-ocr page 1-
m^^
c
$■ Q§&. *VW j4
^•^^Ét^le^!^
-Or-^^-^SC®??
f
t
5
f
EEN
Struikelblok
Weggenomen.
Hebr. VI : 1-12 en X : 26—39.
DOOK
H. C. VOORHOEVE Jzn
w
r.
■^A£tft3ZUi*r->
i
\'s-Gravenhaoe,
C. VOORHOEVE Jzn.
1807.
Gunning
•.-»r
m
U.B.U.
\'wrtM\'Wrh^c(-wr\\Ai
9)&(.\'1Wr*&4\',Wr\'i&f.-Wr-
erg^p
-ocr page 2-
-ocr page 3-
/fr/Tc?. ^-^r c^W^W,-i
O è
EEN
TRUIKELBLOK
EGGENOMEN,
Hebr. VI : 1-12 en "X : 26-39.
«OOK
H. C. YOORHOEVE Jzn.
-*^ipft!ê*a- f Universiteits-
biblioiheek
UTRECHT
\'s-Gravexhage,
H. 0. VOORHOEVE Jzx.
1897.
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029477571B
2947 757 1
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Een struikelblok weggenomen.
Daarom, het woord van hot begin van Christus daar-
latende, laat ons tot den vollen wasdom voortvaren, niet
wederom leggende een fondament van bekeeriug van doode
werken en van geloof in God, van de leer der wasschingen,
en van oplegging der handen, en van opstanding der
doodeu en van eeuwig oordeel; en dit zullen wij doen,
indien God het toelaat. Want het is onmogelijk hen, die
eenmaal verlicht zijn geweest, en de hemelscho gave ge-
smaakt hebben, en deelgenooten des Heiligen Geestes
geworden zijn, en gesmaakt hebbeu het goede woord Gods
en de krachten der toekomende eeuw, en afgevallen zijn,
die wederom te vernieuwen tot bekeeriug, daar zij voor
zich den Zoon Gods kruisigen en te schande maken.
Want een grond, die den dikwijls daarop komenden regen
indrinkt, en nuttig kruid voortbrengt voor hen, om wier
wil hij ook bebouwd wordt, ontvangt zegen van God;
maar die doornen en distelen voortbrengt, is verwerpelijk
en de vervloeking nabij, welks einde is tot verbranding.
Doch, geliefden! wij zijn aangaande u van betere eu mot
de behoudenis verbondene dingen overtuigd, hoewel wij ook
aldus spreken. Want God is niet onrechtvaardig, om uw
werk te vergeten, en de liefde, die gij bewezen hebt voor
zijnen naam, daar gij de heiligen gediend hebt en nog
dient. Maar wij begeeren, dat een iegelijk uwer denzelfden
ijver betoonc tot de volle verzekerdheid der hoop ten einde
toe; opdat gij niet traag wordt, maar navolgers van hen,
die door geloof eu lankmoedigheid do beloften beërven.
Want als wij willens zondigen, nadat wij de kennis der
waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slachtoffer
voor de zonden meer over, maar een vreeselijke verwachting
-ocr page 6-
4
des oordeels en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal
verslinden. Iemand, die de wet van Mozes verworpen
heeft, sterft zonder barmhartigheid op het woord van twee
of drie getuigen; hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal
hij waardig geacht worden, die den Zoon van God ver-
treden, en het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd
was, onrein geacht, en den Geest der genade gesmaad
heeft? Want wij kennen Hem, die gezegd heeft: „Aan
Mij de wraak! Ik zal vergelden, spreekt de Heer!" en
wederom: „De Heer zal zijn volk oordeelen." Vreeselijk
is hot, te vallen in de handen des levenden Gods! Doch
gedenkt der vorige dagen, waarin gij, nadat gij verlicht
geworden waart, veel strijd des lijdens verdragen hebt,
daar gij deels door smaad en verdrukkingen een sehouw-
spel werdt, deels met hen, die aldus behandeld werden,
gemeenschap hadt. Want gij hadt ook medelijden met
de gevangenen, en den roof uwer goederen naamt gij met
blijdschap aan, wetende, dat gij voor uzelven een beter en
blijvend goed hebt. Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet
weg, die een groote beloon ing heeft; want gij hebt vol-
harding noodig, opdat gij, den wil Gods gedaan hebbende,
de belofte moogt wegdragen. Want nog een zeer weinig
tijds, en hij die komt, zal komen en niet vertoeven. „Maar
de rechtvaardige zal uit het geloof leven; en zoo iemand
zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen."
Doch wij zijn niet van hen, die zich onttrekken ten ver-
derve, maar van hen, die gelooven tot behouding der ziel.
Hebr. VI : 1—12 en X : 26—39.
Ik laat deze twee gedeelten uit den brief aan de
Hebreërs op elkander volgen, omdat daarin hetzelfde
onderwerp behandeld wordt. Het is een zeer belangrijk,
onderwerp, \'t welk al onze aandacht en behartiging waardig
is. De woorden, die wij lazen, hebben voor vele geloovigen
groote nioeielijkheden opgeleverd; en de duivel heeft ze
nienigwerf gebruikt om een struikelblok te leggen voor
-ocr page 7-
5
den voet van hen, wier zielen verontrust waren over hunnen
toestand voor God. Menigeen is door een verkeerd ge-
bruik van deze woorden van zijnen vrede beroofd gewor-
den, en geheel in verwarring gebracht. En toch, wel verre
dat deze woorden een struikelblok zijn, geven zij integen-
deel aanleiding tot versterking der geloovigen, en kunnen
zij strekken tot vertroosting van hen, die, hoewel zij nog
geen vrede voor hun hart hebben, nochtans ontwaakt zijn
uit den slaap der zonde en zich bekeerd hebben tot den
levenden God.
Om te kunnen begrijpen, wat ons hier geleerd wordt,
is het noodzakelijk, dat wij ons den toestand voor den
geest roepen, waarin de geloovigen, aan wie deze brief
geschreven is, zich bevonden. Heeft men dit verstaan,
is men daaromtrent tot klaarheid gekomen, dan is de
verklaring van de woorden des Apostels niet zeer moeielijk.
De geloovigen, aan wie deze brief geschreven werd,
waren geloovigen uit Israël, en niet geloovigen uit de
volken. Niet aan een bepaalde gemeente schrijft de
Apostel, maar aan geloovige Israëlieten, die overal ver-
strooid waren. Deze Israëlieten hadden het Jodendom
verlaten en Christus aangenomen. Zij hadden zich niet
alleen van hunne zonden, maar ook van hunne verwer-
ping van den Messias bekeerd. Zij hadden erkend, dat
Jezus van Nazai-eth de beloofde Messias, ja, de Zoon
des levenden Gods was. Als den eenigen, algenoegzamen
Zaligmaker hadden zij Hem aangenomen en zich door
het geloof in zijne gemeenschap verblijd. Het bloed van
stieren en bokken, zoovele honderde jaren dagelijks ge-
stort, had de zonden niet kunnen wegnemen; maar in
het bloed van Jezus, in zijn offer aan het kruis, hadden
zij de vergeving van al hunne zonden en een volkomene
en eeuwige verzoening met God gevonden.
Het natuurlijk gevolg hiervan was, dat er een scheiding
-ocr page 8-
6
kwam tusschen hen en de andere Israëlieten; en dat zij
door hunne broeders naar het vleesch, die niet in Jezus
gelooven wilden, maar vol vijandschap tegen Hein waren
in hun hart, heftig werden vervolgd. Hoe zou hot ook
anders hebben kunnen zijn! Den Heer en Meester had-
den zij gehaat en vervolgd; Hem hadden zij aan het
kruis genageld en gedood; en zouden zij dan zijne disci-
pelen niet eveneens haten en vervolgen? Jezus zelf had
dit uitdrukkelijk voorzegd, en derhalve overkwam hun
niet iets vreemds. Ja, de ongeloovige Joden waren de
bitterste vervolgers van de discipelen van Jezus — veel
erger dan de Heidenen. Paulus, b. v., werd door zijne
broeders naar het vleesch het heftigst vervolgd; overal
waar hij kwam, waren het de Joden, die hem het meest
weerstonden, en die de Heidenen tegen hem opstookten
en aanhitsten. Geen wonder dus, dat deze geloovige
Hebreërs, die in het midden van hunne ongeloovige en
vijandige stamgenooten leefden, ontzettend veel te verduren
hadden. Doeh zij hadden al die vervolgingen met vreugde
verdragen; zij hadden getroost en gemoedigd al dat lijden
en al dien smaad kunnen verduren; ja, zij hadden zelfs
den roof hunner goederen met blijdschap aangenomen.
Hun oog was gericht op het beter en blijvend goed, dat
voor hen in de hemelen was weggelegd; hun hart verhief
zich tot den grooten, medelijdenden Hoogepriester in den
hemel, die met al onze zwakheden medegevoel hebben
kon, omdat Hij in alles verzocht is geworden, gelijk als
wij, uitgenomen de zonde. En niet alleen dit! Maar
waar zijzelven veel te lijden hadden, hielden zij nog tijd
en gelegenheid over om aan anderen te denken. Zij
hadden veel strijd des lijdens te verdragen gehad; zij
waren deels door smaad en verdrukkingen een schouw-
spel geworden; doeh dit had hen niet verhinderd om aan
anderen te denken; integendeel, dit had hen er toe ge-
-ocr page 9-
7
bracht om met hen, die aldus behandeld werden, geineen-
schap te hebben en medelijden met de gevangenen te
gevoelen. Voorwaar, deze geloovige Hebreërs waren toen
wel in een heerlijken en gezegenden geestelijken toestand!
Als burgers des hemels, op reis naar het hemelsch vader-
land, waren zij vreemdelingen op aarde, en drukten de
voetstappen van Hem, die geen plaats hier beneden had,
waar Hij zijn hoofd kon neerleggen.
Zoo waren zij jaren lang hunnen weg gegaan. Doch,
helaas! zoo was het niet gebleven, en zoo was het niet,
toen Paulus hun dezen brief schreef. Integendeel, hun
verachterde toestand was de aanleiding tot het schrijven
van dezen brief. Zij waren moede en mat geworden;
(XII : 12.) zij stonden in gevaar hunne vrijmoedig-
heid weg te werpen; (X : 35.) zij dachten er aan om
weer tot het Jodendom terug te keeren. (VI : 6; X : 26.)
Deden zij dit, dan zouden zij afvallen van het geloof,
en zich onttrekken aan het Christendom, en dus ten ver-
derve gaan. Om hen te waarschuwen, om hen tegen te
houden, om hen in het geloof te doen volharden, richt
de Apostel tot hen dit heerlijke en tevens hoogst ernstige
schrijven.
Maar, zal men vragen, hoe is het mogelijk, dat zulke
gedachten in een Christen opkomen? O, dat is niet zoo
heel moeielijk te begrijpen. Natuurlijk komen zulke ge-
dachten niet eensklaps. Daaraan gaat veel vooraf. Het
begin is soms nauwelijks te bemerken. Kleine dingen
hebben dikwerf grooto gevolgen. Niet opeens zal, b. v.,
een Christen zijn vermaak in de wereld gaan zoeken,
niet eensklaps in de zonde gaan leven. Daartoe komt
men langzamerhand. Men begint met ontrouw te zijn in
kleine dingen, dan in meer gewichtige, en zoo gaat men
hoe langer hoe verder, totdat men eindelijk geheel van
God is afgeweken. Wij zullen wel allen, in meerdere of
-ocr page 10-
8
mindere mate, kennis daaraan hebben; en met schaamte
moeten belijden, dat, had de Heer ons niet tegengehouden
en bewaard, wij reeds lang verre van Hem zouden rond-
dolen. Welnu, zoo was het ook gegaan met deze
Hebreërs. Niet eensklaps waren zij in dezen gevaarvollen
toestand gekomen; o neen! Het begin was heel klein
geweest, voor niemands oog zichtbaar, dan alleen voor
Hem, die de gedachten en overleggingen der harten kent.
En wat was het begin ? Het lijden was hen zwaar gaan
vallen; de vervolging duurde hen te lang. Jaren hadden
zij alles met blijdschap verdragen; maar eindelijk waren
zij moede geworden, en bezweken zij onder de kastijding.
(XII : 5.) In plaats van te zingen, zuchtten zij; in plaats
van, gelijk vroeger, den roof hunner goederen met blijd-
schap aan te nemen, waren hunne handen slap en hunne
knieën traag geworden. „Zou er dan niet eindelijk een
eind komen aan al dat lijden, aan al die vervolgingen?
Zou de Heer ons dan nooit verademing schenken ?" En
waar deze gedachte in het hart is, daar volgt die andere
vanzelf: „Hoe zouden we het best van dat lijden kun-
nen afkomen en ons aan die vervolgingen kunnen ont-
trekken ?" En waar die overlegging heeft post gevat,
daar komt de duivel met zijne listige verleidingen, en
fluistert: „Weet ge, hoe ge \'t best van dat lijden kunt
afkomen? wel, dan moet ge hier en daar een weinig toe-
geven : ge moet niet zoo stijf en strak zijn; doe wat
water in uw wijn. Ga van tijd tot tijd eens naar de
synagoge, houd weer tijden en jaren en maanden en
dagen; laat uwe kinderen besnijden. Ge zult zien, dan
houdt het lijden op. Ge behoeft daarom niet op te
houden een Christen te zijn; o neen! ge kunt in Chris-
tus blijven gelooven en u op zijn offer blijven verlaten;
ge behoeft niets te veranderen, dan die uitwendige dingen,
en daarin ligt toch het wezen der zaak niet." Door deze
-ocr page 11-
9
verleidelijke redeneeringen was de duivel er in geslaagd
deze geloovigen van het rechte spoor af te brengen; en
als de Heer zich niet over hen ontfermd had en hen niet
had doen waarschuwen, dan zouden zij zeker van het
geloof zijn afgevallen.
Nu moeten wij evenwel niet denken, dat deze geloovigen
zich voorgenomen hadden het Christendom prijs te geven
en Christus te verlaten. In geenen deele. Zij dachten
daaraan in de verste verte niet. Zij wilden alleen door
toegeven aan de vooroordeelen der Joden en door het
waarnemen van de joodsche gebruiken van het lijden
bevrijd worden. Doch de Apostel stelt hun voor, welk
het einde van dien weg zou zijn. Hij maakt de gevolg-
trekking. Evenals in den brief aan de Galatiërs. De
Galatiërs dachten er niet aan om Christus vaarwel te
zeggen, maar Paulus zegt hun, dat, indien zij zich lieten
besnijden, omdat zij anders geen ware geloovigen zijn
konden, Christus hun niet nut was, en zij van de genade
vervallen waren. Zoo ook hier. Wat zou het einde zijn
van een terugkeeren tot het Jodendom? Niets minder
dan een afvallen van het christelijk geloof en een ver-
werpen van het eenige offer, waardoor wij kunnen verzoend
worden.
Om hen daarvan terug te houden stelt de Apostel in
dezen brief de heerlijkheid van Jezus voor, tegenover de
voornaamste personen des Ouden Testainents — de heer-
lijkheid van Jezus zoowel in zijnen persoon, zijnde de
eeuwige Zoon van God en de volmaakte Zoon des
menschen, als in zijn werk en bediening. Jezus tegenover
Mozes en Aaron; het bloed des kruises tegenover het
bloed der stieren en bokken; de bedeeling der schaduwen
tegenover de werkelijkheid en de vervulling in Christus;
de geopende hemel, het heiligdom Gods, tegenover het
gesloten heiligdom der oude bedeeling, en zooveel meer,
-ocr page 12-
10
wordt hun in dezen brief voor oogen gesteld en op het
hart gebonden; opdat zij aangetrokken door de schoon-
heid en voortreffelijkheid van Jezus en zijn werk, gemak -
kelijk de verdwijnende schaduwen der wet zouden prijsgeven,
om met nieuwen moed de loopbaan tot den einde toe te loopen.
Doch de Apostel wil niet alleen hunne harten aantrekken
door de voorstelling van de heerlijkheid der nieuwe be-
deeling; hij wil hen ook afschrikken door hen te wijzen
op het schrikkelijk eind van den weg, waarop zij hunnen
voet dachten te zetten. Dit doet hij in de boven aange-
haalde woorden. Aan het eind van hoofdstuk V had hij
gezegd, dat zij vanwege den tijd leeraars behoorden te
zijn, doch dat zij weder noodig hadden te leeren, welke
de eerste beginselen der woorden Gods waren. Zij waren
reeds zoovele jaren bekeerd, dat zij volwassen mannen
geworden waren, die in staat zijn anderen in de waarheid
te. onderwijzen; doch door hunne afdwaling waren zij aan
kleine kinderen gelijk geworden, die met melk moeten
gevoed worden. Dit moest niet zoo zijn. „Daarom," zegt
de Apostel, „het woord van het begin van Christus
daarlatende, laat ons tot den vollen wasdom voortvaren."
„Het woord van het begin van Christus" wil zeggen:
de eerste beginselen van de leer van Christus. Zij moesten
niet altijd blijven bij de eerste beginselen van het
Christendom, maar tot den vollen wasdom voortvaren.
Kleine kinderen hebben melk noodig, volwassenen vaste
spijs. En wat den tijd hunner bekeering betreft, waren
zij volwassen mannen en geen kinderen. Vergenoegt u
dus niet met melk, maar strekt u uit naar de vaste spijs.
Voorzeker, indien God het toelaat, zullen wij ook melk
toedienen, maar gij moet voortvaren tot den vollen wasdom.
„Niet wederom leggende een fondament van bekeering
van doode werken, van geloof in God, van de leer der
wasschingen, en van oplegging der handen, en van op-
-ocr page 13-
11
standing der dooden en van eeuwig oordeel," al welke
dingen reeds in de oude bedeeling geleerd werden en
bekend waren. Keert gij dus daarheen terug, dan gaat
gij weer tot de oude bedeeling, en geeft zelfs de eerste
beginselen van de leer van Christus prijs. In plaats van
tot den vollen wasdom voort te varen, zoudt gij dan
niet alleen weer met melk u vergenoegen, maar gij zoudt,
nog verder teruggaande, u begeven tot de bedeeling der wet,
die in Christus zijn eind en zijne vervulling gevonden heeft.
En dan komt de bekende plaats, die voor zoo menigeen
een struikelblok geworden is. „Want het is onmogelijk
hen, die eenmaal verlicht zijn geweest, en de hemelsche
gave gesmaakt hebben, en deelgenooten des Heiligen Geestes
geworden zijn, en gesmaakt hebben het goede; woord Gods
en de krachten der toekomende eeuw, en afgevallen zijn,
die wederom te vernieuwen tot bekeering, daar zij voor
zich den Zoon Gods kruisigen en te schande maken."
Hoogst ernstige woorden! Wel geschikt om deze geloovige
Hebreërs te doen stilstaan op hunnen weg, en hen terug
te houden van het voornemen, dat zij koesterden. Keerden
zij tot het Jodendom terug, dan zou het einde niets anders
zijn dan afval, en eenmaal afgevallen, was er geen
mogelijkheid meer om vernieuwd te worden tot bekeering.
Al de zegeningen, die men genoten, al de goede gaven,
welke men gesmaakt, al de voorrechten, waarin inen zich
verblijd had, konden dan niets baten. Eenmaal afgevallen
van het geloof, was bekeering onmogelijk, omdat niemand
van het christelijk geloof afvalt en Christus afzweert, wiens
hart niet geheel verhard is.
Men kan door het licht des Evangelies zijn verlicht, en
de hemelsche gave, Christus het brood des levens, gesmaakt
hebben; men kan deelgenoot des Heiligen Geestes geworden
zijn, zoodat men door den Geest heeft gesproken en ge-
prof eteerd; men kan het goede woord Gods en de krachten
-ocr page 14-
12
(Ut toekomende eeuw, dat zijn de wonderen, hebben ge-
smaakt, en van het geloof afvallen, Christus den rug
toekeeren en aldus verloren gaan. Is Judas niet verlicht
geweest? Heeft hij niet het Evangelie verkondigd? Kwam
ook hij niet terug tot den Heer niet de woorden: zelfs de
duivelen zijn ons onderworpen geweest? En heeft niet
Saul door den Geest geprofeteerd, zelfs nog, toen God
hem verlaten had ? Lezen wij niet van hem, dat de Heer
den goeden geest Gods van hein wegnam, en een boozen
in diens plaats in hem zond ? Welnu, zoo zou het ook
gaan, wanneer iemand, na Christus aangenomen te hebben
als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, dien Chris-
tus verwierp.
Er is hier dus spraak van afvallen. Men bedenke dit
wel. Er wordt geenszins gesproken over iemand, die, na
in Christus geloofd te hebben, tot de wereld terugkeert of
in de zonde valt. Hoe verschrikkelijk dit ook zijn moge,
zoo is er voor den zoodanige toch nog bekeering mogelijk.
De Apostel spreekt van het „afvallen," van het afzweeren
van het christelijk geloof; van het zich afwenden van
het Christendom om tot het Jodendom terug te keeren.
Die dat deed, kruisigde voor zichzelven den Zoon Gods
en maakte Hem te schande. Niemand kan natuurlijk
den Zoon Gods, die aan \'s Vaders rechterhand gezeten is,
afbrengen, en ten tweeden male kruisigen. Maar indien
een Jood het Christendom aanneemt, dan verklaart hij
daardoor, dat Jezus de ware Messias, de Zaligmaker der
wereld is; hij komt als een verrader en moordenaar van
Jezus met belijdenis zijner schuld tot den Verlosser, en
erkent in zijnen dood aan het kruis het eenige middel tot
verzoening met God en ter vergeving zijner zonden gevon-
den te hebben. Wendt hij zich nu evenwel van Jezus af,
verlaat hij het Christehjk geloof, en keert hij tot het Joden-
dom terug, dan herroept hij al wat hij beleden heeft, en
-ocr page 15-
13
schaart zich opnieuw onder de verraders en moordenaars
van Jezus, en zoo doende kruisigt hij voor zichzelven den
Zoon Gods opnieuw, en maakt Hem te schande.
Zoo staat het ook met het „willens zondigen" in Hebr. X.
Het is duidelijk, dat dit „willens zondigen\'\' niet in den
gewonen zin moet opgevat worden. Ware dit zoo, dan zou
er niemand in den hemel komen. De Apostel zegt toch:
„Want als wij willens zondigen, nadat wij de kennis der
waarheid ontvangen hebben, zoo blijft er geen slachtoffer
voor de zonden meer over, maar een vreeselijke verwachting
des oordeels en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal
verslinden." Nu zal ieder geloovige wel moeten toestemmen,
dat hij, ook na zijne bekeering, willens gezondigd heeft,
d. w. z. dat hij menigwerf iets heeft gedaan, waarvan hij
wist, dat het zonde was tegen God. Ja, eigenlijk gezegd,
zondigen wij nooit tegen onzen wil. \'t Is wel mogelijk,
dat wij door anderen tot de zonde verleid worden; dat de
duivel ons vangt in de strikken, die hij ons gedurig spant;
dat wij, als het ware, ondoordacht en onverwacht, het een
of ander kwaad bedrijven; maar toch zal men moeten
bekennen, dat men op het oogenblik van het bedrijven
van het kwaad met dat kwaad instemde en er genoegen
in had. Wellicht — en gave God, dat zulks altijd het
geval ware! — heeft men het volgende oogenblik berouw,
en gaat men naar buiten bitterlijk weenende; doch op het
oogenblik, dat men aan de verzoeking gehoor geeft, heeft
de verzoeker weerklank gevonden in ons hart. Had dus
het „willens zondigen" van den Apostel de gewone be-
teekenis, dan zou er niemand van ons behouden worden,
maar gingen wij allen verloren; want er blijft voor de
zoodanigen geen slachtoffer over voor de zonden, en hun
wacht een vreeselijk oordeel.
Het „willens zondigen" heeft dus in deze plaats een
geheel buitengewone beteekenis. Welk zondigen de Apostel
-ocr page 16-
14
bedoelt, blijkt reeds uit de woorden: „zoo blijft er geen
slaehtoffer voor de zonden meer over," maar wordt vooral
duidelijk uit de volgende verzen: „Iemand, die de wet
van Mozes verworpen heeft, sterft zonder barmhartigheid
op het woord van twee of drie getuigen; hoeveel te zwaarder
straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den
Zoon van God vertreden, en het bloed des verbonds, waar-
door hij geheiligd was, onrein geacht, en den Geesl der
genade gesmaad heeft?" „Willens zondigen" is dus het
vertreden van Gods Zoon, het onrein achten van het bloed
des verbonds en het smaden van den Geest der genade. Het
heeft, derhalve dezelfde beteekenis als „afvallen." Als een
Israëliet Christen wordt, dan neemt hij den Zoon Gods als
Verlosser aan; dan houdt hij het bloed, dat op Golgotha
stroomde, voor het bloed der verzoening, en dan verheugt
hij zich door den Geest der genade uit de duisternis in
Gods licht te zijn overgebracht. Keert hij nu evenwel terug,
verlaat hij het Christendom om weer Jood te worden, dan
vertreedt hij Gods Zoon, daar hij Hem dan weer, evenals
vroeger, voor een bedrieger en Godslasteraar houden moet;
dan acht hij het bloed des verbonds onrein, aangezien Jezus
dan als lasteraar is gestorven; en dan smaadt hij den Geest
der genade, want al wat er vroeger bij hem gewerkt werd,
is dan bedrog en ijdelheid voor hem geworden. Welnu, als
men het bloed des verbonds, waardoor alleen de zonden
vergeven kunnen worden, onrein acht, dan blijft er geen
slachtoffer voor de zonden meer over. Er is geen slachtoffer
meer, wanneer men het eenig ware slachtoffer verwerpt.
Een zoodanige nu kan niet meer terugkeeren. Er blijft
voor hein niets anders over dan een vreeselijke verwachting
des oordeels en hitte des vuurs. Alleen hij, wiens hart
verhard is, en die over alles is heengegaan, kan tot zulk
een stap komen; en daarom is het, gelijk ik boven reeds
aantoonde, onmogelijk hem wederom te vernieuwen tot
-ocr page 17-
15
bekeering. Berouw komt er niet in een verharde ziel;
onrust wordt bij denzulke niet gevonden; integendeel, de
duivel, die hem in zijne macht heeft gekregen, verbant
elk gevoel van schuld en ellende, en doet hem in de
rustige rust des doods zijn weg ten einde toe bewandelen.
Zouden dergelijke gevallen ook thans nog kunnen voor-
komen ? Niet in letterlijken zin, daar er nu geen gaven
van profeteeren en wonderen doen bestaan; maar toch wel
in hoofdzaak. Wanneer b. v. nu iemand, die Christus als
Zaligmaker beleden heeft, dien Christus verwerpt en het
christelijk geloof afzweert, dan is hij afgevallen, en behoort
tot hen, van wie de Apostel hier spreekt In onze dagen
zijn er velen van de zoodanigen; en zij zullen, naar luid
van Gods getuigenis, toenemen. Hoort wat Paulus tot
ïimotheiis zegt: „De Geest zegt uitdrukkelijk, dat in
de laatste tijden
sommigen van het geloof zullen afvallen,
zich overgevende aan verleidende geesten en leeringen
der duivelen, die in huichelarij leugen spreken, hun eigen
geweten als met een brandijzer toege»chroeid hebbende."
(1 Tim. IV : 1, 2.) En wat Petrus leert in zijnen twee-
den brief: „Er zullen onder u .valsche leeraars zijn, die
verderfelijke sekten bedektelijk zullen invoeren, verlooche-
nende den Meester, die hen gekocht heeft,
een haastig
verderf over zichzelven brengende." Uit deze plaatsen
blijkt opnieuw, dat zij, die van het geloof afvallen, hun
geweten als met een brandijzer hebben toegeschroeid,
zoodat zij niet meer kunnen vernieuwd worden tot be-
keering, maar een haastig verderf over zichzelven brengen.
Zoodra men nu de bedoeling van den Apostel goed
begrepen heeft, ziet men het struikelblok voor zijne voeten
weggenomen. Menige ziel is door een verkeerd begrip
van deze woorden verontrust en beangst geworden. Menigeen
zegt: „Ik kan niet ontkennen, dat Gods genade aan
mij gewerkt heeft, dat ik veel goeds van den Heer heb
-ocr page 18-
16
gesmaakt, maar, ach! er is zooveel verkeerds bij mij, ik
heb zoo dikwerf willens gezondigd; en de Apostel zegt
het dan toch, dat men vele zegeningen kan deelachtig
zijn, en toch nog verloren kan gaan." Als gij goed be-
grepen hebt, wat ik tot hiertoe gezegd heb, dan zult gij
reeds tot het besluit zijn gekomen, dat gij niet behoort
tot hen, die in Hebr. VI en X bedoeld worden. Of
hebt gij Christus vaarwel gezegd? Neen, niet waar? gij
wilt Hem meer aanhangen en liefhebben. Hebt gij het
christelijk geloof verlaten? Neen, gij houdt u daaraan
met hand en tand vast. Acht gij het bloed der verzoening
onrein ? O neen! gij wenscht er uw gansche vertrouwen
op te stellen. Maar bovendien, al wat gij zegt, is het
beste bewijs, dat de woorden van Hebr. VI niet op u
toepasselijk zijn. De menschen, over wie de Apostel
daar spreekt, kunnen onmogelijk vernieuwd worden tot
bekeer ing.
En uit uwe woorden, uit uwen geheelen toe-
stand blijkt, dat gij verontrust zijt, dat gij berouw hebt,
dat gij tot God roept om hulp en redding; en wat is dat
anders dan bekeering? Zou de Heilige Geest bekeering
bij u werken, indien gij niet tot bekeering kondet ver-
nieuwd worden? Zou Hij u onrustig maken, indien gij
aan liet oordeel der verharding waart prijs gegeven ? Neen,
stellig niet. Daarom, gij die zoo denkt en spreekt, laat
de waarheid u vrijmaken. God wil het struikelblok weg-
nemen, \'t welk de duivel u voor de voeten wierp. In
plaats van u beangst te maken door deze woorden, kunt
gij integendeel tot uzelven zeggen: „AVelk een geluk!
door onrust in mijne ziel te werken, bewijst God, dat
Hij aan mijne ziel werkzaam is; en dat er ook voor mij
hoop is, ja, volkomene zekerheid zelfs, indien ik slechts
op Hem, den Onwankelbare, de Rots der eeuwen, mijn
vertrouwen stel."
Want, voorwaar! de Heer laat niet varen het werk
-ocr page 19-
17
zijner handen. Al de zegeningen toch, welke de Apostel
opnoemt, kunnen het deel zijn van iemand, die onher-
boren is, gelijk uit de geschiedenis van Judas en Saul
blijkt. Bij al wat er opgenoemd wordt, is er geen spraak
van geboorte uit God, van eeuwig leven, van vergeving
der zonden of van de inwoning des Heiligen Geestes.
De Apostel kon niet zeggen: Iemand, die uit God ge-
boren is, die het eeuwige leven ontvangen heeft, in wien
de Heilige Geest woont, en afvalt. Zulk een vooronder-
stelling zou tegen de waarheid zijn; want wie uit God
geboren is, kan niet afvallen. Wie het eeuwige leven
heeft, kan niet verloren gaan in eeuwigheid. Niemand
zal ze rukken uit Jezus\' hand; niemand kan ze rukken
uit de hand des Vaders. (Joh. X.)
Jezus is de Rots der eeuwen,
Die geeu wank\'len vreest of val;
Die, wat hier bezwijkt, Gods kindren
Tot een toevlucht wezen zal.
De Apostel vooronderstelt dan ook niet, dat de Hebreërs,
aan wie hij schreef, behoorden tot hen, die afgevallen
waren of afvallen zouden. Integendeel, hij zegt uitdruk-
kelijk in vs. 9: „Doch, geliefden! wij zijn aangaande u
van betere en met de behoudenis verbondene dingen
overtuigd, hoewel wij ook aldus spreken." En uit het
voorbeeld, \'t welk hij ter opheldering aanhaalt, blijkt dit
ten duidelijkste. Stel u een akker voor. Hij wordt om-
gespit, doorploegd, bezaaid en geëgd. Die akker wordt
door de zon beschenen en door den regen bevochtigd. Al
wat er noodig is, opdat hij vrucht zou dragen, is aan dien
akker gedaan. Doch als de tijd komt, dat het gezaaide
vrucht moet dragen, geeft de ééne helft van dien akker
schoone halmen en aren, terwijl de andere helft slechts
doornen en distelen draagt. Wat is hiervan de oorzaak?
mag men wel vragen. Ligt het aan de bewerking?
-ocr page 20-
IS
Geenszins. Aan de zon of aan den regen? Ook niet.
Waaraan dan? Aan den grond. Hoewel de geheele akker
op gelijke wijze bearbeid is, zoo blijkt het, dat de ééne
helft een goede grond, de andere helft daarentegen een
slechte grond is. Dit overgebracht op de menschen, van
wie de Apostel spreekt, dan blijkt uit hun afval, dat de
grond bij hen niet deugde, dat wil zeggen, dat zij, bij al
de zegeningen, welke zij ontvingen, en bij al de voor-
rechten, waarin zij zich verblijden mochten, niet uit God
geboren waren. De Hebreërs waren dit wel. Hiervan
hield de Apostel zich overtuigd. Hoewel hij zulke ernstige
dingen tot hen sprak, om hen te waarschuwen, en hen
van het inslaan van den verkeerden weg terug te houden,
zoo was hij tocli aangaande hen van betere en met de
hehoudenis verbondene dingen overtuigd. Of gelijk hij in
hoofdst. X zegt: „Wij zijn niet van hen, die zich ont-
trekken ten verderve, maar van hen, die gelooven tot
behouding der ziel." (vs. 39.)
En op welken grond steunde deze zijne overtuiging?
Het tiende vers geeft ons het antwoord. „Want God is
niet onrechtvaardig om uw werk te vergeten, en de
liefde, die gij bewezen hebt voor zijnen naam, daar gij
de heiligen gediend hebt en nog dient." Er was bij hen
een goede bodem. Zij hadden het leven Gods. De
vruchten des levens, welke zij voortbrachten, bewezen
zulks. En daarom was de Apostel ook verzekerd, dat,
al was hun toestand op dat oogenblik niet goed, en al
stonden zij in gevaar om door moedeloosheid af te wijken,
zij nochtans zouden staande blijven, niet zouden afvallen
en zich niet zouden onttrekken, God is niet onrechtvaar-
dig, en Hij zou dus hun werk, dat zij gedaan, en hunne
liefde, die zij bewezen hadden, niet vergeten. Een treffend
bewijs hiervan was de brief, dien Hij den Apostel liet
schrijven. Niemand wist, wat er in hun hart omging;
-ocr page 21-
19
maar God wist het; Hij kende de overleggingen hunner
harten. En omdat Hij weet, dat kleine dingen groote
gevolgen hebben, liet Hij hen wijzen op de .schrikkelijke
gevolgen, die de overleggingen hunner harten hebben
zouden. Welk een liefde van God! Welk een zorg voor
de zijnen! Met hoeveel ernst en teederheid roept de Heer
hen toe: „Gedenkt der vorige dagen, waarin gij veel
strijds des lijdens verdragen hebt. . . . Werpt uwe vrij-
moedigheid niet weg, die een groote belooning heeft. . . .
Richt weder op de slappe handen en de matte knieën, en
maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat het kreupele
niet ontwricht, maar veeleer genezen worde."
Hoe belangrijk is het de waarheid recht te snijden.
Wat de duivel vaak gebruikt om ons aan \'t wankelen te
brengen, dient juist tot onze versterking en vertroosting.
Werpt hij een struikelblok voor den voet, door het recht
verstaan van de waarheid wordt dat weggenomen. Den
oprechte gaat het licht op in de duisternis. Geve de Heer
ons genade om zijn Woord steeds beter te leeren verstaan
en zijne gedachten te begrijpen; opdat wij, verlost van
onrust en vrees, met vrijmoedigheid en blijdschap onzen
weg bewandelen, totdat wij komen in het hemelsch vader-
land, in de stad die fondamenten heeft, welker kunstenaar
en bouwmeester God is.
Maar leeren wij tevens uit den toestand, waarin deze
geloovige Hebreèrs waren, en uit liet gevaar, waarin zij
zich bevonden, hoe noodzakelijk het is om tegen de
kleinste afwijking op onze hoede te zijn. Laat ons nooit
denken: dit of dat is zoo erg niet; het kan er wel meê
door; want als wij eenmaal in het kleine ontrouw worden,
en in kleine dingen afwijken, dan volgen de grootere
vanzelf, en het eind van dien weg is niet te overzien. De
Heer heeft gezegd: „Die getrouw is in het minste, is ook
in het groote getrouw; en die in het minste onrechtvaar-
-ocr page 22-
i-y^i
20
dig is, is ook in het groote onrechtvaardig. Zoo gij dan
in den ongerechtigen mammon niet getrouw zijt geweest,
wie zal u het ware toevertrouwen? En indien gij in
eens anders goed niet getrouw zijt geweest, wie zal u het
uwe geven V\'
-ocr page 23-
Bij den Uitgever dezes zijn mede verschenen:
H. C. Voorhoeve Jzn. Do toekomst onze» Hecren
Jezus Christus en de daarmede in verband
staande gebeurtenissen.........    /\' 0.75.
-------De toestand der zielen na den dood . .    ,, 0.15.
------Beschouwing over de Openbaring f 1.50 geb.    „ 2.25.
---------Gedachten over het lijden van Christus .    „ 0.10.
---------Gedachten over het avondmaal des Hecren    „ 0.15.
---------De persoonlijke tegenwoordigheid des Hei-
ligen Geestes op aarde........    „ 0.25.
---------De sabbat en de dag des Heeren . . .    „ 0.05.
---------Een verontrust geweten valschelijk gerust-
gesteld..............    ,, 0.10.
-----Wat is de heiligmaking?......    „ 0.15.
--------Particuliere of algemeene genade? . . .    „ 0.25.
---------De leer der uitverkiezing volgens de Schrift.    „ 0.20.
---------Het huisgezin te Bethanië......    „ 0.25.
---------Beschouwing over de brieven van Paulus.
Romeinen tot Hebreërs, 9 dln, elk . . .    „ 0.60.
y
! :