-ocr page 1-
1
ii liilWiiiIill i i
i tMiiiiivi/ftvpiwiiiriiii
1
]
1
-ocr page 2-
vnw\\ | 2(??t{
IMfiüNNINfiJ
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
DE VERRASSING VAN HOEY IN 1595.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
-ocr page 8-
-ocr page 9-
GUNNING %•&■¥
De Verrassing yam Hoey in 1595
A. L. G. BOSBOOM—TOÜSSAINT.
Met Illustratiën
Naar teekeningen
TAM
Wm. STEELINK.
Rotterdam. — D. BOLLE.
-ocr page 10-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2950 497 8
rroou-sMcLpEEsuKiKKEBU — Kocti k Khuttel — Gouda.
-ocr page 11-
SBiïïHSSM^sflHHSlKISH\'BÏ
BUK
HOOFDSTUK I.
Op de Wezelsche heide, tusschen het dorpje Diepenbeek en de
vestingstad Hasselt, op dat tjjdstip in de macht der Spanjaarden,
viel den tweeden Februari 15*Jö een bont en woelig tooneel te
aanschouwen. Van verschillende /.jjden zag men daar krijgsvolk
opdagen en halt houden. Schilderachtige ruiterbenden kwamen aan-
rennen in dreunenden draf; voetvolk rukte de dorre, heuvelachtige
gronden op, met dien vasten, stevigen stap, welke de wandeltred
van den soldaat mag genoemd worden. Alles geschiedde echter
zonder rumoer van trommelen, trompetten of ander krijgsmuziek;
en blijkbaar was het niet om slag te leveren, dat al dit krijgs-
volk herwaarts trok. Het waren Staatsolie troepen die, al behoorden
ze tot verschillende „vendels", toch gezamenlijk aan \'t Oranje-
vaandel trouw hadden gezworen, welke van de Provinciën derGene-
raliteit zij dan ook tot betaalsvrouwen hadden.
Ook werden de aankomenden door wie hen vóór waren geweest,
in alle ruste afgewacht en, kortaf maar gulgauw, broederlijk ver-
welkonul. De ontmoeting bleek niet toevallig te zijn, want er
toonde zich geen zweem van verwondering bij het verschijnen van
een nieuw troepje ruiters, of van eene versche bende voetkueehten;
de Wezelsche heide moest dus voor dit krijgsvolk eene vooraf be-
paalde verzamelplaats zijn.
Intusschen, waartoe trollen ze hier samen? dat was de vraag.
Tot oefeningen in den wapenhandel? Tot eene wapensehouwing?
Het eene was zoomin waarschijnlijk als het andere, want zjj
bleven niet onder de wapenen. De ruiters stegen af en ver-
zorgden hunne vermoeide paarden, die onthalende uit de
meegevoerde haverzakken. Het voetvolk zetten haakbussen
en musketten bjjeen of vormde kunstige wapentrofecn van zijne
pieken en hellebaarden; wondere schoven, als wel nooit op de
heide waren gebonden! De officieren lieten de teugels van de
krijgstucht voor \'t oogenblik wat schieten en vergunden der man-
l)c d\'vi........■ Tav Hoey.                                                                                              1
-ocr page 12-
2
schap voorshands allen last van zich to werpen en zich te verver-
schen en te verkwikken, zooals zij best konde. De meosten niaak-
ten van die vrijheid gebruik om hunne ruste te nemen en zich
neer te vljjen op den dorren, ruigen heidegrond. Geen zacht
mostapijt; doch een vermoeid soldaat, die desnoods op eensteen
slaapt, ziet zoo nauw niet na afgelegdon marsch.
Als de herder, die gewoon was hier zjjne schapen rond te leiden,
niet in don vroegen morgen, bij do nadering van het eerste rot
ruiterij, gevlucht was met al de haast, die de zorg voor zijn kudde
hem vergunde, als hij zjjn hond niet was nagestoven, hij zou een
even woelig als boeiend tafereel hebben aanschouwd in dat tal
van groepen, heinde en veer verspreid: die drommen zittende of
neerliggende soldaten, welke de hoogten en laagten dier heide-
heuvels met allerlei kleuren tintten en somwijlen voor een omzien
zelf belicht werden door de grillige stralen der Februarizon, wier
koestering, hoe kort van duur, toch weelde mocht hceten onder
dat strak blauw verwulfsel des hemels! Den armen borst was de
schrik om \'t hart geslagen, zoodra het uit de eerste stofwolk de
beste flikkerde. Niet zonder reden; een overval van krijgsvolk,
mocht het vriend zijn of vijand, was voor den plattelandsbewoner
erger dan hagelslag in zijn graan; en wie waarborgde onzen hor-
der de veiligheid van zijn vee ? Dat diende buiten het bereik der
bende gebracht, al dicrf hjj er ook, niet de schoonheid van een
schouwspel door, waarvoor de linker toch geen oog had; maar de
nieuwtjes, welke er vielen op te vangen, de maren, waarmee hij
in elke taverne een welkome gast zou zijn geweest!
Hij had bij zijne plichtsbetrachting de gelegenheid ingeboet den
gansenen omtrek in rep en roer to brengen; willen wij, die van
het gehoorde geen misbruik zullen maken, een oogenblik in zijne
plaats dier gesprokken het oor leenen ? Veel baat het ons niet,
al dolen wij om van wapen tot wapen; werwaarts de tocht verder
leiden zal? geen dier krijgslieden die het weet; het is de droe-
vige overtuiging, welke zich spoedig aan u opdringt. Eene tweede:
hoe ijler onzekerheid dos te meer ruimte voor de fantasie; ook zij
brengt u niet verder. Als ge den grombaard gelooft, die daar
den trommel in een verkeerbord herschept, en met de steenen
rammelt tot de winzucht de vermoeidheid vergeten doet, dan
weten de officieren zelve „er het naaste niet van"; dan hebben
zij alleen order „om met zooveel van hun manschap klokke twaalf
op de Wezelsche heide present te zijn; — als het „voorwaarts
marsch!" klinkt, zal het rapier hun wel wjjzen waarheen. „ Passé
dix," roept de speler; maar ge zjjt al bjj zoogenaamde Duitsche
ruiters, onder welke de kanne biers rondgaat, door de zootelaar-
ster gebracht; de zoetelaarster, die schoon, mooi, noch jong meer,
last genoog hooft van die lustige gasten. „Een (tikkertje ?" plaagt
-ocr page 13-
;;
haar de dolste; haar afweren zijner aardigheden geeft ons echter
geen licht over het doel van den tocht, en nu gindscho ruige gast
zich een „bonkcsje toeback" veroorlooft, nemen wij intjjds de vlucht.
Liever vergezellen wjj eenige officieren, die gezamenlijk de
veldtent binnengaan, inderhaast tot hun gerief opgeslagen. Al
vinden zij in deze geen eigenlijk gezegde comfort, toch biedt zij
zitbanken aan en eene tafel, uit planken op schragen saamge-
steld, die een zoo groot getal schenkkannen en bekers draagt,
dat hun verkwikking na den afgelegden marscli gewaarborgd is.
De cornet Jasper Hernard, een flinke jonge ruiterofficier, tot schen-
ker aangesteld, noodigt de heeren eens te proeven van de roode
Spaansche, door hem op bevel van zjjn ritmeester meegevoerd.
Terwijl de beker rondgaat, nemen wjj de personen op, die zich
om de tafel geschaard hebben, en onderscheiden terstond den
karakteristieken kop van den ritmeester Godart van Balen, „de
oude Vos" bijgenaamd, een soldaat van fortuin, welke echter
reeds tien jaren geleden haar toppunt had bereikt. Hij bracht
het toen tot den rang dien hij thans nog bekleedt; hij bracht
het sedert niet verder; hij geeft de hoop dit ooit te zullen doen
schier op. De oude vos! het sta niet zjjne bevordering zoo het
wil, die bjjnaam is hein niet ten onrechte gegeven. Die fijne,
spitse neus, de dunne lippen van dien vooruitstekenden mond,
die kleine zwarte oogon, tintelend van schranderheid en stoutheid
beide, onder zijne borstelige wenkbrauwen, zij doen hem kennen
als een man, die slim beleid aan onverschrokken koenheid weet
te paren. Maar op dat scherp geteekend gelaat, geelbleek van
tint, ligt geen vroolijke levenslust, geen openheid; zjjn leeftijd,
door het grijzend haar en den gansch verbleekten knevelbaard
aangeduid, is geen voldoende reden voor die strakheid, vroolijke
oude krijgslieden zijn niet zeldzaam, en aan zijn slinkerzjjde zit
er een die hem op dat punt een lesje kan geven. Of bewijzen
de rimpels op Van Halen\'s voorhoofd, „de droefkreukels" om
zijn mond, bewijzen zij inderdaad dat eenig heimelijk leed, eenige
diepe krenking zijn gemoed doorvlijmd en verbitterd heeft? Als
hij sprak, hij zou het u zeggen; maar bij het stroeve zwijgen,
dat hij thans bewaart, hebben wij slechts oog voor Coen van
Steenwyck, een hopman van het voetvolk, die met hem klinkt,
die bij zjjn zilverwit haar een vroolijk oog en een frissche, blo-
zende gelaatskleur voegt, zoo pleizierig om aan te zien, dat een
kordaat vijand zelf zich zulk een tegenstander zou wenschen.
Ken kordaat vijand, zeg ik, want wie Hauwheid of zwakheid in
Van Steenwyck verwacht, omdat zijn uiterlijk van zooveel goed-
rondheid getuigt, hij zou zich deerljjk vergissen. Hopman Wyns-
berghe, die naar dezen toetreedt en hem de hand reikt, schjjnt
hem in opgewektheid te evenaren, terwijl hjj hem in forschheid
-ocr page 14-
i
van leden, in kloekheid van gestuite overtreft. Hij is ook zjjn
jongere en in de volle kracht des levens: zjjn helder bruin oog
en het donker krullend haar, dat in kroeslokkcn op zjjn breed
been ij; voorhoofd dartelt, de dikke roode lippen van den groot en,
gullen mond, alles drukt levenslust uit, zinnelijkheid, kracht!
Tegenover dezen .. . maar naar de luitenants en cornettcn, welke
aan de andere zjjde der tent de ruimte vullen, doen vvjj geen
nader onderzoek, daar een drv officieren Marcel is liacx heeft
genoemd en vvjj ons haasten alle opmerkzaamheid te geven aan
een van dat „ontzaglijk driemanschap Van Haexen, gaadloos
groot", .(mi fabelachtig stout." die, benijdenswaardig voorrecht
der poëzie, met deze weinige woorden treffender geschilderd is
dan de uitvoerigste proza het vermag. Immers, even gedwee als
de overige krijgslieden in de tent voor dezen ruiterofticier jjlings
naar den achtergrond wijken, even gereedelijk luisteren wjj eens-
klaps naar het gesprek, dat den bevelliehber geldt, wien de eerc
ie toegedacht zulke mannen aan te voeren.
„Verschoon me, ritmeester 1" spreekt hopman Wynsberghe,
zich tot Van Halen wendende: „al houdt gjj u nog zoo onnoozel,
gjj kunt mi) niet wjjs maken, dat gij zelf en ritmeester Marcelis
Bacx herwaarts zoudt zjjn gekomen om u te stellen onder het
commando van een mindere in rang, van een jongere in jaren,
zoo gjjlieden niet volkomenljjk waart ingelicht omtrent het doel
van den krijgstodit."
„Wat mij belangt," herneemt Godart van Balen, niet zonder
bitterheid: wat voorspelden wij u, als de man zjjn mond zou
opendoen \'f - „ik ben\'t gewend dat mijne jongeren en minderen
mij voorgaan; de Meeren Staten zien op blonde hoofden en fris-
sche krachten, en... zij hehben misschien geen ongelijk. Als
men mijne grauwt? haren heeft, ziet men sommige zaken wat
somber in.... Ik mag het loven, dat men het nog de moeite
waard acht een weinig met mjjne ervaring te willen . .. rekenen,
zeg ik niet, want dan zou er mogelijk veel gelaten worden wat
nu gebeurt, maar toch dat zij er van gediend blieven ten dage
dat het hun past.... Kn wat ritmeester Bacx aangaat.. .."
„Die zal voor zich zelven spreken," valt deze in, „en dan moet
hij allereerst zeggen, hopman Wynsberghe! dat ik den Gouver-
neur van Breda erken voor mijn meerdere in rang. Al is \'t dat
hij kapitein bij het voetvolk heet, staat hij niet door de daad
van zjjn eigen wil en macht aan het hoofd van een half vaan
ruiters, waarvan hij meer is dan ritmeester, waarover hij beveelt
en beschikt, zooals men beveelt en beschikt over eene eigene
schepping:\'.. ."
„Ja! zoo ver heeft hij het gebracht... de Heeren Staten heb-
ben hem commissie verleend eene compagnie ruiters op te rich-
-ocr page 15-
;.
ten. In trouwe! als ieder particulier kapitein, dat doen mocht,
/ouden er nog vrij wat meer disordrea en abui/en ontstaan dan
er nu reeds heerschende zijn," merkt Van Balen aan.
„Ik zeg daar niets tegen." meent Bacx, .ik zeg alleen, dat de
gouverneur eener vesting, zoo belangrijk als die van Breda, wel
het recht mag hebben extra-ordinaire maatregelen te nemen in
tijden als deze, en, om weder op mijn propoost te komen, wat
zijn leeftjjd belangt.....Hérangière is zoo heel jong niet meer.
Ik schat hem nu zoo wat om en bij de veertig...."
.Dan moet hij op zijn vijf en dertigste jaar gouverneur van
Breda zjju geworden!" roept (\'oen van Steenwvck niet gulle ver-
bazing uit, .want Breda werd eerst voor vijf jaren Staatsch; zulk
een eer weervaart iedereen niet."
„Neen, daar hebt gij gelijk in; men moet Charles Hérangière
zijn, om zulke fortuin te maken!" gromt Van Malen, en er klinkt
afgunst uit den toon.
„Precies, men moet Charles Hérangière zijn om te doen wat
hij gedaan heeft," hervat Bacx: .en voorwaar, sinds hij het is
geweest, die Breda aan den Prins heeft teruggegeven, die Breda
Staatsch heeft gemaakt, om niet hopman Steenwvck te spreken,
zal niemand ontkennen, dat hjj de naaste was om te beheeren
en te bewaren, wat hij zoo stouteljjk had gewonnen."
„De verrassing van Breda is zoo\'n singulier hehlenfeit niet!"
werpt de nurksche Van Balen hein tegen.
„Ik ben het met u eens, «laar steekt zooveel bravoure niet in
voor een edelman en krijgsman, om zich niet de zijnen onder
lagen turf te versteken, en zich dus te laten binnensluiken in
ecne vesting door geweld niet licht te winnen," stemt Mareelia
Bacx hem schijnbaar toe.
.Maar \'t is de uitkomst, «He den gelukten aanslag als een
miraculeus hehlengewrocht heeft gestempeld,\'1 valt Van Stcen-
wyck in.
„Alleen, men moet het geduld, de wilskracht en de huigzaam-
heid van geest hebben, die Héraugière heeft getoond, om zulke
uitkomsten te verkrijgen," besluit Bacx: „en, mijne heeren! ver-
geet het niet, zoo haast het rapier uit de schcode mocht, is hjj
niet traag geweest om dat te trekken, eu niet Hauw gebleken in
het te hanteeren, of weet iemand uwer het anders?"
Aller zwijgen blijkt voor toestemming te gelden: Van Balen
zelfs spreekt niet tegen, maar herneemt: „Ik stem toe, dat het
bewaren van de veroverde veste vrij wat meer beteekeut, en
hierin heeft Hérangière zich inderdaad verdienstelijk gemaakt."
„Maar aan die verdienste heeft de advocaat van Holland toch
ook zijn deel," meent Coen van Steenwvck.
„Vindt gel"" vraagt Van Balen met een dubbelzinnig, ironiesch
-ocr page 16-
6
lachje.... „Het is waar, do Heeren Staten heblien dus geoor-
deeld, toen zij Barneveld eene eompetasse vereerden van zes-
honderd galden waarde, naar aanleiding van „de vlijt, die hjj
gedaan had tot liet veroveren en \'t behouden van het kasteel en
de stad Breda"; maar ik heb mij nooit recht kunnen begrijpen
waarin die vlijt eigenlijk heeft bestaan.1\'
«Luister, heer ritmeester!" spreekt Bacx met wat forsehheid.
«(Jij moet de groote kwaliteiten van onzen eersten en wakkersten
staatsman niet miskennen, om den bitteren nasmaak van eene
particuliere grieve. Ik weet, dat gij er eene tegen Barneveld hebt,
als ik zelf, — ook mjju broeder, en meerderen onder ons, die
als krjjgslieden zjjn gewikkeld geweest in een strijd van plichten,
tijdens do jammerlijke disputen, die er gerezen waren tusschcn
den voormaligen (iouverneuMleneraal en de Staten, — /ij zou-
den, zoo ze het verledene wilden oprakelen, stoffo vinden tot
klachten en misnoegen tegen de Staten van Holland en hun leids-
man, maar wat waarheid is moet gezegd worden, en niemand
onzer, die iets van den oorlog weet, allerminst een krijgsoverste
van uwe bekwaamheid en scherp inzicht, kan het ontgaan zjjn,
in welken desperaten toestand het kasteel en de stad Breda zich
bevonden na de verovering, en hoe groote vreeze er bestond,
dat Parma ons niet zoude laten in het rustig bezit dier belang-
rjjke veste! En nu, wie was de eerste, die toen, even rap van
daad als ras van besluit, met provisie en ammunitie te schoep
naar Dordrecht kwam, om Breda van al het noodige te voorzien \'t
Wie was hot, die op alles ordre hielp stollen, mot do meeste
dexteriteit raad schattende waar anderen geen raad wisten, zich
zelven als vermenigvuldigende, een levende bevestiging van zijn
woord: „Breda in handen hebbende, moet men Breda trachten
te houden!" Wie dan de advocaat? Alzoo nu Broda gehouden
is, — Héraugièro zelf zal do eerste zjjn het te erkennen, komt
niet slechts den krijgsman, maar ook den staatsman, komt Bar-
neveld mede daarvan lof on dank toe."
„Zoo Héraugièro met dien lof niet instemde, zou \'t ook wol
ondankbaar zijn, want ik heb hooren zeggen, dat het de Advo-
caat is geweest die hem aan don Prins heeft voorgesteld en aan-
bevolen als den geschikten man voor den aanslag op Breda,"
merkt (\'oen van Steenwyck op.
„Dat is de waarheid!" antwoord Bacx; ik weet hot door Hé-
raugière /elf; een nieuw bewijs, dat de Advocaat den rechten
man op de rechte plaats weet te zetten."
„En dat tevens bewijs levert voor \'t geen mij onbegrijpelijk is,
dat Héraugièro, na al het vroeger gebeurde, niet slechts zijn
pais had weten te maken met den Advocaat, maar zelfs in groote
gunst was geraakt, voegde Van Balen er bij.
-ocr page 17-
7
.Maar wat was er dan met Héraugière voorgevallen, heer rit-
meester?" vraagt een der jonge cornetten op den toon der ver-
wondering.
„Niets wat hem in mijn gevoelen tot oneere strekt," besliste Baox.
„Noch in het mjjne," stemde Godart van Balen in. „Luistert,
jonkers! ik zal de laatste zijn, om officieren kwalijk te stemmen
tegen hun opperhoofd; ik zelf zal het mijne, schoon het grijst,
en ik zijn vader kon zijn, voor Héraugière buigen, als mijn
schuldige plicht is. Maar ik kan niet Ijjdcljjk aanzien, dat er
onrecht geschiedt, dat er met tweeërlei maat wordt gemeten. En
dit laatste moet gebeurd zijn ten bate van Héraugière, tjjdens
het groote treurspel te Leiden..."
„Gij bedoelt het proces van Cosmo I\'escarengis en de andere
Leidsche eedgenooten, toen graaf Lyeester bewind voerde," valt
Wynsberghe in; „nu, die geschiedenis kennen wij allen. Het
is immers notoir, dat Héraugière, die te Delft lag met zijn com-
pagnie Walen, patent zoude krijgen om naar Leiden te trekken,
en het schijnt dat hij er in toegestemd heeft op die wijze tot
de beraamde verandering van zaken mee te werken."
Hoe Bacx met levendigheid het woord neemt! „Iets wat men
toch waarljjk zoo vreemd niet mag vinden," zegt hij ; „ook Hérau-
gière was een dier dappere verdedigers van Sluis, welke veron-
geljjkt en belasterd werden, zoodra die stad, bij gebrek aan
krachtdadig secours, weer aan den Spanjaard verviel. De graaf
van Leycester had voor \'t minst de billijkheid, dezen de hand
boven \'t hoofd te houden; zijne partij te steunen was destijds
geene misdaad. Mijn oudste broeder heeft zich bijkans in een
gelijk geval bevonden te Muiden, dat hij moest handhaven tegen
Amsterdamschen invloed."
„Heel goed; maar gij zult injj toestemmen, dat hij het plan
der saam gezworen en kennende en daarover het stilzwijgen be-
warende, mag gerekend worden behoord te hebben tot hen, die
van het doel wisten, al mag hij niet feitelijk onder de mede-
plichtigen worden geteld," hervat Van Balen.
„Daar is niemand die het tegendeel zal beweren... Het is
bekend dat de naam van Héraugière voorkomt in elk der von-
nissen."
„Welnu! zoo vrage ik, waarom werd hij alleen niet begrepen
in de veroordeeling? maar integendeel gerekend met dezulken
waarop het pardon, dat men den 1\'rinee heeft laten uitvaardigen,
werd toegepast... Waarom, sinds geen der andere krijgslieden
is te redden geweest, noch door tusschenkomst van het Eminente
hoofd van den Staat, noch door het algemeen mededoogen, dat
voor enkele hunner was gaande gemaakt; waarom, zeg ik, is
Charles Héraugière gespaard gebleven, waar Cosino Pescarengis
-ocr page 18-
8
en de jonge De Maulde /onder verschooning zjjn geëxecuteerdP**
„Wel, dat spreekt vanzelf, de Advocaat heeft de handen ter
bescherming over hem uitgestrekt,11 valt Steenwyck in.
„Als men oordeelde naar uw spreken in deze kwade luim, rit-
meoster Van Halen! men zou zeggen, dat gij het Héraugière
misgunt, dat hij zjjn nobel hoofd nog op den tieren nek draagt,"
getuigt Haex glimlachend.
«Neen, God beware mij, dus is het niet gemeend: maar ik
vraag alleen: was het zjjne jeugd, die hein redde, waarom moest
dan De Maulde vallen, die niet ouder was dan hij P Verschoonde
men in hem den vreemdeling, verward in strjjd van plichten,
waarom vond dan ook (\'osmo I\'escarengis geen genadeI"*\'
„Gjj vraagt uit schalkheid, ritmeester Van Halen! schoon uw
scherp vernuft, uw schrander doorzicht al overlang liet antwoord
heeft gevonden. Gij kent, als ieder onzer, de zienswijze van den
Advocaat op het poinct van de auctoriteit. Kr diende een exem-
pel gesteld te worden om die vast te zetten. Al had de Gouverneur-
Generaal zelf zich aan zijne voeten gekromd, de burgerlijke
staatsman zou den Prins hier niet te wille zjjn geweest: (\'osmo
Hesearengis woest vallen. Kn nu De Maulde.... ook ik heb hem
gekend, eene verwoeste jeugd /onder toekomst: in waarheid er
is niet veel aan hem verloren! Meer bloeds te vergieten dan vol-
strekt noodig was, strookte niet met wijze staatkunde: maar de
Advocaat, schrander mensehenkenner als hij is, moet reeds toen
in den jongen kapitein der Walen, dien hij spaarde, hoedanighe-
den hebben opgemerkt, welke later voor ons allen aan *t licht zijn
gekomen. Deze jeugd beloofde een grootsch manuenloven: dit
karakter waarborgde herstel van eene korte doling door krachtige
daden. Als des Advocaats blik in dien knop reeds de rijke vrucht
zag, zou het staatswjjsheid zijn geweest dien af te breken vóór
hij zich ontplooide\'-. .. Wat wekt hier uw lachtlust, hopman Wyns-
bergho ■\'" valt Haex zich zelven in de rede, dozen^aanziendo.
«Wat zal ik u zeggen, ritmeester!" antwoordt Wynsherghe
goed rond, „uw spreken en dat van ritmeester Van Halen doet
111 jj denken aan twee advocaten, die het pro en contra pleiten.. .\'*
.Misschien hebt gjj geen ongelijk," herneemt Haex even glim-
lachonde; „ik erken, dat ik liever met het rapier voor de goede
zaak vecht en dat zulks mij ook heter afgaat, dan hot redetwisten
over netelige kwestiën : slechts acht ik hem een armhartig sol-
daat, die niet, als de nood aan den man is, zijn woord weet te
spreken in de zaak van een vriend of een wapenbroeder, in zijne
absentie suspect gemaakt."
„Suspect gemaakt, ritmeester Haex!" roept Godart van Halen
met gevoeligheid ; „dat is eene zware aantijging uwerzijds : overleg
die wel en bedenk dat gij mij suspect zoudt maken door deze
-ocr page 19-
opvatting. Ik heb simpelijk mjjn gevoelen gezegd ovor \'t geen
niet onder een deksel is geschied en wat voor niemand onzer
een geheim kan zijn. Ik schat Héraugière op zijne waarde,
maar ik zie dat men op den weg is van overschatting, en ik
meen dat wjj, strijders in den vrjjhcidskamp, althans voor ons
zelven de vrijheid mogen gebruiken om in zulk geval te zeggen,
hoc wjj denken, zonder dat het ons als kvatongigheid aangc-
rekend worde."
„Veeleer zou ik het houden voor wat kwaad humeur," valt
Baex in, doch eensklaps hem de hand biedende, spreekt hij gul-
hartig: «Vuur vutten op een woord en van woordenstrijd tot
scherper uitdaging komen, is knapenbodrijf. die vlammen op de
occasie om hun onbeproefden moed te toonen; mannen als gij en
ik hebben zulke proeven niet te geven. (Jij weet het, ritmeester!
ik eer wat beters en gewichtigers in u dan uwe grauwe haren;
maar... het kon toch zijn, dat gij in consideratie van die en van
alles te zamen 11 gepasseerd gevocldef en u gekrenkt achttet,
daar een jonger man en die vrij wat korter in der Staten dienst
is... aan het hoofd der huidige expeditie zal staan!"
„Xeen, Bacx!" beweert Godart. „Wie zoo iets uitvindt, moet
het ook uitvoeren... In dezen volgc ik liefst. Wil\'s God met
eere! zou graaf Lodewjjk zeggen."
„K11 gij wildet ons diets maken, dat gjj niets meer van den
voorgenomen tucht weet dan wij overigen!" roept Wvnsberghe
la
88
chend ; „betrapt, ritmeester van Balen ! nu voor den dag er mee!"
„Ik gisse, maar kan missen, dus houde ik injjne vermoedens
voor mij: doch ritmeester Mareelis Bacx weet, moet weten, zou
ik zeggen; zonder dat zagen wij hem niet hier."
„Dat zeg ik nog nog niet." herneemt deze. „(iij weet, ik ben
altijd graag van de partij als er iets te doen valt. en dan zie ik zuo
nauw niet op de bijzaken: zoo ik weet. is het dat men vertrouwen
in mij gesteld heeft, en dat vertrouwen mag ik niet schenden.
Dat zult gjjlieden mij toegeven."
„Tot ons leedwezen moeten wij dat!" tuigt Wvnsberghe met
goedaardige berusting.
„Maar men mag eene gissing wagen," begint (\'oen van Steen-
wyck weer, „en mijne meening is. dat we Luikertand zullen
intrekken . . ."
„Doortrekken, zult gij zeker meenen," verbeterde Wvnsberghe,
„en dan zal het wel zijn, om in Luxemburg te vallen, den hertog
van Bouillon te genioet. . ."
„Mij dunkt, daarmee zouden wij graaf Philips van Nassau het
werk uit de hand nemen," oordeelt Steonwyck.
„Ongelukkiglijk kan deze het rechte werk niet doen... hij
kan zich niet met den hertog van Bouillon vereenigen tot samen-
-ocr page 20-
10
werking, zoolang de communicatie met het Luxemburgsehe be-
lemmerd is door den vijand, die de vestingen van de Maas in
bezit heeft," laat van Halen zich ontvallen.
„Nu, dan zou het wel liet beste zijn, den vijand zoo schieljjk
mogelijk deze vestingen te ontnemen," meent \\Vynsborghe.
„Een beleg in den winter gaat in den regel heel gauw!" spot
Baex.
„Mij dunkt toch, dat de l\'rins er nogal den slag van heeft om
vestingen te nemen ... en ik achtte dat ritmeester Bacx de laatste
zou zjjn om te twijfelen aan de reüssite eener expeditie, waarvan
hij zelf deel uitmaakt," herneemt de hopman, meer bits dan
vleiend.
„Wat de Prins in \'t hoofd kan hebben, weet ik niet, maar aan
de expeditie waarop gij doelt, mjjn waarde hopman ! neem ik geen
deel... om de goede reden, dat ik en mijn volk ter beschikking
zjjn gesteld van kapitein Héraugière, en dat ik niet oorbaar acht
diens plannen vooruit te loopen, al is het ook maar in gedachte."
„Steekt er kwaad in, de meening te uiten, dat een vast punt
in Luikerland te bezitten, van groot belang zou zijn voor het
goed succes van den oorlog inliet Luxemburgsehe?" vraagt Coen
van Steenwyck, wiens vrije zin wat gekrenkt blijft door het binden
der militaire fantaisie, „en in de onderstelling, dat Héraugière
de rechte man is om ons dat te helpen vatten?"
„Ganschelijk niet. Alleen ... als het nu eens zijn voornemen
was ons te verrassen niet de uitkomst ons bekend te maken met
den weg dien hij denkt te gaan, acht gij \'t dan lieusch, dat ieder
vooruit ingelicht wil zijn om hem na te rekenen?"
„Aha! als \'t eene verrassing moet zjjn, dan vraag ik niets,"
zegt "NVynsberghe lachend.
„Denkelijk zoo iets als de verrassing van Breda," lispelt Van
Balen aan zijn oor.
„Jonker Jasper, schenk mij geen wjjn meer," spreekt Bacx
opstaande; „mij dunkt, ik hoor wat gejoels onder \'t volk; ik ga
eens vernemen of de schildwacht, die op den uitkijk staat, ook
het Kredasch contingent ziet komen." En het gezelschap met
de hand groetende, verlaat hij de tent.
„Dan zullen wij overigen ons ook opmaken, don Commandant
te gemoet," besluiten de anderen, mede opstaande; maar Van
Balen, die Steenwyck bij den arm vat, houdt dezen terug, zeg-
gende: „Eilieve, merkt ge niet, dat Bacx ons ontloopen wil?
als wij de trompetten hooren steken, is het tjjds genoeg. Luister!
na al het gehoorde, houde ik mijne gissing voor de waarschijn-
lijkste; wij hebben voor \'t succes van den ottensieven oorlog,
waartoe Graaf Lodewijk geraden heeft, de vermaarde Steenen
Brug noodig, die communicatie geeft met de beide Maasoevers."
-ocr page 21-
11
Die brug ligt bjj de stad Hoey, in het Luiksche, meent gij P"
spreekt Steenwyek, hem vragend aanziende.
„Het Kasteel, het oude, sterke Lusthof van de Bisschoppen
van Luik, wordt onneembaar geacht," vervolgt Van Balen;
„maar... \'t is een kostelijke prooi, en ik onderstel, dat Hérau-
gière haar zal willen grijpen door list..."
„Dat zou een meesterstuk zjjn!" zegt Steenwyek levendig.
„Dat zal het ook zijn, a/s het gelukt... maar het itioet ge-
lukken ; want zoo niet... — weet dat ik, de oude Vos, gepro-
testeerd heb, — zoo niet..."
„Daar hoor ik de trompet stoken!" roopt Steenwyek op eens
uit, verschrikt zich van hem afwendende, zonder te luisteren.
„Wij hebben te lang gemard .. . Er diont haast bjj om de fout
goed te maken," stemt Van Balen toe, hem volgendo met snellen
en forschen stap, die wel bewijst, dat hij alleen uit scherts zich
den bijnaam van den ouden Vos laat aanleunen, en dat hij nog
al de kracht des lichaams en al de frisehheid van geest bezit
van den volrijpen leeftijd.
De officieren waren maar opgeschrikt door een loos alarm. Doch
de voorhoede van het Bredaschc volk bleek aangekomen; te ieder
stond kon de bevelhebber zelf volgen, en dus gewaarschuwd, be-
reidde men zich te zijner ontvangst voor.
Het krijgsvolk, reeds de rust moede en dat daarom even doel-
loos als ordeloos dooreenwoelde, — ruiters zich vermengende met
voetvolk, harquobusiers van het eene vaandel zich voegende bij
de lansknechten en musketiers van het andere, — het kleine leger
werd thans in allerijl tot den gewonen regel en orde teruggebracht.
Het voetvolk kwam onder de wapenen, de ruiterjj zat op. leder
rangschikte zich onder \'t vaandel waartoe hij behoorde. De luite-
nants, vaandrig» en eornetten stelden zich aan het hoofd hunner
compagniën, en welhaast zag men ter weerszijden van de uitge-
strekte heide als eene driedubbele hegge van metaal, gevormd
door speerruiters en hellebardiers, door musketters en lansque-
netten. Was het straks nutteloos voor ons naar de praatjes der
soldaten te luisteren, onverschillig kan het ons thans niet zijn, in
welke stemming deze schare haar aanvoerder opwachtte.
Vier verschillende vestingen, — met Breda ingesloten, Geertrui-
denberg, Heusdon, Bergen-op-Zoom, — haddon haar deel voet-
knechten en ruiterij aangevoerd. Om niet eene van deze te midden
van den oorlog al te zeer te ontblooton, was het aldus geschikt.
Er bevonden zich nu te zamen omstreeks acht vendelen voet-
volk en zeven eornetten ruiterij bijeen. Het spreekt wel van-
zelf dat onder die allen, vooral door de wijze waarop het
Staatsolie leger was samengesteld, zoomin diezelfde geest kon
heerschen als eenstemmigheid van denkwijze of éénheid van be-
-ocr page 22-
12
langen. Onzekerheid omtrent het doel van den krijgstocht,
onzekerheid vooral omtrent den persoon van den aanvoerder, had
velen onder hen, na menigte van ijdele gissingen, reeds uitingen
van morrend ongeduld doen wagen, totdat de ISredasche voor-
hoede was aangekomen, en het gerucht zich als met bliksemsnel-
beid verspreidde, dat de Gouverneur van Breda, dat kapitein
Héraugière, hun opperbevelhebber zou zijn. Die naam werd door
allen met blijdschap vernomen, met opgewondenheid alle rijen
door herhaald. De hoofdleider van het bekende stoute waagstuk
tot aanvoerder! meer had de fantasie der soldaten niet noodig
om zich de schitterendste voorstellingen te vormen van hetgeen
men te genioet ging; want op hoe verschillende wjjze ook uit-
gedrukt, daar bestond bij allen een zelfde verlangen naar de
gelegenheid om zich te onderscheiden door daden; een zelfde
zucht om door buitengewonen moed of krachtbetoon uittemun-
ten. Dier geestdrift ging het als menige andere; zij ontsproot bjj
allen juist niet uit het zuiverste beginsel, zjj was integendeel als
doorgaans vermengd met het alliage van veler helangzucht en
eigenbaat. Want de rijke belooningen, die er na de verrassing van
Breda aan alle deelgenooten van dat feit waren toegekend, had-
den den lust naar dcrgeljjkc on
24041737
dernemingen in vlam gezet, en men
zag in Héraugière boven allen het geschiktste voertuig om ander-
maal dergelijke uitkomsten te bereiken. Vandaar die bljjdsehap;
zij mogen ons niet bevreemden! Begeerte naar buit, vrij meer nog
dan naar eere, dreef de meerderheid aan tot kloeke daden en
stoute waaghalzerij; op onbaatzuchtige en edelmoedige zelfopoffe-
ring, ter wille des vaderlands, viel alleen bjj uitzondering te
rekenen. Hoe had het anders kunnen zijn? Wat hadden die Wa-
len, die Duitsehers, die Schotten, die Kngolschon, die zich voor
korter of langer tjjd hadden verhuurd om in het Staten-legerte
dienen, wat hadden die vreemdelingen eigenlijk te maken met
den Nederlandschen bevrndingskrgg? Hoe konden zjj een waar-
achtig belang stellen in de zaak, waarvoor zjj aangenomen hadden
het lijf te wagen \'t Zjj vochten dapper, dat is waar, zoolang hunne
soldij werd betaald of er buit voor hen viel te halen in vorgoe-
ding van deze; doch bij mangel van dien, verslapte; hun jjvcr
en viel er weinig meer te rekenen op hunne subordinatie, woi-
nig zelfs.... op hunne trouw! doch het kan onze intentie niet
zijn de aanwezigen te lasteren. Wjj boorden zelfs dat er zekere
keuze had plaats gevonden bjj het bestemmen van krijgsvolk voor
deze expeditie. Het is dus waarschijnlijk, «lat zooveel doenlijk de
vreemde en min betrouwbare elementen waren ter zjjde gescho-
ven. Echter mogen wij, do uitzonderingen hunne een? latende, niet
verzuimen te doen opmerken, dat de geest, waardoor over \'tal-
gemeen zelfs het ingeboren llollandsche krijgsvolk was bezield,
-ocr page 23-
13
geen hetere bleek dan dien wjj aanduidden. Kn het is toch met
zulke soldaten geweest, dat Maurits van Nassau die groote daden
heeft verrielit, welke de bewondering van zijne eeuw en van alle
verdere tijden hebhen weggedragen : onwederlegbaar bewijs hoe-
zeer de uitslag der krjjgskanson hing aan het hoofd en aan dap-
pere, welgoefende officieren, die liet geheim kenden de soldaten
onder tucht te honden en tot moed en volharding aan te vuren.
In latere n tjjd waren het de zeldzame begaafd heden van Maurits
en van Lodewijk Willem, het ordenend genie van dezen als van
Kenen, die aan geheel het krijgswezen in de Vereenigde Xeder-
lauden de hervormende hand legden en dit tot een trap van vol-
komenheid wisten te brengen, welke de veldtent van den Stadhou-
der in eene kweekschool van legerhoofden en kapiteinen voor
gansch Kuropa verkeerde.
Ken omweg dreigde ons te doen verdwalen, terwijl wjj alleen
hadden aan te wijzen, in welke stemming en met welke verwach-
tingen de komst van den aanvoerder werd te genioet gezien door
het krjjgsvolk en waarom aller verlangen zoo vuriglijk naar hem
uitging. Het zou weldra bevredigd worden.
I\'aardengetrappel deed zich hooren, van zeer nabij. De scliild-
vvachten, die, op den uitkijk, den hals rekten langs de heuvels,
riepen aan; eene korte, verplichte woordenwisseling met den
trompetter, die vooruitreed, duurde der menigte haast te lang;
daar deed v rooi ijk geschal zich hooren, en wie toekijken wilde,
hij kon zjjne oogon verlustigen aan een indrukwekkend schouwspel.
Ken vaandrig naast zich, kwam Héraugièro aanrijden, door een
vjjftigtal ruiters gevolgd; zijne eigene creaturen," zooals Baex
zich had uitgedrukt; volkje, dat zeker meer de schrik dan de
lust was der omstreken van Rreda, doch die, in de hand van
hun kapitein, even buigzame als behendige werktuigen bloken.
„Knappe kerels, op mijn eer!1\' prevelde een oude officier van
de Geertruidenbergsche voetkne< hten
„Dat zou ik meenen," werd hem geantwoord door een jong
musketier, die naast hem in \'t gelid stond, en met wien wij later
beter kennis hopen te maken ; voor het oogenblik volsta de opmer-
king, dat iiij inzjjn toon eene voldoening legde, of hij zelfdeelhadaan
de eer dier goedkeuring, „Wie geen hachje is, mocht niet meegaan."
Men ziet, het „silene* dan» lêê range" werd op dit tijdstip en
bij deze gelegenheid althans niet met groote stiptheid gehand-
haafd; er heerschte niet die ademlooze stilte, welke men ook
toenmaals bij eene gewone vvapenschouwing zou hebben geöiseht.
Integendeel, een gemurmel van goedkeuring, een uitroep van
welgevallen, eone luide bogroeting zolfs ter eere van het gevierde
opperhoofd, door sommige aangeheven, werd niet als overtre-
ding der militaire étiquette bestraft.
-ocr page 24-
14
.Hier schijnt moer op do kwaliteit gelet dan op de kwantiteit,"
hervatte de rot meester niet zonder bevreemding.
Inderdaad! Breda voerde slechts dit klein getal ruiters en
maar honderd man voetvolk aan, ten behoeve van een krijgstocht
waarbij de Gouverneur dier veste zelf het commando zou voeren;
maar, zooals de schrandere musketier met juistheid had opge-
merkt, hjj bracht eene keurbende met zich.
Dat was kennelijk voor allen, soldaten als officieren, die met
belangstellenden blik de komenden gadesloegen, en wier ver-
wondering over het klein getal welhaast veranderde in eene
goedkeuring, welke op aller gelaat te lezen stond, al werd zjj
niet lnide uitgesproken of\' slechts door een korte aanmerking
kenbaar gemaakt.
Het voetvolk droeg de zware hellehaarden en pieken zoo be-
hendig en zoo luchtig na den langen marsen, — het zag er zoo
weinig vermoeid, veel minder ontdaan uit, het liep zoo ordelijk
en geregeld voort met tegelijk vasten en vroolijken tred, alsof
het maar eene wandeling om de vesting Breda hadde afgelegd.
Het kleine rot musketiers, dat het zware ongeschikte vuurwapen
van het tijdperk voerde, bewoog zich beide rap en handig; het
leed geen twjjfel dat het uit de beste scherpschutters van \'t ge-
heele garnizoen was samengesteld. Kn de ruiters, ze zaten in den
zadel of\' ze met de paarden saamgewassen waren; eene eenswil-
lendheid, die op de vurige krjjgsrossen niet kon verkregen zijn,
dan door overmacht van wilskracht en beleid.
„Hebt gjj wel gezien, dat er onder het voetvolk menigeen is,
die eene medaille draagt**" vroeg Wouter, de musketier, zijn
buurman; -dat beduidt dat ze „*•/• vevras.vmf hebben meegemaakt."
„Die is zuur genoeg gehaald! maar die ruiters, makker! in
mijn leven zag ik hun weerga niet!"
„Kn hun aanvoerder?"
„Geen ijzervreter, daar is hjj een te groot heer toe; toch zou
hjj, als het er op aankwam, den baren duivel staan, dunkt me.
Wat forsehheid van Ijjf en leden aangaat, valt er geen stoffen;
maar flink en fier ...."
„Och! grove schonken doen \'t hem niet, Louw! het komt op
het harte aan. Kn dat hjj hart heeft, ik weet het. Ik heb met
hem tot Sluis gediend; en Sluis, als \'t aan hem en zijn Walen
had gestaan, Sluis zou nog ons wezen."
De rotmeester gaf vrjjwet den indruk weer, dien Charles Hó*
raugière moest maken op ieder die hem zag, zooals hij daar
kwam aanrijden op zijn kloek, zwart strjjdros, fier en vast in
den zadel gezeten, in volle wapenrusting, de slanke leden in
staal gepantserd, den rijzigen hals meer gesierd dan beschut door
den blinkenden ringkraag, de oranjesjerp van geweven zijde schuins
-ocr page 25-
IS
over de borst, het rapier in de hand en den gepluïmden storm-
hoed op. Een edel hoofd, met gitzwarte oogen, die schitterden
van stout- en schranderheid, kon Karel Héraugière, in den bloei
van mannelijke kracht, door een dichter bij den krijgsgod Ares
vergeleken worden, zonder dat deze daardoor in vleier verkeerde.
Slechts denkt men zich den Griekschen oorlogsgod gewoonljjk
forscher van bouw, breeder geschouderd, sterker gespierd, meer
als het ideaal eens beeldhouwers, dien kloeke vormen de liefste
zijn; terwijl onze held den krijgsman vertegenwoordigde uit den
nieuweren tijd, in welken persoonljjke kracht wel nog altijd vol-
harding waarborgt, maar niet langer het zwaarste gewicht werpt
in de weegschaal der krijgskansen; waarin fijn overleg en slim
beleid, waarin berekening en behendigheid den bevelhebber de
overwinning beter verzekeren dan kolossale gestalte of ruwe kracht.
Al miste Héraugière die laatste eigenschappen, de andere ont-
braken hein zeker niet; dat was, behalve in zijne levendige oogen
en fijne trekken, op zijn hoog gewelfd voorhoofd te lezen.
Hij was de man van vernuft en verbeelding, die zelf van geest-
drift gloeien kon en anderen tot daden van moed ontvonken, —
wien het noch aan vastheid van wil, noch aan taai geduld ont-
brak, om door te zetten wat zijn groote geest had uitgedacht...
die hinderpalen wist om te springen, die ze bovenal handig uit
den weg wist te ruimen, maar ook wellicht dooi- de eigenaardigheid
van zjjn gestel, iets miste van die koelheid van karakter, welke
zich door tegenspoed laat versagen noch verzetten. Het was niet
zeker, bijvoorbeeld, dat hjj eene ontnuchtering dragen kon van
eene opgevatte hoop; er viel aan te twijfelen, of hij met volkomen
lijdzaamheid teleurstellingen zoude ondergaan; maar welke held
heeft niet ergens zijn Achillespees? Xaar het uiterlijke scheen
Héraugière wat hij was, de type van den Fransehen edelman
van zjjn tijd; hij geleek weinig op den koenen rustigen burger-
hopman, zooals Van der Helst ons dien voorstelt, zooals hopman
Wynsberghe ons dezen doet aanschouwen. Hjj was dan ook niet
uit Hollandsen bloed gesproten, al had hij zich door vrije keuze,
door godsdienst, door positie en zelfs door vermaagschapping,
sedert lang met Hollandsehe zeden en Hollandsche belangen ge-
noeg vereenzelvigd, om de hatelijke scheldnamen „vreemdeling",
., Vlaming", enz. te ontgaan, welke in de Vereenigde Provinciën
zoo veelbeteekenend waren. Hij sprak de taal van zijn aange-
nomcn vaderland; ja, bij had zich eene gade gekozen uit echt
Hollandsen bloed. Op de wallen van Sluis had hij met Heer
Arent van GroenereUI, den bevelhebber dier vesting, een vriend-
schapsband gesloten, welke welhaast bij smartelijke lotsgemeen-
sehap, nog nauwer werd toegehaald. En toen beiden zich later
in eer en rang zagen gehandhaafd, toen Héraugière tot Gouver-
-ocr page 26-
[6
neur van Breda was aangesteld, toen werd jonkvrouwe Maria
van Oroenoveld. Heer Arent\'s zuster, de gemalin des dapperen;
de liefeljjkste gave voorwaar, die het vaderland zijner keuze hem
kon aanbrengen, en eene oorzaak te meer om hem, ondanks zijn
Fransen uiterlijk, van heeler harte, als men toen zeide, te „ver-
duitschen".
Ieder begrjjpt intussohen, dat hij niet naar het einde onzer
uitweiding over zijn persoon heeft gewacht om verder te rijden
langs de jjzeren heggen der gewapende» heen, alsof hjj haast
had zich in ditzelfde oogenblik te vergewissen van hun voor-
komen en hunne sterkte. Do beide ritmeesters hieven daarbij
aan zijne zijde. Gezamenlijk met de hoplieden Wynsberghe en
Steenwyck, waren zij hem te gemoet gegaan.
„Zelf meegekomen uit Hcusden met uw Duitsche ruiters, rit-
meester van Balen!** had lijj gezegd, zich met hoffelijkheid tot
dezen wendende; „ziedaar eene goedwilligheid uwerzijds, die ik
op den rechten prjjs schat, en waarvoor ik u dankbaar ben..."
„Het is aan mjj, kapitein Héraugière! u dank te zegden, dat
gij het met den dienst van den „ouden man" voor lief wilt
nemen, schoon deze zich achter de vostingrnuren zou hebben
verkniesd, wetende dat anderen te velde trokken."
Wie zich zelf oud noemt, is het niet!" antwoordde Héraugière
glimlachend over Van Balen\'s opzet, zich afgeleefd voor te stellen;
.„wie, die u te paard ziet zitten, zal \'t gelooven ?" Toen naar
Bacx gekeerd en dezen de hand reikend : „Op u had ik gerekend!
al vreesde ik, dat de Gouverneur van Bergen-op-Zoom u niet willig
zou afstaan!"
„Mijn bloeder Paul is altjjd gelukkig, als hij op eenige wijze
met kapitein Héraugière kan samenwerken tot oorbaar van den
lande," antwoordde Bacx. „Had hij zijn lust gevolgd, en niet zijn
plicht, hjj zou zelf hier zjjn."
„Wees gedankt voor het woord! maar de daad zou eene on-
voorzichtighoid zijn geweest; wie waarborgde ons Bergen-op-Zoom
in uw beider absentie".- Doch, mijne Heeren! ik zie dat gij het
volk te mjjner ontvangst onder de wapenen hebt doen komen;
dat was ontioodig. ..."
„Den aanvoerder de eer die hem toekomt," sprak Bacx.
„Maar noodiger is het, dat de soldaat rust honde na een ver-
moeiendeii tocht. Hoe meer hjj het ziet, dat wij zijne krachten
■niet ijdelijk verspillen, hoe gewilliger hij ze gebruiken zal in onzen
dienst als de nood het eischt."
Overeenkomstig die uitspraak besloot Héraugière, met voorbij-
zien van eigen vermoeienis, het volk, dat nu toch onder de wa-
penen was, onverwijld iu oogenschouw te nemen, opdat het zich
daarna nog wat ververst-hen mocht voor den aftocht. Hij doorliep
-ocr page 27-
17
de rijen in oogensehjjnljjke haast, maar niet zonder zijn snellen
en scherpen blik te duen gaan over alles en over allen, l\'it de
enkele woorden die men hem hoorde wisselen met de hoplieden
en cornetten, begrepen de soldaten zelve, dat hij zich hunne be-
langen aantrok als zjjne eigene.
Ten laatste afgestegen, niet een hartelijk woord aan hoplieden
en ritmeesters voor hunne opkomst met zoo voltallige vanen, in
zoo volkomen orde, nam hij de uitnoodiging aan om hunne tent
binnen te treden.
„Van ganscher harte," sprak hij, zijne hand leggende op den
forschen arm van Marcelis Baex, „maar reken er niet op dat we
hier tabernakelen zullen bouwen: ik meen met het vallen van
den avond verder te trekken. Het zal een zware nachtmarsch zijn,
mjjne heeren! bereidt er uwe manschappen op. En nu, laat ik u
even mijne officieren mogen voorstellen: Jan J\'aets, mjjn ouden
luitenant, behoef ik dit nauwelijks te doen; hij is den meesten
uwer bekend; de beide andoren zijn Franoois Ie Xoir, mijn laud-
genoot en cornet mjjner ruiter-compagnie, en Frank de Prevs,
vaandrig der voetkneehten, van wien wij goede diensten wach-
ten, daar hij zijn eerste wapenfeit tegen gaat.\'*
Xa deze voorstelling begaf Héraugière zich, door Jfacx en Van
Halen geleid en door de andere officieren gevolgd, naar hunne
vcldtent. waar ze hem aanboden wat ze te geven hadden, en in
welke, zooals we reeds opmerkten, goede wijn niet ontbrak. Kr
werd hartig gedronken, er werden toasten ingesteld op het goed
geluk van de onderneming, op de onderlinge harmonie tusschen
de officieren en niet het minst op het welzijn van Prinoe Mouringh
en den voorspoed zijner wapenen.
(todart van Balen schudde bij dien dronk het grijze hoofd;
„voorspoed van vedelen!\'\' mompelde hij, zinspelende op de ver-
makelijkheden, welke Zijne Doorluchtigheid niet een aanzienlijk
getal voorname heeren en hoofdofficieren op het slot te Buren
bijwoonde, waar het huwelijk zijner oudste zuster, Prinses Maria,
met den graaf van Hohenlo eindelijk voltrokken werd.
„Waren wij beiden niet gehjjlikt, ritmeester! ik zou zeggen dat
die bruiloft te ongelegener ure wordt gehouden," stemde Héraugière
toe, de wenkbrauwen fronsende. „Een paar dagen feesthoudens
mocht aangaan, maar...."
„Eene verbintenis daar heel het land van gewaagt, eischt
op zjjn minst acht dagen Tieren»t" viel Van Balen hoofdschud-
dende in.
Héraugière bracht de hand aan het voorhoofd en zweeg een
oogenblik, of hij in gedachte iets narekende; daarop sprak hij
met eene gewisheid, waarover hjj zelf glimlachte; „Acht dagen
zal de Prins het op Buren niet uithouden, daar ben ik zeker van."
De Verrniaing van lloey.
-ocr page 28-
18
„Ei, waarom zou een jonkheer als de Prins, na zooveel gedaan
te hebben voor de goede zaak, zich niet eens mogen uitspau-
nen!" vroeg hopman Wynsberghe goelijk; „wat kwaads steekt
daarin P"
„Geen, volstrekt geen," hernam Héraugière wat kort, „ik ben
de laatste om den Prins eenige vreugd te misgunnen, al gunne
ik hem liever glorie; maar voor mij, ik heb altjjd een gevoel of
er niets is afgedaan, zoolang niet alles werd volbracht. Cornet Ie
Noir!" en hij wendde zich tot den Franschman in zijne landstaal:
„gij zijt altijd zóó matig, gij zult het uwe hebben van dit festijn;
eilieve, ga eens omzien naar onze ruiteren; ze vallen wat twistziek
na een dronk; zorg ze in tucht te houden."
Een Krancois Ie >\'oir, ondanks zijne afkomst uit de vrooljjko
Francoysen, een strak, stug personage, die geen woord gesproken en
nauwelijks een beker geledigd had, verwijderde zich zwijgend
gehoorzamend.
„Uw cornet is singulier matig en even karig met zijn woorden,"
merkte Wynsberghe op.
„Wat zal ik u zeggen \'t hij is uit de school der oude Hugenooten;
zijne leerjaren bracht hij onder Coligny door."
„Dan zal hij zeker beter vechten dan drinken!" zei Wynsberghe
lachend; „alleen gelief mij nog eene inlichting te geven, kapitein!"
„ Wat verlangt ge te weten, hopman \'t"
„Wie toch dat kleine roodharige ventje mag zijn in burger-
kleedij, daar in dien hoek gezeten, die zooeven met uw luitenant
is binnengekomen, en zich zoo stoutelijk bjj de officieren heeft
gevoegd, ja zich gedraagt of hij volkomen recht heeft op die eerei"\'
Héraugière glimlachte, terwijl hij antwoordde: „Pas maar op,"
dat gij hem niet boos maakt, en dat hjj het niet in zijn hoofd
krjjgt om heen te gaan. Hjj valt wat kregel en kitteloorig van
aard; en uit vreeze, dat hjj om de eene of andere opvatting mij
ter kwader uur mocht verlaten, doe ik mijn best om hem goed
te onthalen en zijne luimen in te willigen. Sedert jaren woont
hij te Breda, gehuisvest bij mijn sergeant-majoor, en eet aan
mijne tafel, zoo vaak hij zulks verkiest; want dikmaals is hij
maanden afwezend. Als hij dan terugkeert, ontvang ik hem met
blijdschap en zonder verwjjten, die hij toch niet zou kunnen dragen."
.Wie zou gedacht hebben, dat zulk een nietig simpel per-
soontje zoo belangrijk kou zijn in de oogen van een krijgsoverste
als Héraugière!\'" sprak de hopman niet slechts spotachtig, maar
zelfs wat ongeloovig.
„Dat zal ik u met één woord zeggen: ik wacht belangrjjke
diensten van hem bij onze onderneming. En geloof mij, in dat
kleine rosharige, door u voor simpel gehouden manneke, steekt
ongemeene geestkracht; als het op moed en lijfelijke geoefendhoid
-ocr page 29-
ia
aankomt, wijkt hij voor den klockstc en sterkste niet. Hij kan
rennen als een friesehe harddraver. In kwestieuse gevallen, waar
geen ander te gebruiken is, strekt hij mij tot courier en bode.
Hjj kan klimmen als een eekhoorntje, en als men hem opsluit,
weet hjj te ontsnappen als een kat. Die kleine lichtblauwe oogen
hebben een valkenbtik: een fijner en vlugger spie is me nog nooit
voorgekomen; gij begrijpt dus van hoe grootc waarde hjj mij
zijn moet."
„En hoe heet deze onmin homo, kapitein 1"\'
„Slechtweg Rosse Jan!" gaf Héraugière ten antwoord.
„Kosse Jan van Luik!" verbeterde eene schrille, scherpe stem
aan de andere zijde van de tent.
Het was de persoon in kwestie zelf, die deze critiek oefende.
Uit zijn hoek had hij met de gadelooze scherpzinnigheid, door
Héraugière geprezen, opgemerkt, dat er over hem gesproken werd.
Hoewel deze zijn naam maar halfluid had genoemd, zich tot
Wynsberghe wendende, bleek Rosse Jan eene omissie te hebben
geraden, die hem ergerde. Héraugière, op zijne beurt ontevreden
over die vrjjpostigheid, kleurde sterk en fronste andermaal de
wenkbrauwen.
„Het zal den heeren hier wel onverschillig zijn waar gij ge-
boren zijt, meester Jan!" sprak hij straf.
„Ik dacht niet, dat het « onverschillig was, kapitein!" hernam
het roodharige dwergje stoutweg.
„Dat is het mij ook niet," stemde Héraugière toe op ver-
zachtenden toon; „slechts achtte ik het geen tijd daarvoor uit te
komen."
„Het is toch wel tijd om een begin te maken met hetgeen
waartoe ik hier ben, kapitein !" hernam het mannetje met zekeren
nadruk; ik zit al ongeduldig een wenk te wachten, om met uw
luitenant heen te gaan. Geloof mij, kapitein! ieder uur is er een;
we kunnen tegenspoed hebben op weg."
^Ventre Saint-frris!" hoorde men Héraugière mompelen, doch
zich bedwingende, zeidc hij bedaard: „Langzaam haasten is mijn
minste zwak," en liet er toen, even de schouders ophalend, op
volgen: „maar gjj kunt gelijk hebben, al viel de wenk besehei-
dener te geven. Luitenant Paets! help gij den doordrijver ons
volkje aansporen, dat het ten afrit gereed zij, maar laat niemand
zijns weegs gaan, zelfs Kosse Jan roti Luik niet, voor ik er order
toe geve." Héraugière had nog niet uitgesproken, of Rosse Jan
was al buiten de tent, onverwijld gevolgd door luitenant l\'aots,
die zeker de intentie van dit bevel goed had verstaan. Vaandrig
de Preys stond ook op.
„Bljjft hier, Krank! ik heb u nog iets to zeggen," voegdo
Héraugière hem toe op half gebiedenden, half gomeenzamen toon;
-ocr page 30-
20
en de vaandrig bleef, schoon het zichtbaar wat, dat zijn jeugdige
drift zich maar noode tot wachten schikte.
„ Mijne heeren!" sprak Hcraugière, opstaande en met plechtigen
ernst, .laat staan den beker ik wensch krijgsraad te beleggen."
Die wensch was een bevel, en zwijgend stonden de officieren
om de tafel geschaard.
„Mijne hoeren! als kapitein-generaal heeft de Prins mij voor
dezen krjjgstoeht tot uw bevelhebber benoemd. Ik zeg niet dat
ik liet waardig ben 0111 over mannen als gij zijt te gebieden;
maar daar er een hoofd moet wezen, en het beleid van deze
onderneming mij is toevertrouwd, moet ik zeker zijn van uwe
eenswillendheid en samenwerking. Zweert mij trouw en gehoor-
z aamheid."
De plechtige eed werd afgelegd.
„De eerste eiseh, dien ik u heb te doen," vervolgde Hérau-
gière, „is die van stilzwijgendheid en geheimhouding van\'t geen
ik ga mededeelen; ik mag ulieden niet langer onkundig laten
over het doel van dezen tocht, maar ik zou het uiterst schade-
lijk en gevaarlijk achten, indien uw volk te vroeg met mijn voor-
nemen bekend werd. Het is ondoenlijk om vijftienhonderd man,
als wjj sterk zijn, het stilzwijgen op te leggen, — \'t is even ondoen-
lijk om met dit geringe hoopje en zonder geschut, dat wij uit u
bekende oorzaken niet hebben kunnen meevoeren, een vijande-
lijken aanval te weerstaan en tegelijk ons doel te bereiken; —
nu zjju wij reeds niet meer op Staatsch grondgebied; dezen nacht
rukken wjj op naar \'t dorpje Diepenbeek, waar wij ons zullen
inlegeren, liet moet den soldaten onmogelijk zijn ons geheim daar
aan de boeren te verklappen, want die zijn meestendeels Koomsch-
en Spaanschgezind, en door de nabijheid van Hasselt, waar
Spaansch garnizoen ligt, zou de eerste huisman de beste ons
ten verrader kunnen worden. Intusschen, mijne heeren! het doel
waaa*op wjj afgaan, kan alleen door list worden bereikt; ik heb
dan ook slechts twintig man van mijne bende uitgekozen, om
wat ik heb bedacht te volvoeren. Aan dezen moest het geheim
van den tocht worden toevertrouwd; maar het zijn mannen waar-
van ik zeker ben, opzettelijk tot deze onderneming voorbereid;
gij vermoedt terecht, dat er onder loopen, die den aanslag op
Breda hebben medegemaakt. Mogen zij even gelukkig slagen in
de verrassing van \'t kasteel van Hoey!"
Héraugière zweeg en zag in \'t rond, om den indruk gade te
slaan, dien deze mededeeling op de aanwezigen maakte. Ieder
hunner kon bekend zijn met de belangrijkheid der sterkte, van
welke de Gouverneur van Breda zïeh meester wilde maken; ieder
hunner kon de voordeelen waardeeren, die het bezit er van zou
waarborgen.
-ocr page 31-
21
Een zucht van onvoldane nieuwsgierigheid, een gemurmel van
goedkeuring liet zich hooren.
„Kn wat valt er dan voor ons te doen?" vroeg Bacx, smarte-
lijk geprikkeld door de gedachte, dat zulk een waagstuk zoude
worden bestaan zonder hem.
„O! nog genoeg, wees daar gerust op, mijn waarde ritmeester,"
antwoordde Héraugière glimlachend. -Als de aanslag gelukt is,
zal het onze taak zijn de stad in bezit te nemen en het kasteel
te bewaren."
„Bewaren is een goed woord, commandant!" merkte Van Ba-
len op. terwijl de ironieke plooi om zijn mond scherp uitkwam.
«want wat zoo stout is gegrepen, dient voorwaar wel zorgelijk
bewaard."
„Welnu, daartoe zult gij met ons allen uw best doen, zoo ik
hope!" viel Héraugièrc in, met eenig ongeduld in deu toon.
„Voorzeker! als wij het kasteel maar eerst hebben!" riep
Wynsberghe.
.Juist," stemde Bacx mee in; .slechts deert het me, dat ik
niet van de partij mag zijn, om het te nemen."
.Ten onrechte," zei Héraugière. .Het is eeiie taak waarmee
ritmeester Bacx, zoomin als iemand onzer, zich mag heiasten..,."
„Kapitein Héraugièrc, gij zegt dit toch niet om den wille des
gevaars," borst Bacx in ijver uit.
„AVat dat belangt, ritmeester, neen! dat zou ik voor u noch
voor mjj zelven ontzien, maar luistert: deze twintig mannen heli-
ben een duren eed gezworen, dat zij deze daad volbrengen zul-
len, lijf noch vrijheid ontziende om daartoe te geraken; maar
ook dat zij, hij mislukking van hun opzet, hetgeen Ood verhoede!
zoo zij in de handen der Luikenaren mochten vallen, de daad
zullen voorstellen als een inval, uit hun eigen brein voortgekomen;
dat zjj pijniging en dood zullen verdragen, zonder te bekennen,
dat zij deze onderneming hebben gewaagd onder goedkeuring,
met medewerking, op bevel hunner opperhoofden. Oordeel zelf
of zulk eene taak u voegen zou! Of eenige soldaten, op eigene
gelegenheid, een brutalen overval of een listigen aanslag wagen
op neutraal gebied, dat zal den vrede tusscheii den Bisschop en
de Generaliteit niet storen; maar als het gelukt is en wij hebben
de stad en \'t kasteel in onze macht, dim .. ."
„Dan... zal toch iemand anders dan een hoopje stroopende
soldeniers de verantwoordelijkheid moeten dragen," viel (Jodart
van Balen in.
„Zoo zal het ook zijn; die verantwoordelijkheid drage ik!"
antwoordde Héraugière vast en tier.
„Met uw welnemen, commandant! ziedaar een last, dien ik u
niet benijde," betuigde Van Balen. „Considereer toch, (hit de
-ocr page 32-
■>■>
Staten-Gcneraal in vollen vrede zjjn met den Prins-Bisschop van
Luik en Keulen; dat deze zjjn bisdom neutraal terrein heeft
verklaard, en . .."
„Kn dat des ondanks do eerste kwetsing van die neutraliteit
niet geschieden zal door onzen aanslag op \'t kasteel van Hoey,"
viel Héraugière met levendigheid in, terwjjl hjj hem een scherp
verwijtenden blik toewierp. „Als ge er ons aan herinnert, dat
Ernst van Begeren Aartsbisschop van Keulen is... gedenk op
uwe beurt, hoe hij het wierd en wat er in zijn Staat voorvalt.
Vervolgt hij niet allen, die de l\'rotestantsehe religie zijn toege-
daanf en heeft hij Kynberck door de Spaanschen niet laten in-
nemen en behouden zonder verzet!\'"
„Dus bezien zou het niet meer dan wetteljjke represaille zijn,
zoo wij ons van Hoey meester maakten," hernam Van Kalen
toeschietelijk. De slimme vos had reeds opgemerkt, dat de fiere
leeuw twijfel noch tegenspraak dulden kon.
„Zoo komt het mjj ten minste voor," voegde Hacxer bij; „(lat
recht erkend, zal niemand over den weerstuit mogen klagen, zelfs
de Bisschop niet. Wat mij belangt, ik wensch u van harte geluk
met zoo stout en schrander een greep."
„\'t Is een gelukkige inval!" waarop niet ieder onzer gekomen
zou zjjn," tuigde Wvnsberghe.
„Een gelukkige inval!" herhaalde Héraugière, op den toon van
fiere zelfbewustheid; „ik meen dat het nog wel iets anders is."
Kn inderdaad, het stoute maar hachelijke ontwerp, jarenlang
gekoesterd, eindelijk gerijpt en dat nu ten uitvoer werd gelegd,
verdiende niet bestempeld te worden met dien naam.
Gouverneur van Breda op zijn vijf en dertigste jaar, door de
verrassende uitkomst eener stoute daad, die tevens een beneveld
verleden opklaarde, was Héraugière er de man niet naar zelfs
op zulken lauwer te rusten. Wij weten het, het gaat met den
dorst naar roem als met dien naar goud : al drinkende wordt hij
niet gelescht, maar neemt toe met iederen nieuwen teug; toch
was zijn hooge moed, zijn fiere eerzucht te zeer één geworden
met de begeerte om zijn aangenomen vaderland getrouw te dienen,
dan dat het in hem op kon komen beide te bevredigen op andere
wijze, dan waardoor tegelijk de publieke zaak werd gebaat.
Nauwelijks was de zorg voor het verlies van Hreda door het
gerust bezit gestild, of hjj zag met scherpen blik in het rond
waar ergens kans mocht zjjn om den vijand afbreuk te doen en
zich zelf te onderscheiden. Kn zoo was het niet vreemd, dat de
stad Hoey in Luikerland hem in \'t oog viel; Hoey aan den
rechteroever van de Maas, tusschen Xamen en Luik, met het
sterke, op eene rots liggende, onneembaar geachte kasteel Hoey,
met haar steenen brug over de rivier! Of was zij niet zoo be-
-ocr page 33-
23
langrijk voor de gemeenschap met de beide Maasoevers, dat zij
beschouwd mocht worden als de sleutel, die den toegang tot de
Geünieerde Provinciën in Spaansch Brabant opende of sloot, naar
de hand, die haar gevat hield, het wilde P Maurits zelf had er
reeds in 1591 het oog op gevestigd, en deze begeerlijkheid was
door hem zeker niet verborgen gehouden voor Héraugière, die
zijn volle vertrouwen genoot. Eene gedachtenwisseling tusschen
hen, waarschijnlijk niet zonder voorkennis van Oldenbarnevelt,
had ten gevolge, dat de Gouverneur van Breda aanving met alle
omzichtigheid het terrein te verkennen. De ooren spitsend bjj
iedere gelegenheid, welke zich opdeed inlichtingen te winnen
omtrent rede en slot; eiken draad vattende om verstandhouding
aan te knoopen met Luikenaren, met inwoners van lloey vooral,
wist hij weldra van de I.uiksche aangelegenheden in het algemeen,
van die van Hoey in \'t bijzonder te veel, om niet tot de ovcr-
tuiging te komen, dat een openlijke aanval even hachelijk als
vergeefsch zou zijn; dat hier alleen kans van slagen was door
eene snelle geheimzinnige verrassing, alles plotseling beslissend.
Er was meer dan het tijdverlies, waarmee een openlijke aanval
bedreigde, meer dan de kostbare toebereidselen er toe vereiseht,
die van dezen weerhield. Hij zou daarenboven eene oorlogsver-
klaring zijn geweest van de republiek der Geünieerde Provinciën
aan den Bisschop van Keulen en Luik, die eene onzijdige mo-
gendheid werd geacht. Het kon den jongen stadhouder van Hol-
land en Zeeland niet invallen op eigene autoriteit den Gouverneur
zijner stad Breda te machtigen tot eene daad, die zoo gewichtige
gevolgen kon hebben voor de Generaliteit; maar eene verras-
sing... maar eene snelle stoute sprong, list als de krijg veroor-
loofd, geholpen door verraad, als in iedere vesting huist, zij
konden goede uitkomst geven. De Bisschop mocht dan een weinig
morren tegen het fait accompli, hij zou er zich in moeten schik-
ken, te meer daar Héraugière alleen tegenover de wereld de
verantwoordelijkheid zijner daad dragen, en de aanklachte dus
niet de Staten-Generaal, dus slechts een bijzonder persoon gelden
zou. Héraugière was van het eerste oogenblik af, dat het ontwerp
hem aanlaehte, bereid dien last op zich te nemen; maar het
leed lang, het leed tot in het jaar in \'t welk wij u verplaatsen, eer de
kans gunstig stond, eer de greep mocht en moest worden gewaagd.
Nadat Hendrik IV in 15U4, tot groote vreugde der Hollandsche
staatslieden, aan Spanje en de Ligue openlijk den oorlog had
verklaard, was de Hertog van Bouillon in Artois gevallen, om
de Spanjaarden, die Henegouwen en het Kamerrijksche bezet
hielden, daaruit te verdrijven. Weldra werd h|j door Hollandsche
hulptroepen, onder bevel van Philips van Nassau, broeder van
graaf Jiodcwijk, Gouverneur van Friesland, die zich met hem
-ocr page 34-
24
vereenigdc, tot dit doel ondersteund. Voorspoedig was die krijgs-
tocht niet, maar toch drongen zij door tot in het Luxemburg-
sche; en deels om zich van verschen onderstand in manschap
en krijgsvoorraad te kunnen voorzien, deels om gelegenheid te
hebben in vereeniging met onzen veldoverste te handelen, werd
het bezit der stad en \'t kasteel van Hoey ten leste zoo onmisbaar
geacht, dat alle aarzeling een eind had.
Te lange inlichting misschien voor onzen niet overgeduldigen
lezer, om Iléraugière\'s tieren uitroep van zooeven te wettigen.
■ Ken gelukkige inval!" Hoe hij den kring om zich heen had
kunnen beschamen, door de mededeeling dat hjj had gewikt en
gewogen, dat hem samenhang en ondersteuning was beloofd! Hij
deed zich op het eerste niet te goed: hij hield het laatste voor
zich: hjj had de zelfbeheersching slechts te zeggen:
„Als de aanslag gelukt is en gjj het onderwerp in zijn gansehen
omvang zult kennen, hopman Wynsborglie! zult gjj toestemmen,
dat het nogal eenige voorbereiding heeft geëischt."
„Waarom zoudt gij ons die niet medodeelon, commandant?"
vroeg Coen van Steenwyek; „wij hebben u immers geheimhou-
ding gezworen !"
„Onnoodig, hopman! wie het uitvoeren moeten, hebben alleen
te weten, hoe zij het zullen doen."
„Veroorloof mij toch eene vraag," sprak Van Balen; „zullen
die twintig mannen zulk een wichtig werk ondernemen, zonder
dat iemand van rang over hen bevel voert?"
„Ciowis niet! luitenant I\'aets waagt er zijn grjjs hoofd aan; lnj
zal het beleid hebben; jonker Frank de 1\'revs, hier tegenwoordig,
heeft zijne particuliere redenen om er zijn jong leven voor op
het spel te zetten, en lïosse Jan de Luikenaar zal hun gids
zijn — en dat is geen alledaagsche; want hij kent meer dan de
wegert; hjj is te huis in de stad als op \'t kasteel."
wMet uw welnemen, kapitein! die Kosse Jan schijnt niet sterk
op het stuk der subordinatie; zijt gij verzekerd van zijne goede
trouw:\'\'" vroeg Bacx.
„Volkomen," hernam Héraugière op vasten toon, „ik ken hem
sinds lang en reeds vier jaren geleden bestemde ik hem voor
den dienst, dien ik nu van hem wacht! Acht het niet vreemd als ik
getuige, dat ik hem daartoe verpleegd en gekweekt heb met de
zorgvuldigheid, die een hovenier gebruikt voor eene zeldzame
plant. Of hjj het heeten mag! Kigenzinnig zonder weerga schrijft
hij anderen liever de wet voor dan zelf te gehoorzamen; maar
zijne intentien zjjn goed, en ik gaf hem daareven slechts toe, om-
dat ik overtuigd ben, dat hij redenen had voor dat drijven. Hij
heeft eene persoonljjke, diep smarteljjke oorzaak om den Bis-
schop, zijn landsheer, te haten en de onzen goed te willen. Hij
-ocr page 35-
28
is van onze religie, en zoo ik reeds sedert\'t jaar 15!) 1 kondschap
heb onderhouden te Hoey, zoo is dat voornamelijk door zjjne tus-
schenkomst. Om maar één feit te noemen. Ik hel) te Breda een
model van het kasteel in klei geboetseerd, dat deze Kosse Jan
voor mij vervaardigde; met levensgevaar heeft hij zich herhaalde
malen in de stad en binnen de vesting gewaagd. Als ik zoo iemand
zal verdenken om zijne wat vrije en zonderlinge manieren, dan
houdt alle vertrouwen in menschen op."
„Daarvoor behoede God ons!" zei Bacx; „ik zeg u voor «Ie in-
lichting dank."
„Ik was ze u schuldig. Halve kennis maakt wantrouwend, ik
wilde niet, dat iemand uwer mij slechts een oogenblik verdenken
zou, twintig menschenlevens en mijne eigene eer roekeloos op het
spel te zetten. De kans staat schoon; daar mislukken echter mo-
geljjk is, zoo heb ik tien of twaalf van uwe ruiteren noodig, om
den tocht mede te maken; onderweg zal luitenant Paets hen on-
derrichten wat zjj hebben te doen of te laten. Zij zullen zich niet
met de anderen in gevaar begeven, alleen ingeval van misluk-
king, ingeval geen van de mjjnen, zelfs niet Hosse Jan, govan-
gensehap of dood kunnen ontkomen, zullen zij in alle haast terug-
rijden om mij te melden wat er gebeurd is, opdat ik beslisse
hoe dan hulp te verleenen. Ik zou tot dezen dienst mijne eigene
ruiters kunnen gebruiken, maar bij weerspoed wordt er zoo licht
wantrouwen gevat en schuld gezocht, en zal het beter zijn dat
anderen dan kameraden getuigenis afleggen van hun gedrag."
„Wanneer verlangt gij die ruiters, kapitein y" vroeg Bacx.
„Laten zjj klaar zijn om op den eersten wenk van luitenant
Paets mee te trekken; ik behoef u niet aan te bevelen de ver-
trouwdsten uit te kiezen ..."
„Ik zal een Hinken wachtmeester meegeven, dat zal het
zekerste zjjn."
„Mits een zulken, die niet aarzelt zich aan I\'aets te onder-
schikken."
„Wees gerust, kapitein! ik sta voor mijn man in." Na dieaf-
spraak liet Héraugière de officieren gaan, om hunnerzjjds maat-
regelen te nemen voor den tocht; alleen Krank de Preys bleef,
zooals hij verlangd had, in de tent.
„Jonker de Preys!" begon de bevelhebber, „ik moet u iets me-
dedeelen dat mij zeer bekommert, en mogelijk nog volslagen
verandering kan brengen in mijn plan."
„Kapitein Héraugière! riep de jongeling verbaasd en be-
droefd.
„Anderen moge ik het verhelen om door mijne wankelmoedig-
heid dezen niet neer te slaan, u wil ik het toevertrouwen. Gij
zijt geroepen om mij dezen steen van het hart te lichten."
-ocr page 36-
26
„Gij kent mijn goeden wil, kapitein!"
„Ten volle; ware ik maar even zeker van uwe voorzichtig-
heid ..."
„Daaraan zal het niet haperen."
.Ik wil "t hopen. Luister, — zooals gjj weet, hel) ik jarenlang
ijverig getracht kondschap te onderhouden met zoodanige personen
in Luikerland, die misnoegd waren over \'t bestuur van den His-
schop; in \'t particulier tot Hoey zijn mij zekere luiden bekend,
die beloofd hebben mede te werken tot onze onderneming. Bij
gebreke van die is er niets aan te vangen en wil ik ook niets
gewaagd hebben."
.Maar waarom zouden zij u nu in den steek laten, kapitein!
deze lieden, die u hunne medewerking uit eigen beweging heb-
ben toegezegd, en die hunne goede redenen hebben om in hunne
stad eene verandering van zaken te wenschen P"
„Ik zeg niet dat zij van voornemen veranderd zijn; ik heb
alleen geene zekerheid dat zjj er hij zijn gebleven. In drie weken
heb ik niets van hen vernomen; de persoon waardoor ik voorna-
meiijk correspondentie met hen onderhoude, verkeert zelf in
deerlijke onrust. Hosse Jan kan in dit geval mjjn bode niet zijn;
zjjn persoon en zijne gestalte zjjn te Hoey overbekend en be-
zwaarlijk te vermommen; althans ik wil het er niet op wagen. Hij
mag zich niet in gevaar begeven vóór het oogenblik der uitvoo-
ring. Werd hjj nu betrapt, dan ware niet slechts de argwaan op-
gewekt, maar ook alle hoop op eene goede uitkomst verloren. Wij
kunnen zjjne hulp en zijne voorlichting niet missen, en toch moet
ik weten of mijne bondgenootcn nog altijd gewillig en in staat
zijn om hun woord te houden. Kr kunnen er onder dezen van
hunne vrij
7
heid beroofd zijn geworden, of gestorven; ook moeten
zij het rechte oogenblik weten van de aankomst mijner man-
schappen en dezen de zekerheid geven eener goede ontvangst.
Daarom heb ik besloten u als mijn bode naar Hoey te zenden,
nog vóór dat een van de anderen zich daarbinnen begeeft.
„Kapitein!" riep de vaandrig met schitterenden blik, .gij ver-
vult mijn diersten wennen. Gij weet van hoe vurig verlangen mij
het harte brandt om derwaarts heen te gaan. Gij weet welk een
teer belang er mij heen trekt."
„Dat weet ik, Frank! maar juist dat zou mij kunnen weerhouden
u mijne boodschap op te dragen..."
„Hoe, kapitein! zou ik uitgesloten worden, oin datgene wat
mjj het meeste recht geefts Hen ik niet de naaste om te onder-
zoeken, wat er van mijn ongelukkigen broeder geworden is?"
„Gij zijt daartoe de naaste, dat erken ik, maar ... het is tevens
wat mij aarzelen doet u binnen Hoey te zenden."
„Kapitein Héraugière!" barstte de jonkman uit, deze aanziende
-ocr page 37-
27
met oogen vol vorwjjt en zwaarmoedigheid, „hoe kunt gij dus
spreken; ik daeht... ik meende, dat gjj mijn armen Gerard,
dat gjj uw trouwen dienaar groote genegenheid toedroeg."
„Dat deed ik ook, Frank! — geloof mjj, al ware hij mijn eigen
broeder geweest, niet smartelijker had mij zijn verlies kunnen
treffen. Ik heb deernis met uw rouw; ik begrijp uw vurig verlan-
gen om iet» naders van zijn lot te weten; ik deel het zelf. Mijn
hart klopt als het uwe bij het bedenken der mogelijkheid, dat hij
nog in levenden lijve kan zijn gekerkerd in datzelfde kasteel, dat
wij wensehen in te nemen; maar opdat dit laatste ons moge ge-
lukken, opdat gij, gij zelf, indien hij nog leven moeht, zijn bevrijder
zoudt kunnen worden, daarom, F1 rank! mijn vriend, waarom zou
ik niet zeggen mijn zoon! daarom moet ik u eene daad van de
grootste zelfverloochening vergen! Het is deze: dat gjj
0
mjjne bood-
schap te Hoey zult overbrengen zonder onderzoek te doen naar
uw broeder, zonder uwe betrekking op hem te verraden, noch
cenigc stap tot zijne bevrijding te wagen, zoo het toeval wilde,
dat gij van zijne gevangenschap op het kasteel kennis kreegt. Uvt
naam zelfs moet gij verhelen; u een vreemde houden van dien,
die u het naast aan \'t harte ligt. Bedenk, dat Gerard de 1\'reys
als spie is gevangengenomen, en dat navraag omtrent een spie,
zelfs al werden voor u, \'t geen ik niet waarschijnlijk achte, de poor-
ten van \'t kasteel geopend, u op \'t zwaarste verdacht zou maken
en daardoor in de onmogelijkheid brengen mij den dienst te
verleenen, dien ik voor de goede cause van u wacht. Mjjn trouwe
Frank! ik weet, dat ik een zwaar offer van u verg; maar gij weet
ook des krijgsuians plicht eischt niet slechts dat hij ljjf en leven
veil hebbe voor den dienst des lands; eischt ook, wat oneindig
zwaarder valt, het dooden van eigen vleesch en bloed. Zweer mij
dus op uwe eer, als edelman, en krijgsman, dat gij u zelven in
dezen volkomen zult vergeten; maar zoo gjj niet zeker zijt van
zoodanige heerschappij over u zelven als hier gevorderd wordt,
wees dan wijs en voorzichtig en treed terug, — want dan kunt gjj
in dezen mijn bode niet zijn."
.Ik zal uw bode zijn, zooals mijn broeder uw spie is geweest,"
hernam F\'rank besloten, „al zou het mij nog meer kosten dan hem!
Ik zwere u dat!"
„Goed zoo! ik dank u, het vaderland zal u later danken en
loonen.... Xu dan, gjj gaat mede als de overigen, maar gij zoekt
in do stad te komen zoo spoedig gij kunt, terwijl zjj buiten blijven
tot den afgesproken avond. Hoey ligt op neutraal grondgebied;
er steekt dus niets ongeoorloofds in, dat een jonge vaandrig van
het Staatsche leger binnen die stad komt, voor zijn vermaak of
zijne zaken; doch ik acht eene vermomming niet overbodig, daar
gij uw naam hebt te verzwijgen. Gij begeeft u naar het huis van
-ocr page 38-
28
den schepen Pierre de la Geneste; ge hebt met hem het gewcnsehte
onderhoud en verlaat Hoey niet voor gij daarin zjjt geslaagd.
Mocht hij dood zijn of gevangen, God geve van neen! — dan
wendt gij u aan Mr. Zilbrecht, den waard in den Kreeft, doch
ik hoop beter. Den Schepen sprekende, vraagt gij hem of hij ge-
negen is zijn woord gestand te doen ? Aarzelt hij te antwoorden,
geef hem dezen brief, en zijn wantrouwen zal geweken zijn."
.Een zonderlinge kredietbrief," hernam Krank, den epistel glim-
lachend aannemende en beziende: .dat adres schijnt van eene
vrouwenhand.. ."
.Die messire de la Geneste zeker herkennen zal, en hem het vol-
doende bewijs leveren, dat gij door mjj gezonden zjjt. Is hij besloten,
zooals ik het wonschte, dan spreekt gij de zaak verder met hem
af, stiptelijk zijne aanwijzingen volgend, (ijj deelt ze aan luitenant
I\'aets mede, die mjj te onderrichten heeft."
.Dient er in dat geval gewacht tot gij ons uw besluit kennen
doet."
.Onnoodig; de aanslag blijft op denzelfden tijd bepaald, tenzij
de la Geneste een geschikter aanwijst: I\'aets weet hoe in dat
geval te handelen. Blijkt de la Geneste wankelend, maakt hij
zwarigheid, of is er iets gebeurd, waardoor hij onmogelijk zijne
belofte kan nakomen, zoo houdt gij u allen rustig en verborgen.
Het is dan aan Hossen Jan mij zelf die kwade tijding te brengen,
opdat ik met liezen overlegge, wat verder te doen; aan u Ijjd-
zaam af te wachten tot hjj terugkeert; doch ik vlei mij, dat het
niet daartoe komen zal. Hebt gij mjj goed begrepen!1"
.Volkomen, kapitein! stipt en omzichtig hoop ik uw last te vol-
brengen."
.Ik reken er op en reik u de hand tot afscheid: wees Gode
bevolen!"
1\'as had Krank de l\'revs de tent verlaten, of hij keerde nog
even terug, den ons bekenden inusketier Wouter VVillemsz met
zich voerende, die verlangd had kapitein Iléraugièro te spreken.
.Wat begeert gjj van mij, kameraad?" vroeg deze, onaangenaam
gestoord in den loop zijner gedachten.
.Kapitein! ik heet Wouter Willemsz, ik hoor tot de musketiers
van hopman Wynsborghe, uit het garnizoen van Geertruidenberg:
ik verneem dat uw volk uit Breda zoo aanstonds zal oprukken
tot een krjjgsavontuur, en dat gjj eenige manschappen hebt ge-
vraagd van de andere compagniën ; ik wonschte uwe vergunning
om als vrjjwilliger mee te gaan."
.Ik heb twaalf ruiters gevraagd en verder niemand noodig,"
hernam Hcraugière kortaf, verwonderd over het vrijpostig ver-
zoek.
.Commandant! wat zegt het u, zoo er een enkel man meer
-ocr page 39-
29
meegaat?" hernam Wouter smeekend, .een die... ik zweer het
u, niet van de minsten zal bljjken ..."
„Uw ijver moge elders dienst doen, vriend! gjj verliest er niets
bij; er valt geen buit te halen."
.Buit? Of \'t mij daarom te doen was! Het is de singuliere
eere ..."
„Ik mag u de singuliere eer niet gunnen: ik heb buiten mijn
volk aan de twaalf ruiters van ritmeester Baex genoeg."
«Zelfs te over!" hernam Wouter stoutweg.
„Hoe meent gij dat, jonkman?" vroeg Héraugière verwonderd
en tevens getroffen, niet slechts door den zedelij ken moed van
den aanhouder, maar vooral door de laatste aanmerking, die met
zijn eigene innerljjke overtuiging strookte. Hij had alleen uit nood-
dwang en om de anderen geen stof tot blaam of argwaan te
geven, vreemden aan zijne keurbende toegevoegd.
„Ik zeg dit, commandant! omdat men bij de keuze van die
ruiters het meest heeft gezien op forsche leden en kloekheid van
persoon, op zulke wijze, dat er bjj zjjn, onder anderen zekeren
ruiter Kuprecht, die bijkans een reus gelijkt, waarmee men op
de kermis reizen mocht! En toch zal het meer op gauwhcid
van tong en gevatheid van geest aankomen; — dat een soldaat
moed heeft, spreekt vanzelf. — Kuprecht heeft hersens als een
konijn!"
Héraugière had toegeluisterd met eene mengeling van ergernis
en belangstelling, op zijn sprekend gelaat zichtbaar. Het beviel
hem niet, dat een gewoon soldenier zoo tijne opmerkingen maakte,
zoo juist een oordeel wist te vellen over eene onderneming, wier
uitslag van verrassing afhing: toch kon hjj zich niet weerhouden
even toestemmend te knikken, en met een glimlach te vragen of
hij zelf, hij, Wouter Willemsz, die eigenschappen bezat.
„Hat zal ik niet zeggen, commandant!" luidde het antwoord;
„maar toch meer dan die reus, een lichaam zonder ziel, een
ezel."
„Hij gaat ook niet mee oin aan te voeren, maar om te volgen;
blindelings gehoorzamen geeft den besten soldaat."
„Toch niet, commandant! Een soldaat, die het bevel met oor-
deel uitvoert, is geen plompe dommekracht. Gebruik mjj daarom,
kapitein! in plaats van dien kinkel, als \'t u niet goeddunkt dat
er dertien gaan. Ik kan marcheeren tegen den beste: maar moet
het zjjn, rijden kan ik ook."
„Ik begrijp niet wat u drijft om dus op dit stuk aan te houden,"
hernam Héraugière, die cenig wantrouwen vatte, daar de mus-
ketier, trots het bijgeloof der dertien, niet sprak als een gewoon
soldaat.
„Allermeest mijn verlangen om l\'we Edelheid en den lande
-ocr page 40-
30
dienst te doen, commandant! Wil gelooven dat ik u van groot nut
kan zjjn, want ik heb zelf kondschap te Hoey."
Een schok van ontzetting doortrilde Héraugière. Zjjn plan ver-
raden ! aan een gemeen soldenier, aan een onder allen, die er
blijkbaar partij van zou weten te trekken. liet stond niet in zijne
macht het veranderen zijner bewegelijke trekken, noch \'t verblee-
ken van zjjn gelaat te beletten, doch hij herstelde zich met kloeke
tegenwoordigheid van geest en sprak koeltjes:
„Dan kunt ge mij ganschelijk niet van dienst zijn, want ik heb
in die stad niets te doen."
„In de stad mogelijk niet.... maar toch.... in \'t kasteel,
kapitein !..."
„Wat beduidt dat dwingen, kameraad?" hernam Héraugière
toornig en hem scherp in \'t gelaat ziende; „zoo gij niet zulke
eerlijke oogen hadt, zou ik u voor een spie houden, die door
logcns de waarheid zoekt uit te vorschen, om mijn voornemen
den vijand te verraden."
„Och, commandant! als mijne oogen u eerlijk toeschijnen, ver-
trouw dan uw scherpen blik liever dan uw kwaad vermoeden,
want ik ben eerlijk, en \'t is uit getrouwheid aan de goede cause,
dat ik dus aanhouile. Uw opzet is mij bekend, ik mag dat niet
ontveinzen, want ik heb eene liefste te Hoey; Gouda is de nicht
van Meester Zilbrecht, den waard uit de Kreeft."
„I)c waard uit de Kreeft!" herhaalde Héraugière werktuigelijk, —
maar borst toen uit in een bitteren lach en riep: „welnu! zoo
zijn we verraden!" op een toon, die onverschillig wilde schijnen,
maar waaruit zooveel spijt en smart klonk, dat den goeden Wouter
Willemsz de tranen in de oogen schoten.
„Wees gerust, commandant! die man is ijien verrader, en ik
evenmin. Ik kende uw voornemen reeds toen wjj uit Geertruiden-
berg trokken en ik heb mij zelven het zwijgen opgelegd, ondanks
al het praten en gissen mijner kameraden. Over mijne tong is
het niet gekomen, want ik heb het vaderland lief en acht u hoog,
kapitein! ik wensch niets liever dan u in dezen te dienen...
AIzoo sta mijn bede toe, geef mij oorlof mee te trekken."
„Ik moet wel!" hernam Héraugière verdriotelijk, „ik dien im-
mers uw stilzwijgen te koopen; zeg wat het kosten moet? Ik
onderstel, dat gij er nog wel iets meer voor zult vragen, dan
simpclijk vergunning den tocht mee te maken?" De spijt en de
onrust deden den edelman bitter worden, doch de musketier her-
naiii met kalmte en eenvoud : „Verschoon mjj, kapitein Héraugière!
ik ben geen huurling, maar een vrijwilliger, en ik vrage niets dan
de vrijheid, te mogen meegaan om in het gevaar te deelen..."
„ Welnu! meegaan zult gjj; alleen wees gewaarschuwd, dat de
ruiters u in hun midden zullen nemen, en mijne orders zullen
-ocr page 41-
31
hebben, om u, bij het minste bewijs van verraad, bij een wenk
of een woord, dat de onderneming in gevaar zou kunnen brengen,
zonder vorm van proces neer te schieten. Zoo zult gij ervaren, dat die
blinde werktuigen, waarop gij zoo laag neerziet, hun nut hebben..."
„Die bedreiging schrikt mij niet af, commandant! maar die
verdenking bedroeft mij, en als \'t er zoo mee gelegen is, laat
mij dan liever hier bljjven; gij zult dan zelf zien, of ik een
geheim weet te bewaren; maar geloof mij, ik kan u daar ginds
van hulp zjjn. Meester Zilbrecht is een wankelmoedig man, die
zich uit vreeze in schijn naar de paapsche religie heeft gevoegd,
maar haar haat in zijn harte. Zulk een weifelaar heeft in een
hachelijk uur een steun noodig; misschien ook een duw om hem
op den rechten weg te brengen."
„Ik wil \'t niet verhelen dat mij veel gelegen is aan de trouw
van den waard in de Kreeft," hernam Héraugière, verzacht en
meer gerustgesteld, maar Wouter nog altijd scherp iu de oogen
ziende. .Alleen wat waarborgt mi), dat gij mjj werkelijk den dienst
zult doen, dien bloode een riem onder \'t hart te steken ?"
„Sinds mijn gegeven woord en mijn persoon u geen genoeg-
zaam vertrouwen inboezemen," hernam de jonkman blijkbaar ge-
krenkt, „moet ik ophalen van mijne verwantschap, van de zure
dagen van \'t beleg van Sluis door de Spanjaarden . .. Kapitein
Héraugière!" hervatte hij mot zekeren nadruk, „heugt u nog
het moedig gedrag der Kapiteinsche van de vrouwen-soldaten,
die daar op de wallen zoo wakker tot de verdediging het hare
deden \'i Geheugt u nog Maaike in \'t Hert P"
.Maaike in \'t Hert!\' Of ik mij die herinner; welk eene vraag!"
riep Héraugière levendig, „haar en Katharina Hose vergeet ik
nooit! Hebt gij Maaike gekend?"
„Ik ben haar naaste bloedverwant; ze is mijne oudere, mijne
eenige zuster! Zoudt gij kunnen gelooven, kapitein! dat de broe-
der van Maaike in \'t Hert, die zelf ouders en huis en goed ver-
loren heeft door den val van Sluis en door dezen rampzaligen
oorlog, dat hjj een verrader zou kunnen zijn van de goede cause?"
„Xeen, Wouter Willemsz, datgeloof ik niet!" sprak Héraugière,
hem minzaam de hand reikende; „mjjn mistrouwen in den vreemde
is in goed vertrouwen verkeerd, nu weet ik wie gij zijt. Maar
zoo gij u kunt voorstellen wat zware verantwoordelijkheid op mij
rust, dan zult gij begrjjpen, dat ik niet te omzichtig kan zijn."
„Zeker niet, kapitein! en daarom zou ik, in uw geval, liefst
geen botterikken gebruiken tot de expeditie," hernam Wouter
wel een wcinigje gekrenkt, dat zijne verwantschap meer dan zjjn
persoon de veranderde opinie van Héraugière had teweeggebracht.
ï)eze ontving den coup ile putte zonder zich daarover gebelgd te
toonen, goelijk zwijgende.
-ocr page 42-
32
„En nu, hoc gaat het uwe manhafte zuster? Ik wil hopen,
dat zij nog leeft en welvaart?"
.Zoo is het, kapitein, zjj woont te Geertruidenberg, waar zij
getrouwd is. Meester Zilbrecht te Hoey is haar mans broeder,
en Gonda, zijne nicht, is aan mij verloofd. Vandaar dat wij in
onze familie van uw voornemen al overlang kennis hebben ge-
dragen; schoon wjj het geheim trouw bewaarden, wees daar
üeker van!"
„Gij schijnt toch te vreezen, dat die meester Zilbrecht een
vvankelnuits is," hervatte Héraugière bedenkelijk.
„Om de waarheid te zeggen, ik heb geene hooge opinie van
zjjne kloekmoedigheid. Wel heeft hij er groot belang bjj. de stad
van zjjne geboorte, de stad waarin huis en hof zjjn eigendom
zijn, vrij te zien van den dwang des riissehops; ook meende hij
het van ganscher harte, toen hij ziidi aanbood daartoe mede te
werken, maar die jjver is aan \'t verslappen, vreeze ik.... Het
zal dus niet kwaad zijn, zoo hij in de ure der beslissing iemand
bij zich heeft, die hem wat courage geeft."
■ Dat zjj u toevertrouwd," hernam Héraugière, na zich cenige
oogenblikken te hebben bedacht. „Trek mee met mijn volk; ik
zal luitenant l\'aets last geven u toe te voegen aan den vaandrig 1\'reys,
die op kondschap uitgaat naar Hoey, voordat we iets ondernemen."
„Commandant!" riep Wouter, „het is wat ik wenschte! Geloof
mij, \'t is geen snoeverij, maar het zal strekken tot vordering
van uw ontwerp."
„Dubbele voorzorg is boter dan geene. Gij zult binnen Hoey
jonker de 1\'reys een goed gezel zijn; hij kan u behoeven. Be-
denk het, Wouter! de broeder mag voor de zuster niet onder-
doen. Ik vermoed dat gij verlof hebt van uw luitenant!\'"
„Hij gaf het me, commandant! mits ik uwe toestemming kon
verkrijgen."
„Het is wel! Volg mij; luitenant I\'aets dient te weten, wie ge zjjt."
Toen Héraugière met Wouter Willemsz buiten de tent trad,
zag men het gezamenljjk krijgsvolk reeds onder de wapenen,
zijne bevelen verbeidende. De Bredasche keurbende, waartoe nu
ook Wouter behoorde, trok het eerst af, onder bedekking van
twaalf kloeke ruiters; van de gestrenge voorzorgsmaatregelen,
waarmede Héraugière den eerste had bedreigd, was geen sprake meer.
Toen de Gouverneur van Breda zjjne uitverkorenen had zien
aftrekken, rukte hij zelf met het overige krijgsvolk op, om onder
begunstiging der vallende duisternis het dorpje Diepenbeek te
bereiken, dat hij zonder eenig beletsel binnentrok, er zich inle-
gerende, al waren zijne manschappen er ook geen gewenschte
gasten. Wij zullen hen voorhands bjj die dorpers laten, om de
kleine keurbende te vergezellen op haar verderen tocht.
-ocr page 43-
HOOFDSTUK II.
Luitenant Paeta had moor behoedzaamheid in acht te nomen
om het hoopje volks, aan zijne zorgen toevertrouwd, veilig voort
te leidon, dan van kapitein Héraugière, aan het hoofd eener tal-
rijke krijgsbende, werd geëiseht, hoewel de laatste vijandelijk
gebied binnenrnkte, en de eerste slechts op zoogenaamd neutraal
terrein voortschreed. Een heir van dertien of veertienhonderd
man kon desnoods alle opmerkzaamheid trotseeren on een aan-
val afslaan, terwijl dit kleine troepje op een vrij verderen tocht
mot de uiterste zorg vermijden moest opzien te wokkon, ontnach-
tig als het was eemg geweld weerstand te bieden.
In het eerste dorpje waar zij halt hielden, nam luitenant Paets
zijne maatregelen zoo goed, dat zij hun op/.ot konden vervolgen,
zonder voor doortrekkend krijgsvolk te worden herkend. Hij liet
de paarden der ruiters voor vrachtwagons spannen, op welke de
manschap plaats nam, nadat men die, ten dooie met wapenen,
ten deele met kleederon en proviand had beladen. Al wat zij
behoefden moesten de boeren hun leveren, maar zij betaalden
wat zij eischten; hetgeen de plattelandsbewoners, aan allerlei
overlast van vriend en vijand gewoon, gunstig stemde; goede
goudguldens maken beter vrienden dan blinkende geweren. Door
de eerste van wat zij wenschten voorzien, kwamen zij zonder
tegenspoed tot in het aanzienlijke dorp Amay, aan de Maas ge-
legen, of liever, door die rivier in tweeën gedeeld. Hier, op kor-
ten afstand van lloey, zou men andermaal halt houden, (ioreodelijk
verkreeg men stalling voor de paarden en nachtverblijf voor de
mensehen in herberg en in hoeve. Men gaf voor dat de dieren
rust noodig hadden, eer ze over de Maas trokken. Dit voorwond-
sel wekte te minder argwaan, daar de bende zich voor Duitsch
landvolk uitgaf, dat, uit vreeze zoowel voor de Spaansohe troepen
als voor de Staatsolie legorbenden, langs het onzijdig gebied van
den bisschop van Luik naar zijne haardsteden wederkeerde.
De vL\'irnssin^ van Tloey.                                                                                               •\'»
-ocr page 44-
:u
Op den morgen van den zesden Februari zag men drie van
deze „Duitsehers", in de kleedjj van Luiksche boeren gestoken,
het rotsachtige kronkelpad volgen, dat langs den linkeroever van
de rivier heenvoerde naar het stadje Hoey, nauwelijks een uur
gaans van Amay. Ken van hen, een klein tenger manneke, wiens
neerhangende, lakensi-he flaphood krullend rood haar verborg,
droeg een mandje met eieren; de andere, een flinke, rijzige
borst, hield een koppel gemeste hoenders, aan de pooten bijeen-
gebonden en de koppen omlaag hangende, in de hand; eene
positie waartegen ze gewis uit alle macht zouden geprotesteerd
hebben, zoo ze nog in leven waren geweest.
De derde ... droeg niets, zooats de pagie in het liedje van
Marlborough; ook scheen hjj blijkbaar nogal met zijne handen
verlegen, \'t geen zijn rosharige makker tot hem deed zeggen:
„Steek uwe vuisten in de diszakken, ter weerszijden van die wijde
boksen, jonker Frank! want als de luiden, die wij gaande wegs
ontmoeten, ze zien, of de schildwachten bij \'t inkomen der poort
er het oog op slaan, zullen zij verrast zijn uwe handen zoo fijn
en zoo blank te vinden, als geen Luiksche huisman er ooit had!"
„(iij zelf hebt mij ontraden handschoenen aan te trekken, zoo-
nis mijn voornemen was," antwoordde jonker Frank.
„Dat zou nog erger zjjn geweest! ziet men ooit een Duitschen
of Vlaamsehen boer met geschoeide handen? Steek ze weg, dat\'s
het allerbeste; dus slenteren de meeste dorpers stadwaarts als
ze niet hebben te markten."
„"Wel! leen mij dan uwe mand, dat zal mij eene houding
geven .. .."
„Met genoegen, mits ge weet hoe ge \'t maken zult als iemand
u naar den prijs der eieren vraagt!" hernam Kosse Jan; want
het is onnoodig voor den lezer te verhelen wie hij en zijne met-
gezellen waren.
„Neen! daar hebt ge gelijk in. Het zou mij verlegen maken;
ik kan geen koeterwaalsch kallen."
„Dat is ook moeielijk genoeg: want Francois en wat Duitsch
dooreonhutsende, meenen sommigen er in te slagen, maar zij
bedriegen zich. Ons patois is eene taal op zich zelve — die men
schrijven, waarin men zelfs dichten kan. Zjj klinkt allerliefst als
onze vrouwen haar zingen: ook heeft zij kracht genoeg als eene
kloeke mannenstem er mee dreigt," en het was of de stem van
den spreker zelf zich in die klanknabootsing vermeldde. „Kelitcr,
met goed Francois kan men in Linkerhand bij ieder terechtkomen,
maar ... \'t is nog veiliger dat gij zwijgt.... Knikkebol maar als de
huislieden n „goêndag" zeggen ; — doch hoe zult gij \'t in de stad ma-
ken om naar den weg te vragen? ... ik kan niet met u binnengaan."
„De jonker heeft daartoe den mond niet op te doen," sprak
-ocr page 45-
38
Wouter Willemsz; „want ik ben meer te Hoey geweest, en ik
weet waar hij zjjn moet."
„Ik wenschte wel, dat gij ile gansene commissie voor mij kon-
dot doen, Wouter!"\' sprak de vaandrig op somberen toon; „ik
voel mij zoo gedrukt en beklemd onder deze vermomming, dat
het mij is of mij iets vreeseljjks overkomen zal. . ."
„Moe nu! een jonge edelman, een krjjgsman, die gewoon is
des Prinsen vaandel te voeren, hij schaamt zieh niet van angst
en vreeze te spreken!" viel Kosse Jan hoofdschuddend in.
„Als ik mijn vaandel mocht dragen, en mjj toonen dieik ben,
dan ... dan zou \'t mjj anders te moede zjjn," en des jonkmans
oogen flikkerden.
„Met ontrold vaandel kunnen we Hoey niet binnentrekken, dat
staat vast; — wij moeten list te baat nemen, als door de koenste
helden in een geval als dit niet werd versmaad, \'t Is ook kloek-
heid, zijne tegenwoordigheid van geest te bewaren onder hache-
lijke omstandigheden, en zich niet luchtigheid t*- schikken naar
den eisch eener vermomming ..."
„Gij geeft goeden raad, meester Jan!"
„Ik meen, dat ik van dezulken ben, die prediken door exem-
pel, jonker."
„Dat ontkenne ik niet... maar toch..."
„Toch hebt gjj geen lust om het na te volgen?" vroeg Kosse
Jan met zekere heftigheid, hem strak in de oogen ziende.
Frank de Preys kleurde en Antwoordde schielijk:
„Lust? neen! schoon ik mijn best wil doen. Als wij in actie
zjjn, zult gjj zien dat mjj geene abelheid faalt;
         maar gij en
ik, dat is niet hetzelfde, dat zult gjj mij toegeven."
„Volgaarne!" sprak Kosse Jan met een ironieken lach.
„En nu ... mij zjjn voorwaarden opgelegd, die ik bezweren
moest na te zullen komen, eer de commandant mjj zijne oom-
missie vertrouwde; voorwaarden die mjjn gemoed beroeren en
strjjd en verwarring in mijne ziel brengen."
„Courage, jonker!" viel nu Wouter Willemsz in. „Hoe! zou de
moed aan \'t wankelen slaan, zóó nabjj het doel \'i Dan gaat het
mij gnnsch anders. Nu ik daar ginds liet kasteel met zjjne torens
en wallen zie liggen, gloeien mij de wangen en klopt mij het
harte van blijdschap, bjj de gedachte, dat wij misschien morgen
om dezen tijd er reeds binnen zullen zijn!"
„Dat is het juist wat mjj met bange..." en de jonkman voer
voort, „met bange vreeze vervult! God weet, wat bittere tcleur-
stelling mij daar wacht, op hetzelfde oogenblik, dat ons de stoute
onderneming is gelukt! God weet, hoe zwaar een leed ik zal
hebben te verkroppen, terwijl gij triomf zult vieren!"
„ Luister, jonker!" sprak Kosse Jan, met drift zjjne hand vattende
-ocr page 46-
36
on hem ras cenige schreden ter zijde voerende: .luistert! die onrust
on die weekheid bevallen mij niet. Ik waarschuw u, ga ze te keer;
want ik weet waaruit dit alles voorkomt: gij denkt aan uw broeder!"
„Waartoe hot ontveinsd?" hernam Krank diep zuchtend: „het
is zoo: maar hoe zon het anders kunnen zjjnP - mag ik. moet
ik, bij het zien van die stad, bjj het zien van het kasteel daar
in de hoogte, niet anu\'stig vragen, wat d;ï;ir met hem kan zijn
geschied? Wisseling van hoop en vrees, als ik mij de onmoge-
ljjkbeid denk, dal hij nog leeft, dat bjj in boeien smacht, in con
van die sterke torens of in oenige ondoraardsche diepte achter
die zware muren, schijnt u die zoo vreemd:\' Slingeringtussohen
vreugde en angst, als mij aangrjjpt, is zij berispeljjk? Zou ik
een hart hebben, als ik die niet voelde!"
„(iij hebt volkomen gelijk, jonker Frank ! \'t is alles zeer natuur-
lijk; ook ziet men liet u aan; slechts zou ik wel willen weten
of kapitein llcraugière u niet zijne commissie zou bobben belast,
als bij had vermoed, dat -ij u dus Ijjdolijk aan die zeer natuur-
ljjke gevoeligheid zoudt overgeven ..."
„Ik gaf hem mijn woord, dat ik, binnen Hoey zijnde, mij ont-
houden zou van elk onderzoek naar mijn broeder, van alle daden,
woorden of werken, waardoor de reüssite van den aanslag gevaar
kon loopen; maar de gedachte aan hem, moge ze voor mij nog
zoo kwellende zijn, zjj is goene schennis van mijn eed; haar te
weren is buiten mijne macht."
„(Jij moogt niet zoggen, dat zulks buiten uwe macht is. Ken
mensen vermag alles op zich zelf wat hij met ernst en vastheid
wil," hernam het kleine, misvormde mannetje op oen toon van
gezag, die van groote zedelijke meerderheid getuigde. rIk, Rosse
Jan, verzeker u dat: ik, Rosse Jan, zal o later zeggen met wat
recht. (Jij moet tegen die sombere opwellingen strjjden, ze on-
derdrukken zoo vaak ze opkomen, ze versmoren of afleiden, naar
gij best kunt: maar... hoe zwaar een eisoh u dat ook sehjjne,
er aan toogoven moogt gjj niet; want al die persoonlijke bjjge-
dachten overprikkelon en maken zwak; zij voeren af van het
doel, dat ge gedurigljjk voor oogen dient te houden, on leiden
dus tot schennis uwer bezworen belofte... niet te rade te gaan
met vleosch on bloed, maar eeniglijk met uw krijgsmansplicht."
De vaandrig van Ilóraugière, hoewel gewoon dit singuliere
personage in alle vrijmoedigheid zijn oordeel te hooren vellen
over zaken en personen, had echter nooit de zwaarte van diens
moreel overwicht op zieh zelf voelen neerkomen; ook was het
kennelijk dat hij er voor bukte, toen hij meer op een toon van
beklag dan van tegenspraak hernam:
„Ik gevoel dat het zijn moet als gij zegt; maar ik word be-
heorseht door eene kwelling, die mij den lust tot zulken zelfstrjjd
-ocr page 47-
::7
benoemt. Met is die vonk van hora, welke de ongewisheid om-
trent mijn armen broeder nog niet uitbluschte, die mjj, Inj \'t
aanschouwen dezer veste, de ziel beroert. Xu eens wakkert ze
aan tot een laaie vlam, die mjj het harte doet branden; daarna
verflauwt ze, om mjj aan de kille duisternis der wanhoop prijs
te geven. Het zijn die schuddingen van den twijfel, welke mij
weekhartig, wcifelziek maken . . . Zoo ik zekerheid had, zon ik
kalmte hebben, zou ik matig zjjn."
„Welnu! dat zijn kwellingen waarvan ik u bevrijden kan.
Houd het er vastelijk voor, dat uw broeder niet meer in leven
is, dan zult gjj zeker het naast hij de waarheid zijn en geen last
meer hebben ..."
„De vermaning is goed gemeend, maar zekerheid geeft zjj niet,"
viel Frank smartelijk glimlachende in.
„De vermaning zelve niet, wel de grond waarop zij rust, te
weten deze: In oorlogstijd is \'t gebruikelijk iederen spie, die op
heeterdaad wordt betrapt, hetzjj met of zonder vorm van proces,
dood te schieten of op te hangen, naar de kwaliteit van den
delinquent dat meebrengt, meestal binnen de vier en twintig
uren. Kn nu, ik die voor u sta, heb met deze mijne oogen Heer
Gerard de Preys zien gevangennemen en wegleiden door de hel-
leba
86
ardiers, die de wacht hadden op \'t kasteel van lloey! Vier
jaren zijn sinds verloopen, en Heer (Jerard de l\'revs, die vrouw
en kinderen en een jonger broeder had te Breda, heeft zich in
al dien tijd niet vertoond. Kn zou hjj dan nog leven \'t Meent gjj,
dat de bezetting van \'t kasteel Hoey zoo verlegen is met haar
proviand, om vier jaren lang een gevangen spie den kost te geven P"
Krank had toegeluisterd, bleek van ontzetting en rood van ver-
ontwaardiging, maar zoodra zijne sidderende lippen woorden
konden uitbrengen, riep hij woest: „Het eischt de wreedheid
van een monster als gij zijt, om mij dit zóó te zeggen!"
„Ken monster hen ik niet, tenzij naar bet uiterlijk!" hernam
Rosse Jan met kalmte en zelfs met weemoed; „wat ik schijnen
moge, wreedheid ligt niet in mijn aard; mijn hart is menscheljjk
en weet menschelijk te voelen, ik ervoer het menigmaal tot mijn
schade. Maar een goed chirurgijn brandt de wond liever toe dan
dat hij zijn lijder daaraan ziet doodbloeden, en Ik zeg u, nu moet
do uwe genezen worden, want zoo gjj het ongeluk hadt uw broe-
der nog levend in Luikerland weer te vinden, dan zou ik u raden
niet meer naar hem om to zien, daar hij deze gratie niet kan
gekocht hebben dan door lafhartig verraad onzer zaak, door be-
kentenissen die haar moesten schaden, of door diensten aan de
tegenpartij die hem verachtelijk zouden maken, zelfs in uwe oogen.\'\'
„Mijn broeder een lafhartige! mijn broeder een verrader van
onze cause! wie dat zeggen durft, ik zat hem door mijn rapier tot
-ocr page 48-
:;s
herroepen dwingen,..." borst Frank uit, in vervoering de hand
slaande waar hij nu zijn degen niet vond.
.Niet ik zog dat!" sprak Rosse Jau, die hem bedaard had gade-
geslagen, «ik zeg dat uw broeder is omgebracht door de Luike-
naars; geloof mjj dus en laat het aan vrouwen en knapen over,
om zich mot zwaarmoedige voorstellingen te vorweekelijken als
de ure voor manneljjk handelen naakt. Wees gjj een man, Frank!
wees er meer op uit, uw broeder te wreken, dan hem te bewee-
nen; slechts daardoor zult gij het vaderland dienst doen."
.liet komt mij voor, in vrijigheid gezegd, dat het op het laatste
aankomt, meester Jan! het andere is maar bijzaak," sprak Wouter
Willemsz, die hen nu weer had ingehaald, en zoomin als de
eerste misdeeld was van vrjjmoedigheid tegenover zijn meerdere,
waar hij achtte liet goed recht aan zijne zijde te hebben, en die
zich bovendien te lichter eenige gemeenzaamheid met deu vaan-
drig mocht veroorloven, daar de vermomming welke zij droegen,
voor het uiterlijke alle verschil van rang had opgeheven. Frank de
1\'reys voelde zich dan ook niet gekrenkt door die toespraak, maar
gaf er toch geen antwoord op; hjj bleef zwijgend voortgaan, met
gebukten hoofde en saamgeklemde lippen, deu raad hem door
Kosse Jan gegeven, de ha
08168224
nden achteloos in de zjjzakken te steken,
volkomen veronachtzamend.
De laatste zag hem van ter zijde aan met een misnoegd schou-
derophalen en gaf zich tegen Wouter lucht.
„Ik sprak van wrake, omdat bij den Jonker een prikkel noodig
schijnt; en is dit het geval, dan zie ik hem liever gedreven door
wraakzucht, dan neergedrukt door smart; zwakheid en aarzeling,
waar slechts de daad pas geeft, schijnt in dat geslacht een e fami-
liekwaal."
„Ik zal u het tegendeel bewijzen !" riep Frank, die maar tegoed
had verstaan wat hem eigenlijk gold. „Te Iloey zijnde zal ik mijn
last volvoeren zonder schroomen of wankelen; slechts kan ik, wat
gij bijzaak en hoofdzaak noemt, zoo spitsvoudig niet scheiden. Ik
zal mjjn plicht doen, ook met een verscheurd harte; ziedaar alles
wat ik kan zeggen."
„Mits hot verscheurde harte het hoofd niet vorbijstere," viel
Kosse Jan in, „want oen oogenblik verstrooidheid, één onvoorzichtige
blik of wenk, en gij deelt het lot van uw broeder. .."
„Zijn lot dooien! dat is hot wat ik vurigst wenseho, herhaalde
Frank op hartstochteljjkon toon.
„Ei zoo! uw vurigste wensch zou zijn: gehangen of doorschoten
te worden! — en wat wordt er dan van uw plicht, van den dienst,
dien men van u wacht*"\'" sprak Kosse Jan met doordringende ironie,
doch met fluisterende stom.
„(rij hebt gelijk; het is onzinnig, dus te spreken."
-ocr page 49-
:i\'.i
„Hoe goed gij u zelven dus beoordeelt! — heb ik dan ongelijk,
te zeggen dat gij van de familiekwaal zjjt aangetast! Onberaden
overmoed, te ontijde tot blooheid ingekrompen, ziedaar wat uw
broeders onheil veroorzaakt heeft..."
„Gij lastert den martelaar!" voegde Frank hem toornig toe.
„Ik spreek recht over den doode!" hernam Kosse Jan met
vastheid.
„Zoo zeg mij toch, wat er met mijn broeder is gebeurd," vroeg
de vaandrig, verslagen, op lachten toon; „zeg mij hoe het zijn
kon, dat hij, juist hij gevangen raakte, terwijl gjj zelf in vrijheid
bleeft, schoon gjj niet hem waart;" — en er lag in die laatste
woorden een angel van kwaad vermoeden, aan welken Kosse Jan
zich echter niet stak, hjj antwoordde gulgauw:
„Wel! ik werd gevangengenomen, zoo goed als hij; men bond
mij zelfs de armen op den rug saam, terwijl men zich verge-
noegde Heer (ierhard den degen af te vragen, daar hjj zich,
toen wij ontdekt werden op onzen verspiedingstocht, edelman
verklaarde en ik mij aan mijn dorpeljjken bijnaam hield. Zoo
verre weervoer ons een gelijk lot; het vervolg bereidde ieder
zich zelven voor. Ik verloor het hoofd niet; ik bewaarde, zoo
goed liet ging, mijne kalmte van geest, om, mocht er nog kans
van ontsnappen zijn, de occasie waar te kunnen nemen. Uw
ongelukkige broeder, die zich al aarzelend en bedremmeld droeg,
toen wij het kasteel naderden, hij versaagde geheel, hij gaf alle
hoop op, zoodra men hem gevangennam, en liet zich wegvoeren,
gedwee als een lam en zorgeloos als een kind."
„Nadat een krijgsman en edelman gedwongen is zijn degen af
te geven, behoort hjj zich te beschouwen als gebonden door zijne
eer!... al is hjj buiten banden," sprak Frank, met vuur.
„Als men zoo fijne voelhoornen heeft op dat punt, deugt men
niet voor spie!... breng u dat tot uw eigen bestier te binnen,
als ge straks in \'t gevaar zult zijn," hernam Kosse Jan, „wat
mij belangt, ik had al lang met zulke vooroordeelen gebroken
en zocht terstond een uitweg om te ontsnappen. Terwijl men mij
het smalle, steile rotspad opvoerde naar \'t kasteel (een weg dien
ik u straks, als we er nabij zjjn, wijzen zal,) veinsde ik een
oogenblik of ik me in snelle vaart van de rots wilde afstorten...
de soldaat die mijne koorde gevat hield, scheen, zooals ik wel
verwachtte, geen lust te hebben dien sprong mee te doen, en
liet verschrikt, onwillekeurig, het eind touw uit de handen glippen.
Dat was juist wat ik wilde; ik stortte mij niet neer van de rots,
maar ik klauterde haar af, schijnbaar zoo rouwelijk, inderdaad
zoo rap, dat zjj wel moesten gelooven dat ik neerstortte. Geen
der soldaten durfde mij volgen : gelukkig waren het hellebaardiers,
die geen vuurwapenen hadden. Eerst toen ik beneden kwam,
-ocr page 50-
40
losten de schildwachten van de borstwering hunne roeren op mij,
doch tevergeefs; ik had de rivier al bereikt en dook in\'t water;
mijne banden waren wat ruimer geworden toen de soldaat zo
had laten slippen; het overige deed een ferme ruk. liet zou mij
licht zjju geweest naar den oever te zwemmen : maar ik begreep,
dat zij mjj juist daar zouden wachten om mij opnieuw te vangen ;
zoo verschalkte ik hen en waagde mij aan de landing niet."
„Dorst gij dan voorts wemmen ?" vroeg Wouter Willemsz.
„/\'</.•* ui hrte! ik kende oen schuilplaats onder de steenen brug
over de .Maas, in welke ik mjj wist te bergen. Toen zjj mij
nergens ontwaarden, toen ze mij aan den oever lang genoeg
tevergeefs hadden gewacht, konden zjj mijn venhvjjnen wel niet
begrijpen, maar hielden het er toch voor, dat ik hun ontkomen
was: althans, ik bemerkte van uit mijn hol dat zij, het ijdel
nasporen moede, morrend en onlustig naar de vesting weerkeer-
den. De schildwachten werden verdubbeld en waakten zeker
met driedubbele vlijt, maar baten mocht het hun niet; ik hield
mjj schuil tot in den nacht; toen eerst klauterde ik tegen het
brokkelend muurwerk van de brug naar boven en kwam zoo op
den oever. De verdere vlucht was maar kinderspel, en spoedig
was ik te Breda, de jobsbode..."
„En van mijn armen broeder is daarna niets meer gehoord?"
zuchtte Krank.
„Taal noch teekeu kwam te mijner keunis; schoon ik later
meer dan eens op I.uikseh grondgebied en rondom de citadel
heb gezworven;
          maar gij begrijpt ook, dat men daar niet
buiten op de muren schrijft, wat daar binnen voorvalt!"
„Hoe mjj zulk een avontuurtje lusten zou!" riep Wouter Wil-
lemsz, die de droefgeestigheid van Krank wilde afleiden door \'t
gesprek op een ander onderwerp te brengen.
„Geen lustig avontuur, voorwaar!" sprak Rosse Jan; „voor een
aardigheid behoeft ge daar niet om te wonschon. Stel u maar
eens voor, met ontvelde handen en gekneusde leden langs eene
rotswand neer te komen in \'t water en daarop, zonder eenige
verkwikking, zonder eenig soelaas, een half etmaal ineengehurkt
te zitten in eene afgebrokkelde steenen nis, halfsljjfs in den vloed,
halfsljjfs in \'t sljjk onder den boog van een brug, waar\'t gevaar
van ontdekking u onder allerlei gestalten bedreigt; ontdekking, die
tot een smadclijken en sniartelijken dood leiden moet. Wat dunkt u ?"
„Wie zegt u, dat ik wenschte het mjjne volkomen op het
uwe te zien gelijken?" hernam Wouter lachende, „ik kom er
maar voor uit, dat als men eenmaal soldaat is en een jeugdig
en moedig harte heeft, het verlangen zich vaak vurig keert
naar iets ongemeens, om door de daad te betuigen wat er in
ons binnenste omgaat."
-ocr page 51-
II
„Daar zult ge welhaast toe geraken; we zijn nu op een goe-
den weg...."
„\'t Is nijju planeet, nooit de occasie te hebben om mij te 011-
derscheiden."
„Hoe kunt gij zoo «preken;\'\' of heb ik u niet hooren zeggen,
dat g|j op de wallen van Sluis uw eerste schot hebt gedaan \'f
_IIin! mijn meeste werk bestond toen nog maar in steenen
aandragen en zand voortkruien op de bolwerken.... Ik was
even in de twaalf jaar en ze hadden geen kruit genoeg in de
vesting, om het door mijne onervaren handen te laten verschieten;
die gelegenheid valt dus niet mee te rekenen. Ik was niets dan
een burgerkind dat een handje hielp, en zelfs," de kloeke
jonkman zuchtte even, «zelfs was er toen geen haar op mjjn hoofd
dat er aan dacht soldaat te worden. Mijn vader was een koopman
en scheepsreeder die er warmpjes inzat. Vraag aan oude Sluise-
naars hoe of Willem in \'t Hort er bekend stond! Daarbjj was
ik eenige zoon, en we wisten niet beter of ik zou met den tjjd
mijn vader in zijne zaken helpen en hem opvolgen. Ik ging daartoe
op de beste school en had in de rekenkunst en in \'t schrjjveu al
vrij wat vorderingen gemaakt, zoozeer zelfs, dat de schoolmeester
pleizier in mij had. Die brave meester Lubbertus! hij deed een
goed woord voor mij bjj onzen dominé van Houte, opdat deze
mij wat onderwijs geven mocht in de Latjjnsche taal. Van de
Francoyse en de Kngelsiho sprake kreeg ik kennis door den
omgang met de scheepskapiteins en kooplieden uit die natiën,
die op mjjns vaders kantoor altijd waren te vinden. Zoo was ik
bijkans op weg om een geleerde te worden, toen de Hertog *t beleg
sloeg om onze stad. Was de handel in Sluis al aan \'t verslappen
geraakt door den oorlog, het beleg bracht dien ganschelijk te
niet; geen wonder dat ook mijns vaders zaken achteruitliepen.
Ten slotte werd ons huis door een bom getroffen en verder
omvergehaald, ten einde een bres te helpen stoppen. Mijne moe-
der was al lang bezweken; mjjn vader had zich gevoegd bij de
burgeren, die op de bolwerken dienst deden. Hij behoorde onder
degenen, die er vielen! Toen de stad werd overgegeven, waren
mijne zuster en ik berooide weezen geworden, van rijke burger-
kinderen, als we eenmaal plachten te zijn. .Mijne zuster had, als
vrouwenkapitein, de burgeresseu van Sluis aangevoerd; zjj waren
in het krijgsverdrag begrepen en trokken mee uit, met krijgs-
eere. Ik volgde aan hare zijde met het weinigje goed, dat wij
nog bezaten. Mijne vooruitzichten waren in rook vervlogen;
maar hoe jong ik nog zijn mocht, bjj \'t verlies onzer fortuin,
bjj \'t zien van al die puinhoopen, was mjjn gemoed vast beslo-
ten de zaak der Geünieerde Nederlanden te dienen, mee te helpen
het Spaansche juk af te schudden! Ik beloofde mij zelven me
-ocr page 52-
42
in dien dienst op zulke wijze te onderscheiden, dat ik uit de
laagte weer opkwam;... helaas! de fortuin is voor mijn wensehen
doof gebleven ... In den beginne ging alles redelijk. Wij togen
naar Middelburg, waar wij gastvrjj werden ontvangen door oude
handelskennissen van mijn vader; doeh daar die goede lui door
den oorlog zelf veel verloren hadden, konden zij ons slechts
tijdelijk tot steun zjjn. Mjjne zuster vond eene plaats als huis-
houdster bij een Engelsril kolonel, die in Vlissingen lag. Ik
mocht hij haar blijven. In zóó\'n uitheeinsch huis komt het er
op een mond meer niet aan; ik deed mijn best den lord te be-
hagen en geraakte in gunst. IIij vroeg mij wat ik worden wilde;
ik had geene keuze meer; ik had ook geen anderen zin: ik
moest soldaat worden. Hij beloofde mij zijne bescherming; ik
leerde de handgrepen, de eerste oefeningen van het handwerk
in zijn huis, al spelende en nog vóór ik den leeftjjd had om in
dienst te treden. Hij beloofde mij eene plaats als vaandrig bij
zjjn regiment; maar vóór hij woord koude houden, liep de twist
tusschen den graaf van Leycester en de Staten zoo hoog, dat
deze, zooals gij weet, naar Engeland vertrok; tot mijn ongeluk,
ging mijn kolonel niet hem. Ik verloor meer in dezen dan ik
vermoedde. Daar men mij te jong en te teer van lichaam achtte
om mijn vurig verlangen gehoor te geven en mij een krjjgstocht
te laten meemaken naar Vlaanderen, bleef ik te Vlissingen bij
\'t Engelsch garnizoen . .. slenteren. Zonder eenigen rang, ja,
zelfs zonder werkelijke verbintenis, verkwistte ik mijn tijd; totdat
de zaken daar geheel veranderden door do komst van een nicu-
wen gouverneur, en ik het niet langer onder de Engelschen kon
uithouden. Toen nam ik dienst bjj eene Hollandsche compagnie;
maar het geluk is mij tegen ! Ik heb nog niets mogen uitvoeren,
dat de opmerkzaamheid mijner overhoofden trok; ik mocht geen
veldtocht meemaken, hoe graag ik mijn hart ook aan de Span-
jaards had opgehaald. Lach er niet om. Toen lest het beleg voor
Geertruidonberg werd geslagen, kreeg mjjne compagnie order om
naar het Xoordor-Kwartier te trekken, en toen Geertruidonberg
aan ons was, en de wacht er slechts in rust te betrekken viel,
toen moesten wij deel uitmaken van de bezetting! Ik vraag u, is
dat geen misfortuin» Ik verviel bijkans tot wanhoop, toen ik sedert
vernam, dat wjj ook weer niet zouden behooren tot het volk, dat
naar Frankrijk moest om den Hertog van Houillon bjj te staan..."
„AVees daar niet rouwig om," sprak Rosse Jan, „de Hollanders
hebben er zooveel te lijden, dat het aan \'t vechten niet toekomt...
Haar zoudt gij geen luitenant worden."
„Dat heb ik later ook ingezien; maar ge kunt u nu voorstel-
len, hoc gretig ik naar mijn musket greep, toen ik mee aange-
wezen werd op te trekken naar de Wezelsche heide. Daar, dacht
-ocr page 53-
4.-i
ik terstond, daar zal wat anders te doen zijn dan parade maken !"
„Eindeljjk valt de kans u ten deel, u te onderscheiden en vooruit
te komen," sprak Krank, die inderdaad door Woutcr\'s kout van
zijne zwaarmoedige gedachten was afgeleid.
„Kene gelegenheid, hooger te stijgen dan gij u ooit mocht
vleien," voegde Hosse Jan er aan toe.
„Gjj weet niet hoe hoog mijne verwachtingen gaan," antwoordde
Wouter glimlachend, terwijl hij met een beteekenisvol gebaar de
hand ver boven zijn hoofd uitstrekte, in de richting van\'t kasteel.
„Geraden!" hernam Kosse Jan, „dat was het wat ik bedoelde."
„En toch," hernam Wouter, „heb ik mij aan kapitein Hérau-
gière moeten opdringen, om mee te mogen gaan, schoon ik het
met vrjjmoedigheid deed, wetende, dat ik nog wel tot iets die-
nen kon ..."
„Al was \'t maar alleen om mij de woning van Pierre de la
Geneste te helpen opzoeken," sprak Krank goelijk.
„St! st!" viel Kosse Jan in; „men noemt zoo geen namen, en
allerminst een zulken, zoo nabij Hoey. Wat gijliedeu onhandige
samenzweerders zoudt zijn!"
„(Jij schijnt er den slag van weg te hebben," merkte Krank
aan, niet zonder een tintje van minachting, hetgeen de Luikenaar
heel goed voelde, want hij hernam:
„En dat vindt gij zeker nogal vreemd, dat ik mij leen tot
dingen, als wij nu gaan ondernemen ?"
„Om u de waarheid te zeggen ... ik zou zoo iets tegen mijn
eigene stad niet kunnen doen ..."
„Gjj zoudt het kunnen, waart ge in mijn geval."
„Och, vertel ons dan uw geval; want er is iets zoo vreemds,
zoo raadselachtig in uw persoon en gedrag, dat mij, te Breda
zij nde ..."
. Mailt ge het mij te Breda gevraagd, dan ... zou ik het u
mogelijk verklaard hebben. Maar voor dit oogenblik is de ge-
sehicdenis te lang on ... te ongeschikt; tot nader occasie dus, te
meer daar wc do poort van Hoey nabij zijn, en... Zie maar om
en achterwaarts, we zijn niet meer alloen op den weg; — ge
moet het voortaan zonder titel doen; — gij noemt mij Colas; —
we zijn nu boeren; geef wel acht op mijn I.uikerwaalsch, Krank!"
en hij begon in dezen tongval op vrij luiden toon praatjes te
houden, die geen landbewoner van den omtrek zou gedesavoueerd
hebben. Ten laatste bij de poort gekomen, sprak hij, aan Wouter
zijne eieren overleverende, ten aanhoore van de voorbijgangers:
„Sinds gij mijne eieren gekocht hebt, zie ik niet waarom ik
markten zou; ik heb nog eene boodschap te doen aan mijnheer
den Abt van St. liambert, en te avond wil de vrouw ook naar
de stad om Vastenavond te houden." En na een handslag tot
-ocr page 54-
u
groetc liep hij weg met don rustigen slentergang, don dorper eigen.
Wouter gaf nu zijne hoenders aan Krank te dragen, die na
den wenk van Hessen Jan de onberispelyke blankheid zijner
handen bezoedeld had met wat kolengruis, dat hij langa den weg
vond. Beiden stapten zwjjgend voort en de poort in, zonder de
opmerkzaamheid der schildwachten te trekken.
_ Hoeveel voor die magere hoenders ?" vroeg eene Hooysehe
burgervrouw. Krank aansprekende, die, verrast en verlegen haar
te nauwernood verstond en niet wist wat te antwoorden.
\'t Zijn welgemeste, maar ze zijn niet te koop!" hernam Wouter
gevat, voor den vaandrig het woord nemend*?; „wij moeten ze
naar den bevelhebber van \'t kasteel brengen."
„O zoo! laat die er aan smullen!*1 antwoordde de boerin te-
leurgesteld en liet van hen af, met den blik van den vos, die
de druiven zuur vond.
BGeef ze nijj,\'* fluisterde Wouter den jongen edelman toe. ,,Ge
zoudt er te veel last van hebben; *t is beter voor u aan "t bewuste
huis te komen zonder koopwaar, die ge toch niet weet te veilen/1
„Ik loochen liet niet," hernam Frank, op denzelfden toon, „dat
ik mij onthutst en bezwaard gevoele of ik een groot kwaad ging
doen; dit insluipen iu eene vreemde stad onder vermomming .. ."
„Ja! ja! van avond zullen we momniongangers te overzien en
kluchtige ook!" hernam Wouter luide, terwijl hij hem in den
arm kneep om hem te waarschuwen, zich toch geen onvoorzien-
tig woord te laten ontvallen.
Wie onzer kan den geheimen weerzin van den jeugdigen edel*
man niet begrijpen, niet medevoelen? Krank was een jongeling
van gullen, levendigen aard, die zeker een der lastigste vaandrigs
van het Staatsche leger zou zjjn geweest, zoo niet het lot, dat
zijn eenigen broeder had getroffen, zoo niet de martelende be-
kommering of deze verscheiden was, over zijn leven een som-
ber Hoers had geworpen, door \'t welk de zonnegloed van zijn
twintig jaren maar zelden heendrong. Als hij Iloey had mogen
binnenrukken met den degen in de hand, als het hem vergund
ware geweest, allerlei levensgevaar tartende, tot de citadel door
te dringen, — als hij er, verwinnaar, had mogen uitroepen:
leeft mijn broeder nog!\' hoe men zijne opene, heldere oogen zou
hebben zien lichten van strijdlust, zien stralen van moed! Thans
echter, in boeroupluujo vermomd, hjj, die zoo trotsch was op den
dubbelen adel van blazoen en rapier, thans, do stad hinnonslui-
pende, om bij te dragen tot het gelukken der beraamde list, —
thans scheen hem, met het pak om de leden, de dorperheid in de
ziel gevaren : het was hem te moede, of ieder het hem aan kon
zien, dat hij begon met bedrog, om te eindigen met verraad!
-ocr page 55-
.-*ïr*-l-i-i-ïa-*-i-*-*-*"#"*"ï"\'*"i"i^ï-ivi-*i-*-i-i-ï\'i;i\'iï.\'*Ï * *:i *:«;
r
r
».r. r.T.».r. .*-*. ï-t. r.t.*.T-r.YJtr-f. t.t. y-t-t-t-ï.?.». * .*. *-*-?-» r. * .y.t.t.t-*
HOOFDSTUK III.
Wouter Willeinsz verliet jonker Krank eerst bjj de deur van
schepen de Ia Geneste. Hoe gaarne zou hij mee zjjn gegaan, zoo
dat niet bepaald tegen zijn last had gestreden; want de weife-
lende houding des vaandrigs boezemde hem weinig vertrouwen
in op de behendigheid waarmee de commissie van Héraugière
zou worden uitgevoerd. En zekerlijk, men zou deze ten laste
moeten leggen, dat hij zich had vergist in de keuze van zijn
bode, zoo er groote gevatheid of vlugheid van vinding werd
vereiseht voor die zending. Was dit echter eigenlijk het geval?
Onze vaandrig had slechts eene vraag te doen, naar het antwoord
te luisteren en dat getrouwelijk over te brengen. Hij kwam
niet om onwilligen te overreden of onverschilligen mee te slepen.
Hij had geen overeenkomst te sluiten, geene onderhandelingen
aan te knoopen; hij kwam alleen vragen of men gezind was en
gelegenheid had om de aangegane verbintenis na te leven.
Men kon met een „neen" volstaan, en Krank had geen order
om daarna op het „ja" aan te dringen; — en toen, toen hij
den klopper van do huisdeur had opgeheven en dien hoorde
neervallen, werd het hem zoo bang om het hart, of het zware
ijzer er op bonsde; de stem stokte hem in de keel, zoodat hij
op de vraag van het dienstmeisje:
„Boertje! wat moet je?" slechts op dotten toon antwoorden kon :
„Den Schepen spreken!"
„In zijn ambt!1" vroeg het meisje, den verlegen en sterk
kleurenden dorpeling met een half bedwongen glimlachje nieuws-
gierig opnemende.
„Ja! in zijn ambt!" herhaalde hij, in de hoop dat dit het zekerste
middel zou zjjn om toegelaten te worden.
„Ga dan naar het raadhuis, daar zit hij er voor."
Van hoogrood werd de arme Krank doodsbleek. Ondanks al
zjjne verwarring, fluisterde echter zijn goed oordeel hem in, dat
-ocr page 56-
u
hij zulk oen proef niet moest wagen: dat hjj niet in staat zou
zijn <ien Schepen op het raadhuis tegenover collega\'s en burgers,
onder bedekte termen, eene zoo hachelijke boodschap over te
brengen; of, ondervraagd zijnde, zich door een noodleugen te
redden. Hij voelde, dat hjj den argwaan zou opwekken van
ieder, die de opmerkzaamheid op hem vestigde; en daarom
hernam hij haastig:
„Xecn! neen! dat niet! Met betreft eene particuliere zaak; ik
zou den achtbaren heer liefst onder vier oogen willen spreken..."
De dienstbode haalde de schouders op en schudde even het
hoofd, al glimlachende; — toen nam zjj hem nog eens van top
tot teen op, en sprak langzaam, vragenderwijs:
_Zal ik dan juffer Madelcine roepen?"... Mogelijk kunt gij
deze uwe boodschap wel doen !"
„O ja! - ja! — doe zoo, goed kind! roep uwe juffer!\'\'
hernam hij levendig, schier gejaagd, .ik zal u de moeite ruim
beloonen."
„Nu ja, der hiiisluideu hand is mild!" spotte het meiske,
„maar toch ... do uwe ..." en zij dreigde met den vinger, als
waarschuwde zij hem, dat ze zijn geheim had geraden.
Echter was de oolijke deern door hare fantasie beetgenomen,
getuigde de kluchtige ophef waarmee zij zich tot hare meesteres
wendde.
„Juffer! daar is zoo waar een carnavalsvrijer voor u! maar
het is geen leeperd ! \'t Is een jonk, fijn borstje, dat zich verkapt
heeft als een dorper, en ... die meent, dat wij \'t niet merken
zullen."
„AVat dolligheid is dat, Trinette? Denkt gij, dat ik dien kwant
te woord zal staan ? ...
„Hoor ten minste zijne boodschap aan, juffer!" hernam Tri-
nette, ernstiger; „ik... kan mjj vergissen; hij vroeg eigenlijk
naar den heer Schepen; maar ... ik . .. houd het voor een ear-
nnvalsgrap."
„Aan carnavalsgrappen doen wij hier niet, dat weet gij wel,
Trinette!" werd er geantwoord met een heldere, wel wat scherp-
klinkende stem; „maar ik acht het toch noodig te onderzoeken
wat dit beduidt." En de toon, waarop die woorden werden ge-
sproken, hoewel gericht tot die dienstmaagd, scheen tot bedreiging
te moeten strekken van den indringer, die in het ruime voorhuis
was blijven staan.
Xog eer de spreekster uit de gang tot hem gekomen was, had
onze vaandrig dus reeds de zekerheid, te hebben mishaagd, tot
achterdocht wekken» toe. En kon dat voor geen jonkman ter
wereld eene onverschillige zaak zijn, als men Madeleine de la
Geneste voor zich zag, het was dit allerminst voor Krank de 1\'revs
-ocr page 57-
47
onder omstandigheden als die, waarin hij zich aan haar vertoonde.
Madeleine was eene kloeke, fiere jonkvrouw, die de Vlaamsche
frischheid met het Duitsche blond en de Fransehe levendigheid
vereenigde; er lag eene mengeling van ernst en schalkheid in
hare trekken, welke het gevaarlijk moest maken, haar tot tegen-
partij te hebben. In haar huisgewaad van zwart karsaai, de keurB
en de mouwen zonder ander sieraad dan eenige rijen dicht op-
eengezette zijden knoopjes van dezelfde kleur; — blonde, natuur-
lijk krullende haren, boven het voorhoofd een weinigje opge-
strekcn, zonder zich geheel te verschuilen onder het stjjf staande
hoogjc of mutsje, dat ze in bedwang hield; met het smalle linnen
boordje over het zwarte jakje heengeslagen, dat nog iets van
den vollen blanken hals bloot liet, zag zjj er, zonder eenigen
opschik te dragen, deftig genoeg uit om haar terstond te groeten
voor de aanzienljjke burgerjonkvrouw, die zjj was.
Pierre de la Geneste behoorde niet tot den Luiksehen adel;
maar hij rekende zijne afkomst uit eene aloude magistraatsfiunilie,
die, als bij erfopvolging, de rechterlijke collcgicn en de sehepen-
bank had bezet.
Koel en uitvorsehend, of zij zelve de functie van haar vader
had bekleed, liet Madeleine haar donkerblauw oog op den ont-
hutsten Frank rusten, terwijl ze tot hem zeide:
„Gij hebt naar mijn vader gevraagd, jonkman! weet gij dat
de schepen de la Geneste geen man is om mee te schertsen?"
„Zooveel te beter, want ik heb eene ernstige boodschap aan
hem," antwoordde Frank, reeds vrij gevat, en zich met een kloek
besluit heenzettende over zijn geaarzel. Bij het zien eener schran-
dere en deftige jonkvrouw, voelde hij zich aangegord met kracht
om zijne rol goed te spelen; een gek figuur maken, scheen hem
op dit oogenblik het ergste wat hem overkomen kon.
„Kene boodschap, die voor zijne dochter geheim moet blij—
ven?" vroeg zij, wel een weinigje schalk, maar toch nog altijd
met den kouden, uitvorschenden blik.
„Het is wijn geheim niet," hernam hij vast, haar op zijne beurt
moedig in de oogen ziende.
„Wat het uwe niet is, moogt ge ook niet wegschenken, zeide
zjj, nu den blik van hem afwendende en even kleurende. Zij was
gerustgesteld wat de kwade vermoedens van Trinette betrof; maar
spijt, dat hare scherpzinnigheid faalde, sprak uit haar toon.
„Zoo versta ik het ook!" gaf Krank ten antwoord, wat kort,
wat nurks zelfs; hij zag geen kans den afgebroken draad van het
gesprek dadelijk weer aan te knoopen.
Ook zij scheen daartoe weinig genegen.
„Gij verlangt alzoo te weten wanneer gij kunt terugkomen om
mijn vader te spreken?" vroeg zij koeltjes.
-ocr page 58-
4S
„Ik buide zeer te mogen wachten tot hij gekeerd zal zijn,"
getuigde zijn harte. „Ik hen hier vreemdeling, weet den weg
niet al te wel, en ... en .. .*\'
„En zijt te weinig op uw gemak in die plunje, om er mee op
straat rond te loopeu, is het zoo niet"\'" vroeg zij glimlachend.
lljj heet zich op de lippen en knikte tot eenig antwoord, be-
schaarad en toch niet ontevreden dat ze zijn persoon onderscheidde
van zijn gewaad.
„Zoo treed dan binnen!" hernam zjj, de deur van het zijvertrek
voor hem openende. „Ik wil u vertrouwen geven en het op uw
gunstig uiterlijk wagen, hopende dat er niets schuldigs steekt in
<le list dezer vermomming; want... al draagt ge het wambuis
van onze huislieden, een boer zijt ge niet."
„Goed geraden," hernam Frank openhartig en kennelijk ver-
licht, daar hij, verraden zijnde, zijne rol niet langer behoefde vol
te houden. „Ken boer ben ik niet; in dit pak voel ik mjj linkschor
■dan de dorporste dorper. Ik zou \'t niet langer kunnen dragen, al
mocht het mij duur te staan komen, het af te werpen." En zijn
lakensehen hoed lichtende, als nooit een landman het deed, wierp
hij dien verre van zich; knoopte met drift het enge wambuis, of
het hem benauwde, los, en gaf fijner lijnwaad bloot dan een boer
destjjds droeg. „Oef! waartoe dit carnavalsspel langer volgehouden,
daar gij het reeds hebt doorzien*\' men moest van geen edelman
veinzen vergen. Ik hen een vaandrig van het Staatsche leger,
mejonkvrouw!" eindigde hjj, zich hoffelijk en bevallig voor haar
buigende.
De beurt was aan de juffer, de vastheid harer houding voor
verlegenheid te zien wijken ; zij verbleekte en vroeg met bewogene
stem, terwijl zij hem een stoel aanwees: „Magik uw naam weten,
heer vaandrig r1"
„Mijn naam..." en de jonge edelman aarzelde weer, daar het
hem inviel, dat hij gezworen had zijn familienaam niet te noemen;
toch redde hjj zich door te zeggen:
„Noem mij jonker Frank, als ik u verzoeken mag; mijn go-
slachtsnaam doet hier niet ter zake."
„Dat ben ik nog niet met u eens," sprak de jonkvrouw, hem
opnieuw aanziende, of zjj uit zjjne gelaatstrekken zijn geheim
wilde lezen.
„Gij zult het mij toestemmen, als ik u zeg, dat ik niet hier
kom uit mij zelven, maar met een last van mijn Overste."
„Ik zou dien last moeten kennen om te kunnen oordeelen of
uwe persoonlijkheid daarbij niets beduidt," hernam de slimme
juffer, vermoedelijk door nieuwsgierigheid geprikkeld.
„Wat mij werd opgedragen geldt uw heer vader," besloot hij
kort; „doch..."" voegde hjj er vergoelijkend bij, „gij kunt wel
-ocr page 59-
4\'.)
denken dat het zijn moet in \'t belang der goede cause..."
„De goede cause! dat is een woord met twee handvatsels,"
zeide zij, even glimlachend; „ik zou willen weten wat er door u
met die goede cause wordt bedoeld."
„Die der vrijheid, dat spreekt vanzelf!" viel hij gulgauw uit.
„Dus die der Geünieerde Provinciën, zoo ik het wel vatte:
maar Hoey ligt in \'t bisdom van Luik ... en ik zie dus niet wat
wij met uwe goede cause hebben te stellen."
„Mag ik op mijne beurt eene vraag aan u richten, mejuffer?"
sprak hij, voelende dat hij zijne tactiek moest veranderen oin niet
door de hare overrompeld te worden.
„Vraag, jonker Frank ..."
„Eerst dan, wil mij uw naam zeggen."
„Mijn familienaam of mjjn eigen?"
„Uw doopnaam, als ik u verzoeken mag."
„ Madelei ne-Francoise, om u te dienen, gij kunt echter met
Madeleino volstaan."
„Nu dan, juffer Madeleine! behoort gij door uw doop tot de
Koouischc kerk of..."
„Hoe zou dat anders kunnen zijn ?" vroeg zij met een strak
gelaat.
„Wel, ik meende te weten, dat de Roomsche religie hier niet
de eenige is."
„Dat placht misschien in vorige dagen \'t geval te zijn ...."
hernam zij droogjes; maar van do Lutherjj is hier geen gewag
meer, en wat den aanhang der Calvinisten belangt..."
„Den aanhang der Calvinisten!" viel hij in. „Bij ons in Holland
meent men te weten, dat hier sinds tal van jaren een wettig
erkende Gereformeerde gemeente heeft bestaan."
„\'t Is wel mogelijk; maar onze Heer de Bisschop heeft op
\'t een als op \'t ander orde gesteld, en daar een eind aan gemaakt
al voor lang!"
„O zoo!..." bracht nu Frank uit op gerekten toon; hij be-
greep, dat het zaak werd zich niet verder onvoorzichtig te wagen.
„En daar heerscht hier een volkomen religie-vrede onder de
burgers..." vervolgde zij, met een zonderlingen nadruk in de
stem.
„Dat verheugt me," zei Frank op norschen toon; als hij nooit
te voren jegens eene jonge schoone had gebruikt.
„Dat kan ik wel denken," sprak Madeleine, ondeugend; „ik
zeide het ook om u te verblijden ..."
„Ik zie," hernam hij, gekrenkt en plotseling opstaande, „dat
ik mijn boodschap hier wel achterwege kan laten ..."
„Staat het oordeel daarover aan u of aan uw zender?" vroeg
zij levendig en met zekere onrust, die zij niet wist te verbergen.
De verrnsging van Hoey
-ocr page 60-
50
„Commissiën als de uwe moeten met volharding uitgevoerd wor-
den; ten halve keeren zou gevaarljjk dolen zijn."*
Frank wist niet wat hij er van denken moest; de toon van de
schalke «laagster was die van ernstige waarschuwing geworden.
Wat hij zich voornam te antwoorden, kwam niet te onzer kennis;
want op datzelfde oogenblik trad de schepen, Pierre do la Gé-
neste, binnen, en zich met zekere gejaagdheid tot zijne dochter
wendende, zeide hij: „Trinette heeft mij gezegd, dat er een
vreemdeling naar mij is komen vragen."
Maar terwijl hij nog sprak, was er een tweede persoon door
de openstaande deur binnengetreden, een kloeke, jonge krijgs-
man, die de Beijersche kleuren droeg, kennelijk een officier van
de bisschoppelijke bezetting.
Deze kon niet door den Schepen worden opgemerkt, daar de
laatst binnenkomende achter hem staan bleef op den dorpel van
\'t vertrek: Madeleine echter werd hem gewaar en met bewonde-
renswaardige tegenwoordigheid van geest antwoordde zjj:
„O! ja! maar dat heeft niets te beduiden; \'t is deze bravo
borst, die uw land aan de overzijde der Maas wonscht te pach-
ten;" en tegelijk had zij zich omgekeerd, — Frank, die reeds
opgestaan was, bij de hand genomen, — en hem onvoorziens
zijn grooten boerenhoed op het hoofd gedrukt. Kene deur ope-
nende in den schemerigen achtergrond van het vertrek, deed
ze hem den drempel van deze overtreden, zeggende:
„Trinette zal u een kanno biers langen, mijn jongen! Over de
conditiën zullen wij \'t straks wel eens worden."
Ofschoon schepen de la Geneste zich verwonderen mocht over
die haastigheid zijner dochter, liet hij haar echter begaan over-
tuigd dat zjj er hare redenen voor had, welke hem duidelijk
werden, toen hij, zich omkeerende, den officier ontwaarde, die
hem op den voet gevolgd was.
„O zoo ! Luitenant Kerkadet, die ons zijne opwachting komt
maken!" sprak hij toen op een minzamen toon, waarin wel iets
gedwongens lag; „nu begrijp ik waarom mijne huisvoogdesse mij
geen tijd gunt om over zaken te spreken."
„\'tSa! dat is een kansje, papa de la Geneste! Als de minne-
lijke Madeion in zoo\'n vroolijk humeur is, durf ik te stouter met
mijn verzoek voor den dag komen!" antwoordde de luitenant
op dien ruw gemeenzamen trant, van welken sommige menschen
zich tot hunne schade bedienen, om aangenaam te zijn.
„Wat is dat voor een verzoek P" vroeg Madeleine, met een blik
en eene stem die gansch niet var. een opgeruimd humeur ge-
tuigden.
„Voor alles mijne aangebedene de hand te mogen kussen,"
hernam hij, en wilde de daad bij het woord voegen, maar do
-ocr page 61-
51
gelegenheid jlaartoe werd ham benomen, daar de „aangebedene"
hare hand wegtrok, zeggende:
„Als het tweede verzoek even ongerijmd is als het eerste, kunt
gij \'t gerust voor u houden."
„Zoo zijn de meiskens!" sprak Kerkadet, na zijne mislukte
poging zich tot de la Geneste wendende. „In \'t heimelijk zijn zij
gevleid door onze hulde, maar stellen er hare eer in om het ons
te ontveinzen," en voer toen op lachenden toon tot Madeleine voort:
mMa fin\'f volschoone! moet men een boerenkinkel zijn, om
door u met zachtzinnigheid bejegend te worden? Ik heb duide-
ljjk verstaan dat gjj hem goede woorden gaaft, om hem in een
poosje waehtens te doen berusten."
Madeleine hief niet minachting de schouders op. „Ik gaf hem
geen goede woorden, maar ik beloofde hem een goeden dronk,
zooals gij zelf zoudt begeeren, als gij een langen weg hadt ge-
maakt, om eene boodschap te doen."
„Vergelijkt ge mij nu bjj een vilain!" morde hjj; „maar toch,
gij herinnert me dat ik van \'t kasteel geloopen heb tot hiertoe,
en dat een kroesken Leuvens mij welkom zou zjjn."
„Dat zult gij hebben," riep Madeleine, en wipte Huks weg,
vermoedelijk zeer in haar schik, het voorwendsel tot ontsnappen
te mogen aangrijpen.
Kerkadet meende van zijne zijde deze gunstige gelegenheid
waar te moeten nemen.
„Ah ra, meester Pierre! ik zag u van \'t raadhuis naar uw huis
keeren, en volgde u uit alle macht, zonder u te kunnen inhalen;
ik had u in den arm willen nemen om nog heden onze lieve
weerbarstige tot een besluit te brengen. Ik word door haar op
den tuil gehouden, en dat begint mij te vervelen. Het moet er
nu van daag in eens door, zoo gjj althans er niet tegen hebt."
„Als gij het van Madeleine kunt verkrjjgen, heb ik er vrede
mee," was het droog en dubbelzinnig antwoord van den Schepen.
„Dat zou ik denken, dat gij er vrede mee hadt!" riep Kerka-
det met zelfgevoel, „een man zooals ik, luitenant in hisschop-
pclijken dienst, de tweede op \'t kasteel naden Gouverneur, even
dertig jaar oud, nog een weinigje aan u verwant, en die zijn weg
wel maken zal sinds zijn oom eerste geheimschrijver is bjj den
Vicaris van onzen Heer, den l\'rins-Bisschop; — een man, die
nog daarenboven de vermoedelijke erfgenaam is van een rijken
kanunnik, en mijnheer Chapeauville tot vriend en beschermer
heeft, als zijnde zijn eigen moeders broeder; — mij dunkt op
zulke stelten mag men zich vleien verder te zullen komen...."
„Mij is het liefste, dat een jonkman, om fortuin te maken, op
zich zclven rekent," merkte de Schepen aan.
„Nu ja! ma foi! ik reken ook op mjj zelven; alleen.... ik
-ocr page 62-
52
hoop toch dat ik, na al hot gezegde, ook op u rekenen mag om
mijn aanzoek bij Madeleinc te ondersteunen f*9
«Het meiske is vrij! dat heb ik n al voorlang gezegd, en ik
hen mijn eenige dochter niet zoo moede, om haar tot een huwelijk
te dwingen."
„Te dwingen.... dwingen.... ik zou ook geenc liefste door
dwang willen hebben; maar mij dunkt, een vader mag zjjnc stem
wel eens verheffen ten gunste van een portuur, zooals ik ben,
die niet telken dage voorkomt...."
„Ik stem u dat toe.... slechts is het hier de kwestie of mijne
dochter in u haar portuur ziet."
„Dat ga ik haar vragen, want ik hoor haar komen.,.."
Werkelijk kwam Madeleine terug, met cene kan schuimend bier
en twee blinkende tinnen bekers; een der laatste schonk zij vol
en bood dien Kerkadet aan, zwijgend, doch met een minzaam
glimlachje. Er lag zulk een natuurlijke gratie in hare bewegingen,
dat de luitenant uitriep:
fOp mijn eer, ziedaar godendrank! door Hobe aangeboden."
„Gij weet wel, dat ik niet van die heidensehc uitvallen houde,
Charles!" sprak zij koeltjes; toch was er in het noemen van zijn
eigen naam eene gemeenzaamheid, die hem aanmoedigde te her-
vatten :
„Xu dan, om te spreken als een weleerlijk christen jonkman,
sinds gjj de vergelijkingen der poëterjje versmaadt: op wanneer
wilt ge het heugelijk tijdstip bepalen, dat ge als degelijke huis-
vrouw mijn beker vult;-"
„Dat is weer een van die invallen zooals gjj er meer hebt,
Kerkadet!" hernam zjj lachend, „daarop is geen antwoord noodig."
„Geen antwoord noodig! als ik het u in vollen ernst vrage in
bij wezen en met toestemming van uw heer vader?"
„Als het zóó ernstig gemeend is," antwoordde zij, een weinig
verbleekendc, „dan zou ik een oneindeljjk langen tijd van beraad
moeten vragen, om dat antwoord te geven."
„Mij dacht, gij moest toch al op zulke vraag van mij zijn
voorbereid, daar ik u het hof mak e van mijne teere jonkheid af."
„Het is zoo, Charles! als kinderen hebben wij samen gespoeld;
niet vreemd! uw moeder zaliger was eene bloedverwante van
mijn vader; met uw oom den deken zjjn wij mede op goeden
voet; waarom zouden wij u niet vriendschappelijk in ons huis
ontvangen, nu gij tot man zijt opgewassen, en \'t geval wil dat
ge hier in bezetting Hst f Wfj weten het, officieren hebben de
gewoonte, om jonge dochters met hoffelijke woorden en zoete
vleierijen te bejegenen; maar de meisjes zouden wel ingebeeld
en lichtzinnig morton zijn, om dat alles voor goede munt op te
vatten: zoo althans deed ik niet...."
-ocr page 63-
53
«Dat Spijt mjj, want onder de luchtiger courtoisie door hebbc
ik u menigmaal in ernst over mjjn hart, mijne genegenheid en
mijne vooruitzichten gesproken! Dit deed ik te eerder, daar ik
meende dat er tusschen uw heer vader en mijn oom den deken
op dit punt eene overeenkomst bestond," sprak Kerkadet gekrenkt
en naar de la Geneste heenziende.
«Die overeenkomst bestaat werkelijk," hernam deze, „doch
onder deze voorwaarde, dat mjjne dochter daarin genoegen neme,
en ik heb haar onkundig gelaten van deze afspraak, opdat zij
uit volle vrijheid en niet uit dwang zoude toetreden."
Daar was niets tegen te zeggen ; Kerkadet beet zich op de lippen
van spijt, maar hernam toch met gevatheid:
«Mij dunkt, dan is het nu tijd voor de juffer om te beslissen
of zjj dit wil al dan niet."
«Ik zeide \'tu immers, dat ik daarover niet zoo spoedig beslis-
sen kon .. ."
«Mij dacht toch dat een meiske al heel licht zou kunnen zeggen
of ze een man kan liefhebben, ja dan neen ... Is het «neen," dan
zal ik als een welgeboren jonkman mij niet langer opdringen, en
ge zijt voor goed van mij ontslagen . ..\'"
„Zoo is het niet gemeend, Charles!" viel Madeleine in, met
zekere gejaagdheid, terwjjl zjj een onrustigen en beteekenisvoUen
blik met haar vader had gewisseld.
«Xu dan!" hernam hij levendiger en meer opgeruimd, „laat het
rja" zijn, en gij zult zien, welk een teederen, ootmoedigen die-
naar gjj in mij vinden zult, totdat ik uw echte man zal wezen, die
alles wat hij is en heeft tot uwe beschikking stelt."
„Om voluit ja te zeggen, ben ik te zeer in \'t ongewisse met
mij zelve," hernam zij... „laat het nog eene wijle tusschen ons
bljjven als voorheen, Charles! en... ik zal mij bedenken... ik
zal u antwoord geven, eer we .., eene .,. maand verder zijn . .."
„Daar schuilt verraad, daar schuilt coquetterie onder, mij zoo
aan de lijn te houden!" riep hij korzel, en toch aarzelend het he-
sluit te nemen om van de onwillige bruid af te zien. „Het treft
bovendien heel prettig: ik had mjjn woord gegeven, van avond
het carnavalsfeest bij te wonen, dat de Syndicus op het raadhuis
geeft... moet ik dan wegblijven?"
„Waarom wegblijven:\'" vroeg zij, wat verstrooid.
„Wat! kan ik dan alleen gaan, nadat ik de toezegging heb
gedaan met mjjne juffer te zullen komen... Ieder mijner beken-
den weet wie mjjne juffer had moeten zijn. Ga ik nu alleen, of
kies ik een ander meiske, dan maak ik op de beide wijzen een
gek figuur, als afgewezene of als ontrouwe."
„Gij hadt er alzoo op gerekend, dat ik met u op een Vasten-
avondbal zoude gaan?" vroeg zjj met koele bevreemding.
-ocr page 64-
54
„Ik heb er u al op Drie-Koningen van gesproken, aan hot gast-
maal bij mijn oom den Kanunnik .... en ik meen, dat uw ant-
woord toen geen afwijzend was ..."
.Het is wel mogelijk, het gebeurt meer dat men op een vrooljjk
feest geen streng „neon" wil zeggen op eene noodiging waaraan
men toch niet kan voldoen ; mjj... ik verzeker het u ... mij was
dat gansene feest door liet hoofd gegaan."
■ Maar nu ik er u aan herinner, Madeleine! wat zegt gij nu?"
„Gjj weet wel, Charles! dat ik niet van earnavalsprot hou, dat
die woelige feesten me tegenstaan, dat die mommondansen me
een afschuw zijn."
„Wat al grillen! (lij hebt immers niet noodig zelve mee te
doen. (ijj trekt uwe gewone feestkleedij aan, hangt een half
masker voor, zooals alle jutters van goeden huize, en maakt ecu
rondedans of een sarabande mee, aan mijne liand .... ziedaar
alles. Dat behoeft u toch niet zoo grooten afkeer in te boezemen ..."
„Heb ik het dan niet al meer laten merken, dat ik heel weinig
op heb niet luidruchtig gejoel?"
„Ja, melieve! gjj hebt mij zelfs meer laten merken dan dit,"
sprak liE} met bitterheid, „gjj deedt dit anderen bovendien, bij
welke dit voor u niet zonder gevaar is."
„Ik begrijp niet wat gjj bedoelt, Charles!" sprak zjj; maar hare
wangen verbleekten, en hare gespannen trekken bewezen, dat zij
den dreigenden zin zjj nor woorden zoor goed vatte.
„Xu, om liet u dan recht duidelijk te maken, en sinds we toch
op den voet van oorlog zijn, zal ik u meededen, wat sommigen
hier in Hoey van u zeggen, wat ik zelfs in\'t bijzijn van mijn oom
den Kanunnik heb hooren beweren."
„Martel ons niet langer en zeg in eens hoe men mijne dochter,
durft lasteren!" riep Pierre de la Geneste, niet bij machte zijn
lakoniek stilzwjjgen te bewaren.
„Of het laster is, staat aan u beiden zelf te beoordcelen. Wat
men zegt is dit: dat juffer Madeleine nog altijd in \'t heimelijk
blijft hechten aan de religie harer moeder, — wie God vergeve! —
schoon zjj zich naar \'t uiterlijke tot de Kerk heeft gevoegd...
Waarom men dit vermoeden heeft gevat? het is omdat zij zich
zoo achteloos betoont in \'t waarnemen der gezette kerkfeesten
omdat zjj al heel traagjes is in het bjjwonen der misse; en zich
openljjk laat kennen door hare afkeuring der vroolijke feesten, die
de Kerk haar getrouwen op zekere dagen veroorlooft. In één
woord, dat haar bekende tegenzin in de Vastenavondsvreugd geen
anderen grond heeft dan dien, dat de vaste zelve door haar niet
wordt nageleefd!"
„Ziedaar luitenant Charles Kerkadet verkeerd in geloofsrechter!\'*
viel Madeleine uit, ironisch glimlachende.
-ocr page 65-
55
„Verschoon mjj, ik ben slechts de weergalm van\'t geen anderen
denken, en..., wat erger is, overluid zeggen!*\'
„En gij meent dat ik om die vreeze, dat ik, om der luiden
praatjes te weerspreken, mij hedenavond zoetelijk door u naar
het raadhuis zal laten voeren?"
„Zeker niet! zoo wijs een besluit wachte ik niet van uw weer-
barstigen aard, en toch, geloof mij, Madeleine," liet hjj er met
weemoed opvolgen, „het zou goed zijn voor u — ik zegge dit
zonder eigenbaat, schoon het mede tot mijn groot soelaas zou
strekken — zoo gjj uwe fierheid kost plooien tot die insehikke-
ljjkheid. Als ik u daar mocht opleiden, zou er een eind zijn gemaakt
aan alle gissingen en praatjes die er rondgaan over de oorzaak
van uw flauwen jjver voor de Heilige Moederkerk...."
Ei zoo! roeren de vrome tongen zich daarover: en, wat vertelt
men dan:1" vroeg Madeleine bits; maar door de scherpheid heen
klonk een kreet van smarte.
„Men onderstelt dat uwe verwaarloozing van de meeste kerk-
plichten en uwe geheime toeneiging tot de kettersche dolingen,
het gevolg zjjn van den invloed op u uitgeoefend door zekeren C\'alvi-
nïstischen jj veraar, die, ofschoon van het Luiksche grondgebied ver-
dreven, zich, naar men vermoedt, van tijd tot tijd in \'t heimelijk
herwaarts begeeft om voor een klein hoopje volks predikatiën te
houden. Daar wordt gezegd, dat gij, gij, Madeleine do la Geneste,
drukken briefwissel houdt met dezen zwerveling, ja zelfs, dat gij
tot hem in eene teedere betrekking zoudt staan!"
Welken indruk deze beschuldigingen op Madeleine maakten,
viel door niemand waar te nemen, daar zij zich intusschen naar
de deur had gewend en met luide stem om Trinette riep; ter-
wijl Pierre de Ia Geneste in heftigen toorn oprijzende tot den
officier zeide :
„Luitenant Kcrkadet! gij moet mijn huis ruimen, als gij zulke
vilaine suppositiën plaatse geeft, waar het mijne dochter geldt."
Toch niet, meester Pierre! ik geef ze yeen plaatse; integendeel,
ik heb ze weersproken; maar is het mijne schuld dat anderen er
geloof aan hechten, en mij in \'t aangezicht uitlachen als ik mijne
hoop lucht geve uwe Madeleine voor \'t altaar te voeren?...
\'t Is juist daarom, dat ik zoo vurig op eene beslissing aandringe; ik
wil niet, dat men mijne aanstaande verdenke... noch... dat men
mij bespotte om mijn goed vertrouwen. Of wat dunkt u? zoo ik iets
van al het kwaad, dat ik daar opsomde, geloofde, zou ik, ik welge-
boren man en bisschoppelijk officier, dan nog naar hare hand staan?"
„Die oprechte woorden maken veel goed," hernam de la Geneste
zachter, „maar... moet mijn kind een overhaast besluit nemen,
aan welks uitslag het wel of het wee van heel haar leven hangt,
louter dewijl anderen haar lasteren?"
-ocr page 66-
56
„Ook zou ik haar besluit liefst niet aan zulke oorzaak alleen
hebben dank te weten... toch zou ze wel en wijs doen zich te
verwaardigen tot een stap, die al deze praatjes als kaf voorden
wind zou doen verstuiven. Geloof mij, wat ik haar voorstel, zal
daar wis toe strekken.. . ."
.Het komt mij voor, dat er waarheid en wijsheid steekt in dit
zegden van onzen neef; wat dunkt u, mijn kind!\'" vroeg de Sche-
pea mot bijna smeekende stem, zich tot zjjne dochter richtende,
die zich nu omkeerde, Tri nette een wenk gaf dat zij konde gaan,
en koeltjes antwoordde :
.Och vader! ik heb op die wijze en wichtige redenen van lui-
tenant Kerkadet niet veel te zeggen; ik had zooals gjj zaagt, met
Trinette te spreken, die mij daar mededeelt, dat ons boertje, het
wachten moede, wil vertrekken, zoo \'t u niet gevalt hem te woord
te staan . .."
.Welaan, zoo ga ik! AVilt gij intussehen den pais maken met
onzen vriend. Hij verdient meer goedheid van u dan gij hem
toont... ."
.Verdient hij die werkelijk:*" vroeg Madeleine, den jonkman UB-
ziende met een dier blikken, welke voor hem onwederstaanbaar
schenen, want hij antwoordde verteederd onderworpen :
.Helaas, wat ik verdienste acht, wordt door u wanbedrijf ge-
hoeten, en \'t geen mij het meest ten goede moest komen, doet mij
op \'t ergste schade bij u. ..."
„Moet eene juffer dan op den eersten wenk haar wil en zin ge-
vangen geven aan een jonkman, die dreigen durft?" vroeg zjj, met
een betooverend schalk glimlachje, dat twee kuiltjes plooide in
het fijne rood van haar wangen.
.Dreigementen! wel, molieve! hoe kunt gij dus opnemen, wat
oprechte liefde mij uit voorzorg ingeeft!\'.... Op mijne eer als
krijgsman, ik vreesde dat deze uitstrooisels u in ongelegenheid
zouden brengen, u en uw heer vader niet minder; gij weet zelve
hoe de zaken hier staan ... ."
„Spreek er niet verder van, want.... zoo ik mij nu overreden
liet, zoudt gjj het zeker toeschrijven aan mijne vreeze voor schend-
tongen .. ..
„Als gij u nu overreden liet,.... ei! laat mij u overreden, ik
smeek er u om, ik .... zal u dankbaar zijn, ik zal aan niets
anders denken dan aan de blijdschap ...."
.Ik moest het eigenljjk thans niet doen, want der mannen aard
is zoo heerschzuchtig I en als gij nu reeds uw wil en wensen tot
den mijnen maakt vóór het huwelijk .... wat.... zal het daarna
zijn?" Daar lag in den klem dien zij, rad sprekende, op som-
mige woorden legde, daar was in geheel hare wijze van zich uit
te drukken, zoowel in \'t geen zij scheen te beloven, als in\'t geen
-ocr page 67-
57
zij scheen terug te houden, eene behendige eoquetterie, welke
den goeden Kerkadet volkomen onder hare betoovering bracht;
zoodat hij, buiten zich zelf van verrukking, door de onverwachte
overwinning in het eigen oogenblik dat hij zich tot eene tweede
nederlaag had voorbereid, hartstochtelijk uitriep:
„Maar gjj weet het immers wel, ik zal nooit iets anders voor
u zijn, dan uw ootmoedige dienaar, en gij zult altijd meesteresse
blijven in alles: ik beloof het u, geloof me toch!\'\'
„Ja! ja!\'\' sprak zij lachend, „ik vertrouw er op, vooral na zulk
een begin! doch nu, hoor mij aan, en geef wel acht op mijne
voorwaarden. Ik zal mij door u laten leiden naar dat vastcn-
avondsbal op het raadhuis; de goc liên mogen dit optreden dan
uitleggen naar hun believen. Ik sta u toe, mjj op te passen als
mijn trouwen serviteur, ik zal uwe diensten aannemen, — maar
den verlovingsring, die mjj voor goed aan u zal verbinden, dien
laat ik mij niet aan den vinger schuiven dan na de vasten . .. ."
«Wat is dat voor een inval! waarom eerst na de vasten?"
zuchtte hjj, teleurgesteld.
„Dat zal ik u zeggen; men houdt mjj niet voor eene goede
Katholieke; het is mogelijk, dat ik in zekere uiterlijkheden van
den kerkdienst wat achterlijk ben; doch mij schijnt het toe, dat
men, bij een dieper inzien van de rechte beteckenis van den
vastentijd, meer ernst in \'t gemoed behoort te dragen, meer
stommigheid in doen en laten behoort te leggen, dan gemeenlijk
in de wereld plaats vindt! Allerminst acht ik die stille, sombere
weken van rouwe en boete geschikt om aan aardsche genegen-
heden des harten den vrijen loop te laten."
„Ik voor mij heb deze dingen nooit zoo diep doorgedacht,
noch kan mij daarmede ophouden," sprak hij verslagen. „Ik
meende dat het genoeg ware zoo men zijne kerkplichten getrou-
welijk waarnam, en voor \'t overige de vreugd en de minne wel
mocht grijpen, waar zij vielen te vatten .... Ik vermag in dit
alles echter niets tegen uw wil: doch ik vreeze dat het grillen
zijn als deze, waarom men u, in onzen kring, van toeneiging tot
de strenge leer van Calvijn verdacht houdt! Weet gij wat mijn-
heer de abt van St. Lambert mjj laatst durfde zeggen?...."
„Xog niet; maar \'t is mogelijk niet eens de moeite waard, dat
ik het hoore."
„Oordeel zelve: „Madeleine de la Geneste!" sprak hij, „zal
eerder doctoresse te Genève worden dan uwe vrouw!"
„Wij zullen ons best doen om de profetie van mijnheer den
abt te beschamen, mits gij toegeeflijkheid toont voor \'t geen ge
mijne Calvinistische dolingen noemt," hernam zij lachende, „en
nu eene vraag: komen er meer officieren van \'t kasteel, inct
jufferen uit de stad, op het Vastenavondsbal ten raadhuize?"
-ocr page 68-
58
„Zeer zeker. De Gouverneur zelf zal de dochter van den Syn-
dicus opleiden, en de officieren der stadsbezetting hebben ook
hunne jonkvrouwen gekozen. Wees er zeker van, dat gjj in goed
gezelschap zult zijn."
«Gij durft uw post dan maar zoo zonder bevelhebber laten ?"
„Och, wat zegt dat voor één carnavalsnacht;\' bovendien, de
sergeant-majoor zal de wacht houden, en dat is een vertrouwd
persoon ...."
„Die gten carnaval zal vieren, zooals zijne meerderen."
„Hm! hij zal zich ten minste niet buiten \'t kasteel begeven,
en wel zorgen dat de schildwachten hun plicht doen."
„Ik wil \'t gelooven; maar toch, als ik Gouverneur eener ves-
ting ware, zooals die van Iloey, dan ging ik niet te gelijk met
mijne officieren des nachts op eene partjj."
„Juist met een kasteel als dat van Iloey kan men het wagen,
melieve! Wjj hebben nog geen volle dertig man in bezetting;
weinig, vindt ge? maar er zijn niet eens zooveel Boldaten noodig."
Madeleine staarde hem ongeloovig aan.
■ \'t Kasteel is door ligging en sterkte onneembaar," voer Ker-
kadet voort, .als de voornaamste toegangen maar worden be-
waakt...."
„En dat gebeurt?" vroeg Madeleine.
„Sana ilniite," zei de officier; „slechts man voor man zou een
aanvaller de steile rotspaden kunnen opklimmen, maar in \'t stof
bjjten TOOT liij boven was. Doch wat kwelle ik u, melieve! met
mjjne krijgskunst? Wees gjj er gerust op dat een vijand zich
drie malen beraden zou, zijn leven dus te wagen."
„Het zou mij niet gerust stellen," meende Madeleine; „we
leven toch in vollen oorlog."
„Dat is zoo; maar in \'t hartje van den winter wordt er niets
ondernomen; en buitendien bevindt mjjnheer de Prins-Bisschop
zieh met alle oorlogvoerende machten niet op den voet der beste
vriendschap, of ten minste op dien der neutraliteit? Wie zou dus
herwaarts komen ? de Franeoisen, onder hun dollen Bouillon ? ze
zijn voorwaar nog zoo dicht bij niet."
„Ik dacht altijd, dat men vreesde voor \'t bezetten der stad
en \'t kasteel... door de Spagnolen," viel Madeleine in.
„Aanstaande krijgsmansvrouw!" sprak hjj glimlachend; „wat
de Spagnolen belangt, als die komen ... dan ... behoeven we
geen beleg door te staan. Onze heer is te veel geneigd tot vrede
met hun machtigen koning, om zich met geweld tegen den wil
van dezen te kanten; dus... wij hebben voor dat geval onze
orders, en die zjjn niet van zulken aard, dat ze ons carnavals-
vieren zullen beletten; geloof mij daarin ..."
„Als gij het mjj zegt, geloof ik het gaarne: te eer, daar ik het
-ocr page 69-
.v.t
er voor houde, dat gij, Luikenaar van geboorte, evenmin als ik,
gediend zoudt zijn, met onze stad onder de heerschappij van
Spanje te zien komen.\'1
„Voorwaar, neen! — daar is maar ééne heerschappij, voor
welke ik m|j willig bukke," sprak h|j galant, „die van mijne aller-
liefste, en hiermede gunt ge mij afscheid te nemen: een kusje
op de toppen uwer blanke vingers !\'T
„Het is gevaarlijk genoeg u dat toe te staan ; als men u lieden../\'
„Den vinger reikt,"\' wilt gjj zeggen, vatten wij de geheele hand;\'1
dat is voorwaar niet te verwonderen," hernam h|j, de hare kus-
sende en in de zijne houdende, «als deze zoo liefelijken vorra
heeft. En nu, vaarwel! tot van avond; want g|j begrijpt, dat gij
mij door uwe bezwaren niet hebt afgebracht van mijn voornemen,
recht vroolijk carnaval te houden!""
„Zooveel invloed zou ik mij niet durven toeschrijven, al ware
\'t mijn doel geweest!"\' sprak Madeteine, hem naar de huisdeur
geleidende, met een glimlachje, dat iets dubbelzinnigs had en
voorzeker geen oorsprong nam uit blijdschap van Kerkadet\'s
toekomstige bruid te z|jn! Immers, toen z|j in het huisvertrek
weerkeerde, liet zij zich in de houding der diepste verslagenheid
op een stoel neervallen; en, in tranen uitbarstende, gleed haar
onwillekeurig de klacht van de lippen:
„Och mij arme! waar een mensen al niet toe komen kan, in
tjjden als deze ...\'"
„Als die vermetele bissehopskneeht u dwang wil aandoen, ge-
lief dan mijne bescherming voor lief te nemen," sprak eensklaps
Frank de I\'rcvs, uit den schuilhoek te voorschijn tredende, waarin
zij zelve hem had ... weggeborgen. Het was niet waar, dat hij
bij Trinette in de keuken was aangeland, en evenmin waar, dat
h|j zijn ongeduld aan deze had te kennen gegeven; hoewel het
meer dan waarschijnlijk is, dat hij dit laatste in hooge mate had
gevoeld. Het vertrek in \'t welke Madeleine hem inderhaast,
misschien zonder zelve goed te overwegen wat zij deed, had
verscholen, om hom aan het oog van Kerkadet te onttrekken,
had geen uitgang naar do keuken, had er geen anderen dan dien,
waardoor hij was ingegaan. Eigenlek was het geene kamer, maar
slechts cene soort van alkoof tusschen twee kamers in, die tot
provisiekast werd gebezigd. De jonge vaandrig kon er in staan,
maar zich nauwelijks keeren, tusschen al de planken, waarop
tonnetjes, kruiken en vaatwerk van allerlei aard in slagorde waren
geschaard; eene gelegenheid tot zitten bood de schuilplaats niet
aan. Of het niet kwelling genoeg geweest ware, de geuren
door de verschillende ingrediënten, in zoo kleine ruimte aanwezig,
verspreid, tergden er zijne reukzenuwon zonder zijn eetlust te
bevredigen.
-ocr page 70-
60
Een oogenblik had vuistaan om Frank van het onaangename,
ja, zelfs vernederende van zijn toestand te vergewissen; en ech-
ter, weldra was hij overtuigd, dat deze ook zijne voordeden had.
Zijne samenspraak, met Madelei ne, haar zonderling gedrag, de
eene als het andere, had om het zeerst zijne achterdocht ge-
wekt, die nog versterkt was geworden door het binnentreden van
een bisschoppelijk officier;.... maar haar besluit en hare daad,
zoo karakteristiek-vrouwelijk één, haar kennelijk opzet om hem
tegen ontdekking te veiligen, hoe schenen zij in strjjd met de ge-
voelens, die hij haar toedichtte! Toedichtte? — hjj beantwoordde
zich de vraag niet, hij leende het oor aan hetgeen er tusschen
den officier, de juffer en haar vader werd behandeld; het zou
hem zeker op de hoogte brengen van hun waar karakter.
En om te hooren, om te verstaan, was Frank in de provisie-
kamer uitnemend geplaatst; want boven de deur waren drie lucht-
gaten aangebracht, in den vorm van klaverbladeren, waardoor hij
wat er in het liuisvertrek gesproken werd, vernemen moest, al
had hij niet willen toeluisteren.
In het gegewn geval achtte hij het echter zijn plicht dit zoo
scherp mogelijk te doen, hoe weinig het overigens met de hem
aangeboren kieschheid strooken mocht. De juffer wist immers
zelve het best waar zij hem geplaatst had : zij mocht dies met
haar eigen belangen te rade gaan, om te zeggen of te zwijgen
wat zij wilde.
Toch stond dat eigenlijk niet in hare macht, hjj het even on-
verwacht als ongewenseht bezoek van haar poursuivont d%amow.
Schoon in het eerste oogenblik de gedachte aan den vreemde-
ling, die de onzichtbare getuige was van het gesprek, eenigen
invloed uitoefende op het slecht onthaal, dat den minnaar ten
deel viel, spoedig verdween die drager eener geheimzinnige bood-
schap voor haar op don achtergrond; de ware oorzaak harcr
twijfelachtige houding tegenover haar „aanbidder" sehool in don
vaandrig niet. Wie is er die het vermoeden geene plaats geeft,
dat zij in omstandigheden verkeerde, welke het dringend aanzoek
van Kerkadet, zijn eisch vooral eener rondborstige verklaring
hoogst onwelkom maakten P Al had zijn voorstel haar toegelachen,
een geheim waarover zij het mogelijk nog met zich zelve niet
eens was, toch bleek het haar even ondoenlijk het aan te nemen,
als hachelijk het te weigeren. De triomf, dien de bisschoppelijke
officier meende behaald te hebben op wat hij hare m weerbarstigheid"
noemde, dankte hjj zeker het meest aan haai\' verlangen om voor
het oogenblik, tot eiken prijs, van hem ontslagen te zijn.
Krank de Preys mocht gezegd worden de eenige te zijn, die
gebaat werd door de wending welke het gesprek had genomen,
door de inlichtingen vooral, welke het hem verschafte; hoe
-ocr page 71-
SI
schuchter oen dorper hij in zijn inominenpak ook scheen, hij
bezat te zeer de eigenaardige vermetelheid eens jeugdigen krijgs-
mans, om niet zijn voordeel te doen met de ontdekkingen, hem
tendeelgevallon. I H zagen wij niet reeds, dat hij uit het gehoorde
vrijheid nam Madeleine zijne diensten en zijne bescherming aan
te bieden, op een oogenblik waarin het scheen dat hij zelf zich
eigenljjk de beschermende moest achten\'!
Ook antwoordde zij eenigszins stug, zelfs wat verrast opziende
over zijne verschijning, als ware het bewustzijn zijner tegenwoor-
digheid in den storm harer smartelijke\' aandoeningen te loor
gegaan :
.Het is waar! gjj zjjt er ook nog: tracht nu spoedig uwe zaken
af te doen met mijn vader; immers wordt het hoog tijd voor
uwe boodschap."
„Ook mij komt het dus voor,*\' sprak de schepen de la Gé-
neste, die nu weer binnentrad; „ecu simpele aanvraag om land
te pachten, kan er mijne dochter kwalijk toe hebben gebracht..."
en de strenge blik vulde aan, wat de vader met geen straf woord
uiten wilde.
„Het is zoo, heer Schepen!" zeide Frank, zijn hoed afnemende
en vrijmoedig op hem toegaande; „het geldt meer, hier is de
kwestie van grondbezit in leenbruik!"
„Geen raadselen, jonkman ! zeg mjj allereerst wie en wat gjj zjjt."
„Dat doet er luttel toe, maar uw wensch worde er niet minder
om vervuld. Ik ben de vaandrig van kapitein Héraugière, den
Gouverneur van Breda."
De Schepen kon een gebaar van verrassing niet weerhouden;
hij kon even weinig verhinderen, dat Krank het opmerkt\', terwijl
deze vervolgde :
„Mijn bevelhebber zendt mjj tot u met eene vraag, die ik ge-
loof gerust in het bijzijn van mejuffer uwe dochter te kunnen
doen, overtuigd, dat zij zelve een toestemmend antwoord daarop
wenschelijk acht."
„Gij gelooft ver gevorderd te zijn, jonker! omdat gjj door een
toeval eenige kennis hebt verkregen vau mijne familicaangelegen-
heden," gaf do Schepen ten antwoord, met zekere strakheid,
waardoor innerlijke onrust heensehemerde.
„Ik bemerk integendeel dat ik nog niet eens zooveel gevor-
derd ben eenig vertrouwen in te boezemen," hernam Krank, door
ïjjne gevoeligheid bewijzende hoezeer hjj een slecht dijdomaat
was, waar het veinzen gold. Viel het zijner jeugd te wijten \'t Jta-
deleine scheen van hare zjjde evenmin vrede te hebben met de
achterdocht van haar vader.
„Waartoe al die omwegen, al die behoedzaamheid?" riep zij
met ongeduld, „laat de jonker ons liever terstond zeggen wan-
-ocr page 72-
62
neer zijn nobele kapitein herwaarts komt om ons te bevrij-
den ...."
„Madeleine!" viel de Schepen in, verbleekend van schrik, „ge
zijt buiten u zelve; gij weet niet wat ge zegt."
„Wees gerust, vader! Ik weet het," hernam zij met overtui-
ging. „En ik spreek aldus, opdat de vaandrig zich in volle ge-
rustheid tot u zal wenden met zijne commissie. Jk heb zooeven
met u geschertst, jonker Krank! om uwe standvastigheid en voor-
ziehtigheid te beproeven; maar nu, weet, dat er hier velen zijn
die met verlangen naar eene verandering van zaken uitzien." En
zij sprak al voort, zich tot Frank wendende, zonder te willen be-
merken dat haar vader, door blikken en gebaren, haar tot meer
omzichtigheid te vermanen zocht.
„Die veranderingen, juffer! zullen spoedig genoeg plaats vin-
den, en het uur der verlossing zal weldra slaan," antwoordde
Frank, die het van goede tactiek achtte den weifelenden, onhan-
delbaren vader ter zijde te laten, en zich tot de kloekmoedige
dochter te wenden, met wier geestdrift zijn aard sympathiseerde;
„althans, zoo gij en de uwen daaronder het slagen verstaat van
de zaak, waarover de Oouverneur van Breda met den heer schepen
de la Geneste onderhandeld heeft."
„Ziet gij wel, vader!" sprak Madeleine glimlachende, „hij weet
alles; twijfel niet langer of Héraugière hem gezonden heeft. Hij
is een eerlijk jonkman, dien gij vertrouwen kunt, al heeft hij het
gebrek zich niet gemakkelijk te bewegen in eene vermomming!"\'
„Dat hij een eerlijk jonkman is, kan zijn," hernam de la Gé-
neste koud en strak; „maar een zendeling van Héraugière is hij
niet; want die zou mij terstond zijn geloofsbrief hebben getoond."
En al sprekende vestigde hij een scherpen, argwanenden blik op
den vaandrig, die zich nu haastte den bewusten epistel te voor-
schjjn te brengen en aan den Schepen te overhandigen, met de
verontschuldiging, dat men hem eigenljjk niet de gelegenheid had
gelaten dit document ter sprake te brengen. „De welsprekende
pleitrede van mejuffer .Madeleine scheen mij toe de beste aan-
beveling te zijn, die ik kon verlangen," eindigde hij, deze aan-
ziende met zoo stout en zoo schalk een blik, dat zij niet meer
behoefde te twijfelen of hij zich nu op zijn gemak gevoelde, on-
dauks al het hinderlijke van zijn boersch kostuum.
De la Geneste had niet gelet op zijn gelaat en had evenmin
geluisterd naar zijne woorden. Hij had met drift den roodzijden
draad losgerukt, waarmee het kleine biljet was gesloten, dat er
zeer weinig officieel uitzag; hij las het met eene belangstelling,
die zijn koud, strak gelaat plotseling bezielde en verhelderde. Er
schenen onder het lezen aandoeningen bij hem opgewekt te wor-
den, die maar zeer weinig pasten bij hetgeen in den regel de
-ocr page 73-
63
inhoud moet zijn van een credentie-brief; — en die gemoedsbe-
weging trilde nog in zijne stem, toen hjj hot blaadje papier aan
Madeleine ter hand stelde, zeggende:
„Het is van haar!\'\'
Een oogenblik stilzwijgens; toen herstelde hij zich, en sprak den
jonker aan zoo hoffelijk, als hij vroeger wantrouwend was geweest.
„Verschoon mijne aarzeling, jonker! ik ben nu geneigd u ver-
trouwen te schenken ... maar... in zaken als deze kan men
niet te voorzichtig zijn; mijne dochter bevindt zich door een bij-
zondere aanleiding op dit oogenblik in een gemoedstoestand, welke
oorzaak is, dat ik niet durfde rekenen op hare gewone helderheid
en kalmte van geest."
„Waarljjk, vadertje!*\' schertste Madeleine opgeruimd, nadat zij
zelve kennis had genomen van het briefje, dat zij hem teruggaf,
„ik verlies zoo spoedig het hoofd niet."
„Zoomin als het hart!" waagde Frank in denzelfden toon op te
merken; „want dat gjj het aan dezen Kerkadet zoudt gegeven heb-
ben, geloof ik nooit
„Ei! waarom niet, jonker de Preys?" vroeg Madeleine, hem sterk
in de oogen ziende.
„Mijn naam!... Hoe kent gij mijn naam?... ik had beloofd,
dien niet te zullen noemen ...."
„Houd die belofte!" sprak zij spottend; „doch verwonderd er u
niet over, dat anderen hem uitvinden; dat opzettelijk verzwijgen
wekte reeds vermoeden bjj mij op, en bovendien uw uiterlijk
verraadt u voor wie uw bloedverwant heeft gezien."
„fïij hebt mijn broeder gezien !.... Gij, Madeleine!.... AVaar
en wanneer?...." vroeg Frank met onstuimigheid; hij kon die
eerste opwelling van zijn hart niet bedwingen.
„Te Spa, vóór het jaar \'91, waar mijn vader en hij betrekkin-
gen hebben aangeknoopt...."
„Juist! hij was daar op last van kapitein Hóraugière, zooals
ik nu hier," hernam Frank, zich met loffelijke zelfbeheersching
over zijn gevoel heenzettend, om weer, na een omzien uitglijdens,
met vasten voet op den weg van zijn plicht voort te gaan.
„En ook later!" hervatte Madeleine, onbewust van de zware
verzoeking, waarin zij hem bracht; maar hij viel haar in de rede,
met een forschheid, die op hardheid geleek:
„Xiets meer van mijn broeder! nu niet!.... ik heb immers
met uw vader te spreken?"
„De jonker heeft gelijk!" zei de Schepen, zijne dochter een
wenk gevende, dien zjj ditmaal niet misverstond; „dat zijn
geen herinneringen voor dit oogenblik. Ik.... heb zelf....
mjjns ondanks moe over die zaak gezeten en .... en ik begrijp
volkomen uw tegenzin er van te hooren."
-ocr page 74-
(il
„Mijn plicht logt mij die onthouding op, schepen de la Geneste ï
ik hen hier alleen om u te vragen, of gij nog gezind en hjj machte
zijt uw woord te houden, den bevelhebber van Breda gegeven,
en of het bij de vroegere afspraak blijft P"
„Ik en de anderen, die met mij één zijn in deze, wjj zullen
blijven volharden in het voornemen om te doen wat wij beloofd
hebben en wij zijn daartoe ook bij machte. Ik vernieuw in aller
naam de belofte, tot de overgave der stad Hooy aan kapitein
Héraugière mede te werken, zoodra het kasteel in zijne macht
zal zijn!"
„Maar het kasteel is juist het allernoodigste en daarvan is dus
ook het eerste spraak."
„Madeleine, geef den jonker den bewusten sleutel," gebood
schepen de la Geneste, met iets plechtigs in den toon.
Madeleine nam dien van haar sleutelring en gaf hem Frank
zwijgende; — haar koude, strakke ernst bewees dat zij hem zijn
uitval van daareven nog niet had vergeven. Doch de Schepen
vulde zelf haar stilzwijgen aan:
„Dat instrument zal u goeden dienst doen om toegang tot het
kasteel te verkrijgen."
„De sleutel van eender poorten?" vroeg Frank verrasten getroffen.
„Neen, jonker! nu zijt ge al te voortvarend; zóó glad zal het
niet gaan. Hij moet strekken om u toegang te verleenen tot
zeker lusthuisje dat ons behoort en vlak onder het kasteel is
gelegen. Kapitein Héraugière, met deze bijzonderheid bekend,
zal zelf het best weten, hoe van die ligging partij te trekken."
„Zeer zeker heeft luitenant Paets daarvoor zijne instruetiën,"
hernam de vaandrig, en liet er op volgen: „nu ik de goede tijding
mag brengen, dat gij allen uw woord houden wilt en kunt, zal
de aanslag spoedig ten uitvoer worden gelegd; want de onzen
zijn in de nabijheid."
„Kapitein Héraugière?" vroeg de la Geneste, vroolijk verrast.
„Slechts een dertigtal van zijne manschap, onder commando
van luitenant Paets; maar hartige liên, onder welke er zijn, die
de verrassing van Breda hebben meegemaakt; zij houden zich
schuil in het gehuchtje Amay. Kapitein Héraugière zelf trok
naar Diepenbeek, met zeven vendelen voetvolks en zes kornetten
ruiterij, toen hij ons afzond; maar ik twijfel niet, of hij zal
weldra hier zijn, als hem bericht wordt gedaan, hoe het inet de
zaken staat."
„Zult gij die berichtgever zijn, jonker?" vroeg de Schepen.
„Daar heb ik geen order toe. Slechts ingeval van kwade tijding,
moest Hosse Jan naar den commandant worden afgezonden."
„In den laatsten tijd was er stremming in de correspondentie
tussehen Hoey en Hreda, door Rossen Jan als bode mogelijk ge-
-ocr page 75-
65
maakt: valt hij wel volkomen te vertrouwen f" vroeg Hadeleine,
opzettelijk haar vader aanziende, ten einde het woord niet tot
den vaandrig te richten, die ei liter antwoordde:
„Mijn kapitein vertrouwt hem ten volle; maar... wat mij be-
trei\'t... sinds hij een metgezel in den steek heeft gelaten ..."
„Dat mag hem niet als ontrouw worden aangerekend," viel de
Schepen in.
„Het is waar!" hernam Krank, de hand met eene beweging
van smart aan zjju voorhoofd brengend ; „het publiek belang gaat
vóór het particuliere.... Zoo heb ik dan nu dezen kostbaren
talisman aan luitenant 1\'aets te overhandigen," vervolgde hij, den
sleutel zorgvuldig wegbergende, „die zeker met de zijnen welhaast
logies zal nemen in het lusthuisje."
„De waard in de Kreeft heeft mijne orden om in dat geval
de manschap van proviand te voorzien."
„Wees gedankt, heer Schepen! maar lang hopen wij van uwe
gastvrijheid geen gebruik te maken. Xu de omstandigheden zóó
gunstig zijn als luitenant Kevkadet ze ons heeft voorgesteld, zal
de aanslag ontwijfelbaar nog hedennacht worden beproefd."
„Van welke gunstige omstandigheden spreekt gij ?" vroeg
schepen de la Geneste, zjjns ondanks getroffen bij de gedachte
aan de verrassend snelle uitvoering cener zaak, die zoo ge-
wichtige gevolgen zou hebben, hetzij ze slaagde of mislukte.
„Van de bijzonderheid, dat juist heden de commandant der
vesting, zoowel als zijn luitenant, van \'t kasteel afwezig zullen zijn,
den gansenen avond, mogelijk zelfs een goed deel van den nacht!"
„Zou dat zeker zijn?" vroeg de Schepen, Madeleine aanziende.
„Heel zeker! de minnelijke juflei- heeft behendig de confessie
dezer zorgeloosheid uitgelokt, mij ten prikkel,\'1 sprak Frank
glimlachend.
„Xeen, voorwaar! met zulk opzet deed ik dat niet!" viel
Madeleine uit, haars ondanks tot spreken verlokt. „In het eerst was
het maai\' eene ingeving mijner nieuwsgierigheid, die voldoening
begeerde; vervolgens poogde ik uit te vorschen, of er geen arg-
waan gevoed werd ten aanzien van \'t geen ik wist dat er tusschen
Hcraugière en sommige der onzen beraamd was. Maar ik ont-
waarde duidelijk, dat zo volkomen zorgeloos zijn."
„Zoo is \'t aan ons om van hunne zorgeloosheid partij te trek-
ken!" riep Frank opgeruimd. „Het is van algeineene bekendheid,
dat bij afwezigheid (Ier officieren het volk zich lichtelijk wat uit-
gelaten gedraagt, en de noodige waakzaamheid dan wordt ver-
zuimd; het overmatig drinken____"
„Dat nu te eer het geval zal zijn!" viel de Schepen in, „daar
sommige gegoede burgers de gewoonte hebben, de arme soldaten
van het kasteel op vreugdedagen, van eene ton biers en van
I)c verrassing van llocy.                                                                                          d
-ocr page 76-
M
gesuikerden brandewijn te voorzien; eenc gewoonte die bij de
Vastenavondpret zeker niet zal worden verzuimd."
.Kn juffer Madeleine zal wel op zich willen nemen, dat festein
wat te rekken .... al zou zij daartoe eene dans te meer moeten
aeeordeeren aan luitenant Kerkadet!" voegde Krank het meisje
toe op zoo ironieken toon, dat zjj recht had met streng verwijt
te antwoorden :
,\\Vel zeker! opdat het den kloekmoedigen vaandrig De Preys
des te gemakkelijker zij, „dien Kerkadet" tot een verloren man
te maken!"
.Juffrouw Madeleine! verdenkt gij mij van lafhartigheid ?" riep
nu De Preys, opspringende met schitterende oogen en een
verhoogden gloed op wangen en voorhoofd. „Is het mijne schuld
dat er list moet gebruikt worden, sinds geweld ondoeltreffend
zou zijn!\' Gij hebt mij zelf uw spot niet gespaard, omdat ik,
edelman zijnde en als spie uitgezonden in dorperkleeding, mij
niet te huis vond in die rol, in dat mommenpak. Het was niet
uit blooheid, niet uit vreeze ontdekt te worden, dat mijne linksch-
heid oorsprong nam; maar wel omdat het bloed mij van schaamte
en smart in de aderen kookte, dat ik niet als een eerlijk krijgs-
man, met open vizier en ridderljjke wapenen, tot de verovering
van Hoey kon uitgaan, die.... houd mij de herinnering ten
goede, gij zelve eene verlossing hebt genoemd. Strijdt het tegen
de zachte gevoelens van uw hart, tot uwe eigene bevrijding en
die der uwen mede te werken, door.... uw Kerkadet op te
offeren? het zjj zoo! men zal niet meer vragen om uwe hulp.
Slechts, bidde ik, zeg het dan ronduit, doch zoek uw recht om
terug te treden niet in de zwakheid van anderen, die als het
gevaar daar is, bereid zijn man tegen man te strijden met uw
Kerkadet en de zijnen; ontleen het aan den wisselzin van het
vrouwelijk karakter, die in het eene oogenblik opraapt wat hij
in \'t andere verworpen heeft!"
.Kind! kind!" sprak nu de Schepen droef en ernstig tot
Madeleine, „zoo de vaandrig hard is in zjjne uitvallen, hebt gij
u dat zelve op den hals gehaald. Hoe kunt gjj u dus weifelaehtig
toonen, nu het op de uitvoering aankomt van datgene, waarnaar
wjj zoo lang met verzuchtingen en gebeden hebben uitgezien,
waaraan voor ons zulke teere belangen zijn verknocht? Vergeet
gij die nu? Het is immers niet waar, dat gij aan Kerkadet, dien
men ons opdringt, uw harte hebt geschonken?___"
.Ik zou in volle vrijheid moeten zijn, om mjj daarover te
kunnen uitlaten, vader!"
.Welaan, doe dan mede het uwe om die vrijheid te verkrijgen."
.Ik heh geen ander voornemen, vader! ik zal dansen van
avond, tot middernacht, zoo het zijn moet; ik zal dansen, hoe
-ocr page 77-
er,
het mjj ook tegenstaat, tot met meneer den Gouverneur van de
vesting toe; ik zal dansen, al zou men mij later schimpende bjj
de dochter van Herodias vergelijken .... En wat u betreft, heer
vaandrig! ik heb u niet verdacht van gebrek aan moed; maar ik
heb gebrek aan hart in u opgemerkt; en wat dien Kerkadet op
wien gij zoo laag neerziet, ook ontbreken moge, dat faalt hem
ten minste niet! II jj is het geweest, die op mjjns vaders verlangen
heeft medegewerkt, om uw ongelukkigen broeder in het leven to
behouden."
.Madeleine!" vermaande de Schepen, .dat zijn geen zaken
waarover gjj moogt spreken;" maar de edelmoedige verontwaar-
diging der jonkvrouw werd te laat in hare vaart gestuit: Frank
had alles begrepen.
„Hjj leeft! hjj leeft!" juichte hij, op Madeleine toegaande en
hare beide handen vattende.
.Deze blijdschap te zien, doet mjj goed," sprak Madeleine,
terwijl er tranen blonken in hare groote blauwe oogen.
Door dit meegevoel, door die snelle afwisseling van hardheid
en miskenning met blijken der edelmoedigste deelneming, werd
de aandoening van den jongen edelman tot hartstochtelijkheid
toe opgewekt, en zonder wellicht te weten wat hij deed, viel hjj
Madeleine om den hals en kuste haar die schoone tranen weg;
kuste haar of zij zelve eene zuster ware geweest, die hij wedervond.
Hoe vreemd! die jonkvrouw, welke zich toch zoo weinig toe-
schieteljjk had betoond, wrerd er niet door vertoornd; alleen
weerde zjj hem zachtkens af en sprak glimlachend:
„Eilieve! bedenk toch, dat ik niet tot uwe familie behoor..."
„Gij niet? Gij zijt mjj verwant door het harte, al hebt gij het
mijne miskend; het was mij opgelegd als een duren plicht, niet
naar mijn broeder te vragen!"
.Maar onder ons stak daar immers geen gevaar in? Ik althans,
ik wil u \'t vragen besparen; ik heb geen eed gedaan te zwijgen,
zooals mijn vader: Gerard de I\'reys leeft op het kasteel, maar in
harde gevangenschap."
„Dat deert nu zooveel niet: de ure zijner verlossing naakt!"
„En die onzer bevrijding tevens!" voegde Madeleine er bjj, in
haar vroegere goede luim geraakt.
„Ten einde die groote uitkomsten voor te bereiden, zal ik mjj
van avond naar het raadhuis begeven, waar vele onzer bondgo-
nooten samenkomen, om mjj met hen te verstaan over maatregc-
len, welke thans van onze zijde dienen genomen te worden," sprak
de schepen de la Geneste.
„Alles treft in waarheid zoo goed, dat het bijkans te gemakke-
ljjk zal zijn om er eer aan te behalen," merkte Frank aan.
„Eerc!" hervatte de la Geneste, „geloof mijne profetie, jonk-
-ocr page 78-
UU
man! eore brengt zulk ondernemen niet aan wie er zich toe
lei\'nen. Maar dat zij zoo! soms noodzaakt de drang der tijden
liet fijner eergevoel prijs te geven voor wiohtiger belangen en
hooger plichten; doeh wat de weinige moeite betreft, die gij ge-
looft te zullen hebben, al zijt gij vlak onder \'t kasteel, gij zjjt er
daarom nog niet in. "
„Laat het vrij aan kapitein Héraugière en zijn volkje over,
daarvoor te zorgen, heer Schepen!" sprak Frank, meer dan hij
bekende getroffen door de opmerkingen van den burger; „en sta
mij nu toe afscheid te nemen."
„Maar gij gaat toch niet, vóórdat gij u met eene frissehe teug
hebt verkwikt," zeide Madoleine, hem een vollen beker reikende;
„bovendien moogt gjj niet vertrekken in deze vermomming....
die... gij zoo kwalijk draagt. Wilt ge een deftig burgorpakf"
.Och, \'t is de moeite niet waard; doeh als ge \'t mij vergunt,
zoude ik gaarne nog een omzien blijven; ik zou worden afge-
haald door een van de onzen, die nu bij den waard in de Kreeft
is, om dien in zijne goede voornemens te versterken."
.De waard in de Kreeft is inderdaad wankelmoedig, ik had
gelegenheid het op te merken," hernam de Schepen, „schoon ik
niet recht weet, waar het bij hem hapert; toch is hij een eerlijk
man en niet kwalijk gezind. Hij zal de leverantie hebben van\'t
bier op de citadel, dat zal hem een blijk zijn van mijne gunst en
zijn jjver voor de zaak vernieuwen."
Eer de la Geneste had uitgesproken, kwam Trinette melden,
dat er weer een dorper was gekomen om naar zijn makker to
vragen, die ook gaarne een woordje met den Schepen zou
■preken.
„O! dat is Wouter Willemsz, een welgezind Kluizenaar en een
flinke jongen bovendien. Mag hij binnenkomen, heer Schepen?"
Het antwoord laat zich raden, en Wouter Willemsz werd, zonder
verder oponthoud, door Trinette naar do huiskamer geleid. Lang
vertoefde hjj er echter niet, want nog eer de middagklok luidde,
die Iïoey\'s bewoners van hun werk en aan hunne tafel riep,
verlieten de beide boertjes door eene achterdeur het huis van den
Schepen. Dit bespaarde hun een omweg en voerde hen door een
stille schamele buurt naar de poort, die zij onverhinderd uittrokken.
-ocr page 79-
HOOFDSTUK IV.
Torwjjl Trinette do beide boertjes, vaandrig De Proys en Wouter
Willemsz. de achterdeur van den Schepen uitliet, bleef Pierre de
la Geneste in den leuningstoel zitten, het gebogen hoofd voor-
ovor, de handen op de knieën saamgevouwon.
Madeleine, die uit het venster Krank had nagestaard, werd,
zich omkeerende, haar vader nauweljjks dus gewaar, of zjj trad
naar hem toe, sloeg haar arm om zijn hals, en dwong hem op
te zien, zijn voorhoofd kussende.
„Moed gehouden, vader!" sprak zij opgeruimd, „morgen zijn
wjj van allen dwang ontslagen; morgen zullen wij vrij zijn!"
„Ik hoop het met u, mijn kind!" hernam hij ernstig, doch
zuchtte tevens.
„Hoeder juicht reeds in den geloove!" ging Madeleine voort;
«gij hebt het zelf gelezen, hoe zjj gedenkt morgen in den geest
den psalm der verlossing aan te hotten mot de gemeente, die
hier niet langer de verdrukte zal wezen."
„Kind! kind!" waarschuwde bij zaebtkens, het grijzend hoofd
Schuddend, „loop zoo niet vooruit; alleen deze ure is de onze."
„Op morgen zal de Heer dor Heirscharen met ons zijn! Moo-
dcrs woorden klinken profetisch: de martelaresse ziet de hand
der heiligen alreeds den palm zwaaien e» verheugt zich dies met
eene wondere vreugde; mogen wjj daarin niet met haar doelen ■""
„Voorzeker, Madeleine! als alles goed afloopt, zal het stuf zijn
tot groote blijdschap," sprak hjj der schoone geestdrijfster ont-
nuchterend toe; „maar kind!.... ik roep geen triomf vóór ik
Ilóraugioro op het raadhuis zio .. . ." en zijn grauwe baard krookte
weder, torwjjl hjj in gepeins verzonk.
„Is het voor wikken en wegen niet te laat, vader! nu de ure
tot handelen nadert?"
„Inderdaad; en echter doemen juist in zulke oogenblikken de
zwarigheden op."
-ocr page 80-
70
„Schroom! aarzeling!*1 borst de kloekhartige jonkvrouw uit,
met eene verwondering, waarin zich ergernis mengde. „Ik onder-
stel toch, vader! dat gjj deze dingen doet met volle verzekerd-
heid der consciëntie P"
.Waartoe het peillood zoo diep te werpen, Madeleine:\'" sprak
hij, met moeite een zucht weerhoudende; „ik doe die dingen,
omdat de nood der tijden mij er toe dwingt.. .."
„En met volle recht," viel zij in; „na jaren van lijdzaam torsen
is liet afschudden van een juk geoorloofde tegenwecr."
.Zoo zien wij het, melieve!" hernam hij met zachten weemoed,
en liet er in denzelfden toon op volgen: „gelukkige jeugd! die
er geen erg in hebt, hoe de wcorpartij met gansch f/Wr/r oogen ziet."
„Wat gaan ons die anderen aan, vader? De bisschoppelijkcnP
zij hebben hier geen recht van spreken; bij hen ligt de wortel
van al het kwaad, dat zij ons gaarne zouden toedichten. In bil-
lïjkheid, zijn zij niet schuld aan al ons leed?"
„Recht en schuld" sprak de Schepen: „luister, Madeleine! hoc
die woorden een anderen zin hebben, naar ik door den uïtxlay
verlosser of verrader van mijne vaderstad worde! Als wij slagen,
zal ik niijii voorgeslacht waard heeten: de verhouding van een
Luiksch burger tegenover zijn bisschop als wereldlijk Heer, was
nooit die van een ljjfeigene, was van oudsher al meer dan die
van een gewoon vazal. wCkarho9tnier caf maitr* éhez W/" het
dagteekent uit de twaalfde eeuw, uit Keizer Philips den II\'I«\'M\'
tijd: het is in Luikd-land een recht geworden, door handvesten
en overeenkomsten erkend en gestaafd. Wij vallen niet als slaven
den erfheeren toe; wij kiezen onze vorsten, en de minste vrije
man heeft stem bij die keuze door zijne gezworenen. Schoon
sommige onzer heeren deze rechten niet hebben geëerbiedigd, die
te erkennen, dat dorst zelfs de dwangziekste niet nalaten; het
was magistratenplicht ze te handhaven tegen geestelijken ovor-
moed! En geene onderdrukking, die niet gevolgd werd door
weerstand; geen verkorting, die niet werd geboet door uitbreiding
onzer voorrechten!...."
De la Geneste was onwillekeurig opgerezen; zijne diepliggende
oogen Honkerden, als zag hij de glorie des verledens voor zich.
„En dat zou voor ons het tegenwoordige geen moed geven-\'"
vroeg Madeleine, aangevuurd die snaar te roeren, welke bij haar
vader liet diepst placht te trillen.
Toch gaf de snaar thans geen weerklank.
„Schuld of recht." voer de Schepen voort, terwijl hij den linker
arm rusten liet op de lage rugleuning van den stoel, met rood
leder bekleed; rrecht of schuld, het werden klanken, waarmee
twee partjjen speelden in de donkerste dagen van bisschop Groes-
beek\'s bestuur: toen gij, arm kind! het levenslicht zaagt. Uit
-ocr page 81-
71
alle vastheid van begrippen in de school der geleerden; uit alle
rust in den schoot des gezins! Voor honderd jaren werd de
nieuwe wereld ontdekt, — het ging stillekens toe; — maar de
nieuwe wereldorde, door de Hervorming beoogd, hoe kondigden
stormen haar aan, stormen, die nog voortloeien! Verzet tegen
Rome! dat werd de leus; kerkzuiveren, heette het doel; kerk-
sehennis was te dikwijls het gevolg. Toen het vuur om hem
heen blaakte, moest Groesbeek zich wel opmaken om het te
blussehen: hjj was te vroed om niet te voorzien dat de maat-
sehappeljjko brand meer dan de tronen verteren, dat hij alles
sloopen zou. Hjj had recht, Madeleine! al lag de schuld van
zijne voorgangers op den benijden en bevlekten zetel; al waren
er mannen aan den martelstaak verseheiden, heiliger dan die tot
welke hij de handen ophief! Kome schonk hem voor zijn ijver
den kardinaalshoed; waarom waggelde van dien tijd af de weeg-
schaal in zijne vingers? Maar eer ik hem hard valle, bekenne
ik: wie onzer weet met welke mate hjj meet, sedert de staf,
eeuwen lang geëerbiedigd, gebroken werd?"
Arme vader! arme dochter! — wat de laatste onder die woor-
den leed, wie beschrijft het\'r Den hoogen blos der vervoering,
waarmede zij liet aanbreken der bevrijdingsure had begroet, nog
op de wangen, wilde zjj die sombere mijmering te keer gaan;
doch de la Geneste vergunde het haar niet.
„Ik hoor al, kind! wat gjj zeggen wilt. Dezelfde Groesbeek,
die zoo goed wist, dat „een Luiksen vorst geen vonnis mag vellen
„dan langs wettigen weg; dat hij geen ordonuantiën tegen \'s laiuls
„privilegiën mag maken dan niet toestemming der Staten;" die-
zelfde Bisschop voerde de inkwisitie in; als hjj het niet had
gedaan, zou uwe jeugd van moederlijke zorg misdeeld zijn gc-
weest?" Kn Madeleine zag tranen schemeren door die grijze
wimpers; doch de dorre hand wisehte ze weg, en voort voer niet
de vader, maar de Schepen: „De weerstand, dien wij boden,
was geen oproer; niet wijziging van inzicht, niet overtuiging,
deed ons het hoofd in den schoot leggen: slechts voor geweld
van wapenen zijn wij gezwicht. Helaas! ik ken ons nog te
grootsche rol toe: het vroeger ten strijde vliegend Luik, ons
arme Hoey, — brandpunten der pri es ter regeering geworden, daar
ze bij afwisseling den prinsen-bisschoppen ten verblijf strekten,—
zo waren niet eens bij machte openljjk tegenstand te bieden; wij
doken weg; in dat schuilgaan zag men onderwerping, zich ver-
genoegende met den schijn. Maar wat er onder die gedweeheid
school, kind! gij weet het, als ik...."
„Dwang prikkelt tot haat!" borst Madeleine uit, „ik ervaar het bij
mij zelve!" en de groote blauwe oogen nikkerden van een vuur, dat
den vader zou hebben doen schrikken, als hjj haar had aangestaard.
-ocr page 82-
72
Maar nog altijd leunde deze met den linkerarm op den rug
des stoels; maar nog altjjd zochten zjjne blikken den gladge-
wreven grond. «Arme Grocsbook!\'\' voer hij al mijmerende voort,
„smart over de verloren liefde zijner onderzaten, die het wagen
durfden hem in het aangezicht te wederstaan; wrevel over do
stoutheid der Staten, die hem zijne heden dorsten weigeren, zij
sleepten hem ten grave. Schuld, — recht, — wie zal uitspraak
doen? hoe zal zjjn vonnis luiden hij het nageslacht? hoe het
mijner Als de aanslag gelukt, Madeleine! dan getuigt de ge-
schiodenis, dat er in de dagen, toen Ernst van Beieren zjjn eed
Bchond, in Hoey een eerzaam burger leefde, Pierre de la Geneste,
een naam, op de rolle des rechts met eere vernield, die een eind
maakte aan duldeloozen druk. Die man, zal het hceten, hij had
den moed tot zijne bruid een meisje te kiezen der Hervormde
leere toegedaan; die man deed haar geloof nooit geweld; die
man getroostte zich, van haar en den eenigen zoon die zij hem
schonk, te scheiden, liever dan haar te overreden hare overtuiging
te verloochenen. Of de hostrie er bij getuigde, dat hem eene
dochter overbleef, met manneljjken moed begaafd, die hem
schoorde als hij struikelde!" de la Geneste trad op zijn kind toe
en drukte baar de hand. „Eindelijk," voer hjj voort, „eindelijk,
zoo zal het luiden, bood zich de gelegenheid aan de grijns af
te werpen, zoolang met weerzin gedragen, zich en do zijnen to
bevrijden van het geweld, hunner ziele aangedaan. Hoe hem
zijne vaderstad dank weet voor eene verlossing, wier beraming
en voltooiing hem te zwaarder vallen moest, dewijl de eigenlijke
geloofsijver hem faalde, dewijl hij aan beiden zijden misbruiken
zag; misbruiken, die echter de vrijheid, geloofde hij, beter te
keer zou gaan, dan de huichelarij!\'\'
Madeleine wilde opspringen van eene bank voor het venster,
waarop zij was neergevallen; maar haar vader wenkte haar, dat
zij hem slechts ten halve had gehoord. Hij ging voort niet groote
schreden het vertrek te meten :
„Als wjj falen, do taal zal to arm zijn om dien Pierre de la
Geneste te verwensenen, die getrouwheid aan de Kerk van Rome
huichelde, terwijl hij wist, dat zijne dochter met hare moeder aan
de leer van l.uther hing! die in sehepensbaiik recht dorst spre-
ken over het minste vergrijp, al heulende met de vijanden zijns
vaderlands! Het is mij of ik het loze: wat viel er beters te vev-
wachten van een vroom opgevoed, vermogend jonkman, die zich
niet ontzag, I.ouise Kriant te huwen, de zuster van den ketter-
schen ijveraar; wat van den vader, die de geboorte eens zoons
verborgen hield om dezen in zulk oenen opvoeder het verderf
prijs to geven ? Verlosser wilde hij worden, verrader is hij goble-
ken; verrader, die om den wil zijner wereldsche goederen in
-ocr page 83-
73
Hocy bleef, toon vlucht en ballingschap eerlijk zouden zijn go-
weestï Terecht werd zijn naam van de rol Ie onzer rechters ge-
schrapt; terecht het wapenschild, dat hjj voeren durfde, al was
hij geen edelman, op de markt vertrapt!"
Ken oogenblik stilte.
Schuld, recht!" klonk het fluisterend, -de u/\'tshtf/ bepaalt
den zin |"
Maar Madoleine was opgesprongen, maar Madeleine sloeg
hare armen om zijn hals en dwong hem stil te staan, zeg-
gende: „Toch niet, vader! er is een hooger rechter dan de uit-
slag, het is de stemme die hier spreekt;" en hare blanke Tingeren
vonden de plaats waar haar hart klopte. Hoe de geestdrift in hare
oogen bezwoem, toen zij er zoo meewarig op liet volgen: «Arme
twjjfelaav! hoort gij die niet? ("Jij weet hoe mijne jonkheid ge-
zworven heeft; gjj weet het, wat meer zegt, welken strijd, boven
mijne jaren, ik heb gestreden; maar in het klooster, of op de
vlucht, maar met u ter hoogmis gaande, of aan moeders schoot
naar den lïjjbel luisterende, slechts naar één vrede streefde ik,
dien met mjjue conseiêntie; en er kome nu wat wil, sinds ik dien
heb gevonden, ik ben mijn lot getroost! Kr was onrust in mijn
binnenste, als ik, met u uit de cathédrale thuisgekomen, opgetogen
van al dien luister, al dien glans, dien bedwelmenden wierook,
dien vervoerenden zang, moeder spreken hoorde van een armen
Middelaar der mensehen, die het land doorging, goeddoende en
voor onze zonden op het kruishout stierf! Kr was strijd in mijn
gemoed, als de oude buurtpastoor mjj ter biechte vermaande, en
zij, die onze martelaresse worden zou, mij leerde dat slechts be-
rouw, Gode bekend, de zonden uitwischt, dank zjj het bloed des
Heilands! Al uwe aarzeling, vader! kan ik meegevoelen, want ik
heb wat daarnaar zweemt geleden, toen de kanunnik voor mjj
louter welwillendheid was en mij tot opgeruimdheid spoorde; toen
de abtdissc, bjj wie ge mjj de wijk deodt nemen, zorg voor mij
droeg, als ware ik hare dochter geweest, en ik later bjj moeder
in hare ballingschap slechts strafheid vond voor haar verdoold
kind, slechts tranen over haar verloren eerstelinge! Maar ik heb
geworsteld, vader! maar ik heb gebeden, en mjj is licht opge-
gaan; niet de uitslag, alleen de stemme des gewetens beslisse!
Tuigt die: neen! weg dan met de goederen der wereld, tot den
prijs der eeuwigheid te duur! Stemt die toe, welkom dan zelfs
kruis en boeien; er is een beter leven dan dit aanstaande!"
De la Geneste had toegeluisterd; of hjj toestemde? wij mogen
er aan twijfelen. Kr was vaderljjke liefde in de beweging der
hand, die de schoone geestdrjjfster zegende; maar als had hjj
den loop zijner gedachten vervolgd, sprak hij al mijmerend voort:
Ernst van Beijeren, werd Bisschop onder gunstiger verwach-
-ocr page 84-
T4
tingen, onder plechtige verzekering, niet om des geloofswille te
zullen vervolgen ..."
Die beklagenswaardige Madcleine! zij huiverde onwillekeurig;
maar eer zij van haars vaders zijde week, hoorde zij er dezen
met bitteren lach bijvoegen:
„En toch hadden wij in twee en tachtig Jean Chapeauville tot
inquisiteur!"
Er scheen een met schrik slaande tooverkracht in dien naam
te schuilen: Madeleine hief zich niet maar uit hare teleurstelling
op; zij beefde als een blad.
.Chapeauville! den vervolger van moeder, den bloedverwant
van Kerkadet!\'" borst zij uit.
„Ook aan ons vermaagschapt," hernam de la Geneste verbit-
terd, „zooals ik aan den klem zjjner broederband heb gevoeld..."
„Vader!" riep Jladeleine, „ik dacht... ik meende... dat mijne
moeder . .."
„Aan hem het behoud van haar leven heeft te danken\':*" viel
hij in; „dat is ook waar: maar toch... hij is daarbij niet dan
het werktuig geweest van de laagste eigenbaat, al heeft hij dat
zelf niet kunnen weten... ik geloof het volgaarne. Hij is een
devoot, een gemoedelijk man, een geleerde, die voor zich zelf
niet naar wereldsch goed vraagt, maar zoo pausgezind in zijn hart,
dat hij het zjjn plicht acht door straften dwang de dwalenden
naar den kerkdijken schaapstal terug te brengen."
„Onnoozele! met al zjjne wetenschap! of men \'t harte dwingen
kan, zooals men het lichaam dwingt, en of God niet naar\'t harte
vraagt," viel Madeleine in; „als ik uit dwang mijne knieën buig
in hunne Haals-tempelen, stijgt mjjnc ziel op tot den onzienlijken
Heer der Gemeente, die weet dat ik Hem toebehoor... Zoo is
daar innerlijke vrijheid ondanks uiterlijke boeien..."
„Maar die toestand is duldeloos op den duur, en gjj zjjt niet
de eenige die er onder ljjdt... Ware dat zoo, leedt gij en ik,
leed maar alleen mjjn huisgezin onder den druk van die wille-
keur, ik zou het dulden; hij den Hemel! ik zou \'t niet wagen
uit eigenbaat alleen datgene te volvoeren, waarop ik plan heb; —
maar dat is zoo niet! Gjj weet, dat het niet zoo is, Madeleine!
honderden welgeborene en wellevende medeburgers zuchten als
wjj ouder hetzelfde dwangjuk en zien hijgend uit naar het uur
der verlossing... zien op mi), die hun leids-en raadsman ben."
„Dank, vader! dank," borst de dochter uit; „maar sla dan nu
rustig de hand aan den ploeg, zonder omzien naar hetgeen
achter ligt."
„Dat doe ik, Madeleine, doch wat dichtebij in het verschiet
vóór mij oprjjst, jaagt mij huivering aan. Als eenmaal de sleutelen
der stadspoorten uit onze handen zijn overgegaan in die van den
-ocr page 85-
75
Staatschen bevelhebber, als hij hier meester zal zijn, als hjj hier
zal binnentrekken met zjjne soldenieren, wat zal er dan volgen
voor de burgers...\': Dwang onder een anderen vorm? dwang
van eenc andere zijde?... Zal Héraugière zelfbeheersching ge-
noeg hebben om zieh te houden binnen de perken der overeen-
komst? zal hjj over zjjn volk gezag bezitten groot genoeg om hier
geen schennis te doen plegen, om der burgeren goed en bloed
te ontzien?... Weet gjj wel, Madeleine! dat iedere druppel bur-
gerbloeds, dus gestort, voor mijne rekening komt? Ik ben onder
hen opgewassen; zij waren de speelnooten mijner jeugd, de ge-
zellen mijner jongelingschap! Hun vertrouwen bracht mij in mjjne
betrekking, ik zat met hen aan, ik heb vrienden onder Koom-
schen en Onroomschen beiden. Als de een of de ander nijj zjjn
ondergang wijten kon, als een hunner veehl luid mijn naam te
vloeken, die schuld zou ondragelijk zjjn!..."
„Vader! om \'s Hemels wil, wat waagt gjj liet, uwe zielskracht
en de mijne af te matten met de voorstelling van zulke mogelijk-
heden," snikte Madeleine, zelve verbleekend van ontroering, terwijl
zij de zjjne trachtte te keer te gaan. .Is Héraugière geen treffelijk
edelman; houdt moeder hem niet voor een wakker voorstander
en beleider van hare religie, en mag men zich aan zoo iemand
niet veilig toevertrouwen? Hebt gjj niet zijn woord, zijne schriftelijke
belofte, dat hier alles ordelijk zal geschieden? dat er geene ver-
andering zal plaats vinden, uitgenomen die naar welke wij zelven
zoo vurig wenschen — gewetensvrijheid?"
„God geve dat hij den wil en de macht hebbe, die belofte te
houden!"
.Daar zeg ik amen toe," viel Madeleine in, en wendde zieh
naar de deur, willens het vertrek waarin zij levenslang nog zoo
bange ure niet had doorgebracht, te verlaten.
„Madeleine, luister!" riep de Schepen, haar volgende en hare
hand vattende. „Al heb ik wel hope dat alles zal uitvallen zooals
wij wenschen, mislukking, die God verhoede! blijft mogeljjk; dezen
nacht kan alles ontdekt worden, de aanslag kan falen — wat dan
morgen ?"
„Vader! vader!" riep de jonkvrouw, welke vreeselijke angsten
jaagt gij mij aan! Overweeg dat ik mijne zinnen bij elkaar moet
houden, dat ik mij moet gaan optooien voor het festjjn, het festijn
van Itelsasar voorwaar, dat ik dansen moet, dansen met zulke smart
en kommer inde ziel; ik die dat laf en ijdel vermaak verafschuw!"
Vraagt iemand of de la Geneste medelijden had niet Madeleine,
wij antwoorden, dat hij bij dien angstkreet het hoofd boog; dat
hij haar niet te keer ging, toen zij voortvoer: „Ik ten rjje gaan
met de lichtvaardige papisten; ik de uitgietingen hunner onge-
rechtigheid mede plegen, in hun dartel Vastenavondspel, dat den
-ocr page 86-
76
Heere oen gruwel is; ik, dansen, dansen met Korkadet I met den
neef van Chapeauvillo, met uw en mjjn kerkonneester! O, vader!
breek mijne kracht, breek mijn moed niet met de voorspiogoling
van mogelijkheden ...."
„Waarop wij rekenen moeten, Madeleine! zullen wjj niet ons
geVaar vermeerderen," hernam de Schepen met onverbiddelijke
vastheid. „Molicvo! als morgen de aanslag mocht mislukken, dan
weet gjj waar de papieren zjjn, die van dit gevaarlijk geheim
getuigen. Verbrand ze, en dan — zie u zelve te redden."
.Het laatste niet!" hernam zij met edele stoutheid, .dat zou
Btrjjden tegen het voorschrift mjjner moeder, en — tegen mijn
eigen hart. Doch, lieve vader! wij gaan op tot den strijd; waarom
ons de neerlaag voor te stellen? Om met glimlachjes te kunnen
boeien, is het mjj noodig den blik te richten op den triomf!" en
er droppelden tranen uit hare groote, schitterende oogen, toen
zij van hare glimlachjes sprak.
„En nu, laat mij gaan, vader! om dit stemmig gewaad te ver-
wisselen voor de tooisels der danskleedij. Opdat ik, naar het
exempel der godvruchtige Oud-testamentische vrouwen, wapenen
make van de bevalligheid, die mij is verleend, om den Baaldienst
te helpen onttronen, en ketene vlechtte van nijjne haren, om den
geweldige te binden !"
Kn zjj drukte een kus op het voorhoofd van den Schepen, als
om hein te bezielen met hare geestdrift en haar goed vertrouwen
op de toekomst.
-ocr page 87-
HOOFDSTUK V.
Wie belang stolt in Wouter Willemsz, moet met ons naar hem
omzien, torwjjl lijj binnentreedt bij meester Zilbrecht, den waard
in de Kreeft, voor wiens woning dat vermaarde weekdier in
gekookten staat, en dus in zijn vuurrood omhulsel, op een groot
uithangbord was voorgesteld, met den naam van den herbergier
er onder, opdat geene vergissing mogelijk zoude zijn. Onzo
schrandere musketicr had bijgevolg geen oogenblik geaarzeld, dien
drempel te overschrijden; stoutweg trad hij binnen, of hij er
thuishoorde. Schoon het voor de eerste maal was, dat hij die
katrol achter zich hoorde neergonzen, schreed hij driest voort
door de gang, driest op de keuken toe, daar hij met een oogop-
slag bemerkt had, hoe de gelagkainer vol was van boerenvolk, in
welks gezelschap hij zich liefst niet waagde. Het getuigde voor
zijn hoofd, — en toch viel zjjn versnelde stap meer nog zjjn
harte toe te schrijven. In de woning te zijn, waar Oonda het
huishouden waarnam, en niet dadelijk naar dat verblijf te gaan,
waar lijj zeker kon zijn haar aan te treffen, viel het van een
minnaar te vergen? Mocht hij iemand ontmoeten bij wien de
voorzichtigheid verbood zich op dit recht te beroepen, hij had
immers een voorwendsel, cene verontschuldiging ter hand, of
liever in de handen, een mand met eieren en twee kostelijke
vette hoenders, die in de keurigste keuken welkom moesten zjjn.
Daar geurde en gloeide het hem op hetzelfde oogenblik uit
de verte tegen; daar glom het ter wederzijden der breedo schouw
van koperen ketels en kastrollen; maar hoe misplaatst zou hier
eene beschrijving zijn, waar wjj door de oogen van een verliefde
zien! Daar werd Wouter eene gestalte gewaar, welke hij uit
honderden zou hebben herkend; het meisje hield hem den rug
toegekeerd, het hoofd voorover; door de krullende haren, het
mutsje ontsprongen, zag hij den blanken nek heenschemeren.
En rapper dan iemand het vertellen kan, had Wouter de mand
-ocr page 88-
78
met eieren neergezet en lagen de hoenders er naast; op de teenen
voortgegleden, was hij achter Gonda, sloeg hij de handen om
haar hoofd, drukte haar de oogen dicht en kuste....
„Haak is hjj !....
Een duchtige vuistslag ontlokte hem die betuiging; zijn hoed
stoof tot hij de hoenders voort; Gonda zag om ....
„Wouter!.. .. Gij hier!" riep zjj, en het was aardig te zien
hoe de vreugde der verrassing alle gramschap van het lieve ge-
zichtje wijken deed; een hooge blos overtoog het geheel; „maar
hoe komt ge . ..."
„Ge weet kapers van de kust af te weren, Gonda!" lachte hij,
en liet er op volgen, toen zjj hem hare hand bood; „ik kan zoo
trouwen wachter niet gram zijn," maar nam deze daarom toch
niet aan. En het blonde kind, dat den vrijpostige straks zoo straf
deed boeten, zij gedoogde het, dat de schalk, haar met rustige
vrijmoedigheid omhelzende, een hartelijken kus op hare lippen
drukte. Verre van haar lief kopje terug te trekken, liet zij het
integendeel vertrouwelijk op zijn schouder rusten, doch — schreide.
„Wat is dat!" riep hjj met bezorgdheid, „tranen, mjjne liefste!
tranen, nu gij mij bij u hebt!...."
„Gij weet niet hoe van pas gij komt."
„Ik meen het te gissen, meidlief\', maar nog al waterlanders!
Gaat het hier niet naar uw zin ? Knort meester Zilbrecht den
gansehen dag P Drommels! uw lief gezichtje staat strak, uwe
wangen zijn bleek, nu de blos geweken is. Hoe komt dat? wat
schort er aan, zeg het mij vrij uit."
„O! er schort meer aan, Wouter! dan ik in weinige woorden
vertellen kan," hernam zij, vast wat moediger nu zij haar eerste
gevoel had lucht gegeven en door het vooruitzicht haar leed te
kunnen uitstorten.
„Ga zitten, daar bij de schouw," mocht ze zeggen, nog altijd
de hand leggende aan den schotel waarmee hij haar bezig had
gevonden, gefruite forellen, die wat schijfjes citroenen eischten.
„Niet dan zoo ge naast mij komt," was het antwoord des
jonkmans.
„Fluks!" lachte zij, door haar tranen heen; „in mijn keuken
ben ik vrij," en repte zich met het gerecht, minder zorgvuldig
dan straks de vischjes rangschikkende; „oom bedient op dit
oogenblik zelf zijne klanten; het mes, waarmee de citroen was
doorgesneden, werd afgedroogd; „en Mary, onze meid, doet het
grove werk daar buiten, omdat ze Vastenavond wil houden!"
Wouters schets, voor welken smulpaap het lekkere hapje mocht
bestemd zijn, vond geen gehoor. „Ik heb de deerne die uitspan-
ning toegezegd," voer Gonda somber voort; „voor mij heb ik
van avond niets dan verdriet te wachten."
-ocr page 89-
7!)
.En «lat zegt ge, als ik bij u ben!\'" hernam hij, terwijl zijn
arm om haar midden gleed. .Ik beloof u een Vastenavond zoo-
als gij er nog nooit een hebt gevierd ..."
.Een zulke wacht mij! maar geen vroolijke," hernam zij met
een diepen Bocht.
.En wat er dan morgen na volgt! ja daar mogen we nu niet
van spreken," ging hij voort, zijne lustige voorstelling tegen hare
bange verwachting plaatsende, .maar pleizier zal het je doen, of
mijn naam is geen Wouter."
.Wat er morgen op volgen zal, Wouter Willemsz! dat weet
ik u te zeggen," borst zij uit. .Morgen verlaat ik het huis van oom,
schoon ik, arme! nog niet weet waarheen ...."
.Wat is dat, Gonda! handelt meester Zilbreeht zóó hard met u?"
.Xecn! maar ik wil in zijn huis niet bljjven, als een ander
daarin den baas speelt, en nog wel een ander die...." hare
lippen trilden ... hare wangen verbleekten, .die .... mij dwin-
gen wil, zijne vrouw te worden!"
In plaats van te schrikken lachte Wouter luidkeels.
.Dien held zou ik willen zien, die mijne Gonda zou kunnen
dwingen haar woord aan Wouter te breken .... als ze geduld
heeft om te wachten tot hij een kooitje heeft zoo mooi een
vogeltje waard."
.O! wat dat belangt.... aan geduld zou het niet haperen;
maar die verweerde Jezuïet.... die Jacques I\'erret... die schele
Brusselaar .. .."
.Zijn kwaliteit, zijn naam en zijn phvsionomie .... gij hebt er
slag van kennis te doen maken," sprak Wouter glimlachend; .dat
hij op u verliefd is geraakt, bewjjst, voor zjjne oogen, hoe loensch
hij moge zien; al geeft dat geen hooge gedachte van zijn moed,
want dapper en scheel gaan niet saam;... maar hoe acht ge
hem in staat u te dwingen, in wat ook
.Wel, omdat hjj doorzet wat hij wil, en dwingt wie hem lust!
Heeft hij niet reeds oom weten te belezen om hem zijn huis en
zijne zaak over te doen?*\'
.Dit huis en deze zaak overgedaan! en tegen wanneer zou dat
geschión ?" vroeg Wouter, werkelijk eensklaps zoo ontzet, dat hij
er bleek van werd.
.Van avond zou hij hier voor goed inkomen .... en daarom
zeide ik : .morgen trek ik er uit.\'\'
.Juist van avond!" riep Wouter met klimmende onrust; .meid-
lief! daar schuilt verraad achter."
.Dat denk ik ook," hernam Gonda. ,De schele geeft voor, dat
hij een gegoed Hrusselsch koopman is, maar ik .... houde hem
voor een kalen sinjeur, die met zijn bruske manieren er in slagen
zal oom af te zetten."
-ocr page 90-
80
.Kind!" sprak Wouter verschrikt, „ik vreeze dat hier iets wich-
tigers omgaat dan afzetterjj," en zeide er als tot zich zelve bjj;
„het mindere moet voor het meerdere wijken!" om ijlings Gonda
te vragen: «Gedenkt ge niet wat ge mij voormaals geschreven
hebt van de zaak, waarover Mr. Zilbrecht in overleg was met
den schepen de la Geneste?"
„AVclke zaak !\' hernam zij versuft naar hem opziende. Hartelijk
als de wakkere borst haar liefhad, baalde hjj de schouders met
ongeduld op. „Maar, Gonda! die onderhandeling met...." en
hij troonde haar naar bet hoekske, hem straks bij de schouw
gewezen, en hjj Duisterde haar den naam van Hérangière in het
oor; -het is daarvoor dat ik bier ben!"
„Och! als ge daarom gekomen zjjt, dan kunt ge niet gauw
genoeg weer heen gaan," hernam zjj, diep mismoedig, „daar komt
niets van, daar wil bij nooit meer van hooren !"
«Dat zal hem wel anders geleerd worden! Een man, een man!
een woord, een woord! vooral in zaken van zulk gewicht."
„Al mocht hij het willen, hij zou bet nu toeb niet kunnen doen;
bedenk, Wouter! het meesterschap van dien anderen gaat van
avond in."
„Wij zullen zorgen, dat het zoover niet komt," sprak de mus-
ketier met vastheid. „Maar meidlief!" en hij deed haar naast zich
zitten, hand in band, „leg mij toch uit, hoe oom zoo veranderd
is.... voor eene maand bad hij immers het boste voornemen?"
„Juist! maar al is oom Zilbrecht eerlijk en gemoedelijk, bij is
ook zwaartillend als oen best zooals er niet velen zijn . . . klein-
inoedig en verslagen bij bet minste rukje in den wind. Hoelang
heeft hij al niet gezucht en is hij gebukt gegaan onder gewetens-
bezwaren, omdat bij zich door wereldsche bedenkingen en tijdelijk
voordeel had laten verlokken de gezuiverde religie te verloochenen
en de paapsche misse te hooren ...."
Van dat tobben weet ik, en weet ook hoe het hem bewogen
heeft van de eerste te zijn, om met Schepen de la Geneste de
handen ineen te slaan! maar waardoor is bij nu weer omgekeerd?"
„Uit geene andere oorznak, dan wat gij zijn tobben heet, Wouter!
Hij beeldt zich thans in, dat verraad plegen jegens zijn wettigen
heer groote zonde is voor God, al brak de Bisschop zelf het eerste
zijne belofte! Hij verwenscbt zich zelven om de heiligschennis
waaraan hij zich dagelijks schuldig maakt, door bij de Koomsehen
ter kerk te gaan, erger nog, te biechten en communie te houden,
zonder er een zier aan te gelooven. Hij wordt er zoo onrustig
en moedeloos door, dat bij eens tegen mij zeide: „Gonda! mijn
kind ! ik zou beter doen, mijn zaak latende varen, als een arm
man uit Hoey te gaan, dan er als een gezeten burger te blij ven
wonen, een huichelaar voor de nienseheii, een verrader van mijn
-ocr page 91-
BI
oppcrheer, een verdoemde voor God I" En of ik hem dan al op
mijne wijze trachtte te troosten en op te beuren, het hielp niet.
In de laatste weken vooral drukten hem die sombere gepeinzen
hoe langer hoe zwaarder. Hij wilde niets meer te doen hebben
met de zaak van den Schepen, en had toch geen moed het dezen
rondborstig te zeggen. Zoo zijn er hier brieven blijven liggen, die
hij naar Breda had moeten verzenden; en of de booze er onder
speelde, juist toen kwam dien bluft\'enden Jacques Perret bij ons
aanwaaien, die wel zegt een eerlijk Nederlander te zjjn, doch dien
ik voor een Spagnool houde, en voor een Jezuïet daarenboven 1"
„Als hij een Spagnool is, dan mag hij beven en zijne heilige
aanroepen; want dan zal ik hem een spie schelden en heel korte
metten met hem maken; doch waarom ziet gij hem daarvoor aan f
„Omdat hij altijd Spaansche spreekwoorden in den mond heeft.
Die schele! — weet ge wat hij van mij zeggen durfde, toen oom
eerst geen ooren had voor het aanzoek, waarmee hij mij dacht
te vereeren? „Ge zijt mijn trouwe vriend, Tin Zilbrecht! zooals
Gonda daar aan het venster staat, is het maar al te waar;...."
niet lachen, Wouter! als ik zijn Spaansch radbraak ...."
De schalk lachte niet, et poitr cuuse.
„Hij zei, Gonda?"
„Die schele! — Muger ventanera, Utas de ealle — die lee-
lijkert!"
„En dat beduidt?"
Het blonde kind bloosde, al hernam zij plaagziek: „Hebt ge
zoolang gediend, Wouter! en verstaat ge dat nog niet?"
„Ik versta," hernam de musketier moedwillig, dat er sprake is
van een mooi meisje ...."
En de kus was gegeven, eer Gonda het had voorzien.
„Toch niet geraden," beweerde zij, terwijl ze een weinig van
hem afschoof, „ Muger is ...."
„Eene vrouw," vertolkte Wouter, die weer dichter kwam.
„ Ventanera ?.... och, ik zal mijn musketier maar te hulp
komen; eene vrouw die aan het venster staat; en mas?...."
„ l\'ias, zijn druiven ..."
TDe calle, die aan straat wassen, zei de leelijkert!"
„Als hij hier was, ik zou hem!..." riep Wouter, en zijne hand
maakte eene beweging.
„Duchtiger dan die van straks?" vroeg Gonda.
„Meendet gij dat hij het was?"
„Hij had geen spreekwoord kunnen inhouden...."
„Ook al kussende?"
„Stoutert! denkt ge dat ik het hem ooit toeliet?"
„Dat Spaansch spreken is de mode, Gonda!" meende de mus-
ketier; „maar daarom behoeft hij nog geen Spagnool te zijn__"
De verrassing v»n Hoey.                                                                                       o
-ocr page 92-
82
„Geen Spagnool! en hij is bjj priesters en monniken gezien of
hij van den Koning kwam! — hij gedraagt zich zoo vroom, en
loopt zoo druk ter kerke, dat een kanunnik hem geld wil voor-
schieten om de herberg te koopen : want oom begeert de helft in
gereed geld vandaag bij het aanvaarden der nering, en vóór
Paschen de andere helft, wanneer oom het huis voor goed zal
verlaten. Inmiddels zullen ze de zaak samen drjjven, maar gij
begrjjpt wel, als hij hier eens het rijk heeft ingenomen, dat
meester Zilbrecht dan niet veel meer te zeggen zal hebben,
want hij regeert hem nu al met de oogen."
Wouter had bij de laatste woorden zijner lieve maar werktuige-
lijk toegeluisterd; zijn voorhoofd fronsde zich; zaehtkens zeide
hij : „Gonda! als het eens waar was, wat ik straks dien schele
toedichtte! als de hjnbaard, die zich voor een Brusselaar uit-
geeft, een spion bleek! Het is mogelijk dat meester Zilbrecht hem
in zijne argeloosheid zijne gemoedsbezwaren heeft medegedeeld,
en dat het gansche geheim van zijn meesterschap hier aan huis
schuilt in..."
„God geve dat gij n vergist, Wouter! maar het is voorwaar
of hjj oom betooverd heeft! Ziedaar die forellen, het lekkerste
beetje van de markt, dat moet van middag worden opgezet,
omdat sinjeur zal komen eten. Oom liet ouden Bourgogne-wijn
aftappen; ginds staat een flesch klaar. Als hjj \'s avonds binnenstapt,
dan is het: „Toe, kind! eieren pellen en kandeeltjo brouwen!"
doch dat alles zou tot meester Zilbrecht\'s dienst zjjn, zoo hij maar
niet begeerde dat ik mij in diens vreemdelings manieren had to
voegen. Dat heer huichelt vroomheid, schoon zjjne zeden veel te
wenschen overlaten; als ik nog denk, hoe hjj mij in den beginne
bejegende, ineenende met mij te mallen, als ware ik maar eene
gewone herbergsdeerne I"
„Of ik het hem betaald zal zetten! riep Wouter opgesprongen,
gebaren makende, als zag hij den schele reeds voor zich.
„Toen ik hem gram terugwees en op zijne plaats zette, werd
hij zediger," vervolgde Gonda, maar ik merkte spoedig, dat hij
oom door logen en laster tegen mij had ingenomen; want die
goeljjke man gaf mij met strenge woorden te kennen, dat ik
kiezen kon tusschen hoffelijk en onderdanig te zijn jegens zijn
vriend, of dadelijk mijne biezen te pakken. Wat is eene weeze
te beklagen; ik had nooit uit Geertruidenberg den voet moeten
zetten!"
„Geen waterlanders meer, Gonda! gij zult er gauwer weer zijn
dan ge gelooft — en wel als Wouter\'s aardig wijfje." Er blonk
een lachje door de traantjes. „Zoo zag ik u in gedachte toen ik
verre was," sprak Wouter verliefd; „moed gehouden, kind! wij
zullen dien vos in zijn eigen netten verstrikken. Gij ziet, ik ben
-ocr page 93-
83
hier in eene vermomming; ik kan Jacques l\'erret dus gerust
blijven afwachten. Ik wil eens zien wat er met hem te doen is...
van persoon ben ik onbekend, en gjj moet mjj, als hij komt, aan
oom niet bekend maken."
.Ik zal er wel op passen; oom zou willen dat ik dien schuin-
schen Brusselaar mijne hand gaf, sehoon hij weet dat gij mijn
woord hebt."
. Laten zij er zich mee vleien: als gij maar aeht geeft hoe ik
spreek en wat ik doe, dan zal die herbergier in den dop gauw
van de baan zijn geknikkerd."
.(iij zult u golven in last en lijden brengen," sprak zij bezorgd.
„Dat heeft geen nood; ik ben hier niet alleen... een woord om
u te bemoedigen," en hij Duisterde haar iets in, dat hare heldere
oogen deed glinsteren.
. Moogt gij u niet vergissen, Wouter!" zeide zij,-dan zou alles
gered zijn! Stil!" gebood zij eensklaps.
Haar gehoor had het van dat des musketiers gewonnen; door
de steenen gang deden zich voetstappen in de richting der keuken
hooren; zij kwamen dichter.
.Daar zijn ze!" riep (ionda verschrikt, .en mijne tafel is nog
niet aangerecht."
Er lag een smetteloos amnielaken op den disch         zoo weel-
derig leefde in die dagen zelfs een eenvoudige herbergier reeds
te Hoey, - - maar verder was het blonde kind in het dekken ook
niet gekomen; de stoelen stonden nog aan den wand, de tinnen
borden nog in het schapraai. Eer echter meester Zilbrecht, ge-
volgd door den geheimzinnigen Brusselaar, de deur, die Wouter
op een kier had laten staan, deed «rijken, zwarrelde het vaatwerk
over het linnen, en had Wouter den wenk begrepen waar de
stoelen en bankjes moesten worden aangeschoven.
.Op zij, en grijp je kippen!" fluisterde (ionda.
Wouter deed het, en had deernis, niet met deze, maar met
meester Zilbrecht, die de keuken ingekomen, er zoo vervallen
uitzag; het lage voorhoofd vol rimpels, de wangen, die vroeger
blozende moesten zijn geweest, verbleekt en gegroefd. Lange
geelgrjjze haren fladderden om het zwarte kalotje, dat zijne kruin
bedekte; van het karakteristieke eens herbergiers, den buik, was
geen zweem te zien.
,Die lieden wisten van geen heengaan," gromde hij, .\'t moet
al over de noen zjjn, en nog komen wjj hier te vroeg. Ce paurre
Jttcr/i/r*.
lijj heeft zoo\'n honger!"
„-£*« tout, père Zilbrecht! muis Vappétit viendra en mangeant;"
dat was do Brusselaar.
,\'t Heeft nog niet geluid oom!" verontschuldigde Gonda zich,
„anders had Mary zeker het bier gebracht;" — Gonda zette in-
-ocr page 94-
84
tusschen de kroezen neer; .ik ga geruster op haar maag af dan
op de klok."
Kn aan het hooger einde van den disch plaatste zij een paar
roemers, en van uit een veilig hoekje bij den haard kwam de
fleseh oude Bourgogne-wijn op tafel.
tJ)élieieuxtn zoo lekte zich ooms gast de zwarte knevels; „knor
niet, tio! ge ziet, het kind heeft mijn wenk niet vergeten," en hij
voelde de fleseh, zij was niet warm, ze was niet eens lauw;
slechts de koude was geweken. .Het riekt hier als aan het hof
van de Aartshertoginne te >*amcn, wanneer ik mee mocht aan-
zitten! Weet ge, tio Zilbrecht! wat haar majordomo mij eens ge-
zegd heeft? „Als het geheim van een goeden kok, Messire
Jacques! meent gij dat in tervir vite bestaat; mis amigo! leerde
ik van hem ; „de ware kunst is serrir chand." "
Hoe de Brabander, aangelokt door den geur der spijzen, voort-
Bchreed naar de fornuizen, tot hij op het aanrecht den schotel
met forellen gewaar werd, bij welke onze musketier zijn meisje
had verrast. „Al zijn de lieve handjes, die ze fruitten," sprak hij,
„bij haar te lande maar panharingen gewend, ce plat tenterait Ie
Hoi,
en uit trok hij den smerigen handschoen, en voort strekte
hij de schrale vingers naar het aanlokkcndste der vischjes...
„Wacht een beetje, is een dorp in het panharingcnland" en
wip was Gonda hem voor en den schotel op den disch ver-
plaatst.
„Ik zal u wel anders leeren als wij getrouwd zijn," gromde hij
tusschen de tanden. „Con mal atida la casa, don de la rueca
maiida al espada,
klonk het luider, .of wilt ge weten wat dat
in het Brabantsch beduidt? „Het huisgezin en heeft geen tier,
daar spinrok baas is van rapier."
„Gij baas!" mompelde Gonda; doch Perret had iets anders
te doen, dan haar te antwoorden. Zich omkeerende werd hij
Wouter gewaar, die, als ware hij onder het wapen geweest, bij
het binnentreden van den waard en zijn vriend, onopgemerkt een
hoekje had ingenomen, uit \'t welk hij alles kon zien, om te rech-
tor tijd te vuren, neen, to voorschijn te treden. Aan den verwaten
schred, aan den valen hoed mot de verweerde pluimen, aan de
van vettigheid glimmende lokken, aan hot gevest van liet rapier,
dat te zeer blonk om veel gebruikt te zijn, had onze rappe borst
den even schralen als snorkenden gelukzoeker herkend. Beider
oogen ontmoetten elkaar. Wie zich Jacques I\'erret noemde, sloeg
zjjne schele gluiperts neer; de bruine kijkers van Wouter Wil-
lemsz waren door Héraugièrc niet ten onrechte om hunne uit-
drukking van eerljjkheid geprezen. De zwarte hadden schrik wil-
len inboezemen, maar ze legden het bij zijn weerstuit af: het
boertje stond stevig op zijn koten.
-ocr page 95-
85
Het was maar een oogcnblik stil spel geweest; zich thans op-
gemerkt wetende, trad Wouter rustig meester Zilbrecht op zjj,
wees deze de mand met eieren en de hoenders, die hij weer
opgenomen had, en .-[mik. het Luikschc dialect vrij goed na-
bootsende, dat wij echter voor \'t gemak onzer lezers en....
voor het onze, niet zullen wedergeven:
.Meester Zilbrecht! ik kan \'t met mamsel Gonda niet eens
worden; zjjn dit hoenders voor tien sous!1"
.Och, vriendje! antwoordde de waard ongeduldig, .maal me niet
aan \'t hoofd met zulke zaken; de keuken gaat mijne nicht aan."
.En mij ook een beetje zou ik meenen, palffame Dios.r\' nam
de Spaansehe Brabander het woord; .wel, nu nog mooier, boertje!
meen je die eikens hier te sljjtenP dat zal mis zjjn, morgen
gaan de vasten in en ...."
.Van avond zal mamsel Gonda ze wel noodig hebben voor
haar vastenavondkoeken; het zal druk zjjn in de gelagkamer,
dat beloof ik je, meester Zilbrecht!"
.Ik ben in mijn huis op geen Vastenavonddrukte gesteld, dat
weten de burgers hier al lang en ze komen niet meer bij me,"
hernam Zilbrecht stroef.
.Wat de gelagkamer betreft, die gaat van heden af mij aan
en ... en ik zeg niet, dat ik tegen drukte ben," zei de vennoot
op het tipje, lachende, .waar het volk is, is de nering."
.Als ge van die opinie zijt kameraad!" hernam Wouter, hem
gemeenzaam op den schouder kloppende, dan zul je pleizer heb-
ben; want we komen met ons twintigen, misschien wel met ons
dertigen hier, allen uit Amay in mommepakken, om eens in
\'t Kreeftje te drinken en te dansen.\'\'
.Daar zal niets van komen; ik wil in mijn huis die ijdelheid
niet gedogen!" viel Zilbrecht in, terwijl zjjn vaalbleek gelaat
purperrood werd van verontwaardiging.
.Maar ik wèl!" riep de Brabander met een brutalen stem; .het
zou onvergefeljjk zjjn zulk een gelegenheid tot geld te verdienen
te verzuimen; run mjun pasêada nn mu»U molhm, en buitendien
wat de Kerk veroorlooft, behoeft de vroomste Katholiek zich niet
to schamen; — als die goede luidjes van uw dorp mij de gunst
willen doen, herwaarts te komen, kunnen ze van een goed ont-
haal zeker zijn."
„Je bent mijn man!" zei Wouter, hem in de hand slaande, ,en
ik zal de boodschap doen, mits je mijn eikens neemt, voor vier
stuivers het dozijn!"
„Je meent zeker, dat je een kanunnik voor hebt om zoo\'n hoogen
prijs to vorderen," antwoordde de lief hebber der forellen lachend;
„voor negen sous zal ik ze al te gaar nemen, mits je mij de hoen-
dere er bij laat."
-ocr page 96-
si;
„Je vergeet, messire! dat de kippen eerst na Vrouwendag be-
ginnen te leggen en dat met den Spaanschen oorlog de levens-
middelen zoo duur dreigen te worden, dat de rijkste burger haast
voor hongersnood vreest."
„Verdiende loon! dan moesten de ketters maar niet tegen hun
koning zijn opgestaan."
„Of de koning met zijn volk niet tegen de privilegiën hebben
gehandeld!"
,Santo Offirio! Je durft stout spreken, maatje!" zei de Bra-
brander, hem verrast, dubbel loenseh aanziende: terwijl zijn
rechte een gebaar maakte of zjj den degen zocht.
„Och!" hernam Wouter, zoomin door het dreigend gelaat als
door den geveinsden greep ontzet, „och! dat komt dat ik wel
weet tegen wien ik spreek; gjj althans zult mij niet verklagen bij
den koning van Spanje."
„Gjj meent mjj dan te kennen PM vroeg de andere, en een om-
zien verbleekte zjjne wangen.
„Ik meen niet u te kennen, maar .... ik ken u van buiten, mes-
sire! Oij noemt u Jaeques I\'erret, on zegt uit Brussel te komen."
„Ik zeg wat waar is; hebt ge mij daar dan gekend?"
„Uws geljjken zjjn zoo wat overal, en wij markten niet enkel
tot Hoey."
„Mijns gelijken!" herhaalde Jaeques I\'erret, nadenkend, en
blijkbaar innerlijke onrust ter prooi; „bij alle heiligen! ik begrijp
u niet."
„Wel, dat is ook niet noodig, daarom even goede maatjes; als
je mijn hoenders met mijn eieren maar neemt voor drie francs,
dan zal je er van avond geen scha bjj hebben ...."
„Top! dien koop sla ik toe."
„Maar ik niet!" viel nu op eens baas Zilbrecht in, die zeer
oplettend had geluisterd, den Spaanschen Brabander scherp gade-
slaande; — viel hot aan de gevolgtrekkingen, door hem gemaakt
toe te schrijven, dat hij moed greep om zijn rechten als heer
des huizes te handhaven!\' „Maar ik niet!" herhaalde hij forscher;
„ik duld zulke woeste drinkgelagen en danspartijen in mjjn huis
niet! Bleef het nog bij drinken en dansen, maar er komt dobbelen
bij, den gansenen nacht door, en \'t loopt nooit af zonder vechten.
Het is mijne vaste gewoonte geweest mijne herberg te sluiten op
A*astenavond en andere slempdagen .... en ik zal van die gewoonte
niet afgaan."
„Gjj en ik zijn er twee; doch dewjjl ik hier nu heer en meester
zal zjjn ...."
„Wel zeker: nieuwe hecren, nieuwe wetten," voegde Wouter
er ondeugend bij; „en daar \'t blijkt, dat baas Zilbrecht zijne
herberg aan den zich noemenden Jaeques I\'erret heeft overgedaan...."
-ocr page 97-
87
„Nog niet!" viel Zilbreeht in, met meer drifts dan zich straks
bij hem verwachten liet; .de overdracht is hor niet geschied,
en tot zoolang ik mijn naam heb gekrabbeld, ben ik hier meester."
„Al zacht, tio Zilbreeht! valyttme dios! ben ik dan niet hier
om de overeenkomst te sluiten ...."
„De voorwaarde was, dat gij gereede penningen zoudt mee-
brengen .... en gij hebt mij zooeven verklaard, dat gij die nog
niet bij u hadt...."
„Is dat mijne schuld? De abt van de Kruisheeren, die ze mij
zou voorschieten, tot mijne goederen en fondsen uit Brussel zul-
lcn aangekomen zjjn, was zoo vroeg niet te spreken ... . Ik heb
een uur lang in de kerk liggen bidden, in afwachting dat Zijn
Eerwaarde tijd zou hebben mij te ontvangen, maar al omzonst!
Mon Dieu! kan een niensch meer doen, en zoudt ge mij dat
korte uitstel niet gunnen? mij niet op mijn woord gelooven, die
aan het hof van de Aartshertoginne te Namen .. .."
„Ooedenniorgen, groote Heeren! maar ik had mijn geldje gee-
ren," neuriede Wouter, ten blijke dat ook hij wel een Spaansch
spreekwoord kende.
„Je dry franken P" vroeg de Brabander, en tastte in zijn ledigen zak.
Gouda was ter hand en greep uit het knipje in haar beugeltasch
de drie zilverstukken.
„Gepast!" zei Wouter.
„Schenk den borst een kroes gerstenbier," beval de waard zijne
nicht, maar liet zich daarom van het onderwerp toch niet afbrengen.
„In zaken," voer hij tot zijn gast voort, „komt zulk vertrouwen niet
te pas. Hebt gjj de tweehonderd ponden Vlaamsch of hebt gjj ze niet f
„Ik heb ze," hernam I\'erret stoutweg, „dat wil zeggen, het is
zoo goed of ik ze had. Is mjjnheer de abt van de Kruisheeren er
niet goed genoeg voor P"
„Daar zeg ik niets tegen, maar ...."
„Xu dan, wat aarzelt ge nog \'i die is mijn borg en mijn vriend; —
daarom kan ik, zoo haast ik wil, het geld van hem krijgen, al
waren \'t acht honderd ponden Vlaamsch, ja! tot duizend toe.
Hij kent mij en hij kent 11 ook, en hij weet waarom gij uwe
zaak wilt overdoen; schaamt gij u dan niet mij te wantrouwen ?"
Blijkbaar maakten deze met nadruk uitgesproken woorden op
den waard een pijnlijken indruk; het was of zij hem weer onder
den band brachten, waaraan hij zocht te ontkomen, waartegen hij
worstelde; met zachte, haast aarzelende stem, vergoelijkte hij zijn
stoutheid van zooeven: „Ik vertrouw u wel, maar het is niet ge-
bruikelijk .... en mijn notaris zal er vreemd van opkijken, zoo
ik den koop sluit zonder contanten ...."
„Dat zal wel meer gebeuren ; hij maakt eenvoudig een schuld-
brief op te mijnen laste, in optima forma, dien ik gewillig tee-
-ocr page 98-
88
kenen zal, onder borgtocht van mijnheer den abt! dat is immers
zoo goed als geld?"
De herbergier liet een .hm!" hooren, dat niet precies van
instemming getuigde; verdrietig schoof hij zijn kalotje heen en weer.
.Ik vind het zelf vreemd genoeg," hervatte Jacques op hoogen
toon, .dat gij er den notaris bijhaalt zonder mijn voorkennis; ik
meende dat die er niet bij te pas kwam, dan op den dag mijner
bruiloft met Gonda." Hoe gelukkig, dat de loensehe het gezicht
niet zag, dat Wouter bij die woorden over den kroes gerstenbier
zette; de minnaar, die naar de bedrijvige liefste blikte, welke
hem dien had gevuld, ware verraden geweest. .Schaam u, tio
Zilbrecht! ik zal uw neef worden en gij neemt waarborgen tegen
mij, als ware ik een vreemde."
Die arme poes! waaraan had zij het verdiend, dat Gonda haar
met den rookenden soeplepel dreigde, tot zij den geheimzinnigen
Brabander tusschen de magere beenen stoof?
.Zonder den notaris is er immers tusschen ons niets wettigs,"
hernam de waard uit de Kreeft, .en daarom zeg ik u, dat ik hier
nog meester ben tot vanavond! Ik heb den practizijn juist daarom
te zeven ure bescheiden, omdat we er op kunnen rekenen dan
rust te hebben; en gij wilt een oploop en een dobbelpartij in
mijn huis halen ...."
.Als ik mijne tweehonderd ponden Vlaamsen stort, dan moet
men mij ook de gelegenheid geven ze weerom te winnen, en zoo\'n
occasie als die van een Vastenavondspret komt er hier te Hoey
den gansenen winter niet weer voor."
.Kom! kom! meester Zilbrecht! wees uw aanstaanden neef
maar ter wille," viel Wouter in, den herbergier een wenk van
verstandhouding gevende, die dezen opmerkzaam deed worden.
.Met die dobbel- en drinkpartjj zal \'t van avond zoo\'n vaart niet
loopen; want ook ik zal er bij zijn, en er komen van de deftigste
boeren mee ..."
A biien ronxejo 110 se halla precio!" zei de Brabander; .maar
dat verstaat ge niet, vriendje! en daarom zal ik het u verdietschen:
„een goede raad gaat alles te boven!\'1"
Doch Wouter, dien de kroes gerstenbier het gewenschte voor-
wendsel gaf te bljjven, Wouter bleek de ware bondgenoot niet;
hij voer tot den herbergier uit de Kreeft voort:
„En al mocht van avond de koop niet doorgaan, ik zou wel
een kooper voor u weten."
.En wie dan?" vroeg Zilbrecht.
■ Wel ik zelf, meester! Ik ga trouwen, zoodia ik wat beters ge-
vonden heb dan mijn boerenbedrijf.\'
„Op St. Jutmus!" borst Jacques Perret uit, — „« rio buelto
gananeia de petcadorl
meent ge."
-ocr page 99-
8«J
„Geldt dat een visscher?" vroeg Wouter leuk.
„Van forellen," lachte Gonda.
„Het zegt dat het goed visschen is in troebel water, boertje!
maar uw hengel schiet te kort. Waar zoudt gij de tweehonderd
ponden vlaamsch vandaan halen? arme linker! een stakker, die
om eenige stuivers met eieren vent!"
„Door de kleintjes komt het bij mijns gelijken bijeen; ik denk
de tweehonderd ponden mee te brengen, en voor de rest zal
mijn borg zijn meester Pierre de la Geneste, schepen hier tot
Hoey."
„Pierre de la Geneste," herhaalde Zilbrecht, en hjj schrikte op
alsof hij uit een droom ontwaakte; maar de naam scheen op den
Brabander niet den minsten indruk te maken. Het verraste en
verblijdde Wouter tevens; de stoute zet gaf hem zekerheid dat
de vreemdeling ten minste geene kennis droeg van Zilbreeht\'s
verstandhouding met de eedgenooten te Hoey. Het spoorde hem
aan moedig voort te gaan: „Och ja! wij hebben land in pacht
van dien goeden heer, en als je "t wilt, meester Zilbrecht, dan
ga ik zoo rïusjes naar hem toe, om hem het geld te vragen...
ik moet toch bij hem zijn."
„Onnoodig, vriendje! onnoodig; a biwii paguilor no ilmdni p>-en-
dus;
goed, gereed geld in de hand, buiten zwarigheid van pand ;
denkt ge dat, als ik dus bedreigd worde, de abt van de Kruis-
heeren mij, Jacques Perret, in den steek zal laten ? Specie tegen
specie, moet ik de voorkeur hebben. Santo ofjicio! Ik zal zorgen
dat ik mijnerzjjds het geld heb, en het zou een schande zijn die
ik de ganschc stad wel luid zou laten doorklinken, als ik dan
niet de voorkeur behield."
„Die hebt en die houdt gij, wees er zeker van!" besliste Zil-
brecht geruststellend, .maar span den boog der heerschappij noch
te vroeg noch te strak; hij mocht breken."
„Als het op lessen aankomt, tio Zilbrecht! ik zou kunnen zeg-
gen: Keer om dat blad, daar staat nog wat; — maar genoeg,
zullen wij hier van avond bijeenzitten als puriteinen?"
„Heb uw zin, Jaeques! ten opzichto van.... hoe heet gij,
boertje ?"
„Wouter Willemsz!\'- hernam deze stoutweg.
„Ten opzichte van Wouter Willemsz en zijne vrienden," her-
haalde Zilbrecht levendig; en een omzien flikkerden die blauwe
oogen. Zelfs bepaalde zich de moed, door dien naam opgewekt,
bij dien voorbijgaanden glans niet. „Ik ken uwe verwanten," —
voer de waard voort, — „in Amay," voegde hjj er voorzichtig
bij; „om hunnentwille moogt gij het hier goed hebben, Wou-
terbroer!"
„Braaf gesproken!" riep onxe musketier; „houd woord, mees-
-ocr page 100-
90
ter Zilbrecht! het zal u niet berouwen, en daarmee, weest ge-
groet !"
„Hjj liep schielijk de gang in, zelfs Oonda maar een boerschen
hoofdknik gunnende, doch had onder het uiten der laatste woor-
den met den waard een veelbcteekenenden blik gewisseld, die
door dezen zoo goed begrepen was, dat hij hem onmiddelljjk
volgde en bij den arm vatte.
„I)ie weifelende eigenaar van de Kreeft! Luide zei hij: „Ce
jmuvre Jarques.\'
hjj heeft zoo\'n honger!\'\' fluisterend: „St! vriend
Wouter! een woordje."
.Tot uw dienst, niets liever!"
.Links dan," — en zij traden een vertrekje binnen, aan de
overzijde van de gelagkamer; .hier zijn we vrij."
Als een herbergier van die dagen zoo ie.ts na mocht houden,
dan zouden wij het zijn kantoor willen heeten : eene kleine tafel,
een lessenaar, een enkele zitbank, zjj schenen die bestemming
aan te duiden; terwijl een stevig houten hangkastje, met ijzer
beslagen en aan den muur vastgespijkerd, het vermoeden wekte,
dat het diende tot bewaarplaats van \'s mans gereede penningen.
Wouter merkte ten minste bij het binnentreden op, dat de waard
er dadelijk den blik naar richtte.
Intusschen, het leed geen twijfel, dat meester Zilbrecht zich
hier vrij achtte; nauwelijks had hij de deur gesloten, of hij vroeg,
koener dan de musketier straks mogelijk had geloofd : „Zjjt gij
inderdaad Wouter Willemsz, de broer van Maaike in \'t Hert?"
.Die te Geertruidenberg getrouwd is met uw vollen neef, Michel
Dartaing, uit Luik!" antwoordde Wouter, om door het opsommen
dier bijzonderheden zijne identiteit te bewijzen.
„Dan zijt gij zooveel als Gonda\'s verloofde!"
.Dat meende ik althans te zjjn, maar ik bemerk dat gij een
ander in mjjne plaats zoekt te schuiven."
„Och neen!" en de stem daalde weer: „toch niet! maar door
den zwaren druk van dezen tjjd doet men bijwijle wat men
niet wil."
„Een wakker man moet zich door niets zóó laten verbijsteren,
dat hij een vrouwenhart geweld tracht aan te doen, om het woord
aan een eerlijk jonkman gegeven te breken."
Gjj hebt goed spreken; gij weet niet in welke pijnlijke positie
ik geraakt ben tegenover dien.... verwenschten Brusselaar,"
eindigde hij op somberen toon.
„Foei, meester! een eerlijk man onder den plak van een fielt!
want dat die Jacques Perret een fielt is, dat weet...."
„Kent gij hem dan?" vroeg Zilbrecht gespannen.
„Alsof het niet volstond hem aan te zien, om dat te weten;
een fielt, en een lafaard bovendien! Gelooft gij niet met mij, dat
-ocr page 101-
!ll
hij nu al bang voor mij is? Zoo vaak ik mijne oogen opzette,
draaide hij zijn hoofd om als een passe-volant in de vingers van
een monster-commissaris."
„ Als gij hem hebt uitgetart, moogt gij wel oppassen; het kan
hem niet ontgaan zijn, dat uw boerenplunje maar eene vermom-
ming is, en gij weet niet wat leeds hij er u door brouwen kan."
„Eilieve, sinds wanneer is er in Luikerland of in de stad
Hoey een verbod uitgevaardigd, zich in den carnavalstijd te
verkappen P"
„Hij heeft een witten voet bij de geesteljjken van zjjne kennis."
„En ik zal aan schepen de la Geneste vragen of hij niet bij het
gerecht bekend is; dat is wat anders, meester!"
„Xu gij van schepen de la Geneste spreekt, gelooft gij dat deze
u geld zal voorschieten, om mijne herberg over te nemen?"
Wouter Willemsz liet een gullen lach hooren. „Meent gjj dan
in ernst dat ik er aan denk het hem te vragen ? Al bood hij het
mij aan uit zich zelven, toch zou ik het afslaan, meester Zilbrecht!
Het is voor mij nog geen tijd een huishouden te beginnen; en
wat u aangaat, oompje! gij moet te Hoey, gij moet baas in uwe
herberg blijven, dat is voor u het beste."
„Ik zou \'t zoo gaarne willen; maar," en de man fluisterde
weer, en de man keek naar het kastje; „de dwang is mij ondra-
gclijk en ik ben de huichelarij moe! De Heere God weet, hoe
ze mij de conscientie bezwaart."
„Dat zou ze de mijne ook doen!" sprak de brave soldaat;
„maar ge weet immers wel, dat het leed haast gedragen is, en er
op uwe medewerking gerekend wordt, om het juk af te werpen?"
„Ik heb het mij vaak voorgesteld, maar daar is nu geen denken
meer aan."
„Oompje! hoe heb ik het? er wordt ernstiger dan ooit aan
gedacht, en ook gedaan; het beraamde plan is zijne uitvoering
nabij, mits ge maar het woord houdt, vroeger aan kapitein Hérau-
gière gegeven I"
„Om \'s Hemels wil! spreek toch zoo hard niet: noem voor het
minst dien naam niet zoo luid," viel Zilbrecht in, met schier
bevende stem, terwijl geheel zijne houding angst uitdrukte : „hij
kan ons beluisteren."
„ Wees gerust! Gonda zal wel weten wat zo te doen heeft om
hem in do keuken te houden. Wij verstaan elkaar met een halvon
wenk en dien gaf ik."
„Dat is gelukkig, maar dat helpt alleen voor dit oogenblik. Als
gij wist hoezeer ik gebonden ben..."
„Bij alle Spagnoolsche Santen! ik zie dat gij vrij kunt zijn
zoodra gij het zelf maar wilt. Gij jaagt van avond dien fielt de
deur uit, en daarmede is alles afgedaan."
-ocr page 102-
\'.>■>
_ .Neen \' daarmede is niet alles afgedaan," antwoordde Zilbrecht
in diepe verslagenheid. .Als ik zoo onvoorzichtig handelde, zou
ik verloren zjjn. Denk maar eens, Wouter, hij kent het geheim
van dit kastje," en hij wees op het meubeltje met ijzer beslag.
„En wat is dat voor een geheim!\'" vroeg Wouter, met een
hoofdschudden over zoo Hauwe versaagdheid. „ Wat schuilt er in
dat tresoorken, dat u zoo in verlegenheid brengt ?.... onbetaalde
rekeningen?.... of uwe correspondentie met.... mjjn overste?"
„Neen! neen! dat alles is het niet. Ik ben geen bankroetier;
mijne zaken zijn in orde; de brieven van.... uw overste zjjn in
goede bewaring bjj den Schepen .... het is erger! veel erger!
Achter dat slot schuilt...." en Wouters oor ving de vreeseljjke
klanken op, .mijn Bijbel, waaraan ik somwijlen mijne dorstende
ziele lave, om niet ganscheljjk te vertwijfelen. Hij," en de arme
waard verbleekte bjj het verhaal, „A//1, tegen mjjn ernstig verbod
in, hjj draaide op een keer dit vertrek binnen, terwijl ik zat te
lezen; ik vleide mij, opstaande om het boek te bergen, dat hij
niet gezien had wat ik las; maar vertrouw u aan geen scheele
oogen, jongen ! als zij links knippen, kijken zjj rechts. Hij had maar
te goed gemerkt wat ik verborg. .Ge zijt een ketter!" riep hij
mij toe, en in mijn schrik kwam ik tot de bekentenis van de
waarheid, die hij geraden had! Sinds dien dag ben ik als een
wezel in zijne hand; want als hij mij gaat verklagen, dan wacht
mij het schavot of de brandstapel! Gij wordt er niet bleek van,
Wouter! maar.... wij hebben hier te Hoey de inkwisitie I"
.Loop met uwe inkwisitie, wat komt er dat op aan? Morgen
om dezen tijd is de stad aan den Prins, en dan mogen de gees-
telijke heeren voor zich zelven toezien."
„Wouter, Wouter! wat verschrikt ge mij; zijt gij om zulke
dingen hier?"
„\'t Is om van te beven, niet waar?" spotte de musketier, „of
meent ge misschien dat ik op mijn eigen gelegenheid uit Geer-
truidenberg herwaarts ben gereisd, simpelijk om een deuntje met
Gonda te vrijen ?"
„Ge zijt niet alleen hier?" vroeg Zilbrecht, hem met groote
oogen verwonderd aanziende; „zijn er dan anderen met u?"
„Op dit oogenblik ben ik nog alleen, maar van avond kom ik
terug, onder aanvoering van luitenant I\'aets en onzen vaandrig
met wel dertig man, de boertjes van Amay, die den buidel van
Jacques Perret zullen vullen! Er wordt op uwe hulp gerekend,
oompjo! wij verlossen u, maar gij helpt een handje mee."
„Wee mij arme! ik mag, ik durf dat niet meer!"
„Wat zegt ge, niet durven! als ik u verzeker, dat kapitein
Héraugière met een geheele legerbende onderweg is, en morgen
den dag reeds voor de poort van Hoey zal zijn .... dat wij van
-ocr page 103-
93
nacht met ons hoopje het kasteel meenen meester te worden ....
hoe kunt ge dan nog spreken van niet durven?"
„Ik zou wel durven, wat het gevaar belangt, maar .... de con-
sciintie verbiedt het mij .... de Bisschop is, gij kunt het niet
ontkennen, Wouter, mijn wettige heer en meester; mag ik meedoen
om de sterkte zijner macht in Luikerland in vreemde handen
te spelen, omdat ik, tot mijn ongeluk, niet meer aan zijn gees-
telijk gezag geloof!"\'
„Wel, lieve deugd, man! wat hebt gij eene wonderlijke con-
sciëntie; zij waarschuwt u, dat gij sacramentschennis pleegt door
u uiterlijk te voegen naar de ceremoniën eener Kerk, die ge niet
meer aanhangt; en daarin heeft ze gelijk, o, volkomen gelijk!
Doch als er zich nu eindelijk eene gewenschte, een afgebedene
gelegenheid opdoet om voor u zelven en voor al uwe medebur-
gers volle vrijheid te verwerven, om openlijk te beleven wat zij
belijden .... door, hoe zal ik het noemen, door eene minnelijke
schikking met een anderen christelijken heer, die de stad en het
kasteel te pand neemt, staande den oorlog, als een borg voor
geschonden neutraliteit, dan begint je consciëntie weer uit een
anderen hoek! Je consciëntie!.... alsof die op zulk een klcinig-
heid zou moeten zien, waar je de kans geboden wordt dat groote
zondenpak van dubbelzinnigheid af te werpen, dat je nu dag aan
dag met je sleept en telkens zwaarder worden doet, schoon zij er
je voor waarschuwt!"
Zilbrecht zuchtte en schudde droevig hot hoofd; hij voelde, dat
hij overreed zou worden, maar hij was niet overtuigd.
„Weetje wat, oom!" vervolgde Wouter met vuur, „als ik zoo\'n
verwarring in mijn binnenste had, ik zou er cordaat een eind aan
maken on niet zoo hinken op twee gedachten, die je nog tot twee
gruwelen zullen brengen ...."
„Wat zoudt gij dan doen Wouter?" vroeg Zilbrecht, in zijne
spanning een uitkomst zoekende.
„Wel! in uwe plaats liep ik op staanden voet naar die heeren
van de inkwisitie en ik zou tot hen zeggen: „Lieve heeren! maakt
gjjlieden een eind aan mijn wankelen en aan de kwellingen mijner
consciëntie; ik ben die en die, en zoo en zoo staat het met mijne
religie; ik heb al voor lang het kasteel bespied en in gedachten
overgeleverd aan Prins Maurinck van Nassau; ik ben althans
daartoe in onderhandeling geweest met zijn kapitein ... Ik heb
deze beloften gedaan uit vrijen wil en die met mijne hand be-
zegeld; maar nu hij rekent op mijne goede trouw, op de uitvoering
van mijn gegeven woord, komt het mij cerl[jker voor, dien eed
te breken en aan ulieden, die rechters zijt in gewetenszaken, de
beslissing wat ik verdien over te laten." Ziet ge, oom Zilbrecht!
als ge dat uw plicht gelooft, als ge dien moed meent te hebben,
-ocr page 104-
94
zeg het dan nu terstond, en wees er zeker van dat die heeren
uwe eonsciëntie met vuur of zwaard tot rust zullen brengen;
zwaard of vuur, zeg ik, het zal wel op hetzelfde neerkomen."
„Gij hebt goed spotten, jonkman !" sprak Zilbrecht somber; „gij
hebt maar één plicht, die gemakkeljjk is te vervullen ; ge weet van
geen strijd des gemoeds met de gehoorzaamheid uwen overste
verschuldigd..."
„Ei, zoo! meent ge dat een soldaat geen mensch isr* dat er
bij hem van geen strjjd van plichten sprake zou kunnen zijn \'f dan
vergist gij u grof, oude heer! Stel u voor, dat we morgen, ondanks
uwe ontrouw, toch het kasteel innamen, en dat mjjn overste mij
dan gebood om Zilbrecht, den waard uit de Kreeft, die zijn
vrijwilligen eed aan het bondgenootschap had gebroken, uit zjjne
herberg te halen, naar het platform van het kasteel te voeren en
hem daar voor den kop te schieten ten exempel van anderen;
wat dunkt u, zal ik den haan dan overhalen of ik u nimmer had...
Wel mjjn goede, beste meester! sidder toch zoo niet; ik zou\'t nooit
kunnen doen !" hervatte Wouter plotseling, zich zelf weersprekende,
toen hij de doodeljjke gelaatskleur en het trillen van den gesehok-
ten man aanschouwde; „ maar daarom gedraag u verstandig en wees
getrouw; verlaat uwe vrienden, uwe broederen in\'t geloof niet, om
den jjdelen klank van een kwasie plicht jegens een dwingeland,
die begonnen is met zjjn eed te breken... Wees van avond, van
nacht vooral, onze bondgenoot en geleider ... want zoo niet. .."
„Zoo niet..." fluisterde het flauw.
„Morgen zijn we toch hier meester en dan zal het u te laat
berouwen."
„Toch meester! en zonder mij," herhaalde Zilbrecht nadenkend."
„Wel zeker, door den Schepen...\'
„lilijft de la Geneste bij zijn vroeger opzet?" hernam Zilbrecht
verbaasd.
„Stellig doet hjj dat! onze vaandrig is er heen met een brief
van den overste, om alles met hem te regelen," zei Wouter stout-
weg, al wist hij dat er van die zijde nog niets zekers was.
„Dan sla er geluk toe," hernam meester Zilbrecht, oprijzend
van het baukskc, dat straks bij zijn schrik te goeder ure achter
hem had gestaan! „ik meende uit zijn jongste woorden over deze
zaak begrepen te hebben, dat hij er van afzag."
„Dat is van zijne zijde eene list geweest, opdat gij het met
uwe eonsciëntie-bezwaren niet uit zoudt brengen," sprak Wouter
gevat, al trilde hij onwillekeurig van teleurstelling: tot eiken prijs
moest hij meester blijven van het pas veroverd terrein, en liet
er daarom rad op volgen :
„Ook hjj houdt dien Spaanschen Brabander voor een spie."
„Tusschen zulk een wijs, bovendien rechtschapen en voorzich-
-ocr page 105-
95
tig man, en mijn fielt," fluisterde Zilbrecht het laatste woord,
„mag ik niet aarzelen, — en daarom, zoo gij er geen bezwaar
in ziet, zal ik meedoen."
„Top! daar hebt ge mijn hand; maar nu zij het ook wclge-
meend, oom, zonder wankelen; want anders, geloof me, je raakt
tusscheu twee vuren, en zijt rechts noch links meer veilig."
„Wees gerust, ik zal staan als de rotsen van Hoey, mits dat
ik nog heden van den Schepen hoor."
„Dat zult ge, man! dat zult ge! ik beloof het je. Ik ga zoo
aanstonds den vaandrig afhalen, en dan zullen wij die boodschap
bestellen; maar nu, luister hoe gij te handelen hebt met uw
huistiran en wijk daar niet van af, het zou u slecht kunnen be-
komen. Vandaag moet vieren het parool wezen, opdat hij geen
argwaan vatte. Lok hem van avond hierheen, met of zonder zijn
geld, dat is om \'t even! Zend Gonda naar den notaris, dat hij
stil te huis blijve, maar laat vooral geene andere vastenavond-
houders binnen dan.... het troepje soldaten waarmee ik ko-
men zal."
„Soldaten!..." herhaalde de kleinmoedige man, met eene
benauwde stem.
„Ja zeker, soldaten! of meent gij misschien dat wij jonge
meisjes zullen gebruiken voor dezen aanslag? Doch wees gerust,
zij zullen hunne wapenen verbergen en niemand zal hen aanzien
voor wat zij zijn dan die het weten."
„Hoe zal ik ze dan in hunne vermomming herkennen?"
„Wel, ik ben er immers bij, en het zullen boertjes zijn als ik
zelf. Alles wat er verder gebeuren zal hangt af van de bevolen,
die luitenant Paets heeft van onzen commandant, die van zessen
klaar is. Al zijt gij dat niet, oompje! moed grijpen, dat kunt ge,
en daar zult ge naar lijf en ziel wel bij varen."
De waard uit de Kreeft wilde nog eene bedenking opperen;
maar daar werd aan de deur getikt! daar klonk het in koeter-
waalsch:
„Meester Zilbrecht! meester Zilbrecht! de soep wordt koud!"
„Dan loopt ge geen gevaar er den mond aan te branden!"
schertste Wouter.
Doch de waard fluisterde: „het is Mary!" en legde het oor
aan het sleutelgat; weg ging de meid. De bevende vingeren des
ouden mans schoven den grendel ter zijde. „Courage!" zei Wouter,
en een stilzwijgend hoofdknikken heette de vroegere toezegging
te herhalen. Of er op te rekenen viel? Toen zij in de gang
waren, mompelde meester Zilbrecht: „CV pauvre Jacqiies.\' hij
heeft zoo\'n honger!"
„Gonda zal hem wel een forelletje hebben gegund I" lachte de
musketier.
-ocr page 106-
96
En Wouter Willemsz haalde, zooals wjj reeds mededeelden,
zijn vaandrig af, en was niet weinig verheugd van dezen te hooren,
dat ook zijne zending ten volle was gelukt. Alle twijfel of hij
bij meester Zilbreeht niet wat stout had gesproken en geene
beloften gedaan, waarvan de vervulling niet aan hem stond, werd
er door gestild. .Zoo ziet ge, jonker!" sprak hij Frank de Preys
toe, terwijl zij te zamen het rotsachtig pad opwandelden, dat,
langzaam rijzende, uit het dal voerde waarin Hoey gelegen is:
„Zoo ziet ge, de fortuin is met den stoute en den bloohartige
keert zij den nek toe. Ik moest mij van onze zaak zekerder toonen,
dan ik zelf was, als ik den kleinhartigen man den noodigen
moed zou instorten. Tegen een vreemde zou ik het niet willen
zeggen; hij zou gelooven, dat ik zoo sprak om mij zelven ver-
dienste toe te kennen; maar tegen u doe ik er mij op te goed,
dat mijne boodschap te Hoey geene vergeefsche is geweest!
Zonder mijne tusschenkomst zouden wij al heel verkeerd aange-
land zijn in de Kreeft! We hadden gevaar geloopen meester
Jacques Perret in \'t bezit te vinden van al de sleutels; meester
Zilbreeht en zjjne nicht zouden zoo goed als buiten tel zjjn ge-
weest, als mijne liefste niet uit baloorigheid het huis was uitge-
loopen. Dan hadden wjj als het mooie dier, daar de herberg naar
heet, achteruit kunnen krabben...."
De musketier lachte om zjjne aardigheid; maar bij Frank, die
aan Madeleine dacht, vond zjj geen weerklank. Toch wekte
Wouter hem uit zijn droom, door een plotseling:
„Wat beweegt zich daar in hot kreupelhout P HaI het is Rosse
Jan! Hij komt naar ons toe! Hij moet valkenoogen hebben, dat
hij uit dien verren schuilhoek ons gewaar werd. Geen kat is zoo
vlug! Hij glijdt langs die rots----"
„Goed nieuws, meester Jan!" riep de vaandrig tot dezen, zoodra
hij dichter bij was, en ging, ondanks Rosse Jan\'s waarschuwend
gebaar toch niet zoo luid te spreken, voort: „Gij kunt u opmaken,
om dat aan den commandant mee te deelen."
„Als er goede tijding is, dan mag ik de bode niet zijn; want
dan zult gjjlieden mij hier hoog noodig hebben. De eerste
botterik de beste, die een paard weet te berijden, kan immers
eene boodschap overbrengen!"
-ocr page 107-
HOOFDSTUK VI.
Om li bassinia wemelde het van „mommen"; maar al moge
men genoeg in C\'ats hebben gesnuffeld om het laatste woord niet
onhollandsch te achten, in het luikerwaalsche, dat voorafgaat, hoort
slechts hij die Hoey heeft bezocht van de fontein spreken, door
welke de groote markt dier stad is vermaard. Op eiken anderen
tjjd dan dien waarin wij onzen lezer verplaatsen, zouden wij hem
hebben uitgenoodigd de beeldjes te bewonderen, waarmee haar
groot koperen bekken is versierd; thans echter had de schare
voor deze geene oogen, en wij, die ons in haar gewemel wagen,
evenmin. Vastenavond bleek ingevallen; en trots den zwaren druk
der tijden, die tot ernst, bad moeten stemmen, week Hoey voor
geene stad in Luikerland in dwaasheid, en dartelheid, toen zij, zoo
hot heette, de geneugten dor wereld vaarwel zegde. Zonderlinge
voorbereiding, meent men terecht, voor die strenge dagen van
droefheid en boete, naar een eerwaardig kerkgebruik bestemd ter
gedachtenis van des Heeren lijden, bestemd tot kruisiging des
vleesches, symbool van de gemeenschap der ziel met dat offer,
symbool ook van die toewijding des gemoeds, welke alleen in
waarheid heilig vasten heeten mag.... Maar het ongerijmde mis-
bruik, dat voor de bewoners van Kome de Saturnaiiën wel had
verschoven, maar niet had afgeschaft, was nu al eeuwen lang bij
de gansche Christenheid eene ingewortelde gewoonte geworden,
en het is voor ons het oogenblik niet om het den inwoners van
Hoey kwaljjk te nemen dat ook zij die dwaasheden pleegden.
Immers, met die drommen van boeren en boerinnen, van mijn-
werkers met hunne vrouwen, van soldaten met hunne lief jens, welke,
vóór de schemering de poort binnengetrokken, nu in bonten of
belachelijken tooi, als wilde horden door de stad zwierven, zich
mengende onder de burgers, de taveernen bestormend, tegen eik-
ander inhortend en elkander uitjouwend; met die joelende menigte,
louter op haar vermaak bedacht, waren er ook personen van onze
I>e vcrrfiBsing van Hoey.                                                                                            7
-ocr page 108-
98
kennis de stad ingeslopen, voor wie de carnavals-dolligheid slechts
ten grijns strekte; die inderdaad met veel gevaarlijker plannen oin-
gingen. Bij troepjes van acht en tien de brug overgegaan, wat voor-
komen en gedrag betreft zich in niets van de pretmakers onderschei-
dende, was het hun gelukt door de nauwe en bochtige straten
veilig voort te trekken. Kindehjk op de groote markt gekomen,
welke bij gelegenheid van plechtige ommegangen, hier den schut-
ters van den voetboog en den handboog plaatse gaf, en daar
den harquebusiers in staat stelde veilig hunne bussen te lossen,
als St. George aan het hoofd van zijn ruiterstoet opdaagde, von-
den zij die ruim genoeg om tot verzamelplaats te dienen, zonder
dat men werd opgemerkt. Aan de oostzijde der fontein zwaaide
een man, met vervaarlijken baard en verschrikkelijk stijfstaande
mustasten, in krijgshaftige houding een knods, die verpletterd zou
hebben wie hem te na kwam, denkt ge; die een ridderlijken degen
verborg, zeggen wij u. ^Hercule/" riep de schare, de figuur
kennende, als op iedere harer feesten te huis, en verwonderde er
zich even weinig over, dat hij tal van cyclopen bij zich had, onder
zwaren last gebogen, als een enkel page, in hedendaagsch hof-
gewaad ; zoozeer was zij er aan gewend, alles dooréén gemengd,
alle begrip van tijd en geweld te zien aangedaan. Behoeven wij
te zeggen, dat de beide omgetrokken personen niemand anders
waren dan Luitenant Paets en Jonker de I\'reys? Dwars door een
drom stedelingen, die zich ten dans scheen te rijen, strompelde
daar een oude koster voort, zjjne lieve wederhelft onder den arm,
een paar met pak en zak verhuizende, doch dat den lachlust der
menigte minder wekte om het armzalig huisraad, \'t geen vier of
vijf boeren medevoerden: een koekepan, waardoor men de lucht
zag, en een kooi waaruit de vogel gevlogen was, dan door de
tegenstelling van de echte lieden zelf. Wouter Willemsz, die strom-
pelende koster, wist zijn lieve vrouw, den reus Ruprecht, zoo
handig als een tol te doen draaien, dat de schare het uitgierde.
Inderdaad, er was iets lachwekkend! in de strooken dier muts,
golvende om de breede bakkebaarden, iets lachwekkends in den
korten rok, fladderende om de duchtige knieën. Het „arme lichaam
zonder ziel," zooals onze musketier dien ruiter van Bacx bij Hérau-
gière beschreef, dreigde intusschen het slachtoffer te worden der aar-
digheid waartoe Wouter hem had bestemd. Een groene zeedraak, —
ook aan monsters ontbrak het bij de menigte niet, — een draak,
die voor vuur water spoog, — was de fontein dan voor niet-met-al
op de markt? — een draak schoot op Wouter\'s liefste toe....
maar kromp gekastjjd terug eer hij de grove enkels was genaderd.
Wie mocht do vrooljjke, vlugge potsenmaker zijn, met hoogen
narrenkap en rinkelende sehepter, ter hand bij Hercules als bij
den koster, ter hand bij het hoopje dat hem volgde, en dat ook
-ocr page 109-
Stil
al onder allerlei last gebukt ging, ter hand waar nieuwsgierigheid
of vrjjpostigheid weten wilde, wat cyclopen of boeren in hunne
zakken met zich voerden? Wie mocht hij zijn die zich overal
met zijn houten zwaard een weg wist te banen, overal met zjjn
gladde tong een gekheid ten beste gaf, en er dus in slaagde, al
slaande en schertsende, elk die zich verstoutte, elk die zich dorst
te vergrijpen, af to weren?
Zijne gevatheid was nog maar ter helfte gebleken, zoolang het
den tocht door de straten gold; thans, op de markt saamgc-
komen, moest de troep één weg inslaan, één zelfde huis opzoeken.
(Straks was het opzettelijke zijner pogingen voorbijgezien, dank zjj
de verbazing over zijne monsterachtige bochels, een „paddestoel,
vóór kogelrond en achter;" dank zijn dubbel masker, waarin
\'t geheele hoofd als verborgen was, en wel allermeest, dank de
potsierlijke wijze op welke hij zijne lange armen en beenen door
elkander sloeg, zoodat niemand wis kon zijn, werwaarts hij zich
wendde. Xu echter viel het antwoord op de vraag: waarheen
zij gingen? niet langer te vermijden.
En wachten deed zij zich niet.
.Waar gaat het naar toe met die zakkendragers, zotskap?"
klonk het uit de menigte.
Den kreeftengang, broertje!" was het antwoord, vergezeld van
zoo vlugge beweging met den voet, dat den naderenden het toe-
treden werd belet.
„Dien gaan wij Hoevenaars allemaal; maar...."
„Bravo!" riep de polichinel, en was den lastigen vrager kwjjt,
daar hij zag hoe een aardig heidinnetje dezen aantrok, en gaf
den page een wenk, dat de knods seinen moest den tocht
voort te zetten.
„ /ferciilr ! oii est V amoitr ?" vroeg een blonde getabberde, dien
de schalkheid de oogen uitzag, een studentje, dat wèl wist hoe
Hercules den minnegod op zijn rug moest dragen en er onder
gebukt gaan als St. C\'hristoffel.
,Chez Omphale, jut rous at/end!" hernam de nar, „allez filer."
En de calembourg had succes, en de drom was de markt
haast over; maar daar schoot de vrager van zooeven den poli-
chinel weer op zijde, thans op zjjne beurt ook aan het hoofd van
een troep.
.Attrappé! — dat is de kreeftengang niet, compère!" sprak
de baas van het spel den vermomden nar toe.
,Si fait, beau masqué!" luidde het antwoord; maar waar is la
belle, bohémienne?"
Een luid gelach ging op; toch bleef de aan-
voerder het antwoord niet schuldig.
„Dispurue comme an sonije; eonjim\'e, je gage, par moii I\'atron
St. Domitien!
tenzij het lieve kind in een van die zakken zitte!"
-ocr page 110-
100
De polichinel weerde do hand, die zich ten onderzoek uitstrekte,
onzacht af on had woei- <lo lachere aan zjjne zijde. Het gaat het
volk als don kinderen bjj do poppenkast; do grootste pret is te
zien hoe oen ander slaag krijgt] Maar de nar maakte den tik
mot het houten zwaard goed door de uitnoodiging:
„Kom mee naar de Kroelt, als jo weten wilt wat wij in die
zakken met ons voeren."
9Si JV/a/* toque comme tui! Ken curieuse inval I bjj den waard
in de Kreeft, die zijn deur sluit op Vastenavond! om mot den
malcontent te zitten zonder vuur aan den haard, zonder flesch
op den disch. ..."
„Maar het heidinnetje aan je zij...."
„Allons; Vami! laat den waard in do Kreeft in zijn eentje
druilen!" sprak eene andere stem; „ga met ons naar de Druif)
il ij a un violon
/"
„Connul — maar meester Zilbrecht heeft met Kerstmis meer
gezoden en gebraden dan ooit bjj hem gebeurde, zijne steen-
kolon zijn verstookt, on oor de vasten ingaan wil hij opdoen. Als
wij den last kwijt zijn, gaan we onze recreatie nemen waar we
willen. Wacht ons maar in de Dntift ai nous «*// sommes avant
vous ;
want de baas uit de Kreeft zal geen potteke leuvons sehcn-
ken. En avant, brarrsl dansen en drinken zal straks te beter gaan."
En door op zjjne eigenaardige wijze in \'t rond te springen,
maakte hij het zijn troepje mogelijk een zijstraat in te slaan, die
naar \'t huis van meester Zilbrecht leidde.
„JVhypocritei de Heden te laten sjouwen op Vastenavond!
daar moet men zoo\'n kwezel als dat kreeftdier voor zijn!" gaf
zich de ergernis lucht.
ytlly a dn louche la dessousl ze gaan hem vast oen poets spelen!"
„Suivons et voyonsF1 riepen sommigen.
Dat was gemakkelijk gezegd, maar de confrères van den nar
en zijne gezellen, of liever, de soldaten van Luitenant 1\'aets, in
andere vermommingen onder de menigte verdeeld en die geheel
vreemd schenen te zijn aan de kwestie, veroorzaakten gedrang,
gewoel en gesohermutsel in tegenovergestelde richting on wel op
zulk eene wijze, dat niemand, dan wien zij \'t gunden, hunne
makkers konden volgen, en deze dus zonder tegenspoed den uit-
hoek van het stadje bereikten, waar de herberg de Kreeft stond.
De overigen kwamen mee, zoodra zij bun kans zagen om het
onopgemerkt te doen.
Zooals de mommers voorspeld hadden, was er geen licht te
zien in meester Zilbroeht\'s gelagkamer; zelfs de lantaarn, die an-
ders het uithangbord bescheen, brandde niet. Hij had woord ge-
houden niemand te zullen uitlokken zijn drempel dien avond te
overschrijden; hij hield ook woord de verwachte gasten te zullen
-ocr page 111-
HU
ontvangen. Zelf aan de deur, opende hjj die op het afgesproken
signaal.
„Do boertjes van Amay!" antwoordde Wouter op zijn vraag,
wie er klopte.
En zonder verwijl stapte de niusketier binnen, na zijn reuzig
meisje een duw te hebben gegeven om hem toch voor te gaan. Alle
overigen volgden zonder eenige étiquette van rang in aeht te
nemen; de boeren, die de zakken droegen, traden, op een wenk
van luitenant l\'aots, het eerst binnen: en deze zelf bleef met den
potsenmaker aan de deur vacht houden, om te zorgen dat geen
andere maskers binnenslopen.
De zakkendragers werden door meester Zilbreeht reehtstroeks
naar de keuken geleid, waar zij hunnen last aflegden; ondanks
de omziehtigheid, welke zij daarbij in aeht namen, gaven die
pakken, op de steenon vloer neerkomende, een klank of ijzer en
staal dooreenrammelde. Het waren hunne wapenen en hunne
ammunitie.
Ken groot vuur brandde op den haard; fiomla zelve stond
onder de wijde schouw en bakte vastenavondkoeken, wier sterke
zoete geur door de hongerige soldaten met wellust werd ingesno-
ven, terwijl hunne verwachting van de goede ontvangst zich niet
weinig zag bevestigd, toen zij op de tafel kroezen en schenkkannen
vonden staan. Meester Zilbreeht, bodrjjviger dan zijne nicht hem
gedurende haar gansebe verblijf ten zjjuent had gezien, wees dezen
de bank aan bjj de tafel geschoven en reikte genen ter verwei-
koming een vollen beker beerlijk schuimend bier; al bad hjj
gildebroèrs te gast gehad, zijne zorge kon niet grooter zijn
geweest. Intusschen vulde de ruime keuken zich al meer en meer
met maskers, allen .boertjes van Amay," zooals liet parool luidde,
waarvoor de schildwacht inliet. Maar de laatsten zoo goed als de
eersten, zij legden met het mom ook de joligheid af. Even
bedaard als rustig traden zjj binnen, schikten zich nevens hunne
kameraden en namen hun aandeel van het gulle onthaal, zonder
dat het hun inviel Gouda, die schotel bij schotel, met haar sma-
kelijk gebak gevuld, voor hen op den disch zette, met eenige
aardigheid te kwellen; zonder dat zij beproefden met meester
Zilbreeht een woord te wisselen. Het is waar, de page, Jonker
de Preys, was met hen binnengekomen en wist zich te doen eer-
biedigen, trots zijn jeugdig gelaat en blonde knevels, en de ruiters
van Haex, anders turbulent te over, zij voelden, ook waar zjj dien
niet zagen, den straften blik van hun wachtmeester; maar toch, de
stilte bjj dat maal viel niet louter aan tucht toe te schrijven. Huw
volk als het zijn mocht, „geen boon gevend om den Sant,"
begreep ook do botste dat hij een Vastenavondspel ging spelen, dat
hem den kop kosten kon; waren er onder de kloeksten en koen-
-ocr page 112-
1 OS
sten, die de zege hunner zaak zelfs ten prijs van dezen wcnsch-
ten! Als dergelijke vaderlandsliefde het volk niet had geblaakt,
zouden wij ooit vrij zijn geworden?
Wouter Willemsz, men vermoedt het, had er echter geen
bezwaar in gevonden, de koeken, die zijn verloofde bakte, handig
op den schotel te vangen, en vernam van haar, onder dat grappig
bedrijf, hoe de gelagkamer, al zag het huis er van buiten nog
zoo onherbergzaam uit, bij gesloten luiken verlicht was en ver-
warnid. In ecu omzien wist bij dat meester Jacques 1\'erret daar
reeds in volle glorie zat te klinken met een Hoeyschen burger-
zoon, dien hjj ten getuige bij cle overdracht der zaak had genoo-
digd, hoewel het meisje er nog altijd aan twijfelde, of de koo[>-
lustige wel aan den eersten eisch, bij dat contract gesteld, zou
kunnen voldoen.
.Ik ga hem zijn .druiven, die aan straat wassen," betaald
zetten," zei de musketier. „"Willen wij den jonkman vóór zijn?"
De spillebeenen behagelijk uitgestrekt, zat onze Brabander in
het hoekje van den haard, zijn gast tegen hem over. „Waag u
niet aan het baksel, Nicolaas!" sprak hij den Hinken Waal toe,
die een begeerigen blik sloeg op den schotel, door Mary binncn-
gebracht: .het zal staan in de maag van die huislieden van
Amay. Voor ons is er wat edelers te vuur, eapon de oeho vletten,
para mesit de Reyen,
kapoenen van acht maanden, boutjes voor
koningen; als de overdracht maar eerst geteekend is..."
Hoe de snoever Wouter\'s kippen herschiep!
„Of gjj, zoo smullende, als waard fortuin zult maken," lachte
Nicolaas; „wessirr, Ie don/e est permis!"
„\'t Is won entrre en campagne, die ik denk te vieren," hernam
1\'erret: .maar daar zullen de lustige boertjes zjjn!" voegde hjj
er opgeruimd bij, toen hjj het eerste gedruisch der voetstappen in
de gang hoorde; „of ik hen handgeld zal doen dokkon! Zij
komen hier carnaval houden, lteun /i/s ! dat heb lik, ik doorgedreven."
De korte zegepraal!
Wouter Willemsz sloeg de hand aan den knop van de deur,
maar in plaats van dadelijk zelf de gelagkamer binnen te komen,
duwde hij Ruprecht, die nog altijd gevaar liep over zijn vrouwen-
kleeren te struikelen, voor zich uit.
Nicolaas sprong schaterend op, doch do surprise zulk eener
reuzin was Perret wel wat sterk, en hij dook onwillekeurig in zijn
stoel weg, toen de gewaande koster, de schoonc op den voet
volgend, met de stem, die den herbergier op het tipje van \'s oeh-
tends nog heugde, spotziek het woord tot hem richtte:
„C\'ompeorke Jaeques! gij hebt mij van morgen over uw huwelijk
gesproken; wilt ge nu ook mijn meisje eens zien; een teer popje,
niet waar?"
-ocr page 113-
103
De Brabander wist waarljjk niet hoe hij het had, toen Kuprecht,
op deze wijze voorgesteld, in verlegenheid zijno huive afnam; de
muts aan te slaan, ging niet.
Perret rilde zijns ondanks; hoe hjj zijne oogen richtte, wie die
het bepaalt P maar door de openstaande deur zag hij zwaarbeladen
mannen zich naar de keuken reppen; hij scherpte zjjneooren...."
„Fi doiic!" bestrafte hem Xicolaas, „een carnavalsgrap."
Doch de Brabander dacht achter den musketier om te sluipen, zich
een oogenblik vermannende, of hij den reus van top tot teen opnam.
„Speelt hier verraad onder," riep hij, „dan ga ik meester
Zilbrecht waarschuwen."
„Gij ontslipt mjj niet," voegde Wouter hem toe, zij n sabel trek-
kende, die hem onder het strompelen als koster ten staf had ge-
strekt; oen gebaar, dat voldoende was om Verrot weer op zjjn stoel
te doen neervallen.
„Wij hebben een appeltje met elkaar te schillen," ging de mus-
ketier voort, zich van zjjn niommcnpak ontdoende; „ik wacht nog
andere gasten hier, die er bij moeten wezen."
„Ik bogrjjp niet wat gij tegen mij kunt hebben! ik ontvangu
en toute confiance in mijn huis...."
„In uw huis? in het huis van meester Zilbrecht!...."
„Wiens zaken ik overneem...."
„Het mocht wat! Daar zal ik voor waken. Gij, die zijn nicht hebt
gekweld „met uw druiven, die aan straat wassen," die den baas
hebt gespeeld over den braven man...."
Perret was het spoor bijstor; Nicolaas verbeeldde zich dat hij
hem aanzag. nLa peur est mauvaise conseillière" mompelde de
jonkman; „daiiandez-lui de qitel droit?...."
De Brabander had aan den wenk genoeg.
„Maar in elk geval," begon hij tot Wouter, „wat kan u dat
schelen! Ik zie, dat gij en uw makker Staatsche soldaten zijt;
wat hebt gijlioden te doen met de zaken van een Hoeysch
herbergier f"
„Ik heb er zooveel mee te doen, dat meester Zilbrecht mijn vriend
is en Gonda mjjne verloofde. Toen ik dezen morgen hier kwam, hadt
gij het hoogste woord; en, waren uwe trekken geslaagd, mjjne bruid
zou mij ontfutseld zijn on zij had haar ooms erfenis mogen nazien....
Wat zegt gij er van, Kuprecht! moet ik dat niet straffen P"
„In uw geval zou ik hem neersabelen," sprak de ruiter ruwweg.
Wouter kon zich nauwelijks van lachen onthouden bij de laco-
nieke uitspraak van den reus en bij de werking die zij deed op
den delinquent, terwijl hij hervatte : „Dat zóu recht doen zijn, kort
en goed; maar ik wil genadig wezen, mits gij u gedwee toont."
„Als een lam!" en Perret zag schichtig om naar den reus, die
achter hem ging staan. „Indien gij de ware pretendent zijt, doe
-ocr page 114-
101
ik afstand van Gonda; dat ik haar gevrijd heb, dat kunt gij mij
niet euvel duiden! Arnor Mesonero^ quantaa tanta\'s veo qniero....
«Houd uw Spaan se h voor uï"
En de Brabander mocht van geluk spreken, dat de musketier
hem verplichtte de vertaling, die hij op de lippen had, binnen te
houden : „een herbcrgsliefde en anders niet, zooveel te minnen
als m\' er ziet," het zou olie in \'t vuur zjjn geweest. Te goeder
ure gewaarschuwd, hoe duur hem zijne geleerdheid had kunnen
staan, voer iijj bedachtzamer voort:
„En dan komt u met de nicht ook de erfenis toe, en ben ik
bereid af te zien van al mijne overige aanspraken, hoe geldig
ook.....Slechts laat ine nu gaan; als een vreedzaam man, hou
ik niet van vechten; ik weet geen wapen te hanteeren.. .."
Dat blijkt; maar zóó licht komt gij er niet af, fijn man! Ge
zult boete doen, of mijn naam is niet Wouter Willemsz! .Maar.,,
hier komen andere momgangers, die met onze kwestie niet noo-
dig hebben. Kuprecht! ik ga meester Zilbrecht spreken; daar is
mijn sabel, bewaar gjj den gevangene: maak hein liever een kop
kleiner, dan dat gij hein zoudt laten ontsnappen P\'
„Begrepen! en .... met genoegen...."
Ce pauvre Jacques! het dwarrelde hem voor de oogen; en dat
niet enkel dewjjl de twee platte lampen, ter weer zij de van den
wand in de hoekeu der gelagkamer, inderdaad de duisternis
slechts in schemering deden verkeeren, maar dat vooral dewijl
hij vergeefs beproefde te onderscheiden wat in haai1* ten gevolge
der toenemende drukte, eigenljjk omging. Was het Mary, die aan
deze zijde in allerijl een tafel aanschoof, op den wenk van dien
man, wiens tred hem het harte in het lijf deed bonzen? Hij had
maar te goed gezien; daar keerde zij weer, een kaars in de eene
hand, een tinnen bord, waarop de gebraden kippen lagen, in de
andere; de wachtmeester van Bacx bad het beste wat de keuken
opleverde, geroken en prijs gemaakt! Ce pauvre Jacques! hjj
kon het niet aanzien, hoe het eene houtje voor het andere na
verdween tusschen die blinkende tanden; hij gluurde naar genen
kant. AVie was de kloeke gestalte, welke er bij won, toen zij dat
hinderlijke masker aflegde, toen zij die scbapenvacht van hare
schouders losstrikte? wie was hij, die nu zoo bedachtzaam, zoo
bedaard de strooken goudpapier minder scheurde dan schoof
van den knods, dien hjj binnentredende over den schouder hield f
Er flikkerde iets, het scheen het gevest vaneen degen! Ce pau-
vre Jan/uesf
Mocht luitenant Paets het Hercules-spelen moede
zijn, onze polichinel bleef dezen, nog altijd gemaskerd, terzijde;
maar er gloeiden kolen vuurs achter dien grijns, uit do blik-
ken, dio elke zijner bewegingen schenen ga to slaan; blikken,
welke hem den moed benamen het glas met keurigen faro,
-ocr page 115-
106
dat voor hom stond, aan zjjne bovendo lippen te brengen!
„Nicolasf fluisterde de Brabander.
„Pauvre prisonnierl" hoorde hij antwoorden; en al tuigde de
toon van geen deernis, toch was het hein een troost, dat zijn
vriend niet verdwenen bleek.
Integendeel, de Waalsche guit vulde zijn glas uit de zware kan,
die op de tafel stond : „au succes de tes amoursl"
Perret zuchtte. „Wat ook gebeure," sprak hij, „laat mij niet
in den steek, zooals Heinaert de Bruin deed."
„Bij do honiggraton!" lachte de borst, „al zou ik het willen,
beun Sire! ik zou het niet kunnen; — er wordt wacht gehouden
aan de deur."
Had hij dan reeds getracht te ontsnappen, dat hij dit zoo zeker wist?
De Brabander vroeg het zich zelven, terwijl zijne schuinsche
blikken links en rechts zwierven. Links had do wachtmeester do
kippen georberd en do flesch wijn geleegd, hlaguerre comtm it
la t/tierre,
repjo scheetje, maar toch blijkbaar con gusto. Op rees
hij, do kamer dreunde; weg ging hjj, weer naar de keuken toe;
als vaandrig de Preys zoo goed gofourageevd had als hij, zou hij
dezen meedcelen waar stoel en tafel te vinden waren. Of de
Jonker echter niet te hoog was in zijn wapen om er Mary voor
in den arm te nemen \'i De wachtmeester floot een deuntje, maar
was al te verre de gang in om door Perret to worden verstaan.
Rechts bleef die polichinel hem verontrusten, nog altijd gemas-
kerd, nog altjjd starende naar de zonderlinge groep, gevormd
door Kuprecht, in vrouwenkleeren, met uitgetogen sabel, ter zjjde
van onzen verbleekten zwartlokkige, die boven zijn stand gekleed
scheen, daar de schemering wat de plunje versletens had verheelde.
Of de nar een dans beproefde, sprong hij eensklaps dril! schreden
dichter maar week toen even grillig terug, en stiet luitenant
Paets aan, die zich bedaard, eindelijk, den degen aangespte.
„Eilieve! zie toch, dat kon wel een spie zijn," duisterde do
polichinel hem toe.
„Wat beteekent dat, Ruprecht?" vroeg Paets, den ruiter ge-
naderd, op ernstigen toon.
„ Luitenant! dat is zooveel als een gevangene van den muske-
tier van AVouter Willomsz, dion ik bewaak."
„Wat heeft die man gedaan: is \'t een spie?"
„Simpelijk particuliere zaken!" sprak eensklaps Wouter, tot
Perret\'s stijgende verbazing binnentredende met meester Zilbrecht,
die in volle functie als waard een schenkblad droeg met drink*
glazen en gevolgd werd door Gonda, keuriger gebak dan dat
der vastenavondkoeken den hoogeren gasten aanbiedende.
„Wees zoo goed, luitenant!" voer de musketier voort, „van
dezen ouden Bourgogne te proeven, dien meester Zilbrecht voor
-ocr page 116-
Hlti
u uit de diepte heeft gehaald, en sta mij toe mijn different met
dien man intusschen op mijne wjjze uit te maken."
„Ik vergun het, onder voorwaarde dat gjj mij later rekenschap
zult geven, waarom gjj u hier met particuliere zaken ophoudt,
terwjjl...."
„We een vrooljjken Vastenavond meenden te vieren binnen
Hoey ...." viel Wouter haastig in, om er beraden op te laten
volgen: „Ruprecht! gjj zjjt afgelost; maak dat gjj in de keuken
komt bij de kameraden, die het daar goed hebben."
Hoe Perret wegdook, toen de reus Wouter zijn sabel zoo
onbehouwen teruggaf.
„En nu, meester Zilbrecht!" begon de musketier, „als gjj die
heeren bediend hebt, wees dan zoo goed en zeg het ten over*
staan van al deze getuigen, aan wien gij uwe zaak verkiest over
te doen, aan dezen vreemden indringer of aan mjj P"
.Aan geen van beiden, met uw welnemen, neef!" antwoordde
Zilbrecht kordaat, daar hjj wist welken steun hij achter zich had;
„aan geen van beiden; want ik ben niet meer geresolveerd Hoey
te verlaten; ik meen in mjjne herberg te bljjven, totdat gij met
Gouda trouwt, dan kan zjj die ten huwcljjk krjjgen."
„Kene intentie, oompje! waarmede ik vollen vrede heb. Wat
zegt gjj er van, Jacques Perret?"
„Alsof ik er iets tegen vermag, wanneer gijlieden het allen te
tarnen eens zjjt! Maar ik weet wel, wat mjj te doen staat; als
meester Zilbrecht niet gedenkt zjjn woord te houden, dan ben ik
ook ontslagen van het mijne."
En de man rees uit zjjn stoel op.
„Ga uw gang en verklaag mjj morgen, als gij durft; wij zullen
zien wie er het best bij varen zal!" voegde Zilbrecht hem zege-
pralend toe: hjj had te lang onder tirannie gebukt, om zich bij
de omwenteling billijk te toonen.
„ Bloodaard! nu hebt ge moed, daar ge doortrekkende krijgs-
lieden herbergt;" en de schuwe blikken zochten een bljjk dat
zijne gissing eone gelukkige was geweest; „maar... alle tijden
hebben weertijden; morgen is de Vastenavondprct gedaan; mor-
gen zjjn deze mannen op weg naar den Hertog van Bouillon,"
een glimlach van Wouter bewees, dat hjj mis had geschoten; —
„zult ge bij den weerstuit zoo bout zijn? Gij weet, dat ik de
geestelijkheid op mijne hand heb."
rAlhms rfonr, beau Sire.\' riep de jonge Hoeysche burger, uit
een hoek te voorschjjn springende; „gij en de geestelijkheid!"
En de flinke Waal schaterde het uit. „Geen pater, die u niet in
den ban deedt, als hjj wist hoe prettig gjj de biecht can den Vos
weet na te doen."
rTai$-tot\\ Xicolas.\' bad de man, die zich herberg en liefste
-ocr page 117-
107
tegelijk zag ontslippen, die terecht vreesde in nog grooter gevaar
te zullen raken, en luide verontschuldigde hij zich: „Omdat ik
voorlezer was aan het Hof van de Aartshertoginne zaliger! Och,
dat ik nooit, om mijne schalkheid, in ongenade gevallen ware, ik
zou thans, in haar uitersten wille bedacht, te Xapels macaroni
smullen, als mjjn amigo de majordomo! Maar de Abt van de
Kruisheeren heeft zich mjjner aangetrokken ..."
„£« passé les bornes!" riep Xieolaas, „gjj leent geld van mijn
vader, onder voorwendsel dat gij onze geloofsbroeder zijt..."
,Un bienfait reproché.\'" viel 1\'erret beschamend in; .maar het
zij zoo! zou het tegen mij bewijzen, als ik aan het Hof veinzen
leerde? Om in mijne positie partjj te trekken van twee ketters,
ton père, Xieolas.\' en dezen meester Zilbrecht...."
De flinke Waal trad achteruit: .in vipere f" trilde hjj; doch de
waard uit de Kreeft, zich schamende zoolang dupe geweest te
zijn, gromde toornig: „Ik zie, dat gij een doortrapte hypocriet
zijt, met wien ik verder niet te doen wil hebben; scheer je mijn
huis uit!"
„ Volontiers ! ik beloof je, ik zal morgen niet weer komen, al zou
je er mij om smeeken!" antwoordde de afzetter brutaal en wou
zijn biezen pakken.
„Halt!\'\' sprak nu luitenant I\'aets, hem bedaard den weg ver-
sperrend. „Een suspect personage als gij zijt, laat men zoo maar
niet heengaan."
„Met wat recht komt Staatsch volk de wet stellen te Hoey ?.."
vroeg de Brusselaar, bevende van teleurstelling.
„Met het recht van den sterkste, \'t geen boven dat van den
slimste gaat."
„Quien come la vaca del lletj" maar mijn Spaansch is hier
onnut," viel Perret zich zelven in de rede en voer voort: „voor
en achter moge hij toezien, zoolang hij leeft, die van de koe des
Konings heeft gegeten! betrappen doet men hem, al zou hij, uit
zijn graf opgedolven, over honderd jaar de beenderen betalen; ik
beroep mij op den Koning van Spanje!" — Een blik op zijn ge-
hoor; het had blijkbaar geen indruk gemaakt. Luitenant I\'aets
luisterde slechts naar een verhaal van meester Zilbrecht. — „ Waar
beticht men mij van ? waar kan men mij van beschuldigen P" her-
vatte de Brabander, „dat ik een mooi meisje blauwe bloemen heb
verkocht? sinds wanneer schelden soldaten dat zonde?" — Een
lach ging op, en het was Xicolaas niet alleen, die zich luidkeels
verlustigde. „Van de hand af tot de lip, heeft men al te met wel slip,"
ik ervoer het, evenals de heeren het stellig op hun beurt hebben ge-
daan ; „zoodra de ware Joseph opdaagde week ik ter zijde," en Perret
zocht Wouter, maar op bevel van luitenant Paets had deze met een
paar manschappen het vertrek verlaten. — „Al boet ik er huis
-ocr page 118-
lus
en hof, die ik reeds de mijne meende, bij in, troosten zal ik me,"
juichte de Brabander; „trouwen, trouwen, schoon geluid, is zoo
zoet niet als liet luidt!" Ik weet het van meer dan hoeren /.eggen,
de hoeren misschien ook; wie van u zou met mjj niet gaarne bij
ervaring kunnen getuigen: «tot de poort toe duurt de rouw, om
een overleden vrouw!" ■- „Geen haan op een preekstoel, die
zoo redelijk snakt," hoorde I\'erret zich aanmoedigen; het was de
wachtmeester van Itacx, die dus toejuichte.
         „Wat heeft men
tegen mij in te brengen? wat zou recht geven mij aan te houden ?
Dat ik den waard Zilbrecht naar mijne pjjpen wilde doen dansen 1"
dat ik meester Henniu een sprookje op den mouw heb gespeld?
A quien diges ht porldadt alweer die verwenschte gewoonte; wat
ik zeggen wilde is: wat dit hazenhart aangaat" - en hij wees
op meester Zilbrecht „hij ondervond: „dien ge uw geheim hebt
uitgebrocht, dien hebt ge uw vrijigheid verkocht;" als ik er waard
van de Kreeft door was geworden, ieder had mij naar de oogen
gezien!"
          ,l\'»mr Vantour de tfs beaux yeuxV* klonk het er
schalks tusschen.         „Kn zoo ik mjj bjj uw vader, Xirolasl an-
ders voordeed dan ik ben," de man viel niet van zjjn stuk te
brengen; „het werd mij geboden door een zeer, waaraan ik geen
der hoeren toowonseht te hinken: „hebt gij schulden die ver-
meeren, loogt gij nooit? gjj zult het loeren!" Ken gemurmel van
toestemming; onloochenbaar won hij veld; maar Wouter en de
beide manschappen waren weergekeerd, en l\'erret hoorde den
eerste tot luitenant l\'aets zeggen: „Ruim genoeg voor een half
vaan ruiters en zeker als een graf!" - Toen werd de Itraban-
der doodsbleek en zocht te vergeefs de zege, die hij voor zich
zag, te grijpen. — „Leert hoog en laag op alle veèlen, en danst
al dat de tijd wil spelen;" voer hij voort; „welnu, wat anders
heb ik gedaan? Kr was visch in het water, waarin ik mjjn net
wierp, en als een ongesloten deur een heilig man tot kwaad be-
koort, dan mocht het Kreefje en Oonda mij , .."
„Geen woord meer!" sprak luitenant L\'aets, „ge blijft mijn
gevangene. Meester Zilbrecht! licht gij Wouter Willemsz en de
manschappen naar uw kelder voor."
„Geweld!" schreeuwde l\'erret.
Luitenant l\'aets wenkte hem weg te leiden.
„7\'«*y/o//, Lieutenant/" viel de Iloeysche burgerzoon in, uit de
schemering te voorschijn gedrongen, nmon pïve Ie croit sou ami;
wilt gjj hem vragen . .."
Al hield Nicolaas een omzien op, toen de vorachende blik des
krijgsmans zijn binnenste peilde, hij stond dien zegevierend door.
„Wat?" kionk het.
„Wat hij is, Papist of Calvinist?"
„Gevangene!" sprak l\'aets, „gjj hebt de vraag gehoord; antwoord !\'*
-ocr page 119-
109
Wat gaat hot iemand hior aan!" Als Xieolaas mij trouw was
geweest, hij had de wacht al gewaarschuwd. Gij, Staatschcn! geeft
hoog op van uwe tolerantie; ik ervaar ze."
„Kens nog: antwoord!\'1 hernam de luitenant, ditmaal dreigend.
Die ongelukkige spreekwoorden-manie! „„Alle papenkappen
stoffen op haar lappen .. .." begon IVrret.
„Ken eerljjk man komt voor zjjn geloof uit; in boeien de Spag-
noolscho spie!"
„Ik ben een eerlijk koopman en een geboren Hollander!"
krijsebte de gewaande IVrret op het onverwachtst; „ziet wel toe,
mijne hoeren! wat ge mij doet; want ik heb een bloedverwant,
die in de Staten zit voor Zeeland."
De logenaar spreekt waarheid, nu herinner ik mjj alles I borst
Wouter Willemsz levendig uit. „Ik wist wel, dat ik uw gelicht
meer gezien had. Gij heet eigenlijk Jakob van de l\'erre en gij
zijt uit Vlissingen gevlucht om bedriogolijke bankbreuk; uw broe-
der moest den Gouverneur van het Kngelseh garnizoen in den
arm nemen, om u ongemerkt uit de voeten te krijgen."
„Die ben ik niet! die ben il\' niet!" schreeuwde de gevangene
met eene schrille stem, en deed tegelijk wanhopige pogingen om
zich uit de omklemming van Wouter Willemsz los te wringen.
„Gij zjjt het wel, en . . . gij zjjt nog wat anders ook," sprak
eensklaps op vasten toon Iiosse Jan, die zich, in grijns en nar-
renkap en rinkelstaf, ten deele van zijne vermomming had ontdaan
en stilzwijgend maar ingespannen het geheele tooneel bijgewoond,
doch nu vooruit trad onder het licht der lamp.
„Hemelsehe gerechtigheid, hij is het!" riep de vermeende
Brusselaar, gillende van schrik, deerniswaardig, trots al zijne lee-
lijkheid, zoo vreeselijk was zijne ontsteltenis: „brengt mij waarheen
gij wilt!" riep hij den manschappen toe, die achter hem stonden,
„maar bergt mij! bergt mij! want die man zal mij vermoorden !"
„Wat wilt gij dat ik met hem doe:\'" vroeg 1\'aets, de cenige
bedaarde in de gansche groep, zich tot Kosse Jan wendende, die
met oogen vlammende van toorn den voet ophief, toen de gewaande
Perret hem zocht te naderen.
„Heb erbarming met mij, messire! heb erbarming! gij zijt immers
een Christen ? schenk mij het leven!" vleide deze met smeekeude
stem en deed eene poging om zich op de knieën te werpen, wrat
hem echter door de stevige vuisten van Wouter werd belet.
„Gij herinnert er mij aan, dat ik een Christen ben! Wel ter
snede, ellendige! maar hecht gij nog aan uw armzalig bestaan\'r
zoo leef, leef! als uw leven, door een driedubbel verraad gebrand-
merkt, nog waarde hebben kan. Leef! en bljjf kruipen in \'t stof
van allerlei vuil, tot gjj er in stikt, en dan .... neem mijn vloek
met u in de eeuwigheid!"
-ocr page 120-
110
Allen voelden zich als met verstomming getroffen door de diepte
van haat. sprekende uit den toon waarop deze gratie werd ge-
sehonken. Een van de eersten hief Xicolaas het kroeze hoofd
weder op; daar hij van de Perre niet hoorde, zocht hij den blik
van dezen, maar tevergeefs; de zwarte wimpers over de oogen,
wikkelde de gevangene zich in zjjn mantel. Wouter Willemsz, zijns
ondanks een omzien verbleekt, hoorde luitenant Paets het bevel
geven hem in den kelder op te sluiten, met ecne forscliheid, die
\'s mans ontroering maar kwalijk verborg. De lantaarn trilde in de
vingers van meester Zilbrecht, terwijl hjj den musketier en de man*
schappen voorging. Gouda rilde, zich met haar voorschoot de
tranen afwissehende, toch bleek zij van allen de moedigste, want
zjj trad naar Rosse Jan en fluisterde dezen toe :
.Dat is niet goed, messire! een menseh, die God vreest, en
voor eigen zonden vergiffenis heeft te vragen, moest een ander
zondaar niet vloeken."
Rosse Jan sloeg zijne groote, scherpe, blauwe oogen, die straks
donker schenen, door den gloed die er uit lichtte, op de vermetele
spreekster en bleef haar lang zwijgend aanzien, terwijl zijn mond
onwillekeurig krampachtig glimlachte. Op eens echter week die
pijnlijke trek en langzaam zag men twee groote droppels over de
bleeke, vermagerde wangen voortglijden.
.Eigene zonden!" sprak hij binnensmonds; .gij hebt gelijk,
kind!"\' hervatte hjj kalmer; maar om op een kei indruk te maken..."
„Gebruikt men geen staal, tenzij men vonken wil krijgen."
.Eilieve! wat dan?" vroeg hjj, het hoofd naar haar opbeurende.
Vocht!" hernam zij fluisterend ; „hij had uwe tranen moeten zien!"
Luitenant 1\'aets bleek, eer deze weinige woorden waren gewisseld,
zijne aandoening weer meester; het vertrek rondziende werd hij
geen ander onbekend gezicht dan dat van Nieolaas gewaar; op
zijn wenk was deze aan zijne zjjde. .Jonkman!" begon de Staatsche
officier; maar of de Hollandsche bedaardheid van den man, den
middelbaren leeftijd reeds over, voor den vurigen Waal, bovendien
in de eerste vaag der jeugd, naar eene bedreiging had gezweemd,
viel deze in: „Ik vertrouw, luitenant! dat ge mij vrij en frank mjjn
weg zult laten gaan ? ...." — Het antwoord van Paets was ja
noch neen. — .Uw naam, jonkman! en dien van uw vader?"
klonk het — „Jfatt, ma foi, j\'tii mom Sirolas!" doch er kwam
zoomin een glimlach om de lippen, als een rimpel op het tanig
voorhoofd; „mijn vader heet Franeois Hennin," voegde de borst
er bij; „hij is goudsmid van beroep." — „Protestant?" vroeg Paets
lakonisch. — „Hij gaat in de oude kerk, bij gebreke van eene
nieuwe; maar hij is van de gezworenen, en als de hekken hier
te verhangen waren ...." — „Wat bracht u op Vastenavond in de
Kreeft?" vroeg Paets, en de nadruk dien hij op den tijd legde,
-ocr page 121-
III
en de blik dien hjj op de plaats om hem heen sloeg, deden Nico-
laas gevoelen, dat die grijze knevels zijn kroeze haren overal elders
zouden hebben gezocht dan in een uithoek der stad, in zoo vroo-
lijke ure. — „Ik zou Perret\'s getuige zijn bij de overdracht der
herberg, en mij hier, V0U9 siturez tont, vermommen in een pak___"—
„Waarin ge niet zoudt wenschcn dat uw vader u zag," vulde Paets
aan. — ^Deviné, sitr won hotuiriir, lieuienantl vousavezwifils...."
„Ik ben zelf jong geweest," zei Paets, en Xieolaas was beleefd
genoeg om in te houden, dat men het hem niet aan zou zeggen. —
Toch hernam hij, als had dat woord hem tot meerder vertrouwe-
lijkhcid genoopt: „Mjjn pak ligt boven!" — „\'t Is mijne zaak niet,"
luidde Paets wederwoord; „maar als ik u gaan laat, wat borgt
me, dat ge verzwijgen zult wat gij hier hebt gezien ? — La parol*
d\'im Wation
zou u genoeg moeten zijn, al hadt gij recht mij te
houden," hernam Xicolaas tier; „doch ik geef het u niet, tenzij
gij ééne uitzondering toestaat." Als Paets hartstochtelijk ware ge-
weest, hij had den borst de hand gegeven; hij was het niet; hij
vroeg bedaard: „welke?"
„Dat ik mijn vader moge mededeelen, hoo ik Staatsch krijgs-
volk ontmoette, \'t geen een aanslag beproeft." — »Op?" vroeg
Paets — „Op het leven van den gunsteling der Aartshertoginne
te Namen," hervatte de schalk. — „Ga," besloot de luitenant, „en
zeg aan uw vader, dat hij zich morgenochtend bij de schepen
de la Geneste vervoege, als hij meer vernemen wil."
Nicolaas was nauwelijks do trap in de hem bekende woning
opgestoven, of meester Zilbrocht en Wouter Willemsz kwamen
weder binnen; volgens het verslag van den laatste was de deur
in het diepe gewelf achter den gevangene dichtgegrendeld. „Hij
zal er het Spaansch spreken atleeren," schertste de musketier.
Luitenant Paets lachtte niet, maar beval dezen Jonker de Preys.
te roepen; „de wachtmeester houde het oog op de manschappen,"
voer hjj luide voort, en wie bij de wanorde van het oogenblik in
de gelagkamer gekomen was, zonder er te behooren, gevoelde
den wenk, dat hij zich verwijderen moest. Daar sloot de vaandrig
de deur achter zich dicht. „Al genoeg tijds aan onze particuliere
zaken gegeven," getuigde Rosse Jan. „Toch niet te veel,"
meende meester Zilbrecht; „waren zij niet ten einde gebracht, ik zou
kwalijk van dienst kunnen zijn." — „Wees het dan nu dadelijk," viel
Frank in; „de manschappen hebben genoeg gerust." — „Geene
overijling," bad meester Zilbrecht, „haastige spoed, zelden goed."
„Wat reden geeft ge voor langer uitstel?" vroeg luitenant Paets.
En de bedaardheid van dezen bleek boven allen lof, bij do
lange rede van den waard uit de Kreeft, tegenover het ongeduld
van het overig drietal toehoorders. Wouter Willemsz mocht trap-
pelen van drift; de Preys zijn lof verwensenen, slechts slapende
-ocr page 122-
! 12
soldeniers en dommelige schilt!wachten te zullen overvallen; Rosse
Jan zelfs glimlachen om de bondgenooten, die meester Zilbreeht
zocht in het bier en den wijn, door hem der bezetting geleverd;
Paets hoorde aandachtig toe, Paets scheen het gewicht van iedere
bijzonderheid te wegen. Hóraugicre had hem terecht het bevel
opgedragen; hij was zijn vertrouwen waard. „De oude wachttoren
wordt niet bewaakt,\'1 resumeerde hij den toestand; „die valt te
bereiken uit het lusthuisje van den Schepen, mits wij er door uw
hot\' onopgemerkt binnen .. ." en hjj zocht een woord en hij vond
het, „bïnnenraken. Twintig, dertig man bezetting, die zijn te over-
vallen en te overmeesteren, mits de Gouverneur en de luitenant
zich naar het Stadhuis hebben begeven; meester Zilbreeht kent
uwe nicht de portierse, wier man hen moet inlaten P*\' Ken hoofd-
knik van den waard was het antwoord. „Wouter!" Paets bleek
waarlijk eens jong te zijn geweest, „Wouter! ga met uwe ver-
loofde die kondschap opdoen. Vaandrig de Prevs ! zorg gjj met den
wachtmeester, dat het volk gereed zij, zoodra wjj zekerheid hebben."
Als wij verzen schreven, wij zouden de gelegenheid aangrijpen
Wouter en Gonda te schetsen, arm in arm naar de stadspoort
voortstappende, maar de zoete wijle koutens, maar zijne teleur-
stelling toen zij hem, een hoek omgeslagen, eensklaps ontglipte;
maar de oogenblikken, die hem eeuwigheden duurden, toen zij
onder den lantaarn der poort verdwenen was, dat laat zich slechts
in maat en rijm weergeven; poëtische toestanden eischen poëti-
sche uitdrukking. Ons arme proza blijft in de gelagkamer achter,
die ook door meester Zilbreeht werd verlaten, daar hij voor den
optocht nog voel te bestellen had; in welke Kosse Jan en luite-
nant Paets thans eerst gewaar werden, dat eene kooi aan den
zolder hing, waarin een ekster wipte en snapte en pikte.
„Stil!" riep Kosse Jan heftig, al had luitenant Paets zijn zwijgen
door geene sylbe afgebroken.
„Geldt het de sprongen van dat dier?\'\' vroeg deze.
„Stil!" herhaalde Kosse Jan, het oor aan de luiken, — en stoof
de gang in, en gaf den schildwachten, die aan de deur stonden,
een wenk zich naar de keuken te begeven. Daar draaide hij den
sleutel o]) het nachtslot, daar stak hij den bout door den grendel
en was weer in de gelagkamer bij luitenant Paets.
„Hoort gij het gejoel en gezang, luitenant? het komt al dichter!"
„Vastenavondgangers!" meende deze.
„Als het maar niet de dolle hoop uit de Druif blijkt, die weet
dat wij naar de Kreeft zijn gegaan."
„Uwe gissing kan uitkomen," hernam Paets, „\'t zal het beste
zijn er ons op voor te bereiden," en op zijn beurt waB hij in de
gang, blies het laatste licht, dat nog walmde, bedaard uit en
begaf zich toen naar de manschappen.
-ocr page 123-
LIS
Op een stoel gesprongen, tuurde Rosse Jan door een gat, in
allerijl met zijn dolk door het vensterluik geboord; het waren
mommers, die op de Kreeft afkwamen. Een paar flambouwen
lichtten den drom toe; zijn valkenblik meende den gunsteling
van den heiligen Domitianus te herkennen : hoe verwenschte hjj,
te midden van zijn gepeins wat de nood eischte, het heidinnetje,
dat dezen ontglipte, dat hem dien thans op den hals bracht!
Staroogcnde ontwierp en verwierp zjjn vindingrijke geest allerlei
plannen; daar brak het gejammer van meester Zilbrecht en Mary,
met luitenant Paets weer binnengekomen, zijne eenzaamheid af.
Geen oogenblik zijne bedaardheid van geest verliezende, had de
bevelhebber vaandrig de Preys en den wachtmeester Van Bacx
nauwelijks bevolen er voor te zorgen, dat geen der manschappen
eenig teeken van leven gaf, of hij was meester Zilbrecht in zijn
kantoortje gaan opzoeken, om van dezen te vernemen of er bui-
ten Mary nog dienstboden in de Kreeft waren. „Geene!" was
het antwoord geweest; „de jongen houdt Vastenavond en den
knecht heb ik van de hand gestuurd."
„Kom dan even binnen,"\' sprak 1\'aets, „en breng Mary mee."
Zij waren in de gelagkamer en verklaring bleek overbodig. De
joelende, zingende drom was voor de deur, en de klopper bonsde,
of men de bewoners met doofheid geslagen dacht.
„Xiet opdoen!" kreet de waard Mary toe, die zich naar de deur
reppen wilde; zij had haar uitgang ingeboet; het zou haar vrijer zijn.
„Opdoen, neen! maar antwoorden uit een venster der boven-
woning, meester Zilbrecht!" sprak Rosse Jan.
„Mijn beven zal \'t uitbrengen."
„Ik ga mee!"
Doch de kreten, die opgingen, waren weinig geschikt om den
waard moed in te boezemen; hjj hoorde hoe hij bij de menigte
stond aangeschreven; „dansen" wou ze en „drinken" ook. Het
overrijk woordenboek van Luiksche scheldnamen scheen te kort
te schieten: de deur daverde.
„Wie redt mjjf" kermde meester Zilbrecht; „we zullen allen
omkomen!" voerde hjj Paets toe, die hem bewijzen wilde, dat
hjj zich vermannen moest; „wie redt mij \'i wie komt me ter hulpef"
9La peur" klonk het, vhi peur vouasauvera coni]>t-rc.r\' er was
een vijfde in de kamer, en als hij allen de vrees inboezemde,
die hij bij waard en dienstbode wekte, dan was hij in staat ook
dien dollen hoop te verjagen; meester Zilbrecht deinsde drie schre-
den achteruit, en Mary beval zich in vollen ernst haren schutsheilige.
„Ken eind touw!" sprak do gemaskerde, „en ik laat mij uit
het venster neer en jaag ze op de vlucht."
vA<lmi>^avh■,\', riep Rosse Jan, „vivent les Walton»!" en was de
gelagkamer uit en was haar weer binnen, een korf in de eene
l>c verrassing vsu Hocy.                                                                                                ö
-ocr page 124-
114
hand, een lantaarn in de andere; wat er in de mand school,
viel niet te onderscheiden; er lag grauw papier op, waarvan hij
peperhuisjes draaide.
„I\'rndeiiee.\'" sprak Paets den vermomde hartelijk toe, „voua
éten font impulsion"
9Hardie8se/" hernam de schalk, 9vous êtes tont phlegmef"
vGereed!" zei Rosse Jan.
En luitenant Paets verzocht baas Zilbreeht en Mary wel in het
kantoortje de wijk te willen nemen, terwijl hjj zelf in de gang
de wacht zou houden en meester van den toestand blijven. Hij
had er de beide sidderende bewoners des huizes gebracht; toen
plaatste hij zich tegen de deur; het schijnsel eener flambouw viel
door het raampje achter het uithangbord tot diep in de gang;
het was of de Kreeft straalde.
Intusschen stoof het tweetal "Walen de trap op.
„Miens vaut mourir de franche volontéf" neuriede de gemas-
kerde, in zijn overmoed, het rijmpje, dat op de grenspaal van het
gebied van Hoey placht te staan.
vQue du jtrn/s perdre la liberté/" zong Rosse Jan, de aanhaling
voltooiende.
Zjj waren boven, — de lantaarn werd achter de mand geplaatst,
toen het terrein verkend was. Andermaal deed de dolk zijn dienst
in het vermolmde hout; zou de flambouwdrager van het uithang-
bord zijn neergetuimeld? voor de deur was het donker. Intusschen
bleef het geschreeuw oorverdoovend ; de bende danste een patertjo,
terwijl de ongeduldigston tot eiken prijs zochten binnen to komen.
Het kleine dakvenster knarste op zijne hengsels, maar ging toch
open; Rosse Jan zag den haak, en Rosse Jan had er de koorde
omgeslingerd en bevestigd. nUn instant!" zei hij, en greep be-
hoedzaani een paar pistolen uit de mand en legde die op den
grond neer, en schikte zijn peperhuisjes er naast:
vMon royage, Nicolasf"
En schoten knalden de lucht in : en zwermen vlogen op de schaar
toe; gehoornd en gestaart gleed de duivel, in sprongen die zijn
boksvoeten aan het licht brachten, de koorde af.
„Lr diabiet Ie diablef" juichte en jammerde de menigte tege-
lijk, jammerde zjj meer dan zij juichte; van schrik stoof het
grootste gedeelte op de vlucht.
„A Vhotel de rille.\'" beval Satan, die de flambouw had gegre-
pen, op den dorpel van de Kreeft walmende, en zwaaide haar
hoog in de lucht, en stoof, wie moed had hem te volgen, voor,
om, men begrjjpt het, die weg te werpen en den stoet te ont-
slippcn, waar hij wist dat een hofdeur voor hem op een kiertje
stond, waar hjj werd gewacht!
-ocr page 125-
HOOFDSTt\'K VII.
Gedurende het verloop der laatste drie eeuwen is de gedaante
van ons werelddeel zoozeer veranderd, dat het inderdaad verba-
zend zou zijn indien do verhouding, in welke kleine steden weleer
tot groote plachten te staan, dezelfde ware gebleven. Wij vreezen
dan ook niet dat iemand de juistheid der opmerking que nous
arons changi tout ceht,
zal ontkennen; maar als wij voortgaande
verzekeren, dat aan den avond der zestiende eeuw, Iloey in om-
vang en gewicht klein Luik moeht heeten, en Luik in die dagen
in de Spaansehe Nederlanden klein Home werd bjjgenaamd, is
dan daarmede elks verbeelding vaardig een weidseh feest mee
te vieren op het betrekkelijk kleine raadhuis van het eerstgenoemd
stedeke? Al boogde Hoey op vijftien kerken en een aanzienlek
tal van abtdijen en kloosters, hot telde des ondanks, het telde daar-
door misschien maar eene bevolking, welke de vijf duizend niet
te boven ging, wij bekennen het; doch het gemeenteleven was
er, trots het geesteljjk gezag, dat den staf zwaaide, tot vollen
bloei ontwikkeld; maar de gelegenheid voor welke men zieh
tooide, had uit den omtrek aanzienlijke gasten binnen de muren
gelokt. Inleiding genoeg om ons dus te durven vleien, dat eene
▼luchtige teekening van het kleinsteedsch tooneel, op \'t welk wij
ons thans moeten verplaatsen, met geen spotziek glimlachje zal
worden begroet.
Onze eerste indruk bjj het opengaan der hooge dubbele deuren,
die uit het voorvertrek in de eigenlijke feestzaal leidden, zou
voor onze dagen een beschamende indruk zjjn geweest; de bouw-
kunst van dien tijd begreep de behoeften van het toenmalig volks-
leven en bevredigde die. Onder het zinnebeeld der Gerechtig-
heid den drempel overgeschreden, zou zich voor ons eene meer
lange dan breede ruimte hebben uitgebreid, groot genoeg voor
het aantal gasten, die recht hadden hier te verschijnen. Het
zware eikenhouten besehot was in vakken afgedeeld, waarvan
-ocr page 126-
11«
enkele zoo kunstig bleken uitgesneden, dat men de voorstellingen
den beitel eens beeldhouwers zou hebben toegeschreven j maar
een goed deel van die door ons vergeefs weerom gewensehte
versierselen was nu bedekt door festoenen van sparreloof en ander
wintergroen, afgewisseld met draperieën en wimpels van de stads-
kleuren. Zoomin de wapenschilden der regeerende burgemees-
ters en schepenen als de devisen df8 ar/s et métiers, op het feest
door hunne dekens vertegenwoordigd, werden aan de wanden
gemist. Van het hooge booggewelf hingen koperen kronen af,
wier veelvuldige armen bontgekleurde waskaarsen droegen, en
toch nog geen zee van licht verspreidden. Ter gemoetkoming van
wat zij te wenschen overlieten, waren er, van afstand tot afstand,
standaardluchters geplaatst met dikke toortsen vrij wat walm ge-
vende, al was men ook deze lichten den bjjen verschuldigd. In-
tusschen scheen dit niemand te hinderen, want wij zien het mee-
rendeel der Hoeysche magistraatsleden, met hunne vrouwen en
dochters allengs binnengetreden, onder begunstiging van het
masker en der ongewone kleed jj, vioolijk rondwandelen of deftig
plaats nemen, zonder eenige klacht te hooren over dien damp.
Zelfs de rook, toe te schrijven aan het reusachtig kolenvuur, ginds
in de wijde schouw, ergert aan het hooger einde der zaal niet.
Gewoonte verblindt voor en verzoent met alles! Hoe ons bewe-
ren wordt gelogenstraft op hetzelfde oogenblik dat wij het uiten!
Al behooren verrassingen tot een Vastenavondsbal, al is waar-
schijnlijk tot dat doel ook thans weder een derde der zaal in de
lengte afgeschut door een zwaar geplooid hangtapjjt, de dauslus-
tige jeugd heeft er geen vrede mee. Zjj, die alleen om den wille
dezer uitspanning zijn verschenen, ze hebben reeds met zekere
onrust de weinige ruimte gemeten, die hun tot dat vermaak wordt
gelaten. Ken enkele moge volhouden, dat dit slechts is geschied
om muzikanten te verbergen, hij wordt uitgelachen, daar men
deze hunne plaats op hetzelfde oogenblik riet innemen op eene
soort van galerjj of balkon, die rondom het bovengedeelte van
de zaal loopt. En de vraag, welke de verrassing zal zijn, waar-
voor men zieh die opoffering getroosten moet, wordt besproken
met een jjver of het lot van Hoey er aan hing!
„Toch maar een kleine stad," zal men zeggen. Herhalen zal
men liet, als wij, om der onpartijdigheid wille, doorslaander be-
wjjzeu van bekrompenheid zullen hebben bijgebracht; al zouden
wij, naar Spaansche wjjze, gaarne een vraagteeken vooraf plaat-
sen, of het ook in onzen tijd, of het in wereldsteden nog beter toe-
gaat \'t Hier hebt ge de feiten; er heerschte zoowel kwaadspre-
kendheid als Ijverzucht. Durft gjj beweren, dat die verschjjnse-
len zich nooit op ruimer schaal aan uwe blikken opdeden? Het
getal der patricische familiön, en dergenen die tot hare bijeen-
-ocr page 127-
117
komsten toegelaten werden, kon ten gevolge van het medegedeelde
getal inwoners, niet groot zijn. In zoo beperkten kring kende
men elkaar bij naam en toenaam, wist men alles van elkaar, en
wat men niet wist, dat zocht men uit te vorschen of te verdieh-
ten . . .. Arm Hoey! niet waar? al ging men, gelooven wij, reeds
to Athene aan hetzelfde euvel mank! De (\'hapeauvillos en de
Kerkadets, die elkaar vijandig waren, maakten een goed deel uit
van deze haute votee en geloofden zelfs het recht te hebben in
die coterie den hoogsten toon te voeren; hoewel die aanspraak
zich meer grondde op de voorname I.uikschc familiebetrekkingen
dan op de positie, welke de mannelijke leden van die geslachten
bekleedden in het Hocysche stadsbestuur. Immers, er zat maar
één van de (\'hapeauvillis in den raad; en de Kerkadets achtten
zich tot den adel te behooren ; waarom ze dan ook niet werden
gekozen tot leden van het burgerlijk bewind. Fatblesse humainef
de naijver der gezworenen liet zich op dit punt niet verblinden;
en toen rekende de Syndicus het zich ter eere, dat zij allen, den
Kanunnik ingesloten, de uitnoodi^in^ om zijn feest bij te wonen,
haddon aangenomen; toch voelde de vrouw van den tweeden
burgemeester zich gevleid, toen de oehtgenoote van een der
Kerkadets, eene geborene Chapeauville, bij voorkeur aan hare
zijde plaats nam en een vriendschappelijk praatje begon\'.
Waarover dat interessante discours liep, kunnen mjjne lezeres-
sen licht raden, als zij zich herinneren, dat Charles Kerkadet als
bij voorraad onder de leden zijner familie had gestoft op den
triomf, dien hij over het vooroordeel van Madeleine de la Geneste
zou behalen. Behoeven wjj er bij te voegen, dat de Kerkadets
die echt verbintenis (want dat liet muisje een staartje hebben zou,
daaraan twjjfelde niemand), dat de Kerkadets haar wonschten,
omdat zjj het aanzienlijk vermogen van de la Geneste denCha-
peauvilles niet gunden, terwjjl zjj het volgaarne aan een lid van
hun eigen geslacht zagen toevallen*\' Misschien ja; maar dan
eischt het ook geen betoog meer, dat de Ohapeauvilles met stille
minachting en verbeten afgunst die verwachting van de Kerkadets
gadesloegen en hunne goede redenen meenden te hebbeu om te
gelooven, dat zij nimmer vervuld zoude worden. Onnoozel is het
meisje, dat zich niet voor kan stellen, hoe de geheele dameskring
op dit punt eigenlek in twee partijen verdeeld was: de geloovi-
gen en de ongeloovigen; hoe er onder de oude hoeren en deftige
vrouwen gevonden werden, die voorgaven met de wereld en hare
ijdelheden te hebben afgedaan, en zich echter ditmaal hadden
laten verlokken om aan \'t feest op het Kaadhuis deel te nemen,
louter uit nieuwsgierigheid om te zien of .Madeleine zich werkelijk
bad laten overhalen om met hare gewoonte van preutsche afzon-
dering te breken; boven alles om to zien hoe zij zich houden
-ocr page 128-
lis
zou, wanneer men haar begroette als de verloofde van Charles
Kerkadet! Kn nu, in groote als in kleine steden, waar heeft men
wel niet die zekere onrustige spanning gadegeslagen, welke hier
heerschte toen het uur der bijeenkomst reeds lang verstreken
was, het uur door de meesten niet eens afgewacht, zonder dat
men het verwachte paar had zien binnentreden f Al de Chapeau-
villes staken de hoofden saam, al do Kerkadets schaarden zich
met hunne vrienden als op eene rij, zoo dicht mogelijk bjj den
ingang der zaal, toen ten leste___de Gouverneur van \'t kasteel
verscheen, de dochter van den Syndicus opleidende. Kik was
overtuigd, dat zijn luitenant met zijne jutter moest volgen, volgen
moest, nu of nooit! Want zoo niet, dan stond Charles Kerkadet
als een laffe grootspreker uitgelachen te worden, en Madeleine
ja, waar men Madeleine dan voor zou kunnen uitkrjjten, dat wisten
de Chapeauvilles maar al te goed, en zij rekenden er eigenlijk
op, al gaven zij voor het niet te wensehen.
Toch zouden zij zich misrekenen! Madeleine de la Geneste
trad de feestzaal binnen aan den arm van Charles Kerkadet,
gevolgd door haar vader.
Gewoon in afzondering te leven, had zij in den regel geen last
van de vjjandeljjke gezindheid der Chapeauvilles, maar wist toch,
dat deze bestond : wist tevens te zeer boe zij door haar gansenen
kring werd beschouwd, om niet te vermoeden welken indruk hare
verschijning maken zou, hoe het nieuwtje van hare komst de zaal
rond zoude vliegen. Ware zij bedeesd van aard geweest, het zou
haar schuchter gemaakt hebben tot links wordens toe; had zij
tot ijdelheid overgeheld, van gestreelden hoogmoed zouden hare
oogen hebben geflonkerd. Maar zjj leed noch aan het eene, noch
aan het andere euvel. Binnen trad zij met stille waardigheid,
zonder liet hoofd al te diep te buigen, zonder den blik vermetel
rond te slaan, ondanks dat zjj de overtuiging had tot velerlei
opmerkingen te zullen uitlokken door haar tooi.
Hoe** geen goud- of zil ver-borduursel P Hoe? geen paarlenhalssnoer
of fonkelende oorknoppen! geen borststuk, waarin edelgesteenten
waren gekast! geen tot op de keurs neerhangende dubbele gou-
den keten, robjjnen en smaragden saamschakelend 1 geen ringen
zelfs aan de blanke vingers, toen de zijden handschoen, naar
\'t gebruik van den tijd, welhaast was uitgetrokken ! Slechts bouwen
van zilvergrijs damast; slechts een overkleed van zwart gebloemd
fluweel, gevoerd met roode zjjde; slechts een deftige kanten
kraag! Kn dat op een feestavond die bonten tooi de rigueur
maakto I Tedere vrouw, iedere jonkvrouw, welke zich van een
karaktermasker had onthouden, elke feestgenoote, en het getal
van deze was het grootste, die het zijden of fluweelen mom aan
haar gordel had hangen, daar het maar op straat was voorge-
-ocr page 129-
119
daan, allen hadden het den eiseh der samenkomst geacht, haar
gewaad door buitengewonen opschik met de uitzinnigheid van
den laatsten carnavalsnacht in overeenstemming te brengen. Op-
schik, zeiden wij; want door verreweg de moesten was, in tegen-
overgestelden zin onzer schoone, de maat overschreden. Men zag
er jonggehuwde vrouwen in den ouderwetschei) bruidstooi harer
overgrootmoeders, die stijf stonden van goud-borduursel en inge-
werkte valsche steenen. Men zag er jonge meisjes met lange
■tapende gewaden van zilverlaken en plooiset van goudkant, zoo-
als Maria van Bourgondiü mag hebben gedragen. Men zag er
bejaarde vrouwen met hoot\'dwrongeu en sluiers van zilvergaas, en
rokken mi-parti blauw en mi-partt oranje. Enkele droegen er
tabbaarden van rood-goudlaken overheen, en lange wijde mouwen
bjjkans den grond rakende, als hadden zij behoord tot den hof-
stoet der gemalin van Filips den Goeden.
Madeleine\'s onthouding van alle sieraad had intusschen een
dieper zin dan louter dien van een protest tegen de bacchana-
liën, welke zjj, door nood gedwongen, medevieren zou. Er was
velerlei strijd in haar binnenste geweest, eer zij vast besloten had
zich dus en niet anders te vertoonen. Xaar de voorschriften der
Calvinisten in sombere stilte opgevoed, mocht zij voor zich zelve
nooit naar sieraden hebben verlangd, had zij, toon zij zich voor
deze bijeenkomst tooide, het juwcolkoft\'ertje harer moeder aan
het licht gebracht. De zwakheid was vergefelijk; zij duurde
maar een oogenblik. „Foei van de ontwijding! had zjj uitge-
roepen. Zij was te moede geweest, als had zij er hare moeder
mee voor zich gezien, toen deze op haar bruidsdag die heldere
paarlen, dien fonkelenden halskarkant droeg. „Ik zou heiligschen-
nis plegen!" en weer school het kistje waar het lang verborgen
stond. En echter geheel ongetooid te verschijnen, eenvoudig tot
onbehagelijk wordens toe, het ging niet aan; wat bleef haar over ?
Madeleine vroeg het zich nauwelijks of zij gaf zich ook het ant-
woord. Een blauw zijden lint werd door de goudblonde lokken
gevlochten; bevallig slingerden de beide einden langs den blan-
ken linkerslaap neer. De bizarrerie bewees, dat zjj er naar
streefde partij te trekken van het eigenaardige harer schoonheid.
„Om der zaak wille!" had zij gezucht, toen zij een blik in den
spiegel wierp, „om ons doel!" en had niettemin geaarzeld het
bouquetje sneeuwklokjes aan te vatten, dat de luitenant zoo ga-
lant was geweest voor haar te zenden. „Pattrresperceneiges!" was
hare vermoorde verzuchting geweest, de groote blauwe oogen
gevestigd op die blanke kelkjes tusschen dat spichtige, grille
groen, de bodinncn dor lente, maar die zelve haar luister niet
zullen zien! Madeleine had een eind aan do mijmering gemaakt,
door het ruikertje mee te nemen. Zij moest immers Charles be-
-ocr page 130-
120
hagen, zij mocht hom niot afstooten, als zij haar wit wilde be-
reiken! Kn dat zjj in het eerste was geslaagd, dat bewezen de
meer oprecht gemeende dan fijn uitgedrukte betuigingen, die hij
haar reeds bij het gaan naar het stadhuis had ingefluisterd;
bewezen vooral zijne bewonderende blikken. Ten einde zich naar
haar smaak te voegen, had hjj, op zijne beurt, ziek met maar
eene rjjke krijgsmanskloeding vergenoegd, waarover een ruime
zijden mantel losjes was heengeslagen; en om redenen die wij
begrijpen, had hjj zjjn masker laten vallen, zoo haast hij niet
zijne juffer was binnengetreden. Ieder moest het terstond weten,
dat Charles Kerkadet had gezegevierd.
Als de vrouwen, die Madeleine haar hoe statclijken, toch stil-
Ion dos niet ten goede wilden houden, geweten hadden onder
welke gewaarwordingen zjj dien had aangetogeu; zouden zjj haar
den last van het leed hebben verzwaard P Ware het vermoeden
bij haar opgekomen hoe eng het der arme om het harte was bij
die eerste tonen der lustige dansmuziek; met welk een schuwen
weerzin zjj die grijnzende maskers aanstaarde, die glinsterende
menigte om zich rond zag woelen ; welk een zielsangst haar be-
ving bjj de gedachte, dat zij zoo straks in de woeste tuimeling
zou worden meegevoerd, — de woorden „laatdunkendheid" en
.aanmatiging" zouden op hare lippen bestorven zjjn. Hadden zij
zich kunnen voorstellen met welke pijnlijke beklemdheid zij luis-
terde naar de aardigheden der zoogenaamde potsenmakers, die
zich jegens iedereen vrijheden veroorloofden, welke onder de
overige dames luid gelach wekten, maar haar het voorhoofd de-
den rimpelen of een droeven zucht ontlokten, hoe zij het hoe
langer hoc levendiger voelde, dat zij zich hier niet op hare plaats
bevond en dat het toch een post was, dien zij niet mocht ver-
laten zonder lafhartig hare tcederste belangen prijs te geven, —
zjj zonden (wij willen het hopen) medelijden hebben gevoeld.
„Eilieve! nicht Madeleine!" sprak een der jongste dochters van
den raadsheer Chapeauville, naast wie Kerkadet haar geplaatst
had. „\'t Is u wel aan te zien, dat gij u voor \'t eerst naar een
carnavalsfeest hebt laten meetroonen; anders zoudt gij geweten
hebben, dat men op zulken avond niet met eene gewone feest-
kleedij kan bestaan."
„ Ik achtte, de mijne kon volstaan voor mjj," antwoordde Madeleine.
„Juist voor u minder dan voor een onzer, of is\'t niet een gansch
bijzondere vierdag voor u r"
„Zeker niet! waarom zou het dat zijn?..."
„Och, spoel de achterhoudende niet; wij weten immers allen
wat uw optreden met Charles Kerkadet beteekent...."
„Oij weet dat?" vroeg Madeleine, opgeschrikt uit hare eigene
gepeinzen.
-ocr page 131-
IL\'!
„Wel zeker! \'t is er immers nu door?"
„Wat zou er door zijn?"
„Charles heeft nu uw woord!"
„Mijn woord heeft hij om voor eens in \'t carnavalsvermaak te
deelen, ziedaar alles!"
„Alles? Al wil uwe prcutschheid het niet toestemmen, wij weten
beter. Wat zegt gij er van, neef?"
„En de afgunstige, die haar spijt eerst onder seherts meende
te vermommen, wendde zich tot Charles, die achter haar stond.
„Beteekent dit niet dat wc te Paschen bruiloft zullen houden ?"
„Als gjj het waart, nichtje-lief! misschien.! ..." hernam Charles,
scherp; „maar gij weet, mijne Madeleine n\'est jamais de Vavis de
tout lt>. monde,
daarom heeft ze zooveel haast niet."
„Mij dunkt, Charles! het zou wèl haast hebben, dat gjj der
vrouw van den Syndicus uwc opwachting gingt maken," beant-
woordde hem Madeleine.
„Als gjj liever alleen met de nichtjes kibbelt, mij goed I" fluis-
terde Charles haar in, on deed wat hem gezegd werd.
Liever dan met de nichtjes te kibbelen, wendde zich Madeleine
tot de vrouw van den Deken dei drapiers, die naast baar was komen
zitten, en begon met deze een praatje, maar verloor des ondanks
geen woord van de berisping, die vrouwe de Chapeauville hare doch-
ter heette toe te dienen, terwijl die aan Madeleine\'» adres kwam.
„Wel, Jeannc! hoe kunt go nicht Madeleine kwellen, door reeds
over de bruiloft te spreken, al heeft Charles haar woord. . . . Ge
weet toeh, ze gaat langzaam in alle ding; ze was ruim vijftien
jaren eer ze zich genoeg voorbereid achtte om tot de Kerk toe
te treden; ze is ruim twintig nu ze haar eerste Vastenavondbal
bijwoont.... Voorwaar! ze zal haar dertigste willen afwachten,
eer zo aan een huwelijk denkt; haar vader zelf kon vóór dien
leeftjjd zjjn portuur niet vinden."
„En toen vond hij?" lispelde het meisje, schamper lachend.
„(\'hut, kind! dat zijn geen dingen om hier te bespreken; \'t is
Madeleine\'s ongeluk, niet hare schuld, dat ze geenc betere opvoe-
ding heeft genoten, dat zij om zoo te spreken geenc moeder heeft
gehad .. . ."
De arme Madeleine, die onder \'t snappen der goelijke staal-
meestcresse geen woord van deze hatelijke oordeelvellingen had
verloren, voelde eerst het gelaat van verontwaardiging kleuren en
verbleekte toen van smart. Zij geene goede opvoeding gehad! die
als \'t ware aan den schoot dier moeder met Gods Woord was
opgebracht; dier moeder die ook door den echtgenoot van de vrouw,
die dit zeidc, tot ballingschap was gedwongen, uit lage baatzucht,
welke zich een glimp van religie-ijver wist te geven! Doch zjj
moest zwijgen, wetende welk verloren werk het is, willens blinden
-ocr page 132-
122
den blinddoek af te rukken; wetende dat er voor haar moeders
goede zaak, voor haar moeders goeden naam geen recht viel te
verwerven, zoolang de partij meester bleef, tegen welke zij met
haar samenzwoer! Gelukkig voor haar kwam Charles Kerkadet
terug. Hem ziende rees zij werktuigelijk op, meenende dat hij
haar ten dans kwam leiden.
„Wilt gij van plaats wisselen, melieve ?" vroeg hij haar bezorgd.
Van plaats wisselen? Ik meende.... dat wij dansen moes-
ten ...."
„Souvent femme variel schertste Kerkadet; „eerst had mejonk-
vrouw er veel tegen, herwaarts te komen, en nu wij er zijn. brandt
ze van ongeduld om den kleinen voet op de inaat te laten trip-
pelen."
„Ik heb voorwaar geen haast," hernam zij en ging zich weer
neerzetten.
„Te beter! want de vertooning moet eerst plaats hebben..."
„Eene vertooning? Ik wil toch niet hopen, Charles! dat ge mij
hier hebt hoengevoerd om comedie te zien spelen?" riep zij, ver-
ontwaardiging en ergernis kwaljjk meester.
„Comedie spelen!... als gij het nu zoo ten zwaarste opneemt;
gij weet toch wel, hoe men ten onzent Vastenavond viert ?..."
„Neen! daarin vergist gjj u; het is u immers bekend, Charles!
hoe mijne opvoeding mij van al zulke zotternijen verre heeft ge-
houden," riep Madeleine luid, a Vadresse van hare nichten, „en
dat ik, op mij zelve staande, genoeg te dragen had om er nim-
mer naar te vragen."
„Zooveel te meer zal u wat ons toeft, verrassen en vermaken.
Wat het zijn zal, wie weet het? Misschien eene klucht, door de
rhetorijkers vertoond, of een mysterie, door de scholieren van de
Eerwaarde Paters! Als ik gelukkig gis, dan moogtgij gorust zijn
dat geen onvertogen woord u kwetsen zal."
„Alsof ik niet van die schoolspelen had hooren zeggen, dat
sommige in dartelheid den rijmen der rhetorijkers niets toegeven."
„Laster, lieve! Louter laster! Bovendien, gij zult onder de juf-
fers wel de eenige wezen, die er wat van verstaat, want het gaat
alles in \'t latijn ...."
„Ik versta zooveel latijn niet; maar ik acht, neef! dat gij mij
in een valstrik hebt geleid."
„Als ik u alles vooruit gezegd had, Madeleine! zoudt gjj zeker
niet meegegaan zijn," sprak hij fluisterend, en, zich dicht tot
haar neigende, voegde hij er met nadruk bij : „011 toch, gij weet
zelve, hoe noodig het was, dat gij mij ditmaal niet teleursteldet."
„Het is waar, Charles!" sprak zij smartelijk, „het was noodig!"
en in haar harte voegde zij er bij : „moge God mij het zondige
middel vergeven, om den wille van het goede doel!"
-ocr page 133-
123
„En," voegde Kerkadet haar toe, zelf eenigszins verslagen door
het somber stilzwijgen, dat het anders zoo levendige meisje be-
waarde, „gij waart nu immers zelve voornemens te dansen; is
* het dan zooveel misdadiger in uw oog bij een kamerspol toe
te zien?\'\'
„öjj hebt gelijk, Charles! het eene als het andere is van de
wereld en uit den booze!"
„Parbleu/ wij zijn immers ook van de wereld, chère belle! en
wat geestelijken doen, mogen de leeken, voorwaar wol aanzien."
„Eilieve, zwijg, neef!\'\' sprak zij verdrietig, haast minachtend;
„gij weet het, er zijn punten waarop wij elkaar altijd zullen mis-
verstaan."
„Het blijkt althans," hernam hjj, de schouders ophalende, „dat
ik weder iets heb miszegd. Wilt gij dat ik mijn oom, den
Kanunnik, bij u brenge, om u van dat vooroordeel te genezen ?
Hij is een geesteljjke en een goed, vroom man. Welnu, daar zit
hij in dat hooge spreekgestoelte, met de draperieën, er boven,
nevens meer koorheeren. Meent gij dat die allen een groot kwaad
zoo openlijk zouden meeplegen ?"
„O neen! dezen schjjnen or geen zonde in te zien .... dat is
duidelijk," hernam Madeleine.
„Eh bien.i wilt gij heiliger zjjn dan zij, die hun lijf en ziel
Gode en der Kerk hebben gewijd....."
Het antwoord, dat zij kort en fluisterend gaf, werd niet ver-
staan; want de muziek had aangeheven, het hanggordijn week
ter wederzijde, en men zag twee rijen gemaskerde jongelieden
op zijn zoogenaamd oud-testamentisch uitgedost. Uit do scheme-
ring van den achtergrond, op welken zij half wegseholen, trad
de rector van de Jezuïetenschool in zijn achtbaar ordegewaad
den toeschouwers dichter, en deelde in de Fransche taal het
publiek mede, dat de scholieren een christeljjk zinnespcl zouden
uitvoeren, „de Bruiloft van Cana." Op stichtelijke wijze zou men
het groote mirakel zien vortoonen, zoodra hij zelf er de proloog
van zou hebben voorgedragen, natuurljjk in kunstige Latijnsche
verzen. Eer de waardige man zich echter daartoe in postuur had
gezet, schoten twee gildenaren, met hunne rinkelende bellen en
hunne geeselzweopen van deze en gene zijde toe en vorkondig-
den, dat de keuze der eerwaarde paters voor de vertooning van
dien avond eerst op een ander onderwerp was gevallen. Een
voorgewend dispuut leverde het geschikte middel op, der menigte
in te lichten omtrent hetgeen zij bij dat minder voegzaam go-
achte drama: „Het leven van Luther" getiteld, had verloren.
Het zou aan het licht hebbon gebracht door welke tentatiën
Satan, de menschenmoorder, dien aartskotter tot zijne afgrijselijke
euveldaad had vervoerd; het zou het verbranden van de pauselijke
-ocr page 134-
124
bullen, waaruit alle andere crimen en goddeloos heden als van-
zelve moesten volgen, ten tooneele hebben gebracht; het zou
besloten zijn geworden met de aankomst van dien onverlaat in
de hel en den schitterenden triomf der duivelen. Het intermezzo
gaf overvloedig gelegenheid, door aanhalingen uit de berijmde
koren den lach lust gaande te maken, maar bereikte zijn eigenlijk
doel eerst in eene k lachte over de zwakheid der achtbare Vaders,
die, uit schroom voor den Magistraat, dat leven van Euther
hadden ter zjjde gelegd. Hoe de narren, deze menschenvrees
geeselende, den libertijnen onder de bewindhebbers het masker
afiirhtten!
Onze heldin, — of moest zij niet van heldliaftigen aard wezen
om zich zelve te beheerschen bij de onaangename indrukken, duor
deze beurtelings scherpe en schendende taal op haar gemaakt? —
onze heldin had de vrijheid genomen, op het eigen oogenblik dat
de meeste dames hare mommen lieten vallen, haar masker voor
te doen, ten einde daar doorheen naar haar vader uit te zien, die
op een der eereplaatsen gezeten dicht bij het tooneel, als vu plebie
poifrinr
de ruwe toespelingen had op te vangen. Ken blik was
genoeg om haar te overtuigen dat, wien zij deeren mochten, zjj
het hem niet deden; onbewegelijk bleef hij daar zitten in een
ruimen Venetiaanschen mantel gewikkeld, slechts eene enkele maal
met zijne geburen woord of blik wisselend. Kn Madeleine ge-
voelde, dat ze zijne impassibiliteit moest trachten na te volgen,
dat het maar eene korte kwelling zou zijn.
In zelfbeschuldiging verdiept, verloor zij weinig aan het ver-
waterd verhaal van het eerste wonder des Heeren, door den eer-
waarden rector in bloenirjjke Eatjjnsche verzen beschreven. Zoodra
zijne buiging het besloot, waarschuwde het handgeklap haar dat
de proloog ten einde was, dat de vertooning van het mysterie zou
beginnen.
Er was geen sprake van kunst in de schikking van den gang
der gebeurtenis; de rij der scholieren trad op den voorgrond, en
een uit hun midden, in een soort van priesterlijk gewaad gedost,
verkondigde den volke, dat hij zjjne bruid dacht af te halen, die
hij in Christus huwelijken ging. En die bruid, wel verre van zich
te laten wachten kwam jjlings te voorschijn in een langslepend
hoogtijdskleed van wit damasten zjjde; behalve den Hourgondisehen
sluier droeg zij op hare lioogo huive nog een klein kerkje. Voor
wie bet niet weten, doelen wij mede dat deze symboliek het
priesterljjke huwelijk van den Hisschop van Luik met de Kerk
heette af te beelden. Voor allen laten wjj er op volgen dat des
ondanks de bruidsstoet, tweemaal in processie over het tooneel
trekkende, door viool- en fluitspelers werd begeleid, meer noch
minder dan het op boeren- en burgerbruilofteii toenmaals plaats
-ocr page 135-
126
had. Ondanks haar zelve moest Madeleinc glimlachen bij die
zonderlinge vermenging van realiteit en ïnystiekcrij; maar, stiet
zich het ontwakend, doch nog onbewust kunstgevoel van dien tijd
aan dergelijke dooreenhaspeling slechts weinig, het tweede tooneel
stelde haar gemoed op strenger proef. Jozef en Maria traden op;
en hoe zij er uitzagen, behoeft nauwelijks te worden vermeld. De
eerste mocht als een Oostersch grijsaard zijn voorgesteld, hij droeg
de gereedschappen van zijn handwerk in zijn gordel; Maria
daarentegen was kenbaar aan haar hemelsblauw gewaad en vor-
stelijken mantel, een kroon op bet hoofd, een kostelijk gouden
kruis op de borst. Doch de samenspraak! Om strjjd middel-
eeuwseh-mystiseh en alledaagsch-plat, deelden de echtgenooten in
deze elkaar hun besluit mede om het bruiloftsmaal van hunne
verwanten bij te wonen mét hun zoon. De Maagd Maria nam op
zich den laatste daartoe over te halen. Kr volgde muziek, terwijl
tafelen binnengebracht en aangericht werden door bedienden in
het geantiqueerde pagekostuum, uit den tijd van Kissehop (ïroes-
beek. Jongere knapen, als outerdienaars gekleed, zorgden voor
den wijn, de bekers en eenige koelvaten. Kindelijk verschenen
voorsnijders in ridderlijken tooi, met pastijen en gebraad. Ja, ten
laatste werd er zelfs een pauw op den disch gezet, beteekenende
dat het eelste voor „die sehoone Bruid, de Kerke," behoorde
geofferd te worden. Schoon al het overige in berijmd Latijn werd
voorgedragen, den lesten wenk ontving de schare in verstaanbaar
Fransch.
„I\'aolo Yeroneae\'s beroemde schilderij," zal men zeggen, slechts
onder minder zonnigen hemel en met minder weelderige ver-
beelding overgebracht: Paolo Veronese\'s schilderij; waaraan toch
konde Madeleine, toeziende, zich ergeren \'i Wat kon daarbjj hare
ziele zeer doen? Het was niet wat ons, ondanks al die kleuren-
pracht den blik onbevredigd van dat meesterstuk wenden doet;
niet het volslagen gemis aan verbazing over het wonder, niet de
onverschilligheid van eene der hoofdfiguren, zich bezighoudende
met een tandensrokertje. Het was eene heiligschennis, buiten het
bereik der beeldende kunst gelegen, en voor welke elk tooneel,
zelfs en vooral dat der vrome vaders, zich had moeten wachten.
Zie, de bruiloft was aangericht, de jonggehuwden kwamen binnen
en zetten zich neer: na hen de overige gasten; en eindelijk, toen
allen gezeten waren, verscheen de Heilige familie! Doch al was
de scholier dien men uitgekozen bad den persoon des 1 loeren
voor te stellen, al was hij, zonder mom, blijkbaar een zachtzinnig,
zedig jongeling; al scheen hij te gevoelen, wat hij der waardig-
heid van Hem, dien hjj vertegenwoordigde, verschuldigd was; al
leed het geen twijfel dat hij door het meerendeel der toeschou-
wers werd aangezien met vooral niet minder devotie dan waarmee
-ocr page 136-
12B
uien in do kerken en kapellen op do boelden der heiligen staarde,
Madeleine gruwde weg; voor haar gemoed was dit optreden, de
genadeslag. In die oogonblikken van onvrijheid en onvrede, — in
die warreling van gedachten en gewaarwordingen, hare eonseiëntie
in tweestrijd brengende over \'t geen zij had behooren te doen of
te laten, — in die pijnlijke ure, waarin zjj een deel van haar leven
had willen afstaan om zich in eenzaamheid op de knieën te mogen
werpen en het evenwicht harer geschokte ziele weer te vinden, —
in (leze het te moeten aanzien, dat men zich verstoutte, den per-
soon haars Hoeren te laten voorstellen door een scholier in vas-
tcnavondkleedjj!
En echter, zoomin als het haar veroorloofd was hare plaats te
verlaten, zoomin ook kon zij het oog afwenden van de voorstel-
ling. Zij werd geboeid door den afschrik zelf, dien het schouw-
spel haar inboezemde. Beurtelings het masker afleggende en voor-
doende, de oogen luikend of opsperrend, bleef zij staren naar
het jonkske, wiens euvelmoed zich onderstond den Zoon des
Menschen to vertegenwoordigen, en vroeg zich huiverend, hoe de
Heer marren kon te midden van dat goochelspel te verschijnen
en de goddeloozen met siddering te slaan. Zjjn onwaardigen
voorsteller het eerst van allen ! Er waren oogenblikken, waarin
zij het met beving des harten wenschte; oogenblikken, waarin zij
vlammende letteren over dien tooneelpraal zag lichten. Instorten
moest die hooge zaal, jammergekrijt dien schaterlach vervangen!
De arme! Het bonsde haar aan de slapen, als voelde zij reeds
het dreunen van den schok; het suisde haar in de ooren, als ving
het wee vast aan. Helaas! zjj was niet meer de moedige, schran-
dere jonkvrouw, die zich des morgens zoo fier beroemd had, dat
zij niet licht het hoofd verloor; zij voelde het hare duizelen;
alles danste en draaide haar voor de oogen: de lichten wiessen
aan tot flikkerende vuren ; menschengestalten verkeerden in booze
geesten die om haar heen wemelden; het werd haar te benauwd
onder het masker, zij moest het afrukken, zij wist zelve niet dat
zij het deed.
„Leid mij weg, Charles!" wilde zij uitbrengen, maar de stem
stokte haar in de keel, en Kerkndeth, die achter haar stond en
geheel aandacht was voor het mysterie, vermoedde zelfs haro
behoefte niet.
Zjj hield haar zakdoek voor de oogen, tranen gaven lucht; zij
keerde tot besef van zich zelve en van wat haar omringde. „Ik
moet volhouden," sprak zij, de lippen saaniklemmende.
Daar hoorde zij luide toejuiching om zich heen; het waren de
aanschouwen, die hunne blijdschap en verbazing te kennen gaven
over de stoute nabootsing van het mirakel. Eenige naïeve vromen
maakten het teeken des kruises met dezelfde piëteit, als zagen
-ocr page 137-
127
zij in de kerk het hoogwaardige omhoog heffen. Voor dezulken
was hier geene ergernis, geene ontheiliging; mochten zjj eene
aanmerking maken, zij bepaalden zich tot do klacht: dat voor een
Vastenavondspel de vertooning wat heel serieus was uitgevallen,
,Op Paschen of Pinksteren kon het aangaan," zei de vrouw
van den Deken, .ten minste als men het dan in de kerk te zien
kreeg; maar op Vastenavond! Zoolang te hooren sproken in d©
gewijde kcrktaal, niet anders dan of men in de mis ware geweest,
daaruit blijkt voorwaar de overgrooto strengheid der Heeren Pa»
ters? Zijt gij dat niet met mij eens, jutter de la Geneste?"
Madeleine gaf geen antwoord. Wat voor die menschen geen
steen des aanstoots was, wat hen in zekeren zin stichten kon,
dat was voor haar, niet slechts eene ergernis, maar zondig. En
de gemoedeljjke discipelin der Hervorming begon zich af te vra-
gen: of zij wel vrijheid had voor aardsene belangen, zelfs voor
de verlossing harer vaderstad, zelfs om hare moeder weer te zien,
ja, laatst en zwaarst, ook voor hetgeen die martelaresse de zaak
der religie noemde, zulk vergrijp te plegen? Stond er niet ge-
schreven.... en de eene tekst bezielde en de andere bestrafte;
stond er niet geschreven .... maar was er dan bij den strijd van
plichten ook strijd van leer? Stond er niet geschreven .... haar
geweten had getuigd dat zij het offer brengen moest; en het
werd gebracht!
„Eilieve nicht; gij kunt dan niet eens lachen om de klucht?"
beet de kleine Jeanne onzer peinzende toe, haar even op den
arm tikkende met den veeren waaier. „Stjjfjes voor u heen te
zien, als alles schatert van pleiner, dat is toch al te puriteinsch !"
Was de klucht werkelijk begonnen? Madeleine had het niet
opgemerkt; thans zou ze kunnen luisteren zonder kwetsing van
haar godsdienstig gevoel! Een omzien beproefde zij het, en be-
greep eerst niet waarom men lachte, en bloosde zoodra zij het
begon te begrijpen. Het was scherts van de grofste soort; het
waren gemeenheden, uit lager leven gegrepen. Hoe kwam het,
dat tal van zedige vrouwen om haar heen, jonge meisjes en be-
jaarde matronen toezagen en toeknikten, zonder schroom, zonder
schaamte? Het was de zege der gewoonte, die bij haar allengs
had vereelt of verstompt, wat bij Madeleine, door hare ernstige
opvoeding, nooit was aangeroerd; wat, ten gevolge harer afzon-
dering, door geenerlei schennis zelfs was bedreigd geworden. —
Die ongelukkige Charles! hij had herhaalde malen beproefd hare
oogen te ontmoeten, om er den indruk in te lezen door die pot-
sen bij haar teweeggebracht; hem trof, toen hij er eindelijk in
slaagde, zoo zwaarmoedig een blik, dat hij uit zich zelven tiuis-
terend, tot haar zeide:
„Melieve! het blijkt wel, dat de klucht u mishaagt: wilt ge
-ocr page 138-
128
hun do rest schenken en wat lucht scheppen huiten de zaal?"
Zoo welkom een voorstel had hij haar nog nooit gedaan, en
hare aarzelende vraag: „Of dat aanging?" bewees hoezeer ze
hare blijdschap over die uitkomst door twijfel wist uit te drukken.
„Wel zeker gaat dat aan ! Gjj zult de eenige niet zijn. Eilieve,
Vrouwe Hortsinck! wil even ter zijde schikken, dat ik mijne juffer
uitleide; de warmte hindert haar...."
.Met genoegen, luitenant! Kang zitten valt juffers, die naar
den dans verlangen, zwaar."
En de goelijke vrouw maakte ruimte om Madeleine door te laten.
„Zij zou naar den dans verlangen! zij!" sprak nu Jeanne Cha-
peauville, zich verwaardigende dichter bij do vrouw van den dra-
pier te schuiven. „Ik verpand er mijn mooiste borststuk onder,
dat zjj geen Spaansche drie kan."
„Zou de dochter van don rijken Schepen de la Geneste geen
dansen hebben geleerd?"
„Och, waardige Vrouwe! wat zal ik zeggen ? mijn nichtje heeft
zulke singuliere opiniën .... Ze is zoo wat half onder de Calvi-
nisten opgebracht, toen die nog getolereerd werden, tot schande des
bisdoms!.... viel Vrouwe Chapeauville in, hare dochter het woord
ontnemende.
„Nu, dan verwonder ik er mij ook niet meer over, dat het ka-
merspel van de scholieren haar niet scheen aan te staan. Toen
ik zoo zei „die bruiloft van Cane is voor eene bruid op het
tipje eene aardige profetie!" kreeg ik een antwoord, dat lang
niet malsch was."
„Ge hadt eens moeten hooren wat kwaad bescheid ik ontving,"
viel do snibbige Jeanne in, „toen ik er voor uitkwam hoe het
mij speet: dat de hellevaart van Luther onzen neus voorbij zou
gaan. Ik wil er een samaar tegen een strik onder verwedden, dat
zij meer pleizier zou gehad hebben als men de hellevaart van
den 1\'aus had vertoond, zooals dat in de kettersehe Duitsche
landen geschiedt."
„ Wat zal men daarvan zeggen f" antwoordde de staalmeeste-
resse, goedig de schouders ophalende, „dat is leer om leer, en
elk zijn meug..." maar zjj ging niet voort, daar zij op eens oen
geducliten duw in do zijde kreeg van haar wettigen heer on ge-
maal, die achter haar eene staanplaats had ingenomen.
„Vrouwlief!" sprak de drapicr haar toe, „mij dunkt,je zult van
die hansworstentroep genoeg hebben, en ik verlang naar een har-
tigen teug; laat ons naar de bodenkamer gaan."
„Mij wel, i\'hilipoau! maar op een anderen keer zoudt go zachter
kunnen waarschuwen," zei de waardige huisvrouw en liet zich
wegvoeren.
„ Begreep je dan niet, dat je daar mooi op weg was oin je te
-ocr page 139-
129
verpraten?" fluisterde de echtgenoot haar toe, toen ze uit het
gedrang waren. „Die Chapeauvilles, grootseh en valsch volk als
ze zijn, leggen er zich op toe, ons uit te hooren. Kunnen ze iets
tegen een burger inbrengen, dan verklagen zij hem te Luik; bij
hun neef, den Opperpenitentiaris!"
„Och kom! als men zelfs op Vastenavond niet eens met den
Paus zou mogen gekscheren .. ."
„Anderen mogen dat vrjj, wij niet, of dacht gij er niet aan,
dat ik zoo heel best niet sta met mijn biechtvader?"
„\'t Is uw eigen schuld, hij is gemakkelijk genoeg; waarom pas
je niet beter op?"
„Zwijg, malloot! — Ik meende te zeggen, dat die Chapeau-
villes hunne nicht Madeloine belasteren, zooveel en waar ze
maar kunnen. Ze weten wel waarom!"
„Dat juffer Jeanne luitenant Kerkadet niet gunt aan hare nicht,
liet ze duideljjk genoeg merken. Ja, die afgunst, die weet wat!"
„Toch, vrouwker1 Maar hier zjjn we bij de kredenz; neem een
kroes warmen wjjn!"
Madeleine was intusschen door Kerkadet naar de zoogenaamde
kleine raadkamer geleid, mede ter beschikking van de genoodigden
gesteld. Hij hielp haar zich neerzetten op eene der aan het be-
schot vastgehechte banken, met groen laken bekleed; zij scheen
zijne hulp waarlijk noodig te hebben, vermoeid en ontdaan als
zij er uitzag. Hij had haar arm voelen sidderen op den zijnen;
hij had haar moeten steunen bij het voortgaan, en nu liet zjj het
hoofd zoo machteloos zinken, dat hij haar eene flauwte nabij
waande, en haar vroegof zenieteenteugmalvezij wilde totopwekking.
„Geef mij een beker frisch water," vroeg zij.
Onwillens bleek zij het onmogelijke te hebben verlangd. Het dres-
soor mocht schitteren van elpenbeen, van zilver en van goud, —
ook Hoey had zijne schroeven, zjjne hoorns en zijne molens; —
het dressoor mocht evenzeer geuren als glanzen — ook Hoey
was weelderig in zijne gastvrijheid ; al die overvloed, al die pracht
bood echter geen water aan, dan wat in de koelvaten was uit-
gestort. Kerkadet zag er den droomerigen oppasser een twijfel-
achtigen blik naar slaan. Blijkbaar waren geene genoodigden
daar zoo vroeg reeds verwacht. Kerkadet greep den linker de
drinksehaal die deze had aangevat, uit de hand. Door een venster
aan de binnenplaats was de minnaar de frische stralen der fon-
tein, in den glans van het licht flikkerende, gewaar geworden.
„.I l\'instant, ma mie!" zeide hij, en Madeleine bevond zich een
oogenblik alleen.
Het moede hoofd tegen liet beschot aan te vleien, de matte
oogleden te luiken, of de wereld week, welk een genot! Alleen
was ze, met hare gedachten alleen! Xiet zoo alleen als ze geloofde.
De vcrraBsiiijc vuil Hoey.                                                                                               "
-ocr page 140-
130
Een jeugdig paar gleed binnen, het keurigst uitgedoste paartje
van het gansehe feest misschien, Madeleine, in haar hoek door die
twee even weinig opgemerkt, zag de Florentijnsche gelieven niet.
De jonker zette zijn zoeten kout vurig voort; noch hjj, noch zijne
schoone die onder dat fluisteren aan ververschingen dacht; daar
klonk iets achter zijn mantel, die haar hoofd omhuifde, maar
Madeleine hoorde niet wat. Onze droomerige oppasser deed het
evenmin; doch waartoe liet de zwartoogige borst, die hem een
handje hielp, driestweg een fijne duit in duizend scherven vallen;
waarom gaf de ondeugd geen zier om het geknor van zijn mees-
ter, dat volgde? wat wenkte hij den jonker toe, zoodra hij dezen
bij het rinkinken zijn hoofd schichtig opheffen zag? Waartoe?
waarom? wat? Ter deur spoedde zich het paartje, ter deur uit
in zulk een haast, dat het door Charles Kerkadet zoo zuur gehaalde
water over den sluier met trewoli dreigde te spatten, dien de
schoone in allerijl weer had laten vallen; dat het glinsterde op de
bonte rosetten, in franjes afhangende langs de zijden kousen
van den jonker.
Het wederzijd8ch : „Pardon/" \'t geen de carambole volgde, was
overbodig; de Florentijner en de luitenant bleken goede kennissen.
Maar de arme Madeleine! Uit hare mijmering door haar aan-
bidder wakker geschud, zag zij niet slechts dezen, zag zij ook het
gebloemde paar voor zich, hij guldenen op bruin sergie, zij zilveren
op blauwe zijde.
„Waar ben ik?" vroeg ze verward.
yiDites-Donr, Madeleine/" sprak de schoone, die het kostuum
van Bianca Capello droeg, en nu het netwerk had opgelicht om
de paarlen te laten zien, in de blonde haren geschikt en langs den
blanken hals rjjende, „dOee-donc, eoiis a-t-oii fait peur eomme tnoi?
De duivel zou te Hoey gezien zijn!"
„Och, kom I" lachte Kerkadet, terwijl de dochter van den Sche-
pen het water aan hare bevende lippen bracht.
„Zeg niet: zou gezien zijn, belle inrrédide.\'" hervatte de jonker,
vdtte$ : rit, ee qu\'on uppelle en!"
„Maar door wien?" vroeg Bianca.
Het was aardig ga te slaan, hoe ernstig de Florentijn met zijne
blanke hand eerst eene beweging maakte, die aanduidde, dat hij
zelf\' het voorrecht had genoten, en toen op dat ongesproken her-
haald : „vu de mes yeuxf* luide volgen liet: „touche mêtne, comme
je vout touche!"
terwijl zjjn slanke vingers Bianca op de wang
wilden tikken, maar door haar waaier werden voorkomen.
En toch lachte het drietal niet, want, driftig en angstig tevens,
vroeg Madeleine :
„Waar?"
„Bij het kroegje de Kreeft!" was het antwoord, en de drinkschaal
-ocr page 141-
[31
die geen geluk had dien avond, liep andermaal over; heen en
weer ging hij in hare hand.
nMais nous sitmmes indiscrete," meende Rianea, en haar arm
gleed onder het manteltje van den jonker; toen zij weg waren,
dacht Charles zijne gelukkige ure gekomen. Madeleine bracht met
welgevallen de drinkschaal andermaal aan hare lippen ; zoodra zjj
Kerkadet die teruggaf, boog hjj zich om een kus te stelen op die
uitlokkenden hand.
„Laat af van die vrijpostigheden! neef!*\' klonk het bits.
Als hjj „neef" heette, waren zijne fondsen aan het dalen; Charles
leerde het heden niet voor liet eerst.
„Miséricorde, ma belle/ kan ik het helpen, dat de recreatie u
tegengevallen is?"
„Recreatie! Voorwaar, als dit er voor geldt, verhaast het mij
niet, dat Satan van de partij is!" borst zij uit in een angst, dien
zij geen lucht mocht geven.
„/>« sérieuxt hernam hjj, meer verschrikt dan gekrenkt en zich
verlegen de handen wrijvend.
„Spot niet, Charles! Ik ben in geen luim eenigen schimp te
verdragen."
„M(f fiti! of ik het merk! Toch houd ik het u ten goede. Gij
hebt u zelve geweld aangedaan om mijnentwil; geloof me, Made-
leine! dat ik het waardeer en door dubbele liefde u___" Hg was
bewogen en bood haar zjjne hand, met den blik verzoening
smeekende.
„Spaar mij die betuigingen, het is er geene ure voor," sprak zij
met haar onverklaarbare heftigheid.
„Geene ure, Madeleine?" vroeg hij; „en dat paartje...."
„Die dartelen!" hernam zij met afschuw, „ge ziet hoe ik bij-
kans bezwijk...."
„Melieve! als ge zoo moede zijt, wil ik u niet vergen ook nog op
het bal te blijven. Wij kunnen van hier onopgemerkt ontsnappen."
„Kn gij.... gij... zoudt terugkeeren?" vroeg zij met een
blik, in welke schittering hij zich vergiste.
„Neen, Madeleine, soyez en süre.\' dan zoek ik mijn kamer op
in het kasteel en krijg nog een pluimpje van den gouverneur!"
Hoe weinig benijdenswaard hem dat scheen, viel zijner bitter-
heid aan te hooren; maar Madeleine had er geen oor voor;
haar voer een schok door de leden. Mocht zij zich zelve ont-
slaan? Kerst ten halve had zij zich gekweten van wat zij hare
taak geloofde; de gansche zaak kon op het spel worden gezet,
als er in de vesting wacht werd gehouden. Op hief zij zich, zeg-
gende: „Zulk een offer, Charles! wil ik niet vergen. Gij zult met
mij dansen! dat heb ik immers beloofd? en ik zal mijn woord
gestand doen!" Satan in de Kreeft strekte haar ten prikkel.
-ocr page 142-
!TJ
„Zoo wilt ge verzoenen 1*" vroeg hij, haar smeekend aanziende.
Zwijgend reikte zjj hem de hand.
Hij drukte die in de zijne en toen aan zijn hart. „Gij weet
niet, Madeleine!\'* ging hij voort met een voehtigen blik, „g[j
weet niet, hoe trouw dit voor u klopt!"
.Charles!\' sprak zjj op een toon van weemoed, die hij voor
teederheid hield. Ken gloed van schaamte overtoog haar gelaat.
Zwijgend gingen zjj samen do kleine raadkamer uit, in welke
zij gedurende de laatste oogenblikken ook niet meer alleen waren
geweest. De vertooning was afgeloopen; en terwijl men in de
groote zaal den tooneeltoeatel wegnam, om haar straks geheel ter
beschikking te stellen van den dans, verspreidde het publiek zieh
in tal van kleinere vertrekken, voor de tussehenpooze geopend.
Dank zjj het bonte dooreenzweven van personen uit allerlei
tijden, leverden deze nog grilliger tegenstellingen op dan eenige
verbeelding zieh scheppen kan: maar het waren de schrecuwend-
ste niet, die de opmerkers uit den drom het meeste troffen; het
waren die, welke onwillekeurig gelegenheid gaven den geest der
menigte te doen uitkomen. Bene enkele ten proeve. Halfwegge-
scholen onder een der breede en hooge vensterbogen, stond eene
gestalte, die ge zoudt gezworen hebben dat gjj meer luidt ge-
zien, een man van beogen leeftijd, glimlachende de groep gade
te slaan, welke aller aandacht trok. Onze vriend, mogen wjj hem
dus noemen \'t onze vriend liet het geopend boek, dat hjj in do
rechterhand droeg, zachtketis neerglijdeu langs d.> breede zoo-
men sabel, waarmee zijn tabbaard was bezet; hjj verschoof de
zwarte fulpen muts, van onder welke weinige dunne, zilveren
lokken zich te voorschijn waagden; de breede neus van zijn,
laat ons het bekennen, leeljjk gezicht, stond een omzien scheef,
opdat hjj van achter den grijns te beter zou kunnen toezien. Wat
toch wilde hjj bespiên? Och, niets dan de verhouding van maar
drie personages, Julius Caesar die Cleopatra rondleidde, Julius
Caesar, die Boduognat aan zjjne sehoone wenschte voor te stellen.
„ƒ>/* rttstrr" mompelde onze oude, want de Xerviër was hoog-
hartig genoeg het hoofd niet te willen buigen.
En de schare*1 hare sympathie wankelde een oogenblik. Ia-
Bomain imposait. V ÉgyptttHHe était ravtsêantej
maar toen Bo-
duognat, van alle plichtpleging wars, het zwaard trok daverde
het vertrek toch van toejuiching; de volkstrots op het grijze ver-
leden kwam boven.
„A guoi songes /», Krusiw /" vroeg een man, die een Veneti-
annst\'hcn mantel en eene Venetiaansehe barret moms genoeg had
geloofd, onzen mijmeraar.
„fajoute" hernam de aangesprokene, die in de stem do la
Geneste herkende? rftijunte nu rhapitre ft mon Éloge dê ht Folie"
-ocr page 143-
133
En de oude arts, die niet enkel aan de geljjkenis van zjjn gelaat
met dat van onzen beroemden landgenoot zjjn bjjnaam had dank
te weten, die met recht het bekende kostuum van dezen droeg,
in oord naar den Rotterdammer zweemende, hij gaf zijn harte
lucht over wat geestelijkheid en gemeente hem dien avond had-
den doen ljjden! Wat baatte het hem dat de Schepen, schoon
deze niet als hij met de Ouden dweepte, toch wat de hatelijke
uitvallen betrof met hem instemde? Zoodra de la Geneste op
zijne beurt beweerde, dat de „Bruiloft van Cana," dieper opge-
vat, eene dichterlijke verheerlijking had kunnen worden van gast-
vrijheid en gezellig genoegen, van huiselijk heil en huwelijksliefde;
zoodra de Schepen tegenover de schilderij, die hem uit zijne
reize in Italië heugde, en die hier zoo kwalijk nagevolgd werd,
eeno schets stelde van wat inheemsche eenvoud aan dat onder-
werp zou kunnen ontleenen, schaterde de nieuwe Erasmus het uit.
„Lu renaissance /\'\'« i»i* rèussi" meende do oude, net votts
Vattendez
..."
vI)e la réforme," was het antwoord.
nPauvres modcrncsf\' zuchtte de arts; „zullen zij ooit iets voort-
brengen, dat bij de Ouden halen mag? Die gildebroeders van
straks, geplonderd hebben zij voor hun Lm/miis beiden Plautus
en Terentius; zij, zeg ik, het mocht wat! Weet gij, Pierre! dat
het beste wat wjj er in hoorden, al voor dertig jaren te Parijs
werd vertoond door de Enfans de Sans-Soucy, als de Larivey
hon een handje hielp f Onze rhetorijkers en uwe réforme, het
zal wat geven!"
Kil Erasmus sloeg zijn boek weer open, of hjj lezen ging; en
daar gleden Charles en Madeleine voorbij. De la Geneste tikte
uit den schuilhoek tien luitenant op den schouder.
„ Kerkadet, tot hoe Iaat hebt gij ook gezegd dat de Gouverneur
blijven zou?"
„Tot middernacht denk ik."
„ üh plaisir prolongil zeide Erasmus; „eer het zoo laat is, ligge
ik in cle veeren? el a la lueitr <le ma lampe,jelisAristophane/
„Waarschuw mij, als het zoo laat zal zijn," verzocht de Schepen
den Officier.
„Ik beloof het u! hoezeer gij het vanzelven wel merken zult,
want klokke twaalf is algemeen démasqué."
„Vader!" begon Madeleine angstig te fluisteren: maar de la
Geneste scheen, bij dit gezelschap, geen oor te hebben voor
vertrouwelijke mededeeliug; hij vestigde, luid sprekende, hare
opmerkzaamheid op eenige lachwekkende figuren om hem heen,
on Charles zette zijne mededeelingcn voort:
xCest la plus beau moment/ aan do verrassingen is dan geen
einde, als alle maskers vallen."
-ocr page 144-
i:u
«Alle!...." herhaalde Madeleine; zjj deed het hare weer voor.
Te goeder ure! Het oogenbik was gekomen, waarin het ver-
pliehtend: maOHs Ie nuuquel" der dolste intriges vrij spel gaf.
„I.aat ons voortwandelen!" sprak Charles haar toe, en voegde do
daad bjj het woord, hoe gaarne zij nog naast haar rader verwijld
had. Was het van de zijde des luitenants louter vrees dat zjjno
lieve, stilstaande, opgemerkt, grover schertst ten wit zou hebben
gestrekt, dan bjj vermoeden kon met haar smaak te strooken ? We
twijfelen er aan! De bisschoppelijke ottieior gevoelde weinig lust
te worden betrokken [n het levendig kruisvuur, door .lulius Caesar
en Boduognat geen oogenblik gestaakt. Iloey mocht maar klein
Luik zijn, het zweemde te zeer naar .die groote stadt van
ongheruste sinnen," dan dat de jonkheid den krijgsman, die een
geesteljjk heer diende, zou hebben gespaard bij den twist over
wereldheerschappij en volksouaf hunkclijkhcid. Dat fiere Waalsehe
ros droeg zijn geinijterden berijder slechts onwillig; als het stei-
geren, als het achteruitslaan mocht, dan stoof niet enkel het stof
in wolken op, dan deed het in zijn overmoed vonken vliegen,
waarvoor Kerkadet zijne oogen te lief had. Ken ander zaaltje
opzoekende, behoefde hij maar cenige dartele polichinels af te
weren, wier scherpste zet zich bepaalde tot de vraag: of hij met
zjjn grootje te biecht ging?
„Lt> jour den cendres oh carnaval/11
Men wilde maar geen vrede hebben niet dat zwart Huweelcn kleed.
Ons paartje had het midden van het tegenovergelegen vertrek
bereikt; de luitenant bleek vrij gegaan, maar de arme schoone,
die hjj met zich voerde! Wie viel haar daar zoo hartstochtelijk
om den hals; wie bad haar om de helft der bescherming il e non
futur seigneur.\'
Wie anders dan Bianca Cappello? die haren Klo-
rentijnsehen minnaar in het gedrang had verloren, en vervolgd
werd als zjj, wier kleeding do loszinnige zich had gekozen. ,11
tv°y a plus de dotite"
schertste het schepsel, ,1e dittble est o l/wf,
il m\'a eolere\' oio» Dor.\'"
Kerkadet lachte van harte mede; maar
de dochter van den Schepen dacht weder aan de Kreeft, en haar
hart bonsde. Gelukkig dat Bianca, om strijd gevierd en geplaagd,
niet opmerkte hoe Madeleine\'s stem trilde bij een onbeduidend
antwoord op eene ijdele vraag; gelukkiger nog, dat zij eensklaps
haar Kraucesco weder gewaar werd. Is er intusschen cene go-
rechtigheid tot op gemaskerde bals toe? Xauwelijks was de kleine
hand der dartele weder onder het prachtig manteltje gegleden,
of jaloerschheid flikkerde van achter haro zjjden mom; zij had
alle reden te vragen, wie toch de helle boln\'oiieiioe mocht zijn,
waarmee haar galant geïntrigeerd werd op het baldadigst? —
„Soint Ihioiitieu ent door Ie Patron tien eologex?" klonk het.—
„Que. Ie ilioble t\'eoijmrte?" was Francesco\'s antwoord. — „Tu
-ocr page 145-
13S
Vas vu, brait contour dr ffeurettesf Hity tmirhr a sa fin," spotte
een derde, en Madeleine was zwak genoeg bij die woorden
andermaal te huiveren.
Den pereeneiyrs, frateheur etpuretéI que faftrs vous ici? vroeg
haar een drein, die het gevallen tuiltje oprapende en aanbiedende,
het gebaar maakte als wilde hij in hare hand haar lot lezen.
Charles voerde haar op haar wenk ook dat zaaltje uit en een
derde in : zjj waren don drempel echter pas over, of hij zag met
schrik een domino naar hen toekomen, wiens houding geen twijfel
overliet, dat hij eindelijk had gevonden wat hij zocht. Ontwijken t
er was geene mogelijkheid toe; op zijde gaan? maar de domino
deed het ook. Toch bleek het geen aanval.
„Wel, zoet Petekind! zijt ge mee om het carnaval te begra-
ven ? dat belooft een gezegende Paschen!" en zoowel aan den
goelijken toon als aan den harteljjken handdruk herkende Made-
leine haar heuschen peetoom, den Kanunnik Kerkadet. .Maar,
Charles!" voer die tot dezen voort, .hoe kunt gij der Hoeysche
dames stof geven te snappen, dat uwe juffer te bezorgd is voor
hare diamanten om die hier te doen blinken? Het was aan u
geweest daarin te voorzien, door haar op dezen dag een kostbaar
sieraad aan te bieden."
„Als zij mij dat had willen toestaan.... Maar zij heeft geen
minnepand willen aannemen..."
„Altijd preutsch en weerbarstig!" hernam de Kanunnik. „Ma-
deleine!" voegde hij er bjj, zaehtkens met den vinger dreigende,
„toch weet ik er wat op; morgen zal Charles u van mijnentwege
een juweelkistje brengen; dat zult gjj toch niet afwijzen?"
„Peetoom! ik houd van geen pracht!"
„Meisjeskuren! de bruid van een Kerkadet mag er niet uitzien
als het kind van een Calvinist..."
„Maar, oom! moet gij toch zelf niet zeggen, dat die eenvoud
haar goed staat?..." viel Kerkadet in. „Hoe het komt weet ik
niet, maar het is mjj of Madeleine in dat deftig kleed er uitziet
als een echte Koningin te midden van een troep nagebootste
prinsessen!"
„Wel, neef! dan zou ik toch een kroontje op die aardige gou-
den lokken willen zien; mij dunkt, ze zoueene Madonnageljjken."
„Charles! waar mag mijn vader zijn? ik had straks den tijd
niet hem iets te vragen," voegde Madeleine haar geleider toe,
weinig gestemd als zij was om al die loftuigingen te beantwoorden.
„Ik verliet hem zooeven," verzekerde haar de Kanunnik, „hij
was toen in de groote zaal en druk in gesprek met Erasme, die
ons geestelijken, uit zijn boek, duchtig de les las. Ten rus ma
part, muis que voulez voits? pus de f (te suns folie l
Thans heb ik
er echter ook wel van, kinderen! ik ga naar huis. Een weinigje
-ocr page 146-
1.»;
den lever te laten schudden, dat doet me goed, maar mjjn stand
noch mijn leeftijd passen op een bal. Meedoen mag ik niet en
dat gedraai om mjj heen is vermoeiend. Veel genoegen niette-
min, en een vroolijken nacht!" Daarmee ging de goede man zijn
weg, weinig vermoedende hoe zij elkaar zouden weerzien.
Kerkadct, wij laten hem gaarne volle recht weervaren, Kerkadet
was gewillig genoeg de groote zaal op te zoeken, maar in deze
den Schepen te vinden, dat ging zoo licht niet. Het geschetter
der trompetten lokte de menigte uit de bjjzalen ten dans; daar
werd ons paartje Krasme gewaar; de la Geneste kon niet verre
zijn. dachten zij. Vergeefs echter zag Charles naar deze zjjde, en
Madeloine naar gene uit; haar vader was niet onder hen, die den
luimigen uitvallen van den oude het oor leenden. Waren ze min-
dcr bekommerd geweest, hoe onze heldin er zich in zou hebben
verlustigd ! Satyriek als hjj was, stelde de arts zich schadeloos
voor een jaar vierens van velerlei nukken zjjner patiënten. Made-
leine begreep het teisterende van menige toespeling; doch al be-
hoorde zij tot zjjne weinige gunstelingen, boeien kon hij haar
thans niet. .Voort!" bad zjj, .voort!" en het gelukte den beiden
dringenden eene wijle; maar eensklaps zagen zij zich gesloten,
eensklaps gesperd in een dichten kring, verzameld om een man,
wiens allerlevendigste gebaren zonderling contrasteerden met zijn
golvenden sneeuwwitten baard, die een juweelkoffertje onder den
linkerarm tegen hot prachtig rluweelen wambuis droeg. Allo dames
om hem heen wilden weten voor wie het bestemd was.
„.■1 lu i>tnx helle" luidde het tergend antwoord.
.Men moet Benvenuto Cellini zijn om op zjjn ouden dag voor
Paris te spelen."
Volkomen zijn hartstochtelijk karakter getrouw, bracht de ver-
momde de hand aan den gedreven knop van den dolk, dien hij
in keurig bewerkto scheode op zijde had.
9ChoiaiBMZl Choiêissexl riepen, wij moeten het bekennen, wel-
luidcnde, liefelijke stemmen.
.Maar dan dient ge mij te vergunnen de maskers op te lichten,"
meende Cellini; en de hand die straks zoo driftig naar den dolk
had gegrepen, strekte zich nu dartel uit naar deze en geue wap-
pereudo huive.
„Qiti\'llr impodence!" — A In bonne keure/" — en wat niet al
kreten, klonken verward dooréén; doch al had ons paar ernaar
willen luisteren, het zou er niet in zjjn geslaagd. .Laat uwe Ko-
ninginue om den prjjs dingen," beet een snerpend vrouwenmas-
ker Charles in het oor; .wij Prinsessen zijn nog niet geneigd
haar als Madonna te kronen?" Geraakt hernam hij: .Als mijne
liefste wachten moet tot de a gunst haar eene kroon bedeelt,
St. 1\'atientia kome haar te halpet"
-ocr page 147-
137
Gij kunt die patronesse behoeven, bij haar, die zich niet hot
hoofd maar wel het harte verkapt..." — .Masker!" was het
weerwoord; «ik ken u, men moet familie zijn om zoo liefderijk te
oordeelen." En Charles verwensen te de blinkende Bourgondisch©
edelvrouw, wier vinnigheid hem had meegetroond. Waar was Made-
leine? Hij zag haar niet, al stond zij geen drie schreden van hem af.
Wie haar zag, haar nauwelijks zag of haar ook naderde, het was
Benvenuto Cellini; Madcleine deinsde achteruit; maar Benve-
nuto liet zieh eerbiedig op de linkerknie neer, de bekende barret
lichtende:
imïiqupz-moi Ie masqué de rotre p£*Y,M fluisterde hij.
Madeleine bleef zich zelve meester.
„Sritateitr de Venis$!n sprak ze, en Menvenuto Cellini had voor
de inlichting geen dank te zeggen; in plaats van het zwart tlu-
weelen kleed dat hij voor zich had gezien, toen hjj het hoofd
boog wolkte, zoodra hij zich oprichtte, witte kant om hem heen;
het was Cleopatra, die een begeerigen blik op het juweelkoffertje
richtte. tEnfinP1 ontglipte hem; had hjj ten leste haar die hij
zocht gevonden f Van onder den arm gleed het in zjjne lianden,
of hij het haar wilde aanbieden ; maar mocht de ondeugd het sleu-
teltjc in het slot steken, openen dood hjj het niet. Begeerte lichtte
hem toe, trots den dichten sluier; Cleopatra was zoomin Kgyp-
tisch gekleed als de scholieren straks naar Hebreeuwen hadden
gezweemd; verre bleek die tijd nog van de kennis, welke later
kunst, in locale kleur en locaal kostuum, onuitputtelijke bronnen
van verrassing heeft ontsloten. Doch lïenvenuto Cellini begreep
er het karakter der Koninginne van den Xijl niet minder volkomen
om: „fJbfou\'t\'ssez fonjonrsP riep hij, tartende.
En op ging de lange sluier, en bij de stilte der vrouwen hoorde
Cleopatra den lof harer schoonheid in zucht en kreet den man-
nen ontvaren, — maar boette toch die zege zwaar! Om draaido
zij, aehter de weder wolkende kant, den sleutel en wierp een
blik in het kistje en sloeg het zoo driftig weer dicht, dat de heng-
seltjes trilden. Benvenuto Cellini was al verre: hij wist wel hoe
hij met haar afrekenende, haar zou doen verbleeken, als zij las:
Fennez les ijeu.r ïi ïit concupiscence /"
Welk eene wereld voor een harte als dat van Madeleine, die
in een hoek der zaal aan de zijde van haar vader stond.
«Hebt gij iets begrepen van hetgeen ik leed\'r" vroeg zij hem
met zachte, doffe stem.
Hij drukte haar tot eerste antwoord de hand, en schoof haar
voort tot waar het zwaarder schemerde.
«Alles!" hernam hij, «maar wat het mjj ook koste, kindlief!
u op die proef te stellen, houd vol, bidde ik."
«Vader!" fluisterde zij, «wat is er toch in de Kreeft geschied ?
-ocr page 148-
138
Tot driemaal toe vertelden die dwazen mij, dat de duivel er was
gezien!"
Achter het masker werd geen glimlach geëiseht; ook zou die
hem stroef zijn afgegaan. .Dwaasheid. Madeleine!\'\' sprak hij, en
kon zich toch niet weerhouden te vragen: „wanneer?"
mSénateur de Venixe?" zwart van top tot teen!" zei de guit,
,hoorden vader en dochter dicht bjj zich mompelen. „„.Vixi/Vw
de Veiiise.1" maar de drommel mag in deze duisternis zien."
„Te avond," fluisterde Madeleine, in antwoord op de vraag
van den Schepen.
wSénateur de VentseP* gromde het nogmaals.
„Ik ken die stem," sprak de la Geneste onzer huiverende toe,
terwijl hjj haar onder den arm nam, en met haar aan het licht
trad. „Meester Hcnnin! wien zoekt ge?"
„U, schepen! hernam de Deken der goudsmeden, de mom
oplichtende, als wilde hjj toonen, dat hij het waarlijk was; „u!
maar als deze jonkvrouw uwc dochter is," — de la Geneste
knikte, — „en gij geene geheimen voor haar hebt," de Schepen
schudde van neen, „zoo bljjft in de schemering; ik heb goede
boodschap uit de Kreeft!"
Madeleine voer achter haar masker met de hand over de oogen.
„Francois Hennin!" hernam de la Geneste, „we zjjn kennissen
van kindsbeen af..."
En de laatste woorden bleken overbodig, zoo diep had de
man het hartelijke van den nadruk op dien voornaam gevoeld.
„Zou ik hier zijn," viel hjj in, „als ik het niet goed meende?
Mijn loshoofd van een jongen, Hiditt il faut que jennesxe paase,
hij was in de Kreeft, en maakte kennis met Zilbrecht\'s gasten,
tytHU soieiit lei bienvettitx! Als ik hem mee wilde nemen naar
het feest, beloofde hij u wel uit te zullen vinden; hij gleed
mee binnen, hij hield woord ..."
„Wees gedankt, Deken! tot straks!" zei de Schepen, en de
oude Hennin had Reinaert de Vos met zoo goed gevolg gelezen,
dat hij niet vroeg waarom de la Geneste zijne dochter eensklaps
in het volle licht voerde, dat hij geen wenk behoefde om op
zijne beurt in de duisternis te wijken.
„Kracht naar kruis!" sprak Madeleine, „wat ik in deze ure
geleden heb, bezielt mij met te brandender ijver. Hoor! daar
klinkt de fanfare en Kerkadet komt naar ons toe. Vader, als ge
wist wat het mij kost hem aan mijne zijde te dulden! En toch,
al groeit mij■■ haat tegen den Basisdienst, toch is er eene stem
van deernis in mijn binnenste, die voor hem spreekt; zijn goed
vertrouwen slaat mij diepe wonden!"
„Eindelijk !" riep Charles van verre. „Voldeed de verrassing u ?"
Hoe gaarne, hoe van harte had zij: „ja!" willen antwoorden;
-ocr page 149-
139
maar hjj meende Cellini\'s juweelkoft\'ertje. Zij deelde hem mede,
dat zij de vlucht had genomen eer het openging, om zich bij
haar vader te voegen, dien zij van verre was gewaar geworden.
„Kn ik, rhrre bellr.\' ik heb u een kwartier lang moeten ver-
dedigen tegen eene booze oude vrijster," verzekerde hij haar.
pIk heb wel verdiend, dat ge mij die ergenis goed maakt; wilt
gij nu deze branie met mij dansend"
„Ik ben gereed, Charles!"
Hoe verraste hem hare bereidwilligheid!
„Tot straks, heer Schepen! ik zal haar niet te veel vergen."
Kn Kcrkadet voerde Jladeleine naar het midden dor zaal.
„Liefste! hoe kil is uwe hand! de rappe beweging zal u
goed doen."
„Ik hoop het, Charles!"
En waarlijk, de dans deed in zijn oog wonderen. Het liedje,
dat deze in het geheugen herriep, was haar niet te vroolijk; de
schred, dien hjj eischte, niet te vlug; en het air mocht kort zjjn,
en het refrein dus telkens terugkecren, geene klachte kwam over
hare lippen; zweefde zij niet op de vleugelen der hoop?
Intusschen was de la Geneste naar de kleine raadkamer ge-
weest, en er bereids met luchtiger harte uit weergekeerd: wat
hjj er met Krancois llennin bepraatte, ge zult het vernemen, als
ge luisteren wilt, naar het onderhoud, dat hjj nu met den griffier
van het Gerechtshof had, voor het heldere vlammende vuur, aan
het hooger einde der zaal. Het was perfeetly in keeping, dat die
beide mannen zich thans op een paar vouwstoelen neerzetten,
van verre het gewoel gaslaande; zij liepen geen gevaar dat het
plekje hun zou worden betwist, daar de meeste bejaarde of door
de Hiquettt van hun stand tot grooter deftigheid verplichte hee-
ren allengs waren afgetrokken; en danslustigen; of gij het zijt,
of gij het waart, gij weet het, zij behoeven den gloed van het
vuur niet om warm te worden! Bovendien de la Geneste zette
voor den Griffier immers maar eene Vcnetiaansche vertelling
voort, die ieder desnoods hooron mocht; eene vertelling, waar-
mede hij dien morgen begonnen was, toen dezo hem vroeg, welk
kostuum hij kiezen zou? „Voor mij," had do Scriba gezegd, „voor
mij kan het eenvoudigste volstaan," maar roeds ging hun gesprek
zijn gang, laat ons luisteren:
„Ken nieuw incident!" viel de domino verrast in; de Schepen
had het hem aangekondigd; „uw verhaal vloeit er van over."
„Het is er het eigenaardige van, Thierry ! Ge weet, I\'ietro was
op het feest; welnu, op het onverwachtst bood zich de doken
der goudsmeden aan mee te doen, terwijl hij bericht kwam
brengen, dat de vloot in zee stak. Pietro haastte zich er zjjn
vriend van te verwittigen, en die vriend...."
-ocr page 150-
140
„Gaf ook zijn woord!" viel Thierry in.
.Bravo!" sprak de la Geneste, haast uit zijne rol vallende;
„geraden!" liet hij er op volgen tot haar terugkeerende. „Ge
begrijpt dat hij nu minder dan ooit aarzelde, verzekerd dat, al
mocht de meerderheid in den raad van Tienen tegen hem zijn,
die één niet zwichten zou....\'\'
„lljj zwichtte immer» nooit, als hjj eens zijn woord had ge-
geven ?"
„Het was geen twijfel aan zijn trouw, Thierry!"
„Alles is mjj helder in uw verhaal," hernam de domino, „be-
halve twee bjjzondcrhcdon. Hoe kon 1\'ietro er toe komen Mad-
dalena voor Carlo te bestemmen, hem kennende als den gunsteling
van den gezant van den Paus P"
„Gij loopt de geschiedenis vooruit; het bestemmen had niet
aan hem gelegen. Van het voltrekken der verloving was immers
nog geen sprake t Hij was tot voorzichtigheid verplicht om het
verledene zjjner vrouw ...."
„Maar sedert die stierf...."
„Zij leeft... zij leefde nog, Thierry!"
De domino was hjj de onverbeterlijke voordracht opgesprongen.
„Ondanks de verklaring der abdis?" vroeg hij, en greep de
hand van de la Geneste.
„Begrijpt ge nu, waarom 1\'ietro dus Ijverde?" hervatte de
Schepen, hartstochtelijker dan hjj anders placht te zijn; „begrjjpt
go waarom hij het aan kon zien, (lat Maddalena danste met Carlo?"
en zijn blik zocht Kerkadet in den rijenden drom; „danste tot
met den Doge toe ?" want hij meende Madeleine gewaar te worden
die den Gouverneur van \'t kasteel de hand reikte.
„Toen hij zoolang gemard had, ja," antwoordde de domino
bedaarder; „maar waarom hij dit deed, waarom hjj niet eerder___"
„Zijne vrouw in ballingschap volgde, Thierry? Och, ik heb
Pietro\'s historie maar ten halve verhaald, n hem niet geheel doen
kennen.... Schatrijk heette hjj en was het; maar als hij vluchtte,
geen middel om zijn vermogen mee te nemen; de Raad van Tienen
zou het verbeurd hebben verklaard ! Ik doe hem onrecht, Thierry !
louter in zijn schatten school zijne gehechtheid aan zijn geboorte-
grond niet! Van ouder tot ouder Hoeven.... Venetiaan als ik,
had hij het in zjjn jeugd gehoord hoe zwaar het valt in den
vreemde de trappen op te Btjjgen om eene gunst te gaan afsmeeken;
hoe zout gebedeld brood is!...."
Regelrecht stapte eene kloeke gestalte naar onze zittenden toe.
„Schepen de la tïéneste!" Het was do vriend die niet te best
met zjjn biechtvader stond. „Schepen de la Geneste! hebt gij het
nieuwtje al gehoord?"
Op rezen de beide mannen.
-ocr page 151-
141
„Welk nieuwtje, meester Horstinck?" vroeg de Schepen, die
als wij den deken van het drapiersgilde herkende.
„Het klinkt vreemd genoeg, maar het gaat als een loopend
vuurtje de zaal rond."
„Wat dan toch?" vroeg de la Geneste, met zenuwachtig ongeduld.
„Wel, er is een Staatsch officier op het bal gekomen!"
„Ken Staatseh officier!" bracht de la Geneste met moeite uit,
het hoofd zjjwaarts wendende.
„Ongeloofljjk; het zal een van onze jonkertjes zijn, die een
Yastenavondgrap speelt," sprak de Griffier er tusschen, om den
Schepen te hulp te komen.
„Ken jonkertje! als \'t u belieft, erntfeste Heer! zie maar eens
even rechts voor u uit, naar die groote wapentrofée der schut-
teren. Daar staat hij, een forsch kloek man ; onze jonkers zijn zoo
breed niet geschouderd! En wat fierheid in die houding; gekleed
in blauw Huweel met zilver, een gepluimden hoed op, een kort
scharlaken manteltje hangende over zjjn arm. Zie, hij draagt de
onuijesjerp, en naar ik hoor, maakt hij van naam noch kwaliteit
geheim I"
„Hoe heet hij dan?...." vroeg de Schepen, zich herstellende.
„Ik weet het niet; mijne vrouw heeft het hem wel hooren zeggen,
maar het schommeltje onthield den naam niet."
„Doe ons den dienst en ga er eens naar vernemen," verzocht
de Griffier, om den nieuwtjesaanbrenger kwijt te raken.
„Zou die Staatsche luitenant zulk een onvoorzichtigheid begaan P"
mompelde de la Geneste; „of de jonge de Prevs .... maar neen!
die is noch zoo groot, noch zoo forsch van statuur. Zoo \'t
Hóraugière ware!. ... Maar wat dwaasheid haal ik mij in \'t hoofd!"
„Wat suft gij, oude vriend !" deed de Griffier hein moed grijpen;
„als er verraad was, men zou zich niet dus blootstellen; en alles
wel bedacht, waarom zou er niet een van de Staatsche officieren
te Hoey op een Vastenavondbal kunnen komen, zonder dat dit
in verband behoeft te staan met...."
„Crtiaiit (intui tooss, Messire de la O^neste ƒ Mars en appelle u
vous •
de Staatsche officier, die hier zooeven is binnengekomen,
zoekt u; mats lu/, quune phalange de preux narrêterait pas^
s\'arrête comme de raison, pour les belles
...." sprak Ben ven uto
Cellini luid tot dezen, terwijl hij er fluisterend bijvoegde: „/7 est
des notres!"
De la Geneste had zich genoeg hersteld, om den vluggen grjjze
te vragen: „De onzen? wie zjjt gij?"
mEn sintplesse, Nicolas flT«WM», hernam de schaJk, „suivant
toets de baptême flls de Francois dudit nom."
„Ik wil zekerheid tot iederen prijs," sprak de Schepen tot den
Griffier en begaf zich naar die zijde van de zaal, waar de vreem-
-ocr page 152-
112
deling stond te wachten, tot de dans zou geëindigd zijn en vrijen
dooltocht liet. Wat duurden die korte oogenblikken lang voor
de la Geneste; wat klonk die vroolijke muziek hem sarrend in de
ooren; en.... toen de dansers uiteengingen, met hoe snelle schreden
begaf de Schepen zich naar den vreemdeling, die zijn vorschenden
blik op de groepen der feestgenooten richtte.
„Mijnheer! gjj hebt naar don Schepen de la Geneste gevraagd,"
ving deze aan; het open, rustig gelaat gaf hem al zijne waar-
digheid weer.
„Zijt gij het zelf, Mijnheer?" hernam de vreemdeling, met eene
hoffelijke buiging; „tref ik het zoo goed, dat gij zelf...."
„Ik ben het! Mag ik vragen wat gij mjj hebt mede te deelen ?"
„Te gewichtige dingen, om op dit oogenblik te bespreken,"
hernam de officier. „Allereerst wees zoo goed en wijs mij uwe
dochter; mijne boodschap geldt ook haar."
„Mijne dochter!" herhaalde de la Geneste niet zonder be-
vreemding; „dat is de juffer, die daar met den bisschoppelijken
officier wandelt."
„Die jonkvrouw met dat goudblond krullende haar, die mij
aan Koningin Elisabeth doet denken?" zei de vreemdeling met
een welgevallige!! glimlach; „eene fraaie gestalte, eene edele
houding. Gelukkig! daar laat zij dat njjdige maskertje vallen!
Welk eene schoonheid! gij zijt een gezegend vader! En wie is
haar cavelier?"
„De Gouverneur van \'t kasteel I" bracht de la Geneste met moeite
uit; want hij zag dat deze het oog op hem gericht hield, en hij
vreesde, dat de terrible vreemdeling in elkaar zou krimpen van
schrik bij die aanduiding.
Maar de Staatsche scheen niet schrikachtig te vallen; immers
lachend zei hij :
„Toch? de Gouverneur van \'t kasteel op dit oogenblik hier! dat
treft gelukkig! Ik moet kennis met hem maken I" en voort schreed
hjj om dien inval op te volgen; doch reeds stond Kerkadet aan
de zjjde van de la Geneste.
„Heer Schepen! de Gouverneur verzoekt u bij hem te komen;
hij begeert opheldering!"
„Ik ben verloren!" dacht de la Geneste, maar de hachelijkheid
van "t oogenblik zelf gaf hem den moed der overspanning.
„Wij gaan samen!" sprak de Staatsche officier, met kalmen
glimlach zich weer tot Madeleine\'s vader wendend. „Gij zult
mjj voorstellen."
„Wist ik* slechts wien?" vroeg deze fluisterend.
„Marcelis Bacx, ritmeester in Staatsehen dienst!" hernam deze
met zoo luide stem, dat zij de zaal doorklonk, en de Gouverneur,
die op drie schreden van hem stond, de hand aan het gevest
-ocr page 153-
143
van den degen, niet meer noodig had hem te ondervragen.
Marcelis Baex! Voor wie eenigszins met den gang van den
Nederlandschen Bevrijdingsoorlog bekend was, gold die naam
bijkans een leger. Marcelis Bacx binnen Hoey! dat klonk als
eene bedreiging of als eene uitredding, naar men tot de aanban-
gers des Bissehops of tot de afvalligen van dezen behoorde.
„Mareelis Baex! die is niet alleen hier!" overwoog Kerkadet, met
wassend wantrouwen.
"Wat de la Geneste betreft, de vermetelheid ging boven zijn
begrip, tenzij de triomf zeker ware.
„Ritmeester Baex kan toeh niet alleen hier zjjn?" vroeg de
Gouverneur, dezen een paar stappen te gemoet gaande.
„Waarom niet alleen?" hernam Baex met waardigen eenvoud,
insgelijks op vragenden toon; „ik twijfel, Mijnheer de Gouverneur!
of uwe wacht aan de poort mijn escorte zou hebben toegelaten."
„Maar gij zelf!..." begon de anders onversaagde bisschoppelijke
krijgsman aarzelend, „gij zult het mij toegeven, dat___" en weer
haperde hij, „uwe komst mij.... minstens zeer vreemd moet
schijnen, Heer ritmeester!"
„Is die waarlijk bevreemdend! Al houdt uw Heer, de Prins-
Bisschop, den evenaar der neutraliteit niet zóó vast tusschen de
vingeren, of hij glipt wel eens over naar de Spaansche zijde,
dat is toch geen reden voor een Staatsch officier om het Luiksch
grondgebied te mijden, als hij er noodig heeft...."
„Toegestemd, Heer ritmeester! maar toch...." en wat de
Gouverneur zeggen moest, wilde hem de keel niet uit.
„Toch blijft het u verwonderen, dat ik, die binnen Hoey eene
commissie had, mij door de algemeene vroolijkheid van den
Vastenavond heb laten verlokken? dat ik, hoorende hoe men
festijn hield, herwaarts kwam om het carnaval mee te helpen
begraven? Het is waar," vervolgde hij; „ik kom als ongenoodigde
gast; maar ik kende den schepen de la Geneste bjj naam en
beriep mij op dezen, mij overtuigd houdende, dat het overige zich
wel vanzelf zoude schikken."
„Het lijdt geen twijfel, de naam van Bacx bevredigt met iedere...."
„Onbescheidenheid ligt u op de lippen, mijnheer de Gouverneur!"
viel Marcelis in, terwijl zijn gelaat eene fiere uitdrukking aannam.
„Het zou mij lief geweest zijn, dat__ware\'t alleen om den wille
mijner broeders,... die een beteren klank had."
„Ik zou met stoute, met avontuurlijke daad hebben aangevuld,
zoo gij er mij gelegenheid toe hadt gelaten, Ritmeester!" verzachtte
de Gouverneur, zjjne waardigheid handhavend; „dat er vermetel-
heid in uwe handelwijze ligt, zult ge mij toestemmen, als ik u zeg,
dat ik recht meen te hebben u te vragen, welke commissie u in
des Bissehops stad voert?"
-ocr page 154-
144
„Veroorloof mjj te hernemen, dat gij u in dat recht vergist;
het zijn geen zaken die het kasteel betreffen."
„Gij weet dus niet, dat ik ook het krjjgsbevel voer over de stad f"
en \'s mans blikken en disaient, plus queuesparoles, aan het adres
der overvrijzinnigen onder de feestgenooten.
«Ik heb er niet naai- geïnformeerd; ik had alleen vernomen,
dat het de Magistraat was, die hier een feest gaf."
„En den Magistraat zijt gij welkom!" sprak de la Geneste; ik
stel mij borg voor mijne collega\'s."
En daar waren, die instemden, toen hij den toon had aangegeven.
„Mij ook zijt gjj welkom !" hernam de Gouverneur, die zich niet
wilde laten wegcijferen, schoon hij er bij moest voegen: „alben
ik hier zelf\' maar gast," en daarom voortging; „doch in mijne
kwaliteit ben ik gerechtigd te vernemen, waar gij uw verblijf denkt
te houden, daar ik over de motieven, die u herwaarts voerden,
morgen eenige inlichtingen wensch."
„Waar ik mjjn verblijf zal nemen \'f ik weet het waarlijk zelf nog
niet," schertste Bacx luimig; „ik denk in de eerste herberg de
beste, tenzij men nijj o|> het kasteel logies aanbood."
„Met genoegen! Slechts dien ik u te herinneren, dat ik als
regie générale heb ingevoerd, dat elk edelman of officier in vreem-
den dienst, die \'t kasteel binnentreedt, het niet weer verlaat dan
op tijd en wijze door mij bepaald."
„In uwe plaats zijnde, zou ik dienzelfden regel volgen, maar
heusch genoeg zjjn: dat niet vooruit aan te kondigen."
„Ik zeide het ter waarschuwing, ritmeester! voor \'t geval dat
het den Heeren Staten inviel opnieuw spiën naar \'t kasteel te
zenden, zooals meer dan eens geschiedde."
„Spien, Heer Gouverneur! geeft men geen logies; men hangt
ze naar krijgsrecht op!" Als Baex in een oogenblik pauze de
uitwerking van dit woord wilde genieten, had hij den wil van
de reis. — „Battu sur toute la liane/" hoorde hjj hem toe-
fluisteren, en de sneeuwwitte baard schudde. „Maar," voleindigde
de ritmeester zijne verklaring, „zoo de I\'rins of hunne Hoog-
mogenden hier een spion noodig hadden, twijfel ik er zeer aan
of ze juist mij daartoe zouden kiezen! Hoe het zij, als ik mij
dergeljjke taak had laten welgevallen, geloof dat ik trachten zou
haar althans zóó te vervullen, dat ik geen verhoor van den bevel-
hebber had te ondergaan___. te midden van een feestvierend
gezelschap!"
„(ijj hebt geljjk, mijnheer! dit schjjnt onhoffeljjk," sprak de
bevelhebber van stad en kasteel, die de sympathie van zijn ge-
hoor maar niet wist te winnen; doch, inderdaad, ik zou veel
geruster zijn, zoo het u geliefd had mij te zeggen, met hoe sterk
getal ruiters gij, vermoedeljjk, voor de poorten van Hoey ligt!"
-ocr page 155-
146
„Gij zoudt willen, «lat ik u in groot alarm bracht met een fa-
bel\'. Ik sprak de waarheid; een rot ruiters, dat mijn geleide uit-
maakte, wacht op mijne terugkomst, ik weet zelf niet in welk
naburig dorp."
„Arme hoeren!" sprak Kerkadet tusschcn de tanden.
„Ik voer op dit oogenhlik niet eens het commando over mijn
eigen volk," voegde Bacx er tot den Gouverneur bjj; „stol u dus
gerust."
„In Braband noch Vlaanderen pleegt men het te zjjn, zoodra
het gerucht zich verspreidt, dat de ruiters van Bacx rijden!"
„Maar de ruiters van Bacx rijden nu niet, en hun ritmeester
had niet gedacht dat zjjn verschijnen hier...."
„Ken zwakkeren indruk zou hebben gemaakt?" vroeg de Gouver-
neur, geprikkeld door het logenstraffen van elk zijner bedenkingen.
„Tot zoo ongunstige uitlegging aanleiding zou hebben gegeven!"
verbeterde Bacx forsch en fier, „dat mij niet eens een welkomst-
groet...." maar hij moest zich zelven in de rede vallen, daar eene
schitterende tegenspraak en «r7/»« zijne klacht beschaamde. Schepen
de la Geneste, die zich zoomin als Kerkadet voor kon stellen hoe
de stoutheid tot roekeloosheid stijgen kan bij karakters als dat van
Bacx, hield zich overtuigd, dat het in de macht van dezen stond
het Staten-vaandel op de wallen van Iloey te planten zoodra hij
wilde. Onwillekeurig gesterkt, als door het bcwustzjjn van een
triomf had hij den Gouverneur met den Staatschen paladijn in
\'t gesprek laten worstelen, een ernstiger strijd blijde te gcmoet
ziende; en zich met eenige leden van den Magistraat onderhouden
over het voorrecht van dit onverwacht bezoek. Ieder hunner ge-
voelde zich weldra door die onderscheiding gevleid: de Syndicus
begreep, dat zijne eer als gastheer eischte, de dankbaarheid door
de daad te toonen.
De groote zilveren competasse, bjj gildemalen in gebruik, en
die de ware Benvenuto Cellini een bewonderenden blik zou hebben
waard gekeurd, ten boorde toe met den edelsten wijn gevuld, werd
den Staatschen ritmeester, op een zilveren schenkblad, door den
Syndicus aangeboden. „Les moutons fle Panurge/" lachte des
kunstenaars vertegenwoordiger, toen de overige aanwezige leden
van het stedelijk bestuur zich paarsgewijs tot hun dapperen gast
begaven om deze te begroeten.
„A la botnie heiire.\'" zei Bacx, „ziedaar eene hoffelijke repliek.
Mijne heeren van den Magistraat! weest heil! op het welvaren
van uwe stad!" en zonder aarzeling ledigde hij den bokaal en
zette dien koeltjes, omgekeerd op het schenkblad, ten bewijze
hoe goed hij den toast meende.
Opnieuw gevuld, werd de beker den Gouverneur aangeboden,
daarna den Syndicus, en ging vervolgens rond onder al de leden
De vrrraming van Bon.                                                                       1"
-ocr page 156-
146
van den Magistraat en de gilde-dekens. Wat viel er te zien in dat
oogenblik van stilte na den storm?
Een opmerker zou hebben gadegeslagen, dat de raadsheer Cha-
peauville er zich van onthield mee tedoen aan wat hij niet meende, en
dat de luitenant Kerkadet, een oogenblik willens dit voorbeeld te
volgen, voor die aarzeling op heeterdaad gestraft werd door een
blik van Madeleine. Ons gaat de grimmigheid van dien achter-
dochtigen Hoevenaar thans weinig aan, maar het stille spel tus-
schen het paar blijft ons boeien. Roschaamd en buigend voor haar
wenk, liet Charles zijn opzet onmiddelljjk varen en bracht den
beker, schoon even maar, toch aan de lippen, in zjjn binnenste
dubbel ontevreden, dat hij, zijns ondanks, den invloed gehoor-
zaamde der jonkvrouw, die hem op hetzelfde oogenblik zooveel
oorzaak tot verbittering gaf. Hoe zij het deed zonder dat zij wist
of wilde! Binnen den kring, die zich langzamerhand om Baex
had gevormd, was zjj blijven staan, als aan die plek geboeid, —
het oog gericht op den kloeken, ridderlijken vreemdeling, als
aangetrokken door een onweerstaanbare toovermaclit, — elk zijner
gebaren met belangstelling volgend, als door een wondervol raad-
vormogen ingelicht, dat zij van hem bevrijding van al wat haar
in die bange ure drukte, te gemoet mocht zien! Vanwaar die
verwachting*\' zij had het niet kunnen zeggen. AVare het IJérau-
gière zelf geweest, zooals ze een oogenblik vermoedde, zjj zou
het verklaard hebben als het natuurljjk gevolg der hoop, die zij
met recht van zijne verschjjning koesterde; —maar een dier rid-
derlijke helden, de mare van wier fabelachtige stoutheid ook tot
haar was doorgedrongen, doch van wiens deelneming aan den
krijgstocht van Héraugière zij niets weten kon: maar zijn optre-
den te midden van hare vernieuwde kwellingen en zielestrjjd,
waarom had het haar zoo opeens eene onbeschrijfelijke rust ge-
geven ? AYaarom was zij zelfs geen weerschok van schrik ter
prooi geweest, toen zjj den naam van haar vader had hooren
noemen in één adem met dien van den vreemdeling: waarom
had zij zich integendeel veilig geloofd, zoodra zjj die kloeke hel-
dengestalten aanschouwen mocht ? Doch dankte zij die dan niet
reeds het eerste respijt in dezen moeitevollen avond? Men had
den dans gestaakt, men was in groepen saamgeschooid; wie het
gegund werd, zij repten zich in een kring rondom den Magistraat
en den doorluchtigen gast te sluiten. Als vanzelve tot de naast-
bijstaauden behoorende, had Madeleine naar de muziek van die
volle welluidende stem geluisterd; was zij verkeerd in bewondo-
ring niet minder voor hot mannelijke zijner antwoorden, dan voor
do onverschrokkenheid zijner gebaren; had haar, onder omstan-
digbeden die zoo hachelijk schenen, zijn onverstoorbare goedo
luim toegeschitterd! Die man was alleen hier gekomen! alleen,
-ocr page 157-
147
ondanks zijne voorkennis van de gespannen verhouding, die er
bestond tusschen de Staten en den Bisschop! Allee»! Ken wenk
van den Gouverneur, céno kwaadwillige opvatting van den Syn-
dicus, en de fiere ridder zou voor de overmacht van een troep
ruwe soldeniers moeten bukken! Kn toch . . . Madeleine wensehto
niet, dat het anders ware geschied; al was zjj zich zelve onbewust
waarom zij geen uasje van \'s mans stoutmoedigheid wilde afge-
dongen zien, twijfel aan deze zou zij niet hebben gedoogd. Wel
verre er van dat de geestdrift, waarmede haar donkerblauw oog
nu op den held staarde, zou zijn verflauwd, als iemand het ge-
waagd had te beweren dat zijne veiligheid verzekerd werd door
een vaan ruiters, den sabel op het marktplein ter hand, had deze,
den laster logenstraffend, booger gescdiitterd!
Oeheel onder den indruk van die zedelijke grootheid, viel het
haar zelfs niet iu te vragen, of ook de mannelijke schoonheid
van die heldengestalte, aan welke zjjn prachtig gewaad ten volle
recht deed, tot die betoovcring bijdroeg-\' Als vrouw, had zij bij
den eersten blik opgemerkt, hoe volkomen die korte kroeze blonde
haren, u ht Henri IJnatre, voegden bij den platten kanten kraag,
ook den naam van dien monarch dragende, naar den vorm dien
hij de voorkeur gaf. Maar dat het vooral de vriendeljjke uitdruk-
king was van dat even goelijk als rustig gelaat, die haar aantrok,
dacht zij er aan in dien zoeten droom? Ken oogenblik mocht
hare fantasie zich bezighouden met de driedubbele gouden keten,
het eereblijk voor zijne uitstekende daden: andere gedachten ver-
vulden haar, andere vermoedens volgden elkaar in baar binnen-
ste op. Wat had hem herwaarts gevoerd? De zucht tot ijdel
vermaak ? AVat zij gelooven kon, dat niet. Zoo gewaagd een stap,
voor zoo wuft een dool, en dat zou die man doen! Op haar va-
der had hij zich beroepen! Mogelijk wachtte haar het voorrecht
het uit zijn eigen mond te hooren.
„Madeleine!" en de hand die haar wat ongeduldig bjj den arm
vatte was die van Kerkadet.
In haar leven had zij de ironie van haar lot nooit smartelijker
gevoeld, dan toen zij, dus in peinzende bewondering Mareelis
Bacx aanstarende, gestoord werd door Kerkadet!
„Laat mij, ik wil luisteren!"
„Wat hebt gij met dien vreemdeling noodig?" beet hjj haar
toe. „Uw vader speelt een gevaarlijk spel als hjj van deze Vasten-
avondgrap kennis draagt.\'\'
„Laat mij!" herhaalde Madeleine nog straffor, „ik wil weten
hoe dit afloopt."
Hoe het afliep, wjj hebben het gezien; do begroeting door den
Magistraat verving het onderzoek van den achterdocht.
„Mijnheer de Syndicus! uwe gasten zullen mjj deze stoornis
-ocr page 158-
148
ten kwade duiden. Hun verinaak te vergallen was mijn doel niet.
Ik ineen het te doelen. Wat danst men hier? Is de jiaiane te
deftig voor een Yastenavondsbal f"
„De paraneP1 gebood de Syndicus met luide stem, de niu/i-
kanten wenkende. „De pavanaP\' herhaalde de balletmeester.
.Danst gjj die mee:\'" vroeg Kerkadet, zich met een misnoegd
gelaat tot Madeleine wendende.
.Die vreemde begint den meester te spelen!" bromde hij in
zich zelven.
Kor Madeleine antwoorden kon, was Baex den kring der rondom
hein staande hoeren doorgebroken on stond bij haar.
„Juffer do la Geneste, gun mjj de eer...?
Daar kon geen sprake zijn van aarzeling; oer zij zelve wist
of zjj mot iets anders dan niet oono stomme hoofdbuiging had toe-
gesteind, lag baar zacht handje reeds op don forschen arm van Baex.
„Mijne aanstaande!" morde Kerkadet wrevelig.
„Benijdenswaardige!" antwoordde de ritmeester, zich even bui-
gend mot een hoffelijken glimlach. Maar al wierd die met een
stroeven blik beantwoord, Baex zotte niettemin zijn opzet door
en voerde Madeleine verder.
De muziek liot de melodie hooron, voegende bij den statigen
dans. Er was gala-tooi genoeg om dien waardig uit te voeren,
in keursen, stijf staande van paarlon en rood goud, en deftighoid
te over, en menig burgomeosterljjkc buik, die er aan deelnam
om den wille van den gast. Als waren de r\'lorentjjnsche gelieven
zelfs bevreesd geweest, dat hij al te ernstig worden zou, had
Bianca aan Julius Caesar bare hand gegeven en trad Cleopatra
aan dien van Francesco te voorschijn.
\'„Wie is die wilde?" vroeg de ritmeester lachende, Boduognat
gewaar wordende.
„Uti concurrent tic votre Claude Civilef\' meende Cellini, die
ook eene liefste had gevonden.
De balletmeester gaf het teeken.
„Om u bon ik hier," fluisterde Baex, naast zijne juffer voort-
schrijdciido.
Het leed oenigo tacten oer hot haar mogelijk was te antwoor-
den; maar onder hot omkoeren van hare gemoedsbeweging her-
steld bracht zij langzaam uit:
„Daar was iets in mij, dat het mij zeide."
„Ik wil hopen dat gjj niet bijzonder veel hecht aan dezen
dans," ging hij oven zacht voort.
„In het allerminste niet," antwoordde ze, schoon verwonderd
over zoo weinig galanterie.
„Uitnemend! dan kunnen wjj het kort maken," en hij voer
voort: „ik onderstel lat gij moed hebt."
-ocr page 159-
-ocr page 160-
149
„Ik heb moed!" Al meende zij dat de toon er van getuigen
moest, toch weigerde de stem haar dienst.
„Dat wachtte ik van u. Hebt gjj ookzelfbeheersching om eeno
blijde tijding aan te hooren zonder dat uwe trekken u verraden ?"
„Ik heb.... mijn masker," en zij strekte de hand uit om de
mom voor te doen; maar door eene snelle beweging voorkwam
hij zulks.
„Neen! \'t is mijn eenig loon voor het waagstuk, den gloed der
vreugde uit uwe oogen te zien lichten; doch daar gjj moed hebt,
zal het u wel om het even zijn, of gij den lieden hier een wei-
nigje ergernis geeft."
„Waartoe?" ... vroeg zij eenigszins verward.
„Uw aanstaande pavcneert met eene Bourgondische schoone
die hjj telken reize op den langen sluier trapt," hernam Haex,
na een haastigen blik in \'t rond geworpen te hebben, „het
oogenblik is gunstig," en daar de muziek nog geen tentoonsprei-
ding van een pauwenstaart gebood, maar de schare dansenden
elkander slechts groetend had voorbij te glijden, zwenkte hij met
zijne dame uit de zaal, de kleine raadkamer in, wier toegang hjj
reeds had bespied.
Daar waren ze alleen.
„En nu, juffer Madeleine! waar kan ik ergens uwe huik of uw
kapertje halen ? Wij gaan naar uw huis."
„Naar ons huis!.... Nu reeds!.... Ik!.... Helaas! Onmo-
gelijk! dat kan niet zijn!" stamelde en zuchtte zij.
„Het moet zijn. Uw eigen hart zal u drijven. Uwe moeder zit
u daar te wachten."
.Mijne moeder!....\'\' en het was goed dat zijne forsche arm
haar steunde, want zij wankelde van den schok der plotselinge
aandoening.
„Op last van Kapitein Héraugière haalde ik haar af van
Breda en bracht haar in drie dagreizen; de kloeke vrouw zag
tegen geen nacht doorrijden op. Welk eene teleurstelling voor
haar, die leege woning! Gjj, — onbegrijpelijk, gij op een vas-
tenavondbal! — haar echtgenoot ook, na zoo lange scheiding!
Behoef ik u te zeggen, hoe duldeloos zij het wachten vond ?
Dat ik, die eigenljjk had moeten terugrijden naar het leger, de
verzoeking niet kon weerstaan, hier zelf de boodschapper te zijn !"
„Al te gehaast," hernam zij, met tranen in de oogen; „maar
ik kan, ik mag nu niet hier blijven! Mijne moeder heeft felle
vijanden! Als zij vernemen ...."
„Morgen eerst! en dan, dat weet gij immers? is Héraugière
hier meester."
„Als dat waar zal zijn, mag ik niet heengaan."
„Welk verband is er?"
-ocr page 161-
150
„Zonder mij zou de luitenant van \'t kasteel niet zijn ge-
komen ; als ik weg ben, keert hij zeker veel te vroeg terug.\'\'
„Die luitenant\', uw aanstaande?" vroeg 15acx, haar met spre-
kende oogen uitvorschende aanstarende.
„Dat zegt hij!" hernam zij bijkans met toorn; „mij vertegen-
woordigt hjj Rome en onvrijheid; ik haat hom; hjj zal nooit de
mijne zijn!"
„Zoo .... speelt.... gij .... hem masker! zooals wij in \'t
schaakspel zeggen!" hernam Dacx, eerst woord voor woord en
toen koel.
„Niet langer dan de nood het eiseht. Och! dat ik oprecht had
mogen zijn!"
„Wees het van nu aan," hernam hij; „het veinzen moet u
zwaar zijn gevallen."
„Dat weet God!" hernam zij en tranen stroomden langs hare
wangen; zij had verlichting noodig na zulke schokken. Opziende
was ze alleen. Een omzien slechts, daar kwam Bacx terug met
den Schepen de la Geneste, en.... hare huik op zijn arm.
„Xu voort! samen voort!" sprak hij, haar zorgvuldig het over-
kleed omslaande; „denkt wat vreugde u wacht."
„Gjj gaat niet niet ons?" vroeg de la Geneste.
„Onmogeljjk! Nu ik weet hoe het met luitenant Kerkadet
staat, moet ik bljjven om den aftocht te dekken en te ver-
klaren."
„Charles zal ons willen volgen," hernam Madeleine in onrust.
„haat dat aan mjj over .... hem neem ik voor mjjno rekening."
„Maar geen duel!"
„Ken tweegevecht met den beker, anders niet!" gaf hjj lachend
ten antwoord. „Juffer Madeleine! voor uw moeder mijne groete.
Vrij zult gjj zijn ...."
„Ik ben al vrij! ik dank het al" hernam zij met fleren, schit-
terenden blik, zag hem aan en reikte hem do hand.
Maar slechts even beroerden zijne forsche vingeren de hare.
„Den dank later!" sprak hij en snelde de zaal weer in, begroet
door de vroolijke guillanfa. De pavanê was al uit.
-ocr page 162-
HOOFDSTUK VIII.
In plaats van het weidsche gebouw, dat don raad der stad
Hoey ten zetel strekte, het eenvoudig lusthuisje van den sche-
pen de la Geneste; uit de overwarme feestzaal, in de frissche
winterlucht; — voor allerlei gewoel, ademlooze stilte, —het zijn
overgangen, welke geheel slechts te genieten vallen, als wij er bij
opmerken, dat in die eeuw de boorden van de Haas des nachts
nog niet dat eigenaardig schouwspel aanboden, waardoor de
ruste er thans, op menige plek, schier niets rustigs meer heeft.
Eene wonderspreuk voor wie het nooit aanschouwde, moet hare
verklaring veler heugenis welkom zijn. Dool om langs de zoomen
van dien vloed, schilderachtig niet enkel in hot schoone seizoen,
dat do zon de gansche wako door verlangend aan de kimmen
dwalen ziet, ook schilderachtig wanneer het gestarnte op zijne
heuveltoppen de snoeuwkransen tintelen doet, dool er om in welk
getij u lust, als de schemering daalt, als het geboomte schuil
gaat, als het slingerend zilver zijn glans derft, eensklaps ziet gij
er hier en daar lichten gloren; eensklaps, werwaarts gij u wendt,
vuren blaken; eensklaps heinde en veer, bij den minsten adem
des winds, rosse vlammen laai de lucht ingaan. Het is eene ver-
rassing, die iets verschrikkends heeft. Het wordt eene verschrik-
king, aanwassende tot gij het gansche landschap de prooi des oorlogs
gelooft; tot ge waant door wacht bij wacht te worden bespied
en bedreigd; tot gij u tusschen wie weet hoe vele heiren acht
ingesloten, elkaar dien gezegenden grond voet voor voet betwis-
tend. Kr is op den rotstop, van welken gjj het tooneel overziet,
genoeg gedruisch en gekrijseh om u heen, om het uwer verbeel-
ding zoo bang te moede te maken, dat zij de vleugelen uitslaat:
het gekletter van wapenen klinkt u uit de groeven toe; hier spelt
de roode slang, sijfelend te voorschijn schietend, wissen dood;
daar brandt de burcht!... „Vrees is," waarljjk ook hier, „de
nuttelooste aller hartstochten." Het zijn maar do hooge ovens
-ocr page 163-
1S2
der nijverheid, die van geen rusten weet; zich ieder uur ten nutte
makend, weeklagend, dat een etmaal er slechts vier en twintig
gunt! Van dat alles echter had de t\'ebruari-nacht, die ons het
festijn verlaten zag, nog nauwelijks een voorgevoel. Wroeten moch-
ten ook de toenmalige menschenkinderen, vast wroeten in de
ingewanden der aarde om wat brandstof; aderen mochten zij
Opsporen, blootleggen en uitputten om den wille van het metaal,
dat wapens scherpte waarborgt; al wat zij bevredigden, wat waren
het, bij onzen tijd vergeleken, anders dan betrekkelijk maar
eerste behoeften y Zoo verre de fakkel der overlevering in
het grauwe verleden des noordenfl de nevelen wijken doet, zien
wij het voorgeslacht de koude te keer gaan, zijn wij er getuige
van dat het zijne hoogste weelde vindt in strijd ; maar aan de hand
der geschiedenis verrast ons in de zestiende eeuw geen blijk,
dat onze vaderen vermoedden hoe de derde harer opvolgsters
haar overtreffen zou in heerschappij over krachten der natuur,
toch binnen hun bereik gelegen. Opgemerkt, misschien ja, maar
gageslagen zonder de gedachte te boeien; zich zelve, al sissende
onder liet stijgen, door zijne spraak verradende, doch slechts
gezellig geheeten, niet verstaan; welkende onder het wijken, maar
niemand wieken bedoelend om mee te gaan, stroomde het water
overal om den mensch heen; „vrij, zegt ge, vrij nog van den
boei in welken het vernuft onzer eeuw het zou slaan ! nog niet
gewaardigd, zouden wjj liever getuigen, tot de glorierijke dienst-
baarheid, door welke het, in tooverstaf verkeerd, thans beurtelings
liet gelaat des aardrijke herschept, of de gedaante onzer maat-
schappij vernieuwt!
Het was duister in den kleinen hof, die zich uitbreidde om
het oude vervallen lusthuisje van den schepen de la Geneste,
vlak onder het kasteel tegen de helling van een steilen rots-
wand gelegen; het was duister, in welke richting men uit
dezen den blik mocht slaan. Hoe de schade die dit donker
het verschiet toebracht, werd opgewogen door het voordeel,
\'t geen de tuin zelf er van had. Anders dan de gaarde, die
nu, met verwilderden wijngaard, met over de paden heengewas-
sen heesters en struiken, met in bouwval verkeerde poort, gceno
aanspraak op dien naam meer maken mocht, anders dan deze er nu
uitzag, zelfs in den winter getuigende dat zij in de lente als in
den zomer was verwaarloosd en verlaten; anders had zjj Made-
leine\'s vader voor den geest gestaan, toen hij den ochtend van
dien dag den Griffier zijne geschiedenis verhaalde, toen hij er zich
in had verplaatst. Madeleine\'s vader! — hij was toen nog maar
de minnaar zij nev Loyse geweest, de minnaar van Loyso Briant,
eene vreemdelinge die, te Hoey gekomen, bij Jean Taulier schil-
deren leerde; — de minnaar die zich nog niet had verklaard.
-ocr page 164-
L53
Stilleven had het vak geheeten, waaraan de Hervormde meester
zich wijdde, stilleven, het genre, waardoor de gereformeerde jonk-
vrouw zich voelde aangetrokken; stilleven, de soort van schil-
derjjen, waarin de la Geneste, ge begrjjpt om wie, bij elk bezoek
meer belang had gesteld. Xiemand geloove, dat wij laag neerzien
op een hoekje van het gebied der kunst, dat weleer onze inheem-
sche meesters om den hoogsten lauwer dingen en dien behalen
zag, — maar te loochenen viel het niet, dat de werkplaats zelve,
misschien meer nog dan de voortbrengselen op het doek, het
eigenaardig epitheton verdiende. Stil, — dood wild was het, ooft
en bloemen waren het evenzeer; — stil, — zelfs het insect dat
om die perzik heette te gonzen, repte de wiekjes niet langer; —
en het gesprek tusschen meester en leerlinge;-\' Het werd ook
stillekens gevoerd, het liep over wat had geleefd. Het eenige
dat een oogenblik van aanwassenden, inplaats van uitgedoofden
gloed getuigde, het was de blik van de la Geneste geweest, die
echter allengs haastiger ter zijde werd gewend, die ten leste
slechts beschroomd van verre werd gewaagd, daar hij drie lustrutns
meer telde, dan zijne twintigjarige lieve. Verschil van leeftjjd
bij verschil van stand! — bovendien en bovenal verschil van
geloof! — maar welk verschil dat niet van struikelblok in prikkel
verkeert, dat niet wordt aangevuld of geslecht, door den vcr-
mogendsten aller hartstochten? Ontwaakt in zijne borst toen die
hof groende, had de liefde niet slechts over hem, had zij ook over
Loyse gezegevierd, toen hij op een zonnigen Octobcrdag met haar
de druiven gasloeg, als donker purper gloeiend onder het vast
verwelkend gebladerte: toen zij, met hooger blos dan dien der
laatste roos, aan zijn boezem gleed!
Wij hebben u in den woest geworden hof gebracht, verlaten
sedert deze bij den Schepen slechts smartelijke herinneringen ver-
levendigde; wjj hebben thans het kleine lusthuis binnen te gaan.
Op het bal had de la Geneste het nog eenmaal aanschouwd,
zooals het zich liet laatst en het liefst aan zijne blikken had op-
gedaan. Het geviel in zoete lente; — om de kleine ramen, om
de openstaande deur geurden en zwierden de kelken der winde;
mild scheen de zon onder het afdak van den ingang, op de mat
er over den vloer uitgespreid. Half weggedoken in een geinak-
kelijken stoel, daar door zijne zorg gebracht, zat Loyse in die
sehemerschauw; maar de blikken die gingen van de eerstelingo
op haar schoot naar het boek in hare hand; maar die moeder,
welke den Bijbel sloot, om Madeleine de borst te geven, hoe lokten
zij hem uit het aardsche licht tot een hooger!
Ons faalt schier de moed tegenover dat tooneel de straffe aan-
gezichten te stellen, thans binnen de wanden van het zomerhuis
saam geschoold. AVaar de Schepen in gedachte den ruiker leliën
-ocr page 165-
154
van dalen o]i hot tafeltje in het midden des vertreks had zien
staan, daar walmde nu den hoornen lantaarn van meester Zil-
brecht. Het grillige licht van deze speelde op allerlei verschei-
denheid van haard, op allerlei vormen van krijgsmansrusting en
krijgsmanswapentuig. Het was de drom, die wij in de Kreeft
achterlieten; de drom, thans in het lusthuis, voor zooveel de engte
het vergunde, bezig musketten en sabels uit de zakken te voor-
schijn te halen en de ammunitie te verdcelon. Waarlijk, wij
houden van geen kaarslichtjes, en toch dreigden wij er te over
te leveren; maar het schort inderdaad aan ons onderwerp. Ieder,
die er zich in verlustigt, scbeppo er dies zich zelven van groep bij
groep; al waren de ruiters van Kacx met hun wachtmeester in de
stad achtergebleven, daar Héraugière hen tot de eigenlijke ver-
rassing niet had medebestemd, het vijf en twintigtal soldaten,
ook hier haast „zweetend saamgohurkt," geeft er overvloedig ge-
legenheid toe. Indien wij er, nolens volnts, één moeten ordon-
neeren, de blcekrosse stralen der kaars zouden de grove trekken
van don grombaard beschijnen, die mee is geweest in het Turf-
scbip van roemruchtige gedachtenis. „Voor St. Feiten! mot uwe
„vele makke schapen in een hok," voerde hij den herbergier toe,
toen deze hem, opdat allen mochten binnengaan, tegen het kra-
kende beschot duwde; „voor St. Feiten! meent ge dan dat wij
in die zee van stof een vin konden verroeren Y" En de beeldende
kunst zou het boven de beschrijvende voor hebben, dat zij niet
andermaal met een verhaal van het feit, waartoe de meerderheid
<ler aanwezigen had bijgedragen, en van \'t welk zjj toeh zoo
gaarne weer ophaalde, als had zij \'t nooit genoeg gehoord, werd
bedreigd. „Wij hadden afgesproken," heette het, „den eerste den
beste, dien een hoestbui overviel, te doorstooten!" — „En als
Brecht Engberts Proosten," viel Vaandrig de 1\'reys in, dat snoe-
ven moede, „zich te verbijten, zonder hag of wag te zeggen ?"
Maar de grombaard behoefde geen antwoord te geven.
„Zwijgen mannen!" gebood luitenant Paets, met zachte stem.
En hjj had in dubbel opzicht gelijk: het betaamde der jeugd
niet den draak te steken met de heugenis van den moer dan
middelbaren leeftijd, en voorbijgangers moesten geone menschen-
stommen hooron op dit uur uit een onbewoond zomerhuis.
Ook heerschte er voortaan zoo diepe stilte, dat men den
nachtwind door de reten der deur hoorde suizen.
„Zijt ge zeker, dat het bewuste vensterke in den ouden wacht-
toren nog open staat?" vroeg Rosse Jan aan den man, met wien
hij buiten was gekomen, terwijl zijn opgeheven vinger naar \'t kas-
teel wees.
„In den nanoen, toen ik er passeerde, was het niet dicht, en
-ocr page 166-
I.-..-.
zoo ik wel hob, kan hot niet gesloten worden, omdat de hengsels,
waarin het hangt, verroest zijn," antwoorde meester Zilbrecht,
fluisterend.
„Dan zijn daar ook wel geen gevangenen?"
„Wie weet? er uit ontvluchten zou toch niet aangaan. De muur
is zoo steil, en al kwam men de palissaden over, die hangende
rot» .... en dat diepe water ....!"
„Wat zegt dat! tiij moeten er wel in!" meende Rosse Jan,
luchthartig.
Mot behulp van touwladders en leeren!"
„De eerste die opstijgt zal er geen baat van hebben; slechts
als daar boven een haak gevonden is..."
„Stil! Wat is dat!" viel I\'aets in, wien het, als de I\'reys, daar
binnen te benauwd was geworden.
„De schildwachten aan de andere zjjde, die de nachtwake uit-
roepen," zei Kosse Jan, koeltjes.
„ Heb ik niet gezegd, dat het nog te vroeg is ?" beweerde meester
Zilbrecht.
„Het blijkt althans, dat deze nog niet in den dut zijn," schertste
de polichinel; „maar wat deert dit? Wjj weten dat er op deze
hoogte geen post is; aan de overzijde zal onze dappere jonker
geen slaper hebben te overvallen."
„Merci, Kosse Jan!" hernam Frank goedsmoeds; „ik erken, dat
de onderneming zwarigheden genoeg zal opleveren, om er eer mee
in te leggen..."
„Eenig geduld wordt onloochenbaar vercischt," besliste I\'aets;
„gjj hebt u, ons hier brengend, van uwe taak gekweten, meester
Zilbrecht! wilt gij nu ook de Kreeft gaan opzoeken?"
„Met uw welnemen, luitenant! zou ik willen blijven tot alles is
afgeloopen. Men kan mijn dienst, mjjne inlichting noodig heb-
ben ; al bleef ik maar om bij mislukking, \'t geen God verhoede,
uwe ruiters te waarschuwen."
„Zoo treedt weer met ons binnen," verlangde I\'aets, terwijl hij
de Preys wenkte hem te volgen.
Kosse Jan ontsloeg er echter zoowel zich zelven als den waard
van, aan dat sein gevolg te geven; maar meester Zilbrecht on-
der den arm nemende verwaardigde hij zich toch tot den luite-
nant van Hóraugière cene verontschuldiging te richten, die deze
zelf van hem zou hebben geëischt noch gekregen.
„Al wierd het opgemerkt, dat hier een verdoolde Vastenavond-
zot rondliep met een herbergier, wie zou er zich aan bekreunen ?"
En die twee wandelden rond, nu eens in deze dan in gene
richting het lusthuisjc langs en om; meester Zilbrecht den weg
bespiedend, Kosse Jan den hemel gaslaand. Daar liet, om Milton\'s
fraaio uitdrukking te bezigen, „daar liet do donk\'re wolk op eens
-ocr page 167-
I.-}li
haar zilv\'ren voering zien;" daar schitterden de eerste vochtige
stralen der nog maar aanwassende maan. Het gelaat van den
polichinel staarde de halve schjjf dankbaar toe; hij mat bij haar
glans de hoogte van den rotswand; als wist hij wat hjj wilde
weten, wreef\' hij zich in de banden. Toch duurde die blijdschap
slechts kort; tot zjjn spijt merkte hij op, dat de waakzaamheid
der schildwachten nog niet verflauwde.
„liet licht in den toren Amiette is toch uitgebluscht," fluis-
terde meester Zilbrecht hem in, naar dat punt wijzende; „de
sergeant-majoor, die daar zjjn logies heeft, zal de uitwerking van
mjjn bourgogne-wijn voelen ... ."
„Ook aarzel ik niet langer; waarom tonden wij ons aan die
schildwachten storen "t ze komen toch niet tot aan deze zijde en
zjj kunnen ons niet opmerken, als wij omzichtig zijn.\'* Het lust-
huisje binnengaande eischte hjj de touwladders.
„Vooruit met de touwladders!" beval 1\'aets met gedempte
stem; „wie heeft moed het eerst de rots te bestijgen om ze vast
te hechten f*
„Den moed daartoe heeft hier iedereen!" hernam Hosse Jan;
„maar de naaste daartoe is.___de behendigste, en die.... ben
ik! met (ïods bul pc! Wie mjj lief heeft, volge mij na!\'" en hij
sloeg de ineengedraaide koorden om zijn lijf, trad naar buiten
met vasten snellen tred en ving aan tegen den steilen rotswand
op te klauteren, zich behelpende met handen en voeten zooals
hij best kon. Echter was hjj de eenige niet, die harte genoeg
voor het waagstuk toonde. „Twee zijn beter dan één," klonk het,
en ter stuik ook eene koorde machtig geworden, steeg Wouter
AVillemsz mee op; hij had het mastklimmen, dat hij in Sluis
leerde, in Vlissingen voortgezet. Aan lenigheid van leden faalde
het den wakkeren borst niet, maar iets anders is het zich op te
dringen, zich op te schroeven, zich op te stuwen langs den
gladden stam, of te springen, te wippen, te zweven van rotsbrok
op rotsblok, over de eene klove voor, de andere klove na. Vier,
vijf ellen hoog, ging het den musketier boven verwachting ge-
lukkig, maar waart gij hem zoo ver ter zijde gebleven, ge hadt
eensklaps van „ongelukkig gesternte\'1 hooren mompelen. Xeer
gleed hij, neer, en tot driewerf toe tot zijn behoud gebroken
val; neer ten leste met verstuikten voet. Hjj had het slechts
zijner koelbloedigheid te danken dat luitenant Pacts hem zonder
zweem van bestraffing naar het lusthuisje dragen liet; krimpen
mocht hij van pijn, geen kreet kwam in worsteling of val over
zijne lippen.
Men vermoedt het, met Héraugière\'s plaatsbeklceder was ook
Jonker de l\'reys uit het lusthuisje gekomen, toen Hosse Jan zijn
besluit had aangekondigd en Wouter AVillemsz wegsloop. Van de
-ocr page 168-
167
plek, op welke een groep geboomte genoegzaam schaduw gaf,
om te beletten dat men er den eersten voorbijganger den besten
dadelijk in het oog viel, hadden zjj het opklimmen gadegeslagen.
Maar hoezeer beiden het vergrijp tegen de tucht, door den mus-
ketier gepleegd, mochten afkeuren, er werd tusschen den tuite-
nant en Krank geen woord over gewisseld. Ook de nog onge-
oorloofder verrassing dat er, toen Wouter AVülemsz neerkwam,
van achter struik en hegge, als uit den grond zelven, eensklaps
soldaten oprezen, die den gevallen vermetele onder de oksels en
bjj de boenen grepen en hem wegdroegen, het lokte hen tot
geen gesprek uit. Kosse Jan boeide beiden om het zeerst; Hosse
Jan, dien de maneschijn thans meer bloot gaf, dan hem lief was.
Heeft iemand mijner lezeressen wel eens den moed gehad
naar eene spin te zien, die, verjaagd uit haar schuilhoek, langs
den wit bekalkten muur wegvluchtte? Hoe zjj de fijne taaie
pooten repte, met eene rasehheid, eene li
7
chtheid, eene verwon-
derljjke zekerheid, die mij aan vliegen deed denken, schoon het
klauteren was. Hoe zij, op het onverwachtst, de vlugge vaart
stuitte, waar zij geloofde in zekerheid te zijn, om, opnieuw be-
dreigd, jjliugs weer weg te schieten, in een oogopslag uit het
gezicht. Het was met eene rapheid, die deze evenaarde, met eene
gewisheid, meer dan naar die zwemende, dat Kosse Jan tegen de
rots opsteeg. Zijne buitengewone lange armen en beenen, bjj een kort
tenger lijf, gaven hem werkelijk de gedaante van een insect,
vooral in oogenblikken, wanneer hij, onder allerlei buitelingen,
soms het hoofd wegdook. liet bleek nu, dat hij niet zonder be-
doeling een deel van zjjn narrenpak had aangehouden; want
hoewel de puntige polichinelbochels waren weggeworpen, de vul-
sels, op de borst en rug onder het ruime wambuis aangebracht,
ze kwamen hem uitnemend te stade; zij beveiligden, zij bescherm-
den het lichaam bij het opklimmen tegen die scherpe rotsblok-
ken. Ge zoudt hem geen huisspin meer hebben geloofd, ge hadt
hem eene hofspin geheeten, zoo lenig scheen zich die huid aan
de bochten, in welke hjj zieh te wringen had te leenen; was hem
inderdaad ook dat wonderbare vocht bedeeld, waaraan het diertje
naar welgevallen bij een der pooten hangt? (Ie zoudt liet gezwo-
ren hebben. Daar was het of de uitgestrekte linkerhand het rots-
punt, dat ze grijpen wilde, miste; — uit gleed hij, en had weer
vat, en gleed toch opnieuw ditmaal het hoofd naar beneden....
Be toeschouwers rilden ... en waren gerustgesteld : wat los
mocht laten, de voet deed hot niet, de voet, aan welken hjj hing
en zich slingerend weer ophief...
„Is dat arendsnest het kasteel?" fluisterde eene stem laag bij
den grond.
„Dacht ge dat het in een dal lag?" was het antwoord.
-ocr page 169-
158
„Xeen, Daam! maar mjj duizelt voor zulk klimmen, de lucht in!"
De laaglander overdreef; maar onder den indruk van den
schrik des vorigen oogenbliks, viel hem de grootspraak eer ten
goede te houden, dan menigen dichter, die de boorden van de
Maas met „hoog gebergte\'* stoffeert, of hier van Alpen sprake was.
.Toch zult ge de loer op moeten, Ario!"
„Kn als ik struikel..."
.Kik voor zich en God voor ons allen," Duisterde Daam ; ,ach-
terom zien staat in mijn boekske niet. Als ik dat had willen doen,
naar allen die ik over boord zag slaan, ik zou al lang voor de
haaien zijn geweest. Ik heb er in het vroolijke Kngeland de vrien-
dclijke deernen niet minder om gekust, al was mijn maat niet
mee aan wal gekomen...."
Kranke troost voor Arie.
.Die bocholjoen," beweerde Daam, .moet leidekker zijn geweest,
zoo vast zet hij den voet op den glibbcrigsten rand."
Of de gissing juist was, het gevolg zal het moeten leeren, maar de ge-
tuigenis mocht waarheid heeten. Kosse Jan stond op een uitstekende
rotspunt, van beneden gezien zoo smal of zjj der hiel nauwelijks
plaats gunde; wat marde hij \'t Luitenant Paets en Jonker de Preys
vroegen het, door een snel gewisselden blik, elkander af. Den
bedaarden man klopte het hart in de keel; uit de kijkers van
Frank lichtte de weerschijn der vermetelheid, die hij toejuichte.
Van verre werden zij aan Kosse Jan\'s rechte een ander rotsbrok
gewaar, en meenden, bij liet licht der maan, dat in die klove
viel, van daar iets dat naar een weg zweemde, op te zien slinge-
ren. En zij hadden goed geraden. Andermaal als bij eene spin
weken de lange armen, die voorpooten schenen, naar achter; een
forsche sprong, — meester Zilbrecht kneep er de oogen van
dicht. — een forsche sprong, en het was den waaghals gelukt.
„God lof!" riepen Paets en de Preys uit eenen adem.
„Is hjj er?" vroeg de waard.
„Stilte!" gebood de sergeant van het Bredasche volk, die niets
dan het consigne kende, die slechts dit gehoor gaf.
„Met de ladders naar buiten, mannen !" beval luitenant Paets,
O]) het lusthuisje toegeschreden; doch op het oogenblik zelf dat
zij gehoorzamen wilden, hoorden zij een gejaagd: „terug!" fluis-
teren, denzelfden mond ontgaan.
„Is er onraad V vroeg Wouter Willemsz, den in haast omzwach-
telden voet opheffend en zich, trots de pijn, voortsleurend tot bij
het venster. Hij zag niets dan de glimlichtjes, die de maan op
de rotsen wierp en op het kabbelend water aan hunnen voet.
Rosse Jan was inderdaad binnen schot van zijn doel gekomen;
maar op het oogenblik zelf, dat hij de eerste palissaden had
-ocr page 170-
159
beklommen en daarover heen zich naar den ouden verlaten wacht-
toren wilde begeven, welks open vensterke hem reeds gastvrjj
toelachte, kwam er gerucht onder de schildwachten aan de
hoofdpoort. Hoefgetrappel klonk in de stilte van den nacht over
de brug, die van de stadspoort leidde naar het kasteel. De waeh-
ter, die aanriep en antwoord ontving, de wachter immers, die het
kleine zijpoortje in het zware muurwerk van de groote brugge-
poort ontsloot, hij sliep niet, — wie er zich mee vleide, bedroog
zich, en dat de schildwachten niet zoo dommelig waren als men
zich die had afgeschilderd, het behoefde niet meer te worden
bewezen. Kosse Jan vroeg zich zelven niet wie het waren, die
binnen werden gelaten; de eenigen, die men in het holste van den
nacht toegang konde geven, de eenigen, die er aanspraak op
mochten maken, het konden slechts de Gouverneur van de vesting
en de luitenant van dezen zijn, samen van hot feest terugkeerende.
Al zijn gaven van lichaamsvaardigheid zouden niet nebben toe-
gereikt, den Luikenaar op dit oogenblik te redden; hier werd
eene sterkte van geest vereischt, schaarscher voorzeker dan buig-
zaamheid van ledematen. Waar bloo man, doó man zou zijn ge-
weest, was een koelbloedig wegen der kansen het eenig middel
een vciligen uitweg to vinden. Het hoofd zat er Kosse Jan hecht
en recht genoeg voor op de betrekkelijk breede schouders. Een
oogenblik nadenkons, een omzien rondstarens; — en de zeker-
heid, dat de officieren langs eene andere zijde de vesting moes-
ten binnenkomen dan hot punt waarop hij zich bevond, — het
punt waarop zjj hem niet konden gewaar worden, al zag hij, om
een rotsbrok heenglurende, hen van verre, die zekerheid maakte
hem meester van den toestand. Do Gouverneur en zjjn adjudant
hadden nog eene lange wijle to klimmen, al behoefden zij dit
slechts langs eene breede en tot voetpad ingerichte glooiing te
doen, eer zij het eigenlijke voorwerk van het kasteel konden be-
roiken, welks hoofdpoort mede werd bewaakt. Zich dien tusschen-
tijd ten nutte te maken, te komen waar hij wezen wilde, eer zij
in staat zouden zijn deze plek te betreden, ging het aan? Kosse
Jan was er de man niet naar het te vragen; het moest geschiên,
en hij klom over de eerste palissaden heen; hij had het verlaten
wachthuis, dat alleen van schietgaten voorzien was, bereikt; hij
gleed over de ljjen van het boogvormige dak en stond aan den
voet van den toren; hij wist zich op te werken tot aan het open
venster; hij wrong twee der verroeste traliën stuk; hij was binnen,
eer de officieren zich de voorpoort nog hadden doen openen!
De oogenblik ruste zij hem en ons gegund.
De Luikenaar had er spoedig genoeg van; wat marden de voet-
stappen die hij hooren moest, eer hjj de touwladder mocht uit-
werpen ? Het hoefgetrappel had bij de voorpoort opgehouden:
-ocr page 171-
160
maar de voetstappen, waar bleven /.ij? Al wat hij hoorde, waren
de slagen van zijn eigen hart, van zoo velerlei overspanning nog
niet bedaard. I)e voetstappen! — dat de Gouverneur van het
kasteel het aan zijn luitenant zou overlaten de rondte te doen,
niets natuurlijker; maar Charles Kerkadet, deze toch moest ko-
men; wat toefde hg? Ongeduldige Rosse .Jan! Madeleine\'s min-
naar verzuimde dien plicht niet; daar stapte hjj met de meeste
argeloosheid onder tien toren langs, itt wien reeds de vijand was
binnengeslopen. Eindelijk, eindelijk hoorde onze Luikenaar, die
zich zoo dicht mogoljjk onder het open vensterke hield, hem
voorbjjgaan en waagde het fluks een blik naar buiten te werpen;
de gang van den bisschoppelijken officier had al het zware, al
het ongeregelde der gebaren van iemand, die zich loom en traag
gevoelt, ten gevolge van een druk festijn. Iets dergeljjks had
zijn valkenblik in nog hoogere mate in de houding van den
Gouverneur waargenomen, toen deze aan de rechte des luitenants
opreed, het hoofd voorover, de teugels slap. liet leed geen twijfel,
als deze twee den slaap hadden gevat, zouden zij tot den ochtend
voortsluimeren; maar daartoe moest hun tijd worden gegund.
„Patience, plante tardiveP1 neuriede Rosse Jan in zich zelven, —
de kraaien, die zijn binnenstuiven uit het nest had opgejaagd,
keerden krjjschend tot de takken van het geboomte, om den toren
opgeschoten, weer.
„Patience!" neuriede hjj voor de honderdste maal misschien;
het halve uur scheen eene nachtwake te duren.
„Ten leste!" ontsnapte den bedaarden Poets, en jonker de Preya
sprong op van blijdschap, toen zij de eerste koordladder, met
hare haken aan hot venstor bevestigd, triomfantelijk zagen omlaag
zwieren; zij daalde al dieper en dieper; het lood, dat aon de laatste
sport hing, deed goeden dienst; ook had Kosse Jan haar forsch genoeg
geworpen, om op geen rotsblok te stuiten. „Ten leste!" en Paets
wenkte zjjno manschappen uit het lusthuis, en een houten ladder
in den hof, zoo hot heette ten dienste van reparatie, neergelegd,
maar die gemeenschap met de touwluddors geven moest, werd
door de soldaten tegen don wand dor rotsglooiing geplant. De
geoefende oogen van don Luikenaar hadden volkomen juist ge-
meten ; do afstand tusschen de hoogste sport van deze en de laagste
van gene viel te slechten.
Ademloos verbeidden do krijgslieden wie geroepen zou worden
den weg te wjjzen; Frank, die het zijn plicht geloofde voor te gaan,
had den rechtervoet al op de trede.
„Vaandrig de Preys! bljjf hier!" beschikte Paets; en hoe het
in het gemoed van den jongeling mocht stormen, hij beheerschte
zich zelven. Terugtredend had hij gehoorzaamd.
-ocr page 172-
16]
„Daam!" klonk het.
Hjj, dien wij straks op don grond boorden fluisteren, een krasse
oude soldaat, die onder de "Watergeuzen zijnepremières arntes had
gemaakt, en die half zeeman was en half voetknecht, in tijd van
nood tevens ruiter, en dan een van de rapste, hjj mompelde een
„Goddank!" en was op weg.
Hoe aller oogen hem in de doodsehe stilte volgden, vergezelden,
Bchred voor schred ! Stemde het statelijk tooneel der rotsmassaas,
door de maan beschenen, den stillen vloed er onder ten ernst,
het spel, dat hier werd gespeeld, deed dien bij wijlen in schrik
verkeeren. Vlak als die bruine vakken schenen, het hoofd zou
te pletter slaan wie er langs neerstortte; zweemen mocht die
gloed naar vloeiend zilver, onder den glans gaapte het graf!
Daar had Daam, niet de koordladder om het lijf, de hoogste
sport der houten leer bestegen; maar niemand die geloofde dat
hij tot hulpmiddel zijne toevlucht zou nemen, als hij het lood,
aan de koorde bengelende behendig grjjpen kon.
En men zag hem klauteren langs de rots, den nog niet stram-
men arm uitstrekken; hjj greep, en straffer hing de touwladder neer:
toen wond hij de medegebrachte koorden los, en de leeren waren
■aangehecht
Op ging Daam, op naar den toren, en was dien binnen; een
tweede soldaat steeg naar boven maar meent niet dat daarom de
belangstelling verminderde. Voegde zich bij de spanning hier be-
neden, wie het eerst gewaardigd zou worden w oi/en — misschien
bjj een enkele te moeten — volgen, hjj het luisterend oor leenen
van allen of iemand van deze of gene zijde naakte ; voegde zich
bij deze niet de onrust over de wachtenden daarboven, van allen
bijstand gescheiden, de weerlooze prooi van tien eersten schild-
wacht den beste \'t Ontzaggelijk drama, waarvan ieder personage,
die den voet op den eersten sport zette, in een nieuwen hoofdpersoon
verkeerde, die een ander tooneel opende, duldde die nachtelijke rots-
beklimming zelfs geen overwegen van het gevaar! Dat kon eene hui-
vering aanjagen, dat kon doen duizelen, en wie een dier gewaarwor-
dingen ten slachtoffer werd, hjj zou er niet slechts met zijn eigen leven
voor hebben geboet, neergeplompt, bad zijn gil den aanslag verraden?
Bjj beurte, man voor man, stegen de Bredaache soldaten op;
het ging langzaam toe; de soldeniers hadden hunne wapenen mee
te voeren. Ken zevende was de toren binnengeraakt — geraakt,
zeggen wij, want het was minder behendig gegaan dan wie hom
voorklommen — de achtste stond aan de trede.
- Sr huilt in het lusthuis!" gebood Poets, terwijl hij in zijn hart
de wolk zegende, die voor de maan dreef, daar zij den toestel
aan de blikken van wie hij vreesde te zullen zien opdagen ont-
trekken zou; „schuilt!" hij hoorde het hinniken van rossen.
De verraising van Hoey                                                                                            1 l
-ocr page 173-
162
Het brak eens en nog eens de stilte van den nacht af, maar geen
hoefgetrappel volgde; daar klonk het ten derde male, en toch
niet dichter bij.
„Vaandrig! het zullen paarden in de vesting zijn; het opklim-
men ga zijn gang."
Onze arme angstige Arie was aan de beurt; de houten leer
op ging het vlug, maar aan de touwladder gekomen, aarzelde
hjj, blikte naar boven, steeg een paar schreden; daar bliksemde
een musket naar beneden... .
„Als het afgaat," kreet Frank, „zijn wjj verloren!"
„Eer wij uit de Kreeft gingen, zagikze na,"sprak l\'aets bedaard; „ze
zjjn ongeladen: zwaard of dolk dacht me genoeg om \'t lijf te weren."
„Luitenant! mag ik den stakker te hulp komen?"
„Als de overigen boven zijn," luidde het lakonisch antwoord:
„eer ik zelf opklim."
Onze Luikenaar had den derden tochtgenoot in den ouden
wachttoren niet afgewacht om zich gerustgesteld te gevoelen over
den gang der zaak; toen de tweede binnensprong, was hij gaan
rondsnuffelen naar de deur van het vertrek, en zoodra hij die
had gevonden, beproefde hjj of zjj kon worden geopend. Geopend ?
ze stond maar aan, daar hare grendels zoo waren verroest, dat
ze niet meer vielen te verwrikken.
Ken portaaltje met verzakten vloer van roeden baksteen leidde
naar een smalle steenen trap, die benedenwaarts voerde. Deze,
ondanks zijne wondere wentelingen, in allerijl meer afgewipt dan
afgestegen, voelde hjj, in hot rond tastende, muur en weder muur
en ten laatste eene zware met ijzer beslagene deur, die van bui-
ten bleek gesloten te zijn.
„Charmant!" pruttelde hij halfluid, dus zal men gedwongen
zijn het venster uit te klimmen om dit oude kraaiennest te verlaten!"
Terwijl hjj zoo morde, viel zijn oog op een smallen straal van
licht, vlak voor zijne voeten, uit eene gleuf in den grond dringende.
„Een valluik? en zoo ja, dan wordt het onderdeel van den
toren bewoond," oordeelde hij. „Wie kan daar verblijf houden?
Gevangenen? Als ik goed gis, worden ze niet al te hard behan-
deld, daar er licht is tot zoo laat in den nacht! Toch is vrijheid
zoeter dan zoo\'n onderaardsch verblijf! Het kan ook het gezin
van den portier zijn. Allvns <l<»ic, „/wn//>sse,\'\' zou de schalk
zeggen," en zonder met den linkervoet den vasten grond te ver-
laten, stampte hij niet den rechter herhaaldelijk op hetgeen hjj
voor een valluik hield.
„Wilt zelf de grendels losschuiven, die van buiten zitten, zoo
gij naar beneden moot," werd hem met zacht gesmoorde stem
toegeroepen, kennelijk vlak onder het luik.
-ocr page 174-
163
„Aan welke zijde zitten ze?"
„Zoo ge dat niet weet, wat doet ge hier?\'\'
Montaignc had reeds de stem la fleur de la beauté geprezen,
en ofschoon wij nergens vinden geboekt, dat Rosse Jan dien had
gelezen, getuigen mogen wjj, dat ook den Luikonaar de zin was
bedeeld die den Oascogner onderscheidde; het geluid heugde
hem langer dan het gezicht.
„l\'ne frouvatlle^ dacht Rosse Jan bij zich zelven; „zou het
mogelijk zijn!... frisch gewaagd is half gewonnen!"
„(Jij antwoordt niet? Wat komt gij hier doen?*1 klonk het ge-
jaagd uit de diepte.
„U verlossen," hernam Rosse Jan stoutmoedig.
Een uitroep van verrassing, gevolgd door een smartelijke zucht,
was het eenig antwoord.
„Ventre-bleu /" borst Rosse Jan uit, „wijs in ij den weg om tot
u te komen, zoo gij lust hebt vrij te zijn; zeg mij waar ik den
grendel zoeken moet?"
„Links zijn er twee!"
Meer had de vernuftige spion niet noodig, om die al tastende
te vinden. Zoodra ze weggeschoven waren, voelde hij een zwaren
ijzeren ring onder zijne hand, waardoor het logge, rondom met
ijzeren staven bezette luik viel op te lichten. Echter bleek dit
voor een man alleen een looden taak; en de gevangene, hetzij
uit vrees wie er komen zou, hetzij uit besluiteloosheid wat hem
te doeu stond, de gevangene werkte van zijne zjjde niet mede.
„Duw dan wat aan, gjj, daar beneden, verweerde bloodaard!"
riep Rosse Jan hem in zjjn ongeduld toe, en gaf zijner veront-
waardigde verbeelding lucht in een vloed van vragen. „Is er geen
trap? kunt gij zoo ver niet reiken? zijt gij geboeid?"
„Er is een trap en ik ben niet geboeid, maar ...."
„Maar!.... gij geeft u niet gaarne veel moeite, niet waar?"
sprak Rosse Jan, wien het ten laatste toch gelukte, door inspan-
ning zijner buitengewone spierkracht, het luik op te rukken. Als
ge meent dat hij, in zijne drift, nu ijlings naar beneden sprong,
bedriegt gij u; om zich den terugtocht te waarborgen, deed hij
eerst eene kram in den wand der ijzeren haak vangen.
Onder dat bukken was hjj een ruim gewelf gewaar geworden
en een niet ongemakkeljjken steenen trap; hij stoof dien af, hij
schreed op den gevangene toe, maar deze scheen naar de ken-
nismaking volstrekt niet te verlangen. Immers, hij trok zich terug
mot dezelfde drift waarmee hjj den ander zag naderen; hjj week
weg tot in den uitersten hoek van zijn kerker. Verder kon hjj
niet achteruitdeinzen, en zijn ongeroepen bezoeker bleef dan ook
nu vlak voor hem staan.
Het was een zonderling schouwspel, eene zoo groote, slanke
-ocr page 175-
[64
postal te, als die dos gevangenen bleek, dus onthutst en beschroomd
het hoofd te zien buigen voor dat kleine misvormde manneke in
narrenkleedij, \'t geen hem niet zijn klare, scherpe oogen stond
aan te staren, om eensklaps met ernstig hoofdschudden te leggen :
„Ongelukkige! nog altijd dezelfde, niet eens den moed te
hebben om tot uwe bevrijding mee te werken!\'
De andere zuchtte diep.
«Herkent ge mij, ondanks dit mommenpak? Ik doe het u, al
kan ik in dien hoek niet zien wat gjj aan hebt."
„Aan wien komt gij mjj overleverend\' antwoordde de govan-
gene met eene stem, trillende van vreeze.
« Vous hroyez dn noirP* riep Rosse Jan levendig, terwijl hij
hem de hand reikte. „Ik ben hier met Staat se h krijgsvolk;
wij komen er u uithelpen; het kasteel is zoo goed als in
onze macht.\'*
Opnieuw slaakte de gevangene een zucht, die echter zijn boe-
zem geen lucht gaf, want hij vroeg op droeven, slependen toon,
zonder eenig bewijs te geven van blijde deelneming:
«Is Kapitein Héraugière hier met ui*"
„Hij komt morgen de stad opeisehon ... en overgeven zal ze
zich: wat zou ze tegen zijn ruiters vermogen?\'*
Oeenerlei betuiging van bewondering, van belangstelling zelfs
volgde; slechts vroeg de ongelukkige met een bevende stem, die
van de smartelijkste onrust getuigde: „Is.... hij.... is hij ....
met ulieden P . ..."
Wie die „hjj\'\' was, Kosse Jan scheen het maar te wèl
te weten.
„Morgen zult gij hem zien, aan de zjjde van Héraugière!\'\'
„Hemel! wat zal ik hem zeggen?1 kermde de gevangene, in
zoo groote ontsteltenis, dat hij zich liet neervallen op den eenigen
stoel, dien het armelijk verblijf aanbood.
„Schaam u, zoo onmannelijk week te zijn geworden," ving Kosse
Jan aan, en had eene scherpe boetpredikatie op de lippen; maar
zoodra hjj, den verslagene dichter genaderd, dat bleeke uitge-
teerde gelaat aanschouwde, Hauwelijk door het weifelend lampje
aan de zoldering verlicht; zoodra hij de bruine, vóór den tijd ver-
grijsde haren zag van (hm man, dien hij in den vollen bloei des
levens had gekend: zoodra hij opmerkte hoe de schreiende
oogen bleken ingezonken door jaren jammers, dreigde hjj door
mededoogon te worden overmeesterd. Waarom maar dreigde? ...
was dan inderdaad dat ascetenhoofd niet in een monnikskap ge-
vat? plooide zich geen monnikspij om die magere leden? Kosse
Jan rilde, Kosse Jan deinsde achterwaarts.
„Ongelukkige! gjj zjjt toch niet?..." borst hjj uit.
„Ja! ja!" viel de ander in, voor het eerst met levendigheid.
-ocr page 176-
165
„Ik ben wol... ik hen wel wat gij meent... ik... ben tot den
schoot der Kerk teruggekeerd."
„Dat is verachtelijk! \' hernam Rosse Jan en keerde hem den
rug toe, of hij willens was terstond heen te gaan.
„Hoor mij! eilieve, hoor mjj! en gjj zult begrijpen, indien al
niet vergeven," begon de arme, zwakke man voor wien het thans
eene behoefte scheen zijn hart uit te storten.
„Om den wille eener armzalige legende ben ik hier niet ge-
komen ! Den dienst, dien ik u had willen vragen, kunt gij, die
het met den vijand houdt, mjj niet bewijzen. Tot morgen bjj Hé-
raugière!" En Rosse Jan had den voet op de trap.
„Wat kan ik doen?" riep de ongelukkige, in verlegenheid de
handen wringende. „Een edelman heeft maar één woord."
„Dat meende ik ook; maar het bljjkt, dat gjj er twee op na-
houdt. Of telt het vroeger gegevene, hier allen dienst te verleenen,
niet langer mee?\'\'
„Gjj weet niet, waartoe gjj mij verzoekt! Maar spreek, spreek
dan toch! Waarin zou die dienst moeten bestaan P..."
„Allereerst mij te zeggen of er nog een andere uitgang van
dezen wachttoren is, dan die vlak voor de trap?\'\'
„Dat is de eenige . . .. Mijn cipier heeft er den sleutel van."
„Waar huist die?"
„Ik weet het niet; hij zal wel geene afzonderlijke woning heb-
ben ; hij is een der suppoosten van den provoostgeweldige.\'1
„En waar vindo ik hem?"
„Ik onderstel, dat hjj huist in de gewone gevangenis ... nevens
het logies der soldaten, hier in bezetting."
„AVaar moet ik dat logies zoeken?"
„Maar... hoe kunt gij mjj dat vragen? Gjj zegt meester te
zijn van *t kasteel, on gij weet niet eens waar de kazerne is!"
„Wjj hebben een deel van het kasteel ingenomen, en om blocd-
storting te vermijden, wenschen wij de bezetting in den slaap te
overrompelen: daartoe hebben wij een gids noodig."
„Ik meende, dat gij hier volkomen bekend waart, gjj, die den
goheelcn vorm van het kasteel hebt nagebootst.\'
„De uitwendige gedaante, ja, die kenne ik, maar weet ik daarom
hoe do gebouwen van binnen zijn gesteld en hoe men die
gebruikt?"
„Mijn geheugen is... zwak geworden, ik kan u dat zoo uit
het hoofd niet zeggen; ik zou zelf op het terrein moeten wezen."
„Zoo het daaraan hapert, zal ik u haastolijk uithelpen. Is hier
geen venster of zoo iets, waardoor gij licht en lucht ontvangt?"
„Hier is geen venster; wij zijn ouder don grond, als gij kondt
opmerken."
„Ken gezonde woning voor een edelman, die op zijn woord
-ocr page 177-
166
van oor gevangen zit!" hernam Rosse Jan in hot rond ziende,
niet louter uit nieuwsgierigheid, maar om in sarcastische taal zijne
laatste, scherpste pijion af te schieten. „ In waarheid, precies eene
kluizenaarscol. Alles wat er hij hoort is ter hand : een krusifiks,
een Mariabeeld, een doodshoofd, en ja, ma fml ook eene disci-
pline; al de grappen van de papcrij! \'t Is jammer, dat uw degen
er niet naast hangt! Maar dat is zeker uit voorzorg geschied,
want eene ure overdeiikons wat gij eenmaal geweest zijt en wat er
nu van u geworden is, zou u tot vertwjjfeling brengen; gjj mocht
dan uw wapen gebruiken tegen u zelvon."
Rosse Jan bleek niet te hebben gerekend op het schild, dat de
dweper in zijn geloof had; hoe vlijmend gepunt, de prikkelstiet
er op af.
.Ik ben een groot zondaar, ik weet het; maar tot de zonde
waarover men zich niet meer berouwen kan, zal ik nimmermeer
vervallen!" hernam de gekerkerde mot meer vastheid dan hij
nog had getoond.
„Zoo laat ik u in uwe ruste," klonk het, en met de hem eigene
vlugheid steeg de Lu ik en aar de trap weer op, zonder te luiste-
ren naar den ongelukkige, die op smookenden toon en in afge-
broken woorden, hem terug trachtte te houden.
l\'iterlijk koel, maar voorzeker aandoeningen des gemoeds ten
prooi, die hij slechts mot moeite beheerschte, liet Rosse Jan het
valluik opnieuw neergljjden, verzuimde hij zelfs niet de grendels
daarover heen te schuiven. Overbodige voorzorg meent men, bjj
den, volgens zijn beweren, vrijwillig gekerkerde. Héraugiore\'s
vertrouweling zou er verre van zijn geweest: u dat toe te geven.
Als die monnik zijne gevangenis verliet anders dan onder zjjne
hoede en als zijn bondgenoot, dan kon hij vijand, dan kon hij
verrader worden; en om dat voor te komen, moest het niet meer
in de macht van dezen staan, uit het gewelf te verschijnen,
vóór alles beslist was. Tenzij . ..
De twee of drie en twintigste soldaat was op de ladder. Vaan-
drig de Preys vergezelde hem; Arie, de nauwelijks halverwege
neergevallen Arie, had de hoop vast opgegeven, dat hem hulpc
dagen zou. Hjj mocht van geluk spreken, maar den schouder, op
welken hjj in zijn val was neergekomen, te hebben ontwricht; hjj
had nog meer stof zich te verheugen, dat do klove, in welke hjj
zich geklemd geloofde, toegankelijk bleek. Frank overzag den
toestand, op de hoogte van den val gekomen, bij den eersten
blik; hij wenkte den soldenier, die een paar sporten hooger,
beidende was blijven stilstaan, maar voort te klimmen.
«Dat ik mee mocht gaan!" zuchtte de jonkman. Hjj geloofde
niet dat hem, na die grootc teleurstelling, op deze leer iets zou
-ocr page 178-
167
kunnen treffen, dat zjjn verdriet ten top zou voeren, dat hem
tergen zou : hij had buiten Arie gerekend. Al wat Frank van den
soldenier vergde het viel te doen; bij den terugtocht kwam het
op de voeten aan; waar steun vereischt werd, verstrekte de
Jonker dien even gereedelijk als gewillig. Arie moest door zijne
zorg zjjn arm schier niet missen; doeh Arie, eindelijk to hulp
gekomen, hjj jammerde er niet minder om. Arme de I\'reys! drie
malen zoo hoog te klimmen, als de gevallene het arendsnest had
geloofd, het zou hem lichter zijn geweest, dan dien kermende en
krimpende de houten ladder af te helpen, ledere stap naar be-
neden, door Krank verwenscht, als hem verder voerende van zijn
doel, dat binnen zijn gezicht lag en dat hij toch niet bereiken
mocht; iedere stap afwaarts waarbij hij Arie, die een sport hooger
scharrelde dan hij, schoorde en schraagde; iedere stap ontlokte
den laatste eene klacht, die alleen op zijn straf vermaan geen
kreet werd. Kindelijk, een vierde uurs te voren, zou de Jonker
niet geloofd hebben, dat hij er bljjde om wezen zou, — eindelijk
voelde hij weder den vasten grond; de laatst beneden gebleven
soldaat stond aan de eene zjjde der ladder, „aan die der aange-
schoten vlerk," als de ruwert zich uitdrukte; meester Zilbrecht
had aan de andere post willen vatten, maar Wouter Willemsz
was hem voor geweest; de musketier deed al weer dienst.
„De Preys!" sprak luitenant Paets zijn vaandrig toe, zoodra de
bezeerde in het lusthuisje was gebracht, „gij hebt op onze wan-
deling van gistermorgen, — want de dag is al aan het krieken, —
gij hebt gewenscht met ontrold vaandel Hoey binnen te rijden;
welnu, dit voorrecht zal u te beurt vallen; het is het wagen van
lijf en leven waard! Gjj vergezelt zoo aanstonds meester Zilbrecht
naar zijne woning; ik draag u het commando op over de ruiters,
die daar mijne bevelen wachten. Gjj keert met hen herwaarts en
blijft letten op het teeken, dat u uit den toren moet worden ge-
geven. Een witte vaan of doek zal wapperen, zoodra wij daar
binnen zeker zijn van den goeden uitslag. Dan trekt gij met de
helft der ruiters naar Amay, waar do paarden geborgen zijn, en
rukt met twee hunner op, Kapitein Iléraugière te geinoet, die na
de boodschap van dezen morgen wel onderweg naar Hoey zal
zijn. De anderen keeren hier terug met de paarden; ze kunnen
te pas komen. Aan den commandant doet ge nauwkeurig ver-
slag van alles wat hier is voorgevallen en ... het verdere zal
van hem afhangen. Hebt go me begrepen?"
Volkomen, luitenant! het zal stiptelijk worden uitgevoerd I"
hernam Frank.
„Maar..... niet al zuchtende, maar goedsmoeds!" voegde
Paets er bij, zijn vaandrig de hand reikende.
„Goedsmoeds zal ik zijn, zoodra ik te paard zit om de
-ocr page 179-
168
mare der verrassing te brengen," was des Jonkers wederwoord.
„Ik ga er mei Goda hulpe mijne mannen toe volgen."
En de luitenant ving op zijne beurt den hachelijken tocht naar
boven aan; maar liet scheen bepaald dat hij dien niet ongestoord
volbrengen zou. Halverwege gekomen, overzag de bedachtzame
het tooneel, dat zich rechts en links voor hem uitbreidde: daar
meende hij, waar de maan een gedeelte des wegs, die naar het
lusthuisje leidde, verlichtte of het dag was, twee gestalten gewaar
te worden, die zich blijkbaar in de richting van de la Oénestes
zomerverblijf spoedden. 1 lij stond stil op de door hem bestegen
sport; hij bleef op deze stilstaan; vaandrig de Preys, die den
blik niet van hem gewend had, maar wien eene kronkeling van
het pad wat er gaande was verborg, merkte het op.
„Naar binnen, mannen!" gebood hij.
Meester Zilbrecht was de beide soldaten al voor; Arie lag nog
altijd in het lusthuisje uitgestrekt.
Paots verroerde zich niet; hij bleef neerblikken.
Vaandrig de Preys stond, van uit de schaduw, te staren in de
richting die des luitenants hoofd hem aanwees; vaandrig de Preys
zag eindelijk een paartje opdagen, „een vrijend paar", dacht hem.
Maar Wouter Willemsz had uit het venster van het lusthuis
beter gezien; open ging de deur: .welkom!" riep hij. Al zou
een ander het er om uitgeschreeuwd hebben van pijn, toen zijn
voet hem onder hot voortspringen herinnerde, dat van dergelijke
beweging nog geen sprake mocht zijn, hij was zijne (ionda op zijde.
«Tweeërlei liefde!" lachte Xicolaas, «allebei aangeboren, „de
liefde voor het vaderland," en hjj weesop zich gel ven, 9et Vamour
pour Uil blessé...."
want Gouda boog zich al naar den voet van
Wouter.
„Een witte doek;-\'\'\' vroeg de vaandrig; „de luitenant moet weten,
dat er geen onraad is."
„Neem den mijnen," sprak het meisje; zij had dien uit hare
keurs te voorschijn gehaald; zjj knoopte hem om het gevest van
den sabel, door Wouter getrokken.
En Paots begreep het heen en weder gezwaaide sein en steeg
hooger, en de minnaar begreep waarom zijne CJonda bloosde, en
sloeg den arm, die het veiligheidsteeken ophief, beveiligend om
den blooten, blanken hals.
Er zou een aardig hoofdstuk te schrijven zijn, hoe lang velerlei
waarheden al in beoefening werden gebracht, eer de verkondiging
van deze, in keurigen stijl, hen tot gemeen goed maakte. ^Quand
on a assez fa/f aiiprès de cevtaines j/entonnespoitr avoir du se les
ucqucrir"
— de gulden spreuk heugt den lezer uit de la Bruyère, —
„«* cela ne réussit point, il y a encore une ressource, gut est de ne
-ocr page 180-
169
plui rieti faire." Was Rosse Jan er van doordrongen, toen hij do
gevolgen ging gaslaan van het heldhaftig middel door hem be-
proefd: onnuchtering, verstooting, afzien f In het gewelf terugge-
keerd, liep hjj een |>aar malen met groote sehreden over het
vallnik heen en weer, — door den gevangene waren zjjne voet-
stappen nauwelijks vernomen, of deze was de trap opgeklom-
men, en had uit alle macht aan het luik geduwd, eer de grendels
nog werden weggeschoven.
„Een goed toeken!" ving Rosse Jan aan, den looden last op-
tillend en de hand des monniks vattend; „gij verlangt ten leste
toch naar uwe vrjjheid ?"
„Gij hebt mij verlaten, met wrok in het harte, dat kon ik niet
dragen ! Ik riep u terug, ik had u nog zooveel te vragen, nog
zooveel te bekennen.. .. Gij wildet niet luisteren, geen geduld
met mij oefenen: wreed en koel sloot gij de ooren en keerdet
u met minachting van mij af...."
„Ik houd geen conversatie met de dooden, als er levenden
zijn, die op mjjne hulp wachten.... Xu er zich blijken van her-
leven bij u opdoen, nu is het wat anders.. .. (Ja niet mij mee,
bewijs mij den dienst, dien ik noodig heb, en .... al gaandeweg
zullen wij praten.\'1
,()\' als ge wist welk een strijd het mjj heeft gekost u niet te volgen!"
„Zoo geef dien strjjd op, en lijd nog eene nederlaag meer;
ik acht, dat deze niet de ergste zal zijn van uw leven!"
„Ik heb gezworen...." sprak de monnik met weifelende stem,
terwijl hij intussehen, door Rosse Jan, die zijne hand niet losliet,
voortgetrokken, alweer een paar etappen naar boven had gedaan.
„Gij hebt gezworen niet uit het kasteel te ontvluchten, dat be-
grijp ik .... maar daarvan is ook in het geheel geen sprake."
„Neen!... maar ik begrijp heel goed waar het op neerkomt;
datgene waartoe gij mij verlokken wilt, is voor mjj misdaad;
men zal het verraad noemen en strengeljjk rekenschap vorderen."
„Eilieve! waarvoor denkt gij dat Kapitein Héraugière u houden
zal, als gij ons dezen dienst niet verleenen wilt en hij u morgen
daarvoor ter verantwoording laat roepen ?"
De ongelukkige man scheen bij die herinnering ineen te krim-
pen van schrik.
„Héraugière! Weerzien!" riep hij, „dat.... kan ik niet! Het
bloed wordt me kil van angst bij de gedachte... Bewaar me
daarvoor!"
„Ik sta u borg voor zijne goede ontvangst, als gjj mjj bereid-
willigheid toont," verzekerde Rosse Jan stoutelijk, en liet het luik
weer toevallen, want de monnik was onder zijne leiding werktui-
gelijk de trap geheel opgeklommen; hij bevond zich met den
Luikcnaar reeds in het portaal van den toren.
-ocr page 181-
170
„Jezus! Maria! wees mij genadig! ik kan niet anders! ik kan
niet meer terug!" zuchtte hjj; de torendeur stond open endaar-
buiten werd hij de Stantsehe soldaten gewaar.
„Ainai soit-il!" fluisterde Rosse Jan hem in; „thans moet ge
met ons mee; de krijgswet heugt u nog, en met luitenant Paets is
geen gekscheren!"
„Luitenant Paets!" zuchtte de monnik; „waarom juist deze...\'*
„Wees gerust; hij weet niet wie gij zijt, en heeft geentjjder
naar te vragen; wjj gaan te zamen als gidsen de anderen voor.
En nu, zeg me allereerst, zijn we hier aangeland op de binnen-
plaats van het kasteel?"
„Ja, dit heet de Vlaamsche plaats."
„Welken weg dienen wjj dus te nemen!\'"
„Recht overstekende komen wjj aan op den zijvleugel van het
slot; de roode poort, die er toegang toe geeft, moeten wjj bin-
nen; maar dat zal niet in stilte kunnen geschieden, want daar
ligt eene wacht."
y,Bon (\'i savoir!" en Rosse Jan wendde zich van hem af en liep
in haast op luitenant Paets toe, met wien hij fluisterend eenigo
woorden wisselde.
Hóïaugière\'s bevelvoerder verloochende zjjne voorzichtigheid niet.
„Het zal toch raadzamer zijn, het binnenplein niet recht over
te steken," sprak Itosse Jan tot den monnik; „leidt ons liever
zijwaarts voort, langs de gebouwen."
„\'t Is een omweg ..."
„Maar des te langer blijven wij onopgemerkt."
Voort ging het, voort, van nu af onder een zoo onafgebroken
stilzwijgen, alsof zij hunne eigene voetstappen beluisterden, die zij
toch zoomin mogelijk hoorbaar trachtten te doen zijn. Alles in en
om dit gedeelte van het kasteel scheen in de diepste rust ver-
zonken. Men vernam niet eens den gewonen eentoonigen tred van
den schildwacht, hoe dicht men ook de hoofdpoort reeds was
genaderd. Waar was deze, dat hjj niet aanriep F Had hjj zich in
het kleine wachthuis begeven, vlak tegenover den ingang gelegen,
en was hij daar in slaap gevallen? Een paar Staatsche soldaten
traden het, op bevel van luitenant Paets, binnen.
„Dat geeft zeker alarm!" jammerde de monnik.
9Et ils se battront) desnoods man tegen man, c\'est UurtUat"
„Maar ik .... ik heb mijn woord gegeven, nooit weer de wapenen
te zullen voeren tegen den Bisschop."
„Wie het u vergt? ik vecht ook slechts tot verweer."
Het kwam er niet toe.
De soldaten vonden slechts drie man in het wachthuis, die in
slaap waren gevallen bij hun drinkgelag. Bij het licht der hoornen
lantaarns, die onze verrassers hadden meegebracht, zagen zij
-ocr page 182-
171
bekers en dobbelsteenen op de tafel; de lamp, die al walmende
scheen uitgegaan, had het kleine sehoorsteenlooze vertrek in be-
dwelmenden nevel gehuld.
De onvoorzichtige slapers werden gewekt en gekneveld, neen,
gekneveld en gewekt, eer zij genoeg bewustheid hadden om naar
de wapenen te grijpen.
vBreng hen in het gewelf van den ouden toren!" beval luitenant
Paets, en dit bevel werd zoo vlug en tevens zoo stil ten uitvoer
gebracht, dat de sla
6
apdronkenen reeds tot den ingang hunner
gevangenis waren genaderd, eer zij recht wisten of hunne wettige
opperhoofden dan wel stoute overrompelaars hun deze harde be-
jegening aandeden. Toen het hun duidcljjk was geworden wie, bleek
het te Iaat om zich te verzetten.
„Xaar het logies der soldaten!" had de luitenant Rosse Jan
intusschen toegefluisterd, en vóór ging de laatste met den monnik,
de hoofdpoort in, een zijgang door; daar klonk den Staatschen
een gelach en geraas toe, of er in het corps \'ie garde kermis
werd gehouden.
Paets had geene oogen om het schouwspel te waardeeren, dat
zich aan zjjne blikken opdeed; dat wij u het moehten doen zien,
zooals het voor de onze staat. Eerst de hoofdgroep. In dolle vroo-
ljjkheid, ten deele der halHedige kruik dank te weten, streek een
oude likkebroer met schorren strjjkstok een deuntje op de vedel,
die heen en weer ging, naar hij op zijn ton waggelde. Het was
niet maar een dansdeuntje zonder dansers; voor hem zwierde een
paartje, dat bestond uit een blonden vlasbaard en een grooten
zwarten hond, die in het springen zijn partner geen zier toegaf.
Het kaarsje, dat de speelman op den verweerden vilten hoed had
gezet, flikkerde door wolken van rook, die eenige nietovernuch-
tere omstanders hem in het gezicht bliezen. En nu den achtergrond.
In den eenen hoek werd gespeeld en geworsteld, gelooven we,
want men hoorde banken die omstoven; want men zag eenen
arm die naar eeno keel greep, zoo hoog was de twist gerezen; —
in den anderen waren de manschappen in den wie weet hoeveel-
ston hemel; de volle kroes liep schuimende over en wie haar
aanstaarde allerbespottelijkst wichtig in zjjn kort eindje blazend,
hjj scheen zoo zalig! Voldoet die voorstelling u? ons maar ten
halve; doch wat ons troost niet te zijn geslaagd, het is dat het
Adriaan Brouwers talent eischte, die schier dierlijke en toch zoo
dartele dwaasheid recht te doen, toen er een schaterend gelach
opging, bij het gebod van den likkebroer aan den vlasbaard om
zijn schoone te kussen.
De jongen greep een poot en zette zoo\'n jolig gezicht....
Als een bliksemstraal flikkerde des luitenants uitgetogen degen ;
<Ie beeldspraak werd nooit juister gebezigd, want schrik sloeg den
-ocr page 183-
172
drom om het harte, toen 1\'aets, op de verzekering dat het kasteel
in zijne macht was, donderend de bedreiging volden liet, dat wie
zich niet overgaf, des doods zijn zou.
„Lijfsbehoud!*1 stotterde de likkehroer.
«Toegestaan aan elk !" was 1\'aets wederwoord, „die zich gedwee
eene korte gevangenschap onderwerpt.\'"
Huurlingen als ze waren, aarzelden zjj toch een oogenblik. AVie
straks elkaar, al worstelende, voor valsehe spelers uitmaakten, zij
schenen verzoend; wie den derden hemel dachten in te gaan,
bleken aangeblazen door den moed van den roes. 1\'aets hoorde
hen driftig eenige woorden wisselen, in wat hij een mengelmoes
van alle talen ter wereld geloofde. Het leed langer geen twijfel,
dat de kloekhartigsten weten wilden wat buiten gebeurd was;
schooit zouder officier in hun midden, verkondigden de blikken
der meesten wien zjj instinctmatig tot hun aanvoerder kozen.
mParih égal&P* meende 1\'aets te verstaan; hij was zeker hen een
sein te hebben zien geven. „Velt geweer!" sprak hij tot zjjne
manschappen; maar wie schoof, wie sloop daar, waar het logies
het donkerste was, zoo hij zich vleide onopgemerkt en onbegrepen,
naar de deur toe-* Wie was al achter de Staatsehe soldaten om ?
wie was er haast uit? Wie anders dan de vlugge danser van zoo-
even, wie anders dan de vlasbaard, die, door Hosse Jan gegrepen,
hoog de lucht inging als een veer! maar, spartelde met armen
en boenen, log als lood op den nek van den aanvoerder neer-
kwam. De polichinel had zijn wit meesterljjk getroffen.
Zoo iets moest gezien worden, zoo iets laat zich niet vertellen;
want hoe valt het in éénen adem weer te geven, wat in één zelfde
oogenblik geschiedde: de redding misschien van het leven van
Hosse Jan door den monnik, die den zwarten hond met de magere
vingeren neep of het ijzeren waren, toen deze den aanvaller zijns
meesters te lijf sprong, en het bedaarde, doch beslissende woord
van luitenant 1\'aets:
„Vuur, mannen!"
„Maar zou hjj die smeekenden laten doorschietenY Hunne wape-
nen lagen aan zijn voet.
„Heb dank voor uwe hulpel" sprak Hosse Jan den monnik toe,
een omzien met dezen alleen in liet ontledig logies der soldaten;
.al wat er goeds in u stak is nog niet gestorven. Ken hartige
teug uit deze kruik,\'" — en de polichinel reikte hem een kroes —
„en gij zult u geheel de oude gevoelen... ."
Doch de sombere dweper bleet\' staan waar hij stond; zjjne
oogen hadden bjj de dankbetuiging van den Luikenaar niet ge-
Hik kerd: verweet hij zich zei ven misschien reeds wat hij tot de
verrassing had bjjgedragen? Tegen eene krib leunende, liet hij
-ocr page 184-
17::
het hoofd hangen, de handen over de borst saamgevouwen.
„Jarenlange gevangenschap heeft u neergedrukt," begon Kosse
Jan weer; „maar ge zijt nu vrank en vrij...."
Tant qifp rn dure, viel de ongelukkige in, op doffen toon.
„Morgen ben ik opnieuw gevangene en dan van Héraugière!"
„Als vanouds zijn gunsteling, meent ge. Laat het dagen en
gij zult de zaken anders inzien dan bjj deze kwjjnende lamp.
(Jij hebt tot het gelukken van onzen aanslag meegewerkt; oude
vrienden zullen u ...."
„Doe mij aan hen niet denken!" riep de monnik heftig; „ik
weet zelf niet hoe ik er toe gekomen ben met u te gaan; aan-
spraak op loon maak ik er niet voor, maar, om den wille der
straffe, die mijn deel zal zijn, spaar mij ten minste het weerzien;
zoo dicht bij Paets te wezen, was al angst genoeg!...."
En de dweper rilde.
„Waarom u voor hein verborgen:-\' Het verleden vergevende en
vergetende ...."
„Dat zal hij niet! Dat kan hjj niet! Dat mag hij niet! Stond
het dan straks in mijne macht? En toeh ben ik dood voor mijne
maagschap, toch moet ik dood voor haar blijven!"
„Ge zijt de eerste ongelukkige, dien ik niet begrijp," sprak
Rosse Jan met gevoel; „de eerste; ik dacht iedere ellende te
kennen. Maar de uwe, een harte waarin alle zweem van liefde is
uitgedoofd ...."
„Of ge waarheid spraakt!" borst de verdoolde uit; „er zou dan
een einde zijn aan mijn schrikkelijken strijd." En heen en weer
in dien sehemcrschjjn schreed de slanke gestalte, terwijl zijne
handen een gebaar maakten, als weerden zij af, wie hjj waande
voor zich te zien. „Ik voel het slechts te zeer aan de heftige
slagen van mijn hart, dat het zoo niet is, al moest het zoo zijn!
Terug!" sprak hjj in zich zelven, „terug I" en liet er toen, weer
bij Kosse Jan gekomen, op volgen: „Ik heb u immers gezegd,
dat ik onherroepelijk voor hen verloren ben!"
„Door uw afval tot Rome, vreest gei\' Bekommer u daarover
niet te zeer; ik ben zeker, dat de omstandigheden waaronder hjj
heeft plaats gevonden, dien verschoonlijk maken."
„Verschoonlijk:\'" herhaalde de monnik met bitteren lach, „ver-
schoonlijk voor hen!1 dat weet ik beter; en al ware het dat zij
het wilden verontschuldigen.... ik.... ik kan niet meer terug!"
„Een woord dat ik honderdmaal heb hooren zeggen, en even
zoovele malen gelogenstraft heb gezien. Uit een hangen droom
ontwakende, is alle zwarigheid geweken...."
„Als die slechts buiten mij lag, als die niet in mijn binnenste
school! Hebt gij dan niet gezien," en de dweper bleef voor Kosse
Jan stilstaan, „hebt gjj dan niet gezien wat er van mij geworden is?"
-ocr page 185-
171
„■ƒ>■ Vai vu et f en ui fremi, Muis c\'esf passé want ik zeide in
mij zelven: hij ziet er niet moei\' uit als een edelman of als een
officier; hij draagt oene monnikspij, een rozekranseneenkruisihks
aan zijn touwgordel, mais Vhithit ne fait pas Ie moine l Misschien
vonden de liisschoppcljjken het aardig hun gevangene en froc
te zien. .. ."
„7\'ivrf de plaisanterie," hoorde Rosse Jan zich ernstig verma-
nen; ral wilde ik dit kleed van mij werpen, het gedane zou er
niet ongedaan door worden:" en op vasten toon volgde: „het
is het cenige gewaad dat mij past!"
Hjj trok den gordel straffer om de lendenen, of de pij dichter
aan de schrale leden sluiten mocht.
.Ge zult mij toch niet willen diets maken, dat gij waarlijk
monnik zijt?"
„De plechtige gelofte het te worden, heb ik afgelegd. Waart
gij eenige dagen later gekomen, gij zoudt mij hier niet meer
hebben gevonden. Mijn proefjaar zou aangevangen zijn in \'t kloos-
ter der Franciscanen, dat vlak tegenover de vesting ligt."
„Ken laatste list, de gelukkigst gevondene van alle!" beweerde
de onverbeterlijke Rosse Jan lachende. „Ter dood verwezen, hebt
gij u in de armen der Heilige Moederkerk geworpen, om u het
leven te veiligen; en toen ge daarin waart geslaagd, veinsdet
gij, om eeuwige gevangenschap te ontgaan, den weg naar het
klooster te kiezen.... Wie zou het der wanhoop niet ten goede
houden, dat zij zelfs dat eene uitkomst geloofde....."
„Van de aarde, aardsch!\' sprak de monnik. „Mocht het met
u zoo zijn toegegaan, met mij ging het anders. Het was duiBter
geworden in mij als om mjj, gedurende de eerste weken van mijn ver-
blijf in deze vesting; allerlei leed had mij op het leger geworpen;
toen de krankte week, kwam de schrik voor de pijnbank. Weet
gij wat vreeze is? vroeg hjj voortgaande aan Kosse Jan ? „vreeze?
niet voor den dood, heldhaftig te gemoet gevlogen, die kende ik
nooit, die ken ik nog niet," en de waarheid van dat woord werd
bevestigd door het vuur, dat een oogenblik in die holle oogkas-
son opvonkclde, „maar vreeze voor marteling, marteling van dag
tot dag, van uur tot uur verzwaard, en toch niet leidende tot de
laatste ruste!" En des mouniks blikken zochten den grond, als
zag hij in het graf voor zich, en om de blceko lippen speelde
een glimlach ten groet. „Die greep mij aan toen ik genoeg hor-
steld heette om te worden gevonnisd; die heeft mij geteisterd,
toen ik, duchtende voor de verzoeking te bezwjjken, vruchteloos
om den dood bad; die mjj gefolterd, tot krankzinnig wordens
toe!" En de dweper wischte zich met de uitgeteerde hand de
droppelen van het beenig voorhoofd; louter de herinnering vol-
stond om ze te voorschijn te roepen. „Een enkele had mede-
-ocr page 186-
17.")
doogen met mij; een enkele begreep me, hij was mjjn voorspraak,
hij werd mijn vriend; als ik zjjne leiding volgde, zou ik den vrede
der ziele vinden; ik had hem eensklaps verademing, versehe
lucht, verkwikking te danken; waarom zou ik zijne woorden het
oor niet hebben geleend, waarom zijne wenken niet zjjn gevolgd?
Allengs stilde hij den strjjd in mijn gemoed, allengs leerde hij
mjj hooger licht zoeken !" Er was vast verrukking in den blik,
dien de monnik naar boven sloeg.
„En die weldoener werd uw biechtvader:\'" vroeg Rosse Jan,
zoo snijdend, dat de monnik ter zijde deinsde, als siste er eene
slang naast hem.
Een diepe zucht was al het antwoord des ongelukkigen, bij
den blik op den polichinel, bemerkende waar hij zich bevond;
een diepe zucht, gevolgd door de bede:
„Uw woord van eer, dat gij hem geen leed zult doen!" Hosse
Jan zweeg.
„Uw woord van eer!" klonk het ditmaal dreigend.
„Arme dweper! alsof gij nieuw verraad zoudt durven plegen,
ook al gunde men u de gelegenheid."
„Voor hem zal ik er den moed toe hebben, voor hem heb ik
mijn leven veil.... Gij meent mij in uwe macht, ge zjjt nog in
de mijne.... Uw woord van eer, dat Pater Cypriaan zal ge-
spaard worden..."
Rosse Jan zweeg andermaal.
Voetstappen klonken uit de verte; met groote schreden ging
de monnik in het flauwe schijnsel der lamp heen en weer.
„Meester Jan van Luik! laat uw gids ons den weg wijzen
naar den Gouverneur."
Het was de stem van luitenant 1\'aets; de stem, herhalen we;
want dat hij binnen was getreden, viel niet te zien, daar de
gewenschte wegwijzer, besluitende en volvoerende, de lamp had
omgeworpen; uit was het licht.
„Wjj komen, luitenant!" hernam Rosse Jan, die schoon hij
dergelijke beradcnheid bij tien overspanneno weinig vermoedde,
er hem niet minder om had bespied, en nu de dorre hand in
zijne gespierde vingers klemde.
„Gij hoort het," fluisterde hij den monnik toe, „het geldt uw leven!"
„Ik eisch dat des paters van u. Geef mij uw woord, dat ge het
mij gunt, en ik ga mede."
„Voor zooverre het van mij afhangt, hebt gij het."
„Het volstaat! wat vermoogt ge niet?"
Ernestus van Ben eren had buiten zjjn weidsch bisdom van Luik
prachtiger residentiesteden en weelderiger lustsloten ter zijner
beschikking dan het oude slot van Hoey. Hoe vaak dit ook zijn
-ocr page 187-
171\'.
voorgangers tot verblijf had gestrekt, hem lokte het weinig aan.
Liefelijk mochten de uitzichten van dat kasteel zijn, sehilderach-
tig als het gelegen was, zjjne bouworde gaf\'eer den indruk eener
middoleeuwsehe sterkte, dan die van een luchtig zomerverblijf.
Geen wonder dus, dat hij den bevelhebber der vesting gaarne
vergunde een gedeelte der vertrekken, oorspronkelijk slechts voor
den Prins-Bisschop bestemd, te bewonen; en het was naar dit
gedeelte van het slot, dat de monnik en Rosse Jan luitenant
Paets, door maar een paar soldaten gevolgd, voorgingen.
De Staatsche bevelhebber had straks den dag wel wat vroeg
begroet; eerst thans brak de schemering eigenlijk aan; het was
duisterder dan het den ganschen nacht was geweest, daar de
maan bleek geweken. Het scheen nog lang te zullen duren, eer
de Februarizon er in slagen zou, door den dichten wolkensluier
te dringen; er dwarrelde nevel om rots en muur; en toch willen
wjj er geen borg voor zjjn, dat het slechts was om dien af te weren,
dat de monnik het mager gezicht in de kap zijner pij verhulde.
Het doel was bereikt en Paets vleide zich te zullen slagen.
Kr brandde geen licht in de gelijkvlocrsche vertrekken van
het middendeel des gebouws door den Gouverneur tot zijn ver-
blijf gekozen, vertrekken, die ter rechterzijde grensden aan de
groote kapittelzaal, in welke de krijgsraad gehouden placht te
worden, en die ter linkerzijde uitkwamen op een ruim portiek,
welks zware steenen bogen ten steun strekten der bovenverdie-
pingen er uit opgebouwd. Het was eene gaanderjj, die naar de
slotkapel voerde, die den Bisschoppen gelegenheid gaf zich des
daags of des nachts op ieder uur derwaarts te begeven, zonder
al te zeer aan de ongenade der buitenlucht te zijn blootgesteld.
Geheel werden zjj er wel niet voor beveiligd, daar de bogen
naar de zjjde van het binnenplein open waren; maar de ingebo-
ren Luiksche Prelaten, die het tot zomerverbljjf kozen, zjj hadden,
de geschiedenis getuigt het luid genoeg, niets van weekelingen,
voor het minste tochtje vervaard. Het volk dankte bovendien aan
die bouworde het voorrecht, bij feestelijke gelegenheden zijne
Hoogwaardigheid in volle pleeggewaad naar do kapel te zien opgaan.
A\'oor de eerste maal wendde Paets zich regelrecht tot den
gids; hij wenschte te weten of de Gouverneur gewoon was dien
weg te nemen naar de kapel.
„<SÏ, Lieutenant/\' bracht de monnik uit, doch zoo toonloos, dat
zelfs Hosso Jan er zijne stem niet in herkende.
„Ik reken er op dat een bisschoppelijk bevelhebber zich zal
laten vinden in de vroegmis op den eersten dag van de Vasten,"
vervolgde Paets tot onzen Luikenaar, op de gaanderij wijzende;
„dus zullen wij hier verwijlen tot de metten geluid worden."
„Maar dan zullen die twee u toch niet volstaan P\'\' vroeg Rosse
-ocr page 188-
177
Jan, de soldaten naoogende, die op den wenk des luitenants
wegscholen; „de bevelhebber zal van bedienden en trawanten
vergezeld zijn."
^AttrupêV lachte 1\'aets, vpour la première fois de votreviel
Om de kapel, achter dezo pijlers en in die nissen, overal zullen
de kerkgangers meer leven vinden dan hun lief zal zjjn. Mui-i
pour les voir dans eette naif, il fundrait des yeiix de hibou, et
voits avez ceuxdu faucon"
Rosse Jan troonde don monnik mede naar de schuilplaats, hem
door den luitenant aangewezen; 1\'aets zelf schreed van boog tot
boog, om, in hoek bij hoek, zich te vergewissen dat alles richtig
was. Benige oogenblikken verliepen in zwjjgende verwachting;
toen klonk uit den toren van het kerkje, het klokgeklep dat de
geloovigen tot de vroegmis riep.
Rosse Jan hoorde een hangen zucht aan de borst van den
monnik ontglijden; de keerende luitenant stond een omzien stil.
Mengde zich in dat gerucht van schreden en stemmen een wapen-
gekletter? AVerd daarginds geschermutseld\':\' Deze verrassing
was voor 1\'aets de onwelkomste ter wereld; hij had er op gere-
kend dat zijne soldaten, in hinderlaag om de kapel gelegerd,
slechts ongewapende kerkgangers zouden aantreffen. Ken der beide
vertrouwde wapenknechten, die hem hadden vergezeld, op kond-
schap uit te zenden, was intusschen alles wat hij vermocht; ieder
oogenblik kon de bevelhebber verschjjnen, en deze gold alleen al
de overigen; als hij zich liet afleiden, zich liet vervoeren tot eene
onvoorzichtigheid, kon het zjjn ondergang worden. Ethienluien
prit
dat hij dit niet deed : daar kwam de Gouverneur uit zjjne
vertrekken, waarljjk niet met de vrome intentie, die 1\'aets hem had
toegedicht, maar opgeschrikt door het ontijdig rumoer; — zijne
slaapkamer moest aan de zijde der kapel schuilen ! Hij was onge-
kleed, ongewapend, en had slechts in groote haast een huispels
aangeschoten; hij werd vergezeld door etteljjke bedienden, van
coutelassen en stokken voorzien. De toortsen, in allerijl door die
wonderlijke ljjfwacht ontstoken, gaven nog meer walm dan licht;
on zij die ze droegen, hunnen Hoer volgende, om op het ver-
meende gevaar in te gaan, hoe liepen zij hot verderf te geinoet!
Als door een tooverslag werden de flambouwen hun uit de handen
gerukt, werden deze weggeslingord en gcbluscht; do Staatsche
soldaten, uit hunne schuilhoekcn te voorschijn gesprongen, om-
ringden hare dragers en de overigen, wierpen dezen als genen
zakken over het hoofd, oor zij tot verweer of ontvlieden besef
hadden. Stokken on zjjdgcweer werden der wachten afgenomen;
schreeuwende en spartelende, zag zij zich in duisternis en ver-
warring, niet wetende wat haar overkwam, aan handen en voeten
gebonden naar de algemeene gevangenis gebracht.
Da vL-rrassin^ van Hocy.                                                                                              \'"
-ocr page 189-
178
„Aux brigandêl aux meurtriers t" riep de Gouverneur, een stok
grijpende, die hem voor de schenen stoof.
„ Vous vous trompez, mon prisonnierl" hernam Paets; en hij
wenkte den Watergeus, die hem van het wachthuis tot hier was
gevolgd, een der laatste toortsen, die nog walmde, op te nemen
en bij te lichten. In dat grillig gerlikker verkondigde de luitenant
aan den verrasten Bevelhebber, dat het kasteel in de macht der
Staatschen was, en hij zich als gevangene had te beschouwen.
„J/o/, Jules t/e ]l\'arfusc:ey dit </Aigremont, ton prisonnier/"
borst de Gouverneur uit; vsi j\'avnis mon t\'pe\'e ...."
„(to\'d celu He tienne," sprak Paets Cornelis Tromp in zijne be-
kende grootmoedigheid voor. Hij bood den edelman zijn degen
aan en sprak tot den Watergeus: „Daam! uw sabel!"
„V/cent les gueux/" juichte het hachje, dat, begrijpende, zijns
ondanks bewonderde; „luitenant! hij heeft er wel kloeker een kop
kleiner gemaakt."
„ Vous êtes un galant homme ; il saffit /" zeide Jules de Warfusée,
die, niet wetende wat er was voorgevallen, zich van een te groot
getal verrassers omringd waande, om zelf van een persoonlijke
zege gunstig gevolg te hopen. „Je me rena\'s, soiisprotét — vous me
traiterez
....."
„A tout seigneur tont honneur" verzekerde Paets, en beval zijn
sergeant en een paar soldaten den Gouverneur naar den toren
Amiette te geleiden, ree Is door hem in bezit genomen, en van
welken hij den onderofficier de sleutels overhandigde.
„Geef gij het signaal der victorie!" verzocht hij Rosse Jan;
„wij gaan naar de hoofdpoort."
En toen de Luikenaar zich verwijderd had, was ook de monnik
verdwenen.
Levendiger dan ooit is, in de weken welke ons deze bladen
schrijven zien, door heel het Europeesche publiek de vraag be-
sproken, aan de orde van den den dag gesteld in de voorrede van
een werk, waarmede do vorstelijke verinaarde naar meer dan louter
een letterkundigen lauwer dingt, do vraag, of kleine oorzaken, als
men tot nog toe gewillig geloofde; groote gevolgen kunnen hebben ?
Eer de eritiek den keizerlijken paradox zal hebben gewogen, —
en te licht bevonden, vertrouwen wjj, — vergunne men ons een
blijk bij te brengen van wat al schijnbare onbeduidendheden het
doorslaan van den ovenaar der kansen af kan hangen. Ofzijtge
niet geneigd te glimlachen als wjj u verzekeren, dat de verrassing
van Hoey gevaar liep te mislukken door het tandenkrijgen van
het wichtje eener waschvrouw?
Jeanneton, de weduwe van den tamboer der bezetting, Jeanneton
had geen ATastenavond gevierd; in sombere stilte waren die uren,
-ocr page 190-
[79
in welke zij vroeger zoo vroolijk danste, voor haar gister, voor do
eerste maal, niet omgegleden, maar omgekropen.
„Allons dorntir, mon petilH had zij gezegd; nle eherpapane
danse plus
/" en de roode hand was in het wij watersbakje gegleden
en had op het blanke voorhoofd van den kleine het teeken des
kruises gemaakt.
„1\'rions!"1
En het kind was stil geweest, zoolang zij haar : „Are Maria.\'"
prevelde; maar schommelen mocht zij eene wijle later het wiegje,
schommelen met moederlijk geduld, slapen kon de dreumes niet.
Op haar schoot, in haar arm, weer in de wieg, weer er uit, wat
had zij niet beproefd: maar niets baatte, de kleine kermde, kermde,
dat haar hart dreigde te breken.
„Quel carnaval /" kreet Jeanneton ten leste zelve, en daar Pierrot
toeh bleef stenen, toch bleef schreien, stond zij maar voor goed
op, doldijnde met den jongen op haar arm, sloeg met het staal
op den vuursteen tot de tondel vlam vatte, en ontstak een kaarsje,
voor het Mariabeeldje geplaatst.
„Fi donc.\' c\'est uu air de danse que je chante," bestrafte zij
zich zelve.
En weer ging Pierrot in de wieg, en : „il tjuelt/ue chose malheur
est bon"
mocht do weduwe zeggen, toen de dreumes een half
uur insluimerde en hare naald intusschen voortrepte, voortrepto
aan het waschgoed, dat dien ochtend vroeg korporaal en sergeant-
majoor welkom zoude zjjn.
vCar ils s\'en seronf donut1, je »(V« souviens du tetnps du
cher papa ...
."
„Pierrot schreide opnieuw, Pierrot steende zoo bang.
„Ah/ won petit! tu erois que Hen ne presse," praatte Jeanneton
en zette het jongske in de wieg overeind, en nam de poppentrom-
mel en de poppentrommelstokken, die de oude tamboer voor zijn
eersteling vroeg genoeg had gemaakt, van den wand en sloeg er
voor het wicht, op het dekentje, de réveille mee, tot een traan
viel op het stukje kalfsvel, geen rjjder groot.
„Tiens, j\'ai réveille la caniche," sprak Jeanneton, haar voor-
schoot weer glad strijkend. „Dors dom; Loulotte, dors; ne dort
pas gui veut."
Loulotte gaf den wenk geen gehoor; zij snuffelde, zij sloeg aan.
Een oogenblik was zij bij het wiegje, en legde de voorpooten op
het dekentje, daar Pierrot haar de handjes scheen toe te steken,
maar, anders het gewilligste, het gezelligste dier van de gansche
bezetting, toen Jeanneton, om Pierrot bezig te houden, tot haar
sprak: „fais Vexercice," toen snuffelde ze opnieuw en sloeg
harder aan.
„ Qu\'y u-V-il donc ?" vroeg Jeanneton zich zelve; zij leende het
-ocr page 191-
180
oor naar do zjjde van het venster, waartegen Loulotte opsprong;
waarlijk, daar klonken voetstappen.
9Bah! fis rentrent dn carnaval/11
Loulotte blafte harder, en Jeanneton herinnerde zich dat ditmaal
geen dor manschappen verlof had kunnen krijgen, dewijl de
Gouverneur en zijn luitenant zelf feest gingen vieren.
„Le cher papa nuntii bnttn Valarme/11 dacht de weduwe, en
als ware haar, voor alle erfenis, de zorg vermaakt, wilde zij haar
zolderkamertje verlaten. . .
„Pierrot," zeide zij, en weerhield den voet.
Maar Loulotte had voor geen kroost te waken ; Loulotte krabde
tegen de deur, of het slot er door open zou springen.
vAttention1" beval Jeanneton, Tht garde" en waarlijk, Loulotte
vlijde zich bij het wiegje neer: de tucht ging boven het instinct;
en : Loulotte mocht groote oogen opzetten, toen Jeanneton haar
falie omsloeg, op hief zij de trillende voorpooten niet, schoon de
tamboersweduwe de deur zacht achter zich dicht trok.
Jeanneton stoof haar trap af, maar matigde die vaart, zoodra
zij zich in de open lucht bevond, maar gleed de muren der
citadel, waarin, zoo het woning hoeten mocht, hare woning, een
vertrekje en een droogzolder, gelegen was, behoedzaam langs; daar
was ze hij het hoofdgebouw; daar werd zij gewapenden gewaar...
blijkbaar verscholen deze zich, met voordacht, achter hegge en muur.
„Sapriêti/" mompelde zjj.
En voort stoof ze! voort! naar het logies der soldaten, — dat
zjj leeg vond; — voort! naar het wachthuis, dat ook leeg was.
nAu Lieutenan.tr* zeide zij in zich zelve; „oh diva re qnon
voudrat Ie cher défuni Vaurait approuvé
7"
Een Vastenavondnacht, een weeuwtje van drie zesjes en een
jong officier, wie weet?... maar Jeanneton aarzelde niet, zij was
al in zijne vertrekken naast de groote kapittelzaal; Kerkadet had
vergeten de hoofddeur te sluiten. Daar bonsde het waschvrouwtje
op wat zij de slaapstede van des luitenants oppasser geloofde,
maar zou zich de vuisten doof en stuk hebben geslagen, zonder
haar doel te bereiken, als onze Charles niet door het geraas ware
gewekt geworden. IIjj had te druk gedanst, te vroolijk feest ge-
vierd, dan dat hij in staat zou zijn geweest der uitnoodiging tot
de vroegmis gehoor te geven, ook al had hij die vernomen; maar
tegen het alarm, dat Jeanneton aan de deur des oppassers maakte,
was zijn slaap, hoe vast, niet bestand.
„Que diantre/11 schreeuwde hjj van zijn ledekant.
nVou$ avez assisté h Venterrement du cher papa/11 getuigde
het harte der tamboers wed uwe voor zijne deur.
Wist de luitenant hoe hij het had? Droomde hij? maar die
vrouwenstem kreet:
-ocr page 192-
181
„ On cotts assassinerait...."
Het werd Kerkadst niet helderder, doch Jeanneton hoorde hem
toeh uit de veeren springen.
„Si je n\'etuis pus Ut/"
„Qit\'t/ a-f-ilT donderde hij.
„Des soldats ennemis          uu homilie ttverti en vaut deux"
antwoordde Jeanneton; en liet bal en Haex gingen den geest van
Charles voorbij, en hij was genoegzaam gekleed om de deur open
te rukken. Terwijl hjj in vliegende haast zjjn wapenen vatte,
begreep hij uit het verhaal waarin Pierrot en Loulotte en Ie
chef papa
beurtelings alleronnoodigst optraden, dat er onraad
moest zijn.
„Merci, t/itoit/ite ce ne sertt ijtCttne fausse alurnie f\'1
„Ces hommes.\'" zuchtte Jeanneton: „ces hommes.\' ca ite volts
croit jamais, surtout tjtiuml on leur dit la cérité
7"
Echter wekte Charles Kerkadet, den degen ter hand, niet slechts
zijn oppasser, maar ook zes hellebaardiers, in hunne wachtkamer
ronkende, de voormalige antichambre der kapittelzaal; wekte zjjn
lijftrawant, die aan Jeanneton een der zeven slapers van Ephese
had geschenen; wekte het dubbel drietal, dat den hellebaard in
de hand voor het hoofdgebouw op post had moeten staan, zóó
onzacht, dat er van geen slaapdronkenheid meer sprake was.
„A la chapelle /"
Was het wonder, dat I\'aets eene schermutseling had gehoord,
die hem, meer dan hjj zich zelven bekennen wilde, verontrustte \'1
Vaandrig de Preys had zich van zjjn last getrouw gekweten:
onder zijne hoede waren meester Zilbrecht en Gouda naar de
Kreeft teruggekeerd; onder zijne hoede hadden de ruiters van
Bacx zich in het lusthuisjc gelegerd. Viel het aan de tooverkracht
van de liefde, of aan de onuitputtelijke luim van Xicolaas dank
te weten? men kieze; maar Wouter Willemsz gevoelde geen pijn
meer. De drie jongelieden hadden stoffe voor onderhoud genoeg
in het bal. door den schalk bijgewoond. Al liet de ondeugd
Cleopatra in de schaduw, al haalde hij even weinig op van haar,
die hij in den maneschijn naar huis had geleid, eer hij besloot
te gaan zien wat Hercule et ses hrares was weervaren, hij wist te
vertellen tot de musketier hem bewonderde, tot de Jonker hem
benijdde; de luisterenden hingen aan zjjne lippen.
Maar een uur lang door geestigheid te boeien moge aangaan, zjjn
gehoor bezig te hlijren honden, bij volslagen gebrek van afwisseling
in den uiterlijken toestand, op den open weg, in den nacht.. .
„11 ij a nn ferme a toni," zeide Xicolaas tot zich zelven, toen
Wouter Willemsz, die eerst al eenigszins onrustig heen en weer
had gewriemeld, eindelijk het lusthuisjc binnenging, om eens te
-ocr page 193-
182
zien hoe de ruiters Arie den schouder in het lid zouden zetten,
en vaandrig de Preys voor de derde maal naar boven blikte,
of ten leste het sein uit den toren gegeven werd.
mSaeur Anne/ steur Anne/ ne cois-fu rien venir?" schertste de
schalk, al was hij stellig de geduldigste van beide niet.
Krank antwoordde hoofdschuddend en vroeg op een toon die te
onverschillig was, om door Xieolaas voor waar te worden gehouden :
„Eli was de dochter van den schepende la Geneste ook op het bal?"
„Certesf*1 luidde het antwoord, „et elle u dansé! ..."
„Met..." en de Jonker wist wel waarom hij haperde, „met u?"
kwam er eindelijk uit.
„Jivc sou fufnr... Dites donc, Vam\'/f il nyy a pas manches
en février, et cependunt on d\'trait que rous vuns en sentez piqué.."
„/>» tont" beweerde de Preys.
„Ow ne danse guères en pat/s calriniste" beweerde Xieolaas
al vragende; „cc grand sérieuz ne mUrait pas..."
„Toegestemd," lachte Krank; .maar al danst men ten onzent
niet drok meer, een deftig dichter heeft gezongen, dat men eerlijk
ten dans mag gaan."
9Paupre tianse.\' il lui faut donc chez rous uit poet e pour gatjner
son proces,"
plaagde onze schalk den Jonker; „chez nous Mon-
seigneur Ie permet même ii ses officiers. Et s*il s\\tvisaif de Ie
défendrey la passion se moquerait b/en de lui! Ah! la danse,
c1est Ie pas accéléré de Vamaur...
."
Toch beet de Preys aan den angel niet; hij zag op naar den
ouden wachttoren; het sein moest gegeven zijn, dacht hem; —
slechts was in de schemering de lucht zoo grauw geworden, dat
hij het niet onderscheiden kon, vreesde hij. IJdele hoop! ijdel
vermoeden. Op bleef hjj des ondanks staren, op! eene lange
wijle; daar siste, daar vlamde iets door de lucht.
„Une fuseer* riep Xieolaas, „cVW Ie pol ich in el Ie."
Er volgde ravengekras.
Ravengekras! - maar van eene menschelijke stem, hoe mees-
terlijk ook nagebootst. Kavengekras! -- uit datzelfde venster
over welks kanteel zjj zich hadden gevleid een witte vaan te
zullen zien wapperen. Kavengekras! dat altijd onheil beduidt!
Er moest onraad binnen het kasteel zijn; hunne makkers hadden
behoefte aan hulp. Vrage en antwoord!\' die vielen niet te wis-
sclen; bij de onzekerheid, wie op dat oogenblik in de vesting
triomfeerde, zouden zij zelfs niet raadzaam zijn geweest, al waren
ze mogelijk gebleken; er werd bijstand vereischt; hoe viel deze
aan te brengen P Vaandrig noch musketier stroomde het bloed
traag genoeg door do aderen, om zich te beraden; van aarzelen
geen zweem.
„Er rest geene keuze,,\' sprak de Preys, „wij moeten met hen
-ocr page 194-
183
sterven, als wij er niet in slagen kunnen onze makkers te ont-
zetten," en hij vroeg aan Xicolaas of deze den weg naar de
hoofdpoort wist.
„Je vohs Ie montrerai; je ne vous quitte pas; des armes!"
„Met ons drietjes?" vroeg Wouter.
„Wij hebben hier nog tien ruiters van Bacx, die voor het dub-
beltal mogen gelden," hernam de vaandrig, er niet eens aan
denkende, dat zijn commandant andere bevelen had gegeven.
Wouter dacht er wel aan, maar... voor het eerst van zijn leven
bescheiden, achtte hij die herinnering aan zijn meerdere ongepast.
„Als het ons gelukt, de wacht aan de poort te overweldigen,
dan is het verdere maar spel."
Weer kliefde een voetzoeker het grauwe zwerk, weer deed het
ravengekras zich, ditmaal nog scheller, nog snerperder hooren;
ten antwoord noot Wouter Willemsz het Wilhelmus.
„Vooruit, mannen! naar de vesting!\'1 riep de Preys den ruiters
toe, die het bevel niet hadden afgewacht om zich buiten in het
gelid te scharen, zoodra Xieolaas binnen was gekomen, zoodra
deze zich de wapens van Arie had aangegord; blooman mocht
de Kreeft in zijn centje opzoeken.
Zoo snelden, zoo stormden zjj voort. Hoc de jonge aanvoerder,
zonder de bezwaren te berekenen, zich verheugde eindelijk ge-
legenheid te hebben, blijken van zijn moed te geven; ein-
deljjk kans te zien zich te wreken. En do manschappen \'t
tegenover gedwongen werkeloosheid was het hacheljjkst gevaar
hun weelde. Daar zij zich aan deze zijde der rivier bevonden
hadden zij wel het groote voordeel, niet verplicht te zijn de brug
over te trekken, op allerlei wijze tegen ongeroepen indringers ver-
zekerd, maar wachtte hun de onaangename verrassing over de
hegge van palissaden heen te moeten klimmen, door den eersten
schildwacht den besten, die hen mocht opmerken, met een sma-
deljjken verspiedersdood bedreigd. Het weerhield de vermetelen
niet: de fortuin bleek den stouten gunstig. Er was in het kasteel
te veel buitengewoons voorgevallen, dan dat op zijne toegangen
de gewone waakzaamheid langer zou hebben geheerseht. Het ge-
lukte hen onopgemerkt tot de hoofdpoort te komen.
Een enkele schildwacht, die niet te geregelder ure was afgelost,
stond tegen den buitenmuur te leunen op zijn vuurroer.
„Doorsteek den paap!" hoorde Wouter Willemsz een der rui-
ters zeggen, tot den kameraad het dichtste ter hand.
Maar onze musketier stoof den uitgetogen sabel voor; de Bis-
schoppelijke was ontwapend.
„Liiye," zei hij, meonende te worden afgelost, „ Liège et..." hjj
kon zich het tweede woord van het parool niet herinneren.
„Et sa biire," vulde Nicolaas aan.
-ocr page 195-
1*4
De hachjes van Bacx! hoe zij de gesloten poort zochten open
te rameien door sabelhouwen, al gaf het meer geruchts dan uit-
komst; overal was zij met ijzer beslagen.
Het alarm deed intusschen den portier ijlings toeschieten; de
lust tot tegcnweer faalde den grijskop niet, toen, — hij schaterde
het uit, toen de Preys beweerde, dat de vesting in Staatsolie
handen was gevallen.
„Z> carnaval est pass//" was zijn antwoord.
Ér vielen schoten, waar de ruiters om het slot eene handbreedte
onbeslagen hout hadden ontdekt.
Weg week de grijskop, en luide riep hij de wacht, maar geen
enkele soldaat sprong ter hulpe.
„Open het klinket, of gij zjjt een man des doods!" beval de
vaandrig.
Be poort dreunde onder het beuken en hakken der ruiters.
„Les rh\'s se troitvent chez Ie commandant P1 kermde de portier,
bezwijkend van schrik; hij hoorde in de vesting zelve vechten!
„Een sleutel van het klinket hebt ge!" riep de Preys, stampend
van ongeduld. „Alzoo, doe open! als gjj ons nog eene seconde
laat wachten, brengt gij er het leven niet af!"
De hellebaardiers hadden een vergrij]) tegen do tucht goed te
maken, en de Staatsehen ervoeren het, hoe slaapdronken de eersten
ook met Kerkadct mochten zijn te wapen gevlogen. Om de kapel
werd gevochten, dapperder gevochten, dan Paets dacht. Toch sloeg
de schaal naar zjjne zijde over; de soldaat, dien hij op kondschap had
uitgezonden, keerde terug met het bericht, dat de bisschoppelijken
weken, dat ze weldra de wapens zouden neerleggen. Zouden!\' mocht
het hem volstaan om zich naar de hoofdpoort te spoeden t De vraag
zal niet de velerlei antwoorden ontlokken waarin zoo menig gevecht,
natuurlijk apris roitp en te vaak lion dit lieti wordt bestudeerd;
antwoorden, die ons dikwijls eene verbeelding deden bewonderen,
in het wildste gewoel het spoor nooit bijster; die ons in deze wel
eens eene fakkel leerde begroeten, te kalmer, te klaarder schijnende,
naarmate de kruitwolken dichter en duisterder werden!
Paets aarzelde niet de uitvoering van het plan voort te zetten,
ten gevolge van rijp overleg vastgesteld; na de overmeestering
van het logies der soldaten en de gevangenneming van den Gou-
verneur, moest het bezetten der hoofdpoort de verrassing voltooien,
zijne gemeenschap met de stad verzekerende. De sergeant, die bij
de kapel het bevel voerde, had te zorgen, dat wat naar deze
opging onschadelijk werd gemaakt; en de Bredaënaar bleek het
vertrouwen, in hem gesteld, ten volle te hebben verdiend. De
krijgslieden, die zich ter kerke wilden begeven, waren gekneveld
geworden, Kerkadet\'s poging tot ontzet was afgeslagen; was zelfs
-ocr page 196-
18.")
met het wonden van den wakkersten zijner hellebaardiers geboet.
Toen Charles, dientengevolge, na een derden aanval, ten leste
afdeinsde, had de sergeant zich echter wel gewacht, zijn voorschrift
te overschrijden, door dezen te vervolgen; zoodra hjj meester was
van de menigte in de kapel, dus had hem I\'aets bevolen, moest
hij de gevangen genomenen voor het oogenblik in den kerker van
het kasteel in verzekerde bewaring brengen.
De Bisschoppelijke officier, trots den nacht op het terrein te
huis, week, al strijdende, en beleefde zijn bitterste oogenblik, toen
hij door duisternis en walm van toortsen heen, den Gouverneur
van verre gevankelijk zag wegleiden, zonder dezen ter hulp te
kunnen komen; toen hij den toestand van het kasteel allengs
volkomener vermoedde. Al wat hem overbleef, wat was het anders,
dan zich naar de hoofdpoort te begeven!" niet om te vluchten,
neen, maar om, ontkomen, in staat te zijn met versterking
uit de stad terug te kecren. Hij had haar met zijn zevental
bijna bereikt; daar stieten zij op I\'aets en het drietal dat dezen
vergezelde.
Welk eene kans voor Kerkadet!
De Staatsche luitenant zag zich en de zijnen in het grauwe van
den uchtendstond, die getuige hunner zege had moeten zijn, om-
singeld! Trots al zijne bedaardheid, trilde hij van spijt. Slechts
vier tegen acht, die van geene vermoeienis, als de eersten hadden
doorgestaan, wisten, — vier tegen acht, die, na een inval als den
zijnen, geen kwartier zouden geven, — vier tegen acht, zjjne
overige soldaten te verre verspreid om op hun bijstand te mogen
rekenen! — het was om wanhopig te worden! Rustig echter riep
Paets den zijnen toe, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen,
en stelde zich zelven schrap tot een strijd op leven en dood met
Kerkadet.
Ter ecre van den Bisschoppelijke]] officier zij het gezegd, het
kwam geen oogenblik bij hem op, dit geïmproviseerde duel te
ontduiken, veel minder nog het tot een ongelijken strijd te maken
door zijne manschap daarin te betrekken. Jong, dapper, te schaars
nog in de gelegenheid geweest den moed die in hem blaakte bot
te vieren, beval hij zijn volk zich enkel met die roovers bezig to
houden, hem alleen met hun aanvoerder te laten begaan.
En zjjne hellebaardiers waren er geen vuurvreters naar, om
dien wensch in den wind te slaan.
Arme Kerkadet! meent ge. Inderdaad, weldra bleek het, dat
hij zich niet slechts aan een der onversaagste, dat hij zich ook
aan een der behendigste officieren van Héraugière had gewaagd,
even stout en forsch in het uitvallen, als snel en gevat in het
pareeren; een oogenblik later en hij zou zijne edelmoedigheid
duur hebben betaald. Maar al mocht, en al moest I\'aets al zijne
-ocr page 197-
LSI!
aandacht geven aan deze tweekamp, viel het te verwachten, dat
hij dit konde doen met de zorg voor do zijnen belast, ziende hoe
zjj togen de overmacht worstelden ? Stel u voor, dat de zege u
te ontglippen dreigde, in het oogenblik waarin gij geloofdet haar
bij de vleugelen te hebben gevat; stel u voor... maar waartoe
beeldspraak? Paets zou ons minder lief, zou geen mensch zijn
geweest, als hij, trots het gevaar van zjjn eigen leven, toch niet
op zijne manschappen had toegezien.
Charles was intusschcn volkomen in zjjn recht met onvoorzich-
tighcden van dien aard zjjn voordeel te doen; het getuigde mis-
schien maar te zeer, dat hij tot nog toe slechts de floret had
gehanteerd, zoo de Staatsolie luitenant nog leefde. Afweren, de
bisschoppelijke bleek er meester in; maar van het oogenblik
gebruik maken, dat Paets in doodsgevaar zag, Kerkadet miste er
den tact toe. Hoe het den jonkman ergerde, hoe hij besloot bij
den eerst volgenden kans toe te stootcn! En uit bleef deze niet!
Paets gaf zich geheel bloot! Hij zag zijn trouwen kondschapper
voor de overmacht van drie wjjken! waar waren de beide makkers
van dezen? Faalde het hun aan kruit!\'\' waren zij in de drift ter
zijde gelokt? Vergeefsche vragen! maar achtte hij dan den degen
van Kerkadet niet:\' tenzij dat flikkerende staal werd afgewend,
zou ...
Het was Paets niet die den bliksem ter zijde deed schieten:
een musketkogel snorde langs den schouder van Kerkadet, en
getroffen zonk oen der hellebaardiers achter dezen neer! Charles
had, omziende, zijn laatsten kans verloren; het was het schot van
Wouter Willemsz, dat Paets redde!
Frank de Proys volgde, het bloote rapier ter hand, het grootste
gedeelte der ruiters van Bacx aanvoerende! Eensklaps zich zijne
overmacht bewust, vermaande Paets Kerkadet zich en de zijnen
over te geven; alle tegenstand was nutteloos geworden. Maar do
teleurgestelde Bisschoppelijke luitenant, wild van wanhoop, wei-
gerde zijne nederlaag te erkennen, drong op Paets toe en kwetste
dezen in den rechterarm. Eer do ditmaal toch verraste bodaard
den degen in de slinkorhand had overgebracht, stond Frank do
Proys tussehen beide en stolde zich partij.
„A nous deux, Kerkadet/" riep de Jonker.
„Gjj kent mijn naam; noom den uwen!" eischte Charles,
parad eerende.
„Het pachtertjo van gistermorgen bij den Schepen, de vaandrig
van Héraugière, Frank de Proys!"
„Tont brigand que pous éten, comme frïre vous avez Ie droit
de me haïr; en //arde."
En liet de bedaarde Staatsche bevelhebber dezen ijdelen twee-
strijd toe? vraagt mijne lezeres en vraagt het terecht; want bij
-ocr page 198-
[87
de hartstochten, hier in het spel, kon do afloop niet anders dan
voor een van beide noodlottig zijn! Stelle zij zich intusschen ge-
rust ; bezig orde te houden bij het gevangennemen der bissehop-
pelijke hellebaardiers, om genade sineokendo, terwijl do ruiters van
Bacx beweerden het recht te hebben hen over de kling te jagen,
hoorde hij nauwelijks hot kletteren der degens, of zijn gezag
was voldoende den strijd te staken.
„Luitenant Kerkadet! de vesting is ons! geef u over zooals de
Gouverneur het deed!" sprak Paets ernstig; vrotre honneiir est
snuf.
Gjj waart straks edelmoedig jegens mij, noodzaak mij tot
geene hardheid! Uw degen..."
vSoit, hi voila/ Fidele eerviteur de VEglise^ lesSaint* auraient
dü me venir en aide.m
„Die verbeeldt zich dat de Heilige Petrus met zijn zwaard en
zijne sleutels tusschenbeide had moeten komen!.." spotte Daam.
„Wel zeker! mirakelen voor de cause der papisten!" luidde
het wederwoord.
„Zwijgt, mannen! wie den luitenant hoont, heeft met mij te
doen!" Het was Paets, die zijn gezag gelden deed.
En waar school Kosse Jan, die, sinds hij op weg ging om uit
den ouden wachttoren het sein der overwinning te geven, van
verre bij de kapel getuige geweest was van den onverwachten
weerstand door Kerkadet en zjjn hellebaardiers geboden; waar
was hij gebleven, sinds hij de Staatschen op hunne beurt over-
vallen had gezien, en, naar zijn eigen hoofd handelend, beproefde
de redding te doen dagen ?
Hij vleide er zich in het eerste oogenblik nauwelijks mede;
hij vreesde zelfs het ergste; dat zjjn gids hem in zijne vaart niet
was gevolgd, bevreemdde hem weinig, bekommerde hem schier
niet; hij vroeg zich zei ven slechts af, hoe het den vaandrig en
zijne manschappen mogeljjk zou zjjn binnen de vesting te komen?
De koordladders waren op zjjn bevel binnengetrokken, toen
Paets die had bestegen; zou hij deze weer uitwerpen? maar op
het Wilhelmus volgde geen later sein! Luisteren mocht hij, er
werd beneden met geen leer gestootcn, — luisteren, als dat ge-
rucht niet tot hem zon zijn doorgedrongen, men had wapenge-
kletter kunnen beproeven, — maar het bleef stil. Het lag niet
in de Preys, ten minste geene poging tot ontzet te wagen; maar
wat wist de vaandrig van den weg, die naar de hoofdpoort
voerde? Hoe Kosse Jan zich zelven verweet, dezen geene schets
van den omtrek des kastccls ter hand te hebben gesteld...
Héraugière zou er voor gezorgd hebben, vleide hij zich; zoo-
als wij allen ons in den uitersten nood met uitkomst vleien, hoe
wanhopig dergelijke hope zij!
-ocr page 199-
188
Eerst toen dacht Posso Jan aan den monnik, zijner hoede ont-
snapt; den monnik, misschien bij de kapel de menigte door zijne
dweepzucht bezielende; maar in het volgend oogenblik was hij
ook op de plaats des gevaars, en, God lof! geen opgeheven
krusifiks werd van verre gezien. Vreemd genoeg, zoodra die
vreezo ijdel was gebleken, week ook de angst, dat de vaandrig
zijn weg niet zou weten te vinden, en, de hoofdpoort naderende,
zag hij inderdaad de sidderende hand des portiers den sleutel
in het slot steken .... de waaghalzen steven binnen.
„ƒ.« plan belle nuit de ma vie!" begrootte hem Nicolaas.
Trots al het hachelijke van den toestand, schertste de Luikenaar:
9Mais non la plus douce?"
„\'Werwaarts?" vroeg de Preys, ernstig als onze landaard.
„A tout luiaard, hij rechts, wij links," hernam de polichinel, en
een drietal ruiters vergezelde Posse Jan en des Dekens zoon den
weg op naar de kapel.
9Nou8 n\'ueona que faire /W," beweerde Nicolaas, die van verre
het gekrijt van gevangenen hoorde, door Staatsche soldaten naar
den kerker gevoerd; die boven allen uit eene vrouwenstem : „moti
petitl mon petit.\'"
hoorde jammeren; die in een schaterlach
schoot, toen zij van Pierrot sprak, „ton cowpère, Poliehiitellel"
Maar Itossc Jan beantwoordde den kwinkslag niet; maar Posso
Jan werd den monnik gewaar, die, ondanks zijne zwakte, beurte-
lings twee krijgsknechten te ljjf wilde, die dezen belemmerde in
het overbrengen van een priester, tusschen hen beiden geplaatst.
De dweepzieke beschermer! zijn beschermde had er te bitterder
door te lijden. vMon pcre.\' mon pi-re."\' kreet de monnik, „jioncez
vous me pardonner?"
en de woestheid, waarmede de rotsbeklim-
mers hem terugstieten, bezorgde stoot op stoot aan den geesteljjke
dien zjj medevoerden. „I\'ourez roiis me pardonner f\' maar het
schijnsel van een paar gewjjde wastoortsen, uit de kapel geroofd,
mocht allerlei hartstochten op die tronies verlichten, tot de tranen
van Jeanneton toe: het gelaat des priesters geleek een standbeeld.
"Wat de monnik ook beproeven, wat hij bidden mocht, de trekken
van den geestelijke bewogen zich niet. Hosse Jan had in een
oogenblik den biechtvader geraden, Kosse Jan had al het gevaar
begrepen, dat uit eene voortzetting van dat geworstel groeien kon.
„Grijpt dien krankzinnige!" sprak hij tot een paar der ruiters van
Bacx, en de ruwerts, anders gewoon met eene monnikspij den
spot te drijven tot zij in flarden vloog, ze gevoelden deernis. Hij-
gendo van uitputting, de oogen gloeiende van eene geestdrift, dio
aan zinsverbijstering grensde, had de monnik zich neergeworpen
aan des paters voeten; de soldeniers schopten, maar de dweper
week er niet om; uit strekte hij de magere handen; uit of hij
den zoom van het kleed des priesters vatten mocht...
-ocr page 200-
IS!)
Deze deinsde als met afschuw terug; een krijschende kreet van
den monnik bij het gebaar, bjj het zien van den blik, dien zijn
biechtvader op hem wierp! Weerloos liet hij zich op den wenk
van Rosse Jan door de ruiters van Bacx medevoeren.
„S/, sï /faurai xoiti du petif et fh> Loirfotte" verzekerde Nicolaas
aan Jeanneton; hoe drommel was hij op eens de vertrouwde van
het weeuwtje geworden?
Open ging de kerkerdeur voor de gevangenen. „/Vr /r/.\'"riep
Rosse Jan tot Nicolaas enden ruiter; het gehoorde schot gaf hem
de richting aan, in welke nog gestreden werd.
Het gevecht was echter ten einde eer zij de plek bereikten, en
luitenant Kerkadet reeds naar zjjn logies geleid.
„Dank en straf moeten hier hand aan hand gaan," sprak Paets
bewogen onzen Frank toe; „eerst," en de armen van den man
van meer dan middelbaren leeftijd omvingen desjongelings borst;
„eerst het harte, — de Preys! ik dank u mjjn leven!*\' Toen trad
hij terug: „En nu de tucht! Vaandrig! ge hebt tegen mijn be-
vel de ruiters van lïacx in gevaar gebracht; een ander dan gij
moet de bode aan Kapitein Héraugière zijn, die over uw gedrag
vonnis vellen zal."
„Ik ben de schuldige!" beweerde Rosse Jan, „ik gaf een
sein, dat gij niet voorschreeft."
„Als mij macht over u gegeven ware, ik zou u verplichten
den vaandrig te bewaken."
y,Acceptc7" zei Rosse Jan.
y,PolichhtfUe tjardien/*\'
„Mijn broeder\', mjjn Gérard! laat mij hem weerzien!" kreet
de Preys, die allengs begreep, dat Paets hem niet doelloos onder
de hoede van Rosse Jan had gesteld: dat de Luiksche spie, door
wien het kasteel in alle richtingen was doorkruist, de zekerste
gids zou zijn om den gekerkerde te vinden.
„Weerzien!\'\' hernam de polichinel; „weerzien! wat zjjn wij
dwaas er naar te verlangen, als er sedert het afscheid jaren zjjn
voorbijgegaan; als we beiden, wie weet hoe, zjjn veranderd!\'\'
„Mijn broeder!" riep het harte.
„Luister!" sprak Rosse Jan; „luister! ik heb allerlei weerziens
beleefd! hoe ik die moede ben! Laat zien, wat was het eerste?
iets onbeduidends zult ge zeggen, iets dat niet eens leefde,
maar een heester, doch dien ik zelf had geplant, doch waaraan
het harte van den borst hing, zooals de knaap later aan zjjn besten
makker, de jongeling aan zjjne uitverkorene, de man aan zjjne
vrouw, zijn al!" welk een bittere lach bij dat woord! — „vanden
vader spreken wjj niet, ik wil bjj mijn zinnen blijven ! Welnu, ik
was, slechts een jaar, neen, korter nog, ik was, van vroegen herfst
-ocr page 201-
190
tot late lente in het klooster ter school geweest; ik keerde huis-
waarts, ik zag de bladeren van verre al groen, ik zag mij de
bloesems toewuiven, ik sprong in den hof.... Maar, ge luistert
niet, de Preys ï en toch moest gij het doen, want dat eerste weer-
zien mocht het voorspel heeten van ieder volgend, dat ik beleefde ;
mijn heester, mijn bloeiende heester was door wormen zonder
tal doorknaagd en verteerd; het weinige loof, dat hij nog droeg,
wekte walging; ik deinsde weg, ik wenschte dat ik hem nooit
weer had gezien!"
„Mijn Gérard!" de vaandrig had wel bemerkt, wèl gehoord, dat
Rosse Jan sprak, maar verstaan, geen sylbe.
„Ik heb u gewaarschuwd niet meer naar hem om te zien," was
het antwoord.
„ Waarschuwen f — den weg wijzen, eisch ik; den weg, om mij
in zijne armen te storten ...."
„Dien weet ik niet! Als hjj u weerziet, zal hij u den rug toe-
keeren."
„Hij, mijn Gérard! Laster!" borst Frank verontwaardigd uit.
Rosse Jan dulde het verwijt: hjj had meer verdragen.
„Als gij iets wist te voelen van de tecderheid zulker banden;
als gij irta vermoeddet van de trouw, welke wjj elkander zwoe-
ren, ge zoudt mij niet dus martelen!" kermde de Jonker, „go
zoudt mij ...."
„Genezen, door u te doen duizelen van den slag; God geve
het!" hernam Kosse Jan: „gij wilt het, ga mede!"
En hjj voerde hem voort als een kind, zouden we gezegd heb-
ben, indien den misvormden man, tegenover den vaandrig, de
vaderlijke verhouding goed had gestaan; hoe het zij, de hand van
de Preys in de zijne leggende, sleurde hij dezen in snellen gang
naar de kapel van het kasteel mede. Het kleine heiligdom was
niet gesloten; de beide ruiters van Hacx hielden er met een paar
soldaten van Hóraugièrc de wacht; en do toegang werd Rosse
Jan, dien allen als de ziel der onderneming kenden, niet gewei-
gerd.
/elf zwijgende, ja, den vinger op den mond leggende om Frank
tot stilte te vermanen, trad de Luikenaar met snelle, lichte treden
voort, altijd zijn metgezel aan de hand houdende, die hem in
behoedzaamheid evenaarde, welke vraag hem ook op de tong
branden mocht. Het was een overoud gothisch gebouwtje dat
het flauwe morgenlicht maar uit enkele hooge en smalle boog-
vensters ving; door de rijk geschilderde ruiten kon het nauwelijks
heendringen. Er brandden geenc waskaarsen meer op het altaar;
doch ondanks de duisternis getuigde allerlei wanorde slechts te
zichtbaar dat het morgenoffer reeds vóór den aanvang was gestoord.
Al moest het oog zich eerst aan dit schemerdonker gewennen
-ocr page 202-
191
om de bontgekleurde gestalten van heiligen te onderscheiden,
die uit hunne nissen op u schenen toe te treden, toch had de
valkenblik van Rosse Jan eene menschelijko gedaante bespeurd,
die geknield lag voor de trappen van het altaar, het voorhoofd
op het kille marmer gedrukt. Nog eene snelle schrede voorwaarts
en Frank de Preys was in hare nabijheid gevoerd. Hij begreep
niet wat zijn wegwijzer meende, toen deze hem zwijgend op den
gebukte wees: den gebukte, in wien men geen levend wezen zou
hebben begroet, zoo men niet de eentonige klanken had gehoord
eencr litanie; klanken die zijne lippen ontgleden tusschen de
boetetranen door, op dat marmer neervallende.
.Maar dat is een monnik!" riep Frank de Preys, nog onge-
loovig en toch met een smartelijken schrik.
„Hij is het, wien gij zoekt!" sprak de I.uikenaar fluisterend.
„Het kan niet zijn!" wilde Frank getuigen, zich zelven niet
meer meester en naderbij tredende.
De monnik was zoo verdiept in zjjn vurig boetgebed, dat hij
tot hiertoe niets had opgemerkt van \'t geen er rondom hem
voorviel; slechts had de uitroep van Frank zijn oor getroffen.
Hjj bleef geknield, maar richtte het hoofd op en scheen te
luisteren.
„Gerard! mijn Gerard! moet ik u dus weerzien!" riep de
jonkman en schoot op hem toe.
Doch de monnik maakto met do slinkehand een afwjjzond
gebaar en sloeg zich op do borst, onder het uitspreken der
bezwering: „vade retro, Satan as!"
„Gerard! ben ik dan uw lieveling, uw Frank niet meer?"
De ongelukkige, door dweepzucht verstompt en versteend, ree»
niet op, strekte de armen niet uit; hjj riep met klagende stem:
„Ik wist wel, dat de verleider tot mij zou komen onder do
liefelijkste gestalte!"
En hij smeekte:
„Veilig mij, Heilige Moeder Gods! veilig mij, allen gij Heili-
gen! Heilige Drievuldigheid! ontferm u mijner! geef mij de over-
winning! Verlos mij van de macht des vleesches!"
„Krankzinnig! is mijn broeder krankzinnig geworden?" riep
Frank, bleek als een doode zich naar Kosse Jan omkeerende.
„Hjj wordt er niet voor aangezien; dweepzucht maakt slechts de
ziele bijster."
„En Roomsch! hij!..." barstte Frank los onder tranen. „Hijr
die zoo heftig een afschuw placht te hebben!"
„Het verkeerde, als gij ziet!" merkte Rosse Jan aan.
„Maar daarin kan ik niet berusten," hervatte Frank, en wierp
zich naast den knielende neer, sloeg hem don arm om den hals,
trok zijn broeder de hatelijke monnikskap van \'t gezicht en zag
-ocr page 203-
192
hem aan, oog in oog, met dubbele deernis, om den wille van
dat bleek, dat lijdend gelaat.
„Gerard! mijn wellieve Gerard! kan er oen godsdienst zijn die
broederliefde zonde maakt?"
„Er zijn zondaren voor wie het ongeraden is naar de stemme
des bloods te luisteren," antwoordde deze dof en droevig, terwijl
hij het hoofd afwendde om den smeekenden blik van Frank niet
weer te ontmoeten. „Ik wist, dat gij komen zoudt, en, zooals gij
ziet, ik wapende mjj tegen zwakheid in den gebede."
„Gebeden, die God niet zal aannemen! Gij wapendet u togen
mij! Gerard tegen zijn Frank ! tegen zjjn broeder! die bijkans zijn
zoon was!"
En de stem van den jonkman klonk zoo zacht, dat de onge-
lukkige dien zoeten drang niet kon weerstaan, maar onwillekeurig
aan de overmacht der liefde toegevend, het hoofd op Frank\'s
schouder liet rusten en smeekend zijn naam uitsprak.
„Ik heb overwonnen!" juichte deze en wilde hom opheffen,
maar op eens viel Gerard uit op schrillen, scherpen toon, zich
van hem afwendende :
„Weg van mjj!... Wat zjjt gjj hier komen doen?... Door
verraad ingeslopen, komt gij roof en moord plegen! Ik wil geen
gemeenschap hebben met u, noch met uwe misdaad! Reeds nu
bedrijf ik boete, omdat ik er deel aan heb genomen!"
„Dit is waanzin!" sprak Frank mistroostig Rosse Jan toe.
„En waanzin als deze, geneest men niet door tegenspraak,"
fluisterde de Luikenaar. „Laat ons gaan..."
„Hem in zulkcn toestand aan zichzelven overlaten," hernam
Frank aarzelend.
„Ja! opdat hij geheel zijne verlatenheid gevoele! Gij hebt naar
mijne waarschuwing niet geluisterd! volg voor \'t minst thans
mijn raad, dan rest er nog hoop!"
„Vaarwel, broeder!... sinds wij niet meer samenstcmmen!"
zocht Frank uit te brongen.
„Vaarwel!" klonk het dof; het hoofd van Gerard, in do kap
gedoken, was reeds neergezonken op de trappen des altaars.
„Welk een weerzien!" snikte Frank, zich lucht gevende, toen
zij buiten de kapel waren; hoe dat bange voorgevoel niet bo-
driegeljjk bljjkt; dit is erger dan de dood!"
Rosse Jan antwoordde niet, Rosse Jan voerde den vaandrig
mede naar een der torentinnen des kasteels; had hij behoofte
aan verheffing? Trots den winter, was het uitzicht verkwikkend.
Het bleek dag geworden; — men zag hoe de vloed zich om de
heuvelen slingerde; — allengs dunde de nevel, allengs trad het
landschap aan het licht. Eerst dichterbij, toen in het verschiet,
op hoogte bij hoogte verhief zich geboomte in witten dos ge-
-ocr page 204-
HKi
tooid. Daar wolkte het in de dalen; en eensklaps uit den mist.
die hoog in den hemel hing, eensklaps te voorschijn getreden,
deed de zon de golven gloeien, verkeerde zij den rijm in glin-
sterend gesteente, gaf zij dat bewegeljjke blauw, stijgend uit
schouw bij schouw, haren gulden weerschijn.
„Vrede omhoog en vrede omlaag!" sprak Rosse Jan; „welk
een weelde zou het zijn te leven, gunden wij elkander ook vrede
des gemoeds!"
Daar sloeg de Statenvlag boven hunne hoofden hare banen
uit; beloofde zij dien vrede?
13
De verraaaing van Hoey.
-ocr page 205-
HOOFDSTUK IX.
Voor het eerst na zoovele jaren van scheiding waren moeder
en dochter samen, samen in diezelfde stille huiskamer, welke
Loyse voormaals het kindeke had zien troetelen op haar schoot; —
welke haar het opgroeiend meisje de vreeze Gods had hooren
inscherpen, niet minder krachtig waarsi huwende tegen de strikken
van Home. Voor het eerst zat Loyse Hriant weer op hare eigeno
plaats aan den huiselijken haard, de twintigjarige jonkvrouw tegen
over zich, die nauwelijks meer zweemde naar het tengere dochterke,
dat zij zoo noode in den gevaarljjkstcn leeftijd aan zich zelve had
overgelaten; de twintigjarige, die zjj nu met volle moedervreugde
aan het harte sluiten mocht. En toch, wat had die eerste mor-
genkus, die de vurig verlangde moeder haar op het voorhoofd
drukte, der levendige Madeleine koel geschenen! Hoe weinig
bevatte hare jonkheid nog van die diepten des gemoeds, waarbij
de heiligste hljjdschap, de innigste teederheid zich meest in do
stilheid der onthouding verschuilt: hoe weinig van diezelfverloochc-
ning, welke, gewoon alle hartstochtelijkheid te beheerschen, zich
door geene overmacht van aandoeningen laat verweekeljjken. Kr
was in den ernst van deze moederlijke omhelzing iets, dat Ma-
deleine deed terugschrikken, dat haar hjjkans verkilde. En echter
wat straalde er eene volheid van liefde, als ter wereld geen weerga
heeft in lust om offers te brengen, welk eene moederliefde, want
elke omschrijving verflauwt dat woord, straalde er uit den onbo-
schrjjfeljjken blik, waarmede l.oyse de bloeiende jonkvrouw gade-
sloeg, die daar voor haar stond, aarzelend tusschen het ontzag,
dat de achtbare vrouw haar inboezemde, en de zielsbehoefte zich
met volkomen vertrouwen aan haar hart te storten.
Inderdaad, l.oyse Hriant, wij noemen haar liefst nog bij den
familienaam, dien zjj in hare ballingschap had gevoerd, Loyse
Hriant was eene statige en indrukwekkende persoonlijkheid ; maar
toch geene koude, onbehagelijke mannin, die door scherpheid en
-ocr page 206-
1!)5
hardvochtigheid moest afstooton. Zij was in hare jeugd eenobui-
tengemeonc schoonheid geweest, on daar het betooverende van
deze minder had bestaan in fijnen tint of schilderachtige afwis-
seling van wit en rood, dan in edele trekken on zielvolle oogen,
zoo was, wat haar eigenaardigst onderscheidde, nog niet geheel
verloren gegaan, schoon zjj reeds vijftig jaren telde. Het is waar,
men zag geen rozenkuiltjes, geen sehalke glimlachjes op dit ge-
laat, doch was het door kommer verbleekt, dat lijden had het
ook veredeld; er sprak eer diepe weemoed dan drieste stoutmoed
uit dien schier nimmer blijden blik; maar een waas van hooge-
ren vrede verrukte op het schrandere voorhoofd, al bleek het door
de fijne voren der smart gegroefd. De gitzwarte haren, reeds niet
wat zilver doormengd, met keurige netheid opgestreken onder den
stijfstaanden rand van het zwart Huweelen kapje, gaven, als de
donkere, schilderachtig gebogen wenkbrauwen, aan het wel wat
straffe blauw harer sprekende oogen iets sombers, dat hare gelij-
kenis op hare liefelijke blonde dochter zeer in den weg stond
voor den oppervlakkigen beschouwer, maar des ondanks was die
geljjkenis te vinden, als men wist te rekenen met het verschil van
leeftijd en lot tusschen moeder en kind. De eerste, zwervelinge
van hare jonkheid af, dochter uit een geslacht Fransche Iluge-
nooten, — die als hot ware opgegroeid was met hot zwaard der
vervolging voor oogen, hangende aan een draad boven het hoofd
harer naasten en liefsten en van haar zelve, — die dat zwaard
meer dan eens had zien treffen, maar intusschen gehard was ge-
worden onder deze buitengewone toestanden tot eiken verderen
strijd, en voor wie niets zoo ongewoon was als het gewone alle-
daagsche leven, — en do laatste, de dochter, die op hare beurt,
ja, kruis en lijden had leercn kennen, maar onder transen an-
derc gestalten, slechts onder die, in één woord, welke zelfs de
gelukkigste mijner lezeressen omzweven.
De houding der kloeke vrouw was waardig zonder gemaakt-
heid. Hare kleeding? wie kan zich eene vrouw als Loyse Briant
in dat tijdperk anders denken dan in het deftig zwart van fijne
degeljjke stofte, met den stjjfstaanden plooikraag op den zilveren
halsband vastgehecht; wie wacht bij haar meerdere sieraden
dan een zwaren, goschakolden, afhangenden halsketen, het
bruidsgeschenk van haar echtgenoot, als kostbaar reliek be-
waard: en aan een der fijne vingeren den gladden, gouden
trouwring ?
Zwijgend bleef zij een tijdlang Madeleine aanzien, als verbeidde
zij dat deze het gesprek zou aanvangen; maar daar die aarze-
ling voortduurde, brak zjj ten leste do stilte af:
„Wat gij eene kloeke jonkvrouw geworden zijt, Madeleine!
Mijne kleine Madelon is mij ganschelijk ontgroeit..."
-ocr page 207-
196
„Toch niet vervreemd, zoo ik hoop?" vroeg Madeleine, zacht-
ken» tot haar komende.
„Zou dat ooit kunnen zijn? en toch, nu ik u weerzie in dit
stemmig gewaad, passend aan wie geroepen zijn zich te onder-
scheiden van de wereld, nu, ik erken het, zijt gjj mij veel meer
eigen dan gisteravond in dien weidschen earnavalstooi. Hebt
gij er iets van mcegevoeld, wat het mij zijn moest, mijne dochter
dus weer te zien P"
„Ik heb dat voorgevonld, moedor! ik mag het met waarheid
zeggen. En ik ried den pijnlijken indruk, dien het op u moest
maken; thans echter, na de ophelderingen u gegeven, is die
weggenomen ..."
„Ten deele I"
„Slechts ten deele?" vroeg Madeleine verwonderd en zelfs
wat gevoelig.
„Meent gij dat eene moeder zoo licht te bevredigen is als het
de hoogste belangen harer dochter geldt?"
„Mijn vorschjjnen op dat feest, lieve moeder?"
„Ik spreek niet van die uiterlijke daad, Madeleine! van dien
gang naar het bal, die onvermijdelijk is geweest, ik weet liet;
ik spreek niet van den wereldschen hoogtijdsdos, er toe vereischt,
zelfs niet van de zonderlinge fantasie, u met ongedekte lokken
te vertoonen, als waart gij mee van de wereldsche jufferen, die
deze mode beginnen in te voeren; dat alles laat ik daar; ik
vraag naar het innerlijke, ik vraag naar het harte mjjner dochter
en wat daarin is omgegaan ....?"
„Weet ik het zelve!\'\' zuchtte Madeleine, en bracht de beide
handen aan het voorhoofd, zich de oogen bedekkende.
„Willen wij trachten het uit te vinden?" vroeg Loyse, met
roerende zachtheid van toon.
„Doe zoo, moeder! want ik smacht naar licht; alles in mij is
duisternis en verwarring!" sprak Madeleine, zich naast Loyso
neervlijende, tot deze den arm om haar sloeg en hernam:
„Ik ken zelve dien strijd; ik meen te raden waaruit die duis-
terni8, die verwarring ontstaat. Uw wil was volvaardiger in \'t
ondernemen dan uwe kracht in \'t volbrengen. Gij waart bereid
tot liet offer en ... toch ... het is slechts ten halve gebracht. Uw
harte is verdeeld, het zwerft nog af naar de wereld, het hangt
nog aan dezon Kerkadet."
„Dien bissohopsknecht, moedor?" viel Madeleine met afschuw
in, het hoofd driftig opheffende.
„Mijn kind! daarin ligt niets berispelijk, al was het... niet voor-
zichtig, al school daarin voor u de bron van allerlei strijd en gevaar...."
„Maar ik zeg u, dat ik hom haat, zooals ik liomc haat; dat
althans ligt mij klaar genoeg bij."
-ocr page 208-
197
„Daar is zooveel arglist en zooveel dubbelheid in \'t menscheljjk
hart, Madeleine! dat die gcloofshaat zeer wel kan samengaan met
eene teedere genegenheid, die de consciëntie ons dwingt te be-
strijden, en dat die strijd zelf de vlamme aanwakkert, welke men
tracht te blusschen. Neem exempel aan uw vader en mij. Alles
had ons moeten scheiden. Hij zag in wie zich tot mijne religie
bekenden, niets dan eene rustverstorende sekte. Ik kon niet
goedkeuren, dat hij zich uiterlijk bleet\' voegen naar de vormen
eenor kerk, waarvan hij innerlijk los was geworden. Toch overwon
wat het zwakste had moeten zijn : ons eigen harte. Wij wisten,
dat wjj geen rustig huweljjkslot tegengingen ... Wij werden een
paar! Ik, in de hoop dat mijn voorbeeld hem zou winnen, al
vleide ik er inij niet mee, dat mijne redenen hom zouden over-
tuigen; hij, in den waan dat hij de kettersche vrouw zou kunnen
besehermen tegen den religiehaat zijner verwanten en den ge-
loofsijver der priesters. Gij weet, hoe wij ons om strjjd bedrogen.
Gij weet, welke teleurstellingen ons beiden hebben getroffen, welko
rampen deze wcderkeerigc misrekening ons over het hoofd heeft
gehaald;" - en er was verteedering in den toon, waarop Loyse
volgen liet: „wellieve dochter! hebt gij er niet allerzwaarst den
weersehok van gevoeld? Vermijd daarom eene herhaling van ons
lot, onderzoek uw harte, en zie of zich in dien wrevel tegen den
aanhanger van Itomo geene smarte mengt over den geliefde, van
wien u voortaan alles scheidt; — want gij moogt het Charles
Korkadet niet verhelen, met welk opzet gjj hem naar dat bal hebt
vergezeld, en noch hij, noch zijne verwanten zullen u ooit ver-
geven, wat zij... ik moet het erkennen... gerechtigd zijn, uw
verraad te noemen."
„Dat weet ik, moeder!" hernam Madeleine, ten halve oprjj-
zendo, „en ik bon er trotsch op dit te hebben gepleegd; ik ver-
heug mij, dat ik dit onoverkomelijk struikelblok heb geworpen
tusschen Charles en mij. Ik verlang naar de ure, waarin ik het
hem zelven in hot aangezicht zal kunnen zeggen : „gij hebt mij
geweld aangedaan, gij hebt mij gedwongen tot veinzen, gij
hebt mij verplicht ongelijk te worden aan mij zelve! Ziedaar de
uitkomst! ziedaar do vrucht, die gij hebt gekweekt! Zoo zjj
het!" besloot Madeleine bijna werktuigelijk, en verzonk in een
nadenkend zwjjgen, dat door Vrouwe de la Geneste niet werd
gestoord. Integendeel, do laatste bepaalde er zich bij, onze heldin
met do oogen te volgen, toen deze, van de gedwongen rust wars,
de kamer op en neer schreed als viel haar die ruimte nog te
eng. Op eens echter bleef de Jonkvrouw glimlachend stilstaan
en hervatte: „Ziet gjj, moedor! gij hebt dezen Charles Korkadet
eigenlijk niet gekend, gjj hebt den aankomenden knaap op zijn
best een paar malen gezien : eens toen hij mij op Allerkindorendag
-ocr page 209-
198
geschenken kwam brengen van mijn Peetoom, den goelijken
Kanunnik, en u bijkans toornig deed worden, omdat hjj met
zooveel devotie de potsierlijke paapsehe heiligenprentjes uit-
kraamdc, en de andere maal toen hjj op een Pinksterdag bij mjj
te spelen was in ons lusthuisje. Heugt het u niet meer Pgjj stondt
op uwc laatste reizo naar Spa; Nicaise was nog niet geboren:
maar gjj wenschtet een zoon, en de kleine Charles, de aardige
krullebol, hij lachte u aan. Voor tuiltjes vlechten en kapellen
vangen was hij toen goed genoeg, maar toch, wij kibbelden; wij
kibbelden als altijd; ik raakte aan\'t schreien, en hij kreeg gelijk;
maar de eerste reis zou de laatste zijn, bcslistet gjj: ons spelen
had uit! En nu, weet gij wat er van den vluggen knaap is ge-
groeid? een plompe dienstman der priesteren uit louter plichtbesef,
niet eens een jjveraar voor de Kerk uit geestdrift, bigot zonder
diepte van vroomheid! Ken goed hart moge hjj hebben, hem zijn
waarlijk niet meer hersens ten deel gevallen dan een man behoeft
om ijdel te zjjn op de nietigste voorrechten, om te snoeven op
rang, op gestalte... Ken beau Lteutenant^ die allereerst zich zelven
bel homme acht, die meent, dat hjj voor de vrouwen onweerstaanbaar
is, en die vermoedelijk die mecning zal bevestigd vinden, mits
hij zich wendt tot. .. jufferen, die zjjns geljjken zjjn."
„Ik geef het u,toe, Madeleine! bjj een dus onbarmhartig over
een man uitgesproken oordeel, bjj zulk ecne kennis van wat gij
in hem verwerpt en wat er al aan hem ontbreekt dat gij zoudt
eischen, valt geene vergissing te vreezen, en is mjjne mocderljjke
bezorgdheid beschaamd ! Echter gcrechtigt gjj mij tot verwondering,
ten eerste dat gjj klagen kunt over duisternis en verwarring, waar
gij blijkt zoo klaar en scherp te zien; en vervolgens hoe mijne
dochter dien jonkman jarenlang heeft kunnen dulden, zoodat hij
versterkt is geworden in wenschen en vooruitzichten, die ... op
schadeljjke en smartelijke teleurstelling zullen uitloopen voor
hem alleen!"
„Geloof mij, moeder! er is zooveel vcinzenskunst niet noodig
geweest, om Charles Kerkadet, die als aanverwant ten onzent
recht van intrede had en zich verbeeldde tot mijn bruigom te zijn
bestemd, aan mjjne zjjde te houden. Schier altijd heb ik hem
afgestooten, schaars voorzeker hem aangelokt; en zoo ik hem
niet met opzetteljjkc hardheid verjoeg, zoo ik hem duldde en
droeg, mjj zelve ten spjjt en niet altijd met de grootste lankmoc-
digheid, het was voorwaar niet uit jjdele vrouweljjke behaagzucht,
maar omdat ik mij verbeeldde dus te moeten handelen uit voor-
zichtigheid, ten aanzien van vader en..." hare stom werd aar-
zelend en gedempt, „en voor u!"
„Voor mij?.., ik begrijp niet waarom."
„Charles is als gjj weet een Chapeauvillc, die onze verwant-
-ocr page 210-
199
schap erkende; de overigen legden het er laaghartig op toe...
die te loochenen."
„Ik begrijp mij dat zeer goed; van hunne zijde was dat minder
laaghartigheid, dan voortzetting van al het vorige," zeide Loyse
kalm. Ons huwelijk, gesloten voor de consistorie te Valenciennes,
kon lijj hen noch hjj hunne priesteren voor wettig gelden."
„Uit die oorzaak gaf\' de genegenheid van Charles Kerkadet
mij eenige voldoening, als tegenstelling van de minachting waar-
mede zijne verwanten ra ij bejegenden, zijn oom, de Kanunnik,
uitgezonderd, die er altijd op aandrong, dat ik in hem mjjn aan-
staande zou zien. Dat kon ik niet, dat zou ik hem niet hebben
toegezegd, al had hij mijne liefde verworven, want ik was voor-
nemens aan geen echt te denken, zoolang wjj hier in dezen staat
van onvrijheid verkeerden. Als gij zelve, moeder! zoude ik niet
gehecht hebben aan een huwelijk, ingezegend door een priester
voor het altaar; ik zou het schennis geacht hebben van het saera-
ment; maar te eer liet ik het toe, dat Charles mij volgde als
mijn poursuivant iVumunr. Het veiligde mij althans voor andere
aanzoeken, door welke de eenige dochter van den rijken Schepen
zich bedreigd zag; beden, aan welke ik vastelijk besloten was
geen gehoor te geven."
„Op uw leeftijd zulk een besluit.. P" viel Loyse in, even
glimlachend.
„Ik heb het gehouden, moeder!" hernam Madoleine vast en
fier. „Zoo hot waar is, dat ik eenige oprechtheid jegens Charles
heb gepleegd; zoo ik niet den moed, zelfs niet den wil had, hom
met hardheid in hot aangezicht te zeggen : „Vlei er u niet mee,
dat gij ooit mijne liefde zult winnen; vlei er u niet mee, dat ik
ooit uwe vrouw zal worden!" zoo mag ik er toch van mij zelve bij
getuigen, dat ik nimmer van de voorrechten en gaven mij verleend
gebruik heb gemaakt om uit wufte behaagzucht andere jongelieden
aan te trekken. Charles zal mij nooit kunnen verwijten, dat ik met
zijn hart heb gespeeld, terwijl ik het mijne aan eenander schonk."
„Wie roeme, roeme in den Heer! Dank het Gods genade, en
niet uw eigene sterkte, mijn kind!"
„Zoo is het, moeder!" sprak Madeleine ernstig, vouwde de han-
den en zweeg een poos; daarop hernam zij: „maar ik ben u
schuldig te zeggen, uit welke bijbedenkingen ik geen moed vond
om kloek en waardig met Charles te breken. Gij weet, vader, die
er niet toe heeft willen besluiten de Kerk te verlaten, kon er
evenmin toe komen, zich devotelijk van zijn kerkplichten te
kwijten ..."
„Zwakheid die op eigen beleid steunt en de hulpe Gods voor-
bijziet, vernedert tot menschenvrees, en deze tot dubbelheid; dat
is de gewone gang."
-ocr page 211-
200
„Ik belijde dat het roekeloos dolen was, maar toen ik dien weg
voor het eerst betrad, had ik noch licht, noch steun, noch gids;
hoe kon ik met vasten voet het enge pad kiezen en houden ?
Uw hard lot had op mjjne jeugdige verbeelding den smartelijk-
sten, den afschrikkendsten indruk gemaakt. Uw lijden in dien
kloosterkerker sterkte mjjn moed niet, het deed mjj versagen.
Ik onderkende wel uit uwe standvastigheid, dat gij voor de waar-
heid leedt en het zwaarste offer bracht; maar ik .... ik .... in
verwarring geraakt en heen en weer geslingerd door alles wat mij
omgaf, — nu eens overheerd door schrik en ontroering, bij het
vernemen van uwe folteringen, — dan weer verteederd door de
liefkoozingen waarmee mjjn peetoom, de Kanunnik, en de stifts-
vrouwe, zijne zuster, mij vleiden en verlokten, — eindelijk op
mijn armen vader ziende, die mij smeekte hem ter zijde te blijven
en zijn hartelecd niet te verzwaren, - ik, ik voelde niet dezelfde
bereidvaardigheid in mij om uw exempel te volgen en den zwa-
ren lijdensweg op te gaan."
„Van uwe kindsheid aan voorbestemd tot een hinken op twee
gedachten, mijns ondanks van uwe geboorte af Rome toegeëigend,
was het niet vreemd, dat het zijne rechten op deze prooi gelden
liet; was het niet vreemd, dat gij wankeldet, toen mijne hand u
niet meer kon leiden en steunen!" sprak Loyse, zacht weemoe-
dig. „De Heer heeft gewild, dat ook dit zwaard mjj door de ziele
zou gaan; de Heer heeft gewild, dat gij in deze diepte zoudt
neerdalen, dat gij tot Rome zoudt naderen."
„Helaas! de wereld lachte mij aan, — uw martelaarschap schrikte
mij af, — en het schoen mjj lichter do uiterlijke voorschriften der
Kerk na te leven, dan aan de zwaardere eischen der evangelische
vrijheid te voldoen ... Dat het mij op het allerdiepst heeft berouwd;
dat het mjj gekost zoude hebben u in de ballingschap te volgen,
behoef ik het u nog te verzekeren \'i .... Gij weet, hoe ik later de
strikken verfoeide, waarin zich mijne jonkheid had verward ...
Maar, helaas! daarmee waren ze nog niet losgescheurd .... Daar-
mce was het terugkeeren van den verkeerden weg mij nog niet
mogeljjk gemaakt. Xooit heb ik het dieper ingezien, nooit smar-
teljjker gevoeld dan juist gister, toen ik de bittere vruchten heb
gesmaakt van gevaren, waarin men zich begeeft en aan welke men
zich niet meer kan onttrekken, waarbij terugtreden even onmogelijk
is als vooruitgaan, waarbjj alles wat u omringt, u schijnt toe te
roepen: „hier zult gjj omkomen!"
„ En toch daagde er redding, niet waar ? Toch heeft de Heere
uitkomst gegeven!"
„Ja, wel uitkomst!" herhaalde Madeleine in geestdrift „al was
het in de uiterste ure, en schoon ik dreigde te bezwijken. Dansen,
als men vroolijk gestemd is, als men zich opgewekt en blijgeestig
-ocr page 212-
201
gevoelt, ik begrijp het, ik zou het kunnen meedoen, schoon ik
het een ijdel vermaak achte: maar dansen, met een bezwaard
gemoed als het mijne, met een hart, dat van angst dreigde te bar-
sten; dat, Moederlief\', was ook eene pjjniging, mogelijk lichter
dan die gij hadt door te staan, maar voor mijne zwakheid wel
wat overzwaar! Ieder oogenblik vreesdo ik neer te zinken, en
moest echter nog met een glimlach betuigen, dat ik mij wel ge-
voelde .... Daar daagde de uitkomst, de welkome, door een moe-
dig en machtig held, die mij, met één zwaai van zjjn sterken arm
op eens uit de engte lichtende, in de ruimte bracht! Het was mjj
te moede of de engel van Gods kracht verscheen en zich mijner
ontfermde P\'
En Madeleine\'s oogen glansden van opgewondenheid en hare
wangen kleurden zich met een levendigen blos.
„Kind! kind!\'\' viel Loyse in, ongeruster dan zij wilde doen
blijken. „Uwe geestdrift mag zich geen afgod maken van een
menseh, noch het werktuig uwer uitredding verwarren met Hem,
die het gebruikte."
„Dat zal ik ook niet moeder!1\' hernam Madeleine kalmer. „Het
is de Heer, die het kapitein Héraugière in het harte gelegd heeft,
om vaders getrouwheid en uw ijver voor zjjne zaak te beloonen
met uwe haastige wederkomst, en de roemruchte ritmeester voerde
alleen uit, wat zijn bevelhebber hem had opgedragen! Maar, ziet
gij, moeder! ik had gisteravond uren lang geleefd als in het
vagevuur...."
„Het vagevuur!" viel Loyse in, „dat bijgeloof der Room-
sche kerk...."
„Ik hecht er zelve niet aan; maar ik weet geen beter beeld
om u te schetsen wat ik gevoelde, toen ik mjj daar bewoog onder
die loszinnigen en roekeloozen, die comedie speelden, tot met
de mirakelen des Hoeren toe! Moest niet hij, die mij daaruit
kwam verlossen, mij een bode des Hemels zjjn?"
„Ik begrijp mij den indruk, dien zulk een man onder zulke omstan-
digheden, op den geest mijner Madeleine heeft moeten maken ...."
hervatte Loyse, haar met dubbele opmerkzaamheid gadeslaande.
„Ja! den verwonderljjksten," hernam Madeleine, als onwillekeu-
rig bij zich zelve en met eene naïeve openhartigheid, die zjj niet
wist te beheerschen. „Hij deed mij op eens een licht over mij zelve
opgaan.... Ik zou mogen zeggen, dat hij mijn hart heeft veran-
derd. Enkel eene vraag van hem, was genoeg om mij de dubbel-
hartigheid, die ik tot hiertoe had moeten plegen, te doen onder-
kennen en verfooien, dieper en smartelijker dan ik die nog had
begrepen. Zonderling, niet waar, hem zelven, den vreemdeling,
hem had ik wel vergiffenis willen vragen voor mijn bedrog, dat
hem toch in niets kwetste!... Gij weet niet hoe zijne blijkbare
-ocr page 213-
202
misbillijking van hetgeen ik mijn zwaarsten plicht achtte, mij in
\'t harte trof."
„Ge hebt gezien, Madeleine! dat ik deze afkeuring deel, al
erken ik wat te uwer verschooning strekt Oprechtheid is intusschen
des Christens eerste plicht, en daarom, mclieve! zal niets u beter
passen, dan zoodra mogelijk Charles Kerkadet in te lichten van
hetgeen hem noodig is te weten, al zoudt gjj u zelve daarbij ten
diepste voor hem verootmoedigen...."
„Hij is al ingelicht, moeder!\'\' riep Madeleine met levendigheid,
„Mareelis Bacx heeft het op zich genomen...."
„Die overeenkomst tusschen u en dien vreemde!" sprak Loyse,
met moeite haar schrik ontveizend.
„De overeenkomst van algeheele oprechtheid jegens Kerkadet;
schuilt daar kwaad in, moeder?" vroeg Madeleine de heldere,
blauwe oogen vrijmoedig naar hare moeder opheffend.
„Maar hoe kunt gij klagen over strijd en verwarring in u zelve?"
en de onderzoekende blik bleef op Madeleine rusten.
„Ziedaar juist wat mij pijnigt en ontstemt; oprechtheid moest
ruste geven, en toch, nooit klopte mij het harte onrustiger dan
juist nu!..."
Bonzend viel de klopper neer op de huisdeur; de jonkvrouw
zweeg en verbleekte.
„Wat kan het zijn?" vroeg vrouwe de la Geneste luisterend.
Madeleine was opgesprongen. Voetstappen deden zich hooren
in de gang, maar zij naderden het vertrek niet.
„Toch is het vaders stap!" giste Madeleine, na eene wijle
waehtens. In zekere spanning zagen de beide vrouwen den Schepen
eensklaps binnentreden; reeds in zjjn ambtsgewaad gehuld, de
barrat op, de keten om den hals, trad hij naar Loyse toe, en
sprak wat gejaagd :
„Melieve! ik kwam alleen thuis om mij te kleeden voor het
Kaadhuis; verschoon in mij nog eene wijle den verstrooiden echt-
genoot. — Loyse! Madeleine! deze ure is eene hoogst gewichtige;
de Syndicus heeft den Kaad belegd bij \'t vernemen der verras-
sing van \'t kasteel, en onderweg heb ik een bode opgevangen
van luitenant J\'aets, die herwaarts kwam om mjj mee tedeelen,
dat deze voornemens is de stad aanstonds tot overgave te som-
meeren. — Gelukkig was de Griffier met mij, en konden wij dus
dadeljjk onze maatregelen nemen, ik hoop dat zjj afdoende zullen
zijn en wij het tot eene snelle en goede beslissing in den raad
zullen brengen. — Maar toch... het kan anders uitvallen; wij
moeten op die mogeljjkheid verdacht zijn. Ik zal dan laten waar-
schuwen en Madeleine weet wat zij in dat geval te doen heeft. —
Tot straks, Loyse! ik ga heen om voor u en de uwen hier vrij-
-ocr page 214-
208
heid on veiligheid te veroveren. Uwe tegenwoordigheid in de stad
zal mij een dubbele prikkel zijn om standvastig te blijven. Des-
ondanks... ik voel het in de rilling die mij overvalt bij de ge-
dachte aan mislukking ... gij zjjt te vroeg hier gekomen voor
mijne rust en voor uwe veiligheid."
„Ritmeester Bacx," en Loyse wierp ter sluik een blik op Ma-
deleine, die bloosde toen zij den naam dus onverwacht hoordo
uitspreken, „Ritmeester Bacx had werkeljjk order mij niet bin-
nen de stad te brengen vóór zjj over was; maar eens onderweg,
hadden wij beiden haast."
„Maak dan dat dit te vroeg u noch mij berouwe. Ik zou zwak
worden als ik u opnieuw in gevaar wist, Loyse!" En de grjjze
Schepen drukte zijn echtgenoot een kus op het voorhoofd, die
van iets anders dan van jeugdig vuur, die van diepe, teedere hoog-
achting getuigde. ,Loyse! behoed u zelve zooveel in u is voor
mij; wat het mij zegt u te missen, heb ik te pijnlijk gevoeld, om
u niet te smeeken, u zelve ditmaal niet onvoorzichtig te wagen.
Ik zal Madeleinc op de hoogte houden van alles, wat er op het
stadhuis voorvalt, (iij zult te zamen raadplegen en handelen naar
kloekheid en overleg u ingeven, maar zoo het daar tegenviel, zoo
er strijd moet zijn, eene andore strijd dan die der diseussiön, dan
loopt mijn huis liet eerste gevaar, en daarom beloof mij, Loyse!
dat gij, zelfs bij maar een schijn van gevaar, zonder toeven, zon-
der aarzelen, zonder u om mij te bekommeren, de wijk zult
nemen naar het kasteel: daar zijc gij veilig. Wat er ook gebeure,
niemand hier in de stad draagt er nog kennis van dat gjj leeft!
Niemand onderstelt de mogelijkheid van uw terugkeer. Nog kunt
gjj als eene onbekende, in uwe huik gedoken, Hoey doorgaan,
om u naar het huis van Zilbrecht in de Kreeft te begeven, die
u naar het kasteel zal voeren. Beloof mij te mijner geruststelling,
dat gjj alzoo zult doen."
„Ik zal uw wil nakomen, uw voorschrift stiptelijk opvolgen,
Pierre! Wees er zeker van."
„Daarmee verlaat ik u tot een spoedig weerzien."
„Zoo God wil!"
„Madeleine!" zei do Schepen tot zijne dochter, die hem uitge-
leide deed. „Als er boodschappen mochten komen voor mij, doe
mij die ijlings bezorgen."
„Ik beloof het u, vader! al zou ik zelve..."
Be Griffier trad uit de zijkamer te voorschjjn.
„Vandaag wordt er op het stadhuis niet gedanst, juffer Made-
leinel" zei hij met bedoeling.
„Dat is een zegen, heer Griffier! nu zijn de hecren aan de
beurt," repliceerde Madeleine.
-ocr page 215-
204
Eens gestoord in haar vertrouwelijk gesprek, waren moeder en
dochter op het hoofdonderwerp niet teruggekomen.
Vrouwe de la Geneste wist genoeg, en haar moederhart aid-
derde; maar zij had te veel ervaring om niet te begrijpen dat
waarschuwen bij een opkomenden hartstocht slechts de vlamme
doet uitslaan, die men meent te blusschen.
Afleiden en in de ure des gevaars dubbele waakzaamheid
oefenen, scheen haar de beste partij toe, die zij kon kiezen. En
die afleiding, zij behoefde haar niet te zoeken; de vrouwen dankten
haar eener vroomheid, die voor eene wijle het aardsche wijken deed.
Het was eene gewichtige ure, had de la Geneste gewaarschuwd.
Beiden hadden het diep gevoeld, en.... zij hadden te zamen
gebeden; dat was te zien aan Madeleine\'s glinsterende oogen, terwijl
zij, nog onder den indruk der zielsverhetting, als werktuigelijk de
saamgevouwen handen op de knieën liet rusten. Eoyse Hriant, in
stille aandacht verzonken, hield haar kleine Eransche psalter, half
geopend, tusschen de vingeren gevat.
«Wat zij toch goed en liefelijk is, die samenstcmming," hief
Madelcine aan, het zwijgen afbrekende. .Moeder! zoo \'t mij gegund
ware geweest, u altijd nevens mij te hebben, wat zou het anders
met mij zijn; wat zou ik over minder zwakheid en zonde hebben
te treuren."
«Anders zou het geweest zijn, melieve! maar hoe zouden wij
mensehen durven zeggen, beter ... Geloof het niet, Madeleine! nu
hebt gij geleerd, wat maar zelden op uw leeftijd te leeren valt:
wat menigeen levenslang niet leert vatten: op u zelve staan in \'t
geestelijke; al was het dan ook met wankelen en struikelen, al
was het dan ook niet altijd vooruitgaan. Gij hebt leeren rekenen
op Gods genade en u daaraan overgegeven, al bleek uw geloof
zwak en onvolkomen; vulde niet haar rijkdom het ontbrekende
aan? Ik met u zijnde, zoudt gjj slechts naast mij zijn voortge-
schreden; nu hadt gij u zelve een weg te kiezen..."
„De Heer, die mijn gemoed kent, weet met welk een vastheid
van wil ik Kome verworpen heb in \'t harte, al moest ik door
uiterlijken dwang de knieën in den Baiilstenipel buigen."
„Zoo uw scherpziende oom mjj geen moed had gegeven op
uwe toebrenging, ik had nooit op zooveel beslistheid durven
rekenen. Uit uwe brieven bleek zjj mjj niet."
«Uit de vroegere, dat kan zijn; in den eersten tijd kon ik niets
van mjj zelve zeggen dat u op dit punt ruste gaf; later was de
gelegenheid sehauisch en weinig betrouwbaar. Ik durfde daarin
mijn geheele hart niet uitstorten; ik liet het bij enkele woorden,
bij wenken, bij uitdrukkingen, voor anderen dubbelzinnig, voor u
hoopte ik wel verstaanbaar."
«Ook heb ik ze verstaan! maar ik vreesde juist daaruit een
-ocr page 216-
■_>i>:>
hinken op twee gedachten, dat mij groote vreczc inboezemde,
vooral onder de omstandigheden, waarin gjj verkeerdet. En had
ik u door \'t geloove niet geweten onder de genadige bewaring
des Heeren... mjjne ballingschap ware nog door de bitterste
kwellingen verzwaard..."
.Maar in den laatsten tjjd toch, moeder! heb ik u volkomen
over mjj zelve ingelicht in alle oprechtheid ... Immers in mijn
jongsten brief, naar vaders meening in zoo trouwe hand gelegd
en waarvan de man, die zich Kosse Jan noemt, de bode zou zijn..."
„Die is nooit tot mij gekomen. Kosse Jan zelf klaagde over
trage kondschap niet Hoey. Dok kapitein Héraugière, zooals ik
uw vader schreef, verkeerde in onrust."
.Ondanks de goede verzekeringen, hun door vader schriftelijk
gedaan? dat is zeer opmerkelijk, dat moet hier in stad, dat moet
bij meester Zilbrecht schuilen."
„De bezwaren en \'t gevaar, die er uit ontstaan konden, zjjn
nu al overkomen; maar bij die ongerustheid kunt gij u voorstel-
len, Madeleine! in welke slingering tusschen hoop en vrees ik
herwaarts kwam, en hoe smarteljjk schril mij de boodschap in
de ooren klonk, waarmee uwe Trinette de vreemde meende af
te schepen: „De Schepen is met zjjne dochter op het Vasten-
avondsbal!" Het gezag van den Ritmeester bleek noodig om de
deerne desondanks te bewegen dier vreemde toegang te geven,
die haar recht daarop niet durfde laten gelden. Al mijne zelfbe-
heersching, in jarenlange oefening verkregen, werd er vcreischt,
om later de vraag, die mij op de lippen brandde, te weerhouden;
do vraag: „of zulke verstrooiingen en vermaken behoorden tot
de gewoonten van het huis \'t" "
„De goede Trinette zou eerlijk en naar waarheid „neen" heb-
ben geantwoord," zei Madeleine glimlachend.
„Ik wilde hot er niet op wagen; ik wilde u en mij zelve niet
vernederen mot de getuigenis eener dienstbode in te roepen over
u; maar toen ik daar eenzaam zat in die huiskamer, waarover-
maat van herinneringen mjj aangrepen, waar velerlei angsten mij
overvielen, weet gjj, Madeleine! wat mij allerverrassendst rust en
troost gaf, ondanks al de teleurstelling, die mjj trof, ondanks
het wachten, het, naar \'t mij toescheen, eindeloos wachten ?"
„Ik gisse het, moeder!" riep Madeleine aangedaan; „gij zocht
en vondt uw ouden Bijbel op hetzelfde plaatsje waar die altijd
placht geborgen te worden!"
„Gij hebt het geraden; ik vond den sleutel juist waar die lig-
gen moest. Gij hadt deze goede gewoonte althans niet verzaakt;...
gij hadt moed gehad haar vol te houden!"
„Die moed heeft niet veel verdienste; op Trinette\'» getrouw-
heid kon ik rekenen."
-ocr page 217-
206
.Ik sloeg het dierbaar boek open; ik vond er de sporen in dat
gij het laast, en hoe dankte ik God voor dien blik in uw harte."
„Gif weet toch aan wiens krachtige opwekking ik het wederkee-
ren tot de zuivere waarheid dankte, na mijn afval..." vroeg
Madeloine.
„Ik weet dat uw oom Nicaise veel had gewaagd om u op te
zoeken en toe te spreken; hij geloofde goed zaad te hebben ge-
strooid, in dankbare aarde gevallen ;.. .. maar de grond kon on-
diep zijn... het onkruid er overeen wassen en... daarbij alle
bloesem komt niet tot vrucht...!"
„Hjj moet hier nu zelf komen oogsten!" viel Madeleinc met
levendigheid in.
„Ik twijfel er niet aan of hij zal zich herwaarts spoeden om de
verstrooide schapen en lammeren tot eene kudde te verzamelen ..."
„Als de Heer onze vurige bede verhoort, zal niets hem daarin
verhinderen; wat zal het mij dan goed zijn tot de samenkomsten
der geloovigen mee op te gaan; eene vreugde, die ik nimmer heb
mogen smaken en die afschijnsel moet zijn van de Hemelsche
zaligheid."
„Voorwaar, het ia goed!" hernam Loyse, „elkander steunende
en stichtende, elkander opwekkende en vermanende, één in liefde,
in geloof, in hope; dus komen de zwakken tot sterkte, dus gaan
de sterken van kracht tot kracht. Voorwaar! het is goed, en
niemand kent don rjjkdom van dien zegen beter, dieper, dan wio
er het derven van leerde voelen, die smarte droeg over de kwij-
ning van het geestelijk leven bij zulk gemis. Kn toch, melieve!
geloof daarin mjjne ervaring; bedrieg u niet door in dezen op de
monsehen te zien en het al niet eeniglijk te wachten van (iod. Kr
is eene ontnuchtering, die zeer gevaarljjk kan zijn, bovenal voor
levendige, hooggestemde gemoederen als het uwe. Tot in die
bijeenkomsten toe, ziet men den hoogmoed, de eigengerechtig-
heid, die liefdeloosheid tot aller beschaming het Gode gewijde
samenzijn bevlekken. Zoolang het zwaard der vervolging rond-
Hikkert, is de gemeente het reinst en de aansluiting der liefde het
meest innig en oprecht, maar als zij aHaat, als er overwinning
is gegeven, als de engte tot ruimte wordt, dan... ach! hoe ras
schiet het onkruid onder de tarwe op; dan, ik spreek niet eens
van de valsche broederen, die mee insluipen, dan komen wuft-
heid en wereldzin binnen, dan wast de zelfzucht met de be-
geerljjkheid, en .. ."
Men hoorde weer den klopper op de huisdeur vallen, maar
ditmaal zacht, ditmaal bescheiden, alsof eene aarzelende hand
die had opgeheven.
Trinette trad binnen om meester Zilbreeht uit de Kreeft aan
te dienen, die naar juffer Madeleine vroeg.
-ocr page 218-
207
Eene goede tijding was het voorzeker niet, die de herbergier
kwam brengen. Het viel misschien aan het gemis der nachtrust toe
te schrijven, dat de man er bleek en verslagen uitzag; doch dat
zijne stem beefde, toen hij aankondigde, hoc er buitengemeen veel
rumoers en opschudding in de stad was, dat had ernstiger oorzaak.
„Maar dit waren we immers heden wachtende," hernam Ma-
deleine koeltjes.
„Ja! als men maar riep: „Weg met de inkwisitie! weg met de
beulen! leve de vrijheid! en leve Meester l\'ierre de la Geneste!""
„Welnu! en doet men dat niet f" vroeg de jutter nogaltjjd cordaat.
„Daar is eene menigte op de been, die het roept, maar ook
eene schare, die wat anders wil! De zaak blijkt te vroeg uitge-
lekt, de geestelijkheid is in de weer; er zjjn veel leegloopers en
monniken en werkvolk uit de mijnen op straat, en die krijschen
dreigend: „weg met de ketters! weg met de verraders! weg
met de libertijnen___""
„Dat klinkt onheilspellend; maar het is niet te verwonderen,
dat er zich eenige tegenstand opdoet," hernam Madeleine; „het
volk is als de baren der zee."
„Precies juffer! wie eerst het luidst: „triomf!" riepen, waar uw-
vader geprezen werd, zij roepen nu: „leve de Bisschop!" en
onder zulke kreten is de vaandrig de Preys mot zijn trompetter
door de stad heen naar \'t Raadhuis getrokken! Wee ons! nu
hoor ik zeggen, — want ik durfde mij zoover niet wagen, — nu
hoor ik zeggen, dat de zaken daar verkeerd gaan ... en ik kom
het hiei\' aandienen, omdat ik een wenk heb gekregen van den
Schepen betreffende Mevrouw."
„Treed de zijkamer in, meester Zilbreeht! ik zal mij met onze
gast beraden.. ." zei Madeleine, die, hoe geschokt ook, het
mogeljjke deed om den zwaarmoedigen man niet door eigen
onrust neer te slaan.
Misplaatste deernis! want zoo de waard uit de Kreeft de zwak-
heid had beleden, aan welke hij zich in gemeenschap met Gouda
had schuldig gemaakt, hjj zou der zaak, die hij voorstond, beter
dienst hebben gedaan, dan met dus voorbarig den jobsbode te
spelen. Herinnert mjjn lezer zich Jacques Perret nog, den dubbelen
Tartuff\'e, die aan beide zjjden zijn voordeel zocht, en op bevel van
luitenant Paets in den kelder van meester Zilbreeht was geworpen ?
11 faut de Ut wrmoin\', tot voor patten\' Jacquet toe!
Mecdoogend, als oen vroom kind dat zij was, had Gouda, uit
het lusthuisje weergekeerd, in den vroegen morgen den gevangene
een goed ontbijt gebracht, terwjjl haar oom in persoon bij de
kelderdeur de wacht hield. Moge men er haar niet te hard om
vallen, dat zij Perret nauwelijks in zijne sutt\'e verslagenheid zag
neergedoken, of de lust hem wat moed in te spreken, kwam bij
-ocr page 219-
208
haar op. Al pratende had zij hem, in de gewisheid der zege,
weldra het uitzicht geopend op eene spoedige bevrijding; de
Staatsehen waren immers nu meester van \'t kasteel!
Het was er verre van dat die inlichtingen voor den fielt iets
geruststellends hadden.
„Och mij arme\'." was hij begonnen uit te roepen, „als de
Ntaatsehen hier de baas worden, dan ben ik een verloren man.
Niii weet ik waarom zjj mij gespaard hebben; \'t is om mij later
een jammerlijken dood te doen sterven!"
„Ei neen! vrees dat niet!" had het goelijke kind getroost. „Ik
zelve zal uwe voorspraak zijn bij "Wouter Willemsz; die heeft
een wit voetje bjj Kapitein Héraugière!"
„Héraugière!!" En de laaghartige was onder de ijselijkste
angstkreten, zoowel zijne Spaansche spreekwoorden als zijne stu-
die van Heintje de Vos vergetend, voor haar voeten neergeval-
len, smeekende, dat zij hem voor dien geweldige beveiligen
mocht. „Als Héraugière komt, laat hij mij dood martelen, dat
is zeker!" kermde hij.
.Maar kent die groote Kapitein u dan in persoon?" vroeg zij
nieuwsgierig.
„Wat doet er dat toe?" hernam hij weder gevat, „hij zal van
mij booren en dat is genoeg! Neen Gondalief! breng mjjnietin
het verderf! Ik heb u bjjster gekweld, dat weet ik wel, maar
\'t was uit minne, louter uit minne voor uw aardig gezichtje___"
„Als gij weer zoo begint, ga ik heen...." viel zij in, en het
zoet gelaat werd stug en streng.
„Xeen, ga niet! luister een omzien! Gij zult toch wel een
vergefelijk harte hebbe.... Ik zal er nu maar voor uitkomen:
ik ben van uwe religie! alleen om waard in de Kreeft te wor-
den, en uit vreeze voor de inkwisitie, heb ik mjj zoo bar lioomsch
aangesteld. Het was zondig, maar gij zult daarom toch geen
broeder in den geloove...."
„Loop met je broederschap!" riep zij toornig, „daar wil ik niets
van weten!" en reeds wipte zij eenige treden de trap weer op.
„Wel, Gouda! bitterder heb ik mij nooit bedrogen; ik meende,
dat gij een christelijk gemoed hadt!" bracht hij uit, teleurge-
steld op zijn hoop stroo neervallende.
„En wie zegt u dat ik het niet heb?" sprak zij, opnieuw stil-
staande; „maar wat doet dat hier ter zake?"
„En dat gij wat beters weet te doen dan paternosters slaan..."
„Zoo is het, Jacqucs! ik bid het „Onze Vader!" met een ge-
loovig harte," hernam zij ernstig.
„Nu dan, zoo waar gjj dat doet, betracht het ook, en breng
een armen zondaar als mij niet in last en lijden..."
„Wat kan ik er tegen doen?" vroeg zij zachter.
-ocr page 220-
20\'J
„Gij kunt mij redden, als gij het wilt!" verzekerde hjj met
vuur, ziende dat hjj veld won.
„Hoe toch!\'" vroeg zjj geroerd, maar de handen terugtrek-
kende, die hij wilde vatten.
„Wel! door mij te laten ontvluchten, vóórdat Kapitein Hérau-
gière mjj een kop kleiner maakt!"
„Neen, Jaequcs! dat mag ik niet doen," fluisterde zjj; „oom
staat boven bij de deur, hij kan u hooren!"
„Zie toe hoe gij het met uwe eonseiëntie vinden zult, als gij
weldra verneemt, dat ze mij op de pijnbank hebben gelegd; dat
ik gevierendeeld of geradbraakt of met ketenen over een vuur
gehangen ...."
.Zwijg van die akeligheden!" riep zjj.
„Kn dat alleen door uwe schuld!" eindigde hij zegevierend.
„Door mijne schuld!" herhaalde zij, verbijsterd door de gru-
welen, waarmede hjj hare verbeelding martelde.
„Door wie andersP of hebt gij het niet in uwe macht straks
maar eventjes de deur open te laten en te doen of gjj niets
merkt, als ik or partij van trek F Och, Gouda! heb deernis ..."
en die stem bleek te kunnen smeeken.
„Kn als gjj vrjj zult zijn, gaat gij ons opnieuw kwellen en...
zult gij misschien oom verraden!" maar uit den toon sprak aar-
zeling, gecne afwijzing.
„Het zou immers niet meer in mjjne macht staan, al was ik
zoo boos als gij mjj gelooft! Gonila! schat mjj niet erger dan
ik ben! Als gjj mjj nu ontvluchten laat, zal ik wel zorgen in
deze verwarring de stad uit te komen, en gjj noch iemand van
<le uwen zult mij ooit weerzien. Ik zal zelfs nooit weer van
mij laten hooren, maar u mijn leven lang dankbaar zijn."
„Kn als luitenant I\'aets naar u laat vragen!\'"
„Och, die zal nu wel wat anders te doen hebben, dan te den-
ken aan zoo\'n poveren hals als ik ben. Oeloof mjj, Gonda!
geen haan zal er naar kraaien, als gjj doot wat ik zeg..."
„Luister! houdt u nog wat rustig... Ik waoht Wouter Wil-
lemsz straks hier.. . ik zal het met hem overleggen!"
„Met hem! die mij haat omdat ik u mooi vind! Wee mjj,
Gonda! ik zie maar al te klaar dat gij mijn verderf wilt."
Dat moest Gonda toegeven. Wouter was niet gunstig voor den
gevangene gestemd en daarvan was zjj zelve oorzaak, en ondanks
haar weerzin in den snoever, gevoelde haar harte een medcdoo-
gen, dat zjj niet te keer kon gaan.
„Met oom spreken is beter!" fluisterde zjj bemoedigend, trip-
pelde de trap op en stoorde zich niet aan het knorrig verwjjt,
waarmee meester Zilbrccht\'s ongeduld haar ontving. Trots al zijn
zuur zien, droeg zjj hem het verzoek op het schoonschijnendst voor.
De rtrrntfing vin Hoey.                                                                       1*
-ocr page 221-
210
De herbergier voelde zjjn oud zwak weer opkomen. Een gan-
sehen nacht gevangenschap, was dat niet al eene harde straf?
Paurre Jacquet/ hij mocht een bluffer, hij mocht zelfs een be-
drieger zijn; maar eigenlijk kwaad had hij nog niet gedaan, en
men behoefde hem nu niet meer te vreezen! \'t Was toch een
mensch en... het kon waar zjjn, wellicht was hij van de religie!
Waren eens de Staatsche officieren meester binnen Hoey, dan
had hij, Zilbrecht, in de zake Perrets geene stem meer; dat zag
hij duidelijk in. Keus in zijn gansche leven, ééns het vorstelijk
recht van gratie uit te oefenen, waar het leven of dood gold, dat
scheen hem eene triomfanteljjke daad; en Gonda voegde er, om
oom over te halen, zoo gemoedelijk vleiende woordekens bjj, dat
hjj weldra voor de verzoeking bezweek.
Meester Zilbrecht schoof met opzettelijke luidruchtigheid den
zwaren grendel van de kclderdeur af en deed of hij niets merkte,
toen spoedig daarna de gevangene zich wegmaakte, om, zooals
de onnoozcle man zich vleide, weldra de stad te verlaten, in welke
hem zooveel gevaars dreigde. Behoeven wij te zeggen, dat die
korte tijd intusschen volstaan had om bij Jacques Perret een
gansch ander plan te doen rijpen f Hij kon met de pas verkregen
kennis zijn voordeel doen. Hoewel er niet weinig grootspraak
liep onder zijn bluffen op connexiën met voorname Hoeysche
geestelijken, was er toch iets waars aan. Hij stond in betrekking
tot zekeren Prior van een der talrijke kloosters, en hij begreep,
dat deze zijne ontdekking duur zou betalen, er partij van trekken
tegen de Staatschen, in wie hij zelf van nu aan zijne geduchtste
vijanden zag. Hjj zocht dien geestelijke op en door dezen in eene
cel, als de nood het eischen mocht, van eene veilige wjjkplaats
verzekerd, volgde hij met innig welgevallen zijne aanwijzingen, die
hem maar te zeer in staat stelden zich te wreken op hen, die
hem hadden ontmaskerd. Hij liep Hoey door om de bewoners op
de been te brengen en aan te hitsen tegen de Staatschen, die het
kasteel hadden overrompeld en volgens hem nu de stad bedreig-
den met plundering en brandstichting en moord!
Het intermezzo, dat wij begonnen u te vertellen, toen Made-
leine meester Zilbrecht een oogenblik in de kamer alleen liet, ia
medegedeeld; wij hebben thans van een ander, gelukkig korter,
te reppen, dat ons vanzelf in dat vertrek terugbrengt. Trinette,
door wie de waard uit de Kreeft was binnengelaten, Trinette had
begrepen, dat zjj wel eventjes op de stoep mocht staan kijken
naar het \\olksgewoel, waarvan zij zich de oorzaak op aschdag-
morgen niet wist te verklaren.
Voorzeker, het meerendeel dergenen, welke zij gewaard werd,
bestond uit Vastenavondgangers, die zich in allerijl van hunne
bonte plunje hadden ontdaan, die met de grijns ter hand ter kerk
-ocr page 222-
211
waren geweest, en nu het kruiske op het voorhoofd droegen, ten
blijkc dat zij stof waren en tot stof zouden weerkeeren. Maarniet
allen bleken zoo vroom te zijn gestemd; niet allen bleken zich
ter kapelle te reppen, die tegenover des Schepens woning lag.
Het was er verre van dat de gesprekken, die Trinette vernam,
louter de vermaken golden van den voorbjjgeganen nacht; het
meisje hoorde van eene vreemde vlag mompelen. ..
.Waar?" wilde zij vragen, „wat?" maar op eens schoot een
flinke borst uit den dichten drom un burgers naar haar toe,
streek haar schalk langs de gladde kin, kuste het mooie gezichtje
een, twee, drie keer, en draaide haar toen zoo lustig in het
ronde, dat de gansche voorbjjstuivende zwerm toejuichte.
ml,n brllr mfant/ faiiea m*etUrer,n
Den wilden maar rappen gast af te weren en toch te woord
te staan, toen hij andermaal fluisterde: „Laat me binnen, ik
moet uwe juffer spreken!" geschiedde in het eigen oogenblik.
Trinette voelde een groot stuk zilvers in hare hand glijden; het
zou, wij getuigen het ter eere van het meisje, het zou den jonk-
man weinig hebben gebaat, ware hij leeljjk geweest; maar nu het
geld zich voegde bij het mannelijk schoone gelaat, zichtbaar
geworden toen de valsche baard om den kus ter zijde ging, nu
was hij onloochenbaar een heer, mtrër sonst ja nicht so keek
t/rtersrn."
Vast ging liïj haar vóór, tot verbazing van Trinette
zelve, voor wie sedert gister alles binnen- en buitenshuis veran-
derd scheen; die hem nog eenmaal trachtte te weerhouden, en
toch, trots al zijne dartelheid, ijlings maar weer op den voet
had te volgen.
yffJst-rf iri?" vroeg de jonkman, den knop van de deur der
zijkamer in de hand.
Trinette knikte „ja!" en hij was binnen.
y,Ah ca f — mon hóte! -— dorénavant Vécrévisse a donc des
alles/"
en de sidderende meester Zilbrecht keerde zich om en
zag zich nez a nez met den kwelzieken Nicolaas.
"Wij zijn verloren, niet waar!" steunde de waard.
mQue diantre! hoe rekent gij dat uit, omdat er wat sehuinsch
volkje langs de straten zwiert ?"
-Veen: maar omdat de geestelijken zich met de zaak gaan
bemoeien."
„Rn onzen Hoeren op het Stadhuis den voet dwars zullen
zetten, daar valt niet aan te twijfelen, mats,., de kern der
burgerij, de arts et métiers zijn er ook nog... Courage meester
Zilbrecht! Comment va Ie prisonnier die nu wel scheel zal zien
van den honger?"
„Van hem zult ge geen last meer hebben!" luidde het ge-
dwongen antwoord.
-ocr page 223-
212
ffComrnentf tvre-mori de votre bon vin?"
„Neen, ontvlucht... en de stad uit."
„Fiez vous au renardf... maar zeg eens, Vamif hoc kon hij
ontvluchten zonder uw toedoen P"
„Ken beetje medelijden en..."
y,Et plus de bêttst! Hoc zult gij luitenant Paets, hoe Kosse
Jan vooral onder de oogon durven komen met dat bericht:**\'
„Help mij verontschuldigen!"
„./f vous aiderai de ma faronysi; maar daar is juffer Made-
leine"... Kn met eene behaagzucht, die voor eene minder sta-
telijke jonkvrouw dan de Schopensdoehtor iets innemende zou
hebben gehad, die zelfs bij haar het doel niet geheel miste, legde
de schalk den valsehen baard af, zocht met zijne blanke hand
de wanorde der lokken te hulp te komen, en deed hij, op het
herhaald: ^pardon de mon désordreP* de betuiging volgen, dat
hij door zijn vader gezonden werd. . .
„Wie zijt gij, jonkman! uwe stem komt mjj bekender voor dan
uw wezen."
„Merci dn gracieux souvenir^ belle dame/ Vous m\'avez indique
Ie sénateur de Venise au bal/"
on Nïeolaas schetste haar met de
hem eigen rrrre, Vmdignation de Cléopatrej bij het openen van
het juweelkistje.
•Pij suis, gij zijt alzoo van de onzen?..." vroeg Madeleine op
wat gejaagden toon.
„Je m\'en flatteP\' on de schalk boog zich, ondanks zich zelven,
met een ondeugend glimlachje.
„Gij komt mij een bericht brengen van mijn vader?"
„l\'urdon, Mademoiselle! si vous permettez non du vótre^mais
du mien;
... doch het is voor den Schepen . .. het moot hem
worden overgebracht en wel ten spoedigste!"
„./>» réponds, zeg mij wat het is."
„hu prétraille sagite pour nous couper les pus; in processie
trekt zjj op naar het Raadhuis. Dat kan gevaarljjk worden, als do
raadsleden zwak zijn. Afin dr venir en aide uur faiblesjsHl «Vm
frouruient, is mijn vader bezig, de kern der poorteren, de gilden,
de schutters op te wekken zich de wapens aan te gorden, om
den schrik, die het rumoer van dat schuim des volks kan teweeg-
brengen, tegen te gaan. Muis il fuut t/u\'if en soit instruit sans
délai.
en er moet een betrouwbare boodschapper worden gevon-
den die tot in de zaal kan doordringen en wien de Schepen het
oor zal leenen in een oogenblik als dit."
„ Vous mime, peui-ftrePi sprak Madeleine, en schoof een ring
aan haar vinger heen en weer, of deze ten blijk dienen zou, dat
zjj hem waarlijk gezonden had.
„»SV t\'ous saviez cc qtCil »*V» coiïte de devoiv vous refuser"
-ocr page 224-
213
betuigde Nicolaas zoo ernstig; Btow bague de rette belle mainP1
kon liij zich niet weerhouden er bjj te voegen; „maïs je ne puts
(tre de secours que dans la foute, ii la ttte de nas ouvriers,
de mes atnis.
.."
„Meester Zilbrecht, gij?"
„Verschoon mij, juffer! een arme woerlooze herbergier, als ik
hen, kan zich zoo openlijk niet blootgeven; heb ik niet reeds
het mjjne gedaan in de zaak van de vesting? In \'t geheim wil
ik alle diensten verleenen, die men van mij vergen kan. Mijn
huis... al wat het mijne is, staat open voor u en de uwen, in-
geval van nood, als wjjkplaats; maar ten aanhoore van de ge-
heele burgerij en de geestelijkheid te zeggen : „ik ben ook van
hen " dat gaat niet aan."
„Gij hebt gelijk! wie bloode is vertrouwt men zulk een bood-
schap niet toe."
nCroyez »/V;/, Mademoiselle f vous avez da cceurt ga zelve..."
„Het is een moord, de juffer tot zulk een waagstuk aan te
zetten!" borst de waard uit.
vAllez donc, ra lui réussira. Door \'t volk komt zij ongedeerd
heen; fout lïuij Vaime, on y apprécie la beauté! Op het stad-
huis zal men des Schepene dochter den toegang niet weigeren,
on binnen of buiten, elle verra Véchevin /"
„Ik aarzel," sprak meester Zilbrecht „wat u te raden!"
9Vous êtes Vhésition personnifiée/" zeide Nicolaas smadelijk,
„maar wij hebben iets beters te doen, dan den uitslag van uw
beraad at\' te wachten. Sur tnon honneur, Mademoiselle/" en er
was eerbied in den ernst waarmede do groote zwarte oogen haar
aanstaarden, toen zijne hand de golvende lokken ter zijde sloeg,
nn*h/sitez plus, allez. En dépit de toutes mes folies ƒ\'ai Ie caeur
b/\'eti place, la patrie avant fout/
...,"
En hij boog zich, bewonderend maar bescheiden, en verzeke-
rende: „./c veillerai sur votts e/t f rere" was hjj verdwenen.
Madeleine miskende hem niet; zij scheepte Zilbrecht af met do
betuiging, dat zij zijn dienst voor het oogenblik niet behoefde,
daar haar gast geene noodzakelijkheid zag nu naar \'t kasteel de
wijk to nemen.
Terwjjl de stad in opschudding raakte door het weldra gewiekto
gerucht, dat het kasteel overvallen was en de verrassers thans
Hoey zelf opeischten, ging het niet minder levendig toe in den
Raad. In den deftigen tabbaard stjjf gekraagd, de magistrale
keten om de borst, de barret op het hoofd, had daar eene breedo
rij van mannen, in uiterljjke stemmigheid, niet kalme waardigheid
zelfs, in de kleine raadzaal of (irifh\'crs-kanier aan de groene tafel,
op \'t raadshcerlijke kussen en in de schepensbauk plaats geno-
-ocr page 225-
ili
men. Maar innerljjk klopten de harten onstuimig; bij dezen van
geheime bekommering over den aanslag en zijn beslissenden af-
loop; bij genen van verontwaardiging over \'t verlies van het kas-
teel en de stoute opeisehing der stad. De laatsten, schepen do
la Geneste vleide er zich mee, de laatsten zouden de minderheid
hebben als het vraagstuk in stemming werd gebracht. Ten einde
dit in volkomen vrijheid mocht gebeuren, had men vaandrig do
Proys, door wien de sommatie uit naam van zijn luitenant was
geschied, doen buitenstaan. Kn de discussicn namen haar aan-
vang, levendig, heftig, tot de woorden als scherp gepunte pijlen
troffen of er op inhieuwen als rott/is th sabre. Ja, de tongen ver-
keerden in spietsen, en lang leed het niet, of er waren pijnlijk
gewonden, van welke wij alleen Matthieu Chapeauville willen
noemen. Hij gevoelde zich niet slechts zoozeer gekwetst, dat hij
niet eens zijne stem wilde uitbrengen, daar louter het voorstel
tot ovorgave van des Bisschopsstad hem reeds hoogverraad
scheen; bij gevoelde het zich in die mate, dat hij met twee of
drie raadslieden, die hij voor zijne mcening had weten te win-
nen, opstond om de woelige vergadering te verlaten, liet zou hun
gelegenheid hebben gegeven, buiten de zaal naar middelen van
tegenweer om te zien, zoo er geen stadsbode was binnengetreden
om eene deputatie uit de Kanunniken aan te dienen, ten raad-
huize verschenen, om gehoord te worden, uit naam van den 1\'rins-
Bisschop.
Chapeauville wierp een blik van aanvankeljjkc zegepraal op
zijne collega\'s. Tot zijn schrik en spijt moest de la Geneste zien
hoe zijne geheime bondgenooten verbleekten; hoe de overigen zich
haastten met de betuiging, dat het onvoegzaam zou zijn, dier
bezending gehoor te weigeren.
Honderd malen beproefd, honderd malen bestreden, viel dezo
tusschenkoinst der geestelijkheid ditmaal kwalijk af te wijzen als
eene inbreuk op de rechten der stadsbestuurders; zij kon, als de
handhaving van die des Hisschops, worden verdedigd. De la
Geneste zelf erkende liet, al zweeg hij slechts zuchtende.
De Syndicus, gevolgd van cenige raadslieden, begaf zich bui-
ten de zaal, de achtbare afgevaardigden te gemoet en leidde hen
binnen.
Zes in getal, waren zjj gekleed in den statigen tabbaard van
violet fluweel, de koorkappen om, de gouden kruisen om den hals.
Is onze goede kennes, de oom van Kerkadet, onder hen ? Wij zien
tevergeefs naar hem uit. Toen zij plaats genomen hadden, — de
Syndicus was zwak genoeg hun het hooger einde te laten, dat
hun hifi- niet toekwam, - toen zij gezeten waren, begon de Doken
van \'t Kapittel, dio tevens Kanunnik-Inquisiteur was voor lloey,
met lucht te geven aan de verontwaardiging, dat zij eene zoo
-ocr page 226-
216
gewichtige en ergerlijke gebeurtenis, als de overweldiging van het
kasteel, door straatgerucht hadden moeten vernemen. Zulk eene
achteloosheid tegenover de Hooge Geestelijkheid, zeide hij, zou
zeker niet hebben plaats gevonden, zoo niet sommige leden van
den Magistraat heulden met den vijanden er belang in stelden het
feit zoolang mogelijk te verhelen.
Dit punt van beklag werd, wat de antecedenten betrof, met de
kloekheid en de onbevangenheid van een zuiver geweten door
den Syndicus wederlegd; hij verzekerde dat niemand hunner, zoo-
ver hem bekend was, op andere wijze van \'t gebeurde met het
kasteel was onderricht, en dat hij, zoodra dat te zijner kennis was
gekomen, in allerijl den Raad had belegd, om te overwegen, wat
er in dezen door den Magistraat moest worden verrichi. Ter-
nauwernood echter, zoo besloot hij, was men bijeengekomen, of
reeds had een Staatsch vaandrig als parlementair de ofhciëele ken-
nisgeving gebracht van de bemachtiging der sterkte door verrassing,
tegelijk de stad sommeerende zich over te geven bij overeenkomst,
op gunstige conditiën.
„En welk besluit heeft de Raad daarop genomen f" vroeg de
Kanunnik met al de scherpte der geestelijke aanmatiging.
„Er is nog geen besluit genomen. Wij hebben den vaandrig
doen buitenstaan om de zaak te overwegen en in stemming
te brengen."
„Schepen de la Geneste rekende er op de meerderheid aan zijne
zijde te hebben, toen hij het voorstel deed om bij stemming te
beslissen," beweerde Chapeauville.
„En de Raadsheer Chapeauville, verklarende zich van stemmen
te zullen onthouden, scheen niet eens voornemens aan de rechten
van den Bisschop het gewicht te hechten van zjjn eigen votum!"
was de repliek van den Schepen, den bal terugkaatsende.
„Waar sprake is van een voorstel om zijn wettigen Heer te
verraden, acht ik dat een getrouw en wel eerlijk Raadsheer niet
behoort te overwegen, maar onverwijld te verwerpen," antwoordde
Chapeauville gevat.
„Die regel zou hier te volgen zijn, zoo die wettige Heer zich niet
onwettigljjk aan de constitutie had vergrepen," borst de la Geneste
uit, met de beslistheid van wie zich zelven den terugtocht heeft
afgesneden. „De Luiksche burger is geen vazal; hij is vrij geboren
en wacht van zijn Heer eerbiediging zijner rechten, van den Ma-
gistraat dien hij zelf aanstelde, handhaving zijner privilegiën. Wie
uwer oordeelt anders!\'"
„Het komt mij voor, dat wij van de kwestie afdwalen!" Het
was de Kanunnik, die het woord nam. „Het is hier niet de vraag,
welke de rechten of de privilegiën der burgers zijn. Het geldt
integendeel het recht van den Vorst en het behoud zijner stad.
-ocr page 227-
216
De verrassing van \'t kasteel is een onbehoorlijk rooverswerk, en
verdrag maken met hen die het pleegden, heet het feit erkennen
en mee helpen bekrachtigen. Derhalve protesteert het Kapittel in
naam van den I\'rins-Kisschop tegen elk besluit van den Magistraat,
waaruit onderhandeling met de vrijbuiters zou kunnen voort-
spruiten."
.Maar als nu die vrijbuiters, zooals Uwe Hoogwaardigheid ze
noemt, van uit het kasteel de stad beschieten en verpletteren,
waartoe de ligging en de hulpmiddelen, die de sterkte aanbiedt,
hen volkomen in staat stellen," begon de la Geneste.
.Dan moet de stad op het schielijkst in staat worden gebracht
van tegenweer, en alle inwoners als één man naar de wapenen
grjjpen!" besliste de Kanunnik. „Hier is niet slechts een aardsch
belang te verdedigen, het geldt do religie. Sinds de roovers niets
z|jn dan vordoemclijke ketters, zal do Heer des Hemels met al
Zijne heiligen ons bjjstaan."
„Er is een deel onder de burgers, die deze zaak juist andersom
beschouwen, Hoogwaardige Heer!" hervatte de la Geneste. „Zie-
daar waarom het niet doenljjk zal zijn, de burgers als één man
onder de wapenen te brengen."
.Vooral dan niet," merkte de Chapeauville aan, .als de Ma-
gistraat het kwaad exempel geeft van verdeeldheid en heulen
met de plegers van het verraad."
, Eene misdadige gezindheid, die zwaar zal geboet worden!"
dreigde de Kanunnik, .want dit hoopje vcrmetelen zal zich ver-
loochend zien door zijne eigene opperhoofden, of zoo niet, door
zijne landsregeering, en aan den toorn van den Prins-Bisschop
worden prijsgegeven."
De la Geneste, die zich zeker mocht achten van het tegendeel,
door eigenhandige brieven van Héraugière, maar die niet het recht
had op een oogenblik als dit, van deze verzekeringen te gewa-
gen, drukte alleen op de bijzonderheid, dat do vaandrig had
verklaard, hoe Kapitein Héraugière, de gevreesde bevelhebber
van Hreda, in aantocht was met een leger van vijftienhonderd
man om de stad in te nemen en alzoo de daad van zijn luite-
nant te bekrachtigen. Het zou genoeg indruk gemaakt hebben
op de leden van den Magistraat om hen te doen besett\'en welke
onzinnigheid het hcetcn mocht, de stad, die inderdaad niet in
staat van verdediging verkeerde, te willen houden meteene ver-
deelde burgerij en een half vaan bisschoppelijke waardgelders.
Maar de Kanunnik, die aan deze mededeeling geen geloof hechtte,
of wel, haar niet telde, hernam, daar hij uit aller zwijgen de
gedrukte gemoedsstemming ried: .Zoo staat het dan nu aan den
Magistraat om het volk een exempel te geven van vastheid en
getrouwheid, en ik stel voor dat men dit toone door den zooge-
-ocr page 228-
LM 7
naamden parlementair niet te erkennen, als komende uit geen
beter gezag dan dat van een particulier luitenant..."
„Uwe Hoogwaardigheid meent dus, dat wij den Staatsehen
vaandrig moeten terugzenden zonder antwoord ?" vroeg de Syn-
dieus op verdrietelijken, aarzelenden toon.
„Ik ben van gevoelen dat men hem in \'t geheel niet moet
terugzenden, maar eenvoudig gevangen houden, of zulk ander
traitement aandoen, als waarmee men gewoon is spieën of ver-
raders te behandelen in tijden van oorlog."
„Dat is ook mijne meening," viel (\'hapeauville gretig in; „wij
zjjn in ons recht den medeplichtige der roovers op te hangen!"
„Met uw welnemen, Heer Collega!" hernam de Schepen, „daar-
van is hier ganschelijk de kwestie niet en uwe stem wordt daar-
over geenszins gevraagd; dit zjjn nuttelooze zijsprongen, die ons
van de hoofdzaak afleiden. De Kaad is saamgeroepen om een
besluit te nemen, hoe de stad tegen dreigende calamiteiten te
veiligen, en dat goede doel zal zeer zeker niet bereikt werden,
zoo wij den parlementair met een onheusch of een ongewis ant-
woord terugzenden, veelmin zoo wjj aan het heftig, en — ver-
schoon de opmerking — onchristelijk voorstel van Zijne Hoog-
waardigheid gehoor gaven, dat daarenboven even gewaagd als
onvoegzaam zou zijn. Mijnheer de Syndicus! ik stel voor de in-
menging van de Geestelijkheid in de wereldsehe zaken der stad
eenvoudig te laten voor hetgeen zij is: een misbruik, en het
voorts van de uitkomst der stemming te doen afhangen, welk
antwoord er zal worden ^e^evon aan den luitenant van Kapitein
Héraugière."
Vriend en vijand stond versteld over de cordaatheid van den
schepen de la Geneste.
„Gjj verbeurt uw hoofd met te spreken zooals gij doet\'." fluis-
terde de Griffier, die naast hem zat, hem in.
„En gijlieden verzaakt uw allereerste plichten en dierste belangen,
met u door eeno tiranniseerende aanmatiging te laten vertragen."
Het mocht do moed der wanhoop zijn die onzen Schepen be-
zielde, moed was het onloochenbaar.
De Syndicus bleek hoe langer hoe meer met de zaak verlegen.
Hij was niet van degenen, die voorkennis hadden gehad van het
eedgenootschap. Maar hjj was van hen, die zich sedert lang door
den overmoed van de geestelijkheid gekrenkt gevoelden, en de
la Geneste had dus in \'t geheim op hem gerekend, als op iemand
die geneigd zou zijn deze kans waar te nemen om zich van
dien dwang te ontslaan. De Syndicus had er in het diepste van
zijn gemoed ook wel den lust toe, maar... niet als de la Geneste
en diens bondgenooten, droeg hij de bewustheid met zich om van
eene onheelbare breuk met het gezag van den Prins-Bisschop...
-ocr page 229-
218
Ten overstaan der Kanunniken aan het vooretel van de la Gé-
neste gevolg te geven, zou inderdaad zulk cene klove doen ga-
pen. Hij zag naar een uitvlucht om, — men moest de zaak nog
eens rijpelijk overwegen, — ieder der Raadsleden zou dan open-
ljjk zjjn gevoelen zeggen; — hij zelf verklaarde, dat hij bereid
was den Staatsehen weerstand te bieden en den vaandrig met
een weigerend antwoord terug te zenden... indien dit de wenseh
der meerderheid zijn mocht. In \'t geheim hoopte hij de opinie
der meerderheid uit te spreken, en bleek dat waarheid, dan...
zou hij zich de nederlaag volgaarne getroosten, daar hjj openlijk
bewijs had geleverd van des Bissehops belangen voor te staan.
De la Geneste begreep hem en vatte weer moed op de kloek-
heid zijner bondgenooten. Als nu slechts allen, die het in \'t ge-
heim met hem eens waren, gevoelden dat zij door zich man-
nelijk te uiten en vast aaneen te sluiten, zoowel de zedelijke
kracht als de getalsterkte aan hunne zijde zouden brengen, dan
wachtte hen een triomf over de geestelijkheid, volstaande om de
toekomst te waarborgen.
Maar hij had gerekend buiten de jammerlijke zwakheid, buiten
de volslagen karakterloosheid der meesten; hoofd voor hoofd
gesommeerd voor de zaak die zij door wilden drijven uit te ko-
men, begonnen sommigen te weifelen, te versagen; en de zwakke
minderheid zag zich reeds voor de helft versterkt door schuch-
tere overloopers. Waartoe uitvoeriger teekening? „„•ƒ\'<// ittiiiiits
ehapitre» rim,"
het valt drie eeuwen later nog te zeggen : „qui
jtottr nrant se xont atiisi
/cMWtf."
De la Geneste, standhoudende met diegenen welke als hij „ai\'tu\'etit
brul? lettrs trainsi\'uiix
;" de la Geneste dien aanstekenden afval
waarnemende; de la Geneste vatte opnieuw het woord en dreigde
met de gramschap van kapitein Héraugière, die zeker de stad
ter plundering zou prijsgeven en de kloosters in brand schieten,
zoo niet uitmoorden, als hjj op andere wijze dan bij minnelijke
schikking de poort binnentrok.
De Griffier, die tot hiertoe gezwegen had en die met een vrij
geweten tusschen beide partijen in stond, voldeed nu eerlijk en
kloekmoedig aan zijne belofte.
„Als men er zekerheid van had, dat de Gouverneur van Breda
den aanslag van zijn luitenant op het kasteel van Iloey goed-
keurde en zich tot diens versterking en tot in het bezitnemen
daarvan in beweging had gezet, dan was het klaarblijkelijk, dat
het kleine hoopje bisschoppelijke waardgelders, bij groote ver-
deeldheid onder de burgerij, geen Staatsch leger van vijftien hon-
derd man kon wederstaan, aangevoerd door zulk een vermaard
bevelhebber; — dan was het zaak, dat men om nuttelooze bloed-
storting te vermijden, en ter bescherming der ongelukkige inwo-
-ocr page 230-
219
ners, tijdig een good akkoord aanging met zijn luitenant, waarin,"
dit zeide hij met vorheffing van stem, „waarin dan ook de geeste-
lijkheid moest begrepen zijn!"
Maar de Kanunnik-Inkwisiteur antwoordde stout, dat de geesto-
ljjkheid protesteerde tegen elk verdrag met de kettersche over-
weldigers, en daarvan voor zich geen deel wilde uitmaken.
tt „De vaandrig dreigt wel met de komst van Iléraugière,"
hervatte de Syndicus, de la Geneste onderzoekend aanziende;
„maar... heeft men zekerheid, dat deze werkeljjk in aantocht
is : en ... zijn de overrompelaars machtig genoeg de stad door
geweld tot de overgave te dwingen, zoo het tegendeel waarheid
blijkt ? Js het mogelijk," en de Syndicus legde sterken nadruk
op dat laatste woord, terwijl hij de la Geneste veelbeduidend
aanzag. „Is het mogelijk dat wij zelf ontzet krijgen door bijstand
van de zijde deB Bisschops\'r"
„Die bijstand zal u geworden," viel de Kanunnik in. „Zoo
zeker en snel, als de naastbij gelegen Spaansche troepen kunnen
aanrukken."
„Wat meent Uwe Hoogwaardigheid daarmee," vroeg de Syn-
dicus koeltjes, die, uit een blik met de la Geneste gewisseld,
moed had gevat.
„Dat wjj alleen een ijlbode naar den Aartshertog behoeven te
zenden en we hebben hier Spaansche soldaten om de Holland-
sche roovers te verdrijven en te weerstaan."
„Spaansch garnizoen innemen!" riepen enkelen opgeschrikt:
en wij moeten tot hun lof getuigen, dat allen evenzeer veront-
waardigd waren bij die gedachte. Chapeauville zelf was van ge-
voelen, dat men zulk een hachelijke kans niet wagen mocht,
zonder er den Suffragant te Luik in te kennen.
„De zaken gaan daür altijd zoo langzaam; men zal aan den
Aartsbisschop willen schrijven, die nu in den Hjjksraad zit, en
dus zullen er weken verloopen, eer we langs wettelijken weg
bijstand krijgen! Nood breekt wet, en daarom ..."
„Daarom kan het ons ook niet ten kwade worden geduid, zoo
wij, door den nood gedrongen, ons met de bemachtigers van
het kasteel verdragen," sprak de Griffier moedig.
„Gij zoudt dit willen, gij ?" vroeg do Kanunnik-Inkwisiteur,
een blik vol toorn en haat op hem werpende.
„Liever dan den Spanjaard inhalen! Of\' wij in \'t Luiksche al
niet genoeg overlast hadden van diens overmoed!"
„Daarbij, \'t is onnoodig, hervatte Chapeauville niet levendig-
heid. „De Ridder de Bruyssins, de bevelhebber der provincie, heeft
immers maar door een renbode kennis te krijgen van den staat
der zaken, en hij zal binnen vier en twintig uren hier zijn met
versterking."
-ocr page 231-
220
„Als men daar zeker van is, dan is alles gevonden," sprak nu
een der Raadsleden, die cene zwarigheid verschuiven gelijkstelde
met die weg te ruimen. „Immers, wij moesten den vaandrig
terugzenden met het voorstel om de sommatie vier en twintig
uur in beraad te houden."
Vele anderen achtten dien noodgreep der zwakheid goede
winst; tot kloek doortasten had niemand op dat oogenblik den
moed, en de geheime eedgenooten namen met blijdschap deze
schikking aan. De la Geneste, die er op rokende, dat Héraugière
vóór het eindigen van dien termjjn zelf zijne zaak zou komen
bepleiten, goliet zich te berusten, dat er geen gunstiger uitkomst
to verkrijgen was. En reeds gaf de Syndicus order aan den bode
om den vaandrig opnieuw binnen te leiden, maar de Kanunnik-
Inkwisiteur voorkwam het; ziende dat dit voorstel door de groote
meerderheid was aangenomen, stond hij op en zijne collega\'s
volgden hem. Toch verliet hij de zaal niet; hij begaf zich slechts
naar het hooge kruisraam, dat zich als eene deur opende op het
balkon of de puie van het Stadhuis, van welke men gewoon was
den burgeren do besluiten van den Magistraat kond te doen.
„Gij hebt het gewild!" sprak hij, zich eerst tot de vergadering
keerendo. „Gij dwingt mjj tot het uiterste; gij verplicht mij een
beroep op het volk te doen."
„En de la Geneste lachte in zijn vuistje. Het volk! het volk, dat
nu op de been was, hij hield er zich van overtuigd, moest geheel
op zijne hand zijn. De kern der burgerjj was aan de zijde der
vrijzinnige partij, en de kloeke handwerksgezellen, de heethoofdige
gildebroeders en de weerbare arbeiders uit do fabrieken, zij had-
den maar een wenk noodig van hunne Dekens, Overheden en
Werkbazen, om, op do nadrukkelijkste wjjze, hun afkeer van de
geestelijke tirannie in \'t gemeen on van de inkwisitie in \'t bijzon-
der te doen blijken.
„Een beroep op het volk! dan was do triomf van de la Geneste
zeker! Men zou het onder luide kreten hooren eischen, dat
de Staatsehen moesten worden ingehaald.
Intusschen, de Kanunniken verstonden het anders; de Kanun-
niken die van ander gehalte waren dan Marcelis Bacx. Zij ble-
ken niet alleen gekomen.
Zij hadden het voorplein van het Stadhuis doen bezetten met
al wat zij van bisschoppelijke soldaten konden bjjoenkrijgon, en
dezen ontvingen tot consigne den last niemand door te laten die
het wachtwoord niet kende, door de monniken en de priesters
gegeven. Juist tor gelegenheid van den eersten vastendag was er
veel grauws binnen Hoey, veel mijnwerkers en kolenbranders uit
den omtrek, eene domme hoop die op een vingerwonk van zijn biecht-
vader een kruistocht zou hebben ondernomen tegen den Bisschop zelf!
-ocr page 232-
221
De burgers en de partijgangers van de la Geneste daarente-
gen, mede door belangstelling hoe de beraadslaging op het Stad-
huis zou uitvallen naar de markt gedreven, zjj waren teruggewezen
door de waardgeldcrs, wier spietsen en hellebaarden als een ijzeren
eordon vormden, dat niet viel door te breken!
In alle gerustheid kon dus de Kanunnik-I nkwisiteur zijn beroep
op het volk wagen, vooral zooals hij dat inkleedde. Met statige
deftigheid buiten getreden en zieh op de puie vertoonende, werd
hjj terstond door de menigte toegejuicht. Jlij beantwoordde dien
welkomstgroet met een gebiedenden wenk, die stilzwijgen beval.
Zijne colicga\'s hadden zich inmiddels achter hem geplaatst om
het protest meerder nadruk bjj to zetten. En inderdaad, die acht-
bare mannen met hun slepende, Huweelen tabbaarden, met hunne
kruisen op de borst, die van edelgesteenten schitterden, zij, die
te Hoey in geen minder aanzien waren dan te ltome de Kardi-
nalen en die werkelijk de schatten en den invloed van Kerkvorsten
bezaten in het Bisdom, deze mannen moesten en mochten de
menigte beheerschen.
De Kanunnik-inkwisiteur bracht een ivoren kruisbeeld te voor-
sehijn, tot hiertoe onder zjjn ruimen tabbaard verborgen gehou-
den: het gewijde teeken in de rechterhand nemende, kustte hij
het eerst met devotie, hief het toen op, hield hot uitgestrekt om
er den volke zich voor te doen buigen en sprak met hoogen
ernst: „In don naam van den Gekruiste vraag ik u, burgers van
Hoey! of gij uw Heer wilt vei\'loochenen on een verdrag aangaan
met de ketters, met de Staatsehen, die het kasteel hebben over-
weldigd door list en die nu de stad opeischen bij minnelijk ver-
drag, dat zij toch niet zullen houden?"
„Geen verdrag! geen verdrag met do kotters! weg met de
Staatschen !" schreeuwde de schare, die dit antwoord zou gegeven
hebben, al ware zjj er niet op afgericht geworden.
„Maar uw Magistraat aarzelt; hjj wil den vaandrig niet on-
heusch, niet met een weigerend antwoord wegzenden."
„Zendt den vaandrig niet terug! Wij eischen zijn hoofd! Weg
met de verraders in den Magistraat! Weg met de libertjjnen!"
„Ongestadige menigte!" mompelde de la Geneste van smart
en spijt verbleekend. „Mijnheer do Syndicus! hoort gjj niet, hoe
de geestelijkheid het volk opzet tegen do regeering ? Moet zij dat
dulden? Zult gjj dat leidzaam aanhooron?\'\'
„Ik zal hot niet!" antwoordde deze, nu zelf heftig en geërgerd,
en ter andere zjjde op de puie tredende, riep hij der menigte toe, dat
hier alleen de vraag was van vier en twintig uren beraads en dat
men den parlementair met verzoek om dat uitstel zou terugzenden.
„De roovor en plunderaar moet niet levendig buiten de poort
komen! " schreeuwden stemmen uit de schare.
-ocr page 233-
222
„De jammeren, aan welke onze stad zich door zulk een ver-
grjjp zou zien blootgesteld, zouden allereerst neerkomen op de
hoofden van hen, die er toe aanraden!\'\' sprak de Syndicus met
nadruk.
„De Magistraat moet de stad in staat van tegenweer stellen,
of zoo niet, het volk zal over de verraders recht doen!"
„Vier en twintig uur geduld en orde, mijne vrienden! Gij zult
er u wel bij bevinden! vleide de Syndicus.
„Geen vier en twintig seconden!... zoo men ons den vaandrig
niet allereerst uitlevert!" krjjschte de gierende bende.
„Dat is niet de stem der burgerij; er moet orde gesteld worden
op dien dollen hoop; ze zijn opgestookt," sprak de la Geneste
tot den Griffier en te zamen begaven ook zij zich op de puie,
welhaast door al hunne collega\'s gevolgd, om slechts door afkcu-
rende kreten en verwenschingen te worden begroet.
Hoe het inmiddels hem ging, die gevaar liep het slachtoffer te
worden van den volksoploop en van de aanhitsing der geestelijk-
heid; hoe ging het onzen jeugdigen vaandrig, wiens moed en
geestkracht op zoo zware proeven werden gesteld P Het streelt ons
van hem te mogen getuigen, dat hjj de goede verwachting, door
Héraugière van hem opgevat, niet teleurstelde; dat hjj die hand-
haafde, ondanks Rosse Jan\'s prognostiek van zijn karakter, ge-
grond op de gebleken zwakheid van dat zjjns broeders.
Frank de i\'reys had op kloeken, maar niet overmoedigen toon
zijne sommatie gedaan en don Kaad alle inlichtingen gegeven,
die niet streden met het belang zijner partij. Hij had zoowel met
waardigheid weten te zwjjgen als te spreken; en toen men hem
deed buitenstaan, waren alle leden van den Magistraat over zij ne
houding voldaan geweest, uitgenomen diegenen welke van gan-
scher harte aan de zaak des Bisschops waren verkleefd. Die ver-
gadering in de vroegte en inderhaast bijeengeroepen, nog vóór
dat de groote raadzaal, die voor het Vastenavondfeest had ge-
diend, weer in orde was gebracht, had, zooals wij reeds opmerk»
ten, zitting genomen in een der kleinere zalen of Griffierskamerv
waar met minder moeite alles te schikken viel. Hem verzoekende
het antwoord to verbeiden, had men den vaandrig tot dat einde
naar die groote zaal geleid, slechts door een breede gang van
de kleine gescheiden en eveneens door hare kruisramen op het
Stadhuisplein uitziende. De puie, op welke wij den Kanunnik ver-
gezelden, verbreedde zich, als doorloopend balkon, van eene
steenen balustrade voorzien, voor beide vertrekken; het midden-
raam van de eene als van de andere zaal verleende den Magi-
straat gelegenheid, zich tot het volk te wenden.
Om zich heen starende in die ontzaglijke ruimte, haddejeug-
-ocr page 234-
223
dige Staat8chc officier maar éón blik noodig om te begrijpen, wat
daar den vorigen avond had plaats gevonden. De wanorde, die
er heerschte onder dat hooge gewelf, door stoelen en banken als.
in haastige verwarring bij elkaar geschoven; — de draperie en
wapenschilden nog slechts ten deele afgenomen, opdat zjj voor
een volgend feest andermaal dienst mochten doen, — de festoe-
nen van sparreloof, rechts in een hoek bijeengebracht, links nog
aan de zoldering hangende, — de ingelegde vloer met een dicht
stof overdekt, — hier en daar loovers van klatergoud, een masker
dat verloren en vertreden was, of flarden van al te broze sluiers
of sjerpen, die langs een uithoek van gebeeldhouwd huisraad of
aan de sporen van een krijgshaftigen danser waren vaneengc-
reten, — alles getuigde onmiskenbaar van het feest, dat eerst
laat in den nacht was geëindigd. En dat alles sprak met zooveel
nadruk tot de levendige fantasie van den jonkman, dut welhaast,
men vergeve het zijner jeugd, de groote vraag van het oogenblik
bjj hem op den achtergrond geraakte, dat zijn eigen hachelijke
toestand geheel werd voorbijgezien, en hij zich verdiepte in mij-
meringen en gissingen, die in nauwer betrekking stonden tot het
bal van gister, dan tot de oorzaak zijner komst van heden.
Hier dus, hier had Madcleine gedanst met Kerkadet, gedwongen
zooals zij hem vooruit had betuigd; maar... was het even zeker,
dat zij weerstand had geboden aan dien roes van allerlei zinnelijk
genot, dat zij niet ten laatste smaak had gevonden in dat zweven ?
Haar opgedrongen calavier was laat genoeg te huis gekomen om
te doen gelooven, dat zij hem niet met eene enkele sarabande
had afgescheept. Bedwelmd door het ruischend vermaak, waarin
zjj werd rondgevoerd, had zij zich, misschien sneller dan zij zelve
verwachtte, heengezet over den weerzin tegen hem, die haar dwong
in dien kring om te tuimelen; was mogelijk die koelheid vervan-
gen geworden door milderen gloed r Was het den vermetele ge-
lukt haar, al vleiende en schertsende, beloften af te dwingen,
bekentenissen te ontlokken, die haar ook voor het vervolg ver-
bonden, die zijne onzekere kans op hare hand in eene over-
winning verkeerden ?
„En wat gaat dat in \'t einde mij aan!" berispte Frank zich
zelven, de droomen vcroordeelende, die hij niet van zich kon
weren. „Wat gaat het mij aan, of de Hoeysche Schepensdochter
zich werkelijk aan den Bisschoppelijkcn luitenant heeft verloofd !"
Wat het hem aanging, zijn verstand zeide hem, dat het inderdaad
zaken waren, die niets met de verrassing van Hoey, noch met de
bevelen van Hcraugière gemeens hadden; maar zijn hart, zijn
hart dat onder de bijzondere omstandigheden, in welke hij de
schoone Madeleine had loeren kennen, in den opgewonden staat
van den vorigen dag allerontvankeljjkst was geweest; zijn hart
-ocr page 235-
22 I
hield vol, dat hjj er een onmetelijk belang bij had of Kerkadet
de liefde van deze jonkvrouw had gewonnen al dan niet. En als
hij dat harte het oor leende, dan scheen het hem toe, dat al wat
Charles in deze verloor, hem zelven ten goede moest komen. Zie,
als die indringer van de baan was geschoven, waarom dan niet
hij ? Was er ééne reden waarom hij zich niet tot Madeleine kon
wenden met zijne liefde? Zij was mogelijk een paar jaren zijn
oudere; maar hoeveel jeugdige bevalligheid lag er niet op haar
gelaat; hoe jong scheen niet haar harte, te oordeelen naar de
vlugge afwisseling van schalkheid en luim ! En hij zelf, na de
verovering van lioey was hjj geen nieuweling meer! Een krjjgs-
tocht telt voor dubbele dienstjaren; hij zou veel ouder zijn in
zijne eigene oogen en er voor zorgen dat hjj het scheen in de
hare. Een luitenantsplaats kon hem niet ontgaan; hij was de gun-
steling van lléraugière; en schoon hij geen fortuin bezat, - zjjn
broeder was als arm edelman met hem uit Doornik te .Breda
gekomen, - toch was hij van adellijke geboorte, en zoo laag
kon hij noch van Madeleine, noch van haar vader denken, dat
die op geld zouden zien, waar al het overige geëffend bleek. Ma-
deleine had sympathie voor zijn aangenomen vaderland; zij had
den godsdienst, dien hij beleed, in het harte omhelsd; zij wachtte
mogelijk alleen op de vrijheid, dien openljjk te belijden; alles
trof immers zoo gelukkig samen, dat het hart van het meisje als
van steen zou moeten zijn ... Hij schrikte onwillekeurig, daar hij
cene snaar had aangeroerd, van wier klank hij niet zeker was; —
van welke gehalte mocht dat aangebeden harte zijn P al bleek dit
het edelste, het oprechtste, dat ooit in vrouwenboezen) had ge-
klopt, was het daarom zeker, dat het voor den Staatschen vaandrig
zou slaan, dewijl het zijne voor haar was ontvlamd ? Wat had hij
dan toch eigenlijk voor haar gedaan om haar dank te verdienen,
laat staan om zich recht op hare wederliefde to verwerven ï Hjj
was een van hen, die haar verlossing kwam brengen uit een ge-
dwongen en hachelijken toestand, dat is waar, maar het stond
niet eens aan hem hierin iets te doen of te laten naar welgeval-
len ; hjj volgde hierin eenvoudig den weg van zjjn plicht, naar het
voorschrift zijner bevelhebbers; en zjj zelve had geen kleinen last
op zich genomen om hem die vervulling gemakkeljjk te maken.
Alleen de blijde hoop, waarmee hjj die taak had aanvaard; alleen
de geestdrift, waarmee hjj haar volvoerde, slechts deze mocht hij
bjj haar laten gelden ... en toch, zij wist het maar al te goed,
hier had een ander belang het eerst gesproken, en niet om haar
te dienen, maar om een broeder te verlossen, was do tocht naar
Hoey voor hem zoo belangrijk geweest, dat hij er vrijheid en
leven veil bood. Ongelukkige scherpzinnigheid! hjj had het vast
■opgemerkt. Madeleine behoorde niet tot die ijdele, lichtzinnige
-ocr page 236-
226
jufferen, wier wufte genegenheid men wint door allerlei vleierij;
de vurigste betuigingen, wat zouden zij bjj haar baton? hare gunst
stond op geen lichten prijs! Het deed haar stijgen in zijne schat-
ting, — hoe weinig hoop het hem voor het oogenblik geven mocht
op de vervulling zijner hoogste wenschen. „Hal fahit heart MMf
vun fair lady" was uit Leycester\'s tijd ten onzent een spreekwoord
gebleven, en als Hoey voor goed aan de Staatschen was gebracht,
dan, dan zou hij een geregeld beleg slaan voor dat harte, om
het, zoo mogeljjk, beter dan bij verrassing te nemen!
Zoo had ze dan hier gedanst! wat had zij onder dien dans
gevoeld en geleden of genoten; had zij ook aan hem gedacht, die
in diezelfde ure in zoo hachelijke onderneming was gewikkeld,
mee om harentwil!\' Hij gunde haar in \'t geheel geen kwaad;
maar... dat zij genoten zou hebben, dat kon hij niet hopen,
niet... onderstellen, dat mocht niet zijn; en toch... de vrou-
weljjke wankelbaarheid in aanmerking nemende, was het moge-
lijk, dat zij zich door het ongewone vermaak had laten weg-
slepen... Daar viel zijn oog op de blinkende Harden die op den
vloer lagen, en tergend spraken zij tot zijne overprikkelde ver-
beelding. Daar zag hij eene kleine zijden handschoen in het stof
liggen; dien op te rapen, en hoe verflenst hjj er ook mocht uit-
zion, hem met onbeschrijfelijke belangstelling aan te staren, zoudt
gij niet als hjj hebben gedaan!-\' Hij was klein; Frank hield er
zich te meer door overtuigd, dat hij zekere fijne vingeren had
overdekt; Frank telde geen gulden twintig voor niet! Eene sier-
lijke, in gouddraad gestikte il versterkte hem in de illusie; die
handschoen moest haar hebben behoord! hoe was hjj haar ont-
gleden! Had Kerkadet de stoutheid gehad, hem te helpen uit-
trekken om de blanke hand te kussen ? De vermetele! Gelukkig,
hij zit gevangen, en moet boete doen voor zoo groot eene mis-
daad I Was het Madeleine, zelve die...
„Vaandrig! zoo waar, de schele is onder dat troepje. Hoe
komt hij los?" Het bleek de heldere stem van Wouter AVillemsz,
die op deze ontnuchterende wijze de verliefde gepeinzen van zijn
jongen officier stoorde.
„Ik weet niet van wien gij spreekt, en waarom gjj hier zjjt,
musketier!" hernam Frank, opgeschrikt en in zekere verwarring
het beschuldigend corpus delieti bij zich stekende.
„Maar, vaandrig! verschoon me, waar zijn uwe zinnen? Ben ik
dan niet, tot belooning van mijn tijdig musketschot, door luitenant
1\'aets bestemd om u als trompetter te vergezellen, daar de zijne
door een lanssteek op strijkzij ligt?"
De Freys gaf geen antwoord op die inlichting, en daarom zette
Wouter Willemsz haar voort.
„Eindelijk schijnt mijn kwaad gesternte te wijken, en nu vraagt
l)e verrassing van Hocy.                                                                                          10
-ocr page 237-
226
ge hoe ik hier kom? Wel; ik ben hier binnengeleid, toen men
u naar de raadkamer voerde; en daar ik deze groote zaal wat te
ruim vond voor mij alleen, ging ik aan \'t venster staan en tuurde
eens door de ramen of ik ook wat van de drukte kon gewaar
worden op het marktplein; en ziet toen ik maar even aan die
houteu kruk stiet, verwoog zich het kruisraam als eene deur; het
vloog open, als zei het: .Kom op \'t balkon!" En ik liet mij niet
lang noodigen, maar trad op de borstwering toe en zag naar
beneden. Eerst kwamen er soldaten, in veel grooter getal dan de
wacht, die ons herwaarts heeft geleid; toen drommen volks,
waarvan eenige teruggewezen werden, andere toegelaten, en nu
ontdek ik op eens den schele onder de menigte. Zie maar zelf,
vaandrig! of hij \'t niet is, dat snorkende signoorken, met zijn schrale
plunje en zijn verweerde pluim op den bultigen hoed !"
„Laat hij het zijn! wat gaat ons dat aan f" hernam Frank, knorrig
dat hij gestoord was, en in \'t allerminst niet bij de kwestie.
„Wat ons dat aangaat, vaandrig!... wel, mij dunkt, dat doet
het ons wel degelijk; hjj is in staat, dat volk tegen onB op te
hitsen en ik ben er haast zeker van, dat hij daar al mee bezig is."
„Ik weet niet recht van wien gjj eigenlijk spreekt! hernam
de Preys.
„Maar!... Jonker!... van dien dubbelhartigen verrader, dien
wjj gisteravond bjj meester Zilbrecht in den kelder hebben ge-
moffeld! Ik begrijp zelf niet, waarom ze hem hebben losgelaten!
Kom mee; en ge zult zelf zeggen, dat volk ziet er gansch niet
betrouwbaar uit, en die schele loopt her en der; ik ben zeker,
dat ik hem al eens naar boven heb zien wijzen."
„Dat is uw eigene schuld! Ik geloof niet, dat het geoorloofd
is zich op de puie van het Stadhuis te vertoonen."
„Och, Jonker! ik geloof dat wij ons in dezen hebben te be-
schouwen als zijnde op vijandeljjk gebied; daar vraagt men zoo
nauw niet, wat geoorloofd is, maar wel wat ter veiligheid dient. Ik
zal trachten mij schuil te houden, maar ik bid u, laat me toch
toezien."
„Ga uw gang!" en Krank, blij toe, dat hij van den snapper
ontslagen was, wendde zich om en wandelde de zaal dieper in.
Toch eenmaal in zijne mijmeringen gestoord, moest hij nu wel
zijne aandacht bepalen bij het gewichtige punt zjjner zending;
hij wist niet of hij lang of kort in zijne droomen was verdiept
geweest; maar het kwam hem voor, dat de beraadslagingen te
zeer werden gerekt voor een gul en goed antwoord, zooals hij
had gehoopt te verwerven.
Het was zeker geen e kleinigheid, de stad in andere handen
dan die van den wettigen Heer over te geven; maar toch, de meer-
derheid in den Magistraat was er immers reeds op voorbereid ? en
-ocr page 238-
227
schepen de la Geneste, die do toezegging dor overgave had gedaan,
moest daarmee geen minder haast hebben dan I\'aetszelf, sinds hij er
zoo groot persoonlijk belang bij had ! Haar hier .... geraakten de ge-
dachten van onzon vaandrig weer van het spoor, of liever, ander-
maal in het spoor, dat zij straks hadden gevolgd. De la Geneste,
diens naam, diens persoon, diens belangen,.... hij was weer bij
Madoleine, oer hij \'t zelf wist. Thans echter, hoc hot kwam, hjj
zou niet instaat zijn geweest het te verklaren, thans echter knoop-
ten zich luchtiger voorstellingen aan die gedachte. Het moest toch
heerljjk zijn, een feestavond bij te wonen, door hare tegenwoor-
digheid bezield; al had hjj haar maar een enkele maal ten dans
mogen leidon! Dat zou zij hom toch zeker wel hebbon toegestaan,
aan hem met meer gewilligheid dan aan dien liisschopskneeht! . . .
De grond, waarop hjj zoo vrij was zich deze voorkeur toe te
kennen, was zeker nogal onvast: maar hij vergenoegde er zich
mee voor dit oogenblik,
         on waarom zou oen dergelijk feest
niet nogmaals plaats hebben, als maar de zaken met Hoey waren
geschikt. Kapitein llóraugièro was zoo afkeerig niet van festivitei-
ten, vooral niet als ze to zijner eer werden gehouden. De la Geneste
en de Magistraat zouden zich zeker beijveren hem een luisterrijk
onthaal aan to doen; daar volgde als vanzelf eon dansje na.
Madoleine was van de partij, daar viel niet aan te twjjfolen ....
en ... Wat gleed do voet licht over dezen vloer ... Wat moest
het hetoovereiid zoet zijn, met die bekoorlijke gestalte in den
arm... De jonkman maakte werktuigeljjk lustige danspassen, tor-
wijl hij zoo mijmerde; een welbehagelijke glimlach speelde om
zijn mond, zijne oogen glinsterden: hij strekte den rechterarm
uit, of hij reeds de schoone gestalte omvatte ... Hoc! was de
illusie zoo sterk, dat het hom op eens toescheen of hij werkelijk
de jonkvrouw zag optreden ? Beheerschte de fantasie in die mate
zjjne zinnen, dat hij haar zag?
„Madeleine!" riep hij op weifelenden toon; het mocht zinsbe-
drog zijn.
„Jonker de Preysl" klonk het ernstig, bijna afkeurend, met de
stem van Madoleine; zij was het zelve, maar volstrekt niet in eene
stemming om zijne opgewekte luim voedsel te geven. Zij had zijne
zonderlinge gebaren, zijn tuchtigen danstred opgemerkt, zoodra zij
do zaal binnentrad; ook voegde zij hem met vrij wat straf-
hoid toe:
„Jonker de Prcys! zjjt gij uitzinnig, dat gij u in de eenzaamheid
aan zulke dwaze vermaken overgeeft, in eene ure, zoo haeheljjk
voor u, zoo beslissend voor ons allen I"
„Verschoon mij juffer! verschoon mij!" sprak hij verward en
verlegen; „de fantasie speelde mij parten. In deze danszaal aan
mij zelven overgelaten, voorde zjj mij terug op het vroolijk feest
-ocr page 239-
228
van gisteren, en stelde mjj voor, wat het geweest zou zijn, in-
dien ik..."
„Yrooljjk feest!\'\' herhaalde zij met onuitsprekelijke bitterheid;
„gij zoudt het niet gezegd hebben, zoo gij het bijgewoond hadt
als ik! Doch ... dat ligt achter mij!" hernam zij, het hoofd met
zekere fiere en vrije beweging omhoog heffende. „Het was een
bange droom, als ik nooit weer hoop te doorleven; laat ons acht
geven op de werkelijkheid, die al onze krachten eischt! Raadt gij
waarom ik hier ben ?"
„Toch niet!"\' hernam hjj neerslachtig door haar toon en blik;
„maar ik zie \'t u aan, dat het niet is om cene vroolijke tijding
te brengen!"
Inderdaad, eene bodin van goed nieuws ziet er gewoonljjk anders
uit dan Madeleinc op dat oogenblik. Allerlei overspanning van
den vorigen nacht, allerlei aandoening van den vroegen morgen,
hadden haar gelaat gestempeld met een ernst, die de glimlachjes
op haar beminnelijk wezen als verstjjfde, die de rozenkuiltjesdoor
de strakheid der trekken als uitwischtc. Het viel haar aan te zien
hoc zwaar de tocht, door eene joelende, hier en daar vjjandelijk
gestemde menigte heen, haar was gevallen ! Kr was angst, er was
verwildering op haar gelaat, dat niet lijdend bleek, dat hoogge-
kleurd, dat bijkans purper was, ten gevolge der heftigheid, waarmeo
zij zich had moeten verzetten tegen wie haar op het marktplein
den doortocht wilden beletten.
„Gebeure wat wil, sta in den weg wat wil, denke men er over
wat men wil, ik moet mijn vader spreken ik mof f het!\'\' was de
idéé fixc, die haar als met magnetische onweerstaanbaarheid tot
haar doel had gevoerd, binnen het Stadhuis, binnen de zaal,
waar zij den liaad dacht vergaderd te zien.
Hare kleeding zelve getuigde van de bezwaren, waarmede zjj had
geworsteld. Hoe eenvoudig ook in den regel het deftig zwart
mocht zijn waarin zjj zich doste, het getuigde steeds van eene
keurigheid, met haar zin voor orde, met haar goeden smaak in
volkomen harmonie; thans echter van deze geen zweem. Haar
gewaad was gekreukt en met stof en slijk bemorst. De zware
greinen huik toonde scheur bjj scheur, waar zij die uit de handen
van volk en soldaten had moeten loswringen. Zij had den kap
van deze over het hoofd getrokken en men zag niets van de sierlijk
goudblonde lokken, dio meestal zoo schalk oproerig aan den strak-
ken dwang van het hoogje ontschoten. Toch was zij schoon, ondanks
al die verwildering. Slechts miste Madeleinc do la Geneste op dit
oogenblik dat echt vrouweljjk-innemende, \'t geen haar placht te
kenschetsen, en Krank de I\'reys, de verliefde Krank, maakte de op-
merking : ze moest er gisteravond toch anders hebben uitgezien.
„Jonker de I\'reys!\'\' sprak zij, „ik kom met goede tijding, mits
-ocr page 240-
229
ik in staat zjj haar intjjds te doen weiken. Ik heb me oen zwa-
ren gang herwaarts moeten getroosten; allerlei verwenschingen
en bedreigingen tegen wat mjj dierbaar is hebben mijn oor ge-
troffen, toen ik door dat volk op het plein heendrong...."
„Een juffer als gjj, zich door het gemeen laten verdringen!"
„Wat zegt dat, als de nood handelen eiseht; als er mogelijk
kwaads mee te voorkomen is! Ik hoor dat de geestelijkheid op
het Raadhuis is versehenen om haar invloed te doen gelden . ..
Men zegt dat de Magistraat wankelt in zjjn goed voornemen om
eindelijk met die ondragelijke willekeur en aanmatiging te breken,
en dat mijn vader voor een verrader wordt uitgekreten, omdat
hjj nog tegen de overmacht volhardt. Kon ik hem nu maar
spreken! ik zou zjjn moed sterken met het bericht, dat de burgerjj,
de schutterij, de gilden zich aangorden om den Magistraat bij te
staan! Dit wetende, zou hij te vaster standhouden, en zijn voor-
beeld zeker anderen meeslepen. Ik meende recht door te gaan
naar de vergaderzaal; maar tot mijn spijt voerde de bode mij
hierheen! Hjj hoopte, zoo het doenlijk ware, mijn vader het ver-
zoek voor te dragen om even herwaarts te komen... Xu wachtte
ik... Gij kunt denken in welke spanning." Zjj ging met driftige
schreden heen en weer.
„Wil toch een weinig geduld oefenen; die zaken zullen zich
wel schikken; geloof mjj!... Mogelijk word ik spoedig voorgc-
roepen, en dan beloof ik u de gelegenheid waar te nemen om uw
Heer vader alles te boodschappen, wat gij wilt dat hjj weten zal..."
„Doe zoo! gjj hebt er zelf het grootste belang bij! Het geldt
ook uw leven!"
„Hot is dus om mjj uit een vermeend gevaar te redden, dat
gjj u dus hebt blootgesteld?" vroeg hij bljjkbaar verrast.
„Gjj weet immers wel, Jonker! dat uw persoon in dezen op
het allernauwst samenhangt met onze belangen, met den triomf
van do goede zaak!" antwoonlde zjj koel en ernstig.
„Het was ook wel vermetel van mjj te wanen, dat mjjn per-
soon op zich zelf u zoo groote belangstelling zou inboezemen,"
hernam hij deemoedig, maar toch haast verwijtend. Hij hield het
voor goede tactiek, haar in een gesprek te wikkelen, waarbij hij
zonder gezochtheid zjjno eigene gevoelens zou kunnen uiten; maar
haar rustig antwoord stelde hem teleur.
„Uw persoon, Jonker de l\'roys! boezemt mij al de belangstel-
ling in, waarop een medemensen en een geloofsgenoot van injjno
moeder, mijnerzjjds recht heeft."
„Niets meer?" viel hjj in, haar aanziende met smeekenden blik.
„Maar ook niets minder!" hernam zij met waardigheid; „en
mjj dunkt, dat moet u genoeg zjjn!"
„Neen, voorwaar! dat is mjj niet genoeg; dat heeft wel wei-
-ocr page 241-
230
nig te betcekenen, naar het mjj voorkomt!" riep hij met grooto
smart. „Kerkadet is immers ook uw medemenseh, en zoo ik mij
niet bedrieg, uw eigen geloofsgenoot; en toch hebt gij er niet
eens naar gevraagd, hoe het in dezen gevaarvollen nacht met
hem afgoloopen is!"
„liet is waar ook!" hernam zjj, de hand aan het voorhoofd
brengende. „Aan hem heb ik in het geheel niet gedacht, bij alles
wat mij sedert door hoofd en hart is gegaan. Nu toch die las-
tige herinnering weer is opgewekt, zeg mij, wat er met hem is
voorgevallen! (Jij hebt hem toch niet... vermoord!-\'"
„Vermoord!... Madclcine! waar ziet ge mij voor aan?...
Zoo luitenant Kerkadet dezen nacht door mijne hand ware om-
gekomen, zou het geen moord zijn geweest!" hernam hjj ge-
krenkt, maar toch in zijn hart verheugd over de ijskoude onver-
schilligheid. waarmede zij die vraag had gedaan. „Ik verzoek u
te willen gelooven, dat een eerlijk soldaat en geboren edelman
zijn vijand gelegenheid geeft zich te verdedigen!"
„Dat behoort ook zoo! ... Dus is de luitenant nog in leven... .\'!"
„Ja! maar... gevangen!... Ik spaarde hem om uw dank te
verdienen! ..." hervatte hij met een ondeugend glimlachje.
„Gij hebt daar wèl aan gedaan!" was haar antwoord. Doch
geen glimlachje, geen vriendeljjkc blik verzachtte de strakheid
van hare trekken.
Heiden zwegen eene poos. Krank bleek verlegen, hoe hij op-
nieuw zou beginnen, overtuigd dat zij niet in de stemming was
om te hooren wat hij liefst wilde zeggen. Madeleine, na eene
wijle trappelend van ongeduld heen en weer te hebben geloopen,
Madeleine liet zich, als vermoeid van onrust, neervallen op een
der banken, die nog in \'t midden van de zaal overhoop stonden.
„Gij gevoelt u onpasselijk\':\'" vroeg hjj, naar haar toegaande,
bezorgd.
„Mij deert niets!" sprak zij; toch hield zij de handen voorde
oogen. Zjj had een blik op het sparreloof geslagen, op de versie-
ringen der zaal. Daar overstelpten haar tallooze herinneringen; door
zijne vraag tot de werkelijkheid teruggebracht, hernam zij niet
deelneming:
„En nu, zeg mij, hoe hebt gij uw broeder gevonden!\'"
Smarteljjke ernst overschaduwde eensklaps het gelaat van den
verliefden jongen vaandrig. Diep verslagen antwoordde hij:
„Wat zal ik u zeggen! ik doe mijn best om te vergeten, om
er mij overheen te zetten; want de gedachte is allerbedroe-
vendst!"
„Is hij bezweken!\'" vroeg zij meewarig.
„Erger dan dood!"
„ Krankzinnig V\' bracht hare ontsteltenis uit.
-ocr page 242-
231
„Hij wordt niet gerekend tot hen, die men waanzinnig noemt;
maar toch, het moet eene krankheid der ziele zijn, anders is het
mjj onverklaarbaar. Stijn broeder, die ons verliet als een ridder-
lijk edelman, wiens helder hoofd en vrijzinnige denkwijs plachten
geroemd te worden, hem vinden wij na vier jaren gevangenschap
weer als een feilen papist, als een priesterslaaf, als een monnik.
Gevoelt gjj, wat dat zeggen moet voor mjj als broeder?"\'
„Arme Frank! ik besef al de smart van zulk eene teleurstel-
ling! Hoe kon hjj zoo diep vallen ?"\'
„Overdreven gemoedeljjkheid heeft hem tot dweepzucht ver-
voerd, onder de leiding van een loozen priester, den eenigeu aan
wien hjj zich heeft kunnen uitstorten, en die behendigljjk zjjne
gemoedsbezwaren heeft gebruikt om hem naar Rome heen te
troonen!"
„Het is waar ook. Kerkadet heeft mij eens verteld, dat hjj tot
de Kerk zou overgaan. Ik heb daar toen niet zooveel aandacht
op gegeven, maar nu voel ik er voor u alles van. Het is vreeseljjk
te vallen in der priesteren hand en daarom laat ons nu acht ge-
ven op hetgeen wij kunnen doen om tegen die macht der duister-
nis te strjjden!" Gij wordt niet opgeroepen! Mijn vader schijnt
niet hier te kunnen komen, zoo wil ik dan zelve . .."
„Madeleine! blijf nog! Geloof mij, er is geen gevaar!" beweerde
hij, haar volgende; maar zjj luisterde niet en was al aan het eind
van de zaal. Toen bleek het, dat zjj niet verder kon. Tevergeefs
wrong zjj aan het slot. De deur ging niet open.
Baptiste!"\' riep zij, hare stem zoo luid verheffende als zij ver-
mocht, hopende dat de bode, die haar had ingelaten, nog wel in
de nabijheid zou zjjn. „Baptiste! of wie daar ook zjjn moge, het
is de dochter van schepen de la Geneste, die haar vader moet
spreken. Laat mij uit...!"
Maar het eenige antwoord dat er volgde, was een driftig stam-
pen met een hellebaard of eene spietse tegen de deur en een
gebiedend:
„Stilte, gij daar!" op forschen toon uitgesproken; „er komt nie-
mand meer uit of in!\'
„Gewapenden! waardgelders van den Bisschop tot binnen het
Raadhuis!" riep Madeleine verschrikt terugtredende.
Zoo was het haar dan onmogelijk gemaakt zich van den haar
opgedragen last te kwijten, en haar vader door een gunstig be-
richt te bemoedigen, te midden van den tegenstand waarmee hij
had te kampen. Het was niet waarschjjnljjk, dat het dezen van
zijne zijde zou gelukken tot haar te komen. Zij had er op gere-
kend, dat er vrijheden konden genomen worden, die anders geen
plaats vonden, die nu, bij de verstoorde orde in de raadsverga-
dering, mee zouden doorgaan. Diep teleurgesteld, mismoedig het
-ocr page 243-
232
hoofd buigende, keerde zij met langzamen tred terug, weer naar
het hoogereind der zaal. Krank had nauweljjks haar tegenspoed
opgemerkt, of hij liep haar te gemoet; een schalk glimlachje van
voldoening speelde om zijn mond, toen hij op een toon van ze-
gepraal, dien hij maar half wist te matigen, uitriep:
„Dus zijn wjj lotgenooten 1"
„Zooveel erger voor u! Gjj zult omkomen in het gevaar, waar-
tegen ik u had willen beveiligen,\'\' hernam zij ernstig waarschuwend.
Een man, die een degen voert, ziet zich ongaarne beschermd
door eene teedere vrouwenhand, en Frank had veel meer lust de
hare hartstochtelijk te kussen, dan er zulken dienst van te ont-
vangen; ook antwoordde hjj ietwat spotachtig:
, ïk beken niet te begrijpen, hoe ik hier in gevaar kan ver-
keeren."
„Dat komt omdat gij al te zorgeloos zijt en geen acht geeft op
hetgeen daar buiten voorvalt."
„Mijn trompetter houdt zich met zulke opmerkingen bezig," zei
Frank laatdunkend; „maar ik zie niet waartoe dat ons baten
kan. Wjj hooren wat rumoers, wjj zien wat gejoels van volk! Hij
verbeeldt zich opstokers en verraders te ontdekken; wat is daar-
tegen te doen!\'\' Het gebeurde met het kasteel en de sommatie
van luitenant Paets moest wel opschudding verwekken. Ik had
mij niet voorgesteld, dat ze hier eerepoorten zouden bouwen om
ons in te halen; het was reeds veel dat zo mij niet van het
paard lichtten! Op de toejuiching der gansche burgerij te reke-
nen ..."
„De tegenstand komt niet van de burgerij," hernam zij, het
hoofd schuddend van ergernis over zijn ongeloof. „De geestelijkheid
schijnt kennis gekregen te hebben van\'t geen de Magistraat voor-
nemens was, en stelt zich nu met alle macht te weer tegen het-
geen zij komen ziet. Van haar hand vliegen de bisschoppelijke
waardgelders, die het marktplein van alle zijden bezetten; door
haar opgestookt, wil eene drieste en domme menigte van geene
onderhandeling hooren en eischt zjj uw hoofd!"
„Bah!" zei Frank lachende, „het staat nog vast op mjjne sehou-
ders! Verschoon mij, juffer! dat ik scherts, waar uw beminnelijk
hart zich over mij ontrust; maar..."
„Xeen, Frank! dit is overmoed!" sprak zij trouwhartig.
„Helaas! ik mag het niet eens bij u voor moed laten gelden!
Ik moet immers volkomen veilig zijn ... daar ik hier ben als
parlementair ..."
„Van geene erkende mogendheid, zoover ik weet! De Prins en
de Heeren Staten zouden in dezen niet genoemd worden, dan na
de volkomene réussite, en luitenant Paets ..."
„Wees gerust! ik zal dat volkje wel doen verstaan dat luitenant.
-ocr page 244-
233
Paets bij machte is om hen tot erkentenis van zijn parlementair
te dwingen."
„Ja! reken er op, dat eene verwoede menigte luisteren zal naar
nwe dreigementen, waar zij is aangeblazen door priesterhaat!"
„Welnu! de luitenant zal mij wreken op zijn tjjd, ziedaar alles!"
„En hebt gij berekend wat er verloren gaat met uw onder-
gang ..."
„Niets! want eer het avond is, zal Héraugière hier zijn om op
alles orde te stellen 1"
„Dat is ongelukkig lang zoo zeker niet, als gij in uwe zorge-
loosheid onderstelt!"
,\\Vat reden hebt gij om te gelooven dat..."
„Of ik niet vernomen had, dat Kapitein Héraugière door opont-
houd van zijn gehaasten tocht herwaarts heeft moeten afzien ...
en ..."
„Maar wat vijand van uwe rust en van de goede zaak onzer
wapenen heeft u dat schrikbeeld voorgespiegeld?" vroeg hij,
eenigszins onthutst.
„Geen vjjand, voorwaar! een der dapperste en moedigste voor-
standers van uwe vrijheid ..,"
„Zijn naam! bidde ik u?" viel hjj in.
„Ritmeester Marcelis Bacx!" bracht zij fluisterend uit, als kostto
het haar moeite dien naam over hare lippen te brengen; — onder
het pogen dit op onverschilligen toon te doen, week de gloed van
hare wangen.
„Marcelis Bacx zou hier geweest zijn!" riep Frank, aarzelend
tusschen verbazing en ongeloof: „wanneer dan toch?"
„Gisteravond ..."
„Op het bal?" en hij glimlachte over zijne eigene vraag, zoo
onmogelijk achtte hij het, dat hij de waarheid zou hebben
geraden.
„Juist! op het bal! hij kwam om mij voor te bereiden op het
weerzien mijner moeder!" zeide zij met eene levendigheid, waar-
onder zij hare vroegere bezwaren vergat. „Hij was het, die haar
hier bracht, die haar naar ons huis geleidde."
„Dat is fabelachtig!\'\'
„Als ik u zeg, dat het zoo /\'*, hernam zij met ongeduld. „Hij
had haar van Breda afgehaald op last van Héraugière, om hier-
heen te voeren."
„Hij hier!... Op last van Héraugière! geloof dat niet!" riep
Frank heftig.
„Hoe nu, Jonker do l\'reys! twijfelt gij aan de waarheidsliefde
van Ritmeester Bacx?" vroeg zij bijkans met toorn in stem en
blik.
„Dat wel niet, maar toch ..."
-ocr page 245-
234
„Toch zoudt gij willen beweren, dat ik ... eene onwaarheid
heb gezegd."
„Toch weet ik wat ik weet, namelijk, dat ik Kapitein Héraugière
zelf heb hooren zeggen, dat hij zijne redenen had om Ritmeester
Baex geen deel te laten nemen aan onzen tocht naar Hoey. Hoe
zou deze hem dan een last hebben opgedragen, die hem ter
zelfder tijd hierheen voerde?"
„Over dat alles kan ik niet oordeelen. Dit is zeker, dat hij geen
deel genomen heeft aan de verrassing. Hij is op zijn hoogst een
paar uren op het bal geweest."
„ Waar hij het voorrecht heeft gehad met u te dansen!" viel
Frank in, haar zoo ijverzuchtig aanziende, dat zij kleurde onder
zijn blik.
„ Wat doet dat dansen er toe! Het was niets dan een voor-
wendsel," hernam zij; „ik bedoelde alleen, dat hij na middernacht
is vertrokken, met het voornemen om door te rijden tot hij met Ka-
pitein Héraugière zou samentieffen; maar hjj gaf zijne bezorgdheid
te kennen, dat deze zijne komst zou moeten vertragen ten gevolge
eener teleurstelling, die hem dwingen kon zijn krijgsplan te
wijzigen."
„Dat zou voor ons allen een groote ramp zijn!"
„Eindelijk begint gij het gevaar van den toestand in te zien,"
sprak de tëchependochter met een schouderophalen van ongeduld.
„Wat helpt dat, sinds wij hier opgesloten zijn en er toch niets
tegen te doen is?"
„Gij hebt uw tijd met droomerjjen verspild!"
„Verwijt gij mij dat? Helaas! Madeleine! ik ben twintigjaar,
men is het maar eens in zijn loven; — men voert mij in eene
balzaal; gij hebt er gedanst; — hoe kunt gij eischen dat mijne
gedachten niet zwerven gingen, waar ..."
„Vaandrig!" zoo stoorde Wouter Willemsz op eens die tee-
dere betuigingen. „Vaandrig! thans komt het er voor ons op
aan! thans moeten wij ons goed houden. De paters trekken in
processie het marktplein op en zingen de profmtdis."
„Daar hebben ze gelijk aan; ze zingen het graflied over hun
verloren gezag!" riep Frank met een laatdunkenden glimlach.
„Ja! maar het volk, dat hen omstuwt, stormt nu op hun wenk
het Haadhuis binnen," vervolgde Wouter. „Ik hoor er, die uw
hoofd eischen!"
„Dat ze \'t komen halen!" was het wederwoord van den vaan-
drig, meer gramstorig dan verschrikt. „Ik wacht ze, en zal hun
mijn leven duur verkoopen!"
„Laat ze komen!" herhaalde Madeleine moedig. En er rlik-
kerde weer geestdrift uit hare blikken. „Licht verjagen zjj die
hinderlijke schildwacht en breken zij hier de deur met ge-
-ocr page 246-
239
weid open, dan zal het mij mogelijk zijn mijn vader te zien."
„Goed zoo! goed zoo!" riep nu Wouter Willemsz, die altijd
op zjjn post voor het kruisraam stond. „Kr komen gewapende
burgers, die dat monnikengebroed verjagen: zij rukken hier bin-
nen. Zij slaan dapper onder dat boerenvolk rond! Zie maar zelve,
Jonkvrouw!"
„O! dat zijn de onzen, de burgers, die mijn vader te hulp
komen!" riep Madeleine in vervoering, zoodra zjj een blik had
geworpen door het kruisraam. .Ik zie onder hen Francois Hen-
nin, den goudmid, die beloofd heeft ons te zullen bijstaan!"
„En die woord houdt!" viel Krank de Preys in. „l\'arbleu/ wat
die burgers in de wapenen zieh kloekmoedig dragen! De bis-
8choppelijke deinzen af, onder hun forschen aanval."
De processie raakte in verwarring en trok zieh terug. Toeh
hoorde men nog uit enkele groepen dreigende kreten aanheffen:
Weg met den Staatschen vaandrig! Dood aan de ketters! dood
aan de verraders!"
Maar het waren de pijlen van de vluchtende Parten, terwijl een
deel der gewapende burgers nu zegevierend het Stadhuis bin-
nentrok.
„Hoezee!" riep op eens Wouter Willemsz die trouw op den
uitkijk was gebleven. „Nicolaas heeft hem in \'t oog gekregen,
Nicolaas zit hem na."
„Wien!\'" vroegen Madeleine en de Preys tegelijk.
„Den ophitser! den schele! dien Jacques Petter, dien ik met
de monniken heb zien heulen."
„Zoo moge hij met hen vergaan! als de burgers het winnen,
valt de Haad ons toe!"
Eene stem klonk boven het gedruisch der schare uit.
„Bode van \'t kasteel! Burgers van Hoey! verleent mij doortocht!"
liet was een man in een grijzen mantel gewikkeld, die zijn
gitzwart paard in het gewoel de sporen gaf dat het steigerde en
zich dus ruimte wist te maken; het was een man in een grijzen
mantel, met de eene hand een witten doek zwaaiend, die dezen
eisch deed.
Ofschoon hij tegen den drom van vluchtenden en vervolgenden
in moest rijden; had die wensch voor den volmaakten ruiter
weinig bezwaren: er werd aan voldaan.
„Burgers van Hoey! ik kom uw Magistraat waarschuwen! niet
langer te marren met de overgave der stad. Kapitein Héraugière
is, van \'t kasteel af gezien, reeds Amay genaderd met ruiters
en voetvolk!"
„Héraugière voor de poort! dan moet de stad gezuiverd worden
van papen en tirannen !" was de echo van die tijding onder het volk.
-ocr page 247-
236
„Leve de Staatschen! Leve Kapitein Iléraugière I"
Onder deze begroeting steeg de bode van zijn paard, neen,
wipte er met vlugheid af, de trappen van het Raadhuis op. Het
stond niet meer aan de Bisschoppelijke waardgelders, of zjj hem
al dan niet wilden toelaten. De gewapende burgers drongen hen
eenvoudig ter zijde en strekten den bode tot eerewacht, tot in
de raadzaal waar hij hen was vooruitgejjld en binnenstond als
bij tooverslag.
De verwarring en de verdeeldheid, die er op dat oogenblik in
de vergadering heersehten, waren zóó groot dat er oogenschijnlijk
geen kwestie meer kon zijn van eene ernstige en geregelde
raadpleging.
De kanunniken, die op het balkon hunne zegepraal hadden
genoten, maar ook op hetzelfde standpunt hunne nederlaag had-
den zien naderen, de kanunniken, van nu af hunne zaak verloren
gevende, wilden met ecnige waardigheid aftrekken, altijd onder
protest tegen hetgeen er zou volgen. Nauwelijks echter waren
zij in de vaart van hun misnoegen buiten de raadzaal getreden,
of een hoop schutters, die het escorte der geestelijkheid op vrij
ongewone wijze had afgelost, stelde zich in hun weg en vroeg
op vrjj barschen toon, wat zij op het Raadhuis kwamen doen.
„Wisten zjj het dan niet, dat de wet in Luikerland luidde :
„Pauvre homme est Rot dans sa maison" dat het Stadhuis bij
uitnemendheid la maison da bourgeois heeten mocht en dat de
Heerooms niet geroepen waren daar den baas te spelen!
Andere meer bevriende stemmen riepen hen waarschuwend toe,,
nu toch het Stadhuis niet te verlaten, daar er buiten lieden waren
die hen opwachtten met vijandelijke bedoeling. Onder den schok
van deze aankondiging, was do achtbare deputatie uiteengestoven,
enkelen in wanorde naar do vergaderzaal terug; anderen de wjjk
nemende in de groote raadzaal, die thans wjjd openstond en
waaruit Frank de I\'reys en Madeleine ontkomen waren, zoo ras
dezelfde schuttersdrom de Bisschoppelijke wacht had verdreven
en do hoogo deuren opengeslagen, meenende hier de raadsver-
gadering te vinden.
De vaandrig en de jonkvrouw hadden van de algomeeno ver-
warring gebruik gemaakt, om tot de griffierskamer door te drin-
gen, al waren zij er niet toe gerechtigd. En de eenige indringers
bleven zjj niet. Francois Hennin, de Deken der drapiers, meester
Thierry on meer anderen, oordeelden vrijheid te hebben daarmede
binnen te treden; do zege, die zij buiten hadden helpen bevech-
ten, hoopten zij nu te zien voltooien in de zitting, die van eene
geheime en beslotene, als zjj had moeten zijn, in eene openbare
was verkeerd.
Maar het was voor den Magistraat geen oogenblik om zich te
-ocr page 248-
237
formaliseeren, en zitting was niet meer het juiste woord. Deleden
haddon hunne plaats op het kussen aan de groene tafel verlaten
en stonden in groepjes bijeen. Zjj, die hun pays met de Kerk wil-
den houden, voogden zich bij de verslagen Kanunniken, die, wel
verre van het gestoelte der eere weer in te nemen, zich in den
uitersten hoek der zaal terugtrokken, zoo dicht mogelijk tegen het
beschot aan; gaf hot hun een gevoel van veiligheid, dat zij don
rug vrij haddon \'i Do la Geneste was blijven zitten, als protesteerde
hjj door deze houding tegen de algemeene wanorde, en Madcleine
vond dus gelegenheid zich ijlings bij haar vader te voegen en
hem in haastige woorden rekenschap te geven van de redenen,
die haar tot zoo gewaagd een sta]) hadden bewogen. Hare bood-
schap bleek, men begrijpt het, onnoodig geworden, maar zij was
er eenmaal, en van dadelijk terugkeeren kon geen sprake zijn. Zoo
bleef zij, zich met kinderlijke gemeenzaamheid leunende tegen
den rug van zijn zetel. Vaandrig de Preya hield zich staande aan
hare slinko en Wouter Willemsz, die van opinie was, dat een trom-
petter het recht had, zijn officier ter zijde te blijven, had post
gevat vlak achter deze groep; hij vermaakte zich in stilte met de
toornige blikken door de Kanunniken op hot viertal geslagen.
De Syndicus, die van hot balkon neerziende de beweging op
het marktplein had gevolgd, kwam den Voorzittersstoel weer
innemen. De Griffier ging naast hem zitten. Enkele Kaadslieden
wendden zich tot de notabele burgers on ondervroegen hen over
de oorzaken van de wanorde in de stad en over deze stoornis.
Een van hen, Carolus Billens, een achtbaar grijsaard, die, zonder
wankelen, van den beginne af voor de rechten des Bissehops had
gestreden, maar zoomin de tusschenkomst der Kannuniken als
den inval der burgers kon goedkeuren, plaatste zich tegenover den
Syndicus en betoogde dat toegeven in dezen oogenblik aan \'t
geen op zulko wijze werd voorgeschreven, niet slechts ontrouw zou
zijn aan de belangen van hun Heer, maar ook verkorting hunner
eigene eere en achtbaarheid. „De Magistraat mag zich do wet niet
laten voorschrijven door rebellen. Als wij dezen dwang toegeven,
is het voor altijd met ons gezag gedaan. De burgers, die ons
verkoren, schonken ons hun vertrouwen; wij mogen dat niet
schenden door een verdrag te sluiten, ons opgedrongen door
eene partij."
„In beginsel met u eens, waardige Carolus Billens! kom ik tot
een ander besluit: niet ter wille van eene partij moet men toe-
geven ; maar om de geheele stad voor brandstichting on plundering
te veiligen, mag er niet langer met een verdrag worden gemard.
Er zijn nu nog goede conditién te bedingen; over een half uur
is het te laat!"
De persoon, die dit zeide, was niemand anders dan de zich
-ocr page 249-
238
noemende „bode van "t kasteel/\' die niet zoo haast in de zaal
was, of aller oogen bleken op hem gevestigd. Het was niet vreemd;
hij had met eene snelle beweging zjjn lakensehen hoed afgeworpen,
en roodblonde haren, dik en krullend, die als leeuwenmanen golf-
den, scherp blauwe oogen, overal rondrlikkerende of zjj vrienden
zochten, of zjj vijanden tarten, ze boeiden ieders blik.
„Rosse Jan!" riep de I*reys en Wouter WïUemu tegelijk.
„De Vidame de Hannuth!" borst do achtbare Carolus Billens
uit met eene stem, aarzelende tusschen schrik en blijdschap.
„Messire de Bruyssins!" riep Chapeauville ontzet, maar toch
vooruit tredende; „herleven de dooden?"
„Zij varen wel, zooals gij ziet, Messire de Chapeauville!" doch
al was het nog de sarcastische toon van onzen Luikenaar, toch
scheen hij een andere te zijn geworden. Hij had het bonte pak
van den polichinel ter zijde gelegd voor een eenvoudig maar
deftig zwart gewaad, waarover een korte grijze geuzenmantel was
heengeslagen. Garib
6
aldi vóór in s\\)otzuvhtmetqnhintillfn\'esroijiil*\',-iy
vonkelde geen ridderlijke keten om zjjn hals, droeg hij niets dan een
degen. En dat hij dezen wist te voeren, niemand die er aan twij-
felde, hoe klein, hoe misvormd zjjno gestalte zijn mocht; handen
oog verkondigden het om strjjd.
„Herleven de doodon!" herhaalde de zwaarljjvigste der Kanun-
niken, zich tot een van de Hoeysche raadsleden wendende;\'*
heeft het niet het gansche bisdom doorgeklonken, dat, Messire do
Bruyssins, Vidame de Hannuth, ten jare löSö te Luik openlijk
als ketter is verbrand . ..."
wEh fifftfft\'ef Messeiyneursf e» tffigiel* herhaalde Rosse Jan
glimlachend, „een verschil, dat hein thans in de gelegenheid stelt
uwe stad een notabelen dienst te doen!"
„Hier schuilt bedrog onder; ik zelf heb hem op den brandsta-
pel zien klimmen!"
„Zelf hebt gij een handje geholpen om hem er op te brengen !"
viel de Bruyssins in; „maar ik herhaal het, uw slachtoffer was niet»
dan een houten pop, naar mjjne beeltenis vervaardigd, in den
sabenito gewikkeld; ik zelf had de vrijheid genomen, mij vóór
de executie uit Luik te verwijderen. Ken weinig goed overleg, wat
vlugheid en wat tegenwoordigheid van geest, — een paar vrion-
denhanden, die helpen wilden en wat goud uitstrooiden, ziedaar do
wijze waarop het mirakel is verricht; mochten die, welke uwo
priesteren laten volbrengen, niet schadelijker, niet schuldiger
zijn!"
„Altijd dezelfde roekelooze spotter!" sprak de raadsheer Carolus.
Billens hoofdschuddend. „Vidame de Hannuth..."
„Altijd dezelfde, waardige Billens! alleen die titel komt mij niet
langer toe. Ik ben niet meer de Vidame de Hannuth, minder
-ocr page 250-
239
dewijl het bisschop Ernetus behaagd heeft mijn kasteel te laten
verbranden en tot een puinhoop te maken, dan uithoofde der
verplichting aan dien rang verknocht, het geestelijke leen voor
den Bisschop te bewaren; eene zorg, van welke ik mij uit den
aard dor zaak heb kunnen noch willen kwijten."
„Gij waagt veel, Messire de Bruyssins! met u na al het gebeurde
op des Bisschops grondgebied te vertoonen."
„Van den Sire de Bruyssins zou het in strikten zin gezegd
kunnen worden, dat hij iets waagde omdat hij veel te verliezen
had," viel de Luikenaar in; maar ik ben ook de Sire de Bruys-
sins niet meer; in mijne beeltenis is mijn naam en mijns naams
gedachtenis verbrand; en Rosse Jan de Luikenaar, Kosse Jan do
leidekker, de geus, de spie, die niets te verliezen heeft dan zijn
armzalig leven, hij ziet op deze kleinigheid niet, als het er op
aankomt de goede zaak te helpen bevorderen. Kosse Jan heeft
zich sinds dien tijd niet slechts op des Bisschops gebied gewaagd,
maar het in alle richtingen doorkruist, au gre de sa fantaisie, ot
liever, naar zijne plannen het eischten en op gevaar af, dat zijn
nobele broeder, de ridder de Bruyssins, de getrouwe Bisschops-
knecht, hem gevangen krijgende, geen oogenblik aarzelen zou om
hem als een schelm en spie aan den eersten boom den besten op te
knoopen. Al \'t geen mij niet heeft belet, Mijne Heeren! om des
Bisschops kasteel van Hoey eerst in klei na te bootsen en ver-
volgens te helpen verrassen."
„Meent gjj hier nu veilig te zjjn, na zulke bekentenissen?"
hief do Syndicus aan.
„Zeer zekor ben ik het in dezon oogenblik; want ik sta hier
als parlementair en bode van luitenant 1\'aets, die een eind wenseht
te zien aan uwe aarzelingen. Het blijkt dat vaandrig de I\'reys, dien
ik ginds gewaar worde, al te lankmoedig is geweest. Uw samme-
len zal uitloopen op de totale ruïne van uwc stad; als de Vaandrig
en ik niet binnen een half uur zijn teruggekeerd met het akkoord
tot gewillige overgave, op de conditiën u aangeboden, dan laat
de luitenant haar beschieten, en kapitein Héraugière, die reeds tot
Amay is genaderd mot zjjn leger, zal haar stormenderhand in-
nemen, zonder conditiën te accordecren."
„Is Kapitein Héraugière werkelijk in aantocht?" riepen vor-
scheidene Raadsleden tegelijk.
„Er worden seinen met hem gewisseld van uit het kasteel!
oordeelt dus zelf!"
„Welaan!" sprak de Syndicus, „bij die zekerheid blijft ons niets
anders te doen dan goede voorwaarden te bedingen; dunkt u
dat ook niet, Mijne Heeren?"
„Gij vergist u, Heer Syndicus!" sprak Carolus Billens met
waardigheid. „Ons staat nog één weg open, de eenige goede dien
-ocr page 251-
240
wij behooren te gaan : trouw te blijven aan onzen eed en plicht.
Dat heet de stad niet over te geren, maar te laten beschieten, te
laten bestormen en ons staande te houden zoolang wij kunnen,
en dan met de puinhoopen te vallen."
„Daar hoor ik Carolus lullens, den echten Komein; jammer
maar, dat hij \'t nieuwe lionip aanhangt met een hart het oude
waardig!" zei Hosse Jan.
„Meer jammer nog, dat de Heer de Bruyssins, die een der
eersten en edelsten in Luik had kunnen zijn, zijn hart heeft at-
gewend van zijn vaderland, van zjjne Kerk, van zijne verwanten,
om tegen die allen vjjandeljjk over te staan," viel Carolus in.
„Heeft hij geene oorzaak ?\' vroeg Hosse Jan met bewogen stem.
„Men had ook oorzaak tegen hem," vervolgde Carolus; „ik
meene de grieven staan gelijk; maar al stonden zij dat niet,
verraad is altijd misdaad, en wie het pleegt kan den vloek en
de Bchande zulker niet ontgaan."
Kosse Jan boog het hoofd en zweeg een oogenblik, als keerde
hij in tot zich zelven.
„Zoo gjj iets wilt goedmaken van het misdrevene tegen het
land, waar uw moeders broeder als vorst heeft geregeerd, zoo
ga nu heen met den Staatschen vaandrig en bewerk dit éene
voor ons, dat men ons vier en twintig uren beraad gunne eer de
luitenant laat schieten!"
„En meent gij dan, dat kapitein Héraugière met zijne ruiters
vier en twintig uur voor uwe poort zal liggen, lijdzaam afwach-
tende tot gij eene onhoudbare stad in staat van tegenweer zult
hebben gesteld!" viel Krank de 1\'reys in met vonkelende oogen.
„Als gjj daarop rekent, Mijne Heeren! vergist gij u zonderling;
om niet te zeggen, dat luitenant Paets nimmer, zelfs niet op aan-
zoek van Messire de Bruyssins, zulk een tijd van beraad zal toe-
staan, daar hij mij order gaf om met een beslist „ja" of „neen"
terug te keeren."
„Bravo, Jonker! vrees ook niet, dat ik mij tot zulke onder-
handeling zal leenen," zei Rosse Jan.
En hij keerde zich met waardigheid tot den grijzen Billens:
„Luister, Messire Carolus! het valt altijd hard misbilljjking te
hooren uit den mond van een eerlijk en achtingswaardig man,
vooral wanneer men zich niet rein weet van zonde en kwaad;
maar geloof mij, zoo mij vloek treffen moet om het verraad van
Hoey, verdien ik die althans om mijne intentie jegens de Luike-
naren niet. Zie, ik wensch niet slechts do stad Hoey, ik wensch
heel Luikcrland dienst te bewijzen, maar niet een dienst zooals
gij dien verstaat!"
En Kosse Jan voer voort: „Al wat ik in deze gedaan heb, het
geschiedde niet, geprikkeld door den bitteren nasmaak van eigen
-ocr page 252-
\'.\'41
grieven, niet uit haat en wraakzucht, lage hartstochten, die ik
door Gods genade heb uitgeroeid uit mijn hart — maar om voor
de burgers van Iloey, de burgers van geheel Luikerland, te ver-
krijgen wat hun toekomt. Het is mij te doen om de vrijheden
door de constitutie van Hinsbcek hun gewaarborgd, door Keizer
Maximiliaan als hoofd des Kijks in lateren tijd bezegeld, door
mjjn oom Gerard Groesbeek bezworen en toch niet geëerbiedigd,
maar door Ernestus van Bejjeren en zjjne raadslieden op onge-
hoorde wijze als met voeten getreden! Om den wille van deze
heb ik het kasteel van Hoey aan de Staatschen helpen overleve-
ren; om deze heb ik hoop, dat meerdere steden in Luikerland
zullen volgen; ten einde niet aan anderen, niet aan allen over-
kome, zoo aan vrouwen als aan mannen, wat mij en den mjjnen
is geschied. Burgers van Hoey! ik heb verraden, zegt gij ; ik heb
verrast, zegge ik, opdat gij weder vrij zoudt zijn! meesters van
uwe eigene eonsciëntiën; meesters in uwe eigene huizen 1"
Een „hoera!\'\' ging op uit de groepen der burgers, dat gehoord
werd op het marktplein en daar weergalm vond.
„Gij hoort het, Mijne Heeren! uwe burgerij zelvestemtmetmjj in."
„Daarvoor zal zij zwaar genoeg boeten," sprak Chapeauville,
een Bomber dreigenden blik naar do gemeente wendende. „Meent
gij wellicht, dat Messirc Ie Chevalier de Bruyssins, uw broeder,
deze wanorde zal toelaten? Op het eerste bericht van zaken zal
hij hier zijn en zonder genade wezen ..."
„Laat hem komen om met mijn Kapitein samen te treffen!"
viel Frank opgeruimd in.
„Hij zal niet komen! Mcssire Chapeauville!" hernam Kosse
Jan ernstig, „om verschillende redenen; maar allereerst, omdat
hij het op ditzelfde oogenblik in Luik druk genoeg zal hebben
om er te blijven met al zijn volk! Vervolgens, al had hij de
handen vrij, omdat de Trefonciers er zich tegen zullen verzetten."
„De twaalf eerste en edelste mannen van het Bisdom zouden
heulen met ketters en Staatschen!" riep Carolus Billens, bleek
van verrassing.
„Van de twaalf zijn er zeven, die den Suffragant van den 1\'rins-
Bissehop zullen aanraden, liever in het gebeurde met Hoey en
andere plaatsen te berusten, dan door vruchtcloozen tegenstand
de Spanjaarden in het land te halen, waar men al genoeg over-
last van heeft. Ik zou u de namen van die zeven kunnen noemen;
maar gjj begrijpt de redenen, waarom ik het laat.
„Als het er zóó mee gelegen is ..." hief de Syndicus aan.
„Moet men dan een spie en verrader geloof geven P" viel Cha-
peauville in, met wanhopigen tegenstand.
„Als die spie de Sire Jean de Bruyssins is, ja!" bevestigde
Carolus Billens.
De verrassing; vim Hoey.                                                                                              lb
-ocr page 253-
242
Rosse Jan boog zich met een blik van onuitsprekelijke dank-
baarheid.
En hij keerde zieh met waardigheid tot den grijzen Billens:
,Maar," vervolgde Billens, „dat is nog geene reden om zijne
aansporing te volgen. Als de zaak hopeloos staat, laat ons dan
liever sterven dan verbond maken met ketters en ontrouw plegen
jegens onzen Vorst.\'*
.Het hopelooze geeft men op," viel de Syndicus in.
.Om te redden wat nog te redden is!" voegde de la Geneste
er bij.
.Welnu! redt gijlieden dan wat gij kunt; maakt gijlieden verdrag
met uw geweten; ik kan het niet!" en Carolus Billens stond op,
en zieh een weg banende door allen die hem omringden, die eer-
biedig voor hem ter zijde weken, verliet hij de Raadzaal.
.Xog tien minuten beraads, Mijne Heeren!" riep Rosse Jan,
ongeduldig met de vingers op de tafel tikkende; „zal de Vaandrig
gaan niet het akkoord: ja, of neen ?"
,Juf" riepen de burgers.
„Dlit is de volkswil!" sprak de la Geneste.
.Maar wjj accordecren met Héraugière, met Héraugière en niet
met de verrassers van \'t kasteel!" borst Chapeauville uit, die nog
zijn laatste pijl wilde verschieten.
9Qu\'& celu fie tii\'tine! lachte Rosse Jan, „het zjjn leden van
één lichaam; luitenant I\'aets is de arm, Héraugière het hoofd."
Het akkoord werd gesloten, onder toejuiching der aanwezige
gezworenen, en met instemming der meeste Raadsleden; gesloten
met zooveel haast als Rosse Jan maar kon wenschon, die het den
vaandrig de Preys ter hand zag stellen. Het luidde, dat men de
stad in bewaring gaf aan kapitein Héraugière, voor zoolang het
kasteel zou blijven in de macht der Staatschen. De Bisschoppelijke
troepen zouden vrij uittrekken (het volk, dat veel van hen had
te lijden gehad, nam op zich ze te verdrijven); de Gouverneur van
Breda zou het militaire commando voeren over stad en kasteel.
De Magistraat zou in functie blijven en \'t bestuur houden over
alle burgerlijke zaken. In de religie zou geene verandering worden
gemaakt, dan die de burgers zelf goedvonden. Het goed en do
personen der burgers zouden beveiligd worden tegen allen
overlast.
Zoodra het akkoord was geteckend, sloeg Rosse Jan voor de
witte vlag van het Stadhuis te doen wapperen, opdat het ongeduld
luitenant I\'aets niet mocht bewegen tot het aanvangen der vjjan-
delijkheden.
De Syndicus stond op, ten einde zich met de Griffier op do
puie te begeven en van deze het gesloten akkoord den burgeren
-ocr page 254-
2«a
mede te deelen, toen er zich opnieuw geschreeuw en gejoel van
het marktplein verhief.
Wie naderde?
,Officier van kapitein Héraugière!" hoorde men eene volle wei-
luidende mannenstem der menigte toeroepen, die op eens uit-
barstte in den kreet van: Leve Héraugière! Leve de Staat-
schcn.
De officier, op een moedig strjjdros gezeten, van een vaandrig
vergezeld, voorafgegaan van een trompetter, die rustig zijne fan-
fare blies, was spoedig afgestegen en trad liet Raadhuis binnen,
onder het welwillend gejuich der schare; hij moest zijn naam
hebben gezegd, want de kreet: «leve Marcelis Bacx!" klonk
luide uit veler mond.
Madeleino had den naam niet eens noodig gehad om te weten
wie er kwam. Daar was naar haar gevoelen maar ééne stem,
die zich tegelijk zoo melodisch en majestueus kon verheffen te
midden van zulk een gejoel, en die stem had haar oor getroffen.
Met belangstelling had zjj geluisterd naar het tooneel, waar-
van liosse Jan de held was; met dankbare blijdschap had zjj
uit de Volheid des gemoeds toegejuicht bij den triomf dien hij
wegdroeg; maar hij, die nu kwam, was haar held, dat voelde
zij bij zjjne nadering maar al te wel aan het kloppen van haar
hart, \'t geen zij tevergeefs trachtte te doen bedaren. Zij was er
zeker van, dat zjj verbleekte, toon hij binnentrad, en met eeno
schuchterheid, in strijd met haar fier en levendig karakter, dook
zij weg achter den raadheersstoel van haar vader. Wat ook de
anderen zeiden of vaststelden, nu eerst waren allen veilig, die
haar dierbaar waren.
De Staatscho ritmeester had zich in behoorlijken vorm doen
aanmelden; maar toen hij de Haadzaal inschreed, maakte hij ras
de opmerking, dat hier geen sprake meer was van eene gere-
gelde zitting, dat men met alle vormen scheen gebroken te heb-
ben. Hij onderstelde dat die wanorde moest ontstaan zijn door
den strijd der partijen, naar aanleiding van de opeisching der
stad; en onzeker of men reeds tot een akkoord was gekomen,
wilde hjj eene vraag richten tot den Syndicus, toen deze, opstaande
en hem te gemoet gaande, wat sarcastisch vroeg:
„Nu zal ritmeester Haex toch niet beweren, dat hjj alleen komt?"
„Neen, Heer Syndicus! dat zou eene onwaarheid zjjn; mijn
vaan ruiters ligt voor do groote brug over de Maas, maar...
nu ben ik ook niet gekomen om te dansen."
„Zoomin als gisteren, dat zie ik nu in..."
„Gjj vergist u, Heer Syndicus! en mijne eer duldt niet, dat
ik u in deze dwaling late. Gisteren was mijne boodschap in uwc
stad geene andere, dan om eene dame geleide te geven, en ik
-ocr page 255-
244
zou niet op uw bal zijn verschenen, zoo ik schepen do la (ié-
neste in zjjn hui» had gevonden! Het was mij expresselijk ver-
boden aan de verrassing van \'t kasteel deel te nemen en ik
moest nog in den eigen nacht terugrijden. Ik heb mjj zelfs geen
tijd gegund van kleederen te verwisselen" (werkelijk droeg hij
nog hetzelfde prachtige gewaad van den vorigen avond); „en
zij het door de haast, die ik heb gemaakt, zij het door verandering
in zijn eigen marsch, maar eer ik het had kunnen wachten, trof
ik samen met den bevelhebber, die mij nu herwaarts zendt om
de stad op te eisenen, daar het kasteel in Staatsehe macht is."
.Dan komt gij te laat, ritmeester Hacx!" sprak de Syndicus
niet strakken ernst, waaronder ritncum> wegsehool.
.Hoe moet ik dat verstaan:1" vroeg Bacx droogjes; doch tege-
lijk zich omkecrend en Krank de IVeys gewaar wordend, hervatte
hij glimlachend: „Ma! ik begrijp...*\'
„Het zal ritmeester Bacx niet veel gebeuren, dat hij te laat
komt om te votbrengen wat hem is opgedragen," sprak Frank
do Preya, met een glans van zegepraal hem het geteekend akkoord
ter hand stellende; „maar nu toch zult gij moeten erken-
nen . . ,*\'
„Dat gijlieden mjj liet werk uit de handen hebt genomen, en
de verrassing van t kasteel zoo kompleet mogelijk is door het
verdrag met de stad," hernam JJacx, het perkament inziende,
met die gulle waardeering van eens anders arbeid, welke eenc
heldennatuur als de zijne kenschetst. Tuiniers, hij zelf had in zijn
krijgsmansleven reeds zoo menig miraculeus feit volbracht, dat
hij zonder afgunst of kleingeestige miskenning de verdiensten van
anderen kon toejuichen. „Het is uitmuntend; nu heb ik niet meer
te parlementeeren, en kan ik van de volmacht, mij verleend, ge-
bruik maken om met den Magistraat schikkingen te treffen voor
den intocht van den bevelhebber en zijn volk. Ik twijfel niet of
Mijnheer de Syndicus en de schepel) de la Geneste zullen mij
hierbij wel alle hulpvaardigheid toonen."
Terwijl hij den laatste noemde, zag hij hem aan, en zag ook
voor het eerst Madeleine, die zachtjes aan zich wat hersteld had
van do eerste verrassing en haar hoofd thans moediger durfde
oprichten.
Maar kennelijk was dit wederzien Hacx niet welgevallig. Ken
donkere gloed overtoog zijn gelaat; toen deze geweken was en
hjj haar met eene strakke hoofdbuiging groette, eer hij zich weer
omwendde, ten einde naar het antwoord van den Syndicus te
luisteren, toen drukte zijn koele blik niet slechts bevreemding,
uit, maar ook afkeuring. Madeleine begreep dat verwijt maarte
zeer; het deed haar verslagen terugdeinzen, als had zij zich zelve
wel onzichtbaar willen maken.
-ocr page 256-
246
„Jonker de Preys!" hervatte Bacx tot dezen, „\'t is nu aan u
om de bljjde tijding, zoowel der inname van \'t kasteel als der
overgave van de stad, aan kapitein Héraugière te brengen. Gij
hebt de verwelkoming verdiend, die u wacht!"
„Ritmeester!... houd mij de opmerking ten goede, ik sta
onder het onmiddellijk bevel van luitenant Paets .... en ik weet
niet of ik uwe opdracht mag aannemen..."
„Fjj! van die zotte vormen!*\' riep nu Rosse Jan. .Jonker de
IVeys:\' ik ga in allorjjl luitenant Paets de mare verkondigen. Haast
gij u het document te doen teekenen door Héraugière, dat is het
allernoodigste."
.Meester Jan van Luik is als altijd van goed beraad. Kn gjj,
Jonker! ik meende, dat gjj haast zoudt hebben uw Kapitein weer
te zien!"
.Dat heb ik ook, Ritmeester! maar..." en reeds tweemalen
had Krank onder het spreken aarzelend de» blik naar Madeleine
gewend.
Bacx had die taal der oogen opgemerkt en begrepen.
..t/i ra!.... gij hailt eene juffer te geleiden!" sprak hjj met
wat koelen spot; ik begrijp, dat uwe courtoisie zich gedwars-
boomd ziet; maar .... moet ik het u herinneren, dat dienstzaken
voorgaan\':* (la!" en hij reikte hem het perkament over met een
gebiedende beweging, die allo verdere aarzeling afsneed.
Krank de Preys boog zich, en na nog eens naar Madeleine te
hebben omgezien, ging hij, door Wouter Willemsz gevolgd.
Rosse Jan was al weg.
„Ik stel u voor Mijne Hecren!" eischte Raex, zich tot den
Magistraat wendende, .de verdere zaken naar krijgsmansmanier
te behandelen, kort, afdoende en met orde. Redrieg ik mij niet,
dan is er, in uwe stad zoowel als in deze zaal, aan de laatste
vooral grooteljjks behoefte. Ik zie hier allerlei personen, die, naar
het mij voorkomt, geen recht hebben tot zitting in uw raad. Ik
zie burgers, handwerkslieden !..."
„De gezworenen ..." verontschuldigde de Syndicus. .Het verlies
van \'t kasteel en de opeisching der stad hebben werkelijk do
laatste in opschudding gebracht, de partijschappen hebben zich
getoond; er is strjjd gevoerd, en deze prud\'hommes zijn ter juister
tijd van hunne goede gezindheid voor de burgerschap tegen gees-
telijke aanmatiging bewijs komen geven."
„Zoo zou het dunkt mij voegzaam zijn, ze met dankbetuiging
to doen aftrekken," besliste Bacx.
Kn de Syndicus gaf in welwillende woorden aan Meester Krancois
Hennin en den Deken der drapiers te kennen, dat het nu hun
plicht was om de rust te helpen bevorderen in de stad. De
Raadsleden, hen ziende heengaan, begonnen langzamerhand hunne
-ocr page 257-
218
zitplaatsen weer in te nemen. Chapeauvillc zelf achtte het geraden
zjjne Kanunniken aan zich zelven over te laten om nog uit de
schipbreuk van des Hisschops gezag te redden wat hij krijgen kon.
„Kn wat hebben deze geestelijken hier te doen?" vroeg lïacx
met den kenmerkenden afkeer van den tocnmaligen Staatschen
krjjgsman tegen dien stand.
„Het is cene deputatie uit onze Hooge Geestelijkheid, die hier
is gekomen om te protcsteeren tegen onze onderhandelingen met
den Staatschen luitenant over de opeisching der stad..."
„Ei zoo! mijne Wel-Kcrwaardcn! dan kunt gij gaan, dunkt
mij; uw protest is overbodig geworden!" sprak JSacx, met ecne
mengeling van ernst en sarcasme, die den geesteljjken hoogmoed
van den Kanunnik-lnkwisitcur prikkelde tot tegenspraak, ondanks
al het hachelijke van zijn toestand.
Vooruit trad hij en sprak fier :
„Heer ritmeester! wjj vertegenwoordigen hier de Heilige Kerk
en hare belangen, en nadat wjj aanschouwd hebben met hoeveel
lichtvaardigheid door den Magistraat de rechten van den lVins-
iïisschop zijn prjjsgegeven, achten wij het volstrekt niet overbodig
om voor de handhaving van \'t geen ons aanvertrouwd is, te waken.
Wjj zjjn dus hier met recht; wij hebben in het voorgelezen
akkoord hooren gewagen van eene clause, waarbjj de religie hier
zou Mjjven in den staat waarin ~ij »\'"*• En opdat die bedenking
geen jjdel woordenspel blijke, moeten wij expresse waarborg
eisenen voor de veiligheid van kerkelijke personen en goederen,
voornameljjk in de uitoefening der functiën van de eerste."
„Mag ik doen opmerken," viel do la Geneste in, zich tot Hacx
wendende, „dat de clause luidt : „tenzjj de burgers daarin vor-
andering wenschen;" en daar het meer dan waarschijnljjk is,
dat een groot deel der gemeente zich op dit punt vrijheden zal
veroorloven, zoo zou het hoogst ongepast en gevaarlijk zijn als
men den Heer Kanunnik-lnkwisitcur handhaving toezeidc in de
uitoefening zjjncr functiën."
Baex merkte wel uit den toon en de houding van de la Geneste,
dat er hier op niets onwaarsehjjnljjks werd gezinspeeld, en zijn
antwoord bewees hoe volkomen hjj den toestand begreep.
„Hoe nu! hebben wjj hier met de inkwisitie te doen? zjjn de
gezamenlijke leden van den Magistraat van gevoelen dat zij bjj
de handhaving harer functiën moet gewaarborgd worden P*1 vroeg
hij rondziende, met zoo kenneljjkc ironie, dat de Syndicus, die
zelf reeds tegenover de gecsteljjkheid te ver was gegaan om haar
niet te vreezen, haastig het woord nam :
„Geenszins, Heer ritmeester! we zijn allen zooals we hier
zitten, de inkwisitie moede. Zjj is ons opgedrongen tegen onze
constitutie in, en het is voornamelijk om haar juk af te schudden,
-ocr page 258-
1\'4T
dat zoowel raadsleden als burgers zich tot de overgave der stad
geneigd hebben gevoeld."
„Ik protesteer!" riep Chapeauvillc moedig; „ik ben niet die..."
„Gij zjjt de eenige, na Carolus Billens is afgetrokken," verklaarde
de Syndicus.
De gezamenlijke raadsleden, al mochten er ook onder zijn die op
dit punt minder beslist waren dan de Syndicus hen verklaarde,
de gezamenlijke raadsleden hadden thans weer dezelfde redenen
om niet voor hun gevoelen uit to komen als straks. Niemand
antwoordde dan ook om in te stemmen.
„Mjjnheer de Inkwisiteur!" sprak Hacx nu tot dezen, op een
toon, die niets geruststellends had. „De clause, waarvan gij spreekt,
is niet zoo rekbaar, dat zjj naar uw verlangen kan worden uitge-
breid. Kr is aan alle burgers in Hoey veiligheid en bescherming
gewaarborgd voor personen en goederen, hetgeen die der gees-
telijkhcid insluit; acht zjj zich daarmede niet genoeg beveiligd,
bjj voorbeeld tegen represailles van particulieren, zoo is zij voor
vast wel machtig zich zelve te beschermen, en behoort zich op
dit punt met hare leeken te verstaan. Kapitein Hcraugicre kan
zich met zulke onderdeden niet inlaten; doch wat uwe inkwisitie
betreft, ik geef u mijn woord, Hoogwaardige Heer! als edelman,
als krijgsman, als christen, dat zij in de uitoefening harer funetiën
lei tol ij k is geschorst door de overgave der stad aan kapitein
lléraugière, die, waar hij gezag uitoefent, geenerlei geestelijke
rechtbank gebied zal laten voeren over de eonsciëntiën of personen
der burgers. Alzoo, Mijne Heeren inkwisiteurs en geesteljjken!
is uwe tegenwoordigheid hier overbodig en kunt ook gijlieden
aftrekken."
„De Magistraat zal zorgdragen, dat de Hoog Herwaarde Heeren
veilig naar hunne woningen worden teruggeleid, troostte hen de
Syndicus en haastte zich daartoe de noodige bevelen te geven.
Had Marcelis Hacx den blik van vurige, schoon zwijgende dank-
baarheid kunnen opmerken, dien Madeleine hem, toen hij der
Heilige Inkwisitie zoo ruiterlijk den dienst opzeide, toewierp, wei-
licht zou hij eenige voldoening hebben gesmaakt en haar gedrag
minder hard hebben beoordeeld, dan wij vreezen dat hij deed.
Voor die dankbaarheid was inderdaad stof. Het was niets minder
dan de vrjjheid en het leven haar moeder, dat hij haar op deze
wijze verzekerde. De Magistraat, zelfs als de stad Staatsch was
geworden, had geen recht eenc geestelijke instelling te vernietigen,
aan het Bisdom door den Prins-Bisschop opgedrongen, en als alles
bij het oude moest blijven, dan hield ook deze recht van bestaan,
recht van zich te doen gelden. AVat zjj vermocht, wat zij durfde,
de la Geneste had het voormaals ondervonden, toen men zijne
vrouw uit zijn huis had gehaald, terwijl hij zelf op het Uaadhuis
-ocr page 259-
248
was; en alleen eene nieuwe orde van zaken, eene macht zonder
precedenten, zonder verbintenissen, kon, zoo niet wetteljjk, althans
feiteljjk en uit kracht van het recht van den sterkste eene instelling
opheffen of krachteloos maken, die onuitroeibaar scheen trots allen
die haar haatten en vreesden. Men moest Bacx zijn om zich niet door
gulgauwe inschikkelijkheid in het net der geestelijke list te laten van-
gen; men moest Bacx zijn, om door krijgsmansrondheid aan den
strik eener gevaarlijke concessie te ontkomen. De la Geneste voelde
niet minder diep dan zijne dochter, wat hij den kloeken ritmeester
schuldig was; hij had het voorrecht hem door Madeleine benijd,
het op den eigen stond te kunnen bewijzen, al was het maar met
een zwijgende handdruk, nadat hij zich tersluiks een traan uit
het mannelijk oog had gewischt. Geheel echter aan de eischen
van het oogenblik, aan die van zjjn plicht gewijd, liet de ridder-
lijko krijgsman zich intusschen niet verlokken tot spelemeien in
de beemden der sentimentaliteit; na den eersten hoffelijken groet,
scheen het of hij Madeleine\'s tegenwoordigheid niet meer had
opgemerkt. Dat hij haar echter niet vergeten had, bleek uit het-
geen hij weldra halfluid tot den Schepen zeide:
„Waarom hebt gij uwe dochter niet laten heengaan met de
notabele burgers? wat doen wij hier met eene vrouw?"
Madeleine had het oprechte, maar wat cavalière woord verstaan ..
„Ik ga, vader!" sprak zij, de la Geneste even de hand druk-
kende.
„Gij gaat, juffer!" sprak Bacx nu opstaande en zich rechtstreeks
tot haar wendende, „dat keur ik goed; maar gij gaat toch niet
alleen ?"
„Ik ben alleen gekomen, ritmeester Bacx 1" antwoordde zij vast
en fier.
„Het ware misschien beter, zoo gij niet gekomen waart," fluis-
terde hij; „maar nu die onvoorzichtigheid is geschied, moet gij
haar niet verdubbelen door alleen heen te gaan. Vaandrig de
Preys is er wel niet, maar ik heb mijn vaandrig hier, en..."
„Geef hem geene moeite ritmeester!" hernam Madeleine met
eene mengeling van bitterheid en spot; „zooals ik gekomen ben
zal ik gaan! Ik heb niemands geleide noodig!" en wat stijfjes
groetende, spoedde zjj zich weg.
De ritmeester schudde het hoofd over eene eigenzinnigheid,
die te fier was om met gevaren te rekenen. Maar de la Geneste
scheen zijne onrust niet te deelen, want hij fluisterde hem toe:
„Madeleine moet haar gang gaan; zij is wel de dochter harer
moeder; zij weet wat zij wil, en wat zij wil voert zij uit."
Baex boog zich met een satirieken glimlach, en keerde zich
tot den Syndicus om de „publieke zaken" te bespreken.
-ocr page 260-
249
Een half uur later was zijn wegrijden als een triomftocht, tot
aan de poort toe uitgeleid door de menigte, onder vroolijke vivat*
en toejuiching. Het was hoog tijd, dat hjj tot zijne ruiters terug-
keerde. Hun ongeduld liet zich nauwelijks langer matigen om
de brug over en de stad in te trekken. Toch veroorloofde Bacx
hun dat ook nu niet. Hij nam ze met zich, Heraugière te gemoet;
hij moest met zijn volk het eerst binnenrukken.
Inmiddels ondervond Madeleino bij het terugkeeren al de
bezwaren en den overlast van hare vrijwillige verlatenheid. Toen
zij, door onrust en bekommering voortgejaagd, zich te voren een
weg had gebaand door de menigte heen, was het doel dat zij
beoogde haar ten steun geweest en had haar, om zoo te spre-
ken, over alle hindernissen heen geholpen. Zij had er toen niet
eens over gedacht of zij herkend werd, ja of neen, noch hoo
men over haar zou denken, als men haar opmerkte.
Alarm in de stad! de verrassing van het kasteel te vroeg uit-
gelekt; een Staatsch parlementair door het gemeen bedreigd;
haars vaders naam onder dat alles gemengd, meer was er niet
noodig om haar te doen voortijlen zonder opzien of omzien. Maar
nu keerde zij terug en hare geestdrift was verflauwd; er viel niet
meer te strijden; voor het genieten van den triomf had zij in dezo
oogenblikken nog geene vatbaarheid. Had zij maar voort kunnen
rennen, als eene gejaagde ree, zij zou spoedig te huis zijn geweest
en allen overlast ontkomen; maar het was nog voller op de stra-
ten dan toen zij in de vroegte uitging, en vooral ging het er ru-
wer en woester toe, dan toen de menigte, wel driftig en opge-
wonden, maar toch nog zonder eigenljjken strijd ten stadhuize
heentoog. Thans waren burgers met werkvolk handgemeen; thans
dreven de gewapende schutters de bissehoppeljjke soldaten op de
vlucht, en zooodra er weerstand was, had er strijd en bloedstorting
plaats; men zag hier en daar een gekwetste? Om niet zelven in
die aanvallen begrepen te worden, moesten de vreedzamen zich
op zijde houden; hier in schaduw van een luifel, daar in schuts
van een bank, altjjd wachten, altjjd voet voor voet, door de nauwe
bochtige straten, steil op te komen, snel hellende bij het neer-
dalen. En dicht bij de huizen langs gaande, werd zij hier en daar
door de bewoners herkend, werd haar naam door winkelier of
burgervrouw genoemd, met bevreemding, met afkeuring, met
scherpen spot somwijlen. Zij was de eenige jonge dochter van
haar stand, die zich op straat waagde in deze ure, en onverzeld
bovendien! „Zij had toch vreemde manieren;\'\' als andere juftïou-
wen in haar zondagstooi langs de straten trippelden, bleef zij te
huis „psalmen lezen,\'\' zei do booze wereld ; en nu ieder ingetogen
meisje zich uit zedigen schroom binnenshuis hield, nu liep Ma-
deleine do la Geneste mee onder \'t grauw en alleen!
-ocr page 261-
250
„Het was zoo\', zij had den schijn tegen zich, dat voelde zij
maar al te goed, en of zjj al den kap van hare huik over de
goudblonde lokken trok, deze viel telkens terug, en telkens wist
zij wat die verbaasde blikken of spottende glimlachjes hadden te
beduiden. Zeker, zij had bij een bekend winkelier kunnen bin-
nentreden en het oogenblik der herstelde rust afwachten, maar
dat kon lang duren en haar hart trok naar huis om hare moe-
der; hare moeder, die zij in zulke onrust had verlaten, die mo-
gelijk, wie weet werk leed en welken last had geleden, en die
zij zoo gaarne nu de goede tjjding brengen zou.
Naar huis moest ze en daarvoor alles trotseeren. Een oogenblik
waande zij in den J-ïisschoppeljjkcn officier, dien zjj voorbjj zag
ijlen met den degen in de hand, zijn vluchtend volk na, om dat
nog tot keeren te dwingen, een oogenblik meende zij in dezen
Charles Kerkadet te herkennen. Hare consciëntie, niet haar oog,
was oorzaak van dien waan. Ware hij nu vrij geweest, hij zou
haar ten steun zijn gebleken, haars ondanks; hij was gevangen
door hare schuld! aan al dat rumoer om haar heen, aan al die
ruwheid, die wreedheid, die verwarring, welke aller vrede stoorde,
had zjj midileljjk deel, deel althans door de wensehen van haar
hart, door de gedachte, die anderen tot daad hadden gemaakt.
Hoe haakte zij naar rustin de armen harer moeder! Hoe ging
het haar moeder! Hoe het haar nu berouwde, dat zij in eone
opwelling van gramschap tegen Marcelis Baex, diens aanbod van
de hand gewezen had om voor haar geleide te zorgen; het was
immers alles wat hjj voor haar doen kon in dezen oogenblik.
Waarom had zij het versmaad, waarom voelde zij zich gekrenkt
door, verbitterd zelfs tegen dien held, in de eigen ure waarin zij
hem den hoogsten dank schuldig was, waarin hij de veiligheid
harer moeder verzekerde P Dat harer tegenwoordigheid op het
liaadhuis hem had bevreemd en geërgerd, zij had het al te goed
geraden uit dien eersten blik; maar mocht haar dit tot toorn ver-
wekken tegen hom ? Zij moest erkennen, dat er geene oorzaak
was; en toch, zij kon het zich zelve niet loochenen. Hem ziende,
had zjj eene andere begroeting gewacht, dan die te kennen gaf,
dat zij onwelkom was. Maar wat was voor haar dan toch die
vreemdeling, dat zij dus op hem rekende? Welk woord had hij
haar gezegd, welke belofte gedaan, dat zij aanspraak kon maken
op iets anders dan de hulpvaardigheid waarmede hij voor de on-
beschermde jonkvrouw wilde zorgen \'i Doch zie, — ze mocht niet
eens mijmeren, — daar kwam eene woeste bende aanstuiven; moge-
lijk viel er eene smalle stille zjjstraat in te slaan, die naar de afgelegen
buurt leidde, waardoor zij hoopte onbemerkt en ongehinderd de ach-
terpoort van haar huis te bereiken. Zij vond in \'t steegje werkelijk stilte
en een oogenblik verademing; maar... in een paar minuten was zij het
-ocr page 262-
251
door en bevond, dat die anders zoo doodsche buurt nu woelig was
geworden. Juist daar bleek het gemeen in do weer! Dat was eene
teleurstelling! Er waren kloosters in die wjjk, en dat soort van
volkje, \'t welk liever bedelde dan werkte, zorgeloos voortlevende
in het driestste en domste bijgeloof, het vond daar zijne voed-
sterheeren! Zij was er wel eens met een weldadig doel eene
woning binnengetreden, had er wel eens poging gewaagd om wat
licht te brengen in die dichte duisternis, maar zij had zich meer
dan eens met eene stugge achterdocht begroet gezien, zoo niet
met schimp en spot afgewezen. Natuurlijk! Men had het veelte
goed bij do monniken om de toespraak van zoo\'n verdachte leeke
anders dan met wantrouwen aan te hooren, al nam men ook
met koele onverschilligheid hare giften tot zich!
In één woord, Madeleine was verdacht gemaakt onder dat
volkje, en zij wist het! Deze waren de escorte geweest van de
monniken, die de nederlaag hadden geleden op het Stadhuisplein;
en nu stoven leiders en volgers al te zamen denzelfden weg langs
om als vossen in do holen weg te schuilen, tot ze als wolven
weer onder de kudden zoudon mogen rondwoeden.
Madeleine liep werkelijk gevaar, zoo niet van grovo mishande-
ling dan toch van ongepaste kwelzucht on lage beschimping, toen
op eens een persoon haar op zijde schoot en minzaam toesprak,
haar met beleefdheid den arm biedende.
„Het komt mij voor, dat de juffer wel wat in het gedrang raakt.
Mag ik de eer hebben haar door het volk heen te leiden. Mijn
rapier zal ontzag inboezemen."
Zijn rapier! Werkelijk, hij had er een opzijde; maar nog nooit
in zijn leven had hij het durven trekken te zijner eigene verde-
diging, als hij kans zag zich door de vlucht te redden. Nu was
hij zelf mee op het hazenpad met de partij, die hij had gediend!
Maar toch zag hij er met zijn gepluimden hoed, met zijn neus
in don wind, daar er voor hem zelf in dezen stond geen gevaar
was, toch zag hij er op \'t eerste gezicht krijgshaftig genoeg uit
om bij eene juffer in hare verlegenheid voor een beschermer te
gelden. Zijne klceding, zij merkte het op ook bij den vluchtig-
sten blik, was noch fraai noch frisch, maar het was do klceding
van een heer, en zij kon hem daarvoor nemen. Dat hij zoo
erg scheel zag en gansch geen gezicht had om vertrouwen te
wekken, viel haar niet in het oog, daar hij naast haar ging;
wat het intusschen zijn mocht, dat haar als bij intuïtie waar-
schuwde, dat zij den arm, dien hij haar bood, niet moest aannemen ?
„Ik ben in een omzien te huis, daar ginds, bij die poort, dat
is het achterhuis van mijns vaders woning," sprak zjj met opzet
om hem af te schrikken; maar dat ging zoo gemakkelijk niet met
een snaak als Jacques Perret.
-ocr page 263-
252
„Een ongeluk ligt in een klein hoekje, zooals wij Hollanders
zeggen," was zijn antwoord.
„Zijt gij een Hollander!*" vroeg zij hem even van ter zijde
aanziende, met heimelijk ongeloof.
„Een Zeeuw! Ik ben hier om belangrjjke zaken, die... tot
mijne blijdschap nu haast een goed einde zullen nemen. Loop
toch zoo hard niet, Juffer\', ik zal u geen letsel doen."
Bij het pochen op belangrijke zaken, al geschiedde het in
\'t Hollandsen; bij het vernieuwd opdringen van zijn arm, had
Madeleine zich zoo ver van hem verwijderd als haar doenljjk was, en
repte zjj zich voort zoo haastig zij kon, ondanks den plaaggeest,
dio zich nu van beschermer in vervolger herschiep. De onbe-
schaamdc! hjj veroorloofde zich allerlei grove aardigheden over
juffers, die zoo kieschkeurig waren, en die zich desondanks alleen
in \'t straatgewoel waagden! Er was geen einde aan dergelijke
opmerkingen zjjner waardig, die Madeleine nauweljjks verstond
en waarnaar zjj ook niet luisterde, maar die haar toch in de ooren
klonken als het hinderlijk gegons van een insect, dat door zijn
vleugelgesnor tot last wordt.
Aêmechtig, schier ademloos, maar toch naar zij meende voor
goed aan hem ontkomen, stoof zij de achterdeur in, die openstond,
daar Trinette zich nogmaals veroorloofd had een kijkje te gaan
nemen, ditmaal van \'t geen er in de schamele buurt voorviel.
„Hoe is \'t met onze gast, Trinette P"
„Heel wel, geloof ik; zjj is uitgegaan!\'"
„Uitgegaan!... mijne..." Madeleine durfde den teederen naam
nog niet uitspreken.
„Kom mee, Trinette! zeg me haastelijk hoe zich dat heeft
toegedragen."
„Met uw welnemen, juffer! zal ik niet eerst de tuindeur sluiten?
daar loopt zooveel woest volk op straat."
Juist toen Trinette den sleutel ter hand had genomen, vertoonde
zich de schele met den hoed in de hand. „Eilieve, zeg me, wio
woont hier!\'"
„Schepen de la Geneste! pas maar op dat je niet in zijne
handen valt!" en flap ging de deur toe en den grendel er op;
• naar het napruttelen van den indringer werd niet geluisterd.
-ocr page 264-
HOOFDSTUK X.
Wjj hebben de verrassing van \'t kasteel van Hoey zien vol-
tooien door de overgave der stad. Het is nu tijd om den blik
te slaan op de keerzijde dier schitterende medaille.
Op den zevenden Februari was Héraugière met zijn krijgsvolk
de stad binnengetrokken en had het bezet, en reeds den dertien-
den Maart zijn de Spanjaarden onbetwist meester in het arme
Hoey en hebben het beleg geslagen voor de vesting, en houden
die zóó nauw omsloten, dat er aan geen andore uitkomst te den-
ken valt dan, na korter of langer tijd, do overgave!
Wat lag er tusschen het vernuftig uitgedachte en stout vol-
voerde heldenfeit, waarvan wij de voorstelling gaven, en dezen
vernederenden ommekeer, dat dien mogelijk had gemaakt? Wij
moeten eenig geduld vergen van den lezer, die liefst den roman
een rappen gang zag gaan, om die mogeljjkheid duidelijk te maken.
Héraugière was niet met een onbewolkt voorhoofd Hoey bin-
nengetrokken, al werd hij ook door een deel der inwoners met
blijdschap ingehaald. Wie hem van nabij omringden en gewoon
waren op zijne gelaatstrekken te lezen, hadden de kenteekenen
van verdriet en teleurstelling ontwaard, met hoeveel kracht van
wil die gemoedsstemming ook werd bestreden. Men zag hem zich
de lippen verbijten, of hij telkens een ventri aaint-gris! tusschen
den knevelbaard had te smeren, zooals Wouter Willemsz later
getuigde, die de eer had genoten aan de zijde van den vaandrig
de 1\'rcys als trompetter mee te rijden, en die, wel een weinig
met de inbeelding van la mouehe de la couehe, niet ongeneigd
was deze bljjken van ergernis toe te schrjjven aan zijn valsch
gesehotter!
Maar men begrijpt, dat de oorzaak er van verder en dieper
lag. Héraugière had reeds toen de ontmoedigende zekerheid, dat
het grooto krijgsspel, waarvan do verrassing van Hoey slechts de
inleiding was, voor twee derden onvoldoende zoude bljjvon, en
-ocr page 265-
25
het verdriot te ontwaren, dat hij zelf de eenige was, die zijne rol
eerlijk had afgespeeld. Hasselt, Mseseyk en de hoofdstad Luik
zelve, waren bestemd, en zoo men meende bereid geweest om
het voorbeeld van Hoey onverwijld na te volgen en zich aan der
Staten zijde te laten brengen. Wat het doorzetten van zoo be-
langrijk een krijgsplan heeft verhinderd, is eene verborgenheid
gebleven, waarover Héraugière bij zich zelf zeker zijne gissingen
waagde, doch zonder ze uit te spreken voor anderen. Alleen wist
hij, dat het voornemen om Hasselt door list aan do Spanjaards
te ontweldigen, mislukt was door het terugtreden van zekere per-
sonen daarbinnen, die beloofd hadden daartoe mede te werken.
Te Luik was de gewilligheid groot en algemeen tot eene veran-
dering van zaken. Enkele Luiksche Staten waren al sinds Januari
in correspondentie met Prins Maurits, en de Gouverneur van Breda
had zelf de onderhandelingen gevoerd van uit zijne stad. Maar
men had er behoefto aan steun van buiten, die niet was opge-
daagd of niet op het juiste oogenblik. Mieseyk wachtte vermoe-
delijk de gebeurtenissen te Luik, of zag om naar Hasselt, en de
bekendheid met dezen stand van zaken, dien hij voor anderen
nog verborgen hield, was zeker weinig geschikt Héraugière met
bljjde voldoening op zijne nieuwe verovering te doen neerzien.
Ook als zijn starend oog uit een der boogvensters van \'t hoog-
gelegen bisschoppeljjk lustslot naar de kleine stad heenzag, zoo
liefelijk rustig in de vallei gelegen, maar tevens zoo zwak en
ongeschikt om een kraehtigen vijandelijken aanval te weerstaan, dan
klopte hem het mannelijk hart onrustig in de fiere borst, en de
bitterheid dor smartelijkste teleurstelling deed hem stampvoeten.
Wie hem in zulk een oogenblik had bespied, zou diepe bekom-
mering hebben gelezen in zijn donker oog, en dreigend onheil
in het samenfronsen zjjner wenkbrauwen. Hij had eene zware
verantwoordelijkheid op zich genomen, in de hoop een grootsch
ontwerp tot eene goede uitkomst te brengen, en nu — de anderen
lieten hun werk onafgodaan, en hij stond alleen om aan alle stor-
men, die komen moesten, het hoofd te bieden. Sa de bemachtiging
van Hoey oen op zich zelf staand feit was gebleven en voor het
oog der wereld de daad moest schijnen van een particulier per-
soon, was zijne stelling, zoo dicht in de nabuurschap van den
vijand tusschen onbetrouwbare bondgenooten en machtelooze
vrienden, niet slechts eene valsche on gevaarlijke, maar, zooals
zijn schrandere blik welhaast doorzag, ook een onhoudbare, tenzij
hem krachtdadige medewerking gewierd van hen, die het heftigst
op de noodwendigheid van \'t bemachtigen der stad Hoey hadden
aangedrongen.
„Ja! nu had Héraugière den sleutel in handen, dien men zoo
begeerlijk had geacht, waarmee de doortocht door Luikerland
-ocr page 266-
255
naar Duitschland en door het Luxemburgsche naar Namen en
Spaansch Braband was te openen of te sluiten. Maar wat hielp
dit, als de Hertog van Bouillon en Graaf Filips van Nassau toch
geen gebruik maakten van de befaamde steenen brug om hunne
legers te vereenigen f
Als men niet snel en stout de vruchten wist te plukken van
de verovering, liep men gevaar die voor altijd te verliezen. En
toch, men verzuimde dat; waarom? Héraugière zal het zeker wel
zuchtend hebben gevraagd; mogelijk werd hem een antwoord
gegeven, dat tot berusting verplichtte, al kon het ook niet be-
vredigen.
\'t Was barre winter, dat is zoo; maar het voorjaar met door-
weekte landen en gezwollen rivieren bood toch zeker geen gun-
stiger kansen voor \'t oprukken van legerbenden dan do vaste
hard bevroren grond. Het is waar, de groote Heeren trouwden
en de voorname krijgsoversten vierden mee feest met een entraln
of er geen perikel in den lande ware; de Graaf van Hohenlo te
Buren, de Hertog van Bouillon te Sedan, waar hij Elisaboth van
Nassau huwde, en de Graaf van Solms te Delft met Sabina van
Egmond. Zeker, die feestvieringen namen veel geld, ook van der
Staten zijde; maar \'t is toch niet denkeijjk, dat zij het vroeger
gevormde ontwerp hebben gedwarsboomd of belangrjjke krjjgs-
verrichtingen, die overigens geene hinderpalen hadden, hebben
doen uitstellen. Hoe dat ook zij, Héraugière, die vrije communi-
catie had met zijne stad Breda, met Bergen-op-zoom; die tot
Sedan toe zijne boden kon laten gaan en zien keeren, Héraugière
trok al de partij van zijne positie, die hjj er van trekken kon,
door eene levendige correspondentie te houden met den Prins
en de leden uit de Staten van Holland, die in \'t geheim van zijn
krijgstocht waren geweest. In Holland was men aanvankelijk even
verheugd als verrast met de winst eener sterkte in Luikerland,
en men scheen volstrekt geen bezwaar te zien in de wijze waarop
zij verkregen was. Men had wel hoop, dat de Algemeone Staten
deze zienswijze zouden deelen, als het gebeurde te hunner ken-
nisse werd gebracht. Le succes n\'a jamais tort, daarop hadden
de ontwerpers der verrassing gerekend, en het blijkt ook niet uit
de latere handelingen van Hunne Hoogmogenden, dat zij er an-
ders over dachten; zij waren zeer geneigd zich de voordeden,
die er uit de verovering konden volgen, te laten welgevallen,
en zeer weinig gezind de prooi te laten varen; alleen zij achtten
zich niet verplicht tot maatregelen om die te helpen behouden.
Koning Hendrik IV, die het luidst en het levendigst bjj de Sta-
ten en den Prins had aangedrongen op de bemachtiging van
Hoey, juichte de welgelukte verrassing toe en hield niet op ten
sterkste aan te dringen bij den gezant der Staten, dat zijne Hee-
-ocr page 267-
256
Ten en Meesters toeh mochten voorzien in het versterken van
die vesting; alleen wij zien niet, dat hij zelf van zijne zijde haar
wezenlijke hulp heeft toegeschikt. Nog was er een bondgonoot-
«chap, waarop door Maurits en Héraugière zeer was gerekend
ter verzekering van de Hoeysehe verovering: de zoogenaamde
Italiaansche Hepubliek, eene vrij aanzienlijke bende muitende
«oblaten, die zich van het Spaansche leger, waartoe zij behoor-
den hadden afgescheiden, hoofdzakelijk uit spijt over de slecht
betaalde soldij, en die, onder aanvoering hunner eigen gekozen
■hoofden, eene legermacht vormden, ontzagwekkend genoeg om
er mede te rekenen. Maurits en de Staten, die ze liever tot vrien-
den dan tot vijanden hadden, en uitgaande van het beginsel, dat
men niet al te kiesch moet zijn in den oorlog op de middelen
-om den vijand afbreuk te doen, hadden eene alliantie aangegaan
met de interlope Hepubliek, waarbij haar het stadje Sichem, in
Staats-Hraband, tot vrijplaats was gegeven. De omliggende dor-
pen en gehuchten hadden intusscheu niet weinig te lijden van
•deze woeste en woelige nahuurschap. Zeer gegrond was dus de
vrees, dat zij, eens den vasten en vrijen voet hebbende in den
lande, na het /uiden te hebben kaalgeroofd, naar het Noorden
■zouden optrekken en zachtjes aan tot de Hollandsche en Gel-
dersche grensplaatsen zouden naderen.
Om hen af te voeren en tegelijk eenig nut te trekken van
dit zonderling verbond, waren zij lang vooruit aangewezen om
de stad Hoey te bezetten als men die zou bemachtigd hebben.
Zij mochten zich dan uitbreiden op het Luiksch en Xamensch
grondgebied zoo ver zjj wilden en konden, en mochten dan te-
ren op kosten der plattelandsbewoners, wier belangen door vriend
en vijand even onbarmhartig werden voorbjjgezien. De electo of
Hoofdman der Italianen had in deze schikking toegestemd. En
na den bijstand, hun reeds verleend, had men allo recht om op
hen te rekenen, nu de stad Hoey werkelijk bemachtigd was. Maar
men vergat, dat die vreemdelingen rebellen waren, die, reeds
eenmaal hun eed aan een legerhoofd verbroken hebbende, een
nieuwe trouw breuk juist niet al te zwaar zouden wegen, als hunne
luim of hun voordeel dat meebracht. En nu, de landvoogd Ernestus
had het niet beneden zich geacht, hun voorstellen te laten doen tot
vrede en verzoening: had beloften gedaan van betaling der achter-
stallige soldij en zelfs de stad Thienen aangewezen als onderpand
van de vervulling der toezegging, en reeds waren zjj op het punt
■daarbinnen te trekken, alleen nog maar aarzelend uit wantrouwen
tegen de Spanjaarden, die hen mogelijk in den strik dachten te
lokken, toen Hoey in de macht der Staatschen viel; dit weerhield
.Hen nog eene wijle; zij wisten nu niet zoo terstond te kiezen aan
velke zijde te gaan, en onder het wikken en wegen van het vóór
-ocr page 268-
267
en het tegen, ontstak de tweedracht in hun eigen kamp. De
soldaten rebelleerden nu tegen hunne eigene officieren, en be-
geerden verzoening met den Spaansellen landvoogd ; de officieren
drongen er op aan dat men woord zoude houden aan den kapi-
tein van den Stadhouder der Vereenigde Provinciën, en de finale
van deze disharmonie was deze: dat ze niet naar Hoey trokken,
maar vlottende bleven tusschen Thienen en Sprange, en zich veil
stelden voor den meestbiodende, noen, den meestgevende, want
geene beloften meer, maar klinkende munt alleen, kon de wan-
trouwende rebellen thans voldoen.
Dat Héraugière in dien wedstrijd niet de zegepraal behaalde,
•zal men wel gelooven. Integendeel, van allen toevoer verstoken,
wist hjj alleen op eigene kracht en vindingrijkheid te moeten
rekenen ter voorziening van eene vesting, die in zoo verwaarloosden
staat was, dat men haar met dertig man had kunnen nemen!
Volgens de overeenkomst met den Iloeyschen Magistraat, was
hij gehouden de burgers vrij te laten van allen oorlogslast, hetgeen
zoo getrouw mogelijk door hem werd nagekomen. Maar de sol-
daat moest leven, en in de vesting gebrek te lijden, terwijl men
wist, dat de omliggende kloosters als de voorraadschuren waren
van al het vette der aarde, dat zou volgens de begrippen van zijn
tijd eene bovenmenschelijke onthouding zijn geweest, waaraan hij
zich ook wel wachtte de zijnen te onderwerpen. Daarbij, in den land-
adel, de hooge geestelijkheid en de rjjke kanunniken, zag hij
zjjne natuurlijke vijanden, die dan ook niet nalieten van deze
gezindheid, zooveel zij durfden, blijk te geven. Zoo brandschatte
Héraugière kloosters en adolljjke huizen, en eischte zware rantsoe-
nen van de voorname geestelijken, die in de handen zijner sol-
daten vielen. Deze handelwijze uit nooddwang, en die elk ander
krijgsbevelhebber van zijn tijd zou gevolgd hebben, die in den
onzen, vraag hot aan de Pruisen, zelfs nog niet in onbruik is
geraakt, is hun later door de bisschoppelijke partij als een onge-
hoord wanbedrijf toegerekend, en de Spaanschgezinde historie-
schrijver, del Kio, geeft hem na, dat hij en zijn volk zich in alles
gedragen hebben zooals men van goddelooze ketters kan ver-
wachten; maar hij moet er toch bijvoegen dat de rechtgeloovige
Spanjaards het vrij erger maakten, al was het niet het eerst en
meest op de kloosters, dat zij aanvielen. De ruiters van Bacx en
Balen, waarvan de eersten zich terstond na \'t intrekken binnen
Hoey aan ongeregeldheden hadden schuldig gemaakt, die met
de uiterste strengheid in allerijl door den ritmeester waren ge-
stuit on gestraft, de ruiters van Bacx en Balen waren verwezen
naar de voorstad op de rotsen liggende. Zij vonden daar geene
kazernen, zooals vanzelve spreekt, en zij verlangden derhalve
hun intrek te nemen in de kloosters, die men er wel vond; maar
1)0 verrassing van lloey.                                                                                          1 *
-ocr page 269-
258
daar zij er noch geopende harten, noch geopende deuren vonden,
hadden zij in een ommezien de bewoners of bewoneressen ver-
dreven en zich zelven gastvrjjheid verschaft.
Van die hoogten af hielden zij een wakend oog over de omlig-
gende landstreek; zij daalden ook wel eens naar beneden tot
strooptochten, die juist niet tot het programma behoorden van den
Opperbevelhebber — maar a la guerre comme a la guerre —
men moest wat door de vingeren zien: geld om hunne soliljj te
betalen was er niet; zij moesten van den roof leven. Dat moesten
grootendeels ook de soldaten, die \'t garnizoen van de stad uit-
maakten. ook al ingelegerd in kerken en kloosters, waar zij maar
best konden, en daar zij gehouden waren de inwoners te ontzien,
trokken zij wel eens naar buiten om te fourageeren onder de
landlieden. Deze excursies moesten veiligheidshalve in grooten
getale geschieden, en liefst onder bedekking van eenige ruiterjj,
want het Staatsche krjjgsvolk was zoozeer in haat geraakt bij
den boer en den mijnwerker, dat wie zich in kleine troepjes on-
voorzichteljjk wat ver buiten de vesting begaven en verdoold
raakten, door het heftige Luiksche landvolk werden overvallen
en onbarmhartig doodgeslagen.
Strooptochten naar het land van Xamen, vijandeljjk territoir,
waar men zich alles kon veroorloven, werden dan ook alleen
door de ruiters ondernomen. Bjj zulke gelegenheden waren die van
Hcraugière mede van de partij en lieten zich niet onbetuigd.
vVt>ntrf\'-8<i/Ht-(/rix! dat was het recht van den oorlog," en
hun bevelhebber had het eens in het hoofd moeten krijgen hun
düt te verbieden; hjj had geen soldaat binnen de vesting gehou-
den, dat is zeker.
Een dier tochten had eene schitterende uitkomst. Tusschen
Fleurus en Mont-Mcdy, halfop Xamensch, half op Luxemburgsen
grondgebied, troffen zjj samen met eene soort van handelskaravaan,
die uit Italië kwam, Frankrijk was doorgetrokken en nu langs
dezen weg naar Antwerpen hoopte door te komen. Zjj bestond
uit zeven karren, zwaar geladen met de kostbaarste Italiaansche
stoffen en goederen: goud- en zilverlakens, borduursels, zijden
kousen, Florentijnsche zijden galons, brocades, parfumerieën en
handschoenen, behoeften der fijnste weelde, waarop door geheel
Europa de hoogste prijs werd gesteld.
Het moet een schilderachtig gezicht zijn geweest, die rijke lading
op die zware vrachtkarren, langzaam voortgetrokken door kloeke
paarden, door Fransche en Italiaansche voerlieden bestuurd, nu
eens dalende, dan eens rijzende, naarmate de rotsachtige grond
vorderde: maar de Staatsche ruiters hadden geen oog voor deze
levendige stoffage van het heerlijke winterlandschap; zij vlamden
op den buit, en de lichte bedekking van Spaansche soldaten, dio
-ocr page 270-
259
de karavaan begeleidde, waa hun geen hinderpaal, maar zeer
zeker voorwendsel tot een aanval. Ka korten strijd moesten de
Spanjaarden wijken voor de overmacht; de voerlieden werden op
de vlucht gedreven of gevangen gemaakt en de ruiters brachten
den rijken buit triomfantelijk binnen Hoey.
De waarde daarvan werd geschat op driemaal honderdduizend
gulden; eene ontzaggelijke som, vooral bij de waarde van\'t geld
te dier tijde, hoewel het niet waarschijnlijk is, dat ze in de
handen van \'t ruwe krijgsvolk die som zouden opbrengen. Wjj
onthouden ons eene voorstelling te geven van de passien, die er
in beweging kwamen bij de verdeeling van dezen roof, waarin
de officieren aandeel hadden naar hun rang, en waarbij dus aan
Hcraugière Ut part du lio» moest worden toegekend.
Xu ja! waarom zou men het verhelen, de krjjgsoversten van
dien tjjd waren geene philanthropen, naar de begrippen van den
onzen gefatsoeneerd. Kaast den dorst naar glorie was die naar
buit in hen allen een familietrek, die zich maar zelden verloo-
ehende. Maar de gouden berg bracht ook ditmaal niet ter wereld
wat hjj had beloofd. Deze schatten werden niet veilig geacht
binnen Hoey, en de ruiters zouden ze opbrengen naar hunne
verschillende garnizoenen. Zonder beletselen kwamen ze door
Lnikerland heen, maar omstreeks Tongeren werden ze achterhaald
door de voorhoede van \'t Spaansche leger onder ritmeester
Orobbendonck, die eene revanche had te vragen van de stroop-
tochten binnen Namens gebied, en die hun den pas naar Breda
en Bergen-op-Zoora wilde afsnijden.
Bij zulke gelegenheid is dn rijkdom een last, maar geen schild.
De Staatsche ruiters ervoeren het. Meer bekommerd om hun
buit te redden dan om hunne eer op te houden, wilden de eerst
aangevallenen niet vechten, maar alleen vluchten om verder te
komen. De officieren trachtten hen te doen stand houden, maar
tevergeefs. Tegen den prikkel van den gouddorst baatte geen
krijgstucht. Verdeeld, en bijgevolg verzwakt, trachtten de over-
blijvenden tevergeefs den sterkeren vijand te weerstaan; ook
zjj moesten het opgeven en \'t aanstekelijk voorbeeld volgen. De
officieren, die zelf nauwelijks raad wisten, tegen het wegrennend
krjjgsvolk of tegen den aandringende»» vjjand, moesten ten slotte
zich schikken in het algemeen sauve qui peut. Maar voor
de vervolgers werden de beladen vluchtelingen, dus verdeeld,
eene gemakkelijke prooi. Wel honderd paarden vielen in hunne
macht, en slechts de helft van den buit werd te Breda en Ber-
gen-op-Zoom geborgen. Tochtig soldaten en twee luitenants
sneuvelden op dezen roemloozen tocht, en van hen, die, aan de
Spanjaarden ontkomen, met verlies van paarden en wapenen
alleen of in kleine troepjes naar Hoey meenden weer te keeren,
-ocr page 271-
2«ü
vielen de meesten in handen der Luikschc landlieden, die met
de Spanjaarden genieene zaak maakten om hun wraaklust te koelen.
Mogelijk is men geneigd Héraugière te voroordeelen, dat hij
zooveel goed krijgsvolk aan zulk eene nederlaag waagde om een
rijken buit in veiligheid te brengen: bovenal dat hij de geduehte
ruiters van Bacx en Halen naar hunne garnizoenen liet weerkecren,
o]> een tjjdstip, dat er geruchten gingen van bewegingen in het
Spaansche leger, die hem niet onbekend konden zijn. Maar men
moet zicli herinneren, hoe de legermacht, waarover hij te be-
sehikken had, was samengesteld uit de garnizoenen van versehil-
lende vestingen; en hoe het krjjgsvolk sleehts ter leen was
gegeven voor één krjjgstoeht, en daar liet oogenschijnljjke doel
van dien krjjgstoeht was bereikt, zonder dat er kans bleef om
geheel bet uitgebreide ontwerp ten uitvoer te leggen, mochten
de Staatsehe vestingen, juist nu de vijand in beweging kwam,
niet al te veel ontbloot blijven. De termijn voor den aftocht
der ruiters was reeds bepaald vóór liet gebeurde bjj Kleurus,
en het onderscheid was alleen dit, dat zij nu met buit verrijkt
werden weggezonden, terwijl zjj zonder dat fortuintje mogelijk
niet eens hunne soldij hadden meegekregen! Zeker hadden zij
dan beter gevochten en waren mogelijk niet eens achtervolgd
geworden. Hoe dat ook zjj, Héraugière was zelf niet gerust op
Breda en duchtte represailles van den vijand. Hij zond er al het
volk heen, dat hij missen kon, met te meer gerustheid, daar hij
toen nog op de Italianen rekende, om de stad en de omstreken
te bezetten. Maar de Italianen kwamen niet, zooals wij gezegd
hebben; zjj zonden alleen hunne lioofdlieden naar Hoey om
onderhandelingen aan te knoopen die gerekt werden, totdat
Ernestus gold uit Spanje had gekregen en hunne eisenen inwil-
ligde, en dat was juist het oogenblik waarop Héraugière ze hoog
noodig had.
Hij bleef dus te Hoey met niet veel meer dan de compagnieën
voetvolk uit Heusden en (ioertruidenberg en zijne eigene vaan
ruiters, nauwelijks vijftig man sterk. De laatste behield hjj op
het kasteel; de anderen verdeelde hjj tusschen de stad en de
voorsteden.
Dat alles was zeker genoog om de verovering te bewaren in
tijd van rust; maar om haar te verdedigen, als zij werd aan-
gevallen!:1
En toch, het werd hem hoe langer hoc meer tot zekerheid,
dat men die niet onbetwist zoude laten. De Prins-Bisschop, die
in Duitschland was, daar hij zitting had iu den Kijksraad, had
wel zoo spoedig doenlijk kennis gekregen van liet voorgevallene
te Hoey, maar scheen in het eerst niet ongezind om het met
voorname achteloosheid te ignorecren. Het bisdom van Luik was
-ocr page 272-
2<n
zjjne ©enige bezitting niet, en aan Hoey was hem persoonlijk
niet zooveel gelegen, of hjj had zwijgend willen berusten in het
fait accompli^ zooals hij met Kjjnberck en Konn had gedaan.
Te eerder daar de Luiksche Staten ganschelijk niet tot tussehen-
komst aanraadden en, wijzende op de beloofde neutraliteit en
bondgenootschap met de Ueünieerde Provinciën, oordeelden, dat
\'t geen men den Spanjaarden inwilligde, ook den Hollanders kon
worden toegestaan.
Maar de geesteljjkheid dacht er anders over. Zij zag in het
bezetten van Hoey door de Staotsehen het verderf der Kerk en
religie, tot haar eigen groote schade. Zij wist het, reeds zag men
de onderdrukte, maar niet uitgeroeide ketterij daar het hoofd
opsteken, liet zou niet lang duren of die won er veld tot onder
de geloovigen toe. De Staatsche bevelhebber had daarbij kloos-
tors ontheiligd en kerken geplunderd; in de eersten legerden
zjjne soldaten; de anderen moesten hunne schatten ten otter
brengen; de Spanjaarden waren broeders, de Hollanders waren
vreemdelingen; de Itisschop moest liever de eersten inroepen
dan de laatsten in zjjne stad te dulden. Met eene zending uit
haar naam, vertrok de waardige (\'arolus Billens, die volhardde
in trouw en toewijding aan de eens gekozen partij, naar Duitseh-
land, om door persoonlijken aandrang en het optellen van al
hare grieven, het verzoek der geesteljjkheid kracht bjj te zetten.
Toch was er kans dat hjj onbevredigd zou keeren. De Bisschop
zag er zeer tegen op, den bijstand der Spanjaarden in te roepen.
Hjj wist wel dat deze niet licht los lieten, wat ze eens, al scheen
het uit hulpvaardigheid, hadden gegrepen. Kn eene derde vesting
te stellen in (Ie handen van zoo machtige naburen, scheen hem
gansch niet geraden. Hij achtte het beter te zien wat men door
onderhandelingen met de Staten-Oeneraal kon verkrijgen, maar
wilde dat men zieh eerst vergewissen zoude, in hoever Héraugière
op bevel van de Hooge Overigheid had gehandeld.
Ken deftig edelman, de Heer van Kouverval, werd naar Hoey
gezonden en door Héraugière ontvangen. De vraag, op wiens
bevel hij de bemachtiging van \'t kasteel had ondernomen, werd
door dezen, naar de getrouwheid aan de eens op zich genomen
rol, beantwoord met een vast en fier : „Op injjne eigene autoriteit."
De repliek volgde, dat zulk een bedrijf, door een particulier
persoon op eigen verantwoordelijkheid gepleegd, moest gehouden
worden voor een onbehoorlijk rooverswerk, waarover de Bisschop
zieh beklagen zoude bij de Hooge regeering des lands.
Deze bedreiging kon Héraugière, zooals vanzelve spreekt, niet
al te zeer verontrusten, zelfs niet al werd zjj uitgevoerd.
De bisschoppelijke gezant begreep zelf wel, dat hij met eene
officieuse logen werd betaald; maar hij geliet zich die voor goede
-ocr page 273-
262
munt op te nemen, en van dreiging tot onderhandeling over-
Blaande, bood hij eene belangrijke som als losprijs voor de vesting.
Als de (ïouverneur van Breda haar op eigen gezag had ingc-
nomen, dan kon hij die ook naar willekeur houden of terug-
geven, en de som, die de slimme edelman hem voor de oogen
deed schitteren, was aanlokkelijk genoeg om een bijzonder persoon
te verleiden.
Maar Héraugière kon er niet door worden verlokt en antwoordde
met Spartaanschc kortheid: „dat hjj de vesting had genomen om
die te houden en te gebruiken ten dienste zijner cause, maar niet
om haar te verkoopen tot eigen voordeel."
Hiermee kon Louverval heentrekkon, en na dit échec haastte
zich do Bisschop tweeërlei gezantschappen af te vaardigen. Het
eerste, bestaande uit den Baron Warfusee en den lieer van Lon-
ehjjn, trok naar de Vereenigde Provinciën en trof reeds te Xijme-
gen samen met Prins Maurits, die er gekomen was ten Landdag.
Maar de Prins excuseerde zich van hen als gezanten te hooren
en hunne boodschap te verstaan, op grond dat ze hunne grieven
voor de Staten-Generaal moesten brengen, die, staats-gewijze in
den Haag vergaderd, alleen de bevoegde autoriteit hadden om
met hun Heer te onderhandelen.
Het andere gezantschap, samengesteld uit de aanzienlijkste en
vertrouwdste personen, die Zijne Keurvorsteljjke (ienade plachten
te omgeven, werd naar Frankrijk afgevaardigd, om de tusschen-
komst te verzoeken van Koning Hendrik IV bij de Staten-Gene-
raal, tot restitutie van de Stad en\'t Kasteel Hoey, en het straffen
van den vermetelen veroveraar.
Jacques Carondelot, Heer van Marques, stond aan het hoofd
van deze zending; des Bisschops Kanselier, Messire Kstivant,
Kanunnik van de Kathedrale te Luik, en Messire Coardin, Kid-
der-Commandeur van Malta, waren er medeleden van. Het is
dus zeker, dat zjj met allen aandrang cener levendige overtuiging
bjj den Koning aanhielden, om het doel van hunne reize te bc-
reiken, maar daar Hendrik IV zelf, zooals wij weten, een der
sterkste drijvers geweest was tot het nemen van Hoey, en voort-
durend de Nederlandsche Staten door hun gezant (\'alvaert liet
vermanen toeh toe te zien op het versterken van Hoey, kon men
nagaan met welke oprechtheid hun die tusschenkouist werd toe-
gezegd. Zoo lang mogelijk aan het Kransche bof teruggehouden,
verkregen zjj niets dan vermaningen, dat hun meester in vrede
met zijne naburen behoorde te leven; dat hij verplicht was de
neutraliteit te bewaren in den oorlog met Spanje tegenover de
Noderlandsche Staten, de bijzondere goede vrienden van den
Koning zelf; terwijl de Spanjaard als de algemeene vijand moest
geeonsidereerd worden, — raadgevingen, die volstrekt niet Ie me-
-ocr page 274-
2<;:s
rite \'/\'\' l\'<ij>n>jn>s luidden, daar de neutraliteit van weerszijden al
reeds feitelijk geschonden was. Te I\'arijs, zoowel als te \'s Hage,
onder beleefde vormen en betuigingen van belangstelling om den
tuin geleid, en zijne zaak op de lange baan geschoven ziende,
oefende de Prins-Bisschop nochtans eene lankmoedigheid, die zeker
haar grond had in zijn diepen weerzin om Spaansche hulp in te
roepen. Ten laatste moest het toch daartoe komen. Zekere Keur-
vorst, die met hem in den Ktjksraad zat, was bekend geworden
met het vroeger gevormde plan van Maurits, om de I.uiksche
hoofdstad en eenige steden aan den Maasoever aan der Staten
zijde te brengen, en hoewel zelf Luthersch zijnde, schijnt hij be-
weegredenen gehad te hebben om den Prins-Bisschop van Keulen
en Luik dienst te doen door hem dit plan te verraden. Xu kreeg
de verrassing van Iloey voor dezen eene proportie, die aan alle
aarzeling, aan alle bijbedenkingen een einde maakte. Onverwijld
met de meest mogelijke snelheid naar Luik gereisd, verbrak hij
het weefsel der samenspanning, door de hoofdschuldigen, die
hem waren aangewezen, te vatten, te vonnissen en te straffen. Hij
vond zijne schuldigen onder de aanzienlijkste en achtbaarste
mannen van Luik; leden der Staten, schatrijke kooplieden, burgers
van aanzien en invloed, boetten hunne zucht naar bevrjjding van
\'t bisschoppelijk juk met hun hoofd; maar de strengheid der He-
geering bepaalde zich niet bij de ontdekte eedgenooten alleen.
Het getal der verdachten, dat in de gevangenis werd geworpen
of aan vervolging bloot stond, omdat ze van lauwheid voor de
Kerk, van gebrek aan sympathie voor de huidige regeering, van
toeneiging tot eene omkeering waren beschuldigd, was nog veel
grooter. Want de partij, der Hervorming toegedaan, bleek sterker
in de hoofdstad, dan men had kunnen verwachten; niet lijdelijk
zag zij hare aanvoerders in boeien slaan; zij greep naar de wa-
penen, en er ontstond eene opschudding, die omwenteling had
kunnen worden, zoo zij op krachtigen steun van buiten had mogen
rekenen; doch zulke ondersteuning gewerd hun niet van der Staten
zijde, en Héraugière was toon reeds zelf te zwak in Hoey, om
hun bjjstand te bieden in dezen strijd, anders dan door goeden
raad en geheime aanmoediging. Maar dit baatte hun weinig, en
wat bij goede uitkomst een bevrijdingskrijg ware genoemd, werd
nu als snoode rebellie in bloed gedempt. Zoo ras hij op deze
doortastende wijze orde had1 gesteld op de zaken in zijne hoofd-
stad, toog de Bisschop naar Brussel, om zijne belangen aan den
Spaansehen Landvoogd der Nederlanden voor te dragen. Ernestus
van Oostenrijk, hoewel doodelijk krank, was bereid gehoor te
geven aan het verlangen van zijn neef van Beijeren, om bescher-
ming tegen de overweldigers van Iloey, die tevens geheel Lui-
kerland bedreigden en verontrustten.
-ocr page 275-
264
Op een ander tijdstip luid zulke belofte meer van goeden wit
getuigd, dan tot groote uitkomsten geleid, zoowel door de groote
wanorde en verdeeldheid, die er bestonden in de zaken der
Spaansehe Nederlanden, als door de slappe krijgstucht en het
gebrek aan geld, waardoor muiterij en desertie op zoo groote
Behaal gepleegd werden, dat de Aartshertog meer dan eens ge-
noodzaakt was met de rebellen te onderhandelen, in plaats van
hen te kunnen straffen. Maar den kwijnenden Landvoogd was nu
in den gedachten O raaf van Fuentes een machtige deelgenoot
in \'t bestuur ter zijde gegeven; deze had de geldmiddelen op-
beteren voet weten te brengen, begon de orde en krijgstucht te
herstellen en wist het gezag, dat hij nog maar ten halve had
gevat, zulk een klem te geven, dat de belofte van Ernestus, waar-
mee hij instemde, onmiddellijk gevolg had. Valentien I\'ardieu,
Heer van Lamotte, kreeg bevel, met een leger van tienduizend
man naar Namen te trekken, tegen Hoey op te rukken, de stad
in te nemen en \'t kasteel te belegeren, totdat de overgave volgde.
De Prins-Bisschop fut servi h souhait^ misschien vaardiger zelfs
dan htj eigenlijk had bedoeld. Xog altijd waren zijne gezanten
bij den Koning van Frankrijk: nog altijd vertoefden zijne agen-
ten in den Haag, en hielden aan bjj de Algemeene Staten met
voorstellen om do teruggave van Hoey te verkrijgen langs vreed-
zamen weg. Xiets ware zeker den Bisschop meer welkom geweest,
dan dat zulke schikking ware getroffen vóór de nadering der
Spanjaarden, wier overheersching hij vreesde, niet minder wellicht
dan hjj de Staatsehe indringers haatte ; maar de teerling was ge-
worpen, en terwijl de bisschoppelijke gezanten in den Haag nog
werden rondgevoerd in den doolhof der onderhandelingen zonder
uitkomst, was men van de Spaansehe zijde zoo gehaast de toe-
gezegde hulp te verleenen, dat zelfs de dood van den Aartsher-
tog geene vertraging bracht in de uitvoering van den krijgstocht
tegen Hoey. Fuentes had met kracht en macht de teugels van
het bestuur der Spaansehe Nederlanden aanvaard, en hij zette
la Motte te meer aan tot spoed, naarmate het hem uit de han-
delwijzc dos Bisschops bleek dat deze niets liever wenschto dan
den ingeroepen bijstand onnoodig te maken. En juist liet optre-
den van den geduchten Fuentes vermeerderde het opzien van
den Bejjerschen Kerkvorst togen de Spaansehe tusschenkomst in
zijne zaak. Aartshertog Ernestus zou mogelijk op het verlangen
van zijn neef nog slechts in de verte gedreigd hebben meteene
legermacht van tienduizend man, en die langzaam laten voort-
schrijden, om de Algemeene Staten te verschrikken en tot eeno
vreedzame teruggave van de verovering te bewegen; maar Fuen-
tes was de man niet om zulke consideraties te gebruiken; hij
vroeg naar niets dan naar de gelegenheid om zijn bewind door
-ocr page 276-
265
een indrukwekkend feit in te stellen, en tastte door, zonder
dreigen, zonder aarzeling. En terwjjl Lonchjjn en Warfusee in
den Haag steeds dringender werden met hunne voorstellen, steeds
vrijgeviger in hunne aanbiedingen, avanceerde la Motte met zijn
zevenduizend man voetvolk en vijfduizend ruiters zoo snel en be-
hocdzaam langs den Maasoever, dat hij reeds tot op vier mijlen
afstands genaderd was, eer Héraugière, die op de verwarring der
Spaansche zaken gerekend had, ze hadde kunnen verwachten.
Van toen aan drongen ze telkens nader in dichter drommen,
verjoegen de zwakke Staatsche posten uit de voorstad en stonden
welhaast voor Hoey, de stad opeischende, en \'t weigerend ant-
woord nauweljjks afwachtend om haar te beschieten. Maar zelfs
gewaarschuwd, wat had Héraugière tegen het oprukken van die
overmacht kunnen doen? Niets dan wat hij werkelijk deed, zich
in de vesting zooveel mogelijk versterken, en de stad, die toch
niet te redden was, na korte worsteling opgeven.
De Luiksche gezanten zelve hadden de Algemeene Staten ge-
waarsehuwd, dat het stadje niet houdbaar was, zelfs niet al had
men er eene legermacht van JiOÜO man. Héraugière wist dit zoo
goed, dat hij zijne officieren vermaand had zoo weinig volk mo-
gelijk te wagen aan de verdediging, en zich liever op het kasteel
terug te trekken, als men voor de overmacht moest wijken, dan
tot den laatsten man stand te houden voor eene hopelooze zaak.
Ook werd de stad opgegeven na een verlies van ruim zestig man,
en terwijl de Spanjaarden reeds ladders tegen de muren hadden
gesteld, om die te beklimmen.
Nog vóór de bezetting terugtrok, was aan de burgers gelegen-
heid gegeven om de wijk te nemen naar het kasteel, waar Hé-
raugière allen schuilplaats had geboden, die reden meenden te
hebben om den toorn van den Bisschop en den haat der Span-
jaarden te vreezen. Ook was er gretig gebruik gemaakt van dit
aanbod: enkele vreesachtigen waren reeds bij het naderen van
het vijandelijk leger derwaarts gevlucht; dezen haddon tegelijk
hunne tilbare have met zich gebracht en kwartier genomen in
de woningen binnen de eerste ommuring van de vesting; wie
bleven, meenden veilig te zijn. Het waren immers geloofsgenooten
die kwamen, en geen goddeloozo ketters, zooals de ruiters van
Baex, die aan \'t plunderen waren geslagen in kloosters en kerken!
De Bisschop zelf zond deze vrome krijgslieden, om de stroopers,
de overweldigers te verdrijven; men moest hen welkom heeten
en geen wantrouwen voeden: maar och, arme!
Nauwelijks waren zij binnen, of zij begonnen te rooven, te
plunderen en de ongelukkige inwoners te mishandelen op do
gruwelijkste wijze, niet anders dan of zij bij erfvijanden waren
ingevallen. Del Rio zelf moet getuigen dat zij het erger maakten
-ocr page 277-
266
dan de Hollanders. Het arme stadje werd een tooneel van moord,
brandstichting en verwoesting, dat jammerlijk was te aanschouwen.
Hoe zegenden nu allen, die op de vesting waren geweken, hun
rasch besluit; hoe vloekten de gefolterden hun blind vertrouwen!
En Héraugière, met allen die hem geholpen hadden om den
eersten knoop te leggen van dit bloedig drama, wat moesten zij
gevoelen, nu de tranen, de jammerkreten en de verwensehingen
der radelooze wanhoop tot hen opstegen uit het diepe dal van
jammer en ellende in den eigenlijken zin.
Maar Héraugière was krijgsman, was bevelhebber: hij mocht
niet toegeven aan smartelijke aandoeningen; hij mocht niet in-
stemmen met «Ie weeklachten, die rondom hem oprezen; hij moest
handelen, hij moest orde stellen bij de verwarring die er heerschte
in de vesting; hij moest goeden moed toonen, al had hij dien
ook zelf verloren. Hij verzekerde aan ieder, die het hooren
wilde, dat hij de stad had moeten opofferen om de vesting des
te zekerder te behouden.
Het kasteel was goed geaproviandeerd; het ontzet zou niet
uitblijven. Wat voor hem zelf niet dan een Hauwe straal van hoop
was in de dikke duisternis, hield hij den radeloozen burgers voor
als een lichtende fakkel, waarop zij veilig konden afgaan. Intus-
schen bereidde hij zich voor op eene groote worsteling tegen eene
verpletterende overmacht. Eene worsteling\':\' Zou het daartoe wel
eens komen P AVas het niet veel meer een omsingelen, eene
insluiting, een afsujjdcn van allen toevoer en alle hulp, eene
omklemming al nauwer en nauwer, een afmattend, tot onmacht
en werkeloosheid veroordeelend, en toch tot onvoorzichtigheid
uittartend plan van beleg, dat la Motte door de voordeelige
stelling, die liij had kunnen innemen, bjj machte was toe te passen,
en dat hem zeker beter zou gelukken, dan een roekeloos stormen
tegen de ongenaakbare rotsen?
Men kent de geschiedenis van den edelman in een kerker op-
gesloten, uit looden platen samengesteld. lederen dag schoof de
pijniger een dezer platen weg; iederen dag werd de zonderlinge
gevangenkamer erger en dreigender, tot er ten laatste niets over-
bleef dan do vier platen oener doodkist, die zich rondom den
zieltogende sloot. Dit was het verschiet wat de ingeslotenen bin-
nen de Hoeysche vesting scheen te wachten. Xög was er betrek-
keljjke ruimte en vrijheid; nög omkronkelde de reusachtige ijze-
ren slang van speerruiters en geharnasten, door Lamotte, Juan
van Oortlua en Hernandez Padilla rondom de vesting gelegd,
haar slachtoffers niet al te nauw. Er ontsloop wel eens een rappe
gast uit het kasteel, met brief of boodschap van Héraugière, op
ontzet aandringend bij de zijnen; maar het bleef altijd onzeker,
of hij de opmerkzaamheid des vijands kon ontgaan en tot Hol-
-ocr page 278-
267
land doorkomen. In die onzekerheid moeht de naaste waarheid
niet aan de vrienden vertrouwd worden, uit vrees van de vjjan-
den maar al te goed in te lichten. Tijding van buiten af, uit
het vaderland, kwam niet meer tot den bevelhebber van Hoey.
Hij moest gelooven, vergeten of opgegeven te zijn door wie do
naasten waren om hem hulp te bieden.
Verlaten te zijn door wie hem troost en bemoediging, door
wie hem bijstand schuldig waren, moest het niet de kwellendste,
de ontmoedigendste bijgedachte zijn, te midden van zoo haehe-
lijk een toestand als die, waarin zich lléraugière vond geplaatst:1
Het wordt tijd voor ons om hem zelf op te zoeken en te zien
hoe hjj zich onder dezen tegenspoed houdt.
De fantasie heeft zich gelukkig niet te storen aan de dichte
legerdronimen des vijands, noch aan de steilte der rotsen, waarop
het kasteel ligt, noch aan \'t geroep der schildwachten, al heeft
zjj het parool niet. Zij klapwiekt alleen met de vleugelen; en
in een oogwenk is zjj waar ze wezen wil binnen in \'t kasteel, in
de bisschoppelijke vertrekken, in de kamer zelf, die lléraugièro
tot de zijne heeft gemaakt en waar zij hem vindt.
Voor eene tafel gezeten, die dicht bij den hoogen schoorsteen
was geschoven, waaronder een weelderig kolen vuur brandde;
hield hij de eene hand uitgestrekt naar den koesterenden gloed,
terwijl de andere in verstrooiing met een papier speelde, dat
zeker in eene opwelling van verdriet of toom gegrepen was en
deerlijk verfrommeld. In een ruimen, met bont gevoerden huis-
pels gewikkeld, met de zwart Huweelen calot op datzelfde hoofd,
hetwelk zoo fier den gepluimden helm wist te dragen, scheen
het of hij met het krjjgsgewaad ook de martiale houding had
afgelegd, die wij voormaals bewonderden. Zooals hij daar zat,
iils ineengezonken onder den druk eencr diepe bekommering, het
voorhoofd rimpelend en den wenkbrauw fronsend onder de bit-
terheid der smartelijkste teleurstelling, geleek hjj wel tien jaar
ouder dan toen wij hem zagen te paard, aan het hoofd zijner
ruiteren. Zóó strak staarde zijn sombere blik op de kleine in
lood gevatte glasruiten van het hooge boogvenster, alsof hij de
sneeuwvlokken wilde tellen, welke door den gierenden stormwind
werden opgedreven en als vochtige veeren tegen \'t glas kleefden.
blijkbaar had hij heden drukker de pen gevoerd dan het zwaard.
Het laatste was achteloos tegen een hoekkast gezet, waarop mede
een deel zijner rusting lag. I)e tafel was overdekt met papieren
en brieven, waaronder enkele van den Bisschop moesten zijn, te
oordeelen naar het keurvorstelijk wapen op het zegel gedrukt.
lléraugière bleef in zijn somber zwijgen volharden, schoon hij
niet alleen was; de officier, die met zachte ongeregelde schreden
-ocr page 279-
268
in het vertrek op en neer liep, naar den grond starende, zooals
de bevelhebber naar de glasruiten, scheen de stilte niet te durven
of te willen verbreken. Slechts slaakte hjj somwijlen een diepen
doffen zucht en greep dan werktuigeljjk, als met zenuwachtige aan-
drift, naar \'t gevest van zijn degen. Het was een lang schraal
man, wiens gestalte, ondanks zjjne merkwaardige magerheid, van
forschheid getuigde, en in wiens donkere oogen, die het dorro
perkamentgele gelaat verlevendigden, somwijlen een onnatuurlijke
gloed flikkerde. Kr was iets schrils in geheel de figuur, en toen
hij, ten laatste het zwijgen als het wachten moede, zich vlak
voor Héraugière stelde, bevreemdt het ons niet dat deze op-
schrikte, al was de stem zacht en de toon eer schroomvallig dan
vrijpostig, waarop de ander hem toesprak.
„Commandant! mag ik D aan mijne tegenwoordigheid her-
inneren ?"
„Wat wilt gjj?... Waarom stoort gij mij?... Ik heb u niet
ontboden!" riep Héraugière met de scherpe stem van wie knorrig
uit een diepen droom ontwaakt.
„Commandant! de schemering valt; kapitein Mario zendt mij
tot u, meenende, dat men het gunstig tijdstip waar moest nemen
tot een uitval."
„Een uitval!... In wiens kranke hersens komt het op, dat ik nu
een uitval zou laten doen;\'" hernam Héraugière, plotselingoprijzendo
uit zjjn armstoel, en den vonkelenden blik op den spreker richtende,
die daaronder den zjjnen neersloeg, terwijl hjj antwoordde: „Kapi-
tein Mario heeft opgemerkt, dat het volk murmureert en rusteloos
wordt onder deze werkeloosheid; hij meende, het zou een goede
afleiding zijn, zoo \'t niets beters gaf, indien wij ze uitleidden tot
aan de voorstad. De vijand acht zich zoo sterk, (lat hij er zorgeloos
door wordt: Mario weet het, sinds hij zelf daar passeerde om tot
ons te komen ..."
„Zeg aan Mario, dat ik order heb gegeven aan de Bchildwach-
ten, om den eersten den heston, hetzij officier of soldaat, dio
zich zonder mijn verlof buiten den ring-muur waagt, te doorschieten.
Ventresaint-gris / meent de kapitein dat het hier zal gaan als bij
zijne verwenschte Italianen, waar de soldaten beslissen wat den
officieren te doen staat! Laat hem weten, dat wij het hier
andersom doen, en dat ik mij niet door morrend volk tot ijdele
waaghalzerij zal laten verlokken, waarvan alleen verlies is te
wachten."
„Verschoon zijn jjver! hjj weet, dat hij veel heeft goed te maken
en vlamt op de occasie daartoe," hernam de officier deemoedig^
maar hartstochtelijk. „Ik... ik weet bij mij zelf, hoe die prikkel
geen rust laat," en hij legde de hand op het hart, en een wilde
gloed lichtte uit zjjn oogen, terwijl hij uitriep: „Jezus-Maria!
-ocr page 280-
269
de Spanjaards! de Spanjaard»! wanneer zal ik van hun bloed
zwelgen!"
„Zeker nooit! zoolang gij do zelfbehoersching mist om met
wijs overleg uw aanval te berekenen," antwoordde Héraugière met
hardheid, maar terwijl hij een blik op hem vestigde, waaruit ver-
wijt sprak met bezorgdheid gemengd, vervolgde hjj zacht waar-
schuwend: „Gerard! Gerard! geloof\' mij, wilde strijdlust is geen
kracht."
„Aan wien zegt gjj het:\'" bracht de officier uit met gesmoorde
stem, terwjjl hij het hoofd boog als onder diepe beschaming.
Héraugière, dit ziende, vatte met levendigheid zjjne hand om
die vast te houden en vriendschappelijk in de zijne te drukken.
„Ik sprak zoo niet om smartelijke herinneringen op te wekken,
maar alleen om u te bezweren kalm te zjjn en te berusten di\'uir,
waar ik zelf ook berust. God weet, dat het niet is zonder strijd."
Héraugière zuchtte diep. „Maar ziet gij, mijn vriend! ik richt
zonder ophouden het oog op alle kansen die ons nog blijven om
den vijand afbreuk te doen; doch ik wil er geen enkele wagen,
waarbij ik alleen verlies kan berekenen."
„Van uit het kasteel beheerschen wij nog altjjd de brug..."
voerde Gerard aarzelend aan.
„Wat zegt ons de brug, sinds de Spanjaarden de stad hebben,
en ritmeester Grobbemlonck met zijne ruiters maar ligt te loeren
of wij de onvoorzichtigheid plegen zullen om van dit vermeende
voordeel gebruik te maken? Had ik honderden om tegen hun
duizenden over te stellen; had ik slechts honderd man te ver-
liezen, ik zou \'t willen toonen wat de kloekheid bestaan dorst
tegenover de overmacht: maar als mij nog zestig man ontvallen,
houd ik geen volk meer over om de stukken te bedienen en de
pusten te bezetten op de vesting, ieder die wil kan dat in een
oogwenk narekenen. En nu \'t er zoo mee staat, voelt gij zelf\'wel,
Gerard, dat ik mij niet zal laten voortdrijven tot roekeloos ver-
spillen mijner krachten, ter wille van een onbesuisden Italiaan,
die \'t gemis van de duizend rebellen, die hij mjj had moeten
toevoeren, meent te vergoeden door zjjn eigen dollen overmoed
en woeste bravade!"
„Zoo is het, Heer Gouverneur! het heeft niet in zijne macht
gestaan woord te houden ! Maar toch hoeft hij u komen brengen
wat het zijne was, zijn ljjf en leven tot lossing van zijn woord,
en het staat aan u dat te nemen, zoo het u tot hindernis wordt.."
Het was kapitein Mario zelf, die deze woorden tot Héraugière
richtte, zijn gebroken Fransch uitsprekende met al de diepte en
klankrijkheid eener Italiaanschc basstcm, en tegelijk legde hij zjjn
degen aan de voeten van Héraugière.
„Behoud uw degen, Signor Mario! tot ik er u om vraag!"
-ocr page 281-
27(1
hernam Héraugière koel en hoog. „Door heftige woorden en
hartstochtelijke gedragingen wordt onze zaak hier wel het aller-
sleehtst gediend. Xiet uw beider lijf en leven, Mijne heeren!
maar uw geduld en uwe volgzaamheid is mij noodig," eindigde
hij, zieh tot Gerard wendende. „Als er een bres moet gestopt
worden, zal ik naar ulieder moed en onverschrokkenheid vragen;
als de vijand tot stormen komt, zal ik prijzen en loven, wie hem
de ladder onder \'t lichaam wegsjort. Xu het nog niet zoo ver is,
eisch ik orde en ondergeschiktheid en rustige waakzaamheid,
opdat het volk zich aan ulieder exempel stichte."
Kapitein Mario boog en verwjjderde zich zwijgend.
Héraugière vervolgde tot den officier die nog gebleven was:
„En gij, Gerard! mij dacht, gij hadt zachter plicht te vervullen
dezer dagen, dan woesten wraaklust te boeten. Hebt gij niet uw
broeder te bezoeken en te verzorgen?"
Gerard zuchtte en antwoordde op somberen toon: „Meestal
buiten kennis, ziet bij in mjj wat ik niet meer ben en stoot mij
van zich af met een afschuw, die... die mij door het hart snjjdt:
dus doet mijn bijzjjn hem geen goed; en wat zijne verzorging
aangaat, die is in de beste, de teederste handen. Jonkvrouw de
la Geneste wijdt zich aan deze taak met de kalmte en de vast-
beradenheid eener zuster van barmhartigheid. Uit alles blijkt dat
zij er de roeping toe heeft."
„Maar zjj zal toch de gelofte niet doen," viel Héraugière in,
even glimlachende; „daar ben ik zeker van. Frank ligt alzoo
niet meor in de ziekenzaal!\'"
„Neen! Schepen de la Geneste heeft begeerd, dat hij naarzjjn
logies zou gebracht worden, zoo ras de wondarts hem vervoer-
baar achtte, en dat is dezen morgen geschied ..."
„Zoo zal ik hem daar gaan zien. Tot hiertoe werd ik door
allerlei verhinderd schepen de la Geneste te bezoeken; dezen avond
heb ik er vrijen tijd voor, want de sneeuwstorm daarbuiten zal
den vijand wel binnenhouden. Laat ons samen gaan, Gerard!
mogeljjk is er verandering in den toestand ..."
Maar nog eer Héraugière had uitgesproken, zag men kapitein
Mario ten tweedemaal binnentreden.
„Wat is er?" vroeg Héraugière.
„Commandant! een zonderling geval. Een persoon, die zegt
een Zeeuwseh schipper te zijn, heeft zich binnen \'t kasteel
gewaagd, is alle posten doorgedrongen, niet anders dan of hij het
parool had: heeft hij zich ten laatste in mijne wachtkamer
gepresenteerd en verlangt zoo dringend u te spreken, dat ik
uwe orders komt vragen eer ik hem als spion in de gevangenis
laat werpen."
„Daar doet gjj wel aan, Kapitein! Die schipper of die spion,
-ocr page 282-
\'.\'Tl
wat hij dan ook zijn mag, moet wel een man van courage wezen
om zich hier dus te wagen als er kwaad achter schuilt. Leid
hem hierheen; ik wil zelf onderzoeken wat het zijn kan. Zeker
heeft hij proeven van behendigheid afgelegd, dat hij door alle
posten is heengekomen."
„Och neen, Kapitein! daartoe was gansch geene behendigheid
noodig. Hij had alleen maar zijn naam te zeggen en alle
wantrouwen week!"
Het was de Zeeuwsche schipper zelf, die dit antwoord gaf,
terwijl hij zonder omstandigheden kapitein Mario uit den weg
schoof, en zich voor Héraugière stellende, lachende de ruige muts
afnam, die hem diep in de oogen zat gedrukt.
„Baex! Marcelis Bacx! God zegene u!" riep Héraugière, hem
om den hals vallende. „Ik had niet gedroomd, dat mjj heden nog
blijdschap was toegelegd!"
„Er is juist zooveel stof tot blijdschap niet!" hernam Bacx,
zacht naar hem heen bukkende. „Gij moet weten, ik kom alleen!
Is uwe italiaanschc hopman te vertrouwen? zoo niet, zend uwo
officieren weg ..."
Hopman Mario, ziende hoe zeer de verdachte indringer welkom
was, verwijderde zich reeds uit eigen beweging, maar de andere
officier scheen te dralen, als hoopte hjj nog te kunnen blijven, en
zag inmiddels den vermaarden ritmeester aan, of hjj diens trekken
voor het leven in zjjn geheugen wilde prenten, terwijl deze van
zijne zijde hem opnam van het hoofd tot de voeten, met eene
uitdrukking van verwondering, die hjj lucht gaf, toen deze op
een wenk van Héraugière het vertrek had verlaten.
„Hoe komt gij hier aan een officier, dien ik niet ken?"
„Ik heb hem hier gevonden; gjj herkent hem alzoo niet?..."
„Ik heb hem nooit meer gezien; maar evenmin zag ik ooit do
oranjesjerp over schraler schouders dragen. Wacht u, dezen op
den voormuur te plaatsen, want de Spanjaarden zouden denken,
dat hier hongersnood heerscht, en toch, er zit kracht in die
knoken."
„Was er maar evenveel zedelijke kracht in den man; maar er
is ook veel gebeurd om de zijne te breken, en hij is nu weer
op den goeden weg; het is Gerard de l\'reys, de broeder van
Frank."
„Die ongelukkige, die hier als een krankzinnige ronddwaalde,
in eene monnikenpjj gehuld, tot spot der soldaten — hoe is hij
tot herstel gebracht?"
„Dat zal ik u later mededeelen; ik heb nu haast te hooren,
hoe het u mogelijk is geweest hier te komen, en nog wel
alleen I"
,Alleen was het slechts mogelijk, en dat is juist het ergste, want
-ocr page 283-
-ocr page 284-
•-\'7\'.\'
zoo breng ik u niets dan iiijjn persoon, tcrwjjl ik u zoo gaarne
een vaan ruiters had toegevoerd. Onmogeljjk! mjjn broeder wilde
er het volk niet aan wagen t"
.Al sprekende had Bacx de ruime schipperspij afgeworpen,
waaronder zjjn i\'jjk krjjgsmansgewaad verborgen was, schoof een
stoel bij het vuur en nam plaats, terwjjl Héraugière antwoordde:
„Uw broeder had gelijk. I.a Motte bracht eene legermacht
herwaarts van omstreeks tien duizend man. Twee regimenten,
onder Don Antonio Xuniga en Don I.oïs de Velasco, twee regi-
menten Duitschc ruiters, onder Grobbondonck, en drie van de
Walen, waarover la Barlotte het bevel voert! Hij heeft het geluk
gehad de voordeeligste stellingen te kunnen innemen aan don lin-
keroever van de Maas. Alle dorpen, die ik van \'t kasteel af over-
zien kan. zijn door hem bezet, om niet te spreken van de twee
duizend Luikenaars en het paardevolk, waarmee Monsieur Oroes-
beek van des Bisschops wege is komen opzetten; dezen liggen
achter \'t kasteel, en de stad hebben de Spanjaards nu ook ! AVat wilt
gij daartegen doen met een vaan ruiters, waren het ook de uwen f"
.Dat zeg ik nog niet!" hernam Haex, die de gewoonte had geen
twijfel te admitteeren als er sprake was van zjjn volk. „Die van
La Motte liggen meer in de lengte dan in de breedte en op
sommige punten zeer verspreid. Ken honderd man avonturiers,
die het er op gezet hadden, zouden zich wel tusschen hen kunnen
indringen en doorkomen; en gjj dan, door mij geadverteerd en
uitvallende van uwe zijde, — wie weet wat we dan niet hadden
uitgericht\' Op één punt geslagen, gaan de Spanjaards licht aan
\'t loopen; eens in verwarring, heeft de getalsterkte van een leger
geene beteekenis meer I"
„"Wel zeker! laat ze maar voorthollen; wie weet of gjj ze dan
niet ten laatste uit Hoey verjaagt!" viel Héraugière in, met
bitterheid de schouders ophalende.
„Juist! wie weet!..," vervolgde Bacx onverstoorbaar. „Maar de
wijsheid mijns Hoeren l\'aul, die het commando voert, besliste het
anders. Nu men hoort en ziet dat FuentCB zooveel activiteit ont-
wikkelt als Krnestus indolent was en er links en rechts Spaansch
volk oprukt, begint men bezorgd te worden voor de vestingen,
en Bergen-op-Zoom ligt nog al bloot."
„En Breda dan!" viel Héraugière in met een diepen zucht.
„Breda insgeljjks; maar wees gerust, daar wordt gezorgd en
gewaakt. De Prins is er nog in \'t kort geweest om op alles order
te stellen, en Graaf Hohenlo ook, zoo ik hoor."
„Hohcnlo! rentre-iiilul-ijrl»! dat moet er nog bijkomen! wat
doet die er!" riep Héraugière, de wenkbrauwen fronsende.
„Och kom! hecht toch niet aan dat loos alarm, dat kapitein
Adam heeft gemaakt."
-ocr page 285-
273
„Loos alarm! \'t is mogelijk; sinds ik er zelf niet bij was, kan
ik dit niet beslissen; maar ik weet welke pretensiën Hohenlo
voedt sinds zijn huwelijk. Kn als Breda hem en zijn krijgsvolk
inneemt, mag de 1\'rins op zjjne hoede zjjn."
„Do Prins is op zijne hoede, geloof mij ! en voor uwe belangen
is gezorgd."
„De (Sergeant-Majoor Charles Lambcrt is mij getrouw tot in
den dood; dat weet ik!" sprak Héraugière halfluid en als voor
zich zelf alleen.
„En Maurits heeft uw zwager Groeneveld tot Gouverneur van
de vesting aangesteld in uwe absentie."
„Die tijding kwam niet tot mij," hernam Héraugière zichtbaar
verruimd.
„Toch is er een bode herwaarts heengezonden; maar dat is
niet de eenige, die nu tusschcn Breda en Hoey zal blijven steken!
Nu, luister naar mijne idylle! Toen ik bemerkte, dat ik geen hon-
dcrd ruiters met hunne paarden van l\'aul kon loskrjjgen, begreep
ik dat de vijftig, waarover ik zelf nog te beschikken had, te
weinig waren, of eigenlijk te veel. Maar ik had het er nu eenmaal
op gezet om te gaan, en ik ben eigenlijk gedeserteerd!"
„Gedeserteerd!! Ritmeester Bacx!" en over de sombere trekken
van Héraugière gleed een glimlach bjj dien inval.
„En met de wapenen nog wel," hernam deze, ook lachende,
en haalde zijn degen te voorschijn uit de wijde Zeeuwsche boksen.
„Avonturier!" lachte Héraugière.
„Mijn Hemel! ja! noem het zooals gij wilt. Een onweerstaan-
bare aandrift om uw lot te deelen joeg mjj herwaarts, l\'aul zou
mij het gevaarlijke pleziertochtje nooit hebben toegestaan; dus
verheelde ik hem mjjn voornemen, verliet de vesting, onder pretekst
eenig volk van de onzen na te zitten, dat aan \'t moeskoppen was
geraakt, en zond finaallijk mijne ruiters weg met een boodschap
aan mijn broeder, opdat hij zich niet ongerust zou maken. Tot
aan Tongeren toe kon ik liet te paard houden; vandaar af heb
ik het te voet gedaan, met wisseling van voor- en tegenspoed;
ten laatste trof ik in een dorp langs de Maas, tusschen Luik en
Hoey, een Maastrichtschen schipper, die naar Namen moest en
die er geen bezwaar in zag mjj tot Amy in te nemen. Met ge-
zwollen wateren en de hier en daar opgekruide ijsschotsen, kan ik
niet zeggen dat het een lustige spelevaart was; maar toch kwam
ik tot Amy! Gij weet, dat er Spanjaards liggen..."
„Dio gij vermijden of verschalken kondt?"
„Och, een man alleen komt licht door; maar daar ik niet wist,
dat zij zoo dicht om \'t kasteel lagen, als ik nu heb bemerkt, had
ik nog al met bezwaren te kampen. De storm en de sneeuwjacht
kwamen mij ten goede. Niemand was buiten, die \'t recht had
De verrusing van Hoey.                                                                              »ö
-ocr page 286-
L\'74
binnon te blijven, en er werd achteloos wacht gehouden. Oef!
wat het geweest zou zijn, had ik mjjn cornet ruiters met mij
gehad! Wij hadden iets kunnen wagen!"
„Gij zjjt er zelf, dat is waarlijk al meer dan ik wachten kon,"
hernam Héraugière, hem de hand drukkende, „meer dan ik mag
aannemen," vervolgde hij; „want hoe welkom gij mij ook zjjt,
ik moet u terugzenden."
„Goed zoo! dan zendt gij mij den dood in de kaken; wantal
schertste ik er mee, zoo heel licht viel mij do tocht niet, en wat
eens gelukt, is niet voor de tweede maal gewaarborgd!..."
„Het zou zijn om het ergere te mijden," hervatte Héraugière
somber.
„Het ergere! het ergere van den dood is de oneer, en daarvan
zal ik toch wel geen gevaar loopen, als ik het lot van Hérau-
gière deel!"
„Wie weet!... ik begin op iedere mogelijkheid verdacht te
zijn, nu zij, die mjj helpen en steunen moeten, mij in den steek
laten; nu door allerlei tegenspoed, schoon niet door mijne schuld,
de onderneming zoo deerlijk mislukt is; daarom zeg ik, stad en
kasteel Hoey kosten ons reeds te veel; moet dan ook nog do
inzet voor zoo slechte kans worden verhoogd met het lijf en leven
van ritmeester Marcelis Bacx ! Mag ik dat toestaan f
„Kom, kom, Mijnheer de Gouverneur van Hoey! wat zijn dat
voor aarzelingen! Wie \'t gevaar vreest zou altijd thuisblijven. En
daarbij, wees gerust, ik ben kogelvrjj! Gij schudt ongeloovig het
hoofd; maar het is zooals ik zeg. De looden last van een helm
is me tegen. Ik draag nooit anders dan een kastoren hoed.
Meermalen is \'t gebeurd, dat er een kogel door floot; mij echter was
geen haar gezengd; als men daarna niet een weinig op zijn geluk..."
„Zondigen kon!" viel Héraugière in; „maar het zij zoo! er is
niet meer tegen te doen; ik moet uwe vrijwillige toewijding aan-
nemen ...\'\'
„Tenzij ik u overlast doe, en één mond meer u te veel is,"
schertste Bacx.
„O! wat dat aangaat, levensmiddelen hebben wij in overvloed.
Ik heb weten te zorgen, zooals ik nu te laat bemerk met over-
treding van een verbod, door den Raad van State uitgevaardigd,
het weloverlcgd verbod, Marcelis! om hier de lieden niot te
brandschatten! De ofticiöele missive is mij gelukkig wat laat ge-
worden, nota bene toen La Motte al hier was, die mjj het werk
uit de hand heeft genomen. Maar ik ben een onhotfolijk gast-
heer; zeker hebt gjj nevens vermoeienissen ontberingen uit te
staan gehad. Ik zal u den Bourgonje laten proeven uit de kelders
van Mijnheer den Abt St. Lambcrt."
En Héraugière bracht een zware bronzen tafelschel in beweging,
-ocr page 287-
:.>::>
die don vorm van oen mijtor droeg on zeker afkomstig was van
de hoogwaardige bezitten* des kasteel».
Meester Halewijn, Héraugières „camerlinek", kwam zich op
dat sein vertoonon, on kreeg don last voor hot noodige te zorgen.
Woldra koerde hjj terug mot een kruik wjjn, zilveren bekers,
waarop het wapen van Hóraugière was gegraveerd, tinnen schotels
met grof brood, zooals dat in de vesting gebakken word, koud
sehaponvleeseh en gesneden ham, waarop liaex aanviel met den
Gargantua. Halewijn stak intusschen een koperen hanglamp aan,
met drievoudige pit, die misschien al oen paar honderd jaren van
dezelfde zoldering haar licht had laten schijnen.
Toon de kamerdienaar hen verlaten had, hervatte Hóraugière:
„Zoo \'t uwe ambitie is, nobele ritmeester! om uwe krachten te
wijden aan eone hopelooze zaak, zijt gjj hier goed terecht."
„Hah! niets is hopeloos, wat nog niet opgegeven is, do kansen
kunnen koeren . .."
„O, gewis! als do krijgskans keert, is er hier nog niets verloren ..
Brengt gij mij mogelijk goede tijding uit Holland; weet gjj iets
van hun voornemen tot ontzet?**
„Ik mag u met geene ijdele hoop misleiden. Kr is voel sprake
in Holland van \'t kasteel Hooy en zijn bevelhebber, maar men
hoort geen gewag maken van voornemen tot ontzet. En inderdaad,
in dit jaargetijde is er ook niet aan te denken; de rivieren zijn
zoo hoog gezwollen met den dooi; de laatste stormen hebben
zooveel schade gebracht aan de dijken, dat al het land tussehen
Maas, Waal en Merwo onder water staat, en de nood zoo hoog
gerezen is, dat men niet weet hoe er in te voorzien. Ons volk is
nog uit Hergen-op-zoom getrokken naar de omstreken van Hulst
om de contributiën te innen, (lij weet hoe do soldaat vlamt op zulke
exeursiën, en toch, welhaast moest men onverrichterzake keeren;
men had over land scheep kunnen gaan, zoo hoog stond bet water.\'\'
„En nog, als het water het eenige beletsel ware!" verzuchtte
Hóraugière; „een gunstige wending van wind en stroom, de gloed
der liefelijke lentezon! Wij hebben in \'t eind Maart..."
„Gij ziet het goed! er is meer: men ziet de noodwendigheid
niet in, u zoo ras ter hulp te komen: men hoopt op Frankrijk,
dat gouden bergen heeft beloofd; men weet in den Haag niet
wat wij te Bergen-op-Zoom vernamen: hoe de Italianen ontrouw
zijn geworden aan hun traktaat; men steunt er op dat de Hertog
van Bouillon uit Sedan op zal rukken met de toegezegde hulp-
troepen, en men bouwt bovenal op \'t geen gij, naar de sprake
gaat, aan Prins Maurits hebt geschreven, dat de vesting niet slechts
onnoembaar, maar zelfs ongenaakbaar is."
„Zoo maakt men er rekening op, dat ik hier het beleg van Troye
zal kunnen nabootsen!"
-ocr page 288-
276
„Uit vriendschap zog mij, Héraugière, is het waar dat gij iets
dergelijks aan den Prins geantwoord hebt, op zijne vraag of de
vesting houdbaar was-1" vroeg Baex met bezorgdheid.
„Zeer zeker, dat heb ik geantwoord !" hernam Iléraugière leven-
dig; „welk ander antwoord had ik kunnen en moeten geven?"
„En hebt gjj die overtuiging nóg?"
„Ik heb die nooit gehad! Gij kent immers zelf de gelegenheid
hier; het kasteel is allermeest sterk door de ligging; ook heeft men
op de ongenaakbaarheid zoo gerekend, dat er geene eigenlijke
vestingwerken zijn aangelegd. Ik heb in zoo korten tijd op dit
punt niets kunnen verhelpen ; en nu, wat de vastigheid der torens
en muren betreft, ik ben er niet al te zeker van; dit arendsnest
is al zoo oud; men weet niet hoe de vazallen hunne bisschoppen
bediend hebben, toen zij hun heerendiensten verleenden : de
ervaring zal \'t moeten leeren..."
„Maar, vergeef mij! Commandant, als dit uwe zienswijze is,
hoe hebt gjj dan zoo vermetel een antwoord kunnen geven, dat
men later eone misleiding zal noemen..."
„Luister, ritmeester! Ik zal u Ie fin mol van het raadsel geven.
Toen de Prins te Hreda kwam, om betere correspondentie met
mij te lloey te kunnen houden, kon Zijne Excellentie niet weten
wat ik wist, dat nameijjk de Spanjaarden al zoover voortgerukt waren,
dat zjj die correspondentie hoogst onveilig maakten, zoo niet gansch
beletten zouden. De Prins deelde mij mede dat de Luikschc ge-
zanten reeds in den Haag waren, met hunne aanklacht tegen mjj
en hunne vorderingen aan de Algemeene IStaten; dat van mijn
antwoord het bescheid zou afhangen, dat men dien Hoeren zou
meegeven. Verplaats u nu in inijn toestand. Deel ik mijne inner-
lijkste gedachte mede, en valt dat schrijven den vijand in handen,
dan rekent hij al terstond op mijne zwakheid en valt mij aan met
alle macht, in plaats van, zooals nii, uit de verte op mij te loeren.
Komt het daarentegen tot den Prins, dan had deze niet anders
kunnen doen dan zulk schrijven aan de Generale Staten mee te
deelen, die er zeer zeker niet door bewogen zouden worden, mij
des te krachtiger hulp te zenden, naarmate het hachelijker stond
met mjjne verovering, maar wie dat integendeel stemmen zou om
de gezanten gunstig aan te hooren en haastiglijk een akkoord met
hen te treffen, dat voor mij, die van alles openlijk de verantwoor-
delijkheid droeg, de smadeljjkste en smartelijkste uitkomst zou
zjjn. Liever geef ik het kasteel over aan den Spanjaard, en mij
zelven in zijne handen na het eerste schot, zoo ik vreezen moest
dat ik het later aan den bisschop zou moeten restitueeren op
bevel Hunner Hoog Mogenden. Zulk cene scherpe veroordeeling
mijner daad, na al de teleurstelling die ik in dezen reeds ondor-
vond, zou ik niet kunnen dragon; daarom schreef ik stouter en
-ocr page 289-
L\'77
fierder aan den Prins, dan ik het wellicht had moeten doen,
hopende nog altoos dat mjj de ondersteuning zou geworden, die
mij was toegezegd, en dat de gebeurtenissen mijne uitspraak
zouden bevestigen."
„De Prins verkeert alzoo in dezelfde dwaling!\'" zei Bacx met
zekere spanning.
„Gowisseljjk neen ! Bijna geljjktijdig, zoo haast ik hein hier kondc
missen, zond ik luitenant 1\'aets naar Breda aan Zjjne Prinselijke
Excellentie met order dezen na te reizen, waar hij zich ook mocht
bevinden, zoo hjj die stad mocht verlaten hebben* Paets is een
oude getrouwe, die volkomen door mij was ingelicht van alles wat
hier omging, en van mijn eigen gevoelen daarover, van den staat,
waarin ik de vesting had gevonden, van de weinige gelegenheid
die ik had, haar te versterken, van alles, in één woord, dat mij
op \'t harte lag, en dat ik zelf aan den Prins zou hebben geopen-
baard, als een onderhoud mogelijk ware geweest, maar waarvan
ik om niets ter wereld zwart op wit had willen geven. Maurits
is zoo goed onderricht als gjj en ik; hij kent mijne voornemens,
mjjnc beweegredenen, en, ik ben er overtuigd van, dat hij, ondanks
die kennis, of eigenljjk juist daarom, in gemeenschap met zekere
leden uit de Staten van Holland, u bekend, alles in \'t werk zal
stellen om de Algemeene Staten te weerhouden van een desa-
vouement mjjner handelingen, de bitterste beschaming die men
mij zou kunnen aandoen."
„Vrees die ook niet moer; de Generale Staten zijn nu zelf
reeds te ver gegaan, om u te kunnen verloochenen. Nu zij een-
maal zjju aangevangen met de klachten der bisschoppelijke ge-
zanten te beantwoorden door tegenklachten over diens schending
der neutraliteit, in plaats van in te stemmen met hunne veroor-
deeling uwer daad; nu zjj kennelijk met voorbedachten rade de
zaak op de lange baan schuiven, en duideljjk laten bemerken dat
zij de eens gegrepen prooi niet willens zijn los te laten, nu heb-
ben ze eigenljjk de verantwoordelijkheid daarvan overgenomen,
en nu kunnen zij een tractaat maken, dat is zoo, maar geenszins
zulk een, dat ergerlijk of krenkend zou zijn voor u !"
„NTu, Gtodo zij dank! Marcelis, mijn vriend! gjj weet niet hoe
gij mij verlucht hebt niet deze mededeelingen. Ik krijg geene
tjjding meer; geen antwoord in \'t geheel, hoewel ik bode op bode
heb afgezonden; ik begrijp nu wel waarom: de communicatie is
gansch gestremd; doch niets hoorende, en daarenboven geene
hulp ontvangende, zooals ik verwacht had, achtte ik mij reeds
opgeofferd, en daarom; ik beljjde het u, mijn vriend ! ging ik om
met sombere, zeer sombere voornemens. Want in trouwe, als men
mij gebiedt het kasteel aan den Bisschop terug te geven, dan zie
ik niet, waarom men mij niet evengoed als roover en strooper
-ocr page 290-
278
zou ophangen, waar Ernestus zegt mij voor te houden. Men moet
mij uiaintineeren of condemneercn, er is hier geen midden!"
„En dan zou lléraugière, dan zou de Gouverneur van Breda,
die weet welk een aanzien, welk een invloed hij houdt in Hol-
land, hoezeer hij geliefd is door den Prins, en ontzien onder allen,
dan zou deze vreezen voor het laatste, en zich door die hersen-
schimmige onrust tot de diepste neerslachtigheid laten neerrukken !"
Héraugièro glimlachte met tranen in het oog. „Gij weet niet
wat de eenzaamheid en de afmattende werkeloosheid, waarin ik
verkeer, van schadelijken invloed kan zjjn op ziel en lichaam
heide! Al bracht gij mij niets aan dan den troost van uw bjjzijn,
Bacx! reeds daarom zou ik uw edelmoedig besluit, om hier te
komen, zegenen!"
„En toch... gjj wildet mij wegzenden," hernam Bacx, zacht
verwijtend.
„Uit vriendschap voor u, uit dank baarheid voor uwe komst."
„En nu, Commandant, waar gij door minder zwarten bril ziet,
wil mij zeggen of gij nog altoos de zaak hier zoo hopeloos
beschouwt P"
„Ik zeide \'t u immers reeds straks; er is nog niets gebeurd,
om mijn stout beweren te logenstraffen. De Spanjaard heeft nog
geen steen van de vesting; hij heeft zelfs nog niet ondernomen die te
naderen, zoozeer gevoelt lijj zich zelf\' zeker afgeschrikt door hare
ongenaakbaarheid. Wij weten, zij is slechts schjjnbaar, vooral
voor hen die de stad bezitten, maar dat valt hun niet in \'t oog,
en tenzij ze gesehut weten te planten op de rotsen, iets wat ik
een mirakel zou achten, door hunne heiligen gewerkt, zullen zij
\'t kasteel niet eens kunnen beschieten. Kwam het daartoe, dan
wil ik voor niets instaan .. . maar het schijnt dat zij mij liever
opgesloten houden, al nauwer, en nauwer en er op rekenen, dat
ik mij door ongeduld zal laten vervoeren tot een overijlden uitval,
waarvan zij gebruik zouden maken; doch de oude rat zal in dien
val niet loopen. Ik neem exempel aan hun geduld, aan hunne
roerloosheid, en heb wel hope daarvan de vrucht te genieten,
mits die nog wat aanhoude. Wij hebben in\'t eind de lentemaand;
haar grillige aard brengt ons inogeijjk na de stormen en de
sneeuwjacht, liefelijke zon en milde lucht; dan drogen de lan-
den wol spoedig en zullen de wegen niet moer ontoegankelijk
zijn. Als de Staten in de zaak gehandeld zullen hebben zooals
gij zegt, dan moeten zij mij te hulp komen, zoo ras er occasie
toe is. De Hertog van Bouillon behoeft zelfs niet op gedroogde
landen te wachten, om door Luxemburg herwaarts heen te komen;
hij zal niet ecuwiglijk toeven en met woorden pralen zonder
daden; ik heb hem een bode gezonden om aan te porren tot
de komst van de beloofde duizend ruiters, die geen gewone is."
-ocr page 291-
L\'T\'.I
„Ik rade wien gjj bedoelt! uw onvergelijkelijke Rosse Jan."
„Juist! Iiij zal de zaak weten aan te dringen met de lakonicke
overredingskracht, hem eigen. Bouillon moet komen, als hij mijn
nood kent, zoo hij geen IlrouilloH en weerhaan wil worden bij-
genaamd. Dat nu de Spanjaard maar blij vc waar hij is, tot zoo
lang... en, ik heb er wel hope op. Reken maar na, wij heb-
ben morgen reeds Donderdag. Vrijdag en Zaterdag zjjn kerk-en
vastendagen, die zullen omgaan met biechten en boetedoening;
dan hebben wij Palmzondag; zij zullen de stille week niet ont-
heiligen door een aanval tegen de vesting; reeds nu hebben zeker
de priesters onder hen meer macht dan de officieren. Zoo be-
reiken wij Pasehen, twee zondagen, om vreugde te bedrijven en
goede sier te houden na de onthouding der vasten; binnen acht
of tien dagen kan Bouillon hier wezen, en er veel gebeurd zijn;
welk een triomf, als wij ze nog ten aftocht dwongen! Dan zou
Hoey eerst in waarheid ons zjjn, en wie weet of Luik, ons hier
machtig wetende niet volgde,\'\' ging Héraugière voort met de le-
vendigheid en veerkrachtigheid van geest, hem eigen, en nu zelf
aieh toegevende aan illusiën, die hij in anderen veroordeelde.
„Wel, ik deel van ganscher harte uw goeden moed en hope;
wie weet, of ik nog niet hier ben om groote dingen te zien."
„En meo te doen! Als er iets verricht moet worden, ben ik
daarvan wel zeker! Maar wie daar? Sergeant Wouter Willem»P"
viel Héraugière zich zelven in de rede; „die komt zeker het
parool vragen?"
„Om u te dienen, Commandant!" sprak deze, meer vooruit-
tredende.
„Voor heden kan hetgeen ander zijn dan: ritmeester Bacx!"
hernam Héraugière, met een vergenoegden zijblik op zijn gast.
„Leve ritmeester Bacx!" riep Wouter Willemsz: „het gerucht
is de vesting al rond; de schildwachten hebben geklapt. En het
contrasein, Commandant?"
„Gij zijt zoo schrander, mijn brave Sergeant; ik geef het u
te raden."
„Moed en vertrouwen f" sprak Wouter Willemsz vragenderwijs.
„Zoo zal \'t zijn!" stemde Héraugière in met een glimlach.
„Commandant! er is nog iets ... de wachtmeester laat u waar-
schuwen, dat zich een trompetter hoeft aangemeld, toegang vra-
gende tot het kasteel voor een persoon van kwaliteit, door den
Prins-Bisschop gezonden, en die als parlementair wenscht erkend
en bejegend te worden: de wachtmeester laat vragen of Mijnheer
de Gouveneur er zwarigheid in ziet hem binnen te laten met de
gebruikelijke formaliteiten t"
„Geene zwarigheid. Men geleide den edelman herwaarts en
handele met den trompetter naar behooren; alleen strenge
-ocr page 292-
280
waakzaamheid; zulk een bezoek in den avond is vreemd."
«Men zal ze geen oogenblik uit het oog verliezen. De wacht-
meester wil het volk veel rumoer laten maken, opdat zij een goed
denkbeeld krijgen van de sterkte der bezetting; geblinddoekt
merken zjj er toch niets van."
«Ritmeester Bacx is hier; die geldt ons een vaan ruiters,"
lachte Héraugière.
„Ik zal de soldaten laten snoeven, dat de ritmeester gekomen
ia met een vaan ruiters!" beloofde Wouter Willemsz, en verwjj-
derde zich met den militairen groet.
„Het wordt mjj bang van die groote verwachtingen, die ik alleen
toch niet zal kunnen vervullen," sprak Bacx, „en gij die ze nog
vleit...!"
„Oh ne yrt\'te qit\\tnx rirhex,\'\' hernam Héraugière, terwjjl hij op-
nieuw de schel in beweging bracht; zjjn kamerdienaar Halewijn,
op dat sein toegeschoten, kreeg bevel hem te helpen kleeden.
„Vindt gij dat ook niet, ritmeester! de zendeling van den
Bisschop, wie hjj dan ook zij, en wat hij brenge, moet den be-
velhebber van Hocy niet zien in een huispels gewikkeld; hij
mocht hem eens houden voor een verwijfden suffer?"
„Dan zou hij wel een slecht physionomiekenner moeten zijn,"
merkte Baoz aan; „toch stem ik too dat de wapenrusting u beter
staat, en in dezen ook beter past."
„Bacx had gelijk. Héraugière was weer geheel zich zelf, toen hij
in krijgsgewaad, den degen op zjjde, zich staande hield voor zijn
armstoel, om den gezant van den Prins-Bisschop te ontvangen,
die welhaast door kapitein Mario werd binnengeleid.
Eer wij mee aanhooren wat hij te zeggen heeft, willen wij om-
zien naar Gerard de Preys, wiens gedaanteverwisseling zonderling
genoeg schjjnt om eene verklaring noodig te hebben.
Een der eerste vragen, die Héraugière bjj het weerzien aan
Frank de I\'reys had gericht, was geweest naar zijn broeder. Het
antwoord was diens gewone droeve verzuchting; Gerard was nog
in leven, maar krank, krank naar de ziel."
„Wees gerust, ik zal zijn geneesmeester zjjn!" had Héraugière
getroost, maar Krank smeekte hem dringend den ongelukkigen
lijder aan zich zelf over te laten; Rosse Jan, de man die van
alles verstand had, gaf nog hoop op herstel onder deze voor-
waarde, en l\'aots, mede ondervraagd, gaf evenzeer ontwjjkende
antwoorden, en smeekte als hooge gunst, dat de bevelhebber der
vesting de zonderlingheden van zijn ongelukkigen schoonzoon
door de vingeren wilde zien, voor \'t geval dat deze hem onder
de oogen kwam, en zich gedragen of hij hem niet herkende. „Ik
zelf handel dus," voegde do kloeke luitenant er bij, met tranen
in het manlijk oog, „en dit is de ecnige weldaad die men hem
-ocr page 293-
281
kan bewijzen; dus onopgemerkt blijft hij rustig : zoo ik hem vóór
u brengen moest,.zou de stille verbijstering tot razernij stijgen."
Héraugière had die sombere mededeelingen met diep leedgevoel
aangehoord, en beloofde zich te onthouden. Dat viel hem te
lichter, naarmate hjj in de vesting zoowel als daarbuiten in de
stad reeds terstond zooveel te doen vond, zooveel wat zijne aan-
daeht vroeg en zijne ingespannen opmerkzaamheid eischte, dat de
sombere tiguur van zijn waanzinnigen edelman geheel naar den
achtergrond werd gedrongen.
De ongelukkige Gerard de l\'reys genoot alzoo het treurige
voorrecht, ongestoord om te dolen, zonder dat iemand zich zijner
aantrok. De soldaten die hem dicht in zjjne pij gehuld over de
binnenplaats naar de kapel heen zagen sluipen, lieten hem on-
gemoeid, ten deele uit deernis, ten deele uit bjjgeloof, dat van
den krankzinnige terugschrikt. Hjj bewoonde nu het bovenge-
deelte van den ouden wachttoren, waar I\'aets hem van het noo-
dige liet voorzien. Maar de IVevs was niet krankzinnig, zooals
wjj reeds ontwaarden; hij werd alleen vervolgd door een idéé
fijcr,
dat hem schuw en gejaagd maakte; hij leefde voortdurend
onder den slag van angst en vreeze, onder de pijniging der bit-
terste wroegingen, waartegen hij zijne toevlucht zocht in onthou-
ding en lichaamskastijding, dio den krauken geest nog dieper
moesten neerbuigen en het laatste vonkje gezond verstand dreigde
uit te blusschen, en de volstrekte afzondering, waarin men
hem toeliet zich terug te trekken, leidde meer om die rampzalige
gemoedsgesteldheid te onderhouden, dan haar te genezen, zooals
men gehoopt had.
Onder allerlei beslommeringen en in \'tafzjjn van Krank do
Preys, destijds naar den Haag gezonden, was de Gouverneur van
Hoey zelfs de belofte vergeten aan dezen gedaan, toen bij op
zekeren morgen, in de vroegte door de opene galerjj gaande,
die naar de kapel voerde, een monnik daarlangs zag sluipen,
kennelijk met het oogmerk naar binnen te gaan. Dit was licht
te doen; sinds alle kerksieraden en misgereedschap daaruit weg-
genomen waren, bleef zij openstaan, vermoedelijk omdat het ruwe
soldatenvolk de sluiting onbruikbaar had gemaakt. Was alles op
het kasteel eens geregeld, dan zou zij mogelijk tot den dienst
der Calvinisten worden ingericht, maar Héraugière voelde er zich
nog niet genoeg thuis om een prediker uit Breda te \'ontbieden;
en de arme waanzinnige was de eenige, die er op zijne wjjzo
aanbidden kwam. Kr was toch nog een altaar; er waren toch
nog beelden in de nissen; voor hem moeBt het nog heilige plaats
zijn. Ditmaal zou hij er niet binnengnan. Met een: „Halt! ellen-
dige monnik! Wat verstout gij ui-"\' stelde Héraugière zich in zjjn
weg, hem bij den arm vattende. Met een kreet van ontzetting
-ocr page 294-
282
«tortte de ongelukkige aan zjjne vooten; hij had Héraugièreherkend.
„Wie zijt gij P Wat doet gij hier!"\' vroeg deze, die een ver-
momden spion meende gevat te hebben.
„Barmhartigheid! Kapitein Héraugière! ik ben de rampzalige
Oerard de 1\'reys!" riep deze, sidderend de smeekende handen
omhoog heffend; en de monnikskap viel terug en het deerlijk
misvormde, vermagerde gelaat van den voonnaals zoo kloeken,
fleren edelman kwam ten volle uit. Toen eerst herinnerde Hérau-
gière zich zijne belofte en wat men gezegd had van den dolende
in de monnikspjj. Maar het was te laat; de schok was nu toe-
gebracht, en hij wilde beproeven of het niet strekken kon ter
genezing. L""~D]
         \'•!
„Gerard de 1\'reys! mijn vriend! mjjn getrouwe dienaar! dat
is niet de plaats die u voegt! Kom aan mijn hart en zoek daar
eene toevlucht voor al wat u kwelt!" riep Héraugière, de armen
uitbreidende, opdat hij er zich in zou werpen.
Maar de 1\'reys bedekte zich het aangezicht met beide handen
en sprak alleen: „O! \'t is het oordeel Gods, dat ik niet meer
kan, niet meer mag, niet meer durf!"
„Weg met al die aarzeling! ik begeer het!" en Héraugière
hief hem op, ondanks zijn tegenstreven, en drukte hem aan
zijne borst.
Toen stroomden er brandende tranen over die dorre, verma-
gerde kaken : maar den aandrang van die liefde kon de verdoolde
niet weerstaan. Hij liet het matte hoofd eene wijle rusten tegen
den schouder van den vriend, voor wiens aanblik hjj zooeven
had gesidderd; maar, als berouwde hem reeds terstond het toe-
geven aan een zachter gevoel, hief hij het op en trachtte zich
los te wringen, terwijl hij met gesmoorde stem uitriep : „Waartoe
den Hemel gezien, als men ter helle behoort! Gij zult mij ver-
stooten, met afschuw van u stooten, als gij weten zult wie ik ben,
en wat ik tegen u heb gepleegd!"
„Gij vergist u, ik weet alles!"
„En toch, toch zoudt gij kunnen vergeven! Onmogelijk! Hé-
raugière zou zwak zijn f"
„Het is geen zwakheid, Gerard de Preys! Het ia billijkheid.
Is het aan mij, om u hard te vallen dat gjj bezweken zijt voor
de verzoekingen, waarin ik u had geleid? Uit getrouwheid aan
onze cause, uit vriendschap voor mij, hebt gjj eene taak op u
genomen, niet berekend voor uw karakter; gij zijt gestruikeld,
gevallen ..."
„Zoo laag ! zoo diep! dat er voor mij geen opheffen mogelijk is
uit deze diepte!" hervatte Gerard, met eene schrille, schreiende
stem. En de hand voor de oogen brengende: „Wie mij gezegd had,
dat ik u, u zou kunnen weorzien, zonder van smart en beschaming
-ocr page 295-
28a
te sterven ... Kn nu, daar sta ik en het bloed is mij niet in de aderen
gestold van ijzing: het hart bonst mij ofhetuit het lijf wilde springen,
en het voorhoofd gloeit, alsof er vuur brandt in de hersenen. Weet
ik het dan niet meer, wie ik ben, en wat mij toekomt \'i Oerard do
Preys de rampzaligste, de verachtelijkste onder de menschenkin-
deren, uitgeworpen en vertreden door ieder wie hem kent en die
het waardig is: die niets waardig is dan dat...! 01 die zeker-
heid heeft mij gedreven, mijne toevlucht te zoeken inheteenige
wat mij paste, het ccnige wat mij rust kon geven, de zelfvernie-
tiging van den monnik! Men meent hier, dat ik krankzinnig ben;
maar, geloof mij, ik ben het niet! alleen ik ontvlood de monschen,
omdat ik mij diep onder de aarde wilde verbergen voor ieders
blik, omdat ik niet meer waardig ben de hand van een eerlijk
krijgsman aan te raken, en gij, gjj dwingt mij aan uwe borst te
rusten! Gij vat als een broeder mijn arm onder den uwen! Hoe
kunt gij, een fier soldaat, een waardig edelman, mijne schuld dus
gering aehten! Weet gij het dan niet? Ik ben een dubbele ver-
rador!..."
„Ik acht uwe schuld niet gering, Oerard de Preys! maar ik heb
er deel aan; zoo past mij minder dan iemand onvergeetlijkheid.
Ik heb een h\'jngevoelend edelman als spion gebruikt, omdat zijn
hart innig aan mij verknocht was. Ik had op zulken band niet moeten
zien! Ik had eenvoudig naar taaie zenuwen moeten vragen; ik
had Paets moeten zenden, en niet Oerard de Preys, ziedaar de fout!"
„Xeen! neen! \'t is goed, dat gjj uw getrouwen Paets hebt ge-
spaard. Hjj had zich laten doodmartelen en zou gezwegen hebben;
ik. ..ik ellendige! heb niet eens den aanvang der folteringen
afgewacht; reeds het aanzien dor marteltuigen was mij genoog
om alles te bekennen, alles te verraden — mijne zending, uwc
voornemens — alles! alles! en zoo is na verloop van vele jaren
hunne waakzaamheid verslapt. Hoe meent men dat een eerlijk
man als Paets, op een schoonzoon als ik ben, zal neerzien f Ziet
gij wel, dat het mij nu voortaan onmogelijk is te leven onder
mijne vroegere krijgsmakkers! Ood zij geloofd! zij zoeken mij niet
onder dit verachtelijk gewaad; wisten zij wat verworpeling er
onder wegsehool!... De bisschoppelijkon zelf die toch winst
meenden te doen met mijn verraad, wierpen woorden mij toe,
die mij een vunzig hol onder den grond deden verkiezen boven
een geschikt menschclijk verblijf in hun midden. Levend begraven,
leefde ik nog mij zelven in den weg, totdat ik de ingeving kreeg,
met al mijne ellende onder dit kleed weg to schuilen! Hoe ik ze
aangreep met de verrukking van den drenkeling, die de reddende
koorde vat, die grove pij, die de naakte leden schuurt, kleed van
rouw en boete, lijkklced van den natuurlijken mensch, dat zelfs in
het graf niet wordt afgelegd, en dat eisenen stelt van zelfvernie-
-ocr page 296-
284
tiging, van dagelijksche dood ing des vleeschies, die mij aanlokten.
Helaas! helaas! minder om God te zoeken, dan om mij zelven
te ontvlieden! Zoo diep in \'t stof gebukt, kon geene vernedering
mij treffen! Dierbaar, dierbaar kleed! gjj hebt mij geleerd onder
hoon en bespotting te zwijgen!" viel hjj op eens uit tot zjjne pij,
zijne handen over de borst kruisende met eene heftigheid, alsof
die hem tot schild moesten strekken tegen een werkelijkcn aanval.
Daarop met eene stem, als onder snikken verstikt, hervatte hij tot
Héraugière: .Begrijpt gij het nu: alleen als monnik kan ik nóg
leven, sinds ik door mjjne lafhartigheid verbeurd heb als krjjgs-
man, als edelman te sterven!"
En als vermoeid onder het torsen van zijn eigen lichaam,
wierp Gerard de Preys zich neer op den vlakken grond, met het
aangezicht ter aarde gekeerd.
Héraugière had hem al sprekende in een der vertrekken gevoerd,
waar vroeger het logies was van den bisschoppelijkcn bevelhebber.
De opene galerij was de plaats niet, voor zulke bekentenissen,
als hjj had weten uit te lokken. Héraugière was een goed men-
schenkenner, en hij had een diepen blik geslagen in de schuil-
hoeken van deze lijdende ziel. Hetgeen anderen zou misleid
hebben, bedroog hem niet. Onder het levendig berouw en het
diepste schuldgevoel school nog iets anders: de fierheid van een
gemoed, dat zich niet aan de krenkingen, niet aan de schande
wilde onderwerpen, die het toch wist te hebben verdiend; een
hart, dat doodbloede aan kwetsuren, welke het meende te kunnen
hcelen, door ze te verloochenen. Ootmoed lag er zeker in do
tot vromen ernst gestemde ziel van Gerard de Preys, ootmoed
voor God, maar daarnevens, daartusschen door, gloorde nog in
die borst een vonk van dat eergevoel, dat den edelman, den
krijgsman placht te bezielen, te smarteljjker geprikkeld door iedere
ruwe krenking, daar het geweten voorschreef er het hoofd zwijgend
onder te buigen. Daar school veel menschelijks in do keuze van
hem, die, zich zelf bedriegende, waande eene bovenmenschelijke
roeping te volgen. Héraugière, wiens blik door de belangstelling
der innigste deernis was gescherpt, wist dit onderscheid te vatten
en nam zich voor deze kennis toe te passen. Zelfs in dat onzin-
nige neerstorten op den grond, als verpletterd onder het wicht
van zijne eigene rampzaligheid, waarin een oppervlakkiger toe-
schouwer een nieuwe vlaag van waanzin zou hebben gezien, raadde
Héraugière de trilling van aandoeningen, die zich verbergen wilden,
omdat zij geen recht meer hadden van te bestaan.
.Hef u op, Gerard de Preys! dit verbeurde voorrecht kunt gjj
u herwinnen!" sprak hij met zekeren nadruk.
.Onmogelijk! onmogelijk!" kreet de ander dof. .Ik heb gelofte
gedaan in het stof der vernedering te blijven liggen voor het
-ocr page 297-
285
oog der menschen, om genade te vinden voor hot oog van God.
Meineed is schuld voor den allerhoogste, en ik pleegde die twee-
maal wetens en willens."
„Zoo! hebt gij werkelijk kloostergelofte gedaan ?" vroeg Hérau-
gière koel. „Bij welke orde?"
„Ik zou in die der Bedelmonniken zijn getreden, maar het
bemachtigen van de vesting is tusschenbeide gekomen. Ik bereidde
mij voor.... ik heb beloofd, plechtig beloofd..."
„Aan wien beloofd?"
„Aan den eenigen, die zich mijner aantrok, die mij begreep
en mij steunde, aan een vriend, aan een priester."
„Ik verklaar mij zeer goed, dat gij in de zielsstemming hebt
verkeerd om die belofte te doen, en zonder door priesterdwang
daartoe geperst te zijn; alleen moet ik u herinneren, dat zij niet
gelden kan voor God, juist omdat zij meineed is." Bij die laatste
woorden hief de Preys het hoofd op en zag Héraugière aan met
sprekenden blik, als door een plotseling licht getroffen. Reeds
volgde hjj werktuigeljjk de vingerwijzing van Héraugière, die hem
gebood zich tegenover hem neer te zetten.
„Wel zeker, ongelukkige verblinde!" vervolgde deze, hem strak
aanziende, als om de gewaarwordingen, die hjj opwekte, nauw-
keurig gade te slaan. „Ik spreek niet eens van den meineed
jegens uwe echtgenoot, de moeder uwer kinderen ... die nog
telken dage de bede opzendt tot God voor uwe wederkomst."
„Dat ik ze liefhad, weet Hij en gij ook!" viel hier de I\'reys
in, terwijl een helder vocht zijne groote donkere oogen vulde.
„Maar... ik kon toch niets meer voor haar zijn... ik was voor
het leven van haar gescheiden."
„Ook laat ik dit daar; zie hoe gij het nu niet uw hart, met
uwe consciëntie overeenbrengt, waar hereeniging mogelijk is;
maar er is iets wat mij aangaat en wat ik zwaarder neem. Mij hebt
gjj een eed gedaan! mij een eed, die alle verdere belofte, daartegen
strijdende, ongeldig maakt; ik weet, er ligt ontrouw uwerzijds
tusschen, maar dat verzwakt mijne aanspraak niet. Ik, die hier
voor u sta, ik heb u nooit ontslagen; in mijn dienst waart gij, als
edelman, als krijgsman, toen ik u herwaarts zond. Na vier jaren
zijn wij weer samen, en ik eisch u op om uw dienst te hervatten.
Ik vraag niet naar \'t geen daartusschen ligt; zoo ik er naar vraag,
is het om het uitgewist te zien, en daarom zeg ik u, Gcrard
de Preys! weg met die monnikspij, die u niet voegt! Ik heb een
soldaat uitgezonden, en ik wil een soldaat weerzien!"
Onbeschrijfelijk was de indruk door deze toespraak op den
diepgezonken, aan zich zelven vertwjjfelenden edelman teweegge-
bracht. De nevelen, die hem het gemoed hadden verduisterd,
schenen op te klaren; het „onmogelijk! onmogelijk!" gleed niet
-ocr page 298-
286
meer van zjjne lippen, maar oen smartelijk: B Ik weer leven onder
de anderen! Ik... en waartoe, opdat ieder mijner krjjgsmakkers
beurt voor beurt mjj den rug zoude toewenden en ik het: „laf-
hartige! eerlooze!" uit hunne oogen zou lezen, al weerhield zich
ook de tong het te uiten, in volgzaamheid aan uw wil."
„Zeker neen !" hernam Héraugière, „niet aldus moet het zjjn !
AVel is uw vergrijp slechts aan enkelen hier hekend, en die en-
kelen weten het met een verschoonend oog te zien; maar dit is
voor u, voor u zelf niet genoeg, en al ware het slechts één eenige,
al ware die eenige Charles Héraugière, toch moet er eere herstel-
ling plaats vinden, zult gij zelf de vrijmoedigheid hebben om
uwe plaats, uw rang weer in te nemen in onzen kring l"
Al sprekende had Héraugière eene schel doen klinken. Aan zjjn
kamerdienaar, die binnenkwam, gaf hij fluisterend eenige bevelen;
daarop keerde hjj zich weer tot de Preys, die in de heftigste be-
weging, hoewel onder uiterlijke roerloosheid, was blijven zitten
op de plaats hem door Héraugière aangewezen. „Gij erkent, niet
waar?" ging deze voort, zich weder tot hem wendende, -dat ik
een recht heb in uwe zaak uitspraak te doen, al is het, dat ik
in deze partij en rechter mag heeten?"
De Preys boog eerst zwijgend het hoofd; daarop sprak hij lang-
zaam, en als woog hij zelf ernstig de beteekenis zijner woorden:
„Ik heb, sinds ik mij aan u verbond, altijd in u den beschikker
gezien over mijn lot en leven; dat laatste weet ik verbeurd te
hebben, al schenkt gjj gratie."
„Ik schenk geene gratie!\'* hernam Héraugière levendig; „gij
moet die verdienen; volg mjjn kamerdienaar; hij zal u zeggen,
wat ik van u begeer/\'
Gerard de Preys stond op en gehoorzaamde zwijgend; werk-
tuigeltjk, met gebukt hoofd en slependen gang, verwjjderde hij
zich; maar eer hij den dorpel der zaal overschreed, keerde hij
zich plotseling om, zag Héraugière aan met vragenden blik, als
wilde hij diens voornemen uit zjjne trekken lezen. Die blik, lang
aangehouden, werd bijkans vermetel onder de wisseling van hoop
en vrees. Maar Héraugière\'s strak gelaat gaf niets te zien dan
zeker ongeduld, terwijl hij hem met de hand wenkte te gaan.
„Daar vonkelt nog leven in dat oog! De overwinning moge
veel kosten. . . maar zij zal toch behaald worden,"\' sprak Hérau-
gière met bljjde zegepraal, terwjjl hij zich naar de groote bene-
denzaal begaf, nog altijd de raadkamer genoemd, waar de offi-
eieren op de vesting aanwezig, zich reeds samen vonden of wei-
dra vereenigd waren: Paels, luitenant de Vos, kapitein Balfour
en Cornet Jaspers, Fran^ois Ie Noir en zelfs do onderofficieren,
waartoe Wouter Willemsz toen reeds behoorde. Toevallig, want
men zag hem zelden twee dagen achtereen op de vesting, was
-ocr page 299-
L\'ST
Rosse Jan nu ook tegenwoordig; Rosse Jan die de zwakheid van
Gorard de I\'reys in al hare diepte kende en door ironie had
willen genezen. Eenige oogenblikken na Héraugière kwam Gerard
de Preys binnen in volle wapenrusting, maar zonder degen. De
bevelhebber der vesting daarentegen droeg er twee in de hand,
die hjj aan Cornet Jaspers gaf, met het verzoek om zich van
hunne volstrekte gelijkheid te overtuigen. Behalve Paets en Rosse
Jan, had niemand der aanwezigen in den officier, die binnentrad,
den waanzinnigen monnik herkend, die men uit deernis of uit
afgrijnzon ongemoeid liet rondloopcn; maar toen de Gouverneur
van \'t Kasteel hem overluid aansprak met zijn naam, waren er
onder hen die verrast en ontzet ter zijde traden. Het was tot
dezen het eerst, dat Héraugière zich wendde, toen hjj sprak :
„Gerard de I\'reys, edelman van geboorte en officier in mijn dienst,
heeft zich voorheen schuldig gemaakt aan een vergrijp, niet tegen
de krijgswet, want geeno krijgswet kon den dienst voorschrijven,
dien ik van hem had geéischt, maar aan een vergrijp tegen do
trouw mij verschuldigd als dienaar en vriend! Uit zwakheid heeft
hij een geheim verraden, dat mij dierbaar was, en ik verlang
satisfactie voor deze krenking, opdat er aan de wet der eer voldaan
zij en wij als krjjgsmakkers elkander weer de hand kunnen reiken.
Cornet Jaspers! laat Heer Gerard de Preys een van deze degens
kiezen; de andere is voor mij."
Gerard do Preys was binnengekomen als iemand, die in den
droom wandelt, maar voor wien die droom iets onuitsprekelijk
aantrekkeljjks hoeft. Hot was of de krjjgsmanskleeding hem op
eens weer geleerd had het hoofd op te richten; maaronbewcgo-
lijk bleef hij staan waar hjj stond, on zag met strakken droomc-
rigen blik op Héraugière, zonder dat eene spier van zijn perka-
mentachtig gelaat zich bewoog. Toen deze had uitgesproken en
Cornet Jaspers hem de degens aanbood, koos hij er een zonder
de minste aarzeling, met zekere drift zelfs, en het was opmerkelijk
te zien, hoe hij dien aanvaardde, een oogenblik in de hand woog
en heen en weer draaide, als wilde hij zich in \'t flikkeren van het
staal verlustigen. Men zag het hem aan, dat de oude krijgsman
weer in hem opleefde, toen hij met onbeschrijfelijk welgevallen
den degen weer in de vuist klemde. Ken glimlach schoot over dat
somber gelaat, niet de wezenlooze glimlach van den waanzin, maar
zulk een die van eene naamlooze blijdschap getuigde, alsof een
zonnestraal op eens dat duistere gemoed verlichtte.
„Mijne Heeren! gij allen zult onze getuigen zijn; Cornet Jaspers
zal het teeken geven tot don aanval."
„Gerard de Preys! uwe hand is wel lang den degen ontwend,
maar placht dien te voeren met zeldzame behendigheid. Toon het
ons weer."
-ocr page 300-
288
„Tegen u! tegen u kan ik den degen niet trekken; liever wil ik...!"
„Geschandvlekt leven I" viel Héraugière in, hem naderend en
dat harde woord toefluisterend.
„Dood </(V mij; het is mjj eers genoeg door uwe hand te sneven!"
„Wilt gij mij tot een moordenaar maken \'i Ik wil u eeren, door
den degen met u te kruisen."
„Gij kunt er niet aan ontkomen!"
„Gij moet! gij moet!"
„Gij moet het duel aanvaarden!" riepen alle officieren als uit
één mond, torwjjl Gerard de I\'reys nog besluiteloos staan bleef,
met den degen naar den grond gekeerd, zichtbaar in heftigen
zelfstrijd.
„Gerard de I\'reys! toon nu geene zwakheid, of ik geef u op!"
hervatte Héraugière; „verdedig u! verdedig u! ik spaar u niet!"
„Als het dan zijn moet!" riep de Preys, en hief den degen op
en wendde behendig den stoot af, die Héraugière willens scheen
toe te brengen; en van nu aan was het of de furie zich van
den zwakken, aarzelenden man had meester gemaakt; het was
«f hjj op eens alles wat hem weerhouden had, vergat. — Hé-
raugière en zich zelven het eerst, om alleen gehoor te geven aan
die stem in zijn binnenste, die, na zoo lang gesmoord te zijn,
zich nu zoo luide deed gelden : de stem der herlevende eerzucht.
Een triomf behalen! Weer zich zelf worden! In eere hersteld,
tegenover allen, die zijn smaad en zijn schande hadden gezion!
Dat alles was nu te winnen door de kracht van zijn arm niet
slechts, maar ook door kloekheid van geest. Men zegt, dat ge-
oefende schaatsenrjjders zich beroemen den slag van die kunst
nooit te verleeren, al kwamen ze in jaren lang niet op het ijs;
alzoo ook Gerard de I\'reys; nu hjj voor \'t eerst weer den degen
voerde, bleek het zeer sjwedig dat het talent bij hem in bet
tijdperk der gedwongen rust niet was geroest.
Héraugière, wien het zoomin te doen was om hem eene ge-
vaarlijke wonde toe te brengen als om zelf eene nederlaag te
leiden, had moeite genoeg om tusschen die uitersten het midden
te bewaren. Kr waren oogenblikken, dat de omstanders sidderden
bij de stoutheid en de behendigheid van Gerard de 1\'roys in het
aanvallen en tevens bij diens achteloosheid in het uitwijken en
afweren. Het was of hij zich had voorgesteld van zijn moed en
geoefendheid de schitterendste blijken te geven, maar of hij er
niet aan dacht zijn leven te verdedigen, dat ernstig gevaar zou
geloopen hebben, had hjj een vijand en niet een vriend tegen
zich over gehad. Maar Héraugière had volkomen kalmte en groote
behoedzaamheid op hem voor. Héraugière wist waarheen hij het
brengen wilde; de I\'reys vocht om te vechten, om te toonen
dat hij een soldaat was en geen lafaard!
-ocr page 301-
L\'S\'.I
Meer dan eens hoorde hij een gemompel van goedkeuring, en
een verhoogde gloed op het vermagerd gelaat, het vonkelen van
die oogen, bijkans weggezonken in hunne kassen, toonde hoe
het trage verarmde bloed met verlevendigde snelheid door de
aders stroomde. Toch oordeelde Héraugière dat de proef niet
lang moest aanhouden; op de overspanning moest uitputting volgen,
en die phase mocht niet worden afgewacht.
Cornet Jaspers had een wenk gekregen om bij do eerste wonde,
die er ter eener of ter anderer zijde ontvangen was het „Vhon-
neur est satisfait
/" uit te roepen en den strijd te doen ophouden.
Héraugière trok partij van een der vele onvoorzichtigheden,
waarmee de 1\'reys zich bloot gaf, om hem eene lichte kwetsuur
aan den rechterarm toe te brengen. Onverwijld en zonder naar
Jaspers te luisteren, die de verplichte formule uitsprak, nam de
Preys zijn degen in de linkerhand en trok los op Héraugière,
met eene vermetelheid, men zou haast gezegd hebben met een
opzet, of hij door woeste bloeddorst ware bezield. Do omstan-
ders bleven roerloos van schrik wat er zou volgen. Héraugièro
zelf, niet radende wat zijne partij beoogde, bleef stand houden
en pareerde alleen losweg. Toen bleek het dat hij zijn vijand te
licht had geacht. De Preys drong op hem aan met zulk eene
kracht, dat hij hem den degen uit de hand sloeg!
Een Ventt\'t\'-sttint-yriit /*\' half van verrassing, half van toejuiching,
ontsnapte den Gouverneur van lloey; maar de Preys gaf terstond
blijk, dat hjj zich zelf en zijne positie niet had vergeten. Schielijk
bukte hij zich, raapte don degen op, knielde voor Héraugièro
neer en bood hem dien weder aan, zeggende:
„Heb ik nu den mijne verdiend?"
„Voorzeker, met eere!" en Héraugière, hem oprichtende, om-
helsde hem voor aller oog onder aller toejuiching.
„Wie uwer aarzelt nu nog mijne partij als wapenbroeder de hand
te drukken P*\' vroeg Héraugière de Preys in den kring rondvoerende.
Dat de oude Paets niet de laatste was om de zijne te reiken
aan den schoonzoon, wien hij met macht van zelfverloochening
tot hiertoe als een onbekende had bejegend; dat Ilossc Jan een
weinig satiriek uitviel, al juichte hjj het toe, dat de soldaat in
de Preys den monnik overwonnen had; dat Willemsz zjjne be-
langstelling toonde, door te waarschuwen toch niet de lichte
wonde te verwaarloozen, zich aanbiedende die te verbinden, de-
wijl hij wel eenige kennis had van „\'t chirurgijns handwerk";
dat allen zieh haastten als om strijd betuigingen te doen van
goede kameraadschap jegens den gerehabiliteerden wapenbroeder,
dat alles vermelden wij alleen ter voltooiing van het tafereel. Het
gewone banket na een duel mocht zelfs ditmaal niet ontbreken,
oordeelde Héraugière.
J)e verrassing vttn Hoey.                                                                                              I \'
-ocr page 302-
290
Gerard de Preys brak nu tegelijk met zijne gewoonte van
absolute onthouding, om te vergeten alles wat achter lag en een
vernieuwd leven aan te vangen. Het eenige wat er dien avond
aan zijne volkomene blijdschap ontbrak, was zijn broeder Frank,
die nog niet uit den Haag was teruggekeerd.
„Gij verschoont het in mij, dat ik bij de kerk blijf, waarin ik
nu eenmaal rust heb gevonden voor mijne ziel?\'\' vroeg Gerard
de Preys later aan Héraugière, die er op antwoordde, dat er te
Breda tweeërlei religie getolereerd werd, en dat hij dit te Hoey
ook in practijk wilde brengen. Die toegefelijkheid moedigde de
Preys aan om te vragen naar den kapelaan, die ergens op het
kasteel moest gevangen zitten en aan wien door Rosse Jan be-
scherming was verleend.
„Ik zal er naar onderzoeken, en als hij \'t waardig is, zal hij
ook de mijne genieten, en gij zult hem weerzien," beloofde Hé-
raugière, en hield wat hij toezeide; alleen had hij eerst uit goede
voorzorg een afzonderlijk onderhoud met Pater Cypriaan, in wien
hij een edel mensch, een verstandig zieleherder leerde kennen,
ni dupe, ni fripon; zooals Héraugière zich uitdrukte, overigens,
zooals wij weten, gansch niet bevooroordeeld ter gunste van dien
stand. Door den Gouverneur van Hoey op vrij barschen toon ter
verantwoording geroepen van zijne proselietmakerij, had de pries-
ter met kalmte en waardigheid rekenschap afgelegd van zijne
handelwijze. Hij deed hem inzien, hoe hij den aan alles vertwij-
felenden gevangene, tot de diepste zelfverfoeiing gezonken, niet
uit deze diepte had kunnen oprichten dan door den troost en de
kracht van den godsdienst.
Het protestantisme van Gerard de Preys was niets meer dan
eene traditie, eene conventie, behoorende bij de partij welke hij
diende. Het had eigenlijk geen invloed geoefend op zijn harten
leven. Hij haatte Rome, zooals hij Spanje haatte, uit politieke
vijandschap, en de religieuze vrijheid waarvoor hij gestreden had,
beteekende voor hem de vrijheid, om ter preek te gaan als hij
wilde, maar om het ook te laten, als dat zoo uitkwam. Dat zulk
een „geloof," al beliefde het zich zelf met dien naam te noemen,
niet bestand was tegen de aanmaning van een gemoedelijk en
overtuigd Roomschgezinde (het behoefde niet eens een behendig
priester te zijn,) om eene betere keuze te doen, spreekt wel van-
zelve; alleen in het gewone leven zou Gerard de Preys voor
zulke opwekking doof zjjn gebleven, en zich met wantrouwen
hebben afgekeerd; nu integendeel was hij in een gemoedstoe-
stand, om die indrukken op te vangen met al de gretigheid van
een dorstende, wien men frisch water biedt. Dat een Roomsch-
Katholiek priester deze neergebogen ziel niet kon opheffen of troos-
-ocr page 303-
21)1
ten, zonder hem zijne Kerk aan te bevelen en daar in te leiden,
sprak vanzelf, en Héraugière moest dat zjjns ondanks toestemmen.
Na zjjn overgang, waaraan Pater Cypriaan met opzet eenige rucht-
baarheid had gegeven onder de hooge geestelijkheid, werd aan den
Staatschen spion, dien men nu als broeder wilde bejegenen, niet
slechts gratie verleend van alle verdiende straf, maar zelfs het uit-
zieht geopend op de vrijheid, mits hij zich aan zekere bepalingen
onderwierp. Maar wat zou hij met deze vrijheid? Naar Breda
terugkeeren ? Men had hem na eenig tijdsverloop mogelijk daartoe
vergunning gegeven, maar de gedachte alleen deed den zwakken
en toch fleren man sidderen. In Luik of in lloey rondloopen,
met don vinger aangewezen als de begenadigde spion, het was
even weinig uitlokkend. Zijn degen grijpen en die den Gouverneur
der Spaansche Nederlanden aanbieden .... het ware hem ver-
oorloofd, maar de haat tegen Spanje zat in het bloed, en had hij
in een zwak oogenblik de geheimen van zijn Kapitein kunnen
verraden ... tegen zijne oude wapenbroeders vijandelijk overstaan,
dit zou hij nooit kunnen, hij wist het vooruit. Bleef over, het weg-
schuilen in een klooster, tegen alle ellende, alle beschaming, alle
verdere dwaling van het leven. Vader Cypriaan gaf het denkbeeld
aan de hand, maar hij wilde het niet aangegrepen hebben als
een pis aller. „Zonder do waarachtige roeping acht ik het kloos-
terleven een vagevuur, dat eer ter helle kan voeren, dan tot de
gelukzaligheid," beweerde deze; „daarom onderwierp ik mijn
boeteling aan eene langdurige proeve, eer ik zelfs toestond dat
hjj bij de Franciskanen zijn proefjaar inging. Had deze aarzeling
mij niet weerhouden, uw edelman ware reeds voor twee jaar
veilig geweest tegen eiken terugval. De 1\'roys was hard tegen
zich zelf, en ik misprees het niet; ik weet bjj ervaring dat in
den strijd tegen de zonde en tegen den natuurlijken mensch
geene overwinning is te behalen, tenzij men het vleesch kruisige
en den hoogmoedigon geest onder tucht houde; maar een eigenlijk
gezegde gelofte heb ik hem niet afgevergd; alleen heeft hjj voor
zich zelf in mijne handen de belofte afgelegd, zijne roeping te bo-
proeven en haar gehoor te geven als zij eene waarachtige bleek..."
„Mij dunkt," viel lléraugière glimlachend in, „dat het tegendeel
nu vrij duidelijk is uitgekomen; de soldaat was niet voorbestemd
om monnik te worden."
„ Wien de wereld nog aantrekt, die blij ve in de wereld; waar Gerard
de Proys zich zelven niet meer gebonden acht, zal ik hem niet binden."
„Kan ik er zeker van zijn, dat gij in dien zin tot hem spreken zult?"
„Het is mijn voornemen, die geschokte ziel tot de rust te brengen,
die ik weet dat zjj behoeft, on geenszins opnieuw in tweestrijd met zich
zelve. Alleen hij bljjvc in de Kerk en diene niet tegen den Bisschop."
„Mijnentwege! mits hij als echte Geus vecht tegen de Spanjaarden."
-ocr page 304-
292
Xa die afspraak verkreeg Peter Oypriaan de vrijheid om on-
verlet en zonder losgeld naar zijn klooster terug te koeren, nadat
hij een onderhoud had gehad mot Oerard de Preys. Het klooster
bleef, tegen de gewone handelwijze van den Gouverneur van
Hoey, vrij van brandsehatting, en Pater (\'ypriaan zelf geraakte
zoozeer bij dezen in gunst, dut hij hem toestond van tjjd tot
tjjd op het kasteel te komen, om zieken of gevangenen te be-
zoeken. die zijn ministerie hegeerden; want al was de vroegere
bezetting van \'t kasteel ten deelc naar Breda gevoerd, ten deele, na
losgeld betaald te hebben, ontslagen, de stroopende soldaten
hadden af en toe gevangenen opgebracht. Voor dezen was de
tusschenkomst van pater Cyprieen hoogst weldadig, en nooit
verliet de waardige man de vesting, of zegeningen volgden hem
na, en Gerard de Preys deed hem uitgeleide. Kn toch werden
deze bezoeken hem noodlottig. 11ij had de onvoorzichtigheid te
meenen dat hij ze kon voortzetten, toen reeds de Spanjaarden
de stad hadden omsingeld. Hij geraakte werkelijk zonder hin-
derlijko ontmoeting binnen het kasteel, en lïéraugière stelde hem
voor, nu voor goed te bljjven, terwjjl Gerard de l\'reys met ern-
stige bezorgdheid aandrong dat hjj dit voorstel zou aannemen.
Hij glimlachte over hunne bekommering en wilde er niet aan
toegeven. Zijn kleed was hem bescherming genoeg, meende hij,
al bad hij het gansche Spaansche leger moeten doortrekken.
Werkelijk hadden zijn kleed en stand den Spaanschen soldaten
heilig moeten zijn; maar hij kwam uit het kasteel, dat wekte
wantrouwen; de verdenking scheen zelfs gerechtvaardigd, daar men
hem met een der officieren uit de vesting had zien wandelen, die
hem zoo ver mogeljjk uitgeleide had gedaan. Mishandeld door de
woestaards, mot wie hjj geen woord kon wisselen, was hij te fier om
zich te rechtvaardigen voor Lekkerbeetjo, den luitenant van rit-
meester Grobbendonck, die hem een spion schold, en die wilde dat
hij het tegendeel zou bewjjzen, door hun de aangelegenheid van hot
kasteel te verraden, en inlichtingen te geven omtrent de bezetting,
de sterkte en meer wat de pater had kunnen waarnemen, doch wat
hij oordeelde niet te mogen overleveren aan den vijand. Ook was zijn
proees spoedig gemaakt. Hjj werd opgehangen inliet gezicht van \'t
kasteel. Al jarenlang martelaar bij intentie, scheen hij het lot, om
het feitelijk te worden, niet te kunnen ontgaan, lïéraugière en zijne
geuzen-soldaten hadden hem gespaard, opdat Grobbendonck en
zijne rabauwen dien gruwel zouden plegen. Rosse Jan, de werkc-
lijke spion, die alomtegenwoordig wasen toch nergens te vatten, kwam
later deze sombere nieuwsmare overbrengen; de haat van de Preys
tegen Spanje was er tot bloeddorst door gestegen, maar de ge-
lcgcnheid dien te lesschen, was hem nog niet gegund.
-ocr page 305-
HOOFDSTl\'K XI.
Zeker had de parlementair van den Bisschop met eene buiten-
gowone mate van raadvermogen bedeeld moeten zijn, om in de
bonding of op het gelaat van Héraugière conig spoor te ontdekken
van de neerslachtige luim, waarin wjj hem hebben bespied, en
die geen gevolg was van eenige naargeestige inbeelding, maar van
de hachelijke positie waarin hjj wist te verkeeren.
Het was hem goed geweest aan het hart van een vriend zijne
bekommeringen uit te storten; maar nu hij geroepen werd tegen-
over een vjjand te tooncn wie hjj was, wist hij al wat hem zoo
loodzwaar scheen te drukken, af te werpen, zich op te heffen uit
de diepten zijner onlust, als verfrischt en versterkt, en bewijs te
geven van die veerkracht der ziel, die wel neergedrukt, maar niet
gebroken kan worden door den tegenspoed. Zijn oog glinsterde
moer van stoutheid als van schranderheid, toen hjj, in deftig
krijgsgewaad gedost, den blinkenden ringkraag om den hals, de
oranjesjerp over het donkerblauw Hu woelen wambuis geworpen
en de ridderketen over de borst hangende, in fiere krijgshaftige
houding bjj zijn armstoel stond, de eene hand achteloos op de
leuning rustende, de andere met zekere vastheid het gevest van
zjjn degen omklemmende. Het pantser dat geen edelman in zjjne
kamer aandeed, tenzij hij een poltron ware, had hij, ondanks het
vermaan van Halewijn, ongebruikt laten liggen ; maar hij zette den
prachtigen helm op, in afwachting van den vreemdeling, die, door
kapitein Mario binnengeleid, op vrij verren afstand staan bleef.
„Kapitein Mario! laat ons samen," beval Héraugière, den bis-
schoppelijken zendeling, die niet groette of den breedgeranden
Spaanschen hoed afnam, met een Bnellen en scherpen blik
opnemende, terwijl hij tot deze vervolgde: „Kn gij, Mijnheer!
treed nader!"
Maar de vreemde bleef waar hij was en vroeg alleen kort en zelfs
wat hoog: „Sta ik voor Charles Héraugière, Gouverneur van Bredar"
-ocr page 306-
•21)4
„En Bevelhebber van Hoe; I" verbeterde Héraugière, ook fier
en hoog. „Ja! die ben ik, wie zijt gij zelf?"
„Alcxander Wauterniaux, Sire do MarnefTc, edelman van Messire
Groesbeek, Opperbevelhebber van de legermacht Zijner Keur-
vorstelijke Genade den Prins-Bisschop van Keulen, Munstcr-
Hildesheim..."
„En van Luik bovenal!" viel Héraugicre in; „want ik onderstel,
dat het alleen in die laatste hoedanigheid is, dat Mijnheer de
Keurvorst mjj iets kan te zeggen hebben."
„Zoo is het, Mijnheer de Gouverneur! alleen de etiquette vor-
dert, dat ik hier de rechten en titels van Zijne Keurvorstelijkc
Genade deed gelden, sinds gij uwe pretentiën op het Gouverne-
ment van Hoey dus luide doet klinken!"
„Pretentiën!" hernam Héraugiïre glimlachend, en nogmaals
een blik op de zonderlinge personago werpende; „mij dunkt, die
pretentiën hebben een goeden grond : het iikzit !"
„Het bezit stelt geen wettelijk recht daar!" repliceerde de
ander levendig, met de vlugheid van een advocaat, die zich tot
pleiten vaardig maakt.
„Messire Wauterniaux! ik kan niet denken, dat gij zoo laat in
den avond tot mij gezonden zijt, om zulken ledigen woordenstrijd
te voeren ..."
„Dat raadt gij goed, kapitein Héraugièrc! slechts moet ik u
doen opmerken dat, waar wij gedwongen zjjn het fait accompli
aan te nemen, wij u geenszins als Gouverneur van \'t kasteel Hoey
kunnen erkennen dan onder protest."
„Het zij zoo, Messire!" sprak Héraugièrc met wat ongeduld;
„ik heb niet naar die erkenning gewacht om er de rechten van
uit te oefenen; maar ik verwittig u, dat ik noch tijd, noch gc-
duld heb naar uwe boodschap te luisteren, zoo zij slechts eene
herhaling is van die, waarmee voormaals de Heer van Louverval
was belast. Recriminatiën, die beleedigcn ..."
„Ik heb geen last die over te brengen."
„De Heer van Louverval heeft zich verstout de bemachtiging
van Hoey als een onbehoorlijk rooverswerk te kwalificeeren," her-
vatte Héraugièrc, nog met ergernis bij do herinnering.
„Is het mogeljjk! heeft die edelman zich dus kunnen vergoten,
do zaken bjj hun naam to noemen! Ccla nn ne fait pus! Welk
een slechte diplomaat!"
Héraugicre moest toch zelf glimlachen, al kleurde hij van spijt. „In
\'t eind Messire! wil u bekorten en mij zonder omwegen zeggen wat gij
hebt voor te stellen ... ik ben een krijgsman en geen diplomaat..."
„1\'ahamblrti.\' Kapitein, dat merk ik wel!" zei de ander
lachende; „maar des te beter zullen wij het met elkander vinden,
want ik ben dat ook niet. Gij moet het reeds begrepen hebben,
-ocr page 307-
295
dat ik geen slag heb de tong te gebruiken om mijne gedachten
te verbergen! Maar verschoon mij ... dat ik zoo kort niet zal
kunnen zijn als uw ongeduld eischt..."
„Als het lang moet worden, wil dan plaats nemen, Messire!"
hervatte Héraugicre, zijns ondanks door de originaliteit van den
persoon aangetrokken. .Ik heb u herhaaldelijk gewenkt nader te
komen en te gaan zitten; gij moet vermoeid wezen van uw tocht
herwaarts heen."
„Niet zoo heel erg I Messire Groesbeek en de zijnen liggen zoo
dicht bij," hernam Wauterniaux, nu werkelijk vooruit komende,
maar zonder de aangewezen plaats in te nemen.
„Staande of gezeten, zooals gij verkiest, maar begin met u te
verklaren."
„Ik verlang ook niets beter, Kapitein!... maar wij zijn niet
alleen!"
„Mijn vriend, de ritmeester Marcelis Hac.x, kan geen hinderpaal
zijn voor ons onderhoud. Ik heb geene geheimen voor hem."
„Om \'s Homelswil, Commandant! laat mjj gaan!" zeide Kacx,
reeds opstaande, „opdat deze man ter sprake kome."
„Mijn last luidt wel is waar aan kapitein Héraugicre alleen,
maar ritmeester Bacx zal dien toch moeten kennen als mijn voor-
stel wordt aangenomen, en als het verworpen wordt... zie ik
niet waarom de Gouverneur van Hoey ons het geheim zou bewa-
ren. Zoo een Luikenaar hier ware, mocht ik niet spreken....
Maar nu!"
„Wel, spreek toch op, man!" riep nu Héraugicre, ten toppunt van
ongeduld; „wat kan uw meester mij te zeggen hebben, dat voor
zijn eigen onderdanen een geheim moet blijven?"
„Voor dezen! en bovenal voor de Spanjaarden, ja! dat is noo-
dig," hernam Wauterniaux, nu zóó dicht bij de tafel tredende, dat
het volle licht der hanglamp op hem neerviel. Het was een kort
mannetje in deftig zwart fluweel gekleed, het smalle Spaansche
manteltje van rood karmozijn met zilver galon over den cenen
schouder hangende, tegen gewoonte van een parlementair, met den
degen op zijde; maar de zijne in een rijk goborduurden draagband
hangende en met prachtig gevest, was zoo kennelijk niets anders
dan een staatsiedegen, dat kapitein Mario het onnoodig had ge-
acht, hem dien te ontnemen. Zijn hoofd lag als het ware te rusten
op zijn breeden geplooiden kraag <ï la Heiiri IV, daar hij bijna
geen hals had. Zjjne kleine zwarte oogen schitterden als een paar
gitten onder de dichte wenkbrauwen, die zich scherp afteekenden
op een breed beenig voorhoofd. Het sterke blauwachtig zwarte
haar hing strak langs de slapen neer, terwijl het van voren bijna
vierkant was afgesneden, op de manier van een middeleeuwschen
dorper, hetgeen hem, bij een platbreed gezicht, een kleinen mond
-ocr page 308-
•Jilli
en dikke roode lippen, wel een weinig het aanzien gaf van een
volle maan, waarboven een zwarte wolk hing. Maar de snelle,
levendige blik, die als lichtvonken schoot over de bleeke opper-
vlakte, deed ten minste aan geen eclips denken, en wie den
satiriekcn glimlach had bespied, die zich somwjjlen om dien mond
plooide, wie de zonderlinge bewegeljjkheid der harde trekken
gadesloeg, kwam tot de gevolgtrekking, dat er meer achter dien
man school dan het eenigszins plompe uiterlijk deed vermoeden.
Hij had fraaie handen, wier blankheid en schoone vorm te meer
uitkwamen, daar hij de gewoonte had onder \'t spreken druk te
gesticuleeren. Over \'t geheel gaf hjj den indruk van zeker zelfbe-
hagen, dat niet eens ontmoedigd werd in die oogenblikken, waarin
hij den laehlust scheen gaando te maken door het zonderling spel
zijner oogen en wenkbrauwen, het rimpelen van het voorhoofd en
het gedurig vertrekken van den mond, als leed hij onder een lic.
lilijkbaar was hjj zelf niet onbewust van don indruk, dien hjj
opwekte, en trok er partij van. Als men naar hem luisterde, moest
men hem aanzien, en waar hij tot glimlachen dwong, gleed er
menig scherp gepunt gezegde door, zonder verbittering te wekken.
„Wat een rare snaak is toch dio bisschoppelijke edelman! ik
zou wel eens willen weten, welk emplooi hij bekleedt," dacht
Bacx, den zonderlingen man aanziende, terwijl deze zijn kastoren,
met roode en gele pluimen versierden hoed heen en weer draaide,
en tweemaal een „hm! hm!" liet hooron, zonder verder te ko-
men, als een acteur, dio zijne rol niet kent, terwijl hij met de
kleine, slimme oogen knipte, als om te ontkomen aan den stren-
gen, uitvorschenden blik, dien Héraugière weer op hem richtte,
toen deze hem toevoegde:
„Alloii.i, Messire! spreek nu, of ik breek de onderhandeling af
eer zij is aangevangen."
„ Ma foi! Heer Gouverneur! meent gij dan dat het zoo gemak -
keljjk is, tegen een roemruchtigd Kapitein zooals gjj zijt, te zeggen:
Ote-toi de lil pnur que je m\'y mede! vooral dan niet, als men
ziet, dat hij zich zoo volkomen op zijn gemak gevoelt als het
mjj voorkomt dat gij het zijt, hier op het aloude lustslot onzer
bisschoppen I"
,Ventre-saitit-grisr\' viel nu op eens Héraugière uit, met wat
drift oprijzende uit den zetel, waarin hjj zich even te voren had
neergezet. „Wat moet ik van dit alles denken! Zendt de Keur-
vorst mjj zijn hofnar in plaats van een parlementair?"
„Ik wist toch niet bjj u bekend te zijn!" hernam de vreemdeling
met eene hoffelykc buiging en welgevalligen glimlach en met eono
bedaardheid of hjj geheel zijn aplomb had hervat. „Kapitein! ik
maak u mijn kompliment over uwo scherpzinnigheid. Mjj doet zij
een notabelen dienst, want ik beken, dat ik er tegen opzag, mij
-ocr page 309-
297
zelven in mijn ambt to presenteeren, en toch, het incognito bewa-
ren, ging ook niet!"
„Zoo is dan mijne gissing juist! Zoo heeft uw meester u ge-
zonden om mij te bespotten en hier eene klucht te spelen!\'\'" sprak
HéYaugière, zelf verwonderd, dat hjj zich matigen kon in den
heftigen toorn, waartoe hij oordeelde recht te hebben.
pifON eertesf Alles is hoogst ernstig gemeend, geloof mjj!" her-
nam Wauterniaux nu op vasten, rustigen toon, en zoowel de Keur-
vorst zelf als Mijnheer Groesbeek stellen er het grootste belang
in, dat mijne onderhandeling sluge!"
„Uwe onderhandeling! meent gij dan waarlijk, dat ik mij ver-
nederen zal om met een nar in onderhandeling te treden \'i ..."
„Het geval is niet zonder precedenten, Hoer Gouverneur! Zoo
gij aan de geschiedenis hecht, ben ik bjj machte u merkwaardige
exempelen voor te stellen van negotiaties door mijne confrères
gevoerd, die allen tot een goed einde zjjn gebracht. Daar was,
om hier in de buurt te bljjven, Hertog Karel de Stoute, die Co-
quinet, zjjn grand fol..."
„Mij dunkt, het wordt hoog tijd, kapitein Mario hier te roepen
om dezen potsenmaker uit te drijven," viel Hacx in, geërgerd
door de lankmoedigheid waarmede Hcraugi\'re luisterde.
.Excusez/ nobele ritmeester! het is geenszins een wjjs mans
bedrijf een bode weg te zenden, zonder zijne boodschap gehoord
te hebben, zij die bode ook een nar; uit den mond der zotten
spreekt de waarheid, dat naar mijn gevoelen de hoogste wijsheid
is, dat weet Mijnheer de Gouverneur ook wel en daarom belieft
het hem naar mjj te luisteren met geduld."
„Toch moet ik u waarschuwen niet te rekenen op de einde-
looze rekbaarheid van dat geduld," vermaande Hcraugicre.
Pas si fou.\' Maar toch, ik moet u eerst met mijn persoon...
neen, met mijn emplooi bevredigd hebben, zal ik een genegen
gehoor vinden voor mijn last."
„Als die werkelijk zoo belangrijk is, had Monsieur Groesbeek
toch wel iemand anders kunnen zenden in naam van zijn meester."
„Met uw verlof, Mijnheer de Gouverneur! iemand anders waro
licht niet iemand beiers geweest; er is voorwaar zooveel verschot
niet van personen, even vertrouwd als gewillig, onder de hove-
lingen van Ernestes van Heijeren, als er een hacheljjk baantje
moet worden aanvaard. En de Hoeysche kwestie is er juist eene
dio noodig heeft luchtigweg behandeld te worden. Messire de
Louverval, een zeer voornaam en wichtig edelman, heeft hier
duchtig het hoofd gestooten, en is vermoedelijk over zijne eigene
wichtigheid gestruikeld. Dat is niet te verwonderen; daar is hier
op deze rotsen voor iedereen, wie er zich op waagt, groot ge-
vaar van uitglijden, van vallen, en zoo er dan weer iemand tui-
-ocr page 310-
898
melen moet, is \'t nog beter dat het een nar zij, die met een
paar kentelingen weer op zijne voeten staat, dan ... iemand an-
ders.
Van correspondentie heeft Zijne Keurvorstelijke Genade ook
gecne goede vrucht te wachten, daar geen zjjner epistels beant-
woord wordt.\'\'
„Wat zal ik antwoorden ? De Keurvorst slaat altijd denzelfden
toon aan, altijd klachten en bedreigingen, die..."
„Geen goeden klank hebben! dat moet ook vervelen," stemde
AVauterniaux in. „Alzoo ben ik gezonden om voor wat afwisseling
te zorgen; daarenboven is het den Prins-Bisschop niet onbekend
gebleven, dat gjj van gemaskerde optochten en vastenavondkluch-
ten houdt, Mijnheer de Gouverneur van Hoey! hoe kon hij den-
ken dat gij u zoudt formaliseeren bij het zien van een hofnar!"
„Onbeschaamde linker!" beet Marcelis Bacx den spreker toe
en maakte een gebaar of hij hem bij den arm wilde nemen en
ter deur uitzetten; maar Héraugière wenkte dat hij zich onthou-
den zou en voegde hem toe: „Zoo de zottcpraat u vergramt,
ritmeester! doet gij beter heen te gaan; ik voor mij wil hem
zijne mars van aardigheden laten uitkramen, om te zien wat er op
den bodem ligt." Daarop tot Wauterniaux gewend, zcide hij luid :
„Ik formaliseer mij ook niet; ik onderstel dat uw meester,
vreezende dat ik mij hier op zijn onherbergzaam lustslot ver-
velen zou, mij zijn grappenmaker zendt om de lange avonden te
korten, \'t Is zeker zijne bedoeling, dat ik u hier houden zal?"
„Dat zou zeker tègtn zijne bedoeling zijn; ook moet ik doen
opmerken, dat ik hier niet in mijn emplooi ben. Mijnheer de
ritmeester vond goed mjj zooeven „linker" te noemen; dat is eene
onjuistheid; ik ben edelman! Wel eerlijk edelman genoeg om
het recht van mijne geboorte en van mijn stand te handhaven
tegen ieder die dat miskent..."
„Gij moet u zelf niet boos en mij niet bang maken!" zei Bacx
nu ook lachende; hij erkende dat Héraugière de wijste partij
koos, met de zaak niet al te ernstig op te vatten.
„Ik ben parlementair, en in die kwaliteit voegt mij geene
uitdaging en meen ik onschendbaar te zijn!" antwoordde de nar
met eene kluchtige wichtigheid, die den beiden officieren een
lach afperste, maar op gansch anderen toon vervolgde hij tot
Héraugière: „Ik moet u een en ander van mij zelven zeggen.
Opgevoed aan het hof van Monseigneur Groesbeek, onzen voor-
maligen Bisschop, ben ik na diens dood overgegaan in het huis
van zijn neef, die nu de bevelhebber is van de bisschoppelijke
legermacht. Du Keurvorst Ernestus vond goed mij bij zijne ver-
heffing den titel van eersten hofnar te continueeren, dien ik bij
den vroegeren Bisschop van Luik had gevoerd, maar het is niets
dan eene sinecure. Ik heb vrijheid in mijn vaderland te blijven
-ocr page 311-
299
en Zijne Keurvorstehjke Genade komt zelden te Luik, en als zij
er komt, is het naar aanleiding van zoo wichtige zaken, dat hij
vergeet naar mij te vragen en de zotskap zieh moet opdringen,
wil hij zjjne functiën uitoefenen. Die vrijheid neemt hjj in bui-
tengcwone omstandigheden en meestal met goed gevolg. Hij weet
zich dan lo doen aanhooren waar hij raad geeft, te doen verhoo-
ren waar hjj met voorspraak tusschenbcide treedt. Zoo is het hem
laatst, staande die bloedige tumulten te Luik, gelukt meer dan
één voorbestemd slachtoffer van de bisschoppelijke wraakoefening
te redden, onder anderen zekere Bredasche koopvrouw, die met
een pas van den Heer I\'aulus Bacx uit Bergen-o|>-Zooni, Luik
was ingetrokken om er gansch andere waar binnen te smokkelen
dan de Meehelsche kant, die zjj voorgaf rond te venten."
„Een Bredasche koopvrouw! Een pas van I\'aulus liacx!"
Héraugicre schrikte op, wisselde een beteekenisvollen blik met
Marcelis Bacx en beiden luisterden in gespannen aandacht toen
de hofnar vervolgde : „De ongelukkige vrouw, te deftig voor haar
gewaagd bedrijf (zcide ik u niet, Mijnheer Héraugicre! dat de
maskeraden aan de orde waren\'!), de ongelukkige vrouw liep de
geestelijke politie in het oog; men ging letten op haar zonder-
lingen handel; men maakte zich meester van hare kantdoos en
vond onder den luchtigen voorraad van halskragcn en ponjet-
ten.....raadt eens wat, mijne Heeren?"
Héraugicre haalde de schouders op, met schjjnbare onversehil-
ligheid; maar hij kon zich niet weerhouden opnieuw een onrus-
tigen blik te wisselen met den ritmeester.
„Paskwillen noemde het de menigte," vervolgde Wauterniaux,
„met een algemeen woord, maar er was verscheidenheid; allerlei
kleine gedrukte geschriften, toespraken, sermoenen, opwekkingen
aan het volk van Luik om het aan te moedigen in den opstand
tegen den Bisschop te volharden; om de geestelijkheid in haat
te brengen, de ketterij, die vermetel het hoofd had opgestoken,
lof toe te zwaaien en aan te bevelen, en op het voorbeeld van
Holland en de Hollanders te wjjzen, waar men door stoutheid en
volharding het juk van den harden Heer had afgeschud! Gij
begrijpt wel, mijne Heeren! dat eene koopvrouw, die met zulke
waar vent en in handen der geestelijke overheid valt, eenig ge-
vaar loopt! Deze vrouw was zelfs te fier en te standvastig om
uitvluchten te zoeken voor haar bedrijf, dat zjj geen wanbedrijf
wilde genoemd hebben; ook werd zij zonder lange procedure
kort en goed veroordeeld om met een hoopje Luiksche oproer-
lingen, die op heeterdaad betrapt waren, onthoofd te worden..."
Een smartelijke uitroep ontsnapte Bacx en Héraugicre tegelijk.
Wauterniaux glimlachte even en vervolgde: „ Wees gerust,
Messires! de hofnar stak er zijn bellenkap tusschen. Onder hen,
-ocr page 312-
300
die Ernestus destijds omringden, was hjj niet de eenige, die
sympathie gevoelde voor de ongclukkigen, die zich in het tijdstip
verrekend hadden."
,*t Is Oode bekend, dat het niet aan mij heeft gelegen, dat
zij niet bijtijds ondersteund zijn," beleed Héraugirre, zjjne gewone
voorzichtigheid vergetende.
„Maar van allen die Ernestus omringden was de zot de eenige,
die zjjn deernis durfde toonen," vervolgde Wauterniaux, zonder
op de bekentenis van Héraugirre, te drukken. „En dat was omdat
hij alleen het privilegie had om onder onzin en narrenpraat wijs-
heid te verkoopen en tot barmhartigheid te vermanen. Hij deed
opmerken, dat de Staten vau Holland wel de Luiksche onderdanen
in den steek lieten, maar dat ze mogelijk moor opmerkzaamheid
zoudon hebben voor hunne eigene ingezetenen. De Bredasche
koopvrouw nu, wier naam en verbintenissen men giste, al wilde
zij niets van dit alles bekennen, al liet zij zich slechtweg vrouw
Loïse noemen, die koopvrouw werd geacht burgeres van Breda
te zjjn, on op hot oogonblik zelf, waarop do Luiksche gezanten
naar \'s Hage trokken om langs vreedzamon weg de teruggave van
Hoey te verkrijgen, was het eene averechtsche wijze die insehik-
kclijkheid to winnen, door eene vrouw, in welke men in Holland
belang moest stellen, recht on slechtweg een voet korter te
maken. Dit werd ingezien en toegestemd; en dat punt gewonnen
zijnde, ging de zot al met de bellen rinkelend een stapje verder.
Hij wierp het vraagstuk op, of het niet aan den Gouverneur van
Breda — Gouverneur van Hoey, krachtens zjjne eigene autoriteit —
welgevallig zou zijn, zoo hij in de gelegenheid word gesteld uit
den eigen mond zijner zendelinge de resultaten van de Bredasche
toespraken en vluchtschriftjes te kunnen vernemen..."
„Zjj is dus nog te redden?" vroeg Héraugicre met een zucht
van verlichting.
„Dat staat aan u! de inval werd goedgekeurd, al kwam zjj
op uit een zotskap, en mevrouwe*** werd van toen af beschouwd
als krijgsgevangene, die men gereed is uit te leveren in ruiling
voor den Baron Jules de Warfusee dit d\'Aii/ivmoiit, op heden
te Breda in krijgsgevangenschap, en waarvoor Mjjnheer deGou-
verneur van Hoey een wat al te grooten losprijs heeft gevraagd,
dien de familie, hoe vermogend ook, niet begeert te betalen,
uit aanzien van do omstandigheden zelve, waaronder de Baron
gevangen raakte. Men verwijt hem achteloosheid in zijn plicht;
maar de Warfusee\'s hebben grooten invloed te Luik, en de
Prins-Bisschop heeft er in toegestemd op deze wijze de zaak
te schikken, niet twijfelende of Mijnheer de Gouverneur zou die
schikking goedkeuren."
„O! wel van ganscher harto!" riep Héraugière verheugd.
-ocr page 313-
Ml
„Ik rokende ook op uw hart. Kapitein Héraugirrc wordt ge-
prezen als een voorbeeld van echtelijke teederheid en trouwe."
Wat hebben die daarmee te maken f hernam Iléraugiïre ver-
wonderd, bijna gekrenkt; „zoo ik vrouwe Loïse ecre, ja, liefhebbe,
is het niet..." maar hij hield zich plotseling in, een wenk van Bacx
maakte hem indachtig, dat hjj de vergissing niet moest ophelderen.
„Ik versta u, Kapitein! gij wilt de onderstelling afweren van
zwak te zijn in uwe genegenheid; gij wordt er waarlijk niet van
verdacht; ieder ander zou eene vrouw van zulke hoedanigheden
het lot hebben gespaard, dat gij haar liet tegengaan. Zij zal het
ontkomen; dat is er het beste van."
Héraugicre moest het verwijt zwijgend dragen. Meer dan eens
had hij het zich zelven gedaan.
„Dat is dus afgesproken. Gij zult mij volmacht geven voor uw
plaatsbekleeder te Breda omtrent de uitwisseling van Warfusee,
en hier is het bewijs, dat Zijne Keurvorstelijke Genade in de
transactie toestemt."
Hij stelde Héraugièrc een perkamenten rol ter hand, waaraan
het Bisschoppelijke zegel hing. .Zoo ziet gij dat narretaai haar
nut kan hebben!"
„Gij hebt het mij opnieuw geleerd, dat de persoon elk kleed
kan eeren, eiken stand verheften," antwoordde Héraugière, hem
de hand reikende. „Zoo was dit dan het doel van uwe komst!"
„Verschoon mij, het is alleen een onderdeel daarvan, maar ik
moest het laten voorafgaan, om u daardoor te bewegen zeker
vooroordeel te laten varen..."
„Gij weet, dat liet overwonnen is. Ik gevoel zelf, dat gij de
naaste waart om mij bericht te brengen van het goede werk door
u verricht. Laat mij u danken niet dezen dronk en doe mij
bescheid: „Op onze goede verstandhouding I"
„Op den goeden voortgang der onderhandeling!" hervatte
Wauterniaux, den goed gevulden beker met groot gemak ledigend;
daarop nam hij zonder verdere plichtpleging plaats aan de tafel
en ving aan. „Laat ons tot de hoofdzaak komen!"
Ritmeester Bacx, zeker afgeschrikt door de langwjjligheid der
preliminairen, had zich intusschen verwijderd; toch viel de
Luikenaar nu op eens in met dé i/iie.ition hr&laiite, want hij
sprak:
„De Prins-Bisschop heeft er bitter berouw van dat hjj de Span-
jaarden op Luiksch grondgebied heeft gelokt..."
„Zijne Keurvorstelijke Genade had dat ook best kunnen laten,"
merkte Héraugière aan.
„Wat zal ik u zeggen? een Bisschop is geen Paus; hij is niet
onfeilbaar. De Hoeysche kwestie is eene zeer netelige kwestie,
die voor tweeërlei opvatting vatbaar is; Bisschop Ernestus was
-ocr page 314-
302
niet gehouden haar uit uwe oogen te zien, en daarbij werd hij
opgehitst; men maakte hem ongerust, hij ontstak in toorn. In
zulke gemoedsstemming doet men wel eens stappen, waarvan men
alle consequentiën niet vooruit heeft berekend. Het is mijn vor-
stelijken meester gegaan als den boer die zijn landheer inriep
om den haas te verdrjjven die aan zijn kool knabbelde: de edel-
man kwam in allerijl met al zijne jachtgezellen en al zijne
honden. .. gij weet, hoe de arme dorper er afkwam! Ernestus
begint te vreezen, dat het met Luikerland niet veel beter zal
afloopen."
„Moest Hoey verwoest worden, eer de Bisschop tot dit inzicht
kwam?" viel Héraugicre zijns ondanks met bitterheid in; „moest
hij dan zoo ruw den band der neutraliteit breken, om den vjjand
in te halen, in plaats van de bondgenooten te verdragen ?..."
„Laat ons van de schennis der neutraliteit liever niet spreken,
Mjjnheer de Gouverneur van Hoey! als zij gepleegd is door mijn
meester, al ware het vóór dezen, komt het mij toch voor, dat
er uwerzijds duchtige represailles zijn genomen." ■
„Vindt gij ? Is het dan zoo erg, dat wij staande den oorlog
hier een pas willen houden ?"
„Xeen? maar \'t is wel erg, dat gjj dien zonder waarschuwen
hebt genomen."
„Alsof men ons dien zou hebben toegestaan, als wij \'t gevraagd
hadden."
„De proef is niet gewaagd; men heeft dus geen recht te be-
weren dat zij mislukt zou zijn!"
Hóraugiirc haalde zwijgend de schouders op en zag hem aan
met een ongeloovigen blik.
„Hoe dat ook zij, de Bisschop heeft ook zijne grieven... Ik
wil nu geene andere noemen dan die, dat gij zjjne stad, die zich
aan uwe zorg had toevertrouwd, den Spanjaarden hebt overge-
leverd!"
„Moet mjj verweten worden, wat mij in do ziel smart? Ik heb
voor de stad gedaan wat oorbaar was; maar waar de plaats te
zwak bleek om te houden, moest mijn volk wijken voordeover-
macht."
„Eene Staatsche stad zou kapitein Héraugirre tot den laatsten
man hebben verdedigd, daar ben ik zeker van; maar dit daar-
gelaten! waarom het zoo ver te laten komen, dat do overmacht
u verjoeg? Waarom niet vooruit do stad teruggegeven aan haar
rechtmatigen Heer, die er u zoo dringend om had verzocht?"
„Die er zelfs geld voor geboden had!" viel Hcraugirre in, met
een bitteren glimlach. „Wel zeker! ik had de stad zoetelijk in
handen moeten stellen van den man, die mij overal bij vrienden
en naburen lastert en zwart maakt, aan den trouwen herder, die
-ocr page 315-
303
de Spaansche bloedhonden tegen zjjne eigene kudde aanhitst!
Neen! neen\'. Messire Wauterniaux! gij zelf, die mij toeschijnt een
weldenkend en verstandig man te zijn, gij zoudt mij zulk eene
dwaasheid, zulk eene onvoorzichtigheid nooit hebben aangeraden."
„Integendeel, kapitein Héraugicre! ik zou u geraden hebben do
fout, die er met het nemen van Hoey was begaan, zoo ras mo-
gelijk weer goed te maken... Gij hadt u zelven daarmee veel
zorg en bekommering, anderen veel leeds, veel gevaars bespaard.
Maar gedane dingen hebben geen keer! Dat is voor u als voor
mijn meester even zwaar. Gelukkig nog hij, die zijne fouten weet
in to zien en er uit wil loeren. Dit wil de Bisschop! De moord
en brandstichting te Hoey heeft hem ingelicht. Bij den .Vartsher-
tog had hij na zulke ervaring met vrucht zijn beklag kunnen
doen; maar Fuentes is het zwaard zonder genade, hjj transigeert
niet, en als hij eens meester is van \'t kasteel als van de
stad !...."
„Kasteel en stad! Mijnheer de Parlementair! mij dunkt, gij gaat
daar nu al heel snel...\'\' viel Héraugicre lachende in.
„Niet sneller, Heer Kapitein! dan de gebeurtenissen zelf elkaar
opvolgen... Gij schudt ongeloovig het hoofd! Ik begrjjp wel, dat
gij u voorgenomen hebt de vesting langer te houden dan de
stad; maar toch ... gij hebt het zelf bewezen, een verstandig man
moet op een gegeven tijdstip zijne partij kiezen en wijken voor de
overmacht."
„Héraugicre kleurde van ergernis en zijne voeten trappelden
van ongeduld, terwijl hij antwoordde: „Eene overmacht, die mij
niet kan genaken, veel min deeren! De vesting is onneembaar
en ik zal haar houden zoolang het mij lust."
„Het verwondert mij, dat een Bevelhebber als kapitein Hérau-
gicre, die bekend staat als een uitnemend vestingbouwkundigc,
zulk eene goede verwachting heeft van de onneembaarheid en de
ongenaakbaarheid dezer vesting. Ik weet wel, gij zult den hofnar
uitlachen, die zich vermeet kennis to hebben van zulke zaken;
maar toch, Mijnheer de Bevelhebber! bedenk dat ik voormaals
menigen zomer op het lustslot heb doorgebracht, dat een nar
niet absoluteljjk aan de hofzalen gebonden is, en dat ik altijd
lust en tijd heb gehad om in de oude Hocysche geschiedenissen
te snuffelen, en dat deze herhaaldelijk het bewijs leveren, hoe het
kasteel van Hoey genomen en hernomen kan worden, niet slechts
door verrassing, maar ook door goweld."
Héraugicre, misschien wel om zich eene houding te geven,
schonk opnieuw de bekers in, terwijl hij met schijnbare onver-
schilligheid zeide: „Er is sinds dien tijd nogal vrjj wat aan de
vesting gearbeid... Ik ben niet met de armen over elkaar gaan
zitten, toen ik hier kwam ..."
-ocr page 316-
304
„In weinige weken doet men op dit punt zooveel niet. Mijn-
heer de Gouverneur! Maar ik versta u, men belijdt zjjne zwak-
heid niet aan zijne vijanden, en hiervoor moet gij den Keurvorst
houden, die met al zijne beschikbare macht tegen zijne eigene
vesting is opgetrokken; maar ziet gij, hier is de vergissing; de
Bisschop verlangt niets liever dan uw bondgenoot te zijn."
„Mijn bondgenoot!... Gij bedoelt toch niet, dat hjj mij zou
"willen helpen om den Spanjaard te verdrijven!" riep Héraugicre
met eene mengeling van twijfel en blijde verrassing, die zijne
oogen deed schitteren.
„Dat juist kom ik u voorstellen!"
„De Bisschop zou nu de wapenen keeren tegen zijne eigene
helpers!" sprak Héraugicre ongeloovig. „Wij zijn nog in Maart,
Messirel kom mij niet aan met een Aprilboodschap."
„Het spreekt wol vanzelf, dat de keurvorst geen oorlog met
Spanje zal beginnen; maar hij wenscht met u in overleg te treden
om de helpers overbodig te maken."
Een langgerekt „ah...!" dat Héraugicre hooren liet, klonk als
teleurstelling. „En hoe denkt de Keurvorst dïit aan te leggen?"
vroeg hij snel, den onderhandelaar uitvorschend aanziende, als
wilde hij hem dwingen zich zonder omwegen te verklaren.
„A/i bic»/ ziedaar de zaak; met een weinig rekkelijkheid van
uwe zijde, zal alles goed gaan. De Bisschop heeft wel van zijn
eigen volk hier moeten brengen; want als de Spanjaarden stad
en kasteel innamen zonder do medewerking der Luikenaars,
liepen wij nog grooter govaar dan nu, dat zij beiden als hun
rechtmatige verovering zouden beschouwen: maar het spreekt wel
vanzelf, dat de Bisschop geen lust heeft om zijne eigene vesting
en zijn oud lustslot te laten beschieten, bestormen en finaallijk
in een puinhoop te doen verkeeren... En toch, daar zal het op
uitloopen, want de tegenwoordige Gouverneur van Hoey zal
wel niet voornemens zijn de vesting bij het oerste schot op te
geven!"
„Inderdaad, dat is mjjn voornemen niet!!"
«Daarom is het ook beter het eerste schot niet af te wachten,
maar vooruit alles te schikken, zonder dat Lamotte er iets van
weet. Messire Groesbeek ligt met zijne Luikenaars dicht bij \'t kas-
teel. Gjj hebt maar een wenk te geven, dat do toegangen aan die
zijde vrij zijn en hem toe te staan hier binnen te trekken, met
zooveel volk als gij dat goed zult vinden. Morgenochtend laten
wjj de bisschoppeljjk LuikBche vlag van den toren waaien. De
Spanjaard zal verrast zijn, zeer verrast; maar hij zal begrijpen, dat
hij nutteloos is geworden, en het beste dat hij zal kunnen doen,
is zoetjes aan aftrekken. La Motte is een te goed krijgsoverste
om rondom eene vesting gelegerd te blijven, waar hij niets meer
-ocr page 317-
305
te doen heeft. En het recht om te blijven is hem ontnomen : Hoey
is weer tot do orde teruggekeerd."
„En is het werkelijk om dit voorstel te doen, dat g|j herwaarts
zijt gekomen P" vroeg Hcraugicre, even de schouders ophalende
met een minachtenden glimlach.
„Mij dunkt, het was toch wel die moeite waard!"
„Och, ja! Uwerzjjds was het altijd te beproeven; maar toch, ik
begrijp mij niet, hoe een verstandig man als Monsieur Groesbeek
zijn tjjd en den mijnen kan verbeuzelen met over zulk een inval te
laten parlementeeren. Van ons beiden zou ik de ware nar wezen,
sire "\\Yauterniaux! zoo ik er in vollen ernst over nadacht."
„Integendeel, Mijnheer de Gouverneur! het zou van wijze be-
dachtzaamheid getuigen, zoo gij het rijpelijk in overweging wildet
nemen. liet is waarlijk voor u eene uitnemende occasie, om met
eere uit de impasse te geraken, waarin gij nu bekneld zijt."
„Gij vergist u, ik ben hier genoeg in de ruimte."
„Zoolang als het duurt! In uw geval zou ik mjj zelven lucht
maken om triomfantelijk naar Breda terug te keeren."
„Door uw voorstel aan te nemen, zie ik waarlijk niet wat triomf
mij daarbij is toegedacht. Indien ik uwe bedoeling wel vat, is het
deze: dat ik Monsieur Groesbeek met de zijnen hier zal binnen laten,
misschien wel het commando aan hem overgeven."
„Ik geloof met u, dat hij dit eischen zou..."
„Dat is met andere woorden: de vesting zonder slag of stoot
aan den Bisschop teruggeven, zooals deze mij vroeger door Lou-
verval heeft laten voorstellen. Ik zie niet, waarom ik nu zou aan-
vaarden wat ik toen heb verworpen."
„Gij hebt toen laten merken, dat het u geenszins om persoon-
lijk voordeel te doen was, maar wel om hier ten dienste uwer
Staten een pas te houden staande den oorlog, om de communi-
catie met Luxemburg en Namen gemakkelijk te maken. Is het
niet zooi"\'
„Dat is ook zoo!"
„Dat het u minder te doen was om eene verovering, dan wel
om een gerief..."
„Precies..."
„Welnu! dat gerief wordt u aangeboden. Louverval had geene
volmacht dat punt te bespreken; ik heb er last toe, het voor te
slaan."
„Is dit ernst?" vroeg Héraugicre verrast.
„Volle ernst! Wilt gij zwart op wit? Hier zijn de geschreven
voorwaarden dier schikking."
„Men zou eene Staatsche bezetting willen houden hier op \'t
kasteel?" vroeg Héraugii\'re, zonder nog het stuk in te zien.
„Mits die der Bisschoppelijken niet in getal overschrijdende."
De verrasiing van Hoey.                                                        20
-ocr page 318-
306
„En Oroesbeek zou over dat gemengde garnizoen het bevel
voeren !"
„Alleen het opperbevel in den eersten tijd. Men onderstelt, dat
de Gouverneur van Breda een te groot Heer is om hier de tweede
te willen zijn; een officier van minderen rang zou hem kunnen
vervangen, te eer, daar er om de susceptibiliteit van den Bisschop,
die in \'t eind Prins des Heiligen Duitsehen Rijks is, te menagee-
ren, de expresse conditie gemaakt is, dat alle krijgslieden, van
welken rang ook, die tot de verrassing van Hoey hebben meege-
werkt, geen deel dier bezetting zouden uitmaken."
„In verschoonende termen eischt men dus, dat ik en de mijnen
zullen aftrekken."
„Nu ja! aftrekken met al wat gij hier het uwe noemt... De
buit niet uitgesloten, dien gij hebt gemaakt staande uw verblijf op
het kasteel. Aftrekken met paarden en wapenen, en met krijgs-
manseer uitgeleide gedaan; dat is toch, dunkt mij, zulk een on-
gunstige voorslag niet!"
„En hoe meent gij dat de Generale Staten het opnemen zouden,
als ik dit aannam?"
„Mij dunkt, zij kunnen er zooveel niet tegen hebben. Althans
niet als zij den toestand der zaken hier eens zullen kennen, en
de zekerheid hebben zullen, dat er geene betere condities in
te verkrjjgen waren."
„Dat is boud gesproken! Hoe verkrjjgen zij die zekerheid ?"
„De gezanten te \'s Hage hebben in last hun gelijke propositiën
te doen als ultimatum; zoor waarschijnlijk zijn zjj reeds voorge-
steld of zullen dat eerlang worden ...."
„Dit zoo zijnde, is het mijn plicht geen besluit te nemen, vóór
ik weet, hoe Hunne Hoogmogenden er zelf over denken."
„Dat is in uw eigen belang niet raadzaam, Kapitein! Geloof
mij, ik spreek als een oprecht man, die het goed met u meent.
Ik weet met zekerheid, dat de voorstellen, aan de Heeren Staten
gedaan, noch eervol, noch voordeelig luiden voor u..."
„In dat geval zullen ze niet worden aangenomen."
„Dat is lang zoo zeker niet, en daarom, Heer Gouverneur!
doe heden, nu het uw tijd nog is, vrijwillig, wat u mogelijk bin-
nen korto dagen als een plicht door uwe Hoogo Overigheid zal
worden opgelegd."
„Is hot dan om mijn belang te zoeken, dat Monsieur Groes-
beek zoo haastig met mij in schikking wil treden, zonder de be-
slissing der Heeren Staten af te wachten ? ... Is het dan niet wat
vreemd, dat de Bevelhebber namens zijn meester betere voorstel-
len doet aan mij te lloey, dan diens meesters gezanten aan Hunne
Hoogmogenden te \'s Hage?
„Dat klinkt ook vreemd, maar er is eene wichtige reden voor.
-ocr page 319-
307
Toen de Gezanten zulke propositie!! meekregen, waren de Span-
jaarden nog niet hior! Kn er is geen tijd meer om op dezen af-
stand nadere bevelen te geven of die te wjjzigen, eer het te laat
zal zijn. Daarom is aan Monsieur Groesbeek vrijheid gegeven om
met u in schikking te treden, en het spreekt vanzelve, dat hij
\'t voor u zoo aannemeljjk wil maken als dat mogelijk is, omdat
hij weet hoezeer de Bisschop er aan hecht, (lat zjj aangenomen
worden ..."
Daar bestond nog eene reden voor die rekkelijkheid van Groes-
bcek in den naam van Krnestus, die Wauterniaux niet in last
had op te geven. Zoodra Hendrik IV bericht had gekregen, dat
de Spanjaarden in aantocht waren tegen Iloey, schreef hij een
langen brief aan den Prins-Bisschop, waarvan de inhoud in \'t
verkort neerkwam op de bedreiging van zijn hoogste ongenoegen,
als deze zich tegen de Staten-Oeneraal, zijne (des Konings) vrien-
den en bondgenooten, vijandelijke handelingen veroorloofde, daar
hij alle prejudice, hun aangedaan, considereeren zou als tegen
hem zelf geploegd en daarvan represailles zou nemen. Benevens
het hernieuwd vermaan om den algemeenen vijand, den Span-
jaard, geen voet te geven in zjjne landen, maar ter contrarie, de
neutraliteit te bewaren! Kisehen en waarschuwingen, waarop de
Bisschop had kunnen antwoorden met Hamlet! KM me nol trith
wortte,
tenzjj hjj liever niet Sganarelle had willen zeggen: „ Voua
Hes orfêvre. Mr. Jt>88e/"
want de goede raad was verre van
belangeloos; maar daar Zijne Keurvorstelijke Genade hoogst waar-
schijnlijk Shakospeare niet kende en Molière geen tijdgenoot van
hem was, zat hjj zeer in \'t nauw met zijne repliek, te meer, daar
de brief, den dertienden Maart geschreven, eerst eenige dagen
later tot hem kwam, toen de Spanjaarden de stad Hoey al had-
den veroverd en \'t beleg hadden geslagen om het kasteel! Oor-
log met Hendrik IV schikte hem evenmin als vijandschap met
Spanje. Het ongeluk van die tijden was, dat men elkaar geen
telegrammen kon zenden. Vele dingen zouden dan niet of anders
zijn gebeurd. De trompetter van Hendrik zal wel uit alle macht
gereden hebben; maar daar ligt nogal wat afstand tusschen
Parijs en Luik! en toen hij aankwam, stond het niet meer in de
macht van Krnestus om den loop der zaken te keeren. Het eenigo
wat hjj er nog op wist te vinden, was, zjjne Gezanten te \'s Hage
met de Heeron Staten te laten laveeren en zich tot Héraugióro
zelf te wonden, om te trachten zich met dozen in der minne te verstaan.
Hoewel onkundig van deze wichtige bijreden, scheen de laat-
ste toch niet aan de oprechtheid der aanbieding te twijfelen.
„En gjj gelooft, dat de Spanjaarden vrede zouden hebben met
deze uitkomst, gesteld ik kon er in treden P" vroeg hij, Wauter-
niaux uitvorsehend aanziende.
-ocr page 320-
308
„Zij moeten wel berusten! Honne mine. il mauvais jeu. Zij zijn
gekomen om Erncstus aan \'t hernomen van zjjne vesting te hei-
pen; maar als \'t nu blijkt, dat or eene overeenkomst is getroffen,
waarbjj deze zich voldaan verklaart, dan heeft La Motte daar
niets verder in te zien. En Fuentes zal toch wel wijzer wezen
om den Bisschop van Luik, den Keurvorst van Keulen, een zoon
uit het Huis van Beijeren, den oorlog to verklaren, omdat hij zijn
eigen kasteel liever bij verdrag terugneemt dan door Spaansehe
soldaten ..."
„Au fait! dat gaat mjj ook niet aan," sprak Héraugière, het
geschrift inziende, dat de conditiën bevatte. „Ik zal dit voorstel
niet verwerpen zonder overweging. Ik zal krijgsraad beleggen,
en het gevoelen mijner Officieren inwinnen."
„Ga alleen te rade met uw eigen hoofd en wil, kapitein Hé-
raugière! Wij weten wel, dat gij hier absoluut meester zijt, en
dat niemand u rekenschap zal vragen van uwe handelwijze."
„En in Holland?"
„In Holland zal men zeer verheugd wezen op deze wijze met
eero van eene verovering af te komen, waarmede men eigenlijk
verlegen is on dio op groote schade en mocielijkheid kan uit-
loopen. Daar wordt nu al in den Haag gemompeld over de ver-
metelheid van zekere personen, die door hunne onvoorzichtige
handelwijze de Genoraliteit in gevaar brengen van oorlog met
bevriende naburen ..."
„Werkelijk!" zei Héraugicre met een flauw lachje; „dat gemom-
pel moet nogal luid klinken, dat het tot in Luik toe wordt
verstaan!"
„En de Generale Staten hebben zich reeds tegen een lid der
Staten van Holland laten ontvallen, dat sinds er noch Fransehen
noch Italianen te Hoey zjjn gekomen om, zooals het plan was,
van dio stad een Scdem-Helli te maken, het ook niet de moeite
waard was eene zoo ver afgelegene plaats tot zoo groote moeite
en kosten te versterken ... Men sprak zoo, omdat men toen nog
niet bekend was met den loop der gebeurtenissen hier, maar
reken daarna nog op don bijstand van uwe regeering!"
„Messire Wauterniaux is wonder goed ingelicht van de Holland-
scho „om ilit\'x"," sprak Héraugicre, zjjne innerlijke geschoktheid
onder Bcherts verborgende.
„Goed onderricht hen ik zeker; want hij, van wien mij dio
inlichtingen toekomen, is niet de man om zich met schuitpraat-
jes bezig te houden. Én gij zult er van overtuigd zijn, als ik u
zeg, dat het niemand minder is dan de Advocaat van Holland
zelf."
„Narrenpraat!" barstte Héraugière los, blij zijnde dat hij zijne
gemeljjkheid lucht kon geven, „Meester Johan van Oldenbarne-
-ocr page 321-
309
veld zou correspondentie houden met de Luikcnaars buiten
mij om!"
„Dat waarlijk niet! De brief was aan u gericht; daarom vond
ik er ook geene zwarigheid in, u den inhoud mede te deelen."
Héraugière kon een uitroep van schrik niet terughouden. „On-
derachcpt!" riep hij op zulk een toon van spijt, dat het bijkans
klonk als een kreet.
Oogenblikkeljjk kwam kapitein Mario binnen, die zich uit voor-
zorg in de nabijheid had gehouden, en vroeg in zijn gebroken
Kransen, of hij den Luikcnaar van de rotsen moest gooien."
«Xog niet!" antwoordde Hóraugnre lakoniek.
«Dus handelt men in den regel niet met parlementairen! en
ik heb niet verdiend, dat men voor mij zulke exceptie maakt!"
sprak Wauterniaux, zijn lijnen slim men mond tot zulk een ondcu-
gend lachje plooiende, dat het Héraugière had moeten ontrim-
pelen, zoo deze hem aangezien had; maar hij keek strak voor
zich en zei alleen ras en heftig:
„Dus handelt men ook niet met belangrijke brieven!..."
mExcu8tZ) Capitaine! c\'est tic bonne guerref de bode is door
de onzen gevangengenomen, zijne papieren zjjn hem afgenomen,
en hoe wichtiger dan de brieven zijn, hoe rijker de buit wordt
geacht. Monsieur Barneveld heeft zelfs de goede voorzorg go-
bruikt, u in "t Fransen te schrijven, \'t geen ons de moeite van
een tolk bespaarde. Ik strek Messire (ïroesbeek tot secretaris. Ik
had wat moeite met de ongemakkelijke hand, maar overigens,
ii bon entendeur demi mot xnflit, en uw correspondent had de hof-
felijkheid, hier en daar de woorden voluit te zetten! Doch ik wil
u niet langer kwellen; ziedaar den brief, lees zelf! Hij kan niet
anders, dunkt mij, dan u bewegen tot een kort en goed be-
sluit"
„Hjj klaagt dat ik geene berichten zend ; dat men niets van mij
weet!" riep Héraugière halfluid en als voor zich zelven, na den
brief ingezien te hebben; „en ik zend bode op bode naar Breda,
opdat men hem daarvan alles onderrichte."
„Maar, mijn waarde Kapitein! uwe boden worden door de
Spanjaarden aangehouden eer zo tot Breda doorkomen, en geloof
mij, \'t is goed dat gij hen niet dan mondelinge berichten mee-
geeft; want de Spanjaarden hebben een tolk, een (Hollandschen)
overlooper of zoo iets, die tot eijferschrift toe weet te lezen, en
die omtrent de aangelegenheden van Ifoey belangrijke mededoe-
lingen heeft gedaan."
Héraugière antwoordde niet, had zelfs niet geluisterd. Hij had
den brief van Barneveld doorgelezen, en zijne trekken waren zoo
strak en somber geworden, en hij liet zich zóó moedeloos in zijn
armstool neerzinken, dat Wauterniaux, die zooals uit alles bleek,
-ocr page 322-
310
ondanks zijno spoelscho kwelzucht, een goed hart bezat, zich ver-
beeldde, dat een vriendschappelijk woord van deelnoming hier
niet misplaatst zou zijn.
„Kapitein Iïéraugière! schep toch moed, er is voor u zelvcn
nog niets verloren, zelfs niet de eer, als gjj naar mijn raad Iuis-
tert. Mr. Barnevcld en de overigen, die groote verwachtingen
hadden gebouwd op de verovering van Hoey, zullen zeer tevreden
zijn, zoo gjj uit de naderende schipbreuk nog datgeno redt wat
Messire Oroesbeek laat aanbieden."
„Welnu, ga! ik zal er mij op bedenken, en morgen of over-
morgon mijnerzijds een parlementair zenden," sprak Iïéraugière
verstoord en zelfs wat koel.
„Verschoon mij, Kapitein! dat gaat niet Daar is geen bedeu-
kenstijd dan tot middernacht, fin allerbest zou het zijn, zoo gij
mjj nu met do boodschap heenzondt, dat gij ons voorstel aan-
naamt en dat het verdere geschikt zou worden tusschen Mossiro
Oroesbeek en u zelven als deze hier was..."
„Maar waarom maakt men toch zooveel haast?" vroeg Hérau-
gière. „Hoe kan men verwachten, dat ik zoo terstond met mijn
antwoord gereed zou zijn? Dat is daarbij de gewoonte niet..."
„Maak eene uitzondering op die gewoonte, edele Heer! de
verrassing van Hoey was eene Vastenavondsklucht; men acht
het de mauvais yoiït, die tot Palmzondag vol te honden."
Op die laatste woorden werd door Wauterniaux zooveel klem
gelegd, dat Héraugirre de bitterzoete aardigheid onvergolden liet
om naar de bedoeling van die tijdsbepaling te vorschen, door te
zeggen : „Waarom juist vóór Palmzondag? Meent Monsieur Groes-
beek zijne stille week te houden binnen Luik, dat hij zoo drijft?"
„Neen! neen! dat haasten heeft ongelukkiglijk eene gansch
andere beteekenis. Ik mag niet uit do school klappen, maar het
hart dringt mjj u te waarschuwen. Als de dag aanbreekt moet het
kasteel de Bisschoppelijke vlag voeren of het zal een heete Don-
derdag voor u zijn. La Motte is besloten, de vesting met zulk een
geweld aan te tasten, dat gij \'t niet lang meer houden zult."
„Wij zullen eerst afwachten tot hij bres geschoten heeft," zei
Héraugifre koel.
„Dat zal eerder gebeurd zijn dan gij meent."
„Dan zou hij geschut op de bergen moeten brengen! een
mirakel, dat alleen zijne heiligen verrichten kunnen!"
„La Motte is geen Heilige, maar hij is grootmeester der Ar-
tillerie en uiterst bekwaam in zijn vak. Ik zeg het u tot waarschu-
wing, al heb ik eigenlijk geen recht zijne zaken uit te brengen."
„Welnu, laat hij doen wat hij kan! Laat hij de vesting, het
lustslot bombardceren on in puin sehioten; dan zal het oen won-
derschoon grafmonument zjjn voor do verrassers van Hoey! En
-ocr page 323-
811
zij, dio do daad hebben bevolen, hebben aangemoedigd, maar
zonder ons bij te staan, mogen zich dan beroemen, dat zij het
zelf voor ons hebben gesticht!" riep Héraugicre veeleer op een
toon van moedeloosheid dan op dien van een vast besluit. De onder-
schepte brief had hem kennelijk in de uiterste ontstemming gebracht.
„Maar daar zou de Prins-Bisschop zjjne rekening niet bij
vinden!" riep Wauterniaux met teekenen van onrust. „Om
\'s Hemelswil, Mjjnheer de Gouverneur! wees toch barmhartig over
u zelven en over al die anderen, wier lot en leven u is toebe-
trouwd, en geef het kasteel nu liever terug in de handen van den
rechtmatigen Heer, dan dat gjj het later als eene ruïne zoudt moe-
ten overlaten aan de fSpaansche Furie. Geloof mij, de wereld zal
u van geene zwakheid beschuldigen, maar uwe voorzichtigheid
prijzen, zoo gij met Monsieur Groesbeek in schikking treedt. Maar
brandende haat en onuitdelgbare blaam zal over uw hoofd komen,
zoo gij dit aloude slot, den roem der Luikcnaren, uit ijdel trot-
seeren der overmacht, aan verwoesting prijs geeft."
Alexander Wauterniaux sprak met al het vuur eener levendige
overtuiging; hij had tranen in de oogen en het lachwekkend ge-
laat had eene uitdrukking van ernst aangenomen, waarvoor men
het nauweljjks vatbaar zou hebben geacht. Héraugicre scheen
getroffen; met zekere drift vatte hjj nogmaals het papier op,
dat de positicn van Groesbeek inhield. Hij zelf kende beter dan
iemand het hachelijke van zjjne stelling en de blaam, die op
eene mislukking volgt. Hij las langzaam, nadenkend en scheen
aanvankelijk eenige voldoening te smaken. Wauterniaux sloeg hem
gade in gespannen verwachting, en meende reeds te zegevieren.
Op eens echter hief Héraugière het hoofd op, en hem uitvorschend
aanziende met zjjne donkere, sprekende oogen, vroeg hij: „Wat
lees ik daar van zekere inwoners van Hoey, die de Bisschop voor
schuldigen houdt en die van de algemeene amnestie zouden
worden uitgesloten?"
„Dat is eene clause die er op uitdrukkelijk verlangen van
Monseigneur Ie Suffrayant is bijgevoegd, in den naam van den
Prins-Bisschop," antwoordde Wauterniaux schielijk; „bekommer
u daarover niet, dat is eene zaak tusschen den Bisschop en de
zijnen. Dit betreft alleen den verrader van \'t kasteel en enkole
suspecte leden van den Magistraat, die de stad hebben doen
overgeven zonder slag of stoot. Een onder hen, schepen de la
Geneste, is meer dan suspect; men heeft zekerheid van zijn
gepremediteerd verraad en van onderhandelingen, die hem des
doods schuldig maken, als hem proces wordt aangedaan. Daarom
is hij ook zoo gehaast geweest om op het kasteel schuilplaats te
komen zoeken, wat hein nu, als hij tot zijne schade leeren zal,
niet veel kan baten."
-ocr page 324-
312
, Schepen de la Ge\'neste en enkele andere burgers van Hoey
zijn zich werkelijk onder mijne bescherming komen stellen tegen
de Spanjaard»; wat zjj van den Binohop te duchten hebben, wil
ik niet onderzoeken. Voor mij is het genoog, dat zjj zich aan
mij hebben vertrouwd. Deze lieden moeten onder mijno sauvegarde
de vesting uittrekken om daarna te gaan waar zij zijn willen,
zoowel als alle overige inwoners, die naar de vesting gevlucht
zijn uit vreeze voor de Spaansche beulen. Deze moeten mij tegen
alle rancune van de l.uiksche geestelijkheid, tegen alle navraag
van hun gedrag worden gewaarborgd, of er komt van onze onder-
handeling niets, Messire Wnuterniaux!" zeide Héraugicre op eens
weer besloten en met vastheid. De edelmoedige beweging zijns
harten gaf hem terstond zjjne vroegere veerkracht terug.
„Wees toch zoo onvoorzichtig niet om ter wille van lieden,
die het zoo weinig verdiend hebben, de verstandige partij, die
gij op het punt stondt te kiezen, te laten varen."
„Maar het is toch niet te veel gevergd van Monsieur Groesbeek,
die ééne clause te laten schrappen, waaraan ik niet wil, niet kan,
niet zal voldoen? Mijnerzijds wil ik andere concessiën doen..."\'
„De Bisschop moet juist hierin zjjn contentement hebben, en
Monsieur Groesbeek is tot betere conditicn bereid, als hij zelf
met u zal negociëeren; mits er allereerst aan deze worde voldaan.
De uitlevering der verraders zou zelfs den intocht van de Bis-
schoppclijken moeten voorafgaan. Men wil zeker zijn, dat ze
niet in de verwarring van uw uittocht zouden ontsnappen."
Men ziet het, de Bisschop, meer een vorst dan een herder,
kon het Dien et inon ilroil niet laten varen. Ondanks al zijn ver-
langen om zich zelf en zijne vesting uit de engte te redden,
wilde hij het recht van straffen of gratie geven niet afstaan, en
zijne Suffragaan wist in zjjn geest te zijn, toen hij dezen eisch
deed. Maar Héraugicro mocht niet inwilligen.
„Messire Wauterniaux! ik heb mijn woord van eer gegeven,
die menschen te beschermen, zoolang ik zelf hier iets to zeggen
had, en ik zal dat houden. Indien gjj er op staan blijft, dat zjj
uitgeleverd moeten worden, kunt gij gaan; dan zijn verdere on-
derhandelingen overbodig.\'\'
„Xoom toch die rasschc beslissing terug, kapitein Héraugicre!
Zoudt gij zoovele en wichtige belangen prijs geven, ter wille van
zoo\'n armzaligen herbergier als die meester Zilbrecht\':\' meer be-
kend om zijne mooie nicht dan om zijn oprechten wandel, en
die zekerlijk ruim zijn loon genoten heeft voor zijne goede dien-
sten f"
„Wat Meester Zilbrecht als Hoeysche burger mag geweest zijn,
kan ik niet beoordeelen, maar \'t is eene lastering, zoo men hem
beschuldigt de diensten, die hij mij heeft verleend, op een prijs.
-ocr page 325-
813
te hebben gesteld. Hij was er toe bereid, omdat hij onder des
Bisschops bestuur niet naar de inspraak zjjncr conciëntie kon leven;
en het eenige loon, dat hjj mijnerzijds heeft genoten, is de be-
scherming, die ik hem nu verleen en die ik schuldig ben. En wat
schepen de la Geneste betreft, hjj heeft persoonljjke vijanden
onder de hooge Luiksche gecsteljjkheid, die zich zeker zullen
bejjveren zijne handelingen op het zwartste uit te leggen, en daarom
heb ik hem ook aangeboden om hier wijkplaats te nemen tot
betere tijden aanbreken. Hij is mijn vriend en ik zal hem zekerlijk
niet overleveren aan wie zijn verderf zoeken. Al de overige inwo-
ners van Hoey, die hier met mij zjjn..."
,,0! wat de overigen betreft, voor hen is lieht kwijtschelding
of verzachting van verdiende straf te verkrijgen, als zij zich maar,
zooals goeden onderdanen past, ter beschikking stellen van hun
Heer, en hem niet willen ontloopen als schuldigen. Ik weet," en
hier nam Wauterniaux den toon aan eener hartelijke vertrouwe-
lijkheid, „ik weet dat er velen onder zijn, die om des geloofs
wille baat hadden gezocht bij verandering; welnu, dat zij zich
niet al te zeer ontrusten; laten zij slechts geene hindernissen
worden voor onze overeenkomst. Eedbreuk en verraad moeten
gestraft worden, maar overigens... de Hofnar heeft nog wel wat
invloed; laat de Sire de Bruyssins, die bjj u is en die mjj kent,
u zelf zeggen of Alexander Wauterniaux in zijn ambt is gebleven
uit lust tot kettervolging!"
„Daar is hier niemand van dien naam!" sprak Héraugière norsch.
„\'t Is waar ook, hij noemt zich nu Rosse Jan, dat doet er
weinig toe; hij staat eigenlijk ook op de lijst, maar daar hij toch,
malijrc tont, zijn weg zal gaan en Monsieur Groosbeek er zeker
niet op gesteld is zijn neef voor de tweede maal te executeeren,
heb ik niet eens over hem gesproken. Dan ik zou aan mijn last te
kort doen, zoo ik verzweeg, dat ik nog een gevangene van den
Bisschop heb op te vorderen.\'\'
„Een gevangene!\'.... Ik begrjjp u niet. Wij hebben hier nog
eenigo boeren en Luikschc soldaten on mogeljjk den een of an-
deren monnik...."
\'t Is geen Luikschc boer of soldaat! \'t Is een Doorniksch edel-
man, die hier vanwege den Bisschop gevangen zat en die meege-
werkt heeft tot de overlevering van \'t kasteel! Gerard de Preys
is zijn naam."
,Gerard de Preys! dat is een van mjjne officieren! Meent gij
dat ik dezen aan de wraakzucht van den Bisschop zal opofferen!"
„Gij hebt van uwe zjjde geen reden om over hem tevreden te
zijn, want..."
„Gij kunt mij niets omtrent hem mededeelen wat ik niet weet;
maar wij zijn verzoend, en hjj is in mijn dienst."
-ocr page 326-
314
„Gij noch hij hadden recht, over hem te beschikken; eene gevan-
gene moet worden ingewisseld."
„Welnu, neem de boeren en soldaten, die hier zijn, met u; dat
is ten minste milde vergoeding."
„Het komt niet aan op het getal; het is hier de vraag van een
persoon."
„Het is hier van niets meer de vraag, Messire! want de onder-
handelingen zijn afgebroken; ik zie wel dat hot Monsieur Groes-
beek geen ernst was, sinds hij zijn voorstel met zulke bijomstandig-
heden bezwaart."
„En ik bemerk, tot mijne teleurstelling, dat het kapitein
Héraugière geen ernst is geweest, sinds hij het voorstel ver-
werpt om diezelfde details... die het hem zoo licht zou vallen
toe te geven!"
„Licht vallen! Als ik u gezegd heb dat het mijne eer raakt!"
„Gjj zult u deze onbuigzaamheid te laat en smartelijk beklagen;
mogelijk kan morgen de tijding hier zjjn van een verdrag uwer
Staten met de gezanten, en dan zult gij op bevel uwer Ooerigheid
dieze/fde eischen moeten inwilligen, die gij nu met zooveel fier-
heid afslaat. In uw geval wachtte ik deze vernedering niet af."
„Als het zoover is, zal ik weten wat mij te doen staat!" gaf Hérau-
gière ten antwoord, met verhoogden gloed op voorhoofd en wangen.
„Geloof mij toch!" hernam Wautcrniaux ernstig en trouwhartig,
„zoo gij nu den Bisschop in deze zaak met de vesting teleurstelt,
maakt gij hem tot uw bitteren persoonlij km vijand; hij zal niets
ontzien, om zich op u te wreken, en hij heeft meer dan één koord
op zijn boog... als hij het kwade wil tegen u. Hij heeft de cor-
respondentie in zijne macht, door u met zekere leden uit de
Luikschc Staten gewisseld; er zjjn brieven onder, die u compro-
mitteeren kunnen tegenover Hunne lloogmogenden en den Baad
van State, als men het er in zoeken wil, en ik verzeker u stellig
dat de Bisschop voornemens is zich daarvan te bedienen om uwe
eere en reputatie aan te tasten!"
„Bedreigingen! Messire Wauterniaux, uwe zaak moet slecht
staan, als gjj tot zulke hulpmiddelen uwe toevlucht neemt. Be-
dreigingen zijn mij te allen tijde prikkels geweest om het tegen-
deel te doen van wat men van mij verlangde. Houdt het u voor
gezegd, Messire! onze onderhandeling is afgebroken, en ik be-
geer haar hierna niet weer te hervatten. Laat uw wraakgierige
meester venijn bereiden uit de brieven die ik aan zijne slacht-
offers heb gericht; laat hij mijne eere en reputatie aantasten,
waar en zoo goed als hij kan, ik zal intusschen met zijne vesting
doen, wat ik oorbaar acht... Kapitein Mario!" Do Italiaan trad
haastig toe, met uitgetrokken degen, want uit den driftigen toon
had hij verstaan dat zijn Overste zich gekrenkt achtte.
-ocr page 327-
816
„Kapitein Mario!" hervatte Héraugicre, kalmer en zich bedwin-
gende; „doe Mijnheer den parlementair hoffelijk uitgeleide, en
zorg dat hem geen haar worde gekrenkt.\'\'
Wauterniaux, die blijkbaar veel hechtte aan het slagen zijner
zending, was diep teleurgesteld en getroffen, maar hij voelde dat
hij het moest opgeven.
„Ik had wel gehoopt mijn afscheid te nemen onder gunstiger
vooruitzicht," waagde hjj het nog te zeggen. Maar Hcraugicre
antwoordde alleen, door Mario te wenken dat zij gaan zouden.
Reeds bij de deur, wendde Wauterniaux zich nog eens om, en
zeide tot Héraugicre: .Voor \'t geval dat gij nog tot een ander
besluit mocht komen, laat drie vuurpijlen opgaan uit den toren
van Amiette; op dat sein zal ik komen, maar vóór middernacht!
Kapitein Héraugicre, hoor naar mij, zoo gij gelooft dat ik een
oprecht, eerlijk man ben; na dien tijd zou het te laat zijn."
„Ik houd u voor een eerlijk man, Alexander Wauterniaux! maar
ik ben het zelf ook, en daarom kan er geene sprake zijn van een
ander besluit! Ga, en wees Oode bevolen!"
-ocr page 328-
HOOFDSTUK XII.
Gerard de I\'reys had zich intussehen naar dat gedeelte van
het kasteel begeven, waar schepen de la Geneste zijn logies had,
sinds hij genoodzaakt was de gastvrijheid van Hénragière aan te
nomen. Het bestond uit eene ruime bovenzaal en een paar kleine
vertrekken, die daarop uitkwamen. De zaal zelve was in tweeën
gedeeld door een middeleeuwseh hangtapijt. Het voorste gedeelte
strekte den Schepen en zijne dochter tot woonvertrek ; het ach-
terste, waar een rijk gebeeldhouwd Vit a baUlequin stond, was in-
gericht tot ziekenkamer voor Krank de I\'reys. Dat ledikant met
zijne damast zijden gordjjnen, van donkergroen tot vaalgeel ver-
kleurd en van do mot doorknaagd, was een sprekend toonbeeld
van grootheid; en datzelfde stempel droegen ook al de verdere
meubelen die zich in het „logies"bevonden; stoelen met gekleurdo
en vergulde wapens, maar wier fluweelen zitting in flarden hing,
of waaraan een poot of cene leuning ontbraken. Hoekkasten,
waarvan de deuren uit de hengels vielen, als men het waagde
ze te openen, en waggelendo tafels, die ternauwernood dienst
konden doen, maar wier donker eikenhouten blad met paarlemoer
en ebbenhout was ingelegd. Alles verkondigde luide dat er een-
maal aanzienljjker gasten plachten gehuisvest te worden dan de
Hoeysche Schepen, maar tevens dat die schoone dagen al lang
voorbjj waren, en dat do verschillende militaire Gouverneurs van
de vesting alles wat zij niet tot hun eigen gebruik noodig had-
den, in jammerlijke verwaarloozing lieten. Dit belette niet dat
Frank de I\'reys er ruim en luchtig nedcrlag, en bovenal veel
kalmer dan in het algemeene ziekenverbljjf, waar het lijden van
anderen zijne eigene smarten verzwaren moest, zoo ras hij tot
bewustzijn was gekomen.
Ook had Madeleine met scherpe waakzaamheid het oogenblik
bespied, waarop zjjne vervoering mogelijk zou zijn; want al had
zij zieh reeds spoedig na hare komst op het kasteel aan de ver-
-ocr page 329-
817
pleging der zieken en gekwetsten gewijd, bijgestaan door Gonda
en andere Hoeysche vrouwen die haar voorbeeld navolgden, achtte
zij toch dat de vaandrig van Héraugitre een bjjzonder recht had
op hare zorg. Maar het was zeker niet het meest in die kwaliteit
dat zjjne aanspraak bjj haar gold. Zjj had vriendschap voor hem
opgevat, al was het niet eene zóó teedere, als de jonge edelman
had gehoopt. Kn zjj was hem dankbaarheid schuldig voor meer dan
één gewiehtigen dienst. Toen de ruiters van Bacx, door drank
verhit, en door kwaadwillige aanhitsing verleid, terstond na hun
binnentreden in de stad, op het huis van schepen de la Oénestc
invielen, wanende de woning van een schatrijken Kanunnik te
plunderen, had Madeleine in erger dan levensgevaar verkeerd ;
de ruiters waren opgestookt om „het liefje" van den „geestelijken
lieer" geenszins te sparen. Ongelukkig was haar oom Kerkadet,
in zijne onrust over de gebeurtenissen van dien dag, juist bij
haar schuilplaats komen zoeken, en de Schepen nog altijd op
het raadhuis met Héraugiire en Bacx! Der hebzucht alles toe
te werpen wat zij eischte, en belofte te doen van het meerdere,
zoo men hen spaarde, was alles wat de jonkvrouw en de sidde-
ronde geesteljjke te hunner verdediging wisten te bedenken, maar
het zou hun weinig gebaat hebben, ware Frank de I\'reys niet
tijdig aangekomen om hen tegen de woestaards te beveiligen,
die wel zijn gezag niet wilden erkennen, maar die hij toch in
bedwang hield met een troepje van zijn eigen soldaten, totdat
hun geduchte ritmeester ter hulp snelde, dien hjj had laten waar-
schuwen. Toen had Frank Madeleine zegevierend in veiligheid
gebracht, en Bacx voor den Kanunnik laten zorgen, die geslagen
en mishandeld ter aarde lag, en zóó kruc/ttit/r hulp dringend
behoefde, als de jonkman met de schalkhoid van zijne twintig
jaren hem toevoegde. Van toen aan had Madeleine hem hare
erkentelijkheid getoond in eene gulle gemeenzaamheid, die te
sterker uitkwam, daar zij ritmeester Bacx met in \'t oog loopende
stugheid bejegende, wien het niet eens gelukte zich te doen
aanhooren, waar hij haar verschooning wilde vragen voor het
gedrag zjjner ruiters. Frank daarentegen verkeerde op den voet
van een vertrouwden vriend in het huis van den Schepen, zoo-
veel en zoolang de omstandigheden het toelieten. Doch Made-
leine gedoogde niet dat hij zich een oogenblik misleidde in het
vriendsehapsgevoel dat zij hem toedroeg, en als Héraugicre hem
lachend plaagde over zijn druk verkeer met den Schepen, die
hem als een zoon des huizes scheen te beschouwen, gaf hij ten
antwoord:
„Och ja! zoo is het; Madeleine noemt mjj haar „broeder,"
maar ik, ik kan geen zuster in haar zien!" Zijne zending naar
den Haag, vanwaar hij met luitenantsrang terugkeerde, was eene
-ocr page 330-
818
machtige afleiding geweest van die hopelooze minnesmart en
wijselijk had hij van toen aan besloten de laatste te verheelen
tot zij beter gehoor mocht vinden, maar te meer achtte hij zich
inmiddels gerechtigd der jonkvrouw hulp en bijstand te bieden,
waar zij die noodig had.
Zoo wist hij haar met zachten dwang te overreden de wijk te
nemen naar \'t kasteel, toen de Spanjaarden de stad bedreigden,
en ettelijke inwoners, die zich gecompromitteerd achtten, als de
drapier met zijne vrouw, en meester Zilbrecht met zijne nicht,
zich op Héraugicre\'s uitnoodiging derwaarts begaven. En Madc-
leine had reeds te van nabij gezien wat bevriend krijgsvolk zich
durfde veroorloven in eene bemachtigde stad, om het vijande-
lijke, om het Spaansche af te wachten. Hare moeder had Hoey
verlaten kort na den intocht van Héraugière, en had zich naar
Luik begeven met eene gewichtige zending. Hij zegende nu dit
afzijn, al moest het ook soms bekommering wekken. De Schepen
beloofde zijne dochter haar naar \'t kasteel te volgen, maar niet
vóór het lot der stad was beslist; hij oordeelde dat hij zijn leven
niet prijs behoefde te geven aan de Spanjaarden, maar dat hij
toch de laatste burger van Hoey moest zijn die de stad verliet.
Ten gevolge van dit onwrikbaar besluit, had Madeleine de zorg
voor haar vader aan Frank opgedragen, en deze had dien wenk
niet noodig om over hem te waken.
Licht gewond bij de eerste schermutseling, en door de over-
macht teruggeslagen, had hij, met inspanning van alle kracht,
zijne verstrooide soldaten opnieuw weten te verzamelen, en tot
standhouden gebracht, om den aftocht van de laatste burgers te
dekken, die nog in deze uiterste ure tot de vlucht besloten. Dezen
hadden schepen de la Geneste bijkans tegen diens wil meege-
voerd, en Frank wist met de zijnen den Spanjaarden het hoofd
te bieden, tot hij aller veiligheid had verzekerd.
Nu eerst vond hij vrijheid zich terug te trekken, maar het was
te laat; de Spanjaarden hadden hem omsingeld; reeds negen
van de twintig man, die hem waren bijgebleven, lagen ter aarde
om hem heen; de vjjand zelf riep toe van den vruchteloozen
strijd af te zien en zich gevangen te geven.
„Niet levend!" had de jeugdige krijgsheld toen geantwoord, en
aan de spits zijner kleine phalanx trachtte hij heen te komen
door de rij der spoerruiters, die tegenover hem stonden.
Het gelukte, en tegelijk kwam er van de andere zijde hulp, die
eene afleiding maakte en de Spaanschen van dat punt verdreef,
maai\' Frank stortte neer, in de borst getroffen door een der drei-
gende speren die hij had getrotseerd. Zijne krijgsmakkers droegen
hem weg en voerden hem naar \'t kasteel als een zieltogende, zoo
zij meenden, en om zijn lijk niet in de macht der Spanjaarden
-ocr page 331-
S19
te laten; maar hoe gevaarlijk de wonde ook zijn mocht, hoezeer
het bloedverlies en het verwaarloozen der eerste kwetsuur hem
ook mochten verzwakt hebben, hoewel hij dagen lang in den
hachelijksten toestand bleef, de jeugdige levenskracht behield de
zege in die worsteling; de natuur en zijn gezond gestel hadden
zeker meer aandeel in zjjn aanvankelijk herstel, dan de welge-
meende maar onhandige pogingen van den barbier-chirurgijn, die
zich beroemde hem van eene hersenkoorts te genezen, terwijl het
waarschijnlijk was dat hij hem deze zelf had berokkend door zijne
onoordeelkundige behandeling. Madeleine had met vrouwelijke
intuïtie dien misgreep geraden, en daarom had zij begeerd dat
men dezen patiënt van de anderen afzonderen en aan hare ver-
zorging zou toevertrouwen. Van volkomen kalmte, kleine oplet-
tendheden en eene voorzichtige toepassing van de heroïke mid-
delen, waarmee de wondarts wel wat druk in de weer was, hoopte
zij veel goeds voor de verdere genezing van Frank, en het
recht, dat zij op dezen liet gelden, werd dan ook niet betwist.
Het zenuwgestel van den jongen edelman was sinds zjjn komst
te Hoey door allerlei aandoeningen heftig geschokt. De smart en
de teleurstelling, bij het eerste wederzien van zijn broeder onder-
vonden, hadden zich gekruist met de wisselingen van hoop en
vrees eoner opkomende liefde, die geene aanmoediging vond, en
in zijne ijlende koortsen verwarde hij het verledene en het tegen-
woordige, het smartelijke en het verblijdende van zijne jongste
ervaringen zoo wild dooreen, en uit de onsamenhangende woorden
sprak meestal zulk een diepen klaagtoon, dat de omringenden
niet veel raadvermogen noodig hadden, om zich een denkbeeld
te vormen van het bittere zieleleed en de geheime kwellingen,
waarmee de jonkman in den laatsten tijd had te kampen gehad.
Ook hief zijn broeder het voorste vertrek ledig vindende, niet
zonder zekere aarzeling het hangtapijt op, dat toegang gaf naar
het volgende; hij was al zoo vaak met schrille kreten en afwij-
zende gebaren teruggeweerd, zoo ras Frank hem in het oog kreeg,
dat hij nauwelijks de waarheid durfde gelooven, toen Madeleine
hem te gemoet trad met een geruststellenden glimlach en de ver-
zekering dat haar patiënt veel beter was en naar hem had
gevraagd.
„Frank! wellievo Frank I" riep hij in de volle blijdschap der
verrassing, schielijk naar hem toegaande, en hem beide handen
toestekende; „wilt gij mij nü zien; verstoot gij uw armen Gerard
niet langer?"
„Heb ik dat ooit gedaan, dan was het wM onbewust," sprak
Frank met eene zachte, zwakke stem. „Ik, die zoo vurig naar u
heb verlangd; naar u zelf, naar mijn Gerard; maar... als ik uwe
stem had gehoord, als ik u meende te zien, kwam mij altijd
-ocr page 332-
320
voor do oogen die man met de hatelijke monnikspij, en stelde
zich dus tussehen u en mij, dat ik mjjn Gerard niet zien kon."
„Dat was een drogbeeld van uwe koortsachtige droomen. De
monnik bestaat niet meer. Herinnert gij u dan niet, hoe ik u
te gemoet ben gekomen, toen gij uit den Haag herwaarts kwaamt,
met den degen op zijde en de Oranjesjerp om! Gij waart toen
zoo hartstochteljjk verblijd, en zoo onstuimig, dat gij nauwelijks
naar mij luisteren wildet, toen ik u geregeld wilde vertellen, hoe
ik tot die verandering gekomen was."
„Ach, vertel het mij nu; ik zal nu zoo stil, zoo kalm
zijn"
„Neen, niet nu!" sprak Madeleine, zich daartusschen stellende;
„dat zou u te veel vermoeien, en tegen den nacht maar allerlei
in \'t hoofd halen; zie liever uw broeder eens aan, zoo opgewekt
en tevreden als hij daar voor u staat."
„Ja! ja! ik herken hem heel goed; dezelfde kloeke krijgsman
van voorheen. Ik zal mij dan in zijn aanschouwen troosten; maar
ik mag toch wel vragen hoe het met het beleg staat, niet waar f\'
Hij wendde zich tot Madeleine, hoewel de vraag aan Gerard was
gericht. „Wij zjjn immers nog in de vesting. Lig ik hier niet in
het praalbed van bisschop la Marck?"
„Ik zou eer meeuen van een zijner ridderlijke gasten," sprak
Madeleine glimlachend.
„Maar zeg mij toch, Gerard! is de Spanjaard al uit de stad
verdreven!\'" hield Krank aan.
„Xog niet!" was het antwoord, dat wat pijnlijk en verlegen
klonk. Frank zweeg, en scheen te berusten met de gedweeheid,
door gevoel van eigen onvermogen ingegeven. Hij sloot alleen
de oogen en liet het hoofd in zjjne kussens vallen. Terwijl hij
daar zóó lag, viel het licht op zjjn bleek, uitgeteerd gelaat; het
droeg zulke merkteckenen van doodelijke zwakheid, dat Gerard
en Madeleine zwijgend een blik wisselden van diepe deernis en
bekommering.
„Ja, er was beterschap, maar in hoe zorgelijk een toestand ver-
keerde hij nog, en hoe zou men de schokken, de gevaren, die
den hulpbehoevenden boven \'t hoofd hingen in de bedreigde
vesting, voor hem verbergen, van hem afweren.
Eenc diepe zucht, dien Gerard en Madeleine bijna gelijktijdig
slaakten, was hot verfijnd gehoor van den lijder niet ontsnapt.
Hjj opende weer de oogen.
„Het kasteel loopt toch geen gevaar?" vroeg hij, zich tot
Gerard richtende.
„Wel neen! hoe komt u dat in het hoofd? zou ik hier bij u
zijn, als alles niet volkomen rustig ware?"
„Dat is zoo!" hernam Frank overtuigd, en zweeg weer eene
-ocr page 333-
821
poos met geslotene oogcn; daarop sprak hij tot Gerard: „ Broe-
der ... dat was toch niet goed van u ..."
„Wat niet? Frank !"
„Gij zjjt niet mee in de stad geweest; gij hebt haar niet tot
het uiterste helpen verdedigen.\'\'
„De Commandant had mij een post toevertrouwd op het kasteel."
„En gij liet u dat welgevallen?"
„Maar mij dunkt!... Sinds wanneer mag een officier kiezen,
waar hij staan wil P"
„Ja, dat is wel zoo! maar toch... neen! neen! gij wilt het
voor mij verbergen," riep hij op eens met levendigheid. „Gij zijt
wèl in de stad geweest, ik herinner het mij nu duidelijk: ik heb
u gezien en herkend, maar ik wist het niet bij te brengen hoe
en waar; nu weet ik het voorzeker; gij waart in mijne nabijheid,
toen ik neerstortte."
„O! dat is wat anders; maar toen was de stad al over. Hérau-
gicre had sommigen onzer vrijheid gegeven op den vijand aan
te vallen, zoo ras hij zich meester achtte van Hoey en aan \'t
plunderen sloeg. Door de vluchtelingen hadden wij vernomen
dat de stad verloren was en dat kapitein Balfour, volgens zjjne
orders om haar niet tot het uiterste te verdedigen, op cene
ordelijke retraite bedacht was; toen zeide mij de inspraak van
mijn hart, dat Frank nog zou stand houden, ondanks alles, en ik
kreeg verlof naar die inspraak te handelen. Met eenige ruiters
van Heraugière geraakte ik de poort in, door de onzen ver-
laten, door de Spanjaarden nog niet bezet in de verwarring van
het oogenblik. Ik had maar één doel: u op te zoeken en ter
hulp te snellen; gelukkig nog niet te laat! Maar daar ik voor u
te zorgen had, ontging mij de gelegenheid om mijn wraaklust te
koelen op die moordenaars!"
„Och, Gerard! tegen mij hebben ze geene schuld; ik heb
mijne wonden bekomen in een eerlijk gevecht: dat zij dapper
aanvielen was soldatenplicht! Zonden wij hen gespaard hebben
in een gelijk geval f"
„Dat is wel zoo ... maar toch ... de gruwelen, die zij later
pleegden!..."
„Niet langer praten!" vermaande nu Madeleine, naar Gerard
toekomende en den vinger op den mond leggende.
Terwijl de broeders samen spraken, had zij zich naar de andere
zijde van \'t vertrek begeven, dewijl zij Gonda had zien binnen-
komen, die haar toewenkte.
„Is de hoendersoep mislukt ?" vroeg Madeleine toen zij de
kenteekenen van verdriet of onrust bemerkte op het gelaat van
het meisje, dat haar in den laatsten tijd zoo opgeruimd en kloek-
moedig had ter zijde gestaan.
Iir verrasiing van Hoey.
21
-ocr page 334-
922
„Neen, juffer! dat is in orde, de Jonker kan die krijgen zoodra
hij wil . .. maar . ..,"
„ Is er wat anders ?"
Ja, iets dat veel erger is ... maar ik kan \'t hier niet zeggen ..."
„Dan ga ik even met u mee," sprak Madeleine en volgde haar
in het voorvertrek. Nauwelijks waren ze daar of Gonda barstte
in tranen uit.
„Liefste kind, wat deert u\'f Is er iets met Wouter Willemsz
gebeurd P" vroeg Madeleine meewarig.
„Zoover ik weet niets! Kon ik hem maar te spreken krijgen,
dan zou ik niet zoo ongerust zijn; maar ongelukkig heeft hij de
wacht; en nu, ik hoor allerlei geruchten, waarvan ik niet weet
wat te gelooven ..."
„Maar als het niet dan onbestemde geruchten zijn, Gonda!
waarom laat gij u dan daardoor ontrusten ?"
„Mijn oom is zoo angstig, daar gaat iets om in het kasteel,
dat is zeker. Er is een vreemdeling binnengedrongen, sommigen
zeggen \'t is een spion, anderen, dat het een voornaam krijgs-
overste is, die over \'t ontzet komt spreken..."
„Xu, dat kan, dunkt mij, geen kwaad."
„Ja, maar terwijl die bij den Gouverneur zat, is er weer een
ander gekomen... ze zeggen een parlementair van den Bisschop,
en dat zijne boodschap strekt om de burgers van Hoey op to
eischen, die hier de wijk namen ..."
„En zou die parlementair de reden zijnor komst zoo onvoor-
zichtig uitbrengen ?"
„Zeker neen! de edelman weet wel te zwijgen, maar zijn trom-
petter, die een Luikenaar is, een boerenzoon van afkomst, uit
het land van Hanut, moet in de hoofdwacht gevraagd hebben,
of meester Zilbrecht, de waard uit de Kreeft, niet op \'t kasteel
was. En toen de soldaten zoo zonder erg „ja!" hebben gezegd,
heeft hjj verder naar den Schepen gevraagd en zich laten ont-
vallen, dat die twee er niet best zouden afkomen als de Kisschop
ze in zijne macht had, en dat het eerder gebeuren zou dan men
op het kasteel wel meende, en nog veel meer daartoe, dat
Jeannette, de waschvrouw, had gehoord van een soldaat, die er
bijzat."
„Maar, beste Gonda! hoe kunt gij u nu zóó ontstellen over
zulke praatjes, die Jeannette misschien heeft verzonnen om u en
Meester Zilbrecht te kwellen? Gij weet, zjj beschouwt ons allen
hier als indringers... en is bisschopsgezind van top tot teen."
„Ze mocht veeleer dankbaar zijn en van beteren zin; Meester
Nicolaas heeft haar en haar kind voor mishandeling der soldaten
beschermd, en toch vrees ik, dat zij ons op een of andere wijze
kwaad brouwen zal I"
-ocr page 335-
:*2:t
„Eilieve! schort uwe vrees op tot ge Wouter Willemsz hebt
gesproken. Ik ben er gerust op, dat al die wolken zullen optrekken."
„Dat moet nog wel tot tien ure duren..."
„Help den Jonker dan eerst aan zijne soep," sprak Madeloine
afbrekende, „en wat ik u bidden mag, zet een opgeruimd gezicht,
als gjj binnenkomt; want Frank merkt alles op en vermoeit zich
met gissingen als men geen voldoende uitleg geeft."
Madeloine scheen hard; maar haar patiënt ging voor en zij
achtte de onrust van Gonda eene paniek, waaraan zij niet kon
hechten. Rustig en opgewekt naderde zij dan ook weer het ziek-
bed, met het beslissend verbod: „Xiet langer praten!"...
Het aandoenlijk gestel van Krank moest niet noodeloos geschokt
worden door eene beschrijving der gruwelen, die in Hoey waren
gepleegd.
„Word ik nu al verdreven!\' Ik had gemeend dezen nacht bij hem
te waken, sinds hij mijn bijzijn had verlangd," klaagde üerard.
„Ik verdrijf u niet, maar do patiënt heeft nu weer wat rust
noodig..."
„Xog niet! betuigde deze zelf met levendigheid. „In lang
voelde ik mij niet zoo opgewekt on gelukkig, als nu ik mijn
broeder en mijne geliefde verpleegster te zanten bij mij zie." Hjj
vatte beider hand en zag hen beurtelings aan met zwakke, maar
toch glinsterende oogen. „Heb ik u nog wel eens gedankt voor
uwe zorgen?" ging hij voort, met zachte stem tot Mndeleine
gewend. „Wat zal ik toch ooit kunnen doen om zooveel goedheid
te vergelden?"
„Gjj behoeft niets te doen dan u lijdelijk en rustig te houden,
en voorts zullen wij afrekenen als gij weer naar de wallen trekt!"
sprak zjj half schertsend, half weemoedig.
Hare bedoeling was zeker geene andere dan een van die toe-
zeggingen, waarmee men een herstellende in een goed humeur
tracht te houden, door hem in een onafzienbaar verschiet een
dier uitzichten te openen, in wier onbereikbaarheid hij bij her-
kregen gezondheid zal berusten, zooals men het kind paait door
hot maan en sterren te beloven, als het maar eerst goed geslapen
heeft. Maar hjj vatte haar snel bij het woord, dat hem toeklonk
als eene belofte, waarbij een gloed het bleeke gelaat overtoog.
Hjj drukte hare hand, die hij nog vasthield, en antwoordde met
hartstochtelijkheid :
„Ik zal eerder op de wallen zjjn dan gij denkt, Madeleine!"
Misnoegd over die opvatting, ontevreden op zich zelve, trok
zjj wat schichtig hare hand terug, schudde zachtkens het hoofd,
en hem ernstig aanziende hervatte zjj:
„Maar toch niet voordat ik er u verlof toe geef! Gij zijt nu
onder mijne behandeling en ik eisch volkomen onderwerping!..."
-ocr page 336-
324
eindigde zij toch weer met een bemoedigend glimlachje, dat
bewees, hoe de verpleegster in haar weer do overhand nam op
de gevoeligheid der jonkvrouw.
„Maar ben ik dan niet de gedweeheid zelf!\'" sprak hij zacht
en droevig.
„Dat zullen wij zien... Daar komt Gonda met een lekker
hoendersoepje, dat zjj voor u heeft klaargemaakt; daar moet gij
nu eens van proeven."
„Och, ik heb geen trek."
„Probeer maar eens!" hield zij aan, en geholpen door Gonda,
was een grove maar helderwittc „handdwaal" spoedig over de
deken heengespreid, en de blinkende tinnen schaal met soep
stond te geuren voor don zieke, terwijl Madeleine hem de kus-
sens in den rug schoof en Gonda met haar lampje bijlichtte.
Frank had geene keuze; hjj had eigenlijk ook geen wil. liet
was aardig to zien, met welkeene gedweeheid de jonge edelman,
die nog pas van „tochten naar de wallen" had gesproken, zich
door de beide vrouwen als een kind liet verzorgen en bestieren.
Hjj was ook zoo hulpbehoevend; alleen de linkerarm had hij tot
zijn dienst en die nog slechts ten halve, daar de wond en het
verband, dat zij noodig had gemaakt, zijne bewegingen belem-
merden.
Nooit zeker had de schoonheid van Madeleine een meer bc-
minnclijk karakter gehad dan in dezen tjjd van lijden en beproe-
ving, waarin zij met zelfverloochende liefde zich wijdde aan an-
deren. Xooit wellicht kwam hare vrouwelijke lieftalligheid beter
uit dan juist op dit oogenblik, terwijl zjj met de eene hand den
zwakke ondersteunde en do andere tegen Gonda\'s lampje hield,
opdat do flikkerende vlam de zwakke oogen niet zoude treffen.
Hare blosjes waren verbleekt; hare oogen glansden minder fel;
hare trekken droegen de sporen van de smarten en zorgen, dio
zij had doorgestaan; maar toch, er lag eene verhevene rust, eene
stille blijdschap op haar gelaat, die wjj niet als een paradox doen
klinken, zoo wij zeggen te gelooven, dat zij zich in deze uro vrij
wat gelukkiger gevoelde en vrij wat beter op hare plaats was, dan
voormaals onder het geklank der dansmuziek op het Vasten-
avondsbal. Hoe ver was dio bange avond nu reeds achter haar;
hoe vreemd was zij zelve reeds geworden aan dat alles; wat zij
toen gedacht en gevoeld, gehoopt en geleden had! En toch,juist
nu zou zjj er aan herinnerd worden. Gonda was blijkbaar volg-
zaam geweest aan haar wenk, om niet dan met een opgeruimd
gelaat voor den zieke te verschijnen; maar hoe het goelijke kind,
straks nog schreiend van angst en vrecze, op eens aan zulk een
opgeruimden blik, aan zulk een schalk lachje was gekomen, dat
was wel raadselachtig, zelfs voor Madeleine, en terwijl Frank
-ocr page 337-
S25
langzaam en met weifelende hand zjjno soep nuttigde, boog zij
zich even naar öonda heen met een: „Alles gaat goed, niet
waar, dat kan men u aanzien!" dat zij haar fluisterend toe-
voegde.
„Ja! ja! alles gaat goed, en beter nog dan gjj denkt, juffer!
Ik heb Wouter Willemsz even gesproken, die \'t parool had ge-
haald, on, en... er is iemand gekomen, en, en ... de fluisterende
stem ademde de klanken slechts uit: „Ritmeester Bax is hier!"
„De fijne hand, die tot lichtscherm strekte, sidderde even: een
doodseh bleek overtoog Madoleine\'s gelaat, terwijl zij zich schielijk
van Oonda afwendde zonder iets te antwoorden. Het meisje keek
verwonderd op, maar was bescheiden genoeg om geene vraag te
doen. Frank kon niets opgemerkt hebben, zoo vlug en geheim-
zinnig was dit tooneeltje achter zjjn rug afgespeeld.
Gerard de Preys had zich inmiddels van het ziekbed afgewend.
Hij had schepen de la Geneste zien binnenkomen en ging naar
hem toe.
Hadden schrik on bekommering, in den laatsten tijd doorgc-
staan, invloed geoefend op het uiterlijk schoon der jeugdige
Madelcine, nog sterker kwam hun verwoestend merkteeken uit
op het voorkomen van haar vader. Uo hooge, krachtige gestalte
was als gebogen onder de lasten des levens. Zjjn gang was
slepend en weifelend, zijne geheele houding drukte misnioedig-
heid uit. Zjjno oogen hadden iets mats en glasachtig» en waren
diep weggezonken onder de grjjzo wenkbrauwen; het hooge
voorhoofd was met een menigte van rimpels doorploegd; de man
van middelbaren leeftijd, de deftige Schepen, kloek van raad als
van daad, dien wij zagen op het raadhuis te lloey, was plotseling
tot een afgcleefden grijsaard geworden; maar op zijn strak en
vermagerd gelaat lag niets van die rust en die helderheid, die
een grijsaard zoo goed staat; stille, doffe zwaarmoedigheid alleen
had er haar stempel op gedrukt.
In het kleine vertrok, dat voor hem was afgezonderd, was oen
venstertje, dat uitzicht gaf op — eigonljjk over — Hoey door de
zeer hooge ligging van \'t kasteel. Hit scheen zijn geliefd plekje,
waar hjj zich afzonderde, zoolang het dag was. Uren lang stond
hij daar zwijgend te staren op de arme geteisterde stad, en als
Sladeloino hem dan uit die sombere mijmering kwam wekken en
hem trachtte af te leiden, scheen hjj te luisteren zonder te ver-
staan en antwoordde niets. Lokte zij hem in haar woonvertrek,
dan zette hij zich in een hoek neer, alsof hij zich wilde verschui-
len, meestal met een boek in de hand, waarin hij echter niet las
of waarin hij las zonder verder te komen. Smartelijker teleurstel-
ling dan die hem had getroffen, was er dan ook nauwelijks
denkbaar. Niet dat hij zelf, met het verlies der stad, een gerui-
-ocr page 338-
826
noerd man was geworden, ging hem zoo diep tor harte. Nauwe-
lijks had hij het der moeite waard geacht eenig goud bij zich to
steken, en zoo Madelcinc geene betere voorzorg had gebruikt en
niet meer tegenwoordigheid van geest had getoond dan haar va-
der, toen zij vluchten moesten naar \'t kasteel, voorzeker waren
zij reeds lang aan allerlei gebrek ten prooi geweest. Niet omdat
zijne vrouw zich mede voor deze zaak had opgeofferd, en men
nog in onzekerheid verkeerde omtrent het lot dat haar getroffen
had; ook niet, hoe dit alles te zanicn hem ook griefde, dat zijne
Madeleine voortaan niet meer de rijke erfdochter, maar cene be-
hoeftige zwerveling zou zijn! Niet deze rampen en smarten, die
hem persoonlijk troffen, bogen zijn mannengeest tot deze diepte
neer, maar wel de bittere overweging, die zich telkens opnieuw
aan hem opdrong, dat hjj jarenlang had gestreefd naar het doel
om zijne medeburgers het dierbaarste voorrecht, de vrijheid, te
hergeven; dat hjj tot ieder offer bereid was geweest, om dat doel
te bereiken ; dat hij er onrust voor gedragen, gevaren voor ge-
trotseerd, zijn goeden naam zelfs daarvoor gewaagd had, en dat
dit alles tot zulke uitkomst had geleid! Dat hij ten laatste bleek
gewerkt te hebben, om de stad aan den Spanjaard, en zijne mede-
burgers aan de grootste ellende ten prooi te geven! Dat was
de oorzaak dier zielcpijn, waaronder de krachtige man ineenkromp;
dat was een slag, zoo snol en zoo ruw op zijn hoofd neergoko-
men, dat zijn geest er zich onder neergebogen had; zoo diep,
dat niets meer in staat scheen te zijn dien weder op te heffen.
De omstandigheden, waarin hij nu verkeerde, waren ook hoogst
ongunstig ter oprichting van die verslagen ziel. Uit een druk werk-
zaam leven weggerukt en nu plotseling veroordeeld tot volkomen
werkeloosheid, bijkans ingekerkerd tusschen de muren, die hem
tot verblijf waren aangewezen, sleepte hij zich mat en lusteloos
voort van de eene plek naar de andere, onverschillig voor al het
omringende, als versuft en zich zelven tot last.
Ware zijn voornemen met de stad ontdekt geworden vóór de
uitvoering, en had hij zelf, hjj alloen, er de gevolgen van moeten
dragen, men zou hem gelaten en waardig hebben bevonden. Op
die uitkomst had hjj zich voorbereid. Maar dat de toeleg gelukt
was, on de gevolgen er van toch zoo verderfelijk bleken, in plaats
van do schitterende voorstellingen, waarmee hij zich had gevloid,
dat krenkte zijn edelmoedig hart, en zijn gemoed werd er zóó-
zeer door verbitterd, dat het hem onvatbaar maakte voor allen
troost en onbillijk jegens hem, aan wien hij deze onmotcljjko
teleurstelling weet. Hij voedde misschien onbewust een heime-
ljjken haat tegen Héraugière, „die de stad genomen had,
alleen om haar weer te verliezen." En deze stille verkropte
toorn was wellicht de eenige snaar, die er nog in zijn
-ocr page 339-
:)27
binnenste trilde. Alle anderen waren ontstemd of gesprongen.
Door deze zielsstemming verzwaarde hij zelf zijn uiterlijken
toestand.
Héraugiïre had hem met weemoedige gulheid welkom gc-
heeten op het kasteel, had hem alle geriefelijkheden verleend, allen
bijstand geboden, die in zijne macht stond. Maar de la Geneste
had voortdurend zijn bjjzjjn vermeden, had geen gehoor gegeven
aan zijne noodiging om zijne tafel te deelen, en de eenige ge-
legenheid om lucht te scheppen en beweging te nemen ontzegde
hij zich zelven, omdat zij hem door den Bevelhebber aangebo-
den was, met uitsluiting zelfs van de andere Hoeysche burgers,
wie het niet geoorloofd was zich buiten den ringmuur van de
Vlaamsche binnenplaats te begeven, terwijl de tuin van \'t kasteel
voor de la Geneste openstond. Maar deze kwam er nooit, zeker
uit de instinctmatige vrees om er Hóraugicre aan te treffen. Hij
kwam evenmin daar, waar hij zijne medeburgers kon ontmoeten;
hij vermeed aller aanblik; hij maakte zich zelf tot een gevangene.
Héraugiïre, al had hij niets van die onuitgesprokene verbitte-
ring kunnen raden, al had hij geen tijd noch rust om zich van
des Schepens teruggetrokkenheid rekenschap te geven, vond er
toch weinig aanmoediging in om hem in zijne willekeurige af-
zondering te storen. Allerlei tusschenbeide komende omstandig-
heden hadden hem reeds van den beginne aan belemmerd in
zjjn voornemen om zelf maar de klove over te stappen, die
onmerkbaar al wijder en onoverkomeljjker begon te worden. Maar
wat men in zulk een geval tril, kan men altijd, en de Gouver-
neur van Hoey kon zich zelf niet ontveinzen, dat hjj als bij
instinct een zeker opzien had tegen het eerste samenzijn met
dien man, die hem nu al zoo lang ontweek, dat er aan opzet
moest gedacht worden.
Madeleine had Héraugicre meermalen ontmoet, dan eens bij
hare wandeling, dan eens in de ziekezaal, en hij had haar altijd
met hoffelijkheid bejegend, opnieuw zijne diensten aangeboden
en naar den welstand van den Schepen gevraagd. Bij de klacht
over de diepe zwaarmoedigheid, waartoe haar vader vervallen
was, trachtte zij dan het vermoeden te weren, dat er iets per-
soonlijks tegen dezen werd gelegd in die strenge afzondering, en
inderdaad, daar de la Geneste die stille verbittering niet uitsprak
dan door een mokkend zwijgen, kon zij zelve zich die ook nau-
welijks verklaren. Vroeger had haar vader geene gedachte, die
zij niet deelde, geene smart, waarvan zij geene kennis droeg;
maar sinds dio noodlottige stemming zich van zijne ziel had
meester gemaakt, waren zij aan elkander vreemd geworden. Zij
moest raden wat er in hem omging; en als zij meende te zien
wat hem smartte, dan hoopte zij zich vergist te hebben.
-ocr page 340-
328
De Hoeyscho burgers hadden zich wel gaarne aangesloten aan
hun Schepen in deze ballingschap en hem voortdurend als hoofd
en leidsman willen beschouwen, maar de strikte afzondering,
waarin hij zich hield, de blijkbaro weerzin dien hij toonde om
hun te woord te staan bij eeno onvermijdelijke ontmoeting, schrikte
hen voor goed af. Madeleine moest ook hier weer verzoenend en
vergoelijkend tusschenbeide treden, opdat men geeno valsche
onderstellingen plaats mocht geven over de oorzaken van deze
terughouding; maar zjj kon niet verhinderen, dat het gerucht
zich onder hen verspreidde, dat de Schepen menschenschuw was
geworden uit wanhoop en zelfverwijt.
Wat Gerard de 1\'reys betreft, aan diens bijzijn scheen hjj nu
reeds gewoon; hot was de broeder van Frank, dien hij, na de
redding zjjner dochter, als zoon had lief gekregen; die zijn bloed
had gestort voor het behoud der stad; en daarbij, deze had zelf
geleden, deze was niet vreemd aan de zielsstemming van de la
Geneste on wist hem te vatten, somtijds af te leiden; ook toen
Gerard den Schepen ontmoette, ontweek hij hem niet en boant-
woordde de vraag naar zijn welstand zelfs mot te zeggen :
„liet gaat goed met don patiënt, niet waar?"
„Hoe kan hot ook anders zijn, bij zoo goede verpleging als
hij geniet ! ..."
„Madeleine doet haar best en dat is zjj hem ook schuldig.
Uw broeder is onder allen de eenige, die alles voor ons gedaan
heeft wat in zjjn vermogen was."
„De gelegenheid faalde anderen, niet de wil."
De la Geneste gaf geen antwoord; hij liet alleen een hm! hooren
en scheen willens zich te verwjjderen, maar Gerard hield hem
staande door te zeggen :
„De Commandant was voornemens geweest mij te vergezellen
en u een bezoek te brengen, doch kreeg verhindering."
„Laat mijnheer de Gouverneur zich de moeite sparen; wij doen
hem hier al overlast genoeg."
„Hoe kunt gij zóó sproken, Messire de la Geneste\'i hij acht het
een voorrecht, als hij iets kan doon voor do ongelukkige burgers,
die hier schuilplaats zochten; hoevoel te meor waar hot schopen
de la Geneste geldt."
„Daar is geen schopen de la Geneste meer!" riep deze op
eens met eene stom, waarin al do bitterheid zijner ziel trilde; „of
wilt gij mij schepen maken van eene Spaansche stad t" Zoo was
het; doffe onverschilligheid werd alleen afgewisseld door heftig-
heid, als de ééne gevoelige snaar werd aangeroerd.
Madeleine schrikte van de scherpheid der stem, en fluisterde
Frank zoete woordekens in, om hem rustig te houden.
„Dat Hoey in Spaansche macht is, wie onzer wien\'t niet in de
-ocr page 341-
329
ziel grieft," verrolgdo Gerard zonder aan dien uitval te hechten;
„maar wat Héraugière betreft, beoordeel zijn goeden wil niet naar
de onmacht waarin hij zich bevindt, om te handelen zooals lijj
wenschte."
Tot éénig antwoord nam de la Geneste zijne plaats in bjj den
haard, en sloeg den met bont geroerden tabbaard dicht om do
leden heen, als iemand die het koud heeft. Zwijgend bleef hij in
\'t ruur zitten staren, totdat Gerard, die het hem tot taak scheen
te stellen hem afleiding te verschaffen, hervatte :
„Er is nieuws in de vesting, Messire! een bezoek datdenGourer-
neur hoogst welkom is en waarran hij zich roei goeds belooft.1*
De la Geneste nam zich de moeite niet om eene vraag te doen:
mogeljjk had hij niet eens geluisterd.
Frank daarentegen had de ooren gespitst, ondanks de poging
van Madeleine, om zijne opmerkzaamheid af te wenden.
„Ritmeester Bacx is gekomen!" hernam Gerard, en rekende
voor \'t minst op een uitroep van verrassing, maar de Schepen
sprak alleen mot eeno zachte, doffe stem, en alsof\' hij het in
zich zelf zeide :
„Ritmeester Haex had niet moeten heengaan."
Maar Frank had verstaan. „Dat zal hier bljjdschap geren!" riep
hjj uit, met een koortsachtigen gloed op de wangen, en zijne
glinsterende OOgOn op Madeleine vestigend, die \'t op zich zelvo
verkrijgen kon om te antwoorden: „De blijdschap zou zeker
volkomen zijn, zoo hij zijne ruiters met zich had gebracht."
Er was snijdende ironie in haar toon, en toch Frank zuchtte,
Frank had op eens genoeg van zijne hoendersoep, en liet mat
en moedeloos het hoofd in de kussens vallen.
„Maar juffer! dat /* zoo\', hij brengt een vaan ruiters mee, heb
ik Wouter Willomsz hooren zeggen," sprak Gonda naïef.
„Praatjes uit de hoofdwacht," verzekerde Gerard; „de ritmeester
is alleen gekomen; maar naar ik Héraugicre heb hooren zeggen,
is hij zelf een vaan ruiters waard!"
„Kom, Jonker! dat is Gonda\'s kookkunst gcene eere aange-
daan; mi al uitscheiden!" knorde Madeleine.
„Ik heb geen trek meer," antwoordde do verwonde zieke op
verdrietelijken toon.
„Maar dan moest gjj toch een enkel teugje nemen van dien
goeden ouden wijn, dien de Gouverneur zelf voor u heeft laten
brengen," hield zij aan.
„Nu weet ik wat uw fluisteren met Gonda zooeven te betee-
kenen had," hernam Frank, met de onverzettelijkheid van een
dwingend kind. „Ik zal niet drinken voor gij mij zegt dat ik ge-
lijk heb."
„Nu ja! gij hebt gelijk; wat heeft dat te beduiden? Haal u
-ocr page 342-
930
zclven nu maar geen dwaasheden in \'t hoofd, waar gij de koorts
van zoudt krjjgen."\'
„Alsof men naar willekeur verzetten kon wat ons onrust aan-
jaagt,\'\' hernam hij knorrig.
„Eilieve Gerard! kom hier bjj mij."
«Wat wilt gjj, Frank!\'"
„Weet gij mij te vertellen wat de ritmeester hier eigenlijk
komt doenl-\'\'
„Daar weet ik niets van te zeggen; hij verlangde met den
Commandant alleen te zijn, en ik moest gaan..."
„Natuurlijk! voor hem moet alles wijken."
„En hoe zag hij er uit, de groote man, de beminnelijke held?"
De ziekelijke gevoeligheid van dat geschokt gestel sprak zich
uit in dien vreemden, scherpen toon, dien hij als scherts trachtte
te doen voorkomen, want hij lachte, maar hjj lachte met tranen
in de oogen.
«Hoe hij er uitzag!\'" hernam Gerard, even de schouders op-
halende. „Och, een groot forsch man, precies de Zeeuwsche
schipper, waarvoor hjj zich uitgaf!"
Hij die beschrijving schoot Madeleine op eens in een luiden,
schrillen lach; maar het was zulk een, waarbij tegeljjk tranen
ontwellen, die zij trachtte te verbergen, door het hoofd naar Gonda
om te wenden.
„Dank voor uwe hulp, Gonda; de Jonker heeft niets meer
noodig; breng uw licht maar ter zijde; wilt gij even vooruitgaan.
Ik kom straks bij de andere zieken ..." Dit alles sprak zjj ras
achtereen, of ze op die wijzo hare zwakheid wilde doen ver-
geten.
„Aardig! alleraardigst! onbetaalbaar!" riep Frank, met eene
stem, schor van drift en aandoening; „de aangebeden held, de
Mars van hot Staatsche leger een Zeeuwsche schipper! O, Gerard!
Gerard! gij weet niet wat gjj zegt, en hoe slecht gij hier uw hof
maakt; als gij dezen nacht bij mij waakt, zal ik u allerlei nieuws
vertellen van dien Zeeuwschen schipper."
„Gjj zijt wat al te opgewekt, Frank!" sprak Gerard het hoofd
schuddend, zijne brandende oogen en zijne gloeiende wangen
gadeslaande.
„Frank de Preys!" voegde Madeleine hem toe met zekere
forschheid, „als gij dus voortgaat, en niet rustig wilt zijn, maakt
gij u zelven erger en al mijne zorg nutteloos. Heer Gerard, ik
moet onzen patiënt een uurtje aan u overlaten, maar wat ik u
bidden mag, praal niet met hem; ik verbied het, Frank,
hoort gjj!"
„Ja, Madeleine! maar... gaat gij nü heen, nut" vroeg hij op
droeven, klagenden toon, en zag haar aan met zielsangst in den
-ocr page 343-
831
blik. Zij legde hare hand op zjjn voorhoofd, als om hem te be-
daren; het was klam koud, ondanks den stijgenden koortsgloed.
„Doet het u verdriet dat ik heenga?"
„Neen — ja! — gij vraagt diitü!"
„Nu dan, wees gerust, ik zal blijven!"
Gonda, die reeds in \'t voorste vertrek was geweest, keerde nu
schielijk terug.
„Kitmeester Bax wensehte even binnen te komen!" kondigde
zij aan.
De onvoorzichtige! zij had niets van het stille drama begrepen,
dat voor het ziekbed werd afgespeeld.
Frank werk vaalbleek, sloot de oogen, klemde de lippen samen,
en boog het hoofd, als viel de genadeslag.
„Kitmeester Bacx kan niet ontvangen worden," sprak Madeleine
luid en vast, zoodat haar antwoord in het voorste vertrek kon
verstaan worden.
„Juffer! Juffer!" riep Gonda in verbazing, „diit durf ik niet
overbrengen; niet welkom! die nobele Heer!"
„Ritmeester Bacx kan mij niets te zeggen hebben wat ik wil
aanhooren, Gonda!" hernam Madeleine, nog harder en vaster,
„zelfs al ware ik niet met don gekwetste bezig."
Gonda haalde de schouders op en ging heen met de boodschap,
die reeds ontvangen was.
Bacx stond bij een stoel goleund. Hjj hoorde het stamelende
meisje aan met een blik, of hjj haar niet begreep, keerde zich
snel van haar af en ging heen, zonder een woord te spreken.
„O, Madeleine!" riep Frank, op een onbeschnjfelijken toon
van weemoed en blijdschap; hij had zich van hare hand mees-
ter gemaakt, en zijne brandende lippen overdekten die met kussen.
Madeleine scheen het niet te bemerken; zjj liet hem begaan;
slechts liet zjj zich neervallen op den stoel bij het ledikant, als
ware zij te vermoeid om te blijven staan; zij zag niet naar Frank
om, maar staarde strak voor zich uit, naar Gerard de Preys, zonder
hem te zien.
„Madeleine! Madeleine!" herhaalde Frank, nu uit zich zelfde
hand vrij latende, die hem niet was betwist. „Vergiffenis, uwe
vergiffenis; nü zal ik slapen."
„Ja, Frank! dat is goed; ga gij slapen! bracht zij uit, maar
de woorden gleden haar werktuigelijk van de lippen; ondanks
hare belofte, was zjj eigenlijk niet meer bij het ziekbed.
Nadat hij Wauterniaux had laten vertrekken, was Héraugière
blijven zitten, met de beide handen, voor de oogen en de elle-
bogen op de tafel gerust, of hij zijne gedachten wilde verzamelen
en zich geheel van het omringende afsluiten. Uit deze diepe, en
-ocr page 344-
S32
zeker niet liefelijke overdenkingen, rees hij ten laatste met wat
drift op, liep eenige malen de kamer op en neer, en scheen juist
voornemens die te verlaten, toen Bacx binnenstoof, zoo bleek en
zoo ontdaan, dat Héraugière zelf er van schrikte.
„Wat is er gebeurd, ritmeester; wat scheelt u?"
„Niets; volstrekt niets!" en hij schonk zich een beker wijn in
en stortc die naar binnen.
„Om niet» zou ritmeester Bacx bleek zien!" en Héraugière
haalde ongeloovig de schouders op.
„Ik!" vroeg Bacx; en een purperen gloed vloog hem over \'t
gelaat, die voor \'t oogenblik Héraugière in \'t ongelijk stelde.
.Zijn de Spanjaarden in de vesting?" schertste Héraugière,
zelf gerust op de valschheid van zulk eene onderstelling.
„Dat gave God!" zuchtte Bacx; „dan .. . had ik wat te doen."
„Hm! omtrent de verhooring dier bede ben ik het niet met
u eens; maar toch ik wil weten wat het is, dat u dus buiten u
zelven brengt."
„De aangelegenheden van do vesting zijn er buiten, en ...\'t ia
het oogenblik niet, om van mijne particuliere zaken te spreken ..."
„Als \'t iets is dat u persoonlijk betreft, dan stel ik er zooveel
te meer belang in, Marcelis!" sprak Héraugière, met deelneming
zijne hand vattende.
„Xu dan, ik ben doodelijk gekrenkt..."
„Gij! en door wien?"
„Door eene vrouw!!"
„Door eene vrouw!! Gij!!" herhaalde Héraugière, en staardo
hem met verbazing aan.
„Ja! door Madeleine de la Geneste!"
„Kn... wat hebt g|j gedaan?" vroeg Héraugière levendig, en
zelfs met onrust, want Bacx kon heftig zijn, als hij getergd werd.
„Dat ziet gij!" hernam deze, en zijne oogen waren vochtig,
en zijne doodsche bleekheid nam nog valer kleur aan.
„Ja, Bacx! nu hebt gij gelijk; het wordt tijd dat de Spanjaard
van zich laat hooren!" sprak Héraugicre zeer ernstig, „maar ik
bid u, spreek u uit; zeg mij hoe het is toegegaan."
„Zij heeft mjj niet willen zien, niet willen hooren, weer niet!
dat is nu voor de derde maal; begrijpt zij dan niet, dat het eens
voor de laatste maal zal zijn!" en hij stampte met den voet op
den grond; bij de herinnering zijner grieven nam de toorn de
overhand op de smart.
„Herhaaldelijk tot haar weergekeerd; gij!" riep Héraugière,
hem opnieuw gadeslaande met een blik die do hoogste verwon-
dering uitdrukte.
„Ja! en telkens opnieuw verstooten!" antwoordde Bacx, op den
toon dor diopsto verslagenheid; „is het niet vreemd?"
-ocr page 345-
:cs:i
„ Maar wat m jj het moest bevreemdt, is, dat gjj het u zóó aantrekt."
„Wat wilt gjj! Ik ben hier gekomen om haar!"
„Eenc vleiende liekentenis voor mij!" hernam Iléraugière met
cene poging tot seherts.
„Die gij versehoonon zult, als gij weet wat liefde is," sprak Bacx
met eenc zachte bewogene stem.
„Of ik dat weet! wel zeker; als ik narekenen ging, geloof ik
dat ik misschien wel twintig malen verliefd ben geweest. La
bruut\' ft la blonde f
gij verstaat mij... maar dat ging toch zóó
diep niet!"
„Nu ja! dat is de geschiedenis van iedereen; dat bedoel ik
niet; maar... gij zijt... getrouwd; eene mooie jonge vrouw, uwe
Maria; hoe was het u, eer gij van deze verzekerd waart?"
Och! wat zal ik u zeggen. De Gouverneur van Breda moest
eene vrouw hebben; Groeneveld en ik waren het eens geworden,
dat hij mij zijne zuster geven zoude. Jonkvrouw Maria had er niets
tegen Mevrouw Iléraugière te worden, en de uitkomst heeft be-
vestigd, dat ik eene wjjze keus had gedaan. Zij schonk mij kin-
deren; zij bestiert mijne huishouding voorbeeldig."
„Een mariage de runmuince.\' dat is wat anders! Ik zie het wel,
gij zult mij niet verstaan."
„Toch wel! ik heb nogal raadvermogen; spreek u gerust uit."
„Neen! ik heb er nu geene behoefte moei\' aan; het is al
voorbij!" Bacx zuchtte diep. „Heloof mij alleen, dat gjj mijne
zwakheid nooit, nooit zult verraden."
„Ik! moet ik u daar nog de hand op geven f sprak Iléraugière,
do zijne drukkende.
„En nu, zeg mij, hoe gjj het verder met dien impertinenten
parlementair hebt gemaakt?" hervatte Bacx, op den toon van het:
portons d\'aittre chose.
„O! heel goed; de verzoeking is doorgestaan; de verzoeker
is afgetrokken."
„Was het cene verzoeking voor u?" vroeg Bacx, belangstellend.
„Ja! dat wil ik u niet ontveinzen."
„Kunt gij mij daar meer van zeggen?"
„Alles, zoo gij mij vergezellen wilt op mijn toer door de vesting."
„Volgaarne."
„Maar het valt mij daar in, dat gij vermoeid moet wezen."
„Vermoeid! ik!"
„De tocht hierheen viel zoo licht niet..."
„Dat is waar, maar rust zou zwaarder vallen!"
Op de zoogenaamde Vlaamschc binnenplaats gekomen, zagen
de officieren daar eeno samenscholing van volk, kennelijk geen
soldaten, want men hoordo schrille vrouwenstemmen druk pra-
-ocr page 346-
934
ti\'iuli\' mannen overschreeuwen, gierende en schreiende kinderen
tusschen een en ander door, en blaffende honden, dat spreekt
vanzelf, want als er iets onder de menschen te doen is dat hen
heftig of woelig maakt, achten deze recht te hebben zich er op
hunne wijze mee te bemoeien.
„ Wat kan dat zijn F\' vroeg Héraugirre; „hier is het kwartier van
de Hoeysche burgerluidjes; hoe zijn ze zoo onstuimig? wat doen
zo buiten? dat is tegen de orde; de wachtmeester verdient een
pluimpje, dat hij zoo goed op het houden der verordeningen toeziet."
Maar de wachtmeester had geene schuld; het was juist om-
dat hij een sergeant en soldaten had afgezonden, om de Hoeve-
naars tot de orde te roepen, dat zij zooveel beweging maakten.
Zij waren voornemens geweest en corps naar Héraugièrc te
trekken, en zij achtten dat hun groot onrecht werd aangedaan,
nu zij daarin verhinderd werden.
Ook hadden ze nauwelijks den Gouverneur in\'t oog gekregen,
die vooruittrad en hen toeriep, of zij toonden dat zjj zijne tegen-
woordigheid eer zochten dan vreesden, want in eens was hij
omsingeld, en alle vrouwen die niet gilden, schreeuwden tegelijk
onverstaanbare klanken in haar eigenaardig patois; ook de man-
nen praatten verward door elkander, en Héraugiire, die van
\'t een noch van \'t ander een woord kon verstaan, maar alleen
aan hunne levendige, smeekende gebaren zag, dat ze iets van
hem verlangden, beval stilte, en toen die gevolgd was, sprak hij :
„Burgers van Hoey! waartoe al die opschudding? O ij zij t hier
gasten, en moet u behoorljjk gedragen, u onderwerpen aan do
ordonnantiën, en u niet verzetten tegen de soldaten, die u daar-
aan herinneren. Niemand mag in de vesting buiten zjjn na het
couvre-feu, dan de schildwachten. Begrijpt gij mjj ?"
Ja, zij begrepen hem wel, maar dat was het niet; zjj wilden
wel binnen hunne woningen blijven, maar zjj moesten Mijnheer
den Gouverneur spreken.
„Wel spreekt dan, maar schreeuwt niet allen door elkander;
zóó versta ik er niets van. Laat een van de mannen vooruittre-
den, en zeggen wat er te zeggen is, en laten de vrouwen en
kinderen zoolang met schreeuwen en gillen ophouden."
„Laat Meester Zilbrecht dan spreken!" riepen enkele stemmen.
„Ha! zoo! is Meester Zilbrecht ook onder u? nu, dat is goed;
spreek gij, vriend! en laat ik hooren, wat men van mjj verlangt."
„Och, Mijnheer de Gouverneur! wij verkeeren allen in den
grootsten angst en vreeze; er loopt een gerucht in de vesting,
dat UEdel Gestrenge een verdrag zou hebben aangegaan, om de
burgers van Hoey, dio hier schuilplaats hebben gezocht, aan den
Bisschop over te leveren."
„En wie verspreidt zulk een gerucht?" vroeg Héraugière.
-ocr page 347-
336
Iedereen en niemand, moest het antwoord zijn. Wel werden er
namen genoemd, maar als de personen ter verantwoording ge-
roepen werden, hadden zij het altijd uit de tweede hand, en Hé-
raugière had een paar uur lang met ondervragen bezig kunnen
blijven, zonder de herkomst van die eerste vonk uit te vinden,
die als een loopend vuurtje alle hoofden verhit, alle gemoederen
in vlam had gezet. Ook beproefde Héraugiire het niet.
„Vermoedelijk hebben kwaaddenkenden of kwaadwilligen onder
ulieden hunne gissingen gemaakt omtrent mijn onderhoud met
den parlementair, en achten zich nu gerechtigd, zulke invallen
als nieuwsmaren uit te strooien," hernam hij kalm en ernstig;
.daar is niets tegen te doen; maar ik rade ieder goedgezinde
aan, ze niet voort te zeggen, veel min te gelooven; want woest
er wel gerust op, mijne vrienden! dat ik liever een voordeelig
akkoord met den Bisschop zou laten varen, dan zulk een aan-
gaan, waarbij uwe belangen worden voorbijgezien; en wat u
betreft, Meester Zilbrocht, gij moest de laatste zijn om aan zulke
praatjeB geloof te slaan, en de eerste om ze tegen te spreken,
zelfs zonder mij gehoord te hebben. Ik heb u immers mijn woord
gegeven, dat ik u beveiligen zou, zooveel het in mijne macht
stond, tegen de gevolgen van den dienst, dien gjj mij hebt bewezen."
„Dat is wel zoo, Edele Heer! maar toch..."
„Als ik mijn woord gegeven heb, Meester Zilbrocht, dan is er
geen maar toch ... dat gelden kan. Gij moet dat vertrouwen;
verder een goed voorbeeld geven, en niet met den grooten hoop
meeschreeuwen, bij het eerste vertelseltje het beste, dat uit de
lucht gegrepen wordt. Ziedaar al wat ik u antwoorden kan. En
hiermede, goede lieden, gaat rustig naar binnen, en haalt u geene
ongerijmdheden in \'t hoofd. Wie men hierna betrappen zal op
onruststoken of verzinsels uitstrooien laat ik de vesting uitzetten,
rekent daarop."
Meester Zilbrecht kon met dit bescheid aftrekken, en zij, wier
belangen hjj vertegenwoordigd had, begrepen wijselijk dat zij
niets beters te doen hadden dan den wenk van lléraugicro op
te volgen. Vrouwen en kinderen waren gestild, zoo al niet ge-
troost, en toen de honden de menschen in rust zagen, begrepen
deze ook te kunnen zwijgen. Hiermede was dit tooneeltje afge-
loopen, dat het meest gestrekt had om Bacx wat afleiding te
geven, die, terwijl Heraugière sprak, zich bemoeid had vrouwen
en kinderen te sussen; te zamen vervolgden zij nu hun weg, terwijl
Héraugière sprak: „Dat volkje kan het ons hier nog lastig genoeg
maken; niets is zoo aanstekelijk, als de vrees, en zit die eens in
do lucht..."
„Maar zeg mij, is \'t gerucht op eenigo waarheid gegrond; was
er sprake van zoodanige propositie P"
-ocr page 348-
336
.Gij kont het spreekwoord; geene koe wordt bont genoemd,
«f er is een vlekje aan. Als wij de posten door zijn, zal ik u meer
zeggen."
Nadat zij alle posten rond geweest waren, en alles in orde
hadden bevonden, bleven zjj nog rondwandelen op de voorplaats,
om elkander wederzjjds vertrouwelijke mededeelingen te doen. Het
weer was nu kalm geworden en de sterren schitterden aan do
strakke blauwe lucht. Arm in arm gelegd, konden ze praten met
gedempte stem, voor dergeljjkü mededeelingen ook het best ge-
schikt. Maar al hadden ze hardop gesproken, er was geen men-
scheljjk wezen in den omtrek, om hen te beluisteren; de schild-
wachten in \'t ronde waren te ver af, en al wat overigens in \'t
kasteel huisde, was binnen de muren; do soldaten in de kazernen
en in do wachthuizen, de officieren in hun logies. Bacx scheen
nu zjjn hart aan llc\'iaugicre te hebben uitgestort, want deze sprak
als resultaat van hun onderhoud: Neen, Marcelis! dat kan zoo
niet blijven; ik moet morgen toch een onderhoud met den Sche-
pen hebben; sta mjj toe, dan ook een woordje met zijne dochter
te wisselen, en eens te onderzoeken w:it daarachter steekt. Mjj
zal zij toch wel ten antwoord staan! Ve»tri\'\'Sahit-ijris.\'ien Gou-
verneur van de vesting!"
„Als gij mij dienst wilt doen, Héraugiïre, spreek dan vooral
niet in die kwaliteit; geweld is zeker wel het slechtste middel
om het geheim van een vrouwenhart te ontdekken."
„Neen, maar ik kan tot haar spreken als de man, die zjjne
belangen heeft terzijde gesteld voor het behoud van haar vader,
voor de vrijheid harer moeder...\'\'
„Zijt gjj wel zoo zeker van dit laatste, na den afloop van uw
gesprek met Wauterniaux ?\'\'
„Daar zegt gij zoo iets... het was cene inleiding om mij te
winnen; sinds ik niet toegaf, is het mogelijk dat zij ook hun woord
niet houden; maar toch... ik heb de geschreven verklaring, en
die slimme zot is een eerlijk man."
„Het zal toch voornamelijk aan zijn meester staan; in uw ge-
val vleide ik ze niet met die hoop vóór gij zekerheid hadt."
„Het zou zijn om ingang te vinden bij Madeleine!"
„Neen! neen!" riep Bacx met zekeren schrik; „allerminstaan
de voorspraak van wie ook, zou ik eene verzoening willen dan-
ken; de cenige dienst, dien gij mij doen kunt, mijn vriend! is,
van mjj te zwijgen.... beloof mij dat."
„Volgaarne; als gij het dan zelf maar uit uw hoofd kunt
zetten."
„Het is mijn vaste voornemen, niet meer daarop terug te
tomen."
„Dat is wat anders... dat zal zeker ook het beste zijn. Koele
-ocr page 349-
337
versmading is de beste wederwraak, mogelijk de beste krijgslist.
Al sprekende waren zij gekomen tot den ouden wachttoren,
bijkans over de rots hangende, waar Paets en Rosse Jan hunne
inklimming hadden gewaagd.
„Ik heb die zoo goed mogelijk laten versterken, en er ligt nu
volk in," sprak Héraugière; „bij verrassing althans zullen zij mij
de vesting niet nemen!"
„Dat geloof ik wel!" gaf Bacx verstrooid ten antwoord en
zweeg.
Te midden van de stilte hoorde men de klok van de Cathedrale
te Iloey twaalf ure slaan, na eenige seconden kondigde ook de
kapel van \'t kasteel met fijne schelle slagen datzelfde uur aan.
„Reeds middernacht!" sprak Bacx; „wat de tijd omgaat!"
„Ja! middernacht. Wilt gij nu niet uw naehtkwartier betrek-
ken? Meester Halewij n zal wel voor eene goede kamer zorgen.
Ik... ik moet vooreerst nog wat hier blijven."
„Welnu! dan blijf ik bjj u. Ik ben in den laatsten tijd gewoon
geraakt om van den nacht mijn dag te maken!"
„En ik heb geen plan om te gaan slapen; ik ben veel te nieuws-
gierig, hoe deze nacht zal afloopen."
Nog had Héraugicre niet uitgesproken, of een schot dreunde
door de lucht, en men zag de lichtende streep van een kanonko-
gel, die zijn cirkel beschreef en in \'t water neerplofte.
„Dat was niet op de vesting gemunt," sprak de ritmeester koel-
tjes, „of ze hebben slecht gepointeerd."
„Het kwam van den kant waar de Luikenaars liggen, her-
nam Héraugicre langzaam en nadenkend; daarop levendig: het zal
een signaal zjjn; laat ons luisteren, of het beantwoord wordt.*\'
Zij luisterden zwjjgend. Hun geduld werd niet lang op de proef
gesteld. Het signaal werd beantwoord door de Spanjaarden, maar
op eene wijze, die Héraugière verschrikt deed uitroepen:
„Wat is dit! hebben zij het toch gedaan gekregen! hebben zij
geschut op de rotsen geplant! daar moet ik meer van weten." En
hij spoedde zich voort naar de zijde van den wal, die tegenover
de rotsen was gelegen, maar hij mocht turen zooveel hij wilde,
tegen de donkere begroeide hoogten was op dien afstand niets te
bespeuren. Bacx was intusschen nog meer vooruitgesneld, en de
schildwacht riep aan en eischte het parool.
„Ritmeester Bacx," antwoordde deze.
„Het parool en nel ion.\' repliceerde de schildwacht luid en leven-
dig: „Moed en vertrouwen!\'\'
„Ha! meester Nicolaas!" sprak Héraugicre, nader komendeen
dezen herkennende, „als altijd wakker en opgewekt?"
„Tot uw dienst, Commandant! en dat te eer, daar wij van nacht
zeker wat te doen krijgen.\'
I)t: vermaing van Hoey.                                                          22
-ocr page 350-
838
„Dat kan zijn! maar begrijpt gij hoe zij van die hoogte kunnen
schieten!1"
„Commandant\' ik heb in mjjne eenzaamheid „mirakel I" geroe-
pen. Ik geloof, dat zij zich genesteld hebben in het klooster van
de Heilige Drieëenheid, vlak hiertegenover I"
„Dat zou kunnen zijn!" riep Héraugière; „reHtre-saint-gris / en
dan verwijten zjj mij nog, dat ik kloosters heb laten sloopen; het
eenige dat ik gespaard heb, gaat heulen met mijne vijanden!"
„Que voulez vohs, Capitainel ml majorem Deigloriam! Ze zullen
daar hun I\'aasch willen houden."
„Nu geloof ik, dat Wauterniaux gelijk heeft," fluisterde
Héraugière Bacx in; „de vastenavondsklucht zal niet tot I\'asehen
kunnen duren I"
„Meent gij dat!" riep Bacx, smartelijk verrast.
„ Ik weet wat ik zeg! Zij daar ginds hebben een meesterstuk
verricht; maar ons komt het zeer ongelegen!" Hij bleef een oogen-
blik in gedachten. „Toch zullen wij kampen!" hernam hjj, het
hoofd fier en met levendigheid opheffende. „Ritmeester! wilt gij
mij tot adjudant strekken en mijne orders naar de hoofdwacht
brengen ?"
„Gebruik mjj zooals gij wilt; wat zijn uwe bevelen?"
Terwjjl de beide officieren zich met elkaar onderhielden, sprak
Nicolaas in zich zelf, naar het klooster op de rotsen heenzionde:
„Ziezoo! als ze van daaruit nu weer praatjes beginnen, zal de
Commandant laten antwoorden!" Maar nog eer hij de gedachte
had uitgesproken, werd zijn gehoor getroffen door een geluid, dat
hem eerst de ooren deed spitsen en aandachtig luisteren; daarop
liep hij voort met snelle doch zachte schreden tot aan de uiterste
overhangende rots, en Héraugière ziende, die, verwonderd over
dit gedrag, hem eene vraag wilde doen, gaf hij dezen zijn musket
over en wierp zich plat op den grond, zoover mogelijk zich buk-
kende over de steilte heen.
„Wat kan het zijn?" riep Héraugière, hem volgende; het geluid
had ook zijne nieuwsgierigheid gaande gemaakt.
Het was nu eens een dof, een dreunend gebons, dan weer
een schel geklikkak, alsof ijzer op steen werd gewet; en in de
diepe stilte van den nacht, waarin alle geluiden zoo scherp uit-
komen, onderscheidde het geoefend oor van Nicolaas vrij duidelijk
het driftig, maar afgebroken getik in de diepte. Tegeljjk klonk
er iets naar boven als een gedruisch van vele gonzende bijen-
zwermen, dat vermoedelijk moest veroorzaakt zjjn door eene groote
woelige menschenmassa, die daar beneden joelde, tusschen de stad
en de vesting.
Na eenigo minuten luisterens, waarbjj Héraugière in gespannen
verwachting de bewegingen van den jonkman gadesloeg, die zoover
-ocr page 351-
338
naar boneden was gekropen, als maar eenigszins mogeljjk was,
zag hjj dezen zieh opheffen met een uitroep van toorn en spijt.
„Wat is er?" riep Héraugière hem toe.
„Commandant! dat zijn de l.uikcnaars; die u een leelijken trek
komen spelen!"
„Niets is inderdaad zoo gevaarljjk, als het gevaar dat men niet
kent!" sprak Héraugirre, de wenkbrauwen fronsende van ongeduld.
„Zoo is het! fTnf soitntc im\'iif.\' De mijnwerkers zijn gekomen!
Denkoljjk willen zij de fondamenten ondergraven!"
„Van \'t kasteel? Dat is niet mogelijk!"
„De rotsen in de diepte, dat is zeer mogelijk voor hen! En
blijkbaar zijn zij niet met hun tienen of twintigen, maar met
honderden!"
„Een onvruchtbare arbeid!" sprak lléraugii\'re, laatdunkend de
schouders ophalend.
„Helaas! neen!... langwijlig maar... zeker! Ze eindigen met
er kruit in te brengen, en ..."
„En... ik zou dat straffeloos toelaten?"
„Gjj kunt op do rotsen laten schieten, Commandant! maar
daaronder, daaronder zit het kwaad! En... uw kanon bereikt de
mjjnwerkers niet!"
Het antwoord van Héraugière toen hij Xicolaas zijn musket
teruggaf, luidde niet als een zegenwensch over de Luikenaars bij
hunne uitvinding.
Maar het was niet meer te verstaan; men hoorde de trom
roeren in de vesting; musketiers, speerruiters, soldaten van allerlei
wapens trokken naar de verschillende posten op de wallen om
die te versterken; de kanonniers kwamen aanrukken en plaat-
sten zich bij de stukken; de officieren omringden den Comman-
dant, die hun hoofd voor hoofd zjjne orders gaf.
Opwekkelijko krijgsmuziek liet zich hooren. De vijand moest het
weten, dat men op het kasteel wakker en... vroolijk was.
-ocr page 352-
HOOFDSTUK XIU.
Zoo ras de prachtige lentezon zich uit hare sluiers van nevelen
en wolken had losgescheurd en zegevierend haar gloeiend licht
uitgoot over berg en dal, werd het vermoeden tot zekerheid:
het was den Spanjaarden gelukt, geschut te planten op de rotsen,
vlak over het kasteel, of - meer juist - het klooster der Fran-
ciscancn, door zijne ligging de vesting domineerende, was in een
fort herschapen, en over den zwaren, van rotssteen opgetrokken
ringmuur, die den kloostertuin beschutte, spalkte zestien vuur-
inonden hunne grimmige kelen wijd open om verderf en ver-
woesting uit te braken en jammer en ellende te brengen over het
liefelijk Maasdal. Want al was het steile vestinggevaarte het
eigenljjke doel van dit vernielingswerk, het werd niet altijd gc-
troffen, on het klniskcn aan don voet dor rotsen, zich veilig
wanende in zijne nederigheid, liep gevaren, die de moeder, over
de wieg van haar kind heengebogen, door gebed en tranen
trachtte te bezweren, en de kogel, naar het met jjzcr beschutte
hoofd van den soldaat gericht, raakte wel eens de onbeschermde
kruin van den daglooner, die zich vreedzaam naar zijn werk begaf.
„\'s Ist Krieg! \'s ist Krieg!
„O! Gottes Engel wehre
„Und reile du darin ..."
mocht al wat binnen en rondom Hoey woonde, wel sidderend
uitroepen; want ook als men uit de vesting antwoordde op die
vinnige toespraak, liep de stad en de landstreek gevaar.
Jammer van den liefelijken voorjaarsdag, den eersten dien de
luimige Maart goedvond te schenken, dat hij door kanongebulder
en woest krijgsrumocr moest bedorven worden. De natuur gaf
haar eersten lentegroet en de menschen hadden geen juichtoon
voor hare mildheid, geen oog voor die kleuren on tinten, die zij
-ocr page 353-
341
om hen heen tooverdo; Reen glimlach tot dank voor die kocstc-
rende zonnestralen; zij konden alleen hunne aandacht richten op
de snelste en zekerste wijze om elkander ter verderve te brengen!
De Franciscanen, wier klooster genoemd was naar het diepste
en teerste mysterie van het Christelijk dogma : de Drieëenheid,
moesten het aanzien, moesten er toe meewerken wellicht, dat hun
aloud eerbiedwaardig verbljjf tot het moorddadigst gebruik werd
aangewend; dat wild krijgsgejocl do diepe stilte verstoorde in
die gangen en gewelven, waar in de dagen van boete en vasten,
die het hooge 1\'aaschfeest voorafgingen, niets had moeten weer-
klinken dan het miserere en de boetpsalmen; maar een enkoio
vrome monnik, in zjjne cel teruggetrokken, mocht zulke bespie-
gelingen maken, in de vesting was wel niemand, die er zich aan
overgaf. .Men had daar wat anders te doen\'. Alles was er leven
en beweging, en voor mijmerzucht was er geene plaats. Héraugière
zelf was wel de laatste om zich in sombere gepeinzen te ver-
diepen, en men kon het hem aanzien, dat hij nu weer geheel
in zijn karakter was.
Hij moest zich verdriedubbelen, op alles aandacht geven,
onder alles zjjne helderheid van geest behouden, op de gevaar-
ljjkste punten door zjjne persoonlijke tegenwoordigheid zijn volk
aanmoedigen on bezielen; hjj moest klaar zijn met bevelen voor
ieder ongewacht voorval. Wat anderen schokte, moest hem nog
onbewogen laten, althans naar het uiterlijke. Baex was in zijn
element, niet precies als een vischje in het water; een ruiter-of-
ficicr als hij, moest zich misplaatst voelen in de engte tusschen
do vestingmuren,, waar de grootste heldenmoed alleen kon bestaan
in het onversaagd afwachten van \'t gevaar, in plaats van dat te
gaan opzoeken, zooals hij gewoon was; maar toch er viel wat
te doen, er viel wat govaars te trotseeren, er was afwisseling;
in zjjne hoedanigheid van vrijwilliger, kon hjj zijn rang ter zijde
stellen, om eiken dienst te verleenen, die er van hem geëischt
mocht worden. Ondanks zijne Herculische gestalte, snel in zijne
bewegingen, levendig en voortvarend zonder gejaagdheid, scheen
het of hij zijn leedwezen van slechts alleen te zijn gekomen, l>c-
toonen wilde door mee te doen voor tien. Meestal ageerde hij
als de adjudant van Héraugière, maar niet zelden ook nam hjj
\'t commando op zich over een post die bijzondere waakzaamheid
eisehte. Afgelost, was hij het niet, die de rust zocht. Vaak nam
hij dan een vermoeid musketier het zware vuurwapen uit de hand
en deed dienst in zijne plaats. Moest een onbruikbaar geworden
stuk van do affuit worden gelicht, de lichaamskracht en de be-
hendighoid van ritmeester Boox kwam te stade; zonk een ka-
nonnicr getroffen neer, hij nam zijne plaats in, opdat do dienst
niet word vertraagd. In één woord, overal werd eenigszins op
-ocr page 354-
:i42
zijne hulp gerekend, en niemand riep haar tevergeefs in. Was
onder dat alles de sombere nevel, die zijn gemoed drukte, op-
getrokken, als de ochtonddanipcn na zonsopgang? Zeker is het,
dat hij geen tijd had om over de geledene grieve na te denken
en den prikkel daarvan te voelen, terwijl rust heilzaam geaeht
wordt voor alle wonden ...
Maar niemand smaakte meer voldoening te midden van het
krjjgsgewoel dan flcrard de l\'roys.
Op het roeren van de alarmtrom had hij de nachtwake bjj het
ziekeleger van zijn broeder verlaten en was naar den voormuur
gesneld, waar hem weldra de gewenschte taak werd opgedragen,
vuur te commandeeren op de gehate Spanjaards. Wist Ilcraugicre
de gevaren onder de oogen te zien en er mee te rekenen zonder
zieh te ontzetten; paarde hij kloekheid aan beleid om ze af te
weren: gedroeg Baex zieh als een die ze niet zag of niet telde;
(ierard de Preys zocht ze op met de vermetelheid van zulk een,
die met het leven heeft afgerekend en die besloten is te sterven
voor een hopclouze zaak, liever dan haar op te geven, llcm was
het opzicht gegeven over drie stukken licht geschut, waarmee
hjj den vijand naar hartelust bestookte, die aan den voet der
rotsen, ter andere zjjde der rivier, een sehansje had aangc-
legd, van waaruit hjj het versterkte wachthuis veel overlast
deed.
Madoloine had intusschen bij Frank de taak van diens broe-
der overgenomen. Hoe toch had zij kunnen rusten, nu het lot
der vesting zoo kennelijk zjjne beslissing naderde? Het eerste
kanonschot, dat dreunend door de klankrijke stcenen muren van
\'t oude kasteel de glasruiten deed rinkinken in haar lood gevat-
sel, was voor haar reeds het begin van het einde. Te meer bleef
zij met onvermoeibaar geduld volharden in haar liefdewerk; maar
haar patiënt was minder geduldig. Hot was ondoenlijk geweest
hem te verbergen wat daar buiten omging; (ierard zelf had hom
niet in dwaling willen laten over de oorzaak van zijn heengaan.
En als nu weiras het gebulder van \'t geschut zijn gehoor trof,
was het of ieder schot hem in \'t harte raakte, dus smarteljjk viel
het hem machteloos daar neer te liggen, terwijl de anderen kamp-
ten en hun moed konden toonen. Tevergeefs vermaande Made-
leine tot ruste en berusting; zijne ongedurigheid steeg tot koorts-
aehtige drift, toen later op den dag zijn luisterend oor allerlei
geluiden en geruchten opving, die zijne fantasie aanleiding gaven
om zich voorstellingen te maken van \'t geen daarbuiten plaats
vond, en in zijne ziekelijke overspanning niet rekenend met eigene
zwakheid, dreigde hij telkenmale op te staan om deel te nemen
aan den strijd. Buiten macht den weerspanneling langer tegen te
staan, had zij de hulp van Gouda en van Meester Zilbrecht moe-
-ocr page 355-
848
ten inroepen, wier vereenigde kracht nauwelijks genoegzaam was
om den verwilderden lijder te bedwingen.
Wij weten niet of hij het deed, maar Héraugière had met alle
recht kunnen klagen, dat zijne vijanden hem van voren en van
achteren bezet hielden en van alle zijden omringden; want de
Luikenaars hadden eene batterij gesteld tusschen de stad en \'t
kasteel, waarmee zij den steilen achtermuur duchtig bestookten,
zonder eenig ontzag voor \'t eerwaard Bisschopspaleis, dat er door
gedekt werd. Het was of zij er nu zelven hun lust in vonden te
vernielen wat de anderen hadden gespaard. De mijnwerkers ook
vervolgden hun onderaardschen arbeid ; een mierenwerk, zou men
zeggen, met opzicht tot do reusachtige steenmassa: maar zij deden
ook voor die nijvere insecten in geduld noch volharding onder,
en wat hun getal aangaat... er was telkens aanvoer van versch
volk en het krioelde daar beneden, als in een mierennest. Niet
vreemd; van het oogenblik af, dat de Bisschop besloten was, den
aanval tegen zijn eigen kasteel mee te doen, waren al de kool-
gravers en mijnwerkers van l.uikerlainl opgeroepen tot dezen
dienst aan hun Vorst, aan hun vaderland. De dorpspastoors en de
parochianen hadden dit als een teuvre mi\'ritoirt\' jegens de Kerk
voorgesteld, en dat zij dientengevolge opgekomen waren als één
man van heinde en ver, daarvoor waarborgen ons hun fanatisme
en de levendige haat, dien zjj hadden opgevat tegen het Staatsche
krijgsvolk. Maar hunne operatie, hoezeer die hare hachelijke zijde
had, werkte te veel op tijd om Héraugière ernstig te bokomme-
ren, nadat hij van de eerste verrassing bekomen was. Onmachtig
er iets tegen te doen, wjjdde hij zjjne aandacht en zorgen daar
waar onmiddelijk gevaar dreigde. Zooals wij ons herinneren,
waren er rondom het kasteel, zoowel uit goed vertrouwen op de
ligging, als om de gesteldheid van het terrein, geene eigenlijke
vestingwerken aangelegd. Het werd alleen beschermd door ont-
zaggeljjk dikke ringmuren, van zware geschuttorens voorzien,
waarvan de poorttoren 1\'Amiette voor de sterkste werd gehou-
den. Maar het was tegelijk dit punt waarop de vijand met do
meeste vrucht zjjn aanval kon richten, sinds hjj het van uit de
hooge stelliug, die het hem gelukt was in te nemen, vrij goed
met zijn geschut kon bestrjjken. Het had dus het vinnigste en het
meest onafgebroken vuur door te staan.
Ook hield Héraugicre zelf, of Baex in zijne plaats, hier voort-
durend toezicht en had er zijne beste krachten samengetrokken.
Het zwaarste geschut, op de vesting aanwezig, was er heenge-
voerd. De kern zijner manschap, zij, wier moed en onvermoei-
baarheid het incest had uitgeblonken, werden steeds aangewezen
om daar dienst te doen; maar al werd het als een eerepost
-ocr page 356-
.144
aangemerkt door de geharde mannen, die er toe uitgekozen wer-
den, een lastpost was het tevens, en de bewijzen dat het een
gevaarljjkc was, bleven niet achter.
„Nicolaas, die als vrijwilliger meegeteld werd onder deuitver-
korencn, had met zjjne eigenaardige gevatheid en schalkheid
voorgesteld, dat men een uitval zou doen om die lastige meubeltje»
van den vijand onschadelijk te maken. Maar de scherts kon het
gefronste voorhoofd van Héraugicre niet ontrimpelen. Het klooster
op de rots was geen batterij, die men nemen kon, al had men
honderden tegen hun duizenden kunnen stellen. In dat geval
echter zou Héraugicre toegestaan hebben, dat het ondernomen
werd, en Baex het gewaagd hebben. Het eenige wat zij nu ver-
mochten, was van hunne zjjdo ook duchtig te antwoorden in de
gloeiende tale des vuurs, en dat verzuimden zjj niet, en volgens
Nicolaas was de repliek raak ook; maar wat baatte hun dit?
Voor iedere tien Spanjaarden, die er werden neergelegd, kon
Lamotte er twintigtallen laten oprukken, en elke man, die er aan
de zijde der belegerden sneuvelde, was een onvergoedbaar ver-
lies. Ieder onbruikbaar geworden vuurmond kon Lamotte doen
vervangen door een ander; maar op de vesting moest men zich
behelpen met hetgeen men had, in welken staat het ook ware.
Toch werd de ongeljjke strijd met opgewektheid volgehouden
van de zijde der verdedigers, den gansenen Donderdag en Vrjjdag
door; — de nacht alleen had verpoozing aangebracht en wat
ruste gegund; — honderde schoten waren er reeds op het oudo
muurwerk gelost, en nog was er geen bres geschoten; nog bleek
het proefhoudend, al snorde er ook somtijds een steen of wat
naar omlaag, al sloegen er stukken van de breede borstwering weg, al
lieten leien en spitsen van de kleine muurtorens los, al speelden de
bommen, in de wachthuizen geworpen, daar hun verwoestend spel.
Daar werd dan wel bloed gestort en doffe stervenszuchten gehoord en
menschen het levenslicht uitgebluscht of\'t lichaam verminkt, maar
dat waren de natuurlijke uitkomsten van het oorlogsgeweld,
waarover men, als bij zwijgende afspraak, overeengekomen was
zich noch te verwonderen, noch te beklagen; de muren zwichtten
«/>/, dat was het voornaamste, en zoolang de breede voormuur
met zijn sterke poort en toren het hielden, was er nog geene
reden om den kamp op te geven. Héraugièro zelf, naar wiens
berekening iedere dag, die onbezweken was doorgestaan, eene
winst was, begon een zweem van hoop te vatten, dat hij zijne
gewaagde uitspraak omtrent de onneembaarheid van het kasteel
bevestigd zou zien, en Zaterdagmorgen in de vroegte, eer nog
de vijand zijn vuur hernieuwde, beklom hij den hoogsten toren-
trans van \'t kasteel, met de geheime hoop, dat zijn scherpziend
oog, door het kunstglas van Jacob Adriaansz verscherpt, in \'t
-ocr page 357-
346
verre verschiet iets zou kunnen bespeuren van naderende hulp
uit het Luxemburgseho. „Anne nm\\aoeurt nc roitt tn rien ven/r?"
Maar niets, niets! waar hij zijn lvnxenblik ook wendde, dan de
Spanjaarden, onbewegelijke rotsen, het liefelijke dal en de schoone
landsdouwe, waar Maas en Hoyoux zich doorheen slingerden.
Nergens eenig voortceken van aanrukkend krijgsvolk, dat hoop
gaf op versterking. Overal stilte, doodsehe eenzaamheid, behalve
in de onmiddellijke nabijheid van het oorlogstooneel, waar men
zich reeds bereidde tot nieuwe schrikwekkende vertooningen.
Als Bouillon willens ware woord te houden, moest h|j al hier
z|jn! Het zijn immers geen zeven dagmarsehen van Sedan her-
waarts heen, en al ware dat zoo, als de nood het eischt, kan
de soldaat wel tot nachtmarschen worden verplicht!" sprak hij
teleurgesteld bjj zich zelven, toen hij langzamer dan h|j opgeklom-
men was, benedenwaarts daalde.
Dien morgen was het hem aan te zien, voor wie de sprake
zjjner trekken en houding verstond, dat h|j zich door eenige
sterke preoccupatie beheerschen liet, en dat hetgeen voor oogen
lag, hoe dringend het ook zijne aandacht vorderde, slechts ten
halve zijne belangstelling innam, en toch viel er juist nu iets
gewiehtigs voor. De borstwering, palende aan de grootc toren-
poort, had deerlijk geleden en was door midden gespleten. De
vijand, hoewel hjj z|jn voordeel alleen kon gissen, had het voort-
gezet door eenige snelle, elkander opvolgende schoten, die op
den toren zelf gemunt waren en maar al te goed doel troffen.
Een donderende knal — een ratelend gekletter - daar stortto
de geweldige steenmassa, die de Toren van Amiotte werd genoemd,
ineen, met zoo schel en daverend geluid, dat de ramp, die do
belegerden had getroffen, hun aanvallers triomfantelijk in do
ooren moest galmen. De stecnklompen, die over den muur heen
op de rotsen neervielen, kwamen als vermorzeld puin naar be-
neden en deden de zorgelooze Spanjaarden niet de minste schade,
die zich met tergende vermetelheid dicht in de nabijheid van den
oever der rivier hadden gewaagd. Dit geschiedde echter niet
straffeloos, want het vuur dat Oerard de I\'reys bleef onder-
houden, ondanks hetgeen er in de nabijheid voorviel, nam ge-
duchte wraak voor de toegebrachte schade. Deze was grooter
dan men zich had kunnen voorstellen, of liever, zij bracht tot
de ontzettendo ontdekking, dat de poort, door de schudding
en afscheuring ten deele verbrijzeld, zoowel als de muur, waar-
mede z|j in verband stond, niet waren wat zij schenen, wat zij
behoorden te zijn, degelijk metselwerk van zwaren steen, laag
voor laag opgebouwd, maar eenvoudig twee tegen elkander over
gestelde steenen muren, waarvan de tusschenruimte met aarde,
zand en steengruis was gevuld, liet deel van den muur dat, mee
-ocr page 358-
346
afgerukt, nu in puin stortte, gaf de kanonniers, die de stukken
bedienden, geheel bloot. Ook waren zij in den eersten schrik
uit elkander gestoven als een hoop wilde eenden, waarop een
schot is gelost, minder uit vrees dan uit eene instinctmatige be-
weging van zelfbehoud, bij den stortregen van gruis en puin,
die als hagelslag op hen neerviel.
„Ik mocht nogal zeggen, dat ik kogelvrij was!" sprak Bacx,
koelbloedig zjjn hoed afnemende en de dikke laag kalk en gruis
afschuddende, waarmee deze overdekt was : „muur tegen zulke
ongure projectielen is mijn arme bever niet bestand; dat ver-
wenschte ontuig dringt door alles heen!"
Maar de koene ritmeester lachte niet, toen hij dit zeide, want
rondziende bemerkte hij, dat er onder de terugwijkende soldaten
sommigen bloedend en gekwetst neerstortten, zoodat zij de tweede
retraite niet eens konden bereiken.
Iléraugicre stond met strakken blik op de puinhoopen te staren.
„De gansche inuur is geen aanzien meer waard! Die ellendige
knoeiers! Ze hebben hun meester nog eerder bedrogen dan
ons!" riep hij op een toon, waaruit wrevel en ergernis klonk.
Daarop keerde hjj zich langzaam af en liep voort als in smartelijk
nadenken verzonken. Bacx stoorde hem daarin door naar hem
toe te komen en aan te spreken :
„Wel, Commandant! dat is een lceljjke misrekening!"
„Ja! \'t is er nog slechter mee gesteld dan ik had kunnen denken."
„Kn wjj hebben hier geen volk om iets aan dat broddelwerk
te herstellen..."
„Och! dat doet er ook niets meer toe! Wat komt het er op
aan, of de zieke wat korter of wat langer ligt te zieltogen, als
er toch geene redding is!" hernam Iléraugicre, een antwoord
waaruit Jiacx zoo diepe moedeloosheid toeklonk, dat hij op lueh-
tigen toon hervatte:
„Drommels neen, Commandant! een goed geneesheer geeft
zijn lijder niet op zoolang er nog leven is! Kr bljjvcn ons nog
twee retraites!"
„Die nergens voor dienen kunnen, dan om lijdelijk den vijand
af te wachten! Daar bedank ik voor! Ojj ziet wel, dat het krjjgs-
volk hier al te veel blootgesteld is om het geschut te kunnen
bedienen; en zoo dat zwjjgen moet... hier, juist hier, dan is
dat wel de vernederendste bekentenis onzer onmacht..."
Iléraugicre sprak dat alles snel en levendig. Maar toen hjj
het gezegd had, beet hij zich op de lippen, als had hij dit gevoelen,
hoewel aan een vertrouwd vriend geuit, toch wel willen terug-
nemen. „Ik maak liever een einde aan dit jammerlijk treurspel,
dan dat ik mij roerloos laat worgen!" hervatte hij op gansch
anderen toon en liep met drift voort.
-ocr page 359-
847
„Commandant! Héraugière!" riep Bacx, hem volgende. «Vang
toch in arren moede niets vreeselijks aan!"
Maar Héraugière gaf geen antwoord, bleef niet stilstaan en
schopte met woestheid een grooten steenklomp uit den weg, die
hem voor den voet lag. Op eens verhief hij zijne stem :
„Bij de stukken, mannen! wie nog moed heeft zijn plicht te
doen!" commandeerde hij met de hartstochtelijkheid van den
speler, die zijn laatste stuk geld op de groene tafel werpt.
Maar zijn bevel werd niet gehoorzaamd. Het had integendeel
de uitwerking om de soldaten, eens door den schrik getroffen,
nog meer achteruit te doen wjjken.
„Dat moet er nog bijkomen! onwil, insubordinatie!" bromde
Baex, Héraugière volgende, die op de soldaten toeging, met den
uitgetrokken degen in de hand.
„Wij zullen ze meester worden, al zouden wij ze met sabel-
houwen naar hun post drijven!" sprak de ritmeester, die Hérau-
gière nu had ingehaald. „Er zijn nog vrijwilligers onder hen,
die een goed exempel zullen geven."
Maar de Bevelhebber, die met zooveel drift was losgetrokken,
op zijne wederspannelingen, bleef als verwezen staan, van schrik
en deernis getroffen, toen hij hen dichtbij genaderd was. Wie
niet gekwetst nederlagen, liepen als razenden rond, stampvoe-
tend van pijn en vloekend van wrevel, als woestelingen, die
zij waren.
Het zand, met kalk, kolen- en steengruis doormengd, dat hen
overstort had, was hun in de oogen geraakt en maakte hen Toor
\'t oogenblik tot een hoop blinden, die, als verwoed door de 011-
uitstaanbare smarten, dooreenliepen.
„Rukt naar binnen en laat u verplegen; droog schoonmaken
is de beste remedie I" riep Héraugière hen toe met eene mee-
warigheid, waaronder zijn misnoegen wegdreef. „Sergeant Wouter
Willcmsz! Meester Xicolaas! helpt die arme kerels voort!"
„Tot uw dienst, Commandant! maar om de waarheid te zeggen,
ik weet zelf niet wat mij scheelt; ik ben zoo wee en wonderlijk,"
antwoordde de laatste.
„Dat verwondert mij niet, brave jonkman!" zei Héraugière,
die hem met bezorgdheid had aangestaard; „er vloeit bloed langs
uw hals en slapen; ga met uw kameraden mee en laat uwe
wonden verbinden."
„Ik kan mjjn post niet verlaten, Commandant!"
„Ik gelast u zulks\', geef mij uw musket, en ik zal in uw post
voorzien!"
Nicolaas strompelde half duizolend voort met het hoopje ver-
wonde soldaten, dat Wouter Willemsz aanvoerde, eigenlijk voor
zich uitdreef.
-ocr page 360-
348
„Ritmeester! ik verzoek u kapitein Balfour te waarschuwen,
dat hij met zijne versehe manschap aantreedt!11
„Gij blijft hier nagenoeg alleen bij de bres," zei Bacx aarzelend.
„Dat doet er niet toe! de vijand schjjnt ons nu met rust te
laten. Misschien moet hij zelf een weinig ademhalen."
„Wellicht maakt hij aanstalten om te stormen," sprak Bacx
onder het heengaan.
„God gave dat hjj het deed! maar hij zal wel wijzer wezen!"
verzuchtte Héraugière, terwijl hij een verstrooiden blik liet gaan
over het musket van Xicolaas. \'t Is waarachtig een jachtgeweer!"
viel hjj uit, en een glimlach verhelderde even zjjne sombere
trekken. „De vrjjwilliger deed wat hij kon, toen hij zijn eigen
wapen meebracht. Ik was zoo even slecht beraden; hartstocht U
een kwade raadsman! Ik kan voor \'t minst met vuren wachten,
tot zij daar ginds het hunne hervatten! Gelukkig! daar is kapitein
Balfour met zijn volk! Bacx is toch een weergaloos adjudant!
hij draaft of hjj te paard zit! daar is hij zelf ook al weer!"
Hóraugicre gaf nu den belangrijken post aan kapitein Balfour
en diens soldaten over, met het wijs bevel om het gevaarlijk
gesprek der vuurmonden niet het eerst te beginnen, maar cordaat
te antwoorden zoodra de Spanjaarden het woord namen. Toen,
Bacx onder den arm nemende, vermaande hij hem met vriend-
8chappeljjken ernst, thans wat rust te nemen; het oogenblik kon
spoedig komen, dat daartoe slechter gelegenheid zou zijn.
Bacx liet zich meevoeren; maar zij hadden geen tien schreden
gedaan, of de beide officieren bleven stilstaan van ontzetting,
terwijl de soldaten bij het wachthuis, dat zij passeerden, gilden:
„een spook! een spook!"
Een spook ? helaas neen! het was iets ergers dan eene ontast-
bare verschijning. Het was een mensch van gelijke beweging aU
zij, maar wiens verward brein hem tot eene radelooze onvoor-
zichtighcid had aangedreven. Het was niemand anders dan Krank
de Preys, die in eene ijlende koorts zijn bewakers was ontsnapt,
aangevuurd door het idéé flxe, dat hij op de borstwering moest wezen.
Bleek als een lijk, met van koortsachtige opwinding gloeiende
oogen, ontbloot hoofd en lange verwarde haren, die ter eenor
zijde verwilderd neerhingen en ter andere zijde als te berge re-
zen; in een grijzen mantel gewikkeld, die hein half van de schou-
ders gloed, overigens in een lang wit hemd gehuld, als ware hot
eene doodswade, was het niet vreemd, dat de ongelukkige ver-
wildcrde lijder door het bijgeloof voor eene verschijning werd
aangezien. Men moest Baex en Héraugicre zijn om de gedaante,
die zich driftig, maar wankelend voortbewoog, onder de oogen
te durven zien; om er den moedigen jongen vaandrig in te her-
kennen. Van een vluchtenden soldaat, die hij voor zich uitjoeg,
-ocr page 361-
849
had hij een zijdgewcer gegrepen en zwaaide daarmee in \'t rond,
roepende met een krjjschende stem, dat men hem den weg niet
versperren moest naar de bres.
„Halt!\'* riep Héraugière, hem in de borst vattende, terwijl Bacx
zich van zijn gevaarljjk wapentuig meester maakte. „ Vaandrig de
1\'reys! wat doet gij hier?"
„Weerhoudt mij niet, lafaards!" riep de lijder en wilde zich
met onnatuurlijke kracht, aan overspanning ontleend, uit hunne
handen losworstelen.
„Gij herkent mjj dan niet! mjj ?" vroeg Héraugière op zaehten,
doordringenden toon.
„Héraugicre!.... Waar ben ik\'! Madeleine!" riep nu de kranke,
plotseling tot zich zelf komende, en zon ineen zijn gezonken,
zoo de forsche arm van Baex hem niet had opgevangen.
„De arme Jonker is in ieder opzicht haar patiënt," sprak de
ritmeester: „geef u geen moeite om mij te helpen, Comman-
dant! het valt mij lichter alleen!" en hij nam den bewustelooze,
die nu niet meer tegenspartelde, op, zooals men het een kind
zou gedaan hebben, en droeg hem weg, terwijl Héraugière volgde.
Reeds op de Vlaamsche binnenplaats kwam Madeleine hen te
gemoet in de grootste onrust en verwarring, gevolgd door Gonda
en Meester Zilbrecht, welke laatste bij het zien van Héraugière
een verschrikt en verlegen gezicht zette; want eigenlijk was hij
de oorzaak van al het gebeurde.
Madeleine had dien nacht met Gonda bij Frank gewaakt, die
in betrekkelijken welstand wakker was geworden; maar het ge-
bulder van \'t geschut had hem op eens weer zijn Ulée fixe in
den zin gebracht, hij wilde opstaan en zich kleeden. Na tever-
geefs beloften en bedreigingen te hebben aangewend om haar
rebellischen zieke onderwerping aan zjjn lot te prediken, en bui-
tcn machte hem langer tegen te staan, had Madeleine Gonda
om den wondarts gezonden en tegelijk Meester Zilbrecht verzocht
opnieuw zijne hulp te verleenen. Do geneesheer had een slaap-
raiddcl ingegeven, de eenigo raad dien hij er op wist om zjjn
patiënt te bedaren; maar zou het goede uitwerking hebben, dan
moest do rust, dio er volgen zoude, onder geen voorwendsel ge-
stoord worden. Dit was Meester Zilbrecht, met allen ernst op het
hart gedrukt, en hij beloofde het voorschrift stiptelijk na te ko-
men, waarop Madeleine, uitgeput van vermoeienis, zelve wat rust
ging zoeken.
Meester Zilbrecht had goeden wil en de beste voornemens;
maar hij was van zijne eigene gemoedsaandoeningen niet mees-
ter; ook was hij verre van een held te zjjn. Iedere dreuning van
het kanon deed hem rillen van angst, en bij dat alles was hij
zoo nieuwsgierig, dat hij geen half uur rustig in de ziekekamer
-ocr page 362-
360
kon blijven, maar telkens, onder allerlei voorwendsels, naar zijn
eigen logies ging om van zijne Hoeysche buren en kennissen te
vernemen wat er voorviel.
Daar Frank nu toch in rust was, liet Gonda hem begaan, te
meer daar zjjne vreesachtigheid aanstekelijk was en haar zelve
de kalmte van geest benam; zij was te zeer vervuld met de ge-
varen en de vermoeienissen waaraan haar geliefde Wouter Wil-
lemsz was blootgesteld, om veel over zich zelve te denken, ter-
wjjl zjj nog rust en veiligheid vond binnen het kasteel. Maar on-
versehillig voor hetgeen daarbuiten voorviel kon zij niet zijn, en
als oom Zilbrecht dan weerkeerde, niet als de duif\' uit de Ark,
met den oljjftak, maar integendeel met telkens sterker gekleurde
verhalen van vuur en zwaard, dan begon haar het hart te klop-
pen en de keel werd toegenepen van angst.
Gelukkig dat de lijder zoo zwaar sliep, want zij had hem geen
goed woord kunnen toespreken in dezen staat.
Weer was de waard uit de Kreeft stillekens ontslipt, en Gonda,
vroom, goed kind als zjj was, nam haar Xieuw Testament ter hand
en zocht troost, zocht afleiding voor \'t minst, in \'t lezen van „Gods.
Woord." Zoo ooit, het was er nu ook de tijd toe! Als met den
dood voor oogen, behoorde men naar God en de Hemelsche din-
gen te vragen.
Wjj durven echter niet verzekeren, dat zij begreep wat zij las,
hoewel zij naar de manier van weinig geoefenden, ieder woord
halfluide uitsprak; maar toch, het gaf haar een gevoel van vei-
ligheid; het was haar of zij zich plaatste onder de onmiddellijke
bescherming van den Goeden Herder, den barmhartigen Heer,
die belofte had gedaan, dat Hij do zijnen niet zou begeven noch
verlaten. Die almachtige Heer, die do beroerde wateren effende
en de orkanen stilde, was Hij ook niet de Machtige om dierbare
betrekkingen te beveiligen tegen den kogelregen des vijands en
nog uitkomst te geven waar geen menschelijke hulp redding
bracht... Het stond toch geschreven, het moest toch waar zijn!...
Gonda las niet meer, maar vouwde de handen en verviel in een
weemoedig gepeins.
„Gonda! Gonda! we zijn verloren! We zijn allen verloren!...
De poorttoren is ingestort!... De voormuur is weggeschoten !...
Al het volk ligt verpletterd onder den puinhoop! ... Ze dragen
de lijken binnen \'t kasteel!... Er is bres en de vijand gaat
stormen !\'\'
Met deze wel overlegde nieuwsmare kwam Meester Zilbrecht,
radeloos van angst, met cene stem schor van ontroering, de rust
in de ziekekamer storen en zijne arme nicht verschrikken; erger,
de zieke was door het misbaar uit zijn doffen slaap opgewekt, en
had genoeg verstaan om er het zjjne van te maken.
-ocr page 363-
361
Het slaapmiddel had nog niet uitgewerkt, maar door den gewei-
digen schok, die den slapende was toegebracht, verloor het den
heilzamen invloed, en deed eene tegenovergestelde uitwerking.
Verwilderd en als met bovennatuurlijke kracht aangegord, sprong
de zwakke lijder, op dit oogenblik de sterkere van zjjn hazcnhar-
tigen oppasser, zijn bed uit, greep een deel zijner kleedingstukken
en schoot Gonda voorbij, die zielsbedroefd en met de handen
voor de oogen op de knieën was gevallen. Deze tweede ontstel-
tenis was voor Zilbrecht het tegengif van de eerste, en hij kreeg
zooveel besef terug om den jonkman na te ijlen, maar... te
laat! Verder dan de beperkte ruimte, waarbinnen de militaire
verordening den burgeren vrjjheid had gegeven zich te bewegen,
durfde Zilbrecht den razenden waaghals niet volgen; liever keerde
hjj terug om Jutter Madeleine te verwittigen van de woeste bui,
die den patiënt zoo op eens was overvallen, en die hij niet had
kunnen keeren.
Gonda liep intussehen de ziekenzaal binnen, om te hooren of
sergeant Willemsz onder de gekwetsten was. Gerustgesteld toen
hij zelf haar daar te woord stond, verfoeide zij zich zelve wegens
hare zwakheid en haar egoïsme, en trachtte dit goed te maken
door Madeleine bij te staan. Bacx sloeg met kennelijke minach-
ting do hulp af, die Meester Zilbrecht hem wilde bieden tot het
vervoeren van den Jonker. Hcraugière, zonder mededoogen voor
de sprekende uitdrukking van Ijjden en zielesmart op het gelaat
van Madeleine, voegde haar met hardheid toe:
„Heb op een andermaal betere zorg voor uw patiënt, jonkvrouw!
zoo gij verlangt, dat ik dien onder uwe hoede zal laten! Ritmees-
ter Bacx heeft hier wat anders te doen, dan de achteloosheid van
anderen goed te maken!" Hcraugière nam de eerste gelegenheid
de beste te baat om zjjn ongenoegen te uiten jegens Madeleine,
aan wien hij het échec van Bacx niet vergeven kon. Madeleine
boog zwijgend het hoofd onder het onverdiende verwijt.
Zij was te hooghartig en te edelmoedig om hare gewichtige dien-
sten, hare onvermoeide volharding te doen gelden tegenover dit
ééne gewaande verzuim. Zij had te veel zelfbewustheid van de
offers door haar gebracht, om zich tot eene verontschuldiging te
vernederen. Héraugière groette stug en ging niet mee binnen. Bacx,
door Meester Zilbrecht voorgegaan, bracht Frank op het ledikant
en vleide hem daar zachtkens neer.
Madeleine was langzaam gevolgd, op Gonda leunende. Binnen-
gekomen, ging zjj in de diepe vensternis zitten, met den rug naar
het ziekbed gekeerd, als kon zij niet besluiten zoo aanstonds weer
hare taak op te vatten. Zij liet het hoofd tegen het koele eiken-
hout rusten, de armen lusteloos neervallen langs de zijden en
onderdrukte den zucht, die haar verluchting had kunnen geven.
-ocr page 364-
862
Op eens stond Bacx voor haar en zag haar aan met een blik,
waarin zooveel ernstig verwijt lag, door zooveel diepe meewarig-
heid getemperd, dat zij dien niet kon uitstaan. Zij bedekte hare
oogen met de handen; men hoorde haar zenuwachtig snikken,
zonder dat zij de verlichting der tranen vond.
.Kun ik u van eenigen dienst zijn bij den zieke?" vroeg hij
met zachte, bewogene stem.
Zij schudde ontkennend het hoofd, maar bleef in dezelfde
houding.
„Zoo wees gegroet!" en hij aarzelde een weinig eer hij voort-
ging. „Madeleine! het staat hachelijk met de vesting; het eerst-
volgende uur kan ons scheiden voor dit leven. Ik zou u veel
willen zeggen, doch gij kunt het nu niet hooren, niet dragen. Maar
gij zelve, Madeleine, hebt gij niet één woord voor mij ? geen en-
kel om vroegere hardheid goed te maken?"
De ernstige, manneljjke stem plooide zich niet tot den vleitoon;
maar er lag eene diepte van weemoed in de vraag, die de fijnste
«naar van \'t vrouwelijk harte moest treffen.
Toch bleef zij zwijgen en liet hem troosteloos heengaan; eerst
toen zijne hand reeds het hangtapijt hield gevat, verkreeg zij het
van zich zelve om hem toe te roepen:
„Wees gedankt voor uwe hulp aan den kranke!"
„Den dank schenk ik u!" was zijn toornig wederwoord, en weg
was hij. Toen kon zij schreien; toen eei\'Bt kwam zij tot bezinning,
tot een rasch besluit, even schielijk uitgevoerd. Zij ijlde hem na
in \'t voorvertrek. Hjj waf er nog, hij stond bij den stoel waar hij
vroeger haar scherp vonnis had aangehoord.
„Ik verbeeldde mij de menschen te kennen, maar het blijkt,
dat ik geen begrip heb van de vrouwen ... zoo zwak ... toch ...
sterker dan wij!" sprak hij halfluid en bracht de hand naar het
voorhoofd, als duizelde het hem; de andere, die achteloos neer-
hing, werd op eens met heftigheid aangegrepen.
Madeleine de la Geneste lag geknield aan zijne voeten en sta-
melde: „Vergiffenis, Mareelis Bacx! vergiffenis! zoo gij lijdt onder
de krenking, mij — kostte zij veel."
Overweldigd van verbazing, van nameloozc blijdschap, wilde hij
antwoorden, maar kon niet; wilde hij haar opheffen, maar reeds
was zjj hem ontsnapt en de ziekekamer weer binnen.
„Bacx is hier geweest! Waar is Madeleine?" schreeuwde Frank.
Het was de kreet der snerpendste smart. Oonda trachtte hem
tevergeefs tot bedaren te brengen.
Madeleine had den strijd geraden, en thans was zij weer op
haar post.
„Daar, tot beschaminge des mans,
„Blinkt voor de vrouw de glorie!.rana."
-ocr page 365-
353
Héraugière nam zijn weg door hot ziekenvertrek, oer hij zich
naar zijn logies begaf. Tot zijne niet geringe verbazing vond hij
daar iemand in functie, naar wiens terugkomst lijj reeds dagen
achtereen reikhalzend, met bekommering, had uitgezien.
„Ojj hier, Ifosse Jan!" riep hij met blijdschap, toch ontevreden
dat men hem van diens aanwezigheid geen kennis had gegeven.
„Ik heb den gansenen morgen aan u gedacht en gij zijt hier)\'"
„Nog zoo lang niet, Heer Commandant! Den voorbijgeganen
nacht heb ik op cene niet onaardige wijze doorgebracht onder
de mjjnwerkers. Eerst tegen den morgen is het mij gelukt hun te
ontsnappen; in de verte zag ik u; gij waart reeds op den wal
en in woordenwisseling met de Spanjaarden; ik vond het jammer
u in dat nobele werk te storen, te meer daar ik hier wel wat te
doen vond. \'t Is een groot gerief, zoo wat van alle markten thuis
te zijn. Ik zou beter mijne proeven bij het chirurgijnsgilde kunnen
doen, dan die lamzalige barbier, dien ge hier hebt. Xiezoo,
Meester Nieolaas ! dat verband is gelegd, laat het er een vier
en twintig uren omblijven, en alles zal goed atloopen; ge komt
met een stijven hals vrij; het had erger kunnen zijn."
„Hebt gij tijdingi\'" vroeg Héraugière, die zijn ongeduld nauwe-
lijks kon bedwingen tot de gulle prater zweeg.
„Voor u alleen."
„Volg mij!" en met alle haast ging Héraugière hem voor naar
zijn eigen vertrek.
„Nu spreek !" riep Héraugière, zich in een stoel werpend. „Wat
heb ik te wachten!\' is er nog kans op ontzet!-"
„Niet de minste!" Ware er iets goeds te melden geweest,
geloof me, ik zou mij gehaast hebben u de blijde boodschap te
brengen."
„Dan is \'t hier gedaan!" riep Héraugière moedeloos.
„Zoo gij u zelven niet helpen kunt, ja! want er komen geen
Kranschen, en de Hollanders kunnen niet komen, al ware \'t ook
dat zij uw dringenden nood kenden."
„Ik kan toch niet denken, dat gij de zaak niet ernstig genoeg
bij Zijne Fransche Majesteit zult hebben aangedrongen!"
„Inderdaad, die verdenking zou zeer misplaatst zijn," hernam
Rosse Jan met al de zelfbewustheid van iemand, die het onmo-
gelijke heeft beproefd. „Ik heb de kleeding en de houding van
mijn vroegeren stand weer aangenomen," hernam de I.uikciiaar
met smartelijke bitterheid, „ten einde te zekerder ontvangen to
worden door den Hertog zelf; ik ben tot I\'arijs toe geweest en
heb de eer genoten, de schoone Gabriélle de hand te kussen:
dit was de inleiding tot een mondgesprek met den Koning, dien
ik brandende vond van ijver voor onze zaak. Hij heeft zelf een
brief geschreven aan den Keurvorst, waarvan hij veel goeds hoopte."
I)c verrassing na H«y                                                                             «8
-ocr page 366-
854
„Hij had soldaten moeten zenden!" sprak Héraugière; „wat
helpt al dat geschrjjf!"
„Dat beloofde hij ook. Bouillon zou binnen acht dagen op-
rukken, en dat was precies hetzelfde bescheid, dat de Hertog
mij gegeven had. Toen ik te Sedan terugkeerde, meenende effect
te zien van die beloften, had Monseigneur Ie Dur wat anders te
doen! Ik zag spoedig in, dat er niets van komen zou en maakte
mij nu op met al den spoed die in mijne macht stond, om u
niet langer in \'t onzekere te laten."
„Maar op welke wijze verontschuldigt Bouillon, de zwager van
Prins Maurits, zulk eene trouweloosheid f"
„Het is geen ontrouw; er hoerscht volkomen goedwilligheid;
maar het blijkt, dat het onmacht is. Het nadere zal u bekend
worden uit de schriftelijko berichten, die ik heb meegebracht."
En Rosse Jan, die zich ditmaal in \'t pak van een mijnwerker
gestoken had, deed zijn lederen schootsvel af, wierp zijn blouse
uit, tornde met zijn zakmes behendig de voering van een der
mouwen los, haalde er een briefje uit, in die schuilplaats vrij
goed geconserveerd, en gaf het aan Héraugière die al zoo ont-
moedigd was, dat hij er niet eens met begeerlijkheid naar greep.
Hij las met de kalmte van ingehouden drift, en toen hij de twee
dicht ineengeschreven blaadjes doorloopen had, wierp hij ze
Rosse Jan toe.
„Lees zelf! ze hadden niet eens zooveel omslag behoeven te
maken, om mij te doen weten, dat ze mij aan mijn noodlot
overlaten! Een kostelijke vond! een groot Koning, een edel-
moedig bondgenoot waardig! als ik het hier maar tot half April
houden kan, mits de Staten van hunne zijde ook het hunne
doen, dan zullen zij mij zekerljjk te hulp komen! Uitnemend,
Sire! uitnemend, Monseigneur! maar ik zal zoo vrij zijn eerst
mij zelven te helpen, en wel op eene wijze, die ulieden voor
altijd van bemoeiing met mijne zaken ontslaat. Meester Halewijn!"
De kamerdienaar kwam schieljjk aanloopen.
„Wat is er van uwe orders, Heer Commandant?"
„Laat kapitein Mario hier komen!"
De Italiaan haaste zich het opontbod te gehoorzamen.
„Kapitein Mario!" sprak Héraugière, „ga den wachtmeester
van \'t kasteel aanzeggen, dat hij de witte vlag opsteke!"
„Pur — Ie— men — tee— ren!" zeide de Italiaan, bij iedere
syllabe rustende van verbazing over dit bevel.
„Precies! dat is mijn voornemen. Zoo de vijand het signaal
vreedzaam beantwoordt en de attaque staakt, zal de wachtmeester
zorg dragen, dat er van onze zijde geen schot meer gedaan worde."
„De verdediging opgeven! Dia! mioT riep de Italiaan harts-
tochtelijk. „Denkt Mijnheer de Gouverneur er wel aan, dat de bres
-ocr page 367-
:!."».->
nog niet wijd genoeg is om den vjjand tot stormen uit te lokken f"
„Denkt gjj er wel aan, Signorï dat gij niet geroepen zijt om
raad te geven, maar om te gehoorzamen!"
De Italiaan zuchtte luid, naaide de schouders op, verdraaide de
oogen, of hij gemartyriseerd werd, en droop zwjjgend af.
Héraugière had zich intusschen van zijne wapenrusting ont-
daan. Kingkraag en pantser schenen hem te drukken, en ieder
stuk dat hij aflegde, tot de oranjosjerp toe, wierp hij achter zich
met eene geste, of hij er nooit weer naar om zou zien.
„Ik wil mij niet langer inspannen voor deze hopelooze zaak!"
sprak hij tot Kosse Jan, die hem zwijgend en meewarig gade-
sloeg. „Ik wil niet, dat er langer menschenlevens opgeofferd
worden aan eene ijdele bravade."
„Ik kan u geen ongelijk geven," hernam Kosse Jan, zelf ten
diepste verslagen.
Daar stormde Oerard de I\'reys de kamer binnen, „Comman-
dant is het waar, wat kapitein Mario vertelt, dat gij de vesting
wilt overgeven f vroeg hij met zekere heftigheid.
„Als ik goede conditiën kan verkrijgen, ja!"
„Maar kunt gij de verdediging dan niet volhouden tot het
uiterste en ons allen met den laatsten steenhoop in de lucht laten
springen?" riep de I\'reys in woeste vertwijfeling.
„Dat zou zeer wel te doen zijn," hernam Héraugière kalm, met
een blik van streng verwjjt op hem gericht, „zoo ik Oerard
de Preys ware, en niets te verliezen had dan mijn eigen leven
en een gekwetsten broeder, maar nu ik Héraugière ben, heb ik
nog aan wat anders te denken.
„Ritmeester Baoxl de Gouverneur laat u roepen. Al de officie-
ren zijn bijeen in de groote raadzaal; er is kwestie van een par-
lementair aan den vijand te zenden," sprak kapitein Mario tot
dezen, toen hij hem door de galerjj zag gaan.
„Dat treft goed, Signor Mario! want ook mjj wordt het hier te
eng! De lucht is drukkend in \'t kasteel!" hernam Baex, die op
heel wat anders doelde dan de Italiaan meende.
„Dio nu ook al!" pruttelde Mario; „juist op dezen had ik nog
mijne eenige hoop gebouwd!"
-ocr page 368-
HOOFDSTUK XIV.
Ritmeester Bacx, die tegen kapitein Mario geklaagd had dat
de lucht drukkend was in het kasteel, scheen het werkelijk warm
te hebben; want hij liep in den slottuin rond, blootshoofds, hoe-
wel het een scherp koude dag was, ondanks de vriendelijke len-
tozon, die toch nu reeds hare stralen langzaam terugtrok. Maar
ritmeester Bacx smachtte naar frissche lucht en ruimte. Beide
vond hij hier; maar dat was ook alles, want er was nog geen
groen te zien dan wat donker sparreloof en enkele heesters, die
aanvingen zich onder den adem der lente te ontplooien, maar
die jammerlijk door den sneeuwstorm geteisterd waren, en het
klimop, dat zich zoo volkomen vereenzelvigd had met den eeu-
wenouden muur, die dit kleine park omheinde, dat het als een
dik donkergroen behangsel had gevormd door zjjne weelderige,
grillige, nooit besnoeide festoenen. Schilderachtig bont was dat
rijke hangtapjjt nu, daar de dorrende bladeren reeds verdrongen
werden door het fijne tccre groen der nieuw uitschietende loten,
en \'t geheel als besprenkeld was met diamanten, door den nacht-
vorst daarover geworpen, die de zon slechts hier en daar tot
droppelen had geweekt. Maar al had de verwaarloosde plek, dio
vroeger de oogenlust der vorstelijke bisschoppen was geweest,
met den zeldzaamsten bloemcnschat kunnen prijken, ritmeester
Bacx zou er toch geen oog voor gehad hebben; hjj kwam niet
om zich in natuurschoon te vermeien, dat was duidelijk te zien
aan de wjjze waarop hij rondwandelde: nu eens in jjlendc vaart,
of hij eene weddenschap had aangegaan, om binnen eenigo se-
conden ettelijke malen den tuin door te rennen, dan weer plot-
seling stilstaande, om daarna zoo langzaam voort te treden, of
hij een pelgrim ware, die zijne eigene voetstappen wilde tellen.
Zijne gelaatstrekken drukten tevens de afwisselende gemoedsbe-
wegingen uit, dio hij onderging. Nu eens scheen hij behoerscht
te worden door eene hartstochtelijke drift, die hem voortzwcepte,
-ocr page 369-
387
dan weer kroeg kalmer beraad en ernstig nadenken de overhand,
of wel verviel hij in een diep weemoedig gepeins. Inmiddels was
Gerard de 1\'reys, gedwongen zijne batterij te laten zwijgen, zijn
broeder komen bezoeken, van wiens noodlottige escapade hij ge-
hoord had. Hij stelde Madeleine voor, hare plaats bjj den lijder
te vervangen, opdat zij eens voor eenigen tijd het sombere zie-
kenvertrek zou kunnen verlaten en wat verademing zoeken; het
zou te lichter gaan, daar Frank, afgemat na zijne sterke over-
spnnuing. in een diepen slaap was gezonken, waaruit geen kanon-
gebulder hem nu zou opschrikken.
Madeleine had ditmaal het aanbod niet afgewezen en zocht do
vrjje buitenlucht ter verversching harer krachten. Het ging der
jonkvrouw als Hncx; zij vond het drukkend binnen \'t kasteel en
begaf zich naar hare lievelingsplek in den tuin, door Héraugière\'s
courtoisie ook voor haar opengesteld en wel niet radende wie
haar daar was voorgegaan. Van de tegenovergestelde zjjde bin-
nengekomen, was het doel van haar tocht zeker vervallen tuin-
huis met eene opene galerij, waar zich een opgang bevond naar
een plateau, het eenige wat er van do vroegere Belvedère was
overgebleven. Van daar af had men een verrukkelijk vergezicht
over geheel de landstreek, over de stad, de stad die zij liefhad,
ondanks alles wat zij er had geleden. Slechts losjes een zwart
greinen falie over "t hoofd geslagen, trad zij voort met lang-
zame schreden, niet gehaast om het doel te bereiken, maar zieh
toegevende aan \'t genot der stille mijmering.
])it namiddaguur was even kalm als de morgenuren stormach-
tig waren geweest. Wel waarlijk scheen de Sabbat der ruste
ingegaan, die den gewijden Palmzondag voorafging. Hoe goed
was het haar weer eens vrij te zijn, om over zieh zelve en het
haro na te denken. Wat had zjj zich gansch andere voorstellingen
gemaakt van do viering der heilige week, als zij eenmaal bevrijd
zou zijn van „het paapsehc juk" en de dubbelheid waartoe het
haar dwong; en nu, morgen zou niet eens de klok der kapel
luiden om ter plechtige bidure op te gaan! Maar toeh, het vasten,
het heilige vasten had zij kunnen betrachten, niet in gedwongen
onthouding van zekere spijzen, maar in strenge zelfverloochening,
in dienende liefde. Ja, er was toch zoetheid in het louterend
bitter van den lijdonskelk ; zij zou geen communie houden voor
de l\'aschen, maar de communie van \'t lijden was haar toebedeeld.
De communie van \'t gebed was haar niet voorbijgegaan. Geheel
in hare gedachten verdiept, liep zjj voort met gebogen hoofd;
zij ook had ditmaal geen oog voor \'t geen haar omgaf; zag ze
wel eens de fijne sneeuwklokjes, die do witte buigende kopjes uit
hun spichtig groen ophieven en die haar voet dreigde te ver-
treden...? Ja! toch, zij zag ze, en eene huivering voerbaar door
-ocr page 370-
368
de leden; de laatste maal dat zij er zich mee gesierd had...!
Op eens was zij weer als uit den Hemel naar de aarde heen-
gerukt; maar al wist zjj het niet, dicht in hare nabijheid was
oen man, die haar nog aan aardsche beschouwingen zoude over-
laten, als hij haar eens had opgemerkt. Daar werd hij haar ge-
waar en hij schoot op haar toe, als een leeuw op zjjne prooi;
hij vroeg er nu niet naar, of de ontmoeting haar welgevallig zou
zijn; hij trad haar sehicljjk op zjjdc en sprak kalm maar vast:
„Madeleine! nu moet gij mij aanhooren. Kene ure als deze
keert voor ons niet terug: ooklaat ik mij nu niet verdrijven; maar
wat is dat f Gij schijnt vermoeid! gij wankelt!" hjj nam haar
arm en legde dien in den zijnen; zij had behoefte aan dien steun
op dat oogenblik ; zij was te zeer onder den slag der verrassing,
om weerstand te bieden.
„Dit is niet de eerste maal, dat ik u ten steun mag zijn,
Madeleine!" sprak hij op zijn zachtsten toon, reeds verteederd
door de behoefte die zij had aan zjjne hulp, en heimelijk ver-
heugd, dat hare zwakheid hem gelegenheid schonk het ijs te
breken.
„Ik bid u, spreek niet van dat verleden!" viel zij in, ras en
onrustig; „er ligt al veel tusschen toen en nu!"
„Het is juist om te spreken van \'t geen gij onderstelt dat er
tusschen ons ligt, na die eerste ontmoeting vol innig vertrouwon,
dat ik tot u kome. Ik zocht deze eenzame plek om een middel
uit te denken tot een onderhoud met u, buiten die dompige
ziekenkamer, waar gij evenmin vrjj zijt om te luisteren als om te
antwoorden, naar het mij voorkomt. Mijne goede fortuin — ik
meende dat zij mij gansch verlaten had op deze verwenschte
rotsen — mijne goede fortuin kwam mij te hulp, terwijl ik mij
suf liep te peinzen. Het kon niet beter treffen dan u hier te ont-
moetcn, onder vier oogen, en meer zeker, ongestoord te zijn,
dan in een der afgelegenstc vertrekken van \'t kasteel. Hier zijn
geen wachten, geen luisteraars: wij zijn hier volkomen vrij om
onze gedachten uit te spreken; en wij zijn samen, Madeleine!"
„Wij zijn samen, ritmeester Bacx! dat is waar, maar veel verder
van elkaar, dan of er zeeën en bergen tusschen ons lagen. Geloof
me! vergis u niet in mij, omdat gij mij zwak gezien hebt. Mijn
besluit staat vast als gindsche rotsen!"
„Ik moet u doen opmerken, dat men heden ten dage niet op
de onwankelliaarheid der rotsen vertrouwon kan," sprak hij met
eene mengeling van schalkheid en ernst. „Als wij hier tijd van
blijven hebben, zullen uwe Luikschc mijnwerkers dat met der
daad bewijzen. Maar dat daargelaten, welk wreed besluit hebt
gij dan eigenlijk genomen, dat gij zoo onwankelbaar acht...?"
Zij gaf geen antwoord, maar deed eene poging om haar arm
-ocr page 371-
359
uit den zijnen los te maken, die hij niet toestond te gelukken.
Hij glimlachte met bitterheid. „Het besluit om mij ran uafte
stooten?" hernam hij vragend; „als het dit is, erken ik, dat gij
daarin met ongemeene volharding zijt te werk gegaan. Weet gij
wel, dat uw opzet bijna waB gelukt; weet gij wel, dat niet ieder
man zou terugkeeren na driemaal te zijn afgewezen, zoo hard en
zonder verschooning afgewezen, als ik door u..."
„De vorm was onvoegzaam, Ritmeester! ik erken het...\'\'
„Gjj weet wel, Madeleine! dat ik wat anders bedoel; de on-
hoffelijke vorm was eene bijzaak; dien laat ik daar. Ik ben ge-
woon, dat men naar mjj luistert als ik wat te zeggen heb, zelfs
van vrouwen; en daarom viel het mij zoo wonder hard, dat gij,
juist gij, weigerdet mij aan te hooren, waar ik kwam om u in
alle trouwhartigheid mijm verontschuldigingen te maken over het
ruw geweld, door mjjne ruiters buiten mijne voorkennis tegen uge-
pleegd. Spreek, Madeleine! waarom deedt gij mij dit?"
„Omdat ik het overbodig achtte uwe betuigingen aan te hooren;
ik wist vooruit waarop ze zouden neerkomen. De schuld van dat
woeste krijgsvolk was immers de uwe niet; en in zoover het de
uwe kon geacht worden, was het vergeven."
„Neen, Madeleine! wees oprecht. Ais men werkelijk vergevens-
gezind is, acht men het niet overbodig, hem, die schuld wil belijden,
gehoor te verleenen; dan is men volkomen edelmoedig en gunt
den schuldige zjjn berouw te toonen. De booswichten, die
geweld hebben gepleegd in uws vaders huis, zijn met de uiterste
strengheid gestraft, schoon het van mjjne beste ruiters waren, en
zoo gij mijn toorn had kunnen zien tegen de onbesuisden, die
u durfden beleedigen, zou de vrouweljjke zachtmoedigheid eerder
bedarend tusschenbeide zijn getreden dan ...."
Terwijl hij sprak, had Madeleine eene nieuwe poging gewaagd
om haar arm uit de zijne terug te trekken; ditmaal had hij
toegegeven; nu viel zij in met levendigheid, met strengheid zelfs:
„Ik heb van dat straffen gehoord. Heer ritmeester! Het was
niet minder scherp dan .... \'t vergrijp ruw! Wie eischte van u,
dat gij bloed zoudt storten om deze zaak ...."
„De krijgstucht!" antwoordde hij lakoniek, „en nu, aan de
gerechtigheid is voldaan, gjj erkent het zelve, boren uw eiseh;
hoe kunt gij mij dan nog rancune houden?"
„Ik houd u geene rancune\', ik zeide het immers reeds, het
kwaad, dat er gepleegd is, wordt door niemand aan u geweten."
„Dan moet het wat anders zijn!" viel hij in, ras en levendig.
„Madeleine! zeg mij dat andere. Om dat te weten ben ik weer-
gekeerd, en telkens weergekeerd, nu tot driemalen toe; gelooft
gij, dat ik het gedaan zou hebben, zoo ik u van gewone vrouwe-
lijke wispelturigheid had kunnen verdenken? Zoo ik in u niet dan
-ocr page 372-
360
eene luimige coquette had gezien, zou ik mij na de eerste
kwade bejegening met minachting hebben afgewend. Maar ik had
beter gevoelen van u, Madeleine! en daarom kon ik ook niet
berusten, zelfs nu niet, vooral nu niet, sinds ik een toon uit uw
hart heb gehoord, die mij van lijden, die mij van zelfverloochening
sprak. Er moet eene ernstige oorzaak zijn, die u dus tegen mij
inneemt, dat het u zelf onwillig maakt mij te woord te staan....
Ik zie \'t u aan, Madeleine! in dezen eigen oogenblik trappelt
gjj van ongeduld en wendt uw hoofd af, als zaagt gjj van rondom
uit naar eene kans om mij te ontvlieden."
.Als ritmeester Baex dit meent op te merken, is hetdanhof-
felijk mij dus geweld aan te doen en mij hier op te houden
langer dan ik het zelve begeer?"
Madeleine sprak deze woorden, zonder zich naar hem toe te
wenden; alleen had zij zich dichter in hare falie gehuld; was
het daardoor, dat hare stem zoo dof klonk, ondanks al de scherpte
van het vcrwjjt?
„Neen, Madeleine! zoo ontkomt gjj mij niet!" riep hij, en met
zekere heftigheid hare hand vattende, als vreesde hij werkeljjk
eene vlucht. „Ik laat mij niet door een gewaanden plicht der
hoffeljjkheid van mijn doel afleiden. In eene luchtige ure kan ik
galant zijn, zoo goed als een ander, maar ik ben geen hoofseh
jonkertje, dat zich door zulke aantijging laat afschrikken. Ik ben
een ruiterorticier, die gewoon is de gelederen van den vijand
door te breken, en ik beschouw uwe weerbarstigheid als eene
vijandelijke stelling, die ik moet innemen tot eiken prijs," en
zacht, bijna weemoedig, ging hjj voort: „Daar is eene ure geweest,
Madeleine! en uw geheugen is niet zoo zwak, of gjj herinnert u
dat, waarin gij nut zoo afkeerig waart van mijn onderhoud,
waarin gij u niet onrustig heen en weer wenddet om van mij af
te zijn; waarin gij met volkomen gewilligheid uw arm in den
mijnen hebt gelegd, en waarin gij mij zelve hebt beleden, dat
mjjn bijzijn u als een waarborg was van ruste en veiligheid.."
„Die ure is er geweest, Mijnheer!" viel zjj in, ras en hoog;
„ik erken het nog; maar zij is voorbij, zooals ik u reeds zeide,
en daarom dring niet verder; houd mij niet langer op; ik heb
haast..."
„Als gij haast hebt, Jonkvrouw! zult gij gaan: maar toch niet
vóór gij mij den sleutel in handen hebt gegeven om het raad-
selachtigo in uwc gedragingen op te lossen ..."
„En al konde ik u dien geven, het zou nog te bezien staan,
of gjj dien zoudt weten te gebruiken," antwoordde zij half luid,
en als tot zich zelve sprekende.
„O beproef het, Madeleine!" riep hij levendig, bijna smee-
kend; „beproef het en meen niet dat de man, op het oorlogs-
-ocr page 373-
361
veld gehard, juist zóó verhard zou moeten z|jn van harte, om niet
de fijnere roerselen van een edel gemoed te kunnen vatten... Gij
volhardt in uw zwjjgen; moet ik uitvinden f Moet niet slechts mjjn
geduld, moet ook mjjn raadvermogen op de proef worden gesteld ?
Welnu, het is mij voorgekomen, dat altijd Krank de I\'revs de
hindernis bleek te zijn tusschen u en mij... Do eerste maal toen
uw vader zelf mij vrijheid gegeven had u mjjne excuses te maken
over het gedrag mijner ruiters, was de vaandrig aan uwc tafel
genood, en mij werd zelfs geen gehoor gegund. De tweede maal
ontmoette ik u op de straat, alleen van uwe dienstmaagd ver-
gezeld; ik achtte het oogenblik gunstig, bied u mjjn arm en wil
mij verklaren. Ojj hadt haast naar huis te keeren en vond mjjn
geleide overbodig. Toch hebt gjj later dat van den vaandrig
aangenomen en uwe wandeling langs de rivier voortgezet! Nu
weer is de vaandrig gekwetst, heeft een recht op uwe zorgen,
maar het schijnt dat mjjne tegenwoordigheid hem hinderlijk is en
dat gij u niet vrij gevoelt in zijn bjjzjjn; wat moet ik uit dat alles
opmaken? Ijverzucht op den aankomenden jonkman, ik verzeker
het u, is niet in mijn hart opgerezen; maar ik weet het, de fortuin
is hem gunstig geweest; zjj heeft hem in de gelegenheid gesteld,
u uit erger dan doodsgevaar te verlossen: zjj gaf hem later weer
de occasie zjjn bloed voor uwe stad te storten en de veiligheid
van uw vader te verzekeren; dat zijn aanspraken, die bjj eene
jonkvrouw als gjj zjjt, zwaar moeten wegen. Hebt gjj in de ver-
voering der dankbaarheid aan Frank de l\'reys uwe hand beloofd?
zoo zeg het mjj ronduit, en gjj zjjt voor goed van mij ontslagen."
De geheimzinnige sluier, waarmee Madeleine zich telkens dich-
ter omhulde, en die ten laatste zelfs haar gelaat verborg, belette
hem den indruk gade te slaan, dien zjjn spreken op haar maakte;
maar dat zij zweeg onder den smartelijksten strijd; maar dat zij
zweeg omdat haar de keel als toegenepen was van aandoening,
dat zou hij terstond begrepen hebben, zoo hij de vermetelheid
had gehad, dat dichte weefsel op te lichten.
Bjjna woest van ongeduld, liep hjj driftig op haar toe, terwijl
zij altijd meer was teruggeweken. „Spreek voor \'t minst nu; heb
ik het geraden, ja of neen?"
„Ja! ja! zoo is het; houd het er voor, dat het zoo is!" bracht
zjj uit met eene haperende stem; „en nu... laat mjj gaan..."
„Dat is niet de toon der waarheid, dat is de toon van het
ongeduld; ik vermoei u met mijn aanhouden, en gjj wilt tot eiken
prijs van mjj ontslagen zijn. Welnu, wees voldaan! ik laat u vrij !
Ik zie in, dat ik niets te winnen, niets meer te verliezen heb.
Ik rekende op uwe oprechtheid, zooals wij mannen die verstaan.
Vaarwel! en heb later vrede met uwe eigene handelwijze. Ik zal
trachten te vergeten, dat er eene vrouw is geweest, ééne onder
-ocr page 374-
362
allen, die ik liefhad, die ik achtte, die ik mijn leven had willen
wijden en die mij niet eens de reden wil zeggen waarom zij mij
van zich stoot."
Hij wilde gaan, niet eene fntwse sortie, zooals men ze ziet
aanwenden in de hoop van teruggehouden te worden, maar hij
liep met snelle, groote schreden haar voorbij, als had hij haast
het veld te ruimen na zulke nederlaag. Maar sneller nog trad
zij in zijn weg: zij stak hem beide handen toe; de sluier was
door die beweging opengeslagen, en haar bleek gelaat, hare be-
wogene trekken, hare rood beschreide oogen, alles getuigde spre-
kend hoc zij hem niet koel, niet onbewegelijk had aangehoord.
„Ritmeester liaex! wij moeten scheiden, maar niet aldus! Ik
kan een offer brengen, maar niet dat van uwe achting; gjj hebt
een recht om te weten wat er in mij omgaat, en gij zult mij
begrjjpen."
„Kindelijk!" riep hij als in zegepraal en wilde hare hand kus-
«en; maar zij trok die terug en weerde hem met zachte waar-
digheid af."
„Geenerlei belofte heb ik aan Frank de Preys gedaan, die
mijne vrijheid zou binden, zelfs niet in de geestdrift der dank-
baarheid. IIjj weet het, en ik herhaal het hem bijkans iederen
dag en op iedere wijze, dat ik niet dan zijne zuster kan zjjn!"
„Wees gedankt, Madeleine!" riep hij in vervoering.
„Maar," hervatte zij op een ernstigen toon, die zjjne blijdschap
terneersloeg, „maar al kan ik den plicht der dankbaarheid niet
volbrengen jegens hem, die een recht heeft verkregen op mijn
hart; de martelingen van het wantrouwen, van de ijverzucht
moesten den zwakke, den lijdende gespaard worden. Hij weet
het ook, hij weet het nü, dat ik geen ander zal schenken wat
ik hem moet onthouden."
„Madeleine! waarom hebt gij mij dat gedaan?" sprak liaex
smartelijk. „Maar, neen! neen! gij zult u bezinnen; gij zult u
laten overtuigen, dat hier de dankbaarheid te ver is gedreven."
„Gij zult u zelven de moeite sparen, mij die overtuiging op te
dringen, als ik u zeg, dat ik ditzelfde besluit zou genomen
hebben, al ware er geen Frank de Preys in de wereld."
„Dan begrijp ik er niets meer van," hernam Bacx op den toon
der diepste verslagenheid.
„Ook vreeze ik, dat gij mjj niet volkomen verstaan zult,"
hernam zij droevig.
„Wanneer is dat wreed besluit gevat?" hernam hij, als om
licht te scheppen in deze duisterheid.
„Op den eigen dag van den intocht binnen Hoey; onder den
zielsangst bij de vervolging uwer ruiters!"
Hij bracht de hand aan het hart, als voelde hij zich daar gekwetst.
-ocr page 375-
363
„Moest het wanbedrijf van cenige beschonken ellendelingen
van zulken invloed zjjn op het gemoedsbestaan eener edele jonk-
vrouw, dat zij zulke wraakneming uitdacht?" riep hij.
„Van eene wraakneming kan wel geen sprake zijn, en gij zult
dat gelooven, als ik er bijvoeg, dat het verlies van Hoey mij te
sterker in mijn besluit heeft gevestigd."
Sprakeloos van verbazing zag Bacx haar aan, en beleed door
zijn zwijgend schouderophalen, dat hij haar niet begreep.
„Rekent gij dan voor niets die onmeteljjke teleurstelling, die
ons allen getroffen heeft t wij, arme bedrogenen, die het lied der
bevrijding hadden aangeheven bij den intocht van Héraugière, en
die alleen onzen zekeren ondergang zagen voorbereid!" hervatte
zij op een toon, die wel getuigde van eenc lang verkropte grieve,
welke zich nu iucht gaf. „Acht gij het vreemd, dat mij, mij onder
allen, die ontzaggelijke tegenstelling van \'t geen wij verwacht
hadden, en \'t geen ons deel werd, het pijnlijkst verwondde?"
„Dat!" riep hjj niet ongeveinsde verwondering, „dat zou het
dan zijn wat zulk een wanhopig besluit in u had gerijpt! Ik
moet er uit opmaken dat ge dus aan mij zoudt wijten, wat zoo-
min mijne schuld is als die van Héraugière zelf. Het mislukken
van zijne beste berekeningen, de ongelukkige kans van den
oorlog..."
„Het is waar, gij krijgslieden zijt zoo gemeenzaam met de
jammeren van den oorlog, dat het u bevreemden moet, als ande-
ren zich deze dingen zoo zwaar aantrekken...
„Gij vergist u. Noch Héraugière, noch ik, zjjn verstompt voor
het lijden onzer medemensehen. Én het gebeurde met Hoey is
voor ons beiden een doorn in het vleesch, welks scherpte zich
telkens opnieuw smartelijk doet gevoelen. Mijn bloed had ik
willen geven voor \'t behoud uwer stad, ook bovenal omdat het
do uwe was; maar gij weet het zelve, mijn plicht riep mij elders.
Had ik voorwetenheid kunnen hebben van de hulpeloosheid waarin
men Héraugière liet, ik zou gebleven zijn, reeds uit vriendschap
voor hem; ik zou van mijne Oversten de vergunning tot blijven
verkregen hebben; maar sinds ik in de gewone kortzichtigheid
der menschen deel, ben ik naar krijgsmanswijze mijn weg gegaan,
zonder om te zien, noch er het eind van te kennen. Maar aller-
iiiinst heb ik mij kunnen voorstellen, dat het verlies van Hoey,
hoe betreurenswaardig ook, mij, die er persoonlijk geen schuld aan
drage, zou komen te staan op het verlies van uw vertrouwen ...
van uwc... vriendschap, en, verschoon mij, dat komt mij onge-
looflijk voor."
„En indien dit ongelooflijke toch waarheid bleek," viel zij in;
„indien de ervaring van het wankelbare aller menschen hulp, van
het feilbare der menschehjkc macht, ook zelfs der edelmoedig-
-ocr page 376-
864
sten onder do mensehen, mij juist tot inzicht had gebracht van
het ijdele, het nuttelooze, het schuldige zelfs, om op zulke riet-
staven te steunen, die niet vermogen dan ons de hand te door-
boren en pijnlijk te verwonden; mjj juist de kracht had gegeven
om te breken mot alle begoochelingen, met alle hersenschimmen
die den geest verwarren en het hart beroeren, om bij vertwijfe-
ling aan het aardsche, alleen den Hemelschen Vriend te zoeken,
die nooit teleurstelt, die altijd nabij is, die altijd hoort, en die
ook machtig is te helpen uit allen nood; ja! die het ook doen
zal op Zijn tijd, als wij geleerd hebben ons van de afgoden weg
to wenden en op Hem alleen te vertrouwen."
„Als dat zoo ware, Madeleine, en, uit den toon waarop gij mij
dit zegt, spreekt zooveel overtuiging, dat ik het wel voorde waar-
heid nemen moet, dan, vreeze ik, dat gjj van de ééne overdrij-
ving in de andere zijt vervallen."
„OverdrijvingI Ritmeester Bacx, hebt gjj mij dan niet verstaan,
toen ik zeide dat ik mij ganschelijk naar God heb heengewend ..."
„Ik heb u verstaan, Madeleine, en blijf bij dat gevoelen. Het
is overdrijving, als men zegt zich naar God te wenden, en daarbij
allo menschen en al het menschelijke den rug toekeert. En eene
overdrjjving, gevaarlijker dan gij nu kunt inzien. Er was over-
spanning in uwe verwachtingen van menschelijke hulp en men-
scheljjk vermogen; zij werden teleurgesteld; en gij wendt u met
dezolfde overspanning naar den Hemel; hoe, indien ook hier
teleurstelling volgde ... ?"
„God is geen menseh, dat Hij zou kunnen verlaten of telcur-
stellen, en ik ... heb de onberouwelijke keuze gedaan, Hem te
dienen, Hem alleen."
„Bij zulke keuze is zelfbedrog mogelijk, en... en.... ver-
schoon mij, de uwe draagt voor mij den stempel van zulke mis-
leiding!"
„Ik wist wel dat gij mjj niet begrijpen zoudt..."
„Versta mij goed, Madeleine, ik verdenk noch uw ernst, noch
uw vromen zin. Ik ken mij zelven geene wijsheid toe om de be-
stierder uwer consciëntie te zijn, maar ik heb eenige levenservaring
op u vooruit. En het komt mij voor dat gij u vergist, èn in den weg
dien gij nemen wilt, èn in uwc kracht, om dien te gaan ... Xeen!
laat mij uitspreken. Ik heb uw zelfstrijd gezien; ik heb eerbied
voor zulke worsteling, en ik twijfel niet, of gij hebt menige
overwinning behaald in uwe zwakheid, die met onze stoutste brucoure
gelijk staat. Maar eene dwaling is eene dwaling, en gij jaagt eene
denkbeeldige volmaaktheid na, terwijl gij gevaren in den mond
loopt, die uw oog, ten Hemel gericht, niet kan zien. Uwe kracht
is opwinding; en gij zijt niet waarlijk sterk, niet waarlijk vrij!
Wie dat is, zoekt niet zijn heil in de vlucht, en gij zult niet ont-
-ocr page 377-
965
kennen, dat gij mij afgestooten hebt, dat gij getracht hebt mij
te ontvlieden, omdat gij niet zeker waart van u zelve."
„Ritmeester Bacx!"
„Omdat gij, onbewust, dat wete ik, door de onbestemde vreeze
vervolgd werd, dat uw besluit op valscho beweeggronden steunde,
en dat ik u geen rust zou laten voordat gij met déze begooche-
lingen gebroken hebt, en er het wankelbare van hebt ingezien."
Al sprekende had hij hare hand gevat, die zij hem mi liet, zeker
om hem te toonen, dat hij zich vergiste in de beteekenis van
hare eerste poging om hem te ontvluchten. Madeleine was kloek,
en eenmaal in den strijd, achtte zij het lafhartig om dien te ont-
wijken. Zonder tegenstreven liet zjj zich door hem meevoeren
naar de opene galerij, en nam plaats op de steencn bank, waar-
over hij zorgzaam z|jn mantel uitspreidde. Tevreden haar dus in
ruste te zien en gereed hem aan te hooren, ging hij voor haar
staan en hervatte, op zaehton, maar nadrukkeliiken toon: „Waarom
vreest gij dat ik u aan den Hemel zou willen ontvoeren, Made-
leine? Ik, die u alleen ten steun wensch te zijn op de aarde; een
steun, waaraan gjj behoefte zult hebben, Madeleine, nu meer dan
ooit, want ik onderstel dat bjj allen Hemclschen zin een klooster
toch nooit het verblijf uwer keuze zal zjjn ..."
„Gij weet wel dat ik geene kloosteropsluiting bedoelde..."
„Juist daarom," viel hjj in, „is uw af wijzen van mijne vrienden-
hand eene onvoorzichtigheid, om het met geen harder woord te
noemen. Bezie uw positie zooals zjj is. Wat zal uwe toekomst
zijn? Als de parlementair van Ilcraugièrc slaagt, ontsluit zich
reeds morgen voor allen de vesting. Wie zal u ten leidsman ver-
strekken, ter hulpe door het leven ? De zwakke jonkman, die al-
leen uwe zorge vraagt? Uw vader? is hij nog de kloeke man van
voorheen? uwe moeder? er is hope dat gij haar weer zult zien;
maar hoe, maar wanneer?"
„Ik heb op God mijn vertrouwen gezet; die zal mij ten hei-
per, ten raadsman zijn."
„Ik deel uw geloof, maar leven wij in den tijd dat Hjj on-
middellijk door mirakelen werkt ? Waarom zou ik die raadsman,
die helper niet kunnen zijn? en waarom versmaadt gij wat tot
u komt met den ernstigen aandrang der tcederste genegenheid,
om naar het jjle onbestemde uit te zien? Eens hadt gij op mij
uwe verwachting gezet..."
„Met welke uitkomst!" viel zij in met zekere drift en op den
toon van verwijt.
„Ik heb verkregen wat gij wensehtet. Gij hadt mij opgedragen
u los te maken uit de strikken waarin de dubbelheid der zwak-
heid u hadden verward."
„O! zwijg daarvan ..."
-ocr page 378-
366
„Het is juist het oogenblik er van te spreken. Ik kan u na
niet sparen. Ik heb mijn last aan Kerkadet volbracht; hij weet
alles, en van die zijde zijt gjj vrij. Maar dacht gjj er dan niet
aan, dat eene jonkvrouw, die een man zulke opdracht toever-
trouwt, hem stilzwijgend het recht geeft om zich aan hare zijde
te plaatsen en zjjne stem te laten hoorcn, waar het haar volgend
lot en leven geldt!\'"
„Ik weet nu maar al te goed, dat het ecne onvoorzichtigheid
was; zjj werd begaan onder de stormachtige aandoeningen van
dien onzaligen avond, en ik heb er zwaar voor geboet."
„Waarom noemt gij eene ure onzalig, die ons samenbracht,
Madeleine?" vroeg hij met zachten weemoed, en wilde opnieuw
hare hand vatten, maar zij trok die nu terug, en sloeg de booze
zwarte falie weer dichter om zich heen. „Waarom veroordeelt gij
u zelve wegens het toegeven aan de stem van uw hart; die u
toen ingaf mij te vertrouwen, mij als uw vriend en geleider te
verkiezen onder allen \'t Er is een oogenblik geweest, Madeleine —
tevergeefs zoudt gij het ontkennen; ik heb het gevoeld aan het
kloppen van mijn eigen hart — een oogenblik, waarin wij wisten
dat wij elkander\' toebehooren voor het leven, als bij zwijgende
overeenkomst; waarin gjj met mjj, voor mij, de gansche wereld
zoudt hebben getrotseerd, en ik voor u!"
„Dat oogenblik is er geweest, ik ontken het niet; dat was mijne
schuld, mijne dwaasheid; ik verwarde het werktuig met wie het
bestuurde; ik vergat den Heer, die hem zond, voor den bevrij-
der dien ik voor mij zag. Mijne moedor waarschuwde tegen af-
godeering van menschen, te laat, helaas, voor mij; ik had den
afgod reeds een altaar opgericht in mijn harte ! maar de Heer
had mij te lief om mij in mijne zonde te laten. In teleurstelling
bij teleurstelling, onder bloedige tranen leerde ik inzien dat het
even schuldig als dwaas is, op valsche goden zijn betrouwen te
stellen; de afgod werd door \'s Heeren machtigen arm van zijn
voetstuk gestort. Ik was verpletterd, maar vrjjgemaakt!"
„Om van de eene dienstbaarheid in de andere te vallen, Ma-
deleine!" sprak hij streng; „gij ziet zelfkwelling voor deugd aan,
en bij het lijden, zwaar genoeg op zich zelf, dat God u oplegt,
voegt gjj nog eigenwillige smarten, die u niet waren toegedacht."
„Het zijn de verlokkingen des Satans, die uit uw mond spre-
ken," voegde zij hem toe.
„Neen, Madeleine , het is de stem van\'t gezond verstand, waar-
aan gjj gehoor moet geven. Ik geloof in God, zoowel als gij,
beter dan gij, zou ik bijna zeggen; want zooals gij nu spreekt;
schijnt het of God voor u niets is dan eene bespiegeling, een
geest in een wolk, dien men niet kan aanbidden, zonder dwe-
pend in de lucht te staren."
-ocr page 379-
:n;7
,Staar ik in de wolken, bij het ziekbed van Krank de Preys?"
viel zij in, zacht, maar met waardigheid.
„Daar zijt gij op uw post, ik erken het; en als gij mij zegt,
dat de vaandrig tussehen ons staat, geef ik mij gewonnen; maar
gij verzekert mij integendeel, dat het niet deze is die u van mij
heeft verwjjderd, en gjj stelt mij voor als een afgod, van wien gij
u hebt afgekeerd om den wille Oods, en daarop zeg ik: hier is
overdrjjving, dweperij, onnatuur; God, die hemel on aarde schiep,
heeft niet gewild dat de mensen alleen zoude zjjn, zelfs niet in
het paradijs, en gij zoudt in deze booze wereld alleen willen blij-
vcn, onder voorgeven dat een man lief te hebben Baiilsdienst
zoude zijn! Wat mij betreft, het verheugt me dat ik als halfgod
van het voetstuk ben gestort; ik heb nooit pretentie gemaakt op
altaren of wierook, al noemen zo mij in scherts den Hercules van
het Staatsche leger. Ik dorst naar glorie, dat is waar, maar ik
ben geen Alexander, die de goden naar de kroon steekt. Ik ver-
genoeg mij mensch te blijven, meen een goed soldaat te zijn, en
hoop een goed echtgenoot te worden, als gij mij daarvoor wilt
aannemen, en niet beweren blijft, dat er aan Oods dienst en
recht wordt te kort gedaan, zoo eene vrouw haar echtgenoot
liefde schenkt en trouw belooft."
„Ritmeester Bacx maakt misbruik van zijne gave om iemand
van zich zelve te doen schrikken," sprak zij, zonder opmerking
te geven aan het huwelijksplan dut hij haar MO mns farons voor-
legde. „Welk eene zottin zou ik moeten zijn, zoo ik die meening
kon voorstaan als algemeenen regel; maar toch, er zijn bijzon-
dere gevallen..."
„En in zulk bijzonder geval gelooft jonkvrouw Madeleine de
la Geneste zich te bevinden, niet waar!1 Als ik nu eens beweerde
dat zij zich vergist, en dat bij de kennis die ik verkregen heb
van haar karakter zoowel als van haar lot, het mij voorkomt
dat zij allermeest behoefte heeft aan een echtgenoot, die haar
met vaste hand op het pad des levens kan voortleiden, zou ik
zeker opnieuw hare ergernis wekken..."
„Meer nog hare verwondering dat ritmeester Bacx, onder al-
lerlei afleiding door, zulk een diep inzicht heeft verkregen van
haar karakter, dat hij zich gerechtigd acht haar van zelfbedrog
te beschuldigen, waar het hare innigste en naaste belangen
geldt."
„Ik versta u, Madeleine; gij spot met hetgeen ge mijneigen-
waan, mijne aanmatiging noemt; maar bedenk dat ik veel van
u wist, eer ik u ooit had gezien; dat ik mot uwe moeder heb
gereisd..."
„En heeft deze zich de moeite gegeven, u zoo nauwkeurig
omtrent mijne gebreken in te lichten?" vroeg Madeleine ras en
-ocr page 380-
368
«pottend, als om hem van zijn stuk te brengen; maar hjj ant-
woordde kalm en ernstig:
„Zij heeft mij met uw lot, niet uw lijden bekend gemaakt; zij
heeft mij van uwe hoedanigheden gesproken; zij heeft mjj u
voorgesteld zooals zij u zelve meende te kennen. Had dat anders
kunnen zijn, Madeleine:\' Kon zulk eene moeder zwijgen van eene
dochter als gij waart? Mijne belangstelling was op het hoogste
gespannen, ik erken het, en onwillekeurig dacht ik na over de
zwakte en de sterkte van een karakter, dat zich onder zulke om*
standigheden had moeten vormen; over de zeldzame gaven, u
toebedeeld, in een smartelijk contrast met den gedwongenen, met
den dubbelzinnigen toestand waarin gjj verkeerdet. Dus ingelicht,
dus voorbereid, was er geene miraeuleuse scherpzinnigheid toe
noodig, bovenal onder omstandigheden als die ons samenbrach-
ten, om de weergalooze persoonlijkheid van Madeleine de la
Geneste te leeren begrijpen en waardeeren."
.Is het bewijs van uwe waardeering, dat gij mjj van eene zwak-
heid verdenkt, die mij met de meest gewone vrouw op céne
lijn plaatst f"
„Ik verdenk u niet van zoodanige zwakheid. Ik heb alleen de
opmerking gemaakt dat gij u zelve omtrent uwe sterkte misleidt,
en bovenal dat gij u in uwe roeping vergist."
„Sinds hoe lang hebt gij die merkwaardige opmerking gemaakt?"
vroeg zij met eene poging tot scherts, die kennelijk zeer ge-
dwongen was.
„Van het Vastenavondsbal af, Madeleine!" hernam hjj ernstig.
Zij kon eene beweging van verwondering niet weerhouden.
„En des anderen daags," ging hij voort, „vond ik die be-
vestigd door uwe tegenwoordigheid op het stadhuis."
Zjj scheen eer getroffen dan vergramd over eene oprechtheid
die bijna hardheid mocht genoemd worden.
„Dus was het dat!" riep zij levendig; „het mishaagde u, mij
daar te zien!"
„Het verschrikte mij nog meer dan het mij verraste. Wel had
ik gevreesd dat uwe geestdrift voor die zaak zich nauweljjks zou
bedwingen tot een Ijjdelijk afwachten van de gebeurtenissen;
maar toen ik zag dat uw moed, uw overmoed, Madeleine, u
vervoerd had tot dien gewaagden stap, om u te begeven te midden
van het straatgewoel, om door te dringen tot op het tooneel der
handeling, toen ik u zag tusschen vrienden en vijanden in, om
dezen aan te vuren, genen te ontmoedigen, door een blik, door
een woord wellicht, toen, ik erken het, werd ik door smartelijke
ontroering getroffen, en... had mijne opinie over u gevormd..."
„Ik had een belangrijk bericht over te brengen aan mijn vader,"
■sprak zij op den toon eener verontschuldiging; „een bericht,
-ocr page 381-
369
waarmee niemand anders op dat oogenblik kon belast worden..."
„Ik verdacht u niet, daar gekomen te zijn uit ijdele nieuws-
gierigheid. Integendeel, ik begreep dat uwe tegenwoordigheid
een doel had, maar juist diit verontrustte mij. Ik wist het nu,
dat gij het uwe roeping geloofdet, heldinmartelares te zijn..."
„Ik beken dat ik tot handelen als tot lijden bereid ben, waar
de nood het eischt; ik geloof niet dat ik hunker naar het mar-
telaarschap, maar al ware dit zoo, nooit had ik kunnen denken,
dat de moed en de geestdrift die hij mij teekent, door ritmeester
Bacx, als beschuldigingen tegen mij aangevoerd zouden worden."
„N\'iet als beschuldigingen, Madeleine! versta mij wel; het zijn
de edelste, de onmisbaarste hoedanigheden voor een man, zonder
welke niets goeds, niets groots zou kunnen verricht worden; ook
in de vrouw eere ik ze; alleen, ze hebben tot keerzijde gevaren."
„Waartegen ritmeester Bacx, de avontuurlijkste onzer ridders,
noodig acht te waarschuwen..."
„Gevaren, Madeleine! die een man onverschrokken moet tegen-
treden, maar waarvoor eene vrouw behoort terug te gaan, tenzij
ze een beschermer aan hare zijde heeft om ze af te keeren. Met
spijt, met smarte, merkte ik in u de roekelooze waagzucht op,
die ze alleen durfde trotseeren."
„Daarom was het dan, dat ik door u begroet werd met een
blik van verwijt, die mij bevreemdde, vertoornde en waaruit ik
mij later de somberste onderstellingen schiep," hernam Madeleine
met een verhelderd gelaat, of zij van een drukkenden last ver-
licht werd. „Waarom zou ik het u niet beljjden, na die wondere,
innige samenstemming van den vorigen avond, trof dit wederzien
mij met de bitterste teleurstelling, met eene geheele ontnuchtering.
De schoone begoocheling was verbroken; het was de eerste die
wegviel, en zij liet mij zóó arm, zóó verlaten achter... van toen
aan meende ik in u een vreemde te moeten zien!"
„Wees gedankt voor die bekentenis, Madeleine!" riep hij met
eene blijdschap, waarvan zijne oogen straalden. „Zij doet mij een
beter licht opgaan over uwe verdere handelwijs, dan alles waarmee
gij zelve getracht hebt die te verklaren." Al sprekende zette hij
zich vertrouwelijk aan hare zijde, en vervolgde daarop met al de
zachtheid waartoe zijne welluidende stem zich buigen kon : „Ern-
êtige bekommering zaagt gij voor onverschilligheid aan, en naar-
mate gij mij met uwe eigenaardige ontvankelijkheid te gereeder
toegang hadt gegeven in uw harte, moest ik onder den averecht-
schen indruk te sneller, te ruwer worden uitgeworpen. Had de
plicht die toen op mij rustte, mij niet belet u geleide te geven,
dat misverstand althans ware terstond opgehelderd, en ... mogelijk
het ergere voorkomen."
„Dat geloof ik nu zelve, want toen gij mij uw vaandrig tot
Oe verrmMing tun Hoe;-.                                                                                             24
-ocr page 382-
:iTü
gelei-jonker aanboodt, werd het mij ijskoud oin het hart."
„En hoe denkt gij dat het mij was bij uw antwoord : „gij waart
alleen gekomen, en zoudt alleen gaan!" En of\'t nog niet genoeg
ware, voegde uw vader mjj toe: Madeleine moet haar gang gaan,
zij weet wat zjj wil... Acht gij dat alles niet voldoende voor mij,
Madeleine, om een blik te werpen op uw karakter, zooals jarenlange
kennis soms niet vergunt!"
„Dat ontken ik niet, en toch waart gij in dwaling, sinds gjj aan
onvrouwelijken overmoed toeschreeft, wat niet was dan de moed
der vertwijfeling, die mij aangordde met de kracht om uw voor-
slag te versmaden. Smartelijk verrast, dat mijn bijzijn u eene erger-
nis was, voelde ik mij ten diepste gekrenkt door uw voorstel om
mij een vreemden jonkman tot geleider te geven, en die kren-
king zou mij door een vuur hebben gejaagd; werkelijk was het
als een vagevuur van schrik en angst dat ik door moest... een
laaghartige vervolger, dezelfdo die later uwe ruiters op ons huis
heeft aangehitst, was alleen door eene snelle vlucht te ontkomen,
en deed mjj duizendwerf mijne dwaasheid, mijne heftigheid be-
rouwen... . die zoo laatdunkend uwe voorzorg had versmaad. En
nu, Marcelis Bacx, gjj hebt mijne volledige biecht gehoord, zooals
ik de uwe; hebt gij nu uwe satisfactie? De duistere zijde van
mijne handelwjjze is u verklaard; gjj zult die verschoonlijk acht-
ten en wij kunnen verzoend scheiden."
Al sprekende was zjj opgestaan, en reikte hem de hand, als
tot afscheid. Hij bleef zitten, maar die in de zijne vattende, sprak
hij met zacht verwijt: ,Hoe nu, Madeleine! alles verklaard, alles
verzoend, en toch scheiden; dat kan u geen ernst zijn, of gij
dwingt mij mijne uitspraak te herhalen, dat gij u misleidt omtrent
uwe roeping en uwe krachten, en met eigenzinnig opzet volhardt
om, trots de aangewezen gevaren, alleen uw weg te gaan. Is dat
niet God verzoeken t"
„Ik hoop van neen; want die eenzame weg moet nu eenmaal
de mijne zjjn; al ware ik overtuigd van het gevaar mijner keuze,
wat zou het mjj baten ... zij is gedaan, en ik kan toch niet meer
anders."
Nu sprong hij op. „Zoo is \'t — dat gij niet meer anders wilt!"
riep hjj met hartstochtelijkheid. „Is het weer uit gramschap over
mijne onrechtvaardigheid, die u krenkte? Is zjj niet het hoogste
bewjjs mjjner achting? Gij antwoordt niet; gjj omhult u slechts
te dichter met dien njjdigen sluier; versmaadt gij opnieuw mijn
raad, mijne hand, mijne liefde?"
„Kunt gjj nog twijfelen aan de mijne?" sprak zij, den sluier
wegslaande; hjj mocht nu vrij hare tranen zien; „maar ik mag
uwe hand, ik mag uwo liefde niet aannemen; ik heb het u immers
gezegd; aan u vertwijfelend, mij zelve veroordeelend, meende ik
-ocr page 383-
971
geen onrecht, geene onvoorzichtigheid te begaan, met een besluit
te nemen, en toen dat eens bij mij was vastgesteld, heb ik den
lijdenden Krank den eenigcn troost willen geven, dien het in mijne
macht stond hem te reiken; zijne razende ijverzucht op u was niet
tot ruste te brengen vóór hij de zekerheid had dat ik nimmer de
uwe zoude zijn!"
„Toch! belofte gedaan, toch!" riep hij, toornig met den voet
stampend, „en bijgevolg als hij betert, zult gij hem trouwen?"
„I)at nooit!" riep zij met vastheid, „maar ook geen ander?
maar ook niet zelve een geluk smaken, dat ik hem onthoude."
„Als hij betert, zal hij verstandig zijn, tot rust komen, en zijne
verfoeielijke zelfzucht veroordeelen I"
Zij haalden de schouders op met een smartelijk, ongeloovig
hoofdschudden. „Hij heeft in zijne wilde overspanning het ver-
band zijner wonde losgereten; eene vreesclijke verbloeding is
gevolgd; hij is doodelijk zwak, en zijn arm, jong leven hangt aan
een zijden draad..."
„Als die breekt — dan — zijt gij vrij!" riep Bacx, op een
toon, die getuigde dat zijn hartstocht ditmaal zijne gewone edel-
moedigheid overschreeuwde.
„Integendeel, zijn dood bindt mij te vaster; hij sterft voor
Hoey!" antwoordde zij gestreng, als om dien kreet der eigen-
baat te bestraffen.
„Ik begrijp u, Madeleine!" hernam hij somber. „Als de kogels
mij gewild hadden, zou ik nu niet troosteloos voor u staan; maar
do spietsen der Spanjaarden zullen gewilliger zijn. Ik ben te Hoey
gekomen voor u, voor u alleen. Ik heb niets kunnen doen, niets
kunnen verkrijgen; toch dit eene, ik weet nu wat gij van mjj
wilt! En gjj zult uwe voldoening hebben. De onderhandelingen
moeten afgebroken worden, en er zal een uitval op den vijand
gedaan worden; als de anderen niet willen, doe ik het alleen."
Hij wendde zich af en ging heen, zonder naar haar om te zien;
met een kreet van schrik ijlde zij hem na; reeds had hij den
uitgang bereikt eer zij hem inhaalde; reeds sloeg hij de hand
aan het ijzeren traliehek. „Bacx, Marcelis Bacx!" riep zij adem-
loos; hjj stond stil, zonder een stap te naderen; zjj legde hare
fijne handen op zijne forsche armen, en hield hem staande, en
zag hem aan, oog in oog, met eene onbeschrijfelijke uitdrukking
van teerheid en ernst. „Marcelis Bacx! weet dit: de nagedach-
tenis van den zelfmoordenaar zou mjj een gruwel zijn!"
„Gij maakt mij het leven onmogelijk, en ik zou niet mogen
sterven!"
„is geluk dan het ééne noodigo? Kan men dan niet leven voor
zjjn plicht alleen? Marcelis Bacx, leef! leef om eenmaal Hoey te
herwinnen!" Eer zjj het voorkomen kon, had hij haar in zijne ar-
-ocr page 384-
-ocr page 385-
872
men gesloten, en ccn hartstochteljjken ku» op de lippen gedrukt.
„Wees voldaan, Madeleine! gij hebt Hacx overwonnen; ik zal u
gehoorzamen!"
„Ik onderstel dat gjj het nu toch samen eens zijt!" sprak Hé-
raugière, die door de traliodeur hun afscheid had opgemerkt, Baex
te gemoed gaande met eene poging tot scherts, die hem zoo slecht
afging, dat de ritmeester antwoordde: „Kvengoed als gij het eens
zijt met La Motte over \'t akkoord; want ik zie \'t u aan dat er
iets hapert."
„fijj ziet juist; ik zal den nutteloozen strijd moeten hervatten;
La Motte wil de inwoners niet in \'t verdrag begrijpen, en dat mag
ik niet toegeven; ik heb weer krijgsraad belegd; kom mee;" en
hij legde zijn arm in dien van den ritmeester.
„Er is nog wat anders; wnnt ik zie op uw gelaat ecne uit-
drukking van smart, als zulke teleurstelling toeh wel niet opwek-
ken kan."
„\'t Is waar, al te waar. Ik heb Frank de Preys bezocht. De
arme jonkman had naar mij gevraagd; ik heb hem de hand ge-
drukt voor het laatst, als ik vreeze. Hij was bij mij van zijn der-
tiende jaar af: hij was mij als een zoon; hij beloofde een goed
officier te worden, en nu, op zijn eersten krijgstoeht dus ellendig
te sneven, roemrijk bijna..."
„Ik geloof dat hij er al de eere en al het voordeel van heeft
dat hij zelf kan verlangen," merkte Hacx aan. „Hij heeft Madc-
leine van mij gescheiden."
„Dit verwenschte monnikennest kost mij te veel! Krancois Ie
Noir, mijn trouwe Hugenoot, is ook onder de dooden!" hervatte
Héraugière, te zeer verdiept in eigen leedgevoel, om op de klacht
van Hacx aandacht te geven; daarbij, zij traden de raadzaal bin-
nen, en de Bevelhebber van Ilooy kon zich niet langer verdiepen
in zijn leedgevoel.
„Al de officieren waren reeds bijeen en men wachtte den
Commandant om de beraadslagingen te beginnen.
Luitenant de Vos, die de onderhandelingen had gevoerd, las de
conditiën die hij verkregen had.
Héraugière zou de vesting uittrekken met al zijne manschap
en bagage, zelfs met den buit dien hij voroverd had staande
het bezit van Hoey; de gevangenen, die hij gemaakt had, uitge-
nomen.
Alle officieren zouden vrijheid hebben een paard mot zich te
voeren, benevens hunne wapenen. Aan de soldaten was vergund
mede te nemen wat zij dragen konden. Aan de bezetting zou bij
\'t uittrekken krijgsecr worden bewezen, en men zou hun vrijgeleide
geven tot buiten het Spaanscho leger.
-ocr page 386-
S78
„Maar dat zijn waarlijk zulke slechte coiiditicn niet, en ik zie
niet hoe men hetere zal verkrijgen," sprak kapitein Balfour, en
hij sprak de opinie uit van allen, die wel verrast waren geweest
van lléraugière\'s hesluit om aan \'t beleg een eind te maken,
maar die nu zelven inzagen dat er met langer toeven toch niets
te winnen viel, sinds er geen ontzet mi te hopen.
„Ik zou ook met de conditicn tevreden zijn," hernam Hó-
raugière, „als luitenant de Vos gezorgd had dat de inwoners van
Hoey, op \'t kasteel geweken, mee in \'t akkoord begrepen waren."
„Ik heb er op aangedrongen," verzekerde deze, „uwe intentién
kennende, doch die eisch kon geen gehoor vinden."
„Al zou mijne eer er niet mede gemoeid zijn, de menschelijk-
heid gebiedt mij om er op aan te houden. Ik kan die ongeluk-
kigen niet aan den moordlust der Spaansche soldaten prijs-
geven."
„Met verlof, Commandant! daarvan is ook geene sprake," her-
vatte de Vos. „De burgers zouden ter discretie worden gesteld
van den Bisschop, als hun Heer."
„Daarmee zijn ze dus voor de Spaansche furie veilig. La Motte
is een man van zijn woord, en zal hen beschermen," sprak
Balfour.
„Maar wie beschermt hen tegen den wraaklust van den Bis-
sehop zelf?" viel Héraugière in; „deze heeft reeds bij voorraad
enkelen onder hen als zijne slachtoffers aangewezen. Als ik zulko
eischen had willen toegeven, had ik vier dagen geleden een vrij
beter akkoord kunnen treffen met zjjn zendeling de Sire de Mar-
neffe."
„Dan is het jammer, dat gij \'t niet gedaan hebt," sprak Rosse
Jan, die zich gerechtigd achtte deel te nemen aan de beraadsla-
ging, hoewel hij niet eigenlijk zitting nam onder de officieren,
maar alleen door de zaal rondliep, zwijgend toeluisterend, en nu
achter den stoel van Héraugière staan ging, terwijl hij herhaalde:
„zeer jammer, want ik ken Alexandcr Wauterniaux, en hij zou
gezorgd hebben dat de overeenkomst, die hij gemaakt had, stip-
telijk werd nagekomen."
„Ik betwijfel dat niet, maar toch mocht ik die overeenkomst
niet aangaan. Mij eischto allereerst een van mijne officieren, on-
der pretekst, dat deze des Bisschops gevangene was geweest."
„Dat gold alzoo mij!" viel Oerard de 1\'reysin; „mijn Hemel,
Commandant! laat diit de hindernis niet zijn. De eisch is billijk,
en sinds het mij niet gelukt is met eere te sneuvelen op den voor-
muur; siuds mijn arme Frank mij welhaast niet meer noodig zal
hebben, verlang ik niet beter dan aan den eisch van des Bisschops
recht te voldoen."
„Gij weet, de I\'reys, dat ik nadere rechten op u heb, die ik
-ocr page 387-
374
niet afsta, sprak Héraugière; „daarbij er was meer; die arme
drommel van een Meester Zilbrecht moest overgeleverd worden
als verrader der vesting, en gjj allen begrijpt dat ik dien niet kan
opofferen."
„Dat moet ook niet zijn: maar ik verzeker u, Commandant,
dat ik wel een middeltje zal uitdenken om hem weg te krijgen
door Spanjaarden en Bissehoppcljjken heen."
„Dat bezwaar mag dus als weggevallen beschouwd worden,"
zei luitenant de Vos, die er aan scheen te hechten dat de aan-
geknoopte onderhandelingen niet werden afgebroken.
.Maar dan bljjft er nog een, dat niet weg te ruimen <s," her-
vatte Héraugière, „Schepen de la fïéneste wordt door den Bis-
schop beschouwd, met eenig recht, ik erken het, als de voornaamste
bewerker van de overgave der stad aan ons, en Krncstus schijnt
voornemens, zijn wrok over dat verlies op dezen te koelen. Hij
eischte zijne uitlevering als onderpand van de overeenkomst; ik
vraag u allen of ik die kon aanvaarden?"
Bacx, die tot hiertoe geen woord gesproken, noch eenige deel-
neming in de beraadslaging had getoond, was bij \'t noemen van
des Schepens naam opmerkzaam geworden, hief het hoofd op,
en antwoordde als in aller naam, een forsch en fier: „neen!"
waartegen niemand moed scheen te hebben eenc bevestiging te
wagen, hoewel het waarschijnlijk is dat niet allen het gevoelen
deelden, dat men zooveel omstandigheden behoefde te maken
met „een burger." Kosse Jan, die voorgaf zelf een burger te zijn,
zag die zaak nog eenigszins anders in, want hij vroeg: „Heeft
Wauterniaux omtrent het lot der overige burgers eenige toezeg-
ging gedaan ?"
„Hjj verzekerde mjj, dat de Bisschop de overigen niet dan met
herderlijke mildheid zoude bestraffen, zoo al niet ganschelijk
amnestie verleenen, maar ik zou vreezen, die ongelukkigen den
wolf in de schapenvaeht toe te voeren."
„Ik vertrouw dat er kans is op beter, altijd als Wauterniaux
zijn woord heeft gegeven, want hij weet dat zij, die hier schuil-
plaats zochten, meerendeels protestanten zijn, en ik heb er de
zekerheid van, dat hij de zoodanigen niet ongaarne bescherming
verleent. Hij was een dergenen die \'t meest heeft geholpen om
mij aan den brandstapel te onttrekken ..."
„Dat verwondert mij niet. Hjj liet zich in zulken zin uit.
Hij noemde u onder hen die hij moest eischen, maar puur acquit
de ronscitiin;
en ik zag duidelijk, dat het hem daarmeo geen
ernst was."
„In geen geval zal ik de hinderpaal zijn," antwoordde Rosse
Jan lachende, „maar om tot een resultaat te komen: Het blijkt
dat de overgave op de voorwaarden, door La Motte toegestaan,
-ocr page 388-
375
eene goede zaak zoude zijn voor de bezetting en niet zóó schade-
lijk voor de burgers in \'t algemeen, als men de excepties uit-
zondert."
„Ja maar, de excepties stellen de onoverkomelijke zwarigheid
daar," zeide Heraugière.
„Xiet onoverkomelijk; er zal wel wat op te vinden zijn," be-
weerde de Luikenaar met onverstoorbare koelbloedigheid. „Is de
Schepen bekend met de voorstellen die gij verworpen hebt f"
„Waartoe zou ik hem daarmee ontrust nebben ? hij kon er toch
niets aan veranderen."
„En weet hij van de tegenwoordige onderhandeling?"
„Het zou onkiesch zijn, hem daarvan kennis te geven," zei Hé-
raugirre. „Het zou den schijn hebben van het verwjjt, dat hij ons
allen in den weg stond; hij kon het opnemen of men hem wilde
uitlokken tot een offer, dat hem niet kan, niet mag, en met mjjn
wil niet zal worden gevergd..." Heraugière zag in \'t rond, hij
ontwaarde blikken en gelaatstrekken, die niet van volkomen in-
stemming getuigden met dat voornemen, behalve Bacx, die hem
goedkeurend toeknikte.
„Het komt mij toch voor," sprak kapitein Balfour, „dat de
Schepen van Hoey dient gekend te worden in de onderhandelingen
die wij voeren over het verlaten van het kasteel."
„Zeker," stemde de Vos in, die de bedoeling van Balfour vatte
en ondersteunen wilde; „hij diende de belangen der Hoevenaars
te vertegenwoordigen bij onze beraadslaging."
„Dat zou tot niets leiden," verklaarde Gerard de Preya; „de
man is incompetent zich met zaken te bemoeien."
„Nog geen uur geleden heb ik hem in zijn logies opgezocht,"
voegde Heraugière er bij; „de ongelukkige man is zich zelf niet
meer; toen ik mij liet aanmelden, is hij zijne huiskamer ontvloden.
Ten overvloede, en om hem niet te mankeeren, heb ik hem laten
waarschuwen van onze raadpleging, maar, zooals gij ziet, hij is niet
gekomen. Waarom loopt gij weg, Meester Jan van Luik f"
„Een inval, dien ik wil opvolgen, als altoos... Wat ik u bidden
mag, wacht met een besluit te nemen, tot ik teruggekeerd ben,"
en reeds had hij de zaal verlaten, eer Heraugière toestemmend
kon antwoorden.
„\'t Is dan wel te hopen dat de Rosse niet lang mag uitblijven,"
sprak luitenant de Vos, „want La Motte heeft mij gewaarschuwd
dat het akkoord vóór zonsondergang gesloten moet zijn, of het zou
als afgewezen beschouwd en de vijandelijkheden hervat worden;
daarna zullen er moeielijk even goede conditiën te verkrijgen
zijn..."
„Waarom niet?" vroeg Heraugière; „wjj kunnen toch nog wel
een aanval afwachten..."
-ocr page 389-
876
„Het is juist omdat La Motte dit weet, dat hij zich zoo rekkelijk
toont," verzekerde de Vos. „Hij schijnt zich in *t hoofd te hehben
gesteld, het kasteel in zijne macht te krijgen vóór den Palmzon-
dag. Ik hoor dat er morgen een Te Deum verordend is in de
Kathedrale van Hocy, bij de late mis ter eere van die gebeur-
tenis."
,I)at noem ik toch de huid verkoopen, eer de beer geschoten
is," zeide Héraugière. „Wat let mij, om zijn 7V Deitm in een
mittren te veranderen, en hem te dwingen morgen zijn aanval
te hernieuwen... Zoo \'t hier cene IStaatsche vesting gold, kon
hjj er zeker van zijn dat ik haar vast zou houden tot de laatste
steen mij ontviel..."
„Omdat hij weet, Commandant, dat het nog in uwe macht staat,
die zegepraal te vertragen, is hij juist zóó schikkelijk; raakt heden
het akkoord in duigen, en wordt hij gedwongen morgen te stormen,
in plaats van te juichen, dan heeft hij ook zooveel haast niet, en
dan vreeze ik dat hij met harder eischen zal aankomen; de tolk zeide
mij zelfs, dat er na \'t hernieuwen der vijandelijkheden geen ander
verdrag zou worden toegestaan, dan overgave op genade of onge-
nade, en wij weten, wat dat bij de Spanjaarden te bcteckenen
heeft." Men hoorde een gemompel van spijt en afkeuring onder de
officieren.
„Ik verzoek de heeren van mij te gelooven," voegde Iléraugii re
hun toe, met een kalmen en tieren blik in \'t rond ziendo, „dat
ik mij geenszins vernederende voorstellen zal laten welgevallen.
Als het akkoord van avond niet gesloten wordt, zullen wij strijden
tot den laatsten man!\'\'
„Zoo moge\'t zijn!" riepen Bacx, kaptein Marioen Gerard dcPreys
met geestdrift; de anderen zwegen getroffen onwillig in\'t harte.
Die onrust was wel te verklaren; men was niet meer zeker
van de bereidvaardigheid der manschap. De hachjes van Breda,
die de verrassing met evenveel stoutheid als behendigheid hadden
uitgevoerd, waren mecrendeels gesneuveld, of lagen ziek en ver-
wond in \'t hospitaal. De later overgekomen soldaten deelden
ganschelijk niet hun enthousiasme voor eene zaak, waarbij van
nu aan roem noch buit was te behalen; de bres, die niet waa
te stoppen, hoewel men tot de burgers van Hoey toe in \'t werk
had gesteld, en de afbrokkelende muur, van wiens broosheid
nu de geringste kanonnier zich overtuigen kon, werkten niet tot
opwekkeljjke voorbereiding bjj \'t hervatten van eene worsteling
tegen de erkende overmacht. De ontoegankelijkheid van het rots-
kasteel bleek eene illusie. Het neerstortend gruis van den poort-
toren en der muren zelfs zou de opklimming der vijanden be-
vorderlijk zijn. Het volk was reeds begonnen te murmureeren,
dat het zich niet tusschen de vervallen steenen wilde laten uit-
-ocr page 390-
:s77
moorden, en alleen het gerucht dat Héraugière parlementee-
ren Het, had het gemor gestild; tot hoelang? vroegen zich de
officieren af, en deze stemming begrijpende, mede voelende,
hervatte luitenant de Vos: „Maar die tolk kan een leugenaar en
een bedrieger zijn, al was het, (Jod betert! een Hollander van
afkomst. Het scheen een schuin heer, een leelijke schele zwetser,
die bij de Spaanschen was overgeloopen, en nu den Hidalgo
speelt, omdat hij wat spaausch brabbelt en zekere diensten weet
te verleenen, waartoe niet iedereen bereid zou zijn. Zeker is het,
dat hij den Staatschen niet gunstig is, want zoo ik mij niet met
La Motte in het Kransch had kunnen onderhouden, en het alleen
op zijne tusschenkomst had laten aankomen, ware ik wis niet zoo
vlug noch zoo goed klaar geraakt; in elk geval heb ik genoeg gezien
en gehoord, om den Commandant wel dringend te raden, om nog
heden het verdrag aan te gaan, als het eenigszins mogeljjk is."
„Als het mogelijk ware, zou \'t geschieden," repliceerde deze,
„maar zoo ik geen gewisheid krijg op het lot der inwoners,
mag ik niet met mijn profijt te rade gaan."
„Zou \'t niet doenlijk zijn, ons opnieuw tot de Luikcnaars te
keeren, en te zien, wat er van dezen te verkrijgen was?" vroeg-
kapitein Halfuur.
„Die zullen nu al te verbolgen zijn, sinds ik hunne gunstige
voorstellen heb afgewezen."
„Daarbij... ze hebben in dezen niets meer te zeggen, dan
voor zoover het do inwoners geldt, dat heb ik wel begrepen,\'*
zei de Vos; „op dit punt heb ik La Motte hooren zeggen : „A
tout Seigneur tont honneur
;" de Bisschop moet naar eigen welge-
vallen disponeeren over de burgers zijner stad, die in \'t kasteel
worden aangetroffen..."
„Maar in ieder geval zijn de Spanjaarden noch met hun getal,
noch met hunne namen en hunne personen bekend, en dus zal
het zeer gemakkelijk zijn de zoodanigen, die iets te vreezen
hebben van de bisschoppelijke rancune, met de soldaten mee
uit de vesting weg te voeren," beweerde kapitein Halfuur.
„Ik vreezo zeer het tegendeel; het is althans geen zaak er op
te rekenen, want de tolk bleek van die allen kennis te dragen
en daarenboven was er ook die zekere parlementair ...
„Wauterniaux! was die bij La Motte in\'t leger!" vroeg Hérau-
gière levendig.
„Hij scheen zelfs op vrij gemeenzamen voet met den Bevel-
hebber!" antwoordde de Vos.
„Nu, Gode zij dank! dat kan altijd voor iets goed zjjn," sprak
nu Rosse Jan, weer binnenkomende; toen zich naast den armstoel
van Héraugière plaatsende, fluisterde hem in: „Schepen de la
Geneste wenschte u te spreken."
-ocr page 391-
B78
.Schepen de la Geneste!" herhaalde Héraugière onwillekeurig
luidde; „ik hoop toch niet dat gjj hem gezegd hebt..."
«Dat was onnoodig, hij wist alles!"
„Schepen de la Geneste!" de naam was door de anderen verstaan
en werd op eiken toon herhaald. Verrassing, onrust, medelijden,
blijdschap, al die verschillende gemoedsaandoeningen werden
opgewekt bij de aanwezigen, naar het verschil van hun gemoeds-
bestaan en der wenschen en verwachtingen, die zij koesterden.
„Schepen de la Geneste!" kondigde Meester Halewijn aan,
de groote middendeur van de zaal openslaande.
Héraugière stond schielijk op en ging den komende te gemoet.
De officieren bleven zitten, dat was in de orde; maar Héraugière
riep hun met zeker ongeduld toe, dat de krijgsraad was opgeheven.
„Mijnheer de Gouverneur verschoone rajj! ik verlang in den
vollen krijgsraad gehoord te worden!" sprak de la Geneste, met
eene vaste, klare stem.
„Zooals gjj verkiest, Mijnheer!" hernam Héraugière, kennelijk
teleurgesteld.
Hij bleef geen meester van de positie, zoo de anderen mee
aanhoorden wat de la Geneste verlangde of aanbood.
Met hoffeljjkheid bood hij hem een armstoel, dien de Schepen
niet innam; alleen legde hij de hand op de leuning, als had hij
behoefte aan eonigen steun.
Héraugière sloeg hem gade met diepen weemoed, maar tege-
lijk in de hoogste verbazing.
Was dat de man, dien men hem voorgesteld had als door het
ongeluk neergebogen, tot versufthoid toe r Dat do man, die, naar
de sprake ging, wezenloos en menschenschuw was geworden door
kommer en zelfverwijt? Dat de man, door een vriend incompe-
tent verklaard om stem te hebben in zijne eigene zaak? Dat de
man, dien Héraugière een uur te voren met eigene oogen voor
zijn aangezicht had zien vlieden; nu met vaste en waardige
houding zich begevende te midden van hen die hij zoo schuw
had ontweken, nu ordelijk gekleed, den Schepenstabbaard dra-
gendo en den gouden keten om den hals; nu het gebogen hoofd
opheffende en het woord nemende met deftigen ernst? Het was
nauwelijks geloofbaar. Gerard de 1\'rcys bovenal, die den lijder
in de diepte zijner gedruktheid had aanschouwd, riep mirakel
in den geest, maar kon de onrust niet van zich weren, dat alleen
eene opwinding door de ure des gevaars verwekt, oorzaak zou
zijn van deze houding, bovennatuurlijk bjjkans, in aanmerking
van \'t geen hij nog gisteren was. Bacx daarentegen, die zich den
Hoeyschen Schepen nog het best herinnerde uit zjjne betere
dagen, vóór den val zijner stad, zag met diepe deernis de sporen
van het doorgestane lijden, de innige smartgroeven, de jammer-
-ocr page 392-
S79
lijko vermagering, de geheele verandering van den vader zijner
zielsgeliefde, en zoo dit eene beterschap heette, waarover men
zich had te verwonderen en te verblijden, hoe deerniswaardig
moest dan niet zijn toestand zijn geweest, berekende de fijnvoe-
lende krijgsheld.
En toch was het beterschap en geene ziekelijke overprikkeling,
dat getuigde het opgerichte hoofd, de verhelderde blik, niet von-
kelend van wilden gloed, noch strak starend zonder zien, maar
kalm en ernstig zich vestigend op hem, wien hij toesprak; al
lag er weemoed in dien blik, intelligentie en wilskracht lichtte er
uit, toen hij tot Héraugière zeide : „ Wil vooraf mijne verontschul-
diging aannemen, Heer Gouverneur! dat gij mij heden voor het
eerst bij u ziet. Ik ben een ondankbare huisgenoot geweest, die
uwe milde gastvrijheid te weinig heeft gewaardeerd..."
„Geene excuses daarover," sprak nu Héraugière gulweg, en
hem de hand toestekende, die hij niet vroeger had durven bie-
den, uit vreeze dat de stugge man die zou weigeren ten aanzien
van al die anderen; „onder vrienden maakt men immers geene
omstandigheden, en ik wist dat gij lijdende waart."
„Lijdende, ja! wel in de volle beteekenis van het woord, en
aan de smadelijkste en smartelijkste kwaal, waar een mensch en
Christen aan lijden kan. Ik ging gebukt onder knagend zelfverwijt;
ik werd verteerd door bitteren, redeloozen wrok. Ik verafschuwde
mij zelf, als de oorzaak. U haatte ik als den voltooier van den
ondergang onzer stad..."
„Maar nu... ziet gij dat toch anders in, niet waar?" viel
Héraugière daartusschen, onrustig over de wending die dit begin
konde nemen; „de schoonsto kansen kunnen misloopen; onze
bedoelingen kunnen averechts uitvallen..."
„Zoo is het, Heer Gouverneur! Ja! ik zie veel nu anders in.
Wij achtten onze bedoelingen goed; moge God, die de harten
kent, ze dus oordeelen. Onze middelen waren mogelijk niet zui-
ver, mjjn volk voor zekere zegeningen niet rijp... De Almachtige
heeft u met machteloosheid geslagen... om onzer zwakheid wille
misschien, ondanks eene schitterende zegepraal, ondanks uw
goeden wil om die te bestendigen. Ongelukkig zien de mensehen,
die de intentiën niet wegen kunnen, op de uitkomsten... Ik, die
een beter oog kon hebben op de uwe, werd met blindheid ge-
troffen en kon \'t verband niet meer vatten tussehen oorzaken en
gevolgen, en weet u de mislukking van het grootsch ontwerp,
zoolang gekoesterd; zoo zorgvuldig voorbereid en toch op niets
uitgeloopen dan op jammertooneelen en onzer allerdiepste be-
schaming."
„Mijnheer de la Geneste!" viel Héraugière in met bezorgdheid.
De Schepen, ingelicht van het vroegere ontwerp, kon in de vaart
-ocr page 393-
880
zijner redeneering vergeten, dat niet voor aller ooren zekere
waarheden pasten.
„Maar ik heb nu beter licht," hervatte de la Qéneste; „de
kanker van den haat, die mjjn binnenste verteerde, die mijn ziels-
oog verstompte, is uitgesneden : ik weet dat ik u onrecht deed;
schenk mjj vergiffenis..."
„In uw leedgevoel kondet g|j niet billjjk zijn, Heer Schepen,"
antwoordde Héraugicre, hem nogmaals de hand reikende.
„Juist," hervatte de la Geneste, „noem mjj nog heden met den
titel van mijn ambt; want ik kom om het te vervullen, ik kom om
recht te doen. Ik kom, als de voorganger van do Hoeysche
burgerij; in hare belangen Bpreken."
„Dat is werkeljjk uw recht en roeping; gij zijt uitgenoodigd
onder ons zitting te nemen; maar laat mij u inlichten, waarvan
eigenlijk sprake is."
„Ik ben zoo volkomenlijk ingelicht of ik uwe beraadslaging had
bjjgewoond, ja zelfs of ik de derde ware geweest bij uw onder-
houd met Alexander Wauterniaux!"
„Wie is de onvoorzichtige:\'" riep Héraugicre, den Kosse aan-
ziendc; maar deze sprak kordaat: „Ik had werkelijk plan om hem
alles te zeggen, maar het was overbodig..."
De blik van Héraugicre zocht dien van Bacx, den eenige, die
in zjjn vertrouwen was; maar deze schudde ernstig ontkennend
het hoofd.
„Zoo weet ik dan wat er van mij wordt verlangd," hervatte
de la Geneste.
„Integendeel, Heer Schepen! niemand onzer zal van u eischen..."
„Ik ben schepen om recht te doen, en ik ken mijne verplich-
tingen. De toestand der bezetting wordt mot den dag bezwaar-
ljjker. De vesting is niet te houden. De burgers zelve, die het
weten, verkeeren in allerlei angst en onrust over het einde. Er is
nu eene kans om aan den onhoudbaren toestand een eind te
maken. De burgers willen liever besluiten tot do orde terug te
keeren en hun lot aan de beslissing van hun Heer te onderwer-
pen, dan oorzaak te worden, dat alles op het uiterste wordt ge-
waagd, om ten laatste als weerlooze schapen door de Spanjaar-
den uitgemoord te worden. De Bisschop geeft hoop op mildheid,
op vergiffenis; alleen, hij maakt uitzonderingen; zijn recht moet
zjjne voldoening hebben. De Schepen, die de ontrouw pleegde,
tegen zijns Heeren belang, om de stad in vreemde handen te
stellen; de Schepen, die de hoofdoorzaak is, dat de Spanjaarden
Hoey hebben verwoest, wordt in de eerste plaats genoemd onder
hen, die opgeëischt worden, en hij is bereid om aan dien eisch
gehoor te geven."
„Dat zal ik nimmer gedogen!" riep Héraugicre opstaande en
-ocr page 394-
B81
den arm om hem hcenslaande, als wilde hij hem reeds nu voor
den dreigenden slag beveiligen. Zelfs zij, die dit offer verlangd
hadden, schenen nu zóó getroffen door dit edelmoedig besluit,
dat zjj de stem verhieven om het te ontraden.
Alleen Gcrard de 1\'reys zweeg en zag den Schepen aan met
oogen, die van sombere geestdrift vonkelden.
„Als men besluiten kan, schepen de la Oónesto op te offeren,
zal ik hier blijven om mij gjjzelaar te stellen in zijne plaats,"
sprak Hacx met bitterheid.
„Dat offer zou nutteloos zijn, ritmeester!" antwoordde de la
Geneste, zich uit Hcraugière\'s arm terugtrekkend. „Ik ben niet
hier gekomen om van mjjn besluit te worden afgebracht, maar
om het te volvoeren. Luitenant de Vos heeft gewaarschuwd, dat
La Motte vóór zonsondergang uwe beslissing moet kennen ...
Mijnheer de Gouverneur! ik bid u, mar niet langer met die zaak
haar beslag te geven."
„Heer Schepen! overweeg wèl wat gij mij vraagt en beraad u
beter; het is te verwachten, dat de Bisschop u een proces zal
aandoen en er bewijzen tegen u zullen gevonden worden."
„Toen ik den eersten stap deed tot onderhandeling, wist ik dat
ik een spel waagde, waarbij mjjn hoofd de inzet was. Op die uit-
komst was ik voorbereid. Voorts moge het niemand uwer be-
vreemden, dat ik, zoolang door nameloos zelfverwijt gefolterd,
deze eenige kans niet wil laten ontglippen om iets van mijne
grootc schuld af te doen."
„Do man, die onder onbetaalbaren schuldenlast gebukt gaat,
doet beter algeheele kwijtschelding te smeeken, dan roekeloos
van de betaling eeniger penningen verlichting te wachten," fluis-
terde Gerard de Preys hem in, terwijl hij opstond en hem de
hand drukte.
„Dat is volkomen waar, en ik weet dat ik niet een druppel
bloed van het vergotene, waartoe ik aanleiding gaf, zou kunnen
uitwisschen met het storten van al het mijne; maar toch, ik kan
door het niet te sparen als het offer gevraagd wordt, verhinderen
dat er meer worde geplengd, en ziehier wat mjj drijft."
„Er is niemand hier, die u zoo goed verstaan kan als ik, broe-
der!" hernam de Preys.
„Als Mijnheer de la Geneste zoo vast besloten is, zie ik niet
waarom wij aarzelen zouden met zijn aanbod ons voordeel te
doen, eer het te laat is ..."
„Hola, kapitein Balfour!" viel Héraugière in. terwijl hij opstond
en hem ter zijde nam. „Zoover zijn wij nog niet, luitenant de
Vos!" hij wenkte dezen tot zich; „is het een absoluut voreischto,
dat gij mot een beslissend antwoord keert?"
„Als ik met een ander moet keeren dan het door u geteekend
-ocr page 395-
882
akkoord, Commandant! verzoek ik u mij te excuseeren; dan dient
er een bekwamer onderhandelaar gekozen te worden; ritmeester
Bacx bij voorbeeld ..."
„Ik!" riep Bacx. „Ik hoor niet tot de bezetting! Men rekene
in dezen niet op mij !" en ziende dat de andere officieren reeds
opgestaan waren, zich rondom Héraugière schaarden en kennelijk
in levendige woordenwisseling geraakten, voegde hij zich bij do
la Geneste.
„En uwe dochter?" vroeg hij dezen, hem beteekenisvol in de
oogen ziende.
„Waak gij over haar, ritmeester! red haar van zich zelve;
want zjj zal bjj mij willen blijven, en zij kan daarmee alleen mijn
leed verzwaren."
„Ik wil alles voor haar doen, alles voor haar wagen; mocht
zij slechts niet de reddende hand afwijzen ..."
„Maar ik eisen, dat er nog eene clause bijgevoegd worde, ten
bate van de vrijwilligers!" hoorde men Héraugière zeggen.
„\'t Is te beproeven, Commandant\'." antwoordde luitenant de
Vos; „beter nog is er te hopen, als gij na de geteekende preli-
minairen met Monsieur de La Motte wildet aboucheeren ..."
„Die verwenschte gespagnoliseerde Nederlander! Maar gij hebt
gelijk: wij zullen elkander toch moeten zien." Toen zich tot do
la (Moeste richtende, vroeg Héraugière met eene stem, die van
diepe aandoening getuigde: „Messire de la Geneste! blijft gij nóg
bij uw besluit, als ik u zeg, dat deze Heeren uw offer aannemen ?"
„Zoo zij het onverstand hadden het af te wijzen, zou het mij
toch niet ten bate komen," antwoordde deze lakoniek.
„Het zij dan zoo, de teerling is geworpen! ga dan, luitenant
de Vos! ga!" sprak Héraugière, en reikte dezen het geteekend
akkoord; „en nu, mijne Heeren! laat ons samen."
„Ik ga met u mee, Luitenant!" riep de Kosse.
„Wat zou dat voor dolheid zijn, Meester Jan van Luik! Gij
weet immers, dat de Bisschoppelijken mee stem hebben in den
Spaanschen krijgsraad ..."
„Bah! dat doet er niets toe! Ik kom mee als parlementair!
Ik brand van verlangen om mjjn vriend Wauterniaux weer te
zien," en hij volgde de officieren, die allen de zaal verlieten, uit-
genomen Bacx, die zich gerechtigd achtte te blijven. Héraugière
kon zich nu niet langer bedwingen; hij viel de la Geneste om
den hals en stortte tranen van diepen weemoed.
„Moesten wij tot zulk eene uitkomst de handen ineenleggen!"
riep hij smarteljjk. „Ik behoorde u te danken, ik kan het niet,
het gaat mjj te zeer aan het hart."
„Mijn dank komt u toe; mijne Loïse is in veiligheid te Breda!"
„Hebt gij er zekerheid van!1"
-ocr page 396-
383
„Volle zekerheid. De trompetter, die met uw parlementair in
\'t Spaansche hoofdkwartier is geweest, heeft mij een brief van
haar gebracht, dien Wauterniaux hem in de hand stopte. Dat
schrijven is nog uit Luik, maar het geleide, dat haar naar Breda
zou voeren om Jules de Warfusee mee te nemen, stond als het
waro te wachten. Loïse heeft mij alles medegedeeld, wat gij voor
haar, voor mjj hebt opgeofferd ..." en de la Geneste had tranen
in de oogen, terwijl hij hem de hand drukte.
„Hoe kunt gij daar nog van spreken! Een verlies van rantsoen,
wat beteekent dat bij \'t geen gij doet!"
„Xeen! er is meer! Ik weet alles! alles! Wauterniaux, die voor
hare uitwisseling zorg droeg en haar tot den einde toe voor uwe
gemalin hield, omdat zij, vreezende mij in ongelegenheid te bren-
gen, bleef volharden in het verzwijgen van haar waren naam, —
Wauterniaux heeft zich met bitterheid bjj haar beklaagd over
de halsstarrigheid van haar echtgenoot, die zijn schoonste ontwerp
in duigen deed vallen en de voordeeligste proposities afsloeg,
alleen maar omdat hij „den verrader de la Geneste\'\' en diens
medeplichtigen niet wilde overleveren! Gij begrijpt hare dank-
baarheid ..."
„De onvoorzichtige!" riep Héraugière verschrikt, „u dat medo
te deelen."
„In hare argeloosheid schreef zij mij alles; dat was de eerste
schok die mij wakker schudde uit de gevoelloosheid waartoe ik
vervallen was. Dankbare tranen over hare redding, over uwe
edelmoedigheid, gaven verluchting aan mijn toegeschroefd gemoed
en deden mij de schellen van de oogen vallen. Ik zag u en uwe
handelingen niet meer door het zwarte glas van den haat; ik be-
greep, dat gij geleden hadt, zooals ik, door het mislukken eener
onderneming, die u zooveel rust en inspanning had gekost; en
toch! om mijnentwil gaaft gjj prijs, wat gij nog uit die schip-
breuk uwer grootsche verwachtingen hadt kunnen redden I Dat
roerde mjj; dit maakte mij ter verzoening bereid. Ik wilde met
mijne Madeleine spreken en haar alles mededeelen, wat er in mij
omging; ik vond haar niet. Toen viel het mij in, dat men mij
opgeroepen had om tegenwoordig te zijn bij uwe raadpleging.
Voor \'t eerst sinds ik op het kasteel was, kreeg ik behoefte mij
behoorlijk te kleeden; ik verliet daarop mijn logies on zocht de
zaal waar de raad bijeen moest zijn. Tevergeefs! Ik was slechts
zelden in dit gedeelte van \'t kasteel geweest. Nu herinnerde ik
mij niet recht de ligging der vertrekken. Ik raakte verdoold in
een der sombere corridors. Ik zocht een uitgang; ik bevond
mij ten laatste in iets als eene bidcel zonder licht of lucht, maar
dat grenzen moest aan de raadkamer, want ik hoorde uwe stem,
die van de anderen; ik hoorde genoeg om te begrijpen, wat men
-ocr page 397-
884
van mij had willen afweren. Ik gevoelde op eens, dat ik tot
handelen geroepen werd, dat er een offer van mij werd geëischt,
flat ik nog tot iets nut kon zijn voor mijne arme medeburgers;
dat ik mij dankbaar kon betoonen aan u. Er was haast bij, u
dat te gaan zeggen ... tastende waarde ik rond, en trof gelukkig
onzen Luikenaar, die mij herwaarts bracht; ziedaar het geheim
mijner genezing, mijner oprichting. God zjj er voor gedankt! Ik
ben weer een mensch, ik kan weer lijden, ik kan weer liefhebben!"
„Uwe herstelling verblijdt mij innig, maar... het middel is
te pijnlijk, Gelooft gij, dat uwe Loïse u zulk een brief heeft
geschreven om u tot dit offer uit te lokken?"
„Zeker neen! maar ik ben overtuigd, dat zij dien niet zou
teruggehouden hebben, zoo zij geweten had wat er uit volgen
moest! Gij, krijgslieden! die uw leven voortdurend aan duizen-
derlei gevaren waagt, moet niet zoo laag denken van ons, burgers,
dat wij het onze niet durven prijsgeven in onzen plicht!"
„Ja maar... in koelen bloede, in eene rechtzaak!"
„Zoo is men vooruit zeker, dat niet het dusgenoemde toeval
beslist!"
Een donderende knal, alsof er een onderaardsch onweder los-
barstte, liet zich hooren, eer nog de la Geneste had uitgespro-
ken, en deed hen alle drie opspringen.
„Kan dat eene ontploffing van buskruit zijn in de slotkelders?"
vroeg de la Geneste, Héraugière aanziende.
„Neen ! \'t is wat anders," hernam deze met een bitteren glim-
lach. „Het zijn de mijnwerkers, die niet op het parlementeeren
schijnen acht te geven! Ze hebben hun vlijt willen toonen vóór
de sabbatsruste inging! er zal een brok van de rots zijn ge-
sprongen I"
„Werkelijk!" riep Bacx, met van blijdschap stralende oogen,
„dat zou een goed voorteeken zijn voor mij, Messire de la
Geneste!"
„Ik begrijp niet, hoe gij die uitwerking van woesten haat dus
beschouwen kunt, ritmeester!"
„Sta mij toe, u naar uwe kamer te leiden en u dat duidelijk
te maken, Heer Schepen!"
-ocr page 398-
HOOFDSTUK XV.
Het akkoord werd gesloten, wel niet vóór zonsondergang, want
daartoe kwam de parlementair reeds te laat in het Spaansche
hoofdkwartier; maar luitenant de Vos, die ecnigszins den aard
had van zijn naam, had een slag om den arm gehouden, zooals
men dat noemt, en het ultimatum, door La Motte gesteld, was
eigenlijk middernacht. Volgens de overeenkomst zou de overgave
van \'t kasteel plaats hebben terstond na de vroegmis en de be-
zetting onverwijld uittrekken. Doch uit aanzien van den gloeien-
den haat, dien het Luiksche landvolk den Staatschen toedroeg,
werd er besloten, dat de uittocht eerst Maandag met het aan-
breken van den dag zoude plaats vinden, daar juist het kerke-
lijke feest honderde boeren en kolenbranders naar Hoey lokte,
voor wie het aftrekken van die „roovers en plunderaars" zeker
een welgevallig schouwspel zou geweest zijn, waarbij het niet
zeker was, dat zij rustige toeschouwers zouden blijven. Ook
hadden Héraugière en de zijnen dat respijt wel noodig voor de
toebereidselen tot het vertrek, en de maatregelen, die er moesten
genomen worden, vergden zoozeer zijne aandacht, dat het leed-
gevoel over zijn échec er door werd afgeleid.
Dat was in meerdere of mindere mate het geval met alle an-
deren. De burgers van Hoey, die do hoop voedden, dat zjj recht-
«treeks naar hunne woningen zouden tcrugkeeren, daar men hun
verzekerd had dat zjj niet ten doel zouden staan aan het Spaan-
sche geweld, omdat hun Bisschop hen had opgeëischt, met ver-
zekering zijner genadige intontión, — de burgers van Hoey pakten
het weinige dat zjj bezaten, te zamen, en hielden zich voorts rus-
tig bijeen in hun kwartier, al was het in diepe neerslachtigheid,
uit vreeze voor de Spaansche schildwachten, die reeds de posten
kwamen bezetten.
Madeleine, die door de la Geneste was bekend gemaakt met
de redding harer moeder en die met stille dankbaarheid aan
De verrassing van Hoey.                                                                             25
-ocr page 399-
386
God de gelukkige verandering in den toestand van haar vader
gadesloeg, zonder dat deze goedvond haar in te lichten, wat die
had teweeggebracht, — Madeleine wachtte niets anders of zij
zouden te zamen onder de hoede van Héraugière naar Breda trek-
ken, waar zij hare moeder zou vinden. Zij maakte derhalve hare
schikkingen met Gerard de Preys; om zoolang mogeljjk hare
zorgen te kunnen geven aan Frank de Preys, die nog altijd leefde,
zoo men de roerlooze matheid, waarin hij nederlag, leven mocht
heeten... Hij had geene behoeften meer, hij scheen zelfs geene
wenschen meer te hebben, en bleef volstrekt onaandoenljjk, naar
het uiterljjke, bij alles wat rondom hem voorviel en dat niet meer
voor hem te verbergen was. Madeleine kon van hem weggaan en
terugkeeren zonder dat hij het scheen op te merken. De barbier-
wondarts, die nu zelf opgemerkt had, dat zijne heftige middelen
alleen hadden gestrekt om hem te verergeren en te verwilderen,
liet hem aan zijne ruste. Hij had hem opgegeven en hield zich
bezig met overleggingen omtrent het transport zijner zieken. Rosso
Jan, die niet rusten kon en de gewoonte had zich met alles te
bemoeien, was hem daarbjj behulpzaam; maar het belette hem
niet van tijd tot tijd naar Frank de Preys te komen zien, en hij diende
hem dan ongevraagd een middel toe van zijne eigene samenstelling.
„De Spanjaarden zijn zoo kwaad niet als ze ljjken," sprak hij
tot Madeleine : „de chirurgijn van La Motte heeft mij van dit kost-
bare Peruaansche poeder afgestaan, waarvan de Esculaap hier het
gebruik niet eens kent. Frank zal beter worden : ik verzeker het
u I" Madeleine schudde ongcloovig het hoofd; maar tegen den
avond rees hij op uit zijne doffe onverschilligheid, vroeg zelfs om
eenige verkwikking, en toen die genoten was, sprak hij met zwakke
stem, maar op kalmen toon :
„Madeleine, ik gevoel mij veel beter, en ik zal herstellen, ik weet
het; vraag mij niet hoe ik het wete, maar gij zult het zien."
„Dat verheugt mjj, Frank!"
„Ik geloof u! ik weet dat gij edel en onbaatzuchtig zijt als
geene andere. Wilt gij mij een dienst bewijzen, Madeleine?..."
„Als \'t in mijne macht staat..."
„Het is zeer gemakkelijk; laat ritmeester Bacx hier roepen."
„Waartoe zou dat nu dienen, Frank? Gij kunt hem niets te
zeggen hebbon, dat u goed zal doen."
„Toch wèl, ik heb hem iets te vragen; ik wilde hem de hand
reiken tot afscheid; ze vertrekken immers morgen in de vroegte?"
„Ja, dat is wel zóó; maar toch, hoe weet gij...?"
„Ik weet dit, en meer. Uw vader, Rosse Jan, Wouter Willemsz
en Gonda, die af en toe hier samen waren, bespraken alles onder
elkander, terwijl ik voor hen reeds als een doode was..."
„Die onvoorzichtigen!"
-ocr page 400-
:!H7
„Neen, dat was juist heel goed; maar ik bid u, laat nu den
ritmeester hier komen."
Hoewel huiverend tegen een samenzijn, waarvan zij voor Frank
het ergste vreesde, moest Madeleine toegeven. Bacx kwam en
wisselde een blik van verwondering met Madeleine, die zieh nu
wilde verwjjderen; maar Frank eischto, dat zij blijven zoude, en zich
tot Bacx wendende, sprak hjj met zonderlinge kalmte en nadruk :
„Ritmeester! ik heb uwe vergiffenis hoog noodig, eer ik vol-
komen rust zal vinden. Ik heb u voel leeds gedaan, ik weet het.
Ik heb mij gesteld tusschen Madeleine en u, met al de vermetelheid
van mijn onzinnigen hartstocht. Ik wist, dat zij u liefhad en niet
mij, en toch oefende ik dwang over haar, uit radelooze ijverzucht."
„Het is u vergeven Frank do Preys!" sprak Bacx, hem de hand
drukkende. Ik begrijp wat gjj hebt moeten voelen, moeten lijden;
sterf in vrede! Madeleine zal mijne zustor zijn, zooals zij de uwe
was, en wij zullen uwe nagedachtenis eerbiedigen."
„Maar ik hoop te leven," hernam de twintigjarige, die werkelijk
opnieuw eenige levenskracht in zich voelde, „en daarom spreek
ik nil. Als men zoo dicht nabij den dood is geweest als ik, ziet
men vele dingen gansch anders in, en ik verfoei mij zelven we-
gens mijn egoTsme. Ik gevoel het nu duidelijk, welk eene wreed-
heid ik pleegde onder den schjjn van teederheid. Zoo ik in een
van die ijlende koortsen bezweken ware, zou Madeleine, tot dank
van al hare zorgen en opofferingen, troosteloos zijn achtergebleven,
want zjj zou mij woord gehouden hebben, ik weet het; ik heb hare
tranen niet gezien, maar ik heb haar strijd meegevoeld, en ik wist
hoe zjj leed, zelfs daar, waar zjj overwon."
„ Frank! Frank!" riep nu Madeleine, die op eenigen afstand
was gaan zitten om hare aandoeningen onopgemerkt te bestrijden;
„is dat Christelijk P gij vermoordt u zelven met zulke herinnerin-
gen op te wekken."
„Als gjj meent dat ik sterven ga, aanhoort dan mjjn tosta-
ment," hernam hjj met een weemoedig glimlachje. „Wil hierbij
mjj komen, Madeleine, en geef mjj even die fijne zachte hand,
die zich zoo menigmaal weldadend helpend over mjj heeft uitge-
strckt, ter verpleging mijner wonden, ter verlichting van erger dan
lichaamspijn! Gij weet het wel, wat gjj mjj beloofd hebt: wij
zouden afrekenen, als ik weer op do wallen kon gaan! Ik ben
op de wallen geweest, helaas! om er niets te doen dan mij zelven
te schaden; nu kom ik er niet weer; dus moeten wij de rekening
sluiten. Blijf ik u nog veel schuldig, Madeleine! als ik deze hand
in die van den ritmeester leg? neen, trek haar niet terug, Madeleine!
zij behoort bjj het hart, en dat bezit hjj alleen. Aarzel nu niet, rit-
meester! want gjj weet dat zjj een beschermer behoeft zooals gjj zijt."
„Maar gij zult al te ongelukkig zjjn," sprak Bacx met tranen in
-ocr page 401-
388
de oogen, hoewel hij zich toch van de kleine hand had meester
gemaakt, die nu ook in dat zoet geweld scheen te berusten.
„Ik geloof\' neen! Ik was ongelukkig door het hartstochteljjk
wensehen van het onbereikbare. Ik heb in dezen nog slechts céne
begeerte, die ik hoop dat gjj mij zult inwilligen."
„Spreek!"
„Vergun nijj uwe bruid een kus te geven, zooals den eersten
en eenigen, dien ik haar bjj verrassing heb ontroofd, den kus der
broederliefde; zij zal u later wel vertellen hoe dat gebeurd is..."
Baex liet de hand van Madeleine vrij en deze boog zich naar Frank
toe. „ Weest gedankt en vergeeft mjj beiden mijne booze kwelzucht."
„Ga toch hoen, want hij vermoeit zich al te zeer," fluisterde
Madeleine Bacx in.
„Niet waar, ritmeester, gij laat haar aan mij, tot ik geheel her-
Bteld zal zijn?" vroeg Frank zacht, bijna smeekend.
Baex knikte tot eenig antwoord en ging zwijgend heen.
„Maandag 21 Maart was het sneeuwig weer," zooals Duyck
meldt. Geen gunstig vooruitzicht zeker voor de Staatscho bezct-
ting, die in de vroegte de vesting moest uittrekken. Maar wat
beteekenden de Maartsche sneeuwbuien daarbuiten, hoe guur ook,
bij de stormachtige aandoeningen, die daarbinnen in sommiger
hart moesten bestreden worden P Wat de kamp met de elementen
tegen den eisch om zich zelf te beheerschen en zich groot te
houden voor vriend en vijand:-
Niemand inderdaad toonde in deze uiterste ure die kunst be-
ter te verstaan dan de la Geneste. Met de kloekheid van een
Romein, met de kalme berusting van een Christenwijsgoer, stond
hij daar onder den steenen zuilengang, vaardig om zich aan de
spits der burgeren te stellen, en het offer te brengen waarvan
hjj hoopte dat het ten zoenoffer zou strekken voor hen allen.
liet was of deze grootsche gedachte den gebogen lijder als
verjongde en met frisschc kracht had bezield. Toen Hóraugicre
naar hem toekwam om hem voor \'t laatst de hand te drukken,
was de krijgsman van de twee de incest bewogene, de zwakste.
Bleek als een doode, sprakeloos onder de aandoeningen, die hem
overmeesterden, wierp hjj zich snikkend aan zijn hals en ijlde
toen voort, zonder omzien of\' opzien, de Vlaamsche binnenplaats
over, de burgers voorbij, die, door een half vaan Waalsche rui-
ters in bedwang gehouden, wel morden en mokten onder elkan-
der, maar niet tot het uiten der verwensehingen kwamen, die
zeker in hun hart oprezen.
Aan de grooto vestingpoort te paard gestegen, reed de Bevel-
hebber van Breda, nu niet meer Gouverneur van Iloey, verge-
zeld van de kapiteincn Mario en Balfour on omringd van \'t over-
-ocr page 402-
389
schot zijner ruiters, die te voet moesten volgen, langzaam het
steile rotspad af, de restingbrug over en toen midden door de rn
haye
geschaarde Spanjaarden en Walen heen, met eene gewaar-
wording of\' hij door de spitsroeden liep, terwjjl hem de militaire
eer werd bewezen, maar dus Mauw en achteloos, dat de Italiaan
met blikken, vlammende van toorn, om zich heen zag en de Schot
Balfour eene verwensching uitstiet in zjjne landstaal.
Héraugière had er niet eens op gelet; hij hield het hoofd op-
gericht en staarde strak voor zich heen, maar zonder te zien.
De opeengedrukte lippen ontsloten zich zelfs niet voor een : „ Ventrê
siihtt grit f \\
dat hem lucht had gegeven. Hij moest zich als ver-
steenen, om niet onder \'t oog zjjner zegevierende vijanden ineen
te zinken van smart en beschaming.
„\'t Was niet anders dan of men een standbeeld zag rijden,"
verzekerde later oen Hoevenaar, die mee toegekeken had. Eens
de groote steenon brug over, reed hij in zoo wilden galop zjjne
officieren vooruit, dat de luitenant van Grobbendonck hem moest
waarschuwen voor \'t gevaar, dat hij op die wjjzo liep van zonder
escorte aan do Spaanscho posten te komen, meer nog van de
onveiligheid in de dorpen! Tandenknarsend van spijt matigde hij
zijn draf; hij moest afzien van dit hulpmiddel om door sterke
lichaamsbeweging aan zich zelf\' te ontkomen. En wieu kan het
bevreemden, dat hij ditmaal voor den burger moest onderdoen
in lijdzame kalmte, in rustige vastheid van houding? Spijt over
het mislukte krijgsavontuur; de tergende ervaring, machteloos te zijn
tegen de omstandigheden, en vernedering te moeten oogsten, waar
hij voor den roem meende gezaaid te hebben, en onder dat alles
door, de beschamende bewustheid dat hjj, al was het zijns ondanks,
ontrouw gepleegd had jegens die burgers van Hoer, die op zijne
bescherming hadden gerekend, dat alles te zamen doorvljjmde
hom de borst als met giftige spiesen, en er waren oogenblikken,
waarin hjj wel hail willen omkooren en die der Spanjaarden tegen-
loopen om voor altijd van deze snerpende kwellingen genezen to
worden. Wel stilde hij ze soins met de geruststelling, dat hun
leven in elk geral beter verzekerd was, nu zij ter beschikking
bieren ran hun eigen meester, al was hij een harde Heer, dan
zoo zjj aan de willekeur der Spaanscho overwinnaars waren over-
gelaton; wel wachtte hij verzachting in hun lot, door het offer
dat te hunnen behoeve zou gebracht worden; maar hoe hij het
ook bemantelde, hoe goed hjj het achtte het roor zich zelf te
kunnen verdedigen, de angel dier waarheid, dat hij do burgers
ran Hoor in den steek had gelaten tegen zjjn krijgsmanswoord,
bleef hom toch in \'t geweten haken, en zeker lag er onder de
smart, onder hot medegeroel waarmee hij de la Geneste rerliet,
niet slechts waardeering eencr zedelijke grootheid, die zulk een
-ocr page 403-
390
offer kon brengen, maar school er ook iets als benijding onder,
dat aan dezen vergund was te doen, wat hjj zelf moest nalaten.
„Maar iedere stelling heeft zijne eigenaardige plichten,-\' zcide
zeker advocaat in zijn binnenste, om den prikkel dier smarte af
te stompen. Ware hij de la Geneste geweest, hij zon gehandeld
hebben als deze; maar hij was Héraugière en deze had ook nog
op wat anders te denken. Hjj moest den wenk opvolgen, die hem
van hoogerhand gegeven was, en mocht het Staatsche krijgsvolk,
aan zijne zorgen toevertrouwd, niet opofferen ter wille van ecne
verovering die toch niet houdbaar was, die gansch geene vruch-
ten meer kon opleveren, en die reeds meer had gekost, dan hij
vreesde dat men willens was geweest er voor te betalen.
Maar met Héraugière te volgen, hebben wij ons reeds te ver
buiten de vesting begeven, waar ons toch nog tooneelen wachten,
de aandacht wel waard.
De zwaarste beproeving voor de zielssterktc van delaGénesto
was het afscheid zijner dochter. Zij was maar ten dcele ingelicht
van \'t geen haar vader tot blijven noopte, waar hij haar tot heen-
gaan dreef. Men had haar verborgen, welke schikking er gemaakt
was omtrent de burgers. De la Geneste had haar doen inzien,
dat hij het zijn plicht achtte met hen te blijven tot hun lot ver-
zekerd was. Zij wist, dat hjj van dit inzicht niet zou zijn af te
brengen; zjj zag daarin voor hem een onbestemd gevaar, maar
geenszins oen offer. Zij had gesmeekt bij hem te mogen bljjven,
om alles met hem te doelen; maar hij had haar to kennen ge-
geven, dat zjj niets zou kunnen doen om hot af to weren; dat
zjj het alleen zou kunnen verdubbelen door zich zelve te wagen.
Hij wees haar op hare moeder, zoolang van alle liefde harer doch-
ter gespeend, die recht had op hare tegenwoordigheid; op Krank
de Preys, wien zij nog zooveel hulp konde reiken staande dien
zwaren tocht. Met één woord, hjj wist zoovele en zoo geldigo
redenen aan te voeren, dat zij zich bereid toonde, zijn wil to
doen; maar toen het oogenblik der scheiding gekomen was, dreigde
zij te bezwijken en wilde zij zich niet van hen losscheuren. Het
was of een innerlijke stem haar zeide, dat zjj voor het laatst aan
dat vaderhart rustte; maar lïacx had haar woord, de IVoys wachtte
haar liefdedienst; reeds was de laatste op een der wagens neer-
gevleid; de la Geneste wenkte den ritmeester, die schicljjk toe-
trad en de scheiding bekortte door haar weg te leiden. Zoo ging
zij dan op zijn arm geleund, bijkans waggelend onder hare aan-
doeningen en telkens omziende, naar de la Geneste, die zich met
opzet aan haar oog onttrok.
Een half uur te voren had Bacx hem terzijde genomen en voor-
gesteld om hem buiten de vesting te helpen, trots het akkoord,
waarin hij in elk geval niet bij name genoemd was.
-ocr page 404-
391
„Waartoe?" vroeg hjj kalm. .Ik heb nu op aarde niets meer
te doen dan te sterven; red mijne dochter, dat is alles wat ik
wensch." Het spreekt wel vanzelve, dat Madeleine zoomin recht
had om heen te gaan als een van de andere Hoeysche vrouwen;
maar Bacx wist wat hem te doen stond. Bjj de vestingpoort wachtte
hem zijn paard. Hij hief Madeleine op en zette haar voor zich,
terwijl zij zich schuchter in haar reismantel wikkelde en den kap
over het hoofd trok. Grobbendonek, die met zijne Walen het
toezicht hield op het uittrekken der bezetting en die Bacx per-
aoonlijk kende, vroeg hem met wat recht hij eene vrouw uit de
vesting voerde.
„1\'ar droit de conqiiête."\' antwoordde de Staatsche ritmeester
fier; „ik voer mijne bruid mee."
„Passé.\'" riep de Waalsche officier lachende, en zoo snel de
voorzichtigheid gedoogde, ging het de steilte af, de vestingbrug
over; maar hier deed zich eene hindernis op.
Ken balk, tusschen kettingen hangende, was dwars over de brug
gespannen, ongeveer eene manslengte hoog. Kene wacht van Bis-
schoppelijke soldaten was daarnevens geposteerd, onder bevel van
een luitenant, en Messire Wauterniaux, bijgestaan door den Spaan-
schen tolk, bevond zich daar, om toe te zien, dat geen der Hoeysche
burgeren, als hoofdschuldigen aangewezen, in de verwarring van
de uittocht mee de vesting verlieten.
De tolk die zich nu Uiaeomo I\'erez noemde, maar in wien wij
Jacques l\'erret herkennen, den laaghartigen fortuinzoeker uit Mees-
ter Zilbrecht\'s herberg, had zich aangeboden Wauterniaux te waar-
schuwen als er fraude gepleegd werd, en bewees dat hij willens
was woord te houden; want toen Bacx met wat ongeduld eischte,
dat men den sluitboom zou openen, riep hij uit al zijn macht:
„Niet doorlaten! Ziedaar ritmeester Bacx, die Madeleine de la
Geneste wil schaken!"
Hij giste slechts naar de waarheid, want hjj kon hare trekken
niet zien, daar zjj in haar ruim regenklecd zoowel hare gestalte
als haar gelaat verborg.
Wauterniaux scheen besloten de inblazing van den ophitser
gehoor te geven, want hij gaf geen tegenbevel, en zag Bacx
aan met een norschen blik, die bewees, dat hij hem rancune hield.
Maar Bacx liet zich niet ontmoedigen.
„Kom, kom! Sire de Marneffe! toon dat gij een edelman zjjt!"
riep hjj hem toe. nLa courtoisie/ que diantre! men laat geene
dame wachten ...."
„Ik wil haar zelfs het wachten besparen; zij kan blijven!" sprak
de hofnar strak, die het mislukken zijner zending nog niet kon
vergeten.
„Messire Wauterniaux! geloof mij, het is de dochter van den
-ocr page 405-
392
trouweloozen Schepen, die hij redden wil," fluisterde Jacques Perret.
„Laat de dochter bj) den vader blijven!" riep Wauterniauxluid.
„Als men \'t hier zóó begrijpt, weet ik er raad op; hebgeene
vrees, Madeleine! houd u stevig vast," sprak Bacx, alleen voor
deze hoorbaar, en dwong inmiddels zijn paard eenige passen ach-
terwaarts te doen, in eigenlijken zin: reculer pour mieuxsauter;
want toen zijn oog den afstand had gemeten joeg hij snol als do
gedachte vooruit, sprong de hindernis over, en drong tegen het
hoopje verraste soldaten in, die in alle haast terugweken om niet
door het paard vertrapt te worden.
„Moet ik hem nazettenf" vroeg hun officier, zich tot Wauter-
niaux wendende.
„Welzeker!" hernam deze half korzel, half lachende; „zet de
raven in de lucht na, dat zou ik u raden!"
Inderdaad, met vogelvlugheid joeg fïacx voort om zijn dierbaren
last in veiligheid te brengen; maar de schele was niet als Wau-
terniaux ontwapend door de kloekheid en behendigheid van den
ruiter-officier. Lage zielen haten dos te meer, waar zij tot bewon-
dering gedwongen zjjn.
Voor dit oogenblik echter vermocht hij niets dan zijn wrok
verbijten; hij moest op zjjn post bljjvon; daarbij werd zijne aan-
dacht afgeleid door iets dat er plaats vond buiten de vestingpoort
in de hoogte, Wouter Willemsz, zijne Oonda aan den arm, meende
vrijmoedig door te stappen; maar de luitenant van Grobbendonck
hield hem aan.
„Hola, sergeant! dat gaat zóó niet! Het vrouwvolk moet in de
vesting blijven!"
„Maar het is mijne vrouw!" voerde Wouter Willemsz tegen, in
de hoop dat het argument voldoende zou zijn.
„Vrouw of liefje, dat doet er niet toe! Er zijn geen soldaten-
vrouwen in \'t akkoord begrepen dan de zoetelaarster, die met
haar man al lang vooruit is."
„Volgens \'t akkoord mogen de soldaten meenemen wat zjj dra-
gen kunnen; ik begeer niets mee te voeren, dan haar alleen; laat
me dat toe I" hervatte Wouter Willemsz op een smeekenden toon,
wel voelende, dat het hier de vraag was eener gunst, niet van recht.
„Ik neem \'t akkoord bij de letter, als je ze dragen
kunt..." sprak de officier minder bar dan hij zich toonen wilde.
Dat was aan geen doovo gezegd. Met eene rappe beweging had
hij \'t meisje in de armen gevat en droeg ze het hellende voetpad
af in één vaart, onder de luide toejuichingen van het soldaten-
volkje. Maar dit geluid had de opmerkzaamheid getrokken van
Messire Giacomo, die zooals wij ons herinneren, oude grieven
had tegen het paartje.
„Dat zal niet aangaan!" riep hij, toen hij hem de brug zag
-ocr page 406-
393
naderen, waar Wouter zijn lieven last neerzette, in den waan dat
alle zwarigheid overwonnen was. „Messire Wauterniaux! dat is
de musketier Wouter Willemsz, een van hen, die \'t ijverigst deel
heeft genomen aan de verrassing van \'t kasteel; die laten ze
daar boven ook maar doorgaan!"
„Dat spreekt vanzelve; al wat tot de bezetting behoort is in
\'t verdrag begrepen. Wij hebben alleen toe te zien, dat de Hoeye-
naars niet mee ontsnappen; is het zijne vrouw, die hij zoo
zorgvuldig torste f"
„Het mocht wat! op zijn mooist zijn liefje, eene Hoeysche
deerne; de nicht van den verraderlijken waard uit de Kreeft."
Het paartje was zoo dicht bij gekomen, dat Wouter Wil-
lemsz die kwaadwillige aanduiding had verstaan, evenals hij den
spreker had herkend; zijn bloed kookte, want al do hauts fait»
van den laaghartige kwamen hem voor den geest, maar wijselijk
overwoog hjj dat het oogonblik niet gunstig was om hem daar-
voor te straffen; (fonda daarentegen was geene meesteresse over
hare verontwaardiging. „Hoe!" riep zjj uit, „ondankbare, dubbel-
hartige verrader! zoudt gij mjj in ongelegenheid willen brengen,
die u zelven uit den hoogsten nood verlost hebt, toen gjj zoo
bang waart voor Héraugière! en dat huichelde nog vroomheid
huichelde nog protestant en mijn geloofsgenoot te zijn!"
„Zijt gij dan protestant?" vroeg Wauterniaux, even glimlachendo
over de voortvarendheid waarmee zij zich zelve verried.
„Waarom zou ik niet?" hernam zij moedig. „Ik ben geene
onderhoorige van den Bisschop; ik ben een Hollandseh meisje
uit Geertruidenberg, en woonde maar bij mijn oom..."
„Toen hij de vesting hielp verraden?" vroeg Wauterniaux.
„Kon ik weten wat mijn oom met Rosse Jan te verhandelen
had! ik verlangde maar naar mijn land en naar mjjn musketier;
maar als ge van verraders praat, die schele daar, dat is er een!
hij is nog leelijker van inborst dan van uiterlijk, en als mijnheer
hem kende, zooals ik ..."
„Men kan geene vrouw tot zwijgen brengen, of men moet haar
den gorgel toeknijpen; wil ik maar beginnen?" stelde de schele
Wauterniaux voor.
„Volstrekt niet; zij praat aardig, en ik hoor graag de waar-
heid," beet deze hem toe. „Sergeant, gij kunt doorgaan!"
„Niet alleen! met mijn meisje blijven, of gaan!
„Nu dan! maakt dat gij voortkomt, en vergeet niet haar te
trouwen," hernam Wauterniaux, een wenk gevende dat men hun
den sluitboom zou openen.
De scheele radbraakte eene verwonsching in \'t Spaansch en
voegde Wauterniaux toe: „Als Messire zóó de belangen van den
Bisschop behartigt, zullen de andere schelmen ook nog vrij komen."
-ocr page 407-
894
„Ik ken de intcntien van mijn meester!-\'hernam Wauterniaux
hoog, „en die is niet, het Hoeysche drama bloediger te maken
dan noodig is; de la Geneste zal niet heengaan, daar sta ik borg
voor, en op Meester Zilbreeht zullen wij letten."
„Die zal al voort zijn; want die twee zouden Ie chtr oncle niet
in den steek laten. Ik heb suspicie; sta mij toe te onderzoeken
wat er van is," en hjj liep weg uit al zijne macht, het paartje na.
„Au fait, Héraugiire heeft tot het laatste toe geprotesteerd
tegen het uitleveren van dien verrader!" sprak Wauterniaux in
zich zelf. „De droes hale hem, zoo hij ons gefopt heeft. Wat
gaat mij de bagage van Héraugière aan, die ze nu vervoeren;
hij zal \'t Kasteel toch niet meenemen; onder die soldaten van
Balfour schuilen wis geen burgers, maar op den schelmschen
herbergier komt het aan. Luitenant, ga met uw volk den tolk na;
mogelijk heeft hij u noodig," en hij zelf begaf zich naar het kasteel,
om zich te vergewissen van Meester Zilbrecht\'s aanwezigheid.
Hij trof er onder de eersten Rosse Jan.
„Gij nog hfcr, Sire de Bruijssins!" sprak hij verdrietelijk, „dat
is roekeloos. (Jij weet toch als ik u aantref, is het mjjn plicht,
u gevangen te nemen."
„Vooreerst is de Sire de Bruijssins niet meer hier, en wat
Rosse Jan betreft, ne rous gent» pas. Ik ben er voor gebleven.
Ik wil het lot van de burgers deelen, verzachten, zoo het zijn
kan, en daarbjj, ik heb mij borg gesteld voor iemand anders..."
„Als die iemand maar niet de waard uit de Kreeft is, want
dan laat ik de borgstelling niet gelden!"
Faute de wiens! waarom niet, mon cherV
„Omdat ik niet wil dat een ander de straf zal dragen voor
zjjn misdrijf."
„Gjj zult er u in moeten schikken; Ie plus fort ent fait: Meester
Zilbreeht is van de eersten uit de vesting getrokken. Onder
\'t vlaggetje van de zoetelaarster, uitnemend verkapt; gij begrijpt,
ik heb een handje geholpen..."
„Schaam u, de zoon onzer edelen, gemeene zaak maken met
zulk een vilein!"
„Ik ben zijn medeplichtige, zijn verleider; ik heb mjj bij
Héraugière aansprakelijk gesteld voor zijne redding."
„Wat zal Monsieur Groesbeek zeggen t zjjn eigen neef terechtstaan
met verraders, als de plaatsbekleeder van een valsehen munter!"
„Een valsch munter! die goede eerlijke sukkel van een Zil-
brecht; hoe komt gij daarbij?"
„Don Giacomo, de Spaansehe tolk, die alle mensehen uit Hoey kent,
zegt dat hij het is, en dat hij met zjjn valsch goud de burgers
heeft omgekocht, om zich aan de zijde der Staatschen te voegen!"
„Don Giacomo! dat is in \'t Hollandsen vertaald Jakob van de
-ocr page 408-
S98
Perre, een lage bankroetier, een verrader, een overlooper, een
moordenaar; om \'t al te zeggen, geloof nooit een woord van zijne
lasteringen; de onnoozele Zilbrcoht is zijn dupe; en kom met
mij mee, ik zal u vertellen hoe ik zijne kennis heb gemaakt."
Bij de groote steenen brug, die Héraugière met het grootste
deel der bezetting al lang gepasseerd was, stonden de bagage-
wagens en die voor de gekwetsten bestemd, slechts door een
twintigtal soldaten begeleid, en ten aftocht gereed. Al was zulk
een voertuig niet van de gemakkelijkste, toch bood het eenige
beschutting tegen de guurheid van het weer, daar het van eene
huif was voorzien, waarom er dan ook besloten was, dat niet
slechts Frank de I\'rcys en zijne lotgenooten, maar ook Madeleine
en Gonda, hare getrouwe gezellin, hiermee den tocht zouden
doen. Be eerste had hare bestemde plaats reeds ingenomen, tot
groote blijdschap van Frank de Preys, die door kussens onder-
steund, aan hare zjjde zat. Bacx zou te paard het voertuig be-
geleiden, en Gerard de Preys had hetzelfde voornemen; maar
men kon niet afrijden eer Gonda veilig binnen was; zij had zich
veel te verdienstelijk gemaakt, dan dat men haar in den steek
wilde laten. Toch werd Bacx ongeduldig, vooral toen hij zag hoe
het aantal der nieuwsgierige Hoevenaars, die naar den aftocht
kwamen kijken, meer en meer toenam, en ten laatste nog vergroot
werd door een deel der mjjnwerkers en koolgravers, wier onder-
aardsche arbeid nu geschorst was, en die niet allen met den
zondag naar hunne woonplaats waren teruggekeerd. Zij ontzagen
zich niet, hun haat en toorn tegen de „rooversen landvreèsehen-
ders\'" met hunne eigenaardige levendigheid lucht te geven. Toch
bleef het bij scheldwoorden in hun patois, die de Hollanders
niet verstonden, en bij drukke toornige gebaren; want La Motte
had gezorgd dat er Spaansche soldaten op de been waren, om
de hartstochtelijkheid der Luikenaren in bedwang te houden;
zelf had hij zich met eenige officieren aan de overzijde der
rivier geposteerd, hetzjj om zjjn triomf te genieten, en het be-
wegelijk tooneel van den uittocht in zijn geheel te kunnen over-
zien, hetzjj met het nobeler doel, om naar zijn gegeven woord,
voor de veiligheid der aftrekkenden te waken.
„Dat dralen bevalt mij niet," pruttelde Bacx; „dat volk kan
ons lastig worden; als zij niet komen, moeten wij gaan!" En om
zich te overtuigen of zij niet kwamen, wendde hij zijn paard
om en keerde terug. Zo kwamen aanloopen, ademloos, maar
vervolgd door den schele, die hen bijkans had ingehaald. Dit
ziende, keerde Bacx hem af, door zieh dwars in zijn weg te stellen.
„Ritmeester Bacx! men voert gevangenen mee, gevangenen
van den Bisschop; laat mij door en onderzoek doen!"
-ocr page 409-
396
„ Wat wij meevoeren, is het onze!" zei Baex lakoniek, ziende
dat hij zijn doel bereikt had en het paartje bjj den wagen was
gekomen, maar de schele scheen meer met zjjn haat, dan met
de krachten van zjjne tegenpartij te rekenen, want hij verBtoutto
zich het paard bij den staart to vatten, om het te doen steigeren
en den berijder in ongelegenheid te brengen. De intentie was
geraden en voorkomen in denzelfdcn oogwenk; met oen rassen
en vasten greep had de stoute rijder den lagen aanvaller in zjjn
kraag gepakt, liet hem een oogenblik tusschen hemel en aarde
spartelen, en wierp hem toen met kracht verre van zich, met de
waarschuwing: .zorg mij nooit weer in den weg te komen, of
het zal erger afloopen!"
„Bravo 1 Kitmeester; wees gedankt," kon Wouter Willemsz zich
niet onthouden uit to roepen; „dio heeft voor vandaag genoeg."
üonda was in den wagen geholpen; Wouter Willemsz steeg
op bjj den voerman - - niemand anders dan Xicolaas, die be-
weerde dat een stijve nek geen reden was om onder de ge»
kwetsten plaats te nemen, en de zweep werd over de paar-
den gelegd; over hel paard behoorden wij te zeggen; want
hoewel er drie achter elkander waren aangespannen, was alleen
het eerste onder het bereik van den zweepslag, en werden
de anderen voortgeleid door een paar Luiksche karrelieden.
Snel kon de tocht niet gaan; belemmerd door de nieuws-
gierigen, die telkens terzijde moesten gedrongen worden; be-
lemmerd door de lastige afbellende straat, nog daarenboven glib-
bcrig van de vochte sneeuw, vorderde men slechts zeer lang-
zaam. Intusschen was de schele van den schrik en de duizeling
bekomen, richtte zich op, en venijn spuwende als de gewonde ad-
der, liep hij, zooals hij was, druipend van slijk en met bebloed
gezicht, door het Luiksche volk heen en naar de Spaansche sol-
daten toe, al roepende: „ze houden \'t akkoord niet; ze voeren
gevangenen mee; ze hebben mij geweld aangedaan, omdat ik
hun toeleg ontdekte!"
Deze aanhitsing deed hare uitwerking. De Spanjaarden, bran-
dend van wraakzucht tegen de aftrekkenden, snakten naar een
voorwendsel om hen te vervolgen; en zij achtten het gevonden
te hebben in de beschuldiging, door den mishandelden tolk uit-
gegalmd. „Verraad! verraad! dat moeten we wreken;" gierden
ze, en drongen vooruit naar de voertuigen.
De luitenant van Oroesbeek en zjjne soldaten, door Wauterni-
aux den schele nagezonden, hoorden nauweljjks die kreten, of zjj
kwamen uit al hunne macht aanloopen om den mishandelden
tolk bjj te staan en de ontdekte gevangenen in ontvangst te ne-
men, maar ook de Spaansche soldaten hadden hetzelfde voorne-
men. De gevangenen werden te allen tijd als een deel van den
-ocr page 410-
397
buit geacht, dat don soldaten toekwam; ook was de ergernis der
Spanjaarden groot, toen zjj vernamen, dat men hun ditmaal daar-
van berooven wilde ten bate der Luikenaren, en schielijk begrepen
zjj dat er nu misschien gelegenheid zou zijn zich vergoeding te
verschaften tegen dat vermeende onrecht; wel verre dus van te
bedenken dat zij ter bescherming der aftrekkenden daar waren,
vielen zij allereerst met woestheid op de bagagewagens aan, tér-
wijl de soldaten van Groesbeek, vreezende dat de Spanjaarden
het eens waren met den Staatschen om hun tekort te doen, reeds
op het punt waren om dezen aan te vallen, toen Jacques Perret
hun toeriep, dat zij alleen maar zijne aanwijzing hadden te volgen,
en dat het verraad in den overdekten wagen school!
Als bij zwijgende overeenkomst hield het volk de paarden aan,
schreeuwende dat men de brandstichters, de ketters, die Iloey
hadden verkocht en verlaten, niet rustig zou laten aftrekkon. De
mijnwerkers, niet langer door de Spaansche spiesen en hellebaar-
den ter zijde gehouden, drongen op het kleine hoopje soldaten,
aan, die ten overvloede gedwongen waren zich weerloos te laten
sarren en dreigen, duwen en stooten, daar het hun volgens \'t
akkoord niet vergund was, gebruik te maken van de wapenen, die
zij mochten meevoeren.
Bacx verkeerde in de vreeselijkste spanning. Hetgeen hjj ditmaal
te beschermen had, was hem dierbaarder dan het leven, en toch
zag hij het oogenblik komen, dat het aandringend volk niet meer
te keeren zou zijn en den wagen zou bestormen, waarbij hij post
had govat. Wel kwam zijne buitengewone lichaamskracht hem te
stade om enkele stoutmoedigen zóó te ontvangen dat zij terug-
deinsden; maar de zware en scherpe werktuigen der mijnwerkers
waren geduchte wapenen in hunne hand, en de moedige ritmeester
mocht zjjne vuurwapenen niet gebruiken, mocht zijn sabel niet
trekken, want zóó hij het deed, kon het als eene schennis van het
verdrag worden opgenomen, dat alles in kwestie stelde en de
schromclijkste gevolgen na zich slepen zou. Met eene onbeschrjj-
felijkc uitdrukking van smart en onrust zag hij om zich heen, terwijl
het breede krachtige voorhoofd, in gezwollen aderen en afdrup-
pelend zweet, het sprekend bewijs leverden van de uiterste krachts-
inspanning. Nog ééns hief hij zich ten halve op in den zadel, bijna
wanhopend aan \'t geen zijn starend oog meende te hebben op-
gemerkt: aan de overzijde Spaansch krijgsvolk, dat ter hulpo snelde.
Ja toch! daar bespeurde hij beweging onder\'t volk, terugwijkende
voor de ruiterbende! Daar zag hij La Motte zelf toeschieten met
den uitgetogen degen in de hand, en hem een sein gevende, dat
hij begreep en dat hem met levendige dankbaarheid vervulde.
Hij mocht zich verdedigen! Hij zelf trok nu zijn sabel en bracht
van uit de verte den Spaanschen veldheer den militairen groet.
-ocr page 411-
398
„De Staatschen hebben vrijheid zich te verweren!" klonk het
nu uit den mond van een der Spaansche officieren, die vooruit
was gesneld.
„Dom volk! dringt met u allen op hem aan, en licht den reus
van het paard, dan hebt gij vrij spel met hem," siste de slangen-
tong van den schele de naast omringenden in de ooren, terwijl
hij zich zelf niet al te nabij waagde.
Bacx had wel niet verstaan, maar hij raadde den boozen op-
stoker, toen men zich dichter om hem verdrong en reeds een der
vcrwoodo mjjuwerkers de hand aan den teugel sloeg. Die hand,
Bacx had niet voor niet een sabel in de zijne, zonk bloedend
neer; werd het hoofd van den vermetele gespaard, het was om-
dat de held begreep, hoe matiging in dezen oogenblik wijsheid
was. De gekwetste viel neer onder de mislukte poging, en zijne
medestanders traden terug, deels uit schrik, deels uit vreeze dat
de gevallene onder den voet zou raken. Bacx zwaaide een paar
malen rond met het blinkend staal, maar zonder iemand te tref-
fen, daar zijne belagers afdeinsden. Hoe gematigd ook, ééne
executie moest er echter plaats vinden. Iljj had het den schele
aangezegd; als deze weer in zijn weg kwam, zou \'t erger aHoo-
pen. En nu, deze was weer in zjjn weg getreden en stond sarrend
tusschen de menigte, die hij ophitste. Een der geladen pistolen,
die Bacx in de lederen kokers aan den zadel had hangen, was
ras gegrepen. Het oog zocht het doel, de vaste hand wist het te
treffen, de haan werd overgehaald, het schot brandde los. In \'t
voorhoofd getroffen, stortte de laaghartige booswicht levenloos
neer. Allen daar rondom stoven uiteen. Van de andere zijde
snelde de Spaansche ruiterij aan en de orde was zoo goed als
hersteld. De Staatschc soldaten hadden zich mede goed gehou-
den, en zoo ras zij zich verdedigen mochten, waren zij Bacx in
de bescherming van het bedreigde punt behulpzaam geweest.
Wouter Willemsz was van den bok geklommen en had aan de
andere zijde post gevat om Gerard de 1\'reys bij te staan, dien
hij dacht aangevallen door Luiksche soldaten. Maar deze, in plaats
van zich te verweren, liep hun te gemoet en vroeg wat zij wilden.
„Wij zoeken onzen gevangene, dien men wil wegvoeren."
„Dien moet gjj niet zoeken in den wagen; daar zijn niets dan
vrouwen en gekwetsten; laat dezen met rust. Uw gevangene is
hier.... II jj staat voor u."
„Een Staatsch officier?" vroeg de luitenant aarzelend.
„Gerard de 1\'reys!"
„Ja! dat is wat anders; dien moeten wij hebben."
„Welnu, daar is hij! ik brak mijn woord om niet meer in deze
zaak te dienen. Ik verlang een krijgsmansdood en gelegenheid om
te biechten."
-ocr page 412-
399
„Messire Wauterniaux, in wiens handen wij u moeten stellen,
is de man niet om zulken wenseh te weigeren!"
„Goed! laat ons aftrekken."
De houding van Gerard de I\'reys boezemde den Bisschoppelij ken
officier eerbied in, en hij dwong zijn volk om zich met deze prooi
te vergenoegen. Onbestemd gevoelde hij het, dat hier een offer
werd gebracht.
Wat er onder dat alles in dien wagen werd gevoeld en geleden,
is het noodig dit aanschouwelijk te maken, nadat wij dus vertrouwd
zijn met de karakters en de gevoelens van de belangwekkendsten
onder hen?
Welke vrouw kan zich niet verplaatsen in den toestand van
Madeleine en van Gonda, waar zij zulken strjjd om harentwille
zagen voeren f Welk man zich niet indenken in dien van Frank
de Preys, door onmacht tot lijdzaamheid gedwongen? On tiepeut
tout flirr.
Anders zouden wij schetsen, met hoe schalk een aplomp
Xicolaas van den bok af den moedwil der Luikenaars in ontzag
hield met zijn jachtroer — dat niet geladen was!
Valentin do 1\'ardieu, lieer van La Motte, kwam zelf naar Bacx toe,
die hem met warmte zijn dank betuigde voor den tijdigen bijstand.
„Ik deed niets dan mijn plicht," hernam deze hoffelijk; en het
zou aan mij zijn, excuses te maken over het gebeurde. Dan, gij
weet zelf wat soldaten zjjn, en \'t Luiksche volk valt wat woest in
de uitingen van zijn haat."
„En dan werden ze nog opgehitst! de fielt, dien ik heb door-
schoten ...."
„Was onze tolk en nog wel een Nederlander! Per dioI Ritmees-
ter! ik kan het u niet kwalijk nemen; maar gij hebt uwe wraak-
zucht niet ten halve voldaan.
„Het was geene wraakzucht; het was een dienst aan de menschheid ;
het was een onverlaat, die bedroog en verried waar hij maar kon..."
„Treurige lijkrede op een landgenoot!"
„Wat zal men zeggen? men vindt schelmen onder den edelsten
landaard, en edelmoedigheid ..."
„Tot bij den gehaten Spagnool!" vulde La Motte glimlachend
aan. „Gij weet, dat ik er geen ben; maar ik zal zorgen, dat gij
noch van Spanjaarden, noch van Luikenaars last zult hebben. Ik
heb Grobbcndonck bevel gegeven met zijne ruiters uwe achter-
hoede te dekken, en mocht er nog iets voorvallen ... gij hebt
uwe pistolen ... maak er dan vrij een zoo goed gebruik van, als
zooeven tegen Giacomo."
Maar er gebeurde verder niets; de trein, wagens en soldaten,
zette zich opnieuw in beweging met de minst mogeljjke langzaam-
heid en nu ongestoord, terwijl het volk stil mokkend afdroop. „Men
kwam vrij," zegt de kroniekschrijver, „met den schrik en zonder
-ocr page 413-
400
ander verlies dan wat schade aan de bagage van Héraugière."
Ware het deze sehade alleen geweest, hjj had zich licht kunnen
troosten; maar toen hij den 2.is\'<"« te Breda aankwam, bleek het
hem dat hij met grootere schade bedreigd werd : het verlies van
zijne goede reputatie, het verlies van de gunst en de ecre, die
hij in de oogen van het Xederlandsche volk met de verrassing
van Breda had verdiend, dreigde nu bij den treurigen afloop van
Hoey te worden ingeboet. Waarheid is het, dat men in Holland
alleronaangenaamst verrast werd door deze uitkomst; zij werd
ontijdig geacht, en men kon niet gelooven, dat zij in de gegeven
omstandigheden geene andere had kunnen zijn. En waar het volk
schreeuwde en schold tegen den roemruchten Kapitein, dien men
vroeger als om strijd had gevleid en geprezen, ging er in de ver-
gadering der Algemeene Staten een kreet op van toorn en ver-
oordeeling, dien zijne trouwste en invloedrijkste vrienden in haar
midden niet bij machte waren te overstemmen.
Zelven verrast en teleurgesteld, zelven beschaamd en vernederd,
misten zij de overtuiging, die een pleidooi welsprekend maakt.
En toch, hetgeen zijne Heeren en Meesters dus heftiglijk tegen
hem verbitterde, was zijne schuld niet, hoewel zij die op hem
wierpen. Zij hadden een gek figuur gemaakt tegenover de Luiksche
gezanten en tegenover de natie: dat was eene onverteerbare grieve;
het was alleen het ongeluk van het tjjdperk, dat men elkaar geen
telegrammen kon zenden; want op den eigen dag, dat Hunne
Hoog Mogenden de Luiksche Gezanten voor goed hun afscheid
gaven met het fiere antwoord: vdat men de stad en V kasteel van
Hoen aan den Keurvorst zon teruggeven, als de rijand Rijnberk
weer zou hebben afyestaan,"
kreeg men in den namiddag te \'s Hage
het bericht van \'t verlies der stad en van de wijze waarop het
kasteel aan den vijand was overgegaan!
Men kan zich den indruk voorstellen, dien deze nieuwsmare
maken moest. De Luiksche gezanten waren te Dordrecht geko-
men, toen zij die vernamen. Onverwjjld keerden zjj naar \'s Hage
terug, zoo zij voorgaven met den wensch opnieuw in de verga-
dering der Algemeene Staten gehoord te worden, om deze na
het gebeurde in de gelegenheid te stellen een ander antwoord
mede te geven of het vroegere te wijzigen, hoewel de eerste
depêche reeds verzonden was langs een anderen weg, dan dien
de gezanten dachten te nemen. Maar men schrijft hun, en niet
zonder reden, de bijgedachte toe, dat zij zich heimelijk met de
beschaming van Hunne Hoog Mogenden wilden verlustigen en
tegelijk de stemming des volks bespieden onder den slag dezer
teleurstelling.
Hunne Hoog Mogenden, \'t zij ze deze intentie hadden geraden
«f niet, wisten te zorgen dat de bres, in hunne achtbaarheid ge-
-ocr page 414-
401
schoten door het mal a propos van hun eigen antwoord, zoo snel
en zoo goed mogelijk werd gestopt, en zij lieten den vijand het
stormen niet toe.
De gezanten kregen geene audiëntie op hunne eerste aanvraag:
eerst toen de Staten-Generaal de Raad van State en Zjjne 1\'rin-
selijke Excellentie de Stadhouder vergaderd waren om op de ge-
rezen bezwaren toe te zien en de qitestion hriilanfr te behandelen,
werden de Luiksche gezanten ter vergadering ontboden, en werd
hun al aanstonds het harde verwijt gedaan dat hunne regeering
grovelijk tegen de neutraliteit had gezondigd, daar zjj zelve had
medegeholpen om den algemeenen vijand het kasteel van lloey
te doen winnen; dat deze daardoor betoond had, dat het haar
liever was de sterkte in des Spanjaard» handen te zien dan in
die der Staten; dat het Hunnen Hoog Mogenden daarenboven ter
oore gekomen was, hoe de Luiksehe regeering de Hoeysche bur-
gers, zoowel magistraatspersonen als anderen, zeer kwalijk trac-
teerde omdat dezen der Staten zijde hadden gehouden, alsof daar
kwaad in stak! (werd er met naïeve impudentie bijgevoegd). Dat
de Gezanten bij hunne wederkomst vrijelijk aan hun Meester
mochten verklaren, dat de Staten-Generaal deze handelingen niet
voor goed konden houden, en den Keurvorst de neutraliteit zou-
den opzeggen, zoo hij continueerde in de kwade bejegening van
gezegde notabelen en burgers. — Men ziet het, de Heeren na-
men een hooger toon aan, naarmate zij zich ietwat verkleind
moesten voelen in hunne eigene schatting, en sloegen den mantel
hunner waardigheid te dichter om de leden, daar zij een winkel-
haak hadden te verbergen in zijne plooien. Men ziet tegelijk dat
Héraugière, hoe ook gedrukt onder eigen leed en last, zich be-
ijverd had voor hen, die hij in den steek had moeten laten, do
bescherming zijner regeering in te roepen. Zou het baten ? Dat
was eene andere vraag. De Luikenaren hadden op dezen oogen-
blik van de regeering der Vereenigde Provinciën niet veel te
hopen of te vreezen. De Spanjaarden waren in \'t hart van Lui-
kerland genesteld en voor langen tjjd; want de maatregel van
Ernestus, om zelf mee te werken tot het nemen van \'t kasteel
had geen doel getroffen.
La Motte liet het onverwijld van eene sterke Spaansche be-
zetting voorzien, en toen Groesbeek zich aanmeldde om in naam
des Bisschops het kasteel van hem over te nemen, of althans
deel uit te maken van de bezetting, kreeg hij tot antwoord, „dat
daarvan geene kwestie kon zijn; dat men \'t kasteel zoude hou-
den voor den Koning van Spanje, totdat de oorlogskosten betaald
waren." Daar viel weinig op te antwoorden en niets tegen te
doen. „ Tu Va» voulu, Georye Dandin," had de Bisschop in zich
zelven kunnen zeggen; maar dat zei hij niet. Hij bereidde zich
De verrassing van llocy.                                                                                          -\'\'
-ocr page 415-
4U2
voor, om de wraak te oefenen, die in zijne macht was gegeven.
Van hunne zijde zorgden de Staten en Prins Maurits er voor,
dat den gezanten nu andore depêches werden meegegeven, maar
passend bjj de veranderde omstandigheden, om zooveel mogelijk
de reputatie van \'t land nog te conserveren en te rchabiliteeren:
maar zjj konden het eerste antwoord toch niet ongedaan maken!
Tallcyrand had toch wel gelijk, toen hij zeide, dat men zijne
eerste ingeving wantrouwen moet.
In vollen ernst, men vraagt zich af, hoe zulke staatswijze en
voorzichtige mannen als de leiders der Staten-Vergadering werkelijk
waren, zich zóó overjjlen konden en zich dus onbedachtclijk den
pas afsnijden, na zoolang gebiaiscerd en gelouvoyeerd te hebben.
Overijling in \'t afdoen van gewichtige zaken was toen in don regel
hunne fout niet!
Ook hadden zij zich niet overijld. Zes weken lang hadden zij
met de Luiksche Ileeren het diplomatieke schaakspel gespeeld,
waarbij men iederen dag dezelfde zetten deed, nu eens voor-, dan
weder achteruit, zonder dat de positie van het spel eenigszins
veranderde; alleen in de hoop Héraugière tijd te geven zich in
Hoey te versterken, die intusschen al zoo deerljjk in de knel zat.
dat zijne noodkreten niet eens meer tot Holland doordrongen!
Maar l.onchjjn en Warfusec waren de partjj moede geworden en
hadden haar om zoo te spieken opgegeven. Zij begonnen te meer
haast te maken, naarmate zjj wisten welke stappen hun Meester
bij den Spaanschen landvoogd had gedaan, en met alle recht
vreesden, dat de resultaten daarvan openbaar konden worden, eer
zij Holland verlaten hadden. Daarom begonnen zij zeer dringend
te worden en zoo gul mogelijk in hunne aanbiedingen, vooral de
verbale. Hun ultimatum hield werkelijk dezelfde voorstellen in, die
wij Wauterniaux hebben zien doen aan Héraugière, alleen gewij-
zigd naar het verschil der personen, waarmede men te handelen
had, en bijgevolg in den Haag niet slechts minder aannemelijk,
met opzicht tot den feitelijken Gouverneur van Hoey, maar zelfs
van dien aard dat ze niet konden worden aangenomen zonder
dezen op het pijnlijkst te grieven en te vernederen. „Men zou een
wel eerlijk edelman, zooals den Heer van Barchon, in zijne plaats
stellen," luidde een der eerste voorwaarden. De termen zelfs van
het voorstel waren cene beleediging voor Héraugière, die zijne
vrienden, die de Stadhouder niet zonder verontwaardiging konden
aanhooren, vcelmin aannemen, zonder hen groot onrecht te doen.
Het moest dus verworpen worden; en al verzekerden de ge-
zanten in \'t ofh\'eieuse onderhoud, dat hun Meestor reeds tevreden
zou zijn als de Algemeene Staten hun slechts eene schriftelijke
verzekering meegaven, dat men het kasteel Hoey alleen maar
wilde houden om een pas te hebben in Luikerland, tot veiligen
-ocr page 416-
40:s
doortocht naar Xamen en Luxemburg en niet om er den vijand
uit te ontrusten en, XB.! in \'t land te halen, toeh bleven zij in
den eiseh volharden, dat men den vermetelen verrasser van Hoey
het commandement zou ontnemen.
Een beslissend antwoord was onvermijdelijk geworden, te meer
daar ook andere gezanten uit het buitenland (die van den Ne-
der-Kreitz) hunne intercessie kwamen aanbieden en do zaak dreigden
te compliceeren. Het beslissend antwoord kon geen ander dan
een afwijzend zijn, en Hunne Hoog Mogenden gaven het met des
te meer gerustheid, naarmate zij uit de vrijgevigheid en den aan-
drang der gezanten opmaakten, dat dezen, ondanks al hunne ver-
zekeringen van het tegenovergestelde, even vast aan do onneeni-
baarheid van het kasteel geloofden als zij zelven!
En zjj, hoe konden zij twijfelen? Iléraugière, de man van er-
varing, die Breda verrast, beter, die Breda gehouden had tegen
de Spanjaarden — Breda, gansch geënt onneembare vesting; die.
had immers zelf verklaard, dat het kasteel van Hoey niets slechts
onneembaar, maar zelfs ontoegankelijk was!
-Imprenabel en niet to approcheeren," dat waren zjjne eigene
uitdrukkingen. Xii, wat schaadde het dan, al zouden de Span-
jaarden er het beleg om slaan; wat schaadde het dan, al kwamen
de Italianen er niet, de Franschen zoudon er toch zeker komen
tot ontzet; Koning Hendrik IV had er zooveel belang bij, een
vast punt in liuikerland door zjjno Staatsche bondgenooten bezet
te zien, hjj zou wel zorg dragen, dat zjj er blijven konden; hij
zou het hoogst kwalijk nemen, zoo zij een mager vergelijk troffen
met den Bisschop on maar ten halve meester bleven. Iléraugière
zou zich wel weten te versterken en te handhaven; daarom moch-
ten zij hem dan ook niet verloochenen, veelmin opofferen. Liever
erkenden zij zijne daad als de hunne, namen de verantwoorde-
lijkheid daarvan mede op zich en durfden stouteljjk spreken en
stoutelijk afwijzen, wat de gezanten (mogelijk nog wel trouweloos
in hunne voorslagen\', durfden aanbieden.
Dergelijke overwegingen hadden de Algemeene Staten tot hunne
hooghartige afwijzing geleid; was het vreemd, dat ze ten hoogste
verbolgen waren, nu de grond, waarop deze overleggingen rus-
ten, onder hunne voeten instortte: nu de man, op wien ze als
eene rots hadden gebouwd, zjjne eigene uitspraak te schande maakte
en hunne fiere afwijzing tot ijdele pocherij!
Maar Maurits, maar Oldenbarneveld wisten toch beter; waarom
hadden deze de anderen dan niet beter ingelicht; of had luitenant
Paets niet zijn plicht volbracht en den eersten mededeelingen
gedaan, die hem een geheel ander oog moesten geven op de
positie van Héraugière?
Zeker, Paets had zijn ijver betoond, maar hij vond den 1\'rins
-ocr page 417-
404
reeds niet meer te Breda, h|j moest liem gaan opzoeken te Nij-
megen, en eene reis naar de Geldersche kwartieren in het nog
barre seizoen was geen lusttoertje, dat zoo ras volbracht was als
ondernomen. Toch leert ons het Rredaseh Archief, dat hij zich
in alle diligentie derwaarts begaf, en er valt niet aan te twjjfclen,
of hij zal audiëntie bij Maurits hebben verkregen, al was deze er
in al de beslommeringen van den Landdag.
Maar de gebeurtenissen gingen sneller dan het reizen. De stoute
verzekering van Héraugicre was reeds tot de kennis gekomen der
Algemeene Staten en die had hunne houding tegenover de ge-
zanten bepaald. Zelfs die leden, welke geene voorkennis hadden
gehad van het krijgsplan, aarzelden niet er in zekeren zin de
verantwoordelijkheid van te; deelen tegenover dit succes en de
goede verwachtingen, die men had van de degeljjkheid der ver-
overing. AVat zou Maurits, wat zou Oldenbarneveld, die zeker
door hem werd onderricht, nu met deze wetenschap? AVat, indien
zjj haar vroeger hadden bezeten!\' De mededeeling daarvan had
alleen kunnen strekken om Hunne Hoog Mogenden tot handelin-
gen te voeren, strijdig met hunne waardigheid en vernedereud
voor Héraugicre, wien de Prins en de Advocaat zedelijk verplicht
waren te mainteneeren. Immers wie, zoo niet zij, kenden de oor-
zaken, die belet hadden het krijgsplan in zijne volheid uit te
voeren, waardoor de bemachtiging van Hoey een geïsoleerd feit
bleef en Héraugicre met zijne verovering ter prooi gegeven aan
al het onheil, dat hem later zou treffen? Wat zou Maurits met
deze wetenschap doen, sinds hij niet bij machte was op eigene
autoriteit hulpe toe te schikken, en de verklaring dat er bijstand
noodig was, de Staten zouden aangezet hebben om haastiglijk
een schamel akkoord aan te gaan met de Luikenaren, waarbjj
Héraugicre zou worden opgeofferd? Dat kon niet; alzoo hielden
Maurits en Oldenbarneveld deze gevaarlijke kennisgeving voor
zich, hopende nog altijd dat eenige onverwachte keer in de
krjjgskans het ergste zoude afwenden; hopende altijd op de wer-
king van het Fransche bondgenootschap, op Hendrik den IVden,
op zijn zwager Bouillon, die gouden bergen beloofde, en bovenal
vertrouwende op de bekwaamheid en de volharding van Héraugicre,
die zich zijne prooi niet dan op het uiterste zou laten ontweldigen.
De Prins was dus nu zelf een der meest verrasten, een der meest
teleurgestelden over den snellen afloop van het Hoeysche drama,
al had hjj zijne redenen om niet den staf te breken over zijn
vertrouwden dienaar en vriend.
Zooveel matiging was niet te eischen van de overigen, die zich door
Hèraugière gecompromitteerd achtten, om niet te zeggen verraden.
Al had hjj eene Staatsolie vesting zonder slag of stoot overgegeven,
de veroordeeling en het weegeschrei hadden niet heftiger kunnen zijn.
-ocr page 418-
106
Men duidde hem niet slechts ten kwade, dat hij het kasteel
van Hoey had overgegeven, maar dat hjj het had bemachtigd!
en allermeest dat hij gepocht had het te kunnen houden, zonder
zijn woord gestand te doen. Het gebrek aan volharding onder
de meest ontmoedigende omstandigheden, dat men hem mogeljjk
had kunnen verwijten, werd, onder het microscoop der algemeene
verontwaardiging, aangezien voor gebrek aan moed; het scheelde
niet veel of men beschuldigde hem van lafhartigheid, omdat hjj
zich niet met al de zijnen onder de puinhoopen van \'t kasteel
had laten bedelven. Of de inwoners, wier lot men zoozeer be-
klaagde, er dan beter bjj zouden hebben gestaan P
Men rekende het hem niet tot deugd, tot wijsheid, dat hij er
in geslaagd was het Staatsche krijgsvolk, aan zijne zorg toever-
trouwd, een vrijen aftocht te bedingen; men rekende hem alles
tot schuld, alles, tot zelfs de gevolgen toe, die de verrassing van
Hoey niet hail, maar toch htul kunnen hebben, namelijk, dat de
Geünieerde Provinciën in een nieuwen oorlog werden gewikkeld
met den Bisschop van Luik!
Héraugièrc had zijne vrienden, zijne vereerders, maar als ge-
volg daarvan ook zijne bcnijders, zijne vijanden. Hij had grooten
invloed in des Prinsen raad; hij werd ontzien tot door de hooge
regeeringsmachten; maar hij was over \'t algemeen meer gevreesd
dan bemind. Bij meer dan céne gelegenheid had hij de bevelen
van den Kaad van State getrotseerd, aan menige ordonnantie van
de bijzondere Staten geen gevolg gegeven en die openlijk afge-
keurd; de Gedeputeerden te velde had hij durven tegenstaan;
tot Hohenlohc toe, had hij tegen zich ingenomen omdat hij de
belangen van Prins Maurits tegen diens pretentiën krachtiglijk had
verdedigd. Al deze grieven, ware of vermeende, die men verkropt
had, uit aanzien van de lauwerkroon, die de publieke opinie den
verrasBer van Breda op het hoofd had gedrukt, vonden plotseling
vrijheid om zich lucht te geven, nu die kroon door een mislukt
ontwerp, dat intusschen vrij wat meer inspanning had gekost, als
vervallen werd verklaard; te rekenen met het verschil der om-
standigheden, viel niet in den geest der menigte; het prestige was
gebroken, de aureool verduisterd „harof sur Ie ciïain."1
Alle gerechtige of ongerechtige haat barstte los; alle bijzondere
veete wist haar druppel venijn te mengen in de algemeene; alle
kleine vijandschap koelde haar moed, zich oplossende in de al-
gemeene. „De publieke zake der Geünieerde Provinciën, de eer
van Hunne Hoog Mogenden, strekten ten ruimen dekmantel, waar-
onder dat alles zich kon verbergen, zich kon doen gelden.
Maar het gezag van Oldenbarneveld; maar de loyaliteit van
Maurits, die Héraugière zonder aarzelen in zijn Gouvernement
van Breda liet, schutte hem vooreerst tegen de dadelijke uitwer-
-ocr page 419-
406
king van dien haat, al konden zij de uitingen daarvan niet keeren.
Bij deze dispositie der gemoederen, was het voor velen zeker
eene welkome tijding, dat de Bisschop van Luik zijne gezanten
naar den Haag had teruggezonden, om antwoord te brengen op
de boodschap der Algemeene Staten, dus luidde het voorwendsel;
de bedoeling was eene wraakneming tegen Héraugière. Den vier-
den April werden zij ter vergadering toegelaten, en onverbloemd
kwamen zij met het hoofddoel hunner zending voor den dag.
Eigenlijk was het niets dan eene herhaling van de oude beschul-
digingen, waaraan eenige nieuwe grieven waren toegevoegd. Om
te vrijer en teller op den roover, op den landvreêschender te kun-
nen toeslaan, gaven ze voor, de ontdekking gedaan te hebben,
dat het bemachtigen van Hoey niets was geweest dan de daad
van eenige particulieren, hoewel ze èn door het proces tegen de
Hoeysche magistraatspersonen, en door de onderschepte brieven
uit Holland, beter dan ooit van het tegendeel overtuigd konden
zijn. Maar men nam dezen schijn aan om de meerderheid, die
werkelijk van het ontwerp onkundig was geweest, tegen de min-
derheid, die het op eigen gezag had laten uitvoeren, in het harnas
te jagen: met andere woorden, de Algemeene Staten op te zetten
tegen den Advocaat van Holland en de Staten dier Provincie,
wier leider hij was.
Dit kwaad zaad gestrooid hebbende, kwam men met de nieuwe
aanklachten tegen Héraugière voor den dag, zoo kennelijk door
den haat ingegeven, en waarvan de een de andere ontzenuwde.
Wij weten uit het onderhoud van Wauterniaux met Héraugière,
wat de Bisschop van hem begeerd en wat deze hem geboden
had. WjJ kunnen dus de oude grieven raden, die er tegen hem
werden aangevoerd. De nieuwe waren deze: dat hij de inwoners,
op \'t kasteel geweken, aan hun lot overgelaten had! terwjjl de
agenten van den Bisschop zelf alles in \'t werk gesteld hadden
om een ajijminteuient te verhinderen, waarin die burgers begrepen
waren. Dat Héraugière ten laatste toch het verdrag had aange-
gaan, werd maar ronduit aan lafhartigheid toegeschreven, en ter-
wijl het verlaten van zijne burgeren dezen trouwhartigen Vorst
zóó ter harte ging, klaagde hij niettemin dat Héraugière hem den
verrader van \'t kasteel niet had willen overleveren.
Inderdaad, Héraugière had woord gehouden aan Meester Zil-
brecht, en zich te diens gunste met La Motte verstaan; doch
wie zou hij geweest zijn, indien hjj dezen aan zijn lot had over-
gelaten? De tcerhartige Bisschop liet voorts de Algemeene Staten,
die uit Christelijk mededoogen voor de gevangen burgers hadden
geïntereedeerd, verzekeren, dat hoewel Héraugière hem geen
woord hield, hij zelf nochtans dezen woord wilde houden (bowijs,
dat 1 [éraugière de burgers niet zóó verlaten had, of hij had zich
-ocr page 420-
407
te hunner gunste aan den Bisschop gewend) en niemand om het
gebeurde te Hoey had laten ter dood brengen dan maar alleen
Gerard de Prevs, die het dubbel verdiend had, omdat hij ten
tweedemale verraad had gepleegd en tegen zijn gegeven woord
de wapenen had gevoerd. De gezanten vergaten de mededoeling,.
dat er wel is waar geen verdere executies hadden plaats gevon-
den, maar dat het groote rechtsgeding tegen de Hocysche magi-
straatspersonen aanhangig was, en dat het stof genoeg opleverde
voor een bloedig einde. Voorts had de zich noemende (iouver-
neur van Hoey, niet tevreden met de stad en \'t kasteel te over-
rompelen, het gehecle land van Luik in opstand willen brengen
door seditiouse geschriften en pasquillen te laten verspreiden, en
de Staten van Luik, mitsgaders de burgeren, tegen hun wettigen
Heer te doen rebelleeren!
Daar echter deze aantijgingen niet bjjzonder geschikt waren
grooten indruk te maken op Hunne Hoog Mogenden, en om rede-
nen, was er nog iets voor \'t laatst bewaard, dat den slag van
dien vuurpijl moest uitmaken. De hoeren gezanten namelijk braeh-
ten eenige regelen te voorschjjn met de eigen hand van Hérau-
gière geschreven, en uitgeknipt uit een brief, aan een der leden
van de Lniksche Staten gericht, waarin over de Heeren Staten,
bjjzonder over den Kaad van State op vrij oneerbiedige wijze
gesproken werd, terwijl lacunes door de gezanten mondeling
werden aangevuld op eene wijze, die Héraugière voorstelde als zeer
kwalijk gezind jegens zjjne Hooge Overigheid. V/tuit Ie Imui/iirt.
Maar nu was hunne mars van hatelijkheden ook uitgekraamd, en
al waren in de vergadering de hartstochten genoeg tegen den
Gouverneur van Breda opgeruid, toch liet de stem der billjjkheid
zich mede hooren en gaf den Heeren te verstaan, dat dergeljjke
denunciatiën meer het voorkomen hadden van wraakzucht, die
zich wilde koelen, dan van een rechtmatig beklag, en dat als men
zulke beschuldiging tegen een man als Héraugière wilde aanvoe-
ren, men althans den brief in zijn geheel moest laten zien en niet
eenige uit hun verband gerukte regelen alleen te voorschijn brengen.
De Gezanten beloofden aan dezen eisch te zullen voldoen,
hoewel zij het op dit oogenblik niet vermochten, maar eischten
middelerwijl dat men Héraugière over dit alles ter verantwoording
roepen en straffen zoude.
De vergadering was te weinig eensgezind om in dezelfde zitting
tot een ander besluit te kunnen komen dan de toezegging aan
de gezanten van een schriftelijk antwoord.
Intusschen kregen de vijanden van Héraugière in zoover hunne
voldoening, dat deze gesommeerd werd naar den Haag te komen
om zich wegens zijn gehouden gedrag te Hoey en de overgave
van \'t kasteel te verantwoorden. Was hij eens in den Haag, dan
-ocr page 421-
408
was hij ook dicht bij de Voorpoort, en wie eens op de Voor-
poort zat en het noodige aantal vjjandcn had, was er zoo licht
niet weer uit. Men zou dan zijn proces opmaken, en dan zou
het gemakkelijk vallen het schuldig tegen hem uit te spreken, bij
al de bcnijding en bjj al de vijandschap, die hij zich had verwekt.
Maar Hcraugière wist zoo goed als zijne vijanden deze combi-
natie te maken en was verstandig genoeg niet in den Haag te
komen. Deie handelwijs strekt zeker niet tot een bewijs van zijn
eerbied en zjjne gehoorzaamheid aan de Hooge liegcering; maar
des te duidelijker blijkt er uit, hoe hij er op rekende door Maurits
en Oldenbarneveld gehandhaafd te zullen worden.
Hij schreef eenvoudig een brief aan den Prins, zeker niet de
eerste correspondentie tusschen hen gewisseld over dit onderwerp,
maar wel de eerste die è Vodreate w-as, zoo niet van het geheele
publiek, dan toch van alle belanghebbenden bij de zaak. In dien
brief excuseerde hij zich over zijn terugblijven, met de zekerheid
die hij had, dat zjjne vijanden hem in een valstrik wilden lokken;
vervolgens over de aantijging, dat hij de Algemeene Staten op-
zettcljjk zou misleid hebben omtrent de sterkte en de houdbaar-
heid der vesting, verzekerende dat hij alleen om des vijands wille
dezen heren toon had aangeslagen, maar dat hjj zijn luitenant
naar den Prins had gezonden om dezen van den waren staat der
zaken te onderrichten. Over \'t nemen en de teruggave van Hoey
liet hij zich verder niet uit, noch liet zich in met de kleingeestige
beschuldigingen, die de haat der Luikenaren tegen hem had
ingebracht.
Deze brief werd den Algemeenen Staten bekend gemaakt, en
\'t scheen dat men hen aan \'t verstand wist te brengen, zich
daarmee to vergenoegen. Wel scheen de Kaad van State nog
weinig lust te hebben om de zaak zoo schieljjk te laten varen,
maar dit achtbare lichaam werd op nadrukkeljjke wijze gewaar-
sehuwd van dit onderzoek af te zien en de zaak te laten rusten;
om den wille van \'s lands belang werd de geheele zaak gesmoord
en met den sluier des geheims omtogen. Kn het was niet vreemd;
zoo men Hcraugière werkelijk had gedwongen zich openlijk voor
eene rechtbank te verantwoorden, had hij dit niet kunnen doen,
zonder veel te openbaren wat geheim bljjven moest. De onder-
handelingen met de Luiksche Staten, door Maurits en Barneveld
gevoerd; de aandrang van Koning Hendrik IV, om Hoey te
vermeesteren, tot de gezamenlijke plannen met Luikerland toe,
zouden dan aan het licht zijn gekomen en een casus belli met
Luik hebben daargesteld.
Héraugicre werd niet verder bempeieljjkt, maar hij werd ook
niet in de gelegenheid gesteld zich te zuiveren van menige aan-
tjjging; en zoo bleef er een vlek rusten op zijn naam. Het rechts-
-ocr page 422-
109
geding, dat niet tegen hem gevoerd werd, kreeg in de oogen
van den tijdgenoot het aanzien van een verloren proces. Zouden
er geene termen zijn om daartegen appèl aan te teekenen? Zoo
alles aan \'t licht, en allen tot hun recht waren gekomen, zou
mogelijk de donkere schaduw, door de verrassing van Hoey en
de aankleve daarvan, over de lauweren van den verrasser van
Breda geworpen, zjjn opgetrokken. Maar als de fiere krjjgsman zijne
zaak zelf uit dit licht heeft gezien, waarom berustte hij dan in dit
geheimzinnig toeluiken van het verschil ? Waarom liet hij toedek-
ken, waar blootleggen hem winste had kunnen brengen? Waarom?
Had hij niet vooruit alle verantwoordelijkheid van de onderne-
ming persoonlijk op zich genomen? Was het afwerpen van dien
last niet tegeljjk het terugwerpen zijner zwaarte, in volle kracht,
op de schouders van wie? van zijne dierbaarste en machtigste
vrienden? van de mannen zelfs, bjj wie het land geacht kon
worden het grootste belang te hebben ? En nu, moeten wij ons van
hem afwenden met een vraagteeken ? Ik geloof van neen. Toen Mau-
rits den 10llon April van Dordrecht naar Zeeland voor, kwam de
Gouverneur van Breda aan den Blaek bjj hom, om eene samen-
komst te hebben, zoo men vermoedt (zegt de kroniekschrijver)
om zich te excuseeren, dat h|j niet aan \'t opontbod om te \'s Hage
te komen had voldaan; maar die oxouson zullen zeker alleen pro
forma zijn gedaan; van hun onderhoud is niets bekend geworden.
dan het verzoek van Héraugirre, om versterking van krijgsvolk
voor zijne vesting, ten einde dio te kunnen houden tegen den
vjjand, die men er vóór wachtto, zooals h|j reeds bij vroeger
schrijven aan den Prins had kenbaar gemaakt. Het antwoord stelde
den Gouverneur van Breda ten volle tevreden. Er was reeds order
gegeven dat een groot deel voetvolk naar die vesting zoude trek-
ken; er waren patenten afgegeven, ton einde nog meer beschik-
baar te stellen bij \'t naderen van don vijand; er was last gege-
ven, om nog moer provisie binnen Breda te brengen. Zou de Prins,
zulk een voorzichtig legerhoofd, zjjne geliefde stad Breda en des
lands belangen, zoo nauw met het behoud dier vesting in verband,
hebben toevertrouwd aan een bevelhebber, die zich kort te voren
lafhartig gedragen had; zou hij Breda op een hacheljjk tijdpunt
als dit, waarop er kosten noch krijgsvolk gespaard werden om de
stad te voorzien, hebben toevertrouwd aan een man, van wiens
moed, van wiens beleid, van wiens bekwaamheid hij niet ten volle
verzekerd was? Mij dunkt hierop kan veilig „neen" worden gezegd.
De aanslag op Lier, reeds in October van \'t zelfde jaar onder-
nomen door Héraugicre, en waarbij hij niet slechts list, maar ook
persoonlijken moed heeft betoond, getuigt dat de zucht tot stoute on-
dernemingen nog niet in hem was uitgedoofd, al bleek het ook dit-
maal weer, dat de krijgsfortuin hem niet gunstig was. OmLiertekrjj-
-ocr page 423-
410
gen, om Lier te houden, moest er man tegen man gestreden worden;
maar de verwildering der soldaten, die aan het plunderen sloegen,
bedierf do reeds behaalde overwinning. In \'t jaar 1507, bij den ver-
maarden slag van Turnhout, die met de beide Bacxen en den
Gouverneur van Breda was voorbereid, werd aan den laatste het
bevel gegeven over zes vendelen Nederlanders. Men weet welke won-
deren van beleid en dapperheid hier werden verricht: wij herinneren
het alleen, om te bewijzen, dat Héraugière niet slechts de gunst,
maar ook het volle vertrouwen van Maurits heeft behouden tot
aan zijn dood, 22 December 1601.
Er heerschte destijds „zekere eontagieuse ziekte te Breda," waar-
aan hij kan zjjn gestorven; maar er is oene andere lezing omtrent
de oorzaak van zjjn afsterven.
Een Belgisch levensbeschrijver meldt, dat hij bij \'t overrompe-
len van Lier van een stormladder gevallen, en aan de daarbij
bekomen wonde overleden zou zijn. I)at kan onmogelijk de on-
derneming op Lier in 1595 wezen, want dan zou die wonde wel
wat al te lang hebben nagebloed; maar er schijnt sprake ge-
weest te zjjn van een nieuwen aanslag op die stad, tot welk einde
Graaf Lodewijk van Nassau met eenige ruiters te Breda is geko-
men. Is er gevolg gegeven aan dit voornemen, en werd het, als
opnieuw mislukt, niet der vermelding waard geacht door den
geschiedschrijver; en kan toen dat ongeluk hem getroffen heb-
ben? 1) Men ziet het, wij raken niet uit de vraagteekens, zoo-
lang wij ons met hem bezighouden. Wij gunnen hem dus de
ruste, zuur genoeg verdiend in een werkzaam en woelig leven, al
sneuvelde hjj niet naar des krijgsmans hoogsten wensen, op het
slagveld, na eene overwinning; dat lot viel zelfs Marcelis Bacx
niet ten deel, al was bij den slag voor Turnhout de eere van den
dag aan hem, na den opperbevelhebber; al mocht hij schitteren
in menigen krijgstocht; al deed hij wonderen van dapperheid in
den slag bij Nieuwpoort; al spaarde hij zich nooit en nergens;
hij werd oud en stierf aan eene ziekte, als Gouverneur van Ber-
gen-op-Zoom, waar hij zjjn broeder Paul was opgevolgd.
Maar nu wij met Iléraugicre en met Bacx hebben afgerekend,
vraagt eene lezeres, die mot ongeduld do laatste bladzjjden heeft
doorgelezen, naar Madeleine.
1) Onder \'t afdrukken dezes komt het derde deel van \'t Journael van A-
Duyk ons gewisheid geven omtrent het al of niet juiste dier gissing. Den
5den September ltiOl was er werkelijk van uit Breda een nieuwen aanslag
beraamd op Lier, waartoe, bebalve een deel van het Bredasehe garnizoen, ook
de Heer van den Tempel niet krijgsvolk uit Bergen, en Graaf Lodewijk van
Nassau met zijne Overrijnsehe soldaten zieli op de heide te zamen trokken.
Dan, het krijgsplan was ontijdig uitgelekt, die van Lier waren op hunne hoede,
en de Staatsehen, onderricht van het verraad, zagen van de onderneming af.
Wij zien niet dat Héraugière persoonlijk daaraan heeft deelgenomen.
-ocr page 424-
411
Zij vond hare moeder te Breda, en het zou eene wreedheid
zijn, zich haar anders te denken dan al» de gelukkige gade van
Mareelis Bacx; maar in den eersten tijd had hij zeker weinig
gelegenheid om aan hare zjjde huiselijk geluk te smaken, daar hij
deelnam aan bjjkans alle krjjgstochten van de volgende jaren,
tot op het Bestand, terwijl hij nog menige avontuurlijke ondernc-
ming op zijne eigene hand ten uitvoer legde. Tot de herovering
van Hoey kwam het echter niet, hoewel een inval in I.uikerland
nog wel eens op het tapijt werd gebracht bij de overleggingen der
knjgsoversten van Maurits.
Hoey werd in Junij 15\'JS aan den Bisschop teruggegeven, die
\'t met bidden en smeeken verkregen had als eene gunst van
Philips II. Wie in iederen zin de oorlogslasten leden, waren de
ongelukkige inwoners.
Eer de Spanjaarden aftrokken, plunderden ze nogmaals en
namen alles mee, wat slechts vervoerd kon worden, tot de deuren
en vensterkozijnen toe. Tot uit Holland kwamen er kooplieden,
om met de Spaansche soldaten handel te drijven over den buit,
die in schepen langs de rivier werden afgevoerd.
Men zou meenen dat de Bisschop, als een goede herder, zijne
dwalende schapen, die zooveel smarte hadden geleden bjj hunne
afdoling van het rechte pad, met teere zorge naar den schaaps-
stal zou hebben geleid, om hen over hun lijden te vertroosten;
maar Ernestus nam geen voorbeeld aan den Goeden Herder. Hij
tastte toe als een grjjpcnde wolf, en ontnam de stad Hoey al
hare vrijheden en privilegiën!
Schepen do la Geneste behoefde gelukkig die droeve uitkomst
niet te beleven. Het doodvonnis was reeds vóór de teruggave
van Hoey aan hem voltrokken. Moedig als een Romein, ootmoe-
dig als een Christen, legde hij het hoofd op het blok, in het ver-
trouwen dat er verder geen bloed zou worden gestort om deze zaak.
Gerard de 1\'reys, die zijn eigen vonnis geveld had, kreeg den
kogel, zooals hij verlangde.
Kosse Jan, die in de vesting gebleven was, om de arme Hoey-
sche burgers tot voorspraak te kunnen zijn bij Wauterniaux, gaf
zich do voldoening, don Inquisiteur Chapeauville, dio hom eens
had verbrand, door zijne verschijning op te schrikken: maar dat
was ook zjjne laatste espièglerie. Hij werd in zijn kerker verworgd.
Meester Zilbrccht, die door de zorg van Héraugicre als zoe-
telaar uit de vesting was getrokken te midden van het Bredasche
volk, on onder de persoonlijke hoede van den bevelhebber, loonde
hem deze redding door aan ieder, die het hooren wilde, te ver-
tellen dat Héraugicre het kasteel ontijdig had overgegeven, dat
hij lachement tot parlemcnteeren was overgegaan, vóór er nog bres
was geschoten, enz., enz. De bangsten zijn altijd de mocdigsten na
-ocr page 425-
(12
het gevaar, en hij kon het verlies van zjjn Kroeftje niet verkroppen.
Gouda was met hem naar Geertruidenberg getrokken, waar ze
welhaast haar Wouter Willemsz huwde, die later genoeg gelegenheid
vond om zich te onderscheiden en tot ofticiersrang op te klimmen.
Xicolaas hield geen stijven hals, en werd vaandrig bij Héraugière.
Frank de Preys had te smartelijke levenservaring gehad op zjjn
eersten krijgstocht, om aan ongelukkige liefde te blijven kwijnen.
Hij herstelde geheel naar lichaam en ziel, en had zijn aandeel
in de lauweren te Turnhout gewonnen. Hij was met het vaan
van Héraugière bij den slag van Niouwpoort.
En met dit bericht, dat wel geene ongeloovigen zal vinden,
nemen wij afscheid van allen, die deelgenomen hebben aan de
verrassing van Hoey.
Het kasteel zelf, het oude Bisschoppelijke lustslot, dat her-
haaldelijk zooveel bloed en zooveel tranen had gekost bij \'t ne-
men en hernemen, is, na volkomen in ruïne te zijn vervallen,
onder Koning Willem I herbouwd in den vorm eener negentiende-
eeuwsche Citadel; maar de Belgische regcering schijnt zoo weinig
vrees te hebben voor nieuwe verrassing, dat er schildwachten
noch bezetting gezien worden. De eenige bewaakster er van is
een aardig Luiksch vrouwtje, dat met zeer veel gratie de hon-
neurs maakt van de holle ledige zalen Sic transit gloria mundi I
Maar zijn de burgers van Hoey er ongelukkiger om geworden,
nu hunne stad als vesting hare beteekenis verloren heeft? Wij
gelooven neen! Zij wekt niet meer de begeerlijkheid der ver-
overaars op, maar de welvaart is toegenomen, en zij trekt zelve
nu al de voordeden van hare gelukkige ligging. Zij heeft geen
lustslot meer, om Prinselijke Bisschoppen ten zomerverblijf te
strekken, maar zij heeft minder leegloopende monniken in rijke
kloosters te onderhouden, en het getal harer inwoners is bijna
verdubbeld; zij heeft zeven scholen en eene spaarbank. Haar
stadhuis is van alle feodale heerlijkheid beroofd, modern, regel-
matig, nuchter van bouworde; maar vrije burgers worden erop
gezette tijden opgeroepen bij de stembus; het: charboimier est
maitre rhez soi
is tot eene waarheid geworden, en zoo men de
inwoners van Hoey wilde vragen of zij de luisterrijke, maar
hachelijke tijden hunner Prins-Bisschoppen terugwenschen, zouden
ze zeker antwoorden in den geest van Poot:
Lage rust braveert Jen lof
Boven \'t hoogste Koningshof!