangeprezen. Zoo de slang zich uit hare
veilige wijkplaats begeeft, neemt zij waar of er gevaar dreigt,
en wacht dan gunstiger oogenblik af om te voorschijn te
komen. Zóó nu moeten Jezus discipelen zich niet roekeloos
in gevaar begeven. Op den weg van plicht en roeping zijn
er reeds zoo vele gevaren, dat zij die niet behoeven te
vermeerderen door een nalaten van noodige voorzichtigheid.
Natuurlijk kan niet voor de afzonderlijke gevallen opge-
geven worden, waar de grens is, die wijze voorzichtigheid
van onmannelijke vreeze scheidt; voor die bijzondere ge-
vallen moet de Geest des Heeren aan de Zijnen de ware
-ocr page 276-
270
wijsheid leeren. Genoeg is het, dat zij vernemen, hoe er niet
van hen geëischt wordt dat zij het gevaar zullen opzoeken,
maar dat zij het te vermijden hebben waar zij kunnen.
Daarnaast nu wordt de andere vermaning gesteld: weest
oprecht gelijk de duiven. Het woord van tien grondtekst
beteekent eigenlijk: zuiver, ongeschonden. Gelijk de duif
alle onreinheid mijdt, gaat zoo ook gij door de onreine
wereld heen, zonder er door bevlekt te worden. Bewaart
uw karakter als kinderen des lichts; neemt van de wereld,
in welker midden Ik u zende, de eigenschappen niet over!
Zoo dan: weest voorzichtig, — maar koopt uwe veiligheid
niet door der wereld gelijkvormig te worden!
Na die gedragslijn anngewezen te hebben, komt Jezus nu
nog eens terug op wat hun van de menschen te wachten
staat. Zij zullen het niet laten blijven bij plotseling opwel-
lende vijandschap; zij zullen Jezus discipelen overleveren,
als waren zij misdadigers. Merkwaardig! zij, die aan de
ordeningen Gods zich onderwerpen, en die handhaven op
ieder gebied, zij juist worden, als de rustverstoorders, als
de omverwerpers der orde, aangeklaagd. In de Synagogen
zullen zij worden gegeeseld door de geestelijke overheid,
en als verbrekers van de maatschappelijke orde zullen zij
voor stadhouders en koningen gesteld worden. Doch dit
alles zal geschieden „hun tot eene getuigenis". Juist door
wat zij lijden zullen voor de zaak van Jezus, zullen zij een
krachtig getuigenis afleggen voor Zijne heerlijkheid. Im-
mers, daaraan zal te zien zijn, hoe groot de liefde moet
wezen, ter wille waarvan zulke offers gebracht worden.
„Martelaar" en „getuige" — het is in de oorspronke-
lijke taal des N. Vcrbonds één zelfde woord. Het lijden
der gemeente van Christus, — dat is het wat haar uitge-
breid, wat zielen voor Jezus gewonnen heeft.
-ocr page 277-
271
X. 19 — 22. Doch wanneer zij u overleveren, zoo
zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult;
ivant het zal u in die ure gegeven worden, wat gij
spreken zult. Want gij zijt het niet, die spreekt, waar
het is de Geest uws Vaders, die in u spreekt.
En de eene broeder zal den anderen broeder over-
leveren tot den dood, en de vader hel kind, en de
kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen hen
dooden. En gij zult van allen gehaat worden om. Mij-
nen naam; maar die volstandig zal blijven tot het
einde, die zal zalig worden.
Bij de verantwoording, die Jezus discipelen moeten af-
leggen, zullen zij niet aan zichzelven overgelaten zijn.
Daarom hebben zij zich niet te ontrusten over den vorm
(„hoe?") of den inhoud („wat?") van hetgeen zij spreken zul-
len. Inhoud en vorm beide wordt hun geschonken, op liet
oogenblik, dat zij het behoeven. — Slechts als een voor-
beeld, waartoe men komt, als de woorden des Heereu uit
hun verband worden gerukt, wijzen wij er op, dat men in
deze woorden eene aanbeveling heeft willen zien van een
onvoorbereid optreden voor de gemeente des Hoeren, eene
handelwijze, die van geringschatting van het heilige blijk
geeft onder schijn van bijzonder geestelijke gezindheid.
Voorwaar! niet tot dekmantel der traagheid dient dit woord
des Heeren, gesproken om te bemoedigen wie voor vijandige
rechters worden geroepen. Dan, als geene voorbereiding
mogelijk is op de beschuldigingen, die ingebracht, op de
strikvragen, die gedaan zullen worden, dan ontruste Jezus
discipel zich niet: hij zal ervaren onder hoogere leiding
te staan. De Geest Gods zelf zal in en door hem spreken;
de Geest, die overtuigt wie uit de waarheid zijn, en Wiens
-ocr page 278-
272
woord eene reuke des doods wordt, voor wie de waarheid
moedwillig wederstaan.
Even als de Heer met Zijn: „Ik zende u!\'\' vooraf den
schrik had weggenomen van de gevaren, die Zijne gezanten
tegemoet gingen, zóó stelt Hij ook hier deze bemoediging,
eer Hij nu verder gaat wijzen op de algemeene vijand-
schap, die hen wachtte. De natuurlijke banden des bloeds
zullen verbroken worden door de vijandschap, die de naam
van Jezus opwekt. Broeders zullen tegen broeders, ouders
tegen kinderen en kinderen tegen ouders opstaan. Dat valt
pijnlijker nog dan alle vervolging door geestelijke of we-
reldlijke rechtbanken. Van waar die vijandschap, opgewekt
door den liefelijken Heilandsnaam? Het is, omdat de ver-
kondiging zelve van een Verlosser heenwijst op den ver-
loren toestand des menschen; het is, daarenboven, omdat
het Koninkrijk, dat Hij komt stichten, overgave van het
hart en toewijding van het leven eischt. Zulke verkondi-
ging stoort den eigengemaakten vrede, en roept tot eene
keuze, waarbij gebroken moet worden met alles, wat tot
hiertoe dierbaar was aan het hart. Dat is de eigenlijke reden,
dat is de diepste grond dier vijandschap, die het Evangelie,
reeds in zijn eerste optreden, opwekte. Maar het spreekt
wel van zelf, dat dit niet aldus uitgesproken werd. Onder Israël
had men voor zijne vijandschap een voorwendsel in zijne ge-
hechtheid aan de voorvaderlijke wet, aan den aiouden eere-
dienst; onder de Heidenen in den eerbied voor de goden, of in
de zorg voor de rust van den staat. Daar is in het men-
schelijk hart nog immer overgebleven een zich schamen
voor de zondelust, vandaar een zoeken van voorwendsels;
maar op den bodem van dat hart ligt intusschen de onwil
om zieh te voegen naar de roepstem des Heeren.
Zoo bang, zoo pijnlijk zal die vervolging Zijnen disci-
-ocr page 279-
273
pelen vallen, dat de Heer noodig keurt op de aankondiging
eene aansporing tot standvastigheid te doen volgen. „Wie
volstandig zal blijven tot het einde, die zal zalig worden."
Op volharden komt het aan, op staande blijven tot het
einde, — want, Gode zij dank! er komt een einde aan de
macht en het geweld dezer wereld. Wat zij kan, dat kan
zij slechts voor een tijd. Alleen het Koninkrijk Gods is
eeuwig. Zoo dus de onderdanen dezes Eijks slechts vol-
houden, en zich niet laten afrukken van hunne vastigheid,
dan aanschouwen zij, dat alle instrument, dat tegen hen
bereid wordt, niet zal gelukken. Het uiterste wat de
vijandschap der wereld vermag is, het lichamelijk leven te
dooden. Maar ook daar doorheen, wordt, wie volhardt,
zalig, dat is: gered; gered uit het verderf, gered van het
lijden; overgevoerd in eene zaligheid, hier slechts van verre
vermoed, en heerlijk vergoedende in eeuwige winst, wat hier
verloren en opgeofferd was. Vertwijfele niet, wie Jezus toe-
behoort : Zijns is het Rijk, en Hij regeert in eeuwigheid!
X. 23. Wanneer zij u dan in deze stad ver-
volgen, vlucht in de andere; want, voorwaar zeg Ik
u: gij zult uwe reis door de steden Israels niet
geëindigd hebben, of de Zoon des menschen zal ge-
komen zijn.
Gestadig door vervolging bedreigd en geplaagd, hebben
Jezus afgezanten hun arbeid niet op te geven, maar dien,
waar zij uit de eene plaats verdreven worden, in de andere
voort te zetten. Het martelaarschap hebben zij nooit en
nergens op te zoeken; de uitbreiding van het Rijk des
Heeren moet hun voornaamste zorg zijn. Wordt hun het
leven ontnomen, dan hebben zij hun taak volbracht, en
Roozemkijkr, Ev. Matth. I.                                                                18
-ocr page 280-
274
hun Heer zal voor andere boden zorgen; doch zoo lang
zij kunnen hebben zij te arbeiden aan de opgelegde taak.
Die vermaning tot volharden wordt aangedrongen door
wat er volgt in de tweede helft van dit vers. Klaarblijkc-
lijk dient dit, om tot spoed aan te manen. Maar wat wordt
met dit „komen van den Zoon des menschen" bedoeld?
Men heeft er op gewezen, dat de Heer Zijne discipelen
slechts voor zich uitzond, om daarna zelf op den toebereiden
akker het zaad te strooien. Dit achterna reizen des Heeren
zou echter wel niet zoo plechtig aangekondigd zijn, als hier
met het: „Voorwaar, Ik zeg u!" geschiedt. Daarbij, de
aankondiging van de vervolgingen, die hen wachtten, had
gewis op deze evangelieverkondiging tijdens het leven huns
Meesters, op deze proefreis, gelijk men die zou kunnen
noemen, geene betrekking; derhalve kan ook niet wat hier
volgt, met die eerste reis in verband worden gebracht.
Te denken aan het komen van den Zoon des menschen
tot het oordeel ten jongsten dage zou meer in overeen-
stemming met het Bijbelsch spraakgebruik zijn. Toch kan
ook dit niet bedoeld zijn, omdat er van de „steden Israels"
wordt gesproken, derhalve van den tijd, waarin Israël nog
zijn eigen land bewoont.
Zoo hebben wij dan hier te denken aan dat andere
„komen" des Heeren, dat van de komst ten laatsten oordeel
de voorafbeelding is, namelijk Zijn komen in het gericht
v over Israël, bij de verwoestjng van Jeruzalem. Later, in
Mt. XXIV en XXV, zullen wij overvloedig gelegenheid
vinden om op te merken, hoe dat gericht over Israël beeld
is van het jongste gericht, zoodat de beschrijving der beide
oordeelen vaak inéén vloeit. Hier in Matth. X heeft de
Heer kennelijk dit komen bedoeld. Dat moet de discipelen
aansporen in hun ijver, trots alle vervolging: de tijd is
-ocr page 281-
275
slechts kort; het oordeel over Israël genaakt; de spanne
tijds der genadebezoeking moet dus ijverig worden gebruikt!
X. 24. 25. De discipel is niet boven den Meester,
noch de dienstknecht boven zijnen heer. Het zij den
discipel genoeg, dat hij worde gelijk zijn Meester^
en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den
heer des huizes Beëlzebul hebben geheeten, hoeveel te
meer zijne huisgenooten !
Nog van eene andere zijde dringt de Heer bij Zijne
jongeren aan op een moedig en geduldig dragen der ver-
volgingen, die hen wachten. Hun Heer en Meester zelf is
met vijandschap ontvangen. Dat begon zich nu reeds te
toonen; dat zou in de toekomst nog vreeselijker openbaar
worden. Welnu! kunnen zij dan meenen, een ander lot te
zullen hebben ? „Zal de knecht op rozen treden, waar zijn
Heer de doornen droeg ? over lichter lijden klagen, waar
uien Hein met vuisten sloeg?" Boven den Meester gaat
de discipel niet uit; zijne hoogste eer moet zijn, Hem
gelijk te wezen. Hoor lijden tot heerlijkheid gaat de Meester;
daar is voor den discipel geen andere weg!
Hoe de Meester ontvangen wordt, het blijkt daarin, dat
Hij Beëlzebul wordt genoemd. Die naam is eene verbaste-
ring van den naam Baiil Zebub, die in 2 Kon. I. 2 als
naam van een Filistijnschen afgod voorkomt, en „God of heer
der vliegen" beteekent, aanduidende, dat aan hem de heer-
schappij over deze landplaag toegekend werd. De naam van
den heidenschen God was voor Israël tot een naam van Satan
geworden, maar tegelijk, om de verachting nog duidelijker
uit te drukken, in : Beël-zebul, d.i. „slijk-god" veranderd.
Wordt dus Jezus Beëlzebul genoemd, het wil zeggen,
-ocr page 282-
276
dat men Hem Satan noemt. Bitterder kon de haat zich
wel niet uiten. Als dit dan Hem wedervoer, hebben dan
niet de zijnen hetzelfde te verbeiden? Ja, de Heer drukt
zich nog sterker uit door te zeggen: „hoe veel te méér
zijne dienstknechten!" Immers, tegenover Hem, den vlek-
keloos Heilige, is deze haat eene boosaardigheid zonder
eenigen schijn van recht. In Hem is niets, dat Hem
verweten kan worden; geen gebrek, hoe gering ook,
waarvan de vergrooting voorwendsel tot veroordeeling zou
kunnen geven. Maar Zijne discipelen zijn zondige mensclien.
Naast al het goede, dat zij mogen bezitten, staan op-
wellingen des kwaads, karaktergebreken en zondige heb-
belijkheden. De wereld zal die slechts breed hebben
uit te meten, daarop nadruk te leggen, met voorbij
zien van het nieuwe levensbeginsel, om hen van allerlei
kwaad te kunnen beschuldigen. Maar in de ervaring van
dat alles mag het hun tot heerlijken troost zijn, dat dit alles
hun geschiedt, omdat zij Jezus toebehooren. Zij zouden
niet, als Hij, verworpen worden, indien er niet iets van
Hem in hen was. Hadden zij alleen die zonden en gebre-
ken, zonder die levensgemeenschap met Jezus, de wereld
zou er vergoelijkend over heen zien j de Overste dezer
wereld zou hun geene moeite aandoen, omdat hij hen
dan als zijne onderdanen zou erkennen. Dat zij lijden,
dat zij gesmaad en vervolgd worden, het mag hun eene
verzegeling zijn, dat zij het eigendom zijn van Jezus!
X. 26—28. Vreest dan hen niet, want er is niets
bedekt, hetwelk niet zal ontdekt worden, en verborgen,
hetwelk niet zal geiueten worden.
Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zegt het in het licht;
en hetgeen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.
-ocr page 283-
277
En vreest niet voor degenen, die het lichaam dooden,
en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veelmeer
Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in
de hel.
Nog eene andere bemoediging voegt de Heer aau het
reeds gezegde toe. Al wat in donker, in de stilte geschiedt,
wordt eenmaal openbaar. Hun eigen, vaak voor der men-
sehen oog verborgen lijden, en de listen en lagen hunner
vijanden, — het komt alles aan het licht in den grooten
dag des gerichts. Dan wordt terecht gebracht wat in dit
aardsche leven verward, en van de rechte plaats geschoven
was; dan komt er een klaarlijk waarneembaar verband tus-
schen godsvrucht en zaligheid, tusschen goddeloosheid en
ellende. Laat het dan nu vaak hun tot gelooi\'sbeproeving
zijn, dat zij zoo moeilijke wegen betreden moeten, terwijl
het den schijn heeft, alsof er geen God is, die zich inlaat
met de daden der menschen, — de groote dag komt, welks
licht alle nevelen verdrijft!
De gedachte aan die toekomst moet vrijmoedigheid geven
tot een open en vrij verkondigen van het woord des Ko-
ninkrijks. Dat woord wordt bespot en tegengestaan, — maar
eenmaal zal het blijken het Godswoord te zijn, waarnaar
de wereld gericht wordt. Verkondigt het dan zonder schroom,
roept Jezus zijnen jongeren toe. „Wat Ik u zeg in de duis-
ternis, zegt dat in het licht; hetgeen gij hoort in het oor,
predikt dat op de daken." Dat wil geenszins zeggen, dat
Jezus hun eene geheimleer mededeelde, onderscheiden van
Zijn onderwijs aan de schare. Zelf heeft Hij bij Zijne ge-
van genneming verklaard aan den Hoogepriester: „Ik heb
vrijuit gesproken tot de wereld; Ik heb allen tijd geleerd
in de Synagogen en in den Tempel, waar de Joden van alle
-ocr page 284-
278
plaatsen samenkomen, en in het verborgen heb Ik niets ge-
sproken" (Joh. XVIII. 20). Daar was tusschen Zijn openlijk
spreken, en Zijn spreken in den discipelkring, geen verschil.
Alleenlijk lag het in den aard der zaak, dat in dien be-
pcrktcn kring het onderwijs uitvoeriger zijn moest. Van zelf lag
het zwaartepunt van Jezus leerende werkzaamheid in die vor-
ming Zijner discipelen. Welnu! Zóó weinig is dit eene ge-
heimleer geweest, dat zij dit in de afzondering gehoorde
niet aan een afgesloten kring moeten toevertrouwen, maar
als van de daken prediken. Die uitdrukking wijst op de
i meest mogelijke openbaarheid. De platte daken van het
Oosten leenden er zich toe, om van daar het volk toe te
. spreken, maar wie dat deed moest het doen met luider
stem, voor allen dus verstaanbaar. Vrijuit hebben zij de
boodschap huns Meesters te brengen, onbekommerd om den
tegenstand, dien ze opwekt; ze mogen onbeschroomd arbeiden,
omdat zij den grooten dag des gerichts te gemoet gaan,
die alles in de rechte verhouding zal brengen.
Gewis! Zij zullen vijandschap ondervinden ; maar die vij-
andschap kan hun geene werkelijke schade brengen. Hunne
■ tegenstanders kunnen niet verder gaan, dan het lichaam
dooden! Het ergste wat de mensch zich denken kan, het leven
verliezen, komt door deze uitdrukking des Heeren in zoo
gansch ander licht te staan. Het is maar een dooden van
het lichaam! \'t Is maar het afdoen van een omhulsel; \'t is
het wegnemen van wat wegvallen moet, om het innerlijke
tot volle ontwikkeling te brengen. Erger kunnen zij niets
l doen, — dan eene daad, die u vrijmaakt en verlost! Zij
hebben geene macht over de ziel; uw eigenlijk wezen moe-
ten zij onaangeroerd laten.
Vreest hen niet, — „maar vreest veelmeer Hem, die
beide, ziel en lichaam kan verderven in de hel." Er zijn er,
-ocr page 285-
279
die dit opvatten als van Satan gezegd. Ware dat het ge-
val, dan zou dit de éénige plaats in de Schrift zijn, waar
geleerd werd den Satan te vreezen. Doch daarenboven, het
zou geene tegenstelling van het voorafgaande zijn, omdat
de vijandschap die tegen Jezus discipelen bestaat, toch uit-
werking is van den invloed des Boozen op de kinderen
der wereld. De tegenstelling wijst er op, dat hier God wordt
bedoeld. Vreest niet de ongunst der wereld, — maar vreest,
God te mishagen. De wereld kan slechts het lichaam doo-
den; God kan het eeuwig verderf over u brengen. O ze-
ker! die vreeze is niet de hoogste drangreden tot het
dienen van God. Sterker drang is in de liefde des Vaders
gelegen, die de ziel tot zich aantrok en beweldadigde met
hemelsche gaven. Het is dan ook alleen in tegenstelling
met de vroeger genoemde vreeze, dat Jezus hier op wijst.
\'t Is of Hij zeggen wil: als de vrees uw handelen zal be-
sturen, laat het dan niet die dwaze vreeze zijn, voor wie in
den grond u niet kunnen schaden; laat het dan de vrees
zijn Hem te mishagen, Wiens almacht over u een eeuwig
verderf brengen kan!
X. 29—31. Worden niet twee muschjes om een
penningsken verkocht? En niet één van deze zal op
de aarde vallen zonder uwen Vader; en ook uwe
haren des hoof ds zijn alle geteld. Vreest dan niet;
gij gaat vele muschjes te boven.
Tot God hebben zij op te zien met eerbiedig ontzag, —
maar tegelijk, op God mogen zij zich verlaten met kinder-
lijk vertrouwen. Dat geeft de Hoer in de nu volgende
woorden te kennen. Hij wijst op de zorg Gods voor de
vogelen des hemels, om Zijnen discipelen toe te roepen:
die God zal zorgen ook voor u!
-ocr page 286-
280
Het is bepaaldelijk op de geringheid, op de onbeduideud-
heid van deze voorwerpen van Gods zorg, dat Jezus de
aandacht vestigt, als Hij zegt: „Worden niet twee muschjes
verkocht om een penningsken?" Ze zijn bij de inenschen
zoo weinig in tel, dat inen er twee verkrijgt voor het nie-
tigste muntstuk. Toch valt niet een enkel van die muschjes
dood op de aarde, zonder den wil Gods; Hij bewaart, Hij
voedt ze. Ja, om nog sterker uit te drukken, hoe God zelfs
met het allerkleinste zich inlaat: de haren uws hoofds zijn
alle geteld.
Alles, zonder eenige uitzondering, ook het allernietigste,
staat onder het bestuur der voorzienigheid Gods. Zóó moest
het zijn, of er zou in het geheel geene voorzienigheid
wezen, daar toch groot en klein ten nauwste aaneen is ge-
schakeld. Daar is niets zoo zwaar om te gelooven als dit,
in eene wereld, waarin wij van raadselen en duisternissen
omringd zijn; waarin onze eigene wijsheid telkens de dingen
anders zou willen zien geschieden; wuiïn het lijdend hart
, gedurig vraagt: waartoe kan dat goed zijn ? Daarom is deze
stellige verzekering des Heeren voor ons van zoo onschat-
bare waarde. Wij zien niet altijd, in verrassende en heer-
lijke uitkomst, in uitreddingen en zegeningen, dat God
regeert, — maar wij gelooven het, omdat Hij het ons zegt,
die niet liegen kan. Gelijk wij onze vastheid voor de eeuwig-
heid op Jezus hebben te bouwen, alzoo ook onze rust en
kalmte voor den tijd van dit aardsche leven. Wat God
doet verstaan wij vaak niet, — maar dat Hij regeert, en
dat alle dingen geschieden naar Zijnen raad, — dat is ons
tot onuitsprekelijken troost. Want die almachtige Albestuur-
der heeft zich in Christus als onze Vader geopenbaard. Ook
hier spreekt Jezus van Hem als van onzen Vader. Uw
Vader zorgt voor de muschjes, — vreest dan niet; gij gaat
-ocr page 287-
381
vele musehjes te boven! Hij, die ook over het kleinste
waakt, Hij zal zorgen voor u. die Hij tot Zijne kinderen
maakte!
Wij hebben het verband niet voorbij te zien, waarin deze
heenwijzing op de zorg van Gods voorzienigheid voorkomt.
Het is aan de discipelen, die Hij uitzendt, aan wie Hij opdraagt
het Evangelie des Kouinkrijks te verbreiden, dat Jezus deze
verzekering geeft. Hij ontheft van zorg en bekommering
voor de aarde, opdat er kracht en moed zijn zou tot den
geestelijken arbeid. De heilige onbezorgdheid in aardsche
dingen heeft daar slechts recht van bestaan, en kan daar
slechts waarlijk worden gevonden, waar de ziel vervuld is
met de eeuwige dingen, waar haar streven en arbeid ge-
richt is op de verheerlijking Gods. Ook wat daar volgt,
herinnert ons aan dit verband.
X. 32. 33.\' Een iegelijk dan, die Mij belijden
zal voor de menschen, dien zal ook Ik belijden voor
Mijnen Vader, die in de hemelen is.
Maar zoo wie Mij verloochend zal hebben voor
de menschen, dien zal ook Ik verloot-henen voor Mijnen
Vader, die in de hemelen is.
In de voorafgaande opdracht aan Zijne afgezondenen
spreekt de Heer over het prediken van het Koninkrijk Gods;
hoe spreekt Hij dan nu hier over het belijden van Hem?
Het prediken van Gods Koninkrijk is in het wezen der
zaak niets anders, dan Jezus belijden. Want, dat er van
een Koninkrijk sprake kan zijn, het is, omdat verkondigd
kan worden: de Koning is verschenen ! Dat God met de
menschen in zoo nauwe gemeenschap wil treden om zondaren
op te nemen als onderdauen Zijns Rijks, het is, omdat Hij
-ocr page 288-
\'282
Zijnen Zoon gezonden heeft om hun Redder, hun Hoofd
en Heer te zijn. Te erkennen, dat Jezus die van God Ge-
zondene is; van Hem te spreken, en tot Zijne gemeenschap
te roepen, dat is het Koninkrijk Gods uitbreiden. Jezus te
erkennen als Gods Gezondene, — dat is Hem belijden. Wie
Hem belijdt, spreekt uit dat hij in Hem den Christus ziet,
en tevens, dat hij zelf Hem toebehoort. In ondeelbare een-
heid is hier het inzicht des gemoeds en de overgave van
den wil vereenigd. Wie dat doet, stelt zich aan de zijde
van Jezus, en stelt zich dus tegenover die allen, die
Hem miskennen en verworpen. Want het belijden moet
„voor de inensclien" geschieden. Het is, zoo het waarlijk
belijden zal zijn, de uiting van die erkenning van Jezus
heerlijkheid met het hart; maar die uiting is van die erken-
ning het noodzakelijk uitvloeisel. Het kan niet zijn, dat
wie waarlijk gelooft, ook niet tevens belijden zou Ook hier
geldt: uit den overvloed des harten spreekt de mond. En
daarbij, al denken wij bij „belijden" het eerst en het naast
aan het getuigende woord, deze vorm van belijden is toch de
éénige niet. De gansche levensrichting eens menschen, zijn
doen en laten in do gewone omstandigheden en verrichtin-
gen van het leven, maakt openbaar, of hij in Jezus den
Christus Gods hoeft erkend. Want wie dat doet, die buigt
voor Zijn gezag, en die steunt op Zijn woord; die laat zich
besturen door wat Jezus als doel des levens hem voorhoudt.
Ook zonder dat de lippen spreken, getuigt het gedrag van
de keuze, die er leeft in het diepst des gemoeds.
Dat belijden in woord en werk, waardoor alléén het
Koninkrijk Gods uitgebreid kan worden, dat komt te staan
op die vijandschap en die vervolging, waarvan de Heer in
het voorafgaande gesproken heeft. Maar tot bemoediging
en vertroosting verzekert Hij nu: wie Mij voor de men-
-ocr page 289-
283
schen belijdt, dien zal Ik belijden voor Mijnen Vader, die in
de hemelen is. Dit belijden door den Heer verklaart zich
door het menschelijk belijden. Wie op aarde Jezus belijdt
zegt: Dezen Jezus erken ik voor mijn Heer, en Hem be-
hoor ik toe. Alzoo nu zal de Zoon zeggen: Deze arme
zondaar is de Mijne, Ik erken hem als lid van Mijn
lichaam!
Welk eene toezegging dan, is in deze belofte gegeven ! In
den grooten dag des gerichts, als de boeken worden geopend;
als alle menschelijk werk bevlekt en doemwaardig zal worden
bevonden; als ieder steunsel wegzinkt, elke zelfbegooche-
ling wijkt; als het geweten aanklaagt en veroordeelt, — te
hooren van de lippen des eeuwig Gezegenden: Deze is de
Mijne! Door Jezus te worden beleden, dat is verlost, gered,
voor eeuwig behouden te zijn! Hoe zinkt, bij de heerlijk»
heid van dit uitzicht, het lijden in het niet, gedragen in
het korte aardsche leven, ter wille van het belijden Zijns
Naams!
Tot diezelfde discipelen, die Hij tot belijden vermaant,
spreekt de Heer over het oordeel, dat op de verloochening
volgt. Want alleen discipelen kunnen verloochenen. Jezus
verloochenen is: spreken of doen alsof men Hem niet kent.
Wanneer nu een wereldling van .Jezus zegt: Ik ken Hem
niet! dan verloochent hij Jezus niet; dan spreekt hij de
waarheid. Doch als een mensch de heerlijkheid van Jezus
erkend en Hem als Redder aangeroepen heeft, en hij wil
dat nu niet weten voor de menschen, maar stelt zich aan,
door woord of werk, alsof hij niets met Jezus te doen
heeft, — dan verloochent hij Hem. Zóó heerlijk nu als de
belofte is, aan het belijden gegeven, zóó ontzaglijk is ook
de bedreiging aan het verloochenen verbonden: „Ik zal
hem ook verloochenen voor Mijnen Vader, die in de hemelen
-ocr page 290-
284
is." Wie Mij niet heeft willen kennen, toen het onder de
menschen gevaar opleveren kon, Ik zal tot hem zeggen
in den dag des gerichts: Ik ken u niet! — God beware een
iegelijk onzer voor dat ontzaglijk oordeel!
X. 34—39. Meent niet dat Ik gekomen ben om vrede
te brengen op de aarde. Ik ben niet gekomen om vrede te
brengen, maar het zwaard; want Ik ben gekomen om
den mensch tweedrachtig te maken tegen zijnen vader,
en de dochter legen hare moeder, en de schoondochter
tegen hare schoonmoeder. En zij zullen des men-
schen vijanden worden, die zijne huisgenooten zijn.
Die vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns
niet waardig, en die zoon of dochter liefheeft boven
Mij, is Mijns niet waardig. En die zijn kruis niet
op zich neemt, en Mij navolgt, is Mijns niet waardig.
Die zijne ziel vindt, zal ze verliezen; en die zijne
ziel zal verloren hebben om Mijnentwil, zal ze vinden.
Gedurig heeft de Heer, bij deze uitzending Zijner disci»
pelen, van lijden en vervolging gesproken, die hun te
wachten stonden. Dat kon in hun gemoed bevreemding
wekken. Was het dan niet een Evangelie, dat Hij hen liet
verkondigen, een Evangelie, welks liefelijkheid in Jezus
eigene redenen zou duidelijk aan het licht getreden was?
Daarom keurt de Heer noodig, hun nog eens opzettelijk te
zeggen, dat zij zich niet vleien moeten met ijdele verwach-
ting. „Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te bren-
\\ gen," — eigenlijk staat er: „te werpen" — „op aarde,
maar het zwaard."
Maar hoe? Is dan het doel van de zending des Zoons
niet door de Engelen bezongen met het loflied: „Vrede op
-ocr page 291-
285
aarde?" Voorzeker. Alleenlijk, hier moet onderscheid worden
gemaakt tusschen het einddoel en de naaste uitwerking. Het
einddoel is vrede; vrede met God, vrede onder de men-
schen. Maar dat einddoel kan in eene zondige wereld niet
anders worden bereikt, dan langs een weg van strijd. Het
goddelijk leven kan zich niet openbaren, zonder dat het
tegengoddelijk streven er zich met alle kracht tegen verzet,
en het poogt te dooden. Daarom is de eerste uitwerking
strijd, en in zooverre, tot bereiking van het einddoel, die
strijd noodzakelijk is, kan Jezus zeggen, dat Hij gekomen
is om dien aan te brengen. Gelijk het in het Paradijs voor
den gevallen mensch eenc belofte, en niet eene bedreiging
was: „Ik zal vijandschap zetten," — zoo ligt er nu
ook in dien strijd, als middel tot den vrede, een zegen.
De Heer komt op aarde niet den vrede, maar het zwaard
„werpen." De vrede kan op aarde niet „geworpen" worden;
^ij kan slechts aangebracht worden langs den smartelijken
weg van Gethsemané en Golgotha, en toegeëigend worden
in een weg van dulden en dragen. Wat op aarde „gewor-
pen" wordt, als eerste, naaste uitwerking van de komst
van den Zoon Gods, dat is strijd, lange en bange strijd
door de worsteling van de duisternis tegen het licht. Zelfs
de nauwste aardsche banden zullen verbroken worden door
dat nieuwe levensbeginsel, dat op aarde aangebracht is. De
Heer komt hierop nog even terug, (vergelijk vs. 21), om-
dat dit het allerzwaarste, het pijnlijkste is, wat om Zijns naams
wil geleden kan worden. Zalig het huis, waar echtgenooten,
ouders en kinderen in gemeenschappelijke liefde tot den
Heer zijn vereenigd; menig leed, menig gemis is gemak -
kelijk te dragen, zoo maar het geloof in Hem de band is,
die de leden des gezins verbindt. Maar waar gekozen moet
worden tusschen den Heer, en de allernauwste en innigste
-ocr page 292-
286
banden; waar Hij niet gediend en beleden kan worden dan
ten koste van de liefde van vader of moeder, van vrouw
of kind, — daar mag het hart niet aarzelen: „wie vader
of moeder liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig, en
wie zoon of dochter lief heeft boven Mij, is Mijns niet
waardig!"
Wie moet Flij zijn, die alzoo spreken kan! Welk aard-
sche leeraar, welk profeet Gods zelfs, zou zulk een eisch
kunnen stellen? De band tusschen ouders en kinderen is
van God gelegd, en is zóó heilig, dat geen mensch zich daar
tusschen mag stellen. Hij alleen, die één is met den Vader,
God geopenbaard in het vleeseh, kan zulk een eisch doen
liooren. Voorwaar! in eene uitspraak als deze blinkt dezelfde
heerlijkheid door, als die in het vierde Evangelie wordt
toegekend aan het Woord, dat in den beginne was, dat bij
God en zelf God was.
De Heer heeft uitgesproken, dat Zijne komst op aarde
strijd aanbrengt. Tweedracht, scheuring komt er, zelfs daar
waar de nauwste banden bestaan. Maar nu volgt niet, zoo-
als inen zou kunnen verwachten: Wie liet zwaard niet neemt,
en voor Mij strijdt is Mijns niet waardig! Er volgt: „Wie
zijn kruis niet op zich neemt, en Mij navolgt is Mijns niet
waardig." Niet tot strijden, maar tot lijden roept de Heer
de Zijnen. Of liever nog: door te lijden en te sterven zul-
len zij strijden voor Zijne zaak, en de overwinning behalen.
Daar is geen andere weg, die tot heerlijkheid voert, dan de
weg des lijdens. Dien weg gaat de Koning; dien weg
moeten ook Zijne onderdanen gaan. De Koning betreedt
dien, opdat Hij als het heilige Godslam de schuld der
overtreders zou dragen en wegnemen; de onderdanen moeten
dien betreden, opdat zij gelouterd zouden worden en alzoo
toebereid voor de goddelijke heerlijkheid.
-ocr page 293-
287
Het lijden, dat de Heer den Zijnen doet te gemoet zien,
drukt Hij uit door het beeld van „kruis dragen." Het kon,
ook vóór Zijn eigen kruisdood, niet onverstaanbaar zijn voor
Zijn hoorders. Hoe vaak hadden zij reeds inenschen kunnen
zien, door het strenge en wreede Romeinsche recht tot den
dood der misdadigers veroordeeld, die het foltertuig, waaraan
zij sterven zouden, zelven naar de. strafplaats moesten sle-
pen! Welnu! Wat die elleudigen gedwongen doen, dat
moeten Jezus discipelen gewillig doen. Zij moeten hun kruis
„opnemen." Zij moeten willen lijden, wat hun, als Jezus
discipelen, te dragen opgelegd wordt. Wat er kracht toe
geeft, wordt uitgedrukt in wat de Heer er aan toevoegt:
,en Mij navolgt.\'\' De discipel betreedt zijnen lijdensweg
niet alléén. Hij volgt Jezus na; hij gaat in het spoor, dat
zijn Meester hem wijst; hij wordt onzichtbaar gesteund door
den machtigen Helper, die, zelf in het lijden beproefd
geweest zijnde, weet wat daar noodig is.
Zonder dat gewillig kruisdragen, zijt gij Mijns nietwaar-
dig, zegt de Heer. Zonder dat verdient gij den eerenaam
niet van Mijne discipelen te zijn. Voorwaar! de Heer mis-
leidt de zielen niet! Hij zegt vooraf, wat er te wachten
staat. Maar dat Hij tot zulke zelfverloochening roepen kan,
het is, omdat Hij zulke schatten van genade heeft te geven.
Zóó groot, zóó rijk is Zijne liefde, dat een Apostel, na heel
een leven, in dit kruisdragen doorgebracht, kan betuigen:
Zijne geboden zijn niet zwaar!
Indien gij uwen Heiland volgen zult, o mijn Broeder
of Zuster! reken dan vooraf op zelfverloochening en lijden.
Geen uitwendige marteldood is thans meer aan het belijden
van Jezus verbonden. Maar altijd nog moet het vleesch
gekruisigd worden met zijne begeerlijkheden; altijd nog moet
ervaren worden, hoe spot en vijandschap en tegenwerking
-ocr page 294-
288
het deel is van wie de zijde van Jezus kiezen. Door sterven
ten leven! dat is de wet van het Godsrijk. En toch, zalig
zoo gij in die keuze volhardt! Wat gij ervaart op den weg,
door de liefde uws Heeren, is reeds zooveel rijker dan al
wat de wereld kan bieden, en wat zal het zijn, waar strijd
en lijden is geëindigd, waar de kroon het kruis vervangt!
In eene uitspraak, die als eene wonderspreuk klinkt,
geeft de Heer te verstaan, hoe de keuze waartoe Hij roept,
de éénig goede keuze is. „Die zijne ziel vindt, zal ze ver-
liezen, en die zijne ziel zal verloren hebhen om Mijnentwil,
zal ze vinden." De ziel is hier genomen voor: het leven.
Wie nu het tijdelijke, zinnelijke leven gewint, wie hier
verwerft waar zijn natuurlijke lust naar uitgaat, die ver-
liest het ware leven. En dat niet eerst bij den oordeelsdag:
reeds hier beneden begint het innerlijk versterven. Daaren-
tegen, wie dat zinnelijk leven opoffert; wie zijne neigingen
niet inwilligt, maar zichzelven verloochent, die gewint het
ware leven, het leven, dat in alle eeuwigheid niet sterft.
Dat verliezen van het leven, dat opofferen en zichzelven
verloochenen, kan echter alleen geschieden, waar eerst het
hoogere gevonden is. Daarom voegt de Heer er bij: „om
Mijnentwil/\' Wie de liefde van Jezus heeft erkend en er-
varen, die, en die alléén, kan nu uit liefde tot Hem prijs
geven, wat anders de lust en keus der ziele is. Dit is het
nieuwe levensbeginsel, ingebracht in de wegstervende mensch-
heid: een Heiland is gekomen, die harten aan Zich verbindt,
en die nu door Zijne liefde die harten vervult met de keuze,
om alles los te laten, wat ze zou scheiden van Hem. Tot
loslaten en prijsgeven roept Hij, — maar wie nu Zijne
roepstem gehoor geeft, ervaart, dat wat losgelaten en ver-
loren wordt, juist datgene is wat de ziel ten doode zou
voeren!
-ocr page 295-
289
X. 40—42. Die u ontvangt, die ontvangt Mij;
en die Mij ontvangt, ontvangt Hem, die Mij ge-
zonden heeft.
Die eenen profeet ontvangt in den naam eens pro-
feten, zal den loon eens profeten ontvangen; en die
eenen rechtvaardige ontvangt in den naam eens recht-
vaardigen, zal den loon eens rechtvaardigen ontvangen.
En zoo wie een van deze kleinen te drinken geeft,
alleenlijk eenen beker koud water, in den naam eens
discipels, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijnen loon
geenszins verliezen.
Met vele vermaningen en met velerlei vertroostingen
heeft de Heer Zijne jongeren toebereid tot de taak, die
voorloopig reeds nu, maar in vollen omvang eerst later,
hun wacht. Thans voegt Hij er nog een woord aan toe,
rechtstreeks bestemd voor hen, tot wie zij komen zouden,
doch hier tevens tot aanduiding strekkend van het gewicht
hunner zending. „Wie u ontvangt, die ontvangt Mij." Dat
is: waar gij het woord des Koninkrijks komt verkondigen,
daar is het, voor wie u hooien, zoo goed alsof zij Mij zelven
hooren. De Heer maakt, door deze uitspraak, Zijne disci-
pelen tot Zijne gevolmachtigden; Hij waarborgt daarmede
het gezag van hunne prediking. Dit zou niet mogelijk zijn,
indien er geen andere band tusschen hen en den Heerbe-
stond, dan die tusschen een aardschen leeraar en diens
leerlingen aanwezig is. Zóó volkomen gaat niemand in de
gedachten eens anderen in; zóó trouwe weerklank geeft het
binnenste van den éénen niet van wat daar omgaat in het
gemoed des anderen, dat ooit een aardsch leeraar volkomen
en in alles teruggegeven wordt door zijne leerlingen. Doch
tusschen Jezus en Zijne discipelen bestaat niet slechts de
ROOZEMKIJKR, Ev. MaTTH. I.                                                                          19
-ocr page 296-
290
band van onderwijs en omgang; Hij deelt Zijnen Geest hun
mede. Daarom is het woord, dat zij spreken zullen, Zijn
woord, en het leven, dat zij openbaren zullen, Zijn leven.
Hoe zij Jezus vertegenwoordigen, wordt in vollen omvang
van beteekenis duidelijk, door hetgeen er aan toegevoegd
wordt: „en wie Mij ontvangt, die ontvangt dien, die Mij
• gezonden heeft." De weerspiegeling van het wezen des
Vaders door den Zoon, wordt, voor zoover liet goddelijke
door het menschelijke kan teruggegeven worden, weerkaatst
in de wijze, waarop de discipelen den Meester vertegen-
woordigen. Behoeft het nog gezegd te worden, dat deze
weerkaatsing slechts eene nevelachtige afbeelding is? Maar
zóó wezenlijk is zij toch, dat de Heer de ééne verhouding
met de andere vergelijkt. In Zijne discipelen spreekt en
werkt Hij zelf, gelijk de Vader spreekt en werkt in Hein,
al is het dan ook met dit verschil, dat Hij het volmaakte
beeld des Vaders is, terwijl de discipelen slechts de zwakke
werktuigen van den Godmensch zijn.
Dat de Heer Zijne discipelen aldus in Zijne plaats stelt,
dat is het, wat aan hun woord voor de Christenheid van
alle eeuwen gezag geeft. De betrouwbaarheid van hun onder-
wijs rust voor ons met volkomene gewisheid daarop, dat
Jezus hen tot Zijne gevolmachtigden maakt; eene betrouw-
baarheid, die daardoor versterkt wordt, dat hunne prediking
slechts de ontwikkeling brengt van hetgeen reeds in des
Meesters woord in kiem besloten lag.
Maar ook nog eene tweede zaak vloeit er uit voort. Zijn
zij Jezus vertegenwoordigers, dan rekent de Heer aan Zich
geschied wat hun wedervaart; dan brengt de goede ont-
vangst, hün geschonken, denzelfden zegen aan, als wanneer
men Jezus persoonlijk wèl had ontvangen. Merkt op, hoe
rijk die zegen is ! „Wie eenen profeet ontvangt in den naam
-ocr page 297-
291
eens profeten," d. i. ah profeet, in zijne hoedanigheid van
profeet, die zal het goddelijk loon der genade ontvangen,
dat de Heer den profeet zelven bereidt. Evenzoo, wie eenen
rechtvaardigen, eenen vrome ontvangt als een rechtvaardige,
omdat hij een vrome is, — niet om andere, bijkomstige
redenen, — die zal in den zegen van dien rechtvaardige
deelen. En wie nu een van deze kleinen, — d. i. een van
deze Mijne leerlingen (het was een gewoon spraakgebruik i
der Rabbijnen hunne leerlingen „kleinen" te noemen) alleen-
lijk een beker koud waters schenkt, omdat hij den naam van
discipel draagt, — die zal zijn loon geenszins verliezen.
Die geringe dienst, ter wille van dat discipelschap bewezen,
bewijst liefde tot den Heer, — en liefdesuiting jegens Hem
kan niet ongezegend blijven !
„Hij zal zijn loon niet verliezen." Dat wil voorzeker niet
zeggen, dat de daad betaald zal worden met gaven. Het
loon, dat de Heer geeft, is geestelijk van aard, gelijk het \'
ook alleen de geestelijke daad is, de daad, waar de liefde
uit spreekt, die Zijn welbehagen tot zich trekt. Wie, nog i
van verre staande, iets deed uit aanvankelijke liefde tot Hem,
wordt gezegend door eene werking, die hein dichterbij voert.
Het beginnend geloofsleven neemt toe in kracht, de gemeen-
schap met den Heer wordt verlevendigd, de macht der zonde -
wordt verzwakt, als loon der genade op het aanvankelijk
pogen, om de ontkiemende liefde tot den Heer in daden te
uiten. Laat vrij dan die daad slechts kunnen bestaan in het
reiken van een beker koud waters, — de Heer aanschouwt
het toch, en Hij rekent het als aan Zich geschied!
Met zulk een opdracht, maar ook door zulke beloften
gesterkt, moeten nu de discipelen hun werk gaan onder-
nemen. Thans was het nog slechts voorproef van wat later
hun wachtte. Thans zouden nog de liefelijke ervaringen
-ocr page 298-
292
overwegend zijn; later zouden zij stuiten op bittere vijand-
schap. Welnu! ook in dien lateren tijd zou het blijken,
dat het woord huns Meesters hen toegerust had met vol-
doende krachten. Zij zijn uitgegaan, — en zij hebben vol-
hard. Lijdend en gesmaad, verdrukt en verjaagd, zijn zij
niet ontmoedigd geworden. De wereld heeft hen ten doode
gedoemd, — maar stervend hebben zij overwonnen, en aan
de wereld het leven gebracht.
XI. 1—3. En het is geschied, toen Jezus geëin-
digd had Zijnen twaalf discipelen bevelen te geven,
dat Hij van daar voortging om te leeren en te pre-
diken in hunne steden.
En Johannes, in de gevangenis gehoord hebbende
de werken van Christus, zond twee van zijne disci-
pelen, en zeide tot Hem: Zijt gij degene, die komen
zou, of verwachten wij eenen anderen?
Door de uitzending Zijner discipelen heeft de Heer Zijn
werken onder Israël verveelvoudigd, doch zet intusschen
zelf Zijnen arbeid voort, gelijk Hij dat tot dusverre deed.
In dezen tijd nu komt tot Hem een gezantschap van
Johannes uit den kerker.
De viervorst van Galilea, die den Koningstitel droeg,
doch slechts vasal was der Romeinen, Herodes Antipas,
had den Dooper in den kerker geworpen, wegens diens
vrijmoedig bestraffen van Herodes verboden omgang met
de echtgenoote zijns broeders. Reeds bijna een jaar had
Johannes in den kerker van de sterke vesting Machaerus,
de gewone verblijfplaats van Herodes, doorgebracht. Het
blijkt uit ons tekstverhaal, dat hij niet zóó ganschelijk
van de buitenwereld afgescheiden was, of zijne leerlingen
-ocr page 299-
293
konden toegang tot hem verkrijgen. Die betrekkelijk milde
behandeling verklaart zich uit wat wij elders (Mc. VI. 20)
lezen, dat Herodes ontzag had voor Johannes en hem gaarne
hoorde. Had hij Johannes aan het openlijk leven onttrokken,
vreezende, dat eene prediking, die den Vorst niet spaarde, voor
het vorstelijk gezag schadelijk zou worden, — diep in zijn
hart was hij toch overtuigd, dat Johannes een Godsgezant was,
en durfde dus, uit vrees voor de wraak Gods, niet al te streng
tegen hem optreden. Zoo heeft dan Johannes gelegenheid,
tot Jezus de boodschap te zenden: „Zijt gij degene, die
komen zou, of verwachten wij eenen anderen ?"
Zulk een boodschap zou men niet verwachten van den
man, die zelf het volk naar Jezus had heengewezen. Was
hij dan vergeten, wat hij zelf van Jezus had getuigd, en
wat bij Jezus doop was geschied ? Had hij Hem niet als
zijnen Meerdere begroet, als den lang beloofde en verbeide,
die komen zou als Rechter met de wan in de hand, en
als het Godslam, dragende de zonden ? Hoe kan hij, juist
hij, dan nu vragen: Zijt gij degene, die komen zou, of
verwachten wij eenen anderen ?
Men heeft, om die moeielijkheid te ontgaan, toevlucht
genomen tot de veronderstelling, dat Johannes slechts aan
zijne discipelen die vraag in den mond heeft gelegd, opdat
zij door Jezus eigen onderwijs overtuigd zouden worden.
Nog daargelaten, dat geen woord in het tekstverhaal daarop
heenwijst, zou de vorm der vraag dan toch eene zeer zon-
derlinge geweest zijn, voor wie slechts nadere onderrichting
noodig hadden. Hij zou dan hebben doen vragen: wat ge-
tuigt gij van u zelven ? inaar niet eene tegenstelling hebben
doen maken, die reeds terstond Jezus recht op den Christus-
naam twijfelachtig stelde. Doch, wat alles afdoet: als de
vraag slechts ter wille van de discipelen gedaan was, zou Jezus
-ocr page 300-
294
niet hebben geantwoord: „Gaat heen en boodschapt Johannes
weder." Dat zou eene vertooning, dat zou een spel geweest
zijn, zoowel Johannes als Jezus onwaardig. Om Johannes
eer te handhaven wil deze opvatting de vraag geene vraag
van Johannes doen zijn, maar ziet voorbij hoe zij zelve
een vlek werpt op Johannes, en tevens op Jezus, die dan
op die schijnvertooning zou zijn ingegaan.
Maar hoe? Hebben wij dan aan te nemen, dat Johannes
niets meer weet van wat hem door Goddelijke openbaring
is aangekondigd? Zekerlijk niet. Hij blijft wel waarlijk Jezus
erkennen voor wat hij in Hem gezien heeft. Anders toch
zou hij niet tot Jezus zelven gezonden hebben; had hij
getwijfeld, of Jezus wel Gods gezondene was, wat zou het
hem dan voor zekerheid hebben gegeven, of deze zelf al
zeide: „Ik ben de Christus ?"
De zaak wordt verklaarbaar, als wij acht geven op de
woorden, waarin de reden der zending wordt opgegeven:
„gehoord hebbende de werken van Christus." Die werken
waren: het leeren en krankengenezen in de steden en
vlekken van Galilea. Die werken worden geboodschapt aan
den vurigen Godsgezant, tot werkeloosheid gedoemd in den
kerker. De dagen, de weken, de maanden kruipen voort, —
en alle dingen blijven zoo als zij waren. Neen! dat hij zelf
lijden moest, was hem niet het zwaarste, maar als dan
intusschen maar het Godsrijk kwam, als de boosheid en
goddeloosheid maar werd gestraft en gewroken, als de glorie
van Gods heerschappij maar naderbij kwam! Wat vertoeft
de Christus ? Waarom verbreekt Hij niet de ongoddelijke
macht? Waarom herstelt Hij niet den troon van David?
Is dit nu het werk, Zijner waardig, onwetende landlieden
te onderwijzen en onbekende kranken te genezen?
Zoo woelt, zoo stormt het in zijn binnenste. Dat Jezus
-ocr page 301-
295
is, Die Hij is, daaraan twijfelt hij niet, maar of Jezus doet,
wat Hij doen moet, dat trekt hij in twijfel. En daarom
zendt hij zijne boodschap, ingekleed op eene wijze die te
kennen geeft: indien gij waarlijk de Christus zijt, betoon
u dan als zoodanig; wij hebben immers niet op eenen anderen
te wachten ?
Voorzeker! dat was eene onbetamelijke vraag, \'t Is of hij
meent, beter te weten wat Jezus voegt, dan Jezus zelf.
Maar zullen wij nu zeggen : hoe is het mogelijk, dat Johannes
zoo vragen kon? Met al de gaven hem geschonken, was
de Dooper een mensch, van gelijke bewegingen als wij....
en wij, hoe vaak hebben wij niet evenzeer in ons hart des
Heeren doen bedild! Als er geene uitredding kwam, zoo
spoedig als wij wenschten; als ons onthouden werd wal wij
begeerden, of ontnomen waar wij ons aan gehecht hadden;
als Gods weg zoo gansch anders liep, dan onze wijsheid
dien had afgebakend; als booze aanslagen het Godsrijk in
gevaar brachten; als ernstige arbeid voor den dienst Gods
met onvruchtbaarheid scheen geslagen te zijn, — hoe vaak
hebben wij ons dan eveneens aangesteld, hoe dikwijls zijn
dan ook wij geschokt in ons geloof! Indien nog maar alleen
geschokt! Hoe dikwijls is nog de daad van Johannes ons
tot diepe beschaming, ons, die ons afwenden van den Heer,
wanneer het niet gaat naar onzen wensch, in plaats van
ons te keeren tot Hem, opdat Zijn woord het raadselachtige
Zijner daden verklare!
XI. 4—6. Ev Jezus antwoordde, en teide tot
hen: Gaat henen, boodschapt Johannes weder hetgeen
gij hoort en ziet: de blinden worden ziende, en de
kreupelen wandelen; de melaatschen worden gerei"
■ nigd, en de dooven hooren; de dooden worden opge-
-ocr page 302-
296
. wekt, en den armen wordt het Evangelie verkondigd.
En zalig is hij, die aan Mij niet zal geërgerd
worden.
Het antwoord des Heeren bevestigt de juistheid der op-
vatting, die in de vraag van Johannes een bewijs ziet, niet,
van twijfel aan Jezus persoon, maar van ongeduld over
de daden des Heeren. Niet over Zijn persoon, maar over
Zijne werken spreekt de Heiland. Opmerkelijk is de wijze,
waarop Hij daarover spreekt. Hij verklaart niet, waarom
Hij zoo handelt; Hij toont niet de gepastheid van deze
wijze van werken aan: — Hij noemt eenvoudig op, wat
Hij doet. Diezelfde werken, waaraan Johannes zich ge-
stooten heeft, die hij had willen vervangen zien door meer
opzienbarende, meer alle uiterlijke toestanden vernieuwende
daden, — diezelfde werken telt Jezus nog eens voor
hem op. Zachtmoediger, maar tevens duidelijker kon Hij
wel niet te kennen geven, dat Hij aan Johannes geene ver-
antwoording schuldig is; dat Johannes zich te voegen heeft
naar wat Jezus wijsheid bepaalt, en Hem geen gedragslijn
heeft voor te schrijven. Niet tot begrijpen, maar tot geloo-
ven, tot berusten en goedkeuren wordt ook de grootste der
Profeten geroepen, waar het de daden geldt van Hem, die
meer is dan alle Profeten.
Maar waar de Heer alzoo Zijne werken opsomt, is er in
die optelling zelve toch iets, wat den aangevochten Johan-
nes tot versterking dienen kan. De opsomming herinnert,
aan hetgeen Jesaia als kenteeken van den grooten dag
van Jehovah vermeld had: „Ulieder God zal komen, en
ulieden verlossen. Alsdan zullen der blinden oogen open-
gedaan worden; en der dooven ooren zullen geopend wor-
den; alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de
-ocr page 303-
297
tong der stommen zal juichen." (Jes. XXXV. 4—6). Wat
Johannes tot aanstoot was, dat was juist de vervulling van
wat het profetisch woord had te verwachten gegeven, en dus
de onbedriegelijke aanwijzing der Messiaswaardigheid van
Jezus.
In dit profetisch woord hebben de opgenoemde zaken
klaarblijkelijk zinnebeeldige beteekenis. De wonderen door
den Heer tijdens Zijn aardsche leven verricht, waren dan
ook, ja! in de eerste plaats daden der redding voor de
ongelukkigen, die ze genazen, maar voorts symbolische
heenwijzingen op de werking, die van Jezus uitgaat op
geestelijk gebied, door alle eeuwen heen. De blinden wor-
den ziende, om de grootc Gave Gods, en hunne eigene
levenstaak te aanschouwen; de kreupelen wandelen op de
wegen des Heeren, zij, die eertijds onmachtig waren tot
gaan, door de bindende macht des bederfs; de melaatschen
door de besmetting der zonde worden gereinigd tot een
heilig volk, een koninklijk Priesterdom; de doovcn liooren
het woord des Heeren, vroeger niet verstaan of begrepen,
maar nu als blijde boodschap aangenomen; de dooden, die
daar sliepen in den doodslaap der zonde, worden opgewekt
door die almachtige roepstem, die uit den dood het leven
doet te voorschijn komen. Die geestelijke werking is de
blijvende, de werking, die de gedaante der aarde vernieuwt,
en in eene wereld van zondaren het koninkrijk sticht van
den heiligen God.
Om op dien geestelijken achtergrond heen te wijzen als
het hoogste en heerlijkste, besluit de Heer Zijne opsomming
inet de woorden: „en den armen wordt het Evangelie ver-
kondigd." Ook dit is terugslag op een profetisch woord,
(Jes. LXI. 1), waarin het brengen eener blijde boodschap
aan de zachtmoedigen, eene vertroosting voor de treurenden,
-ocr page 304-
298
toegezegd werd. Het Evangelie wordt verkondigd! Dat is
de hoofdzaak, waartoe de Messias is verschenen. Eene blijde
boodschap gaat uit in eene wereld, door de zonde met
vloek en ellende vervuld. En die blijde boodschap komt
juist tot hen, die haar behoeven, tot de armen, behoeftigen
naar het uitwendige, die daardoor het allerminst afgeleid
worden van liet begeeren der vertroostingen Gods. Ja! door
alle eeuwen heen, en in allerlei levensomstandigheden, is
het Evangelie voor de armen, voor hen, die geleerd hebben
al hunne eigene rijkdommen onvoldoende te achten, die, als
niets hebbende in zichzelven, aangetrokken worden door
den Christus-Vertrooster! De medicijn is voor de kranken;
t het water is voor den dorstige; het Evangelie is voor de
armen, voor wie beseffen, dat zij niet zichzelven kunnen
redden, maar alleen door genade behouden kunnen
worden.
Met goddelijke wijsheid heeft de Heer den Dooper ge-
antwoord. Hij heeft Zijne wijze van werken niet verklaard
of verdedigd; Johannes had niet te begrijpen, maar te ge-
looven. Het is, alsof Hij tot hem zegt: Ik weet, wat Ik
doe; laat Mij begaan, en vertrouwr, dat Mijn weg de beste
is. Maar tegelijk steunt Hij zijn geloof, door hem te laten
gevoelen, dat aldus de Schrift vervuld wordt. Geen woord
van verwijt komt over des Heilands lippen; Hij voelt, hoe
zwaar de werkeloosheid in den kerker den Dooper vallen moet,
en hoe machtig de verzoeking is tot murmureeren. En
daarom komt dan ook de waarschuwing, die hij behoeft, tot
hem in den zachtsten vorm: „Zalig is hij, die aan Mij niet
zal geërgerd worden."
Eene ergernis, — wij zagen het vroeger, bij Mt. V. 29.
30, — is een steen des aanstoots op den levensweg. Daar
gold het neigingen en begeerten, die den mensch ten val
-ocr page 305-
299
zouden kunnen brengen. Maar hoe kan het zijn, dat iemand
zich aan Jezus ergeren zou?
Zekerlijk! Jezus geeft geen aanstoot, maar men kan aan
Hem aanstoot nemen. Hoe dat geschieden kan blijkt juist
uit de waarschuwing, die Johannes van noode had. Hij
stond in gevaar, zijn geloof in Jezus te verliezen, omdat
de wijze van werken des Heeren door hem afgekeurd werd.
Nu geloofde hij nog wel; dat bleek daaruit, dat hij bij
Jezus zelven oplossing voor zijn bezwaar kwam zoeken.
Maar als hij nu onder het antwoord des Heeren niet gebukt
had; als hij des Heeren doen verkeerd had blijven vinden,
— dan zou hij gevallen zijn op den levensweg; dan zou
de band los geworden zijn, die hem aan Jezus verbond.
Wat het geloof des Doopers op de proef stelde, is voor
ons geen bezwaar meer. Maar hebben wij daarom de her-
innering niet meer van noode: „Zalig, wie aan Mij niet
wordt geërgerd"? Ach, hoe vaak komt onze wijsheid in
opstand tegen de wijsheid des Heeren! In ons leven en
lot, met de onzen, met kerk en vaderland, met de din-
gen van het Godsrijk gaat het zoo vaak anders, dan
wij meenen, dat het gaan moest! Als wij dan toegeven aan
die gedachten; als wij niet willen buigen en volgen, — dan
loopt ons geloof gevaar; dan loopt onze ziel gevaar voor
de eeuwigheid! O, dat ons dan ook deze geschiedenis leere:
de Heer antwoordt van Zijne daden niet; de groote les in
de aardsche oefenschool is: te leeren berusten in Zijne
wijsheid, te blijven vertrouwen op Zijne liefde!
XI. 7 —11. Als nu dezen heengingen, heeft Jezus tot
de scharen begonnen te zeggen van Johannes
Wat zijt
gij uitgegaan, in de woestijn te aanschotcwen ? Een riet,
dat van den wind ginds en weder bewogen wordt ?
-ocr page 306-
800
Maar wal zijt gij uitgegaan te zien ? Eenen menseh,
met zachte Meederen bekleed1? Ziet, die zachte klee-
deren dragen, zijn in der koningen huizen.
Maar iaat zijt gij uitgegaan te zien ? Een profeet ?
Ja, Ik zeg u: ook veel méér dan een\' profeet. Want
deze ie het, van denwelken geschreven staat: Ziet, Ik
zende Mijnen Engel voor uw aangezicht, die uioen
weg bereiden zal voor u heen.
Voorwaar zeg Ik u, onder degenen, die van vrou-
wen geboren zijn, is niemand opgestaan meerder dan
Johannes de Dooper; doch die de minste is in het
koninkrijk der hemelen is meerder dan hij.
De vraag, waarmede Johannes zijne discipelen tot Jezus
gezonden liad, kon op hen, die haar vernamen, tweeërlei
uitwerking hebben. Zij konden of in hun geloof aan Jezus
daardoor geschokt worden, of\', waar dit niet geschiedde,
laag van Johannes gaan denken. Tegen het eerste wapent
hen het antwoord zelf, dat de Heer aan Johannes geeft,
waarin Zijn kalme zelfbewustheid als Gods Gezondene zich
zoo duidelijk uitspreekt. Om het tweede te keer te gaan,
spreekt Jezus de woorden, die thans ons bezig houden. Zóó
weinig duidt Hij den zwaarbeprocfden dienstknecht Gods
diens vermetele vraag ten kwade, dat Hij zelf de eere des
Doopers handhaaft, waar die door deze vraag schade kon
lijden.
„Wat zijt gij uitgegaan, in de woestijn te aanschouwen?
Een riet, dat door den wind ginds en weder bewogen wordt?"
Als zulk een licht bewegelijk riet kan Johannes nü, door
zijne boodschap, hun toeschijnen; eene boodschap, waarin het
was, alsof hij zijne eigene getuigenis aangaande Jezus in
twijfel trok. De Heer herinnert, hoe Johannes in de woestijn
-ocr page 307-
301
is opgetreden, om te kennen te geven, dat zulke wankel-
moedigheid hem vreemd is. Hij laat op de vraag zelfs
geene ontkenning volgen. Een riet, — voorwaar! daaraan
deed die krachtige gestalte, die onverschrokken Godsgezant
wel geenszins denken. Hij was er de man niet naar, om
heden het ééne, en morgen het tegenovergestelde uit te
spreken. Mocht dus al zijne vraag den schijn geven, alsof
hij wankelde, zijne gansche persoonlijkheid geeft den waar-
borg, dat dit niet de beteekenis zijner vraag kan zijn.
Maar wat dan ? Vallen de ontberingen, valt het persoon-
lijk lijden in den kerker hem te zwaar, zoodat hij daardoor
het spoor bijster is geworden? Ook dat niet. Of had men
hem dan in de woestijn gevonden als een man, met zachte
kleederen bekleed, als een, die de gemakken en genoegens
des levens tot zijn hoogste levensdoel stelde ? Ook dat wis-
ten allen wel beter, die dat leven van ontbering en ont-
houding in de woestijn hadden gadegeslagen: een leven,
dat geenerlei liefelijkheid bood, en waartegen het leven in den
kerker nauwelijks afsteken kon.
Niet als eenen ongestadigen, niet als eenen genotzuch-
tigen man hadden zij Johannes leeren kennen: ze hadden
in hem een Profeet begroet. En voorwaar terecht! Hooger
dan één der Profeten staat hij, op wien de gansche pro-
fetische lijn uitloopt; die het geheele profetische ambt tot
volledige uitdrukking brengt; die de rechtstreeksche voor-
looper is van den Messias, voor Wien bij den weg bereiden
moet. Op hem heeft het woord Gods tot Maleachi (III. 1)
heengewezen: „Zie, Ik zende mijnen Engel (= bode), dat
hij den weg bereide voor Mij heen, en plotseling zal tot
zijnen Tempel komen die Heere, dien gij zoekt." Zoo groot,
zoo heerlijk is zijne beteekenis voor het Godsrijk; onder
allen, die van vrouwen geboren zijn is er geen méérder dan hij!
-ocr page 308-
302
En toch, juist dat hij voorlooper en wegbereider is, wijst
aan, dat hij nog altijd staat buiten de Nieuwe Bedeeling.
„De minste in het koninkrijk der hemelen is meerder dan
hij." De geringste en onbeduidendste, die ingegaan is, staat
hooger, niet in waarde, maar in zegen, in inzicht en erva-
ring, dan de uitnemendste, die builen staat. Dat woord sluit
den Dooper niet buiten de zaligheid des hemels: er is hier
sprake van de beide Bedeelingen, van Oud en Nieuw Ver-
bond. Tusschen die beide Bedeelingen nu, — het is van
aanbeiang hierop te letten tegenover een streven, dat ook
nog in onzen tijd de grenzen tusschen beide wil uitwis-
schen, — is liet onderscheid zóó groot, dat de geringste die
tot de Nieuwe Bedeeling behoort, meerder is dan de
grootste vertegenwoordiger der Oude Bedeeling. De
tegenstelling laat zich uitdrukken in één enkel woord: het
is het onderscheid tusschen voorbereiding en vervulling,
tusschen knechtelijke en kinderlijke verhouding, omdat het
de tegenstelling is tusschen Wet en Evangelie. Beide Bedee-
lingen zijn gegeven door denzelfden God, en hebben daarom
ook één grondkarakter geineen; toch is het onderscheid zóó
groot, dat het alle dingen in andere verhoudingen stelt.
Uit dat onderscheid nu moet de ongeduldige vraag des
Doopers verklaard worden. Hij heeft geen vrede met den
stillen gang van den Koning van het Godsrijk, omdat hij
nog de Oude Bedeeling toebehoort. Naar den aard dier
voorloopige Bedeeling, trad toen de heerschappij van Jehovah
op als eene uitwendige macht, in zichtbare krachtsbetooning
tegen alle goddeloosheid zich openbarend. Wel waren er
reeds toen aanduidingen, die op wat hoogers heenwezen,
zooals de zachte koelte, waarin Jehovah zich aan Elia open-
baarde, en het woord tot Zacharia (IV. 6) : „Niet door
kracht, noch door geweld, maar door Mijnen Geest zal het
-ocr page 309-
303
geschieden\'\', — doch de doorgaande wijze, waarop de Heer
Zijn heerlijkheid toonde, was die van uitwendige machts-
openbaring. Zóó bleef Johannes zich den gang van \'t Gods-
rijk denken; daarom waagt hij het, de wijze van werken
van Jezus te berispen. — Hoe groot hij zij, hoe hoog hij
sta, — de minste dergenen, die een open oog hebben voor
wat de Nieuwe Bedeeling met zich brengt, is meerder
dan hij!
Indien deze dingen zoo zijn, hoe blinkt dan ook hier
Jezus gansch éénige heerlijkheid uit! Dat koninkrijk der
hemelen, waarvan Hij spreekt, het bestaat slechts, omdat
Hij gekomen is; en wie er onderdaan van is, door geloo-
vige overgave van hart en leven aan Hem, die is daardoor
gebracht in eenen staat, hooger en heerlijker dan aan
Profeten was gegeven.
XI. 12—15. En van de dagen van Johannes den
Dooper tol nu toe, wordt het koninkrijk der hemelen
geweld aangedaan, en de geweldigen nemen het met
geweld. Want al de profeten en de wet heiben tol
Johannes toe geprofeteerd. En zoo gij het wilt aan-
nemen, hij is Elia, die komen zou.
Wie ooren heeft om te hooren, die hoorel
Heeft de Heer eerst Johannes als Zijnen voorlooper tegen
zich over geplaatst, thans vat Hij hem met zich te zamen
in hetgeen Hij over de dagen van Johannes en Zijn eigen
optreden te zeggen heeft. In dezen tijd „wordt het Ko-
ninkrijk der hemelen geweld aangedaan." Wat wil dat
zeggen ? Dit „geweld doen" kan niet anders dan in ongun-
stigen zin genomen worden. Zoo wordt dan hier hetzelfde
bedoeld als in Mt. XXIII. 13 door het „toesluiten van het
-ocr page 310-
304
Koninkrijk der hemelen." De Heer wijst dus op den tegen-
stand, die aan het Godsrijk in den persoon van Johannes
en in Zijn eigen persoon aangedaan wordt, waardoor de
zegeningen daarvan aan het volk onthouden worden. Wel
zal ten slotte dat Godsrijk overwinnen, inaar zwaar is de
schuld van hen, die, met miskenning der bedoelingen Gods,
beletselen opwerpen tegen het verspreiden van dien zegen.
Zoo wijst de Heer dan door deze woorden op de ont-
zaglijke beteekenis van het tijdvak, dat nu gekomen is.
Onder de Oude Bedeeling was het Godsrijk wel afgebeeld,
en in omhulsel aanwezig, maar het was toch eigenlijk nog
steeds iets toekomstigs. Thans is het verschenen; thans
moet vóór of tegen gekozen worden. Die tijd is begonnen
met het optreden des Doopers, die op de grenslijn der
beide Bedeelingen staat. De profetie reikt tot aan zijne
verschijning; hij is de laatste en grootste der profeten, maar
tevens is hij zelf voorwerp der profetie: hij is de Elia,
die komen zou. Dat was door Maleachi (IV. 5) geprofeteerd;
dat werd door het Israël van Jezus dagen op grof zinnelijke
wijze opgevat, alsof Elia zelf uit de dooden zou opstaan. Ter
oorzake van dit wijdverbreid misverstand zegt de Heer: „Zoo
gij het wilt aannemen," d. i. zoo gij op Mijn woord gelooven
wilt, wat de eigenlijke bedoeling is dier profetie.
Elia is, méér dan eenig der andere profeten, de man der
kracht, de man des gerichts. Daarom is hij de treffende
voorafbeelding van hem, die Israël tot boete en bekeering
oproept, opdat het geschikt zou zijn, den Koning van het
Godsrijk te ontvangen. De Elia, dien men als wegbereider
van den Messias verwachtte, behoeft niet meer te komen;
in den persoon des Doopers is hij gekomen. Zoo is dan nu
de groote tijd, de groote genadebezoeking Gods verschenen.
Daarom voegt Jezus beteekenisvol aan Zijne woorden toe:
-ocr page 311-
305
„Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!" een gezegde,
dat, waar het ook voorkomt, altijd tot bijzondere opmerk-
zaamheid, tot een ter harte nemen, aanspoort. Immers, is
nu die tijd gekomen, welk eene dure roeping dan, om
dien te gebruiken, en te komen tot eene beslissing, waar
het eeuwig heil der ziele van afhangt!
XI. 16—19. Doch waarbij zal Ik dit geslacht
vergelijken ? Het is gelijk aan de kinderkens, die op
de markten zitten, en kunnen gezellen toeroepen, en
zeggen: Wij hebben n op de jhiit gespeeld, en gij
hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen,
en gij hebt niet geweend.
Want Johannes is gekomen, noch etende, noch drin-
kende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel. J)e Zoon
des menschen is gekomen, etende en drinkende, en zij
zeggen: Zie daar een mensch, die een vraat en wijn-
zuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren!
Doch de Wijsheid is gerechtvaardigd geworden van
hare kinderen.
Op tweeërlei, geheel van elkander verschillende wijze, heeft
God tot Israël gesproken; maar Israël heeft noch het eene,
noch het andere spreken ter harte genomen. Het heeft zich
aangesteld als de kinderen, die op de markt zitten te spelen.
Het moest niet meer gezegd behoeven te worden, dat de
Heer met de kinderen, die Hij hier sprekende invoert, niet
Johannes en zichzelven bedoelt. Reeds dat dit den Gods-
gezanten onwaardig zou wezen, moest van zulke opvatting
terughouden. Maar daarenboven blijkt het uit de eigene
woorden van Jezus, waar Hij zegt: Bit geslacht is gelijk aan
de kinderkens, die hunnen gezellen toeroepen.
RoOZKMEIJKR, Ev. MATTH. I.                                                                           20
-ocr page 312-
306
Het kinderlijk spel, waaraan de Heer Zijn beeld ontleent,
bestaat, gelijk bij zoo menig spel het geval is, in eene na-
volging van de bezigheden der volwassenen. Deze kinderen
bootsen na, wat bij huwelijken en begrafenissen geschiedt.
In twee partijen verdeeld, geeft de eene partij den toon
aan, nu eens vroolijke liederen spelend op de fluit, dan in
snelle wisseling klaagliederen als over een doode aanheffend,
terwijl ze nu begeeren, dat hunne speelgonooten hen aan-
stonds daarin volgen zullen, door te juichen of te klagen,
al naar gelang hun gezang dat aangeeft, en verwijtingen
doen indien die volgzaamheid te wenschen overlaat.
Alzoo nu stellen zich de tijdgenooten van Johannes en
Jezus aan. Zij willen den toon aangeven, dien de Gods-
mannen zullen hebben op te vangen en weer te geven.
Tegenover Johannes spelen zij op de fluit; tegenover Jezus
zingen zij klaagliederen. Met andere woorden: Johannes is
hun te somber; Jezus is hun niet somber genoeg. De Gods-
stein komt tot hen door den mond des Doopers, — maar
zij vinden eene verontschuldiging oin daarnaar niet te
luisteren; hij, die dat woord brengt, leidt een leven, geheel
afwijkend van het gewone leven : daarom moet hij uitzinnig,
bezeten wezen! Hoe zullen zij aan zulk een inensch gehoor
kunnen geven? Eerst leve hij hetzelfde leven, dat zijne
tijdgenooten leiden; zonder dat staat hij als een zonderling
in hun midden, en gaat zijn woord hun niet aan!
Maar ziet, daar treedt een ander op! Jezus leidt geen
woestijnleven als Johannes; Hij leeft onder en met de
menschen, in uitwendige dingen zich geenszins onderschei-
dend, etende en drinkende als ieder ander. Welnu! de
zonderlingheid van des Doopers optreden is een struikelblok
voor deze menschen geweest, hebben zij gezegd; zoo zullen
zij dan immers nu luisteren en volgen, nu er een is op-
-ocr page 313-
307
gestaan aan wien deze zonderlingheid niet was waar te
nemen ? Geenszins. Nu hebben zij het omgekeerde bezwaar :
deze mensch is een vraat en een wijnzuiper! Hoe! zij zou-
den een Godsgezant erkennen in iemand, aan wien zoo niets
bijzonders was! Jezus zoo min als Johannes voldoen aan
hetgeen dit geslacht betamelijk rekent; Johannes laat zich
den toon voor zijn optreden niet aangeven door hun fluit-
spel, en Jezus niet door hunne klaagliederen; zoo is dit
geslacht dan immers gerechtvaardigd, waar het beiden ver-
werpt ?
Hoezeer herhaalt zich hetzelfde verschijnsel, door alle
eeuwen heen! Wat al voorwendsels, om het Godswoord van
zich at\' te wijzen, dat het geweten komt wakker roepen,
worden ontleend aan de wijze, waarop de boden Gods het
brengen! Nu eens heet de prediking te streng, waar de
heilige eisenen Gods op den voorgrond worden gesteld. En
dan weder, als het woord der prediking vriendelijk noodigt,
door de heenwijzing op de onuitsprekelijke liefde Gods,
wordt die verkondiging te week en te zacht genoemd. Altijd
zijn er uitvluchten; altijd verontschuldigingen. Nooit wordt
eigen onwil als oorzaak van verwerping van het Godswoord
erkend; zelf is men immer in zijn recht; de schuld ligt steeds
in de wijze, waarop het Godswoord gebracht wordt!
Den kinderkens gelijk; gelijk, niet in wat er liefelijks i
is in den kinderlijken leeftijd, maar in de dwaasheid en
onredelijkheid daarvan. De volwassenen spelen een kinder-
spel tegenover de gezanten, die God hun zendt. Dit is
hunne dwaasheid, dat sij den toon willen aangeven, waarin
Gods gezanten tot hen te spreken hebben, in plaats van
zich te voegen naar hunnen toon. Daarom bereikt Gods
genadearbeid bij hen het doel niet; zij spelen, en spelen
voort — totdat de dag des oordeels komt!
-ocr page 314-
308
„Doch de Wijsheid wordt gerechtvaardigd van hare kin-
deren", voegt de Heer er aan toe. De Wijsheid, — dat is
de Opperste, de Goddelijke Wijsheid, gelijk die ook reeds
in het boek der Spreuken (H. VIII) als persoon voorgesteld
wordt. Die goddelijke wijsheid, zich openbarende in de zen-
ding van zoo verschillende gezanten, berispt en bedild door
de kinderen der wereld, wordt „gerechtvaardigd," — dat
is hier: als hoogste wijsheid erkend, — „door hare kinde-
ren," door hen, die uit de waarheid zijn, die kinderen des
lichts zijn, en daarom komen tot het licht. (vgl. Joh. III. 21.)
A.ls de Heer hier spreekt van menschen, die Hij kinderen
noemt van de Wijsheid, dan spreekt Hij niet van wederge-
borenen, maar, even als bij het „uit de waarheid zijn," van
zulken, die acht gegeven hebben op — en getrokken zijn
door de voorbereidende genade. Deze „rechtvaardigen de
Wijsheid;" deze erkennen, met ootmoedigen dank, dat God
de rechte wegen heeft gekozen, om afgedwaalde schepselen
tot Zijne kinderen te maken. Zij stooten zich niet aan de
strengheid des Doopers; zij erkennen dit optreden als on-
misbaar, om de valschelijk gerusten tot boete en bekeering
te dringen. En ook, zij stooten zich niet aan het leven des
Heilands, omdat het zoo echt menschelijk is; zij noemen
Hem geen vraat of wijnzuiper, omdat Hij leeft zonder uiter-
lijk zichtbare onthouding; zij misduiden het niet, dat Hij met
tollenaren en zondaren omgaat; integendeel! waar zij zich
zelven als zondaars erkennen, is het hun een liefelijke troost,
dat Hij tot zulken zich nederbuigt. Zij erkennen, zij belijden
met innigen dank: juist zulke Godsopenbaring was ons van
noode, die eerst den eisch der wet deed hooren, en daarna
\'t liefelijk Evangelie bracht!
XI. 20—24. Toen begon Hij de steden, in welke
-ocr page 315-
309
Zijne krachten meest geschied waren, te verwijten,
omdat zij zich niet bekeerd hadden.
Wee \'u, Chorazin ! toee u, Bethsaida ! want zoo in
Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in
u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en
asdi bekeerd hebben. Doch Ik zeg u: het zal Tyrus
en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oor-
deels, dan ulieden.
En gij, Kapernaum, die tot den hemel toe zijl ver-
hoogd, gij zult tot de hel toe nedergestooten worden.
Want zoo in Sodom die krachten waren geschied,
die in u geschied zijn, zij zouden tot op den hui-
digen dag gebleven zijn. Doch Ik zeg u, dat het
den lande van Sodom verdragelijker zijn zal in den
dag des oordeels, dan u.
Liefelijke woorden heeft onze Heer in overvloed gespro-
ken, — maar daarnevens ontbreken de woorden niet van
strengen ernst. Lieflijke en strenge woorden te zamen hebben
één doel: het hart te ontsluiten voor het ééne noodige, en
den zondaar te brengen tot het zoeken van het heil des
Heeren.
Dat was gcwisselijk het doel ook van deze aankondiging
des oordeels over Kapernaum, Chorazin en Bethsaida. De
strafbedreiging, die het woord des Heeren brengt, hetzij in
Oud of Nieuw Verbond, is nooit de aankondiging van een
noodlot. Gelijk er afwending des oordeels was voor Ninevé,
zoo zou er die ook geweest zijn voor deze steden van Gralilea,
indien zij nog eindelijk hadden bedacht wat tot hunnen
vrede diende. Juist om tot bekeering te dringen, worden zij
gewezen op de straf, die aan blijvende onbekeerlijkheid te
wachten stond, en het is alleen, omdat zij al deze roepstem*
-ocr page 316-
310
uien, ook deze bedreigingen hebben versmaad, dat het oor-
deel over haar is gekomen.
Aan den westelijken oever van de Galileesche zee, waar
deze plaatsen gelegen waren, heeft de Heer tijdens Zijn
openbaar leven het meest vertoefd. Duur sprak Hij het
menigvuldigst tot de scharen; diiur hadden Zijne meeste
wonderen plaats. En toch, bij al dien genade-arbeid, was
de bevolking dier steden gebleven, wat zij was. Er wordt
ons niet van deze menschen gemeld, dat zij grootere mis-
daden deden dan andere menschen; het leven van de ineer-
derheid zal wel voorbijgegaan zijn zonder opzien te baren.
Zij hielden zicli bezig met hun visscherij en hun landbouw,
met hun koopen en verkoopen, met hunne alledaagsche
belangen, met hunne gewone verpoozingen en gesprekken.
Wat maakte hen dan zoo schuldig? Wat deed hun zoo
ontzettend oordeel te gemoet gaan ? Dit, dat zij stompzinnig
aan zich lieten voorbijgaan, of hoogstens met oppervlakkige
nieuwsgierigheid gadesloegen, wat daar groots en goddelijks
zich in hun midden openbaarde. Daar waren tot hen woor-
den gesproken, die het leven moesten herscheppen; daar
was onder hen eene Godskracht geopenbaard, die hen tot
inkeeren en opzien had moeten brengen; daar was in hun
midden een heilig leven geleefd, dat het geweten wakker
moest maken, en naar behoudenis moest doen vragen, — en
zij waren voortgegaan, alsof dit alles hun niet aanging.
Daarom zullen zij in den dag des gerichts zwaarder oordeel
ontvangen dan het heidensche Tyrus en Sidon, dan het
vloekwaardige Sodoin. Zeker! in Tyrus en Sidon, waar de
gruwelijke dienst van Baal en Astarte bestond, in Sodom,
door hare zedeloosheid berucht, zal meer uitwendig kwaad
zijn gepleegd, dan in Kapernaum, Chorazin en Beth-
saida, — maar \'t is niet het uitwendig voorkomen des
-ocr page 317-
311
kwaads, dat de mate der schuld bepaalt: de mate der
schuld hangt af van de mate des lichts, waarmede de ziel
bestraald is geworden. Hoe grootere voorrechten, des te
grooter verantwoordelijkheid. Daar is aan deze steden Israels
eene genade te koste gelegd, die, naar luid van \'s Heeren
getuigenis, voldoende geweest zou zijn om het goddelooze
Tyrus en Sodom tot bekeering te brengen; hoe zwaar moet
dan niet de schuld zijn van hen, die zooveel genade heb-
ben verwaarloosd!
Zoo zware schuld brengt een ontzaglijk oordeel. Eerst
tot den hemel verhoogd, door de bestraling met heraelsch
licht, zullen zij tot in de hel worden nedergestooten! Het
oordeel geldt den bewoners, —maar zelfs het uiterlijk voor-
komen der steden zal daarvan het blijk dragen. Van de
aarde weggevaagd zijn Chorazin, Bethsaida en Kapernaum;
puinhoopen slechts, diep uit den grond opgegraven, wijzen
de plaats, waar zij eenmaal stonden, als om aan de navol-
gende geslachten te verkondigen, hoe vreeselijk de gerichten
des Heeren zijn!
Het licht, dat de steden aan den oever der Galileesche
zee bestraald heeft, beschijnt thans de landen der Christen-
heid, beschijnt ook ons Vaderland. Welke verautwoordelijk-
heid dan, ook voor een iegelijk onzer! Grootere Godsgave
dan de Christus is er niet, — en wie onzer zal kunnen
zeggen: mij is die gave niet voor oogen gesteld ? Voorwaar!
het ontbreekt niet aan den arbeid der goddelijke trouw!
Maar hoe staat het nu bij een iegelijk onzer met de be-
antwoording daaraan ? Is deze Godsgave ons reeds het dier-
baarstc, het heerlijkste geworden wat wij kennen, zoodat die
Christus de eerste plaats heeft in ons hart, en ons leven
beheerscht? Is het aan ons te zien, dat wij, bestraald met
het licht, ook kinderen des lichts zijn geworden? O laat
-ocr page 318-
312
ons toezien, opdat ook voor ons de tijd der genade niet
ongebruikt voorbij ga! Veel wordt geëisclit van hem, aan
wien veel is gegeven!
XI. 25—27. In dienzelf den tijd antivoordde Jezus
en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en
der aarde! dat Gij deze dingen voor de wijzen en
verstandigen verborgen hebt, en hebt ze den kinderkens
geopenbaard. Ja, Vader! want alzoo is geioeest het
welbehagen voor U.
Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader,
en niemand kent den Zoon, dan de Vader, noch iemand
kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon
wil openbaren.
Wat hier volgt is niet in onmiddellijke aansluiting aan
het vorige gesproken, maar alleen omstreeks denzelfden tijd.
Daarop wijst Mattheus zelf heen, door dit spreken des
Heeren een „antwoorden" te noemen, een woord, gesproken
naar aanleiding van het woord eens anderen. Welke die
aanleiding was, leeren wij kennen uit eene vergelijking met
Luc. X. 21. Daar lezen wij, dat de zeventigen wederkeerden,
vol blijdschap over de uitwerking hunner prediking, en roe-
mend getuigden, dat zelfs de booze geesten hun onderworpen
waren geweest. Op dit bericht omtrent den uitslag van hun
arbeid, verheugde zich Jezus in den geest, en sprak het
dankwoord uit, hier ook door Mattheus medegedeeld.
„Ik dank u, Vader! Beer des hemels en der aarde!"
Heel het leven des Zoons op aarde was ééne dankzegging,
gelijk het ée\'n gebed was. Wat is het dan nu, dat den
Heiland bijzondere aanleiding geeft, om die dankzegging
opzettelijk uit te spreken? Het is de beschikking Gods,
-ocr page 319-
313
waardoor de dingen van het Godsrijk verborgen worden voor
de wijzen en verstandigen, maar den kinderkens geopen-
baard worden. Die beschikking maakt, dat niet bijzondere
begaafdheden, maar een toestand, eene richting des gemoeds
vatbaar maakt om de gave Gods te ontvangen. Immers,
tegenover de wijzen en verstandigen worden kinderkens, niet
onkundigen, geplaatst. Dan zou het ook geen stof van
dankzegging zijn. Dan zou evenzeer een deel der mensch-
heid zonder eigen toedoen buitengesloten zijn buiten het
Koninkrijk Gods, als wanneer wijsheid en verstand de voor-
waarde tot ingaan ware. Maar nu geeft \'s Heilands woord te
kennen, dat gecne uitwendige dingen, geen bezit of\' gemis
van gaven, den mensch doet ingaan of buiten blijven. Wat
daar noodig is, is een toestand des gemoeds, kinderzin, die
bij de allerhoogste begaafdheid evenzeer als bij gebrek aan
kennis aanwezig zijn kan. Die kinderzin bestaat in de open-
heid, de ontvankelijkheid, de ongeveinsdheid des gemoeds;
het is het „eerlijk en goed hart" waar Jezus elders van
spreekt. Het is de tegenstelling van de opgcblazcnheid, de
zelfvoldaanheid, het leven voor den schijn. Een kind veinst
niet; het waant niet iets te zijn en te betcekenen; het leeft
niet in de beschouwing en bewondering van het eigen ik;
het leeft in de dingen, die tot hem komen, en eigent zich
die vertrouwelijk toe. Welnu! zulke gezindheid is noodig
om de gave Gods te ontvangen. Slechts aan zulkcn open-
baart God Zijn heil, de wonderen Zijner liefde.; slechts uit
dezulken maakt Hij burgers van Zijn Koninkrijk.
Doch, sluit dit vereischte niet evenzeer den weg, kan
men vragen, als wanneer verstandelijke begaafdheid geëischt
werd? Wie zijn eigen hart leert kennen, leert inzien, dat
dit hart niet kinderlijk gezind is, maar van hoogmoed, eigen-
waan, wantrouwen en wat niet al, is vervuld. Is dit „worden
-ocr page 320-
314
als de kinderkens" onmisbaar, dan is het immers buiten hoop?
Gewisselijk, het zou buiten hoop zijn, indien de mensch
zichzelven kinderlijk gezind moest maken. Maar juist daartoe
strekt de arbeid der voorbereidende genade. Geheel die
werkzaamheid Gods dient tot afbreken, tot ontledigen, tot
wegdoen van al wat de mensch heeft of waant te hebben,
opdat hij arm, hulpeloos worde als een kindeken, en dan
zich late zaligen uit vrije genade. Wat er dus noodig is
om het koninkrijk Gods in te gaan, is God bezig te be-
werken bij een iegelijk, die zich Iaat bewerken. Daarom
kan de Zoon Gods den Vader danken voor deze beschik-
king. Was er wijsheid of verstand noodig, dan zou natuur-
lijke aanleg sommigen of velen buitensluiten; nu er kin-
derzin noodig is, nu is, waar God den mensch alzoo
ontledigen wil, mogelijkheid tot behoudenis voor allen,
want ook bij de meest begaafden kan die kinderzin ontstaan.
Uit het hart zijn de uitgangen des levens; met het hart
moeten de dingen van het koninkrijk Gods worden aange-
grepen. Alzoo is Gods welbehagen, Gods raad en beschik-
king, die alle dingen regeert, en waartegen geen inenschen-
macht iets vermag. Laat dan vrij wat machtig is en ver-
heven, eerst in Israël, daarna in de geheele wereld, zich
verzetten tegen den Christus Gods, — de harten, waarin
kinderzin gewekt is, zullen Hein ontvangen als Gods Ge-
zondene; Zijn koninkrijk zal zich uitbreiden trots eiken
tegenstand.
Dat zalig besef van eene macht tot redding te hebben, waarin
de zondaarsliefde, des Heilands zich verblijdt, wekt, in dezen
Zijnen staat van aardsche vernedering, het heerlijk bewustzijn
op, van hetgeen Hij is en heeft uit kracht van Zijne een-
heid met den Vader, — een bewustzijn, waaraan Hij uit-
drukking geeft door het woord: „Alle dingen zijn Mij
-ocr page 321-
315
overgegeven van Mijnon Vader, en niemand kent den Zoon,
dan de Vader, noch iemand kent deu Vader dan de Zoon,
en dien het de Zoon wil openbaren."
Men heeft met recht de opmerking gemaakt, dat indien
iemand niet wist, waar dit woord voorkwam, hij het gewis
in het Evangelie van Johannes, met zijne vele diepzinnige
uitspraken, met zijne duidelijke openbaring van de godde-
lijke heerlijkheid des Heilands, zou gaan zoeken. Zoo is dan
een woord als dit, wel mede één van de sprekende bewij-
zen, dat de drie eerste Evangeliën ons geen anderen Christus
voor oogen stellen, dan die in liet vierde beschreven wordt.
Wat ons hier tegemoet klinkt, is de uiting van een zelf-
bewustzijn, dat hoog uitgaat boven het gewoon menschelijke.
„Alle dingen zijn Mij overgegeven van Mijnen Vader.\'\'
Tot Koning van het Godsrijk weet Hij zich gezalfd; tot
Koning, die de zielen beheerscht en aan zich verbindt, die
Hem gegeven worden van den Vader; tot Koning, voor
wien eenmaal ook zij zich sidderend buigen zullen, die hier
Zijne heerschappij hebben wederstaan, maar die in aller
eeuwen eeuwigheid geliefd en geloofd worden zal door de
schare der verlosten, die Hij achter zich ten hemel voerde.
Laat vrij op aarde Zijn weg een weg der vernedering en
des lijdens zijn, toch is Hij de Koning, van God gekroond,
de Koning, gegeven aan eene menschheid, wier behoeften Hij
komt vervullen, wier vloek Hij komt wegnemen. Eeuwen kan
het duren, dat de volkeren woelen en de vorsten ijdelheid
bedenken, — de eeuwigheid komt, die het openbaar maken
zal, dat zalig zijn, wie op Hem vertrouwen, en dat zich
te pletter stoot, wie Zijne macht wederstaat.
Die macht, Hem gegeven, is in Zijn wezen gegrond.
Daarom laat Jezus volgen: „en niemand kent den Zoon,
dan de Vader." Voor een oogenblik heft Hij iets van den
-ocr page 322-
316
sluier op, die Zijne heerlijkheid verbergt. Geen menschen
kind peilt Zijn wezen; slechts de Vader kent Hem. Afge-
i daald is Hij tot de raenschheid, maar het diepst Zijner
persoonlijkheid blijft voor het inzicht van de menschheid
onbereikbaar. Zij kan Hem niet meten met haren maat-
staf; de eeuwen door blijft Hij onverklaarbaar voor het
■ verstand, bereikbaar alleen voor het ootmoedig vertrouwen
des harten. Als mensch wandelt Hij onder de menschen
om, — maar in Hem raakt het goddelijke en menschelijke
elkander in de ondeelbare eenheid van Zijn Godinenschelijk
wezen. Niemand doorgrondt Hein, dan de Vader, die de
Bron Zijns levens is.
En zoo is, wederkeerig, Hij alleen in staat den Vader
te kennen. Het schepsel ziet den Vader in Zijne, werken,
maar Hij alleen leest in Zijn hart; Hij kent Zijne liefde;
Hij verstaat Zijn raadsplan. Omdat Hij is, die Hij is, kan
Hij den Vader kennen; en wederom, daardoor kan alleen
i Hij den Vader openbaren. Tot verklaring van Zijne macht
wijst de Christus op Zijn eigen ondoorgrondelijk wezen,
maar van Zijn kennen des Vaders spreekt Hij, om zich
kenbaar te maken als de Onthuller van Gods geheimenis.
Daarom laat Hij volgen: „en dien het de Zoon wil open-
baren." Want de Zoon is in de wereld gekomen, om den
Vader kenbaar te maken. Hij komt het bedcksel wegnemen,
dat den Vader verborg, waar Hij in een menschelijk leven
afspiegelt, wie de Vader is. Wie deze Zijne openbaring ont-
vangt, — zeker! die komt niet tot een kennen des Vaders,
gelijk de Zoon f Tem kent; dit is en blijft voor het schep-
sel onbereikbaar tot in eeuwigheid. Maar al wordt dan ook
zijne kennis geeue volkomene kennis, zij is nochtans eene
rechte kennis. Voor de nevelachtige voorstelling, voor het
bedriegelijk beeld van eigen vinding, komt eene kennis des
-ocr page 323-
317
Vaders in de plaats, die iets van Zijn wezen en veel van
Zijne liefde doet verstaan. Eene openbaring is hem geschon-
ken, die hem in alle waarheid leidt. Hoe meer hij den
Zoon gadeslaat, in Wien de Vader zich kenbaar maakt, en
hoe meer hij zich laat leiden op de wegen, die Hij wijst,
des te meer wordt hem kenbaar van dien God, op Wien
alle Zijne werken wijzen, maar Wien al deze werken toch
niet verklaren kunnen.
XI. 28—30. Komt herwaarts tot Mij, allen,
die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven.
Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik
zachtmoedig ben en nederig van hart, en gij zult
rust vinden voor moe zielen. Want Mijn juk is zacht,
en Mijn last is licht.
Daar is een innig verband tusschen de uiting van het hoog-
verheven zelfbewustzijn des Heeren, die wij in de vooraf-
gaande verzen vinden, en deze noodiging der vermoeiden
en belasten. Wie kan eene vermoeide en belaste wereld
noodigen tot de rust, dan Hij, die zelf boven de wereld staat,
Hij, die in ondeelbare eenheid leeft met den Vader, en het
goddelijk leven deelachtig is? Stelt u voor dat een men-
schenkind sprak tot allen, die gebogen en nedergedrukt
zijn: komt tot mij! Zou de noodiging zelve niet onzinnig
en godslasterlijk zijn, nog daar gelaten, dat zij nutteloos
zijn zou? Slechts Hij kan van vermoeidheid en lasten ont-
slaan, die goddelijke kracht bezit!
Maar nu ook, omgekeerd, nu de Openbaarder des Vaders
op aarde afgedaald is, gekomen om den Vader te toonen,
nu is er eene blijde boodschap voor de vermoeiden en be-
lasten. Wie zijn deze vermoeiden en belasten? Dat zijn
-ocr page 324-
318
feitelijk: alle menschen. Ach, daar is niemand van de
kinderen van Adam, of hij torscht een last van schuld en
ellende, en zijn hart is vermoeid, méér dan men zou kun-
nen uitspreken, door het rusteloos en vruchteloos jagen
naar vrede en geluk, door het torsenen van de ketenen,
door den Overste dezer wereld hem aangelegd. Alleenlijk,
in de blindheid zijner ziele ontveinst hij zich dat, en houdt
zich groot, en spreekt overmoedig. Daarom is er een arbeid
noodig der voorbereidende genade, opdat men zich zelven leere
kennen gelijk men waarlijk is. Dan eerst, als de zelt\'ver-
blinding wijkt; als de ziel „tot zich zelve komt" (Luc. XV.
17), dan gaat ze voelen, welk een last op haar drukt, een
last van schuld tegenover den heiligen God, een last van
banden, die aan de zonde kluisteren.
Tot dezulken nu, die dit gevoelen, wendt zich de Heer.
Wie dit woord opvat als bedoelende degenen, die onder
de vele lasten gebogen gingen, door de Joodsche wetge-
leerden opgelegd, dringt tot de eigenlijke diepte niet door.
Want waarom getroostte men zich dat juk van vele en
zware geboden, anders dan om te ontkomen aan hetgeen
eigenlijk de zielen nederboog? Wie alleen van dat juk van
geboden de zielen ontsloeg, zou ze niet waarlijk vrij maken;
hij zou wegnemen, wat juist dienen moest om aan de zielen
een gevoel van vrede te geven. Tot den grond der dingen
i dringt het woord des Heilands door; Hij noodigt tot zich,
om van den eigenlijken last, om van zonde en schuld te
oiitslaan.
Hij komt, de Behouder en Redder voor het gansche
menschdom. Toch noodigt Hij alleen de vermoeiden. Want
alleen wie vermoeid is, zal luisteren naar Zijne stem; alle
anderen zullen heengaan naar hun akker en naar hun
koopmanschap, en in de verstrooiingen van arbeid of van
-ocr page 325-
319
genot de stem verdooven, die tot hen heeft gesproken. Het
water is voor den dorstige; de rust is voor den vermoeide.
En nu, merkt op, wat tot die vermoeiden gezegd wordt.
„Komt tot Mij!" Niets anders dan dat. Niet dat zij iets
aanbrengen, niet dat zij iets toonen zullen; niets anders dan
dat zij komen. Komen, tot Hem, die hen roept; tot Hem
zelven, niet tot Zijne leer of tot Zijn voorbeeld, maar tot
Hem, den levenden, ahnachtigen Heiland, die in staat en
bereid is hunne lasten te ontbinden, hunne boeien te bre-
ken. Komt tot Mij! Dat is: wend uwe ziel naar Mij heen!
laat uw oog op Mij zien, laat uw oor naar Mij hooren!
houd u niet op bij wat u van Mij afleiden wil, dring door,
door alle beletselen van uw eigen ongeloof en van den
tegenstand der wereld, rust niet, totdat gij bij Mij zijt!
Hoe eenvoudig is die eisch! Of antwoordt gij in uw bin-
nenste : neen! niet eenvoudig! het is een onuitvoerbare eisch!
dat komen is mij onmogelijk! — Mijn lezer! indien het on-
mogelijk was, zou Jezus het niet vragen. Of meent gij dan,
dat de Zoon Gods op aarde is gekomen om de menschheid
te bespotten in hare ellende, door de redding te verbinden
aan eenen onmogelijken eisch? Zie, waar Hij Zijn woord
spreekt, daar gaat van Zijn woord goddelijke kracht uit;
daar is het, als waar Hij tot Lazarus in de groeve spreekt:
Lazarus, kom uit! en de doode hoort Zijn woord en treedt
te voorschijn. In u zelven, gewisselijk! is er tot dit komen
geene macht, maar de macht gaat uit van Hem, die tot
dit komen roept! Indien gij dan Zijne stem hoort, ver-
hard uw harte niet!
„Komt tot Mij — en Ik zal u rust geven \\" Eust, dat
is het wat de vermoeiden en belasten behoeven. Niet langer
worden zij voortgedreven, gejaagd en beangstigd; daar daalt
vrede in hun hart, vrede met God, omdat hunne zonde is
-ocr page 326-
320
vergeven; vrede met hun lot, omdat een Vader het oplegt ;
vrede met hun levenstaak, omdat zij dienen uit dankbare
liefde. De rust, hier bedoeld, is geene werkeloosheid; de
uitdrukking in de oorspronkelijke taal wijst dit nog duide-
lijker aan, dan onze vertaling het kan teruggeven. Het is
eenc rust, die in kalmte bestaat; het is het tegengestelde
van angst en gejaagdheid. Het is eene rust, die niet ver-
weekclijkt; eene rust, die integendeel de krachten sterkt om,
van boeien en lasten ontslagen, vreugdevol het werk des
Heeren te werken.
Zóó wordt begrijpelijk, hoe de Heer kan laten volgen:
„Neemt Mijn juk op u!\'\' Slechts dan kan de mensch ontslagen
zijn van den last, dien de dienst der zonde hein te torschen
geeft, indien hij buigt onder den last, door den Heer hem
opgelegd. Die last is voor zijne schouders berekend; dit
leven in den dienst des Heeren is de vervulling zijner
oorspronkelijke bestemming. De vrijheid, die Jezus aanbrengt,
is geene losbandigheid; dan zou zij geene werkelijke vrij-
heid zijn. Het is de vrijheid van het kind, die juist zich
betoont in het liefhebbend gehoorzamen van den Vader. Maar
desniettemin wordt het met recht een juk genoemd. Want
niet alleen, als het hart verruimd en verwarmd is, — neen!
gestadig moet de Vader worden gehoorzaamd. Zalig is het
in de stonden, waarin het gehoorzamen eene vanzelfsheid
is; maar de plicht blijft, ook waar die opgewektheid tijdelijk
terugwijkt. In gestadige oefening moet zij meer en meer
der ziele eigendom worden.
Want het juk, waarvan Jezus spreekt, is niet een
uitwendig opgelegde last, die drukt en nederbuigt, maar
buiten het persoonlijke zieleleven omgaat. Daarom laat Hij
volgen: „Leert van Mij." Uit Zijn onderwijs moet door
het hart worden verstaan, wat de oorspronkelijke bestem-
-ocr page 327-
321
ming des menschen was, maar door den zondeval weder
verloren gegaan was Het moet geleerd worden, langzaam,
telkens beter, in gedurig nieuwe toepassingen. Is niet
liet gansche leven des Christens, na zijne toebrenging tot
den Heer, een leerschool otn dit onderwijs in zich op te
nemen? Ach, dat we ons daarin zoo onleerzaam, zoo vergeet-
achtig, zoo onwillig betoonen! Waar zou het met ons
heen, indien niet onze leermeester ons leidde met goddelijk
geduld?
Daarvan geeft Jezus de verzekering in de woorden: „want —
aldus moeten wij vertalen in plaats van „dat"; — „want
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart." Daarom is het
goed en liefelijk, van Hem onderwezen te worden. Hij is
zachtmoedig; alzóó „zachtmoedig", dat Hij de stugheid
verwint door Zijn liefdevol geduld, en alzóó „nederig van
hart", dat Hij door Zijne nederbuiging zich geheel gelijk—
stelt met hen, die Hij te vormen heeft, ingaande in hunnen
toestand, en medegevoelende alle hunne verzoekingen en
nooden.
Omdat Hij is, die Hij is, kan Hij nu aan het vermoeide
en voortgejaagde menschdom de verzekering geven: ,,gij
zult rust vinden voor uwe zielen." Het is hetzelfde woord
dat gebezigd is in Jeremia VI. 16: „Zoo zegt de Heer:
Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude
paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zoo
zult gij rust vinden voor uwe ziel." Maar hoeveel rijker
is de belofte der Nieuwe Bedeeling boven die van de Oude!
Hier moet de mensch niet zelf den rechten weg zoeken,
om er dan voorts in te wandelen: hier komt een barmhartig
Heiland tot hem, om hem bij de hand te grijpen, om door
de macht Zijner liefde hem te dragen, en alzoo te voeren,
van stap tot stap, op den weg, die leidt naar het Vaderhuis.
ROOZEMEIJRR, Ev. M*TTH. I.                                                                           21
-ocr page 328-
322
Het heerlijk doel, de zalige rust voor de ziel, is reeds
op zichzelf alle inspanning waard. Maar van die inspan-
ning zelve zegt de Heer: Mijn juk is zacht, en mijn last
is licht. Is dan niet gestadige zelfverloochening noodig?
Gewis! Doch dat is niet, omdat de eischen des Heeren in
zich zelve zoo zwaar zouden zijn; dat is, omdat onze toestand
door de zonde alzóó is bedorven, dat het tegennatuurlijke
ons tot eene tweede natuur is geworden. Een Apostel ver-
klaart later, na de ervaring die een lang leven hem ge-
geven had: „Zijne geboden zijn niet zwaar." (1 Joh. V. 3).
Zij zijn het niet in zichzelve, omdat zij alle te zamen
toepassingen zijn van de ééne wet der liefde; en ze worden
licht en liefelijk, waar zij door dankbare wederliefde wor-
den volbracht.
Zóó staat daar dit Evangelie in het Evangelie, deze
noodiging tot de rust, gericht tot vermoeide zondaarshar-
ten, als komende van Hem, die schenken kan wat Hij
belooft, den Zoon des Vaders, in Wien de volheid der
Godheid lichamelijk woont. Zalig wie hooren, — en komen
op de roepstem: zij vinden méér, dan ooit hun hart had
vermoed!
XII. 1—4. In dien tijd ging Jezus, op een Sab-
batdag, door het gezaaide, en Zijne discipelen hadden,
honger, en begonnen aren te plukken en te eten.
En de Farizeën, dat ziende, zeiden tot Hem: Zie,
uwe discipelen doen, wat niet geoorloofd is te doen op
den, Sabbat.
Maar Hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, wat
JJavid gedaan heeft toen hem hongerde, en hen, die
met hem, waren ? Hoe hij gegaan is in het huis Gods,
en de toonbrooden gegeten heeft, die hem niet geoor-
-ocr page 329-
323
loofd waren te eten, noch ook hun, die met hem waren,
maar den priesteren alleen!\'
Het was niet slechts de onverschilligheid en de wereld-
zin, gelijk zich die in Kapemaum, Bethsaida en Chorazin
openbaarde, welke den arbeid des Heeren wederstond: ook
van gansch andere zijde werd Hij aangevallen en tegenge-
staan. Israels hooggeëerde vaderen, de ijveraars voor strenge
weisbetrachting, zagen in Hem eenen gevaarlijken nieuwig-
heidsprediker. Hun tegenstand was in het middelpunt van
het Israelietisch volksleven, te Jeruzalem, reeds duidelijk
uitgekomen; thans achten zij het blijkbaar van gewicht, ook
in Galilea, dat anders, als half onrein land, meest door hen
vermeden werd, Jezus gangen na te gaan. Welhaast doet
eene geschikte gelegenheid zich voor, om J ezus in staat van
beschuldiging te stellen. Op zekeren Sabbat gaat Hij door
het gezaaide, met Zijne discipelen. Hierin lag, naar Fari-
zeesche begrippen nog geen kwaad; een afstand van 2800
ellen mocht men, volgeus hen, op den Sabbat afleggen.
Maar zie, terwijl zij over dien akker gaan, beginnen Jezus
discipelen, honger hebbende, eenige aren af te plukken, en,
die wrijvende in de hand, de graankorrels op te eten. Op
een gewonen dag zou daarin niets vreemds geweest zijn:
immers in de wet (Deut. XXIII. 25.) was geschreven : „Wan-
neer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zoo zult
gij de aren met uwe hand afplukken; maar de sikkel zult
gij aan uws naasten staande koren niet bewegen." Dat was
een van die menschlievende bepalingen, waarvan de wet
zoo vol was, tot tegemoetkoming van de armen. Maar ....
dit nu te doen op eenen Sabbatdag, — daarin lag het
misdrijf! De inzettingen der ouden, waarmede de wet was
omtuind, stempelden dat als verboden arbeid, als Sabbat-
-ocr page 330-
334
schennis. Daarover roepen zij Jezus tot verantwoording.
Herhaalde malen vinden wij onzen Heer in eenen strijd
over den Sabbat gewikkeld. Dat zou den schijn kunnen doen
ontstaan, alsof Hij den rustdag zonder waarde keurde. Doch
dit is dan ook niet meer dan schijn. De geboden des
Vaders heeft de Zoon, „geworden onder de wet" (Gal. IV.
4.) met volkomen getrouwheid nageleefd: op den Sabbat
was het Zijne „gewoonte" (Luc. IV". 16) op te gaan naar
de Synagoge, en de gezegende instelling van den Sabbat,
als gegeven voor den mensch (Mare. II. 27) kon wel niet
anders dan door Hem in hooge eere worden gehouden.
Voorzeker! indien Hij geleefd had in eenen tijd als de
onze, waarin Gods heilige rustdag op allerlei wijzen ont-
wijd wordt, en aan den arbeider de rust wordt ontstolen,
door God voor hem bestemd; waarin de rustdag gemaakt
wordt tot een dag van allerlei genot, dat anderen tot werken
dringt, en de eigene ziel hoe langer hoe verder afleidt van
God, Hij zou Zijn: wee u! hebben uitgesproken tegen zulke
ontwijders van Gods heiligen dag. Zoo lang de tegenwoor-
dige bedeeling duurt, is een afgezonderde dag tot verheer-
lijking Gods even onmisbaar als een bedehuis: eerst in het
hemelsch Jeruzalem is geen tempel meer, omdat daar alles
is geheiligd, en geen dag van Godsvereering meer, omdat
het geheele bestaan is gewijd door de overgave aan den
Heer. Zoo beroepe zich dan niemand op onzen Heiland,
als steunde Zijn woord en voorbeeld het nedertrekken van
den dag des Heeren tot de laagte der gewone dagen!
"Wat Jezus tijdens Zijn openbaar leven te bestrijden had,
was juist het tegenovergestelde kwaad. Het was de knech-
telijke zin, die van den dag, door God als een zegen ge-
geven, eenen dag van last en moeite maakte, door allerlei
kleingeestige bepalingen. Het was de gezindheid, die het
-ocr page 331-
325
deed voorkomen, alsof God dezen dag had ingesteld om
den mensch te kwellen, en alsof men nu, door aan die
kwellingen zich te onderwerpen, verdienste verwierf, die men
bij God in rekening kon brengen, om goed te maken, dat
men de geestelijke eischen Gods overtrad.
In den omgang met Hem hadden Zijne discipelen geleerd,
het Sabbatsgebod niet aldus te beschouwen. En waar zij
nu over hunne vrije houding berispt worden, verdedigt de
Heer hunne daad. In die verdediging stelt Hij niet Zijn
eigen gezag op den voorgrond; eerst later spreekt Hij uit,
dat Hij zelf recht heeft om te bepalen wat de bedoeling
is van den Sabbat. Hij vangt aan met een beroep op de
Schrift, die door de Farizeën zelven als gezaghebbend er-
kend werd. De Schrift vermeldt (1 Sam. XXI. 6) de daad
van David, die, op zijne vlucht voor Saul, zich niet ont-
zien heeft, voor zich en zijne metgezellen te nemen van de
toonbrooden in het heiligdom Gods, die, volgens Exod.
XXIX. 32. 33, slechts voor de Priesters bestemd waren.
Wat tot die daad hem recht gaf, was niet de drang van den «
honger op zich zelven; dan toch zouden de toonbrooden
telkens kunnen weggenomen zijn door ieder, die in Israël
behoeftig was. Wat hem recht gaf tot zijne daad, was dit, »
dat hij Gods gezalfde was, die in deze zalving de gewis-
heid bezat, dat hij tot onderhoud van dit leven, tot zoo
hooge bestemming gewijd, doen mocht wat naar de letter
der wet ongeoorloofd was. Nergens wordt die daad door
het woord des Heeren berispt. De wettige gevolgtrekking,
die Jezus daaruit afleidt, is deze, dat het hoogere het lagere
ter zijde stelt. Thans spreekt Hij die nog niet uit, maar
Hij baant door dit voorbeeld den weg tot wat Hij later
uitspreken zal: „de Zoon des menschen is een Heer ook
van den Sabbat." Eer Hij echter daartoe komt, haalt Hij
-ocr page 332-
326
een ander voorbeeld aan, dat rechtstreeks op den Sabbat
betrekking heeft.
XII. 5—8. Of hebt gij niet gelezen in de wet,
dat de Priesters den Sabbat ontheiligen in den tem-
pel, op de Sabbatdagen, en nochtans onschuldig zijn f
En Ik zeg u, dat een méérder dan de tempel hier is.
Doch zoo gij geweten hadt, wat het zij: Ik wil
barmhartigheid en niet offerande, gij zoudt de on-
schuldigen niet veroordeeld hebben.
Want de Zoon des mensehen is een Heer ook van
den Sabbat.
Het tweede voorbeeld, waarmede Jezus het gedrag Zijner
discipelen rechtvaardigt, is ontleend aan het voorschrift der
wet (Num. XXVIII. 9). „Maar op den Sabbatilag zult gij
bereiden twee volkomene éénjarige lammeren, en twee tien-
den meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, mitsgaders
zijn drankoffer." Op den Sabbat moeten de Priesters werk
doen, opdat de dienst des Tempels niet zou stilstaan. Ook
hier stelt het hoogere het lagere ter zijde: de Tempel is
het hoogere, — dus daarvoor moet het Sabbatsgebod, naar
de letter opgevat, wijken.
En nu, — meer dan de tempel is hier! Ziedaar weder
één van die woorden, overal in onze Evangeliën verspreid,
die de waarachtige en eeuwige Godheid onzes Heilands
boo duidelijk mogelijk te kennen geven. Denk u in, mijn
lezer! wat dat woord in zich besluit. Wat den Tempel tot
Tempel maakt, wat hem wijdt tot het heiligste, dat op aarde
bestaat, — dat is de inwoning Gods, de Schechina, die
aan Israël het onderpand gaf, dat zijn verbonds-God onder
hen verwijlde. Wie dus meerder dan de Tempel zal zijn, in
-ocr page 333-
327
Hein moet de inwoning Gods eene meer volkoinene zijn dan
in het heiligdom Israels. Denk u zulk een woord gesproken
door een menschenkind, en gij gevoelt terstond hoe Gods-
lasterlijk dat zijn zou. Maar Hij heeft recht het uit te
spreken, de Godmensen, in Wien de volheid der Godheid
lichamelijk woont, die den Vader openbaart in een mensche-
lijk bestaan. Wat Israels Tempel slechts schaduwachtig af-
beeldde, het komt in Hem tot werkelijkheid.
Ontslaat dus de Tempel van de letter van het Sabbats-
gebod, nog grooter is het recht van Hem, die méér is dan de
Tempel, om den zin van het Sabbatsgebod te verklaren.
Doch eer de Heer dit gaat uitspreken, wijst Hij den berispers
er op, dat die Schrift zelve, die zij beweren zoo hoog te
waardeeren, hun leeren kan, het geestelijke boven het uit-
wendige te stellen, de barmhartigheid boven vormelijken
godsdienst. Hij haalt het woord aan van Hosea VI. 6:
„Ik wil barmhartigheid en niet offerande."
Dit woord is een van die uitspraken, die zoo veelvuldig
bij de Profeten voorkomen, waarin schijnbaar de gansche
eerdienst afgekeurd wordt. Men denke bijvoorbeeld aan
Micha\'s woord, waar hij op de vraag van het schuhlbe-
lijdende volk: „Waarmede zal ik den Heere tegenkomen,
en mij bukken voor den hoogen God? Zal ik komen met
brandofferen, met éénjarige kalveren? Zou de Heer een wei-
gevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tiendui-
zenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven
voor mijne overtreding?" — het antwoord doet hooren:
„Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is; en
wat eischt de Heer van u, dan recht te doen, en weldadig»
heid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uwen
God?" (Micha VI. 6—8). Men denke aan het woord van
Jesaia (I. 11): „Waartoe zal Mij zijn de veelheid uwer
-ocr page 334-
328
slachtoffers? zegt de Heer. Ik ben zat van de brandoffers
der rammen, en het smeer der vette beesten, en heb geen
lust aan het bloed der varren, noch der lammeren, noch
der bokken." Wat bedoelen nu deze en dergelijke uit-
spraken ? Keuren zij den offerdienst af? Immers neen! die
offerdienst is door God uitdrukkelijk verordend. Maar dit
geven zij te kennen, dat de zedelijke eischen hooger staan
dan de uitwendige, en dat de verwaarloozing van de eerste
niet door de stipte opvolging der tweede wordt goedgemaakt.
Zoo is dan de aanhaling van zulk een woord door Jezus
een middel om het geweten der Parizeen te treffen; het
moet hun afvragen, hoe het staat met hunne beantwoording
aan de geestelijke eischen Gods, waar zij zóó stipt zich be-
toonen omtrent het Sabbatsgebod, dat zij dit door allerlei
menschelijke toevoegselen maken tot een drukkenden last.
Eerst thans volgt, als besluit der geheele rede, waarvan
de Evangelist gewis alleen den hoofdinhoud heeft medege-
deeld: „De Zoon des menschen is een Heer ook van den
Sabbat." Ook hier bezigt Jezus den naam „Zoon des menschen",
die Zijne Christuswaardigheid slechts bedektelijk aanduidt,
om alle misverstand uit te sluiten, alsof Hij een aardsch
koninkrijk kwam oprichten. De geestelijke heerlijkheid van
dien naam komt genoegzaam uit door wat er volgt. Hij is
Heer ook over den Sabbat, omdat Hij als Gods gezondene,
Gods bedoeling met het Sabbatsgebod ten volle verstaat.
Ge\'bruikt Hij nu Zijne macht over den Sabbat om den
rustdag af te schaffen? In geen enkel opzicht worden de
grondregelen der Oude bedoeling in de Nieuwe afgeschaft;
alleenlijk, de geestelijke bedoeling daarvan treedt duidelijk
in het licht. Neen! geene afschaffing van den rustdag! het zou
een wegnemen zijn van een onwaardeerbaren zegen ! Maar een
duidelijk maken van het doel van den rustdag; een weg-
-ocr page 335-
329
nemen van wat dien dag tot een juk zou maken; een be-
stemmen van dien dag tot geestelijke Godsverheerlijking.
Verboden blijft, wat het wezen van den rustdag vernietigen
zou; geoorloofd is al, wat den mensch niet belemmert in
het opheffen der ziel tot God, in de voorbereiding tot het
leven des hemels, waar, bij ontplooiing aller krachten, een
eeuwige rust in Gods gemeenschap gesmaakt wordt. Dat
doel van den rustdag treedt in nog duidelijker licht, in de
geschiedenis, die de Evangelist onmiddellijk na deze ont-
moeting verhaalt.
XII. 9—13. En vandaar voortgaande, kioam
Hij in hunne, Synagoge.
En ziet, er toas een mensch, die eene dorre hand
had; en zij vraagden Hem, zeggende: Is het ook
geoorloofd, op de Sabbatdagen te genezen ? opdat zij
Hem mochten beschuldigen.
En Hij zeide tot hen: Wat mensch zal er zijn
onder u, die één schaap heeft, en zoo dat op een
Sabbatdag in eene gracht valt, die het niet zal aan-
grijpen en uitheffen ? Hoeveel gaat nu een mensch
een schaap te boven? Zoo is het dan op de Sab-
batdagen geoorloofd, wel te doen.
Toen zeide Hij tot dien mensch : Strek uwe hand
uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld, gezond
gelijk de andere.
Een ongelukkige, in de Synagoge tegenwoordig, met eene
verdorde, verlamde hand, geeft aan Jezus vijanden welkome
aanleiding om Hem op de proef te stellen. Geeft Hij op
hunne vraag een ontkennend antwoord, dan wordt Hij
ongelijk aan zichzelven en erkent de geldigheid der Eari-
-ocr page 336-
330
zeesche praktijk. Geeft Hij een bevestigend antwoord, dan
rekenen zij op de verontwaardiging van al de bezoekers der
Synagoge. De Heer aarzelt niet, het bevestigend antwoord
te geven, doch Hij geeft het zóó, dat Hij tegelijk Zijne
tegenstanders ontwapent, door op hunne eigene handelwijze
zich te beroepen. Een schaap, op het punt van om te komen,
redden zij wel op den Sabbatdag. Zou het dan niet geoor-
loofd zijn een mensch te genezen, die toch in waarde een
schaap zoo verre te boven gaat ?
Het voorbeeld, door den Heer aangehaald toont, dat de
Parizeen Zijner dagen nog niet gekomen waren tot de
consequentie, waartoe hunne navolgers in latere tijden komen
zouden. Later toch werd voorgeschreven, dat in zoodanig
geval iemand aan een schaap wel voedsel toereiken mocht,
en ook wel stroo toewerpen, opdat het schaap daarop zou
kunnen gaan staan om niet te verdrinken, maar dat men
zulk een schaap geenszins uit de gracht uittrekken mocht.
Zoover nu was men in Jezus dagen nog niet gekomen. Een
schaap redde men nog uit den nood; zou het dan niet ge-
oorloofd zijn, eenen mensch te redden?
Zoo was het dan, volgens hun eigen praktijk, geoorloofd
op Sabbatdagen wel te doen. Dat het juist in den aard van
den Sabbat ligt, — die door God tot een zegen, tot een
tijdelijke onderbreking van de straf op de zonde gegeven
was, — weldadigheid te bewijzen, dat zegt de Heiland niet
uitdrukkelijk; het was Hem genoeg, uit hun eigen gedrag,
Zijn recht tot weldoen te staven.
Zonder hun antwoord af te wachten, verricht de Heer
het wonder Zijner reddende liefde. Hij spreekt Zijn macht-
woord, — en het onmogelijke wordt mogelijk; de verlamde
hand wordt uitgestrekt en is hersteld.
Een wonder is onverklaarbaar, juist omdat het een wonder
-ocr page 337-
331
is. Maar hierop wijzen wij, dat het op geestelijk gebied
evenzoo gaat, als hier bij deze lichamelijke genezing. Als
de Heer met het woord Zijner genade komt tot een zondaar,
om hem te roepen uit de duisternis tot het licht, dan is die
zondaar in zichzelven even onmachtig, als deze man met de
verdorde hand onmachtig was zijne hand uit te strekken.
Maar de macht, die hij in zichzelven niet heeft, komt tot
hem door het woord van den Heer. Zijn woord, bezield door
Zijnen Geest, maakt het gehoorzamen mogelijk, en in de
gehoorzaamheid des geloofs voltrekt zich de redding der
ziel, zooals hier in deze geschiedenis, de genezing des
lichaams. Klage dan niemand over eigene machteloosheid!
hoore een iegelijk naar het machtwoord des Heeren, die
wonderen werkt!
XII. 14—21. En de Farizeën, uitgegaan zijnde,
hielden samen raad tegen Hem, hoe zij Hem dooden
mochten.
Maar Jezus, dat wetende, vertrok van daar, en
vele scharen volgden Hem, en, Hij genas ze allen.
En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij Hem niet
zouden openbaar maken; opdat vervuld zou worden,
hetgeen gesproken is door Jesaia, den Profeet, zeggende:
Ziet, Mijn knecht, welken Ik verkoren heb, Mijn
beminde, in welken Mijne ziel een welbehagen heeft;
Ik zal Mijnen Geest op Hem leggen, en Hij zal liet
oordeel den Heidenen verkondigen. Hij zal niet twisten
noch roepen, noch zal er iemand Zijne stem op de
straten hoor en. Het gekrookte riet zal Hij niet ver-
breken, en het rookende lemmet zal Hij niet uitblus-
schen, totdat Hij het oordeel zal uitbrengen tot over-
winning. En in Zijnen Naam zullende Heidenen hopen.
-ocr page 338-
• 332
De Farizeën zijn tot zwijgen gebracht, maar, al wisten
zij niets te antwoorden, zij hebben zich niet laten o ver-
tuigen. En waar zij dit niet wilden, daar moest wel hunne
vijandschap stijgen tot een beramen van den dood van
Jezus. Zij moesten buigen voor Jezus, en dan al hunne
gewaande vroomheid opgeven, om in Zijne wegen te gaan
wandelen, — of, waar Jezus voor hen niet buigen wil,
moet Hij uit deu weg geruimd worden. Dezelfde scherpe
tegenstelling treedt hier in het licht, die reeds openbaar
geworden was bij de Tempelreiniging, in Joh. II bericht.
Daar reeds had Jezus, op der Joden weigering om Zijn
geestelijk recht tot de Tempelreiniging te erkennen, uitge-
sproken, dat die tegenstand zou uitloopen op Zijnen dood
door hunne handen. Er was geen tusschenweg mogelijk.
En als dan ook Zijne ure zal gekomen zijn, zal de Zoon
des Vaders niet aarzelen, zich over te geven in der vijan-
den macht, wetende, dat Hij slechts door den dood heen
Zijn verlossingswerk kan volbrengen. Maar vóór die ure
gekomen is, onttrekt Hij zich aan het dreigend gevaar, om
de taak te voleindigen, die Hij in Zijn openbaar leven te
volbrengen heeft; Hij verlaat de plaats, waar de vijand-
schap zich zoo duidelijk openbaarde, om in eene andere
streek zegen te verspreiden.
Want dat zegenverspreiden houdt niet op. De scharen
blijven Hem volgen, opdat Hij hunne kranken zou genezen,
en, al is het slechts uitwendige nood, die hen uitdrijft, de
barmhartige Redder stelt geene hulpzoekenden teleur. Gebiedt
Hij ernstig en dringend, dat men Hem niet openbaar
maken zal, het is de vleeschelijke gezindheid, welke op een
uitroepen tot koning uitloopen zou, die Hij te keer gaat,
niet het heenwijzen van ongelukkigen op Hem, opdat zij
bij Hem redding zouden vinden.
-ocr page 339-
333
Dit zegenverspreiden met vermijding van alle uiterlijk
gerucht, roept den Evangelist de profetie voor den geest,
waarin juist zulke arbeid van den knecht Gods wordt aan-
gekondigd. Het is de welbekende profetie van Jes. XLI.I.
1—4 die door Mattheus aangehaald wordt, met die vrijheid van
de letter en gebondenheid aan den geest, die de aanhalingen
uit het O. T. in de schriften des N. T. pleegt te kenmerken.
Naar profetische beschouwing is in de eerste plaats het
volk Israël de knecht van Jehovah, door Hem geroepen
om tot Zijn heil de volkeren te noodigen. Doch waar dit
volk als volk zich aan zijne roeping ontrouw betoont, zoo-
dat de Heer moet vragen: „Wie is er blind als Mijn
knecht, en doof, gelijk Mijn bode, dien Ik zende?" (Jes.
XLII, 19) — daar leert de Profeet in vergezicht Eenen
aanschouwen, in wien Israels roeping tot verwezenlijking
komen zal, eenen Knecht Gods, die het werk Gods volko-
menlijk zal volbrengen. Van dien volmaakten Knecht des
Heeren zegt nu God, in de door Mattheus aangehaalde
profetie, dat Hij het werk des Heeren volbrengen zal op
eenen weg, waarop geen gerucht noch geroep Zijnen arbeid
vergezelt. Het einddoel is, het verkondigen van het oordeel
Gods aan de gansche aarde, waardoor het recht Gods tot
aauschouwing zal komen, dat tijdens den loop der wereld-
geschiedenis verborgen is geweest. Maar deze eindelijke
openbaring des gerichts wordt voorbereid door een arbeid,
die geen opzien baart, en die, naar de meening der men-
schen, nooit tot dat doel zou kunnen leiden.
Inderdaad, zóó is het leven en werken van onzen Hei-
land geweest. Terwijl Hij onder visschers en tollenaars
arbeidt, gaat de wereldgeschiedenis haren loop, en de
machtigen der aarde bemerken het niet, wat daar geschiedt
in Galilea\'s steden en dorpen. Maar ondertusschen brengt
-ocr page 340-
334
die arbeid pene scheiding tusschen licht en duisternis, en
verandert, van binnen uit, den toestand des menschdoms.
Die arbeid heft een deel der menschheid op tot het kind-
schap Gods, terwijl het andere deel, door het verstooten
van het toegereikte heil, te dieper zinkt. En als dan de
dag der dagen zal gekomen zijn, dan zal het blijken, dat
in de menschheid slechts deze ééne verdeeling, bij welke
alle andere onderscheidingen wegvallen, werkelijk bestaat:
met Jezus of tegen Jezus, en de menschheid zal worden
geoordeeld naar deze verhouding tot Hem.
Die machtige uitwerking komt daar van daan, dat God
Zijnen Geest op Hem legt. De Geest, die de Profeten voor
eene wijle tijds ophief boven htm gewonen toestand, zou
op dezen Knecht des Heeren „gelegd" worden, zou bij
Hem blijven en Hem ganschelijk vervullen; „God geeft
Hem den Geest niet met mate" (Joh. III. 34). Maar
juist, omdat die Geest de oorzaak is dezer machtige uit-
werking, wordt zij gewrocht zonder gerucht. De tegenstel-
ling, bij Zacharia (IV. 6) uitgedrukt: „niet door kracht
of geweld, maar door Mijnen Geest," is eene blijvende
tegenstelling. Geestelijke werking is altijd tegengesteld aan
wat opzien baart. Stormen en onweders kunnen vóór den
Heer henen gaan, maar Hij zelf is alleen in het suizen der
zachte koelte.
Daarom dan ook is de werking, de gang van den-Knecht
des Heeren te midden der wereld, een zoo zachte en liefe-
lijke, dat Hij „het gekrookte riet niet verbreekt, en de
rookende vlaswiek niet uitbluscht." Terecht heeft men in
deze beeldspraak, die den gang des overwinnenden helds
beschrijft, eene aanduiding gezien van de teedere zorg des
Heilands voor de zwakken en machteloozen. Voorwaar!
eene ziel, die aan zich zelve ontdekt wordt, leert in zulk
-ocr page 341-
3:35
een riet, in zulk een lemmet haar beeld aanschouwen. Dat
juist is het doel der voorbereidende genade, den mensch
te ontledigen van al zijne gewaande voortreffelijkheid en
sterkte. Machteloos als een gekrookt riet, dat door de minste
ruwe aanraking gebroken kan worden: nietig als een roo-
kende vlaswiek, waarvan de glimmende vonk terstond zou
kunnen gebluscht worden — zóó staat de aan zichzelven
ontdekte mensch tegenover den heiligen God. Maar de Ge-
zondene van dien heiligen God komt niet om te verbreken
en uit te blusschen, neen ! om met nieuw leven te vervullen.
Teeder en ontfermend buigt Hij zich tot de ellendigen
neder. Welk een liefelijk troostwoord, dat de verslagene
harten opbeurt! Al uwe ellende, o arm, zondig menschen-
kind! is voor uwen Heiland juist eene oorzaak om zich
neder te buigen, aan u Zijne genade te verheerlijken. Door
Zijne wondere werking wordt het gekrookte riet eene
plantin ge Gods, die opbloeit en zich ontwikkelt, en die
wegstervende vonk wordt aangeblazen tot eene heldere
vlam. Want Zijne verlosten blijven wel, in eigene schatting,
tot het einde toe arm en zwak, maar innerlijk worden zij
toch vernieuwd en bekrachtigd, — totdat het openbaar
wordt, hoe heerlijk het leven is, dat hun Verlosser hun
mededeelt!
De Knecht des Heeren wordt tot Israël gezonden. Maar
omdat Hij niet komt om aan Israël uitwendige glorie te
brengen, omdat Hij zoo zacht en zoo nederig optreedt,
daarom is Zijne . verschijning ook voor de Heidenen\' eene
oorzaak der hope. Zeker! zij stonden achter bij het geze-
gende volk, het volk der beloften en der verbonden; zij
hadden den pleitgrond niet, die aan Israël was gegeven.
Maar als nu de Knecht des Heeren alzóó- komt, — dan
mogen ook de Heidenen hopen. Dan is er grond van
-ocr page 342-
336
verwachting ook voor de allerellendigsten. Een overwinnend
Koning zou schrik inboezemen; een barmhartige Heiland
trekt de zielen aan. Zijne komst is der gansche wereld tot
heil. Telkens en telkens weer hebben de Godsspraken der
Profeten Israël doen heenzien over de perken, die slechts
tijdelijke waren, waardoor Israël van de volken was ge-
scheiden, perken, die door Israël gedurig tot eene oorzaak
van ijdele zelfverheffing waren gemaakt. De zaligheid is
uit de Joden, — maar is voor heel de menschheid be-
sterad. Israël heeft voor die wenken de oogen gesloten; ja!
juist omdat de Messias niet kwam als een brenger van
glorie voor Israël, heeft het als volk Hem verworpen. Maar
de Heidenen zijn gekomen van Oosten en Westen, en heb-
ben in Israels Messias hun Heiland begroet. Zóó gaat het
voort, de eeuwen door, zoolang de bedeeling der Heidenen
duurt, — totdat aan het einde ook Israël tot jaloerschheid
verwekt wordt, en zich keert tot dien Koning, die als
Redder en Behouder verscheen.
XII. 22. 23. Toen werd tot Hem gebracht een
van den duivel bezeten, die blind en stom was, en
Hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide
sprak en zag.
En al de scharen ontzetten zich, en zeiden: Is deze
niet de Zoon van David?
Uit het wonderdoend en zegenend rondreizen des Heeren,
waarin Mattheus de vervulling der profetie van Jesaia heeft
doen opmerken, deelt hij hier eene enkele bijzonderheid
mede. Het is den Evangelisten niet om volledigheid te doen;
zij vermelden slechts enkele daden, om daaruit het geheel
van het optreden des Heeren te doen kennen, en wel bij
-ocr page 343-
337
voorkeur zulke wonderen, waarbij, hetzij omtrent de gene-
zenen, hetzij omtrent de getuigen dier wonderdaden, iets
bijzonders valt mede te deelen.
De bezetenheid van den mensch, van wien hier sprake
is, openbaart zich daarin, dat hij blind en stom is. Op het
machtwoord des Heeren wijkt de booze geest, — en aan
den ongelukkige zijn gezicht en spraak hergeven. Gelijk zoo
menig ander wonder des Heeren, is ook dit eene treffende
afbeelding van de geestelijke wonderen, die door alle eeu-
wen voortgaan, terwijl de uitwendige wonderen slechts een
straalkrans waren rondom het aardsche leven des Heeren.
Immers, blind voor Gods liefde, voor eigen roeping en
bestemming, bewandelt de zondaar zijnen weg, — en hoe
zou hij kunnen spreken tot verheerlijking Gods, waar zijn
hart met dien God geene gemeenschap heeft? Maar als de
hand des Heeren hem aanraakt; als hij tot staan gebracht
wordt op zijn pad, dan leert hij zien, eerst zijn eigene
ellende, maar daarna de ontferming Gods en den rijkdom
van Gods gaven, de taak des levens en de heerlijke toe-
komst aan gene zijde des grafs. En dan leert hij spreken
tot grootmaking van den naam des Heeren, tot het win-
nen van andere zielen voor Hem, die Zijne genade zoo
wonderbaar verheerlijkte. Voorwaar! zulke herschepping is
geen geringer wonder dan de genezingen des lichaams, tij-
dens Jezus aardsche leven bewerkt. Alleenlijk, om deze te
zien is een geestelijk oog noodig, terwijl de uitwendige
wonderen voor allen zichtbaar waren.
De schare, die de genezing van dezen stommen en blinden
man aanschouwde, ontzette zich. Z«lke verbazing en ont-
roering is nog niet zelve de bekeering des harten: men kan
die verbazing weder te boven komen, en heengaan tot akker
en koopmanschap, alsof er niets geschied ware. Maar al is zij
ROOZEMEIJER, Ev. MATTH. I.                                                                          22
-ocr page 344-
338
nog niet alles, zij is toch iets. Zij is eene tijdelijke opheffing
uit de gewone onverschilligheid en stompzinnigheid, waarin
een mensch zijne dagen gewoonlijk doorbrengt. Zij doet opzien
en vragen; zij kan de brug worden, die voert tot het geloof\'.
Dat blijkt ook hier, waar de toeschouwers vragen: „Is deze niet
de Zoon van Da viel?" Dat Jezus de nederige Menschenzoon
is, die geen enkelen stap doet om tot uitwendige heer-
schappij te geraken, dat is voor een oogenblik hun geen
struikelblok; dit schitterend wonder openbaart eene heerlijk-
heid, die tegen den ontbrekenden uiterlijken glans opweegt;
zij vragen zichzelven en anderen: zou deze niet de beloofde
Messias wezen?
Eer daar op die vraag eene vreugdevolle bevestiging
komt, is er intusschen nog wat anders noodig. Er moet een
erkenning komen van Zijne geestelijke heerlijkheid, en deze
wederom moet opgewekt worden door een inzicht in eigene
verwerpelijkheid voor God. Blijvend wordt geene enkele
ziel aan Jezus verbonden, zoo het niet is op den weg van
bevredigde zondaarsbehoefte. De vraag: „Is deze niet de
Zoon van David?" is nog niets meer dan een aanvang,
— maar toch voor den vijand der zielen belangrijk genoeg
om te pogen, die aanvankelijk ontwaakte gemoederen weer
te verharden tegenover den Heer. Daartoe zullen de Fari-
zeën zijne werktuigen zijn.
XU. 24—28. Maar de Farizeèh, dit gehoord
hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit
dan door Beëlzebul, den ooerste der duivelen.
Bock Jezus, kennende hunne gedachten, zeide tot
hen: Een ieder koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld
is, wordt verwoest, en eene iedere stad of huis, dat
tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan. En indien
-ocr page 345-
339
de Satan den Satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich-
zelven verdeeld; hoe zal dan zijn rijk bestaan?
En, indien Ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp,
door wien werpen ze dan uwe zonen uit f Daarom,
zullen die uwe rechters zijn.
Maar indien Ik door den Geest Gods de duivelen
uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u ge-
komen.
De Parizeen herhalen de beschuldiging, die zij, volgens
Matth. IX. 34, ook vroeger bij de genezing van eenen
stomme hebben uitgesproken, en noemen den duivel met
den naam Beëlzebul, waarbij wij hebben stilgestaan bij
Matth. X. 25.
Wat hier onze aandacht tot zich trekt, is hel antwoord,
door Jezus op deze beschuldiging gegeven.\' Merken wij in
de eerste plaats op, van welke zachtmoedige kalmte dit
antwoord getuigt. Geen woord van toorn over zoo laag-
hartige beschuldiging; niets dan eene duidelijke aanwijzing,
dat de gegevene verklaring niet de ware kon zijn. Aan de
algemeene waarheid herinnert de Heer, dat een rijk, een
stad, een huis, dat tegen zichzelf verdeeld is, onmogelijk
bestaan kan, maar inéén moet storten. Daar nu het
Rijk des Satans, ook volgens hunne eigene erkenning, een
werkelijk bestaand, een macht uitoefenend Rijk is, zoo is
de veronderstelling ongerijmd, dat dit een innerlijk verdeeld
Rijk zou wezen, dat de Satan zijn eigen Rijk afbreuk zou
doen, door de booze geesten, die hij uitgezonden had, zelf
te gaan verdrijven.
Deze bewijsvoering is zoo eenvoudig en duidelijk, dat
hare juistheid ieder in het oog moet vallen. Ten over-
vloede voegt de Heer er nog eene tweede aan toe. Ook
-ocr page 346-
340
door de leerlingen van de scholen der Joden, zeker bepaalde-
lijk van die der Farizeën, geschiedden er uitdrijvingen van
booze geesten; men vergelijke wat in Hand. XIX. 13. 14
van de zonen van Sceva bericht wordt. Bij die genezingen
hebben wij zeker niet aan wonderwerken te denken, maar
ons die genezingen voor te stellen als teweeggebracht door
den invloed van indrukmakende persoonlijkheden, teweeg-
gebracht op wie, in lichten graad, onder duivelsche invloeden
stonden. Waren zij met de wouderen van Jezus gelijk te
stellen geweest, dan zouden die wonderen door de tijdge-
nooten gewis niet als iets bijzonders aangemerkt zijn. Maar,
hoe groote afstand dan ook tusschen beide bestond, die
uitwerping van booze geesten door hunne eigene leer-
lingen moest dan toch de Parizeen overtuigen, dat er voor
deze werken des Heeren eene andere verklaring kon zijn,
dan die hunne boosaardigheid hen deed uitspreken.
Thans gaat de Heer van de afwijzing der valsche ver-
klaring over tot het in het licht stellen der ware. Dui-
velsche werking kan het niet zijn, waardoor deze wónder-
daden verricht worden; moeten zij er nu zelven eene boven-
natuurlijke werking in zien, dan kan er geene andere ver-
klaring zijn, dan dat Gods Geest hier machtig en heerlijk
zich openbaart. En is dat zoo, dan is dit een bewijs „dat
het Koninkrijk Gods tot hen gekomen is". Eigenlijk staat
\' er: dat het Koninkrijk Gods u verrast heeft, ongedacht
voor u verschenen is.
Inderdaad, de Joden, inzonderheid de Earizeën, verwacht-
ten wel een Koninkrijk Gods, een Rijk, dat zich in
heerlijkheid en machtsbetooning zou openbaren. Maar zij
verwachtten, dat zij van dit Koninkrijk de aangewezene
leidslieden zijn zouden. Eene altijd meer gehoorzame onder-
werping des volks aan hunne voorschriften en wetsverscher-
-ocr page 347-
341
pingen; een telkens grooter toevloed van proselyten uit alle
volken, die in de Farizeesche gerechtigheid heil voor hunne
ziel zouden komen zoeken, — dat was het Koninkrijk Gods,
dat zij verbeidden. Doch zie, nu komt het zoo gansch an-
ders! Nu komt het in den persoon en door het werk van
Eenen, in Wien zij slechts een Rabbi uit Nazareth zien, die
zich niet stoort aan hunne aangematigde hoogheid, die het
volk eerder van hen afleidt, dan tot hen voert. Daarom
overvalt, daarom verrast het hen. Want dat het toch wel
waarlijk Gods Koninkrijk is, dat kan hun blijken uit de
geestelijke macht, die er van uitgaat, uit den zegen, dien het
rondom zich verspreidt. Zoo wordt het dan nu de vraag
of zij dat koninkrijk Gods willen erkennen, waar het komt,
niet langs de lijnen die zij geteekend hebben. Die erken-
ning vraagt verootmoediging, verbrijzeling des harten, —
want het is een koninkrijk, waarin zij niet hebben te heer-
schen, waarin zij niet anders dan nederige onderdanen
kunnen worden van den Koning, door God gezalfd.
XII. 29. 30. Of hoe kan iemand in het huis eens
sterken, inkomen, en zijne vaten ontrooven, tenzij dat
hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal
hij zijn huis bcrooven.
Wie met Mij niet is, die is tegen Mij; en wie
met Mij niet vergadert, die verstrooit.
Omdat de erkenning van het Koninkrijk Gods in eene
gestalte, die zoo geheel van de Earizeesche voorstelling
afwijkt, verootmoediging en zelfverloochening eischt, daarom
verzet zich het van nature zoo trotsche hart daartegen,
zoolang het niet klaarblijkelijk daartoe wordt gedrongen.
Op de uitspraak: „het Koninkrijk Gods is, onverwacht,
-ocr page 348-
342
tot u gekomen," laat de Heer daarom nog een duidelijke
aanwijzing volgen, dat inderdaad dit Koninkrijk kwam. Aan
den Booze worden de zielen ontrukt, die onder zijn heer-
schappij stonden. Dat geldt niet alleen den bezetenen, die
van de demonische macht verlost worden; dat geldt iedere
ziel, die uit de duisternis tot het licht, uit den dood tot
het leven gevoerd wordt. Hadden de Farizeën geen oog
0111 het laatstgenoemde te zien, het eerste konden zij althans
niet loochenen. Welnu! daaruit bleek dan zonneklaar, dat
er eene hoogere macht verschenen en in hun midden werk-
zaam was, dan de macht van den Booze. Als aan den sterke
zijne vaten ontroofd worden, dan is dat een bewijs, dat er
een sterkere gekomen is, die dien sterke gebonden en mach-
teloos gemaakt heeft. Alzoo is op geestelijk gebied de sterke
overwonnen, die over alle kinderen van Adam heerscht als
de overste dezer wereld. Wie moet Hij zijn, die dit kon .\'
Maar ook, hoe doet dit woord ons eenen blik slaan in dien
innerlijken strijd, door den Zoon des menschen tegen den
Booze gevoerd, waarvan de geschiedenis der verzoeking in
de woestijn ons slechts een enkelen trek vertoont! Dit zijn
diepten, die wij niet, peilen kunnen, maar waarin wij eer-
biedig staren, bedenkende dat ook dit behoord heeft tot
het werk der verlossing, ten koste waarvan wij zijn gered!
Zoo staat daar dan nu de Vorst des lichts tegenover
den Vorst der duisternis. Zijn verschijning verdeelt de mensch-
heid in twee legers; aan de ééne zijde de ontelbare schare
der willooze werktuigen van den overste dezer wereld; aan
de andere zijde de kleine schare, in wier zielen een vonk
des lichts is afgedaald, en die nu optrekken achter den
Leidsman hunner behoudenis. Zijne verschijning roept nu
tot eene keuze, eischt eene beslissing. Ja, ook het onbe-
slist blijven is eene keuze; wie niet kiest voor den Heer,
-ocr page 349-
343
die staat noodwendig tegen Hem over. Want de zaak ligt
niet zóó, alsof de mensch van nature op onzijdig terrein
zich bevindt, en nu alleen door persoonlijke keuze aan den
Heer of aan den Booze gaat toebehooren; door zijne samen-
schakeling met het gevallen geslacht van Adam staat hij
van nature onder den overste dezer wereld, en slechts de
daad des geloofs in Christus brengt hem over naar de andere
zijde. Ook tegenover deze Farizeën, de opgeworpen leids-
lieden Israels, spreekt Jezus het uit, dat er slechts ééne wer-
kelijke indeeling der menschen bestaat: vóór of tegen Hein,
den nederigen Menschcnzoon, die tegelijk de volheerlijke
Godszoon is.
„Wie niet vóór Mij is, is tegen Mij." Tot Zijne disci-
pelen zei de de Heer, omgekeerd: „wie niet tegen ons is, die
is vóór ons!" (Mc. IX. 40), toen zij iemand bestraft hadden,
die krachten deed in Jezus naam, schoon hij met hen Jezus
niet volgde. Opmerkelijk is dit onderscheid. De menschen,
die niet in het hart kunnen lezen, en die daarenboven in
zichzelven zooveel zondigs hebben, wat eerlijke gemoederen
van de gemeenschap met hen afhouden kan, hebben zich
te houden aan het mildere woord: wie niet tegen ons is,
die is vóór ons. Zij moeten ontvankelijkheid en welwillend-
heid blijven veronderstellen, zoo lang zij slechts eenigzins
kunnen, en alléén op grond van beslisten tegenstand in
iemand eenen vijand der zaak des Heeren zien. Maar als
de Heer niet tot Zijne discipelen spreekt over hunne ver-
houding tot anderen; als Hij rechtstreeks tot de conscien-
tiën Zijner hoorders zich richt, dan is het zooveel strengere
woord aan zijne plaats: wie niet voor Mij is, is tegen Mij.
„En wie met Mij niet vergadert, die verstrooit," laat
Jezus volgen. Aan die uitdrukking ligt de gedachte ten
grondslag, dat Hij de Herder Israels is, van den Vader
-ocr page 350-
344
gezonden om de kudde, de nu verstrooide schapen, bij een
te zamelen, en te leiden tot de grazige weide. Wie nu in
dat werk Hem niet ter zijde staat, wie de schapen niet
tot den herder drijft, die staat tot Hem en Zijn werk niet
in onzijdige verhouding, maar die drijft de verstrooide
schapen al verder uiteen. Daar is nu eenmaal in de men-
schenwereld geen stilstand; de weg gaat naar boven of naar
beneden; men komt tot Jezus en voert anderen naar Hem
heen, of men dwaalt van Hem af, en doet ook anderen
al verder en verder afdwalen. Waar Jezus en Zijn Evangelie
optreedt, komt eene schifting in de menschenwereld, dieper
en blijvender dan alle groepeeringen naar uitwendige leuzen.
Daar Avorden er aangetrokken door het licht, en alzoo meer
en meer door het licht bestraald, en innerlijk verlicht, —
en anderen, die het licht wederstaan, verzinken in telkens
dieper duisternis.
XII. 31. 32. Daarom zeg Ik u: alle zonde en
lastering zal den menschen vergeven ivorden, maar
de lastering tegen den Geest zal den menschen niet
vergeven worden. En zoo wie eenig woord gesproken
zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal
hem vergeven worden ; maar zoo wie tegen den Heiligen
Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven
ivorden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende.
De ontzettende bedreiging, in deze woorden vervat, ver-
ontrust vaak gemoederen, wien zij niet geldt, terwijl om-
gekeerd de zielstoestand, waarop zij betrekking heeft, dikwijls
als niet gevaarlijk aangezien wordt. Het is daarom noodig,
hierbij meer opzettelijk stil te staan.
AVanneer eene ziel niet komen kan tot vrede met God,
-ocr page 351-
345
of ook, wanneer eene ziel, die vroeger betere tijden gekend
heeft, verzonken is in dorheid en doodigheid, zoodat de
vleugelen des gebeds zijn verlamd, terwijl het beschuldigend
geweten den blik verduistert op Gods genade in Christus, —
dan geschiedt het vaak, dat zulk eene ziel aan zich zelve
of aan anderen in angstige vreeze vraagt: zou ik misschien
de onvergefelijke zonde, de zonde tegen den Heiligen Geest
hebben bedreven?
Op die vraag der bekommering mag met volle vrijmoc-
digheid: neen! geantwoord worden. Juist die bekommering,
die vreeze, dat angstig uitzien naar verlossing bewijst, dat
die zonde niet bedreven is. Wie tegen den Heiligen Geest
gezondigd heeft, is onaandoenlijk geworden voor alle gees-
telijke indrukken, leeft zorgeloos daarheen, en vraagt niet
meer naar God. Dwaling is het te meenen, dat men de
onvergefelijke zonde onbewust, in een onbewaakt oogenblik
zou kunnen bedreven hebben, en dan nu voorts daarvan
de gevolgen moet dragen, zoodat alle roepen om genade,
alle worstelen met God te vergeefsch is. Welk denkbeeld
maakt men zich toch van God, bij zulke veronderstelling?
O, laat ons met volle vrijmoedigheid en ge wisheid tot alle
nedergebogene zielen zeggen: welke ook de beletselen zijn,
die u nog van den Heer terughouden, en wat er ook nog
in uw binnenste moet verbrijzeld worden, eer gij kunt er-
kennen en ervaren, dat de Heer goedertieren is, — wees
hiervan zeker, dat gij de zonde tegen den Heiligen Geest
niet hebt bedreven: uw zoeken en vragen, uw treuren en
klagen is zelf er het duidelijk bewijs van!
Wat de\' zonde tegen den H. Geest is, moet opgemaakt
worden uit het verband, waarin de Heer er van spreekt.
Wie zijn het, die Hij waarschuwt, en die dus in gevaar
verkeeren van den Heiligen Geest te lasteren ? Het zijn zij,
-ocr page 352-
346
die Zijne genezingen aan duivelschen invloed toeschrijven.
De werkingen des Geestes noemen zij duivelsche werkingen.
Zij doen datgene, waarover Jesaia (V. 20) het wee! uit-
spreekt, als hij zegt: „Wee dengenen, die het kwade goed
heeten, en het goede kwaad; die de duisternis tot licht stel-
len, en het licht tot duisternis." Tegen beter weten in, ver-
krachten zij het zedelijk oordeel; zij dringen zich op, dat
de werking Gods eene duivelsche werking is, opdat zij met
gerustheid tegen die werking liet hart zouden kunnen ver-
harden.
Die zonde zal niet vergeven worden in tijd noch eeuwig-
heid. Vergefelijk is nog het „spreken tegen den Zoon des
menschen," het wederstaan van Hem, waar Zijne uiterlijke
geringheid Zijne innerlijke heerlijkheid heeft doen misken-
nen. Doch onvergefelijk is de wederstand tegen hetgodde-
lijke, waar dat als goddelijk erkend is, maar uit zondelust,
uit onwil om het eigen ik te buigen, gelasterd en wederstaan
wordt. Want die vernietiging van het ingeschapen besef
van het onderscheid tusschen goed en kwaad, is tevens de
vernietiging van het aanrakingspunt voor de goddelijke ge-
nade. Wie met bewustheid en volharding het goede kwaad
noemt, en het kwade goed, die is niet meer te redden; die
heeft tegen God eu vóór den duivel gekozen.
Op dezen gevaarlijken weg waren zij, tot wie Jezus sprak.
En op dienzelfden gevaarlijken weg verkeert nog zoo ine-
nigeen! Niet zij, wij herhalen het, van wie wij zoo aan-
stonds spraken, de ontruste en heilbcgeerige zielen. Maar
zij, die willens en wetens het zedelijk oordeel verstompen,
die in arren moede zich tegen de duidelijke openbaringen
des Heiligen Geestes verzetten, en zich niet willen laten
gezeggen. Geene andere zonde is onvergefelijk, dan de zonde
tegen den Heiligen Geest, — doch elke zonde, welke die
-ocr page 353-
347
ook zij, voert tot die onvergefelijke zonde, als men er on-
bekeerlijk in volhardt, en zichzelven gaat diets maken op
den rechten weg te zijn, terwijl men op eenen weg is, die
hoe langer hoe verder afvoert van God.
Zoo duidelijk mogelijk zegt de Heer: „elke zonde en
lastering zal den mensehen vergeven worden, behalve de
lastering tegen den Geest." Waarom is alleen deze uitge-
sloten ? Omdat zij de eenige is, die vergeving onmogelijk
maakt. Elke zonde wordt vergeven, van welke de mensch,
met oprecht berouw en met bede om schuldvergift\'enis, zich
tot God keert. Maar het lasteren des Geestes, het kwaad
noemen van het hoogste goed, de vernietiging van het
ingeschapen zedelijk oordeel, maakt het berouw onmogelijk,
en verhindert het zich keeren tot God. Dat is niet eene
bijzondere soort van zonde, naast andere zonden; dat is de
verharding, de verstoinping des harten, waartoe elke zonde,
opzettelijk en volhardend bedreven, voeren kan! Zoo wake
en bidde dan een iegelijk mensch, opdat hij niet vervalle
in den toestand, waaruit geene redding mogelijk is! Maar
ook, zoo wanhope dan niemand, die waarlijk treurt over
zijne zonde, en die roept tot den levenden God!
XII. 33—37. Of maakt den boom goed, en
zijne vrucht goed, of maakt den boom kwaad, en
zijne vrucht kwaad; taant uit de vrucht wordt de
boom gekend.
Gij adderengebroedsels! hoe kunt gij goede dingen
spreken, daar gij boos zijt? loant uit den overvloed
des harten spreekt de mond.
De goede mensch brengt goede dingen voort uit
den goeden schat des harten, en de booze mensch
brengt booze dingen voort uit den booten schat.
-ocr page 354-
348
Maar Ik zeg u, dat van elk ijdel woord, hetwelk
de menschen zullen gesproken hebben, zij daarvan
rekenschap zullen geven in den dag des oordeels.
Want uü uwe woorden zult gij gerechtvaardigd
worden, en uit uwe woorden zult gij geoordeeld
worden.
Zij, tot wie de Heer spreekt, zijn op eenen weg, die ten
verderve voeren moet, zoo die ten einde toe wordt bewan-
dehl. Maar nog zijn zij in liet heden der genade. Daarom
spreekt de Heer nog verder tot hen, om hen te brengen
tot een inzicht, dat hen doet omkeeren op den verderfe-
lijken weg.
„Maakt den boom goed, en zijne vrucht goed; of maakt
den boom kwaad, en zijne vrucht kwaad." Behoeft het
nog gezegd te worden, dat hier geen sprake is van een
feitelijk goed of kwaad maken eens booms? Des noods zou
een „goed maken" nog mogelijk zijn, in den zin van het-
geen het enten van edele loten uitwerkt; een „kwaad ma-
ken\'" eens booms is onmogelijk. De duidelijke bedoeling is:
maakt dat, stelt dat, in uwe gedachte. Dat is: indien gij u
eenen goeden boom denkt, dan denkt gij van zelfde vrucht
daarvan goed; denkt gij u een kwaden boom, dan denkt
gij van zelf de vrucht daarvan kwaad; zooals de boom is,
zoo is de vrucht, want uit de vrucht wordt de boom gekend.
Dat woord wijst dus op de onverbrekelijke eenheid en
gelijksoortigheid van boom en vrucht. Zoo als de boom is,
is de vrucht, — maar dus ook omgekeerd: zooals de vrucht
is, is de boom. Dit laatste is het, waar het, in den samen-
hang der rede, op aan komt. De werken, die zij van Jezus
zien, zijn goede, zegenbrengende werken; zoo moet dan de
persoon goed zijn, die ze verricht; zoo kan dan Zijne wer-
-ocr page 355-
349
king niet aan duivelschen oorsprong worden toegeschreven.
Altijd, ook in de redenen met de Oversten des volks, die
het Evangelie van Johannes mededeelt, gaat de Heer dien
weg: van de werken klimine men op tot de waardeering
van den persoon. De tegenstanders des Heeren willen iin-
mer den omgekeerden weg volgen: eerst willen zij uitmaken
wie Jezus is, om dan, na dit vooraf vastgesteld te hebben,
nader te zien, hoe zij Zijne werken verklaren zullen.
Maar menschelijke waarneming, die niet andera tot ze-
kerheid kan komen, dan door van het uitwendige tot het
inwendige door te dringen, moet den weg volgen, dien Je-
zus wijst, indien het oordeel niet valsch wezen zal.
Welke goddelijke kalmte spreekt er uit geheel dit betoog
des Heeren! De laagste en vreeselijkste beschuldiging wordt
tegen Hem ingebracht, van te werken door de kracht des
duivels, — en de Heer toont in kalm, overtuigend betoog
de ongegrondheid der beschuldiging aan ! Voorwaar: „nooit
heeft iemand gesproken als deze mensch"!
En als dan nu op dat kalm betoog het strenge woord
volgt: „Gij adderengebroedsels!" dan is het gewis, dat dit
woord niet door een anderen geest is ingegeven dan al het
voorafgaande. Dat strenge woord spreekt de Heer, om, zoo
mogelijk, nog harten te treffen, over welke alle liefelijke
woorden waren heengegaan zonder indruk te maken. Daar
ligt in dit woord een wakker schudden der conscientiën,
uitgaande van diezelfde liefde, die eerst zoo wonderbaar
geduld heeft geoefend.
En voorwaar, daar was reden tot dit strenge woord. De
uiterste boosaardigheid had zich in hun spreken geopen-
baard. Dat wees op den toestand huns harten. „Hoe kunt
gij goede dingen spreken daar gij boos zijt?" Dat onver-
breekbaar verband tusschen de gesteldheid des booms, en
-ocr page 356-
350
die van zijne vruchten, waarvan de Heer eerst met het oog
op Zichzelven had gesproken, past Hij hier toe op Zijne
tegenstanders.
„Uit den overvloed des harten spreekt de mond." Zóó
is <le algemeene regel. Eene uitzondering is slechts daar,
waar de mensch zich beter wil voordoen dan hij is. Bij
goede woorden kan het dus geschieden, dat zij niet uit den
overvloed des harten voortkomen. Maar het omgekeerde
vindt niet plaats. Niemand, die waarlijk goed is, streeft er
naar, zich kwaad voor te doen. De kwade woorden getuigen
dus van de kwade gesteldheid des harten; ze doen dat altijd
en overal, terwijl de gevolgtrekking uit de goede woorden
slechts in den regel opgaat.
Juist omdat de woorden de openbaring zijn van de ge-
stel dlieid des harten, zijn de woorden zoo gewichtig. De
oppervlakkige inensch telt ze niet; erkent hij ook al schuld
van kwade daden, de woorden, meent hij, hebben geene be-
teekenis. De Heer leert gansch iets anders. „Van ieder ijdel
woord zal de inensch rekenschap geven"; die woorden zoo
ras gesproken en zoo ras vergeten, klimmen in gedachtenis
op bij God, ja! uit de woorden wordt de mensch gerecht-
vaardigd en geoordeeld. Dat wil gewis niet zeggen, dat de
woorden alleen de maatstaf des gerichts zullen zijn, maar
ook zij behooren bij hetgeen de gansche gesteldheid des
menschen openbaart, en daarom over wel en wee in de
toekomst beslist.
XII. 38 — 40, Toen antwoordden sommigen der
Schriftgeleerden en Farizeën, zeggende: Meesier!
wij wilden van u wel een teeken zien.
Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos
en overspelig geslacht verzoekt een teeken, en hun zal
-ocr page 357-
351
geen teeken gegeven worden, dan het teeken van Jona,
den profeet.
Want gelijk Jona drie dagen en drie nachten was
in den buik van den walvisch, ahoo zal de Zoon
des rnenschen, drie dagen en drie nachten loezen in
het hart der aarde.
Het kan, bij den eersten blik, bevreemdend schijnen, dat
de Schriftgeleerden en Farizeën den wensch uitspreken van
een teeken te zien, waar zij zoo juist getuigen geweest zijn
van de wonderbare genezing van den bezetene, die blind
en stom was. De zaak wordt echter verklaarbaar, als wij
bedenken, dat de rede des Heeren, zoo pas gehouden, ook
al wordt daarin de Christusnaam niet genoemd, Hem zoo
duidelijk mogelijk als den Christus aanwees. Ter oorzake
van de valsche voorstellingen van aardsche heerschappij en
heerlijkheid, door de Joden aan den Christusnaam verbonden,
vermijdt de Heer dien naam altijd. Doch wat die naam be-
doelt,
spreekt Hij gedurig van zichzelven uit. Dat kan niet
anders. Voor de redding der zielen is het noodig, dat zij
op Hem, des Vaders Gezondene, gewezen worden, opdat zij
Hem geloovig aannemen, en zich aan Hein toevertrouwen
zouden. Al bleef dus de Christusnaam ter zijde, Hij, die
zich noemt als degene, Wiens komst de wereld in twee dee-
len verdeelt, daar zij zich vóór of tegen Hein moet verkla-
ren (vs. 30); Hij wiens komst het komen van het Godsrijk
is (vs. 28), — Hij duidt zich kennelijk aan als de Ver-
vuiler der aloude Godsbeloften, de Koning, door God ge-
zalfd over Sion.
Daarop nu slaat het verlangen van een teeken. De komst »
van den Messias zou, meenden de Joden, aangeduid wordeu
door een schitterend teeken aan den hemel, dat in aller
-ocr page 358-
352
oogen stralen zou. Die krankengenezingen waren het niet,
wat zij wachtten. Als Jezus zich, zij het dan ook met ver-
mijding van den naam, toch als de Christus voordoet, laat
Hij dan het teeken toonen, dat Zijne Messiaswaardigheid
buiten twijfel stelt, \'t Is, alsof zij zeggen: wij zijn bereid
tot gelooveu, als wij maar eerst den deugdelijken grond
zien, waarop dat geloof kan steunen; aan ons ligt het niet,
zoo wij u niet erkennen; gij hebt nog eerst het teeken te
toonen, waardoor wij u erkennen kunnen.
„En Jezus antwoordde, en zeide: Het boos en overspelig
geslacht begeert een teeken". Dat vragen van een teeken
is een huichelachtig vragen, bij een afkeerig geslacht, dat
niet gelooveu wil, en dat nu slechts naar een voorwendsel
zoekt om dien onwil te bemantelen. Zij doen zich voor,
alsof zij tot erkennen en gelooven bereid zijn, en alleen
maar uitzien naar een betrouwbaar teeken, om zeker te zijn,
dat hun geloof niet aan een onwaardige wordt geschonken.
Met hen te noemen „een boos en overspelig geslacht",
geeft Jezus te verstaan, dat de schuld des ongeloofs bij hen
zelven ligt, dat de zedelijke voorwaarde ontbreekt, die tot
• het gelooven vereischt wordt. Niet alleen „boos", met zonde
bezoedeld en naar het kwade trachtende, noemt Hij dat
i geslacht; door er aan toe te voegen: „overspelig", wijst
Hij de bron aan, waaruit die boosheid voortkomt. Die naam
\\ is te verklaren uit de verbondsbetrekking, waarin God zich
tot Israël gesteld heeft, eene betrekking van zoo innigen
aard, dat zij haar beeld vindt in het huwelijk. Waar Israël
van zijnen God afwijkt, daar is dat daarom overspel, bond-
breuk, gelijk de Profeten zoo menigmaal hebben uitgespro-
ken. In dat zich losrukken van God ligt de oorzaak hunner
boosheid. Dit geslacht nu, dat Gods verbond verbreekt, dat
Gods voorkomende en trouwe liefde met ontrouw vergeldt,
-ocr page 359-
353
stelt zich aan alsof het slechts op een betrouwbaar teeken
wacht, oin Gods Gezondene met blijdschap te ontvangen.
Daarom zal dan ook hun eisch niet worden ingewilligd.
Een gansch ander teeken, dan zij begeeren, zal hun gege-
ven worden, een teeken, niet in de hoogte, maar uit de
diepte: „hun zal geen teeken gegeven worden, dan het
tceken van Jona den profeet; want gelijk Jona drie dagen
en drie nachten was in den buik van den grooten visch"
— niet: walvisch, zooals ten onrechte is vertaald, —
„alzoo zal de Zoon des menschen wezen drie dagen en
drie nachten in het hart der aarde.\'\'
Daar is, naast het verhaal aangaande de ezelin van Bileam,
wel geen ander verhaal in het gansche Oude Testament,
waaraan men zich zoozeer gestooten heeft, als dat van
Jona. De wonderwerking is hier van een zoo zeldzainen
aard, dat er ook onder hen, die gelooven aan een levenden
God, die iets anders is dan eene natuurwet, en die daarom
wonderen doen kan waar het Hem behaagt, gevonden wor-
den, die bezwaar hebben dit wonder aan te nemen. Wij
deelen dit bezwaar niet, al noemen wij hem, die er door ge-
drukt wordt, nog geen ongeloovige: men kan den Heiland
toebeliooren, ook waar men nog niet gekomen is tot een in
zich opnemen van hetgeen tot den buitensten kring van
Gods Openbaring behoort. Wat ons aangaat, wij meenen:
Ieder wonder is onverklaarbaar, juist omdat het een wonder is.
De vraag is slechts, of zulk een wonder in aanwijsbaar verband
staat met het geheel der openbaring Gods. En dit is hier zeer
zeker het geval. Jona wordt geroepen tot de zeer bijzondere
taak van het brengen van het woord Gods aan de Heidenen.
Evenals het volk Israël in het algemeen, is hij onwillig om
die taak te volbrengen, — maar God dwingt hem er toe.
En als hij nu zijne schuld erkend heeft, dan bewaart de
IÏOOZKMEIJER, Ev. MATTH. I.                                                                          23
-ocr page 360-
354
Heer hem op wonderbare wijze in den grootsten nood, als
tot aanduiding, dat ook Israël alzoo door Gods oordeelen
gedwongen zal worden Gods heil aan de volken te ver-
konden, maar te midden dier oordeelen dan ook door Gods
zorg zal worden bewaard. In Jona\'s geschiedenis wordt
Israels taak getoond, maar ook eenc belofte van bewaring
in den druk der Ballingschap gegeven.
Zoo past, onzes inziens, het wonder van .lona in de
heilsordening Gods. Waar het oog hiervoor intusschen niet
geopend is, kan de aarzeling niet bevreemden om dit won-
der aan te nemen. Op dit standpunt weet men dan natuur-
lijk geen weg met de aanhaling van dit wonder in deze
rede van Jezus.
Om nu deze moeielijkheid te ontgaan, is door sommigen
verondersteld, dat dit 40e vers niet tot den oorspronkelijken
tekst zou behooren, maar door een afschrijver zou ingelascht
zijn. Het vers ontbreekt intusschen in geen enkel der hand-
schriften. Men zou dus moeten aannemen, dat het toevoegsel
reeds zeer oud, en vóór het vermenigvuldigen der afschriften
moest ingelascht zijn. Veranderingen echter, die méér dan
enkele letters of een enkel ondergeschikt woord betreffen,
zijn in de Schriften des N. T. in de hoogste mate onwaar-
schijnlijk. Want óf zij moeten in de eerste tientallen jaren
na de vervaardiging gemaakt zijn, • — en daartegen pleit, dat
toen de eerbied voor de Apostelen en het inleven in hun
geest, terughouden moest van veranderingen en bijvoegsels;
óf zij moeten tusschen de jaren 100 en 300 ontstaan zijn,—
en daartegen pleit, dat de gemeenten, in welke de Apostoli-
sche Schriften wekelijks in de samenkomsten werden gelezen,
veranderingen van eenige beteekenis niet onopgemerkt kon-
den laten voorbijgaan, en zich daartegen gewis zouden
hebben verzet.
-ocr page 361-
355
Hierbij komt, dat indien het 40» vers wegviel, de Heer
ook in het 39» vers niet zou hebben kunnen spreken van
het teeken van Jona; immers liet geloof der Nineviten,
waarover later wordt gehandeld, kan zeer zeker niet het
„teeken van Jona" heeten.
Is dus, om dubbele reden, aan geene inlassching te den-
ken, zoo zien wij, dat de Heer hier Zijn dood en opstanding
den Joden tot een teeken stelt. Gelijk Jona drie dagen was
verzwolgen geweest, maar daarna zijn profetische loopbaan
had verder bewandeld, al zóó zou ook de Zoon des men-
schen verzwolgen worden door het graf, maar om daarna
onbelemmerd voort te arbeiden, en in dien verderen arbeid
het bewijs voor Zijne Goddelijke zending te leveren. „Drie
dagen en drie nachten" is de Hebreeuwsche uitdrukking
voor drie etmalen, en de geheele etmalen worden hier ge-
noemd in de plaats van de gedeelten daarvan, waarin Jezus
in het graf heeft gelegen.
In plaats van den schitterenden hemelglans te ontvangen,
dien de Schriftgeleerden begeeren te aanschouwen, gaat Zijn
weg naar de diepte. Hij zal geborgen worden in den schoot
der aarde; Hij zal, door de vijandschap der menschen, van
de aarde worden weggedaan, maar ook dadr, in den schoot
der aarde, zal Hij in Gods hoede veilig wezen, en eerst
van daar af zal de werking Zijner verschijning zichtbaar zijn.
Dit zal hun het teeken wezen, dat het hun vergund zal
worden al hunne vijandschap aan Hem te koelen, totdat ze
Hem zullen hebben nedergelegd bij de dooden, — maar
dat daarna Zijn zegevierende loop door niets zal kunnen
worden tegengehouden. Is dus ook al de uitdrukking gansch
verschillend, dit woord wijst toch op hetzelfde teeken, waarvan
Jezus later voor Kajafas zal gewagen, zeggende: „Van nu
aan zult gij zien den Zoon des menschen, zittende aan do
-ocr page 362-
356
rechterhand Gods." Hier is het eene verwijzing naar de
diepte der vernedering, die voorafgaat; daar is het eene
verwijzing naar de hoogte der heerlijkheid, die volgt, maar
daar en hier wordt hetzelfde teeken bedoeld, namelijk de
openbaring eener levensmacht, die den dood overwint.
De vraag naar een teeken is beantwoord door de ver-
wijzing naar eenen profeet, die, gelijk wij reeds opmerkten,
in de rij van Israels profelen eene gansch eigenaardige
plaats bekleedt. Jona wordt tot de Heidenen gezonden; hij,
in zichzelven eerst onwillig, wordt gedwongen tot een
arbeid, waartegen al wat in hem was opkwam, en die toch
later met zegen wordt gekroond. Zoo symboliseert Jona in
zijn eigen leven de toekomst van zijn volk. Israël is bestemd
om de Knecht des Heeren te zijn, die de volken roept tot
de aanbidding van zijnen Bonds-God. Maar Israël wil niet
aan die taak. Daar wordt het verzwolgen in de Ballingschap.
Schijnbaar gaat het verloren, — doch God bewaart het
daarin, en van nu af wordt Israël een „onderrichter der
onwetenden", en tal van proselyten zijn de vrucht van
dien arbeid.
Maar in welk opzicht is nu deze geschiedenis voorafbeel-
ding van de geschiedenis van den „Knecht des Heeren" bij
uitnemendheid ? Bij Hem is de bereidheid om voor Israël en
de Heidenen samen een licht en een zegen te zijn. Doch der
menschen zonde veroorzaakt, wat in Jona\'s geschiedenis door
eigen schuld veroorzaakt was, dat Hij drie dagen wordt verzwol-
gen, eer Zijn werk zich glorierijk openbaren kon. We hebben
hier te doen, niet met eene aanstonds voor de hand liggende
voorafschaduwing, maar met zulk eene, die slechts duidelijk
wordt, waar de Heer zelf daarop wijst. Hij, "Wiens spijze
het is, den wil des Vaders te doen, Hij vernedert zich tot
eene vergelijking met den zwaksten en onwilligsten der
-ocr page 363-
357
Profeten, om aan Zijn volk te verstaan te geven, hoe Zijn
weg gaat door de diepte naar Boven.
XII. 41. 42. De mannen van Ninevé zullen
opstaan in het oordeel met dit geslacht, en het ver-
oordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prc-
diking van Jona; en ziet, méér dan Jona is hier!
De koningin van het Zuiden zal opstaan in het
oordeel met dit geslacht, en het veroordeelen; want
zij is gekomen van de einden der aarde, om te hoo-
ren de wijsheid van Salomo, en ziet, méér dan Salomo
is hier!
De vermelding van Jona geeft den Heer eene voor de
hand liggende aanleiding tot een ernstig verwijt aan de
tijdgenooten Zijner omwandeling op aarde. Zij blijven tee-
kenen vragen, en achter allerlei uitvluchten zich verschuilen,
terwijl de mannen van Ninevé, die geene teekenen zagen,
op het woord van den zwakken en vreesachtigen Jona zich
tot God bekeerden in zak en asch. Hun was dat weinige,
dat zij ontvingen, voldoende geweest, en nu, waar Jezus
optreedt, sprekende gelijk geen mensch ooit sprak, en wer-
kende de werken des Vaders in reddende liefde, daar ver-
werpt Hem een hardnekkig ongeloof. De mannen van
Ninevé zullen opstaan ten dage des oordeels tegen dit ge-
slacht, want méér dan Jona is hier! Blinde Heidenen, die
niets anders hadden dan de inspraak van een geweten, door
allerlei zondige invloeden verzwakt, en die toch gekomen zijn
tot bekeering, zullen veroordeelende getuigen zijn tegen dat
Israël, waaraan al de voorbereidende arbeid der Profeten is
te koste gelegd, en dat toch den grootsten der Godsgezanten,
den Eénen Onvergelijkelijke verwerpt.
-ocr page 364-
358
Nog een tweede beschamend voorbeeld haalt de Heer uit
de geschiedenis aan. In 1 Kon. X. 1—13 wordt bericht,
dat de koningin van Scheba, uit het zuiden van Arabië,
op het gerucht van Saloino\'s wijsheid en heerlijkheid, ge-
komen is, om daarvan persoonlijk getuige te zijn. Haar
was het gerucht, dat van Salomo uitging, genoeg geweest
om eene reize te ondernemen van wat in dien tijd het uit-
einde der aarde geacht werd te zijn. Ook zij, de belang-
stellende Heidensche vorstin, zal in het oordeel opstaan
tegen dit geslacht, dat met onverschilligheid den Meerdere
dan Salomo bejegent.
Méér dan Jona; méér dan Salomo! "Welk eene zelf be-
wustheid spreekt uit dit woord des Heeren! Méér dan een
Profeet Gods; méér dan de Koning, in wien Israels heer-
lijkheid zich verpersoonlijkt! Hoe zou een Rabbi der J oden
zulke taal kunnen spreken? Slechts de Eeniggeborene des
Vaders kan aldus van zichzelven getuigen. En Hij doet
het, voorwaar! niet om Zijne eigene eere te zoeken. Hij
doet het, om arme, in zichzelven verlorene zondaren, heen
te wijzen op het ééne, dat hen redden kan, en om hun het
gewicht te doen beseffen van een verwerpen van Hem.
Méér dan Jona; méér dan Salomo. Dat is voor ons nog
zooveel meer klaarblijkelijk, dan voor de getuigen van Jezus
aardsche leven, voor ons, die de werkingen kennen, die van
dezen Jezus in de menschheid uitgegaan zijn.. . hoe zullen
dan wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid
geen acht geven?
XII. 43—45. En wanneer de onreine geest van
den menscfi uitgegaan is, zoo gaat hij door dorre
plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.
Dan zegt hij: ik zal wederkeeren in mijn huisr
-ocr page 365-
359
van waar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij
het ledig, met bezemen gekeerd, en versierd.
Dan gaat hij heen, en neemt met zich zeven
andere geesten, boozer dan hij zelf, en ingaande
wonen zij aldaar, en het laatste van dien mensch
wordt erger dan het eerste. Alzoo zal het ook met
dit boos geslacht zijn.
Meermalen is er gelegenheid op te merken, dat, gelijk
trouwens van zelf spreekt, de Evangelisten sleclits frag-
menten van de redenen des Heeren mededeelen. Daardoor
ontbreekt ons de kennis van de samenschakelende gedachten,
die het eene fragment aan het andere verbinden. Ook hier
hebben wij aan te nemen, dat het in deze verzen medege-
deelde niet onmiddellijk is uitgesproken na de woorden van
vs. 41 en 4<2.
We hebben hier te doen met een ander gedeelte der
rede, waarin de Heer de schuld en het gevaar ontwikkelt
van hen, die Zijn woord, en in Zijn woord Hem zei ven, ver-
werpen. Wat hier in het licht gesteld wordt, is de nood-
zakelijkheid van tot besliste keuze te komen.
De gansche arbeid des Heeren onder Zijn volk kan be-
schreven worden als een uitdrijven van booze geesten: de
booze geesten van hoogmoed, wereldzin, liefdeloosheid, on-
reinheid. Nu waren er ongetwijfeld, die deze werking wel
tot op zekere hoogte wilden laten gelden; die zich door
den invloed, welke van Jezus uitging, wilden laten bevrij-
den van wat zij zelven als een kwellenden band en als
eene bevlekking huns levens erkenden. Doch, tot besliste
overgave aan den Heer lieten zij het niet komen. Zij wilden
wel van de macht bevrijd zijn, die hun leven nedertrok naar
de diepte, doch zij wilden geene plaats geven aan de macht,
-ocr page 366-
360
die, integendeel, hun hart zocht in te nemen om hen op
te voeren tot de verheerlijking Gods in woord en werk.
Zij wilden het hart ledig laten blijven, opdat zij hun eigen
heer en meester zouden zijn.
Dat dit onmogelijk is, wijst de Heer aan in eeue beeld-
spraak, die zich aansluit aan de bevrijding des bezetenen,
welke tot deze gansche rede de aanleiding geweest was. De
uitgedreven booze geest, zegt Jezus, zoekt weder te keeren
tot den mensch van wien hij uitgedreven is, — en komt
met zeven andere booze geesten tot hem, zoodat het laatste
van dien mensch erger wordt dan het eerste. Doch waar-
door kan hij dat? Doordien hij het huis ledig vindt, ü
indien niet op dat ledig zijn de nadruk viel, dit woord des
Heeren zou uitspreken, dat nooit en nergens blijvende red-
ding mogelijk was. Gode zij dank! zoo is het niet. Het
kan geschieden, dat de booze geest, wederkecrende, toegang
zoekt, doch dien niet vindt. Het geschiedt dan, wanneer
het huis niet ledig, met bezemen gekeerd en versierd is,
maar woonplaats en werkplaats is van den goeden Geest
Gods, die daarin heerscht en arbeidt.
Wat de Heer in dit woord ons leert, is, dat het hart
des menschen niet ledig kan blijven; dat, wie het ledig
houden wil, om er zichzelven de beschikking over te bc-
waren, welhaast weder in de macht valt van den boozen
geest, die eerst daaruit gedreven was. En waar dat ge-
schiedt, daar wordt de macht des kwaads verveelvoudigd;
daar wordt het laatste van dien mensch erger dan het
eerste. Het kan niet anders. Want de macht der godde-
lijke genade is daar eenmaal ervaren. Ongebruikte genade
nu verstompt de ziel, maakt haar onvatbaar voor verdere
genadewerking.
Hoe vaak zien wij in het leven toestanden, die aan dit
-ocr page 367-
361
woord van Jezus herinneren! Indien daar een menscli door
voorloopige goddelijke genadewerking bevrijd is van eenigen
zondigen hartstocht, hetzij dan lust tot bedwelming, of
ontucht, of gierigheid, of wat dan ook, — dan ontstaat in
zulke ziel een ledig. Dat ledig nu kan niet blijven. Komt
er niets in de plaats voor dien uitgedreven hartstocht,
dan keert die, vroeger of later, en dan met versterkte
macht, terug. Eene bekeering tot burgerlijke braafheid heeft
geenerlei waarborg van duurzaamheid in zich; slechts eene
bekeering tot den Heer, die eene wedergeboorte wordt
ten nieuwen leven, redt in waarheid en blijvend. Daarom
sprak reeds de Profeet des Ouden Verbonds: „Zoo gij u
bekeeren zult, o Israël, spreekt de Heere, bekeer u tot
Mij, en zoo gij uwe verfoeiselen van voor Mijn aangezicht
zult wegdoen, zoo zwerf niet om. Braakt ulieden een braak-
land, en zaait niet onder de doornen." (Jerem. IV. 1, 3.)
De lediggeworden plaats in het hart moet worden gevuld
door de toewijding aan den Heer, door den ijver in Zijnen
dienst. Dat alleen geeft weerstandsvermogen tegen de we-
derkeerende verzoekingen; dat laat aan de zonde geene
plaats, omdat een ander streven het hart heeft vervuld.
Nooit kan het menschenhart zijn eigen meester zijn; het
wordt beheerscht door de macht uit den afgrond, tenzij het
wordt beheerscht door den Geest des Heeren.
Zóó als het nu geduriglijk geschiedt met afzonderlijke
personen, zóó zou het gaan, zegt de Heer, met het geslacht
Zijner tijdgenooten in het algemeen. Uit het Israël van
die dagen was de afgoderij uitgedreven, die, vóór de Bal-
lingschap, telkens en telkens weer over het volk had ge-
heerscht. Naar het uiterlijke was er groote verbetering;
allerlei godsdienstplichten werden met stiptheid nagekomen;
„het huis was met bezemen gekeerd en versierd." Maar
-ocr page 368-
362
ondertusschen was het ledig. Geene werkelijke liefde tot
God, geene toewijding aan Zijnen dienst had den vroegeren
afgodendienst vervangen. Israël roemde op zijnen toestand;
Israël vond zichzelf voortreffelijk. Maar omdat Israël tegen
God verhard bleef, zouden de booze geesten met verdub-
belde macht wederkecren. Voorwaar! \'t is aan het licht
gekomen in den Messiasinoord, door dit schijnbaar zoo
deugdzaam volk gepleegd, en in den toestand, die daarop
als een oordeel gevolgd is, waarin het vroeger zoo geze-
gcnde volk onder de natiën tot een zuurdeesem des kwaads
is geworden, verstikkend ieder hooger streven, en arbeidende
om alles te brengen ouder de heerschappij van den Mammon.
Neme dan een iegelijk onzer de ernstige waarschuwing
ter harte! God verlost, om de zielen aan Zich te verbinden;
waar die verbinding blijft ontbreken, daar wordt ook weer
die verlossing te niet gedaan, en het einde wordt erger dau
het eerste, omdat de ziel dan zooveel meer is verstompt.
XII. 4(5—50. En als Hij nog tot de scharen
sprak, ziet, Zijne moeder en broeders stonden buiten,
zoekende Hem te spreken. En iemand zeide tot Hem :
Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten,
zoekende U te spreken.
Maar Hij, antwoordende, zeide tot dengenen, die
Hem dat zeide: Wie is Mijne moeder, en wie zijn
Mijne broeders ?
En zijne hand uitstrekkende over Zijne discipelen, zeide
Hij: Ziet, Mijne moeder en Mijne broeders! Want
zoo wie den wil Mijns Vaders doet, die in de hemelen
is, die is Mijn broeder en zuster en moeder.
De rede des lleeren, waarvan de hoofdinhoud in de
-ocr page 369-
363
voorafgaande verzen is medegedeeld, is in eene woning ge-
houden, of, zoo al op den weg begonnen, dan toch in eene
woning voortgezet. Dit blijkt uit het zeggen: „Uwe moeder
en broeders staan buiten", en wordt mede bevestigd door
het bericht aangaande ditzelfde voorval, dat wij in Mare.
III. 31 — 35 aantreffen.
Daar ligt, bij den eersten oogopslag, iets hards in die
weigering van Jezus om Zijne moeder en broeders tot zich
toe te laten, en in het stellen van den band, die Hem aan
Zijne discipelen verbindt, boven den band, die Hem met
Zijne moeder en broeders vereenigt. Die hardheid verdwijnt
echter, zoo wij acht geven op hetgeen Marcus vermeldt als
de reden, waarom Maria en de broeders Jezus kwamen
zoeken. Wij lezen in Marcus III. 20 en 21: „En daar
vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs
niet konden brood eten. En als degenen, die Hem be-
stonden, dit hoorden, gingen zij uit om Hem vast te houden,
want zij zeiden: Hij is buiten zijne zinnen." Een leven,
dat zoozeer opging in arbeid, dat het zelfs geene gelegen-
heid liet tot het rustig nuttigen van spijze, een zoo geheel
vergeten van zichzelven, om alleen voor anderen te leven,
dat dacht hun een teeken van uitzinnigheid. Te bedenke-
lijker werd dat, door de vijandschap van Israels machtigen,
die Jezus door Zijn arbeid zich berokkende. Zij willen dus
Hem tegen zichzelven in bescherming nemen; zij willen Hem
onttrekken aan de gevaren, die Hem dreigen; ze willen tot
kalmte en gematigdheid Hem zoeken te brengen. Daar ligt
welwillendheid, daar ligt natuurlijke liefde voor Jezus in
dit optreden. Maar ondertusschen, hoe toonen zij, Hem niet
te begrijpen, Zijne Goddelijke zending niet te verstaan !
Wij weten van elders (Joh. VII. 5), dat Zijne broeders toen
nog niet in Hem geloofden; in hen is dus dit optreden
-ocr page 370-
364
volkomen verklaarbaar. Het leeren en prediken van Jezus
beschouwen zij als een werk van opwinding, maar zij hebben
liefde genoeg voor Hem, van wien zij in het huiselijk leven
niets dan goeds hebben ondervonden, om, nu gevaren Hem
dreigen, Hem niet over te laten aan Zijn lot. Doch hoe
kon Maria hierin medegaan, zij, die immers in haar hart
de woorden bewaarde, aangaande haar kind haar gebood-
schapt? Hoe zij dit kon? Dat vragen wij niet langer, als
wij de verzwakking, de inzinking kennen, waaraan het ge-
loofsleven in het menschenhart is blootgesteld. Gelijk een Jo-
hannes de Dooper tot wankeling kwam (Mt. XI. 1 en verv.), zoo
is ook hier Maria het spoor bijster geworden, en het teeder
moederlijk gevoel verkrijgt de overhand boven de volgzaam-
heid der nederige discipelin. Voorwaar! de Evangeliën
toonen ons haar niet als de Hemelkoningin, die de Kerk
van Rome van haar gemaakt heeft, maar als de arme zondares,
die in de oefenschool des geloofs gevormd moest worden,
en door de hand van haren Zoon en Heer voor struikelen
moest worden bewaard.
Wat het doel was van deze komst der moeder en der
broeders, doet ons nu het antwoord des Heeren verstaan.
Zij komen om Hem af te trekken van Zijne levensroeping:
daarom moet Zijn ernstig woord hun te verstaan geven,
dat die roeping gaat boven het gehoor geven aan vriende-
lijk bedoelden, doch des Vaders wil miskennenden aandrang
van bloedverwanten. Het is, gelijk de schriftverklaarder
Bengel zoo juist opmerkt: „Hij veracht de moeder niet,
maar Hij stelt den hemelschen Vader daarboven." Aan hem,
die de begeerte der moeder en der broeders overbrengt,
antwoordt Hij: „Wie is mijne moeder, en wie zijn mijne
broeders?" en wijst dan Zijne discipelen als Zijne ware, gees-
telijke maagschap aan.
-ocr page 371-
365
Voorzeker! de Heer miskent niet de beteekenis van de
banden des bloeds, Hij, die, waar Hij stervend eene wereld
redt, Zijne moeder liefderijk opdraagt aan de zorg van Jo-
hannes. Banden des bloeds zijn door God gelegd, en daarom
in eere te houden. Doch het geestelijke gaat boven hetna-
tuurlijke. Daar is eene rechtstreeksche gemeenschap tus-
schen God en de menschenziel, die hoogere eischen stelt,
dan de rechten des bloeds kunnen doen gelden. Waar Gods
wil in het binnenste is verstaan, daar heelt die wil bindende
kracht boven alles. Gelukkig de mensch, wiens omgeving
mede dien wil Gods hoog houdt, en er het recht tot be-
heersching des levens van erkent: hem zijn de smartelijkste
conflicten bespaard, en wat hem omringt steunt hem, waar
eigen kracht zou verflauwen. Doch waar tusschen den dui-
delijk erkenden wil van God, en de wenschen der omgeving
gekozen moet worden, daar mag de uitslag der keuze niet
twijfelachtig zijn; daar geldt het woord: wie vader of moeder
liefheeft boven Mij, is Mijns niet waardig.
Wat voor een menschenkind tot plicht is, dat is voor
den Zoon des Vaders eene van zelf sprekende zaak. O gewis !
het heeft Hem pijn gekost, aldus Zijne moeder en Zijne
broeders te moeten afwijzen, maar geene aarzeling is bij
Hem. De Vader heeft Hem in de wereld gezonden om het
werk onzer behoudenis te werken, om door woord en daad
het Koninkrijk Gods op te richten te midden eener ge-
v allene menschheid, — en al kost Hem dat méér dan
rust, al komt Hem dat op doodelijke vijandschap te staan,
Hij laat zich daarvan niet aftrekken. Gode zij dank, dat
ook geen vriendelijke aandrang van moeder of broeders
Hem heeft doen afwijken van dien weg! Wat zou er geworden
zijn van de redding onzer zielen, indien Zijne ziele terugge-
deinsd ware voor lijden en strijd ?
-ocr page 372-
366
Het is voor Zijne moeder en Zijne broeders noodig, dat
deze afwijzing worde uitgesproken in den meest beslisten
vorm, in een vorm, die den band der bloedverwantschap
als niet bestaande schijnt te doen voorkomen, door op eene
andere verwantschap allen nadruk leggen. De discipelen,
rondom Hem verzameld, in wier hart Hij een aanvang van
liefde tot den Vader verwekt heeft, zij vormen Zijn gees-
t el ij k huisgezin; geene vleeschelijke banden hebben recht
om Hem van dezen af te scheiden.
Wie zij zijn, die tot dezen kring behooren, spreekt Jezus
duidelijk uit, door wat Hij laat volgen: „Wie den wil van
God doet, die is Mijn broeder, en zuster, en moeder."
Welk eene nederbuiging wederom in dit woord! Dat doen
van Gods wil door zwakke inensclienkinderen, wat is het
in vergelijking met Zijn volbrengen van Gods wil ? En
toch, die arme, telkens falende gehoorzaamheid, die niet
anders dan door de macht Zijner eigene liefde bewerkt
werd, wordt door Hem hoog genoeg geschat, om wie haar
beoefenen zijnen broeder, zijne zuster en moeder te doen
noemen! Met hen vormt Hij één gezin van kinderen Gods!
Maar het is een gezin, dat door Hem, den Eerstgeborene
is bijeengezameld, een gezin, dat den Vader heeft leeren
liefhebben door Hem, in wien des Vaders liefde zich
afspiegelt, en dat, met al zijne vlekken en tekortkomingen,
aangenomen en gezegend wordt ter wille van den Geliefde.
Welk eene eere, en welk een voorrecht! Doch tegelijk,
welk eene ernstige herinnering aan wat er noodig is om
waarlijk één te zijn van hen, aangaande wie de Zoon ver-
klaren kan: Zij zijn de Mijnen! Hoe zwak en gebrekkig
dan ook de uitvoering zij, het moet toch de begeerte der
ziele zijn, den wil des Vaders te doen. „Geen Heere!
Heere! zeggen, — mijn ziel bedenk het wel! — maar
-ocr page 373-
367
needrig overleggen des Heeren hoog bevel; en dan gestadig
wandlen in \'t spoor, dat Hij u wijst, dat is alleen het
handlen, dat uw Verlosser prijst."
XIII. 1—9. En te dien dage, Jezus uit liet hui*
gegaan zijnde, zat bij de zee. En tot Hem vergaderden
vele scharen, zoodat Hij in een schip ging, en vederzat,
en al de schare stond op den oever.
En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen,
zeggende: Ziet, een saaier ging uit om te zaaien.
En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij
den weg; en de vogelen kicamen en alen dal op.
En een ander deel viel op steenachtige plaatsen,
waar het niet veel aarde had; en het ging terstond
op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als
de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden;
en omdat hel geenen ivortel had, is het verdord.
En een ander deel viel in de doornen; en de door-
nen wiesen op, en verstikten het.
En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf
vrucht, het één honderd; het ander zestig; en het
ander dertigvoud.
Wie ooren heeft om te hooren, die hoore!
De vele gelijkenissen, in dit Hoofdstuk achter elkander
voorkomende, zouden doen veronderstellen, dat Mattheus,
wat bij verschillende gelegenheden gesproken was, samen-
gevoegd had, indien niet dit zevental gelijkenissen écu ge-
heel vormde, zooals aan het einde van dit Hoofdstuk ons
blijken zal. Deze samenhangende reeks wordt door Mattheus
medegedeeld, om een denkbeeld te geven van den vorm,
waarin de Heer Zijn onderwijs gewoonlijk inkleedde.
-ocr page 374-
368
Het is nog in den tijd, waarin de menigte tot Jezus
toestroomde, om Zijne woorden te hooren en Zijne daden
te zien. De scharen verdringen zich rondom Hem aan den
oever der Galileesche zee, ook wel het meer Gennesareth,
of het meer van ïiberias genoemd. Daarom beklimt de
Heer een scheepje, en zet zich daarop neder, gelijk de
leeraren in Israël steeds gewoon waren hun onderwijs zit-
tende te geven, en van deze meer verhevene plaats spreekt
Hij nu de menigte toe.
Hij begint met de gelijkenis van den zaaier. Wat de
geestelijke bedoeling dezer gelijkenis is, zullen wij bij
vs. 18—23 te bespreken hebben, nadat eerstin vs. 10—17
over het spreken in gelijkenissen is gehandeld. Hier bepalen
wij ons uitsluitend tot de opheldering van hetgeen in den.
letterlijken inhoud der gelijkenis duister zijn kan. Voor de
eerste hoorders des Heeren, levende in het land, waaraan Hij
Zijn beeld ontleent, was de gelijkenis terstond duidelijk genoeg.
Wat er geschiedt bij het zaaien van den zaaier, over wien
Jezus spreekt, is volstrekt niet iets ongewoons. Vooreerst,
er valt zaad op den weg. Die weg is natuurlijk geen open-
bare weg, maar het is het voetpad op den akker, dat de
zaaier betreedt, terwijl hij rechts en links zijn zaad strooit.
Enkele korrels van dat zaad vallen, onder dit strooien, op
het voetpad. Die korrels worden door de vogels weggeno-
men. Waarom juist deze? Omdat op den platgetreden grond
van het voetpad, de graankorrels boven op blijven liggen,
zoodat de vogelen ze terstond wegnemen kunnen. Op zulk
een voetpad kan liet zaad niets hoegenaamd uitwerken.
Een ander deel van het zaad valt op steenachtigen grond.
Om dit te verstaan, bedenke men, dat geheel Palestina een
bergland is, een doorloopende rotsbodem, waarboven de
vruchtbare aarde hier in overvloed, daar als een dunne
-ocr page 375-
369
laag zich bevindt, terwijl elders weer een naakte rots uit-
steekt. Die toestand des lands vereischt een zorgvuldige
bearbeiding door menschenhanden; de vruchtbare aarde
inoet door metselwerk tegengehouden worden, om niet door
de regenvloeden, die in Palestina zoo geducht kunnen zijn,
te worden weggespoeld naar de zee; de landbouw kan al-
léén dan met goed gevolg beoefend worden, indien deze
kunstmatige terrassen behoorlijk worden onderhouden. De
verwaarloozing daarvan onder de verwarring tijdens tallooze
oorlogen en het wanbeheer der Turken, is de natuurlijke
oorzaak, dat het land Kan aan, eenmaal zoo onbegrijpelijk
vruchtbaar, thans nauwelijks een handvol inwoners voeden
kan. In dezen natuurlijken gang der dingen nu voltrekt
zich het heilig oordeel Gods over den afval en de verhar •
ding Zijns volks.
Doch keeren wij, na deze korte uitweiding, tot de gelijke-
nis terug. Het zaad, dat op den steenachtigen grond valt,
valt op dat gedeelte des akkers, waar slechts een dun laagje
aarde den rotsbodem bedekt. Het plantje, dat uit den zaad-
korrel voortkomt, kan dus niet behoorlijk wortel schieten,
omdat de vezelen terstond op den rotsbodem stuiten. De
kracht, in het plantje aanwezig, vindt dus alleen naar
boven een uitweg; „het schiet terstond op", het gaat schijn-
baar zelfs gunstiger met dit zaad dan met het zaad, dat
in de goede aarde valt. Doch als nu „de zon opgaat", d. i.
in hare hitte gaat schijnen, waar de zomer komt, daar ver-
dort die snel opgeschoten plant. De zon schijnt over den
gansenen akker met gelijke kracht, maar terwijl op andere
gedeelten daarvan de plant vocht ontleenen kan aan den
grond, waarin de wortelen diep zijn ingegaan, moet het
gezaaide op dat gedeelte, waar slechts een dun laagje aarde
is, noodzakelijk verdorren.
RoOZEMKIJER, Ev. MATTH. I.                                                                           24
-ocr page 376-
370
Nog weder een ander deel van het gezaaide valt op een
deel des akkers, waar, onder den grond, doorngewas voort-
woekert. Eer nog dat gezaaide opkomen kan, komen, in
weelderigen overvloed, die doornen op; ze laten aan het
goede zaad geene ruimte, maar verstikken het in den groei.
Verschillend zijn de beletselen; hier het platgetreden voet-
pad, daar de dunne laag aarde, elders de doornen, — maar
alle bewerken zij hetzelfde, dat het uitgestrooide zaad niet
tot vruchtdragsn komt.
Vrucht komt slechts daar op, waar het zaad in de goede
aarde valt. Maar daar geschiedt het dan ook zoo over-
vloedig, dat er deels honderd-, deels zestig-, deels dertig-
voudige oogst wordt binnengehaald. Ook hier houdt de
Heer zich, in Zijne gelijkenis, geheel aan hetgeen in Pa-
lestina pleegt te geschieden. Terwijl in ons vaderland een
vijfentwintigvoudige oogst het hoogst is, wat de vlijt des
landmans loont, is in het bijzonder vruchtbaar Kanaan een
oogst, als Jezus hier beschrijft, gansch gewoon.
Ziedaar dan de gelijkenis, door den Heer aan het na-
denken Zijner hoorders voorgesteld. Tot dat nadenken wekt
Hij hen op met de woorden: ,,wie ooren heeft om te hoo-
ren, die hoore!" Het is, alsof Hij zeide: Blijft niet staan
bij den naasten zin van wat Ik u zeg: dringt door tot de
geestelijke bedoeling, opdat uwe ziele wijsheid opdoe!
XIII. 10—17. En de discipelen, tot Hem komende,
zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen door
gelijkenissen ?
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Omdat het
u gegeven is, de verborgenheden van het koninkrijk
der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.
Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal
-ocr page 377-
371
overvloediglijk hebhen, maar wie niet heeft, van dien
zal genomen worden, ook wat hij heeft.
Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat
zij ziende niet zien, en. hoorende niet hooren noch ook
verstaan.
En in hen wordt de profetie van Jesaia vervuld,
die zegt: Met het gehoor zult gij hooren, en geenszins
verslaan; en ziende zult gij zien, en geenszins bemerken.
Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij
hebben met de ooren zwaarlijk gehoord, en hunne oogen
hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met
de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en
met het hart verstaan, en zich bekeeren, en Ik hen
geneze.
Doch moe oogen zijn zalig, omdat zij zien, en uwe
ooren, omdat zij hooren.
Want voorioaar zeg Ik n, dat vele profeten en
rechtvaardigen hebben begeerd te zien de dingen, die
gij ziet, en hebben ze niet gezien, en te hooren de
dingen, die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.
Wat Mattheus hier als antwoord des Heeren op de vraag
der discipelen mededeelt, is, — behoeft het nog gezegd te
worden ? — niet de eenige reden, waarom Jezus in gelij-
kenissen sprak. De naast voor de hand liggende reden van
dit spreken in gelijkenissen is natuurlijk, dat deze vorm
de meest geschikte was voor ongeleerde hoorders, die een
diepzinnig betoog niet zouden kunnen volgen. Die liefelijke,
boeiende gelijkenissen, ze trekken zelfs kinderen aan, ter-
wijl ze toch diepten in zich bevatten, door al de wijsheid
der wijzen niet te peilen. Eene gelijkenis prent zichlichte-
lijk in het geheugen, en wordt in het gewoel des levens
-ocr page 378-
372
medegenomen, terwijl eene afgetrokkene waarheid spoedig
i verdrongen wordt. Eene gelijkenis spoort juist tot naden-
ken aan, omdat de hoorder begrijpt, dat achter hetgeen
hij hoort, de eigenlijke bedoeling van het gesprokene ver-
borgen ligt.
Maar juist op de belangstelling, die nadenken doet, komt
het dan ook bij het hooren van gelijkenissen aan. Waar
zij ontbreekt, daar wordt de gelijkenisvorm een sluier, waar-
door de geestelijke waarheid bedekt wordt. Het gaat er
mede, als met Gods openbaring in de natuur; zoekt het
hart God daar niet in, dan verbergen de natuurverschijn-
selen den levenden God, alzóó dat of de natuur aange-
beden wordt, óf die natuur voor eene onpersoonlijke macht
wordt gehouden, die den levenden God geheel doet vergeten.
Wie geene diepe belangstelling hadden, hoorden de gelij-
kenissen als vertellingen aan, die hen een oogenblik bezig
hielden, maar waaruit hunne ziel geene winste opdeed.
Dat komt over hen als een oordeel Gods. Dóarom, en in
dien zin, zegt de Heer tot Zijne discipelen: „U is het ge-
geven, de verborgenheden van het koninkrijk der hemelen
te weten, maar hun is het niet gegeven."
Er is hier geen sprake van het ondoorgrondelijke raads-
besluit Gods; er is hier sprake van Gods werkingen gericht
in het levend heden. Vraagt men: hoe komt het, dat de
één gelooft, en de ander niet gelooft ? — dan doet men
eene vraag, waarop althans in deze bedeeling, geen antwoord
is; eenerzijds toch kan God niet de schuld van het ver-
loren gaan, en andererzijds niet de mensch de eer zijner
behoudenis hebben. Doch hier is van dit mysterie geene
sprake. Hier wordt de reden, waarom het sommigen ge-
geven, anderen onthouden wordt, opgegeven als dadrin
liggende: „Wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal
-ocr page 379-
373
overvloediglijk hebben, maar die niet heeft, van dien zal
genomen worden ook wat hij heeft."
De bedoeling van dit wonderspreukig gezegde is dui-
delijk gonoeg. Wie heeft, d. i., wie waarlijk bezit en in
zich opgenomen heeft, wat God als voorloopige gave schonk,
dien zal meerdere genade te beurt vallen; het zal met hem
gaan van licht tot licht, en van kracht tot kracht. Waar
de voorbereidende genade haar doel bereikt, daar wordt op
dien gelegden grondslag verder voortgebouwd. Doch waar
de mensch die ontvangen genadegaven heeft verwaarloosd,
daar worden niet alleen geene nieuwe genadegaven hem
toegevoegd, maar ook dat wat tot hem kwam, wat hij had
als uiterlijk bezit, wordt hem ontnomen. De oplossing van
de raadselspreuk ligt in den dubbelen zin, waarin het woord
„hebben" hier voorkomt; eerst als een uitwendig, daarna
als een inwendig, een persoonlijk toegeëigend bezit.
Jezus discipelen nu konden gezegd worden te hebben in
dien tweeden zin. Zij waren belangstellend, heilzoekende
geworden. Daarom werd hun nu het meerdere gegeven,
namelijk het verstaan van de „verborgenheden van het
Koninkrijk der hemelen."
De prediking van het Koninkrijk der hemelen is eene
verkondiging van verborgenheden. Niet alleen in dien zin,
dat het bestaan van dat Koninkrijk alleen door Goddelijke
openbaring aan de in de zonde verzonken menschheid kon
worden medegedeeld, maar ook nog in diepere beteekenis.
Wat door de verkondiging van Jezus geopenbaard is, dat
is en blijft nog voor iederen afzonderlijken mensch eene
verborgenheid, zoolang er niet iets in zijn zieleleven heeft
plaats gegrepen. Het heil des Heeren staat daar nu voor
zijne oogen, — maar van die oogen moet nog een sluier
worden weggedaan, zoo hij zal kunnen zien. Daarom, ook
-ocr page 380-
374
nadat het Godsrijk in de komst van Christus, en door Zijne
prediking, openbaar geworden is, blijven de dingen des
Koninkrijks nog verborgenheden. "Vreemd, onverstaanbaar
blijven zij, zoolang in den inensch nog niets anders dan
eene vleeschelijke gezindheid aanwezig is. Die gezindheid
doet aan de verborgenheden des Koninkrijks met onver-
schilligbeid voorbijgaan, of, indien er al eenige aandacht
aan gewijd wordt, dan worden zij vervormd, totdat er eene
aardsche beteekenis aan gehecht is. Eerst moet het deksel,
dat op het aangezicht van iederen onwedergeboren mensch
ligt (2 Cor. III. 15. 16), verwijderd worden. Daartoe nu
strekt de arbeid der voorbereidende genade. Bij Jezus
discipelen had die arbeid zijn doel bereikt; zij waren be-
laiigstellend, zij waren heilbegeerig geworden. Wat zij in
Jezus zagen en van Hein hoorden, kon nu door hen opge-
nomen worden in een ontvankelijk hart. Al verstonden ook
zij nog niet aanstonds al wat Plij hun te openbaren had
(Joh. XVI. 12), het beginsel daarvan was toch aanwezig,
en de Geest zou telkens dieper hen inleiden.
Het is dus geene willekeurige beschikking, waarop de
Heer wijst, als Hij zegt: „U is het gegeven, de verborgen-
heden van het Koninkrijk der hemelen te verstaan, maar
hun is het niet gegeven." Het is het uitspreken van het
feit, dat er bij hen eene vatbaarheid bestaat, die bij de
anderen niet aanwezig is. Zoo brenge dan dit woord
niemand tot moedeloosheid, alsof het, bij al zijn zoeken
en begeeren, mogelijk zijn zou, dat het hem toch niet
gegeven werd tot de kennis te komen van wat hij tot
zijne behoudenis noodig heeft! Wij herhalen nog een-
maal : hoe het komt, dat de een gelooft, en de ander
niet, dat zegt de Schrift niet. Zij spreekt alleen over het-
geen er geschiedt, om den mensch tot eenen geloovige te
-ocr page 381-
375
maken. En in deze uiteenzetting van den heilsweg predikt
zij nergens een noodlot, maar \'wijst overal op des menschen
verantwoordelijkheid, opdat van elke behoudenis God de
eere ontvange, maar ook van elk verloren gaan de schuld
blijve bij den mensch.
Voor hen, die niet tot deze heilzoekenden behoaren, is
het spreken in gelijkenissen een oordeel. „Ik spreek tot
hen in gelijkenissen", zegt de Heer, „omdat zij ziende niet
zien, en hoorende niet hooren, noch ook verstaan". Men
lette op dit woord: „omdat", niet: opdat. Het is niet de
bedoeling des Heeren, dat zij niet zouden zien en hooren,
maar wijl zij niet zien en hooren is voor hen dit spreken
in gelijkenissen tot een oordeel. Dit worde in het oog ge-
houden tot recht verstand van dat woord van Jesaia, dat
Jezus verder aanhaalt.
Die aanhaling wordt ingeleid door de woorden: „En in
hen wordt vervuld de profetie van Jesaia." Het woord,
hier door „vervuld" vertrald, is in het oorspronkelijke nog
sterker: ten volle vervuld. Niet zonder bedoeling is die
sterkere uitdrukking gekozen. Immers, vervuld werd Jesaia\'s
woord reeds in zijne eigene tijdgenooten. Wat hij sprak,
sprak hij met het oog op die tijdgenooten. Maar zijn woord
ontvangt nu eene verdere, eene volkomene vervulling in de
tijdgenooten van Jezus omwandeling. Hun was nog zooveel
meerdere genade geschonken; de zonde van hunne onacht-
zaamheid was dus nog zooveel grooter; daarom gold in
verhoogde mate hun, wat aangaande Jesaia\'s tijdgenooten
gezegd was.
Het woord uit Jesaia\'s profetie, dat hier in eenigszins
vrijen vorm wordt aangehaald, is te vinden in Jes. VI. 9. 10.
Het maakt een deel uit van de majestueuse Godsopenbaring,
waardoor Jesaia tot profeet gewijd was. Aan den Godsge-
-ocr page 382-
376
zant werd te verstaan gegeven, wat de uitwerking van zijn
optreden zijn zou. Uitwerking en bedoeling wordt in de
Israeiietische oudheid vereenzelvigd (1); daarom luidt het
Godswoord tot Jesaia: „Ga henen, zeg tot dit volk: Hoo-
rende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar be-
merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak hunne
ooren zwaar, en sluit hunne oogen, opdat het niet zie met
zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn
hart versta, noch zich bekeere, en Hij het geneze". In den
vorm, waarin de Heiland dat woord aanhaalt, door de ver-
andering van „opdat" in „zoodat", is alles weggevallen,
wat zou kunnen doen denken, dat de bedoeling Gods met
de zending van Jesaia de verharding des volks was. Die
verharding zal er intusschen het uitwerksel van wezen.
Immers, waar zij door al den genadearbeid Gods, reeds aan
hunne zielen bewezen, niet tot berouw zijn gekomen, daar
kunnen zij, als nieuwe genadewerking tot hen komt, niet
dezelfden blijven; voert het hen niet tot bekeering, dan
verhardt het hen des te meer. Zij zien, maar merken niet
op; zij hooren, maar zij verstaan niet, en komen daardoor
niet tot bekeering, en dus ook niet tot een genezen worden
door dien God, die tot den verootmoedigden zondaar zich
in genade zou nederbuigen. De reden van dit niet bemer-
ken en niet verstaan is, dat „het hart dezes volks is vet
, geworden". Dat is: hun gemoed is gansch en al vleeschelijk,
aardschgezind geworden; het licht, dat in hen was, is duis-
ternis geworden; de vatbaarheid voor de aanraking met de
hoogere wereld is verstompt.
Dat moest gezegd worden van Jesaia\'s tijdgenooten; dat
gold in verhoogde mate van de massa des volks in Jezus
(1) Vgl. „Het Christ. Geloof," door schrijver dezes, blz. 98 — 100.
-ocr page 383-
377
dagen. De verwaarloosde genadebewerking had verharding
tengevolge gehad. Maar ook nu is liet uitwerksel der
verwaarloosde genade geen noodlot, waaronder het volk
gebogen ging: dat blijkt in die discipelen des Heeren, die
óók tot dat volk behooren, en wier oogen toch bemerken,
en wier ooren verstaan.
Hun heerlijk voorrecht wordt nu in de volgende woor-
den door Jezus uitgesproken. Hun voorrecht; hun van God
geschonken zegen. Want, terwijl alle ongeloof op rekening
des menschen moet gesteld worden, met afsnijding van alle
redeneeringen, die de schuld op God zouden werpen, heeft,
omgekeerd, niemand op zijn geloof als eigen werk te roe-
men, maar is alle eere te geven aan de voorbereidende
genade, die tot dat gelooven hem bracht.
Dit voorrecht is hun geschonken, dat zij zien en hooren,
wat Profeten en rechtvaardigen der Oude Bedeeling te
vergeefs hebben begeerd te zien en te hooren. De gansche
Oude Bedeeling draagt een karakter van verwachten, van
verlangen. Zoowel zij, die de Godsopenbaringen brachten,
als die ze ontvingen, de Profeten en de rechtvaardigen,
d. i. naar Oud Testamentisch spraakgebruik: de geloovigen,
— zij allen hebbeu gevoeld, dat hun slechts voorafscha-
duwing der werkelijkheid gegeven was; zij hebben verlangend
zich uitgestrekt naar eene betere Toekomst. Zij hadden eene
kennis van het goddelijk Wezen, maar \'t was nog slechts
een nagaan van de sporen Zijner gangen (Ex. XXXIII. 23);
nog geen aanschouwen van het aangezicht Gods. Zij had-
den zinnebeelden der verzoening, maar de ontruste con-
scientie begeerde nog wat anders dan het bloed van stieren
en bokken. Zij hadden eene wet tot leiding op den levens-
weg, maar zij begeerden dat de tijd mocht komen, waariti
die wet op de tafelen hunner harten geschreveu zou zijn.
-ocr page 384-
378
Dat alles nu, waarnaar de voorgeslachten hebben ver-
langd, het valt door Gods genadige beschikking aan deze
nederige Galileesche visschers en tollenaars ten deel. Zij
aanschouwen, zij hooren den Immanuël, God geopenbaard
in het vleesch!
En wat zij zagen en hoorden, dat zien en hooren wij
nu door hunne tusschenkomst. Zij, de getuigen van Jezus
leven, zij hebben ons Hem voor de oogen geschilderd in
hunne door Gods Geest bezielde mededeelingen. Daarom,
zalig ook wij, wien zulke genade is bewezen. God spreekt
tot ons niet meer gelijk Hij in de Oude Bedeeling sprak;
Hij spreekt tot ons door den Zoon. Zalig wij, — indien
wij opmerken en verstaan! Maar hoe zullen wij ontvlieden,
indien wij geen acht geven op het heil des Heeren? Hoe
grootere genade, des te grootere verantwoordelijkheid!
XIII. 18. 19. Gij dan, hoort de gelijkenis van
den zaaier.
Als iemand het woord des koninkrijks hoort, en
niet verstaat, zoo komt de booze, en rukt weg, hetgeen
in zijn hart gezaaid toas; deze is degene, die bij den
weg bezaaid is.
Thans gaat de Heer, in den besloten kring Zijner disci-
pelen, de uitgesproken gelijkenis verklaren, \'t Is slechts
een paar malen, dat ons in de Evangeliën de eigene ver-
klaring des Heeren van eene gelijkenis medegedeeld wordt;
die verklaringen wijzen den weg, om ook de andere recht
te verstaan. Immers wij leeren er uit, dat wel in eene ge-
lijkenis verschillende trekken vau het beeld beteekenis
hebben, maar dat onmogelijk alles van eene gelijkenis kan
worden overgebracht. Men mag uit eene gelijkenis geene
-ocr page 385-
379
gevolgtrekkingen afleiden, die buiten de hoofdbedoeling der
gelijkenis liggen; men mag niet drukken op hetgeen een-
voudigtot de inkleeding behoort. Iedere vergelijking, ook
in het dagelijksch leven, wijst op een punt van overeenkomst;
gaat men daarbuiten, dan maakt men van de vergelijking
iets anders dan er mede bedoeld is. Er is geestelijk ver-
stand, er is, indien we \'t zoo noemen mogen, geestelijke
taet noodig tot het verklaren van gelijkenissen, evenals tot
het verklaren van symbolen en typen.
Waar Marcus (IV. 14) des Heeren verklaring van deze
gelijkenis mededeelt, begint hij met te schrijven: „De
zaaier is, die het woord zaait." Al spreekt Mattheus dit
niet uitdrukkelijk uit, ditzelfde laat zich, ook uit hetgeen
hij mededeelt, opmaken. Onder dat beeld van den zaaier
stelt Jezus dus zichzelven voor, en verder al diegenen, die
van Hein dat Godswoord hebben ontvangen om het te ver-
breiden op aarde. Daar zou, in den akker dezer wereld
geen zaad te strooien zijn, dat gezegende vrucht voortbracht,
indien de Zaaier niet uit den hemel ware nedergedaald.
En nu is, — ziehier reeds dadelijk een bewijs dat eene
gelijkenis slechts eene zijde der waarheid kan mededeelen, —
nu is dat zaad niet af te scheiden van den zaaier; nu heeft
het Godswoord, dat in de menschenwereld gezaaid wordt,
juist de verkondiging omtrent Jezus tot inhoud. Dat is het,
wat uit de woestijn dezer wereld een hof des Heeren maakt,
vruchten dragend tot Gods eer, dat daarin de boodschap
afgedaald is van eene liefde, die, om zondaars te redden,
den dood in al zijne bitterheid heeft gesmaakt.
Dien eigenlijken inhoud van het Gods woord vermeldt
Jezus in Zijne verklaring der gelijkenis niet. Nooit zocht Hij
Zijne eigene eere, en ook, voor wie Hem hoorden zou eene
heenwijzing hierop nog onverstaanbaar zijn geweest. Jezus
-ocr page 386-
380
spreekt alleen van „het woord des Koninkrijks;" eerst de
Heilige Geest zal later aan de discipelen leeren, dat dit
Koninkrijk bestaat om en door den Koning.
Wat deze gelijkenis bedoelt, is de uitwerking van het
woord Gods voor oogen te stellen, en te doen inzien, hoe
het al of niet vruchtdragen van \'t gestrooide zaad afhan-
keiijk is van den toestand van den grond, waarin het ge-
vallen is.
Vooreerst, daar zijn er, „die bij den weg bezaaid zijn."
Dat zijn degenen, die het woord hooren, en niet verstaan.
En waarom verstaan zij niet? Het zaad blijft boven op den
vastgetreden grond liggen. Wat zij hooren, daalt niet in
hun binnenste in. Zij stellen er geen belang in: zij hooren
het, als niet hoorende; hunne gedachten zijn, onder het
hooren, met allerlei andere dingen bezig.
Van hoevele duizenden is dit het treffend gelijkende beeld!
In de prediking, bij het godsdienstonderwijs, in de veel-
vuldige aanrakingen met het Evangelie, die het leven brengt,
komt het woord des koninkrijks wel tot hen, maar zij laten
het over zich henen gaan; ze zijn er volstrekt onverschillig-
voor; ze doen, alsof het hun niet aangaat. Wat kan het
woord Gods bij zulken teweeg brengen ? Het komt niet in
liet gemoed; het blijft bij eene oppervlakkige, verstandelijke
kennis, die zelfs nog uiterst gering is. Zoo heeft dan de
Booze, die overal het Rijk Gods zoekt tegen te werken,
hier geringe moeite, om het woord Gods ganschelijk weg
te nemen; het is niet ingegaan; het ligt voor het wegha-
len. Hoe goed, hoe vruchtbaar het zaad zij, het blijft op
zulk eenen bodem onvruchtbaar.
Zie toe, zoo vermaant ons dit eerste deel der gelijke-
nis, dat gij acht geeft op het woord Gods, dat tot
u komt!
-ocr page 387-
381
XIII. 20. 21. Maar die in steenachtige plaatsen
bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort, en
dat terstond met vreugde ontvangt; doch hij heeft
geenen wortel in zich zelven, maar is voor eenen tijd;
en als verdrukking of vervolging komt, om des tooords
wil, zoo wordt hij terstond geërgerd.
Hier wordt eene klasse van meuschen ons voorgesteld,
die, oppervlakkig beschouwd, geheel anders is dan de eerst-
genoemde. Zij ontvangen het woord; zij ontvangen het
zelfs met vreugde. Eene spoedige, eene in het oog vallende
verandering heeft met hen plaats. Zij vertoonen een chris-
telijk leven; zij gaan niet slechts met de christenen in hunne
omgeving mede, zij streven hen zelfs vooruit. Als de won-
derboom van Jona schiet hun geloofsleven op; helaas! even
spoedig als die wonderboom verdort het ook weer. Alles
schijnt goed te gaan, zoo lang er niets in den weg komt.
Doch, — verdrukking blijft niet uit voor wie den naam van
Christus belijdt. Zij het ook al geene bloedige vervolging,
die er komt, men kan geen christelijk leven leiden of
men ondervindt dat men tegen den stroom in gaat; er
komt bespotting, er komt tegenwerking; er komen ervaringen,
die duidelijk maken dat men niet tegelijk een dienaar Gods
en een door de wereld gevierde en geprezene zijn kan. De
menschen nu, in dit deel der gelijkenis bedoeld, worden
door zoodanige ervaring geërgerd, d. i. zij stooten zich aan
die leiding van het Godsbestuur. Indien deze weg uit God
ware, dan moest het een effene weg zijn, meenen zij; uit
de ervaringen, die zij opdoen, besluiten zij, dat zij eenen
verkeerden weg gekozen hebben, en haasten zich dus, dien
te verlaten. Een tijdlang zijn zij met de christenen mede-
gegaan; ze munten zelfs boven anderen uit, — maar daarna
-ocr page 388-
382
Kinken zij terug; onvruchtbaar wordt hun leven, alsof het
nooit door het Godswoord aangeraakt ware!
Vanwaar dat? Zij hadden „geene diepte van aarde."
Wel was de oppervlakte aaTigedaan; zij hadden gehoord en
geluisterd; hun gevoel was opgewekt, zelfs met krachtige
beweging. Maar in de diepte des gemoeds was het Gods-
woord niet opgenomen. Wel het gevoel, maar niet het ge-
weten was geraakt. Eene aanduiding daarvan ligt reeds in
het gezegde, dat zij het woord „terstond met vreugde"
aannemen. Waar het diepst des gemoeds geraakt wordt, is
de eerste uitwerking van het Godswoord geene vreugde,
maar verslagenheid, gelijk ons dat van de toegebrachten op
den Pinksterdag bericht wordt (Hand. II. 37). Dit kan ook
niet anders. Het Godsvvoord is eene blijde boodschap van
verlossing; maar juist daarom wijst het op behoefte aan
verlossing, op het schuldige en doemwaardige van dien toe-
stand, die door deze verlossing moet worden weggenomen.
Zoo moet dan eerst de ellende en de strafwaardigheid van
dien toestand erkend worden, indien de boodschap der ge-
nade met aanbidding en dank zal worden aangenomen :
slechts door de hellevaart der zelfkennis komt men tot de
hemelvaart der rechte Godskennis. Indien clan het Gods-
woord „terstond met vreugde" aangenomen wordt, zoo doet
dat vermoeden, dat dit woord niet in zijne eigenlijke be-
teekenis erkend is; dat er alleen de liefelijke beloften, maar
niet de heilige eischen van opgenomen zijn; bovenal, dat
het niet ingedaald is in het eigenlijke wezen des menschen.
Zoo laat het zich verstaan, dat dezulken „geenen wortel
hebben, en slechts voor eenen tijd" zijn. Zoolang alles mede-
loopt ; zoolang zij in hunne omgeving aansporing en aan-
moediging hebben, leiden zij een leven, waaraan voor het
oog der menschen niets ontbreekt om christelijk te heeten.
-ocr page 389-
383
Deze planten schieten zelfs sneller op, dan die diepe wor-
telen hebben; daar is in het leven van wie onder dit beeld
worden voorgesteld, meer blijmoedigheid, meer opgewektheid
dan in het leven van hen, die door worstelingen Jacobs
zijn henen gegaan, en daarna de kenteekenen blijven dragen
van den doorgemaakten strijd.
Doch de gedaante der dingen verandert, als de oinstan-
digheden anders worden. Als er smaad of lijden om den
naam des Heeren moet gedragen worden, ja zelfs reeds als
de geestesstrooming in de omgeving eene andere is geworden,
dan vallen zij af. Zij vallen af, — omdat zij nooit waarlijk
ingeplant geweest zijn. De zonnehitte blakert den gansenen
akker, — maar dat schaadt niet aan de planten, die diep
genoeg geworteld zijn om sappen uit den grond te kunnen
trekken. Waar het Godswoord in het diepst des gemoeds is
gedaald, daar laat men den Heer niet meer los; daar weer-
klinkt in het binnenste : Heer! tot Wien dan tot U? Gij hebt
de woorden des eeuwigen levens! Maar wie slechts opper-
vlakkig zijn aangedaan, zij, bij wie alleen het gevoel in
beweging is gekomen, zij laten los, wat zij nooit waarlijk
in eigendom hebben bezeten.
XIII. 22. En die in de doornen bezaaid is, deze
is degene, die het woord hoort, en de zorgvuldigheid
dezer wereld, en de verleiding des rijkdom» verstikt
het woord, en het icordt onvruchtbaar.
Het deel des akkers, dat hier beschreven wordt, heeft
diepte van aarde genoeg, maar hier staan weder andere be-
letselen het vruchtdragen van het zaad in den weg. Hier
worden menschen beschreven, niet maar zoo oppervlakkig
aangedaan als de zoo even genoemden. Het woord Gods is
-ocr page 390-
384
wel waarlijk in hun binnenste ingegaan. Maar dat binnenste
wordt ingenomen en vervuld met andere overleggingen; de
dingen dezer aarde, de bezittingen dezer wereld beslaan
zulk eene plaats in hun gemoed, dat het Godswoord niet
doorwerken kan. Opmerkelijk, dat de Heer zoowel „de zorg-
vuldigheid dezer wereld" als „de verleidingen des rijkdoms"
noemt. Gebrek en weelde beide brengen evenveel gevaar.
Want, hetzij de ziel bezig is met overleggingen, hoe zij
geld en goed verwerven zal, en zich overgeeft aan de ge-
dachte, dat zij daarvan te weinig heeft, en dat gebrek en
nood haar wacht; hetzij ze, in het midden van den over-
vloed, op de middelen peinst om daarvan genot te hebben,
onder de dagelijksche ervaring dat rijkdom den bezitter
teleurstelt, — in beide gevallen is het denken en trachten
zóó bezig met aardsche dingen, dat er voor het hemelsche
geen plaats overblijft. Want, liet is niet genoeg, dat het
woord Gods indaalt in het hart, het moet daarin ook „over-
legd" worden, gelijk van Maria (Luc. II. 19) geschreven
staat, d. i. naar de bedoeling van het oorspronkelijke woord :
in het hart worden om en om gewenteld, opdat het van
alle zijden worde bezien, en de gansche kracht er van
worde ervaren. Dit nu kan niet geschieden, waar aardsche
belangen en begeerten de eerste plaats innemen; daar wordt
de invloed des woords ter zijde gedrongen; daar verstikt
het goede zaad, omdat het geene plaats heeft om te groeien,
liet gevaar, waarop de Heiland hier wijst, is niet aan
bepaalde standen in de maatschappij verbonden. Wel is de
middentoestand de begeerlijkste, gelijk reeds in het boek der
Spreuken (XXX. 8) gezegd wordt: „Armoede of rijkdom
geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden
deels". Maar ook in dien middentoestand kunnen een van
beide gevaren of ook wel beide, beurt om beurt, bestaan.
-ocr page 391-
385
Immers het ligt niet aan de omstandigheden, het ligt aan
de gesteldheid des gemoeds. De zorgvuldigheden des levens
drukken niet alleen wie broodsgebrek hebben, maar ook hen,
voor wie het ophouden van hun stand in de maatschappij
een dagelijksche bron van kwelling is. En de verleiding
des rijkdoms kan ook in een bestaan van zeer bescheidene
afmetingen zich doen gelden, waar het hart met strevingen
naar genot, al is het dan ook van lagere soort, is vervuld.
Overal daar, waar de tijdelijke dingen niet in hare juiste
waarde, als noodzakelijke hulpmiddelen voor een verganke-
lijk leven worden beschouwd; overal, waar men dit aardsche
leven beziet als het éénige, en dus het genot in dit leven
als hoogste doel stelt, — daar moet wel het goede zaad door
het onkruid worden verstikt; daar is geene plaats voor het
koninkrijk Gods, en voor het woord, dat van dit konink-
rijk getuigt.
XIII. 21. Die nu in de goede aarde bezaaid is,
deze is degene, die het woord hoort en verstaat, die
ook vrucht draagt en voortbrengt, de een honderd-,
de andere zestig-. en de ander dertigvoud.
Het zaad, op de drie eerstgenoemde deelen des akkers
gevallen, is, door verschillende oorzaken, onvruchtbaar ge-
bleven. Maar niet al het gezaaide mislukt. Daar is een deel
des akkers, waarin het zijne werking doet.
„Die in de goede aarde gezaaid is, deze is het, die het
woord hoort en verstaat." Dat is iets anders, dan dat „met
vreugde ontvangen", waarvan vroeger sprake was. Hier
daalt het woord in de diepte des gemoeds in; hier vindt
het een ontvankelijken bodem; hier kan het zijne kracht
openbaren.
Roozemeijer, Ev. Matth. I.                                                        2(>
-ocr page 392-
386
Welke menschen worden hier bedoeld? Niet zulken, die
reeds wedergeboren zijn; immers, zij moeten het goede zaad
nog ontvangen. Zij worden bedoeld, van wie elders gezegd
wordt, dat zij uit de waarheid zijn, en daarom komen tot
het licht (Joh. III. 21), en die in de verklaring dezer ge-
lijkenis bij Lucas (VIII. 15) menschen genoemd worden
met een „eerlijk en goed hart". Voorwaar! daarvan hebben
zij niet zichzelven den roem te geven; dat danken zij aan
de voorbereidende genade Gods. Doch in de gelijkenis
wordt daarop geen nadruk gelegd; hier wordt slechts hun
toestand beschreven, en niet gezegd van waar die zijn oor-
sprong heeft.
De toestand, hier bedoeld, is die van het „arm van geest"
zijn. Zij, die zichzelven in hun behoefte en schuld leerden
kennen; zij, die verlangend uitzien naar vergeving en ver-
lossing, zij ontvangen het woord des koninkrijks, het woord
van Gods genade in Christus, in het diepst hunner ziele.
En waar het zóó indaalt, daar kan het niet anders of het
moet vrucht voortbrengen. De Godskracht, in het Godswoord
gelegen, moet uitwerking hebben in een menschenhart, waar
dat hart er ontvankelijk voor is; het vervult de behoeften,
het herschept de gezindheid, het geeft leven te midden van
wat verkwijnde en verwelkte. Onderscheiden is de uitwer-
king van het goede zaad, naar mate van aanleg en ont-
wikkeling, en ook naar mate van de trouw, in de beantwoor-
ding aan Gods genademiddelen; er is dertig- en zestig- en
honderdvoudige vrucht; de ééne Christen is meer nog dan
de ander den hemelschen Vader tot eer, waarom er dan ook bij
de voleinding der wereld onder de gezaligden verschil in heer-
lijkheid zijn zal, gelijk de ééne ster in heerlijkheid verschilt
van de andere ster (1 Cor. XV. 41.). Maar intusschen, bij
allen, waar het Godswoord in het hart indaalde, is de uit-
-ocr page 393-
387
werking overvloedig, rijk in vruchten, tot verheerlijking
van Hem, die den akker met het goede zaad heeft bezaaid.
Wat wij in het algemeen aangaande de gelijkenissen
opmerkten, dat niet elke trek daarvan kan worden over-
gebracht, dat blijkt ons reeds aanstonds bij deze gelijkenis
van den Zaaier. Hield men dit niet in het oog, dan zou
men zeggen, dat hier de noodlotsleer geleerd werd. De akker
toch kan er niets aan doen, dat hij is, zooals hij is. De
gevolgtrekking zon dus wezen: een mensch is nu eenmaal zoo
als hij is; \'t ligt niet tot zijne verantwoording of het woord
Gods iets bij hem uitwerkt of niet. Wie gevoelt niet, dat zulke
redeneering onzinnig wezen zou, en dat daarom zulke gevolg-
trekking uit de gelijkenis valsch is? Voorwaar! de Heer spreekt
tot Zijne hoorders niet, om hun een vrijbrief tot zondigen,
en eene vrijspraak voor de verharding des harten te geven.
Een beeld kan, juist omdat het een beeld is, niet in alle
opzichten met de afgebeelde geestelijke waarheid overeen-
komen; \'t kan slechts eene enkele zijde er van toonen.
Wat deze gelijkenis in haar geheel bedoelt, het is de
aanwijzing, dat de uitwerking van het Godswoord afhangt
van de gesteldheid des harten. Het brengt tot allen de
vermaning: Zie toe, hoe gij hoort! En zoo daar dan een
mensch is, die tot de erkenning ontwaakt: mijn hart i9
geen weltoebereide bodem, dan zegt niet deze gelijkenis, hoe
hij tot verandering komen moet, maar geheel het Evangelie
is daar, om hem te wijzen op den arbeid der opzoekende
liefde Gods, die den bodem ontvankelijk maakt voor het
zaad, en die den weg hem toont, dien hij zelf heeft in te
slaan, om door deze genade te worden herschapen, den weg
van bidden en smeeken, van acht geven op de leidingen Gods.
Xni. 24—30. Eene andere gelijkenis heeft Hij
-ocr page 394-
388
hm voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der he-
melen is gelijk aan eenen mensch, die goed zaaide
in zijnen akker.
En, als de menschen sliepen, kwam zijn vijand, en
zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging zoég.
Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht
voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.
En de dienstknechten van den heer des huizes gin-
gen, en zeiden tot hem: lieer! hebt gij niet goed zaad
gezaaid in uwen akker? van waar heeft hij dan dit
onkruid!1
En hij zeide tot hen: Een vijandig mensch heeft
dat gedaan. En de dienstknechten zeiden: Wilt gij
dan, dat wij heengaan, en het vergaderen?
Maar hij zeide: Neen! opdat gij, het onkruid ver-
gaderende, ook mogelijk daarmede de tarwe niet uittrekt.
Laat ze beiden samen opwassen tot den oogst, en in
den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen:
Vergadert eerst het onkruid, en bindt het in busselen,
om het te verbranden, maar brengt de tarwe samen in
mijne schuur.
De letterlijke zin dezer gelijkenis is zoo duidelijk, dat
hierbij geene verklaring noodig is. Wij voegen daarom ter-
stond de uitlegging dezer gelijkenis hierbij, die de Heer
aan Zijne discipelen geeft in
XIII. 36—43. Toen nu Jezus de scharen van
zich gelaten had, ging Hij naar huis. En Zijne dis-
cipelen kwamen tot Hem, zeggende: Verklaar ons de
gelijkenis van het onkruid des akkers.
En Hij, antwoordende, zeide tot hen: IHe het goede
«
-ocr page 395-
389
zaad zaait is de Zoon des menschen; en de akker is
de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des
koninkrijks; en het onkruid zijn de kinderen des boo-
zen; en de vijand, die het gezaaid heeft, is de duivel;
en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers
zijn de engelen.
Gelijkerioijs dan het onkruid vergaderd, en met vuur
verbrand wordt, alzoo zal het ook zijn in de voleinding
dezer wereld. De Zoon des mensc/ten zal Zijne engelen
uitzenden, en zij zullen uit Zijn koninkrijk vergaderen
alle ergernissen, en degenen, die de ongerechtigheid
doen; en zullen ze in den vurigen oven werpen ; daar
zal weening zijn en knersing der tanden. Ban zullen
de rechtvaardigen blinken, gelijk de zon, in het Ko-
ninkrijk huns Vaders.
Die ooren heeft om te hoor en, die hoor e!
De overeenkomst tusschen deze gelijkenis, en die van
den zaaier bepaalt zich tot het uitwendige; in beide is van
zaad en van eenen akker sprake. In beteekenis echter loo-
pen zij verre uiteen. Hier is het zaad niet het woord Gods;
hier worden, zoowel door het zaad, als door het onkruid,
menschen voorgesteld.
De verklaring, door den Heer zelven van deze gelijkenis
gegeven, maakt het verstaan gemakkelijk. Slechts ééne zaak
levert moeielijkheid op, namelijk hoe de uitdrukking is op
te vatten: „de akker is de wereld." Immers, indien hier
onder „wereld" de menschenwereld in het algemeen wordt
verstaan, zooals men bij den eersten blik zou meenen, dan
zou de wensch der dienstknechten een wensch zijn, om de god-
deloozen uit te roeien door moord. Uit de wereld, in dien
algemeenen zin genomen, kan iemand toch niet anders wreg-
-ocr page 396-
390
gedaan worden, dan door dat hem het leven ontnomen wordt.
Zulk een wensch nu zou door de dienaren niet alleen niet
vervuld kunnen worden, hij zou daarenboven niet in hun
hart kunnen opkomen, daar zij dienaren zijn van den heer
des akkers, dus van den Zoon des menschen.
Een vingerwijzing tot recht verstand hebben wij daarin,
dat de akker met goed zaad bezaaid is. Het is dus dat
deel der wereld, dat onder den invloed van het Evangelie
staat, de gechristianiseerde wereld, dat is: de Christelijke
kerk in de gedaante, die zij heeft, sedert zij, na het ophou-
den der vervolgingen, de volken in zich heeft opgenomen.
Zóó wordt de wensch der dienstknechten begrijpelijk; zij
willen de kerk zuiveren. De Heer, Wiens blik de eeuwen
omvat, heeft het oog op den toestand, waarin Zijne kerk
gedurende eeuwen verkeeren zal. In dien toestand zal in
het hart der zijnen de wensch opkomen, om te zuiveren en
af te scheiden, wat niet aan de bestemming der kerk be-
antwoordt. Maar Hij kan dien wensch niet inwilligen. Dat
schiftingswerk zou meer kwaad dan goed doen; de goede
tarwe zou schade lijden; alzóó toch zijn, onder den grond,
de wortelen en vezelen der verschillende planten door elkan-
der gestrengeld, dat het uitrukken der ééne, lichtelijk ook
het verloren gaan der andere tengevolge heeft. En liever
nog duldt de heer des akkers, dat het onkruid welig opwast,
dan dat eene enkele goede plant zou uitgerukt worden.
Het beloop der Kerkgeschiedenis heeft getoond, hoe het
verwaarloozen van dezen wenk des Heeren, allerlei onheil
gesticht heeft. Wij kunnen hier daarover niet verder uit-
weiden (1); de herinnering volsta, dat al deze pogingen op
niets zijn uitgeloopen.
(1) Uitvoeriger is hierover gehandeld in: „Het Christelijk Geloof" door
Schrijver dezes, ia het Hoofdstuk : Gemeente en Kerk.
-ocr page 397-
391
Moet die vermenging van boozen en goeden dan altijd
voortduren? Altijd? Ja! Voor eeuwig? Neen! Zoo langde
tijd dezer bedeeling duurt, duurt ook de vermenging van
boozen en goeden. Doch aan het einde komt de scheiding.
Dan worden de goddeloozen, en wie ergernissen aanrichten,
weggedaan uit het Koninkrijk Gods; de rechtvaardigen
daarentegen, wier innerlijk leven hier verborgen, wier geeste-
lijke heerlijkheid door allerlei oorzaken omfloerst was, zullen
blinken als de zon in het Koninkrijk huns "Vaders. Waar
alles in het licht treedt, daar blinkt ook de schittering van
het nieuwe leven, door den Heer aan de zijnen verleend.
XIII. 81. 82. Eene andere ff el ijkenis heeft Hij
hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen
is gelijk aan een mosterdzaad, hetwelk een mensch
heeft genomen, en in zijnen akker gezaaid; hetwelk
wel is het minste onder de zaden, maar wanneer het
opgewassen is, dan is het het meeste van al de moes-
kruiden, en het wordt een boom, alzoo dat de vogelen
des hemels komen, en nestelen in zijne takken.
Wat de Heer in deze gelijkenis aan Zijne hoorders voor-
stelt, is de groote uitbreiding, uit klein begin, die het
Koninkrijk Gods op aarde hebben zal. Hij kiest daartoe
het beeld van een mosterdzaad, een klein en nietig zaadje,
dat nochtans eene plant vormt, die, in Palestina, van 8 tot
12 palm hoog wordt, en dus een soort boom is, waarin
vogelen nestelen kunnen. Wie zou, uit zoo klein een zaadje,
zulk een gewas hebben verwacht ? Alzoo nu is het ook met
het Koninkrijk Gods. Wat was het nietig en onbeduidend,
toen het nog alleen in den kleinen kring van Jezus jonge-
-ocr page 398-
392
ren besloten was! En als men dan daartegenover dacht
aan de macht van het gansche volksleven Israels, dat
onder voorgang zijner leidslieden, zich daar vijandig te-
gen kantte, wat kon men dan anders verwachten, dan
dat eene snelle onderdrukking het einde zou zijn? Toch,
het wordt door Israël niet ten onder gebracht; het komt
in aanraking met de macht van het Romeinsche wereldrijk.
Wat zullen nu deze verstrooide, machtelooze christenen,
te midden eener wereld, waar alles samenspant om hen tegen
te staan? Zij zullen onder alle vervolging, telkens verder
zich uitbreiden, onder allerlei rangen en standen; ze zullen
alzóó toenemen, dat de Romeinsche staat zelf voor de macht
des Evangelies bukt. Zoo zal het voortgaan, de eeuwen
door. Het nietig mosterdzaadje wast op tot een boom:
thans wordt de naam van Christus reeds door een vierde
gedeelte des menschdoms beleden, en juist door die volken,
die aan de spits der menschheid staan. En nog heeft de
boom niet zijn vollen wasdom bereikt; nog gaat het zen-
dingswerk voort, zelfs met grooter kracht, dan in vijftien
voorafgaande eeuwen, zoodat de arbeid der negentiende eeuw
eene overvloedige uitwerking in de twintigste doet ver-
wachten.
Van waar die ontwikkeling en bloei, waar alles tegen-
werkte? Van waar anders, dan door de wonderbare kracht,
in dien zaadkorrel gelegd? Dat Evangelie, dat de wereld
verwint, is het woord van den almachtigen God, — daarom
kan het niet worden vernietigd door den tegenstand der
wereld. Juist die beletselen, waartegen het te kampen heeft,
bewijzen zijne innerlijke levenskracht; en aan het gestadig
zich uitbreiden onder al die tegenwerking ontleent het ge-
loof eene versterking, die met blijde gewisheid dit levens-
woord als goddelijk Evangelie doet begroeten.
-ocr page 399-
393
XIII. 33—38. Eene andere gelijkenis sprak Hij
tot hen, zeggende: Het Koninkrijk des hemelen is gelijk
aan eenen zuurdeesem, welken eene vrouw nam, en
verbergde onder drie maten meels, totdat het geheel
gezuurd was.
Al deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken
in gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak Hij tot hen
niet; opdat vervuld zoude worden, toat gesproken ü
door den profeet, zeggende: Ik zal mijnen mond opendoen
in gelijkenissen; ik zal voortbrengen dingen, die ver-
borgen waren van de grondlegging der wereld.
Deze gelijkenis is aan de voorafgaande ten nauwste ver-
want. Beide stellen de uitbreiding van liet Koninkrijk Gods,
den voortgang van klein tot groot, voor oogen. Alleenlijk
inet dit onderscheid, dat de gelijkenis van het mosterdzaad
de uitwendige uitbreiding, en deze van het zuurdeeg de
innerlijke doorwerking van het Evangelie voor oogen stelt.
Ditmaal is het beeld niet aan den landbouw, maar aan
het bedrijf der huismoeder ontleend, die het meel, bestemd
om voor haar gezin tot brood gebakken te worden, door
zuurdeeg doet rijzen. Hoe nietig klein is dat stuksken
zuurdeesem, tegenover den grooten klomp van drie maten
meels! En toch, het doorzuurt die gansche massa.
Men heeft allerlei geestelijke beteekenissen gezocht in
het getal drie, dat hier genoemd wordt. Sommigen heb-
ben daarbij gedacht aan de drie vermogens des men-
schen: verstand, gevoel en wil; anderen aan de drie
levenssferen, waartoe de mensch behoort: huisgezin, kerk
en staat. Het een kan met bijna evenveel recht als het
ander worden gezegd; vooral de gedachte aan de drie
vermogens des menschen ligt zoo voor de hand, dat men
-ocr page 400-
394
als vanzelf daaraan denkt; doch... had de Heer met dit
getal drie iets bepaalds bedoeld, dan zou dit op eene of
andere wijze zijn te kennen gegeven. Daarom meenen wij,
dat hier evenmin iets bijzonders achter gezocht moet wor-
den, als dat men een antwoord zou kunnen geven op de
vraag, wie met de „vrouw" bedoeld wordt. Waar Jezus
op wijzen wil, is de werking van klein tot groot, die het
Evangelie uitoefent, en de verborgene, onnaspeurbare kracht
van die werking.
Inderdaad, dat is het kenmerk van den gang van het
Godsrijk. Is het woord des levens waarlijk ingedaald in het
gemoed, dan ondergaat het gansche bestaan des menschen
daarvan den invloed, zonder dat men naspeuren kan, op
welke wijze dit geschiedt; dan worden zijne levensuitingen
op ieder gebied, zijne verschillende verhoudingen tot zijne
medemenschen, daardoor van karakter veranderd. En dat
alles geschiedt op stillen, onmerkbaren weg. Het Koninkrijk
Gods komt nooit en nergens met uiterlijk gelaat. Het ver-
borgene, het onnaspeurbare is zoozeer een kenteeken van
zijne werking, dat al wat ophef maakt slechts in zóó-
verre zegen kan stichten, als er na het geruchtmakend
optreden eene stille werking nablijft.
Ook weder bij deze gelijkenis blijkt, dat niet alles kan
worden overgebracht, zelfs niet in datgene, wat de hoofd-
gedachte der gelijkenis is. Immers, terwijl het zuurdeeg
van zelf den meelklomp doordringt, zonder belemmering te
ontmoeten, geschiedt de werking des Evangelies in het hart
en in de wereld nooit zonder strijd. Ach, daar is zulk een
wederstand tegen de werking des Evangelies in het hart,
dat van nature afkeerig van God is, en in de wereld, die
onder de macht van den overste dezer wereld is gekomen!
Zoo vatte dan niemand deze gelijkenis op, alsof zij steun
-ocr page 401-
.395
gaf aan de noodlotsleer; verantwoordelijk is ieder, die onder
het Evangelie leeft, voor de verhouding, waarin hij tegen-
over dat Evangelie zich plaatst.
Door deze en dergelijke gelijkenissen, — want gewisselijk
heeft een onderwijs, dat soms tot laat op den dag zich
uitstrekte, nog veel meerdere gelijkenissen bevat, dan die
voor ons opgeteekend zijn, — sprak onze Heer tot de
schare, ter onderrichting der heilbegeerigen, maar tevens
tot een oordeel voor de onverschilligen. De Evangelist ziet
daarin eene vervulling van wat, in Psalm LXXVIII. 2, de
dichter aangaande zichzelven uitspreekt. Wij hebben hier
natuurlijk niet te denken aan eene eigenlijke profetie, maar
de uitdrukking: „vervuld worden" in ruimeren zin te nemen.
Wat Mattheus er door te kennen geeft is, dat de Godsge-
zant bij uitnemendheid denzelfden weg in zijn onderwijs
volgt, als de vroegere leidslieden des volks reeds ingeslagen
waren. In den aangebaalden Psalm waren het de gebeurte-
nissen van Israels geschiedenis geweest, die den gewijden
dichter stof gegeven hadden tot zijn onderwijs aan zijne
tijdgenooten; beelden waren zij hem geweest, om Gods
voortdurende zorg te doen kennen. Welnu! ook de Christus
Gods spreekt in beelden, maar genomen uit het meest voor
de hand liggende; de verborgenheden des Koninkrijks wor-
den verkondigd op eene wijze, die onder de bevatting lag
van allen, wien het om geestelijke waarheid te doen was.
XIIT. 44—46. Wederom is het Koninkrijk der
hemelen gelijk aan eenen schat, in den akker verbor-
gen, welken een mensch gevonden hebbende, verbergde
dien, en van blijdschap over dien schat, gaat hij
heen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker.
Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk aan
-ocr page 402-
896
een koopman, die schoone paarlen zoekt; dewelke,
hebbende eene paarl van groote waarde gevonden, ging
heen en verkoeld al wat hij had, en kocht die paarl.
De verzen 36—43 zijn behandeld na vers 80; zoodat
wij thans onmiddellijk tot vs. 44—46 kunnen overgaan.
De gelijkenissen van den schat in den akker en den
koopman in paarlen voegen wij bijeen, als beide dezelfde
hoofdgedachte uitdrukkende, met afwijking in het bijkomstige.
Eerst stelt de Heer ons eenen arbeider voor oogen, die,
terwijl hij het land omspit, eenen in den «akker verborgen
schat ontdekt. Opdat er geen twijfel zij aan zijn recht, om
dien schat tot zich te nemen, koopt hij het stuk land,
waarin die schat besloten ligt. Om dat te kunnen doen,
getroost hij zich het verkoopen van al wat hij heeft; al
wat hij opoffert zal door dien schat hem rijkelijk worden
vergoed.
Daarna gebruikt de Heer het beeld van een koopman,
die schoone paarlen zoekt. Niet aan het zoeken van paarlen
in de schelpen op den bodem der zee is hier te denken;
geen parelvisscher, maar eenen koopman stelt Jezus ons
voor. Naar de gewoonte der oudheid is deze koopman zelf
op reis, om op te koopen wat hij voor zijnen handel van
waarde rekent. Zoo ontdekt hij dan ergens eene parel, zoo
schoon en zoo kostbaar, dat hij alles inspant om die in
zijn bezit te verkrijgen. Hij keert terug tot zijne woon-
plaats; hij maakt al wat hij heeft te gelde, en rekent zich
nu gelukkig, dat hij ten prijze van dit alles, die parel
aankoopen kan.
Beide gelijkenissen komen hierin overeen, dat zij spreken
van een goed van alles overtreffende waarde, en van de
groote offers, die het verkrijgen daarvan vordert.
-ocr page 403-
397
Naast die gelijkheid staat echter een verschil. De man,
die op het land arbeidt, vindt zijnen schat plotseling en
ongedacht. De koopman in paarlen is bezig paarlen te zoe-
ken, en vindt nu op dien weg dat, wat hij zoekt, alleen
veel schooner dan hij het verwacht had.
Zoowel dit verschil als die overeenkomst is bij de over-
brenging van beteekenis. De schat en de parel beteekenen
beide het heil des Heeren, de zaligheid der Godsgemeenschap.
Dit heilgoed wordt nu echter op verschillenden weg verkregen.
Daar zijn er, die, te midden van een leven, dat zich slechts
met aardsche dingen bezig houdt, plotseling in aanraking
komen met het heil des Heeren. Zij zochten het niet,
maar het komt hen tegen, en het straalt voor hun zielsoog
in heerlijken glans. Maar daar zijn anderen, die ernstig
bezig zijn te zoeken naar wat waarde geeft aan het leven.
In wetenschap, in kunst, in strenge plichtsbetrachting, in
het najagen van liefelijke deugden, zijn zij bezig paarlen
te zoeken.... totdat op dien weg van inspanning iets
hoogers door hen ontdekt wordt, dan al wat zij tot hiertoe
zochten en vonden. Wat beters, dan al waar hun ziel naar
uitging, vinden zij in het heil, door het Evangelie verkondigd.
Het is één doel, — doch er zijn twee wegen. Daar zijn
er die plotseling toegebracht worden; daar zijn er, die
reeds lang zoekende waren. De eersten vindt men, waar in
eene lichtzinnige omgeving, alle zoeken en trachten slechts
op aardsche dingen gericht was; de tweeden dd&r, waar
zegenrijke invloeden van buitenaf voorbereidend hebben
gewerkt.
Doch beide klassen van menschen komen in \'t bezit van
het begeerde heilgoed, alleen door afstand te doen van al
wat zij bezitten. Zekerlijk! Gods genade is niet te koop;
in dit punt kan de gelijkenis niet overgebracht worden.
-ocr page 404-
398
Gods genade zegent om niet; zoo is koopen overbodig. En
de mensch heeft niets, wat hij God zou kunnen aanbieden;
zoo is koopen onmogelijk. Maar om \'t begeerde goed te
verkrijgen moeten toch offers worden gebracht, offers van
alles wat dierbaar was aan het hart, offers van wat losge-
laten moet worden, opdat er plaats zij voor de gave des
Heeren. Voorzeker! ze worden met vreugde gebracht, waar
de heerlijkheid van den schat en de paarl door het hart is
erkend! Zoo hoog de hemel is boven de aarde, zoo ver over-
treft de hemelsche gave al het aardsch bezit, dat er voor
losgelaten moet worden.
XIII. 47 — 52. Wederom is het Koninkrijk der
hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en
dat allerlei soort van visschen samenbrengt; hetwelk,
wanneer het vol geworden is, de visschers aan den
oever optrekken, en neder zitten de, lezen het goede uil
in hunne vaten, maar het kwade werpen zij weg.
Alzoo zal het in de voleinding der eeuwen wezen:
de engelen zullen uitgaan en de boozen uit het midden
der rechtvaardigen, afscheiden, en zullen ze in den
vurigen oven werpen; daar zal weening zijn en knersing
der tanden.
En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan?
Zij zeiden tot Hem: Ja Heere! En Hij zeide lol
hen: Daarom, een iegelijk schriftgeleerde, in het Ko-
ninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk aan eenen
heer des huizes, die uit zijnen schat oude en nieuwe
dingen voortbrengt.
De gelijkenis, die de reeks van gelijkenissen in dit Hoofd-
stuk besluit, heeft groote overeenkomst met die van het
-ocr page 405-
399
onkruid tussclien de tarwe. Ook hier wordt gesproken over
het tijdelijk bijeenzijn van goeden en boozen, uitloopende
op eene scheiding tusschen die beiden. In de gelijkenis
van het onkruid ligt echter de nadruk op het te zamen
opwassen, en op hetgeen de dienaren in den tijd vóór den
oogst hebben na te laten. Daarom laat nu de Heer nog
deze gelijkenis volgen, waarin de nadruk juist op de schei-
ding valt.
Waar het Evangelie des koninkrijks gepredikt wordt,
brengt het de menschen in zekere uitwendige eenheid bij
elkander. De Christelijke kerk, in hare tegenwoordige ge-
stalte, omvat allerlei menschen, samengebracht en uitwendig
gelijk. Doch het bijeenzijn in het vischnet is slechts tijde-
lijk. Als het net is opgetrokken, worden de goede visschen
bijeengezameld, en het overige wordt weggeworpen. Zóó zal
het zijn aan het einde der eeuwen. De scheiding, in dezen
voorbereidingstijd door menschen niet te maken, zal door
God op Zijnen tijd gemaakt worden. Dan gaan de kinde-
ren des koninkrijks, zij, die tot onderdanen diens Rijks
zijn wedergeboren, ten eeuwigen leven in; doch wie slechts
uitwendig tot de kerk behoorden, worden weggeworpen. Dat
wegwerpen is een oordeel; dat wegwerpen kan niet anders
dan oorzaak van rampzaligheid zijn: van God verwijderd
te wezen, wat kan dat anders zijn dan eene ellende, die
onbeschrijfelijk is, die ook hier slechts in beeldspraak aan-
geduid wordt! Dat maakt het korte aardsche leven zoo
ernstig; dat roept aan allen toe, die onder de bewerking
des Evangelies verkeeren: vergenoeg u niet met een uiterlijk
toebehooren tot de kerk van Christus, maar onderzoek en
beproef u, of gij den Heiland toebehoort met het hart!
Schoon elk van deze gelijkenissen op zichzelve staat, zoo
vormen zij toch samen een zoodanig geheel, dat de veron-
-ocr page 406-
400
derstelling nabij ligt: ze behooren tot een aaneengescha-
keld onderwijs des Heeren. Het Koninkrijk Gods wordt
hier voorgesteld, eerst gelijk het in de menschheid gesticht
wordt (de zaaier); daarna gelijk het zich in de menschen-
wereld vertoont (tarwe en onkruid). Vervolgens wordt ge-
wezen op zijne uiterlijke en innerlijke uitbreiding (mosterd-
zaad en zuurdeesem); dan op de verschillende wijzen,
waarop het toegeëigend wordt (schat en parel); eindelijk
op het scheidingsoordeel aan het eind der tegenwoordige
bedoeling (vischnet).
De Heer besluit dit onderwijs in gelijkenissen met een
woord tot Zijne discipelen. Eerst vraagt Hij huu: Hebt
gij dit alles verstaan ? Zij, die later de dragers Zijns woords
in de wereld moesten worden, behoorden in de eerste plaats
zelven te begrijpen, wat hun Meester bedoelde. En als zij
nu op die vraag bevestigend hebben geantwoord, stelt Jezus
hun het beeld van den rechten Schriftgeleerde voor oogen.
Be Schriftgeleerden hunner dagen, de wetgeleerden, die bij
Israël in aanzien stonden, droegen roem op eene geleerd-
heid, die in het aanleeren en verder toepassen van het
overgeleverde bestond. Zij waren echo\'s van het verledene;
ze stonden als dienstknechten tegenover de heilsopenbaring
aan de voorgeslachten gegeven. Alzoo moest het niet zijn
bij den Schriftgeleerde, „in het Koninkrijk der hemelen
onderwezen", dat is eigenlijk: een Schriftgeleerde, die zelf
een leerling is van het Koninkrijk der hemelen. De zoo-
danige moet niet, als een knecht, alleen maar de toever-
trouwde schatten bewaren; hij moet, als een heer des huizes,
er vrijelijk over beschikken. Zal dat geschieden, dan moet
de ware Schriftgeleerde niet maar aangeleerde kennis be-
zitten; dan moet die kennis één geworden zijn met zijn wezen,
zoodat hij leeft in de heilgeheimenissen Gods, en daarvan
-ocr page 407-
401
uitdeelen kan naar de behoeften dergenen, met wie hij in
aanraking komt. Oude en nieuwe dingen moet hij voort-
brengen uit zijnen schat; het oude, door de ervaring be-
proefde, en het nieuwe, dat daar opwelt uit zijn eigen hart,
waar dat hart door de aanraking des Geestes Gods tot een
bronwei van levend water is geworden. Want het oude en
nieuwe is beide van dienzelfden God, die aan de voorge-
slachten zich openbaarde, en die zich mededeelt aan een
iegelijk, die waarlijk in de dingen Zijns koninkrijks leeft.
Gelijk onze Heiland immer terugwees op de Godsopenba-
ring aan Israël, en daarin Zijn aanknoopingspunt vond,
maar daarnaast het nieuwe, levende Godswoord stelde, zóó
hebben, in hunne mate en door Zijne kracht, ook de dra-
gers Zijns woords het oude en het nieuwe te verbinden,
dat, wat zij ontvingen als erfdeel der voorgeslachten, en
dat, wat de Geest des Heeren doet geboren worden in hun
eigen gemoed.
XIII. 53—55. En het is geschied, als Jezus deze
gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij van daar.
En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen
in hunne Synagoge, zoodat zij zich ontzetten en zeiden:
Van waar komt dezen die wijsheid en die krachten?
Is deze niet de Zoon des timmermans, en is Zijne
moeder niet genaamd Maria, en Zijne broeders Jacobus
en Joses, en Simon en Judas ? En Zijne zusters, zijn zij
niet allen bij ons? Vanwaar komt dezen dan dit alles?
En zij werden aan Hem geërgerd. Maar Jezus
zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan in
zijn vaderland, en in zijn huis.
En Hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan,
van wege hun ongeloof.
ROOZBMMJER, Ev. MaTTH. I.                                                                           26
-ocr page 408-
402
Het bezoek te Nazareth, hier door Mattheus verhaald,
heeft, volgens Luc. IV. 15 en verv., in den aanvang van
het openbaar leven des Heeren plaats gegrepen. Mattheus
deelt het hier mede, omdat het hem, zoo min als de andere
Evangelisten, — bepaaldelijk de drie eersten, — om tijd-
rekenkundige volgorde te doen is. Hun aller berichten
bestaan in grepen uit de herinnering, die het levensbeeld
des Heeren voor het oog der lezers moeten plaatsen.
„Gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij in hunne
Synagoge". Het woord „vaderland" is hier in veel engeren
zin gebruikt, dan waarin wij dat plegen te bezigen. Naar
ons spraakgebruik, is geheel Palestina Jezus vaderland,
waarbuiten Hij slechts zeer zelden (gaande naar Syro-Eenicië
en naar Caesarea Philippi) zich heeft verwijderd. Mattheus
bedoelt met „vaderland" de stad Nazareth en hare omgeving.
Ook daur predikt de Heer, gelijk Hij elders gewoon was.
In die synagoge, waarheen Hij als kind en jongeling weke-
lijks is opgegaan, om aan de godsdienstoefening deel te
nemen, treedt Hij thans leerende op. En ook hier geschiedt,
wat elders geschiedde; men komt Hem kranken brengen,
opdat Hij ze genezen zou. Dat blijkt uit het woord der
Nazarethanen: „van waar komen dezen die wijsheid en die
krachten ?"
Het één verbaast hun niet minder dan het andere. Zij
weten met zekerheid, dat Hij, die hier spreekt, niet gevormd
is in de scholen der Eabbijnen. En niet slechts spreekt Hij
even goed, alsof Hij die vorming genoten had, — Zijn
spreken draagt een veel hooger karakter. Zijn onderwijs is
niet maar een herhalen van wat vroeger door de tolken
Gods gezegd was, met een verwarrenden omhaal van mensche-
lijke woorden; \'t is geen redeneeren over spitsvondigheden,
als waarin de Rabbijnen hun kracht stelden; \'t is geen
-ocr page 409-
403
opleggen van telkens zwaardere lasten aan het volk, dat
toch reeds zoo diep voelde, hoe ver de afstand was tusschen
hen en den God hunner vaderen. Een ademtocht eener
hoogere wereld raakt in Zijn spreken hen aan; een recht-
streeksch Godswoord komt Hij brengen; een woord, dat rich-
tend en oordeelend gaat over de roerselen des harten, maar
dat vrede en verlossing predikt aan het neergebogen gemoed.
En wat Zijn woord bedoelt, dat komen de „krachten",
die Hij doet, nader verklaren. Reddend en zegenend staat
Hij daar te midden der ongelukkigen; barmhartig, ontfer-
mend te midden van al het lijden, waaronder de mensch-
heid is gebogen. Vanwaar, zoo vragen de Nazarethanen,
vanwaar dit alles ?
O, indien zij dien indruk van Jezus woorden en daden
op hun gemoed hadden laten doorwerken, zij zouden het
antwoord gevonden hebben. Ze zouden tot de erkenning zijn
gekomen, dat wie de woorden Gods spreekt en de werken
Gods werkt, niet uit de aarde verklaard kan worden. Uit
Zijn optreden zouden zij besloten hebben tot Zijn wezen, en
ze zouden de erkenning niet hebben kunnen weren: Deze
moet van God gekomen zijn! En wat zij dan meenden te
weten aangaande Zijne afkomst en omgeving, het zou dan
verbeterd worden naar hetgeen Zijn optreden onloochenbaar
getuigde.
Helaas! zij laten dien indruk niet doorwerken. Instinct-
matig gevoelen zij, waartoe die indruk hen brengen moet,
en welke eischen hij stelt aan hun hart en leven. Daarom
slaan zij den anderen weg in: van het uitwendige uit
zullen zij over het inwendige oordeelen. „Is deze niet de
zoon des timmermans?" Zij kennen hem en zijne familie-
betrekkingen, — en van daar uit zullen zij nu beslissen,
wat zij denken moeten van die wijsheid en die krachten.
-ocr page 410-
404
Wat zij opnoemen, doet ons een blik slaan in de om-
standigheden, waarin Jezus vóór Zijn openlijk optreden heeft
verkeerd. Hij is bekend als „de zoon des timmermans";
elders (Mc. VI. 3) wordt Hij zelf „de timmerman" ge-
noemd. Klaarblijkelijk heeft Hij deelgenomen aan den ar-
beid van Jozef; als zoodanig is Hij bij Zijne medeburgers
bekend. Zij hebben Hem in de werkplaats, zij hebben Hem
aan hunne huizen zien arbeiden, — en zij hebben niets
> bijzonders opgemerkt. Zondeloosheid, heiligheid maakt geen
gerucht; bijzondere aandacht hebben zij nooit aan Hem
gewijd.
Niet slechts Hem hebben zij gekend; zij kennen ook
Zijne moeder, die, daar zij alléén hier genoemd wordt, en
ook elders in de Evangeliën alléén optreedt, Teeds weduwe
schijnt geweest te zijn; voorts, zij kennen ook Zijne bij
name genoemde broeders en Zijne zusters. Te midden van
een talrijk gezin is dus Jezus opgegroeid, en alle verhou-
dingen, waarin bloedverwantschap brengt, zijn Hem niet
vreemd geweest. Hoe worden alle banden des gezins gewijd
door deze gedachte: ook onze Heer heeft daarin gedeeld in
de jaren Zijns aardschen levens!
Doch, — is dit wel zoo? vraagt menigeen. Hebben wij
hier, bij die benaming van „broeders en zusters" werkelijk
aan kinderen van Jozef en Maria te denken? Staat het
woord „broeders" hier niet in de plaats van „neven", zoo
als bv. een Abram tot Lot zegt: „wij zijn mannen broe-
ders" (Gen. XIII. 9)?
Het is niet slechts de Boomsche kerk, die zich verzet
tegen het denkbeeld, dat Maria andere kinderen zou gehad
hebben, dan de Heilige, die wonderbaar uit haar geboren
is. Dat Eome\'s kerk het voorstelt, alsof zij immer maagd
gebleven ware, hangt samen met de verheerlijking van den
-ocr page 411-
405
ongehuwden staat, aan die kerk eigen, hangt samen ook
met de vergoding, die Maria meer en meer afzondert van
de menscliheid, om van haar eene koninginne des hemels
te maken. Maar ook onder vele Protestanten is er eene
aarzeling, andere kinderen van Maria te erkennen; misschien
tengevolge van een onbewuste, eerbiedwaardige, maar toch
niet goed te keuren huivering om ten volle ernst te maken
met de inenschwording van den Zoon Gods.
Wij meenen, dat de Evangeliën te duidelijk spreken,
om het woord „broeders" anders dan in letterlijken zin
des woords op te vatten. Vooreerst, de Evangeliën zijn
geschreven in de Grieksche taal, die zeer bepaald een eigen
woord heeft voor „neef"; men zie Col. IV. 10, waar
Marcus de neef van Baruabas genoemd wordt. Al worden
nu in \'t Hebreeuwsch, bij overdrachtelijk spreken, verdere
bloedverwanten broeders genoemd, waar juist de onderlinge
band tusschen hen op den voorgrond gesteld wordt, dit
geeft geen recht, in het Grieksche N. T. het woord „broe-
der" in dien ruimeren zin van „bloedverwant" te nemen.
Voorts, de aanteekening in Mt. I. 25 zou geenen redelijken
zin hebben, indien ook na \'s Heilauds geboorte geene wer-
kelijke huwelijksbetrekking tusschen Jozef en Maria bestaan
had. Verder, terwijl het zeer begrijpelijk is, in de Evange-
liën herhaaldelijk Maria met de broeders des Heeren te
zien optreden, zou het meer dan zonderling geweest zijn,
indien Maria steeds van hare neven vergezeld was geweest.
Eindelijk, de Nazarethanen ontleenen een voorwendsel voor
hun ongeloof aan het feit, dat zij Jezus broeders en zusters
kennen, het huis, het geslacht, waaruit Hij is voortgekomen j
wat zou die bedenking beteekenen, indien zij beduidde: wij
kennen zijne neven en nichten? — Slechts ééne bedenking
van beteekenis blijft over, namelijk dat de Heer aan het
-ocr page 412-
40 6
kruis de zorg voor Zijne moeder aan Johannes opdraagt
(Joh. XIX. 26. 27). Ze wordt echter opgelost door de
overweging, dat toen nog de broeders ongeloovig waren,
die wij eerst op den Pinksterdag met de discipelen vereenigd
vinden: wat dus Maria in die oogenblikken behoefde, kon
zij slechts ontvangen door den discipel, dien Jezus liefhad,
terwijl wij, bij gebrek aan gegevens, niet weten waarom
deze oogenblikkelijke steun achtervolgd is door een voort-
durend blijven bij Johannes, zooals door Joh. XIX. 27#.
althans waarschijnlijk gemaakt wordt. In elk geval geeft
dit ééne, dat niet volkomen verklaard kan worden, geen
grond om het bestaan van broeders des Heeren te ontkennen.
Wij houden ons dus aan de eenvoudige, voor de hand
liggende beteekenis van het woord „broeder" in deze be-
denking der Nazerethanen. Ze kennen Jezus moeder, broe-
ders en zusters; zij weten, meeneu zij, alles van Zijn
afkomst; wat kan er dan bijzonders aan Hem zijn? Het
staat vast, dat Hij een gewoon mensch moet wezen; wat
dan in Hem zoo buitengewoon hun voorkwam, dat zal
daar naar verklaard, dat zal tot iets gewoons gemaakt
moeten worden.
Volkomen evenzoo gaat het nog, waar in naam der
wetenschap Jezus wordt verworpen. Men gaat dan niet uit
van den indruk, dien Jezus maakt, maar van hetgeen buiten
Hem vaststaat. Men kent de menschelijke natuur; men
kent de omstandigheden van den tijd, waarin Jezus leefde.
In die menschelijke natuur is geene volmaaktheid; die
tijdsomstandigheden doen niets groots verwachten; welnu!
in dit kader moet Jezus passen, en daaruit moet Hij te ver-
klaren zijn. Zoo kan Hij dus niet wezen, wat de Christelijke
Kerk Hem belijdt te zijn; wat daar wonderbaars, goddelijks
van Hem bericht wordt, dat moet opsiering zijn van dwe-
-ocr page 413-
407
pende discipelen. En al blijft de vraag nu onbeantwoord,
hoe die discipelen er dan toe gekomen zijn van eenen
braven Rabbi eenen Godmensch en Heiland te maten, — het
doet er niet toe; de wijsheid dezer wereld beslist: Hij moet
uit de inenschheid verklaard kunnen worden!
Het weten en kennen der Nazarethanen omvatte velerlei;
alleen niet dat ééne, waar het op aankwam, en wat begrij-
pelijkerwijze voor de buitenwereld was omsluierd gebleven,
namelijk dat deze Jezus op wonderbare wijze ingeplant was
in het menschelijk geslacht. Het was hunne schuld niet,
dat zij dit niet wisten. Het was hunne schuld, dat zij hun
kennen en weten gebruikten om den indruk te vernietigen,
dien Jezus optreden op hunne ziel had gemaakt. Daarom
worden zij aan Hem geërgerd ; Hij, die hun de rots des
behouds had moeten zijn, Hij wordt hun tot een steen des
aanstoots, waarover zij struikelen!
„Maar Jezus zeidc tot hen: „Een profeet is niet ongeëerd
dan in zijn vaderlaud, en in zijn huis." Welk eene kalmte,
en ook, welk eene verschooning ligt in* dat antwoord van
Hem, die zachtmoedig was, en nederig van hart! Daar is
nog iets, wat tot verontschuldiging strekken kan: Zijn oog
merkt dat op, waar een ander oog het niet zien zou, gelijk
Hij later nog een pleitgrond vinden zal om voor Zijne
moordenaren vergeving te vragen (Luc. XXIII. 34). Niet
als over Kapernaum, Chorazin en Bethsaïda, spreekt Hij over
Nazareth het wee! uit, al was hun ongeloof Hem gewisselijk
tot droefheid der ziel. — Een profeet is niet ongeëerd dan in
ziju vaderland! Zeker, zoo behoorde het niet te gaan, maar
zoo pleegt het te gaan. De uitwendige bekendheid is eene
belemmering tegen het geestelijk kennen. Dat dan ons hart
de tijdgenooten van Jezus omwandeling niet benijde ! Tegen-
over hunne voorrechten stonden bezwaren; missen wij den
-ocr page 414-
408
persoonlijken indruk van Jezus verschijning, ons treedt
daarentegen Zijn beeld in glorie tegemoet, waar het omstraald
is inet al de heerlijkheid, door den verhoogden Heer ge-
openbaard in den loop der eeuwen.
Het ongeloof der Nazarethanen berooft hen van den zegen
van Jezus woord, en van den zegen Zijner werken. „Hij
heeft aldaar niet vele krachten gedaan van wege hun onge-
loof." Geloof moet aanwezig zijn om Jezus wonderwerking
te kunnen genieten; niet alsof dit geloof daartoe iets aan-
brengen moest, maar omdat het de door God gewilde ont-
vankelijkheid is; het geloof is de hand, die de gave des
Heeren aanneemt. Waar het zoeken des heils ontbreekt,
heeft de Aanbrenger des heils niets te geven; zoo gaat het
in het uitwendige, zoo gaat het desgelijks met de gaven
voor de ziel.
XIV. 1. 2. Te dierzeloer tijd hoorde Herodes, de
Viervorst, het gerucht van Jezus, en zeide tot zijne
knechten: Deze is Johannes de Vooper; hij is opge-
weht van de dooden, en daarom werken die krachten
in hem.
Geruimen tijd reeds had Jezus openbare werkzaamheid
voortgeduurd, eer het gerucht daarvan doordrong tot het
hof van Herodes. Te midden der politieke bemoeiingen, der
geweldenarijen en der luidruchtige uitspattingen, was er
geene opmerkzaamheid voor een arbeid, waarbij de stem
niet werd verheven op de straten. Maar eindelijk dan toch
trekt de werkzaamheid van Jezus de aandacht: Herodes, de
Viervorst, wordt opmerkzaam.
Deze Herodes, bijgenaamd Antipas, is een zoon van
Herodes den Groote, onder wieu Jezus is geboren. Na den
-ocr page 415-
409
dood des vaders ontving Archelaus het bestuur over Judea,
totdat dit geheel een Romeiusch wingewest werd. Zijn broe-
der Herodes Antipas ontving, onder den titel van Tetrarch
of Viervorst, soms met den Koningstitel afgewisseld, het
bestuur over Galilea en Perea; hij is het, tot wien Jezus
door Pilatus werd gezonden, terwijl hij, als belijder van den
Joodschen Godsdienst, tijdens het Pascha te Jeruzalem was.
Het gerucht, dat hij, van uit de verte, omtrent Jezus
verneemt, maakt hem onrustig. Die wonderen en krachten,
al dienen zij alle tot genezing en redding, hebben voor
Herodes iets verschrikkends. Ze loochenen kan hij niet;
daartoe zijn de berichten, die hij hoort, te bepaald. Hij ziet
er de werking in van eene bovenaardsche macht, en dat
ontroert hein. Zijn kwaad geweten doet hem zeggen tot zijue
knechten: „Deze is Johannes de Dooper; hij is opgewekt
uit de doodeu; daarom werken die krachten in hem." Men
zie hierin geene uiting van een bepaald geloof, hetzij aan
opstanding of aan zielsverhuizing; \'t is het woord van eenen
oppervlakkigen wereldling, die zoo min aan het een als aan
het ander werkelijk gelooft, maar die alleen door siddering
aangegrepen wordt bij die wonderbare berichten, omdat het
nieuwe kracht geeft aan herinneringen, die hij in een roes
van vermaken vruchteloos poogt te verdrijven.
Gelijk hier, zoo is immer de indruk van Jezus optreden
en werken verschillend. Heerlijk en troostrijk is de open-
baring der goddelijke krachten voor wie redding zoekt bij
den Heer. Maar het hart, dat God poogt te vergeten, door
zicli in het aardsche te begraven, wordt opgeschrikt en onrus-
tig, als het vau die werking verneemt. Voor een kwaad ge-
weten is de blijde boodschap tot ontzetting, omdat het een
boodschap is uit die wereld, welke het zondelievend hart
zoo ver mogelijk ontvlucht.
-ocr page 416-
410
Wat de oorzaak was van Herodes angst, gaat de Evan-
gelist nu vervolgens raededeelen.
XIV. 3—11. Want Herodes had Johannes ge~
vangen genomen, en hem gebonden, en in den herher
gezet, om Herodias wil, de huisvrouw van Philippus,
zijnen broeder. Want Johannes zeide tot hem,: Het is
u niet geoorloofd, haar te hebben.
En willende hem dooden, vreesde hij het volk, om-
dat zij hem hielden voor eenen profeet.
Maar als de dag der geboorte van Herodes gehouden
werd,\' danste de dochter van Herodias in het midden van
hen; en zij behaagde aan Herodes, waarom hij haar
met eede beloofde te geven, wat zij ook eischen zou.
En zij, te voren onderricht zijnde van hare moeder,
zeide: Geef mij hier in eenen schotel het hoofd van
Johannes den Dooper.
En de honing werd bedroefd; doch om de eeden,
en degenen, die met hem aanzaten, gebood hij, dat het
haar zou gegeven worden, en zond heen, en onthoofdde
Johannes in den kerker.
En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en
het dochtertje gegeven, en zij droeg het tot hare moeder.
Wat hier bericht wordt, doet ons een blik slaan in het diep
bedorven leven van het geslacht der Herodessen. De Herodias,
hier genoemd, dochter van Aristobulus, was gehuwd met
Philippus, eenen ambteloos levenden zoon van Herodes. Om
harentwille verstiet Herodes Antipas zijne gemalin, en nam
de vrouw zijns broeders voor zich tot vrouw. Die schandelijke
verbintenis was door Johannes den Dooper bestraft. Hij,
die het volk tot bekeering vermaande, vreesde niet ook den
-ocr page 417-
411
Viervorst Gods wet voor te houden. Tegenover den gewel-
denaar, die, steunend op de Eomeinsche macht, allen voor
zich deed kruipen, spreekt de gezant Gods: Het is u niet
geoorloofd haar te hebben! De heilige wet Gods is ook
voor u eene wet; uwe macht verheft u niet boven de or-
donnantiën Gods.
Die bestraffing wekt de woede op van den vorstelijken
wellusteling. Had hij niet gevreesd, oproer te verwekken
onder het volk, dat Johannes voor eenen Profeet hield, hij
zou den boetgezant met den dood hebben gestraft voor zijne
vrijmoedigheid. Dit is niet in strijd met wat ons elders
(Mc. VI. 20) bericht wordt, dat Herodes vaak naar Johannes
hoorde, en dan velerlei dingen deed, die Johannes hem
aanbeval. Een hart, als dat van Herodes, is gedurig tusschen
het goede en kwade geslingerd; in kalme oogenblikken
erkent het de stem des gewetens; in tijden van hartstocht
is geen misdaad te groot, als die slechts dienen kan om
ongestoord den lust der zinnen te volgen. Tot dooden van
Johannes komt het niet; tot verbreken der schuldige ver-
bintenis met Herodias evenmin. De man Gods wordt in
den kerker geworpen, opdat zijn spreken den koning niet
hinderlijk, en voor de rust van den staat niet gevaarlijk
zou zijn.
Zoo zucht dan de Godsgezant in den kerker. Hoe zwaar
hem die verstoring van zijn arbeid viel, hebben wij gezien
uit zijne vraag aan den Heiland (Mt. XI. 2). Maar ook de
vorstelijke misdadiger komt niet tot rust: hoe zou er rust
kunnen zijn in een hart, dat tegen God zich verzet? A1-
lerlei feesten, allerlei uitspattingen moeten de onrust des
gemoeds verdooven. Eene van de aanleidingen daartoe is
de geboortedag van Herodes, die feestelijk gevierd moet
worden. Da&rop heeft Herodias hare berekening gemaakt.
-ocr page 418-
412
Nog bitterder dan Herodes haat zij Johannes. Verkrijgt
eenmaal deze Johannes invloed op den Viervorst, dan is het
uit voor haar met de weelde van het hofleven, dan is het
uit met den rang, dien zij aan de zijde van Herodes be-
kleedt. Gewisselijk op haar aansporing moet haar dochtertje
door kunstigen dans den koning bekoren, en, zoo dat ge-
schiedt, en haar vergund wordt eene belooning te kiezen,
dan vrage zij het hoofd van den vijand, die haar moeder
wil dringen uit de plaats, die zij heeft ingenomen.
De poging gelukt. Verblind en betooverd, daarbij gewis
begeerig om zijne vorstelijke mildheid te toonen, beloofde
de koning aan het dochtertje, haar alles te zullen geven
wat zij vragen zal. Roekeloos als eenmaal een Jephta be-
loofde, zonder te weten waartoe zijn gelofte hem brengen
zou, maar nog veel schuldiger dan hij, door het verschil
der omstandigheden, verzekert Herodes met eede, dat hij
alles zal inwilligen wat het dochtertje van hem begeert.
Zij doet haren eisch verstaan, — en de koning werd be-
droefd, als hij dien eisch hoorde. Bedroefd, misschien ten
deele om de gevolgen, die hij vreesde, als het volk zijne
daad zou vernemen, maar bedroefd toch zeker ook om den
indruk, dien hij van Johannes had ontvangen. Dat toch moesi
hij wel gevoelen, hoe hard hem ook vaak de woorden des
Doopers klonken: deze man meent het wèl met mij; het zou
mij goed zijn, indien ik zijne leiding volgde. Zij ook die
indruk niet krachtig genoeg, om de ketenen der zonde te
breken, toch doet die indruk hem huiveren tegen het ver-
moorden des Doopers.
Zoo zit hij dan een poos besluiteloos. Maar hij heeft
zich toch met eede verbonden! Moest hij dan niet zijne
belofte volbrengen? Waar de belofte roekeloos geweest is,
en de volvoering tot misdaad moet brengen, daar moet
-ocr page 419-
413
openlijk en berouwvol de belofte worden ingetrokken. Loopt
eene gegevene belofte slechts op persoonlijke schade uit,
dan moet zij gewis worden gehouden; doch waar zij tot
overtreding van Gods geboden zou voeren, daar moet zij
openlijk teruggenomen worden. Daartoe had Herodes geen
moed. Beteekenisvol voegt Mattheus er aan toe: „om dege-
nen, die met hen aanzaten". In hunne oogen wil hij geen
verbreker zijn van zijn koninklijk woord: liever dat het hoofd
des Doopers valle, dan dat hij zich voor zijne hovelingen
zon vernederen door de erkenning, dat hij dwaas en on-
zinnig beloofd had. Zooveel vermag de menschenvrees, waar
geene vreeze Gods is !
Het doodvonnis wordt uitgesproken, — en volvoerd. In
het kasteel Machaerus, waar Herodes verblijf hield, was ook
het kerkerhol van Johannes. Niet lang behoefde Herodias
te wachten; daar bracht haar dochtertje haar het hoofd
van den man, die haar gevaarlijk geweest was. Gelijk de
zwakke Achab door de goddelooze Izebel geleid was, zoo
heeft hier Herodias haren wil verkregen van den van twee
zijden geslingerden Herodes. De boosheid triomfeert; de
Godsgezant valt als weerloos slachtoffer.
Raadselachtig Godsbestuur! zou men zeggen, bij den
eersten blik op wat hier plaats vond. Hoe kan God het
toelaten, dat aldus de goddeloosheid overwint? Maar als
wij dieper doordenken, verdwijnt die verbazing. Of was dan
niet zulk een einde voor Johannes het heerlijkste, wat hij
bereiken kon ? In een oogwenk is hij overgebracht in de
zaligheid des hemels, en zijn loopbaan verheerlijkt door de
martelaarskroon! Was het hein niet zeer verre het beste,
verre te verkiezen boven een verder wegkwijnen in dege-
vangenis ? Ja, was het hem niet heerlijk en begeerlijk, zelfs
boven een in vrijheid gesteld worden, waar toch zijn werk.
-ocr page 420-
414
op aarde afgeloopen was? Voor de dienaren Gods is heen-
gaan vaa de aarde, ingaan in de eeuwige vreugde; beklage
toch ons hart Gods gezaligden niet!
Het Evangelie van Mattheus zwijgt verder over Herodes
Antipas. Maar in het Ev. van Lucas zien wij hem nog
eenmaal optreden, in de lijdensgeschiedenis des Heeren.
Daar zien wij de diepte, waarin hij is gezonken. Eerst was
er een tijd geweest, waarin hij Johannes gaarne hoorde;
daarna, bij \'t gerucht van Jezus optreden is hij althans nog
ontrust; later, als Jezus geboeid tot hem gebracht wordt, is
zijne conscientie als met een brandijzer toe geschroeid. Hij
heeft niets meer te begeeren, dan eens een wonder te zien}
dat hem tot tijdverdrijf kan dienen. Hoe diep, hoe onred-
baar hij is verzonken, het blijkt op ontzettende wijze uit het
stilzwijgen, dat Jezus tegenover hem bewaart. Eene ziel,
tot welke de Heiland niets heeft te zeggen, dat is eene
ziel, waarin geen aanrakingspunt voor Zijne genade meer
bestaat! Daartoe kan het komen, waar men Gods roep-
stemmen wederstaat, en speelt met de zonde! Zoo wie dan
Gods stem hoort, die verharde het harte niet!
XfV. 12. En zijne discipelen kwamen, en namen
het lichaam weg, en begroeven liet; en zij gingen, en
boodschapten het Jezus,
Begrijpelijk is het, door de gemoedsstemming, waarin
Herodes bij de terdoodbrenging van Johannes verkeerde,
dat aan diens discipelen het verlof niet werd geweigerd,
aan hunnen meester eene eerlijke begrafenis te geven. Wat
moet er in het hart dezer mannen zijn omgegaan, toen zij
dien laatsten liefdedienst aan het lijk huns meesters bewe-
zen! Met welk eene bewondering, met welk een ontzag
-ocr page 421-
415
hadden zij zijn optreden gadegeslagen! Welke verwachtingen
waren daardoor in hunne zielen opgewekt, verwachtingen
van een komen van Gods Koninkrijk met kracht en luister!
Ze hadden gezien, welk een machtigen indruk het woord
huns meesters maakte; hoe het volk was opgeschrikt uit
zijne onaandoenlijkheid, en bij menigte toestroomde om den
doop der bekeering te ontvangen. Ze hadden gezien, hoe
de beweging telkens grootere afmetingen aannam, en ook
de meer aanzienlijke kringen bereikte, die zich eerst op
eenen afstand hadden gehouden. Naderde niet het oogen-
blik, waarop Israël als een éénig man zich rondom den
gezant des Heeren zou scharen, en het Messiasrijk openbaar
zou worden ? Daar was die verwachting plotseling gedempt
door de gevangenneming huns Meesters. Maar hoe konden
zij dit anders aanzien, dan als eene tijdelijke belemmering,
die eerlang wijken zou? En nu, — nu is hij vermoord!
Ziedaar het einde!
Neen! niet het einde. „Zij gingen, en boodschapten het
Jezus." Die sobere woorden, eenvoudig als geheel de Evan-
geliebeschrijving, geven te verstaan, waar zij het hart uit-
stortten en troost zochten. Gedurig had hun Meester op
den Meerdere gewezen, voor Wien hij den weg bereidde; tot
hiertoe had hen dit niet tot dien Meerdere heengeleid; im-
mers, zij waren discipelen van Johannes gebleven. Misschien
wel was de stille werkzaamheid van Jezus, zoo verschillend
van die van Johannes, hun een aanstoot geweest. Maar nu,
nu de Meester hun is ontvallen, nu kennen zij toch geen
andere toevlucht. „Zij gingen, en boodschapten het Jezus".
Bij Hem komen zij hunne smart klagen; bij Hem komen
zij vertroosting zoeken. En Hij, de Christus-Vertrooster,
Hij heeft gewis ook hunne harten bemoedigd. Wat hun
ook ontvallen was, de komst van het Godsrijk kon ook
-ocr page 422-
410
door den dood van Johannes niet worden tegengehouden;
hij zelf was in zijne ruste ingegaan, en zijn arbeid bleet\'
nawerken op aarde.
Zalig wie in zijne nooden en smarten doet wat deze
Johannes-jongeren deden ! Het leed verandert van gedaante,
de prikkel is er uit weggenomen, als het aan Jezus is
gezegd. Het uitstorten van het volle hart, dat is het eigen-
lijk wezen des gebeds, gelijk reeds eene Hanna het uit-
drukte: „Ik heb mijne ziel uitgegoten voor het aangezicht
des Hoeren" (1 Sam. I. 15). Wat de ziel te vragen heeft,
is dikwijls haar zelve niet duidelijk; maar zij zegt aan den
Heer wat haar kwelt en drukt, en Hij weet, welke ver-
troosting, welke bemoediging daar noodig is. Dat „zeggen
aan den Heer", dat is het werpen der bekommeringen op
Hem, in het ootmoedig vertrouwen: Hij zal zorgen, Hij
zal uithelpen! Dat deden die Johannes jongeren, al was
Jezus hun nog maar weinig bekend: hoe betaamt het dan
ons, hun voorbeeld te volgen, ons, die nog zooveel beter
weten, dat Hij de trouwe Heiland, de almachtige Helper is !
XIV. 14—21. En Jezus, uitgaande, zag eene groote
schare, en werd innerlijk met ontferming over hen
bewogen, en genas hunne kranken.
Ei ah het nu avond werd, kioamen Zijne discipelen
tot Hem, zeggende: \'Deze plaats is woest, en de tijd
is nu voorbijgegaan; Iaat de schare van U, opdat zij
heengaan in de vlekken, en zichzelven spijze koopen.
Maar Jezus zeide tot hen: Het is hun niet van
noode, heen te gaan; geeft gij hun te eten!
Doch zij zeiden tot Hem: wij hebben hier niets dan
vijf brooden en twee visschen.
En Hij zeide: Brengt ze Mij hier.
-ocr page 423-
417
En Hij beval de schare neder te zitten op het gras,
en Hij nam de vijf brooden en de twee visschen, en
opwaarts ziende naar den hemel, zegende Hij ze; en
als Hij ze gebroken had, gaf Hij de brooden den
discipelen, en de discipelen aan de scharen.
En zij aten allen en loerden verzadigd; en zij
namen op, het overschot der brokken, twaalf volle
korven.
Die nu gegeten hadden, waren omtrent vijf duizend
mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
Dat de Evangelisten in hunne verhalen geene tijdreken-
kundige volgorde in acht nemen, blijkt hier ten duidelijkste.
De vermelding van de onrust van Herodes Antipas (vs. 1)
had de aanleiding daartoe, namelijk de terdoodbrenging van
den Dooper doen verhalen, waardoor in de geschiedenis was
teruggegrepen. Na deze mededeeling zou men nu verwachten,
dat tot het tijdpunt in vs. 1 genoemd, zou worden terug-
gegaan. Maar neen! de Evangelist gaat voort, met te be-
richten wat na den moord, op Johannes gepleegd, is ge-
schied. Zóó los, zoo vrij zijn de mededeelingen omtrent
Jezus leven samengeschakeld. Hieruit blijkt, dat er dan
ook geen bezwaar tegen de geloofwaardigheid der Evange-
lische berichten aan ontleend kan worden, indien de ééne
Evangelist eene gebeurtenis of eene rede des Heeren in een
ander verband mededeelt, dan de ander, \'t Is hun om geen
tijdsorde te doen; ze hebben een hooger doel: ze willen
den persoon des Heeren doen kennen uit Zijne woorden en
werken, gelijk die voortleven in hunne herinnering. En de
geheel kunstelooze wijze, waarop zij die herinneringen te
boek stellen, is ons een bewijs te meer voor hunne goede
trouw, voor de geloofwaardigheid hunner mededeelingen.
R00ZF.MKT.TE11, Ev. MATTH. I.                                                                            27
-ocr page 424-
418
De vermelding eener „groote schare", die tot Jezus
uitging (vs. 14), verplaatst ons vauzelf in den aanvangstijd
van Jezus optreden. Later stroomden zulke menigten niet
meer toe. Wat zich in de geschiedenis van het Godsrijk
telkens herhaalt, dat de opgang, dien eene nieuwe beweging
op godsdienstig gebied maakt, welhaast verloopt, om dan
later slechts in kleineren kring zegenrijk door te werken,
— men denke aan de Hervorming in de 166, en aan de
opwekking (Kéveil) in onze eeuw, — dat wordt voorafge-
beeld in wat daar geschiedde tijdens Jezus aardsche leven.
De massa keerde zich af, toen het nieuwe er af was, toen
ze meer en beter begon te beseffen, welke eischen het volgen
van Jezus met zich bracht.
Maar in den aanvang was er groote toeloop, zoowel om
te hooren, als om de wonderen te zien. In de eenzame
plaats, waar Jezus zich voor een wijle heeft teruggetrokken
na het bericht van den dood des Doopers, — gewisselijk ook
om in die afzondering zich te meer aan de sterking en de
vorming Zijner discipelen te kunnen wijden — komen de
scharen Hem zoeken. En Hij, die niet van noode had, dat
iemand Hem zeide wat in den mensch was, Hij kent de
oppervlakkige drijfveeren van dat komen. Toch, — de schare
ziende wordt Hij innerlijk met ontferming over hen bewo-
gen! Voor ons is zoo vaak het doorgronden onzer naasten
een reden om ons van hen terug te trekken : onze Heer,
die nog zoo gansch anders doorgrondt, trekt zich niet terug,
maar ontfermt zich. Ach, wat zou er worden van ons allen,
indien Hij, de Heilige, in wiens oogen de besten nog be-
zoedeld zijn, door de zonde werd afgestooten! Daartoe is
Hij op aarde gekomen, opdat Hij zich nederbuigen zou tot
de ellendigen, en door Zijne liefde • opheffen zou, al wie
deze liefde niet van zich stieten.
-ocr page 425-
419
Zoo gaat Hij dan tot de schare, die Hem zoekt, en ge-
neest hunne kranken. De gansehe dag gaat in dien arbeid
voorbij. En als het nu tegen den avond wordt, — in
Palestina eindigt de dag, het geheele jaar door, tusschen
zes en zeven ure, — komen de discipelen den Heer aan-
raden, de schare, nu van zich te laten, omdat de plaats
woest was, opdat zij in de naburige vlekken spijze zouden
kunnen koopen. Ouder dit „woeste plaats" hebben wij niet
te denken aan eene woestijn, in den gewonen zin des
woords, een plaats waar slechts zand en steenen zijn te
vinden; het was eene grasvlakte (vgl. vs. 19), eene plek,
voor den landbouw ongeschikt, en daarom niet bewoond.
Daar spreekt medegevoel met de behoefte der schare uit
dit woord der discipelen. Maar hoe wordt dit medegevoel
overtroffen door de vriendelijkheid des Heeren! Zij willen
de schare laten vertrekken, opdat zij zichzelve helpe; de
Heer
wil zelf in de behoeften dier schare voorzien. „Geeft
gij hun te eten", zegt Hij tot Zijne jongeren. Zeker, Hij
wist, dat hun dit onmogelijk zijn zou. Maar Hij zegt dat,
om daardoor hunne oogen te openen voor het wonder, dat
Hij zou verrichten. Zijn woord treft hen dan ook, als een
eischen van het ongerijmde. Ze hebben vijf brooden en
twee visschen; genoeg voor hunne eigene behoefte, maar
wat zijn deze voor zoo velen?
Dat er maar weinig is, vormt geen beletsel voor den
Heer. Maar wat er is, moeten zij brengen. Altijd sluit Zijn
zegen aan het bestaande zich aan. Kleine krachten stelt
Hij in Zijn Koninkrijk tot groote dingen in staat, maar
die kleine krachten moeten dan toch aangewend worden.
De weinige brooden, nauwelijks voor den discipelkring toe-
reikend, moeten ter beschikking des Heeren gesteld worden.
Wat het baten moet, verstaan de discipelen niet, maar
-ocr page 426-
420
wat hun Meester gebiedt, dat doen zij gaarne en gewillig.
Zij hebben in den omgang met Hem geleerd, Hem te ge-
looven, dat is: op Zijne liefde en wijsheid te vertrouwen;
hoe zou dit dan niet gehoorzaamheid insluiten ? Gehoorzamen
is het natuurlijk gevolg van gelooven.
Zij gehoorzamen, óók aan het bevel, om de duizenden
te doen nederzitten, en alzoo bij deze schare eeneverwach-
ting op te wekken, waarvan zij zelven nog niet verstaan,
hoe die vervuld zal worden. Alles hebben zij over te laten
aan hunnen Heer, en intusschen als gewillige werktuigen
zich te Zijner beschikking te stellen.
Zal het niet evenzoo gaan met den lateren arbeid van
hen en van hunne navolgers, voor het Koninkrijk Gods?
Daar zullen zij staan tegenover eene arme, hongerende,
ellendige wereld. Wat zij hebben van goddelijke levens-
kracht zal hun voorkomen nauwelijks voldoende te zijn,
om hunne eigene zielen te onderhouden. Maar op het ge-
bod des Meesters zullen zij daarmede komen tot die arme
wereld, — en op geestelijk gebied zal zich de ervaring
herhalen, die zij hier opdoen op stoffelijk gebied.
Als de huisvader in het midden des gezins zet Jezus
zich neder, en ziet op naar den hemel, de dankzegging
uitsprekend, waarmede" onder Israël de maaltijd gewijd werd.
Dan breekt Hij het brood, wederom gelijk de huisvader
dat in den kring der zijnen gewoon was te doen, en deelt
het uit aan de discipelen, die het naast Hem omringen,
opdat deze het verder reiken. Daar is niets, dat eenigen ophef
maakt, alles gaat gansch eenvoudig toe, — maar ondertus-
schen geschiedt het wonder der vermenigvuldiging. Het brood
reikt toe, om de duizenden te verzadigen, ja! in zulken over-
vloed wordt het uitgedeeld, dat, als straks het overschot wordt
verzameld, daarmede nog twaalf korven gevuld worden!
-ocr page 427-
421
Een wonder is, juist omdat het een wonder is, onver-
klaarbaar. Goddelijke macht, niet naspeurbaar in hare wer-
king, openbaart zich daarin. Ook dit wonder kon alleen
geschieden, omdat Jezus is, die Hij is. De wijze Zijner
wonderwerking doorgronden wij hier evenmin als bij eenig
ander wonder; slechts de bedoeling van dit wonder vraagt
ons nadenken; nooit toch is eenig wonder doelloos door
onzen Heer verricht.
Dat doel is hier niet vervulling eener dringende behoefte;
de schare toch had kunnen heengaan om spijze te koopen.
Het doel moet wezen, door eene daad van vriendelijke, neer-
buigende liefde te spreken tot het hart dezer menigte, opdat
zij, ieder voor zich, eene gave van Jezus ontvangende, daarin
Zijne liefde meer persoonlijk zouden erkennen. Het openen van
het hart, om hoogere gave, om het ware brood des levens
van Jezus te begeeren, dat was de bedoeling van \'s Hee-
ren daad.
Uit het Evangelie van Johannes, dat ons mede deze
wouderbare spijziging bericht (Joh. "VI), zien wij, dat de
schare blijft hangen aan de begeerte naar het brood der
aarde. Zij komen daarna Jezus zoeken, omdat zij van de
brooden gegeten hebben, en verzadigd zijn. Maar zullen er
daarom onder die velen toch niet enkelen geweest zijn,
voor wie deze vriendelijkheid des Heereu aanleiding en
aansporing werd om iets beters te begeeren ? Toor de massa
gaan immer de zegeningen, tijdelijke en geestelijke beide,
voorbij zonder wat na te laten, maar onder die velen zijn
dan toch ook altijd eenigen, in wie het doel wordt bereikt.
Voor ons, die in latere eeuw deze geschiedenis lezen,
is deze vermenigvuldiging der brooden een treffend en zin-
rijk symbool van de werking des Heeren, gelijk die zich
uitstrekt van geslacht tot geslacht. Is Hij het niet, die de
•
-ocr page 428-
422
hongerende menschheid spijzigt met het brood, dat zielen
voedt? En is nog niet immer deze werking eene wonder-
bare, evenals hier middelen gebruikend, maar middelen,
die buiten alle verhouding klein zijn in vergelijking met
wat er door tot stand gebracht wordt ? Menschelijke woorden
en geschriften, zwak en nietig in zichzelve; menschelijke
daden, waarvan zij, die ze verrichten, pijnlijk al het ge-
brekkige gevoelen, — worden door den Heer gebruikt tot
wedergeboorte van zielen ten eeuwigen leven! Voorwaar,
wonderbaar blijft het werk des grooten Konings tot aan
de voltooiing Zijns Rijks!
XIV. 22. 23. En terstond dwong Jezus Zijne
discipelen in het schip te gaan, en vóór Hem af te
varen naar de andere zijde, terwijl Hij de scharen
van zich zou laten.
En als Hij nu de scharen van zich gelaten had,
Hom Hij op den berg alleen om te bidden. En als
het nu avond was geworden, zoo was Hij daar alleen.
De aandrang, waarmede de Heer Zijne discipelen beveelt,
terstond in het schip te gaan en te vertrekken, wordt ons
opgehelderd door het bericht van Johannes (VI. 15), dat
de volksmenigte den Heer tot Koning wilde uitroepen. De
bedoeling des Heilands, om door de aardsche gave hen op
te leiden tot het zoeken der hemelsche, wordt door de
menigte miskend. Zij blijven in den kring van het aardsche
zich bewegen; zij hebben voor een heraelsch Koninkrijk
geen oog of hart, maar wie hun om niet brood om te eten
schenkt, die is een man naar hun hart; dien willen zij tot
Koning uitroepen.
Dat streven naar een aardsch koninkrijk had een bond-
-ocr page 429-
423
genoot in de begeerte der jongeren, al was dan ook bij
ben de beweegreden zeker niet zoo grof-zinnelijk. Daarom
verwijdert de Heer eerst die discipelen, opdat zij niet mede
door de valsche geestdrift aangestoken worden. Zelf blijft
Hij achter, om de schare van zich te laten, om kalmte te
brengen in de opgewonden gemoederen, om door heel Zijne
houding duidelijk te toonen, dat Hij den weg niet op wil
gaan, dien het volk begeert, dat Hij gaan zal. Heeft Hij
de verzoeking van den Booze bestreden, toen deze Hem de
koninkrijken der aarde aanbood, thans waar de verzoeking
terugkeert in de poging der menschen, wijst Hij ze even
beslist van zich af. Neen! Hij zoekt geene heerlijkheid
voor zichzelven: Zijn strijd is een strijd voor de eere
des Vaders; de kroon, die Hij dragen zal, de kroon van
Eedder en Behouder te zijn, zal Hij verwerven aan het
kruis.
De discipelen heeft Hij henengezonden, de schare van
zich gelaten. Thans is het Hem een behoefte, in de een-
zaamheid te gaan, om met den Vader te spreken. Het
zware dagwerk vraagt niet in de eerste plaats de rust des
slaaps, maar de rust der zielsgemeenschap met den Vader.
Wat dat bidden geweest zal zijn, wie zal het uitspreken?
Het heilig hart van den Godmensch, zich opheffend tot den
Vader, verzinkend in de gemeenschap der liefde met Hem,
en daarbij, eene wereld van zondaren dragende tot den
Vader, om vergeving en zegen daarover in te roepen. Een
bidden, dat het geheel omvat, en daarom toch de afzon-
derlijke personen niet voorbijziet; een bidden, dat bij den
naasten kring begint, maar tot de einden der aarde en het
einde der eeuwen zich uitstrekt; dat bewaring en bekrach-
tiging vraagt voor de toegebrachten, maar ook ontfermend
gedonkt aan wie nog in de wildernis dolen. Het bidden
-ocr page 430-
424
onzes Heilands, — het wordt althans eenigszins gekend uit
het Hoogepriesterlijk gebed, (Joh. XVII), dat wonderbaar
verhevene, teedere, allesomvattende, innig vertrouwelijke
gebed, waarin het hart des Verlossers zich uitstort.
Jezus, biddende op den berg, terwijl de wereld in aard-
sche overlegging is verzonken, of in de goddeloosheden,
waarover de nacht zijnen sluier spreidt, en terwijl Jezus
discipelen in nood en gevaar zijn, — is het niet een tref-
fend beeld van de geschiedenis des menschdoms? Wat de
gemeente bewaart in hare nooden, wat voor de wereld den
tijd der lankmoedigheid voortduren doet, dat is de voor-
bede van den grooten Hoogepriester, die nu is ingegaan in
het hemelsche heiligdom!
XIV. 24—27. En het schip was nu midden in
de zee, zijnde in nood van de baren, want de wind
■was hun tegen.
Maar ter vierde wake des nachts kwam Jezus af
tot hen, wandelende op de zee.
En de discipelen, ziende Hem op de zee wandelen,
werden ontroerd, zeggende: Het is een spooksel! en
zij schreeuwden van vreeze.
Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende:
Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet!
De discipelen hebben aan \'s Heeren bevel gehoorzaamd;
ze zijn scheep gegaan op de Galileesche zee, ook wel het
meer Gennesareth genaamd. Daar steekt een van die ge-
duchte stormen op, die op dit binnenmeer niet zeldzaam
zijn. Dat was hun ook vroeger (Mt. VIII. 24) overkomen,
doch toen hadden zij den Heer bij zich in het schip; nu
is Hij afwezig. Hoe zij ook van jongsaf met de scheep-
-ocr page 431-
425
vaart vertrouwd zijn, zij worden onrustig; zij weten, dat zij
zich in groot gevaar bevinden. Welk een overgang voor
hen, na het bijwonen der wonderbare spijziging, die zoo
groote geestdrift onder de menigte wekte, thans, in den
duisteren nacht, in levensgevaar te zijn! Zoo pas nog
was de altijd in hun hart sluimerende hoop op eere en \'
macht voor hun geliefden Meester, krachtig opgewekt ge-
worden. Beeds zagen zij Hem in hunne verbeelding met
majesteit gekroond, en zagen zij zichzelven deelende in den
glans, die van Hem afstraalde, — en thans, thans is het
alsof zij er zelfs niet het leven afbrengen zullen !
Voorzeker! die overgang was hun goed en noodig! Uit
het rijk der droombeelden worden zij teruggeroepen tot het
werkelijk leven, en duidelijk wordt hun te verstaan gege-
ven, dat hun discipelschap van Jezus hen niet van aardsche
nooden ontheft, veelmin hun aardsche glorie brengen zal.
Hoe vaak zijn, door alle tijden heen, zulke ervaringen
noodig in het hart van Gods kinderen! Yleesch en bloed
is zoo geneigd, bij geestelijk voorrecht ook aardschen zegen,
uitwendig geluk te verwachten. En gewisselijk, aan die
verwachting ligt de waarheid ten grondslag, dat innerlijk en
uiterlijk heil bij elkander behooren. Alleenlijk, eerst in
het "Vaderhuis daarboven, aan het einde van den weg open-
baart zich die harmonie tusschen het uit- en inwendige.
Op den reisweg blijven beide gescheiden, en dat moet zoo
zijn, opdat die reisweg gelegenheid zou geven tot de vor-
ming en heiliging der kinderen Gods. Daarom, meest ge-
woonlijk „is de wind tegen". Men drijft niet zachtkens de
gewenschte haven binnen; men heeft tegen stormen te
strijden. De rust is elders; de rust is Boven, waar geene
stormen meer zijn, — omdat zij daar niet meer noodig zijn.
Maar, laat de Heer de Zijnen komen in nood, Hij on-
-ocr page 432-
426
dersteunt hen daarbij, en redt hen uit. De discipelen in
het scheepken worden door Jezus niet vergeten. Over de
bruisende baren heen komt Hij tot hen, Hij, Wien de
natuur moet dienen, waar Hij tijdelijk hare wetten opheft,
als dat noodig is voor hooger doel. Hij komt tot hen om
te redden, — zij echter meenen een spooksel te zien. Wat
zij zich daarbij gedacht hebben, zouden zij zelven wel niet
hebben kunnen zeggen; \'t is een onbestemde angst, die
zich komt voegen bij de gevaren van den toestand.
Hoe heerlijk gaat die vreeze over in dankbare blijdschap,
als eene welbekende stem tot hen zegt: „Zijt goedsmoeds;
Ik ben het; vreest niet!" Voorwaar! nu honden zij goeds-
moeds zijn. Dat: „Ik ben het" des Heeren verdreef alle
vrees. Waar Hij is, daar is het veilig, ook te midden der
dreigende golven; waar Hij Zijne nabijheid toont, daar
kan niets Zijnen jongeren deren.
Hoe vaak, en steeds: hoe vertroostend, klinkt, in de ge-
schiedenis van het Godsrijk en in die van het bijzondere
leven, dat: „Ik ben het!" In donkere tijden van het leven
der gemeente en van het leven van ieder kind Gods in het
bijzonder, is de Heer niet verre, maar dan juist, in gansch
eigenlijken zin, nabij. Hij is er, en waar Hij is, daar is
geen nood. De storm blijft nog loeien en de baren blijven
zich verheffen, terwijl Hij Zijne discipelen toespreekt, maar
Hij is er, en dat is genoeg. Zoo kan er dan volgen:
„Vreest niet!" Reden tot vrees is er in het natuurlijke en
in het geestelijk leven altijd en overal, zoo vaak men
op zichzelven, op eigen kracht en bekwaamheid ziet,
maar de blik op den Heer moet die vreeze doen wijken.
Welk gevaar zou zóó groot zijn, dat Hij er niet uit zou
kunnen verlossen, en waar zou de grens zijn van Zijne
liefde en trouw?
-ocr page 433-
427
Plet kan ons een toetssteen zijn van de kracht en de
werkelijkheid onzes geloofs, Broeders en Zusters! als wij
ons afvragen, of dit: „Vreest niet, Ik ben het V\' waarlijk
ons leven beheerscht. Elke zoodanige vreeze is een teeken,
dat wij het nog niet volkomen wagen op de trouw van
Hem, die ons toch zoo gewisse onderpanden van Zijne ge-
nade heeft gegeven. Hoe zal die vreeze, waarvan we ons
zoo dikwijls te beschuldigen hebben, overwonnen worden?
Eeniglijk daardoor, dat wij telkens dieper zoeken te ver-
staan, wie Hij is, die tot ons Zijn: „Ik ben het!" spreekt.
Hij, de Zoon des Vaders, Wien alle macht gegeven is in
hemel en op aarde; Hij, de barmhartige Heiland, die ons
kocbt met Zijn bloed, Hij is het, die voor alle geslachten
Zijner geloovigen de belofte heeft achtergelaten: Ik ben
met u, al de dagen! Wat zou dan blijvende kunnen scha-
den aan hen, die Hij neemt onder Zijne trouwe hoede?
Vreest niet voor al wat rondom u is, Christenen! Vreest
alleen, dat uw eigen hart u zou afvoeren ver van Hem;
bij Hem zijt gij veilig, op Hem moogt gij steunen!
XIV. 28—33. En Petrus antwoordde Hem, en
zeide : Heere! indien Gij liet zijt, zoo gebied mij tot
U te komen op het water.
En Hij zeide: Kom! En Petrus klom neder van
het schip, en wandelde op het icater, om tot Jezus
te komen.
Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd,
en als hij begon nedei\' te zinken, riep hij, zeggende:
Heer! behoud mij!
En Jezus, terstond de hand uitstekende, greep hem
aan, en zeide tot hem: Gij kleingeloovige ! waarom
hebt gij gewankeld!\'
-ocr page 434-
428
En als zij in het schip geklommen waren, stilde
de wind.
Die nu in het schip waren, kwamen en aanbaden
Hem, zeggende: Waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!
In den hoogsten nood is de Redder verschenen. Is het
wonder, dat die verschijning diepen en machtigen indruk
maakt op de ontstelde jongeren? Op den vurigsten onder
hen, op het liclitbewogen gemoed van Siinon Petrus is die
indruk zóó sterk, dat zijne vreeze plaats maakt voor eenen
moed, die niets te wonderbaar rekent. Toch is zijn moed
geen overmoed. Dat zou het geweest zijn, indien hij nu uit
zichzelveu den voet had gezet op de schuimende baren. Maar
dat doet hij niet; hij vraagt aan den Heer, hem te gebieden
tot zich te komen; eerst dan, als hij gedragen zal worden
door het woord zijns Meesters, zal het onmogelijke voor hem
mogelijk worden.
En Jezus zegt tot hem; Kom! Hij wil, dat Zijn discipel
zien zal, wat het geloof vermag. Als de kruisgezanten later
staau zullen tegenover eene vijandige wereld, dan zal insge-
lijks hun arbeiden alleen mogelijk zijn door de wonderbare
kracht, die hen draagt. Het wandelen op de baren zal
zinnebeeld en onderpand zijn voor de hulp, die in de toe-
komst zal schragen. En de ervaring, door Petrus op deze
zee te maken, zal nutte leering zijn voor den tijd, die hem
en zijnen medediscipelen wacht.
In hoogen moed des geloofs, die met niets anders rekent
dan met het woord van zijnen Heer, daalt Petrus af
van het schip. En het wonder geschiedt, dat hij wandelt
op de baren. Ilij wandelt, zoolang hij eeniglijk ziet op den
Heer. Maar, daar wordt zijne aandacht afgeleid door den
storm, die de baren opzweept.... en als hij daarop ziet,
-ocr page 435-
429
begint hij te zinken. Het geloof verflauwt, de redeneering
des verstands komt aan het woord, en nu bezwijkt de
kracht! Hij begint te zinken; hij zou verzonken zijn, indien
niet het bezwijkend geloof weder dusver was opgewekt, dat
hij de bede tot den Heiland richt: Heere! behoud mij!
De nood is op het hoogst, — maar hieraan klemt hij zich
vast: de Heer kan helpen!
En Hij heeft geholpen. Hij steekt de hand uit, Hij heft
den zinkenden discipel op, en eerst nu zegt Hij: „Gij klein-
geloovige, waarom hebt gij gewankeld ?" Eerst de redding;
daarna het zacht verwijt, dat voor de toekomst tot een les
moet zijn.
Gaat het nog niet immer zoo, op de onstuimige levens-
zee ? Wie daar gaat wandelen als een kind Gods, een
erfgenaam der hemelsche heerlijkheid, hij doet het slechts
op het woord, op de roepstem van Hem, die het onmoge-
lijke mogelijk maakt. En zoolang het geloofsoog op Hem
ziet, worden de krachten der toekomende eeuw ervaren. Doch
wordt de blik afgeleid van den Heer, door eene, vaak onmerk-
baar intredende, verachtering in het leven der heiligmaking,
dan gaat de ziel al die gevaren en bezwaren zien, waar zij
eerst overheen zag. Dan worden de oneffenheden tot ber-
gen, de nooden tot onoverkomelijke ellenden. En inderdaad,
dat moeten zij wel zijn, als er niet met Jezus wordt gerekend.
\'t Was geen denkbeeldig gevaar, dat het wandelen op de
zee voor Petrus opleverde. Viel er met niets anders te
rekenen dan met de krachten der natuur en met Petrus
eigene kracht, zoo was er niets anders dan een jammerlijk
einde te wachten. Evenzoo, \'t is geen denkbeeldig gevaar,
dat den Christen in het aardsche leven bedreigt; bewaarde
de Heer hem niet, dan zou hij ten onder gaan, óf in
troosteloosheid, of in wereldgelijkvormigheid. Het gevaar
-ocr page 436-
430
beslaat, maar — Gode zij dank! ook de almachtige Hei-
per is er, die bevolen heeft op deze golven te wandelen,
en die daarom niet zal laten omkomen, wie daar steunt op
Zijn woord.
Zalig hij, die door het zien van den nood, gedrongen
wordt, den Redder aan te roepen! Die kreet, die bange
klacht is weer uiting des geloofs, hoe zwak dit dan ook
zijn moge; \'t is een bewijs, dat het in de geschokte ziele
weerklinkt: Heer! tot wien dan tot U? En de Ontfermer
let op dien noodkreet, Hij helpt; niet immer door de
bezwaren of gevaren af te wenden, schoon dikwijls ook
daardoor, — maar dan toch zeker door kracht te geven
tot bewaring des geestelijken levens. En dan eerst, als Hij
heeft geholpen, dan spreekt Hij met zacht verwijt: Gij
kleingeloovige! waarom hebt gij gewankeld? Wist gij dan
niet, dat Ik u voor Mijne rekening heb genomen, en dat
gij daarom veilig zijt? Is dan Mijne macht niet groot ge-
noeg, of zou Mijne liefde te kort schieten ? — Broeders
en Zusters! wat zullen wij antwoorden op dit: Waarom ?
Wat blijft ons over dan beschaamdheid des aangezichts?—
Als Jezus met Petrus in het schip gekomen was, stilde
de wind. En ook de storm van vreeze ging liggen in de
harten der discipelen. De nood is voorbij, en de Meester
is bij hen, de Meester, Wiens wondere macht zij nog weer
zoo heerlijk hebben aanschouwd, \'t Is een wonder geweest
op het gebied, waarop zij het meest thuis waren; een
wonder, daarenboven, dat hunzelven was ten goede ge-
komen : niet vreemd dus dat liet meer dan gewonen indruk
op hen maakte. Zij aanbaden Hem, zeggende: „Waarlijk!
Gij zijt Gods Zoon!" Zeker! hier kan nog geen sprake
zijn van een welbewust kennen van de goddelijke natuur
des Heilands; eerst langzamerhand rijpt die erkenning in
-ocr page 437-
431
huil gemoed, totdat de opstanding daarop het zegel drukt,
eu de uitstorting des H. Geestes het nader verklaart in hun
binnenste. Maar iets gansch éénigs zien zij toch in hunnen
Heer. Al grooter en grooter wordt Hij voor hen, naarmate
zij meer Zijne werken leeren kennen.
Zóó groeit, zoo ontwikkelt zich nog immer in het hart
van iederen Christen de kennis van \'s Heeren heerlijkheid.
Ook al is door onderwijs en opvoeding Jezus heerlijkheid
gekend, eerst de ervaring des levens, eerst de ondervinding
Zijner reddende zondaarsliefde en Zijner bijblijvende trouw
doet opwassen in Zijne kennis, eene kennis des harten,
die persoonlijk en onverliesbaar eigendom wordt voor het
gemoed. Zoo gaat het voort van trap tot trap, zoolang het
aardsche leven duurt, tot eindelijk, als alle stormen gestild
zijn, in het Vaderhuis ten volle zal worden beleden: Gij,
Itedder onzer zielen, trouwe Leidsman en Behouder, Gij
zijt Gods Zoon, te prijzen en te danken tot in alle eeuwigheid!
XIV. 84—36. En overgevaren zijnde kwamen zij
in het land Gennesareth. En als de mannen van die
plaats Hem werden kennende, zonden zij in geheel
dat omliggende land, en brachten tot Hem allen, die
kwalijk gesteld waren, en baden Hem, dat zij alleen-
lijk den zoom Zijns kleeds zouden mogen aanraken,
en zoo velen als Hem aanraakten, werden gezond.
Daar ligt in het bericht, in deze woorden vervat, iets
gansch buitengewoons en verbazingwekkends. Dat land
Gennesareth is het land der Gadarenen. In het VIII» Hoofd-
stuk van Mattheus nu hebben wij het verhaal aangetroffen,
hoe men daar den Heer had gebeden, dat Hij uit die
landstreek zou vertrekken, omdat de genezing eens bezetenen
-ocr page 438-
432
was vergezeld gegaan van het verlies eener kudde zwijnen.
En thans, — thans komt men met geestdrift Jezus tege-
moet; als een loopend vuur verbreidt zich de tijding van
Zijne komst; van alle kanten worden de kranken aange-
bracht, en men verdringt zich om alleenlijk den zoom Zijns
kleeds te mogen aanraken! Wat heeft dien wonderbaren
omkeer bewerkt?
Wij zouden op die vraag geen antwoord hebben, indien
niet Marcus bij het verhaal van de genezing des bezetenen
nog eene bijzonderheid had vermeld. Toen Jezus op het
verzoek der Gadarenen weder scheep ging om hun land te
verlaten, bad Hem de genezene, dat hij met Hem mocht
gaan. Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot
hem: „Ga heen naar uw huis tot de uwen, en boodschap
hun, wat groote dingen u de Heer gedaan heeft, en hoe
Hij zich uwer ontfermd heeft." (Mc. V. 19).
Van dit boodschappen des genezenen zien wij nu hier
de vrucht. Schijnbaar hard, zekerlijk zwaar was het gebod
geweest, dat hij Jezus niet volgen mocht, maar blijven moest
waar hij was, — doch met welk een overvloedigen zegen
is zijne gehoorzaamheid bekroond! Onder eene bevolking,
zóó stompzinnig, dat hun het verlies van eenige zwijnen
meer ter harte ging dan de redding eens menschen, blijft
de genezene als éénige getuige van Jezus, — en geheel de
bevolking komt tot andere gedachten: als de vroeger uit-
geworpen Christus wederkeert, wordt Hij ingehaald met
gejuich!
Zeker! niet altijd schenkt God zulken zegen. Daar zijn
getrouwe getuigen, die hun leven lang als op rotsen ploe-
gen moeten. De arbeid van den Heer der heerlijkheid
zelven heeft slechts geringe vruchten opgeleverd in dat
Kapernaum, Chorazin en Bethsaida, waar Hij Zijne meeste
-ocr page 439-
433
krachten gedaan heeft. Alzoo kan het ook geschieden, dat
de Heer aan de getuigen Zijns Naams zoo zichtbare vrucht
onthoudt, als hier in het land der Gadarenen gezien werd;
de vrijmachtige genade Gods bindt zich niet aan mensche-
lijke regelen. Doch, menigmalen zegent zij overvloedig, waar
het minst zegen te verwachten was. Zóó was het hier geschied.
Een mensch, die zeker slechts weinig van Jezus wist, wordt
een wegwijzer tot redding voor eene gansche bevolking!
Zegge dan niemand: het talent, mij toevertrouwd, is te
gering, om daarmede winst te doen. Alleenlijk, om zegen te
spreiden, moet men eerst zelf gezegend zijn. Dit had deze
genezene, dat zijn leven toonen kon, wat aan hem geschied
was, dat hij een leesbare brief was van Jezus liefde en
macht. Dit ééne mag niet ontbreken bij wie des Heeren
getuigen zijn: het moet aan hen te zien zijn, welke her-
schepping genade vermag aan te brengen.
De kranken, die tot Jezus toestroomen, begeeren alleen
den zoom Zijns kleeds aan te raken, en vertrouwen, daar-
door genezen te zullen worden. Daar is ongetwijfeld een
inmengsel van dwaling in hunne voorstelling, alsof op too-
verachtige wijze genezende kracht van Jezus uitging. Zoo
was het ook bij die vrouw (Mc. V. 25) die twaalf jaren
krank geweest was, en die daarom door Jezus opgeroepen
werd om te voorschijn te komen, opdat zij leeren zou, dat
zij van Zijne genade hare genezing had ontvangen. Maar al
was er dan ook dwaling gemengd in hunne voorstelling,
de Heer stelt hen daarom niet te leur. Door de dwaling
heen ziet Hij het geloof in Hem, dat in hunne harten aan-
wezig was, en dat geloof bekroont Hij, door hun genezing
te schenken. Geene dwalingen, geene beletselen verhinderen,
zoo er slechts waarlijk het geloof is, dat alles van Zijne
liefde wacht.
ROOZEMEIJEB, EV. MATTH. I.                                                                           28
-ocr page 440-
434
XV. 1. 2. Toen kwamen tot Jezus eenige Schrift-
geleerden en Farizeën, die van Jeruzalem loaren, zeg-
gende: Waarom \'overtreden Uwe discipelen de inzet-
tingen der ouden? icant zij wasschen hunne handen
niet, wanneer zij brood zullen eten.
Er staat niet uitdrukkelijk vermeld, dat deze Schriftge-
leerden en Farizeën met vijandige bedoeling uit Jeruzalem
naar Galilea waren gekomen, maar we kunnen dit tocli als
tusschen de regels lezen. Deze steunpilaren van Israels in-
zettingen hadden ongetwijfeld vernomen, dat die Jezus, wiens
arbeid in Judea zoo weinig vrucht gedragen had, in Galilea
grooten opgang maakte. Al zagen zij nu eigenlijk dat
Galilea als een onrein land aan, omdat de Joodsche bevol-
king er met zooveel heidensche bestanddeelen vermengd
was, toch kon er gevaar in zijn, als Jezus invloed daar al
te machtig werd; men kon niet weten, hoe dit dan later
mocht overslaan naar Judea.
Zoo komen zij dan, en nemen Jezus waar. Veel gewich-
tigs blijken zij niet gevonden te hebben, omdat zij met een
zoo onbeduidend ding, als het niet wasschen der handen
vóór de maaltijden, te voorschijn komen. Inderdaad, onze
Heer, die „geworden is onder de wet" (Gal. IV. 4) heeft
gewisselijk zich stipt gehouden aan hetgeen, ook in uiter-
lijke voorschriften, aan Israël geboden was. Wetsovertre-
ding kunnen zij Hem dan ook niet te laste leggen. Maar
dit. bemerken zij: de inzettingen der ouden houdt Hij niet in
eere. Zijne discipelen eten brood met ongewasschen han-
dcn, wat zij zeker niet zouden doen, zoo hun Meester hun
het houden van de inzettingen der ouden had ingescherpt.
Die inzettingen der ouden, telkens meer uitgebreid, en
altijd meer het gansche leven, ook in zijne onbeduidendste
-ocr page 441-
435
uitingen regelende, dagteekenen uit den tijd na de Balling-
schap. Het opkomen daarvan in dien tijd laat zich ziel-
kundig verklaren. De Ballingschap was het lang bedreigde
Godsoordeel geweest x>ver de afgoderij, waaraan Israël zich
zoo lang had schuldig gemaakt. Thans was de afgoderij
voor goed uitgeroeid. Moest dan nu niet een vroeger onge-
kende bloei het bewijs der goddelijke goedkeuring zijn ? Ea
zie! er was geen bloei; er was niets dan een armelijk volks-
bestaan. Daarbij, wat was er nu van de heerlijke uitzichten
gekomen, die het Profetisch woord had geopend? Was Bel
gekromd en Nebo nedergeworpen, d. i., was de macht van
Babels afgoden vernietigd ? Waren Sions grondvesten gansch
heerlijk gelegd, hare vensteren kristallijnen, en hare poorten
van robijnsteenen ? Waren de volkeren toegestroomd om
Israels God te aanbidden, gelijk de duiven komen aange-
vlogen tot hare vensteren ? Niets van dat alles; een scha-
duw slechts was er van vroegeren luister. Zeker, deze
dingen leveren ons geen bezwaar, die nu van achteren zien,
hoe, bij de komst van den Christus, eene. geestelijke ver-
lossing en heerlijkheid aan het Israël Gods was bereid, die
door alle voorafgaande verlossingen slechts voorafgebeeld
werd, en die daarom verstaan kunnen, waarom de woorden
der Profeten zoo verre uitreikten boven hetgeen de voorloopigo
vervulling hunner profetie te aanschouwen gaf. Maar, was
•dat geestelijk verstaan der profetie ook voor die wederge-
keerden even gemakkelijk? Geen wonder, bij de zwakheid
en aardschgezindheid der menschelijke natuur, dat zij ver-
bijsterd werden door het verschil tusschen voorspelling en
vervulling. Geen wonder, evenmin, dat de ernstigen onder
hen naar eene verklaring van dat verschijnsel gingen zoe-
ken, en de oplossing hierin meenden te vinden: Israël be-
antwoordt niet genoegzaam aan de eischen van Jehovah,
-ocr page 442-
436
oin de volle vervulling Zijner beloften te kunnen genieten.
Ware dit nu slechts een aandrang geworden tot geestelijke
wetsbetrachting, het zou ten zegen hebben gestrekt. Maar
de menschelijke natuur vindt een verrichten van uiterlijke
praktijken verreweg gemakkelijker. Zoo werd dan op de
uiterlijke geboden der wet, die slechts vingerwijzingen naar
de geestelijke eischen Gods moesten zijn, alle nadruk ge-
legd; zoo werden die geboden verder oratuind door eene
menigte inzettingen, die de strekking hadden het gansche
uitwendige leven te reglementeeren. Zoo ontstond langza-
merhand die menigte bepalingen, die bij het Israël van Jezus
dagen in eerc werden gehouden, en die de eigenlijke geboden
Gods, het voornaamste der wet, onkenbaar maakten.
Al die inzettingen der ouden waren uitbreidingen der
Mozaïsche geboden. Verschillende reinigingswetten waren
aan Israël gegeven, opdat door deze uiterlijkheden het besef
zou worden levendig gehouden, dat Israël bestemd is om het
heilige, van de besmetting der wereld afgezonderde, volk des
Heeren te zijn. Die reinigingswetten werden nu alzoo uit-
gebreid, dat allerlei nietigheden werden geregeld, zelfs, dat
men geen brood mocht eten zonder vooraf de handen ge-
wasschen te hebben, en dat nog wel op bepaald voorge-
schreven wijze. Daaraan nu houden Jezus discipelen zich
niet: vandaar dan de vraag der verontwaardiging, waar-
mede de Schriftgeleerden en Farizeën Jezus aanspreken.
XV. 3—6. Maar Hij, antwoordende, zeide tot
hen: Waarom overtreedt ook f/ij het gebod Gods,
door uwe inzetting?
Want God heeft geboden, zeggende: Eert uwen
vader en uwe moeder; en: wie vader of moeder vloekt,
die zal den dood. sterven.
-ocr page 443-
437
Maar gij zegt: Zoo wie tot vader of moeder zal
zeggen: het is eene gave, zoo icat u van mij zou
kunnen ten nutte komen; en zijnen vader of zijne
moeder geenszins zal eeren, die voldoet.
En gij hebt Gods gebod krachteloos gemaakt door
uwe inzetting.
De Heer verdedigt zich niet over de nietige zaak van
het handenwasschen. Integendeel, Hij gaat over tot den
aanval op die inzettingen, welker overtreding Zijnen disci-
pelen verweten werd. Die inzettingen, schijnbaar tot steun
der geboden Gods, loopen tegen die geboden Gods in, en
breken de kracht daarvan. Dit kan niet anders. Immers,
die geboden Gods zijn geest en leven; ze vragen toewijding
van het hart, heiliging van het gansche bestaan des men-
schen. Daarentegen, die inzettingen regelen de uiterlijke
daden, en leggen daarop allen nadruk. En juist omdat zij
zich met het stoffelijke en tastbare bezig houden, schat de
zinnelijke mensch ze onwillekeurig hooger dan die geestelijke
geboden. Zijne groote zorg is, met die inzettingen niet in
botsing te komen; daaraan offert hij alles, zelfs het vol-
brengen van die geestelijke geboden, op.
Met een voorbeeld staaft de Heer Zijne beschuldiging.
Het gebod Gods eischt het eeren van vader en moeder;
het eischt dat met zulk een nadruk, dat op het vloeken
van vader of moeder de dood bedreigd wordt. Een van
zelf sprekend uitvloeisel van dit gebod is nu, dat de kin-
deren verplicht zijn, hunne ouders te hulp te komen en te
onderhouden, als die in behoeftige omstandigheden verkeeren.
Doch, — menschelijke inzetting berooft dit gebod van zijne
kracht. „Maar gij zegt: Zoo wie tot zijnen vader of zijne
moeder zal zeggen: Het is eene gave, zoo wat u van mij
-ocr page 444-
488
zou kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moe-
der geenszins zal eeren, die voldoet." Eene gave, of, gelijk
Marcus het met den Hebreeuwschen naam noemt, „Korban",
is al datgene, wat aan God geofferd wordt. Zoo nu iemand
van zijne bezittingen zegt, — leerden de Schriftgeleerden, —
het is eene gave; het is Korban! dan heeft hij zich ont-
slagen van elke verplichting, om daarvan, zelfs aan zijne
ouders, iets mede te deelen.
Bij gebrek aan andere gegevens in de H. Schrift om-
trent deze zaak, moeien wij uit hetgeen de Heer hier zegt,
opmaken, welk eene instelling hier bedoeld wordt. Er staat
niet: indien iemand tot eene gave (of offer) maakt, wat
zijne ouders zon kunnen ten nutte komen. Ook is niet
licht in te zien, waarom iemand zijne bezittingen liever in
offers, dan in gaven aan zijne ouders, wegschenken zou. Er
staat, — en hierop is nadruk te leggen —: „Indien iemand
zegt: Het is eene gave." Wij hebben dus ons dit gebruik voor
te stellen als eene wijding der bezittingen aan God in naam,
terwijl men ondertusschen zelf, hetzij geheel of althans voor
een groot gedeelte, het bezit en gebruik daarvan behield.
Het is dan te vergelijken met het welbekende „taboe"
onder de nog heidensche bewoners der Zuidzee-eilanden,
waarmede akkers, huizen, wapenen, enz. aan de Goden
worden gewijd, en dus voor alle anderen ongenaakbaar zijn,
terwijl de eigenaar zelf er intusschen het bezit van behoudt.
Wel mocht zulke daad een verbreken van het gebod
Gods heeten! Menschelijke spitsvondigheid had op deze
wijze een gebod uitgedacht, dat het goddelijk gebod krach-
teloos maakt, de ingeschapene verplichting der kinderen\'
jegens de ouders, die nog opzettelijk door een der tien
geboden ingescherpt was. Hoe kon dan de Zoon des Vaders
eerbied hebben voor zulke inzetfingen, die tot uitwerking
-ocr page 445-
439
hadden, dat Zijns Vaders uitgedrukte wil schaamteloos over-
treden werd? Een strijd moest er komen tusschen Hem,
wiens spijze het was den wil des Vaders te doen, en hen,,
die de menschelijke inzettingen het hoogst stelden, — een
strijd op leven en dood! Zeker, de dood onzes Heeren
had zijn diepste oorzaak daarin, dat het heilige Godslam
de zonde der wereld moest dragen. Maar de mensche-
lijke,
de uiterlijke oorzaak Zijns doods lag daarin, dat het
Farizeesche Jodendom Hem niet dulden kon; daarin, dat
er op aarde geene plaats was voor Hem, die zich niet boog
voor instellingen der menschen, waardoor Gods gebod van
kracht beroofd, Gods eer geschonden werd.
XV. 7 — 9. Gij geveinsden! wel heeft Jesaiavan
u geprofeteerd, zeggende
: Dit volk genaakt Mij met
hunnen mond, en eert Mij met de lippen, maar hun
hart houdt zich verre van Mij.
Doch te vergeefs eeren zij Mij, leerende leeringen,
die geboden, van menschen zijn.
Met een duidelijk voorbeeld heeft de Heer aangetoond,
hoe de menschelijke inzettingen in strijd komen met de
geboden Gods. Thans richt Hij tot Zijne bestrijders een hoog
ernstig woord van waarschuwing, een verwijt, dat des te
dieperen indruk moest maken, naarmate zij meer zichzelven
voor de ware vromen hielden. In de Synagogen en op de
markten zijn zij aan allerlei eerbewijzingen en begroetingen
gewoon, — en thans klinkt hun tegen: „Gij geveinsden!"
„Gij geveinsden". Het woord beteekent in de oorspron-
kelijke taal: een tooneelspeler. In de oudheid traden de
tooneelspelers op, met een mom-aangezicht voor, en zeiden
aldus hun rol op. Alzóó nu doet de geveinsde. Hij ver-
-ocr page 446-
440
toont niet zijn aangezicht, maar een mom; hij spreekt niet
zijn eigen woord, maar hij zegt op wat hij van buiten ge-
.leerd heeft, Dut is het eigenlijk wezen der geveinsdheid.
De geveinsde is zichzelf niet, en geeft zichzelven niet; hij
vertoont wat; hij neemt een schijn aan. Aanvankelijk kan
dat niet anders dan welbewust geschieden; langzamerhand
echter, naarmate hij zijn rol beter heeft ingestudeerd, gaat
hij zichzelven houden voor wat hij verbeeldt te zijn, en ver-
hardt daardoor zijn gemoed hoe langer hoe meer.
Zulke veinzerij geschiedt niet enkel, geschiedt zelfs niet
in de eerste plaats, om anderen te bedriegen. Ze is in haren
oorsprong een poging, om te beantwoorden aan wat men
weet zijn plicht te zijn, doch aldus, dat men zijn eigenlijk
wezen, het diepst van zijne persoonlijkheid, voor zichzelven
behoudt. "Waar het leven voor het eigen ik ongebroken
bestaat, maar daarnevens toch het besef aanwezig is, dat
God gediend moet worden, daar gaat men eenige uiterlijk-
lijkheden doen, eenige vormen waarnemen, om aan dat inge-
schapen besef voldoening te geven, \'t Is een eigenwillige
godsdienst, dien men in de plaats stelt van den door God
gewilden. Treedt nu de zondedienst in het overige van het
leven duidelijk te voorschijn, dan ontstaat door dien omge-
hangen vorm van godsdienst de huichelarij, die zooveel weer-
zin wekt. Doch ook waar dit uiterlijk in de zoude leven
ontbreekt, is de geveinsdheid aanwezig overal, waar de dienst
Gods niet uit overgave des harten voortkomt, waar die
dienst eene uiterlijkheid is, aan welke het binnenste geen deel
neemt.
Voorwaar! het is niet overbodig, hierop nadruk te leggen.
Wij allen vinden een huichelaar een zoo afschuwelijk wezen,
dat wij allicht tot onszelven zeggen: wat ik ook moge
zijn, dat ben ik toch zekerlijk niet! Maar als dan ons
-ocr page 447-
441
hart onverschillig tegenover God is, terwijl onze mond Zijnen
lof uitspreekt; als onze godsdienst waarneming is van goede
en heilzame vormen, maar zonder dat die bezield zijn door
de toewijding onzes gemoeds, — zijn dan ook wij geene
geveinsden, tooneelspelers, die een rol vervullen? Wat an-
ders voegt ons ook in deze, dan de tollenaarsbede: O God,
wees mij zondaar genadig!
„Wèl heeft Jesaia van u geprofeteerd;" zoo gaat de
Heer voort, tot hen, die Hij „geveinsden l" genoemd heeft.
Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat Jesaia hen op het oog
gehad heeft in hetgeen hij tot zijne tijdgenooten sprak;
het beteekent, dat het woord van den Godsman volle toe-
passing vindt op hen. Wat Jesaia sprak, sprak hij tot het
geslacht, dat toen leefde. Hun had hij van Godswege aan
te kondigen : „Dit volk genaakt Mij met hunnen mond,
en eert Mij met hunne lippen, maar hun hart houdt zich
verre van Mij. Doch te vergeefs eeren zij Mij, leerende
leeringen, die geboden van menschen zijn" (Jes. XXIX. 13.)
Jesaia leefde in den tijd van den vromen Koning Hizkia.
Met voorbeeld en gezag bevorderde deze den dienst van
Jehovah, en, gelijk immer, bracht het voorgaan van den
vorst een medegaan van het volk met zich mede. Doch het
was een gansch uiterlijk volgen. Wel werd weer de Tem-
pel bezocht, menig offer geslacht, menig gebed en menige
lofzang opgezonden, maar het was lippenwerk, en niets
meer. Uiterlijke, eigenwillige praktijken moesten goedma-
ken, wat aan den godsdienst des harten ontbrak. Van zulk
een dienen spreekt nu de Heer door den mond van Jesaia:
te vergeefs! het geldt bij Mij niet! Ik reken het u niet
toe, alsof gij er Mij mede diendet!
Dit woord nu past de Heiland op Zijne tijdgenooten toe.
Het geldt hun zoo volkomen, alsof Jesaia het van hen gezegd
-ocr page 448-
44,2
had. Ook bij hen was zulk een bloot uiterlijk vertoon van
godsdienst. En, hoe verschillend ook de tijdsomstandigheden
mochten zijn van den tijd van Hizkia, gelijke oorzaak had
ook nu gelijk gevolg. Toen was het te doen om de gunst
van Hizkia, uu om de gunst van het volk. Want het was
ook nu een tijd, waarin het voor eene eere gold, vroom te
heeten, nu niet bij de machtigen, maar nu bij de menigte;
zulke tijden, het kan niet anders, zijn als van zelf bloei-
tijden der huichelarij.
Van onzen tijd is dat niet te zeggen. Over het alge-
meen is er veeleer moed noodig, om er voor uit te komen,
dat men God dient, dan dat men deswege geprezen zou
worden. Zoo is dus minder verzoeking tot huichelarij, dan
in andere tijden. Toch, ook te midden van deze algemeene
gesteldheid des tijds, blijven er kringen, omgevingen, waarin
nog die verzoeking aanwezig is, en in ieder geval, al is
er dan ook minder gevaar van te veinzen voor de menschen,
altijd blijft het gevaar van te veinzen tegenover God.
Daarom is het nog voor een iegelijk onzer zoo noodig,
zichzelven nauw te onderzoeken. Bit is het wezen van eiken
schijngodsdienst: „hun hart houdt zich verre van Mij". Op
het hart komt het aan. Uit het hart zijn de uitgangen des
levens. Keert zich dat hart niet tot den Heer, dan is al,
wat de lippen spreken en de handen verrichten, slechts
eene ijdele vertooning, zonder beteekenis voor Hem, die in
het binnenste ziet.
XV. 10—14. En als Hij de schare tot zich ge-
roepen had, zeide Hij tot hen: Hoort en verstaat!
Hetgeen ten monde ingaat, ontreinigt den mensch niet;
maar hetgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den
mensch.
                            ,
-ocr page 449-
443
Toen kwamen Zijne discipelen tot Hem, en zeiden
tot Hem: Weet Gij toel, dat de Farizeën, deze rede
hoorende, geërgerd zijn geweest?
Maar Hij, antwoordende, zeide: Alle plant, die
Mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitge-
roeid worden.
Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der
blinden. Indien nu de blinde den blinde leidt, zoo
zullen zij beiden in de gracht vallen.
Het strenge woord des Heeren heeft de Parizeen doen
terugdeinzen. Ze hadden gehoopt, Jezus aanzien bij het
volk weg te nemen, door Hem te nopen tot verontschuldi-
ging. Die hoop is teleurgesteld; zij zelven zijn tot zwijgen
gebracht. Thans roept Jezus de schare tot zich, de schare,
die gewisselijk eerbiedig teruggetreden was, toen de aan-
zienlijke leidslieden des volks zich tot Jezus hadden begeven.
Tot deze schare, die slechts ten deele de sainenspreking
had kunnen verstaan, spreekt de Heer nu een woord, dat
de gansche bespreking in een enkel punt samentrekt: niet
wat ten monde ingaat, maar wat ten monde uitgaat, ont-
reinigt den mensch.
Dat woord is een raadselwoord, juist daarom aldus ge-
sproken, opdat het nadenken zou worden opgewekt. Straks
zien wij dan ook, dat Jezus discipelen er nadere verklaring
van vragen. Maar eer zij dat doen, hebben zij hunnen
Meester eene mededeeling te brengen. Ze hebben opge-
merkt, met welke boosheid, met welke kwalijk verholen
bitterheid de Farizeën zijn henengegaan. Dat ontrust hen
ter wille van hunnen Meester. Maar ook, dat vinden zij
zelven bedenkelijk. Van jongsaf zijn zij gewoon geweest
deze mannen als de vromen bij uitnemendheid te eeren,
-ocr page 450-
444
als menseben tot wie men slechts met diep ontzag kon
opzien. Dat nu deze geëerde vaderen, deze steunpilaren der
Joodsche rechtzinnigheid, in arren moede van Jezus heen-
gaan, dat schokt hen in hun geloof. 0 zeker! ze hadden
wel zelven erkend, wat zelfs de menigte inzag, dat hun
Meester niet leerde als de Schriftgeleerden, en dat er in
Zijn omgang en onderwijs iets was, wat zij bij de leids-
lieden huns volks niet vonden, maar dat het nu toch tot
eene bepaalde botsing komen zou, dat hadden zij niet ver-
moed. En ah het daartoe komen moest, wat zou er dan
worden van hun Meester in een kamp tegen machten, die
zij voor van God gegeven hielden ?
Hunne bekommering en vreeze kunnen zij niet in zich
besloten houden, maar wenden zich daarmede tot Jezus:
„Weet Gij wel," zeggen zij, „dat de Parizeen zijn geër-
gerd geweest?"
Zij gebruiken hier het woord: „geërgerd worden" in
denzelfden zin, als waarin wij het nog zoo vaak hooren
bezigen, in den zin van: iets kwalijk nemen, iets sterk
afkeuren. Dat is niet de ergernis in den eigenlijken zin
des woords, in den zin, dien deze uitdrukking altijd heeft
in Jezus mond: een steen des aanstoots, waardoor iemand
struikelt op den levensweg. De Parizeen zijn door Jezus
woord niet belemmerd in het komen tot God; zij hebben
alleen maar Zijn woord euvel geduid, omdat het hun niet
beviel, omdat het hunnen hoogmoed kwetste. Op die ma-
nier ergert, ook in onze dagen, zich nog zoo menigeen,
die iets hoort of ziet doen, wat hem niet behaagt,. . . zon-
der zich rekenschap te geven, of het terecht of te onrecht
is, dat hij dit afkeurt.
Het antwoord van Jezus aan Zijne discipelen strekt, om
hunne vreeze weg te nemen. Zij maken zich beangst, dat
-ocr page 451-
445
het werk huns Heeren schade zal lijden, als die geduchte
macht der Farizeën zich tegen Hem stelt. Jezus antwoordt
op die bekommering: „Alle plant, die Mijn hemelsche
Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden". Zoo
waarlijk als hetgeen uit God is, niet uitgeroeid kan worden
door menschenmacht, zoo zeker zal vanzelf bezwijken wat
niet van goddelijken oorsprong is. Het dure lang of kort,
eenmaal moet het te gronde gaan; de wasdom der plan •
tinge Gods kan er niet blijvend door worden verhinderd.
De Joodsche Staat, de gansche macht der overlevering, die
het Evangelie dreigde te verstikken, is op Gods tijd ont-
worteld, opdat er ruimte zijn zou voor de jonge gemeente
van Christus. En, blijft daarvan ook nu nog, na eeuwen,
de nawerking in het volk Israels, dat door zijne overleve-
ringen, door zijn Talmud, teruggehouden wordt van het
erkennen van zijn Messias, eenmaal zal die woekerplant
sterven, en Israël zal komen tot dien Koning, in Wien
zijn leven is.
De Heer geeft in deze woorden eene les voor Zijne
gemeente van alle eeuwen. Wat niet uit God is, sterft van
zelf. Dat is een heerlijke troost, waar dwaling en zonde
optreden met eene macht, die door Gods kinderen onino-
gelijk verwonnen kan worden. Godtergend ongeloof treedt
in de wapenrusting der wetenschap op; de macht der god-
deloosheid overheerscht door aantal en aanzien het kleine
kuddeken der geloovigen .... geen nood! het heeft geene
duurzaamheid. Menschen kunnen het niet uitroeien, maar
het zal vergaan door innerlijk versterven.
Ook ten opzichte van dwaling en bederf in de Kerk zelve
brengt dit woord eene leering: er is een Godsoordeel, dat
daarover gaat; menschen behoeven God niet dat werk uit
de hand te nemen. Dat heeft niet slechts de Kerk der mid-
-ocr page 452-
446
deneeuwen vergeten, waar zij poogde door uiterlijken dwang
de dwaling uit te roeien; dat vergeten ook wij nog, zoo vaak
wij ter handhaving der waarheid naar vleeschelijke wape-
nen grijpen. Wat \'s Heeren gemeente te doen heeft, is haren
eigenen hof te bearbeiden, en dien open te houden voor
den wind des Heiligen Geestes, niet hare kracht te ver-
spillen aan de poging om uit te rukken, wat geene vrucht-
dragende plant is. Wat geen levenskiem heeft, sterft vanzelf.
Nog een tweede woord voegt Jezus aan het eerste toe:
„Laat hen varen; zij zijn blinde leidslieden der blinden."
Voor zoover zij dragers en handhavers der wet Gods zijn,
eischt Jezus elders onderwerping aan hun gezag van Zijne
discipelen, die, ais geborene Israëlieten, hadden te eeren wie
op den stoel van Mozes gezeten waren. (Mt. XXIII. 2.)
Doch, waar zij hunne instellingen tegen Gods geboden
plaatsen; waar zij op geen ander gezag, dan op hun eigen
woord zich kunnen beroepen, — daar plaatst Jezus Zijn
gezag tegenover het hunne, en zegt: „Zij zijn blinde leids-
lieden der blinden". Blind staat de mensch van nature
tegenover de dingen van het Koninkrijk Gods; hij ziet niet,
tenzij hem de oogen zijn geopend door Goddelijke openba-
ring. Brengen nu de geestelijke leidslieden hunne eigene
wijsheid aan, zoo hebben zij niets vooruit boven degenen,
die zij zoeken te leiden, maar zij zijn zelven blind.
Dat bewijst de Heer niet door redeneering, want rede-
neering blijft altijd in den kring van het aardsche bevangen.
Over de dingen van Gods Koninkrijk kan niet worden
gehandeld door betoog; ze moeten aangenomen worden op
het gezag van Hem, die eeniglijk ze kent. Gezag tegen-
ovcr gezag; — waar is dan de toetssteen, waaraan erkend
kan worden, wat het echte is ? Die toetssteen is in de
vergelijking van den persoon van Jezus met dien dezer
-ocr page 453-
447
Schriftgeleerden. Hij, de Zondelooze, Hij, die het beeld
Gods te aanschouwen geeft, Hij is zelf de waarborg voor
de betrouwbaarheid Zijns woords. En wat zoo de erkenning
Zijns wezens leert, dat wordt achterna door de ervaring
bevestigd: Zijn woord blijkt het woord Gods te zijn, omdat
het de ziele des menschen met den Vader verbindt. Waar
de blinde den blinde leidt, moeten beide in de gracht
vallen; waar de Christus de oogen der blinden opent, daar
doet Hij wandelen op eenen veiligen weg, die uitloopt op
het Vaderhuis Gods.
XV. 15—20. En Petrus, antwoordende, zeide tot
Hem: verklaar ons deze gelijkenis.
Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alzoo omoe-
tende ?
Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat,
in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uit-
geworpen ?
Maar de dingen, die ten monde uitgaan, komen
voort uit het hart, en deze ontreinigen den mensch.
Want uit het hart komen voort booze bedenkingen,
doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche
getuigenissen, lasteringen.
Deze dingen zijn het, die den mensch ontreinigen;
maar het eten met ongewasschen Juinden onlreinigt den
mensch niet.
„Verklaar ons deze gelijkenis", zegt Petrus, doelende op
het woord: „Hetgeen ten monde ingaat, verontreinigt den
mensch niet, maar hetgeen ten monde uitgaat, dat veront-
reinigt den mensch". Was dit dan eene gelijkenis? Zeker-
lijk neen! maar het woord klinkt Petrus zoo raadselachtig
-ocr page 454-
448
in de ooren, dat hij veronderstelt: het moet eene gelijkenis
wezen, het kan onmogelijk letterlijk worden opgevat. Im-
mers, verontreiniging komt uit den aard der zaak van
\' buitenaf; en daarenboven, het gansche samenstel van wet-
ten betreffende de reiniging, aan Israël gegeven, mits-
gaders de spijswetten, gingen uit van de veronderstelling,
dat van buiten af komende dingen den mensch verontrei-
nigen kunnen.
Inderdaad, het woord des Heeren: „wat van buiten
inkomt verontreinigt niet", kan niet in volstrekten zin
genomen worden, of Hij zou daarmede de doelmatigheid
hebben ontkend van eene menigte wetten, door God in
den tijd der voorbereiding aan Israël gegeven. Onderwijs
en optreden van Jezus te zamen, toonen genoegzaam, dat
dit niet Zijne bedoeling wezen kan. Niet in volstrekten,
maar in betrekkelijken zin is deze ontkenning te nemen,
gelijk dat ook wel met andere uitdrukkingen het geval is,
bij voorbeeld: „Werkt niet om de spijs die vergaat, maar
om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven"; (Joh.
VI. 29) hier immers ook is de bedoeling niet, een volstrekt
verbod te geven van voor het dagelijksch brood te arbeiden,
1 maar er op te wijzen, hoe ver de zorg daarvoor moet over-
troffen worden door de zorg voor het brood, dat zielen
voedt.
Zoo bedoelt dan Jezus uitspraak aangaande de veront-
reiniging: de besmetting, die van buitenaf tot den mensch
komt, is niet te vergelijken met die andere, die uit zijn
« eigen binnenste voortkomt. Tot dat inzicht hadden Jezus
discipelen door geheel het onderwijs huns Meesters reeds
sinds lang moeten komen; daarom vraagt Jezus: „Zijt ook
gijlieden alsnog onwetende ?" Zij, die dagelijks met Jezus
hadden verkeerd, en daardoor den rechten maatstaf der
-ocr page 455-
449
heiligheid hadden leeren kennen, zij moesten beseffen, dat
uiterlijke verontreiniging oneindig minder was, dan eene
verontreiniging, die uit het binnenste voortkomt. Wat ten
monde ingaat, raakt slechts het lichamelijk, het uiterlijk
bestaan; het lichaam nu is wel, als werktuig des geestes,
in waarde te houden, en daarom ook rein te bewaren,
maar dat is toch slechts bijzaak bij eene hoogere roeping:
dien geest zelven buiten besmetting des kwaads te houden.
Veel méér dan door al wat tot hem komt, wordt de
inensch verontreinigd door hetgeen uit hem voortkomt.
Hier noemt de Heer eene reeks van zonden, die, deels
in woorden, deels in daden, zich openbaren, nadat zij als
begeerten en lusten in het hart zijn opgerezen. Al deze
dingen, booze bedenkingen, doodslagen, overspelen, en wat
Jezus verder noemt, — déze zijn het, die den inensch
verontreinigen. Hoe valt, daarbij vergeleken, het eten met
ongewasschen handen in het niet!
Daar is echter eene tegenwerping, die beantwoording
eischt. Hoe kan het naar buiten treden dezer dingen den
mensch verontreinigen, als het kwade, ook zonder dat, toch
in het hart aanwezig is? Is het voor God niet gelijk, of
het naar buiten komt of niet ? Daarom zou het begrijpelijker
zijn, indien er stond: deze dingen toonen hoe onrein de
mensch is, dan nu er staat: zij verontreinigen den mensch.
Toch spreekt de Heer aldus niet zonder groote oorzaak.
Zeker, het gedichtsel van \'s menschen hart is boos van zijne
jeugd aan; in ongerechtigheid wordt hij geboren, en alles
is in hem besmet. Maar het maakt toch nog een onder-
scheid, of de vatbaarheid en geneigdheid tot het kwade
aanwezig is, of dat de wil aan de aansporing tot het kwade
toegeeft, en alzoo de neiging tot daad laat worden! In den
haat is wel de kiem des doodslags, in de zinnelijke lust
ROOZEMF.MER, Ev. MaTTH. I.                                                                            29
-ocr page 456-
450
de kiem vau den echtbreuk, — maar wie zal nu daarom
beweren, dat doodslag niet erger is dan haat, en echtbreuk
niet erger dan zinnelijke lust? Zoolang nog de wil over
de neigingen heerscht, kan van betrekkelijke, schoon dan
ook zeer gebrekkige, reinheid worden gesproken; zoodra de
neigingen den wil beheerschen, en het innerlijk aanwezige
kwaad naar buiten treedt, wordt vanzelf de macht van
het kwaad veel grooter.
Van binnen naar buiten, niet van buiten naar binnen
gaat de ergste verontreiniging, eene verontreiniging, waarbij
de uitwendige als in het niet verdwijnt. Hoe moet dan
niet op dit geestelijk gebied met ernst gewaakt en gestreden
worden, in plaats van alle aandacht te schenken aan uiterlijke
beuzelingen! Maar ook nog iets anders volgt uit de woor-
den des Heeren. Indien de verontreiniging van binnen naar
buiten gaat, dan is er ook voor de reiniging geen andere
weg, dan die met het hart begint, en van daar uit over
het leven zich uitstrekt. De wereld dweept met beschaving,
met verlichting, met allerlei dingen, die van buitenaf komen,
die den mensch worden omgehangen. Het goddelijk levens-
beginsel daarentegen werkt als een zuurdeeg, van binnen
naar buiten. Geen verbetering baat; alleen wedergeboorte
brengt aan wat er noodig is. Stelle dan niemand zich
tevreden met een veranderen van de uiterlijke gedaante
zijns levens; wat ieder onzer behoeft, is eene wederbarende
genade, komende van God, indalende in het gemoed, en
dat gemoed alzóó herscheppend, dat het goede dingen gaat
voortbrengen ook in het uitwendig leven, in de plaats van die
booze dingen, vroeger zoo overvloedig opgeweld uit het hart.
XV. 21—24. En Jezus, van daar gaande, ver-
trok naar de deelen van Tyrus en Bidon.
*
-ocr page 457-
451
En ziel, eene Kananeesche vrouw uit die land-
palen, komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij
Zone Davids! ontferm U mijner! mijne dochter is
deerlijk van den duivel bezeten.
Bock Hij antwoordde haar niet één tooord. En
Zijne discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeg-
gende: Laat haar van U, want zij roept ons na.
Maar Hij antwoordende, zeide: Ik hen niet ge-
zonden dan tot de verlorene schapen van het huis
Israels.
„De deelen van Tyrus en Sidon", het land Phenicie, lag
ten noordwesten van Palestina, langs de Middellandschc
zee. Het is het land, waarover in Salomo\'s tijd Hirarn
koning was, het vaderland van Izebel, de vrouw van
Achab. Ook nog in Jezus tijd was het een geheel IJei-
densch land. Dat de Heer zich derwaarts begeeft, kan
geen ander doel gehad hebben, dan om daar met Zijne
discipelen meer ongestoord samen te zijn. In Palestina was
de Heer voortdurend omringd door scharen volks, die voor
hunne kranken genezing zockten, of Jezus wonderen be-
geerden te zien en Zijn onderwijs te hooren. Niet gansch
eu al kon de arbeid des Heeren daarin opgaan, zoo Zijne
discipelen waarlijk gevormd zouden worden tot de taak, die
hun te wachten stond. Meer vertrouwelijk samenzijn, meer
ongestoorde gelegenheid om dieper ingeleid te worden in
de dingen van het koninkrijk Gods, was daartoe van tijd
tot tijd dringend noodig. "VVas het voor den Heiland zelven
voldoende, in de stilte des nachts, biddend tot den Vader
te spreken, om weder bekrachtigd te zijn tot den arbeid
des daags, Zijne discipelen behoefden nu en dan eenige
dagen, waarin hun Meester zich ongestoord aan hen wijden
ft
-ocr page 458-
452
kon. En Hij, die deze behoefte kent, voorziet daarin,
Hij, die nimmer het schijnbaar kleine voor het schijnbaar
grootere verwaarloost. De afzondering, die in Palestina niet
te vinden was, moest het vreemde land brengen.
Toch is het ook hier geene ongestoorde afzondering.
Het gerucht van Jezus had zich verbreid ook buiten Pales-
tina\'s grenzen. Daarom, waar Hij verschijnt, komt terstond
eene bede om hulp tot Hem. Ecne Syro-Phenicische vrouw —
die door den Evangelist eene Kananecsche genaamd wordt,
om de verwantschap met de inboorlingen van Palestina, die
door Israël tijdens Jozua\'s leven gedeeltelijk uitgeroeid of
verdreven waren — eene vrouw uit die landstreek roept Jezus
om redding aan voor haar kind. Hare dochter is lijdende aan
die vreeïelijke krankheid, in Jezus dagen zoo veelvuldig
voorkomende: zij is deerlijk van den duivel bezeten. Maar,
zoo gewoon als die krankheid is, zóó ongewoon, zóó opmer-
kelijk is de benaming, waarmede zij Jezus aanspreekt. Zij,
de Heidenschc vrouw, noemt Hem met een naam, waarmede
Hij onder Israël slechts zeer zelden genoemd wordt: „Heere,
Zone Davids l"
Het is wel een bewijs van de verhevenheid, die het
optreden onzes Heeren moet gekenmerkt hebben, dat Zijne
heerlijkheid overal erkend is, waar geen ingeworteld voor-
oordeel in den weg stond. Israël had zich nu eenmaal
vastgezet in de overtuiging, dat Hij de Christus niet zijn
kon, omdat Hij niet als aardscli Koning optrad. Maar
zoowel Heidenen als Samaritanen, die met Hem in aanraking
komen, erkennen terstond Zijne heerlijkheid.
Zóó doet dan ook deze ongelukkige moeder. Eene ster
der hope is haar opgegaan, toen zij vernam, dat Jezus in
de nabijheid was, en vol vertrouwen heeft zij hare woning
verlaten, om Zijne hulp in te roepen.
-ocr page 459-
453
Op hoe zware proef wordt dat vertrouwen gesteld! „Jezus
antwoordde haar niet één woord"! Geruimen tijd loopt zij
den Heer, om hulp roepend, achterna, maar zij bekomt
geen antwoord! Het is, alsof de discipelen barmhartiger
zijn, dan de Meester: althans zij doen een goed woord
voor haar.
Toch is het niet uit barmhartigheid, dat zij dit doen.
Zij zeggen: „Laat haar van U, want zij roept ons na!"
Zij bsgeeren alleen van den last ontslagen te zijn, dien dit
naroepen geeft, van de stoornis, die het aanbrengt in hun
sainenspreken met den lieer. Hun schijnbare barmhartigheid
is eigenlijk zelfzucht; de schijnbare hardheid des Heeren
is wijze liefde. O gewisselijk! naar den drang Zijner ont-
fermiug zou Hij de bedroefde moeder aanstonds getroost en
geholpen hebben. Doch er is een bezwaar. Zij staat buiten
den kring, welke de Heer was aangewezen tijdens Zijn
aardsche leven. Een wenk des Vaders is er noodig om den
Zoon, „die niets kan doen van Zichzelven, tenzij Hij den
Vader dat ziet doen" (Joh. V : 19), te toonen, dat Hij door
deze vrouw te helpen, blijft bij de opgedragen taak. Op
den aandrang der discipelen antwoordt Hij: „Ik ben niet
gezonden, dan tot de verlorene schapen van het huis
lsraels".
Van alle volken der aarde is Israël alleen het volk der
belofte. Niet aan eigen voortreffelijkheid dankt het zijn
voorrecht; het is geenszins beter dan andere natiën. Maar
zij zijn de gezegenden om der vaderen wil. Reeds aan
Abraham is de belofte gegeven, en ze is sedert herhaaldelijk
vernieuwd, dat God dit volk als Zijne erve, als Zijn
bijzonder eigendom aanmerken wilde. Bemoeiingen van
allerlei aard, in wetgeving, in instellingen, in bijzondere
leidingen, had God met hen gemaakt, alle te zaraen voor-
-ocr page 460-
454
bereidingen op den tijd, waarin Gods genade de eigenlijke
reddende gave zou schenken.
Die gave is de komst van den Christus. Zijne verschij-
ning is het eindpunt, waarop de gansche leiding Gods
met Israël uitliep. Zoo moest dan nu de Christus voor
Lsrael komen. Wat Hij voor de menschheid in haar geheel
wezen zou, dat zou later blijken. Maar het eigenlijk doel
Zijner zending is Israël. Dat weet de Zoon, die in de
dagen Zijns aardschen levens gehoorzaam de wenken des
Vaders volgt. O zeker! Hij vond bij Samaritanen en Heidenen
vaak meer ontvankelijkheid voor Zijn woord, meer erkenning
Zijner liefde, dan onder Zijn eigen volk, maar dat voert
geen oogenblik Hem af van het afgebakende pad. Bij alle
trouweloosheid en ondank Israels moet het blijken, dat God
getrouw blijft in de vervulling Zijner beloften, opdat deze
trouw het anker der hoop worden zou voor alle geslachten,
die insgelijks tegenover de erkenning van eigene onwaar-
digheid geene andere toevlucht zouden kennen, dan de
erbarming van dien God, die Moord en trouwe houdt tot
in \'t eeuwig leven.
Die bedoeling Zijner zending spreekt de Heer hier voor
Zijne discipelen duidelijk uit. Ze moeten er zich van bewust
worden, dat de ontferming, die hun Meester betoont, niet
maar eene oppervlakkige, algemeene menschenliefde is, maar
het vervullen eener roeping. Zóó alleen kunnen zij in Zijne
liefde de openbaring, de weerspiegeling van de liefde des
Vaders leeren zien, en aldus uit de werken huns Meesters
verstaan, dat de Heilige God in ontferming zich neder-
buigt. Wat Hij doet, doet Hij als des Vaders Gezondene;
daarom is Zijn leven en werk waarborg voor de gezindheid
Gods. In aard en omvang beide wordt Jezus werk door dit
gezonden-zijn door den Vader bepaald.
-ocr page 461-
455
"Wat de Heer tot Zijne discipelen zegt, sluit niet in, dat
Hij weigert deze ongelukkige moeder te helpen. Hij zegt
alleen, wat het doel Zijner zending is. Noodig is het, dat
Zijne discipelen zich dit wel bewust worden. Zal Hij deze
Heidin helpen, het zal eene uitzondering zijn, die den regel
niet teniet doet. Eerst moet de onwankelbaarheid van
Gods trouw, de waarheid Zijns woords als volkomen vast-
staande worden erkend; daarna kan de wijde omvang blijken
van Zijne ontferming en barmhartigheid.
In de dagen Zijns aardschen levens is de Heiland gezonden
tot Israël alleen. Maar, reeds de profetieën hadden er op
gewezen: ook de volken zouden deelen in Israels zegen.
De rechte weg ware geweest, dat de Heidenen, tot jaloersch-
heid opgewekt door het heil, dat Israël in Zijnen Messias
genoot, kwamen vragen naar den Gezondene Gods. Die
rechte weg is door Israels zonde versperd; nu komt langs
anderen weg des Heeren heil tot de volkeren. Nu valt de
beperking weg, aan \'s Heeren aardsche leven verbonden.
O verneemt en gelooft het, alle gij gebogenen van harte:
nu weerklinkt door de wereld, en de ervaring veler duizenden
zegt Amen er op: deze Jezus is gekomen, niet maar voor
Israël alleen, maar om alle treurenden te troosten, om voor
alle arme zondaren een rijke Heiland te zijn!
XV. 25 — 28. En zij kwam en aanhad Hem, zer/-
gende: Heere! help mij!
Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet beta-
melijk, het brood der kinderen te nemen, en den hon-
dekens voor te werpen.
En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten
ook van de brokskens, die er vallen van de tafel
hunner heeren.
-ocr page 462-
456
\'loen antwoordde Jezus, en. zeide tot haar: O vrouw !
groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt! En
hare dochter werd gezond van diezelfde ure.
De moeder, die genezing voor haar kind komt vragen,
blijft aanhouden. Misschien hoort zij wel het woord, door
den Heer tot Zijne discipelen gesproken, dat alle hoop
voor haar schijnt te vernietigen; in elk geval, Jezus gaat
voort op den weg, en het is alsof Hij zich om haar en
haar lijden niet bekommert. Wat doet haar dan volharden?
O, indien hare bede eene geringe zaak had gegolden, ze
zou gewis haar pogen hebben opgegeven. Maar zij kan niet
opgeven. Met geldt de redding van haar kind. Hier is de
Benige, die redden kan; daarom schrikt geen stilzwijgen,
geene afwijzing haar terug. Een worsteling als de worsteling
Jacobs, die God niet loslaat, tenzij Hij zegent, heeft er
plaats in het gemoed dezer arme Heidin. Niets heeft zij
voor te brengen dan haar nood; hare gansche ziel gaat op
in dien kreet: HeGre, help mij!
Hoe is deze smeekelinge beeld en voorbeeld tevens van
de zielen, die in angst en nood om ontferming roepen!
Zie, het kan zijn, ook waar het de redding voor de eeuwig-
heid geldt, dat alle roepen en bidden tevergeefs schijnt
te zijn. Dan zijn er wichtige redenen bij den Heer, waar-
door het antwoord vertraagd wordt, redenen, gelegen in de
gemoedsgesteldheid van den bidder, uit wiens hart eerst iets
moet uitgedreven worden, of wiens vragen nog ernstiger
worden moet; redenen, gelijk er hier waren voor liet
zwijgen van Jezus. Niet uit hardheid of willekeur laat God
eene zoekende ziel in het duister;\'voor wie aanhoudt, blijkt
achterna de wijsheid en majesteit van Zijn doen in vollen
glans. Doch op dat aanhouden komt het aan; op een aan-
-ocr page 463-
457
houden, dat zich niet afschrikken laat, dat niet ziet op de
beletselen, maar dat eeniglijk ziet op het wezen van Hem,
bij Wien redding gezocht wordt. Dat aanhouden zal er zijn
bij alle oprechte zielen. Meent niet, dat door het vertoeven
der verhooring de rookende vlaswiek zal worden uitge-
bluscht: waar ernst is en oprechtheid, wordt integendeel
de rookende vlaswiek eene vlam! Daar kan de nood des
harten niet worden ter zijde gesteld, alsof die niet bestond;
daar kan men zich niet elders henen wenden, waar men
beseft, dat alleen goddelijke almacht redden kan. Daar
houdt men aan zonder afwijken; daar wordt al wat er
leeft en zich beweegt in het binnenste saamge.vat in dat
ééne, zoo eenvoudige en toch alles bevattende: Ileere,
help mij!
De Kananeesche ontvangt ook nu nog geene dadelijke
verhooring. Nog meer moet haar geloof op de proef ge-
steld, of liever, nog meer moet haar geloof door de be-
proeving gesterkt worden. Nog meer moet het uitkomen,
dat Jezus waarlijk ten haren gunste eene uitzondering
maken kan op den regel van Zijn werken. Het voorrecht
Israels, de onwaardigheid der Heidenen moet haar worden
voorgehouden, opdat ook over dit struikelblok haar ver-
trouwen voortschrijden zou.
Jezus antwoordt: „Het is niet betamelijk, het brood der
kinderen te nemen, en dat den hondekens voor te werpen."
De afstammelingen Abrahams zijn de kinderen des huizes;
dat vooreerst brengt de Heer aan deze Heidin in herinue-
ring. En verder duidt Hij de Heidenen aan met den sma-
delijken naam, door Israël hun gegeven, al verzacht Hij
dan ook dien naam, door den verkleinenden vorm „honde-
kens" te bezigen.
Zal deze vrouw zich buigen onder die verootmoediging?
-ocr page 464-
458
Zal zij erkennen, geenerlei aanspraak te kunnen doen gel-
den? Zij doet het, onbewimpeld, in haar: „Ja, Heere!"
Ze erkent, dat ze geen recht heeft; ze erkent de vrij macht
Gods, waardoor Hij naar Zijn welbehagen het ééne volk
boven het andere zegenen kan. Maar, terwijl zij in allen
ootmoed zich daaronder buigt, laat zij daarom hare smee-
king niet los. Het is, alsof zij, van het woord des Heeren,
zich beroept op Zijn persoon, op Zijn wezen, op die barm-
hartigheid, waarvan zij zooveel had gehoord, en die gewis-
selijk straalde uit Zijn oog, en te verstaan was in den klank
van Zijne stem, ook terwijl Hij dat afwijzend woord spreekt.
Hoe weinig uit dat woord was te hopen, dat weinige is
haar genoeg om aan te houden. Hij heeft niet: „honden"
gezegd, maar „hondekens", en daarmede eenigermate ze als
huisgenooten der kinderen aangeduid. O! dat dan slechts,
van den overvloed aan de kinderen geschonken, een kruim-
ken haar deel zij, gelijk aan de hondekens toevalt van den
welvoorzienen disch!
Zie, dat is nu echt en waar geloof. Ootmoed, die van alle
recht afziet, maar tevens vertrouwen, dat met een moedig
„nochtans" alle bezwaren tegemoet treedt, steunende op de
liefde en macht van den Helper, — dat moet samen ver-
bonden zijn in ieder hart, dat den Heer om Zijne gave
aanroept. Waar zich eene ziel tot Hem om genade wendt,
daar moet eerst die ziel ten diepste van het besef harer
onwaardigheid doordrongen worden. Daar houdt de Heer
aan die ziel haar schuld en verwerpelijkheid voor; daar
ontbloot, daar ontledigt Hij haar, en buigt haar ter neder,
alsof het hopeloos was naar redding uit te zien. Een diep
gevoel van schuld en verwerpelijkheid verwekt de Heer in
ieder hart, waarmede Hij bemoeiingen maakt; de smartelijke
leiding tot zelfkennis kan Hij niet besparen aan den mensch,
-ocr page 465-
459
dien Hij tot de zaligheid der Godskennis voert. Al het
eigene moet worden teniet gedaan, en als volstrekt ver-
wevpelijk worden erkend.
Maar dat alles geschiedt niet om tot vertwijfeling te
voeren. Al dat wegbreken en neder werpen geschiedt, opdat
nu eenig en alleen de genade des Heeren zou worden aange-
grepen met een vertrouwen, dat niet loslaat. En gewisselijk,
gelijk deze Kaïianeesche gesterkt werd, zoo sterkt de Heer
de worstelende ziel, door Zijne beloften voor te houden,
door de aanvankelijke inwerkingen Zijns Geestes, „tot de
laatste windsels vielen van den eigen wil en waan, en de
Heer het licht der zielen heerlijk, vriend\'lijk op doet gaan."
Het kan niet zijn, dat een ernstig zoekende ziel zou worden
afgewezen; aan de voeten van dezen Koning komt nie-
mand om!
De Kananeesche wordt verhoord. Ze wordt getroost met
het woord: „O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede
gelijk gij wilt/\' Ze heeft door haar geloof zich eene gees-
telijke dochter Abrahams betoond, al stamde zij niet van
hem af naar het vleesch. Daarom kan de Heer voor haar
eène uitzondering maken op den regel van Zijnen arbeid,
tijdens Zijn aardsche leven. Haar kind wordt gered van
hare vreeselijke kwaal; dank en aanbidding mag de plaats
innemen der vroegere, ellende.
Voor hoe menige ziel is, in den loop der eeuwen, de
geschiedenis dezer Kananeesche vrouw reeds tot vertroos-
ting geweest! Mijn lezer! werd zij het ook voor u? O,
indien ook in uw hart de erkenning gewekt is, dat niets
of niemand buiten Jezus u redden kan; indien de nood
uwer ziele zoo zwaar bij u weegt, als bij haar het lijden
haars kinds, — dan kunt ook gij niet anders dan aan-
houden, al schijnt het ook tevergeefs. En in die worste-
-ocr page 466-
4.60
ling der ziele wordt het hoe langer hoe meer u openbaar,
dat gij geenerlei recht, geenerlei pleitgrond hebt, niets, dan
dit ééne, dat algenoegzaam is: de liefde van Hem, tot
Wien gij u wendt. Het einde Zijner wegen kan niet anders
dan licht en heerlijkheid zijn: zoo houd dan aan, houd
dan vol! Elke beproeving des geloofs dient alleen om dat
geloof te bekrachtigen, en te meer de genade te doen uit-
komen van Hein, die te Zijner tijd dat geloof bekroont.
XV. 29 — 31. En Jezus, van daar vertrekkende,
kwam aan de zee van Galilea, en klom op den berg
en zat daar neder.
En vele scharen zijn tot Hem gekomen, hebbende
bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele
anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus, en
Hij genas hen;
alzoo dat de scharen zich verwonderden, ziende de
stommen sprekende en de lammen gezond, de kreupelen
wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten
den God Israels,
Het verblijf in het heidensche land kon uit den aard
der zaak slechts kort zijn. Het moest slechts eene ver-
poozing zijn, waarin de Heer zich meer onverdeeld aan
Zijne discipelen geven kon, dan in het Joodsche land. Maar
dat Joodsche land was Zijn eigenlijke werkkring. Daarheen
keert de Heer terug, en wel bepaaldelijk naar den omtrek
der Galileesche zee, waar uit allerlei deelen des lands
Israëlieten samenkwamen, omdat hier de heirweg was tus-
schen Damaskus en Jeruzalem.
De vermelding, dat Jezus nederzat op den berg, doet
veronderstellen, dat de Heer voornemens was te prediken;
-ocr page 467-
461
onder Israël toch werd steeds zittende gepredikt. Maar
de toestroomenden, die hunne kranken en ellendigen tot
Jezus brengen, doen de prediking door het woord overgaan
in» een prediking door daden. Immers, daad en woord
hebben samen éenc bedoeling en ééne strekking: de heer-
lijkhcid van Gods Gezondene te openbaren aan de mensch-
heid. Woord en daad beide stellen Hein voor oogen, die-
de toevlucht en de Redder is voor een in zichzelf ver-
loren menschdom.
Daar ligt een aanduiding van haast, van heiligen aandrang
in het gezegde: zij wierpen hunne kranken voor de voeten
van Jezus. Hot is alsof er mede te kennen gegeven wordt:
daar waren geen smeekingen noodig, het lijden sprak voor
zichzelf. Kranken zijn het van allerlei soort, met allerlei
kwalen bevangen. En het machtwoord des Heilands geneest
hen allen. Maar als wij dat daar zoo eenvoudig vermeld
vinden, zien wij dan toch niet voorbij op welk een inspan*
ning der ziele, op welk een lijden des Heeren dat heen-
wijst ! Hij, van "VVien geschreven staat, dat Hij onze krank -
heden op Zich genomen en onze smarten gedragen heeft,
Hij geneest niet maar met een woord der lippen, omgaande
buiten Zijn gemoed. Neen! al dat lijden draagt Hij door
de kracht van Zijn ontfermend medelijden; Hij voelt er de
smart van; het doorwondt Hem het hart, en het is aldus,
door dat op Zich nemen van de smart des lijders, dat Hij
dit lijden opheft. Gelijk die kranken voor Zijne voeten
geworpen worden, zoo wordt heel de last des lijdens, dat
de menschheid zich op den hals gehaald had door den
afval van God, geworpen op het heilige, hoogepriesterlijke
hart van Hem, die zich met deze menschheid is komen
vereenzelvigen. En — eeuwig dank zij Zijne liefde! —
Hij schudt dien last niet van zich af, Hij draagt dien, alle
-ocr page 468-
462
dagen Zijns levens, totdat Hij dien in volkomenheid draagt
op Golgotha\'s kruis.
Daar wordt ons van geen dezer kranken iets afzonderlijks
vermeld. Hunne gansche geschiedenis gaat op in dit ééue:
zij waren krank, en zij werden genezen. Gaat het niet
evenzoo met de meerderheid van hen, die behooren zullen
tot de schare, die niemand tellen kan, in het Vaderhuis
Gods? Elk hunner had zijn eigene ellende, waaruit hij
gered worden moest; bij elk had de nood, waaruit hij
verlost moest worden, eene eigenaardige gestalte, maar voor
de waarneming der menschen is dat niet te onderscheiden,
en hunne namen zijn niet in het gedenkboek der geschie-
denis vermeld. Daar staat slechts het gansch bijzondere
opgeteekend; bekeeringen en leidingen van hen, met wie
iets zeldzaams gebeurd is, gelijk wij ook van de genezenen
tijdens Jezus omwandeling op aarde slechts zulken kennen,
van wie iels bijzonders te melden viel. Wat schaadt het
verborgen blijven van den naam, zoo slechts de redding
is ervaren? Geen nood, al is de naam in de geschied-
boeken der menschen niet vermeld, als maar de naam ge-
schreven staat in het boek des levens des Lams!
De schare verheerlijkt den God Israels, als zij deze
i genezingen aanschouwt. Die naam: „de God Israels" wijst
er op, dat zij in die genezingen dezelfde macht erkennen,
die te voren door den God des verbonds in zoo menige
uitredding aan Zijn volk was betoond. Zij zien er in, dat
het stilzwijgen, hetwelk nu reeds eeuwen geduurd had,
wordt verbroken. God treedt weder reddend en wónder-
doend oj), waar Hij dezen Profeet aan Zijn volk heeft
gezonden; God toont nog dezelfde God des ontfermens te
zijn, als Hij voor de vaderen geweest was.
Blijft niet, gedurende het gansche bestaan der gemeente
-ocr page 469-
463
van Christus, die stof tot Godsverheerlijking aanwezig ? De
blindeu worden ziende, als er zielen tot aanschouwing
komen van die wereld der geestelijke dingen, waarvoor zij
vroeger geen oog hadden; de stommen worden sprekende,
als de lof Gods wordt verkondigd door zulken, die vroeger
niets van Hem hadden te getuigen ; de verlamden wan-
delen, waar de wegen des Heeren worden betreden, door
wie vroeger onmachtig nederlagen in de zonde. Voorwaar!
al hielden de uitwendige wonderen op, de geestelijke won-
deren duren voort, zoolang er menschen worden weder-
geboreu ten nieuwen leven, en dankslof is er aan den God
des ontfermens voor al, wat Zijne liefde bewerkt.
XV. 32—89. En Jezus, Zijne discipelen tot zich
geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ont-
ferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie
dagen bij Mij gebleven zijn, en hebben niet wat zij
eten zouden; en Ik wil hen niet nuchteren van Mij
laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.
En Zijne discipelen zeiden tot Hem: Van waar
zullen wij zoovele brooden in de woestijn bekomen, dat
wij zulk eene groote schare zouden verzadigen ?
En Jezus zeide tot hen: Hoevele brooden hebt gij?
Zij zeiden: Zeven, en weinige vischjes.
En Hij gebood de schare, neder te zitten op de
aarde.
En Hij nam de zeven brooden en de visschen, en
als Hij gedankt had, brak Hij ze, en gaf ze Zijnen
discipelen, en de discipelen gaven ze aan de schare.
En zij aten allen, en werden verzadigd, en zij
namen op het overschot der brokken, zeven volle
manden.
-ocr page 470-
\'■••■■
16 4
JF» <#e </««r gegeten hadden, waren vier duizend
mannen, zonder de vrouwen en kinderen.
En de scharen van zich gelaten heibende, ging Hij
in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.
Het is niet wel aan te nemen, dat wij hier een tweede
bericht vóór ons zouden hebben omtrent dezelfde wonder-
bare spijziging, die ons reeds in Mt. XIV. 15 en verv.
verhaald is. Er zijn te veel verscheidenheden in de plaats
der handeling, het aantal aanwezigen, het getal brooden en
de overblijvende hoeveelheid, dan dat men aan dezelfde
gebeurtenis zou kunnen denken. Het éenig bezwaar is: hoe
kunnen de discipelen hier weder zoo verlegen staan, als zij
reeds vroeger gezien hebben, hoe de Heer in dergelijke
behoefte heeft voorzien ? Maar overwegend wordt dit bezwaar
niet geacht door wie het eigen hart kent, en weet, hoe bij
het wederkeeren van nooden, waaruit Gods hand reeds een-
ïnaal uitgered had, dezelfde twijfelmoedigheid en vreeze
opkomt in de ziel. Het is daii zoo vaak, alsof de vroegere
uitredding geheel is vergeten. Of, waar de herinnering daar-
aan opkomt, weet liet versaagde menschenhart altijd te
wijzen op verschil tusschen den nood van vroeger en nu,
alsof dat nu onmogelijk maakte om opnieuw te vertrouwen.
De zonde heeft ons zoo door en door wantrouwend gemaakt;
ons leven lang hebben wij te leeren aan de les des geloofs.
Gode zij dank, dat Hij ons niet doet naar ons ongeloof,
maar Zijne uitreddingen vernieuwt, opdat wij toch eindelijk,
eindelijk! zouden leeren, alles van Zijne liefde te wachten!
Omtrent het wonder zelf treden wij niet in beschouwingen,
die slechts herhaling zouden kunnen zijn van wat bij Mt. XIV.

15 vv. opgemerkt is.
^ &$5*