-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
I2.-J fPr
V\\y wi
-ocr page 5-
-
KIEUW NEDERLANDSCH-MALEI8CH
WOORDENBOEK.
-ocr page 6-
i
-ocr page 7-
X, 4            O . /(ff;
NIEUW NEDERLANDSCH-MALEISCH
WOORDENBOEK
H. C. KLINKERT.
Tweede vermeerderde en verbeterde druk.
Fonds ten behoeve van
Indologische Studiën aan
de Rijks Universiteit
tl Utrecht.
BOEKHANDEL EX DRUKKERIJ
E. J. BEILL
LEIDEN. — 1901.
-ocr page 8-
BOEKDRÜKKERIJ VOOrlll\'l\'11 E. J. BRILL — LEIDEN.
-ocr page 9-
VOOEREDE.
Daar Je eerste oplage vau het Nieuw Nederlandsch-Maleisch
Woordenboek uitverkocht is, werd een tweede druk noodzakelijk.
Deze verschijnt in een eeuigszius andereu vorm. Het formaat
is kleiner eu het papier dunner dau dat van de eerste uitgave.
Dit is geschied, opdat het werk meer geschikt zou zijn, om
in den zak te worden meegenomen, zoodat men het onder
alle omstandigheden raadplegen kan. De inhoud is er echter
niet op vermiuderd. Wel is er zooveel mogelijk alles uit ver-
wijderd, wat veilig kon worden gemist, maar daarentegen is
het vermeerderd met al de aanteekeniugen, die ik gedurende
een reeks van jaren op de eerste uitgave gemaakt had. In deze
uitgave heb ik de namen der Handschriften enz. niet genoemd,
waaruit mijne citaten zijn genomen. Men kan die vinden in
mijn Nieuw Mal. Ned. Woordenboek met Arab. karakter, en,
aangezien zij alleen voor studeerenden vau belang zijn, is dit
voldoende. Een nauwgezet beoefeuaar van de taal zal toch
vanzelf wel in het Mal. Ned. Woordenboek zich vergewissen
van de ware beteekeuis der woorden, in dit werk opgegeven.
Wat de spelling der Mal. woorden betreft, hebben wij ook
daarin een paar kleine veranderingen gebracht. Wij hebben
meestal de j en w, waar ze tusschen twee klinkers of vóór het
-ocr page 10-
VOOEREDE.
II
achtervoegsel an konden worden gemist, weggelaten en b.v tiada
i. pi. v. tijada, sakalian i. pi. v. gakalijmi, kalakoean i. pi. v.
kalakoewan geschreven. Ook de t hebben we nu niet met ghr,
maar met ar weergegeven.
De gebruiker van dit werk zij er steeds op bedacht, dat $ de
tooulooze e vertegenwoordigt en e als ê of è moet worden uit-
gesproken. Zie de Spraakleer.
Voor het gemak van den gebruiker laten wij hier weder een
lijstje van de meeste, door ons gebezigde, verkortingen volgen.
Dat ook deze tweede uitgave velen tot nut moge zijn is de
wensch van den
Schrijver.
Leidex, 18 Sept. 1901.
-ocr page 11-
LIJST DER VERKORTINGEN.
Ma). Sadi. Maleische samenspraken.
mar. maritiem.
Mén. Menangkabauwsch.
Mid. Sum. Midden Sumatra.
Ned. Nederduitsch.
obj. object.
O. I. Oost-Indié.
onbep. obj. onbepaald object.
onz. onzijdig.
Pad. bov.1. Padangsche bovenlanden.
pag. pagina.
Pant. Panton.
pass. passief.
Perz. Perzisch.
Poel. Pin. Poelau Pinang.
Port. Portugeesch.
Sing. Singapoera.
Sj. Sjaïr.
Skr. Sanskrit.
Sprw. spreekwoord.
Tam. Tamil.
trans, transitief.
verb. verbastering.
vergel. vergelijk.
vuig. vulgair.
wed. wederkeerig.
W. Sum. West Sumatra.
Ww. Werkwoord.
— gelijk aan.
act. actief.
ace. accidenteel.
ald. aldaar.
anot. aootomisch.
arith. arithmetisch.
Bat. Bataviaasch.
bedr. bedrijvend.
bep. obj. bepaald object.
b.v. bijvoorbeeld.
caus. causatief.
Chin. Chineesch.
d. i. dit is.
dir. obj. direct object.
Eng. Kngelscb.
e.  s. v. een soort van.
fiiï. figuurlijk.
Fr. Fransch.
Hind. Hindoescb.
HS. handschrift.
HSS. handschriften.
id. idem.
ind. obj. indirect object.
intr. intransitief.
i. pi. v. in plaats van.
•Tav. Javaansch.
Kw. Kawi.
letter), letterlijk.
Mal. Malaka.
Mal. br. Maleische brief.
-ocr page 12-
BERICHT
VOOR DEN GEBRUIKER.
De Arabische letters zijn iu dit werk als volgt getratisseribeerd:
I,
O Of i
met /.
<ï, ?, ï, v of Ö\'.
gr.
nri.
/■
r-
, k.
V »
i.
o „
t.
ó ,.
ti.
£ "
dj.
<j-
fe
C "
t-
ch.
<
>> „
d.
^ »
ds
) -
r.
) -
s.
L~ ••
*.
l£ ,■
V-
U^ ,-
f.
!>= ..
dl.
J= „
f.
\\l
K, o, oe of fl?r.
. /\'.
„ j, t, e of at.
\' of " b.v. sa\'orang, kaiisaan.
H. C. K.
-ocr page 13-
NIEUW
ÏÏEDERDUITSCH-MALEISCH
ZAKWOORDENBOEK.
schatten tot liefdegaven voorde armen ,
tja uitndérmakau styaïa kurfnd/éndan/a
kapada oravy papa
; zuiverings —,
bestaande in een bepaald gedeelte van
iemands bezitting, zak at, Ar. In de
Pad. bov. 1. is dit vnn de dertig bufieb
één, van de zestig stuks rundvee eén ,
van de 12U geiten of schapen ée\'n, van
de duizend maten (yatitatty) rijst 100,
vnn een thiül goud een mus, en van
de twee kuti zilver een thaïl. Deze
zakat wordt eenmaal per jaar geheven.
aambeien, poeroe stmbilik, èawdrir Ar.
aamborstig, s\'tsak dada.
:i: ii 111 >< >rn ti jjheid , kast-sakan dada ;
kortademigheid, phijakit Wak, Pel.
Abd., ook rsak, vdW.
anmeclitig, Itüh , ltsoe; ter verster-
king ook vercenigd tot tttiMUoe. Zie
ook liüsen.
aan, Voorz. wordt op verschillende wijze
uitgedrukt, mul. met di, pada, kapada,
hayai
, ilëvyan, akan en soms met een
der transitieve vormen vnn het Werk*
woord. In de platte spreektaal behelpt
men zich met het woordje tama in zeer
vele gevallen. Voorbeelden: tot den
Vorst meestal kabawah doelt, olk.fóla-
paton,
of k. padoeka, of /•. kasotd, of
/■. kaoi-s enz. — boord, dihapal, dïpe-
rahoe
; — wal, didarat;— huis, dirof\'
mail;
aan den kant, disahëlah, b.v. aan
den kant, waar de zon opkomt, disa-
frtlah matahari Verhit;
aan do deur
staan, bPrdiri dipintoe. In de spreek-
taal wordt in deze gevallen ook di
gebezigd. — voor persoonlijke N\'aam-
1
a. Het Maleisch wordt treschrcven met
het arabisch karakter en dien ten
gevolge wordt onze a, als eerste letter
van het nlfabeth, vertegenwoordigd
door de Arabische letter alif, en als
klinker soms door de alif, soms door
een tecken boven een medeklinker,
welk teeken men fatah noemt. — Hij
kent gecne a voor ecne I», ti/ada i/a
tahoe métnbedakan anlara tanga» kanon
dtngan tangan klrivja,
d. i. hij weet
geen onderscheid te maken tusschen
zijn rechter- en linkerhand. — Van
a tot 2 iets meêdcclcn of verhalen,
mhifftSriterakan baramj sasofatöf dari-
pada jiirmOflaiiiinja data,ig kapada
kasordahaiinja
, d. i. van het begin tot
het einde iets verhalen. — Wie a zegt
moet ook h Uggen« barany-stjapa herani
tüï/igaiiiavij-ama,!;/
, //frtdaklak /ja fteratii
uieïawan djorya,
d. i. wie durft te drei-
gen , moet ook durven weerstand bieden.
aal, ikau mot\'-a, ikan icelotd-, «Tav.; een
soort van wodderanl, lendoetta, Bat.
o. s. v. dunne—, ikan lampa*.
aalfuik, zie bij luik.
aaljeeer, elger, sértuiipaiiy; met een —
steken of werpen , mhijërampai/y.
aalmoes, der/na, Skr. —, liefdegift,
sedefa/f, Ar. aalmoezen vragen, iiïtudida
ifórma, itië/iiinta fidïkah , winta-minla
;
— geven, uiiuibfyi der/na, wXailltri
ted$kah
; iets tot aalmoezen of liefde-
gift maken of besteden, n/h/dërmakan,
b.v. hij maakt of besteedt al zijne
-ocr page 14-
2
aan aarden — aanbinden.
en voornaamwoorden weestal pat/a of
kapada, b.v. aau mij. patlakor, kapa~
dakor,
aan Mijnheer, patfa toenam,
kapatla tonran.
Daar dit Voorz. uok
op beteckent, moet het in sommige
gevallen met omzichtigheid gebezigd
worden, b.v. schrijven min iemand, is
niet menjorrat pat/a sa\'itrang, maar
mï-itgiritn sorrat kapada sa\'oram/, let-
terl. een brief aan iemand zenden. —,
voor, bagai, b.v. God openbaart zijno
goedertierenheid aan alle menschen,
Allah mëtijatakan ktimorrahannja bigtii
set/ala manorsja.
—, tot aan, sampai,
datang, liïngga,
gtn olgd door di, ka ot\'
kapatla, b.v. tot aan de stad, sampai
dinégari, sampai Imuftjmi
Zie bij tot.
—, bezig met, lagi, tïug^h, b.v. hij is
aan. het eten, tja lat/i makan; nog —
het spelen zijn, lagi thtgah liPruidin.
— stukken, zie bij Muit. — zijn,
vlammen, bërnjala; het vuur is aan,
api Inrujala; in de beteekenis van aan-
<_\'i*niu;ik!, api sort/ali dipasa,tg. ver- j
eeniird met andere Toon, di, b v. boven-
aan, di-atas, achteraan, di bilakang
enz. sterven — eene ziekte, taati dë-
ngan pen/aki f,
— geld, — goed, roepa
oewêmg, rorpa baravg,
b.v. — geld was !
er 10ÜÜ dollars en — goed twee kisten
Kednikt katoen, rorpa orirany atlalah
saril/oi\' ringgit, rorpa harang doe/ra
pëti l:iün Ijita;
de sehuit is—,perahor
Hof soeda/t sampai;
dat gaat niet —,
dat kan zoo niet, ta\'bidi/t bagitoe, j
ta*pafort bagitoe, ta\'dapal liagitor ; daar
liirt het —, d. i. de reden, itoelah ■,
sëbabnja;
dat is het mociulijke van de
zaak, itorla/t sorsahnja; twee — twee,
berdoewa-doewa, drie — drie, bërfiga-
t\'tya
enz.; wat scheelt er —, apa koe-
rang;
het is — u, voor uwe rekening,
afasu\'or, afaswoila/i, porlanglah kapa-
datttoe;
wat heb ik daar —, apa gor- \'
nanja kapatlakor; lust bobben—,sorka \\
akati, bïrhënatt akan. \'/Ag
verder bij !
de Werkw. met het Voorvoegsel aun.
aanaarden, mïnambak (van tambak:), |
ngo.roty, Jav. (vnn oerorg). Aanirenard
worden, dilautbak, ditanahi, NB. JJe
actieve vorm van dit laatste woord |
moet vermeden worden.
nanaurdinu, pïinuuibakan, oeroegan , |
Jav.
aanbeeld,
l-andasan, paron, Jav.
aanbelang;,
Zie belang.
\'aanbellen, merentafc gïnla, Am. H.
aanbesteden, van eenig to verrich-
ten werk, mendjonral pfkh\'djai\'n, werk
verkuopen. NI!, dit is van Éurop. vin-
ding. Kiirenlijk zou het moeten zijn
| mëmliP.li pekerdjaiin, werk koopen.
aanbesteding, phuljonralan pËket-
djadH.
; aanbevelen, iem, of iets bij een
| ander —, nitinoedji-mocdji (van pocdji).
iem. — , inlroducoeren , nie.vgv.iialkau ;
zich —, introiluceeren, mcngëêtalka.t
| dirinja. —, opdrnircn, mtnjëraJtka:i
(van sïra/i).
aanbeveling,
portijian, pordji-poe-
dj ian.
aanbevelingsbrief, sorrat pordjian ;
geschreven introductie, sorrat kënalan.
nanbiddelült, j**B pafort disëmbah ;
slechts (ïod is nnnhiddolijk. hanja Allah
djora jatig pafoef disë.mbah.
—, nebt-
buar, cci\'Wiiardiir, bigan-an.
aanbidden, mënjëmbaft (van se/nba/i);
God —, mvHjvinhah Allah; do afgoden
—, menjëmba/t bërhala; ucdervallende
niet het aangezicht ter aarde —, utht-
jtmbah sordjurd.
aanbiddenswaard, jaag patoct di\'
sëmbah,
aanbidder, pë.ijiiubah, orang jattg
mettjëial/a/i
; — van God, orang ja.tg
niënjëmhah Allalt;
— van de afgoden ,
orang jang menjëmbah birhala.
aanbieden, overreiken, mëngnendjoele
{van or>id/ork\\; eerbiedig iets aan een
meerdere —, mtmpërsimbahkan (van
sëmhalt); datgene, wat uldu> iiiin^elio-
den wordt, pèrsemba/ian; hot nndhod,
perse.m ba //; eerbied ii; aanbieden, nga-
toeri,
Jav. —, van geschenken, voor-
nnmolijk ter omkooping of om tem.
voor hot een ot\' ander te winnen, mï-.-
wjwong
(van sarong) • den vrede —,
vrcdesvoorstellen doen, metijorong da-
mai;
zich vrijwillig —, bersëhatljakun
tl ir in ja.
aanbieding, pëngorndjorkan, perseia~
ba/iau.
muil >ü ten, van visch aan het MS,
utakan; aangebeten v. e. vrucht enz.
tërgigit.
aanbinden, hechten van iets om iets
anders, b.v. du kunslhnncsporcii aan de
]>oolen van een vechthaan, mëmboetang.
De verschillendo manieren van die kunst-
sporen of tadji aan te hinden zijn:
-ocr page 15-
3
aanblazen — aandrift.
[ — hebben in ecne zaak, die iein. niet
aangaat, tjaaipoer of inasoek dalam
i soeatoe perkara. Zie ook bij deel.
\' aandeelhouder, zie deelgenoot,
aandenken, peringalaa.
aandienen, iem. — bij een hoog-
geplaatet persoon of een Vorst, bnoa
iitéayhadap, laeaghadapkaa.
aandoen, van kleeren, versierselen,
wapens, nilmakai (van pakai), iaënge-
nakan
(van IcZaa); ioui. kleeren, ver-
sieiBelen of wapens —, mtmakaikau,
êiiiiigtnakan pakajan.
eene plaats — ,
singgah kapada soeatoe tewpal. Op
Java mampir. het hart —, «<2r«-
traukau kali, mtm&êri raican kali, mem-
lieri sajo\'! diliali;
boe zou hij niet
aangedaan zijn, diataaakan lidak sajoe
hatinja f
leed —, iem. iets —, berhoev:at
pïiri
; verdriet —, mendue.kadjitakau ,
m&ndoekakan i
moeite —, inenjoesahkau
(van soe.sali); geweld —, inëiiggagahi,
inengerasi (van keras); pijn, smart —,
mëaipersakiti.
aandoening. Daar er voor at\'getrok-
ken denkbeelden bijna geen woorden
in het Maleisen zijn, beslaat ook bier-
voor geen geschikt woord. Het kan
teruggegeven worden met perasuan halt,
gevoel des harten, doeka-tjUu, gevoel
van smart, soeka-tjita, gevoel van
vreugde, sajoe, rawan of peïon, droevig
aangedaan van gemoed,
aandoenlijk , treilend, jang nieratcan-
kan haii, jaag atendieri pelue dihali;
I een — verhaal, tj\'éritlra jaag memliëri
| peloe dihali.
aandraaien; vaster —, van een
schroei\' enz. atï-iaoetar lehih keatjaag
(van poet ar), de voorschoot van een
zeil — en beleggen in de strop daar-
voor, m&ntjatji, i)o stok, daarvoor ge-
hezigd, kajuit tja/ji, pïnjalji.
aandragen, inetahawa; zie bij dra-
gen
en brengen,
aandrang,
drang des gomoeds, gei\'ak
kali.
— tot het doen van natuurlijke
behoeften, dus ook tot het baren, re.sa.
—, zie ook aandringen en drin-
gen.
: aandrift; — gevoelen, zich geprik-
keld gevoelen om ergens bij te zijn,
iets te zeggen ot\' te verrichten, y<«/y#ür\',
b.v. ik gevoelde — om te vragen,
itiaka ganggoe moeloetkoe btrlauja, zie
ook aandrang.
hoelang dagang, bij den ecnen haan
aan ilcn rechter-, en bij don anderen
aan den Linkerpoot; hoelang djangkil,
aan dun zwaksten teen van den poot;
hoelang tjlpai, aan den steiksten teen;
hoelang torndjoeh liga, lu»schen de
twee uiterste teencn; bodang tvpas,
aan den top van den steiksten teen.
Pad. bov. 1. Zie ook vastbinden.
aantila/eni van vuur, men/joep (van
f/joep); —, aanwaaien, laemoepoel (van
poepuet); met den mond, een blaaspijp
of blaasbalg, iaSnglt£inhoes.
aanblazing, phtijoepau, pemoepoelan,
pirttgliPjnhursan.
aanblik, pimaadaaijan.
aanblikken, memaadang (van pan-
•lang).
aanbod - voorstel, djandji. Zie ook
bod.
aanbranden , hangoes; aangebrand,
hangoes; aangebrand rieken, haoe ha-
i/git, sangit.
aanbrandsel, korst duur aanbranden
gevormd, kerak;— van rijst, kwak nasi.
aanbreken, van den dag, mi.re.kah,
milékah,
d. i. openbreken, opnnboreten,
en dit verbonden met woorden, die
dageraad bcteekenen tot do Volgende
samengestelde uitdrukkingen: rendmng
merekuh, fadjar aiérekah, t er hit fadjar;
ook alleen fadjar, Ar.; rhia, ra/iina,
diailiari;
de dageraad breekt trapswijzo
aan, maka fadjar pon latnjingsinglah
btrpangkat-pangkat;
—, bet eerste beetje
van iets gebruiken of nemen, wittoe-
icak.
tiet is nog niet aangebroken,
helom diloeicak.
aanbrengen, niembatca, //leadalaag-
kau, niëajaiapaikan
(van sanipai). —,
aanvoeren, mëtahawa; voordeel—, men-
ilalangkan. laba, me a dat uug kan oantoeng,
men dut\'au gkan /ia f il;
verderf —, iriêu-
datangkan ijilaka, nmulalangkan kahi-
nasadn.
aandacht, ingalan; — die men aan iets
wijdt, pel ing; de — aan iet» wijden,
meiailing; Jav. pileng; —, attentie, per-
hatijan,
uict — lezen, ingai pada hatjanja.
aandachtig;, dïngan ïiigal-ingat; —
opnemen , beschouwen , onderzoekon ,
niêi/idap (v. talap).
aandeel, deel, hehagijan , oentoek.
der matrozen in de lading vnn een
vaartuig, sara. — hebben in ecu lian-
dels- of geldzaak met, santudal deagau.
-ocr page 16-
4                                           nandrvjven — aangaan.
aandravens sterk — van werk, er !
achterbeen zitten, »i$i//haitgatkan, liir&ë- ;
ligort. —, aansporen, mëugadjak; dwin-
gen, mëmaksa (van paksa); inënëral \'
(van tëral). — van volk tot eenis
werk, iiienifvrafi (van kera/i). Zie ook ;
aandringen en dryven.
aandrijver van volk bij eenig werk,
pëngëral/, djoeroc kë.rah. —, aanstoker,
onstoker, pëngoepak.
iiiiiidi\'hi-i:»\']! ; aanhoniiend bij iem. —
om iets te verkrijgen, inzonderheid door
Vleitaai, krl/ek, vd\\Y. mënyetjek. —,
voortdurend, of bij herhaling bij iemand,
b.v. tot het aangaan van een huwelijk,
niëringgik-ringgijr b.v. bërërapa dirittg-
yik-rinyyik o/i/i haginda akan auakanda
i
baginda itue, htudak- diberinja bërijs- i
tëri, iiadtt djo/\'ya tja n/aoi\', hoezeer
de Vorst er hij zijn zoon ook op
aandrong, dat hij huwen zou, toch
wilde hij niet; sterk op iein. —, por-
sen, dwingen, mënyoricafi, sterk op
iets —, b.v. oin te vertrekken, jaeh-
ten, gësa-yësa, poesa, vdW. —. aan- i
drijven, tnërësa, ook tot vervul linir
van natuurlijke behoeften; op iets —, j
er vlak tegenaankomen, mtmghempét
—, onophoudelijk om iets vingen,
btru/davy-ochuiy n/ëoiinta; niet geweld
ui\' onbeschaamd —, vragen, imminta
dtngan këras.
aandruisen, mëlaican; — tegen do
wet, mëtawan hoekoiun; — tegen do |
gebruiken, imdmcan adat; — tegen de
welvoeglijkheid, melawau bo-\'di bël/asa;
— tegen rceht en billijkheid, mëlawan
frak dan iiifaf.
aandrukken, zie drukken, aan-
drukken van de aarde tegen een plunt
om die vast te zetten, mïuikan (van
Ukan) Pad. bov. 1. ook mëng/uijak
(van anjah) en mfytdoedoêkJtau, id.
aanduiden, m&noendjoeh. (vnn toen-
djoek).-
—.verklaren van de beteekenis,
iaën gërti kan. — . te kennen geven,
m&mffëri tahoe, in de spreekt-, kasili ,
tahoe. —, iets duidelijk maken, mëaja-
taka*, iiitncranyk\'t//
(van term/g).
aanduiding , përtoi\'ndjoi\'kav.
aandurven, iem. durven te stann,
bërani melawau; een nmuklooper, dolle
moordenaar —, niëvyt/ubari orang uïëny-
aièiok
(vnn këi/ibar).
aanduwen, naur iets toeduwen, më-
njorongkun
(vun soro,ig).
aaneen, liersama-sama, Uirhoeboeng ,
terikid;
zie bij de daarmede samenge-
stelde woorden. —, achtereen, bërtoe-
roet\'tueroel
, bëroftang-oelaag.
aaneengesloten; dicht —, van tim-
merwerk, een weefsel, omheining, zit-
tende ol\' staande personen enz. rapat.
aaneenhaken, zie bij haken.
aaneenhecliten, lasichen , menjam-
boeng
(van samhoeuy, aaiicengehecht),
atènghoeboengkoM (van hoeboang, aan-
eengeheeht). — van de dekbladeren
voor dnken van inlandsebc woningen
door middel vnn ze vast te steken,
iiienjëinat (van sPmat), niëiidjëriau.
aanecnaluiten, intr. rapat satoe dë~
nyan satoe;
trans, iets —, niërapatkan
(van rapat), aaneengesloten); goed —
van vlechtwerk of van personen, die
beraadslaagd hebben, djap.
aaneen voegen, verbinden, niënjam-
bat
(van sambat). —, tot elkander
brengen, fnë/npërtëiau\'-kau (van btrfltnbta,
ontmoeten); anneenuevocgd worden,
dipërtëu/oekan.
aanfluiting, is niet letterlijk te ver-
talen. Tot een spot en — van ieder
worden, i/it/idjadi sindiran dan katjt-
laiht sfgala oravy,
lett. een spot en
smaad van alle menseben worden.
aanfokken, = fokken, a/ëi/iëlihara-
kan.
— , vermenigvuldigen , mïtttpërèa*
njakkaa.
aangaan, getier maken, geyr, kë-
f/or//, këtjotdi-këtja/t,
vdW. yadoeh; op
iem. of over iets, wiêwjgadoekkan; veel
prants maken, over alles knorren,
iiiëntjëïnct\'t; onderweg ergens —, t\'/ng-
gah ;
hier en daar —, sinyyah-mënjing-
ga/i;
eenige nogcnblikkcn bij ieiu. —,
zonder daarvoor opzettelijk te zijn uit-
gegaan, aindja. —, eigens op utgaan.
mëntit\'djon (van toedjoe), —, beginnen,
moeltii, b.v. de school gnat aan,
s\'rkola/i in oei ai; hoe laat gaat de kerk
aan • poekoel hërapa yredja laoela\'i.
—, vnn vuur, moeldi mï-njata; het vuur
wil niet —, api ta\'iaaoe mënjnia; dat
gaat niet aan, dat gnat in \'t geheel
niet, ta\'bolih sakali-ka/i; cene overeen-
komst —, bërdjandji; met elkander
eene overeenkomst —, bcrdjandji-dja?i-
djian;
oen huwelijk —, ka/r/u, Perz.
\'a/kali, Ar.; een koop —, djadi mém-
bël-,
—, aangaande, akan; wat mij
aangaat, akan dakoe; wat die zaak
-ocr page 17-
aangaande aangiftt.                                             6
j ann God, moestadjdb (A.) kapa/la Allah,
inzonderheid van een gebed. Pel. Djin.
aangenaamheid, lekkerheid, ttlntaf,
Ar. kasedapan; de aani;cnnniiihcden van
dat verblijf, sïgala. ka^vdapan tempel
i kadoedoekan Hoe; de nnn<;cnaamhedcn
des hemels, spgala u\'tmat sort/a.
| aangenomen, aegkal,- — kind, anak,
angkat;
een — gewoonte, adat Ije.haroe,
lett. nieuwe gewoonte, in tegenoverstel-
ling met vnste gewoonte, oud gebruik,
Zie ook aannemen. —, verondcr-
Bteld, sa\'andaiaja, sandainja.
aangerecht, disadjikan, tersadji, di-
li\'thi.tgkan.
aangestoken, besmet, kadjangkitae,
k~éna, kataelaran,
Jnv.
aangeven , overreiken, mpngoendjoek;
eeno znnk bij den rechter —, menga-
doeka.i. hul.
— , kennis geven, m%n-
b¥.ri tahoe, kasih tahoe.
aangezet, gescherpt, soedah di-asali.
—, aangebrand, havgoes. Zie aan-
hechten.
aangezicht, moeka, paras, tcadjah,
Ar. doerdja, Skr. De beide laatste
woorden meestal van Vorsten of van
eene beminde b.v. een aanminnig —,
moeka nutttis, paras jang ehk, wadjn/i
jang permai;
een bleek —, moeka jang
poetjat;
van — tot —, samoe.ka; zich
zoo bevinden, bej\'sumoeka; — legen-
over — stellen, confronteeren, menja-
moekakan
; van — tot —. ook bZ.rha~
dap-hadapan
; iemand ir et twee nan-
gezichten, sakïlal moeka doctr-a, letterl.
laken, dat er aan den cenen kant nn-
ders uitziet dan aan den anderen. Ook
di moeka laia, dl belakartg Uüe, d. i.
van
voren nnders dan van nchteren;
die zijn neus schendt, schendt zijn —,
potong htdoeng, roesak moeka, Sprw.;
een onbeschaamd —, moeka tëbal, moeka
papan;
een zuur —, moeka masam;
een lief —, moeka maait; zie ook hij
gelaat.
aangezichtspUn, tic douloureux,
bera.
aangezien, dewijl, omdnt, sebab, jïf-
dang, selang, fiègal.
aangieren, onderweg ergens aangaan,
singgah, mantpir, Jav.; hier en daar
—, singgith-iin\'.vjinggah.
aangift, hij den rechter, pïttgadoean,
pttnoedoehantpÉrdau;aan
(van dawa, Ar.).
—, kennisgeving, pémbtridahoean.
aangant, akan hal pïrkara Hoe. —,
schelen; wat gaat u dat aan, apatah
kii/mdduiae, apa eugkae fatlloeli
; in de
spreektaal, a/M ent/kan perdoeli, boekan
perkaramoe,
dit laatste letterl. het is
uw /.ank niet —, er voor instaan, b.v.
dat gaat mij aan, daarvoor sta ik in,
atas akoelah, atas hambalah, of welk
ander woord voor het pers. Vrnw. akoe
in do plaats komt.
an.nfvnn.nde ( betreffende, nopens, aka.it,
tïntang; •
—■ dio znnk, akan ptrkara
Hoe,
SOU18 ook dari ptriara Hoe.
aangnpen, strak aankijken, nienga-
matMma.fi, merZ-noeug-rPnoeng.
aancehoren, asli, Ar.; —, ingescha-
pen, choelkt\', Ar.
aangedaan, bewogen, peloe, b.v. een
zeer liefelijke stem, waardoor het hart
weid aangedaan van ieder, dio haar
hoorde, soeteara jang amai mPrdoe mem-
lïïri peloe huil segala jong nténdtvgar
dia.
—, bij de herinnering aan nf-
wezenden, peloc, —, bedroefd, sajoe;
het deed ons aan, iju-Hoe memberi sajoe
diltati kamt;
hoe zo» zijn gemoed niet
aanzednan zijn, dimanakan ft/lak sajoe
hatinja;
pijnlijk —, geërgerd, tig. bat/ai
doeri daiam daging,
als een doom in het
vleesch. —, geroerd, getroffen, ook si lat*.
aangelegen, van belang, besar, ptu-
tiug\\
er is niets —, satoe pau tijada
goenaMJa
; zich ann iets gelegen laten lig-
gen, fatlloeli. akant. Zie ook gelegen.
aangelegenheid, peri hul, pcrkara;
de hmvelijksaangelegenheden, ptrkara
nikah kawi».
—, belangrijkheid, kapéu-
tittgan.
aangenaam, voor den smank of het
gevoel, eita.fr, sedap, mams; aangename
woorden, përiataên tang manie t — ge-
luid, boenji jang tidapi de smaak daar-
van is —, enah: rasanja, sïdap rasanja,
een — gevoel, perasadu jang sedap.
—   voor de zintuigen, sedap, b.v. aan-
genainc spijzen, makanan jang sedap,
—  slapen, tidoer sedap, — voor het
oog, óétlap kapada mata. —, liefelijk,
man is; al wat aangennamheid bijzet,
plittanis; een — gevoel van gezondheid,
zich — gevoelen, njaman; manieren
die — zijn, péri kalakoewan jang baïk;
—  zwaaien met do armen, bisai btr-
lenggaug.
—, lekker, ook bisai, b.v.
—  is de smaak van die spijzen, bisai
rasanja makanau Hoe,
Abd. zijn
-ocr page 18-
Ci                                          aanslimraen — aanhef.
I aanhangen, kleven van iets aan
i iets anders, litat, hlÊrtekat, bïlnigkct
op Java. —. aankleven van reuk-
werk, tirstitla\'. Zie ook aankleven:
iem. —, aankleven, bvrsaugkoet pada
stt\'orang
, btrsangkott-paort patta ta\'o-
ra»g;
—, zich bij iem. voegen, ber-
tlampi,tg dPngan sa?orang ;
zie ook
hangen en afhangen.
aanhanger, volgeling, orang pïitgi*
ring.
—, deelgenoot in de volvoering
van een zelfde plan, sufakaf, orang
safakat.
aanhangig; nog —, van eene zaak,
bëtuttt pot\'tors bitjaranja, betont atta
tapoftofsannja;
nog— van eene rechts-
zaak, betont poctoes hortoemttja..
aanhangsel, toe- of bijvoegsel, ver-
vol|I, ta.nbalian, /toeèocngan, b.v. dit
geschrift heeft nos; een —, sorrat int
titla lug\'t ho-borngtiititja;
het—, vervolg
hierna, ttorbofiigannja atttn datang.
aanhankelijk, verknocht anu iem.,
bërga,i(oeng kapada, btrptwet tapatla.
aanhebhen, pakai; iets —, btrpakni-
kan,
b.v. een baadje —, berpakaikan
batt/oe;
wat heb ik daar aan, apa gof-
na-tjti ttipiitttdoe f
wat hebt gij eraan,
ook: atan ttpamoe? met wat ineu aan-
heeft, meer niet, sa/te/ai sapinggang.
b.v. zij beiden ontkwamen naar land
met niet meer dan wat zij aanhadden.
tattoeèCttiijti pon lepaslah tnttarat tatté-
lai sitptitggting
, d. i. met ée\'n lap om
elke middel; eene laars - , in meerdere
of mindere iniito dronken zijn, tnafiok,
6g. ntiit kortta hit/jan, Hik. Abd. d. ï.
op een groen paard rijden. —, bran-
dend hebben, atta api/tja, berttjata,\\i,\\\'.
ik heb mijne sigaar aan, svror.toekoc
atta apiitja;
ik heb mijne lamp aan.
huitpokoe btrnjala of soettah dipasaug,
is aangestoken.
aanhechten, lasschen , incnjambot-ng
(van sitmbomg); aaneenvoegen, uitng-
horborngtan.
—, nieuwe bepalingen nan
een contract of testament, in den zin
van vastspeldcn, vaststeken, menjPutat
(van setnat); op die wijze aangehecht,
tirstmat. —, zie ook aanbinden.
aanhechtsel, samboengttii, hofbot-ngan;
van een contract of testament, stmatan\'
aanhef, begin, perutoctaan; van een
geschrift, gedicht of rede, ptrmoetaan
kttfa;
van een brief, poedji\'poedj\'uin;
van een muziek- of zangwijs, angkatan.
aanglimmen, mortai ntakaii, b.v. het
vuur glimt aan. apt moelai makan; api
btrornggoe-i.
aangorden; een zwaard ■—, uttnjan-
tliintikti.i pétlaug
(van sii,nl,!,itf); zich tot
den krijt; —• ^«y\'"/\' titan berjieraug.
aangr\\jnïten, tittngirt\'unjth (van kt*
Ttnitjifi) tiiïiifiiitiijoft
(van këniijurt).
aansrüpen ( aanvatten, mttiitgang
(van pëgantj); —, vatten, pakken, me-
nangkap
(van tangtap). —, aanvallen.
rniitjirany (van sërang); neerschietend
—, zooals een vogel zijn prooi, utë-
njatnbar (van tambar)\\ hut gemoed —,
iiteratcantan haft; alkander bij het wor-
BteUn met de heide handen oni de
middel —, bertjeiigkaiig-tjingkaiig. —,
zie ook «rüi>en, mm vutten en
aantasten.
aangroeien; weder —,tomAoek porta.
— , steeds vermeerderen, b.v. eene schuld
enz., makiit bértai,ibalt4ai,tbah. —, in
grootte toenemen, bh\'tantbah bësar.
uatijtrot\'iscl, van de tanden, b v.
kalk enz., tara/i.
aanhaken* menga\'U (van ka\'U),
met een stok, waaraan een haak be-
vestigd is, uiënt/gtiitfjor.
aanhalen, iets strak —, spannen.
uit/iïriktiin (van ttrik); ttrak — van
eene binding, uitngtrat (van trat of
rat); met kracht —, of naar zich
toehalen, b.v. een mast, slocpriem ol
eene binding, taerëngko/t. —, samen- ;
trekken van iets dat bindl, mïmtjeroet \\
(van fjeroet, vast aangehaald); het j
een of ander werk of geschrift —, \'
ntënjëboet sotrraf, nienjt\'.bort litab. Iets ,
uit een geschrift —, uitat\'ornyort (van
pomigoet). J.)it is aangehaald uit de Kroon
der Koningen, inilah diporngoet itari-
pailit Matatti sëgtria ratlja.
—, vleien,
liefkozen, tttëutboftljoek-; een kind —
door het in de oo\'n\'en te kijken, mëng-
ttyaii bofftufr.
—, contis(|ueeren, ■Kraai
ptts; b.v. al die smokkelwaar werd
aangehaald, stgata barang-barang gëtap
itur t/iraiupas.
aanhalig:, pv:nbofdjoek. een —mensch.
orang pvmbordjofk:.
aanhaling* citaat, por ngort au, sebor-
tan.
—, confiscatie, rautpasan.
aanhang, sekte, oemmat. Ar.—, vol-
gelingen, orang pengtring. —, deelge-
nooten in de volvoeriog van een of
ander plan, orang safakat.
-ocr page 19-
7
aan hellen — aanklampias.
aanheffen, van een muziek- of zang-
wijs, mëngaagkat, nië.narik; een gezang
—, vtënarik njauji; een gedicht zin-
gend —, niënarikkaa kasidat. Sj. Ibr.
1). Chas. minne- on spreukdichtun - ,
uiinttrik ponton sëloka, id. —, begin-
nen, mofitai, met liep. ubj. wÜmoelat.
aanhitnen, opstoken, inë,igasoet, mëng-
oepak;
heimelijk —, uiëngatjoeiti.
tegen elkander van hanen of andere
dieren, die met elkander moeten vcch-
ten, mëngodja (van odja), n/ë.iggalak-
kam.
—, beroeren van het volk, meng-
haroekan.
:■ ;inhit-..■!■. opsteker, phigasoet, pëng-
oi\'ptik;
heimelijke —, /lë/igafjoem;
vnn het volk, pëngkaroe.
aanhitsing*, pmgasoetan, pêngoepct-
kan, pëngatjo/\'tvan, pëngharoewan.
nanhoogen. zie ophoojjen en
aananrden>
aanhooren, mêndtttgankan, nfênë-
ngnrkaa.
aanhoori<>, onderhoorig, taa/ok.
aanhoorigheid, diürah tnalok, b.v.
het land met nl zijne nanhoorigheden,
itigari dëngaa sëgala datrah iaaloknja.
aanhouden, volharden, bërkaudjaag.
— met cen verzoek, bëraclaug-oelang
niëminta, mëndoiigeng;
iemand —, inë~
nakom wang
(van taham); smokkelwaar
—, mtratnpat bar au g-bar nug gëlap; op
iets —, aansturen, koersen, aiënoe-
djoe
(vnn toet/jon); landwaarts—. më/i-
tl ar at;
zeewaarts —, më/aoet, h.v.iaaka
sëgala kalangkapan Va/iang tijada holih
laëtaoel, orang Pahaag oendorrlali mën-
darat,
de vloot van I\'ahang kon niet :
zeewaarts —, de Pahangers deinsden
at\' en hielden landwaarts uan. — van
kleoren, niet afleggen, tijada niëaang-
galfaiit
(vnn titnggal); iemand —, var-
ten, inëaangkap (van fatigkap). —, niet
ophouden, b.v. van regen, donder, enz.
tijada tiërhënü. —, lnng duren, lama
djoega,
b.v. deze wind houdt lang aan,
MM ini lama djoega; iets lang —,
rnilambaikan; een zaak —, nog niet
afdoen, mëinpërtanggohkan.
aanhoudend, zonder tussehenpoozen,
dëngan tijada berliëntiuja, itëngan tijada
bërkapoetoesan,
— v. d. regen, djoedjoeh,
voortdurend, santijasa (Skr. nitjasa),
sënaniijasa.
—, achtereen, hërtoi\'roe.t-
toeroet,
b.v. bert oer oet-toeroet mëngëlok
pintoe,
aanhoudend op de deur kloppen;
volhardend,—.onvermoeid iets verrich-
ten, b.v. steken of met vuisten slaan,
mëmpërtoebi-toebikan tikamuja ui, go-
tjohvja.
Ook van het pijlenschieten.—,
van regen, ook Fctak.
aanhouder, orang, jang bërkandjang;
de — wint, orang jang sabar mtnung
djoega,
d. i. de geduldige overwint.
; aanhouding, van eeno zaak die niet
afgedaan wordt, pirianggohan, —, vol-
harding, përkandjatigan,
aanjagen; vrees —, mënakoeti, mena-
koetkan,
(van takoi-l); schrik —, më-
ngëdjoetkan
(van këdjoel); vrees of schrik
—  duor te doen alsof men plotBeling
op iemand aanvalt. niënjërëgap (van
sërëgap); met woorden of wapens, om
iemand te bewegen tot het doen of
laten van iets, mëngoegoe.t (van oegoet).
— , doen versnellen, mëlëkaskan, mtm-
bangatkan, laëujigerakan
(van .sïgëra),
rij- ot\' trekbeesten —, mëlarikan mëng-
gërëlakkan,
aankanten; zich tegen iets —, më-
latoan.
aankijken, iem. —, niëntandang (\'van
pandang); sterk —, mëngamat-amati,
mëmandang lëkat,
b.v. djangavkan ija
hampir kapada patik, m&mamdamg lëkat
pon tijada,
laat staan dat hij mij naderde,
hij keek mij zelfs niet sterk aan; strak
—, ntërëuoeng-rënot\'ng ; iets —. mélihat,
mëlihati, mënengol?
(van tïngok); recht
—, më?iëntang, (van ten lang). — om
iem. aan het lachen te maken ot\' zijne
attentie te trekken, mëngagah (van agah).
Ook van dieren, b.v. de hanen staan
elkander nog aan te kijken, hajam lagi
bëragahan,
nml. vóór hot gevecht;
schuin —, itïëiidjëlhig,- schuin aangc-
kekon worden, kadjëlingan.
aanklacht, pétwedoekam (van toedoet/);
eisch, damt, Ar.; do zaak van de nan-
klaeht, tndji. jiïnijadoeican.
aanklagen, mënuedoeh (van toedoeh);
een eisch doen voor den rechter, mën-
daiea ; valseh —, mënoi\'kas (van toi\'kas).
aanklager, ptiwdoeh; de —, eischer,
jang ampoenja dïiwa, pëndaica.
aanklampen, enteren, uië.ngdit (van
kdit); klamp aan! tjaiapaklah kditl
ook mende in pokkan, — , aanvallen in
\'t algemeen, mhijerang (van sërang),
niëlanggar.
aanklampin<r, pëngditan, ptnjëra-
ngan, pëlanggaran.
Zie aanklampen.
-ocr page 20-
8
aankleeden — aanlanden.
datang. —, onderweg ergens aangaan,
singgah. Op J-iva mampir, Jav.; onder
het maken van een seinhah —, tot een
Vorst komen, bërda/ang-sembah; ergens
met de hnnden —, mXndjabat, nieine-
gang
(van pëgang); aan iets, waarnan
men niet komen moet. mëngoesii,; b.v.
kom daar niet aan, djaugau oesik Hoe;
aan iets komen, iets verkrijgen, bero-
li/i, mendapat
, b.v. hij komt aan veel
geld, ija bërolih banjalr oetcang,- hij
kwaru aan eene iroede vrouw, ija me>i-
dapat bid jaag baïk ;
er is geen — aan,
mahal dibeli, soekar ditjëhari,\\c\\t. duur
om te koopen, moeielijk om te zoeken;
op iemand iBts laten —, ntëmoelangkan
kapnda sa\'orang, niëuaiiggoet/gkan. ka-
pada sa\'orang;
het komt op hein aan,
bërgantoeng kapadanja, lett. het hangt
aan hem; er niet op —, tijada meng-
apa
, tijada djadi apa-apa, b.v. een
Gulden meer of minder komt er niet
op aan, lëhih koerang satoe roepijah
tijada nthigapa.
Zie ook raken;
komaan, welaan, mari, marilah, ajo, Jav.
aankomend; bijna volwassen, vnn
een jongeling of meisje, rëmadja, rë-
madja poefêra;
half volwassen, tëngah
ndik,
b.v. mijn zoon is pas een nnn-
koniend jongeling en heeft nog geen
ervaring, auakkoe sedang rëmadja poe-
ttra, belom. sampai boedi bitjam.
aankondigen, meintieri tahoe (op Java
kasih tahoe), mëmüfoemkan (van matoem,
Ar), mëngchabarkaa (van chabar, Ar.),
uietcartakan.
aankondiger, pëmbëri-tahoe, pëmbe-
rita, orang jang kasih tahoe.
aan kondiging, peinbëritadn, pëe/ta-
baran.
annkoopen = koopen. Zie ald.
aankrijgen, dapat, b.v. oorhangers
aangekregen hebben, dapat auting-
anting.
—, aantrekken, nïëmakai (van
pakai) b.v. ik kan dit baadjo niet —,
tijada, dapat akoe memakai badjoe Hoe.
aankweeken , meiiietUiarakan (van pëli-
hara),
op Jnvn, pijarakan; de vriend-
schap —, ntëmeli/tarakan përsohbafaa;
kennis en wetenschap —, mënoentoet
vlmoe da», phigatahoean
(van toentoet).
aankweekins, pemeliharaiin; — vnn
kunsten en wetenschappen, pinoenloe-
tan ë/moe dan pengata/toean.
aanlanden, aan land gaan, ndik
kadarat,
—, belanden, djatoh.
aankleeden; zich —, berpakni-pakai;
ioni. —, wi&nutlcaikan, menge\'nakanpakai-
jan,
b.v. dipakaikanlah olih mareka-itoe
sa\'orang llabsji sapfrti sa\'orang toetca,
zij kleedden een Abyssiniér aan als
een oud mi*.n, Pel. Abd.; aangekleed,
burpakai, bürkdin-batljoe.
aaukleefsel, haraitg jang lïkat, b. j.
berlekat,
on Java b. j, belengket.
aankleven, kleven aan iets, Tékat,
berlekat;
op Java belengket; kleven
aan den wand, tekat pada dinding.—,
iem. aanhangen, l/irsangkoei\', of ber-
sangkoet-jtaoet pada sa\'orang.
—, aan-
hangcn, v, e. reuk of stnnk. tempel.
—, verknocht zijn aan iera. van het
hart, Vékat, savgkoet.
aankloppen, op de deur kloppen,
tnenepok1 pintoe (van tï\'pok-), mëngefofc
pintoe
(van ke(ok-).
annknoopen, iets door middel vnn
een knoop vastuinken, nienjimpoelkan
(van simpoel); vriendschap —, melaican
bersahabaf.
— van een gesprek, moelaï
berkafa, pasang tjakap. melaiean ber-
kafa-kafa.
— van onderhandelingen,
pasang bitjara.
aankomelins; iem. die pas nange-
koinen is, orang beharoe, eene verkorte
uitdrukking voor orang beharoe datany.
Zie ook -vreemdeling. —, halfvol-
wassen persoon, orang jang fetigah ndik,
bijna volwassen, rëmadja, rëmadja poe-
tem.
Dit laatste meer in dei\'tigen stijl,
aankomen, te of tot, sampai; noch
niet aangekomen, bëlom sampai; reeds
aangekomen, toedak sampai.; toevallig
—. verzeild raken, sesat sampai. b.v.
djikalan sesat sampai sahoeieah përahoe
Malaka,
als er toevallig een vaartuig
van Malaka aankwam, Abd. Op eene
plaats — ook tiba, to voorschijn ko-
men, b.v. ik hen zooeven pas aange-
komen, bëharoe tehadi patik tiba; het
schip is aangekomen, kapal soedali
tiba, k. s. sampai.
—, raken v. e. slag,
zie raken; onafgebroken —, zoo-
als b.v. schepen in een haven, de
regen enz. mëndjoedjoh. —; onophou-
delijk — van koupwaren, zoodat zij
steeds in menigte voorhanden zijn, më-
njelaroh
(van sëtaroh). — in de betec-
kenis van komen, datang, b.v. daar
komt hij aan, disana tja datang. —,
telkens overvaller, van een ziekte, b.v.
de koorts, bezwijming enz. mëndatang-
-ocr page 21-
g
aanhingen — aanmerking.
niet hoe ik het zou aanleggen, bèta
bëndafr përgi tiada terhimmat
; het
er op — om te spreken, beproeven te
spreken, mëngaijoe-atjoe Kendak bër~
kata~kata;
niet weten hoe het aan te
leggen om te spreken, tiadalah arah
hëitdak herfjakap.
aanlesplnata, pleisterplaats, tëtapat
perst//ggalian.
—, landingsplaats, plaats
voor het aanlegden van veerschuiten,
paiigkalan tattthang.
aanleiding* moela; de eerste—, moeit!
sehah.
—, oorzaak, geldig\' reden, sa-
taëna-mëna;
zonder —, zonder ireldige
reden, dëitgan tiada samen a-metia.
zoeken voor twist, mëafjëliari-fjëhtiri.
— geven tot, veroorznkon dat, nieitjë-
babkan
(van sehah); geschikte—,paksa
■jaag baik.
aanlengen, door bijvoeging van een
ander vocht dunner maken, mentjairkan,
mëagènfjirkan
(van èrifjèr, Jav.).
aanleunen; tegen iets —, bersandar
pada,
op Java sindèr.
aanlichten, vaa den dageraad, bër-
sinar tërang ;
de dog lichtte aan, moelai
bërsiaar terang, inëadjadi sijau g, f adj ar
mërekali
ao.nlümen , uiëlektitkan, rninèmpèlkan
(van tèmpèl).
aanloopen; tegen iets —, tnëJanggtir ;
onv orboedi tegen iets —, méiiêmpoeh
(van tëmpoeh); tegen elk.—, elk. op weg
of op reis tegenkomen, herië tahoeng. vd\\V,
aanmaken, vervaardigen, ttiëttipërboe-
watkan;
vuur —, ittëtnasang api (van
pasang).
aanmanen, zie manen.
aanmatigen; zich te veel —, dawa-
nja amat bësar.
Pel. Djin.; zichzelven
! gezag — , zie bij geza».
aanmatigend , verwaand , poe»goh ,
sottdjung;
— worden, inëiidapat hati,
aanmelden, te kennen geven, mëiit-
hëri taltot\',
in de spreekt, kasilt tahoe.
aanmengen, zie aanlengen, —,
vermengen, mëafjamponrkan.
aanmerkelijk, bësar, pë.nting.
aanmerken, in aanmerking nemen,
ingaf, iitë/tiittbang (van timbang), b.v.
Mijnheer gelieve in aanmerking te
nemen dnt de rijst duur is, hendaklah
toewan it/gat (mënimhang) bahwa herat
Hoe ma/tal Jtarganja.
aanmerking op iets maken, nië.itja~
lahkan
(van salah), mënfjelakau; iemand
aanlanden. aangeven, më.ngoendjoek
van oendjoek), meer op/ettelijk, tneng-
oendjoekkan.
afinlusscheii, mëttjambaeng (vim sam~
honig).
iiiiiilsissch i»«■„■, pënjatnboengan; het
aangelaschtc stuk, samboengan.
aanleeren, behuljar (van adjar), het
Maleisen —, bëladjar behasa Mëlajoe;
iets — door studie, mëntpëladjari.
aanleerin<£, péladjaran.
aanle>r, aard, inborst, pektrfi, tahiat;
een goeden — en inborst hebben, hdïk
boedi pekërfi, baik (abiatiija;
aanleg
tot ziekte, fabittt ioeboek me matig j hij
heeft er aanleg too, fabiat toehoehvja
metnang bagitoe.
—, plan, ranfjana, b.v.
de — van eono teekoning, rantjana
peta, ranfjana gamhar,
— van eene stad
of vesting, suesoek. — van een tuin,
pasangan kvhim; — van een 1 uithof,
atoeran taman. Zie ook *>rond«*hi<>-
aanle^uen, vun eene stad of vesting,
mëujoesock (van soesoek), uw taboe wat,
—   van een tuin, mëmasang këbon
(vnn pasantj); onderweg ergens —, sing-
ga/t,
op Java mampir. Hier en daar—,
singgah-mtiijinggah. — , mikken op ,
membetarli, niëngoentittg (van oe,itiug),
mëiigaljofkan,
b.v. vervolgens legde ik
op /,ijn kop aan, taioê koe-afjoekan
kapalanja
; iemand boeien of kluisters
aanleggen, ntëjigïitiakan rantai, m&ng\'éna-
kan heloenggoe,
ook i/tëruittaikan, mëtti-
bëloenggoekan.
—, van een verband of
pakking of pap, ttiëmhoeboeli. — op iets,
iets tot zijn doel stollen, benttaksoedkaii,
(vnn maksoed, doel, Ar.). — op iets,
toeleggen met opzet, taë.njëhadjakaa
(van sëkadja). —, maatregelen beramen,
mëreka-, hoe znl ik het —? boetapa
përikoe,
b.v. boetapa përikoe dapat
ttiakan ikan ini dengan tiada herielali,
Hoe zal ik het aanleggen om zonder
moeite deze visch op te eten; bet rui-
nig niet iets —, iitënghitttttl\'hiniatkan
(van bitnat, Ar.); het met iein. —,
gemeene zaak maken, bërmoeafakat,
safakat
(van fakaf, Ar.); eene lijst van
iet» —, mënthoewat dof tor; vuur —,
ntënutsang api (van pasang). — , van
wegen, vaarten, kanalen, mëmboeicat.
—  van een proces als eischer, men-
dawa.
—, voor den wal komen van
vaartuigen, mëudampingkan përahoe
pada darat;
ik wilde gaan, maar wist
-ocr page 22-
10
aanminnig; — aanporren.
—   maken, mënPgor (van tPyor) b.v.
(tijor olih toeicaa hamha barmng jaat/
tiada paf oei pakaja.i tiamba ini; dj\'tka
belom bdik dittyor olih istPrinja
,
mevrouw make — o]i dat. wat in mijne
klecding niet goed is; en ala het nog
niet goed was maakte zijne vrouw —en ;
veel — maken , tjPri-wèt; iemand dio
veel — inaukt, pPiifjP.rewet; smalende
—    u|> iels maken, uiP-ntjPre.tja b.v.
endah tadapat hendak ditjPrPtja, zóó
selioun, dat men er geen — op maken
kon, al wilde men ook; in — komen,
kabilioiyan; hij weet niet in — te
nemen, dat hij zelf zoo klein is, tiada
tahui\' ithlar diruija uranij kP/jit.
Pel.
Djin.; ontfermend in—nemen, keaany.
aanminnig, ma/lis. élok.
aanminnijjheid, tamanisa*; boeiende
—  eener \\ rouw, taulat.
aanmoedigen, tuPiubPranikaa, uïtng-
yalakka», mpayypiubirakan, meiigadjak;
mëmbëri hati.
aanmoediging, pPuqadjak, petig-
galak.
aannemelijk, bol Ui ditPrima; —, ge-
loofd kunnen worden, bolih dipPrfjaja ,■
gclool\'elijk. overeenkomstig de rede
mogelijk, masok kapada iïkal ■ op nan-
nemelijke voorwaarden, dPi/gaa djandji
jaag bolih dittrima, dtngan djandji
jong senaat/;
die belrekking is nog ui
—, pPkërdjaiia Hoe seuang djorga, —,
bevattelijk van vcrstnndsvermogeii, ri-
■agan kapala
, sPnaug di-adjar, op Java
hithig kapala.
aannemen, in ontvangst nemen, 111P-
nerima
(van drima) aiPnjniaboet (van
sambut\'f); beleefd iets —, mPiijamboet
dtagaa fattim,
b.v. hij nam dien brief
beleefd au 11. soerttt itoe disamboetvja
dhtgan tatlim.
— van het geloof, wPm-
bawa \'naait;
van een godsdienst, taasok
agiiiaa, membatca agama, niPmakai aija-
ma; —
van een naam, memakai naiaa.
—, veronderstellen, mPajaagka. (van
saagka) ik neem aan, ik veronderstel,
pada sangkakoe; vast ■—, engageeren,
b.v. van een accoucheur voor enne beval-
ling enz. iem. voor een dans, mPaPtapah
(van (Xuiipah); elk kunnen —als gelijk
in vang of geboorte, of stand, timbimg
{Prima.
van een bede, ver/oek,
mPloeloeskaa, ?acuf/kaboelkau (van kn-
boel,
Ar.). —, vaststellen van eene wet,
me\'ue\'uloekau hoekoem (van leatoe).
van een kind, mP.agaugkat auak,- een
aangenomen kind, auak aagkat; ook
van andere fanülie-betrekkingen en ook
mPuijambil auak of akua aaiik. —, voor
waar houden, pPrtjaja. — van een
werk voor een bep. som, uiPmborouy
pPkërdjaiia:
ook mPayambil. Mal. Sum,;
vooruit —, engageeren, zie bij be-
«preken. —, op zieh nemen, b.v.
van een werk enz. me-nauggoeuy, (van
tanggoeng), mPitfjakap, op Java sautj\'
goep,
Jav. —, up zich nemen om te
betalen, bPrdjandji hPadak mtmbajar.
van een bod, een koop toeslaan,
inPi/t/idjahkau (van idjtïb); in dank —,
meaPrima kaxih. —, aangenomen dat,
verondersteld dat, sa\'andaiaja, oepa-
mauja, djikalau kimaja
,- bij eene wed-
denschnp de aangeboden som —, mt-
vaagknp
(van tauykap): niet willen—,
afwijzen, mStmtampiè (van tampik).
aannemer, orang jaag aiPinboroug
ptkPrdjaiht, pemboroi/g.
aanpakken, vatten, memegaug (van
pPyaug). —, aangrijpen, b.v. een per-
soon. nïPaauijkop (van taugkap). —,
aanvallen, mPlaayijar, menjeruay (van
sprang) van dieren, mPaerkam (van tvr-
kam), mtnangkap
(van taugkap), mëii\'
fjekau.
—, met kracht iets —, aihi-
djPraiaah
(van djamah).
aanpalen, berdampiag, b.v. dat huis
paalt aan de moskee, roemah iloe bPr-
damping dPnytin mPsdjid.
aanpassen, beproeven of een klce-
dingstuk goed zit, tuPntjoha.
aanplakbiljet, sorrat tempiel; pPVPkat
(van ht\'t Ned. plakkaat).
aanplakken, aienempelkaa (van tem-
j W»-
aanplakker, toekang mëneiapel.
annplnnt, IfBWMMK.
aanplanten = planten, zie ald.
aanpleisteren = pleisteren, zie
ald.
aanplempen, met aarde, puin en
dergel. vullen, mhdatboes (van ündjoes),
mPaambak
(van tambak), b.v. die gracht
plempten zij aan met aarde, purit itoe
ditimboestija dP.agau taaah,
Abd.
aanpooten, poot-uan spelen bij eenig
werk, mPmhautjatkau pPkerdjaii/t.
aanporder, pP.aya.soet, pPugoepak,
pingharoe, p<6ngad$afc,
aanporren, ophitsen, mcagnsoet, mëay-
adjalr, mtayoepak, mPag/iaroe;
aan-
-ocr page 23-
annporrlntz aanrollen.                                      11
sporen, mvni/iidja^, m&dtrml (tui féral),
;i;mi)t.rri 11-_- , atoetaa, pP.a//orpaka// ,
jtenijharoetcan, péi/t/adjakatt.
aanpraten, mt-n/huedjoek dent/aa lata
jo.i\'l WMMtê: «nmhafdjocfc drat/aa kata
ja/t// lê\'mali-lemboet
, d. i. met zoete of
zachte woordjet lokken.
aanpreeken = aanpraten.
uanprijzeii, aanbevelen door den lof
te verhctl\'en, memordji (van po/fdji, lof);
zich zelven —, »i%moedji dirinja tindiri,
annpunten, ïuct een mes vnn tets
lange en ronds, zooals een potlood, pon,
bamboe enn., mtrantjofut/; cent- pen—,
uieratttjotii/f kal/r m. Ook méroentjintj en
//iïraptit, Pad. bov. 1. — niet een mes
onder een stompen hoek, mëratUfoeMf
tordiiiii;
onder een scherpen hoek, mr-
rmmtjoeng lansay.
— van eene pen ook
metoentjipkan.
aanraden) mPmberi naühat, uicnati-
hatkan.
aanraken, met de hand betasten,
uilmljamah, — , met de punt van de
tong — om te proeven, ■Jfwfflfffiy —,
eventjes met de punt van iets, voor-
namelijk mut den top van den wijs-
vinger, uiX\'i/tjt\'tjah. —, eventjes met
de punt van een vinger, meatjoemt;
iemand even met den vinger of de hand
—, b.v. om bem te wenken of te roe-
pen, me///////(uiit\'; eventjes met de punt
vun den vinger — cu daarna zachtjes
wenken, //ietttjoewif-iiiï>a</f/amit, —, met
de handen aan iets komen, waarvan
men afblijven moest, mtnijya/ujtjoe,
Hiëi/z/orsiXr. ■
—, van iets, ook van eene
vrouw door den man, itienjoeatofh (van
soentueh), b.v. ik werd door mijn mun
aangeraakt, dixoei/forh ulih soeamtkoe
akaadakoe;
raak dat hoek niet aan,
djam/aa u/injoeatoeh kitdb itoe. —, hij
ging alsof hij den grond niet namaakte,
Uerdjahi/itah tja sa/ter/i litula liirdje-
djak diboi\'mi ra sa,tja.
—, aangeraakt
worden, kina, toevalliger wijze, Ifrktna,
b.v. zijn dij werd door een houten lans
geraakt, palianja k?aa soelhji; toevallig
raakte de houten lans zijne dij, fórtft.aa
soeli/jl itoe kapada palia/ija.
aanrahina, djamahau, toeatoeha», (je-
tjapa/t, fjetjaliin/
enz. Zie het verschil
bij aanraken; met elkander in —
komen, lmkn.iiialt-raii/ajiitn, htrkVnttl\'khia-
hm;
met iemand in —■ komen, ont-
luoctcn, Kirt e. m o?, berdjoeiupa. —, in
— zijn van een lichaam met oen ander
lichaam, soc/toelt, htrsoenioeh.
aanranden , <,<ïlan/j/jar; iemand in zijne
eer of goeden naam —, mfnjfu/}tok (van
se u/pok).
aanrechten ( klaarzetten van spijzen
1 of dranken, mtnyAidaMgiaM (van hidauy,
I aangerecht), /ie ook aanrichten,
aanreiken * toereiken, mïnyor./djoefr;
met bepaald obj. wüugoêndyoe^COH.
\\ aanrekenen, zie rekenen.
\' aanrennen; komen — , bvrtari-lari
dataag, van velen, tn-rlari-larian datany.
aanrichten, ini-.iji\'da/.ai/, mèadjadi-
ka,i, b.v. verwoestingen —, meiiyada-
i kan k/diïnasaan; ouheil —, urtadjadï-
| kan f/ilaka.
aanrijden; te paard komen —, datamj
tlP,/,ja,: na\'tk koi\'da, datamj bïrkoeda;
met een rijtuig komen —, datany A?r-
kareta; onverhoeds tegen iets — , iw?-
j nêmpoeh (vnn fé„/poi-li); iroederen, bonw-
i stollen met een voertuig —, meu/batea
drnyan.....ntvnyhantar dtntjan . . . .,
waarachter dan de naam van het voer-
tuig komt.
aanrijden, van koralen, paarlen enz.,
mt\'iiffw\'\'\'as, t/ttii/joi-fjot\'/f\', uifaioesoi\'k\' (vnn
foesofk) b.v. kranltjes —, mtnoetoeje
manik-manik;
bloemen —, aan elkan-
der rijgen tot slingers of kransen, mëny-
t/ühah;
bladeren voor atap —, meng*
anyt/U
(vun (ti/fff/if). —, met een lossen
steek —, mti/djelui\'djoiT. Zie ook rfcj-
sen.
aanrüpen , van vruchten, Itermasak-
i kan; juist aan het — zijn, ten/jahbtr-
wasakkan, sïltadjakan masak.
aanroepen* zijne stem tot iemand
verheffen, mïjéroe (van str, ,■), uit de
verte toeroepen, nirroetcah; voorbij
varende schepen —, menyamb/l djatrdh
pvrahoe perai data,///
; den naam vnn
j God —, nunji-hottl na,aa Allah (van
svboet). God —, bidden, mPminta düa ,■
iemand — om to komen, tne,t/anyyil
(van paayyil). —, van een schildwacht,
menjeroe, meajapa (van sapa). Dit laat-
ste voor word» of wicdaar!
aanroeping van God, zie cehed.
aanroeren, aanraken, me/iiljamah;
—, van eene zaak melding maken,
mt>,i/jvfiont (van sfboet), b.v, hij roerde
die zaak in zijn brief aan, distdwftnja
ptrkara itoe dalam soeratnja.
aanrollen; komen —, van groote
-ocr page 24-
12                          aanrukken — aanslibben.
aanschouwing* pëmandangan.
annschrappen, met een schrap tec-
kencu. ménaitddi (van fandu).
aanschrijven, schriftelijk bevelen,
mimberi soerat peren/ab, mengrrim toe-
rat pérentah
(van kirim); van een Vorst,
tuemf/ëri soerat fitah. —, aan- of op-
teekeneu, mëiijoeraikaa (van soerat),
mtnoeliskan
(van toe/U).
aanschrijving ( schriftelijk bevel,
soerat ptrentah; van eeu Vorst, soerat
titah.
nanMi\'hroeven, een schroef vaster
draaien, mëmoelarkan stktroep (van
poefar).
aonnchudden, zie schudden.
aanschuiven, ïie bij schikken en
schuiven.
aanslaan, vaster inslaan, mufanfak;
mëlan/akkan:
bij herhaling of bij vuurt-
during, t/iëlantak\'-tanfai: —, van een
zeil, mëttgajak. -—, van een touw, uit\'
maxang fa/i
(van pasang), mënamba/kan
/a/i
(van /amhaf). —, van honden, ge-
woon blalfen, aitttjaiak (van salak);
een eigenaardig, schel geluid maken
bij het zien van wild. mëringking. —,
percuttceren, mëngëfok-(\\hu ke/ok) vdW.
met een percussiehamer — om de nf-
wijking der toonen te weten, wënye/ok
dëngan pi-moekoel kef/il, soepaja dikë-
/akoei pérohahan boenji
vdW. — vnn
een vlam, rook, wasem enz. minjoe/ang
(vnn soe/ang). — van bekendmakingen,
biljetten enz , mmempe/kan soera/ (van
tempel). — van eeno snaar, nw.më/ik
taii
(van pëlik) — van een kctelinstru-
ment of trom, mëmoekoel (vaapoekoel),
mtnaboeh
(van taboeli). —-, de hand
aan iemand slaan, mënaugkap (vnn
tangkap); do hand aan zichzelven —,
niëmboenoeh dirinja sendiri. —, van
aas ann een hoek enz., mtmboeboeh
oempan.
aanslag; zwarte — van eeno vlam,
fijn roet, soe/ang, djelaga. —, list dio
gesmeed wordt, makar. Ar.
aanslagbiljet, aanplakbiljet, soerat
tempe/att.
— van de belasting, soerat
tjoekai.
aansleepen, slecpendc nader brengen,
mtmbatca dëngan mënghela, da/ang mtng-
helakan.
aanslibben; aangeslibd zand, koekoep;
een eiland door — ontstaan, poe/au
koekoep.
voorwerpen, da.fa.ng bergoefoeng-goe-
loeag;
van kleiner voorwerpen, da/ang
ftêrgoeliay-goeliag,
b.v. de polven kwa-
men —, omhak\' datang hergoeloeng-
qoeloeiig.
aanrukken: voorwnartsrukken van
legcrbcnden, nienampil (van /ampil).—,
naderen tot, mtmgkmmfifv, niPrapaf.
aanschaften; zich iets — door koop,
zio koopen. —, nandissehen , zie
aanrechten.
aanschakelen, meugditkan (van kuif);
aangeschakeld, berkdit-kdlt\',
aanschakeling, aaneenschakeling,
kaïtaa.
aanschellen, komt in ïndië niet voor ;
hot moet dus vertaald worden mot we-
M/e/oXr pintoe of tXpok* pin/oe, op do
deur kloppen. Zie. aanbellen.
aanseherpen, scherper mnkvn, m?iia~
djamkan
(van (ad/am); —, door slij-
pen, niPni/nsa/i, op Java gosok —, van
de punt, mvnyilir, b.v. maka keris
parang-sari Uoepoa disoeroeh Lahsa-
mimit kttir pada Paf Ui Karma Widjaja,
Laksamana nu beval nan I1. K. W. de
kris 1\'arangSari nan do punt te schcr-
pen. H. T.
aanschieten, voor de eerste mnal af*
vuren, een geweer beproeven, wentjoha
lit-dil, mëtifjoba st-napang,
—, van een
kleed, mï-makni (van pakai). —, licht
kwetsen door een schot, më/oeka\'i; aan-
geschoten, dilockdi ketta /eudialc.—, op
iemand komen —, van honden, mëloe.-
roe,
zie bij aanvliegen.
aanschijn» uiterlijke gedaante, voor-
komen, roepa, fakir, Ar.—.aangezicht,
tnoeka, paras, iradja/i, Ar. doerdja, Skr.;
in het zweet uws aanschijn» zult gij
uw brood eten, dëngan hërpë/oeh moe-
kantor ëagkatt akaii makaa rëzëkimoe ;
ïn het —, in tegenwoordigheid van,
dihadapan, b.v. in het — des doods,
diliadapan munt.
aanschouwelijk, htUkata», lahir, Ar.
aanschouwen , memandang (van pan-
dang),
wordt gevolgd door het Voorz.
kapada; toevallig — of voor oogen
krijgen van het beeld van afwezen-
den, Vérpnndang-pandantf; in gunst —,
mënilii (van Mik), meuilik dëngan ka-
ridlaiiti;
het —, ptniandangan. Zio ook
toeschouwen.
aanschouwer ( oratig j-mg mèmandaiig,
pemaudang.
-ocr page 25-
aanslijpen — aanstaan.
13
aanslijpen, de punt van iets, wèngUir
(van kilir), ménadjamkan hoedjoeng (van
lat/jam), m\'èngasah hoedjoeng.
aansluiten, aaneengesloten, zooals
militairen in het gelid, hempel, rapat;
doen —, m\'tngheinpetkaii, niërapatkan.
— zooals de deelen vnn een kaait, de
bakkebaarden onder de kin enz., fijn-
tjanluem; doen —, tegen elkander
brengen, mtntjautoem; zich bij iemand
—, berdampitig déngau sa\'oravy.
aansmeren, mtmalel-malel (van pa-
let),
uangesmcerd, tèrpalet-palet, b.v.
ée\'n buffel brengt de modder aan, en
al de buffels worden aangesmeerd,
.sai;kue}m karbait membaica loetitpoer, $a-
vweuia karban tirpalet-palet,
Sprw. —,
met kalk, mènjupuekan kopeer (van
sapoe). —, bedriegen bij het verkno-
pen, niénipoekan (van tipoi1); te duur
verkoupen, uundjoeical tërlaloe mahal.
—, aangesmeerd zijn, liir. uitdrukking
voor dronken, mabok.
annsmculen, beroenggoen, b.v. hij
dacbt. dat het vuur zou —, disany-
katija api itoe hëndak béioenygoen.
aansnellen, haastig komen aanloo-
pen, bcrlari-lari dutang; met zijn velen,
bërlaridarian datai/g.
aansnijden, de eerste snede doen,
mèmoUing kèrat yang muela-moela (van
pofoug).
aansnoeren, met een snoer binden,
meng/kal dèngan iali.
aanspnnnen; trekbeesten —, mïma-
sang
(van pasany).— vun snaren, touw
enz. Zie spannen. —, sainei^pan-
nen, menjertat (van serta), safakat
dttigan.
aanspatten tegen iets, mèrétjiki (van
vetj ik), mëmerëfjiki (van përëtjik); aan-
gespat, tëpërctjik.
aanspelden, n/ëtiikam fëuiti, m\'etijè-
mal;
nangespold, dilikam fëniti, ter-
sëmal.
aanspeten, nan een spit steken, mh
matjak
(van paljak).
aanspieën, wëtnhoeboeh badji, mëmoe-
koel badji
(van poe/roei).
aanspy keren, memakoekan (van
pakue).
aanspoelen, iets naar het land voc-
ren, van de golven, mmdamparkan; op
het strand aangespoeld, tërdampar.
aansporen, met Bporen aandrijven,
mematjoe (van patjoe), t/ietiggërelakkan;
nansporon tot het oen of ander, — om
te, wordt in het Mal. zonder voorz.
gebezigd, b.v. m\'ènyadjak adinda ha-
ginda kaloewar beradoe,
zijne hoogheid
spoorde zijne echtgenoot e aan om bui-
ten te gaan slapen. — van een olifant
met een ijzeren haak, mrngoexa (van
koesa, die haak). —, van personen
mengailjak , tnenygeret\'akkan, mtiïéval
(van teral).
aansporing, pmaadjakaii, ph/oyer\'e-
takan.
aanspraak, redevoering , pi-rkataiin ,
pertjakapan. —, recht, hak, Ar. — op
iets heblien, ntfiiipoenjaï fuik atas. —,
eisch, dawa, Ar. .— op iets maken,
mëndiiwdi, mendïïwakan, b.v. - maken
op dut koningrijk, uiendiucaï karadjaan
itoe;
wij kunnen op ons goed — ma-
ken, bo/ih kita diucakan hurta kifa;
hij maakt — op zeor veel, duwanja
itoe amat lu-sar
1V1. Djin.
aansprakelijk zijn voor iets, mettany-
goeng
(van tanggoeng). — zijn voor
iemands fouten, menavygoevg salah
urang.
Ook lazam, Ar. b.v. maka la-
zandah toewan jang poen ja roemah itoe
mengganti,
en de eigenaar vun het huis
is — om dat to vergoeden. Daarvoor
zijt gij — , iertanggoengiah aUumoe ,-
ook alleen: atatmoelah, poetanglah ka-
padamof,
lolt. dat keert tot u terug.
aansprakelijkheid; solidaire —,
tavggoi-ng-mruanggoeng.
aanspreken , toespreken , lierkata ka-
pad a ;
den Vorst—, birsembah kapada;
van een Vorst, bertitah kapada; van
God, bijirmün kapada; een gast of
vreemde vriendelijk —, mrtijapa (vao
sapa), mrnvyor {van t\'eyor), b.v. en dade-
lijk weid zij door India 1\'oetra vrien-
delijk aangesproken, maka siy\'era di-
sapa olih Indira 1\'tietera.
Om een
aalmoes —, minta-mmta, minta §ëde-
kah, minta der ma;
do lloscb dikwijls
—, froetcat tninoem; oiu betaling van
schulden —, mènagih hoelang (van
lagih); iemand over iets —, berispen,
m\'enasihatkan, maieywkan (v\'nn tégor);
zijn kapitaal —, makan modalnja, ma-
kan pokukvja;
iemand in rechten —,
mëndïiwa atas sa\'orang.
; aanspuwen, meloedatii.
\' aanstaan, bevallen, berkenan, soeka,
doch in \'t Mal. slaat dit op den per-
\' soon, b.v. dit staat mij aan, akoe bër-
-ocr page 26-
14                                       aanstaand — luiimtooten.
van mindere hoofden, mènyg\'elar; van
lieden uit den minderen stand tot
een ambt, memoengoet (van poengoet);
zich — als, gedragen nis, melakoekan
dirinja sapertt, salakoe,
b.v. hij Btelt
zieh aan als een gek, \'tja melakoekan
dirinja saperti orang gila, ija salakoe
orang gila;
zich aldus —, salakoe ini.
—, voorwenden, poera-poera, metnboe-
icut-boeical;
zich — alsof men ziek is,
poera-poera saki/, weml/oewal- boewat
stikt)\';
tot gevolmachtigde —, mêtca-
kilkatt
(van teakil, Ar.).
aanstelling, tmmÜttm, yelaran, poe-
ngoetan.
Zie het onderscheid bij aan-
stellen. —, voorwending, poera-poera ;
schriftelijke —, soera/ grlaran.
aansterken , bertamhah koeten!, makin
koewal.
iistii-iolli\'ii, aanvegen, m\'e.tjapoe (van
snpoe).
aanstoken, heimelijk opstoken, meug-
oepitk, menoesoek
(van toesoek), m\'eng-
a/joem.
—, van vuur, mengoepak api,
menjalttkau api, utenggalakkan api;
een
twist —, wengadakan perbanttihan■; een
reedt bestaande twist —, meramaikan
pei\'btintakau.
aanstoker, pengoepak,pe/toesoek,peiy-
atjorm.
aanstonds, dadelijk, sabenlar, sabht-
/ar djoetjo;
—, wcldrn, ke/ak, b.v. hij
zal — komen, ija akan da/any ke/ak-
aanstoot, sonto/tan, steen des aan-
stoots, battie son/olmn, bafoe att/okan.
—, ergernis, sjak; — geven, mèmberi
sjah\'.
— gi\'ven, ergeren, mengetjilkan
hati
(van k\'e/jil). — nemen of lijden,
kena sjak. Zie ook bij kwetsend.
aansloot el \\jk , j"»y memheri maloc,
jaag /iada pa/oet, jattff tiada la/k.
aanstooten, aet. met hund of voet,
menjoenfoe/t (van soen(oeh); menffaittok
(van antok): met knie of elleboog
door cene zijwaartsche beweging even
—, menjengguet (van srnyyoet); b.v.
iemands arm met een liniaal, rnhtoitjolt
(van fonjoh). —, met den voel tegen
een steen of twee voorwerpen, b.v. twee
rijtuigen, tegen elkander, menjampok
(van sttmpok). —, van twee glazen hij
het klinken, herlaga. ~, accid. of toe-
vallig, lersonto/t, /eran/ok, (ersenygoet,
tersampok\',
gevolgd door het Voorz.
kapada. —, ergens tegen, zoodat men
niet verder, hooger of langer kan, b.v.
kenau akan t/ia, akoe soeka alatt dia.
Wil men het van het voorwerp gcbrui-
ken, ilan wordt het: memperkenavkan,
menjoekakan.
— van eeue deur, ter-
nganga s\'ilikit;
aan iemand staan, v;in
iemand afhangen, soeka orang, b.v. dnt
stunt niet aan mij, boekan.il/iajapoeuja
soeka i/oe.
—, ophanden zijn, komende
zijn, ttaiang, b.v. —de maand boefan
jan ff datantj.
auiisiiiinul. ophanden zijn, komend,
jan ff akan //a/ai/ff, zeer—, jan ff datauij
ke/ak, jan ff datautj itii;
b.v. aanstaan-
den Maandag, hari tenen jan// dataitg
itii. - ,
dat in de mank of in wording
is, ba/cal, b.v. het aanstaande huis,
bakal roeuiah, de aanstaande \\ oi>t,
bakul rail ja; tegen iets —, l/ersatt-
dar kapada;
van levenloozo voorwer-
pen, tersandar kapada. —, dichtbij
zijn, hampir, b.v. de regentijd is nan-
stannde, hatnpir/ah akan moe sim hoed jan.
aansluande, verloofde, /oenangan.
aanstalte; aanstalten maken, berlting-
kap, Lefxadija,
b.v. aanstalten maken
om met een schip te vertrekken, fór-
langkap hendak ber/ajar ; aan stallen
inaken om een oorlog te beginnen.
biriangkaji akan berperavg,- aanstalten
mukca urn aan te vallen, btrsadija
ukan nienjeranff
; aanstalten maken om
een leest te vieren, berdjaga-djaga.
aanstampen, van den grond, menga-
sak. uies/fft-raf, mengennjak
(van eaujak"\\;
aangestampt, terasak\', (erennjak. J)e
lading van een vuurwapen met een
laadstok —, melantak. — V. e. giintwcg
enz. titrntiendioek (van luemhoek\'); goed
vast —, niengeriit.
aanstoppen; wat —, zijn gang ver-
snellen, tnentjepa/kau tljalannja.
aanstaren, sterk aanzien, mengamat-
amali. tnSfëttoeno,
iiiins\'.c](cl\\i![, van een ziekte, men\'
djauykit,
b.v. die ziekte is —, men-
djUiiffkil penjaki\'t Hoe,
lett. ovci>prin-
gen van den ecu op den ander.
iiiinstt\'licn, van vuur en licht, mema-
sang
(van pasatuj). —, in brand steken,
wentjttetjoelt, menja/akan, membalar.—,
besmetten, van cene ziekte, niendjany-
kit kapada.;
eena aanstekende ziekte,
penjaktl jnng ittendjangki/.
aanstellen, in het openbaar —, of
benoemen, van den Onderkoning, rijks-
bestierdcr ol\' toeméng^ocug, melanti^-;
-ocr page 27-
16
aanstormen — aantrekken.
tegen ecu to lagen bovendorpel vnn I
eene deur, een te lagen zolder, tegen
bet einde vnn don ila»\', zoodot men
niet langer iets doen kan, tersoentonk ;
de lading vnn een kanon, geweer enz.
—, melantak, me»gaan k; gene deur—,
menurluk pinfoe (van toelak\') ; met het
hoofd tegen den muur —, menoem-
boekkan kapulit kapada tt-mbok
(van
toe inboek).
aanstormen, op iels komen —, me-
mjtréoeJkan dirinja. kapada •
komen —,
hardloopen, datang bcr/aridari.
aanstralen, stralen o|) iets werpen,
mSnjinari (van siuar) bersinar kapada.
aanstrepen, met een e streep merken, <
menandaï dhigan garis (van tanda).
aanstreken • met kalk, me.ijapoekan ;
kapoer (van sapoe), met verf, menja- .
poekan ijat. —, met de pootcn, b.v. j
vnn een pnaid, me»jontohka,n kaki (van i
sotito/i). —, van een lucifer, mëmantii \'.
(van pantik), meiiggesrk. —, van de
roegen, m\'aijijar (van sijar, voeg tus-
schen steenen). —, van een mes of ,
wapen, na het slijpen, om do snede j
recht lijn te makeu minigif Ir (van Irilir). \'■
annstrikken, /ie strikken,
nunstrompelen,
zie strompelen .
en WASgfllnu
aanstroomen; komen — van eene
menigte mentenen, datang lïerdoejoeu-
doejotm, datang bérdïdai-dedai, datang
herderai-derai;
in de hetcekenis van
lamenstroomen, datang btrkarotwwen. \\
aansturen; met een vaartuig op iets
—, metiuedjoe, (vnn toedjoc), b v. hij
stuurt op Dn ik aan, ija m\'ênoedjoe
n\'egari Daik.
Het vaartuig op iets —,
menoedjockan, b.v hij stuurt zijn vaar-
tuig op Daik aan, ija ménondjoekan
pêrahotmja kanegari Daik.
aantal, hoeveelheid, banjak; groot —,
kabanjakan; geteld ■—, bilangan. —,
■Out, djoemlah. Ar.
aantasten, met do hand vatten, me- j
megang (van pïgang), —, de hand slaan
aan, mhiangani, mèudatangkau iangan \'
kapada. —, aanvallen, mi\'nj\'navg (van !
terang), --, unngetast worden of zijn
door eene ziekte of kwaal, kina, b.v.
aangetast door do cholera, kena peuja-
kit f da/U;
zichzolven -—, do hand aan
zijn leven slaan, mêmboenoeh dirii/ja
sïndiri;
eeno kat zonder handschoenen j
—, wt-megang hvsi panas, lctt. gloeiend \'
ijzer aanpakken, Sprw.; iemands eer of
goeden naam —, ni\'evjitnahkan, lett.
lasteren. —, van vlammen, bereiken,
mendjangkit kapada, lelt. overspringen
op; mhidjilat, lett. likken, b.v. dat huis
werd door het vuur aangetast, roemah
Hoe d\'tdjUaf api.
aanteekenl>oekje, som-at p<ri,igatan.
annteekenen, met een teekon uier-
ken, mbtandaï (van tanda).—, opschrij-
ven, menjon-at (van soerat), menoelis
(van toefis). —, op eene lijst, in een
register of op eene rol, rninjoerat di-
dafiar, mentxlis didaftar.
Onderschei-
den van mmdaftarkan, een register,
lijst of rol van iets maken.
aanteekenins, om Ie ontbonden, pi\'?\'
inga/au.
aantijgen, beschuldigen, mhtoedoeh
(van toedoeli); vulsch beschuldigen,
ménoek&ê (van toeka.s).
anntüser, j/rnoedor/i, p\'enuekas.
aant Ui-ïinii ■> beschuldiging, tordoehaa;
valsche beschuldiging, ioekatan,
aanto<;hl, datang, b.v. het leger is in
—, bata.-tn,ntf.ra Hoe datavglah.
aaiitooncn, vii\'.ionnfjoek (van toen-
djoek).
Ten onrechte schrijft men soms
mengoe.tdjoek, dat overreiken beteekent.
—, duidelijk maken, metijatakan,
aiintooner , pencn\'ndjoe.k.
anntooning, pénoeudjoeAan.
nantreilen , snmeul rellen, hert,-moe, h\'er-
djoempa.
belde worden gevolgd door
het Voort, déngan, en zoowel van per-
souen als zaken gebezigd. Als er een
bepaald object volgt mag het Voorz.
niet weggelaten worden, wel in samen-
gestelde uitdrukkingen.
aantrekken, van kleederen, wapen-
rusting enz. mtmakai (van patat). Zijne
kleederen —, zich kleeden , brrpakai-
pakai,
—, naar zich toe trekken, me-
navijl
(van fat-ik), b.v. de zeilsteen
trekt het ijzer aan, best Heraut itoo
miiiarik best.
— inzuigen, menghisap.
b.v. de spons trekt het water aan,
boet/ga. karavg itoe menghisap ajar. —,
aanlokken, m\'endioedjuek. —, sterker
trekken, menarik rat, menarik kentjang
(van farik). — bij, voegen bij, meuam-
hahkan
(van tamba/i), b.v. een stuk rijsl-
Inud heelt hij bij zijn tuin aangotrok-
ken, ditambahkamija sapotovg sawah
pada kebonnja.
—, vastbonden vnn lijm,
l\'ekat, b.v. die lijm trekt goed aan,
-ocr page 28-
1 f>                                    aanvaarden aanvankelijk.
hiykah itoe lekat baik-baik. Op Jnva
Um, vcrb. Ned. voor Vmjkah; zijn stoute
schoenen —, memheranikan dirinja;
zich eene zaak —, er belang in stel-
len, faAloeli ukan soeatoe perkara,
menfadloelikan soea/oe perkara;
zich
eene zaak niet —, tiada fadloei> akan
soeatoe perkara
, tiada mi-nfadloelikan
soeatoe perkara.
In ile spreektaal /*r-
doeli voor fadloeli. Ar.; zich om iets
of iem. bekom metro, brrtjin/a ukan;
zich iets —, zich boos over iets maken,
btrnafsoe alas; zich een gezegde van
een ander —. al was dat gezegde ook
zonder eenige bedoeling, meresaa. Met
obj. mèrêsankaa; zich onixcroepcn iets
—, zich onueroepen met iets bemoeien,
mmdji-iiiaica. Met obj. wiimdjimaioaJtan;
zich —, over iets ot\' iemand bezorgd
zijn, berijinta akan. Ook verecnigd tot
bertjintaka.i. Wordt ook van God gc-
bezigd, b.v. God zelfs trekt zich mijner
aan, Allah djoetja berijinta akait dakoe;
zich iets —, er bedroefd over zijn,
berdoeka-djitakan, b.v. hij trok zich de
omstandigheden zijner vrouw sterk aan,
santjat ija berdoeka-tji/akan hal istè-
rinja;
zich al te sterk iels —, er al
te bedroefd over zijn, beroesak hati,
berhati èemm;
zich iets —. er boos over
worden, mendjadi keljil ha/i; zich iets
aantrekken, ter harte Deinen, mrwj-
ambil diha/i, m kapada hati;
op den
vijand, —, mendataaiji moesoeh.
aanvaarden, aannemen, meaerima(vKn
Irrima), menjamboel
(van samboe/), b.v.
bij nanvaaidt die erfenis, ija meneriaia
poesaka itoe;
hij nanvnardde dut boek,
disamboi:tvja ki/ab i/ne; de regeering
als Vorst — , mhitljabid kara.dja.iin,
na\'ik karadjaiin -.
de bedevaart naar
Mekka —, na\'ik hadji ka Mékkah;
eene reis —, van aanzienlijke perso-
nen, brranykai, van gewone lieden,
bèrtljalan of berlajar, zonder beranykat,
aanval, pelmiyi/aran, peujerbuewan, pf-
nempoeha.i, penjeraayan, /jënerpai/n,
pënyamokan, penyhantboeran. — van
koorts, dalany tl e mm»; een — van
koorts krijgen, kadalm/yau demani; een
plotselingen — op iets of iem. doen,
mënyhambai. Zie het verschil in belec-
kenis bij aanvallen,
aanvallen,
een vija ïdclijkcn aanval
doen, b.v. op eene stad, sterkte, schip,
leger, mëlanyyar. —, bestormen, aau-
tasten, mhijérang (van sèrany). —, zich
werpen op, mênjerboe, mënjerboekan
diriitja kapada
(van serboe). ■—. onver-
hoeds en met kracht of geweld, me-
nempoeh
(van tempoeh).—.onvoorziens,
om schrik of vrees aan te jagen, mt-
i\'jerr<J<lp
(van sereyap). —, zich plotso-
ling met een sprong op iets werpen,
meaerpa (van in-pa). —, zich in menigte
storten op, menyhamboer a/as; met zijn
velen op iem. —, membanjak-banjaki.
—, uit de lucht neerschieten op iets
om het te grijpen, van roofvogels, den
bliksem enz., menjambar (van samba?).
—, woedend moordend op iets, më-
nyamoki
(van amok), b.v. zij vielen
woedend moordend het vijandelijke
leger aan, di-amoki?ija baladantara
mottsoi\'h itoe;
op elkander —, van
vechtende vogels, berpoepoeh, b.v twee,
driemalen vielen zij elkander aan,
toen de haan van Trengganoe\'s \\orst
het verloor, doeiea tiya kali berpoepoeh
itoe uu\'ka aUüilah hajam radja \'Jreny-
tjanoe.
aanvallic lieftallig, MHfj al wat —
doet zijn, lieftalligheid bijzet, zooals
b.v. kuiltjes in de wangen, een kne-
v eitje enz., pêmanis).
mm vuiligheid , kamanisan, peri manit.
aanvang, begin, wurfil, peruioelaiin t
.\'.\'■"/, Ar. b.v. van den eersten —,
dari moela pertama; de — van al het
geschapene, ptrmottëë* s\'eyala kudja-
duin;
bij den — des tijds, pada aical
zaman.
—, opening vnu eene vergade-
ring enz., pemboekaun. Zie ook aan-
vankel\\jk.
aanvangen, beginnen met, mue.ldi;
wat zal ik —, apa hëndak kuepaboe-
watf apa dajakoef\\
wat zal ik er mede
—, koepënyapakau dia f ; daar hebt
ge nu wat fraais nangevungeu, baik-
baik bayoes kërdjamoe itoe \'.
iiiiiivjui^er, iemand die pas begint
met het een of ander, oiantj beharoe,
Oftag jamj beharoe moelai.
aanvankelijk , moela-moela, bermoela ,
perlama,
b.v.— onderwijs, peiujadjaran
jamj bermoela;
— sprnk hij niets, tnoela-
moela satoe pon tiada katanja;
de aan-
vankelijke regeling, peratoeran jantj
pertama.
—, in den beginne, paaa
moela,
b.v. — was er zee noch land,
pada moelanja laoet pon tiada, darat
I pon tiada.
-ocr page 29-
17
mm varen — aanwenden.
zijn ontalug —, minta Irpas; zijn eer-
vol ontslag — , minta Upa* dïngan
horwat.
nimvnllen ; het ontbrekende —, mi-lang-
ka.pka.rt barang jang koerang. Ook mï-
langkapi, b.v. mèlangkapi atasnja dfa
ngan beberapa kabadjika.n,
bovendien
aangevuld met vele deugden. Mul. br,
—, vol maken, mhménoki (van pï/toh),
—, aan iets toevoegen, met iets —,
memiinbahi dèngan (van lambah). —,
met narde enz. menambak (van tam-
bak), mêniiiiboes
(van timboes); losjes
—, menimboes gémboer.
aanvulling, toevoeging, penambahan.
nanvulsel, toevoegsel, tambahan,
aanvuren, wiggatakkan; den moed
—, mmggalakkan berani, m\'emb>rani-
kan, mening sang.
Datgene wat, of de
persoon die aanvuurt, penggalak, pi:~
rangsang.
Zie ook aansporen, aan«
zetten enz.
aanwaaien; het vuur door middelvan
een bamboezen waaier —, zooals dat
in lndie de algemeene gewoonte is,
mengipas apï (van kipas, zulk een
waaier). —, aanblazen, m\'emoepoet (van
pOépoet); komen —, van den wind, ook
tig. van een persoon, datang her poe poet.
aanwakkeren, aanmoedigen, menga-
djtlk, memberanikan, m<nggaln.kkan.
—,
verlevendigen, m\'enghidoepkan, van
den wind tot een stijve koelte, me-
ngentjang
(van khitjang).—.toenemen,
makin berlambah-fambah.
aanwas, vermeerdering, pïrtamhahan.
—, aangroei, van planten, loemhoehan.
van het zeewater, wassen, pasang,
ajar pasang.
aanwassen, vermeerderen, hlrlambalf
tamhah, makin bimjalc.
—, aangroeien
van planten, b\'értoemboeh, —, grootor
worden, h\'értambah-tambah bisar, makin
besat.
—, aan vastgroeien, toemboeh
berhoehoeng d\'etigan.
aanwenden; iets tot het een of ander
gebruiken, daarvoor doen dienen, mëm-
pn\'goenakan.
—, appliceeren, mèngena-
kan
(van k\'èna.) b.v. geneesmiddelen,
toovermiddeleii, listen enz.; toovermid-
delen —, ook tnèmasangkan goena.
van middelen om zijn doel te berei-
ken, mnigoepajakan; geld —, besteden
voor iets, membelandjakan omvang; den
tijd —, besteden, m\'empergoenakan teak-
toe;
doelloos —, m\'emboeicang, b.v. zijne
nanvaren; varende komen, birlajar da-
tang, bïrkajoeh dafai/g, bïrdajoeng da-
tang,
nl naar de wijze van voortstuwing
met zeilen, schep- of lange riemen. —,
tegen iets, milanggar; onverhoeds, me-
némpoeh
(van tempoeh). Door een inl.
vaartuig aangevaren zijn, dilanggar
pèrahoe;
onverhoeds, dttêmpoehp&rakoe,
aanvatten, met de handen, memVgang
(van pêgang), mi\'itd/abat. —, grijpen,
vangen, wiénangkap (van taagkap). —, \\
niet kracht aanpakken, mendjVramah. \'■
—, geheel willekeurig iets, menggapil. \\
—, nu eens dit, dan weer dat, zonder
bepaald doel, mêrajan.
aanvechten, verzoeken, mï-nggoda.
aanvechting, pênggoda; de aanvech-
tin<r, des duivels, pï-nggoda. iblis, was-
tixas,
Ar.
aanvegen, wémjapoe (van sapne),
aanverwant, sanak, koiïauarga : aan- :
verwanten, sanak sao\'-dara, kauin koe-
lawarga.
Zie ook verwant.
aanvliegen , komen —, terbang datang ; \\
op iemand —, van een hond, m\'eloeroe, |
b.T. daar kwamen honden, ongeveer i
tien, op ons — om ons te bijten, maka
datanglah andjing, ada baraug sapoi\'-
loeh f koer, meloerofi sehadja, hendak
menggigit.
Hik. Abd,; —, elkander in et
vlerken en pooten slaande —, van
vogels, bïrpocpoch. Zie bij aanvallen.
— tegen elkander, van vliegers, vogels
enz,, m\'enjampok? (van sampok).
aanvoegen, vcreenigen, m>nghoebot:ng-
kan, mrnjamhoi-ng
(van samboeng). —,
tot elkander brengen, mrrapatkan,
aanvoer, pèmbawaiin.
aanvoerder , kapala, pïnghoefoi\', pi\'tg-
andjoer.
— in den krijg, zoowel te
land als te water, dus ook van oen
rooversvnartuig, pènglima jicrang. —,
voldoverste, .vardar, l\'erz.
aanvoeren. van goederen, mï-mbaira.,
—, aan het hoofd van een leger enz.
gaan, mï\'ngapalakan, nifiigapala\'i (van
kapala, hoofd), m\'èngandjoer. —, van
iets, dat geschreven of gesproken is,
mmj\'fboft (van sPbont).
aanvoering, leiding, péngandjoeran.
—, van het geschrevene of gesprokene,
sPbo\'dati, pi-nj?boetan,
aanvraag, verzoek, pirmintadn.
doen, meminta (van pinta).
aanvragen, verzoeken, mi-minta
om te zenden aan, minta dikirimi;
-ocr page 30-
IS
nnnwennen — aanzetten.
boetedoening doelloos —, memboev:ang
perfapaannja.
aanwennen , beilr. nifmbijusakatt; we-
derk. zich —, djadi bijasa, membijasakan
dirïnja.
Hij heeft zich het opiumroo-
ken aangewend, Md te/ah meiabijasakan
dirinja mi noem madaf.
luinwennel, zie gewoonte,
aanwezen, het zijn, kititdadn; het —
Gods, kwidaiin AU ah.
aanwezend, ada, Jjadlir, Ar. ook vci-
eenigd ada hadlir. —, voor den Vorst
staan. lutnijhudnp baginda; al de lieden
zijn —, segala orang pon hndlirlah ;
het geld is —, oewangnja ada; de
nanwozeiiden en du afwezigen, orang
jang (aidiir dan jong tiadn hadlir.
nnnwezendheid, tegenwoordigheid,
fradlirat, Ar. In de — Gods, dihadlirat
Allah.
aanwezig, zie voorhanden. —,
reeds lang op ceno plaats gewoond
hebbend, terenak.
aanwijzen, nienoendjoek (van toen-
djoefr. — door er den vinger op te
leggen, mennendjat (van toendjol). —,
den schuldige uiet den vinger —, mh
noeding (van tot-ding), b.v. maka diloe-
ding-toedtng, dia djoega dikatakannja
witntjoiTt, zij wezen hem aan, en zeiden
van hein, dut hij het gestolen had, Abd.
aanwijzer, penoendjoek, orang jang
meiwendjoek\'.
aanwijzing, penorndjoekan, pertoen-
djuf kan,
aanwinnen, voordcel verkrijgen,bero/ih
laba, mendapat oentoeng:
land —, bero/ih
tana/i
—, toenemen, ber/ambah-torn bah.
aanwinst, voordcel, /aba. oentoeng.—,
buiten den handel, peru/ihan. —, toe-
neming, tambahan
aanwippen , aangaan, singgah; toe-
vallig eigens —, tinggah firantoe&.
aanwitten, menjapoekan kapoer (van \'
sapoe); UtlOi\'Bltt dengan kapner.
aanwrijven, ten onrechte beschuldigen
zond. zakel. obj., wrnoekax (\\an toeka*)
b.v. lnnt den Vorst allen bijecnver-
gaderen, dio den jakhals iets uauwrij-
ven, hendakdah radja himponkan sega/a
ornng jang menoekas srigala Mor.
Met
bepaald zakel. obj. me/wekasi, b.v. ik
wrijf zijne vrouw overspel aan, akoe j
Menoekasi h\'minja, dengau ;tiia\\
aanwrijving, valsche beschuldiging,
toekasan.
nanzanden, aanslibben, berkoepoek.
aanzemsen, bekend maken, mtmtêri
tahoe;
aan aanzienlijken—. mewaloew
kan
ivan mïiloem, Ar.); een vonnis—,
memberi tahoe kapoetoesan fyoekoeni;
gerechtelijk — , dagvaarden, menjita
(van sita)-, dnt zou ik hem niet —,
tuttin sinuii.it sèhaja tja bagitoe.
annzt\'üniiii; ( pemberian tahoe, p\'eriiiiï-
loeman;
gereehtelijke — , dagvaarding,
sita,
annzetrie * , riem waarop men messen
aanzet, gaines. Ligenl. e. s. v. licht
hout, daarvoor gebruikt.
aanzetttel , van rook, walm, wasem enz.,
sot\'lang. —, aangezette korst van spij-
zen in een pan of pot, kèrufr. Zie
nanhrandsel, — van rook of walm
ook ham/oes. — van huilen ann pot
of pan, dooi het vuur, arang perijoek.
annzf-tten; een stuk nan iets zetten,
ui\'ujaiidnieng (van sambueng). —, van
platte stukken aan elk. met den kant,
zooals b.v. de lappen van een bede-
laarsdeken, een net enz. door lijmen,
plakken, naaien, spijkeren onz. itienam-
pueng
(van tatnpoeng zulk oen aangezet
stuk). —, aanvuren, im-nggalakkan.
—, aansporen, aandrijven, menend\'(van
teral), —, hard aansporen, memboeroe-
boeroe, peroeta
(Skr. paroesa) vd\\V.;
de lading van kanon of schietgeweer
met een laadstok — , w\'elantalf ,■ een
mes of wapen na het slijpen —, om
de snode recht fijn te maken, menyilir
(van kilir). Ook even op de hand —,
b.v. maka Hang Djebat pon menghot\'
noes kerisnja laloe dik\'ilirnja,
en H. D.
trok zijne kris en zette die op de
hand aan H. T.; oen hindsel wat—,
met een knevel of hefboom aantrek-
ken, mengïtus (van kilos). —van plan-
ken, die niet goed aansluiten, door
middel van oen spaanschc spil, mem-
hahas.
— ieui. tot iets goeds of kwaads,
mengadjak, memboedjoek; eenc deur—,
merapafkan pintoe. —, aan wal zetten,
wembaica kadarat. menghantar kadarat,
na\'ikkan kadarat;
komen —, onver-
wachls komen , sakot-njoeng\'koenjoeng
datang, tibadiba datang
—, aanhrnn-
den, hangoes; cene korst vormen, ber-
kerak,
— van een knoop, kank enz.
op iets, m\'emboeboeh. — van een schroef
ot\' moer, memoetar sekeroep (van poet\'ar).
— van de paarden, melarikau èoedm.
-ocr page 31-
aanzien — aap.                                                  19
inematjoe koeda, menggn-etakkon koeda. i
aanzieu, aankijken, memandang (van \'
pamlang). Wordt gevolgd door het
Voorz. kapada; toevallig komen aan
te zien, terpandang kajuula; elkander
onderling —, meinandang sawa sendi-
rinjtt, berpandang-pandangan;
voor het
een of ander —, meutandang saperti,
Mrngirakan (van k/ra), menjangkakan
(van sangka): iemand lang —, wcwafl- \'
dang lekat; strak en stijf —, ti.veeren,
menenoeng (van tenomg), MWiowy,
mentjenoeng, mengamat-amali; met grooto
oogen —,membvelai, mtmbHijak,- schuin, !
van ter zijde —, mengerling (van ker- .
/ing), mendjeling, E ventjes schuin of
van ter zijde, of ter sluik, of o[> zij
— , mendjeling dengan rkuer itiata,
iittlihat dengan ekoer mafa, mengerling
dengan ekoer mala.
Al schuin links en
rechts kijkende voortgaan, berdjalan
utendjeling~djeling
.■ goedgunstig —. me-
nilik
(van f Hik); recht —, er vlak
tegenoverstaand, mrnentang (van ten-
tang);
met gerekten huls uit de vort e
bespiedend —, mênindjau (van tindjau),- i
met geringschatting, voor min —, me- I
mandang moedan, welihat moedafi; de ■
zaak —, melihat apakan djadiuja;
mede —, toeroet melihat kan . vriende-
lijk —, memandang dengan moeka ma-
ui.1;
lijdelijk met ergernis moeten —, i
bi-rpoetih mafa; het laat zich —, roe- |
panja, kalihatamija, tampaknja \\ niet i
—, niet tellen, tiada mengendahkan, \\
dada memhilangkan.
aanzien; het —, pemandangan. — ,
uiterlijk voorkomen, rofpa, kaliha\'an,
fauipak, fa/tir,
Ar. —, gezag, koewasa, I
iem. van —, orang berkoewasa; bij het !
eerste —, b\'e/iuroe dilihat., demi dilihat,
beharoe dipandany, demi dipandang
;
in — ziju, kabilangan, kahormatan, ,
kapandangan; iemand van —, orang
utoelija, orang besar, orang berkoewasa
; ;
zich het — geven van, meroepakan j
ditünja saperti, melakoekan dirinja sa- ]
per/i;
ten — vaa, aangaande, wat
betreft, akan, aitapon akan, tentang;
zonder —■ des persoons, dengan tiada \'■
wemanditng moeka orang.
n-nzienl yU, moelija (Skr. moelja),
uetaina
; zeur —, moelijiwan, t\'eroetama.
—, groot, besar. —, mnchtig, berkoe-
wasa.
van geboorte, bungsaican,
fterapU besar.
—, noemenswaard, kabi-
lungan. —, belangrijk, zeer, maat, sa-
ngat, h.v.
— vermeerderd, diperbanjafr-
li\'n sangaf.
Souis vcreenitfd tot auuti
sangat.
—, kostbaar, van groote waarde,
endah-endah, besur harganja.
aanzienlijke, orang koja, orang besar,
orang t.ioefij", orang berkoetcasa.
aanzienlij Uheiii, kabesartta, kamoe-
iijatin, knenda/ian.
aanzyn. taSdmin,- het — geven, in
het — roepen, mengiulakan; het — te
danken hebben aan, berolih kaadminnja
doripadu.
aanzitten, aan tafel zitten, doedoek
dimedja. doedoek makan:
met iemand
—, met iemand spijzen, makan sa/ii-
dangan dengan sa*orang;
met de ban-
den ergens —, waaraan men niet
komen mag, mengoesik, Zit daar niet
aan, djangan oesik itoe; handen die
ovoral —, tangan merajau.
aunzoeh, penaïnlaan, een — doen,
meminta. — doen om de hand van een
meisje, meminang, (van pinang), min/a
diperhttmbtikun
aanzwellen, zie zwellen.
aap, meerkat, Cercopithucus cignnmol-
g ;-, kei\'a Uit is tevens de algemeene
naam voor aap. Op Batavia noemt
men hem monjrf, wat bij de Europea-
nen in lndie de algemeene naam
voor aap geworden is; de — heeft
praats over zijn drek, kera menegorkan
ta/iinja,
Spnv. beteekenende: Mie iets
misdaan heeft, spreekt er het eerst
over; e. s. v. kleinen —, seinnopithe-
cus melanophos, simpai, sipai, tjipal.
—, e. s. v. zwarten slankaap, seuiuo-
pitbccus maurus, loetoeng. —, de Laiu-
pongsche —, bekend door zijne ge-
schiktheid om afgericht te worden op
hot plukken van kokosnoten, beroek.
b.v. beroep menghantar hasil, de Mroek
brengt mee wat het bosch hem oplevert,
Sprw. e. s. v. grooten —, bij ons on-
der den naam van orang-oetan bekend,
rnaicas, op Borueo niajas,; e. s. v.lang-
armiiren —, de groote, zwarte Gibbon
van Itull\'on, hylohatcs leuciscus, sija-
mang;
e. and. s. v. langarmigen —,
keka/t; de neusaap, ktluxi; e. s. v. klei-
nen — met langen staart, fjaka/ang;
e, s. v, grijzen —, zonder staart en met
zeer lange armen, hylohatcs concolor,
ongka; e. s. v. grijzen, langarmigen —,
aoe-aoe, Jav.; e. s. v. bonten — met
-ocr page 32-
20                                        aapachtijz — aardhar*.
langen staart, kahaic; f. s. v. rooden
—  op Hornco met een lange lel nan
den nou?, kabav; e. s. v. —, (lemnr)
monjet toepas; andere soorten zijn gvr-
gup
en slmoctdittg, vdW.
aapachti™, fjara kèra, saf/rkoe kera.
O\'ipje, kerm këtjil.
aar, van granen of grassen, majang.
f\'uk nnrvormige bloesem, zooals van
de palmen ; neerhangende— van graan
of gras, ttmpai, de aren collect. frmpai-
Itmpajan.
—, tros, boe/ir, tavgkal.
aard, inborst, karakter, perangai, pt-
lïrti
fSkr. prakrêti). Meestal verbon-
den met boedi lot boedi-peker/t; naUwn-
lijke —, karakter, fabvV, Ar. Ook
van planten: natuur, ingeschapen —,
CMoetotjr, Ar. meestal in goede betee-
keni». —, karakter ook dasar, grond.
b.T. die man is goed van —, datar
ortmg Hoe tm\'ik.
—, wijze, dj.*/an ;h.v.
du — der taal, djnlan tithasn ; naar
den — der munggistan-vrudit, djalt/n
ioewai manimis.
—, wijze, manier, ook
peri; de — eener zaak, ph\'i hal; de
—  van het leven, f/Sri kahidoepan; en
ui wat van dien — is, dan barang
sahagainja,
gebruikt voor enz.; crle-
lijke —, baka; zijn eifrlijken — niet
verloochonen, tiaila menibot\'u:an<j hakt ;
van — sterfelijk zijn, berbaka uiati;
door een lïijv. nw. nader bepaald,zoo-
als wreed van — enz., zie bij die
Bijv. nw.
aardachtig;, naar aarde gelijkende,
saroepa dY-w/an ianah: mot aarde vcr-
men^d, liiitjampoet Ëhtgam ianah.
aardaker, hotmtX tikt, Bat.
iiiiriluppcl; de algemeene nantn voor
onzen — is khifa?ig, die voor do ver-
schillmdo loorton van dioscorca of in-
landschen aardappel is oebi.
aardappelloof, daoen kïntai/g.
aardappelplant, pokok kenfang.
aardappelschil, koelit ktnfatig, koelit
oebi.
Aardappelen schillen, mitmgoeptt
koe/U kintang
(van koepas); nnrdappc-
len schrapen, mX\'-igtrik kenfaiig (van
kirik).
uardappelstyfsel, ka<idji kintang.
aardappel veld, krbon kttitang , ta-
dniiii ktAii/ii/ii/.
aardbeving;, gën/pa, gïmpa iotttf. Op
Java /indoe, Jav.
aardbodem, de oppervlakte der aarde,
als bodem of grond, waarop menschen,
dieren en planten leven, moeka boemi.
aardbol, de planeet, die wij bewonen,
{„„■mi. —, do narde als bol beschouwd,
bw\'lat borini,
aardduivel, de geschubde miereneter,
fönggiliug, ttnggilittg. Op Java frtng~
oihma,
Jav.
aarde; de —. aardbol, boetahi, Skr.
bcntala; fig. jn HSS. ook genoemd
tnïrtja pada, Skr. waarvan de betee-
kenis is: plaats der stervelingen; ook
majapada, Skr. wat beteckent: plaats
des schijns, of der misleiding. — in
tegenoverstelling niet hemel, hoemi, b v.
hemel en aarde, Imtgit dan boi\'tni. Zie
ook wereld. —, grond, tanah; ter
— vallen, djatoh katanah; eetbare —,
napal, utmp.nl. Op Juva ampo, Jav.
narden, stolF. Bijv. nw. daripada ta~
tiah, dnri ta,iaJi.
Ook alleen tanah, b.v.
een — vat, bedjana dartpada tanah;
een — kom, mangkok ta.iah ; verglaasd
—, (emhekiir. Op Java, tiHtu, bïHng.
aarden, in aard overeenkomen met,
sapï\'rangai tïvngan, satabtiH dengan,
uiï-noiTorf pïrangai. b.v. het is een goed
kind, dat naar zijn vader aardt, auak
Hoe batk, jang i/ienoeroet pt-ravgai ba-
pntija,
of jang xaperangai dei/gan ba-
pamja.
—, zieh ergens naar zijn zin
gevoelen, senang, t/erasa senang, b.v.
hij aardt op Java, /ja sciiang ditanah
Djaia\';
hij kan op Malaka niet —,
\'/ja tiada dapat herasa senang diiiegari
Malaka.
—, tieren, gedijen, van pian-
ton, toeka ioembotk, b.v. de kokospalm
aardt in niocrassigcn grond, pokok nijorr
taakt tof/uhoeh ditanah paja.
Zie jje-
düen.
aardewerk; verglaasd —, fembe.kar
b.v. ht\'iidaklah sape\'rti tembefoir, pStjah
satoi\' pHjuh samoetcai/ja,
laat het zijn
als niet —, als het eene breekt, dan
breekt alles. Sprw. H. T. —, borden
en kopjes, piiiggan-mai/gkok; onver-
glnasd —, potten en pannen, pvrijoek-
Uélanga,
aardseeat; e, s. v. —, djPii/ba/atrg, hun-
toe tanah,
In gedaante veelal overeen-
kotnende met een buffel of rund.
nardgewas, knulgcwas, wordt meestal
aangeduid door oehi-k\'t-Iedek, de gecom-
bineerde namen van tweo knolgewasscn.
1 aardglobe, horlut hoemi.
aardbars, gtttth tanah-, vloeibaar —,
minjak tanah.
-ocr page 33-
aardhoop — accoord,                                          21
nardhoop, boesont, een hoop nart!,
timhofnan tanah.
napdis:, lief, bekoorlijk, snoepig, manit,
djflita.
—-, van iets kleins, b v. het
gelaat van kleine kinderen of dieren,
tjoemil. —, grappig, guitig, djinaka.
—, zie ook lief.
aardigheid, irrap, djinaka, sanda.
nardklool . boelat boe mi.
aardkluit, goempal tanah; een kluit
aarde, sagoempal tanah.
aardkrekel, andjing tanah.
aardlaas, lapis tanah.
aardluis, koetoe tanah.
anrdmos, roem poet iahi andjiny.
aardtnuis, veldmuis, tikovs tanah.
uardnoot; een Boort van in den grond
vruchtdragende booncn, die als tweede
gewas worden gezaaid en uit welks
vruchten men olie pent, kutjimij tanah.
aardolie, minjak tanah.
nardophoopin;*, heuvel, goegoeJk-.
aardpek, jodiuui, laioeng, Jav.
aardrijk, boem; de aarde met alles
wat zij bevat, hoemi de.ngan stgala
insit/ja;
het ganschc —,saloeioeh hoemi.
aardrijkskunde, tlmoe boe mi; wis-
kundige —, ïlmoe boe lat boemi.
nurdxeh, wereldsch, doenijawl, tjara
doen/ja.
Aardsehe goederen, barang-ba-
rang doenija i
het aardsehe, perkara
doenija, (uil doenija.
nardschsezind, hv.mv.fsoe doenija.
aardschok, gtmpa-boênti,
aardslak, s/poet darat, sipoet liniah.
:i:i vi 1^1 ;i >>:•. QtlfW tanah.
aardxpin, laba-laba pohon.
nardvloo, koetoe tanah.
aard vrucht; oebt, o. 8. v. eetbare —,
convolvulus batatas, kïdedek. Soorten
zijn: kelrdek tëfor of k. merah, de
kleine ronde, en k. oengoe, de paarsche ;
e. s. v. eetbare —, colocosia vera,
kïladi; e, s. v. —, die rauw gegeten
wordt, bengkoeicang; e. 8. v. eetbare
—, kïmbili. Soorten zijn : kêmbifi torak-
en k. kt/ing; e. s. v. —, kelebang,
oeln kelebang; e. s. v. zeer groote —,
die alleen op bijzondere wijze toe-
bereid eetbaar, doch anders giftig is
en salivatie veroorzaakt even als ealoniel
(dioscorea trifuliata) gadoeng; e. s. v.
wilde, celbare —, met draderige, groote,
platte knollen, kelona. —, aardvruch-
ten in het algemeen, oebi-krlcdek, oebi-
kèladi.
\' aardworm, pier, tjatjing, tjatjing
gelang-gelang.
aar»«, achterste, pnntat.
niir«uiii , lohang pnntat, lobang doeboer.
aarsmade. t/afjiny k\'eroeicit, oelai
kèrawti.
aarsopenin};, lobang doeboi-r.
aarsplooien, kedoet doeboer.
\' aartsbisschop, baferik, verb.
aartsheilige, mahar\'esi.
| aartsleugenaar, pembohong b\'etar.
aarzelen, weifelen, schromen, bimbang,
b\'-rgo\'-ndah.
—, om binnen to treden,
b.v. van iemand voor een vreemd huis,
of een rat voor den val, tèrkimbaug-
kimbang.
aarzelend, in twijfel of men iets zal
doen of loten, bata-l/ata, vdW.
aarzeling . kabata-bataan, vdW.
aas, lokaas, oempan—, prooi voor wilde
dieren, mangsa, b.v. het wild gedierte
was m>g nier uitgegaan om zijn — Ie
zoeken, maka tègata merya-satica bëlom
kaloi\'irar ukan mènfjehari mangsanja.
— om visch to bedwelmen, bestaande
uit klein gesnedeu viseh, besproeid met
toelia-nat, santan; bladeren als — ge-
bc/.igd om garnalen to vangen, ram.
—, kreng, bangkai.
aasje; een — loven, njaiva-njawa iktm,
b.v. er was nog een — leven in, ada
njauiU-njawa i-kun lugi dalamnja.
abces, bisoel, paepa, barak, vdW.; dit
zijn eehter verschillende soorten van
steenpuisten.
abe; het alpliabet, alifdm-ia,
abe-boeli, soerat aUf-ba-ta. Aan zulk
een boek, een eerste spelboek, geeft
men ook don titel van tëka-tcki fir-
bavg,
d. i. vluchtige raadsels.
abortus, goegoeran, goegoeran anak;
middel om — te veroorzaken, obat
akun mendjoeloek, obat akan mmgfjoe-
goerkau anak.
abrikoos, bocicah toejfah armeni, Ar.
absurd, te — om te gebeuren, moesta-
hil,
Ar.
abuis, salah ;— hebben, bersalah; — ,
misverstaan, salah meng\'erti, salah lampa.
] acacia, de Maleiers kennen verschil\'
lende soorten, die zij aanduiden met
de namen nagasari, jairiug, tarisi bai-
doeri.
accompagneeren, bij de muziek,
m\'f/iingkah i,van (iugkah).
\'
aocoord, overeenkomst, pirdjand/ian;
-ocr page 34-
2->
accordeeren — achter.
oe/iama. —, meenen, kira-kira, tangka;
gelijk —, tnênjamakan (van «Jam); niet
—, niet tellen, tiada m\'éngendaJikan,
tiada membilangkan.
achtenswaardig, soedjana, Skr. van
zaken, matiah.
achter, Itijw. en Yoorz. dib\'elakang;
—, aan den achterkant van iets, di\'
lm lik;
b.v. nebter het leger, dibdakang
la/a/an/ara, —
de kaap, dibalif: tan-
djoettg.
— elkander, bt-riring. — elknn-
der loopen, berdjalan fterboentoet, 1,,-r-
djalan beriring
; ook berdjalan semoel
bxriring,
en berdjalan bér/joeljoek- ikan.
—  gerankt, achteraan komen, tërke-
moedian
.- ten — zijn met zijn werk,
kabt/akanyan. —, van achteren op iets
uitkomen, membelakangkan, b.v. al die
huizen komen van achteren op den
weg uil, svf/ala roemah Hoe ménibtfa-
kangkan djalan. ~
de gordijnen, da-
lam tirai kelamboe;
er — hcenzitten ,
sterk aandrijven van een werk, ètrêf-
ligoet;
met het achterste naar voren,
tegen het beloop in. songsang; daar
zit, steekt, schuilt iels —, adalah
rahas\'tanja
— iets komen, mendapa/i
barang sasoeatoe.
— iets zijn, hot
weten, mengt taftm-\'i barang sasoeatoe,
—   de ooren krabben, berouw over ietB
hebben, bersésalkan; hij heeft het —
de ooren, hij is een veinsaard, /lariinuu
mhijemboenikan koekoenja,
lett. de tijger
verbergt zijne klauwen. — den rug
van iemand, dibelakany, van babbelen,
iHbe\'nkang mata. — elkander, de een
na den ander, sa\'orang demi sa\'orang,
sa\'orang lepas sa\'orang
; aan de —
zijde, belakang, b.v. dot huis is achter
brecder dan voor, belakang roeuiah
itoe tebar daeipai/a moekanja:
hij is
achter, adalah ija dibëlakang.■ naar
—, kabelakang. In de beteekenis van
naar de beste gaan, pergi kaxoetigai;
van —, dari belakang; hij kwam vnn
—, ija dafang dari belakang; mijn
horologio loopt een weinig —, arlo-
djikoe kabvlakangan sedikit;
ik ben er
noi: niet —, belom akoe tnhtgerfi Hoe,
belom akoe meitdapat kanjaiaiinnja.

een geheim komen, m\'endupat rahatija.
—, op een vaartuiir, dibo<-ritan. —,op
een rijbeest, paard of olifant, diboen-
loet.
— iets in een eenigszins schuine
richting, dïiringan, b.v. duringan djam-
hatan,
schuin achter de brug.
een — aaneaan, memboetcat perdjan- \'
djian ,- met elkander een — tangaan,
btrdjandji-iljandjian.
aocordeeren; met elkander in gevoe- I
len overeenstemmen, satuedjoe, satot-
djoe ha/i.
Eene overeenkomst aangaan.
Zie bij a.Tooril.
:n-i-iiii». tjoekai, beja.
ae»-üiiwkiintoor , pebejaan, ptbejau,
petjoeknijan.
ach, uih?h, adoehai, amboi, icahi, Ar.;
wee en ■—, hai-koeieai.
uckilleM-peeK, oerat kv/ing ; ook oera/
ptrgandar;
de - doorhakken, mengeling.
acht, Telw. doelapan (van (Wdtna/u-
pan); in het Mènangk. salapan, dat
eigenlijk even als in het Socnd. nepen
moest beteekeneo. Vuur alle getallen,
die met acht zijn samengesteld, zie de
(inuuinatu\'a op de Telwoorden. — in
getal zijn. liLidoi\'lupa.t; de volle —, \\
waarvan iresprokcn is, alle —, kadoe- \\
lapan;
— aan —, doelapan-doe/apan.
—  maiiiidcn, doelapan boelan; binnen
—   maanden, daUim doe/apan tot l«n .-
hetzelfde \\an nu af gerekend, da/am
doe/apan boelan tui;
over —manndrn,
/epos doelapan boelan; habis doelapan
bvflan; kemoedijan daripada doelapan
boelan;
met een tusschenvrrloop van
—  maanden, se/ang doelapan boelan;
kwart over achten, poekoel doelapan
laloe sasoekue
; op Java poekoel doela-
pan litvat saprapaf;
ongeveer — dagen,
Lira-Lira doelapan hari; een dag ol\'—,
baramj doelapan hari.
acht, oplettendheid, iugal, pengingal;
zich in — nemen, zich ménageeren
b.v. met het eten enz. berpan/ang.
geven, — slaan, ingaf.
achtbaar, eerwaardig, btgatcan; voor-
naam, moelija, moelijatcan, besur, moeh-
tatjmm,
Ar.
at-hlbeenit;, berkaki doelapan.
nehtblacli™, btrdaoen doelapan.
achtdik, achtdubbel, lapis doelapan,
doelapan lapis.
achteloos, lalai, lenga. a/pa; —, slof, i
ttngai. —, bij het werk, lalai pa/la
péierdja/hi.
achteloosheid, lalai, alpa, kdalajan;
door zijne —, dengan /alalnja. d. ai- .
pan ja.
achten, hoogschatten, mëngendahkan, \'
mempi nnoe/jakan. mtngnortnaH, meugoe-
i
pamakan, memberi (turn/at, mtmberi
-ocr page 35-
achteraan blijven — achterlaten.
23
m\'hteraanldü ven , katiaggalaa.
uchteraanhoinen, data.ig dari belii\'
kang.
—, het laatst komen, mï>itjorot,
ook n/f\'tff/\'r/ii/-; iemand, die altijd ach-
teraan komt, pï,igar/tir. —, achter staan,
mPmbélakam^ „it->/f/tic/tir(vaTi ach ir, Kr.).
acht iTiuinsl ellen,       utiiigachirknn ,
uit- mhï\'lakii ii \'jkn.i.
achteraf, b.v. — wonen, doedoek di-
hïlaka.ig. —, van achteren, dari b?/a-
ka»g. —, op ecne afgezonderde plaat*,
ftifjmmwt Mflm,
achterbak*, achter den rug, dibè/a-
kaag. —, verborgen, shabo-iii.
achterheen, tusschen kuit en hiel, de
plaats van de Aehilles-pees, ketiag.—,
achterpoot viin een viervoetig dier,
kaki-belakaag.
achterblüven, fint/gal; achtergeble-
ven van bet ubj., ktiiiiiggalii.i; van het
-ubj., tërtinggal.
achterblü ver, nakomer, pimbêlaka.ig,
peagachlr.
achterhout, van een beest, paha,paha
litlakttng,
achterhuurt, kampoeng düttlakaiig.
achterdeel, bPlakaag, behagijaa jaag
dihPlakang. —, achterste, de billen,
punt ai.
achterdeur, mntoe bPlnkang. —, ge-
heiine deur, pintoe maling.
achterdocht, fjPmboerar, i\'-aseivas, Ar.
xa.igko-sangkn.
achterdochtig , tjPmhoeroetcan; — zijn
op, witntjimhoeroekam.
achtereen, achter elkander, van han-
delingen , bïrfoeroet-toeroet, bPrtiiapa-
tinipg. —, zonder ophouden, dPngun
litida litrkapoefot\'stm, dPvgan tiada t/er-
achtereenvolgens, hPrtueroeUto<roet,
b.v. ditje i\'itPrakan,ija berto<Toet-toerorf,
hij verhaalde achtereenvolgens. —, tel-
kens weer opnieuw, bPrfaloe-faloe, talve-
bêtalae,
b.v. bP.-hoetcat do\'-rhaka her-
tidth\'-tafot\': ajar mata toeroen hPrfaloe-
taloe
; kapat datang hPrtaloc-tuloe.
achtereind, achterste, twafoi-t, b v.
— van cen paard, boentwi koeda, •
van cen olifant, ho.atoet ga dj ah;
Vu een vnnrtuig, boetitoet pPrahoe;
\\an een zwaard, hoentoet pPdaag.
achteren, naar —, kabPlakaag; van —,
d.iri maktiiitj. b.v zij kwam van —,
ija datang dari hPlakang. \\ an — be-
^chouwd, katan ditimbang dari hela-
kaag. Ook dibtlaiaag, b.v. van voren
anders dan van —, dimoeka laïu, dibe-
Inkmig Mm,
Spnr.; ten — zijn, kahe-
f"l.-,i>iga,i, firfral. Ar.
achtererf, kampoeng dibelakang.
achtergaan, van een uurwerk, kahP-
laknngan.
achterhalen, mPnjoesoel (van soesotl).
—, betrappen, mendapaii.
achterhoede, van een leger, toetoep,
galaag dada
, pPaoetoep bafa-iantara,
b.v. da,i saiaiaja htrdjalaa kemoedian
Mr mdjadt tottoïp, zijne onderhoorigen
liepen achter en dienden voor achter-
hoede, ook i-koer.
achterhoofd, hPlakaay ka/iala.
achterhouden, verbergen, MeWem-
[ bo,;,iiau.
                          h              \'
achterhuis, vosmah bïlnkang; het
nchtcr.tte iredcclte van een huis, bP/a-
kaag roem.ih.
—, van eene vorstelijke
woniug, /i/a,
achterkamer, bilik hplakuag, kamar
hètaka.ig
; gereserveerde —, bilik her-
sakal
\'.
achterhnnt, hPlnknag; — in iet of
wat schuine richting, iritiyaa; b.v. aan
den — van de brug, di-iriiigan djam-
iiatan.
\\
achterklap, vmpat, Jitnnh, Ar.
achterklappen f inP,igoenipatt mPiijU-
nahknn, mPngadjoedja.
achter klapper, pPngoempat, tuekaag
Jitnnh.
achterkleinkind, tjitji, — van Vor-
stcn, fjitjïnda; achterkleinkinderen
hebben, bPrtjitji, van Vorsten, bertji-
tjindu
,- Iemand nis — aanspreken,
bér/jifjinda.
, ackterkwurtier, achterbuurt, kam-
poetig bXlakany. —, de billen, paatat,
doehoer.
achterlaadge\'weer, nchterlader, se-
RfljMHe ki\'pck, Mal.
uchterlaadkunon. miirijain kopal\'.
achterlage, t<\'m pat iitétigadang. Als
het vau personen gezegd wordt, orattg
pïagadaag.
nchterlaHt, van een vaartuig, iHMtMC-
fan jaag dihoeritan. —, aandrnng tot
buikontinsting, ktitdafr hoewaug-ajar,
Itfadafc kasoengai, fridla hailjat Ar.
maoe bo\'tcang-ajar, nw beruk vuig.
achterlaten, iets, mXnuiggalkan (vnn
tinggal); aan iemand iets —. aiPntMg-
gali; «en lnst of bevel —, bï.rpe\'saH;
-ocr page 36-
u
achterlei — achteruit.
achtergelaten striem, spoor, litteeken :
enz., bekas. — bevel of lust, pesan.
aohterlei, doelapaa bayai, doelapan I
luatjtiui, doelapan djenis.
achterlijk, in het groeien, voornnnie-
lijk van inenschen, kerëdit. —, niet
tot vollen wa*doiu gekomen, van kin-
deron en vruciilen, van de rijst of bet
suikerriet, fje\'ding. —, ten achteren.
kabelakangaa, tirfyal, Ar. — in bet
verrichten van zijn werk, trung, mulat, \\
langzaam, Samiat; — zijn, bvrlaudnit- \\
latiihat.
— irebleven, niet tot ontwik-
keling gekomen, tïrbaidoef.
Bcbtermast, t\'jang belaiaag. —, [
bezaansmast, tijang pïnjorong.
achtermiddag, namiddag, ptlang, i
tisar. Ar. NB. de pltamg rekent men !
doorgaans van 2 uren tot zonsundergnng.
in-Iii i\'t\'mii !<):,..■ ■-.-. i ii-.1 . een van du
vijf verplichte gebeden bij de Mohaiu-
mednncn, sendiahjnng asar.
achterna, naderhand, kemoedia», di-
bllakang, ac/iir,
Ar. —, van achteren,
dari bïdakang,
acl 11 ernaja ;;ri i, achternaloopen, om
iemand in te halen, mtajoesoel (van
soetoel), menjangsong (van sonysong),
MÏn/fOfsir, mvngedjar
(van kïdjar).
achternaloopen, berekoer-ekoer, b. v.
birt-koer-ekoerlah dimana ti/takrtja, hij
liep zijne moeder overal achterna. Ook i
meiigrkoer, b.v. svhaja ke/tdak iaevy- ;
tèoer.
achterneer en achternicht, saoe- \\
dara kadoewa poi-pne, abang doeira poe-
poc, anak saoedara misau,
Hat.
achterom , dart belakang; b.v. hij loopt
—, /ja berdjafan dart btlakmty.
achterop, di-atas belakang, diboeritan,
diboenloet,
b.v. hij staat achterop het
rijtuig, i/a berdiri di-atus belakang
kartta;
hij staat achter op het schip,
tja berdiri dtbuerilan kapal; hij zit
achterop don olifant, ija dordock di-
boeitloel gadjah.
achterover, van het hoofd, )n den
nek, lenygak; een weinig — bij het \'
zitten, kSdik, b.v. achterover geleund
zitten, dordotk kedifr, dvdoek bersan- I
dar. —, hellend, van schcepsuiasten, !
sadak.
achteroverbalffen ; zich —, b.v. om
een wapenstoot te ontwijken, melijoek.
Ook bij het dnnaen.
achteroverlitfjren, UUntang,
achterovervallen, djatoh t\'elèniang,
achlerpaard, koeda jany dibëlakang,
koeda hilakantj.
ach terpumi, v. e. kleed, pa-djoeny
bfli\'kiillif.
achterpoort, pinfue belakang. Ken
groote —, pinloe gerëbany jany dibë-
takang.
achterpoot, kaki lulakany.
achterrad, roda belakang, djantera
belakang.
achterschip, boerilan, boerilan kapal,
b. perahoe, boentoet perahoe.
achtersletnpbout, (mar.) bet slemp-
hout van den achtersteven, hoek, ge-
voi nol door achtersteven en kiel, Ijanda.
achterspil, paetarttn diboerilan kapal.
achterst, de overlr. trap van achter,
ttrbilakaity, belakany sakali.
acliterstuun, voor ie ui. onderdoen,
(ttcat,
achterstal, van sehuld, hoelang jany
b.lum dibajar.
achterstallig, van schuld, lama; een
achterstallige sehuld, hoelang lama.
achterste; de —, jany di betakaay
sakali;
het —, achtereinde, van men-
schen, dieren, en vaartuigen, boerit,
boeritmm
; van een rijbecst, hoemtoet,
b.v. op het — van een olifant, dièoeu-
loei gadjah;
het — gedeelte van iets,
b.v. van het mcnschulijk lichaam,
de billen, de rug van zwaard, hand
of mes, poenggoeng, poiiggung; het
—, de billen, pautat,- het — ge-
deelte van een schip, penjorong; de —
mast, Üjang penjorong, letterl. dat wat
dient om een zetje van achteren to
geven; het — voren, (erbalik, soeny-
sany
— voren, b.v. van een kleed,
bokong, baUk bokong; op het — krij-
geu, dapat dïpanlat; luet een achter-
uitstekend — loopen, berdjalan loeny-
yik,
b.v. apabila ija berdjalan didaral
lueayyik o/i// sëbab ija bijasa doedoek
iehadja dipërahoe,
, als zij nan wal
loopen steekt hun — achteruit, umdnt
zij gewoon zijn in de vaartuigen slechts
te zitten.
achterstellen. rnengemoediankaa (van
kfitioediatt). —, laten toekijken, mAÏhm-
i\'ihkiui mata.
achtersteven, boerilan kapal, boert-
tn.i ptrahoe.
achtertocht, zie achterhoede,
achteruit, het tegenovergestelde van
-ocr page 37-
achteruitdei nzen — adel.                                         25
vooruit, oeadoer, b.v. — en vooruit,
oendoar-mara, voor ons: voor- ra ach*
teiuit. —, naar achter, kabelakang.
ïU\'ht eruit deinzen . oeadoer; achlcr-
uildein/end, moendoer.
achteruitgaan, terugtreden, oendoer,
moewloer.
— van /aken, soei-oef, b.v.
zijne zaken sinten hoc langer hoc meer
achteruit, perkaranja mak in lama inakin
soeroet.
— vnn een vaartuig, doordat
het ergens tegen stoot, m&MtMJOêl (van
panlofl.
achteruit loopen , bërdja/an oendoer,
membslakang berdjalan.
achteruitruken , achteruitgeraakt, ka.
tiaggalaa, t\'ertinggal, kahHakaagan.
achteruitschoppen, ■riy^safr (van
se pair),
achteruitslaan, niet de |>ootca, zoo- j
als een paarj ot\' rund, mAhaw^ (van j
sepak).
achteruitsteken van het achterste,
foenggik. Zie bij achterste.
achteruitzetten , ineagoeado<rkau.
achtervoegen, iets aan toevoegen
bij wijze van verlenging, menghoe-
boeagkaa.
achtervoegsel, bijvoegsel vnn een \'
boek ol\' geschreven Bluk, hoehoeuyaii,
achtervoleen, najagen, menjoesoel
(van sufsoel), mt-ag,djar (vnn kedjar\\t
mhigoesir.
Zie ook nnzetten. —,
voortzetten, er niet mede ophouden,
meageka/kaii (van ktkat).
achtervolgen» , bert\'oeroet\'•toeroef, de-
,iga;i nienoeroet, satueroet.
—, uverecn-
komstig met, satoedjoe dtngtiii.
achterwaarts, oendoer, kabelakang,
oendoer kabelakang.
achterwege; — blijven, niet gebcu-
ren, t\'uula sampai djadi, — gebleven,
— gelaten, ierttitggal, ddtuggalkan.
doen blijven, — laten, tintjgalkau. —,
houden, verborgen houden, ntenjemboe- \\
nikan
(vun shaboenï), — houden, niet !
vermelden, menjimpan (van simpau), \'
tiada menjsboetkan (van seboef).
achterwiel, zie nchterrad.
achterzetten, zie achterstellen.
achterzijde, Mak au g : afgekeerde zijde
vnn wind, ot\' regen, olak.
achtgeven, nauwkeurig letten on,
meutjaiakan, b.v. knap in het — op ;
naderende stormen en orkanen, pandai
uitat jam kan b\'ila riboel dan f o/au hea-
daJc dafang.
achting, hongschatting, hariaat, Ar.,
in — zijn, kaJitirniafan; — betoonen,
/ie achten,
achtenswaardig,
ka hor ma tan, pat-et
dihoraiati.
achtjarig, "moer doelapaa taho- a ,
doelapaa tahoett ir-moert\'ja.
:
ich l K:t ii ■ , doelapaa /i\'TSfgi, nstakoaa.
achtkantig, doelapmm persrgi, bèrafgi
doelapan, astakoaa, Skr. berastakona .■
een achtkantige stijl ot\' pilaar, tijang
èèr&gi doelapan,
ni\'htmiial, do\'-fapan kali.
achtnemen, /ie bij acht.
achtpootig,
berkaki doetapan.
achtste: de —, jang kadoeta/>an; de
■— zijn, b.v. van een kind. ,a>adoelapaa ;
een — . sa/,erdoe/apait ; drie — , tiga
pèrdöeiapait,
achttien, doefapau-bïlas.
achttiende; de ut\' het —, j"»g kad<>,-
lajma-belas: een — deel, sapèrdoetapa/i-
ièitu.
achttiendelialt\', fmaak doela/ian-btlas.
achttienlionderd, sariboe doelapan
ratoes, itoelapau-brtas ratoes.
achtvlnk, = achtknnl.
iirliivuiul. ituelapan lapis. Ook acht-
voudig.
achtzaam, ia\'/at-ingaf, beroesa/iat Skr.
jak-a. Ar.
ucktzmuiiheid, iagat-ii/gaf, ingataa,
oesa/ia, /afciii,
Ar.
achtzydig, = achtkantig.
acteur, tuoueelspeler, peran, Mal. —,
vertooner van de wajnng, datang. —,
vertoonei\' van een MaletSch komedie-
spel, afkomstig van Kedah, pa\'joetig.
—, vertooncr van een WOlt komedic-
Bpel, nl\'komstig van Sijain, matidoira.
adam, naJil Adaia.
adamsappel, lekoe>a (van het arab.
Ifoelkoem), djakoen, 1\'ad. bov. 1.
adder | e, s. v. —, oelar bilt.edak\', een
andere soort met asehgiamvo kleur,
oelar biloedak Jiaboe.
adderlieet, pagoet oelar biloedak.
addergebroed, anak o-dar biloedak.
addergit\', bisa oelar biloedak.
addertong, lastertong, liduh peiigoeui-
pat, tvekang Jitnalt,
Ar.
adel, asal, bangsawan; van —, bang-
saican,
de —, de ge/amelijke edelen,
segata orong bangsawan; hooge —,
bangsa jarig tinggi; titel vnn — voor
de afstammelingen van Mochainmnd,
-ocr page 38-
26                                         adelaar — neolusharp.
sjarif, Ar. saijid. Ar. Voor de afstam-
melingen viin Moehammad\'s vrienden,
sjntc/i, Ar.
adelaar, nk-ai, Ar. ook bet sterren-
beeld van dien naam j verder: boeroeng
motor,
Ar. radjaruli.
adellült, bangsatnin, berafa/,bérbangsa.
adelstand, pangkat bangsatrau; tot
den — verheven, di-angktU kapada
paugkat bangsatrau.
—, de hcerenstaud,
p&oemmm (van toen, eene verkorting
van tuetcnn, beer).
adem, n\',niru. nafas. Ai. napas verb.;
een welriekende —, na pas wmtai, een
niet welriekende —, ttapas buesoek,
ook moeloei boesork; al wat — heeft,
stgala susueiifof jang bvruapas; tot
adem trachten te komen, naar don —■
makken, omgap, ngêngap, ngap-ngap.
Ook v:lji visschen buiten het water.
Om wéér op — te komen, kéndak
mvinneia.igkan napasuja;
den — inhou-
den, uivutiha.i napas (van tahan); bui-
tcn — zijn, Ingnh-i-ngah, ëugih\'Png.-/i,
Ï.Hjah-ïng\'iè;
buiten — geraakt, /ër-
nirinitiliiin ntjali,
         CêrwUngeh-mingeh.
Eigenlijk beteekenen deze woorden
naar den — hijgen; gebrek aan —,
zie bij ademhaling; den lant&len
— uitblazen, portoen ttapas, poetws
njaica. wiirfgitHg rfjUem,
ademen, iërMMpmi, bïrnafits.
ademhalen = ademen; ook h>-la
na pas. Mtiigaiit/ttp ;
kort —. zooals een
vermoeide, mtutjoengak. — van vis-
•chen en amphibfön als ze even boven
water komen. i/tëmangnes (vanpangoes).
ademhaling, vafas, napas, angap ;
moeielijke ademhaling, pajak bértiafas;
gebrek aan —, hvngik.
ademnood, pajak bfrnafas.
ademtoeht, lt<la napas; één —,*«««-
pas; de laatste ademtocht, najas
achir.
Ar.
ader, bloed—, oerat, oerat darah, ook
oerat koening; slag—, oerat tiadi, oerat
bvrdénnjoet;
hals- of keeladcr, oerat
fOmbomoek.
— in gesmeed ijzer, damaa-
eeeisel, pauwer. — of bedding, waarin
tin of eenig ander metaal voorkant,
kit, ai///. Mal. ■— van eene andere kleur,
zooals in gemarmerd papier, hout,
marmer en dergel., bar\'t k-ba,\'ik, koerai.
aderen; — op iets teekenen of schil-
doren, mtngimrai, më*t6arik~barifr.
aderuezwel, bent/kak oerat.
aderig, met bloed-aderen, bïroerat-
o.ral:
met aderen van papier, hout,
marmer, bïrbarik-èarik, bïrkoerai. Zie
ook geaderd.
aderlaten, ènimantik- oeral\'(van pau f ik),
metuatik oerat
(van patik), mè\'nge\'raf
oerat
(van kerat}, sanggïra/t, 1\'ort.;
zich doen —. bètpaittik oerat.
ader<«lac, klop van een slagader, den-
vjoet.
adjudant, kapit (van apïf), b.v. om
adjudant te worden ter linker-en reeb-
terzijde van Uwe Majesteit, akan djadi
kapit kiri-katiau doeli Sjah Mam.
Ook
pïagapit, wat verkieslijker is. De adju-
danten worden onderseheiden in die ter
linker- en die ter rechterzijde van den
Vorst gaan. — van een gezant of
panglima, djédjénaitg. Ook deze wor-
den onderseheiden in djedjhtang kanait,
ree liter-adjudant, en djêdjéuany kiri,
liuker-adjudant.
adjunct, in samenstellingen, moeda,
b.v. — commies, kornis moeda; — op-
ziener, optindêr moed», ook djtaaug.
adminiNtruteur, ptmTfremtaJi j een —
van een suikerfabriek noemt men op
Java djoeragan.
admiraal, taksamana, pangïima laoet.
admiranlschip, Lapal laksamana.
admiranlnvlng, bandera laksamana.
adopteeren, mfvoaattüt.- iein. als
kind —, mï-ngangkat anafr; eene
meening — , uungijakan, wï/nbrnarkan.
adorabel, jang pattiet tl\'sïttibah.
adoreeren, ménjentbah.
i udren, van een blief, itlamaf soeiat.
adresseeren, van een brief, mïnt/ti-
tamutkan,
b.v. wees zoo goed dezen
brief te — aan, liï./dakla/t kt\'ranja
tngktttt iiu,)\'ji\\taittaiknn soeraf
"*\' ka-
pad a.
adMpirant, bakal, b.v. — controleur,
bakal koniïrlir. — ambtenaar, bakal
pïgawai.
advertentie, pï/nbtri/a, ptndiériiaboe,
In de loeaal-Mal. nieuwsbladen op
Java, adpMensi.
advies, raadgeving, bit/ara, nasihat.
advocaat, pleitbezorger, peuoeloeng
/"fja/tt, ptitijafam.
Bat. pïngafji\'ra.—,
de vrucht, baeteah tempoeroeitg.
aeulu-luirp, boeloeh ptrindoe Dit is
ninl. een stuk bamboe, voorzien van
gaatjes, waarann do wind klagende
tonen ontlokt.
-ocr page 39-
27
al\' — afbreken.
af, Bijw. en Vuorz. (/art, dafipada.
vun een werk, gedaan, soedah, poetoes;
hij sproni: van den stoel —, ija ttr-
djoen dari atas koerst;
zij wil niet
van hare moeder —, ija ta\'-,aaoe bPr-
tjtrai dPnyan iboenja
.- ik Hen den berg
—, akoe toeroea dart af as gomoeng :
hij weet er —, tahoelah djoega ija
ukan hal itoe;
hij weet van Diets —,
tatoepon tyada dikètahoemja akan hal
itoe;
van zich — spreken, beratti her-
kat a-kata, bêrani méudjatnib
; met den
hoed —, dtngan fèrboeka topiaja (f/a~
pijouja);
hij kwam op hem —, ija
Mtudapatka» dia;
hij moest er op —,
ta\'dapot tijada ija kasana; op den mnn
—, dényan njata-njata. — en aan,
ptryi\'datiDit}. — en toe, térkadany-
kadang;
Van hier —, dari sini; van
dat ooircnblik —, dari pad*\' koetika
itoe;
vun kindsbeen —, dari këtjil
mofla:
van voren — nnn, sa moeia; op
het geluid —, foeroet boenjitija; bij ile
rij —, toeroef yilirannja; berg op. berg
—, na\'ik goetwny toeroen goenoeng;
stroom —, MiMr; die echtgenootcn zijn
van elkander — , orany lakt-bini itoe
soedah birtji-rai;
het mooie is er —,
kai\'lokannja soedah h/lang, scrinja soe-
dah hilang;
het is er verre —, djaoeh
sakalï;
van iemand of iets — zijn,
ontslagen zijn, tëpmg. Zie ook Ion:
daar wil ik van — zijn, dat weet ik
niet zeker. koerang pèrik*", tntah ; hij
is nl lang havenmeester—, soedah tama
vjn p\'rijat daripada pangkat sjabhaw
dar;
op goed geluk —, zie bij geluk.
— zijn, afgemat zijn, h-tih, /èniah, l\'èsoe;
zeer —■, IttiMjiO*. — geweest zijn,
zijn trevoeg gedaan hebben, soedah
bocicang ajar, soedah lasoeayaï. soedah
berai;
vulir.; op het gevaar — tracht
men uit te drukken door het Sprw.
oentoeny saboet tiinboet, oentoeny batoe
fënyyèlant;
het lot van de kokossehil
is te drijven, het lot van den steen is te
zinken; bij het kantje —, tijaris, haia-
pir-hampir, koerang sedikit;
dat is bij
zwart ■—, saiikan-akan Intuin v:arnanja.
af bakenen, menaadaï pPrhinyyaiin ,
..iimindai batas (van tauda).
afbedelen, minta, mvmoehoen (van
poe hoen).
ofbeeltlen , nani\'étukan (van/;e\'<0i mt*ff*
gainbarkan, mcroepakan, mPuOelis gaia-
barnja
(van toelis).
afbeelding» afbeeldsel, pPta. yauibar.
afbetalen, geheel «—, mPiabajar habis,
miiubajar loeaas;
afbetaald, loeaas ,
impas, Bat.; in pavementen of termij-
nen — , laenyanysoer,
afbetaling; gedeeltelijke — op een
schuld, aaysoerau.
afbeulen, mPnjiksakaa (vun siksa, Skr.),
mPasijasalkaa (vun sijasat, Ar.); het
werkvolk —, mPayasahkan ortiarj bP-
kerdja,
ufbeuren, mpnyangkai dari atas. b.v.
van de stoel — , mPngaaykat dari atas
koerst.
af bidden» zie afbedelen. — van
een gevaar, minta düa akan didjaoeh-
kan bPha/a;
Gods zegen —, uiinta bPr-
kat Allah.
nfbii»gelen, van tranen, berlinany-
liaany. bP.-fjoetjoeran.
afbeten, laPayyiyit; kleine stukjes van
iet8 —, laingoetil (van koet il), niPngP.\'
tip dPngaa yiyi
(van ketip).
afbinden, losmaken, afdoen, memboeka
ikati\'ii
, inPnaaggatkan (van tanggal),
inenyoerail.tn ikatnja;
cene wrat —,
mPnyikat koetil.
afblijven* met de handen van iets—,
tijada m&ndjamah, tijada mPnyoesik",
tijada mPnanyani
(vun tar.gan).
af boenen, mïnjikat (van sikaf), mP-
.ijapoe
(van sapoe).
nfburwtelen, mïnjikat (van sikat).
al\'braak , karoinlakaa. bouykaran, ka-
roeborhan;
een huis voor — verkoo-
pon, mviidjoetval me.mah akan dirombaJc.
afbranden; iets —, .uPinbakar habis.
Ooi, Ww. tPrbakar habis, habis dinia-
kan api.
—, afvuren van geschut, nu-
masatty marjam
{van pasaity). zonder
scherp, mtmbuei\'-any abai,- de geheele
wijk is afgebrand, sayïnap kaaipoeny
itoe habis diiaakaa api.
afbreken, i-loopen, van een gebouw
enz. atP.fonibak. Ook het geleerde, cene
leer enz. —; kleine stukjes van iets
— , iitPngoetil (van koetil). —, een touw,
cene zaak. rede, verhaal, werk, het
leven, beraadslagingen enz, namoetoes-
kan
(van poetoes); takjes of bloemen
—, wengyPatas. — van zijne boete*
doenimr, mPnyarak tapaaja (van orak);
de tenten —, mP napaskaa chaimah .-
afgebroken, rombak\'t koetil, poetoes,
gPatas,
zie het verschil in beteekenis
boven. Een stuk or afgebroken, b.v.
-ocr page 40-
28                                         afbrengen — afdreven.
afdeeling, klasse, pehak. —, district,
toewak, distïrifr, Ncd. —, afgeschoten
vak, petak. —, vak, zooals van som-
mige vruchten, ook van een k&*t.pa»gsa.
•— van een hoek of wet, fa$al. Ar.
bob, Ar. —, bedrijf, van een niuziek-
of tooneelstuk, babak. — van Hoepen,
krijgslieden, pasoeko», kafoemboekaa,
—, groep, kiloe„ipoek: bij afdeolingen
of groepen, bi-rkêloe,tipoek-k?loc/itpoek,
afdeinzen, oendoer; afdeinzende. moeu-
doer.
Ook van een leger. Niet te ver-
warren met stieroef, dat meer verloopen
ven een leger heteekent.
afdingen, tawar, itttnatcar.
afdoen, afleggen vnn kleeren, mfimug*
■j<■!\'. ,\',i \\
nn ta/iggal). Zie ook afzetten.
—, van een werk, .nvnghablskan, ,nt-
njoedahkaa
(van soedah), uitajt\'lrsaika/t
(van titfsai); afgedaan van een werk,
hiihis, soedah, stlitai, — van een schuld,
uiimbajar Aoefaag ; een schuld hij kleine
beetjes —, telkens minder doen wor-
den, miiijoesoftkoii lioetang (van so■\'-
soet).
— van rechtzaken, en andere
zaken, lat/aoetoeskan (van poeloes). —,
vereffenen, mï.idjïlas (van dji-las, af-
gediian). —, in orde brengen, mX-.ijï-
lemtkan
(van selvjsai).—, atliehton, zie
ald.; afgedaan hebben, niet meer ge-
hruikt worden, tijada tïrpakat lagi; er
mag niets toe- of afgedaan worden,
ta\'bohh (of djangaa) difambalü ataw
dtkoeraitiji;
het vuil van iets —, zie
afvegen, ufboenen enz.; het is
hij mij afgedaan, uitgemaakt, soedah
tiiilod kapadakoe.
afdoend, van een bewijs, getuigenis
enz., MMHÏ ft-rang, sah, Arah.
afdoening-, betaling, ptmbajaran, bajtt-
ra».
—, \\ e rellen ing, djïlasau, peitd/t-
latan.
van eene zaak, poetoesa»,
kapoeloesan.
afdragen, nnar beneden dragen, mem-
batca toeroeu
; een schuld —, uïtmba-
jar hoetang.
afdrijven, bedr. b.v. vee, latagbalaa-
kan
—, van vaartuigen en andere
drijvende voorwerpen, door de werking
vnn wind en stroom, uit den koers,
haajoet, iiupar. — van een vaartuig
door den wind naar bet strand, mXm*
bijas, peper, — van een vnartuig, niet
halen win zeker punt, laciitbabas.
met den stroom, haajoet; livierat\'waarts,
\' tiiiliï; moedwillig de vrucht —, mt>n-
van een tak, een tand enz. sfrepih,
serapih;
de punt ot\' hel vooruitstekend
gedeelte ergens —, rompong; afgebro-
ken v. e. regeering ut\' d\\ iinstie, pot toes,
Zie verder breken en gebroken.
aflireuuen, vun boven nuar beneden,
mvnoer oenkan (\\ an toeroeu), mviubaira
toeroeii;
\\un den rechten weg —, me-
tijlsati.au (van semt): de rivier —, wüug-
hïlirkatt, meiiibaica hit/r;
iemand van
zijn voornemen —, miinbalikkan vraag
daripada nijatnja.
afbreuk, schade, roeijl. — doen, mï-
roegikan, uttntjadahiiu roegi.
— lijden,
karorgijan; iemands rechten — doen,
„tïLtuti\'iiir hak orang.
afbrokkelen, zie afgebrokkeld,
brokkelen en brokkelig.
afdak, singkoncap; — op schoren ,
sèagkoeicap tXrgantoeng. —, al hellend
zijdak van eenc woning, tïratak- atap
giuljah mtujvetoe,
omdat de helling is
als die van een zingenden olifant. —,
luifel hoven een vaam, koagsaa. —,
\\ormende eenc voor- of uchtergalerij.
atap sïeambi,
afdalen, naar beneden gaan, tor roe»;
doen —, menoeroenka» ; tot iets of iciii.
—, mtnoeroeni, — tot iemand, zich
nederig jegens icmnad gedragen, uit-
ri.tflafiktiu dhri;
de afdalende lijn of
linie tot iem., ge.-1 ach t si ij n, katoeroettaa,
tilrilak,
Ar.; een lijn, touw en dergel.
doen —, laten zakken, mrntjhtielorrkan.
Ook vnn de hand; iu de onderwereld
—, toeroen kadaUua ulam berzaeh, Ar.
zie ouk dalen en nederdalen.
aldaminen , tiiïmbat (van febat), meiit-
btudncitg, hihuiebis
(van tarh\'ts); de zee
—, metigikat laoet. Ook van een meer
of vijver, er een dam omheen leggen.
afdummer, ptaebat, ptuibhidocay, pe-
naebi-i.
ai\'damming , ttbat, bXndoengan, tarbis,
— vnn de zeo, \'ikaian laoet. — , het
werk, pXnï-bataii, pt-mbt-ndoeugan, pïnai\'
bistni. pïjiyikaian.
afdanken, uit den dienst ontslaan,
tiiïlïpaskan, //<•,;■■/■\'/■/<■!\'■,>,-.\'. ,i,i (van kalor-
icar); afgedankt v. e. klecdingsluk, la-
m/i,
h.v. heudak- mtunohon kaïn jaag
larah,
ik wensen te smcekun om een
afgedankt kleed; een leger —, iiitle-
paskan hala-tantara,
afdeelen, mt\'iiibtshagi-bëhagi, Zie bij
deelen en verdeelen.
-ocr page 41-
2\'J
afdrogen — afgebroken.
(van këdjar); recht op iemand,b.v. een
vijand of schuldenaar—, hem op \'t lijf
vallen, mèrèdas; op het stemgeluid
afgaan, mhigikaet soewara, mënoedjoe
boenji soewara
; met zijn velen op iemand
—, mërtjarapi (van sarap). — van een
schot, meletoep, letterl. ontploffen. —
van de koorts, ada koerangnja, letterl.
er is vermindering van. —, een groote
boodschap doen, boewang ajar lïésar,
kasoengai bësar, kadla hatljat,
Ar. bcrak,
vuig. —, van iets of iemand, zich af-
scheiden of verwijderen van, mëndja-
oehkan dïrinja daripada;
van tafel —,
omdoet makan. — van iets ot\' iemand,
verlaten, achterinten, meninggalkan (van
tinggal); van een voornemen —, mëlë-
paskan nijat,
ook oendoer; van een
doel —, ialoe daripada mak-foed, ook
oendoer; er kan niets—, van een prijs,
ta\'bolih koerang; er mng niets —, af-
genomen worden, ta\'bolih di-ambil apa~
apa daripadanja.
—, goed van de hand
gaan, van koopwaar, lakoe, pajoe, tar/s.
—, aftreden als lid, toerom, oendoer,
lepas;
vlug —, vlug van de hand gaan,
pontas, fantas tnngan, tjakafan. — op
iemand, naar iemand toegaan, përtji
mëndapatkan.
— op iets of iemand,
mot een sprong ot\' snelle beweging,
mènerpa (van terpa), mënërkam (van
Verkam); regelrecht op iots —, lang-
soeng,
b.v. de Vorst stond op en ging
regelrecht af op het paleis, maka ba-
ginda bangkil bérdiri laloe langsoeitg
kaiislana,
—, nfloopen van het tij,
soeroet; van elkander —, scheiden,
bërtjërai.
afgaand; de nfgaandc maan, anak
boelan,
van den 20en (ot den 29en dag
der maan. —, hellend, schuin, tjoeram,
miring.
— water, ajar soeroet.
afgang, ontlnsting hebben, boewang
ajar, kasoengai, be?afr,
vuig.—, de ont-
laste stof, ta/ii, berak, vuig. — met
slijm en bloed, bij kleine gedeelten,
kasoengai oedaag-oedang, boewang ajar
oedaug-oedang.
—, dunne, fjerel; dun-
nen — hebben, menljeret. —, hevigo
mot braking, k\'edakak. Zie ook bort.
afgebeden, afgesmeekt, dipoehoeu, di-
pinta.
afgebeten, digigil, firgigit. Zie af-
b\\jten.
afgebroken, van spreken door agitatie,
ierijanggoet-tjanggoet. Zio afbreken.
boewaag hamil, ook inttnhoe traag anak,
mëitdjoeloef-, m&tggoegoerkmn anak.
Het
middel daartoe, p>mbofrang hamil, ohat
pëndjoeloej?
; middel voor het — der
stonden of do urine, peloentoer; voor
het afdrijven van den stoelgang, pën~
tja/iar.
tifdroeen, met een dook, mëngesat
(van kësat). — mot een handdoek, zak-
dnek, spons, vloeipapier, al drukkende
—, mëuïdap (van (Stap). — in het nl-
gemeen ook mënjapoe (van sapoe), vegen,
afvegen, b.v. do tranen afdrogen, tnë-
njapoe ajar-mata.
—, afvegen, seka. Bat.
afdruipen, mïaitis (van titis); aan
droppels nedervallen, bërtitik; aan
droppels langt iels —, van tranen,
dauw enz. bë.rlintiag-lintmg\'. —, van I
zweet, bërhamboerau, eigenl. zich ver-
spreiden.
afclruipsel, tifisaii.
afdruk, tjitakan; van een stempel,
Uraan.
afdrukken, van kleedjes, drukwerk
en dergel., mëjitjital-; met een stempel,
taenëra; een zegel —, mtmëlrai (van
metrai), mëmbueboeh mïdrai, mï\'./igetjap.
— in oen hollen vorm, zoouia- b.v.
rijst in een kommetje, mhit-rap.
afdruksel, nagelaten spoor, bekos; van
het afdrukken, liëkas tjttafr, Ue.ka.~i Uva,
bëkas tjap, tjitakan, (traint.
— in een
hollen vorm, terap.
afdruppelen, mtttitis (van titis),
afdruppeling, pi-rtiiisaa.
nfduwen, iets of iem. afstooten, më-
noelak
(van toelak); een vaartuig —,
mënoelak* pera/toe; iets van zich —,
ook melaïs.
afdwalen, sësaif; ann het — zijn, bër-
sesat, bërhanjoet;
doen —, mënjësat- \'.
kan;
afgedwaald, sesat.
afdwaling, sesatau.
afeischen, meminta, dengati këras, wi?- \'■
miiita dengaa gagalt
(van piata). viena-
g\'th
(van tagih). —, op voldoening of
vervulling aandringen, mënoentoet (van
toentoet). Afcisching in dien zin, toen-
toetan.
affuit, pëdati marijam, kareta marijam,
atas marijam.
afgaan, naar boneden gann, afstijgen,
tocrocn; op iots —, de richting of
koers houden naar iets, mënoedjoe (van
toeiljoe); snel op iets of iemand — om
het to bereiken, më/igocsir, mënge\'djar \'
-ocr page 42-
afgebrokkeld — afgrijzen.
30
dergel. loekang, Mal. —, afdrukken op
iets anders, b.v. van inkt en dercel.
mëndjangkit, —, overreiken, mëngoen-
djoek;
onderweg iets — of aanreiken,
b.v, een pakje of brief, menjinggah-
kan
(van singgah); zieh met iem. —,
berdjinak-djinakun dengan. —, niet vast
van cene kleur, melar, loeitloer.
afgezant, oeto\'-san, soeroehan, padoefat
Skr. onder —, oepadoefa, Skr.
afgezonderd van anderen, op zich-
zclvcn, asiug. —, alleen leven, btr-
soenji, berasing;
afgezonderde maag-
den, imak dara tarn/m», ^adj. Mal.
afgieten, mènoeteang (van toewang).
afglijden, afsullen, niëloeloer, goesoer,
gHoêmgtoer, gëlingsir, gelinfjir, gétosor,
gëlongsor, loenljoer,
b.v. zij gleed van
raden Asuiarn Djaju\'s schoot, inaka
ijapon goetoer dari ribadn Asmara Djaja.
—, b.v. de voet van een steen, of van
de sport van een ladder, getintjir, i/\'e-
linsir;
van eeno helling of een boom
—, gëlosor, loitgsor, gclony&or; afge-
gleden langs iets, b.v. een vaartuig
lanirs eene helling, een kris door den
gordel of uit de scheede, loenljoer.
afglippen en nfgeglipt, loetjoet.
afgod , berhala. De algeineene benaming
voor den — der Chineezen is topèkoeng,
soms verbasterd tot datoeir phkoe,tg,
grootvader Pèkocng; de afgoden dienen,
uteu•jentba/t berhala (van aëmbah).
afgodendienaar, orang taenjëiabah
bërba/a, penjetnbah berhala.
afgodendienst, kabaktijan kapada
berhala, peiiijei.ihahGii berhala.
afgodsbeeld, pafoeng, patoeng berhala,
ook retja en ar/ja, Skr.
afgo ds priester, adjar-adjar, pandita,
brahmana. ka/nu,
Ar.; van de Chince-
zen, tatigkeh.
nfgodsteinpel, timptU berhala, roeimth
berhala, haika,
Perz. —, van de Hindoes
Icoewili van de Chineezen, kelenleng.
afgooien, van hoven doen v ;i Men. ■■ ■■ u-
djatohkan dari afas, mënerdjoe.nkan
(van
tërdjoen); van boven worpen, mëloelar
kabai\'-ah, mëlempar kabatcah.
: afgorden, atleggen, van een zwaarden
diergel. /ncaangga/kau (van tanggal).
afgrauwen, wthHngkimf (van lengking)
itiemerëgab
ivan seregah)
afgrijselijk, /.iigel\'jaa, haiban. Ar.
afgrijzen; -— gevoelen, ge/i; — en ril-
ling, geli-ghnan, ngeri.
afgebrokkeld, aan den kant, schaar-
dig, van aardewerk, snijwerkluigen enz.
iotmêiuo.
afgedaant klaar, soednh, habit,tëlétai.
  maken, utettjoedahkan; in eens - ,
saka/i goes; in drie keeren —, liga
kali goes.
—, beslist, selesai.
al\'m\'knot, zonder vooruitstekende punt,
goentoeng, boenloeng.
afgeleefd, toeira sakali, tërlaloe toexa,
toeten renfa.
—, oud en versleten,
toetra lontok.
afgelegen, verwijderd, djtweh.—, een-
zaam, afgezonderd, soenji.
afftemal, letili, lesoe; zeer —, lètah-
lel\'th, letih-lëaoe.
— , matheid , djërih.
\'/Ac
ook afgetobd —, vermoeid,
penaf, trta/t, tjape. Bat. —, tegen iets
opziend, /e/a// djerih.
afeemeten, van den gang, dja/an alap
sant oen.
afgeranseld, dihnnfam tëroek.
afgescheiden, onderscheiden zijn, S9r*
lainan.
— vun allo hij komende pet-
sonen of zaken, djikalau sabatang
ti)a,tg pon.
afgeschrikt, van het kwaad, djerak.
afgesjouwd, doodaf, teroek.
aiuestorvcn , moti; van Vorsten, mang-
kttt.
— , wijlen, van Vorsten, mar/mem,
Ar. —, verdord van het loot", dat
boven den grond staat, b.v van knol-
gewassen, poepoes.
afgestroopt, van huid beroofd, k\'eloes.
afgetobd, moede, penat, le/ah, tjape,
Hat. —, afgemat, doodaf, ziekelijke
uitputting, feroefr.
afgetrokken, bezig gehouden door
allerlei MrgM, masjgroet, Ar.—, zijne
gedachten niet hij elkander hehhend,
laltii. -—, ingewikkeld, moeielijk op te
lossen, moesjkil, Ar. tlaltim-dalain, b.v.
   denkbeelden, pikiran jam/ dalaith
dalem;
— vraagstukken, soewal jang
moesjkit.
—. in gedachten zijn verzou-
ken, tertttangtie-mangot\', terfakoer verb.
van tafakkoer, Ar. —om iets dat men
mist, hi/jt\'-inya, vdW. Dit houd ik voor
een verkeerd gehoord iiigat-ingnt.
afgevaardigde, oetnesan, soeroehan.
Het eerste meer van een Vorst, het
tweede meer in het dagelijksch leven.
afgeven? zich — met. b-rtjumpoer de-
tigan.
b.v. zich — met slecht volk,
bertjantpoer dengan orang djahat.
van verf. die nog niet droog is en
-ocr page 43-
aftfrvj zen wekkend — afbouwen.
81
iW «rij «en wekkend * mëmbëri yëli,
mëmdatmiykan nyeri.
afgrond, diepte iler zco, hh-bork, toe-
bir, dit laatste ook — in het algem. —,
zeer steile helling, nagenoeg loodrecht,
ti-rdjal. —, diepte, këloebwran, ngarai,
W. Sun.
ai gun at, dëngkt.
afgunatis, bërdë,iijki, inënaroh dëngki.
af gunstigheid, kadëngkian , hati
dëngki.
at\'halten * met een lanircn stok, waar-
na n een haak bevestigd is, mëni/gan-
tjoe.
afhakken; het hoofd, dea kop of punt
in een* —, mëmanf/ofjiy (van pantjoeny);
bij stukken —, h.v. van een geslacht
beest, me Upa Ii-lapa Ii, mëmënyyal (van
penyyal), mênyerat (van kërat), memo-
tong
(vnn potony),- op een blok of on-
derlang ■—, mëneadas (vnn ten/tas).
Xie ook af kappen, af houwen,
hakken en snijden.
afhalen; genoodigden -, mëudjëmpoet.
—, tegemoet <;ann om te verwelkomen,
mëityëloekaa, wïnijïloi\'-i\'lofkiiii. —, nf-
Itroopea, mtmevapat (vnn toepat) —,
\\an boven halen, uiënoeroi-nkan, mtng-
tt ut t/il dari atas.
afhandelen, afdoen, beëindigen, wë-
njo.-dahi
(van .toi\'dah), wënjélësaikan
(van selesai), mëngitabiskan, mëmoetoes-
kan
(van poetoex); eene afgehandelde
zaak, përkara jang soedatt poefot-s, p.j. t.
tëlësai.
afhandig, iemand zijn geld — ma-
ken, mëayïtkalkan doeicit orany (van
\'t kal, Ar.),
afhansen , af handend , bëryanioeny,
tëryantoeny.
—, lang afhangend, zoo-
tils een kleed, gordijn enz. labor/i. —, |
zwevend neerhangen \\an de beenen, \'
een zijdgeweer enz. djoeutai. Met zulke
ii f hangende boenen zitten, een bewijs
vnn grooto onwelvoe^\'lijkheid, doedoek j
bërdjoi-ntai. — vnn zwaar beladen tak-
ken, bërlëlai-lïlaijan; afhangend v. e,
sluier, mëlajah; zwevend —, zooals
h.v. eene banglamp aan haren ketting,
ecne vrucht aan haren steel, yajoet,-
los —, slingerend —, zoonis apen !
uan hun staart, het olieglaasjc in een
stolp, hertenggajoft. — van velen, bïr-
sënyyajoetaii.
— wordt soms alleen met \'
een Voorzetsel in het Mal. weergeven,
b.v. deze strijd han;:t af van de kracht
dier heide mannen, pïrany ini dënyan
kori\'-at orany tloetat itoe;
dat hangt
niet van mij tii,boekan>ij<i,xë.hajapoenja
soeka t/oe;
een touw of iots dergelijks
lnten —, inënyhoflorrkan.
afhankelijk; — zijn van, hêryautonig
k<ipu,<hi, herhndjat akan.
Ook alleen
akun, h.v. uw leven is — van God,
hiijiih.ioc akaa kaKëndak Allah. —, on-
derseschikt, dibawah. —, onderworpen,
Inlok, Ar. alle onderhoorigheden en
afhankelijke landen, sïyata ddirah
tïilfkuja.
afhankelijkheid, dltok, Ar. pïngi
rinyan.
afhebben, wordt teruggegeven met af
zijn vun hot werk zelf, soedab, luthix,
tam mat, Ar. b.v. hij heeft zijn werk
nog niet af,pëkërdjaiiiinja hëlom soedah.
af heffen, mvnyangkat.
afheineti, van eene heining voorzien,
më.mayari (vnn payar).
af heining, payar.
afbellen , miiiny, tjorrnm.
afhelpen, helpen om van iets ver-
hevens af te komen, foeloi-iiy mënoe\'
roenkan;
iemand van zijn geld —, zie
bij afhandig^ —. iemand van iets
bevrijden, mëlëpiukan, mëlo\'-poHkan.
afhooren , afluisteren, mende nyar-ifë-
ayarkan, niënëitgar-nëngarkait.
afhouden, wat van iets terughouden,
mï-.ijimpan (van timpa.i \\. —, korten
van een geldsom, fjëagkolong, pottmg.
— , tegenhouden in het doen van iets,
mënëyahkan (van tëyah), métara.njkan,
mëitn
lianl.it,i (van fa/tan); zich — van,
verwijderd houden van, mëndjaoehkan
diriaja daripada,
b.v. ik houd mij vnn
zulke slechte Heden af, akoe wëndja-
oidikan dirikon daripada orany djaftat
hiiyitoe;
iemand van zijn werk — ,
mëiialiatikaa orany daripada pëkërdja-
annja;
met een vaartuig meer zee-
waarts —, mëlaoet; meer landwaarts
—, mëiidarat; van den wind — met
een vaartuig, men on-o,\'/kan përahoe (of
kapal); twee vaartuigen van elkander
—, door er een plank of stok tusschen
te bevestigen, méujoyaiiy (\\an soyany);
houd uwe handen er af, dyinyan dja-
mali Hoe, djaayan oebik- itoe.
af houwen, afsnijden, mëmnto-ty (van
jtotong), mënyérat (van kënU); stukken
van iets —. mëmënyyal (van pë,iyyal\\;
met een kapmes of zwaard, memaraiitj
-ocr page 44-
32                                           afhuren —
(van parang); de boven uitstekende \'
gedeelten gelijk — of afkappen, iae- \'.
Hftmptis
(van tamptts); het bovenste
gedeelte van iets op iets lidend —,
b.v. het hoofd op een bink, mhAtdas
(van tëndas); de ledematen —, »;ê-
ugoedotng (van koedoeng); het houi\'d —,
als laan. i,titita.ttjo?ng (van pn-itjoe>ig).
afhuren = huren, /ie ald.
afjagen, wegjagen, inënghalanktin, mï-
njaltkan. — van een dier. door hard
rijden vormoeieo. „iPminotkaa (van pt>-
nat\\, bfrlilufikau. miutboeroe tërlaloe.
Voor pfnat en lïdah op .lava tjapê.
— van een jaehtveld, bïrbi\'eroe ler-
koeliliag,
b.v. hij heeft dat gansche
bosch afgejaagd, xaeilah \'tja bPrbaeroe .,
btfkoêlUing sugënap hoetatt itoe.
ufjakkeren, scherp doorhalen, mi-nïug-
king
(van tingkiag), mt.ighardikkan,
mïrédikka*.
at jukkering, tPngkiag, Aardifr, reiHk.
a fhaa t oen , van een veerkracht ïg
lichaam, mrtnaiito\'t (vnn pantoi\'l), b.v.
de kogel kaatste af door een steen,
peioeroe mfiaantoel kruit Indoe; doen —,
mi mant uflkan ; bij herhaling —, i.tïiaa.i*
torl-tnuntwl.
—, terugspringen, zooals
een bal, de springvecreu vnn een bed
of stoelkussen, een kogel en derice).,
mhtgambott. — afweren, mëtuivgkis !
(van fuHgkijs). Met bep. obj. mtiiaitg*
kiskan.
ai l.a;ii~cr, de persoon, of zaak. die
doet afkaatsen, ptitu\'}tfoel,pëngaiabt>el; i
die afweert, piaangkis.
af kimt Hing, ummtoei, amboel, tangkis. ■
afkahheh-n, het land uitvreten, vnn
de gulven, makan; afgekabbetd, dima-
kaïi omhak\'.
af kalken, afvallen van de kalk, goe-
goer kapofr, mï-loekat kapoer
,- van kalk
ontdoen, mëmboewang kapormja.
af kalking, het afvallen vnn de kalk.
gorgorran kaporr; het vnn kalk ont-
docn, pi mboewangan kapoer.
iinuiiiiiii.n, minjikati (vnn sikat),
MÏHJisiH
(van sisir),
af kanten, dó schei pe kanten of hoeken
wegnemen, mtmboeiotuig fëpiaja, mëm- \'.
boncanij hofdjvfngtija.
af kapen, würmmptu.
afkappen, niet een kapmes of zwaard.
mvinarung (van patong). — met een bijl,
mïmuiotig (van pidong). —, afslaan,
gelijk kappen, mïrambah, 1\'ad. bov. 1.;
afkeuren.
gelijk ■—( de boven uitstekende gcdeel-
ten af houwen, mi nam put (van tam-
pas) :
het bovenste gedeelte van iets.
mentndaa (van tëadas). — der lede-
maten. uiëagofdoeng (van koedoeng):
stukken van iets —, mPatënggal (van
ptaggal).
afkeer, door oververzadiging, zatheid.
djëmotr. — hebben van, in dien zin,
djemoe akan. —, tegenzin in het doen
van iets. segan; dien — toonen. mi-
,ijitji<n.
Iemand die met zulk een —
behebt is, piujégan. —, afgrijzen ge-
voelen, gili. — en rilling, gvlï gëuian.
Het voorwerp vnn dien —, kagHijan.
—, walging gevoelen van iemands han-
delingen of woorden, loeicat. —, wnl-
ging van spijs gevoelen, mocwal, djëmoe.
—. haat, beutji; het voorwerp van
dien —, kabênfjian. —in minder sterke
beteekenis dan de hierboven opgegeven
beteekenissen, t\'uida so-\'ka akan, letterl.
niet genegen zijn tot, niet huuden van.
afkeeren; zich —, afwenden, berpa-
Ihig, bërpaling diri;
het gelaat —, her-
paling moeka;
de oogen —, herbal/k
mafa,
ook tig. voor oogluikend toelaten.
Zich van iemand — , hem ontrouw
worden, fig. Ut-rhalil? haloevaa, bïrpaling
halofwan,
d. i. den steven ontwenden.
—, afwenden van een onheil of wapen-
slont of pijl, •itënangkiskaa (van tang-
kit).
Van een wapenstoot ook, niënja~
lahkau fikam
(van salalt). —; zich van
iets of iemand verwijderen, teruggaan,
oendorr; iemand van het kwade nf-
kecren, tnëiaaliagkan orang daripada
kadjahatanaja.
afkeerig, door oververzadiging, zat,
djëmof, èërdjëuioit, — maken, mëndje-
moekan.
— van iets zijn, weigeren, on-
gehoorzaam zijn , met tegenzin iets
doen, iba, Ar. —, vies, gëli, getaan:
het hart van iets — makon, mënggï-
rakkau kali.
— zijn, in dien zin, tër-
gërak hati.
— zijn. weigeren, eaggaa.
—, geen zin hebben in iets te doen.
segan; zich — toonen, uieujëgan.
Iemand die steeds daarvan — is, pi-
një.gan.
— zijn vnn iemand, hem haton,
mëaihentji,
afkeerigheid, zie afkeer.
af keer 1 na;, pnlhigan ; afwering, petiang-
kisan.
af kerven, zie bij kerven.
afkeuren, fout vinden, mënjalahkan
-ocr page 45-
N
:il Icliuiui.\'ii — afkoopins.
mofgueh, mvayoesir, b.v. aiyera ijn tam-
pU mPnyoesir radja \'1/aulati,
dadelijk
rukte hij voorwaarts en kwam op radja
Tjaulun af; op iemand —, tot hem
gaan, uiPadapatkaa; snel op iet* of
iem. af komen, atPagoesir, b.v. mPayoetir
pïnfoc, uitiu/oftir nPyari
enz.; op iets
uf iem, —, tot hem naderen, meny-
/lampiri.
ut komwl . a$al, Ar. banysa, kafotroe~
uam. \'/■■<■■
ook bij bloed; van adelijke
—, iif/i. Ar.; van goede, edele—, ber-
afat, birbaagsa, banysawau, uiryat.
Dit
laatste wordt ook als titel gebruikt
\\ oor sommige hoofden; onzeker van—,
hier ol\' daar uit een verborgen hoek
of gat afkomstig, b.v. van een gerucht,
stlit-.ivpit. —, ook saka, (van pofsaka)
en lnn\'ih, b.v. mtma bink dPnyan da-
tor\'k Mi\'par,
van dezelfde afkomst als
bet hoofd vnn het eiland Mcpar.
ai\'koitiHtim, asal, Ar. ioerotn. —, ook
anak, b.v. waterkruiken af kowtig van
Sijaui, tcmpiijaa anak S/jam; die per-
Boon is — van 31 alaka, oraay itoe
anak Malaka ;
die man woont op 1\'cnje-
ngat, doch is afkomstig van Kcdab,
vrany Hoe doedock di Ftnjittyat, fitapi
tja anak kedah.
:il ltomlijirii, een bevel of verbod open-
1 ijk bekend maken, publiceeieii, meng\'
OAtW-OtfaW, ivartrar, verb. meayortt-
danykaa.
— door middel van uitroeping,
bhsh-ai-\'iirufkaa. —, door middei van
het slaan op een keteltrom, voorname-
1 ijk de troonsbestijging vnu een nieu-
wen Vultt, maar ook andere belangrijke
zaken, mênfabalian (van fabitl, Ar.).
—, duor middel van een oiurocpers-
bekkeu, mca/jai/aaykaa. —, door inid-
del van een s. v. kleine gong, moiaoay
genaamd, aumomoaykaa.
al\'UoiidiiMjii; , sebriftülijk\'e —, veror-
deuing, wrat LPrita.
ai*kook»telv ritmtn. Iets dat in water
is afgekookt, zooals groente, vleeseh
enz., rtboemu.
at\'ltoopen , los- of \\ i ijkuiqu-n. ■.<■ ■•> >\'\'£>>■*
(van trhot\'s); de doodstraf voor een
moord —, mëmberi banyoea, mrmbajar
dijat.
Ar.; wapengeweld, vijnndelijk-
heden —, brandsehatting betalen, mew-
bïri toelak teudjuta,
atltooper. losser, vrijkooper, pttttboet.
oriioopinit | los- of vrijkooping, iï-
boesaa.
(van sa/ah), gebrekkig vinden, me/i/j?-
Idkun,
—, verwerpen, iaeiiür/ak (vnn
tmlak). —, zacht bestraffen, ui$n$yar
(van tPyor). — kan ook negatief wor-
deu teruggegeven met: tiada mfaëriiaa,
niet ontvnngco. tiada btrkrttan ai.an,
geen welgevallen hebben aan.
al\'lilimiiien , toeroem; van een berg—,
totroem dari atiu fOtmoettg, van een
ladder —. twro.t dari afat ianyya.
..(\'Moppen, niet een stok va diergel.
mtmioeïocl (vnn poskorl), —. niet de
hand ui\' een dook, uïïnytbas (ïnn kibas).
- ,
afranselen, hantam, /ae./yhaataia.
afkluiven« knabbelend —, mëiaepak
(win ptpak).
iiflinnbbelen, knabbelend afkluiven.
au\'nut-pak; nt\'gekunbbeld. door een hert
üf butlel, t~$rtjaatj<jurt-tjaaijtn><-t: kleine
stukjes von iets, zooals b.v. oen rat
van beschuit, wiêngoeHl (van koftil).
(\'knagen = a (\'knabbelen. Zie nld.
—, zooals muizen, mi\'ayPrip (van kïrtp).
ut knakken, wl\'mat\'ahkmi (van pa/ah).
Ken vrut-ht, bloem of blad zachtjes met
een paar vingers —, aitaygealaê.
ui knüpen, mt/aata/ikaa (van patah).
Met de toppen dor vingen, wêm§$tatm*.
:it\'lmipi>en, met een schaar, wem/-
,m„lm,j.
I knipsel, goratiayau.
i knotten, van top of uitstekende punt
berooven, MiëmPpat {vanpPpaf, nfgeknot).
["koelen, lainjPdjoekkaa (van xPdjoek)
mPadiiiginkaa.
— van hceto vloeislof-
feo door opscheppen en weer in te
luien loopen, mfttêmèojf (van tembob):
iemand mei een waaier —, mPayipasi
(van kipas, waaier).
"f koken, in wnter, van groenten,
vlcescb, visch. nardappelen enz. laPrc-
hoes;
ook aiinjitii; afgekookt, reboes,
sifa;
afkooksel, rPhunsaa, titaiin.
i komelini», afstaiunieling, aaaf-djw-
fjoi\', aaal\'-boftcah, toil\'ueaan,
B1 ltumen , afdalen, afstammen, turroai ;
van boord —, toeroe» dari kapaf, tor-
rot» dari pirahoe;
van den wal —,
totroeu dari daraf, —, in grooto menigte
op iets —, van mensehen en dieren,
^Prkirofnioen, laeayiroi-bo\'-ay (van ktro*-
iotiu,
Jav.). —, van iets verlost of
ualslagen worden, dilPpaskan; ufgeko-
iiieu zijn, Fêpa&. —, ontkomen aan een
gevaar, Üloepoettmnj afgekomen zijn,
hh-poet; op den vijand —, mPtidatauyi
-ocr page 46-
31                                       nfkoopprn* — afleiding.
af, verh. Wijs, djanyan, biarkanlah,
tinyyalkanlah, ber/ienttla/i ,■
zonder —,
tlïiiyau f nf ii\' bêrhéiitinja ; niet —, on-
hotideu van, tiaila bïrhënti daripada :
vhi) den prijs - , biri kurrany karyaiija.
afleenen, ootleenen, niimimijam (van
p iniljata).
af loeren, iets vergeten, mêlorpakti*.
nfletf«en, van kleedingstukken, wapen-
rusting en/.., mvna,njyalkaH (van taity-
gal).
— van eene gewoonte, mininy-
gulkan adat
(van tinyyal); het —,
sterven, miuiuijyat, malt, van Vorsten,
mttiiykat, tcafat, Ar. —, onderdoen,
\'londurspit delven, titc<ts. — vnn reken-
schap, mritdiïri kira-kira. van ge-
tuigenis, mëutlieri kasakaiau. van
eene bekentenis, mhiyakue. — van eene
gelofte, bërkaui\'l, bérnadzur, — vun
eenen eed, birsumnpah, — van belijileuis
bij de Mohnmiuudniion, laï-uvlui/amkan
kortin.
Ar. letterl. een examen in het
lezen van den Ronm laten doen. —,
volbrengen van eeneu tocht, reis en*.
mtajoedtilikaa (van swdah).— van een
weg, mvnyhabiskan djalan. —, van iets
veihevens afnemen en elders neerleg-
geu, iurnorruenkaii (van toerui-a). — van
een lijk, utinyirdjakan mail, ook meni-
bi.Lt H/at/. —, door ptekken voortplan-
ten, wttngamggaer. —, afzetten van een
tuk of loot, ook: iitiiiëlort (vnn tiloft)
vd\\V, kan dat ook eeu verbittering van
loot zijn? —, af houden van een vaar-
tuig, iit*-ndjuoehkati diriuja daripada.
afleiden, bij de hand leiden vun een
beest, méiiyiritkait, b.v. het paard wordt
afgeleid, koi-da itoe di-irit-irilkau.
van water, mënji/iipanijkait (van ai/a-
pang), tttKHonrui-vkutt
(van lonrottu), nit-
ayalïrkau.
Op Suil), iiituibandarkau b.v.
Water naar do rijstvelden —, ,in-mbaii-
darka?t ajar kama-ah,
— van een woord,
mëaoerontkan, met/yaloeicarkaa; bij de
hand iem. van eene plaats —, mëmim-
pia daripada
(van piaipin). — van den
reebten weg, doen dwalen, mPujesat\'
kan
(van sisat); het bloed vun het
hoofd —, b.v. door een hand- of voet-
bad, wviioeronikan darah (vnn torrufu).
—, iemand van hoven naar heneden
leiden, taémbaica tueroeit, mï.nyhaatar
toerartt, tuëmimpiti tofroen.
—, zie ook
afweren.
fJeidinic; van water, simpamjan ajar;
alles wat tot — van water gebezigd
ofkoopi>r\\j(i, losprijs, oewany teboesan.
af korsten , de korst wegnemen, ntP.ui-
bortcany korlilnja.
afkorten, kuiter miren. wÏÏwf■dVjhlaa
ran pe,idfir}, „limttadukkaH ivan pan-
dat-}.
— van woorden bij bet spreken
ot\' schrijven, wjtmmimkktm, d. i. afbre-
ken (van paf ah, afgebroken). — vnn
eene rede, bekorten, mriinykaska/i. —,
een schuld, door betaling minder doen
worden, Mënjoeswlkan (van soesoet).—,
aftrekken, b.v. van cer.e som, utëutotuvtj
(van jtufo-f\'/i, tjPtujkühmy.
uf kortin:», van eene rede, r\'iiiykasaii.
— van een schuld, wwfan. - van
eene som, paéowffMM, tjinykolihiyaii.
afkrabben, mê>njikis (vua kikt*)\', lija
—, b.v. van een goneeskinchtitren wur-
tel ot\' bast ot\' houtsoort met een stuk
glas, mhiyasah.
afkrabber, het werktuig, pï\'ugikix.
H VU !■; ; I .-.■ I , kiiigtt/l, tlXillttin.
iillu\'Oüi\'ii, van eene hoogte afnemen,
mïiHjtititli\'l t/art atas. —, er in slagen
ou ze at\' te doen, vnn kleedingptuk-
kcQ enz., dupal wibumfgmtkm* (van
tanyyal). —, er io slmcei! om to Ver-
wijderen of te scheiden, dapat meufjr-
raikau.
—, er in slagen om met een
zeker gedeelte te doen verminderen,
{/"/>■\'/ mï.iHjufranijkan (si\\n kofrany).—,
voltooid krijgen, dupal uiïnjurdahka<i
(van soedafi). - , van eene hoogte kun-
nen doen afdalen, dapat mvnot-roenkan
(vaa tuerom).
nfkunnen, kunnen voltooien, dapat
mhijoedahka»
; voltooid kunnen wor-
den, dapat disoedahkan. —, van iels
los kunnen gemaakt woidun, dapat
dilt\'paskan.
af kwakken» mot gewuld vnn hoven
werpen, mX\',iijliï:nipaskaii dart alas.
ufInden, de luding van iets afnemen,
mvnoiTOfitkan munwatan, miiahunykar
utoetralaa.
aflniidi**;, vnn den wind, dari darat.
alluniren, van boven toereiken, mr- \'
nyoendjoek dari atas.
aflaten; iet* vnn hoven —, inènoeroen-
kan
(van toer.en). —, een touw of iels
dergel. laten zakken, meng hoe loer kan.
—, vloeistoll\'en la!en ntloopci), meaya-
lirkau.
—, zie ook aderlaten. —, |
niet er bij of aan doei., tiuyyalkau.— I
van iemand of iets, mimbiarkan. —, :
ophouden vaa, birhiuti daripatla; laat \'
-ocr page 47-
afteken — afloopen.
3.".
wordt, zoonis ccn pijp, bamboe, goot,
buis, gleuf, geul enz., sftoeran. — af-
-lauiimug, taioit\'u- iian, soetalitt, Ar.
de — der \\ uisten, kataeroetian ratlja-
jti\'fju, sorlalatue \'s Üatatiu,
Ar. de titel
van een Mal. geschiedkundig werk, ook
bekead onder den naam vun öudjaiaU
Melajoe.
killeken, van tiuueu en dauwdruppels,
hïrli naity-linaity.
uilekkeii, bertitikditik dart atas.
ui Ie veren, münibawa utasok>, müitjPrah\' \'
kan (van sëraft).
aflevering, pëutbatcada ttiasojr, pëttjê\'
, it/lltit.
aflezen, ten einde toe lezen, attmbatja
habis ;
al kondigen, itieuyueicar-oeicar.
,
zie uok bij lezen.
itflieUten, niéiiyanykttf; een deksel —,
■inttiboeka toetorp; >uu doek ot\' iet*
dergelijks, dat al* deksel eigens op
ligl, —■ ea u inslaan, inttijelak (\\ uu
fc/ak); eene uut van het vuur —, «/?• ,
■iijaiKjkit i een hoofddeksel—, ttitiitboeka. ,
"l\'itfijen, verai liggen, het Voorz. be-
liuort hier eigen!, niet bij het Werkw.
maar hij de plnutsbep. djaoeh tem-
/•ut.ija.
Ook VOOI afgelegen. Ditlaatsle
ui de beteekenis vun eenzaam, soettji; ,
/eet\' -, soettji stnitjap.
"Hikken, maidjilat; zuigend een vin- |
ger —, wauruun b.v. stroop kleeft, !
■ ii\'toeloftlt.
itilikker, peudjilat, pëtoe/oettt.
ü tikkmic, mbuffiMmm, pëloetoeman.
"\'loerder, bespieder, pinyhintai, orany
Ki-iy utv.it ij hint ai.
"Hoeren, bespieden, tnëtiyhintai.
"\'toerinu, bespieding, pdtyhiittajau.
"Hokken van, utëutboedjoelf dart.
Bitoopf van water in het algemeen,
"/<>, pPttyiUir. — van eeuo rivier naar
den ïnuud, hilir. —, eb, soeroet, ajar
•«te-roet.
— van tijd, kasoedahau, achir,
■Vr., b.v. de afloop der eeuwen, kasoe-
■i/tttu zamau, achir zatudtt.
Ar. bij den :
• >up vau den regenmuussou, pada
\'loedahau moesua hoed jan.
— van |
NM handeling, kasoedidian. — voor j
lueislotlen, b.v. een pijp, buis, gout j
1 nz. së/oeraii. —, beltiug, miriny, tjoe- ■
\' "\'ii. — van eene zaak, kasoedahau,
: ■tpoctoesart.
— van eene rechtzuuk ut
"•taadsluging, kapoctoesati. —, einde,
uitslag, iïkibaf, Ar.
■ oiK\'ii; van iemand of iet» —, btr- I
dj at au dar ipadit, mëa itigga /ka N (van
tingyal), meadjauehkaa diriuja danpada,
— voor den wind, van een vaartuig,
btrlajar têyaay këtat. — op ie ui a ml
of iels, përyi tncat/apatkan. —, afge-
loopen van een uurwerk, stilstaan,
HrMWi. — vun den weg, op zij uf-
gaan, sitapattg; niet verscheidenheid,
suttpaiiy-sijoer. —, van boven, van eene
hoogle naar beneden loopen, tueroea,
bêrdjataa toeroeu, bhtljalan dart atas
kabawah;
met een vaartuig uf vlot enz.
eene rivier —, mitir, bêrhilïr. — van
stapel loopen, vau een vaartuig, toe-
roeit dart yal<t,iy«n
, loenfjuer dart
yataiiy,!,
doen —, mtlociitjoerkaa. —,
op zijn einde loopen, bïrkasur daha/t ;
algeloopeu, soedah, taloe, b V. het —
jaar, tahoea j\'Jtiy soedah, tahoen jaag
ialot\';
uu* werk is —, pPkérdjaiia kam:
té/ah toedak.
— , ul\'diuipen van of langs
iets, bêrhiliratt, b.v. als hij zijn mund
spoelde spuot hij het water uit juist
in deu emmer, zonder dut het rechts
of links bij du vetisterruedeu afliep,
apabi/a ija tër&oemoeréoemoer, dipuu-
tjoerka-mja bëtoel kt,ia iimba itoe, tiatta
hïthdntui kirt kmmmm ktti-ktsi Hoe.
Langs zijnu blinde uogen liep bet bloed
onophoudelijk af, matavja jattg borta
itue berhilhaii daiahnja tiada btrka>
poetoetOM.
— van eene knars, uf van
stroop langs den mouJ, tefjeh. — van
kwijl of zever, bvrlilihaa, b.v. het spog
van deu betel, dieu hij pruimde, liep
■f tot op zijn kin, ajar sirih jaag
diinakaiiiija birtilihan kadaywaja.
—,
afglijden langs eene helling, toe atj oer;
laten —, mUoentjoerkaa; sehuin —,
hellen, utiriuy, tjoeram. —, b.v. eene
stad, een land of bosck, uieadatar.—,
rundloopeu in, btrkoetiling dalam. —,
b.v. de huizen, of win «Is, of deuren,
niP.itjcraata. Met iets, b.v. met eeuo
bekendmaking elc. utenjératitakatt (vau
tetanta). — van een land, plunderend,
miadjarah ttegari, ittentljafah-rajah.—,
ebben, soi-roet — vun eene mier, hilir,
inilir.
—\' , droogluopen , kakérittyutt,
djadi tohor.
— met iemand, ziju eiude
nuduren, headaf: taati, hrudaik poetoet
njawa;
vun Vorsten, Aëttdak iiianykat.
41\'geluopen zijn, soedah taati, soedah
poetoes njatca;
van Vorsten, soedah
tiiai/ykat.
—, to vuet uileggen, taPttdja-
Ittiti, bïrdjalan sai.tpai soedah, bPrdjalaa
-ocr page 48-
M
afloopend — afnemen.
sampai hnbis, mhighabiskan djafnn.—, I
b.V. van boodschappen, wrnjrfHéitaian
(v;in jfranta). — van bet platteland
iiifii"iiihi,iij desa ; iemand, die hel platte-
land afloopt, een lnndloopcr, fh%an~
dang il fan,
— van een vaartuig enz.
iiiliiiourdeii, mfnijnnwki, h.v. knpal ing-
ijtis jang di-amoknjn dikuewah* S"ndnta
Uu-,
bet Regelsene schip, dat bij in
de monding van de Sambns nfgeloopen
hoeft. — van tranen, biggelen, bfrli-
ni\'/iij-Hinini/.
— van zweet, in druppel»
dit zich verspreiden, êêrkombooroa.
afloopend j — tij, *jmr soeroet, batik
krknt;
—e schuld, hoftnuj jang êOtsoft,
nilossi\'ii, Mftii/t/ttnfi, mènoêkor (van j
tiifkur); de waebt —, mengynnti kan-al,
mi\'ineknr kuical.
—, bevrijden, wi&ê-
pnakan;
elkander — , beryanti-yantiaa,
bertaekar-tofknriin ;
elknnder om en om
—, f/HHfi-bnytinfi, — van eenc schuld,
die geheel afbetalen, wêmbajar hobu
haftang;
bij gedeelten —, wenjofsoet-
kan koetama.
— van een kapitaal, het
kapitaal aan den eigenaar teruggeven,
mfiiiuflangkttn modal, uhmo>\'langknn
pvkak uetciniy
(van paflany). Zie ook
bij beurt en bij lonnen.
fifloejadn«», penyyantian , prryanf\'tnn,
jifnofknrmi. pfiabujarati, kafepaaan, sof-
sorfan.
Zie voor het onderscheid bij
ailo-sen.
uHuiMtcren; iets —, mmë»gar\'nhignr- \'
kan, Metidfixjtir-deugarkitn,
letter!, al
hooiende naar.
at maken, doen verdwijnen van iel.»,
dat niet goed of te veel is, atenyhi-
tanykan, wendjanehkitn
— van eene
/aak, unnglinbisknn, aienjekemikan (van
aêlësai), menjonlahkan (van toedek),
iiifmoftiu-aknn
(vnn moffton) —, van een
werk, mntjufdnhkun (van aoedah), men-
djrliixkn;/, mmghabisken. — ,
volkomen ;
maken, uïe ajuinpoernnkan (vnn aam-
poitna,
Skr.). —, dooden, vermoorden,
meiiiljoftweh, mtiiihoi\'iciinii. —, slachten,
nifh/fnififlfh, uirinbantai; zich van bet
een ol\' ander —, uifli-paakan dirinju ,
diirïpitdn ,■ zieb net een kleintje van
iets —. ziu bij kleintje. — van een
brief of ander geschrift, ment ammatkan
(van liiiinnal, Ar.).
afmulcn, afteekenen of afschilderen, \\
m\'enggmnhiii-kan
, atènorlis gaadmrnja; !
met de gruveerstift, n.flot\'kis. —, malen
tot het op is, wenggifiny hubia.
afmurtelen, /ie martelen.
afmutten; iem. —, memenatkna (van
prnal); zich —, mhnvnatkaa diri. Op
Java aienfjapeknn. —, moedeloos ma-
ken , invndjfrihkan. —, verzwakken,
inviel uitkun,
nt\'mnttend; iets dat — is, jang uieme-
nalkau:
iets, dat verzwakt, jttng mele-
lahkan.
afmat tinjf, afgemathcid, kapenatau,
kalrlahan.
Op .lava fji\'pe.
afmeten, zoodat er niet meer te nieten
valt, mèngoékoef lud/is. —, in de gewone
bcteekenis van nieten, uienyOfkuer. —,
verdeden of toedeelen. meuibehayikan.
—, afpassen, mendjangka. — naar, in
overeenstemming brengen roet, mèiaa-
toefkan
(van patoft): vergelijken mei.
iiifitihitndingkaii dengaa; naar iets —,
de maat nemen, menganihil orkoerntt.
— roet een inhoiidsmaat, me.iakar (van
takar), mniijoekat (vnn soekat).
afmeting;, oekoenm, djnnyka, takartm.
soi\'ka/an. Zie
bet onderscheid bij af-
meten.
afinuren, mémagari dengatt feuibojr,
mbtdindingi dliiyan feinbofr, w\'eityiktit
detttjaii piigar baton,
afnemen, van cenr hoogte, nieugambil
dart afas, ii\'ëiiofro-iika»
(van faeroeu).
—, nlÜcliten, uiéaganyknt; een pot van
het vuur, en goed, dat te drogen hangt,
iiieiiyauykit —, bevrijden van. inilt-
pmtkam dori pad».
— van een examen,
m\'fiaeriksa\'i pettgrtahoean. — van een
eed, soeroeh hersoeuipak, niëi\'jüfiiipah\'t.
— vnn de Mobainmeddannsche gcloofs-
belijdcnis, laiuiijchatamkan knfiin, eigenl.
OM examen afnemen in het lezen van
den Koran. — van een hoofddeksel,
mvmbueka, b.V. den hoed —, tnendjoeka
fopi, méndiofka tjapiaa
—, afdekken,
memotong (van pofoag), ttii\'i/fjiw/ko/ong;
wat van iets — om liet minder
te doen zijn, meugen-rangkan (van kof-
rang\' ;
kleine hoeveelheden — van iel*
dat te veel is, nu-iiljokil-ljokit. —, al-
zetten van een lichaamsdeel, iiifagoe-
dofiigkau
(van koedoeng). — van de
spijzen enz., de tafel - , mèagaugkaf
makauan.
Dit is bij de Maleicis het
eten opdragen, doch knn even goed
voor — gebezigd worden. —, met een
doek afvegen, wéngèsaf (van kesaf);
met eer. doek, spons, vloeipapier enz
drukkende —, tn\'enUap (van Map).
-ocr page 49-
37
afpakken — afraken.
—, van zijne plaats nemen, b.v. een
irordijn, schilderij, ledikant, tent enz.
otftiuipas (van papus), b.v. itaiklah loe-
runliamba papas kmljang; maka ija
j/o* Hitui/eTii/iltiiu uranynja beraiyrra
„u-mapas liufja»{f,
\'t zo» goed zijn als
mijnheer de matten afnam; hij uu riep
zijn volk bijeen om spoedig de muiten
af te nemen. —, verwijderen, nu-taloe-
kuit, iittiittjaur/tkan.
— bij het kunrt-
spel, iiit\'Hrjrraf (van krruf); met geweld
iets iemaud —, mJrmmJHU. —, minder
worden , v enuinderen , brrkueramjaii ,
sofsuft,
b.v. eene schuld doen —, //"\'-
njursvrtkan hoetang; steeds —, makiu
kornuit];
afgenomen van een ziekte,
uda kurrangnja. —, znkkeu van water,
toeroel. —, in sterkte, van een geluid,
Innijti. — vim zegels, membveka m\'etrai.
— wordt soms ook uitgedrukt meteen
Ww. waarvan de naam win het werktuig
het grondw. is, b.v. — met een lepel,
mimjotdoëjt, — met een veger, mrnjupoe
ivan suft/uefc en sapof).
ufpakken, de pukken er afnemen,
mfi/ofi O\'-nkfi n moeien tan, mhtoero<nkan
harautj\'btd-anij
i\'vnn torrueu). —, met
gewald iets afnemen, meraiupas.
rif polen f eene pullisudecriiig maken,
mtmboevmi MtjwirrVn
ulpalins, pallisadeering, sampailu».
:tfpnsaen, afmeten met een passer,
utenJjangktt ; met stappen —, tarfung-
kahkan.
ufpnetingi afmeting, djattgka; — met
den stap, prlanykaltan.
ufp, 11. n, wenyoepas (van kompas), ment-
Itoeirany kvlit.
itfperkeii * mhihUoetsm jterhinyyaïn,
menentoekan batus.
Zie ook afpalen.
1 perk int;, grens, perhitujtjtuni, haf as.
ttfptrun) met geweld afnemen, meuy-
umhil rfenguit puk-sa;
met geweld
eisenen, memiata dmyan knus.—, door
persing verkrijgen, van vachten, b<;uiih
ilenyan menyupiL
van tranen, weii-
tjurtjoerkan ajar-mutu, mniyuloeiearkun
"jur-muia.
Hik. Ahd. — vun bloed,
bloedzuigen, tig. inenyhisap darah.
■\'\'Pijnen, iwnjanysurakon (van sany-
iuru), i/if/Mphsuki/r, uifnxijasutkan.
"\'pijnigen = nfpUnen.
^pikken, kleine stukjes van iets —,
zuoals vogels van vruchten, menyoeiil
(van koetil), Zio ook bij pikken en
oppikken.
afplatten, van top of punt beroov.-n,
mimtpat (van input, afgeplat). — van
de tanden en undcie snijdende voor-
weipen, meutupur {\\ua papu,■■,,
nfpluiseeii, b.v. de uitstekende haaltjes
VU zijde, de pluizen van een doek,
den kant van papier enz . mrwgotit
(van kutis); vuil in ruwe zijde, dat
men — kan, tutti ko/is.
afplukken, met de toppen der fin*
gets zachtjes —.afbreken, zuoals blue-
uien, bladen, vruchten, utenijyeatua. — ,
kleine stukjes van iet?, mèmgoetU (uu
koetil). — van vruchten en bloemen,
doch niet van groote vruchten, zoouls
kokosnoten, uu-uittik (van petik). — ,af-
trekkeu, een stuk van den schil of kor-t
van iets, kopuk,- vun een kleiner sfnk,
kopefr. — , do roof vun eene Wond, tiuny,-
w-ping
tvan keroepiny). —, van groote
vruchten , zooi.ls kokosnoten, „niiyantbil\',
lelterl. nemen. Zie ook afpluizen.
afpraten, door praten tegenhouden,
uw/irya/tkun dènjau prrkutuuu (van
teyalt), —, een rede doen eindigen,
thtayhahitkan perkalaiin; veel —, lang
van slof zijn, melundjuetkuii prrkatuiiii.
af punt en, van ronde vomweipen, zoo-
als bamboe, een potlood, schrijfpen
enz., méiuutjuciiij (van rantjueny, af-
gepunt), .ueloentjipkun. —, -cherp uia-
ken aan de punt, nwnuuju.ukan puita
hoedjoeny
(van tuctjam, scherp). —, do
punten van iets afsnijden, iifinofung
huiuljvixjnja
(van potoay); met ceno
schaar, Mieuyyuruthiy hut\'itjoi\'iujnju.. —,
de kleine takken ufsnoeien, meruntjimj.
afruilen, menasi/iafku/t (van nusiftat,
Ar. vermaning, waarschuwing), mimkfri
na ihut.
Op andere wijze dan door
middel vim dit woord is het niet terug
te geven. Men bezigt er ook wel voor
iiuiietjahkau, tegenhouden en itte/arau-j-
kuu,
veibieden.
ufrufelen , rafels hebben, bertirus.
afraken, gescheiden raken , tërtjirui;
Vi ij of los raken, iMipmt; Van den
weg —, s\'fsaf. —, van iemand of iets,
er in slagen zich van hem te verwij-
deren, ttupat nifn//juut-/ikuu Uiriaja i/uii-
/\'"/.\', er — van het mooie of nieuwe,
/ii/u,///, b.v. het mooi raakt er af, hifuuy
eloJfttju;
van den grooten hoop, dus
ook vun de vloot nlgoraukt; ttryhUjel,
b.v. t/iak/i itipcrikoff oli/i Laksumuna
bara.iy jnny t?rpëHtjfl hahis dialah-
-ocr page 50-
38                                      afranselen — afscheiding.
! afrukken, met een ruk van iets schei-
den, inVwjfufak daripada. —, afschru-
ren. b.v. een tak vnn een hoorn, mr-
vj\'xvdjnh
(vnn xiadjnh). merorntax. — met
■gewold, b.v. een kleed vnn een stoel,
de haren van het hoofd, mitraaOét.
afschaduwing* bajapg.
afschaffen, ophouden met, bïrh\'eati
daripada;
eene gewoonte —, me*iada~
kan üdat
("van tiada); door ze te ver-
breken, telkens te overtreden, më,,iï-
tjahkan adat
(van pffjah). —, uit den
dienst of van het gebruik ontslaan.
vit! e pat ka ii. — van iets kwaads of
verkeerds, mtiaboricang, uiïmbaewaatj-
kan;
het een of ander —, ook nitug-
hapoesknn.
afschaven, met een schaaf, mfngttam
(van kftam, schaaf): — van de huid.
mtlrfjffkar : afgeschaafd, vnn de huid,
letjc\'t.
: afscheepplaals, paagkala»; — voor
peper en ganihir hij de plantages op
Hatnm, pangkalan kangka.
afscheid; — nemen, wnmta diri,- op
zeer beleefde wijze, SÜrmostm, Beid-1
uitdrukkingen heteekenen: verlof vra-
gen om zich te mogen verwijderen. —
nemen om naar huis te gnan, bï-rmo-
ftna parlang, bermalio» kïmbali.
— geven,
nrftïpaskav. — geven oin naar huis te
gaan, ait\'lvpaskau poclaag: zonder —
nemen nnar huis gaan, porlaaq tiada
bvrmahon
of p. f. itnafa diri.
: afscheiden, ntvatjï-raikaa, —, afzon-
deren, aiftigasiiigkait. —, op zijde zet-
ten, mriijitliïlahkan (van sattflah, zijde,
Vnnt). - , door een wand of schutsel,
m\'.uliiiilivg. —, het grove vnn het
lijne, b.v. van graan en dergcl. door
tegen de seliningehouden wan te klop*
pen, aieahitiag (vnn fiafiag); zich van
iots of iemand —, nundjaaohkaa d>-
rinja daripada.
—. nftrekken vnn hel
hart, nn-laraikan hafi, zich —, van het
hart, larai, b.v dat hunne harten zieh
niet —, hafittja djauaantak larai.
afscheiding, pi}itjtrajmi,p\'eugaisinqaa,
ptnjabtlahan
Zie het onderscheid hij
afscheiden. —, wand of schutsel,
dindivg. —, grens, ptrhingga\'dn, bat as {
plnats van —, zoonis aan den •tam
van sommige hoornen, in een riem
papier, die uit enkele boeken of kater-
nen bestant, tenggaa, vdW., wellicht
vnn ïuggan, dat dezelfde het. hoeft en
kamtja, de vlootvoogd mnaktc jacht op
allen, die van de vloot waren nfgernnkt,
en versloeg ze. Verder wordt liet uit-
gedrukt niet een grondwuord, dat be-
paeld do wijze aanduidt, waarop iets
er afgeraakt ie, soms voorzien van liet
Voorvoegsel fïr, of voorircvoegd ka en
achtergevoegd au, om meer bepaald
het toevallige of lijdende uit te drukken.
ni\'rnnHplen , afrosten, uit-Mthaloeii, mfui-
brltisnh, laragg/rsak.
. . :l\': ~\\-- li. /ie l\';l-]irl\\.
nfrusteren, zie afpalen.
nfreaenen ; ufgcregeml, door den regen
afgevallen, gorgin^r oli/i /toer/jan.
afreilten, van hoven toereiken, mtng-
oewdioeh dart af at,
afreis, vertrek, jteninggal; na zijne —,
saplui»ggalnja.
afreizen, vertrekken, van een Vorst of
voornaam persoon, litraugkut; van een
gewoon nienseli, indien de reis over
land gaat, bïrdjalan, indien het eene reis
over zee is, bïrtajar of mïnoelak (van
foclak, afsteken). Afgereisd, door reizen
vci niocid. pi nat titrdjalan,p¥uatbtrlajar.
afrekenen, afrekening houden, Mr-
tij vlas kira-kira —, eene rekening
sluiten, mX.nntockan kim kira, atfiidjt--
laskati kira-kira.
afrekening, kadjttatau kira-kira.
africhten, telkens onderrichten, tae.la-
fth.
—. lecren, nitngadjar.
nirichter, pïtatih, pënga/ljar.
africhting, pïlafibaii, pengadjaran,
afrika, btvoea Aprika,
afrikaan, oravg Aprika. —, de bloem,
aldus genoemd, boctiga 1ahihajaia,ktia-
bang teinbvlek hajani.
Jav.
afroepen, zie afkondigen; n ■ \'n - -
toar-acicar. —, van hoven roepen, iPr-
sfroe dart atas, bï-rtarcak dort afas,
b.v. de moeder van Hang Toewnh riep
van den winkel af, maka iboê Haag
To-\'tcnh birtartuik dari ataê kfdai.
afroesten, door roeBtcu er af gaan,
It-piis diiii\'ikun karot,
afrollen; van hoven —,OM. Ww. bïr-
iiorliitg dart afas,
hedr. Ww. ntfag-
g(i,-liniiknn dari ataa.
—, bedr. Ww.
ontrollen van iets dat opgerold is,
mëmboeka goehumgan,
afronden, rond maken, niïmboelatkan,
mï»tfiO\';itarkan.
afro»»en, een pak sluag geven, meug-
gatab, latmbvlasah, mhabalom.
-ocr page 51-
afschepen —■ nfschuiven.
3\'J
met h\'tnyya in verband staat;—,xoonls
tusschen zout en zoet water, ook merk.
mu het water gestnan beeft, door het
Wfttor zult\' achter gelaten, wanneer hut
_\'.v;ik\'. is, tikas.
n toeliepen, niet een vaartuig verzen-
den, mragirimkan dfngan pSrahur, niv-
iiifirimkun dengaa kapat
,■ iem. niet een
mooi praatje —, mt.iiijï-ugganknn orang
dingan lata jang MMtf; icm. met een
kleinigheid —. nielrpaskan urn,tg dP-
ngatt barang sfdtkit.
niaoheppen, mïnljedak dari «ia».
van bovendrijvende i utdi den of vuil,
mémangkas (van pangkas^; behoedzaam
het vocht — van iets. dat uien heeft
laten bezinken, lavajirittg (van siri/ig)
-■ I ii \'i 11 • i) i; ;, pruljfdokati, ptuijiringitn.
afscheren, /afaljorkorr; du wol —van de schapen, mtnggarntiitg botlof
dthiiba, mv.igguritting bwltf biri-biri.
—,
geltyk maken, door het uitstekende wei;
lo scheren, laeaiarax (van paras, glad
geachoren). — van een heg, tnvimmg-
kas (van paagkas).
:if«chet«en, eene schets van iets ma-
ken. iiierantjanakan (van ra itjana, Skr.),mëmèoewU dina/t; in het ruwe —,mvmbagan, —, de schels!ijnun teeke-
nen, mengalork (van kaiork, kromme
lijn, schelslijn). —, ontwerpen, mvrvka.
—, schetslijiu-n op iets trekken,oerors.
—, verhalend, ttivn/jcrifvrakaii, tnv.nsi\'
f af kan.
iifltchetsinjtZt ran/jana, dinah, reka.
afscheuren, mengojak (van lojuk),mvtd/arik, /avajorbik (van sovbik). —,
ruw nfstroopon, b.v. de huid van eenpaling, den bast van suikerriet, uitnjo-
jak
(van sq/ak). —, kleine stukjes van
iets, mtngotlil (van korlil). Zie ook
alrulilicn.
afschieten, van een vuurwapen, iiiviiia-
sang •
van pusaug) ,■ om het van de
lading te ontdoen, Mpmbortcaug obat.
— van een pijl, iiivmaiiti/ikan a»ak
panah,
niv.it\'paskan anak pan ah. — van
een marwanen door den trekker, van
een pijl door de boogpecs nebteruit te
halen, taë/avlik (van pel ik); iet» —,
door een schot er vnn scheiden, int-
urmbak saiapai portons :
iets van bovenaf
■ehJeten, mviiewbak dart at as.
\'i\'-n-hy nen , lichtstralen van zich geven,
bt-rsinar; glans van zich geven, btr-
i\'ju/i uja.
nlMchiJnael, sinar, tjahaja.
afschilderen, inénggainbarkaH, mvnor~
t\'is gawbamja, mhavtakan
(van pvfa);
verhalend —, mviitjiriférakav, utvn.d~
fa/kan.
nfschilferen, lavngvlorpas (van kvlof\'
pas,
schilfer). —, iels, b.v. een lak bij
kleine stukjes van de ruwe oppervlakte
ontdoen, wviijLiik (van sisik, schilfer,
schubbe).
afschillen, mtagurpas (van karpas),
intmbormiug kodifitja, tuïngorhti;
met
een mes behoedzaam —, b.v. den baat
van een boom, de huid van een dier,
het vleesch van beunen, atttijajal (van
sajat).
[il^clirniipscl, kikisan; —, uitvaair-
sel, tig. Iiampas.
afschrapen, niviigikis (van kikis); iets,
b.v. een irenee>krachtigen wortel enz.
met een stuk glas —, mvngitsah.
ul\'ti\'brupcr, pvitgikis, pvnyasah.
afschrappen, iets, b.v. een naam vnn
eune lijst, uitnghaporskan, nivmtirang
(van parang).
afschrift, sal\'iuaa sownt, ioerornan
soerat.
— dat voor later bewaard wordt,
legger, slaper, biinih.
af-ehrüven, aihijalit socral, aivttoe-
rufn sorraf.
afschrijver, djotroe-loelis. Zje «eliry-
ver.
:i !\'•*«■ lii-ilt, dien men voor iels hoeft,
takoet; een - krijgen, s?rik, b.v. bo.\'-
noeh ija, sofpaja jang laiii svrik, doodt
hem, opdat de anderen een — kiij/en.
nfschrilfltcn | iemand —, nivitdjvrakaa
(van djvra, afgeschrikt door ondervon-
den tegenspoed of moeilijkheid). Hier-
voor ook strik.
afschuhben, menjisik (vau sisik,
schubbe).
afschudden, b.v stof van de kleeren
enz. uifngirap (van kirap\\; slaande —,
m\'tagvbas (van kvbas); iels aldus —,
mvtigvbaskaii, kvbort, Hat.
i al\'si-liuii\'i\'i\'ii, iiiëiijikai (van sikal).
nfWnliuimen, iiivmboruaug borieih.
van metalen, BmMTtraag sanga.
van du kokende rijst , mviiiboetcang
tadjiii.
Hal,
niriclmiveii, naar beneden schuiven,
uivHJurong lorrorn (van sorong); van
iets —, door schuilen verwijderen,
méiijt/roag dar\'tpada; zieh van den hals
1 —, invl\'vpaskait; goed van — zijn,
-ocr page 52-
40                                       afsohuren afsnauwen.
Bom, ijtngkolong, potong. —, openbare
verkooping, Irfaug.
afslaven - zich —, mvnitnalkan dhi
(van pïnial). mtlPlahkan dirt.
afsleepen * mPnyke/akan toeroen, uihiy-
hrfakau dari at as.
afslepen , srret, tïrseret.
afslüpen, zie slijpen.
afslijten, zit: slijten. —, afgesleten,
b v. van de vingertoppen door wrijving,
aars-nors, ook afgesleten door roest enz.,
nors tclwndjorlr mPatjolrk garam, Sprw.
voor iem. die niets dan zout bij zijne
rijst heeft, d. i. bij schrnle kost leeft.
afslipi>en, afglippen, lortjoet, loepuet.
Zie ook bij slippen.
afsluiten, door middel van een dot.
taengomtji (van koentji). —, door mid-
del van een grendel of knoop, mengun-
fjiay
(van kantjitiy). —, door middel
van een slagboom of dwnrshout enz.
mïn/eiigka/iy (van sïngkariy). —, door
er iets over te spannen, b.v. een touw,
rotan, net enz. van een wei\', rivier
enz. merPatangi, laïrintangl. —, ver-
sperren, van een weg, rivier, dooigang,
den stam van vriichtboomen door er
doren» om te binden. mrrPbat. —, ver-
sperren, barricadeeren van een weg.
ook: i.téngempang, b.v. tnaka tdih tor-
tra» Varquar dipanyyiltija urany-oravy
disitoc, disoeroehtija. êmpung soenyai
itoe,
en \\\'. ontbood de lieden dnnr en
beval hun die rivier door eene vet-
sperrini\' af te sluiten. —, beletten van
den door-jam; voor wild of visch door
eene afsluiting, gemaakt van takken,
bamboe, bladeren enz. mvajiwar (van
sawa-r). —, door al wat tot hindernis
dient mvnjakat (van sakat, hindernis).
afsluiting- pPvgoriifj\'i, pPngantjiny, pr-
nyïiHjmng, peujan-ar. pènjakaf.
Zie het
verschil in beteekenis bij afsluiten —,
vnn rivieren, wegen of erven, door middel
vnn iiuinuu-ioInn,//iWvw-#rt/w-\\ —, door
middel van lakken, êarajf. Pad. bov, 1.
ufsluitstuk, eindstuk van iets, peia-
boenoek.
nfsmahken, van boven neersmakken,
tafatjampak dari nfas, laendiant\'nig,
nfsmeeken, titïinorhariiktin (van pur-
hom).
af>«nieeliins, porhoeu, pemorhornan.
afsnau wen , mLiriigkivg (van tPt/gkiay),
mfujt-rï-gah
(van sPrPgah). Zie snau-
wen.
goedgcefs zijn, „toera/t, tanga» fórboeka, \\
dvrmawan.
iilsrlHircn , wfa/ff</03oJ>\\ —, met ichrt-
ren schoon mixken, mrmpr,esihka.7t di-
nyau mrityyosok,
— met een zeker soort
vnn ruwe bladen, zoonis bij ons met
schuu rbiczen, titénghumprfas, op Java.
rrmpr/as, id. —, polijsten, mPiHjonpam.
afsuhutsel, svkat. —, wand, duiding,
—, omheining, payar. —, rand <>t\' dijk
om iets. Hat, prin/ikat, btndotugan.
afschutten, uirnjrkat (van sekat). —,
van een wand voorzien, métidiadingi.
—, van eene omheining voorzien, mï-
mogari
(van pagar). —, van een rand
of dijk voorzien, nnnyikut, niïmhïn-
ttü\'Htfkaii.
afschuw, gi/i, nyert. —, haat, nfkeer,
btntji.
afschuwelijk, kafóntjiau, kaytlian,
halbon,
Ar.
afslaan, kon ot\' punt met e\'én zwaard*
slnir, mvMantjomg (van pauijomy); met
één houw het hoofd —, wfaoijifm
(van panykas), mtmapat kapala; het
hoofd of iets anders op een blok of
iets dat er onder ligt — , mïtiPndas
(van tindas). —, met een Mok, b.v.
vruchten of iets anders dat hangt,
oniitïpith (van pPpah). —, van klccdc-
enz. omdat er stof of iets dcrirelijks
op is, unagïbaskan (van kibas), b.v.
hij sloeg zijn bandje af, dikvbastija
badjoenja.
Ook als een viseh met do
staart iets van zich afslaat, b.v. maka
dikïhaskan idih ikan Hor fatigatwja,
en de visch sloeg hare hand af. —,
afweren vnn een wnpcuMoot ol\' houw,
tnenavykigkn.il (vnn tauykls), mPnjalaJi-
kun
(van uil aft). — van den vijand.
mïiïyoi\'itdorrkan morsorh, mPnyalnhkaa
moesarh.
—, afhakken, mPnrtak (vnn
tvfiik\\; bij stukken —, meair,igaal (van
pïnyyal), — va» een verzoek, mrnyeny-
ganktm
(van %nggan), — van zeilen,
miinoerocnkan lajar (vnn toeroen).
vnn den prijs, d/a/oh harya, toeroen
fiarga,
b.v. du kntjang-oüe is nu af-
gestngen, miiijak katjaiiy sakarany so>\'-
dah toeroen hargnaja. --
van zijn an-
ker, larai daripada djatigkanija, larai
dari/itida saaehnja.
afslag;, weiirering, ïnggan. —, vermtn-
dering in prijs, djaloh harya, forroeii
harya.
—, vermindering van straf, koe-
rang sik-sa.
—, vermindcing van een
-ocr page 53-
11
ui-nü.l.n — iU\'sliiud,
iit\'-prunlt, djandji, ptvdjandjian; een
—  voor twee jaren, djandji doeira ta*
kom;
zich aan de — houden, tnPniïli-
hiwakan djandji; bertëtap af at djandji;
zijne belofte vervullen, laenjan/yaikan
djandji,
(vnn tampai); cenc — maken,
bérdjandji; met elknnder, /lerdjoedji.
djandjia,/;
met elknnder een vaste —
Hinken, bertPyo/idéyn/ian djandji, hererat-
ï-ratan;
cene — verbreken, rningobakkan
djinidji, i/ierombak djandji
; cene — ma-
ken met handslag, l/êr/ljandji Üfriantpaf
tangan.
niMpreben, bn-djandji; mc\\ elkander—,
bërdjandji-djaiidjfaa; vast met elkander
—, bertegoh-tïgohan djandji.
ui*»printït\'ii. vnn boven afspringen, me-
loiitpat dart utas.
Niet bepaald vnn bu-
ven, maar \\an een voorweip af, w?-
larmpmt dmri. Op- en afspringen, mt-
tompai ,/aik fjerofn.
—, zich vnn bo\\en
neerstorten, terdjorn; met zijn velen,
bitirdjont-terdjoman. — in het water,
mfmfjióoer; uiet verscheidenheid, i/ifn-
tjHar-tjfboiT;
zijwaarts — vnn iet.-,
dat geworpen of geschoten is, door het
een ot ander voorwerp te raken, peten-
tjft
— vnn eene /aak, niet doorgaan,
tfada djadi-, batal. Ar. doen —, mï-ui-
bafatk.iêi;
b.v. de vcikoopinu springt
at\', Ifloi\'ttg Hoe tiadu djadi; hij heeft
die zaak doen —, ija soednh mei,iba-
fatkan perkara ito/\'.
afpttunn, ne bij nt\'-tnncl.
atWtmiimcliim, foeroman, pautjaran,
fitixan;
nfstninmelingen ook: aiiak-fjo-
fjoe, dzoerrijat.
Ar. — van gemtnird
ras, of in den vreemde geboren, p?ra-
liakan,
b.v. op Java: pvrauakan Mï-
lajoe,
afstammeling van de Mnleieis,
péranakan Tjfnu, afstammeling van de
Cbineexen enz.
afalummen, toef-oen, atol, Ar. berasul,
berptt/djfir, m&nitit, letterl, afdruipen
(vnn fitix). Al afstammend, toeroev-ie-
moeroen.
ii 1-1 :i in mi ii iz, l\'oeroenan,ptintj/irun, fit\'-
tg», pYyfifisaii.
ni-i:in<i, verte, djeoeh; do — van een
pijlschot, sapeniannh djaoehnja, de —,
waarop een pijl nog raakt, sm/iakanan
pa,/ah,
— waarop een k\'jgel nos raakr,
sni/ntkunan peloeroe. —. dien uien met
den nrm bereiken kan, tapen japai: de
—  vnn een steenworp, tapelaetar hafaê
djaüe/i,/ja,
—, waarop men iemand nog
iii-.iiü« 1 •\'» • ntïmotottg (van patong}, m?-
nye\'rat
(van tergt). —, dicht onder do
oppervlakte, /,/Ptajang. —, horizontale
lappen, zoonis vleesch voor biefstuk,
visch om te droiren. menjijat (van af jat).
—  van neus ot\' ooren, /lieramfiangkan.
—  een stuk vnn den rnnd, b v. vaa
papier, een boek enz. inendjoreng, mt-
jtnri/t
(vnn torih); te voel afgesneden
van een boek, zoodat lengte en breedte
niet meer in verhouding stnan, boent at.
—   der rij>taren, /nPugëfam (van kPtani,
het uit\'sjc, dat daarvoor gebruikt wordt),
mëiioetcai (van fonrai, id.); de nagels
—, memutitug koekoe, inényerat koekoe;
w de nageU kort en recht —, mtmottf
(van tabak). Het — der nagels bij
pasgeborenen als bijzondere plecht ig-
heid vóór de naamgeving wordt ver-
meld in Hik. Mes Pr. Dj.; de uit-
schictende loten van een hei:, het loof
van radijs of kool, het ondereinde van
vruchten —, mémangktui (van partijkas),
—    een bijennest lanira du vlakte,
waaraan het hanst, uitnjadau (van
sadau). —; kort afgesneden, vnn uiou-
wcn, kofony. ■■ , fig. den koitsten weg
nemen, n/érettfas, mïmi»/as{\\n.n yintas),
overal den weg —, pintat-mVmintas
Ook aan iemand of iets overal den
weg —, den pas nl\'snijden, pintas-un\'-
nti.it at; —, versperren vnn een weg,
niiwhthat iljaltin, b.v. eti ook al de
wegen hebben wij nfgcMicdcn, versperd,
dan seyala djalan po» soedah kif ft
Ui-bat.
— , afgesneden van den weg
rooi iemand, zoowel naar voren als
naar aehteren, këpoeiig-gêndaiig. — met
ecne schanr, inengyomtiny. — van het
haar, uitmotoma rawboet; iem. do lange
haren tot straf — , mérayas. — van
den hals, slnclitcn op die wijze, we-
ajëndieleh
(van seinbete/t). — ; nfgcsne-
den vnn alle hoop ot\' verwachting,
yoetoet harap, portoen am; iemand den
weg —, meuialanyl (vnn paiano), me-
rintavyi.
Zie verder bij Hnijden 8D
Knoeten.
1 i\'«-nijilst\'l , potonyan, kï-ratan, goft/fi-
nyon,
enz. Zie bij ni-.iii,i.i. >n.
i -i l. m ■ ii 11, mtrantiny, meranfjoeny ; de
uitschietende loten —, mëmauykat (tui
panykas).
afimoelMl, rantinyan, raiitjoenyau.
ufWpoeleil, méitgafinbah van koembah);
het land —, van de golven, uitdun darat.
-ocr page 54-
42
n f* trippen — nfatorten.
beroepen knn, saroetra/iait, pfajcroe, per-
*e.rof.
—, ook rt.tljanitt doch zelden
endere dan in deze uitdrukkingen: m-
rttljauij koada Wrlari, afstand dooreen
paard dravende afgelegd, tartdjung mata
vtiiiiiftttliDitj
(van pantitniy), oen afstand
zoover hut oog reikt; een onbepaald
verre —, judjauu, Skr. b.v. sajodjaua
utala titïiaam/atty,
een ■— zou ver het
OOg reikt, lil liet Ski\', i- het een af-
stand van 32 duiz. ellcboog&ellcn of 9
Kng. mijlen; o» een —, dart djaoeh;
op een verren —, dari djuueit-t/jaue/i;
onderlinge —, tljurak, waaneer die ga- .
ring, tijaorh, waaneer die groot is, b.v. ;
de onderlinge — tus&cben die boouien
is drie voet, ptihou Hor Hya kaki t/ja-
ttik\'tja;
de onderlinge — lunchen Ha-
tavia en Sawuiang is lien dagreizen,
ittyari Jlulatet dan StinaiUiiy sapurlwh
Itari phdjalanau d/aat/tnja.
—. tuttcben-
ruiinte, ook tot f ara en st/any; iemand j
op een — houden, uttndjaoehkan di- i
riuja dart pat/a sa\'uraity, lettarl. zich
van ieniund verwijderd bonden. — doen,
utilipttska» . utïiitp* il< rit Ukan , mtuiny-
attlkau, birhtuti dari pada, utt utbiarkan.
Het onderscheid blijkt uit de volgende
voorbeelden; — doen van de ngeering,
mt-minjtjalktut kttradjaaa (van tiuyyal),
bh\'hi\'uti dart pada karadjaiin, tueruen
dari pat/a tachta karadjaaa.
)n de be- ,
leekenis van ubdieeeren, ook mlzalkan
diri/ija,
letterl. ziehzelven afzetten, (van
uüzal, A r.); ook tucMyflzi/kati di riuja
dari karadjaaa
(van tlzi/, Ar.). — laten \\
doen vau de regeer ing, mïmapas kara- \\
djaau;
iemand zijn vorstelijke afkomst
ontnomen, tiittuapas ayoeny, — doen van
zijn doel, utidvpaskan wtajrtoed, —doen
van bet opiumrookeii, niviuptr/thilikan
miuoeiu mtidat, btrhiPuti tlttiiptttla tui-
noem madaf, tntuthiarkan madat, •
—■
doen van zijn recht op iels, méltpaskan .
(tajfitja; tutti ittyya/kau /tak/tja. —duon,
scheiden, verlaten, ook brrdjural\' dttt-
t/au
; geen — willen doen, t\'tada ntaoe
bh\'tljarak- dvityau.
Biertappen, toeroen, toeroen dari alav,
tijdelijk — op eene plaats,fMWfwfc,b.v.
hij deed hein bij zich —, disintpjah-
kaatija.
— vnn zijn panrd, loerneu dari
alti* kofdtiHJa.
—, eene lengte door —
meten, ittïlanyka/tktiu, itiettyoekuer dP- i
nyan utilanykuhkaa.— lig. b.v. van ceno j
zaak —, utentbiarkan soeator ptrkara.
fs teken, afvaren, méiioelak:, b.v. don
derden staken wij af, pada tiya /tart
buelan tarnt titraotdafr.
Ook eenvoudig
bvrlajar. —, zich snel van een plaats
verwijderen, zoonis b.v. oen paard bij een
wedren enz. itteitt/oeiubas (van ofmbtts).
—    vnn schietgeweer, lueiaasany (van
pasauy). — met een beitel, mfmahat
(van pa/t al). —, afsnijden van cen ge-
deelle met een snijdend werktuig, erf-
mutuuy (van poltiay). — van den hals,
•lachten, utenjembfleh (vau sf/ttbrlr/i),
mt\'iatduuy
(van patouy). — vnn een Ier-
rein, uttuattdai (van fautla). — vnn de
loef aan iemand, meudthotloti. Van zich
—  met een steekwapen, zie bij stelien.
—   van kleuren, berltütia.t dniyitu, btr-
Ijidtva df.iyit»;
schel — van kleuren,
maki-utaki, letterl. schelden, b.v. dat
rood van het baadje steekt schel af
bij de bleekheid van haar gelaat, iiirraft
badjae ttoe tnaki-ntaki poef jat morkanja,
letterl. scheldt de bleekheid van haar
gelaat. — van cen louw, mar., nt\'etiy-
hwloerkan ta/i,
—, verschillen, berbeda,
bftlatitan.
afstempelen, van cen stempel voorzien,
ittttitbofbutr/t ijap, tmtubtifboe/i utflrai.
iifuteirven, taalt, meiiivijtjal: vnn Vor-
stcn, viautjkal, a-a fat, Ar. Dit laatsto
ook van aanzienlijke geustclijkeu. Al-
geslorven, wijlen, van Vorsten, mar*
boem,
Ar.; der wereld —, ntati akau
dutitia mi.
iil\'stii^en. vau eene hoogte, dus ook
vun een rijbeest en rijtuig, toeroeu. —,
vuu den troon, zie bij nfatnntl*
;it\'«.tull"i\'ii, tttfayanykat haboenja, m?nja-
pof haboenja
(van sapof); slaande —,
iiiftitjebaskaii hahumija (van kèbas).
ufMtumpen, stomp worden, djadiloem-
pot-l;
slomp maken, lueituemptwlktut (van
foi-mpurt), b.v dnt been heeft het mes
afgestompt, toflanij Hoe swdah mènoeni\'
poelkan pisau.
Ook lig. b.v. den geest
—, iittuocmpoflkan tïkaf-boedi.
afietOOtODi tunigstooten, mvitoelak (van
toelafc)* —, van boven neerstooleii, me-
itt\'rt/jtifitkan
(van terdjont), uitiiaelafy
dari afas.
— met do hoornen, zoodat
bet gestootene er afbreekt, utcnandttei:
sampt\'.i palah
(van laadvej;). \\owpatah
een ander woord, naarmate van de wijze
van afbreken. Zie ook nfttnfitsen.
ufslort rn, vnn boven storten met een
Bprong, tvrdjocn; zoo doen —, ww/èr-
-ocr page 55-
48
afstraffen — aftrekken.
djoenkan; zich zoo —, m/étit-rdjofttltin
dtriiija;
zich met zijn paard op iets—,
nienijhamboerkan dirinja dvitgan lof-
davja;
zich met zijn velen —, beter\'
djoen-terdjornan.
— van vochten, zie
liij Htorten. —, van boven vallen,
djat oh (h\'ri afas. —, van boven ncer-
gieten, nie-itjorrahkaa dart atas.
nf**truflent in het algem. menjik\'sakau
(van siksa), meinbiri siksa, meinjadjari,
Ictlcrl. iem. beleercn. —, geeselen,
meadera.
afstraffing» 3\'ksa. —, gecseling, dern.
afstralen, berst/mr; doen —. bersinar-
kun;
een glans duen —, bersinarkan
fjahaja
iitt*trü<lf*n; afgestreden, vermoeid van
bet strijden, pen at beiperauy, /f/ah b<r-
phaiig.
nfMtr\\jken, van een inhoudsiunnt met
een rol of strijkstok, mèmepat (xmi mtpmf).
mtwmnu
(van paras). —, van de vuile
vinder» of iets anders ergens nun, men-
tjaltt, men/jelid. — ,
niet de knijpende
vinders of band iets dat ergens opzit,
zoonis, b.v. muggen van een arm, ge-
kookt vleescb van de beenen en dergel.
we/wroet, b.v. /oeroefau borkatiuja tam-
paraii,
het was — en niet slaan (mul.
de groote menigte muggen i. — van
eeu lucifer, meninnti^ (vnn pa at ik\').
iilsli\'ouniin. menga/ir; van het Water
in eene rivier, hilir, mi/ir. —, ebben,
soeroet. — hing» iels, berhi/irim; van
tranen. berliiiavy-Unany; \\ an zweet, £t-
/lambuerati, m\'-nga/tr.
nfNtroopen; de huid —, mhtgoeliti (vnn
ko\'/if); de huid ruw —, afscheuren,
zuoals van paling, uiè»jojak (vhu sijak-).
—, inct de knijpende haud of vinger»,
uie/ucroid. Zie ook afscheuren en
llfuchillcn.
afstuiten, terugstuilen op iets, vaneen
veerkrachtig lichaam, imiiiantoid (van
paatoel) b.v. de kogel stuitte al\'op een
rots, peloeroe mtmtmioel kom btttoe-, doen
— in dien zin, mëman/oelJkattj bij hor-
hnling - , laeiiiavtoid-aiuntoil. ■—, tc-
rugspringen uit ziclizclven, zoonis een
springveeren matras, de zitting van een
stoel met veeren, iets dat onder water :
geduwd is, doch ligter is dan bet water,
im;tgantboid (van mmboêl). , al\'scham-
l»en, sentak"; afgestuit, nfgcsrhnmpt, trr-
seatuk,
b.v. viaka pavah ifoe meneadang
kéinbali dëagan fangkasnja s\'ebab ters\'ea- \'
tak; die pijl sprong snel terug omdat
zij afstuitte.
iii\'-*l uit inur. paatoe/aii, péiagamboe/aii.
—, afschnmping, ihltakan.
afruilen, afglijden door iets, mé/ne/oer,
b.V. apabi/a dirasaaja diriaja akaa
djatoh me/oe/on;
als hij voelde dat hij
er ufsiillen zou en vallen.
aftappen, van palmen ter verkrijging
van het palmsap. waarvan men palm-
wijn en suiker maakt, .aeajadap (van
sudap); bet — in die bcteekenis, M-
dapHit; de nftapper, pènjadapi het mcs_
daarvoor in gebruik, pisau tadttp,
van een vat , iar.itjerat (vnn fjerat,
kraan). — van het bloed. Zie inlcr-
laten.
nfl celtenen, taenyya „tbarkan, meaoe/is
iiaii.l>ar,ija, ui fin el\'o kan
(van p\'efa).
nfteekeninc* guaibar, pfta. Zie ook
H< lietss.
nftillen, iets van boven—, niïwyanykat
dari atas, rnXuioeroeakan
\'van toeroeu).
uit olil m\'ii ; zieh/elven — , w\'r/r/ahkaif
di.nija, uiemeiiatkan dirinja
(van prnaf);
ttie/etihkan diriija;
nfiïetobd. peuat-le/ah ;
zich — of nfsloovcn. doodwerken, ber-
niati-uiaii m\'eiiijerdjakan.
aftocht, oeudoer, kè-aba/i.
aftocht-trom , i/tad\'-rang kiniba/t; de
— slaan, niema/oe geadhuing ktinba/i
(vuil pnluf).
aftoppen, tni,aaui//.a.i (vnn paiigkas).
aft o men, uieinborka djahitunnja. Zie
tornen.
aft rappen; van hoven —, m\\iiendn»g
dari atas
(vnn feiidaiig): iets van iels
ander», waaraan het gehecht is — ,
uinitiidiiug portoet.
nftreclen» afstijgen, toe-roeti. —. met
treden afmeten, nn/aiiykahka,is menyoe-
koer deiiyiut lang/ah.
—, afwijken ,
uiViijiiiipiiiiii (van timpang), b.v, van
den rechten weg —, mêmjimjMMff dari-
pada djiUon jaag bet ml.
— van het
pnd der deugd, iiieniiigija/k-m dju/a/i
kalmd-jikan.
aftrek, van koopwaar, takoe, — heb-
ben, takoe: een goeden — hebben,
lakot\' biiiar, pajoe, laris.
aftrekken, arilhm. meimitontj (van po-
tong), fjétit/kototig;
de huid —, meiiyoe-
liti
(van kor/if); met e,\'n ruk, de huid
afscheuren, zooals van een paling, «/»\'•
tijojafc (van sojafr), —, afplukken, een
sluk van den schil of van do korst
-ocr page 56-
14
aftreksel — nfvtiren.
hem er — , djtka goegoer ija afin?
digoegoerkan koedanja akatidia.
—\\au
een vaartuig, opzij uit den koers gedron-
ircn, wtriaÊOan, djatoh kabatrah «uw,
zie ook afdrijven. —, van boven
neervallen, djatah dari atas. —, niugcr
worden, mtndjmdi koeroes. —, afvallig
worden vnn den Vorst, meudoerhaka;
fig. b\'èrpaling haloeicmi. — van het
geloof, tririidjudi inoerfad, Ar.
afvallig; — worden, verraad plegen,
ba/da. — worden van den Vorst, Aèv-
p,i/>,/// halihirttn, b.v. djikalau liada
iit.,i,i d\'dioetci\'vijuja Bochtiitr itoe, patik
aakaitOH jam btrpaiïitg ha/oewatt/"//
,
als bij dien B. niet verbant, dan zul-
len wij allen — worden. — worden
vnn het geloof, djadt\' moerfad, Ar.
afvallige, van len Vont, orang doet-
haka.
— vnn den godsdienst, ortittg
innertad.
afvaren, mhiorlak htrhijar(vnn toetejr).
afvegen, meajapoe (van sapoe); wiij-
vend - , mëngyosok; wrijvend of tcou-
iciul iets —, b.v. een meubelstuk eu
dergcl., minftnUU (van sental). —, af-
drogen met een wrijf- of vaatdoek,
vtritijïsat (van kesuf), b.v. pingganuja.
dikesuf, diberi <ja,di,
zijn bord weid
afgeveegd en een ander in de plaats
gegeven. — vun de vuile vinders ei-
gens nnn, mêntjaUt, mbtfjelet. — van
de billen, na het doen vun een groot o
boodschap (dus niet afwasschen), b$r-
ihtgkilai,
at villen, tifngoeliti (van koelt t), »ie*
ngoepas
(vun koepas).
afvijlen, mJJèngihrkan (van kikir).
nfvUlKel, kikiraa, tahi. kikir.
afvoer, pëaoeroenait.
afvoeren, wembatca foeroea; met den
stroom —, w>nghilirkaa.
afvoerrecht, huk p\'énoeroenan.
afvnrderen, miiiayih (van tagih), m,-
nocutoet (van tondocf), miêminUi déngan
kr/ti.i (vnn jdnttt).
afvordering, i>euagihmi, pénoen toet tot.
afvragen, zie afvorderen. —, vra-
gen naar, btrta.ijukan ; nauwkeurig —,
birtatijukmi d\'eugan saksama, bertat/Ja-
kan dfiigini set/dik, m?/ije/r~di$\\
afvuren, uiï\'nttixaiiij f van pasang). —,
aansteken, b.v. met een lont, iiieatjo.-
fjoe/i.
—, door den trekker achteruit
te halen, i.itiiiefik (van pet ik). — oro raa
de lnding te ontdoen, uiemboetcavg obat.
van iets, rnïngopak (van kopuk), van
een kleiner stuk, mèngopek.— van bel
hart van iets, wefaraikan ha.fi; afge-
trokken in dien zin, /anti; b.v. dut
zijn hart niet afgetrokken worde, ha-
timja djangatt f ar ai;
van hoven —,
m\'enarik duri a/as (van tarik\\. — roet
een ruk, menjentak (van senfak). - ,
terugtrekken, oendoer. — van de wacht,
oendoer dmripadm knomtwm \\ de hand
van iemand —, uiembiarkau sa\'oramg,
mrl\'iHisktm tangan daripada sa\'orang;
de lading van een geweer —, meug*»
foeicarkan isi bidil, ui\'rntjabort isi bed tl\';
iemand van zijn voornemen — , m\'ema-
liugkan oratig daripada maksoednja (\\an
paling);
een geweer —, door te trek-
ken aan den trekker, memelik (van
pe/ik). — in water koken, r\'eboes, m\'n\'e-
toe».
— in stoom of damp, distilleerea,
mhtgoekoet (van koetoes). —, nlgetrok-
ken, zie ald.
aftreksel, in kokend water, reboesan;
of damp. koekoesan.
aft roanelen , unlohnkan, ute.tyTikatktni ;
iemand zijn geld —, laengïikalkan
doemt orang;
iemand zijn goed —,
iiulofjtikaii harta-lAnda orang,
;il I ui mi\'li\'n . hneuibalang dari u/as.
\\an velen, bïr/weniba/aitgan dari atas.
aft ui meling, hn-mhahivgn.i dari atas.
ni\'i iiincn , van eene heining voorzien,
mPmagari (van pagar); rondom —, mfa
magari bérkoeUling.
nfvaardigen , vun personen, whtgoetoes,
wtfarioeroekkan
(vnn soeroeh).
iitviil, allerlei droog vuilnis, sampah.
—, overschot van uitgeperste, atge-
trokken, bewerkte of uitgekauwde za-
ken, kompa». — van het merg der
Bacopalmen, na de uitpersing, iftwar
pin. ■- , overschot, uitschot, fjerth, vd W.;
onbruikbare —, snippers van lijnwaad,
papier, vnn een gedachte kip de poo*
ten en punten der vlerken enz. redja.
—, mest, sërasah. — vnn den Vorst,
duerhaka. — van het geloof, tidduf. Ar. ,
afvallen, van bladeren of vruchten,
loeroeh. —, van bladeren, kleedercn
enz., ffinggtif; vóór den tijd, onrijp —,
goegoer, b.v. afgevallen vruchten, boe-
tcah-boewah goegoeran;
juist in groot en !
overvloed —, tïityah djerah OOegOCf;
vnn een paard —, goegiu-r duri atas
kvda
; doen —, tnhiggoegoerkan, b.v.
als hij er afvalt, of zijn paard doet
-ocr page 57-
al \'waaien — ufweztn,                                           45
b.v. cene slechte gewoonte —, nïhtiag-
yalkaa adat dja/zaf;
eenc gewoonte—,
uok uriayhilanykan biata.
afwentelen, inhiyyocliaykan, /aenggo-
/■•!■\'.\' Van ielb —, mXnyyoi-linykan
da,i pada,
of ui. dari a/as. — van
gruoler vuui werpen, èaiaghocmbaluuykaa
dari utas.
afweren, van een pijl of onheil, me-
aangkitkaa
(van tanykis); aan het —
ziju van velen , bï-rlaiigkis- lanykisan;
over en weer van twee partijen, tany-
kis-ialaauykis.
—, teiug.-tootcn, menoe-
lak
(van ioilak-}. — met de handen,
b.v. om bet binnenkomen van iemand
te beletten, wtibuh• ndwny (van tofudoeug);
elkander — in dien zin, blrioendoeug-
tvi-ndofugaii.
—, zachl afslaan met den
rug vau de hand, aiXntpis (van tXpit).
— uiet de band van een slag, aiSue-
pak
(van ttpafr). —, pnreeren, bij het
schermen, laïiijilat (van silatj, — van
een wjipenaluot, mX-ajalahkan tikOM (vnn
salah). —, door b.v. een geweer, lans,
stang of sloephnnk er voor te houden,
mëajayaiiy (van sagauy). Datgene, wat
daarvoor gebruikt wordt, pX-njayany
van onheil door een tuovcrniiddel ot\'
amulet, Hiï/iit.iykal. Het middel daar-
\\oor gebruikt, pjiutngkül (vaa taaykal),
afwerjiifi, ptnanyk\'>iaii,jrt:iu>rfakau enz.
/ie afweren.
ufwerken, niu-aken van een werk,///ï>
vjucdakkau (van soedah), menyhahiskan
pëktrdjaatt;
geheel afwerken, volko-
nien welk leveren van iets, uitnjam-
poernakan
(van tampotrn* Ski".); slecht
afgewerkt, grof, yaf/as, kasar; zich —,
bï-rlïlali, berliia/tkau dirinja.
afwerpen, van boven —, taëtuetar
dari atas, uiefcmpar dari af as;
naar
beneden werpen, meluwifar kabaicah,
iiicff/apar kabatcafi; voordeel —, mem-
batca fjat\'d, mvitdalaitykaa hasil, a/ea-
data/iykaa laba;
een kleed of wapen-
rusting —. laXnauygalka» (vnn tanyyal);
de huid —, vervellen zooals eene slang,
bïrtufkar koi\'littmeaibuftcany suroiuignja;
afval —, Miutnyyalkan hampai, b.v.
van suikerriet, dat geperst wordt, en
dergel.
afwezen ( niet tegenwoordig zijn, t\'tada
hadlir,
Ar. Ook alleen tiiula, zooals
volgt uit de samenstelling Ü of fa,
niet en ada, zijn. In iemands —, paila
iitasa orang t\'uula
of tiada hadlir. Sedert
afwaaien; afgewaaid, door dan wind
meegevoerd, dtt*rhanykau anyin; door
den wind afgevallen, zooals vruchten
en bladeien, ooeaoer diporkoel aayia.
afwaarts; kahamih ; rivier —, lailir.
afwachten • laïtmntikan (van nattfi);
op weg —, op iets staan wachten,
wachtend opletten, laeayadanyi (van
adaag), De plaats om iemand of iets
af te wachten, ttiapat jiényadaay; zijn
tijd—, de gelegenheid voor iel» waken,
„i-ujïuijmt (van ëëmpmt),
nfwBNschen , uiruibasorh, iiiïnfjut\'tji-
tsMj
zich — na het doen van zijn
gevoeg, Mrtifjfbolr, isfindja. Ar. Zie ook
bij wnsac-lien.
nfwiiteren; afstroomen van het water.
witngatif; doen —, mXnyalirkan.
afwatering, aliran; Mcike — uit de
bovenlanden, ajarhah, kodjuh.
afweermiddel; middel oin onheil af
te weren, pfiuutykaf.
iifwejjen , mXnirtdjany (van tiwbany).
afwenden, zieh —, bXrpalhiy, bfrpa-
/\'iif/kii\'/ diriuja;
iets —, inXiitaliinjkun ,-
zich van iemand —, zijne zaak ver-
Inten, tig. bh-paling haloewan; hot ge-
laat — van, bïrpaling moeka dari pada ;
niet afkeer of uit trotschheid het gelaat
— , mX-lengors; do oogen —, bXrbalik
mafii;
afgewend van de oogen, ook
liunjah, b.v. tiadalah lengah mafanja
dari pada mëi\'h/oi\'ay aknndia,
zijne oogen
bleven onafgewend haar aanstaren. —,
van een vaartuig, mïmibtdvel\'kan pXra-
Hoe,
b.v. een vaartuig van den wal —,
mSmiglce&Aan pirakoa dart pada darat.
Ook gebruikt voor wenden van een
rijtuig; terzijde — van den rechten
weg, uïénjimpaagkan (van aimpang); van
de rechte richting afgewend, kêrok, vd\\Y.
—, afkeeren van ecu wnpenstout, pijl,
kogel of onheil , /aX-na/igkiska» (van
iatiykis); zie ook afweren. ■— vnn
een gevaar, mXadjaoi-hkan Itahaja, mr-
iiialhiijkuii bahaja
(van paliiiy). Van
eene plaag, uiX-aoi-lnkkan bïda, b.v. apa
bifjara kaaxte sakaliau pada mhtoidak-
ka» hela
hu, wat raadt gij lieden allen
tot afwending vnn dit gevaar:1 —, van
zieh nfstootcn, mXnoelak (van toelak);
iemand van iets —, wX\'taóalikkan orang
dari pada;
iemnnd tegenhouden of
weerhouden, laPna/iaakatt (van ia Aan),
müuXyahkar.
(van tXgah).
ofwennen , inXainyyalkan (van ïuiggat),
-ocr page 58-
46                                          afwezen — nfwrUven.
vnn een kogel, tiHuttêt, —, afdwalen,
ti\'sat, bi-r&ëtaf. — van do wet, biyfji\'
dera demjan hurkoaa, bertjidera denyau
of»da»y-wndany.
— van een bevel,
mtlahu-i per f utah. — van, verschillen
met, bnbeda dr,iyant b.v. zijn gedrag
wijkt zeur af vun hetgeen hij spreekt,
kalakoeattvja tan (jat berbrda dénya/i
kat auja.
fifwykin*:, tii.tpanyau1 tettttaa, yiiiyxi-
rau
enz. Zie bij nfwUliun. — der
tonen, perubahau boeiiji. - , verschil,
ichtUaf, Ar.
afwijzen» van een bede of verzoek,
mèvyenyyankan (vnn enyyan), ineHoelak
(van turlak , tiuda WilTniia (van &•
tiiiin), tiada mtoeloeskau.
—, van de
hand wijzen van een persoon of zuak,
niet willen aannemen, wraken, më/iam-
pik
(van tan/pik); iemand —, meny-
hempakaa vratiy,
letterl. iemand ledig
wegzenden. — van den vijand, hem
doen terugtrekken, menyoendoerkan
moetoeh.
ivl\'wvjziiiii, \'\'nyya», penoelakau.
afwiüHchen, nieujapoe, \\\\aa sapoe). Zie
verder bij nfveuen.
afwinteren, onz. Ww. bëryanti, béï-
tofkar,
bedr. Ww. itiniyyaa/i,iueuoekar.
—    om den andere, bersetanyie/any,
meitjetany-njelany, bffsefa»y-si\'ti/ty, tue-
njidaiiy-ujt\'liny.
— van den wind of de
seizoenen, beralih; elkander —, Aèr-
yanti-yanti; om en om, yanti-beryan/i.
—   van geld, ziu bij windelen.
afwinnelend , beryau/t-yan/i. —om en
om, yanti- bëryanti. —, om den ander
tuiichen eentge voorwerpen in, bërse-
lany-ttlany ,
iVfnt/iiii ein\'aj , seta-me-
njfta,
b.v. kraaltjes lijgen, afwisselend
rood en zwait, mritoesuek maai k-man ik
beftelany-teliny merah dan hitant
—,
allerlei, berbayaidtayai, b.v. afwisselende
guluidun, berbayai bayai boenji. — mu-
ziek, btibayai-bayai bui\'ujt-bornjiau.
afwiwKeliny;, yeiyaat\'um, toekaran.—,
beurtwisseling, yiliran, — vnn wind
of seizoen, peralihan. —, allerlei, in
muziek, veruiuken, woorden goederen
enz. bfrbtiyai-buyai. — van lag en
nacht, pfi-yautian siany dan matain,
perkisaraa tiany dan uiatani
Dit luatite
betcekent meer wenteling, draaiing.
nfwrUven , nifiiyijuxok, b,», de tafel —,
iiifiiyyutük uiedja. — van do lippen
HMt een tabakspruïm, menyusal (van
iemands —, mipbiiiiyyal oratiy, lelterl. l
na iemands vertrek. In hut afwezen
der uetuigen, paila mata sfyala sak si
tiuda hadtir.
afwezen, at\' zijn, verwijderd zijn van,
djaoeh daripada; van iemand —, be-
viijd zijn, terlcput daripada ta\'urany.
Vun /.ijnu vrouw —, be/fjerai efimgtm
biitinja.
van werk, geëindigd, tvdah,
habis. sftétai;
van iets niet kunnen —,
bet noodzakelijk moeten doen, fa\'dapat
tiada,
b.v. ik kan er niet van — beui
te ontmoeten fa\'dapat fiat/u akoe Mr-
djoempa denyau dia. —, los van iets
zijn, ttpcu, toevalliger wijze, ttrttpai,
b.v. een rinic van uen vinger, tiin/jia
tipa
dart pada djaii.
iitwc/i-ixl, tiada, tiada hadlir.
nfwezendlieid, bet er niet zijn, katia-
da Ju,
b.v, zij weent uut de — hum*
kinderen, \'tja wnnantjis uba/j kaiiadaitti
anakuja.
afwijken, van den reebten weg —,
wiiijinipattf/, wiujUimpm*g{ymA timpamg);
nnn alle kanten, links un r\'.ehts - , [
shitpmirf-xijoir, ook \\ un een couipas- :
tiuuld; doen — van du rechte richting,
h tujiwpaitykaa; woorden die in betee-
kcnïs —, pérkataan ftuVriwaojnr limnMMa.
- , van den weg, dien uien zieb vuoi-
gi-nou en liud te volgen, den verkeerden
weg opgaan, ouk in zedeltjken zin, ittr-
liufjotfiiy.
— naar den cencu of anduren
kunt, vun iets dut rechtuit moet gaan,
tentjuuy, vdW.—, verschuiven, y\'nujtir;
ook yinysotr, b.v. Si/i utenatupt feutpid
tüfuer, Oi-/as tilam teitikit tévyinysuer, \',
Mevrouw beschouwde hare alaapplaati
aandachtig] de sprei van baai* bed was
een weinig afgeweken, ninl. uj»zij ge-
schoven ; van den oorspronkelijken vorm
afgeweken, bti\'tockar daripada afalnja,
b.v. kitdb itoe sm-dah bértoekar dari-
pada afahija,
dat boek is ran zijn :
oorspronkelijke» vorm afgeweken. —
vnn de rechte lijn of koers, pentjony ,-
met verscheidenheid, pemtjomf menijo*4f%
b.v. zijne pussen weken steeds uit, tany- i
kahnja pmtjtiuy-mentjuny; eventjes van
den bepaalde! weg —, een slippertje
maken, m&yiltMpat (vnn éë&mpat), ook \'■
mendjUiiapa/.
— van de oorspronkelijke
richting, van een vaartuig of kogel,
membiiut; bij zijn werk — vun de in- j
structie, erucf prkïrdjaiivnja, nml. in I
eene kwade betoekenia. — naar beneden, I
-ocr page 59-
af\'wrijving — afzonderen.                                 47
kotal, zulk een tabakspruim). Zie ook I
aiWtryken.
id wrijving, pnujijosokau,
f zadelen, wemborka pelana, menyavy-
1,-itf prfarm.
Voor pel au a ook *(*///«.
i/;i:\',i\'ii, miinyërat dèngan yêryadji (van i
kërat).
nlznkltcn, nederdalen, toeroen. —,vnn |
een touw en delgel , hor/oer; laten - ,
wén<jhoflv<-rkan. — van ecnc rivier, hilir,
brrhUir, milir,
— met den stroom,
hamjoet, membias. — van een vijand
of vijandelijk loger, oendoer.— van een j
kleed, zoil enz. van zeil\', Ivrot. van
een broek, yelorloer. —, verschuiven,
yinysir, yingsoel\', yelinysir, gëlingsoer.
nJjienden, van goederen, inényimn (van
kirim). — van pursonen, la\'evjoeroehkan
(van soeroek); goederen en personen onder
geleide, mënyhaniarkan. — van gezan*
ten, tnëvjoeruehkan oftuesan,wëngoetues,
il/iii.li-i\'. wan ij jang mengïrim o, j. I
mïnjotTohktin, o. j. mengoetoes.
afzending, kiriman, toeroekantoetoe*an.
nfzengen, bedr. Ww, af branden, mëny
havyueskan, in\'enoevoekau {van tumor);
onz. Ww. hanyors, dimaian api,tomoe.
nfzet, zie aftrek.
nfzetftel, tak van een booui, voor over-
planting geschikt, tjaagkok, uvyyoer; ,
zulke afzetsels afnemen enoverplanten,
inentjanykok, nmvganggoerkan.
uizetten, met geweld eisehen, mèndnia j
denyan ttrtu. —, rooven on den open- [
biiicn weg, iitenjamoen (van samuen); \\
van ieta dat hooger is —, whweroen-
kan
(van toervn), menyavykat (van
unykat), dit laatst o in de beteeken is
van at\'tillen, — vau een lichaamsdeel,
m\'éiiyèrat (van kërat); in de beteekenis
van verminken, een stomp overlaten,
iiifvyoedornykan (van koedoevy). —, uit
een post ot\' atnbt ontslaan, mëmëtjat-
kan
(van petjat, afgezet, ontslagen),
ook mënoelak (van toelak), b.V. maka
omlig këtii/y pon inenoelak pënyhoeloenja,
de Klingancczen nu zetten hun hoofd
al\'; afgezet van een Vorst, tënykarap;
een Vorst —, mënënykarapkan —, iciu.
foppen, bij een koop, iiteuiperdajakan,
tneaipoe
(van tipoe). —, een afzet sol
van planten nemen, mëntjaiujkok, me-
nganygoerkan.
— van den grond, kave-
len, om dien in knvelingcn te verkoo- !
pen, mènjakat tatiah (van aakal). ~~ j
vun iemands geld, er op uit zijn, om ■
hem dat afhandig te maken, menya-
kalkan doeieit orany.
— van een vnartuig
van den wal door met den voet zijwaarts
er tegen te duwen, witnewpoetig (vau
tempoeng), ook mënoelak (van toelak);
met ecu boom —, mwtjakah, Mal. —,
afdrijven, o. a. van het water, zie bij
Iïi»<lrVjvend.
afzetter, bedrieger, penipoe.
afzichtelijk, afgrijzen wekkend, kaye-
tian.
afzien , om het zelf te weten oftekun-
ncn, meltha.tkatt, soms ook alleen meli-
hat.
Slechts door — leeren, brtadjar
dényan melihat-lihat sëhadja.
— van
iets, het laten Varen, inelëpaskan, mëm-
biarka», mëninggalkan
(van tinggal);
goed van zich —, goed de wacht hou-
den, djaga baikbahk, mémasang uiafa
ha\'ik-lia\'ik, inëmboewany~boev:any inata.
—    van zijn voornemen, mtlëpaskan
maksoednja;
van zijn voornemen alge-
zien hebben, lèpas daripada maksoednja.
—  van zijn recht, tiada layi ménoentoet
haktija. —
van iets, het geheel terzijde
stellen, welèpuskan, mèndiiarkan; nfge-
zien, daargelaten, als \\ ue^w. we/at\'nkan,
tijai/yttiikan.
— , berekenen, n-ëiijira-
ityirakan;
b.v. zijn ongeluk is niet af te
zien, tjilakanja tiaila lërkira-kirakan.
afzijn, ziu afwezen.
afzvjpelen, bërhiHran.
afzonderen, iets of iemand afzonder-
lijk doen zijn, mvnyasinykau; zich —,
li\'eras\'uig, kèrsoenji, mënyaait/ykan dirinja,
zich — van iets, mëndjaoehkan dirinja
daripada, bérdjarak.
— , scheiden van
iets, it/ëiii\'jëraikan, mèndjaoehkan, ook
het vuil van iets; zich — ter boete-
doening, l/érlapa; zich —, op eene af-
gezonderde piaats begeven, b.v. om zijn
gevoeg to doen, Ijcrelia/nal, Ar. —,
iemand of iets opsluiten, om hem of
het verbolgen te houden, b.v een meisje,
een vogel enz. uitiuhiyit (van pingit,
afgezonderd). —, van elkander, ui\'eme-
liakkan
(van pehak, zijde, kant), b.v.
de elementen der lucht kunnen van
elkander afgezonderd worden, utisoer
fiawa dapaf- dipehakkan
— voor laler
gebruik, reeerveeren, nitiitjadatnj, b.v.
iets voor den ouden dng —, meutja-
dany toewa.
— vau geld, geld afzon-
derlijk leggen, om te bewaren, menjii/i-
pan oeicany
(van simpan). —; afgezon-
devd van een binnenvertrek, bersakal;
-ocr page 60-
^
afzondering al.
een afgezonderd vertrek, bilik ba-sakat.
—, van maagdon of huwbare meisjes,
ze thuis houden, wenaroltkau anak-dara,
(van (aruh); afgezonderde maagden»«w^-
dara taruhan.
afxunderini;, pfrasinyan. — eenzaam-
huid, chaltcfd, Ar.; stunt van — vui>r
eenc vrouw nu den afloop dor bevalling
ui\' mi echtscheiding gedurende 3 maan-
d\'in en lü of IS dagen, of na dun dood
haan mans, gedurende 4 maanden en
10 dagen, iddat, Arab.; de -iO-dnngsche
— na de bevalling, pantang Irrauafc;
<:odt-dienstigo —.volsrens bet hordbisuie,
la/m, pvrtapaiin; godsdienstige —inde
soerau of Mohammedaansche school, tol
boetedoening voor begane fouten, zoo-
wel van mannen als vrouwen, soeloek.
Pad. UOVl.
afzonderlijk, herasing, sendiri\'sendiri,
safotf satuf.
Op eenc afzonderlijke plaats,
dit nu pal Vêraiiug; ieder —, masiny-
maainy sendiri\'sendiri;
hij buk eek zo
elk ---, dililtatbija satun-sato?.
afzweren, wtémboewang denyan brrsoem-
pah,
b.V. de ketterij —, mnnboficany
bid ut dfnyan hersoeutpah,
alzwiTven, hanjorl, milord, litai. Ook
afgexworvon. Zie nok zwerven. Ver
■—, éhsat borat. — van do kudde, mni-
djalanij;
afgexworven van do kudde,
djalany; ceu al\'gczworven buffel, karbau
djalany;
een nfgezworven vrouw, pa-
blieke vrouw, prrampu?wan djalany.
agaat, de kostbare steen van dien naam,
hatoe akik, Ar. baton sjabo?, Pen.
nsent, zie ^eniaolitifvtle.
nsio, bast. —, verschil in waaide lus-
Bchen tweo muntsoorten, sarf, Ar.
a™*teeren, in?nyada?k; in verwarring
brengen van het volk, uie^ijharui\'-bi-
rotkan.
agurh, timoen tikons; ook alteen tinwen,
mêntimoea, kMimoen
; agurkon in het
zuur, atjar kitimoen.
ai, Tum. w. adoehi
ajuin, bawany, onderscheiden in roode—,
bawany merah, onze chulotten, en witte
—, bawany pwlili, onze St. Jans uitjes,
ook de knoflook; losse - , niet aan
bosjes gebonden, bawany p\'erai; — ge-
bondon aan bosjes, bawany bïrdjambak,
lettert, uien met hun loof; een soort
van grootc —, zooals bij ons de Spaan*
scho, hetzij rood of wit, bawany Baiy-
gala, batcany Bumbai, bawany bi-sar.
aker, puteminer, timba. —, waterschep-
pcifje van bamboe aan een touw, in
gebruik op de MaleUcbe vaartuigen,
(jan tiny.
akertouw, fait timba.
akker, b?ndany. —, bouwland, dat niet
kunstmatig van water voorzien wordt,
ladany. — , bouwland, dat slechts tij-
dolijk in gebruik genomen wordt, ont-
gonnon stuk bosuhland, hoema, —,bouw-
laad voor rijst, dat kunstmatig van
Water woidt voorzien, sawa/i.
akkerbouw, përoesaJkaan tanah.
akkerland, ptrhoemaan, b?ndanyan.
akker maal» bos ch, b?lurkar. vnn
3 —10 jaren oud, bSiaekar moeda; van
10 — 25 jaren oud, behekar toewa,
akkerman, oramj pHaeUutg, oramg b?r-
koema, orany mtnjawah.
nkberwerk, peru?sahaiin tanah, pïkèr-
djaiin tanah.
nkltoord, overeeenkomst, jurdjandjian.
ahkordeeren, een overeenkomst slui-
ten, berdjandji; met elkander eensgc-
zind zijn, satvfdjae.
al, zonder dat er een aan ontbreekt, M-
yfnap. — wat, barany apa, barany jong,
zie bij wat. — i wie, barany-siapa.
—   wat, alles, seyala apa. — wat je
hebt, — je spullen, apa-apamoe. —,
geheel, voltallig, s?rwa (Skr. sarwa),
b.v. de Heer ulier werelden, Toehau
serwa afam takaliau.
Het wordt dikwerf
tiroê uitgesproken. —-, de gezamenlijke,
sakalian, para, Jav. b.v. al de ministers,
seyala- manféri sakalian, para mantcri.
—  do Vorsten, para ratoe, doch alleen
in deze bijzondere gevallen gebruikt.
—, geheel, gansch, seyala. bv. alle men-
bcIn-ji, seyala orang, seyala manoesia ;
alle omstandigheden, seyala hal-ahocai\',
het staat immer voor het Zelt\'st. nw.
—, nllen gezamenlijk, bij elkander ge-
nomen, sakatian (vun kali, maal, keer),
/ij allen, inarvka-itutf sakatian. Ook sa-
moewa,
b.v. al dut geld, o?wany ito?
samut\'wa;
al die lieden, saniorwa orauy
ito?
(van samo?ha). —, tevens, seraja,
sambil,
b.v. — weenend e, srraja me-
natiyis, sambil wencnyis
(van tangis).
—   gaande en wcenendc, sambil berdja-
lan, sambil inhianyis; al.....zelfs,
al.....ook, djikalau.....sakalipun,
b.v. al stierf hij ook, djikalau ija mati
snkalipun
; al ware het zelfs in een zee
van vuur, djikalau dalam laoel api sa.
-ocr page 61-
alarm — alleen.
-19
kalipon. —, reeds, bereids, frlah, soedah,
b.v. al gegeten, tel ah makan, soedah
makan,
al klaar, soeilah sadia, tetah
■•■\':\'.
—, al ware lift dat, al is bet
dat, kendatilah (samentrekking van ka-
hendak Anti).
— is het ook, — ben
je ook, men/ang, b.v. mentang engkau
besar, akoe se moet tui tiadalah akoe
takurt.
1\'cl. Djin. ook svatnlang.
te, ferlaloe, b.v. — te groot, tèrla-
loe besar;
ditzelfde komt echter ook
steeds voor in de beteckenis van zeer.
zïe ald. Ook langkah; geheel CD —,
louter, btlaka, b.v. geheel en — goud,
timis bë/aka. — hard loopende op iets
trippen, m^midjtfb berlar\'t, b.v. maka
boenji I••I-i,,/ tjeper Hoe goeaiérentjing
u/i/t dipidjakaja berlarï itoe,
die platte
schalen rinkinkten door dat hij er al
hard loopende op trapte.
alarm, oploop, opschudding, gimpar,
Imeroe-hara, haroe-birur, gadoek.
alarmblob* een uitgehoold blok hout,
waarop in du Wachthuizen ui arm ge-
slagen wordt, tongtong, op Java. Zie
se in blok.
alwinUoki geafa stmbojan.
alarmsein, Strnbojan.
alarniMlann, taenilir (van titir). Zie
voorb. hij slaan.
allm**t, ba/oi\' poewalam, b.v. maka da-
snrvja dart paita poewalam, dan di-atas
dasar poewalam itoe ada tèrbtntang ptr-
uiadani,
de vloer was van — eu op
dien vloer van — waren tapijten uit-
gespreid.
albedil, orattff tjérewel.
albino, een wit mensen, orang andaa,
vraag gabon, vraag balar,
alchemie, alkimia, Ar.
alchimist, ahloe\'lkimia. Ar.
ililaiu-, van het naa-tbij zijnde, disitoe,
van het verder verwijderde, disana.
aldu», bagint, dëmikian. — en alzoo,
bagitoe.dtagini.
aleer; voor en —, sabvlom, dchoeloe
il ar ipada.
alexander, hkaadar. — de Groote,
ïskandar dzoelkarnen.
algebra, aldjabar, Ar.
algeheel, zie golieel.
al geheel h ei d, nkotah.
algemeen, openbaar, publiek, ümoem,
Ar. ïiaia, Ar. —, generaal, Moef/ak, Ar.
b.v. algemeen gevolmachtigde, intl.il
moeflak-
—i rauiai, b.v. een algemcene
strijd, ju-rang jaag raiaai. •— maken,
b.v. van een strijd, leest vreugd e enz.
ui\'érataaikan; bet —, kabanjakaa, ka-
banjakan vraag, orang baajak.
nlgenoegznnm , kaji. Ar. de Algenoeir-
zamc God, Allah jitag kaji.
itllieiiofiizaaniheul, koefijal. Ar. de
— Gods, kvfjijal Allah.
alhier, siai (verkortiiii: van sa-in/), disiat.
alhoewel * kendatilah , djikalau ....
sakaliptin, maskipoa (van het Port.
masqué).
alikruik, e. s. v. eetbaar schelpdiertje,
rtmis; e. b. daarvan, sipoet kétim,
| alkoran, bet heilige hoek der Moham-
medunen, ki/ab koran. Ar.
alle: sègala, sakafian, sagënap,samofica;
allen tegelijk, allen bij elkander geno-
men, allen gezamenlijk, sakalian, sa-
moen-a
(Skr. samoeha); tot allen toe,
kasamoi-icanja. —; allen te /amen,
samoetcanja pveaah, —; allen voor één
nemen, nieiaoekal (van poekal, klomp,
dus: allen als één klomp nemen). Zie
ook elke en ieder.
alledaaj£r*ch , ke/adang; de alledaag-
sche kost, de gewone kost, waarbij de
pot niets bijzonders schaft, makanan
! jatig kvpahing; niet—, uitnemend, bij-
zonder, boekun ktpa/ang, boekaa baraag,
b.v. het is geen — mensch, boekan
baraag orang.
Ook boekaa harangdiarang.
Zie ook bij dag en dadelijk*.
alleen, slechts, sehailja, b.v. hij deed
dit alleen om geld te verkrijgen, du
boetcatnja itoe gehad ja hendak berolih
veicang.
— UMI om, slechts, ook su-
kedar.
—, louter, bMaka, — goud, imas
belaka.
— Javanen en Madoercczen,
orang lijawa dan Madvera bètaka. —,
onverzeld van een ander, in zijn eentje,
sa\'orang, wordt ook gebruikt als er
sprake is van meer dan een persoon,
b.v. ajahaada melepaskan toewan pergi
sa\'oraag. \\
mier Inat 0 (de heide prin-
sen) alleen gaan, sa\'orang-oiaag, b.v.
hij wandelde — de kampong rond, ijn
berdjalan koeliling dalam kampoeng sa\'o-
rang-oraagnja;
geheel — gelaten, in
zijn eentje gelaten, kasa\'orangnn. —,
afzonderlijk, berasing. — zijn, in zijn
eentje, asa-asaïta. —, onvergezold gaan,
m\'engoenap (van oeaap). —, zonder hulp
van een ander, seadiri, b.v. dat kind
loopt —, boedak itoe berdjalan sendiri.
—, op zich zelf, sa\'orang diri. —,
-ocr page 62-
60
alleenheid — almachtig.
slechts, uitgenomen, hanja, tjoema, b.v. I
zij kwamen allen, — hij bleet\' thuis, ;
tuarrka-ifoe aakalian pon datanglah, \'\\
hanja ija tinygal diroemah ;
alleen drie !
lieden werden gevat, tjorma liga orang
dilangkap.
— maar, slechte, ook boelat,
b.v. — maar een broek aanhebben,
iïi-rstlodicar boelat. —, slechts, ook sa-
inala\'iuafa,
b.v. Laksauiu dacht niet
meer aan mcnschclijke zaken of do \'.
dingen dezer wereld, maar slechts allee»
aan Gud, den Allerhoogste, t\'iatlala/i I
Ltiksauuiiia iugalkan pïkudjaiin doenia
rui, „ii luiukan Allah tanla i/jofga sa~
iiiatii-mata.
H. T. — , slechts dit weinige,
stdil. liijii, b.v. ik /uu hem wel aan u
hebben overgegeven, alleen hij kon niet
scheiden van, patik pon hë.ndak pvr~
sïmlinhLiui
.... sïdihitnja ija tiada bolih
bvrtjérai dvtigan.
— nog maar, — nog
slechts, sakvdar en sahniggn, —, zon-
dor gevolg, van icmund die gewoonlijk
gevolg bij zich heeft, iïrkoteuij aéudiri
(vnn ktdi\'ng, enkel, eenvoudig). — ach-
terblijvm, fint/gal aoenji, Fncs. |i. 81.
— thuis zitten, doedoeir tirkolik-kolïk,
d.i. als iemand in een kleine kano,
waarin slechts plants is voor één paf
soon. —, niets dan, uitsluitend, rat ah ;
iets — doen, merafah, b.v. alleen vleeseh
eten, niets dan vleeseh el en, mïrafah
daging
; niet —, maar ook .. . ., boe-
kan
.... jihadja, mUainkau.... pon,
b.v. niet alleen dit land. maar ook allo
andere landen, boekan uïgarl int aehaitja,
mïdainkan sPgala nëgari jang la\'iu pon ;
eeniglijk en —, zie eeni«*iyiï en ook
bij scheiden,
alleenheid,
zie een/anmhf>id.
alleenlijk*
slechts, sïhailja, déngati at-
hadja, atmadja, djoea, tjoema.
alle**anr , nlles of allen te zamen, samo>\'-
wanja aakali, kaaamoeteanja,aauia sakali.
allesjaartje , een mengelmoes, Ijampoe-
ran, rampai-rampai,
alletiinn, iedereen, sï-gala orang, saha-
rang orang (hiervan stiuburany oraug\'),
—, hot volk, de massa, oraug banjaff,
kabanjttkan oraug.
allemmiMfzeu", pïr.iiaïuai/ aegala orang.
alletnanshoer. strnathocr, perampof\'
Kan djalang.
allemansvrind, karan aegala orang.
allen <Z"t lama-lama, lama dviujau kala-
mnuii.
—■, langzamerhand, dtuyan p\'ér~
lahau-lahau ;
on Java pïilan-pelau.
nllent halve, overal, dimana-mana ; van
alle kanten, dari mana*mana.
aller, ter nanduiding van den overtref-
fenden trap gevoegd voor Bijv. nw.
wordt cenigszins teruggegeven met het
Voorv. ter, b.v. allerbest, tvrbtük, aller-
hoogst, tértinggi. Ook bezigt men daar-
voor tïrlalot\', b.v. terlaloe buik, trrlaloe
thigyi,
doch en tïr en terlaloi: duiden
slechts een excessief aan. De euperla-
ticf moet uit de woordschikking blijken.
Voor de woorden, die eenc eigenschap
Gods aanduiden, bezigt men malta vóór
het Bijv. nw.
allereerst, pertama-tama, ptrtaiua-pïf\'
lama,
welk laatste preferent is met het
oog op de iilleiding van het Skr. pru-
thama.
Ook: ten nllcrecrsto. —, vóór
alle dingen, huebaja-hoebaja, b.v. —
moet hij de landswetten kennen, hoe-
baja.-hoeba.ja hïndaklah dikt-tahoe tuja
at-gala oeudang-oendang negart.
allerheiligst, maha aoelji.
allerhoogst , vun God, maha finggi,
tailla,
Ar. b.v. God de Allerhoogste,
All.ih tuitla, Allah jang niaha tinggi.
allerlaatst; ten allerlaatste, hahu-hahU,
kasoedah-soedahau, achir sakali,
/£r-
achir.
allerlei, bagai-bagai, pelbagai, atrbtt,
ai/eka,
Skr. rtwpa-roepa^/jenia-dje/iia, Ar.
allerliefst, terlaloe mauis. —, zeer
schoon, terlaloe Hok, ttrlaloe eudah-
endah.
allermeest, tvrbanjuk, terlalon banjafc.
—, inzonderheid, ketjoetrali.
ullernnast, van een prijs, habia-habia,
malt.
allerwegen, dimana-mana.
alles, het geheel, aamoetra (Skr. samoeha);
tot — toe, kasamoewanja. —, alle din-
gen, doch elk afzonderlijk gedacht,
at\'gala aasoeatoe; van — wat, s$yalti
pïraumton,
b.v. on de vier leermeesters
werden dour don Vortt begiftigd met
van — wat, dan goeroe kaï-mpat itoe-
pon dikaroenitü radja djoega akandut
at-gala pï-raotfatoe.
—, schoon op, poe-
nuh,
Skr. b.v. weggeven, zoodat er niets
meer over blijft, memberikan poenah.
alleszins, aakali-kali. —, volstrekt,
ta\'dapat tiada.
allicht, lichtelijk, uiordah-moedahau.
almacht, maha koi-xasa, kodrat, Ar.
De — Gods, kodrat Allah.
almachtig, maha koewaaa, fcadir, Ar.
-ocr page 63-
aloë — ambacht
51
Do Almachtige, aljcadir; diennar vwi
don Almachtige, ilbdtw\'lk\'adir.
iiioüj e. s. v. — plant, pokojt lid ah bot*
ici\'ja; e. 8. v. —, va» welks vezels nien
een zeer fljn graslinnen weeft, èitna*
bvlanda.
■ it\'luiui , nquilarin sp., gaharo? (Skr.
aamroe); \'t is reeds aloehuut en nu nog
-andclbout, soedah gaharoe, fjtndana
pat-la,
Sprw. heteekeuende: vragen naar
den bekenden wet:, hut naadje van de
keus willen weten.
nloni , dimaaamaua, tagënap tana stni.
ulomteecnwoordig, hmttir pada se-
yata lïtnpat,
ilimil, dihtifhii\'-kitla.
ulplutltel, abdjad, Ar. alif-bada; vol-
pens de berekening met het alphnbet,
dïmjan bilang abdjad.
i )lui I mm isrh , déni/an përaloeraa alif-
iHttU.
ulreede, alreeds, iïlah, soedah.
hIh; even —, gelijk—, sajtërfi, laksana,
Skr. — ware het, kunnende beschouwd
worden —, pïnaka, in poëzie. — maar
niet, katau-kalau, Imtürtt djttngaa, b v.
aptt kativndakmoe tkoe ftVÏ tmmoeu djan-
gau iikof Xngkaa bor.torh,
wat je begeert
sta ik toe, nis je mij maar niet doodt.
—, indien, djika, djikalatt, kalaii, «Jf- ,
diaig, stdatigkan b.v. sïdaaykait andjtag, ,
binatiutg jang hhia ifo<\\ lugi sakiaii
ijn tahoe nivtiihatas kamh turwamija,
|
iitiméwa potla kila, als een hond, dut j
geringe dier, zelfs aldus de toegenegen- \'
heid zijns meesters weet te vergelden,
hoeveel te meer dan wij —, wanneer,
toen, fafkala, apabila; als God wil en j
wij leven, ïasja\' Al lult dan atla djaadji
kifit.
— het maar, mits, asaJ, Ar.
tl^ilnn, jmda MUW ito-, disana.
J»lseni» It\'jtt; d« —vrucht, boeicah hija, •
\'iltmiede, dan layitlayi potda,sabayi layi.
;ilwnoa, sakaraay djoega.
eleno * pada sakarang ini, saperti sa-
karang.
\'»i«of, gelijk, even —, taperti, subayai,
MTOtf, saperi, sa-oliih-ulali, bagaikau,
nisanja, lak-sana, pï\'itakn.
De beide laat-
btc wuorden veel in poëzie.
altaar voor bloedige offeranden, mXdttS,
Ar. —; Chinecseh altaartje ineen huis- \\
tempeltje, njolo; reukwerk —, mrdja ;
jiidorpaiin.
"Ueuocler, aakalian, samoetca sakali,
HUM sakali, kastuaoftcanja.
althans , stmadja (van tehadja, slechts,
Uur),
:ilii.jil, steeds, voortdurend, >— door.
selaloe. — zoo geweest, momamg, b v.
— wns liet zoo, memauy bagitve. —, al
den tijd dat. .., salama , sala.aa.-la-
maaja.
—, doorgaans, aaiitinsa (Skr.
nitjasa). —, *:ewoon, immer, svdëkaltt;
te allen tijde, pada stdikala, paila së-
dïkaJa miktiH\':
van — her, dart saia-
tnanja,
b.v. hij is — slechts mijn kiein-
zoon geweest, svhadja tjoe/jott patik
dart salamunja ;
voor —, saiapai salauta--
lanonija.
— hetzelfde Óf dezelfde blij*
ven, baijitor-bagitof djofga svlaloe.
altijddurend, blijvend, bestondig/<;£a/.
I nltooH — tilt ij.I.
aluin, tniriis,
1 nluinwuter, ajar tuioas.
i alvnnt, bereids, bij voorbaat, toedah-
xoedah,
b.v. neem —, ambillalt soeda/t-
sordah, ainlullah WMMéUV.
al voren», dthoeloe ditripada, sahfdoai;
b.v. — to eten, dthoeloe daripada makaa,
sahilam makan.
alwaar, tvmpat; b.v. de gtud ■—■ hij
geboren werd, avgari tvmpat djadnija.
alweder, kïunbali poela, mkali lagi,
lugi sakalt.
alwetend; de —e, jang niaha tahoe.
nlzoo, Hijw. dimikia». bagito\'. —, Voegw.
daar, dewijl, ttgat, svdaag, stibab.
nmalgamu, mengelmoes, tjampoeran,
amandel; de echte — , Levantschc,
boi\'irah hu dam. Pent. bofitrah kanttri
trolaadu,
zoo genanmd naar e. s. v.
groolen boom, die noten voortbrengt,
waarvan men fijne olie maakt, die bij
de spijsbereiding gebruikt wordt. Ook
boea-ah ktras Kolamtn. De drie vruch-
ten in lndie, die met den — eenigs-
zins overeenkomen zijn deboetcahknnart,
de boevuik ktras of krmiri en de boe-
tra/t kttapang,
nlle drie kleine noten,
die oliehoudend zijn en bij do spijs-
bereiding worden gebruikt. Do meeste
overeenkomst mot een amandel hoeft
nog de bocwalt ketapavy, maar zij is
groot er.
amandelboom . pokok badtim.
amandelen, de halsklieren, kelendjar
leher.
amnndelolie, miujak badant; de in-
disehe —, ininjatr kïttari.
ambacht, het werk van een ambachts-
nian, pHvrdjaiin përloekaagun; alle
-ocr page 64-
52                                   ambachtsgezel
ambachten, seyala petfèrdjaiin pertoe- !
kaagan.— in het aXgvmcen,pï-Aërd/aan, |
b.v. wat is zijn—,apa pek?rdjaaanja ?
Ook pïyanyaa, dat, wat met de hand
vast gehouden wordt, b.v. wat is zijn ;
—, opa pï-yaayannja, voornamelijk van
beambten.
amba<-ht «gezel, kawan torkaay.
ambachtsman, toetang, pandai.
amt i;i»sii«li\'ur. oetoesaa, pésoerofhani.
:mii>;ii\', anÓar, Ar.
ambrozün, godenbrood, e. s. v. kock-
jes, sviaanyyi yoeuoeng, apam dewa.
ambt, ttjabaian, djawatan, tetterl. dat,
wat met de tianden behandeld wordt.
—\'s zonnescherm, pajomy djabatan, d. i.
een zonnescherm die, nis tecken van
rang, tot dat ambt behoort. —spiek, ,
toembak djabatan, d. i. een piek die,
als tecken van rang, tut dat ambt be-
hoort; een — aanvaarden, masot-k d/a-
teatan;
uit een — ontzetten, ontslaan,
mër/iT-tjalkan daripada djawatan (van
petgat, ontzet); een — uitoefenen, mï-
vye.rdja.kan djawatan, melakorkan dja-
■watan.
—, rechtsgebied, tjorkoi-m, pe,-
yanyan;
ieder in zijn eigen — of
betrekking, masing-masing dï-nyan dja-
toatannja séndiri-sindiri.
ambteloos, luula herp\'ékv.rdjatm, tiada
niim%gang p\'éktrdjaan
(van ptgang).
ambtenaar, rijks—fpï\'gawni; de hoog-
ste Rijksambtenaren, manf&ri, liet hoofd
van hen, pérdana mante\'ri; paleis—, of
beambte, pïndjawat asiana; de titel van
een Mnleischen—, die over een gewest:
het bevel voert, poenggawa. — van
policie, ka/wal, Pen. Zie bij policie.
ambtgenoot, lei/tanpekerdjaan, kanton
dalam. djawatan.
ambtnbezigheid, pekerdjaan dja-
watan.
ambtskleed, voor een minister, pa-
kaijaa timandany t/ianteri.
iiiiiiiis/i\'üi\'1. mttërai djawatan, fjap
djawatan.
amen, anti», Ar. — ja—,«Hl tsoema
amhi,
Ar. — Keggen, mt-ngatakan uut in.
— op iets zeggen, iets beamen, mëny-
amerika, btaoea Amerika.
amerikaan, orany merikan.
amerikaanRcb « tnrrikan ; op zijn —,
tjara mcrikaa.
amethist, de steen, batoe mortis, Ar.
batoe kvtjoeboeng, permata biroe.
anderhalf.
amfloen, heulsap, apioen, ajioea, Ar.;
aanzetsel van — in de pijp, tahi teny-
ko/i;
voor het rooken bereide —, ma-
dat, tjandof,
Chin. tenykoh, Chin.
amAocnhit, roemah madat.
nmhoenpachter, pak apioen.
amfioenp\\jp, borloeh madat, pengoe-
dort,
ook wel taboeng.
amfioenpil, een pilletje, waarvan men
eenmnnl rookt, ieke.
amfloenroolten, mtnoem madat, ma-
kan iaadat, menenykah.
amfioenrooker, pfaiinoem madat, pe-
uiadat, ptnenykoh.
—, slecht sujet, pÜtn-
botok.
nmoniahzout, tadir (van het Vcrz.
nocyadir).
amulet, talisman, djimat (van het Ar.
azimut), jünanykal (van tanykal).
analogie, bij —, Xtht alkijas, Ar.
analoog, kijas\'t, Ar.
ananas, pijnappel. nPnas, boeicah nenas;
soorten zijn; at-nas hidjau, n. koeadai,
n. soeraf, n tPmbaya
en n. ioenipany.
— plant, pokt/k nenas.
anatomie, vlmoe tasjrich. Ar.
ander, laïn, b v. een — persoon, orany
Umi,
ook alleen oravy, b.v. orany ka-
ram diiaoft, akoe karam didarat,
an-
doren vergaan op zee, ik verga op
\'t land, ook asiitg, b.v. asing orany,
laïn pindapat,
andere mensehen, andere
meeningen. — werk, pï-kvrdjaan lain.
—, soms ook logt, b.v. en die andore
dertig duizend dinuriën, jaay ttyalaksa
dinar layi Hoe.
—; om den andere,
aï\'lany-si\'latty, ke/aay-kYdany, berselang-
st-lany,
b.v. om den anderen dag, ber-
sï\'lany-xvtany hari;
ook sahari lepis
sa/iari;
om den anderen tand, bersvlang-
selany yiyi;
om den anderen vinger.
btrsvlavy-sêlany djari. (Jok seta-menjë/a.
—; om den andere, van onderling vcr-
■ebilleode znken, b.v. verschillend ge-
kleurde koralen of parelen en koralen,
bersTdany-sëtiag, kraaltjes om den andere
aanrijgen, mfaioesoek wavik-uianik btr-
stlang-stling.
—; de andere wereld,
ac/ieraf, Ar. —; des anderen daags,
namcl. op den onmiddelijk daarop vol-
genden dag, pada kai:$oekan harinja.
an der daags ch , zie bij ander,
anderhalf, satoe saltnyah, tenya/t doe-
kvi; zie bij half; anderhalve gulden,
satoe roepijah satënyah, ttngah doewa
roepij ah.
-ocr page 65-
u
andermaal — applnudittneeren.
boehkan saoeh ; geankerd zijn, berlaboeh ;
op een andere plaats —, van ankcr-
plaats veranderen, bïralih laloehan.
ankergeld, roeba-roeba.
nnherkluis, oeloep.
imlicrpliint-s , //■ labochan. Zie ook bij
ankeren.
ankerrin^, l/intjia saoeh.
anlterxrluicbt, balattg saoeh.
nnkertouw, lalt saoeh. — of ketting,
waarmede bet anker uit den grond ge-
haald wordt. Ijandik.
antagonist, sPteroe.
antichrist , daddjal. Ar.
antimonium, batoe tjtlal?,b. strawal:
—  t-rts, kingkang, C.
antwoord, sahorlaa, djatcab. Ar. —
op een brief, baïasan soeral; seen —
kunnen geven, tiatla ttrsahorl, liada
türdjatcdfi;
dadelijk een — klaar heb-
ben, tjalak, b.v. hij heeft dadelijk een
—   klaar en kan goentUM plat gepraat
worden, moelaelnja tjalak st\'hadja, sa-
kali-kali liada mati;
een snel en tref-
fend — geven, litrliiabattg toenaï, letterl.
coütnnl toewegon; een — of bescheid
vingen, iiiinla, chabur; vraag en —,
soeical-djaiedb, Ar.; ten einde zijn mei
zijne antwoorden, niets meer te ant-
wooiden hebben, kaliabisan djawdbvja.
antwoorden, ia vit ja boet, mendjaicab;
op een brief, laXnthalas soeral, luttnberi
djatcab;
onwillekeurig —, ttrsahoet,
b.v, Maka Sang II in ara pon tersahoel,
ntaka pertapaannja liada sampai,
on-
willckeurig antwoordde S. W. en zijne
boetedoening mistakte. H. T. — met
verwijling op vcrwijting, bertëmptrait.
ui mmi<\'-■_!-s\\<■ 111 , Htoeka. kera. Voor kern
veeltijds nionjft, zie; aap.
apenkuur, (ingkah kera.
apin, ktra belina.
apostaat, renegaat, orang sabi, Ar.
„toertiul, Ar.
apostel, rasocl, Ar.
apost elschap,/«fw,?/\'rti* rasoi-l, irsal,\\r.
apotheek, roeutah obal, krdai obat,
apotheker, loekang obat.
appel, loejfah, Ar. boetcah loejfah; een
appeltje voor den dorst, obat déhaga
b.v. akoe immbatca ubatmoe dehaga, ik
breng u een appeltje voor den dorst.
appelleeren, ook in lechten, mtnjmg-
Mong
(van songxottg).
appet\\jd, éUirm. Zie graag.
applnudisseeren , bïrsoerajr-soerak-;
andermaal, nog eens, patht kadoetca
kalt/tja, sakali lagi poela.
andermans, la\'tn orang poeaja, orang
taia.
b.v. — goed. lui/i oraug poenja
barang-baraag. barang-baraag oraay la\'ia;
ook alleen oraag, b.v. een - vrouw,
biai orang, een — goed, harta orang.
anders» ta\'i»,- iemand —, (traag taai;
vroeger was het —, nu is het —, dt-
hoeloe la\'ia, sakarang la\'tn,
— zijn de
gewoonten der blanken, — die der
Maleiers, la\'ia ïulat orang poelth, tai/t
ïidat Mitajoe.
Die zaak is geheel an-
ders, pïrkara itoc la\'ia sakali .- niet —
dan, geheel alleen dat, samata-mata ,-
niet — dan mtlatukca, b.v. niet anders
dan sleehts berouw in \'t einde, of ten
laatste, mïtatnkan mïnjétald/oega kasoe-
daha,iaja.
—, elders, op eene andere
plaats, f/i/ta/pat laitt.
underMzinM, in een anderen zin, tjara
lam.
—, uitgenomen, mfdainkan.
nn^el t van een dier, sengal; met zulk
een — steken, men jen gal. — om mee
te visscheo, vischhnak, mata ka\'U.
om krokodillen Ie vangen, gvragai. —,
zie ook bij haak on voetangel.
angnt, vrees, takoel. —, ongerustheid,
fjinla, pr.rfjinfaati, soesa/t /w/j, Ijtunas
sjuegrot\'l,
Al\'.
angstiiSi bekommerd, beetjinta,gottda/i;
—  over, bïrtjiiilakan. goadahkan.
en in twijfel, gondah goflana. —, be-
vreesd, UUcoet, Ijiwas. — van aard,
p\'itakoet. —, onrustig, btdisah.
imu-ttvu.lliiï» piaakoel, inaloe-inaloe.
un\\JM, atlas MHtl, adas fjiaa.
uny»izniidt bidji adas manis.
anjelier, boenga telveki.
imker; het inlandsehe —, saoeh; het
Kuropecsche —, djangkar, verb. Ned.;
het — lichten, nientbongkar saoeh, ia.
djangkar;
het — uitwerpen, ten —
kuiiii\'ii. wtlaboehkau saoeh, ia. djang-
kar;
voor — rijden, btrta/iar; op zijn
—  drijven, laral; slippen, krabben van
het —, laral; nacht—, werp—, saoeh
tfrbang.
— in een niunr, LPsi pengikat
ti-mbok, It-rbuel.
«nkernsfisreld, havengeld, door vreem-
delinsren te betalen, roeba-roeba, 6*ja
pïlabaehan.
ankernrin, tangaa saoeh.
anherblad, koekoe saoeh.
Qnherboei , lampoeng saoeh.
ankeren, het anker laten vallen, mtla-
-ocr page 66-
arabeiken — nrmring.
M
rm , hei lichaamsdeel, Hmgan. Ook tm
een kleed. Het dikste gedeelte van den
—, borwah lengan. —; de onderarm,
roewas sikoe; de onderarm met de hand,
tangan; de bovenarm, bahor .- de geheele
—  met hand en al, sapaugkal tangaa.
—; de beide armen, koitoewa bPlah
It-itaan ;
de rechter—, lengan kanan ;
de linker—, IXngan kirt; de gebogen
, pang kor; iets op den gebogen —
houden, mïmangtoe. —: mot de armen
on den riiü gebonden, s\'tkoe ttritaf-.
—-; de armen over elkander op de borst
kruisen, tnemtfoet torboeh (van pi-lort);
oen soort van — aan de twee stijlen
in eene vorstelijke woning, selPmbajoeng.
—  van eene rivier, simpangan soengai,
batang soengai, anat soengai.
—; de
armen en beenen, lig. foelang tmjtal
ktraf;
opdat hij de kracht van mijn
—   ondorvinde, zie bij kracht*
arm, behoeftig, papa, Skr. mixkin, Ar.;
een arme, orang papa, orang miskin.
—  worden, djadi papa., djadi miskin.
—  maken, mtndjadikan papa, mrndjn-
dïknn miskin;
Och arme! kasihan.\'
nu/bui.\'
armband, bracelet, gelang. Zie ook
armrintf; bolle —, waarin iets heen
en weder rammelt, gelang btrgtata;
e. a. v. broeden, gouden —, voorzien
van een pauwtje of draakje, die aan
den bovenarm gedragen wordt, ponton.
b.v. inata dikXnakan orang pntata dan
ponto/t knrënn. orang jang btrgtfar itoe
samowanja t/Pr/>on f o/t,
men deed voor-
hoofdplaten en urinringen aan, want
uilen, die een titel d oegen, gebruikten
armbanden; de groote—en ecn«r bruid,
kXrontjong; armbanden voor boven- en
onderarm, gein ng pont oh, b.v. gormirla-
pan gelang-pontohnja,
hare armbanden
blonken.
armen<reld, wtcang deruia.
tirmengeaticht, batai derma.
armenkan, pêti dXnaa.
arnienznhje, poendi\'porndi derma.
armloos, tiada berlengan.
armoede, kapapaiia, hal miskin, ook
kamisi-inaa.
armpüp, torfang Itngan.
armriiii;, voor den bcnedcnarm.^e/a//^,-
van zeewortel, gelang akar-bahar; van
goud en blocdkoiulen, om den anderen
aangelegen, gelang kana. Ook een zeer
groote, gouden —, die van de pols tot
met handgeklap, berttjtol*-tepofc fangau ;
iemand —, menjoeraki.
arnbexken, sëtimpat; met —, Öh\'tt-
limpat.
arabic, tn.tah tlrab.
nrnbier, orang iirab.
aruhift ch * itnt&i.
arak, arak; overgehaalde —, arajr api, .
LiijKiln arak.
arakstokertf, pXrarnkan-, de gezinnen- !
lijke gereedschappen danrvuur, pengn- l
rotan.
arbeid, kerdja, oesaha. —, als daad,
pïkérdjaan, ptroesa/iann; met -— ver-
kregen, oesaha, h.v. regenwater en water
met — verkregen, ajar koedjan dan
ajar oesaha,
b.v. putwater; zware —,
o<ik Ziai-hori, kclïlahan. —, barenswee,
sakit bemant; in — zijn, sakit ukan :
bïranok, menjakiti btranak.
arbeiden, bë kerdja, be.roesa.ha, bertt-
lah;
handoldrijven of arbeiden, baniaga
af aio berorsoba;
voor het dagelijksche
brood —, menfjëhari inaian. ook alleen
Wkëmtjïhari. —, zie bearbeiden.
arbeider, die op dagloon werkt, orang \\
kurli, omt,g opnhan.
arbeidsloon, opah, opahan; voor —
werken, makau opah. —, zie ook trae-
tement.
arbeidzaam, radjin, toeka kerdja, j
orsaha.
arbeid \'M nu ihek I , pXrnngai jnng ra- !
djin, karadjinan.
archipel, gorgorspor fan-por tuit, torkong \'
porlau-poelau.
areka, pinang. — noot, boeirah pinavg ;
— palm, pokot pina/tg; onrijpe — i
noot, djXrekat. Zie ook bij betel.
arend, nasar. Ar. borroriig nasar, bor- \'
roeng radja wafi.
arenpnlm, po/t on aren; do vruchten
van deu —, kolang-kaling, kaling-kaling.
ar™denkend, zie nrgwnan.
arselooR, torfvs ha/i, tiada nienaroh
sjak
(van tarok). —, zonder nadenken,
tiaifa dvngaa tr/i/iartija,
BTfgïintf sé won-da ja.
arglistigi fjerXdik,penipoe, krroh, vd\\V.
argument, o\'atafnh. Ar.
areuRfnzant, korwau, toewang.
iiryw:i:in. saugka, sjak, Ar. —koestc-
ren, mtnjangka, mtuaroh sjak.
ark, e. s v. vaartuig, bah/ra (van het
Skr. vahitra, schip). —, de arke des Ver-
honds, Inboet, Ar. taboel ptrdjamfjtan.
-ocr page 67-
armslengte — avondschaduw.                                 55
den elleboog reikt. — van zwart garenals talisman gebruikt tegen du badjungs,
gelang badjang. — van schakels met
oogen, die door pennetjes aan elkander
gehecht zijn, gelang paf ah stuntt,
met con jihiat, gelang moeka. — voor
den bovenarm, pontoh; de bovenste
nrinring, kilik t/a\'ioe. — van op elknn-
der genaaid leder, of geweven stol\',
waarin een talisman besloten is, of van
stol\' met gouden hoepels, die door vrou-
wcn aan den bovenarm wordt gedragen,
s\'idat, siadat.
urmwlenjjte; een —, zoo ver men met
den arm reikon kan, sapentjapai.
armspier; buik van de tweehoofdige
—, koef/ing-kortjingan.
nrmstoel, koer$i pYrsandaran.
armvol; een —, sapemëloek.
armvracht; zooveel als men tassehen
heide armen diagen kan, b.v. van lange
voorworpen, zooals pieken, geweren,
stangen enz., hfban.
armzalig * fjilaka. —t gering, h/na.—,
in slechten staat, van voorwerpen, boe-
roek,
b.v. een urmzalige hut, pondol\'
jang boeroe fc.
aroma, haroem, haroem baoe.
aromatisch, haroem.
arrowroot, sagoe bïlattda, arairoet,
verb.
arsenaal, gedoeng stndjata, yvdoeitg
u/at jit-ijiranyan.
iir*enili, baraagan, op Java warangam.
artikel, afdceling, fasat, Ar.—, onder-
worp, pirkara,
artillerie, sëtabetati (van constahel).
artillerist, soldadoe stitabXdan.
arts, tabib, Ar. —, inlnndpch genees-
kundige, hetzij man of vrouw, doehoen.
—, geneeskundige, tevens toovcnaar of
bezweerder, boemoer. Ook boemoeh en
boemoe, doch foutief.
artsen\\j, obat. —.tegengift, jieaawar.
artsenübereider, foekat/g obat.
artsen\\jdranlx, obat minoem.
as van staaf- of cilindcrvonnigo din-
gen, poroe. — tusschen twee wielen,
yandar poroe, batang gandar. — van
een wiel ook soemboe, Pad. bov. 1.
en indjin, d. li. — der wielen van
een rijtuig, si-pik, sëkip. —, aspunt,
koetoeb, Ar.
asch, aboe, baboe; heeto nseh, sintels,
bura-api; slof en —, leboe doeltj hot
huis is in de asch gelegd, roemt h ttilah
mï-ndjadi bara; asch op zijn hoofd
strooien, ten teeken van rouw, uiëm-
boeboeh tanah kckapalanja.
iisi\'lil uilf, timpat kaboe. Het aschbakje
voor de verbrande wierookstokjes der
Chincezen, njolo, Chin.
iiM\'lilitvi\'m, peajapoe haboe.
Mohtraaw, kitaboe. tcartia kelaboe.
aschrejjen , hoedjan /taboe.
asperjeie* akar forti, verb.
1 nspunt, koeloeb, Ar.
astrolooj>. sasdrawan, Skr.
aterlin™, bastaard, onecht kind. ook
als BCheldwoord, haram zadeh, Perz.
anak haram, anak soendal.
atmospheer, de lucht waarin alles
zich beweegt oedara, Hk. hawa, Ar.
atlas, sie wt-relddrager*
atoom, ziertje, stotjo, koeman, dzarrah,
Ar. hetoeh; tot atomen terugbrengen,
mtloeloehkan.
attentie, opmerkzaamheid, perhalian.
attribuut, si/at, Ar. Ook in de Spraak-
kunst.
audiëntiezaal, jünghadapan, balai-
roeng.
aujjurli, limoen tikoes,
avanceeren, voorwaartsrukken, van
legers, vloten enz. mtmampU (van tam-
pit).
Ook mcnampH kahadapan,
avond, vóór het geheel douker is, In--
schen vier ure en half zeven, pitang,
pï-tang kart;
op Java soré, Jav.j van
zeven tot twaalf ure, dus, na zonson-
dergnng, malam. —, de tijd van zons-
ondergang tot S uur halfnegen, trakfoe
bofta kajam;
in samenstelling met do
namen der dagen wordt malam altijd
gerekend bij den volgenden dag, b.v.
Zondag-avond, malam Stnen, d. i. de
avond voor .Maandag; Donderdng-avond,
malam Djoemaat, d. i. do avond voor
Vrijdag.
avondeten, makati malam, santap
malam.
avondgebed met zons ondergang, aïm-
bahjanij magrib,
Ar.
avondmaal; hot Heilige —, pïrdja-
moewan malam jang soetji, korbdn,
Ar.
avoiidolier, korbdn malam.
avondrood, tedja, sa/idja, Skr. sandja-
kata ;
het opkomen van het — \'s avonds
om zes uur, samboerdi nboer. Het avond-
rood toekende strepen in het Zuiden,
tedja mëmbaris disahelah sëtafan.
avondschaduw, zie bij schaduw.
-ocr page 68-
M
arondichemerine — baar.
nvondflchpmerins ( saadja, Skr. De
tijd van — en morgcnscheiiicring, san-
dja-ka/n,
Skr. Ook wel icak/or sandja-
kola, waktoe tornar inofka.
avondwtor: de —, Vernis, binfmig borat,
bintang babi, bintang zofharat.
Ar.
avondstond, pi-lang hart. Op Java
soré. Jav.
nvoiuiiuir. Kflirfot\' pi-lang, tcaktoe
ittalaui,
avonturier, orang jang nïntjïhori om-
toe ng buit:.
avontuur, oentoeng-, goed—,oenfoeng
baïk; slreht —, oentoeng matting. Zie
ook liij jreliilr.
iivuii i ii [if\' i.jl. , zie 1* ï j jjeltilf
nvt\'ii aan de oppervlakte van het water,
door een school visschen, mtmoita»; van
de bijen en vlinders, mritjfri (van*m).
uxün, tjorka,
azünKtelletje, timpat tjeeka; op poot-
jes, fjerana tjoeka,
azuur, lazuur, lazoewardi, Perz. —,
hemelsblauw, biroe-fao<-t.
n/uurslccn, baton lazoewartli.
II.
naadje, badjoe. e. s. v. mnnnen — , dat
aan weerskanten eene inkeeping heeft,
badjoe soealituj. —, dat van voren open
is, badjoe bïlah dada. — niet kort af-
gesneden mouwen, badjoe kotong. —,
dat van voren geheel toe is, nllecn
met eene insni\'de aan den hals, biidjoe
koi-roeng;
oorspronkelijk Maleisen —,
badjoe tika ; nauw aansluitend —, dat
door mannen en vrouwen op het bloote
lijf gedragen wordt, badjoe tekoeica ;
nauwsluitend Javannsch —, badjoe si-
ka pon;
een lang, nauwsluitend —,
badjoe tapmng; een — met puntige
opslagen, badjoe birfeagkok Upas; e. F. V.
vrouwen— zonder mouwen en met gc-
plooiden halskrnng, badjoe .ierodja, let-
teil. wntcrlelic-baudjc. Ook wel badjoe
tirafui
geheolen. — of opperkleed, ilal
reikt lot nan de dijen, met knoopen
op do borst en ann de mouwen, badjoe
srkak.
— met tut in de hnnd toe
gladde mouwen, badjoe soetfani.— met
lange wijde mouwen, zoouls door de
Arabieren gedragen wordt, badjoe b-r-
tajap.
— dnt onder het bovenkleed
gebruikt wordt, badjoe dalam. — mot
korte mouwen tot buven do elleboog,
dat bij wij/e van vest gedrnsen wordt.
badjo^ fyajat. Oorspronkelijk voor doo-
dcn. — van zijden stof, dat tot over
do knieën afhangt, badjoe kadjavi.
met ze» geeren, twee op de hoogte van
iedere heup en een aan ieder voor-
pand, zoodat de voorpanden over elknn-
der slaan, badjoe pfsuk \'enam, — van
Maskut, e. s. v. borstrok. badjoe m\'eskat ;
tweede of onder —, badjoe dalaia.
zonder mouwen, s. 8 v. vest, badjoe
pokok;
lnng sitsen — tot nan de voeten,
gedingen door de mannelijke bedienden
op Java, btuljoe faro, Hat.; een —
aanhebben, berbadjoe; op zijn — krij-
gen, krna poekoel.
1>aai, wollen stof, kaïn pai/as, kaïn kam-
bi\'li
, 1\'erz. kaïn ?orf. Ar.
baai, inham, ielok; baaien en inhnm-
men, télak-raviaii; met al deszelfs baaien
en inhammen, dtngatt tègala telok ran~
t mui ja; kleine — of inham, serok.
\'■
baak, seinpaal, om een riehting of lijn
op het veld af te bakenen, ruiuboe.
in zee, tanda. Hang tanda, pandoe,
d.i. gids, omdnt zij den weg irget.
baal, gevulde en dicht genaaide zak,
kawpil, b.v. een baal boonen, katjaitg
na f o? kiuapil.
—, pak, bandeJa, —van
rijst, yor?ti, karoeng. Ook wel van nn-
dere dergel. koopwaren; van gedroogde
visch, bnbiui, b v. een — gedroogde
indische elft, sababan ikan Veroeboek:
kering.
:
baan, weg, djalan. — van een hemel-
liehaam, omloop, piridaraa. — maken,
m\'fuibrri djalan; eene zaak op de lange
  schuiven, laehuabatkan soeatoe per-
kam;
langs de —, napandjaiig djalan.
Ook de geheele baan langs. — van ge-
weven stollen, pijn», b.v. dat zeil heeft
drie banen, lajar ito- pakai liga pijat.
   van geweven stollen, een kleed enz.
ook kraag, en tndjow.
baar, berrie, h-rang, tavgga-favgga;
dood—, langgu-tangi/a muït, djanaznt,
Ar. Zie ook bij draagstoel.
baar, groote lange golf, ge/oinbaug; ge-
wone golf, ombak.
bnnr, een zeker gewicht, baliara (Skr.
bhara). Voor peper, tin, kruidnagelen,
musknntnoten enz. vnn 3 tot 4J pikoel;
voor goud 10 kali.
. baar, open, b.v. de bare zee, laoetram-
bang.
—, bloot, louter, bë/aka, b.v. een
bare logen, bohong bdaka, doestit bflaka.
-ocr page 69-
n
baar — badhuis.
—  geld, oewany tuenai; met — geld
betalen, membajar/oenai. — , znndbnnk
voor een haven, barsoeny,be/iny, gotong,
lot, inuddt\'rlmnk, /ennjau.
Imnr, staaf, ba/ang.
baar, nieuweling, pas aangekomen, in
tegenoverstelling met een oudgnst, orany
beharoe.
I>anrbl\\jkelüh enz. Zio duidelijk en
blijken.
baard, kinbaard, sik, van mensehen en
dii-ien, djanyyoet, djenyyo/, Jav. Zie
ook bakkebaard en snor. — on-
der de kin, djanyyoet Itaoetr. —, rïntr-
bnnrd. dio onder du kin doorloopt,
tjai,ihii-vg baoefc; de vingers door den
—  halen, mntji-lany-nji-lavy djanyyoet.
haardeloos. /iada /nrdjanyyoet.
baardi™, harig vnn het aangezicht,
ramoes.
baardscheerder. /oekany (joekoer,
pm/joi-koer.
1 mnr<itiiiint\'l.ie, sfpif-anykoep.
baarlijk, wezenlijk, soengyoeh ; de baar-
lijke duivel, sjai/an soengyoeh.
baarmiddel, artsenij tot vergemakkc-
1 ijking van het bit ren, s\'eloesoh. Ons
moederkoren zou men aldus kunnen
noemen.
baarmoeder, lijfmoeder, pepoedjoe,
peranakan, ra/iim.
Ar, kandoeny. Uit is
er eigenlijk het beste woord voor.
baars; e s. v. — ikan doeri-, o. a. v.
zee—, ikan kakap.
baarvlies, ari-ari.
baas, werkmeester in een ambacht, toe-
kiwg, paudai,
— van de wcikmcesters,
twkautj agoeny, —; den baas spelen,
meradja-/e/a, menga/ahkan hoekoem; over
anderen, menyatat-aias dirinja.
baat, voordeel, /aha, oentoeny. — , nut,
yoena, fai\'dah, Ar. — zoeken, voordeel
zoeken, unnljehari labu, men/jehari oen-
toeny, men/jehari fa\'êdah.
—. hulp, per-
/oe/oengan.
bnut/ueht, kakikiran, famn, Ar.
ImnlziM\'htiji, kiktr, ioba, (amTt.
bubbelaar, orany pvle/er. orany gefa/ak.
bubbelnchtijr» pe/e/er, ge/a/ai; /jomel;
een — wijl\', jnirampoearan /jome/ moe-
/oe/nja.
bnbbelen, keuvelen, /oe/oer, ber/o/doer.
—, wauwelen, mejifje/o/ih.—.snateren,
btdrfcr. —, hier en daar onwaarheid
vertellen, /joeloe-Zjala, tjola-Zjala; ook
/jolang-Zjaliny.
babbelkous, orany pe/eter.
babhelzurht, /jtramah.
babel, neyari Babi/.
babylonisch, Jiabi/onï, b.v. een —
man, urany Bahi/oni.
bad, dat men neemt of ondergaat, per-
mandiiin.
—, stool\', warm—, damp—,
warmwater —, /anyns. Zie stoven.
Ztilk een — geven, mommm, b.v.
maka difanyatnjalah itkan orany sakit
i/or, ka/oeirar/ah /erfafoe bun juk pe-
loehnja,
zij enven den zieke een warm
bad, waarop het zweet hem ruim uit-
brak; een — nemen, mandi; van Vor-
Btcn, siraui; een welriekend — nemen,
van Vorsten, zoonis dat bij plechtige
gelegenheden ireschiedt, «hum berkasai.
—, waarin men bet goud donkergeel
kleurt, sepoeh. Ook in bet algemeen
een —, waarin iets gedompeld wordt,
om het te harden, te verirlazen of te
lijmen.
baden, onz. "Ww. mandi, van Voreten,
siram, fnrsiram, letter), zich betrieten.
—, bedr. Ww., memandikau, menjiraw
kan;
zieh —, mandi: zicb zelven een
—  geven, mrmandikan dirinja; in het
bloed —, mandi darah; zich na zaad-
stortinir —, mam/i djanabai, mandi
djomoi\'b;
ziel» na het baren —, mandi
wi/adal;
nn den Uien (leg, mandi nifas ;
hij ging bet in de rivier baden, di-
mandikannja kasomyai.
— in weinig
water, b.v. zooall do karbouwen, die
zich eigenlijk in het slijk wentelen,
mandi berkoehany\\ b.v. badak ifoe be~
h&roe hahis btrkorbaay,
die rhinoeeros
heeft pas in den modder gebaad. —
van een lijk, mandi mail: voorloopig
—   van een lijk, mandi hakal. — van
den buik, een inlnndseh gebruik, waarbij
een feest wordt gegeven, nml. van eeno
vrouw, die op de helft van hare eerste
zwangerschap is, mandi /tan, b.v. maka
t/ik\'erdjakannja haginda mandi tian
d\'engan sap\'ertinja,
de Voist mankte
toebereidselcn voor het hnikhaden naar
behooren; het — van een Vorst, vóór
zijne inhuldiging, brrsiram (abal; in
zweet —, mandi pf/or/i; in tranen —,
h\'érèndani denyan ajar-mafa. ber/joe/joe-
ran ajar-ma/a
Zie ook bij mum li :
in den regen—, mand kapada hoed jan.
badhanddoek, kaïn /e/ap toeboeh.
badhemd, zio badkleed.
■ badhuis, /tinpat permandian, roemah
-ocr page 70-
58
badkamer — 1 milt.
pPrmandian. —, drijvend badhuisje,
bal ai kambmmg. •— in den vorin van
oen tempel, niet vier tinnen en een
toren, gebruikt voor Vuisten bij plcch-
tige gel eiren heil cu, paufja ptrsada.
badUnmer, b\'rtik pïrmandian, ttmpat
pi-int anti ia».
badkleèd, kaïn basaho,/; kort bad-
kleedje win grof goed, gebruikt door
mannen, IjO\'-ki», Chin.
badkum; metalen kom. gebruikt voor
bet baden \\nn kindeien, /noi-adani.
badkuip, tobbe, pt/sot-, kany mandi;
e. fl. \\. gouden —, ktmba T-ittas.
liiul] ilmil s , penntindiati; nfgesloten —,
Umboengan.
badHtooi\', tangos.
badwater * ayttr mandi.
ba«Rtfe, koelakasir, b.v. marilah kila
Itt-rlanykap dan sim pan sïyuln koelakan/r
kila,
kom, laut ons toebercidselen ma-
ken on on/e — inpakken,
baseer, modder, loempoer.
bajonet, mata sai/ykoer; gabel —,
sjamsjir, 1\'erz.
bak; vat, in het aliremeen, limpal, btkas;
ronde — van aardewerk cm iu te was-
schen. pasof,- houten — vuur spijzen
enz. dof/any.—. kum van mr t nul, batil;
vueder— of drenk— voor vee, palocay,
jialueui/an
; trechtervormige — , waarin
stofgoud en diamanten gewnsschen wor-
den, Iznyganyaii.— ; eet- of drinkbnkje
in een kooi, laicak-hu\'ttk. —; potje of
bakje van een kokusdup gemaakt, urn
water in te doen, yïdoek. — van geel
koper of rotan, waarin uien een trek-
put zet, tjatany; vierkant bakje, ge-
muakt van een blad, om er iets in te
doen, ///nas. —, napje, kaskuel, b.v.
maka diladahnjo ajarnja dï-nyan kaskoel,
en het voeht ving hij op in een bakje.
baken, zie bank.
bakboord, kirt kt/pal, k\'trt pï-rahoe.
baker, tevens vroedvrouw, bidan. Op
Java dofkoen.
bakeren: een kind in luiers wikkelen,
vu inlitdoer/ff.
bakermat, geboorteplaats, te mpal dja-
di, ttmpat foempfi darah.
biil.ci\'spi\'M, fëniti bcsar.
bakkebaard, tjau/bany. — die onder
de kin duorluopt, riugbnard, tjan/bany
baoi\'k, tal\'t tufdoeny.
bakken, in een oven cf op \'t vuur, l
ttitiitbakar, b.v. bl\'oud —, n/ï-mbakar roti. \'
—, even op of aan het vuur, u/ttny-
yavgyany. — in een pnn met of zonder
vet, nïtnyyoreny, b.v. spek —, mïnyyo-
reny babi, bananen, —, mfnggoreng
pisang. —, braden in vet, mP:ïndai/y,
b.v. in de boter gebakken, dirvndany
denyan mautfya. —,zie ook bij braden.
bakker, broodbakker, toekany roti.
bak-olie, zie braad-olie.
tmkoven, dapoer, tanoer, Ar. foe-
ruftt. Ar.
bakpan , pïngyorii/yan, koe/cali, yradjah.
baksel, gor.ngan, bakaran, rt-ndanyan.
buliKpier, aloë, timbanyan pfrahoe.
baliNteen, batof bakar, bafue bat/i.
baktand , yiyi yttraha/i/.
baktro<£, pïrakoe.
bal, van hout of hoorn, gebruikt bij het
djing-spel, kï-doel. —, speelbal, kegel-
bal, /\'Vat, anak- këlai, b.v. zij rollen
als ballen over de vlakte, sapc\'rti anafr
kïtai roi-pam/ja brryoclingan ditetigaA
padany
; soms gebruikt uien voor —
bij het bnlspcl e s. v. weekdier, dat in
zee leeft, en zich tot een — kansamen-
trekken. Dit dier heet sïndtroeny. —;
balletje, pil, keutel, ieuykel. —; bal-
lctje, pil, tns?chen de vingers gedraaid,
yï-ntet, yeatet, TdW. yiatal, (\'. of ui\'al.
—; balletje uf propje vuor een blaas-
roer, anak sormpifan. —, balletje van
bereido opium, zooveel als er in een
pijp gaat, likai. —, balletje van meel
en suiker, omdi, ]iat.; holle — van
gevlochten rotan, waarmede men kaatst,
raga, boewak raya. —, de ballen, tcsti-
ciili, boficah pïtir. —, biljartbal, bola,
Port.
bal, danspartij, pis/a daaysa, op Java,
verb. Ncd.
Iiiiluns, van een weegschaal, narotja,
Skr. timbanyan, tPradjof, verb. Perst.;
Chineeschc — uf unster, datjin, daljiny.
—; balnnsje aan een weefgetouw tja-
nang, kajoe pandjai/g.
baldadig, aakal, tambomy.
baldadigheid, moedwil, ai/ykara,Sb\\\'.
— plegen, moedwil plegen, bïrboeicat
a iiyk ara.
balein, oirat iasang.—; de baleinen
of stralen van een regen- of zonne-
scherui, het gezamenlijke binnenwerk,
seranykak pajoeny.
balt;, zie buik.
balie, tobbe, pasof.
balk. Vuor — in het algemeen heeft de
-ocr page 71-
5\'J
balken bannan vrucht.
gebruikt om er tooverspreukeu op te
schrijven en aldus als talisman om den
hals gedragen; b, hitam, een soort die
donker bruin van kleur is: b. keuttp,
geel, van buiten ruw, gebruikt om bout,
hoorn en dergcl. fijn te schuren; b. ma-
jaag, b. oclar, b. tali, b. akar
, zeer tnai,
gebruikt voor hoepels en dcrsel., buigt
zich ter narde als hij 2 \\\\ 3 vademen
hoos is neworden; b. padi, een kleine
Soort; b. ttiaiaag, b. prlifii/g. b. frlor
of b. filang, dun van hout en daardoor
geschikt om er rijst in te koken; aoer-
aoer,
een groote soort, vnn 2J span in
omtrek, irroen en glad. Soms is aoer-aoer
ook de naam vnn bamboe in het al-
geineen; als een hamboe die tegen het
beloop der takken in wordt voortge-
1 rokken, tap&tii aoer difarik soengsang,
Sprw. bet. het onmogelijke willen doen ;
niet holle, massieve —, boeloeh toem-
pat, b. jwdjat;
platgeslagen —, gebruikt
voor wanden, vloeren enz., ptloepoeh;
koker van —, gebruikt om water te
halen, taboeag: ook kleinere voor spaar-
pot of het berzen v. knnsthnnesporen,
},<••■■>. — van vijf voet lam», om
water in te dingen, bofovg: de eetbare
spruiten van —, poetjoek reboeag : bain-
boeppHllter, gebruikt als mes. ook bij
de besnijdenis, sembiloe; de bovenste
bamboestok ann een inl. scheepszeil,
pï-mbawan; een stuk — met gaatjes,
dat rechtstandig in den wind geplaatst
wordt en dan een kinsend geluid voort-
bmgt, boeloeh pïr\'mdoe; op ecne een-
zame plnnts neergezet en vnn een too-
verspreuk voorzien, moet zulk een —
geschikt zijn om wederliefde bij iemand
van de nnderc kunne op te wekken.
ban, uitsluiting vnn een gezelschap. p~ê-
ngoefjtlon
(van koeljil); inden — doen,
uitstooten, dcballotcercn, nu-ngoetjilkan,
mïiaboiirang kaloeicar.
— gebied, pe-
rentah, hoekoemat,
Ar.
banaan, mn?a piirndiciaca.yi/jrt//^. Soor-
ton zijn: pisang radja, />. ,wesoe,p, laas,
p. kïpoek, p- amboa, p. vangt, p. sari-
boe, p. kebjar, p. krlat
\', c. s van wrnns-
smakende —, p. belaag, e. s. v. roodo
—, p. karoh, e. s. v. wilde — mot
oneetbare vruehten, ft. sï-readah, e. s.
v. lage — enz. (van eeadah, laag).
banaanstruik, pokok pisang.
banaanvrucht, boeieah pisang; gc-
bakken —, pisang rïndang, p. goreng ;
Mal, geen ireschikt woord; wel voor
de verschillende soorten van balken,
naarmate van hunne hesteniming. Het
meest algemeens woord voor — is, ba-
fan// kajoe, of ba/uk, bufak. ver». Ned.;
de benedenste —, waarop een dak rust,
ïnils bij rond zij, goeloeng-goeloeng, an-
ders, toeforp dfinang. —, die komt te
liggen op de opstaande posten, taetoep
difnang. —
voor een vloer, vloerbalk,
g¥legar; uiterste hal ken, waarop die
vloerbalken rusten, rasoek penjamhoet
gt-tvgar.
—, lantrschccps, waarop de
dekshalken komen te lissen, stnta, sinta,
balken, huilen, nïïloelocvg.
balkon, la.igkaa. Chili. —; een bal-
konnetje terzijde van het huis, waar
de vrouwen gewoonlijk zitten te weven,
bïroegoe, Banglt. h.
balkweger. mar., genggaag dibawah.
ballast, fO\'-lak bara, alas moetcafan.
ballasten; een sehip —, mïtuoeicatkan
foe/ak bara (taftim kopal.
balletje, bola-krfjil; zie bij bal.
balling, orang boeieangan.
ballingschap, p?™ hal kaboeirangan.
buloorifv, iiümbatca hati.
balsamine, e. s. v. bloem, boenga pa-
/jar\'ajar.
balsem, welriekende olie, mi.ijak baoe-
baoeati, vrinjak rak-si, uiittjak kasai.
— voor het gemoed, lig, pthtawaf hati.
—, specerijen, b.v. voor oen lijk, rvm-
pah-rX-mpah.
balsemen, niemboeboeh minjak baoe-
baoea-an.
— von een lijk, mïrv„ipah-
rempafii, nii\'mboeboek rêmpah-r¥>npah,
mïraksi mail,
bals]>el; het inlnndsehe —, sepakraga.
balspelen. op inlandsehe manier met
een bal, gevlochten van rotan, die met
de voeten in de hoopte wordt geslagen,
bermaïn sepak raga.
balstnri», tegar, kïras hati. — van
het lol, oeafoeag mnlang.
balustrade, b.v. van een galerij, kriek\'
h-lek.
balxak, scrotum, (viiipat boetcah-pvlir,
kotitol.
balstiekte, wnterzuchtig.; zwellins der
zanribnllen, sakif pasaiig-pasang.
bambue, bnmboeriet, boeloeh. Soorten
zijn: boeloeh aadoetig, b. bftoetig, de
groene, dikste soort; b. doeri, dun en
vol dorens, gebruikt voor omheiningen ;
b. gading, dun, eiren geel. Wordt ook
-ocr page 72-
OU
band bankbiljet.
gebak van —, rëndang pisang; in ilo I
zon gedroogde rijpe —, rm.fi.
band, al wat bindt, ikat, prnyikat. —, :
verband, ikalan, /itr/iüirboeiigaH, tamba-
!•>,\'.
—, bindmiddel,pnigikal.—.touw,
lalt. —, hoepel, si injnii; ijzeren —, j
timpai bési. —, ring, tjialjin. Zie ook
bij rinjx. —, {\\nt,jila, Port; twV pi fa
uitgesproken. — oui het een aan het
ander vast te hinden, /am/ia/au. — om ,
het een ol\' ander om dicht te hou*
den wat £cscbourd ts, bandoet, pémba»- \\
doet;
met zulk een — dielithuuden,
opdat de inhoud niet er uit stort, «/tw- :
bandtn-t, —, die het harte bindt, tam- j
bafan luiti, krlindan; zulk een — heb- !
ben, hnkdi.nlon, lcttei\'1. een draad heb-
ben. — Diii een kris voor afzakken te
bewaren, turH-tui-li; door e. — onder- .
steunen, in een — draden, b.v. een
gebroken arm, wtèmgaadoi £(vnn andoek).
— ; de banden ut\' pezen, waaraan liet
ingewand hangt, rangkai-ranijkai; die
waaraan het hart hangt, ruagkai /m/i.
—   over den schouder, waaraan men
een zwaard of ridderorde duiagt, sti.i-
dang, selfpany;
zie bandelier.— van
ecu boek, lederen —, djilid, Ar.; ook
boekdeel. — vuor het voorhoofd tot
versiering, tè/niram. —, breukbnnd, •#-
ugika/ borroel.
bandelier, riem of band over den schim-
der, sandtt.ig; iets aan een — dragen,
Vtrtamdamgkën\', ovnAo6Dtm9»JMUümgimM,
b.v. een zwaard aan een — dragen,
biTSanthniykitn ptdang, —, behouden ictn,
ordelint en écharpe, sjerp over den
schouder, srl ■/»>,,y; zulk een — dragen, :
Sên&epamg,■ iets tot — gebruiken of I
als — dragen, b.v. du laroeag, wat in
tegenwoordigheid van Vorsten en groo-
ten niet geoorloofd is, b?rx<icpaitgkan. \\
—; twee gouden ketenen, door den :
Vorst bij wijze van — over do beide
Behouders gedragen, sajap sa.idamj; do \\
eeno ketting daarvan heet gudjah gé- \\
nuh\'foi\'iig,
de andere majung mengoerai. \\
bandiet, straatroovcr, penjainoen.
bandrekel, hond die aan een ketting
ligt, audjiag jang tt-rikat drngaa rantat. ■
—, luiaard, orang pemalas.
banen, den weg —, etl\'enen, miratakan J
djalari; een weg openen, imunboeka t/ju- |
/(//;; zich met geweld een weg —, b.v, j
door eene menigte mensclien, kreupel- j
hout enz. niireiiipoeh, b.v. zij vluchtten, \'
zieh met geweld een weg banende door
het struikgewas, zonder meer om te zien,
utitrfkii-itoe lari mërèmpoe/i piula stmakr-
stiiHtk, titvla m f mandh iig kabelakang
latji;
den weg — tot iets, ntrloeroeiiykan ;
b.v. iinloiTuengknii unakkof masotc M*
raka, den weg banen voor mijn kind
naar de hel; diloeroengkaa Allah, door
God worde de weir. gebaand.
bnng, bevreesd, fakorl, katakoetan, b.v.
ik was —voor mijzelven, kalakoetanlah
akoe ukan dirikoe.
—, vreesachtig van
aard, prnakoel. — worden, kadataagaa
/akoeL
— maken, uir.iakotdi.— maken,
angst aanjagen, uitnggaiiiaA. — maken
mot woorden of een wipen, mhigoeyoet
(van oi\'goft); iemand die — voor het
koude water is, een koukleum, urang
pëndinghi.
—, angstverwekkend, /uitbuit,
Ar. fiaibat, Ar. b.v. een bange nacht,
maiam jaug haibat.
bani»isheid, hafi k?ljil, tttkort-takoplan.
banier, tomgtjofl, /,a>idji-/ia,yd/i, alam.
Ar. filamal, Ar. bandera, 1\'ort.; al de
banieren wapperden, si-galapandji-pandji
berkibaranla/i
; de rijks—, atam kant\'
djaii», ïxliiniat karadjitiiu;
de — ont-
plooien, inttig<ndni,njki<it •lldniul; de —
planten, nundirikan alihnat; wanneer
sprnkc is van een Kuropeesche —■ dan
meestal bandera. Zie ook bij stnnd-
anrd, vaandel en vlas*
bank, rttstbank, ioorIb die bij de Ma-
leiers in gebruik is, psntas, phtliisaa;
op Java balai-bulai; een Kuropeesche
—, of—van Kuropeesch model, bangka,
verb. Xed. —; e. ». v. rust—, of sofa
op pooten, ka/il, Tam. — ; steenharde
laag in den grond, waar ntcn niet door-
heen graven kan, lia/oe /lamprtr. •— of
rif, te/eraag; goudhoudende—,/ele.ra.ig
\'finas,
Mal. — voor de monding eener
rivier, sakal, alangan, b.v. liiugga lot\'irar
alantjnn, d\'i sa na i/a ber/ieu/t,
tot buiten
do bank, daar bleef bij liggen. —,
zandbank in zee, die bij laag water
droogloopt, b\'-ling; die niet droogloopt,
pasïr, bot\'soK/iy, gosong. —, koranlhank
in zee, tempat karang, pekarangan. —;
ïuodderbank, Ihiojan. — van leening,
pegmlajaa, roemah gadai. —, gcldbank,
kan lm\' orirang; iets onder stoelen en
banken steken, m\'ettjemboenikan barang
sasoeatoe ;
van de — raken, vergeten
rnken, kaloepadn.
ban libi Ij et, roerat oeicang,oeica,ifj karfas.
-ocr page 73-
bankbriefje — bastion.                                         61
bankbriefje, lombardbriefje, soerat
yadai.
bankbreuk, zie bankroet,
banken;
hazardspelen, ma\'in parelt; bij
het — de hoopjes maken, mémareh (van
pare/i).
banket, e. s. v. tijn gebak, koetceh bang-
ket, verb, Ned. —, gastmaal, perdja-
moewan.
bankje, zwevend — voor ververs, aram-
aram, péngaram.
bankier, v. e. hazardspel,jang\'cnipoenja
ttiaau.
bankroet, djato/t; b.v. de Chineesche i
handelaar is reed» —, wudagar tjina j
Hoe soedah djat oh; ook Bentham,- zie ■
daarvoor bedolven,
bankroetier, saudagar jong saedah
djaioh.
bankschroef, ragoem.
banneling, orang boarangan, orang toen\'
dotttigan.
bannen, uit land of stad, memhocwany
kalotwar n\'eyari, menoendoeng; duivel ;
—, mèmboewaug sjaitiin. — van vrees,
liefde enz. mendjaoehkan. — uit een
gezelschap, vergadering enz., megoetjil I
(van koefjil).
banning*, uitzetting uit huis of land, ■
pmoendoengan; uit een gezelschap of
vergadering, pengoetjilan.
banvloek, ihréM, Ar. den banvloek over
iem. uitspreken, mëugihrémkaM orany.
bar, onbebouwd, tandoes; een barre
streek, iaitah Uut does, padang fandoes.
—, van den grond, droog, onvrucht-
baar, kering. —, koud, guur, dingin,
si-djoefr.
barak, loods, bangsal.—,kazerne,langst.
— van bamboe, tangsi bamboe.
barbaar, orang kajir. —, vreemdeling,
oraitg hef al, orany datjang. —, wrcednard,
orany benyis, orany ja/int, Ar.
barbaarse!», hengis, la/lm, Ar.
barbier, toekany ijoekoer, pïntjoekoer.
—, tevens wondbeeler, /ladjim, Ai\',
baren,
kinderen —, beranak, deftiger,
bèrsalin, van Vorstinnen, her poet era.—,
veroorzaken, menyadakan, mhtjebabkan
(van sebab, oorzaak); middel tot ver-
geinakkolijking van het —, seloesoh.
barensnood, sakit beranak.
"ars, babi këbiri.
bark, ka pal ténya/i liga Hang.
barmhartig, menaroh kasihan, raJihn,
Ar. h.v. in den nnnin van den burm-
hartigen en goedertiornen God, hismi\'l-
lahi rrakmani \'rrahhimi.
— zijn jegens,
menyas\'thani.
barmhartigheid, kasihan, rahmat, Ar.
— bewijzen, bërboewat rahim.
barnsteen, ambar koe.nng, ambar haloe,
batoe ambar.
barrevoets, biekaki-tëlattdjang.
barscli, bët/gis.
biirschlieid, hati béngit, peri hengis.
barst, berst, van glas, aardewerk, liam-
boe en dergel., retak, retakan; ook van
de banden. Zie ook bij berst. —,
spleet, tjélaJi, (jiiahaii, — in vruchten
of in de huid, rekah.
barsten, mé.flak; van vruchten, w/èVe-
kah; gebarsten, retak, rekah; gebarsten
v. e. nnad, een kleedingstitk, een znk
enz., belas.
bns, basetem, bam,ebam, Ar. naram, Perz.
basement van een pilaar, als dat ver-
sierd is met runden of bloeiuwerk,
gandja poeri.
baseeren, mengalaskan.
basilicum, ocymum —, de plant, soe-
lasi/i.
De paarsebe bloemen daarvan
hebben een sterk bedwelmenden geur
en worden bij voorkeur op de graven
gestrooid. Het zaad mengt men in ver-
koelende dranken. —, e. s. v. kruid,
pokok roekoe-roekoe.
basis, steunpunt, punt van uitgang, ang-
garan.
bas-relief en bas-relief, timboel-thtgge-
lam.
Zie inscriptie; en — en ïi jour
bewerken, menyoekir dan mtnHas.
bassen, zie hluiïen.
bassin, kolam.
basstem, een zware, schorre stem bij
het spreken, soewara jang garatt.
bast, koelit. —, vol, opperhuid, djangat,
b.v. uwo kris schramt de — niet, kt-
rismoe. fiada mer\'élas djangat.
/ie op-
perhuid; de vozelachtige — van
kokosnoten, pisuugstammen enz., sahoef;
de verdroogde — van den pisangstaiu,
x\'é/isir, Men. —, het onderste gedeelte
van een buofdrib, sampil.
basta, genoeg, afgedunn, soedah, soedah-
lah.
bastaard, hoerekind, liardm-zadeh,1\'erz.
auak Iiurdm, attak yampany, anak soen-
dal, anak kandak.
— Maleier, een Ma-
luier van Siameescbo afkomst, samsam.
bastion, bolwerk van eene vesting,
Sel\'ko/i, ijelekoh, kotaloem, kotlom, Tam.
-ocr page 74-
M
bataljon — bedachtzaamheid.
hahloer, hërsamboetan fjehaja tjintji.t
didjari.
beantwoording, sahoetan, djatciib,
batasav. /ie bij beantwoorden.
bearbeiden, mengerdjakan (van ki-rdja),
mengoesahaka» (van oesahd); hout en
(steen in het ruwe —, behouwen, ntir-
narahka» (van tarah). — van land,
la\'engoesahakan fa aah ,membadjafy soeatoe
ftidaag.
bebabbelen , niengnta-ngatai (van ka/u),
adjoedjah. laengoempat\'.
bebbekin, dayotf lïntik, b.v. akan si
Ktwntoi-m Metoer itoe matavja djoeling,
duhhija djt\'/idol, pipinja kimbong, da-
i/or-uji\'. tent ik, peroetuja boenfjif, kakinju
butbuit. terlatoe boeroek roepaaja,
wat
die Kuentoein Meioer betreft, zij had
sehele oogen, een bultig voorhoofd,
bolle wangen, een bebbekin, een opge-
zetten buik en zwerende voeten (mok-
pooten); zij zag er al heel leelijk uit.
bc bloed, berloemoerkan darah, l/ertoe-
moer dïngan darah;
geheel — ziju,
mamti darajt.
beboeten, tn\'endeuda; beboet worden,
didftida, kium denda.
bebouwen, zie bearbeiden.
bed, lur.trns, meestal van kepok, tilam,
kasoer, bolsak,
verb. Ned. /ie ook
heddegoed. — ecner rivier, patong
soengai.
—, slaapplaats, petidoeran; van
Vorsten, ptradocam, —, tuinbed, petak.
/ie ook bedding.
bedaagd , oud. forica.
bedaard, zachtjes aan, psrlaftan, p*r-
lahaii-lalian.
Op .lava verb. tot pelan-
piln.i-.
bedaard gaan, bivdjalan pêrla-
ha»-faha»
,- ecu bedaarde en passende
gang (inz. van vrouwen), djalan alap sua-
toi\'n.
—, deftig van beweging, santoen;
ingetogen en — , supaa santoeu. —,
rustig van gemoed, srnang. séiiaag had.
—, rustig van eene plaats, santaasa;
zich — houden, zieh inhouden, mena-
han /ui/i,
ook — blijven. —, tot rust
gekomen van regen, wind, de onstui-
mige zee, hartstochten, tedoeh, r\'edtt,
ook van oen hartstocht of de koorts.
—, tot rust gekomen van de golven,
geêlfend, si\'lèsai. —, stil, diam; gestild,
van vuur, toorn enz. padatn.
bedaardheid, met —, zonder gejacht,
dfiigaii bipfrfahanau.
bedachtzaam, bidjafaana, ittgat-ingat.
bedachtzaamheid, kabidjak\'saHaan,
djorong, I\'ad. bovenl. Van bastions I
voorzien, btrsclekoh, berkotaloent, ber- j
djorong.
bïllal.jwll, nllleeÜng k[ ijgSVolk, , (tSÜ .\'.\',-. \\
baten, l»rgt»»a, b.v. wat liaat het!- j
apa goitmaja.\' liet baat niet meer, :
tiada biTf/Or\'tta tagi.
batist; e. b. v. O. I. •—, kain asahan ; ■
een fijner soort, ka\'in fjipoek.
batonneeren, brrffmooeug, maïn fhn- J
borng.
batonneerstolt, (ëmboeng, b<-l?bat.
battcrü, aarden geschut wal in het veld,
koebor.
l>avimin, kïira, monjet,
bazelen, ijlen, hardop preken in den
slaap. visngiijaK, b.v. bn/elt ge, of zijt
ge wakker, nigkna t>i>ni/i,f<nda/i, afair
fugkau djagakah. —, zotteklap uitslaan,
van vrouwen, laf ah; met verschciden-
heid. tatah-lftah.
bazuin, tiafiii (Pen. do zilveren staats- j
trompet); de —der opstanding,sangka- \\
ki\'/\'j, lctterl, de horen (zeeschelp) des :
tijd*.
bazuinblazer, penïoep najiri,
bazuinen , mniiofp nujiri.
bazuingeschal, boenjï najiri.
b—demon f mfwmpmn (van na/as, Ar.), j
beitinbte, /agaica.i; hof—, pendjaicat
asfami; e. s. v. hot\'—, thans niet meer
in gebruik, wetiwmtang,
beamen, amen op iets zeggen, tnhigu*
tuint. Ja op iets zeggen, mbtgijafam;
goed, juist, recht vinden, wièmtêwwrkmn,
ui enjor,iggt> -h kan.
beangst* katako<-fa,t. —, bekommerd
over. b?rtj\'/*il>ik<m.
beangst h ei d, kufakoetan; — bekom-
merdheid, pèrtpmUuht,
beangstigen, iurnakocti, (van takoft),
—, bekommeren, mrtuprrtjintakan.
beantwoorden, umi ju luwt ï (van sa-
hoef), mendjawah,
A r.; een bi ief —,
membatus soerat; een groet —, menja-
hoeti sa/dm, membalas saldm;
niet to
— zijn, tiada frrsahoef, tiada ferdjawdb.
—, overeenkomen met, btrpatoetan
dénga», satoedjoe dïngan,
— «an, in
overeenstem mi ut\' zijn met, b,v. van
klceding, siernden. woorden enz. bêr-
nambwfau,
b.v. zijne kunstnngels waren
lang, glommen als een kristallen spie-
gul en beantwoordden aan den glans
der ringen nan de vingers, tjanggainja \\
pandjattg berkilat-k\'ilat supirti tjefemin
\'
-ocr page 75-
— bedekt.                                           63
kan, niHindoengi; do goedo werken be-
dekken de zonden in den hemel, pahata
jang bnïk mendjadi \'abir didataia torgu ;
als met den mantel der vergetelheid
bedekken, „ie„/ata.m (van palam) b.v.
perk/ttai/a jnng soedadi baïk dipalam;
net aangezicht van schaamte —, mem-
bïbat nuf-ka.
—, geheel omgeven ot\'
omhullen met de een of andere stof,
dus ook van de wolken, mhtfètoetoemg,
(van srlo\'fjoeHgi, mfngHogéofng (vnn
ketoeboeug), b.v. niet bedekten hoofde
aankomen, da/a,/,/ be,k,!oebt/e,/g-ketoe-
boetig.
— in menigte, me.igoeroeng (vnn
oeroeag), b.v. antka pada uiasa Hoe
segala xemoel dn,/ kera/tgga. da,/ koetoe
ja,/\'/ didalam rougga kagoe dan hibaa/j
tuiiah sakation kaloeicnrlab u/eagoe-
roi\'ng goela tot uipah ito*,
en op dien
tijd kwamen alle mieren, roode mieren
en luizen, die in de holen van boomen
en in den grond waren, naar buiten en
bedekten de gestorte suiker. — nis met
een vlies, ook van stof, aarde, modder,
tnenjetapoet. Zoo bedekt, berselapoet.
—, met iets hols overstelpen, b.v. met
een mand, bord enz. meajuengkuep (van
torngko.-p); met do hollo hand, den
mond, de schnnmdcelen, de mond van
een llesch, het zundgat tan een kanon
enz. mïaekap (vnn tekap), —; de kris
met de saroeng bedekt hebben, bersete-
paa/j boengkoet,
— met pluksel, wnt-
ten of boounvol, zoonls b.v. ecne wond,
ook de sehaamdeelcn en anus van een
lijk, memalam nan palam). —, als een
vlies of floers, van wolken, dauw, of
damp, n/rnjtipiH\'t, b.v. door dauw bedekt.
disapaet emboen, door wolken bedekt,
disapoet amm-tttean. —, zie ook l»e-
delven.
bedekking;, p\'iiortoipan,piuofdoengan ;
alles wat tot — dient, toedoetig. —,
waarmede men zich dekt, b.v. een sprei,
huif, selendang over het hoofd enz.
kamporh. — van een vloer of tafel,
Inpik\'; versierde — nan weerszijden
van stantsiekussens, tampoek\' baalal
i\'éraga.
— van ecne plaats, versterkte
omgeving, tërap. —.volgelingen, ora/tg
pfi/yiriiig.
liedeknel, ioetoepan, toedomgan.
bedekt, beschut, terlindueng, terteiia-
doeng,
— , overdekt, katnrlo/\'pan. —,
verborgen, térsf/aboeni. —; geheel met
iets als met een korst of vlies, b.v
bedammen
bedammen , mhahrudoengi.
bedamminu, pe/abendurngan.
bedamppn, Mtngoetcapi.
bedntnpinc pfHgortcaptiii.
bedanken, iiir,ier\'tnia-kasih; een onder-
dnnn dun Vorst, mr/ter/ma karoen\'ija.
—, nfdanken, lu\'i\'li-paskan; uizetten vnn
een post of ambt, wn/Hjatkan {van
pet jat); zelf —, wiu/a /fjnijf, minta
l-rhentï.
—, weigeren, tiada ■IfnijTii\'m.
faggankan.
bedaren, stillen vnn toorn, vuur enz.
padam; doen —, we madam kan. —, een \\
weinig bedaard, minder hevig, vnn j
ziekte, wind, regen, hartstochten en/.
fff/a. —van driften, hu/op, mengendap;
toen hij tot — was gekomen, saielah
utedah selfxai rata njavcanja.
bednuwen, meug\'emboeni (van emhoe*);
bedauwd, AfltatoWMM.
immblebelmnssel, tHmmèoe,
beddedeken, silimoet, kaïn seli/aoel,
gebar.
Grooto en breede zijden—, gebar j
ganitan.
beddejsocd » van den gewonen inlander,
tikar-baatal, lettcrl. lleefiat en kus-
sen; van meer gegoeden, t\'tlatu dan I
bantal.
■ r<bieli \\Vil*t , tati se./ilia.
beddelnken, teperai, \\crb. Ncd. tèli-
moet kaïn poeti/t.
bedding, vnn ecne rivier,toebir, patong j
soengai. — vnn een beekje, tati ajar,
bede , verzoek, pinta, port/oen, pentinta,
pemoeaoen.
OhJTHTtiftf,fërmiittmên,ffmtrt-
hoeuan.
— tot God, permiataiin t/üa. \'
bedeelen, een deel geven, memberi
hi-hagiau.
— van armen, /aemberi dr-
ma, memher\'/, fedeka/i;
door do fortuin
goed bedeeld zijn, meiidapat oeniueng
hak.
bedeesd, zedig, topa/i, sopan santoen.
—, beschroomd, inatoe.
bedeemlheid, perangai jaag sopan, \\
perangai jang ma\'oe.
\'i-ilfiiuis, roe/aait "■ mhal\\ a.\'t/.
\'•edekken, al wat open is, menoetoepi i
(van toetoep). —, overdekken, m\'etioe-
doengi
(van toedomg). Zich —, ot\' ba-
dekt zijn, birtoedoevg — met, wordt
-om- uitgedrukt in het pnss. op deze
wijze: kaïn Hoe ditoedoevgkan kaptula ;
toebon (MM poet ft ï en niet toeboh
toeican poeteri dttoedoengi dengan kaïn
j
itoe. —, verborgen, mhijemboeaikan (van I
3Kni/joeni). —, beschermen, meliadoeng- \'
-ocr page 76-
C4                                        bedektolijk — bediende.
met stof, aarde, modder en dergelijke,
berselapoet, — door ren wand ofsclmt-
sel, ierdindintf. Ook van hot Wezen
Gods, b.v. het We/en Gods wordt be-
dekt door de eigenschappen, fèrdindiag
dzat ilvmjim seya/a si fat. —, door wol-
ken, van de lucht, de zon enz , redoep.
— van de zon, b.v. door een voorbij-
trekkenden zwerm, kalindoengan; in
bedekte termen spreken, ménjindtr, (van
sindir), letterl. zini-peicn. Zie bedek-
ken. — met morsigheid, loeatoer, loe-
moet.
bedekteljjk , semboeni-seaiboeni; |fig.
t/v,-ui lint oei.
bedektheid, van het aangezicht van
schaamte, bibat moel.it.
bedelaar, orany mtnta-utinla, orany
minta sedekak, peaiiata-minta.
— zon-
der noodzaak, pëndadnc}t,
bedelaars deken, fjtbar bélak ketoepat.
bedelen« mittia-minia, minta derma,
minta sïdekah.
Ar. — zonder nood-
zaak, mendadoek; gebedel zondernood-
zaak, ptadai/oekan.
bedelmonnik, fakir, Ar. darwisj, Perz.
djoeyi.
bedelven, overdekken met aarde, asch,
water enz. nienimboes; bedolven, ttitim-
boes,
b.v. het lijk is met narde —,
uia\'it dit\'t taboes dïnyan tav ah; het vnar-
tnig werd bedekt door de golven, ptra-
hoe itoe dit\'taboes olih on/bak;
onder
het /and bedolven, tUtimhoes pasir. Zie
verder bedolven*
bedel volk, orany miata-minta.
bedelswh, tUah.
bedenkelijk, gevaarlijk van ecne ziekte,
pajak, •—, moeiel ijk, toeaah, soekar,
pajak
.
bedenken, viemikirkau, nienjikh\'kan
(van Jikir Ar.); zich — over, iets ia
heraud nemen, nuiabitjarakan, uiPaim-
bang.
Goed —, rijp beraad, timbaayaa
jattff sak
; iets — om te doen, om
werk te hebben, méndjadikan ktrdja;
middelen —, mtntjekari akal, vientjc-
hart oepaja;
zonder —, er is geen twij-
t\'elen meer aan, tiada sjak laai} zich
niet lang —, tiada- pikir lama-laiaa;
zich anders —, van besluit veranderen,
beroba/t nijat. —, gedenken aan, niet
een gevoel vnn gemis, tvrkeaaagkan;
bedenk het wel, bezin u wel, poelang-
lah icktiar,
Ahd. imjal \'m\'ik-bdik, pikir
bdik-bdik.
\' bedenking, kafikiran; in — nemen,
mfnaroh fikiran ttkaa. •—, zie ook
te s»en w e r pi n o
bederf, ondergang, kabinasaïm, tjilaka.
—, beschadiging, karoemkan. —, ver-
rotting, kaboesoekan. — in het bloed,
kwaadsappig, zie ald.
bederfelijk, bolt/t biaasa, bolih roesak,
lekas boesoek:
bederven , verderven, aii mbiaasaka ti ;
totaal —, ontreddcicn, nitnyantjaikaa
(van aatjai). —, beschadigen, aiêroesak-
kan.
—, tot bedelf overgaan, djadi
boeioek;
tot bederf doen overgaan, tnein-
boesoekkaa.
—, bedorven, binasa, roe-
sak, boesoek;
in hoogen graad bedor-
ven. totaal bedorven, meer dan roesak,
re/abas. Zie ook bedorven.
bederver» pvmbinasa, pïroesa-k.
bedestond, biduur, waktoexïnibnhjavy.
bedevaart, naar Mekka, kadj, Ar.;
ter — naar Mekka gaan, pery\'t kadj.
—, plechtig bezoek ann de heilii\'c gra-
ven rondom Mekka, ömrat; de onvol-
ledigc — naar Mekka, zuodat men hot
steenigen niet heeft bijgewoond, fjadj
ömrat.
De volledige —, kadj betaal.
—  naar een heilig graf, zijarah, Ar.
—; do bedevaartsroorsehriften nako-
nien, mvaytrdjakan roekoen kadj.
bedevnartaanger nanr Mekka, kadji,
oraay hadji;
een — worden, aai/: hadji;
een eclito —, die op den bepaalden
tijd bij den berg Arafat is geweest om
den duivel te steenigen, hadji Uiioel;
een — in de plaats van een ander, b.v.
van een overledene, hadji bad al; een
—   die van Mekka teruggekomen is,
noemt men altijd toetpan hadji, Mijn-
heer do bedevaartganger.
bedevaartplaats, builen Mekka, Urn-
pat zijarak.
bed^enoot, sakatidotTau Slnapkame-
raad, fSman tiduer, katcan blradoe.
bedsordvjn, kïdaiabon petidoerat/., ke-
lamboe
of tirai pïradoetvaa.
bediende; loon —, orany opahan. —,
volgeling, kuican, tPiaan. — aan tafel
of bij een offer, pelajan, b.v. berapa
poela dajavy jalajaa,
daarenboven vele
vrouwelijke —n. — , knecht, kamba.,
boedak, boedjany, djonyos,
veib. Ned.
c/iadim, Ar. — bij eene moskee, nodja.
—  aan het hof, pï-adjaa-al aslana; dit
zijn meer de beambten; voor do vaste
—   van een Vorst, hamba radja-, de
-ocr page 77-
bedien den hamer — bedreven.
05
gezameÜjke fia/aba radja hecten p?.ra-
tcangan.
betliendenkamer, ptboedjangan, ka-
nwr djongos,
verb. Ned. op Jnva.
bedienen, aan tafel of bij een offer.
iiitlajan; ie:.and of iets —, mettijani,
li.v. zijn beer —, melajani toetcamtja,
de tafel —,mï\'lajani mrdja; vele kneeh-
ten W*ren aan bet—.bPbvrapa djariah
ada uiPtajani;
een ambt —, mPnge\'r-
il jak a ii djotcatan, mPlakorkan pekPr-
i/jaiin;
zich van iets —, iets gebnii-
ken, uiPtaakai (van pakai); zich van
eene spijs —, tiie.tgambil daripada. ma-
kaaan, „i. (/. hidmigun
. zich van eene
taal —, KP.rbP.hasa, b.v. jaag bPrbPhnm
diagan bibasa MPlajoe,
die zich van
het Maleiseh bedienen.
bediening, ambt, djabafan, djatcatan.
— aan tafel, bij een offer, in een lo- ■
geinen t enz. pPtajan.
)>ed\\jken * bedammen, mPmbPndoeugi,
hit nam buk
(\'van tambak); de zee —,
mPngikat taart.
hedillen, beriepen, allerlei naniuerkin-
gen maken, mPtitjeta, vipn/jprewr/, mP/i- !
tjoinet.
bediller, pPn/jPla, pPnljPrewet,pPntjoiart.
bedilziek,*<Wv( iaën)\'jPta,soeka tjPrrwrt. ,
beding, conditie, voorwaarde, djandji,
.ijarf.
Ar. onder —. dPngan djandji,
ditiyan sjarfnja;
onder —, mits, asal,
mPtaiakan.
bedingen, vooiwaarden stellen, bPs-
djnndji.
)>edinselen, iets met den dissel bewer-
ken. mPuarah (van /arak), i/tPmatitlvan
pa/U),
—, in orde brengen, laPaga/orr- \\
kan.
—, ten uitvoer brengen, we/d- !
koekait.
l>edis»eling, bewerking met den dissel,
tarahan, patilan. —, in orde brenging,
pPnga/oeran.
bedlegerig, berbaring-baritrg saki/.
\'•«doelen, het voornemen hebben, ber- \\
71\'jeit,
Ar. —. op het oog hebben. Mr- \'
maksoed. Ar, —, willen, maar; wen-
>ehen, hendak. —, uitloopcn op, rifhf
djakatt, mpHJPhadjakan. —, zie ook
doelen.
bedoeling, voornemen, n/jat, Ar. —, \\
doel dat men zich voorstelt, oogmerk,
"lafrtord. Ar. —, wil, maor; wensen,
kithïndak. —, beteekenis van een vraatr-
stiik, kahvvdatr, b.v. segalii pandita
t\'iisai disoerorh bagitida beri kahPndak \'
masalal i/oe. de Vorst beval allen ge-
leerden van Pasai de — van dat vraair-
stuk op te geven; ook de — vnn
woorden ; wnt is de — met dat gezegde,
kamana dja/ohnja ka/a i/or; zonder
cenige — hoegenaamd, sora/oe po.i
tiada /aaksor//;
ook ki/as b.v. de — van
iets vatten, niPagambit k/jas (vnn ffij&t,
Ar ), mPagPrli mananja, — der woorden
ook tordjon pPrka/aiin. —, zin, er/i,
rPti,
mm, Ar. kijas. Ar.
bedolven, van het nangezieht in iets,
b.v. in zand, modder, een kussen, in
de handen enz. sPmbam. Ook figuurlijk
iCebrnikt voor onttroond, ontslagen, over
den kop gegaan van een koopman enz.
— onder iets zwaars, b.v. puin enz.
tPrkriupet, letterl. nedersredrukt
bedonderd, verbluft, têngomg, bi-
vgorng.
bedonderen, foppen, mPnipoitkaH (van
/iporS, niPmptrdajakan (van d-ija). Zie
bedotten. —, overbluffen, in de war
brengen. mPmbingoragkan.
bedorven, ongeschikt geworden voor
het gebruik, geschonden, rotsak, ook
van een naam en hiervoor ook boeroek ;
totaal —, ontredderd, aidjai. — , on-
herstelbaar, rahap. — van het bloed,
bajor. — van spijzen, boesark; dut\'.
muf, basi. — van eieren, doordat ze
bebroed zijn en toen koud geworden,
/Pmbïlany-, moreel —, slecht, van een
persoon, fuift, Ar. een — sujet, orang
t\'asik.
— van het bloed, zie kwaad-
•uppie;.
bedotten, door iets slechts voor goed,
iets valsch voor echt uit te ge-ven, /?-
boe». —, zie ook bedriegen.
bedrag, som, bilaiiynn. djormlah, Ar.
bedragen, wordt uitgedrukt met djoem-
lahnja,
het bedrag er van; de prijs be-
ilraai.\'l. hargaaja.
bedreigen , mPugainang-amaag, iaeagan-
/jam,
Bat. /ie ook dreigen.
bedreiging, pPngainany-ataa»g,pPnga}i-
/jam,
Hat.
bedremmeld, beteuterd, binyomg
geheel verbluft, téayomy.
bedremmelen, mPmbingoengkan.
bedreven, knap. pandai. —, geoefend
in iet», pa/jal\'. —, ervaren, kundig.
djaubari, Ar. — in geheime weten-
sehappen, sas/Prawan, Skr. — ia lezen
of opstellen, ahli, Ar. b.v. ia het lezen
van den Koran, ahti datum pPagadjian
-ocr page 78-
öö                                      bedrevenheid — beduiden.
k-oran. — in het maken van allerlei
Opstellen, a/tli dalaut karantj-n*ïngaraug.
bedrevenheid , knapheid, kaptuidajan;
als meester in cenig handwerk, kator-
kttiiijan,
b.v. hairan ttgola poeiert fa-
tcanan iloe melihat kattieknngan kin
Indra t^aksmi,
al de gevangen genomen
priaeesseji waren verwonderd hij het zien
der bedrevenheid van kin Indra Laksiui.
bedriegc»n, mtnipoektm (van tipoe),
MÏiHjii.dujakitu
(van tlaja). —, it\'Di.
een trek spelen, mïngitjoe, b.v. i$rpr~
lih.ii alah ija daripada dikï/joe orang,
hij bleef bewaard voor bedrogen Ie
worden door de mensehen; door schijn
—, mënjrinoe, b.v. die man kan door
ons niet bedrogen worden, orang Hoe
tiada förtPmae olih kita. -
, vcrschal-
ken, melantjong; God —, fig. dikfloekait
Allah,
letterl. God wordt ?toin gemaakt;
zich —, wÜBWoektM dirinja; iets ver-
keerd opvatten, talali faliam, b.v. dji-
kalau tiada salab fnhamkoe.
als ik luij
niet bedrieg, als ik het niet mis beb;
bedrogen worden, kïiia tipoe, diperda- ,
jukan; te bedriegen zijn, tïprrdajakait;
niet te — zijn, Hada trperdnjakan.
bedrieger, ptnipoe, oratig nfêlaittjonig.
bedriegerij , tipoe; nllorlei —, tipoe- .
(laja, pvrdujaiin.
Ih\'i li*ii\'.",1 \\jU , dï-iti/a.ii tipot.
bedrijft werk, beroep, kerdja, pïkPr-
djat\'iit, pPiiljtharian.
—, daad, perboe-
watan.
— van cune tooneelvertoOQtng,
lakon, lakuii-laku», lelakon, bahak-, alle
uit het Jav.
bedrijf\'-lifipitmd, mot/al.
bedrijten, tnïutberaki.
bedrijven, memboe wal.— van vreugde,
zie vreugde.
bedrijvig, ijverig, radjin, fjikalan,h.v.
kalakoewanuja ptramponcan \'ritte tvrlaloe
sttngat fjikalau baraitg pïke.rdjadnnja, •
ma La sttbïuitar poft tja tiada d/jam doe- \\
doek tjoema-tjoema,
het gedrag van die
vrouw was buitengewoon zeer bedrijvig
in al haar werk, geen oogenblik zelfs
lat zij stil zonder iet» te doen.
bedrillen, beschikken, mïngni\'oerkan.
bed vinken, zich —, iuiuo>\'m saiitpitï ■
utabok-, taÏHiabokkan diriuja.
bedroefd, hirdurka-tjita, toesah hati. !
— zijn owr.berdtfka-tjitakan. — , treu- !
rig gcrteiud, sajoe, b.v. hel maakte ons
hart —, miiabiri *«, oe dihafi kamt; .
hoe zou zijn hart niet — zijn, dinw- ■
nakan fidak sajoe /tafinja. — van ge-
mocd ook yobar, gïlana, Skr. Dit laatste
meestal verbonden met goendali tot
goendah-gïlaua; zeer —, inzonderheid
bij de herinnering aan iemnnd. zeer
aangedaan, kaprloe-peloeicaa; zeer erg
—, roesak hati. b.v. gij moet niet zoo
erg — zijn, djaitgan toetcau roeaak hati
dtmikian.
Zie ook verdrietig.
bedroeven, mtndorkakan, mèndoeka-
tjitakan. mPmbëri dojka-fjita, mïmbfri
tajoe dihafi, mïmbvri peloe dihafi;
zeer
cru —, miroe$akkau hati.
bedroevend = bedroeven, doeh
meestal met het Itetr. Yraw-j\'say erïoor.
bedrog, tipo\'\'; allerlei —, tijtoe-daja,
perdajniin.
—, schijn, sPutoe.—, streek,
lUt, poets, grap, kitjau.
bedrogen; — zijn, kfna, letterl. ge-
troffen, geraakt. Vork. van keaa tipoe.
bedroppelen, inïnifiki (van titik). —.
besprenkelen, memërêtjiki; bedroppcld,
besprenkeld, tïrpPrttjik.
bedruipen = bedroppelen; zieh-
zclven —, zijn eigen brood verdienen,
tatnljthari reseki/ija sPndiri, miutjPhari
sendiri.
bedrukken, van papier, katoen enz.
wPiifjitttki.
bedrukt, bedroefd, neerslachtig, sPdve,
sPndoe;
zeer —, geheel —, lersPdoe-
st\'dor.
bedrukt 1 iei«I, bekomraerdheid, pï.rtjiu-
fttan;
smart, ka.doeka.th/.
bedstede, slaapplaats, fpittpal tidot>r,pt-
tidoeran,
van Vorsten pe.radoetca».
bet l>t uien. fijang ttn/j/at tidoer.
beducht zijn.vreezen, t\'akoet, kafakoetan,
b.v. ik was voor mijzelven —, kafakoe-
taatah ukoe akan d tri koe
,- ook wasaugka,
b.v. dhigau hati jatig icasangka akan
behaja,
meteen hart beducht vourgevaar.
beduchtheid, kafakoetau.
beduiden, duidelijk maken, mrnjatakaa,
meitgïnakan,
b.v. toen beduidde ik het
hem, maka koekt/takaalah kapadanja.
—, verklaren van de heteekenis, ntt-
ngïrtikun.
—, aanwijzen, aanloonen,
uiïiiotmttjih\'k (van loeudjoek). •-, be-
teekenen, ïrtinja, b.v. de letter Alif
beduidt God, de Allerhoogste, froeroef
alif iloe trtinja Allah taala;
wat heeft
dat te -, vnn welk belang is dat!
birapa kedarnja; dat heeft niets te bc-
duiden, dal maakt niets uit, tiada atl-
ngajut,
ook tiada birapa halnja.
-ocr page 79-
beduldenis — been.                                             67
—, utenölokkan hawa-naftoe, ook mina\'
hankan hawa-nafaoe
(van tahaa); zijne
tranen —( ininahaakan ojar-taaianja.
Zie ook inj»etoj*eii; zijn toorn —,
/aésahani amarahnja, van een Yor;-t,
Mvnaiiani laoerkanja; ztcbzelven —, in-
houden, bedaard blijven, nnnahan had,
miitahaukittt diri;
zich — bij het ge-
bruik van spijs of drank, zich matigen,
menugceren, pantavy, bïrpantany,- b.v.
bedwing u wat, onthoudt u zeer van
het een en ander, pautang bdik-baik.\'
iemand —, in iets tegengaan, hem
van iets afhouden, wt&mëgmUmn (van
ttgah). —, temmen van een beest, uttn-
djinakkaa.
lett. lam maken.
beëediud, soedah btrsvempah, b.v. een
— translate ui\', djoerae bthasa jang
toedah bersoempah;
eene beëedigde ver-
klaring, kasaksian jang diseetakan
soempah.
beëedl<-en, mtnjoempahi, toeroeh ber-
soimpah.
beëüdiuins, phsoempahan.
beëindigd, vun een werk, geschil, oor-
log enz. silesai.
beëindigen, afmaken, ménjoedahkan
(van toedah), mfiijoedahx, mtagchatam-
kan
(van c/iatatn. Ar.), niénjélesaikan.
beeh, auak xoenyai, batany socnyai; een
kleine —, aliran,
beeldt lichamelijk —, patoeng, ornny-
oruagan. —, nfbecldsel, geteekend, peta,
gambar
; beelden uit den ouden lijd,
artja, re/ja. —, gelijkenis, tbarat, Ar.
orpa/ua, Skr. —, voorbeeld, toeladan;
gesneden beelden, patoiuyjuny tëroekir.
beelden, een gedaante geven, yntroe-
pakan.
beeldendiennnr * orang itienj&iabah
bfrhala (van sX-uibaW).
beeldendien«t, ktdtaktian kapada btr-
hola.
beeldbouweti, me iaahat patoeng (van
paltat); mtneiapa patoeag (van izuipa).
beeldhouwer, pvniahat patoeag, pe-
nempa patoeng.
beeldr*primW , pïroepamaan, \'iburat, Ar.
beelteniN, gambar, pita,
been, tuelaag. Ook als stofnaam, b.v.
een bcenen knoop, kantjiag taelang.
Sterft de tijicer hij laat \\ lekken, sterft
de olifant, hij laat beenderen na, mati
hartman uivninygalkan bïlano, mati ga-
djafi nïïniiiygalkan ioelang, Sprw. bet.
wat iemand bij zijn leven was blijkt
beduiden!», Pr/i, mana, Ai.
bcduidinu, ptiigvrtia*.
beduimeld, b.v. vnn de bladen eens |
bueks, tïbam. —, de sporen dragen van :
gebruikt te zijn, koemei.
beduimelen, mtngoemalkan.
bi-<luiveld, kasjaifauan, dirasoek sjot*
ƒ.///, kamusnka» tjaifau.
beduivclen, „lï^jaitani (van sjaitan).
bedunken, incening, sangka, agak, b.v. !
mijns bedunkens, pada sai/gkakoe,agafc. \'
nhaja.
hciUvans, kafahanan, kategahan; uoder
—   gehouden, diiahankan, diteyahkan, ,
dilatih.
bedwelmd, rnabuk. — door bloedverlies j
ra ook door bet zien van bloed, mabu$r
darah.
—, dronken door de min, men- j
<i<t„t Jav. komt veel voor in geschriften
\\erbondcn met birahi tot mendam birahi,
liefdedronken. —, zwaar van houl\'d, b.v.
door bet gebruik van zware tabak,
pfnggar. —, eenigszins bevangen, mataa. i
—   door wijn, roem, inbeelding, chajali, i
Ar. —, door een tooveriniddel, vergif \\
enz. in zwijm, ii/mwjy\', Perz.— uls door ,
sluipen, of toevallen, pifaia b.v. maka
sakalian mareka-itoe bïhaaxjlah laloc
lidoer saperti oraiiy pitam,
en zij allen
waren bedwelmd en sliepen daarop als !
Heden diu do sluipen hadden. —, dui-
zolig vnn hoofd, pïnittg, poc.siiig kapala.
Ix\'dwelmen, a/emabokï, mentabukkan.
—   vnn visch door middel van toba-
wortcl, inenoba tkan.
Wdwelmend, mvmahukkan, meataboki,
b.v. bedwelmende drnnken, minoeman
jong mï\'utabokkan.
—, van smaak en
lucht, zuuals b.v. tabak, doornappel enz.
l-ojar, kajal, uiaoeng, b.v. adapon daoen
\'adftek itoe maoeag,
de kadoekbladercn
zijn bedwelmend.
iM-flwelminsttmiddel, toovermiddel
of drank om iemand geheel te bedwei-
uien, obat bihausj, —, door dieven ge- ,
bexigd, om ongehinderd te kunnen ste- <
■■is. sekot, poekau; meestal ruok van
narcotische stoffen, waarmede men
l uachts de bewoners van een huis be-
\'Iweliut. — , om visschen te bedwelmen,
>»lni; gebruikt men daarvoor de goerah-
*i ucht dan heet dit, toba goifrah.
\'"•«Iwiiijjen, ondeiwerpen, van een volk,
hartstochten enz. mPnfilokkan (van tfl-
fafc Ar.) b.v. at de vijanden —, mtnïï-
lt>Han aegala moeioeh;
de hartstochten
-ocr page 80-
68
been — begeerig.
na zijn dood; beenderen, gebeente, toe-
lang-toftangan;
vel en —, doodmager,
koeroes-ktring.
been, het lichaamsdeel, kaki; tusschen
knie en voet, bet is; op één — staan,
bërdiri sabflali kaki, bërdiri kaki loeng-
;/al;
het lange, veerkrachtige — van
sprinkhanen en dorpel, waarmede zij ]
hun sprong maken, ketil-; een boen ot\'
graat in de keel gekregen hebbun, ka-
toelangaa,
naniel. ter aanduiding van
den persoon, wien dat ongeluk getrof- I
ten heelt; houten —, sërombong, d. i.
verlengstuk van iets hols ot\' pijpach- ;
tigs; op de been brengen, bijeenroepen, \\
mëngëralikan
(van kvrah), iiiënghimpon-
kan.
Zie ook achterbeen,
heenachtig,
katoelang-toelangan.
been blok, voor misdadigers, pasomgan.
beenbreuk, fatah Ujêlang,
beenen, van heen, toetang, daripada
totflang.
heenig, bërUielang.
beenvlies, sëlapoet tot-lang. — van het
bekkeneel, sinthak, Ar.
beer; de Maleische —, bëroetcang; de
Groote —, het gestarnte, binlavg bidoek,
b. djomg, alduebof\'lakbar;
de kleine
—, aldoeboe\'lasgrar, Arab. —, drek,
tahi. —, muurstut, sokong tembok. —,
schuld, hoeiang; vol becren zitten, tëng-
gëlam dalam hoelang.
beerenhuid, koelit bëroetcang.
beerenkluuw, kaki bëroetcang.
beerput, ië.laga tahi, djamban, pelin-
doengan,
b.v. sakair përislswa koeda
kandikan baginda djatoh kadalam pï>
lindoengau .,. maka Hang Toewah sigëra
tërdjuen kadalam fëlindotingan,
eens
gebeurde het, dat het rijpaard van
den Vorst in den beerpnt viel ... en
Hang Toewah sprong dadelijk in dien
beerput.
beërven, mëmpoi-sakdi, mëwaritsi (van
warits Ar.).
beent,
binatang, haiwan, Ar. ook als
scheldwoord; de — spelen, n/ëradja-
lela;
wilde —en, binatang lijar: het
wild gedierte. niPrgn-satwa; tamme—en,
binatang djiaak.
beestachtig, sapërti binatang, hai-
ivani, Ar
beestenhoeder, goiubala.
beestenmarkt, pasar lemloe karbau,
pasar léutbof-kambing.
beet, hap, gigit; een —, mondvol, sa-
soewap. — nemen, foppen, mënipoe,
mëmpërdajakan.
— hebben, getroll\'en
worden, këua. — hebben, begrijpen,
mengerti, wëndapat.— hebben aan den
hengel, ikan makan oeinpan, ikan makan
mata ka\'il.
beetje, weinigje, sëdikit; lekkere beet-
jes, makanan jang sëdap, ntmat, Ar.;
laatste —, restnntje, sisa, kored,
voor — voortbewegen van een last,
verrichten van een werk, kosil; telkens
een —, bij beetjes, sëdikU-sëdikit sa-
kali.
— voor — behandelen, vim iets.
dat niet in eens kun gedaan worden,
mënggomel; bij kleine beetjes nemen,
zuinig zijn met iets, mëntjëk-U; bij kleine
beetjes aankoincU; vorderen, lewerk-
gaitn, mëruu/jel.
beetpakken, mëna,tgkap (van taiigkap),
niëmëgang (van pëgang).
betaamd, kanamaüa, tërnatna, masjhorr,
Ar. tërmasjhoer.
beiaauidheid, ,/.-• \'..■■■■.,-. masjhoiT, Ar.
begaafd, met verstand, boediman, Skr.;
een — redenaar, orang jang Jasih fi-
dahnja.
—, knap. panda*.
begaafdheid, knapheid, kapandajan.
begaan, betreden, ittëiidjalani. , doen,
mëmboeiraf, b.v. eene fout —, mëmboe-
icat salah;
een moord —, mëmbocnoeh
orang :
stil laten —, mtmbijarkan, men-
dijamkan.
— zijn met iemand, pelot\'.
mëngasihant
(van kasihan), ook kenau-
gan akun;
met iets of iemand — zijn,
het jammer vinden van, sajang akan.
begeeren, zinnelijke lust hebben, ingin-,
van zwangere vrouwen, hidam ; met obj.
mënghidamkau. —. wenschen, verlan-
gen, hëndak; met bepaald obj. nifatg-
hëndaki, hëndak\' akan, hï-ndakko
w,
regeert het Voorz. akan. — begeerte
hebben, bërkahëndak. Al wat men he-
geert, sakahëiiduk hall. —, wunschen,
verlangen, mëntjita. —, verlungen naar
iets, bërgëmar akan, mëndambakan.
begeerig, verlangend naar iets, ingin.
— om het te hebben, hëndak, damba,
zeer —, of verlnngend, ósjik, Ar. b.v.
djadi üsjik mëmngarkan pëugadja-
rannja,
werden zeer begeerig om zijn
onderwijs te hooien. Hetzelfde van velen.
kaasjik-ïïsjikaii, b.v dan kabanjakan
pofia orang yang mëmandjatpohon kajor
kaasjik-üsjikan mëmaudang,
en wederom
vele lieden beklommen de boomen, sterk
begeerig zijnde om te zien.
-ocr page 81-
begeerigheid — beginnen.                                      69
begeerigheid, inhnlighoid, hba, fa-
mü,
Ar.
begeerte, wenseh, kaht.idalf. ■—, lust,
nafsoe, begeerten en lusten, haica-va.f-
sou;
de betreerten Opwekken, mïnyya-
Likkan haira-iiafsof
.- de begeerten be-
vredigen, wttmoewMikmM hatca-nafsoe
(van poeieas); en zijne begeerten strek-
ken zich zeer ver uit, dan Aawanja
ttrlalot\' tniétit besar.
—, lust naar spijs,
■\',\'"■\'. sjarah. Ar. —, sterke, onweer-
stnanbare lu-l ut\' trek naar spijs of
drank, bv, naar jenever, opium en
dergel., kétayihan. Van eene zwangere
vrouw naar het een of ander, hidam.
—, verlangen, kahï.idak, hasrat. Ar.
b.v. mijn — is oin een kind te krij-
gen, hasratkoi- bïndnk l<,,i,tak,- van
eene zaak of een voorwe y. iemand»
— opwekken, mtndjadi panas d\'nnata
orantj;
d. i. de oogen uitsteken; teleur-
nestelde —, kautpoaan.
begeblien, uiemperum\'iukun, mempfryi-
/ukan, uirtiijolok-otolr.
begeleid; — van, b.v. een brief van
oen geschenk, dipesPrtakan. — door
\\olgelingen, diïrittg.
begeleiden, iemand of iets, fmph\'ër-
takan, mï-njrrtaï, laPnyhatttarkan. —,
als volgeling, niïiiyiring.
begeleider, pïnyhantar, pPngiriny;
dienstdoend —, ndjudant, kapit, pe-
lllfltpl/.
begentuligen, mVmmtmoffmmhi. — ver-
geven, wP.nyampomi, tiiaïïfkan, Ar.
begeven; zich ergens heen —, pPrgi,
wPmbatra (Hrinja
; zich ongekend onder
eene menigte —, b.v. onder vijanden,
niPajabaer (van saboer); zich —, gnnn,
om bij iets tegenwoordig te t\\\\a.tsahht
ook uitrukken, zich — naar het slag-
veld; zich op reis —, van Vorsten en
aanzienlijke personen, bPrangkat; van
gewone lieden, berdja/an, bPrlajar; zich
unnr huis —, poelatiy. poelang karoe-
mah;
zich naar iets —, den weg op-
iriuiii, koersen, mP.noedjof (vnn tuedjor);
zich regelrecht naar iets —. langsoevy
ka,
b.v. de Vorst begaf zich regelrecht
naar het paleis, Mtika ba yin da pon iatig-
sorng kaUstami;
zich tot iets —, er
mede beginnen, moelaï; iets — schen-
ken, mPmberi; van God en den Vorst,
mt-ngaroeniakaii, mPnyanartjPrabakan. —,
verlaten, viPninyya/kan; zich in het
huwelijk —, ktii\'An, Perl, van een man,
hfrbini, bPritteri; van eene vrouw, bPr-
laki, bPrsoetcumi;
van Vorsten,nifcuh, Ar.
\' begieten, mPttjiram; met bepaald obj.
mPnjirami (van stram) ; zich—, baden,
alleen van Vorsten en aanzienlijke per-
sonen, bérsiram. — met een sterken
straal, mïndjïrauii. —, natmaken, b.v.
van planten, bleekgocd enz., mPadtris.
—   met heet water, broeien in dien
zin, mtnjïdoeh (van sedoeh).
begieter, pinjifam, pPndiris.
begieting, pénjirantan, penttirisan.
\\
begiftigen; iemand —, van een Vorst,
mënyaiornijiü (van kariuiiija Skr.) mP-
ngaitoegPrahai
(van anoeyPrnha. Skr.).
—   met wisselkleederen, mënipPrsaliiii.
begvjnenrvjnt, nasi koening, unsi koeajil.
begin, titfftift. per moe/aan, atral, Ar.,
ibtidii. Ar ; van het allereerste—,dari
aical moe/a, dari mofla pertama
; zon-
der — en zonder einde, tiada bïrka-
moei ad ii daa tiada bPrkasordakati
; als
in het —, samoela. —.voorste, hoe f of.
Het — en einde van iets niet weten,
dada mPnyPtahofi hoeloehitimja.
van een seisoen, hoflof moetiut.—, dat
gedeelte, wat het dichtst bij den oor-
sprong is, b.v. bet dikste gedeelte vnn
een tak, de titel van een boek, het
hoofd van een geschrift, het begin van
een weg, b.v. bij het water, het begin
van eene zaak, gewricht van de lede-
maten, patiykal. —, voorste gedeelte
vao iets, sailr, Ar.; weer van het —
nf, nog eens weer, bert utofd aloë, b.v.
weer van het begin af kwnad doen,
berboetrat doerhaka bert aloe-t aloë; tel-
kens weer vnn voren af aan vloeiden
de tranen, ajar-aiata toeroen bPrtaloe-
laloe;
van het — tot het einde, dari-
pada pï-rmoelaannja datany kapada
kasoedahatiiija
, dari awal sampai ka~
pada achirnja.
—, midden en einde,
kamoelaiin, katenyahaa dan kasoedahan.
beginletter, hoeroefoe\'libtidd, Ar.
beginnen, inoi\'lai; iets —, mPmoetat,
—, den nanvang mnken, vroeger of
eerder hnndelen, laïadPhoehf. Vóór een
ander —, een ander voorgaan, me\'ade-
hoeloei.
— iets van iets te gebruiken ofte
□emen, het eerste beetje nemen, nanbrc-
ken, iiiP/aricak; wat zal ik — V wat staat
mij te doen r apakah dajakoif f niet weten
wat te —, ten einde rand zijn, habie
sPyala daja-oepaja, l&najap bit/ara., poe-
toes asa;
om te beginnen, Ulibtidd, Ar.
-ocr page 82-
ra
beginsel — begunstiging.
beginsel, nanvam;, pï-rntni-laiia.—, oor-
zaak, grond, pohon, asat. Ar. moe/a.
Ook moéfa asal. —, oorspronkelijke
vorm, lembaga. —, grondbeginsel, roe-
koen,
Ar. vim dezelfde grondbeginselen
zijn, imroekoen; iemand van goede be-
ginselen, orang jang ba\'ik pirungatnja,
juni/ ba\'ik tahiiitnja,
letterl. \\an goeden ;
aard of inborst.
begluren, mPaghintai.
Imglnrlnji fKmgiiutmf^u
l)P>rluur(lor, péughintai.
begoinmen, menggrfahi, memph\'gt-
i.\'hka.i
beaoorhelen, mtujilap ; door den dui-
vel bogoocheld, disifap iblii; ecno vrouw
—, verleiden, wi&nawari m*orang pe-
rampoev:an (vnn faiear).
begoocheling; <:eziehts—, silap, silap
i,iitfa. Hiervan ook silap hilang, bij het
tellen zicli vertellen. — eenev vrouw,
verleiding, pPnafaran.
begooien, mrlimpari, inelnelari. — van
boven naar beneden, uifnjiiabah f van
simbaK) ; van boven begooid. tPrsïmhah;
bogOOI mij niet, djangan akoe tlisimbah ,-
den vloer met water —, menjimbahkan
ajar kaltmtai.
begraafplaats, ptyoeboeran (van jror-
boer, graf, Ar.). —, kerkhof, als een
besloten ruimte, soms ook kanda/ig. Mal.
begrnfVniHfeeHt, sPdria/t artcah. Ar.
begrafeniskosten, belandja nienanam-
kan orany (van tanam), belandja meng-
Jfotborrkoii orang.
begrafenisstoet, pPrarakan mait.
beijrauwen, menëngking (van fingking).
begraven, van een lijk, mpiigkoeboer-
kau. menahamkan (van tanam), menjiia- !
pan mait (van simpa.i). — fig. b.v. in
de zee —, nir iirnggrlamkan ilalam liioi\'t
(van tenggelam, zinken). — in het ge-
moed, dilaaam didalam tjita; iots in
dm grond stoppen, een schat, enz, wik- j
iianam (vnn tanam).
begrensd, brprrhinggaiin, brrbalas.
begrenzen, liedr. Ww. mvmperhingga- \\
kan, mempvrbataskaa; onz. WW. djadi ,
pvrh\'nigtjaiin, djadi bat as,
beprüpeltjW, wecens de duidelijkheid,
tvratig, njafti. —, maken, mtnjatakan,
mtngertikaa,
begrüpelyhheid, duidelijkheid van
begrip, vatbaarheid vnn begrip, riagan •
kapafa, akal lïrang.
begrüpen, itiïngPrti, mPnangkap (vnn
laagkap), faham, Ar. —, in zijne gc-
dachten van iets een voorstelling maken,
nïï mi kir kan, b.v. kattak-kmmk pon dapat
mPmikirkat ito*,
een kindeke kan dnt
wel begrijpen. —, ook tahoe, b.v. wmk*
toen Kastueri pon tahoelah akatt Lak-
samana brrchalicat itoe,
Ton Kastocri
begreep dat Laksamnnn zich afzonderde ;
iemands woorden —. mengerti ka/a
orang, mPnavgkap kata oraag
; al wat
in dien brief staat heb ik begrepen,
sega/tt jang tPrsPboet dalam soera f itoe
fahamlah sehaja
,- verkeerd
       , salah
faham, salah lampa, salah mengc\'rti.
—, inhouden, bevatten, moeieat; be-
grepon zijn in, fïrmoi\'ival, masok, b.v.
onder het aantel begrepen zijn, masok
hilangaa.
begrip, het vermogen om iets te bcgrij-
pen, pingerf ian, tnafa hati; zich het
— vnn iets, b.v. van de woorden, goed
eigen maken, mPnfahamkan; bet begrip
van iets verliezen, zijn verstand vcr-
liczen, hilaag \'tkal. —, gevoelen, mee-
ning. rasa, prudupat. f verstand, \'Tkal
boedi,
schrander van —, tPrang 1}kal
hoedt;
vlug van —, riagan kapala.—,
samentrekking, kort begrip vnn een
verhaal, verhandeling of redevoering,
compendium, ringkns, ichtisar, Ar. tot
een kort — samentrekken, meringkuS\'
ka.i. mrngichtisarkan.
Ook idjiatil Ar.
en mr\'iigidjmdlkan.
begroeten, mPutberi tabi-k, mP.uibrri
saltim ;
elkander —, bPrsalam-salamaa.
—, verwelkomend tegemoctgann, me-
iigHoe-Ploekau;
bij het binnenkomen
vriendelijk toespreken, mënPgoi\' (van
tegor).
begroeting, tahik, sahim, irgor-sapa.
begrooten, kira-kira; met bepaald obj.
mPvfiira-vgirahan. —, berekenen, ook
imnganggar (vnn aagi/ar, 1\'erz.). —, de
waaide schatten, mPnilai.
begrooting, kira-kira. —, schatting
der waarde, nitajaa.
begunntigen; iemand —.voornamelijk
vnn God. een Vorst of aanzienlijk per-
soon, tnPni/aroenija\'i, (van karoenija),
mPnganoegtrahai.
Kene zaak —, t/ienoe^
(MM
begunstiging, karoeaija, Skr.; met
—, dèmjan karoenija, dtngan anoegf-
raha;
ook deagan pPrtoeloemjan, b.v.
met — van een goeden wind, dtngan
pertoi\'/oet/gan atigin jang balk.
-ocr page 83-
hehafigiyk — behelpen.                                         71
Ix-himi\'Uilf. voor do zinnen, sedap,
e.mk, hihat,
Ar.; iemand — zij», Wr»
kiMM kapada oruny, memperkfaankun
arauy;
iets — vinden, bPrkenan akan.
t>ehfmrti, van hel aangezicht, ramoeg.
—, van het aangezicht, gebaard, ram-
bnjun.
— von de huid, Kértoetoe; zwaar
—, p\'tnor\'h boetoe, banjak boeloenja.
behnijen: aan iemand —, b<rkïnan
kapada
— scheppen in ieuinnd. bPr-
keuan akan
.- maken dat iemand —
schept, uii-mpï-fki-mifikan i het behlge u,
wees zou goed, als \'t u belieft, si/ukan,
silakanlah,
b.v. om binnen te gaan, te
gaan zitten, voor te gaan enz. —, ver-
kiezen, .tufka. scheppen in, ook toeka
akan;
geen —scheppen in, tiada soeka
akan,
b.v. hij schept geen — in het
wajangipel, tiada ija toeka akan Wr-
waïn wajang; het bobago Oud, dibïri
A/lab knavja; di-aiitnyêrahakan Allah
kiranja;
indien het (iude behaagt, dji-
kalan denyan rif/la Allah, imja Allah,
Ar.
behagen ; het —.kaeidlaaii,soeka, kittan.
behukken. zie behouwen.
behalen, verkrijgen, bProlih, mUndapat;
winst —, brroïth labu, mPndapat oen-
tornt/;
de overwinning—, mpnany, bêr-
o/ih kamPnanyan.
behalve, laïrn daripada, nnlainkan, kï-
tjotwaii.
behandelen, lottcil. niet de handen
—, menanyani (vnn tanyan); verder:
in t m ï-yii ny (van peya ny), mPndjabat\',
mPndjaicttt; ecne zank —, melakoekan
ÊOtaiae përkara;
een werk —, mjngtr
djakan soeatoe pïkerdjaiin;
de wapens
—, tnPitdjabat sPndjata; een onderwerp
—, bespreken, mrmbttjarakan soealoe
përkara.
—, uitoet\'enen, wtndjawal; met
orde en regel iets —, tuë.mërentahkan
(van pPrentah); een werk niet met lust,
llnuw —, er medo talmen, mënjamba~
lewa
(van samèatewa); nol bepaald obj.
mPnjambalewakon; iets schielijk—, nië-
rëboet,
— van een persoon, niëmpërboe-
wat;
behandeld worden, dipërhoetcuf,
b.v. wij worden door den Vorst van
Malaka als npun behandeld, kifa dipvr-
boewat olt\'h railja Malnka saperti këra ;
een kranke met geneesmiddelen —,
mëmgobati aroma saki/; iemand goed—,
hërlakoe dëngan ba\'tk kapada twanWÊ ,-
iemand slecht —, bërlakoe denyan dja-
kat kapatla sa\'orany;
iemand ruw —,
iiitnyasaf\'ngasark\'an, b.v. djanyanlah
kamoe saka/iaa kasar-kasarkan orang
Hoe,
gijlieden moet dien man niet ruw—.
behandeling, përboetcattn. —, gcdrnir
jegens anderen, katakoewan.
hehandi<*en, terliand stellen, mëujam-
paikan ka/anyaa, mënyoendjoek kata-
ngan, mPulaslimkau
(van taslim, Ar.).
behangen; iets — door er voorwerpen
ot\' d in jen aan te hangen, mPnygan-
toenyi,
b.v. zijn vertrek met gordijnen
en voorhangsels —, mëiiyynntoenyi bi-
liknja denyan ttrai dan kt\'ta taboe;
een
wand met behanirselpapier —, mënem-
pelkan kar/as baeitya pada dittdiny,
of
menempeli dindimj denyan karfas Iwtiga.
behangsel, draperie, tangtai, lansai.
—, voorhangsel, tirai. —, gordijn, ke-
lamboe;
ledikant —, ktlamboe tf.mpat
lid oer.
1 behartigen, ter harto nemen, mïnnper~
hatikan.
—, verzurgen, zurgen voor,
niëmëlilmrakaa (van pPiihara), mënjë-
laiiyyarakaa
(van sëlanyyara).
beheer, bestuur, pémPyanyan, pP.uitrcn-
tahati, perentah-
—, zurg, toezicht, /*?-
inëliharadn, sëlanyyara.
beheerder, bestuurder, pPmerattah,
pïiiyampoe.
bebeeren, uieiiieyain, (van péyauy), me\'
iitereu/a/ikan
(van perentah), ményainpof.
—, verzorgen, intnieliharakan, #»«»_/?-
lanyyamkau, utënjimyynra!\'on ; naar wei-
gevallen --, tig. inéndalanij (van dalany,
de vertuoner vnn de wajang ot\' het
inlandsche poppenspel, de beheerscher
van het poppenspel).
beheersehen, memerentahkan (van pè-
reniah), Mênyhoekoemkan.
—, bedwin-
gen, minahankan (van tahan); zijne
driften — , mPnahankan haira-rtafxoeitja;
zich —, ineuahankandirinja,sabar akan
dirinja,
beheerscher, van een Vorst, jong
dipertoewan,
letterl. die als heer bezeten
wordt. Ken vnn de titels, waarmede
men van den \\ i>rst spreekt. — der
wereld, sjah ulam, een van de titels,
waarmede uien een Vorst aanspreekt.
—, bewindvoerder, pemfrentah.
beheinen, omheinen, mïmayari (van
payar),
beheksen, betooveren, bekoren, van
buuzc geesten, mentjertinak,
behelpen; zich —, zich helpen, mïaoe-
ioeny dirinja
(van loelaemj); zich —,
tevreden zijn met, mtmadakan dirinja
-ocr page 84-
n
behelzen — behuisd.
ili■ ntit\',1 (van pa/la), b.v. zich met enkel
rijst —, mrmadakan dirinja drngav nasi
bi\'luka;
zich met zijn trnctement —,
mentjorkoepkan gatljiaja, letter), zijn
tractement genoeg of toereikend doen
zijn.
behelzen, bevatten, morv,at, Üriêi.
van oen brief of geschrift, terseboet
dalamn/a, bornjivja.
behendig, pantas, tjrpat, tjikatan, b.v.
hij zag er uit als een vlug en behen-
diir man, rorpauja saprrti sa\'uin.iij pun-
tas ifan tjikatan.
—, listig, schrander,
tjeredifc.
behendiglljk, d\'engan pautas, drngaa
tjtput, tjikatan.
behoeden, beschermen, mriarH/iarakan
(van prliliara). — voor, mrmrliharakan
(taripuita,
behoeder, prmr/i/iara.
behoedmiddel, talisman, pmanykat,
Üzivial, Ar. dj/maf,
behoedzaam, voorzichtig, bidjajrsaiia,
ingal-iiignt, airas, scherp toezien: een
vrouw of kind— verzorgen, mrmrlihara-
ka,i 1/injai mmatiny htinjak jany pimoek.
behoef, uevoez, kadla. Ar. hadjat, Ar.;
ook vereenigd tot kadla-hailjat; ten
behoeve van, akan, akan yortia.■ wordt
ook dikwerf uitgedrukt door de traiiM-
tievc vormen van hut Werkw. nml.
kan en i, b.v. ten behoeve van iemand
koopen, mrmli\'rtikan orany; ten behoeve
van iemand opendoen, mrmburkai orang;
zijn behoef doen, boeicany ajar, kasoe-
ayai, katHa-hvIjat, Ar.
behoefte, kakorranyan, hadjat. Ar.
behoeftig, kakorrangan, papa, Skr. mis-
kin, Ar.
behoeftigheid,
kapapaun, kakoeranyan,
hal /niskin.
behoeven, gebrek aan iets hebben, kor-
rang;
nuodig hebben, brrhmljat, motu\'
paktti;
niet —, niet noodig zijn, ta\'or-
sa/i;
wal behoeft dat, waarvoor dient
dat, apa goenanja.
behooren, betamen, pafort, hurnt, la\'ik-,
Ar.; zoonis het behoort, dhigan sapa-
ioetnja, d\'engan sap\'trliiijti
; naar -—,
saharosuja; geheel naar —, sajogjauja
(van jogja, Skr. gepast, geschikt); naar
—, dhigan sapertinja, dingan pafort»ja,
dhigan orpamanja;
naar — maken of
inrichten, mhijnprrtikan. •—, moeten,
ook hciiilak\', b.v. de zaak, die haar
echtgenoot had behooren te doen, prr-
kara jang hrmlak dibortcat- olih soeira-
minja.
—, toebchooren. ampocuja, poe-
itja.
Dit slaat op den persoon en niet
up de zaak, b.v. hem behoort dat huis,
ija jany ampornja roeuiah ifof. tot
iets, tot iets gerekend moeten worden,
masurk, b.v. — tol het aantal, uiasurfr
bilangaa,
ook ikort; de plaats waar het
niet behoort, botton lï/n/nt/ttja.
behoorlijk, passend, patoet, dhigan
sapatiwtnja, laik,
Ar. srinrnggah. sajugja.
—, betamelijk, van gedrag, srnoenorh,
meestal in ontkeunenden zin, b.v. niet
— , tiada semoeiweh. —, verplicht zijn,
haros; niet —, luula haros. — iet»
doen, behandelen, gebruiken, bewaren,
tjrrruiat.
behoorlijkheid, kapatortaii, kaharosaii.
behoud, salamat, Ar. —, ontkom ing
aan een gevaar, kalorpurtan. — van het
leven, zoowel uit g<;vaur als anderszins,
sara; het middel tot — in dien zin,
hetzij een wapen, hetzij iets tot levens-
onderhoud, zooals rantsoen, gage, enz.
sara.
behouden, niet afstaan of nfleggen,
mrnirgany (van prgany). —. redden, mr-
njrlamatkan
(van srlamat), mrmrfihara-
l.in
(van pflihara). —, voor ondergang
behoeden, mrmrtiharakan, mrmprrbelu:
niet te —, tiada trprrb\'ela, b.v, makte
perahor bapa liamlia pon tiada trprrbrla,
en mijns vaders vaartuig was niet te
behouden. —, aan een gevaar doen
ontkomen, milor port kan, mrlrpaskan.—
reis, srlamat djalmi, srlamat berlajar.
—   reis wenschen, tueml/ëri srlamat dja-
lan.
—, in welstand, drngaa srlamat.
—  teruggebracht worden, ih\'srlamat\'kan
khubali,
—. ontkomen zijn, lorpoet,
Irpas, srlamat, frrprlihartl.
behoudenis, srlamat. Ar. chalas, Ar.
behoudens, uitgezonderd, mrtaiakan,
krtjoeicali
behouwen, mrmaliat (van pahat). Met
den dissel —, de eerste ruwe bewerking
doen ondergaan, nnnarah (van tarafi),
ook van steen b.v. glnd — steenen, bato?
ditarah titjin-lifjin;
dat hout werd met
den dissel — alsof het geschaafd was,
ditarah kajor itoe saprrti dikrtani roe-
pauja;
hehakken, —, b.v. een balk met
een bijl, een kokosnoot met een hakmes,
effen ufknppcn, mhiampas (van tampas).
behuisd, fiëroemah; goed — zijn, b\'rroe-
ma/i ba\'ik-baik.
-ocr page 85-
73
behulp — bekeerde.
bejaën, eigenl. een Germanisme, mengija-
kan, menjoeiiggoehkan
(van soenggueh).
lïejau:, het ijverig streven naar, toen-
tuetait.
bejacen, jnirende atloopen, b\'erhoeroe
berkoeliling,
b.v. veld en bosch —,bër-
boeroe berkoeliling ftoetan dan padattg.
—, streven naar, menoentoet (van toen-
toet),
b.v. kundigheden en weten&chnp
—, menoentoet iltnoe dan pemjetahoei/n.
Ook menlj\'ehari e. d. p, —, bedoelen,
berntaktoed, Ar. bernijat, Ar. menghen-
daki.
bejammeren, sajang akan, bersetat
akan diriuja,
b.v. hij bejammert zijn
verloren paard, ija sajang akan koe-
dan/a hitt/ng;
hij bejammert zijn lutt-
slag, ija bersesal akan diriuja daripada
saiahnja.
hejammerenHWaard, jang patoet
disajang-, jang patert disesalkau
bejegenen, overkomen, berlakoe atas,
kadattuiijan,
b.v. een onheil heeft mij
bejegend, soratoe tjilaka ielah berlakoe
atas hamba, hainba ielah kadafangan
tjilaka.
—, ontmoeten, berlemoe d\'éngan,
—, behandelen, berlakoe.... kapada,
b.v. iemand goed —, berlakoe deugan
baik kajmda sa\'orang;
iemand kwaad
—, berlakoe dengari djahat kapada
sa\'orang.
bek, moeloet, doch niet van vogels, slan-
gen en sommiire visschen. — van slan-
gen en vogels en van sommige visschen,
paroeh; lange spitse, snuitaebtige —
van sommige visschen, djoettgoer; een
— geven, een groeten mond opzetten,
rampoes; de mond die dat gewoon is,
moe/oei rampoes.
bekaaid, beschaamd, kamaloeau; zeer
—, kamaloe-maloean. — uitkomen, —-
vnn iets afkomen, won/os, monjes. —,
een mal liguur maken, kadjamalan.
bekakken, memberaki.
bekalken, menjapoekan kapoer pada,
me ii i/i\'poert.
bekampen, niemércngi (van pirang) ;
melatcan.
behappen, van balken met bijl of dis-
«el, ze de eerste ruwe bewerking doen
ondergaan, ntènarah (van iarah). Zie ook
bij behouwen. —, van een knp of
dak voorzien, memboeboeh atap, me/n-
peratapkan.
—, zie ook snoeien en
afkappen -
bekeerde, orang jang toedak bèrtaubat.
behulp, perloeloengan; met —, d\'engan I
pertoetoengan; voor —, bij gobrek aan
het ware, paltoe.
behulpzaam, soeka menoeloeng.
bekuwdbi oeder, \'par, ipar laki-laki.
behuwddochtcr, minantoe peram-
1\'....."■■■•
bohuwtlmoeiler, mmtoetca peratn-
poe wan.
behuwdvader, inentoewa lakïdaki.
bebuwdzoon, minantoe laki-laki.
beliuwdxuRter, ipar pèrumpoeican.
beide, kadoetca, met zijn beiden, Aér-
dortra. —, wanneer er sprake is van
twee partijen, kanten, contractanten,
enz. kadoetca pehak, b.v. de — legers,
kadoetca pehak lasjkar; alleen met ons
beiden, sama sa\'orang, b.v. baiklah kita
bernttün-ntain sama sa\'orang dehoeloe,
laat
ons eerst met ons beiden een tweestrijd
voeren. —, van lichaamsdeelen. waar-
van men er slechts twee heeft, kadoetca .
bel ah,
b.v. de — armen, kadoetca betah ,
lenijan, de — oogen, kadoetca belah ;
ma/a, zijne — oorc», kadoetca belah \\
telingaitja;
zij beiden, kadueicanja; een \'
van beiden, salah soealue daripada \\
kadoetca Hoe, salah sa\'orang daripada
kadoetca oraag Hoe;
geen van beiden,
daripada kadoetca Hoe sa\'orang pon
fidak;
aan beide zijden, sabelah-menja-
belah, pat/a kadoetca pehak.
Is er water
tusschen dan, saberang-inetijaberang; bei-
den tegelijk, sama kadoetcauja.
beiden, wachten, bernauti ; lang—, bër-
ititniï\'itanti;
met bepaald obj. mènan-
tikan.
beiderlei, doewa roepa, doetva ma/jam, \\
duewa bugai.
beieren» kontal-katttit. —, in mcniirte j
en van verschillende [innten van iets los i
neerhangend, van draad en vezelachtige j
voorwerpen, m\'endjoembai, ook djerambai. ;
beijveren ; zich —, meradjuikan diriuja,
meitgoesahakan diriuja,
beitel, pahat; breek—, pahat seraem\'
boeng,
ronde of gleuf—, pahat pengoekoe, ,
kouw— , steenhouwers —, ptthat paling,
halfronde —, pa/tal poetar, smalle —, \'
pahatpemboenoeh, schaaf —, pahat nedjis, !
— bij het draaien gebruikt, matapèlarik: \\
beitelen, memahat; gebeiteld, pahat.
beitelwerk, k\'tratcang; van — voorzien
zijn, met —, èérkeratcang.
bejaard, toetca, berida, Skr. een bejaarde
minister, manleti berida.
                          \'
-ocr page 86-
74                                            bekeeren — beltken.
liehecren; zich —, bertaubat ; iemand
—, mêatauhat kan (van taubat, A r.);
iemand tut den .Moliammednansclien
godsdienst —, mè/tgüidmtem ji\'wim .-
tot den (\'hristelijken godldi! iemand
—. mtm/èrmmiJtétu sa\'orainj; zich tot het
geloof —. wrinbatca ïiadn.
bekeerinjï, ta»bat, Ar.
bekeerlüli, da pat ditambaikan, fertau-
htlkan ;
onbek eerlijk, tiada terfaabatkan,
fiada dapaf difait\'/afkan.
helu- rlinir. orantj inaeafaf, orang beha-
roe mastiek agama,
— tot het Mohiim-
medanisme, orang maioeè lilóm, orang
iinnibtiica iman.
— tot hei Christendom,
orattg aiasoek fëraiii. orang masoi\'k
mateki.
Bekeerlingen maken, mendjadi-
kem moemiaf,
Ar.
beltend, beleden, di-akoe. —, gekend,
geweten worden, ka/a/ioetcan, mi}l(nut,
Ar. aliim —, kafafioetvan dimana-iiiaua,
uiasjfi0\'\'r
, Ar. alom — geraakt ot\' zeer —,
lermnsjlttter: persoonlijk - met iemand
zijn, wentjeniil, berkrnaldragaa ; bekend,
gekend zijn, terkexal; als zoodanig ge-
kend WOiden, kakiaalmi ; met elkander
— zijn, bffkfiiaf-knudan ; niet iemand —
maken, iem. nonttÜ9ntmiHtpérkemaIkmM.
bekende, kennis, kenalaii, b.v. hij heelt
vele bekenden, banjak kenalamija.
bekendmaken, writmèèri fahoe. uieiiiii-
hiimkan
(vnn nnihii-m, Ar.). Zie ook
afkondigen. \'—, inleiden, intiodii-
cecren, ai\'éngenalkan; nlom —, iaeiuasj-
ftoerkan;
een bevel alom —, menj?-
remimhm, mïwjirinUtkêM
,• openlijk — ,
nfkondigen, zie nld.; bij bekkenslag —,
niin/jaiiaiii/kaii, iiirinongnimigkan; de
troonsbestijging van een nieuwen Vorst
met het slaan op de kctelirom, n/ënfa-
baikan radja.,
ook berfahal (van tubal,
Ar.). Hetzelfde door op de Kijkstrom
te slaan, mitioba/kaa karadjaiia (\'van
meèmt, Ar.); een nieuws of tijding —,
wiitbn-\'tta, laengrfiabarkna, mrtcartakait.
bekene lm aker, pnafiéi-ilafitte, peiubf-
rita, oraag jan;/ iaemberi lahoa, o.j. nieui-
ÜrUm, pricarfa.
beltPiidmakinc, ptinberituharan, pëni\'
brrifaaa, miöiosmst,
Ar. — bij bekken-
slag, peafjatiangaa; schriftelijke —,
publicatie, stural maloëmmt,
bekendstaan, kairnafaa, kéfafiortcaii,
b.v. hij slaat bekend als een dief, ka-
kfnafan/afi tja pi-ntjoeri adaaja, kela-
fioi\'icanfitfi ijti peafjorri adaaja.
bekendworden. djadi kèfahoeican.
bekennen, erkennen, belijden, wènga-
koe.
--, belijden vnn het geloof, mhti-
haaa haan.
—, belijden, het gclooff-
formulier opzeggen, aiengoefjap sjahd-
dat.
—, belijden der waarheid, bevesti-
gen, ikrar. Ar ikraf, verb. — van
zonden, mengakof dusa. — van fouten,
mii-slusren, ongelijk, .aengakoe talah.
van eene vrouw, vlcochclijkc gemeen-
schap met eene vrouw hebben, bertj.-
tO\'haeh dengan sa orang përampoetcan,
i.ifuiakiti 3. p.
bekentenis, pfngakoean, akot\'tin, ikrar.
Ar. ikral, verb.
beker, krbok, pijafa, Pen.; men liet ook
den — rondgaan, uiaka pijala pan d>-
pirittartën oranglah -.
een compliment
met een — ol\' glas maken, mengang-
ga/i,
b.v. hij maakte met dien — een
compliment voor de hofjufl\'ors, inakti
pijn/a Hoe di-anggapkannja kapada da-
jang-dajang Hoe.
Ook tocdrinken, b.v.
en de patik Gadjah Mada dronk I.aksa-
mana vier of vijf bekers toe, uiaka
paf ik Gadjah Mada pon dt-anggap kn-
pada Luksaniana ent pat lima pijafa.
bekeuren, beboeten, meadrada;bekeurd,
ir na dé\'ida.
belt ijk, pttiriitiok; veel —s, banjak /#■
«ei/aak.
bekijken, iiiélihati, mi-nengok (vnn ie-
, ni/ok). Zie ook bezien. Nnuwkeurtg van
alle kanten bekijken, van een voorwerp,
dat men in de hand heeft, mïngafïag-
alimj.
beküven, wÜnêugkhuf (vnn tVngkintj),
iiirtit/f/iicsari;
voor het minste vergrijp
telkens —, koeti-koeü.
bekken, kom, holle schotel, monigkoi-r,
inantjkak btxar.
—, presentcciblad van
hout of metaal, talam: scheer—, ping-
gan-fjofkaer;
metalen — of klok, als
muziekinstrument, gontj, \'yang, Hro-
mong, moiig-motig. Holt. —; stel van
drie koperen bekkens, behourende tot
do gamelan, t/efinaitg ; kuperen —. waar-
op met een stok geslagen wordt, lam-
pari.
Men ; groot — of gong, waarmede
men des nachts waarschuwt dat er
olifanten in de nabijheid zijn, galega,
Pad. bovenl.; klein koperen —, behoo-
1 rende tot de gamelan, yïtontng —:
e. s. v. koperen bekkens, waarvan de
bc.de onderstukken vastliggen en met
\' do beido bovenstukken geslagen worden,
-ocr page 87-
78
bekken — beklimmen.
kaïn koenintj. —, voeren, van vooring
voorzien, mHapis. —, voeren van bin-
nun, b.v. een kistje en dergel. tot on-
derlaag voor iets anders, mrngaliiskan;
iemand met een ambt —. mengaroenia-
kan djahataii kapada sa\'iiraug, mengang-
kitt orang kapada djabntan.
— van
iemands plaats, meiigganti, mftvukU,
djadi. ganti, djadi. tnikU,
Ar. — van
een schip met koper, we/opis kapal
dengan fembaga.
—.omwinden met dook
en duigel., membebat, —, stutten van de
mijnwandeo, dnt ze niet instorten, ine-
nëkang
(van tekang), —, beschoeien,
utinorap (van turap).
bi\'Uli-fihiiü, saltietan, lapismi, ttlasaa,
bebafan. \'/Ac
het onderscheid bij beklee-
tlen.
bekleedxel = bekleedin«. Ook la-
pis, koe/il.
li\'-lili\'iiul, gedrongen, nauw, sitak,
van do ademhal ing, Hmat naj\'as.
van borst, se sak dada. —. ergSU tus-
«clirn, terstpit. — tusschen twee lieha-
men, zooals een pistool of dolk in den
gordel, een stukje vieeseli tusseben de
tanden, tilii, Ibstilil; vast tusschen iets
—  zijn, tt-ramk. — in oenu opening,
zooals een prop in du hals eener llesch,
een foetus in de baarmoeder enz., seraf.
—   van het kind bij de geboorte, be-
ftang,-
hierdoor sterven van cene kraam-
vrouw, mati kabebangan. --, in het nauw
zitten, kapifjikan. —, bezorgd van ge-
moed, bertjinta, masji/roel, Ar. soesak
ka/i.
beklemdheid, kasésakax, kapifjikan,
kasoesafian kati.
beklemmen, menjfptl (van sepit), m\'e-
tijesai\'kiin, infinitjikkant inenjétit, méaga-
sak, mëiijsral.
Zie het onderscheid bij
bflclemd, —, persen, mêngnpit. —,
ternederdrukken, met hand, poot of
klauw, mntekan (vnn fékan).
beklemming, p\'eujépitan, penjïsakan
enz. — vnn de borst, kasr&akun dada,
li-liiyvcii, vast blijven kleven, li-kat,
b\'èrlekat.
Op Java bd^ngkei; ingang
vinden en —, vnn woorden in het ge-
moed, f/jafo/i mati kadalam kati, ter-
pakoe ttihaii.
—, wortelen, berakar.
beklimmen, na\'ik, mtudiki, tim/iandjiit,
b.v. een ladder ot\' trap —, ndik tangga ;
een mast ot\' pnlmstum —, niemand jat,
(vnn pmidjat, een zet of wip met het
lichaam in de hoogte); een berg —,
kopofc; groot en diep koperen —, bc- I
hooronde tot do gamelan, krnoeng, <(<\'• \\
UOttUfi koperen —, behoorendo tot de
niMU en dieper vnn toon dan de
génoenic, ketoek. —, waarop geslagen
wordt mii het volk bijeen te roepen,
gong pengWah (van kwak}. —; e. 8. v. i
castagnetten of stel vnn bekkena, tjem- I
tjap; omroepen —, tjanang; hul kopr-
ren —, behooreodc lot de gumelnn,
c. s.v. kleine gong, die ook wel voor
omroepersbekken gebruikt wordt, mong-
wong, kerontong;
groot koperen muziek-
cii omroepen— bij de (\'binrezen, O- i
reutj-hfreiKj; men si oei; de bekkens of
klokinstrumenlen, maka srgala gongpon
diptdoe orauglah;
bij hekkenslag bekend
maken, mentjanangkan, memo/tiongkan,
uieiigeromongkan, niemoagmongkiin.
bokken, te veel loeven, bdoek terhüw.
bekkeneel, tmykurak.
belikeneelvlie», s\'dupoet ba/oe kapata,
tflorput b. k.
bekktin-t, bekkenslnger, pemoekoel
gong, p-,naboi\'k.
beklienNlnscr = bekkentKt.—,oui-
roeper, toekamg tjanang, fiêntjanang,
ln-lil:i:i".i li\'. orang jttiig ditoedoek.
beklnuuiyk, kasajangan.
bekladden, mtfoemotr, met bepaald olij.
melormoerkan; zich —, tërloemoer; met
bcp. obj. be Hoe moer kan. —, besmeren,
pleksgowijze met iets klevoiigs, mVnje-
teken
(van sélfkeh). —, beschilderen,
melofuioerktin, —, vuil maken, mënfjf-
tnarkan-.
iemands goeden naam—, mem-
boesoekkan nama orang, mentlja/iatkan
n. o.
Zie ook belasteren.
beklag, aanklacht, pennedaehan.
bekla<*en, mfirjajangi (vnn sajang), met
rouwbeklag, mhatapi; zich — bij iemand
over iets of iem (in du tnal der kleine
kinderen) mengendoeng.
beklafjen «waard, jang patoH disa-
jangi.
beklauteren, vnn palmen of palen door
een mensen of aap, memamtjul (van
paudjat, een zet of wip met het lichaam
in de hoogte); cenc trap —, mük tangga ;
een borg —, m\'endiki goeuoeng, mindaki
goenoeng.
bekleeden, kleederen iemand aandoen, :
int-makaikan, mëngenakan vaki\'jan. •—,
overtrekken, bedekken, b.v. met lood,
koper, goud enz., ook mot doek, nienja-
loel
(vnn saloet), b.v. d> saloetuja déngaii \'
-ocr page 88-
76
beklinken — hekouten.
m\'endiki goenoeug ; een bert.\' of hellend
vink —, /utudaki. — door middel vnn
iets, waarin pennen geslagen zijn, me-
njigui
(vao signi).
beklinken, met spijkers of nagel», mh
makoi-\'i
(van pakne); de zaak is beklon- i
ken, soedah rut bifjara. — van een |
verbond enz., menegohkun ; beklonken,
bevestigd van een verbond enz., tégtdi,
tërpakoe.
beklodderd, tfoemoet, b.v. met narde
—, tjot\'iitüt\'t-tjnrmo\'t ifengan tartah.
beknabbelen, wtfwgHU (van k\'etil).
bekmisen en heknnuwen = be-
knnbbelen.
beknellen, /ie beklemmen,
bekneld, ferupif ; in iets—, om iets—,
er niet afkunnen van een rinsï, vast-
zitten in iets, menjendat {van sendaf).
beknijpen, tneudji-pifi; met de toppen
vnn duim en voorsten vinger, mimtfoeoiti.
beknopt, bekort, van den inhoud eens
geschrii\'ts of cener rede, ringkas, sïiu-
pan;
de beknopte inhoud van een rede
of gesehrift, ringku.xa», rimpatt. SIcehts
dien vermelden, mhtgambil\' rhigkasavttja,
lueugatubil simpanuju.
—overzieht, kort
betrrip, ichtisur. Ar.; een — overzicht
maken van een verhaal, uteugirhtixarkuu.
beknorren, op een stremren toon, me-
rëdilr, m\'engherdik;
zacht verwijtend—,
menégor (vao tègort; gewoon —, meng-
goesari.
bekoeld; eenïgszins —, zoodat men het
kan drinken of er de hand in steken,
sljau. Zie ook lauw. — van drift,
pa dam.
bekoelen, bedr. Ww. wnjedjockkan (van
sedjoelf), viéudiuginkan. — onz. Ww.
djaili sedjofk, djadi dhiyin; laat het
eerst —, hijar sedjoek- dehoeloe, b di-
tigin d., h, sijau d. —
vun drift,padam ;
doen —, nieiuadumkan.
bekomen, verkrijgen, liêroHh, luendapat;
niet te — zijn, tu\'bolih dapat, ta\'du.pal
brro/i/i, litida teperutih;
wel —, ver-
teren van spijzen, m\'entjèrua; wel hekome
het u, sahlau beka, Arab. — vnn eenu
ziekte, weer een aangenaam gevoel vnn
tenigkeerende eezondheid krij/en, voelih. ;
bekorning, verkrijging, perolihan, pen- \\
dupafau.
bekommerd, bertjtuta, soetah hati,
gondah.
— en in twijfel, gondah-goelana,
ook tcaiany-hatt. —, bezorgd met de
diagen dezer wereld of met zichzelvcn,
maxjgror\'l, Ar. —, angstig voor een
nakend trevnnr, hertje mos. —, angstig,
woelig vun een zieke, beliaah.
bekomn-eren, hedr. Ww. tuémpertjin-
takan, uienggouduhkun;
zich — over iets,
bertjintakan. berfjintu akun; zich —om
iets, fudloeli ukan, perdtieli akun ; zieh
niet — om, tiada pêrdoêtt ukan; zieh
—  met. tuasjgroelkan diri.tja dengan.
bekommering, pertjintaün. - des har-
teu jiertjiutuun hati. — des harten heb-
ben, meuuroh fjinta didalam halt; in
—    nederzitten, dueduek bertjmta. —,
ook wa/ang hati, kasoexahan hati, tjoe-
gruel.
Ar. — hebben, bejiertjmtuun.
bekom »t. verzadiging, kenujang; zijn
geheele —, aak\'ennjangnja. Zijn — heb-
ben. soedah keunjuug ,■ iemand zijn —
geven, uiengennjangkan; meer dan zijn
—  hebben, ttiluloe keunjang; zijn —
in den hoogsten graad, sakeuujang-krn-
ytjattgnja.
bekoopen; het eindelijk met den dood
—, hihiiiij njaiea kasuedahantija, hilaug
djiwa avhirnja.
bekoorlijk, aardig, lief, snoepig, dje-
lita.
— van eene vrouw, djoewita.
vnn natuurtal\'ereelen, een boseh, land-
sehap, berg enz. pent/ai. — ; het bekuoi-
lijke of liefelijke van iets, aeraua.
voor het oog, sedap dtpatidung, sedap
kupud.t pémandangau. - ,
zie ook bij
lier en nchoon.
bekoorlijkheid, djoetcita, permai, kar-
lokau, kamanisan. katedapa».
bekoren, meiubirahikuu, membêri rax-an.
—, verleiden, verzoeken, ui\'enggoda,-
eene vrouw —, verleiden, T/ie-.aicari
su\'oratig perauipoeiean
(van tuwar).
bekort, verkort, beknopt, ringkm. sim-
pan.
Zie beknopt.
bekorten, vun een verhnal, mer\'nigkus-
kau, iiienjiiupan, mhtgambil siiupauvju-,
mJêringkoêkan pèrkataiiu;
zijn weg —,
den koristen weg nemen door, mXminfaê
(van pintas); een weg —, m\'enjingkat-
kau djalau.
—, ook miiaendejfka» (vnn
pendek). weniaudak-kan (vun paudak),
b.v. maka kumi penWekkuu perkataauuju,
en wij bekorten het verhaal.
beko«ti<<:en, luembetundjakun, la\'embajur
belaadjanja, wényaloewarkan belanWja-
uja;
geneesmiddelen ■—, membelaadjukan
obat.
bekouten. over iets kouten, bërto-toT
ukan, bèrfjakap akaa.
-ocr page 89-
77
bekrabbelen — belang.
—, klok, lofjing, lonfjetig, Chin. —,
schelletje, tjirtjir. —; de bellen om den
nek van paarden, kërontjong, —, scha-
penbel, këroenting, kelinting. —; kleine
belletje* of sehelletjes, die voor sieraad
gebruikt worden, giring-giring, ook aan
den zoom van een kleed; gekroond met
bellen, djamala gen/a. —, waterbel,
ook die op het wnter te voorschijn
komt, gëlëmboeng Verdwijnen al» een
—  op bet water, lënnjap sapërti gëVêrn*
Itoeng diatas ajar.
—, belletje, lucht-
blaasje, b.v. op vloeistoffen die begin-
nen te koken, reneh; zulke bellen
beginnen te krijgen, ntëreneh; de bel
luiden, iitï\'/iggojiing lotjevg.
belabberd, ellendig, tjilaka.
belachelijk, jong patoet diterfawakan,
belachen, mtttërtawakan.
beladen, ntiinoevatkan dalam, b.v. een
vaartuig met koffie —, mëmoeicatkan
koppi dalam përahoe.
— zijn, inhouden,
moeical; zwaar — zijn, sarat moewa-
tam/ja.
Ook alleen sarat, b.v. sapërfi
djorag sarat, t\'tada katuaoer, tiada ka-
baraf,
als een zwaar beladen vaartuig,
dat noch ooi-t- noch westwaarts kan.
Sprw.; met schulden —, tënggëlatn da-
lam hoetang;
met zonden — zijn, tëng-
gëlam dalam data;
zwaar — zijn met
vruchten, lëbal bueicaAnja; met hloeiocn,
Ie bat boenganja.
belagen; in hinderlaag liggend —, mtng-
adang
(van a/tang).
belager, pëngadang.
belaging, pïiigadangan.
belanden, terechtkomen, tljatoh, b.v.
waar ik ook beland, barang dimanapon
akoe djatoh.
—, soms ook tiba, voor
den dag komen, b.v. barangkalipadoeka
sobut kitn. tiba utana-mana kantor Kom-
pani,
wanr, op een der Gouvcrnements-
kantoren, onze vriend ook moge —.
belang; vnn —, gewichtig, besar, pvii*
ting;
dingen van —, pentingan, Kene
znak vnn —, perkara bësar. Van belang
zijn, ook bPrat, b.v. soepaja adalah
terbVral pada naak radja itoe,
opdat
het van \'t grootste — zij voor de prio-
sen; hendaklah pëgaicai jang toeiea^
tueica, soepaja bëral pada matanjii,
laat
het oude ambtenaren zijn, opdat zij het
als een belangrijke zaak opnemen; het
—   of gewicht van ieta, ook pëngapa.
—, voordeel, oentoeng, laba. —, nut,
goena; van weinig —, këpalang, bërkë\'
bekrabbelen, menggorisi, mënggoris- [
gorisi; hel papier —, in pi. v. achrij-
\\ea, memboetcat tjakar-hajam.
bekrabben, menggaroki, mcnoais (van
bekrachtigen, menëtapkan (van lëtap),
niPnëgohkan
(van tégok); met een eed
— , uiënegohktm dëngan soempah.
bc kracht icing, katëtnpan, pënegoehau,
/. titiijttr fian.
bekrassen. mëaorüi (van torih).
bekreunen, geven oui, fadloeli, Ar. \'
përdoeli, verb. Zich over ut\' uui iets—,
luênfadloelikan, fadloeli ukan, përdoeli
akan,
bekrimpen; zich in zijne uitgaven—,
uïéngoerangkaa bëlaadjanja.
bekrompen, gebrek hebben, kakoera-
uyiitt.
—, niet genoeg, koerang —, eng,
.lï/npit; ook lig. b.v. een — dïenstbe-
toon, kabaktiaii jang sent pit. — van
verstand ot\' begrip, ïtkal panda}?, pitjik
pëngita/toean, Iiina boedi, boentoe.
Dit
laatste in de beteekenis van verstopt.
—  levensonderhoud, pitjik rëzëki —,
te eng, te nauw van een verblijfplaats,
ook pitjik, — in het geven, mëngikir- ■
kan,
b.v. hij is — in het geven van
het noodige, \'tja mengikirkan mëinbtri
imrang jang patoet.
bekroonen, eene kroon opzetteL, me~
makotaï, mengënakan mukuta, mënipër\'
makotaka/i.
—, bekransen, mëngëuakau
karangaii boenga, mtngfiiasi dëngan ka-
rangan boenga.
—, toekennen van een
prijs, mëugaroeniakantanda kahormatan. ;
b»kruidcn, van specerijen voorzien,
wëreittpahi, meinboeboe/t rëmpah\'rëmpah.
bekruipen, kruisen op, met een vaartuig,
inPmajari (van pajar).
bekwaam, bedreven, pundai, faham.
Ar. ook ahli; bisa, Jav. —, geschikt,
patoet, liük, Ar.; ter bekwamer tijd,
pada mom jang senang; niet —, d. i.
dronken, mabok. — in het duiden van
voortcekens, pandai nivnilik (van tilik); \'■
zich — voordoen, mënmndai dirinja. \\
bekwaamheid, kapandajan. —, bijzoo-
derr bedrevenheid in eenig handwerk,
katoekmigan. Op Java kal/isaün (van
b;sa, Jav.»; zich een voorkomen van
—   geven, mëniandai dirinja.
bekwamen; zich in ieta —, viëngoe*;
sana/tatt dirinja.
bekwelen, mëlioerkan.
bel, klok van metaal, ghita (Skr. ghania). \'
-ocr page 90-
78
belangeloos — beleggen.
palamjitn, b.v. djikalau xa\'oratig doeica.
ataiv tiga orang bïrkapalanguu st\'hadja
Taetoankoc,
als hut mi, twee of drie
man is, dat is van geen belang, Uwe
Majesteit. H. T. j van welk — is dat,
wal heelt dat te boteekenon! bï.rapa
kedarnja
; welk — heelt dat voor mij V
apatah endahnja kapadakoe.\' iets van
—  aehten, op prij.- stellen, er om geven,
I/li .\'r/i .\'/\'\'."\'l ,\'.\'/■\' .
belangeloos, onbaatzuchtig, fiadawht-
tjt-hari oenloeng difiijn.
belangen, betreffen, wordt teruggegeven
met het \\ oorz. akan, aangaande, b.v.
wat mij belangt, akuit dako>\\ Som»
voorafgegaan door adapou. voornamelijk
aan het begin vnn een zin, b.v. adapon
akan dakor.
bel»timende, akan, têntaug, (fntangau.
—  die zaak, (ëmtmmf pï-rkara itoe.
belangryu, van gewicht,pfttfimstjeear,
— e dingen, pentuigait,- urne —e zaak
perkara èemr. — van een bericht ot\'
tijding, endah.
belangrijkheid, pen/ing, letar, kapïn-
iiugan. kabtsaran
belangstellen; zich voor iets intere.—
Meren, fadfoeU, Ar.
I bel;, si in.\'^.\'lillhlivr, OfOttff jttttff kfotfl,
! beja, orang jang IcPna ijoekai.
beleedigen, mPnghinakait, ook mïuisfu-
kan, n/entjoe/ja, meiabüri maloe, mem-
btntjanakan, iiienfadtifiat\'kan. —, uit-
schelden, imnijvrëtja, b.v. maka ka/a.
toen lloisain : djika/au bapakoe ditjértfja
orang, akoe mênganiuk, en Ion Hoesain
sprak: uU mijn vader beleedigd wordt,
zal ik aan \'t mooidcn gaan.
beleedigend, voor het gezicht, gehoor,
zedelijk gevoel, soentbang. — voor een
van de zintuigen, tjampah.
beleediger, orang jang ntZmbtri maJoe,
0. j. mtnfjoefja, o. j. mvmbéntjanakan,
o. j. witnfadlihatkan.
beleedigin*»;, btntjana; slechts eene
kleine —, aedikit sëhadja bentjatta. —,
verkeerde handeling jegens iemand, tjiri.
beleefd, tahoi1 adat, boedi-éehoja, bera-
dab, Ar. dengan adah.
beleefdheid, tahoe ildat, boedt-bchasa,
adab, Ar. —, bewijzen, mïmbïri hor-
mat, Ar.
beleenbank, lombard, pegadajan, roe-
mii/i pï-gada/an.
beleenbrieije, sorrat gadai.
beleenen, geld opnemen en daarvoor
goed tot pand %c\\a<atmïvggadaikan.—,
goed lot onderpand nemen voor geleend
geld, mt-mï\'gang barang gadajan.
belcener, orang jang uH-mégang barang
gadajan.
beleening, pïnggadajan.
beleg, oiiisingeliag, kïpoengan; het —
opbreken, laPmph-hentikan këpoengan ;
hot — dekken, mUindoengkan kïpoengan,
beleden, oudbakken, toewa. — brood,
roti to/\'ica.
belegeraar* orang jang niï-ngtpoeng.
belegerde, orang jang dikëpoeng.
belerreren; eene stad —, iritnglpoeng
H&gari.
belegering, pvngX-pocngan, kepowtgati.
belegeringsgescliut, mariam pfaige-
pot\'ngan.
belegeringsuclians, koeboe. Met he-
legeringsschansen insluiten, mengoebor-
ngoeboc\'i.
beleggen, bekleeden met metaal, *S-
vjalnet (van saloet). —, bezetten met
iets, tartdorr, b.v. een goidel, die met
schelpen belegd is, ikat pinggang tan-
doer bafoeng-bafoeng.
— van een vloer
met Bteenen, menerap (van tfrap) b.v.
jang didalam gedoe/tg itoe bertëttrupan
belangstelling, mmat,
iemand, »>i min at, b.v,
diuiinni oÜ/i Laksamana
— toonen in
tjtrfah sangat
in hem stelde
L. veel belang.
belang^uehtig, M*, famïi, Ar.
belappen, leppen op iets zetten, taX-
jtampal
(Van tampal).
belnHten; iels met iets — of beladen,
mf/norira/kati dalam, ml mor aai kan di-
afas.
Zie beladen. —, belasting op-
leggen, tnengïnakan tjviai; iemand met
iets —, mX-mtnggoi-nijkan tH-ttttj orana
o f m T-nanggoengka« pada ora »g (van
tanggoeng). —, beschuldigen, mvnoedoeh
(van toedoeh). —, gelasten, mï-njoerotdi
(van soeroeh). —, last geven aan eon
vertrekkende of achterblijvende, bïrptsan
ka pada.
belasteren, tnïnfitnahkan (van Ji/aa/i,
Ar.) mïngomipaf (van oempat).
belasting, schatting, beja, tjoi-kai. — die
inééns voor altijd betaald wordt. b.v. als
uien runenen wil daar, waar een ander
het recht heeft, of een ambacht wil
uitoefenen in de buurt der lieden van dat
ambacht, kantji./g alas. — voor het stil-
liifgen van eon vaartuig,gantoi-ng kï/noe-
di,
— op het bedrijf,oewang ptu(j$hariaa.
-ocr page 91-
beleclicmt
batoe poetih, het binnenste vim dnt ge* I
bouw was belegd met witte tteenen.—,
bedekken, mènorap (vnn torap); belegd
gijn, een bclcgsel hebben van, beitorap I
déngan, b.v. do riemen van dut vuur-
tuig waren belegd met bladgoud, da- \\
joeuy lantjany itoe bèrforap dengan ajar* ■
was.
— met een voering, melapia.
niet beslag, bij wijze van banden, gc-
lediogen, menjendi (»an «toeft, gewricht).
— met panuen, van een diik, meinhoe-
hoeh yhtlrny;
met lint —, memboeboeh
Jita.
— met dekriet, van een dak, mem-
boeboe/i atap;
een raad -—, membuewat
bitjara
; cene vergadering - , mttmboe-
icat perhimponan, memboetcat tnadjeUs;
gold —, op rente uitzetten, mèmboenya-
kan oetcang, mendjalankan veaany.
belesbout, krai&klamn, mar. toekoeh,
iit\'lctïsci, voering, lapis. —. bokleedsel,
saloetan. —t opleg&el van metaal, twup.
—, rand- of kantbeslag, palam.
stootkaut, aris, eig. koordbelegsel, zie
uok bij rand.
beleid, bidjaksana, akal-bitjara ; met —,
denyan bidjak\'sana, denyan ü^ai-bitjara.
belemmeren, mhiahan (van tahaii); den
weg -—, menahan djalan; het uitzicht
—, menahan peiuandaitgan. In den groei
belemmerd, achterlijk, kètjoet. —, bc-
moeielijken, m\'enjoekarkan (van soekar), ;
tiiïitj\'auykoet\'kan
(van tangkoet), mérin~ \'<
taugi,
b.v. kabanjakan radja-radja hen- i
dafc m\'erinlangi goeh\'er nemen, de meeste
Vorsten willen het gouvernement be-
lemuiercn; een schip in zijn vaart —
door te veel tuig of lading, mengabar
(van abar).
\\te\\c\\\\\\Ti\\GT\\ni*9sa)igkoetan, tahan,rivta-
ngan.
belenden, aan iets palen, b\'erlempet,
berdaniping.
belendend, tempel, damping.
belet bij iemand voor een bezoeker, pë-
latca ;
hot — wegnemen, b.v. door, als
men juist aan het eten U, don bezoeker
tot mede-eten uit to noodigen, nt\'emboe-
icang pelawa. —
door iets dat tussehen-
beido komt, in do volvoering van zijn
plan, drdinding. — doordat men ge-
uwareboomd is, kasekatan. —,gccn ge-
schikto gelegenheid of tijd voor iets, !
tiada sémpat. — vrngen, bh\'tanja kalau \\
t\'empat.
beletsel, dat toevallig in don weg komt,
aradl, Ar. —, hindernis, gendafa (Skr. \'
— beleven.                                           79
kanda/a); een — in den weg stellen,
mëmbtri g\'enilala; een — aan iets in
den neg stellen, iti\'enyyéndalakan. Mi. het
onderscheid tusschen aradl en kandala
als toevallig en noodzakelijk — komt
het best uit in dezen zin: dj i kalau tiada
soeatoe aradl jang mëmèëri kandala akan
patik,
als er geen toevallige verhinde-
ring is. die mij belet. —, middel om
Ie beletten, dat iemand verder gaat,
zijn weg vervolgt, pe/tgndang; een bclet-
selformulier opzeggen, membatja p\'ëaya-
dattg;
iemand of iets een — in den
weg leggen ook mënntaxgi (vnn riniang
= lintaiig). —, waardoor men niet * er-
der, of huogcr, of langer kan, b.v. door
de laagte van een deur om binnen te
komen, van een zoldering of dek out
rechtop te staan, van den tijd, daar hij
verstreken is, toentoep, £ic bij belet-
ten. — voor wild of viach, eeue af-
sluiting, gemaakt van takken, bamboe,
bladeren enz. sawar; dat wat daarvoor
gebezigd wordt, pêvjaitar,
beletten, tegenhouden, meneyah (van
tegah); met bepaald obj. menèyahkan,
— door een afschutscl, me^jHutt (van
sèkaf). — door iets dwars in den weg
te stellen, m\'emalang (van palang). —■
van den doorgang, doorvoer, in- en uit-
voer van iets of iemand, m\'emèpat (van
prpat). —, stuiten met de handen, in
een val of beweging, menjangga (van
saiigga). —, verhinderen van iels of
iemand, menjangkek (van sangkak, belet).
•—, van het wild ot\' visch om te ont-
koiuon, door eeue afsluiting, gemaakt
van takken, bamboe, bladeren enz. me-
vjaiear
(van saicar). —, belet zijn in do
volvoering vnn zijn voornemen door iets,
dat tusschenbeido komt, zich in den weg
Btolt, terdhidivg. —; belot zijn door
iets, waardoor men niet verder, hooger
of langer kun, b.v door do laagte van
oono deur om binnen to komen, van
eeue zoldering of een dek om rechtop to
Btaan, hot einde van don dag om den
strijd voort te zetten, tersoentoeh-,
beleven, in denzolfdcn tijd met iemand
geleefd hebben, mbidapat hajatuja; oen
hoogen ouderdom —, meudjadi toeva
jiakali.
—, ondervinden, tahoe melihat,
b.v. ik heb dat zelf beleefd, akoé toedak
ia/ioe melihat sendiri itoe;
vreugde of
droefheid —, mmdapat kasoekaém, men-
dapal kadoekadn.
-ocr page 92-
BO
belezen — belast.
belezen, een tooverspreuk over iets op-
zeggen, mrmbalja mant era. met dir. obj.
ittrmbatjakatt mirntëra, ook alleen metn-
batjakaa, mrmanl\'éra\'i.
—, betooveren,
nienjrrapa.
beleen; zich —, zieh boos maken, men-
djadi marah, m\'èndjatli saki/ ha/i;
van \'
Vorsten, wtnéjméi moert*; iemand —,
vertoornen, memarahkan, memb\'eri saki/ ;
hati; van Vorsten, mr/ttbangkt/kan moerka. I
beliegen, im.tdors/ai.
believen, welgevallen, sorka, Wi, b v. i
— te geven, sorka membrri; indien \'t u
belieft mijn verhuld aan te hooren, \'
djikalau toewan tont/i mrningarkan /je-
ri/era srhajit.;
als het u belieft, wees
zoo goed, stlakanlah, h.v. ga, als \'t u |
belieft, binnen, tilakamlmk torwan ma- i
êoejf; ga zitten, als \'l u belieft, silakatt- j
lah hitjik dordork; iemand—, mënjoe-\\
kakan ha/i oravg
(van sorka), utèiiiprr- i
kenavkati orang; wat belieft u ? apa \\
engkau hm dak f
als antwoord op een
roepen, srhaja, h.v. srhaja loetcan, se-
haja njonja.
belijden, bekennen, mengakoe, ikrar, Ar.;
het gelouf —, mrtubaica iman.
belvjdenm, bekentent!-, pengakoean.
doen, bekennen, mengakoe. •— doen van
het Mohtimmcdnansebe geloof, het ge-
loofftformojicr opzeggen, m\'mgorfjap ka-
/imata\'ssjahatlat,
Ar.; een soort van —
des geloof» bij de Mohammedanen, die
aan de besnijdenis voorafgaat, en waarbij
men eene proeve moet geven van be-
drevenheid in het lezen van den Koran,
wordt genoemd mrnchatamkan portin.
Ar. —, zie ook nekte.
belijder, bekenner, pengakoe.
b\'-lüneii, mrnggarisi, tnenggorisi.
beliltken, mritdjiïaii.
bellen, menggojang lon/jevg.
\\>eloerd.er.peng/ti/tfai,penjoc/oeh. —, die
in hinderlaag ligt, p\'engadang.
beloeren, mevghin/ai, mènjorloeh (van
soeloeh).—, in hinderlaag liggend, mtng-
adang.
belofte, djandji. Zijno — nakomen,
tiihijampaikan djandjiuja; zijne —ver-
breken, mrngobahkan djatrdjinjtt —,
objectiel\', het beloofde, përdjandjian.
belommeren, menaoengi (van naoeng);
belommerd, bernaoeng; beloniinerd wor-
den, dinaorngi.
belommering, prmaoengan.
belonken, tttëngèrling (van kerli/tg); eik-
ander —, blikken toewerpen van ver-
htandhotiding, bermaïn mata,
beloonen, vergelden, métnbalas; goede
daden —, mïntbitlti.x përboéiratan jang
ba\'ik; persoonlijke diensten —, mëntba-
faskatt djasa.
belooner, prittbalas, jang mentbaloi.
belooninfr. bn/asan. prutbalnsan. —,
vrucht van een verdienstelijk werk, pa-
halti, Skr. — en straf, pahala dan sik-sa.
—  voor het ombrengen van iemand, tig.
pembasoeh tan gun, d. i. waschmiddcl
voor de handen. — verkrijgen, beroli/t
pahala.
— voor hel redden van schip-
breukelingen, gan/orng lajar.
beloop, loop, gang, djalan, jjrri djalan;
iets op zijn — laten, mémbiarkan sa-
somtoe.
Het einde er van afwachten,
tit\'rnantikaii kasordabannja. Afwachten
wat er van komt, mr/tanfikan apa akan
djadinja. - ,
bedrag, som, djoentlah.
Ar.; het totaal — van een inkoop, b.v.
in een winkel, perrmasan. —, vorm,
gedaante, bangoman. — van een vaar-
tuig, vorm van den romp, sorsoek\'; tegen
het — in, songsang; tegen het — in
iets trekken, b.v. een boom bij de tak-
ken, een inensch bij de beenen, tnènarik
songsang
(van tank): het — van den
krijg, kalakoran peprrangan; dat is zoo
\'s werelds --, drmikianlah pen kaiidaiin
dornia
Ml.
beloopen, begaan, mendjalani. Niet te
—   zijn, tiada terdjalani. —, bedragen
van eene som, djoendaJt, sampai djurm-
tahnja;
door een storm —worden, ketta
a tigin riboel.
beloven, berdjandji.—, een gelofte doen,
bvrttathar, brrkaael; onder eede —, bër-
djandji pakai soempah satlja;
veel —,
maar weinig geven, moerah dimoeloet,
mahal ditimbangan,
Sprw.; iets in het
openbaar —, mriigalorwarkan djandji.
belt, hoop, timbocnan; aschhoop, tittiboe-
van haltor ;
vuilnis—, tiinboenan sampali.
beluinteren, al luisteren naar, m\'rndr-
vgar-dhtt/arkan.
—, de ooren spitsen,
métttttsttiig télintja (van pasang).
beluat zijn, ingin.— zijn op, iitgi» aka,t ;
iem. — maken op, iem. trek doen krij-
gen in, mïittperitigini, b.v. Raden Matt-
t\'eri diprringininja dengati pèrampoetcaii,
zij maken K. M. belust op eene vrouw.
—  van eene zwangere vrouw, inzonder-
hoid op eenige spijs, hidam. — zijn op,
in dien zin, mrngh\'tdamkan; dat waarop
-ocr page 93-
bemorst.                                         81
bemind worden, dikasihi, disoekaï; niet
bemind worden door do mensehea, tiada
| disoekaï orang. —, verliefd zijn, birahi.
Met bepaald obj. hirahtkan, h\'irahi akan.
—, houden vnn, b.v van Lezen, wande*
len, paardrijden enz. soeka akan; ook
alleen soeka; elkander —, berkasih-
kasihan,
beminnenswaardig, ja\'"j pat oei du
kasih i.
bemodderen, me loe ia poert, mrloemoer-
kan dPngaa loempoer;
zich in den mod-
der wentelen, aü/iggéloematig dalaut
loempoer.
bemoedigen, den moed aanvuren, mem-
I beranikai/. më\'nggemhirakan, —, nanmoc-
i digen, niï.mbtri hati., troosten, mfoig-
hihoerkan.
bemoediging, vertroosting, pvnghï-
hoeran.
bemoeial, orang seleiving. Ook alleen
seleiciag, ook siptdoeli.
bemoeien, zich inlaten niet, mïmasoek-
kan dïrinja.
Ook memasoeki zonder d/ri,
b.v. pektrdjaan jaxg tiada sahïnarnja
dimasoek-iêiasoekiiija,
met zaken, die niet
recht zijn, bemoeit hij zich telkens;
zich met iets onbehoorlijks —, mengoe-
soetkan d\'uiaja dalam
(van koesoef);
I zich met iets — zonder noodzaak ook,
mengganggoe; zieli met nlles —, sele-
whig,
ook bemoeial; zich — met za-
ken, die hom niet aangann, fadloeli, Ar.;
met bepuald obj. me nfadloeli kan ; zich
met iets —, voor iets zorgen, mtlang-
i karakan ; zich ongeroepen met iets —,
mtSndjï-inaica, niéngoesik; zich met iets
—, notitie nomen van, nngnnn, belang*
stellen, menghiran.
bemoeiemn, inspanning, oesaha, Skr.
bemoeilijken; van allerlei werk, bezig-
heden, zaken, vrouwen, kinderen enz.
iemand —, b.v. ia het gaan, op de
reis enz. nièrimhitkan.
I bemoeilijkt, in bovengenoemden zin,
rimhit.
bemoeizucht, soeka tjampoer, soeka
ganggoe, fadloeli,
Ar.
| bemoraen, bevuilen, >ne.tu\'fêmarkantmt\'-
ngotorkan
(van koior); zich geheel — met,
wentelen in, b.v. slijk, mëi/ggtloemang
; dlngan loempoer; met vuil m. d.kotor.
; bemorst, vuil, kotor, tjSmar; vnn den
mond ot\' het aangezicht, b.v. met stroop,
saus, bloed, enz. s\'ëmemeh. —, geheel
met slijk of ander vuil, giloemang. —,
belu^tlieid
eeno zwangere vrouw — is, hidama».
— zijn, kfoijir.
belUAttheid, ka\'niginav, peringinau.
van eend twAngtrevYo\\iwtpé»ahidamau.
—, sterken, onweerttannbaren trek naar
iets hebbon, katagihan. Zie bij zin,
bemachtigen, mengalahkan (van alah,
onderdoen); een stad —, ményalahkan
nPgari;
door vrees bemachtigd, ka/a-
koe/an sangat, kada/angan fakoet.
bi\'iiiaclil iiiinir, pP.ngalahau.
bomnlen, beschilderen, m^noelisi dengan
ga w har.
hermind zijn, Min vaartuigen, herawak.
bemuiinen, mïlangkapï denga» aieak
pïrahoe.
liriiüiiiiuii::. a/eak ptrahoe, atiak pfra-
hoe, atvak kopal, a/iafr kopal.
Soms ook
haloer, .lav. b.v. maka kapal itoe samoe-
tcanja haloer orang Dji/ira,
de geheele
bemanning van dut schip bestond uit
Jnvanen.
bemnntelen, met een mantel dekken,
minjelimoefi (van sTlimoef). — van eeno
vesting, meagoehoei (van koehoe).—, be-
dekken, mPuoedoetigï (van foedoeag), b v.
zijne fouten —, wünoedoengi salahvja.
bemeenleren, zie bemnehtigen.
bemerlien, betpeoron, mëndapal tahoe,
mtlihat, sedar;
doen nlsot\' men het niet
bemerkt, mï\'mhahi-hoefa, poera-poera fa\'-
lihat.
—, gevoelen, ondervinden, mïrasa.
bemesten, wemhad/a, ttie.mhoehoeh hadja
pada,
bemiddelaar, wuif, Ar. —, koppelaar,
onderhandelaar bij het vragen van een
meisje, ttlanggi. Vuor — fungeeren.
meue\'laiiggi. —, tusschenpersoon,peagaif
tara
—, die de vredesvoorstellen doet,
pfaijorong dtimai (van sorong).
bemiddeld, gegoed, van goederen voor-
zien, hartatcan.
bemiddelen, bevredigen, memperdamai-
kan.
—, nis tusschenpersoon optreden,
mï-itgaitfara.
bemiddeling-, bcvrediiring, perdamajaa.
—, tusschenkomst, pengautaraan, sja-
faut,
Ar.
beminde, kekasih. —, verloofde, toe~
nangau,
beminnaar, vriend, b.v. van het volk,
pengasih; een — eo ontfermer voor het
volk, pengasih dan pinjajang akan sa-
kalian rajal.
bemim en, kasih akan, nïéngasihi. —,
lust hebben aan, mtnjoekaï (van soeka);
-ocr page 94-
82                                            bemost benemen.
vuil van handen of voeten, kopjes en
schoteltjes, borden enz. birkXredak. —,
met inorsigbeid bedekt, b.v. door zijn
werk, toeinoes. —, met onregelmatige
vlekken en strepen, b.v, zooals een
kolenbrander, kor eng. — met plekken,
b.v. van bloed, inkt, kalk enz., sïntptlat.
—, groezelig, tjoeinort, koe mal. —, met
vuil, dat er aan vastzit, zoonis b.v.
boter aan een bord, roest aun ijzer, st.
aan de billen, selépat. — met opgedroogd
vuil, b.v etter, kerefang.
bemoat, met mos begroeid, berloeuwef,
btrlotmoetan.
bemuren, tnvmayari dtnyan Indoe, mïn-
dindingi. dPnyan bato-\\ mëngikat dengau
baton;
bemuurd, berpayarkan batoe/èPr-
dindinykan batoe, bërika/kan hatoe.
ben, teenen mandje, bakoei; grove, losse
—, kSrandjany. Zie bij mand.
benanien, mPndjahiti. —, voor iemand
naaien, mï-ndjahifkan.
benaarstigen, zich —, mtradjinkan
difiitja
—, zich oefenen of inspannen
voor iets, mengoesahakau dirinja.
in\'iiiiiirstii\'.iiiLv, oesaha, radjin, kara-
djinan.
benndeelen, meroeyikan; zich —, mc-
roegikan dirinja;
benadeeld, karoegian,
htna roegi,
, beschadigd, roesak, dje,-
djaa.
benadering; bij —, dtngan kira-kira,
zin bij "i-.-ii-ii en overlej».
benadelen, bespijkcren, mêmaJtoét (vun
pakoi\'). —met houten pennen of nagels,
mï-masaki (vnn pa&ak),
benaming, naam, naina, Skr.
iiciüini. toekcr, kasoekaran; benarde om-
standighiden, hal kasoekaran, yïfora.
\\>ermriilieitl,ka$oektira,/, hal kasoekara/i.
benarren, benauwen, mlnjoekarkan, mé-
njoesahkan
(van soesah).
benauwd, beklemd, sïsak; eng, itmpit,
piijik.
— door veel eten of winden,
stuoli. van de warmte, b.v. door te
wanne kleuren of door gepakt op eik-
ander te ziiten, rima».—, iu het nauw
zitten, kapUjikan. —, de benauwde lucht
van een massa ïuenschen of dieren, dv-
ngoe,
—, beangst, katakoelan. — op de
borst, sisak dada.
benauwdheid, kastsaka», kapUjikan.
—, beangstheid, katakoetau.
benauwen, menjrsakktm. —, door te
drukken op, of aan te dringen op, b.v.
— van eene vesting, iriinyhempetkan,
Die man werd door hem met bedden
benauwd tot hij stikte, orang Hoe di-
he/npefkannjadenyan tilam sampailemas.
bende, hoop, troep, kawan, pasoek,- bij
benden, HJrkawan-kawaM, btrpasoek-pa-
soek.
— van krijgsvolk, katoemboekait,
pasoekan;
het eerste ook *an weik-
volk. —, verzameling, pikoempoelan,
per/i\'mpoenan
, b.v. een — dieven, pt-
koempwlan orang piëmtjoeri;
een —
rooveis, pèrhimponan peiijamoen.
beneden, onder, dtbawah, ook — iem.;
naar —, kabatcah; van—, dari bawah.
den wind, dibawah angin. Alle lau-
den van den ludischen Archipel noemt
de Malcier beuedenwindsche landen,
tanah dibawah anyin, in tegenovcrstel-
ling van allo landen, die westwaarts
van bumatra liggen, welke hij tanah
jany di-atas anyin,
bovenwindsche lan-
den noemt. Dat is — mij, mijner on-
waardig, terlaloe kina Hoe kapadakoe,
ta\'patoi\'t Hoe bayaikoe.
— het geweusehte
punt, namelijk de richting van den
steven eens vaartuigs, rebai; naar —
gaan, toeroen, toeroen kabawak. —doen
zijn, zitten, plaatsen, otëmiawaAkan;
hier —, op deze aarde, didoen\'ta ini,
diboemi tui, ditnaja-pada lui;
verre —
de waarde, tiada patoet harga.
benedeneinde, hoedjoeny jany diba-
wah, batoahnja.
—, voeteneinde van een
bed enz., toempoewan. — van eene
rivier, hillr. —, ondereinde van oen
boom, tak enz., het dikke onderste
gedeelte, pangkal.
benedenhuis; vnn boven- en beneden-
huis, boven- en bcnedenbuur enz. kan
bij de Maleischo huizen geen sprake
zijn, daar zij slechts uit e\'éne verdie-
ping bestaan. Van een Europeesch huis
zou men —troenwh dibawah of bawahnja
rot\'iitah
kunnen noemen en bovenhuis,
langham of loteng, Chin.
benedenknmer, hilik dibawah.
\'■
benedcnlnnd, tanah hilir.
benedenloop, van eene rivier, hilir.
benedenrand, lï.pï jany dibawah, bisai
Jany dibawah.
benedenrond, zie bij beneden.
benedeiiHte, jang terbawah,jany diba-
icah sakali
benedenwinds, zie bij beneden.
benedenwereld, zie onderwereld.
benemen; het leven —, meinboenoeh;
zich het leven —, mtmboenoeh diri:
-ocr page 95-
benepen — bepekken.
83
iemund den moed —, nieitatcarkan htiti
(van tawar). Zie verder bij ontnemen ;
zich goed weten te —, zie bij ge-
drageii.
benepen* vao gemoed of hart, pi/j ik
hati.
—, vcrleiren. van het gelaat, /jëny-
koeny-fjënykoeny, k<\'m pis;
een — gezicht
toonen, ittënyëmpU.
ben epen beid, kapi/jikau,
beneveld, van de oogen, ktUtoer. —e
oogen, inala kaboer. -- van de zon,
rtaoem Zie ouk betrokken. — ni
den dampkring, kllam, kaboet. — van
verstand, piktran bërkaboet. —e blik",
bij uene bezwijming,pandanyjatiij kë/aai.
bengalee», orany Binyyala.
bengalen, aïyari Bëiiyyala.
bengaaliieb, Bënyyali.
bengel, klokje, yën/a, lontjeny, Chin.
—, ondeugende jongen, buedak tiakal.
bengelen, den bengel luiden, utitiyyir
jany lontjeny, mëttyyojany yen/a.
—,
heen en weer slingeren, kontal-kant il.
benieuwd, bint/uk laënyëtahoei. Op
Java këpinyin tahoe.
benijden, hiri hati akan; nnijverig zijn
op, tjemboeroe ukan. —, nijd koesteren,
mënaruh dënyki, bërdenyki. —; benijd
worden, difjimbuerorkan, këna dënyki.
benjamin, Bm-ujamin, —.jongste kind,
anak-bonysoe, a. pënjoe/ji përoet*
benoemen, een naam geven, menaiiin\'i.
—, een titel geven, mënyyëlar. — tot
en post, mtmberi panykat, mënyany-
kit/;
benoemd tot, di-atujkat kapada.
----, Zie ook :i:lllsslt\'U(-il.
benoeming, tot een post, karoenia
panykat.
ben och ligd, bërhadjat, Ar. hëndak pakai, I
benoodigdheid; allerlei —, sërba- \\
sërbi, përawis.
benoorden, disabP.lah oetara.
benuttigen, mëmpëryoeuakan.
ben/oë. ktmënnjan; hiervan vier soorten,
als: k> uk ii,iji\'ii urab, k. porti/t, k. hitam
en k. merah. Deze laatste ia de draken-
bloed of djërënany. - , ook loebtu djawi.
benzoë*olie, minjak uenai, daar deze
zooveel op kippedrek gelijkt.
béOi d*5 Indische praatvogel, boeroeny
bejo, tioentj mos, boeroeny kokiUt,
Skr.
beoefenen, mëngoesahakan; de Malei\'
sehe taal —, wënyuesahakan bthasa
Mëlajoe;
beoefend, geleerd worden, di-
pëladjari, di-oesahalant
ook di-arif, Ar. ;
beoefening, oesaha. — van de gods-
dienstpliehten, dijanah, Ar.; in beuefe-
ning brengen, uiëlakoekan.
beoliën, uiëuipërminjakkan, mtminjaki.
beoogen, bedoelen, mënyahëndaki, bër-
nijat,
Ar. bënnafaoed, Ar. mënjëhadja-
kan
(van slhailja).
beoordeelen, een oordcel vellen over,
mënyhoekoemkan, uiëmoetvtkan fyoekoem
t\'/it.i.
—, gissen, ayak-ayak, mëndjanyka,
mënyira-nyirdi
(van kira).
beoordeeling, gissing, djanyka, kira*
kira, ayak-ayak.
beoorlogen, .,>> mirnnyi (van perany).
beoowten, d\'sabëtah timoer.
bepaald, stellig, tëntoe, koenoen, pttti,
Jav. zie ook bepalen. — moeten,
stellig, tadapat (iadn, f akan djanyan.
— stellig, ook innsakan, tiada, b.v. er
komt bepaald regen, hoe zou er geen
regen komen, matakan tiada hoedjan.
—, steeds, aai/ia, b.v. djanyan kanwe
samorica marah, karëna katauja Hoc
bënar, kitu sadia saiuh padauja,
gij
allen moet niet toornig zijn, want hij
spreekt de waarheid, ik ben bepaald
schuldig jegens hem ; satlia asnl Mê-
lajoe,
bepaald van Alnleische afkomst;
wat in (iods raad is —, swralau pada
ateatuja, jany dilakditkait Allah,
— van
gedachten, tëtap; pïkiran jany tëtap.
—, werkelijk, soenyyoeh, b.v. — sleeht,
d/uhul soenyyorh.
bepalen, met palen omzetten, nïëmayaii
dtayan kajoe
(van payar). —, vaslstel-
len, mënëntoekan (van fenloe). — gis-
send van een maximum of minimum,
mëndjnuyka, stant in verband met
sauyka b.v. boven de bepaalde maat,
lëbih ditri djanykanja, d, i. bovenmatig,
b.v. bovenmatig veel regen, hoedjan
lëbih doft djanykanja;
beneden de be-
paalde maat, kwmny dari djanykanja;
zich alleen ■— tot, hiuyya . . . sëhadja,
b.v. biar hinyya Siitgaporra sëhadja,
dat men zieh tot Sing. zou bepalen.
—, bedingen, bërdjandji.
bepaling, gissende — van een maximum
of minimum, djanyka. - , beding, con-
ditie, djamtji, njarf. Ar. — tot, toepas-
sing op, had. Ar. bepaald worden, di-
h:ad,
in strafzuken.
bepeinzen, utëmikirkatt (van pikir). —,
zie ook overwegen,
bepeinzlng, pikiran.
bepekkt-n, mënyyala, mëutpëryalakan,
mémboeboeh yaltt.
-ocr page 96-
M
bepennen — bereiken.
bepennen, m\'émboeboeh ptisafc.
beperken, een perk ot\' omheining uin i
iets iniiken, n/èmagari (van pagar); zich
—, intoomen, ménahani diri (van ta/ian).
—. inkorten van zijne uitgaven, meng-
andak
(van andak) bertahan belandja.
beperkt in ruimte, sesak. — van ver-
■liitul. bot, sementoeng, koerang boedi, ■
boentoe.
—, eng, van pijpnehtige voor-
werpen, stiidat.
I>« pikken, zie bni>ekken.
bepih^en, mengen tjingi (van kenfjing).
beplnliken, men\'empéli (van tèmpêl).
I »eplali li i il- ■. peneinpefan.
beplnliHel, tèm/iè/an.
beplanten, niènananii (van /«!■),
beplanting, plantsoen, tanaman.
bepleisteren van metselwerk, ménorap j
(van tora/i). —, nietepa (van fcf-M, pleis-
ter van kalk of leem).
bepleiten, het voor en tegen voor de ,
rechtbank met elkander vergelijken,
Mtnutdofkan (van padoe, passend, gc-
keurd).
beploegen, ménanggala (van tanggala).
bt-poten, mènanamï (van fanaat).
bepraten, overhalen, mirajoe, b.v. het
vleien en bepraten mijner uiiders, boe-
djoek rajoe. iboe-bapakoe.
Ook I mem-
boedjoek dengan kafa.
—, iemand op-
warmen, lekker maken, menggombo\\\\
—, eene zaak voorloopig, ondershands,
mèmantjang (van pa.it/atig, staak, waar-
aan men iets vastbindt, dus: opstaken
zetten) —, bebabbvlen, /ie ald.
beprikken, van de huid, taloueeren,
ment jatj ah.
beproefd, difjoba, di-oedji. In het vuur
—, di-oedji dengan api. —, bekwaam,
moedjarab, Ar.
licprtjt fdh» i-I, kabiataiin.
beproeven, mintjoba; op de proef stel- :
len, menfjoba\'i. — iets te doen. b.v. te i
spreken, aljw, b.v. dorwa liga kali dt-
aijoe-afjoenja hhidak berkata kafa,
twee, \\
drie malen beproefde hij 0111 te spreken. !
— van zijn geluk, inëngadoekan oen*
toeng.
—, toetsen, mengoedji; zijn
geluk —, uiéngadoe toewah. \'/Ae bij
geluk.
beproeving» pertjobaiin. —, bezoeking, .
baloewa, Ar. balijah, Ar. —, toetsing, j
pen goedjian.
beraad, Lifjara (Skr. iüi/jara),timbangan; \\
tijd van —, tenggang daja.
beraadslagen, berbifjara, bérmoesjd-
icarat, Ar. — over, mëmbiijarakan, me-
moesjtitcaratkan.
beraadslaging, moesjaicarat. Ar.
beraden, in overweging neuien, meun*
kirknii
(van p-kir, verb. Ar.), timbang-
menimhang;
zich , bérpikir*p\'kir, her-
pikir dalam haiivja.
—, van besluit
vcianderen, berobuh kapikiran.
beramen, ontwerpen, mëreka; de ir.id-
delen voor iets—, meinbitjarakan dnja-
oepaja, meugoepajakan, mengichtijarkan
(van ichlijar, Ar.). —, zie ook be-
grooten.
beraming, zie begrooting.
berd; te berde brengen, menjeboelkan
(van sëboet).
beredderen; zaken —, mendjalankan
perk ara;
iemands boedel —■, tnëndja-
lankan Aorta teuda orang, memërentah-
kan h. h. o.
(van përenfah); het huis
—, den boel in huis opredderon, inenjim-
pa/ii roemah
(van sim/ma). —, regelen,
miityatoerkan, meinereatuhkna (van pe-
ren(ah).
—, voor iets zorgen, menje-
lengkari,
b.v. akan makan niinoem dan
doedoeknja baginda Hoe bendaharalah
jang mènj\'èlèngkari akandia,
wat het
eten, drinken en wonen van den Vorst
betreft, dat bereddert de R ij ks-b est ierder.
bereden, berkandaraiiu; een — man,
(traag bei kun dar aan ; een paaid dat nog
niet — is, een onbereden paard, koeda
jang belom ièrluenggang.
ben deneeren, mèmbitjarakan
beregenen, menghoedjani. Iemand met
een regen van steencn bewerpen, meug-
hoedjani orang dengau baiae;
met een
pij len regen beschieten, menghoedjani
orang dengan anafr-panah.
Ook meng-
hoed ja a-h oedja n i.
bereid, klaar, gereed, tadia. — zijn»
subjectief, beraad ia; objectief, tersadia.
—, gereed staan vnn spijzen, terstulji.
—  zijn om een eed af te leggen, bë-
ratii bersoempah.
— staan, present zijn,
hadlir, Ar.
bereiden, ger, eduiaken, mênjadiakan.
—   van leder, inénjamak koelit (van
samak).
bereids, zie bij reede.
bereid vaardig, bereidwillig, dengan
ridla hati, déngan karidi\'aan
(van ridla,
Ar.1, dengan soeka, déngan soeka-hati.
bereid vaardigheid, bereidwilligheid,
karldlaan. kasoekaïin.
bereiken van zekere maat of grens,
-ocr page 97-
beroemen.                                           85
berggeest, hanioe goenoeng.
berghaan, hajam hoetan. Ook berg-
hoen.
bergketen, goenot-ng hari*an, boekit ha-
risan, lilihan goenoeng.
bergkloof, djoerang, limhoengan, fa~
hantf ;
nauwe —, loeraii. —, bergsplect,
fjflah goenoeng.
beriïkriHlR.1, hahloer, kinjang.
bergland, tanah goenoeng.
bergop, zie bersaf,
berapa», hoekit bïrapU. Zie bij berg-
Uloof
beruplaat», iempat simpan.
bergrü-t, P"\'^ hoema.
bergtop, kemoentjak goenoeng, viPrtjoe
goenoeng.
bergwerk, tamhang, galian.
berg werker, orang tnnibang, oraug
pïnggali fauibang.
bergzout, garant tanah.
beri-beri, c. s. v. ziekte, loempoeh, vdW.
bericht, tcaria. Skr chahar, Ar. berifa.
— geven, mPaiberi tahoe, in. chahar.
— v ragen, min fa rhabar; he richten,
mi\'ï. herittt-warta on herifa rhabar.
I berichten; iels —, niPwartakan, n\\P.ng-
chubarkan, inemhPritakan.
—, zonder
bepaald objeet, bPrwarfa, bPrchabar,
mentbrrita:
het —, pPmhPri-tahoean.
berichter, berichtgever, pPmbPrt tahoe,
peicarta, pP.mhPriia.
berieken, beruiken, mtnijioenti.
berü(lbaar,;\'a)^ dapat dikandara\'i,jang
bolih ditoenggang.
her\\jden, ményandardi (van kandara,
Skr.), op Jav. mPnoenggang (van to<~ng-
gang);
een bereden paard, koeda jang
sordah di-adjar, koeda kandaraiin.
1 berijder, orang hPrkandaraiin, wang
jang niïngandarai
. o. j. mPnornggangi.
berijmen, nietige"nakan sadjn (van kena).
j berixpelijk, gebrekkig, hertjela, bertja-
fjat, kaijelaiin;
iets — noemen of vin-
don, mëittjelakan, meiitjafja/kan.
bt-riMpelükheid, katjPlaan.
! berispen, laken, inPntjelakan, mPufjO\'
tjatkan;
iem. —, mPngedjikan. —, be-
knorien, mënegor (van fegor), meneng-
king
(van tengking), mPnghardik-kan. —,
onder verwijting van genoten weldaden,
mèmbanijkit-bangkit, mëmang.
beroemd, van naam, kanamaiin, ter-
nama, terbilang, masjhoer.
Ar. ■— ma-
ken, niemasjhoerkan.
\' beroemen; zich —, mtmegahéan di-
bereisd —
MHN; zijn doel —, herolih makfoed,
Ar. bèrhafil makfoed; bet duel bereikt,
b v. van een vnartiiitf, kogel enz., sang-
kil.
—, verkrijgen, berolih, mendapat;
niet —, niet zoo ver reiken, van bet
ooit, bet gehoor, een kogel, steekwapen
enz. sajorp, b.v. te ver voor het oog
om hel te —, sajorp mata. mentandang
(vnn pandang).
bereisd, zeereizen gedann hebbend, be-
vaien. bepplajaran
bereizen, van bet land, niPndjalani, b.v.
hij bereidt alle latden, /,\' mfndjalani
têgala nëgari.
Ook wffWÉuffl, b.v. mec-
varen met een schip en bet land —,
meuonapang kapal dan mPndesu nëgari.
berekenItaar, tïrkira-kirakan, terhi-
tahkan,
Ar.
berekenen, kira-kira, uiengira-ngira,
inPnghisahkan,
Ar. —, begrooten, ook
mPnganggar (vnn angyar, Pcrz.). —
plannen maken tot winstgevende onder-
nemingen, mëroendiug; tellen, iet» —,
mPmpermPndi. Niet te — zijn, tiada
IPpPrmina\'i.
berekening, kira-kira. — van de vaart
eens sehips, bestek, kira-kirapelajarn.it.
berg, goenoeng, boekU, Zoo hoog als een
—, tagoentieng tingginja, satinggi goe-
uoeug.
Zoo hoog ah* een — worden,
meuthoekii. —, vuil op het hool\'d vnn
kleine kinderen, daki, daki kapala. —;
te bergt* rij/cn, overeind gaan staan,
van de haren of vederen, door de eene
of andere gewaarwording, mPrPngoeng.
iPram; mPréwang,
Pad. bovenl.
lier naarde, i\'anah goenoeng, tanah hoe kit\'.
berfgndor, bedding, waarin tin-ofeenig
ander met aal-erts voorkom i,karang, Mal.
bergachtig, van bergen voorzien, bPr-
goentieng-goenoeng, berbor kif-boekit.
hergaf, torroen goenoeng; berg op, berg
al\', naik goenoeng, tueroen goenoeng;
naik boekit, foeroen hoekit.
bergbewoner, orang goenoeng, orang
hoeloe.
hergdrtink, naga yiri.
bergen, ter bewaring, menjimpan (van
sinipan\\ —, redden, mPloepoetkan.
van de zeilen, door ze te strijken, int-
norroenkan lajar;
door ze op te rollen,
mPnggoeloeng lajar; het lijf —, lari
bPrlPpat diri,
ook: lari mPmbawakan
dirinja,
hergengte, djocrang. Zie ook berg-
kloof.
-ocr page 98-
M
beroep — berusten.
! berooktng, pvngasapa», péngoekoepan,
berooven, uiframpasi. --■, plunderen,
utlndjarahi; op den openbaren weg—,
mënjamoi\'iti (van MMVt); op zee als
zeeroover, merompaki; van het leven
—, niembofnofh, mengttiabil ujawa.
van de sprank, memb engkai» ; vnn hoop
—, mviiioetorskan harap; van alle mid-
delen —, niemortopskan segala daja
oepaja
(van poeloes); geheel van kin-
deren —, kinderloos maken, me\'mboe-
lorskan.
beroover, pï-mmpas, pendjarah, Zie ver-
der bij roover.
berooving, pï-rampasan, phidjaraha».
Zie berooven.
berouw, spijt, leedwezen, sesal. — heb-
ben, bè\'rse\'sal. — hebben over iet», me-
}ij?sal,
mul. zonder zakelijk obj.; met
zakelijk obj., svktdkan, sé&al ükmt.
.Meestal wordt bet wederkcerig gebruikt,
nml. utïiijesal dirinja; bitter —, tesal
lifrkabort
; zeer bitter —, sesal bérka-
boét-kaboff;
berouw vooraf heeft zijn
voordeel, maar berouw daarna is tot
niets nut, sï-sul MtoelOëpei/dupatannja,
sesal kiuioi\'iHan tatoe pon tiada goe~
nanja,
Sprw.
berouwen = berouw hebben. Zie
bij berouw.
herrie, draagbaar, Ifraiuj, ofsortigat/, —,
lijkbaar, djiniizid, Ar. djomptmn, Skr
—, zie ook draagstoel.
berriedrnger, oraag p\'evgoesocng.
berst, rt-tale, Irfak: vol bersten, van
slecht aardewerk, letafr sariboe, ook
retak-rï\'fak tnefitimocti. Zulk een voor-
werp wordt veel gebruikt voor onheil-
afweermiddel. — in vruchten, handen
of voeten, rëkah. —. spleet, bflah. Een
groote —, tjehh.
bersten, meretak, meletak. --van vruch-
ten enz. door rijpheid of gezwollenheid,
merïkah. —, splijten, bï-lah, mfmbtlah.
— door ontplolting, meWoep, ta?l?fot.
—, openbreken, doorbreken, zooals de
schaal van een ei, waar een kuiken
doorheenbreekt, tefas; geberstcn van
een naad, klcedingstuk, zak, ei enz.
b¥tas. — van een zak of kleed, pï.tjaJt.
berucht, MM bocsoek, ?iamajang k^Édji.
beruiken, zie berielcen.
berusten, rusten op, bïrdiri, b.v. dat
berust op drio zaken, ifoe bX-rdiri atas
tigaperkara.
Som» alleen di-alas, b.v. dat
borust op u, Hoc di-aias tngkau. —, in
rinja. —, zich verhoovaardigcn, m¥ui-
hrsarkim flirt»ja.
beroep, bedrijf, p?kerdjn>\'r$t. — , ambt,
fljal/atnn, djatcatan; in hooger — ko-
mcn vnn een vonnis, mfmmidjat. —,
kostwinning, pPntjaria» (van tjehari,
zoeken); een — doen op iemands wel-
willendlieid, mintn kasih.
beroepen, toeroepen, i/tenjëror, méroe-
tcah ;
de afstand waarop men iemand
beroepen kan, MtommMUM.
beroepsbezigheid, pekï\'rdjad» dja-
batan,
beroerd, verlamd door eenc beroerte,
tepvt\'k; geheel verlamd, frpofk fósi.
slecht, djahat takali, hoesoek takali;
door anderen —, dikarat\' oranq.
ongelukkig, tjilaka takali.
beroerder, ptnifharoi\',pï-ngatoet,pénga-
tja,,.
beroeren, aanraken met de banden,
uiïndjaMnh; telkens met de handen —,
inïno.tiji\'ni (van tarn,an). —, onklaar
Hinken van water, mï-ngi\'rofika» (van
keroh); schudden met bet water, nu-
ngotjak
(van kutjak). —, verontrusten,
in opschudding brengen, hiïnyharoe-
biroekmiy ntt-ngasoet, mïngatjav
, niiny-
hoeroe-harakan.
beroering:, verwarring, opschudding,
lioi\'ror-hara, harof-biraf, hiroe-hara. —,
schudding van het water, kotjak.
beroerte, de stekte, ptiijitkit fangkap;
p. katangkapan
; savan bangkai, pitam
babi.
—, rust verstoring, zie beroering.
beroesten, dimaka» karnt, berkarat.
berokkenen, iiiïngailukan (van adn).
mXndjadika», nn-njebabkan
(van sPbab),
meaiboeirat.
NB, dikwerf moet — even
als doen, veroorzaken enz. teruggegeven
worden met bet Achterv. ka», den cau-
satieven vorm van het Werkwoord, b.v.
leed —, Hieitiboeicat èea/jatia, mimlten-
ijanakan;
zijn dood —, lahijïbabkati
matiaja;
moeite—tmë»gadakan soesah,
M?/i/boi\'tcaf soesah, ininjoesabkan.
berooid, kapapad», miski» sant/at, hi»a
papa.
berooidheid, kapapaan, hal m/skin. Ar. i
beroolien, meitgampi. — niet reukwerk, !
mX\'M(jn,kofpi. — als genees-, behoed- of \'■
tooveiïiiiddel, mï-raboe». —; muskieten
door rook verdrijven, mtngasap nja-
tnoi-fr, meraboe».
—, rooken van vleesch j
of visch, nmijalai (van talai), aie\'/ape\'r-
asapkan.
                                                    \'
-ocr page 99-
B7
berusting — besoheringeest.
bezit zijn van, ilalam pegangan, b.v. die
geschriften berusten bij mij, stgala soe-
rat Hoe dafam pegangan sehaja.
—, af-
h nn kei ij k zij n v nn, bërgantoeng patin.
—  in iets, distirkakan, b.v. baiklah disoe-
kakan sakali-kali,
het beste is er geheel
in te berusten. Zie genoegen.
berusting* geduld, tabar, Ar.; onder
—, in hot bezit, datum pegangan.
bes, bezie. Ken soort van eetbare bessen
op Javn zijn de boeivah oeni. —, oud
grootje, nevel* toewti; do traditioneels
oude — in de HSS., nenek1 kebajan.
beschaafd, tahoe bïhasa, tahoe ïldat,
hoedt hvhasa, atlab,
Ar. — van stijl,
gedrag, woorden, ook haloes; een fijn
—   persoon, nrany haloes. —, aristo-
cratisch, anggoen.
beschaafdheid, beschnafde manieren,
at/ab, Ar. hoedt behasa, tahoe behasa.
beschaamd, bedeesd, verlegeD, maloe.
—  zijn voor iets of iemand, mengï\'maloei
(van het onzebruikclijke, këmaloe),
zijn, schaamte gevoelen, menaroh aih.
—   doen stnan. mvmbëri maloe, mém-
permaloekan. —
gemaakt, kamaloean;
zeer of geheel — gemaakt, kamaloe-
maloeati.
— uitkomen, ketjitca, b.v.
opdat wij in de eeuwigheid niet —
uitkomen, djangau di-acherat kitabiro-
li/i kcfjitoa.
beschaamdheid, haitialoean. Mot het
gebruik vnn dit woord zij men om-
ziehtig, daar het ook de schaam-
deelen
beteekent. Ik heb hare of
zijne — gezien, uioet aldus uitgedrukt
worden: akoe. soedtih nielihat maloenja,
en niel kamaloeaunja.
beschadigd, bedorven, roesafr". —, be-
zeerd, van de huid, djëdjas. —, gebrek-
kig, b.v. van de kleeding, leta; aan
den kant een weinig — ,rompis. aan
den kant, b.v. van houtwerk, rimpak.
—  aan den rand, sempakr, soembïng;
zwaar aan den rand —, sou/pek-,
aan het bovenste gedeelte, tokefc; op
verschillende plaatsen aan bet bovenste
gedeolte —, fok»k-tokefr.
beschadigen, meroesakkan en verder
met voorgevoegd we en nchtergevoegd
kan eon dor bij beschadigd opgegeven
woorden, naar gelang van het onder-
scheid in bcteokenis.
beschadiger, jitroeaak, orangjang me-
roesakkan.
beschadiging, peroe&dkan* karoesakau.
beschaduwen, beschutten, menaoengi
(van naoeng), mëmbajangi, mëlindoeng-
kan.
heschaduwing, pernaoengan, përlin-
doengan.
beschamen, nie.inbï.ri maloe, mempe\'r-
maloekan.
—, zie ook teleurstellen.
beschansen, méiigneboe-ngoeboei (van
koeboe), mëmbentengi.
beschaven, met cene schaaf, mëngetam
(van këiam). —, verbeteren, më.mbaïki.
—, door onderricht, me.nga.djar; het
verstand —, mt-njawpoernakan hoedt
(vnn sainpoerna, ökr.).
beschaving, zie bij beschaafdheid.
bescheid, antwoord, bericht, sahoet,
djaicab,
Ar. chabar, Ar. — vragen,
minta chabar. — bij het drinken, peng-
atiggup piata,
eigenlijk een compliment
met een beker of glas. Onder ecne
buiging iemand tocdrinken, mëngang-
gap piu/a, mëlarih.
bescheiden, ontbieden, soeroeh datang;
beleefd uitnoodigen om te komen, më/n-
përsilalnn, mëndjëmpoel.
bescheiden, ingetogen, sopan. zijn,
menaroh sopan,- zich — jegens iemand
gedragen, mënjopani, sopan ukan, b.v.
sëgala nïgari jaag di-atas angin dan
dibawah ai/gin ïni sakaliannja pon sopan
akan Malaka,
alle landen boven den
wind en hier beneden den wind waren
— tegenover Mnlaka. — en ingetogen,
sopan-santoen. — zedig, maloe. —, be-
paald, tattoe, b.v. — deel, bëhagian
jang tëntoe.
beschenken, begiftigen, mënganoegt-
raha\'i, mëngaroeniai
(van karoenia).
bescheren, bestemmen, me.nlntoekan
(van tëntoe) mëngoentoejekan (van oen-
toek),
b.v. dat was hem beschoren, Hoe
tthih ditëntoekan bagainja, Hoe tëlah
di\'Oentoekkaii kapadanja.
bescheren, rondom afscheren, mëntjoe-
koeri.
beschermen, mëlindoengkan, mtnaoe-
ngi, memeli/iarakan
{van pëlihara); voor
doodsgevaar —, nwmëU/iarakan dari-
pada behaja mant.
beschermengel, malak-moewakkal.
bescherm geest, van ecne plaats, jötf-
mangat, b.v. nu wordt er verhaald van
de goden, namelijk de bescliormgecsten
van dat land, zij namen ecne mensche-
üjko gedaante aan, tvrsëboetlah përka-
ttuïn tfewata, ertinja soemangat nïgari
-ocr page 100-
88                                    bescherming — beschutten.
dikaroenuü. —, dronken, mabok. Zie
ook dronken en hoogte,
beschot,
schut, dindittg; waterdicht —
in vanrtuigen, kong.
beschouwen, memandaiig (vnn puii-
dang), menmgok
(van tengok), m\'elthati.
— ai*, houden voor, memandang, mém-
bilatig saperti;
iets aandachtig —, tn\'è-
tialupi (\\nu f af op),
b.v. Hifi tnenatapi
teoipat tiduer,
Mevrouw beschouwde de
legerstede aandachtig. Ook •nengamat-
amati;
iemand als onbeduidend - ,
mvatandang uioeda kapada sa\'ura>ig. Zie
ook opnemen,
bf-sch ouwen «wnardig,
kapanda-
iigan, jang pafort dipaiidang,
beschouwer, oraag peinandtitig.
; beschouwing, panda/tg, peut mulat) ga» ;
ter — ronddragen, b.v. zijne bruid bij
de gasten, mengidar tmtlunan.
beschreid, treurig stuan, van de oogen,
korjoe; rood —, baloet. —, beweend,
ditangisi.
beschreien, menangisi (van tangis).
heschreienswaurd, pafort ditangisi.
beschrijven, schrijven op, weiijoerali
(van soera/.), uienoelisi (van torlts). —,
iets, menjurratkan.—, trekken van ecno
lijn, u&nggaris. —, detlnieereii, n/ettsi-
fatkan
(van si/at, Ar.). —, vertellen,
/ie uUI.
beschrü ving, verhaal, fjerit\'éra. Opstel,
koranyan. —, definitie, f i/at, Ar. —,
zie ook voorstelling,
beschroomd,
takoet.
beschroomdheid, kafakoetati.
beschuit, biskuewit, verb. Ned.
beschuldigde, uraiiy jang ditoedoeh,
jaag k\'ena adoe.
beschuldigen, mïnoedoeh, mhtjalah-
kan,
ook mensalahkait; valscheüjk —,
ntïitoekaxi (van toekas) b.v. ik beschul-
digde zijn vrouw valsehelïjk van over-
spel, Iiainha toekasi isterinja dengan
zina\';
elkander wedurkoerig —,toedoeh-
Htenitedoeh
beschuldiger, p\'éiwedoeh.
beschuldiging, toe dor ban, kasalakan ;
nan klacht, pettgadorati,- acte van —,
sorrat tordorhan.
beschut, terliiidoevg, terselindoeng. —,
overdekt door ecu zonnescherm, dilint\'
bah ptijoeng.
beschutten, m\'eliudoengkav, meuaoengi ;
zich tegen iets —, berlindoengkandirinja
daripada.
Ook bèrselindoengkan dirinja
itoe, ija mh\'oepakan dirinja sapertt
ntavoesia.
bescherming, perlitidomgatt, pema-
omgan, prmrliharaiin;
wedenijdsche —,
pelihara-mhaelihara; zich onder — Btel-
len van, beflindoeng kapada; zich als
dienaar onder iemands — stellen, brr-
seicaka
(van xewaka, Skr. dienstbaar).
—   zoeken bij, beniaorng kapt/da; de
—   der wet, pjmjUkarmën hioekoem.
beschieten, met een vuurwapen, me-
nrmbaki (van teuibak), membedili; met
pijlen, tnemaitahi.—.ergens een beschot
voor maken, méndiudingi,
beschieting, bombardement, peneinba-
kan. —, beschotwerk, diiiditiy.
lxvsi-hi.in.it, bersinarkan,
lu\'s.\'li yi in, virudj\'Ttiki, méntjeretkan,
b,v. en al die prinsen werden door
hera (het paard) bescheten, maka ségala
anak radja-radja itoe habis dit\'jerrt-
tjeretkannja.
—, zie ook bij Mcbeet.
beschikken, bezorgen, besturen, m\'eaiè.-
reniahkiui
(van perentah). —, beschik-
kingen maken, m\'erantjaua. —, bevelen
geven, aan een achterbij vende of nan
een vertrekkende, b\'erpvsan. Zie ook
last. —, ordenen, regelen, utengatory-
kan, ntematortkan
(van paf tui.); zijne
zaken —, zijn testament muken, f/er-
wa^ijat,
Ar. brrp\'rsan.; van God, niénak-
dirkan
(van takdir, Ar.).
beschikking, perentah, raufjana, p\'ésan,
atoeran.
Zie het verschil in beteekenis
bij beschikken; laatste —, testa-
ment, icai/af, Ar.;— van God, (akdir
Allah.
beschilderen, met teekeningen, nthw-
lisi dëngan gambar.
—, verven, m\'en-
tjatkan, mhtjapoe tjal
(van sapoe). —,
zie ook taloneeren,
beschimmeld, lapoek, berlapoek, koe-
lat;
door en door —, zoonis b.v. brood
soms weaen kun lohok.—, beschaamd,
verlegen, motor.
beschimmelen, djadi lupoek; door
en door —, djadi, lohok.
beschimpen, hoonen, iiimistakau, me-
ngrdjrk
(van rdjrk). Door zinspelingen
—, t/iènjindirkatt (van sindir).
beschimper, penjindir.
beschimping, sindiran.
bescLoeien, menorap (van torap), me\'
masang awbaroeng.
beschoeiïng, torap, atobaroeng,
beschonken, begiftigd, di-a.toeyerahai,
-ocr page 101-
besluiten.                                        89
beklagen, zie beslaan.
beslapen, bedr. Ww. b.v, — van een
bed, iiienidoeri (van tidoer); eene vrouw
—, bersatoeboeh dengan sa\'wang per-
ampoetcan, mendjabat pei\'amjtoetran,
mèngajoek, mengantjork\'; niengampoel,
—, verl. Dlw. dikalidoeri, katidotran.
beslechten, verdienen, menjelesaikan
(van setrsai, beslecht, vereffend). Zie
ook beslissen.
besluiten, zie bemodderen.
beslissen van eene zaak, memoetoeskan
(van poeiors, beslist, uitgemaakt). —,
uitmaken, menjelesaikan, menghabiskan,
mënéntoekan,
— in rechtszaken, memoe-
toeskan hoekoent.
— wie het eerst zal
spelen of meedoen, b v. door er om te
trekken, of te gooien met dobbelstce-
nen, of liet raden van kruis of munt,
berséri.
beslissing;* kajtoefoesan — in rechts-
zaken, kapoetoesan fyoekoem.— door er
om te trekken ui\' te gooien, b.v. wie
het eerst spelen zal, seri.
beslist, afgedaan, poetoes, rampoeng,
sêlesai.
beslomtneren; zich —, niemasjgroel-
kan dirinja,
(van masjgroel, Ar.).
beslommering, masjgroel, Ar. sjoe-
groei,
Ar.; de beslommeringen dezer
wereld, hoeroc-hara doenia int.
besluit, einde, slot, kasoedahan. Dat
wat bet — of slot van iets uitmaakt,
b.v. het dessert, het slotstuk enz. pe*
vjoedah.
—, einde van een brief, boek
of verhaal, cltatam, A r. tam mat, A r.;
eind — , beslissing in rechtszaken enz.
kaptoeloesan. —, decreet van eeuNorst,
firman, Ar. titah. Van do regeering,
p\'erentah, béselit, besetoeicit, verb. Ned.;
raads— van God, takdir Allah. Ar.
besluiteloos, —, wijfcleud, tjempera,
Mal. goendah. — en in twijfel, goen-
dah goefana.
Geen besluit durven nc-
men, ehawafir, Ar. verb. tot koewatir.
besluiten, omvatten, mvexeat. —, ein-
digen, menjoedahkan (van soedah), meng-
habiskan, menjelesaikan
(van srlesai),
mënchatamkan
(van chaiam. Ar.), men-
tammatkan
(van taiamaf, Ar.), —, een
beslissing nemen in eene zuak, menea-
loekan
(van t\'enioe), memoetoeskan (van
poetoes). - , bepalen, van God, men-
takdirkan,
b.v. indien het door God
over ons besloten is, djikalau soedah
ditafcdirkan Allah atas kita;
indien het
bescbutter
daripada; iets met een regen- ofronnc-
scherm —, m\'eaiajoengi (van pajoeng);
zich — voor gevaar, menteliharakan
dirinja daripada bahaja
(tan pelihara).
bescbutter, die nis cru schut ut\'wand
vóór iets staat, pvndiuding. , behoed-
middel tegen Xmncrij, peadinding seigata
beschutting, pitlindoenyan, pemaoe-
ngan.
—, bescherming, ook alleen M-
oeng, — zoeken bij, bemaaeng kapada.
besef, begrip, peai/ertian. —, bewust-
zijn, se dar; geen — hebben, tiada
sedar.
—, gevoelen, rosa, perasadn.
beseilen, begrijpen, mêm/èrti —, gc-
vnelen, merasa.
iii\'hhimi, een beslag om iets leggen, go-
ledingswijze, b v. om cene krisscheede,
mïnjendi (van s\'endi, gewricht); met iets
— in dien /in, menjendikan. —, be-
kleeden, menjaloet (van satoet), b.v.een
kris met zilver beslagen, bekleed, Lens
disalnet dengan perak;
een paard —,
kenakan best padti koekoe koeda. — met
spijkers, niemakoet. — vnn meelbeslag.
mengadun. — van ecne plaat», innemen,
makiin tempat, b v. deze kast beslaat
te veel plaats, almari int makan te.--
laloe banjalf témpal.
—, bevatten, moe-
wal.
—, dof worden, b v. van een
spiegel, gepolijst metaal enz, djadi
soeram;
beslagen, dof, soera/a, kalis.
beslag, van metaal aan het boveneinde
van den stok eencr piek, san/pap. —,
ring om een stok ot\' heft, om het uit-
sebcuren te voorkomen, temin.—, meta-
len omkleedsel van een kris of dolk.
pèndokr, pfnienduk, ook terapang en telt-
rapau
; kant —, zooals b v. aan koffers,
kistjes enz, palam; nis kant— op iets
bevestigen, van knnt— lOOIltoi. mtmt
tamkan
(van patam). — om iets, bij j
wijze van gewricht, of geleding, séndi
(van sandhi, Skr.). Tot zulk — hebben,
b\'eisendikan, b.v. goud tot — hebben,
bèrsèndikan einas. Tot zulk — maken,
menjendikan; in — nemen, verbeurd
verklaren, m\'irampas. —, bckleedsel,
saloctau. — vnn uieel, adonan, tëpoetig
basalt;
dun meel—, ajar tépoeng.
op een schip leggen, menahan kapal.
— vnn een vat of toa, band, simpai.
—, afloop, b.v. van eene zaak, kapoe-
torsan, kasoedahan
— van een paard,
h\'esi koekoe, sepatoe besi. — van een
wiol, best roda, bési djantera.
-ocr page 102-
90
besmeerd — bespoelen.
over ons besloten is (in het algemeen),
djikalau ada djandji kita. —; vast
besloten van eene zaak, beklonken,
sofdah rat bitjara,
besmeerd; geheel met vuil of slijk—,
gelaemang. Zie bij besmeren.
heimeren, zich geheel inel slijk of ander
vuil —, bergeloemang diingan loempoer,
b, d. kotor,
enz. —, pleksgewijzo met
iels kleverigs, mêmjèleJtek (van stiekeh),
—, bestrijken, b.v. het iinnge/iehl of
de hiinden, wrndjemorivaskan (van djc-
moewat,
besmeerd, bestreken). — van
het voorhoofd met oen verkoelend of
prikkelend smeersel, meestal als middel
tegen hoofdpijn, memoepok {yixnpoepok,
dat smeersel). —, bestrijken, b.v. met
kalk, verf, pleister, vet en dergel. me-
njapoe
(van sapoe). —.bekulken van een
vaartuig, meuepok (van tepok). , be-
vuiirii. bezoedelen, meloemoerkav, men-
tjeuiarkan, mengoforkau
(van kotor).
besmettelijk» van ziekten, mendjangkit
(letterl. overspringen op iets anders),
lampar (letterl. zich verspreiden). Op
Java, toelar, Jav. —; besmettelijke
ziekte, tampar, p\'enjakit santpor.
besmetten, van ziekten, mendjangkit,
mÜampar.
—. bezoedelen, meiifjemar-
kan, mèngotorkan.
—, in godsdienMigen
zin, godsdienstig onrein maken, mine-
djiskan
(van nedjis, Ar.). —; besmet
door ziekte, kadjaiigkifan, kalamparan;
door vuil, katj\'eiitaran, kena kotor; in
godsdiensligen zin, onrein, nedjis, Ar,
besmetting, pëndiaMgJtitau, pètampa-
run, peutjemaran.
Zie het onderscheid
bij besmetten.
besneden, de besnijdenis hebben onder-
gaan, disoenat, c/iafait, Ar. lepas mat o?.
—, met een mes bewerkt, van hout.
bamboe, rotan enz. diraoet. —, glad,
effen, ook van het gelaat, paras; frani
—, elok paras.
besnedene, orang soenat.
besnijden, van alle uitsteeksels ontdoen,
glad of ellen maken, scheren, memaras
(van paras). — van hout, bamboe, ro-
tan enz. met een ines bewerken, door
er dunne spaanders nf 1c snijden, me-
raoet;
veelvuldigheid van handeling, iite-
raoeti
(van raoet),—, van de voorhuid.
menjoeitatkan (van het Ar. somtaf, wet,
regel), mengehatankau (van chatan, Ar.),
menger ai koeloep (van kerat), metijijal
koeloep
(vnn sijat), m\'emboewang maloe.
besnijdenis, vnn de voorhuid, soenat,
chitanah,
Ar.
besnoeien, m\'èranthig, nuïraiitjing, mè-
rantjoevg;
de maeht van iemand —,
mengoerangkan koewasa.
besnoeïer, peranfjing, perantjoeng,
besnoeiïn a,peraiitji ngan ,peranfjoengan.
besnul lel en, menfjioemi.
bespannen, van een rijtuig, tnèmatatig
karet a
(van patamg),— met doek, mèm~
bentangkan ka\'in.
— van een snaar-
instrument met een snaar, ni\'engenakan
(all
(van kena). — met de hand, wjfw-
djëngkal.
benparen, ménjimpau (van sitttpan),mê-
narok
(van faroh); voorden ouden dag
—, mèntjadang toeica.
bespntten, memerêljiki (van perètjilc);
bespat worden, dipere/jiki; bespat, tépe~
retjik.
bespat tins, p\'-itihêfjikan
bespelen van een muziekinstrument in
het algemeen, mam, b.v. de fluit —,
■mam soeling; de Eur. viool —, maiti
bijola.
— van Eur. muziekinstrumen-
len ook niémaloe en memoekoel. — van
een snaarinstrument, dat getokkeld
wordt, memètik (van petik). — van een
strijkinstrument, ntetiggesek, b.v. de
viool —, ntenggesek bijola. — Van de
tamboerijn, menampar r\'ebana (vnn tam-
par),
— van slaginstrumenten, m\'emaloe
(van paloe), nt\'enaboeh (van faboeli).
bespeuren, bemerken, dapat- tahoe.—,
zien, melihat. —, hooien, ntëttdèngar.
—, gevoelen, m\'erasa, ook m\'èrasai.
bespieden, m\'enghintai, menjoeloeh (van
toctoeh\'); in hinderlaag—, niettgadang.
bespieder, penghintai, pet/joelueh, pe-
agadang.
bespiedinf*, pènghiittajan,p\'eiijoeloehan.
bewpiesielen; zich —, in den spiegel
zien, melihat pada fj\'erèmin, m\'èmandang
padu tjerëmin
(van paatdang),
bespljlieren, memakoeï.
bespiklielen, mèmirëtjiki (vanp\'éretjik).
bespitten, w\'entjattgkoeli (letterl. met
een bak, tjaugkoel, bewerken), mématjoeli
(vnn /uitjoel) Jav.
bespoedigen, ni\'elekaskau, m\'enjigera-
kan
{van sig\'era, Skr.>, mettgatjapkan.
— van een werk, er nchterheen zitten,
membangaikan pekïrdjaan.
bespoediging, persitféraiin (van sigera,
Rkr.).
bespoelen, tegenaan spoelen, nt\'êmba-
-ocr page 103-
bespottelijk
soehi. —, uitspoelen van een vat en I
dergcl., mïngoemhah (van koembah).
bespottelijk, pafoet di-nlok-otok,patoet \'
disiudirkan, pafort dimtrmnUilmM gila.
bespotten» mèttgolok-ofok,in\'enjindirkan, \'
mêmperinainkan, uïeiigedjek, mënggottdja, \\
Mal. , uitjouwen, njrnjeti.
bespotter, pê?tgofak~ofok, pi-tijiadir, pe-
ngedjeï.
\\ >i\'H|)o11 i ii <z- olok-olok, sittdiran, edje- !
kan.
bespraakt, pandai berkafa-kafa, fasih
lui ah
1 •■ —) .rail lil lit-iil. fttfihnl. Ar.
besprek, bifjara: in — zijn, bërbifjara. \\
bespreken, overwegen, membitjarakav,
—, overwegen van plannen, tmrnending i
—, bestellen, b\'erpèsa». —, met elk.
overleggen, het voor en tegen van iets
wikken, berandai-andai sa\'orang dfatgan
sa\'ora/tg.
—, zie ook bepraten. —,
afspreken, athtelatigkai; be*pioken, da- ;
hatt telanykai. —, zooals b.v. cene i
plnats, een aanstaande vrouw enz. pan-
ijattg. —, vooral\' aannemen, nunatcar; j
b.v. een besproken vroedvrouw bidatt, \'
iatcar,
beaprenften, w&mtxttfiii {nm fifftjif)
—   met een slappe hand, weletis.
met een bundeltje natie binden, mèïeu-
fifr.
—, zie ook besproeien.
besprenkelen, werentjis. Zie bc-
sprengen.
bespringen, op of tegen iets springen,
mUoiiipafi; iemand van voren —, aan-
vallen, van honden, mëloeroe.- onver-!
wachts op iets of iemand nanvallen, :
inënjërëgap (vnn serëgap); iem. — van
een troep vijanden, ménerpa; zich met
geweld op iets werpen, tnenerkam (van
terkant), mJMtrpm (van fërpa).—.dekken
van paarden of stieren, mntdjaiifau.
besproeien, begieten, mewjirami (van
stram), mhidirocs, itiëndiris, mëitdjiroes.
—  van den grond met fijne stralen of
wnterdeclen, mënjetnboer, b.v. men be-
sproeide hein met water, opdat het stof ;
niet zou opstijgen, disëmboer orang de- I
ngan njar, soepaja doelt djangan bër-
battgkit.
—, zie ook bewateren.
besproeier, pettjiram, pendiroes, pen-
diris, pëtrdjiroes, penjemboer.
besproeiïnjy, ptnjirainan, pëndiroesan, i
ptudirisun, pëndjiroesan, pëttjemboeran. j
besproken, dalam telangkai.
bespuiten, met vocht uit den mond,
bestaan.                                        91
bcproeBten, wh/jemboer (van semboer).
van een zieke of bezetene met gc-
nees- of toovermiddelen uit den mond,
beproesten. om de ziekte of den geest
te verdrijven, mëvjëniboer lajang .■ is die
geest een po/on//, een van de vele soor-
ten, waaraan de Mateiers gelooven, dan
heet het tu\'eujeniboer polotig.
bespuiter, in bovengenoemden zin, pi-
njèmboer.
bespuitlns, s\'emboeran, peaj\'emboeran,
bespuwen, meloedahi.
bespuwinir, pi-loedaftan.
best, de overtretl\'. trap van goed, terbdik,
HÉrlitfof ba\'ik. terlebih ba\'ik, ha\'ik sakali
paling ba\'ik.
—, uitmuntend, maha, Skr.;
zijn — doen, sabolih-holihaja, sakoewat-
koewasanja;
zijn — op iets doen, iné-
njoenggoeh-njoeaggoehi;
zijn uiterste —
doen, zich aftobben, bhunafi-mafi; zijn
uiterste— doen, ook bërsotnggoeh-soeiig-
goeh hati;
hij deed zijn uiterste —,
disoevggoeh-soenggot\'h bafittja.
best, voordeel, nut, welvaart, goena,
oenioeng, sahimat,
Ar.; dit strekt tot
uw —, inilii/i akttt.\' ot\'Htoettgwoe, inifttb
t\'kii n sa/ai/iafi/iof;
ten beste geven,
mëatberi akan goena.
best, brstemoer, oude vrouw, nenek1 toe-
ira, urnek kabajan
bestaan, in aanwezen zijn, ada, b.v.
dat bestaat reeds zeer vele jaren, itoe
soedah ada beherapabïrapa tahaen la-
manja\\
die wet bestaat nog, hoekoem
itoe lagi lakoe;
dingen die in het ge-
heel niet —, barang jang t\'tdalc-tidak.
—, ondernemen, tjakap memboewat, be-
rani atëtaboetrat,
bï wie durft dat —,
siapa tjakap meinboetratnja, siapa bëraai
m\'emhocwatnja.
— uit, daripada, b.v.
hij hnd vele goederen, bestaande uit
Koud, zilver en dergelijke, bavjaklah
harfanja daripada rinax, perak dan
sabagaivja-,
hestnnnde uit vruchten en
bloemen, daripada boeten li-boeirahan duit
boettga\'boetigaiitt, ■
—, zich onderhouden,
leven, hidoep, b.v. bij moet van een
klein inkomen —, hëndaklah \'tja hidoep
dhtgan s\'edikit gadjinja.
—, verwant
zijn, daripada sanak-saoedara, dari-
jiada ka"«i-koelau,artia
; zeer na - ,
sadaging-daralt dVttgaa. —, den atrd
hebben, de gewoonte hebben, fabiat.
Ar. adat, Ar. b.v. zoo besta ik niet,
boekanrtja dïmikian tabitifkoe of \'tdaf-
koe.
— in, berusten op. bhdiri atas,
-ocr page 104-
92                                            bestaan — best\\jj£en.
b.v. dat bestaat in drie zaken, Hoe bei\'
ttiri atas üya perkara.
— door of net
de hulp, berdiri dmgan pertoeluenyan.
1> .\'staan, liet wezen, kaiidaiin, won/j o/ft/,
Ar. diat, Ar. —, broodwinning, pm
(jrharittn.
—, levensonderhoud, kat/r-
doepau;
middel vun —, k/il/it/mp"» :
dagclijksch brood, re:eki, Ar. —, aard,
faiiat, Ar. jifk\'Hi, Ski*.
bestand, b.v tegen het weder of andere
ongemakken, het ah, betak; niet — zijn
tegen, tin/la hetalt. —, tegenstand kun-
nen bieden, dapat melairan. —.kunnen
uithouden, bulih menahan.— zijn tegt-n
wapens, onkwelsbnar, kebal. —, stil-
stand win wapenen, berhenii perang.
perheniian perang.
bestanddeel, behagian; de fijne of
voedende —en van iets, de quinlcssens,
sari. Zie bij deel.
beste, zie bestekamer.
besteden van geld TOOT uitgaven, ni-iu-
I\'Ih.kI>,tkan,
— van zijn tijd, memper-
yOfitiikiit).
—. aanwenden, gein ui ken.
in- maiai (van pakai . — van werk,
aanbesteden, n.<,/djoetcal pekird/ann.
bestek, plaats, trmpaf, een ruim —,
f\'empat ttt.ig loeris, een klein —, /cw
pat jany stmpit —, plan, rantjana, Skr.
dïnah, Ar. —, berekening van de vaart
eens Knipt, kira-kira pelajaram.
bestekamer, djamlnin, eigenlijk elke
plaats, waar men zijn gevoeg doet, ook
pèliiuloen/jan. — nan booid, geuthol;
eigenlijk een bol uitbouwsel aan wceis-
kanten van het achterste eens vnartuigs,
waarin meestal de — is, ook djeraw-
hah:
naar de — gaan, kadjiim\'ii/n,
pfi-gi boetcany ajttr,
fatsoenlijker ka-
soenyai,
onderscheiden in kasoenyui
bêtar,
een g oote, en kasoenyai ketjil,
een kleine boodschap doen.
besteken, met wapens, naalden, pen-
nen enz., vteti\'tkti/iti (van tikam).—, door
er in of door ie Bleken,
tnÜntjoetjotuH.
—, omkoopen, m&njoeieapi (van ioetcap).
Zich laten —, maka» soen-ap.
bestel, bestuur, leiding, perentah; het
— van God, taktlif Allah, Ar. —,
regeling, aloeran. ptnaëtourmm,
besteld, van werk. geen koopwerk of
werk op de koop gemaakt,pakajan b.v.
bestelde schoenen, sepatoe pakajan.
bestelen, daarvoor is in bet Hel, geen
woord. Zie stelen, lïestoleji zijn, km-
tjoerian.
bestellen, ontbieden, menjoeroeh datang.
—, Inst geven om iets te maken, ber-
jièsatt, soeroeh nteuiperboewat.
Iemand
iet» —, mèmiumi. — bij iemand om
te koopen, p\'-alang. —, bezorgen \\nn
brieven, pakjes enz., meitjampaïktin
(van st/inpai), letterl. doen teihnnd-
komen. In de beteekenis van brengen,
menghantnr. memhawa. —, ordenen, rege-
lcn, me ngai oerkan, memereuta/ikan (van
pfietitaa).
bestelling:, pesan, p-sana», soeroeh,
dtoefi//. perentah.
Zie bestellen en
ook last.
bestemaat, sohhat ba\'tk.
bestemmen, bepalen, menentoekait (van
tentoe). licstewd zijn ook sa/Ha, h.v.
jany hidoep itoe sadia akan maft, wat
loeft is bestemd oui te sterven; tot
godsdienstig gebruik bestemd en daar-
oui onvervreemdbaar, hatus. Ar,—, van
God, meniakdïrka» ^van tafcdir, Ar.);
voor iet» bestemd zijn, in de beteekenis
van om, oen/oei; b.v. om morgen te
eten, f n/oei\' .uitkun ftoek:
bestemming, lot, oentoe.ty, tljaudji,
itntib,
Ar.: plaats van —. plaats waar
men heengaat, trmput jany di/oedjoe,
tempat pfuieytan, tempat jang dtkestfdkan.
bestempelen, van een stempel voor-
zien, memboehoeh fjap, memetitiikan. —,
een uaaiii geven, utenamaï, menamakan.
bestendig, duurzaam, kekat, haktt, Ar.
—, standvastig, karar, Ar. Map.
bezig zijn met werk, tetap, b f ik was
bestendig met allerlei schrijfwerk bezig,
tetaphih akoe dertyttn pekerdjaiin toelis-
mfnorlis.
—, onveranderlijk, tiada ber-
obah.
bestendigen, m\'engekalkan (van k\'ekal)
bestendigheid, standvastigheid, kate-
tapan.
besterven, sterven ter oorznke vun,
mafi olih s\'ehah, utafi dari sébah, —,
verblückcn, dj ad l poe (jat. —.opdrogen,
b.v. van verf, djadi kering, —, vnn
versch vleesch, WttUi,
bestevenen, den steven wenden naar,
meuoedjoekan hafoetettn perafwe ka ... .
Ook alleen m.-noedjoe (van toedjoe).
bestialiteit, bee&teiijkheid, Aaiicani, Ar.
bestier, zie 1. -1 uur.
bestieren, behecren, Hièuê)wfa/ikan(v&n
perentah), memegang
(van p\'eyany).
bestijgen, mènatki. — van een berg of
hellend vlak, ook m\'endaki. — van een
-ocr page 105-
M
bestje — besuikeren.
iblia, diboi\'djoek ibUs, di/joba\'i olih iblis.
— van de kosten, metnbajar bPlan-
djanja;
zijne driften —, mPnahaai haica-
naftomja.
bestrijder, tegenstander, latcan, pe-
lawan.
bestrijken, besmeren, ntPlabot-r, mPla-
boeri, mPndjPiitoetcaskan;
de steen wordt
bestreken met inkt, batoe ito? difabof/i
dPngan dawitt.
—, besmeren met kalk,
uiPngapotrri, mPngapoerkan (van kapofr\\.
—, besmeren ook aiPloemoi\'r, niPtoemas.
—. besmeren, b.v. een pan met boter,
tHÏlriigSff. —, iiiMiu-icn met iets, inPnja-
ftv
(van tapof). — van het lichaam
mei iets welrickends, meagoerapi (van
orrap). — van de huid met zalven enz.
më/ufloft, zie bij \\vr\\jven. — van
iemands aangezicht met een kleurstof,
als onteerende straf, mPnijoentiug, — ,
langs iets strijken, b.v. met was of
hars, mPnggosuk.
bestrooien, mPnghamboer\'t, mPnabotvi
(van faboi-r): met zout, peper of spece-
rijen, ntPmbofboek.
bestrooiïn<*, pPnghatuboeran.
bestudeeren, mPi.tpPladjari, van een
boek enz mPndarus, b.v. dikwijls —,
al heeft men het ook begrepen, toch
moet men het gelezene, van welke
wetenschap ook, —, korwat mPndarus,
uiiixhipon siti\'dah dapat akan mafhofM-
ttja, hPudaklah didaras djoega MMMt
mana tlnioe jaag soedah dibafja ito?.
bestuiven, zie bestoven,
besturen, regelen, utPtnerenfakkatt (van
pPreniah). —, handhaven, niPmPUhara-
kan
(van pelihara, Skr. parihara).
van een olifant, mPngapalakan gadjah
(van kapala). —, beheeren, mPngam-
pnfkan, mT-ndjarro?, mPndjahaf
, b.v.
ut aha datiiiiglah pPnglima dan sPgala
Jtorlorbalang jattg mtndjabal vP.gari Hof,
toen kwamen het opperhoofd en al de
hoofden die het land bestuurden.
bestuur, piri-ntah, peaiï\'rentahan, pe~
gaugan.
bestuurder, pPiaPrentah. —, opperste,
hoofd, ook van geesten, djindjaug.
beat uur saangelegenheiil, bifjara ;
belangrijke —heden, bitjara jang btiar-
bPtar.
beatuuraversadering, rapat phnï-
rentahan, madjP.lis ptaiPrentafian.
besuikeren, met suiker bestrooien,
mei/iboeboe/t goela.
lijbeest of rijtuig, naïk b.v. naïk ka-
a/ut kot-da, gadjah, karela
enz. en niet
menaïki.
bestje, zie bij best.
beMtihken, borduren, uilnjofdji (van
tocdji), meaekal {van IPkat),
!.i — i ipiM-n, bcstippelen, inPniliki (van
tuit).
bestoken, op een nfstund met kogel)1,
pijlen en dergelijke, mpadjofdjai.
Iii-slormcn. mPvjPranii (van sPrang),
mPluaggar,
ook mPrangsang, —, van
schuldeiscbers, mï/ijPrégapivan sPrPgap),
b.v. sPhaja inï sangatlah kasakilan da»
kapitjikan dari hal ditPrPgapi olih orang
jang amj/oeitja oeicang,
ik ben in de
knel, door dat ik bestormd word door
de eigenaars van het <;eld.
bestormer, pPajPrang, pplanggar.
bestorming, pPnjPrattgan, pPlanggaran.
bestorten, mfnofmpahi (van toenipah);
liestoi t, kalofmpahaa.
bestorven, door den dood verloren heb-
ben, zuoals in — weduwe, kPmafian.
— vleesch, daging mafi.
bestoven, kPna halo?, ktna dorli; ucbeel
—, kafottlofpaa </• hg.ni fiabo? of dofli.
bestraffen, beknorren, op een strengen
toon, mtnggoesar, aiPagkPrdik, meredik\',
mPnPngking,
b.v. difPngkingnja tiga kali,
bViaroi\'lah tja mPngakoe,
bij bestrafte
hem driemalen en toen eerst bekende
hij NB. mP/iPr/gkit/g is snauwend be-
stratten, afsnauwcn. —, op minznmcu
toon, zacht en vriendelijk, taPvPgor (van
ttgars. — op de daad, zoodat ontken-
nen eene onmogelijkheid is. mPnP/npP- !
lak (van témpelak) en dit van tumpak,
zichtbaar.
bestralen, me\'njinarkan (jahajanja ka-
pada
(van sinar); bestrunld worden,
ketta sinar,
bestraten, eeu weg met slecnun beleg-
gen, mPngikat lu/.rotfng (of djalav), b.v.
bPriboe-riboe loewngnja, sakaliaa di-
ikat dlngan batoe poetUi,
duizenden
wogen, dia alle met witte steenen be-
strnat waren.
bestreden, nienggorisi; met onregel-
matige krabbels of strepen, mPnljoenting.
bestrijden, tegenstand bieden, mPtatcan.
—, krijg voeren tegen, më/nPrangt (\\ art
perang).
— van iemands woorden, niPin-
baittahi;
elkander — in dien zin, bPr-
banlahbantahan
,- door den duivel bc-
stieden (verleid) worden, digoda olih
-ocr page 106-
94                                         betaalbaar — beterea.
betaalbaar, dapal dibajar, terbajar; I
niet —, tiada (Irbajar,
betaalmiddel, penibajar; wettig —,
pfanbqjar jong sak; onwettig —, ph/t- \\
bajar jui/g tiada sah.
betalen, mtmbajar; kontnnt —, iiiém-
bajar toenai.
— niet andere goederen
of geld dut gewogen wordt, matimöang
(vun timbang), h.v. met realen betaald,
ditimbauy dvnyaa rejat; met peper be-
tftttld, tlitiuibaiiij dhiyan lada; bij ge-
deelten, bij kleine beetjes—, meti/ja/oe;
eene schuld in termijnen —, mhtgang-
soer.
—, betauld zetten, vergelden,
uiviubtilas.
betalingstermijn, anysoeraa; vennl-
dag van een —, oesia.
betamelijk, pafort, dïnyan pa/oet, de~
nyan sapatoetnja, de nyan ttptrtinja,
tajoyjanja.
—, behoorlijk van gedrag,
tet/ofiioe/i, wordt meestal gebruikt in
verceniging met tiada, niet —, tiada
sïmoeiwelt,
—, behoorlijk, pauend, ae-
mhiggah, luik, Ar —, plichtmatig,
tcadjib, Ar.; betamelijke vreugde, soe-
kaljita jatig sopati.
betamen, patoel, haroes, laik-, icadjib.
Zie betamelijk.
betasten, mvndjamah, mïraba, b v. hij
betastte zijn gehecle lichaam, dirabaiija
saloerorh lueboehtija.
bete, /ie beet.
beteekenen; dat beteekent, X-rtinja;
wat beteekent dit, apa ertiaja mi, upa
maoenja. Het heelt niet Peel to —, i
tiada bïraptt peri-peri, dada inhigapa.
Wat beteekent dit, welk nut heelt liet,
apa goenanja C Wat beeft dut te
voor mij, éndah apatah kapada hamba.
beteekenis, fofi, mana, Ar. eene duide-
lijke —, rnüna jany lerhoeka. van
een droom, pïdah, b.v, welke — heeft
deze droom, mimpi ini apa p&dahma?
—, belang, zie uld.
betel, e. ». v. slingerplant, welks groene
bladeren met gaiubir, kalk, uieknnout
on tabak gepruimd worden, zoowel door
mannen als vouwen, sirih. Een bijzon*
dere soort van betel heet kadoek,
betel balt van metaal met voet, ijerana;
ovalo —, djorovy. —, in den vorm vun
een schuitje, Ijiirana-bidon\'jt,
betelblad, daoeti sirih. Ook alleen sirih. \'■
— van de loten, sirih tjarany; vun |
den stam met langen steel, sirih ke-
rakap,
— met rooden Iteel, sirih kakt \'
attrpati. — met gele bladncrven, bij-
zonder groot, sirih kakap; uitschot van
de betelbladeren, sirih rapin.
bételdoos, Ititttpat siriht pëoiiiiany, lan-
tjang,
Alen. peminangan; ovale — van.
metaal, djuroug, van hout, djorovg
kujot-
; vorstelijke en bruids -, poetvan;
een soort van gouden of zilveren —,
die door den Vorst aan rijksgrooten
wordt voorgezet, kerany-kProep. — met
alle toebehooren, sembvrap; ronde —
van rotan met deksel, koêdai.
bételdoosdrager; vorstelijke —,pfoi-
djaicat poetvan.
bételkom; Vorstelijke —, poetcau.
bételnoot, areka-noot, vrucht van den
bétclnootpalin, boewah pin au y; oude en
droge —, zooals ze voor den uitvoer
moet zijn, piuang koetai,
betel nootpalm, nreka-paliu, pokokt
pinany, pohon pinany.
bételi>lant, de slingerplant, waaraan
de betelbladeren groeien, e. s. v. peper-
plant, pokok sirih.
bételpruim; één —, sakapocr sirih,
sirih sakapoer;
één — lang, de tijd,
dien een bételpruim duurt, sakapoer
sirih lamanja,
d. i. ongeveer 10 minuten ;
klaar gemaakte bt; tel pruimen, die het
bruidspaar bij den plechtigcn omgang
worden nagedragen, sirih té/al; op bij-
zondere wijze gevouwen en in elkander
gestoken béte lp rui men, die vrouwen
uun manneu zenden om een minnehan-
del aan te knoopen, sirih bé.rsueloer;
een — nemen of gebruiken, makan
sirih;
een uitgekauwde ut\' half uitge-
kauwde bételpruim, die men elkander
uit bijzondere genegenheid schenkt om
nogmaals genoten te worden, sepah,
bételMcliaal, pemiuang, tjeraua. — in
den vorm van een schuit, tjtrana bidoek.
betemmen, tam maken, mhtdjinak-
kan. —
, beteugelen, mhiaiiankan, (van
tahan).
beter, vergol. tr. van goed, baïk.— dan,
buik dari/iada, lebih buik daripada, buik
layi;
een weinig —, baïk stdikït.
maken, mtmbdiki. — worden, djadi
baïk, djadi lebih baïk;
van eene ziekte,
sèmhoeh, djadi, s\'èmboeh; hoe langer hoc
beter worden, mak\'m lama makin baïk;
op huop van —, harap akan bdiknja.
beteren, beter worden, beter maken,
zie beter; zich —, bekeren van een
kwaad, taubat, Ar.
-ocr page 107-
betéren — betuigen.                                             95
betéren, mèlaboer d\'èngan minjak k\'èroc~
icing, maijapockan minjak t<v.
beterhand, aan de — zijn, belak.
beteugelen, ménafiankan (van takan);
zijne drillen —, nttnaltankan liawanaf\'
sofnjn, mimètidjarakan segala hawa naf-
sueaja
{van pèndjara).
beteuterd, verbluft, Véngomg; geheel
—, fë mangoa-mangoe; door een sehiik
ot\' plotseling ontwaken, Icrpikau-pikaa,
betichten, zie bi-srh ui. lijjen .
betichting, /ie bene] > u 1 < l itfing ;
lasterlijke —, tofkasan, Jitiuih, Ar.
betitelen, menggelar.
betoog;, da/ala/i, Ar. dalil, Ar.
betoomen, zie beteugelen,
betoonen, uitmunt!jotkkan (van torn-
djoek), tafnjaf akan.
betoonins, penoendjoekan, perluemljoe-
ka/i.
betooveren, door tooverij, wfag/iobat-
kati, /neaiboeicang a at jak, mittgënakan
taaafëra,
(van kê»a), u&mautèraï, zie
ook belezen. —, bekoren, van boozc
geesten, mentjermak; eene vrouw —.
door allerlei middelen eene vrouw tot
zijn wil trachten te krijgen, w&nawari
sa\'orai/g ftrampoewan
(van taicar). —,
verrukken, tahtggrairatkan (van grai-
rui,
ArJ.
betooverinjj» pcttgliubafaii, pêmawarOM.
—, hekserij, roefrijah, Ar.
betovergrootvader ot\' betover-
ijrootmoedei* of betovepyroot-
ouders, mojang; van den Vorst, t>.o-
jangda.
betraand, van de oogen, kafja-kalja.
betrachten, van geboden, m én < {ja-la ai
jjt\'rt\'tttufi, uthtdjalaai hofkotfin
.zijn plicht
—, mfonboewat barang jang wadjib
atasnja.
betrappelen, m\'eiuidjak-titidja k- (van
jddjak1), mèngirik.
betrappen, snappen, wë/idapafi.
betreden, de voeten zetten op, nh-itii-
djak
(van pidjak). —, van een haan,
bi:rb\'ekak. —, begaan, m\'èndjttlani. Zie
ook treden.
hetreiten, zie betreilende.
betrellende, wat betreft, atlapan, ukan,
adaputt akan, tentang,
b.v. wat deze
uwe trolscho woorden betreft, adapoa
jïérkalaanmoe jang tjuagkak int;
wat die
zaak betreft, Ventaag pivkara ituetakaa
pt.rf.ara ito?, adaputt akan pïrkara i/o*.
l)it laatste als het aan \'t begin van den
zin voorkomt. Wat mij betreft, akan
dakoth
betrekken! de wacht —, naïk djaga;
in eene zaak —, méntjampoerkan da-
lam pfrkara, mitnasoft-matokkan pada
pekertljaii»,
b.v. sehaja djangan dimamtk-
ittasakkaa pada jn\'kftdjaan ini,
laat mij
niet in deze zaak betrokken worden;
in iets betrokken zijn, bèrtiampaer;
ik ben er niet in betrokken, akoe tiada
6tftjampoer.
Ook terbabit, b.v. terbabit
déngan dasanja,
in hunne zonden lie-
trokken zijn; er mede in —, mimÓawa
serta ;
er ineê de sehuld van geven,
mbmbahUkoH; in reehten —, tttendöica,
Ar. — van de lucht, djadi rsdorp.
vnn bet gelaat, djadi mocram, djadi
soeraw, taram-ümaram.
betrekkin"*, rang, graad, pangkaf; een
bouger — krijgen, ,/alk pangkaf. —,
niiilit, ttjatcataa, djabatan, pfgangaii;
familie—, kuefa-warga; de —tusschen
broeders en zusters of tassehen volle
neven en nichten, iapoepoeam. — ver-
houding, djafu//, b.v. in welke stunt hij
tot ons, apaka/t djafohnja ka pada kila.
—   hebben op iets, slaan op, van woor-
den, rofdjo<-k, b.v. hierop slaat het,
heelt he.t —, kamari rondjurkuja
betreuren, brrtjiafakau, beweenen, me-
nangisi
(van laugis). —, berouw of spijt
hebben, witjesal (van St-sal).
betrenrent4\\vaarditï,/y«/w^/"\'(^/»///«,
patuft dèsf.talkan.
betrokken, van de lueht, r\'fdotp, ba~
faut-balata,
b.v. het is nog niet helder,
de lucht is nog —, b\'tluni fjofwafja,
looi balam-balata
; overal — zijn mui
de lucht, Utrata-téuiaram; algemeen —
lueht mot stil, kalm weder, pHoewang,
—   van het gelaat, moeram, toeram.
betrouwen, zie toevertrouwen en
vertrouwen.
betrouwbaar, van een bericht enz.,
bul\'th tlipirfjtija; van een persoon, ka-
ptifljajaiin.
betten, met water nat houden, ntitndj\'t:-
rantkan.
—, een lichaamsdeel, behalve
het hoofd, met water bevochtigen, m\'cn-
djelucm;
bij herhaling, djfloritt-bsrdjf-
lucm
; wederkeerig, dj\'c/ut\'/tt-wetidjrforiti.
betuigen, zeggen, ntragalal.an (van
kola). —, getuigen, btrxakxi, nitittbèri
ka$aknan.
—, te kennen geven, mrin-
bfti tahoe.
—, bekennen, nmigakut\'. —,
bewijzen, mhijatakan. —, toonen, wth
-ocr page 108-
9G                                betuinen
not-ndjoekkan (van lorndjoek); dank—, I
iiiï-iiïrima-kasih (van Ifyima), ntfmbe\'ri
iïrinui\'kasih;
zijne instemming —,
ruPiiibriiarkau,
betuinen, van eene hegge voorzien,
Mtètttujari (van payar).
betweter, orat/y banta/ta», letierl. tegen-
prater.
betwijfelen, twijfelen aan, sjak- akatr, \\
uifhuroh sjak akan, m\'éiijanyka
(van
saayka).
betwÏMtbnar, daput dibantahi, belota
f ah,
Ar.
betwisten met woorden, mïmbantahi; ;
Mijnheer moet niet —, wat ik voor
goed houd, djanyan toeimn baniahi
apa ja»t/ sVutja pikir patoet;
elkander
—, bcrbaiitah-banlahan.
beu zijn, djïmor, mofical.
beujï, groot net, poekat,
beugel aan het gevest van een sabel,
enz., penjanyya tanyan. —, waarin het
roer hangt, kokoi kïiiivedi. —, zooals ,
aan een schepnet, saoek; eigens zulk
oen — om leggen, mï//jaofk.—, waarin
de schijf vnn een hij^chhlok draait,
tinykany. — van een geweer, kldony-
kok;
om den trekker van een geweer,
kedaiiykany.
beugelnet, schepnet voor visch, vlin-
ders, vruchten enz., stwek\'saoek.
beukelaar, schild,rondas,ptrisat,oetav~
oetar, sïloekouy,
zie bij schild.
beultei), zooals b.v. de stokvisch, me-
nébah
(van llbah). — met een knots
of de vuisten, uienomiboi\'k (vnn totm*
bock), itteniarap
(van purap), ook beu- ;
ken van een vesting; verder: mütf
tjiiiioi\'k,
met zijn knots—, lïertjemot-k-
kan Ijokttiarnja.
— met twee handen, ;
iiieuthahan, b.v. lébih sadjtnykal ke»a~ \\
lab bahan, dïmatia kat/ti bolih ferlahan,
nog een span, en wij waren gebeukt
gewoiden; hoe zouden wij dat hebben
kunnen verdrugen. —, slaan, kloppen,
mhttbanat. —, bonzen, niiloepoeh. —,
zie ook phithliuLti.
beukhamer, godam, marlil, verb.
beul, pï-r(anda, pP/ebaja, pëlembaja, al-
godjo,
Port. —. dip met het spietsen .
belast is, djotroe toela. —, wreedaard,
vra»y bengis.
beuling;, soses, verb. Ned.
beuren, zie ontvangen en optillen, j
beur*\', buidel, poendi-poenii; geld—, j
poendi-poendi oemang, kit, Ar. —, ge- \'
■ bevallig.
breide of geknoopte zak, radjoel „■ in
een — doen, mcradjoetkan; gebreide
— ook klraicany. — om bet lijf, stm-
belit.
beurnch, van vruchten, todoh.
beurt, yi/intn. —, vervanging, pirgan-
fian;
mijn — is gekomen, datangUik
pfrganttankoe;
wat aan de — is om
iets te doen, gilir; bij beurten, btryanli\'
ganti;
om en om bij beurten, ganti-
bïrgan/i;
bij beurten bij het dansen,
berangkap-aagkapan.
beurteling», beryaafi-yan/i, bergilir;
de bliksemen werden — aangetrokken
door de zee en het land, kil al po» ber~
fi»dmnya»lah anfara laoet dan darat.
beurtorder, glliran, pïryantian.
beurtzang, na ka.
beurtzingen, bï-riuika-itaka; een beurt-
zang houden, inzonderheid bij bruilofts-
optocliten, bï-rdaiaping.
beuzelachtig, onbeduidend, tia-sia.
mtmioer,
vdW.
beuzelen, uiaïn-watu; allerlei unbedui-
dende dingen verrichten, repes, mtrrpei.
—, het met zijn werk licht opnemen,
bottcat ringaM. —, treuzelen, in fijn
werk, zooals naaien, breien enz., meVy-
gtTocuiil.
beuzeling, barany jattg sia-s\'ut; beuze-
lingen, allerhande kleine diugen, benda
ke*fjil\'menyefjil.
beuzelpraat, toetoer jang kosong, pe*r-
kataiin jany sia-sia.
bevaarbaar, dapal didjalani pfraAor",
sa»ipai dalai».
bevallen, behagen aan iemand, bërkï-
71 an kapada, »ié,»ipX,rkt,na»ka». - ,
be-
hngen scheppen, smaak vinden in,
bërkPnan akan. —, ook bërkahPndak
kapada,
b.v. segala elmoe. dan agama
Ijina jang ada didalam nïgart lüjaiu
Hoe blrkahrndak kapada sami pandita
Si/aai, fiada berkahrndak kapada pan-
dita tjinti,
alle wetenschap en gods-
dienst der Chineezen in het land Sl;un
bevalt aan de Sami ol\'Siameesche pries-
lers, maar bevalt niet aan de Chineesche
priesters.
bevallen, baren, btranak1, bërialin; van
Vorstiunen, berpoetera ,■ ontijdig —,
goegocr anak-; ontijdige bevalling, goe-
yorra», yoeyoeran anak-. —
, zie ook
behagen.
bevallig, manis; al wat — maakt, bc-
valligheid bijzet,ptmanit; wat het gelaat
-ocr page 109-
y:
bevangen — beverig.
bevel, soerot\'h,- van een Vorst, Utah; van
God, Jirmaii., Ar.; zoon Is hut Vorstelijk
— luidt, bagai titah. — van hot be-
stuur, pPrentah, — aan of vnn een
vertrekkend persoon./»«*«;*,zie bij last;
alle bevelen van Uwc .Majesteit zal ik
gehoorzamen, sPyala titah dueli Toe-
Kiiiikw patik djoi\'ndjofiig
,- schriftelijk
—, soerat pPrentah, pëlékat, veib. Ned. ;
op — van den Vorst, ia Naam des
honings, dfmi titah Jang dipP.rtoewan;
onder liet — slaan, dtbatcah pPrentah.
bevelen, soerueh; van een Vorst, bërii-
tah;
van God, bïjiiiiuin. Met bepni\'.ld
obj. tiniijuerneh, ,n< nitahkan, -, van het
bestuur, orde stellen, unuiërentuh; met
bepaald obj. mt mPrrntahkan. —, van
ot\' aan een vertrekkende, bërpësan ;
niet te — of te gebieden zijn, tiada
tijirmani;
gij hebl sleehls te bevelen,
hoekoem da tam taitganmor, b.v. maka
kata amir llamzah: hoekoem dalam
tanijaiiiuof,
en Amir Humzah zoide:
Gij hebt slechts te —. —, inprenten,
o mar kan, b.v. soepaja dt-amarkaunja
akan hal itue kapuda orany-urany Me-
lajoe,
opdat zij die zaak den Malelers
bevelen. —, zio ook aanbevelen.
bevelhebber, in den krijir, zoowel te
water als te land, pPnyüma përang. —,
aanvoerder, pvnyhoelue. —, legerhoofd,
horloebalatig,
bevelhebber-chap, pP.mPrentahan.
bevelschrift, tueroel pPrentaJi; van een
Vorst, soerat titah.
beven, sidderen, ketar, yPtat, gentar,
gëiëttir, gëlëtoefr, mënggPlttar.
—, bib-
beren van koude ot de koorts, ook
mPHijgigil; bevende zijn, goemëfnr, gP-
mPiétak,gëmëtétoi-k;
aan het — geraakt,
tètgPtar, tërkëtar; al zijne ledematen
beeldeu, goemPtartah sëyata anyyotanja;
hunne handen beelden, tangannja mPng-
yëlëtar;
al worden ook duizend reuzen
gek, de goden zullen niet beven en
huiveren, djika sariboe zanggi mënge*
dan, JJf\'u-a nrn tidak gentar dan ngërï
;
om —, sidderen, overdrachtelijk voor
te stellen zegt men soms: loftoet bërpa-
loe*paloe dëngan dagoe,
d. L de knieën
kloppen tegen do kin.— \\nn de narde,
btryëmpa. Soms ter afwisseling ook
bëryëntar, b.v. dan boemi pon bërgPutar
taptrti yëmpa,
en de aarde beefde alsof
er een aardbeving was.
overig, kayëntar gënturan.
—   maakt, b.v. kuiltjes in de wangen
en
dergel., pPntaais motte} wat du taal
—   innakt, b.v. cene goede woordkeuze,
pPmanis bPhasa —, net, tjantik. —,
schoon, prrmai. Ook van de stem en \'
een landschap. —, zie ook lief.
Iievan<;en, bedwelmd, inabok; duur den
slaan —, mPnyantoek; door koude —,
kadiiiyinan ; door hitte —, kapanasan ;
door de koorts —, kPna dëmani; door
schrik —, terkëdjoet; eenigszins — of
bedwelmd, malan.
Iievuren; de zee —,mP/aoeti; een schip
—, nirlajarkan kapat.
bevaren, Bijv. bw., tahoe berlajar, ;
biasa berlajar, bPrpëtajara.i; een — :
stuurman, djorroe-moedi jang pand ai
mëlajarkcn kapal
of përahoe, djoeroe- j
muedi jang bïrprtajaran.
bevattelijk, vlug in het begrijpen, te-
rong ha/i, rinyaa kapala.
hevatteiykheitt, = het voorg. woord.
bevatten, inhouden, mottKMtt. —, behel-
zen, in zijne ruimte, mPtipoet, vdW.
—, in een doek, vlies, zak, baarmoeder,
ii" aga,tdoetig (van kandoevy). Ook van
het graf ot\' den grond, b.v. de grond
van Madjapahit bèvml dien Toewah nog
niet (in zijn schoot), tanah Madjapahit
lièloiii mPnyandoiuiy si Toewah ini.
—, I
begrijpen, nanijvrli; wat bevat dia blief, ]
bayannana boeiiji soerat itue f apa ter-
sPboet datum s, i.;
wat bevat dat boek,
apa isi kitab Hor!\' wat bevat dat vat,
apa isi touy itoef
bevatting, begrip, pPiyPrlian; vlug
van bevatting, rinyan kapala.
bevattingr*vermogen, iaata-hati,
bevechten* beoorlogen, inëmPranyi (van
përang); de zege —, bProlih kantPna-
vgan.
—, weerstand bieden, mPlaivan,
bevederd, bPrboeloe.
bevederen. mPnyënakan boeloe, b.v. hij
bevederdo zijnen pijl, dikPnakannja boe-
ioé pada ana^-panahnja.
beveiliijen, mimiliharakan (van pPli- \\
hara,
ökr. parihara), b.v. voor koude —,
mPmPltharakan daripaita sPdjoeJf; zich r
—, zich beschutten, bersPlindueiiykan di~
rin/a,
b.v. bPrsPïuidoeugkav dirinja dart-
pada bPhaja,
zich voor gevuar beveili-
gen. Ook bér/indoet/gkan dirinja, b.v.bïr-
lindoengkun dirinja daripada sëtProenja,
zicb voor zijne vijanden beveiligen.
beveiliging, pPmëliharaiin, përtindoe- j
ngatt.
                                                        \'
-ocr page 110-
98                                        bevestigen — bevredigd.
bevestigen, toestemmen, m\'eagijakan I
(van tja), m\'enjoenggoe/ikan (van soeng- \\
goeh), meadienarkan, ikrar,
Ar. —, ver- j
wezenlijken, menjueitggoeltkaa. — aan
iets anders, m\'elekatkam, menghoeboeng-
kan, ni\'enambatkan
(van tamtml), ook
uiènjangkoefkan, ann iets bevestigd of
gehecht, tèrsangkoef. — van een mes
in zijn heft door middel van pandam,
e. ». v. hars, memandam. —, ojirichti-n,
rnend trikan, b.v. van den srodsdienst,
mindirikan agama. — van eene scbil-
derij, of iets dergel. togen den wand,
ménepik (vnn tepik). — in den gods-
dienüt, idjab, Ar. —, vnslmaken van
een verbond enz., meaentoekaa (van
trafo*), menegohkan (van fegob), m\'ene-
tapkan
(van Map); om den Mohamm.
godsdienst te — in het land van Sé-
moedra, akan WjJuitspJtwt mmw islam
dalam nègari S\'emnedra.
Met elkander
een verbond •—, bertègoli-tegoltan djandji.
—, stcvigen, mengkoeieatkan. •—, inwij-
den, mental/bitkan (van tahhis, Ar.).—,
in bet openbaar aanstellen, van den
Vorst, den Onderkoning, den lïendaharn
en den Toeménirirueng, melaatik; met
bepaald obj. m\'èlani\'ikkan; vast iu het
gemoed bevestigd, terpakoe di\'dalam Itati.
bevalen, mtngikiri (vnn kikir),
bevind, pendnpatan; naar—van zaken.
sakedar pendapatan liahtja. Ook alleen
taktdar lia/aja.
bevinden, aantreffen, m\'endapati; b.v.
zij worden ledig bevonden, dïdapatilah
akan dia Hoe kosong;
zieh —, eigens
zijn, ada; b.v. ik bevind mij in huis,
akoe ada dalam roe malt: zieh ergens
— van den Vorst, bersemajam; zieh
tusschen twee personen of zaken —,
berapit, b.v. do maan bevindt zieh (of
staat) tusschen wolken, botdau berapit
mega.
—, zien, meliliat; zieh tegenover
iets of iemand —, menghatlap, bertm- \'
tang dengan. Ook alleen teafang; zieh
wel —, uïerasti dirinja ajaman; zich ;
niet wel —, m\'erasa dirinja takit.
bevinding, ccvoelen, penda/ntl, b.v. ;
mijne —, péndapat tehaj., naar mijne
—, pada pèndapiit tehaja.
Iwving, gentar, gontjang; van de aarde,
gempa
licvli-Ult\' n, bevuilen, mentjemarkan,
mengoturkan,
(van kotor), metuemoerkan; ,
plcksgewijze — met iets k\'everigs, me-
nj\'elekch
(van selekeh). —, ontheiligen,
verontreinigen, mènedjitkan (van nèdjis.
At.).
bevlekking, pénfjëmaran.
bevlekt, tjèutar, kotor, bérloemoer, sele-
keh, nedjit.
Zie het onderscheid bij
bevlekken. Ook berkafjemaran ,- door
zaadstorting —, djandbal, Arab.; met
bloed —, bérloemoer dengan darah.
bevlijtigen: zich —, mtradjinkan d/ri-
,ija, iitein/orsaliakaa dirinja.
beviytiging, ratljin, oesalia, Skr.
bevloeren, menda^arkaa : met een lossen
vloer van latwerk, m\'emboewat lanlax,
wtimboeboeh lantai.
bevoehtigen, mruthasahkan. •—, be-
sproeien, mead\'tris, mend\'trnes.
bevoegd, gesehikt, paloet, la\'ik. Ar.
bevoegdheid, recht, huk\', Ar.
bevoelen, betnsten, meraba; voortdurend
of o vertil, merabwraba, — door de
vlakke hand op iets te leggen, b.v. de
borst, méaepam (vnn têpaat).
bevolken, meramaikan; een land of stad
—, meramaikan nègari
bevolking, de inwoners, orang isi nègari.
bevolkingsregister, boekoe djitca.
bevolkt, volkrijk, ramai,
bevoordeelen, menijoeaioe.ngi; bevoor-
deeld, kaoentoengan.
bevorderen in rang, meninggikaa pang-
kat
(van finggi), menaikkaa paagkat.
—, ruim buan voor iets maken, meloe-
irttskan,
b.v. Iiaujulah fneicankoe jaag
diharapkaa meloeitaskan bitjara int. - ,
bespoedigen, mèmbangatkan. —, nam el.
van den Vorst gezegd, menganoegéraJidi,
niengitroeniaï.
bevorderlijk, gunstig voor, bdik akan,
ba/k kapada
bevorens, dehoeloe daripada, sabelom.
bevrachten, inemoewatkan dalam, b.v.
een vaartuig met kollij —, memoewat-
kun ko/ii dalam pêra/tae.
Bevracht zijn
met, moetcat, letterl. inhouden, bevat-
ten, b.v. dat vaartuig is bevrneht met
kollij, pèralwe Hoe moe ir at kopt; zwaar
bevracht zijn, sarat, b.v. dat vaartuig
is zeer zwaar bevracht, pcrahoe itoe
tarot saka/i;
als een zwaar bevrnchte
jonk noch Oost-, noch Westwaarts kun-
nen, saperti djoeng sarat, tiada kali-
moer, tiada kaiaraf,
Sprw.
bevragen, bertanja akaa, b.v. dat huis
is te —, bolih berlanja akan roemaft itoe.
bevredigd, poetcus, sampai, pada, s\'e-
nang,
zie bevredigen.
-ocr page 111-
bevredigen — bewaren.                                        99
bewaarder, iemand die jets onder zijne
bewaring heeft, pinaroh (van taroh).
bewaiirheden, mèmbe»arkan, mènjoeny-
ywhkan
(van soenggoeh)
bewaarphint», timpat siwpan, t\'èmpat
hivjiarah
, penarohau.
bewalien, Meaofnygoeï, mendjagdi; een
wacht plaatsen bij, mengaicali van ka-
tcal,
Tam.); de wucht houden, berkaical.
— van een graf, nïenyoewam (van
ot\'tcatt), —, behoeden, nieliiidoengkan.
—, voor leed bewaren, nifiueliharakan.
—, mereksa (van reksa, Skr.), meestal
in gedichten; streng —, opgesloten
houden, inzonderheid van vrouwen, me-
tningit
(van pinyii),
l*rxva\\ier*penoenggoe,përëksa.—, wacht,
kaï\'-al, Tam.
bewaking, pfnilja.yadn, péngawalan,
penoniggoeau, pvrfiudoeugaii, pëmeliha-
raiin, pemereksaan
; zie het onderscheid
bij bewaken.
bewalien, ntnrgoebue-vgoeboei (van koe-
boe).
bewandelen, mhtdjalani, b.v. hij be-
wandelt een weg, die niet goed is, tja
mhtdjalani ioeatoe djalan jong ta\'baïk;
den weg der deugd —, wenowoet dja-
lua kabadjikan.
bewapenen, tuHawykapkan dèngan atat
s\'fièdjata.
bewapening, al/tf. sëndjata.
bewaren, ondel houden, niruddiharakfin
(vnn pêli&ara); iemands genegenheid —,
wenieliharakan hati; den vrede —,?//<■-
niidifiaraka.n damai. —, bergen, in bc-
waring hebben, metijimpan (van sin/pan);
een geheim —, uieujhupan ra.hasia, ook
mi\'tiaro/i rahas\'ta. — soms ook maiaroh
(van taroh), b.v. en zij zeide: mijn klein-
zoon brenge zijne kleederen hier, laat
grootje ze bewaren, maka ija berkata-,
Bawalah kawari pakajau tjoetjoekoe
ito/f, biarlah nenek taroh;
te bewaren
geven, menarohlan; tijdelijk hij iem.
nan huis of in zijn pakhuis bij het
zijne te — geven, ook menoempanykan.
—, voor later gebruik reservecren,
mentjadany (van tjadang, dat, wat men
voor later gebruik bewaart). — van
iets in het hart, Wêènjimpoel dihali (van
simpoel), menaroh didalam hati. —,
behoeden, memëtiharakan, melindoeng-
kan;
b.v. den goeden naam —, meuie-
lihurakan na/na;
God beware me! tatt-
bat.\'
Ar.; daarvoor beware mij God,
bevredigen, van dorst, honger, begeer- j
ten, lusten, gevoel, mémoewaskan (van :
poen-as). —, voldoen, nihijawpaikan (vnn ,
tam pui), niéuHuhikan (van paria), b.v.
meer dnn om hem te —, li-bih dan-
pada akan mïmatlakan dia.
—, de vrede
tot stand brengen tusschen anderen,
mèndamaikan, aiemperdaniaikan. —, tot
rust brengen van een rijk, een land,
ninigiuuihikan. —, tevreden stellen, ;>/è-
nttnamoiam (van senang).
:.rvi\'r<li:;iii::, verzoening, pcrdamajmi.
bevreemden, menghairankan, memtitri
hairan.
Ar., b.v die zaak bevreemdt
mij, perkara ifoe tnengfyatrankaii dakoe.
bevreemding, verwondering, hairun,
Ar.
bevreesd, katakoetan.— worden, ktula-
tangan takocl.
— maken, tnënakoeti. \\
—, bezorgd, tjèmas.
bevreendlieid, katakoetan.
bevriend, bersafyabal, ber$ohbat; onder-
ling of met elkunder —, bérsaliabat\'
§ahal>a1aii, bfi\':so//bai\'-sahhala/t.
bevriezen, djadi, bekoe, letterl. stollen ;
bevroren, bekoe, letterl. gestold, verstijfd.
bevrijd, verlost, loepottt, lepas. Uit sln-
vernij, mardaheka.
bevrijden, verlossen, mëloepoetkan, me-
Ief
ia.Hka.it. — 11 it slavernij, mémardahe-
iakan;
door loskooning, mènlèhoea (van
l\'êbocs). —, ontslaan uit ketenen, mi-
tigoera/katt rmitai.
—, do volle vrijheid
geven van doen en laten, mèmbebaskan.
Ook vrijstellen, b.v van belasting.
bevrijder, loskoopcr uit slavernij, pë-
nëboes.
bevrijding, kaloepoetan, kalvpasan, te-
boesun, kabebasan.
/ie het onderscheid
hij bevrijden.
bevroeden, begrijpen, méngërii.
bevruchten, bezwangeren van eene
vrouw, niüniburntiiigkaa; van den Vorst
gezegd, nifvghatiiUkan (van hautil, Ar.).
bevuild, f/fit/ar, kofor, kakotorau ; geheel
—, besmeerd met slijk en ander vuil,
geloemang
bevuilen, nie/itjtmarkau, m\'ényotorkav ;
zieli ireheel met slijk —, menygëloe-
wang d\'èngan loempoer.
—, bekakken,
mi/aberaki; zich — in dien zin, niem-
beraki dirinja,
bewnnien, vnn den wind, b\'erfioep ktt-
/""\'".
—, met een waaier, mengipasi
(van klpas); op die wijze het vuur
aanwakkeren, menyipasi api.
-ocr page 112-
100                                       bewaring- — bowegin»;.
duijaoehkan Allah kiranja akoe dart-
jtada.
— van een geheim, tiihtanggoeng
rahashi.
b *wmr1ng, behoed in g, pï-mëliharaiin,
perlhidoeugait.
Zie bewaren.
bewasenion, mëngoetcap.
bewateren, mëngajar\'t, inémpërajarkan.
—, hüfflllf. wrnyïiifjiityi (van ken-
tjing).
—, besproeien, zie nld.
bcwecubiiiir, dupiit digerakkan; niet
—, niet in bewcgim; te brengen, tiada
Izrgëraikkaii.
beweeg! ijlt, /.ie beweegbaar; een
— gemoed, Amti ftmêottt —e woorden,
pïrka/amt jtt\'ig méléuiboetkaii hali, p.j.
vteraieititkan haft.
bewet>umid(li\'l, dat, wat dient om iets
in beweging te brengen, b.v. een drijf-
rieni, horologeveer, machine enz. pe-
satcat.
beweegrad, vliegwiel, d\'tantrapësaicai.
Ijfwce^olll r, korban Itmangan.
beweegreden, tébab, Ar kartna. Skr.
inufla.
beweenen, mlntuigisi (van tangU), b.v.
zij beweent haar kind, tja meuangUi
anttkiija.
Ook uriiiangitkvtt
bewf\'eiu\'iiNVVHnrd, puloet dilangist.
bewegen! zich —, bergerak; met ver-
si\'licidcnheid, bêrgvruk berge.mi; toeval-
lig, lergérak; iets , me.ngge\'rakkan.
Zich , ook menggïrak tlirïnja, b.v.
satelah oe/ar Hoe nteHhul ntuaoes\'ui
da/ang, niuku ijapon uieitggërak dirinjn,
toea de slang menschen zag aankomen,
bewoon zij zieh; niet bewogen kunnen
worden, fiadu tteyërukkaH ; zich zwaai-
end ot\' buigend heen en weder —, b.v.
bij het diiiisen of spieken, lettggok.
Ook van een tol, die uitgaat; zich
langs een zoom of kant voort —, mï-
njoesorr
(van soesoer), b.v. langs de
kust voort —, van een vaartuig, nié-
ttjoeaoer puit/ui;
langs een stam zich
voort —, méujuesuer ha/at/g; langs een
berg zich voort —, nietijoesoer goenoeng;
zich schuddend —, bërgempu, vandaar
aardbeving, gen/pa boetui; zieh heen en
weder — van de oogen, lengar; zich
heen en weder —, otiNtandvastiu, b.v.
van een vlieger, l\'mtjah; zich op en
neder — van den mond, alsof men
spreekt of eet, komat-kamit, ook tërke-
moet-këmoel;
den mond nldus -, me-
ngontat-ngamii\'kan;
zich door elkander
—, zooals zwaluwen, of vleermuizen,
of menschen, die komen en gaan, me-
njampok
(van sampok); met hot bovenste
heen en wedur —, hoven eeno oppcr-
vlakte heen en weder —, zooals het
hoofd van een zwemmende boven water,
een heitekop boven de struiken, koetcal-
koeical;
zich flauw heen en weder —,
zooals b.v. de band van iemand, die
verdriukt, of een vlag bij een flauw
zuchtje enz. kapui; zacht heen en weder
— , schudden, y-jattg, bêrgnjang; tran?ït.
HtéNggo,anyka,i, zich tegen iet* in —,
b.v. tegen den wind, den vijand, den
stroom, nntijmtgsotig (van sottgsutig):
door den wind /ieh - van de bladeren
eens booms, bérëmhal. - van een kind
in de baarmoeder, uië/ii/i/uetcil-gitewil;
iets, dat ergens in zit. heen en weer
—  om het er uil te krijgen, méttgoettil-
ngoftcif,
b.v. een pijl; zich snel op en
neer — van de borst, uiettampï (vnn
lam pi); hel gemoed —, mënggïrafrkan
halt, iinrafaitkiM ha/i;
sterk en schie-
lijk heen en weder —, schudden, gun*
l/attg,
b.v. de knie —, birgott/jang lot-
toe/;
de berg bewoog zich, utaka boekif
itoepon gontjaugluh.
—, opruien, uieiig-
haruekaa, tttënyhuroe-biroeka».
—, ovcr-
halen tot, tiiïwbuedjitek hu/i, mett/jen-
dëromgkan hu/i.
—, stampen vun een
vaartuig, anggiik-angtjok, anggol-nvggul;
slingeren van een vaartuig, bërlvugijang;
zich slingerend, schommelend —, bèr-
ajoen, boe te ai ^
zieh wentelend —, zooals
de hemellichamen, bëridar-idar; zich
golvend voort—, zooals b.v. eene slang,
mettd/oeloer. Van een tuenschenmnssa,
berdoejoen-doejoen; van *locistotlcn,
wviigaloeii-alwti; een lant voort — door
middel van een Imndspaak, nië/tgoem-
pil;
zich schuddend — van vloeislolVen,
bërkoljak ; zoo doen —, mëngoljakkati;
op de handen heen en Weder of op en
neder —, luï-itiutii.yig-uinioig (van li-
mang);
zich kluppend —, zooals b.v.
een slagader, ber den joel-d^enjoel.
■ beweging, gërak. — en rust, gtraïk
d/attt
; cenige bewegingen maken met
het lichaam of deszelfs deelen, berge-
rair-ftërgiri,
b.v. mijne moeder kon zieh
niet bewegen, geen enkele beweging
maken, iboekoe Udak bolih bergerak-
btrgeri;
eene — maken, mhiggeri —,
leveo, rumoer, haroe; in — brengen,
mëagharoeka»; met verscheidenheid,
menghuyoe-birjekan; theatrale bewegin-
-ocr page 113-
bewegingloos — bewilliging.                               101
HO maken met do armen, een zwaard,
kris, schild enz. melrla-lrla; met bepaald
obj mëMakav, b.v. met de kris zulke
bewegingen mnken, mëldakan këris -,
do gemoedsbewegingen, yërak-yerakan
hati;
veel en inspannende — maken
bij werk, kial; veel — bij iets maken,
aangaan, këtjoeh,- met verscheidenheid,
këljorh-këtjah; een kleine — met het
liehaam, ot\' met een der ledematen,
b.v. even den schouder ophalen, geri.
— onder het volk, hwa-hara, haroe-
biroe, hirof-hura, yëmpar, gador/i;
uit
eigen —, dari yërak hatinja sëndiri,
dëtiyan ridla hatinja.
bewegingloos, tiada bëryërak, mati,
—, nederliggen, zooals een doode of
onmachtige, but-vykamj; hetzelfde van
velen, burnykany-batiyking.
bewelehuiigen, van ecn Vorst of van
God gesproken, uiënyaaoeyërahdi, më~
ngaromiaï
(van karvruia). — van ge-
WOM personen, mi\'udioftcat baïk alm/.
beweren, mëuyatakan (van kata). —,
voorwenden, pO\'\'ra-poi-rat b.v. — het
niet te weten, poeNhpaera fa\'ta/ioc
bewerken, bearbeiden, uiëiigërdjakiin
(van kïrdja), uiëmjarxahitka»; b.v. de
natte rijstvelden —, mëuyërdjakan sa-
ivah.
— van bnmboe, bout enz. met
een mes, mëraoet, b.v. die stok is met
het mes bewerkt en niet gedraaid,
tui\'tiykat itui\' diraot-t, boekan dilarik;
kunstig—, Bauicnstellen, wen-ka ; kunst-
matig — van metnlen, /nemoedja (van
pord/a, Skr.) b.v. goud, dat niet kunst-
matig bewerkt kan worden, ëmas fa\'ta-
han pvrdja.
—, veroorzaken, mënjëbab-
kan
(van tïbab), mëngadakan, mï ndja-
dikan.
—.uitwerken, tot stand brengen,
menger djakan.
bewerker, oorzaak, sëbab. —, bearbei-
det, oruny bvkërdja, orang jang mënytr-
djakan, phigoi\'saha,
bewerking, bearbeiding, pëkïrdjaün,
jH-rorsahaün
.
bewerkNtelligcn, mï-iiyërdjakan, me-
la koe kun, nienjampaikan
(van sampai),
meigadakan.
Niet te—, tiada tëkë-.dja.\'
kan,
b.v. so- sahija terlalon sanyat ba*
njaik, kalait tiada tëkërdjaka/i ulih paman,
gaut gepaard met zeer veel mueilijk-
heden ; mogelijk is hut door u niet te —.
bewerk tuigen, mëlanykapkan denyan
përkakas.
bewerp» zie ontwerp*
I bewerpen, begooien, niëloetari, nrélon-
tari, mëlcmpari.
—, zie oo>c ontwer-
pen.
bewenten, disabelah barat.
bewierooken, /aëngoekorpi ,■ zich —,
berorkorp. —, prijzen, mëuwedjï-moedji
(van poëdji).
bewierookins* pëiiyoekofpan,- lof-
tuiting, pordji-potdjian.
be\\v\\JH, teeken, tanda, htiimat. Ar.; duide-
lijk —, kanjafada, barhdn. Ar.; een
afdoend -- , hordjatoe\'l baliyrah; schrif-
telijk —, torrtit fanda tauyan ,■ ontken-
nend —, salah, Ar. — in rechten,
corpus delieti, tanda biii. — door het
citeeren vnn eeno plaats uit de Schrift,
dalil. Ar.; de bewijzen zijn vooibanden,
dalil bërbëtoelan. — van wanrheid,
tanda kabënartm. — van leven, tig. uit-
drukking voor een geschenk bij een
brief, atamatoeltiajdt. Ar. — door ge-
tuigen, getuigenis, kasaksian. — van
bijzondere oprechtheid, tauda iortott
ichliis,
geijkte uitdrukking in brieven.
—, voortceken, aldmat, Ar.
bewü»»bi»iir, dapat dinjatakau.
bew\\js.biuirliei<l, kanjatadn.
bewijsgrond, haedjat, Ar. met zijn
bewijsgronden ten einde zijn, palah
hiufdjat.
— bijbrengen, mëndiiikau hoe-
djat.
licwijsiilimts, uit de Schrift geciteerd,
dalil, Ar.
bewvJHMtuk, corpus delïcti, tanda biti.
—, acto, geschrift, saerat katirangau.
bewÜHvoerins, dalaiah, Ar.
< bewijzen, mëajatakan, mënërangkan
(vnn tërany). —, met citeering van
Schriftuurplaatsen, uiëndalilkau ; met
getuigen —, mënjatakan dtitgan saktï;
voldoende bewezen, tërany dë/iyan ujata;
een reehtsklacht —, zie bij r*taven.
— van een beschuldiging, mhivntonkan;
bewezen, ttutoa; niet bewezen kunnen
worden, tiada tërtX\'ntarkan. —, toonen,
iiiPnoeudjot\'kkan (van tufndjurk), laeitja-
takati;
b.v. zijne liefde —, mtnorn-
djofkkan katihnja. unnjatakan kasihnjtt;
genade —, mënyawpufiti, mi\'mfkan; eer
—, mtayhorinati, ittiinoeïutkan
bewilligen, vergunnen, toestaan, mem\'
beri idzin,
ook alleen jnïi/ibëri; mhiy-
üh in ka ii, tnëlorloeskati, më.igkaboelkav,
Hiëridtakan.
bewilliging, idzin, Ar. fraboel, Ar.
ridla, Ar.
-ocr page 114-
102                                       bewimpelen — bezeten.
tiada chahar akan dirinja, tiada sédar,
tiada ingaf akan dirinja.
—, in zwijm,
pingsan, moer/ja, Skr. —, ongevoelig,
zooals b.v. in een diepen slaap, sèlap.
bewustheid, ingaf; volkomen—, toe-
mangat;
tot — komen, sedar.
bewustzijn, srdar; zich bewust zijn,
sidar akan dirinja. Tot — brengen,
mvujedarkan; volkomen —, sormangat;
zijn - verliezen, hilung soemangatnja.
Vooral door schrik of ontsteltenis.
bezaaien, nienabueri (van taboer),
hezuuiïn<£. penaboeran
bezaansmast, tutng penjoeroeng, iiang
brlakang.
hezaanzeil, lajar pénjoeroeng, lajar
boksi.
beznbberen, berlioerkan.
; bezadigd, bedaard, xabar, Ar. —, in-
getotren, sopan, sojian-sauton.
bezadigdheid, kasenangan hati.
bezadiiien, lot rust en kalmte brengen,
nieujeuangkan (van senang).
bezeerd, beschadigd, djedjaj. —, ge-
wond, loeka.
bezeeren, kwetsen, zich—, kena loeka;
iemand —, metoekaï; pijn doen, men/a-
kifi;
zich —,menjakiti dirinja; iemand
—, mënjakiti orang.
bezeeveren, brrliuerkan.
bezetjelen, menirteraikan (van m\'èlérui),
memboeboeh m\'eterai, mtmboebueh tjap.
bezeild; goed — van een vaartuig,
ladjue bërlujur, ladjoe djalannja.
bezem, veger, sa/toe,penjapoe; van palm-
bladribben, sapoe lidi; van arenvczcls.
sapoe idjoek; van rijststroo, sapoe mè-
rang;
Japansche —, sapoe JJjrpoen.
bezem ra ah er, foekang sapoe.
bezemsteel, batang sapoe.
bezen dinjj, van goederen, kiriman. —,
die onder behoorlijk geleide wordt over-
gebracht, fiantaran. —, van personen,
gezantschap, oetoesan, soeroehan.
bezet, met werk, geen tijd hebben, tiada
sémpaf, banjak kirdja.
— op do borst,
benauwd, srsak dada, —, op lager wul
geraakt, van een vaartuig, kandas, tir-
dnmpar.
—, zwanger, bom/ing. — met
juweelen, panrlcn en robijnen, btrta~
tahkan ralna moetoe manikani.
bezeten; vnn een duivel — ./■-/,,lasokan
sjaifan, kena sjaifan, dirasork sjaifan,
diselap sjaifan, kasjaifanan;
door een
demonische macht — zijn, selap, b.v.
hij gaf zijn paard de sporen alsof hij
bewimpelen, bedekken, miaortoep(v»m
toetoep). —, verontschuldiging bijbren-
gen, Héiiitf/uwa udzoer, Ar.
bewind, /lëmirentahan. Het — hebben
over, niimirrnfahkun (vnn peren t ah).
bewinden, omwinden, membebat.
bewindhebber, primimtah,
bewindttel, /ie omwindNPl.
bewindvoeren, utelakoekan perentah,
went tuibtrkan prrentah.
— over iets,
mr im-,e utah kan.
bewitten, wit maken, mrmortihkan (van
poefih). — met kalk, menjapoekan ka~
poer, mr/aboer
efóuM kapoer.
bewoelen, omwoelen, omwikkelen,nirm-
bëbat.
bewogen, van het hart, tngerak ha/i,
zoowel ten goede aU ten kwade, /ie
;if Incriu\'. ■—, geroerd van hart,pe/oe,
b.v. een zeer liefelijke stem, welke het
hart bewoog van allen die haar hoot-
den, soeirara jang amat merdor. inrm-
beri peloe hatï segala jang m\'rndrngar
dia.
Ook bij de herinnering aan af-
wezigen ; niet — kunnen worden, tiatla
trrgerakkan.
—, bedroefd, berdoeka-fjifa.
bewollit, disapoet ateuti, mul. van de
zun, de maan of sterren.
bewonderenswaardig, jong bolih
men gh air ü ukan.
bewonen, mèngadoedoeki (van kadoe-
doek,
ongebiuikel. vorm van dordork),
mengadiami
(van kadiam, onttebr. vorm
van diaut). ook doedoek di, diam di;
bewoond worden, dikudoedoeki, dika-
diami;
eeno bewoonde plaats, t\'empai
kadoedoekan wrang.
Ook alleen tem pat
orang,
b.v. bewoonde bfllirtg»,kéUipoeug
orang,
bewoonde dorpen, doesoen orang.
bewoner, \\an een huis, wang isi roe~
inah.
— van een land, pi-doedoek, orang
pedoedoek;
do oorspronkelijke bewoners
van een land, de aborigines, orang leir-
nak, orang pasak, orang boemi, orang
Lënoetca.
bewoonbnar, jang dapat dikudoedoeki.
bewoorfliiiir. prrkutaun.
bewust, bekend, katahoean, ma/oetn,
Ar. Ook jung trrsebnet, de gemelde, b.v.
de bewuste zaak. ptrkafa jung ferxeboet
itoe,
de — persoon, orang jang tersë-
boet Hoe-,
zich — zijn, sedar; weten,
taJioe; bekend zijn met, mcngêfahoeJ;
zieh niet — zijn van, tiada chabi\'.r
daripada.
bewuateloos» tiada tahoe alan dirinja,
-ocr page 115-
108
bezetene — bezoedelen.
—  was, dipatjoenjalah koedanja, sapPr*
fikan selap roepanja.
—, door con boozen
geest getroffen ?ijn, kasampokan, kara-
soekan.
—, krankzinnig, razend, djoe-
iiaun.
Ar. madpivn. Ar ; door een spook
—  zijn, khia hantoe.
bezetene, oraug jang kamasokan sjaifan,
enz. Zie bezeten.
bezct«el, zie beleg«el.
bezetten; eeiie plaats -, in bezit ne- j
men, mhigambil negari, mengambiltem-
pat.
—, beplanten, wtfnaaami (van ta-
nam).
bezetting op tle borst, sesak dada.
van eenc stad of\' vesting, isi kota.
bezichtigen* melihati; nauwkeurig —,
mPngainal-amali. - — , onderzoeken, m$-
meriksaï
(van pï\'rikxa).
bezichtiging, onderzoek, p^meriksaan.
bezielen, leven aan iets geven, mt-ng-
hidoepkan.
—, aanmoedigen, membPra-
nikan.
- met geestdrift, mhiggiairatkan.
bezien, bekijken, melihati, mhnandang
(van pandang); zich in den spiegel —,
melihai dalam tjvre.min; iets aandach-
tig —. b.v. een boek enz. dat men in i
de hand heeft, Indek.
bezienswaardig, pat oei dili/iati, pa*
loet dipandang.
bezig; — zijn, aan het werk zijn, be-
kh\'dja
; het — zijn met de ocno of
andere handeling wordt doorgaans uit-
gcdrukt met het Voorvoegsel bh; b.v.
bh-ma\'in, — zijn met spelen, btrtang-
kap,
— zijn met uitrusten, bvrsadia,
—  zijn met gereedmaken, enz.—, druk
in do weer zijn met iets, kt-tjoeh-krljah;
lang met iets — zijn, om het werk
netjes te hebben, nivrenjafi.— met, ook
Itigi of thigah, b.v. — met eten, lagi
makan
; — met schrijven, thigah me-
noelis.
bezigen, pak ai, mhaakai. —, besteden,
aanwenden, iittnggoenakan; van geld,
mï\'iithïdandjakan.
bezigheid, khdja; bezigheden hebben,
bekhvtja, ada kh\'dja ; de cene of andere
-— hebben, bekerdja pandjaug pen dek,
—, beslommering, ajoegroel, Ar. — of
bezigheden verzinnen, n.hidjadikan ker-
dja;
overkropt van bezigheden, timboel-
thiggtdam dalam pékhdjaiïn;
zonder
bezigheden, vrij, peloeiaang, shapat.
bezighouden; zich aanhoudend niet
iets —, btroendan, b.v. steeds zich met
de rijst —, bh\'oemlan dëngan nasi, d. i.
al maar eten, zooals b.v. herstellende
kranken.
bezijden, disabïdah, disisi, diföpi.
het huis, dUabtlah roemah. — den put,
disisi phigi. den weg, dilepi dja-
lan.
— du waarheid, tiwtpang daripada
benar.
bezingen, roemen, prijzen, mhnoedji-
niaedji
(van poedji).
bezin Wen. mïndap (van endap), doedoek,
h/ad.
bezinksel, hidap, et/ab, doedoek, ham-
pas, kvladak.
— grondsop, koembi, C.
bezinnen; zich —, berfikir, berpikir-
ptkir, higat-iiigat.
—, zie ook verzin-
nen; tot bezinning komen, poelang
ichtijat;
Ar.
bezit, poenja, tmpoenja, milik, Ar.; in
het — zijn, empoenya, mhnpoenjaï; in
bezit neuien, mP.miliki, b v. en het land
werd door den Rijlnbettierder in bezit
genomen, tnaka negari itoe dimiliki
olih inangkoe-boemi.
bezitrecht, kak mhnpoenjaï.
bezitten, hupoenja, mhnpoenjat. —, zit-
ten op, mtndoedoeki. —, hebben, voor-
zien zijn van, wordt ook dikwerf met
het Vuorvocgsel ber uitgedrukt, b.v.
goederen —, bhh-trta, geld —, beroe-
toang,
geloof —, bh\'imdn, kundigheden
—, bhïlmoe, wetenschap —, berphigë-
tahoean
enz,; soms moet — met een
ander woord worden teruggegeven, b.v.
geiten —, mhiaroh kambing, memeli-
haraknn kambing;
geld —, mhiaroh
oeicang
(van tarok).
bezitter, Java hnpomija, jang lm poen ja
milik;
met de bezitting als bepaling,
jang mhnpoenjat.
bezitting, milik, Ar. kapoenjaan.
bezournteen, tegengilïstcen, e. s. v.
steen, dien men vindt in de maag of
blaas van sommige dieren en waaraan
men wonderkracht toeschrijft, goeliga
(Skr. goelika, een balletje); te Batavia,
moes/ika. — uit een stekelvarken, goe-
liga landak.
— uit de ingewanden van
een haan, haansteeu, moeslika hajam,
goeligti. hajam.
bezoedeld, tjvmar. — beduimeld, koe-
mal, yïdtifinaiig.
—, verontreinigd, in
godsdienstigen zin, nïdjis, Ar.
bezoedelen, mhifjhuarkaii, meloemoer-
kan.
—, beduimelen, uthigoentalkan.—,
verontreinigen, in godsdienstigen zin,
mhiedjiskan.
-ocr page 116-
bezuinigen.
bezolderen, mëmboebaefi tingkai. — met
latten, memboeboeh laatai, tu. para-para.
bezoldigen, nt\'etttberi gadji, mengopa/i,
memberi opah ■ bezoldigd, makau gadji,
maka* opah ; bezoldigde, orang gadji,
orang opahan.
bezoldiging;, gadji, opah.
bezondigen; zich —, bvrboetcat dota,
berdosa. Zie zondigen,
bezonnen, btdjak&ana, Skr.
bezonnenheid, kabidjairsaMtuin.
bezoomen, zie zoomen.
bezopen, mabok\'.
bezorgd, bekommerd, bertjiuta; ook
bimbaug. — zijn over, bertjiniakan ; doen
— zijn, mentpertjintakan. —, bekom-
nierd, in twijfel over iemand, waiany
haft,
Jnv. id. —, vrcesnrhtig, tje.-nas;
ioni. die zieh spoedig — maakt, pen-
tjemas,
—, treurig, sajoe, b.v. dat mankt
ons hart —, Hoe metnbeii sajoe dihatï
kamt;
hoc zou zijn gemoed niet — zijn,
dimttnakaii lidalf sajoe haiinja. ~ , be-
zwnaid, goendah. —, vol beslommerin-
gen, maxjgrvel, Ar. — zijn over iets,
dat moet komen, tnengidapkan; wees
niet —, djantjan beetjinta, dj. soe.iah.
bezorgdheid, pertjintaan, tcalang hati.
—, ongerustheid, cha/rafir, Ar. — aan
den dag leggen, ineratcan-rawa*.
uit genegenheid, tjinta kas\'th.
bezorgen, zorg voor iets dingen, tuenj\'e-
leityyarakan, tuènjelenggarai,
b.v. wat het
eten, drinken en wonen van den Vorst
betrof, dat bezorgde de Kijksbestierder,
akan makati minoem dan doedveknjn.
baginda ifoe Bendaharalah t/ie/ijettt/i/-
garaï akandia.
—, overbrengen, m\'eni-
bawa;
een briel\' —( membawa soera/.
—, afgeven, nienjampaikav; een brief
— ia dien zin, menjampaikau soerat
(van sampai). —, doen verkrijgen, meiu-
perolihkan.
—, toezenden, tnhtgirimkan
(van ktrit/i). —, gereed maken, menja-
diakan
(van sadia) , zorgen voor
iemnnd of iets, m\'etneliharakan (vnn
petihara). —, in verzekerde bewaring
nemen, gevangen zetten, ntettgoeroeitg-
kan, inentendjarakan;
xoed bezorgd zijn,
dikoerortigkan batk-bdtk, dipendjarakan
hdik-bdik,
bezorger, besteller, pembawa; de —
van den brief, pembawa soerat,
bezorging, bestelling, pembatcaan.
bezuiden, disabe/ah selatan.
bezuinigen, met zuinigheid cd overleg
104                                         bezoek
bezoek, visite, perkoendjoeitgan. Een—
brengen, afleggen, zie bezoeken. —
krijgen, kat/ata/igan djatnoe.—-hebben,
bérdjamoe.
bezoflien; iemand — in het algemeen,
tot hem gaan, mtndapatkan; iemand
plechtig, uit plicht, rouwbeklag uf
beleefdheid —, tiieugoendjoengi {van
koendjoeng); elkander zoo - , berkoeu-
djoeng-ktteiidjnettgan;
de graven zoo—,
mengoendjoengi froeboer. —, een bezoek
brengen aan de voelen, d. i. een bezoek
van hulde en onderdanigheid brengen,
ntëttgoetidjoeiigknn kadam. —, ten blijke
van deelneming, hetzij in goed of kwaad,
melawat; b.v. maka radja pon meiijoeroeh
nielawut kapal itue. Maka mata-untta
pon st\'gèralah dilamtiinja kapal Hoe,
du Vorst beval dat schip te bezoeken,
en de douanen gingen spoedig dat schip
bezoeken. Zieken — in dien zin, mïla-
zcati orang sakit;
een welkoimtbezoek
bij iemand utleggen, me/aieati kadata-
ngau. -
, een bezoek afleggen bij per-
sonen zoowel als zaken ook bersaba,
b.v. er was een vijver, dien men niet
bezocht, ada saloe kulam dada disaba
orang.
—, zonder bepaald doel een
bezoek brengen, voornamelijk vnn eene
plaats, menandang(van tandavg, bezocht,
van eene plaats, b v. een veel be/oehtc
stad, kola tandang). Het platte land
—, nienandatnj desa, b.v. sibelavg me-
nandavg desa,
de gevlekte bezoekt het
land. Ook hert uitdaag, b.v. pengattten
Hoe. bertandang kuroemah wêutoetcatija,
!
de bruid bezoekt het huis hurer schoon-
ouders; ter loops —, mendjetan.— van
een aanzienlijk persoon ol\' eene heilige
plaats uit eerbied, giiarah, Ar.; iemand
gaun —, ook /tergt b\'erdjoenipa deiigan,
pergi bertemoe dengan;
een \\ orst ot\'
hoofd, pergi meiighadap. —, gaan zien,
pergi melihati, — van landen, m\'endja-
lani negari, mendesa negari,
zie berei-
zen. —, een onheil doen overkomen
als vergelding, mendatangkan foelah;
bezocht worden in dien zin, kadata-
ngan toelah, katoelahan.
bezoeker, orang berkoendjoeiig, orang
bersaba;
een trngo —, icm. die zelden
tot oiiB komt. pi/tangkil pajah (vnn
(angkif, Jav.). —, gast, djatnoe.
bezoeking:, die iemand overkomt als
vergelding voor bedreven kwaad, toelah.
—, beproeving, pertjobatin.
-ocr page 117-
bezuiniger — bieden.                                         105
een bezweringsformule, pvmbatjadn poes-
taka, pëmbpfjaan mant era, ptmbatjaan
dva, tjoetjaiin.
—, duivclskunstenarij,
roefcijaA, Ar.
bezweringsbock, soerat mantëra.
bezweringsformulier, poestaka,
maattra, döa, tjoetja.
bezweringMoiler, zocnotFer, offer tot
afwering, scma/i, temahan; iets als zoo-
danig otleren, men je in ah kan.
bezweken, onderdoen, tncas; in den
strijd, —, tiwas perangnja. —, sterven,
niati, poetoes njawa. Van Vorsten, mang-
kat, bitang, mangkat beradoe.
bezwijmen,;^\'//#*««, moertja; bezwijmd,
in zwijm, pingsan; toevnllig —, ür-
pingsan.
Zie ook flauwvallen.
bezwijniing, pingsan, moertja, Skr.
be/tausj, Ven.
bibberen, klappertanden, menggëlegoet,
gemëlegoet, geletoek, guenie.tPtoek,
—,
rillen van de koude, inïnggigil; nog ster-
ker — , gogoh. —, bevend, tnenggëJPtar
(van gétar). — van ouderdom, botjort.
bibliotheek, kitab chanai, Ar. ch\'tza-
tuUoe \'t kitab,
Ar.
bidden; godsdienstig voorgeschreven,
vei plicht -, sembaAjang ; vrij —, me-
min fa dva;
voor iemand of iets ver-
plicht —, mënjembabjangkan ; voor
iemand vrij—, niendüakun, numinfakan
döa;
iets —, b.v. twee gebeden —,
mënje\'mbaAjangkan doeiea rakïït. Zie ook
nabidden en voorbidden.
bidden, verzoeken, smecken oin iets,
memoeAoen (van poeAoen).
bid buis, zie hidltapel.
bidkapel, tevens school, soerau. Zij heeft
geen minbar, zooals de moskee en kan
soms zeer groot zijn; kleine —, man-
darsaA,
verb. van het Ar. madrasat.
bidkleed, het kleed, wuarop men de
gebeden verricht, masafta\', Ar.
bidmat, tikar sëmbabjang, sailjadat, Ar.
bidplautn, kerk, kapel, roemah sembalt-
jang.
bidwluior, der vrouwen, telekoeng.
biduur, n.akfoe seinbahjang.
biecht, pïngaknean dosa.
biechteling, peagakoe dosa.
biechten, viuityiikoe. dusa.
biechtstoel, overdekte zitplaats voor
één persoon, die zich daarin Kun afzon-
deren, minigkor.
bieden, een bod doen, fairar, ntenawar,
b.v. hij bood vijftig gulden, diiawarnja
iets gebruiken, ttrênghiiualkan (van Ai-
mat,
Ar).
bezuiniger, orang himat.
bezuipen; zich —, mimoem sampai
mabok.
bezwHar, last, fanggoengan. —, moci-
lijkheid, IcasoesaAan, kasoekaran, kabv,-
ratan,
bezwaard, menanggoeng berat. —, in
moeilijkheid, kasaesaAan, kasoekaran,
kaberatan.
— met schulden, met klee-
ren aan bet lijf enz., sarat dengan. —,
bekommerd zie bezorgd; zich
gevoelen, bedrukt, bind rasa anggota,
b.v. ik gevoelde mij —, beratlah ra-
sanja anggutakoe.
bezwaarlijk, soesaA, soekar, moesjkil,
Ar.
hezwaarnis, moeite, kasoesahan. —,
overlast, sangsara, siksa, Skr.
bezwach telen, me\'mb\'ébat, mëmbaroet.
bezwadderen, belasteren, inenjUnah-
kan.
bezwalken; iemands naam —, mem-
ben kedji nama, memborsoekkan nama.
bezwangerd, méngandoeng; ook tig.
b.v. de lucht ia mei regen —, lavgit
niengandoeng Aoedjan,
bezwangeren, zwanger maken, mïm-
boentingkan;
van Vorsten gesproken,
me\'.ngAandtkan (van Aamil. Ar.).
bezwaren, van het gemoed, het volk,
memberatkan; zijn gemoed — met, mem-
bërati Aativja di:ngan;
zich —, bekla-
gen over eene /aak, nienyadoe.kan hal.
bezweerder, toovenaar, saAir, Ar.
bezweet, biirpe/oeA ; geheel ia bet zweet,
als het zweet aan alle kanten uitbreekt,
kebab. Zie ook bij zweeten.
bezweeten, door zweeten natmaken,
uit-mbasahkan denga?i peloeA, b.v. hij
heeft zijn bandje —, ija toedak mem-
basaAkaii bad/oenja dengan pelaeAnja.
bezwemmen, merenangi.
bezweren, met een eed bevestigen, Wf-
soempaA; iemand —, ttienjotunpaAi. - ,
bannen vnn geesten of duivels, Mest*
boewang sjaitdn. — door hoidensebe
otferplechtigheden, mëmoedja (vun poe-
dja, Skr.). — door het uitspreken vnn
een bezweringsformule, mtmbatja poes-
iaka, nit\'.mbatja matttëra, ménianterdi,
mëntjoetja, membatja dva.
bezwering, door heidensche offerplech-
tighcden, poedjaan; bezweringen,pesoe-
■ua-slrana.
— door het uitspreken van
-ocr page 118-
1110
bier — bübelgpnootüchnp.
lima poeloeh rotpijab. Ook en voornaroe-
lijk minder bieden, afdingen, b.v. u huil:
afdingen, een minder bod doen, toetcan
bolib taicar;
boogcr dan dit durf ik
niet te —, itoelab enggannja b\'erani
sehaja.
—, aanbieden. mem/oendjoek;
niet bcp. übj. mengoeudjoeHtin; aan een
meerdere, een Vorst of God, mempér-
sembahkan;
de hand —, mmgoendjoek
tangan
.- voort helpen, menoetoeng (van
ttiflot-nt/): tegenweer —, mflatra.i; het
hoofd —, b.v. den vijand, een storm
enz., utendatta; aan gevaren of moeilijk*
heden, wétrtdmk,
bier, kir, verb. Ned. Haantjes—, bir
ajam;
Engelseh —, ale, bir Int/gris.
Ken soort van inlandsen —, bèram.
bien; e. s. v. biezen, waarvan men zakken
mankt, kirttjoet; eene andere soort,
waarvan bet mergpit nis lampepittea
wordt gebruikt, koempai; e. s. v. biezen
die op de natte rijstvelden groeien en
waarvan men mandjes vlecht, koendtoeh ;
eene andere soort, waarvan men niat-
ten vervaardigt, rnetaporf pnn-oen;/Ajne
biezen pakken, la/t, lari berfrpas dir\'t;
hetzelfde stilletjes, lari diam-diam.
bieslook, koetjai, chtn. Het wordt in
Indic gebruikt in spijzen.
bietebauw, zie bij spook.
bfflb "iink babi.
biirtimie, bajoeh.
bistgelen, van de tranen langs de wan-
gen, b\'erlinang-linang, rembah-rrmbah,
ri\'iiibti/i-f\'f/ibtf/i, btrtjtwljiiprait. — van
duuwdruppt-n, tiertinang-linang. — van
het zweet, berijmdjoeratt.
1>U, honigbij, ftbah, tawOH; e. b.v. klcino
—, aiiivg-aviity; o. », v. gele bij, die
honig levert, grooter dun de aning-aniitg,
docb kleiner dan de lebab, ke/o/doef.
bU, Voort, nabij, ban/pit; dekat, b.v. het
is bij zessen, htitnpir porkurt e nam; bij
de tafel, dekat medja. —, aan, pada,
dï,
b.v. bij mij is geen geld. fiat/a
oetcattg piulakoe;
bij, aan de deur, di-
piutoe;
er —, te zanten, serta; ook er
—  zijn, meedoen, b.v. dan ben ik er
ook —, dan doe ik ook mede, akne
pon sertalab;
bij zijne komst, *eria ija
dtt/aiig, serta daiangnja.
—, met, ook
dragan, b.v. - zich zei ven, dengan
stndirinja, dalam bafinja,
b.v. bij zeide
—  zich zclven, ija berkata dalam ba-
tinja. •
—, tot, tot aan, sampai, b.v. bij
de vlakte, sampai kapadaag, — dag
en — nacht, pada siang dan malam.
— voor Telwoorden wordt teruggegeven
met het Voorvoegsel tér; b.v. bon-
derden, beratoes-ratoes, — tienduizeo-
den, berlaksadaksa, enz. — zijn leven,
pada utasa bidoepnja. — het pond \\er-
koopen, djoetcal kali, — de e\\,djoettal
tlo.
— de maat, djoetcal takar. — de
maand betalen, bajar boelan. — bij den
dag betalen, bajar bari — gelegenheid,
djikatan ada senang, pada mtua (of
kefikd) jattg baik, btla semjmf; bij wien,
tempat, b.v. hij wien ik dat gekoeht
heb, tempat tetah akoe membelinja, de
hcndalinra is het bij wien hij zijn on*
derhoud vindt, bendabaralah tempat
nasi dan goelainja.
— iemand of iets
vergeleken, iljikataa dibanding dengan,
— zich hebben, m\'embatca, b.v. ik heb
geen geld — mij, akoe tiada menthaxca
ofit\'ang.
          de hand, /ie Imiul en
l>i.i<l<-l.iiii<l-<\'li; het koml of hanlt
er niet , tiada sampai bagitoe, — in
eedzweringen, dfnii, b.v. — God, demi
Allah.
— de hooge en heerlijke goden,
demi deicafa moe/ia raja — de hel,
demi djebennam; demi Altab dan demi
rasorlaja,
— God en — zijn gezant;
bij God, daar is geen twijfel aan, tiada
sjafr lagï demi Alfab.
— geval, on-
ver wacht s, tiha-t\'tba, sakoettjoeng-koe-
ftjuntg.
— elkander, bersama-sama,
manier van spreken, saiivdainja, oepa~
jnanja. mitsalnja.
— leven en sterven,
mati bidoep, pada ma sa bidoep dan
mati.
— iemand zijn, hem vergezellen,
adalah serta, m\'enjerta\'i; ook wel serta
alleen ; ten huize van iemand zijn, ada
di roemahnja;
iemand spreken of ont-
liineten, berdjoempa dengan. — kas,
goed van geld voorzien, menaroh ba-
njak oeieang.
— bij het hooren dezer
woorden verschrikte hij, demi did\'e-
ngartija p\'erkataan itti, terkedjoetlab tja.
Ook serta, b.v. s\'erta b\'erttntoe, — het
ontmoeten. — of onder werk, ook afas,
b.v dat Hij mij nabij zal zijn bij dit
geringe werk, Ija akan menjertdi akoe
atas pek\'tTGJuirn jang sedikit int.
btftilttien, djika, djikalau, kalau, djika-
latt kïranja
bübfl, a/kif tib, kif a boe\'l koedoes. Ar.
kiltib soetji; de — der Christenen,
kitdbae \'Ikoedoes orang masebi..
bUheljfenootftcbnp, madjélis orang
jang mempèrbanjakr/can kitaboe \'Ifcoedoes.
-ocr page 119-
107
bübellecr — bijeenataan.
■■Ü belleer, phigadjarun kittiboe\'lkoe-
doei.
bijbellezing, peitibatjaan kitdboe\'Ikoe-
doet.
bijbelverklaring^ tafsir alkitiib.
bijbetalen, meiiambahi pembajar.
1>Ubetaling, tambuhan ptmbajarau.
byblad, soerat perhoeboengan.
bijblijven, bij het gaan, uienjertiü (van
serta), berdjalan bersauia-sama; niet —,
katinggalan, tmggal dibelakang, kube/it-
kattgaii.
—, ia het geheugen behouden,
ingat uUaloe,—, ifcwuun blijven, biastt
—, ook Irkal b.v. maka duri pai/a masa
i/i"- l.inthi/i iji-larau Hoe sampai saka-
rang int,
en van dien tijd at\' bleef die
titel uiij bij tut nu toe; die kwaal is
mij bijgebleven, pttijakit Hoe k\'ekal
padakoe.
bijblijvend, bestendig, kékal.
bijbrengen, uit eene bezwijming, me-
njedarkan
(van sedtir). —, aanbrengen,
membawa. —, helpen, m\'eiioeloeng (van
ioeloeng)\', dat kan niet veel —, liada
berapa goenanjit itoe.
bijdehand, vlug, met de hand, 1jaka~
tan,
— , slim, ge\\at, fjirëdijr.
bijdehandnen, kirt; het —e paard,
koeda kirt.
bijdoen, toevoegen, ménambahhin, mr-
intiiihahi
(van iambah); het eeste slaat
op dat, wat er bijgedaan wordt, het
tweede op dat, waar men iets bijdoet.
bijdraaien, van uen schip, beloeïc, me~
tijo/igsoitg anijin ;
bijgedraaid liggen, van
een vaartuig gedurende een storm, me-
ttjelatiihaua
(van sWam en bitna).—, zijn
toon wat lager stemmen, m\'èmaniskan
kafanja.
—, den vrede zoeken, nienjo-
rong damai, héndak btlrdauiai.
bijdrnge, gift, gave, p\'efoberian. — in
geld, inschrijving voor een gciuecn-
schappelijke onderneming, fagun; ge-
dwongeo — tot eene onderneming van
don Vorst, tiantji.
bijdragen, hi-lpen, ntenoeloeng (van toe-
loeiig).
— , bijstann, m\'emhantoe.—, ver-
meerderen, menambahi, iets toevoeren,
nicit<nnbahka?i (\\an tambah).—, vcroor-
zuken, t/ti\'ujrbabkatt inendjae/i sebab.
bijeen, te zamen, berxama-sama; bijeen,
hij elkander, ook bethinipOH, b.v. dji-
katnu sariboe sakalipxm kakinja berhim-
pon.
Dicht —, rapat. Zie verder de
samenstellingen.
byeenbinden, mengikat b\'er*ama-tama ;
tot bundels of bossehen —, mengikat
beb\'erkas-berka*; tot een tros of rist,
mëraitgkai; bijeenbinding in dien zin,
peraugkajatt,
btjeenbeliooren, ptitoet bersamasaina;
dit wordt ook dikwijls in beeldspraak
teruggegeven, b.v. sap\'erti ajar toetje
dengau sakar, als melk met suiker;
Mttpèrti tjiutjiu dengau pêrmafa, als een
ring niet deazelfs edelsteen ;sapèrttsoem-
boet diiigan toetoepnja, als een mandje
met dcszelfs deksel, enz.
b\\jft\'tiblijven, tinggul bersania-sania.
bijeenbrengen, miMffOempoctJtmM (van
kvempO\'l), menghiwpntikau, meiigainpoiig-
kan (van kampotig); door bijeenroeping
of oproepine, menge/ahLtiii (van kerah);
weer — van atdeinzende troepen, in
den slag, memoetihkan ttgata rajat.
bijeen doen, mengen, mentjampoi\'rkan
bersama-satna.
bijeendragot\', membaica bersama-sama ;
op één e plaats —, membaica knpada
tfnipitl snfoe.
. bijeendrijven, van vee, m\'enggiring bër-
saiiia-sama.
1 bijeengroeien, (oembneh bersama-sama.
Niet te verwarren met: toteen groeien,
toembot\'h djadi salon.
bijeeiilmlen, zie bijeenbrengen,
bijeenliangen, bedr. Ww, menygan-
(oengknn brrmma-smntt; onz. Ww, ter-
gantoeng bersama-sama.
bijeenhouden, met de handen, meme-
yany bersama-sama (vun peymiy).
h{jeenjagen, zie hüeendr\\jven
bijeenkomen, vergaderen, berlcoe.mpoel,
berhimpon, berkampony. Zie ook over-
eenliomen.
bijeenkomst, pekoempoelan, për/iimpo-
mui. —, vergadering, ook sidatig, rapat,
madjlis. Ar.
bijeenleggen, menaroh bersama-sama
(van laroh).
\\
bü een leiden, menghtiittar bertauia-sama.
bijeenliggen, van inenschen in slapende
Inmil in_\', bei baring bersama-smna; onver-
schïllig op den grond — vnn menschen
zoowel als icaken, terhtmtar b\'ersainar
sama. Van voorwerpen, die ncergcleird
zijn, i\'erletak bersawa-sania.
b\\jeenrapen, tnewoeiigoel bèrsama-sama
(van poengoel).
, bijeenroepen, van onderhoorigen, me-
iig\'erahka».
b\\jeeiietaan, berdiri bêrsama-sania.
-ocr page 120-
108
byeenstroomen — bijna.
bljbomen, inhalen, soesoel. —, over-
eenkomen in gedaante, hampir saroepa,
hampir sama roepa, sa-akan-akan.

uit ecne bezwijming, sï-dar; weder —,
sëdar porla. — uit eeno bedwelming
of llauwte of krankzinnigheid, siofman ,■
weder —, sioi\'/nau poela. — uit ecne
bewusteloosheid, bï\'rswmangat. —, tot
zicbzelven komen uit den toestand van
bezetenheid of inspiratie, baloca,
bijl, ka/Mik, op Java kampak. — om te
onthoofden, dus ook — van een guillo-
tine, kapafr pinPndat.
bijlage, aanhecbtsel van een contract of
testament, sématati. , geschreven stuk
ter opheldering, soi-rat katvrangan,- tot
aanvulling, perhocbuengan soerat.
\' bijleggen, bijdoen, mfwiambalikaa (van
tambah); er geld—, op verliezen roriji.
—  van een geschil, ménjPlesaikan tji-
dtra
(van selesai). — van een vaar-
tuig gedurende een storm, menjelam-
bami
(van selam, duiken en banu, bran-
dinir), ook mïuijêmpoel.
l>Üli<-hten, met een in olie gedoopt
pitje, eene toorts of iets dergelijks,
utenjoi\'lorfi (van sofloeh), mtnljoluk. (Jok
van de maan, b.v. hel wnit alsof hnar
glans den Vorst onder het zeilen bij-
lichtte, fjahajanja saptrti menjoeloeA
radja bX-rlajar Hoe.
bijliggen, en b\\j 1 iggend, zie bü-
gaand.
bijligging, zie b\\j«laap.
byime», kapmes, parang.
bü mengen, whtfjampoerkan; verraen-
gen met, ment jam pufri. — bij spijzen
om de hoeveelheid te vermeerderen,
nïerandau, b.v. biarlah haniba randan-
kan Mhoeloe sajui\'r\'inajuer,
laat ui ij
eerst de groenten er hijuiengen.
bijmengsel, tjatnpoeran. — bij spijzen
om du hoeveelheid te vermeerderen,
pera?idan. — om een chemisch proces
teweeg te brengen, b.v. in het kokende
suikerriet\' of palmsap om het krïslal-
liseercn of de zuivering of kleuring te
bevorderen, in andere zaken om gisting
te bevorderen of tegen te gaan ün/..larv.
bijna, hampir. — dag, hampir akan
siang.
— dood, hamp\'tr akan mati. —,
bijkans, bij het kantje af, njaris, ham-
pir-hampir.
—, even voor, ter aandui-
ding vnn den Ijjil. wtKuiiJMëMH lallplljjfc l
verschijnen voor, b.v. toen de maand
—  ten einde was, apabila boelan min-
bijeenatroomeni van MM menigte,
bërkerot\'tnorn.
1>U een tellen, tne.tigoenipoi-lkan (vim
toetmpoet), mKndjctmfüAtan.
bijeentrelilien, onz. Ww. van krijgs-
volk, bër&oempofl; bedr. Ww, wHmgoêwt*
poel kan.
bijeenvoegen, zie bijeendoen ï dicht
—, mérapatkan,
b\\jeenzetten, mënaroh bPrsama-sama,
b\\jeenz\\jn, "\'fa birsuma-sama, bérhiia-
pon, fërêoempaet.
b\\jeenzitten, dqtdoe} bertama-tama.
bijenangel, sfngat Itbah.
bijeiijager, iem.,die in de bosschcn naar
bijennesten gaat zoeken, mmm lïbah.
b\\jennewt, sarong lebah, si u lang; een
bevolkt —, sialang jang tïlah bfrboc-
wtih;
een nog niet bevolkt —, sialang
buedjany.
bijen waf*, Min, lilin lïbah.
bijgaand, bijgevoegd, dipï-sïrtakan.
büaebouwen, rormah kamporng.
bijgelegen, aangrenzend, bïrhitinpiran.
bérdampiiig
Heide gevolgd door het
\\ OOR. dingaa.
bijgenaaamd, bïrgïlar.
bijgeval, wellicht, barnat/kali, moedah\'
laorilahan;
nl» vraag: zal het zoo het
ge\\al zijn, a/ji-a/jt.
bijgevolg, "Mi iïbab iine.
bÜJJPueien, weder aangroeien, van plan-
ten, (oembur/i pufla
bijhalen, aanhalen, vermelden, menjï-
bovl
(van sïburf); een of ander drijvend
rootwwp —, tot zich halen, door met
een rieui ol\' pngaui naai zieh too te
scheppen, nnntjabir (van kabir).
bvjliooren, bijbehooren, tot een aantal,
masuk bilangan. Ook daripada, b.v. gij
behoort ook tot die lieden, tngkait pon
daripada nrang iton.
bijhouden, in het loopen, rijden enz.
kan alleen negatief worden teruggegeven
met tiada kaiimjgalan, niet aebterge-
bleven; bij den wind houden met een
vaai tuig, mémbelofkkan pvrahoe. —,
bijlichten, nïïtajwloeh (van soHueh),
bijkan*, bijna, bij hel kantje nf, ttjarix,
njariskau,
eetlQ iniucnt rekking vnn het
eerste met het Vuorz. akan ; ook: haiu-
pir-hampir, koerang sidikit.
bü\'cuW, ornug pvnanak, letterlijk de rijst-
koker, d. i. de persoon diu voor het
koken van de rijst zorgt, terwijl de kok
de bijspijzen gereedmaakt.
-ocr page 121-
bijnaam — büvvoncr.                                          100
djefang akan ftalis. — de eerste der
maand, mhidjclany sahari boelatt; bijna
dag, itie/uijélaiiy siuny hart.
Iiljnuain, in goede beteekenis, gtlar.
—, li>\'l kozingsnaam, iiama timatty-fi-
ntanyan.
—, spotnaain, ttaintl siudiran.
bijnemen, utïntjantliil luyi,
büooamerli, verborgen oogmerk, iiijat
jti/iy lërstmboeni.
l>ÜP"d* djnlan simptingan.
b|jpauwen, bet ontbrekende geld, «/?-
aambahkan owang jang koerany,
byrivier, batattg sornyai,
büsehiliken, dichter bij elkander bren-
gen, tithiyhainpirkan, mtrapittkau, tiiPit\'
dëkatkan.
byKrbuiven, toeschuiven, tnhtjorony-
kan,
b.v. iemand die slaperig ia een
kussen —, orany utvnyanliwk disott-
roi-nykan bantal,
Spiw du belelkom—,
menjorougkatt pui-wan. —, schuivend
nader komen, dittang bt-rgfsrr.
1>U**1""1>* bedgenout. sakatidoeran; den
— uitoefenen, bt-rsaforboeh.
by*prin«en, ^ie byntniin.
hii-taiiii, helpen, mtnueluciiy, inhnban-
foe, utvitjlrtai
(van s*r(a).— van zeilen,
tvrpasany; elkander —, berloelucitg-
toetomyatt, bh bantw-bantoea» ;
elkander
wederkeerig —, toeloimy-utinüftueny,
büittof-niÜmbaHtot?.
bÜMinml. hulp, toeloenyan, pérloeloe-
i/yttn, /,• titbanfoiratt,
1 iyst ander, orany phnbantoe; bij- en
tegenstander, kawan dun lairan.
bijster, verdwaald, tttsat; bet spoor—,
zijn, staat djalaititja. —, verbijsterd,
binyoeny. —, zeer, terlaloe, tcrlampati,
sauyat, amat;
b.v. hij is — duin, tja
tërtatoe (th\'lampau, sauyat
ot\' amat)
bod oh.
bytaehtic tofka mhtgyigit.
byten, van ïueiischeu en dieren, uitge-
nomen vogels, slangen en sommige vis*
schen, mhtygiyif. — op den wijsvinger,
vnn iemand, dio in gespannen verwneh-
ting ot\' verlegenheid vei keert, mïttyyiyil
iïéioaidjoefc.
— op de lippen, i/téttyèfap
bibir
(vnn iftap).—, van paarden, men-
tjaioes,
Men. — vun vogel», slangen
en sommige visschen, mhnayoH (van
payoet); van vogels en slangen ook
mématorfc (van paloek). —, aanbijten,
van viscb, makan ka\'il.
bytend, scherp voor het gevoel, b.v.
eene wond, iets in het oog, ook voor
hoofd en hart, pedih, ptrih. —, scherp
zuur van smaak, sering. —, heet op
de tong, pedas. Zie bij heet en prik-
lielend. —, invretend op iets, uut kan.
bytyd», vroeg, stany-siany; b.v. —
komen, datang siatta\'siany, - , vroeg
in den morgen, pagi-payi. — opstaan,
banyofu payi-pagi. —, ten behooilijken
tijde, pada wafctoe jany pat tiet.
byvoejren» iets —, mhiambahkan; aan
iets —, meitatnbahi (van tambah). —,
door bijvoeging vermeerderen, mênokofc
(van tokok), b.v. hij voegde er nog zes
dollars bij. d\'/okoknja Ittgi hiam riny-
yit.
Het schijnt inzonderheid van geid
gebruikt te worden
voea,\\ni£*pv>\'*itibahan; vermeerdering
door —, pëntikok; hij voegde er niet
meer bij, tiada pïnokokitja fagi, letterl.
niet meer was zijne bijvoeging.
büvoej2«el, iambaban. Van een geschrift,
hoeboettyan, pïrhoebocnyait soi-rat. Zie
ook aiiiilimiijMfl.
bywesr* fijulan simpangan
bü wezen; in het —, diha/lapan, diha-
tllirat,
Ar.
büwüt", wettig —, ten opziehte vanden
man, gofudik; ten opzichte van de
vrouw, madoe. Allerlei bijwijven, yont-
dik-f/itndik.
—, lager dan de yoeudik
is tjandil? en beneden deze d/amah-
djamahait.
—, onwettig, h\'ndak; tot
—   maken, uiempïrgoi\'ndikkan.
bywylen, somwijlen, nu <\'ti dan, adang-
adauy, kadang-kadany, tïrkadantj-ka-
dang.
bijwonen, bij een ander wonen, me~
noempany
(van toempany). Ook — in
een dorp ot\' buurt, van een vreemdc-
ling. — met een ander in hetzelfde
huis, docdoek\' saroemah. — als vreem-
deling in eene plaats ot\' bij iemand
een vast verblijf hebbeu, bh sritnka, Skr.
—, tegenwoordig zijn, ada hadiir; ook
alleen ada of adatu/t. Ook loeroet of
masofk, b.v. eene optocht —, toeroet
brrarajr;
een gevecht —, er deel aan
nemen, masofk j/ürtmy, toito/\'t bhyerattg.
—  als getuige, djadi saksi.
bijwoner, die bij iemand inwoont, orany
nitnoempany, orany sadofdoi-ir, oraug
saroemah.
—, die van elders overge-
kumen het burgerrecht verkregen heeft,
santeri; meestul gebruikt in vereeniging
met dayauy, b.v. tlayauy j((?//?n\', vreem-
deÜDgen en bijwoners. —, getuige, saksi.
-ocr page 122-
110
heetten — l>tnden.
bijzetten» van de zeilen, iaëmasang lajar }
(van jtasang), mëmbabar lajar, menatn- i
haagkan lajari bijgezet van do zeilen,
tërtambang; alle bijgezet van do zeilen,
tapat,— vnn een lijk, zie begraven.
bijziend, rahaen, aiata ha jam, boeta
hujam;
dour dufheid of zwakte der
oogen, kaboer.
bijzijn, zie bewezen.
bijzit, zie liüwül\'. In Hiknjnts, wanr- I
va» de geschiedenis op Java speelt, \'
komt dikwerf sttir, Jav. voor.
b\\jzon< li r. buitengewoon, iërlaloe, amat,
saagat.
Soms wordt het negatief uitge-
dnikt met boekan barang, boekan këpa- .
la/if/,
niet nlicdnagsch, soms ouk itiet
angkara, brulaal, zoonis tegenwoordig
in onze taal kolossaal wordt gebeziird, i
b.v. end ah angkara, brutaal mooi; tang- \'■
kas angkara,
brulaal vlug. van een
vaartuig. —, ieder afzonderlijk, masing-
masing, sindin-sëndiri.
—, elk afzon-
derlijk, van zaken, tiap-tiap. —, curieus, ■
pëlik, b.v. wat voor bijzonders is or \'
alzoo in bet bovenland, dat wij moeten
zien? apa-apa pëlik-péHk\' dihnetoe, jaag
pafoet kita Uitat.\'\'
—, van belang, uit-
oemend, zeer gucd, beaa, bahena, b.v.
wat bijzonders is dat voor mij? apa
bahenanja k-ipadakoe."
Zich bij de inen-
schen als iets bijzonders voordoen, mem- :
bakenakaM dirinja kapada orang. H ij
bemint mijn kind niet —, tiada ba/tena ■
katih-birahinja akan anakkoe;
ada ,
ta\'orang orang salah, hfrdasa pada ba-
:
ginda, salahnja Hoe tiada bïtapn hena,
er was iemand die jegens den Vorst
mUdaan had; zijne font was niet bij-
tondet groot, ot\' van belang; Itdzatnja
tiada bërapa ba/tetia,
de Unngenauie
smaak er vnn was niet zoo heel bij-
zonder. —, speciaal, istiuieira, Skr. !
choesoes, Ar.; een —e blief, soerat ,
istimei\'u •
in het — doen uitkomen,
laëngisdmetenkan; in het — toepassen,
rnïnyeboefMfkutt; in het — sproken,
onder vier oogen, heimelijk, bërkata-
kafa ditëtapat soenji;
het bevalt mij
—, toeka sakali akw. —, uitnemend,
fraai, kostbaar, evdah-endah, —, vóór
alle dingen, in de eerste plaats, hoebaja-
hoebaja,
b.v — moet ge daarop letten,
Iweliaja-hoelmja liëndaklah ëugkau ingal
itoe, -
, verwonderlijk, <\\djt/b, Ar ~ ,
vreemd, grarih. Ar.
bijzonderheid; nl de bijzonderheden \'
van eene zaak, gebeurtenis, een verhaal
enz. sëgafa përi hal-ahoewal. —, vreemde
zaak, përkara jang grarih.
bil, de billen, hot achterste, pantat.
biljartbal, btda. Port.
biljarten, main hola.
biljart Immer, kamar bola, roemah bola.
biljartspel, permaïnaa bola; een soort
vnn inlnndsch spel, dat daarop gelijkt,
maar op don grond geBpoold wordt,
ntaïn pitji.
biljart tafel, medja bola.
biljet, soerat ketjil.
billijk, betamelijk, patoel; passend, laïk.
Ar. —, reebtvnardig, ttdil; een — rech-
ter, ftakint jang iJdil; een billijke prijs,
har ga jang pafoet.
        handelen, berla-
koe dengan pafoet; billijker wijze, met
recht, met reden, karena hak djoega.
billijken, inwilligen vnn een wenscb of
verzoek, taëfoeloeskan; b.v. zijn vcrlnn-
gen werd gebillijkt, diloeloeskan kahëa-
dak"ja.
billijkheid, insaf, Ar.de— betrachten,
meaibueint/ \'titsaf.
bilnaad (de) tali ajar.
bindtmlk, ambang.
bindhies; een soort van —, brlambaug.
binden, met een bnnd of touw of wat
daarvoor gebruikt wordt, mëngikat.
met ketenen, wiirantaikan. — van iets
aan iets anders, zooals eene schuit aan
eon paal, een paard aan een boom en/.
mfvambaf (vnn tambaf); niet bepnald
obj. mënambatkan. Ook tig. van het
hart. Ook merangkai. — aan bossm,
mëngikat bëberkas-bërkas,membérkaska,i.
—   vnn eon boek, mëndjilidkan kitdo,
—   met een knoop, die niet los kan,
zoo — dat het niet weer los knn, mï-
ngikat maft. -
vnn de armen op den
rug en de ellebogen tegen elkander,
mengikat si koe. — van iemands handen
over elkander op den niü, zoo boeien,
mënjPngkëtiag (van sëngkëling). — met
oen windsel, mëmbëhat. — op het hart,
mëmakoekan kadalam halt (vnn pakoe,
spijker), op bet hart gebonden, fërpako-\'
kadalam hatt.
—, tot schoven gebon-
den. hërgëmal-gëmal; op gelijke af»tnn-
den samengebonden, zoudnt er geledin-
gen ontstaan even uls bij het suikerriet,
bërtëboe-iX-bue. —, toebinden met een
koord, van een kleed of zak, mëiaoea-
djoet
(van pjendjoef); zoo gebonden,
ferpoendjoet. — van lntten en dergelijke
-ocr page 123-
binder — binnenste.
111
naast elkander, zoodat zij een vlak
vormen, Htindjalin ; niet meer door of
aan iets gebonden zijn, ITpas. —, zie
ook samenbinden en verbinden.
binder, zie boekbinder.
bindmiddel, peayikat.
biudr\\js, livi-\'* men niet, doch wel
daarvoor in do plaat» rotan, wortels
en slingerplanten, akar-akar.
bind rotting, pendjatin, rotan jtcndjalia.
bindsel, ikatan,
bindtouw, tali pengikat.
binnen, binnenste gedeelte, dalam. —,
Voorz. dalam, didalam, b.v. - de stad,
didalam ne.yari. — een jaar, dalam
sa/a/t oen.
— Bijw. dalam; naar —,
kadalam; van —, dari dalam; nuar —
gaan, masork, masoek kadalam; van —
komen, kaloewar, kaloewar dari dalam.
—  en buiten, diloewar dan didalam;
van — en van buiten, aan de binnen-
en buitenkaut, loewar-dalam, b.v. dat
is van — en van buiten slecht, djahat
loeicar\'dalannija;
de kindcniieid werd
—  geroepen, baboe dipanyyil ma-wek;
het schip is —, kapal toedah dipela-
boehaa,
of dikoeicala, ot\' dimoe.ivara;
zich iets te — brengen, inyat, se dar;
ecu geliefd voorwerp dat men uiist, ffr- ■
kéaanykan, tïrktnaJiy aka-n;ie
— schie- ,
ten, teritiyat, zie bij schieten; te — j
brengen, ieiii. iets in de gedachten j
brengen, nvênyinyatkun; bij is —, heeft I
zijne schaapjes op het droge, soedah i
tjoekoep hartanja.
binnenbrengen, vümbaica masork.
binnendeur, pintoe dalam, piutoe pada \\
sabvlak dalam.
binnendringen, tusscheninkomen, b.v.
binnen gesloten gelederen enz., mënje- |
boek tvnn sï\'boek). —, eene onbekende
of ongebaande plaats blindelings --, |
mëresap, b.v. merësap dihoetaa. — van
de zonnestralen in een vertrek of door
het gebladerte, bias. — in het krou-
pelhuut, mëiempoeh, b.v toen 1 lamzak
lari mïrï-mpof/i pada svmak-seaiak tiada.
niP.manda.ny kabëtakany layi, heer H.
vluchtte en drong liet kreupel bout bin-
ui\'it. zonder meer om te kijken; met
geweld —, masoek dtvijan kakërasaii,
m. d. yayahnja
binnengaan, masoek; tot iets —, m&
masoeki; doen —, mtmasoekkan.
binnenhalen, mt\'uibatva masoek.
binnenbotk, van het oog,pangk al maia.
binnenhof, pétataran,pëdalaman, poert,
Skr.
binnenkamer, bilik bvrsakat, bilik
dalam
,
binnenkant, dalam, salsilah dalam;
binnen- en buitenkant, loewar-dalam.
binnenkomen, masoek.
binnenkoorts | een gevoel van — heb-
ben, rensa.
binnenkrijgen, van eon vaartuig water
—, kaajaran, b.v. maka kanaïkan Hoe-
pon kaajaran,
het vorstelijke vaartuig
kreeg water binnen; telkens water bin-
nen krijgen door de groote golven,
përahoe masok maaok ajar. — met eten,
itrmakan; b.V. fXrmakaa ratjoen, vergif
met eten binnengekregen hebben. —
i: et drinken, ttrminoem.
binnen kruipen, m vraag kak masoek,
binnenland, darat; het — ingaan, mv.a-
darat. —, bovenland, hoetoe, oed/\'k.
binnenlander, bovenlander, orang
hoeloe.
binnenlandden, bovonlandsch, hoeloe.
—  van een oorlog, p\'êrang orang nêgari
sa/na svndirivja.
binnenloods, mulim darat.
binnenloodsen, mvmbawa masoek.
bii nenlooi>en, onaangediend ergens
—, mPndjïloeatoeng.
binnenmuur, payar te/nbok sabelah
dalam.
binnenplaats, pelatara»,
binnenrukken; van troepen cene stad
—, tampU masoek kadalam nvnari.
binnenshuis, didalam ruema/i.
binnenskamers, didalam bilik.
binnenslands, didalam negari.
binnensluiper, zie insluiper.
binnensmonds, didalam moeloet.
spreken, mvremeh, merenjeh.
binnenstüds, sabPJom layi datany wal"
toe»ja.
binnenstad, poeri, Skr. tïnyah kola,
t. nvyari,
binnenste, dalaia. —, gemoed, \'t in-
wendige, ba.fiv, Ar. hati.
        van som-
migo zaken, hati. —, van alle korst
ontdaan gedeelte van een graankorrel,
soedji, hati. —. zachte stnm van plan-
ten, rias. — van eeno vorstelijke
woning, ook van eeno stad in tegen-
stelling met do voorsteden, poert, Skr.
—   van staal- of cilindeivormige din-
gen, die van eene omklceding van eune
andere substantie voorzien zijn, poros.
-ocr page 124-
112
blnnenstulven blad.
blaasje of bcursje, waarin zich demne-
kus ot\' de gal bevindt enz. —, de blazen
van een viscb,paroe-paroe. -, waterbel,
gëte.uiboeiig; blaasje, (jP-tPniboenqan. —,
zooals b.v. door een heet ijzer, lepoh:
zulk een — vormen, mPlPpoh. —,blaasje,
velletje, koe Ut art,
blaasbalg, wordt niet gebezigd; voor
sniidswerk gebruikt men e. s. v. wind-
ponip, pP/tgP/fiboi\'S. pPnghP mhopxau, poe-
poe/an, oebveban,
Jav.; in d«; keuken
daarentegen e. s. v waaier van gevloch-
ten bamboe, kipas, waarmede men het
vuur aanwaait, mPiigipasi, of wel een
stuk bamboe nis blaavpijp, zie ald.
blaaNhoren, horenschulp, tritonshoren,
sangka, Skr.
blaaKinntriimenten, boenji-hoenjian
jamg ditioi\'p.
blaaskaak, verwaande windbuil, orang
somhong, pPnjombong, orang bongkak,
orang poengah,
blaanpültje, dat men uit een blnasioer
schiet, dan/ak; vergiftigd —, damnk
bPripneh.
lilan-pi.jp. waarmede men het vunraan-
blaast, fPropong. —, een stuk hamboe
om vuur aan te blazen, bij wijze van
—, saloeng; meestal gebruikt men in
de keuken e. b. v. waaier, kipas, van
gevlochten bamboe, om het vuur aan
te waaien.
blaat*roer, waaruit men blaaspijltjes
schiet, sormpitan; met zulk een —
sehicten, luPnjoempit.
bind, van planten, daoen; van hoornen,
daoi\'n po/ton, daoen kajoe. —, van pal-
men, pppah, pï\'lï\'pah; nagemaakt —,
daoenan. —, bladeren, daoen-daoen.—,
gcblndeite. daoen-daoenan. —, bladeren,
die ann den stam en niet aan de loten
groeien, krrakap, b.v. sirih kPrakap,
oud er-bét elb la den. —, eene soort vun
lange roode bladen, waarop men be-
zweringsformules schrijft en die men
buiten de deur hangt om onheil af te
weren, daoen djoeicang-djoi\'wang; bui-
tcn —, schutblad, dekblad van bloemen
kelopak; van de banannbloem, kë/opak-
djautoeng.
—, de droge bladen van de
banaan, karisik, kïiroesaeng. —, afgc-
vallen bladeren, die op het water drij-
\\en, fcekal; het wandelende — , e. a. v.
insect, dat veel op een blad gelijkt,
bilalang daoen, daoen goerita. — ; zich
als bladeren in menigte voordoen,
binnenstuiven, van den rogen, Urn-
pias.
binnentreden, ntasoefr.
binnenvallen, onverwachts binnenko-
llien, fiba-tiba masoek.
biiini\'iiwiiuris, katabelah dalam, arah
kadalatn.— hellend, fjiittdong kadalam.
— loopend, — ingedrukt, van lange
voorwerpen, b.v. een been, gi.nlai.
binnenweg, djalan situpangan.
binnenwerk, pPkZrdjaan dalam. — van
een regen- of zonnescherm, strangkak
pajoeag.
binnenzetten, datang bPrlajar mtisoek.
binnenzvjd ■, sabPlah dalam.
bi*, takali latji,
blaam, een sterk en aangenaam riekend
Baj), dal bij vele dieren in Iiidië in eene
beun aan de aarsstreck voorkomt en !
gemeenlijk muskus wordt geheelen, kas-
toeri, djZbut, Ar.
bisamrat,
tikoi\'S kastoeri.
biaamkat, moesang, waarvan viersoor-
ten als: mot-savg bPJm-l, m. ak/ir, ui.
fénggatoeng en m, poelat,
bisn.uth, nuts oeroeng.
bit van een paard, kaag, kpkang, ÏPgam,
Mal.
bit**,
taf/jam, bïngis.
bitter, van smaak en fig. pahit; onnan-
genunili, walgelijk —, pahit tnaoirng,
—, wrang, sPpat, Hat. — berouw, sPsal
jong btrkaboet\'kaboet —.bitterlijk van
weenen, l\'PrsPdih-iPdih. —, de drank,
sopi pahif, mtnoeman pahit. — verdriet,
doeka-tjiia jttug savgal.
bitterheid, kapahitan. Ook fig. b.v.—
van gemoed, kapahitan hati. kahavgit-
tan hati.
bitterlijk* zie bij bitter,
bitterkoekje, o]) Java,kotwêk tnakeron.
bittertje, sopi pahit. Ook alleen pahit.
bivonak, lijdelijke verblijfplaats, hafjan,
blaadje, klein plunlenlilad, daom kPfjil;
presenteer—, ptthar kPfjif, lalam k.,
doelamg Ie, baki. verb. Ned.
blaam, suict, tjZla. —, luster, oempaf,
jUnah, A r.; lot\' en —, poedji dan fjP./a ;
iemand eene — aanwrijven, mengoem-
pat, mvnjitnahkan; wij van —, soetji
daripada katjPlaihi.
blaar, kleine — of puist, zooals b.v.
ontstaan door een uinggeboet, bintil.
—, geschroeid door een heet ijzer, IPpuh.
blaas, pisblnas, pPkPntjingan. —; dier-
Hjke, poendi-poendi, b.v. zooals het
-ocr page 125-
LIS
bladerloos — blazen.
blakeren, door de hitte van vuur of de
zon, mereieh; geblakerd, rr.feh. —, bran-
den, •nenghangoeskan,
blank, wit, poetih; een blanke, orang
poeti/i;
een blanke huid, knelil poetih .-
geen gewoon, maar ziekelijk —, poetih
metriek;
frisch —, poetih Oiétah. —,
zuiver, onschuldig, soelji, Skr.; een
blanke sabel, die uit de schcede is.
pedang jang terhne/toes, pedaag jaag
terljaboef.
— staan, geheel overstroomd
zijn. di/\'poe/i al/h ajar. —, rein van
gemoed, poetih kali ,■ een — gemoed, htUi
poetih.
—, blinkend, bèrk\'/ap, - schuren,
poetsen, a/enggosok tumpai herkilap
blankel -cl; wit —, voor het \'.relaat,
bestaande uit rijstezetmeel, vermengd
met iets welriekends, luilak; een soort
van geel —, waarmede het bovenlijf
van bruid en bruidegom wordt gekleurd,
boreh. Ken rood — voor hunne narcis,
hinai. — voor de oogleden, sipat mala,
tjëlak,
blanketweldoo», tjormboel b\'edak.
blanketten, tmhmihluk-, zich —, berèè-
dak, uiemakai htdak;
de wangen rood
—, iiieinei\'ahkun p/pi.
blaren, zie blaten.
blaten, ///et/grmbek.
blauw, bïroe; blnuwc oogen, mala koe-
Ij ing :
bont en —, biroe lebam.- blauwe
plek door kneuzing, lebam; het liehuam
voor —e plekken vrijwaren, m\'èmeliha*
rakan toeboeh daripada lebam ;
hemels—,
biroedaoel; licht —, biroe moeda ; don-
ker —, biroe foemi; indigo —, ihtam.
I ilnuw ju-hl i;_r, kabiroednroeav.
blauwen, bedt1. \\V«r. me/ab\'/roekan ; onz.
Wv., djadi biroe.
blauwkuip, hu/pal tjvloepaa ka/n.
blauwnel; hiervoor wordt in lndié het
indigo, tit\'la. gebezigd. Stijfsel met —,
kai/d/i bertja/npoer nila,
blauwverven, zie bij verven.
blauwverver, toekaag tjeloep ka\'/a,
ptnfjfloep kaïn.
blazen, nita/joep ivan l/joe/A. Ook van
den wind. — van den wind, met den
mond, van blaat-werktuigen, inemoepoet
(van poepoet), —, met mond of hek
proestend blazen, a/enghea/boes. — van
katten of tijgers, /ahidHoes. — of bellen
vormen, uihiggvltMbnenij-gvhmboentian ,-
met kracht wee — , memjhtmhoeskan; de
bazuin —, men/joep nafiri. — in het
oor, fluisteren, brrlns\'ik-bisik.
mïndaoeu kajoe: de hoedinigheid van
bladeren vertoonen, /aVadaoen. —, de |
plaats tiisschen blad en stoel, bij som- ,
inige bladen, pmggamg daoen. —, vel |
van papier, helai. —, vel, van druk of
schrijfwerk, 16 pag.. koerat,- tijn —
van metaal, pera/ta,- b.v. bladgoud,
emai pera da, per ada lerbaag. — van eene
tafel, daoen medja, papan medja.
vim een roeiriem, mala dajoeng; zoo
het er op vast gespijkerd \\s,gehe,»g; een
gekleurd en met goud versierd blad in
een boek, bidang. — van eene zaag, .//a/a
gérgattj\'t.
—, zie ook «chenkblad,
theeblad, presenteerblad.
tilnderlooft, i>ada berdaoet/. — worden,
zich als hladerloozc takken voordoen,
vierangi/aH.
blnderrük, eend/a/g; zeer —, rambak~
i-f,i dan;/.
bladgoud en hln&zWver,psrada (er6a/fg,
pèrada telepoek.
bliulkoper, per ada tembaga, tembaga
telepoek. — voor het koperen van vaar-
tuigon, i\'embaga lapisan.
Mndluiff. plnntenluis. toeugau.
bladnerf, oerat daoen; ook toelaag
daoen,
zie hij nerf.
blad**teel, tangkai daoen.
Mml^til, kamatiaa angia.
hladtin. timah perada.
bladwijzer, inhoudsopgave van een
boek, da/tar in\' kitdb.
bladzijde, moeka #o.raf,- ook alleen
moeka ; tjatar, Ar.; beschreven —, brief,
iahifat, Ar.; dr vijfentwintigste —,
moeka soeraf jang kadoewa-poeloeh Ha/a.
bladzilver, perada ferbang, perak pè-
rada.
blaften, van een hond, menjalalr (van
salak). Ook trans, gebr, in de betcekenis
van — tegen iets, b.v. disalakuja /toe
imuth tinggi,
dal hij tegen een hoogen
grond hlnlle: huilend —, zooals vcch-
tende honden, 1jeagkon/j\'ljenke//g, tjeag-
kovg-mengkeug
; Maffende honden bijten
niet, karimaoe mengaoem fidak nienang-
kap,
Bprw.; tegen de maan —, het
onmogelijke willen doen, hendak nien-
tjapai boelau.
blaken, zengen boven vuur, kaars of
lamp, melajoer. Ook van een zegel of
stempel om dien zwnrt te ninknn. ■—
van toorn, benijala-tijala amara/i; in
blakenden welstand, dalam hal tehhal
jang sampoerna.
-ocr page 126-
114
bleek — blik.
bleek, flets, zoowol van andere zaken
als van het gelaat, poetjat. Doods—,
poetjaf- lesi, poedar; ziekelijk —,lesek;
wit van bleekheid, Meekar dan bleek,
van gelaatskleur, poetjat manai. —,
licht van kleuren, moed*. — rood me-
rah moeda.
—, grasveld, waarop men
L\'oed bleekt, lempat memoptihkaa kaïn.
blecken van linnengoed, mi-moetihkan
kaïn, menghoedjan-panaskaii kaïn, m\'enge-
lantang
(van k\'elanlang).
bleeker, toekaag minatoe, binara, dobi,
IIi;ul. pembasoh la"\',!.
blei-kgeel, poetib koeniag.
bleekgeld, bèlaadja pembusoh kaïn.
bleekgroen, hidjan moeda.
bleekheid; ziekelijke —,poeiik meleseh.
bleekrood, merah moeda.
bleekveld, zie bleek,
bleelczucht,
kapoefjat-poetjatan,— van
het lichaam door bloedarmoede, baxau.
blo»*, paard met een witte plek voorden
kop, ko\'-da petak, Hat. —, kale plek
Op het hoofd, gorndoel, boelak, soelah.
blesseeren, meloekakan; geblesseerd,
kèna loeka. Ook alleen loeka.
blü, blijde, verheugd, soeka, soeka-hati,
soeka-tjita.
— over iets zijn, birsoeka-
tjita akan;
ik bc» — u te zien, soeka-
hati s\'chaja berdjoempa d\'e.ngan toewan;
de Blijde Boodschap, bet Evangelie,
chabar saldmat.
blijde, steenwerper, een krijgstuig der
ouden, balista, agoenan peloetar baioe.
blijdschap, kasoekaan, soeka-tjita, ka-
g\'emaran.
blvJgeeMtig, bï-r soeka-tjita.
blü geestigheid, kasoekaan tjita.
blijheid, /ie blijdschap,
blijk,
laada, alamat, Ar,; een — ge-
ven, m\'embèri tanda, a/enjatakan; de
blijken zijn daar, fanda-aldmatttja ada ;
een — van wcderzijdsche vriendschap,
tavda beïsohbat-sohhatan; een — van
genegenheid, fjeudera mata.
blijkbaar, njata, lerang, ]ahir, Ar.
blijkbaarheid,
ktinjaiaiin, katerangan.
blijken, njata, ferang; gebleken, ujata,
terang, keiara,
Jav.; doen —, laten —,
mhijafakan. nok tnenampakkan fvan tam-
pair),
b.v. zijn inwendige vrees Het hij
niet —, géiitar didalam hafinja tiada
ditampakkanaja;
het is duidelijk ge-
bleken, suedak njata d\'éngan tèraugnja.
blijkens, zooals blijkt uit, maka ujata-
lah daripiufa.
blijnnaken, menjoekakan.
blijmoedig, dengan soeka-hati.
blijmoedigheid, kasoekaün hati,
bl\\jven, tinggal; te huis —, tinggal
diroemaft;
achterwege —, tinggal; ach-
terwege gebleven, terlinggal, katingga-
lan;
staan —,tinggal berdiri; toevallig,
t\'uiggal t\'erdiri. Ophouden, berhenti; toe-
vallig, terhenti; steken —, tersangkoei .
goed —, niet hcderven, tinggal bdil: ,■
niet kwand worden, tiada djadi marah,
sabar,
Ar.; gezond —, tinggal dalam
hal sehhat
,- op de plaats dood —, mali
ditèmpal itoe djoega;
in zijn geheel—,
tinggal saloe; niet verdeeld worden,
tiada dibëhagi; daarbij blijft het, te-
laplah bagitoe, tentoelah bagitoe;
twee
van de zeven blijft vijf, toedjoeh di-
potong doeiea tinggal lima;
op het slag-
veld —, sneuvelen, mati dimedan pe-
pérangan; m. diboenoeh olih moesorh ;
dat schip is in de Chineesche zee ge-
blcven, kapal itoe karamlah dilaoet
Tjina;
waar zijn wij met het lezen
gebleven, sampai di eaggan mana kila
batjaf
bij iets —, volharden, birkan-
djang dalam,
b.v. bij zijn doel —,
berkandja.ity dalam mak.wi-d.ija.; van
iemands lijf —, niet aanraken, tiada
mendjamuh;
tijdelijk ergens —, ve: -
toeven, singgah; bij iemand, mènoem-
jta?ig;
voortdurend bij iemand of op
eeno plaats blijven, térhia}r, b.v. t\'érï-
nak1 kapada radja; taï\'nafc didalam
negari,
bij den Vorst —, in do stad — ;
stil —, zich stil houden, berdijam dirt..
borg — voor Bchulden, menanggoeng
(van tanggoeng) hoetang; mvngakoe hoe-
tang ;
laten —, achterlaten, méning-
galkan;
aan zich zelf overlaten, m\'em-
bijarkan,
blijvend, duurzaam, kékattletap. Altoos
—, k\'fkal (of trtap) salama-lamanja.
blik, vertind plaatijzer, ajan, besipoetib,
kaleng.
— voor kruit, kruithoorn, koepi,
Skr.; twee blikjes kruit, obat bedil doeica
koepi;
een blik gat, van het paard-
rijden, pan tal litjat.
blik, oogopslag, kedjap, krdjam, eigcnl.
beteekent dit het dichtknijpen van de
oogen. —, waarmede men iets aanziet.
pandang; één —, sakali pandang; een
zijdelingsche —, kh\'ling; zulk een —
werpen, mengerling; een scherpe —,
mata tadjam; een goedgunstige —, Mik;
met zulk een — aanzien, menilik.
-ocr page 127-
bloodader.                                        115
Berdjatan sapïrfi membabi-boeta. zij ken-
den de lieden in de stad niet en liepen
blindelings voort. — Bchieteo of wer-
pen miar iets, dut mee niet ziet, maar
wel hoort, mvrawak; met verscheiden-
heid, i/trratcajr-rantbang.
blindt\'ttniii; do —, « boeta.
Miiidi\'iminiK\'t.jt- spelen, maïn babi-
boefa,
ook berahoea-rahoea en berkoeljing
raboen,
vdT.
blindgfb on -in\', zie bij blind.
blindheid, hal boeta. —, domheid, ka-
liüiloha.i;
met — slaan, memboefakan.
blinken, kilap. girtap,- blinkende, b\'er-
kili\'p. goemirlap;
van vele voorwerpen,
goemirlaptm. Iets blinkend maken door
poetsen enz. mettgilapkan.—, schitteren
van juweelen. regen- of dauwdroppels,
sterren enz. berkilau-kilauan, ijemerlang.
—, duidelijk zieutbanr, s>-rlah, d. i. door
niets bedekt of verduisterd. —, zie ook
•-«•bit I eren ; zijn aangezicht blonk
van vreugde, moekanjagi/any-goemila/tg
tjahajavja sebab soeka-ljitanja.
bloed, dara/i; naar — dorsten, het/dak1
m\'e/ihat darah, hendak menoempahkan
darah;
good en —, harfa dan njawa;
van éénen bloede, sadayng-darah;
kwaad — zetten, m\'enaroh dendam,
m\'enaroh dengki;
een ander het gemoed
verbitteren, memp\'ersakiti hati. —, dat
oa do geboorte te voorschijn komt,
darah pengiring boedak. — uit een
versche wond, ajar-loeka. — schreien,
berdarah bidji mata, b.v. al schreit men
—, men kan er geen tien dubbeltjes
voor krijgen, bvrdaruh bidji mata, ta\'-
dapat sapoeloeh oeivang;
zijn — vreten
van kwaadheid, makan darah; in —
baden, mandi darah; geronnen —, da-
rak jang b\'ekoe;
een klont —, daraJi
sagoempal.
— vergieten, menoempahkan
darah.
— aftappen, aderlaten, sangg\'e-
rah,
1\'ort.; met — bemorst, b\'erloemoer
dengan darah ;
ook berloemoer darah ;
zich in het — wentelen, b\'ery\'eloemang
datum darah.
—, al\' komst, asal, Ar.
bangsa; van zuiver —, echte afkomst,
gahara, Skr.j een prins van den bloede,
poetera makota; van even zuiver —,
sama gahara; van edel —, bangsatcan.
—, zie ook raa; bederf in \'t—, zie
kwaadsappig;.
bloed, sukkel, zie bij bals.
bloedader, oerat darah ; slagader, oerat
nadi.
blikken —
blikken, Hijv. nw, kafeng, dari(oïdari- I
pat/a) kaleng. Zie blik.
blikken, de ooiren slaan op, mhnandang;
■njf!&>zun*\\ï<z
op iemand -—, menilik.
Klknnder toe —, blikjes toewerpen,
b-naain mata. —, met de oogen knip-
pen, mengedjamkau mata, mengedjapkaa
.iiitta
(van kedjam en kedjap).
bliksem, kilat, halilintar. Door den —
vetrollen, dimakan kilat, disambar kilat;
de — schoot heen en weder, kilat pon
saboeng-nuitjaboeng;
zoo snel als de —,
pantasnja sajHrfi kilat; inslaande —,ki-
tat nifudielah,halilintar membelah:\\V.
inag
door den— getroffen worden, (eene ge-
bruikelijke zelfvcrwensching), bijarakoe
disambar kilat,
Üp Jav. disambargefap.
blik i*e ma Beider, penaagkal kilat, pe-
nofroen kilat
bliksemen, birkilat. Het bliksemt, ada
kilat.
bliksemflits, haUlintar, panah peter,
mata peter.
bliksemschicht, bliksemstraal, hali-
lint ar, panah peter, mata prtet.
blikslager, toekang ka/eng.
Mikwerk, baraag-barang kaleng.
blind, van het gezicht beroofd, boefa. :
—   geboren, hoela dart uioela djadi, I
dtperanakkan hoela; aan een oog —,
boeta mata sabelah; aan beide oogen
—, hoela mata kadoeicanja, hoela ka- \\
doeiea belah matanja,
— zonder dat :
het oog geschonden is, boeta baranyan. !
—   door verlies van het oog, boeta \\
pètjah;
zich — houden, poera-poura i
ta\'iihat, poera~poera ta\'nampak, poera- j
poera boeta. — maken, verblinden, mem- i
boetakan. — en doof, boela-toeli. Zie
verder venster, deur, klip enz.
blind, vensterluik, inlandsch, toedoeng :
tingkap, papan ttngkap; europeescb,
toedoeng djendela, papan djèndeïa.
blinddoek, kaïn penoetoep mata.
blinddoeken, meitoetaep mata dengan
ka\'in;
fig. misleiden, memperdajakan, \\
m\'enipoekan
(van tipoe).
blindt»; iemand dia blind is, oramj boeta; !
in het land der blinden is éénoog ko- ,
ninir, d\'tetnpat tiada helang, kala bila-
laag: akoelah lang.
!Spr. lettcrl. waar
neen kiekendieven zijn zegt de sprink-
ii:-;ui- Ik ben kiekendief!
blindelings, onbesuisd, dengan boeta-
""■/■\'. — te werk gaan, membabi-boeta,
b.v. Tiada jang tahoe orang dikuta; \'
-ocr page 128-
116                                bloedarmoede — bloedzuiger.
bloedarmoede* (ireneesk.) kakoera*
MAM darah.
bloedbad, amok ,pe ngmnokan; een bloed-
bail aanrichten, méugainok: laat ons
een — aanrichten, tig. benang poetih
kila kisoemha.
bloedbrnking, moen/ahan darah.
bloeddorstig, heada/f me noem pakkan
(fa ra/i.
bloeddryvend, poekoel darah; een —
middel, ohat pémoekoel darah,
bloedeloos, l\'uuia btrdarah.
bloeden, birdarah, kaloeear darah; uit
den neus -, kalneenr darah datipada
kidoeng,
Zijn neus is bebloed, hidoeiig-
njit berdarah;
eene bloedende wond,
loeka berdarah; u|>lioudon niet —,darali
bertahan;
het hart bloedt mij als ik
aan mijne geliefde denk, hatikae bagai-
kan d\'ihiris apabila akoe tér kenaugkan
kvkasiliknr;
bij /.al er voor moeten—,
hij /:il het moeten beti\'.len, fa\'dapal
ti."l,i {Ja djnega laiiiibpjanija.
bloederig, bërloemoer darah, berdarah.
bloedgang, bloedafgnng, Ijerel darah;
hevige — inet persingen, radjan,
bloedgeld, loon voor moord, opah mem-
boe.iofh oramg.
Zie bloedprü**.
bloedgetuige, inartclanr, xjahid, Ar.;
als — bterven, ma/i sjahid.
bloedgierig, ^»e bloeddorstig.
bloedhond, andjiiig btsar jaag nitug-
hisnp darah.
Fig. een wreed mensuh,
urang bPngit, pinghisnp darah.
bloedig, birdarah. bërloemoer darah.
bloedkleur, iraraa durah.
bloedkleurig, btrivama darah.
bloedkoek, darah kintal, darah bekoe.
bloedkornul, uièrdjan, Ar. poeica/am,
Tam.; een snoer bloedkoralen met an-
dere koralen er tusschen, beramaui.
bloedluuw, xoeirang-soeicaiig koekoe.
bloedloop, ijerel darah ; hevige — met
persingen, ridjan.
bloedplenging, toempa/ia/i darah.
bloed pr uw, boete voor een manslag,
ba»,/o\'-n, d/ja/, Ar. niet een — verzoenen,
mmdijatkan.
bloedruk zijn, mindarah; iemand of
iets dat — ie", pendnnth.
bloedrood, merah darah, tearva darah.
bloedsehande, toemètUf. — bedrijven,
MYujiwmftmj, b.v. hij wilde — bedrij-
ven met zijne zuster, tja ntaoe ■#•
vjoembang dingan saoeduranja piram-
poewan.
bloedschender, penjocmbang, orang
herso?\'mbang.
bloedaehuld, hoelang dara/i.
bloedsehuw, takort nie.liha/ darah.
bloedspuwing, moentahan darah.
bloedstelpend. — middel, pinasak
(van tasak); een — middel aanwen-
den, meaata}; b.v. loekanja itoepo,\'
difaaak-nja, op zijn wond lag hij een
middel; elk — middel, lam, Chin.
Het middel, dat algemeen daarvoor
gebruikt wordt, is eene soort van zwam.
pimwar djaniln. Ook gebruikt men
daarvoor poeder van drakenbloed, dji-
re il ii,i ij.
bloedstorting, totmpahan dara/i.
bloedstremsel, dat on de nageboorte
volgt, oeri. Zie bij nageboorte,
bloedvat,
ader, oeral darah.
hloedvergieting, luempahan dara/i.
bloedvergieter, moordenaar, pemboe-
noeh, pënofmpafi darah; die woedeiul
alles vermoordt wat hem tegenkomt.
pèiigamok\'.
bloed verlies, hilang darah.
bloedverwant, .y<z"f£>(-, bloedverwanten,
miiak-saoedani, koelair ar ga, do< sanak.
— van moederszijde, doesaaa^ ka.i-
domg; de naaste bloedverwanten, sanak-
saoedara jaag dumping.
bloedvin, bloedzweer, liisoel; een soort
van —, iboe mivan; kwaadaardige —.
pcstkool, pacpa, piiijakit radja.
bloedvlag, bandera merah _,■ de — tot
teeken van di-n aanval, ioenggoe/mei ah
Minuut bërpPrang.
bloedvlek, bêkat darah.
bloedvloeiing, na de bevalling, darah
nifoi. Ar. darah pimnriag boedak-
bloedwarm, lauw, sueicang^soewamj
koekoe; eigen warmte, leven;-warmte.
bloedwateren, ki-nljhig darah.
bloedweeiien. minangis berdarah bidj
ma/a. Zie bij bloed,
bloedwen,
haesoeng darah.
bloedwond, loeka birdarah.
bloedwraak, hela, kisas, Ar. — ne-
men, oefenen, minoeatoel hela (van
toen/oei).
bloedwreker,
pinoentoei bela.
Moed zuigend, dtiigan min?/hiii\'j
darah
bloedzuiger; de gewone —, lin/ah.
hcHnlali; een soort van kleine spring —
die ia de busschen leeft, pa/jat. pa/jrt.
-ocr page 129-
117
bloedzu i verend
— bloemstrcep.
—, afperser, penghisap darak, lintak,
scheldwoord.
bloodmi! verend, jang imnjoetjikan
darak.
Moedzui vering, tJiat pPnjoetji darah.
bloedzweer, bisoel, bingsoe/, barak;
kleine —, bitoel lada. — onder de
ribben, barak sitip — die zich naar
binnen ontlast, barak fiarap; kloppende
—, bitoel miagaagkoet nanak, d. i. die
zich zet tot ettcrvorniing — die steen-
hard is, barak baton. — die nf&chilfert,
barak si&tfr. — in de borst barak em-
pa»g.
— aan het scheenbeen, bitoel
sêliuap.
— in de IL zen, Inngwerpig,
barak oelar. — die uit vei>clieiden
gnten ettert, bisoel saboef-, bisoel sira-
boet.
— in of nabij den oksel, kom-
bang btriédoek,
letter), hommel die
beschutting zoekt. — in de oksels, ook
bitoel toetoe koeboeng, omdat dit dier
de borettepels in de ok>els heelt;
kwaadaardige —, palaa ; eene soort
van —, iboe tawan.
bloei; in — stann, van planten, btr-
boenga;
bijna in — staun, op \'t punt
vnn te bloeien, sffuidjakan bérboenga;
juist in vollen bloei stann, sidang Mr*
kïmbangan boenganja; in den — des
levens, ptrtengahau innoer; de des
handels, ramai phuiagaiin. --- van stad
ot\' land, ramai, mümoer, Ar.
bloeien, in bloei staan, bloemen heb-
ben, bérboenga. — van vele bloemen,
Utrkï mbangan. Kene bloeiende bloem,
boeaga bérktudmng. Zie bloei. van
stad of land, rama\'t, hümhht. Ar.; eene
bloeiende gezondheid, sehhat jang sant\'
jioi-riia;
de kiiii-ini e.a wetenschappen
bloeiden op dien lijd, pada masa itoe.
laatjAoerlaJt cl moe dan pengëlakoean,
bloeitijd, moetim bXrboenga, moetim
boe aga,
bloeiwijze, peri bérboenga.
bloem, boenga, poespa, Skr. \\oornnmc-
lijk gebruikt in eigennamon. Dichter-
lijk, koewema, Skr. Wordt als bijnaam
gebezigd voor eeno schoone en lieve
vrouw; eene enkele —, boenga asa;
eene dubbele —, boenga toetoen; eene
geopende —, boeuga kembang; gekleurde
bloemen, dichter!., poespa ragam, Skr.;
gemengde bloemen, boe»i,a rampai; in
elkander gestoken bloemen, zie hij
«teken; de bloemen, die men hij
voorkeur op de graven strooit, zijn de
paarsche bloemen van de Ocymum ba-
silicum, boenga soelasih. De reuk dnnr-
van is sterk bedwelmend; eene welrie-
kende —, boenga waagt, boenga jang ha-
roem baoenjn :
nagemaakte —, boengaiin.
(ïeblocmte, boeaga-boengaan. Kunstig
gemankte bloemen, boenga kikmat; eene
enkele —, boenga safangkai. van
palmen, majang,■ geopende — van pal-
men, majang Céroerai. —en. vlammen
of aderen in hout, marnier en/., barik-
ba/ik.
—, meel, iepoeng. —, het aller-
tijnste meel vnn iets. zetmeel, pmti.
van zwavel, tepoeng balerang, pad bale-
rang.
—, de niaandelijksche zuivering,
fjemar ka\'in, haidl, Ar. —, de keur,
pilihan, b v. de — der jongelingschap,
sUgala oratig tï\'roe,/a, pilihan.
bloembed, pehik boenga-boenga.
bloembehleedael, blocmscheede, ke-
lopak.
bloemblad, daoen boenga.
bloembol, oembi pokok boenga.
bloemengeur, haroe.a boe.iga, baoe
boenga.
bloemenhandel, djoeicalan boenga.
bloemenmand, l>al;oel bnenga-boenga.
bloemkelk, waarin de eigenlijke bloem
boloten is, kïlopalr.
bloemknop; bijna ontloken —, koen-
toem;
gesloten —, koentoem jang ter-
koentjoep.
Ook alleen koen/joep.
bloemkolt* der pnlmen, majang.
lilot mkollscheede, soedaag, teloe-
dang.
bloemkoraal, karang boenga.
bloemkranH, karaagan boenga. — op
het hoofd, bloenikroon, tadjoekboenga;
zulk een kroon ophebben, bï-rtadjoek-
kan boenga.
bloemlezing, boenga rampai. Ook als
titel \\oor sommige boeken, die eene —
bevatten.
bloemmeel, iepoeng kaloe».
bloempap, boeboer tïpoeng kaloes.
bloemperk, pefak boengadmeiiga.
! bloemrnnd om den tekst vnn een brief
of iresehrift, kandang. Zulke bloemran-
den teekenen, menjtlap (van xilap).
bloemiiehilder, peaoetis boenga.
bloemsteel, taagkai boenga.
bloemt* tengel, kaki boenga.
bloemstof, Iepoeng sari.
i bloem ntoi\'d rad en, sari.
i bloemstreep, streepvormige figuren,
\' boenga bvrdjaloer.
-ocr page 130-
118                                         bloemstuk — blozen.
bloemstuk, toelisnn boenga.
bloemtuiltje, karangan boen ga.
bloemt uiii, ktbon boenga, taman poetpa.
blocmvaiiSi djambanyan.
bloeznwerk, karangan boenga Ook in
de bouwkunde. Gesneden —, boenga
oekiran.
— van suiker, dat door de
Mal. vrouwen op Riouw bijzonder fraai
gemaakt wordt, uw-la boenga; <roiiden
—  in weefsels, karangan e mus .■ zeker
«— op lijnwaden, bandji. Zie rooster-
werk.
bloesem, boenga; aarvormige—, zooals
van de palmen, tnajang.
blok, takel, katrol, kèrek, lorah. Mal.
—   van een houthakker, landas. Op
zulk een — leggen, uieiandas; op zulk
een — liggen, tan hout, dat men door-
kappen wil, k and as. —, brok, boetig-
kak.
—, vormloos brok, klont, ook van
suiker, tont/kul; oveigeschoten — hout,
poentoeng kajoe; als brandhout, poen-
toing api.
— hout, dat bij het tiinme-
reu afvalt, iongkong. —, waario ge-
vangenen worden gesloten, pnsoeng. In
het — sluiten, memasonngkan. —, waarin
de voeten worden omhoog gehaald, om
die te kunnen geeselen, kajoe patat.
—    van een schaaf, roemah këtam.
—  brandhout om bet vuur smeulend
aan te houden, oenggoenan.-— van tin,
schuitje, bidoer, tan/pang. —, kluister
tuin den poot van een dier. sangtëla.
—, zie ook perceel.
blokarrest, pasoengan. — krijgen, di-
pasoeng.
blokbuis, gevangenis, roemah pasoeng,
phtdjara. —, houten wachttoren, ba-
ngoenan.
blokje, kort stuk brandhout, toewat;
hout tot zulke blokjes zagen of hak-
ken. mïnoeicat.
blokkade met schepen, pajir; de —
breken, melintang pajir. — insluiting
eener ïtad of vesting, pX-iufipmuiaan,
blokkeeren, met vaartuigen bekruisen,
memajiri (van pajir). —, het in en
uitgaan van vreemdelingen en koop-
waren beletten; mem?/iat (van pepat).
—   van eene stad of vesting, meng\'ë-
poeng
(van kepoeag)
blokken, onvermoeid studeeren, mengoe-
sahakan dirinja da/am betadjar, bertï\'
koen da/am bitadjar.
blokschaaf, zie schaaf.
blokscbüf, kerel:
\' bloksteen, baloe paJiai.
| bloktin, timalt bidoer, timah tampang.
blond, kleur van haar, is niet goed
terug te geven. Soms zegt men koening,
geel. soms poelih, wit. Er is geen ge-
schikt woord voor, omdat die kleur bij
de inlanders niet voorkomt.
bloodaard. ptmakoet% pemaloe.
bloode, bang zijn om iets te doen, tjn-
bar
; h.v. wees niet —, djangan tjabar
Italimoe.
—, sehaamachtia, maloe.
bloohartiff./>>»a£(W, tjabar hati,maloc.
blooheid, kafakoetan, kamaloean.
bloot, tihindjang. —, uit de schecde.
terhoeiiofs, ttrtjaboet; onder den blooten
hemel, dibateah langit, fie. b?rpajoeng-
kan langit,
d. i. den hemel tot zonne-
scherm hebben, of b^rafapkan langit.
d. i. den hemel tot dak hebben: met
het bloote oog zien, unfihal detigan
iiiata jang tiada befje\'rinin,
d. i. met de
oogen zien zonder bril; meTthat tiada
pakai teropong,
d. i. zonder kijker zien.
—, slechts, srhadja, djoea; louter, bt-
laka,
b.v. bloote vermoedens, savgkn-
sang ka stltadja;
een —gerucht, cliabar
aitgin belaka;
naakt en —, lelandjang
boegïl;
geheel verarmd, kapapadn sn-
/:■\'!\', iniskin snngat,
—, zie verder bij
de samenstellingen.
i blootheid, kntllandjangan.
blooteltfk, alleenlijk, slechts, sthadja,
Stttlja, ijoema.
\\)lootle<z<zen,mi\' tnboekakan, iiienjatakan.
bloot liggen, berbaring dengan tetan^
djttug.
blootshoofds, d. i. bij den Maleier
zonder hoofddoek, gomdoet, ook dtngan
btrgoendoel, dïngait terboeka kapalanja.
\' blootstellen; zich aan den voortduren-
den invloed van iets, b.v. regen, de
zon, een werk, vuur enz.—, mtinadjan;
met bepaald obj. tnvmndjankan; bloot-
gesteld zijn, bvrpadjan; iets aan regen
en wind —, MÏiigfioedjan-panaskau.
blootsvoets, barrevoets, dtngan kaki
tïlandjang.
blos. meralt pipi. —, glans van het ge-
laat, seri, seri moeka; een — hebben,
berseri. — der schaamte, in kwaden
zin, btra moeka.
blouse, kiel van gekleurd katoen, rei-
kende tot de voeten, voor mannelijke
bediendeden. batljoe loro, Bat.
j blozen, rood worden van schaamte, in
\' kwaden zin, mindapat bëra moeka; in
-ocr page 131-
11\'.\'
blozend — boedel.
goeden zin, kasipoe\'Stpoean maloe. — I
van vreugde, merah moeka.
blozend, van gezondheid, merah pipi;
vun vreugde, bPrstri moeka.
bluf, tjakap anyin; een — slaan, Vér- \\
tjakap au ff i/i.
Muilen, bPrtjakap angin, mfoigatjak;
Muller, snoever, pPnyatjak; blutferij,
opsnijderij, tjakap-anyiii, boewal.
Muachmiddel. pPmadam ; vuur—, p?-
matlaia api,
liluMHohen.van vuur,licht,hartstochten,
mi-madamkan (vun padam, gcbluscht).
liluHNcher, domper, pëmadam.
bluts, buil, bPnykak.
boa. reuzenslang, oe/ar satcah.
hobbel, die zieh op water enz. vormt,
uok de bobbels van een doorgestoken
bultzak, gëlPmboeny; met allerlei —8,
yilP taboevy-gP.lP mbiny; een — ol\' bult
vertooncn, zoonls b.v. wanneer er een
knikker of iets dergelijks onder een
tafelkleed lipt. mëiioemboe (van toem-
boe).
—, knobbel, boeljoejr.
bobbelen, van kokend water, gëfegak,
bënjPlemboeiig.
—, luchtblazen opgeven,
vun iets dut in het water gedompeld
is, gërobok-,
bobbelinir, ifvlviiiboenyau, yPIPyakan.
boobel, bonykvfr. De —, sibwigkok; j
kromme —, sibonykok këdik, b.w/n/ue
bPrkata sibonylok ki\'dik,
daarop sprak
de kromroe boehei: een — of hoogen
rug maken, mPmhonykok.
bocht, in iets, këloek, b.v. een knevel
met bochten, misai btrkP.loek\'; een stok ,
met een bocht, toetiffkal berkëlock-;
llnuwe — in gospanncn touw en der-
golijke, laadai. — in het lemmer van
een wapen,, ë/oek, b.v. een gelukskris
met zeven bochten, këris sempana dP-
ngan toedjoeh eloeknja;
scherpe — in
den oever of het strand, bPlikoe ; scherpe
— van een rivier, leaykok lipat ka- j
djany; b.v. eene rivier die zich in
scherpe bochten kronkelt, soenyai mP-
lenffkol? lipat kadjang.
—, inham, kroin-
ming van eene rivier, rantau; b.v. j
ongeveer een — rivier afwaarts, kira- :
kira saratttau hilir; de rivierbochten
invaren, aandoen, mëranfnu Ook inham
of — van een meer, b.v. toen het
genoeg zich vermaakt bad in de — .
van dat meer, tPlah poetcastah (ja bér- \\
tamti-tuttin didalam ra/itau iatijc Hoe; \\
kleine — of inham, toetcak?; in kleine
bochten of inhnmmen varen, menjoeicak;
zich in allerlei bochten wringen, zoo-
al» de inl. danseressen, lijoek; met
verscheidenheid, Ujooh lïmpai. —, in-
ham van de zee. tPlok; vol bochten
en krommingen, van een weg. bërbeny-
kany-benykok,
—, boog, IPngkoeng.
bocht, slecht, bedorven goed, barauy-
barany boesoek.
bocht ii;, hïrkilo\' \\\'. bPrbP/ikoe, bërle.ty-
kolc, bértoetcak, bërtPlok, bPrbeaykany,
btrbengkok. bfrlengkoeny
enz. Zie het
onderscheid bij bocht.
bad, tatcaran, pPaatcaran, b.v. ik kom
een dollar op boven mijn —, .■>•\'■\'•\'•\'
naïkkan satoe ringgit daripada pPna-
iraraa sP/iaja;
het laatste —, tatcaran
malt.
bode, soeroehaa, kasi-l, Kx.pttoeroehan ;
een — des Konings, gezant, oetoesan;
dorps—, kPbajan, Jav. —, kondschap*
per, atjang.
bodeloon, opah soeroehan.
bodem, batcuh, paatat, loenas; de —
van een pan, pantat koetculi; de —
der zee. batra/mja laoet; van eene kist,
bawahnja pPti; de vaderlandsche —,
IX\'ut pat totinpa/t dar ah, te.inpat djadi;
vijandelijke —, faiia/i moesof/i, ueyari
moesoeh ;
de bodem vun een schip, loenas
kapal;
de vloot was 20 bodems sterk,
kalanykapiiH kapal ilue duetca poeloe/t
boewak baujaknja,
of doewa poeloe/t
haloean banjakvja.
—, schip, kapal;
inl. vaartuig, pPrahoe; eene zaak den
— inslaan, mPmbutalkan soeatoe pë,-
kara.
bodemertf, uitrusting vim een vaartuig,
pPrlanykapan kapal; het noodige dut
daarvoor verstrekt wordt, meestal met
kwade bedoeling, namelijk voor den
zecroof, ajoeman.
bodemloos, tiada btrpantat, tiada ba-
tcahnja
— van de zee, onpeilbaar,
tiada tërdocga.
boedel, al het bezit, harta, harta-Vtnda.
—, nalatenschap, harta-poesaka, barany-
baratiy poesaka, harta pPniuggalan.
—,
inboedel, huisraad, pP.rkakaxan roemak;
ook pPkakas roemah; een — annvaar-
den, mPnëriiaa harta poesaka; een —
verstouten, wvvoelak hart\'a poesaka ; een
desolate —, harta-poesaka jang tia/la
këtahoea/t
; een — scheiden, atembP-
hagi-bPhayi harta poesaka;
een — red-
deren, niimëreutahkaa barany poesaka.
-ocr page 132-
120                               boedel afstand -
boedel afstand, pvnoelakan harta-poe- I
saka,
boedelbescliry vinj», piuijoeratan har-
ia poesaka.
boedeleedel, ihiftar barany-barang poe-
saki\',.
boedelkamer, pïrbendaharaiin harta j
poesaka,
boedelscheiding, ptmbehayian harta
poesaka.
boef, deugniet, orauy dj ah ai, pentjoeri;
fis. bPras basah, natte raat. Ook bany-
sat,
Jnv. orang risau, oratig yaïbana.
boes* ha/oeiran, djoenyoer. —■ vhq een \'■
schip, haloeirau kapal. — van een in-
laudseh vaartuig, haloctcan perahoe
djoenyoer perahoe.
—, ook djoetcang-
djorrang;
stompe —, haloetcan tjoe-
poel;
scherpe —, haloetcan tantjip;
dwars voor den — komen, mtlintanyi
haloewan;
over tien anderen — wen-
den, membelaekkan haloetcan; tig. over
iets geheel ander» beginnen te spreken,
mingaloetcarkan përkataan lam, b.v. en
spoedig <:ooide de heer Fanjubar het
over den anderen boeg, zeggende, maka
sigéra dikaloewarkan olih toewan J\'ar-
quhar pérkalada laia, katanja.
boe«anher, djti.iykar httloeican; in-
lundsch —, saoeh hnloetcaa.
boegen, zie sturen.
boegseeren, op sleeptouw hebben,
mviioenda {van toemta).
boegseeriyn, lalt toenda.
boegspriet, fjoetjoer, djoeuaoer liman- \\
tlera
boegspriet zeil, lajar tjoetjoer, djib, \\
Eng., kïlewer, verb. Ned. van kluiver,
lajar svmandera,
boegstuk, kanon aan den boeg, marijam
haloewau.
—, balk tot den boeg gebruikt,
kajoe haloetcan, kajoe djoenyoer.
boei; voet boei, kluister, rantai kuvy-
kuuy;
hand- of voetboei, sanykela.
Daarin sluiten, titt-vjanykela. —, blok, I
kluister, bSloenygoe, pasouy. Daarin
sluiten, membèloengyoe, mentasoug. —, ;
gevangenis, tempat pasong, pendjara,
perantajan, boewi,
veib. Ncderl,
boei, drijfton. enz., pêkmpoeng.
boeien, kluisteren, membèloengyoe, me- j
ntasony, intmntuikan, ntP,njanykela. Zie j
ook bij binden.—, het hart bekoren,
rnirav.aaknu hult,
boeier, jaeht, sekotji, kitji.
boek, ïn het algemeen, soeraf, letterl. I
- boekhouden.
geschrift. — van godsdienstigen, zede-
lijken of wetenschnppelijken inhoud,
kitiib, Ar.; het heilige boek, voor du
Mobamuiednncn de Koran, voor do
Christenen de Bijbel, alkitiib, kifiiboe\'t-
koedoes.
— als onderdeel van een boek-
werk, soerat, b.v. al de boeken des
Ü. en N. Testaraents, ségala soerat
frfrdjandjian lama dan Pf.rdjandjiau
beharoe.
—, band, deel, djilid. Ar. —
van papier (21 vel), koeras. Uit wordt
ook voor katern gebezigd. Keu — van
24 vel, satoe koerat jany doetca poe-
loeh empat htlainja
; een riem papier
heeft 2U boek, kai"fas sakodi Hoe doemt
poelofh koeras;
te — stellen, mïnjoe-
rat
(van soerat); opstellen, menyarany
(van karaug). —, register, dnftar. Ar.;
te — staan, bekend zijn, kt-tahoean,
kakïnatan.
Hij staat te boek voor een
dief, ketahoeaulah ija pïntjoeri adanja;
dat spreekt als een —, itjatalah itoe
sapirti tèrfjap dalam kitab;
geschreven
—, kitab soerafan fa/iyan ; gedrukt —.
kitab jany tértjap (op Java tirtji-
tak).
—, handschrift op luntarbladen,
poestaka. —, zie verder de somenstel-
üngen.
boekband, djilid, Ar. djilid kitab.
boekbeslng, saloetan kitab.
boekbezitter, zij die aan iïijbel en
Koran gelooven, in tegenoverstelling
van de heidenen of kafir, orauy kitabi.
boeltbinden, mendjilid kitab.
boekbinder, piud/ilid kitab; toekany
mvitdjilid kitab,
boekdeel, djilid; e\'e\'n —, saboearah ki-
tiib, kitiib sadjilid.
boekdrukken, mentjap kitiib, men-
tjïtak kitab.
boekdrukker, toekany uientjap kitiib,
toekany métttjilak k/tab.
boekdrukker^, pentjapan kitiib, pi-
tjilakaa kitab.
boekdrnkkersgereedschnp, per-
kakasan toekauy tjap, pérkakasan toe-
kany tj\'itafc.
boekei, liaarkrul, ikal.
l>oeken, in een boek opschrijven, me-
njoerat dalam kitab,
boekenkast, almari kUith, almari boe-
koe.
Zie ook bibliotheek.
boekenstandaard, alas soerat, alus
kitiib.
boekhouden, mhijoerat kitab hitoeng-
hitoengan.
-ocr page 133-
boekhouder — hoevenstuk.                                   121
\' boersch, gegeneerd, kikoef:
boert, sanda, goerau, djinaka.
boerten, bërsanda, bergcerau, bersanda-
goerau, bérdjiaaka,
mm, bïrfjoera,
boertig, djinaka.
i boete, straf, dX-nda.—, die d« doodstraf
vervangt, bungoeu, dijat, Ar. denda sa-
kati liuia,
d. i. ée\'n kati en vijf tahil
goud. — vragen voor het forceeren van
de blokkade, minta l\'iutang pajir.
voor munslag ook denda paft, b.v. koe-
koemnja didénda pa/i, jïini sakati lima,
zijn vonnis \\va» de boete voor manslag,
namelijk 1 kati en vijf tahil. — voor
verwonding, pampus; die — betalen,
mtmaiiiptts; de volle —, denda supï-
nohnja;
de hoogste —, sabisar-bësar
dttttda;
de gemiddelde —, sasedang-sv-
dang dtndu;
de minste —, sak\'ttjil-
iitjil dt-nda;
in de — geslagen worden,
U,ia dmda; iemand eene —opleggen,
taenttënda.
boete, in godsdienstige afzondering, tapu.
doen, birtupa. — voor iets doen, om
het machtig te worden, tnïmpirtapakan.
—, het verlaten van den zondiiren weg,
tobat, Ar. — doen in dien zin, bërtubat.
boetedoening, pirtnptuiu, zie boete.
boetelin&s, iemand, die zich aan het
wereldscbe onttrekt, pfrtapa, orang per-
tapa, zahhl,
Ar.
: boeten, boete doen, in godsdienstige
afzondering, birtupa. —, bevredigen,
mXmoeicaskan (van poetcas), b.v. zijne
lusten —, tnëmomcaskan hawa-nafsoenja,
—, verbeteren, herstellen, meuiboeboel,
mXtabuiki;
b.v. zijne netten —, meiii-
baiki d/alanja, mimboeboel djalanja.
—,
de straf ondergaan, këna sik sa b.v, hij
heeft gestolen en zal er voor —, tja
sofda/t men/joeri, maka ija pon ukan
khta siksa;
met het leven voor iets—,
mati brla, b.v. als er een dienaar des
Vorsten sterft, moeten er zeven perso-
nen voor —, apabila mati sa\'orang
Itautba radja, belanja tot\'djoeh orang.
boetkleed, pakajan orang pvrtapa,
boetmeel, dat gevoegd wordt bij de
schadeloosstelling voor een gepleegdeu
moord, tïpong boenii,
boetaeeren, mtroepakan ; een beeld—,
ttiïroepakaii orang-orangan, m. putoeng.
! boetvaardig, Itëndak bh\'tobat.
i boet vaar di «je, orany berlobat.
boeventaal, beltasa orang pmtjoeri.
\' boevemtuk, djinaka orang ptntjoeri.
boekhouder, pettjoerul kitiib hitoetig-
h \'ttomgan.
boekverkooper, toekang djoetcal ki-
Itih, toewan toko boekoe, op Java.
boekverkoopinjf, lelang kitiib, Matig
hoekoe,
boekwinkel, toko boekoe, op Java.
boel, menigte, batijak, —, boedel, zie ald.
boel, overspellige innn of vrouw, MW>
kali, kiiidak\', soendal.
boflthit;. kari Maag.
boeleerder, orany jang bërmoekalt of
o. j. birboeicul mm*.
boeleeren, van een man, brrmoekah ;
van eene vrouw, bXrktndak; \\an beiden,
birana\', birboewat MM*,
hoeleer ing;* ptrtaoekalian, perkevdakan.
boeleerater, orang jang birkindak\',
orang jang btrboeurat zina\'.
boelüoed, barany-barang lebang.
boelhuis, roruiuh h-bang.
boeman; de —, mimbang; waarmede
uien kinderen bang mankt, mumok.
boender, sikiif.
boenen, metijikat. —, wrijven, ating-
gosok\'.
boen was, /i/in pX-nggosok medja.
boer, landman, orang pïladang; bebou-
wer van natte rijstvelden, orang ptroe-
sa/t saxcah; bebouwer vun stukken
gronds in het gebeiiïte, orang bXrhoetaa.
—, dorpeling, orang doesoett. —, berg-
bewoner, orang yoettoeny. -, bewoner
van het bovenland, orany hoeloe, orang
oedikr. —, in het schankspel, pion, bidak\'.
boer. oprisping, scrduicah; een boor
laten, mï\'mbïlahak, Mal.
boeren,
rnëngirdjakan tanah, mvugXr-
djakatt mail, mêngerdjaiau ladang.
boerenarbeid, pekerdja/tn satcah, pe-
klrdjiuni tattatti-mëuutiani.
boeren dracht, bourenkleeding, paka-
jan orang doemen, pakajan orang hoeloe,
boerenhuis, ruemah orang ptladavg,
roeinah orang hoeloe.
boerenhut, pondok orang peladang,
pondof orang koetoe, pondof.\' orang Mr-
hoe ma.
boerenkar, pedati.
boerenkinkel, een boerseh mrn-i-li,
orang kikoi\'l\'.
boerenkost, tnakavan orang doesoen.
boerenspraak, beAasa orang hoeloe,
bihusa orang goenoeng,
boerenwerk, pekïrdjaan orany tanam,
ptkérdjaiin orang ptladang.
-ocr page 134-
12:2
boezem — bondszegel.
boezem, borst, dada. Voor uitdrukkin-
_rt:ti als aan den — ruften enz. gebrnikt
men pangko<\\ schoot. Zie ald. —, do
borsten vnn eenc vrouw, soesoe,— van
de zee, inham, te/ok.
boezemvriend, sohhat ba\'ik, sahabat
jang rodotig, maha taulan, cha/il.
Ar. ;
boezem- en verre vrienden, sokbat ia-
rib Ka albvit.
Ar. in brieven gebezigd,
boezeroen, badjo? wrang eha/asi.
bof; dn —, pijnlijke zwelling van het
aangezicht, bezoek, Men.
bogen, /lirtitfijaft-Miyah, niPmt-gahknn
dir in ja.
bok, mannetje der geit, kambing djan~
tan:
eene oude — met lange afhnn-
gende haren, kambiiig-randok. — viin
een rijtuiir, terpoel.— voor eencn mast,
tjagak. —, eene soort van kromhout,
beneden aan den mast, wnarin men de
opgerolde zeilen, bouwen, haken enz.
legt, swsang; eene soort van gnflel-
achtigen —, om masten enz. op te
richten, sPrandang. —, lomperd, orang
koerang ndiar.
—, schraag, koeda-koeda.
—, fout, salah; een groven — bchie-
ten. mïmboeirat salah btsar.
bokaal, p\'jala, Perz.
hokkenhuar, bodoe kambing.
bokkenleder, kotilit kambing.
hokkenlucht, baoe uring, ook an/jing
of huntjing.
Iioltlrrspronn, zie luchtsprong,
bokkig, hongkak.
boksen, mï-nindjoe (van tindjoe). —,
met de vuist vechten, bXrgotjoh. — op
Chinccschc manier, koenlau.
hokslioorn, tandork kambivg.
bokshoornzaad, kïtabaf.
bol, bal, kloot, /w/af; b.v, wereld—,
boe/at boemi; bolletje van een kwast of
franje, tampok. —, ronde wortel van
eene plant, oembi. — , hoofd, kapala. Het
schort hem in den —, kapalanja tiada
bT.toel, /ja gila ; een schrandere —, kapa/a
ringan. —, knappe baas, orang p.mdai.
bol, Jiijv. nw. bolrond, boelat. — van
hut aangezicht, een brandglas enz. //\'?«/•
boeng. — van de wangen, kvmboeng,
berak. —, onnatuurlijk vol vnn het
uan^eüicht, sémboeb. —, van de wang,
b.v. door eene pruim in den mund,
gembul. —. opgezet, gezwollen, bïrak.
bollantaarn; kleine —, lautin, Verb.
Ned.
bolrond» boendar, boeidar; b.v. — all \'
een limmetje, boendar sapïrti limai\' »i~
pit.
— van een steen, borntal; eeniïs-
zins —, niet geheel, zooals b.v. van
een horloge-glas, het deksel van een
kotter enz., /oengkoem, moengkoem.
bolster, buitenste, vezelachtige hast van
noten, saboet.— van graan, sekam; bij
kan geen — meedragen, Üaila lerbaica
afkarn,
Sprir. gebezigd, van iemand,
die er onnoozel uitziet, doch vol >t re-
ken is.
bolsteren, mPmboi-ka saboet; b.v. een
kokosnoot —, memboeka saboet njioer.
bolvormig, roiyta boe/at, boendar, bom-
tar.
bolwerk, boelicarti, verb. 1\'ort. —,
bastion, kotaloem, sëlekoh.
bom, prop van een vat, soembat. —,
rinkelbom, rëbana. —, ontplofbare
kanonskogel, peloeroe api, peloeroe pe-
7\'iofk u/d.
—, oen soort van zeevisch-
vnartuig, perahoe pemoekat.
bomlmrdeeren, mênembaki dPngaii
pe/oeroe api; mPnembaki dertgan pi-
rioek api.
bomgat, Hang soembat, lobang toembat.
bomketel, mariam perioek api, ook al-
leen prioek api.
bomschuit, zie bij bom.
bond, pvrdjaiidjian, jivrhimponan.
bondbreker, orang jang nierombak
pPrdjaudjia?i, orang jang moenkir djan*
dj\'i, orang jang niengobahkau djandji.
bondbreuk, pïrombakatt djandji,mot n-
kir djandji, pïngobaltan djandji.
bondgenoot, vriend, helper, medestnn-
der, katnta. — in een verbond, sapvr-
djandji.
— in den eenen of anderen
raadslag, safakat-. bondircnooten en
tegenstanders, katcaa dan lawan.
bondgenootschap. Hiervoor bcstant
geen geschikt woord in het Mal. —
Abdoellah beziirt er voor moedfakat,
Ar. b.v. ik wil in het Tin-te-hoeï-ver-
bond treden, sébaja maoe masoeXr dalam
moedfakat Tin-I\'e-hoe\'i;
wat hij een regel
verder verklaart met pï-rsakoetoean,
deelgenootschap, lidmaatschap. In de
Straits Nettlcments wordt ook veel het
Chin. woord kongsi gebruikt.
bondig, ineen gedrongen, in weinig woor-
den, ringkas, dengan ringkasnja.
bondkist, de arke des \\eiboads, taboe/,
Ar. taboet ptrdjandjian.
bondschrift, soerat ptrdjandjian.
bondezegel, meterai pPrdjandjian.
-ocr page 135-
129
honk — boomboter.
bonk, been, toelang Se sar. —, groot
stuk, pPnggal bPsar, goeiapal.
bons» stoot, schok, formboek; de —
krijgen, difoelak, dilPpaJskan.
bont, harig dierenvel, koelit bPrboeloe,
beloelang.
—, geruit linnen of katoen,
kaï» ginggang, kaïn tjele.
bont. Bijv. BW. gevlekt, bPlang; eene
bonte geit. kambiag belang; de bonte,
si bPlaag, —, gevlekt, zooals bij eene
kneuzing, U-bam. — en blauw, biroe
iPbam.
— on blauw slaan, mPmoekoel
aampui biroe iPbam.
— gestreept, belang.
—, veelkleurig, bPrbagai icama, pan/ja
icarna, pPlïbagai irarna, maalja teerna.
—, zie uok gevlekt.
bonzen, van het hur\\, berdèbar,banting.
—  op een deur, dïbot>r, 1\'ad. bov. 1. ;
tegen elkander —, wanneer beiden in
tegenovergestelde richting komen, inPn-
dampak,
mul. van loopcn, rijden, varen
en vliegen: tegen iets doen —, of
stoute», merPdjahkan ; hard tegen clkan-
der —, zoodat Ai voorwerpen zich om-
keeron, mPnggisar. —, beuken, nieloe-
poi-h.-
van den troon —, mPnggPrakkan
daripada karatljuiin
—, niet geweld
uedenverpea, rnën/jampak-
boodschap, tijding, bericht, chabar,
varta, berila.
—, last van of nan een
vertrekkenden persoon, pP.san. Zie bij
la*t, —, zending, bevel, soeroeh. —,
gevoeg, borwitng ajar, kasomgai, (be-
leofd) "kadla hatljat, Ar. eene groote —
doen, bop.wanij ajar bPsar, kasoengai
bliar,
y[w//fl hailjat besar, berulr (plat);
eene kleine —<\\uci\\,hoeiva7igajarkPtjil,
kasomgai kefjil, kadla had/al kPfjil,
kfottjing
(plat), niPniboetcang ajar sent.
boodschappen, iets, mpngchabarkan,
mitcartakan, wPmbïritakaa.
In het al-
gemeen, zonder bepaald obj. mPmbatca
cliabar, niembuwa xearla, mPuibPrila.
lioodscliapper, /temberita, pPicarla.
—  voor één keer, soeroehan.
boojj, schietboog, iboe panah, boesoer,
ook alleen panah, b.v. sabilah panah
ilPngan anaknja,
een boog met de pijlen;
eene soort van ouderwetschen—,pauah
keloedan.
—, zoowel kruisboog als hand-
en voetboog, gandi. —, of kromte over
iets heen, lïugkony. — van roode zijde
of katoen, die bij optochten boven den
hoofdpersoon wordt gedragen, IPngkong;
met den — schieten, mPmanah; iets
met den — schieten, mPmaaahkan ; met
elkander nan het schieten met den —
zijn, bPrpanah-panahan; over en weder
elknnder met den — schieten, panah-
uiiuianah;
pijl-en-boug, bwsoer-panah ;
eene pijl op den — doen, mPngëaakan
anak panah pada borsoernja.
booebruj», djPud>n!an bêrlPngkong.
booaaewelf. IPngkong.
boot-pee*, hoogkoord, tali boesoer,
boocttchot, pemanah; e\'én — ver, sapp-
manah djaofhnja.
boogschutter, orang pPmauah.
booi>HwiJze, IPngkoengatt.
boom, poAo*, pol.uk; wilde —, woud—,
geen eetbare vrucht dragende —,pohoa
kajoe,
in tegenoverstelling met vrucht—,
pohon boeicah-boetcah, of pokok boficuh-
bot-icah.
Voor vruchtboomen wordt ineest-
al pokok en voor de andere/k>A*>« kajoe,
letter), houtboom, \'.gebezigd; een doode
—, doode statu, poenggoer; een wilde
—, pohon hoetnn ; een tamme—,poho,/
kP-bon ;
een dwerg —, pohon katai,pokok
kat ai;
de — der kennis, pohon pPtigP-
iahoran;
aan den — kent men de
vruchten, daripada jtokoknja kakenalan
boeicahaja;
de appel valt niet ver van
den —, boftcahnja djatoh kapangkal
djorga;
van den hoogen — teren,
i/inkii.t bot\'icahnju serta dPugan po-
kokttja;
als de boom is groot, dan
is de planter dood, orang jaag inPna-
nam pokok njioer, djarang ija makan
boncaht/ja.
Sprw. — van eene kar,
gandan, —, waarmede men vaartuigen
voorlduwt, gal ah; met een ijzeren haak
onderaan, tjanggah .- daarmede boomen.
bPrijavggah,— om bet vooruitgaan van
een vaartuig te beletten, galah sangga-
mara.
— op eene deur, slaeboom, sa-
kat, kajoe palai/g, kajoe pPngaittjing
pintoe;
daarmede afsluiten, mënjnkat,
Mp/ualangkaii, mPngantjivg
(van kan-
tjiag).
—, draagstok, penggandaran,
pPngoesoeng, kajor pikoetan.
—, afsluit-
booui eenor riviermonding, batangan,
b.v. Hang Nadim verzocht den boom-
wachter den boom te openen, inakall. „V.
ttiiuta buekaï batangan pada sipPnot\'nggoe
batangan.
—, tolkantoor aan den boom,
volgens Indisch spraakgebruik, pebejan,
verkorting van pïbejaün.
boombast, koelit kajoe; doQK van ge-
klopte —, djPloewang-
boomblad, daoen pohon.
boomboter, eene soort van vet, afkom-
-ocr page 136-
121
lioonu\'ii — lK>or.
stig van den butetboom, minjak kuicang. \\
Zie t>oomolie.
booracn ; intruns. brrya/uh, hïrtjanqgah; j
een vaartuig —, nunyyulahkan perahoe; \\
rivier opwaarts —, muidik berga/uh. i
boomgaHrd, kebon pokok boeicuJi-boe-
,raJi.
lioomKewHtt, opbrengst van de boouien, !
Iitifit pohowpoium ; u\'t het woud, ha$U
kor tan.
boomhevel, ptnyoenykil.
boom!"*, boouirijk, kajor-kujoean; een I
boomige plek, timpat kujoe-kajvean. —, \'
boomkatocn, kupua takten, d. i. van
de overblijvende katoenplant. —, dezoo-
genaamde zijde-katoen, die voor bedden
gebruikt wordt, kïpok, kuboe-kabor.
boomliever, koiabaug.
lx>omkikvorKch, kaiak pohon f hij is
g\'lïig-
boontlinoettt, bonykol.
booinUn Kil. djanyktrik pohon.
boomkruipt-rtje; een soort van —
niet roode borst, boeroeng sëpaApoe&ri.
boomlmltter, tanyya sokony.
boomlui», /ie hlittlluif*.
boommicr, groots roode mier, simoct
ktrïiHjijn
; op Java Mmmy.
bommiios, iüfiiiürt pohon.
boomnoot, hoêWëA kërns, boetenh kemiri.
boomolii-, eun soort van zuiver wit :
boom vet, dat veel van Borneo cd Su- i
matiii uutrSugmpoera wordt uitgevoerd,
iiihijak sinykauang. minjak kaïcanij;
een soort van —, die voor het kale*
t\'atea van vaartuigen wordt gebruikt,
minjak- kvroen-iny. —, olijfolie, minjak
bot\'ivah zait, minjak zaiion.
boomooft, boewah-boeiruhan pohon.
boompnnl. OU een boom te stutten,
toendjuny, sokony.
boompje, pohon ketjil, pokok ketjil.
boomrüU, bvrkajoe-kajoeun.
I\'oonis.\'liinuiii\'l. lut\'nioft pohon, loe-
mort kajoif;
zwam, duivelsbrood, koetat.
Zie büomzwnm.
boomNL\'horo, koelii kajoe; bereide, d. i. |
geklopte — voor papier of kleeding,
djiloewnny, Mal., itt/oeicaity, Jav.
booum\'miur. Hiervan zijn verschillende
soorten, zie bij slang; een bijzonder
fraai groene —, die niet giftig ia en
waarmede men speelt (diyophis prasina),
oelar (/tuten.
boonislak, zie bij «lak.
boomstani, Latang pohon. Het onderste
van een —, panykul pohon; gevelde—,
tibaiiijtin kajoe, baiang kajoe.
boomstronk, doode, vermolmde —,
poe.nyyorr.
boomtak, dikke —, dnhun; gevorkte,
tjabaiig, tjawang; dunne —, rautiny.
Itoumuil, boerorny ponyyok.
boomvaren, daom pilkoe-pakoe.
boomveil, klimop, daoin pasaniypasany.
/ie bij li l i in | >l:ui t.
boomvet, zie bootnolie.
boomvrucht, hoewalt pohon.
boom wachter, pinoenggoe batanyan,
matu-inata pabejau.
hoomwaM, /i/in pohon.
boomwol, zie bij katoen.
booinwortel, ukar pohon,
boomzaau:. yPryndji pohon.
huomzijde, kïpok, kabae-kaboe.
hoomzwamtkw/af,/jind.aicu/i; van den
arenpalm, rahoef,:
boon, ka/jany; ecne Boort van kleine
boontjes of gram, katjang ktde/ai; op
Juva kede/c; eene soort van zeer Langt
—, die als groente zoowel rauw als
gekookt wordt gegeten, katjuny pan-
ttjuny, katjuny piroet hujam;
eene soort
van groene boontjes, die al» groene
erwten gebruikt worden, katjang htdjau;
eeae soort van scherp geribde booii-
tjes, die als groente gegeten worden,
katjang hot ar; eene soort van stinkende
—, die aan eencn boom groeit en in
sommige toespijzen gebruikt wordt, pï-
tai;
eene soort van—, welks bladeren
in de geneeskunde gebruikt worden,
katjuny sent ing; eene soort van hall
zwart, half vuurrood boontje, dat voor
het wegen van goud wordt gebezigd,
bidji inga, Ken grouter soort, geheel
rood en groeiende aan een boom, suya
pohon;
een soort van —, die in den
grond vrucht draagt, bekend onder den
naam van aardnuot of Cura^aosche
mangelen, ka/jany tanah. Diezelfde
boonen gepoft, katjuny gorei/g; onze
spersiüboonen, die in Indié wel voort-
wülcn, katjang boentjis, verb.: boonen-
doppen, mfuyo\'-pat katjuny {van koepas).
boon en meel, tïpoeny katjang.
booiieachil, koelii katjuny.
boonenstaaU, péndja/aran,
boor, drilboor, zwaaiboor, goerdi; eene
soort van groote drilboor voor hout,
djara. Daarmede boren, mendjara, b.v.
-ocr page 137-
188
boord — bord.
hij boorde de krisscheede uit, didja-
ranja saroeng keris itoe.;
kleine band-
hoor, bidji vangka, onidat do knop
diiarvun op eene nangkapit gelijkt.
boord, kant, tïpi, pinggir, .Tav. — aan
de mouw van een baadje. pungkal ia-
ngan.
—, halskrnag van een kleed, nija,
lengkoeng leher badjoe, pereloeng badjoe,
—, rand van een vaartuig, bovenrand
van de verschansing, rimhat. —, bui-
tenste rand, lijst, birai; de boorden
van een rivier, të.pi soengai, op
Java pinggir kali. — zie ook bnlt-
boord en stuurboord; aan —,
dikapaf, diperahoe; aan — gaan, na/k
kapat, ua\'ik perahoe;
naar — paan,
loeroim kakapal, toeroen kaperahoe;
aan — klampen, mclanggar kopal, *»?■
langgar perahoe; enteren, mX-ngait ka-
pat, mtngaü perahoe
(van ka\'it).
boordevol, lot aan de» rand toe vol,
tepoe, sebak. — vao eene rijstinaat,
doeh niet over de boorden, poedal.
boordje, aan een kleed, zie boord.
hoorlint, zie boordsel.
Iioiii-iIm I. aangezette rand, bingkni; neer-
hangend —, xibar.—, beletsel aan den
rand van een kleed, rompok\'. — , passé-
ment, tali ujttr, pasmen, verh. — aan
de buitenzijde van een kleed, strip.
nan de binnenzijde van een kleed, pen-
depou;
zulk een — hebhen, btrdtpou.
boorijzer, bë.si goerdi.
boormeel, tahi goerdi.
boorvlüm, tadji.
boos, slecht, djahat; zeer slecht van
aard, doerdjana, kapisla. —, toornig,
èiiarah, amarah; van den \\or&\\,/noei\'ka.
—, toornig zijn op iemand, goesar, b.v.
akoe goesar stdikit tja tiada da/aug,
ik \\\\ us een weinig boos, omdat hij niet
kwam. —, goddeloos, fasik, A r. kapista.
—, ondeugend, stout, iiakal; zich —
maken, mendjadi marah; iemand —
maken, /në marah kan, wë.iigëtjitkan hati
(van ketjil), membaugkit-kan amarah ;
zich — houden, poera-poera mar ah %
sëmoe-se.n/oe mar ah;
de hooze, de dui-
vel, sjaifun, Ar. iblis, Ar.; door den
— bezeten, diharoe sjaifan, kamasoekan
sjaifan.
boosaardig, pïratigai bëttgix. — van
oen ziekte, zie hwaardnardig. —,
goddeloos, fasik; Ar. kapista,
boosdoener, orang djahat, orang fasik,
orang doerdjana, orang kapista.
boosheid, slechtheid, kadjahatan. —,
toorn, mar ah; van den Vorst, moerka.
booswicht, orang doerdjana, Skr. wang
fan*.
boot; inlandsche —, eene soort van
vaartuig, sampan. (Nnar men meent uit
het (\'li in. waai het diie-plank hetee-
kent). Voor de verschillende soorten
zie ook hij schuit. — voor een wed-
strijd, sampan b\'érïagn.; een Boort van
rivierboot, van een uitgehoolden boom-
stam vervaardigd, ken/pang; eene soort
van bootje, tampon tëiubaica, letterl.
dievcn-sampan. —, gewone sloep, sam-
pan bat il, sïkotji,
verb. Ned. de —
uitzetten, mënoeroenkan sampan. —,
eene soort van sloep, pindis; eene soort
van kleine —, lepa-lëpa; eene soort
vim kano, waarin slechts plaats is voor
één persoon, kolik, sampan kolik-: in
dien vorm is er ook een —, waarin
plaats is voor zes man, kolik fëfap,
zoo genaamd, omdat zij vast up het
water ligt; een bootje uit een uitge-
houlden boumstnm, kleiner non dan de
kolik, djatorr : veer—, overhaal—, sam-
pan pï-uaiitbantj, tambangan;
kleine vis-
sehers—, bidoek. —, stoomboot, zie
ald.; in het hu wel ijksboutje stappen,
kawin, nikah\', Ar. beristèri, berbini,
bërsoeicami, bïrlaki.
Zie huwen.
bootsgezel, matroos, orang kopal, orang
perahoe, awnk kapal, aicak perahoe,
anak kapal, anak perahoe, ehalasi,
Perz.
bootshunlr, galah Uïrkdit.
bootsman, djoeroe tinggi, sêrang, toe-
kang kanon.
bootsmansfiuitje, pelesit.
bootstnnnsmaat, tandil, toekang ktri.
bootsman «stoeltje, aram aram.
bootstouw, tali sampan.
hootsvolk, zie bootsgezel.
booze, zie hij boos.
borax, als soldeenuiddel, pemtdjar
(meestal, doeh verkeerd pid/nr, daar
dit gloei- of smellhitte beteekont), pa-
teri, iingkal.
bord, schotel, pinggan; bordje, scho-
teltje, piring ; diep —, soep—, pivggaii
dalam, pinggan lëkok;
plat —, ping-
gan tjeper;
eene soort van gebloemde,
Cbineescho borden, pmaoan batik; eeav
soort van Chineescho borden metstree-
pen, pinggan pagar Malaka. — vour
sommige spelen, papan, b.v. schaak —,
papan tjatoer. —, schrijftafeltje, /oh,
-ocr page 138-
LM
l>ordeel
Ar. papan loh, papan toelis; een
vuur het hoofd hebben, moeka lebal,
moeka papan.
bordeel, roemah pandjang,
lordenrek, zie bij rek.
bordje, piring; dessert —, piring pang-
\'ja.uj; sambal- , piring garant, letterl.
zoutbordje.
bordpapier, bartas dji/id.
borduren, mï-njoedji (van soedji), «re-
loekit; geborduurd, btrtoedji, bPrloekit.
—  op een raam, mPnjoelam ivan toelam).
—  met ruiten, mPnjoelam bPrljatoer.
borduurpatroon, zie bij borduur*
werk.
borduurruam, pemidang, pï-midangan,
pïiidii\'/\'/.1///.\'//. pPmbïiloetan.
borduursel, soelaman, soedjian, loe-
kisan. — aan randen van meubels enz.
soesoer ari.
borduurwerk, zie borduursel;
open — maken, mPnPboek; allerlei open
—   maken, ttboek-niïnëboefc; e. 8. V.—,
toelang béloet, d. i. palinggraat. Zie
ook stiksel. — met grove steken,
borduurpatroon, soedji bilang.
boren, met eene boor, een priem enz.
ook van insecten, menggerek. Zie ook
bij t»i*oiidl>orinii: een schip in den
urond —, nu\'11embak kapal (of pïrahoe)
sawpai tïnggrlam;
zich in den grond
—, n/Pmbiuasakan dirinja.
borg, pet/gakoe, ptnanggoeng, ka/il, Ar.
—, waarborg, tjagaran.
borgen, op rekening geven, w&mHÊri
hoetang, mëndjoeical koetang;
goederen
op e red iet aan een koopman geven,
mPmbïri sambaetan dagangan; op reke-
ning nemen, meiubtli hoetang.
borgstelling, péngakoeaa, pand, au-
dalan, pïlarohan.
borrel, slokje, sopt, verb. Ned. een bit-
tere —, sitpi pahit. —, bobbel, bel,
gïli-inhneng.
borrelen, slokjes drinken, ininoe.ni sopt.
—, bobbelen, iiteiiggïlïniboeng, van
kokend water, gPlêgak?.
borreling van v loc stoften, blazen vor-
men, gPlemboengan.
borst, hst lichaamsdeel tusschen den
hals en het luiddelrif, dada.—, boezem,
de mammen, soesoe; do — geven,
mïajoesoei, niembtri soesoe. —; de bor-
sten eener vrouw of van een wijljes-
dier ook tetek; de — geven, mPmbtri
tetek:
— cencr vrouw, die van voren
een weinig omhoog steekt, soesoe tadah
emboen;
niet aan de — willen, niet
willen zuigen, van een kind, tiada rnaoe
minoem toesoe; tiada tnaoe sentap soe-
toe.
—, waarin geen zog is, kopek. Aan
zulke borsten zuisren, méngopek; een
brecde —, dada jaag b\'tdaug; er de —
voorzetten, iets aandurven, op zich
nemen, mindada; zich op de —slaan,
met do vlakke hand, mtnampar diula
(van fampar), met de vuist, tnfnoem-
boelr dada
(van toembuek); heen en weder
slingerende —, soesoe kontal-kantil;
aan de — drukken, zie omhelzen;
een benauwde —, sesak- dada ; dat stuit
mij tegen de —, djïmoelah akoe akan
Hoe;
zich met do — aan iemands —
werpen, mpntrkoep (van terkuep) wi<?n?r-
kap; zich met de — op iets toeleggen,
nthigoesahakan dengan jakin (dSngan
radjin).
borst, knanp, jonge —, nrang trroena.
borstbedekking van vrouwen, kï-rn-
ban;
de bor&L daarmede bedekken ot\'
bedekt hebben, bfrkPmban; een stuk
lijnwaad ot\' doek, gebruikt als — door
vrouwen, sampoer. — bij danseressen,
dodot; de borst daarmede bedekken,
mhuiodot.
borstbeen, toelang ran-an. —, vaneen
beest, tjPnonok; het zwuardvormige uit-
eïnile van het —, toedoe liati.
borstel, rug- en nekhnar van een var-
ken, hni-loe tPngkok babi, boeloe babi.
—, schuier, sikat.
borstelen, mPnjikat.
borstharnas, badjoe bïsi, baroet dada.
borstkwaal, sakit dada, tësak dada.
borstlap, amban, baroet gantoeng.
borstmiddel, obat datta.
borstnaald, versiersel van goud ot
zilver, dat men op de borst steekt,
koersang, k^rsang, kProngsang.
borstrok, lijfje, koetang. Bat.
borstspeld, zie borstnaald.
borststreek; de streek onder de borst,
dapoer soesoe.
borstvin, bij visschen, dajoeng.
borstwering! dinding, kola. — van
hont op schepen, vóór den voorsten
mast, apilan. —, beweegbaar fort, kota
mara.
borstziokte, sakit dada, sPtak dada.
hort, een soort van gal koliek, verzcld
van hevige biaking en afgang, tjika;
eene soort van —, kïdadafc kPsijangan,
-ocr page 139-
127
bos — bout.
omdat bet, \'9 nachts beginnende, doode-lijk is als het tegen den dag niet heter
wordt.
bos, bundel, ikal, iertas enz. /ie het-
geen hier volgt. —, tros van vruchten
en dergelijke, (jogos. — van vruchten,
waarvan de stelen bij elkander gebou-
den zijn, b.v, uien, oranges, kersen,
ook van bladeren, ravgkai. —, hand-
vol, van bloemen, vederen, haar enz.
o/amiat, djtn/bak. — van bindrotting,
ytlorug, rotting aan bossen hinden,
méaygéloe/ig. — van buut, takken, aren
enz., iertas. —, greep, bosje, plukje
van haar ot\' vederen, toekony.—, bosje,
iëlinykas; tot een bosje samenbinden,
niembeliiigtas; tot zulk een bosje saam-
gebonden zijn, itrbëlinykas. — bc-
staande uit een aantal strengen,toetal.
— van rijsthaluien, ikat, b.v. twee
bossen rijst, padi doeiea itat, —, zie
ook bus.
bosch, hoetan. — en woud, hoetan rïmia;
het groote —, het wond, rimba raja;
een uitgestrekt —, pangaa, vd\\V.;
moerassig —, met afwisselend droge
en natte plekken, inrait; boog en zwaar
—, ioeroen.—.waarin de boomen wijd
uit elkander staan, ra wang. Zich als
zulk een — voordoen, nierawang.
boschbewoner, orang panyan, ook
alleen pangan.
bosebduii\', hiervan zijn er vele soorten.
Zie bij duif\'.
boschduivel, hantoe rimba, j\'oetcata.
bosebgeest, = boschduivel.
bosehgrond; stuk —, door eén huis-
gezin voor bebouwing ontgonnen, ru-
djap.
boschhaan, hajam hoeian, hajam U-
roega.
bosebmensch, zie aap.
boflchnimf, pe.ri, Perz.
bossen; in bosjeB binden, niengikal-ikat,
tnemiertas, niembHinytas, metiyyeloeng
enz. Zie bij bos.
bot, eene soort van visch, overeenko-
mende met onze —, itan ftroempah.
bot, knop, scheut, toenas.
bot, knook, been, loelang.
bot, einde, van een touw, poentja; zijne
hartstochten — vieren, metnoeicastan
hav;a nafsoenja.
bot, Uijv. nw. stomp, van snijdende voor-
werpen, toempot-l. —. maken, mïnoem-
postkan,
—, stompzinnig, doeagoe; be-
perkt van verstand, stmënloeng. Zie
dom.
bot, itijw. plompweg, .lërta-nierta; hij
zeide — weg, terta-niêria tja itrkata.
—, onverholen iets zeggen, berkata
Céroes-Cêrany.
boter, mantega. — bij do visch, kon-
tant geld bij de waar. mtmbajar toenai;
\'t is — aan de galg gesmeerd, awrnboe-
irany yarain dilaoet, lettcrl. Zout in zee
werpen, ook: mt aam pa!kan tarsit ka-
ioeloeh, Pad. bov. 1, bayai mënjoeraf
di-atas ajar, id.
boterboom, eene soort van boom, die
een kostbaar pluntenvet oplevert en in
menigte voorkomt op Suuiatra en tJor-
nco, pohon katvany, p. binykaicany, p.
tengkawany, p. stvgtuicang, p. mileia
tan. Zie boomboter,
boteren, met boter smeren, memboeioeh
mantega
boterbam, roti dengan mantega.
boterham, pënoemboek ajar soesoe.
botertand, yiyi asor, zie tand.
botervat, Umy mantega.
botervlootje, tempat mantega.
botbeid, stompzinnigheid, taiodohan,
doengoe.
botmuil, domoor, orang bodoh, orang
deyit, orang doenyoe.
\' bots, somtoeh, toeaiboek.
! botsen; tegen iets —, (ersomtoeh ka-
pada, Ctrantoek kapada, terlanygar ka-
pada.
bottel, flesch, sorrahi, bofol.
bottelary,provisiekamer,*?^»,^o^ö«^.
bottelen, iiitmbotolkatt.
\\
bottelier, toetang sepen. — aan boord
van kustvaarders, kasap.
botten, uitspruiten, iërloetias, bërta-
roefc, itrpoetjoejr.
botterik, oravy bodoh, orang doenyor,
orany dvytl.
botvangen, beschaamd uitkomen, kê-
tjiwa.
botvieren; zijne lusten —, memoewas-
tan hawa nafsoenja.
, boud, iXrani, dengan bëram.
bougie, li/in, d/jan Min.
bouillon, ka/doe (Port. cnldo).
bou<iuet, bloemruiker, karangan boevya.
bout, nagel, patoe kantjiny, pasafr. —,
een bout in iets drijven, tnevasafy.
aan weerskanten geklonken, pasak toeli.
— ter aaneenhechting van zware licha-
men, tërboct, —, kliaknagel, pakor
-ocr page 140-
bout — bovenkamer.
12*
adat; het water ging tot — de knieën.
trjar javg lampan loetort; gij gnRt hen:
te —, i\'iiyktit/lah mrliporfi akandia
het onderste —, sunysany. —overheen.
lalor dari at-as; van — naar beneden,
dari af at lalor kabairah;\\ an het lichaam.
dari kfpala satupai dr kaki. dari hor-
djoeng rambort sampai ditrlapakan kakt.
dat gaat mijn verstand te —, iiot
tiada matoek kadalam o kal srkajr \\
te — komen, overwinnen, in-nany dari-
pada, mrnyalahkan.
— komen, aan de
oppervlakte komen, timboel; vim zeil
en in menigte, zooals visschen, schelp-
dieien enz , brrtimboelan srndiriuja.
den grond, di-atat fanah; het hoofil
—  water houden, zich staande houden,
ii.rnnliharokan dirinja; de hand — het
hoofd houden, beschermen, m\'elindoeay-
kan, n.enatrarnyi, airnirliharakan.

allen lof verheven, di■alasiryalapoedji.
—    het middelmatige, Irbih dvripada
jany srdany;
bet gevaar te — zijn,
lorport daripada brhaja, Irpat brhaja.
hij is — de veert is, aiaormja rmpat
pvrtoeh fahorn Irbih. —, zie verder de
samenrtellimren.
bovenaan, di-atat sakali. Zie boven-
einde,
bovenal* vooral, horbaja-horbaja.
bovenarm, batany ïenyan.
bovenbroek» pantalon, fjrlana.
bovt\'ndien, layi porfa, tantbahau poela,
ma/ar, apa layi en apafah layi, trrtt-
bih paria. Ook afasnja, b.v. m\'rlangkapi
at as nja diiiyan brbrrapa kabadjikaa.
bovendien uangevuld inet vele goed-
heden, ol\' deugden.
bovendorpel, omhang di-atat. — van
deur of venster ook tjoepoe.
bovendrijvend, aan de oppervlakte
komen, t\'tmborl, met zijn velen, brrtint-
borfan.
boveneinde, hor lor, panykal, kapafa,
b.v. — van ecne rivier, hor/ar tornyai.
- van de dij, panykal paha. — van
ecu stok, kapafa tta-nykat, — van een
brief, kapala ton-ui, — van de tafel.
hoogcreind, truipat kabormatan, trmpat
jfiiy iti\'iavrlia.
bovensemeld, jnt\'? trrtrboet di-atat.
bovendoet!, bovenkleercn, pukaian jantf
dihiru-ar.
bovenlïnkebeen, barkoe atam.
bovenkamer, b\'lik lofmy, bilik di-attis,
langkan, Chin., b.v. maka adafah pada
soembat.— van een geslacht dier,/mi/\'/i, \'
pokang. zie ook nebterboutf den
— op den kop krijgen, mmdopat maloe.
bout, eendvogel, ifik. Op Java brbek.
boutje, hartje, liefje, rmas.
houw, ba.iyoenau: b.v. de — van een
huis, bangvman rormah. -—, maaksel,
boeieatan. pirboetratau. — , lichanms-
gestalte, /< mbaga.
bouwen, oprichten, nuaibangornkan,
mntriitikan
(van t*ya\\, liv, een huis—,
mï/abanyorakan rormah; een toren —,
atnuyakan mrnarah; ecne stad —, i
stichten, nirmbarwat v\'ryari; het land
—, mrnyrrdjakan iaanh, meiiyorsaha-
kan tanah;
iets op palen —, mJWMUt
i.i\'nii.
—, op iemand vertrouwen. j»r-
tjaja, haraji;
zijn heil op (ïods woord
—, mhidirikan talaaiaittja atat firma»
Allah.
bouwkoMen, bi land ja mttaborwat.
bouwland, akker, b\'radang. —, nat .
rijstveld, sairah. —, dat niet kunst-
matig bevloeid wordt, ladaay, hornat..
—, dat voor ladanir geschikt gemaakt
is, bormi jany dipiiladanyktin. —, ont-
ironnen plek op het gebergte, hor ma.
bouwlieden, van een gebouw, forkang-
toekana.
—,akkcr)iedcn, wangprladang,
bouwlood», Imagsal.
bouwmaterialen, bakal ronaah, ra-
moran,
zie ooiiWNtof.
bouwmeester, at\'tmar, Ar. toekang
lu\'rmbtiricaf roemah.
bouwsteen; gehouwen —, batoe pa- ■
haf:
gebakken —, batoe bakar, batoe
bata.
bouwstof, voornamelijk die, welke men
in het hosch verzamelt, zooal» hout en
bamboe, ramoran ; allerlei —, ramoe-
ramoran
Die — verzamelen, m\'rramoe.
Daarmede bezig zijn, brramoe.
bouwval, karoeboehan rormah.
bouwvallij*, boerork, trhadjakan ror~ \'
borh;
b.v. ecne bouwvallige luit, pon- .
dok jany boeroef; p, j. s\'rhadjakan \\
roeboek.
boven, afas, di-atat; naar —, ka-at as ; \'■
vim —, dari atas. — den wind, di~
atat angiu;
naar — gaan, na\'ik, na\'ik
fa iflll. van — komen, toeroe-a, toeroen
dart atas.
— blijven, tingyal di-atat;
te — gaan. mrliporfi, Imapau, frr/aat-
/■"". b.v. dat gaat de gedachten te—,
iloelah mèüpoeti sryala kapikirau ,■ het
gewone te — gaan, t\'érUttnpau dutipada \'
-ocr page 141-
bovenkant — bracelet.                                       12i\'
\' ■ tika itoe akoe dalam teinput tidoerkoe
sakit di lang kan,
en op dut oogenblik
lag ik ziek in mijn bed op de —. Op
Java lomttr toten//; liet scheelt hem in
do —, kapalanja ta\'bdik,
bovenkant, sabelnh atas; ook alleen
iitas; b v. de — is hellend, atasnja
.\'.in ui.
bovenkleed; hel algemcene—.zoowel
voor mannen als vrouwen is het baadje,
badjoe. /ie bij bandje.
bovenkomen, na\'ik. timboel; woèr met
een spion*; —, van iets dnt men on-
der water gebonden heeft, mengamboel.
buvenlaken, s<ln,ioet berbaring-baring.
bovenland, J/oelue, tanah lioeloe; het
verste —, hosloe sakali.
bovenlander, orang koeloe.
hovenlandsch, hoeloe: van hooger
streken, dari hoeloe.
bovenleder, koelit jang di-atas.
boveniyi", ataxnja badan.
bovenlip, bibir jang di-afas.
bovenlucht, de ether, angkasa (Skr.
akasd).
bovenmate, bovenmatig, terlaloe amal,
ferlampati, tersanguf, terlampau sangaf.
l\'ebih dari djtngkanja,
b.v. — liet\', ter-
laloe awat man is.
— pijnlijk, Uu-lam pau
sangat sakit.
— veel re^en, hoed jan
lehih dari djangk/mja.
—, uok bértam-
bah-tambali,
b.v. be,iambah4ambah b/bal
fiada dafang inenyhadirp dat-oef:.

dom, dat wij u onze opwachting niet
hebben gemaakt.
bov^nmenseheiyk, sakti, Skr.; —e
kracht, frasaktian. Zie ook bij kracht.
! luvt\'Miuit uni\'li limit-, \'               - Ar.
bovennatuurlijk, zie bovenmen*
seheiyk.
bovenop, di-atas.
bovenover, laloe dari atas.
bovenraam, djendelajang di-afas ; van
een inlandsch huis, I\'int/kap jang di-atas.
hovenrans, pangkat jang pertama.
bovenstaand, jang (ërseboet di-atas, \\
bovenste; het—van iets, atasnja, b.v.
het — er van was schuin, atasnja mi-
ring:
de of het —, jang di-atas sakali;
het — van vele dingen wordt ook ka-
ftala,
hoofd, genoemd, b.v. bet — van
een eiland, kapahi poel/ut. — van een
stok, kapala toengkat enz.
bovenstuk, van een krisschecde, waarin
de gnndja komt, sampir; eenc kris-
achcede van zulk een — voorzien, me-
ttjampir. —, hiel aan het lemmet van
blankf wapens, mal.
Imvniswinils, di-atas angin.
bovenland, gigi jang di-afas.
boventoon; den — hebben, het hoogste
woord voeren, nw/uef besar, mmgalal/-
kan kata orang.
bovenverdieping, tofeng, <*hin. (van
/-"\', verdieping en ting. hoven, op),
bovenzaal, oppnznal, a/djat, Ar.
bovenzijde, zie bovenkant en bo-
vi-nsl e.
bovenzinnelijk, geestelijk, rohani, Ar.
brnadolie, bruadvet, prrendang, minjak
perendang, minjak goreng.
braadpan, penggorengan, koeirati.
hruadsel, baksel in vet, rendangan.
Iiruadspit. }"\'"\'"»!/!/<ingt p\'ttjak*, koer-
sa ug.
brnadspitdraaier, pemoetar jiemang-
gang.
bruadvet, zie brnadolie.
braadworst, tote$ goreng.
bnuif, deugdzaam, buik; een — mensch,
orang ba/k. —, vroom, salih. Ar. een
— man, ora»g salih. —, dapper, !»■•
rani. perkasa. — drinken, minoem koe-
tral-iroewat, minoem banjak. —, goed
zoo ! bravo, sahasiah !
braafheid, deugdzaamheid, kabdikan.
—, dapperheid, knbëranian.
braak, inbraak, fttaum roemah ; diefstal
met —, ij/ierian dengan tetasan roemah.
braak, onbebouwd, kaal, van land. tan-
does; eene — liggende vlakte, padang
fekoekoer, padang tandoes, b.v. n\'egar\'i
ifoepon teranglah sapërti padang tan-
does, dat land was ledig als een —
liggende vlakte.
braakdrank, obat moentah.
bruaklund, tanah tandoes, padang tan-
does, pa/lang fekoekoer.
hraakloop, cholera, fjika, faTrn, Ar.
braaklust, hen/tuk- moentah.
braakmiddel, obat moentah.
braaksel, inoetah, moentalmn.
hraakwijiisleen, tartir. Ar.
braamstruik, karandang, M.
brabbelnnr. iemai d die wartaal spreekt,
orang jang berkata karoet, orang keri-
port, orang merabun.
brabbelen, wartaal spreken, mengaroet,
berken\'poet, m\'eraban.
brabbeltnal, béhasa karoet, b. l\'eripoet
b. kafjaukan.
bracelet, gelang. Zie bij arm ring.
-ocr page 142-
180                                           braden branden.
tjoeh; door den bliksem in — gesto-
ken, disambar kilat, kfaa kilat; in —
geraken, kena api; er is —, ada api,
ada roemah hangoes, ada roemah tër-
bak ar;
den — blusschen, memadamkan
api
(van padam).—, een brandend stuk
hout, oeiiggoenan, —, hitte, kapanasan.
—  in bet lichaam, kapanasan tueboeh.
kapanasan
bu.ilan; in den — zijn, in
nood zijn, kapitjikan, — roepen, ber-
serue-s\'eroi; ada, api, b. s, ada roemah
kangoet,
bPundbanr, jong dapat dimakan api,
jaag dapat bert/ja/a, jang dapat ditoenoe,
branden, hangoes, toenoet beriijala, kena
api, dimakan api.
Het verschil blijkt
uit do volgende voorbeelden. — van
een huis en dergelijke, kangoet, toenot:
—  van vuur, eene lainp, kaars en der-
lelijke, enz bemjala, letterl. vlammend
zijn; bedr. mimatai, gebruiken (\\an
pakai), b.v. hij brandt eene lamp, na
meumkai tttmpo.
— van het hart, toenue,
b.v. was het niet alsof ons hart brandde,
boekankah saperti haft kamt ditoenoe
rasanja."
— vuil den mond, kangoet
moeloet;
duur het gebruik van beete
specerijen, pèdat moeloet; zijn mond
—  door Ie heet Ie drinken, tefjuer.
met eene groute vlam, ra/aak.—, droog
in eene pan braden, b.v. kotliebouncn,
meel en dergelijke, goram. — met een
ol\' ander heet vueht, b.v. kokend water,
ineutjeloerkau (van tjUoer, gebrand mei
een heet vocht). Gebrand in dien /in
ook le/joer. — van een vuur up het
veld, b.v. om de overgebleven stron-
ken en stoppels te verleren, memeroevt;
land, waarop pas gebrand is, peroenoM.
■—, invreten, zuuaïs b.v. lapis interna-
lis, membetok (van betok, up die wijze
gebrand ol\' ingevreten). — van de zonue-
bitte, terik; eene brundende zunnchilte,
panas ttTifc. — van het lichaam, b.v.
duur kourls enz. panas, kapanasan.
van eene wond, de oogen enz., périh.
pedih.
—, van de oogen, boelar, Aden,
—, steken, van eene zweer, angkot. —,
verbranden, mémbakar, b.v. hout —,
niembakar kajoe api; reukwerk - , mem-
bakar doepa, inembakaf istanggi, niem-
bakar kemennjan.
- onstuimig zijn van
de zee of de golven, haroes berga/ora.
— van de harlstochien, beryulwa.
van verlangen, findoe d\'endaw, inghi,
birahi.
— niet een heet ijzer, brund-
braden, in eene pan mot vel, menggo-
\'vw.\'/-\' gebraden, goreng, b.v. gebraden
vleeseh, daging goreng, —, in vet buk-
ken, merendang, b.v. in kokosolie ge-
braden, dirèndang dalem minjaj? njioer.
— in eene droge pan, rootten, b.v.
meel, koffie en dergelijke, garant.
aan een Bpit, mematjajf (van patjak),
b.V. wed ah \'dot- au/bil hativja, mnka
paljafc,
neem daarna zijn hart en braad
liet aan het spit. — aan een spit, ge-
spleten bamboe, ui\' op een rooster,
memanggang (van panggang). —, putten
in de heet e asch, mcnbeinbam; huid—,
/nmlm faet gebradene knappend, cro- j
quant wordt, menijgariny. —, bakken
op het vuur. ut\' iu een uven, b.v. van
brood, vleescb of visch, mhnbakar; licb
iu de zun —, btrdjewtoer,
l>i\'jili tuifM. bruhniana. Ski\'.
briili, zuutachtig, 7.\\\\\\,asiii,,iia3in,jjajan,
natu;
van het tweede kunit de intuin
van lïundjarniasin, namelijk de plaats,
wuar het water van de rivier Bundjar
bruk is duur het zeewater.
brult, jachthond, andjing ptmboeroewan.
bril Wen, overgeven, m-.etah, moentah;
iets —, inoentalikan; aan het—raken, ,
lermoenta/i; hevig —, mendadak; duur I
hevig — overvallen worden, kedadak.
—, breken van hennip, menjerlmek;
b.v. gebraakte hennip, gamlja s\'erbork.
inMi.m."., overgeving, moentahun; hevige j
■—, kedadak. — van hennip, penjer- \\
boekan.
brnmbrns, k\'rlal lajar saboer; boven- j
brambras, kilat lajar pengepoh.
bramsütouw, tali ringting lajar pe-
ngepoh.
bramra, pembauran lajar pengepoh.
brumsten":, Hang pengtpuh.
bramitensewantf famberang Hang
pèmgepoh.
bramtop, huedjoeng Hang pemjepoli.
briimzeil, lajar saboer; buveu—, lajar
pengepoh.
brnmzeilskoeltje, angin kentjang ,
Mat.
brand, fiangoesan, toenoeiin; een huis !
in —, roemah hangoc*, r. terbnkar; in — |
steken, mfaoenoe, menoenoe/kan; in —
gestoken, ditoenoe. — gehad hebben,
ot\' duur — schade geleden hebben,
kahdkaraii; een huis in — steken, me-
noenoè roemah;
in — steken ook,menja.\'
lakan;
in — steken, afvuren, mètUfoe*
-ocr page 143-
brander — breed.
131
merken, menjelar (van «e/ar). — van
kalk, membakar kapoer, menvenoe kap-iee.
—, buven het vuur houden, b.v. van
planken, uin M te buigen, van ecu
stempel uin dien /wart te maken, me-
Irtjofr;
zich —, kena api, kena hanyoes
.■il verder naar datgene, waaraan men
zich brandt.
brander,arukstokrr./«<//>.»yyM;«yü/7/,/\'</«.
brnnderijj, van lucht, — riekend, ha-
ngit, «angil.
—■ van het lichuaui,/WW\'.
—e voeten, palak /.aki. — van de
oogen, kelat.
branderij, uraketokerij, perarakau.
brandewijn, bereni/t.
brandewündeHcb, hotol berendi.
hrandsevaar, be/m/a api.
l>rand<*las, ka/ju api, /jeremin api.
I >rnndliaali, vuurbaak, pem.oek.
brandhout, kajue api. — voor de keu-
ken, kajoe petanak, letterl. bout voor
het rij»tkokcn; overgeschoten eind —,
poentoentj api ; groot stuk — om het
vuur glorend aan Ie houden, ueuyyoen,
kttjoe oenygoen, oengyoenan api.
brundiu, IM branderij».
ii\'iui\'lü/i\'i-, best sela-r.
brandin><; der iso, pe/jahan ombak, ga-
lora;
zware —, houge getijgulven aan
het strand cu in de riviermonding, Simt,
brandkast, almari best.
brandltisl, pe/i besi.
1 -randliloli, alarmklok, yen/a sembojan.
brandlio<£el, petoeeoe api.
brandluclit, baar hangil, boor sangit,
baat\' hangues.
Itrandmcrli, fanda se/ar.
brandmei\'Hter, kapala bomba.
• i\':i in 111 ii\'i\'lui i, menjelar, menjeloer (van
selae un seluer, gebrandmerkt).
brandmiddel. pembakar.
brandnetel, djelatang, daoen yatal; eene
groote soort van —, djelalang gadja/t.
hrnndoiler, l\'orban bakarau, perseat-
bahan bakarau, persemba/tan loenuean;
hindoesch —, homam (Skr. homo).
irandolliTiiltaar, medzba fcorbatt ba-
kar au.
brandoven, dapoer, lamtoer, Ar.
brandpleli, bukas api.
\'■randpunt, van een brandglas, pofsal
katja api.
\'•randsehade, rut\'yi olih hanyoes.
\' [■imdsrluii t lue, gift om vijandelijk-
beden ol\' wapengeweld al\' te koopen,
toelafc stndjata.
brandschoon, soetji saka/i, ben-sih
sakalt.
brandscl, bakaran; één —, snloe bain-
ran, saka/i membakar,
brandspiegel, /jermin api.
brandspuit, bomba, pampa, pé.ntadam
api.
brandspuit ,".:isi. orany bomba.
hr;uiil-|Mlillnii-.ir. foemah bomba.
brandstapel, pauljaka, Den aan-
Btoken, au-nor»ui\'kan paittjaka.
bru iiii-i i.ht en, mbtoemoé (van loeno-).
brandstichter, penoenoe.
brandstichting, penoenoean.
brandstol, niakana.i api, bakal api.
brandwond, loeka hanyoes, loeka kéaa
api.
bras, mor. /a/i ir/n/, /a/i batcalaa, /a/i
ba/toe.
brasser, de brassen aanhalen, menarik
luti kelat, in. t. bawataa
brassen, slempen, makan mtitoem de-
MM metca.
brasser, oeang jany makan mittoem
denyan metca.
bravi-eren, mémfH-rmoedahkan, tiada
int/tgendahkati.
Zie ook trotseeren.
bravoï gued zoo! sabas/ah {subas, Ar.).
brazilit\'hout, kajoe sepaug.
breed, lebar, loetvas,bidatig,boekal\',cx\\z.
Het onderscheid blijkt uit de volgende
voorbeelden: - van papier, doek, bla-
■ i\'-n en dergelijke, lebar. Ook breedte.
Een — voorhoofd, dahi jany lebar.—,
ruim, loetcas, b.v. eene breede rivier.
soeuyai jaag loetcas; — van do borst,
bidany. — van eene opening,boelrak, b.v.
een — laadruim, ruetcany jany boekak.
— van boeg, stomp van voren, tjotpoel;
de breede rand, madjlis jany bétav,
rapal jatiy bvxar;
het niet — hebben,
kakoeranyan, het — laten hangen, «/-\'-
rambak; een —- verbaal, /jeri/cra jattg
landjoel;
alles lang en — vertellen,
men/jeri/emkau segata fial-a/foeicalnja,
mélam/joe/lait ptt\'ka/aau.
— van iets
opgeven, bermeyah-meyah ; het \\- Zoo
lang als —, pand jany lebantja tama ;
figuurlijk, sela/i t\'tya vrtcany, ook sama
djoega.
— van de schijf van zon en
maan bij op- ol\' ondergang, zich —
voordoen, menden deug ,een breede opper*
vlakte vertoouend, pampatt^; onver-
wachts of toevallig, /erpampang, b.v.
hunne borstwering werd gezien zich —
vertoonende, ma La ka/ihatan apilattnja.
-ocr page 144-
132
breedachti-»
brengen,
iürpaatpang. — maken, verbrccden, mfa
lebarkan, mïloêwatkan,
breed aohttff, Ubar-lebaran.
breedbeeim loopen, niêngegah (van
egak).
breedboej;, p<rahoe tjocpoel, kapal
tjoepoei.
breedheid, knt.bn.rav, knloewasan.
hn\'i\'.Upnnil,, p.rkataihi landjoet, për-
kataihi oelavg-oetang.
breedsprakigheid, landjoetan perka-
tai\'ui, oelamg-oflamgan pPrkataiia.
breedte, trbar, loeioas, bidang, bo/\'kak.
Zie hel verschil bij breed; de — van
den grootcn we<: is vier vudem, hoe-
kakitja djalan besar hu pat dépit;
in de
—, overdwars, Untamg. Ook geogra-
phisehe en astronomische—. lcngle en
van een voorwerp, b.v. een huis,
pandjang ïtnfaagvja; in de lengte en
—. hoedJQt\'r-liniiintjnja; de — der haml,
als maat. taèah; hetzelfde zonder den
duim, tabah rmpat djtiri; noorder—,
lintetng oefara; zuider—, lintang së-
latan.
breedtegraad, dïra.dja.l lintang,
breedvoerig, hindjoft, otilang-oelaag.
breedvoetijï, bèrkaki lehar.
breekbaar, ffHttê, rapoeh. —e waar,
barang-hatang gïtas.
breekbaarheid, y\'ettts, kagetasa», ka-
rapofJum.
hreekheitel, pahat srropmboeng.
breekijzer, koevoet, ph*ï\'djaag, ala-
bangka.
breeuwen, unmakal (van pakal).
breeuwhamer, p?inoekoel pakal.
breeuwmes, pistiu prmakal.
breidel, k\'rkang.
breidelen, mmghiakait kikang (van
kena); zijne driften —, mhiahavkan
haioa-nafsoenja
(van fahan).
breien, mêradgoet; kousen—,mtradjoH
ioroeng kaki.
— van netten enz., mh
njirat
(van simt).
breigaren, bhiavy mtvadjovt.
breigoed, barang-harang javg socdah
diradjoet.
brein, oftak.
breinaald, djaiüeiii piradjost.
breinloon, dada brroetaik.
breinvlies, sVlapoH oetak.
breiwerk, radjoeian, keratcang; met
—, bi-rkeraicarta.
breken. Hiervoor bestaan verschillende
woorden, die elk eene andere wijze van
— te kennen geven en niet voorelkan-
der mogen worden gebruikt. — van
hout, been, ledematen en dergelijke,
bedr. mëmataAkau; onz. fatah; gebro-
ken, patah; dubbel gebroken van armen
of boenen, patah riioêk, — van steen.
glas, aardewerk, gereedschappen, werk-
tuigen, de oogen, het hart, gewoonten,
de slagorden, golven, bedr. memrljah-
kan;
onz. pi-tjah ; gebroken, pëtjah ;
aan stukken gebroken, hnprljah-pffjuh
mijn hart brak, poetoéitoA rasa hatikor-.
al de printenen waren zeer verheugd
bij het zien der golven, die braken op
de rotsen, aiaka trrlaloe. sot\'ka para
poftëri itoe mëlihat omhak meiiiftjuh
piula bat of itoe.
— van iets zachts
met de handen in kleine stukjes, brok-
kelen, mfrepek. van een eed, makan
sofiiipah.
— van zijn woord of belofte.
m\'èngobak moeloet, motmkir daripada
perkataiiu.
— van een verbond, mhigo-
bahkan satia, rrièngoèahkan djandji,
ook
mërotnbak ph\'djaadjiaa. en inmia.dti.kait
ph-djandjiaa.
— vnn de blokkade van
een kust of haven, mêHntang pajir.
van golven tegen iets, b.v. klippen en
vaartuigen enz. berbakaf. — tot gruis,
van rijstkorrela, onz. la\'floekoet (van
loekoet, gruis van rijst). — van touw.
een riem, garen, ketting en dergelijke,
bedr. mëmoetoettan .■ ont.poetoet; gebro-
ken, pöftüPs. —, zie ook afbreken,
doorbreken, inbreken, ontbre-
ken, uitbreken en splijten,
breker, orang jaag mematahkan, o. j.
uihaïtjahkan
enz. Zie bij breken;
steenen — in zee, toempoeaa haroes,
toempofiin gelombmig.
—, brekende golf,
oiabak jui-\'/ii-tjah, hakaf, mul. golven,
die gestuit worden of op de klippen
breken enz.
brekinj>, pattthan, pïtjahan, 2>oetoesan
onz. Zie breken.
i brem, pekel, ajar garant,
brems, paardenvlieg, p/kal.
hrencen, medebrengen, mïmbatca, •—,
overbrengen, geleiden van iets of iemand,
tiiraghaatarkan. Al wat op die wijze
gebracht wordt, hantaraa. — van de
verschillende deelcn tot elkander, b.v.
van eene kaart, laentjanitwvg. — van
de hand naar den mond, m\'ragoeadjork
taugan kaa/orforf;
aan den man —.
van koopwaren, wëlakockan, mhidjadi-
kan takoe;
wat brengt u herwaarts,
-ocr page 145-
133
brenger — brijachtijj.
apa i/ioelanja niaka. engkau kamari; te
bod —, mhtidoerkan (van f\'/doer); aan
het licht —, aan den dag —, mhija-
fa ka*
(van ajata), an/ahirkun ; tot stund
—, mingadakan, mendjadikan; in orde
—, u/éngatoerkan, u/eajtiisaikan (van
ielesaï); ten einde —, /aëajorde/ilau
(van soedah), nienghabiskaa, thrajaaipat-
kaa
(van satupai): om het leven — ,
memboenoeh; ter wereld —, een kind,
bëiauak; van de Vorstin, birjtoetera:
het ver in de wereld —, laetufjadi
fitëar datum doenia int;
het niet meer
zoover kunnen —, b.v. tot het verrich-
ten van de cene of andere handeling,
tia>ht I»>lili lag» sampai; iemand tot
iets —, overhalen, memboeifjoek, ntni-
tjenderoengkan anti;
ten peptere —,
mtitjoeratkaa (van soera!); ten onder—,
mhiafokkan (van talok, Ar.); in eene
vergadering biengen van een zaak of
klacht, opdat daarover beraadslaagd
worde, wrnyadüfkan, b.v pergi meiiga-
doekan pH-erdjaiin itoe kadalam Par- \\
ifiiiifn dhiegari luggnx;
kunnen over het
hart —, sampai Jiati, dataiig /ntfi,h.\\.
hoe kan u \'t over uw hart —,dataug-
kah fmti foeicau;
aan het verstand —,
mhtghriiktmi onder het oog —, mr/ta-
sil/atkaa;
zïeh iets te binnen —, toc-
vallig, terhigat; met verlangen, tèrke-
nang;
onder het juk —, memllokkan ,-
tot slavernij —, vientpirhaiiibakan; in
rym —, tuïnsadjïikaii (van sa/tja, Ar.): i
tot iets ■—, vervoeren, verlokken, niem-
biiKtt, mhtg/iaroekaa;
ten verdervc —, ,
meuibaica ktt-pada kabinasaan, m\'emb\'/na- \\
satan;
op de gedachte —, laetigh/gaf- \'
kan: ten uitvoer —, n.elakoekan; in •
werking —, mendjatankan; den beker
toe —, /aényaaykap piala; tot wanhunp
—, t/i\'fitiotrtoeskaH liarap, mhnoetoeskan
asa
(van poetocs).
brenger, pe/abatca, arangjaug mrmbaint,
pengl/antar, orang jaag t/ifiigliantar.
1 \'i\'.-n-\'.iiii\', pend/atvaiii/, pmghantaran.
I>re*, geschoten opening in een muur,
perohong. — schieten, imne/abak sam-
pai mtttdjadi perohong;
voor iemand
in de — springen, membaatoe, meuoe-
toeng, n/engakoe.
Iireuli, het gebrek hernia, boeroef; eene
— hebben, berboeroef. — in de reken-
kunde, pttjahau. •—, onderdeel vnn een
munt, denkbeeldig 10" gedeelte vnn een
timah of krpeag, waarvan il) = 1 duit, ;
aboes. —, knak, paf ah.—, barst, rrfak.
—, gebroken van harde voorwerpen,
péfjith. /-ie verder bij breken,
lire uitband, pevg/kat boeroet.
brevet, soerat d/abafan, baeaaf, Ar.
brief, in het nlgeuieen, soerat; zend-
biiet\', soerat kiri/aat/, sahifat, Ar. WO-
rakat,
Ar.; brieven worden geteld bij
poffjufk. fjarik. pvfong, helaï enz. Zie
de Grammatica; een — schrijven, m$*
ngarany soerat (van karang); een —
zenden, mmgiri,a soerat (van ki.i/n).
Htflojtitigkan san-at.
Aan het zenden
van —en zijn, correspondeeren, berki-
rim soerat
; een — doen toekomen,
nirajnmpaikan soerat (van saaipai), men-
tastimkitu soerat
(van taslim, Ar.); een
— ontvangen, menirima so<raf (van
t\'eriaia); een — plechtig, beleefd ont-
vangen, wenjuudtoet soerat (van saai-
boet);
een — in optocht plechtig ovei-
brengen, iaeayarak soerat; een — vnn
hulde, soerat sembah. — van genegen-
hcid, soerat tanda kas///.
briefport, opah soerat.
brieftttyi, karangan soerat.
brie»; een Btewge—,angin f f gang kelaf,
b v. sahari bfta/ar ang/n figtme kvtut\',
een dag zeilens met een stevige bries.
brievenbesteller, brievenbodc, upas
pos, verh. Ned.
brievenboek, een boek waarin men
modellen en voorschriften voor het
vervaardigen van brieven heeft, soeraf
teratotl, kitdb terasoel.
brievenpowt, pos, pos soerat.
brieventnstTb, ten/paf soerat.
brü. bi/eboer; hoe minder —, hoe UOOr
lepels, koerang-koerang botboer, tebih-
lebih soedoek,
Sprw. — van kleefrijst,
boeboer brkatvel. — van rijst en water,
boehoer nasi. — van rijst en koku:-
inelk, do indische rijstebrij, boeboer
santan, boeboer té mak.
— van i ij>r,
vermengd met specerijen, die als ver-
snnpering wordt gebruikt, boeboer ka,/-
djt. —
van sagomeel, kepoeroen. — of
pup, gekookt van vruchten, zooals
banaan, broodvrucht, doerian enz., teia-
poel\'.
— van gegiste doeriauvrucht,
t\'éit/pojak; een soort van stijlgekookte
—, die als versnapeiimr gegeten wordt,
poeteri berkoebang; eene soort vnn stijve
-— van kleefrijst en suiker, iradjik.
briJHcbtiiX vnn binnen, van vruchten.
kojijor, Jav. b.v. ma-tgya kopjor, eene
-ocr page 146-
134                                              brijen — broeien.
soort van munt, die van binnen —
is: ke/apa ko/ijor, eene kokosnoot van
dezelfde hoedanigheid.
brijen, brouwen, de letter r slecht uit-
spreken, téloer.
brijor, brouwer, orang ieloer.
brijlepel, seiidok boebuer, soedoek boe-
boer.
br\\jpot, jn-rioek boeboer.
brik, een >oort van tweemast vaartuig
met ra\'s aan de beide masten, kif/i,
verb. nit het Eng. zoo ook het Nedcrl.
/■*\'/*, kapal dorvca Hang; oorloos—,
kit// peravg; handels—, kif/i dagang.
—, brik»teen, baioe kïrikil. Op Java
/.■■rakal.
bril* fjeremin mala. Op Java kat ia mafa,
—- van een sekreet, papan djambmn.
brildekttel, toetoef lobavg djamèan.
briljant, lobang papan djamban.
brilledoo**, brillekoker, saroeng fjeremin
matii, roe„/ah tjerëia\'/n mata,
brillejïln», kuljii tjtrtmin moto.
brilleivum, orang betjirrniin maf".
brillen, bitjimuin ma/a, pak ai f/er\'emin
1,1 at a.
brillen huisje, zie brilledoo**.
brillen slijper, pnttjanai tjen/n/n mata.
brilslmic in\'lar tetloeay sfi/doek.
brits,slaapstede van houl, zonder pooten.
gerai.
brits, {verbastering van het Kngclsche
breecho): hij krijgt voor de —, ija
dapat d\'tpaniat.
brocude, zijde of fluweel, doorweven
met Kond- o( 7.i\\\\ ereraad, soeadots, kaht
suendorxi, l\'erz.
broche, zie borstnnnld.
brocheeren, innaaien van boeken, mi-n-
djaf/it kitdb.
broddelaar, orang jan// bekerdja koe~
aoet.
broddelen, bekerdja koesoet
broddelwerk, j/fkerdjiuïn koesoet.
broed, al wat van ééne moeder is, zoo-
wel vnn tnenseben als dieren, periadoe-
au, perindon. — van v ogels, pvny\'e-
iamaa.
broedt1!, h-lor pevgeraman. Een —,
waarin reeds het kuiken is, doch koud
is geworden, Mor feaibelaag.
broeden, n-engera/a; gebroed worden,
di-tram, diprram, wanneer het sulij. dat
broedt genoemd wordt dan dt-irani;
»!aai liet geheel op dat wat bebroed
wordt dan éêptrMM, dit laatste houd ik
voor eene verkort, van di/ièriram. —.
voortbrengen, mengadakan; kwaad —.
mfngadakan djahat, miaijadakan beu-
fjana.
broeder, in het algemeen, saoedara.
saoedara laki-iaki.
Ook irebezigd in de
heteekenis van vriend tegen iemand
die van gelijken rang is. — vnn dezelfde
ouders, saoedara sadjalaa djadi; tol
■—> hebben, brrsaoedarakan • tot — doen
hebhen, „nin/iersaoedarakan. — van
dezelfde moeder, maar een anderen
vader, saoedara andjing. — van dezelfde
moeder en denzelfden vader, volle —,
saoedara saiboe-sabapa; oudste —. aba.ni/.
Hiermede spreekt men beleefdbeid;-
halve oudere onbekenden aan. Iemand
met abang aanspreken, m\'engabangkan .-
oudere --, ka kak : van Vonten, kakaada.
NB Te Sinaapoera bezigt men voor
oudere —, abang en voor oudere zuster
kakak; jongere —, adtk,- van Vonten,
adinda; broeders of zuster* zijn, adik-
b\'eradik\';
met elkander broeders of zusters
zijn in het algemeen, saoedara-birsaoe-
dara
; tweeling —, saoedara kembar ;
zoog—, saoedara soesoeau; annge-
trouwde —, zwager, /par; vaders ot
moeders —, bapa saoedara. Zie oom:
vaders of moeden middelste —, pa\'ngn/i
(verkorting vnn bapa en tengah); vrouws
—, of mans zuster, biras.
broederliefde, kasih saoeda;tt-bèrsaoe-
dara.
broederlijk, saperti saoedaradarsaor-
dara.
broederloos. Ha da b\'ersaoedara
broederskïnd, ka/iouakun, keu/anakan.
broedernvrouw, biui saoedara.
broedertje, eene soort van inlandseh
gebak, apam
broedertrouw, safia saoedara.
broedertwist, prrbantahan saoedara
dengaa saoedara.
broedsel), headak nüngëra/a.
broedsel, zie broed.
broeien, met heet water, uiïafjrlot-r.
— door het blootstclleu aun de warmte
van vuur, damp, warm water, onder
een deken enz, menangas; zieh op die
wijze —, bitiatigas. Het middel danr-
voor, peuaagas ; de huminp, pèKatigasan.
—, met heet water begieten, zoonis
een pas Eeslaeht dier, linnengoed enz.,
meajvdoeh (van sedoeh): de lucht broeit,
tang/\'t me ii ga ad oeng goentoer.
-ocr page 147-
186
broek — bronwater.
broeit, kleodingstuk, tÜtoewar, verb. van
het Arabische xarwal, of bet Pcrz. s/al-
war ;
lange — , seloewar pandjang ; korte
—, s\'éloi\'ivar pendek, s. panda)?; chi-
noetche —, meestal van zwarte zijde
en bijzonder wijd, seloewar fjiua.
voor een man ook lanljingan. Zulk een
—  van fluweel, laafjiagan b\'él\'ft/of; een
atjescho —, niira. rael korte, wijde pijpen
en laag kruis, s\'éhevar M/ik, — zoo*
als de Europeanen dragen, tjelana. Ken
witte —. tjelana poetik; een lakensche
—, tjelana sakilat, tjelana laken ; slaap-
broek, nachtbroek, tjelana tidoer.
broek, een touw, waaraan twee oogen
gesplitst zijn, en dat men om lasten
slaat, ten einde die te kunnen ophij-
schen, soewadji.
broek, dinsltind, paja, ratea, Ja?.
broeliu<*l»tig, drassig, berpaja.
broekenjxoed, broek enstof, kain tje-
lama, kain sembagai.
broekin«, van een kantin,boexa mariam.
broekland, lang land, be/ttjak, ianah
{„tja.
broeksband, tali tjêlana.
broelcKknooi», kantjing tjelana.
broekzak, tato tjelana.
broesem, zie schuim.
brok, stuk, patong, pénggal, kerat, pertja
enz. Zie de volgeude voorbeelden : een
—  brood, sapntoag roti. sap\'enggal i\'oti;
een — vleesch, daging sapenggal; een
—   hout, kajue takSrat; twee brokken
lood, doewa kerat timah. ■—, ufgcsnc-
den of ntgeznn^d stuk, kerat. —, af-
L^ehakt ol\' afgesneden stuk, pingaal.—,
afgesneden stuk. patong —, afgescheurd
stnk, Hard, pertja, een — leder, koelit
sap\'értja.
—, groot stuk van iets, blok,
poengkah, boengkah. —, gedeelte, beha-
gian;
aan stukken en brokken, viin
harde, broze voorwerpen, beepHjah-
p\'èfjah, berpetjah-belah;
overgeschoten
—, simt, lèb\'th. —, groot, zwaar mensch,
orang oembavg, orang pettgoembang. —,
zie ook st nl».
brokkelen, iets zachts, zooals brood
en dergelijke, met de handen in kleine
stukjes bleken, merépeh.
brokkelend, van gekookt graan, door
gebrek wan lijmige deelen, kérsai.
brokkelig van brood en dergelijke, ff-
pc//, rapoeh. —, licht aan brokken vnl-
lend, r\'épis, pïroi. —, kruimig, molmig,
ïnulsch. empoXr.
brokstuk, van hout of been, ook vnn
eeno rede, patah.
brommen, grommen, van dieren zoowel
nis van menschen, mh/ggeram. —, in
zich zelven, pruttelen, merosing, fór-
taengoet, mèroemgoet, —, een brommend,
goizend, dreunend geluid maken, me-
remany-reinang,
b.v. akoe takoet mtïne~
ngar êoeara itoe datang méremaag-
remang,
ik vreesde bij bet hooien van
hut geluid, dat dof brommend nader
kwam. —, gonzcü, zooals bijen, de
wind enz, berdêngoeng: een brommend
of gonzend geluid, zoonis van veel
tamboerijnen, deram. —, zooals tijgers,
varkens, honden, menderam, mendèroem.
—, zooals een ïroote klok, Inioenti;
op iemand —, knorren, memarahi,
goesar.
brommer, pruttelaar, orang perosing,
orang hersoengoet.
—, iemand die altijd
knort, pèmtarak.
brommis, altijd knorrende, pemarah,
toeka marak.
brompot, pêmarah,
brointol, gasing jang bërboeuji.
bromvlieg, de vleeschbederver, eenc
soort van groote blauwe vlieg, latat
langau.
bron, wel, mata-ajar, lopak mata-ajar.
Dit laatste is het gnt, waaruit het water
voortkomt. —, gegraven waterput, pè-
rigi;
minerale —, mata-ajar mndani,
Ar.; gezondheids — , mata-ajar se/ihaf.
—, oorsprong eener rivier, koeloe soe-
ngai.
—.oorsprong, aanleiding, asal, po-
//on, moela,
b.v. dit is do — van al
mijn lijden, inilak moela u-gala kasoe-
karankoe:
de — dezer geschillen, asal
segala p\'èrsélisekan int;
de —- van alle
wetenschap, pohon segala pengetahoean :
do — der zaligheid, pohon sa lamat;
de bronnen voor de samenstelling van
een boek, pohon kitiib; de beroemde —
bij Mekka, de zoogenaamde Hagar\'s-
bron, zamzam, Ar.
bronader, mata-ajar.
brons, toettHUa; klokken —, klokken-
metaal, gangsa
bronakleur, toarna soewasa.
bronst, van een wijfjesdier, hendak ber-
djantan •
van mannetje zoowel als wijfje,
hendak bërbekak.
bronHttvJd, moe.sim berdjantan, moesiw
bërbekak,
bronwater» a/ar hidot\'p; uit eenc ge-
-ocr page 148-
1M
bronzen — brui*.
zondheidsbron, ajar sehhat; gewoon
putwater, ajar perigi.
bronzen, Bijv. OW. daripada soetrasa,
daripada yanysa.
Ook alleen toeweta,
yanysa.
brood, roti; warm —, roti pan as; wit
—, roti poefift; rogge —, roti hitam .■
versch —, roti bPharoe; maïs —, roti
djagoeng;
oud —, roti lama; neerge-
slagcn —, roti baatorf, ook voor on-
gaar; gezuurd —, loti btrebamir, roti
bPragi;
ongezuurd — roti fafir, roti
jang liada bPragi
; ring- of krans—,
roti yPtany; het dagelijkseh —,rPzPk\'.
Ar.
Het dagelijkseh —, de hoofdwijs
(bij de Maleiers rijst,», ro^öj/ï ,-geroosteid
—, roti pattyyaay; hnisbakken —, roti
ItOtficafan sPttdiri;
zijn — verdienen,
mPnljPltari rPzPkinja, letter], zijn levens-
onderhoud zoeken; zijn — bedelen,
èuinta-winta, minta #P.d?kali; een stuk
—, sa pottin y roti, sappnyyal roti.
bakken, mvmbakar roti. •— van gerst,
of boonen, of linzen, of gierst, knsjkin,
kasjkiaal,
Perz.; geen stuk —, sasue-
trap aast pon iiada ;
stuk—,zic brood-
winning; water en—, als straf, mm
dengan yaram; zure broodjes te eten
krijgen, harde broodjes moeten slikken,
ditPtan\'t ba/w. NU. brooden worden
geteld bij kïtuel, klomp, b.v. daar is
iemand met brood te koop; neem twee
stuks, ada orany ItPadak djoetcal roti,
amhillalt dofftt kPtoel.
broodbak, tPmpat roti.
broodbakker, toekany roti.
broodbakker^, fPiapaf bakar roti.
broodben, bakoel roti.
broodboom. Hiervan bestaan versehil-
lendc soorten, als: artucarpus laevis,
de eelite —, welks vruchten geen pit-
ten hebben, pofion toetoe»; artoe. gra-
nosa of incisa, die vruchten draagt met
pitten, koeloer. keloeteifi, Jav.; p.rtoe.
polvphena, fjPpPda.fr, fjPinpPdak; artoe.
integrifolia, niet vruchten, waarvan het
geurig zoute, vleezige omkleedsel der
pitten gegeten wordt, pofion nanyka;
artoc. rigida, mindPUka; artoe. linosa,
pofion toetoe» tmmmt; de wilde 3 tJP.-
pPdak hoetan.
broedbord, ontbijtbord, p\'mggan kPttjil,
pinyyan roti.
brooddeejj, roti mPntali, tPpoeng basalt.
brooddronken, dPagan metca.
leven, h\'uloep dPngan metca.
brooddronkenheid, kaïaeieadn.
brood korf, rantuny roti, bakoel roti.
broodhornt, kot\'lit roti.
J l>roodkruim, remah roti; broodkrui-
mels, remaft-reiitah roti.
broodmnnd, bakoel roti, rantaug roti.
broodmeet, tPpoeng roti.
l>ro( ilmes. j.\'s,ui roti.
broodnijd, dïngki, = nijd.
brood pap, boeboei\' roti.
broodMuiker, wille suiker in brooden.
goela djaatoeny, omdat een suikerbrood
hartvormig is. Witte — in stukjes,
got-la batoe poetifi.
brood «ijebrek, tmtoermwoem makaa.
broodverliooper, pPnt/jorical roti.
broodvrucht, zonder pitten, sotkih-.t.
— met pitten, koeloer. soekoen bidji;
e. B. v. — inet groote, eetbare pitten,
boewah timboel = kvloewili, Jav. — zie
verder bij broodboom.
broodwinkel, kPdai toekany roti.
broodwinner, pPnfjPluiri makaa, pPtt-
fjPftari rezPki.
broodwinning, pPafjPliarian.
broodwortel, e. s. v. eetbare aard-
vrucht, oebi.
broos, van aard, rapoefi, yptas. — wor-
den, mPrapoeli; een broos leven, njatea
rapoeft.
—, niet van aard, maar door
eenigc oorzaak van buiten, licht breek-
baar, rPpas, rPpak. —, zwak, Itmafi.
dldif,
Ar.
broosheid, van aard. karapoehan.
bros, licht brekend, zooals glas, porce-
lein, besebuit enz., ranyoep. —, ver-
teerd, vergaan van touw en deigel.,
P ia pok.
bron, els, pPnggerek. Met een — gaten
maken, ntPagyerel?.
brouwen, bier —, masak bir. —, ver-
oorzaken, mPngadakan, mPndjadikan,
mPnjPbahkaa, mPmboetcttt,
b.v. kwaad
—, mengadakan djaftat; de lengen
brouwt veel kwaad, doesta itoe mPitya-
dakaa bavjak djaftat;
verraad —,mPm-
boewat chijanat.
brouwen, gebrekkig spreken, teloer, bPr-
kitta. dïagan irlorr,
b.v. tiada bolth tja
mPuji boet ra. s< balt I l>>- mja,
hij kan
de r niet uüspreken, omdat hij brouwt.
brouwer vau bier, toekatig masak bir.
—, kromprater, orattg trloiT.
brouwerij, tPtnpai masak Ó**"-
bru&, djPnibatan ; opbnal—, djPmbatan
avgkat;
van ecne — voorzien zijn,
-ocr page 149-
brui — bul.                                                   137
bï>rdj$.inhatan; bruggetje, loopbrug, von-
der, pXlimban, Mul.; smul ie —, be-
itMnOS Uit n\'il plank dl\' 1.....m-liiiM. f Ut\',
tUian. Over zulk eenn —gaan, mtniti
brui; ik geef er den — vnn, tohatlah
aloë,
b.v. tohatlah akor mfngadjar toen
Mai oelat boeloe lagi,
ik peet\' er den
brui vuq dien beer .Mai, de h&rigo nip»,
verder te onderwijzen; karïna bPrfobaf-
lah patik daripada mX-lavan toetcankoe,
want ik \'.\'eet\' er den brui van u langer
te weerstaan.
bruid, mampilai peramponcan (Tam.),
pengantrn ptrampnewan (Jav.). — , ver-
loofde, toenangnn
bruidesom, mampilai laki-lali,pïnga.i-
frn lüki-laki;
de —, als hij in ittmtBJT
naar zijne bruid wordt ticbraeht, heet
radja sahari, d. i. voor één dag koning.
—  of bruid worden, na\'ik mampilai.
bruidsbed, pXlamin, pXlaminan.
bruidschat, Xiuus kaïvin.—,dïe betaald
wordt aan den vader der bruid, isi
katcin, djoedjoer, hantaran,
(naar het
plechtig overvoeren zoo genoemd), ma-
har,
Ar., zie huwelüksgift.
bruidsdagen, hari kiricin; de — vieren,
hXrdjaga-djaga, b.v. zij vierden veertig
dagen lang de —, empat poeloeh hari
laiuaiija orang birdjaga-djaga.
hruidskleeding. pakajun nBMÜM,
pakajan pênyaaten.
bruidskoets, draagzetcl voar eene
bruid, djompana, përarakan pXngauten.
bruidstooi, poeibadai, gerai.
bruikbaar, tXrpakai; niet —, tiada
\'■ /■/..\' \'.-■\'\'.
bruikleen; in — vragen of nemen,
mXnjanggam (van sanggam).
bruiloft, huwelijksfeest,pXktrdjaiht; een
—   hebben, bXrpï-nganten; lieden die
een — hebben, orang bapXuganfea;
wanneer begint Uwe Majesteit de —,
bita \'ïofwankoe nwtai pXkerdjaun.
hruiloftsdng, hari kawin.
bruiloftsfeest, pX-rdjamoi-an mampilai,
bruiloftsgast, orang dJXmpoctan ka-
pada pXrdjumoean mampilai.
bruin, meruh tonica; roodachtig —,
rossiï, Mm perang; licht — van
liuiiUkleur, hitui* ma-tis.
bruinachtig, rossig, peraag.
bruinieren, polijsten, mengorpam (van
onpaia), mei/ggi/ap; donkerder kleuren
van goud, door liet in een bad te bren-
gen, mXnjXpoeh (van sX\'paeh).
bruingeel, koening toewa.
bruintin ri;>;. Van het hoofll, fitmbofl
pi-raug; van de huidharen, bortoe pi-rang.
bruinrood, mitah toeau.
bruinsteen, mangaan, bat o? kaai.
bruinvisnh, ikan loemba-toemba, ikan
djoeloeng- djortoeng.
bruis, schuim, op den mond, harta.
bruisen der zee, bXrgalwa, ook van de
zonde; het — der tïolven, goemoerorh
omhak, goemoeroek gelomba.ig.
Zie ook
opborrelen en gebruis.
brulaap, üitcofko<,for\'k.
brullen, van een UyifiX^nXngaorm-aot-m.
—   van een leeuw, mXnikax (van ttkasf.
—, loeien, mtngangoe. Mal. — van
menschen, mXraofng-raomg.
brusk, opvlieirend. pXraHg-pXroe*.
brutaal, onbeschaLmd, sXdaudia, b.v.
een — gezicht, moeka selamba; een
brutale mond, moeloet rtimpocs. — ant-
woorden als men bestraft wordt, tjaug-
kang moetoet,
Mal. — van dieven, overal
aan het stelen zijn, ganas, ook van
wilde dieren. —, zooals jonge kippen,
djinafc, tam, b.v. toen waren de zee-
roovers zoo — als jonge kippen, pada.
ntaxa. ito-- pX-rompak saptrfi ttinik ha-
jam djiaakaja.
—, zie ook bij b\\j-
zonder.
buitel, krrbav; een halfvolwaascn —,
kXrbau méiijnma; witte —, albino —,
kXrbau balar. —, lomperd, orang koe-
rai/g adjar.
bulfelachtig, Ivrang adjar, sapX-rti
kXrbau,
builelkalf, o.iak kXrban.
bull\'elkoe, kXrbau belitta.
bui Telos, kXrbau djanian.
builï\'lshoren, taiidoek kXrbau.
buil\'elshuid, butlelsleder, ko.lif. kX-rbau.
—   in olie gebakken, kXrorpofj,:
buJlelvleescb, daging kXrbau; gedroogd
—, baloer kXrbau.
builelwnchter, bull\'elhoeder, gombala
kXrbau.
buiielwed, tvmpat kï-rbau bXrkorbang.
bulfelziekte, hoendoeng, Men.
bui, wind\\ lang, porpoct bajoe; allerlei
buien, met vnriubelen wind, pantja-
roebit.
De tijd dier buien, de zooge-
naamde kentering, moesim paiJja-rofba.
—  van regen en wind, hoedjan-riboH,
hoedjan-ang\'ui.
—, dondeibui, gom/on;
gotroeh.
—, luim, tingkah; bij buien,
nu en dan, tttkadattg~kadang.
-ocr page 150-
138
buidel — buikcordel.
buidel, beurs, pocud\'t-poendi. —, geld-
zak, kandi, kantoeng. —, gebankt of
gebreid beursje. rsdjott,—, puk, boeng-
korsan.
buidoldier; e. s. v. —, koetkoe*. Mal.
lmii;l >;l;ll\'. /il\' 1 • 11 i LI \':\\I 11 11.
builden. Hiervoor is geen al genieën
woord Voor de verschillende wijzen
van huigen wel. /ie de volgende voor-
beelden: ter narde —, met de hnnden
op den grond, mï .ijofttykarr (van jwh//-
toer); zich ter aaide —met het hoofd,
uit eerbied, surdjoed. Ar., onder het
maken van het huldelecken. lOtujPia-
buh ëoeéjoed;
met het hoofd —, toru-
doek;
uit schaamte, turndoi-k wmloe :
het hoofd —, opzettelijk, mPnomdork-
kan kapala:
op zij —, Hork; den nek
—, Mtuncniloi\'lf\'kaii fPvgknk; den nek
zijwaarts —, vnliwHan tehernja■; krom
—, een gebogen vorm ann iets geven.
.éieiiiliïti/ork; eene buiging met het
bovenlijf maken, b.v. om iets te onl-
wijken, inPngPli-k (van kPtck); zieh tel-
kens — en weder oprichten, zoonis hij
het godsd. zingen der Mohammedanen,
ornggaf, ook op en neder — van een
zwiepende stok in het water; naar be-
neden —, zooals b.v. de bladeren van
palmen, Kim; zoonis wilgentakken,
loaglai; een tak naar zich tue- of
nedorbnigen, mtfiMai; zich sterk nchter-
ovcr of zijdelings — van een boom.
een danseres enz. lajali, schijnt evenzoo
goed voorover — te beteekenen, b.v.
van riet door den wind, een mensch
door ouderdom-, zich achterover —,
bPriudjong: zich over eene zijde —,
ciugit — van een boom of takje, tuï-m\'
bPntaer;
door —, van een boog, balk,
mast enz., IPntoi-r, mPlentoi-r; in ver-
schillende richting iets —, zooals
sehecpsplankcn, schroef bladen vaneene
stoomboot, plaat ijzer voor stoomketels
enz. tnêmiat (van pint); iets ann het
eone einde naar boven —, iiiïndjïrong-
kitkan
(van djProngk\'is, aan het eene
einde naar boven gebogen); golvend
heen en weder —, zooals riet of graan
door den wind, s\'jahdujah; krom ge-
bogen, brngkok; op verschillende wijze,
bengkaag-bengkok; gebogen, btaykong;
vol bochten en krommingen, b.v. van
een wan], bfngkang-bPugkong ,■ de knieën
—, bPrliput loetaet. Zie ook knielen,
tig. voor aanbidden, iiitnjPwbaJi (van
sPmbaJi\\, iiiPnjembah-sordjoed; den hal-
—, mPlfntoi\'kka» leiêT; overhellend —.
zoonis een muur, boom enz., fje.adï-
roiiif;
zooals een schouder, tengel \\ iels
recht —, taPiiibPtiudkan. —, zie bui-
tïiilij en u.-.i.-i-l .uivcii.
buitrijaser, bfsï pPudjPpif.
buijjin;», van hel lichaam hij het gebed,
doorgaans bestaande in hoofd-en knie —,
raktlt. Ar., ook gebruikt als hnlptcl-
woord voor het aantal gebeden, b.v.
twee gebeden doen, t» utbahjang doeiro
rakiit:
halfcirkelvormige —. gelorug:
boogvormige — - èWaëny, lemgkoemg;
niet zulk eene — omgeven, b.v. een
doek oui den huls, w\'iitnlonuj .■ klip-
pen om een haven, mPlragkvrng; door
klippen omgeven zijn, dUeagkomg ka-
rang;
met eene — uitnoodigen tot
spel of dans enz., angkap; elknndcr
aldus buigende uhnoodigen. bPraagkap-
angl:njuni.
— in de grammatica door
deelinalic of conjugatie, san//, Ar.
bui&tnng, nijptang, kakatorira, pP»-
djlpU,
buigzaam, slap. teeder, IP.mboet-; een
—  gemoed, hali IPiaboet. —, taai, lémah-
Hjat.
—. zooals wilgentakken, loaglai.
—   van een boom, Injn/t. —, tenger,
pojiwli, \\\\ . Suin.—, kneedbaar, IPmbt-k.
—, zie ook lenie.
buik, hel lichnam&dccl, pProrl, ook van
andere voorwerpen. Ook //V/w, alleen
in de uitdrukking mandi tiau, het buik-
baden, eene plechtigheid op de helft
der eerste zwangerschap, b.v. malu
dikPrdjakaapja baginda mandi tiau
i!;,tgn,t saperthija,
de Vorst maakte
toebcreidsclen voor het buikbad geheel
naar belmoren. —, dikbuik, pïroet bPtar,
gPfido\'-f.
— van een vaartuig, hadan
kopal, bodem pPralw.
—, gezwollen-
hcid van een zeil, V&mbomgtm tajar;
een dikke —, zwanger, pProH bPsar,
bosnting;
den — dienen, niPtrit-lihara-
kan përoet;
twee banden op één —,
mifakat, satoe haii.
buik band, taii benattg; gevlochten—.
soms van gouddraad, die op het bloote
lijf gedragen wordt, kPndit, kedit.
voor eene vrouw na de bevalling in
plaats van ons sluitlaken, bï-bat. —.
witte ring om het lijf van vee, b.v.
van geiten, Itvbat, voor ons lakenvelsch-
—, kumar, Perz.
buiktfordel, iknt phiggang. —, waar-
-ocr page 151-
189
buikholte — buitenreede.
aan een metalen buikplnat is bevestigd,
taii pï-nding.
buikholte, ro-tgga pï-roet, gïronggaog
pïroet.
buikig, bï\'rpïroet, berpïroef bïsar.
buikloop, tjeret. — hebben, mï-ntjeret,
buikmanien. keremi.
Imikontlnstinsr, tjahor; middel om —
te bevorderen, pïnfjohnr.
buikpijn, moelos pïroet, ook poelos
pïroet, takii pïroet; hevige —, bito
pïroet.
buikpluat van metaal, die ann een cein-
tiiur wordt gedragen, pïttditig,
huikriem, van een mensch, ikat ping-
gang. — met katsrhelpen bezet, ikot
finggtmg (muloer hatoengdioioettg; van
een trekbeest, buiksingel, tolt pïroet,
embtiii,
huiksiiüdin™, kramp in \'t lijf, moelos
i nul. -| lire. aerat pïngïtoel.
buikvin, strip pïroet.
huikvlies, sïlopoef pïroet.
l .ui 1. v ii 111 ),.•-., pïtigixi. pï-roet,
huik waterzucht, pïnjokit Uoesoeng.
buikworm, tjatjing, tjatjiiig pï-roet.
huikzickte, sakit pï-roet, biso pïroet.
huikzuiverend middel, pïotjn/ior.
buil. gezwel, bïngkak; van een slag of
stout, biutjoet, b.v. hij sloec brui met
een hout een buil op zijn hoofd, bintjoet
kopolonja. dipoekoelttjo dïogon kajoe.
buil, bakkerszeef, pïnjïrkoi.
builen, zeven, mïiijïrkai (van sïrkoi).
bui», het klredincstuk, zie naadje.
huis, gooi tot leiding van vloeistoffen,
.loloeran (van oloer. geul). —, pijpje,
hoelorh-boetoeh. —, pijp tot leiding van
vlocistotl\'en, tjorong, mjmtjotomg. —,
buisje, kokeitje, pïlï/iiig, ook een bam-
boezen kokertje om bij hel weven het
garen van den tweeden haspel op te
vrinden. —, zie ook koker.
bult, rampasau ; oorloga—, djaraban.
—, verkregen door om \'t hardst met
elkander naar iets te grabbelen, rïboe~
tan.
—, op ICO, fOmBa&M; OP — varen,
iiiïroiitpok. Iemand die op — vaart,
pïrnmpak. --gemaakte goederen (inden
krijg) harta tafona.t.
buitelen; over den kop —, ioeiiggmtg-
longgong,
b.v. toenggaogdanggottg djo-
toh dolam ft ut bah Hoe,
— en vellen
in ravijnen. —. zie ook duikelen.
buiten, iooven, mïrampas, inïndjarah,
mïndjanth-rojah, inïrïbott, mtrOMfufr.
/ie het onderscheid hij bult.
buiten. Hij»", en Voorz., loeo-ar, diloeienr;
naar —, kmtoexmr; ook nnar — traan:
van —, do,i toeu-ar — \'s huis, diloe-
wor roi-mah;
wat er — is, ioneartm,
knloeirnra.t,
b.v. zaken die er — liggen,
er niets mede te maken hebben. p>-r-
koro jong kaloetraron
,■ naar — bren-
gen, métigoloetcorkan, inïudion-a ktdoe<
e-ar.
— in tegenoverstelling met in de
stad, didoexoen. — de overeen kom*!,
(ti/oiintr ilji/iitlji; van - leeren. meng-
hupolkit,!
(van het Ar. (mfol, van buiten
kennen ; zich — eenr zaak houden,
inïndjaoehkan diri.ija dorijiodo, tïodo
bïrtjompoer dïiigan.
— gaats, thloetco,\'
moeworo.
— kennis, in zwijm, tiadi>
ehabor oknii dirioja, pittgson. moertja.
— iets kunnen, het niet noodiu heb-
ben, tittda bërhodjol, fiodo patat.
zijne schuld, fiodo dïngott xolnliuja.
buitendeur, pintoe lueicor.
buitendien, loin (tori podo, iloe, më-
loinkon.
—, bovendien, logi, logt poelo.
buitengewoon, t\'rtoloe outof, boekoo
borong, boekott kopnlnng, tindu koputuog.
tioeknii /lorimfoti,
b v. zijne domheid is
—, bodohnju boekttn boen-ofou; soms
ook boekon olo/t-(dali.—.veel meer dan
gebruikelijk, tfrlampno daripoda ödot.
buitenhoek van het oog, ekoer uiato.
buitenkans, oentoeog jang diloeirnr
kira-kiro, oentoetig jong tiada disoogko :
een buitenkansje hebben of krijgen, in
den handel, tirximboer.
buitenkant, sobïtoh lottcar. Ook alleen
ÜMMV,
buiti-nkluiverzeil, folandjib.
buitenland, nïgnri asing.
buitenlander, vrtmg oxing, iwaog l/ïlot,
urnng lo\'i/i vïgari, orartg dagong.
/ie
vreemdeling;.
buiteulandneh, dort lain negori.
buitenlucht, hawo ja.ig diloewor.
Imitenmnn, oroug doesoen.
buitenmute, ferluloe aniot, diloevso,-
buitenmuur, teadiok diloewor, van
eene vesting, deicalo.
buitenplaats, tomou, keboa, duesoeo,
buitenpost, zie voorpost,
buitenrat\'d, tï\'pi joog diloewor; utt-
stekende —, btrai,
buitenreede, peloboehon jaog diloerar
xakali.
-ocr page 152-
140
buitenshuift — burger.
eeniging met yoempita, b s.yPgap-goeui-
pita, yPyak-i/aempita.
—, dreunen van
geschut, hvrdtntuem. — vun vuur, ge-
schut, storui, wutcr, menderoe, berde-
roem, berdtngoeiitj, goea/oeroe/t.
bulken van karbouwen of buffels, mï•
ngoeteak
ivan oetcak).
bult, eellbult door het dragen op nek
of Behouden, ook — van een kameel
of bultos, poeaaek:— up het voorhoofd
van een olifant, koemba, Skr, — van
een kameel, bultos enz. ook ktlasa,
boaykol.
—, uitwas van een boom,
bimgknl, soms Inmgyol, zie ook uitwas.
—   van een mensch, boagkok.
bultenaar, sibovgkok.
bultje, puïltje, binfat, b.v toeboehaja
btvtat-bintat dimakaa ujat/iok-,
zijn
lichaam was vol bultjes, gesloken door
de muggen, ouk blnttl; zich als een
—   voordoen, een — vormen, mtméintil.
bultig, van een dier, bërpuenoek, bïr-
koftoba/i, berbonykol.
—, dik van het
voorhoofd, djïadtil, ook van een juweel
niet zuiver glad geslepen.
bultos, limhoe poenoek.
bultzak, matras, Ulam, kasorr, Hat.
bundel, ikat, hér kas, gtloengtbtbaii, h.v.
een — rijst, sa\'ikaf j,adi; een — rot-
tingriet, rotan togtloeng; een — brand-
hout, kajoe api sabïrkus; een — pieken,
Iviabak sabi-ban, ook saranykap. —,
pak, boenykoes, pakje, boeiiykwxan, b.v.
een — klecren, pakajaa siibtieagkues;
ecu bundeltje \\a[t[n\'ti. kaia-kaïn •labüeny
koesan.
—, samen geknoopt pakje of in
een doek geknoopte dingen, èoemfU,
Jav. —, tros, bos, djaras; tot zulk
een — maken, taindjaras.—, tros van
champignons en deig. tjeraagya.fi. —,
zie ook bij kwavt.
bunder, paaf/ar, op Java ba/toe, Jav.
NB. Een — landi beeft enne lengte
van luo en een breedte van il) roeden
en wordt verdeeld in 5 petak; of vak-
ken, elk vnn :.M) roeden.
bungelen, heen en weder slingeren,
koat ul-ka at il.
bunxing, mnkm, d. 1. Cr. Mal. Beter
kuekors, b.v. saptrti kotkoe* jaag dida-
laui rimbm bawuja,
zijn stank is als de
— in het bosch.
burcht, kufa, boeroedj, Ar.
bureau, kantoor, kantor. — van de
Genie, kantor .i.pir iverb, van sappcur).
burger van eene stad, oraay ist nPyari.
buil t\'iisliiii-;, il\'doeicar. difoevar roe-
uiah;
hij eet —. \'ja nuikan ditoeirar.
buitensluiten; iemand vu een getol*
schap —, mhiijQtdj\'d (van koetj il, uit*
geglipt)
buitensluiting* j" •igoitjilaa.
buitensporig, tirlaloe a,nat. ferlalor
sanyat, tllaadjoer, tfrl-ampau. Ken —
gedrag, kalakiteua jaag tttandjoer. —,
verkwistend, pXiaboros; een — mensch,
o.a.iij prut/toros.
1 mitfiiwpron*i» salah tam/ka/i, salah
lo„v„t.
buitenste, jaiiy diloetrar sakali.
duisternis, slikdonker, yèlap-yoeUta.
buitenstikls, pmla laasa jany ttada.
featoe.
buitenstooi en. /ie buitensluiten.
luiit tiiwaarls, kalueicar. — hellend,
tjoaduny kaloetCttr.
buitenwacht, ppayawal diloeicar; zie
voorpost*
Uuitenwerh, van eene vesting, benteay
loemor.
buitenzijde, loetcar. taSjtak loetcar.
luiit er, zecroover, pPrumpak\', badjak-.iuw
bukken; zich —, alleen tuet het hoofd
en soms ouk met het bovenlijf, tooit-
dnek\', ook in de beteckeuis vim zich
onderworpen; voorover gebukt met hei
bun ld naar heneden, lonyyeny ; ietn.
zoo doen —, lataoayijeaykaa; voorover
— met de handen op den grond, mën-
djïrouykony; gehukt in dien zin, djï-
roaykoay; voorover —. uict de handen
op de knieën gehukt gaan, om ergens
onder door te komen, ■rJrweyfrgft. —
met het achterste of stuitje naar boven
gericht, foayyiuy, laïnonyyiny, djïny-
kiny. nu mijt nykiay. —. op de hurken
zitten, taendjoi>gkokr; achter iets—.om
zich te verschuilen, taenyendap (van
Padap). —, het onderspit delven, ttteas;
gehukt voortgaan, zounis oude lieden,
of gehukt voorbijgaan uit eerbied, uiïmj\'
oayyok; gebukt onder den last der
jaren, laja// stlmb atmoernja; doen ■—,
onderwerpen, mtaoendoekkan; cijnshanr
maken, unaalokkaa (van fiitok; Ar.).
buk*, korte snaphaan, tï-rkoef, setiapany
lerkoel; een getrokken —, terkuel b(r-
aloer.
bul* stier, temboe tljantan.
bul* gezegeld schriftelijk bewijs, van de
hoogesc hooi, soerat m•■ttrai madrasah.
bulderen, y*yak\\ gPyap. Meestal in vei-
-ocr page 153-
— ceder.
UI
burgerij
Hik. Abd. van zulk een — voorzien.
daarin plaatsen, b.v. een brief of <re-
>chrift, Hiïayaudang.
cahier, van vijf ineens-schoven bladen
papier, koerra&at, Ar. De Maleier ge-
bruikl voor het enkelvoud meestal het
meervoud koerm».
caisson, kruitwagen,karrta obat mariain.
calcche, bendi.
(•iinipai\'ne. op een inlnndsch vaartuiir.
Iiorranilti. — , vrijstaande kajuit, mayor.i.
campecht-hout, kojoe sPpany.
canaille, gemeen Vol*, orang hina-dina.
canon, kanorn. Ar.
canoniek, kanorn. Ar. het kanonieke
recht, horkofia kanora.
cantillewerk van zilver, perok rrndo.
eantine, rormah sopt, ka/nar bola/i, verb.
earambolceren, mPnjamjiok (van som-
pok).
ciiravan»eraï, rormah i\'-akaf.
»;ar«iO, scheepslading, moricaton kapot.
u/O\'-i\'-ii/o// pProhoe.
earicatuur, gambar sindirao, gamba,\'
jiv/iyolok\'olok.
carton, kar/as djilid.
cimave, urbi.
cut*(|uc, kPtoj>ovg.
«M-.M\'iii\', jjttï turlts.
ea»tte, bongsa.
enstor en pollux, drtca kPntbar.
castreeren, mvngPbirikan (van ktbiri),
mPnyasiinkan (van kasim. Ar.).
cnauarlne, jiokok ïroe, jtokok \'■"\'*• Op
Java jiuhtui ijPmara; een soort van—,
welks binden in de geoecskunde woi-
licn gebruikt, welks vruchten gegeten
en van welks hout bootjes gemaakt
worden, jiohon iPntada.
cusmiriN, boerorng kasoeicari,
catalogus, daftar, Ar.
catapult, ajoenan pPtotdar bafor.
catechetischt dPngan soeical-djawiib,
bPrsorwal\'tljaa-db.
ciitt\'chiNiiiu», surrat soetcal-djaictib.
catechu, zie cachou,
catenorie, jianykol, bPhayian.
catheter, tjoratty; de — aanwenden,
masokkon tjorony,
causerie, pPrtjakapan,
cavaleriet, oraay kérkorda, orang bPr~
kanifanum.
eayenne-peper, lada jtPdas, lombok-
rairit, .Tav. tombofr-artau, Jav.
cedel, daftar, Ar. huurcedel, soerat seira.
ceder, ar;, Ar. pohon arttz.
— van eenc huven- of handelstnd, orang
llfUnhlt\'. ---, n jiü\'/rl ene, ll/Hlfr boPKtllt ;
vrije —, die uan geen dienstbnnrheid
onderworpen is, orang utardaheka,
l>ui*U«\'r\\j, sPgalo orang isi oPyari.
bus, voor thee, kruit enz. korpi, Skr.
—, otlerbtis, tahorny. Eigenlijk een stuk
Imruboc mei nnuwe spleet, gebruikt
voor spaarpot. — met een deksel, die
er geheel overheen iraat, zooals een
Kortbw, opinmbus enz., ab.
l>u*boom, sjamsatl, Pent.
Itiisliruit, ohat brdit.
lmshruitton, pijnt obaf btdil.
hus*el, zie hun.li-l.
but, doel. mmjffoetf, Ar.
buur, die in dezelfde buurt woont, orang
sakampoeng.
—, overbuur, orang mA-
lalt. —, die in dezelfde woning of op
hetzelfde vlot verblijf houdt en dus
van de écae gemeenschappelijke trap
gebruik maakt, orany satonyya, orany
tPtanyya.
buurman, zie buur.
buurpraatje,y;<V//<\'/y7/«ifl dPnyan oratiy
SokanlpOi\'ny.
buurnchnp, sPyala oraoy sokantpoeog.
huurt, wijk\', kmajiomy; de gansene —,
sPgala orang kamporny ; in de —.
dichtbij, dtkaf, hampir.
buurtbriefje. torrat kamporny.
buurtbeer, kopafo tampotug,
buurtzaah, pPrkara kamporng.
buurvrouw, jiirampoewao sakampoeng.
C\'.
cnbaat, rumoer, gadorh, horrot\'hara.
cabretleder, koelit kambing.
cabriolet, bendi.
cacao, tjoklat, verb. Ned. bofwah tjoklai.
caCBobootn, jxjkok tjoklat, jtohou l\'Jok fut.
eucaoboon, boncah tjoklat, hiilji tjoklat.
cachelot, ikatt paars.
cachet, zegel, mP.tPrai, f Jap, fjap kemjnt.
eaeheteeren, mPniPffraikan, mPmboe-
boi\'h mPtPrai, mPmborborh tjap.
eaebot, jtPndjara, koeroeng, jiosoenyan.
ciichou, gautbir.
cactus, opuotia magnifolia, waarop de
cochenille leeft, jiokok lidah badak,
jtokok lidah boewaja
,- eene soort van
kleine —, euphorbia nereifolia, daoeo
toedoe-toedoe.
cadaver, mail, bangkai.
cadre, lijst, omgeving, rand, kandany,
-ocr page 154-
142
cederhout — citaat.
cederhout, kajoe ara:.
ceilon, poetmm üttilaa, portan Selorng,
moetmm Sëriadib. eene verbuMering vim
het Skr. Sinkaia dwipa.
ceintuur, ikaf pinggaag, fati pending,
cellulair, bPrpetak-p<tak; cellulaire gc-
vangenis, ptadjara jaag btrpetak-petajr.
cement, pïrtkaf.
cent, ,!„, Gulden en T,\',i, Dollar, DM,
centenaar vim 100 katti of 126 Amst.
ponden, pikwl. Hij houdt In dubbele
ytnttinttj ui\' maten elk van 1U kali, ol\'
2u ammüma elk van 5 kali.
centraal, fïagn/i, ptrlinga/iaa, puesat.
centraalliewe<rïn», tmpoetüutm,
centrum, p>ifingahan, poesai.
ceremonie, otptUjarm, i-ifiadaf, Ar. p<-
mimi;
ceremoniën, die uien verricht
om bovennatuurlijke- kracht te krijgen,
poet/jaSn; dit- —en verrichten, Ht$möea$a.
ceremoniemeester, pï-mén-afah oepm
chrestomathie; bijna alle werken,
die eenc bloemlezing bevatten, dragen
den titel van borxga rampai, mengsel
van bloemen, bloemenuienirsel.
christeiyk, inamhi, Ar. het Christelijke
jaar, talmen masehi.
christen; een protestantsch —, orang
uiasrfyi;
een R. K. —, wang fêram.
orwmë mttfraai,
Ar. letterl. Xuzareensch.
Onder wang xirani worden meestal de
afstammelingen der 1\'ortugcezen ver-
staan. — worden, utasoek matrhi, mm*
ioek -y ,"/ii.
christendom, stgata orang masehi,
xigala orang xïrani.
chriNtenleeruar, pandita masefó^ptia-
ditti feraat, juidri mtLSrhi, pat/ri strafti.
christus. attnasih, Ar. Jezus —, Isa
aluiasih.
chronologie, ilmoé iawarici, Ar.
chronometer, arlodji kapal.
chrysoliet, zahardjad, \\r. Jiroez, Per*.
cijjaar, sérottoe, tjwoetoi\'.
oitfarette; de inlandsche —.bestaande
uit zeer lijn gekorven tabak, gewikkeld
in blad van den watcipalm, den ba-
naun ot\' de maisplaut, i\'okofc. Zulke
cigaretlen rooken, nifrokuk-,
cijfer, aagka. Het — twee, angka doewa,
eyleren enz. Zie rekenen.
cytermachine, rekenraaui, sipoea-a,
Chin.
cy f er schrift, sorrafau rahasia dvtigan
angka.
cütiM, belasting, tol, beja, fjuekai. —,
die door onderworpenen, ten underge-
brachtcn, moet betaald worden, wpvti.
—  bet uien, mïuabajar b/ja, laembajar
ijoekai.
—, schutting betalen, mï-iaba-
jar oepitt.
rjjnsbaar, onderworpen, ffklok-, Ar. —
maken, utPmèejakaa, mtatilokkau, h.v.
mï\'iabijakan dueaia iai, deze wereld
—  maken.
cipier, fbtoemmgoe pïadjara, nipir, veib.
cirkel, bot/at, da\'irak, Ar.; halve —,
lengkorng. —, perk voor hanegevech-
teu, kali;igko,igt gélanggaag.
cirkelmiddeli>unt, poesat boelat.
cirkel 1>ooj», buesoer.
eirhelvormist tengkeeng.
ciseleeren, aiïnatahkan (van tatah);
geciseleerd met, bï-rtatahkaa, b v. ge-
ciseleeid met juweelen, paarlen en robij-
ncn, bïrtatahkan ralna iaoetoe manikam.
citaat, puengottan, seboetan.
86
tjara; ïn do balairueng. ptngkotioe ba/ai.
een-H: hiervoor de godin der rijstvelden,
demi Stri, njai Seri, Bat.
certificaat, soera/ kateraagaa, soerat
Uindtt.
chatfrin, dwka-tjita, kadwkaaa.
chaiK, b\'-adi.
i\'liiddeeuwscb, ka&dim.
chn mi >i.\'.•.non. tjï-adawnn.
chanker, mmta kan, rèMtoeng kol/t.
chaos, tjtintporr-baoer.
charjje, met de Btormpu, gOora, vdW.
charmes d\'aiiaire», ivakil, Ar.
chaussei\', djatnii raja.
chef\', kapala, pitigJioeloe, ptngaudjuer ;
iemand» chef, superieur, hoofd, oraaa
üêtamja.
chemie, itlutoé\'Ikituija, Ar.
cherubynen, keroeUoen, Ar.
chiiuia*tipi>t\'l, t/jtroi\'k laanis, tij trut1 ir
fjitia, luuau tuanis, liman tjina.
chinees, wang tjina; een echte of pal
uit China aangekomen —, tjina siny-
kef); een — van 1\'oekïan, orany fjiaa
llukijau; een — van Amoi, uruug fjiaa
Ëmtoi, een — van Kwnntong, waag
fjiaa aai.
chineesch, tjina; chineesebe .spijzen,
makauan fjiaa.
chirurgijn, tabib, Ar. — tevens bar-
hiei\', haifjaia, hadjint, Ar.
chocolade, fjokPtat, ka/iica/t-fjcbtna\'a,
letterl. Hollandsche kutfiie.
cholera, de — niorbus, ptnjakU fa-7»,
Ar. sakit kotera.
-ocr page 155-
|«|
citadel — compagnon.
kaa ; tot—hebben, bPrkulomgkan, b.v.
een ketting lot — hebben, bPrkatuevg-
kitu raulai.
colonne, geordende troep, amba/an,
,:\'■-..■\'■■■■;
bij colonnes, iÜrmmêmt
ambo tan.
colossaal, bisar sakali, ofmbang sakali.
comedie, Kuropeescbe schouwburg, ku-
Mi\'di;
( hineesehe —, wajattg fjiaa ;
Inlandsche — op Java, trajang.
spelen, biimaiu icajaag. Ken soort \\011
Mnlcisch comedievpel is de mtïjoevg.
I Ie troep, die het speelt, bestaat uil
zes en meer personen, die den inhuud
der oude Hikujat» aanschouwelijk vuoi-
dragen onder begeleiding derMalehcoc
muziek. De beide hoofd pe sonen zijn
eene actrice, die ma*jotmg, en een acteur,
die pn\'joiiiij genoemd wordt.
comfort, gemak, weelde, n\'unat. Ar.
comielr, grappenmaker bij het tooneel-
spel, alaualnn, badort, Jav.
comiNch, djitnikit
oom mandaat, koantndatt.
commandeertm, mTmfrrntmêtn (van
pP rent ah). — zoouJs een olticier, bPr-
tareak mPajoerottfi.
commandemeut, pPntPtfntalutit,
commandeur, ktmïndoer.
commando, pï-rrnfah.
comme il tuut, dtngan sapPrliitja.
commeiiHaal, OTCtog miitoi-mpang.
commentaar, taftir, Ar.
commlesi ambtenaar, kom.it.
eommittHarin, toitran komisaris;
Oenoraal, tonoam komisaris djinéêrmt.
— van politie, Ua-wan si-kot, mtriajo.
Port.
commissie, kvmisi, polmak; goederen
in —, samboctan dagaiigan.
committeeren, uiiwakilkau; een gc-
committeerdc, irakil, Ar.
communicatie, mededeel ing, pvuibX-n-
Uüioemt,
compact, luainpat. —, in een klomp,
k\'tpat.
compagnie, de O. I. —,iompini II o-
landa. — van krijgsvolk, katuriaborknu
(vnn tontipoi\'k), pasuikan; bij coiu-
pagnien, birpastu-kpasot\'k, bïrtoempt»l-
torinpork. —. hundclsverecniging,/-ow//jr/.
—, maatschappij, pïrsakoetuean.
compagnieschap,
        pïrtakoetoeau,
kongsi, (\'hin. sjan-kaf, Ar. pesrroan,
op Java.
compngnon, ireldclijk deelnemer. *"-
citadel, bi-ateag.
citatie, dagvaarding, sita, verb.; schrif-
telijke —, toermt sita.
citeeren, mtajrbart; ireciteerd, tertebuet.
citer, krtjapi; op de — spelen, Itfrmdtn
kïtjapi, brrkrtjapi; op de — tokkelen,
mvmétik kftjnpi (van pïdik\\.
cito, sabfnfar djofga, dtngau sigeraha,
ptula sasaiit Hoe djoega.
citroen» t/jrrvk axam, djtrork bati.
iuaau IMM, liman balt, limau karbai\'.
djtrork ttwemia; als een — aitgekno-
pen
en weggeworpen, terpPrah-pitjali
citroenboom, pokok limau hm,
citrocn<rrn»<( nndropoiron sehoenantu*.
srrai; eene soort * an ieet hoog —,
gïrai gadjah; eene andere soort van—,
xi\'rtii tëoei\'. Sum.
citroensap, ojtii\' djï-roek mm,
citroenschil, kurht d/enn-k MMtm.
eitroenzuur, itsam liman.
civet, kaxtosri, d/Pbat, zabad, Perz.
civet kat, moétattff djlhat. Op Java roti;
eene soort van ■—, tinagalorng. —, zie
ook musltus.
clairvoyant, zie held e rziend.
darinet; eene soort van —, sPrortmi,
Perz. morri (Perz. kleine fluit).
clown, iiInii-alnu. Op Java badort, Jav.
club, pif/iiiiipiinnn, prkoriapoelaa.
cochenille, koseail, verb.
cochinchina, korf/i, tnyari korlji,
cocon. v. e. zijdewnrin, indoeng toeféra.
code, loerat /wrkorai, kifab /roi\'koi\'/ti,
toerat hwkornt oi-adang-oeadaag.
codicil, nieuwe bepaling van een con-
traet ot\' testament, semntau, namelijk
in de buteekenis van iets, dat er Mn
vattgeapeld of gestoken is.—, aanhang*
iel, bijvoegsel, tambahau, horbontgan;
al» — er aangehecht, terstond.
eojinnc. brrudi, verb. Kng.
\'\'iii.\',iiiiv>nm\'ui.j - at niuei\':attin kopal.
collntionnecren, uiï-vxubkaH (vansab,
Ar. in orde}, — met, iata/bandit/gkan
dïagan. Ook ii" indik (van talikf.
collecte, pïkoempoehiii dïriita, poengue-
tiiu dïrma.
collectceren, wïtigoempoelkan dvriaa,
mi\'mum gort dPrma,
collega, sa ma pPkirdjaiia, sadordufk,
!■■■—
collier, kafaevg, lalt le/trr; een — van
zeven snoeren, tali lnht-r toedjorli pittig-
kat:
een ■— ombebben, berkalotitg;
iemand een — omdoen, mPugalomg-
-ocr page 156-
m
comparant — cultiveeren.
mortal, sjitrik, Ar. rakanan, pï-srro, op
Java. —. medelid, sakortof.
compiiriint, orany mPnyhartap, oratiy
jtintj huirtlir.
oompareeren, pPryi mPnyhartap, rta-
tatty mPnyhartup; comparcerend, mPny~
hartnp, hirtlir, Ar.
competentie, yPyotignn.
compilatie, pï.iyoHtpau (van knrtip).
compilator, ppnyoi\'tip.
compleet, Uuiykup, yPimp.
completecren, mPlunykiipkan, wPiig-
atnapkan.
compliment, tahrk; due mijne com-
plimentcn, mmpëihnfaA fahrk sPhaja;
veel —en ot\' verontschuldigingen ma-
ken, hfitijttk pei\'awis; verzeld vnn zeer
vele complimenten, ttisPrtuLan bPbPrapu
tabfk httijÜoe bat/jak.
componeeren, inPnyaranij (van karany^.
compositie. meng>el van vijl\' verschil-
lende inetalen, pantju/oyam (Sier. putt-
tjatoiut,
id.t.
oompote, MMW bo<i>ohbortrah,
compres, buroi\'t, b.v. laloe rtibPtmtnjit,
rtibaroftvjit lofkatija ifor,
vervolgens
zwachtelde hij en legde eompressen o|)
zijne wond: koude — op het hoofd,
rt/arom. liet hootd met zulke compres-
sen afkoelen, mPiirtjartu». —, dieht
ineen, rapat.
compttint, tnniiai. — betalen, mPmbajor
toenai, fimbany tornai.
— geld, oetcany
tortmi, snhiil,
Ar.
concept, ontwerp, ru,ty.
concessie, irtzh\'. Ar.
condemneeren, ?nixyhoikoemkan.
conditie, beding, voorwaarde, sjort, Ar.;
met — dat..... rtvmjan sjarfvja hPn-
rtukliih
.. .. —. toestand, htil, Ar.
conducteur, conductor, geleider, pPuy-
ha.nUir, pP//ibatca.
conflHfiueeren, mPrampas; geconfis-
queerd, rtirampas.
conlituren, manis\'inanisan, fyahca, Ar.
conibrm, satoertjoe.
confrnter, kar-an, tPmati, taulan.
conironteeren, mPmbanrt\'inykan, mY-
pjamo\'-kaka» (vnn san/orka, van een
voorkomen), ook aangezicht tegenover
nnngc;:icht stellen.
confuus, verbouwereerd, pikau,yamam,
biuyorny,
Jav.
consent, /c/_-i», Ar. permisi.
consentbiljet, sorrat irtzin, totrat pfr-
mist\'.
consenteeren, mPi/yirtrinkan, mPlos-
loetkitH, kasih pttrmüi.
constitutie, natuurlijke aard, fnbiüt.
Ar. fabitit totbarh,
constructie, woordschikking, p^rator.
ra» pïrkutaiin.
coii**ul, kunxol, tci\'kïf, Ar.
eontraet, pPirtjamljian; schriftelijk—,
sm-ral pi-riljmirtjian.
contributie, zie schattint*,
controleeren, inPiutifiituhkan, mP.m-
bPlai niet te — zijn, liarta IPrbPla.
controleur, ktmtïrfir.
oopie, voor den zetter, toehtrta,» fjap.
«•o<iiiil, de coquetlc spelen, mPnyPnakfin
yaja.
cornnc, pairaiig yartja/i, yombata yartjali.
corpus delicti, tji\'ta boekli, Skr,,
ixnrtit b\'ili,
correspondeeren, berkirim toornt.
eorrijjeeren, luïuibPfoirtkan saiahnju;
drukproeven —, mPmbnïhi tochtdan tjap,
cornet, pvnijnuipof sorsot, koetany.
«■orypheën, ah/i. Ar. b.v. ahli pektr-
rtjaïiit ifnf, de corypheën op dat gebied.
couriuii, nieuwsblad, sorrat chabar,
advertentieblod, swrat h-tany.
couvert, vnn een hv\\ei,strfoetatt,saniporJ.
t-rntes, slbmiijkok
creatuur, kartjadinn.
crediet, hoirtauy, koopwaren op — ne-
men, mviijai.iburt rtnymiya.i; koopwaren
op — geven, mPmbPri samboetuti rtti-
yanyau; levensmiddelen op — nemen,
makan Imliin-tiintj; een geopend —, of
gelden die men ten behoeve van iemand
hij een ander deponeert, hoealtüi, Ar.:
op — koopen, bï-li hoetany.
crisis, het beslissende oogenhlik hij eenc
ziekte of een nakend gevaar, kemeloft.
gunstige —, kPmPloff tverorn; ongun-
stlge —, kP/itP/off na\'ik.
criticus, vilter, die op alles let, pP-
nijPtjam.
critieli, prvyPtjaman.
critiseeren. i\'iPnyPtjamka.i.
croesus, de rijke man hij uitnemendheid.
Hiervoor hebben de Maleiers, Karoeu,
den Korach des Bijhels, volgens hen
de bewaarder van groote schatten,
eroriuant, knappend, yariny.
croton, ailalartal.
croup, pPvjakit boeloeh-boelaeh.
cruciilx, tanrta salib.
cubebe-peper, zie staartpeper.
cultiveeren* -niPmbPla.
-ocr page 157-
cultures — daardoor.                                         145
zoo rijk zijn, hoeveel te meer dan de
Heer aller werelden, sëlang hambanja
lagi dëmikian kakajaiun ja, djika Toe-
han sërwa sakalian Ulam bërapa lagi.
daaraan, pada /toe, padanja, dengan
itoe.
— vastgebonden, tërlambat pada-
t/ja;
mij is veel — gelegen, perkara
itoe bësarlah kapadakoe.
— hob ik ge-
noeg, tjoekoeplah ija-itoe kapadakoe.
—  moet gij trachten genoeg te hebben,
hëndaktah ëngkau mëntjoekoepkau dë-
ngan dia;
wat hebt gij —, apa goe-
nanja kapadamoe..
— blijkt het dat hij
wel verraad wil plegen, daripada itoe
njatalah ija hendak beloet djoega.

is niets gelegen, tiada apa-apa, tiada
mëngapa, satoe pon tiada goenanja.

ontbreekt nog veel, lagi koerang banjak.
daarachter, dibëlakang itoe, dibalik
itoe.
— schuilt iets, ada djoega raha-
sianja.
— zaten al de hofjuffers, dibe-
lakang itoe doedoeklah segala dajang-
dajang.
— de kaap zeilden twee vaar-
tuigen, dibalik tandjoeng itoe ada ber-
lajar doetca boewa/i pïrahoe.
daaraf, dari atas itoe.
daarbeneden, dibaieah itoe.
daarbenevens, sërta dengan itoe.
: daarbü, nabij dit of dat, dekat itoe,
dëkaf sitoe, disitoe, hampir itoe;
vlak
—, dekat sakali dengan itoe, hampir
sakali dhigan itoe;
hij was ook —,
ija pon adatah sërta; het kan — niet
blijven, ta\'bolih tinggal bagitoe; ik blijf
—, tëlaplah akoe atas përkara itoe.
—    komt dat...., tambahan porla
maka
.... — blijft het, tëntoelah bagi-
loe.;
reken nog 100 gulden —, tam-
bahkan poela saratoes roephah.
—, zie
ook daarenboven.
daarbinnen, dtdalam, didalam itoe,
didalamuja.
daarboven, di-atas, di-alas itoe, dr-
atasnja;
niets gaat —, satoe pon tiada
mëlèbehi dia;
God —, Toehan Allah
jang disorga.
daarbuiten» diloewar, diloewar itoe,
diloewarnja.
— staat hij, diloewar ija
bërdiri;
gij moet — blijven, er u niet
mede bemoeien, djangan ëngkau bër-
tjampoer dengan përkara itoe.
\\
daardoor, door dit of dat, olih itoe,
olih sëbab itoe, olihnja.
—, door deze
of gene plaats, lëroes daripada itoe,
lëroes daripadanja,
ook alleen dari-
\' pada;
ga niet —, djangan hërdjalan
cultures, tanam-tanaman.
cultuur, veldbunw, peroesakaan tanah.
curateele, walijat, Ar.
curator, watit Ar.
cureeren, mvngobati, mënjëmboehkan
(van semboeh).
curieus, adja\'ib, Ar. grarib, Ar.
curiositeit, nadirat, Ar. tamasja.
cursief, loopend schrift, soeratan bër-
pangkoe.
cylinder, boelat torak; holle — niet
gaten voor het penen van do laksa ot\'
Indische verniicellie, këbok.
cylindervormifi, boelat torak, pan-
djang boelat.
Uit laatste niet te ver-
wanen inet boelat pandjang, ovaal.
cypres, saroe, Ar.
U>.
daad, handeling, përboewatau. —, ver-
richting, werk, pëkërdjaan, fiat. Ar.
meerv. faal; op heeter— betrappen,
mendapati, b.v. hij betrapte hem op
heeter—, terwijl hij nog aan het stelen
was, didapatinja akandia lagi datum
Htenljoeri;
op heeter— betrapt worden,
kadapatau; niet raad en — bijstaan,
membaiitoe dengan bitjara sërta dengan
perboetcatan.
daags, sahari; een gulden —, sahari
saloe rocpijah.
— te voren, kalamarinnja,
sahari sabëlom.
— daaraan, of daarna,
kaesokan harinja; des —, pada slang
hari
; driemaal —, liga kali pada sahari.
daassch, sahari\'hari, b.v. daagsche
kleeding, pakajan sahari-hari; daagsche
kost, makanan sahari-hari, Zie alle-
daagsrh, en daselüksch.
daar, van het naderbij zijnde, sitoe,
disitoe.
—, van het verder verwijderde,
sana, disana; hier en —, sana-sini;
van —, dari sitoe, dari sana. —, neem
dit aan, nah, ambillah ini. — hebt gij
het, nah, iloelah dia.
daar, dewijl, sëdang, tëgal, sëlang, sê-
dangkan, sëlangkan,
b.v. — de gescha-
penen reeds zoo zijn, hoeveel te meer
die ze schiep, sëdang didjadikan lagi
sakian, jang mëndjadikan bërapa lagi;
daar hij ziek is, gaat hij zelden uit,
tëgal tja sakit djarang ija kaloeicar
dari roemah.
— de goeden reeds zoo
zijn, hoeveel te meer de slechten, se-
daiigkan jang ba\'ik lagi bagini apa lagi
jang djahattija.
— zijne dienaren reeds
10
-ocr page 158-
1 10                                   daarenboven
tëroes; hij ging — (b.v. door de ge- I
noemde poort), maka ija bërdjalan
daripadanja.
— zult gij in uwen ban- i
del slagen, maka olih sëbab Uot akan
Wfoentoeng pJmiagmSmmoe.
— zijt gij
zoo rijk geworden, olih itoelah ëngkau
soedah mëndjadi kaja bagini.
daarenboven, daarbij, bovendien, lagi,
dan lagi, lagi pon, lagi poela, lamba- ,
han laai, tambahan poela, di-atas itoe,
sapërkara lagi, sabagi lagi,
al naar-
mate van den meerderen of minderen
nadruk en het zinverband; ook malar. I
daarentegen, la\'in daripada ito--, më-
lainkan, akan tetapi, hanja,
ook dëngan
of pada baliknja. — is Java een groot
eiland, la\'in daripada itoe tanah Djawa
itoe poelau bësar adanja
; zij namen de
moeite niet om hunne kinderen te on-
derwijzen, zij lieten ze — aan hun lot
over, tiada di-oesahakannja mëngadjar \\
anak\'anaknja, mt-lainkan dibiarkannja
:
djoega; hij is wel kundig, — zeer ver-
waand, pandai djoega ija, akan tëtapi i
sombongnja sangat; allen kwamen, hij |
— niet, samoewanja ifatang, hanja ija \\
tidak,
daarheen, kasitoe, kasana; wij willen .
—, kami Këndak kasana.
daarin, didalam itoe, didalamuja. — !
is niemand, sa\'orang pon tiada dida-
lam itoe.
— is niets meer, saloe pon
tiada lagi dtdalamnja;
dat ib ook —
begrepen, itoelah tërmasoek djoega. —,
in het aantal, begrepen, masok bila-
ngau. — stemde ik toe, koeloeloeskan ,
itoe, koeridlakan itoe.
daarlaten, mëuibiarkan,- daargelaten,
biar, kendali, b.v. — dat hij ondeu-
gend is, ik houd toch van hem, hij ar
\'tja nakal, akoe soeka djoega akandia;
daargelaten dat hij ziek is, hij zal toch
wel komen, këndati sakil, ija heiidal?
daiang djoega;
daargelaten, gezwegen
Van, djangankan, b.v. — dat hij ge-
sneuveld zou zijn, hij is zelfs niet ge- !
wond, djangankan mati,loeka pon tidak.
daarlangs, mënjoesoer, laloe daripada;
bet schip zeilde — (b.v. eene kust),
maka kapal itoe bërlajar mënjoesoer
itoe;
de 6lang streek — (b.v. eenstam),
maka octar itoe mënjoesoer {batang) itoe ;
hij ging —, daar voorbij, maka ija \\
laloe daripada itoe.
daarmede, dëngan itoe, svrta dëngan
itoe, dëngan dëmikiau, olih itoe, olihnja. \'■
daaronder.
— heeft hij tegenstand geboden, dëngan
itoe dilawannja.
— is hij tevreden,
sërta dëngan itoe sënanglah ija.
heeft hij geluk gehad, dëngan dtmi-
kian oentoenglah ija.
— is hij gestoi-
ven, dëngan dëmikiau matilah ija.
verloor hij zijn goeden naam, olih itoe
hilanglah namanja jang baik;
wat doet
men —, di/ji-ngnpakan, b.v. de afval,
wat doet men —, bampasnja dipënga-
pakau;
hoe zal het — gaan, apa akan
djadinja.
daarna, ktnioedian, këmoedian daripada
itoe, soedah itoe, tëlah itoe, haèis bagi-
toe, sakëtika lagi, laloe;
eerst leeren,
—  spelen, bëladjat dëhoeloe, ktnioedian
bërmaïn.
— keerden allen huiswaarls,
këmoedian daripada itoe poelanglah
samoewanja,
— moet ge lijst koken,
soedah Hoe hëntlaklah ëngkau niënanalc
nasi.
— las hij, tëlah itoe batjalah ija
—   kwam ik er uit, habis bagitoe ka-
loeicarlah sëhaja;
een oogenblik — viel
hij van boven neder, sakëtika lagi dja-
tohlah ija dari ai as;
hij lachte, —
zeide hij, tërtawalah ija, laloe katanja;
in het begin waren zij vrienden, —
vijanden, inoela-moela mareka-itoe bër-
sahabal, këmoedian bërsë.tëroe,
daarnaar, satoedjoe dëngan itoe, me-
noeroet itoe,
b v. — zal ik mijn gedrag
richten, akoe hëndak mëtakoekan diri-
koe satoedjoe dëngan itoe.
— maakte
hij het beeld, mënoeroet itoelah dipër-
boeicatnja patoeng itoe.
—, zie ook
daarheen.
dunrnaivHt, disabëlahnja, disisinja.
woont bij, disabëlahnja adalah roe-
mahnja.
— zit hij, disisinja adalah ija
doedoejr.
daarnevens, sërta dëngan itoe. —,
bovendien, tambahan poela.
daarom, om die reden, sëbab itoe, bagi-
toe djoega, itoelah moelanja.
— is het,
sëbab itoelah, maka sëbab itoelah. —,
om den wille daarvan, karëna itoe,
karëna sëbab itoe.
—, om dit of dat
heen, koeliling itoe.
daaromstreeks, ongeveer, kira-kira.
—, daar dichtbij, dëkat itoe, dekat
disitoe, hampir dëngan itoe.
daaromtrent, hampir itoe, dëkat itoe,
kira-kira dëkat disitoe.
daaronder, dihawahvja, koerang dari-
pada itoe, di-antaranja;
zoek —, tjë-
harilah dibawahnja;
twaalf jaar en—,
-ocr page 159-
daarop — dag.                                                147
doewa belas tahoen dan jang koeraug |
daripada itoe. — zijn enkelen, die het i
ontkennen, di-antaranja adaltt/i bebe-
rapa orang jaug uiënjungkal.
daarop, boven op dit of dat, di-atas
itoe, di-alasnja;
leg liet boek —.fêtak-
kanlah kit ah itoe di-atasnja.
—, daarna,
laloe,- b.v. — -pruk hij, Ititoe kaianja.
Zie daarna.
daarover, er boven, di-atasnja, —, er \',
overheen, dari atasnja. —, op dit of
dat, di-atasnja. —, om die reden, sebab
itoe.
«laarstellen, doen zijn, viengadakatt.
—, doen worden, mtudjadtkan; niet
daar te stellen zijn, tiada ttradakau.
daartegen, tegen dit of dat aan, bïr-
dampi/ig deug tui.
— geleund, bïrsandar \\
dtngan.
—, in verzet tegen, mëlawau \\
dhtgan.
—, met iets in strijd, herwin- \'•-
Aan dengan.
— inbrengen, antwoorden,
mhijahoet, tnembalas djaicub.
daartegenover, tintang itoe.
daartoe, akan itoe, bagai jang demi-
kian.
— heb ik geen tijd, akan itoe
tiada sehaja sïmpat.
— heb ik geen
moed, tiat/a akoe bcrani bagai jang
dttnikiuu.
daartusschen, tusachcn dit of dat, ,
di-antara itoe, didngah itoe.
—, onder-
lusschen, dalam antttru itoe, dalampat/a
itoe, semantara itoe.
daaruit* dari dalam itoe, daripatla itoe; j
neem het — en doe het hierin, kaloe- •
icarkanlah dari dalam itoe, masoek-
kaulah kadalam ini.
— kan ik niet
wijs worden, itoe koerang (vrang kapa-
dakoe.
— vloeit voort, daripada itoe
(ZrbitlaA, daripatla \'itoe njalaUüt.
— ,
vermoed ik, dari sibab itoe pada sang-
kakoe.
daarvan, daripada itoe, dari itoe, — I
weet ik niets, satoe pon tiada koeke"-
tahoeï akan Aal itoe.
— komt niets,
përkara itoe tiada akan djudi sakali-kali.
\'! uirvoor, plaatsbepalend, d\'thadapan
itoe, dimoeka itoe.
—, tijdsbepalend,
dthoeloe dariptula Hoe, sabëlom itoe. j
—, ïn de plaats van, akan ganiitija. \\
— gehouden worden, disungkakan ba- !
gitoe, — instaan, mtnanggoeng itoe.
ut acht nemen, djaga buik-buik dari- ,
pada itoe, djaoehkan dirtnja daripatla \\
itoe.
— zal ik zorgen, atas akoelah i
"ttmboeurat dia. — zeg ik u dank, akan
itoe mtnerima kasihlah sehaja.
— is dit \'
geneesmiddel goed, obat ini baïk akan
itoe.
— behoede mij de Hemel, didja-
oekkan Allah kiranja akot daripada jang
dï-mikiiin.
— vrees ik niet, litula akoe
takoet akan itoe.
daarzijn, kaudaün ; het — ervan, ka-
adaünnja.
daas, paardenvlicg, pikat.
da capo, sakali logt. —, telkens weer
van het begin af, berlaloe-laloe.
dadel, chwma, Ferz. karma. —boom,
— palm, pokok ehorma. —vrucht, boe-
voah cAorma;
rijpe, versche, zachte —,
roefab, Arab.; rijpe en gedroogde —,
tamar, Ar. vandaar tamar hiudi, waar-
uit tamarinde ontstaan U.
da.ero.on, dj in.
daemoniseb., djinni,
dadelijk, op \'t eigen oogenblik, sabi.it-
tar djoega, pada sasaïit itoe djvega;
nu —, sakarang djoega. —, zoo met
een, sabëntar, kelaf.\'. —■, spoedig, dt-
ngan t\'iglra.
—, zoo maar in eens, zoo
op slag, strta-mtrta. —, contant, toe-
nai.
—, werkelijk, suenggoeh, betoel.
dag, in tegenoverstelling van nacht,
siang; het wordt —, djadi stang; het
is bijna —, Aatnpir akan siang; het is
reeds —, soeduh siang hari; toen het
—  was geworden, sattlah buri siang.
—  en naeht, siang dan malam, sutng
malam;
bij —, overdag, patla siang
hari.
— als tijdsbepaling, maar niet
ia tegenstelling van nacht, hari,jaum.
Ar. Men rekent dat de dag begint den
avond te voren met zonsondergang om
zes uur; een — en nacht, sahari-sama-
lam ;
alle dagen, sahari-hari; op iederen
—, lahurt-sahari, pada tiap-tiap hari,
pada sabilang hari;
den goedganschen
—, den gcheelen — door, sahari-hurian ;
bij dagen, berhari-Aartan; een paar
dagen, saAari doeicu, b.v. terwijl er nog
een paar dagen te leven is, stmantura
udu hajat saAari doewa ini;
om den
anderen —, bërsëlang-selang hari; met
een — tusschenruimte, selang sahari,
lat saAari;
de — van gisteren, kala-
mariu;
de — vao morgen, esoek hari;
den danropvolgenden —, des anderen
daags, pada kaesokan harinja, esofruja;
toen men den volgenden — bad, saté-
lalt kaesokan harinja
; tot eea heelen
—, sahari soentoek ; op zekeren —,pada
soeatoe hari, saAari, pada soeatoe hari
wioe,
op dezen —, vandaag, hari ini;
-ocr page 160-
148
das dagreis.
dagelijks, sahari-hari. —, op eiken
bijzonderen dag, sahari-sahari, tiap-
tiap hari, sabilang hari
dagelijksch, sahari-hari, ttap-tiap hari,
sabilang hari;
de — gesprekken, pe"r-
kataiin jang förpakai sahari-hari;
voor
— gebruik, lasafy; wat daarvoor dient,
pï\'lasak. —e kleeren, pakajan pëlasak.
—■ werk, pekerdjatïn sahari-hari; hot
—e brood, r^zefci, Ar.; de —e spijs,
waarbij de pot niets bijzonders schaft,
makanan jang kapalang; dat is zijne
—e gewoonte, dtmikianlah Ttdatnja
sahari-hari;
het — bestuur, panieren\'
tahan sahari-hari.
—, zie ook alle-
daagsch.
dagen, aanbreken van den dag, fadjar,
Ar. ttrbit fadjar, boeka fadjar, fadjar
inërekah, djadi siang, dini hari.
dagen, dagvaarden, menjita {van sila):
voor het gerecht gedagvaard, disifa,
dipanggil mïnghadap hoekoem.
dag- en nachtevening, istitva, Ar.
dager, dagvaarder, ptnjita.
dageraad, dini-hari, fadjar, Ar. toe-
boeh.
Ar.; de — der olifanten, \'s mor-
gens om 4 uur, dim-hari gadjah.
dagge, ponjanrd, badai-badai, s^kin, Ar.
daggeld, opah hari.
daggelder, orang jang viakan opah
hari, orang opahan, orang koelt.
dasbuur,;ci\'.v( hari. Zie ook daggeld.
daghuurder, zie daggelder.
dagkapel, dagvlinder, koepoe-koepoe.
daglicht, siang; het — zien, geboren
worden, djadi, diperai/akkan, lahir ; Ar.
b.v. ik zag het — te Malaka, akoe
{elah djadi di Malaka, akoe te/ah dipY-r-
anakkan di Malaka, akoe (t\'lah jahtr
di Malaka;
aan het ■— brengen, open-
baren, ?nï\'Jahirkan; dio zaak word aan
het — gebracht, ptrkara iloe dilahirkan.
dasHJst, daftar sahari-hari.
dagloon, opah hari, koelt; op — nr-
beiden, makan opah hari, makan koeli,
nie.nyamhil koeli.
daglooner, orang koeli, orang makan
opah hari;
als — arbeiden, nïêngoeli.
dagtnarsch, pPrdjalanan sa/iari.
dagorde, regeling voor dien dag, perc-
toernn hari Hoe,
dagorder, legerorder, ptrentah kapada
btdatautara.
dagregister, soeral peringatan sahari-
hari.
dagreis, përdjaianan sahari, sahariper-
van don eenen — tot den andoren,
daripada soeafoe hari datang kapada \\
soenloe hari;
een — lang! sahari la- !
manja; een — roizcns, sahari p¥rdja~ !
liman; twee dagen na morgen, toelat, ,
loesanja lagi; drie dagen later, langhal; \'
over vier dagen, den vierden — na
heden, toebin; den honderdsten — na .
iemands overlijden met een maaltijd
en gebeden vieren, mh/jaraloes hari;
de jongste —, jattm eddin, Ar.; de — |
der opstanding, hari kian/af, jaumoe
\'Ihasjar,
Ar. letterl. de dag der bijeen-
komst: de negen laatste dagen der
afnemende maan, attak boelan; voor
den — komen, njata, kalihatan,kanja-
taiin, tanipak, fakir;
voorden — halen,
naar buiten brengen, mtngaloewarkan;
met ïeta voor den — komen, mP.nda-
tangkan;
aan den — komen, djadi
njata, këtara,
Jav. kttahoewan, kada-
patan, djadi lahir,
zie ook aan het licht
komen bij licht en streek, van
eene eigenschap, ook timboel; aan den
— brengen, wvnjatakan, mtmboekakan;
voor den — komen met dingen, die
niet betamen, wrngada-ada; op zijne
dagen komen, moeldi toeica; een gcluk-
kige, goede —, hari jang baik; al zijn
dagen, ooit, pï-mah, b.v. wk\' heeft dit
nu al zijn dagen gezien, siapa prr-
nah rnelihat jang demikt\'att;
een gat in
den — slapen, tidoer sampai hari djaoeh
siang;
drie volle dagen, gënap liga
hari;
na tien dagen, lï-pas sapoeloeh
hari;
van al mijn dagen, saèëmoerkoe
hidoep;
om dezen tijd van den —,
bagini hari, b.v. overmorgen om dezen
tijd van den—,loesa bagini hari; hoog
—, midden op den —, hari soedah ,
rémbang, rembang te/tgah hari.
das, ponjaard, sekin, Ar.
dagblad, soeral chabar, soerat lelang.
Het lnatsto is beter voor advertentieblad.
dagbladlezer, p&mbatja soeral chabar.
dagbladpers, pvngï:l;)apa.n soerat cha-
bar.
dagblad schrijver, pP.ngarang soerat
chabar.
dagblind, bosta pada siang hari.
dagboek, sorrat përtngafan sahari-hari. !
dagdief, orang p%»uilos, pïdenga.
dagdieven, bï:kerdja dhigati malas, :
iritleiiga.
dagdiever\\j, lenga, nïi\'-.nghilangkan
vkktoe.
-ocr page 161-
U9
dagronde — damapel.
djalanan. —, reis overdag) perdjalanan
siang hart.
dagronde, mil. kaïcal siang hari.
dagschot, ochtendschnt, \'s ïnorgena om
v ijl\' uur, boenji mariam pagi~pagi.
tlagsein, iilamat pada siang hari.
< lag tee benen, mënpèboet tarichttja,
mtmboeboeh tarichuja.
dagteekem\'ng, tarich, Ar. tanggal, Jav.
dagvaarden, taenjita, zedagvaard, di-
tita.
dagvaarding, süa; schriftelijke —,
soerat sita.
dagvlieg; eene soort van —, de vlie-
Sende witte mieren, kalakatatt.
dagvlinder, koepoe-koepoe.
dagwacht, latcal pada slang httri.
dagwerk, het werk van één dag,/jêXPr- ,
djaiin sahari.
dak, van een huis, atap, hatap; een
laag, naar vier zijden afloopend —.
atap Umax; een pannen —, atap gin-
teng;
een leien —, atap batoe. — van
tegels, atap baia; een — van platgesla*
gen bamboe, atap piloepoeh; een —
van arenvezels, atap idjoek; een —
van lang rietgras, atap ilatang; een
afhellend zij—, atap gat/ja/t inettjoesoe;
een — dat bijna tot den grond reikt,
zoodat weinig of niets van de wanden
te zien is, atap roengkoep, atap toem- .
poean;
gewelfd bamboezen — op in- !
landsche vaartuigen, djoeboeng; een huis
met een atappen —, roemah atap; plat
—, terras, soetoeh, (verb. van het Arab.
safah), geladak; een huis met een plat
—, roemah papafr; het uitsteeksel van j
een — buiten het gebouw, aan de smalle .
zijden, lajang roemah; tot — hebben, ,
btratapkan; b.v. glas tot — hebben,
hvratapkan katja; hout of planken tot j
—   hebben, bëratapkan papan; plankjes
gebruikt tot dakbedekking, atap papan,
sirap,
Jav.; van een — voorzien, bedr. \\
mengatapkan, më/itpvratapkan;
onder
Iemands — komen, masuek dibawak \\
atap;
onder één — wonen, doedoek i
saroetnah; bij iemand onder — zijn,
mïnoempang (van toempang); niet onder
—   kunnen komen, dada bolih mènda- i
pat itmpat nienoempatig; hij had den
hemel tot —, ija bëratapkan langit.
\'liikbalk, gelïgar atap.
dakbedekking, het materiaal, atap,
meestal van palmbladeren of arenvezels :
of rietgraB.
dakgeraamte, koeda-koeda atap.
dakgoot, panljoeran atap, penadah ajar
hoed jan.
dakpan, gt-nteug; houten —, papan
atap, sirap. Ar.
dakriet, atap.
datïHpar, koeda-koeda, roesoek, kaaau.
dal, vallei, lembah, Itmbaug.
dalbewoner, orarig pidoeduek lembah,
dalen, toeroen. — in het gemoed, van
liefde of een schoon verhaal, hinggap;
zwevend —, toeroen melajang-lajang.
—   van den prijs, toeroen harga, djatoh
harga.
— van de zon, toeroen, lingsir,
gï/ingsir, gt/ittt/ir;
gedaald van de zon,
ook férgtlintjir.
dam, steilte door aardstorting, terbis.
—, dijkje om water, bendoeng; kleine
—  in de rijstvelden, pëmatang, galengan,
Jav. empangan; steenen —, lembok:
damascus, négari Damsjiir.
damanceeren, mémpërpamoerkan; ge-
dnmasceerd, berpamoer.
dama»ceerael, pamoer.
damast; zijden —, armozijn, kimcha,
1\'erz.; rood zijden gordijn—, t/iwangga,
Skr.; wit —, servetgoed, ka\'i.t kepiri.
dambord, papan apit-apitan, papan
tjatoer.
Ook schaakbord; de vakken van
een dam- of schaakbord, tapak tjatoer.
dame; hiervoor is geen woord. Eene
getrouwde Europeesche — duidt men
uan met njonja, Mevrouw, eene on-
gehuwde met nona, juffrouw. Zie
mevrouw.
dammen, een dam leggen, menerbis,
mëmboeicat terbis.
—, damspelen, Oer-
mam tjatoer, bërma\'in apit-apitan, b.
pasang.
damp, nevel, oetcap, haicap, asap-asap.
—, wasem, stoom, koekoes, oetcap. —,
uitwaseming, zweet, peloeh. —, rook,
atap; Btinkende —, oewap boesoek-
dampen, meroewap, bëroewap, btrasap.
—, uitwasemen, zweeten, bérpeloeh.
dampig, vochtig, lembab, lengas. —,
met damp, bïroetcap. •—, dein/.ig van
de lucht, balam-balam. —, kortademig
van een paard, sësajf dada.
dampkring, oedara, Skr.
dampkringnlucht, hatca oedara.
damschijf\', boeivah papan tjatoer.
damnpel, perma\'inau tjatoer, permdinan
apit-apitan, perma\'inan pasang;
een soort
van — met 16 roode en 16 witte
schijven, tabal.
-ocr page 162-
ISO
damspelcn — darm,
damspelen, bërma\'in tjatoer, bërma\'in
apil-apUan, ma\'in pasang, mam tabal.
dan, lïijvr. daarna, latoe, ntaka, këmoe-
dian.
Op Java laat as,, op iliea tijd,
pada trutsti itoe, pat/a tatkala itoe, lat-
kafa itoe.
—, alsdan, soms ook, doch
zelden, disana; dan dit en dan dat,
sabëntar ini, sabënlar itoe; dan zus,
dan zoo, sabënlar bagini, sabëntar ba-
g\'doe
; nu en dan, tërkttdang-kadang;
al- het niet aldus is, hoe is het dan,
djikulau tiada démikian, maka bagai-
mana;
schrijf mij eerst, dan zal ik
antwoorden, hendaklah dëhoelot torwan
bërkirim soerat kapada sëhajn, maka
sëhaja akan uiëmbalasnja ki-lak;
eerst
lecren, — spelen, beladjar dëhoeloe,
këuioet/ian bërma\'in.
— na don ver-
gelijkenden trap der Bijv. nw. dart,
daripada,
b.v. grooter —, bësar dari,
of bësar daripada. —, tegenstellend,
mëldhikan, b.v. er was niemand — ik,
sa\'orang pon tiada mëldinkan akoe;
wie is goed — God, siapa bdik me- \\
latnkun Allah
; niets —, sëhadja.
dandy, pësolik.
danig, zeer, amat, sangat, ttr/aloe, sa- ,
kali; hij heeft zich — bedrogen, di- ■
përdajakanaja dirinja san gat.
dank, tëriwa-kasih. •— zeggen, niette-
rima-kasih;
duizendmaal.—, tërimakasih ,
banjak-banjalc en niet bëribne-riboe, zoo- i
als bij aa/po/i. — aan God, sjoekoer, Ar.
— zeggen aan God, mëngocl/ap sjoekoer;
in — aannemen, door een meerdere,
meruSrima dengan karidlaiin; tegen wil
en —, maoe ta\'maoe, soeka ta\'soeka;
God —! sjoekoerlah.\' Godo zij —, al- ,
hamdoe lillahi, Ar.
dankadre», soerat pënëriina-kasih.
«limU 1 mar. tahoemënëri ma-kas ih ; jegens
God, tahoe mëngoetjap sjoekoer.
dankbaarheid, penërima-kasih \\ jegens
God, sjoekoer. — betoonen, mënërima-
kasih;
jegens den Vorst, mënërima ka-
roenia;
jegens God, mëngoetjap sjoe-
koer.
NB. Soms kan — toonen niet
anders teruggegeven worden dan met
mëmbalas, vergelden.
danken, zie bij dank.
clmik«ebed, salat sjoekoer, döa sjoekoer.
dankolier, Jcurbdn sjoekoer.
dankzegden, aan God, mëngoetjap
sjoekoer;
aan een Vorst of aanzienlijk
persoon, mënërima karoenia; aan een
gewoon persoon, mënërima kasih.
dankzeseins, aan God, sjoekoer, pi-
iigoetjap sjoekoer.
«lau-, de Maleische —, tart, pënarian.
Zie dansen; de Javaansche —, tan-
dafr;
de Europeesche —. dangsa; tot
den — noodigen, angkap menari; den
— ontspringen, aan het gevaar ont-
komen, Impoet daripada bëhaja; eene
soort van Madureeschen —, gamboeh,
dien — uitvoeren, bërgamboeh; eene
soort van Sijameeschen —, die door
mannen en vrouwen wordt uitgevoerd,
mëndoera; eene soort van Sijameeschen
—, die alleen door vrouwen wordt uit-
gevoerd, lëkoeu.
dansen, op zijn Maleisch, menari. Aan
het — zijn, bertari-tari; toevallig aan
het — raken, tërtari-fari; bij paren — ,
menari bërangkap-rangiapan; theatraal
—, menari mëngigal. — en daarbij in
de handen klappen, tepok tari; met
eene publieke dansmeid (djoged) —,
waarvoor men verplicht is haar iets te
geven, men gein béng (van embrng), Jav.;
schermend met wapens —, inëmëntjak
(van pëntjak\'); aldus — met twee
goloks, mëtaïntjnk go/ok; van een vnar-
tuig op do golven —, mëlamboeng-
lamboeng, beranggok-anggok, bëranggol-
angijol;
naar iemands pijpen —, më-
noeroet sïgala kahendafy oravg.
danier, orang menari.
danseres, dansuieid, rongging, Jav. djo-
gef,
Jav.; de voornaamste danseressen
van den Socsoehoennn op Java,sërimpi .-
een mindere soort, die ook andere hoof-
den er op mogen nahouden, bëdaja.
\'Aio
ook straat-danseres en bij
publiek.
dansfeest, pënarian, pista dangsa.
danslustis* soeka menari.
danspartij, ramai orang menari; Euro-
pcesche —, pista dangsa.
dapper, moedig, bërani, përkasa, tcira,
Skr.; bijzonder —, gagah bërani, tcira,
përkasa, wirairan, pahalttican.
—, sterk,
koeicat. gagah.
dapperheid, kabëranian, kalaki-lakian,
tcira, perkasa.
dapper 1 UU, dengan berani.
darm; de darmen, peroet moeda, përoet
seni, lingkar përoet, tali përoet, oesoes,
Jav., ook alleen përoet; dikke —, pë-
roet moeda bësar ;
dunne .përoet moeda
haloes;
van de dunne darmen wor-
den muzieksnaren vervaardigd, përoet
-ocr page 163-
dar mbeklem mina — de.
151
de Engelschen aan China tegenstand
konden bieden, sa\'orang pon tiada per-
tjaja jaag Inggrii dapat welaican n\'egari
Tjina.
NB. Wat akan betreft, dit wordt
minder als Voegw. in de plaats van —
gebruikt, maar eigenlijk als het Voegw.
is weggelaten, wat dikwijls gebeurt,
om het verband tusseben het Werkw.
en zijn object daar te stellen. In dit
geval moet het soms m«\'t —- in onze
taal teruggegeven wuiden, b.v. tahoe/ah
ija aka.i bininja datang,
hij wist —
zijne vrouw kwam, letterl. hij wist aan-
gaande het komen van zijne vrouw.
— bij de toelatende of wenschende
wijs wordt teruggegeven met biar, biar-
lah, hendaklah, kiranja, apalah,
of alleen
lah, b.v. dat hij kome, biar ija datang,
biar lah ija datang;
dat hut door u ver-
golden worde, hendaklah dibalas olih-
moe;
dat deze brief u ter hand gesteld
worde, toerat ini disampaikan kiranja
kapada toeiran ;
dat Mijnheer mij helpe,
toeican toeloeng apalah akan s\'ehaja,
na woorden, die een bidden, wenschen
enz. beteekenen, soepaja; niet dat,...
niet, boekan tiada.
dateeren, de dasrteekening zetten, mem-
boebot\'h tarichnja, menarichkan.
datgene, jang, geheel gelijk het betr.
Vrnw. dat.
datum, dateering, tarich, tavggal, Jav.
b.v. kapada tarich penghabitan kitdb
ini,
de — waarop dit boek voleindigd
is. De zuoveelste der maand, hari borlan.
dauw, \'emboen, ajar \'emboen- —■, die in
droppels neervalt, \'emboen djanlan; het
ia juist zwaar aan bet dauwen, \'emboen
tengah deras toeroen;
in den — zetten,
. mengemboeakan, — op iets doen vallen,
bedauwen, niengemboeni, aan den —
blootstellen, mèngemboenkan.
duuwdroppel, titik emboen.
dauwel, orang lenga, p\'elenga.
dauwelaar = dauwel.
dauwelachtli*. «orka lenga.
dnuwelen, lenga.
dauwen; het dauwt, ada imboen. Zie
dauw.
dauwpier, regenworm, tjatjing.
dauwworm, zekere huidziekte, koerap.
—, tijn huidwormpje, koeman.
daveren, dreunen, ketar, g\'egap-goempita;
daverend, ook g\'emertntjang.
de, hep. Lidw. wordt soms teruggegeven
inet itoe, soms met jang, soms met nja,
moedanja itoe, dipèrboewat tali boenji~
boenjian;
den — vullen, mengisi pèroet;
bij iemand den — komen vullen, oui
eten komen vrasren, m\'embaica peroet;
een holle —, peroet kotong, p. hêmpa;
iem. de darmen uit het lijl\' trappen,
uangirtkkan poetoes pèroetnja.
darmbeklemminci sèmpil peroet
mofda.
(larmbreuk, pèljah peroet moeda.
- larmkronlud, simpoelan peroet moeda.
iliirmjiclit, moelai jteroel.
darmkanaal, geronggang peroet.
darmnet, djala-djala pèroet.
(larmwoFm. ingewandsworm, tjatjing
peroet.
dartel. lela, b.v. o, jonge en dartele
vrouw, hai, pérampoewan moeda lela.\'
—, uitgelaten, kèratjak. —, speelsch,
ondeugend, nakal, djinaka.—, wulpsch,
doekana, tjandala.
dartelen, bersanda-goerau, mêlela, m\'e-
nakal, btrdjiiwku.
Ook berdalih-dalihan,
kibbelend, gekscherende de schuld op
elkander werpen.
das, halsdoek, dasi, tali leher.
dat, Aanw. Vrnw., itoe, b.v. — gaat
niet, ta\'bolih itoe; welk eene vrouw is
—, apa mat jam perampoetvan itoe.
is te zeggen, ija4toe, juni, Ar. Voor
d«n nadruk neemt het lah en pon aan,
b.v. is het, itoelah dia. —huis viel
in, maka roemah iioepon roeboehluh;
dit of —, ataw ini, ataw itoe; in twij-
felachtigen zin, \'entah ini, htUth itoe;
in bepaald vragenden zin, inikah ataw \\
itoekah,
— niet, niet alzoo, djangan \\
bagitoe, djangan demikiaa.
dat, Uetr. Vrnw. jarig, ttan, b.v. daar
is bet boek, — gij zoekt, inilah kitiib, \\
jang kautjehari;
het meisje, — ik be-
min, anak dara non koekasiht.
dat, Vocgw. maka, bahtca, jan/f, akan,
b.v. wat is mijne fout, — Uwe Majesteit
aldus spreekt, apa salah patik, maka ,
Toeicankoe l/er fit ah demikuin; ik ben
geeu klein kind, — ik voor je ge-
schreeuw bang zou zijn, boekan akoe
kanak\'kanajr, maka akoe takoef akan
tarejakmoe itoe.
Meestal wordt het ook
gebruikt achter mengapa en apa svbab
en sêbah; zeggende — de Vorst aan-
gokomen was, mèngatakan bahtra Radja
Utah sanipai;
er wordt verhaald — er
iemand was, ditjeriterakan bahtca ada-
lah sa\'orang;
niemand geloofde het — \'
-ocr page 164-
158
deballoteeren — deelgenootschap.
een deel van het volk zeïde, satengah
orang bërkata.
—, lot, oentoeng, nasih,
Ar. Dikwerf met elkander verbonden
gebruikt tot oentoeng nasib. —, band,
boekdeel, djilid, Ar. —, part, aandeel,
oenivek- — verkrijgen, deelachtig wor-
den, bëroenioek:. — doen hebben of ver-
krijgen, mëngoentoekkan, b.v. ieder met
zijn eigen —, masing-masing ada dêngan
oentoeknja;
en u tevreden stellen met
het deel dat u geschonken is, s\'erla
mëmaddi dengan jang iëlah di-oentoek-
kan padamoe.
—, aandeel, dat iem. van
de padi toekomt, aboewan; ieder zijn
eigen —, masing-masing bëhagiannja
sëndiri-sëudiri;
verdeeld in drie deelen,
dibëhagi tiga, dibëhagi atas t/ga beha-
i/i.m, dibëhagi atas tiga perkara;
voor
mijn —, voor mijn part, wat mij betreft,
akan daioê, ooit behagian, b.v. jang
behagian bèta sa\'orang,
voor mijn per-
soonlijk aandeel, of voor mijn part;
part noch—willen hebben, tiadamaoe
bertjampoer datum.
— hebben, bërbëhagi.
—   hebben aan iets, ook sabahat, b.v.
sëbab Adam telah mëmboetcat djahat,
sakaliiut anak tjoef/oenja pon soedah
sabahat,
door dat Adam gezondigd heeft,
heeft zijn gansche nakomelingschap
daaraan deel. Zie ook aandeel; ten
—  vallen, bèrolih, letterl. verkrijgen,
bëroentoef;, part, deel hebben. —, zie
verder de samenstellingen.
deelachtig, worden of zijn, bèrolih,
utëndapat behagian, bëroentoef.
deelbaar, dapat dibëhagi, bolili dibë-
hagi;
niet —, liada terbehagi, tiada
tfrbr-htigikan.
deelen, mëmbëhagi, n.ëmbihagikan, mèi/t-
bëhagi-bëhagi;
iemands lot —, mènoe-
roet oentoeng orang.
—, arith. mëmbë-
hagi.
— van gevonden, gestolen of
geroofd goed, uiengatjang (van katjang).
Zie ook verdeden.
deeler, pëmbehagi, orang jang mëmbëhagi.
deelgenoot, maat, lid, sakoetoe, sja-
lik,
Ar.; iemand als — in eene zaak,
assisteeren, menjakoetoëi. — in eene
overeenkomst, saperdjandji. — in eene
handelszaak, rakanan. — zijn, bërakan.
—, aandeelhebber in eene handelszaak,
pèrsero, Bat. (van het Port. parceiro);
in een misdrijf, medeplichtige, sabahat.
deelgenootsohnp, per sakoetoe au t sa*
pi-rdjandjian, sjarekat,
Ar.; in een
kwade zaak, lahat.
en voor het meerv. meestal met sëgala. \'
/ir de Grammatica; de man ging en \\
de vrouw bleet\' thuis, jang lakt përgi, \'
jang bini tinggal diroemah; de pen is
goed, maar de inkt is te s\\&\\t,kaiamnja
bdik, tëtapi dawatnja Verlaloe entjer;
men bespeelde de muziekinstrumenten, :
maka srgala boenji-boenjian pon dipaloe ■
oiutnglah.
deballoteeren, më»goefjil(v&n koeijil). \\
debarqneeren, van boord gaan, toe- I
rocn dari kapid.
debat, bitjara, moesjdicraf, Ar.
debatteeren, berbitjara, bermoesjdwrat.
debet, hoetang. — zijn, bërhortang. — !
en credit, hoelang dan pioetang.
debiet, al\'trek van koopwaar, lakoe.
debitant, pëndjoetcal.
debiteeren, verkoopen, mëndjoewal.
de schuld opschrijven, mënjoerat hoetang. \'
—, vertellen, mën/jëritërakan.
debiteur, orang b?rhoefa»g, oetangan.
december, boelan desember.
decideeren, mënëntoekan (van lèntoe). \\
decisie, kat\'éntoean; rechterlijke —,
kapoetoesan.
decoct, afkooksel, rëboesan.
decoreerea, mëiighiasi.
decorum, sopan-santon, adab, Ar.
decreet, bësëlit.
deeg, Vepoi-ng basah,adonan. —,zie dege, ;
deegklomp, goempal tèpoeng.
deel, plank, papan. Zij worden bij bllah
en këping geteld.
deel, gedeelte, behagi, behagian, aboewan. ,
—. aandeel, përbëhagian, b.v. en al zijn i
volk zeide: Ga daar niet, o Heer, want
ieder heeft zijn eigen — in de plaat-
gen, maka kata sëgala kaumnja, dja- •
ngan toewankoe përgi kasana, kafena
soedah përbëhagian thnpat masing-ma- \\
sing.
—, onderdeel, gedeelte, soekoe, j
letterl. vierdedeel (van soekoe, poot,
been); voor een —, gedeeltelijk, sake- \\
rat,
b.v. al was hij ook voor een — I
mensch, voor een — hond, djikalau >
manoesia sakëral, andjing sakërat saka-
\'
lipon; het — van beiden, pënjama; al i
wat uit gelijkaardige dcelen bestaat, :
sëgala jang bërsamaün sfgula soekoenja. I
—, n Idee 1 ing van den Koran, djoez,
Ar. van oen ander boek, fasal, Ar.
—,halt\', voor de \\ie\\ït,safe?igah, saparo,
b.v. voor een — mensch, voor een — [
visch, saparo manoesia, saparo ikati.
—, gedeelte van volk, satengah, b.v.
-ocr page 165-
153
deelhebber — degen.
deesemen, mengelt aniirkan, mhaboeboeh
ragi, memboeboeh tapai.
defect* roesak.
deficit, koerang.
deflnieeren, beschrijven, menfifatkan.
definitie, beschrijving, si/at, Ar.
definitief, lenfoe; een — antwoord, M-
hoet jong tentoe, djtucab jang tentoe.
deftig, bedaard in zijne bewegingen,
santoen, van goede, beleefde manieren,
berabab. Ar.; ingetogen en —, sopan-
santuen, tatioenoeh,
—, voortreffelijk,
aanzienlijk, moelia, besar. —, eerwaar-
dig, begatcan Skr. m\'ttabir, Ar.
deftigheid, santoen, sopan-santoeu. —,
voortreffelijkheid, kamoeliaan, kabê-
saian.
deftigHJk, d\'engan santoen, dèngan so-
pan- santoen.
dege, ter—, baik-baik. Wordt ook dik-
werf uitgedrukt door de verdubbeling
van het Bijv. nw., b.v. ter— dansen,
mènari baU-baik; ter— eten, niakan
kennjang-k\'ennjang;
ter— hard loopen,
lari lekas-lekas. In sommige gevallen
wordt het door een bijzonder lïijw.
teruggegeven, b.v. ter— ziek zijn, sakit
pajah;
ter— gewond zijn, loeka parah;
ter— strak binden, mengt kal t\'eiik-terik ;
ter— warm, pauas terik. In kwade be-
teekenis is het soms ook sangat, b.v.
ter— benauwd, kapitjikan sangat; ter—
ondeugend, nakal sangat, of nog ster-
kcr, ttrlaloe sangat; terwijl in goede
beteekenis liever amat wordt gebezigd.
degelijk, brnaf, balk, b.v. een — mensch,
orat/g ba\'ik; een zeer — mensch, orang
baik-bdik;
van een — man die wrak
staat, d. i. in geldverlegenheid zit, zegt
men tig. sabaiknja hoedang ada tahi
dikapala.
—, waurlijk, soenggoeh-soeng-
goeh.
—, groot, besar; ceo — itnk,
sapotong besar. —, eeht, betoel, loeien.
degelijkheid, kabatkan, kasoenggoehan,
kabetoelan.
Zie bij degelijk,
degen, pedang loeroes,- driekante —,
pèdang setiaboe, pedang ekoer h\'elangkas,
pedang ekoer belanfas, pedang ekoer pari;
een soort van langen — djenatci; den
— trekken, nimghoenoes pedang, men-
tjaboet pedang;
den — opsteken, lae-
njaroengkun pedang
(van saroeng,
scheedc). Steek uwen — op, saroeng\'
kanlah pedangmoe
; den — aangorden,
menjandangkan pedang (van sandattg);
het gevest van den —, hoeloe pedang;
deelhebber, zie deelgenoot.
deeling, phnb\'ehagian.
deelnemen, inededoen, medewerken,
toeroet, bertjampoer, bes\'erta, m\'enjertai,
membantoe,
b.v. — aan het zinden, toe-
roet menjanji.
— aan ccno slechte zaak,
bert jampoer dalam piwkara djahat.
aan de bereiking van een doel, mènjêr-
fat dalam m\'enjampaikan ntakfoed.

aan den krijg, membantoe dalam perang.
—  ah lid in cenige zaak, mmjakoetoA,
.nendjadi takoetoe.
— als lid in eene
handelszaak, djadi p\'esero, djadi raka-
hüh.
— in eene overeenkomst, masoek
djandji.
— in iemands leed, belas, M-
jang, kasihan, bèlas-kasihan.
deelnemend, medelijdend, sajang,belas,
belas-kasikaa.
— gevoel des harten.pe/oe
rasa hati.
deelnemer, zie deelgenoot.
deelneming, mededoogen, belas, sajang,
kasihan, belas-kasihau
—, belangstel-
ling, menal. — tooncn, mêmenat.
deels, saparo, sat\'eagah ,- deels woud, deels
kreunelbosch, saparo hoetan rimba, sa-
paro semak-semak-;
deels liep men tot
den vijand over, deels sloeg men op de
vlucht, satengah membeloet, satengahnja
lari bert epos dirinja.
deeltje, behagian ketjil j klein boekdeel,
djilid ketjil. —, ziertje, dzarrah, Ar.
deemoed, kafendahan hati, letterl.
nederichcid van hart.
deemoedig, rendah hati, sabar, Ar.
letterl. geduld. —. verslagen uitdruk-
king van gelaat ot\' oogen van iemand,
die teleurgesteld of vernederd is, koejoe,
vd\\v.
deemoedigen, merendahkan hati.
deemoedigheid, karendahau hati,
deerlijk, sangat. — ziek, sakit sangat.
—, gevaarlijk, van ziekte, sakit pajak.
—  , zwaar van eene wond, loekaparah.
deern, maagd, a/tak dara.
deernis, medelijden, kasihan, sajang,
kasajangan, sjafakat. Ar.; geen — heb-
ben, tiada b\'erkasajangan. — met zich-
zclven hebben, sajang ukan dirinja.
krijgen met, uuk djatoh hati akan.
deernis waard, kasajaugan, patoet
dikasibani.
deerniswekkend, mèmbèri sajang ■¥•
hati, niembangkitkan kasihan.
deesem, zuurdeesem, chamir, Ar. een
soort van gist, ragi. Ook wordt tapai
als gistniiddel gebezigd.
-ocr page 166-
154                                       de^enband — dekmat.
bet lemmet, de kling van den —, j
tnata pvdang; de ontbloote —, pidang ,
jatiij ter/ioenoes, p. j. ttrtjaboel, p. Il-
landjang,
degenband, koppel, sandang.
degfone, degenen, dergene, dergenen,
orang, orang-orang, sttgala orang, b.v. ■
—  die zoo handelt, is prijzeuswaaid,
orang yang bërboewat dëmiktan itoe ■
patoef dipoedji-poedyi.
Achter de per-
sooolijke Voorn. w. wordt het zelden
gebruikt, b.v. zijt gij —, die komen
ZOU, Kngkaukah jang Itciidak datang .
itoe; ik ben —, dien gij geroepen hebt,
akoelafi, yang tï/a/i kaupanggil. Ook
wordt het in dergelijke zinnen wel met
dia teruggegeven, b.v. akoelah dia,
jang tëlah kaupanggil;
degenen, die
naar uwe woorden hooren, xtgala orang
yang mënïngar akan katamoe itoe; boms
moet het teruggegeven worden met
barangsiapa, al wie. b.v. degenen, die
mij liefhebben, volgen mij, barang-
sit\'pa yang kasih akan dakoe itoe me-
ugikoet akoe.
De 2c, 3e en Ie naamval
daarvan worden door Voorz. of den
vorm van het Warkw. aangewezen. Zie
de (irammatica.
degenstok, toengkat berisi pPdang.
desen»toot, tiknm pvdang.
degoütant, mtndji-moekan.
degradatie, pttjat daripatia pangkat. \\
dejjradeeren, nitinbutrahkan.
deinen, van de zee, biralom-aloen.bïr-
gelombang, mingaloen :
als deinende gul-
ven, si\'/itrti ombak mingaloen.
deining, lang/aam rollende golf, aloen,
ook deining die ontstaat doordat zich
iets onder water beweegt.
deinzen, oendoer,- deinzend, bëroendoer,
inoendoer;
al —, btroendoer-oendoer: ,
— van velen, béroendoer-oendoeran. —,
afloopen van het water, sorroet, ook
aftrekken uit den krijg, verloopen van
volk.
dein zing, oendoeran, soeroefan.
dek, van een vaartuig, tingkat, ge/adafc,
birai, geloemai,
Hat. dek, Ned. b.v. tja
mënjoeroehkan orangnja tnïnghainparkan
•ptrmaidani jam/ entlah-eiidah pat/a sa-
\'
gï\',iap birai kaput, hij beval zijne lieden
fraaie tapijten te spreiden over bet
geheele — van het schip; los — op
inlandsrhe vaartuigen, lantai; een gt>
deelte — voor en achter op een sam-
pan, tlkap sampan; voor en achter op
een grooter vaartuig, Ukap linggi. —,
zie ook halfdek.
dek, bedekking over iets heen, toedoeng.
—, deken, sflimoet.
dekblad, schutblad van bloemen, kilo-
pak.
— van sigaren, daoen pëmbe/ong-
tong stroetoe.
dekbord, dakbord, houten borden, die
voor pannen op de daken worden ge-
bruikt, atap papan, sirap, Jav.
dein leien, planken, papan lantai, papa.i
tingkat.
deken, gëbar, selimoet, kain stloeboeng ;
wollen —, ktmbëli, kain ktmbXli; reis—.
wollen —, om in te slapen, kaft/at,
Ar.; Europeesche bedde—, sëperai; met
een — gedekt zijn, zich bedekken, bïr-
sëlimoet.
Zich in een — wikkelen, bër-
seloeboengkan dirinja dïngun sïlimoet;
bedelaars —, gebat Mlah kitoepat,
dekgoed, zie dekblad.
dekken, van een dak, mvmboeboch atap,
tuïngënakati atapnja
(van këna), menga-
tapi.
—■ van de tafel, mtnjadjikan di-
medja
(van sadji). In de spreektaal:
toi\'toep medja; iets —, met geteerd
zeildoek, mëmbokot. —, beveiligen, me-
lindoengkan, tnéméli har akan. Zich —
voor, tiiZittrliharakan dirinja daripada,
melindoengkau dirinja daripada;
een
tekort —, iiiëntjoekoepkan tarang yang
koerang;
gedekt zijn, in veiligheid zijn,
santausa. —, zie ook onsedeht.
dekken, door een mannelijk dier laten
bespringen, niïndjantani.
dekkleed, voor het lichaam, stlimoet.
— over iets heen, toedoeng, kain toe-
doeng, përahap;
met een — bedekt,
dïrahap. — over de lading in een
vaartuig of den inhoud van een koffer,
vóór de luiken of het deksel er over-
heen komt en dat aan de kanten wordt
ingestopt ter bescherming, f e pas; met
zulk een —■ bedekken, mP.nepas. —,
sprei, gtbar; groot en breed zijden—,
gebar gandan. — op een rijbeest, ka/al,
Ar.; geBtikt dekkleedje over de toedoeng
sadji, drlamak, Sum.
deklaag, bovenste rij steenen van een
muur, pènoetoep lembok.
deklei, daklei, atap batoe.
deklijst, toedoeng, penoedoeng.
dekmantel, voorwendsel, poera-poera:
onder den — van heiligheid, poera-poera
soetji sakali.
dekmat, ecne soort van matten, die tot
-ocr page 167-
158
dekpan — denken.
dekking over iets worden gezet en van
de doornachtige pandanusbladen zijn
vervaardigd, kadjang.
dekpan, dakpan, ghtteng, ondersrheïden
in genteng djaica, Jnvaansche dnkpan-
nen, en geittei/g Mafaka, pannen die
te Malakn gebakken zijn.
dekplaat, vloertegel, djoebin, batoe
roebin.
dekplank, plank van een scheepsdek,
papan tingkat, papan lantai.
dekriet; riet tot dekking der huizen
gebruikt men niet, maar wel daarvoor
in de plaats d<- aaneengeregen bladen
van palmen, atap, ot\' eene soort van
lang gras, Hatang, enz. Zie dak.
deksbalk; de dwarsbalken, waarop de
deksplnnken komen te liggen, sengkal,
senykar, poelangyoelavg.
deksel, al wat tot — dient, toetoep,
ptfnoetoep.
—, van cenen pot, toetoep
koewali, toetoep perioek, saoe, saoe
bèlanga.
—, kleederen, pakajan; stolp-
achtig — om over spijzen te zetten,
toedoeng sadji. Hiervan drie soorten
als: toedoeng pahar, toedoeng semberip
en toedoeng batil; eene soort van —,
behoorende tot een rijstkook-toestcl,
sangai.—, van sommige horenschelpen,
vruchten en aan weerszijden van staatsie-
kussens en zetels, fapoek, tainpoefc.
dekstuk, arch. phtortoep; de dekstuk-
ken van atap, waarmede uien den nok
der daken belegt, mboeng.
dekt\\jd, nioesim headakr berbe\'kak; m. h.
uieiidjantan.
delfstof, tanah tan/bang, barang galian.
iifit\'st<>iteldk, tamèang, galian.
delgen ; schulden —, mtmbajar hoetang,
—, uitwisschen, mï-nghapoeskan,
dellbereeren, zie beraadslagen.
delicaat, lekker, sedap sakali, —, teer,
gevoelig, zwak, Ittuah, Vïmboet. —,
netelig, soekar-soelit,
delicatesse, kasïdapan, riimat% Ar. —,
fig. kieschhcid, sopan-santoen.
delice, kasedapatt, Jilmat, Ar.
delicieus, sedap sakali.
delictl; corpus —, tanda biti.
delirium, door het gebruik van ster-
ken drank, pitam.
delven, graven, tuetiggali.
delver, pe"nggali,
delving, galian.
demissie, kalepasan, petjatan; iemand
zijne — geven, tnëlepaskan; uit zijn
ambt ontslaan, me\'mtfjatkan; zijne —
nemen, minta lepas; zijne — krijgen,
dilepaskan, dipitjaikan.
demon, reus, buefa, raksjasa, datia. Ar.
denapen, met iets opvullen, menjeboe-
kan
(van sTdwe, gedempt). mï,nmhoes
(van fïi/djoes) b.v. tïfaga itoe tiada
berajar, kartna toedak disoeroeh radjit
timboes ffenga» tanah,
die put heeft
geen water, want de Vorst beval hem
met narde tir derapen. —, ophoogen
met aarde, puin, enz. menambak (van
tambak). —, uitdooven van vlammen,
mhnadiitnkan (van padam), niPmboenoeh.
— van eenoproer, viempPrkhitikangeger\'.
demper, uitdoover, pemadam.
den, denneboom, pohon sanobar, Perz.
arzat, Ar.
i denkbaar; bolih dikira, bolih dimngka,
dapat dikira, dopat disangka.
Niet —,
tiada ffrkïra, tiada fersangka.
! denkbeeld, pikiran.
denkbeeldig, jaag pada kapikiran at-
bad ja.
\'■
denkelijk, waarschijnlijk, barangkali.
—, vermoedelijk, agak-agak.
! denken, denkende zijn, berpikir (van
het Ar. Jikir), zie ook peinzen.
op, aan of over, berpikirkan, memikir-
kan atas;
over iets—.plannen maken,
bvrkira-kira. — aan, gedachtig zijn aan,
ingat akan. ingatkan, zie gedachtig.
—, gissen, wanen, sangka, tneiijangta,
met bepaald obj., menjangkakan; bij
zichzelven —, berpikir dalam hat\'mja;
goed over iets —, nadenken, berpikir-
kan baïk\'baïk;
aan iets blijven —, »(?•
iiarok dalam liati; naar hij er over
dacht, naar het hem voorkwam, pada
hatinja;
ik mag er niet meer aan —,
tiadalah bolih ako>\' kennngkan ; naar ik
denk, pada kapikiran sehaja, ngal\'-agak-
sihaja;
het is niet te —, hoe zou het,
masa, viasakan; wat denkt gij er van,
apa kapikiranmoe akan hal itoe; ik denk
er zoo over, dïmikianlah kapt\'kirankoe;
hij zit gedurig te —, ija doedoek- bPr-
pikir-pikir selaloe;
ik heb er niet aan
gedacht, tiada sehaja firingat akandia.
—, voornemens zijn, bernijat, hPndafc:
ik denk overmorgen te vertrekken,
nijalkoe loesa hendak berlajar (of bPr-
djalan,
of bVrangkat); ik dacht niet
dat het daartoe zou komen, tiada si-
haja sangka sampai djadi dttmikian;
ergenB niet aan —, lalai daripada;
-ocr page 168-
LM
denkwijze — deugd.
derven, verliezen, kahilangan. — van
iets, dat men gewoon is te ontvangen,
b.v. daggeld, rantsoen enz. bërtahar;
doen —, onthouden, mënaharkau. —,
ontberen, kakoerangan. —, missen, ka-
tiadaita.
derver, orang jang kahilangan, o. j.
kakoerangan, o. j. katiadadu. Zie bij
derven.
derwaarts, kasana; her- en derwaart.-.
katana-kamari, letter]. daarheen en
hierheen.
derwijze, dëngan përi jang dëmikian,
bagitoe ttëngan bagitoe.
derwisch, mohammedaansche bedel-
munnik of pelgrim, dartcisj, Perz.
desalniettemin, këndatilah dëmikian,
këadalilah bagitoe, wa/akin, Ar.
desaster, tegenspoed, oentoeng malang.
desbevoegd, jang patoet bagai jang
dëmikian.
deserteeren, lari; naar den vijand —,
lari beloet. Zie ook bij haal.
deserteur, orang pëlari, tot den vijand,
pëmbeloet.
desgelijks, dëmikian pon, dëmikian
djoega, bagitoe djoega.
deskundig, tahoe, pandai, ahli, Ar.
deskundige, orang jang tahoe, o.j.pan~
dai, o. j. ahli.
desniettemin, zie desalniettemin.
desnoods, uli- het bepaald noodig ia, dji-
kalau ada përloeitja (van het Ar.fardt).
desolaat, puetoes asa, poetoes harap.
—, berooid, zonder geld zijn, kapue-
toesan bëlandja.
desondanks, zie desalniettemin,
desperaat, poetoes harap, poetoes asa,
desperatie, kapoetoesan harap, kapoe-
toesan asa.
despoot, Orssy pënganiaja, orang jalim.
despotisch, dëngan aniaja, dëngan
gagah, dëngan Jalim.
dessert, tamboel.
destijds, pada masa itoe, pada zamdn
itoe, tal-kola itoe.
destinatie, katënloean; de Goddelijke
—, takt/ir. Ar.
destinceren, mënëntoekan; van God,
mëntak-dirkan.
deswege, sëbab itoe, tëgal itoe.
deszelfs, dia poevja, nja.
deugd, këbadjikan, goe*a,Skr.—, vroom-
heid, kabak-ttaa. —, goede eigenschap-
pen, bdik, b.v. de — van deze zijden
stof, bdiknja kaïn soetëra ini.
ergens steeds aan —, iiada lalai dari-
pada;
er over — om te, berkira-kira
hëndal:,
b.v. maka baginda bïrkira-kira
hhidak bërangkal ka Miuljapahit,
de
Vorst dacht er over om naar Mad ;i-
pahit te gaan.
denkwijze, përi kapikiran.
deponeeren, mënaroh (van taroh). •
van gerechtskosten of een onderpand,
bërtampin; tijdelijk bij iemand —, tnë-
noempangkan
van toempang).
deputatie, soeroehan, oetoexau.
derde, ranggetal, katiga; de —, jang
katiga;
de — van de maand, tiga hart
boetan ;
deze briet\' is van den derden, toe-
rat ini tërtoelis pada tiga hart boetan;
het is nu de — week, sakarang djocinaëlt
jang katiga.
— deel van iets, een —,
tapërtiga; twee —, doeiea perliga; een
—, fig. een ander, orang laïn; ten —,
katiga, b.v. en ten —: den tijd uit-
koopen, dan katiga mëntbvlakan icafrtoe.
derdehalf, tëngah tiga, b.v. — pond,
tëngah tiga kati.
derdendaagsch, liap-tiap tiga bari,
sëlang dueiva hart, lat docwa hart.
deren, schade doen, mëroegikan; wat
deert u, apa koerang? mij deert niet-,
pada sëhaja tiada koerang apa-apa,
dergelijk, bagai iloe, bagitoe; b.v. —o
werken, pi-rboettatan bagitoe. —e men-
schen, orang bagitoe-, iets dergelijks
heb ik nog nooit gezien, jang bagitoe
matjam bëlom përnah sëhaja lihat;
en
— e, dan barang sahagainja, dan tabu-
gainja.
derhalve, sëbab itoe, te"gal itoe, dart itoe.
dermate» dëmikian, bagitoe, sakian,
dtngan përi jang dëmikian.
dertien, tigaJjëlas.
dertiende, ranggetal, kaliga-bëlas; de
—  van de maand, tiga-bëlas bari boe-
ban;
de —, jang katiga*bëlas ; een —,
de breuk, sapërtiga-bëlas.
dor tiendehalf, tëngah tiga-btlas.
dertienmimi. Hgabëlas kali.
dertienvoudig, tiga-bëlas lapis.
dertig, liga poeloeh.
dertiger, orang jang tiga-poeloeh taltoen
ÜMoernja.
dertigmaal, tiga poeloeh kali.
dertigste, ranggetal, katiga poeloeh;
de —, jang katiga poeloeh; de — van
de maand, tiga-j>oeloeh hart boelan; een
—, de breuk, sapërtiga\'poelofh.
dertigvoudig, tiga-poeloeh lapis.
-ocr page 169-
dezelfde.                                  157
toe; eene geopende —, pintoe tërboeka,
pintoe tXrnganija;
eene dichte—, pintoe
tertoefoej);
eene gesloten —, namelijk
met een slot, pintoe terkoenfji ; met een
grendel, pintoe ferkanfjinff; eene dub-
bele —, pintoe fapis; voor de — staan.
zeer aanstaande zijn, hampir, dekat,h v.
de regentijd staat voor de —, moesim
hoed jan ad-a hampir {atla dekat);
van
— tot —, dart pa/la taboetcah roemaJ/
kapada saboetcah roemah ;
de — niet uit-
komen. niet uitgaan, tiada kaloetcar dari
dalam roemah ;
met de — in het huis val-
len, sakoenjoenff\'koenjoeng, sërta-htèrta;
op de — tikken, kloppen, mengëtokpiu-
toe;
verzoeken om binnengelaten te
worden, om de deur te openen, minta
pintoe.
—, zie verder de samenstellingen.
deurbeslag, bësi pintoe.
deurdorpel, ambang pintoe.
dourdrempel, m.ihang dibatca/i.
deurgat, pintoe, lobang pintoe.
deurgrendel, kantjing pintoe.
deurhengsel, engsel pintoe,
deurketting, ran f ai pintoe.
deurklink, kantjing pintoe.
deurkozijn, djênang pintoe.
deurpost = deurkozijn.
■   deurraarn, tingkap pintoe,
1 deurring, gelang pintoe.
deursleutel, anak-koentji pintoe, anak
pëngoentji pintoe.
■  deurslot, koentji pintoe, pëngoentji
pintoe.
deurstijl, djïnang pintoe.
! deurwaarder, deurwachter, pënoeng-
goe pintoe.
— van \'s Vorsten afzonder-
lijk vertrek, hadjib, Ar.
deuvik, prop, stop, soembat. Daarmede
iets dir.htraaken, mënjoembat. Op Java
soeutpï\'l, Jav.
dewelke, jang.
dewijl, omdat, daar, tëbab, tëgal, sPdang,
aëlang, sëdangkan, tilangkan.
Zie ook
bij daar.
deze, int. Komt achter het Zelfst. nw.
doch in de spreektaal plaatst men het
er meestal voor. — en gene, jang ini
dan jang itoe;
bij dezen meld ik u,
déngan soerat ini sëhaja uiembëH tahoe
kapada toewan;
den twaalfden dezer,
doeira belas harl boelan ini djoe/fa.
dezelfde, hetzelfde, datzelfde, itoedjoe-
ga;
hij is —, die, ija djoega, jang.. .;
is dat de heer Moemin : Dezelfde!
itoekah ëntjik- Moemin ? Itoetah dia.\'
deugdelijk
deugdelijk, echt, waar, btnar, bUoel,
soenggoeh, tah,
Ar.
deugdelijkheid, kabenaran, kaMloe-
la,i, katoen ffpoehan, f ah.
deugdzaam, buik, bërbakti, taleh,Kx.
—, voortreffelijk, soedjana, Skr.
deugdzaamheid, kabdikan, kabak\'
fian, goena,
Skr.
deugen, goed zijn. baïk adanja; niet
—, tabdik adanja. —, nat zijn, bér~
ffoena;
niet —, tiada bërgoe,iat tiaila
goenanja.
—, bruikbaar zijn tot iets,
förpakai; niet —, tiada terpakai.
deugniet, oranff djahat, orang gaibana,
oraug toejoel, orang fasik,
Ar. onnut
mensch, sPmpPJah; tig. koran boeroek,
tjtndana kering, b?rat basah,
alle drie
als scheldwoord gebruikt.
deuk, indruk, leagkoeng, lekofr; allerlei
deuken, tëkak~leko&\'; deuken krijgen.
mëlPkok; fijne —, fijn gedeukt, kleine
deuken, kepij;; grove —, këpoef:.
deuken, mëlekokkan, mengëpoekkan ;
gedeukt, met scherpe deuken of kreu-
kels, b.v. van papier, de kanten van
blikken of tinnen voorwerpen, Ifng-
kot-ng.
—, gedeukt, gedrukt, gadjo?;
plat gedeukt, gadjoe leper; gedeukt,
ingedrukt van den neus, een deksel, enz.
keprk-; gedeukt, ingedrukt, zooals een
deuk in een trommel, ])tronjofc.
deun, lied, njanjuni. —, wijs, ragam,
tagoe.
deunen, zingen, menjanji. —, neuriën,
Ijvrkidoeng.
deuntje, wijsje, njanjian.—.voorname-
lijk om in slaap te zingen, kidoeng.
deur, pintoe, eigenlijk de opening of
ingang. Voor de deur zelfj toedoeng
pintoe, papan pintoe,
b.v. ija bersëlin-
doeny kapada toedoeng pintoe kota itoe,
hij verschool zich achter de poortdeur
der stad; geheime —, achter—, pintoe
maliag, pintoe salah, pinloe gëlap;
ver-
borgen — ,pintoe bërtoeboer; vleugel — ,
pintoe lawang. — niet loket, pintoe
berkotafr;
toegesp ijker de of dichtgemet-
selde —, pintoe maft; eene —hebben,
van eene — voorzien zijn, berpintoe;
tot — hebben, berpiatoekau, b.v. goud
tot—-hebben, bïrpinfoekan ëmas, voor:
een gouden deur hebben; door de —
gaan, btrdjalan daripada pintoe; door
de — ingaan, inasoek daripada pintoe;
door de — uitgaan, kaloetcar daripada
pintoe;
aan de — staan, bërdiri dipin-
-ocr page 170-
158                                        dezelve — dichtmaat.
of vlechtwerk, kêdap, dit is het tegen-
overgestelde van straf:. — van een
weefsel ook Utal. — incengedrukt tot
een compacte massa, b.v. van klei,
rijst enz. Utal. — ineendrukken, m\'(-
nrfal.
— op elkander, naast elkander,
k-trap. — bij iets anders, er tegenaan,
kepit; — tegen iets anders brengen of
houden, b.v. tegen het lijf houden van
een kind enz., i.ti.ii/Xpilktin. — bij iels
anders, zoodat er niet alleen aanraking
maar ook gedrang plaats heeft, pidit.
—   van metalen, pedjal. —, massief,
kipal, kimpal. —, vast ineen, mampat.
—  bij eene oppervlakte, b.v. van kleine
planten bij den grond, scheepsboorden
bij het water, ranap. —, niet lek,
tiada botjor; zich — houden, een ge-
heim goed bewaren, menaroh rahasia,
inénjimpan rahasia.
—, dichtbij, nabij,
dékat, hampir, damping.
dicht, gedicht, sjatr, Ar. punt—,panton.
dichtbij, dvknt, hampir. Hier —, dékat
sini. Zie ook bij dicht; zich steeds
—   houdende, — blijvende, bërdikat-
dikat denga/i.
— brengen, houden,
mendPkatkan, mïughampirkan. — ko-
men, naderen tol, mX-ndëkati, m^ng-
hampiri.
dichtdoen, mïnoetoepkan, mengu/oep-
kan, mtngoentjikan, mhigantjingkan.
Zie het verschil bij dicht.
dichten, verzen maken, mengarang sjalï.
dichten, dichtmaken, zie ald.
dichter, pvngaraug sja\'tr. Ook alleen
sjalr.
dichthalen, van een strop, mengaljip.
dichtertaal; de oude — der Javanen,
behusa katci.
dichtheid, vastheid, kipal, kimpal, pï-
djal.
—, nabijheid, dlkat. —, van
zaken die dicht nevens elkander zijn,
zooals regen, kogels, bladeren, struik-
gewas enz., lebat. Van weefsel, zoodat
het geen vocht doorlaat, kedap.
dichthouden, met iets hols bedek-
kend, b.v. de mond met de hand, de
mond van een tlesch, de achaamdeelen
enz. meuekap (van ttkap). Zie ook het
volgende woord.
dichtknijpen, b.v. men moest den
neus —, tiada bolih ntémboeka hidoeng;
men moest de oogen —, tiada bolih
memboeka mata.
dichtkunde, Umoe sja\'tr.
dichtmaat, aadjü, Ar. sadjajr, verb.
dezelve, tja.
dezulke, jang bagitoe, jang dtmikian.
diabolisch, sjatfani, Ar.
diadeem, gouden voorhuofdplnat. Ukan
koendai, patam,
b.v. en de grootc Vorst
Rawana au droeg diademen op zijne
tien voorhoofden, mcka nmharadja Ri\'t-
tcana pon memakai patam pada kasa-
poelot\'h dahi.ija.
—, tig. kroon, makola.
diaconaal, diagunaalsgewijs, lintang
boedjoer.
dialoog, pïrfjakapiin.
diamant, intan ; grove of ruwe —, inian
mfattah ;
geslepen — , intan jang soedah
diljanai;
met diamanten bezet, berta-
tahkun iulan;
overal met diamanten
omzet, namrl. van een anderen edel-
steen enz., kunang-konang saktbon, let-
terl. een geheele tuin vuurvliegjes.
diamanten, stoiF. Bijv. uw. in fan, dart\'
pada in tan.
iliiimiiiii i.i\'iiï-, pot\'di.
diamantmijn, tambang intan.
diamantpoeder = diamantcxuia.
diamantslüi>en, miutjanaï intan.
diamantMlüper, pïntjanai intan.
diamnnttuiltje, karangun iutan.
diamantzetter, twkaiig intan.
diameter, middellijn van een cirkel,
sengkung.
diarrhee, loop, tjeret, tjahar; hard-
nckkige, krampachtige — na de be-
vaüing, rojan tahi.
dicht, toe, toetoep, Urloetoep, dat tegen-
over boeka en térboeka, open, geopend,
staat; katoep, Urkatuep, dat tegenover
nganga en Urnganga, open, geopend,
staat. —, van een deur, Urloetoep,
ferloedoeng, Urkatofp,
doch niet op
slot. —, gesloten met een slot, Ur-
komtji.
—, gesloten met een grendel,
Urkantjiug. —, gesloten van eene bloem,
een regen- of zonnescherm, ttrkoen-
tjoep.
— opeen, nauw, scsal: — nevens
elkander, ineen. b.v. van een weefsel,
planten enz., rapal. — nevens elkan-
der, b.v. van loof, den regen, bloemen,
vruchten, geschoten pijlen of kreupel-
hout enz., lebui, b.v. een dichte regen,
hoedjan Itbal. — van het gebladerte,
lommerrijk, revdang. —- bij elkander,
op elkander gedrongen, bvrapit. — aan
elkander, rakelings aansluitend, dempet,
dompat.
— aan den rand, van nuaisel,
een weg, tekis. — naast elkander, kern-
pel, damping.
— van een weefsel, brei-
-ocr page 171-
— dienen.                                        159
en slaven; uw—, hamba loeiran, hamba
datoef; hamba ïntjik, hamba njonja
enz.,
al naar den titel van den aangesproken
persoon ; \'s Vorsten dienaren, nauiel. lie-
den in den persoonlijken dienst van den
Vorst, hamba radja.— van God, hamba
Allah, abdi,
Ar., dit woord komt in vele
eigennamen van personen voor, zooals
b.v. in abdoe\'lkadir, abdoe\'rrah titan enz.
enz.; ecne soort van vorstelijke dienaa\' s,
die alleen de wali dragen, sa,tgga-sangga.
—, ik, uw dienaar, hamba, sihaja,
oeloen, dënyan.
Dit laatste is minder
nederig dan hamba en oeloen. —, ik,
uw dienaar, tot den Vorst, patik; van
L\'wo Maj, de nederigste —, ada di-
hawah iilapakan Sjah tilam.
—, bediende,
hamba, kawan. —, volgeling, die tot
iemands gevolg behoort, oranypenyirittg.
diender, politiedienaar, matamata, opas.
dienen, in iemands dienst zijn, menger\'
djaka/t,
b.v. als mijn zoon den Koning
dient,djika anajrda mëngerdjakanradja;
want wij beiden gelijkelijk dienen den
Koning, karëna kita santa mëngerdjakan
radja.
Ook dalam pëkërtljaiin orang.
—, dienaar zijn, dipërhumba; zijn heer
—, bërboewat djasa kapada toewannja.
—, in dienst zijn, dalam pëkërdjaiint
dalam kandahan;
het Gouvernement
—, mëndjadi hamba kompani. —, tot
ietB nuttig zijn, bëryoena kapada. —tot,
gebruikt worden tot, dibaewat, b.v. di~
hoewat pemoekoel gong, diboeical pelana;
waartoe dient dit r apa goenanja ini f
tot het een of ander doen —, nuttig
doen zijn, më.mpery oen akan; tot het
eenof ander kunnen —, akan barang
goeuanja;
God —, bVrbalrli kapada
Allah, bërboewat bal\'ti kapada Allah,
mënjëmbah Allah;
do tafel —, uiëla-
jani medja;
iemand aan tafel —, tttëla-
jani oraiig;
de afgoden —, me/tjemhah
berhala(\\an tëmbah),
- ,om loon werken,
makan opah, makan gadji —, behooren,
betamen, patoet, b.v. die brief dient
beantwooid te worden, patovtlah soerat
itoe dibalas;
gij dient te weten, pa-
toellah ëngkatt tahoe, Itëndafclah dikt-
tahoiü olihmoe;
om te — tot, strekken
tot, akan, b.v, dezo brief dient om U
te melden, baltwa soerat int akan mïfm-
bert tahoe toewan;
gediend lijn, willen
gebruiken, maoe pakai, b.v. hij wil van
zijne raadgevingen niet gediend zijn,
tiada tja maoe pakai hitjaranja. —,
■ licht muiten
dichtmaken.met een stop of prop, enz., :
mëvjoemhat (van soembat). — van een
kuil of gat met aaide, turnt mboes (van
timboes). — van reten tusschen plan-
kon, door er bij kleine beetjes iets in te
stoppen, menjoeicap (van soetcap).
licht naaien tot een zak, b.v. gevolde ;
kussens, rijstbalcn enz., mëngaaipit (van j
kampit, zak).
«lichtMoldeeren, mematëri (van pateri).
dichtslaan van een rattenknip, ketap.
dichtstoppen; den mond met iets—,
b.v. met een doek of prop, een gat met j
iet» —, de ooren met een watje enz., :
mënjempalkati (van stmpal). — van een
kuil enz. met aarde en dergel., menim-
boes
(van timboes). Zie dempen; een
lek —,mmdjcdjal butjor, atemboenoeh h. \\
dichtsluk, zie gedicht.
dichtvallen van de oogen. ntelajattg,
tërlajang,
b.v. rasattja hendal\' terta-
jang matakoe,
ik had een gevoel alsof <
mijne uogen zouden — . —, dichtvnl-
lend van de oogleden door slaperig-
beid ook roejoep.
dichtwerk, soerat sja\'tr.
dicteeren van een geschrift, imla\', Ar. |
dictionnaire, kttrib lograt, Ar.
die, aanw. Vrnw. itoe. In klein- of ge- \'
ringachtende beteekenis, si, b.v. — dief,
sipentjotri, die hengelaar, sipëngail.
gek, siyila, — N. N„ si-anoc. —, betr.
Vrnw. jan ff, nan. Wordt niet verbogen \'
en duldt ook geen Voorz. voor zich.
Zie de Grammatica.
dieet, onthouding, pantang. — houden, j
berpa/ita/iff; geen — houden, tegen het j
— zondigen, mënjalalti paniang (van i
sol alt, fout). —, zie ook onthouden.
dief, steler, pëntjoeri. — die bij nacht
steelt, mating, en zieh daarbij van
toovermiddelen bedient, maling goeva. \\
—, die eerst het huis bespiedt terwijl !
de bewoners slapen, peujoeloeh (van !
soeloeh); een brutale—, zie brutaal.
—, schelm, sipëntjoeri, sangyëlap. — i
soms ook; orai/g sëmbawa; een dieven-
vaartuigje of bootje, sampan sëmbawa.
diefachtig, toeka mëittjoeri. —, fig.
pandjang tangan, fjppat langan,
diefstal, pen/joerian, tjoerian.
diegene, zie degene.
<lien, aanw. Vrnw., zie die.
■Üenaangaande, akan hal itoe.
dienaar, hamba, abdi, Ar.; allerlei j
dienaren, hamba seltaja, lctterl. dienaren !
-ocr page 172-
100
dienovereenkomstig — diepte.
antwoorden, viïndjau-ab, halos djowdb.
dienovereenkomstig, satoedjoe de-
ngan itoe.
dienst, van een mindere aan een meer-
dere, djaso. Zijn hoer diensten bewijzen,
berboewat djaso kapada toewannja. —,
die een ot\' ander stuk gereedschap be-
wijst, djasa. —, betrekking, ambt, pt-
kPrdjaiin, djatratnn, djabatan;
een -—
zoeken, mvni\'jtharipïkirdjaan. —. hulp,
bijstand, pertoeloeagan, bantoean; in —
van, dïngan pëkërdjaiin. —, nut, goe/ia,
pergoenaati.
— van God, kabaktian
kapado Allah.
—■ in de kerk, moskee
enz., kabaktian; dieu — verrichten,
berboewat bakti; in — zijn, zie die-
nen; in — gaan, masoek pekPrdjaan;
in militairen —gaan, masoek soldadoe;
den -- verlaten, IPpü/t pekerdjaan; zijne
diensten aanbieden, zie dienstbaar.
dienstbaar, diperhamba, djodi hambo,
dolam perhamhaan, bërseicaka.
Voor dit
laatste b.v. orang jang berseicaka dan
jong liï.rhoriang padonja,
lieden die hem
dienstbaar zijn en die schuld nnn hem
hebben. - — maken, niï\'iiipërhtimbakan;
zich — maken, d.i. zich in dienst be-
geven, mï- ntpï\'rhanihakan dirinja. — ge-
maakt worden, dipPrhamhakan; dienst-
baren, ondeihoorigen, sokoi, rajat, Ar.
anok boevah, —, cijnsbaar vao een
overwonnen volk, tïilok, Ar.
dienstbaarheid, perhambaan, halptr-
hambaiin,
ook kandahon; tot — bren-
gen, mempPrhamhakan; in — zijn, du
perhamba orang,
dienstbetoon, kabaktian, Skr. chid-
mal,
Ar, d/aso.
dienstbode, hatoha, kawan.
dienstig, nuttig, hPrgoena, bdik, bo/rh
dipakoi, btrfnidah
, Ar.; waartoe is dat
—, ini bërgoena akan apa; dit middel
js — voor die kwaal, obat ini bdik
akan penjakil itoe.
dienstknecht, hamha. Ter onderschei-
ding van dienstmaagd, hamba laki-laki.
dienstloon, opah, gadji.
dienstmaagd, dienstmeid, hamba, se-
haja;
ter onderscheiding van dienst-
knecht, hamha pPrampnewan, Ook dja-
rij.\'Jt,
Ar. b.v. bWïirapa djarijah ado
mPlajani,
vele dienstmaagden waren
aan het bedienen.
dienstplichtigen, onderhoorigen, sa-
kai, rfijat, Ar. anak-boeiczh.
diens tvaardig, soeka berdjasa.
hulpvaardig, soeka mïaioeloeng, soeka
mP.mbantoe.
—, naamtig, rodjin.
dienstvrü, vrij van heeiedienst, marda-
heka;
vrij van werk, Ivpas kïrdja.
1 diensvolgens, dari sP.bab itoe, fiêtfoi
itoe.
dientengevolge, dari sthab itoe.
diep, dalam, b.v. een diepe kuil, lobang
jong dalam,
een diepe wond, loeka do-
lam;
het is drie vademen —, dalamnja
tiga dëpa.
Zeer —, dolam-dolam; eene
zeer diepe zee, laoet jang dulam-dalam.
—, niet plat, b.v. van een schotel,
pengga, — van een kom en dergel.,
djëtok, b.v. een diepe kom, zooals een
wnschkom, mangkofr d/Plofc. — in den
nacht, djooi\'h matam. — van inzicht,
djaoeh pëniandangan. — naar binnen
liggend van de oogen, ook — van een
schotel, bord enz., t/Üngkëroeng. —,
vast van den slaap, njador, tjendëro,
lëlap, sennjap.
—, zwaar van de stem,
garau. — van gegriefd of getroffen,
terdaging. — van droefheid, sangut,
amat sangot.
— van berouw, berkaboet;
een — berouw, sësal jang bPrkaboet:
dieper worden van wonden, niendolam.
—e rouw, perkahoengan jang bësar.
stilzwijgen, berdiam diri; in — gepeins,
tëfekoer, Ar. — geworteld, btrakar
dalam-dalam.
— in het boseh, ditëngah
hotftan.
— in zee, ditëngah laoet, di-
laoet rembang,
b.v. dilaoel ftmbang
kopal bPrlahofh,
het schip ankerde in
volle of dïepe zee. — in schulden, sa-
rot dettgan hoetang.
— geladen van een
vaartuig, sarat. —e buiging, sëmbah-
soedjoed.
diep, haveningang, moetcaro.
diepdenkend, brrkapikiran pandjang.
diepen, diepmaken, ntêndalamkan. —,
graven, mhiggati.
I diepgang van een vaartuig, makan, b.v.
hoeveel — hoeft dat schip P berapo
dalamnja makan kopal itoe:\'
dieplood, batoe doega, batoe ladoeng,
pProem, lali doega, tali datjing;
het
— uitwerpen, mï.mboeteang batoe doega,
m, batoe ladoeng, m. pïroem,?nY>ndoega.
diepte, dalam, dalamnja. —, waar het
strand bij eb niet droogloopt, toebir.
Zulk eene — vormen, menoebir, ook
naar de — afloopen, b.v. een berg.
die naar de — der zee afloopt, goenoeng
mêuoebir kalaoel.
— in zee, rivier of
meer, loeboek — der zee, haroengan
-ocr page 173-
Kil
diepzinnig — dik.
laoei. — des harten, dalamnjn ha/i,
bafin,
Ar. — van een huis, pandjang
rufitmh, buedjoer roemah
; de — peilen.
hiludorga, b v. zij peilden en bevonden
de — te zijn 17 vademen, didofga,
didapalinja ukan dalamnja toedjoeh
hela» depa.
diepzinni**, datum, haloes, bafin, Ar.;
een — gezegde, perkataiin daiaai. —,
geheimzinnig, rahasija.
«lier, beest, binatang. fyaiican, Ar.; een
redeloos —, binatamj jang tiada 4?r-
botdi, binatamj jang dada bfrakal; ern
viervoetig —, binatang jang berkali
\'t-ui put:
een kruipend —, binatang jang
rnPlata, b.
,/\'. mï-ndjueUn-r; een wild—,
binatang fijar, sidtca, Skr. De wilde
dieren, het wild gedierte, werga-saJica,
Skr. binatang horfan; een kunst — , bi-
nafang hikmat;
een tam ■—, binatang
djina}-;
een verscheurend —, binatang
boetcas, b. gal al?;
een — dal op han-
den en voeten voortkruipt, binatang
jang rnerangkak;
een — dat reeds ge-
jou gil heeft, ii/dot\'ttg, bijang, indonk\',
\\i.\\.
een kalf-hurïel, indoi-ng karbau;
eene klokhen, hnjam bijtuig. — in de
astrologie, dat een van de dertig dagen
der maand regeert en gunstig of on-
gunstig maakt voor het beginnen van
ondernemingen, rïdjang. Zie teeken.
—, als seheldnaam, ook binatang.
dier. zie duur.
dierbaar, geliefd, kïkaêih. —, kost-
baar, fndah-endah.
«lierenhuid, koelit binatang.
dierenkweller, pïnganiuja binataug.
dieren oi Ier, pïr&<>wbahan binatang,
korbait binataug.
dieren plaag, pï-ngorstk binataug.
dierenriem, de zonneweg, boeroedj
asinani,
Ar,
dierenrijk, het —, haiwanan, Ar. se-
(jatii binataug, sX-gala haitcan.
dierenschilder, pïnnnlis binatamj.
«liereiitemmer, pmcang.
dierentuin, kebon binatang, fatttan bi-
na/ang.
dieriieiyk, jnng (frmikian, jang saba-
gainja, jang bagitof.
dierlijk, haiwani, Ar. tjara binatang,
sapt-rti binatang.
—, zinnelijk, van den
menseh, bérna/sof, haiicmi. —e warmte,
tothne. — voedsel gebruiken, makan
perkara jang berdarah.
diersoort, djfoiis binatang.
I dien, daarom, sêbab itoe.
i dietMf ieui. iets — maken, menipoe
orang, wvinpPrdajakan orang.
dievejrije, pï-ntjucri pï\'ratnpoetcan.
dievenbende, kuican pënfjueri.
dieven<;eMpuiM, bamjsa pïntjueri.
«tievenhol* dievemiest, sarang péntjoeri.
dievenlantaren, teng maling.
dievenr*treek, akal pïntjorri.
dieven taal, bïhasa péntjoeri; o. s. v.
—, heliaxa ba/ik, waarbij men de woor-
den omkeert; bïhasa sin, waarbij men
achter eiken klinker eene s voegt.
dieventronie. imu-ka prntjoeri.
dieverÜ, pïnf/oerian.
du met het been paha. —, benedendij,
het been van de liezen tot de knie,
po lm bitalttnij, h.v. paha bilalaagnja
ko,-rang tiroes,
hc.ar benedendij was
niet tenger genoeg.
dijbeen* Undang p-üia.
dijbreuk, )>atnh paha.
i liijen, uildijen, mant/kak\'. ■— onder het
koken of weeken van rijst, erwten,
booncn enz inneivai.
düsen, gedegen goud, erna* kimpal.
dyu, dam, bwujking, tmmèmjr,imHt,oofc
bendomg. —; de smalle dijkjes in de
natte rijstvelden, kalang, batang, pe-
matang
{van pvmbatauij) guténgan, Jav.
—je aan den kant van een weg, pï-
malang tfboeh;
een — maken, mënam-
ba&*. menarbit,■ smalle dijkjes in de
rijstvelden maken, mX-mborwatpematang;
een — duorsteken, wïnitaskan tauibalr,
mënètaskan tarbis
(van tvtas); over den
— loopen, van het water, mf.lipofti
tambak, uielipoi-li tarbis;
iemand aan
den — zetten, uit zijne betrekking ont-
slaan, niPniXtjatkan oranq daripnda
pauijkatnja.
dijltbreuk, tHasan ta.-nbak, Cétasan
tarbis.
duiten, bedijken, iiiXniunbak, tn\'ënarbis.
«lijkje in de rijstvelden, zie bij tl\\jk.
«lijsïitï, dij/eng, algemeen betrokken lucht
met stil weder, pe/vwang.
dik. Voor de verschillende beteekenisson,
die dit woord heblien kun. heeft men
verschillende woorden, die in het ge-
bruik nauwkeurig van elkander moeten
worden onderscheiden, namelijk: —,
vet, van levende wezens, ook van plan-
ten. aarde, mest en dergcl. gPiuokr. —,
vet, goed in het vleesch, tamboen.
van papier, lijnwaad, en andere platte
-ocr page 174-
162                                       dikachtig — dirigeeren.
voorwerpen, ie bal, ook van de wan-
gen, de huid, kleedinp, baat enz. —
van vloeistoffen, gebonden, kent at.
van hoornen, palen en dergel. bïsar.
, gezwollen van een lichaamsdeel,
Öengkak: —. gezwollen van de oogen,
baloet. — naar evenredigheid van de
lengte, lort/ok. —, niet naar evenredig-
heid van de lengte, dongok; oneven-
rcdig —, ook bun gok. —, zwaarlijvig,
btijak; daardoor mocielijk loopen, »/?;«•
bajak. — van lippen, tebal, — van de
wangen, kimboeng, b.v. dahinja djendol,
pipiuja kemboeuy, dagoeaja lëntik, pe-
roetuja borntjit,
zijn voorhoofd was
bultig, zijne mingen waren dik, zijne
kin was spits en zijn buik gezwollen.
—, vol, van baar, bladeren, gras, zeil-
en touwwerk enz. rimbun, b.v. hij heeft
bijzonder — hoofdhaar, kapalanja riin-
bun sak al i;
een — met bladeren bezette
kruin van een boom, poetjoek rinibun.
—, verdikt van vloeistoffen M dampen,
pëkat, këntal. — van den rook, walm
enz., kepoel. — in afmeting van ronde
lichamen, zooals b.v. boomstammen,
pilaren, potloodcn enz. gemat/g; overal
even —, saam gemanij. —, bezinksel,
van kotfie en dergel. hampat, —, en
dnardoor hangend van den buik, ga/i-
duet.
—, opgezet, gezwollen van de»
buik, boentjii. —, vooruitstekend, van
den buik, bërdoes. —, van een draad,
kasar. —, dicht ineen, rapaf, lëbal.—,
troebel, keroeb. —, gestolten, Wétte,
—, van duisternis, goelita; eene dikke
duisternis, gëfapgoelifa; zich — cl en
on drinken, wtmkam sakënnjaag-kënnjang j
er — in zitten, zeer gegoed zijn, amut
hartatcan, mënaroh bavjak harta.
— in
de vrienden of familie zitten, ffflurrfW
ranja ttbal: het dikke van den niiu,
boficali Ivngan; het — van het been,
boncab bëtis, peroet bet is; het — van
de hand, peroet tanga»; zich —, tooi-
nig maken, djadi uiartih; door — en
dun gaan, mengatoevg bet-jak- dan
loempoer.
dikachtig. Dit wordt teruggegeven door
de verschillende woorden vuur dik met
nchtergevoejïd an, b.v. tëbatan, lebata.t, .
kasaran, këntalau enz.
<liUtm*t ig, berkoelit lëbal.
ciili bladill, hërdaoeu tïbal.
dikbloedig, bérdarah ktufttl.
dikbuik, peroet gandoet, peroet boentjit\',
péroel boesoeng, peroet besar ; dik en
vooruitstekend van den buik, bërdoes,
bojas.
—, als scheldnaam, siboesoeng.
dikken* zie verdikken,
dikte. Hiervoor beziet men de Jüjv. uw.
onveranderd als Zelfst. nw. b.v. de —
van die plank, febalnja /tapan Hoe, enz.
dikwijl», kerap, kerap kali, bebèrapa
ka/i, serintj\'sërhtg,
Jav. koeicat-koewaf,
radjin, afjap kali, kadang-kadang.
diligence, kareta pos.
dille, sjibit, Ar.
ding, voorwerp, bënda, b.v. ada soeatoe
bënda iapërti hati hajam roepanja,
er
was een ding, dat er als een kippemnag
uitzag, miiiis ook barang; dingen, spul-
len, eigendommen, hartad/ënda, kësï-
dak, mêrédiu-k,
vuig. —, zaak, perkara ;
een kostbaar —, benda jang eadah-
endaii;
de ilin.\'en Gods, benda Allah;
één — is zeker, satoe përkara djoega
soedah tenfoe;
ik heb nog vele dingen
te doen, ada lagibanjak pëkërdjaiinkoe;
wat is dal voor een —, mi tëmds. «po \'
God schiep alle dingen, Allah toedak
iitïndjadikiiu samesfa tilam wkaltun;
het einde aller dingen, kasoedahan
doenia ini, kasoedahau segala. sasoeatoe;
onbezielde dingen, be/ida-bë.nda jtu/g
tiitda bërnjaica;
welke dingen komen
er toch uit dat meer, apakah benda
jang kaloetcar dart dultati. tastk itoe f
dingen, bieden, tatcar, mtnmvar; Mijn-
heer mng —, toewan bolih taicar; naar
iets —, b.v. naar een ambt enz., bïr-
kt\'hëailak ukan, ber/njat akatt, htenga-
hendaki\'.
dintdag, hart tsalalsa.
dinsdagavond, malam rebo, maltna
arbü.
dinsdagmorgen, tsalalsa pagi.
diploma, sidjil. Ar. —, vergunning,
ook tot het geven van onderwijs, idja-
zat,
Ar. ■—, brevet, barnat, Ar.
direct, rechtstreeks, regelrecht, lang-
soeng,
b.v. de Vorst ging — naur liet
paleis, tnaka bagiada pon langstieng
ka-astana,
—, zonder tusschenpeisonen
of zaken in aanmerking te nemen, dji-
kalaa S\'fbataug fiang pon.
—, zie ook
terHtond en oogenblikkelijk.
directie, pëmërrntahan,
directeur, pëmëreittah, direktoer,
dirigeeren, cene richting geven, b.v.
aan een leger, mëngabah (van abuh,
richting).
-ocr page 175-
108
discant — dochter.
discant, discanttoon, van alle soorten
van instrumenten, tjang.
lisch, medja ; ten — nood i gen, memang-
gil makan, iiitnd/tmpost makan.
«liHcheenoot, ttmtm maka.t, ttman di~
utrdja, orattg jaiuj makan aahtduitgaii.
dischicerwclit, hidangan, sadjtan.
discipel, moerul, Ar. péladjar.
diaconto, bast.
discours, pir/jakupan, petoetoeran.
discreet, bescheiden, sopati, maloe.
disputatie, pïrbantaJian.
disputeeren, bérbantah-bautah; met
elkander —, btrbant a h-bant uhan, btra-
tas-at asati.
dispuut, pfrbanta/tan.
dissel, met verzetbaar ijzer, belioeng;
eene MOIt van kleinen — met verzet-
baar ijzer, tjetai; eene sourt van krom-
men —, waarvan het ijzer dwars aan
den steel zit, gebruikt om bout gelijk
te hakken, rimbas. Met zulk een —
het hout bewerken, mhimöas; smalle
—, waarna het ijzer overlangs staat,
putti. Zulk een —, waarmede men het
hout de eerste ruwe bewerking doet
ondelgaan, putti ptttarah. Ook alleen
pvnarah ; een soort van —, grooter dan
de palil en met vast ijzer, banlji.
disselbund, rotan, riem enz., waarmede
de dissel aan den steel verbonden is,
kPrawat.
ii-.sriiM».iii, bom kareta.
liss.rl.-n.niri den dissel bewerken,merim-
bas, Hiï\'ttiaïtl, mfnarah.
Zie bij dissel,
dissonneerend van tonen, tjautpah.
distantie, djaor/t. Onderlinge— ,djara$;
distel, met hnakvormige doornen, pukok
oenak;
doornen en distelen, doeri dan
oenak;
eene soort van —, aeantus
elieitolius, die luen buiten de wonin-
gen ophangt om zekere spoken van eene
kraamvrouw verwijderd te houden, djt-
roedjoe, daoen djProedjoe
distillateur, loekang arak, djueroepP-
ngarakan.
dtstillatie, pPttgoekoesan.
distilleeren, utP.tguekoes (vnn koekoes).
district, afdccling, luewak. De inland-
schc benaming daarvoor verschilt naar-
mate van de plaats, b.v. op Java is
het kadPmangan, op Suuiatia larat of
moekiiK enz.; de van de hoofdplaats
verwijderde districten, pantja negara.
disirit-tshoofd, op Java, dtmang. In
deu Mal. archipel, bat\'m.
dit, ini. De plaatsing is achter hetSubst.
b.v. dit paard, koeda. ini. In de spreek-
taal plaatst men het meestal er vóór.
— en dat, onbepaald, in het algemeen,
anoe-auue. — en dat doen, anoe-anoekan;
een ditje en een datje, sPdikil-sP-dikit.
ditmaal, takali tui; alleen voor —,
alleen voor dezen keer, kapada takali
teak toe int,
b V. ampüenilah dosaajti
huatba ini akan c/iilaf bibal hamba
kapada sakali tcakloe ini.
divan, fltÜMM, 1\'erz.
divisie, legerafdeeling, pasoekan,
dobbelaar, pindjoedi.
dobbelar\\j, pindjoedian.
dobbelen, bérdjoedi, mPndjoedi, uia\'ia
djoedi.
Zooals de Chineezen, mam top,
uuün po.
— met dubbelsteenen, boe-
tcang datloe,
dobbelhuis, dobbelplaats, tempal per-
djuedian,
Chin. —, pÉlopan.
dobbelspel, pPrdjoi-dian, pPrmdïnun
djoedi;
eene souit van — met duiten,
e. s. v. kruis-ol-munt. sampak
dobbelsteen, dudue, buewah dadoe, boe-
vcult parih.
In pi. v. dubbelsteenen ge-
biuikt men ook e. b. v. balletjes, boeitah
oendi.
dobbelzieW, tanyat pendjoedi.
dobber, al wat op het water dobbert,
apui\'ng, lumpoeng, pPlampoeng. Ook de
drijtkurken van een uet. - v. e. visch-
snoer, pPlaiupoeiig kuil, tjtrian.
dobberen, op du oppervlakte van het
water, tuï-liiiiipufiig, ntPiigitpoeng, katoeng;
zoo dobberende zijn, ti\'rapoeng-apoeag,
ook tPratueuy-atoeng en ltrkaloeng-ka-
toeng;
laten —, mPngapoevgkan. —,
ronddolen, tnPngombara (van kombara);
dobberend, wankelmoedig van het hart,
bPraloe/ig-tit\'oviig.
doceeren, mPugadjar.
docent, pPngadjar, goeroe.
doch, tttapi, tapi. Met nadruk, akan
tetapi;
nog Bterker, akan ietapinja ;
verder lak in en walakia, Ar.; dit laatste
alleen in brieven; ook karPna. - , er
is echter een kleine maar bij, stdikituja,
akan tilaptnja
dochter, anak pPratnpoetcan—vanden
Vorst, poetPri, Skr.; de gehuwde doch-
ters van den Bcnduhara en den Toe*
menggoeng dragen den titel van ïêntjik
poetcan;
jonge —, vrijster, als aan-
spraakswoord, dajang, b.v. llai dajang,
batca djoega akoe bP.rdjalan sagtaitp
-ocr page 176-
] 54
dochter* man — doen.
kampoeng, wel, jonge dochter, leid mij
toch de buurten rond, wijs mij den weg.
«loclilrrsiuiin, minanioe, soewanii
annknja. laki anaknja.
dodderis. slaperig, mriiganfofk.
dodei, vuil ei, tïhtr bopsofk.
dodyiifti, w?»iuu ang-ntïaaag (van ti-
mang), mrnijaUt
(van oltt).
dodoor, vadsig mensrh, pemalas, pt-
ngantufk, soi\'ka mvnganfoi\'k.
doek. gewoon stut\', kaïn. Voor de soorten
zie de benaming daarvan. — van ge-
klopte boombast, djPtonrutig = Jav.
deloetcang; eene soort van —, kaïn
kimbajal,
zoo genoemd naar eene stad
in het Gouvernement van Madras ;cenc
soort van grot" —, waarvan zakken en
zeilen gemankt worden, kaïn karoeng.
doelt, als kleedingstuk. Hiervoor zijn
verschillende namen, al»: de gewone
doek of sjaal der inlandsche vrouwen,
sHrndany. — dien de vrouwen over
den boezem draeen. kJmimn, Daarmede
bekleed zijn, fSrilmimt —, vierkante
doek, zonder franje (jomf, nml. aan
het hof, van gele zijde), die door vrou-
wen over den linkerschouder gedragen
wordt, kaïn doekoeng. —, die door
vrouwen om den hals en over de beide
schouders gedragen Wordt, of geel, of
bes\'ikt, kaïn tampai, iïtmmpm; vier-
kante —. hestikt met figuren, die door
de vronwen over den linker schouder
gedragen wordt aan het hof van den
Onderkoning, kaïn doekorng tjinda i;
kleine, fijne, gele —, die over den
schouder geslagen wordt door hen, die
den Vorst bedienen, kaïn tra/i; lange,
smalle —, van fijn Indisch linnen, die
om het lijf geslagen wordt, fjaoel,b.\\.
adapon kaïn ijaoel itoe tiga mafjam,
van dio doeken zijn er drio soorten.
— van zijde, die door de vrouwelijke
bedienden van een Vorst over de beide
Behouders en met een boog over de
horst gedragen wordt, selampai; eene
soort van witten — met roode randen
en witte franje, door de Mal. vrouwen
als sjaal gedragen, sa/mag d/araag.
om bij het sirihkauwen den mond al\'
te vegen, sPtaugan sirih; gcklenrde
stukken —, die in de soerambi en de
andjiieng bij feestelijke gelegenheden
worden uitgespanncnn, langii-langii
voor tent, mantel, tafelkleed, gordijn
of sluier, tjadir, 1\'erz., wordt ook over
den schouder gedragen en in de plaats
van een bidmat gebruikt. —, die men
over het deksel van spijzen legt, en die
soms fraai bewerM is, tordoevg hidamj.
—, luur, kaïn fampin. —, windsel.
karn bïbaf. -, zie ook bij dekkleed.
doeken, mtmboi\'baeh kaïn, inPngenakan
kaïa.
—, bedriegen, n/Pnipoe, tntmpïr-
dn/akan.
doekje, kaïn kïfjil; doekje?, lapjes,
kain-kaïnan; er geen doekjes om win-
den, bei\'kafa têroes-ftrang• een doekje
voor het bloeden, zie uitvlucht.
doekspeld, kïrofsang, kt\'r oeng sang.
koer sang.
doel, oogmerk, maksoed. Ar. —, schijf
om op te schieten, sasaran, iildinat;
het — niet bereikt, van een kogel, een
bezoek, het gezicht, gehoor enz. sajoep ;
het metst nabij het —, rakelings, van
geschoten of geworpen voorwerpen, tem-
bfk;
zijn —, oogmerk, bereiken, tam-
pat maksoed;
zijn — missen, salah
maksoed.
doelen, in het spreken zijdelings, of met
bedekte termen — op iets of iemand,
Hhiiitiitlirkan. •—, bedoelen, het voor-
nemen hebben, bernijaf, berkahendak.
doelloos, ijdel, fjoema; geheel —,/joema-
tjoema, sia-sia,
doelmatig, patoet, kena.
doeltreilend, kena, pa/orf, kï-na beitar;
zijne maatregelen waren—, kPna bënar
ofkoff\'iili fnja.
doelwit, mik, sasaran, hhiinat, —, dat
wat men tracht te verkrijgen, tuenloelan.
doemen, zie veroordeelen eu ver-
doemen. —, laken, inPtrfje/akan.
doemenswaard, patoet dlhwkoem.
doen. Dit wordt op verschillende wijze
teruggegeven, b.v.: —, bewerkstelligen,
mtugï-fdjakan; niet te —, tiada feker-
djakan,
b.v. soesahnja tPrlalae. sangat
banjak, ka/au tiada fékPrd/akan o/in
puman,
er zijn buitengewoon veel moci-
lijkheden aan verbonden; \'t mocht door
oom niet te — zijn. —, verrichten,
mfmboncat, bPrboetcat, b.v. goed —,
berbarwal ba\'ik; moeite —, n/Pmboewaf
soesa/i.
Soms wordt het niet vertaald,
maar ligt het begrip reed» in het Werkw.
b.v. boete —, berfapa, een (tebed —,
bPfdo\'a, sPmbaJijang, een eed —, AeV-
soempah; ook wordt het dikwerf uit-
gedrukt door den causatieven uitgang
kan van het Werkw. voornamelijk in
-ocr page 177-
106
doen.
de bcteekcnis van laten, b.v. — groeien,
wtènoemèoekiuat (van toemboeh, groeien),
—  vallen, niendjatohkan enz. Zoo ook
in de bete e ken is van maken, b.v. te
niet —, mèniadakan (van tiada).
zijn, maken dat het is, menyadakan.
—  toekomen, menjampaikan (van sam-
pat).
—■ gedenken, menyinyatkan. — in
de beteekenis van bevelen wordt het
meestal met soeroeh weergegeven, b.v.
—   binnenkomen, soeroeh masoejp.
zitten, swroeh doedoek. - zweien, soe-
roeh bersoempah.
Tot nadere aanwijzing
nog de volgende voorbeelden: zijn best
— , memboeical sabolih-bolihnja, ntenyoe-
sahakan dirinja.
— zoo goed als uien
het kan, boewat satahoe; wat met of
aan iets ot\' iemand —, menyapakau;
wat moet er meé gedaun worden, di-
apakan itoe f
wat heeft men dit kind
gedaan, boedak ini di-apakau; ook di-
penyapakan;
wat zou du Vorst daartegen
kunnen doen, hèndaik dip\'enyapakan ba-
yinda ;
weer over —, nog eens op nieuw
—, bui\'tcat samoela looi. — volgens,
boeicat sabayaimana; het eerst —, boe-
wal moela-moela;
veel te — hebben,
iida baujab kt\'fdja; met iemand te doen
hebben, met heui bewogen zijn, sajany
akan sa\'orany, kasihankan vrany;
wat
is bier te —, upa kërdja duim? In
de beteekenis vau: wat is hier voor
een leven, apa jong digadoehkan dismi;
wat zullen wij —, wat staat ons te—,
wat raad, apa bifjara kita, apa daja
kita, apa ichtijar kita;
wat doet het
er toe, mvnynpa; het doet er niet toe,
ftada me ii y o pa; heeft hij wat gedaan,
d. i. ontlasting gehad, soedah tja boe-
icatiy aja? f soedah ija kasoenyai ?
veel
te — geven, memberi banjak sofsah;
dit huis doet zooveel van huur, roemah
ini sakian banjak\' sewanja.;
hij doet
in lijnwaad, ija bèrdjoewal kdht-ka\'in;
eenen winkel —, berkédai; zaken —,
handel drijven, bant\'aya: iemand dienst
—, inzonderheid aan een meerdere, ber-
boewat
dja.ua kapada orang; beseheid —
met den beker, menyanyyap pia/a, me-
larih;
hoeveel duet dat, wat is de prijs
er vanc berapa haryanjaf er nog iets
op —, iets hooger bieden, manna ba/dan
si-d/kit, tawar lebih sedikit;
niet een
meisje willen te — hebben, minta èer-
kenal-kettalan dengan stCurang anak-
dara;
zieh aan iets te goed—, mengen-
njangkan dirinja dengan, m\'emoetcaskan
dirinja denyati;
hulde —, memberi ior-
mal, meng /tormal i, mempènnoeliakan,
menjembah ;
plegen te —, biasa. Zoo-
als hïj plaeht te —, seperti ija biasa;
iemand — verhuizen, soeroeh pindah;
niets — dan, tiada tuin k\'erdjanja me-
lainkan;
niets te — hebben, tiada k\'er-
dja apa-apa, tiada barang kërdja.

alsof, zieh houden alsof, poer a-poer a,
b.v. zij doet alsof zij zich sehaamt, ija
poera-poera maloe,
ook salitkoe-iakoe,
b.v. saJakoe-lakoe hendak mengoesir
dia,
en doe alsof gij hem wilt weg-
jagen; is er wat te —, te verrichten,
adakah barang kërdja; van — hebben,
noodig hebben, maoe pakai, bërhadjat;
gebrek hebben aan, kakoerangan, b.v.
ik heb geld van —, akoe kakwrangan
oetcang;
niet8 te —willen hebben met,
tiada fadloeli akan, tiada perdoelikan.
Zich niet willen mengen in, dada maoe
bertjampoer dingan;
toen dat gedaan
was, satelah soedah itoe; het is reeds
gedaan, soedah itoe. —, gelden, har-
yanja, lakoe,
b.v. dit gedrukt katoen
doet 4U centen de el, kaïn tjita ini
haryanja satoe eto empat poeloeh scti;
een dollar doet :25(> llollandsche een-
ten, satoe ringgit lakoe doemt ratoes
liiita poeloeh ten betaitda;
dit huis doet
een zware huur, roemah ini mahal se-
tva/ija;
dienst —, in zijn dienstwerk of
ambtswerk zijn, datum p\'ekerdjaiin dja-
icalan,
b.v. hij doet dienst, ija dalam
pekerdjaau djaicatanaja;
dienst — in
kerk of moskee, bérbwwat bafcti, ber-
boewat ibddat.
—, volbrengen, minjam-
paikan,
b.v. wnt hij beloofd heeft, doet
hij niet, barang ja./y di dj andjinja tiada
disampaikannja.
— van iets bij, op of
in iets, b.v. suiker in de thee of koffie,
zout of specerijen in ot\' op spijzen,
memboeboeh, menfjampoerkan; wat kan
men er ap.n —P apa bolih boemtlf—;
gedaan, afgedaan, soedah; het werk is
nog niet gedaan, pik\'erdjadn ilue betont
soedah;
wat zullen wij—P apa ichtijar
kita f
met iemand — als, tn\'emp\'èrboe-
trut saperti,
b.v. kita dipërboeivat olih
ra/tja Mutaka saperti kern,
de Vorst van
Maluka doet met ons als niet een nap.
doen, Zelfst. nw. perboetcatan, pekër-
djaan, kalakoeau;
ieiuund\'s — en laten
tinykah-lakoe, kalakoeaa; dit ia mijn —
niet, past mij niet, boekan pekerdjaankoe,
-ocr page 178-
166
doenbaar dom.
dol int;, sësatan, kombara, pèngombaraa.i,
—, dwaling, salah.
dolk; de algemeen gebruikte, inlandsen!\'
—, keris; een lange soort daarvan, k\'eri.i
pandjang;
een korte, die als nevendolk
gebruikt wordt, peudueiva. Zulk een —
met golvend lemmer en meer dan negen
bochten, keris tjêrita, zie ook bij kris;
een soort van kleinen —, badik-badik.
eon soort van — met kromme punt.
siicar-, korte — met een breed lemmer.
die de pengHma\'s in het haar verboi-
gen dragen, bëladau.
dolkmes, sekin, Ar. Kene soort van
Atjineesch —, gekromd als een Turk-
sche sabel, reut jong; een --, dat op
Sumalra de Maleische vrouwen 1*ij zich
dragen, om datgene te snijden, waarop
zij onderweg belust raken, sekin pëngi-
da,n;
een krom —, cliaudjar, Pcrz.
dolksteek, pt-nikam këris.
dollar, ringgit. De Mexicaansche —.
rtvggit boeroeng, omdat er een vogel
op gestempeld is. Hij wordt te Batavia
gewoonlijk tegen ƒ8.50 gerekend. Hij
wordt verdeeld in 1UÜ ccnlen of 40U
duiten of 40 dubbeltjes. Men noemt
hem ook ringgit djanik eu ringgit ga*
roeda,
bij verb. ringgit goerda. Is bij
met diep gekartelden rand, dan noemt
men hem ook wel ringgit buenga sam-
bau
on ringgit dada oei\'ar; de zoogc-
naamde Spaansche —, ringgit w\'eriain,
omdat er een pilaar op gestempeld
was, dien men voor een kanon aanzag
— met den pijlbnndel, ringgit k\'ipas;
de Spaansche — met de beeltenis van
den Koning, ringgit besar of ringgit
kaïn besar,
omdat die in vol romeinseh
costuum daarop staat; ook onze lïijks-
daalder of %\\ guldenstuk wordt ringgit
genoemd en wel ringgit kapala om het
borstbeeld des Konings. Dien met bet
portrot van Willem II noemt men zeer
naïf ringgit tengkvrak, d. i. met bel
bekkeneel, omdat hij danrop zoo kaal-
hoofdig en ingevallen van gelaat is.
dolleman, orang gila.
dollen, niet stilstann van een vlieger,
asifr.
dollcpraat, pirkafaiin orang gila.
dom, bodoli, bebal, djaliil, Ar. liëmpa:
wees toch zoo — niet, laat u niet zoo
beetnemen, tig. djangan ëngkau giriiig
kerbau ;
dom, onnoozel, pandir; uiter-
male —, simpel, sanboeloe.
tiada la\'ik Hoe kapadakoe.; hij is in een
goed ducn, pek\'érdjairnnja bërliajtil; hij
is gegoed, ija orang hartawan.
doenbaar, uitvoerbaar, dapat diboeicaf,
dapitt dikerdjakan, dapat di-adakan,
tekerdjakan.
doende, bezig, lagi h\'rkerdja, lat/i mem-
boewat;
zoo —, bagitoe dengan bagitoe,
dengan f/érhoficat demikian, dengan ptri
jang demikian.
doeniet, pemalas, perl\'entai.
doenlijk, zie doenbaar.
dor, verbleekt van glans, soeram. —,
van het gelaat, nweram. —, nevelachtig
van de oogen, zooals bij het ontwaken,
raboen. —, mat, zonder glans, koesam.
—, niet glimmend, van metaal of gins. I
dat in lang niet gepoetst is, kali*. —, j
van klank, van een muntstuk of metaal, I
p\'èkak; van een ketelinstrument,lembab.
—, stompzinnig, teiigar. —, van licht
en geluid, rëmang.
doller, mannetjes-duit\', mërpat\'i djantan.
op Java boeroeng dara laki-laki.
dofheid, zie dof.
doft. roeibank, sëngkal, shigkar.
doe, and/ing Inggris jang besar.
dok, limboeng, b.v. het vaartuig komt
pas uit het —, përahoe beharoe toeroi\'n \\
dart limboeng;
ook goedi, doch zelden.
—, droogdok, kalangan (van kalany,
steunpunt, stut).
dokter. Bar. geneeskundige, toacan dok- .
/.T; inlandsch —, die zijne opleiding
te Batavia genoten heeft, dokter djatca ;
inlandsch geneeskundige, fabib, boemoe,
doekoer?,
Jav.; in de cene of andere
wetenschap, liakim, Ar.
dol, roeipen, kèliti.
dol, woedend, gila, amok-. Hondsdolheid,
yila andjing. — verliefd, gila biraai. \'
— verliefd op, gila birahikan. — ma-
ken, menipergilakan, — moorden, we-
ngamok. — van olifanten in den brons-
tijd, mëla, in poëzie ook wol van het
gemoed) een dolle olifant, gadjah met-a. \'
dolen, zwerven, mëngontbara (van kom-
bara), bèridar-idnr.
—, verdwaald zijn,
sesaf, fianjoet, melartit. —, rondloopen
zonder bepaald doel in eene buurt of
stad, bèrpoesitig-poesi»g, béridar-idar, i
bërkoeliling-ko elilivg.
dolfijn, ikan dalfin, Ar.; eene soort van !
cetbnre, goudkleurige —, ikan ira-ira. \\
dolheid, kagilaiin, kamëtaii\'i.
dolhuis, roen/a/t orang gila.
-ocr page 179-
— dood.                                       167
gelap-goelita; zoo —als in een vertrek
waarvan alles gesloten is, gelap katoep
—, somber, verbleekt van glans, toe-
ram.
—, het meest duistere gedeelte
vuq den nacht, silam, d. i. \'s nachts om
eén uur ; b.v. terang tjoewafja dipandang
silam,
de heldere dag wordt voor nach-
telïjk duister aangezien. — van kleu-
ron, toeu,a, hitam, b.v. — rood, merah
loewa;
een donkere huidskleur, hitam
tearna koelit toeboelmja.
—, betrokken
van du lucht, redoep, — van wolken,
gobar, kabuet, b.v. sakawax atcan jaag
kaboes,
een zwerm donkere wolken.
donkerblauw, ntta, Skr.
donkerbruin, deragam, tcarua pala.
donkergeel, koenntg loewa.
donkergroen, hidjau toewa.
donkerheid, duisternis, silam, kage-
It\'.pUil.
donkerpaar», otagoe toewa.
donkerrood, merah tofica.
dons, de tijne plu is vederen van een
vogol, boeloe roenui, boelor hapas, boeloe
famang.
dood, utati. —, overleden, gesneuveld,
ook padain; zich —houden, memalikan
dirittja,
b.v. apabila dalang kelak- >n,t/ro-
si\'t itoe hfndukltih m Mkan dirimoe
sakaliaa,
als weldra die niensch komt,
moet ge u allen — houden. —, tig.
poetihtoelang, b.v. beter — dan zich
zoo te ergeren, ba\'ik poetih-toelang,
djaiigan poet Ui mata.
—, voor altijd
verdwenen, hilang graib; goed —, bër~
mati-iaati,
b.v. vermoorden dat iemand
goed — is, iiiemboe.noeh bermati-mati;
iemand\'9 —, karnat ian ; iemand\'s —
wreken, titembalas kamatiati; door den
— verloren hebben, kamatian, b.v. die
vrouw heeft haren man duor den —
vcrloreo, perampoewan itoe kamatiaH
lakinja ;
tot den — toe, uitermate zeer,
b.v. van lachen, schreien enz., kamati-
Htatian;
tot men er — bij blijft,
van vechten, berpoetih-toelang; hnlf —,
saparo utati, satengah utati; de —,
mant, Ar. Ook soms gebruikt voor het
bepaalde uur van den —, b.v. betont
ntaut, beloin utati,
als zijn uur nog piet
daar is, sterft hij nog niet; de —, het
overlijden, teafat, Ar.; met den —
eindigen, op sterven uitloopen, in\'etii-
batva njaiea,b.v.
die ziekte eindigt met
den —, penjakit itoe meutbawa njatca;
breng hem tot mij, \'t zij — of levend,
domein
domein, harta radja, milik radja,
domheid, kabodolian, kabebalan.
domicilie, teinpat kadoedoekaa, iempat
kadiaman.
dominee, predikant, paudita, Ski.
domkop, kapala k\'eras, kapala baloe,
aranij budoh, orang behai.
Zie ook stom-
merik.
dommekranht, Intjoe.
(lonitnelaar, slaapkop, orang pt/igan-
tuek
dommelen, nuagantoek, b.v. iemand,
die dommelt, een kus»en toeschuiven,
orang mengantoek disoeroengkan bantal.
Sprw.
dommelig, pengantoek\'.
\'t..uu., r. zie domkop en stom-
in er ik.
dompclanr, duiker, e. ». v. kleine eend,
bf/ibist i/ik ajar, mê/iicis, Jav.
dompelen, b.v. iets in de verf —,
wutjilorp, —, duiken, inenjelam (van
selani),
domper, uitdoover van oen licht, pe-
tnadam.
dompig, vochtig, klam, lembab, lembap.
donder, goeroe/i, goentoer, Jav.—, don-
derweder, goentoer. —, het geluid, goe-
roe/i.
— geheel in de verte, goeroeh
mendiijar,
letterl. klagende donder,
krakende —, peter.
dondertmi, i/oentoeran.
donderbus, zwaar geweer met wijden
tromp, pemoeras.
donderdag, lutri l\'/iamjs, hart Kanna.
donderdag-avond en nacht, umlaut
Djoemaht.
donderen, een donderend geluid maken,
gaemoeroeh. —, van kanonschoten, lion-
zen op een deur enz,, degam; hetzelfde
met verscheidenheid of voortdurend,
degam-drgam; een donderend geluid
maken, zooals van vele voetstappen,
een inkortend gebouw,geschut en dergel.
geiiihitaitt.
donderkoppen, 2>0^°i\' angin, letterl.
windkoppen.
donder«ln£, boenji goeroeh; krakende
—, tagar, peter.
donderatraal, haliltatar, mata pèler,
kilat.
donderwolk, airan mhtgandoe?ig goe-
roeh.
dons, mest, badja.
donker, duister, gèlap, kélam; door
wolken of damp, kelam-kaboet; stik —,
-ocr page 180-
1CS                                                 doodaf — doodsbleek.
batcafah kapadakoe afaw ttrtaican ataic
tërèoemoeA ,■ wodagmoot in dca —, in
dea — vergezellen, timbal mati. — rijn
en er nog uitzien nlsof bet leeft, mati
berayan.
—, verrekt, vuig. mampoes.
Mors —, mati mampoei. — /.onder dal
er een haan naar kraait, mati hailar,
van iiaiir, Ar. ongestraftbeid voor ver-
goten bloed; hel uur van den —, ke~
tika maut, ad jat,
Ar.; in den — ver-
gezellen, niet iem. sterven, mati Ma;
iemand in den — vergezellen, memhe-
ii" ora>ig;
kind des —s, aiak mati di~
boenoeh,
b.v. teak.\' habislah ségala
kalttkufan kita ddihat olih anak mat-
diboenoeh /toe,
helaas, ons gansene
gedrag is door dat kind des doods ge-
zien; dca — smaken, merasai Mant:
den — onder de oogen durven zien,
berani mati: Voor den — vreezen, In-
kort irmfi,
b.v. berani maloe,fakoet mati,
den moed hebben om schande te dra-
gen, maar voor den dood vreezen, Sprw.
— van een Vorst, maaykul, hilang. Zie
ook overlijden en sterven. — nas
banykai.
doodaf, letih-h-soe —, nfgetobd, afae-
niat, ziekelijke uitputting, teroek.
dootlnrin, mixkin sakali.
doodhnar, ta.ttjya-ta.uyya muit. — mot
het lijk er op, iljinazat, Ar.
doodbc richt, chabar kamatian orana.
doode, orany mati. —, lijk, mati, Ar.
—, verslagene, ook het lijk van een
zelfmoordenaar, bangkai.
doodeiyii, kamatian; een doodelijke
wond, furka kamatian, loeka para/i;
eene —e ziekte, sakit pajak, sakit ka-
tnatian;
een — vergif, ratjoen jang
memalil.au.
dooden, memböeaoeh; zoowel gebruikt
voor wettig als voor onwetlitr —. ,
slachten, meajembeleh, meadiantai; dun
tijd —, menghiUinykan tréktoe; zijne
lusten —, mematikan hatca-aafitoevja
—, tig. menyoemboet vjatca, d. i. de ziel
uit het lichaam nemen.
doodenulllcer, zie begrnal pluiil s.
doodenft-eMt, sedekah aricail, Ar.; het
— op den 4<Jaten dag na iemands over-
lijden vieren, a.engempaf poelarh hari;
het — op den honderdsten dag van
iemands overlijden vieren, wnjeraloes
hari;
een — vieren, makan artca/t,- met
«en — iemand gedenken, artvahkan.
doodeiirijli, Ulam btrzach, Ar.
doodrr, pemboenoeh.
doodeter, lediglooper, orang p\'emalas.
doodgaan, modi.
doodgeboren; een — kini,kababangan.
doodgeschoten, mati dilembak; gc-
fussileerd, mati dideret.
dooduettlnueii, mati dipaloc.
doodgooien, mrlempar sampai mati,
nul.iet ar s. m. Zie ook •* te enigen,
doodgraver, peuygali koeboer,
doodhongeren, mati kaiaparan.
doodjagen, menyedjar sampai mati.
van een paard, melurikan sampai mati.
doodjammer, zeer jammer, tajany
sakali.
doodkiMt. Kigenlijkedoodkisten gebruikt
men niet: wel een soort van houten
deksel voor het lijk, loag, Sijnui. welk
woord men ook wel voor—bezigt, b.v.
,„a/,a mail bagindailimasokka» kadalam
soeatoc lony jany endah-eadah,
bet lijk
van dun Vorst weid gelegd in eene fraaie
—. Verder: karanda, papan karanda
(Skr. mnnd). Ook tarony. NB. Volgens
vd\\V. beteekent karanda, laroeny en
lang wel degelijk e. s. v. doodkist. Zie
de beschrijving bij hem.
doodkleed, ka/au, Ar. kaïn kafan; in
een — wikkelen, imagafani; tot een
— mnkun of gebruiken, maiyafankaii.
—, dekkleed, waarmede men een pau-
gestorvene toedekt, ra/tap, b.v. meng-
hadap ka Malaka mtmbawa ra/iap daa
memberi tahoe ukan ajahaada bag\'mdil
suedah manykat,
kwamen te Mulaku
hunne opwaubting maken, medebren-
gunde een doodkleed en kunnisgevende
dat \'b Vorsten vader overleden was;
met zulk een - toedekken, aterahapka.t.
dooilhrnnk, sakit pajak,
doodlnken, zie doodkleed.
doodloupen, vnn een weg, boentoe.
doodmaal met gebeden, ïandoeri, ma-
kan urirah
(van aroetca/i, Ar.); het —
houden op den derden dag na het
overlijden, meaiya-hari. Zie ook doo-
de 11 leent,
doodmaken, memboenoeh. Zio ook
slachten,
doodmoede, htih-l\'esoe.
doodrijden, melarikan kot\'da sampai
mati.
doodsangst, katakoeian mant.
doodsheenderen, ioela/iy orany mati.
doodsbleek, por/jat /e*/, poedar. —,
inwit van bleekheid, poetjat manai.
-ocr page 181-
doodach — doopbekken.                                      16\'J
doodacli, soettjt, té»njap-,soenji-t\'enHJap.
(loodicbsmen, uitdoe kamati-matian.
doodschieten, niet vuurwapens, nu-
nvmhttk tamptii mati.
Ook alleen mttiem-
bak
(van tembak). Met pijlen, memanah
sampai mati.
Ook alleen memanah (van
pauah). — fusilleeren, mend\'erel, veil»
doodschopi>en, menendaay sampai
midi
(van fendang).
doodschuld, misdrijf waarop de dood
staat, stdah jaag paioet mati diboenoeh.
doodschuldise, orang jang paioet mati
dihoenoeh.
—, ellendeling, orang boe-
moeken,
«loodsencel, malak almaut. Ar.; de
naam van den —, tzraV, Ar.
doodsgevaar, be/mja mant.
doodshoofd, hngkorafr, kapala oran/j
mati.
dood «kleur, poedar.
doodslaan, memaloe sampai mati. —
vnn een os en dergel. mdoepoeh.
van muggen of vliegen, meaatnpai nja-
mok, infiiampar hdat
(van tampar).
doodslaan, tidoer kamtilian.
doodslag, pemhotnoehan. — met voor-
bedachten rade. mati dengan disehadja.
doodslager, pemboeaoeh.
doodsmijten, iets of iemand neersmij-
ten dut hij sterft, mi\'iighempaskaii tam-
pai mati.
doodsnood, in grootc verlegenheid zijn,
kapi/jikan sanyat.
dood»nik, nafas achir, Ar. poetoes
jijaua.
doodsstond, k\'efika maut, adjal, Ar.
doodsteek, penïkaia mati, tikam laem-
hoenoeh.
doodsteken, meuikam mati.
lood-til, séanjap; ook van slapen ; zich
- houden, mèmatikan dirinja, m\'em-
boewat mati dirinja.
doodstraf\', fioekocm l\'isas, Ar. lettert.
straf der wraak of wedervergelding. Ver-
der : haekoem mati diboenoeh, denda maf/
(van dè\'tdu, Skr. straf); esne bijzondere
soort van — bij de Maleiers, waarbij
du veroordeelde met een lnnïe kris door
het reehtorsleulelbeen in het huvt wordt
gestoken, aalang; eenc andere wreede
— is het spietsen, soela, waarbij de ver-
oordeelde aan ren spiets wordt geregen.
doodstrijd, het intreden van den —,
uaik omhak.
doodsverst \\jvins, keras itiait.
doodteeken; teeken boven ecne letter
in het Arabisch letterschrift, om aan te
duiden dat zij sluitletter of klinkerloos
is, baris mati, djesma, Ar.
doodtij, bij hoogwater, pmtmag penoeh.
—   bij lnagwater, ajar perbani, pasaag
gondah, mati kekaf, soeroet timpas.
doodtrappen, menjepafc sampai mati.
Een doodtrap v. e. paard, sepak Itkaf,
letterl. een trap die kleeft, b.v. da»
taperti sepak jaag h-lot kalakoeannja,
en het gedroeg zich alsof het dood-
trappen «af. —, door op iets te treden,
memidjuk sampai mati (van pidjafc).
doodvallen, djat oh mati, ri-bah mati.
doodvonnis), Imekoem kisas, Ar.kupoe-
toesan hoekoem aktitt mati diboenoeh.
doodvechten: zich —, bermati-mati
perang.
doodwerken: zich —, aftobben, btr-
niati\'uiad meagerdjakan.
dood wond, toeka parah, loeka kama-
tiati.
doodziek, saki/ pajah.
doodzonde, dosa jaag patoet mati di-
boenoeh.
dooi\', in het geheel niet kunnen hooren,
toe/i. —, uitgedoofd, padam. —, ver-
sttjfd, kakoc, serbau; O. I, doof, zich
—   houden, de ooien toestoppen, m\'emt\'
kakkan te/b/ga,
b.v. makn samoeicaaja
mëm\'ekaktatt ieUnganja,
en allen hiel*
den zich doof.—.tijdelijk min of meer
hard bomend door een accident, b.v.
ecu droppel water in het oor, of een
slag op bet oor, enz. ook niet willende
hooren, beugat, b.v. dan kabaajakan
benga/an, tiada mengikoet peagadjaraii,
het meerendoel houdt zich doof en
volgt het geleerde niet op.
dooiachtiit,//c£rt^, bengal. Zie bij doof*.
doofheid, katoelian, kapekakan, kabe-
ngalaii.
doofpot, fhapat pemadam bara api.
doofstom, bisoe dan toeti.
dooien, zie smelten.
dooier, koening telor.
doolwi\'jj, dja/aa s< satan.
doop; de Christelijke doop is nnnr zijne
Vin beteekenis niet met een Maleisch
woord uit te drukken. .Men is dus ge-
noodzaakt, evenals in het l-\'ranseh en
Engelsen het oorspronkelijke woord,
maar geuialniseerd, to behouden en
schiijve dus bap/isan. —, snus bij het
eten, koeicah.
doopbekken, saitykoe bapi\'tsaa.
-ocr page 182-
170                                    doopbrief— doorbrengen.
doopbrief, soerat baptisan.
doopelins, orang baptisan, anale bnp\'
(Kiopi\'ti, den Christel ij ken doop toedie-
nen, mhnbapfiskan. —, onderdompelen,
me njf lamkan iviui sèlam). —, indoopen
ia ecnig vocht, h.v. stoffen in de verf,
spijzen in snus enz. méntjeloep: eventjes
in iets —. mentjepohkan. Soms wordt
het denkbeeld indoopen niet uitgedrukt
en eene andere uitdrukking voor ons
doopen gebezigd, h.v. eene pen gedoopt
in inkt, kalam berpaloel de,igan dawaf,
lelterl. eene pen, gewikkeld in inkt.
doopgetuige, laksi baptisan.
doopkleed, kaïn baptisan.
doopnanm, miuia baptisan.
doopvont, sangkoe baptisan, bedjanah
baptisan.
doopwater, ajar baptisan.
door, oorzaak aanwijzend Voorz olih,
b.v. nat door regen, basah olih hoed jan ;
gestorven door het git\' eener slang, mati
olih bisa orlar;
door Zijne Majesteit
werd gezien, dilihat olih baginda; door
mevrouw de prinses werd verhaald,
olih toetcon poeteri ditjeriferakaulah.
NIS. Niet altijd kan ons Voorz. door
niet olih worden overgezet, maar moet
dengan, met, of een ander Voorz. daar-
voor worden gebezigd, b.v. door het
raadsbesluit Gods, dengan taf,-/*dr Allah ;
door Gods zegen, dengan èirkat Allah;
door de hulp zijns vaders, dengan pïr-
toeloengem bapanja.
—, vanwege, ook
dart, daripada, dari kar\'ena, dari s\'ebab,
daripada- sebali,
zie wej*eiiH, —, met,
door middel van, dfatgan. —, doorheen,
teroes daripada; ook alleen daripada,
h.v. door het hout, teroes daripada
leajue;
door den heg, teroes daripada
pagar;
door de deur binnen komen,
masoek daripada pintoe; dooi het ven-
ster zien, melihat daripada tingkap.
een gat of opening kunnen, loeloes.
Soms ligt het begrip reeds in het
Werkw. en is dus het Voorz. overbodig,
b.v. door het land reizen, berdjalan
wvlaloi-i negari;
door een vinkte trek-
ken, wHaloei padana. — en —, tem-
boes. iêroesd\'embon, t\'eroes-mèneroes
; hol
van binnen, holong; op eenmaal —,
teroes sahalt. — elkander, vermengd
en verward, tjampoer-bawoer, tjauipoer-
gaico<d;
van een hoop levende wezens,
kotjar-katjir. — en — kennen, k\'enal
bitoel-betoel; zijn gansche leven —, sa-
pandjang Trmoernja, sa\'Temoer hidoepnja
,
de zweer is —, bisofl itoe soedahpetjah.
— een bril zien, melihat dengan tjee--
min aiata;
den gnnschen nacht —.
samalam-malauian ; den ganseben dag—,
sahari\'harian; alle ecuwen —, padn
segala zattidn, zamiin h\'érzaman. —
den
mond van een profeet, dengan lidah
sa\'orang aahi,
b.v. door den mond van
Mozcs, dengan lidah nabi Moesa, Zie
verder onder de samenstellingen.
doortmkken, goed — zijn, dibakar
bèfoel-befoel.
doorbijten, doorheen bijten, menggigit
teroes;
een klein stukje ■—, mhigëtip
dengan gig*.
—, doorvreten, b.v. van
zuren op metaal, makan teroes.
doorbladeren, van een boek, mëmbèlèk.
doorboord, \'t zij door wormen, of door
er een gat in te slaan, t\'eadjoek, tem-
boes;
overal —, bertémboesaa, b.v. dat
vaartuig is overal —, p\'erahoe itoe ha-
bts b\'ériï.mboesan
doorboren, mélirik; de oorlellen of
den rand van iets doorsteken, menindik
(van tindik), memasafc telinya (van pa-
taf?).
—, een gat maken in iets, door
en door uitbeitelen, b.v. eene plank,
mèneboek {van tëboek). —, uitholen,
ntèi/ibofongi.
doorbrnnk, pefjahan, tHasan. Zie
doorbreken.
doorbreken, vnn harde, lange, dunne
voorwerpen, zooals hout, been enz. me-
mafahkan
(van polak). — vnn harde,
steen- of glasachtige voorwerpen, glas-
of aardewerk en dergcl. nt\'emetjahkan
(van pel/ah). — van touw en daarmede
overeenkomende zaken, miaioetoeskan
(vnn poetoes). — bij de geboorte, van
het kind, mendj\'erndjol. — van water
door een dijk, een kuiken door bet ei,
een dief door een wand of omheining,
m\'enetas (vnn tHas). — van de slagorde,
w\'èmetjahkan baris; doorgebroken vnn
een slaglinie, bolos. — van een gezwel,
pHjah. — van de maan, mengambang.
b.v. malta boelan pon menijandianglah,
de tniinn nu brak door; de zon breekt
door de wolken, matahari menijiraikan
awan-atcan.
doorbrengen, verkwisten, wemboros-
kan;
geheel doorgebracht, verkwist,poe-
nah,
Skr.; den tijd—, onnut gebruiken,
menghabiskan tcafcloe; den nacht —,
-ocr page 183-
doorbrenger — doorgang.                                    171
dooreen, door elknnder, van vliegende
vogels, de bliksemstralen, vijanden, licht
en donker enz. en daardoor niet van
elkander te onderscheiden, xaboer. Van
alle kanten —, saboer-menjaboer. —,
verward of gemengd, kaf/au. — men-
gen, mPagafjati. — gesmeten, katjau-
bilau.
— gestrengeld, — loopen van
lijnen, verward door elk-, bPrdje\'raïf.
—, door elkander, van bnidloopende
menschen, de spelling, liet schrift, werk,
tafelgerecdschap enz., pott/ang/jati/tt/g;
hard — loopen, lari ponta»g-panfing,
dooreengooien, zie dooreenwer-
pili
dooreen groeien, tonnboeh ljampoer
baicoer.
dooreenkneden, ramos hPrtauia-sama.
dooreenmengen, mPngatjau, mPntjam-
pot\'i\'kan.
dooreenwerpen, fiiPiiijii.tjitnbilaukan,
mèmonfatig-inantingkan, mPutjaMpoer-
batcoerkan.
Deze woorden worden ook
gebezigd voor: dooreenhaspelen, —
knoeien, - roeren, — smijten,— war-
ren, — woelen enz
doorgaan, het gaan voortzetten, Kr-
djalan djoega. — zonder ergens aan te
gaan, of zich op te houden mPlanfas,
langsueng.
Dit laatste ook lig. b v.
mPnengarkan ttgoetanitja langsoeng 111P71-
fjoi-ri,
al luisterende naar zijn opMoken,
ging bij door (over) tot stelen. Zie
ook regelrecht, —, wel gebeuren,
djadi, djadi djorga. van een plnn,
sampni nijat; dat gaat altijd mnar zoo
dool\', gulaloe bagitoe; met eenc vrouw
er Van —, mPlartka/t sa\'orang pPram-
poetean;
niet — van eene zaak, dada
djadi;
niet — van eene weddin-rsi hap,
balofs; niet — vnn een koop tusschen
partijen, tiada bPrkndjiidian. --- voor,
disangkakan, b.v. bij ging door voor
een fatsoenlijk man, tja disatirjkakan
orang ba\'ik;
ook dibilaag, geleld, ge-
noeuid worden; voor iets willen —,
At-uduj: dibilaiig, hP/tdak d\'isang kakan.
—, loopen door, bPrdjalan tïroes dart-
pada.
—, op hol gaan, lari; er goed
— van een vaar- of rijtuig, ladjoe.
van eene zweer, petjah.
doorgaan*), inm, sahtloe, nantijasa
(Skr. nitjasa), aPitatifijasa, santijasa; dat
is — zoo, memang bagitoe; hij trant —
naar de stad, santijasa \'tja pPrgi kakoia.
doorgang, teroesan, djalau teroes. —,
overnachten, bPrmahim; slechts een en-
kelen nacht bij iemand —, mendjolofr
tnalani.
—, doorleven, me/akoekan.
doorbrenger, pPmbwos
doorbuigen, b.v. van balken, stutten,
een mast, hoojr enz. tnëlPatoer, h v.
bagaimana kaJïfndak kifa balih dileit-
foer aktutdia,
zoals wij wensehen kun
het door ons doorseboien worden ; tïtapi
tiada \'tja tahoe mïliritoer,
doch hij weet
niet van doorbuigen. —, ombuigen,
luvlPngkoeng.
doordacht, dipikirkan baïk-ba\'ik.
doordat, olih gX-bab. Ook alleen olih,
b.v, tnaka kata sa wang: Olih Lnksa-
„m.i.i dada, itoelah tnaka bïrani II.\'. :
Djrbtit,
en één zeide: Doordat L. er
niet i*, daarom is H. D. zoo stout.
doordeelen, in tweeen deelen, wXmVt
liagi doetra.
doordenken, /tikir baïk-ba\'ik.
doordien, olih sPbab. —, daar, dewijl,
fegat, sPdang.
doordraaier, lediglooper, orany pt-r-
lïntai.
doordrijven, /ie dwingen.
doordringen, mr fantas, b.v. in de stad
—, melaitfas kadatam iii-gari; tot het
heen —, ititdanias samjiai kafoelattg,
ook alleen tfrotrs, b.v. vervolgens drong
het door tot de hersenen, laloe teroes
kaoetak,tja. ~
tot. van een geur, van
wierook enz. mejtProeg. — van oen steck-
wapen en ook van den rezen, telnet,
b.v. al regende het ook een jaar lang,
de regen zou niet naar binnen —, dji-
ka/au nat ahorn pon forro- tt hoedjtnt,
fiat/a akan Woei kadalamnja.
Kigenlijk
terloet van loet of flor/, binnendringen.
doordringend, schel vnn een geluid,
resik. Ken — geluid maken, mvrësik.
—, van een stank of geluid, laufoeng.
— van gezicht, mata Iad jam. — van
verstand, akal tadjam, kujiikiran jang
dalatn-datam.
doordrongen ; goed van iets —, geheel
overtuigd zijn. tërtnakan kapada ilk-al.
doordroog, kering sakalt.
doordroppelen, voortdurend dropjie-
len, berfitik-li/ik sa/uloe; doorheen drop-
pelen, tirig, ntïniris.
doordruipen, = doordroppelen.
doordrukken, zie drukken,
doorduren, bPrkandjang, salttloe, gala-
toê djorga, kekal, stnantiasa bagitoe,
bagitoe-bagitoe djoega.
-ocr page 184-
172                                   doorseven —
geul, vaarwater, aloer, aloeran. —, holle
weg, ravijn, nauwe t-traat in eene stad,
djotrang; den — afsluiten, menjakat
tlroeaan.
dooPtfeveu van den beker, voortdurend
elkander den beker toereiken, bérsoelang-
soelattgan.
doorlieten, doorzeven, ménapU (van
tapt*). Op Java saring
doorgisten, mlngchamirkan (van cha-
mir, pist. Ar.).
doorflippen, doorglijden, lorfjorl;
doorgegüpt, doorgegleden, toedah lor-
tioft darxpada tnngan.
door^ooien, mlUwpar tïroes.
doorgraven, bv. van een dijk. een
ben; enz. dien doorsteken, miafbo-k
(van l< hurk).
doorsjruvinj», p> nïborkan.
doorgronden, niinangkap; iemands ge-
dachten —, htïiiamjkap kapikiran orang ;
een geheim —, uiengerti rahasia. In
de beteekenis van ontdekken, mcmèpff
ka kan rahasia.
— van het hart mt.i-
dotya,
letterl. peilen.
doorhakken, spiijlen, mhnUilah. —,
intmïnygal (\'van pénggal).
doorhalen; iets ergens door trekken,
mëiiarik ternes; du vingers door den
baard balen, mï,i/i lung-n/ilang djavy-
yoel;
de vinger» van du eene hund
tusschen die van du andere, ot\' tusschen
de tuunun —, mviijilai; tusschen de
beenen —, eu daar buhouden, min/ja-
vat. lic
staart tusschen de pouten —,
uiinfjsmtt ekoer. — van iets dat go*
schreven is, met een streek, mïmarang-
kan
(van paraay); b.v. memarangkan
toeliêon,
hut geschrevene doorhalen. —,
uitvegen, ming/iaporskan. —,den mantel
uitvegen, Itdja. •—, smalen, uitmaken,
nüngofutan (van w-man). — in stijfsel-
water, menfjëloep dalam. ajar kandji.
doorheen, türoes, lembors ;door en door,
th-oes-tiinhaes. — g»nn, door eene
opening, linloes, b.v. loeloêë djaroem, ,
loetoes lïdindan, waar de naald door-
heun gaat, gaat ook de draad doorheen.
Sprw. overeenkomende mei ons: komt
men over de Hout. dan komt men ook
over de staart.
doorliouwen, mlunlnggal (van penggal).
—, splijten, mtmbilah.
doorlcappen = doorliouwen.
doorkijken, utcm-iigoik \'ïroes (van
tengok).
doorloopend.
doorkleinzen, menapis (van iapis).
doorklieven, aitmbêla/i, tnïnfjéntjang.
—   van de golven, mêntjintjang ombak,
b.v. du voorsteven duorklielt degolwn,
kaloewan in\'hdjv.nljang omhak; den
stroom schuin — van een vaartuig,
invrindian; met het zwaard —, m> n-
tjtntjang dengan pïdang.
— met een
mes, b.v. in de heelkunde, miugirn\'
(van kérai).
doorklinken, weergalmen, //Meloen.
doorklooven, zie doorklieven.
doorknua^d, ttlrkikïl, Cérktrat; van
de wormen, (l inboek.
doorklinken, mi ng\'tkil (van kil.il); ml-
agirat
(van kerat), méaemboek.
doorkomen; op het — zijn van tan-
den, gigi mendjagoeag.
doorkruipen, ergens onder—tmï»joe-
soep;
overal onder —, soesoi-p-sasap .
ergens mut het lichaam al schuddende
onder — , b.v. door hoomtukkun, strui-
ken en dergel., mïringkik; gebukt met
du handen op de knieën e gens onder
—, mèrungkok.
doorkruisen, van eene plaats, btrdja-
Itm kueliling, bêrkoelilingkorliUng, lang-
l.ittg;
een bosch —, mtuijaroengkan
hoi-tau.
doortappen; bet er —, idëmboroskvn.
doorlaten, laten passuerun, doorheen
luten, mïlorlurskan,£Qo\\\\ü\\ in stotl\'elijken
nis geestelijken zin. b.v. iemands begeerte
inwilligen, uiiloflorskan kahludak orang;
juist breed genoeg om één persoon door
te laten, saloelues-loeloes orang séhadja,
ook djtlors; door dichtheid van weef-
sul geen vocht —, kcdap.
doorlekken, tiris.
doorlezen, tun einde luzen, mtuiba/ja
hahis. nitiiibalja sampat ka pada kasw-
dahau/tjd.
—, bcatudceren van een boek.
daros. Ar.
doorliggen; doorgeleden van een zieke,
letjer sthab lama baring.
doorloop, overloop van de Vorstelijke
woning naar du balai, roeng, ■ .rechte
gang. weg ot\' vaart ergens door, teroe-
tan.
—, dunne ontlasting, tja/tor, tjeret.
doorloopen; recht —, brrdjalan ttroes.
—, niet ophouden, bïidjalan djoega.
—  van een kring ot\' kruits, volbrengen
van een omloop, mvadanr, Ar. Zie ook
omwentelen.
doorloopend, van cene vinkte, hut bin-
nenhuis, van een geschrift zonder alinea\'s
-ocr page 185-
doorluchtig; — doorsteken.                                   173
doorschijnend, bajang-bajang, b.v. een
—e stof, kaïn JmJmjj fmjë.w§ —, van
glas en water, djirPnih, htning. —,
helder, fjïrah, ttrang-teroes.
door^chrappen, van schrift, mvmu-
rangkan toetisan (van parang).
doorsijpelen, tiris.
doorsijpding, tirisa».
doorslaan, b.v. eenen inunr, meaPboek,
mfnï-mboek; ook een gat d\'ior een vaar-
tuig slaan, b.v prrahoenja itoe aoedah
ditvmboekkan orang, men had hem zijn
vaartuig doorgeslagen, doorboord. —.
vloeien van papier, mëlar, .Tav. Zie bij
vloeien. —, in tweeën houwen. »t?,n-
belaA doetca.
doorslaand, duidelijk van een bewijs,
ajafa, tcrang.
doorslag, vergiet, fapisan. — van den
evenaar, fjetidéroetig mata fimbangan.
— dien men bij het wegen aeeft, im-
boeh: weiren met een door«lai;, timbang
imbueh. —, overwicht, bakt.
doorslagdoek, kn\'/n pïnapit.
t
loorslapen ytidoer sVtafoe. ttdoer djoeqa.
doorslecht, djahat bï-toel, dj, saiali,
doorslepen, masak dalnm iikal djahat.
door*lüten; dooi gesleten, afgesleten,
dour wrijving, aoes-atiea.
doorslikken, raenïlan (van te/art), mt-
aqoental.
doorslippen, uit het een of ander
slippen, loef/oef, tiiefoefjoet.
doorsluipen; onderdoor —, mPnjoe-
soep; overal onder —, soeaoep-aasap.
doorsnede, vlak, door doorsnijding
verkregen, peiiampang; in —, van een
bul, teroes-mpnïroea.
doorsnijden, vittnotong (van pofong),
mengvrat (van Wrat); recht —, b.v.
eene vrucht, mvlojang; reeht —, b.v.
een brood, aardvrueht enz. mëiiainpang.
Ook aardappelen enz. zoo doorsnijden
om de stukken als poters te irebniiken.
doorsnuffelen, »n)ijelidik (van sidik),
mPrangai. —, met iets puntige cen hoop
vuilnis, om daaruit aog iets bruikbaars
te halen, füWWlf JWmmJ.
doorsplijten, mïuibHah.
doorsplijting, pembe/a/ian.
doorstaan, verduren, mP.nahan (van
ta/ian), mPaderifa, niï.nsabarkau
doorsteken, mïnikam (vnn tikitni); door
en door steken met een wapen, witui-
kam tëroes; door of in een gat steken,
b.v, de draad in bet oog ecner naald.
of rustpunten, attadang. —e uitgaven,
brlandja landtong. —, zonder afbreking,
xïlari. — van water. »"\',/gnlir ttroea.
vim een verhaal,tutdahtrpoefoea-paeloes.
doorluchtig», aanzienlijk, martin (Skr.
moelftt); zeer , wtoeliawaH, — van
een dak\', bi,/fangdiintangan. —, zie ook
doorschijnend x in brieven: Uwe
—e hoogheid, atri padueka.
doorluchtit»heid, ka moeliaan.
doormaner, toeroes bé/tiel-f/ïfoef, koe*
mes kering.
iloorniHrcheeren, nirt ophouden, btr-
Jjalau djnega;
doorheen mnrehceren,
Uttdjalan ((roet daripada.
doormen^eD, mïMfjampoerkan, tuïnga-
tja».
doorn, doeri : irroote kromme—,oeuak,
b v. moeloet diaoeicap pisang, pan/al
dikaïl oenak,
den mond met bananen
■toppen en het achterste met een doorn
haken. Sprw.; door een — gestoken,
kï-na doeri; groote —, zouals aan sum-
misre hoornen, aoesok ; van doornen voor-
zien, bërdaeri.
doornachtig, doerüm, Verdoen.
iloornnppel, datiira alha. krtjoeboeng.
doornat, druipnat, bmah koejoep.
doornboom, pokok doeri.
iloornenhrmiM, dien men om den stam
vnn vruchtboomrn doet, oiu het inklim-
men te beletten, sangga, soengga, sï-
rangkak.
doornhaag, pagar doeri.
doornig, liïrdoeri.
\' U>ornst rnih, pokok doeri.
doorreizen, mêi///jalani.
iloorrvip, ranoem, masak lieloel-lièlocl.
doorroeren, mengatjau {van katjau).
doorschemeren, terbojang, b.v. zijne
streken schemerden door, akafnja ter-
bajaag
; doen —, membajangkan; in
zijne woorden laten — , më»gitaf~ugi\'
latkan
(vnn kifat), b.v. dikilat-kilat-
kanaja pada radja akun Laksamaaa
djoega disPlioetnja,
hij liet — voor den
Vorst, dat hij van Lak-auiana sprak.
doorscheuren, zie Neheuren.
doorschieten, met iets overal tusschen,
hiïnjelaiig,
doorschieten, losschieten, loetjoe.l. —,
nen schot doen door, UJnembgj) teroes;
met een pijl, tnvmauah teroes.
doorschijnen, ergens doorheen schij-
nen, berbajang^bajaug. Van zon of maan,
èersinar ttroea.
-ocr page 186-
174
doorstikken — doon.
of bet koord in de gaatjes der koralen,
mhiueaoefc tVroet (van toesoek-); een dijk
—, taettëboek tambal: — van wegen,
dammen, rivieren enz. me» tin hors (van
temlw\'s); zicbzelvcn —, wtvikam di-
rinja;
zichzelven , om een geliefde
niet te overleven, om hein of hnar in
den dood te vergezellen. befa soedork\'.
doorslikken met de naald, zooals b.v.
de kraag van een jas, mtutjantoen.
door>ttroomen, inXtiyaltr Ivroes dari-
jHtila.
doorstudeeren, hlladjar djoeya.
doorsturen, een vaartuig, mëlajarkan
d\'/wya.
doortellen, mrmbi/nny djoeya.
ilnnrliM\'lil. /Je ilinnv\'.iiii^.
doortrappen, zie intrapper.
doortrapt, tjïrvdik sakali, makal.
doortrekken, van een bosch of vlakte,
mf/a/ofï; langt den koitsten weg een
land —, mëmtmtm* (\'van pint as); de
vlakte —, mt\'ttdatar (van dnf.nr, vlakte).
— van vocht) matan, t/iakau teroen;
van vocht doortrokken, rendaia.
doorvaart, kanaal, tïroetau.~ .straat,
setat. —, geul, vaarwater, atoer
doorvaren, bT-rlajar tProfi, 6. djoeya.
doorvlechten, van ruw vlechtwerk,
turttjatak; doorvlochten, disatak; met
iets —, itirugaiijtiM dtnyan.
doorvlijmen, tadjaniiijti nutkav fóroët,
doorvloeien, b.v. van papier, mïlar,
eig. ■Jtapraiden, Jav.
doorvoch tijgen, mrmbitmhkan fêroes.
doorvoed, kïwujmmg httoeUbtluel. —,
vetgemest, tamboen.
doorvoeden, rnXnyimijanykan (van ktn-
njaug).
doorvoer, vervoer door eene plaats,
pvndiafiiiin ffroes.
doorvoeren, voeren door eene plaats,
laïmhaicu tirors.
doorvreten, van zuren enz , makan
te roes
doorwaiull)aar, teraroeng. —e plaats.
aromya.it; allerlei —e plaatsen, arorny
aroengan.
doorwaden, mengaroengi, merandau.
door wadi nu, pengarwngan.
doorwaken, den ganacbea nacht —,
bPrdjaya sainn/awmafaman, berdjaga
sapondjany tnalam.
doorwandelen, nnudjalat;-djala,ii.
doorwnrmen, tntiaauasi sampai da-
laianjii.
door wannen, door iets heen groeien.
bertoemboeh tlroes. —, doorregen, Str*
iëlany-télung.
— vleesch, daging bir~
sëlany-stlatiy yvmofik.
doorweeken, door in de week te iet-
ten, nterïitdtiui betoel-betoel. ■- van den
gtund, Hiïlimbabknii, méfë/ja/ikan, uu -
leljakkan, melueuakkaii.
doorweekt van den grond, lembti\'i.
lètjah, lefjak, loeuak.
doorwerken, zie doorroeren. —
van deeg, merantas.
doorweven, niet bloemen of gouddraad,
menjontykit (van SueaykU), mvmpakn.i-
kan ernas.
—, Bijv. nvv. met bloemen
of gouddraad, btrsoenykit, b.v. kain
soetëra jauy bersoengkif dfuyan brnatty
enias,
zijde die met gouddraad — is;
met gouddraad —, bïrpakankan emas;
met zijde —, bërpakankan surft-ra, let-
terl. zijde of gouddraad tot inslag beb-
ben; zijden stof — met goud, taadur
kara;
zijde of fluweel met goud of zil-
verdrnad —, kain xandt.e&i, Perz.
doorzagen, mtuyijêrgadji, menyr.rat de-
nyan yéryadji
(van klrai).
doorzakken, eigens met de becnen —,
ftrpérosuk\'. —, zie ook doorbuigen.
doorzeilen, steeds —, bèrlajar djoeya.
doorzetten van een werk, luenjampaikan.
doondoht) schranderheid, tjfrèdik. —,
inzicht in verborgen zaken, Jtrazat.
doorzichtig, ïio transparant. —
van een dak, binfany-biutangan.
doorzien, begrijpen, wrnyïrti; zien door,
mëtihat teroes, iaëttevyok féroet.
doorziendheid, helderziendheid, tërues
niafa.
doorzuipen, ntvnapis (van tapis), menji-
ritiy
(van siriiiy); op Java mënjariug
(van sarivy).
doorzüpelen, firis.
doorzoeken van een huis, bv. naar
gestolen goed, mïranyai; nauwkeurig
—, latnjtlidlk\' (van aidil\'), n/ëmeriksu
II\'t //■/<<■■ \'\'\'■\' 1 ■<<\'//■!\'.
doorzoviten, uienygarami bdik-bdik.
dóórzweeten, btrptdoeh sanipaï temboes,
bêrpvliifh tï\'rups-tt-mboes.
doorzweljjen, uieuïdaa (van lëlan).
doorzwerunien, merenangi, b.v. eene
rivier —, merïnaiigi soeuga\',
dooK. Kene nlgemeenc benaming is danr-
voor niet. Men gebruikt daarvoor wel
eens tf.mpal en bosfta, Port. De namen
der verschillende soorten zijn: vierkante
-ocr page 187-
UB
doove — draad.
kleine —, kotak; groote tinnen of
koperen — voor tabak of sirih, boen;
een soort van groote — van vlecht-
weik met deksel, voor spijzen, gebak
enz., tenoeng; platte, ronilu — van
hout, voor sirih, toiletartikelen en/..,
tjepoe; groote ronde, fraai verlakte —
van hout uict deksel tot berging der
beste klecdingstukken, bangkin; doosjes
in den vorm van verscbilleudc vruch-
ten en verlakt, zooals veel te 1\'alcm-
bang vervaardigd worden, tjoepoe.-tjue-
pon;
ronde — niet deksel voor klce-
dingstukken, reuk- of naaiwerk, kempoe:
doosje voor reukwerk, juweelen enz., \\
tjoemboct;
plat rond doosje voor sirih
ot\' tabak, een bolrond doosje voor reuk-
werk, meestal van metaal, selepa; het
wordt uicesl aan een punt van een
zakdoek of den gordel gedragen ; doosje \'
voor sirih, soms van goud of ander
metaal, kampil; een langwerpig vier-
knnt doosje met deksel, meestal van
pan danbl tuieren gevloehten, voor de
sirih en toebchooren, tepak; doosje
voor tooveriniddclen uf voor preeiosa,
dat men bij zich draagt, keinbal.
doove, orang toeli.
«loovejut, findniwgaii perahoe.
ilooven, uitdoovcn, memadamkan Ge-
dool\'d, pailam.
dop, schil, koelit, b.v. erwten —, koelit
laf/u»//,
eicr—, koelit télor. — van
Houtachtige vruchten, inzonderheid van
de kokosnoot, tempoeroeng. —pen of
bolsters van granen, sêkam; de nog
lachte, kraakbeenachtige — der kokos- :
noot, als die nog eetbaar is, ketungkotiff.
doperwt, komt in Indic niet voor. Üc
plaatsvervangers daarvan zijn de groene
boontjes, katjaug hidjau,
doppen* meugo\'pas(van koepas, gedopt);
erwten —, niengoepas katjang.
dor, kering; b.v. een — blad, daoen |
Lering; dorre grond, ianah kering.
gras, ruempoet kering; dorre beenderen,
ioelaiig-toelavg kering. — van land,
maii. — land, tanah maii.— en blader-
loos, van cone plnnt, een tak enz.,
ranggas; zieh als —-re takken voor-
doen, uieranggtts,
dorheid, kaktringan.
<lorp, doesoen. Éene verzameling van
dorpen, pi-rhimponan doesoen. — met
pali&snden omgeven, kola. Dat gedeelte
van zulk een —, dat boven aan een \'
stroom gelegen is, kapala kola; het lager
gedeelte van zulk een —, tkuer ki.ta.
dorpel van deur of venster, ambang ,-
boven—, au/bang di-atas; beneden—,
ainbnng dibaicah.
dorpeling, orang doesoen.
dorpsbeHtuur, pemerentahau doesurn.
dorpsbode* kehajan, op Java.
dorpsgenoot, orang sadoesoen.
dorpsland, tanah doesoen.
dorpslieden, omng-orang doesoen.
< l«>i psli ui -*. gemeentehuis, ba/ai dvesuen.
dorschen, mtnehak (van tebah), meng\'
gasak.
dorsober, peiiebah, pénggasak.
dorsehvloer, penebahan.
dorst, dalmga, op .lava aoes; — heb-
ben, bërdahaga; den -— lesschen, «/(■-
vioeiraskan dahaga. —, sterk verlangen,
ingin, rh/doe, b.v. — naar rijkdommen,
ingin akan kakaja.in; een appeltje Voor
den —, dat, wat men afzondert voor
later gebruik, tjadang; een appeltje
voor den — bewaren, nienljadmig.
dorsten, bërdahaga, tig. ingin.
dorstleswehend, jang wemoeicaskan
dahaga (van poeicas).
dos, sierlijke kleeding, pakajan endak-
endah, boesana,
Skr. —, opschik, pér-
h ia san.
douane, mata-mata pebijan.
doucbe( stortbad, mandi bersiram.
douw. stoot, pènoelak.
douwen, van zich af, ntenoehtk (von
/tf<7i/£). Zie duwen en voortduwen.
dozijn, losin; een —, salosin.
dra, lekas, sigera, kelak; b.v. — kwam
bij, lekas tja datang, sigera ija datang;
— zal hij komen, ija akan data/tg
k\'élak;
zoo — mogelijk, subulih-bvlt h
lekas, sabolih-bolih d\'engan sigera.
draad, garen, benang, wordt bij oerat
geteld; afgepaste — om mede te naaien,
ketindan, b.v. naald en —, djarueia don
kelindtiui.
— waaruit een touw ot\'garen
is samengesteld, leinbar, b.v driediaitdseh
touw, (a/i liga leinbar; ook uerat, b.v.
sa\'oera.t benang tiada taai pada toeboe/t\'
nja,
hij httd geen heel o — meer aan
het lijf. /ie droadaeh. — van vlecsch
of buut enz. oerat; lijn van —, kalos*
oeratnja.
—, metaaldraad, dai;ai, kawat.
— v au een spinneweb, btnaiig sarang
laba-laba.
— van een weefsel, utaia kaïn ;
aan een zijden draadje hangen, b\'ergan-
toeng dim inboet sa/ielui, snperti telt/r
-ocr page 188-
m
draadsch — draaien.
dthoedjoeng tandoek-; verkeerd van —
ui\' vezel, van bout, zoodat het niet te
schaven is, smnjsong kalak-; tegen den
—   in, songsang.
draadnoh in samenstellingen, pin/al,
lombar,
b.v. drie — touw, tolt liga
pint at, tttfi tiga lembar.
draad tt okken, metaaldraad trekken,
,11 ?n<j hoe nors dmcai\', m. katcat.
drtuulvitscli; een soort van—, polync-
iuus sp., ikan koerau.
drnadwerk, traliewerk, djata-djala.
draagbaar, berrie, leraiig, vesoengan.
— voor het lijk van een Vont, ang-
katan, pantja nufja~di radja;
ook alleen
radja-d iradja. —, mee te dragen zijn,
terbawa; niet —, tiada terbawa. Soms
moet het teruggegeven worden met do-
pat di-angkat,
optil baar, b.v. in den
/.ïn: al wat niet — was, lieten rij
aehtcr, wat — was namen zij mede,
sega/a sasoeatoe jang dapat dt-angkat
doe dibawanja sertanja, jang tiada da-
pat di-angkat ditinygalkanoja.
Al wat
—   wub, barang jang lerhawa,
draagband, koppel, band die over één
schouder hansit. sandang. Aan zulk een
—   draden, tnrnjandang. Iets aan zulk
een — dragen, inrnjandat/gkan, b.v. een
zwaard aan zulk een — diagen, menjan-
daugktin pedatig.
— om een last op
den rug te dragen, tnli at/d/in. —,
voor BH zieken arm, andoehan; de
draagbanden ut\' stroppen, wnarin eene
.-loep hangt, andoehan sekotji,
draauboom, kajoe pïngoesomg. Zie
• Iraagsd ■>!;.
draaghangmat, dola, Skr.
draagkoel s, djempana, laclita rawan,
Perz. —, gebezigd bij optochten, djoeli.
draaglijk, te verdragen, terd\'erita, ter-
tahan;
niet —, tiada terd\'erita, tiada
tertahan.
draagloon, opah koelt.
draagmand, e. s. v. mand, langwerpig
van vorm, die op den rug gedragen
VVordl met een band, die over het voor-
hoofd gaat, amboeng.
draagKpank, zie draagstok.
draagstelling, baar, berrie, lerang.
draagstoel; eene soort van—,tundoe,
ook tandoeaa, b.v. dan mavt\'eri kaempai
pon naiklah kaiifas tandoeannjat
en de
vier ministers bestegen hunne drang-
stoelen; een soort van —, palankijn,
pélangki, pèlangking. — voor één per-
soon om in te zitten, bembaran; eene
soort van vorstelijke —, versierd met
bloemwerk, poespa pamédjangan, poespa
padjangan
; eene soort van —. waarin
men slechts zitten kun, of portechaise
in den letterlijken zin. mongkor ;e. s.v.
—, bij optochten in gebruik, djoeli.
Jav. —, zie ook draagbaar.
draagNtok, waaraan men vrachten over
den schouder draagt, i/andar, pruggan-
daran.
draagvracht, een mans—.centenaar,
pikoet, sapikoel = 100 kati = 125
Amst. 9£. Ken —, die aan banden in
een mand of ransel op den rug nedra-
gen wordt, sti-mnbin. Datgene wat zoo
gedragen wordt, iimbinan; een — van
lange voorwerpen zoonis pieken enz.
zooveel als men tusschen beide armen
vatten kan, sabehan.
draagxetel, oesoengan. Zie draag-
atoel.
draai, poetaran, idaran, kisanm, Zie
draaien. — in het haar, \'t zij op hel
hoofd, \'t zij op de huid, zooals bij
dieren, poesar. —, listige streek, poe-
tar-balik.
draaibank, bindoe, pelarikan,- tafel of
blad van een draaibank, medja hindoe :
de pennen die het hout vasthouden,
puk-si bindoe.
draai bats, van koper, lila; Innce —
van ijzer, raniaka.— ïuet wijden mond.
waaruit men blikken doozen schiet,
djala rambang.
draaibrug, titian biralih.
draaien ; voor het algemeene begrip geen
woord. Voor de verschillende wijzen van
— het volgende: — voor iets heen,
b.v. voor eene deur, tergoeliug-goeling,
b.v. uutka enatigda pon t\'ergoeling-goeling
düoenar pagar, hendal\' pon masoefr, tja
takoet,
de voedster nu draaide aarselend
buiten de omheining, wilde binnengaan
doch wns bevreesd. —, aarzelen om
binnen te treden, terkimhtiiig-kunbavg
voor lam. heen en weer —, hom voort-
durend onder de oogen loopen, m\'engati
bem daardoor vervelen, mengalikan; in
de rondte —, zooals een stof- of rook-
kolom, bêrpocwal. —, wanden van den
wind of bet water, oefak-, — verticaal
om een middelpunt, zooals de wieken
van een molen, ba/ing. — horizontaal
in de rondte of in eene spiraallijn, ber-
poesar
; jets zoo —, mémoesar, b.v.
-ocr page 189-
177
dranier — drachtig.
memoeaar daoeit siri/i dengan tamjan, i
een betelblad tusschcn do handen ;
draaien. —, horizontaal zoonis een
molensteen, liet water in een kolk, een
wervelwind, bladeren, die ui gevallen
zijo, berpoesar. —, horizontaal, zuuuls
een molensteen, ook berktsar. Den ring
om den vinger —, uiengisar tjintjin.
— om een as, middelpunt of in een
kring, kitar, berkitar. — om een mid-
dclpunt, I) v. van een tol, wiel, braad-
spit, hot hoofd enz., bërpoesing, b.v.
berpoesi/ig sapërti gusmg jai/g ligat,
als een sneldruuicnde tol; zoo doen —,
niemoesingkaii. b v. uitmoesingkun aam-
pa»,
de boot doen —. — van het hould,
duizelig zijn, poesitiij kapala. — voor
de oogen, mata bërpoesing.— dor aarde
om hare as, bërpoesing, b.v. hot — dor .
uarde, kapoesingau boemi; snol — van
een tol, tigat, mengoeri; zien wiens tol
het langste draait, bertarik oeri; snel
in de rondte doea —, meiigoerikau;
ineen — van een touw ot\' garen, me-
mhital
(van pintal, ineengedraaid); mfa
iiyotfsik
(van onsik) b.v. èètumg soetera \\
merah di-uesïk dengan béuang soetera
pui\'tih,
roode en witte zijden draden in
elkander gedraaid. Verder mémilin (van
piltn) en melembar. Door middel van :
een gewicht, dat aan het einde dor
draden hangt, melanang; wringend in
elkander —, mfanoelat (van poelas);
met een rad in elkander —,mènjaring >
dengan keutjïr;
vezels stijf in elkander
—, tweernen, menjering (vun sering,
stijf in elkander gedraaid); doorelknn-
der —, vlechten, slingeren, mënjelim-
pat
(van sëtimpat); een dook in eon
puat —, mëmboelir kaïn; in do han-
den —, zooals b.v. pillen—,mhigy\'dik,
b.v. maka se inbak toen 1\'erpahh tuelih;
digitik tomcankue, pada sa\'orang subidjt
disoeroeh oli/t radja kami mtnggilik\'
.
dia, en heer Përpatih Pootih sprak i
gedraaid, Uwe Majesteit, onze Vorst
beval aan ieder oen korrel te —; ook
meug geut et, — van den wind, in een
anderen hoek schieten, berafi/i. — op
een draaibank, melarik\'. —, met link-
sche streken omgaan, merakoet, b.v.
sapërti sjaïfüu datuiig mërakuel, zooals
de duivel komt —; in do rondte —, I
memoetar (van poetar). —, on verschil-
lende wijze onwaarheid spreken, vcin-
zen opafc-apifi. —, uitvluchten zoeken, -
er omheen —, berpoetar-poetar, poetar
batik;
met allo winden —, masoel\'
kada/am kandang kambing, mëngëmbek;
niasoek kada/am kandang karbau, më-
ngoewak,
d. i. het schnpenhok ingaande,
blaten; het bultelhok binnenkomende,
loeien, SprW.
dranier, luiaard, pen talm. —, bedrieger,
penipoe, oraug poetar-baiik, orangperbo/a.
draaierij^, duizelig, pèning, poesittg ka-
pata,
— voor de oogen, maniang, b v.
maka mata Makboel liatb pon maiuang.
—, een weinig dronken, mabofr sëdikit.
drauierü, poetar-baltk, ook perbota ;
door — , dengan perbola, lig. pandjang
bttit,
druuikolli, poeaaran ajar, oelak ajar.
dnuiilsooi, sangkarau toeptii.
draaiaohiff van een rijtuig, rada, Sing.
— van een pottenbakker, pë/arik.
draaiapll, horizontaal —, of stuurrad
op inl. vaartuigen, oleng-oleng keiuoedi.
draaispit, zio braadetpit.
druiütul, gasing.
draaiwind, windhoos, ang\'m oe/ak;
wind die telkens in een anderen hook
schiet, amgin beralih-alïh.
draak, naga, oefar naga. —, die zich
eenmaal in een jaar verroert, naga
ta/toett;
de berg—, naga gin. — op
wielen, gebruikt bij optochten, naga
gëntala.
—, monster, boedjangga, Skr.
—, munster, dat bij eclipsen zon of
maan verslindt, ra/toe, Skr.; zeedraak,
naga lauct; vliegende —,naga te/bang;
don — stoken mot iemand, tnëmpër-
tnaiukan urang
; ook bërsënda-sëndakau,
b.v. patoefka/i ëugkaa bërsëuda-sëudukan
akoe,
mag je met mij der. — steken-1
drnb, hampas, këroeli, tahi. —van olie,
tahi minjak: van koffie, Aan/pas
kahtcah, hampas kopi.
— van wal er,
k\'éroeh ajar; van wijn, keroefi ajar
anggoer.
drabbelkoek; een soort van —, koeweit
sëtimpat.
drabbig, zie troebel.
drnclime, zilveren geldstuk, waarvan
20 of 25 op een dinari gaan, dirham, Ar.
dracht, een mans draagvracht,/;(£tW<w,
pikoel; b.v. eon — hout, kajae sapikoe*
tan.
—, kleederdraeht, pëmakojan, pa-
kajan.
—, zwangerschap, kandoengan,
boentuig, /jaiitil,
Ar. —, sehotveito, zio
bij afstand en dragen.
drachtig, boe/ding.
12
-ocr page 190-
178
draf — drasen.
draf, peïarian, ook van een paard : sukkel- \'
dralje, pruikenmakersdrafje, tart anuk;
op een sukkeldinfje, berlari-larï anak ;
het paard in den — zetten, mëlarikan j
koeda. —, varkensvoer, inakattan babi.
draden. Ken woord voor het nl^cmecne :
begrip niet voorhanden. Men beziet er
soms voor mfmbmca, duch dit beteekent
brengen, medevoeren. Klke afzonderlijke
wijze van — wordt door een eigen
woord anngegeven, b.v.—, bekleed zijn
met een of ander klcedingstuk, fmkm
met algemeen obj., berpakaikan met
bepaald ubj. b.v pa kat badjae, \'n bandje
— ; tja berpakaikan liadjut\', hij draagt \'
een baadje. — van eenen naam, ber- (
namtt, palai nama, mhuuwgoena >tama. \'
—  van men-cben, \'t zij op arm of rug
enz. mendoekoeng, b.v. op den rug —,
mhidoekoeng betakang; op de heup —,
m\'endoekorug kelek; op den arm —,
mendoekoeng ampae; op den rug in een
doek —, ttimdoekoeng ambiti; iemand,
op nek en Behouders gezeten —, men-
djot-lang;
door de golven gedragen,
didjoelang vwhttk; iemand schi ijdelinir»
op den schouder —, zoodat het eene
been op de bont en het andere op
den rug komt, menjompnh (van sompoh).
Ook w\'fitjvpoh (van xc/mh); los over
den schouder omgeslagen — van een ;
kleedingstuk, hthijamptti, utënj\'èlawpai
(van satnpav); in een doek op de heup
—, gendong, Jav.; op dea rug met
banden over de schouders geslagen—,
zoonU de marskramers, menggalas-, op
den rug — zoonis eene mand of eene \\
ransel door iniddcl van banden over \'
de schouders of om het voorhoofd,
mengambin, ook iem. of iets zoo dra-
gen; op de beide handen —, m\'engam-
poe,
lettert, steunen, b.v. knin badjoe
dés/ar di\'autpoe ulift hainba radja,
een
boven- en onderkleed en een hoofddoek
door de dienaren van den Vont op de
handen gedragen; in de hand — met
neei hangende armen, zooals b.v. een
hengeliuandje, memheudtet; op de hand
—, b.v. een vogel, tnenènggirkan pat/a
tangamtja;
onder den arm geklemd —,
zooals b.v. een boek, mengt f ik (van
ki/ik), mei/gepit (van k\'epit); een kind
in een doek onder den arm op de heup
—, wettgiitk utitbi»; op den gebogen
arm —, meutangktif, (van pangkue) b.v.
Ken Tamboehan dipatigkue dilengan kirt,
K.T. werd op den linkerarm gedragen:
over den schouder aan bet einde van
een stok, lans, geweer enz. —, meng-
galas-,
aan een >tok over den schouder,
mïnggandar; met bep. obj. menggandari,
b.v. makn di-timbt/ ulth bagittda akatt
kajoe, la/ue digandariaja ktuloewa,
de
Vorst nam een stok en droeg vervol-
gens de beido (reeen); op den schouder
—, memikoel- (van pikoeï); ook van oen
wapen. b.v. memikuel pedang, eene snbel
geschouderd —j en ook lig. van ceue
zaak op dea schouder —; in een band
—, zooals een gebroken arm, uttiigatt-
doek
(van andvek), ook ntengandveh
(van andtteh); tussehen do tunden —
of houden, wentjgti.iggoitg; in een doek,
vlies, zak, baarmoeder —, of — van
iets, dat in iets dergelijks besloten
is, meugandoeng (van kandue/tg\\; zoover
een kogel draagt, samakanan peloeroe;
zoover een pijl draagt, samakanan pn-
nah;
zorg — voor iets, memeliharakau
(vnn pelinara), ntenjeleuggarakan (van
Sè/enggara). — van zweren, wonden en/.
bernanah, Mfff*; met zijn velen iots
op do schouders —, zooals b.v. een
dinagMoel, meitgoesueng (van oesoengi;
iets achter het oor —, b.v. eene bloem
enz. bersarntingkan,- iets kleins in de
gesloten hand —, b.v. een horloge,
een stuk geld, ment/j indj ing; in de holte
vnn de hand iets —, ntenatang (van
fataug (b.v, saperti Menatang minjak
jang pénueh,
alsof men eene hand vol
olie draagt, Sprw.; Weg—, optillen en
weg-—, b.v. zooals bij een verhuisboedel,
whigantjkoe.t; op het hoofd —, m\'en-
djue/ttljoeng;
ook op het hoofd nemen
ten teeken vnn eerbied en gehoorzaam-
beid; ook het dragen van een scheeps-
dek, b.v. geschut of een bor>twering;
een zwaard — , van een zwaard vout-
zien zijn, berpedang; al wie maar de
wapens kon —, hingga dapat meute\'
gang sendjata;
een ring —, berfjinljin,
pttkai Ijintjin;
vruchten —, berbuetcah;
vrucht —, iets opbrengen, berhasil, b.v.
zijn werk draagt geen vrucht, peker-
djaimnja tiada bërhasil;
niet te — zijn,
in het algemeen, tiada ferbatca, en voor
do bijzondere wijzen van dragen, zie die
woorden en vervang het Voorv. me in
Ier met voorafgaand tiada, niet; de
onkosten —. me.tanggueng bèlandjanja,
M\'engaloeicatkan betundjanja;
de zonden
-ocr page 191-
drager —
—, mettanggoeng dosa; ilen vloek —,
ditimpa toe/a/, kfna soempah, kPna lanat;
alles wat ie ui. bij zich draagt, tegala
pémhairaiiniijit.
drager, in liet algemeen, peudtawa.
van pukken, sjouwerman, orany koeli.
— van een draagstoel, pinyoesoeny;
da dragers van du teckenen der waar*
digheid van een onderhuurd, zijn ge-
volg, orany péugiriny; de tweu waaier-
dragers naast bruidegom ut\' bruid bij
een bruiloflsoptocht, ptugapit.
ilragoman, djotroe bëhasa,
drakenbloed, de bekende hars, djvr$~
nany.
drakenbloedboom, e. 8. v, rotan,
ürncaena dnieo, pokuk djerëiiang.
draken«*teen, denkbeeldige steen ia den
kop van slaugen, kvmala oelar, komala
naga,
dralen, btrUuubat, liérlambatan. —, tal- !
men, ntX-ngolah, Irna, U-ka, —, talmen,
sainiuelen met een werk, luênalai (van
(a/ai).
draier, orany ImrsW, pilambat.
drang, dwang, paksa. —, gepresseerd-
heid, sera. — der omstandigheden,
dlaroerat, Ar. b.v. maka dari sebab \'
dlaroerat moeafakat sthaja jang bvr-
tiya,
door den drung der omstandig-
heden kwamen wij met ons drieën \\
overeen; onverbiddelijke —, diaroerat \'
kodrat,
drangreden, zie reden.
drank, minoeman. —, van \\ orsteo, tan- \'■
tapait.
—, als medicijn, uhat minoetn;
-luiki\' —, minoeman kïras; eene soort i
van —, bestaande uit verdikt suiker-
rietsap, kilany; gezondheids— voor
vrouwen, bestaande uit een aftreksel van <
9\'J verschillende medicijnen, rPmpah\' ,
ratws; eene soort van bedwelmenden ■
—, uit gegiste rijst verkregen, bëram ; |
aan den — zijn, soeka minoem; iemand
die aan den — is, ptminoem; eene
soort van Chineeschen sterken -,tjoe; \'
-teike — uit rijst gestookt, arak; aan- i
^ename dranken, sjarbat, Ar. b v. de- j
■igau beriboe nimat dan sjarbat dan \\
■utbagaittja,
met duizenden lekkernijen, ;
aangename dranken en diergelijke. — j
diuu men na het dessert gebruikt, zou- .
als b.v. een kop kollie ot\'ceu glas likeur, i
bij de inl. dient daarvoor meest suiker- |
riet, ptmbasoeh moeloet,
(Irankfleacb, botol sopt.                         I
drekstof.                                           179
drankje, obat minoem.
dranhhui», roemah pak arak, ptra-
rakan.
— foor militairen, kantin, verb.
drankmeeifter, zie bottelier.
drankverkooper, pêndjoewal arak.
drankwinkel, zit; drunkhuit.
drankzetje, Ukcursteiletjo op pootjes,
tjirana, xvrahi.
drapeeren, mënyênakan lanysai.
draperie, langsai.
dra», loemporr, paja; in de — zitten,
kapi\'jikan, kasoekuraii sanyat.
dratdand, tanah paja.
i!rti!-!-i;_ï, paja.
draven, birluri. Snel —, bërlari dëras.
Vlug —, birlati panUui een paard doen
of laten draven, mUarikan koeda.
draver, paard dat goed draaft, koetim
jany pautas larinja, koeda jang dërmê
larinja
dregt dregaaker, saoeh pëmarié. Zie
werpanker.
dreggen, mëmarit.
dreigen, mingamang-amang, mrngatjoe-
atjof.
Op Java mënyantjant-antjam.
met een zijdgeweer, looall dolk, degen,
zwaard enz. door die bij herhaling een
weinig uit de sehcede te halen en weer
in te schuiven, mër.ggamak-yaniak.
met woorden ot\' wapens, minguegoet;
met wapens —, ook mtnyayak (vuu
ayak). — met een speer of lans, dien
drillende, mënunanykan, b.v. ditimang-
kan»jii kami koedjocr, zij dreigden ons
met de speer.— met opgeheven wapen,
stok of vinger, mënyatjoe-aljoe ; het
dreigt naar regen, hindak hoed jan roe-
panja;
het — in te storten, hindak
roeboeh rofpanja.
dreiging, di eigeiuent,/jr«f/rtw<("y-a»M</^,
op Java piayantjam-antjam. Zie verder
dreigen.
dreinen, zie drensen en plagen.
drek, vuil, Mor. —, vuiligheid, kako-
toraa.
—, uitwerpsel, afscheiding, fa/n,
—, mest, badja. —, aanveegsel, afval,
sampah. , afval, hampas, sampah.
dreklmk, tin/pat sampah, Umpat berak.
drekboom, eene soort van boom, die
het stiokhout levert, pohon kajoe tahi.
drekgoden, birhala tahi.
drekhoop, tiinhoenan tahi.
drek kever, kombnny tahi,
drehstank, baoe tahi.
drek* tof, tahi. De laatste — van een
stervende, ketadak ptroct, letterl. buik-
-ocr page 192-
180
drek vlieg — driestal.
wordt niet licht verbroken, Sprw. Ook
kembar tiga, b.v. tali ram» kembar tii/a
disamaknja dengan samak kaija,
een
driedrnadsch henniptouw tande hij met
looistof vermengd met glns.
driedubbel, tiga lapis, tiga lipat, tiga
ganda, tiga soi\'soen.
•Iried ui/i\'intsl e, ja/ig katiga ribotf.
drieëeuheid, der Christenen, tatslits.
Ar. — dor Hindoes, trimoerti.
drieëenig, ana tiga.
drieërlei, tiga bagai, tiga matjam, tiga
djeuU, tiga roepa,
driehoek, tiga pendjorroe. —, schakel
van touw of ijzerdraad, om iet.* in even-
nicht te houden, driehoekige mazen in
netwerk, tïradjoe, Perz. b.v. sampailah
kabalairoeng t\'éradjoe ëmas, hij kwam
aan de gohoorzanl met gouden drie-
hoekig netwerk. Ook driehoekige schu-
kel op een vlieger.
driehoekig, tiga pï-udjoeroe.
driehoevig, bï\'.rkotfkoe tiga.
driehonderd, tiga raloes.
driehonderdste, jang katiga raloes.
driehoofdig, berkapala tiga.
driejarig, êemoer liga tahoe*.
driekant, tiga përsegi. Op Java tiga
pesagi.
driekantig, Hg"- pi\'rse\'gi,
drieklauwig, b\'erfjakar tiga.
driekleur, loarna liga.
driekleurig» be.rwarna tiga.
driekroon, mukota tiga soesoen.
drieling, van kinderen, anak kembar
tiga.
driemaal, tiga kali.
i\\riemaa,mlelijUHch,liga boflan sakali.
driemaandsch, armoer liga boelan.
driemanschap, pZuiHrmtahan orang
tiga.
driemaster, kapal tiga tiavg, kapel
lietoel.
ilrieoogig, bXtruiata liga.
drieponder, prlucru? tiga pon.
driepuntig, bérltoedjoaig tiga, ook tri-
hoedjuwig. Zie
drietand.
drieregelig, bergaris liga, bërbaris liga.
drieschulig, bérkuelU tiga.
driespan, berkoeda liga.
driespleet, berbï\'lah tiga.
driesprong van een weg, bersimpO\'
vgan tiga.
driest, stout, onberaden, terlaloe heraut.
—, vrijpostig, tjakat.
driestal, koerst btrkaki liga, sahwat, Ar.
droesem; do eerste — vnn een pas-
geboren kind, het meconiuin, tahigagak.
drekvlieg, lalat ta/ii.
drempel, ambang; deur—, ambang pin-
toe;
den — overschrijden, melangkah-
ham ambang pintoe.
drein pelbe waarder, dorpelwacbter,
phtoenggoe pattee.
drenkbak voor vee, palomgan,
drenkeling, orang ma/i lY.mas.
drenken, memberi mitioeui; doen drin-
ken, mémpërminoemJkan,
drenktrog, poloengan.
drentelen, bërdjalan perlahan-lahan.
drenzen, niTudédau.
dresseeren, méugadjar.
dressuur, pfngadjaran.
dreumes, dwerg, orang katik.
dreun, hol gelald, gëma, de.ngoeng. —,
schudding vnn de aarde, gtmpa.
dreunen, scliudden van dn aarde, gtmpa.
—, trillen of schudden, b.v. van een
stoomboot door de werking der machine,
gegar. —■ van iets zwaars dat omvalt
of neerploft, gerdam; van zwaarder
voorwerpen, gétdoem. — en kraken van
roeiriemen, gX:redoemgX-rvdam. -, da-
veren, kf-tar. — van geschut dat aan-
gezet Wordt, legofin, legaem-legam. —,
dof ro ui molen, zoonis de donder enz.
tagar. ■— van den wind enz., herdfaigopvg- j
dengoeng. — als eon groote ketel- i
trom ol\' gong, gëmerefot\'k. — zooals
het geluid van veel tamboerijnen, men- ,
dtram. —, bulderen van geschut, ber- \\
denton».
— zoouls een kanon, dat lot-
brandt, leloem.
dreutel, hoopje, boesoei.
dreutelen, luieren, talmen, leng*.
drie, tiga. Alle —, katiga, tiga-tiga. Zie
ook derde. Met zijn drieën, katiga; i
in drieën deelen, mvmbëhagi tiga; in
drieën bestaan, atas tigafasal; om — j
uur, poekoel tiga.
drienrmia, berlëngan tiga, fig. vour
drietakkiir, berijabaug tiga.
driebeenig, bërkaki tiga.
driebludig, berdaocu tiga
driehloemig, bï-rboenga tiga.
driedeelig, dih\'ihagi tiga.
driedekker, kopal tiga tingkat, kapal
bitnet.
driedik, tiga lapis, tiga soesoen.
drledraadach van touw jn dergel., tiga
kembar.
b.v, tali tiga kembar ta\'soewang-
socicang poetoes,
een driedraadsch touw
-ocr page 193-
181
driestheid — drillinffs.
ten te drijven.—.inslaan van een pen,
bout, nagel, inëmasafc (van pasal\'); zie
bij indrijven. —, bei\'.elen in metaal,
steen of hout, mfmabal (van pahafj.
Gedreven goud, tmas dipakaf. —, cise-
leercn, menyoekii\' (van vekir).—, boven-
konien aan de oppervlakte, ümboet.
—, dobberen als een ton of boei op
het water, mtugatorug (van atoeng),
ook mitiyapufiiy (van apoeny); rund-
drijven van een schip door windstilte,
(Prapueiiy-aporuy. — of zwemmen op
de oppervlakte van het water, vnn
groote voorwerpen en visschen, meny-
oendiavy.
— op zijn anker, van een
vaartuig, tarat.—.voorttrekken van de
wolken, bvrarak —, jagen van werk,
mèmboene piktrdjaan, —, dwang gc-
bruiken, memaksa (van paksa). —, uit-
oefenen, b.v. van een beroep, mïtakoe-
kan pekvrdjaiin.
— van koophandel,
baniaya, berdagang. —, zweven, rntla-
jany-lajang.
—, (ladderend zooals eeu
vlinder, mëtigatai\'tig-atoi-iig, bPratofi/g-
atoeng.
—, kletsnat zijn, van personen,
basa/i korjuf/i; den >pol met iemand
—, mimpèrtiidinkan, inrmyoluk-olok; op
eigen wieken —, mèntjéhari sfttdiri.
drijvend, zie drijven.
drijver, die voor zich heendiijft, p?»y-
halau, oranij jaag minghalau, orarrg jang
mï-Hgyiriug
—, aandrijver, pëngerah.
Zie verder bij drijven.
dril, gekeperd katoen, kdin belafjoe. —,
klap om de ooren, tam/tar, ivmpilitiy,
—, gestold vleeschnnt, kaldo? bïikoe.
drilboor, guerdi, intjar; eene soort van
— ,in gebruik bij de goudsmeden,pëng-
gereki tndjoet;
Chineesehe - , die met
een boog in beweging gebracht wordt,
keidjt-ny, Chili.
drillen; niet pieken of speren, mrmmatty-
niiaavy léaibiag
(van Hma?ig), èHrlwttnt-
kati Vémbiug,
b v. banjak laaaui\'sia ada
bërkerorfmocn ditëpi pantai berlajamkan
lëuibitignja,
veel mensclien stonden
samengestroomd aan het strand en dril*
den hunne lansen; maka nulja T/uw
lan bërdiri di-atas yatljahuja minimang-
tliiitaaa li:iiibiiiynja,ca
de Vorst Tj. .-tood
op zijn olifant en drilde zijn lans. —,
terdege onderhanden nemen, nwnggtu:-
loeity.
— vuu militairen, jaï-tiyadjar
soidadoe, menyadjar barisan.
—, zie
ook trillen en dreunen.
drillinss, zie dril.
. Iriestheid, kabttranian.
driettiltkii*, Ittitjabantj liga.
ilrietnl, bilangan liga.
Iriel sim 1. zooals b.v. de — van Kop*
tunus, trisut-la, Skr.
drietundijx, trisoela.
drievoet, driestal, bankje met drie
pooten, sahicat, Ar.; treeft, ook drie
stecncn danivoor gebruikt, (oengkoe.
drievoudig, tiya lipat, tiya lapis, tiya
yanda.
driewerf, tiya kali.
driezvjdijj, tiya përsëgi.
drift, kudde, troep, kaïcan ,- een — scha-
pen, sakauran kambiny; een —donkere
wolken, sakaican aicun jaag kabofs.
van water, (tiras, sa»tPr,J»v. —, toorn,
mara/i,- van den Vorst, uioerka. —,
zinnelijke lust, uafsoe. De driften,
hawa-nafsae. —, overhaasting, yoepuch-
goi\'poc/i, yï-sa.
driftig, oploopend, patias, patias hati,
gorsar.
—, haastig van spreken, eten,
loopen, werken enz., ya/yal. -—, drij-
venile, fiaujoi-t, larai\'; zich — maken,
djadi ,.id,--\'h. goesar.
drif kop, pïmarah.
drijflminer, pt-aioeko\'-I kajoe, gandrii.
drijfhout, boei, dobber, drijlland, al
wal op bet wuter drijft en levenloos is,
apueng; zich als — ia de verte voor-
doen. m\\\'ayapomy.
> \\r\\j l l.rai\'hi, fcoewat pesawat.
< \\v\\\\ i\'liu H--1, ëlmoe pfnyut\'kir.
flrijfkurk van een Uvkaet, pïlaiapot\'ity.
drü\'lund, tanah apoeny, tanah pttam-
poftiy.
Hiervan wellieht de naam der
Lampongsche districten.
drüfrud, zie drjjfwiel.
drijfriem* van eenc machine, pesatcat,
lalt pesawat
«lr\\jf>*teen, hatoe tiiuboel, b. apoeng.
dr-ijfi.ol, gttting,
drijft on, boei, pilampoeng,
drijfveer, van ecne machine, pesaicat.
— van iemands handelingen, sebab.
drijfwerk met den beitel, barang oeki-
nW, — van eene mueliiue, pesaicat.
tlr\\jfwieU »\'((//<*/. Vandaar ook spinnewiel.
drijven, voor zich uit —, voortdrijven
van vee, imtnyhalau, tmnyyiriny, b.v.
enaia toedjoeh hari taiaanja ija niï-ay- \\
yiriny yadjah itoe,
zes, zeven dagen
lang dreven /ij die olifanten; maxork
kadalam Iwetaa përyi mëny/ia/au gadjah
itoe,
gingen het bosch in om de olifun-
-ocr page 194-
IS:.\'
drilmeester — droog.
drilmee»ter, zie «chermmeester.
dringen; dicht op een —, mfnjesa^-kan
(vnn sfsak, dicht opeengedrungen), me-
ititulih
(van tindih), we» df .ia kkan, mï\'tiy-
heuipi\'t
; op iets in —, h.v, op eene
menigte uienschen, kreupelhout enz.,
mïsïmpoeh ; op eene lompe, onbe- \'
schaamde wijs naar voren —, uifrfdjiih ;
met geweld —, nifngnsak; door iets
heen —, h.v. met een been of het
lichaam, of de bliksem duur een dak,
perlofs; doorheen gedrongen, fëpïrfoes
—, wegs-tuoten, mfnoelak (van /oeiak)
—, noodzaken, uifmaksa (van paksa);
van weerskanten op — , inf.igapi/; met
geweld op iels in—, nitnjïrboekan di~
rinju kapada
(van sfrboe), lctterl. zich
werpen op, b.v. een leger enz. —, zie \'
ook drang.
dringend, zie dringen; eene drin-
gende behoefte, kud/a hadjal. Ar. —
verzoeken, mi,da ban jak-ban jak; in drin-
genden nood, knpi/jikan aangaf; drin-
gende zaken, pfrkara jatig pt.r/oe.
drinlilmtir, bulih diminoem, dapal di-
MMMi
drinktmk, voor vee, paloengan.
drinkbeker, piala, Perz.
drinkebroer, pfminoem,
drinken, minoem ; van den Vorst, san/ap.
—, aan den drank verslaafd zijn, soeka
hiinoem
; eten en --, ma kan mi noem ;
laten,mfmbfri minoem, bfpfrminoem-
kan,
h.v. bij liet hem tot volle ver-
zadiging tou drinken, ija StipérmMoem-
kan dia poncag-poeteas.
drinker, pi minoem.
drinkgeld, fooi. oetnaug siri/i.
drinkglm*, piala, Perz. — met een voet,
kelk, /jangkir.
drinknup van een kokosnotendop, of
van iets anders, dat in vorm daarop
gelijkt, kïiiïlam kendflain. Zie ook nap.
drinkntipje, kfskoel, Perz.
drinkplnatf*, drmkwed, lage plek ann
eene rivier, waar men paarden of ander
vee laat drinken, laiidai.
droelgee*tig, muero?»y, ha/i icalang,
doika-Zji/a, soesa/t ha/i.
droefgceHtigheid = droelgcentig.
drop», een ziekte hij paarden, saki/ serdi,
sakil in gors. - , de duivel, sjaifan.
droewem, ktroeh, lalada}c. —, schuim
van metalen, tanga,
d roette mig, bfrkëroeh, bfrkeladajr, bfr-
tanga.
d roe Ti s van gemoed, hati icaiang.
drogen, droog maken, mengfringkru
(van kering); in do zon —, onz. dj*~
moer,
hedr. mendjfiitorr. Zich in de zon
—, bêrdjemorr diri; in de zon gedroogde
visch, iktm /frdjemoer; in de zon ge-
droogd van visch enz., l/f loer, ook fapa.
aldus gedroogd vlee»ch, daging /apa =
dendeng; in de zon te — hangen, onz.
ifraaipai dj v moer. — en tevens ronken
op \'t vuur, mfnjalai: zoo gedroogd en
gerookt, /frsalat, b.v. ma/i tïrsalai, oji
die wijze gertorre»; dtdmlam <y» «rafal
badau /f, sa/ai, in het helsehc vuur
wordt het lichaam gedroogd en gerookt.
— van kleedcren bij het vuur, meng-
ganggang;
in den wind te — hnngen,
luchten, b v. van kleedcren, mëaga-
nginkan, mfajidai
(van tidai). ■—, ster-
ven van hout, lajoer, b.v. djadi üdak
pajah bfr/ajoer,
zoodnt ze niet moeie-
üjk drogen (nml. de planken).—, droog
laten worden van hout of ander mate-
riaal, vnn lnnd enz., meringkai.— van
de handen of het gelaat, horden enz..
sapoi\', mfnjapoi\'.
droger\\jen, rfmpah-rempah; met ver-
scheid e n h e i d, rempab -pijah, reaipab •
pairnh.
drogint, /oekang rfmpah-rfmpab.
drogiwtwinkel, kedai rempah-rëmpab.
drofc* zie <lruk.
drol, uitwerpsel van een mensch, soeiigo?.
drom, leger—, bala-fan/ara.
ilroinnliiri-, zie knmeel.
«Iroiinut\'1. duivel, ib/is. Ar.
dronk, slok, teug, tfgoek\'.
«Ironlinnrd, pf mabok.
dronken, mabok; stom —, erg —,
mabok soe/asih, naar de soelasihbloem,
die een sterk bedwelmenden geur heeft,
b.v. sa/flah homga soe/asihlab maboknja,
nadat ze stomdronken waren. Ook ma-
bok büfiiga soelasih.
— maken, niémn-
bokkati, mfiiii/boki;
door hcrhanldelijk
den beker toe te reiken, w\'viijoelavg (van
sor/aag). van liefde, mfndatn birahi.
dronkenschap, mabok; in zijne — ,
dfngan maboknja; door — bevangen,
kttiitahokan.
droog, kfring; op het droge zitten ge-
blcvcn, b.v. van een vaartuig, uitge-
droogd van een water, kakfriaijan. Op
het drose vervnllen, op het strand ce-
worpen van een vaartuig, tfrdampar,
ka?idés,
Jnv.; niet — vnn trnncn, geen
-ocr page 195-
183
droomachtig; •— druif.
droge oogcn, tiada kiring déagan ajar-
maia;
een vaartuig op het droge zct-
lea, b.v. urn onderzoek 1c kunnen doen
naar bet gedeelte, dat beneden de
waterlijn is, meratiggakkan perahoc.
van het jaargetijde en van voortdurend
droog weder, kemarau. Het droge jaar*
natijd e, moesim kemarau. —, uïtge-
droogd, b.V. van hout en andere bouw-
materialen, ook van land, ringkai ; in
—   zijn, kering ringkai; geheel — van
wateivaten, potten, putten, kering ke-
rontang,
d. i. rammelend droog, omdat
de schepper op den bodem rammelt.
—   bij afloopend water, ka/ifang.
ondiep, dangkal, b.v. sebab koewala
Indra I\'oera ada terlaloe dangkal,
oiu-
dat de monding van de Indrn I\'oera
veel te droog il; mijn keel is zeer
—  (ninl. van duist), kering sakali kt-
rongèonganioe ïni;
een droge keel, b.v.
door veel spieken, to/tor rongkongan;
nog niet goed —, b.v. van eetwaren,
die gedroogd worden, ook van kleeren
en papier, embal.—, zonder do noodige
vetdcclen, zoonis soms bet haar, ook
van graan, tabak enz., oesaag; zoo —,
dat het voebt er niet meer uitdruppelt,
doch nog vochtig, van voorwerpen, die
opaehnngen zijn om uit te druppelen,
sedjat. ■— van hoofdhaar en den grond,
kersang; een droge put, jierigi boe/a,
letterl. blinde put; een droge hoest,
baloei,- Vering. — brood, nasi In-lala.
Op Java nasi tok, Icltcrl. enkel rijst,
nasi dengan garant sadja; een droge
min, baboe kering. —, saai, geur- en
smakeloos, bojak,
droogachlig, kaktring-keriagan.
droogdoek, kaïn pïnalap. —, haml-
doek, kaïn tatap locboeh. —, vaatdoek,
kaïn kesat
droogheid, kakerhigan.
droogbouden, nitméliharakan kering\'
nja, viemeliharakan daripada basa/t.
droogje; op een — zitten, doedoek
dengan tiada makan mitioeia, tiada
diberi makan minoem.
droo^ioots, pirangin,
droogloopen; drooggeloopcn, kakeri-
ugan, b.v. apahila ajar soei\'oel kakeri\'
aganlah tï-utpat ini, met eb loopt deze
plaat! droog.
droogmaken, mengeriagkan.
droograam, voor huiden, peinidang
beloelang.
droogrek, sampajan, pendjalaran. —,
vrijstaande stelling voor borden enz.,
para-para,
(lroogwtolr, ampa/jan; lange —,galalt.
droogte, kering. —, van het saisoen,
ktmarau. — , zandplaat, pasir. —, on-
diepte, tohor. Ken schip op ecno —
zetten, meaohorkan kapal.
droom, mimpi; in eenen — verzonken
zijn, dalam mimpi; in den — zien,
melihat da/a/a mimpi; een vergeten —
te kennen geven, mXnangkap mimpi;
deze wereld is gelijk een scboonen —,
bahira doenia iiii sapxrti mimpi jaag
endah-endah
; een gelukkigen — heb-
ben, is voor de Maleiers: mimpi ka~
djafohau boelau,
ot\' mimpi boi\'lan djth
toh diribadn,
drooniende dat de maan
op de schoot valt; een — verklaren,
menfabirkan mimpi (van iUbir, Ar.),
menyoerai mimpi, niemédahkan mimpi
(van pédah\\; verschijnen in den —,
kali hal on daio in mimpi.
droomheduiding, tUbir mimpi.
droombeeld, rhajal dalam mimpi.
droomboek, toerat tabir mimpi.
droomeii, birmimpi. — over, bermimpi-
kan,
ook memimpikan, b.v. diptro/ihnja
saperti jatig dimimpikannja,
hij kreeg
het zooals bij er over gedroomd had.
—, hardop, ook ijlen, mï-ngigau (van
igau); over iets hardup —, mengigan-
kan;
naar —, bermimpi tiada baïk;
goed —, een droom hebben, die wat
goeds beduidt, bt-rmimpi bot-lan djaioh
diribadn;
wie zou dat gedroomd heb-
ben, S\'apa ba/i/t sangka jaug demikian.
—, zie ook suilen.
(Iroomer, pïm\'tmpi. Zie sulfer.
droomgezicht, chajal dalam mimpi.
droomuitlegger, oraag jaag tahoe
mentabirkau mimpi, o. j. I. mengoerai
mimpi, o. j. t. niemédahkan mimpi.
droomuitlegging, tïtbir mimpi.
droppel, druppel, titik. Ken—,satitik.
droppelen, aunitik, b~eiti.Uk. — , gc-
droppeld, uitgeleekt, Hoes; zie bij
leken. — van zweet enz., djaaidjam;
vooral in poëzie, b.v. het zweet rolde
in druppels langs haar gelaat, djam-
djain doerdja berhamboeran.
drossen, wegloopen, lari. —, zich stil-
letjes uit de voeten maken o enjelimpat.
druif, boewak anggoer; een tros druiven,
boei\'sah anggoer salaadau; de — van
een kanon, boentoet mariam.
-ocr page 196-
18-i                                                   druilen —
druilen, slaperig zijn, niïngantoek.
druiloor, orang pvngantoek. orang (He*
floer.
druipen, zie droppelen.
druiper, kapala hoetoeh btmanah, pe-
rijakif radja.
druipnat, basalt koejoep.
druip«tanrten, bërfjawat floer, b.v.
djika sapo>loeh boewah kapal pon datang,
nndjing bërfjawat ekoer djoega,
al komen
er nul; tien schepen, de bonden druip*
stnaiien toch. Sprw.
druipsteen, filtiecrstcen, bafoepenapis.
druivt-nbltid, daoen pokok anggoer.
druirenlionm. pokok auggoer.
druivenpït, bid/i boewah auggoer.
druivenlezen, meun-tik boewah auggoer
(van pïfik, plukken).
drniventnand, bakoel boewah anggoer.
druivenniit, ojar auggoer.
c 1 rui venoojjst, moesiia inPntefi\'k boe-
wah auggoer.
ilruivenpers, apitan boewah anggoer,
druivt-iipluk, pïtikau boewah anggoer.
drtiiveiifnp, ajar boewah anggoer.
druivfiitreder, pëngirik boewah ang-
goer.
druiventros, tandan boewah anggoer.
druli, drukking op iets, tind\'th. —, on-
dcidnikking, iindi/i, pT-niuili/t, ainaja,
Jalim. —, nood, ellende, benauwdheid,
kasoekaran, kapitjikan, sangsara. —, ■
het drukken, afdruk van letters, teraiin, ;
tjitalan, tJapan; de tweede —,/jifakan
jang kadoewa, /Japan jaiig kadoewa;
het — hebben, — bezig zijn, kefjah ;
met verscheidenheid, kefjoeh-kefjah ;hct ;
—   hebben, veel werk of bezigheden
hebben, banjak pfkï-rdjaan; adabanjak \'
kerdja; en daardoor geen lijd of ge-
leiienhcid hebben tot, tiada tempat. —,
drukte, siboek, b.v. toewan Hoe terlaloe
siboek mëugadjar dan mïntïrdjautabkan ,
kifiib,
die heer had het zeer — met
onderwijzen en het vertalen vun boeken ;
woela-moela ada siboek dikapal Hoe,
eerst wns het druk ann boord; het
OVer iels — hebben, praten, berpfri; \'
zij hadden het bijzonder —, ieder had
wat ir /i\'j.n!. ramailah tja \',i. Aa,\' i-kafa .
ifoe, tapatah sa\'oraug —, levendig door
een groot nantnl, dus van cenc stad,
markt, gezelschap, audiëntie enz.,ramai.
—   vnn de lucht, mam pat.
drukfout, salah fjap, salah tjitak, salah
fêra.
druliker.
drukinkt, dawal fjap, dawat fjitak.
drukken op iets, tiudth, ménindih ; ook
fig. in de bcteekenis vnn vcrdiukken;
elkander —, findik-ménindih. —, stcu-
nen op of tegen iets, vooral met den
voet, mtnoempoe; doen —, menoempoe-
kan; van weerskanten, bertoempoe-toem-
poewan; vast op elkander gedrukt, b.v.
van vlccsch in een ton, nat goed op
elkander of boeken op een rek, êmpap;
de hand op de bor&t — of leg-
gen, mï\\ gëuipapkan tangun —, persen,
zooals bij stoelgang, baren enz., mPnë-
rau tvan teran), mengedjan. — van
boeken, miritra (van f tra, stempel);
gedrukt, ttrtrra ; verder mPuljifak, miit-
f japkan. —, stempelen, mrngéfjap.
op katoen of papier, vnn gouden, ztl-
veren of gekleurde tiguren, utenelèpoeb;
daarmede bedrukt zijn, bertêlepoek, b.v.
badjoe bertelepoek, zulk een bfdrukt
buadje. — van figuren op kleedjes,
mtvgampokkan (van ompuk); bij her-
haling zachtjes op iets —, b v. op eun
gezwel, mPnggonjel; met zijn volle ge-
wicht op iets —, b.v. op een hefboom,
mengirik; ook met de handen op iets —
om het b.v. uit te persen. —, kneden,
masseeren van do ledeiuiiten, meramas;
drukkend wrijven van do ledematen,
nieloeloet; zieke lichnumsdeelen met
wnriiie geneesmiddelen —, mPnde-
mah.
—, dringen, h ent pet; de poolen
op eene prooi —, van een roofdier,
mi\'nghempef, b.v. dihempetnja dêngan
titai santpai ija lei/tas, bij drukte hem
met een bed tot hij stikte; la/oe dihem-
pet»ja tangannja, daarop drukte hij
zijn arm. Ook mi-nekan, b.v. ditï-rkiimuja
dan ditï-kankanuja dengan tangamtja,
hij viel op hem aan en drukte hem
met den voorpoot. Ook — met de
handen, b.v. salagi tanah Haf itoe lem-
bef\', moedah ditïkan, als de klei nog
week is, is zij gemakkelijk te —; vast
ioecn —, b.v. van klei. gekookte rijft
en dergcl. mem-tal (van tetal); iemnnds
voetstappen —, menocroet iesan kaki
orang; een zegel op een brief —, mem-
boeboeh fjap (of mP.terai) pada soerat;
de hand —, bïrdjubat tangan. — van
de lucht, nitmawpat (van inampaf).
onderdrukken, mvuganiajakan. Zie ook
anndrukken.
drukkend;
— heet, panas terifr.
drukker, pï/if/a, pentjilak, ptitgv/jap.
-ocr page 197-
189
drukkerij — duif.
drukkerij, pftïrai/n, pUjitakan, p\'enge- \\
/japtin.
drukking* tindihan, tekanan,hemprfattt
zie bij drukken. — in de maag,
senak. — van de ronair, een gevoel
van volheid of benauwdheid, sengkoel.
drukkosten, bèlandja tjap, 6. t\'era, b.
tjitak.
drukkunst, Umoe tjap,e. tèra,ë. tjitak1.
drukletter, toeroef tjap, h. /«•«, h. :
tjitak-
drukloon, upah fjap, o, t&-a, o. fjitair.
drukpupier, kar/as fjap, k, t\'éra, $.: \'.
tjitak.
drukpers, apitnn fjap, a. tera, a. fji-
tak, perkatat tjap, P- (***- p- tjitak.
drukproef, toeladan tjap, t. tera, t.
tj\'i>\'k.
drukte, door vele bezigheden, siboek.
—, volte, levendigheid, karamajan —,
zorg, soesa/t. — veroorzaken, menjoe-
sahkan, memheri soesah.
— hebben,
katoesahan — voor feestviering, kerdja ;
zul kt; — hebben, békérdja. — door
nllerlci snel op elkander volgend werk,
onidork-audal. —, veel beweging of
haast om nog iets te verrichten, kot joh. \'
—, beweging, lawani, gadoch; veel - ;
of beweging over iets maken, meng-
gadorhi, mènggadorhkan.
drukvorm, afjurwan tjitak, a. th\'a,
a tjap.
drukwerk, pek\'erdjaiin tjitak, p. th\'a, ■
p. tjap.
druppel en druppelen, zie droppel
en droppelen.
dubbel, van een kleed, muur, poort,
huid enz , wordt geconstrueerd met lapis,
b.v. twee —, dueica lapis; cen zeven-
dubbele vesting, foedjueh lapis kota,
een zevendubbcle deur, piutoe tocdjoeh
lapis.
— van al wut te vouwen is,
soms ook van eene hoeveelheid, lipat,
b.v. geeft het — terug, kembalikanlah
dengatt lipatnja.
— van eene hoeveel-
heid, gaiida, b v, zijne boete was dub»
bol, dendanja ganda; drie —, tiga
ganda;
de dubbele wanrde, of het dub*
Dele, van vergoeden, asa doewa, b.v.
orang mêntjoeri karhau ataw lemboe . .. \'
hoekaemnja asa doewa,
ook asa poelang
donca.
— en dwars, lipat ganda, b.v.
apabila sampai niarfka-ifor kas\'etaf, lipat
ganda oentueugnja,
als zij te Singapoera
kwamen hadden zij dubbel en dwars
winst, ook ganda-bergatida ; voor —,
voudig, in samenstellingen, wordt nu
eens lapis, dan ///;(// en dan weer ganda
gebruikt. —, paar, rmigkap, pasang.
—, vnn bloemen, rangkap, toesoen b.v.
toenga rangkap, boetiga sorioen, dub-
bele bloem.
dubbolhnrti£-, hafi bertjabaug, tja*da-
kia;
een - man, die het met beide
partijen houdt, tig. seligi todjam brr-
timbal,
een werpschicht ann weei>kanten
gepunt. — zijn, bertjandtikia, bêrtja-
bung heit.
dubbelloops; een — geweer, senapang
kembar, si;i(ipuii\'j p\'i/gniiff)/.
Voor sena-
pang
ook bedil.
dubbeltje; een —, sa\'oncaug.
dubbelt on <*is. l\'dah hertjahang. Fig.
saprrti parang uut/a doeica, als een twee-
snijdenden houwer.
dubbelzinnis, ada doewa èrtinja.
IH woorden, dalam doeica t\'engah tiga.
dubben, ziü m\\j"-eren en sullen.
dubloen, ringgit euias.
cluehten, takoet, clmewatir, Ar.
tlu.-li i ij .. zeer, samja\', sabagai, b.v. —
slaan, mimoekoel sattgaf, en de Vorst
keek Hang Toewah — aan, ma ka. ba-
gi/i\'/i\' pun xabagui uniiiavdanij, H. \'1\'. en
Hnng Djebat siak —, toch raakte hij
niet, Hiiiiij bjebal pon sabagai menikam,
liada djoega kena.
duelteeren, man tegen man veehten
met steekwapens, birtikam togok. Zie
ook t weeüeveelit.
duf, muf, vunzig, apak. — worden, me-
vyapak.
—, bedorven, basi, bh-baoe beat,
duidel\\jk, drang, njata. — ui aken,
m\'enërangkan, menjatakan, iiievgèrtikan.
— van schrift of druk, tïrang hoe-
roefnju.
— zichtbanr, k\'etara, Jav. ter-
serlali.
—, oabcleiniiierd van het zien,
atcah. — uitblinkend, serlah. —, hei-
der van geluid, njaring; een —bewijs,
iiiiida jang njata; een —e zaak,, per-
kara jang terang.
duidelijkheid, katerangan, kanjafatïn.
duiden, zie wijden; ten goede —,
meiigambif akan baïknja; ten kwade—,
djaili ketjil Initi.
duif, boeroeng mèrpati; cen vlucht dui-
ven, tnerpati sakawitn. Op Javn boa-oeng
dara;
Kuropecscbe —, poinbak, Port.
poinba; eene soort van —, (olumbn
malaccensis, baerorng katitiran; de
ring—, eene soort van wilde — , boe-
roevg pergam;
eene soort van groene.
-ocr page 198-
IsG
duig — duizelig.
lam satnbil meraba-raba iehadja, dit is
eene bloem ten geschenke van het oudje
met duistere oogen, terwijl bij slechts
rondtast; mafatija kaboer liada narn-
j\'t\'k.
zijne oogen zijn —■ en kunnen
niet zien. —, dof van de oogen zooals
door rook of na het ontwaken enz.,
rabo\'-u. — in bet branden, b.v. van
eene lamp, mtilap, b.v. pelila Hoe sa/a-
loe iiialtip,
die lamp brandt voortdurend
—. —, somber, verbleekt van glans,
soeram. —, moeiel ijk te begrijpen,
musjkil, Ar.
duiNterni**, donkerheid, kage/apan, ka-
kelauian, silani.
duit, doemt; een halve —, peser; eene
hoort van lialinecsehe — met een vier*
kant gat in het midden, lerap; als je
er zoo uitziet, geef ik geen — meer
voor je leven, djika soedah dimikiau
niMnof, saképtiig pitis pon liada har-
gamoe latji;
een soort van tinnen —,
in gcbmik op het Schicrcl. .Malaka,
pi f is; geen roode —, sadoeivit pon
liada;
tot den laatsten — betalen,
dtbajar sampai sadoewit dibelah loe-
djoe/i.
— in de beleekenis van geld.
oeicaiig, b.v. hij heeft —en, ija bëroe-
v:ang;
hoe /.al ik aan mijne —en
ItOBien, bagaitaaua sebaja mendapat
oetfitng sf/iaja.
duilendiel, vrek, orang kikir.
duit».\'h, djerutan.
duilNelier, orang djeriaa».
duilMrlilund, /ngari djerman.
duivel; de —, iblis, Ar. —, satan,
sjaiftin, Ar. ook als scheldwoord; de
gesleeuigdc —, sjaiftin arradjim, Ar ;
van den — bezeten, kamasukan sjaiftin,
dittimieA,- sj., (lijiaroe sj,
dutveluehlig, kusjaifdnan.
duivel-ibr. od, zie z\\vn.m.
duivelridreli, IH foetida, hinggoe.
duiv<-lnltind, aaak .sjaiftin, anak iblis.
duivel*liun.Ntemiriï, roekija/i, Ar. Zie
ook toover\\j.
TlntTfl—tnOtilTi lipoe iblit.
duivelHtui jager, loengkoe-loemoes.
duivendreli. labi mëipati.
duivenei, lelur luerpali.
duivenhok, sangkaran in\'erpali.
duiveiivlucht, katcati mtrpali.
duizelen, zie duizelig*
duizelig, pening, peniitg kapala* — wor-
den, door duizeling overvallen worden.
kapentag-peniagan, b.v. niaka di-ali-
wilde —, boeroeng poenai, waarvan de
mannetjes poeaai leagar, en de wijfjes
poenui dauen worden genoemd- Soorten
zijn: poenai andoe, p. si/aia,p.djtamJM
en p. tanah; de laatste is bruit»; eene
sooit van groene —, mei twee balve
maantje» op de borst. toerOtMf djoedji;
eene soort van bruingrijze, wilde tor-
telduit\', uieitboek; zie ook tortelduif;
eene soort uo groote, wilde —, èoe-
ro-ng ra te a ;
eene soort van wilde —,
büToeng baliiin-, hout- ol\' bosch—, boe-
lufiiij lekoekoer,
eigent, e. s. v. wilde
tortelduif; eene soort van roodc— met
witten kop en staart, boeroeng sèlaja,
poeiiai au doe;
zie bov.; eene soort van
wilde —, boeroeng limboek.
duig van eell vat, papan long; in dui-
gen vallen, iiada djadi, bauUirl.
duiltelitur, poppetje, dat men neergooit
en dat altijd weer rechtop gaat staan,
patvftitj (jampak galei\', —, eene soort
van kleine, wilde eend, belibis; op Java
melitcis. —, zie ook duilier.
duiUeli n, tuimelen, srdjaui, soendjant;
naar beneden geduikeld, teixedjam ka-
batcali;
overzij —, waarbij uien alleen
met de handen den grond raakt, nienjë-
ladu,ig
(van §ëtadatigt e. s. v. wild rund i.
—, luiuielen, zooals b.v. een vogel,
stirntfjaiu; geduikeld, lirsoeudjam.
duiken, mënjiiam (van selaiii); ook —
naar, b.v. mriij?!tiin moetiara, naar pa*
reien —. — van den boeg van een
vaartuig in het water, menjelam btttia,
iiifiijvlain dalai» ajar;
gedoken van den
boeg, haloi-wan tnselani dalem ajar.
duilier, pcijflaiii. ■—, sluisdetiitje, pin-
toe ajar.
duim, iboé lat/gaa, iboe djari, ook biue.nj
djari tangan.
—, maat, dim, b.v. twee
voel fin vijl\' —, doetca kaki Ir\'ii/t lima
dim;
de Chincesche—.waarvan er tien
op een Chineescheo voet iraan, tjortt;
ouder den — gehouden, latih.—.soort
van ijzeren kram, soesue/i, soesaek.
duimschroef, zie vingerUlem.
duimstok, kajoe pengoekoer, pekaken.
duin, boekil pasir, itmboenan paxiï.
dui"*ter, gelup, kelam, iilaui, b.v. een
— veilrek, bil/k jang gelap. —e weten-
schap, tlui./e ja>ig gelap; zeer—.etf/it»
yuelila, y,lap-kaloep, — van het gemoed,
halt berkabtirl. —, dof, beneveld van
de ougL-n, kaboer, ketaiu, b.v. iailah
boenga sembahan ortmg loetca mata /.f-
-ocr page 199-
187
duizeling — duren.
alhija olih Omar Omajah keaa kapa-
!nui" kapening-peningan goegoer dart
atas koedanja,
en O. O slingerde op
hem en rankte zijn hoofd; hij werd
duizelig: en viel van zijn paard. —,
draaien van het hoofd, poesing kapaja.
—  worden door het zien van een groote
hoopte naar beneden, tijang soemangai.
—, draaien Voor bet gezicht, mamang,
b.v, „mica ml-\' Lutdoehoer pon ma-
mang,
en het werd duizelig voor de
oogen van L. — door bloedverlies,
mabok darah, b.v. malen toe/can Ftn\'-
quiiar tiada bolih berdjalan lagï sebab
ui (i In il- ddi-tih,
en de heer F. kon niet
meer gaan. omdat bij — was dour
bloedverlies. —, half bezwijmd, lengar.
—  van hoofd, kapala lengar, b.v. da-
tangla/i pèaing, kapala pon lengar,
toen
begon het te draaien en zijn hoofd
was —; zeer —, zoodat men neervalt,
\'t zij als ziekte, \'t zij door bedwelming,
pitam. — voor de oogen, gelap inata.
duizeling* eene soort van —, sawnn.
duizend, sarü/oe, letter), een duizendtal;
tien —, sapoeloeh ribne, sataksa; bon-
detd —, tapoêloêh fa k-sa, sakHi; bij
duizenden, beri boe-r i boe; bij duizenden
en tienduizenden, beeibue laksa. —, soms
ook pHoe, letterl. een snoer van dui-
zend kleine Chineesehe muntjes, b.v.
Wfiiihttra ril jat sapoeloeb pikoe banjak-
tija,
en bracht volk mede tienduizend
in aantal. — percent of tien op een,
axa sapoeloeh.
duizendmnal, sariboe kali.
duizendpoot, hafipan, Upa»; de roode
—, Hpan bara; eene soort van —,
bijna een voet lnng, welks steek doode-
lijk is, Upa» pesan-ji\'esan, van pêsan,
beschikking van een stervende; eene
soort van —, lekar-lekar; eene soort
van —, die niet steekt, maar een phos-
phorisch Hrht van zich geeft, kalama-
jar;
eene soort van —, die in de bos-
seben leeft en bij aanraking zich oprolt,
singgoeloeug
duizendste, jaag katariboe.
duizendvoud, sariboe kali, sariboe
tjaiida.
dukaat, thwkat.
duliatengoud, \'enias doe.kat.
dukdalf, verecnigde pielen in het water,
waaraan men vaartuigen vastlegt, sent\'
boeirattg, tiang penanibal kopal.
duldbaar, tértahan, terderita.
duldeloos, fiat/a tértahan, tiada Ier-
derita.
dulden, taban, uienahan, mcndh\'ita,
sabar,
Ar.
dun, lijn. haloes. —■ van platte voor-
werpen, b.v. de huid, papier, eene -nol e
van iets, katoen, enz. fipU, nipis, uok
van de wangen. — van vloeibare za-
ken, fjajir, entjer. —, wijd uit elkan-
der, b.v. van bet gezaaide, een aan-
plant, heg enz., djarang, b.v. — zaaien,
menaboer djarang, — van hoofdhaar,
ramboet djarang. — van middel, ram-
ping;
zij heelt een dunne middel, p\'mg-
g-iiniiija ram ping;
ook saring, \\t.\\. ping-
gang saring tatjakap tangan,
een middel
zoo —, dat zij met de handen omvat
ktiu worden; ook djinggang. — in het
midden zoonU sommige insecten, b.v.
wespen, gent ing. — bezet, srhaarscb,
van tanden, vruchten, bladeren, ringgit,
rengyrs.
— worden, mttfengges.—, smal
van een been, pilaar enz. in vergelij-
king met het andere, tengkes, h.v.ada-
pon si h\'ombihig tjina itne kaki tengkes
sabelah, tangannja tjcngktmg,
wat dien
K.. den Chinees betreft, zijn eene heen
was —■ on zijne armen verwrongen. —
in bet midden, dunner dan aan de heide
einden, gentimj; aan de beid\'i einden
— en in bet midden dik, pa/jat ken-
njang,
letterl. verzndigde bloedzuiger;
aan den duniiu zijn, nieiitjerei, zie ont-
lnntiiijz. — van garen, touw en dergel.,
baloes — gezaaid, zelden voorkomcud,
mahal dtbeli, soekar ditje/tart, letterl.
duur om te koopen, muoiclijk te zite-
ken: door dik en — gaan, be/djalaa
diloempoer dan betjek.
—, mager van
lichaam, kueroes. —, pint van de kui-
ten, seladang. —, zeer fijn, van lange
dunne voorwerpen, sent. —, slank van
den hals, djhidjnag.
dunk, kapikiran, sangka, kira-kira.
dunken, pdir, sangka, kira-kira,-mijns
bedunkens, />ada kapikiran xeltoja,pada
saugkakoe, kira-kira hamba.
duren; hiervoor is geen Wcrkw., maar
bezigt men de Volgende Ilijw.: lama,
lambaf, têtap, kekal, landjoef,
b.v. van
een rede, verhaal enz ; nadat het eeni-
gen tijd geduurd had, satelah bebirapa
lamatija-,
bet duurt lang eer hij kout,
lambat datiing.ija; dat duurt eeuwig-
lijk, ija-Hoe kekal salama-lamanja; zijne
trouw duurt niet, saüauja tiiula tetap;
-ocr page 200-
1S8                                          durfal — dwarsfluit.
lang —, goed blijven, b.v. van een
kleed enz., tahan lama. —, bet in ietl
uithuilden, briktindjauy.
durfal, iem. die- tegen niets Opliet,
ttatot- hittim tiada bersandiny, fig.
durven, heraut. — , in Blut zijn om
iets te doen, ijakaft; niet—, bang zijn
om iets te doen, fjabar, ook tartend
gebruikt voor: je durft niet! op zich
— nemen, er voor ingaan, m?/ijany-
yotp
(van wjywy); zich — te scba-
roen, maar vreezen te sterven, d. i. de
schande bovoo den dood verkiezen,
berani maloe, takort mati. Sprw.
dus. dtit-dani\'j, dsmikïan, sakian.—, der-
halve, srbab ttof.
dutton, mrtiyantoeik; even —, tidoer
sakrdjap.
duur van tijd, lama. — van \'t leven
of bestaan ven iets, armoer, Ar. —,
hoog h) prijs mahal, b.v. mahal dibrli,
lOfkar difjthari,
— om te koopen,
moeilijk te zoeken, Sprw., verder nog
malial luiryitiija, besar haryanja; de
rijst is —, brras itoc mahal. —, zie
ook mehnarseh; van geen bijzonder
langen —, tiada b\'rrapa lamavja; op
den —, voortdurend, tèUUoet tenan-
lfit.ii/, senliasa.
duurte, mahal harya, besar harya.
vnn levensmiddelen, mahal makan
dnurziuim, kt kal, tahan lama, airrt,
Jav. —, eeuwig, baka\'. Ar. —, hecht,
stevig, koekoek, koru-af. — van eene
overeenkomst, fëyorh.
duwen, stooten, menorluk (van tatlak).
—, schuivend, nuujurovy (van torong);
uit elkander ven voorwerpen, die
vlak nan-t elkaudcr staan, b.v. pmlissa-
den, Staketsel*, slaglinie enz. meuymcak
(van kutcak); met de schuin naar voien
gestrekte boenen —, mVnadjany (van
todjatnj); met kracht en bij herhaling
naar beneden —, b.v. het hoofd vim
iemand, niet wien men worstelt, mt-
njin-yiiffi ;
op zijde —, b.v. van een
stuk hout, dat voor den boeg drijft,
mtnjijtih.
dwnalbegrip. kapikïrau jauy salah.
dwaallc-ei-, pmyadjaran jauy aulah.
dwaallicht, djcratitbany.
dwaalspoor, djalan svsatan.
dwaulster, h\'uitaug hrridar-idar, bin-
latiy s\'iarat.
dwaalweg = dwaalspoor.
dwaas, bocluh, y\'tla, alimak, Al. sarsar,
Perz.; hoe zou ik zoo — zijn, om te.. .,
yila apakah; een —, orany bodoh, o.
yita, o. ah mak.
dwaasheid, kabndohan.
dwalen, s\\sat; ook verdwaald; doen
\'—, mriijtsatka*.
dwaling, srsatan. —, misslag, salah,
illalalat, Ar ; in — verkceren, bertïsaf-.
—, verkeerde opvatting, meening, salah
lampa. —, zie ook misleid,
dwaiil;, diana, pakta, kakmasatt.
gebruiken, mfmaksa. —, geweld, yayah.
—  gebruiken op, me/tyyayuhi.
dwangarbeid, pfkrrdjuit» paksa.
dwangmiddel, sijdsal. Ar.; alle —en
uitputten, mtuyhabiskaa sijdsal.
dwarrelen, bvi\'piii\'ihiypufsiny; van de
wind, puliiHij-paliny.
dwarrelHtroom, ajar orlaf,\', poesaran
ajar.
dwarrelwind, artyin oelak, poesaran
atiyin, a. pulatiy-palhiy.
dwars, hutany, alany. — zijn, id. en
m\'elintavy. — liggen, in den weg staan,
melintang, terlmtauy; zich — in deu
weg stellen, m\'etiyyttlany; als zich geen
verhindering — in den weg stelt,
djika tidak toealoe ïtral mcnyyalasf).
—  over iets heen gaan, mstiiilanyi.
met vei>cheidenheid, l\'mtaiiy ketlttk-
door elkander, schotsen- eu scheef door
elkander, Hutany poekang. — in den
weg ook malaity (van alauy), en •■utpang.
—   in den weg opgeworpen, ttiempany.
—   in de keel, b.v. van eene gruat,
t\'ersènykany pada leher. — zetten, —
liHlen, b.v. een zeil, schip enz-, alany\'
kan;
over— en overlangs, Hutany dan
buedjOtT, lintany buedjoer.
dwnrshalk, pa/atiy, kajue palauy, sény-
>■\'■>/
■\'. — tnsschen twee stijlen, waarop
de vloerbalken komen te liggen, rasuek;
ondei>cheideu in rasork lor/jai-torpai en
rasuek toen/poe bendoel.
(lwiirnlHioni — dwarsbalk.
dwurflioonien, mt\'maltiuy. memalanyi,
uierintavyi,
b.v. kabaujakan radja-radja
hfndak mhinfauyi yoebèèii\'emen,
eene
menigte Vuisten wil het gouvernement
-— —, verhinderen, lalau, melalan; de
persoon die dwarsboomt of bet middel
ter dwuibbooming, pelalau.
dwar*draad, inslag, pakan, benany
pakan
dwursdrUven = dwarsboomen.
dwarsfluit, sorli/tg, svroeling; zie fluit.
-ocr page 201-
189
«Iwiivsiriuiii — echt.
dwarssang in wijnen, seronggong.
dwarHhout, kajoe lintang. — en aan-
brengen, melin tang kan kajoe. — ter
belening, palang, kajoe palang — in
een emuiei\' of aker, sengkang, pakau.
— in den mond, oui het scbreeu-
wen, tusschen de punten van vee om
het hardloopen te beletten, sengkang;
de dwarshouten of pennen ter wedcr-
zijdc van een paal, maat of stnin, um
er in te kunnen klimmen, s\'tgai.
dwar*ijzer van blanke wapens, best
lintang.
dwarHkopi dwaisdrijver, p\'elalau.
dwarnhit, van gespleten bamboe of
niboeng ter verbinding van de vloer-
hitten of de atap, djeriau. Met zulke
—en samenbinden, mendjeriau. tor
verbinding van palissaden, peréinhan.
dwap«le««er, kuppelbalk, bind balk,
omhang roemah, —, die over het boord
van een vaartuig uitsteekt, een vóór
en een achter, ter ondersteuning van
een afdak, galaiig dada.
dwarsliggen, malang; dwars komen
te liggen, k\'emalang.
dwarwrib van een dak, kasatt, param,
dwarsscheeps, lintang kopal, lintang
perahoe.
dwarMtmede, ptdungan lintang.
dwarsmtaaf om twee lichamen van
elkander te houden, sengkang.
dwarrtstans aan een \\nek,sangga-inara,
letterl. stuiter van den voortgang.
dwarastok, zie dwar§bout.
dwarnte, lintang. In de —, pada lin~
tangnja.
dwarsstuli, al wat gebruikt wordtom
twee lichamen van elkander te houden,
sengkang.
dwanweffi djalan sintpangan.
dwar»wind, angiti sakal.
dwnp«/ee*, sapandjang omhak.
dwaselijk, hodoh, gi/a, sarsar, aft mak.
dweil, ka/n kësal.
dweilen, m\'engésat.
dwepen, Voor dit afgetrokken denkbeeld
bestaat in het Maleisen geen woorden
de Arabische uitdrukkingen worden niet
verstaan.
dwerg, orang katik. Op Javn orang katê.
—, ook tjaboel, b.v. sapei\'ii sifjaborl
hendak\' mentjapai boelan,
als de dwerg,
die de maan wil grijpen. Sprw.; mis-
vormde —, orang bangkoel. Ook van
planton.
dwergachtig, klein, van menschen en
dieren, katik. Op Java ka/t-, b.v. orang
katik,
dwerg, hajain katik, krielkip;
misvormd, gedroehtclijk, bangkoet; ook
van planten, — \\nn planten, padi,b.v.
njiofr padi, dwergachtige kokosnoot:
oebi padi, krieloebi. krielaardappel,—,
in den groei gestuit, voornamelijk van
menschen, kerëdil. — door kortheid
van bcenen, denak.
dwerghert, petmidoek; hiervan drie
soorten als: naptie/i, de grootste, p\'elan-
doek, At middelste en katifjil,i\\c kleinste.
De petanduek fungeert in fabels voor
onzen vos ; hangkonang, de grootste soort.
dwingeland, pengnniaja, orang j\'allin.
dwingelandij, uniaja, laldmat, Ar.
dwingen, dringen,mhtgakat (van kakaé);
iemand met geweld —, m\'enggggahi.
—, geweld gebruiken, wengrrasi (van
ttras); ook inengeraskan, b.v. mareka-
iton keraskan sangaf,
zij dwingen hem
sterk; dan menger/ukan dia tinggalkan
samoeicaiija,
en dwimren hem om alles
achter te Inten : iemand tot eten —,
hem het oten in den mond stoppen,
ni\'enjombol (van tombol), —, noodzaken,
memaksa (van paksa). —, drensen van
kinderen, mëndongeng.
eb, ebbe, ajar soeroef, soeroet, ook balik
k\'ékat;
begin van de —, gerak soeroet;
vitlkomen —, Keheel laag van het water,
timpas, soeroet lint pas.
ebben, soeroet; beginnen te —, moe/ai
soeroet.
ebbenhout, kajoe arang, abanoes, Ar,
ebbenhoutcn, daripada kajoe arang.
echel, bloedzuiger, lintah, hafintah.
echo, weerklank, g\'ema,gaoeng,rnkaa\', Ar.
echt, huwelijk, kawin, Perz. nikah, Ar.
—e lieden, orang kawin; in den —
treden, kawin, nikah; in den — ver-
eenigen, mengamnkan, menikahkan.
echt, wettig, ha/til, Ar. —, geloofwnar-
dig, heloel, h\'enar, sah. Ar. —, zuiver
van afkomst, ook loeien, — van ge-
boorte, gara, Skr. een — kind, kind
bij de wettige vrouw, anak gara; echte
vrouw, bini gara, isteri. gara.—, zuiver,
onvcrvalscht. befoel, benar, toefen, djafi;
een echte held, orangpahalaican loeien;
echtelieden, orang kawin, laki-bini;
een — stuk, geschrift, soerat javg sah.
-ocr page 202-
l\'.\'U
echtbreken — eeltfgezwel.
— goud, Huu b\'ètoel, èmas tovlen. —,
wanr. van personen, loeien, c/ja//, b.v,
een —e Hollander, IVvlam/a loeten;
een —e Mnleier, orang M elajoe djati,-
geheel —, sadja/i.
echt breken, bautoekah, b\'erkandak-, ber-
zina\',
Ar
echtbreker of echtbreekster, urang ber-
ziiui\',
echtbreuk, -ina\' Ar. Zie ook over-
spel.
echtelooit, van den man, /\'uu/a berb\'uii,
tiada beriateri ;
van de vrouw, tiada
berlaki, tiat/a bersoeami.
echten, hatdlkan, tahkan.
echter, tflapi, akau tetapi, akaii Itta-
pitija, lakia,
Ar. en —, v:alakiit, Ar.
echttreii^ot, man, lakt; in de beleefde
en buil aal, soetcami; tot ■— hebben,
brïlakikan, bersueicamikan; van een —
voorzien, uithuwelijken, mcmpersoeica-
mikan.
echtgenoote, vrouw, bint; in de be-
leetde en hottaal, isie,i; tot — hebben,
bfi bntikan, btristerikan; \\ an eenc —
voorzien, uithuwelijken, memperbmikan,
m~emperisi<nkan.
—, wederhelft, djodo.
echtheid, kahenartin, kabtloelan.
echt puilr, itraug [aki bini, orang katvtii.
echt»cheiiieii, ber/jërai taki-biai.
echtscheiding, nuil. vorstootiog vun
zijne vrouw, (a/af; Ar.; de —koopen,
niunel. door de vrouw, die dunrvoor
een zekere som, hel dubbel der bruid-
schat, aun den mun betaalt, meueboes
falak.
eclips, g-rhttna (Skr. grahana); zon—,
gerhatia ma/ahari; maan—, gerhana
boelan.
eclipMeercn, zich stil uit de voeten
maken, menjelunpat (van selimpat).
edel, mvr/ija (Skr. moe/ja); zeer —,
mtit\'lijauitn; het edele ol\' tijno van iets,
sïri. /ie ook zuiden.— van gebuurte,
bittiij-sni\'-iin, bei\'ïsal. Ar.. edele geboorte,
ook tlarah poetik; iem. van edele ge-
boorte, orang jang berdarah poetih.
van hoedanigheden, oetama, moelija.
van hint of daden, bdik, b.v een —
bnrt, ha/i jat/g buik; edele dn.den, per-
boevatan jang bdik;
de edelen, de
lieden vim hooge at komst, tegala orang
bangsaican, 3. o. ksatrija.
edelheid; Uwe—,loetva»koe, toengkoe.
edelen; de —, zie bij edel.
edelgeboren, \'isal baugsatcati.
1 edelgesteente, permata, Skr. mani-
kaai,
Tam.; gruis van —,poedi; denk-
beeldig, schitterend —, dat veronder-
steld wordt uit den kop van slangen
ot\' duizendpooten te komen en wonder-
krncht te bezitten, koemala,
edelkmuip, page in dienst van den
Vorst, bidoewanda, iljoeicak; —en heb-
ben, berdjoetcalr.
edelmoedig. guedzectVcb, moeraft, dèr-
matcait, karim,
Ar. boedi-b\'ehasa.
edelmoedigheid, kamoeraJian, kamoc-
rahait ka/i, boedi-behasa
.
edelmoedig!ük, dtngan kamorraham
halt, d. boedi-bëhasa.
eden, paradijs, Jirdïwes, Ar.
edoch, iva/akin. Ar. Zie doch.
eed, soempah; een — afleggen, bersoem-
ptth;
den — op Chineesche wijze afleg-
gen. f/ersoempah sembelfh hajam; den
—  op Muhaininednunschc wijze afleg-
^ta, ber soempah koraan; de zuiverings—,
soempah di-atas simada AU; een val-
sehe —, soempah sa/ah, soempah bohontj;
dien doen, maknii soempah ,■ een —,
waalbij uien het water drinkt, waarin
een kris gestuken is, soempah minoem
ajar k\'eris.
— van truuw, een dure —,
soempah satijn; een — laten doen, een
—  opleggen, soeroeh bersoempah, \'ts/ih-
laj\\
Ar.,- zijn — breken, taakt/n soem-
pah;
zijn — verzaken, ontrouw worden,
herpatïmj soempah; een — alleggen bij
God, bersoempah demi Allah; een —
van zuivering, godsgericht, door onder
water te duiken, soempah mevjelam;
een — van zuivering door vuur, sorm-
palt oedji api;
een — afnemen, doen
afleggen, beeedigen, soeroeh bersoempah,
meujotmpahi; onder eede, pakai soeta-
pah;
onder eede bevei-tigen, mënjoeng-
goehkan dtngan soempah.
eedbreher, oraiig makan soempah,
eedgenoot, safaka/.
ecdgenoottichiip; geheim —, hoeici,
( bin.
eedxwering; met —, pakai soempah.
eega, zie echtgenoot.
eelt horen, toepai. Op Java badjiug.
Soorten zijn: tuepai djindj\'mg en toepai
naudoeng;
eenc soort van —, grooter
dan de toepai, kérawak; de vliegende
—, /agoetcau.
eelt, beloelang
eeltgexwel, celtbult, door het dragen,
op nek of schouder, poenoejp.
-ocr page 203-
ll\'l
eeltzweer — een.
eeltzweer, bïlnrlaitg nirUporh.
eeltkun»en m eeltgezwel.
een, \'n, sorator (van sa en tcator, steen),
verkort tot satof. —, voor onstoffelijke
znken, sa, b v. sahari, een dag, *«/«-
A*w*«, een jaar, sakali-, eenmaal, sara-
toes,
een honderdtal enz. Voor stoffelijke
znken kan het niet zonder een bnlptel-
woord gebruikt worden. Deze hulpicl-
woorden vnrieeren naarmate van de
getelde voorwerpen, b.v. voor goden,
engelen, geesten, mensehen en beelden
met menschelijke gedaante, orang, b.v.
sa\'orang drica, een god, sa\'orang ma-
la\'ikat,
een engel, sa\'orang sjaitan, een
satan, sa\'orang orang Arab, een Arabier,
sa\'oraitg paforng, een beeld; voor die-
ren, ekoer, statut, al zijn het ook staatte-
looze dieren, b.v. eene koe, sa\'rkon-
lembor,
een kikker, sa\'rkorr katak; voor
voorwerpen van onbepaa.den vorm,
zoonis nolken, landen, stedtn, dorpen,
bergen, schepen, huizen, meubels enz.
borwah, vrucht, b.v, eene wolk, sabor- ,
wah atcan, een lnnd ot\' stnd, saboewük ,
negari, een dorp, saborwah doesoen, een
betg, sabortcah gomorng, een vaartuig,
safio\'ia/A pfra/ior, een huis, saborirah t
rormali,
eene. kast, saboricah atmari enz.; !
voor ronde voorwerpen, zooals vruch- ;
ten, patelen, koralen, kogels en deige-
lijke, bidji, zaadje, ot\' boetir, kotrei,
doch bij vruchten is bet noodig het
Telw. te laten volgen, b.v. ecu djam- ]
boevrucht, bortrah djambor sabidji; een \\
parel, sabor/ir wortiara. een kogel, \'
sabor/ir pelorror, een bloedkoraal, M-
biilji mX-rdjan; voor brooden, kï-forl;
voor stam vorm igc voorwerpen, zouals I
boomen, pilaren, masten, palen, vingers
enz., bafavg, stam. b.v. een kokospalm, [
saba/ar/g pokok njiorr; een pilaar, tabu-
tang Hang;
eene must, sabatang fiang \\
prrahoe
; een vinger, saba/ang djari;
voor kluit> of klonlachtigc voorwerpen,
goempal, klont, b.v. een rotssteen, sa-
goi\'uipal ba toe goi\'irnmg,
een deeg, sa-
goeiapal /tporng basah;
voor ciiinder-
vorniigc voorwerpen en daaronder ook
geweren, pieken, tanden en brieven,
por/jork, h v. een kanon, sapoe/joek ;
mariaiti, een brief, saportjork somt/,■
voor lange, platte, sche-pe voorwerpen,
zooals zwaarden, messen, dolken, pijlen,
planken enz. bi/a/i, spaander, b.v. een
Kies, sabilah pisau, eene plank, subila/i
papan; voor kleine, platte voorwerpen,
zooals geldstukken, ktping, b.v. een
goudstuk, sakïping orirang rwas ; voor
gebogen vooiwerpen, bïn/ork, kromte,
bocht, b.v. een ring, sabfntork/jiu/ji.1 ;
voor vel van papier, lap van lijnwaad,
stuk van kleeicn en zeilen, JtPtai, vel;
vlak, b.v. een vel pepier, mti&m fwrfmt,
een bandje, sahtlai badjor,- hieibij wur-
den ook geteld bludeieii, gras en haar-,
voor afgesneden vnotweipen, po/f mg,
krrat
of pïnggal. Zie veider voor de
afwijkingen de Ginmmatica op de \'IV!-
wooiden. —. ook asa, wanrvan sa eene
verkorting is, b.v korraug asa, uiin
één ; jtmg wëminaiig /orican poeftri itoe
anuk radja korramg asa vmpat porlorli,
die de prinses ten huwelijk vroegen
waren veertig prinsen min eva; kort ang
asa "vmpat portarh jong sordah diper-
isteri baginda,
veertig min één had
do Vorst reeds tot vrouw ge nomen;
Tor/tan Allah jaug asa, de Heere (ïod
is één; als een erkennen, mengosakau.
-- ,
van één, van een en dezelfde, si\',
b.v.: van één uiterlijk, saroepa; vnn
ééne hoogte, satïnggi; van ééne moeder,
sa\'ibor; van eén vader, sahapa; van —
vader en moeder, sa\'iboe-sabapa, xa-
garba,
Skr. dit laatste veel in gedivh-
ten; van één vlccseb en bloed, sadurah-
daging.
— van twee liehaaiusdeelcn,
sabtdith, b.v. — mijner oogen, matakoe
sabïlali,
— zijner heenen, sabvtali ka-
kinja,
of kakivja aalïtlah. — mijner
vrienden, sa\'orang salteibatkoc; zoo maar
—    twee drie, sakali donca; dat is
maar niet zoo — twee drie klaar, tiada
süi-tlah dï-ngan sakali donca;
er is er
één die, adaluh safofjang .... — ieder,
masii/g-utasiug wang; de — deed dit,
de ntuler dat, sa\'wai/g meiabtwtcat ini,
so\'ora/ig litetaboru af- ÜO€;
het — ot"
ander, apa-apa, b.v. ik wil het — of
ander koopen, akur hïndak inri/ibïfi
apa-apa.
— in verecniging met andere
Telw., sa en xatur, b.v. — en twintig,
dofica potflorh sa/or, salikotr. — en
dertig, tiga pof/orn satuf en zou verder.
—   honderd, xaratufS. — duizend, sari-
boe
— niillioen, tajorta, — uur sadjaut;
éen uur, klokslag één, poHoel saUie.
—   en dezelfde, sa/or djorga, b.v. zij
hadden — en dezeltdc gedachte, sa/ne
djorga kapikiramija
— en hetzelfde
zijn, sawa djorga, b.v. of gij gaat of
-ocr page 204-
L99
eend — cenmnnl.
blijft, dat is rooi mij — en hutzelfde,
rttgkau përgi af aio liada përgi i/oe
kapatlakoe sama djoegu,
ook alleen
sama; de — of ander, salah sa* orattg,
baratig sa\'orattg,
b.V. de — ui" undvr
van u i- in mijne kamer geweest, *<i/«A
sa\'orattg kantor sardah masork kadalam
bihkkut\';
de — of ander heelt mijne
eieren gestolen, baratig sa\'orattg soedah
mën/jorri iUorlcoe.
— van huiden of
van uilen, salah sa\'orattg; vim zaken,
salah sa mei het Hulptelw.; het —...
het ander, Um .... lam, b.v. het —
werd ingenomen, het ander o]> den buik
gesmeerd, la\'ia diminorm, lam disapoe
pirorl.
— van eeue hoeveelheid, onver-
schillig van welke, al was zij ook twee,
salah toewaloe; de — zegt zus, de
andere zoo, sa\'ora/ig ka/a. bagini, sa\'o-
rang bagilor;
in sommige gevallen, als
—   cene zeer onbepaalde beteekenis
heeft, wordt het in \'t geheel niet uit-
gedrukt, b.v. hij is een fatsoenlijk man,
/ja orattg baik-haik; hij is een Alaleier,
tja ora>ig Mï-lajor; tot — verecuigd,
bersoea/oe. — voor een, saloe-satoe,
sa\'oran/j-sa\'orattg, sa\'ekorr-sa\'ekuer;
tot
—   maken, mi-m/terstifofkatt, utëttgasa-
kan;
uiteen stuk, zie bij «tuk; met —,
nu, sakaraug, sabïti/ar djorga; met—,
straks, krlak. —, zie ook bij «He.
eend, watervogel, i/ik, bebrk, Jav.j wilde
—, i/tk hurlur; manilla—,ifik manila;
de Javaansche —, i/ik: djatai; een soort
van wilde — of duiker, dèndattg; de
kleine — of taling, btlibis; op Java
niiliitis; een soort van llengaalsche—.
ilijr soera/i; een gespoorde —, itik?
ber/adji,
tig. uitdrukking voor een
pochhans.
eendebout, paha itil\'.
eendenei, tvlor i/ik.
eendent;roen, kro \'S, lormoel.
ecndenncdt, sarang i/ik.
eender, Bijw. sa/na djorga.
eendracht, ttwivi/f\'aka/, Ar.
eendrnidïtij». Hl\'liad, Ar. safakat.
eenenmale; ten —, louter, enkel, ht.-
laka;
ten —, sakali-kali; ten —, op
eens, sak/iH gocs; tca —, volkomen,
dtngan sampotriia.
eenerhnnde, eenerlei, saroepa, sa/oe
rofpa, sadjrnis, sa/of djenis, sama ruepa,
saut/i dji/its.
eenheid, kaitsaiiti; de —Gods, kaasaiin
Allali.
eenhoorn; de Indische — is de rhino-
ceros, badal\'.
eenijg, tw-nggal, asa; flod is een —
Heer, bahica Allah Torhait jatig asa:
een — kind, atiak lornggal, ook sa\'o-
raag,
b.v. zijn — kind, atiakuja sa\'o-
mug.
—, eenzaam, soeaji; zeer —, soetiji
sinnjap.
—, het een of ander, haraag,
baratig soea/or,
ook alleen toeatoe, b.v.
eenig geval, soea/oe pirkara. — ding,
baratig soea/oe. —c, enkele, brbtrapa,
b.v. —e mensehen, biberapa orang.
geld, bêberapa oeicang. —en, eenige
lieden, sa/tttgah orattg, b v. —en zeg-
gen zus, anderen zoo, satrngah orattg
ka/a bagini, salttigah ka/a bagitoe.
—,
alleenlijk, seha/fja, sadja; ten —en
dage, pmla salah sora/on hari, besoek
djviitah, pada baratig kala.
eeniiïerhantle, baratig.
OftlllH<irilliil<l| eenigerwijs, saparo, sa-
bPhitgi, stdikif, sPmor\'Semoe, a/itara ija
di\'nga,/ fidnk,
b.v. — boos, saparo
uiarah, taarah sPdikil.
— zijne schul-
den uldocn, mrutbajar sabëhagi hof\'
lattgnja.
— ongesteld, sakil tëdikit,
sêdikit tasidap.
— bol, b.v. zooals
een horlogeglas, stut o f-se moe Itnykoeiig.
eenimheid, zie overeenstemming.
—, een/.aamheid, kasoenjian.
it\'iii^ly lt. sPhad/a, Ijormajiatija, djoea.
—   eu alleen, wordt uitgedrukt met
hanja voor en sadja aehler het woord.
«•eniiiMt, toenygal; een — kind, atiak
lor nggal.
eeniistzins, zie eenigermate.
eenjuris, autoer sa/altoen, sa/ahont
Trmoernja. — van planten, t ah oen, b.v.
—e katoen, kapas lahoeti. Ook voor
overjarig,
eenkennis, van kinderen, taaloe, d. i.
beschaamd zijn
eenUl^urij», bïrwama sa/oe, sawania.
eenloopend, zonder familie, sabatang
kar ah; een — persoon, orattg sabalatig
kar ah.
eemnual, sakali; ten eenenmale, sakali;
slechts —, sakali sïhadja. — toeh,
sakali Ut\'\'sakali, soeivang /a\'sorivattg.
—, eens, te eeniger tijd, djtuiah, b.v.
—  in de eeuwigheid, di-acherat djtmah;
—   in latere dagen, djvmah hari këmoe-
dian;
op —, in eens, allen tegelijk,
sartmpak sakali, b.v. orang-orang Hot\'
djaloh sarTttipak sakali,
die lieden vielen
allen op —; di-Zembak- lima poeloeh
-ocr page 205-
eenmiddelpuntig — eenvoudig.                               193
mariiim sarX-mpak sakali, vijftig stukken
werden op — afgevuurd; liga boewali
pi-ra/ioe masoek sarï-iapak sakali,
drie
vaartuigen kwamen op — binnen; van
M\'hoten, een troep die op — voortrekt
enz., poes, sakali OOêê, lettert, met —
uit, ia— gedaun, b.v. djikalau bfbrapa
vators afaw riboe
fNM bolth djadi dvugan
sakali poes,
zelfs vele honderden of
duizenden (exemplaren) kunnen op —
«gedrukt) worden.
eeumidtlelpuntig, bX/poesat satoe.
eenoogig, bXrmafa. sabXlah seliadja. —,
iian één oog blind, boet* motu sabXlah.
—, zoonls van de cyclopen, bfrmala
satoe.
—, Hoer, Ar.
ecnoogige, lig. toekaay fembak.
eenoorifi, bt-rielinya sutoe, hilany tX-
/iiiffti sabïlah.
et-nptirig, [eenstemmig, van personen
die beraadslaagd hebben, djap, safakat,
sabitjara.
—, gelijk, sama. — van ge-
voelen sarasa, sama rusa, sahati, sa- ,
toedjoe. —, gezamenlijk, btnama*um*.
—, algemeen, sadja/i. —.gelijkvormig,
.«aroepa, sama roepa.
eenpurigheid, overeenstemming, per-
taniaan.
eenponder, een koperen stuk geschut
voor een kogel vnu cen pond, lila.
eenre, ter —, pada pehak satoe. Alleen
in contrncten met Kuropeanen.
een», sakali, satoe kali. —, op zekeren
dag, sakali, pada soeatoe hari, b.v. — j
gebeurde bet, sakali pX-risteica, sakali
djadi;
allen of beiden in —, sama
sakali.
— per dag, saliari sakali; zij
zijn bet — geworden, mareka-itoe fela/i
satoedjoe, mareka-itoe tXlah mXndjaiH
natoe liati, mareka-itoe safakat;
het —
zijn, met elk. overeenkomen in, ook
mtiijirta\'t; in —, op —, plotseling,
onv erwachts, tiba-tiba, sakoenjoe/iy-koe-
ujoeuy:
het — worden, bXrpatoetan, b.v.
soedahlah bXrpatoetaa kadoewa. kitu akan
pXryi wXvyhadap ka llatawi,
zijn wij
beiden het — geworden om natu* iia-
tavia te gaan OU onze opwachting te
maken; in —, plotseling, onmiddellijk,
sertwaiXrla; in —, op eenmaal allen
tegelijk, sartmpak sakali. Vak eenmaal
en geiyit: in — door velen op\'t lijf
gevallen, terserXmpak; het met elkander
— zijn in de tenuitvoerlegging van
eene zaak, sadaja. —, bij verzoekend
gebiedende wijs van spreken, tjoba,b.\\.
haal mij —, tjoba ambilkau da-koe, zie
—, tjoba Uitat, tjoba. tengok; het met
elkander — zijn, van gelieven, MMM-
baat/aa; het — zijn, voornamelijk in
hetgeen men zegt of zegeen \'£a\\, saka/a.
—, eenmaal, in het vervolg, kêlak,
if\'it „iali.-
wel eens hebhen gedaan of
onderbonden, soe/laA taltoe, b.v. hebt
ge wel eens gehoord, Xngkaa toedah
taliue mïnïngar. .
. .
een-schil lil*; van een weekdier, bXrkoelil
satoe.
Bijna alle», wat daartoe behoort
draagt den algemeenen naam van si poet.
eensdeel**» sabèhagi, saparo.
eensdenkend, satoe kapikiran, sama
kapikiran,
eensgezind, sahati, sakala, satoefoer,
satoedjoe, rapat, itfihad.
Ar. sofakat;
lieden die — zijn, oraug jattg sahati,
o. j. saka\'a, o. j. satoefoer
enz.
eensgezindheid» moetedfakat, Ar. Ook
= .■■■M—.viml.
eenwUltaps, tiba-tiba, sakoenjoeay-koe-
vjoeny, térkedjoet,
letterl. verschrikt,
b.v. maka tiba*tiha ija djafo/i kadalam
soeugai,
— viel bij in de rivier; sa-
koei/joeng\'kueajoetig yraihlah ija dar/-
jutila laafa orang,
— werd hij onzichl-
haar voor de oogen der menschen;
laréaa aiati itoe tXrkXdjoel datangvja,
want de duod komt —.
eensUirhtig, satoe. djoea djX/iis, satoe
djoea banysa.
eensluidend, saboenji, sama boenji;
een — afschrift, salinan jang sama
djoea hoenjhija,
eensoortig, sama djXnis, sama bangsa,
xaroepa.
eenspnn, bX-rkoeda toenggal.
eenstemmig, takata, sarasa, satoedjoe.
eentje; in zijn --, sa\'oraay-oranyHJa,
sa\'oratiy diriaja.
eentonig van muziek, jang sawa boenji
svlalue, beroelang-oelatig sama iHgamnju.
eenvervig, MM warna, sawaiiia.
eenvoetig, br/kaki satoe, b. toenggal.
eenvormig, sama roepa, saroepa.
eenvormigheid, kasamaiin roepa.
eenvoud, enkelvoud, eenheid, kaasaa».
— van zeden; daarvoor is geen woord.
eenvoudig, zonder versiering of plech-
tigheden, sX-hadja, bPrsehadjr, b \\.pada
inata Hoe raden (ïaloeh tiituk atfmakai,
sak <~ dar bersXhadja-sehadja djoeya,
op
dien tijd was raden G. niet gekleed,
dan slechts zeer —; hoe eenvoudiger
13
-ocr page 206-
191                                           eenzaam — eerlijk.
(gekleed), zooveel te liever (/iet zij er
uit), makin hXrsihadja, makin manis-
taaais;
een —e kris, ktrt\'s jaag bir-
sXhadj a-sXhadja.
eenzaam, ledig, soenji, sXnnjap. Zeer
—, soettji-situijap. — en verlaten, zoo-
aU b.v. een wees, koleng-koleng. —,
in zijn eentje, sa\'orattg-orang, sa\'orang
diri,
met achtergevoegd bezit. Vrnw.
eenzaamheid, kasoi-vjian. —, afzon-
dering, chaltcat, Ar.; zich in de —
terugtrekken, bX-rsoenji-sofaji thrivjn,
—, de staat van zonder vrouw of met-
gezel te zijn, kasa\'orattgan, b.v. Lilas
por/ti hafikoe olihnja kasaornugau,
ik
heb medelijden met baar, omdat zij zoo
in de eenzaamheid is, d. i. geen man
heeft.
eenzüdi-», <-\'éne zijde hebbend, birsigi
satoe, satoe persigi.
eer, bewijs van achting, hormat, Ar.
oepama. — bewijzen, atXmbiri hormat,
minghtirmati, mimbiri oepama, mëngoe-
pamakan,
b.v. dan tiada ija nïimbiri
oepama sakali-kali akan patik,
en heeft
mij in geenendeele — bewezen; tiada
tja maoe oepamakan Sjah Alam,
hij wil
u, Vorst der wereld, geen — bewijzen.
—, roem, kapoedjtan, makramat, Ar.
—, grootheid, kabtsarau. —, luister,
kamorliaiin; icm. overeenkomstig zijn
hoogen rutig — bewijzen, behamlulen,
membcri oi\'patjara; dan zou ik mij dut
tot een giooto— rekenen, sabisar-bXsar
hatikoe afas jiirkara jang dindkian;
de laatste — bewijzen, zie begraven:
op het veld van —, dimedan pX\'pXt-
raagan;
zonder — ontslaan, uit eene
landsbetrekking, dilXpaskau dingan
tiada hormat, dipitjatkau di-vgan tiada
hurmat.
eer, Bjjv. dehveloe. — dan, dXhoelae
daripada,
— vóór dut, sabelom, siman-
tara bX/um, sabelomtija.
eer, liever, rimaklaft, angoer, Jav. b.v.
daripada dikata-kat at vraiig rimaklah
{a.tgoerlah) akue mati saka/i,
ik stierf
liever op eens dan door de menschen
bebubbeld te wolden; hoe — hoe licter.
makin (ook mangkiit) IXkuS, makin balk.
eerambt, djahatan kahortnatan, pang-
kat kahurniata», daradjat kaliorma/an.
eerbaar, sopan-sa.iton; lett. ingetogen
en bescheiden, eene —e vrouw, piraiu-
poetcan jaitg sopaa-saatoa.
— van gedrag,
sXnoenoeh. — in zijne gedragingen, ka-
lokoetcan dXttgau sXnoenoeh. Dit wooid
komt echter meestal in ontkennende
zinnen vour, b v. een niet —■ gedrag,
kalakocican jaag tiatta tenoenoeh.
eerbaarheid, pXri sopa a-san ton,
eerbetoon, takriia, Ar. Voornamelijk
in brieven, in vereeniging met Utffim,
hoogachting, b.v. dXagan tatlim dan
takrim,
met hoogachting en —.
eerbewijs, tamta kahormatan.
eerbied, hormat. —, ontzag, maloe.
voor iemand koesteren, mXnaroh m/toe
akan sa\'orang;
met — tot iemnnd
spreken, berkata-kata dengan hormat
akan sa\'orang
; met — groeten, nam.
gelijken in rami, mëtttberi salain dX-ngaa
hormat
,■ Vorsten en aanzienlijken, mX-
njlmbah d. h.
eerbied!**, dXagan hormat.
eerbiedigen, meug hor mati, mXmbXri
hormat.
eerbiedwaard, jaag pa/ocl front/af,
kahormatan, moehtasjam, Ar.
eerder, zie bij eer.
eerebiyir, tanda kahormatan.
. eerebooy;, zegeboog, pèlangkoeng.
eeredeuen, ptdaag akan tanda kahor-
matau.
: eeredicht, sjair poedji-poedjian.
j eeredienst, godsdienst, Ibadaf, Ar. ka-
baktian,
eerelid, sakoetoa javg kahormatan.
eerelidmaatachup, persakoetoetcan
kaliornta/an.
1 eeren, mXmbXri hor mat, menghormuti,
itiX-ntjhormatkan;
zie ook bij eer. —
van Ood, vïimpermoidiakau Allah; icm.
—, ontzng voor hem koesteren, mXtta-
roh
\\aaloe akan sa\'orang,
• >»■!■»■] >l:iiiis. timpal ka/iormatan, t. ka-
tnof/iadn.
eerepost, djabalan kahormatan.
eeresabel, zie eeredegen.
eeretcM\'Uen, tanda kahormatan.
eeretitel, gilar kahormatan.
eer«*ieriy, tiaggi himal; berhimat titiggi,
eergisteren, kalatttari dXhoeloe.
nacht, malam kalamarin.
eerlnn**, ki/afc, b.v. hij zal — komen,
tja akan dafatig këlak-,
eerlüli. Hiervoor is geen geschikt woord.
JIcn behelpt zich met: kapXrljajaiht,
vertrouwd, baik, goed, hXtoel,juist, btnar,
waar, turtors, oprecht, satiaivan, ge-
trouw, b,T. een — gedrag, kalakoetvan
ja/tg baik,
een — e daad, pïrboetcataa
-ocr page 207-
eerlijkheid — eetlepel.                                        195
jany bPtorl, —e woorden, kata jany
bïaar,
een — gemoed, hati jany tor-
hes, •
— werk, pëkérdjuuu jany satia-
tcan;
een — inan, oraity jany kaper-
tjajudn.
eerlijkheid, kaper tjajadn. Zie bij eer-
l\\jk.
eerloos, lnng, gemeen, kedji; een
1.: < ■ u -«■ 11. oraity kïdji.
eerloosheid, langheid, gemeenheid, ka-
kfdjian,
eernaam, titel, ytlar; een — geven,
ményyelar.
eerst. Bijv. nor. pirtama ; de — e, jatty
pirtama.
NB. Daar dit woord ook ge-
bezigd wordt in de beteekenia van
voornaamste, kan het niet gebruikt
worden daar, waar dit begrip uitge-
sloten is, b.v. de —e vruchten, de — gc-
borene enz.; in de •—e plaats, ten eerde,
pirtama. •—, aanvang, pïrtamaitn ; de
— e vruchten, borica/t soch.my, bortcah
boeayaran;
bet —e Water uit een vat
ot\' nut, ajar soeloeny; de — geborene,
jany soeloay; de —e en de laatste,
jany pirtama dan jatty kasoedahuTt, jatty
sor/otty dan juny bonysor, jany atral
dan jany ach ir;
de —e en laatste \'
regens, hofdjan sorloevy dan hofdjan
boaysoi\', hort/jan awal dan hord jan achir;
de —e tijden, porrbakala, /ie bij oud;
de —e minister, pirdana mantiri; het i
—e hoofdstuk, /afal jany pirtama.
eerst, Bijw. mor la-mor la, pirtama, soe- j
lorny, bh-morla-.iioela, dehorlor, djoe- ,
lomy-djorlomy; b.v. het — dat wij in \'
dit land kwamen, tnorla-worla kifa da-
tany kaniyart ini.
—, vooreerst, behoort
hij iemand van goede afkomst te zijn,
pérfama pafort ija oraay jany birbanysa ;
voor \'t— vrucht dragen, torlomy 6ïr-
èotwah;
\'t zou goed zijn als -Mijnheer
—   wat ging slapen, hdiklah toenam
btradoe dihoe/ar:
ik verzoek u —,
pi at a hatitba djoelorny-djor/orny pada
foftcaa;
ten —e, pada pirtamaaja, bis-
tttoi\'la ka/i;
ten —e, aanstond», tabfn-
f ar; voor de —e mant, pada birntoela ,
kalinja. —, pas, biharoe, b.v. het ia
—   zeven uur, btrahoa porkorl turdjot-h ;
het schip is nu — aangekomen, ka pal
\'tot\' biharor sampai,
ook djoloay; die
het — komt, jany taorlu datatty.
wilde ik wel, morla-mor/a tthaja hiu-
dak djofya.
— doen geschieden, vooraf
doen gaan, mettdïAor/oekau.
eerstbeginnende./ctty hïharoemorlaï.
eerstdang», tfalam aidikit hart ini.
eerstel\\jlr, eersten», moela-morla, pPr-
tama. dïhotfoe.
Zie bij eerst.
eersteling* van vruchten, sorlortty, boe-
tcah sorlomy, bortcah boenyaraa.
— van
iels dat annkonit, b.v. vruchten, den
wind, onk djoelorny-djoe/ortiff. —en van
de opbrengst, hor/or hasil. —en, die
uien aanbiedt, Ijinykiram; een gift der
— en van den rijstoogst aan de hoofden
op Belitong heet: bocnya fa/torn. en
ook haloi-fan.
eersten*, zie eerst, Bijw.
eerstgeboorte, kasoelornyatt.
eerstgeboorterecht, hak kasorfue-
nyan.
eerstgeboren, soeloeny; van dieren,
iiioata, morla djadi; een — kind, annk
turlocay.
NB. totiotng wordt ook als
eigennaam gebruikt en dan soms ver-
kort tot Loeay, b.v. lïuykoe Lorny,
zijne Hoogheid Loeng.
eerstgeborene, jany soe/omy; van
dieren, jany mui\'la djadi, — uit een
echt, al hebben de ouders ook voor-
kimluren, ïiabomy.
eerstkomend, aanstaand, jany ukan.
datatty, jany ukan datany kitak, jany
hatnpif akaa datany;
het eerstkomend,
jany morla datany.
eertyd», di/toeloe ka/a; in den eersten
tijd, in do oudste tijden, porrbakala.
eervergwten. Hiervoor is geen woord.
Zie bij onbeschaamd en schaam-
teloos.
eerwaardig, bahati, biyatcan Skr. —,
heilig, van een persoon of graf, kira-
mat,
Ar. — ,mïtfabir. Ar. morhtasjam, Ar.
ctT/uani, deugdzanm, baik; zedig, be-
scheiden, aopan-sanfon ; \\vouui,ta/ih, Ar.
eerzucht, luba akatt hor mal\', tnyia aka.t
hor mat;
een groote —, hiatatat jany
tinyyi.
eerzuchtig = eerzucht.
eest, ja nyyaayyany.
eesten, atinyyanyyanykan.
eetbaar, dapat dimakan, bolih dimakan.
—, geoorloofd om te eten. haldl diaia~
kan;
niet —, ttat/a tirmakan.
cetbnk, voederbak voor dieren, palm-
nyan.
eethuis, Kuropeesche of Cbineesehe
restauratie, roeaiah makan.
eetlepel, aordor, aordoek. Op Java «Jt-
do$; welk woord ovcal in gebruik i>.
-ocr page 208-
L96
eetlust — eierplant.
eetlust, trek, onderscheiden van honger,
lera, .telera: eetlust ookï n?psoe makan,
ktnnjir makan;
zie ook honger; veel
— hebben, zooals pas herstelde zieken,
nltijd maar willen eten, kemaroefc.
eetnap, zie bij nap.
eei i i;ivi ij, perdjamoean makan.
eetplantH, timpat makan.
eettafel, medja makan.
eetwaar, barang makanan, makanan;
allerlei eetwaren, barang-barang maka-
.ia», pelebagai makanan.
Van Vorsten
of aanzienlijken, san fa pan, baraag s.,
jii-ltbagci S.
eetzaal, heeft de Maleier niet. Onze
—    KOU men kunnen noemen: bilik
fjesar tvinpat makan.
eeuw, abud, Ar. zamdn, Ar. dit laatste
nrordt het meest gebezigd, hoewel het
cig. tijd beteckent; in deze —. pada
abad tui, pada zamdn int;
in de ■—
van Alexander den Grootc, pada zamdn
Iskandat dzoe \'tjramen.
—, tijdperk
van 100 jaren, saratoes fahoen; vele
eeuwen, bvÜerapa. ratoes fahoen. Eens
in een —, saratoes iakoen sakali.
epuwiK, in de toekomst, kekal, salama-
lamanja. abid,
Ar. baka. Ar. —.zonder
begin, van alle eeuwigheid, azali, Ar.
—  in de toekomst, abadi. Ar. —, zon- ,
der begin en zonder einde, kadim, Ar.; j
do Eeuwige, alfradim. Ar.; do—e zalig- |
beid, iilamatjang kekal ttUama-lamanja, I
—  en altoos, dhad alabid, Ar.
eeuwigdurend,kekal,salama-lamanja; \\
aardschc schatten zijn niet —, harta
dtuma ini tiada kekal.
eeuwigheid, zonder begin, itzal, Ar.;
van alle —, azali —, zonder einde,
abad, Ar. ahadijai, Ar.; tot in —, ala
eddawam,
Ar. eene uitdrukking die veel
in brieven voorkomt; de —, het bier-
namaals, aciêrat, Ar.; iu de —, di- ,
acherat; bij is van deze aarde over-
gegaan uuur de —, ija soedah pindah
dart doenia ini ka-acherat
; van — tot
—, dari salamadamanja sampai sitlama- J
lamanja, daripada kekal sampai kapada
kekal.
eeuwiitUjk, zie eenwia.
ellen, rata, da/ar, uatar, papar. — land,
tanah datar, tanah nat ar; de weg is \\
—, vlak, djalan mendatar, djalan rata.
—, glud, van alle uitsteeksels ontdaan,
Beschoren, besneden, paras, pepat; in
dien zin — maken, uiemaras, meniepat.
—, vlak, niet bellend, (ara, b.v. tara
Hoe faiinja tiada tjoei\'am,
tara betcekent
niet hellend. —, slecht, geheel laag
van het water, timpas. —, gelijk, b.v.
van tunden, een heg enz., rtpanq. In
dien zin — maken door op de eene
of andere wijze het uitstekende weg te
nemen, merepangkait. •—, niet gedamas-
ccerd, van ijzer of staal, melela. —,
tot rust gekomen van do golven, selesai;
een — weg, djalan rata.
el lenen, mtratakan, zie ook bij effen.
egaal, sama rata.
e «ali weeren, samakan, un-njamakan.
egel, zie stekelvarken.
e«;elviseh, ikan bomt al tandak,
i t\'iSSre» jiëiii/fjarock, sïkat,
\' csisen, mtnggaroek, menjikat.
e "gerit*, wrang, zuur, zie ald.
*\'ggig* stomp, stroef van de tanden, ngiloe.
ejgypte, 31 vsir, ni-i/ari Mtsir.
egyptisoh, Mtsiri, Ar.
ei, Tuss.wrps. fh; ei! ei! eh-eh!— lieve,
dat toch, bij do smeckende of wen-
schende wijze van spreken, apalah kt-
ranja.
Zie bij tocb en eilieve.
ei, van alle diersoorten, tot zelfs visch-
kuit, tëlor; gezouten —, telor asin;
bedorven—, tëhr boesoek; een bebroed
—, dat koud is geworden en waarin
reeds bet kuiken zit, felor feit/belang.
Zulk een — wordt als too ver middel
gebruikt; het ■— vnn eene kip. die
zwartachtig vleesch beeft, tttor hajam
hitaiu jang selasih.
Ook zulk een —
wordt als toovermiddel gebruikt; eieren
leggen, bïrtelor; een versch —, ttlor
beharoe;
een langwerpig —, telor boe-
dj oer;
het wit van een—,poetih te\'lor ;
bet vruchtbeginsel aan het —, poesat
telor:
zucht gekookt —, ttlor saféngah
viasak;
hard gekookt —, tflor keras.
NB. eieren worden bij bidji geteld,
b.v. twee —, doe/ca bidji telor, telor
doeica bidji;
beter een half — dan
cen ledige dop, dapatla/i éedikU dari-
pada dada sakali.
eierdooier, nierah felor.
eierdoop, zie eiersaus.
eierdop, koelit telor.
oicrkoek, dadar, koeiceh dadar.
eierkorf, bakoel telor.
eierle«gend, baielor.
eierlepeltje, seadok kefjil.
eierolie, nrinjak\' telor.
eierplant; de —, teroeng.
-ocr page 209-
L97
eierpaus — eigenwaan.
eiersaas, koeicah fëlor; een soort vnn
—, die op pudding of nis boter op
brood gegeten wordt, ttrikaja.
eierstok, pohon telor, bafang Mor, iu-
doeng (Hor, pokok (Oor.
eierstruif, dader; een gooit van —,
onze spiegeleïeren, Mor mata sapi.
eiervla, serikaja.
eierverkooper, orang brrdjocicat fëlor.
eisen, persoonlijk, privaat, poenja, em-
poenja, sëndiri,
b.v. mijn — huis, akoe
poenja roemah, roemahkoe sëndiri;
uw
—   buffel, i-ngkan poenja karbau, kar-
bammoe send\'ni;
zijn — mes, dia poenja
jiisau, pisaunja sëndiri.
—, vnn Werk,
dat iem. zelf gemaakt beeft, bekas
fangan;
vnn den Vorst of zeer unn-
zicnlijku personen, chas, Ar. b.v. een
—   leerling, moerid jang chas. — kleo-
ren, pnkajan jang chas. — vrouw,
isteri jang chas. — bij sommige namen
van bloedverwantschap, kandoeng; b v.
.— broeder of zuster, uit cene moeder
geboren, saoetfara kandoerg, saoedara
taefjalan djadi, taoedara betoel;
in —
persoon, foeboeh. ■— neef of nicht, sa-
poepoe bëtoel.
— lof, mhnoedji dirinja
sëndiri,
letterl. zichzelven prijzen; in
zijn — onderhoud voorzien, mëntjëhari
sëndiri;
met mijn — oogen, dè.>gan
tnafakoe sëndiri;
met zijn — ooren,
dëngan Minganja sëndiri; met uwe —
handen, dhtgan langanmoe sëndiri. —,
dezelfde, Hoe djoega, b.v. dat is de —
man, dien de zeeroovers gevangen na-
men, orang ifoe djoega jang difangkup
piToiiipi/k;
op den — dug, pada hari
ifoe djoega.
—, niituurlijk, aangeboren,
zie eigenaardigheid en eigen-
schap;
in zijn — naam, dëtigan na-
wtamja sëndiri.
— zijn, gewend zijn,
biasa; zich — maken, vtêmbimiaka*
dirinja dalam, mëngoesahakan ;
zich met
personen — maken, herdjiintk-djiiiakan
dhtgan orang, bërninah-ramahan d. o.
—   aard, zie aard en inborst,
eigenaar,
jang ëuipoenja; b.v. de
van dat huis, urang jang ëmpoenja
roemah Hoe.
—, zonder nadere bepnling.
jang ëmpoenja uiilik, b.v. de — had een
geschil met de huurders, jang ëmpoenja
milik ifoe bërsëlisih dhtgan orang jang
menjewa.
eigenaardig, passend, geschikt, pa/oef-,
fa/k,
Ar. —, overeenkomstig den aard,
tatoedjoe dëngan ftibitlfnja, c/taf, Ar.
—, bijzonder, vreemd en schoon van
woorden of uitdrukkingen, pëlik~pcfik;
vnn zuken, adjaib, Ar.
j eigenaardigheid, —, het eigenaardige
vnn iets, kalakoeiean; natuurlijke eigen-
schap, chasijaf, Ar Ook adat, Ar. b.v.
de — van het zoute water, adat ajar
masin.
eigenbaat, eiu\'cnbclnng, tama, Ar.
eigendom, kapoenjadn (zelden), milik,
Ar. zoowel van personen als zaken, b.v.
tan ah itoe mi&t\'jfrotf, dat land is mijn —
toewan poefèri soedah djadi miUknja,
mevrouw de prinses is zijn — gewor-
den. NB. Doorgaans wordt —met het
Bezit. Vnw. vermeden en daarvoor tien
nader bepalenden zin akoe {engkmt of
tja) jang \'ëmpoenja dia, ik (gij of hij)
die de bezitter er van is, gebezigd.
eigendom meiyhheid, zie eigen-
schap.
eigendomsrecht, hak kapoenjadn, hak
milik,
Ar.
: eigendunkelijk, niënoeroet kahendak
sëndiri sëhadja.
—, verwaand, tombong,
eigenen, mSngambil éagai dirinja.
eigengebakken, bakaran {oïgoi engav)
stndiri.
eigengemaakt, perboeieatan si-ndiri.
I eigenhandig, dëngan fangan sëndiri,
b.v. — heeft hij deze strikken uitgezet,
dipasangnja djërat it/i dëngan tangniinja
sëndiri;
een —e brief, soerat toelisan
tangan stndtri.
: eigenheid, zie eigenschap.
, eigenliefde, kasili akan dirinja.
j eigenlijk. Bijv. nw. bëfoel, f/én ar; Bijw.
sabëtoclvja, sabënarnja.
eigenlof, mèmoedji akan dirinja.
eigenmachtig, dëtigan koenasa sëndiri.
eigennaam, nama bef oei, ». bafang
loeboeh.
; eigenschap, peri, peri hal; uitwendige
—, sifat, Ar.; een — aan iets geven,
mens\'Ja f kart; inwendige —,fabitlf, Ar.;
zij bezat al do zeven — pen van schoon-
bcid, sifafnja laagkap toedjoeh falrsana ;
de —pen Gods, sëgala si fat Allah; bij
had de — van spoedig boos te worden,
fabiatnja fëkas marah; de —pen dezer
wereld, sëgala peri hal domia ini; de
—pen vnn het menschelijk lichaam,
sëgala peri toeboeh manoesia.
\'
eigenste; de —, Hoe djoega.
eigenwaan, zie verwaandheid.
-ocr page 210-
eigenwijs — einde.
eigenwijs, tahoe sendiri sèhadja, dirinja
sehadja jang tahoe.
eigen willig, demjan kahenda\\- sendiri.
eigenzinnig, koppig, k\'eras hati. —,
karig, grillig, beitingkah, bertjanda.
eigenzinnigheid, koppigheid, kakera-
m hati.—.kuur, gril, tingkahjjanda.
eigenzinniglyk, dengan kertis hati.
—, tuet kuren, diagan tingkah, dengan
tjanda.
eik; de Indis-chu —.alleen zoo genoemd
om do overeenkomst van bet hout met
ons eikenhout, pohon djati; de Emo-
peesclie — wordt nangeduid mvl-.po/ion
djati icolanda.
eikenboMch, bosch van Indische eiken,
hoetan pohon djati.
eikenhout, IbdUch, kajoe djati; Euro-
peesch, kajoe djati tcolanda.
eikenhouten, dart kajoe djati, kajoe
djati.
eikenvaren, daoen pakoe-pakoe.
eilaas, zir helaas.
4-ilaml, pae/au. Op Java poe/o; het —
Lingga, puelau Liagga. NB. Van het
eil. Java zegt men steeds tanah en
niet puelau; het hoogste gedeelte van
een —, kapaïa poe/au.
eilandbewoner, eilander, ora?/g poe/au.
eilandengroep, goegoespoelan-poelau,
toekuag poelatt.puelau.
eilieve, apal ah, k/ranja, apatah-kiratiju,
barang apalah-kh au ja.
ei looi", daoea pasamj-pasangau. —, klim-
mende epidendruui, gadoeng kastoeri.
eind, end, stuk, sapotong, sakerat, sa-
penggal,
b.T, een — touw, sapotong tali,
een — hout, sakêrat kajoe, een — weegs,
sapenggal djalan, een — weegs venre-
zellen, mag haat ar kan tapengqal djalan.
—, endje, stompje, overgeschoten stuk
van eene sigaar, kaars, brandhout, pot-
lood, staart en dergel., poeatoeng. —,
uiteinde, h.v. het teeder uit—van plan-
ten, poetjoefr. Ook het — vnn een
sleepnet, dut vastgebonden wordt. —
van de aarde, hoedjoeng bocmi, b.v. de
Vorst wilde reizen tot het — der narde,
taaka baginda pon hendak\' berdjalan
sampai kahoedjoeng boe mi;
het — van
eene lijn, een touw, stok, en elk ander
lang, dun voorwerp, hoedjoeng. Van
vlakke voorwerpen, hoedjueug, tepi.
einde, bet laatste van iets, kasoedahait,
penghabisan, tammaf,
Ar. achir. Ar. b.v.
het — VM de zeereis, kasoedahaa pela-
jaran; het — der eeuwen, kasoedaha.i
segala zanian, achir zaman, penghabisan
doenia
; het — des janrs, achir tahoe-/;
bet — van bet jnnigotijde, achir moesiw.
—  van eene rede. biiet\', bock, tammat,
lammatue \'Ualiini,
Ar.d. i. einde vim bet
woord. Zulk een — mnken, mintauimat-
kan.
— van liet lecren lezen van den
Koran, chatam; dat lezen tot een —
brengen, mengchatamkan koran. — van
de zwnngerschap, gtnap boelaunja. —,
alloop van eene zaak, kapoetoesan per-
kara, akibat,
Ar. In het algemeen,
soedah, b.v. apatah soedaha/a. wat zal
het — er van zijn; — van den dag,
soentoek, b.v. de dag is ten —, hari
soedah soenforfc;
beiden streden tot het
—  vnn den dng, kadoetcanja pon !>,;■•
permigluh soentot-k hari
De lettcrl,
beleekcnis vnn somtock is beletsel.—,
hoofdeneinde, pehak knpala, voeten-
einde, pehak kaki; bet dikke -■ van
een kris of mes enz., daar waar bet in
bet hnndvatstl steekt, pangkal; het
dikke en dunne — van iets, begin en
—   van een tak, hoedjoeng pangkal.
—   van een kluwen, mata. —, slot,
narede, chatimat, Ar. —, grens, per-
hinggaan ;
zonder —, tiada perhinggaiin ;
win het begin tot nan het —, dari-
pada pirmoelai/u datang kapada kasoe-
dahan.
—, ophouden, vnn regen en
nndcre natuurverschijnselen, b\'erh\'enti.
—  goed, al goed, kasnedahannja ba\'ik
savioetcanju pon ba\'ik.
—, tig. dood,
mati, b v. op zee kwam hij aan zijn
—, dilaoef matilah ija; het loopt op
het—, soedah dekat.—, oogmerk, doel,
viaksoed, Ar.: ten —, op, niet meer
voorhanden, habis, soedahisoedah habis:
ten —, gednnn met, g\'entas, b.T. de
vruchten zijn ten —, het is gednan met
de vruchten,gentas soedah segala buetcah-
boei\'-ahan;
het ten — zijn ervan is nog
ver, lagi djaoeh gëntasnja; ten —, af,
van oen werk, soedah, poef nes, habis:
zonder —. tiada berkasoedahan, tiada
her kapoeioesan;
ten — brengen, van
een werk, menjampaikan, menghabiskan :
een — aan iets maken, meinpersoedah-
kan;
ten — brengen, uitmaken, afdoen,
metidjtlas; niet tot een — komend,
van een werk, sëhoen; ten —. opdat,
soepaja, agar soepaja, hendak, akan,
b.v. ten — hem in dien put te doen
storten, soepaja (of hendal; of akan,1,
-ocr page 211-
IM
eindelijk — ■*■
eindpaal, grens, pérhinggaan, batasan,
péminggir.
— van het leven, kasoeda-
liaa hidoep,
eindrijm, sadji\'il Ar. b.v. het — ervan
ontbreekt, sadjiXnja koerang.
fiiidncliihliiniz, pi i-af oera >i kasoedahan.
eindstuk, afsluit stuk van iets, pim-
boenoeh.
eindvonnis, kapoetoesan hoekoem.
eiplunt, teroeng. Op Java terong.
eirond, ovaal, boetal pandjang, boelat
b-,edjoer, boedjoer telor.
eisch, aanspraak, vordering in rechten
(niet tot straf), daira, Ar. —, vranir,
nunzoek, pin fa, permintaan. —, prijs-
bcpaling, minta harga, maoe harga; de
eiseben der wetenschap, kahmdak elmoe.
—, gerechtelijke vordering van den fis-
kaal, minta kapoetoesan hoekoem. —,
vordering van betaling, penagUiaa; naar
—, det/gau sapertiuja, dengan sapatoet-
nja;
naar — der omstandigheden, sa-
kfdar segala hal-ahoeal.
eischen, eene vordering in rechten in-
-lellun. me/idüiea. —, ecne vraag, ren
aanzoek doen, mem\'mta. — van de ver-
vulling ecner belofte of overeenkomst,
m\'enoentoet pèrdjandjian (van loei/toet).
—   van bloedwraak, menoentoet hela.
—   van voldoening, menoentoet perba-
lasan;
betaling van schuld —, uienoen-
toet hoelang, menugih hoelang (van fagih).
eischer, in rechten, jaag empoenja da-
u-a, peitdaiva, orang jang mmdriiva.

van betaling, peiiagih hoetang.
eivormig, zie eirond.
eiwit, puelih ttlor.
ejaculeeren, in de heelkunde, me man-
tjarkan
(van panfjar).
ekel, tegen/in, djemov. Ook een — heb-
ben. —, zie ook hekel.
ekster; eene soort van vogel iets op
een — gelijkende, boeroeag moerai.
eksteroog, likdoorn, betoelaag djari
kaki;
op zijn —en getrapt zijn en zich
daarover wreken, boeroek moeka, tjere-
min dibelah,
Sprw.
el, de elleboogsel, d. i. van den elleboog
tot den top des middelstcn vingers,
hasfa, Skr.; de oude Anistcrdamsche—,
elo; de Nederl. — of meter, milar;
de Perzische —, gelijk T*rt Amsterdam-
sche of 1,11 M., gaz. ÜOOO ga: gaan
er op een farsang, of 1\'erzïsche mijl;
een vierkante —, satoe elo empat per-
s\'egi;
een vierkante Xed.—, satoe lalt ar
aieaèrdjoenkan dia dalam perigi itoe;
I,.n —. raad zijn, portoet nsa, fenn/ap
biljard, tiada berdaja lagi;
ik ben met
mijn papier ten —, akoe kapoetoesmt
£ar(a$;
ten — loopen, b.v. van een
jaargetijde, kmmpJrk** achir, b.v. de
regeamoouon loopt ten —, moesim
hoedjan hampirkaa arhir.
NB. hampir-
kun
is cene samentrekking van Ammpir
akan.
—. zie ook uiteinde.
eindelijk, kasoedahan, kusoedahaurja,
paria achir.
— en ten laatste, lama-
lama, lama-kalamaan, lama-kalamaan-
nja,
ook achir-anhiDija.
eindeloos, tiada bi-rkasoedahaii, tiada
bi-i-kapoi\'ioi\'san.
—, zonder grens, tiada
beperhinggaiin;
een — leven, hidoep
jaag tiada b\'er kasoedahan ;
een —e zalig-
lieid, salamuf jang tiada bt-rkapoetoesan ;
een —c hemel, laagil jaag tiada Ie-
perahiggaati.
eindje, zie bij eind.
eindig, berkasoedahau, b>rkapoetoetaal
berpenghabisan.
—, vergankelijk\', fana\\
eindigen, bedr. menjoedahkan (van soe-
dah), m\'emoetoeskan
(van poetoeS). meng-
habtskan, m\'enjampaikan
(van sampai),
mengclttitautktiti, mentammatkan.
—, door
te volmaken, menjampuernakan (van
sarjif,uenHi); een werk —, tot een einde
ureniren, minffkaHsiMM (menjoedahkan,
menjampnikav) pek\'-rdjuan;
cene zaak
—, memoefoeskun prrkara; het lezen
van den Koran —, m\'engchatainkan
koran;
een opstel of geschrift—, mën-
taiumatkan soera/;
deze brief is geëin-
digd, tammailah soeral tui. —, ocz. op-
houden, berh\'eali, soedah, b.v. nog een
«ogenblik en de Cliincesche schim-ver-
toon ing Zal —, sabealar lagi makn
vajanq Hoe brr/ihtfi
(of soedah). —,
grenzen ann, zie grenzen. —, ergens
op uitkomen, van een weg, djatu/i, b.v.
djalau itoe bétoet djat oh ditmgah kam-
poeng,
die weg eindigt juist midden ïn
de kampoeng; met den dood —, op
sterven uitloopen, van cene ziekte, mem-
baica njatca.
eindigheid, p\'êri jaag berkasoedahau
—, vergankelijkheid, peri jang faua\'.
eindletter, hoeroef arhir, Ar.
cindoogxnerk, majrsoed. Ar.
eindoordeel, eindvonnis, kapoetoesan
hoekoem.
eindoorzaak, poli on sèèab, asal jang
pirtaina.
-ocr page 212-
200                                            eland —■ elkander.
empat prrsegi(; met de— meten, mtnrj-
oekoer e/o.
Nli. 1» plaats van eene
—  neemt men ook wel de breedte van
bet goed voor maat en noemt zulk een
vierkant stuk sf/angan, naar de sa poe
tangan,
zak- ot\' hootddoek.
eland, het grootste heit, roesa.
elandaltoorn, landoek roesa.
elnHtiek; zacht —, (tmóoet kennjal;
gom-elnsliek, gïtafi karet.
elders, dit empat la\'hi, pada lam (empat;
elders heen, naar elders, barang kamaua.
electrisiteit, elekterisiti, verb.
elelu.nl, zie olifant,
elegant, sierlijk, niet plomp, zooals
vroeger, upas.
elex>bantiasift, oenloet, kaki gadjah.
element, grondstof, anfoer, Ar.; de
vijt\' elementen, panljaboeta; de —en,
se gala anrisir, Ar.
elf, Telw. sabttas, sapoeloeh satoe.
uur, poekoel sabïdas; met zijn elven,
bersabelas orangnja.
elfde, kasabïlas; de —, jang kasabelas.
elfdehalf, tvngah sabiius.
elfhonderd, sariboe saratoes, sabttas r.
elfjarig, \'7muer subdas tahoen.
elfmaat} sabïlas kali.
elft, \'kan leroeboelr.
elftal, bilangan sabtlas.
elftkuit, ttlur th-oeboek-,
elger, drietnndigo vork, serampang.
elk, elke, tiap-tiap. Van personen, i. pi, v.
ieder, iedere, masiny-masiiig. —, on-
verechillig welk, së/abarang, sabarang ;
eiken dair, tiap-tiap hari, sabilang liari.
—  het zijne, masmg-masing dia poen ja.
— en keer, tiap-tiap kali. Zie ook ieder,
elkander, de een den ander, sa\'orang
akan sa\'orang, b.v. zij belpen —, ma-
reka-itoe ménoeloeng sa\'orang akan sa o-
rang;
zij leeren —, mareka-Hoe mtnga-
djar sa\'orang akan sa\'orang
; tot —,
ta\'orang kapada sa\'orang, b.v. zij zeiden
lot —, wareka-itoe berkata sa\'orang
kapada sa\'orang;
aan — verbonden,
ber/weboeng bërsama-sama; aeliter —,
bÜrboentoet, beriring, ta\'orang dibi/a-
kang sa\'wang;
bij herhaling of voort-
durihg van eene handeling, bértoeruet-
toeroet, beroelang-oelang;
van zaken,
zie bij r\\iï bij — , basa ma-sa ma; boven
— , bërsoesoeu, bvrlapis; door —, ge-
mengd, tjampoer, tjampu\'.r-bawoer. Zie
bij vermengd en mengen; door
—, door oorzaak van den ander, sa\'o-
i rang olih sa\'orang; van zaken, satoc
ulih satoe;
in —, zie bij het Werkw.
daarmede verbonden; jegens —, sa\'o-
rang akan ta\'orany;
met —, bërsa/na-
sama.
Nb. Dikwerf wordt het begrip
met—uitgedrukt alleen door den vorm
van liet Werkw. namelijk als het Ww.
dien vorm duldt, d. i. de verdubbeling
van liet grondwoord met VOOrgevocgd
bér en achtergevoegd au, b.v. zij vluch-
ten met — , mat\'eka-itott btrlari-lat•tan.
— beurtelings aflossen, bïrganti-gan-
tian
; met — aan het kloppen zijn,
beipurkoel-poekoelan, enz. (ie&cbiedt de
handeling over en weder door twee
partijen dan gebruikt men de verdub-
beling van bet grondw. met me voor
bet tweede üd der veidubbeling, b.v.
zij zonden — gezanten, mareka-itoe
oetocs-mengoetoes;
sehoten met pijlen
op — ,panah-tiiétiianah ; steken—,tikam-
menikant
enz.; met —, in gezelschap
van —, bersama-sama, b.v. zij gaan
met —, marekaitoe birdjalan bersama-
sama;
zij zitten bij —, doedoek bêr-
sama-sama,
enz. Hetzelfde wordt ook
gebezigd wanneer het begrip vun samen-
binding of vereeniging er aan verbonden
is, b.v. bij — binden, ikat bêrsama-sama ;
onder — mengen, tjampoer bïrsutna-
sama;
met —, met zijn beiden, zie
beide; na —, de een na dun ander,
sa\'orang demi sa\'orang, sa\'orang lëpas s.
Van zaken, satoe-saloe, satoc U-pas satoe.
Voor satoe ook sa verbonden met het
Hulp-Telw.; naur —, sa\'orang akan
• sa\'o) ti>/y ; naast —, sa\'orang disisi sa\'o-
ramj, sa\'orang disabitah sa\'orang;
om
—, rond —, satoe koeliling jatig laht.
Zie verder bij de daarmede veibonden
Werkw.; onder —, van personen, eene
handeling verriehlen, zooals spreken,
beraadslagen enz., sama sendirivja;
onder —, gemengd, = door —. Zie bov.;
op —, in lagen, — boven—. Zie bov.;
tegenover —, sa\'orang meaghadap sa\'o-
rang, sa\'orang tëntang sa\'orang, satoe
dihadapan satoe, satoe ttntang satoe;
wanneer een water tusschenbeiden is,
dun satoe bcrsaóïrangart dtngan satoe.
Ook subërang-mïnjabtlrang; uit —, niet
meer ineen, tjërai-tjërai, tëroerai; ge-
opend, (ërboeka. Zie ook uit; van —,
sa\'orang daripada sa\'orang; van —ge-
seheiden, sa\'orang ber/jtrui dëngan sa\'o-
rang;
van de betnen, tërka?/gkang; voor
-ocr page 213-
elleboog — en({.                                               201
—, om den wille van —, sa\'oravg ka-
rtna ta\'orang;
zonder —,dtngan tiada
katcautija, d. t. lémantijn, d. t. djodouja,
d. t. tauianja, d. t. jang laïnnja.
elleboog, sikne. NB. Sommige zaken die
hoekig zijn noemt men ook aldus, b.v.
de hoek van tene straat, rikoê loeroeng,
de kniihouten in een vaartuig, tikor-
nkoe;
met de ■— op iets steunen, litr-
tilikan;
dt; punt van tien - ,hoedjomg
nkoe;
met de ellebogen op den tug
gebonden, tikve tfrikaf ; met do elle-
":■■>■■- ■ :i op tnfel en bet hoofd op de
handen geleund zitten, doedoek bhtï-
Wcoe;
met de ellebogen op tafel en de
hnnd onder de kin. bïrtï-ltkoe bértneng-
iat dayor-,
met de — van den eenen
arm op de hand vnn den anderen
rustend, bïrtikoe toenggal,
elleboog* been, toelavg tikoe,
ellebooguel, van do elleboog tot den
top van de middelste vinger, basta. Ski*.;
van de elleboog tot de knokkels vnn
de gesloten vuist, pïnangkap.
elleboog*»ge\\vrieht, sïndi sikoe, boe-
koe sikoe.
elleboogwlengte — elleboogeel.
elleboogsmpier, wrat tikoe.
ellegoed, baraug jang dtdjoeieal f/o,
barang-barong kaïn.
ellemant, oekorran e/o.
ellende» die men in het leven te ver-
duren heeft, sangsara, Skr. siksa, Ski*.
—, moeite, kasoekaram, katakitan.
ellendeling, als scheldwoord, btdï-bah,
bangsat, pi/ak.
ellendig* tji/aka, katoekaran. papa, hina.
ellendige, orang tji/aka, o. katoekaran,
o. papa, o. bina.
ellendigheid, katoekaran, kahinaiin,
kapapaan.
ellewaar, barang jang didjoeical f/o,
barang-ba rang kaïn.
ellips, hoflat paudjang, b. bofdjoer.
elpenbeen, gading.
elpenbeenen, gading, daripada gading.
els. bros, pfnggerck; met een — gaten
maken, wènggerek. —, priem, poetoet.
emancipatie, uit slavernij, kaïnardabe-
kaan.
emnncipeeren, vrij verklaren, mf/nar-
dahekakan,
emballage, pembuet/gkoes.
emballeeren, tnïmboengkoes.
embryo, mant, Ar.
emeritus, ittirakat, Ar. berittirabat,
b.v. een — predikant, pavd\'tia jong
berittirabat.
emigrant, vraag>/• rpim/ahkam-garitaiit.
eroigreeren, bfipt/tdab kanfgari tuin.
emmer, tr,ng,tabaiig, Chin. r«wA»\'r.-put—,
aker, tirnba.
empnleeren, mtnjoelakam {van toela).
en, dan. NB, Het gebruik van dit Vrw.
is anders dan wij van en niaken. Wan-
neer geheel verschillende zaken achter
elkander wolden opgenoemd, dun wordt
het meest telkens herhaald, terwijl wij
ons en slechts taeschen de beide laatste
wooideti plaatsen, b v. kapos dan st-tïra
dan gambir dan émat dan pérkakas bïsi
dan apioen,
waarvoor wij zcagen: ka-
toen, zijde, gambir, goud, ijzelen gc-
rcedschnppen en nintinen. Daarentegen
wanneer twee substantieven, adjectieven
of verba of Telwoorden ecno samen-
gestelde uitdrukking vormen, en dus bij
elkander beliooren, moet het worden
weggelaten, b.v. iboe-bnpa, vader en
moeder, anak-ittèri, vrouw en kinderen,
lioih—\'-ktihihing, koeien en sehapen, kaki-
tanga»,
handen en voeten, ka\'/nbadjo*;
boven- en onderkleed, besar-kttjit, groot
en klein, pandjang-pendek, kort en lang,
tinggi-btsar, groot en dik, bamjoen-dja-
toh,
vallen en opstaan, masoejr-ka/oeicar,
in- en uitgaan, taloe-talang, heen- en
wedergnnn enz., honderden eu duïzen-
den, bï-ra/oes-riboe, duizenden en tien-
duizenden, bïriboe-luksa. Valt bepaald
de nadruk op en dan moet dan ge-
bezigd worden. Aan het begin van eenen
zin is het: mnka, batta, sjabadan (samen-
gesteld uit saba en dan), — ook, datilagi,
lagipon.
—, in de beteekenis van met,
sïrta, dengan, rijst en zout nasi dengan
garam.
— in de beteekenis vnn tevens,
téraja, sambil, b.v. zij sïlimlaehte en
zeide, ija tërtennjoem sëraja berkafa.
— zoo voort, dan laïn daripada ito*,
dan sabagainja, i/a achirilii,
Ar.
endeldarm, porot pPrort.
endoHveeren vnn een wissel, laenjeui-
pok
tvun sempok).
endoMsement, sempokan.
eng, nauw, sëmpit.— van een kleed ook
bidang sëmpit; deze aarde is ons allen
te —, te nauw, maka boe tui ini pttjik-
lab pada kun/i sakalian.
—, nauw van
pijpachtige voorwerpen, ook vnn rin-
gen, hoepels en dergel., tindat, b.v,
een zeer —e put, perigi iattg amaf
-ocr page 214-
202                                      ensttchtiff — enveloppe.
sïndat. —, nauw. smal van haakvoi-
mige dingen, ouk van wegen, rivieren,
huizen, vertrekken, kopet. —, gcdron-
gen, xtsak.
engiiehtii», aïuipit-seMijdt, aï sak-staak.
enyaaeeren; geëngageerd, verloofd,
iii-,-t,irtttitii/im. —, van ieni. voor een
dans, van een geneeskundige voor hulp,
van een accoucbeur voor eene beval-
ling enz., mtntmpah (van tt-mpah).
fiisborstijj, sïsak dada.
engel, meioJc, Ar mrv. nta/a\'ikal. Dit
wordt door de Malciers in het enkel-
vond gebezigd, b.v. sa\'orang utalaïkaf,
een engel; de — des doods, inafakoe\'l-
titatif,
Ar., wiens eigennaam is. \'tsriitl,
Ar.; de beide grafengelen, die de dooden
in het graf ondervragen, heetcn motikas
mm nakir. Ar.; de — die de wacht
houdt aa» de hemelpoort, riétwén; de
engelen, die der menseben woorden en
daden opleckenen. k\'ïa.aoe\'lkitdb, Ar.;
de — der opstanding, die de laal.-te
bazuin blaast, heet Jsrajil, Ar.: de
duivel en zijne engelen, iblis dtngan
sega/a sjaifa.i;
de engelen, dip de han-
dclingcn der uicnschen onderzoeken,
nlfyafatlat, Ar.; de val der weerspnn-
nige engelen, goegorran seya/a mataikat
jong doerhakn;
de — des Verbonds,
malak ttlicïtd, Ar. — . lief kozingswoord,
tuttin, t\'iiins djoetcUa.
rnv.i\'hi.-hl iu, bagaikan inalti\'ikat.
enjrelimd, i/ït/Crt htggris, tanah I.
engelenschaar, bala-ia,ttara utala\'ikat.
engelin, liefkozingswoord, ïmas, e/nas
djoi-fila.
Zie ook bij nimf.
engelMch, uit Kngeland, inggria. —, de
HngeUche taal, bt-hasa iaggr\'ts.
en gelach e, pri/tMi/tofiran inggris.
engelwehmnn, oraitg inygris.
«iiirelseh-zout, garant iuggr\'is, yaram
jitiitjtiltar.
en-*hnrtig, pitjik hati.
enshnrtigheid, kapitjikaa hati,
engheid, ka/ii/jikan, kasèinpitait, kas$-
saktin.
engte, nauwe doorgang, djoerang; in
de —, in de knel zitten, tPrsïjdt, ka-
jiit/ikr.ti.
—, nauwe plaats, tttnpal stut-
jiü,
nauwe weg, djatan itmpit, —, nauw
vaaiwuter, straat, «Y-lat.
enkel, enklauw, vtaia-kaki, boekue kaki,
boekue l«U,
letterl. de gcvojllooze knok-
kei, omdat door het zitten met onder-
geslagen beenen het gevoel nagenoeg
daaruit verdwenen is; binnen-cnkel.
boekoe lali dalam, buiten-enkel, hoekoe
/a/i loeirar.
— in poëzie ook mata doelt;
tot aan de —- in de modder trappen,
ffrpërosok da/am loempoer hmhi dï-
mata kaki.
—, zie ook voetgewrieUt.
enkel, niet dubbel, salajda. Van eene
bloem, ustt, b.v. een —e bloem, boeaga
ana.
—, «enig, am. —, louter, bïlaitt ;
onvermengd, tiada berfjampaer. —, cen-
voudig, koten ff i zie ook bij alleen.
—, slechts, fjoenta, se/mdja, sadja;
slechts enkelen, bïrpi/i/t-pilih,\\t.v. tnaka
pada tca^toe itoe bï-rpilih-pilik oraay-
nja jatig ada berjtvrahoe,
toen hadden
slechts enkelen een vanrtuig. —e malen,
bëbïrajia kali, térkadang-kadaug, ada
kalanja.
—, zelden, djaratty.
enkelring, ring die om de enkels der
beenen gedragen wordt, ge/any kaki.
—, hol, met steentjes er in of belle-
tjes er nan, kh\'ontjony.
enorm, haibat, Ar.
ensemble, samaewanja tërxama-soii/a,
yanitii-ramai,
ent, poefjoek anggoeran, atiggoeraa, fjaag-
kok.
NB, Deze woorden drukken het
begrip niet uit, daar zij meer stek be-
teekenen. \'/Ais enten.
enten, vn-ntjabangkan jïoko\\\\ letterl. een
plant een takje geven, van een tukje
voorzien.
enterbrujj, met twee haken, = enter-
lndder.
enterdreg, saoe/t terbang.
enteren, nienya\'it (van kait, haak), b.v.
makti faitt/ii/ saboetcah peraboe hoela?-
balattg Vahang, Hvmlak uihtyatt djoeity
itoe,
toen kwam een vaartuig van de
1\'abangsche helden vooruit om de Jonk
te —. —, aanklampen, vlak tegen
elkanders boord brengen, meadempok-
kalt
, b.v. m aka Moe/iami/tad Zat f MN
minta deMtpokkati, toen vroeg M. Z. te
mogen —.
enterladder, taitgga jiïnyaït, lotterl.
ladder nis nanhaakmiddel.
en th um as mus, bêsar tjita.
entrevue; een — hebben, bür/ihatan,
btpin-lik at au.
enveloppe, van een brief, aampoel,
letterl. sloop, overtrek, want de Mn-
leiers steken hunne brieven in genaaide
zakjes van zijde of katoen; in een —,
geënveloppeerd, bvrsampoel; zijden —
van een staiitsiebricf, kis, Ar.
-ocr page 215-
MS
enz. — eraeren.
enz. verkorting van en-zoo-voort, dam
lain dar\'tpada ifoe, dan sabagaiuja, Ha
achiriki,
Ar.
epaulet, kilat-bahoe.
epidemie, zoowel onder menschen als
onder vee, MMMT, pënjak/f sa.npar.
Ook aicar.
equipage, Bchcrpsbcrunnning, anak pP-
rahoe, anitk kopal, awak pPrahoe, awak
kopal.
er, zie dnar.
trachten; mijns —. pada kapikirankoe.
erbarmelijk, Lasajangan.
erbarmen: zich — over, vïPngasiha.d,
nitmarok sajang akan
(van taroh\'s.
erft bij eene woning, —■ met bijgebou-
wen, kaaipotng; huis en —, roemah
kampoeug.
Hij verkocht zijn hnis en—,
didjoeiea/nja roemah kampoenguja. —,
effen, vlakke grond, wnnro]) niets staat,
nalar, dus onbebouwd erf. —, geërfd
land of grond, ianah poesaka.
erfbesdt» mi/ik poesaka,
erfbezitter, jang Puijwenja milik poe-
saka.
cri\'bes5ittinj>. poesaka, barang poesaka.
erfdeel, behag\'unt poesaka.
erfelijk, baka, saka.— van het eene ge-
-•lacht on het andere, saka^baka; eene
—c ziekte, pP,ijakif hakm. Zie ook bij
klierziekte.
erfenis, poesaka. Skr. varifsan, Ar. Zie
ook nalatenschap; eene — krijgen.
btrolih barang poesaka-, enne — in
ontvangst ncuien, mtuërima baranopoe-
saka;
eene — afwijzen, mPnoe/ak bit-
rang poesaka
.■ de bevoegdheid om eene
— in ontvangsl te nemen, niPmpoenja\'i
hak akan mPiiPr/ma barang poesaka.
eri\'saaf, legaat, pPmbPrian poesaka, jtP,n-
bPrian tcaritsau.
erfaeld, BfMH poesaka, emas poesaka.
ci-ftjenaam, tcarils. Ar.; wettige —,
icarils bef oei; natuurlijke —, irarils
nsli,
Ar.; mede—, fPman trarif s; uni-
verseele—,jang mPwaritsi samoetranja,
i-nrits menghiiapas.
— van den troon,
radja-morda,
erfj»ift = erfjjnaf-
erfgoed, barang poesaka, har fa poesaka.
erfjjraf, koeboer poesaka.
cri\'üToiHi, iaimh poesaka.
erfj^rondrecht, h,ak ianah poesaka.
erfhui», roemah h-lang barang-barang
orang mafi.
orllioniiij», radja karena hal\' tcarits.
erfkoninkrük, karadjaiin karena hak
farits.
erfland, ianah poesaka.
erfmnker, oraug jang bPncasiat.
erl\'mnhins, pP,,d,Prian poesaka.
erfrecht, hak poesaka.
erfrente, bae.iga oeicang poesaka.
rrfr\\jk, knrai/jaiin poesaka.
erfwehuld, hoelang poesaka.
erfstuk, barang poesaka. — , dat in
Waardfl te houden is, manah.
erfv\\jand, sPtProe toerocadPmoeroe,!,
sPiProe karnat i-matian,
lettert. doude-
lijke vijand.
er tv ij a in 1 ncIi ap. pPrsetProetcan toeroen
fPmoeroen. pïrst\'fi\'roeiran kamati\'iaafiaa.
erfziehte, pPnjakit baka\'.
erfzonde, dosa bnka\'.
ertr, amaf, Sa.igaf, fPrlaïoe, pajak, parah,
djakaf, bïrapo, bokena, bena
(de drie
lanHtc woorden meest in negatieve zin*
nen, b.v.: — rijk. amaf kaja. — ver.
djaoeh sangat — hoog, tPrlaloe Ünggi.
— ziek, sakil pajak, sak\'tt djakaf. •—e
wond, toet* parah; hoc langer hoe
erger, wekt* lama utakitt dj ah at; ook
vnn kwaad tor erger; een —e stecn-
puist, bisoel tljahal .- zijn wond is niet
—, loekaajo pun tiada bërapa; zijne
ondeugendheid is niet —, iljahatnja
pon tiaila bPrapa:
het is niet —■ grof,
kasemja pon tiada bPrapa. \\ oor bPrapa
in do plaats gebruikt men in zulke
zinnen ook baken* of bena, Skr. Paar-
mede veiecnigd tot bPrapa baken*,
heelt liet de beteekenis van bijzonder
,fiada bPrapa bena, niet bijzonder—.
—, enrer worden, van builen, wonden,
zweren, rojak; al te —. fP.laloe. ge-
plaatst vóór alle bovensrenoemde woor-
den; des te enrer is het aU, Mn\'fwt,
b.v. isfii\'ie/ra lila mavoesia jang bPra-
ka! Hoe lagi mPagatahoëi huik dan dja-
hal ifoe toet* doedoek dXngan la/ai
enz.
ergdenkend, menaroh sangka, tnenaroh
sjak
(van laroh).
erfidenkendheid, sangka-sangka, tra-
sangka, sjak.
er•»*■*"**- pada barang fpmpat, barang
dima/ia
erger, zie era-
ertseren; zich —, wakan hi\'.fi, terbakar
half,
b.v. maka apabila tlidvngar olih
Holanda akan ebabar ïnggrit hPndak
niPmboeirat nPgari di Singapoera, maka
tlrbakarlah Aatinja,
toen de Hollanders
-ocr page 216-
20J
ergeren — erwtenschil.
ilc tijding vermraen, dat de KmreUchen
te Siogapoera cene stad nil.lm bou-
wen, ergerden /ij zich; iem. — door
achterstelling ot" door hem te laten
toekijken, mtmoetikkan maia : verder ■.
sakit hati, mf naruk sakit Hati, kïna
sjak, ngïren hati.
erc^ren, bedr. mïmhakar hati, uiïnoc-
nuiLati had
(van toeaoe), b.v. aaakkoe
Lau-I,i i\'ikan kapada angin, maka ënykaa
foi\'itoekan hatikoe.
mijn kind hebt gij den
wind gegeven, 100 ergert ge uiijii hart;
verder: mïmbïri sakit hati, mi.apïrsa-
kiti hati, mïmbïri s/uk.
ergerlijk, umistoolelijk, mïmbïri xjalf,
„tïmbêri walue.
—, Biecht van levens-
wandel, fia/ta bïrkafafioeKUit, dïngan
risau, dïnyan tiada sanoenoeh.
ergernis. .</W*. Ar.— wrok, sakit hati;
alle — vermijden, méndjaoehkan sïyala
pfrkara juny bvlih wtf.mftri sjak.

geven, mïmbrri sjak.
ergje, nijaf, Ar, b.v. dat is on een —,
aila djoega nijatnja.
erkennen voor. belijden, oiïiiyakoe, b.v.
iiiaka kata Sjahbaaday.- a puf ah saïahnja
jang anajekue laïngakoe akan hamba.
bapo,
eo. de hinenmee>ter zeide: Wut
zou er tegen zijn, dat mijn zoon mij
vuor zijn vader erkent; elk. voor broi-
ders —, \'\'■(,■(//■■\'■■■". saoedara; zijne
fouten —, mïnyakoe saïahnja ; iets vooi-
het zijne—,voor zijne rekening nemen,
voor het zijne uitgeven, mïnyakoei, ook
mïnyakoe, b.v. slechts één pijl heelt den
neushoorn getroffen en hondeiden eiken-
DQI hein voor den hunne, panah ha-
vjalah sahatany djoeya jany mïvyïnai
baifafc itofi, akan jany mïnyakoe dia
btratoet-raioet banjaknja.
—, onder-
scheiden, mïnyïnal, b.V. djauhari djoeya
jany mïnyïnal manikam,
slechts de ju-
welier erkent de juweelen. Sprw. —,
iredenkeo, tïrkïnanykan, tersedarkau,
tnyat akan
(Nlt. deze drie woorden bc-
1 et kenen letterlijk: gedachtig zijn aan)
b.v. wij — uwe weldaden, kamt ftr»
kïnanykan {tïrsïdarkan, ing at akan)
sïyala kabadjikau toewan.
erkentelijk, zie danktiaar.
erkentelijkheid, zie danhbanr-
heid.
erlanitbnar, tïpïiolik, tïrdapat.
erlangen, bfrotih. mfndaji\'f.
erlanging, pïrol/han, pëi dapafaa,
ernst, soengg. eh, soenggoeh hati, jal\'iti,
Ar.: met —, dïngan soenggoeh hati,
dëngan jakm;
met — zich op iet* loe-
lcirgen, mëjalrinkatt; in —, ernstig ge-
meend, soenyyoeh, dïngan soenggoeh,-
in — opnemen, niïnjoenyyoehkan, më-
ja/cinkan.
ernstig, soeuygoeh-soenyyoek, dïnyan
soenyyoeh-suevygueh.
—. van belang van
een geschil, birdalam-dalam.
erneitigiyk = emutig.
erin, t,\',tah tamhnny; de onsmeitbnre
deelen van erts, amany, tinerts, bidjih,
ook erts in het algemeen, namel. de
Bmeltbare deelen, tegenover amauy, de
ousmellbaro.
ertsader, zie bij ader.
ervaren, bedreven, panda/, toekang, pa-
tjak, fa/w, f\'aJiaw,
Ar. b.v. ■— in het
schrijven, pandai mïnjoerat; zij had
een goed voorkomen, in het lnnd I>jo-
hor was niemand met haar te verge-
lijken, ook was zij zeer — (in de
weel\'kunst), lia\'ik roepauja, tiadalah
bandinynja dutaiam tanah Jijohor itoe,
lagi toekang.
—, iets ondervinden, >nï~
ngïtahoei,
b.v. soepaja dikïtahoei,rta
bêkas tanyatikoe,
opdat hij do klacht
mijner hund er vare.
ervaring, tahoe, b.v. hij heel\'t veel er-
varing (nml. in het vechten) lagi ba-
lijak tahoftija.
Ook tahoeitn.
ervarenheid, bedrevenheid ïn eenig
werk, kapandajan, katoekatiyan, b.v. ak-
ngatlah tjairau sïyala poeiert tatnma»
itoe niïlihat katoekatiyan Keu Indra
Lafrsmi,
al de gevangen prinsessen wa-
ren zeer verwonderd bij het zien van
de — van Ken Indra Lnksmi.
erve, zie erf.
erven, bïrulih poesaka, meneriiaa poe-
saka, mëndapat poesaka.
—, beerven,
hiëicaritsi, mtmpoesakaï.
erven, erfgenamen, sïyala tcarits.
erwt, kat jany. NB. Al wat tot het erwten-
en boonengeslacht behoort, drnnirt dezen
naam ; gekookte —en, katjung rïboes ;
gebraden —en, katjang goreng; groene
— en, katjang h\'tdjau. —en doppen,
mïngocpas katjang.
\' erwtenbed, petal; katjang.
erwtenlilnseer, soempttan.
erwterdop, koelit katjang.
erwtenmeel. tïpoeng katjang.
erwtennnt, ajar rïboe»aa katjang.
erwtenryp, pïndjalaraa.
erwtenBchil, koelit katjang.
-ocr page 217-
B08
erwtensoep — even.
erwtensoep, top kaljang.
escadron, pasoekan orang bêrkoeda,pa-
so\'kan ufan ij btriandara.
eweorte, pinghanfar.
csi\'orteewii, mïnghanlarkan. Al wat
geëscorteerd Wordt, haniara.i.
eskader, bilingia.i ungku/an laoel, bï-
luHjUin angkaian kapai pï-rang.
esplanade, iitltmtm.
esnayeeren, van goud, mi.it/oedji (van
oedji), mtnjoedi (van soedhi, Skr.).
PHSnyeur, pingordji, pênjoedi.
estrade, terras, lingkal; inet —s, her-
tingkal; de tweede en laagste — van
een balai, die als een breede gans; de
seri balai omgeeft en waar do mindere
hoofden, link», de geestelijken reent!
zitten, pesiban (van seba. Jav.).
estrik, batue oebin. Op Java djoebin.
eten, WW, ntnkan. Ook lig. in alle bctec-
kenissen. Van Vorsten, snntap; samen
—, makan sahidangan. Van Vorsten,
siuitttp sahidangan; samen uitcénscho-
tel —, makan sadaoen. Vim ^ orstcn,
santap sadaoen; van de mat, die on
den vloer ligt —, zonder tafel of eenige
andere verhevenheid, makan berleser :
met zijn velen — of spijzen, birmakan-
makanan;
stout—.schransen, pruimen,
bitah makan : \'s morgens —, makan pagi :
\'s
middags —, makan tengah hari;
\'s avonds —, makan petung; ten —
vragen, mï-manggil makan, mrndjPmpoef
makan;
smakelijk —, makan sedap.—,
zie ook hij snoepen.
eten, spijs, makanan. Van Vorsten, san-
tapan.
— in vernederende spreekwijze,
dus ook ala geschenk dat van de vor-
stelijke tafel komt of tot den Vorst
gebracht wordt, ajapan, b.v. dtbfrinja
patik ajapan boeboer,
hij gaf mij pap
te eten; hijarkan patik sakulian han-
tarkan ajapan toetcankoe pada sahari
ta\'ekoer binatang pagi-pai/i,
laat uwe
dienaren gezamenlijk Uwe Majesteit
het — brengen, eiken dag een dier.
\'s morgens vroeg. —, gerecht, opgedru-
gen —, hidaugan; het — opdragen,
vièngangkat makanan. Van den Vorst,
■mengangkat santapan; het — gereed-
zetten, mZnghidangkan makanan (san-
tajutn), mi-njadjikan makanan (santapan).
etensbakje, nap, këskoel, Ven,
ctensknst, almari makanan.
etenstijd, kêtika makan, ketika sanlap.
etenswaren, makan-makanan.
eter, ora.ni/ makan.
eterübuHH, kapala makan. pïmakan ; hij
is een rechte —, /ja pfmakan In-sar.
etmaal; sahari-samalam ; een zeereis vnn
zeven etmalen, pi-tajaran toedjmdi hart
toedjnelt malaiii lamanja; een halt\' —,
van vaartuigen onder zeil, lerang.
ether, lueht boven den danipkiinir. miasa,
angkasa, Skr.
etiquette, bïhusa, pirbPhasnini.
«■( tt-ljjke, bufiui\'i birapa. b\'tbïrapa.
etter, nanah.
etterac-litij», sarofpa dingan na.iah.
bagaikan nanah.
etterbuil, Htoel, btngkak btrnanah;
groote, stinkende —, fükoeug.
etteren, btrnanah, kaloeimr nanaknja.
ettersezwi\'l = etterbuil,
etterpis, limtjing In-rtjampoer nanah.
ctterprop van een gezwel, poennf.
etterzalx, kandomg nanah.
eunuch, gesnedene, orang kanjim, Ar.
sida-sida; dit laatste in die beteekenis
tegenwoordig niet algemeen verslaan,
europa, bïtioetca Eropa.
europeann, orang bPnonca Eropa, orang
poetih, orang përangki (Krank, naar de
Port 11 "reenen, die \'t eerst de Maleiers
bezochten).
euvel, kwaad, djahaf. —, ziekte, sakit,
pïnjakif; b.v. voet —, penjak\'tl kaki.
— duiden, goesar, b.v. u moet het mij
niet — duiden, djangan toeican goesar
ukan sehaja.
euveldaad, pPrboeirafan djahat.
euveltnoed, doerdjana.
evangelie, indjil, Ar. Het heilig —,
indjil alkaedoes. Ar.
evangeliedienaar, pundiia indjil.
evangeliedienst, pïkïsdjadii indjil.
evanselieleer, pingadjaran indjil.
evanjjelieprediker, orang lang ntt-
masjhoerkan indjil.
evangelist, pimbnntoe me"masjhoerkan
indjil.
even, gelijk, sama, sama djofga. —van
een getal, genap, b.v. — of oneven,
genap ataw gandjil, gPnap atatc gasal.
— als, in voorkomen, suroepa. — boog,
gelijk in rang van zitten enz., btrttm-
balan, b.v. — hoog zitten nis, doedoek
bërtinibalan dengan. —, zie ook pas*
sen en groot; om het —, sama djoega;
om het — welk, mana sadja, —, even-
tjes, sabPntar, stdikif; zoo —, beharoe,
blharoe tadi, bëharoe ini.
In de spreek-
-ocr page 218-
206
evenaar — fabriekgoed.
gebruikt. —. intusschen, dalam pa da
itoepo/i. —, er is echter een kleine maar
bij, sPdiktfr/ja, aka/t fPlapinja.
evenwicht, timhauyaii; niet in—, over-
hellend, scheet\', imbat. —, gelijk in
zwaarte, sama bPrat; het — verliezen,
Itilauy tiiabanyaa.
evenwijdig, sama djarafcytama djaoch.
Zie ook parallel,
evenzeer, sama, b.v. beitien — mannen
van aanzienlijke afkomst, kadoeicai/ju
sama oratiy bërasat.
evenüoo, bayitoe djoeya, dPmikian pon.
ever, everzwijn, babi hoetan.
excellentie, srri padoeka loetran.
exconununireeren, mPiiyihramkan.
escuuH, zie verontschuldiging.
exerceeren van soldaten, mPmbaris.
exercitieplein, a/edau, timpal orany
èPrbaris.
expeditie, volle uitrusting, sPmbPrap;
militaire —, unykatan përany, kalavy-
kapaa pPrany.
extract, uit- of aftreksel, het fijne, de
qu int essence van iets, soelalat. Ar.
ezel, kaldai; in tegenoverstelling of ter
onderscheiding van ezelin: kaldai djan-
tati: schilders—, koeda-koeda penoetis
yam bat\'.
ezelachtig, bayaika.i kaldai, sappfti
kaldai. —, dom, bodoh, bP.bat.
ezeldryver, yo/./bata kaldai.
ezelin, kaldai betina.
ezelwhoofd van ma^-ten, karpoes.
«•zeisveulen, anak kaldai.
ezelswerk, pPkPrdjaaa jany saaijat
pajah.
B\\
faam, roem, yah. —, gerucht, tijding,
c/iabar, Ar. tearla, bërita; te goeder
naam en — bekend zijn, tirmasjhoer
aamauja dan kalakueurannja.
fabel, tjP.itira binatany.
fabelachtig, onbiMuanbuar, lauykara.
—, leugenachtig, doesta.
fabrieeeren. mïmpPrboeicat,
fa.Y»rW\\\\,pabiïik. Dit woord wordt sleebts
gebezigd nis er geen ireschikt Mnlei-ch
woord kan gevormd wolden, zooals b.v.
suiker—, penyyiluiyau IPboe, lettel 1-
suikerriet-molen: olie—, pPuyapdau
mi-ijak,
letterl. olïeperserij.
fubriekgebouw, yêdueay /-afar/k.
fuhriekgoed, barwiy-barauy pabPrik.
taal op Java ook baruesan. — alsof,
sa\'ufah-olah, sapèrti maua. — oud, sa-
ma u-moer.
— zooveel, sama batijak.
—   zitten, doedwl\' sabe/itar; zoo —
kwam bij, bêharoe ija dmtm*g, het \\>
mij om het —, kapadakoe sama djoeya.
—  alsof hij vliegen wilde, sa\'olah-oiah
hPadak ti.bany tasanja;
het zag er
ongeveer — ais eene kip uit, sa\'akau-
akan hu jam ruepanja
; wacht —, aauti
sakêdjap, nanti sabPitfar.
evenaar* van een weegschaal, lidah
timhanyan.
—, evennuchtslijn, chafoe\'l
istiiva,
Ar.
eventiardig, sama përi, sama fabiitt.
evi\'iials. sapp/ti, laksaua, Skr. pënaka,
ook maiia sapïrti, saroepa, aulakoe.
dit, sapPrti tui, saroepa tui, satakoe itii.
evenaren, mPiijamdi \\van sawa), b.v.
niemand evenaarde de prinses, sa\'orautj
pOii tiada mtHjUmaï twican poeltri.
evenbeeld, tarn, baadiny, ïmbas-imbas,
ook tulok; b.v. zich met zijn — ver-
gelijken, bïrt\'mbany sama satolok.
eveneens, wn, b.v. — niet op hun
gemak, sama la\'sPtiaity,
evengel\\jk, sama; b.v. —e macht, sama
Loeii-asniija.
evenen, mPralakau.
evengoed, sama, b.v. zij is — een schep-
sel als hij, sama kadjadiati dPayandia,.
evenmatig, sama, sama oekoeran.
eveniuensch, sama manufsia.
even middel puntig, sama poesat.
evenmin, dïmikiaa pon iidak.
evennachtsiyn, chattoe\'listitea, Ar.
evenredig, overeenkomstig, saloedjue
dtayan, sak-ëdar.
—, van gelijke waaide,
sama harya, — veideeld, dibëhayi rata.
— nanr ieders beboette, sujrPdar ma-
s\'tuy-masitiy bPrhadjat.
—, in de juiste
mate, middelmatig, seduny.
evenredigheid, kPdar, Ar.; naar —
hunner daden, sakëdar pirboexatan
wareka*itve;
in - , dPtiyau safcPdarnja.
evenljew, sabvufar, saki-djup. (Jok //»*•
tjah, b.v. waarom komt ge slechts — \':
mPnyapa satjPfja/t satlja dataay f
evenveel, sama banjak-, b.v. allen krij-
geu —, saniS:H.ttaja mindapat sama
baajai-,
—, om bet even, sama djoeya,
b.v. dat ts mij —, kapadakoe sama
djoeya.
evenwel, doch, iëtapi, akaa tPtapi, aka:t
titapiaja, lak\'m.
Ar. en —. icatakiu.
Dit lnutbto wordt slechts in brieven
-ocr page 219-
207
fabrikant — fazanthen.
fabrikaat, fnbriekwerk, pvrboeicatan
paSërik.
fabrikant, tevens hoofd van de fabriek,
djoeragan. pabtrik.
factoor, opziener van den handel,petor
(Port. feitor).
factorü, handelskantoor, door de O. I.
Coinp. overal in Indïc op de voornaamste
kustplaatsen aangelegd, kapttoran, lodji
(verb. van loge).
factuur, daftar baravg-barang dagangait.
failleeren, djatoh, b.v. die Koopman is
gefailleerd, saudagar itoe soedah djatoh.
failliet, soedah djatoh.
fakkel, van hars, pidamaran. Meestal
kortheidshalve damar, dat cigenl. hars
beteekent. Op Java obor, Jav. —, niet
van hars, maar van vetten enz. gemaakt,
toelofh. — gebruikt door de bijenjagers \'
of honiginzamelnars, soeloeh toenam;
groote —, bij de orang Inoet in gebruik,
mandjoeng. Met zulk een — vischvan-
gen, mtmanoUoeng; tot — hebben, tör- |
damarkan, bïrsoeloehkan, b.v. tidoer t
bïrtikarkan boemi, berst\'liiaoetkan langit,
bï.bantalkan akar, bïrsoeloehkan boetan,
bïrtemankan binatang koetan,
slapen met
den grond tot slaapmat, den hemel tot J
deken, boomworlels tot kussen, de maan
tot fakkel en de wilde dieren lot ge- !
zeltchap.
fakkeldrager, orang jitmbatm damar,
o. p. soeloeh.
fakkellicht, tï.rang damar, drang soe- \\
lach.
falen, missen, tiada djadi, icoeroeng, j
ba/al, Ar. Doen —, mtmbafalkan; dat
kan niet —, ta\'dapat tiada djadi
falsaris, orang chijanat, orang tjoelas ]
hati, orang palso, —, die valscbbeid
in geschrift pleegt, orang jang met/go- I
bahkan sawatan, o. j. mvniroe soeratan. I
—, oplichter. pïnipoe.
■ iNitcit, nagemaakt handschrift, t\'troe- j
tvan soeratan, obakon soeraian. —, val- ;
sche handleekening, tiroewan tanda >
(angan, toekaran tanda tanga*.
\'■imiliaar, intiem, jrarib, Ar. ramah.
—, gemeenzaam zijn met minderen,
bïramah-ramahan, Inrdjinak-djinakau, j
familie, sanak\'saocdara, bangsa, kocht\'
irarga,
Ski\', k-aum koelawarga, hoela- i
i\'utngsa, Skr. koelusïutana, Skr. zelden;
dik in zijne — zitten, saoedaranja U\'bal.
— van planten of andere voortbieng-
selen der natuur, bangsa, b,v. van de ■
—  der kokospalmen, daripada bangsa
njioer;
van de — der elften, daripada
bangsa th-oeboek;
vun de — der paiie-
gaaiin, daripada bangsa noeri; van do
—   der dwergherten, daripada bangsa
petandoek;
van de ■— der diamanten,
daripada bangsa int au. Zie ook bij
soort.—, zie uok verwantschap.
familiebetrekking, in — zijn of staan,
daripada sanak-saoedara, daripada kir urn
koi\'/aicarga enz.
familieiyn, galorr, toesoer-galoer. —,
gcaiachtslijn, geslachtBketen.it\'/tt/oA, Ar.
familienaam, nama usal.
familieraad, bitjara si-gala kauia koela-
tcarga, bitjara stgata tanak\'Saoedara.
familiestuk; oud —, erfstuk, barang
poesaka.
familie verdrag, pïrdjandjian ik-anm
koelairarga.
fantasie, voorstellingsvermogen, ckajdt.
farizeër, orang farisi. —, huichelaar,
orang tjoelas hati, orang movnajile, Ar.
orang poera-poera.
farizeesch, huichelachtig, poera-poera,
tjoelas, moenajik, Ar.
fat, modegek, pesotik, ptngadoen, orang
antoen.
—, Leeglooper in de ilecatute
beleekenis, orang perlhitai.
fatsoen, vorm, roepa; van nicuwtr-
wetsch —, matjaai béharoe. —, voim,
van een kleed, potongan, b.v. het —
van dit baadje is niet goed, potongan
badjoe ini ta\'baïk;
zijn — weten te hun-
den, taboe laelakoekatt diri\'ija dengan
sapertiaja.
—, zie ook fatsoenlijk,
fatsoen*-eren, meroepakan; een beeld
—, laéroepakan soeatoe patoeng.
fatsoenlijk, tahoe behasa, fjara behasa,
tahoe adat;
een — man, orang ba\'ik,
orang haloes.
fatterig, pronkerig, pZsoli/c. —, kwnste-
rig, gadoek1. —, leegloopend, in de
slechtste beteckenis, ptrlëntai,
fauteuil, koert* (angan,
favoriet, het meest geliefkoosde kind,
timang-tinianga h ,
fazant, boeroevg ioetcatt; de argus—,
koeicau btsar; een andere soort van—,
koeteam ranting; een soort van — zoo
groot als een halfwassen kip, boeroevg
pï\'gar
; een andere soort van —, boe-
roeng toegang;
nog een ar.dere sooi f
van —, boeroeng boeboet.
fazanthaan, koewatt djaalan.
fazanthen, koeteau bïtina.
-ocr page 220-
2U5
fazantenneat — figuur.
dat is een —, soe*>ggoeh-soenggoeh ba-
gitoe.
feitelijk, werkelijk, soenggoeh-soenggoch,
fel, hevig, keras, tomaat. —, vurie, vin-
nig, galak. —, sterk, koeicaf, gagah.
—, wreed, onmecdoogend, beugis, ga*
rang, boewas.
—, ruw, onbeschoft, ka sar :
een —Ie koude, diagin kPras, stdjoek
saugaf;
een — vuur, ap\'i jaug galak,■
een —Ie leeuw, singa. jaug garang.
siiiga jarig boeicas;
een —Ie kerel,
orang gagah. — stekend, van wonden
enz., pïrih, p$dih.
ielieiteeren, wtëmSUri salamaf; met het
nieuwe jaar— , mimbiri salamaf tahorn
bïharor.
felpt zie fluweel.
feniks, de vogel, bofroeng pingai. Naar
dezen vogel heet een der Malcischc ge-
dichten Sjair boeroeng pingai.
ferm, tlink van voorkomen, sekah, tam-
pan.
—, stevig, stout, sangkoen. —,
moedig, bïrani. —, opperbest, balk sa-
kali,
b.v. dat is —, batk sakali Hoe;
houd u —, hitndaklab ï\'ngkau Krant.
ïerman, schriftelijk bevel des Sulthans,
jirman, Perz.
fermeteit, vastheid, katelapan. —,
moedigheid, kabvrauian.
lt\'rmoor, puhai besar.
iernninbuhhout, mul. dat wat van
de kleine Sociula-cilanden wordt uitge-
voerd en bij ons hekend staat onder
den naam van lappanhout, kajoe sï\'paug.
icsiijn, pérdjamoewan makan minoem.
festoen, kurangan boei/ga, boenga dika-
rang.
festonneeren, mttvjoedji (van soedji).
fez, kopiah, verb. Ar.
fïacre, kareta sewa.
flat, ba\'iklah, biarlah.
fielt, oraag rïsaa, orang perlentat, orang
gaibatia, baugsat.
l\'ull «tist uk, liïkvrdjaaa orang r\'tsau,
p. o. pPrlenfai,
fier, trotsch, kafjak, haft besar.
fierheid, kafjak, kaMsarun haft.
flsuur, gedaante, voorkomen, roepa.—,
lichamelijke gestalte, sikap; zijne —
goed doen uitkomen, mewbof\'icatig s\'kaj>.
—, teekening, pï-fa, gambar; geteckende
fiiïiircn, boenga-boenga, bloemen, ook al
zijn het ligurcn van dieren, b.v. dari-
paria lajaug-lajang ifoelah asalnja ako<\'
fahoe uiKHoelis boenga-boenga dan gam~
bar-gambar,
oorspronkelijk is het van
fazantenncst, sarang koeicau.
fazant** veer, boeioe koeirau.
februari, boekt* petöérwari.
fee, toovergodin, pi-.ri vorb. Perz.
feeks, prrampoeican djahat. pïrampocican .
.udiil. përaatpoewau bent/is.
feest, gastmaal, pérdjamoewatt. —, dag
on nacht, djof/a-djaga; godsdienstig—,
bestaande meestal in een zrooten maal-
tijtl voor de armen, sPdëkah, Ar.-, de
—en, die het vasten in de maand Ba-
medlan voorafgaan, barkanclan, Perz.
— bij het einde der Vasten, a/fifr, Ar.
—, partij bij de Europeanen, pisfn
iverb. van het Port. festa). — van het
buikbaden, van ecne vrouw, die voor
het eerst zwanger is. mandi fian. — op
den 40*tc» dan na de bevalling, balas
bidan;
doodenfee.-t, sidékah arirali, Ar.
feestdAft, hari raja, hari bïsar,- een —
houden, bi-rhari-raja, bïrhari-be.sar.
feestdos, feestkleed, feestgewaad, jw- i
kajan kart raja, pt-rhiusun hari raja.
i\'i\'i\'si i\'li.jU. plechtig, afamat, Ar.
feest«enoot, djamoe, orang djamoe
feeathouden, dag en nacht, bt-rdjaga-
djaga.
—, de toebereidselen maken voor
het groote of slotfeest, bvkïrdja.
i\'T-,i i n;i:il, ramai-ramai makan minoe.m,
pérdjamoewan hari raja.
feestof Ier, ptrsïmbahan pada hari raja,
korban pada, hari raja.
ieestty»!, trtasa hari raja.
fuestvieren» berburi-raja; dag en nacht
—, bïirdjaga-djaga. —, de toebereidse-
len maken voor het slotfeest, bï\'kerdja,
feest vierinjj, kï-rdja; b.v. waarom is
het hier zoo vroulijk? Er is eene —,
uiengapa dismi ramai bagitoe ? ada
kvrdja.
feil, fout, misslag, sa/ah, cbiluf, Ar.; nis
hij —en mocht begaan, moge Mijnheer
het hem vergeven, djikalau ada sa-
f ii h
tt ju h V,/ du ir lab totnvan tn ï-ugampoc» i
dia;
of: djikidan ada chilafaja, heudak-
luh toPKan maïifkan dia.
feilbaar, dapal bïrsalah, dapat bl-rboncat
salah.
feilen, eene fout of misslag begaan,£eV*
salah. bPrboewat salah, bhbwtvat chili!/.
—, dwalen, stsat.
feilloos, soi\'fji daripada salah, soetj\'t
daripada chilaf.
feit, daad, fiïrboêwatan; een slecht —, i
p\'vrboetcafan d/abuf, kadjahatan. —, \\
werkelijkheid, soeuggoeh-soenggoeh, b.v. \'
-ocr page 221-
•>0<J
flsuuriyU — fiool.
die vliegers, dat ik figuren en beelden
kan teekenen; maka dut tuig sa* orang
boedak Kindak mrmbeti itoe koetanja
"/<" tngkatt maoe boenganja,
als er MD
jongen kwam om te koopen, vroeg ik:
welk — wil je er op* de figuren op
geweven stollen, uiata kaïn; een soort
van — op koins of bij snijwerk, slangs-
wijze naar beneden loopend evenals
druipende hars, du mar tirii; een soort
van figuren op doek of ia snijwerk
gelijkende op de bladoren vnn den
heiligen vijgebooin, daoen boedi; door
fikander geslingerde —, arabesken,
selimpat; een mal — maken, b.v. door
mistrouwd te zijn, kadjemalan; een
iünk, ferm —, houding, b.v. van mili-
tairen, tam pan. — in de redekunde,
oepama, Skr. ibtirat, Ar.
ii:_:inuirl\\jlt, dïngan oepama, dengan
\'tbarat.
lij melaar, femelaar, schijnheilige, orang
moenajik.
Ar. orang poera-poera.
fijmt\'IarU* poera-poera, ni/ak, Ar.
fljmelen, poera-poera.
üjmelltouH, tcutkous, pX-lambat.
fijn, dun, haloes. — garen, benang ha-
loet.
— papier, kar tas haloes. — tot
stof of poeder, loetoek, loemat; geheel
- in dien zin, hantjoer loeloeh, loemat-
loemat.
— al- meel, zeer —, peloes,
b.v. tanuh lijat jai/g peloes, zeer fijne
klei, pijanrde. —, b.v. van den regen,
de bloemen in katoen enz., rï\'itik; zeer
—, b.v. vnn nnnlden, korrelige din-
gen, de stem enz., ook van de scha-
kels eener ketting, sPni, b.v. saboewah
pi/au di-isinja deitgan djaroem seni-
sent jang berkarat,
een vaartuig weid
gevuld inct zeer fijne, verroeste naal-
\'Ifii. — van een geluid, langst. —,
net gewerkt, beschunfd, aristocratisch,
anggoen. —, het fijne bestanddeel
van iets, door persing, kokiag, ver-
dniuping, rasping, uitwussching enz.
verkregen, pati, b.v. ilt-ambU jmtinja,
diboeicang liaiupasnja,
het fijne ervan
nemen, het grove wegwerpen, Sprw.
— e waar, uitgelezen of keurige dingen,
pïntingan. —, dun, van platte voor-
werpen, tipis, nipis. —, zuiver van
metalen, soetji. —, vroom, salih, Ar.
—, zie ook dun.
fijnanrd, orang moenajik, Ar.
tljnhakken, b.v. van vleesch, nrêntjen-
tjang.
— van hout, memb\'ëlah-be.lah kajoe.
fijnheid, fijnte, = fijn.
Üjnknppen = fljnhakken.
fijnkauwen, mïmamah haloes haloes.
fljnmaken, mtnghaloeskan, uit-\'loeloeh-
kan, meloematkan, nte/tghanfjoer-loeloeh-
kan, iiirnipiskan.
Zie het verschil bij
fijn. — van de oppervlakte van iets
door wrijving of schuring, b.v. hout
met politoer- of schuurbiczen of schuur-
bladen ol\' schuurpapier, mïlampas. Op
Jnvn ri/npélas, Jnv.
Il.j 11 ii Kilt* 11, inïnggMng haloes-haloes,
menggiliiig loemat-loemat.
fijnm*hilder, pPnoelis gambar, ptnoelis
péla.
fijnslnan, vergruizen, menghanfjoer-loe-
hehkan.
fijnittnmpen, b.v. kotiie enz., metijer-
boek
(van ser/wek), mtuoeiaboek haloes-
haloes, mPnoemboek loemat-loemat
(van
toe ui boek).
fijnte = fijn.
fij ii t ra pi >c ii, mP midjak-mtdjak sampal
hantjoer-loeloeh
(van pidjak).
j HjnwrUven, duor rolien, zooals op den
wrijfstcen, mPiiggil\'nig haloes-haloes.
op een steen ook méngasah; met iets,
b.v. met een lepe! of een stuk kokos-
dop —, ntPlitjik. —, b.v. de Spnansehe
peper enz., memirik (vnn ptrik).
fijt; do — in do \\ingers, kPloeroef,tjagoe.
fileren, (link, ferm van voorkomen, se-
kah, lampan.
—, vlug, pantas.—^\'el-
varend, gezond, vjaman, sehhat. Ar.;
ik ben niet — , niet wel, sthaja tiada
sedap;
een —e klap om do ooren, tam-
par jarig keras, tPmpeleng j. k.
filtreer, filter, penoeras, pPitapisan, si-
ringan.
Op Java saringan, Jav.
; filtreerdoek, kam penapis.
flltreeren, mPnueras (van toerus), mena-
pts
(van tapis), mettjiring, op Java nja-
rittg;
het gefiltreerde, foerasan, lapisan.
filtreer papier ï kart as penapis.
Ilnnnciün, oewang kompani, oetcang
goejiPruPmen, chizanah goepPrnemen, plr-
ht\'itdahartuïn kompani.
financieknmer, kantor oetcang.
financiewezen, pPmerentahan, pPrbPa-
tlaharaan goepPrnemen.
fineeren, goud en zilver louteren, niP-
itjoedi
(van soeddhi, Skr).
, fine er der, louteraar vun goud of zilver,
penjoedi.
fiool, tlesch met lungc-n hals, serahi (Ar.
sirahi). —, zie ook viool.
U
-ocr page 222-
210                                       firmament — flikkeren.
firmament, tjakrawaïa, Ski\', letterl. de
omloop der hemellichamen. —, hemel,
langif, b.v. de sterren aan het —, se-
t/a/a bintang dilat/git.
fiftknal, otlicicr van justitie, pPgatcat
jttvy mPndjaya oendauy-oendamj.
De
algemeen gebruikte naam daarvoor is
piskul, als het een Europeaan, djafrsa,
nis het een Javaan is.
flabberen van den wind, sPpoaci-se-
porui.
flacon, fleseh met langen bnls, sPraki.
fladderen, wapperen van vlaggen of
wimpels, bPrkibaran, —, van een zeil
of vlag, gttebar, —, laag bij den grond
vliegen, tPrbang mPlufa-lata. —■, van
een vogel, die wil opvliegen, tirep,
mPnggPIPpar,
b.v. die vogel fladdert,
maka boeroeng ilofpon mPuyyvlvpurluh.
van afhangende slippen cu deig.,
sitir-soemilir. —, zooals vlinders, wX-
ngafueny-atoeiiy
; fladderend naai bene-
den komen, zooals b.v. eene vlag, waar-
van de lijn gebroken is, een kleed, zeil
enz., mendyPrbak. —, spartelen, zooals
een geslachte kip, kPJorpoer, gelepar,
mPnyyPIPpar.
—, overal vliegen, tér-
bang sana sitii. —, klapwieken, mPnyP-
pak-nyPpaHan sajup
(van kt-pak).
flatjeolot, soeliny, sProe/iny, banyti; op
de — spelen, bPrniaïu soeling, bPrbuugsi.
flambouw, zie fakkel,
flanel,
kaïn panas, kaïn pPlanvl.
flanellen, kaïn panas; een — hemd,
bad/ar kaïn panas.
flank, sabPluh, pehak, sist; uit de —
marcheeren, bPrdjalan téroeng.
duns.\'u, Bmijten, mPnfjampak.
flap, klap, zie oorveeg.
flappen;
een Happend geluid maken,
KOOala boeken die op zijde vallen,kPlPpak.
flapuit, lungtung, woefoet botju), orang
pileti-r, tig. ph/jurk liris, lekke pol.
flarden, lappen, pPrtja-pPrfja; aan —,
rompang; met vertchaideaheid,rompamg-
ranipiny
; gescheurd en aan —, htijak\'-
rubit, tjobar-fjabir
; in — nedcibangen,
zooals b.v. een kleed, zeil, touw enz.,
djPrubui, bPrdjPrabai; aun—, aan stuk-
ken, ook huntjai.
flater, salah, chiliif, Ar.
flauw, smakeloos, ia/mar. —, zonder
smaak ol\' geur, b.v. van spijzen, tabak
enz., ambor, fjampah. Mei verscheiden-
heid, fjampah-ambur. Ook hambur. •—,
hongerig, bhlapar; ik ben —, ptioet
sPhaja lapar. —, in zwijm, pinysun,
moertja,
Skr. kilangar, beliausj. — vnn
bloedverlies, ook vnn het zien van
bloed, mabok (tarok. Zie ook wee.
— ziehtbuar, door den verren afstand,
rPdam. Zie ook bij zichtbaar. —.
Ilets van kleur, poedar, b.v. sakalimt
boengu-boirnga dulam taman itoe sa\'o/a/t-
ulah pofdarla/t v:arnanja,
\'t was alsof
al de bloemen in dien hof flauw i^tlets-j
van kleur weiden. —, zonder energie,
balt\' van een maatregel, handeling enz.,
bhivjai; een werk —, niet met lust,
behandelen, er mee talmen, mPnjam-
balnca
Met dir. obj. m~Pnjamb.Ji-mil.an
(van sambalewa), — van handelingen
ook IPmbek. van vuur, rPdoep, b.v.
toen bet vuur — geworden was, sufp-
la/i ridoe^ilah api Hoe.
—, zwak vun
den wind, sPpofiri-sPpoeict, IPmah-lPm-
boi\'f,
— in het branden, b v. van eene
lamp, malap, b.v. die lamp is allijd —
in het branden, pelita itoe stlalue ma-
lap;
zieh flauwtjes heen- en weer be-
wegen, zooals b.v. de Landen van
iemand die verdrinkt, eene vlag bij een
flauw zuchtje enz. kapai. — vun een
gesprek, kosong. ■— vun glans of licht,
sur ram.
flauwerd, ptuakoet.
Hauwhnrtis, tatcar kali, fjtibar.
flauwte, pinysun, mwfja, Skr. Zie ook
beroerte; eene — krijgen, flauwval-
len, rPbu/i pinysun, mwfja.
flauwlje*, van den wind, sepotivi-st-
puKici, iPmah-lvmbovt.
flectie in de spiuiikkunat, saraf, Ar.
fleemen, mPmboedjoek. Zie flikflooien.
fleemer, pPmboi djork.
fleemervj, pPmbordjoekan.
fleenitons, liduli pPuiboedjorik, moefoct
wanis,
ilescli. butol. — met dikken buik en
langen bols, slrahi, Ar. —, kulde!-
tleseh. peles.
fleseh kaleba». Jabot\' kPadi, luboe ajar
pan dak.
flets, bleek van kleur, poedar, poetjat.
— van gelaatskleur, poefjut. —, ver-
welkt, lajoe.
fleurig, lïisch,vanplunlen,tföf£<w, seyin:
flikflooien, fleemen, vleien, meniË/etj<di
(van ppfrf/e/i), mPntjaeinboe.
flikken, verstellen, mPmbaiki, mtuampul
(van tampal),
flikkeren, bPrkilat-kilat., tjerhng, f/P-
-ocr page 223-
— toeteren.                                        211
fluistcrdo bij ziehzelven; iumund iets
in het oor —, mtméüièi, b.v. olih S&ri
Unica Radja tlibtsiki loei Omar dika-
tanja sueatoe tjarf,
door Seri Dewii
Kadja weid heer Oiuur iets in het oor
gefluisterd, en hem een voorschrift lïe-
geven.
fluit, blaasinstrument, toetim f; op de —
spelen, bïrmaïn toeting; een soort vau
bamboezen —, tfroeling; een soort vau
bamboezen — met mondstuk als vau
een klarinet, tP/dam; een soort van
—je, geuiuakt van de geleding vun een
rijststeniiel, dPimfii —, boutsuians-
fluitje, pt/ësit; een soort van bambou-
zen —je, banysi.
fluiten, op de tluit spelen, bPr/naïn sor-
fii/g.
— met den mond, zuuder instni-
ment, bPrsiorf, ook van voirels en eeue
stoomfluit: lijn —, zooals lui Initjt)
van een bootsiuau. tPsit ,* een fluiteud
geluid maken, zooals een rotuu, wa:u-
mede men door de lucht sluat, iPsoft.
fluiter, vrang bPrmain soelivg. —alleen
met den mund, orany birsiwl.
liiiiivp.-i, pirmdinan toeting.
ftuUnpeler = fluiter.
fiukst, siyPra, tPktcs, sabPnlar djanya.
tlus, zooeven, fadi, bPharof Uu/i. —,
aanstonds, sabPutar, kPfak.
fluweel, belfdue (fort. veludoj. Op Java
btluedrue,- katoen —, bPIPdue kapa*;
zijden —, bPlPdoe suettra.
fluweelachtii», tapPrti beftdoe.
fiuweelen. Bijv. nw., bPltdoe, dari
bWdoi\'.
fluweelvinch, een soort van Indische
viseh, ikan bilP.doe.
flu\\veelvoi*el, een soort vun Indiseheu
vogel, botrrvng bPtêduf.
fniezen, bPristn. /ie niezen,
fnuiken, kortwieken, utPnn>tung buelun
xajap (van potvng): iemands tuucht —,
mPinatuhkan kuewasa vrang (van pat ah .
foei. tjih, hts. Op Java fjis, Jav. — in
kindertaal, djidji. — vun iel» zegircn,
mfndjidji; verfoeien, intntljidjikan.
foeileelijk, btH\'soekr takali, djahat sakati
run panja.
foelie, boenga pa/a. Op Java kPmbauy
pa/a. —, verfoeiiesel, ajaïpcrak, aja,-
rasa.
foeliën, nuinborboeh ajaf\'pfrak, ///?«.-
burbuidi ajar-rasa.
foeteren, bPrsornyuet\'Soengort, Zie ook
knorren.
flikkering
mYtrluny, (Pptrlaay fPperling; vmi velen,
liérkilatanlah; van vuur ook tjviuPrling.
! —, schilleren, gir/ap, gufwirtup. Vsa
vele voorwerpen, yoi-mtrlapan. Verder
ijtlang, yoftmlang; van alle kanten —,
•jilang-gof allang. — van du oogen, btr-
kt lipt
aan het — raken, tvrkitip. - —
voor de oogen, bPlau-bp/au, bPrpèndar-
pPndar.
— van een uitgaande kaars,
kPiip-kelip. — van het zonlicht op liet
water, ilau-ilau. —, zie ook ■eliitte-
ren en ^lin-lrrni.
tlilikerin;>, kilat; plotseling uitschic-
tende —, pantjar, tjPret. Hiervan tjfrel
bintang,
verschieten van eeue ster. —
voor de oogen, bvlau-bplau, bPntjar.
ilikkervuur, api jang bPrkilat.
flink, brui van houding ot\' voorkomen,
seka/i, tampon. —, levendig in bewegin-
gen en hundelingen, katjak: —, vlug,
patttas; in bet lezen of spieken, tantjar.
flits, zie iH.il.
flodder, brtjek.
Modderen, mpngaroeng hetje/c, berdja-
lan dalani befjrfc. Zie
ook wap-
peren.
)fo<lderkleed, pakajan jang tunggar.
Hodderkoutt, sarong kakijang tongyar.
—, morsige vrouw, pï-i awpoctcan kvtur.
HodderroK, orung koior.
tl oer», kaïn pirkabo-\'ngan
ilukhout; het IndUche —-, kajof ga-
hoes,
een soort van kurkhout, dut van
den poeluiboom kooit.
\'lonliernag, pPrmuta goeutirlapati.
flonkeren, gir/ap, gormirlap, Vun vele
voorwerpen, gotmirlapau. Verder gilang,
goeuiilang.
Vun nlle kanten —, gilang-
goftnilang.
— van sterren, juwcelcn enz.
ook yPrétap. ( zie ook flikkeren.
Honkerliclit, tPrang fjPutPrlaag, IPrany
bPrsiuar.
\'iiUri-si ar, bintang gerelap.
\'toret, schcrmdcgeD, pPdang terut-ni.
\'loret, hall\'zijde, tatPnyah soelera.
floret band, Jita satrngah soetera.
\'1 risMinl. vau planten, toeboer.
"otielje, hPhagian angkatan looft.
H<>u», uitvlucht, da/ih. —en hebben,
\'irdalih-dalih.
\'luim, kwalstor, dahak, Itnd\'tr, IPnder.
— en loozen, bPrdahafc.
\'luisteraar, pptttbi&ilf-bisijf.
"\'dateren, bpibisik-bisik, bPrkveto?-koe-
soet
ook bPrisik. b.v. mating-mating ber-
koetoe-koetoelah Mama thidirinja,
ieder I
-ocr page 224-
212                                                  fok fraai.
fok, voorzei], hijar toepang, lajar tering-
kei;
de groote —, toepang agoeng. •—,
fig. bril, tjervndn mata; de— opzetten,
pakai tjere ui in maia. Op Java kafjamitta.
fokkemattt, fittttg toepang, tiang hadap.
fokken, aanlokken van vee, memïliha-
rakan bmatang (van pïtiham, SVv.pari-
hara) inembiakkan binafang. —, een
bril gebruiken, b%fjereiititt-mata.
fokker van vee, orang jang mïmPdihara-
kan binafang, o. j. niendnakkan h.
fokkera, aadang-andang ioepang.
fok zeil, lajar tofpang.
foliant, kifab bt-sar.
folterbank, tfinpat terafoe (Port, traio,
pijniging).
folteren, mïnjiksdi, mensiasat, nihijang-
sarakan.
foltering», siksa, Ski\', sidsat, Ar. sang-
sara,
Skr.
foltertuijj, ptrkakat siksa, perkakas
sitisat.
fondament, grondslag, alas, kaki, kaki-
tembok;
het — van den godsdienst,
kek* tembok agama; het — van een
huis, a/us roemah, —, aars, pantat.
fonds, rentegevend kapitaal, pokok, po-
kok oeuang.
—, bedrijfskapitaal, mom/.
—, aanvangskapitaal, waarmede men
cene zaak op \'t getouw zet, pangkalan.
fondsenhouder, orang jarig e/npoenja
modal, o. j. e. pokok omvang.
fonkelen, bérkilau-kilaitiean.
fonkeling;, kilauican.
fonkelnieuw, beharoe sttkali, btharoe-
beharoe.
fontein, pantjaran ajar, pantjoeran ajar.
— des al\'gronds, pantjaran toeb\'tr.
fonteinader, maia-ajar pantjaran.
fonteinwater, ajar pantjaran.
fooi, drinkgeld, oewang siri/i, ikat tatigan.
foppen, bedriegen, wénipoekan, meiuper-
dajakan. —, wat wijsmaken, niamkan
angin;
gefopt zijn of worden, terkeva ;
niet gefopt kunnen worden, liada bolih
ftrkena.
—, eene poets spelen, weitje-
moe;
niet te — zijn, in dien zin, tiada
tersemoe
b.v. maka Utah Bat ara; ffr-
laloe fjeredik segala wang Malaka int,
tiada tersemoe olih kita,
en de Vorst
(van Java) sprak: Deze Miilnkancn zijn
ui te bij-de-hand, zij zijn door ons niet
te foppen.
fopper, penipoe, pemaïn angin.
fopperü, penipoewan, pemainan angin.
—, valschheid, keroh.
I force, gag ah; par —, dengan gagah,
dengan digagahi, dengan paksa.
forceeren, niïnggagahi, memaksa (van
paksa). Zie ook bij verbreken.
foreest, woud, rimba.
forma; pro —, poera-poera.
formaat, zie grootte, afmeting;,
gedaante enz.
formaatKe<;el, karfas jong lenneterai.
formaliteit, istmdat, Ar. in et plechtige
—en, dengan oepafjara, Skr.
formatie, kadjadian.
formeerder, schepper, jang mendjadi-
kun, chalik,
Ar. —, vormer, jang më-
roepakan.
formeeren, scheppen, niendjadikan.—,
een vorm geven, meroepakan.
, formidabel, haibat, Ar.
fornuis, dapoer, tanoer, Ar.
ibiscli. krachtig, koewat, Ar. —, gewel-
dig, gagah.—, hard, keras.—, gespierd,
tjegak. — van lichaamsbouw, papan.
— van de stem, gembira.
foranhheid = forsch.
fort, ko/a, benteng; beweegbaar —,kofu
mara.
forteres, koeboe.
fortificatie, vestingwerk, kota. Over he!
anioveeren der — van Malaka, dan
hal kola Malaka ilipeljahkau.
, fortuin, omtoeng; zijn — zoeken, mem-
bawa nasibnja, membawa oentoeng.
Zie
bij lot.
. fouilleeren, tafahoes, Ar.
fourier, poerir, verb.
fourneeren, aanvullen, nienggenapkan,
inentjoekoepkan.
, fout, sulah, childf, Ar. — in geschriften.
kasalahan; ook grulaf; allerlei —en.
salah-sileh; alles —, alles verkeerd,
strba salah. —, smet, vlek, gebrek,
tjela, tjatjat; iets in dien zin — vin-
den, iiiï\'.ntjelakan, mentjatjaikan; zon-
der —, tiada dengan salah, tiada ber-
salah;
de bestuursmaatregelen waren
zonder —, adat p\'sreutah tiada jang
gralaf;
zonder —, bepaald, stellig, ten-
toe, djangan tidak, lakan djangan;
toe-
vallig — begaan, fersalah; toevallig
een — bij het lezen begaan, tersalah
batja.
—, bankroet, soedah djatoh, b.v.
kedai Hoe soedah djatoh, die winkel
is —; saudagar bagitoe besar lagi soe-
dah djatoh,
zulk een groot koopman
en toch —.
fraai, elok, endah-cndaht bagoes, pirmat
-ocr page 225-
818
fraaiheid — futselwerk.
mtdik; een — gelaat, parus jang elok;
een —e klecding, pakajan jang endah-
rndah
; een —e hof, taman jangpermai;
een — hul», roemah bagors; een —e
en lieve knaap, boedak jang mot\'k;
MM —e stem, boeiiji soetcara jang
pfrmai.
fraaiheid, kaïlokan, ka\'èndahan, kaba-
fjorsan.
i ciiiiil.ov.iiuïislai-;, fratubosin indien,
porroe mala. Op Java pafrk, Jnv.
francaise, pi-rampoewan feranijis.
1\'rniu\'hemenl, (rroes-tvrang.
i\'mn<■ o, /1o da opahuja, soedah dibajar
opahnja, j/èranko.
franje, roembai-roemba\'t, djormbar, tjtla-
bir;
aan — afhangen, berfjelabir; een
zonnescherm met —, pajoeng tj\'elabir;
fijne, harige —, pluiê- of pluim—,
ramboe-ramboe. — voor gordijnen, ge-
maakt van planten-mergpitbolletjes,
soebang-sorbang; een soort van —,
tevens voorzien van mazen of netwerk,
gebezigd aan bedgordijnen, djala-djala,:
tntil—, pèrhiasan bt-hasa.
frank, bebas.
frank, de Franken, orang pirangki. Hier-
mede duidde men vroeger de Knropea-
nen in \'t nlgemecn en de 1\'ortugeezcn
in het bij/onder aan.
frankecren, manbajar opah pos de-
hoeloe.
franweh, feranijis, perasman.
frnnHfh; het —, de taal, b\'ehasa feran-
tjis, b\'ehasa pirasmati.
franschman, orang feranijis, orang
pi-ras man.
frankje; leven als vroolijk —, Hidoep
dtngan soeka-ria.
fratsen, kuren, tingkah. — hebben of
ranken, birtitigkah.
frej»at, kopal liga Hang, kapal bëlofl,
knpid pergat,
fret, kleine boor, goerdi këfjil.
irihkadil, gehakt, perikadel, kabab, Ar.
Irinch, koel, stdjoefr. — water, ajar
sfdjoek.
—e lucht, haica jang s\'edjoek,
—,
versch, tegar. — van lichaam,
tegar toeboeh, njaman. — van planten,
soeboer, segar. — maken, in dien zin,
menjegarkan ; met frisschen moed, d\'engan
radjin jang b\'eharoe,
i\'riechheid. — frisch.
trommel, k\'éroel. Op Java koesoet.
trommelen, kreuken, »iengèroet, meroet.
Op Javn m\'engoesoet; ineen—, samen —,
ver—, zie ald.; incengefrommeld, van
een zakdoek, stuk papier, toeti; eedraaid
inecngefrommeld, b.v. de punt van een
peperhuis, h-pot.
frons, rimpel, keroet, kedoet. — boven
den ncusworte), kedoe.1 autara lening.
fronsen, mei/geroet, inéngedoel\', meng\'e-
rennjit;
met gefrun-tc wenkbrauwen,
dengiut keroet keningvja,
front, moeka, hadaptm. — van meer
dnn een, die in beweging zijn, r\'empak;
in — mnrebeeren, bird/alaa sarémpuk,
frontlcren, grenzen, perhinggadn, /><\'-
minggir, batasan.
frontier plaats, n\'egari pèrninggaan,
niijuri pttiiinggir.
fruit, boi-tcah-bortcahan.
fruiten, biaden in vet, itièr\'endang; in
boter gefruit, dir\'e-idang dalam uiantega.
fruitkoopinan, orang m\'endjoeical boe-
wah-boewah.
fruitmand, um fruit op tafel te zetten,
rantang boeicak-bocwah, raga boetcalt-
boi\'Kah.
fruitmarkt, pasar hoêtOëk botwsk.
frultpan, belanga t/esi.
fruitsehaaltje, als vlechtwerk, ping-
gau beraga,
ir uit winkel, kedai orang maidjoetcal
boarak-boewak,
fuik; een soort van groute—, vnn rotan
of bamboe, boeboe; eene andere soort
van —, p\'engéreh; ronde — met een
of meer ingangen, loelah; eene soort van
zeer langwerpige —, kleiner dan de
lokah is de tettgkatak, tengkaloek ; eene
soort van kleine, pvramidale —, om
aan den mond van riviertjes kleine
visrli te vangen, lokak. Met zulk een
— visschen, mètokak; de drie afdeelin-
gen vnn een groote — heeton: de bui-
tenste, boenoeh loewar, de middelste,
boenoeh pari en do achterste, boenoeh
mati.
—en uitzetten, m\'énahan boeboe,
nifiia/ian lokah;
stnkketsel in den vorm
van een fuik, MU; eene andere soort
daarvun, brlaf \'empang.
xusilleeren, menderel, gefussilleerd, di-
derel.
fust, groot vat, pipa, tong bësar.
fut, fiada opa, liada tnïngapa, tjoema-
tjoema sadja, sia-sia.
futselaar, tulmer, orang pelambat.
futselarü, pèk\'erdjaiin lambat, p. sia-sia.
futselen, bertambat-huabat,
futselwerk, pekrrdjaiin jang sia-sia.
-ocr page 226-
au
«aaf —
saan.
over iets heen —, méUdoet dart atos ;
tegemoet — , pérgi bérléuioe, j*ergi ber-
djoempa;
een Vorst tegemoet — om
hem plechtig te ontvangen, mengeln\'-
eloekan;
iemand tegemoet — om hem
te ontvangen, pergi mendjempoet; op
den vijand af—, mendatanyi moetoeh ;
iets tegemoet—,menjongsong (van tong-
song);
op iets af—, een aanval doen,
menjeratig, ménérpa (van ter pa); v 1 u■_\'
in het —, pantas berdjalan; langzaam
in het —, berdjalan perlohaH-lahan ; op
Java berdjalan plan-plan ; paarsgewijze
—, berdjalan béraugkap; drie uren —s,
p\'erdjalanan liga djam; rivier opwaarls
—, moedik; rivier afwaarts —, mitir,
over land —, berdjalan darat; over
water —, berlajar; meer binnensland-
—, mendarat- naar huis —, poelang.
Alle — naar de plaats van al kom-;
is poelang; dus naar Holland — van
een Nederlander in Indic, poelang k«-
négari llolauda;
met iemand —, her-
djalan s\'ertti, ménjérfaï, méngikoet, lat-
ngiring.
Dit hangt af van den mag
des persoons, die medegnat en van heui,
die vergezeld wordt: over iets >mals —,
méniti, b.v. patali ranting diténgah rimba,
patah dit Ui malim Üiiidi,
het takje breekt
binnen in bet woud en Malim Saidi
gaat or over; te voet —, berdjalan
kaki;
barrevoets —, berdjalan kal\'
telandjang;
niet een vaartuig —, pérgi
bérpérahoe;
met een rijtuig —, pérgi
hérkareta;
te paard —, pérgi hérkoeda.
b.v. pérgi hérkoeda, poelang berlemboe.
te paard — en op een buitel thui^
komen. SprW.; te gronde —, hina.ia.
karam;
door het water of vuur, kreii-
pelhout, gras enz. —, waden, tnénga-
roeng;
ter bedrvaart naar Mekka —.
naik hadji, pérgi hadj. — van een
horloge, berdjalan. — van een vaartuin.
berlajar; onder zeil —, van wal ste-
ken, menoelak (van toelafr \\ dood—.
mati; uit—, van vuur en licht, padatn.
op en af —, ndik-tueroen ; in en uit —.
niasoek-kaloeirar; vooruit —, berdjalan
dehoeloe;
aan het hoofd —, ménghoe-
luekan, méngapalakan
(van kapata); len
strijde —, pérgi pérang; te boven —■
mélipoeti, ierlampau daripada. — op,
maken uit, dipakai, b.v. veertig piti*
(een tinnen muntsoort) gaan er op een
dollar, empat poeloeh pitis dipakai ia\'-
ringgit;
ook djadi, b.v. twintig maten
O.
cttaf, ongeschonden, volmaakt, êêMpocr
na, sampoen.
—, /onder gebrek, t\'utda
berfjefa, tiada tjdanja, t. ber kaf je taan.
naaf, gift, pemberian; van Goil, Vorsten
en aanzienlijken aan onderhoorigen,
iitii\'-ifti\'-i/iii, karoenia; van onderdanen
of geringen aan God, Vorsten of aan-
zienlijken, persembafian. —, zie ook
uan.11, heengaan, pérgi; van Vorsten en
aanzienlijken, betangkat. —, zieh be-
gevcn naar eene plaats ook menoedjoe,
b.v. negari jatig koetoedjoe, hrt land
waar ik heenga; pan/tor itoe menoedjoe
üingapoera,
dat vaartuig gaat naar S.
— tot, zich begeven naar een persoon,
pérgi mendapatkan. — tot, gaan up-
locken of bezoeken, ru personen en
zaken, pèrai mendapatkan. —, loo|>en,
berdjalan; heen en weder —, pergi-
datang;
de weg waarop men heen en
weder gaat, djalan pergi-datang; zijn
eigen weg —. pérgi kapadn djalannja;
heen en weder -—, ook bolak-balik,
poelang-balik, kolang-kaling;
voorbij iets
heen en weder —, laloe-lalang,- niet
iemand op en neder, in- en uit—, voort*
durend omgaan, bersapergi; op zijde—,
uit den weg —, menjimpaug (van tint-
pang);
aan den kant —, uitwijken,
mens/n (van tépi); naar den overwnl—,
meujabérang (\'van MÜntw); naar bin-
Den —, matoek, masoek kadalam ; rond-
om —, brrdjalan kofliling - voorop —,
berdjalan dehoeloe. — naar, in de rtch-
ting van, menoedjoe. —, zich begeven,
oui bij iets tegenwoordig te zijn. saleh;
nnur beneden —, foerven; naar boven
—, naik; van boord naar den wal —,
toeroen kadarat; van den wal nnar
boord —, toeroe/t kakapal; aan wal —,
naik darat; aan boord —, naik ka/m/:
een
ann een -, berdjalan bml/edjer;
een voor een achter elkander —, hér-
djalan ben\'joefjoek-fjoeljoek ikan,
d. i.
als aangui\'cgeii vissebe.n; berdjalan b\'er-
boent oet-boentoet, berdjalan sèmoel béri-
ritig;
voorover gebukt —, met de han-
den op de knieën, b.v. om ergens
onderdoor te komen, merongkok; op
vier voeten, of op bancen en voeten,
of op handen en knieën kruipend —,
uiérangkak; aan iets voorbij —,mélaloei,
-ocr page 227-
215
snnn.
traan er op een centenaar, doeica poe-
tot\'h gantang djadi tatoe pikoel;
acht
en twintig centenaars paan er Op een
kojan, doeica poeloeh doelapan pikoel
djadi tatoe kojan;
gij hebt gevlogen ea
ni«t gegaan, engkan tèxbang, boekannja
herdjalan-,
eer ik gegaan irai, kwam
hij. dehoeloe daripada (of taèitom) akoe
pergi datanglah ija; hebt gij dat boele
eind gegaan, soeilahkah engkan berd ja-
htn kaki sa\'djaoeh itoe
." niet — of
staan kunnen, fa\'da/>af berdiri ataw
herdjalan
,- ook tiada beyaja lagi, tl. i.
geen kracht meer hebben; waar ik ga
of sta, harantj dimana akoe ada; in den
pas —, herdjalan denaan sama langkah;
uit tien pas —, berdjadm dèngan tiada
MRM tangkah • met looden schoenen—.
herdjalan (of pergi) dëngan segan; op
rozen —, hidorp dèngan senang; hand
aan hand —. letterl. herdjalan ber/jê-
gangan tatigaii •
ook ni\'enjerta\'i fvan serta),
taèiigiringi;
gekleed —, bèrpakai-pakai;
komen en —, pergi-datang; de gaande
en komende man, orang pergi-datang;
iemand lalen —, toelaten dat hij ver-
trekt, mélepaskan orang pergi, memheri
orang pergi;
weer zijns weegs —, batik\'
knpada djaltmnja sendiri;
uit iemands
oogen —, njah dari hadapan orang,
lë/injap daripada pemandangan;
uit
werken —, pergi hékërdja, pergi meatje-
hnri
; als daglooner, pergi mëngueli; hij
gaat er mee, sterft er aan, ija kelak-
uiiiti olihnja
(uf olih sebahnja); door
den wtnd —, zwierbullen, kalakoewan
jang tiada berkëtahoean:
over een zieke
—, mëngobafi ora,ig sakit; over zaken
—, me meren t ah kan perkara; zijn weg
—, mënoeroet djalannja; naar zijn graf
—, hendak masoek kadalam jtoeèoer,
héadalr mendapatkan fcoeboer;
nnar zijn
vaderen —, ad patres, poelang karah-
mat Allah;
naar zee—, pergi berlajar;
in het veld — , gaan jagen, pergi ber-
hoeroe;
in de wereld —, in gezelschap
komen, pergi berdjoempa orang; in hut
gericht —, pergi berhoekoeia; op de
flcsch —, bankroet —, djatoh; op school
—, pergi betadjar, pergi mVngadji; op
weg —, b\'erdjulan. Vun Vorsten en
unnzienlijken, herangkaf; op visite —,
pergi tnëngoendjoengi (van koendjoeng);
aan tnfel —, doedoek makan ■. ten grave
—, mënoedjoe koeboer (van toedjor); te
water — loeroen kadalam ajar; te lijf
—, mener/Mt (van tér pa); te rade —,
aiinla bit jam; ter rust —.pergi tidoer,
pergi beradoe;
onder dienst —, masoek
toldadne;
oio zeep —, ntati; de pomp
gaat niet, pampa itoe tiada membefi
ajar;
het gaande werk, b.v, vau eene
uiuchine, pesawat; er gaat ecu Uooge
zee, ada geloembang besar; hel gerucht
gaat, ada chabar anginnja; gaan vóór
iels, vouralgaan, atentlehmluii; daar gaat
t.en schot, ada hoenjt urang menemhak;
goed vau de baud —, iets goed kun*
uen, pand at, tahoe sakali; niet goed
v an de hand —, tiatta tahoe, tiada
iiiasa;
uit iets —, kaloeicar; uit het
geheugen gegaun, hitang daripada per-
tngatau
; zijn blik laten — over, mè-
lihati;
deze weg gaat door het bosch,
djalan ini teroes daripada Aoefan,- door
de ziel —, snijden, tér makan dalam
hati;
door het hoofd —, vergeten, ter-
luepa,
b.v. die zaak is mij door het
hoold gegaan, terloepalah sthaja akait
perkara itue;
zijne gedachten laten —
over, herpikir-pikïr akan. —, hnndelen
over, üari, peri mengatakau, b.v. bet
derde lutuldstuk gaat over de plichten
der ministers, fasal jang katiga itoe
dari perkara jang iradjib atas tegaht
manteri,
of pen mengatakan perkara
\'tang ivadjib atas segala manteri;
te
hoog —, boven iemands begrip, tertaloe
tinggi;
diep —, vmq een vaartuig, ma-
kan dalam;
naar den grond —, naar
den kelder —, naur de haaien —,
tenggelam; deze Weg gaat naar N\\,
djalan ini djatoh ka negari S, — in,
van eea kogel of steekwapen, loet, ëloel;
in de rondte —-, berpoesing-poesing. üie
draaieni aan —, beginnen, moeldi,
1) v. aan het etteren —, moeldi berna-
nah;
van mond tot mond — .daripada
sa\'orang kapada sa orang:
buiteo de
gU —, tiada terkira-kira; om kort te
■-, dengan ringkasnja, hëhdak metigam*
bil simpannja sehadja;
laten —, laten
doen wat iemand verkiest, më>nbiarkan;
gerust —, vast — op iets, tentoe, b.v.
daar ga ik vast (of gerust) op, fénloe-
lah itoe. kapadakoe;
ledig —, lengu,
lalai;
zwaar —, zwanger zijn, mëngan-
doeng;
zwanger —, b.v. van plannen,
hg. ook mengandoeng \\\\-&a kandoeng) •
langzaam —. van een werk, lambat.
dat gaat niet, dat kan niet, ta\'bolih
ta\'dapat;
nog al —, djoega, b.v. wij
-ocr page 228-
216                                               ftaande — -.dei.
Snnrne, soeka, dèngart soeka, déngaii
soeka-haii,
b.v. — spelen, soi\'ka bër-
main;
hij deed dat —, diboeicatnja Hoe
d\'engan soeka,
of dt-vgan soi\'ka hatinja;
ik wenschte u gaarne te ontmoeten,
sehaja saagal hëndak berdjoempa dengan
toetcan;
dol —, terUdoe soeka; van
harte —, dëngan sega/a soeka hati.
<>iiiim, een soort van doorschijnend doek,
kain cfiasa, kdin kasa.
uuile, man, /aki, soetrami. —, vrouw.
biui, isteri. — en kroost, anak binir
au uk isteri.
— van dieren, mann. djan-
tan,
vrouw, bëtina. Dikwijls ook /aki
en bint.
sndcloos, /onder man, dada bërlaki,
tiai/a bersorivaiai;
zonder vrouw, tiada
berbini, tiada beris/eii. - ,
zonder weerga,
tiada bërlara, tiada berbandingan, tiada
samanja.
—e ontferming, rahmat jarig
tiada ttrbandingkan.
SR<ler; allen, of alles te —, kasamoe-
tcanja
; van een paar slechts, bersama-
suma.
aatleren» garen, me nghimponkan, më-
ngoempoe/kan
(van koempoel), mèngam-
pongkan
(van kampong), Zïe ook ver-
lïuderen.
i*n<lt —hum. mtlïhati, mënengo\\\' (van
tengok), meuilik,
•iiuliiiii, hendak, kahendak, b.v. dat is
van mijne —, Hor/ah jang sehaja hën-
dak, itoelah kahendak- s\'éhaja.
Voor
hrndak op Java maos.
j^utlW. stuk huut, aan het einde gesple-
tcn, fjanygah, tjangap.
<£nil*€>lxcil, lajar guesi.
tzaav, gadji,
verb.
Sinussen, menggoewek.
üiil; de —, hampedoc, ook mempédoe en
medue. Op Java koetvaja.
JZalu, oepatjara, kaöfsarat/.
Sululileetl, pakajan kabësaran.
;:ul:ml. verloofde, djodo, toenangan.
tffilnppel, madjakani.
•j:;d:n\'iji ïii".- kareta kabésaran.
galbitter, pahit hampëdoe.
aall»lmis, pofiidi-pot\'/tdi hampëdoe, pok
tem put me inpv doe.
snlbuin, oerat hampëdoe, ook tjorovg
mënipedoe.
iruKvem\'n. djalan mëmpëdoe.
S»lei, een soort van groot roeivaartuig,
gralai; groote — met drie masten,
gra/jasa, yroerab, Ar.; eene soort van —
in den Molukschen Archipel^t-ra-lo^\'a.
hij clen? dat gaat nog al, maoekah ija
makan? maoe djoega;
zoo gaat het met
groote lui, dêmikianlah pëii orang bësar-
bësar;
te niet —, binasa ; verloren —,
hifatig; in de war —, kutjau,- o|i naam
— van, poenja nama, b.v. karbaa poenja
soesoe, sapi poenja nama,
de melk van
den bnll\'el gaat op naam van de koe,
Sprw. — op, «.asoelr, b.v. ze» kan drie-
maal — op achttien, enam bolih masuek
tiga kali datum doe/apan beliis;
het ga
huo het wil, butjaïmana pon ba\'ik; zoo-
als het gfwuunlijk u\'ant, saptr/i wei/tang,
tapirti biasa, sebagauuana lid at;
hut
gaat, het mag geschieden, bolih; hoe
gaat het u? toetcan (entjik, njonja enz.)
ada batk.\'\' het ga u goed, sa/amatlah
ëngkau.
Als groetc bij het vertrek aan
nchterblijvcnden, tinggal baik-batk.
Cflnnde; iets — houden, mëndjalankan
djoega, mrlakorkan djoega;
iemand —
houden iiiin een werk, toeroek bekerdia
djoega;
iemand — maken, toornig ma-
ken, memarahkan, mtmbaugkifkan ma-
rahnja;
het met een ander schip —
houden, snnien zeilen, bt-rsaiug,- iels —
maken, aan den gang helpen, bvri
djalan.
— raken, in beweging komen,
moelai brrgerak. — raken, van harts-
toehten, nieuwsgierigheid enz., bërbang-
kit.
— zijn, suedah moe/ai, als hij —
is kan bij niet weer ophouden, talon \'
ija soedah moclai, tabol\'th ija berhhiii
lagi.
eaandeweu, ondertus^clu-n, da/am pa-
da itoi\'.
—, langzamerhand, lambal-
laoen, lama-kalamaiin.
Saar, masak. Op Jnva mat eng, Jav.;
goed —, melig, kruimig, zacht, mnlsch,
empok; niet — van binnen, van ge-
kookt graan, lagi bërhali, djilantah.
Van andere spijzen, koerung masak,
bt/om masak be/oe/;
niet goed —, van ;
rijst, ook btrbïdji /imau. — Bijw. via- ,
sak-masak. — bnkken, van brood enz., ■
mëinbakar ma sak-masak: half —, sa- \'
tmgah masak;
goed ■-, masak betoel- i
bëtoel.
«annl, tuin, kfbon. —, lusthof, taman.
gaardenier, toekang ktbon, penoenggoe
taman.
Snnrdcr, tol- of impost —, orang pë-
moenyoet tjuekai, o. p. beja.
jiniirliculifii, restauratie voor Euro-
peancn, ruemah maka/i. Voor inlanders,
këdai tnakattau, op Java tcaroetig.
           \'
-ocr page 229-
galerij — gangbaar.                                          217
galerij, hetzij voor—, achter— of zij—
van eene vorstelijke woning, lager dun
het middenstuk, siUasar-, van andere
woningen, serambi; achter—, strambi
belakang.
— over de geheele lengle
eener vorstelijke woning, kelefr-ketek
anak;
een soort van — buitenboord
van Indische vaartuigen, merak simpir,
letlcrl. eene pauw die hare vleugels
laat hangen.
gulg, strafwerktuig, pïgantoengan, tiang
perhoekoeman
; tot de — veroordeeld,
kïna hoekoem gaiifoeng, dihoekoem aknn
matï digantoeng ;
\'t is boter aan de —,
saptrti mtmboeicang param kadalam
laoei,
galgebrok, galgen nas, sisa 2^ga^toe-
Hffan,
seheldw. utati iliboenoeh.
galge»tuk, ph-boewaian jong patoet
kvi/a hoekoem gantoeng.
galgetronie, moeka bangsat.
galgeveld, tanah tampat pëgantoengan.
galgpaal, tiang pïganloengan.
galjoen, groot zeilvaarluig, galiorvg,
b.v. maka galiocng itoe pvrahoe saperti
v;a»gkung,
een galjoen is een vaartuig
als een wangkang; eeue soort van
plaats boven de neb van een Malciseh
vaartuig, djoetcang-djoewany, —, geheim
gemak der matrozen, zie bestekamer.
galkoorts, dtmain jjanas /lan/pedoe.
gallig, takit humpedoe, tï\'rlaloe banjak
/tai/ipÜdoe.
galm, keredam, kï-rïdoetn, boevji kVrv-
doem.
galmbord, zie klankbord.
galmen, birktredam, bërkeredoem; boe-
iijiiija kcredaai, boenjinja keredoew.
galnoot, madjakani.
galon, pasmen; goud —, pasmen nas.
galonneeren, mimboeboelt pasmen.
galop; een bijzondere gang vnn het
paard, tjongklangan, Jav.
galoppeer en, tjongklang, Jav. Vtrlari
iiiundoewa.
galMl\\jm, lïndir hamp&doê.
galsteen, baioe hampudoe,
galsterig, zie sterk en ranzig.
galziekte, pïnjakit hampêdoe.
gambir, gambir.
gang, nauwe gang tusschen woningen,
locroeiig, loeroeng xïwpit. — of zijhol
onder iets, tjhoek; allerlei gungen of
zijholen, tjeroefr-itteroek\'; smalle — on-
der de goot van twee tegen elkander
aan komende daken, rambat, — in een
gebouw, batoer. — van een verhaal,
lakon, b.v. dvngan koelilik lakontakon-
nja,
terwijl ik den verschillenden gang
ervan naging. ■—, gedrag, lakoe, kala-
koewan;
gedwongen, aangenomen, ge-
niaakle, sierlijke —, gaja. —, tocht,
pcmegian, b.v. adapon rahasia pfatiïgian
radja itoe sa\'orang pon tiada mtnytia-
hoe\'i adanja,
wat het geheim van \'s resi-
dentcn — was, niemand wist iets daar-
van; aan den — helpen, btri dja/a» ;
de zaak aan den — houden, tatndja-
lankati pïrkara;
zijn - vei haa&ten,
mtiijigêrakan langkahvja; zijn eigen —
gaan, mënoeroet ka/tindak dirivja.
van een werk, ptri djalan pvktrdjaiin ;
zijn — vertragen, wêmptrlambatkan tang-
kahnja;
zijn — belemmeren, mvnahan-
kan langkahvja;
gelijken — houden,
bersamaiin lanykah; een snellen — gaan,
bïrdjatan dëngan pautas, bh\'djalan lèkas;
een langzamen — gaan, btrdjaian pi-r-
lahandahan;
iemand in zijnen — vul-
gen, vttngikoet oravg bïrdjalan; op —
komen, in beweging komen, uwe/ai bPr-
djalan, morlaï bërgët\'ak.
— maken, spued
maken met iels, mPnjigtrakan, mim-
boeroe,
b.v. zet er wat — achter, sigïi-
rakanlah sëdikit, boeroelah sëdikit;
iemands —en nugaan, bespieden, mt»g-
hint ai;
zijn — gaan, voortdurend iets
doen, selaloe, b.v. hij gaat zijn — met
fluiten, \'tja bvrsiotd setaloe; ga uwen
—, soi\'ka éngkaulnh; iemand zijn —
laten gaan, wëmbiarkan orai-g bêrboe-
wat kahendafciija;
zijn ouden — gaun,
kalakoewannja saptrti dëhoeloe djoega;
iemund nan den — brengen, zijn toom
opwekken, membaugkitkan amarah orany;
goed aan den — gaan, bij een werk,
moeldi dengan radjin; nan deu — ko-
men, werk verkrijgen, mttidapat pëker-
djaiin ;
aan den — komen, slaags raken,
moeldi bërpïrang; ann den — zijn met
iets, lagi, dalam, b.v. mei spreken, da-
lam bïirka/a-kafa, lagi bvrkatadcata.
—,
gangen, handelingen, ptrboewatan; ge-
dragingen, kalakoewan. — van een lij-
of vaartuig, uurwerk enz., djalan.
van eene rivier, atir, halir. — der
hemellichamen, pvridaran; een — water,
ajar sapikorl; een —, eenmaal gaans,
sakali djalan; twee —en, doetca kali
djalan.
gangbaar, lakoe. Niet —, iiada lakoe,
ta\'lakoe;
dat geld is niet —, oewang
-ocr page 230-
218                                   gansboord garenwlnder.
Hoe tn\'lakoe; wat hij ook zeide, \'t was
—. harang katanja pon lakoe.
eanfiboord van een vaartuig, rinibat.
ganges i de rivier de —, soengai Gangga.
trttngpad, zijpad, simpangun, djalan
sinijiaiiijun,
gangMpil, windas, poetaran latcang.
gangwerli, pësaicat.
gangwiel, vliegwiel, djantera pësaicat.
Kan», angsa, Skr. gangsa, Ar.
«imsi-li, geheel, svgala. sagtnap, saloe-
roek, sapamljaag, soentoek, samPsfa, Skr.
boe/af, satangkap, sabërhana, b v. het
— e land, svgala negari, saloeroeh fanah ;
een — leger, sagenap bala-fanfara; het
e lichaam, saloeroeh toehoeh; den
— en dng, sapaudjang har>, soenfoek
hart,
b.v. kadoewanja pon berperanglah
soentuek hart,
beiden streden den —en
dag, d. i. tot het einde van den dng
een beletsel was om verder voort te
gaan; den —en weg, sapandjattg dja-
lan;
het — heelal, samvsfa il lam; van
— er harte, dengan hoe/at hati, dengan
sagPnap hati;
een —e kleeding, sa-
langkap pakajan, taierkana pakajan
; een
— e mufind, taboelan gPnap lamanja.—e
dagen, herhari-hari; de — e toed racht,
xïgala hal-ahoewal; de —e wereld, sv-
ga/a doenia
— niet, sakali-kali fidak,
b.v. — niet wel, sakali-kali fidak buik,
fidak balk .sakali-kali.
—, zie vooral
ook geheel.
t^insi-lirliil*. zie ganscl).
ganzebont,
paka angsa,
ganzeliuiken, uniik angsa.
aanzendreli, tahi angsa.
ganzenhoeder, gombala angsa.
^mr/ciii\'i, U-lor angsa.
ganzenhagel, penahoer bPsar, niimis
bt\'sar.
gonzenhok, kandang angsa.
üiiir/cmit\'st. sarang angsa.
ganzenroer, bed il pand/aag, senapang
pandyuitg.
ganzenwtfn, anggoer Hik, op Java ai/g-
goer bebek, letter!, cendenwijn.
Snnzeppn, bui\'loe sajap angsa.
ganzepoot, kaki angsa.
ganse c- veder, hoeloe angsa.
ganzevel, kippevel, seraia koelit.
mnnzevleugel, sajap angsa.
«apen. openstaan van deur, mond on/.,
ternganga, tërhoeka. —. even open zijn,
b.v. van een deur, bek enz., bérenggang.
—  van cene wond, opening enz., babang.
Van esne wond ook Ittlial?. Verder se*ng-
geh
en sengeh.—, geeuwen, mengoewap.
—, den mond opendoen, mengangakan
moeloet
(van nga/iga), mP.mboekakan moe-
loet.
—, zie ook aangnpen,
gapend, \'\'\'e\'nggamj, bérenggang, hengang.
Zie ook aapen. — van eene wond,
babang, beliak. —, geopend, zooall een
slnglinie, of de palissaden cener om-
beintng, koirak.
gaper, itecuwer, péngoncap.
gnperig, geneigd tot geeuwen, soeka
mingo/\'icap.
gaping. renggang, boekak.
garandeeren, mëngakoet menanggoeng
(van fanggorng).
garant, prngakoe, pënanggomg.
garantie, pengakoetcan. penanggoengan.
gard, tuchtroede, rotan penjesah, djari
ampai,
garde, wacbt van krijgslieden, pengatml
lasjkar.
—, lijfwacht, een soort van
hofbeambten, bidoeicanda. Het opper-
hoofd dier beambten, pèngkoeloe bidoe-
wanda.
— , soldaat tot de — bchoorendc,
lasjkar pengawal.
garderobe, kleerkast, ahaari pakajan,
gareel,tuig voor paarden,pakajan koeda.
—, halsjuk voor trekdieren, goe, kok,
danam.
gareelblolt, kajoe goe, kajoe kok, kajoe
danam.
garen, benang. — op klosjes, bï-nang
karefa;
grof —, bë.nang kasar; middel-
soort —, bénang jang sëdang; fijn —,
benang haloet; een knot —, bestaande
uit een aantal strengen, benang satoe-
kal. safoi\'kal bï-nang;
een streng —,
bestaande uit 40 slagen op een haspel,
rejan. Veertig hiervan gaan er op een
toekal of knot; een Btreng — van een
halve toekal, hoentai: driedraadseh —,
benang tiga pin/al, benang tiga lembar;
gewast —, benang tliseringkan dengan
lilin ;
zijden —, benang soefëra.
gnren, verzamelen, niengoempodkan (van
koempOêl) nienghimpoikan (van hint pon),
mengainpoengkan
(van kampoeng).
garen, /ie gaarne.
garcnlïloM, kareta benang, gelendong
hPnang.
garenverkooper, oraug htrtfjoeical
benang;
een Chinees, die garens langs de
huizen rondvent, tjina kllontong, naar
den rnmmelaar, dien hij bij zich draagt.
garenwlnder, ktntjir benang, poetaran
-ocr page 231-
— gut.                                             219
slecht te — geweest zijn, diperdjamoe
tiada dengan sapertinja.
gant, manspersoon, o/ang. —, jonkman,
orang moeda, teroena; een dappere —,
orang berani; een rappe —, orang pau-
tas ;
een sluwe —, orang tjeredik; een
jonge —, orang miteda-balia, teroena.
gantereeren, mëndjamoei orang.
yiiMthcer, pendjamoe, toetcan jang mè>i~
djamoe.
SHNthuii*, weldadigheids-iostelltng, ba/ai
der ma.
—, ziekenhuis., roemah orang
sakit;
bij vei korting, roemah sakit. —,
oude mannenhuis, roemah orang toetca,
roemah miskin.
gastmaal, djamoeican, perdjamoeicau.
gastrecht, hak orang djamoe, halt orang
menof/npang.
santvr\\J, soeka nendjamoe orang, toeka
mëmberi toempant/au.
fgfMtvr\\}h*Ult/i>rdjamoetcan, soeka mèm~
beri toempangan.
gat, lotmng, Hang, pesoelr, mata, b.v.:
—, kuil, in den grond enz., lubang.
of het oog eencr naald, lubang djaroem,
—, door iets teweeggebracht,//«wy, b.v.
de —en door eene naald gemaakt, Hang
djaroem.
— in bet oor. Hang telinga.
— door den neus, Hang hidoeng. Gaten
in de uoren steken, memasak te/inga (van
pasak, pen). - , wuaruit iets te voor-
schijn komt, mata, vandaar wata-ajar,
bronwei; gehooid — in den bodem van
vaartuigen om or het water in- of uit
te laten, tembuek; met een — er door-
heen, tembors; met een — er recht
doorheen, door en door, tëroes\'temboes;
een — door iets heen maken, tnënèm-
boes;
wie of wat een door iets heen
naakt, pën\'emboes; met een —, of gaten,
van doek, papier, een muur, mat enz.,
pèsoefr; aldus met gaten maken, meme-
soekkan,
b.v. ada jang memrsorkkan
diuding, ada jang memandjat pagar,
sommigen maakten gaten in den wand,
nnderen klommen op de omheining.
Ook tfinboek, —en in een riem, eroeng-
eroevg;
diep en donker —, door be-
schadigin: in iets teweeggebracht, /<.-
rohong ; sleutel —, lobang koentji. — ,
holte in iets, b.v. in het lichaam, een
boom enz., roengga, lobang; vol —en,
bëtpèsok-pësofr, bërsarang-sarang, b.v.
mijn huis is vol gaten door de kogels,
roemah s\'ehaja bërsarang-sarang dimakan
peheroe.
— in een dijk enz. doorbraak,
garf
btnang; horizontale —, roewtng; verti-
kale —, Hkasan.
garf, garve, van graan, gogos.—, schoof,
berkas, ikat: aan garven binden, meng-
goyos, memberkas, mèngikaf bêberkas-
Imkas.
sarnanl, hoedang.- de sewone —, hoe-
ilang lorboek;
een soort van groote
zee — , hofdang galah; een klein soort
van —, waarvan men de bëlntjan of
trasi maakt, hoedang p\'epai, sènggoeaoe.
De pepai wordt ook ingezoulen en heet
dan tjintjaloek; een soort van zeer
kleine c&rnalen, oedang sondong, zoo
genoemd, omdat men ze met een zaknet,
in voorover eebotren houding voort-
guniidc, fchept; eene bijzondere wijze
van garnalen te vangen, namelijk met
een zeer fijn vezelacbtig toestel, -men-
djeriat.
Snrnalenbroo<\\iP4 penaram.
snrnnlenmand, bakoel hoedang.
garnituur, een compleet stel, salang-
kap.
garnizoen, sPgala laxjkar n\'égari, sègala
soldadoe négari.
Sant, •y\'rïr, Ar. djaic, Pcrz. Zie gerst.
garwtig, sterke smaak van vetten, die
half bedorven zijn, pèdar. •— spek,
daging babi jaag p\'edar, I\'èmair babi
jang pèdar.
garvenblnder, pfoigikal bérkaj-brrkas,
gas, gas.
sant, djamoe, orang djamoe, orang dja-
morican;
op Java tamoe. —, genoode,
oravg panggilau, orang djempoetan. —en
hebben, berdjamoe; als
          onthalen,
mendjamoe; een iets voorzetten, op
iets onthalen, inhidjamoei, mendjamon\'
kan;
logeer—, bijwoner, orang mettoem-
pang
(van ioempang). —en noodigen,
als het minderen zijn, mëndjèmpoet
(m\'eiaanggil) orang djamoe
,- van meer-
deren, mi\'/iipr-rsi/itkan datang kapada
pérdjanwewan;
een pas aangekomen —,
niciiwgast, djamoe bëharoe datang; een
welkome —, djamoe jang dikahindaki;
een onwelkome —, djamoe jang tiada
dikahendaki;
een vreemde —, djamoe
jang tiada kakenalan
; een ongenoode
— , djamoe jang tiada didj\'empoet; het
recht vnn —, hak orang djamoe; te —
gaan, përgi makan-minoem; te — ko-
men, datang maka/i-minoem; te —zijn,
diperdjamoe; tijdelijk ergens als —
vertoeven, ntènoempang (van ioempang);
-ocr page 232-
220                                                  14-n — eebed.
tetasan, pëtjahan; ergens geen — in
zien, tiada tutti/taf kasot-daMaiinja; een
— in den dag si 11 puii, tidotr tampa>
temjah Itari;
hut — van du deur, lubung
pin toe
; bet — van een oven, taoetwl
dapurr;
knoops—, roemah boetang, r.
kaïitjiiiij, bals— vaii een kleed, leher.
—, zeegat, vaarwater, gml, waardoor
men in- of uitvaart, a/ver. — in een
kies, boloug gigi.
Siit. achterkwartier, pa ut at; bet werke-
lijke aarsgat, lubany pantat; op zijn —
vallen, rebak terdoedork, djatoh tëtdoe-
dork;
op zijn — krijgen, dapat dipan-
fat;
zijn — reinigen, na betdueneener
behoefte, bëiistnidja\', Ar. bntjebuk,■ un-
der zijn — leggen ten teeken van ver-
achting, b.V. een blief, menaroh diba-
tcnA pahavja,
bij het gatje af, bijkans,
tijaris; zijn — berden, bertepag diri;
zijn — vol schulden hebben, sarat de-
vgan hoetang.
ggatenplnteel, pi\\ggan penapis.
uut rriü, berpeso\\\'-j>esok, berlobany-lobaiiy.
—, vol kuilen en iraten van een weg,
btrhkak-lekair.
gauw, lekas, sigrra, t/tpat, pan f as. —
loupen, berdja/au lekas. — komen, dn-
tang drnifUH si fff ru, da tang /ei as,

wegluopen, iuri dunyan pan/as, luri
lekas;
een —e hand, taugan tj\'epat ,-
te — zijn, te slim, térlalon fjërrdijr.
—, vlug, rad in bet spreken, lantjar.
—, zie ook snel en ttpoetlic
iï«uwtii«*f, piiitjoeri. Ook snaak, guit.
gauwdiever\\j, pekerdjuau pintjotfri.
Sauwenl, orang pantas.
^iiuwlii\'itl = jfnuw.
Save, van (iod of van een Vorst aan
een onderdaan, karotnUl, Skr. anoeye-
ra/ia,
Skr.; vun gelijken aan elkander,
pëmUHtm; van den mensen aan God
of een onderdaan aan een Vorst, pn-
sënibii/ian.
seHiiritheitl, peranyai, fabiat, Ar, pe
kirtt,
Skr.; eon goede — hebben, buik
phangainja, buik fabi<~t/uja, bdik pëkfi~
linja;
zijn ware — touneo, b v. van
een stervende, mëmboncany fabiatuja.
gemierd, beroeral. — van huul, ijzer,
geweven stoffen, koerat, birkoerai, btr-
bdrik-barik1.
—, gedauiasceerd, van wa-
pens, bi-ipamoer.
Kes»doptc*erd, anykat; een — kind,
auak anykat.
geallectuerd, tjanggeh.
\' ceanifeld, van een angel voorzien, brr-
sriiyaf.
\\
ifeunlterd, berlabonli, b.V, een —vnar-
tuig, kopal berlohoeh. —, van een anker
voorzien, bersaoeh, berdjanykar.
fSeiirmd, van armen voorzien, berlenyan.
—, elkanders armen vasthoudend, ber-
salot-k,
\\berpeganyan iengan.")
iielmnml, vun een weg, rafa, soedah
diratakan,
b.V. een —e weg, dja/an
rata, djalan jaug soedah diratakan.
Uehaar, üngkah ; gebaren, tingkalt lakoe;
lustige en vroolijke gebaren of vertuo-
ningen maken, yandany.
fgebtttird, van een baard voorzien, Mr-
djatiggoel, b.v. bërdjangyoet tiada ber-
djuebah,
gebaard un geen tabbaard nun-
hubben. Spnv.
gebubbel, perfjakapan, pttoetoeran. —,
zie ook gepraal.
•gebat\', geblaf, salak, penja/ak, b.v. het
— van dien bond, pënjalak andjivg it\'oe.
isetmlt, koekjes, panganan, koewih-koc-
tcih,
Cbin. —, het gebakkene, gore-
ngau, bakaran.
gebakken, gom/g, bakar, b.v. — visch,
ÜM yoreng. — steen, batoe bakar.
l*t-lnil«lep. gebulder,^e/«üt7w// boenjinja,
b.V, in de verte hoorde men het— van
bel geschut des vijands, dart djaovh
kadfiigaranlak griitueruvh borpji mariatn
movsoifh \'ttun.
ifebnlW, fan-Jak.
tM\'bulluM, van ballast voorzien, bertoe-
lak-bara.
u;ri.iin\'ii-.pt\'l, een soort van tooneel-
vertooning door gemaskerde spelers,
mailt foprity.
tït\'buzol, pf/igiyau.
gebed; verplicht, voorgeschreven —,
tèmbaJijang; zulk een — doen, berseia-
bahjang;
niet verplicht, vrij —, döa;
zulk een — doen, mrminta döa, b\'érdwt;
een — voor of over iemand of iets
doen, mMJeiiibahjaiigkan, nt\'eadöakan,
inhnintakan döa;
laatste — bij een
doode, chal\'tmat, Ar.; gezamenlijk —
van priesters na de begravenis, waarbij
uien onder het uitspreken van la ilah
illa Allah het bovenlijf al heen en weder
beweegt, ratib, Ar. dat — doen, mzra-
tib;
voor iemand, uuratibkan. — om
vergeving van zonden, salat; ineerv.
satairat. Ar.; gebeden opzeggen, nifm-
baija döa;
de verplichte gebeden, fa\'-
bakjang Jcttg pirlue
(van fardloe, Ar.);
-ocr page 233-
- geblok.                                             221
ka/au; zoo gebeurt het ook doorgaans,
démikiati pon memang, bat/itoe memantj;
binnen weinig dutrcn xijn al die din-
gen gehemd, dalem sPdikil bnri djoega
te/ah djadi sPgala perkara int.
gebeurljjk, bolik djadi. bPrangkali. —e
dingen, perkara jang bolik djadi.
gebeurteni», pPristeica. b.v. zij ver-
baalde de —. maka ija bPrckabarlak
akan pvristeicanja itoe.
—, 7aak, per*
kara jang tPlah djadi,
gebied, pPmvrentakan. pPgangan, hne-
koem
—, wat onder het bevel of be-
fctnur van iemand staat, pPiaP,en)\'akan,
pPgangan;
vorstelijk of rijks—, kara*
djaan;
reehts—, hoekoem, —, alle on-
derhoorigheden oan het gebied, sPgala
ddirah taloknja.
gebieden, mPnjoeroeh, mPnganiarlan
(van amar, Ar.); vnn den Vont, bPrti*
tak;
van God, bPjirmiin, Ar. mP.nga*
mar kan.
gebiedenia, beleefde zroet, tahik, sa-
lam.
Ar.; mijne — aan uwe echt*:enoote,
tabik svkaja kapada istPri toeiran; nan
iemand zijne — doen, mPmbPri salam
kapada sa\'oranij, m. tabik k. s.
gebieder, van den Vorst, jang dipPr*
foetcan
(bij verkorting ook jamtoeican},
djomdjoevgan.
—, in het nliremcen,
pemerentak, jany mPmPyang pére,ètah,
itiiin mPlakoekan peretdak. ■
—, hoofd, aan-
voerder, pvugkoeloe, pPnglima, kapala.
gebot, pP.fi/gigit.
gebindte, zie houtvertmnd.
gebit, de tanden, gigi, segala gigi. —,
btt vnn een |innrd, kaag, keknng.
gebitkettinUje, rantai kang.
gebit teugel, tali kang.
geblnnr, cehleer, pPiigPmbek.
geblanrd, bPrbiiili/, bPr/Ppok.
geblnn,H. pPngkP-id/oes, penioep.
geblmit = geblnnr.
gebladerd, bPrdaoen; dicht —, ren-
daag,
zie lommerrijk.
gebladerte, daoeii-daoenaa.
geblaf\'= gebaf.
geblameerd, een mal figuur maken,
kadjPuialan ; belasterd worden, kina fit*
nok, dijitnakhin.
geblik**em. perkilatan.
geblink, perkilalan.
geb\'oemd, bPrboeuga. b.v. —e zijde,
kam soetPra bPrboeuga.
gebloemte, baeuga-boengaan.
geblok, aanhoudende inspanning, oesaka.
gebedel —
het huis des gebeds, roe ma h sPmbak-
jang;
de ure des gebeds, icakloe sent*
bakjang;
in den gebede, lagi sPm-
bakjang, </•\'■■■„ iiiï-iiiinttt-dï\'iii;
gebeden
worden ireteld bij rak fit, Ar. liehunms-
:-.]i:in„\' bij het cebed, b.v twee gebeden,
svmbakjang doetea rakal.
gebedel, pvminta-tninta.
gebedenboek, kitab saliiirat. Ar. toe-
rat i/Ga.
•;t-l u-i It-nh uipje, /ie b<dkapel.
•>el>ednuur; de vooriresehreven gebed*-
iiren, icafrfoe spmbahjang; de vijf Mo-
liauiniedaanscbe gebedsuren, sPmbukjung
iiwa vaktoe.
Zij zijn : sPmbahjang xoe*
boek,
het eerste ot\' morgengebed, van
vijl\' iiui\' tot zonsopgang; sPwbakjani/
lulior,
hut middaggebed, van twaalf tot
twee uur; sP.tubakjang ftsar, namiddag-
ijebud, van drie tot vijl\' uur; sPmbak*
jaii\'j magrib,
het gebed bij zonsonder-
(Tang; svmbakjang Ixja\', het avondgebed
om zeven uur en later.
gebeef, gPtar, gvntar.
gebeeld, gebeeldhouwd, gebeeldwerkt,
bëroekir. bPrtatah, bPrkaratcang• a jour,
b$rtëboek, bvrtpmboek.
aebeend, van becnen voorzien, bPrkaki,
b.v. lang —, berkaki pand jang. —,
vnn beenderen voorzien, bPrtoefang.
•gebeente, t oei au g-toe langan.
gebeiteld, zie ^ 1.....lil.
gebelgd, sakit kali, kPtjil hali, uiarah.
gebergte. pPgoe/meagan, goenoeag bari\'
san, boekit barisan.
gebeten, nijdig, sakit hali, marak.
gebeteren, uiputbaïki, mpnihvfoelkan.
gebeukt pvnoemboek, pe.toeinboekan.
gebeuren, djadi, bvrlakoe, pPristeica,
Skr. datanij, sanipai, kvna■ het gebeurde,
barang jang tv lak djadi, sPgala ka/a*
koeican, kal akoncal;
eens gebeurdu
het, sakali djadi; in del\'tigen stijl, sa*
kali pPristeica;
wat is met die vrouw
gebeurd, apa kena pPrampoewan itoe,
apa pPristewauja pPrampoewan itoe;\\\\v\\
ongeluk, dat hein gebeurd is, tji/aka
\'tang telak berlakoe alasnja;
de zaken
die — zullen, pe.rkarajang akaii dafang
kv/alf;
hoe kon bet zoo —, bagaimana
tauipai bagitoe;
zal het zoo —, znl
bet zoo bet geval zijn, atji-afji; doen
—, er in toestemmen dat iets gebeurt,
mvngatjiian; kunnen —, bolik, bolik
djadi;
dat mag volstrekt niet —, la\'*
bolik sakali;
het zou kunnen —,kalau*
-ocr page 234-
222                                    geblokkeerd
geblokkeerd, vnn vestingen, ttrkt-
poeny.
— vim hnveuplnatsen, terpepat.
nel.lul. tjakap.
gebiu»cht,/W<*w. - e ka\\k, tapoertohor,
geblutst, gebutst, gekwetst vu vruch*
tcn. ttiümar.
ge bobbel, bueical, plmbuetcal,
gebocheld, birboagkok.
gebochelde, wany bonykuk; de —,
sibvuykvk.
gebod, soerueh, a/aar. Ar. Jfotkuem.
van lu-t bestuur, pïrentah. — van den
Vont, titah. — van God, Jirmdn, Ar.
autar, Ar —, last, vim een verirek-
kendc aan een achterblijvende ot van
een acliteiblijvende uun een vei trek-
kende, duo ook van een stervende, juf-M*» ;
de geboden houden, m^mtltkataktn pï-
reuta/i;
de geboden opvolgen, uièiiue-
roet përnitali, mvénoeroet />< san \\\\aa
tueruet);
du gebuden ten uitvoer bren-
gen, mt/akot\'kan pïteiitah; de gebuden
overtreden, mtlaloeï pïrentah, mUmuf-
yar pïrrutah;
een — uilvnardigen,
luïnfabaikan pïrrntah ; de gebuden, wei-
ten, Aorkortti uendauy\'Ot\'iidaity. —, in-
zetting sjiriïtt, Ar.; de tien gebuden,
kasapoelueh Jirntdu, k. hurkunn.
geboefte, vrnny-üra/ig djahat, wang-
orung dondjaita, Ski.
gehoegd, van een boeg voorzien, Wr-
Jiatuciïan, bïrdjoengoet\'.
goboert, sunda-guernu.
gebogen, binloek,- krom gebogen, zoo-
in- b.v. een rotan, de nuk, de rag,
pïlékuh. — van horen?, een krisleinmer,
armen en beenen, dengkul; mei ver-
scheidcuheid, dëugkang-deiigkol; Jav.
dotiiijkuil; aan heide einden mr ver-
schillende kit ut <-ii krom —. zooals b.v.
scheepsplanken, de scliroet bladen van
een stouiubout, het planlij/er voor stuom-
ketels oit /uu ouk hel menscbulijke
oor, piat, pink. —, ingebogen, zooals
b.v. de voor- en achtersteven van een
vaartuig, liet vaartuig zeil\', de landen
duur invijling, /tin/ik. — alteen kokos-- |
M\'hil. téittik sabuet; boogsgewijzu over
iets heen —, lïiitjkueng. —, gebukt van
houding, tui-uduik. — van den neus,
vooruitstekend, iiiautjueug. —, omgebo-
gen, zooals een wapen ui\'nies Van slecht
staal, bïiiijkueuy; krom en —, beug-
kang-bmgkok,
—, zie ook buigen,
gebonden, IPrikal. —, nan iets vast-
gelegd, b.v. een schuit aan een paal,
— ge brabbel.
een paard aan een boom, tertambat.—,
dik van voehten, kin tal.
gebons, geheuk, tui-mboek. — van het
j hart, dt\'bur.
geboogd, btiiëiiifkoeug. —, van pijl en
hoog voorzien, bèrbui-toer~panah.
geboomte, ktijoe-kajofwatt.
geboorte, djadi, kadjadian; lang in du
—   staan, van een kind, lama beharoe
kaloncar
; van de — at", samoela djadi,
dart uioria djadi ■
voor de —,dïhortoe
daripada djatii
; na de —, kèntotdian
daripada djadi;
van — een Hollander,
afitt urang Hul antit<; hij is een Maleier
van —, ija auak Mttajoe; van houtje
—, èangsatcaa, btrbamjsa; van geringe
— Jiitia djadiiijajuita nfiilnja. —.begin,
aanvang vuil eene /.uak, pïrmoelaiin.
geboortedag, hart djadi.
geboortejHtir, tahorn djadi.
geboorteland, nigari djatii.
geboortephmti*. tïmpat djadi, truipat
torttipah dtira/i,
b.v. adapun nryari jaag
Utnpat akur tneuipah darah, ija-itoe ui-
gari Malaktt,
Wat mijne geboorteplaats
bel relt, dat was de stud Malnka.
geboortester, gesternte, waaronder
ieinaud gehoiea is, ragt (ikr. rasji, tee-
ken van deu dieienriem.
gehoor te» tond, guhourtc-uur, taakt af
djtuli, kt-ttka djadi.
gfhuortevlie», sr.lwpat, torban-torbun,
kartinig\'karoi-aij auak.
geboortig, a$al.
geboren, djadi, dipi-iatiakkan, jahir, A r.:
eerst —, &ot-loeng ; eeisl geborene, auak
surlorng;
taaist —, bongsoe; laatst ge-
burene, a/iak bwtgsoe. — worden, a\'i-
pêranakkan, dita/tirka»;
doen — wor-
den, mtotpiranakkau, mélaJtirkau, b v.
takaliaii uianursia ini dtjiUiirkauiija da~
ripada iiab\'t Adam,
alle nieaschun deed
hij uit den proleet Adam geboren worden.
gebouw; groot steeuen —, grdoeag:
het — van hel gerecht,.\'/*V«c«,\'/ bitjura.
—, huis, rormah; dit buis is een 1\'rnai
—, rvemah ini buik bang oen anvja, Tot\'
wa/i ini endah-etuluh perbaeiïa/antija,
lctlerl. dit huis is van goede bouworde,
dit huis is van lïaai maaksel.
gchrund, gureugan, rindangan. •—, ge-
hinden vleesch, daging goreng; al wal
aan eea spit, ui speetje, ut\' op een
rooster, of gewikkeld in een blad op
\'t vuur gebraden is, pnitgyangan.
gebrnbbel, zie wartnal.
-ocr page 235-
828
gebral gebruik.
gebral, pimyaiin, kamtyahan.
«jebruti, gezwelg, uitdun tuiuoem dim/au
me wa.
gebrek; — hebben ann iets, — lijden,
kakoeranyan (van kuermiy, te weinig,
gebrek); zie ook armoede; geld —,
— aan geld nebben, faiwrwy»oetumg.
tutoal — aan iels hebben, b.v. tiun
geld, verstand, gedachten enz., katoko-
iiui ;
geen — hebbeu, tiatta kakoera-
iii/iih.
—, fuut, smet, tjila, kafji/au.i;
een — hebben, bïr/jéla, birkatjilann;
geen— hebben, tiat/a birkafjëlaaa. Ook
itili, Ar. b.v. er i& een — aan, aita
iiibtija,
uok tja/jat, Jav, een — leWeeg-
breugen, mevtjatjat; iets gebrekkig vin-
den ot\' noemen, mint jatjutkau.—, 1\'uut,
misslag, salah; geheime gebreken, ge-
heime zonden, fjepuetca. —, oovulko*
uienheid, lêla, b.v. bïrtiauy gading
poeüh ta\'lèfa,
wet wil ivoren pilaren,
die zonder — varen; vrij van gebre-
ken, zonder gebreken, HtmfOtn*, Ski.
azatt, Pen.; de gebreken van iets wcg-
ut-uien, verwijderen, utï"jampoerêiaktiu
\\
van tam poer ita); zonder —, in orde,
fah, Ar.: geen — aan, niet zonder,
iïada koerauy, tiada eitali, b.v. tfrta
uttmiMtjii tiadalah chali,
en aan weenen
was geen - ; een ge.-chrift van gebleken
zui\\ men,uitusaMtiH^it^Hfft x it^kan;iiK<^a\'
breken des ouderdom*,phtjakU tont*,b.v.
utaka oedjar oelae Hoe karénu piiijakit
toewalah,
en de slang hernam: dat is
door de gebleken des ouderdom*. —
aan levensmiddelen, kakoeranyan mtt-
katt;
vooitduieud — nau leveusinidde-
len hebben, miityidupkait pi-roet; klein
—, onvolmaaktheid, tjaitdai. — aan
ademhaling, bhiyïk; een zedelijk —,
eene verkeerde hebbelijkheid of ge-
woonte, satar-sasar bé/tasa, b.v. toen
Bijadjid namanja
MMMOMT bihasa,
djika ija berd/alaa diptkun barany harta
oravy dilil/a/uja, apabilu ija btrkï-
nau di-atitbilitju,ht;vï
Bijadjid genaamd,
hij had een gebrek, als hij over de markt
ging en andermans goed zag en het be-
viel hem, dun nam bij het weg.
gebrekkig, een gebrek ot\' gebreken
hebben, bertjela, bt-rkatjtlttdn, lila, —,
onvolmaaktheid, tjandal; gebrekkige
bleekmuil, yoetjat tjandal, nis scheld-
woord. — van lichaam, boeroek\', b.v.
ik — mensen, badan jat/t/ boeroek int.
—, wanstaltig, djanyyal, ook van schrift -
en versmnnt. — van werk, niet met
den noodigen ijver of zorg verricht,
tambaletca. —, onvolkomen, niet goed
afgewerkt, imbal. —, van de uitspraak,
krom, ieloer, b.v. wegens zijne —e uit-
spraak kon hij geen ra zeggen, tiada
bolih ija mënjiboet
ra tibab ieloeinja ;
ook petat en petoer. —, in het parec-
ren met een wapen, tjidïra; een —
paard, koeda jany koerauy buik, koeda
jan;/ nda fjtlanja.
— gereedschap, pir-
kakat jany koerauy buik;
een —opstel,
karanyan jaitf/ ada ta/a/iuja; een —
teekeuaar, ptnoelit jany koerany pon-
dat ;
even —, imms ta\'bd/k. —, zie ook
kreupel en mank.
gebriencli, van een paard, rinykik, pt-
ring/til?,
gebrild, bï/jére/nin mattt, pakai fjert\'
mi» ifiala, p. katja-mafa.
gebroddel, péki ••djmtn koftoel.
gebroed, van vogels, aunk boeroeny ;
iemands —, auak oravy. —, btoed*el,
ptnyirantaii.
gebroeders, btrsaoedara; de twee —,
kadoctca btrtaoedara.
gebroederaeliap, persaoedaraau.
gebroekt, een broek aan hebben, bïr-
ttloetrar, bèttroetcal, bértjêtaita. Zie
broek.
gebroken, van glas, naidewerk, steen,
gereed-chappeu en werktuigen, pttja/i;
van touw, band. ketting en dergel.,
poeioes; van been, ledematen, hout,
palah. —, gespleten, btlah. —, alge*
brokeu, ook sopak. —, een breuk heb-
ken, het gebrek hernia, bPrboeroet. —,
breuk in de rekenkunde, patahan avyka.
— land, ttttiah je.vy dtbtta/t. — Zie
verder bij breken,
gebrom, brommend, dreunend geluid,
dïnyoeny.—, geknor, soenyoet. Van die-
ren, dtrani, dïioem. —, zie brommen,
gebrugd, lurdjamhatan, béitilian.
gebrui, yadoeh, oesifc, ptvyoetik.
gebruik, het gebruik maken van iets,
pakai, ppmakai. —, gewoonte, adat. Ar.
vast —, adat iPmbaya; het — op icm.
toepassen, mtnarolt ttdat; de —en en
gewoonten, ddat-ittitïdat,- voor dnge-
lijkseh —, voor allerhande —, latalr;
wat daarvoor dient, pSiatak, b.v. klte-
ren voor dagelijksch —, pukajaii pt la-
tak.
Meestal wordt echter du onischiij-
ving gebezigd, jany dipakai trhari-han.
— maken vun iel?, mi mak ai; een goed
-ocr page 236-
iu
gebruikelijk — gebulder.
— maken, mpmakai dPngan sapPrtinja; .
geen goed — maken, memakar\' tiada
dPngan sapPrtinja;
tegen de — en zondi-
gen, inPlamjgar lidat; de —en afschaf-
fen, veranderen, utPngobahkan adat;
overeenkomstig het —, of de gebrul-
ken, satoedjoe dPngan Hdaf, sabagai-
mana adat, satoeroet adat;
het —■ ver-
langt het, adatnja maoe bagitue; de
verplichte —en tegenover den regeeren-
den Vorst, die bij plechtige irelegen-
heden moeten voorgele/en worden,
tjarjn, Skr. tjPria, verb.; die—en voor-
lezen, mt-mhaljakan tjPria, b.v. maka
tjiriti jang amat endah-endah boenjinja
dibatja orang dihadepan radja, daripada
anak\' tjoetjoe liaf itoelah jang m\'Pia-
batja t/Pria itue,
de verplichte —en,
dia zeer schoon luidden, las men in
tegenwoordigheid viin den \\orst, en hij,
die de verplichte —en lns was uit de
nakomelingschap van Kat. —, trant,
mode, tjara; tot —,akan dipakai,akaa
dipPrgoenakan
; van geen — zijn, tiada
tPrpakai;
vun groot — zijn, bésar goe-
naaja;
het — kennen van, tahoe 6a-
gaimana mtmgjtmi.
—, nuttiging, makaa,
minor ia;
van Vorsten, santap. b.v. het
—  van vlecsch, makan daging, santap
daging;
het — vnn wijn, minoem ajar-
anggoer, santap ajar-anggoer
; het — |
van den tijd, pPmbPla icakto?; het ijdel
— van Gods naam, sPboetan nama Allah
dPngan sia-sia;
van zijne bekwaam-
heden — maken, mPèapPrgoenakan /■«-
pandajannja; zijn — van iets maken,
ten eigen nutte aanwenden, mPmpPr-
goenakan bagai dirinja;
van ieninnds
nu n bod, gunst, uit nood iging enz. —
maken, mPiiPrima; het — der handen,
goenanja tangan; een dwaast —, adat
jang bod oh
; iets als een — in zwang
brengen, tot een vast — maken nü-
ngüdatkan;
aan een — gehecht zijn,
mPmPgang adat; volgens wet en —,
satoeroet hoekoem dan lid at; in — ko-
nii\'ii, djadi ïidat. Zie ook gewoonte.
gobruikel\\jk, kadjalanan, adat. —, in
de mode, rasmi, rPsemi, .Ar.; volgens
de —e tekening der Javaueu mag dat
niet, dan didalam hitoemjannja orang
Jjjawa, jang (Piah kadjalanan itoe, tiada
botih.
—, gewoon, gewend, biasa. —,
steeds, memang, altijd zoo — geweest,
memang bagitoe.
gebruiken, pakai; met bep. obj. niP-
makai; iets tot het een of ander —.
doen dienen, me mpPrgoenakan. — voor,
ook ba f wat- en kPrdja, b.v. salendang
diboeicataja kaïn,
een omslagdoek ge-
bruiktc zij voor rok; oewang itoe dikPr-
dja bPtandja hidoep,
dat geld werd ge-
bruikt tot uitgaven voor levensonder-
houd; eene vrouw —, vlecscbelijke
gemeenschap hebben met cene vrouw,
ml\'mak ai pPrampnewan, bPrsatoeboeh de.-
ngan pPrampoeican ;
eene vrouw als hoer
—, mpndjPrambah pPrampaewan, letterl.
— als waschplaats voor borden ; iemand
tot iets —, maken, uiindjadikan, b.v.
een jongen gebruikte hij voor zijn
schrijver, boedak didjadikannja djoeroe-
toelisnja;
iemand voor alles —, allo
werk lnten doen, mPrPfok; dat kan ik
—, boüh akoe pakai: dat kan ik best
—, bPsar goenanja kapadakoe ; zijn eigen
oogen —, inPlihat dPngan matanja sPn-
diri.
—, nuttigen, makan, minoem; van
Vorsten en aanzienlijken, santap, b.v.
vleugen —, makan daging, santap daging;
kotlie —, minoem kahwah, santap k-ah-
irah ;
het middagmaal —, makan tPn-
gah hari
; een bad —, mandi; van
Vorsten, bPrsiram; geweld —, op iets
of iemand, mtnggagahi,- geduld, lank-
moedighcid, of lijdzaamheid —, sabar,
Av. ten opzichte van iets of iemand,
mPiisabarka», b.v. men moet geduld —
in tegenspoed, hendaktah orang sabar
apabila oentoeng malang;
hij gebruikte
met hem een weinig geduld, ija mensa-
barkan dia sPdikit;
woorden —, mt-
ngatakan,
b.v. de woorden moerka en
titah te gebruken is verboden, uiPnga-
takan moerka dan titah itoe larangan ;
Gods naam ijdellijk—, mïnjPbnet nama
Allah dPngan sia sta ;
om een voorbeeld
te — sa\'oepama, mi/salnja; zich laten
— voor, mPmbiarkan dirinja diboetcal,
b.v. zich voor speeltuig laten —, mPm-
biarkan dirinja diboewal pPrma\'inan.
gebruiker, orang jang pakai.
gebruis, schuiming, boewih. —, opborre-
linsc, boeteal. —, gonzend verward ge-
luid van den wind, of een menschen-
massa, dvngoeng, dProe. — der golven,
gatora, deroe, goemoeroeh.
gebrul van een leeuw, penikas. — van
een tijger, pPngaoeni-aoem. — van men-
schen, pPraoeng^raoeng.
gebulder, van geschut, den wind enz.,
dhtgoeng. Zie bulderen.
-ocr page 237-
•*e)iiilk — ^cclecKe.                                           225
<»el>ulk van bulfels, p\'Pngoeicak.
^i\'buur, zie buur.
gebuurte, zie buurt.
^<*<liuiiïclc, bij dagvaarding, orang jang
disifa;
een voor het gerecht —, orang
jang disifa uiïnghadap hoekoe m.
—,
beschuldigd*, orang jang kena ilïiieu,
orang jang did\'lica, oranajana ditoedoih.
ücilimn. verricht, volbracht, toedah
silt-sai, habis.
— hebben met eten, van
tafel gnnn, oendoer makan; \'t is — met,
ten einde, op, gtntas, b.v. met de
vruchten tn het—, gtntas soedah segala
ba>\'irah-boeicahan
; bijna — zijn met een
vnichtsoort, bijna afgcloopcn zijn, op
zijn eind loopen, widawfu; het is met
hen) —, hij is dood, saedah poe/on
vjatr.tnja;
hij lint op het uiterste, ija
APndak poetoes njaica.
—.zie ouk doen.
■ril;i;inti\', roepa, bangoenan; lichamc-
lij\'te —, lembaga, li\'mbogaan; uiterlijk
voorkomen, ook roman, b.v. dezelfde —
als een hond, sarotnan andjing; ook
pïroman. —, vorm, tokoh, b v. een
Europccsche —, iokoh l\'.ropa; de —
van cene stoomboot, tokoh kapal api;
van verschillende —, berbagaidjagai
roepanja, pïlvbagai roepanja,;
van —
veiauderen, birohah roepa, ganti roepa;
do — vnn een huis of gebouw, bangoe-
nan ;
van dezelfde — als, saroepa dï-
vgan;
iets cene — geven, ynïroepakan;
van — verwisselen, incarnceren, nun-
dfêUnia;
slechts do — van iets hebben,
djadi-djadian, b.v. iem. die slechts de
— van een tnnn heeft, lakidaki djadi-
djadian,
schijnbaar een man.
iïedimnt e verwissel!nar, inenrnatie,
pendjPfemaihi. —, aanneming eener an-
derc gedaante, pfrobahan roepa, ptr~
gantian roepa.
i»ednchte, kapikiran, pikiran, ingatan.
--, mecninir, lint, sangka, agak, kira~
lira, agak-agak-
—, gevoelen, pêrasaiin ;
op de — komen, datang pikiran, ook
itrbif pikiran en totinboek pikiran; zijne
gedachten kwijt zijn, graib pikiran,
hilaiig pikiran, terbang pikiran;
in —
zitten, doedoek btrpikir-pikir; ia —n
verzonken, bfrmenoeag, tPrmfnoeng, tPr-
fPkoer;
zooals b.v iemand, die cene
zaak niet begrijpt, Icjigoeng; booze —,
ingeving des duivels, tcasicas, tcas-oetcas.
—, herinnering, ingatan, kenangan; op
twee —n hinken, btrtjabang ingatan;
*nn — veranderen, btrobah kapikiran;
I onmiddellijk daarna van —n verande-
ïen, balUf bïlakang la\'in bitjan\'; iets in
\' — doen, MÏ\'rnboetrat apa~apa dengait
tiada iiigat;
—, oferwegiag, iiméamamm,
in —, overweging nemen, uünimbitng-
mmimmg;
gekke —n, ingatan gila; cene
goede —, ingatan jang bark; do innig-
ste —n, kapikiran didulaia hati; voor-
bijuaan als cene —, Ifnnjap saptrti
bajang-bnjaag,
let teil. verdwijnen als
een schaduw; ver>trooidheid van —n,
tiada tfnfoe kapikiran; op de —bren*
gen, mtoibangkifla» kapikimn; in —
houden, nota van iets nemen, mengauf
bil ingatan;
naar mijne —,pada sang-
kakoe, pada kapikirankoe, agak-agak
sthaja, kirakoe;
niet uit de — gaan,
tiada Ir pas daripada inga fa r; wat in de
—n opgesloten ligt, maar nou niet zeker
is, jang IPrbajang-bajang dal aai pikiran,
jgednrhteloos, tiada bt-rkapikiran, tiada
ingaf, falai, al pa, loepa.
jjeclnchtolooHlieid, lalai, atpa, loepa.
nedaehteniK, pPringatan ; ter —,akan
ptriugatan;
geschenk ter —, tanda
mata, tjhidra mats;
een naam weer
in — brengen, wenitaboelkan nama, b.v.
akan mPnitnboelkan vama soelfuii\'Soel-
fan jang dehoeloe kola,
om den nnnm
dei Sultans uit den ouden tijd weel\'
in — te brengen; zaliger —, wijlen,
•aarhoem, Ar.
•>educht ijc aan, tPrïngat akan, terke-
nang akan, tïrkvnangkan, ferst-dar akan,
tïrsX\'darkan.
I»e<i»mn«*eeeril van wapens, berpamoer.
3*e<lfins, vnn Maleiers, tari, ptnarian.
—   van Javanen, taudal\'.
■jodartel, xanda-goerau.
•ïexlaver, dreunend weerklinken, goe-
roeh, goemoerot\'h boenj\'wja.
«*e«lecoreer<l, tï-rhijasi dïngan hintaag.
gedeelte, deel, bïftagiun. Zie ook bij
deel; een — vnn iets, sa par o; af-
gesneden —, ktraf, een —, sakt-rat.
—   van een huis, sakerat rot-mah. Ver-
der patong; een —, sapotong, b.v. een
—   van een brood, sapotong roti, een
—   gronds, sapotong tamth. — van een
weg, een dag, pinggal\'; een — saprng*
j gal, b.v. een — van den weg, een eind
weegs, sapï-nggal djatan; een — van
| den dag, sapï-nggal hnri j onderste —,
dat —, waarmede iets op den grond
rust, pantat, b.v. het onderste — van
eene pun, pantat fieriork.
U
-ocr page 238-
228                                      gedeeltelijk — gedobhtl.
gedeeltelijk, saparo; b.v. hij betaalde
—  lijnt* schuld, saparo hoetangnja di-
bitjarnja ;
een —e vergoeding dei\'schade,
taparo roeyi diyanti.
gedeesemd, chamir. Ar. berayi, b.v.
—    brood, roti jany berayi, roti c/iamir ;
ongedecsemd, fafiri, Ar. tiada berayi.
cedryen, van metalen, vast, kipal.
goud, emas kipal; ook ki/npal, b.v.
pakhuizen gevuld niet stofgoud en met
—  goud, yedoeny jang berisi eutas oerai
dan jany berisi rums kimpal.
—, vast
van delfstoffen, ook padoe, b.v. boe-
kanuja saptrti arany kita M elajoe,
,
uu lat akan sainuevar.ja arany Hoe padoe,
niet zooaU de kool van ons, Maiciers,
maar al die kool is — (vast).
gedegradeerd, pttjat dar\'tpada pany~
katt/ja.
gedekt, voorzien van ecne dakbedekking,
beratap.
gedelegeerde, oetoeitan, soeroehan. —,
gemachtigde, vakil, Ar.
gedempt, van een geluid, voortgebracht
door eene snaar enz., benyap, r\'edoep;
door den verren afstand flauw boor-
baar, r>-dam.
gedenk boek, soera/ pertnyafan, lolt
alinahfvel,
Ar. letter), gedenktcfel, b.v.
wat gesebreven staat in het — nanr
den rand des Alleihoogsten, jany soe- i
dak férdaftat di lok almahfoel aëngan \\
takdir Allah taüla.
gedenkcedel = gedenkboek,
gedenkdag, hari perinyatan, hari ia-
hóen.
gedenken, ingat. — aan. inyat akan ;
gedachtig zijn aan iets, dat men niet
meer heeft, terkenaug akan, terkenang-
katt,
b.v. /ij gedacht baren gestorven
kinderen, ija terk\'enangkan analen ja jang
soedah uiafi itoe;
geden k te sterven,
ingatlak akan maiimoe, inyatlah af.au
adjaltnue;
gedenk mijner, inyatlah akan
dakoe.
—, voornemens zijn, bintiat ;
wedeikeerig elkander gedachtig zijn,
ken a i• g-mengenang.
gedeiikjuur, fahoeit p\'eringatau.
gedenknaald, tanda ptrtngatan, illiU
mat ptringatan.
gedenholler, korbaa pèriugalan.
gedenkpenning, sakepingemas (perak,
tembaga) akan tanda pertngatan.
grdenkrol, roerat perinyatan.
gedenkschrift, soerat perinyatan,
gedenksteen, baton Cüamat.
gedenkt niet; de — voor Gods nnn-
gezicht, loh almahfoel, Ar.
gedenkteeken, tanda alamat, tanda
perinyatan.
gedenkwaardig, jangpaioet di~ingut.
gedenkzuil, tiang iïlamat, Hang akan
tanda peringatan
gedeponeerd, ditaroh.
gedeporteerd, diboeicang kasaberang,
diboeicang kaloeicar nègari.
gedeukt, gedrukt, gadjoe; plat—tgadjae
leper, /ie deuken,
gedicht. De Muleiers hebben slechts
twee soorten van gedichten, de sjtli»1,
of het heldendicht, leerdicht enz. en de
paulo», of hel minnedicht, spreukdielit.
Hij het eerste rijmt elke regel op den
onmiddellijk vourgaanden.bij het tweede
rijmen de regels om den anderen; een
punt- of spreukdielit samenstellen, »•<■•
nyikat pa» ton.
— van Hindoeschcn
oorsprong, spreukdiebt, seloka; zulk
een — opzeggen, b\'crs\'eloka; zulk een
— samenstellen, méujeloka.
gedichtwei des harten, kapikiran had,
anyananyan ha/i.
gedienstig, soeia berdjasa, toeka utenue-
loeng, berchidutat.
gedienstigheid = gedienstig,
gedierte,segata b\'matang, segala kaitca»,
Ar.; het wild —, de groote wilde die-
ren, iHïrga-sattca, Skr. b.v. makaséyala
imrya-satwa kalueicarlah inentjekari
mangsanja,
en het wild — ging uit
om zijn prooi te zoeken; kruipend —,
binatang jang m\'elata; viervoetig —,
binatang jang berkaki \'empal.
ged\\jen van planten, djadi, toemboeh
ba\'ik-ba\'ik,
b.v. maka sakalian bcnih dan
pokon, djika ditanamuja, nis/jaja me»-
djadi,
alle zaden en hoornen, zoo zij
die plantten, zouden —. — van kin-
deren, jonge dieren en planten, riap.
—, passend, geschikt van een gences-
iniddel, zie probaat. —, voordeel
aanbrengen, berliaxil, b.v. zijn hundel
gedijt niet, peru iaya Unit ja tiada berhaxil;
gestolen goed gedijt niet, barany-barany
tjoeriau tiada oentoenynja;
dat geld deed
hij -- ten nutte van anderen, oe.aany
Hoe dipergomakannja kapada oraitg la\'ia:
ten nndeelc —, mendjadi roegi
geding, rechtsgeding, atjara. Ken —
hebben, beratjara. Zie rechtsgeding
en pleiten,
edobbel, perimüuan djoedi.
-ocr page 239-
gedoente — geducht.                                         227
gedoente, p\'ekerdjaün, pentjeharian j in
zijn eigen —, d\'engau pekerdjaiiuuja
seudiri.
—, drukt*, opschudding, ga-
doeh, geinpar, hoeroe-hara;
ia een goed
— zitten, doedoek dalam hal j..?ig ba\'ik.
jjedolicn, zie duiken en ineen^e-
«lolit-n.
seilommel, deitgoeng, deroe.
üedonder,y(/e; oe.h, goemoeroeh boenjinja.
sedooueii, veiduien, menahan ^vnn ta-
Aan), menderita, measabarko», mètumg-
yoeng
(van tattggoetiy), niembiarkan, mem-
It-ri,
b.v. ik kan uwe kuren niet —,
tiada t^rlahan akoe ukan seyala timj-
kahuioe;
gij gedoogt zijn fouten, eng-
kan mensabarkaa salalmja
; ik gedoog
die kwelling, akoe tnenamjyoeng sang-
sara itoe;
zij gedoogen dat die hcide-
neii de afgoden dienen, maraka-itoe.
iiir-inbiiiikau orang kujir itoe menjtniboh
berhata;
ik gedoog niet dat gij heen-
gnat, tiada akue mtmèil\'l e/igkuu pergi.
-. :<m looi, sesatan, djalaa berkoelili/ig, idar-
idar.
gedoomd, gedorend, berdoert.
■riliii^i-li, penebahan.
^edrunf, lari, het — der paaiden, la-
rinja seyala koeda.
i\'iti ;iiii, poesing ; zie d muien.
;j;edrnnl, perlambatan.
y;edi*iiii, lakoe, kalakoewati; gedragingen,
tingkah-lakoe; een goed —, kalakoetcau
juiig ba/k;
een biecht —, kalakoetcau
jang dj ah al;
het gnnsche —, sakala-
mHM; uit ui hare gedragingen bleek
dat zij geen bchanmie bezat, daripada \\
S\'-gula iinykah-lakoeuja njatalah ba/uca
tiada ija iitfitaroh maloe.
i;e<lriis;t-\'n; zich —, berlakoe, nièlakoe\'
kan dirtnja;
zich behoorlijk - , nïela-
kut\'kun diriuja denyau paloetujo, ut. d.
denyau sepertinja;
zich onbehoorlijk - ,
melakoekan dirinja deugan tiada pa-
toetrtja, m. d. dettyan tiada sepertinja,
berlakoe d\'engan tiada sauoenoeh;
weten
hoe zich te — of te benemen, >uëm~
baica lakoe
,- dat nog niet weten, btloin
tahoe membatca /akoe;
zich laug, ge-
meen —, hitia kalakoee:aunja, ledji
kalakoeicannja
; zich — naar iets, iets
opvolgen, meuoeroet, b.v. gij moet u —
naur de bevelen uws vaders, hendaklah
kaït-loerot t seyala pesaa bapautoe ;
zich
als een gek —, sapertï lakoe oravg gila.
edragen, bijv. uw. van een kleed,
bekos tufboeh.
gedraging;, /.Je gedrag.
±*edru<*siyu, p-rt kalakoeau.
gedrang, sesakati, apit-apitau, himpitan ;
in het —, kasesakan, tcrapit, ttihimpit.
lïedrely:, pengamang-amavg, pengantjam-
antjam.
i»e< lr< n i i\'l. djalaa perlahandahan.
gedresseerd, soedah di\'adjar,- een —
paard, koeda jang soedah di-adjar*
gedreun, dengoeng, deroe.
"edreven, vaa metalen, dipahat.
goud, eiai-s dipahat.
gedrocht; vour het algemeene begiip U
geen woord, doch wel heelt men namen
voor allerlei gedrocht el ij ke, denkbeeU
dige wezens, b.v. gaioeda, een soort
van gedruchtelijken vogel, »agat een
gedrochtelijke Blaag, boeta, een gcdioch-
telijk reusachtig uiennch of iets dut
daarop gelijkt. Zie verder bij «poolt en
geest. — , wunfrchcpsel, kadjadianjaug
bï.r/jtla, kadjadian jang ada tjelairja.
^«■ilrcx\'hi \'Uil», wanschapen, lurfjela,
ada tjelaiija.
(gedrongen, in den drang, kasesakan,
kaiiiuliha», ietapit.
—, dicht bij iets
anders, zoodat er nanraking plaat*
heeft, jiidil, dimpit, èërimpit imptt,
zitten, doedoek berttudih. Zie ook drin-
i*en. —, beknopt van stijl, ringkas,
b.v. zijn opstel ia te —, karainja>t,ija
tirtaloe ringkas.
]£edroo&j;d, zie droüon.
isedruiwcli, deroe, dengoeny; ecu groot
— > goeroeA; een groot — makend,
goemutroeh boeiijinja. — , rumoer, leven,
gempar, gadoeh, hoerue-hara, géyajr-yeM-
pita;
gij moet niet veel — maken,
djiingan ingar-inyar, djanyan berbanjak
gadoeh.
gedrukt, gedeukt, gadjoe: plat —,ya-
djoe leper.
—, gekneusd, mSmar.
vau gemoed, tesak dalam haft. In plaats
daarvan gebruikt men in die beleekenia
ook, berat seyala aayyota, letterl. zwaar
vun ledematen.
Sednobt, ontzagwekkend, haibaa, Ar.
haibaf. —, tu vreezen, ditakoeti. —,
zeer, uitermate, te/laloe, amat, sangat,
b.V. — ziek, tcrlaloe sakit, lavyat takit;
een — groot leger, balatanta<a jang
amat besar;
er — uitzien, een vreese-
lijke gedaante hebbeu, roe^a haibaf.—,
verbazingwekkend, inembtri dahsjat, Ar.;
een —e stem, boenji soeara jong mim-
beri dahsjat
; ecu — pak sluag, p>doe
-ocr page 240-
geduld ---- l\'JvsrliMCilr.
.\'-\'S
geelheid, koêning.
geelkoper, koeningan.
geelzucht, kapialoe njanian.
geen, niet, tiada. h.v. — eten, tiada
makan,
— hebben, tiada bXr.,., b.V.
—   geld hebben, tiada bProe/raug,
oogen hebben, tiada bermata:; ook /iadn
mXnaroh
(van iaroh). —, niet een, sa\'O\'
rang po/t tiada, satoe po» tiada,
b.v.
—  een, die lezen kon, sa\'orang pon
tiada javg tahoe membatja.
— een was
er rijp, saloe pon tiada jong masak.
—   zijn, het niet zijn, boekan, b.v. bij
is — leermeester, boekan ijtt goeroe,
het is — paard, boekan koeda; bijna
—, schier —, hampir-hampir tiada;
van nul en —er waaide, satoe pon
tiada harganja, satoe pon tiada goenanja;
zij weten van — wijken, mareka-itof
ta\'tahoe oendoer;
daar is — praten meer
legen, ta\'dapat dibantahi lagi. — onzer,
daripada kami sa\'orang pon tiada,
daarvan, daripada itoe satoe pon tiada ;
nog —, bïlom, b.v. toen waren er nog
—  menschen op Java, pada masa itoe
bXloni ada manoesia difaitah Djaica int.
geenerhnnde, tiada sasoratoe : op —
wijze, dfoigan tiada sasoeafoe peri.
geëngageerd, verloofd, bXrtoenangan.
geenszins, sakali-kali tiada, sakali-kali
boekan,
h.v. zijn oogmerk weid — be-
roikt, sakali-kali tiada sampat maksoed-
nja;
dat was — een fatsoenlijk man,
sakali-kali. boekan orang biiik-bdik. In
de verbiedende wijs, sakali-kali djangan.
—, dat ik niet, zie hij niet.
geep, een soort van lange platte visch,
ikan paraag-parang, omdat die op een
kapmes gelijkt.
geer, geerstuk hij naaiwerk, pesak; een
bandje met zes geeren, badjoe petak
ertam.
—, okselschrooi, kikijr.
geerde, mar. fali lalai.
geeren, miring.
geërfde, warits, Ar.
ge e «el, gcesol roede, djari ampai, rotan
^n-njesah.
—, zweep, tjemXti; ook fig.
voor bXla, onheil, plaag, ramp.
geeaelaar, pXnjXsah.
geeselen, menjesah (van stsah), ook
mXndvra, h.v. didera doelapan-poeloel
paloe.
geeeeling, pX-njXsahan, sVsakan.
geeaelpaal, tiang tempat orang dtsêsah.
geeselroede, djari ampai, rotan pX-
tijXsah.
jaag amat ëongot; een —e regenbui,
hoed jan jaag tfiêrat; ccn —e schade, i
roegi jaag blaar; een —e afstand, djaoeh \\
sakali, djaoeh sangat;
wel —, wat hen
je netjes, tcah, fjantik saluli ï-ngkav.
geduld, tabar, Ar. tahan. — met iels
hebben of oefenon, nivasa-harkan; geen
—  hebben, tiada tabar, tiada tnïttaroh
fobar
(van taroh); niet — verdragen,
iiit-.tdvrilit dtngan tabar; het — is ten
«.■inde, hahislah sXgala tabar.
geduldig, di\'t/i/im sahar,mXnaroh sahar,
dïrana,
Skr. — drnjren, mXnahan sabar.
gedurende, sXmanfara, dalam anfara,
lamanja;
b.v. — de beraadslaging, sl-
manfara orang bX-rhitjara,
— zijne reis,
dahlia anfara tja berdjalan. — liet gan- ,
schc jaar, gXnap satahoen lamanja.
een gcruimen tijd, tampai lama, bebX- \'
rapa lamanja.
gedurig, steeds, hij voortduring, sela- !
loe; h.v. hij is — on zee, selaloe tja
di/aoet.
—, telkens, sahXniar-sabXntar,
h.v. — opstaan, bangoen sabtnlar-sa-
bï\'nfar.
—, hoe langer hoe ... , makin
lama makin
...., b.v. — kwamen er
meer, makin lama makin ba/tjak javg
datang.
— minder worden, makin lama
makin koerang.
gedwee, zacht, week, Ivmah, IXmboet.
—, gehoorzaam, nmtoeroef, soeka me-
noeroet,
--, geduldig, subar.
gedweeheid, pX-ri jong IX-mah-lX inboet,
péri sabar.
gedwongen, tXrpaksa,dX-ngaa digagahi.
—, geseneerd, onbehouwen, kikoejr. Op
Java kakoe.
geëerd, tXrhormat, moekram, Ar. Dit
laatste ook nis bijnaam der maanden
Sjaban en Kédjnb. ■—, verheven, moeil-
lam,
Ar.
geef\'; te —, om niet, tjoema-fjoema; te [
—, zeer goedkoop, motrah ti-rlaloe,
moerah sakali.
geel, kon/ing; bleek —, loeninn l$mak- ,
ketam; hoog —, koming fot-wa; zoo
—  mogelijk, op zijn geelst, koenhtg- j
sakoenittgnja; licht — van gelaatskleur,
pingai, — nis klnkkcnmctnal, lojang;
kïeederon van die kleur, pakajan lo~ !
jang. — koper, koeningan.
geelachtig, kakoeningan. Ook al wat
geel is, het geelachtige, en waarvan
de Vorst zich het gebvuik heeft voor-
behouden,
geelgieter, fockang koeningan.
-ocr page 241-
££ceselsln<£ — seesteloo*.                                             221»
geeselslnc atbat; Jav. sabït.
«eeselstrnf, Ijuekorin s>sah.
soest, /iel, rtjaica, djiwa, soekiaa, Ski\'.
—, theologisch, in tegenoverstelling
met het stoiïelijki\', roh, Ar ; de —
Gods, volt Allah; de heilige—,rohov,l-
kcedoes.
Ar.; een booze —, satan, #ƒ\'**•
ffi/i, Ar. De bonze —, Duivel, ioiis, Ar.
Door een boozen — bezeten zijn, tth
uiasokan sjaifdu, dirasonk sjaittin. \\
er-
der onderscheidt men vele soutien van
booze geesten, als : — , luchtgeest, wang-
haloes. —
, spook, ha» ton. —, spouk
van afgestorvenen op de graven, hunton
kïramat;
boseb.—, hantoc riuiba, hunton
pëiabonvoe, poeicaka;
een soort van —
ut\' spook, ktiaang; booze —, een soort
Van reus, dio do mensehen verslindt,
rvjvoM, raktjasa, raksaksa, gPrgasi;
een soort van —, die, naar uien be-
wceit, oorzaak is van een op vcrschil-
lcnde plaatsen tegelijkertijd plaatsheb-
benden brand, si kut lambai; een sooit
van boozeu —, mïinbaug; booze —,
die zieh ïn buouicn, bussehen en cen-
znine plantsen (\'phuudt en die daar-
dour ontoegankelijk maakt, ponwaka;
een soort van boozen —, nnchtspook,
toewanffï; een soort van geesten tot*
echen engel en menscb, met mcnsclie-
lijke hoedanigheden en eigenschappen,
waarvan twee sooiten, goede ett kwade,
dj\'», Ar.; een soort van boozen —,
dio meestal in- vcreeniging met dj in
wordt genoemd, afrit, Ar.; een soort
van kabouter, dio als oorzaak van nek-
ten beschouwd wordt,patong, b.v. tapfrti
polong kPna sPiabonr,
kil een polong
die bespoten wordt. Spnv. gebezigd
voor ons: het hazenpad kiezen, aan den
hnnl gaan; een soort van bouzen —,
die het op kraamvrouwen gemunt heeft
en dien men door het buiten hangen
van zekere doornstruiken, daoen deioe-
djoe, tracht af te weron, poutiaimk;
een soort vnn boozen —, die voor
zwangere vrouwen gevaarlijk i*,(/adjang.
— van een vermoorde, hatttoe inati
diboeuoeh.
Verder haiitoe hoengkoea en
nog vele andere soorten meer. —, ver-
Rtand, intelligencc, afrol, iïkal-bocdi,
dze-han,
Ar.; den — geven, pontura
njatca, poetoes djiica, meregaug djiwa;
voor den — zweven, tPrbajang-baja.tg
dai-am inga\'ax
; steeds gedenken met
verlangen of gevoel vnn gemis, ttrkP-
nangkan. —, gemoed, hati, tjita, b.v.
verheugd van —, sunka-hali, soekn-
tjita;
droef van —, donka-tjita, soesah
hati;
den — Gode geven, poeiamg ka-
rahiimt Allah;
een vlugge —, kapala
rimgam;
een vluggen — hebben, ringan
kapala ;
een bekrompen —, ktijmla fürai;
een bekrompen — hebben, bfral kapala ;
den — vervullen, pvttufh dalam kapi-
kirn.i, mtmoek dalam hati
; in den —
ontstaan, bïrbar.gkit dalam ha/i, tPrbit
dalaia hati;
uit den — velbannen,
mtiabonicang dari data.a hati; zijn gau-
schen — uitlaten, im\'ndionka tïgata
rahasia hatinja;
den — verwijden, W\'F-
loeicaskaii hatinja; nanr den —, t/ara
roh, aakPdar ro(i, ingatan;
in den - ,
in een visioen. dPngan chajal, Ar.; in
den —, bij zich/elven. dahlia hatinja;
bitterheid des —s, kapahitan hati. —,
drift, nafson, Ar, de — van nijd, tiaf~
toe dPngki;
de — van opsland of ver-
zet, nafson donrhaka ; de — des volks,
kapikirau ovatig ba.ijak; in iemands —,
overeenkomstig iemands denken, salon-
djoe dPngan kapikiran ornng;
in iemands
—   handelen, bPrbonaat saptrti kahPn-
dak orang, bPrbot-wat satondjon dPngan
kalu\'ndak orang,
—, bedoeling, niut,
—, duel, maksoed, b.v. de — van den
wetgever, niat orang jaag utembPri
ftoekoi\'ia;
de — van dio wet, mak^ond
hofkwiü itof.
—, bedoeling, ook maan;
de —en der afgestorvenen, «;7w/\',Arab.;
aan dit* —en een feest geven, makan
avtcah.
—en van afgcftorvenen, dio
rondwaren, spoken, hunton, —, engel,
mala\'ikat, Ar. — van spiritualiën, roh,
Ar. b.v. — van arak, roh, arak. —,
mcening, Prti, chasiat, Ar. do — des
korans, chasiat koran.
\\ (geestdrift, enthiisinsme, bPsar tjita,
kalPbihan tjita, grairat, Ar.
j seestel\\jk* ru^aui, Ar. —e eigenschap,
ft/at rohaui. Ar.
! geestclükc, priester, bij de Mohamme-
danen, iiadoi, Ar. lebai, moeüdzin, Ar.
—   bij de U. C. Christenen, paderi (van
hel Port. padre). — bij de hervorm-
den, /niitdita; cene soort — studenten
bij de Mohammedanen, santivi.
i geeatelUlilieid; de —, stgata imam,
sïgala padïri, srga/a pandita.
i jfeesteloo», van een persoon, tiada
hcrloedi, tiada btvtikal.
— van woor-
\' den, tiada liertrti, tiada btrisï.
-ocr page 242-
230                          geestenbezweerder — gehfinrhloof.
geestenbezweerder, djindjang.
die den Vorst vergezelt, djindjang radja.
geest en dom, in kwade beteeken is.
si gala ttjia jrjaitdn dan niembang. tï~
f/n/a hantoe .yaifiin.
—, godendom.
si/fa/u dewata. —, cngelendom, st-gala
„lalaikitf,
— in christelijken zin, *e-
gala arirah.
geestenbeer, hangt af van de voorstel*
ling, die men van geesten heeft, h.v.
—■ van djins. bala-tantara djin, enz.
—, engclenheer, bala-tantara malaikat.
goostenrvjli. In de HSS. kotnt dit alleen
van de djins voor, namelijk, karadjaa/i
djin.
geestenwereld, volgens de Hindoes,
kahijangan, kdindPraan. —, doodenrijk,
onderwereld, ulam bPr;ach, Ar.
Keestenaftven, geestelijke gaven, anor-
geralia rohani.
geestgesteldlieid, ptfi hal hati.
geestig in woorden of in \'t spreken,
petah. haloes. —, vernuftig, bïrïïkal,
arif, Ar. —e oogen, ntata fjvrtdifc.
geestigheid, geestig gezegde, pvrkafaiin
ja/i/j haloes;
scherp gezegde, pe.rkatadn
jang tadjam.
geestkracht» vnstheid van gemoed, ka-
tt\'tapau hati,
goeetrtUr, van vochten, \'këras; een —
vocht, a/ar kfrat.
geestverheffïng, zie geestvervoe-
ring.
gpCKtvermoscns, eigenschappen van
den geest, si/at roh.
geest ven* uh hing, zie geestvar-
voer tn g.
geeetvereofat)nl»igt visioen, ekajél.
geest vervoering, ftefor tji/a, kalcbi-
han tjil/i, djoenoen,
Ar. ■—.verrukking,
toestand van opgewondenheid, ogatn;
in — brengen door toovcrmiddelen enz.,
wfcttgogam. Ken soort van dans, dnar-
voor gebruikt, pï/>goga>n majang.
Ceostvcrwnnt, sahati, oratig sahati.
geeuwen, vn\'-ngonrap (van oeicap).
cceuwer, pïngoewap,
geeil werlgj soeka nn\'ngoewap.
ftpouwhonser, boeloer. — hebben,
verhongerd zijn, kabuelua-an. —, waar-
bij men niet in zwijm valt, misselijk
vnn den honger, moetcal lapar.
gefemel, ptmboedjoek; gehuirhel,poera-
porra, nifak,
Ar.
geflndder, /ie fhidderen.
ficfleem, jii/nht.edjoek,
geflililier, lilap, kilat.
goflodder, koran, haratt.
gellonlter, trpïrling.
••«•Il ui ««tor, bisik-bisik, koe$oe-kofSOe.
■jetluit met den mond, t\'joel; met een
Unit, ptrmaïnan soi\'Ung.
gefnieSf hirttin.
geionbe% kïlip-kelip.
gr fop, tipoe.
«eforceerd, trrpaksa, digagahi.
gogafligde, ovnnq jong hfo/dafr, o. j.
bïrhadjat,
gegeeuw» pingoetottp,
«oneven, Hijv. nw. jang socdah diberi;
een — oogenblik, tcaktoe jang êoedah
finfor;
in de — omstandigheden, da~
la/n hal ahneal jang demikian itoe.
gegiegel, l\'-rtava. diam-iliam.gila-gilaan.
gegier, uitgelaten gelach, tïrtaica gflak-
gtlak-,
—, hevig geloei, deroe, tfengoeng.
gegil, tarrjak, dj~erit.
aeginnegid», zie gegiegel.
goglnnsd, digiroes. /ie glans»
gegleufd, bï-raloer, bërgfloegoer, h.v.
een — kanon, mariam bïraloer.
goglim, kvt/ji-kïlip.
i;*-glinKter, kilaf, kilau,
gegluur, petighintai. Op Java pengintip.
gegoodt btrharfa, hartaican, bèrbënda.
■gegoeden, vrang bfrharla, orang har-
la wan.
gogoedlieid, rijkdom, kakajaihi.
gegolf, owbak, aluen, grli//nbaitg.
gegolfd, birombak-ombak.
gegons, dïngneng, daling.
gegooi, pP/ortar.
gegoten, torrangan. — ijzer, hts% toe.\'
icangan.
gegraaf, pïnggali.
gegrnbbel, rïboctan.
gegrijn, gegrien, tangis.
gegrinnili -= gegiegel.
gegroefd, vnn een vuurwapen enz.,
lïïraloer, brryvloigner, lïïrkarok.
gegroept, btrkifocinpot\'k; btrluempofk.
gegrom* van mcnsi-hen, soengoet.
\\nn dieren, deram, dfroem.
gegrond, een grondslag hebben, Aerfl-
las. — zijn, di-alaskan, ttralas. —,
roden hebbend, ada xïbabnja, liërst-bab,
gehnnUt, van een haak of haken voor-
zien, bvrka\'it, brrka\'it-kaït.
gehnnrd, van hoofdhaar voorzien, W-
rai/iboH; van bnidhanr voorzien, btr-
burloe, bt-rai/iboi\'.
gehaarliloof\', pfrbantahau.
-ocr page 243-
231
gehaast
seheel.
I gehaast, go.poeh, goepoeh-goepoeh ■ met
vorscheidcnheid, goepoeh-gapah. —, ge-
jaagd zijn, g$ta; zeer —, gtsa-gtsa.
^elinnt, kabénljian.
jelinkt, frikkadel, Ijénfjangan, perika-
del, kabdb, Ar.; lijn — vlecsch of
viscli, als toespijs bij du rijst, lawar.
■.•■hall e. inhoud, moetcat; maat, gewicht
van edele inetalcn, kadar, Ar.
■ .liaincrd, gesmeed, tïmpatcan.
uelian-jene, orang mafi diganfo^ng.
gehard, van lichaam, dibiasakaa, b.v.
zijn lichaam is — tegea liitio en koude,
toeboeknja diéiasaèan mtnakan junta*
srdjori:
geharnast, blrbadjoe rantai, bérbadjoe
zirha.
geharrewar, pPrbantahtiil.
gehecht, van stoffelijke znken, hvrhoe- j
boeng, bersamboeng; at/a hoebo^nyawtja, l
ada samboengannja; van het hart anu
iemand, türsangkoel, b.v. riisa hamba
pon télah firsangkwllnh mïtihat roe pa
loewanhaniba terlaloe elok
m, ik ge-
vocldo mij reeds aan n — bij het zien
van dit uw schoon voorkomen. — zijn, \'
zoonis b.v. de tn ieder aan het kind,
btrkïlindan. letter!, van een draad
voorzien; verwend —, van een kind
nan iemand, van ecne vrouw aan haren
man, van een bediende aan zijnen heer,
mandja, b.v. pado, kelika Hoe mandja- \'■
lah akoe kapada netiekkoe Hoe,
op dien
tijd was ik aan mijne grootmoeder zeer
— ; kapada bondakoe Hoelah akoe sa-
vtjat mandja,
aan mijne moedor was ik
zeer — ; maka adalah istéri radja Hot.
lïrlaloe mendjanja,
groot was de ge*
hechtheid van \'s Vorsten gemalin ; Ibra-
/•\'•iii pon lantas me\'mbPri bïlandja ka-
jiada batciib toetcajang mandja,
lbrahim
gaf daarop geld voor uitgaven ann den
ouden, nan hem gehcchlon, portier. — ■
uan eénc plaats, hokvnst zijn, fï-rë/iak;
nan elkander —, of verbonden, van de
beenderen, bfrgaia.
gehechtheid, sangkoelan; kinderlijke
—-, mandja,
geheel. Voor het algemeen begrip is geen
woord. Men behelpt zich met atttaro,
Port. Hel wordt op verschillende wijze
uitgedrukt, b v.: het —e land, als
vlakte beschouwd, saloeroeh tanah, sa-
loeroeh nïgari;
het —-e lichaam, van
iemand, saloeroeh toeboeh, sa\'asa toe* :
boeh, b.v. zijn —o lichaam zweette, \'
berpPlo-hlah saloeroeh tueboehnja; zijn
—e lichaam was rechtop, téyap sa\'asi
toeboehnja;
de —e stad, het —e luud,
stgala ntgari; met het oog op deu
inhoud, sagénap ntgari, sa\'ui nigari ;
do —e weg, sapandjatuj djafa.t. Nli,
all — slaat op lengte ot\' duur, dan is
het incest sapaiidjang; het —e huis-
gezin, sa\'isi roemah; de —e vergade*
ring, sagfuap pt-rhiiiiponan. Als - slaat
op iets, dat uit eeu aantal deelen
bestaat, dan is het meest saginap; de
—e wereld, sfgula ulam, samïsla ïïl.im,
sakalian itlam
; do —e aaide, saloeroeh
boemi, sahïrhana boe mi;
de —e wereld,
alle menschen, sa\'isi doenia; ook stko-
fah,
b.v. de —e wereld weet het, si-
kotahnja tahoe;
het —e leven, sapa.i-
djang ïïmoer, sa\'u-muer hidoep
; don —on
dac, sapandjang hart, tabCrhana hari,
ook soentoek hasi; een —e dag en
nacht, sahari-samalam. Zie etmaal;
. een — stel, siüangkap, sabirhaua, Skr.;
een — stel kleeren, een — kostuum,
saberhuna pakajan, salangkap pakajan;
een — stel sieraden, sabërhana per-
hiasan, satangkap pirhiasan ;
in zijn—,
voltallig, gënap; het —, de —, sagc-
tiap;
den —en dag, saginap hari, de
—e som, sagrnap djoemlahaja; in zijn
—, niet aan stukken, boelat\'boelat,h.\\.
een eivrucht in haar — gekookt, tiroeng
dimasak boelal-boelaf
; het —e hart,
halt boelat-bwUit; den —en dag door,
saatiasa hari, de —e maand door, san-
liasa boelan,
het —e leven door, san-
tiasa hidoep.
— en al, samata-mata,
snpala-pa/a.
b.v. tiada lagi Laksamana
itigat akan pekerdjaan doenia int, iné-
iainkan Allah taala djoega samata-mala,
Laksamana dneht niet meer aan de
dingen dezer wereld, integendeel slechts
—   alleen aan den nlleihoogslun God;
sapala-pfda na/na jattg djahat .... d/a-
t/gan alang-kï-palang,
— en al een slech-
teo naam en niet huif en half; sapala-
pala nama bïrmasak dan birdjamoe
radja kila, —
en al den naam hebben
van voor onzon Vorst te kokeu en hem
te outhalen. — en al, ook hahis, b.v.
—  en al aan Harden, habislah tjarik--
tjarik\'.
—, ook alleen sa, b.v. — Ma-
laka, saMa/aka, of saboetcah, b.v. een
— e s tad, saboetcah tiegari; de —e
schare, saghuip oraiuj banjttk; do —o
wereld, segala doenia; de —e som, 3>t-
-ocr page 244-
232
geheel — gehoorzmd.
gïnap djoemlahnja; zijn —e vermogen,
ségata harta liendavja. — loslaten, —
opgeven, — afzien, mi\'IXpaskan sama
sakali.
— loochenen, mvnjaugkul sama
sakali.
— genezen, sïtmboeh sama takali.
—  van hoedanigheden, btlaka, of de
verdubbeling van bet woord met voor-
gevoegd sa en achtergevoegd nja, b.v.
—  van goud, v/nas btlaka, — zwart,
tmkitam-kitawnjatook hitam sama sakali,
—  vrij, sabebas btbasiija, bebas sama sa-
kali.
— anders, luin sakali; in bet —
geen, sakali-kali tiada, tiada sakali-kali;
1 in zijn — gebleven, niet gebroken,
tiada paf ah, tiada poetoes, tiadapvtjah.
Zie bij breken; in zijn — gebleven,
niot vnn elkander gescheiden, tiada
btrlfórai, tiada tttr/jërai-berai, tiada
teroirai;
in het — niet, sakali-kali
tiada, sakali-kali djangan, HU.djangan
en tiada kunnen ook voorop komen;
nog in zijn — zijn, nog niet gebroken
ot\' bedorven, belom roesak, lagi baïk,-
over het — genomen, d/ikalau ditim-
bang samoetcanja.
—, zie ook bij
gansch.
geheel;
het —, de totaliteit van de
hoeveclbeid deelen, zoowel van levende
als levcnloozc voorwerpen, pXpafc. — :
en al, sapepak,
geheibei, tjerewel.
geheiligd, lüjv. nw gewijd, [laram, Ar.
geheim,
raliasia, Ski*.; een —verklap-
pen, mï-mboekakan rahasia; een — open-
baren, waarvan de openbaring door de !
goddelijke wet verboden is, mXmboeka- ■
kan rahasia javg dihardmkan sjartt; ■
een — bewaren, mXnanggueng rahasia, \'
b.v. maka sipX.loeloet itoe pon niXvgakoe- \\
lak menanggoeng rahasia Hang Nadim,
en de wrijl\'ster stond ex voor in, dat
zij het — van Hang Nadim zou be-
waren. —, het diepste van bet hart ol\'
gemoed, sir, Ar. dikwerf gebruikt in
brieven, b.v. in \'t— ot\' diepste van het
hart, didalam siroe \'Ifcoeheb, — ook
fjanda, Ski*, b.v. — koffertje, tjanda
péti.
e gebreken, —e zonden, IjX-
poetca;
oen —e deur, piniot\' waling,
pintoe gitap, pintoe satah.
—, veibor-
gen, terboeni, fersentboeui; b.v. —e
gedachten, kapikiran javg fXrsemboeni ■
— e vijanden, set\'Xroe jang fXrsemboeni.
—  gemak, djamban, pèlindomgan, ka- ;
koes. —, in stilte, diam-t\'iam; b.v. iets
In het — onderzoeken, mhijHidik dia-u- ■
diam; in bot — vluchten, lari diam-
diam, lari fjoeri-fjoeri
; in het — ver-
koopen, djoeical fjoeri-tjorri; een —■
verspreiden, mX.mXtjahkan rahasia (van
pefjah); iemand een — toevertrouwen,
niénaroh rahasia pada saorang (vnn
tarok).
geheimbewctardcr, pXnaroh rakasia,
kapXrtjajaiin.
geheimenis, barang rahasia.
geheimhouden, minaroh rahasia, si.a-
pan rahasia.
; geheimktimer, kabinet, chala-at, Ar.
: geheimechrüver, kXrani, barkoen,
b.v. maka datoeb BXndahara pon nté-
njoeroek akan baedak-boedafcnja pXrgi
mtmanggil karkoen dan djoeroe-toelis
radja,
de rijksbeslierder nu beval zijnen
bedienden om des Vorsten — en kier-
ken te ontbieden.
geheimzinnig, duister, gelap. —, inge-
wikkeld, suikar-soetil, uwsjkit, Ar. —•
verborgen, tXrboeni, tersemboeni.
gehekel, gevit, pXufjXlaan.
gehelmd, bXrkX/opong. met, bXrke-
topongkan.
gehemelte, zooals b.v. van een ledi-
kant, laiKjit-lanyil. — in den mond,
langitaii moeloet\', het zachte gedeelte
van het—, keelachtei vlak, tïka\'k-; kost*
bunr —, dat boven den olifant wordt
gedingen, die voor den Vorst verschijnt
om zijne huldo te bewijzen, gXmbovt.
gehengen, zie gedoogen.
gehenna,
djXhcinam, Ar.
geheugen, ingaf, peiigingatan, —, be-
wustzijn, sïdar.
geheugen, Ww. Zie heugen,
gehinnik,
pXringkik.
gehoest, batoek;
gehoor; het —, pXndXngaran. — geven,
maiengar, mXndXngar; geen — geven,
tiada uienXtigur; gehoorzamen, opvol-
gen, mënoeroet (van toeroef); audiëntie
verleeuen uan, sXmajam dihadap otih;
gezanten in plechtig — ontvangen,
tuXndjaicati oetoesan. —, do toehoor-
ders, se gala orang jang uiXtnXngar.
gehoornd, bX-rtaiidoek. —, voorzien vnn
een enkelen hoorn, zooals de rbinoee-
ros enz., bXrijoeta; een —e alang,0#/or
bXrijoela.
gehoor-znal, die met een overloop,
roeng, aan de astann ot\' vorstelijke
woning is verbonden, balairoeng; het ver-
hovenste gedeelte van de —,stribalai.
-ocr page 245-
gehoorzaam gek.
gehoorzaam, torroef, toeroei permloh,
dtuijar-dtuyaran.
— nun God, minor-
roet Jirman Allah.
—, onderworpen,
ejjnibnar, tatok\', Ar.
gehoorxaamlieUt, toeroet au, pPnoeroe-
ta,i;
onder de — brengen, cijnsbunr
inaken, minnlokk-\'d.
•«ehoorzHinen, mtnoeroet, nunoeroet
pïrrnfah.
Tegenover den Vont, mtn-
djoendjoeug,
b.v. al wat l we Majesteit
beveelt zul ik —, afyala Hf ah Toewau*
koe patik djoevdjoeny.
.Lït\'liot, van melk, pifjah. —e melk, ajor
toetOé pXtjah.
gehouden, verplicht, baros, icadjib, Ar.
Beide woorden slnan op de zaak, wanr-
toe men — is, b.v. harostah \'rnykau
„\'.!,■• Ithtrakan aaakmoe,
het is plicht
(betamelijk) dal gij uwc kinderen ver-
zorgt ; icadjib/ah rnykau srmbafijtitty
Uma Ktktoe,
bet is plicht dat gij de
vijf gebcdestonden waarneemt. Dikwerf
ook icadjiblah atann.ee, het rust als
ecno verplichting op u.
■•houwen* uitgehouwen, pahaf.
■teen, batoe jtakat.
•jehucht, kamporvg, doesoen krtjil. —.
bijdoi p, bestaande ait eenc verznuie-
ling van buffel kralen, (eratal:
\'Chuichel, poe ra-poera.
gehuicheld, dïnyan poera-poera.
gehuil» fat/gis, pPraoeng,
i^ehuiMtl, gehuisvest, bZro<„wh.
gehuld, /.ie liuiU\'11.
nrhuwd. van een man, bïeb\'ui, bi ris-
lêri;
vnn ecne vrouw, btrlaki, btrsor-
wamt,
—e Heden, orany lak\'i biui Die
lieden zijn —, hun huwelijk ia wettig
gesloten, orany ifoe soedah Lattin. ■-
zijn niet eenc vrouw, ook: doedoefr
dingau sa\'orat/y /nrampoetct,/.
Xog niet
— zijn, bilom doetloelr.
nei, zie ycitouw.
^eien, mhijhiysivy lajar (van siuysiny).
neüht, gestempeld, tvrmP.tt.rm. — van
maten en gewichten, tertolok, letterl.
geconfronteerd mei een standaard.
jeil, in de hooglte ninte wellustig van
vrouwen, yasany,ynny.\\antj, vnn mannen,
yatal, vnn vrouwen ook: blaag, —vnn
\\\\W\\v\\v\\\\ttZrlaloe sorbory ,sangat merambat.
L*einnpireerd, door eene booze macht,
dist/ap, b.v. door den duivel — ,disititp
sjaifaii.
— door eene goddelijke in-
geving, di-ilhamkaa (van i/Aam, inspi-
ratie, Ar.).
ü«\'it, kambhig bPtitia.— in betnlgemeen,
kambiny; nl wnt tot liet geilen- en
tchnnenrns bchooit Ei daaronder begie-
pen ; jonge —, geilcnbokje, anak kom-
hing;
wilde —, kambing hoef au, k.
boetoen :
melk—, kambiny pirnhutt ;
Bengitalsche —, de beste soort vnn
ntelkg\'.iten in Iiulië, kambiny litiigynla.
—, zie ook bïj hok.
iXeite 1 tolt. zie hok.
•ieiteleder, korfit kambiny.
geitenhaur, boetoe kambiny,
geitenhoeder, yombala kambiny.
geitenmelk, soi-sor kambiny.
geitenmelker, een soort vnn nacht-
vogel, boeroemg tjabuk, baberek, boeroeuy
b\'nk-birik:
geitevel, koe/it kambiny.
geitevleesrh, daging kambiny.
geitouw, tttli boeboefau, ptntjiroet. —,
gording, gioek.
gejaagd, gehaast zijn, gïsa. Zeer —,
yisa-ytsa — , onmatig, yilisah. —,
ontroerd, b.v. van iemand, die een
verzoek wil doen, icalang. —, met
spoed, met ovcihnnsting, dïngaa yce-
poeh .y oeporh
.
gejaagdheid, yrsa, ica/ang, yoeporh.
gejukt, bïrbadjoe. — en gerokt, btekaïn
badjoe.
gejammer, pïnyadorh, ratap,péraoeny.
gf junk, /ie Janken.
gejeuh, yatal.
gejoel, rumiii, karantajtin.
gejok, sanda-yot raa.
gejubel, ramai bersorraf,:
gejuieh, soerak, t tmpi k-soera l:
gejukt, btirkvk, kina kok, kina yoe.
gek, zinneloos, ook van vreugde of ver-
liefdheid, buiten zinnen, yila, ahmak.
Ar. sarsar, Perz. edan, Jnv. in de HSS.;
zieli een weinig — aau»(ellcn, houden,
gila-yila bthasa; iemand voor den —
hoHOCn, >"t\'lu yila, bi-rmdiii-mainkan,
mtêiyotok\'olok;
voor den — houden,
door iemand de onwaarheid te zeggen,
difl hem juiat welgevallig is, men\'\\n\'la-
boe.
— van verliefdheid, yila bire/\'/ï;
op ieuinnd, yila birahikan, cdan kas-
maran
; ben je - , yilalah Pnykaii?
— üenoeg zijn om te.....tampaigila
akau.... — er uitzien, wanordelijk,
vreemd, tjanyaoeny, tuljuib, ArOD Java,
aneh-anch. - ke handelingen, ttreken,
pt/boeicatan bodoh; zich — houden,
poera-poera yila; zich —- nanstelien,
-ocr page 246-
231                                                 gek
mï-lakoekttn dirinja sapïrti orang gila;
half —, sat?i>gah f/ila; iemand die halt"
— is, orang satengah. — geworden,
kaédanan, van t\'dan. —, onhandig, lomp,
van ecne handeling, houding enz., kdcoe,
kikock.
—, koddig, kluchtig, djmmk*.
—, neiolig, inoeielijk, xorsah, soekar,
b.v. een — geval, perkara jang soekar.
—kc toestand, hal jang soekar; zeer
—, soekar-soelit. —, in \'t geheel niet
goed, ta\'baik xakati, b v. dat ziet er —
uit, (tt\'baïk satrali roepanja; dat is —,
ta\'baïk sakalï Hoe; dat komt — uit,
fa\'bii\'/k sakali djadinja.
trrlt, onwqze, malle vent, wavg gi/a,
sachur,
Ar. ahmitk, Ar.; die —, stgila.
Iemand voor den — houden, zie het
vorige woord.
rfUiiliel, pengakok.
uelmmri, van een kam voorzien, zooals
linnen enz , berbafomg.
gekeperd, lotroej?, keper, ktptri,
«gekerm, djiril, pëndjtr\'it,peraoeng, ook
dtngoes.
gekeuvel, gepraat, toetoeran, p^r/ja-
kapan.
gekheid, gekkernij, tjoemboe, lawak-
ItacaA; goerau, sanda-goerau, sïdoeroh;
onbetamelijke — met eonc fatsoenlijke
vrouw maken,hivinptrnakalkaii; zij glim-
laelite, ziende dat de prinses— maakte
met Indra, tïrsPnnjoemlah ija mvUhal
toewan poe&ri btrijoeMbof-tjoemboewan
dhiyan Indra; het was vnn mij maar
—, jokkernij, $>:haja lawal\'-lawal- se-
hadja.
— maken ook mï-ngada-ada;
mei allerlei zotte dineren vour den dng
komen, b.v. pafoetlali kakang ad/i sa-
t/gal nitngada-ada, kanna <ida. orang
jang uit-11 gang kat dia roepanja,
\'t is nn-
tiiuilijk dat onze Vorstelijke oudere
zudcr allerlei gekheid maakt, daar het
schijnt dat iemand haar in de hoogte
steekt-
gekilihel, pPrbaniahan.
gek iet el, pvnggilian.
gekyf, plrbautahan, tjereicel, /jï-kitan.
«sekir, koekorroeboe.
gekken, bfrgoerav-sanda, maïn g\'tla, ber-
tjoewibue, taicak\'/aicak, uiettgada-ada.
Xie hij geilheid,
gekkenhuie, roemah orang gila.
gckkenprnRt, ptrkaiaiin orang gila.
gekkenwerk* pïrboeivatan wang gila.
gekkeriiU* stloeroh, pergoerauican ; met
allerlei — voor den dag komen, me-
gekoot*.
vgada-ada. —, grap, tjoemboe, b.v. zal
de —, de grap doorgaan f adakah fjoeut-
boe akan bfrtako° f
allerlei vuile —
maken, van vrouwen, berpoekas-poekasan
(van puekas, vrouwelijk schaamdcel).
gekkin, prrampocictin gila.
gekko, een soort van hagedis, tokeA:
geklnng, prngadoeh, ratap.
geklndt pïloemiirran,
grklunk, boeitji. bahana, Skr.
geklap, gesnater, pileteran. —, achter-
klap, oempat, fitnah, Ar.: ijdel —, on-
heteekenende praatjes, iahi angin.
geklnpper, gïlPtak, gëlïtloek.
gekluter, zie klateren.
geklauwd* bïrkoekoe; van vogels, b¥r-
tjakar.
gekleed* berpakai-pakai; niet —, on—,
fiada berpakai-pakai.
geklemd* zie klemmen.
gelilep, g^l?tak.
geklets* kletsprnat, toetoer kosong,
gekletter, gfrïntjing.
gekleurd, een kleur hebben, bertcütiia.
—e stollen, kaïn berboenga. — katoen,
kaïn tjita,
gekllkklak* gï\'lï/akgvletoefr.
geklim, ptmandjat.
gekUnk* gér&ntjing.
geklok, geslok, penegoek.
geklonken, genageld, terpakoc. Ook fig.
van eeno zaak.
geklop, kï-iok, tï\'pok, kïlak.
geklolH, van golven, paloe.
geknakt» van een tak rnz., ftrkoelai.
::i-ltii:il, leforp.
■ -■ i ■ 1; 11: t 1 >. I&Ot.
uehnnrs, ktrïtak.
gekneveld, een knevel hebbend, htr-
misai; gebonden, /tirt\'kal.
gekneusd, wïmar. Uok van vruchten.
•xeknield, berleloet, berdirt loetoel.
geknles, moeroeng.
<£eknUp* fjoebit.
seknik, met het hoofd, jiengaiiggok-
avggok.
ticltnikkrlu)!, pïngau/oefr.
geknlp, met den vinger, pelvntil:
uehnoei, pïkïrdjann koesoet,
cehnopt, van jilnnten, ber koen toem,
aeliiior, soengoel-soengoet. — van een
dier, tlrratn, deroein.
Sgeknot, getopt, van het boveneinde be-
ruofd, Ijampoeng.
gekook, mc.salr-masak.
üt\'koüs, pt\'.inboedjoek.
-ocr page 247-
286
gekoppeld — geld.
gekoppeld, zie koppelen.
•jekorven, van insecten, bXrkXlar. —,
/ie ook kerven.
■i-ltiiiii, toef o-r, pXrtJakapan.
^ekrani, koekoek.
;ekrnnk, gXretak
^i\'kPdl i, pi\'»/j(ikiir, pXngdis, pXnggaroe-
kan.
/ie krabben.
gekrabbel, slecht schrift, f Joker hajam,
goris-goris.
gekrakeel, pPrbanfahan.
gekreukeld, bérkisoef.
gekreun, zie kreunen.
gekrüseh, tnii-jnk.
gekryt, tangis.
gekrioel, karoemoen, gXriak.
gekroesd, kXriting.
gekromd, van een hoorn, Hngkar.
vnn den neus, mantjoeng. — van an-
den zaken, bengkok; met verscheiden-
beid, bengk an g-bengkok; /acht —, arit.
gekrompen, van vlccsch, de huid enz.
door koken of de inwerking vnn zuur en
dergcl., kvijiwl. Zie ook hij krimpen.
gekrookt, fi-rkoelai.
gekroond, Li miakofn.
gekruimel, pXrap\'th.
gekruind, berkeaioentjak, berpo&uljak-.
gekruist; schuin —, vnn wapens, do
striemen op den rug van iemand, die
van weerskanten gcgccseld is, silang,
bérsHaag.
Zie verder bij kruisen.
gekruld, gekroesd, kXrUing. —, doch
niet kroes, ikal.
gekscheren, met ieuinnd —, tuttig*
pocrankan, bX\'rsXnda-sendakaii,
h.v. pa-
toetkah Xngkatt bXrsXnda-sendakan akoe,
mag je met mij —r het is maar —,
boeicat mot» sehadja.- dat is geen —,
boek/i» pXrkara moedah, boeken pvr~
mainan
; zonder —, soenggoeh-soenggoeh.
gekueh, bat oei\'.
gekuifd, bX-rdJamboel.
gekun-teld, geaffecteerd, tjavggeh.
gekwank, pXngoeicel:
geit wakkei, gesukkel, IXrpXnJakit-
pXajakif.
gekweel, boen/i boeroeng.
uekwel, pXngoestk. Zie kwellen.
gekwetst, eene wond hebbend, loeka;
een —c, orang loeka. —, gebutst, me mar.
gekwül» pXlioeran.
gelaat, 7/ioeka, parus, tcadjah, Ar. doer*
dja,
in gedichten; een lief —, moeka
nianis
; een vriendelijk — zetten, mX-
maniskan moeka;
een schoon —, paras
Jaag etok-; een onbeschaamd —, dat
van blcekcn noch blozen weet. moeka
papan, moeka fïbal
,- het — des nard-
rijks, moeka boemi; een zuur —, moeka
masaiH;
een open —, moeka terang;
in het — zien, mXmandang moeka ;
uiterlijk —, roepa, labir. Ar.
gelnutkunde, flmoe Jirasat, Ar.
gelaatskleur, tcüflta moeka.
gelaatstrekken, m/ar moeka.
gelaeb, iliUwtii.i.
geladen, een lading inhchbend, moeiraf;
zwaar —, saraf, moewat saraf; licht
—, Uitgooi, mul. vnn een vaartuig.—,
ingeladen, fXratoeicat; het op iemand
— hebben, meuaroh dXttgki akait sa\'o~
rang
(van taroh).
gelag, hflaudja. Het — betalen, mXmba-
joï bX/andjauJa.
—, lot, oentoevy; een
hard —, oento-ng maluiig. Zie ook
noodzakelijkheid.
gelakt, pïrlak, ditjot .■ b.v. —e schoc-
ncn, sX-patue pXrlak; een —e tafel,
inedja. jaag sordah diijat.
gelang, ktdar, Ar. nanr —, sakedar.
( kira-kira; naar —, saki ra-k ha :
naar — der omstandigheden, sakXifar
sXgala hal-ahoeatnja ;
naar— van ieders
vermogen, sakedar mnsiiig-masiiig ; nnar
■— wij ouder werden, werden wij ver-
stand iger, puttin kamt toeica, makin
liXrtandiah Ttknl kami.
gelnseht, /ie hisch en lnssehen;
niet gelnseht, zit- hij stuk.
gelasten, mX-iiJoerofb (vnn toeroeh) Van
den Vorst, mXmbXri titah, bXrtitah. Ge-
last, op last, dXmjan pX:>jaerorh,dXngan
titah.
—, opdragen, bvrpXsa». —, ver-
ordenen, regelen, mXmXrentah; met be-
jmnld obj. vit-mX ren f ah kan (van peten-
tab). - ,
machtigen, mtmbtri koetrasa,
mXieakilkati, inXnibïri pol/aak.
gelaten, geduldig, sabar, Ar.
gelaten; zich —, den schijn aannemen,
poera-jioera, roepanja, b.v. zich — iets
te willen doen, potra-poera hXndak btr~
boeirat apa-apa, hX-ntlalr bXrboeieaf apa-
apa roepunja.
gelaten beid, pXri sabar, perangai Jaug
S\'ibar, hati jaug sabar, sabar haft.
gelatine, het in onze (Hst algemeen
daarvoor gebruikte bundels-artikel is
de agar\'agar.
geld, tcang, oetcang, doetcit,7mas,peral;
dirham rejal, pifis.
Het eerste is vnn
algemeen gebruik. — voor uitgaven,
-ocr page 248-
23G                                 celdnlpersor — geldschieter.
dus ook huishoud —, oeicang bilandja,
—  otu to koopen, oeicang pi\'ntbïti.
om iels Ie betalen, oeicang pimbajar.
—   tut onderstand, oeicang ajapan.
tot omkuoping, oeicang soeicap. — lot
kwade doeleinden, b.v. om zeerooverij
te steunen, ajoeman, oetcany ajoeman.
—   eu goed, harla dan /lirkakas. -— als
don gratuit, oeicang hoela. — zoeken,
mintjihari oeicang. — als voorschot o»
werk of leverantie, pandjar; klein —,
oeicang pitjuh; groot —, oetcany bisar;
drink—, tooi, oetcany sirih,- ïngcwis-
seld —, oetcany oeroepan; geleed —,
eontnnt —, oetcany tuenai, in gereed
—  betalen, — bij de vi&ch, timbany
toenit\'i, mttnibajar tuenai;
gebrek aan—,
kakoeituiyan oeicany; vuUcü —,oetcang
laufjoeng, oeicang tiroetcan
; papieren
—, ottca\'ig Xrarfiis; valsch papieren—,
oeicang karfih tiroetcan ; gangbaar —,
oewang jang lakoe, — dut niet gang-
baar is, oeicang jatiy tiatla lakoe.
dat te licht is, oeicang jang koerang be-
ratuja, oetcany jaag tirlaloe ringan.

wisselen, mïnoekar oetcany. — opnemen,
leenen, uiiniindjant oetcany. — uitgeven
voor iets, mtmbiltindjakan oetcany.
als voorschot, hundgitt, godspemtiiig
enz., tjtiigkirain. — op illteieat, oetcany
birboenga.
— hebben, bezitten, btroe-
wang, laï-naroh oetcany;
hij heeft veel
—, atla banjak oetcangaju, \'tja nittiaioh
banjak oetcaitg;
gemunt —, oetcany
jaay ter Hitterat,
b.v. pit\'is iinuüi jatty
atia térinëtérai dalamnja malikoe\'l ödtt.
Umien duiten, waarop de godin dot
gerechtigheid was gemunt. Ook oewang
sikkah.
Ar. — slaan, — munten, mi-
mêlraikaa oetcany.
— op renten uit-
zetten. méndjalankaa oetcany; de waaide
van het — niet kennen, tiatta ia/toe ,
faeda/nija oewitity ; aan —,/axal oetcany, |
b.v. ann — was er 200 dollars, J\'asal
oetcany adalah doetca ratoes ringgit\';
iets te —e maken, hiendjadikun oettang,
tntndjoetcal;
handen vol —, oeicang ,
birtangan pinoeh, oetcany beraorp raoe/i, :
oeicang berkaoep-kaoep; bij gruote
hoeveelheden — gebruiken, bértiutba
oeicang.
— maken, verdieneu, min da- \'
pat oetcany, birotih laba;
geen — kosten,
tiada dibili dïitgtin oeicang, tiada dr-
djoetcal dïnoan oetcany;
koopen kust
—, ka/au h*mink- mémbiti hlndokluft
berbilandja;
dat is — waard, bêsarlah
haryanja; dat riekt naar —, sanyat
mahal itoe.
— nis water, oeicang djadi
ajar pïmbasoeh langan;
zijn — in het
water werpen, mi.uboeicting oeicang.
genoeg hebben, tjoekoep oewangnja; het
vollo —, de volle waarde, sapenoeh-
pïnoe/t hargunja;
iemands — nftrugge-
len, mftyakalkan doeicit orang. — af-
pertea, mttobakaa oetcany.
ijeldniperser, orang jany loba akau
ueiruny.
Zie bloedzuiger.
i;t\'ltll>nnk, kantor oetcany.
iirl\'i iM-urw. poendi-poendi oetcany, ra-
djoel oeicang.
•geldboete, tlinda (Skr. straf, vandaar in
het Maleiich nog dénda n/a/i, doodstraf).
(geldbuidel = geldbeure.
igelddorsl. to/jtt ukan oeaany, (amii, Ar.
gelden, liarga, bhlianjn, lakoe; de rij>t
geldt tegenwoordig tien Gilden de Cea-
tcnaar, sakarang béras sap/koel sapoe-
loeh roepijah haryanja;
dut geldt niets
meer, tiada birharya lagi; wat hij zeidc
gold niet, barang katanja tiada lakoe;
die wetten — niet meer, ocndany-o< n-
dang Hoe tiada lakoe lagi.
—, geteld
worden vuur, dibilang. voor een
held, dibilang péhalawan. —, zie uok
geldig,
geldgebrek
hebben, kakoeranyan
oetcany, kapoetoesan bilandja.
geldgeven, voor uitgaven, ntcngalaeicar-
kan bilandja, mimbidandjakaH oeicang.
geldgierig, loba ukan oetcany, (ama, Ar.
ge ld gierigheid = geldgierig.
geldhefUntj
door de hoofden, banlji.
geldig, lakoe. Niet - , tiada lakoe.
van een getuige of getuigenis, sah, Ar.
dtnyan sah,
treUUinntoor* kantor oetcany.
üfliilïus,/\' inj.i\'f oeicuny, ptrbtndehai\'a.rir.
Ut\'MkiiHt, atmari oeicany.
.*\'.<■!( IKi^i, ptttt o.-tcany.
t*;t\'l(ll;ulf, kol all oetcany.
Heldleeninjb pindjaman oeicang.
^eldinnndje, bakuel doemt, bakoel
oeicang.
;j.cl.tuii(l(li-]rn. sï-gala \\ierkaraoetcting.
ueldnood, zie j<:el4Lverle<£eiiliei(l.
urt-ltlpot. zie spaarpot.
Ut\'hlscliiiiil. tiinbangaa ocmtng.
i*fl(ls<,hiet€\'ii, in \'l algem. mtnibéi\'t
Xmas; kapitaal verstrekken aan vci-
seh il lende personen, pokok-niünwkok •
Steldschietur, knpitnal verstrekken in
het algemeen, jang impoenja imas,
-ocr page 249-
gelegenheid.                                   237
duizend paarden, welks stanrten niet
—en (gebonden) waren, salaksa korda
berteboc-teboe ekoernja.
— van dieren,
zie kerf en ring. - , zie ook bij lid.
geleerd, wetenschappelijk, bnïliitoe, ber-
p\'-êtgi tahacihi. sas/na tam,
Skr. ïilitit. Ar.
geleerde, orang berilmoe, orang berpc-
,>ij-,,\'hi»\'iui, orang sasteratcan,orang aUmt
pandita,
Skr. de —n, = geleerde met
vooiircvoegd segnla. Ook a-lema. Ar.
geleerdheid, pengetahoeiin, ihaoe,
gelegen, — zijo, b.v. van steden, ka-
doedoekamija, tempatnja;
zie liggen:
zoo is het er in ede —, bagitoelah
adanja, demik\'tanlah adanja;
als het
er zoo mede — is, kal.iu bagiloe adanja ;
zieh aan iets — laten liggen, uienga-
sihankan, vt\'enfadloelikan, meiigenduh-
kan
; zich niet aan iets — laten lig-
gen, liada fadloeli akan; niet ver —,
liada djaoeh tempatnja; vlak naast
elkander —, berdamping; zeer goed—,
ba\'ik sakali tempatnja; in iets — zijn,
daripada, b.v. bet sieraad eener vrouw
is niet — in fraaie kleederen, pèrhia-
sait sa*orang pèrampoetca/i boekan dari-
pada pakajan jang endah-endah;
aan
iet» — zijn, van iets afhankelijk zijn,
beiijanlomg kapada; er is niets aan—,
l\'tada uiKugapa, safoe pon liada poe-
nanja ;
wat is u daaraan -—, apa eng\'
kau fadloeli akan dia;
te gelegener ure,
pada tcektoe (masa, ketika) jang senang;
als liet u — komt, apabila rngkan
sempat;
niet — kumen, liada sempat.
gelegenheid, tot verrichting van iets,
pak sa; gunstige —, in dien zin, paksa
jang ba\'ik;
er kwam een gunstige —,
dalanglah paksa jang ba\'ik; ook niasa
jang ba\'ik;
geschikte —, kasï\'mpatan;
de geschikte — niet hebhen, liada
berk asem patan.
—, geschikten tijd heb-
hen voor iets, sempat, b.v. ik ben niet
in de — om te komen, liada sempat
akoe dafaug.
De — maken, menjëmpat.
—, juiste tijdstip van iets, teek-toe, Ar.;
de — voor iets zoeken, tn\'en/jéhari dja-
lan;
de goede ■— lnten voorbijgaan,
mènghilangkan wektoe. —, ligging, tem-
pal kadoedoekau.
— ecner zaak, péri
hal;
met scheeps—, menoempang kapal\',
meaoempang përahoe
(van toempang);
hij —, allicht, moedah-moedahan; hij
deze —, d\'engaa iai. —, aanleiding,
oorzaak, tnoela, sëbab, asal. — geven,
in dien zin, mendjadi sèbab, mènjebabkan.
geldschuld
7-abor*lntal, Ar.; —- nnn verschillende
personen, orang jang pokok-memokok. \\
guldNohuld, hoelang oetcang.
■ "■M-l:i:i n. munten, ntmcmpa oetcang,
ui f mi-f tra\'kan
mmh,
«eldnom, door optelling vei kregen,
djoemlnh. Ar. djoemlah oetcang. —, knpi-
taal, modal, pokok,
geldsoort, ntaljam OAOMW, ro-\'pa oetcang.
geldstnpel, timioetum oetcang. Stapel*
tjes «f hoopjes geld opzetten bij het
banken, memareh (van pareh).
geldstuk, tëping o&ictmg; tien —ken,
oetcang sapoeloeh keping.
geldtnsnh = geldznU.Gcldtnschjcdat
op den buik gedragen wordt,oepau,C\\\\\\n.
gold verkwist er, peutboros oeicang.
geldverkwisting, pimborosan oewang.
geldverlegenheid, kasentpilan b<lan-
dja,
b.v. maka di-adoekannjalah halnja
Hoe kapada toe wan 1\'argtihar o/ih s\'ehab
kasempitan bilandja Hoe,
hij klnngds
zijn nood aan den heer 1\'arquhar om-
dat liij ia — zat.
geldverlies, roegi oetcang.
geldvorspiller, peutboros oetcang.
geldverteren, me„thelandjakan oetcang.
geldwisselaar, penoekar oetcang.
geld wolf, orang jang loba akan oetcang.
•~eldznn.li, perkara oetcang.
geldzak, poeadi-poendi oewang; een
soort van —, gevlochten van riet of
biezen, in den handel daarvoor alge-
meen in gebruik, kandi. — van nipah-
liludercn, koepat. —je, poendi-poendi
ojtcatig, kis.
Ar.
gehlzueht, loba akan oetcang.
•geleden, voorbijgegaan, soedah, soedah
laloe;
lang —, soedah lama; toen bet
cenigen tijd — was, safèlah bebïrapa
lamanja;
net is 3UI) jaar — sedert de
1\'ortiigeczen hier kwamen, soedah laloe .
300 tahoen satn\'endjak orang Prattgki
ilafang disini;
pas een uur —, beharoe
laloe sadjam
; geen uur —, b\'elom laloe
sadjam;
eenige dagen •—,bèberapa hart
laloe;
niet zoo lang —, bclom bagiloe
lama.
geledoren, baris, barisan.
geleding, gewricht, satdi; tot —en i
hebben, bèrsïndi-sendikan. —, zooals
van bamboe en suikerriet, boekoe, b.v.
bamboe—, bockoe boeloeh ; suikerriet—,
boekoe léboe. —M krijgen, van een plaat,
bérboekoe ketjil; met —en, in den trant
van suikerriet, bèrtcboe-lèboe, b.v. tien- \'
-ocr page 250-
233                                          gelei — galtfk.
kanlah, b.v. loewankoe persoedikanlah
santap,
l\'we Mnjesteit gelieve te eten;
als mijnheer gelieft te nemen, la/au
loeiean soeka mmyambil
; mijuheer ge-
lieve binnen te komen, sHakanlah toe-
icau masoek\'.
gel\\jlc, zonder verschil, sama; te —,
sauia. — zijn, sama. —, even, sama,
b.v. gelijk in grootte, even groot, sama
besar ;
geheel en al —.juist hetzellde,
sama sabayai. — zijn aan iet:-, menja~
mui.
— zijn met iets, btrsamaan. —,
van uiterlijk voorkomen met, suroepa
denyan;
te —, te zamel), vanpersonen,
bersama-sama. —, op eenmaal, van
velen, saiempak sakalt, b.v. tiya boe-
icah perahoe masoek surtmpak\' sakalt,
drie vaartuigen kwamen Ie — binnen:
ditembak- lima poeloeh mariam sa) em-
pak sakalt,
vijftig stukken weiden te —
afgevuurd; —, op dezelfde hoogte, —
in rang, van gezeten zijn, birlimbalan ,■
b.v. gelijk in rang, bertitnbalan pany-
kaf.
—, vlak, ellen, in tegenstelling
van ongelijk, oneffen, rala. — maken
in dien zin, mcratakan. Ken —e weg,
djalati jany rala. —, in tegenstelling
van schelp, papar. — maken in dien
zin, tmmapar. — in sterkte, last of
voordeel, poelik. —, elfen, b.v. van do
tunden, een heg enz., r\'epany. —maken
in dien zin, b.v. door het uitstekende
weg te nemen, mefepangkau. — op, bij
spelen, baloewi. — op, tegen elk. up-
wegend, quite, baloes. —, evenals, .v<(-
perti, sama saperli. —, als, bij vuoi-
beeld, oepama, oepamanja. —, aUot\',
penaka, meest in gedichten. —, zoouls,
laksaita, Skr.; te gelijker tijd, pada
sama sakHika, pada kelika \'doe djoeya.
Voor kelika ook masa, w\'ektoe, saai,
b\'enlar.
Zie bij ty<l en oogenMiU;
het is mij —, om het even, kapadakw
sama djoeya.
— zijn, bij elkander pa*-
sen, pada», bérpadan. — behandelen,
BUiitjauiakan. — hebben, benar; gij hebt
—, benar saperli katamoe \'mi. Üie ook
geiyicg€*veii. —, zooals, saperli.
men zegt, saperli kala orany. — boven
gemeld is, saperli fers\'èboet di-alas ini.
—, effen, platgestreken, pepal. — ma-
ken in dien zin, memepal.
gelijU. rt-\'cht, benar, biloel; gij hebt - ,
benarlah enykau, tngkau beloel; iemand
— geven, membeuarkan kalanja, mem\'
beloflkan kalanja;
wie heeft — en wie
gelei; een soort —■ \\ au garnalen, die
als toespijs bij de rijst gebeten wordt,
pi/is, Jav., eeno andere buurt, die in
de toespijzen gedaan wordt om ze stun-
kelijkei te maken, belaljan, trast, Jav.
geleule, escorte, pèngtttmiMr, penyapil.
—, volgelingen, orany pènjtrimg. —,
urn iemand of iels uver te brengen,
pniykantara.i. —, aanvoering, penyan~
ilj oer.
«*«■!«\'itlelylt, dtngan p\'eratoeran.
geleiden : iemand of iets —, overbien-
gen, mviyhantarkan; nl wat o[i die wij/e
geleid WOrdt, hantaran; bij de hand
—, uirmimptii (van pimpin); ook me-
mimpui tanyan.
— als gids of loods of
wegwijzer, mëmbatca tljalan, mrmandoe-
kan
(vau pandoe). — als gevolg, een
aanzienlijk persoon, nunyiriny (van .
iritiy). — aanroeren, meuyandjuer, me- I
nyopalakau (van kupala).
geleider, pinyluuttar, pemimpln, pand uu t \\
penyiriny, pinyandjoer. Zie geleiden,
geleiding,
peny/iantaran, pt-ntimpiuan, ;
pïityaitdfueraii.
geletterd, bedreven in de letteren,
/,--, i luwe, olim, sasleratcan, Skr.
geletterde,
orany brrilmue, vratiy Mint,
orany .•sasteraican.
gelid, rij, rung, baris, suf, Ar. in —,
in gelederen, berbaris, bèrsaf-saf. —,
rij achter elkander, djadjar, batuljar,
derek.
In het —, bérdjadjur, berban-
djar, brrderek;
verdubbelde gelederen,
baris beiiapis; in twee gelederen, ber-
doetca sa/,
b.V. dihadap seyala manleri
hoeloebalany dan r\'tjat h\'ina dimt saka-
lian Ijadlir mbtgkadap bayinda ioelfén
radja Tahir l)jo/nta Sjah herdoewa saf;
geslolen gelederen, baris jany rapat;
de gelederen doen opsluiten, merapal-
kan baris:
de gelederen verbreken, mt-
utefjahkan bar\'ts.
—, graad van nfstam-
uiing in de zij-linie, poepoe, b v. het
derde —, poepoe jany katiya; in rechte
linie, svenat, b.v. sampai kapada auak
tjoetjocttjti sakira toedjoeh soenat. •
—,
zie ook lid en gewricht.
gelidwervel, boekoe loelany.
geliefde, Ltkasih.
gelieven, soeka, ridla, Ar.; wel — te ,
doen, genegen zijn lot, socdi Soms
samengetrokken met akaa tot soedikan
en btisocdikan. Dit laatste wordt ook
gebruikt voor de beleefd aitnoodigende .
wijze van spreken in plaats van si/a- \'
-ocr page 251-
— geloofeiyk.                                   233
\' geiy Indachtig, sama banysa, sama
dj eiiis.
geiykntaun, op gelijken voet, èêrsama-
samadn.
gelijkixtitltig, van gelijke gestalte,
sama si lap.
eeiyiifttellen, menjamakan (van sama),
meujaroepakan (van saroepa).
geiykNteiiimig, sama boenjinja.
gelijktijdig, pada masa doe djorya.
Voor masa in de plaats zamdit, ke/ika,
tcek/oe, sa\'tl, naar gelang van de be-
teckenis. /ie bij t ü<l en o ogen blik.
geiyh vloert*, b.v. van twee kamen,
slladang. —, of even boven de oppei-
vlukte, b.v. van den vloer in een huis,
ranap.
geiykvormig, saroepa, sama roepa,
sabanyoenan, sama banyoenatt.
— nia-
ken, meujaroepakan.
geiyicxijdig, sama persegi.
gelik, pendjilatan.
gelinieerd, bet-garis, soedah dtgansi,
soedah dimedar,
Ar.
gelint, bérjita.
geloei, van den wind of de golven,
deroe, mmdvioe, dengoet/y, yémoeroeh,
geloer, penyliinlajan.
gelofte, djandji, kaoel, Ar. nadzar, Ar. j
cene — doen, berdjandji, berkaoel, ber-
nadzar;
onder — staan, da/a/a djandji,
bernadzar;
eene — vervullen, met/jam-
païkan djandji, mémlmjar kaoel;
voor
of ten behoeve vim tem. ecu — doen,
menyaoelkan. —, ziu ook verbond.
geloken, van de oogen, lerkatoep. Half
—  van het oog, kentjeng.
geloof, vertrouwen, in gewonen zin,
per/jaja.— in godsdienstigen zin, iman,
Ar. —, godsdienst, agama, b.v. het
Christelijke —, agama Masehi; het
Mohammedannsebu —, ayama islam.
—   slaan, — hechten, — schenken,
përtjaja. — zonder grond of vastigheid,
ptr/jaja angin; op goed —, deagan
per/jaja;
op goed — veikoopen, djoe-
ical hoelang;
zijn — veranderen, ber-
toekar ayama;
tot het — overgaan,
membaica imatt, masoek ayama; tot het
Christelijke — overgaan, masoefr ma-
sehi, masoek gerant;
tot het Mohainine-
daansche — overgaan, masoek islam.
geloofeiyk, bulih dipir/jaja, dapat di-
per/jaja.
—, aannemelijk, overeenkom-
stig de rede mogelijk, masof: kapada
ïtkal,
ook masok- tl£al.
gel y kaar dig
ongelijk, mana jang bïiiar mana javy
fatah?
van weerskanten —willen heb-
ben, bij een dUpuut, beralas-a/asan,
"eiyitmirclig, sama ptranyai, sama
fabiüt.
—, gelijksoortig, Santa djenis,
sama ma/jam.
geiykachtcn, menjamakan.
geiykneduidend, sama erti.
gelijke, sama; niijns —, samakoe, uw»
—, samamoe, zijns —, samanja; met
huns —, sniiianja zonder Voorzetsel,
b.v. mau/eri Hoe samanja man/tri, hoe-
loebalany samanja hoetoehalany.
—, ook
/ara, banditiyau, b.v. zij heeft hnars —
niet, /iada taratija, tiada Ijandinyan/ija.
gelijkelijk, op gelijke wijze, denyan
sama perinja.
—, b.v. van verdeden,
sama ra/a. —, zonder onderscheid, de-
ngan /iada membedakan.
gelijken, saroepa, bérsaroepa, m\'enja-
roi\'pa, sama, menjamaï;
hij, zij nt\'
het gelijkt wel, roepanja. — ook
memper, Jav. in veel elk. —, temper-
memper
(van tmpér); h ij gelijkt een
razende, ija sarofpa denyan vraag mr-
l«tw|; Dienitnd ge 1 ij k t den Volst,
sa\'ornny pon /iada mtnjamiü haginda-,
zij — op elk. als het eene ei op het
ander, super/ i p inang dibelah doewa
roepanja;
zeer sterk op iets —, maki-
maki,
lettcrl. scholden, b.v. seraja me-
mandang kaïn badjoe orany moeda i/oe.
maki-maki kaïn toewannja,
de klcercn
van dnt jonge mensen bekijkende, ge-
lekcn zij zeer sterk op die van zijnen heer.
ijeiykenis, vergelijking, oepama, oem-
pama, peroepamadn, mifsal,
Ar. lamlsil,
Ar. bandinyan. —, voorbeeld, laksa.w,
Skr. —, beeltenis, roepa, toelada»; hv
—, sa1 oepama, oepamanja, miisalnja.
geiykerwiJH, sebayaimana, sap\'erli.
geiykgeven, een spreker, mènjoeny- ,
yoehkan ka/anja, mèmbenarkau ka/anja. \\
^elijkheid,overeen!rteuiming,/>erJfltfm(///. ;
-ïeiyklioekig, sama pendjoeroe.
-ïeiyitjurig, sama ümoer.
tlijlil wi< Inul. sama boenjinja.
ïoiyknmlten, gelijkstellen, mèn/\'a/na-
kan
(van sama). Zie bij gelijk; met
den grond —, meralakun denyan boenii,
^eiykmntig, naar een gelijke maat,
sama oekoerau. —, overeenkomstig, bér- \\
patoelan, sa/oedjoe.
;eiykmoedig, steeds van dezelfde in- i
borst, selaloe sama ha/inja.
-teiyknamig, sama namauja.
-ocr page 252-
240
seloof*nrtiliel — ueluli.
geloi 1 -artikel, f\'asal pfngadjarau
«▼elootKbeliJdemM, di\' Mohammedaan-
tche geloofsfoiuiule, talimat assiahddaf,
Ar. Zij luidt fa »"/-\' iTm Allah\' a-a Mo-
hammad rasoel Allah,
er ia peen God
buiten God, en Muliiuimmd is de gezant
Gods; deze — ntleggen, wbigoetjap
kalimei assjahddat.
jjeloofsdwniis»;» S\'jasat korens Muf».
SPloofrtsgt\'iioot, sama initiii, sama aga-
M*, 0,-êin-j s"\'ag-\'/,in.
•jelooi\'-jjenchil, persélisehnn dn/i fasal
e ga ma, perfjideraan dari fa tal agauta.
fvcloofYifrt\'ttiise, martelaar, tjahid. Ar.:
aU — sterven, M*?t sjahid.
«jelool\'-deer, peni/ndjaran agauta.
™v\\oiiïy*i3i\\*.\\erw\\j**i}it-ityadjaran agama.
BeloofWonderwti*eF| goeroe dari faal
ngama;
Christelijk —, goeroe indjil.
«jelooiWonderzoeli, se!idik perkara
(tan mi\'.
treloofMonderzoeker, pëi,j<lidik pér~
ki\', is ngama.
«jeloof**re*£el, toekom agama.
iïflooiwHtult, fttxnl perkara agetmm,
•*ol ooi «teelten, tomdei inniii, n/d mat
«jelooiBverzaker, ordfto moertad.
jïelooi"«vrnajj;, so.\'icul dari hal ngama.
ijelooirtvrijheid, kabehasan agama.
seloofasaah, perkara agama.
arelooi\'wnurcliiïi van een persoon, /■«-
pertjajaihi; van ceno zaak, £<//// diper-
tjnja, dapat diji\'-rtjaja ;
niet —, dezelfde
woorden met />W<i er voor; niet —,
vardacht, van cen woord of gedaagde,
/•■malt. lettcrl. zwak.
fielooven, voor naar houden, vertrou-
weii stellen, in den gewonen zin, per-
fjaja
— in iem., pertjaja akan sa\'o-
rang;
in godsdienst igen zin, bertntda.
Met hen. obj. berimdnkan, h.v. de
(\'hi inlenen — in Jezus Christus, orang
masehi itoe berimdnkan Isa Almasih;
in God —, pertjaja aken Allah, karaf,
pada Allah;
nan God —, berimdnkan
Allah;
hoc zuu ik dat —, masakan
nkne ph-tjaja itoe\'.
ik moet het wel —,
Ükam sehaja tidak pertjaja. —, aan-
nemen, mhterima (van tertuta), h.v. dat
kan ik wel —, bol ik koeterima.
i»eU>ovii», in godsdienstigen zin, btri-
mat/, moemi/t.
Ar.
2eloovi<£e, orang jaag bërimda, orautj
moe min;
het opperhoofd der—n, uamel.
der Mohammedanen, amiroe \'tmoemi-
ttiiia;
een waar —, in den Mohammc-
daniii-clien godsdienst, orang moslim.
uelt, onvruchtbaar van koeien, manduel.
^i-luliil, van uienschen en beesten, ktèiti,
k.tsjim.
Ar.
g«lnt>def orang kasj\'ttn, sida-sida; een
—  liaan, hajam kehtri, hajam kasjim.
i»elui, hopirji\'g\'eata.
•reltiid, boenji, hahami. — geven, ber-
boenji.
— doen geven, mÉmioenyikem.
—, stem, soeirara (Skr. sirara).
geven, bersoetcara; stem—, boenji soe-
tcara;
dof, dreunend, loeiend — ia de
verte, b.v. van geschut, een joelende
inen>eheninassa, vallend water enz. goe~
roei.
Dit — makend, gemoeroeh, ber~
i/oeroeh;
cen dof— zeer in de verte,
nauwelijks hoorbaar, boenji sajoep-sa-
joep;
een schel —, zooals van de
eëroeaai, een zeker blaasinstrument,
langst; een — zooal» van cene schaal\'
op het hout, seroet ; cen — zooals van
vele voeten op den grond, ktr?tafr-mëri-
tik;
een — zooals van neervallend water,
tjoer. Dat — maken, meagefjoer; hart-
geluiden, boenji djnntoe.ig, gap-gap dada:
een luidruchtig —, gempita boenjinjn,
g\'égak gëmpita boenjïitja;
cen liefelijk
—, tnerdoe boenjinja; een hevig, plech-
tig, indrukwekkend —, Tïhhnat boe-
n/h/ja;
een — geven, berboenji, b\'irsoe-
tcara;
op het — at\', van schieten of
wei pen op iets, dat men met ziet, më-
ratrak.
Met verscheidenheid, rawak-
rambnvg.
<»elui<TWlemper, —doover, pemboenoeh
hitenji.
geluimd; goed —, senang hafi, sédap
had;
niet goed —, tiada sedap hati,
lït-luii, fortuin, oetttoeng, oentoeng ba\'/k.
—  en ongeluk, oentoeng ha\'ik dan oen-
loeng ma/aiig.
—, fortuin ook b\'ehaglja.
Ski\', b.v. kalan-kalau ada djoega bc-
hagljakoe dianoegerahakan Allah taaie
datum acherat pchulnnja,
mogelijk heb
ik het geluk, dat de Allerhoogste mij
in de eeuwigheid daarvoor het loon
geeft. — in zijne handelingen of onder-
nemimren, toewah, betoetcah; eeu — s-
vaartuig, perahoe betoetcah; cen —s-
hsnn, hajam betoetcah. — aanbrengende
eigensehnppen van den een of anderen
persoon, oentoeng dan toewah, b.v. dari
sthaja pcenja sakït dengan s\'ebab oen-
toeng dan toewah siri padoeka toeican
-ocr page 253-
U\\
{gelukken — «eninlr..
•selukHSteen, een edelgesteente, dat
het bovennatuurlijk vermogen bezit dat-
gene te voorschijn te roepen, waarop de
bezitter zijn br.rt heeft gezet, tjinta-
mani, komula hikmat.
seluksnter, gesternte, dat iemands
voor- of tegenspoed bepaalt, rast, (Skr.
rasji*; onder dezelfde — geboren zijn,
d. w. i. zeschikt zijn voor, sarasi, b.v.
barangkati iboebapanja tiada sarasi
mtmeliharakan dia,
mogelijk zijn zijne
ouders niet onder dezelfde — (ge.-chikt)
om hem op Ie vueden.
gclaliwensoh, p\'vmbir\'tan salamat.
<2elukwen*<*hen, fcliciteermi, memberi
salii mat;
met Nieuwjaar —, me\'mberi
salamat tahoen beharoe.
"cltikzuHsheid, bphagiu, Slrx. satldah,
Ar. salamat, Ar.; zijne —, hagindu,
r-ene samentrekking van bthayia en
\'ritfa, gebruikt als ons: Zijne Majesteit.
iX\' rrmakl. gealfecteerd, tjanggi-h. — in
manieren enz. soengar. —, gehuicheld,
voorgewend, poera-poera. —, kunst, hik*-
mat,
b.v. — o bloemen, hoengtt-boenga
hikmat
; een —e pauw, merak hikmat.
—, gereed, soedah djadi, b.v. —e
kleeren, pakajan jung soedah djadi,
pakajan jang soedah itidjahil.
•gemaaktheid, kaljanggehun. —, hui-
cheliichligbeid, poerapoera.
gemaal, man, luki, soeicami. Tot —■
hebben, bersoetcamikan, bïrlakikan. Van
een — voorzien, uithuwelijken, mem-
persoetfumikiin, nu-mjierlakikan.
»emaal, wnt gemalen is, barang jang
soedah digiling, gitingun, kisaran.
gemaal, gezanik, tjeretret, fjotiiel.
•gemachtigde, tcakil, Ar.pohnak, verh.;
generale —, tcakil moeflak, b.v. bagi-
toelah kita bPrtcnkil moeflair kapada
ajah kita radja moeda itoe,
zóó hebben
wij tot onzen generalen — onzen Vader
den Onderkoning: tot — aanstellen,
mltcakilkan. — zijn, djadi tcakir.
jgemak, kusenangan. —, weelde, ttlmat,
Ar.; op zijn —, rustig, senang, dengau
senang,
b.v. up zijn — werken, bfker-
dja dengan sPnavtj,
zii\'h op zijn —
gevoelen, rasa senang; met — te doen,
senang diboetcai, uxoedah; op zijn —,
onbekrompen, IPgu; niet op zijn —,
onrustig, gïlisuh, tiada senang; gege-
neerd, kikoejr, b.v. zich niet op zijn —.
gegeneerd, gevoelen, kikoek rasanja
niet op zijn — zijn, een onbestemd
16
liïtar tiada bïrapa lama akan sehaja
harap djocga ba\'ik den-jan sigï-ranja,
wat mijne ongesteldheid betreft, duur
de geluknanbrcngende eigenschappen
van Uwe Eircleniie zal die niet lang
duren en hoop ik zelfs spoedig beter
te zijn. — nanbrengend van wapens,
sempanu, Skr.; een gelukskris, terts
sempanu.
Zulk een kris heeft meestal
negen bochten, loei\'; op goed — af,
goed of niet goed, het toch maar doen
of er op afgann, rambang-rambaug; op
goed — nf slaan, poekoel meramhang;
op goed —, op de gis, rawalc-rairak;
op goed — iets verrichten, merawal\',
ook uiëraicak\' rumbang; op goed —
uok : oentoeng tawakkoel, Ar.; men mag
van — spreken, het is maar gelukkig
dat, oentoeng djoega, b.v. men mag van
—  spreken, dat hij niet gevallen is,
ventoeng djoega tiada ija djatoh; als
het — meeloopt, dient, oentoeng-oen-
ioeng,
b.v. als bet — dient verkrijg ik
c«;n winst van 100 Gulden, oentoeng-
oentoeng akoe berolih laba saratoes
roe pij ah;
zijn — beproeven, mengadoe- \\
kan oentoenguja,
b.v. masing-mas\'nig \\
utenguttoekun oentoeng sehadja,
een
iegelijk beproefde slechts zijn —, ook
op goed — of avontuur ergens heen-
gaan. —, tucstaiid van volkomen te-
vredenheid, salamat. Ar. kasenangun.
—  er mede ! saliimullah .\' dat is uw —,
voordeel, oentoeng üngkau.
gelukken, djadi ,■ niet —, tiada djadi
b.v. dat werk gelukt niet, peierdjad»
ttue tiada djadi.
We zaak gehikt, per-
kara itoe djadi.
—», ook hasil en ber- ;
hasil, b.v. djika hasil saperli kafa-
toeicaiihanba Hoe,
als het gelukt zoouls
mijnheer zegt.
i-elukkis* salamat, berbehagija, b^roen-
toeng,
zie bij ffeluk. — in spel of
op de jacht, meeluopen, moedjoer, b.v.
kalatt moetij oer-moedjoer itoe sumpai
djoeya emptit Vtma ekoer sahari,
als
men — is dan zelfs vier, vijf stuks per ,
dag; een —e inval, ir.gatan ja/tg balk,
kapikirau jang buik
; een —e tijding,
ehabar jang balk; \'t was maar — dat,
ba\'ik djoeya, oentoeng djoega.
<»el uk»bode, orang jang membawa ehabar
ba\'ik, orang jang membawa ehabar salamat.
<»elukskind, iemand, die in al zijne
ondernemingen gelukkig is, orang toe-
teah, orang bttoeteak.
-ocr page 254-
242                                 gemakkelijk — gemeenzaam.
kost, makanan jang kapalang. Ook sX-
barang
en sembarang. —, gering, hitta.
—  volk, orang hina-dina. — laag, ver-
achtelijk, kedji; voor — uitmnken, nli
—  beschouwen of behnndelen, mXngX-
djikan.
—e taal, tjaroet; die uitslaan,
meutjaroet; gemeene znak maken met
masofc bXrsama-sama dengan; niets —s
hebben met, tiada bvrtjampoer dengan,
zich — maken, vcrtrouwelijken om-
gang hebben met, beramah-ramahan
dengan, bX;rdjinak~djinakan dengan;
iets
—   maken, alom bekend maken, me-
masjhoerkan
(van wasjhoer, Ar.); een
■—e kerel, orang jang tiada katahoewan.
gemeen; het —, de lage volksklasse,
orang hina-dina, riijat hina-dina.
gemeencbest, pXniXrentahan orang ba-
njak.
gemeenheid, kahinaiin, kakedjian.
gemeenlijk, memang, biasa, adat, Ar.
gemeenschap, vereeniging van leden,
pXrsakoeloeivan. —, het verbonden zijn
met, perhoeboengan. •— hebben met,
berljampoer dengan, sadaja, safakat.
hebben, met eene vrouw, bersatoeboeh.
sakatidoeran.
—- hebben aan de zou-
den van anderen, terbabit dengan dosi\'
orang la\\n.
gemeenschappelijk, gezamenlijk
bXrsania-sama. —, niet zijn velen iel?
doen of ondernemen, inerantam, b.v. bij
een koop, het spelen in de loterij, eene
plundering, vechtpartij, aanneming van
werk. enz. — iets doen, met zijn allen
of velen, ramai-ratnai.
gemeente; kerkelijke —, kerspel, nto>-
kim,
Ar. —, vergadering der gcloovi-
gen, sidang djama<it,pX>rhimponanoraii<j
jang berimdn.
—, bevolking, orang isi
negari.
gemeentebestuur, pemXrentahan nl-
gari, segala foeica tt/eica negari.
gemeentehuis, ba/ai, namelijk een
open gebouw, in elke gemeente, waai
het bestuur vergadert.
gemeenteraad, rapat
aemecatewctfOendang-oendang negari.
hoekoem oendang-oendang negari.
gemeenzaam, familiaar, voitrouwelijl>.
djinal?, rama/i, ra/nahdatnuh. — z ij 11
met elkander, berdjinak-djinakan. bX-ru-
mah-ramahan;
ook ramah-famah.—, ver-
trouwelïjk in het spreken, beka, b.v
djawübnja beka: ajo hai toewan, d\'tsor
roehnja baten bersama kawan,
hij ant-
gevoel van ongeluk hebben, tiada keta-
hoean rata;
op zijn —, langzaam,pïr-
lahan\'lahan;
op Jnvn pélan-pélan;
geheim —, djamban, perlindoengan.
Dit laatste, afgeleid vnn Undoeng, be-
schut, wordt gebruikt ook al is het
een open put, kuil of iets dergel.; neem
uw —, ga zitten, beleefd, silakunfah
toetcan {ïnfjifr
enz.) doedoek.
gemakkelijk, veel van gemak hou- ;
dende, soeka malus-midas. —, niet j
moeilijk\', licht, moedah, senang, yam-
pang, soeicong,
b.v. om aan te duiden
dut iets zeer — is gebruikt men de
fig, uitdrukking: oepauia goela dida-
lani moeloet adat/ja;
dat is —te doen,
moedah Hoe, senang dikerdjaka», senang
diboeicat;
een — werk, pekerdjaan ]
moedah; het — opnemen, mengga/n- .
pang kan; het steeds — opnemen, mdin I
gampavg-gampangan; het zij —, of niet. \\
toewang la\'soeicang
; een driedraadsch
touw wordt niet — verbroken, tali
tiga IXimbar ta\'toetcang-soetoang poetoes,
Sprw. in den omgang, btrmoedah-
moedahan.
— te verkrijgen of weg te
nemen, wat voor de hand ligt,sanding.
— te schillen, te pellen of af te stroo-
pen, lekang, Mal, — te lezen, senang
inXmbaljanja;
maak het u —, geef u
niet veel moeite, djangan "engkatt soe-
sah-soesah.
gemakkoitertje, op Java algemeen in
gebruik onder de benaming van beril,
verb.
{gemalin, bint, isteri;wettige, echte huis-
vrouw, bint yahara, (Skr. ghara. \\A.).
gemanierd, wellevend, boedi-bïhasa,
tahoe adat, bXradab.
gomanteUl, bersXlimoet.
gemaskeerd, bersamar.
gemaskerd, berlopeng.
gematigd, ingetogen, sopan; een —
man, orang sopan. —, middelmatig,
sedting, b.v. een —e warmte, pan as
jung sXdang.
—, zie ook middel-
matig.
gemauw, ptngiatno,
gember, halia. Op Java, djalié; ge-
droogde —, fjoekoi\', ram.] gckoulijle — ,
manisun halia, manisan djahe,—siroop,
ajar goela halia, ajar goela djahe.
gemeen, algemeen, iïinuem, Ar. Sar, Ar.
Zie algemeen; met elkander —
hebben, bXrsamaiin. —, gewoon, alle*
daagseh, kapahwg; do gemeene, gewone
-ocr page 255-
gemeld — geneereu.
■2M
woordde —: komaan, Mijnheer, hij
beval mij u al.- makker mede te nemen ;
zich — maken met, zich vertrouwd
maken met, berdjinalf-djinakan, ook mei
gesch riften.
gemeld, terseboel; hoven —, lerse&oet
di-atas.
;emel\\jk, moeroeny, ronysiug, ronsiny.
gemengd, tjampoer, katjau. Uit laatste
ook vun cene taal, een volk ot\' stam,
vreemde bestanddcclen in zich opgeuu-
men hebben, niet meer zuiver zijn. —,
alles door een, tjampoer-baoer. —, zie
bij mengen en. vermengen.
gemerkt, bertanda, dipërtandai.
gemiddeld, Bijv. nw., sedany, sedïr-
hana, oegahari, pjrfjngakeu.
\'.i\'iiiis. kaliadadn.
gemoed, Ziali, foewad, Ar. k-alb, Ar.;
een oprecht —, hati jany toe/ues, foe-
icad azzakijah,
Ar. dit laatste alleen
in brieven; een zuiver, rein —, hati
jany soetjt, hati jarig djërenih;
uit de
diepte des —s, dari dalamuja hati,
duripada siroe \'tk\'oetoeb,
Ar. dit laatste
alleen in brieven; zaken van het —,
perkara bafin, in tegenoverstelling van
openbare zaken, pïrkara lahir; goed
van —, baïk hati; slecht van —, dja~
hal halt;
een wreed —, hati jany
bënyis;
een weldadig —, hati jany
berkantoerahan
; zijn — koelen, mïmoe-
waslcan halinja;
ik gevoelde mij be-
zwaard van —, bëratlah rasaitja any-
yotakoe,
d. i. het gevoel vuil mijne leden
was zwaar. —, zie ook bij hart.
gemoedelijk, denyan toelaat hati, de-
ayan soenyyoch-soenyyoeh hati.
gemoedig, fubar, hati sabar, hati jany
lëmah-lëmboct.
gem.oeiltinnvil,pertM/yui, pekerti,fabi<lt,
Ar.; een zachte —,përanyai jany liniah-
lëmboet;
een slechte —, pëkërli jany
djahat;
een wreede —, fabiat bënyis.
gemoedsrust, kasënanyan hati.
gemoet; te — gaan, phyi bërtëmoe,
püryi mëndapatkan.
Om iemand te
reeepieeren, piryi mënjamboet (vun w«(-
boal). plechtig inhalen, përyi mmyëloe-
ëloekari
j te — komen, dezelide woor-
den met datany i. pi. v. përyi; te ■—
komen, helpen, bijstaan, mënoeloeny
(van toeloeng), membantue; te — zien,
al\'wuchten, menautikan; ie — voeren,
onder het oog brengen, mëny in gatkan,
rnïnti-y/talkan
(van nnxifiat, Av,).
gemompel, soenyoei-soenyoet, pengot\'
loem.
gemopper = gemompel.
gemor = gemompel.
gemors, pintjëmaran.
gems, kidjany, kambiny gaenoeng.
gemuit, tloerhaka.
gemunt, (ërsikkah, termtfërat\'.
gemurmel, mërdoe boeujinja.
gemutst, een muts ophebben, bïkar~
poes,
verb.; wel —, senang hati, kwa-
lijk —, marah,
eenaalibaur, ttrhampiri ; niet —, tiada
tcrhaiiipiri.
genaamd, bërnama, namanja.
genade, gunst, karoenia, Skr. anocgt-
raha,
Skr. —, vergeving, ampon, maaf,
Ar.; zouder —, ttada layi arnponnja.
—, barmhartigheid, rahmat. Ar.; bij
de — Gods, dinyan rahmat Allah ,-
alleen uit — en barmhartigheid, de-
nijan karoenia dan rafymat sehadja;
uit — zalig worden, djadi saldmat
olih anoegëraha;
zich up —overgeven,
mënjërahkan dirinja mati hidoep; om
— vragen, rnïnta ampon, rninta niiïaf.
genadebrief*, soerat ampon, soerat maaf.
genadebrood, ajapan.
genadegii\'t, karoenia, Skr. anoeyë-
raha,
Skr.
genaderijk, lempah dënyan rafymat,
Ie inpak dinyan karoenia.
genadetroon, vau God, arasj rahmat
Allah.
genadig, ra/imant, Ar. rafyimi, Ar.
genageld, vau nagels voorzien, bërkoe-
koe.
—, gespijkerd, thpakoe.
genaken, tot iets, menyhampirt, mende\'
kati;
niet te —, ttada tërharnpiri,
tiada ttrdëkati, la\'bolih dekal, tabo/ih
hampir;
doen —, mXnyhampirkan, mën-
dtkatkan;
moeilijk te —, van eeno
plaats ot\' een persoon, soetif.
gendarme, mata-mata.
gene, i/oe. Deze en —, MM dan Hoe.
Deze heelt gelijk, — ongelijk, tui btnar,
Hoe saluh;
deze en —, in het alge-
meen, bëbërapa orany, ada jany, b.v.
deze en — zeggen, kala bébërapa orany,
ada jany bërkata
; aan — zijde, aan
den overkant, disabërany; aan —zijde
des grals, diacherat.
genealogie, sjadjarah, Ar.
geneeren, hinderen, rninjocsafikau, nït-
nyoesifc;
zich —, maloe; gegeneerd,
niet op zijn gemak, kikoek; zich gegc-
-ocr page 256-
241                                       geneesbaar — genoeg.
—, met geneesmiddelen behandelen,
mhtgobafi; moeilijk te —, tvekar iae-
ngolafi.
—. beter worden, djadi semboeh,
djadi ba\'ik.
—, hersteld, semboeh, zoowel
van den persoon als van de ziekte.
genezing, penjemboehan.
genie, bijzondere aanleg, 3kalboedijang
ba\'ik, tjeredik.
—, krijgsbouwkunst, ka-
pandajan meatbangomkan kota benteng.
—, bijzonder knap raenseh, orang pan-
dat sakali.
g«\'niep; in \'t —, diam-diam, ijoeri-fjueri,
sein boen i-se ai boent.
— bij een worstel-
strijd, dengki.
ueniepig, zie geniep.
genieten, het genot ervan smaken,
meram\'t sédapnja. — , ontvangen, vcr-
kiijgen, dapat, berolih. —, voedsel ne-
men, makan; vnn den Vorst, sanf-tp.
—, bezitten, mempnenjai. —, vrueht
trekken, mêndapat hastl.
genoeg, fjoekoep, sampai, pada, soedah ;
bij heeft geld —, fjoekoep oewangnja;
bet is lang —, sampai pandjang; als
ik tien pulden krijg is dat —, kalati
stba/a dapat sapoeloeh Toepijah. pada-
tan;
mits ik maar niet de sehande
heb van door dien Djebat nagezet te
worden, is \'t —, lamoen tiada akae
berolih ö\'ib djoega di-oesir oli/i si Djèbat
itoe pad al ah;
wij aten maar even —.
kami makan pon berpada-pada; wij
zullen — maken van hetgene er is.
maka kamt m\'emada\'ilah barang apa jang
ada;
het is —, houd maar op, soedah:
bêrhentilah sèhadja
; als het maar tot
die vier ministers was gekomen, mi
dat —, sakedar kapada atante.ri empat
itoe soedahtah;
er — van hebben, ver-
zudigd zijn, ook lig. djemoe, kèunjang,
djelak, djenoeh,
b.v. ik heb er — van
uw gedrag aan te zien, djemoelah
(kennjangtah) akoe melihal kalakoetcan-
moe;
mijne oogen hebben er — van
dat aan te zien, djelak soedah mata-
koe metnandang itoe;
de reehter Joe-
froef nu had er — van en deed afstam!
vnn zijn rechterschnp, maka kadli Joe-
soef pon dj\'enoehlah, maka ija men.etjat
dirinja daripada kadli.
—, voldoende
zijn, mtmaddi, b.v. tiada akyn memada
kami sa\'orang sa\'ekoer,
het zou niet
— zijn voor ieder cén. —, voldoend!
vnn gekookt, gebakken, gebraden, ge-
stoofd, gezengd, gedroogd euz. toeten,
ruim —, groot — om iets door te
neerd gevoelen, kikoek rasanja; gij
moet u niet —, djangan engkan maloe.
geneesbaar, dapat di-obafi.
geneesdrank, obuf jang diminoem; t
nlgemccnc —, bcstnande uit allerlei
gi-ncesiiiiddelen onder elkander gemengd,
die van tijd tot tijd Ier bevordering of
instandhouding van de gezondheid wordt
ingenomen, wïtdjoen, Ar. lett. kneedsel.
geneesheer, fabib. Ar inlnndsch —,
boemoe, doekoen, .Tav. Kuropecsch —,
tvetcan dokte<\'.
geneeskunde* fib, elinoe f tb, elmoe •
iilmt;
een geneeskundig werk, kitab fib, j
soerat fib.
geneeslmndige, fabib, Ar. boemoe,
Mul. doekoen, Juv.
geneeslijk, dapat disemboehkan, dapat
di-obati;
niet —, tiada dapttt disem-
boehlmn, tiada dapat di-obati.
geneesmiddel, obat; een afvoerend
—, pentjahar; een opwekkend —,ƒ#*"//■
galak, b.v. peaggalakiija koerang ba\'ik,
bet opwekkend — is niet sterk ge-
noeg: inct —en behindeles, wMayatWi\';
van —en voorzien, memperobatkan.—en
L\'cluuiken. makan obat, pakai obat, ook
brrobat.
geneesniiddelleer, elmoe obat.
aeneeswüzo, peri imiigobati.
genegen, geneigd, soeka, soedi, bërke- \\
van, kas/h akan;
als gij — zijt, dji-
kaiau tot\'ican soeka.
— zijn, lust heb-
hen MM, ineujoeka\'i, b.v. akae itit tiada \'.
dUoekai olih rafoe,
de intoe is mij
niet genegen. — zijn, wel gelieven te
doen, soedi. Soms samengetrokken met
akan tot soedikan, en bérsoedtkan, ge-
negen tut; als Mijnheer mij — is, |
djikalau Toewan kanih akan hamba;
zij was baar kind zeer —, ija amat
berkman akan analnja,
genegenheid, kasih. —, lust, neiging,
soeka.
geneigd, overhellend tot, tjënderoeng.
—, gezind, soeka. —, gereed, sadia.
generaal, krijgsoverste, pabalatea», ■
l\'erz. djindtral, verb. penyl\'ima pèrang ,-
Luitenant — , litcnan djinderal. — j
Majoor, djinderal major-, Gouverneur
—, goepemoer djinderal.
generaal, zie bij algemeen.
generaalsrang, pangkat djinderal.
genesis, kitab kadjadian.
genezen, beter maken, uieujemboehkan; *
zieken —, menjemhoehkan orang sakil.
-ocr page 257-
geprikkeld.                                245
genot, kasockaiin, rasa sedap, rata enak.
—, wellust, led zal t Ar. —, vruchtge-
bruik, perulthan haf il,pendapatan haf/.
gent, anysa djantan, anyta laki-laki.
gentil» tjantik.
gentleman, oratiy bangsatcan.
geographie, ëlmoe buemi.
geometrie, èlmoe péngoekueran.
geoogd, van oogen voorzien, bermata.
geoorlootd, toegestaan, bulih, dapat,
dibèri, di\'idzinkan
(van idzin, Ar.). —,
wettig, ha/dl, Ar. tegenover haram,
verboden, b.v. —e en on—e spijzen,
makauau jaag hal til dan jany faaram.
—   verklaring, istibadjah, Ar.
gcophagie, sorka makaa nantpal. Op
Java, sueka makan antpo.
georganiseerd, atoer.
gepaard, een paar uitmaken van per-
sonen, herdjodo, ada ketaminnja; van
zaken, herpasany; van versierselen, di-
ktiabari denyan.
gepakt, irereed, zounis in ons: gepakt
en gezakt, keiaas.
gepantserd,berlapis, zie geharnast,
gepan-ld,
met parelen, bennoetïara.
—, zie bij sago.
gepasseerd,
lafoe, tadi, b.v. —e jnnr,
tahaen jany laloe. — e nacht, nialam
tadi.
gepast, gvschikt, patoef, kena, joyja,
Skr. —e woorden, ptrkalaan jany kena.
—   van geld, santpai betoel, tiada lebih
tïada koerany.
—, zie ook beta-
mclük.
gepastheid, zie betamelijkheid.
gepeiiiK, kapikiran.
gepeld, dikuepas.
gepeupel, oraiiy hina-d\'uia, seyala r~ijat.
gepiep, p\'ênljitjit, peufji/np.
geplaag, penyoesik, p^"jyinyyoe.
geplekt, gevlekt, van vee en/., berbi\'lany.
geplet, téipipihkan.
geplooid, balipaldipat.
gepluimd, iërdJMméoel, bertjemara.
gepolitoerd, disnpve politoer.
gepousseerd, terpaksa.
gepraal, /•\'vayaan. Zie pralen,
gepraat, gebabbel, petw/oerait, pértja-
kapan; veel —, veel praats hebben,
banjak moeluet,
geprevel, gepruttel, soti/yoet-soenyoet.
(geprezen, ftrpoedji.
geprikkeld; zivh —, ol" aandrift, gc-
vuelcn om ergens bij te zijn of oui
iets te zeggen, of te doen, yaayyw,
genoegdoening
Inten of te bevatten, locloes, b.v. diboc- •
tcutnja soeatoe lobany saloeloes ora/iy \\
bulih nutauei?,
zij maakten een gat, groot
— voor ven man oin ei in tv gaan.
genoegdoening, pemadadn, (vanpada, \'■
genoeg).
genoegen, soeka, ridta. Ar. katoekaiin,
soeka hati, karidlaua;
ergens — mede
nemen, sueka akan; ieder naar zijn
eigen —, masing-iuasivy tltayan soe-
kanja.
— verschaffen, wnjoekakan hati,
b.v. want wat den kinderen bij het
Ie ei en—kan verschuilen, karena (wrang
soeatoe jany uienjoekakaa hati kanak-
kanak pada latkala beladjar.
—■ met
iets nemen, ineridlakan, méneriiaa. —,
tevredenheid, kasenangan,- voor zijn —
uitgaan, b\'erdjalan besnidin-maïu, fjeng-
kerêma,
Skr.; naar zijn — nemen, b.v.
van spijs ol\' drank vn/. nienyambil ie-
rapa soeka;
zijn — eten en drinken,
makaa minuem kennjany; met —, dè-
/iynn soeka hati, denyan karidlaan hati; \\
wat doet het mij — 0 allen, mijne
kinderen, te zien, soekauja kafikoe \'
metihat anakkoe sakalian.
genoegen, zich veigenoegen met, men-
Ijoektepkan denyan, mtmat/akau denyan,
b.v. genoeg u met uwv bezoldiging,
padai.au/ah denyan yat/jimoe, tjoekoep-
kaulah d. y.
genoeglijk, sedap.
gcuoegiykheid, kaxedapan.
genoegzaam, fjoekoep, pada. —, vol- .
dovndv in orde, b.v. van een bewijs ot\'
getuigenis, tijata, sa input terany, sah, Ar.
—, bijna, hampir-hawpir, njaris. Zie |
tnjna.
genoegzaamheid, kapadoiin; do — .
Gods, algenoegzaaiuheid, kï/ajat Allah. \\
genoemd, ttnteboet.
genomen, gesteld, mitealnja, sandainja •
tecne samentrekking van sa-andai-nja).
genoudigde, orutiy pavyyilan, orat/y \'
djtmpüftaH;
de — n tot den feestmaal-
tijd, orang juug <lidjeinpoel kajmdap\'er-
djamoewan.
aenoot, kmcan, teman, sakoefoe; ambt—,
sawa djatcaUiHi
bed —, takttiidoeran;
gvloofs—, sa\'agewa; land—, orany sa-
myari;
deel—, aakanan, ttfftÊJCff, samo-
dal.
Zie verder bij do samenstellingen. .
genootschap, jttrttivttofëmw perhim-
jionmi, kurapafjta, wad/lis.
Ar. kongsi, ;
Chin. fafemt. Ar.; geheim —, hoci, ,
•Chin. —, «icte, medzhab. Ar.
-ocr page 258-
ut
geraakt — gerechtsschrüver.
toestand —, ook djatoh, b V. djatoh
sakit,
ziek —, djatoh kasih, verliefd—,
djatoh hati, verslingerd —; —, verkrij-
gen, berolih, b.v. aan een ambt —,
berolih djawatan; nan eene vrouw —,
berolih bint; aan een huis —, berolih
roemah.
ge ram ei, pènoemboek.
■jerammel, kelètak-k\'eléfoek. Zie ook
gepraat.
gerand, b\'ertepi; van geld, beringg/l.
gerecht, vierschaar, hoekoem, madjlis
hoekoem;
voor het — verschijnen, m\'eng-
hadap hoekoem;
voor het — dngvnar-
den, mhijita akan menghadap hoekoem
(van sita) —, rechtsgebied, hoekoem,
hoekoemat,
Ar.—.billijk, rechtvaardig,
benar, ildil. —, juist, bétoel, b.v. het
—e vierde deel, sasoekoe b\'efoet, saper-
émpat bétoel.
gerecht, opgedischte spijs, sadjian, hi-
dangan;
van één — elen, d. w. z.
samen spijzen, makan sahidangan; de
— en, spijzen, van een Vorst, santapan;
de —en opdragen, méngangkat makanan,
méngangkat santapan;
de —en klaar-
zetten, mènjadjikan, mënghidangkan.
«rerechtelUk, dtnganpèrentah hoekoem.
gerechtig, rechtvaardig, bënar, iïdil, Ar.
—, in orde, sah, Ar.
gorechtigd, m\'empoeiijdi hak. —, go-
muchtigd, berolih koeicasa.
gerechtigde* oranq jang m\'empoenja\'i
hak.
gerechtigheid, kabenaran, kaadilan,
adalaf,
Ar. —, billijkheid, insaf, Ar.;
de — handhaven, uitoefenen, mêlakoe-
kan hoekoem dengan adil, berboewat
insaf;
de — Gods, tldalat Allah.
gerecht-bode, soeroehan fyoekoem.
gerechtsdag, hari hoekoem, hari bitjara.
gerechtsdienaar, hamba hoekoem,
mata-maia hoekoem, opas piskal, mata-
mata djoestisi.
gerechtshof, het gebouw, gedoeng bi-
tjara, roemah bit/ara.
—, de vergade-
ring, madjlis hoekoem, madjlis bitjara,
diwan,
1\'erz.
gerechtskosten, belamlja hoekoem.
grrechtsplaats, plaats der strafvol-
trekking, pegantoevgan, letterl. de plaats
waar men hangt. — in het algemeen,
perhoekoeman; plaats waar men zekrist
wordt, tèmpat salang; plaats waar men
gespietst wordt, iempat soela,
gerechtsschrïjver, pènjoerat jtoe-
b.v. ik gevoelde mij — om te vragen,
«MMW moe/oefkoe hendak bertanja.
^«Tiiiilil, kena. Van het voorwerp dat
makt, terkhta. —, misnoegd, ketjil
hati;
licht —, kregelig, bengkeng. —,
verlamd, tepoek; geheel en al verlamd,
tepoek* tin, —, bctooverd in de ge-
wiicbten en daardoor verlamd, kena
sendi.
geraakte, orang tepoek, oranp tepoeklést,
geraaktheid, gevoeligheid, ketjil hati.
ceraamte, zoowel van levenlooze als
levende voorwerpen, rangka;—, skelet,
bengkarak; ook tut een — uitgeteerd.
—, vel en heen, toelung-bèloelang.
van een vaartuig, een vaartuig dat half
af is, lakar. — van een huis, gerant;
het — van een hui* opzetten, meng-
geram;
ook menanggam (van tavggam,
huutverband duor inkepinir.
gernoS) getier, g\'empar, ingar, roesoeh,
gtulueh. •
—. maken, bèrg\'empar, ingar-
ingar, memboewai roesoeh.
— maken
over of tegen iets, ni\'engg\'emparkan;
allerlei —, ingar-bingar. —, oorver-
doovend getier, zuoals wanneer van
een troep kinderen bet eene htiilt, het
andere schreeuwt en een derde lacht,
tjeridatcan. —, groot gedruisch, goe-
roeh.
— makend, gemoej-oeh; verward
—, lioeroe-hara, haroe-hara, haroe-hiroe,
goegoep ;
iemand met —hinderen, mem-
boewat bisitig.
(temden; patoef, ba\'ik, b.v. ik acht het
—, pada bitjarakoe /mik, p. b. pafoel.
gerahen, tut iets, berolih, mendapat,
mendjadi;
tut furtuio —, mendjadi
kaja, burohh oewang, mendapat oewang.
—, getroffen worden, Mm, b.v. in on-
genade —, kena moerka; in het net
—, kena djaring; op de kippen —,
kena k-arang; bij iemand in dienst —,
kena k\'erdja orang; in de gevangenis—,
kena pendjara; in vcrlnrenheid —,
kena soesaI; uit zijn ambt —, têrpe-
fjat daripadn. djaimtantija;
nan den
man —, tmndapat orangtija; nan de
opium —. moetaï makan madat; aan
den grond —, van een vaartuig, tër-
kandai
; toevnllig — in, térmasoek
kadulam.
aan lagerwal —, van een
vaartuig, térdampar; uit het gevaar—,
loepoet daripada bihaja ; uit zijne schul-
den —, ierlepas daripadi hoetangiija;
urn zijn goed —, kahtlangan s\'egala
harta-bendanja -,
tot den eencn of anderen
-ocr page 259-
gerechtszaak — geritsel.
217
slaan, b.v. van komen zonder een dag
oi\' beurt over te slaan, tiada bertelang,
dengan tiada berselang.
geregeldheid, puratoeran.
gereide, pakajan koeda.
geremplaceerd, diganti.
gereinigd, soetji, Skr.; van goud, soedi,
Skr. —, zie rt-inigen.
gerÜMl, met ribben en voren of groeven,
zooal» pilaren, pooten van tafels enz.
bergeloegorr; scherp —, bergeloegoer
belïndAng,
naar de scherpe ribben van
de belinibingviucbt.
gericht naar, arah ka, b.v. — naar den
weg, arah kadjalau.
gerief", kaseuangan.
geriefelijk* gemakkelijk, senang, moe-
,/,\'.•;■. —p gedienstig, sueka berdjasa.
gerieieiy lcheid, kastnangan.
gerieven, dienst bewijzen, berdjasa;
zich — met, mentjoekoepkan dengan,
ménjenangkan dirinja dengan.
gerimpeld, lisoet, kisoet. —, van rim-
pels voorzien, berkisoet, kertpoet, k\'é-
tamboer,
gering, ketjil, hina. — volk, het plebs,
otang hina-dina. —, onbeduidend, alang,
kapalaug,
b.v. hare schoonheid was
niet —, molikitja boekan atang-alaug;
\'t is te — om er eenig nut uit te
trekken, kapalaug sehadja ini jang
hendal? digoenakan.
—, weinig, sedikit,
b.v. een — kapitaal, modat sedikit,
cene —e ongesteldheid, p\'enjakit s\'edi*
kit.
— iu prijs, moerak harga. —, klein,
ketjil, b.v. een —e zank, per kar a jang
ketjil,
de —e lieden, de kleine man,
orang ketjil; in het --ste niet, sakali-
kali Hdak, sakali-kali djangan.
geringaehten, mémpériuoiulahkan, tiié-
lihat moi\'dah;
te —, utentjoeivai. —,
niets geven om, mttifjampak. —, ver-
achten, mengèdjikan (van k\'edji).
geringd, van de vingers, bertjintjin
pakai tjintjin.
geringheid, kahinaan. — van eene
zaak, ketjil, moedah, ringau.
geringschatten = geringaehten.
geringste, de —, jang terkêtjil, jang
terhinu;
het — zelfs niet, sedikit djoea
pau tidak.
gerinkel, gérenfjing; zulk een geluid
makend, rinkelend, goemer\'entjing.
geritsel, geresik, geraak; zulk een ge-
luid makend, ritselend, goemeresik, goe~
mëresak.
koem, djoeroe-toelis hoekoem, kdtib hoe-
koem.
gerechtszaah, aljara, Skr. perkara.
4t\'ri-i>hts/nu1, gedoeng bifjara, balai
hoekoem.
nareed, afgedaan, klaar, soedah, poetoes,
habit, -■■\'■■.■>>,
— maken, m\'enjoedahkan,
metnoetoeskan, mënghabiskan, menjele-
saikan.
—, vaardig, toegerust, langkap,
siap, moestaid,
Ar. — om onderzeil
te gaan, stap akan berlajar; van
proviand ook sia/i. — maken, mélang-
kapkan, m\'enjiapkan, moestiïidkan, men-
ilundan.
—, bereid, klaargezet of ge-
muakt, vuurhanden, klaarstaan, sadia,
tiadtir,
Ar. — maken, menjadiakan,
meng h ad l ir kan.
—, b.v. oin op reis te
gann, te velde te trekken, kemas, letterl.
gepakt zooals in ons: gepakt on ge-
zakt. Zich — maken, berk\'emas: het
werk is —, pekèrdjadn Hoe soedah; het
schip is —, behoorlijk uitgerust, kapal
soedah lanykap
; de soldaten zijn —,
van de noodigc wapens enz. voorzien,
segala lasjkar snedah siap; alle krijgs-
benoodigdheden zijn —, moestaidlah
segala alat pepèrangan;
het eten is —,
makanan soedah sadia; alle ministers
stonden —, namel. in tegenwoordigheid
van den Vorst, segala manteri pon
hadlirtah.
— geld, oeicang toeuai\'; met
— geld betalen, hiembajar omvang loenai,
menimbaug toenai
(van timbang).
gereedeljjk, dadelijk, sabentar djoega.
gereedheid, sadia, kasadtaan, moes~
t\'i\'id,
Ar.; in — brengen, m\'enjadiakan,
moestdidkan.
Zie bij gereed.
gereedmaken, zie bij gereed.
gereedschap, pêrkakas, pekakas, per-
kakaxan, sirba, prg<twai, perabot,
Jav.; :
allerlei —, pelehagai pêrkakas, p. pe- \\
itaicai, p. perabot, serba-sèrbi
; tnuiner-
mans—,perkakas toekang kajoe;krij^s—,
alat peperangau ; keuken—, perkakas
dapoer.
gereedschapskist, peti pêrkakas.
"(\'H\'cilsi\'liiiiitmiind, bakoH perkakas.
gereedstaan, adalah sadia, adalah
hadlir,
gereedzetten, van spijzen, menjadji,
menghidangkan.
— van andere zaken
= gereedmaken.
gereueld, ordelijk, biratoer, denganper-
atoerau; dengan tartib,
Ar.; nog niet
—, nog geen vaste instellingen hebben,
bélom bérkatënloean. —, zonder over-
-ocr page 260-
248                                    germaansch — geschenk.
strepen op zwarten grond, Ijirrak bilis\'
—, met grooto ruiten, van eene stuf,
rebak. —, e. s. v. rood of blauw geruilo
stof voor kleedjes, kaïn bakak. —, zuo-
als win een bcdelanrsdeken, belah k\'e-
toepat.
—, met de schutsche rait,gèb.>r;
doek, aldus —, kaïn gêbar.
gerust, van hart, senang, letap. »tel-
len, wenjenangkan, tnenetapkan ; stel
uw balt —, s\'enangkanlak katimoe,
perfelapkanlnk hal\'moe.
—, in vrede,
sanlausa. •—, welvarend, njaman.
vun den slaap, njedar, lefap, lena, tjnt\'
dera;
een — leven leiden, kidoep de-
ngan senang. — ,
zonder vrees, tiada
takoet.
gcruslehjk, dengan senang, dengax
telap, dt ngan santausa
enz. Zie gerust.
gerustheid, kasenangan, katetapan, ka-
santausaiin
enz. Zie gerust.
geruststellen; zich —, berl\'etapkan
kati;
stel u gerust, përtetapkanfak ka/i-
Moc;
iemand —, mmvtapkan kali orang.
geseltiiul\'d, geschramd, van de huid,
lefjef, Ut/oef, keloepas, g\'eloepas,djedjas.
—,
beschadigd1, boeras. —, door wi ij-
ving, lilas. —, met eene schaaf, dike-
tam.
—e planken, papan jang soedah
dik\'eltttn.
geschuurd, in geregelde orde, bératoer.
—   in rijen als de miÜtuiren, berbaris,
bersaf-saf\',
Ar. —, schnardig, van snij-
weiktuigen, soembing,geriiji,gerigis. —,
van schuren voorzien, zooals kreeften
e» kiuliben, brrsëpif.
geschuiluwil, tetbajang-bajang.
geschakeerd, om den andere, b\'ei\'3flattg~
selantj, bvrsvlaiig-xtdiug\'. —, in allerlei
kleuren, b\'erpautja wania.
geschakeld, zoonis de schalmen vnn
een ketting, tjangkeling.
geschnl, boen/i jang njaring.
geschapen, zie scheppen; zoo staat
het inet do zaak —, deutikianlah peri
hid Hoe.
geschut er, ttrlatva gelak-gelajc.
gescheept, dimoetcatkan dalam kapal
{perakoe)
geschelpt, van schelpen voorzien, ber-
koelit sïpoet. —, zie ouk geschulpt,
geschenk,
van gelijken aan elkander,
peiabiiiaa, kadijak, Ar. p<-ngkautaran;
iciii. een — zenden, ndnghantari.
vnn meerderen aan minderen, kadijak,
Ar.; ten gesehenktreven, w*v/^//rt*///rt//£</«.
—   van minderen aan mcei deren, per-
SermHAnicb, djermau; de --e taal,
bekasa djet ma».
Beroep, serae, ftènjrroetcan.
geroerd, aangedaan, prior, siloe, kan-
tjoer kali,
b.v. soeara jang amat mer-
doe wémberi pcloe had s\'egaUi jan ff
mèndengar dia,
eene liefelijke stem,
die bet hart roerde van een iegelijk
die haar hoorde. —, underecngemcnird,
la f jan.
gerokt, een inlnndsche rok aanhebben,
bevkdin; niet —, tiada b\'erkdin; gejakt
en — , berkaïn badjoe.
gerommel, het geluid, goeroeh, de-
ngoeng, deroe.
tiert, iik, peudengkoer.
geronnen, van bloed uf melk, bïkoe.
\\ :in melk ook pil jak.
geroosterd, panggang. — brood, roti
panggang,
een —e kin, ka jam pan t/gang.
gerst, «/V/V, Ar. djaw, Pent. ba-as be-
landt\'..
gerstebrood, roti sjtïr.
gerucht, tijding, ckabar, Ar. tcarfa, Skr.;
een los —, ckabar angin; kwaad — ,
waarin iemand staat, baoe jang k\'edji,
baoc boesoek;
slechte geruchten, iot-
fOêft boenji;
een Valscll —, chabar
doesta, warta doe&ta, chabar bohong;
eon — verbreiden, meaiefjahkan chabar,
mèm\'etjahkan varia
(van peljuh); slechts
bij —, sakedar ckabar djoega.
gerucht, geraas, gadoek, ingar. Maak
geen —, djangan gadoek, djangan ingar,
b.v. maak geen —, verzucht uwe stem,
djangan kamoe ingar; perlakankan soe-
icara kamoe.
geruim, lang van tijd, lama sakali;
na een —en tijd, satelak brbvrapa la-
manja.
geruïneerd, verwoest, afgezet, ver-
nield, tengkarap.
geruisch, geritsel, giresil-, —, zooals
van cru mat die over den vloer geti uk-
ken wordt, den regen in de hoornen,
een woelende menigte in do veile,
desak. —, zooals van omvallende
hamboe, de vleugels van een irrooten
vogel, water op gloeiend ijzer en dergel..
dètaii, —, zouaU van den regen of
een nel, dat in het water geworpen
wordt, dirau.
geruit, met ruiten, ruitsgewijze, van
weefsels, inlegsel enz., tapafc Ijatoir,
ijoral? tjafoer.
—, met Ideine ruitjes,
fjorafr berfjenljang; met roode of wilt e
-ocr page 261-
— geschikt.                                        240
flarden — vnn een zeil, babas; dwars
in—, b.v. van den mond, een zeil euz.,
rabak, gPrabak, b.v. zijn mond was
in— tot aan zijne ooren, moeloetvja
rabak sampai katvjinganja;
met een
lange scheur, v-bak. —, met kleine
scheuren, tjubik-fjobik.— nan den kant
of rnnd van kleeding, haveloos, tjom-
pany;
overal —, met allerlei scheuren,
I\'jompang-i\'jumping, b V. maka hadji itoe
mëmakai pakajan tjompang-i\'jamping
,
dio bedevaartganger had kleeren aan
die overal — muren. — van een muur,
gtrabak; wijd en lang —, gerabang;
tot onder toe —, tjabir; met verechei-
denheid, Ijobar-tjabir: overal zoo ja**
gehemd, bïrtjabiran.
geschiedboek, soerat hikt/jut. kitab
hikajal.
geschieden, djadï, btrlakoe,pïriafeica;
dat is geschied, itoe soedah ///Wt.eens
geschiedde het, takali djadi, sakali
pêri&tewa;
op een zekeren dag gc-
scbiedde het, maka datanglah kapada
soeatoe hart
; en het geschiedde op Vrïj-
dag, maka datanglah kapada hart djon\'
ma<Xt;
het geschiedde hem, overkwam
heui, bertakoelah atasnja, djadilah pa~
dan/a.
geschiedenis, hikiijaf, Ar. ritcajat, Ar.
kisaf, Ar. fjtr/tera. — van Java, hi-
kajat tanah Djawa,
— der wereld,
hikajal dui-uia — van Alexander de
Oroote, hikajal Iakandar dtoe\'lkartnn;
eene — schrijven, mtngarangkau hika-
I jat; eene — verhalen, btrhikajat; een
—je, verhaaltje, tjtritvra; een —je
vertellen. bvrfjPrilera.
geschiedkunde, ïlmoe hikajal.
geschiedkundig, met den inhoud der
gcschicdboekcn bekend zijn, tahoe pada
hikajal, faham pada hikajal.
—, in
de geschiedenis vermeld, terstboet da-
lam hikaji\'t.
I geschiedkundige, orang jang tahoe
pada (likajat, o. j. faham pada hikajal.
1 geschiedschrijver, opsteller vnn een
geschiedenis, ptr/garang liikajat. In de
verhalen zelf noemt de schrijver zich
meest oravg jang tmpoevja tjXriföra of
sahibor \'Ihikiijat, Ar. wat hetzelfde
beteekent. — en hofdichter, boedjavgga.
geschiet, pene tuba kan (van tfmbak).
geschikt, gepast, patoef, laïkr, Ar. kena,
padan.
—, bekwaam, pandai, taetmna,
faham,
Ar. —, nuttig, dienstig, bér-
ge scherm
stmbahan; een — dut men vooraf laat
gann, haloacan. — van een Vorst aan
een onderdaan, ot\' van God aan den
uiensch, karornia, Skr. anoegi-raha, Skr.
—, dnt overgebracht wordt, houtman,
ook ptnghantaran. —, dat voorloopig
gegeven wordt, halorican.—, als teeken
van onder werping aan een overwin-
naar, ptuoengkoel. —, waarmede men
iemand omkoopt, toetcap. —, dnt ge-
zonden wordt, kiriman, hantaran.
bij een brief, alas soerat, bingkisan,
fanda hidorp. aldmat alhajat.
Ar (lettert,
levensteeken); Ijfndïra mata (letterl.
wat het oog aangenaam aandoet), //èV
diïra dorrdja (letterl. wat het anngc-
zicht verblijdt). — bij een brief van
gelijken onderling, makanan susrat.
bïj wijze van hulp bij eene feest vie-
ring, sulok. — bij een sterfgeval, b.V.
een mandje bloemen, moesaadat, Ar.
—, dnt gegeven wordt vóór den eigen-
lijken bruidschat, tjengkeram. — nan
de ouders van icmnnd, die men tot
vrouw neemt, penowa/t, ook radjapeno\'
tiiah.
— tot aanknooping van een minne-
handel, phigitlah (van \'ulah), ook alleen
idu/i; zulk een — met zuivere bcdoe-
Hngen, idah fe.rang; met onzuivere,
idah gïlap; allerlei zulke —en, idah-
idahau;
iem. met zulke —en begifti-
gen, mï-ngidah, — of geschenken, die
van een reis worden medegebracht,
ompavg-ott/pavg. — die men bij zijne
aankomst op eene plaats voor zijne
kennissen meebrengt, bofica/t tangan.
— tot een liefdadig doel, aalmoes, gift,
gave, derma. — in wissel klcederen,
pvrsalin; huwelijks— van den bruid e*
gom aan de bruid, emas kawitt; huwc-
lijks— aan de ouders der bruid, IJl
ka win, ntahar, Ar. — aan de priesters
na de vaste, pitra/t, jitrah, Ar.
Sescberm, zie schermen. — met
Woorden, ijdele praat, perkafaiin jang
sia-sia.
—, grootsprekei ij, katnvgahatt.
geschermutsel, dat het werkelijk our-
logvoeren op Midden-Suuiatra vooiaf-
gaat, peraug batoe. De werkelijke krijg
heet dan ter onderscheid ing, ^èV<<»^4è7/<7.
gescherts, sÜnda, goeran, ina\'in-main.
Met verscheidenheid, svnda-goerau.
gescheurd, knjal\\ tjarik-; aan flarden
—, kojak rabit, fjarik-tjariik; in het
midden —, van papier, geweven stof-
ten, b.v. een zeil enz., fjobar; aan
-ocr page 262-
260                                   geschiktelUh — geschroeid.
goena, blrfatdak; den —en tijd of
gelegenheid voor iets hebben, slatpal,
b.v. ik heb don —en lijd niet om te
komen, liada slmpat akoe datattg.
voor iets, h.v. twee personen, die huwen,
voor elknndcr. of ouders voor hun
kind, of des/elfa opvoeding, sarati,
lettert, van hetzelfde beeld in den
dierenriem, b.v. liada sarasi tnentlli-
karakan dia,
niet — om het op te
voeden: didapafinja timpat Hoe liada
sarasi hagai tv ut paf kadiamamtja,
hij
vond die plaats niet — voor zijne
woon plaat s. Adapon kadoedoekan jaag
orgakari itoelak sa\'bdik-ba\'ik kadoedoe-
kan dalatn dofttia dan sarasi dlttgan
kaslnangan tmmoesia,
de middenstand
is de beste *tnnd in de wereld en —
voor de rust (of tevredenheid) des
menschen. — van ligging of werk, zich
— of gunstig voordoend, lampan, h.v.
dan lagi kadoedoekan»ja poelatt Hoe
tlrlaloe lampan,
daarenboven was de
ligging van dat eiland zeer —; adaptm
plrboetcalannja barang sasoeatoe Hoe
bfrpaloetan slrta mnnisnja dan tam-
pannja,
elk stuk werk van hem was
naar hehooren, benevens lief en —.
—, vereffend, in orde gebracht, slllsai.
—, volgzaam, patik ; een — man, orang
patik;
een — gedrng, kalakoewan jattg
Jaïfr, k. j. pat oei;
een —, passend,
kleed, pakajan jaag kina. — om (ge-
slacht, geplant, gerooid enz.) te wor-
dent — voor, bdik akart di ...., ook
éfok, b.v. é/ok disingkap, geschikt om
weggenomen te worden, van een be-
dekking, elok di-andjak, geschikt om
overgeplant to worden van de rijst;
niet — zijn voor, liada ha\'ik akan ...;
minder — voor, koerattg bdik akan;
een —e goudsmid, tockang e/nas jang
pandai;
hij is voor zulk werk —, pa-
toetlah ija bagai plklrdjaiin jang dltiti-
kian;
die zaak is —, geregeld, plrkara
itoe soedah slllsai;
die meubels zijn
goed —, plrkakas roemah itoe di-atoer
haïk-ba\'ik;
een stuk gronds voor tadang
geschikt maken, mfmplrladanakan ; voor
satrah, uiïn/pi rsnicunkan, voor hoema,
mliiiperkoemttkan.
jjesoVnktelylt, dfngan patoet, dhigan
la\'iknja.
Zie het voorgaande woord.
geschiktheid, kapafoet.tn, kaldikan.
—, bekwaamheid, kapardajan, katoe-
kangan.
—, zedigheid, sopan-santoen.
üCMrhil, oneenigheid, tjidlra, Skr. slH-
sik, plrse/isikan;
een — hebben, blr-
tjidlra, katjidlradn, blrsltisik;
alle
—len vereffenen, mlngkahlskan slgala
plrsllisikan.
geschilpunt, plrkara tjidlra, pohon
tjidlra, plrkara sllisik, pokon sllirih.
geschimmeld, van paarden, daoek.
—, beschimmeld, uitgeslagen, blrlapoeh.
geschimp, plntjllaan, plngkinaan.
geschi tier, kilaf-kilatan, kilau- kilau-
BM
»eM-lioraniel, plngajoenan, plnggoen-
tjangan.
KeHehonden, roesak. — , een uitstekend
stuk er af, b.v. de punt van een mes,
de top van den neus enz., rompong,
b.v. — neus en ooren, rompong kidoeng
dan lelinga;
een — boegspriet, tjoe-
tjoer rompong.
—, een stokje er nit,
romping. —, geschaafd door wrijving,
lilas; van de huid of oppervlakte van
iets, lef jet, liljoet; sterk — van het
oog, maar nog niet blind, tjemer.
geschoren, tertjoekoer, blftjoekoer; er
mee — zitten, in de klem, kapitjikan.
geschorst, van een schors voorzien,
blrkoelit. —, van een ambt ontzet,
pitjat, b.v. hij is in zijne betrekking
—j ïfa pitjat daripada djaicatannja;
ook Upas en blrklnti. — worden, di-
pitjat, difepaskan, diplrklnUkan.
geschramd, geschaafd van de huid,
letjrt, litjoet, lotjof. —, door een snij-
dead werktuig of wapen, rltas.
geschreeuw, van pijn enz, tarejak.
—, geroep, slroe, roewak j het eerste
ook met koopwaar. —, gejuich, soerak;
hevig ■—, krijtrs—, tlmpik; met ver-
schcidenheid, tlmpik-soerak; zulk een
— aanbellen, blrtlmpik; hevig ver-
ward ■—, rijoek-rlndak. —, geraas,
getier, ingar-öangar.
geschrei, geween, tangis —-,geschreeuw,
zie ald.
geschreven, llrsoerat, tlrtnaktoeb, Ar.
—, opgCBtcld, tlrkarang.
geschrift;, soerat. Nuttige —en, soerat\'
soerat jang blrfdidah.
—, opstel, ka-
rangan.
Fraai —, karangan jang endak-
endak.
geHchr\\jf, plnjoeratan, plnoetisan.
geschrijnd, geschaafd van de huid,
djïdjas.
geschroeid, slhr, slloer, tjlloer; zie
schroeien; de stank van iets dat —
-ocr page 263-
251
{geschrompeld — gesloten.
is, hangit, sangil. —, gezengd, lajoer;
ook van planten door de felle zonnohittc.
seacbrompeld, b.v. van vlecsch, de
huid, door koken, de inwerking van
zuur of bijt middelen, kP.tjoet.
gi \'schutnl, van schubben voorzien, bPr-
sisik-.
—, van schubben ontdaan, disi-
stk, diboewang sisifmja.
geschulpt, iérMo**, b.v. badjoe bPHPkat,
tPpi bprbikoe,
een geborduurd briadje
met geschulpten rand.
:""\'liiit, mariam; grof —, mariam
bPsar;
het — planten, mengatoerkan
mariam;
het — vernagelen, mPmakoe-
kan mariam;
het — lossen, vuren,
mtnembah mariam • het — laden, ttiftTfifi
mariam.
—, allerlei schietgeweer, a/al
penembajr.
—, zie ook kanon.
geschutboor, penggerek mariam
geschutgieter, pandai mPnoeirang ma-
gesclmtgieterü, tPmpat mPitoeicattg
mariam, pP/oeicangan mariam.
geschutmeester, konstnbel, ganir,
bet Eng. gunner,
sesehutpark, kalengkong mariam, kan-
dang mariam.
geschutpoort, aan boord, djendela
mariam.
geschutprop, soetabat mariam.
geschutrtf, baris mariam.
gcschutatelling, bangoen-bangocn ma-
riant,
«eschutvorm, oin kanonnen in te
gieten, atjoetcan mariam.
.■-.■■schut vulling. Mi mariam.
^eflcbutwngen, kan-fa mariam.
geslacht, geslacht \\ci;sPnrbPlehati,ban-
tajan;
belasting op het —, tjoekai
sPmbPlehcn, fjvekai potong
ge»lacht, kunne, sekse, hangsa Van het
ïnunnelijk —, bangsa laki-laki, bangsa
djantan.
Van het vrouwelijk —, bangsa
pPrampoetcan, bangsa bPlina.
—, soort,
bangsa, rorpa, djPnis, Ar.; het nieu-
schen—, bangsa tnanoesia; een kroin
on verdraaid —, bangsa katjan-beloek-;
van het — der paarden, bangsa koeda;
vele vogel—en, banjak djPnis boeroeng ;
allerlei —en van visch, roepa-roepa
ikan, djPnis-djP.nis ikan.
—,staui, volk,
bangsa, Jraum, Ar. b.v. bet — der
Joden, bangsa orang JXhoedi, kaum
Je\'hoedi.
—, volksstam, onderdeel van
een volk, soekoe bangsa, b.v. de twaalf
—en Israëls, kadoeica belas soekoe
hangsa orang Israël, in de zij-linie.—,
generalie, porpor, b.v. eerste —,poepoe
Jang sakali,
tweede —, poepoe jang
kadoeica.
—, nakomelingschap, anak-
tjoetjoe;
van — tot —tfoeroen-tPmoeroen ;
opvolgend —, gilir, b.v. drie elkander
opvolgende —en, figa gilir orang. —,
nakomelinsschap ook: anak-boetcah, b.v.
God zegent hem tot in het zevende—,
Allah itumbPri kabadjikan sampai toe-
djoeh lapis anak boetrahnja,
ook soenat,
b.v. sa tn (ui i kapada ana k-tjoetjoenja
sakira foedjoeh soenat;
van een aan-
zienlijk — zijn, berbaugsa, bangsawan,
bPrasal,
Ar. asli, Ar.; een voornaam
—, ook bangsa jang tinggi; van één—,
sabangsa, sadjPnis, sama asal; van Gods
—, daripada fjatcang Allah. —, zie ook
bij «tam.
geslachtsl^st, silsÜah, Ar De —der
Mnleischo Vuisten, silsilah radja-radja
31 Plajoe.
geslacht* boom = geslachtslijst.
\\ geslochtsbrief.tfocj\'t^ a?alka/oeroenan.
geslachtsdeel: de —en, faradj, Ar.
ilnraf, Ar.; het mannelijk —, pPlir,-
het vrouwelijk —, poeki, poekas.
geslach t ■] y ntgaloer, soesoer-gataer, b.v.
tiada bolih dikPtahoe\'i orang asaf-oexoel-
ttja dan lagi soesoer-galoemja,
men kon
zijn afkomst noch zijn — stamboom)
te weten komen. —, zie ook bij linie.
geslachtsnaam, nama asal, nama
daging.
geslachtsregister, daflar asal katoe-
roenan.
geslachtsrypheid, puberteit, baligr.
geslachtstafel m geslachtslijat.
geslachtsverschil, pPrbedadn bangsa.
geslagen, van metalen, fempaican, pa-
djal,
b.v. — goud, Pinas timpaican.
ijzer, bPsi pad/al.
geslepen, liPrasah; een — spiegel,
fjPrPmin bPrasah; zie slijpen. —,
listig, loos, fjeredik
geslonken, van een gezwel, ingevallen,
kïwpis. —, zio slinken.
gesloten, eenvoudig diebt, ferfoefoep,
tirkatoep.
— met een slot en sleutel,
fërkoentji; met een grendel of boom,
tPrkanfjing; niet — deuren, dPngan
pintoe tPrtoetoep,
ook ter\'oedoeng,■ met
— beurs, dPngan tiada menga/oftrarkan
oeicang;
half —, van het oog, ketjeng,
ook — van het ecne oog om met het
andere te viseeren.
-ocr page 264-
252                                        gesmeek —
ur-.nif.-k, pimoko»,
gesm\\jde, pvrhiasan, pakaian.
1:0-111.>lii\'ii, van metalen, lêboer,padoe,
gosimp, gesnater, pïleteran.
nesiiHiiw, tïnijking.
gesneden, ireliihd, keb/ri, kas/m, kasjim.
Ar.; een — haan, hajam kibiri, hajam
kasjim
gesnedene, eunuk, sida-sida, orang
kasjiui, orang potony.
gesnoel\', pïrtjakap-tjakapan.
cesnork, pindïngkoer.
gesp, sïltpi, gesper, verb. kafjit, Mal. ;
met een — vastmaken, nungatjitkan.
gespannen, -t 1 ;i \\. van touw, linnen,
leder, de wangen, netten, de huid, zei-
lcn en/., tfgang.— van touw en dergel.,
kPnfjang, ttrik; zeer —, terik-teriik,
ttrlatoe kPntjang.
—, vol, gevuld, van
eene blsM, de wangen, eene puist, btr-
nas,
—.glanzig opgezet van eene zweer,
ug en ivg-ngin ing.
(gespeel, kawait btnudin, tfman bermdin,
gespierd, forsch van lichaam, tjégafr,
ftgap.
gespikkeld, van vee, rintik; een —
paard, koeda rintik; met spikkels, bï-
rintik-rinfik.
—, met gele spikkels,
zoonis tabnk en andere bladeren, kina
kïntjiiig poeffri.
gespitst, la.itjip, lorntjip,
gespleten, bï\'tali, têrbèlah —, vnn
klauwen of hoeven, bersirat?
gesponnen, tïrpintal.
gespoord, van een baan, bZrsoesoeh;
van kunstsporen voorzien, voor het
hanengevecht, bertatlji; een —e eend,
i/ij: birtadji, tig. uitdrukking voor een
lafhartigen snoever; van rijsporen voor-
zien, pakai pênggfritak, pakai stpor.
gespot, sitidiran, ptitgulofc-o/oir
gesprek, ptrtjakapaii; gemengde ■—ken
of samenspraken, ptrtjahupan rampai,
tj\'ikt\'p-fjakup rampai-rampai
—.praatje,
toetoeran; een — met iem. aanknoo-
pen, inPlaican berkafa-kafa; in — zijn,
bfrkata-kata, bér/jakap, bfr/oetoer; met
elkander keuvelen, toetoer-minoeioer;
op Java omoug-unioiig.
gesprenkeld * gespikke\'d.—, be-
^prenkeld, tepïre/ji}: — , besproeid, ör-
dirts.
gesprongen, zie springen en bar-
sten.
gespuis* orang dja/iaf, bt.ngsat,
gestnnkt; toevallig —, terhenti. —,
gesternte.
in de wording gestuit, bantoet. — van
een werk, bavgkang; onvoltooid, béng-
ka/ai.
— van een werk, ook ben/jat,
rtntjat
en genfjat.
gestaald, van staal voorzien, betbési
tcadja.
gestfinrt, vnn een staart voorzien, btr-
ekoer. —, van een Chinees, btrkoetjir,
pakai koeljir.
gestndig, steeds, voortdurend, selaloe,
tantiasa, svnantiasa. —, onafgebroken,
dingan tiada bïrkapoetoesan. —, onop-
houdelijk, dïngaa ttatla bïrhëntwja.
—, volhardend, bérkandjang.—.stevig,
vnn den wind, bagas, —, vnn doorwer-
ken, toenafr
gestadigheid, tPkoen, pïrkandjangan ;
met — arbeiden, bvkXrdja devgan ttkoe».
gestalte; lichamelijke —, sikap; zijne
— goed doen uitkomen, ntemboetcang
iikttp, b.v. dan fïrlaloe nu/nis Laksa-
tttatta utemboetcang likapnju itoe, en
zeer aardig deed Laksamaua zijtic —
vooideelig uitkomen. — van het lichaam
ook sosok, b.v. susuk toeboennja <nt\'
ngikoet bunda, de gestalte van hnnr
Hehnam geleek op die harcr moeder.
—, lichamelijke gedaante, vorm, ttm-
baga. —, voorkomen, roepa. —, zie ook
gesteldheid*
gestnnd, zijn woord of belofte — doen,
mï-MJaiiipaikau djandjinja (vnn sampai).
gesteeld, bPrtangkai.
gesteen, këloeli, pPngeloeA. Gezucht en
—, kétoeh\'krtah. Zie ook kreunen,
gesteente, batoe-batoeican ; edel—,/*?»■*
tnata; allerlei edel — , sïgala djïnis
permafa, pelibagai perma/a, reina moe-
toe miinikam.
—, graf, fcoeboer, tjandi.
gestel, samenstelling, bouw, perboeica-
tan. ■
—, geaardheid, ptri kaiidaihi,
fabiat,
Ar."
gesteld; — dat, zie verondersteld;
op iets of iemand — zijn, socka akan,
bPrki/tan ukan, gt/aar akatt;
dat waar-
op men— is, kasoekaiin, kage/naran ; de
spijs, waarop men — is, do lievclings-
kost, niakauun kagémaran; niet — zijn op
iets, er een tegenzin in hebben, tnggan
sïgan ;
nnar —, erg ziek zijn, sakit pajah.
gesteldheid, toestand, ptri kaadaan,
ptri hul. —, natuurlijke aard, fabtöf.
gestemd; goed —, èa\'ik hati, kwalijk
—, ta\'bu\'ik hati, n/ara/t.
gesternte, bmfaiig-bintangan, sigaht
bintang, segala uoedjoe/a,
Ar.; iemands
-ocr page 265-
gesticht — »ft ü-                                              253
—, noedjoem, rast. —, sterrenbeeld,
boerdj, Ar. Zie aldaar.
gesticht ; niet — zijn, boos zijn, marah,
kVjil hati.
gesticht, liel\'dndijco instelling, balai
dPrnia.
gewl iltt. .i-111-..inl mati Itmas.
gestoelte, zetel, tPinpat doedoe^.— van
dun Vorst, teuipat baginda bits* ma jam.
—, stoel, koersi ; preek—, in de mos-
kee, miuèar, Ar. —, raadsvergadering,
inattjetis, Ar.; het — der oudsten,
■ ."/■/ •/"■ itgala tonca toeica uPgar\'t.
ge»toileerd, behoorlijk van meubels
voorzien, langkap detrgan pïrkakasnja.
;irsiolil, bekoe. — vet, lewakjang bïkve.
gestorven, mati, zie <loo<l en ster-
ven.
gestrand, dampar, tïrdawpar\'.
gewtreept, van strepen of lijnen voor-
zien, bergaris. —, van strepen of krab-
bels voorzien, bh\'tjoenting-tjoeuting,
bPrtjorefr-fjortk:
— met strepen van
verschillende kleur, zooals een vlag,
tijger, panter, de regenboog enz., ber-
pêlang, btrbilang,
— katoen, ka\'iu
ginggang;
fijn — , van lijnwaad, ioerifr.
gestreng, sterk gespannen, tert\'k,t?goh,
kenfjang,
—, strnf, keras, bet/gis; een
— Vont, radja javg bh/gis; een —
bevel, pirentah javg këroM; een —
rechter, hakii/i jang kh\'ns; een —e
straf, hoekoeman jang kpras, siksa jang
ktras.
•—e zeden, adat jang k?ras.
onderzoek, selidil- dengan saksama,
perikia detrgan selidik.
— den gods-
dienst houden, tttfng\'eraikan agama. —,
fel, hnrd, saagal, ttrik, b.v. een —e
hitte, pa»as tPrii; een —e koude, dU
tigi» sangat.
gestrengeiyic, met gestrengheid, de-
ttgan kakPrasan.
gestrengheid, kakerasan, kabPngisan.
gestrikt, in een strik gevangen, ter-
djirat, kena dj Prat;
van vogels ook:
kena pik at. — , van zijden linten voor-
zien, pakai fita soetera. —, in een
lossen knoop, tPrsimpoel poelih, tPrstw
puel hidoep.
geatrool, ptnghamboera», penaboeran
(van taboer).
gestudeerd, bPrpiladjaran.
gestuit, in de ontwikkeling, b.v. van
offers, rijzend deeg, een werk, eene ziekte
enz., bantoet; in zijn vaart —, bintjat,
rhifjat
en gïntjat. Zie ook stuiten.
gesuf, pinyangoet.
gesuis, van den wind, — in de ooren,
pPndestng.
geMuhltel, ziekelijkheid, sPlaloe da hm
penjakit, bPrpenjakit-pPnjakit.
gesits, pïmboedjoekan, pPngolit\'olit.
getnnnd, MMok. — touw, tali tamat-;
— leder, koelit sawai\'.
getahlmard, cetabbcid. bPrdjoebah,b.V.
bPrdjanggoet tiada bërdjoebah, «en baard
dragen en niet getabbaard zijn. Spiw.
getalit, bïrtjitbang. — van horens, fjï-
ranggit b
, bPrangga.
getal, geteld aantal, bilangan, —, *om,
djoemlah,
Ar. De som der getallen,
djoemlah sïgata bilangaii. —, cijfer,
angka, b.v. al de getallen van één tot
tien, sPgala angka t/art satoe sampai
sapoeloeh;
hij neme haar op in het —
dergenen, die barmhartigheid verkiïj-
gen, dimasoekkannja kadalam djoemiah
draag javg bProlih rahmut
.- het — der
sterren, bilangan sègah bintang; zon-
der —, tiada bilangannja; niet te tel-
len, tiada tPrbilang, tiada fepermana\'t\';
nnar het —, sakPdar bilangannja;
hoofd—, bilangan jaag kapala; rang-
schikkend —, bilangan pengafoer; deel-
banr —, bilangan jang tPrbPhagika»;
ondeelbaar —, bilangan jang tiada
terbehagikan.
Deze vier laatste benn-
miogen zijn slechts gissing.
getalletler, hoeroef angka, hoeroef bi-
langan.
getalm, pPrlambatan,
getalmerlr, cijfer, angka.
getand, van tanden voorzien, bergigi
—, met tandjes, gPrigi. —, voorzien
van inkepingen, bPrtjangap; —, aan
bet einde voorzien van eene vorkswij/e
inkeping, bïrtjangyah, bertjangap.
geteehend, van een teeken voorzien,
birtanda, ditandat. Zie teellenen.
geteehende, orang hfrtjêla. o. berfauda.
getepeld, berpënfil, bfrtempelan.
getier, leven, gadoeh, hoeroe-hara, roe-
soeh, ingar,
— maken over iets, meug-
gadoehi, nïïiiggadoehkan,
b.v. wanrover
maakt dat volk —\'t apa jang diga-
doehkan orang banjaik itoe*
—, op-
schudding, gï\'ttipar. — over iets of
tegen iets maken, mPnggemparkau. —,
geraas, van personen en ook van een
menigte kikkers, ingar.
getierceerd, dtbèhagi tiga.
getij, tij. Hiervoor is geen woord; wel
-ocr page 266-
264
getijde eem.
voor het bepaalde —, b.v. wassend—,
ajar pasany; hoog —, pasany besar,
patong poemama;
klein —,patong anak.
—, dat onmiddclijk op doodtij volgt,
anak pasany; dood —, ajar perbani;
het — een paar dagen na doodtij, toe-
roe»// boeicih;
afgaand —, ajar soeroel.
—, zie ook eb en vloed*
getijde, xïd jiiar^t\'i üde.
getijden, gebedsuren, gebedestonden,
icakfoe sembahjany; de vijf Mohamme-
dnan-i\'in\' —, sti.ibahjang lima waktoe,
zij zijn: toeboeh, lohor, atar, ntayrib
en isjti\'. Zie bij gebedsuur.
getügolt\', Hémta,
getik, jii nyétokan.
getimmerte, përoetahan toekang kajoe.
getjilp, péntjiljit, pTntjiap.
getob, kasoesahan ; veel —, bavjafrsoetah.
getokkel, pemètikan.
getoover, tooverij, tënoengan.
getopt, van het buveneinde beroofd,
tjampui\'ng.
getornd, van een naad, relat.
getouw; weef-, perkakas tenoen; iets
op het — zetten, mmjosofr (vansosok).
getraineerd» dipcrlambatkan, dipër-
tangyoehkan.
getralied, bïrkisi-kisi.
getrappel, b.v. van een paard,pényen-
tak--tntakan kaki,
getreur, doeka-ljita.
getrippel, pt-uyhuljoei-tndjoetan kaki.
getrollen, van hel voorwerp dat —
wordt, kena; van het voorwerp dat treft,
terkïna, b.v. door een kogel —, këita
peheroe;
de kogel trof de schijf, pe-
loeroe Hoe lërkhia kapada sasaran.

door een glans of stralen, dtpaloe; door
den vloek van hoogverheven personen.
of der overledenen, —, katoelahan. —,
geroerd, peloe, siloc, haiitjuar hati. Zie
geroerd en treilen.
getrokken, gegroefd, b.v. van een
vuurwapen, bëraher, btryèloeyoer.
getroosten; zich —, nifoiyhiboerkau
hafiiija seiidiri, iitenjinanykau dirinja
(van sfnany), —, zich laten welgevul-
len, membiarkan, mtnïrima djueya.
getroubleerd, yïla; eenigszins —, sa-
tenyuh gila, yalyal.
getrouw, tatiawan; elkander — behnn-
delen, bér-iatia-satiadn. — van hart,
toeloes; vnti woorden, beaat:
getrouwd, van een man bïrbini, be\'ris-
teri;
van eeiie vrouw, bh\'laki, bertoeami;
van beiden, toedah doedoek, bërsaroe~
mah
; wettig—,soedah kawin, s.nika/t.
: getrouwde, van een man, orang tier-
bi?ti, orang berislëri
; van eeno vrouw,
orany bïrlaki, orany titrtoeami.
getrouwelijk, dényan satia, dënyan
toeloet hati.
getrouwheid, satia,
getuigd, van een paard, toedah dikt-
nakan pakajan.
getuige, saksi, Skr.; een wettig —,
tafcti bëtoel, sakti jany sah; een twij-
felachtig —, saktï tjak; een onwettig
—, saksi bola-, als — optreden, tiaik
tak-si;
een geloofwaardig—, sa^si jany
kaperljajaün ;
een valsch —, safrsi
doetta;
—n bijbrengen, meinbaica saksi,
wènghadapkan tak-si;
bloed—, sja/tid,
Ar. als bloed— sterven, malt sjahid ;
de —n wrakea, menoelak sak-si. — zijn,
djadi safai; God alleen is —, mïlain-
kan Allah jany tahoe.
getuigen; iets —, m^nja^sikati; tegen
iemand —, naïk saksi a/at saorany.
—, bekennen, uitngakoe.
getuigenis, kasaksian, sjahadal, Ar.;
schriftelijk —, soerat kasaksian, toerat
tanda tanyan.
— spreken, bërkata saksi.
— geven, bïrtafoi.
getuigschrift, soerat tanda tanyan.
getuimel, pïnghoembalangan,
getuit, in do ooren, dësing.
getweernd, tfrpintal,
getwist, pvrbantahan.
geul, gleuf, groeve, vaarwater, aloer,
aloeran.
—, kil, diepte nabij droogten,
paloe.h. —, stroomrichting langs do
kust, yaloer; geulen graven op de sn-
wahs voor den waterafvoer, niémban-
darkan
(van bandar), waterleiding.
geur, haroem, baoe haroem, b.v. haroem
mtiiyhilanykan baoe,
de — doet de reuk
verdwijnen, Sprw, —, reuk, ook: yanda
(Skr. yandha); zonder —■ of smaak,
ambar, inala.
geurig, haroem baoe, wangi; het eerste
ook fig. — e bloemen, boenga-boenga
jany haroein baoenja.
geurmaker, pëngaring.
geurtje, staak, baoe boesoek-; een —
hebben, bërbaoe, bcbaoe; sterk riekend
■—, zooals (roti heeft, of een urinoir,
ariug; zulk een — aan iets geven,
mfiigaringkan; dat wat zulk een —
aan iets geeft, pengariny.
geus, boegstengvlag, bandera te\'mandera.
-ocr page 267-
266
gevaar geven.
gevaar, behaja, — van sterven, behaja |
mati; allerlei —, mara-behaja. —doen
ontstaan, membe.ri behaja. — bij ziekte
of iels, dat wankel staat, kemeloel;
klimmend —, kemeloei ndik; wijkend
—, kemeloei toeroen; in —, kena bë~
haja;
niet in —, veilig, santausa (Ski.
santosa); voor — behoeden, memeliha-
rakan daripada behaja;
aan ont-
komen, loepoet daripada behaja; zich
zelven gevaren scheppen, mendjadikan
behaja bayai dirinja.
gevaarlijk, bërbthaja, me miert behaja.
—, van eeno ziekte, pajah, b.v. een i
e ziekte, sakit pajak, —, van cenc
wond, parah, b.v. een —e wond. loeka
parah.
— van een porsoon, lig. ber~
tanding meloekaï,
d. w. z. scherpe kan-
ten hebben die verwonden; ieiu. wiens
handelingen — zijn voor anderen, tig.
p^lekat api dt-a/as boemboeng.
sevuurvol, banjak1 mara\'behaj anja.
geval, omstandigheid, perkura, h.v. hier-
bij zijn vier gevallen, im ernpat perka-
ranja ;
in —, djikalau, djika, kalatt;
in dat —, als het zóó is, djikalau
demilc/an, kalau bagitoe
; in dat genoemde :
—, alas hal jong terseboct Hoe ;\\i\\) —, \'
sakira-kiranja, b.v. djika sakira-kiranja
Lak-samana Hoe hidoep,
als bij — Lak-
samana leefde; bij — , onverwachts,
liba-tiba, sakoenjoeng-koenjoeng; bij —, \'.
bij gelukkig toeval, oetitoeny; bij —, ;
somtijds, terkadany-kadany; stel het — ,
dat, sa\'andainja, b.v. stel hel — dat \'
hij stierf, sa\'andainja tja viali; in het-
zclfde — nu verkeert ook die Koning
van Sijatu, dèmikijanlah halnja kaa-
daiin radja tSijam itoepon.
gevallen, behagen aan, berkman pada,
mentperkenankan;
dat gevalt ons, itoclah <
kami berkenan;
het geviel hem niet
die woorden te hooren, tiadalah ija
berkenan uiene/iyar perkataan Hou
; als
het den Koning gevalt, djikalau b\'ér-
töénan kapada radja;
zieh iets laten—,
laten begaan, membiarkan; dulden, men-
sabarkan; zieh tevreden stellen mot, me- ;
njenangkan dirinja diuyan (van sënuny).
gevallig, zie toevallig en welge-
vallig.
gevangen, lertangkap; in den kryg, j
(ertawan. —goüet, l"-rpendjara, ttrkoe- |
roeng. Zie vangen.
gevangenbewaarder, phioetiggoe :
pendjara, djoeroe pasoenyan.
gevangene, orany (ertanykap; in de
gevangenis, orang lerpendjara, orang
tërpasoeny, orany terkoeroeny,
— in den
krijg, orang tawanan. — die geboeid
is, orang te.rbeloenyyoe ; op Java orany
perantéjan.
gevangengeven, zich —, menjerahkan
diri
(van te.rah).
gevangenhok, koeroeng.
gevangenhuis, ptndjara.
gevangenis = gevangenhuis; in
de — zetten, masoekkau kadalam peti-
djara, niemïndjarakati, ményoeroenykan.
gevangennemen, menanykap (van
ianykap). — in den krijg, menawan
(van tawan).
gevangenneming, pXnanykapan.
gevangenschap, krijgs—, hal lawa-
nan;
in ■— raken, djadi tawanan.
gevangenzetten, memendjarakan, ma~
soek-kan dalam pendjara, iiienyoeroeny~
kan.
gevangenzitten, doedoejr dalam pen-
djara,
gevanheiyk, iériangkap; in den krijg,
tertawan.
gevat, geslepen, Ije\'redik\'.
gevecht, in den oorlog, perang; in het
dagelijksehe leven, perkalahian. —met
steenen, op Sumutra in zwang, om
twisten te beslechten tusschen verschil-
lendo negariën, perang batoe. — met
geweren, aldaar, dat volgt als het eerste
niet heeft geholpen, perang bedil.
gevederd, berboeloe.
gevederte, boelor-boeloewan.
geveinsd, voorgewend, pwra-poera.—,
schijnheilig, tjoelas, moendfi^, Ar.
geveinsde, orany poera-poera, orang
tjoelas, orany moendjifa;
geveinsdelvjk» dhigan poera-poera.
geveinsdheid, poera-poera, tjoelas,
nifak, Ar.
gevel, liadapau roemah, moeka roemah,
haloewan roemah.
geven, mviiibéri; vnn God of den Vorst,
menganoegXrahakan, tne\'nyaroeiiiaka.n;
uan God of den Vorst, mëmpersemb(i/i~
kan.
—, teruggeven, memoelangkan,
menyombalikan.
God geve, diberi Allah
kiranja, di-oentoenykan Allah kir anja.
— aan iemand, bij wien hot behoort,
ook zonder dat daarbij bepaald aan
teruggeven wordt gedacht, niemoelang-
kan,
b.v. mijn vader gaf mij al zijn
gereedschap, dipoelangkan olih bapakoe
-ocr page 268-
U6
gever — ^i\'vist.
ingaf, tjamkan, tnempP.rhatika/1; vuur
—, schieten, mPneinltafc (vnn ten/Aap);
vuur —, b.v. vnn een steen of hout of
berg, kaloeirar apiuja; tijdelijk in be-
waring —, mPnoempanykan (van iOêm*
pang);
op Java mPnitipkan (vnn fifip);
in het licht —, uitgeven, mPnyaloe-
warkan
(vnn kaloeicar); een hoek in het
licht — , mPnyaloeu-arkan kitab; licht
—, bPrsinarkan tPrang; licht — aan,
verlichten, niPnerangi, mPnPrangkan; in
bedenking —, meng ingaf kan, ménasi-
hatkan ;
om niets hoegenaamd—, tiada
fadloeli akan apa-apa, safocpon tiada
difadlorltkan, satocpon tiada di-endah-
kan;
dat geeft niets, satoe pon tiada
facdahnja, satoepon tiada goenanja;
weten te — en te nemen, tahoe mPng-
liimat-himatkan, tahoe kira-kira dan
kPdarkan;
te geef, dvnyan tiada patoet
harganja.
—, ter hand stellen., m^-
njampaikan, meneriuiakan; in het hart
gegeven, terbtflaA dalant hafi, bPrbang-
kif lab dalam haft, d.tfangïah kapikiran ;
een bevel —, bevelen —, ntfmbrri
pprenfah;
van den Vorst, rncmberi Utah ;
cere —, membïri hormaf; de behoor-
lijke of iemand passende eer —, mtngor-
pamakan;
vrucht —, bïrbo<\'icah; van
een land of werk, bï-rhaxil; slang —,
mfntoekoel (van poekoel), menghanfaw,
mtmaloe
(van paloe), mvngadjari; den
voorrang —, mX-ndXhoi\'loekan, mefPb\'h-
kan;
geluid —, berboraji, bfrsoewara;
weder—, terug—, mengombnlikaa; nan
den persoon, wien het werkelijk tocbe-
hoort, mttmoelangkan (van poflang).
voor, te koste leggen voor, mï-mbelan-
djakan;
een feest —, mï-ndjamoe orang ;
gedurig feesten —, b^rdjanioe-djamoe-
toan;
een kus —, zie kussen; uit-
stel —, mempï\'rtanggoehkan, mPmbïri
tavggoi\'h;
verdriet —, nitndorka tjita-
kan, meingadakan doakii\'tjifa, met/doe-
kakan;
een wenk —, rnïtngisjaratkan,
ntémberi isjuraf,
Ar. zie wenk; ver-
lof —, membT-ri idzin, Ar. ntfngidzin-
kan;
prijs —, nan zijn lot overlaten,
ntPtnbiarkan; den moed verloren —,
poetocs harap, poeloet asa.
i>ever, pemberi, jang m)-mbe?-il jatig »it-
ngaroeniakan, jang mïnganoegPrahakan.
Zie het onderscheid bij geven.
gevest, hecht, hoeloe; het — van een
sabel, hoeloe pèdang. — van een kris,
hoeloe ktrit; een kris met een zilveren
sfgala pfo\'kakasvja kapadakoe,■ vnn iets
—   of inededeclon, liPliagi, b.v. djika \\
bh\'olih nasi djangan kila bïhugi orang,
als we ni-l k 11 i^\'h-ii moeten wij nan
anderen niets zeven. — ann hen die
het niet noodig hebben, tig. mrnimbakan
ajar kafaoct;
te eten —, viPmbPri ma-
kan;
door het voedsel hij hapjes wet
de hand in den mond to stoppen,
wPnjoeicap ; do hand —, bïrdjabal fa-
upan, mPngoendjoek\' tangan ;
op Java,
kasih tanga». —, overreiken, mPngOin-
djoekr;
een maaltijd —, mPndjauioe
orang makan minoem;
kennis —, wvm-
iPri tahoe, mPmalot\'mkan
.- nnn den Vorst,
mP inpers? inbakt kan. —, vergelden, inPin-
balas,
b.v. iemand — naar zijne wer-
ken, niïmbalas orang sairPdar pPrboe-
iratannja.
— tot vergoeding, ia de pl»als
—, niPngganti, mPnjilth (van silih, ver-
goeding); vrucht —, van land, mPng-
hasilkan boewah-boi-ieah, mPnibPri hat\'il,
bïrffasil;
rente—, van een kapitaal, in
het algemeen, bPrboenga.- in het bijzon-
der, makan, b.v. honderd geeft 50/o,
saratoes makan lima; ook dalam sara-
toes lima bomganja ;
macht —, mPmbPri
koenasa, mPngneècasakan
,- een gemach-
ligde aanstellen, nteirakilkati ; algemcene
volmacht —, mPwakilkan moetlak. Ar.
—  om iets, fadloeli akan; in de spreek-
laul pPrdcet!; ouk t\'nda/ikan. /ie Voorb.
hij schelen. — om iets, zich interes-
t-eeren voor, meiigapifrkan, mPtigi-ndaJi-
kan. —
om iets, niet onverschillig zijn,
prka; niet — om iets, tiada fadloeli
akan, tiada niPngendahkan, tiada mP-
vyaptl\'kfin,
b.v. dada djorga di-apik1-
kaunja akan enanynja,
hij gaf niet om
zijn vocdstcr.ook tiada dipeka; ik geef er
niet om, akoe fa*fadloeli, akoe fa\'endah ;
niets — om iets, gcringnchtcn, lieht-
achten, mPriiigankan, minfjapak; gelijk
—, iriPmbenarkav, mPnjoenggoeltkan (van i
toenggoêh); ongelijk —, mPnsalahkau; [
gehoor —, rnPmbPri iP.linga, menPngar- \'■■
kan, niPloeloeskan;
audiëntie verkenen,
bPrsemajam dihadap orang; geloof —,
pPrtjaja; den geest —, poetoes njawa,
pastors djlwa;
rand —, inPmbPri biljuru, \'
wPng aloë war kan bitjara ;
rekenschap —,
mPmbPri kira-kira, mPmbPri djaiciib ;
aalmoezen —, mPmbPri dPrma, mPmbPri
sedekah:
tot aalmoezen —, mPndPr-
makan, mtnfTdefrahkan;
ten geschenk
—■, vtPnghadiahkan; ncht —, ingaf- \'
-ocr page 269-
m
gevestigd — gevolg.
scherpen, het wee — dut men heeft
nis men den elleboog stoot, si tot!; een
fijn —, perasaan jttug haloes; volirens
mijn —, pada hati sehaja, pada pvra~
saa\'ti sehaja.
—, getast, pentljamaha.i,
peramahan.
— vnn üefde, tjtttfa kasih.
— van baat, rasa bêr.tji.
gevoelen, intr., berasa b.v, schuld —,
berasa satah; zich ziek—, berasa sakit;
koude—, berasa sedjoek; iets —, m\'era-
aai,
b.v. honger —, merasai lapar, pijn
—, mèrastiï sak/t. —, bemerken, sedai\',
b.v. men zinspeelde op mij en ik heb
het niet gevoeld, disindirkan akoc,
mak» tiada akoe sëdar;
doen —, zevoel
er van doen hebben, wempërasakatt;
zich —, mérasa diri; zich ziek —,
.tittrasa dirinja sakit; zich niet wel —,
inerasa dirinja t\'i\'*édap.
gevoelen, mccn\'ng, perasaan, kapt\'kiran,
sawgka;
naar mijn —, pada pe,asa<tn
sehaja, pada kapikiran sehaja, pada
sangka sehaja;
met iem. —s rekening
houden, die verschoonen of ontzien,
wel\'imbang ba/i, utënimbang rasanrang;
naar ons —, pada hati kami; bij werd
hoc lnnncr zoo meer in zijn — ver-
stel kt, tautpa hatinja uiakin bertawbah ;
van één —, sahafi, sarasa, sakapikiran.
gevoelig, niet onverschillig zijn voor.
om iets geven, peka. —, spoedig iets
voelend, lekas berasa. —, spoedig ver-
stoord, lekas marah. — voor een on-
iinngenaam woord, n\'ip\'is telinga.
gevoeligheid, geranktheid, ki-fjil had.
gevoelloos, van een lichaamsdeel, ma/i,
lali.
—. door bewusteloosheid, tiada
sëdar, tiada bersoemanyat.
gevoelloosheid, gcheele verdwijning
van het gevoel, hilany rasa; trnnir in
het gevoelen, lambat merasa, baba/,
kahdhatan;
verstijfdheid, kebas; wat
heen- en weer loopen, om dat te ver-
drijven, mëmboeicang kehas.
gevoelszenuwen, sarap përasaiin.
gevoerd, vnn voering vooreien zijn,
berlapis; een — bandje, badjoe hërlnpis.
gevogelte, boeroe»g-hoeroengan, s\'eya/a
OH ff ff at;
allerlei —, onggas-a:iykas,
gevolg, djadi; dien ten —e, djadinja,
dart aëbab iioe;
eindelijk is het — er
van, kasoedahattjjja; ten gevolgo van,
bëkas, b.v. bij was erg slaperig ten
gevolge vnn eenigen tijd niet geslapen
te hebben, hiaka sangat ariplah ija,
bèkat tiada tidoer bèrapa laiaanja;
tij
17
—, ter is jivkj bérhoeloekan p<rafc. \'
gevestigd, (roonuhtigi doedaef; te
Matnvia —, doedoek eti Betaici.— Wij-
ven op iets, b.v van een blik op icmnnd, \'
lek at. /ie annhijken.
gevind, bersirip.
gevlumd, vnn hout. bërboenga, ada
bneaganja, Mak. — hout, kajoe jaag
bërboenga. —, gedamasceerd, berpamoer.
gevloesehd, bhdaging. — en gebeend,
bërtoe/ang-daging.
gevlei, pemboedjoelf.
gevlelit, vnn de liuid, bèrbélang.— met
streepen z\'ionls sommige t\'i\'yzer^,pë/ang;
een —c geit, kamhing belang. De —e,
sibétang — vnn huid, van sommige
dieren, damli, b.v. een —e tijger, hari-
ini\'it dandi;
een — belt, roesa dandi;
op Java: toetoe}, — van handen en
voeten, een soort vnn ziekelijkheid, die
in Indic veel voorkomt, (psoriasis)
sopak; wit — vnn de mcnschelijkc
huid, bërpanav. — met plekken van
ren liehtcre kleur, bh/ëlaudclau; on-
rcgcluinlig — en gestreept, vnn het
vel vnn heesten, koreng. —, met niors-
vlekkcn, bërnodn. —, met spikkels,
bërintik-rintik.
gevlerlit, bêrsajap.
gevleugeld = gevlerlit.
gevloekt, lerkaetaek, tnnat. Ar.
gevloekte; die —, sikoetoek.
gevloaen ; \'t is —, soedah tennjap, soe~
dak ferbattg.
gevoeg, hadjat, Ar. Zijn — &oen,kadla
had jat,
Ar. boewang a/ar; voor laèm-
boetvang ajar
ook wel nieiaboeicaiig bura,
de hallnst uitwerpen; meer fatsoenlijk,
kasonrgai, onderscheiden ïn kasoenyui
bt-sar
en kasornyai ketjit, boeicang ajar
bèsar
en boetcang ajar ketjit. Zeer grof,
berak.
gevoeglijk, barna, patoet, luik, Ar,
gevoegiykheid, kaharoesan, kapa-
ioetan.
gevoel» rasa, tjiia, b.v. een aangenaam
—, rasa jtwg sédap; oen — vnn hlijd-
schap, soeku-tjita, een— van droefheid
of smart, doekadj\'da. — vnn gezond-
heid hebben, zich aungennam gevoelen,
rasa toeboeh sëdap, vjaman; het —nis
zintuig, perasaan. Ook eene aandoening
van bet —, b.v. hij kon zijn — niet
verbergen, fa\'dapat di$eaiboe?iikannja
p\'erasaaHnja
; onnangenaam —, zooala
men b.v. krijgt als men eene zant: hoort
-ocr page 270-
:>:>$
gevolglijk — gewelf.
viel in slnnp ten gevolge van zijn vecr-
tig etmalen ganns, laloe tja têrlidoer,
bekas b\'erdjaian ampat poeloeh hari at/t-
pal poeloeh malam.
— aan iets geven,
at\'elakoekan, tn\'enjampaikan. •—, bijheb-
bend gezelschap, volgelingen, wang
pengiring, srgala irinyan.
—, uitwei-
king, uok hasil, b.v. zijne bedoeling
had geen —, maksordnja itoe tiadala.lt !
hasil.
gevolgiyk, dori ièbab itoe, olih sebab itoe. \'
gevolmachtigde, toakil, Ar. koewasa ; :
algemeen of generaal—, v;ak\'tl moeftak. >
gevoorcl, brraloer.
gevuld, berin/; vol, pënoeh. —, van de
kuiten, boatting padi.
gewand, klceding, pakajav, —, een |
kompleet stel kleeren, salangkap paka-
jan.
Zie kleed ca opperkleed.
Sewan^d, gevaarlijk, bèrbèhaja Zie :
wagen.
gewnnnd, voorgewend, pocra-puera. —, ■
gemeend, disangka, pat/a savgka.
gewaarworden, dapat tahoe,merasa;
iets —, /nerasaï.
gewaarwording, rata, ras/r hati, fjila.
—, gevoel van een wensch, begeerte
of lust, fjtta-rasa.
gewag, sèloelan. — maken, men/eboet.
gewagen, melden, vermelden, wenjeltoei.
gewapend, brrsendjata; geheel— lany-
kap denyan sèndjata.
gewapenderhand, dhtgan sèndjata. j
gewapper, perk\'tbaran.
B6WM, planten, toemboek-ioemèoehMt. Vak \\
plant. —, opbrengst van een land,
Jjasil ianah.
gewaterd, geaderd, van geweven stof-
fen, koere//, berbarik-barik.
gewauwel, phtjakapan kosovy, reju-k
geweeklaag, p\'ényadoeh, ratap.
geween, fat/gis, penai/gis.
geweer, wapen in \'t algemeen, sèndjata ;
in hot volle —, latigkap dengan sèndjata;
in het —, bèrbaris.—, snaphaan, bedil,
s\'ènapang,
verb.; dubbelloops —, setta-
pat/y doetva laras, b\'edil doeiea laras,
s\'euapany ke/nbar, s\'ènapang penyavten;
achterlaad —, sénapany kopak; het — i
laden, ményist sénapany. m. b\'edil; hel
— afschieten, meinasang senapang (van j
pasang), ia. bedt f, m\'enetnhak dengan
bedil, turnt b\'edil;
lont—, zie ald.
geweerhandelier, sandang b\'edil.
geweerkogel, pe/oeroe bedil, p. shia- .
pang.
geweerkolf, sikoe b\'edil, s. s\'enapat/y.
geweerloop, laras bedil, l. sénapany.
geweermaker, toekang b\'edil, paudai
bedil, toekatiij senapang, paudai senapang.
geweerrek.prnjanyya b\'edil,p.sénapany.
gewei, de hoornen der herten, faiwuek
roesa, ranyya;
een hert met —, roesa
bèranyya.
geweld, yayah, kakërasati. Met —, de-
ngan gagah, denyan kakt\'rasan,
b.v.
kemoedian dengan gagah tja dikaloe-
warkan dart dalam roentah,
vervolgens
woidt hij met — uit het huis gezet;
inaka. apahila dtlihat olih soelfdn aken
hal itoe dataitgvja dengan kakerasan,
toen de Sultban zag dat de zaak met
—  doorgezet werd; met — iets doen,
—  voor iets gebruiken, taenyyayalti. —,
dwang, paksa. — aandoen, dwingen,
m\'emaksa, uiengerasi (van kerm), meng-
gagahi, boetcat garang.
Het laatste b.v.
in: perangki iui boeteatannja garang
akan kamt,
die Franken (l\'ortugeezen)
hebben ons — aangedaan. —, leven,
getier, gadoeli, roesoeh. — maken, man-
boewat gadoeh, m. roesoeh. — over iets
maken, ntrngyaiU-ehi, ook viettyyadoeh\'
kan,
b.v. wat is het toeh waarover zij
— maken, apatah jang diyadoehkaunja.
—, verdrukking, aniaja. — aandoen,
hienyaniajakan; de wet —• aandoen,
tuènyyayahi hoekoem, ntelanggar hoe-
koem;
eene vrouw — nandoen, ver-
krachten, menggogahi sa\'orang pi-ra m-
poetcitu ; maak geen—,djanyangadoeh,
djangan ittgar;
het — der golven, ya-
loera ombak.
gewelddadig, yttrattg, d\'eigan gagah.
geweldenaar, pèaiaksa, oi\'ang gagah,
pënganiaja, orattg lalint,
Ar.
geweldenarij» pingyagahati.
geweldig, kuras, haibat, Ar. besar, b.v.
een —e regen, hoedjau heras; een —e
donder, yoetoeh jang haibat; een —e
wind, riltoet besar, riboet jang k\'eras;
zeer — brullen (van een tijger) u,e-
ngaoem dengan l\'erloloe sanyaf. haibat.
—,
sterk, gagah ; een — man, oraug yayuh;
een —e dood sterven, ttiati dibueuoeh;
een —o stroom, al ir jang da-as.
geweldiger ; provoost—, penyhoelne
pendjara.
gewelf, léitykoeny, rongya. —, koepel-
vorm ig, koebat, Ar. De gewelven eener
kerk, seyalc koebatgredja; het hemel - ,
tjakrateala, Ski\', beniangan laugit.
-ocr page 271-
SM)
gewelfd gewijzigd.
geweven, Bijv. nw. tenoer.an; een —
stol\', hom tenoenan.
(gewezen. Bijv. nw, dehoeloe, la>na,
bekas,
b.v. een — vriend, sohbat dehoeloe,
de nieuwe en do— kok, djoeroe wuumf
jang beharoe dan jang lama
(of dehoeloe).
—, wijlen, van aanzienlijken, marhoem.
Ar. soeicarga, Skr.; het — paleis van
den rorigen Sulthan, bekas astana Soel-
fdtt ttiarhoem;
mijn — leermeester,
goeroekoe jang dehoetoe, jang dehoetoe
goeroekoe.
gewit-Ut, zwaarte, berat. —, om mede
te wegen, bij een weegseboal, butoe
timbongan;
aan een Chin. unster, batoe
datjing.
Een Indisch — van 1-i Anist. \\£,
kalt,
iUO kati = 1 pikoel, of indisebe
centenuar. Do kati uls goudgewicht
houdt lü tahil of bongkttl. In üe PaU.
bov.
1. 2U tahil. Het veelvoud vnn de
pikuel is de kojau. Deze verschilt iu
zwuaite cu weegt 27, 2S, öu soms ;<
pikoel naar gelang van de koopwaar
en het plaatselijk gebiuik. De iuhoud
der vaartuigen wordt bij Icojaua bc-
lekend, zooall in Europa bij tonnen
en lasten. De tahil wordt verdeeld iu
vierde deelen, J tahil heet sapaha o(
sasoekoe tahil.
,\',. tahil heet inajam.
Een soort van goud— is de koepang =
4 djampat, = j mus, s= 6 oeieang, =
48 pitis, = 40 cent; bij het — ver-
koopen, djoetcat (imbanjan; er is veel
— uan, banjak beratuja ; een zuiver—,
tiiabangaa betitel; een vnlseh —, Hm-
bangan jang satah
,- geijkt —, batoe
timbaitgan jang soedah ditotoi-, 6. t. j. s.
ditjnp.
—, belang, ook pengapa; vuu
—, belangrijk, bësar, peating; dingen
van —, fijne waar, pentingan,
jrewiehtig, belangrijk, besar, peaflng;
een — werk, pekerdjiuin besar, b.v.
HieiuboeicangkitH si tijebat Hut\' peker-
djaiin besar, djatiganlah diper moed ah\'
kan,
dien Djébat uit du voeten Ie rui-
men is oen — werk, dat niet licht
geteld moet worden.
ge wieg, pengajoenan.
gewieUt, bersajap.
ge\\v\\jd, tuhbis, Ar. lertahbis, disoetjikan.
—, ook luiratn, Ar. b.v. de —e mos-
kee, tittisdjtd ut har ma.
gewü**le, rechterlijk —, kapoefoesau
hoekueia.
ge\\vüzig<l» di-abahlan; een weinig —,
di\'obahkan sedikit.
gewelfd, lengkoeng, tnerongga Ladalam, ■
berkoebat;
een —e brug, djembatan
jang berlengkoeng.
gewemel* van tune menigte uienscben,
ksrorutofn, —, van klein gedierte, pt-
lata, penjoeloer, pciidjoeloerau.
gewend, bijasa, tahoe; aan elkander —
zijn van dieren, sabaoe.
gewennen, djadi bijasa, doen—,mim-
bijasakan;
langzamerhand, bij beetjes,
systematisch gewend aan iet», duch j
steeds ten goede ot\' ten nutte van hem,
die zich gewend beeft, latih; zich bij
zijn spreken aan iets —, nietadh moe-
toe/,
b.v. tatnoeicanja Lersalin na/na,
inasing-masing me/atih moeloetnja,
allen
verwisselden zij van nuum; een iegelijk
gewende zich daainon bij zijn spieken;
zich - , membtjasakan dirinja; zijne
hand —, m\'embijasakati taugaunja.
jjewenurht, Bijv. nw. kasoekadn, b.v.
—e zaken, barang barang kasoekadn.
gewerveld, bertoelaug belakang.
gewest, gioote landstreek, benoewa.—,
landstreek, loerah, ba/ad, Ar. uirv. hol-
dim;
al de —en f un Java, segala loerah
taaah lijatca;
afhankelijk —, djadja-
han ;
de —en des hemels en der aarde,
die uien elk op zeven stelt, pétala, b.v.
de zeven — en des hemels, toedjoeh ,
ptdala langil
; de zeven —en onder de
oppervlakte der ai\'.rde, toedjoeh petala j
bocni.
geweten; bet —, auga» angan hati, I
een goed —, augawangan hati jaag
buik
; een kwaad —, angan-angan hati
jaag dj ah at;
naar zijn — handelen,
mtnoeroel augan-avgan hatinja, mem-
boeical satahoe hatinja
; om des —& i
wille, karena anganaugan hati; viij-
heiil van —, kabebasan angan-angau •
hati;
een dichtgeschroeid —, hati jang
terselar.
■-ïo weten loos, tiada berangan-angan
hiüi.
Ljewetensangst, katakoelan hati,
gewetensidwung, penggagahan hati,
kapafaaöu hati,
^ewetenHhnnging, sesal hati.
^ewetenMvryheid, kabebasan angan-
angan hati.
^ewetcnMnnlT, perkara angin-angan
hati.
\'-;eweten»3!wnrigheid,i(((itVö/«« ang- \'
an-angan hati.
■ïewettigd, d\'engan sali.
-ocr page 272-
MM
cewilmt — «ewoonte
cewikftt, fjer\'edik, tjakatan.
CO wild, dikahe>tdaki, kasoelairn, dika-
xaekaï.
—, vnn koopwaren, lakoe, pajoe,
laris.
CO willig*, sueka menoeroet (van toeroef),
dtngar-dmgaran.
—, Hijw. drngan soeka
hati, d\'engan karidlaan hati.
gewilligheid, soeka, rit/fa, Ar.
gewin, wint, htba, oen t oen g. —, nut,
goena, fa\'idah, Ar. —, opbrengst, haft f.
Ar. —, het verkregene, perolehan; werk
dnt geen — aanbrengt, ptttrdjaöit mm
tituta berhasil; een handel /onder —,
prrnijagaan jang tiada hêrlaba ; vuil—,
laha jang krdjt; wnt — is dnt voor u,
apa goena»ja kapadamoe, apa ftüdahnja
kapadamoe;
op de markt was voor hem
geen —, satoepon tiada ptmlrhannja
dipasar,
gewinnen, zie winnen. —, vun kin-
deren, heranak, berpoetera; vnn klein-
kinderen, hrrfjoefjoe, b.v. dan Voer
Moehanunad Hoe pèrgi kav\'egari Sedajoe,
/jTtvitk-brri\'joeljoe disana,
en N. M. ging
naar Sëdujoc en gewon dnar kinderen
en kleinkinderen; maka radja Arsja-
toen Sjah pon berpoetera lalt sa! orang
anak taki-laki,
en de Vorst A. S. nu
gewon een zoon.
gewinzueht, soeka aktm laba, loba
akan oewamo,
aewis, so-ttggoeh, bttot\'ly bhtar, )\'entoe ;
een — rann, waarop men riek verlaten
kan, orang jary soenggoeh-soenggoeh;
een — woord, perkafaihi jang b\'rnar;
een — verbond, pérdjandjian jang Ven-
toe;
een —se dood, mati jang soedah
fenfoe;
een —se tijding, chahar jang
tentoe, ch. j. soenggoeh;
waar en — is
hetgenc gij zegt, benar dan bëtoel ka-
famoe ini.
gewisheid, kafénfoeiin, kasoeiigtjnehan.
gowisselük» voorzeker, nisfjaja, Skr.
gewoel, van eene menschenmassa, pe-
rajav;
veel — in huis, banjak1 perajau
ftalatn roemah.
— in den slaap, gëlisah.
— , gedrang, pénoeh si-sak dëngan orang;
luidruchtig —, hoeroe-hara; vroolijk —,
karamajan.
gewolkt, met wolken bedekt, bératcati\'
anan.
gewond, loeka, këna loeka. Zwaar, doo-
delijk —, /orka parah; nnn het hoofd
—, fokek; op verschillende plaatsen
nnn het hoofd —, tokak-fokejr.
gewonde, orang loeka; gewonden heb-
ben of krijgen in \'t gevecht, van een
leger, kaajaran.
gewoon, gewend, bijasa, tahoe. — zijn
aan, bijasa dungan. — zijn iets te doen,
tahoe, bijasa; niet — zijn, tiada tahoe,
tiada bijasa,
b.v. niet — zijn vleesch
te eten, tituta tahoe (of btjasa) ntakun
daging;
niet veel — zijn, nog weinig
van de wereld gezien of bezeten heb-
ben en daardoor onnoozel, t eren ah;
iem. die niet veel — is, sitefenah. —,
altijd, immer, sedekala, soedah-soedah,
b.v. de gewone plaats, die alijd daar-
voor gebruikt is, trmpat sedekata; ik
ben altijd —, mijnheer! voor het maken
van bcstelschocncn een dollar maak-
loon per paar te rekenen, jang soedah-
soedah, toetcan, sehaja bcetcat sëpafoe
pakajan sator ringgit sapasang opahnja.
—, nlledangsch. barang, saharang, sent-
barang, barang-barang
Niet —, boekan
barang-barang;
geen —persoon, htekan
barang-barang orang.
—, alledangsch,
ook kepalang, b.v. de gewone, allc-
daagsche pot, waarbij niets bijzonders
geschaft wordt, makanan jang kepalang.
—, gemeen, kahanjakan, b.v. — tin,
timah kahanjakan, de gewone hoofden,
rtulja-radja kahanjakan; gewone men-
schen, aiavoesia kahanjakan; aan elknn-
der — worden, aan elkander gewend
raken, b\'erdjinak-djinakan; reeds aan
elkander —, soedah mendjadi sabaiie,
d. i. reeds één lucht of geur gekregen
hebben; zijne gewone bezigheid, p~ekvr~
djaiinvja jang sadia, pèk\'erdjaiinnja w-
wang.
—, zie ook gewoonte.
gewooniyii, memang, b.v. kar\'ena de-
hoeloenja pon radja dalam vëgari itoe
lersababaf iiiemang drngan nachoda ka-
pal,
want vroeger waren ook de Vorsten
in dit lnnd gewoonlijk bevriend met
de srlicrpsgczagvoerders. Zie ook bij
gewoon en gewoonte. — zoo,
inetnang bagitoe; zoo als —,bagaimana
bijasa;
meer dnn —, tvrlampau dari-
pada adat.
—, vnn verkeerde hande-
liiiL\'en, .setaroh. — zoo handelen, nii-
njelaroh,
b.v. — met iets verkeerds
nankomen.
gewoonte, vnst gebruik, Hdaf, Ar. tot
— maken, viengüdafkan; de —n kracht
vnn wet geven, mengadafkan isfiadaf-
Zie ook bij wet; overgeërfde —, ildat
poesaka;
oorspronkelijke, geijkte —,
ndat lembaga; oude —, — van altijd
-ocr page 273-
gewoonterecht — gezant.                                     201
lier, adat s\'edtkala; oudo erfelijke —,
ook saka, oen verkorting van poesaka,
erfstuk; niet verscheidenbeid,saka-itka;
do —n volgens den korau, cï</<*/ ter*
tender af ar f. —, tweede natuur, dja/nak ;
een slechte—, verkeerde hebbelijkheid,
MfttHfMf behasa, b.v. utaka ada sav-
rany a/tak bf/tdahara Lofboek-batoe,
toen B/jadjid namanja, sasar-sasar be-
iiasa, djika /ja btrdjalan diptkan barany
harta urany dilïhatvja, apabila "/ja
brrkatan di-ambihtja,
een Koon van den
béndahaca van Loeboek-baloe, heer 11.
genaamd, had een verkeerde —, nnuie-
lijk als hij over de markt ging en du
goederen der lieden zag, urn dau weg
Ie nemen wat hem aanstond. —, wijs,
trant, manier, tjara, b.v. eten naar de
Mulei&che —, /nakan tjara Melajoe;
gekleed naar de Üuropeeoche —, fier-
pakai-pakai tjara orauy poetih.
—,
gewend zijn, bijasa, kab/jasaiin; uit —
stelen, mentjoeri sebab suedah b/jasa;
in strijd met do—, loewar \'adat, satalt
pada adat;
zich aan de — houden,
pe/jany adat; lot — maken, me/nbija-
jsakan;
eene — afwennen, uienyhilany-
kan b/jasa;
nis naar —, bayaimaua
b/jasa.
gewoonterecht, frak itdat, hoekoem
tl dal;
overeenkomstig het ■—, bayat
fyuekoe/n adat.
geworden, ter hand gekomen, suedah
sampai;
doen —, imuja/npaikau ; laat
hem —, b\'/jarkanlah dia.
ifeworiute, hutdaldiuelal, s\'etjala huelat.
geworteld, berakar; ook figuurlijk. —,
van jialmen, duedoek\' uen/bl.
gewricht, sendi, buekue, panykal. Het
onderscheid blijkt uit deze voorbeelden \\
—, geleding, zoowel van andere xaiten
als van hei menschelijke ÜehaatD,«ftuft\';
tot —en ot\' geledingen hebben, ber-
sc/idi-si\'iidikau.
— van de menschelijke
ledematen ook: pèrhoeèoengan auggoUt.
—, als oorsprong waar iels uit iets
anders zijn aanvang neemt,ookpanykal,
b.v. heup—, panykal pa/ia, hand—,
panykal lanyan, vleugel —, van een
vogel, panykal sajap. —, knobbel, bof-
koe;
hand- ut\' pols — , boekoe tanyan;
voet—, boekoe kaki; de vinger—en,
buekoe djari. liet pols- en voet — wordt
algemeen genoemd jjtryelanyaii tanyan,
peryelanyan kaki,
omdat daar de plaats
van de arm- of voetringen is.
; gewrichteknokke!, boekoe.
1 gezag, macht, koemaea, — hebben, her-
koewasa.
— oefenen, melakoekau koe-
tcasa;
ziehzelven — aanmatigen, op
eigen —, buiten de overheid om hun-
delen, nteradja lela.
gezaghebbend, koewasa, bt-rkoenasa.
gezaghebber, gezagvoerder, orauy jong
poenja koewasa, penyoewasd.
— op een
vaartuig, nachuda, djocrayan, Jav. —
op ecu buitenpost, peter (1\'ort. feilor);
het gebied vuu zulk een —,kapeloran.
— over een haven, of riviermonding,
penyhuelue /ituewara, sjahbandar, Perk.
gezuineniy k,
br,su/na-sania, sakaliau;
de —e burgerij, orany isi it\'eyari saka-
lian.
— eten, mak au brrsama-suma.
spelen, mam bersau/a-sama. — , met zijn
Velen iels doen of ondernemen, b.v. een
koop, aanneming van werk, plundering,
vechtpartij, loterijspel enz., nierantam,
b.v. — ia de loterij spelen, uidi/i be-
vaniu/n.
— beding van iets, djof/nlah,
Ai-., b.v. het — bedrag der inkoui-
sten, djuemlah seyala hasil.—, zie ook
bij ui.
\' geziing, i/janji, njaujiau; zeker bezwe-
rend —, dat de onderhuorigen (rttjat)
bij ziekte aanheffen, >/junji bersepak;
zeker — bij dezelfde lieden in den
Rtouw eu Lingga-arehipel, om hunne
voorvaderen te verheerlijken, sendany;
zeker liefelijk —, ti/nany; begeleid
door de gong, ti/nany bèryony; e. s. v.
zwaarmoedig —, ti/nany lé/iykoer; een
vroolijk - , dendany,- zulk een —ziu-
gen, berdettduay; bij of over iels zulk
een — zingen, mrndendanykan.
I gezangboek, kit/tb (of soera/) ?/ja//jia/i.
I gezant, soeroehan, pi\'soerotdnm, oetoesaa,
do/tta, rasoel.
Ar. —, hoofd van een
gezantschap, radja dueta; de tweede —,
p\'edueta, oepadueta. Ski\', b.v. Laksa-
tnana na/na radja doetanja dan Malta
lladja Sat/ja van/aptdotdanja,
het hoofd
van het gezantschap heette Laksamana,
en de tweede —, Ma
53
haradja Satijn;
een — zenden, mri/joeruehkan offucsan,
van den Vorst, mcnitahkati oetoesan;
elkander voortdurend —en zenden,
oetoes-aunyoetues, oetoes-oetocsan. - ,
vertegenwoordiger vun een volk bij
cenc andcie natie, wakil radja. —,
ehrislel. apostel, soeronhan indjil, ook
rasoel; Mohammad de — Gods, Moe-
haini/iad rasoel Allah.
-ocr page 274-
ui
eezantschap — gezicht.
geznntf>chn.p, tegala oetoesau, s. $oe~
roehan,
gczuntschnpuseeretivrli», onderge-
znnt, attaché, oepadoeta. pedoeta.
gezeg; vrci —» banjak moelort, fjereicfl.
g—gd» boven vermeld, /mm tXrseboet
d i-at as.
gelegde, /-«/*(. —n, katakafa, loetoer-
ka/a;
zijne —n stemmen niet overeen,
toe/oer katanja fiada sawa. —, in ge-
dichten soms fteW, vuvlufi. —, het gc-
j-piokcne, de rede, pXrka/aan; scherpe
— n, pXrka/aan jong tadjam; grove —n,
plrlataan jang kasar.
gezegeld, IX-rmëferai, tïrtjap. — geschre-
\\cn stuk, sorrnf mX/T-rai, soerat /jap.
g8Mgnid| kabXrka/aa. —, gelukkig,
moebarak. Ar. salamat, Kt. Uitoeicah.
—, gelukkig van een wapen, bt-toewah,
sXiapana;
een — c kris., kfris stmpana.
Deze heeft negen bochten of hek.
gezeggen; zieli laten —, dapat di/ë-
goï, dapat diaasihatkan, niXueriina na-
si hat
(vnn tX/ima).
gezeglijk, zie gezeggen.
gezo*, makker, kaïran, tXman, /aidan;
rei»—, tX-iaan didjalan; ambacht s—,
knecht, ktiwan, penibautoe padn pX-kXr-
djaün;
vrij—, orang boedjang.—,jonk-
innn. orang fXroena.
gezellig, vnn verkeer houden, soeka
biiamah ramahan, ramah-tamah.
gczelschnp, pX-rhimponan, pXkoeuipoe-
fan,
—, geordende vergndcring, sidang,
rapat, madjlis,
Ar. —, troep vnn per-
>onen. die hij elkundet zitten, ktloem-
park;
h ïj — en, bX-rkeloempoek-ktloem-
po^l-,
h v. bij —pen op het gins zitten,
doedoek diyoempoet ht rkXtociapoek-kX -
h>e„tpoek.
—, waartoe men behoort, ook
djvmaal; een vroolijk —, pXrhiwponan
jang ramai;
een geleerd —, pXr/iiiapo-
nan orang atim, madjlis orang ïilim;
juffrouwen van —, hofdnincs cener
prinses, da,an;i-dajtiag. — bonden, nis
makker vergezellen of nnbij zijn, mX-
uXmani
(van tXman); in —, voorzien
vnn een makker, bXr/Xtnan, Strtawmm ;
tot — hebben of innken, bïrtemankan,
h.v. ik wilde diere* tot — hebben,
bir/Xuiankan bina/avg lijar; van —
houden, sorka ra ia ai-ramai. — hebben,
gnslcn onthalen, mXndjautoe orang.
vnn gasten, die onthaald worden, jnr-
djamoeiean;
de roem vnn een —, de
glang vnn eene vergndcring, sX-ri madjlis.
gezelschnp«Jufter, zie bij gezel-
schap.
gezet, vnn lichaam, ge.mpal-, pedjal, bi-
dang, bfgap.
—, vaat bepaald, feu/oe,
b.v. een —te prijs, harga jatig /Xn/oe ;
een —te dag, hari jang tentoe; op—te
lijden, pada masa jang tXn/oe ; het op
iets — hebben, zie zetten. — van
eene vrucht, bXrpaeïik-,
gehelen; — zijn, zitten, wonen, ver-
blijf honden, doedoek. —, bemiddeld,
bXrharfa, har/awan; een — burger,
orang avgari jang hXrharta (of har/aa:an).
gezetlieirt vim liehanm = gezet.
gezeur, gezanik, fjomel.
gczii\'ht, zoowel dnt, wnt gezien wordt,
als het zintuig, pïngliliatan. Ook het
— van een ziener in het verborgene;
het — verliezen, djadi boeta. —, aan-
geziehl, moeka, paras, doerdja, Skr.
tradjali. Ar.; een vriendelijk —, moeka
maats;
een gehuicheld — zetten, miui-
boi\'icut moeka-moeka,
b.v. tltapi diboe-
tcatnju moeka-moeka kapada Abdoe Ika-
dir Hoe,
maar voor A. zetten zij een
gehuicheld vriendelijk —; een zuur—,
moeka-masam ; een fraai of schoon —,
paras jaag vlok; een leelïjk —, moeka
djahaf;
een streng, norscb —, moeka
bXugis;
scheeve —en trekken, zoonis
b.v. do apen, sX-ringai. Uit gemelijk*
hcid scheeve —en trekken, gïrinjoef.
Het — vertrekken van pijn of door het
ruiken vnn iels onaangenaams, yïri-
gtng :
het — afwenden, berpaluig moeka ;
bet — wenden tot, berpuling moeka
lapada;
het — op iets hebben, kali-
hoi tra,
b.v. sïbab tja bolih kalihatan
orang, orang fiada bohh mtli/iaf dia,
zij konden het gezicht op die lieden
hebben, manr die lieden konden ben
niet zien. —, do oogen, ma/a; een
scherp gezieht, mafa tadjam, een seberp-
zinnig —, ma/a fjPrtdik; zwnk van—,
dof, bcncield van oogen, va/a kaboer;
ook alleen kaboer. —, annblik, pïman-
dangan,
h.v. voor zijn — gedood wor-
den, diboenoch diliadapa.fi pewandan-
gannja;
ook dihadapaa matanja, voor
zijne oogen. In het — van den vijand,
dihadapan moesoeh. —, uitzicht, pïman~
dangan,
b.v. karena tvmpat pémanda-
ngan radja katos loeims dan tjtirja,
want de plnnts vnnwnar d« Koning bet
uitzicht heeft behoort ruim en vrij te
zijn; zoo ver het — r«ikt, sapïman-
-ocr page 275-
MS
jjeziehteinder — «fez wind.
•gezindte, sekte, mëdzhab, Ar.
•gezocht, gewild, kasoekaan,- een — boek,
soerat jaag kasoekaam.
•gezond, van lichaam, sehhat, Ar. zich
—, prettig gevoelen, njaman.—, krach-
tig, friseb, van lichaam, ook van plun-
teu, sï-ijar. — maken in dien zin,
mhijïyaikan. — van spijzen, ba\'ik ka-
pada loeboeh.
—, vet, weelderig, van
planten, sorboer; weder — geworden,
hersteld, éimboêh. — van uiterlijk, van
verstand, van spijzen, ba\'ik; een —
lichaam, budun jaag ba\'ik; met een —
lichaam, di-ngun ba\'ik badan. — maken,
genezen, miiijeiiibuehkan. — en wel,
dëngan sehhat dan ajijat, dëngan sïla-
mat sautausa.
•gezondheid, $rhhut, Ar. saltimat, Ar.;
in —, dfngan sehhat, dëngan salümat;
in — en welstand, déngun sehhat dan
i\'Jij\'i\':
ncwone uitdiukkim: in brieven;
ollicier vun —, dokter sotdadoe.
•gezondheidtthud, përmandian karëaa
sehhat.
^gezuiidheidttbron, uut\'a ajar sehhat.
gezonken, tëngytlaut; een — schip,
kapal tënggëlaut.
^gezouten, asin. — vleesch, daging Mn,
— groenten, sajoer asin ; zie ook
zouten.
•gezucht, phtigtloeh.
igezuijg, pënghisap.
igezuöters, bërsaoedara. NB. Het ge-
slaeht wordt niet uitgedrukt als het ter
ondeit-cheidiiig niet bepaald noodig b,
igezweer, gevloek, pïngoetoekan, pë-
njoempahan.
—, het zweren, zie ald
en zweer.
jgezwel, bi\'ngkt/k. Vurig, ontslekiogachlig
—, bat ah. —, puist, hisoel, poeroe,
bin/joet;
waterachtig —, risa. — aan
de voeten van uiensehcu of de pooteii
van bee»1en, burhuel, b.v. ukan siKoen-
toem M é/oer Hoe
.... kakinja burboel,
wat die K. M. betreft, hij had gezwel-
len aan de voeten, inokpooLcn; een
.-nu.; vun — onder de okselen, toesue
koeboeng.
—, vleezigo uitwas, wen, wrat,
koet il. —, zie verder bij de sauienstel-
lingen.
igezwerf, piiiyumbaraan.
uezwetfi, pirtjukapan angiti, përkalaiin
Süiübong, boewal-basueng,
Mal.
tgezwind, l\'tkas, ttgera, sigëraha, tang-
kas, tjïpat, pantus, ludjoe atjap-atjap;
b.v. — gnuu, bh\'djalan lïkas, btrdja-
dan/jan mata djaoehnja, sadjaoeh mata
menënfang
(van fëntang), sujodjana
mata mtmandang.
— van eeno hoogte
naar iets ver afgelegens, tindjau, b.v.
ren berg, die het — op zee heelt,
goenoeng tindjau hwet.—, visioen, cha-
jal,
Ar. pï-nglihu/an, roejat, Ar. —,
hcmclsche openbaring, irahjoe. Ar. de
— en der profeten, sëga\'a irahjoe ka-
pada nabi-nabi.
Het Voorz. kapuda kan
liier niet gemikt worden. —, afbecl- i
ding, pï/a, gambar; een — van Djed-
dah, gambar nfgtiri hjoedah; geen —
op iets hebben, niet begrijpen, tiada ,
mëngïrti; in het — komen ut\'zijn, kati-
haltin ;
in het ■— krijgen, tïrpundang;
uit het — verdwijnen, lenttjap dari-
pada pëmandangan;
ook uit het — ver-
liezen. —, schouwspel, tafereel, vertoo-
nïug, tamasja, Pen.; kort van —,
bijziend, hoeta hajam, raboen,- enkel
van — kennen, kïnal moeka sëhadja;
snede in het —, bcleediging, aratitj
dimoeka;
vreemd —, onbekend por-
soon, orang jaag tiada kakenalau.
•gezichteinder, horizon, têpi langit,
kaki langit.
—, zoo ver het oog reikt,
scjodjana ma/a niimandang. 2iu ook bij
«gezicht.
•rezirhtsnfVitfind, djaoch inata mPnïn- t
tang (vnn tfoifang),
•gczichts\'bedrojg, S\'ifah pimandangun; i
schijn, zaa/a, Skr. litap maia, — bij
het tellen, zich vertellen, silap bilang.
«gezicht «l>eiroochelin««:« kunstruntigu
oogvci\'blinding, si/ap mata, b v. door
een noochelanr. Ook vanzelf, zooals bij
tellen enz.
afzien, geacht, geëerd, kahormatan. —,
in tel, kabitangan.
ggezin, i*i roemah, orang isi roemah ,-
ook orang sadapoer, b.v. hij en zijn —,
ija s> rla dëngan sigata wang isi roe-
mahvja.
NU. Ook de dieuslboden en
slaven zijn datironder begrepen; hoofd
des —s, toeten roemah.
gezind, om dit of dnt te doen of te
hebben, birkahtndak; goed —, fvrboeka
hati.
—, gcncgeD, hati; b.v. goed \'
— jegens iemuud, huik hati kapuda
sa orang;
kwalijk —, tiada buik hati;
hij is anders —, hativja la\'in. —, voor- j
nemens, bi\'riiijai, bërkahe.ndak.
gezindheid, kahtndak hati, —, over-
helling des harten, tjeuderoeng hati;
kwndu —, pfftthuUmam.
-ocr page 276-
gezwindheid — ^ii\'ttt:-
tan dïnyan pautas. — zeilen, bïrtajar I
dïnyan ladjoe. — vertrekken, jnryi
dïnyan siyïra;
een —e baud, tanyan
j\'t\'i\'J tje pat.
— als de blik rem, tauy-
kas sapïrti Lilal, sapërti kt lat tany-
kasnja.
gezwindheid «* gezwind.
gezwoec, pïntU~lëlah.
gezwollen, vun de Ledcmati ;i. bïnyk a y .
overal —, bïutjLak-bïnykii. — vud de
oogeu, bïnykil; rood — duur hel
schreien, baloet. — en uitgebeten van
de lippen duur te veel kalk up de
betel te gebruiken, benyor, Jav.; zieke-
lijk —, zuoal» de wung bij kiespijn,
tïtétbab. — van bet bovenste van ban-
den uf voeten, of vuu bet gelaat, ba-
tocpt bukujt;
cenigszins— en tot bedelt\'
overgaand, niet meer renet, ttrwfr.—,
dik, yïmpofl, tëryétti/iotfi. —, opgelet
van de buik, këmboemj. —-van eene
rivier, sebafr.
gezworen, een eed gedaan hebben, ,
bërsoitnipah; trouw —,bïrsoempah satija. \'
cezworene, orany jany soedah bersorm- ■
pa/i;
rechtbank van —n, wadjtis haktm ■
jany soedah bïrsoempah.
j41blM.11, eene soort van zwarten aap,
sijamany.
gid*, voorganger, aanvoerder, ptiudoe,
pïnyhantar, pïnyandjocr, ha/oeioautpê»i-
batca djalan, pawany;
iemand als — j
geleiden, mëmandoekau, mëmbaua dja- ,
iau. —, zie uuk bij lood».
gier, de ruofvugel, botro/ty nasar {nasar.
Ar.); eene soort van —,rov wa k-r or teak
banykai. — ,
de melkzak eencr koe,
sunsue ttmboe,
gierbrug, djambatan bïraiih.
gieren, van een vaaitnig, retcany.
yiereji. schreeuwen, bërtarejaJf.
gierig, kikir, bachit, Ar. faitiiï, Ar, sëkoett
loket:,
vuig. —, vrekkig in deu houg-
Itea graad, kikit, kekel, Offofr* —, zuï- ;
nig, tjekel; minder dan kikir. —, vast-
houdend, singkat tanyan (lettert, te \'
kurt van hand); een ■— wensch in
dien zin ook: orany ntïnanykabau daraf,
omdat de vasthoudendheid der Alenang-
kabouwer? spreekwoordelijk geworden
is. — zijn ten opzichte van iott,ttex#*
kikirkan, menyikirkau.
gierigaard, orat/y kikir, of orany ge-
volgd door een der andere woorden, die
gierig beteckenen, Üg. tot-tabak- kPriuy.
gierigheid, kikiran, famCt, At,yïlodjoh. \'
gierlgiyk, dënyau kikir. - , hebzuchtig,
dïuyan gëlodjoh.
mi\'i p.iin. pira/iot\' sasak-.
gierst, sïkoci, stkoï, randa djaica, djoe~
tcaKoed,
Jav.,- eene soort van—,djé/ai,
Aëndjëtai.
De zaden daarvan slaan bij
ons bekend onder den nnum van Jobs-
tranen.
yicrsiuiishiy, rucicatêt; eene suort van
—, kïridas
giervulh, boerorny bïlany.
gieten, beduurd vuil het euue vat in het
andere, of op iets, uttuoetcauy (van toe-
tcamj);
ook van metalen.—.uitstorten,
ment jon ahkau, b.v. harapkan hoed jan
di tany il ajar di tampajan ditjoerah-
ka)i,
hupende op regen vun den hemel
bet watet uil hel aarden walervut —.
Sprw. —, begieten met tijue stralen,
b.v. bloemen, den weg, het lichaam enz.
inëujiram (vun straat). —, besproeien
van planten ook miudiris, iaë/idiroes,
niëndjiroes.
— bij kleine hoeveelheden,
plengen, ittéiiljoetjOffkau; ook vuu tra*
nen en zweet; regenen dut het giet,
hovdjan sapïrti thtjoerah; duor de
keel—tmïiiygtiyvk; iemand met geweld
in de keel —, mïufjëkok; de vloeistof,
die aldus ingegoten wordt, ajar tjëkofc.
—, zie uuk doorzagen en storten.
;-\',i* ■ i er, van metalen enz. tuckauy toewany ;
geel —, koper — , toekany koenivyan.—,
giet-euiuier, to/ty bhtjorai.
yiclci\'ij, tvtnpat toeivany, pëtoewanyan,
jri\'liboerait.
üicii\'rpi.ip, tjurot.
Sietyzur, bësi tuewaugan.
i^iit in,\'.\', pruotnvanyan,
i;i«-l scl, toeuaayuit.
tïiit vuriii, aijucwan lëboerau. — vuur
kogels, afjuetcau peloeroe.
yil\'t. vergitt, uit het dierenrijk, bisa.
uit het pluntenrijk, ipoeh, naar den
bekenden giltbuum die op Java ut-pits
heet. — uil bet dcli\'stutienrijk, ra/jorn.
IZil\'t, gave, pentberiau; van God, Vuisten
en aanzienlijken aan onderbourigeu,
karotiiija, Skr. anueyïraha, Skr.— van
onderdunen uan \\orsten ot\' aunzien-
lijkrn, en van den mensch aan üod,
jiêrstttibaJian. —, zie uok j^ewchenli.
tïil\'iiippcl, zie douriini>pel.
fiiltlioom, utiliii: i?,//.\'/;y« ipi» h. Up .);iv n
ponuit of pas.
üit\'uli-anli, uti/toewan ratjoeu.
fiittitf = ailt; een —e slang,oelarbisa;
-ocr page 277-
26fi
£iftmen&er — fiit.
een —c toog, lidak jauy bita; koper
is —, timbaya Hoe ratjoeu.
giilmeii£rt>r, jtïraijoen.
^i(\'iiiu\'ii:-rrii, oepas-raljoen,
ltÜ> -i; P«». enk. tut zijns gelijken ut\'
minden u, een klein kind tut zijne ouders
de meusch tut God, inykau. Uit wuidl
achter de \\ MO, akan en dényau en acb-
ter £««, den transit. liliUg, tueeslul
ttikau, en ucbtei de \\ oore. *ë»/<* en
/..■.w\' ?irni- mot. Tot uieeideren wurdt
belcet\'dheidshalve iu plaat» vun liet
Yuurnw. een passende titel gebruikt,
zooaU toeican, entjik, datocjr, toewan-
hambit, toewankoe,
enz. Dit laatste alleen
tut den regecrenden \\ ur&t. Zie de
üiuinui. \\ \'orstelijkc echtgenooten en
gewone gelieven spreken elkander aun
uiet kakanda en adinda, d. i. uudcre
en jungure broeder ut\' zuster. Tut uiin-
dcreu, liedea uit den geriugeu stand
uuk diri en ffwiëit. —, :!c pers. meciv.
van meerderen lut minderen en gelijken
tut elkander, kauwe, ïnyiatt sakaltait.
Wh minderen tut meerderen de titels,
soms verdubbeld, suuis gevolgd duur
takaliun. — tot de rajat of orang laoet
meestal, uiiya. — iu puczie en in de
pandjiv ei buien dikwert, pakaniia, Jav.
sampejait, Jav. — te Bul u via tut uiia-
deiun, toe, l \'Lm. — u[> de sliandplunlsen
vun Midden- en Oust-Javu, kowé, Juv.
,".i.ili<\'< len, kamoe-orany, zie bij eܫ
KUiuuw, lalt boeboetan.
SÜzeluur, sandira; tot —s stellen,
mënjandirakan.
gijzelen, uümendj arakan (\\nnpendjara,
gevangenis), mengoeroeugkan (van kve-
roatg,
id.).
i£\\jzelinu;* pendjaraan, koeroengan.
l£Üf tarejak. Zie uit len.
Cl lde, jitr/iiMponau, phsakoetoewau, ka-
rapatan, kongsi,
Chin. Zie genoot-
McUup.
gillen, birtarejak, Utrteuipik, nitndjtrtl,
ptkau i
Mallend —, b.v. vun veebteude
bonden uf kijvende vvijvcu, tjinykony-
tjenykeny, tjêuykony-mXttykevg.
— zou-
al» b.v. een ree, ook van uienschen,
Hukt*, mittykis.
ginds, verul\', disnna, sana. —, meer
nabij, disitoe, sitoe. — en her, kotaua-
kamari.
^inits.h, jang ada ditana, jong ada
disitoe.
gindulieen, kasaua.
ginizsung. eene soort van gestreept ot\'
geruit kielcngued, yinggang, kaÏM ging-
gang, kant tjilê.
gimiegtibben, ginnegappen, tiitaeut
taphti orauy gila.
üii\'-. kapoer batoe; een soort van ge-
klistulliseeid —, mëdang sela.
l*i|>Men, llijv. uw. daripada kapoer batoe.
—, Ww, niriijtijiutkait kapoer baton.
iïiruli\'i1, kuiucelpuidcl, zaraji, Ar.
üin; bij do ■—, kira-kira, agak-ayafr,- op
de — iets verriehten, up gued geluk,
mêfauajr, rmcak-raurak,- met veiseliei-
denbeid, Méraicak-rambang,- buiten de
—, dtlotwar kira-kira, tiada ditaugka.
141-1 tt\'ii, laken, mtnjalahkan, utêitsalak*
kan, mi niji hiknn.
Cinixvn, kiia-kira, agak-ayak, mttiyayak,
tirka;
do bueveelbeid van iets - ,
uiittgagafr bauja^vja; niet te — zijn,
tiada iiragak
£i*4»iiiU, tigak, /"\'>\';/tigak, kira, himiuat,
Ar. = üi-ofii. Uuk gaiuak; naar —,
kira-kiiu, sakira-kira; naar mijne — ,
pat/a kira-kirtUut:, padti ayak-aijakkoi\'.,
pada augauHingankue, patla himmat
hamba;
slechts bij — spreken, bPrkata
dvnyan agak-nyaktija sihadja. •
—, ver-
mueding, tërka.
Igist, rayi, chamir, Ar.; een soort vun
— in kleine korrels, welke men in
dceiï mengt om bet lijzen te bevordu-
run, aufdji; met — mengen, tnrragi.
£i»ten, rijzet), zich uitzetten van deeg
uf beslag, tiioeicai. —, met gist uien-
gen, uittagi, buebvf/t rayi. —, van lupui,
op hel punt tussebeu de suiker- eu
wijngisting, magauy; gegist, berayi,
btrehamir;
ongegist, tiada berayi, fat Ir,
Ar. — van vloeistullen, tuemborwal,
muentuek,
Jav. - , koken, ook : lituany ;
iets dat in gisting ut\' koking brengt,
peltmariy, b.v. de rijst of >ngo, die
men in de pekasam meugt om die tot
gisting te brengen.
jgi«lereti, kalamari, kalamarui, dat men
wil utleidun vun kc/a/u, weggezonken,
en hari, dng; niet vun — zijn, sordah
tahoe bt-rdjoempa hartman;
d. i nl tij-
gers hebben ontmoet; ik ben niet van
—, akoe boekan anak kalantarin.
gi»tini£i zie «sinten; blued dut in —
is, darah panas. — onder het Volk,
ytwpar, hoeroe-hara.
git, gitte kruien, uiïrdjun hit om, maitik-
rntuii.y hitam.
-ocr page 278-
2G6                                           üittej£oni — filazig.
fgittcjgom, gif a/t kambodja.
gitzwart, hitam Itgam.
l*lnn*-j<-, klein drinkglas, pljata kïtjil,
ftis*-kujü,
S*lnd, elfen, rata. —, glibberig, litjin;
—  glimmend, birkilat. —, elfen, van
alle uitstekende deelen ontdaan, go»
schoren, besneden, WW. — maken in
dien zin, mémaras. — af, van zuil-
vormige dingen, zonder kapiteel uf
knop, ttmtoi, —, gepolijst, oepam, tér-
oepam.
—, gespannen, van de huid,
zeilen enz. tfgang f slijmerig. lëndir.
—, slim, tjirï-dik; een —de kerel,
vrany tjhëdifc. —, bekwaam, pandai,
b.v. een — innn, wang pandai. —,
geheel, sama-sakali, b.v. ■— vergeten,
loepa sauta-sakali, — nfslaan, euggan-
kan sauta-sakali.
— op. hab>s saam
sakali;
een —de tOLg, lidah fatih.
—de woorden, pïrkafaitii wants; een
— de steen, batoe liijin.
■ ■ l: > 11: i «- rata, siij\'asuf, Arab.
«litdheicl = :>Jiiil.
«ïiuDioppiü. dul is zonder horens, kuif
of knin, bij dieren, dugul.
glurimulieii, uiïratakan, mvlifjiukan,
mêmartu, mhtgoepam.
/ie het onder-
scheid bij üluil. — van snijdende
weiktuiireu op een r\'iviu, stuk hout enz.
mengyabues. — van hout enz. door
wrijving of schuring, mi lampas. —met
een schaaf, mtlantpas kïtam.
■ rlurisi\'limif, kifnin ptlaatpas.
•*linls«-hur«-ii, uu-t een soort vanscherpe
bladen, gebruikt voor onze tchiiurbiezen,
ittttuptlas; op Java rïmpëtas. —, ut ing-
;/osok tam pat bïikilat.
ülinl-*li.i|M\'ii, zie <£ln<lmahen.
ülucivyl, zoet vijl, kikir haloes
gladwrijven = jjlnilseliuren. —,
polijsten, witugoem h.
.":liHt>, fjah.aja. sPri, tiot\'r, Ar. — van
gepolijste voorwerpen, verlakt, glas,
wateroppervlakte, kilait. — van papier,
rotan enz. xT-ya, —, glorie, beeilijk-
beid, siffi, b.v do — vau liet gelaat,
xeri mueka; hij kreeg een — (van ver-
genoegen) op zijn gelaal, bërxirilah
utoekavja.
— , luister, boogt waardig*
heid, kamoeliaint; licht—, bij de ge-
boorte of dood van een verheven pei-
soon, tedja; de — der zon, tjahaja
mtitaliari;
de ■— der heerlijkheid, tja-
Jtaja katttoeliaün;
de — van den gods-
dienst, nui-ive\'ddin, Ar.: zijne glanzen
verspreiden, ntemantjar-maiiijar tjeha-
janja;
zonder — van de oogen of bet
gelaat, zoo als van een doode, pot\'dar;
zonder —, uint, dof, koesam ; verduisterd
van —, donker, somber, ook van het
gelaat, soeraut, mwram.
•*lans1>orstel, sikat pe.ngoepa.ni,
ültm» middel, pïngoepam.
ülim-rü\'1» at/taf bertjenaja, besar ka~
moeiiaan»ja;
een —e daad, përboetca-
lan jany moelïa.
a\'liiusrijltlit\'id, kamoeliaiin.
j»lmi-*srhelp, gebruikt in de plaats van
een gluuttoen, b.v. om gebalikde kleed*
jes te glanzen, sipoet pinggeroex.
^lmisvlici:, vuurvlieg, kUip-kilip, ke-
lain-kïlip, konany-konang,
Jav.
"laii/i\'ii, door wrijving gladuiaken, zoo-
als gebatikde kleedjes met een kauri-
scbelp, iitïntjyïroex. —, polijsten, nit-
tiyoepant.
—, glans verspreiden, bïr-
tjëhaja.
L\'liin/cr. van kleedjes, pengyïroes.
nlunziir. bërfjiltaja, bïrxeri. —-, glad
van lotan, papier enz. sega
•*lus, de stof, kaf ja ; van —, ka/ja, dari
kaf ja ;
Moskovisch—, Maria—, xëmïn-
dal, batoe tjïreutin, abrak,
Ar.; zuiver
—, helder - , katja Kin ing - spiegel—,
katja tjérimïu; brille—, katja fjërï-
niin wala;
venster—, katja djendela;
drink—, piala, gr/as: geef een schoon
—, batcalah piala (yelas) beresih. —■,
zie verder de samenstellingen.
ylnsarhtii». saperti katja, sarorpa </?-
ngan katja.
t:lusilileur, tcarna katja.
:>.liisKor:ili\'ii. Mitnik-ntant\'k katja.
• >\\t\\.nri\\utn, dpnde/a katja, tingka p-kat ja.
Bbwratt, katja, katja djtndela.
r.l;iss.lui»t*i". pintjanai katja.
lïlus«t«--eiit bafoe katja.
jjlivMwerlt, glaswaren, barang-barany
katja,
ook p&rkakatan katja.
üliiKznnd, paair katja.
tslmil>erzo«t, garant peittjahar,
fftaaeilf katja, dari katja, daripada katja.
— dakpan, gvuteng katja; van een —
dak voorzien zijn, beratapkan katja; een
-- zee, laoet katja.
•rlnzentnfiker, die ruiten inzet, toekang
pasang katja.
—, jutiertje, siboer-siboer
(omdat deszelfs vliegen op een herhaald
scheppen gelijkt), tjapoeng.
j.\',-n*iy;, niet melig, b.v. van gekookte
anrdvruchten, ganjoet.
-ocr page 279-
glazuren — glos.                                       267
glazuren, verglazen, wi&pêmgmt.
ulazu-.ir. vernis, rïngas,— van de tno-
don, tal oei yigi.
gleuf, geul, aloer, aloeran; het gleufje
in de bovenlip, mtotr kidoeug. ---, ge-
•chaafdc groet\' in planken, paril, kor-
soft;
gegleufd, gegroefd, brrpnrit.
gleufbeitel, pahat pt-.nyoekoe.
gleuven, groeven van planken, meutarit.
glibberig, glad, litj\'ui. —, doorweekt
van den grond, létjah. —, slijmerig,
léndir.
glijden, lullen, ytliatjir; gegleden, tï-r-
yetinfjir ;
ook uitgegleden Op Java
kïpltsi-d ; van iet» —, nfsullcn, yflofiiy-
iwr, lot\'lver; afgegleden, IPryPloenysoer ;
glijdende vallen, iljutuh uttloeloer; ge-
mnkkulijk door iets heen—, h.v. zachte
kost duor de keel, een lijn dooi\' de Imnd
of duor het water, lueloer, yvloeloer ;
naar binnen laten — van spijzen,
Mtlveloerkan; glijdend, niet stroef, van
dingen, die zich moden bewegen en
aan iets anders verbonden zijn, yalir.
.\'■\'■imiiM-ii. tïniijocw. Geveinsde — sin-
tijoem radja; met een — tegemoet
komen, in ï- ui ba uu iïrsïnajoci-i
glimlachen, ttrsv.ntijorm; eventjes, een
weinig, witje* —, (trtStmmjotrm simpoel;
vaL-cb, geveinsd —, tïrstnnjoem rat/ja.
glimmen, van vuur of Licht, berkrtip\'
kflip.
—, blinken, berkilap, yani/irlap,
yilang, goeuiilany, bvrkituu.
Zie ook
glinsteren; glimmende kolen, bara~
api.
glimmer, moscovisch trlns.zie bij glas.
glimp, valschc schijn, poera-poera. —,
schijn roepa: een — nnn iels geven
vnn iets anders, uievjaroepakan d?nyaa,
b v. hij gaf nnn zijn gedrag den —
van voornaamheid, disaroepakannja ka-
Inkoricanvja dinyaii kalakorirau orany
èangtawan;
onder den — van vriend-
schap, poera-jiorra bfr$uJibal.
glimworm, hoehit ktlijhkt-lip.
glinsteren, hirkilat, yilany, yoemi/atiy;
run alle kanton» giumg-goemtUmg. —,
schitteren, fjvnnrlavy, fïperlavy. tvptr-
l\'tug.
Dit laatste en kilat. ook van het
oog, den blik. — van tranen in do
oogen, kat ja-kat ja ; de tranen begnn-
nen in hare oogen te —, matauja
wofta\'i kafja-katja.
—, stralen uitschie-
ten, zooals b.v. vuur, bfrsinar, —,
zooah een glim worm, vuur enz. bh\'ke-
lip-kclip, birktlaui-kï-Up.
— vau een
gepolijste oppervlakte, ook van de op-
pervlakte van het water en van dauw-
droppels, btrkilatek:/au. —, zie ook
schitteren.
glinstering, kilat, staar, ktlip.
glippen, een spleet in MM pen maken,
mt m/\'t/a/t kalum. —, uitglippen, loe-
ijort.
Zie aldaar; het louw i- geglipt,
tolt xuedah loetjoet.
glipper, iemand die even wegloopt,
orauy mïtijrhmpat.
glippertje, slippertje, stille koilston-
dige verwijdering, sv.lt m pa t; een —
maken, inrt/jï\'timput.
glit, tinslukkeo, tïrak- ttmah.
globe, aardglobe, boe/at boemi.
gloed, van vuur, gloeiende kolen, doeh
geen vlam, bara-upi; de roode ■— vau
vuur, merah api. — der zon, zonne-
schijn, pa/tas. pauas matahnri; sterke
— der zon, panas ttrifr; de gele —
des hemels bij het ondergaan der zon,
mambang koeaiay ; de roode —, het uior-
gen- en avondrood, tedja. — der driften,
kahauyatan hawanafsiw. — van edel*
gesteenten, tjttaja pïrmata. — vnn een
brandend of gloeiend lichaam, ba/tang;
ook van vuur. —, glans, b.v. van
nieuwheid, f/ïbaja, stri. —, ijver, arat-
ral,
Ar.
gloeien, gloeiend zijn, zie gloeiend.
—, gloeiend maken, zie gloeiend.
gloeiend, van vuur, het gelaat, mrra/t,
letter), rood; rood — van ijzer, uierah
api;
rood — maken, méuj/jar (van
sijar); wit—, de hoogste graad van
hitle, pidjar, h.v sTiuaatara bist jaag
bïsar pidjar, bolih jany kêfjil dititik,
terwijl het grootc ijzer — wordt, kau
het kleine gesmeed worden. — van
toom, hauyut. — vnn ijver, fjvmboe-
roetran, grairal,
Ar. —e wangen, pipi
merah,
—e kolen, bara-api. —e oogen
of blik, aiata bXrajala. —e koorts,
de mam panas. —e zonnehitte, pauas
drijf.
— van een lichaamsdeel, pauas.
—, zie ook branden-
j gloeihitte, van ijzer, pauas mcrah; de
hoogste —, wit gloeiend, pidjar.
glooiend, hellend, ij oer om, miriny;
zacht ■—, iaudui.
gloren, zie glimmen.
glorie, luister. kuuittetiaati, —, roem,
yah; eigen —, kamtyabau.
glos, nanleekening op den tekst, tafsir,
Ar. —sen op den Koran, tafsir k-oraa
-ocr page 280-
268                                  ^lnij\' — godsdienstvrijheid.
gluip, ter —, ter sluik, fjoeri-fjoeri,
diam (iiaw.
gluipen, zie u;lur<*n.
gluren, uttttyhiutai, hititip, J»v. —,
turen, mtuiadjau (van tiadjau), b v.
tiuika dilindjaaaja akaaditi dari IjilaJi
dhuiing,
hij gluurde naar liuui duur de
Fetan vun deu wuud; iu gebukte huu-
ding achter iets veiacholen —, wütttgïm
dtijj-tuduji.
gluurder, püngh\'uUui.
l£od, Allah; bij —, dimt AllaJi, ualluhi,
Ar.; cd — wett bet \'t best, tcallu/wc
ulam. Ar. eenu uitdrukking aan het alot
vau ecu verbaal, uuu welks geloof-
wnurdighi-id de schrijver zeil\' twijfelt;
de Heere —, Tuthan Allah, Allah rabi,
Ar. dit laatste gebruikt als uitroep.
—   i9 een eenig Heer, Allah djuca
Tüfhatt jaug asa; n\\>
— bet geelt, als
\'t— belieft, iusja\' Allah, Ar.; oiu —&
wil, kariaa Allah. — de Allerhoogste,
Allah tuilla, Ar. Zie verder de woor*
den die de goddelijke eueojehapuen
uanduiden. — v ei geve mij, astayapu-
lith,
verb. vun astagraf^r Allah, Ai.
—  lot\'! alhamtloSllah\'i, Ar. all uitroep;
een —, heidensche —, ilah, Ar. dcica,
Skr. Jaag; er is geen — dan God en
Mubuuiuiad is de gezant — s, la Ma.
ilah Allah, wa Mwhummadrasuel Allah,
Ar. het gewone geloofsgetuigenis der
Mohuwmedunen; de goden, sïyala
deica, detcata,
Skr. de heerlijke en
groute goden, dcicala uioelia raja; ook
sPyala Jany; de goden of godheid aan-
bidden, sïmhahjauy; de — der liefde,
Jang kotsorma, Ka ma, Skr. asmara,
Ski.; de — der waai held, Jany sadjati;
do almachtige —, Jang maha kuewusa;
de — van het paradijs der Iliudue*,
Indra; de — der zee, Barueaa, la-
ruftia,
Skr.; de — der winden, Bajoe,
l\'ajoe,
Skr.
goddunli, sjorkoer.\' Al\'.
goddel\\jli, ilahi, Ar.; de —e natuur,
fabiat ilahi; de —e cigen&chajiueD,
sfyala si/at t/ahi.
goddelUkheid, ilahijal, Al\'.
goddeloos, docht, djahat, kapisla (Skr.
papista), fasifc, Ar. dutrhaka, Skr.
goddeloosheid, kadjahatan, fuesoelf
goddelooze, oranq djahat, w.any ka-
pisla, urany fasik1, oratiy doerhaka.
godebehnugl\\jlt, bu\'khian kapada
Allah.
eodeuew\'ijd, ditak-ditkatt bagai Allah.
godeubrood, ambrozijn, apaui detva,
simauygi yueaoaty.
godendienst, pïajïmbaJtau berhala,
ayama Bueda.
godendom, jsfyala tlctca, detcata, Skr.
godenleer, tjtritira dewa-dewa.
godent\\jd, zaman detca-deica,
goden verl>l\\jf, knjauyan (van Jany,
een godheid;. —, de hemel van ltnliu,
het paradijs der Hindoes, kavidtraaa.
—   on deu beiligeu beig Aleroe, soerra-
laja,
Skr.
godgeleerd, dart hal ayama, b.v. ecu
—   viaugsluk, suewal dari /tal ayama.
godgeleerde, yveroe dari fyal ayama.
godgeleerdheid, ÜMO€ ayama, c/mue
ilahijal, Ar.
godheid, een —, ilah, Ar.; de —, het
wezen li.>ii-, ilahijal, Ar.; Heidensche
—, dewa, Jaag.
godin, dfwi; de — van den dageraad,
Oesjósa, Skr.; de — vau den laud-
bouw, di\'ici Siri; de — vun de muuii,
drtci \'Ijaitdra; de — der bloem en,
deici sigala boi-ayabui-ayaan.
godlievend, mfnyasihi Allah.
gudlol\'! al hamdut:\'Ilahi\'. Ar.
godlooehenuar, uraay kajir, oravg
jany minja.iykal Allah (van sauykal).
godsakker, kerkhof, pvk\'ueboeru.i.
godsdienst, ayama, Skr. — hebben,
btrayama; geen — hebben, tiada bha-
gama. —, geloot ia Mobaruuiedauu-
schen zin, - rit, Ar. —, eeiedieust, ïbti-
dat, Ar. kaba^tiau kapada Allah; de
Christelijke —, agama masehi, ayama
stram; de Mokuiuiucdaunscbe —,
ayama islam; de Hindoe—, agama
hindoe.
godsdienstig, büibddal, Ohl/afrli. —,
vrooiu, falih, Ar. — vau eene vrouw,
i\'ufbijah, Ar.
godsdienstigheid, kabaktiati kapada
Allah.
godsdienst liryg, godsdienstoorlog,
j/traay sab\'tl Allah.
godsdienstleeruar, yocrue dari hal
agama.
godsdienstoefening, kabafcUun.
godsdienstonderwijs^ piiigaiijarau
ayama.
gotlsdiensti>liehten, ralibal, Arab.
godsdienst verzak er, afvallige, vraag
êéWivtud, Ar.
godsdienst vr\\$lieiil,kabebasa;t aga»ia.
-ocr page 281-
l\'(\':i
ijodsgRve — soe<l.
voor iemand, huik kapada. orang.
zijn voor onderseschiktcn, ttdikit marab
banjak ampon,
— voor iets zijn, bon:
zijn voor, mëngakoe, menanggoeng (van
tanggoeng ; weder — worden, nn boos-
heïd, djadi baïk pnela. — met elkander
zijn, bt-rsohbaf\'Sohbataii, hërhaïk-baïkan.
— doen, bërboeical baïk, memhoeirat
kabadjikan.
— doen aan iets, mëmpïï-
bnïki;
daar is geen — aan te doen,
tadapat diperbaïki; ik bevind mij hier
—, akoe senang dismi; er — uitzien,
baïk rnepanja; van planten, soeboer;
een —e honderd Kll\'llen, saratoes roe-
pijah Uhih
; wanr is dat — voor. akan
apa goenanja."
het is heel — dat, sabaïk-
buiknja;
een — soldaat, soldadoe jang
bëran\'t;
van —en huize, berasal, bang-
saican;
ten —e houden, verschoonen,
mail/kan, mëngumpoeni; te—s honden,
djoewal hoetang; te —8 hebhen, hendak
më.ndapat laai;
dat wat men te —
heeft, pioetang; te — doen, schadeloos
stellen, niëngganti: van het —e voor-
zien, mempïrbaUi; zich te — doen,
mempërbdiki dirinja, mënjenangkan d\'t-
rinja
(van senang); in —en ernst, de-
ngan saeuggoeh-xoenggoeh, sasoenggoeh-
nja, dengan sasoenggoeh hati;
ten —e
komen, djadi oentoeng; dat komt u
ten — e, itoe djadi oentoengmoe; op —
geluk, oenfoeng toewah akal; omioeng
sabo>4 iimboel, nentoeng Imtoe tënggf-
lam,
d. i. het lot van de kokosscbil is
to drijven, dat van den steen te zin-
ken. Sprw.; de —e weg, djalan jang
bedoel.
— uitvoeren, inïdaknekan dëngan
sap^rlinja, m. d. pafoefnja.
— te pns
komen, bergoena kapada; zoo — wfl-
len zijn, soedi, b.v. dio zoo — willen
zijn van mijn verhaal te lezen, jang
soedi niembatja hikdjatkoe ?ni;
te —
achten voor, uiëmbilang ferlaloe baïk
akan
...; wees zoo —, kalan tnewan
(etntjik
enz.) soeka; hï-ndaklah ktranja
toeican (ënijiJk\'
enz.); wees zoo —, als
\'t u belieft, s\'thikan, stlakanlah, djeia-
poetlah,
b.v. wees zoo — van te gnan
zitten, silakanlah toewan doedoek; wees
zoo — van boven te komen, djëtnpoel\'
lak naïk;
zoo — als, bijna, hampir;
zoo — als gereed, hampir soedah; zoo
— als op, hampir habis. —, Hijw.
baïkdtaïk, bëtoel-betoel. — zoo! bravo!
sahastah\'. het ga u —, bi\'lchair, Ar.;
\'t is maar —, poen/ji, b.v. poentji
sodsanre, anoeye.ra.ha Allah, karoenia
Allah.
j>o<l*geri*»lit, ordnlic. hoeknem berla-
ican.
—, waarbij de band in kokende
olie of gesmolten lood wordt gedoopt,
bër/jëlaer pada mhijak (padn timah)
bërdidi, berkaran niinjak panas.
—,
waarbij men, nu beëedied Ie zijn, moet
duiken, saempah me\'njelam. —, waarbij
men, nn breedigd te zijn, een vunr-
|irocf moet ondersaan, JOf/M/u// oedji api.
sodstreznnt, rasoel, Ar, oeloesan Allah.
godstltliiVi bedehuis, baif Oellah. —,
liefdadige ïnstcllinï, balai dërma,
«vodslnsrernnr, pi-nghodjat Allah.
2oil«lfi«torina:, hodjaf akan Allah.
Kodsoordoel, zie sodsjjerirht.
aoilspennins, fjengkeram
Hjotlsprnnlr, openbaring, wahjoe, Ar.
—, de woorden God», firmdn Allah.
—, uitspraak der goden, sahda detcata.
ïvofisrej>PPï*\'nc;, p~e uitrent ahan Allah.
•votlNrült, k\'itmdja/hi Allah.
jjotlsvereerina, ïbiidat, Ar. kabak\'ttan
kapada Allah.
godsvrucht, takoet akan Allah en
verder = «ïodsvereerlng.
«odvergreten, loepa akan Allah, fiistk,
At. kapista.
CodvreezPixl, takoet akan Allah. —,
vroom, saleh, Ar. van eenc vrouw,
roebijah, Ar.
j*odvruchtijr = sodvreezend.
sodxnlies = srodvreezend.
j*oed, Jïijv. nw. baïk; beter, haïk; beter
dan, baïk daripada; veel beter, leoth
l/dik;
best, ïerbaïk, paling balk; even
—, sama haïk; zoo — als, even —
als, sawa baïk dëngan; voor het uiter-
lijk goed gezind, doch kwaad in zijn
schild voeren, didalam baïk ti\'ada baïk.
— voor, ba/k kapada. baïk akan; dien-
stig, bergoena kapada; hetzij —, hetzij
kwnad, baïk ta\'baïk; een — deel, bë-
hagian jang baïk;
een — gedeelte,
saparo; een —uur, ruim een uur, saioe
djaiii lehih lamanja;
een — oogenblik,
ruim cen oogenblik, sadjoeroes pan-
djang lamanja;
een gelukkig oogenblik,
waktoe jang balk. — weder, ferang-
tjoetcatja;
ter —er trouw, dengan foe-
loes-haü, dengan foeloes irMds
; ter—er
ure, pada wa/ploe jang baïk. —c dngen
hebben, hidoep dëngan senang; een —e
meester, goeroe jang ba\'ik; een —
meester, goeroe jang pandai. •— zijn
-ocr page 282-
170
goed — -neiliiiiilicii.
si-anoe mtnoeloeng akoe, djïka t/dak ...
\'t is maar goed dat die X. mij hielp,
zoo niet ... Voor — weggaan of geven,
fangsoeng, b.v. ftendak pfrgi fangsoeng,
voor — weg willen gnnn. Voor— weg-
zeilen terug naar Europa, bhiujar poe-
tang sakoli ka Eiropa;
slechts gegeven
om te gebruiken, niet voor —, dibiri
pakai sthadja, boekan dibiri tangtoen g.
goed, zelfst. nw. het —, het —e, jang
baik,
— (mrv. goederen), barang, —eren,
barang-barang. —eren, bezittingen, mata
hernia, harta btnda, mat,
Ar. b.v. lcven-
loozeen levende —eren (have), mal sa/aif
dan nafik: -
eren, dingen, btnda-bendt/.
— eren, landerijen, tanah bendang, bï/i-
dung-bhidang;
toevertrouwd ~, barang
jang dipertarohkan, b. Jang di-amanat-
ka».
—eren, koopwaren, barang-barang
dttgartgau;
gestolen —, barang-barang
tjoerüui;
nat —, kaïn-kaïn basah; vuil
—, barangdiarang kotor, barang-barang
tjëmar.
Niet kaïn kotor, kaïn tjëmar,
daar dit de menstruatie beteekent.
Leder—, barang-barang koelit, —, ba-
ganilje, knetakasir; fijn —, best —,
barang-barang ken/as, letter), ingepakt
goed, tegenover dat wat open en bloot
ligt of uitgestald is. —eren van waarde,
përtmasan; roerend en onroerend —,
barang-barang jaag ferbauui dan jaag
dada tërbaiea,
—, meubelen, pïrkaka.i
roemah.
—, klecdercn, pakejan; ver-
gankelijke en onvergankelijke —eren,
barang-barang jang fana danjattg baka\'.
— eren, door vlijt verkregen, hartapën-
tjëharian;
onvervreemdbare erfguede-
ren, harta poetaka. — en bloed, ba/tan-
djitca,
letterl. lichaam en ziel. — en
bloed opotl\'eren, luëmbëtandjakan bada.i-
djïira;
onwettig —, barang-barang jang
har/im;
wettig —, barang-barang jaug
hatdt;
slecht —, bocht, barang boesoek.
goedaardig, baïk hafi, flfmMÜ ffmlort
hafi, moerah hafi,bérpërangaijang baïk.
— e pokken, katoemboehan jang Hada
bagiftf djahaf.
goedaardigheid, baVt hafi, lëmali-
lï\'iiiboi\'t //at/, kamoerahan hati, përangai
jang la/k, pttttrti jang baik.
goedhloed, sukkel, orang sëmëntoeng.
goeddadig, goed^ect\'sch, moerah, dëi-
goeddadigheid, kamoerahan,
goeddoen, te —, vergoeden, mëngganti.
—, weldoen, berboeicat baïk, mëmboetcat
kabadjikatt, mëmboetcat kaba^tian.
aan iemand. Ook mëmbatki, b.v. dan
boekan kabendajrnja mëmbaïki kita,
ca
wenscht ons geenszins goed te doen.
■ {goeddoende, déngan bërboewat baïk,
dëngan mcmboeicat kabadjikatt.
: goeddunken; heeft goed gedacht,kira-
kau baïk;
doe zooals het u goeddunkt,
boetcattah ifoe tëbagaimana kan-kirakun
baïk.
—, eigen wil, kahëndak hafi,
geheel naar eigen —, sakahtndak //aft.
—, welbehagen, karitltaan, —, mce-
niug, kira-kira.
goedendag, taf/ik- — zeggen, mtmbëri
iabik.
I goedennacht, salamat tïdoer. — zeg-
gen, mëmbëri satan/at tidoer,
goederenlooda, goedang.
goederhand; van—, van betrouwbare
zijde, dart orang kapërtjajaan.
goedertieren, moerah, bërkamoerahan.
—, zie ..i>\'> I >•■■■ vi uhnrl ig en Umk-
inoedig.
goedertierenheid, kamoerahan.
goedgeeF»*eh, muerah, dérmaican, soeka
mï utbëri,tangan tërboeka,tangan moei ah.
goei lg» eiaheid, kamoerahan.
goedgezind, lërboeka had.
goedgutiNtig, ridla, Ar. God zij hem
—, ridla Allah anhoe. Ar. een wen;ch,
die steeds gebruikt wordt achter de vcr-
meliling der namen van de vier eerste
kaliefen of vrienden van .Mohniniuad.
goedguiiHtigheid, karidlaün.
goedhartig, baïk hal/. Zie ook goed-
geelrti\'h.
goedhartigheid = goedhartig,
goedheid, kabdikan.—.weldaad, kaba-
djikan;
heb de --, gelieve...., hën-
daklah kiranja, silakaulah,
goedig = goedhartig,
goedkeuren, bet juist, recht, goed
vinden, mëmbfaarkan. —, toestemmen,
mëngkaboe/kan (van kaboel, Ar.). —,
het wel genegen zijn, birkPnaukan,
sameotr. van bërktnan akan, mënërima.
goedkeuring, toestemming, kaboel,
Ar.; zijno — aan iets geven, mh/gka-
boel kan.
goedkeuring-teelten, landa l\'aboet.
goedkooj >, oiiierah, moerah harga, har-ga
ii/oerah.
— verkoopen, djoeaal moerah.
— koopeu, bed moerah. — leven, ttutvi
bvlandja sëdikil.
goedmaken, verbeteren, mlSmbaïkr,
mcmbaïkkan.
—, schudeloosstcllen,
-ocr page 283-
271
goedschiks — gooien.
mtnyyanti roeyi. —, verzoenen, mXm-
ba\'iki, iaPnipPrdamaikan.
goedschiks, devyan buik; b.v. nis het
niet — gout, djika tiada dpnyan bdik.
— of kwaadschiks, tnaoe ta\'maoe, let-
tevl. willen of niet willen. —, ook
taba\'ik-ba\'iknja, b.v. djika dl-anoeijiraha-
kan sabaik-baiknja,
nis het goedschiks
geschonken wordt.
goedsmoeds, dPngan senang hati, de-
nyan tetap hati
goedspreken, mpngakoe, uienangyoeny
(vnn tangyoeny).
goedvinden, sanyka bdik; iets —, mem-
bënarkan;
met uw —, dtvyau soeka
ridln iviriiu;
naar uw —, tafredar
kahïndak (oetcan;
met wederzijden—,
fimbany tPrima; zoonis de heeren iioed-
vinden, zoouls de heeren verkiezen,
mana-manalah dengan kahe,ndal? toetcan
sttkahan,
goedwillig, denyan soeka hati, denyan
soeka ridla.
goedwilligheid, karidlaan.
golf*, vmbafr; groote lungc —, deining,
gPlon.bany; met witte koppen, gplu/a- \\
Öatty boenya lémpaay.
—en die nunr
cc\'ne richting gaan, omhak galoer, om-
hak* béraloen.
—en, die tegen elknnder
inkomen, ombak bersahoeng; brekende
golven, brekers, ombak mï-mitjah ; kleine
—, konfjuh; de uiterste punt der—ven,
waarmee zij het strand lekken, yigi
omhak.
—, bnai, inham, telok.
golfhchtig, omhak-ombakan, bPromhafc-
ombak.
golfbreker, zcehoofd, toempoeican ge- \'
lombany, t. haroes.
i^olJ\'-lai;; ongeregelde —, zoonis in ;
zceéngten, kofjafc.
golven, bPrombak-ombak, beralom, ber-
gelombavy.
— van een luensehenmas-sa,
bPrdoejoen-doejoen, bvrombak-ombak; het
wnter dei- rivier golfde, maka ajar
soenyai Hoepon bPrombak-ombak; ook
— van glans of licht en van lijst- of
snijwerk.
golvend vim hoofdhaar, pat ah wajang. ,
—, van lioulwerk, weefsel enz , her-
om ba k-omhak.
gom, yP\'ah. — bevatten, IJtrgPtah ,• j
znchte, kleverige pluntcngom, portoet; :
iet» daarmede bestrijken, memoeluet <
gïtah;
lijmstokje met — bestreken,
om vogels te vangen, \\iemoeloel o»g-
yas;
geen nnngka eten en tot-h dooi \'
deszelfs—besmet worden, tiada makau
tianyka><ja, maka kena gptahuja.
Spiw.
goni-elnstiek, karet, yPtah karet, in-
zonderheid uit e. s. v. liaan, karet-karet
gehecten; e. s. V. —, tjejet moerai.
gomhnrs, van een bittere nloêsouit,
gebruikt in de geneeskunde, djadam.
gomhoudend, bPrgétah.
goinlnk, schellak, Pmbalaa, hpmhalait.
gommen, mPnyyPfah, niPmboeboeh yPtah.
gomrjjk, hanjak yPtahnja.
Bomwater, ajar gPtah.
gondel, het vaartuig, daarmede het meest
overeenkomende, heet sampan pPnaat-
bany, tambanyav.
gondelier, wang pPnambany.
Konzen, van een kogel, den wind, in-
secten, touwen bij storm enz , hert/P-
ngoeny, hfrdengoeuy denyoeny.
— vnn
ecne menigte menschen, mPiideroe. —,
een brommend geluid, rPuiatig-remang,
b.v. akoe takoet mPnPnyar soeara itoe
datany /aPrPmaay-rtmany,
ik vreesde
bij \'t hooien van het geluid, dat guu-
zcud naderkwam.
gonzinjj, tlenyoitiy.
goochelaar, vraag sitap, foekang silap,
toekang soelap, orany si Air, makar,
Ar.;
o held! ga en vat dien —, hai hoe-
loeba/uny, peryi, tunykap olihmoe oravg
makar Hoe.
goochelarij, silap mata, soelapan, siljir,
Ar. mal ar, Ar.
goochelen, bermain silap mata, bermain
soelap.
goochelstuk, permaïnatt silap taata.
gooi, worp, pïloefar, piiemptw; de eeiste
— hebben, wi&Q6tm dïhoeloe; die de
eerste — heeft, jaag dehoeloe mPloctar;
een gelukkige —, peloi-tar jany bdik,
gooien, mPloetar, melcmpar, melontar;
voorwerp om mede te —, pelempar,
pëloeiar-,
in wanorde uit elkander - ,
b.v. klcederen, tahoer tebar; naar een
doel —, zooals niet een knikker naar
opsezette centen, mPnempoeng (vtxntrm-
poeng).
Datgene, waarmede men gooit,
peiieinportiy; ook wel fempoeny; me>t>-ia-
poeng
is eig. horizontaal iets naar iets
—, zoonis bij sommige spelen, b.v.
met een looden schijf, een platten
werpsleen enz. Zich uit de holte van
de hand iets in den mond —j mPn-
tjangkoep;
in do hoogte — en weer
opvamren, b.v. van een kind, pieken
enz., mPnimaiiy-aimaug. Wat aldus ge-
-ocr page 284-
272
«oor — goud.
gouid wordt, timangan. — bij het spc-
len, tagor; met parelen —, bPrtagorkan
moetiara;
den boel door elkander —,
b.v. over den vloer, bet dek, den tafel
enz., mPnjeraik-njrrakkan barang-barang;
door elkander —, in de war sturen,
pontang-pantingkan. NB. Altijd in het
pnss. nanget rollen. Bij het zoeken of
spelen door elkander —, of overhoop
halen, menjelongkar (van srlimgkar) ;
horizontaal langs den grond —, b.v.
* met een plat steentje, tikam laniar;
met dobbelsteenen —, om het lot te
raadplegen, mtmureh (van pareu); met
een soort van balletjes —, om het lot
te raadplegen, tnPmboeicang oendt. —,
smakken, mPnfjainpak, mPntjampakkan.
—  met groot e, zware voorwerpen, b.v.
rotsblokken enz., utPng/ni\'-mbalangkan.
«oor, van melk, pPtjah, bPbaor.—, muf,
van gekookte rijst, een vrouwspersoon
enz., basi; een — wijf, pPrampoeitan
basi.
—. vies, een bokken- of visch-
lucht hebbend, amia. —, vuil, kotor,
fjPinar.
— linnengoed, barang-barang
kotor, harang-bartuig tjPmar,
Nooit ka\'ia
kotor, kaïn tjPmar
in dien zin te ge-
bruiken, want dnt is de menstruatie.
goot, gleuf, buis tol leiding van vloei-
itoffen, salon-uu (van mloer, geul). Ook
dakgoot, en got, veib. —, waardoor
men het gesmolten mctnal lant vloeien,
pPndjaliran.
aortlel, ikat pinggang, saboek, fjaboek,
kamar,
I\'erz.; een soort van zijden—, !
afkomstig van Surate, tjindai; een —
d ragen, bPrsabork, enz. — van een e
vrouw om de sarong om hnnr middel
te binden, meestal van zijde, bPngkong,
—, zie ook buiknand en lioppel.
—  zone, iPmbereng pandjang.
jjordelricin, i kat-pinggang koelit, sa-
boek koelit,
eorden, den gordel aandoen, mPngikat
p\'itggavg, inPmakai saboek, mPngenakan
tjindai;
zich —, het zwaard aan—,
menjandangkan pPdang (van sandung,
koppel, riem over den schouder); zich
ten strijde —, bPrlanykap akan berpït-
rang. bPrsijap akan bPrpPiamj.
gordijn, kPlamboe; bed—, krlamboe
tPmpat lidver;
tentvormiir —, gemaakt
van een omslagdoek, selendang, voor
kleine kinderen, kPlamboe roesa, bo\'jolr.
—, zwaar voorhangsel, firai, tabir.—,
scherm, bidai; allerlei —en, tirai- \'
kPlamboe; een — op zij schuiven, n/v-
njingkap tirai
(van singkap) M. kPlain-
boe;
een — ophalen, faril- ndik kP-
lamboe;
een — neerlaten, melaboehkan
kPlamboe
tof tirai); een — een weinig
oplichten, opschorten, mPnjingsing tirai
(of kPlamboe, van singsing); achter de
— en zijn, reeda te bed zijn, voornamei.
van aanzienlijken, soedah masoek ka-
dafaiit tirai kPlamboe.
jjordini», pPntjProel. —, geitonw, gijoek,
boeboef, tali boeboe/an.
— in de bouw-
kunde, kajoe pandjang, goeloeng-goe-
loeitg.
■xort;el, strot, kProngkongan. —, keel-
achtervlak, fPkajr.
irorceldrnnk, obat koemoer.
■jorjjelfn. bPrkoemaer; eigenlijk is dit
den mond uitspoelen, het water door
de tanden en kiezen drijven.
■jor-ielend, van een geluid, paratt,
Agort, !- ras belanda, d. i. Hollandsche
rijst.
iïorftïu-*, hiervoor zou men ab kunnen
gebruiken.
■iort e brij, goitpap, botboer htras HPlavda.
tsotclins» e. s. v. klein kanon, ekoer
lorloeng.
™oud, mas. Pinas; stof—. emas oerai,
Pinas puxir;
klater —, emas perada ;
gelouterd —, Pmas samata-mata soetji;
üjn — van 24 karaat, emas sapoeloeh
matoe, "Pinas kPredjang
; tijn —, ook
Pmas oerui. — erts, klomp —.gedegen
—, Pmas kipal, iboe Pmas; echt —,
Pmas djafi; geslngcn ■—, Pmas fempa-
van,
ook Pmas dit il ik; blad—, vmas
karfas.
— in klompen, ï\'mas paekal,
Pmas kimpal.
Ook gestempeld — in
slaven, zooals in Japan als ruilmiddel
wordt gebruikt. — in stnkken van ver-
sebillcnde zwnarte, dat in den handel
voor geld dient en telkens sewogen
en getoetst wordt, Pinas kPrPdjang.
in slaven, Pmas lanfak. — met koper
vermengd, Pmas tongkang, omdat hel
met die Chineeschc vaartuigen wordt
aangevoerd. — in poëzie, brieven en
eigennamen, kPntjana, Skr.; o, goud!
eij zijt wel de llcere niet, maar toch
komt door u tot stand al wat het hart
begeert, hai "Pmas! Toeaan boekantija
Pngkatt, letapi jang kahendak hati bPr-
lakoelah olihmoe;
donker gekleurd —,
dat voor bet beste gehouden wordt,
Pmas toewx; licht gekleurd —, gehou-
-ocr page 285-
271
•joudnder — urabbel.
dondwtfk) fêrèoewatmn imas.
^oudzand, pttsir tmas.
goudzoeker, (traag jaag m\'tntjthari
tmas.
<*oudzut*ht, titba akan oeteaag.
•jourernante. jonge meisjes aan het
hof ter verzorging der Vorstelijke kin-
deren, bifi-biti ptneara. Ouden vrouwen
tot hetzelfde doeleinde, eaaag-ph/gasoeh.
gouvernement, bestuur, pe<ntrenta~
émm;
het —. het Indisch bestuur, gat*
phmemem, goetcenümen, kompïai,
uou vernemen tsjjebouw, gtdoeng
goepèraime».
gouverneur, goepèruoet\', goettrmadoer,
goerandoer enz. ■— Generaal, goeptr-
noer-djindtral.
—, hoofd van een irewest
in Ainliie, irali, Ar.
Uovcrzcil, topxeil, lajar pet/gapoe/t.
irrmid, rang, trap, pangkat; een —van
slechtheid, pangkat kadjahalan. Ook is
pangkat — van bloedverwantschap.—,
van een eirkel, thermometer of koin-
pas, laafa. — vun het kompas, taata
fèdomum
—, ,,\'„ van den omtrek eens
eirkels, daradjat, Ar. — van de seha-
duw, tapak bujaiig. —, karaat van
goud, atatot\'. — vun bloedverwantschap,
geslecht, in de zijlinie, poepoe; in den
derden —, poepoe jaag katiga; in de
rechte linie, gilir, soenat; in den hoog-
sten—, van cenc hoedanigheid, terlaloe
oma\',, terlaloe saagat, ttrlampau.
■_>.r:i!tt, werktuig om te graven, spade,
ptaggali. Voor graven gebruikt do inlan-
der een hak, tjangkoel; op Java paf joel.
graafwerk, pikirdjaau ga/ia», pètör*
djaiitt fjaagkttelaa.
•*raas, lust hebben in, sotka, — elen,
soeka ntakan. — jagen, soeka b\'èrboeroe.
—, gewild, vun koopwaar, lakoe, laris.
— ook, deugen soeka; een grage maas,
ptroet tapor. Zie ook tcreti*»-
•rraafibeid, graagte, eetlust, lapar, ingin
makan.
üruiiii, allerlei koren enz. bidji-bidjutn.
Het indische — is de rijst. Zie ald. ook
voor alle samenstellingen met graan
^ruantjewaNien, (oemboeh\'toemboehan
jang berbidji.
üriiut; dikke beenige —, loelaug ikan;
fijne, dunne —, daeri ikan: een — in
de keel. toelaag (of doeri) ikan ter\'
shiffkang pada leher;
van de — vallen,
djadi koeroes, djadi koeroes kering.
•{rabbel i te —gooien, m\'eaghamboerkan
18
den voor het slechtste, \'tmas inoeda.
Gepolijst ■—, t/nas jang ttrstpoe/t. Over-
trokken met ■—, bn\'sa loef kan haas. Door-
weven met —, kaeatasan, bh\'pakankaa
imas. — vermengd met koper, haas
ton ijk ang: eeo ton —», serafoes ril/o/"
roepiah; dut is met geen — te beta-
len, fiada ferbajar takati-kaU,
goudader, karangan emuu.
üoinlMih. reep vun zeer dun geslagen
troud, waaraan lovertjes hanzen, papaa
tida-ttf*.
^oiidliHistMi], ikan aaggara.
BouililvWer, orangjaug m\'tuijtbajptmas.
i»ouddelvinjj, penfjêbakan tmas.
y»)U<l(lorst, laba akan etaas.
gouddraad, d< f - tigfnuts,beaang mokau,
naar de stad Makau in China,
•rouden, imas, daripada erna*. Een —
borologie, artodji erna»; een — ketting.
rantat iwuu; een — tor, kombeag ■ .mis.
bruiloft, htifi ka te in Vi.aapoeloeh tahoe*.
moudert**, tanah \'tmas.
tïouclscel, tcartia tmas.
iroudtjeld, oeicang tmas.
«joudijevvieht, ftntbangan i -."is. Zie ook
bij «e wicht.
;oudj*lid, tahi imas, aanga hnas,
i^oudjjraven, utiatjebak f/nas
üuudjfroevei ptnfjtbakav i-mus. fjeba-
ka» haas.
^ouduulden, rejal.
■iMi.lhl.\'iii-U\',. icarna ïmat, satatwerna
(Ski*, sotwarna).
"uciuioiiip; een —, sak/pal imat, sa-
guempal haas.
«uilliihcii, sarhe/at jang ka\'emasan.
u\'oudleder. koelit kahaasaa.
^roudloovertje, taoefoe, kida-kida.
oudmijn, tjebakau ratos.—, gou dader,
karangan tmas.
•■j.owl\\-n\\\\*i(.\'r,karf as jong berboenga haas.
\'>iul-i-li:iiil, fiaibat/gaa f mos.
oudneheiwater, koningswater, ajar
k\'eras.
\'KKUilniiin, sanga tmas, tahi tmas.
oudttmid, poadai tmas, ioekang haas.
>iitl*nii(iswi\'H(, de gezamenlijke
goudwerken, katimasan.
wmlstoi"; gebloemde —, voor voor-
hangsels en dergel., diwaugga.
1 »ud vitten, ikan èmes.
"udviKchvijvcr, pêngiiupang ikan
tmas. kühttn Ikan tmas.
\'"inlwsissrherij. \'Q waterleidingen,
parit tmas.
-ocr page 286-
274
grabl»?len — «ras.
akan dm hoef; zijn geld te — pooien,
verkwisten, nièmborotkan oeioangnja, m.
hartanja;
zijn naam of reputatie te —
gooien, mimboéteoMotaM nama.
gr:\\l»tu\'lrn, nat zijn velen om iets —,
uierfbot\'t. —, alleen oprapen, Memoe-
ngoH-wtoengoet
(van poengoet).
grat>l»elpart\\i. r8fcwfcn*.
gracht* sloot, gegraven waterleiding,
pari/, iitoianj een droge —, parit
jang ktriwj
; natte —, parit jang >»-r<t-
jar, p.
_/\'. ada ajarnja; vesting en —,
ktitn périi; eene stad met —en, negari
j»>i>/ h.rparit-parit.
gradueel, trapsgewijze, berpangkat-
, paagkal\'.
graf, koeboer. Ar.; heiliir—, van heilige
of geëerde personen, karautat. Ar. as/aua.
matraat,
Ar.; een Chineescli —, tombe,
djiral. Zie graftombe; C\'lnncesehc
graven, sent/jaeug• in een — leggen,
bcgni \\ en, meng troela n*r kan t menanam
(van tavam); op den rand des —s staan,
haiapir akan malt,■ dit heeft hem in
het — gebracht, inilah wtèmjèbabtca»
wai\'nija;
naar het — wandelen, naar
den dood gaan. nu ada polkan pothoer.
emi\'booro, e. s. v. bloemd regenden
boom, die in Indie algemeen op de
graven wordl geplant, plumiera acuti-
t\'olia, en bloeit %\\% zijne bladen alge-
vallen zijn, kembodja, s\'embodja.
gral\'doelt, duodkleed. ka\'ia kafan,kafan.
grafengel, rfo hij encel.
grafgesteente» bafoe koeboer. Zie
grnfpaal.
grafgewelf, koèak.
grafkapel, fjandi, roemah-arfja.
grafkelder, lahad, Ar.
ürul l.uil, Hang ia/iad, Hang l-oeboer.
grafnnald, graftombe, fjandi. Zie het
volg. Wrd.
grnl\'paal; e. s. v. —tjes, sums van hout,
soms van steen, die de inlanders ann
het hoofd- en voeteneinde der graven
plaatsen en die voor mannen en vrou-
wen vcrsehillend zijn, .aha», verb. van
nisjdn, 1\'crz.
grai plant h, ie mpal loeb-a-r ; begraaf-
plnais, plaats, waar veel graven zijn,
p\'--koeboer au.
graf-*rhrii>, soerai afanutf koeboer,
graf*] iclonk, lahad, Al\'.
graf^ieile, tömpai frorbnt-r.
grafisteen, bufw foeboer,- zie ook graf-
paal.
graftombe, fjandi, djirat, verb. van
zairali, Ar.; Chineesche —, senfijoeag.
Grafzuil, opgericht toeken, Mamat, Ar.
tildmat fcoebotr.
gram, toornig, tnarah, gerant; van \\<jr-
sten, moertm
"i\'iimiunirc, grammatica, zie tpraak-
Itunst.
arnm*rlm]), toom, marah, a ia ar ah; van
Vorsten, muerka.
gramstorig, Bijw. diiuga.i mmrak; \\-.ih
Vonten, d,ittja,i moerka.
granaat, de vrucht, boetcah deltma. —,
de steen, penaata jakoet.—, bnm, ont-
plof bare kanonskogel, perijnek o pi,
peloeroe api,
granaatappel, boevah d\'eluna.
gramuitboom, pokofr detima, pabon d.
granaat wort elscliil, bet bekende
middel tegen den lintworm, koelit okay
défiiiw.
graniet, bafoe bi-si, baloe betoel; e. s. v.
—, batoe Iroeïansing.
grap, sriida, goerau, djinaka, peiHtdinan.
—pen maken met elk., benenda-gotrati;
kluchten, potsen uithalen, btrdjinaka,
seloeroh, kelakar;
dit laatste is grover
dan setwroh; voor de —, bocvat ma\'ia-
indiii sehadja.
—, scherts, jok, ook
latrab, lavaJc. —, guitenstreek, kitjoe.
grappenmaker, orattg djinaka, pela-
tcak>.
—, hansworst, komiek bij eea
troep toonecNpelers, alan-alan, ogak--
ogak, èadoet,
.tav.
grappig, kluchtig, teturroh.—, koddig,
hftjor. —, ondeugend, guitig, djiuaka.
—, guitig, ook fjun-a; het—e, guitige,
dwerghertje, pttandork- djittaka.
gra«, roftéipoH, doi\'kuft-duekorf; e. 8. v.
lam: rietgins, lalatirj, ilalany, afaurj-
aftiii</,Jnx.i
c.s. v. —,satnbau;citroen —,
e. s v. zeer welriekend —, roeuiport
s\'t-rai;
kruip—, roampart rail(ai; e. B. V.
— met welriekende wortels, die ook
in het doepa of reukwerk komen, roem-
poet eijak\'S\'jak;
e. 8. v. — met dikke
geledingen, ruempoet boeloeh-boeloeh;
e. s. v. —, pnnieuni coloniuu, rwniporf
koeM\'koesa;
e. s v. —, welks bloesem
of zandkorrels zicb aan de kleedercn
hechten, roeiapoet soeudalyaiait; e. 8. v.
—, dat vrouwen gebruiken tegen
vloeiing, roempoH kefiuiit kering.
zoeken voor liet vee, meroeatpoet; te
hooi en te —, f\'erkadang-kadang, dja-
raag;
er is — over gegroeid, reeds
-ocr page 287-
grasaar — grenzenloos.                                       \'21a
lang vergeten, socdah lama kaloepaan;
er — uver laten gloeien, uitstellen,
//■• mpi .tn.Hjijohkan.
«ïrawaar, utajany roempoH.
ur;i-l>loeiii, boeiuja ror-ijtort, ktOHMWg
ïof"i[-o>:f.
grovsroen, tcarna ro>-n.pi>ft hh/jau,
hidjOH foempoet.
urufje; \'én —, sahXlai roempoH\', daar
Kroelde geen —, sabëtai roempoet po»
Imi/a t\'iembofh disana.
r.i~l;ni\'l, taltak ToflItpoH.
j»ra*leeu\\verili, e. s. v. —, tjap-tjep.
. •rii-.im urn. kaïn iifotas.
gniHlook, koetgat.
«•rnnmie», sobit, tuit, Jav.; e. s. v. sik-
kelvoimii:—, (tér*. — niet hingen steel,
tadiaA ; met een sikkel v getuig — snij-
den ot wieden, n&agiri.
yrnwperU, ****£ roempoet.
gnuplant, pokoft roempoet,
^rasrült, banjat roempoetnja.
<*rii«scheutje, taroeè roempoet, zie
\\oorb. bij scheut.
grasveld, taaa/i roempoet.
• rru*i vretend, juug makan roeuipoel.
»piiswortel, akar roempoet,
gvawiaad, badjang-hadjang.
graszode, (tinah bat o.
S*mtUh kosteloos, tjoema-tjoema, dtmgan
tiida bajarau.
gruiWi aschgruuw, kt/aio\'-, tcartta kï-
labo*. —, donker loodkleurig, iitnua.
—, betrokken van de lucht, ftdoep.
«rauw, helle de» volks, 0rw^ hina-dï.ia,
rüjat.
grauw* snauw, tX-aykiny.
grauwen, snauwen, mt,nnykiny, 6tr-
tïmjkhitj, kïrising.
graveel, de steen, pXnjakit karauy,
batoe kilikii\', baton boewak pingyany.
«raveelig, duur, makai, —, het gia-
veel hebbend, bifpXajakif karany.
«raveelsteen, bi\'tw ptkenfjimgitH, ka-
ramgdtarang pasta ajar küufjing.
«raveeren, mXnyoekir, taëtoekis; een
zegel —, miiKjoi\'kir laetïrui; op dat
inname ut was gegraveerd, inaka adti
tX-floekis dipërltiasan itoe, --, uitpeil-
teren, uitsteken, wïujiyi (van siiji). —,
uitsnijden, uiX-njorbik (van soebik)-
üraveersel, oekiran, loekisan.
«»*aveerstii\'t, bist pXatjoeiiykd, bïi\'
pi\'hij orkif.
«raven, meaggaU —, delven van meta-
leu, mvutjïbak; het gegiavene, de erts,
tfébakan ,* bij het — toevallig itooten
op, Kigali kapadu ; met de handen
uit—, uitkrabben, mXnge\'roei (van kx-
roet), utïHt/ui\'ek.
lïruver, oramg pXnyyalt,- goud—, pëa-
t/Xbak iiaa-1.
amveur, toekaag nüayoekir, pXayoeki,-.
m\';i/i\'!i. maki\'.u ruenpoet.
sreei>, Zooveel als men ineens kan ue-
men, reagkoem; een —, b.v. vau rij>I,
boeken enz., sarangkoem; zulk een —
nemen, samenvatten, mütangkoem.
met de beide holle handen naneeu-
gesluten, raoepi zulk een — duen, mX-
raoi\'p-,
bij zulke grepen, tifraoep*raoep,
b.v. diamanten bij grepen, intan bërawp-
raorp. —
met duim eu vinger, t/Hït,
fjtktik;
niet de toppen der egt vingers,
fjtkoet,- een —, handvol, taghtggam ;
bij grepen ot\' hnndvollen, èèrgeaggmm.
— van een kris, >ubel ut\' ander wapeu,
hoeloe, dénganan.
grein,doek vau kemelshaar ot\' wol,y?/t<//.
greintje, zierlje, atoumpje, dsarrak,
Ar. gobr. in brieven.
grendel, kantjing, pXagantjiag.
gren<lelt>ooin, *tngkang, sin<jk<lati<j.
grendelen, mÏHgaHtjiug,- de deur - ,
htKiigaatjing pïi/toi\'.
greiiM, pïrh\'ucjy.tiin, pewi.tggir (vau
piaggir), battis, r»yga.i,- de grenzen van
het laud, pÏMiaggiran nëgari, pi,:\'n.-j-
gaiitt ntgari.
—, hel uiterste einde \\an
iet», iiiggaii, hujga.t. —, omtrek, k/Jas.
—, ook k\'ti.l, Ar. b.v. de greiueu \\an
bet verstand, hait hoedt; de grenzen
van het leven, had njaiva.
greind>ewoner, orang pëdoedoeè fÜ*
miMggiram mègari, oramg ptmimggir
(vau
pinggir, Jav., zoom, kant).
itrenspulen, sv„ipadau.
irrenuscheiding, piihiiigjaan,pX-utimj-
jtra>i, $• Mpadan.
grenstttud, nrgari ptmimggir.
gren*«teen, hatae tanda pXrhiinjijaan,
bit f u f ti\'H-ia bafits, batw timpmttam,
grenNteehen, tanda batas.
gren«wa«ht, tindang; vrije —regeling,
atoerun tindang witruaheka,
grenzen, palen tAVLtdompat,tHrdomput;
aan elkander —, Urdompat-dompatan.
grenzenloo**, tiada bXrhiifjija, di\'nij.iu
tiada pérhimggaëu, tiada bificafas.
(lok
tig. b.v. zijne liefde is — en oneindig,
kasiJiuja tiada Aeriingga dan tiada
türkaeoedakan.
-ocr page 288-
276
greppel ~ grüpvogel.
greppel, sloot. parH. — tcrzijtle vnn
era weg, lar\'uin djala,i. —, wnterlei-
ding, aloer, taloeran. — tussehen twee
tuinbedden, ptito\'h.
gretig, gi/nar. — van eten ook botor,
b.v. orawj ito>-tirfalo- boxor niakfitiri/ti,
die persoon is zeer — in het eten. —,
fel, galak. —, begecrig, >ugin, bira/ii,
loba.
—. Uijw, dlngau oïnnir, d. qalak,
d. ingin, d. loba.
gretigheid, kagïmarau, bosor, galak,
/.,!/,/■,■ MM», lübi\'.
griel\', tegen iemand, takit haii, kPtjil
haii, tiiuthm.
—, smart over iets, !
doeka, Iii1.,\'
griek, vrang (ïïrika. De —envónrCon-
slnntijn, Joenanue, Ar. oraiig Joeuani,
grichsifh, Gvrika, Joenan\'t.
griep, de —, ptnjakif paroeparoe.
gries, griezel, siert je, dzarrah, Ar.
grien meel, e. b.v. —, btka/oel.
grieven, ergeren, wümpêrëatUi haii,
mémÜtri saki f haii, nil>io,noet,nn hati
(van toe/toe). Voor dit laatste b.v. an/tk-
koe kaublrikan in juniti aitai.i, maku
Ingkait toeuoekan hatikoe,
door mijn
kind min den wind Ie geven, hebt ir ij
mij gegriefd. —, aanstoot geven, me-
ngïtjilkan haii.
—. bedroeven, trien-
doeka-tjHaka,i.
grievend, jong wftmpfriakiii haii, yang i
mtmdoeka4jitakan. Zie ook kwetsend, j
griezel = gries.
U,li«M>1on, van iets. b.v. van spinnt-
koppen of bloedzuigers, gèli.
grii", vlug, fttat, sigï-ra, pan/as. —, vlot
van lezen, zonder haperen, lantjar.
griil\'fl, katam batoe.
grilleldoos, pennendoos enz. krlfiuïtt-
dan.
Zie bij kist.
grillelen. graveeren, tmngoekir, mXIoe- ]
kis; gegriffeld, üroekir, terloekit, b.v. I
iiinkti ada Urlurkis diperhrasa?i Hoe, en
op dol versiersel was gegriffeld. —,
zie ook enten.
griileling, oekiran, loêkiêOM,
urillben, de grijpvogel, eene soort van
fabelachtigen vogel, die in de verhalen
cene groote rol speelt, het rijbecst van
den god Visjnoe, garoe.da.
«rijnen, schreien, mtnavgis (van tangis).
—, drenzen, pruilen, tntraoeng, mên- t
dtdau.
grijnig, pruilerig, nmaie.ig tehadju,
„iïndïdau sehadja.
grijns, masker, fopeng.
grünnlach. tlnnjoem radja.
grünnlnrlien, valscb irlimlachen, fte-
lémyoem radja.
«rijnzen, aan—, ktr^nnjih, kirising,
nnnglnnjoft
(van kïnnjuet).
grijpen, met de hand vatten, mïntja-
pai,
b.v. zij greep zijne band, ditja-
pai/tja tangannja.
Ook — met een snuit,
b.v. maku olih gadjah \'Hoc sigï-ra di-
tjupainja akau Afanud ifue dï-npan
liQtlalainji\',
en de olifant greep A.
spoedig met zijne snuit; schielijk —
mei klauw of hand van boven naar
beneden, mtntjekav, menfjïngkau. Ook
van een krokodil, b.v. door een kro-
kodil gegrepen, ditjtkau boetraja; in
de vlucht of in snellen vaart iets —,
tiiïnjtiHibar (van W«ilf).Vll roofvogels
en ook van den bliksem, ouk — met
een klauw, van leeuwen, tijgers, kat-
ten, enz., uivnjambar; met de toppen
der vingers —. ntentjëkoet; zulk een
greep, tjl-koet ; met duim en vinger—,
mïntjekak; zulk een greep, tjikak. —,
vatten, pakken van een persoon, tang-
kap;
met de armen, dangkap, dl kap;
om den middel—, mïn1Jl-ngkan<i; schic-
lijk iets —. snel trachten meester te
worden, met anderen oin het zeerste—,
merrboef — met een zijwaarts gebogen
lichaam, laelijoeki; de hoeveelheid, die
aldus op eens gegrepen wordt, sapë-
Hjoel:
— in elkander, zooals b.v. de
schakels van eene ketting of de armen
van personen, die zearuid luopen, her-
saloek, brrslfonk;
in elkander baken,
berka\'H-ka\'H; om zich heen —, van de
vlammen, mtndjilat, b.v. wuka api
Hoepon mludjiïatlah karoemah Hoe,
de
vlammen grepen naar dat huis. —.
met de hand vangen, tnïnangkap (van
fatigkap). — van de band, in de gewone
beteekenis van de hand geven, mt/idja-
baf langan
.- elkanders hand — in dien
zin, bïrdjahal-ifjaiii\'faii taiKjan; in het
hart —, het hart roeren, meraicankan
liati, tnï-nghantjoerkan haii;
het zwaard
—, mrmëgang pèdang; in de beteake-
nis van zich toerusten ten strijde, ber-
langkap akon In-rplramj,b<rsiup ukan fff
perang;
plaats —, djadi, bïrlakoe; den
hemel met den hand willen —, langii
hrndafr d\'ttjapai dïngan tanga».
Sprw.
grtfpvogel, kiekendief, boeroeng hllang.
—, de griffoen, garoeda, boeroeng ga-
roeda.
—, fig. gierigaard, oratig kikir.
-ocr page 289-
i»rü» — groen.                                                277
batOê kt-Ukir. Op Java krikit. Het —
op de wegen ald. krakal.
grindpad, grindweg, djalau tërèaloe
kètik\'u\', djalan ktirstk. Op Java djalan
krakal.
L-riiinihi\'n, zie hinniken en lachen.
ijriwsen, mümgamMl tjoeri tjoeri, min-
tjo,-n.
ari user, pintjoeri.
groef, mijn —, yaliaa, pa rit, koltmy.
—; geschaafde — of gleuf in planken,
aloer, korsoef. In den rand van een plank
ook heraA, pa.it. — in lijstwerk, koe-
mai;
holle en bolle —, koewai yiloe-
yoer;
met groeven en ribben, bi-ryt-
foeyoer.
— in den loop van een ge-
trokttnn vuurwapen, a/oer, gtloegoert
korok,
b.v. de — in een buks, aloer
tïrkufl
; roet groeven, gegroefd, Wra-
loer, bP/pitrit.
—, groeve, kuil, toiaag,
liaay.
—, graf, koeboer, Ar. - , zie
ook greppel en groeve.
groefjjzer, Bteekriem, brui pttUjongkil.
groeien, van planten, haai, nagel* enz.,
toemboeh, titrtoemboek; gegroeid, toedah
toemooek;
doen —, mfnoemboehkan.
op wordt uitgedrukt uiet begroeid net,
bértoemhoehkan, b.v. sakaban pohou
kajoe itoe b\'rloe.aboehkan pfrmtata aan
türioemèoeUan nilam, dan SërtöemèoeU-
kan poealam poetparagata,
op al die
boomen groeiden allerlei edelgesteenten.
—, gruoter worden van nienschen en
dieren, djadi fëêat, bïrtambah-tawbah
Meer, maain lama rnaün Séêar; ge-
gruuid, êoedah Striamèak hvsamja.; door
ülkander — van wortels, rankende ge-
wassen enz., ürtingkaroel; too gegroeid,
stnykaroet; aan elkander —, b.v. van
vingers, twee banannvruehten, enz.,
fhh\'djtrembet, &&rdj7frepet; ann elkander
gegroeid in dien zin, etfitremóet, dgére-
pet;
in de hoogte —, bijzonder hoog
opschieten van boomen, mtiroemdjam,
letterl. in de hoogte steken; over het
hoofd —, djadi bésar darïpada; in eens
anders leed —,soeka akan tj\'tlaka orang
lat\'ii;
in den groei belemmerd, kïtjoet.
| uroeii, hidjan, wetna hidjan; lieht —,
hidja.it moeda; donker—, hidjan toeica. ;
grijsachtig dunke.r —, hidjan talii poe-
poef,
d. i. groen als de uitwerpselen
van den poepoet-vi:-ch: het —, alle
planten, tfgala daoen-daoe»jany h\'djan.
—, nog geen ondervinding hebbend.
litluia tahoe adat, hXJom ütrükal hoed\' ;
i»rü», aschkleurig, toama kitadte.
viin hoofdhaar ui\' baard, poetih.
hoofdhaar, ramboel poetih, van haar ook
ocbmi; een — voorkomen aannemen,
van den grond, waarop vijst is gezaaid,
door bet uitspruiten der witte puntjes
van het zaad, die den zwarten grond
zulk eea voorkomen geven, mrayoeban
i\'vnn oeban). — als een duit\', .tapïrtt
kapa.i jany soedah d&oetar poetihnja;
de grijze oudheid, tamtan poerim tala.
:\',i\'Üs:iii rd, giijskop, orany oeban, orang
toetea jang étrauiooet poetih. NB. toeica,
oud is bier noodig, daar orang jang
hirnmhuit poetih
ook gebezigd wordl
voor Europeanen met blond haar.
urijsiM\'lititi;, een weinig grijs, ktlabue
tedikit. •
— groen, zie bij jrjropn.
■jrüshnnrd, orany jany htrdjanyyoet
poel Ut.
i»rü»heid, oeban; hooge ouderdom,
toeten takali, kafoeteaan.
«rüzeu, ramboel djadi poetih; beginnen
Ie —, enkele grijze hnren krijgen, mïn-
djaroeut.
gril, kuur, ttnykah, fjam/a. —len heb-
ben, karig ziju, btrttmgkah, berfjanda.
— , huivering, gUit w/tri,
grillen, gïH, liïrgUi, ngeri,
i*r\\\\\\\'\\iz,
kurig, hïitinykah, btrtjaada. —,
huiverig, kaytlian. —, wonderlijk van
vooikomen, üdja\'th, Ar. —, grappig.
snaakï-ch, djinaka.
grilligheid, buiverigheid, kayilinn. —.
wonderlijkheid, pïri ïidjdib, Ar.
grimae, zie bij gezicht,
«rimltelt, moeka iiiasam, orang bersoe-
ugoet-toeugoel,
:;iMiiiln\'kK-rii, bïrsueiiyoet-soenyuel.
L\'.riiiiim-ii, op il. tanden knarsen, mi-
nyïrat gigi, berkfral yiyi.
—, brullen,
van een leeuw, mtnikas (van (tktts).—,
builen, pruilen van kinderen, •.iïraoeny,
ruê.i\'lïili\'i•.
KrimmiK. toornig, otarah, gotong, —e
toom, marah tamgat, kafumgaian ama-
rah
; van den Vorst, kahanyata.i moerka;
een —e tijger, hartman jaag garant/.
— 0 soldaten, lasjkar jong yarany.
van een dier, dat men zijne prooi wil
ontnemen, uok — van voorkomen,
bwgat. — worden, nuuibiugas; een —
menseh, orany p\'uiarnh.
grimmigheid, hevige toorn, kahanya-
ttUl amtaroA, kahanyatan moerka.
tzrlxicl, grof zaad, kleine steentjes, tartte,
-ocr page 290-
27s
sroenachtig — yroml.
in het — gekleed, hXrpakai-pakai hidjau ,-
in het — zitten, duedoefr dinaoengi
poAon, doedt ek- d\'tbawah pïi naoengau
pabon;
op zijn groenst, zoo — nis het
kan, sahidjttti-hidjttu.ijit,
ï*roL\'rmc*htifi:, k«fiidjau-hidjtn>ican.
•»roenl>oer. toettmg sojoer.
jjroenen, groei) worden, r\'jo.di hidjau.
Zie ook uit-i .fuii i>n.
Ijroente, xajuer; allerlei —en, sn\'toeï-
siij, >,■,■<\' ti. sfijoi /■■mi\'jtn-r.
— klaarmaken,
zorgen voor — bij de rijst, mXniajucr;
iets tot — bij de rijst bereiden of daar
voor maken, m&tJoJQcriatt.—, die men.
hetzij rauw, hetzij gekookt, ia cene
saus doopt, b.v. zooals onze sliei-
aspergics, en dan eel, pXnfjok, tajoer
/•> >\'tjtd\\
Als zoodanig gegeten worden.
ditamta» pXnljuk; rauwe-— bij de rijst,
zooals fijn gesneden komkommers, sa-
Inde enz., uthtin-üfUim.
•*roeuteiiiarkt, pasar sajoir-sajorra».
groentetuin, kibon s>iJ0fr-saJ0t"ran.
trroei>, eetie menigte bij elkander, van
meofcchen, kïlwMpoek; bij groepen, 4<V-
kï(uf„ipork\'-kilofHipork. —, uok sorkor,
b.v. bij afzonderlijke —en zitten, doe-
ihhk \'..e,-soekoe-&urla.\';
van eilanden,
goegoes; een eilanden—, sugosgors poe-
ttii\'-jKirlar;
hier <n daar een —, bij
nlzonderlijke groepen, tatoewpoejt-êct\'
tofuiforl:;
die buizen stonden bij u\'roc-
pen, roemaMnja Hoe pon tfrtoempoeï;
de cene — viel het lot lc beurt, de
andere — niet, satoe„/poekktna. tataewt*
/:ori- i\'utda kXiia.
üxoet, in het algemeen, tabtkr: vrede —,
inzonderheid van den meerdere aan den
mindere, talém. Ar. — van den min-
dere aan den meeidere, sPmbnh.
yroeten, wXm&Sri tul/ik; \\nn een mecr-
dere aan een mindere, „iXmbXri salaiu;
vnn ceu mindere aan een meerdere,
iiiï.ijïiéibiili; elkander —, bXrtnit,im-.sa-
/•\'..,.t,i
. „iXud.Xri fttbik\' Sii\'ortiny aknu
■*"\'or<tny.
— met den degen, eene \\ lag,
het geschut enz., mXi/ibXii honnat,
«roeve, kuil, Maya; steen—, tXlaga
baioe.
Zie ook groei\'t tin—, tinuiijn,
kolong. - , ii.iiiaven kanaal, gracht,
j-loot, enz., punt. Ook — in planken;
van zulke —n voorzien, gegroefd, bXr-
aioer, bïrpsrU.
groeven, m&utboewêt ttfoenai, mXnmrif.
ttfoezelic Üiutai-ktmal. —, zwnrtnch-
ug, fjoemoet.
arof, ruw vau oppervlakte, ook van
woorden en onopgevoed, kaïar; iemnud
— behandelen, utXngasar-ntjasorkan ,een
—   persoon, orany kasar. —, ruig op
het gevoel, zooals b.v. keper of wol
op het lijf. — papier, een grove plank
of steen enz., kasap.—, sterk gespierd,
i\'agas, ook — van proportien, van een
werk. — van korrel, b.v. van zout of
zand, komhoug ; zich — uitdrukken,
grove taal voeren, mXïoenykap, — van
verglaasd aardewerk en poiceleiu, kX-
raxff, d/X/oek:
—, slordig, van aller*
hamle werk, yabas. —, in het ruw, van
werk, waaraan de laatste hand nog
niet gelegd is, niet netjes afgewerkt,
yoibat, soebat. —, honds bejegend wor-
den, dipXrXdjnhi. —, zie ook ruw.
—   Haren, bX-muty kasar.— zand, grind,
ka.aik\'. — gesehut, WdfMM bX-ti-r.
schrift, soerata* knsur. — sreld, oeicavg
VXsor.
— geld verdienen, m<fnd*pai
banjak\' oetratiy, m. b. tabu, ut, b. ont~
toeng ;
grove verteringen maken, n/Pm-
l.il,i;idj,i!.,i)i banjak ocwtmg;
zijn geld
er dooi breng», i,<ii/\'buroskan oeicang-
ti/u.
—, onbeschaafd, lomp, koerang
adjar;
stijf, onbehouwen, ka koe, kekoe,
!.\'ika\'-k-;
een grove fout, sa/ah bXsar;
het — maken, al te erg maken, tXr-
lampau daripada adat.
•jroiHelitiy;. ka.tar-ka satan.
i-rofheiil, kakasaran.
urotlvjviïï, ijrinpal, vuibany.
• >rufWliilder, toekaag t/af.
grofsmld* pamdei Sësi, toekang bXsi.
urotlte, kitsrr, b.v. de — van dien draad,
kasarrja bhttutg ito?.
ijrol, zotlernij, pïryHuihi, djinaka. —,
beuzeling, pï-rkara jany sijti\'sija, —,
wrok, kadÏHykia*.
l»rollijï, boertig, djitiaku.
»rom, ingewand vun visch, iêi përoêt.
—, vuiligheid, kotor.
urommen; visch—, mimboctcoiiy >si
pXroff ikait, mtmeroct.
Zie ouk brom-
men en knorren,
uromini*;, zie Iinorri«.
•*rorapot, zie Itnorrei»ot.
irrond, aarde, tanali; roode —, tanah
merahi
roode znnd—, tanoh s\'n<i/t,- vette
—, tanah yXmok; magere —, tanah
kering;
woeste, onbebouwde —, tanah
tutidvrs, tanah mati;
bebouwde —,
tanah hido?p tanah .tXgnra; klei—,
tn.iah Hal; zand-, tanah pasir; op
-ocr page 291-
27U
«rondb&Ut — g rond ver deelini*.
• rrondereiidom, mitik tanah.
srondeind van een paal, dat gedeelte,
waai mede hij in den grond zit, oembi.
grondeloos, niet te peilen, tiada tïr-
doeya;
een grundelooze diepte, toebir,
dn/am jany tiada ttrdoeya.
—, onein-
dig, ttuda bïrhinyya.
gronden, grondvesten, inXnya/askaa,
uii/ii/jiruttttka/i.
grondgebied, uitge?treklbeid lande,
waarover bewind wordt gevoerd, daf
eak,
Ar. —, nabij gel eiren, djadjahan.
Srondi-*, op goeden grond steunend,
bèralas. —, hecht, stc.iï, teyuh, tëla/i.
—, wel doordacht, dilimbtuiij bëfuet-
bfdoel,
—e kennis, ptuyUahoean jamj
sant poema,
—e visch, ikan jany bti-
baoe toewjioer.
— onderzoeken, w/eW-
rikstü denyau sëlidik (van periksa),
MPmtïiksa\'i dïngan saksama, uitajt/idik
dëayan saksama.
™i*ondin£*. pfnt/nlasan.
^rontllileur, van eene schilderij, ire-
weven ol\' geverfde stof, milar, dasar.
srondlaay, atas, kakidembok,
yrondle^jjer, fiinja/as, oiany jamf
mê.aboeboek a/as.
<jrondlei»i*injr. pïnyalasa.i
jjrondoorzaalr, moe/a sëbab, asal fÜf*
taiua, j„//tuit.
grondpyler, ^rondpilaar, tlany jany
blrdtri ditanah.
Zie uroud/uil.
grondrecht, &a£ tailik tanah.
grondregel, grondstellins, oesoel, Ar.
^roinlsai), ttroeAf kampmt, tahi,koembi.
Zie ook bezinksel.
•*roiid*tchfidin<£, /drhinyyadn tanah,
batas tanah.
«jrondsliijï, a/as; gemetseld fondament,
kaki-tembak, ook van een geschrift. —.
lig. ook jjuhun, b.v. die wetenschap
heeft de waarheid tot —, i/moe itoe
pohonnja Waar; de — van al dat on-
denvijs, kaki-teuibok sëyala pëaijadja-
ran itoe;
den — leggen, mëmboeboeh
a/as, ,11. kaki feinbok\'.
Ook fig.
■£rcnds»1 ci\'ii, batoe a/as.
<£rond»tellin£, oesoel. Ar.
yjrondstoi", element, iïnsoer, Ar. —,
datgene waarvan iets vervaardigd zal
worden, bakal.
grondt »nl, bthaxa asal, bëhasa jany
sadia.
jjrondtoekenini*, jjfta taaak, yambar
taaah.
Zie ook M\'licts.
grondverdeelltiiï, /jïmbëhogia.n tanah.
den — vallen, djat oh ditanah; de vlakke
—, jiatttf; droge — aan den voet van
eu berg, barok; rijzende —, kooge,
droge —, nevens lagen, natten —,
fitmatain/, pïrmatang; droge — in tegen-
stelling wet moerasgrond, ook darat;
met den — g;«.\'lijk, rata déryaa teemt;
plat op den — vallen, dj at oh rota
kaboemi
.- hellende — met weinig tccl-
anrde, niet zeer vruchtbaar, tanah ka-
sanij
; vruchtbare —, ta.iuh buik; zeer
vruchtbare — , tattah taboe; harde zee-
grond, tëranas. •— van eene Schilderij,
L\'ewevcn of geveilde storten, dasar,
natar.
—, geaardheid, fa\'Aat, Ar* dasar,
b.v. de — (geaardheid) van dien in;ui
is goed, dasar oraug itoc ba\'ik. —, oor-
sprong, poAcm, pokok. — onder de
voeten hebben, bïrdjtdak; hij had geen
— onder de voeten, kaki/tja tiada bër-
djedjak;
aan den — geraakt, van een
Vaartuig, kandas, ferkaadas, ttrsany-
koet;
te — e gericht, binasa, soedak
roesak;
te —e lichten, tnëmbinasakan,
mvroesakkan;
te — e gaan, van een
vaartuig, karaat, fënyyëta../. Van andere
zaken, binasa: van een land ook: ieny-
yë/aui.
—, reden, sëbab, moe/a sëbab;
zonder —, dï mjan tiada sëbab, dënyaa
tiada nwela sibabnja;
in den — ken-
nen, kina! baik-bdik, tahoe baik-bdik,
—, vloer, van planken, latten, plat-
geslnst ii bamboe ut\' boomschor*, la.itui.
—, zie ook bodem. —, ondiepte,
tohor; in den — bedorven, roesak san/a
sakati;
in den — boren, van een vaar*
tuig, doen /.iaVen, Mttiï-n</;/t"/i!/itka,i (v&n
teMf/at/am).
—, grondslag, atas; platte
—, ranljana, diuak. Zie aoh«t*l uit
don — des harten, ilarijiada siroe\'t-
koctoeb,
Ar. alleen in brieven.
srondtmllSf waarop een huis komt te
staan, iia.ty kaki.
■■i\'otiiUii win-.. ■]. poken, Hfal, Ar. roe-
koeii,
Ar.: van hetzelfde — , sapohou,
sai/ia asa/, saroekoe».
irrondbeluKtiiis, tjoekai tanah. Ook
alleen tjoekai. Op Java padjëg.
z*rondl>t.\'\\vuH, da/t/, tam/a katïi\'anyan.
grondboren; grondboringen doen, om
te zien win welke hoedanigheid de aard-
lagen zijn, mëranljany tanah, letter).
den grond steken.
-;ruudl>rit I, soerat gada\'t tanah.
grondeigenaar, toewan taaah, jany
eotpoeuja tanah.
-ocr page 292-
280
grondverf* —
grootoog.
grondverf, tjat das.r.
grondvergadering: naar de — gaan.
karam; >pottenü voor zinken, ttnyyê-
Utisi;
voor verdrinken, mafi lïtna*.
jvrondveften, mingalaskan, ntëmboe~ .
boeit kakt-tembok. \'/Ac
ojondalac.
grondvesting, piogalttxan.
izromlvliiU uu een lichaam, pantal. i
grondwater, ojar jatig didalam lanah.
grondwoord,/\'!;/*/: asal\';asalptrkafa^in. l
grondzuil, tvnggak; lig. roekoen, Ar.
do vijl\' —en van don Islam, roekoe//
islam jong lima.
groot, btsar; grootcr dan, btsar dari-
pada;
veel grooter dan, lébih btsar
danpada;
grootst, itrbtsar ; zoo —aU,
sabïsar, b.v. zoo — als een knaap,
sabtsai\' bondag. Ook xamalitsar dtnyan,
b.v. hij is zoo — als zijn broeder, //</
sai,ia btsar dtnyan abangttja.— maken,
verhell\'en van iem., mtmbtsarkan.
worden, djadi btsar, btrtambah-t\'omhult
btsar
; op zijo grootst, sabtsar-btsart/ja.
Al is de zonde, die zij gedaan hebben,
nog zoo groot, djika \'tja birdosa sabï-
sar~btsar dosa/rja.
In sommige gevallen
wordt een ander woord gebezigd, b.v.
de —e weg, djalan ra/a; een —e dag,
feestdag, hari raja; de —e en heerlijke
goden, deieata moelija raja; het —e
wond, rimba raja ; de —e rivier, soengai
raja;
de — e mast, tijany nyoeny, het
— zeil, lajar agoeng, in sommige
samenstellingen, voornamelijk titels,
maha, b.v. de —e Vorst, maha radja;
een — heilige, maha-re\'si; zeer —,
maha btsar. — minister, maha manteri.
—, machtig, kabir, Ar. akbar, Ar.
meestal van Gud gebezigd, b.v. Gud is
groot, M/ah akbar. —, verheven, moe-
afam,
Ar.—, sterk vim vuur. waarmede
iets gekookt of gestookt wordt, behalve
btsar ook styak; even —, juist pas-
sen van dingen, die op elkander gelegd
worden, soetcai. —, reusachtig, in tegen-
overstelling van klein, dwergnchtig.nml.
van kippen ot" vechthanen, poepoeh ;
een — woord hebben, veel prants heb-
ben, bërbtsar moeloet, bïibavjak kata;
grot\', gemeen in zijn spreken zijn,
moeiort rampoes; een — oian, orang
btsar.
—, lang van gestalte, pandjang;
een —e man, orang pandjang; een —e
en dikke man oi\'any paw/jatiy btsar;
een —e en slanke man, orang pan-
djany lampai;
zich —, eolossaal, zwaar,
voordoen, van zaken op \'t water, b.v.
een schip, nunyveuibauy (van oembaug);
de —en, de aanzienlijken, orany ftttr*
bï sa,-, ar au ij kaja-kaja. — is het onder-
scheid, tljao\'-h bedanja. —, gewichtig,
btsar, b.v. een —e /.n&k, ptrkara brsar;
de —e Heer, Sulthan van Turkije,
üoflftiti Roem; Alei ander de Groot e,
Iskattdar d zoe\'t karnen; op —en voet
leven, overdadig leven, htdoep dtnyan
komeaatiu.
—e oogen opzetten, mëm-
biliak, lutwbtliakkan matanja;
de —e
hoop, de menigte, kahanjakan orang,
orttlig ban/ak;
een — uur, satoe djaui
lïbib;
eene rekening — hondeid Gul-
dun, saerat hoetang saratoes-roep/jah
banjakn/a;
in het — hundcldtijven,
baiiiaga bisa,\\
:\'.i\'oi«il>i-K. moeloel rampoes, tt, btsar.
grootbrengen, mimtltharakan (van pt~
lihara);
k iuderen —, mimtltharakan
anak-aaak;
met veel zorg — van kin-
deren, èmpenak.
grootdadig. heldhaftig, gagah-btiani,
Srooteiyice.. amal, sanyat, ttrfaloe, tir-
libilt.
SrootmdeeU, sabêsar-besar, b.v. utaka
dapatlah pi,rhabaran itoe sabtvar-btsar
jitmdi,
en bevond die geruchten groo-
teiideeis luster.
groothandel, ptrniayaiin btsar.
groot Ikhh lelaar, saudayar, btaprt.
«roothartig, btxar-haii.
grootheid, Lab\'ésaran; de — Gods. ka-
bisarait Allah.
—, aanzien, kamiyahan.
—, heer\' ijkheid, kamoe liaan, tahana,
ïiftamat,
Ar. — hebben, btrkamueüathi,
bï-itahana;
in — gezeten zijn, dofdoek
dcnyait l,antocliadn, doedoek btrlahaaa.
grootje, oud besje, nenek kibajaa,
grootkruis, van een ridderorde, bui-
tttiitj bC-sar.
grootninohtig, maha koeicasa.
groottnaUen, mimbésarkan, mf.tnpf.)-
moel\'ukuii.
grootmeester, püighoeloe btsar.
grootmoeder, nenek, ueaek pïrampoe-
tcan.
1 an Vorsten, nenenda. Zie groot*
vader.
grootmoedig, —, edel, balk boedi
ptktit\'i
; milddadig, nioerah hati.
groot moedigheid, milddudigheid, ka-
moerohaa hati,
grootmond, moeloet rainpoes, moeloet
btsar.
grootoog, \'/ia(a btliak.
-ocr page 293-
■ — gulzig.                                                2&1
vnn edelgesteente, po>\'di. — in de pi*,
karang-karang pada a/ae kXntjing; tot
—, loeloeh, toeloi-h-lantak, rëiaoek-
ridam, hantjoer, hantjoer-loeloeh.
gruiszand, irrot\' — ,batoe kXlikir, karsilr.
grut, grutte, gort, bXras bXlanda.
gruttenbrü. boeborr hX-ras bitanda.
gruttenmeel, tXpoeng herat bXlanda.
gruwel, kagrl\'titt, pirhoeteatan bXngix.
gruweldaad, pXrboetvalau kagèl\'wii,
pïrboeteatan bvngis.
jjruwelyk, LngXliait. bi\'-ngis, jang ntXmj-
adaknn ngXri.
gruwelijkheid, kagitian. kabX-ngisan,
ki\'.//;/i/■>!•,i.
gruwen, ngïri.
guillotine, kapok ptnïndas.
guillotineeren, mXnXndas (van tXndax).
guit, apotboet\', orang d/maka. —, deuif-
niet, pXntjoeri; kleine —, schnlksehe
jongen, honlak jang tjereitik\'.
guitachtig, guitig, djinaka, IjXrXdik.
guiten» tuk, kit/oe, pXrmdtnan pXntjoeri,
tamasja,
b.v, mari kita kaloetcar bt-r-
irdtn-mdin (tiimtsja,
kom, laat ons uil-
gaan, om guitenstukken uit te voeren:
dan Omar ihnaja pon kaloetearlah diiri
dalam néyari pïrgi bX-rindtntna\'iu tamasja,
en O. O. ging de Mud uit om guiten-
stukken uit te vueren.
guitig, djinaka, tjoera; een guitige
knnup, .sa\'orainj hoedak- jang tjoera.
gul, niededcL\'1/.aam, moerah ba/i, toektt
membtri, tanga.i terboeka.
—, openhui-
tig, (oeloex-hati, tïroet-te.rang.
gulden, roepijab; een — zilver, toto*
ro\'-pijah perak ;
bij verkorting ook alleen
pera/r, b.v. zes — zilver, taant perak ;
een — koper, satue roepijab IXmbaga .
de — in Eugelseb Indie in gebruik,
roepijab si ka. Zie ook gouden.
guldenstuk, een —, roi-p\'jab xaktp\'tng.
gulhartig m gul.
gulheid, pTii kamoeraliaa.
gulp, een — bloed, toepte, b.v. kaloe-
warlah darah berkoepali koepa/i dari
dalam moeloetnja,
hel bloed kwam bij
gulpen uit zijn mond: kleine —, toe-
ptk.
—, split, bllahan.
guluit, tXroes-itrang. — zeegen, btrkafa
tXi\'oesd\'traag.
gulzig, gretig, happig, dX-map, lahup,
ijXloedjoelt, dji-loedjoeh, bé!alah,pilahap
;
buitengemeen —, padjoh dan tjaroe.
— in het eten, ook madjoeh. — ver-
zwelgend, boeloer.
groot ouderi
grootouder», iteaefr. —, vuuroodsn,
itenek-mojang.
j»root*ch, heerlijk, moe/ia, endah-eudah.
— e, verhevea zakeu, ptrtara jan/t
Hiigah\'mP.ijah, —. plechtig, van een
geluid, affamat, Ar. b.v. maka stgala
boenji\'boenjian pon dipaloe oranglab
tèrlalue aflamat boenjinja,
en uien be*
speelde de muziekinstrumenten, zeer —
was de muziek. —, hoovaardig, tjong-
kafc, sombong,
koija.fr; niet zou weinig
—  op iets zijn, zie bij trotsoh.
groot seh hei «I, heerlijkheid, kamoe-
liaan, kavndahan, kamégahaa, SfitUêUlt,
Ar. /ie grootHch.
grootspraak, bluf, tjakap angin, ku- ■
tjak, kamXgabav.
grootspreker, oruttg jang bertjakap \\
angin, ptngatjak, orang birtnégah-inXgah
grootte, bisar; de — van iets, bésa/tija ;
van gelijke—,sauiabXsar.—, uitgebreid-
heid, toetcat, b.v. de — van dat meer,
toewmi tast*,- i/ue. — van een persoon,
zijne lengte, pandjavg; sterren van de
eerste —, bint,mg jang tXrbtsar.
grootvader, nenek; nenek laki-iaki.
Van Vorsten, nenenda. Volgens sommi-
gen is t/af of f.\' — en uniek- over—, b.v.
.truck pa/ik bXrtjirittrakan kapada da-
toek patik, (tan datoek- patik bfrtjeri-
,
ttrakan kapada bapa patik, mijn over-
grootvader verhaalde het aan mij»
Krootvader en mijn grootvader ver- I
naaide het aan mijn vader. Algemeen
is echter nenek grootvader; van mijn
—, over— en betover—, daripada da-
toet nette fr majang kamba.
grootvizier, eerste minister, pX-rdann
mantXi\'i, tettzir bSsar.
^rootzemelbewaarder, ptaoenggoe ■
mittrai karadjaan.
grootzeil, lajar agoeng.
üros. twaalf dozijn, doeiza-bXlat lusiit.
—, de menigte, kabaujakan orang, orang
biuijair;
koopman in \'t—, zie groot-
handelaar.
■i\'iissi\', salinuu soeral notaris.
\'■\'""i\'T = groothandelaar.
ir rot, go/ia. —, hol, gtronggang. —,
zijwaartsche ingang in een berg, ook
tjtroefr goeaoeng.
lirotwerh, goba-gohaan.
grovelijk, di\'iitjun kasamja.
griil», van stuenen, batoe kt.tilcir. —,
grof zand, karsijr, — van rijst, fijne
gebroken rijst, ioekoet, mfuir, Jav. —
-ocr page 294-
283
&ulzi<>;aivrtl — haalidoorn.
Üiulzitïaaril, orattg dSmap, péndvmap,
pila/inji, orang gëioedjoeA,
gulzigheid, pi-ri déwap, përi yvloedjoeh
enz.
iï uu in \'ii, toestaan, mtloefoeskan ; zich
den tijd ui\' du gelegenheid voor iels—,
die niaken, mënjimpat, h.v. adoek, orang
uioeda itii tiada menje/npaf lagi; uut ka
nantilaA dfhoeloe,
och, dit jonge mensen
gunt zich geen tijd meer: wacht toch
eerst wat. —, gunstig zijn jegens, 6ët-
kenan ata*, btrkenaukan, noirka akau,
so/l.akan.
uunst, toegenegenheid, kasih, soeka,
ridla,
Ar. —, genade, taroenia, Skr.
anorgëraAa, Skr. —, ook tilik, b.v. de
—   van God, filik Allah; het aange-
zicht in — aannemen ïn het gericht,
nifiiUik moekti; in — zijn, diprrke-
aankan,
b.v. in — zijn van den
Vorst, dipërkènankan o/Ut haginda ,■
een vrijwillige —, van hoogerhand,
karoi\'uia den/jan ridla hati, anoegrraha,
Skr.
:;um- 1 l>!■ w i.i>, titnda karidlaiitt.
«runs teling, k\'ekasih; het meest geliefde
kind, li/aany-timanyan.
gunstig, van voorkomen ol\' ligging,
lampan, b.v. dtinlagi kadoedoekannja
poelau \'don ivrlaloe lampan,
ouk was de
ligging van dat eiland zeer —; sajala
lasjkat itoi\' lampan bèlaka,
al die krijgs-
lieden hadden een—, Hink, voorkomen.
—    van ile» wind, tocroetan, sarong
boerilan, pafesa.
Voor dit laatste b.v.
angin paksa pon toeroe fUah, do gunstige
wind stak op.
gutsen, bij stralen uitkomen, b.v. van
bloed, memantjar (van panljar); zijn
bloed gutste, darahn/a mt\'nutuljar. Ook
bhrsamboeran. —, stroomen van tranen,
bï-rdeiui, —, van het zweet, bertjoe.-
tjoeran ajar p\'eloeh, tmnyalir p\'eloeh.
—, van vloeistoffen, met een straal,
als de straal uit een waterkruik, ///>■•
ngendi.
guttui>ercha, dit woord is eene vcr-
bastering van het Maleische gtlah-pr,-
Ija,
de gom uit cen soort van vijgen-
boom, die vóuial op Sumatni en om-
liggende eilanden voorkomt. De boom,
die de — voortbrengt, pohon li-bun,
po/\'üii ajaloh.
guttegom, g f la/t kambodja,.
guur, koud, sedjock, dingt*.
guurheid, kas.-djoekai/, kadinginan.
II.
ha, Tussehw. liai, eit.
hang, heir, pagar; tot — hebben, Wr-
pagarka/i, b.v. bamboe tot — hebben,
hérpagarkan hoeloeh ; van eene — voor-
zien, i>ïrniagari; eene dichte —, poyor
jang ropat, pagar jang lebat.
haal, ikan hijoe. Soorten zijn: hijoe b\'eng-
tong,
met wijd uit elkander fttaande
oogen; h. hrlangkas. en ikan djeromg,
een soort, die zoo groot wordt, dat hij
een inensch kan verslinden; h. bodoh,
de domme —, die snorren heeft en vrij
groot wordt; //, lenggiri, een soort die
de grootte heeft van een kabeljauw;
//. tckek, een soort die niet eetbaar is;
h. parang of h, gergadji, de zaagviseh;
h. patong, met een langen, smallen,
dwarsstaanden kop, aan welks beide
einden zich de oogen bevinden. Verder
h. poenai een kleine sooit; h. koema,
b. ke/nedjan, h. k/ja-kija.
Deze laatste
heelt cen kop als een rog en cen staart
nis cen haai; h. laras, een kleine soort;
h. hariu/att, een groote soort, gevlekt
als een tijger; /(. soemat/gi, een soort
met zwarte vinnen.
lumienvel, koelit hijoe.
baak, kaït, péngdit, ff dit, penggaït; dub-
bele —. in den vorm van eene S, kalt
beraugkai.
—, of hoek aan een hengel,
mata ka/l; op Java mala pan Ij in y;
stok met ecu—, gaufjoe; schoepi-booin,
gala//.; ijzeren — om olifanten in bc-
dwang 1e houden, Ijanykoek, koe na (Skr.
angkoesa, id.); met zulk een — aan-
sporen, mhtgoeta. — om krokodillen
te vang*\'D, yarayai; cen soort van —,
gebruikt in den krijg, om daarmede
de sebilden weg te rukken, saagyamara.
—, gevorkte stok met haken, gebiuikt
om boosdoeners en wilde dieren te van-
gen, tjanyguh. —, weerhaak, roewit:
met een —, sarocivit. —, timmermans
rechthoek, winkelhaak, stkoe-sikoe; oiet
in den —, niet zooals het behoort,
tiada dengat/ srptlrtinja, tiada dèngan
patoetnja;
aan den — hangen, uitstel-
lcn, n/r///pirtatiggoe/ikati;h&ken en oogen,
geschillen, pers\'elisihan, pertjideraan; de
wereld is vol haken en oogen, doea/ji\'
int pijio/i perstliit\'kan
(of p\'erljidéradn).
liaaliiloorn. aan planten, ka\'it; bladeren
met haakdorens, daocn lirka\'/t-ka/\'t.
-ocr page 295-
Liaalilndder — baai*.
263
lmalt ladder, ladder waaraan haken om
dien te bevestigen, tangga peiigd\'tt.
haaksch, si pat het oef, betoel sipatuja.
\'iiiinUvormiu, saroepa ka\'tt.
liua), trek, b.v. met eene pen, naris.—,
krul met de pen, srlimpat; —, ruk,
seufal: —, vlucht; b.v. aan den —
gaan, fa*»; inet iet» uan den — gaan,
taelariian, nieuweling (vim purt\'uig); aan
den — gaan, onverwachts vertrekken,
gedeserteerd, hemboes, lett. geblazen.
Zie ook ha/enpad. —, trek uit eene
pijp enz , pvngisap, isa/>. Een — of
trek ia dien zin, nkaliitap. tttpfitffitap.
—-, slok, teug, fjrgoek; ée\'n —, satje-
aoek\',
haan, hajam djantav, hajam laki-laki.
—, tig. uitgedrukt, banding seloka, b.T.
hi.ujga berkoekoek bandiag seloka ; Ibra~
kim po» bangoen,
tut de haan kraaide;
tuen stond I. op; een gesneden —,
kapoen, hajam keberi, hajam kasim ,■
een — met een kuif of kam, hajaai
btrbaloeng;
vecht—, hajam sahoeug ;
hanen laten vechten, een hanengevecht
houden, ml-.ijahoeug: een vecht— rich- j
ten, uumbcyii; slacht—, halfwassen—, \'
Jonge — voor de keuken, ha jam pa-
ranggang.
— van een geweer, pifjoe,
b.v. srrta diprfik sehadja pifjoe sëna- i
pang Hoe, terwijl de — van het geweer :
slechts werd overgehaald; haantje de
voorste willen zijn bij wedrennen of
een aanval, mëredjah.
hiuuitjepik, du boeman, motttojf.
liunr, per». Vrnw. enk. 3e en -4e nmv. !
dia, mja, of een der woorden, die be-
leefdbeidshalve voor het Voornw. in de
plaats worden gebruikt. Van Vorstinnen,
baginda ; zeg—, katakoMJah kapadanjë ;
geef —, btrikanliifi dia: ik zie —,akoe
t,ntihat dia,
het hoek. door — geno-
luen, kitdb jang di-a,abilaja. — meerv.
= bel cnkelv. en ook mareka-itoe. —,
iitz. \\ ruw. enk. nja, of een der woor-
aeo, die In-;*?!-[illn-l ii-h:t 1 \\ t.\' daarvoor in
ilc plaats worden gebezigd. Van Vor-
>t innen, baginda. — , meerv. aja, mareka-
itat,
NB. in de spreektaal wordt het
dikwerf vervangen door dia, poeaja.
man, la km ja, soricami/tja, dia poen ja
takt.
Met sterken nadruk op haar, takt
dia;
de Vorstin omhelsde — kind, pra-
mesicari pon wtmtloek aiw.kda baginda.
I\'aap, hoofdhaar, ook — van de uanen
en staart, rata boet; hoofdhaar van den
\\\'oT6l,swrai; hoofd— hehhvn, beramboet.
—, dat tot de schouder» reikt, ramboel
dj\'edjak- ba hot\';
het einde vaa zulk —,
dat op de schouders hangt, kaki ram-
bot\'i;
de fijne korte haartjes rondom
het hoofd, inzondeihcid langs het voor-
hoofd, anak ramboel; bosrh \\al;ch —,
gebruikt door vrouwen, tjemara; hoofd-
haren worden bij helai en oerat geteld,
b.v. drie haren, ramboet liga belai,ram-
boef tit/.i oerat;
grijs —, ramboet poe\'
ti/i, wbati ;
zijn — is zoo wit als sneeuw,
ramboetnja noatik tanïrti kapot; enkele
giijzc haren kiijgen, mèndjaroem,- los-
hangend —, ramboet tèroerai; in een
lus opgestoken —, sauggovt,- in een
wrong opgestoken —, koendaï; het —
rondom het hoofd geslagen, \'j--c/a,ni;
dan —, fijn —, ramboet haloes; dun
geplant —. TOmboet djaraag; dik —,
grof, ramboet ka sar; dik geplant, ram-
boet l\'ebaf, ramboet kemhang;
stekel-
achtig —, ramboet stram; ook te berge
gerezen van het — : krullend —, kroes,
ramboet keriting, ramboet papoetea; krul-
lend —, doeh niet kroes, ramboet U-at;
kleino —krul, téntik; slijt\', sluik —,
ramboet këdjorr; met afgeschoren —,
btrtjoekoer ka pa la; het — afgesneden
hebben, inzonderheid als straf, ragas;
het — in die bet eekenis afsnijden,
tiieragas. — van pasgeboren kindereu
of dieren, akikat, Ar. l>e dag waarop
dat — gesehoren windt, kari oerükikat;
geen — hebbend, kaal van hoofd,goen-
doet, soelalt;
ontwarren van het —,
u.eajetesaikan ramboet (van se/esai). \\ er-
wnrrcii van het —, mengoesoelkan ram-
boel
(van kvesoet); de haren vluchten,
menga.ijam ramboet (van int jam); het
— snijden, memotong ramboet (van
potoug); het — losmaken, iitengoerai-
kan ramboet;
in de lucht zwierend —,
ramboel berkibaraa ; uitvallen van het
—, vóór den tijd, goegoer ra—boet; op
zijn tijd, loeroeb ramboet; aaneen—tje
hangen, aan een zijden draadje han-
gen, Itrguutot\'ng pada ramboet Sidttlai;
als eene kat die — afgaat, tapèrti
koefjittg mJmberaJêau ramboel.
Sprw.
—, huidhaar, boeloe, zoowel van men-
schen als beesten. Van mensthen alleen.
roeniti, iSkr. roma*. Van rijst, gierst en
andnc granen, roeman, — op de huid
van het menscbelijk lichaam, de schaam-
dcclen, de schil vim vruchten, touw-
-ocr page 296-
284
haarachtig haast.
werk, enz. ramboe. — tjes of vezelt, die
uitsteken, of er bij hangen, sèraboet.
—   aan de schanmdcclen ook: djam-
boef;
fijne —tjes van bambuc en/.
ntijavg; niet lang afhangend —, zooals
van een uuden bok, een Angora-kat
enz. randok-. de baren onder de onder*
lip, tjoemtk; borst—, boeloe dada;
neus—, boeloe kittoeng, boeloe lijaitg
kidoeng.
— in de ouren, boeloe teliitga
—   onder do oksel on, boeloe këtejajr;
huid - hebben, berboeloe; ruw, ruig
huid—, boeloe kasap, b.v. zooals een
veulen, dnt nouit geroskamd is; uit-
vallen van het huid—, verharen, toe-
kar boeloe.
—, hnarachtige vezels aan
den nrenpnlm en and. idjoek, doek,
Jav.; met de handen iu het — zitten,
tiada berdaja lag/; met huid en —, sama
sakali.
Zie bij huid; hu ar op de tanden
hebben, moeloet fjalak, Hg. timbang toe-
ttai,
lett. contant betalen, moeloet best ir.
haarachtifg* saroepa ramboet, s. boeloe.
s. roema.
Zie het verschil bij hnar.
h aarbal, randerbezoar, goéliga lemboe,
moestika lemboe.
haarhnnd, om het haar op te binden,
peitgiknt ramboet, jita koendai.
huarbles, djamboel,
haarborstel, sikat ramboet.
haarbow, \'t zij het valfiche hnar bij
vrouwen, \'t zij aan wapens, masten,
vaandels, Tlirkeche sehel enz. tj\'éiiiara.
—, kuif, djamboel.
haard, ït ook p laat:-, dapoer; eigen —,
roemahtangga.
haardaseh, /taboe dapoer.
haardbezeni, tapoe dapoer.
hnnrdoelr, harig doek, kaïn ramboet i,
kaïn kambeli,
ook voor tenten.
haardos, b v. zijn hoofd heeft een
rijken —, kapalanja rimboen sakali,
haardstede, stookplaats, dapoer.
haardsteen; drie stecnen voor treeft,
waarop men een kookpan plaatst,
toengkoe,
haardtane;, tepU api, penjëpU api.
haardvuur, api dapoer.
haarlijn, sa/ièrfi ramboet haloesttja,
haarkam, sisir ramboet.
haarklein; — iets verhalen, méntjïri-
tirakan sedikit pon tiada t\'erloepa, men-
tjh\'iterakan habishabis samoewanja,
haarlilooven, lig. meitjehari koetoe
datam idjoek,
d. i. luizen zoeken in aren-
vezel». —, vitten, mea/jbla-fjela.
1 haarkloover, vitter, pcntj\'t\'la-tjvla.
haarhrnl, ikal ramboet.
haarlok, toekoeng; de —ken afsnijden,
een onleercnde straf voor vrouwen,
mènoekoeng, —, die men boven op \'t
hoofd laat staan bij het hoofdscheren,
boeboengan. —, kuif op het hoofd,
djamboel. —, achter op het hoofd,
tjentoeng.
I haarloos, van het hoofd, goendoel; van
het lichaam, tiada berboeloe,
haarnaald, toesoek- koendai, tjoe.ljoek
sauggoel.
haarnetje, djala-djala ramboet,
haarolie, miltjak ramboet; welriekende
—, minjak raksi. — van Makassar,
mtnjat mangtaior,
haarpen, baarnnald, waarmede de haar-
wrong of hanrlus vastgestoken wordt,
toesoek koendai, toesoek sauggoel, tjoe-
tjoek koendai, tjoe.ljoek sant/goei.
haarsnijder, ioekang potong ramboet.
haampeld = haurnaald; Ben soort
van gouden —, die achter het oor ae-
stoken wordt, soenting êmas.
haar tangetje, sepit angkoep.
haartooisel, perhiasan ramboet; e. s. v.
—, bestaande in een afhangend vlecht-
scl van bloemen, sekoe/ia».
haartrens, haarvleeht, anjaman ram-
boef;
de lange — der Chineezen, ^tW/iV.
haarvleeht, anjaman ramboet; van Chi-
neezen. koe/jir.
haarworm, e. s. v. huidziekte, koerap,
goerak kapala.
I haarwortel, van het hoofdhaar,po/toit
ramboet.
haarwrong, in een knot opgestoken
haar, koendai. —, in een lus opgesto-
ken haar, bet meest gebruikelijke kap-
sel der inlansche vrouwen, sauggoel.
Het haar zoo dragen, bersanggoel. Het
haar zoo opbinden, met/j\'anggoel. Soor-
ten van dit kapsel zijn: saaggoel lifjiit,
en sauggoel tintang tangkoet.
haarziehte, penjakit ramboet.
haas, karit, Mal.; de Kuropeesche —
wordt in Indië alleen aangetrotVeu in
de omstreken van Batavia, waarheen
hij door ons is gebracht, en waar men
hem ktticeloe noemt.
haast, spoed, l\'ekas, sigera, tjepat. —,
gepresseerdheid, sera; in —, t\'ersëra-
sera;
met — komen, datai/g fërsëra-s\'era;
groote —, ovethnnstins:, goepot\'/i-goepoe/t.
— maken, birlHas-lekas, birsigera. —
-ocr page 297-
2S5
haken.
hnnst
hachelijk, gevaarlijk, hX-rbahaja. —,
netelig, soekar.
hu\'ht\'li jklu-ii I. ba.\'iaja, soekar, kasoe-
karan.
haft; een soort van — of dagvlies,ka/a-
katait.
hagedis; hiervoor is geen algemeene
naam. De soorten zijn: huis—,tjXljak.
groote —. die in oude buoinen en on-
der oude daken leeft en een eigcnaai-
dig schel geluid voortbrengt, tokrfr,
tXkfk;
een soort van zwarte geschubde
—, bXngkaroeng ; vliegende —. tjïtjak
(trbang, tjxtjak- kXridiir, tj. koeboeng,
Ij. koebin;
een soort van giftige, vlie-
gende —, suempah-soempab; een zeer
giftige soort, waarvan de beet doode-
lijk is, kXrïdik pXtan-pësuH ; nog e. s. v.
zeer giftige, vliegende —, timbaki,
silajar.
hagel, hoedjmi ajar bX.koe, Tumèon, koe-
djan man\'tk.
— om te schieten, pXna-
boer, pXiiambon\', mi mis, sXmboerau.
hagelbui, hagelstorm, tagray, I\'erz ;
een — van kogels, hoedjan peioeroe,
van pijlen, /\'. anak-panah.
hagelen; het hagelt, ada hoedja.i ajar
bïkoe.
hagelateen, boeicah ajar bïkoe.
hageltaach, tX-.mpat pXnaboer, tempat
mi mis.
hagelwit, zie bij wit.
hak, houweel, ijongkoel, patjoei, Jav.;
c. s. v. — om te wieden, rimbaa; met
zulk een —wieden, merimbas.—, houw
met een hakmes, parang; een —, één
houw, suka/i parang; zie ook houw.
—, hiel. toeiitil; de hout—, pXmoto~
ngan kajoe ,■
de —, wnnrbij de hoornen
worden gerooid, pP.nï\'bangmi kajoe; vnn
den — op den tak springen, nu eens
dit, dan weer dat aanvatten, zonder
iets af te werken, merXnfjain, mX-rXntjuh,
lintjah-lintjah,
voor dit laatste b.v. djika
X\'ngkau htndnk habiskan int, djangan
lintjah-lintjah,
als ge dit wilt afmaken,
moet je niet van den — op den tak
springen.
hakbijl, kapajr, kampajr, Jav.
halihlolr, van een houthakker, landas ,■
op een — leggen, me\'landus, mtngandas.
halthord, papan IjXntjang.
linken, met een hank vatten, mhigaïl;
aaneengehaakt, in elkander gehaakt,
btrka\'it-ka\'if; gehaakt blijven, ÜtkaM.
— met een stok, waaraan een haak
mei iets maken, wiiWcatkan, m~?ttjigera-
kan
;iuet —, met jachten, <■/(;/«/<(» bangat-
bangaiu
/. gXsa-gïsa, dX-iigan goepoeh-
yoepoeh ;
in vliedende —. het een of
ander doen, birgoeloet-goeloet. — achter
het werk zetten, mXmboeroepéktrdjaau ;
hoe meer —, hue minder spoed, maltin
diboeroe, makin lambat, IXrlaloe tjXpat
djadi tand/at.
— hebhen, geen tijd tot
iels hebben, tiada sXmpat.- er is peen
— bij, ta\'oesah diboeroe. —, zie ook
spoed.
Iumsi, itijw. spoedig, dïngan Itkat, dX-
niion siyXra.
—, weldra, kXfak, b.v. hij
kumt —-, tja datany kXlak. —, bijna,
hampir, njar\'n, hampir-hampir, koerang
sXdikit,
b.v. — is het de Vastenmaand,
hampir Loei au poevasa. — had hij mij
gestoken, njaris akoe dilikamnja.
zonk het vaartuig, kampir-kampir (Xny-
yXlamlah ptrahoe Hoe.
— is hij tien
jaar, koeraug sX-dikit supoeUxh fa/wen
wmoirnja;
zoo —, zoodra, sXrta, demi,
b.v. zoo — hij den woedenden moor-
denaar zag komen, dXmi (sXrta) dtli-
hatiija orang mXngamok Hoe datany.
haaatelük = haastig.
Inmaten: zich —, bèrsiyi-ra, brritkas;
in overhansting het een ot\' ander doen,
beryoepoeh-goepoeh; zieh sterk —, jach-
ten, gtsa-gtsa; zieh — of reppen bij
het eten, mingoembas, b.v. di-oemhasuja
wnUctm,
hij haastte zich bij het eten;
een iegelijk haastte zich om te koopen,
masing-masing btrXboet pada mXmhXli;
iem.—, wordt niet gebruikt, maar daar-
voor in de plaats haasten met het werk,
wXmboeroe ptkPrdjai/n, minjigXrakon /..,
mXmbauyatkan p., melXkaskan p.; gij
moet mij niet —, djangan gesa-gesa.
haastig, lëkas, sigX-ra, bangat. —, drif-
tig, met eten, «preken, loopen, wcr-
ken, galgal. —, voortvarend, gantjang ;
zeer —, met oveihaastiiig, goepoek-yue-
poch;
met verscheidenheid, goepoeb.
•iiipah,
— lüjw. dezelfde woorden en met
liXngan er voor, b.v. dXngan ttkas enz.
nastigiyk = haaatig.
haat, bXnlj\'t. —, wrok, dïndam; een —
tegen iemand opvatten, datany btntji
akan sa\'orany.
— koesteren jegens
iemand, menaroh bfottji akan sa\'oratig.
middel om — to verwekken, hikmat
pXrbêutji;
zijn — aan den dag leggen,
toonen, mXnjatakan bX-nfjïnja.
]>natdragend, bïntji, mXnarok bïntjt.
-ocr page 298-
286
hakhout — halt\'.
bcvestisd is, .uiayyantja--; ergens aan
of in blijven —, tirsanykoct; met een
haak naar zich toelialcD, mimaoek (van
paoek). —, verlangen, rindoe, inyiti ;
zee: sterk verlangen, \'Is/ik, Ar. kepi-
ui/i».
Jov.
hnlïhout, kajoi\' patoH\'j\'iu, knjoe bPhthan.
huUKi l.\'n, stotteren, y«g"p; hakkelend
van het spreken door verlegenheid,
bPiiyup, infjoct, b.v. zijne uitspraak is
—, naar niet krom, intjott fapatnja,
bo-kti.è t.dorr;
hakkelend lezen, mïm-
bat ja tï-rsanykoet-sanykoff, laembatja
ti,lHi,i\'i-tii-hantj lattyatt.
haltUen, houwen, mtnttak (van té/ak),
mtuioioiHj
(van pototty); met een groot
hakmes, mtmaraüa (van parany); aan
stukken —, mimpityyal (van pPuggalj:
nan stukken — van vleesch of een
dierlijk lichaam, mï/apabda/uth, b.v.
laat ons hciü levend in stukken —,
bui/.liih kifa lapah-lapah /iidofpt/ja itof:
aan kleine stukken —, laPrt/jPufjatty;
wat op die wijze gehnkt is, tjPntjanyan;
aan kleine stukken — ol\' snijden, mP-
ngfntai
(van kPr»aï)t mi\'ujoenleh (van
sofutr/i): fijn — van vleesch of visch,
miiatcar; den grond — om te wieden
en anu te narden met een link, ;«<Vi/«-
ba.i; hout —, mXmotOMa kajoe; tot kleine
Btukki\'ii splijtend —, mindiPlah kajor;
weg— van kreupelhout enz. menPbas
(van U-bas); geheel om— van hoornen,
mïtnbaug (vau tebatiy).
hï\\UïteteeroW*r, urany banta/ian.
haltlieteeren, bPrbontah-bantah.
hakkel rrrinir. ppfbaidahan.
lialiiiirs: groot —, houwer, paramo.
— om vleesch ol\' groente lijn te hak-
ken, pisau tjPtitjang.
hnkmoet», sajorrjang ditjPttfja»g halo?*.
Imli nel, ijï titjangan.
linUMtuU. van een schoen, toemii sPpatot\'.
hal, overdekte markt, pasar jany béraiap.
halen, untiyaiubil; vuur —, wümgambii
api;
gaan —, pPrgi mP,iga>iibil, ook
van personen. — voor ot\' ten behoeve
van, mPttgambilkaa; niet te —, time*
tPrambil;
laten —, soerorh ptryi mi-
vyii\'nbii,
—, in de beteekenis van koo-
pen, mPmbïdi, b.v. zij ganl rijst —, tja
ptryi itivmhtdi bPraa.
—, waarbij men
telkens optilt en wegdraagt, b.v. de \'
goederen van een vcrhuisboel, water
voor de badkamers, „tPiiiniinikoH; naar
zich toe —, b.v. iemand om hem te
omhelzen, den trekker van een gewen,
mtrajih; dichtbij —, mP.rupi h; wel een
haak naar zich toe —, hièmtwefr (van
paoek}; met kracht naar zich toe —,
b.v. een kind, mast, slocpriem, bin-
ding enz., „iPrPnykob; snel naar zich
toe — vau het tolkoord bij het opzet-
ten, tarij? oer»; met kracht naar zich
toe —, b.v. de roeiriemen, mP.rauyknh ,■
opzij — van een vaartuig, om hel te
kunnen repareeren, minjengetkoM topoi
(van seuyet). —, sleepen, mtugkela;
op het strand —, mtnghela kada,at.
—, verhalen van een vaartuig, mën-
tjP/uat;
niet — van een zeker punt, van
een zeilend vaartuig, mtmbabas; een
kind —, ecne vrouw verlossen, mhtoe-
ioeny pérampoewtn bïfattak, mvmbidaa,
—.krijgen, niet te laat komen,mPndapat;
niet — van een zeker uur ot" tijdstip,
gewicht, mant of plaats, üada sampai;
alles overhoop —, boirgkar-battgkir; zie
ook bij gooien; er niet bij —, niet
te vergelijken zijn, üada dapat diban-
diiiy dettytiii, Üada tfrbandiny deayau
,
waar haalt gij dat vandaan, dtutatia
kandapat itoe f
het anker op—, t/dm-
bongkar saoeh;
de duivel hale wij,
bijar tikoi\' disambar peter; op J av u
dixambPr yPlap, d. i. de bliksem trclt\'c
mij! oude koeien uit de sloot —, miim-
boaykardmnykir, mPinbanykit\'banykit;
zich op den hals —, mPudataiiykan
atas dirinja,
b.v. zich den toom Uodi
op den hals —, mtndatangkan moert*
Jflah utas diriuja.
huif, ïn de gewone heteekenis, jffltfpj/y-i/\'/
in de beteekents van derdehalf enz.,
tPugah, b.v. — boos, saiPjtgah marah :
— gek, jattêiyah yila; een halve gek,
bij verkorting, orany sattayah,- halver
hoogte, satpagah ua\'ik; derde— honderd
0uiden, tPugah tiyn rato-s roepijali ,■
twee en een —, dortva Izhïh satënyaJt,
—, soms takt.rat, b.v. ui ware hij —
utensch, — hond, djikalttu ijn nutuocsm
sakërat, andjhty sakPrat sakalipoa ;
een
halve, mtiagoA, b.v. een halve Gulden,
Stttvnyah \',0\'pijii/i, een — j\'iar, safi:-
nyali ta/uifii,
een — uur, saUnyah djitui.
—, soms, saparo, b.v. half kokos-, hall\'
katjung-olie, mparo minjak itjior.r, I*
paro miiijak ka/jaitg. —, niet guheisl,
een weinig, saeicany-soi\'&niy, b.v. —
boos, soevutiiy-soemtny marah, —wniiu,
lauw, van vochten, toewauf w—J
-ocr page 299-
— halsklicr.                                      2S7
—, teker djindjang; een scheeve —,
lehe,- faling, l. tf,-paling; buitengewoon
dik en vleezig van den —, gondofr.
—  van eene hVsch, teker botot. — van
een bandje, leher badjoe, nija; uitge-
sneden — aan een kleed, pPrtlong
badjoe;
onnoozele —, sukkel, orang
ttintittoi\'tig,
ook: orang terénoh, voor
iem. die niet veel gewoon is in de
wereld ; die onnoozele —, .tifi\'-n //«■//,
b.v. akoe tui boekan si/erenab, nt&mt-
rijrsa orang bëfum përnah
; een bekende
onnoozele —, die wegens zijn domheid
bij de Mnleicrs spreekwoordelijk ge-
worden is, pak randir; den — uitrek-
ken, mendjindjangkan leher; om —
brengen, uit de voeten helpen, oprui-
men, inPinhnetrang, tnïngérdjakan; den
—  breken, mi.imtahkon faket (van pa-
f ah);
tig. b.v, veel woorden den —
breken, bïrbavjak\'banjak pPrkatonn, tig.
in het ongeluk storten, mïmbinasakan :
den — afsnijden, mimotong leher (van
pofong); mengerat t. (van keral),- inem^ng-
gal l.
(van pïuggal). Slachten volgens den
Mohanimedannsehen \\\\\\u*,tnïnjïmb$leh ;
om den — vallen, omhelzen, wtiatHoejt
(van pilifir\\, .m-mi/wk teker; zich op
den — halen, miudatinigkan afas dïrinja.
—  over kop vluchten, Imri tomgqang-
litnggantf, l. tm-nggnng-balik;
om —
raken, omkomen, iaat/, binam.
hnlsnder, oerat h-her, oeratptmboenoeh.
halsband, ka/ocug; een — ombebben,
btrkalamg ; een — omdoen, mhigaloentj\'
kan;
tot — hebben, bïrka/orngkn,/.
halsbeen, toetene- teker.
halablok, dat men mensch of beest aan
den hals hungt tot straf of temming.
kongkotig.
halsbrekend, hoogstgevnarlijk, btrba*
haja tanga*.
halsuloek, ktun lehrr.
hals<*edins, bitjara fyoekoem k-i§éel Ar.
hal**serecht, niadjUa koekvem tiféf.
hal«j£e\\vrieht, -tiiidi Mier, boekoe leher.
halsspzwel, bêugkok- h-her.
halejicht, .itugal h-her.
halttketen, kaloeng rantai,■ een gouden
—, ka/oeng ran/ai t-mas; een gouden
—    omhebben, berka/oengkau rantai
tmae,
hal<xklierv klicrgezwcl nan den hak,
kï\'lSndjar h-her. Iemand met een —
wordt spottend genoemd bt-rocic meng-
haittar hafii.
halfbakken
koekoe; niet —, in dien zin. tiatta
toeKMt/\'iot-icang
; ten halve, kepahmg
(van atang, gering, weinig), b.v tapaia-
pala nama djahat, djangan képa/atig,
geheel en al MD slechte naam, en niet
ten halve; een halve cirkel, xatoe letrg-
koeng;
een — woo rd, sapaiah kata.
—, op de helft, pvrtengahan, b.v. —
Octobcr, pïriïngahau baelan Oktober,
Vim" bïhin hari boelan Oktober;
de hnlve
stad, sntïngah orang ui nïgari; een
halve maatregel, perofoeran jong tint/a
sawpoeiuia, p. j. koerang haik;
maar
— aanstaan, — bevallen, soeka tï-dikit
sêhadja, /\'""l.i bagitae soeka.
halfbakken, krpalang. — geleerdheid,
prngïfahoean jang krpalang.
huif broeder, en halfzuster, nml. van
dezelfde moeder, maar van een anderen
vader, sooedara andjing. Zie ook stief-
broeder.
lmlfdek, tingkaf boerUem kapal; een
soort van —, een gedeelte vast dek
aan voor- of achtersteven, gvlêmat; de
zonnetent o» het —, tjélvri.
halfdonker, zie Mchemerinjr.
halfdood, fingnh ma/i, hampir mati.
halfdronken, tïugah mabok.
halfjjeopend, van cene deur, een dek-
scl, den mond enz., ftrboeka sïdikit,
ivrngmiga sedikit.
halfgod, tjï\'vtffra.
halfhemd, kamedja loetear.
halfjaar; een —, safïngah tahnen.
halfjaric tnet elk half jaar,pnda tijap*
f\'j\'tp salï.igah I\'ahorn;
een — kind,
ki\'./ifk-kitmii.- jang satïiigah tahoen
••mon\'iijit, kanak-kanak
ÖOMNT *</\'?-
/tga/i Inham.
hnlfhoet», sjees, bendi,
\'■idfpond, salTngah kati, satengah pon,
halfrond, van een bol, sabëhih boe/atan.
"ltwlafhtii*. brfdorica djenis.
halfstok, pnda tïngah Uiting.
haliVerheven beeldwerk, bas-relief,
ot\'kiran fii.iboehtïnggïlaui.
halfwas, ti\'ngah na\'ik.
\'alfwpjj, pailu prrtengahan d/aht/t.
1\'iilfzyden, snivngah soettra, bidongsotig.
\'inlfzunlor, zie halfbroeder.
\'"dleluja, hahloejnh.
halm, stee), tangkai. AYordt de gelieele
plant bedoeld dan pokok.
hals, in elke bateekeni», teher; de geheele
—, batang leher, ook Hang tekeri een
lange —, teker pandj\'aug; een slanke
-ocr page 300-
2Ss                                           halskrnag — hand.
hameren. uiïmoekoel (vnn poekoel). — ,
smeden, mlriPnipa (van trui pa); zachtjes
—  of kloppen, mï:noetoek (vnn toetoek).
hamerslag, paloe pfmoekoel. hou-
deu, ntviaoekoel ganti-bXrganti.—. ijzer-
schilfers, serbok bêsi.
hnmer steel, sangkal pêmoekoel.
hamertje, zie Immer.
hamertoestel van een kanon, martil
mariam,
haml, iangtm-, rechter—, tangan kanon;
linker—, tango» kirt; rug van de —,
poenggo\' ng tangan ; de vlakke, plntte —.
tapttk tangan; krom, verstijfd van —,
/inpik (11,11/0,1; verdorde —, tangan „ia/i.
—en die zich niet stil kunnen honden,
tangan mvrajan; de — opheffen, mvng-
angkat tangan
; de — naar beneden
uitstrekken, nienghoelo-ikan tangan; de
—   recht uitstrekken, niëngandjoerka.i
tangan;
met de — naar iets grijpen.
uirntjapai; met beide —en, dïngan
kadoeica bélak tangan;
op —en en
voeten, dhigau kaëtnpat kaki: met—en
en voeten, diingan kaki-tanga n; de eene
—, tangan sabélali, xabtta/i tangan; in
—, ditangan ■ de beide —en naar boven
uitstrekken, tnïnadahka» tangan (van
tadah); de — slaan aan, nïZniïgaug,
(van pïgang), mvnangani, b.v, zij sluc-
gen de — aan hem op eene onbeschofte
wijze, diltingnniiija dZngan kalakoean
jong tiada maloe; de — slaan aan icm..
mlndatangkan tangan kapada sa\'orang,
ter — nemen, ondernemen, moe/ai; do —
ergens inhebben of steken, mtmasoek
tangan :
de gesloten —, vuist, genggam ;
een — vol in dien zin, xaghiggam; in
de gesloten — houden of nemen, inï-ng-
ge\'nggam;
bij —en vol, bèrgenggam-
ginggam\\
elkander de — geven, ber-
djabal tangan;
de — aan de riemen
slann, nundjabal dajoeng; de—en over
elkander op den rug gelegd, stngkt-
ling;
iemand zoo binden ol\' boeien.
niejijeiigkïling; met over elkander ge-
kruiste —en op den schoot, bï-rsilt\'
tangan,
b.v. s\'tla tangan, t/ilaka tangan,
op den schoot gekruiste —en zijn on-
gelukkige —en, Sprw.; het gelaat in
de —eo houden, b.v. van schaamte.
seiitbam; ouk fig. voor onttroond, ont-
slagen, over den kop gegnnii van een
koopmnn enz.; zich de — voor den
mond houden, bhtekap, b.v. toetca»
poeftri moerka mentngar ma\'euang
halsUrnajt, katoettg.
halsltwahhe, kossem, djoembil.
huisrecht, ftoekoëm kisiis, Ar.
halsring, ring vnn ijzer vuur !.....-
doeners, tmloetu bfsi.
halssnoer, collier, tali leher. oetas leher,
ogoek, kahteng.
Zie ook collier: e. s. v.
—, met daaraan bamrende gouden
plaatje?, padaka, Skr. Als die plantjes
hellemaan* of Bikkel rormig rijn, padaka
sa/tart boelan. — van parelen, kaloeng
moetiara, oetas moefiara
halsstarrig, kérax kapa/a, kapala ba/oe,
tfgar, bingat.
hnlsstarriglük, tfrngan llgar.
halster, van een paard, sïnfadji, kvdjai,
Hind. tali aroeng; een — omdoen,
kéi/akan sïntadji; een — afdoen, atïst-
boeta stnlit/iji.
halswervel, (o-\'fang boekoe temer.
hult, bivouak, tijdelijke verblijfplaats,
pfrliettlian, bagan, irakaf. Ar. — als
bevel, hrrhtidi\'.
halve, ter wille van, in samenst. b.v.
mijnent—, karena akoe, uwent — ,kare//a
ragkau,
zi inent—, karena dra, of met
de woorden die voor de Yoornw. in de
plaats moeten gebezigd worden.- dnide-
lijks—, karïna kanjataannja ; —, vnn
wcge, zie ald
hal veeren, nitmbihagi doetea, niembv-
lah doetca.
halvemaan, boelau Itngkoeng, boelun
sap^nggal.
halvemaan tje van goud, dal als sieraad
aan een snoer om den hals gedragen
wordt, doekoeh ; onderscheiden in doe-
koek sahari boelan
on doekoeh latei-
tawi mttikap.
halverwege, pada ttngah djala.t, sa-
kvrat djalan, satengah djalan.
halzen, voor den wind omwenden, belok
deitgan boeritan kapal
(of perahoe).
hum, pahti\'bttbi.
hamel, koinbing ktbiri, kambing kasitn.
hamer, pé/noekoel; ijzeren —, pemoekoel
htsi,
ook poekoel best; grootste soort
van ijzeren —, moker, godam; kleine
—, toekoel; daarmede hameren, msmot
kurl;
groote houten—, gunden, toekoel
ganden ;
houten — met korten steel,
koendam; kleine houten —, b.v van
oen president of notaris, die eene ver-
kooping houdt, pïltntoeug. —.klopper,
pVtigètok; klein hamertje om mee te
tikken, ij aloë Ir; strijd—, zie knot*.
-ocr page 301-
289
handbad handboom.
mtuangts, tnaka ma\'cnang pon poelang
kar ue ma/t nja sambil bèrtckap moeloetiijal
merrouw do prinses weid toornig toen
zij de voedster boorde weenen; toen
■ring de voedster bailWMUtl terwijl zij
de — voor den mond hield; in —en
komen van, berolih akan, b.v. zijn kris
kwam mij in —en, kerisnja berolih
akan hamba;
goed van de — gaan,
aftrek vinden, van koopwaar, lakoi\',
pajoe, laris
; de laatste — aan iets
leugen, meadandani; bij de —, vlug,
pautas; listig, slim, tjeredik; bij de—,
reeds opgestaan, soedah bangoen.
van schrijven, cliaf, Ar. bèkas tangan;
b.v. hij heeft geen goede — van schrij-
ven, chafnja ta\'ba\'ik; een fraaie —,
èagoes chaf; in —en hebben, zie bij
hebben. — reiken, helpen, menoe-
loentj;
bijstaan, membantoe. — vnn een
anker, koekoe saoch; de —en opleggen,
zegenen, mrmherkati, membtri berkat.
Zie ouk oi)leg<£en; van hooger—,
dengan Utah radja; aan de — geven,
merg\'/ehl/jarkan; de — boven het hoofd
houden, mei-n doe uy kan; de — aftrek-
ken van iemand, lepaskan tangan dari-
pada sa\'orang, inembijarkan
,- de —en
niet thuis kunnen houden, tangan pan-
djang,
d. i. lange handen; gebonden
aan —en en voeten, terikat kaki-tangan ;
de —ea vol hebben, veel werk hebben,
banjak kèrdja, tenygèlam data/n pèker-
djaihi;
op de —en tikken, bcstrallen,
menegor (van tègor); beboeten, mèu-
dfnda;
twee —en op één buik, ka-
döêwa orang itoe safakat;
daar is iets
aan de —, ada pèrkara apa-apa; bij
de —, diehtbij, dekat, hampir, fiadiir,
Ar. vlug met de —, handig, zie ald.;
de — vullen, omkoopon, mèmberi soe-
i\'-up;
de — lichten, het gemakkelijk
met iets opnemen, mempvrmoedahkan;
""■nghalai-balaikan;
iemand de —en
binden, ntwgahkun (van tegah), d. i.
tegenhouden; de —en uit de mouw
steken, bèkerdja dèngan radjin; met de
—en in het haar zitten, lênnjap biijaia;
onder de —, onderwijl, dalam pada
ttoe, semantara itoe;
in stille, diant-
diam, sèmboenüsèmboeni\\
op —en, nabij.
hampir akau datang, b.v. de regen-
uiousson is op —en, moesim hoed jan
hampir akan datang;
om de — van
een meisje vragen, wéminang sa\'orang
anal\'-dara, minta diptrhambakan
; er de
op geven, met. handslag beloven,
berdjandji berta/apar tangan; de —aan
zichzclven slaan, mé/aboenoeh dirinja;
onder —en nemen, zacht bestraften,
menegor (van tegor) \\ een werk onder
—en nemen, moelai soealoe pekerdjaiin;
van de — wijzen, weigeren, nïengtng-
gankan
(van enggan), tiada meloeloeskan ;
het loopt over de —, terlaloe banjak
krrdja;
met beide —en aannemen, zeer
gaarne aannemen, /nénè.r\'tnia dèngan
ségala soekn ha/i
; zonder —, stomp,
van den arm, koedoeng; in —en geven,
menjerahkan katangau (van serah); mijn
leven berust in uwe —, karnat ia tt ie-
haja dalam tangan toewan djoega;
bij
de — geleiden, meiiiimpin (van pimpin);
ook mniiiuipu/ tangan; vnn goeder—,
daripada orang ba\'ik\'ba\'ik; bij de —
hebben, gereed hebben, ada sadia, ada
.hadlir;
de lnntste — aan iets -laan,
mënghabiskan, rnïnjoedalikan (van soe-
da/t), mènjelesaikan
(van sèlesai), men-
tammntkan
(van \'ammal, Ar.), menjam-
poernakan
(van sampoerna, volmaakt,
Ski".); gewapender—, dengan sèndjata,
pakai studjafa;
aan de winnende —,
en veine zijn, bij hazardspelen, tangan
naik;
de veine kwijtraken, tangan toe-
roem;
voor de —, bij een spel, matn
déhoetoi\';
wat het eerst voor de — ligt,
mana jang tèrambil; van — tot —,
daripada sa\'orang, kapada sa\'\'orang;
van hooger —, dèngan titah, dengan
pvrentah;
de — houden aan, zorgen
voor, mtmeliharakan; in —en vallen
van den vijand, djatoh katangan moe-
siteh;
onder —en zijn, juist uitgevoerd
worden, lagi dikerdjakan; vlug van—,
handjegauw, spoedii; slaan, tangan pa-
nas ;
de —en ruim hebben, tijd, gelegen-
heid hebben, s\'empat; voor de — weg,
zonder uitzoeken of kiezen, dengan
tiada pil Ui, bagitoe sèhadja;
hand over
—, makin lama makin lebih; ook bèr~
lèbih-lèbihan.
— over — a] te zeer
toenemen, f ér lam pan aan berlebih-lèbi-
han;
zonder handen, handenloos, koe-
doeng;
onder de —, van koopen of
verkoopen, dibaieah tangan,
handbad, perenda/nan tangan.
hundbiediiijs, pertoeloengan,
handbtfl, kapafc kUjil.
handboei, beloenyyoe tangan, sangktla.
handboog, zie boog.
\' handboom, hefboom, pengoempiltpeng-
-ocr page 302-
290                                      handboor — handigheid.
oen f/til, —, (chippersboom, galak, pèng-
galah.
handboor, zie boor.
handbreedte,
pe/empap, tëntpap, Mem-
pap, tabak;
e*e\'ne —, sapèhmpap, saté-
lempap, satëmpap, satabak;
met de
breedte van de band afmeten, atènèm-
papi.
— zonder den duim, tabak hu-
pat djari.
handbuks, donderbus, pèmorras.
handdoek, fonca/a. Port. bain pënHap
toeboek,
in/, voor badhanddoek; op Java:
andoek, verb.
banddreg, saoek-terbang.
handel, koophandel, pêrnijagat\'tn (van
brrnijaga, ecne verb. van banijaga), zie
ook kleinhandel. — drijven, ba-
nijaga, bèrnijaga, bèrdagang;
nnar wel- I
gevallen — drijven, bvrdagang loewar; i
de wetten op den —, O\'-ndang-oendang
pèrnijagaiin ;
de — bloeit, pèrnijagaiin
itoe ramai
; de — kwijnt, pèrnijagaiin
itoe soerorl;
den — verlevendigen,
mèramaikan pèrnijagaiin. —, gedrag,
kalakoeican; iemands — en wandel,
sègala kalakoeican, tingkah-lakoi\', p\'tT- I
djalanan dan kalaboean.
handelaar, in het groot, gevestigd koop-
uian, saudagar, bijapri. —, teven* vrcem-
deling, oratig bèrdagang.—, rundventer, \'
oraag pend/adjak.
handelbaar, gedwee, lèmak, Itmak-
lëuiboet,
handeldrUvend, banijaga; een — ,
volk, bangsa jang banijaga.
handelen, handel drijven, bërnijaga, \\
bèrdagang;
rondventen, ntëndjadjak. — l
in, mëndjoetcal, b.v. in katoenen stotfen,
mendjoewal kaïn-kaïn, —, zich gedra-
gen, mèlakoekan dirinja; boe met iem.
moeten —, mémbagaiiaanakan, hmdak
dibagaimanakan
. — alsof, mèlakoekan
dirinja sapèrti.
—, doen, bërboewat; •
goed —, bërboewat ba\'ik; verkeerd —. j
bërboewat mlah; verkeerd gebundeld |
hebben, sala/i. — over, van een geschrift, |
dari hal, b.v. dit boek handelt over
den godsdienst, bitab ini dari hal agama.
—, zie ook onderhandelen en be-
handelen.
handeling, daad, perboetcatan. —, ge-
drag, kalaboean.
handelsbetrekking, zie handels-
relatie.
handelshuis, handeleverceniging, kong-
si pèrnijagaiin, kongsi saudagar.
handelskapitaal, modal, pokolc.
handelsrecht, hoekoem pèrnijagaiin.
handelsreis, perdjalanan banijaga, pë-
Icjaran banijaga.
handelsrelatie, rakan, rékan,- in —
zijn, bfrakan, b.v. als gij met hem in
— zijt, zult ge bepaald verlies lijden,
djika r/igkau bfrakan dengan dia, nistjaja
ëngkau nanti roegi.
handelsstad, huvenplaats, bandar.
handelsverdrag, pèrdjandjian pt /■
nijagaitn,
handelsvnartuig, bapal(pèrakoe)për-
nijagann.
handelsvrijheid, kabebasan ptrn/ja-
gaiin.
handelszaak, pèrkara pèrnijagaiin.
handelwüs, laboe, kalaboean, pèri ka-
takoean, tingbah-lakoe.
handen ar bei d.pèkèrdjaiin taugan ,- met
de hand gemaakt, ptrboetraltitt iangan.
hnndenloos, tiada bertangan.
handenwerk = handenarbeid.
hand e wasch water, zie handwa-
ter.
handeuvel, sèngal taugan.
handgeklap, tëpok- iangan.
handheld, voorschot, godspenuing,
fjengkrraiH. —, voorschot op koop of
werk, pandjar, hmpah. — geven, »\'t-
nttnpak, mèmberi pandjar.
handgemeen zijn, herkalahi, wor-
den, moela\'i berkalaki.
handgewricht, koeloe Iangan, pèrgè-
litngan taugan, boekoe Iangan, pangbat
tanga*,
/ie gewricht.
handgift = handgeld.
handgreep, kunstgreep bij ecnigwerk.
sitap. — bij de behandeling van wape-
nen, perasat. —, zooveel eenc hand
grijpen kan, genggam ; zooveel men mei
de beide handen grijpen kan, raoep.
handhaven, memelikarabau (van pèli-
hara).
handhaver, pëtaèlihara.
handig, pantas; Hijw. dengan pantas.
Zie ook hij knnphandig.
handigheid, pantas, akas, b.v. djiba
lada soela dikoepasnja dengan giginju
beloel belak doeica tiada sipi, demikian-
lah pèri akasuja,
een peperkorrel pelde
zij met lüin: tunden, zoodat die juist in
tweeen spleet zonder op zijde uit te wij-
ken, zoo was hare handigheid. —, ge-
makkelijk in het gobrmk,ssncftr;/dipaki/j;
gemakkelijk in de hand,senang dipëgavg.
-ocr page 303-
991
handje — hanengevecht.
handje, faugan ketjil; een — van iets
hebben,
bijasa; een —helpen bijwerk,
membantoe datum pekerdjadn.
, handjegnuw, spoedig slaan, tanyan
panas;
diefachtig, tjepat tanyan.
handjeklap, «\'ene.....n van kinderspel,
waarbij men beurtelings tegen elknn-
der» en in eigen bande» klapt, ber- \\
yèndany kh\'a,
handjh-ht, senyal tanyan.
handkyker, feropony ketjil; tooncel- i
kijker, feropony kembar.
handklem, vingerklem, een strafwerk-
tuig van rutan op de Maleische scholen,
apit tjina.
■ :ui>l]ins, fjiofin tanyan.
handlanger, kanan tanyan, pembantue,
anafa tanyan, fig.
handleiding, pengadjaran; korte —,
pengadjaran jaug rtnykas,
handmerlf, tam/a fnuyan, bekas tanyan.
handmolen, pi nyyUtnyau tanyan.
handnet, scbepnetje, znkje aan een stok
ooi vruchten te plukken enz., sauek-
saoek, penjaoek.
handoplegging, penuempanyau ta-
nyan, ietakan. tanyan.
handpalm, fapaf tanyan,
liandpen, apïton tanyan,
luindplant, zeilmakersplaal, \\i> lat, verb.
Uandrattp, paraet, koekoer.
Itandreiken, menoeloeny (fma toeloeny),
membantoe.
tandreiker, phiorloeny, prmbantoe.
handreiking, pêrtoeloengan, pemban-
foeiean.
Handschoen, saroeng tanyan.
handschrift, manuscript, soerat no-
schat,
Ar.; eigenhandig schrift, soera-
tan tanyan st-ni/iri;
manier van schrij-
ven, hand, chaf, Ar. Wtf tanyan;
nnamteekening, tanda tanyan; gesehre-
ven boek, ki/iib soeratan tanyan,
handschroef, oui iets in vast te zetten,
rayoeiit.
handslag, hij oen verdrag, tampar ta~ |
nyan; op —beloven, berdjandji berlam-
par tanyan.
\'> and spaak, toetcil, toeicas, oenykil, .
//■ iiij«■■inpil:
met een — oplichten. m\'e-
noewil, menoetcas, mtnyoenykil, meng-
oempil.
-■
undl usi i\'iyu, zeer duidelijk, njata
sakali, ierany sakall, Jt\'thir sakali.
— !
bevoelbaar, tastbaar, terdjamah, tèra-
ba/i, ttrdjabat.
                                          I
handtasteiykheid, ijampala tanyan.
handtasting, pendjamahan, perabahan,
ptndjabatan.
handteekening, tanda-tanyan, tapak~
tanyan;
een kruisje als—, perrmpatan;
zijne — zetten, geven, schrijven, mem-
boeboeh tanda-tanyan, ia, tapak-tanyan;
van eene— voorzien zijn, pakal tanda-
to.nyan,
handtrom,steeds met een vel bespannen,
rébana; daarop spelen, brrebana, mat.i
r\'ebana, menampar rebana;
een kleine
—, reduin, daarop spelen, ben-dam; wa
andere kleine soort, ketipoeng.
handvat, handvatsel, ptmeyany, tany-
kai.
—, oor, als een vat twee ooren
heeft, te/inga,. — van een snij- ofsteek-
wapen, mes enz., hoe/oe; elke zaak
heeft twee —s, tijap-tijap perkara da-
pat dipaudany sa&t/ah-menjabelah.
handvol: een —, sayenyyam; een —
zout, yaram sayenggaut; bij —len, ber-
gengyam;
een vast ineengedrukte —,
—, een stevige —, sagrnggam rat; een
—, een weinig, sedikit, beberapa; een
— suldalen, sedikit orany soldadvr,
b\'eberajia o, s,
handvorraig, saroepa tanyan.
hand water, a/ar pembasoeh tangan,
ajar tjoetji tanyan.
handwerk, pekerdjadn; handenwerk ;
pekerdjaiin tanyan, perboeica/uu tanyan.
—, beroep, peutjarian, djabatan, dja-
icatan.
handwerksman, toekuny, pandai;
gewone arbeider, sjouwer, orany koe//.
—, die op dagloon werkt, orany opahan.
handwindsel, bebutun tanyan.
handwijzer, tijany ptnoendjoek djalan.
handwoordenboek, kitdb lograt
ketjil,
handwortel, boekoe tangan, pangkal
tanyan.
hnndznag, yetyadji ketjil.
handzaam, gedwee, lemah-lemboet, toe-
roef nu, sabnr,
Ar.
hanehalk; de hanebalken van een dak,
kasau taboerahan.
hnneknni, baloeng hajam; een goed ge-
vulde —, baloeng serai/a.—, de bloem,
celosia cristala, hoenga baloeng hajam.
hanenei, kipei zonder dop, telor-ungin.
haneiigekraai, koekoek hajam.
hanengevecht, saboenyan, sabuengan
hajam;
een — houden, mivjaboeng; in
gedichten, berpoepoeh bandoeng en b.
-ocr page 304-
£92
hanen vechtperlr — handen.
in antio<ttg; iemand, die veel werk van i
— PD maakt, orang penjaboeng; opzich- i
ter, leider van een —, djoetcara, boe- \'
dja,i>i djoeicara.
Ook Je naam van ilen
End der —en.
Uanenvechtperk, //riangi/atiif, ka/eng- {
ko«9.
iiiini\'pout, kaki hajam; hnnepooten,
slecht schrift, gekrnbbel, tjakur hajam, .
hnm-Hpoor, natuurlijke, soesok, soe&oh \'
hajam, taai/. —, kunstmatige, die men
den vechlliunen aandoet, ttulji.
hanetred aan het ei, poesal telor,
liam\'veer, Imeloe hajam; boos wijf, ƒ!?- !
tmmpoetoÊM djahaf.
\'■ :. i« I l ü l »: l -1 — llMIia\' \'lllli.
liaiitfbru", djainba/an ijantaeng.
han^buili, dikbuik, péroet g>ndoH. Als !
scheldwoord, ngèndoel, —, die in een ;
plooi neerhangt, pèrott yslrdoer.
\':nn-il>;i-i, galgehrok, sisa jx-ganiue-
iiitan.
banffen, gantoeng; hanixende zijn, bér-
ga.itwiig, tergaulorng;
iets —, met onbep.
ubj, mt-nyga,itoi\'ng, met bep. obj. mf/ig-
gantwiujkan,
b.v. zijn baadje aan een
spijker —, uiKnijgautoiiigkan badjatnja \'
jiiiifa pmkot:
gehangen worden, digan-
totfiig,
als doodstraf, maii dtyantorng.
—  op of over iets, b.v. een doek over
de leuning van eene stoel, mmjtrun-
dut-ng;
toevallig nun iets — gebleven,
b.v. de voeten onder het gaan aan een
booinwortel, gespannen touw enz., ÖP- ■
rfrwrfany; ook in iets —, zooals b.v.
een gebroken arm in een doek, een
slovp in de matten enz.; toevallig in
iets — gebleven, zooals tusschen du
takken of een vlieger aan een staak,
tfrsi-rauipa,uj; los ertrens overheen -—,
zooall b.v. eea zakdoek over den schou-
der, een kleed over een rek of touw,
sam/tai. stlampai, mriijf/amjiai; op die ;
wijze toevallig over iets blijven —, I
trrsflampai; op zijde — van hel hoofd,
/\'■/ing, lentok-; geknakt er bij —, b.v. \'
van een gebroken arm of been, of tak,
of het hoofd van een duode, trrkoelai\'
kof/ai;
nog aan een gedeelte blijven
—  vun een afgeslagen hoofd, kon/ai;
in menigte aan een tros, zooals vruch-
ten ann een boom, druiven enz., keren- ,
til, giTrniil; sterk gebogen neder—,
zooals een aar, het hoofd van een
doode, een kwast, tak, die zwanr be-
laden is, de onderste bladen van een \'
palm enz., Irmpai; slingerend los—,
zooals b.v. apen met den staart aan
de takken of een olieglaasje tn een
hans-tulp, h\'-rstugijaiott \\ in menigte,
LtrtKitggajoefaii; lus naar beneden —
van een touw en dergelijke, ook van
snoeren, strooken, reepen, tressen enz.,
oembai; los naar beneden laten —van
de beenen enz., mrndjofntai, mei neer-
hangende becneu zitten, iets dat in
tegenwoordigheid van meerderen zeer
onbeleefd is, doedoek bi-rdjoentai; de
vleugels laten —, maidjoentaikan sajnp.
—> van de wangen, gr/imbir, djocmbU;
slap —d van de onderste oogleden.
Mfiigsi\'t, rrdjah, rebrh. — van een
tmeerbojk, ook diep in het water —
van het achterschip, nie/aboe. — van
een last nau weerszijden van een vaar-
tuig langscheeps in bet water, b.v. van
balken, hoornen, geschut en dergel.,
yandoenq; er los bij —, b.v. van een
lammen vleugel, een gescheurd zeil,
enz. aan Harden—van een kleed, slnp
neer— van de onderste oogleden, rebeh ;
aan iemand —, verkleefd zijn, zooals
een kind aan zijoe moeder, ma.idja,
roejor, roejoet,
— van de huig, keledir;
tusschen — en wurgen, dida/am doeira
tfngah liga;
aan een zijden draadje —,
vnn het leven, bi-ryantoniig diramboH
sahflai\',
eun pot over het vuur —,
msrdjtfaug, cigenl. op \'t vuur zetten
om te koken; in de lucht —, zweven,
tir/ajang; de lip laten —, mrndju\'\'-
wihkan bibir;
met het hart aan iets of
iemand —, /i-kat, b\'-rmngkurt, bersany-
koH-paoal;
nug aan den spijker —,
nog niet beslist zijn, van eene zaak,
be/oni portoet, bt-lom .--/•«"; zieh een
degen of zwaard om —, menjanduitgkau
prdang
(van sandang); de huik uaar
den wind —, masor/; kandany kumbing,
nifiigembrk; maswk kaudang karban,
nihigorwai;
d. i. een geitenstal binnen-
tredende, blaten; een bnifelstal binnen-
komende, bulken, Sprw.; op zijde —,
naar één kant overhellen, tjêndiroettg,
singit;
zie hellen; nog hangende zijn,
van eene zaak, bi/om jioetoes, b\'elom
êê/ësai;
het hoofd laten —, moedeloos
zijn, tawar hati; hel hoofd nederbui-
gen, 7ii\'\'itQfndoekkan kapala (van toiii-
doek);
staan te —, leunend staan, ber~
diri itisandar.
—, zie ook at-, om-
en ophanden.
-ocr page 305-
hard h oor ig.                                       99 8
1 hard, van stoffelijke /aken, den wind,
hot hart, een geluid, bevel, van slaan
en straffen, keras ; met verscheidenheid,
b.v. van spijzen, — en ongaar, van
vruchten — en onrijp, keras-uiakas ; van
binnen nog —, ongaar, lagi berhati;
nog —, hoewel gekookt, nog niet zacht,
van erwten on booaen, ook van viuch-
ten en \'s nienschcu hart, mangkar,
mangkali.
Van vruchten ook meagkat;
nog eenïgszins —, doch wel gaar, van
gekookte aardvruchlcn, graan enz., poe-
liiii, poelav-poelan;
zoo — als steen
zijn, mëmbatoe. —, krakond, knappend,
zooals komkommers bij het kauwen
enz. basau. —, croquant, van al wat
gebakken, gebraden, geroosterd of ge-
brand is, garing. —, stijf, onhandel-
baar, tïgar, b.v. —e klei, tanah tegar.
— o slavernij, ptrhdmbaan tegar; ook
•— van hoofd, onbevattelijk, b.v. moei-
lijk te onderrichten, tègar di-adjari.
van den regen, dt-ras. —, stijf, zooals een
dood lichaam, ook —taui van vleesch,
bangkar. —, stijf, kakoe. — van gemoed,
kakoe hati, keras hati. — loopen, lari,
lari lekas.
—, moeilijk, soesah, soekar.
—  van gemoed, legar hati, keras hati.
—, luid, van de siein, njaring: grof,
van de stem, garant. —, streng, onmee-
doogend, keras, b\'engis. — van laohun,
gèlafc-gelak; een — woord, perkataiiii
jang kasar;
een — geval, p\'erkara jang
soekar;
het — hebben, kasoekaran.
behandelen, mengerasi, niengeraskan, zie
behandelen; om het hardst iet»
doen, berloemba-loeiuba.
! hardaoh i i ",, kakerasan, k\'eras-kêras.
\\
harddraven, een paaidenwedren hou-
den, b\'erloembadoembakan koeda, b\'erse-
loembakan koeda.
harddraver, koeda peloemba.
liarddravertf, ptrloembaün koeda.
spelen, een soort van spel, mekoeda.
, liardebol, kapala batoe.
harden, verduren, menderita, lahan, sa-
bar,
Ar.; niet kunnen -—, tiada terderita,
tiada Vertahanï, tiada Versabarkan,ta\'\'koe-
wasa.
— vnn metalen in een bad, mhtje-
poeh
(van s\'epoeh); zich —, mmidiijasakan
dirinja,
—, zie ook verharden,
harder, e. s.v. visch, ikan helanak.
hardheid, kakerasan, katêgarau. Zio
bij hard.
hardhoorig, p\'ekafc. —, oostindisch
doof, bengal.
hangend —
hangend, zie liangen. — van do
ooren van een hond en van do onderlip,
têrkoelaï; los—e haren, ramboet t\'eroe-
rai;
met handende pootjes terugkomen,
onta nienjerahkan drrinja.
hanser, oorbel, anting-aniiag.
hanger (mar.) fadjoek.
Iiangltast, alinuri ganfoengau, almari
hangldok, lontjeng jang tergantoeng.
:;ill;;l.ort. grootc Inlu.il lUet deksel,
die» men op den rug draagt, raiigk\'rng,
djangki, garing
1 ::mv;i:ini|i, lampo gantoeng.
■uu-lip. bibir djoewih.
Itansmat, thnpat lidoer berajoen, — als
draagstoel, tandoe berajoen.
hangoor, te/inga jang Verkoel ai. —,
ezel, het dier, kalrfai; Hg. oen domoor,
orang bodoh. —, tafel niet neerslaande
bladen, medja dengan daoen lipatan,
medja Upat.
Iiangop, ajar soesoe jong disérkai.
hangslot, r f poli-répoli, koerakcera;
klein —, rèpoh hamp\'edal hajam, om-
dat het in gedaante op een kippen-
maag gelijkt.
hanig, geil, gut al, gasang, gangsang.
hanssop, het kinderkleedingstuk, badjoe
monjet.
hansworst, gokheidmaker, alan-alan,
ogafc-ogafc, pëlatoafc, banjoel, badoef,
Jav,
hanteeren, m\'èndjabat.
hanteering, djabatan, pek\'erdjaiin.
hap, mondvol, soeicap; een — rijst, sa-
soeieap nasi;
een — iu den mond stop-
pen, menjoewap; elkander —pen inden
mond stoppen, bersoeivap-soewapan ; een
— en een snap van hot een of ander,
sakèrat sapoentoeng. Ook toegopast op
bedienden in de beteekenis van weinig
bedienden.
haperen, aan iet* rast blijven zitten,
tersangkoet. — ontbreken, koerang; ge-
brek hebben aan, kakoerangan, b.v. het
hapert mij aan geld, akoe kakoerangan
oewang;
wat hapert er aan P apa koerang f
—, stotteren, zie ald. en hakkelen.
hapering, stuiting, sangkoeian.
hapje, beetje, sedikit,
happen, naar iets, mentjakoep. — met
de lippen, mvnangkoep (van tangkoep).
—, bijten, gigil.
happig, gretig, galat?. —, gulzig, demap ;
een — mensen, orang pèndhtiap. —,
verlangend naar, soeka, ingin.
-ocr page 306-
894
hardljjvijs — hart.
poeliag. — met ijzeren weerhaak aan
de punt en voorzien van eene lijn,
sëutijang, semb/jang. — met losse
schacht, torak.
harpuirf, gala-gala; nml. een mengsel
van hars en kalk, waarmede men de
naden der vaartuigen stopt. Voor het-
zelfde doel wordt ook een soort van
harsachtige olie, miujak kï-roewing, ge-
bczigd ; werk en —, ge la ui dan gala-gala.
harpuisren, memboeboeh gala-gala.
harrewarren, inenfj\'ereicet, her/eng kar,
btrbaniah.
Met elkander —, bërttng-
kar-Hngkaran, berbantah-hantahau
; iem.
die nltijd harrewart, pvntjérewet.
harrewurrerij, tengkar, tjeretcet, per-
buut ahan.
hars, damar; ren gemcene soort van
—, damar batoe ; een fijne soort, viool—,
damar mata koetjmg; inzamelen van —,
iiundamar; een soort van geprepareerd
—, waarmede men een steen in zijn
kas of een mes in zijn heit bevestigt,
pandata; met die — iets bevestigen, >«?-
iiiandam ; soldeer —, pë/nidjar; meestal,
doch verkeerd, pidjar, daar dit gloei-
of snii\'lthitte beteenent; een soort van
geneeskrachtige —, alim. —■ van den
terpentijn boom, Hnasai, Perz.
harhboom, er zijn verschillende hoornen
in Indië, die hars leveren, doch daar-
voor beslaat geen algemeene naam. Men
zou het met pohon damar kunnen terug-
geven.
hart, In de ontleedkunde, djanioeng;
het — van een buffel, djanfoeng har-
ban.
—, gemoed, hati, ook lig. voor
moed; kalb, Ar. kaloeb, Ar. mrv., wordt
ook in het enkv. gebruikt, foead. Ar.
De arah. woorden meest in brieven;
een zuiver —, hati jang berësih, h. j.
soetji, h. j, djerenih, h. j. htning;
een
oprecht —, hati jang tueloes, h. j.
ieh/as,
Ar.; een zeer oprecht —, hati
jang toehes ichlas;
een bitter —, had
havgal;
een valseh —, hati tjoelas;
een verstokt —, hati këras; verstokt-
heid van ■—, kakerasau hati; trotsch
van —, hati bësar ; een bekommerd —,
hati jang bert/inta; van ganscher —e,
dengan boelat hati, dengan sagenap
hati, dengan s\'égala soeka hati;
het
geheele — er op zetten, bërboelatkan
hatinja;
met zijn — er niet bij zijn,
hatinja tiada meughadap kapada; niet
bet — in de schoenen vluchten lari
hanlUi vii», sëmbelit.
hardnelikie, fégar fhtgkok, tegar hati,
tlfgil,
—, hevig, keras, pajak, sangat.
hardnekkigheid, katëgaran tëngkok,
kategaran hati.
hardop, overlnid, van lezen, spreken,
lachen, koeicat-kofKa.t, Zie ook hard.
hardsteen, batoe loko-loko, batoe koesta.
hardvochtig:, bengis, kakoe haft, tebal
hati;
iem. die — of wreed van aard
i.-, pembéngis. — genoeg zijn om, sam-
f,ai hati.
hardvochtigheid = hardvochtig.
lmrem, vrouwcnverblijf, ccn gedeelte
van het paleis, mal\'ujai, poert.
haren, van haar, daripada boeloe, ram- \\
boeti;
een — kleed, kam ramboeti,
kambeli.
harig, van het aangezicht, rambajan, \'
ramoes; in het algemeen, semboeloe.
van het lichaam, berboeloe, bïroma.
vim geweven stollen, touwwerk enz.,
bërsëraboet; e. 6. v. — doek\', ka/n ram-
boeti, kaïn kambttli.
haring; e.fl. v. —, die in groot e scho- i
len in de Ind. zeeën voorkomt en versch :
gekookt of gebakken gegeten wordt,
ikan khnbong; een grootcr soort duar-
vnn, ikan siflar.
hark, phiggaroek.
harken, wï-nggaraek-.
harlekijn, üiö liaimworst.
harmonieeren met, patoet denga?/., ber- j
paloetan dengan, sufoedjoe dengan,
harnas, badjoe rantaijiadjoe zirha. l\'erz.
b.V, da» sapoeloe.h ribue hoeloebalang
dun pthatawan jang bïrbadjoe zirha
dan berbadjoe rantai,
en tienduizend
krijgsoversten en helden die hannesen
en maliënkolders aanhadden. — van !
metalen schubben, lamina.— soms ook I
barnet, geharnast, bërbaroet; een borst—,
baroet dada; in het — jagen, n/ema- \'\'
rahkan, inïuiiboiigkilkan marahnja.
liarp, kent de Maleier niet. Itij hem be-
stant slechts een tweessarig instrument,
kétjapi, met welk woord men gewoon-
lijk — overzet: op de — spelen, ber-
mdin ktdjapi;
de — tokkelen, memetik
kétjapi
(van pelik).
harpoen, séroewil; daarmee werpen,
/iunjtroe/rif; e. s. v. — met twee pon-
ten boven elkander, pijarit. — met
drie punten, elger, serampang; daar-
mpde steken of werpen, in tnj tram pang. ,
— met ijzeren punt en weerhaak, tem- \'
-ocr page 307-
895
hartader hartverscheurend.
mv.mba.tca hati, b.v. hai toen Hamza/i,
mtngapa foeican hamba lari mtmbatcti
Aalmoe ini,
wel heer H. waarom vlucht
je met het — in de schoenen? het —
vertederen, merawankan tutti} het —
vermurwen, mtnifhanfjoerkan hati; het
over zijn — kunnen verkrijgen, hard-
vuchtig genoeg zijn tut iets, sampai
hati;
in het — opkomen, datang hati,
te.rbxt ilalatn hati;
ter —e nemen, w?«-
perhatikan. Het ter — nemen, zelfst.
nw. jiir/iatian; fin het — bewaren,
timpam didalam had; het — innemen,
winnen, mëngandiil-ainbil hati; een
kwaad — toedragen, mPmbCnfji, menu-
rok dengki akan, dendam akan;
aan
het
— drukken, n/ernëloek (\\ua pè.loek);
een — voor die zaak hebben, berhati
atas perkara itne;
zijn — koelen, m1-
Moewfukan halt
(van pafitcas); onder
het —e dragen, mtngandoengkan; ver-
licht van —, senang hati; het — van
iets aftrekken, milt paskan daripada hati,
nüniljaoehkan hati daripada;
het —
uitstorten, mPmboeka se gala rahasija
halinja;
uit het — spreken, bërkala
dtngan teroes drang;
uit het oog, uit
het —, djaoeh pada mata, djaoeh pada
hati;
alsof het — bloedt, saperti di-
hiris dtttgan senibiloe rasanja;
in het
— geschreven staan, t\'ersoend didalam
hati;
wat er in het — omgaat, iêi
hati,
b.v, isi hatiuja itottpon kalihatan-
iah pada muekavja,
op zijn gelaat was te
zien, wat or in zijn hart omging; één
van —zijn of worden, djadi satoe hati,
d. sahati;
het gevoelen des —en, r-isa
hati, pïrasaan hati;
—. binnenste, harde
kern van hout, een boom enz., Veras;
zacht, week, binnenste van planten, ani-
poeloer, hampoelver, mï-mpoeloer, rijas,
ërijas.
— der zee, toebir laoet, ttngah
laoet, dalamnja laoet
Het middenpunt
van de zee, poesat laoH; in het —je
van den regentijd, ditengah moesim
hoedjan.
liurtuder, tangkai hati.
hartbrekend, jang tapnietjahkan hati
(van pPtjah).
lmrtediefje = hartje.
lmrteleed, kasoesahan hati.
hartelijk, dengan soenggoeh hati. Van
lachen, gelak-gelak-
hartel\\jkheitl, kasoenggoehan hati.
hartelust, kasoekaan hati, kagemaran
hati.
harten, in liet kaartspel, lekok.
hartenet, zie hartvlies.
hnrtewenoch, kaltëndak hati.
Iiarl^nnidiii, dalam batin hati.
hartig, zout, asin.
hartje, liclje, lief koozingswoord, emas,
tangkai hati, boftcah halt, eniloek.
hartkamer, bitik djantoeng.
hartklopping, debar hati. — door
hard loopen, vermoeidheid of ziekte,
gap-gap, gap-gap dada.
hartkolk, hoetoe hati.
hartkuil, nml. de streek vlak onder
de borsten, dapoer soesoe.
hartlap, hartcdief, liet\' kozingswoord,
rangkai halikoe, eigenl. pees van mijn
hart.
hartpyn, sakit djantoeng.
hartroerend, jang meraicankan hati,
\' jang viimbtri s-xjoe hati, jang memhëri
peloe dihati.
1i m i-i s*< m ■hi-ii n, rahasija dalam hati.
hartslag of hartsnmentrekking, koen~
tjoep djantoeng.
vd\\V.
hartslajïnder, boeloeh-boeloeh darah.
hartsterkend, jang nu-ngkoewatkan
badan.
hartsterking» obat jang mvngkoewat-
kan badan.
hartstocht, de —et), haica-nafsoe, Ar.
eene —, nafsoe, Ar. —, lust tot den
bijslaap, sjahwat, Ar.; zijne — opvol-
gen, mtnoeroet hama-nafsoe (van toeroet);
zijne —en bedwingen, me.nahani hawa-
nafsoe
(van tahan).
hartstochtelijk, panas, berhawa-naf-
soe.
— ook gtla dengan, b.v. — wee-
nen, gila dengan menangis. — spelen,
gila dengan berindin. — lïijw. dengan
haica-nafsoe,
hartsvanijer, hiervan de volgende
soorten: — die naar boven brceder
uitloopt, kPlewang. —, kort en breed
zwaard, parang. —, een soort van korte
houwer, pedang katjang parang. —,
een soort van kort Atjineesch zwaard,
gedobang; een soort van — zonder
scheede, in Atjih gedragen, roedoes.
harttop, oedjoeng djantoeng.
harttusschenschot, sekat didalam
djantoeng.
hartuitzettina, kembang djantoeng.
hartverheilend, janq mtnggtmbirakan
hati,
hartverscheurend, jang nipnghiris
\' hati.
-ocr page 308-
296                                           hartvlies
hartvlies, djala-djafa, lïndja djan-
toeny, tamoerat. Ar.
hartvormie, saroepa djantoeng.
hartzakje, kandoeag djaatoeny.
hartzeer, doeka-fjifa, roesak hafi,p^rth.
—    veroorzaken, mïmbakar haii, b.v.
hij veroorzaakte zijn vader slechts —,
/ja iiivmbnkar hal/ bapavja sadja.
haspel, garen—, fikasan, o/afc. — waar-
mede mee los uit de hand garen windt
of waarmee het gesponnen garen van
het spinnewiel wordt afgewonden, fjo~
ban;
eerste — bij het weven, waBrop
het garen gebracht wordt, ook — aan
een spinnewiel, roeiciny, boetciny; tweede
— bij het weven, waarop het gaven vnn
den eersten — gehaspeld wordt, olak.
—tj© aan een hengel, poeporl, kili-kili.
haspelaar, zie sukkel.
haspelen, mïlikas, meroewing,mïngolak-,
lainika-nika
(vnn fika\\ /ie bij h as-
pel; door elkander —, metiyoesoelkan
(van koesoel), uiinyatjankan (van ka-
Ijauj.
—, twisten, biebantah-bantan.
hasselmssen. kibbelen, bïrbantah-ban-
tah;
snauwen, birtv/iyking-tinykiny.
hatelijk, kahïntjian.
hatelijkheid, kabintjian, pïrkara ka-
biufjuin, piri kahii/tjian,
haten, bhifji; met obj. mtu/zbentji; zon- .
der oorzaak—, mimliiniji dtuyan fiat/a .
mimi»a-itilna
; elkander —, berbhitji- |
bï\'iifjian.
hater, pembmtji, oravy jany tuïnibentji,
have, harta, harfa-btnda, barany-baravy,
n/al,
Ar.; til bare —, baraay-barany
jany térbaica;
levende —, hidoejehidoe-
pan;
levende en levenluoze —, mal
itthti\' dan natik,
Ar.
haveloos, stuk, oud, versleten, boeroek.
Ook van personen, b.v. bnvrlooze inun-
schen, orany boeroek. — kleeren, paka-
/an boeroek.
—, slordig, niet net van
kleeding, liada fjerï-mal.
haven, zeehaven, bandar. —, anker-
plaats, pi-laboe&an. —, baai, te/ofc. —,
gevormd door eenc riviermonding, kor-
tcaia.
—, reede, moeicara: eeü vettige
—, bandar jany santeusa, pïlaboehan
jany bdik.
—tje, bandar kitjil, bandaran,
b.v. mPtitboeical satoe bandaran atair
aheran,
maakten een haventje of geul. ;
havenboom, at\'sluitboom eencr rivier- i
monding, fmtanyan.
havenen, in de haven komen, sampai :
dïpelaboehan, inasoefc koeicata, ■ sampai \'
— hebhen.
dibandar, sampai dimoexara. —, bc-
schadigen. mürorsakkan; gehavend, roe-
tak. —,
scheuren, mrngojak-ngojafr (van
kojak), mentjarik-tjarik. —, verfrom-
melen, minyoesoetkan (van koetoef).—,
afrossen, mïnyhantam, mtnggasal\\i/tt\'/n-
bêlasa/i.
havengeld, roeba-roeba, beja pvlaboehan.
havenhoofd, panyka/a/i, b.v. danpXra-
hoe pon ttlah hadl\'tr dipavgkatan,
en ook
het vunrtuig lag gereed aan het —.
havenkantoor, ptbejan (van beja, nc-
cijnsi, kantor bom.
haven meester, sjahbandar, zoowel
een Kur. als een inl. —.
haveurecht, zie havengeld.
bavenrostpment, oendatiy-oendany
moetcara, pïrenfah pvlaboehan.
havenstad, bandar, b.v. Singapoern is
een gioote —, Sii/ynpocra itoe bandar
bisar.
haventon, pTlampoeny tanda moetcara.
hnvery, arari, Ar. roesak dl taoet.
havilc; e. s. v. —, boeroeug radjatcalï.
liaviltNneuN, hidoeity mantjomy.
hazardspel, djoedi, pare//, tvka/in; de
bankier van een —, jany ëmpnenja
iëkaatt;
een — spelen, ma\'in djoed/,
ma\'in pareh.
hazelworm, sfpah boefan.
hazenlip, bib\'tr soemhiny, letterl. ingc-
sehemde lip.
liji\'/cniiiimil, vioelaei xoembiny,
hazenpad: het—kiezen, tori; b.v. hij
koos het — alsof hij door een hond
gebeten was, larilah ija sapïrfi pofo/iy
kPna seinboer,
d. i. hij vluchtte als een
bespoten kabouter. Zie ook bij haal.
hazenslaap, tidoer hajaia, d. i. kip-
penslaap.
hel tcah \' be! hc!, èh-èh! b.v. — ! wat
is dat mooi! «ah .\' bagoes sakalt; hé! hé !
wat moet ge dnar doen, èh-èli,maoeapa
disana.
hebbelijk, bjata.
hebbelijkheid, lab/jasaan, ïldat; een
verkeerde — bezitten, sasarsasar bt-
hata.
Zie bij gewoonte.
hebben, bezitten, ëmpoenja, mvinpoenjaï.
AVordt veelal ook uitgedrukt door het
Voorvoegsel bër, b.v. geld —, btroe-
icang,
eene vrouw —, berbini, honger
—, berlapar enz. Soms moet het terug-
gegeven worden met ada, zijn, en het
bez. Vrnw. b.v. ik heb drie kinderen,
ada tiga orany anakkoe, zij heeft twee
-ocr page 309-
a»7
hebreër — heelen.
geitenj ada doetca ekoer kambitignja.Soms wordt — teruggegeven met ada
en pada of batjai, met het bez. Vrnw.
b.v. hij heeft geld, adalah oeicatig pa-
dan/a,
ik heb klccrcn, padakoe adalah
jiakajan; adalah pakajan bagaikoe.

uis Hul» Ww. bestaat in bet Mul. niet.
Om den volkomen verl. Tijd aan tegeven gebruikt men voor —, soedah
ot\' le.lah, gednan, reeds, bereid», b.v. ik
heb gegeten, akoe soedah makan, hij
heeft dat genomen, tvlah di-ambilnja;
wat hebt gij er aan, apa goenanja ka-
padamoe;
ik wil bet niet —, akoe
ta\'maoe;
tegen iets —, sPgan akan;tegen iemand iets —, sXgan akan sa\'-
orang;
iets moeten —. zie noodi<r;
hoc laat hebt gij het, pada ar/odjimoe
poekoel bërapa;
daar hebt gij het, neem
dit, tltth, ainbillah ini; hier is het, ini-
lah dia;
niet mogen —, liada bolih
mendapal;
een Gulden heeft honderd
centen, satoe roepijah djadi sarafoes
sen;
veel te doen —, ada banjafrktrdja ;
onder zich —, bestieren, memegang
(van pïgang); ook in handen —; van
wien hebt gij dat (gehoord), si apa jang
mëntjeri/erakan (memberi tahoe) itoe
kapadamoe;
hij zal er van —, (straf
krijgen), ija nanti dapat.
hebreër, orang \'tbriini.
hebreeuwseb. \'ibrani, Ar. de—e taal,
be/iasa ïbr/ini.
hebzucht, loha, faun!, Ar.
hebzuchtig, Ivba, fa-ma. Ar. geloedjoe/i.
hecht, sterk, vast, fëgoh, koekoeh,
maken, mvnXgohkan, mhigoekoehkan;
met elkander een — verbond sluiten,
b\'erlegoeh-legoehan djandji.
hecht, heft, handvatsel, gevest, hoeloe,
tot — hebben, bvrhoclackan, b.v. ivoor
tot — hebben, berhoeloekan gading
hechten, van het eene stuk aan het
andere, mtnyhufboengkan, menjawboeng\'
kan;
gehecht in dien zin, hoeboeng,
samboeng, berhoehoeng,
— in den zin
van vaststeken. vastspelden nan iets,
menjëmat (van gemat); geheeht in dien
zin, iersvt/tat; ook van nieuwe bopa-
lingen aan een contract of testament;
gehecht zijn aan iemand, lersangkoel,
b.v. ik gevoelde mij aan Mijnheer ge-
hecht, férsaagkoetlah halikoe kapada
toewan rasanja.
— van het hart, ook
Wcat en bertambat, b.v. indien beider
Hefde zich hecht, djikalan kasih sama
bertambat; het — des harten, tamba-
tan hati;
zijn hart — aan, mëlekalkau
hatinja akan.
— van een kind aan
ouders enz. van cene vrouw aan haren
man, mand ja, b.v. pada këfïka itoe
mandjalah akoe kapada nenefekoe,
op
dien tijd was ik nan mijne grootmoeder
geheeht, waka adalah istvri radja itoe
tvrlaloe mandjanja, lagi back paras?ija,
de gemalin des Vorsten was zeer ge-
hecht en ook schoon van gelaat. Aan
elk. gehecht, zooals b.v. beenderen, her-
gala,
b v. loeloeh\'/antalc xegala taelany-
moe,soeatoepon dada bt-rgala lagi,
al uwe
beenderen tot gruis, geen enkele zeliV
meer nan elkander gehecht; niet aan —,
niet tellen, liada méngendahkan.
hecht i-nis, gevangenschap, hal terpen-
djara, hal lerkocrotttg
,- in — nemen,
menangkap (van tattgkap); in — bren-
gen, ntasoekknn kadalam litndjara.
hechtheid, kn/tgoehan.
heehtmiddel, pïlïkat.
liechtimiihl, djaroem loeka,
hechtjdeister, tampal.
li* i\'ht-t\'1. pengikat, ptnjambneng.
lieden, hari ini, sakarang ini.
hedenavond, pïtaug ini, malam ini.
hedenmiddag, tengah hari ini.
hedenmorgen, pagi ini.
heden namiddag, pïdang int. Op Java
ini soré.
hedennacht, malam ini.
hedendaags, Bijw. pada hariini,pada
masa ini.
hedendnassch, sakarang, pada masa
ini,
b.v. de —e gewoonten, adat jang
sakarang, adat pada masa ini.
heel, gansch, zie geheel.—, niet stuk,
lagi bdik, bëlom roesak. —, niet gebro-
ken van de pooten van een dier, (hik.
— zijn, van eene wond, genezen, sëm-
boeh, batk.
—, zeer, tfrlaloe, amat,
sangat,
b.v. — mooi, itrlaloe elok,
amat bagoes.
— ondeugend, sangat
nakal.
— vroeg in den morgen, pagi-
payi sakali.
— laat in den nacht,
djaoeh malam, malam-malam, — lnng
geleden, soedah lama sakali.
i heeliil, ulam, Ar. het gnnsche—,samësta
alam sakal/an.
\'
heelbanr, te genezen, dapat disemboeh\'
kan;
niet —, tiada tfa\'semboehkan.
heelemanl, sama sakali.
heelen, genezen, onz. sëmboeh, djadi sem-
boeh, djadi ba\'ik;
bedr. mevjeinboehkau.
-ocr page 310-
oi)s
heelhuids — heerleger.
h eel huid*, dengun talamai, drngan \'
liiiii\'n koerang apa-apa.
heelkruid, ilnoeu obat.
heelkunde, r/moe mtnyobati loeka.
heelkundige heelmeester.
heelmeester, fabib, Ar.— tevens bar- i
bier, hfttljim, Ar.
heelpleister, tampal,
heen, in snroensl. met Itijw. van plaats,
ka, b.v. bier—, kamart, daar—, kasava
enz. Voor de andere samenst. zie daarbij ;
al — zijn, soedah pvrgi. — en weder,
voorbij iets, lalne-laiang; b.v. — en
weder voorbij het huis, lalor-lalavg di\'
hatitipa.i roemah;
— en weder varen,
olang-atiny, b.v. utaka toen Omar po»
pXrgilaJi dfugan saboewah pèrahoenja
otangalivg,
en heer O. nu ging met \'
een van zijne vaurtvigcn — en weder
varen. —■ en weder gaan tusseben twee
bepaalde plaatsen, ptrgi-datang, ka~
MM kamiiyi. — en weder zwaaien met
eene lont, opdat zij aanblijve, mtnyi\' \'
bas-ngihas
(van kibas); waar wil dat
—. afitikan djatliitjti.
heen brengen, mèmbawa.
heenclryven, voortjagen, nunghalau-
kan;
voor zich — van dieren, opdrij-
ven, miiiijgïring. —, met den stroom,
hnnjoet.
heenanan, ph\'gi; van Vorsten of aan-
zitn\\§km,b\'ëraMgiat. Zie ook bij maan. j
heenulüden, over eene oppervlakte,
lengser, yXlinysir.
heenkomen; een goed — zoeken, lari
bfriPpas Jiri, mrmhawa dirinja, ut tin-
baica ntifib,
Ar. b.v. zij alleu zoehtcn
een goed —, mareka~itoe sakalian pon
tuiilah liïrlêpas dirinja;
en om die reden
zocht een iegelijk een goed — naar
Singapoera, maka itbah itoelah uuuiny-
wasiiig mtmbawa nafibnja datang ka
Sëlat.
heenloopen, weggaan, ptrgi} vluchten,
lari.
heenreis, djalan ptrgi; de — en thuis-
reis, djalan ptrgi dan poelang.
heenrUden, dil hangt van de wijze van
rijden uf, b.v. te paard, ptrgi blrkoeda,
op een os, ptrgi bXrlimboe, in een rijtuig.
pïiyi bï-rkarefa enz., pergi btrkoeda poe- .
tang bertPmboc, te paard — en op eene
koe tehuis komen, Sprw.
lieenspoeden, pXryi dXnyan tigera,
heenvaren, ph\'gi bXrlaja:"; naar boven j
stijgen, ndik.
heen vlieden, terbang.
heenvoeren, mfmbatca p?rgi .waar hare
voeten haar maar heenvoerden, mana
$apirgi-fiërgi kakinja.
heenwnaien, diUrbaiigkan angin, diba-
tca olih angin.
heenzwerven, pvrgi mtingombara- (vnn
kornbara), fianjoet.
heer, toewan; van God, Toehan,raltb, Ar.
God de —, Toekan Altah. Mijn—,
rabbi\', de — der hcirscbaien, rabbue\'-
talamin.
—, bezitter, toewan, toewau
jang poenja, fabib.
Ar.; de -— des
hutzes, toewan jang jwenja roemah; de
—   van een stuk land, landheer, toe-
ican ianak;
de — (eigenaar) van bet
verbaal, fahiboe\'lhikiijat, = het Mal.
jang Xmpoeuja tjïritëra; Mijn — , toe-
wankoe,
mag alleen tot den Vorst gc-
bezigd worden, en komt overeen met
Uwe Majesteit. In bet gewone leven
is het voor den aangesproken persoon,
toewau, toeicanhamba, voor den derden
pers. torwan sêhaja, torwuii hamba; de
groote—, toewan bïsar. Hieronder wordt,
behalve de Gouverneur-Generaal, iedere
Kuropei-sehc ambtenaar verstaan, die
ter plaatse de hoogste is; als —erken-
ncn, mï.mpXrtoewan; nis —erkend wor-
den, dipirtoewan; bij die als — eikend
wordt, Jang di/iïrtoewan, jam toewan,
beide alleen als titel, waarmede men
van den legeerendoii Vorst spreekt; een
—  hebben, bertoewa»; tot — hebben,
bertoewankan, b.v. den Duivel tot —
hebben, f>trtoewa»kan iblis; mijn oude
—, vader, bapa sëhaja, oruny toewa
tïhaja;
de oude —, oud eerwaardig
persoon, aan wicn men eerbied ver-
schuldigd is, zooals men wel eens vnn
een chef spreekt, belijau. —, titel voor
fatsoenlijke Arabieren, eigenlijk voor
ben, die geacht worden van den Profeet
af te stammen, sajid, Ar. toewan sajid.
—, in gedichten dikwerf, yoesti, Jav.
heeraehtif», kutoewanan, tjara toewau.
heerlmnn, djalan raja, djals.n besar.
heere, zie bij heer.
heerendienst, pekerdjaan neyari; koo-
pen en verkoopen van —, in het 1\'a-
lembangschc, sandang gawé.
heerenhuis, rormah toewan~toeiean.
heerenknecht, djonyos, verb. Med.
heerenstaud ; de —,pX:toenan (van toen,
eene verk. van toewatt).
heerlejjer, bala-tantara; de Vorst en al
-ocr page 311-
299
heerlijk — hellen.
zijne —3, bayinda serla dtngan segala \'
bala-tantaranja.
heerlük, "torlia (Skr. moe/ja); zeer —, |
moeliawan, rabani, Ar. —, kostbaar, \'
fraai, endah-endah. — van smaak, sé- l
dap sakali.
heerlijkheid, luister, kamoeliaiiu. —,
glans, glorie, sïri, — bezitten, berseri; ;
zonder —, liada ftfrseri; de — der !
bergen, tiri goe.noeny; de — van het
paleis, seri astana. —, tzat, Ar. — en
eer bewijzen, memliïri tzat dan hormat.
—, landgoed, tanah-ajar.
heerschaar, bala-lantara; de Heer der
heerscharen, Toehan sirwa sakalian
ulam, Toehan sérwa sarnesta fila/a sa-
kalian, rabbof\'lillamin,
Ar.
heerschachlit:, soeka mtndjadi toe-
wan, toeka mengatas-ataskan dirinja.
heerschappij, pennrentahan, pertoe-
tranan, soelfdnat;
de — uitoefenen,
melakoi\'kan ptrentah,- de — uitoefenen
over zijne hartstochten, menahani ka-
ica-nafsoeitja
(van taltan),
heersühappüvoerder, pt-merentah. !
heerschen; — over, mïmtrentahkan.
—, de overhand hebben, mhiang; als
Vorst —, djadi radja, karadjaan; hij j
hnerscht over zijne makkers, /ja mï-
■jigatas-ataskan dirinja daripada kawaii-
kawannja.
— van eene ziekte, banjak,
l).v. de droes heerscht, banjak- sakit
inyot-s, banjak: sakit serdi;
de koorts
heerscht, banjal\' dï-.mam,
heerscher, pémïrentah, jany niénieren-
tah.
— van den Vorst, jany dïpertoe-
tcan.
—, Vorst, sjah, 1\'erz.
heertoebt, anykatan përany, angkatan
balatantara.
beervorst, penyandjorr, hoeloe-balany.
heerwee, djalan raja, djalan besar.
heesch, schor, serak, parau; b.v. zijne
stem, die lieflijk was, werd —, soca-
ranja, jany merdof, mendjadi parau.
■leesehheii l, kaserakan, parau.
heester, pokoks.
heet, panas, — door vuur, van water, !
metaal enz., haiiyat. — gemaakt, gloei-
end — gemaakt, van ijzer, dibakar ,
merah; gloeiend —, de hoogste graad
van hitte, pidjar, b.v. terwijl het groote ;
ijzer — wordt kan het kleine gesmeed
worden, semantara besi jany besar pi-
djar, bolih jany ketjil dititik>.
—, prik-
kelend op de tong, pï-das; deze toespijs
is veel te -—,sambal ini tX-rlaloe ptdas.
—e koorts, de/nam panas, d, kapialoe ,-
zeer — van het lichaam, door koorts,
hard werken, loopen of toorn, radang.
— worden in dien /in. mvradang ; bran-
dend — van den wind of den dag,
panas ttrik, djanoabi, Ar. niet erg —,
niet bijzonder —, lï-mah panas. —,
brandend, b.v. van eene wond enz.,
pïu/th, pïrih. —, geil, gat al, —, gretig,
inyin, asjik, Ar.; het heete jaargetijde,
de droge uiouson, moeêiwtpanas, moesim
kï-itiaraa;
op heete kolen staan, nieiiii-
djalf doeri;
op heeter daad betrappen,
mendapati diilam, mendapat\'i tengah;
b.v. iemand die steelt op heeterdaad
betrappen, mtndapati orany daluiamen-
tjoen
of lengah méntjoi-ri; in het heete
von het gevecht, ditengah pïrang jang
ramai,
lieeten, genaamd zijn, bernama. Ook
nania met het bez. Vrnw. b.v. ik heet
Sidin, akoe bhiiama S\'tdin, natnakur
Sidin;
hij heet AH, namanja All; hoe
heet hij, siapa namanja; hoe heet dat
in het Alaleisch, apa namanja ini de-
nyan behasa Melajoe.
—, noemen, een
naam geven, mï-nama\'i, mtmhëri nama,
niénjeboet
(van sebnel). —, maken tot,
b.v. — liegen, intndofstakan; welkom
—, meneyor (van te.yor), mimbX\'ri sald-
mat datany.
—, gebieden, soi-roeh ,-b.v.
wio heeft u dat geheeten, siapa soedali
■nïPnjoeroeh itoe kapadamoe.
herten, heet muken, wurm maken,
virtaanasi, meuianaskait (van panas),
menybanyatkan.
Zie ook bij heet.
hert hrirl. kapanasau.
heethoofdijs, lï-kas marah.
bef Ie, grondsop, keroeh, hampas, taki.
koembi;
de — des volks, orany hina-dina.
hefboom, oi\'nipil,pï-nyoenipil; daarmede
ophetl\'en, mengoempil. — die gebruikt
wordt voor de zeetotebel, totvas; roei
zulk een — oplichten, uiénoi\'tcas; de
persoon, die daarmede oplieht,pïnoetcas.
bellen, mingangkat. Zie ook opheilen
en verhellen.— van tol of belasting,
nténioenyoet (van poengoH), b.v. belas-
ting —, memoenyoet beja; van inko-
mende rechten ook mhitjaboet; een
inkomend recht — van 1U percent,
menf/aboet sapoelonh saion; du beide
handen ten hemel —, mtnadahkan
ianyan kalanyit
(van fadah); op de beide
vlakko handen in de hoogte —, rntna-
tany
(van iaiang), rriénaiiny (van taling).
-ocr page 312-
3U0
heilfer — heilzaam.
heller, van belasting, pzmoengoel beja,
p. tjoekai.
heffing, van belasting, poengoHan beja,
p. tjoekai.
hi-tbtfer, prrsembahan tafangan, frorbiin
tafangan.
heli, zit h*.-hl.
lullig, zie hevig.
het;» /""lor; «en — hebben, van een —
voorzien zijn, berpagar; tot — hebben,
bërpagarkan ; van een — voorzien, beur.
MtHiagari.
bejjjEeMchaar\', goenting pagar.
he«irit, hedjrat, Ar.
hei, Tusschw. hai! —, holla, ica/tai.\'
heihei, pérampoeicaa fjtmeef.
heilieien, tjfrewt, tjomel.
heihlolt, pïm/ï\'/ital; pïlantak.
heide, woest land, goeroit, padang tandas,
padaig tPkoikoer.
heitien, alirodcndiennar, orana kajir, Ar.
orting jang mfnjembab bïrhala. —, in
sommige verhalen ook zanggi. 1\'erz.
zigeuner, en bédoewi., bedaivi, Av. be-
doewin.
In\'iilcii.loiii, sfgala orang kiijir.
heiclin, ptrampoeican ktijir.
heien, palen inslaan met een heiblok,
mfiHiintjahtj (van pantjavg, heipaal),
mïlantak, niïngéu/ak (van 7-ntak).
heier, orang jang memanfja?ig, pïtman-
tjang, orang pïlantak\', orang pengY-ntah.
heil, salamat, Ar. bi\'hagija, Skr. oen-
toeng.
—, aW wensch, tot den Vorst,
danfat, Ar. b.v. — zij mijn Vorst,
dau/at toeicankoe.\' — en onheil, br-
hagija dan tjilaka;
volkomen —, sala-
mat sampoerna, bèhagija jang sam-
poema;
eeuwig —, salamax\'jang kekal.
— en zegen, Utrkat-salamat. —, nut,
goena, faidah, Ar.
heiland, djoerof\'Salamat, van Eur. vin-
ding, doch hoeft reeds ingang gevonden ;
Jezus de —, Isa almasih, Ar.
heilbede, saldm-düa, Ar. dóa\'Saldmal.
heilhejseeria, ingin aka» salamat, min-
tjPhari salamat,
heilbron, bron des he\\\\s, pohon satómaf.
—, gezundheidsbron, mata-ajar sehhat.
heilarroet, M/at, Ar. dien geven, mem-
bïri saldm;
elkander dien geven, btr-
salam-salaman.
heiliu, soetji, koedoes, Ar. de Heilige,
alkoedoes, Ar. Jang maha soetji. —, \'
geheiligd, moekaddat. Ar. moekarram,
Ar* —, eerwaardig, van een persoon \'
of graf, karamat, Ar.; de —e Geest,
rohw\'l koedoes, Ar. roh jang soetji: de
—e Schrift, kitaboe\'lkoedoes, alkitab,
kitab soetji.
—. tot godsdienstig gebruik
afgezonderd, hartim, Ar.; een —e plaats,
makdis, Ar.
heili±£heen, toelang kelnngkang.
beilij*beenaholte, rongkongan poeug-
goeag.
h ei 1 i u beent» tree Ir, kelangkang,
ht-iliiM Lc:, hari raja.
heiligdom, -nakdis, Ar. baifoe\'tmoek\'
kadu,
het huis des heiligdom», de tegen-
woordige naam van Jeruzalem; het—,
de tempel te Mekkn, masdjiddoc\'lharaia.
heilige, orang soetji, orang koedoes, orang
karamat, orang bagatcan,
Skr.; do Mo-
haminednansche —-n, v.ali-tcali, segala
xali,
Ar. een hindoesch —, rïl*; een
groot —, mahartsi; een soort van Hin-
doesch— of bedelmonnik, djoegi.
heiligen, mïngkoedoeskan, mënlakdis-
kan, nïtnjoetjikan
(van soetji),
heilii»entlienst, kabaktian kapada
orang karamat, kabaktian kapada sr~
gala ical\'.
heiligheid, kasoetjian, takdts, pïri
jang kordoes, bagatcan,
Skr.
heiliging, pfsoetjian, takdis, Ar.
heiligUns, reliquieenkns, tjandi.
!iriii.".iii:iitciui, jang mengkoedoeskan,
jang nivnjoetjikati.
heiligmaker, penjoetji, pingchalds.
heiligNchender, orang jang melanggar
barang jang soetji.
hriligKehending, pélauggaran barang
jang soetji.
heiligverklaring, phiggv.laran kara-
,,Ml(.<).
heilloos, tjilaka, nialang; een — lot,
oentoeng malang.
heilrijk, lempah dengan salamat, kalem-
pa/tttn salamat.
heil weg, djatati kapatla salamat; de
weg des heils, sirafoe\'lmoesfakim, Ar.
heilwenwch, salam, Ar. sa/dm-döa, Ar.
salamat, Ar.; een — geven, me\'iabïri
salamat,
b.v. een — geven met Nieuw-
jaar, mïmbïri salamat tahoen bïrahoe:
bij gelegenheid van een verjaardag.
mëmbèri salamat hari tahoen.
heilzaam, heilgevend, jang wttmftifi
salamat, jang mtngadakan salamat.
—,
nuttig, bïrgoena, liïrfa\'idah, Ar. —,
genezend, jang m^njëmboehkan (van
simboeh), jang mtnsehhalkan toeboeh.
-ocr page 313-
801
beimacbine — beien.
het inklimmcn te beletten, sérangkajr.
bel; de —, ntiraka, Skr. djehannam. Ar.
Zie ook bij gewest; de — der boe-
dhisten, katcaJt; de helsche gewesten,
ndraka lokn, Skr.; een der zeven bel-
len, volgens de Mohammedanen, he-
stemd voor de Christenen, hoetamat, Ar.
hel, helder, zis ald. —, van eene it—,
njariug. — vlammend van vuur, ramak.
belaas, Kat, Ar. In het Mal. wah\'.am-
boi, adoeh, adoehai.
beid, orang b-rani, orattg tr\'ira, paha-
latcan,
Perz. orang ptrkasatdjohan, l\'erz.;
de helden der kroon, djohau makofa,
b.v. dan segala Mal karadjaan pon toe*
roenlah dibawa oli/t segala dang lila-lila,
disamboet olili segala djohan makota,
en al de rijksinsigniën werden door de
dangliln\'s nnar beneden gebrarht en
door de helden der kroon ontvangen;
de gezamenlijke —en, segala orang
prawira.
—, legeraanvoerder, horloe-
balang.
heldendaad, perbaetcatan orang berani,
perbuewatan laki-laki.
heldenmoed, gagah-berani, kaberaman,
laki-laki, gambira, jierkasa.
helder, licht, terang. —, duidelijk,
njata, terang, — van een kleur, tjoe-
toatja.
— van geluid, de stem, njaring.
— van het weder, dag of naeht, en van
een spiegel, tjoetcatja, tjerah — weder,
overdng, terang tjoewatja, \'s nachts, ma-
lam fjoeicalja,
— van de maneschijn,
terang benderang, benderang Ijahujavja,
t. iemarang,
—, doorschijnend van water,
glas enz , hening,djefeni.h,— vun hoofd,
vlug van begrip, benderang hall. —,
klaar, rein vnn het aangelicht, eene
woning, een vertrek enz., djêlah. —,
zindelijk, rein, soelji, bèresih, tjtrja.
—, zie nok schel.
helderheid = helder; helderheid van
geest, terang hal\'u
helderljes, zindelijk, dvngan bèresih,
dengan soefji, dèngan tjtrja.
helderziend, een goed inzicht hebbend,
ook in het verborgen kunnen zien, te-
roes vtata, trroes pandang
heldhaftig, berani, gwjah-berani, ptr-
kasa, tcifaicnn,
Skr. pahalaican, l\'erz.
—, wat een held toekomt, behadoeri.
heldhaftigheid, kaberanian, perkasa,
tcira, gciabira.
heldin, perampuetcan jang btrau\'u
helen, verbergen, menjèmboen\'tkan (van
heimachlne, pèlantajr; stoom—,pëlan-
taf- ti xtiji.
heimelijk, Hijw. dijam-dijam, tjoerü
tjoeri, temboeni-sentboeni.
—, Bijv. nw.
seuiboeni, gelap, terboeni; het— gemak,
djnmban, pelindoengan; op Java ka-
koes.
—, iets wegnemen, méngatnbil
tjoeri-tjoeri.
— iets meenemen, mem-
batca tjoeri-tjoeri.
— iets doen, mem-
burtcat dijaw-dijam.
— weggaan, ptryi
dijam-dijam.
heimwee; — hebben, t\'erkhtang akan
HMjarinja, rindoe akan nëgarinja.
heinde; — en ver, djaoeh-dekat, dtiaa-
na-man a.
heining, pagar-, zie lieg. — van bam-
boe, pagar boeloeh. —, van latten,
pagar Malaka. — van palmhoutlatten,
pagar voejoeng. — van pallisaden,
sampadan.
heipaal* pantjattg.
heir, bain; heirrn, bala-bala; heirschn-
ren, bala-tantara.
heirban, ptngerahan akan p^rgi pti\'ang.
hek* pagar kajoe, pagar Malaka, pagar
roejoettg,
zie heining* — niet ruit-
werk, pagar djala-djala. — van op-
staand latwerk, pagar kisi-kisi.—, deur
vaii mie omheining, pintoe pagar; de
— kun zijn verhangen, d\'ehoeloe la\'in,
sakarang laïn;
het — sluiten, de luut-
ste zijn, djadi jatnj tèrkemoedian; dat
kind is de heksluiter, «nok- Hoe pe-
vjuttji péroet;
het — is van den dam,
orang tinradja-lela,
hekel, pengguroek;, stsir; over den —
bulon. lasteren, inengoempai\', ménjilnah-
ka?i, m\'engata-ngaldi
(van kafa). —, ekel,
sterke afkeer, bentji, segan, dj\'èmoe,
hekeldicht, sjair sindiran,
hekelen, inhtggaroefc, mènjisir (van
sisir). —, aanmerkingen maken, men-
tjfla, mèntjafjat.
hckeling, penggaroek, jtenjisir. —, mm-
merking, pentjeladn, pentjatjatan.
heks, peleuoeng pvramjioewan, penjoelap
prrampoewan
,- oude ■—, Henep kabajan.
/ie bij hes.
heksen mee f* ter, tasteruvan, Skr.
liekser\\j, tooverij, tamboel, roekijah, Ar.
Heksluiter, laatste kind, anak penjoetji
jtèroel, anak bottgsoe, anak pêmboeHtocl.
hekwerk, b.v. voor een raam enz.,
kisi-kisi. —, b.v. van een balustrade,
oendang-oendang. —, rasterwerk, géradi.
— om den stam van vruchtbooiuen, om
-ocr page 314-
302                                                heler — hemel.
semboenï). — van gestolen goed, mem-
beli barang-barang yelap, sekongkol,
verb.
heler van gestolen goed, tuekattg s\'ekong-
kol.
Zin medeplichtige* jang me-
naroh,
b.v. karrna ja»g metifjoeri itoe
dengan jang menuroh itoe sama djoega
hoekoemnja,
want de steler en de heler
krijgen dezelfde straf.
helft, sateugah, saparo. Zie ook mid-
«len; op de —, pada tama tengahnja ;
de — van den prijs, taparo Harganja.
hellelmnrd, ioembak; met brecdepunt
en kruisijzer, koedjoer.
hellelmrdier, orang pertikaman.
hellen, schuin ulloopen, miring. —,
glooien, tjoeram. —, afwijken van den
loodrechten stand, b.v. huizen, muren,
schenen enz, sivgit; ook fig. van het
gemoed. —. dalen van de zon, f oeroen.
—, zweemen naar, sa\'akan-akant b.v.
—  naar bet groene, sa\\ikan-akan ld-
djan warnanja.
—, zie ook het volgende
woord -
hellend, miring, tjoeram, tingit. —,
van de loodrechte lijn afwijkend, tjon-
dottg, tjenderong.
—, schuin, scheef,
nml. aan de eene zijde hooger dan aan
de andere, mrngoet, bengoet; oen wei*
nigje —, van een vlak, tara toer oen ;
een — vink, tjoeram jang rata; aeh-
terover —, van sebeepsinasten, sadak.
hellenen, nnnin der oude Grieken, orang
joenani.
hellepü11* t\'ksa naraka.
hellevees, boos wijf, perampoeican
djahat.
hellevornt, penghoeloe djehennam.
hellewicht, in naraka, anak sjaifün.
helling; = hellen en hellend. —
voor vaartuigen, kalaugan, gaiatigan;
een vaartuig op de — zetten, me.ng-
gatang perahoe;
een schip op de —,
kapal tergalang; een vaartuig van de
— laten loopen, Htdoentjoerkanpérahoe,
helm, hoofddeksel, ketopovy. — in den
vorm van een kiliih-hoornsehelp, d. i.
vnn spits toeloopenden vorm, kétopong
kilah;
een koperen — ophebben, ber~
ketopongktin tembuga.
—, geboortevlies,
setorpat. Wanneer dat bij de geboorte
over het hoofd van het kind blijft,
tampoel. Ken kind met zulk een —
■leboren, anak bertampoel. —, glazen
distilleerkolf, koekoesan k.ifja.
helmklep, belmmnsker, vizier, loeioep
moeka.
helmstok van een roer, roerpen, tjè/aga,
tangan kemaedi.
helpen, m\'enoeloeng (van toelomg); met
pers. obj. im-noeloenyi; bij den brand
—, m\'enoeloeng api; over en weer elk.
—, en op allerlei wijze —, toeheng-
m\'enoeloeng.
—, bijstaan, b.v. bij een
of ander werk, in den krijg enz., mem-
bantoe.
—, van nut zijn, bergoena, ber-
fa\'idah.
Ar.; van kant —, memboenveh,
memboeirung, niengerdjakan
(van kerdja);
God helpe mij, dittieloeny Allah kiranja
akan dttkoe;
ik kan het niet —, boe-
kan tehaja poen ja talah;
aan een man
— , uiemperlakikan, memper soewamikan ;
aan eene vrouw —, memperitlerikan,
mèmperbinikan;
uit den nood —, mele-
paskan daripada kasoekaran ;
zijne wurcu
aan den man —, nïelariskan dnga-
vgannja;
in den grond —, membhiasti-
kttn;
in de war —, mëmbingoengkan;
op een dwaalweg —, ménj\'etatkan (van
tetat); onder dak —, een onderkomen
vcrleenen, mëmberi toempangan; uit den
droom —, verklaren, méngértikan; er
is geen — meer aan, liada tertoeloengi
logt;
zoo waarlijk helpe mij tiod Al-
machtig, demi Allah.\' d. i. bij God;
demi Allah dan rasoeinja, bij God eu
zijn gezant!
helper, pénoeloeng; die assisteert, bij-
stand verleent bij werk of in den krijg.
pëtnbantoe.
helsch, sjaifani, i. i. duivelsch.
hem, pers. Vrnw. 3e eu 4e omv. dia,
nja,
nml. achter het Achtervoegsel kan,
de Voorz. akan eu dengan is het dia ,-
achter de Voorz. pada en ter/a is hel
nja. heide worden gebruikt als dir. obj.
van een Ww. b.v. mënyambil dia, meng-
ambilnja,
hem nemen.
hem, Tuss. hum ! dëham; iemand met
—   toeroepen of wenken, mendéhamkan.
hemd, kamedja (1\'ort. camisa), tabi,
sjabi, 1\'erz. badjoc kamedja; nacht—,
kamedja malaiu; over —, kamedja loe-
u-ar;
onder—, kamedja datum; tlanel-
len —, kamedja pan as; tot op het —
nat, basah koejoep.
hemel, uitspansel, langit. —, b.v. van
een ledekant, In ngit-la ti git; ten hemel
stijgen, hemelhoog, in overdrachtelijke»
zin, melangit b.v. tjonykaknja melangit,
zijn trotschheid steeg ten—; de zeven
—en, katoedjoeh jiêtalu langit, kafoe-
djoeh lapit langit;
de onderste dei
-ocr page 315-
BOS
hemelbe schouwing — heraclius.
zeven —en, rak/ja, Ar. —, de verblijf-
plaats der zaligen, sorga (Skr. snarga);
de drie henielscho gewesten, wier namen
aan hut Skr. zijn ontleend, zijn: indra
loka, tjandra loka
en sorga loka. —,
uitspansel, ook fjakraivala, Skr., b.v.
zoolang er eene omwenteling des —s
bestaat, salagi uda peridaran tjakra-
irala;
gewone uitdrukking in brieven;
.te — van lndra, katndraiin; de —
der mindere goden of Jang, kajangan.
—  en aarde, langit dan boemi; onder
den blooten — slapen, iidoer bèrs\'eli-
moetkan langit;
het gelaat naar den —
keeren, zie bij keeren; een heldere
—, l\'erang tjoewatja; de — beware
mij, didjaoehkan Allah Lïranja; als de
—  geeft, insja\' Allah; om \'s Hemels
wil, karena Allah; o — ! lieve —! ja
ildhi,
Ar ; de sterren des —s, s\'ègala
bintang dilangit;
de Bterren—, pebin-
tangan.
hemelheschouwing, pemandangan
langit.
hemelhode, engel, malaikat, Ar. oetoe-
sa» Allah, soeroehan Allah, rasoel Allah.
Dit laatste alleen van Mohammad ge-
brviikt.
hemelhoog, Irngkoeng langit.
Iiemeldauw, \'emboen; eene soort van
versnapering, èmbum kajangan,
hemelheer, Heer dos hemels, \'loehan
linea sakalian ulam, Toehan sawexta
ulam sakalian, rabboe\'lalamin, Ar.
heraelheir, baladantara sorga.
hemelhof, Jtrdaus, Ar. taman dikaja-
ngan.
I emelhoog, tinggi mingaicau, satinggi
langit. — stijgen, in overdrachtelijken
zin, m\'elangit, b.v. tjongkafcnju welangit,
zijn hoogmoed steeg —.
hemeling, isi sorga, orttng jang disorga,
malaikat.
liemelloop, peridaran tjakrawala, p\'rri-
daran langit.
hemelpoort, pintoe sorga.
hemelrijk, karadjaan sorga.
hemelsblauw, biroe laoet, lazoewardi.
hemelsch, sorga; een ■— geluid, botmji
surga; een —e stem, soeara dari sorga.
liemeUgezind, rindoe akan sorga.
hemelstreek, kiblat, Ar. de vier hemel-
streken, empal jriblat.
hemeltoorts, de zon, matahari,
hemelvaart, naik kalangit; de — van
Mohammad, nnradj, Ar. letterl. ladder,
doelende op de zeven hemelen als spor-
ten van dien ladder.
hemcWreusd, n\'tmat sorga.
| hemelwaarts gaan, m\'elangit.
hemmen,met hem toeroepen,m^»/?^;».
! hen, pers Vrnw. 3c pers. mrv. 4e nv.
mareka-itof, dia, nja, of welk ander
woord voor bet Vrnw. inde plaats moet
worden gebruikt. Zie de Gramm. (Jp
Java dia-orang.
hen, hoen, liajam, hajam b\'etina, hajam
/ ■ ra, ■/..„■■„ ■;
klok—, iboe hajam ,-
broed —, hajam mengeram ; leg—, lui\'
jam bertètor;
slacht—, hajam pèrttng-
gang;
eene — met sporen, een bous
wijf, pïriimpot\'ican djahal, itilc beftadji.
henen, zie op heen.
hendel, kaïl; op Java, panijing. Zie
vischhengel; eene soort van korteu
—, waarmee men op puitaal, (sembi-
lang) vischt, katjar.
hengelaar, pengaïl, orang pengaïl; als
bijnaam, sip\'engaïl. Op Java orangman-
Ij\'MJ-
; hengelen, mengaïl. Op Java mantjing.
— op viseh, Hfiigttïl ikan.
hengelroede, djoeran.
\\
hengelsnoer, tali kaïl; op Java tali
panijing.
hengsel, handvatsel, pegangan. —,
scharnier, ènsil, verh. sekiri, verb.
hengst, kovda djantan, koi\'da laki-laki ;
een jonge —, koeda boedjang.
hengatig, hendak mendjantan.
i hennt-gul, mar. lobang kapala kemoedi.
hennep; de indisehc—, cannabis sativa,
gandja; gebraakte —, gandja siirboek;
eene soort van — of liever vlas,
hochmeria nivea, ramt; touw daarvan,
lalt rami.
hennepgaren, benang rami,
henneplinnen, kaïn rami.
hennepplant,/w£w£ gandja, pokok-rami.
hennepzaad, bidji rami b-landa.
her, horre, saesoeh pintoe.
her, Bvjw. dari, b.v. van ouds—, dari
zamdn d\'ehonloe kala.
—, wederom,
poela, kembuli. Zie de samenstellingen
daarmede. Voor zoover de verlangde
woorden daar niet voorkomen knn men
zo met poela zelf maken, b.v. herbin-
den, mengikal poela; herbloeicn, her-
boenga poela
enz.
herademen, bèrnapas poela (van na-
j fa», Ar.).
1 herncliu», grieksch keizer ten tijde
-ocr page 316-
S04
heraut — hernemen.
van Mohanmad, Jlarfcal, llirkal, komt
in sommige HSS. voor.
heraut, Imntara, cigcnl. eene Boort vun
hofbeambten, belast met het overbren-
gen van de bevelen des Vorsten. Zij
worden onderscheiden in bant ara kirt
en hantara kanan, de liuksche en recht*
sebe —, waarvan de linkscuo of kiri
hooger in rang is. Hij roept den b<n-
duhara en den toemenggueng en stnat
op de seri-balai bij de pilaar rechts,
waar men opgaat, en draagt oen letam-
pan over den schouder.
herberg logement, voor Europeanen,
roemah maian. —, logement, roemah
irakaf,
Ar.; een soort van hei-bergjes
rondom de pasar, lï-patt, lapau, 1\'ad.
bov. 1. —, nachtverblijf, fturi ber-
malam;
een soort van — op Java, ten
dienste van reizende ambtenaren, pfr-
sinygahan, pasanygraJtan,$&\\.
van satig-
yran,
ruwe omheining. Jnv.
herbergen, mXittttërt toemptmgëM; ge-
herbeigd zijn, niinoempany.
herbergier, logementhouder, tcewan
roemah maian.
herbergzaain, soeka mimbtri toet»-
pamgtm.
herboren, d\'iphanakkan poela.
herbouwen, dibangomkan potlm, d\'tboe-
Kat poela.
herdenken,zich heilnntircii,ingaf aktvt;
iets met verlangen er naar —, térke-
nunykan;
doen —, müuyinyatkan.
herder, gombala (Skr. gopala), —, leer-
aar, priester, pandita, goeroe, padrt,
Port.
herderloos, tiada bïryombala; zonder
leeraar, tiada bërgoeroe.
herdersambt, geestelijk ambt, djabet-
tan pandita, djabaian padri,
herdershond, audjiny gombala.
herderstamch, boktja gombala.
herdoen, op nieuw doen, iite.mbocwat
tamoe/a
; wederom doen, mëatboeicat
poela.
herdrukken, nnnyctjap poela, mtnfji-
tak\' poela, niïiiëra poela,
hereenigen, tnï:ttg/i ii/ipo/tkan poela; waov
tot één maken, mëmpërmloi-kau poela.
he ree ni gbaar, jang dapat dipermloe-
kan poela.
heremiet, orang bPr/apa.
lieriWt, zie kentering.
hergeven, membvri poela. —, terug-
geven aan dengene, wicn het behoort,
menge.mbalikan (van ktmbal/), welmoe-
lanykan
(van poelany).
herhaaldelijk, béroelang-oetang, bi,--
toeroet-totroet, bë.rikoet-ikoet.
—, telken-
weer van vuren aan, bërtaloe-taloe.
van steken met eeno kris, bhtoebi-
toebi,
b.v. dipèrtoebi-loebinja l/kawnja,
hij herhualde zijne steken onophoude-
lijk. —, bij herhaling, ook War.
herhalen en herhaling ** herhaal-
deiyk, b.v. zijne woorden —, bvroe-
lang-oelang katanja
enz. De woorden
van gisteren werden niet door hem
herhaald, perkataiin jang kalamarm
tiadalah dikatavja logt.
berhaling>«teeken, het teeken dni
aanwijst dat een woord tweemaal moet
gelezen worden, anyka duetca.
herinneren; zich —, inga/, tëringat.
zich iets tlauw —, ingat-ingat loepa,
met een gevoel van gemis-, met ver-
langen naar, tvrkinangkan. •—, in her-
innering brengen, mëngingatkan, mem-
përingatkan.
—, zich weer bewust
worden, sedar.
herinnering, përiagalan; eene zeer on-
nangenamc — van iet» hebben, üg.
bagai doer\'t dalam daging.
herkauwen, mama/t bijak, nttngoegoe;
herkauwende dieren, binatang jang ma-
ma h bijafc.
herkennen, kenal, mXnyënal- iem. niet
—, pangliug akan m-ang.
herkenning, pëngënalan.
herkomst, zie afkomst en oor*
«tproug.
herkrügen, invadapat poela, bërolih
poela.
herleiden, van breuken tot geheelen,
üjabr, Ar. Hiervan aldjabr, algebra.
herleven, hidoep poela, hidoep këmbali;
doen —, mënghitloi-pkan poela. — van
den handel, pï.ritijayaiht djatli rum at
poela.
herlezen, mëmbatja poela, mëmbatja lagi
sakali.
hermaphrodiet, orang bantji, o. ko-
m\'eng, darai.
hermeten, mëngoekoer poela, m. lagi
sakali.
hernemen, terugnemen, mëngambilpoe-
la.
—, antwoorden, mëmbiri djaieab,
mënjahoet
(van sa/toet), mëndjawdb (van
djawab, Ar.). —, eenvoudig voor zeggen,
spreken, oedjar, mëngoedjar. — van
eene vesting, mengatahkau poela.
-ocr page 317-
806
hernieuwen — hetzij.
I hertrouwen, onz. Ww, kawin poela,
nikah poela.
—, bedr. Ww. weer in den
echt verbinden, mh.gaicinkan poela,nu-
ttikahkan poela.
hertshoorn, tan doek> roesa.
hertsvanjjer, korte houwer, parang.
hertzwün, babi roesa.
hervatten, moeldi poela; een bezoek —,
niengoendjoenyi poela (van koendjoe.ntj),
herveilen, mileliuiykan poela.
berroorl brengen, mtnyadakan poela.
—, weder voorleggen, mZnghadupkaii
poela.
hervormen, op nieuw vormen, ititrot\'
ptikan poela.
—, veranderen, mïngobal"
kan roepa.
—, vernieuwen, mëmbzharoei.
herwaarts, uutri, kamari, zelden kasini.
—   als gebod, mari, mar\'tlah.— komen,
datang mari, dafang kamari, ook alleen
taart. — en derwaarts, kasana-kamari.
herwinnen, mênany poela.
herzejjjjen, minyataJcaM poela, mt\'./ya-
takan lagi sakali,- telkens —, biroelaity
oelat/g kata.
herzien, op nieuw onderzoeken, w?m?-
rifcsai poela (van përiksa). —, verbete-
ren, utïmbdtki poela.
het, bep. Lidw. wordt soms teruggegeven
met Hoe of jany of nja. Zie de llram-
matica.
het, pers. Vrnw. wordt soms verzwegen.
soms teruggegeven met Hoe of dia, b.v.
—  regent, ada hoedjan. —stormt, ada
riboet;
waar is het baadje: Het is ge-
stolen, dimana badjoe Hoe.\'\' Soedali
ditjoeri;
dit is —, inilah dia; hij gelooft
—, ija pértjaja ïtoe; zij nam —, Hi-
ambïlnja Hoe;
ik ben — die, akoelah
jang
; gij zijt — die, engkaulah jang;
hij is ■— die, ij al ah jang; zij zijn •-
die, mareka-itoelah jang; geef — te
drinken, berilah dia minoem. — is waar,
bënarlah Hoe. — is jammer, sajany,
—   is te hopen, bolili dïharap. — is
nog nooit gebeurd, bïloni pernah djadi,
—   gebeurde eens, sakali përisteica,
sakali djadi.
hetgeen, jang. nan.
hetwelk, jang, nan.
hetzelfde, Hoe djoeya.— dat, Hoe djoeyu
I jang. —, juist of geheel —, sama djoeya.
■ hetzij t — .... of, buik .... ba\'ik, ba\'ik ....
ataw, maoe.... maoe, b.v. — groot of
klein, ba\'ik bésar ba\'ik kutjil. —arm of
rijk, ba\'ik kaja ataw miskin. — veel of
weinig, maoe banjaf? maoe stdikit.
20
liernicuwen, zie vernieuwen.
heroveren, zie bij hernemen.
herroepen van zijne woorden, ten be-
hoeve van eeo ander, mimbaliki, b.v.
kata soetlah ttrlandjoerkapudanja,maloe
htiuila mêmbaliki,
ik ben in mijn spie-
keu tot hein te ver gegaan, en sehnam
mij otn het voor hem te —. —, te
niet maken, wtnïadakan (van liada).
—, loochenen, moenkir, Av. ntvnjanykttf.
hersenberoerte, sawan batigkai oetak;
hersenen, oetak.
11 i-rsenpan, djamala, batoe-djamala,
batae-kapala
,- de opening vao de nog
niet gesloten —, oeboen-oeboen.
herwen vlies, sëlapoet oetak.
herstelbaar, du pat- dibdiki poela; ge-
nee».baar, dapat dipurobatkan, tiapat
disétnhoehkan.
herstellen; beter worden uit eene ziekte,
di.tdi hoik poela, ((jat/i semboeh ; hersteld,
genezen, semboeh. —, verbeteren, mëw
ba\'ik i;
weer al- nieuw maken, mtmoe-
langkan bèharoe
(van poelang\\, iiiemoe-
ffari
i\'van poegar). —, re.staurceren b.v.
een bouwvallig huis, versleten versier-
Ml, oud schilderij, memoedja (van poe\'
dja,
Skr.). —, vergoeden, door er iets
voor in de plaats te geven, minjitih
(vnn silih), méngganti. — van een
atnppen dak, door er bier en daar
nieuwe ntap tu&scben te steken, inenji-
sip atap
(van sisip); de slagorde —,
laêmoetihkan segala rïijat (van poelili).
—, zio ook teruskeeren. —, weer
doen bloeien, b.v. den handel, een rijk,
tm-ramaikan poela, mënghidoepkan poela ;
van lieverlede —, mak in lama, inakin
ba\'ik.
—, beter worden uit eene ziekte,
ook: difljijalkan (van üJij at-. Ar.); ieiu.
— in het bezit zijner goederen, me-
iiyouibalikan orang kapada miliknja.
herstelling, vergoeding, penggaitt\'tan,
—, verbetering, kabtükan.
hert; de grootste soort van —, roesa;
met getakt gewei, ?-oesa berartgga; ge-
vlekt, roesa dandi. Op Java vnndjangan ;
een kleiner soort met ongetakte hoor-
nen, kidjang; de kleinste soort van—,
bet dwerghert, pelandoek, kantjil. Zie
(lwer«*hert; als een — dat cents
bewoonde buurt binnendringt, saperti
roesa mastiek kampoeng,
Sprw. voor ons
als cene kat in een vreemd pakhuis.
hertenjacht, pemboeroetcan roesa.
hertevleesch, daging roesa.
-ocr page 318-
800
heugen hiermede.
goed of kwaad, ba\'ik ta\'bdik. — bij vil
of niet, maoc la\'maoe.
beugen, in gat.
heugenis, ingatan.
heugelijk, verblijdend, jang niZnjoeka- j
kan ha/i, jang membüri kasoekaiin. —,
gedenkwaardig, jang patoet di-ingat.
heul, hulp, përloeloengan. —, toevlucht,
perlindoengan. —, troost, penghiboeran.
heulen, birmoeiifakat. —, het houden
met, tri&njertdi (van sïrta). — met slecht
volk, meugajoem, nml. door het van het
noodige te voorzien.
heulsap, opium, apioen; gezuiverd —,
tjandot\'; voor het rooken bereid —,
madat.
heup, pangkal paha.
heupbeen, toelang pangkal paha.
heupgewricht, zie bij gewricht.
heupjioht, stngal pangkal paha.
beusvh, wellevend, tahoe adat, tahoe
behasa.
—, welgemeend, oprecht, sotrig-
goeh, toeloes.
heuschheid = heusch.
heuvel, boekit; heuvelhoug worden, mini\'
buekit.
—, heuveltje, boekit anak; tot
heuveltjes wordtin, me.mboekit anak, b.v.
maka bavgkai sPgata manoesia pon
mêmboekit anak-lah, o\\
de lijken vorin-
den heuvels. —, heuveltje, hoop, boe-
mei;
een —tje dat iets groot er is,
poengsoe; zooals b.v. een mierenhoop,
ook poesoe. —, nardophooping, goegoek.
heuvelachtig berboekit\'boekit; zich —
voordoen, tat\'.mboe.Ht,
heuveltop, Ici-moentjak boekit, poentjak
boekit.
hevel, handspank, pïngoempil, toewil,
toewas.
—, gebogen buis, tjorong leng\'
koeng.
hevig, sangat, amat, keras, haibat, ramai.
— e pijn, sakit sangat; zeer —o pijn,
sakit amat sangat. — ziek, sakit pajah;
een —e storm, riboet besar; een ■—
geluid, boen/i kïras, b. haibat; een —
gevecht, pvrang jang ramai. — van
vuur, waarmede iets gestookt wordt,
sï-gajr; om de hevigheid van wind of
le^cn nader aan te duiden mnakt men
ook gebruik van de uitdrukking liada
bolih inemboeka mata.
hevigheid, kasangaian, b.v. tiada ka-
detigaran dat ipada kasangaian boenji
ttmpik stgala hoelorbatang,
het kon niet
geboord worden vanwege de — van het
geschreeuw der legcrhoofdcn.
hiel, toemit. Ook van levenloozc voor-
werpen; de —en lichten, toonen, laten
zien, d. i. vluchten, lari; op de —en
zitten, achterna zitten, m\'éngedjar (van
ktdjar), mengoesir, meng/tambat.
hielbeen, toelang toemit.
hieletuk, van een schoen, toemit sipatoe.
hier, om (ontstaan uit sa en ini), disini,
naar —, kamari, zelden, kasini; van
—, dari sini; lieden van —, oran-j
sini;
kom —, geef —, breng—,mari:
breng de rijst —, mart hidangan nasi.
— en daar, saita sini. — en daar en
overal, sagenap sana sini. — en hier-
namnals, doenia-achêrat; vertrek van
—, scheer u weg, njahlah engkau ;\\aa-
hier, ter oorzake van dit, dari itoe,
dari sebab itoe, dari sebaè ini.
— is
het, — is hij, ini apa. —, neem dit
aan, nah, ambillah ini. — komt hij.
MM dia dalang.
hieraan, aan dit, akan itoe, akandia.
— is niet te denken, akan itoe ia\'bolih
diharap lagi.
— is niet te twijfelen,
akan itoe liada sjalc lagi. — is niets
gelegen, aka?i itoe tiada mengapa.
kan men weten of het goed of kwaad is,
akan itoe dapat dikvtahoeibalk djahatnja.
hierachter, dilnlakang ini.
hierheneden, dibatcali ini, —, op deze
aarde, dalam doenia ini, dimajapada ini.
hierbenevens, besfoia dengan ini. —,
daarenboven, dan lagi, tambahan poela,
lagi poelet,
hierbij* bij dit, dengan ini. Zie ook
hieruan. — komt nog, tandiahan poela.
hierbinnen, dalam ini, didalam ini.
hierboven, di-atas ini; zooals — if
gemeld, sapïrti terseboet di-atas ini.
—, in de andere wereld, di-acherat,
didalam sorga, —, daarenboven, tam-
bahan poela.
hierbuiten, diloeicar ini. —, zonder
dit, dengan tiada ini.
hierdoor, door deze plaats, leroes dari-
pada it.mpal ini.
—, ten gevolge hiervan
olih sebab ini. —, door middel van dit.
dt-ngan ini, olih ini.
hierheen, kamari. — en daarheen
ka sa na-kamari.
hierin, in dit, dalam ini, didalam ini.
—, in deze zank, akan ptrkara ini.
hierlangs, laloe daripada timpal ini,
laloe daripada ini.
—, over de geheelc
lengte, sapandjang ini.
hiermede, dengan ini.
-ocr page 319-
807
hierna — hinderen.
1 h\\i» van gelijken over elkander, van meer-
deren over minderen, een klein kind
uver zijne ouders en de mensch over
God sprekende, ija, dia. —, een min-
dere over een meerdere spiekende,
gebruikt daarvoor zijn titel, jongere
familieleden een woord, dat den graad
van bloedverwantschap aangeeft. —,
van den regeerenden Vorst, baginda,
jang dipertoewan
(verkort tot jam
toeican).
— van een onderdaan tot
den Vorst, patiktoe, pat jat itoe.
van de drie of vier voornaamste amb-
tenaren ineen Maleischen staat, datoek-
gevolgd door den titel. — tot genoemde
ambenaren, té ha ja toeican/oe; met —
van iemand spreken, bérdia,- iemand
steeds met — aanduiden, mindiakan.
hijgen, van benauwdheid, vnggeh-ënggeh,
ïnggek-énggek,
b.v. zoodat hij hijgde van
de zwaarte zijner kleederen, sampai
tt\'r&nygek^nyyek\' ija sébab bï-rat paka~
jannja.
—, hard en kort ademhalen,
b.v. na hard te hebben geloopen, ngoe-
ngap, nienyah-mfnigah
,■ op Java, meng-
geh-minggeh.
—, snikken van iemand
die geschrokken is, ot\' van een stervende,
terkapah-kapah, b.v. tërkapah\'kapah
hendak poetues njawanja,
hij hijgde
willende den geest geven. — naar,
Bterk verlangen naar, rindoekan, ingin
akan, tisjik1 akan.
liij-.-lil.lol., kapt, kerel:.
hüs<;lien, tarik ndik, me n ar ik; de zei-
leu —, meniirik la/ar, mendjoewak; de
vlag —, intmasang bandera (van/>^^a«//).
lii.i-fli ii/i\'i\', koekoe tali. kapi.
lili-\'liiiHiw, taliphiarik; van een blok,
tali kapi.
hik, snik, sédoe.
hikken, bërsedue.
hinde, ruesa bOlina. Op Java niendjangan
pïrampoetcan.
hiiiilt\'lmlf. auak-roesa. Op Java naak
ntêndjangau.
hinder, beletsel, sangkoetan, sakat,
rintangaii.
—, last, moeite, soesah. —,
nadeel, roegi,
hinderen, hindernis in den weg leggen,
tnïnjangkoetkan, mériidangi, mÏHJakat,
— met rumoer, geraas, geschreeuw,
niembarical bising; het was hinderlijk
voor het gevoel mijns harten, sangkoi--
tan rasauja dalam hadkoe;
het Gou-
vernemeat hindernissen in den wegleg-
gen, tegenwerken, mérintangi (loepêr-
hierna* kïmoedian daripada ini. In bric-
vt-D begint hiermede de zakelijke inhoud
van den brief, voorafgegaan door het Ar.
ica b\'ldhoe. —, vervolgens, ook laloe,
kalis bagitoe.
—, zie hiernamaals.
hiernaar, aangaande dit, akan ini. —,
volgen» dit, satoeroet tui.
hiernaast, disabélah ini, disisi: hij
woont —, ija doedoefr disabelak.
hiernamaals, in de eeuwigheid, di-
acherat.
hiernevens, dfngan ini,besvrta dvngav
ini.
hierom, hieromheen, koeliling ini. —,
om deze reden, iïhab ini, olïh sébab ini,
karena tïbab ini, kartna ini, teyal ini.
hieromheen, koeliling ini.
hieromstreeks, kira-kira dekai sini.
hieromtrent, hier dichtbij, dekat sini.
—, aangaande die zaak, akau perkara
itoe, ukan itof.
hieronder, dibawah \'mi. — moet ver-
-!;i;ui worden, ukan ini erlinja.
hierop, di-atas ini. — hoop ik, akan
ini haraplah akoe.
—, vervolgens, laloe,
kémoedian daripada itoe, arakian.
—,
op dit, antwoordde hij, akan ini dja-
wdbnja;
wat zride hij —\'t upa katanja
aka n luit itoe f
— hernam ik, laloe
oedjarKoe, laloe kakatoe.
— ging zij,
laloe pergilah ija. Op Java lantas p. i.
hierover, als er water tusschen beiden
is, disabhang, anders, itnlang ini. —,
over deze zaak, akan gal mi, akan
pïrkura ini, fetitang p, i.
hiertegen, tegen dit aan, pada ini,b.v.
—  leunde hij, pada int\'< bïirsandarlah ija,
—  verzet ik mij, akoe mï\'lairun faal ini.
hiertegenover, tentang ini.
hiertoe; tot —, sampai disini, hmgga
disini. — bad hij geen moed, tiada
\'ja berani akan jang dimikian, akan
ini tiada ija bërani.
liiertiiMMohen, antara ini,ditenyahini,
11ieruit, daripiuta ini, dari sini, dart
dulaui im;
irij moet — en niet daaruit,
hindakla/i Xnijkau kaloeeuir daripaila
ini, djangan daripada Hoe.
— volgt,
incka daripada ini djadi, daripada i?ii
datangtija.
1\'iervan, daripada ini. —, aangaande
dit, akan ini.
hiervoor, akau ini, tïbab ini,i*atena ini.
—, in de plaats van, akan ganti ini.
\'liervoren, dvhoeloe, dehoehe daripada
ini.
-ocr page 320-
sou
hindering — hoe.
muii-Hi zij hinderen hun broertje al te
zeer, tja mïnjakat adiknja tvrlalot sa~
tl ff at.
—, storen met ge raus, mvngga-
dvt-hkan.
—, bemoeilijken, vunjorsah-
kan
(van sorsaii), mtnjorkarkan (van
tockar . — in het traan of op reis, b.v.
allerlei bezigheden, bagage, vrouwen
en kinderen enz. die bet voortgaan
belemmeren, mïrimbilkan. —, plagen,
mhiffoesijr, mtngyangoe. —, schade be-
rokkenen, .uïtroegikan,—, zie ook ver-
hinderen.
hint lering, jtfjMmgkoelmm, pirmtangaa,
j,t nittl.atan
enz. Zie hinderen.
hinderlaag, prngadangan, jünghrnda-
jtitii
; het eerste is met kwade bcdoe-
ling iemand opwachten, bet tweede
L\'ehurkt achter iets verscholen zitten;
in — Ii\'_\'iïi;ii. uteugadaug, mïnghtndap,
b.v. xaktttiitu moesoL\'fi jiintj mfng/ttndap
saginap sana san,
al de vijanden die
bier en daar en overal in — lagen :
de personen die in — liggen, wang
pï-tigadavg, urang pï-ng/itndap,
\\11 i>i lerl ij U m hinderen.
hindernis, sanykuetaii, rintangan. ook
ribnt; den stam van een vruchtboom
van een — voorzien, b.v. doren» om
bet iiiklimmen van dieven te beletten,
rnirtbat. -~, die dient tot afsluiting,
sakat. —, die iemand in den weg komt,
kandala, Skr. Ook ge.ndala, ■— in den
weg leggen, mer/titangi, mï-ujakat, w\'é-
ngandalakaii, miuggïndalakan.
Zie liin-
deren.
hinderpaal, rebaf, = hindernis.
hindoe, urang libido*.
hindoeseh, hindoe, hhidoewi.
hindostan, Hindi, nfgari Hindi, nï-gari
Jlindostan.
hindostnnsch, hind\'t, hindostani.
hinkelen, zie bij hinken.
hinken, als blijvend gebrek, timpang;
als tijdelijk gebrek, pintjaiig, b.v bof-
kanuja timpang, pintjang tXhadja,
hij
hinkt niet altijd, \'t is maar tijdelijk.
—, met opzet, mtudjiugkit, niindjeng-
gel,
b.v. hij liep al hinkende, tja hrr- .
djalan uiv.Hdjingkit-djingkii
,-toevalüger-
wijze, (ïrdjïnylit-dji,igki!\'. -.hinkebann
spelen, tnatn sadjfngget, —opverschil-
lende wijze, mX-ndjïngkaiig-djfiiigkoet. —,
kreupel, mank traan, bïrdjalan terin- \\
djoft:
op twee gedachten —, tnendot?\' •
tcakan angan-angan, inratan bvrtjabang.
hinneken, van een paard, meringkifr.
hippelen, lappen, mïlompat-lompat\'. \'Air
huppelen. — zooals vogels, mirï-
djoek.
hit, ko-\'da ketjil, koeda ka/ai.
hitsen, /ie aanhitsen.
hitsig, wulpsch, galal, bïniafsoe.
hitte, pamis, zoowel van vuur als van
de zon, het lichaam, het hait.de koorts,
drift en toorn; de — van een geheel
jaar wordt weggenomen door één dag
regen, pan as tatahorn dihupor» o/i/\'
Ao\'-djun sabari,
Sprw.; in de — van hel
lievecht, ditrngah ptrang jang ramtf.
—, hevigheid, kasangatan, b.v. de —
der vervolging, kasaitgatan aniaja. .
zie ook warmte en heet.
hittig, \'ie hitsig.
hittiglijk, hevig, dïngan mngat.
vervolgen, wienganiaja dtugan saugai.
ho, sta stil, bïrhinti, diaia.
hohhelen, van een stoel ot" tafel met
ongelijke pocitcn, intjang>ïntjoet.
hohhelig, ruw, niinggïroetu?; van ean
weg, bïrltkak-lïkok; eigenlijk met aller-
lei kuilen. — en bard, op en neer.
djongkniig-djangkil.
hohhelpnard, koedaan oagkang-ongkif.
hobhclstoel, wipstoel, kversi ongkang-
on g kit.
hoe, boftapa, manu, bagaimatut, nmnakan,
dimana, dimanakun, manakah, sP.bagai-
nuina,
b.v. — zul ik het aanleggen,
biwtapa pUfikoe. — kan dat, mana boliii
Hoe,
— heeft hij dat gedaan, bagai-
MM diboeu-ufttja itoe. — zou hrj kun-
nen gaan, niaaakan dapat /ja pvrffi.
zou mijn kleinzoon tot daar kunnen
komen, dimanakan dapat Ijoe/jor\'kv
sainpai kusana
— weet u dat, bagai-
waria
(ook dimana) tuewuvhumba tabuf-
— kondt gij zeggen dat, manakah
kalamur.
— langer ■— mooier, maki;
lama makin bagors.
— grooter — dom-
mer, makiu bêsar, makin boduh, In
dezen zin ook si\'maiigkin . ., sïmangkiu.
Ook wordt het in deze beteckenis som^
uitgedrukt alleen door de verdubbeling
van het Üijv. nw. b.v. — minder e:
opgeroepen worden, — meer er vüler
komen, koerang-koerang dikera/t, lebik-
Ubih ija HXindal\' datang.
— roindei
pap, — meer lepels, koerang-koeraia
hoi-boer, Irbih-Iebih soedofk.
Sprw. —
meer hnnst ■— minder spoed, maki).
diboeroe, makiu lambal.
— vaart gij
tntjib (toetcan, vjonja, datoefc enz..
-ocr page 321-
B09
hoed — hoektand.
koeda; gespleten —, koekoe htrsirat.
hoet\'ü\'-eer, 6*si kaki koeda, kasocf koeda.
hoelrtinid, toekang bês> koeda.
hoei «teek bei tel,pisau penyëralkoekoe.
liot\'izeiiiuwnd, sa kali-kali, b.v. —niet,
sakalt-kali fiada. — niemand. saoraiKf
djoea pon tidak\'.
— niets, sëtlikit djoea
pon tidak, soeatoe djoea pon tidak.
hoejjrootheid, bësarnja, itmjatmj*.
hoek. pindjoiroe; drie—, iiya ptndjoe-
roe;
da vier —en der wereld, ëtapal
prndjoeroe &l*m i-ti;
de — en van een
huis, prndjoeroe rof taalt; recht — ,sikoe,
sikoe satna ttnyah;
stompe of >eherpe
—, sikae rrbak; middelmatig stompe
—, tikoe ribah aloë lésoeay; een —
vormen, van eene rivier, een weg,
mfnjikoe, — van eene straat, sikoe
heroëny;
binnen—, inspringende —,
b.v. in eene knnier, straat of grafko.il,
IjiiD\'-k, b.v. ada jany menangis ditje-
roek dapoer, ada jttng difjtroek tt-ntput
mandi,
sommigen weenden in den —
der keuken, anderen in den — der
badkamer —, punt, uiteinde, hoetljoevy .-
overstnandu —en, pentijoeroe jany 6ër-
fi\'iittt.iyati ■
vooruitstekende — vun het
land. hetzij in zee, hetzij in de rivier,
tandjoeny, hoedjoei/g fanah. —, punt
van een vink, het 00g, eene kamer,
soeitoet; binnen—, toedoet sahi\'dah tin-
lam;
buiten-—, .toedoet sabi-lah loewat.
\\ oor binnen— van het oo£ ook alleen
toedoet nmta en voor buiten —, ekoer
uiata;
visch—, tnata kaïl, ka\'tl; met
den — vissehen, menyail; ann den —
bijten, makan kd.it; in —en en gaten,
bier en daar verboriren, sïlit-sipit; ook
zich in —en en gaten bevinden, hier
en daar in het verbonrene steken; de
vier —en der wereld, de vier wind-
streken, kaétnpttt tvpas t/oeaia ini; de
wind komt uit den ooslelijken—tangin
datang dari sabetah tiiaoer;
in alle
— en zoeken, ntittfjë/tari dimana-mana;
in — of gat stoppen, minjftaboenikaa
(van XLutboeni); het —je omgaan, ster-
ven, mafi.
hoeknehtiii* birptndjoeroe. —, puntig,
bêrhoedjoeag. —, met kapen, bi-rlau-
djoeng.
zie bij hoek.
hoeltti ui*, roentah stkoe toeroeng.
Uoeltpiltmr, tiattg prndjoeroe roeaiah.
hoekpunt, hoedjoeng ptndjoeroe.
hoeksteen, batoe prndjoeroe roema/t.
hoektnnd, oogtsnd, yigi asoe.
ada ha\'ik f — heet ffij, tiapttnamamoe f
—  heet dit, apa naman/a int.\'\' — als
Bff Daar eene hoeveelheid, maat of duur
^evraastd wordt, bPrapa, b.v. — oud
^ijt ï*ïj, brrapa ïimoeï-moef — ver is
dat, bfrapa djaoehnja f — duur is dut,
hli-itpti haryanja." — lans is dat, £«-
fiipa pamljanyaja? van i ijdduur, b\\ rapa
lama.
— laat is het, poekoet berapa f
—  dikwijls, hïrapa kali.\' — veel, bï-
/i\'pa ban jak f
— vele kaaien, brrapa
bat/jak kali."
— ook, bayaittiatta pon,
hi-ropa pon,
b.v. — groot hij ook zij,
é***i*t*M* pon bf sant/a; hoeveel geld
hij ook uiuge hebben, bërapa pon ba~
njah oearangnja.
— ia het mogelijk,
bagaiiiiatta bidih. — het ook met de
/aak staat, bayaimana pon ba\'il: hal ,
\'Un\\ — het ook mo£ü loopen, bayai-
,nana pon balk djadiaja.
— of wat lef-
-Tun, •>!• ii\'jatakan bagaimana ataic apa.
hoed, >1 e mannen— der Kuiopeancn,
fopi, tjttpiitn. Port. den — nlneuien,
imuiiboeka tojii, mïmboeka tjnpiait;
breede, kegelvormige zonnehoed, ver-
vaardigd vim cevloehten bladeren ol\'
bamboe, térendak, toedoeng. —, ook
koeld/t, 1\'erz.
hoed unit;, boetapa peri, bagaimana peri.
—  is uw leven, boetapa përi kakidot» ;
pan moe.
\'"\'. I:ini «-hei» l. eigenschap, uitwendige, :
si/at, Ar. inwendige, tablat, Ar.; de \'
juiste —, ambt. —, wijze, pï-ri, ka/a-
koewan.
—, ook kabrfttpaan (van bt-
ftipa).
—, aard, pèramgai, pïktrti, Skr. [
hoede* zorg, prli/tara. pr.tarliharaati (van *
pari/tam, Skr.). —, bescherming, pïr-
Undoeitgan, pPrnaoengan, pëmë/iharad\'t;
God neme u onder zijne —, diprl\'tha-
rakan Allah kiranja akau dik**;
op j
zijn — zijn, bërinyat dirinja; wees op
uwe —, djaya ba\'ik-bdik. ingat-ingat.
hoeden, vee—, met bep. obj. menggom- j
bahikan; met onbep. obj. mrnygombala.
—. zorgen voor, mrmr/ihartUan, t/te-
nyrlatlati
(van këladau).—, beschermen,
niêlindomgi, taPnaoengi. , mrmelihara- i
kan; lioh — voor, mrmrliharakan di-
rinja daripada, mXndjayakau diriuja
daripada, mëtidjaoehkan dirinja dart-
padn.
Het laatste beteekent: zich ver-
wijderd houden van.
hoeder, herder, yomba/a. —, behoeder,
ppuu-/i/tara, ptlindoettg.
\'loet\' van dieren, koekoe; paarde—, koekoe
-ocr page 322-
810
hoekvormig — hofbediende.
hoerentaal, tjakap orang soendal.
hoerenwnard en hoerenwaardin, ia-
doek sPmang,
eig. ietu. die er kostgan-
gers op nahoudt.
boeren waardin, piaang moeda. Zit
ook koppelaar en het vorige woord.
hoen, overtrek, sai-omg, oelas.
hoest, bafoek; droge —, teringboest.
bafoek kering; bloed—, bafoefr dar ah .
kink—, batoek rfdjan.
hoestbui, in een — raken, een —
krijgen, tïrbaioek-baioek.
boesten, batoek; bloed —, batoekdai\'ah.
Zie ook bij kuchen.
hoeveel, birapa. — guldens, bïrapa
roepijah.
— luaal, berapa kali.— volk,
bïrapa orang. — ook, barntig bïrapa
pon.
— te meer, islimetca poela, ini
poe/a, atangkah, berapa lagi.
— te
minder ook, istimewa pcela. — te ineer
de slechten, istimeKa poeta jaug dja-
hatnja;
daar hij zelfs het hoofd vnn
een kind (met een dissel) bekapt heeft,
—  te meer zou hij zulk een hoiitkrul
kunnen kappen, sïdang kapaht boedak
lagi diiarahnja, int poeta mïnarah tatal
dïmikian itoe.
— te meer, in de be-
teekenis van: hoe groot was niet,
atangkah, b.v. atangkah kasih laksa-
mana akan kt/a,
— te meer was Lak-
samann ons genegen; als de geschape-
nen zoo zijn ■— te meer dnn die ze
schiep, djikatau jaug didjadikan demi-
kian, jaag mïniljadikan berapa lagi.
hoeveelheid, öanjafrnja. — menigte,
kabanjakan.
hoeveelste, berapa., b.v. de — der
mnand, berapa hari boelan.
boeven, zin behoeven.
hoewel, ofschoon, soenggoehpon, maski-
pon (van masqué, Port,)» djikatav, , . .
sakalipon.
hoezeer — hoewel,
hoi\', van een Vorst, dalam. —taal, bthasa
dalam; iemand van het —, orang dalam.
—, paleis, astana, maligai; ten hove
verschijnen, mïtighadap baginda; zijn
—  maken aan een meisje, mënjingkir
(van singkir), eigenl. bet — maken van
een haan aan eene hen, door zijdelings
op haar aan te schuiven. —, lusthof,
taman; in gedichten, ttlangon, Kw.
hofbeambte, pïndjatcat astana.
ho\'\'bediende, orang dalam; vrouwe*
lijke —, pïricara, dajang jtïncara, biti
pïricara.
hoekvormie, sarorpa pëndjorroe.
hoelang; tot —, sampai berapa lama.
boen, hajam. \\\\ ild —, hajam hoefan;
een gemest —, hajam tamboen, hajam
soewap; een jong —, anak hajam. —,
zie uuk bij ben cd kip; parel—,
hajam moetiara.
hoenderhlind, blind bij nacht, hoela
larangan.
hoenderbout, paha hajam.
hoenderdier, penfjoeri hajam.
hoenderdrek, tahi hajam, h mbelek h.
lioenderei, tëlor hajam.
hoendereten, makanan hajam.
hoenderhok, sangkaran hajam, kan-
datif/ hajam.
hoenderkooper, orang btrdjoewal
hajam.
hoenderkorf, waarmee men kuikens
overstolpt, svrëkoep hajam.
hoendermeat, tahi hajam.
hoendcrsocp. sop hajam, koncah ha-
jam, kaldoe hajam.
hoendervleesch, daging hajam.
hoepel, band om iets, simpai. Van een
— voorzien, menjimpai\', mémboeboeh sim-
pat.
— om een ton ook bingkai; losse
—   om den rand van een b.-spannen
ketel-instrument, tusschen ketel en vel,
sedafc. — om een wiel, kusoet.
hoepelen, btrmaïn simpai.
hoei»\'lrok, crinoline, hoepel vormig
voorwerp, pengeloeng (vnn eloeng).
hoephout. Hiervoor bezigt men bamboe,
boeloeh, en rottingrict, rotan.
hoer, përampoeican soendal, perampoetcan
djalang, lonté, Jav. —, ongeoorloofde
bijzit, kindak.
hoerachtig, tjara soendal.
hoerdom, si-gala soendal, pïrsoenda/an.
hoereerder, orang bërtoendal. —, ovcr-
speler, orang bPrzina\'. —, hoereerster,
overspeelster, orang Vérmoekah, pi-ram-
poeican ber:ina\'. —, die een ongeoor-
lool\'de bijzit heeft, orang bvrkëiiduk\'.
hoereeren, bërsoendal. - , overspel
bedrijven, btrzina\'. — van een gehuwde
vrouw, bPrmoekah.
hoerekind, anak gamjxiag, aaak haram,
haram-Tc.dek, Pofz. ook al» scheldwoord.
—, kind van eene hoer, anak soendal.
—  bij een ongeoorloofde bijzit, aaafr
këndak.
boerenhuis, roemah pandjaug.
hoerenlied, panion orang soendal.
hoerenloon, o\\»ah soendal.
-ocr page 323-
— holte.                                      311
kiezen, ftmboeir, —, uitgevreten door
den klnnder, van rijst enz, timborl,
omdat zulke ledige korrels bij het was-
schen bovendrijven; — van een klank,
gëmbira, Skr. —, niet massief, b.v. van
bamboe, een ring enz., gëronggang; bet
holle van tromaebtige instrumenten,
balo-b. — van de zee, gëronggang; een
—Ie zee, laori gëronggang; een —Ie
weg, ravijn, djoerany; een —Ie maag,
përort kotong. —Ie wanifen, pipi tjeng-
koeny;
in het —Ie van den nacht,
djaoi\'h ma la ui, malam-malam, malam
bofta.
— linnen of katoen, kain djarang.
holderbolder, gëroh-gërah. —, hals
over kop, lin/ang-poekang.
holklinkend, zooals een ledig vertrek,
dëmpang, bërdëngorng-dëiiyocng, b.v. bt-
bërapa mélaloeï goha jang bërdëngoeng-
dëngoeng dan bonkit jang tingyi-tinggi,
vele malen trok hij holklinkende grotten
en hoogo bergen voorbij.
holland, nëgari wolanda, n. bëlanda.
hollander, orang icolanda, o. bëlanda;
een echte —, in Hollan4 geboren, b<-
landa total?;
een pas aangekomen —,
die zijn achterste nog niet papier en
niet op Indische wijze met water reinigt,
bëlanda. ki-pet, gebruikt als scheldw.;
een in Indie geboren —, peranakan
bëlanda.
hollnndioh, wolanda, bëlanda, wolan-
doem;
hot —, do taal, bëhasa toolanda.
hollen, lari. Zie ook bij hol.
holli**hoid, holte, gëronggang —, on-
diepe kuil. lëkok; allerlei hollighcden,
lëkak-lëkojr. — van het oog, lëkok
mata,
ook tjënykoeng, zie bij oog.
van bet lichaam, rongga; een — vor-
men, krijiren, mërongga; een — bin-
nenwaiirts vormen, mërongga kadalam.
holoogiff* mata lëkok, mata lëkoeng.
holothuriën; eene soort daarvan, die
algemeen in de indïsche zeeén voor-
komt co door de Chineezen wordt ge-
geten, tëripang.
holrond, lëugkomg.
holster, saroeng kestoel.
holte, bolligheid, gëronggang, rongga.
—, kuil, lëkok; oog—, lëkok1 wata.—,
nis, tjëngkëroeng. —, nis in een berg-
wnnd, rtloeng; zulk een — vormen,
mereloi\'ng. — in booinen, den grond,
bet lichaam, rongga. — of nis in de
zijde van een graf, waarin bet lijk
zonder kist wordt geschoven, lahad, Ar.
hofdame
hofdame, zie hofjufter.
hofdienat, pekVrdjaan dalam.
hoir.\'Ujlï. tahoe bfhasa, bërboedibëhasa.
hollMvJkheid, boedi bïhasa, roetcadah.
hofgebruik, adat-istiadat radja,
hofjonker, page, moeda përtcara.
hofjuilï\'r, ilajang, biti përtcara.— van
soede familie, dara-dang. —9, bïti-biti,
b.v. \'•criiL\' maagden aaa de rechter*
zijde en veertig bofjufiers aan de lin-
kerzijdc van Mevrouw de Prinses, int-
pat poeloeb anale dara\'dara dikanan
iortcan porfëri dan ëmpat pofloeh anak
iiitt-hiti dikiri toetcan poetëri.
hoflieden, orang dalam.
liofmee»ter, aan het hof, ptndjawat
santapan.
—, bandahari, djoeroe btlak.
hofmeier, pëngltma dalam.
hofnar, nadtm, Ar. badoet, Jav.
hofpourt, pintoe nstana.
liof»*<*henker, pimljaicat minoeman.
hoff*taatsie, oepatjara, Skr.
holWtjul, attana pon-a nagara, Skr.
hofötoet, volgelingen van den Vorst,
sëgala orang pëngiring baginda.
hoftaul, bëhasa dalam.
liofwHeht,rmluU\\vacht,^<v/*7«i4\'a/flj/«Wtf.
liol\'wnchter, bewaker van een lusthof,
pënornggon (iiman ; bewaker van een tuin,
pënoeuygoe këbon.
hok, voor groote dieren, kandang.
voor kleine dieren en gevogelte, sang- ■
karan.
—, schuthok, koeroeng; in zulk
MD — zetten, mëngoeromigkan. Zie ook |
kerk«*r. ■—je, lokut, kotak.— bij den
voorsteven, kabelgat, tjëroek\' haloetcan.
hokken; in huis—, mëkoer. —, haperen,
sangkoel.
hokvast, /Je liuisviisi.
hol, grot, ijoha, Skr. gëronggang. — in
BOD rots, goha baloe. —, kuil in den
grond, lohany, l\'ijang; het — eener
slang, lobang oelar, Hjang oelar. — in
een buom, ronijga kajoe; het —, ruim
van een vaartuig, roetcang; op den —
raken, lari; zijn hoofd is op —, kapa-
lanja ta\'ba\'ik, binyofny;
het hoofd op
— brengen, mëmbinyoenykan kapala;
vnn den goeden weg afbrengen, me-
njësatkan
(van staat).
hol, Itijv. nw. het tegenovergestelde van
bol, zooals b.v. een horlogeglaa van
binnen, linykoeny. Ook de —Ie zijde
van iets. —, ledig, hëmpa, kosong. —■
van de oogen, lëkok3. —Ie oogen, mata
lëkok;
ook lïkoeng. — van tanden of
-ocr page 324-
312                                             hommel
ook Hjang lahad. —, kuil, waarin het
ondereinde van iets moet kumen, b.v.
voor een mast of paal, — in een rijst-
blok enz , ijoepoe. —, b.v. van een
lepel, kopje, de binnenzijde van een
stoelleuning enz., kïroeug.—, de ruimte
onder iets, kolong. —, ledigheid onder
iets of zijwnarts in iets, tjïroek; al Ier-
lei zijholen of gangen, tjt-roek-mrroek.
hommel, hombang. Kene soort van —,
die honig verzamelt, kombang madoe.
Eene andere soort, die het hout uit-
boort, kom bang kajoe.
hommer, ikan djanfan, ikan laki\'laki.
homp, dik brok, pfnggal, goempal, fut-
tong ;
een —, sapi-nggal, saguempal,
sapototig.
hompelen, zie hinken.
hond, andjing; inent—, andjing pemboe-
roeican, a. pPrlurroncan.
—, die aan
niemand toebehoort, koeju-k; ook uit-
roep, waarmede men vreemde —en
roept; de wilde — of jakbals, sïrigata,
andjing r>mba;
een kwade —, andjing
galak
; een dolle —, andjing gila; de
—, het sterrenbeeld, a/kalb. Ar.; de
vliegende —, eene >-oort van zeer groot e
vledermuis, ka/oenang. kaluemj; blaf*
fende bonden bijten niet, hartman «te-
,/gaoem tidak tuïnangkap ; alsof hij door
een — gebeten was (VU iemand die
zich wegscheert), saptrti polong ke/ta
semboer,
letterl. als een bespoten ka-
bouter. Sprw.; de roode —, een soort van
huiduitslug, ontstaan door veel zwceten,
bPlik-brtik. tjï-mpak, koedis boe/a.
hondenhok, kandarg andjing, tvmpal ■
andjing.
hondenmelker, hondenfokker, përan I
atidjing.
hond en wacht, aan boord, djaga dibe- I
lakang malam.
honderd» één —, saratoes, twee —, ■
doe ten ratoes enz., do — saratoes, b.v.
een halve (i uiden de —, sathiyah roe-
pijali saratot\'s;
bij —en, bt-ratofs-ratoes;
bij de — of bij de duizend, b.v. van
koopen of verkoopen, ratoes ataio riboe;
zesdehalf —, lengah ëuam ratoes; ten
—, dalam mhWcim, b.v. vijf ten — rente,
boenganja dalam saratoes lima; de volle
—, ghuip saratoex; eenige —en, èt-
btrajai ratoes;
een paar —, barang
doeica liga rat ces;
numero —, de beste-
kamer, zie ald.; in het —, f jampoer !
baoer, Ijanipoer gaorl.
— honig.
honderdduizend, kïti; één —,sakiti.
honderderlei, saratoes roepa, sarators
taatjam, saratoes djênis.
honderdjarig, van leeftijd, umoer sa-
ratoes tahoen, saratoes tahoen ïrtaoernja.
—, alle honderd jaren eens, tijap-tijap
saratoes taho-n sakali
honderdmaal, saratoes kali; honderd
malen, bi-rntoes-ratoes kali.
honderdste, jaug ktisarafoes. kasara-
toi-s;
den —n dag na iemnnds over-
lijden met een maaltijd en gebeden
vieren, aienjfraloes hari.
honderdtal, ratoes; bij —len, ratoesan.
honderdvond, saratoes gnnda, sarators
lipat.
hondsch, barseh, bfttgis, redjah; op
zijn —, tjara andjing. —, nnbeseholt,
koerang adjar. — bejegend worden,
diperidjani.
hondsdolheid, gila andjing.
lionilȟrns, hond^tand, tilatas.
hondshonjïer, zie geeuwhonjier.
hondstand, zie hondsgra*.
hondsvot, bangsnf. —, onhüfchoft, ko>-
raug adjar.
honser, lapar. — hebben, bïrlapar;
ook alleen lapar; ik heb —, pi-roet kut-
la par,
voor ik heb —, wordt iuee>tal
lapar prroetkoe gebezigd. — lijden,
kalaparan; van — sterven, mati ka/a-
paran;
den — stillen, numoetcaskaa
lapar
(van poetcas). — doen lijden, —
veroorzaken, mUaparkaa. — en dor?!,
lapar dan dthaga.
hongerdood, mati kalaparan.
honuereiii bérlapar, kalaparan, bürami
lapar;
dond —, mati drngan lapar.
naar, sterk begeeren, rindoekan, ingitt
akan, üsjifc akan.
hongerig:, dikwijls naar eten verlangen,
zooals pas herstelde zieken, kemuroek.
honaerice, orang jang bïrlapar; zooals
een pas herstelde zieke, orang kvmaroek.
honjïerlü<*cr, orang kalaparan.
hongersnood, bïla kalaparan, ook
kaboeloeran.
boni-;, aiadoe, ajar madoe (Skr. niadhoe,
zoet). Ook ajar lébah. niugsan lïbah,
manisan;
ongepynde —, lekhonig, ajar
madoe tilisan:
het suinakt als —, sa-
prrti ajar madoe tuisanja;
zoo zoet als
—, manisnja saptrti ajar madoe; zoo
zoet als een zee van —, manisnja sa-
perti laoet madoe adavja.
— om den
mond smeren, attmboedjoek-boedjuik.
-ocr page 325-
honi<>t>U — hoofdaanval.                                      313
i < uii".i»i.i, lebuk, taicou, «Tav.; do larven
van de —, anak h-buh,
..oniiï<i;ui\\v, loemoer, lapoek; koelat,
hoiiissjaser, zie byenjasjer.
lioniupis, diabetes ineilitus, k\'fiifjing
man is,
honi<*raat, indoeng mador, saraug Ifbah,
sarung madof;
een jonge —, wnnrvnn
do was nog /eer wit ia en waarin nas
de larven zijn, suuibaug.
hoiiW, bij sommige kinderspelen, bit/ui.
hoofd, in nlle bcteekenissen, kapala.
—, van den Vorst gesproken,hofloi;—,
opperhoofd, kapala, pénghoflof, orn.ig
kuja,
ook oyaug tonen en ioewatoeica.
—  dat van alles kennis draagt, orang
tot\'i\'-a tahon.
De titels dier —en ver-
schillen in alle indisehe Kijkjes en kun-
nen hier dus niet opgegeven worden.
Zie ook de samenstellingen met —;
iemands —, chef, superieur, oraug bè-
suynju.
— des gezins, tvKU rofiaa/t;
de verschillende hoofden, orattg kaja-
ktija, srgvla penghorlof, kapalit-kapata.
—, aanvoerder, pengandjoer. —, ann-
drijver bij een werk, pvng?rah, djoeroe-
ktrah •
met zijn — voor zijne schulden
instaan, b.rhoftang kupuia; het — dat
op de heerendiensten van het Gouver-
nement toezicht houdt, pi-nghaelof ordi.
—  eener markï, innrktopziener, potija,
Chin. — van de vorstelijke trommel-
slagers, pfnghoeioe nobat. — van een
brief, kupala sorrat. — van een spij-
ker, pajofiig pakor, kapalu. pakoi\'.
van een geschrift, pavgkat sorrat. —,
van een gezantschap, ofpadofta, Skr. —,
voornaamste, in samenstellingen, raja,
b.v. de hoofdweg, djalav raja; de hoofd-
kraal (nml. voor olifanten), kandaug
raja.
— der schrijvers, eerste secretaris,
karkoen; het — bieden aan. tahan;
zoonis b.v. een schip voor anker aan
een hevigen storm, een leger bij oen
hevigen aanvnl, bïrtahar; zie ook
trotseeren; met bedekt —, br.rke-
loeboeng;
met bedekt — naderen,
ifataug berkclorboet/g; hetzelfde van
velen, dading berktlofbofng-kflaeboeng;
niet wel bij het —, sesar, sesal nkal;
aan het — stellen, iemand voorop-
stellen, tiu-iidfhoftot\'kan; over hot —
gezien, bij eene uitdjeling enz., ferlin-
doeng,
b.v. niemand werd over bet —
gezien, sa\'oraag pon fiada ttrlindoeng;
haven—, pangkalan; voor het aanleggen
dor vcerschuiten, pangkalan tandtang;
een kaal —, kupala soflah, kupala
bof tak, kupala gofiidocf;
van het —
tot de voeten, dart koedjotM rumboft
tampui ditflapakan kaki.
Soms ook
omgekeerd, dari (flapakan kaki sawpai
ilihotdjo\'iig ramboirt;
het — laten hun-
gen, vifHOftidotffckan kupala i van ton*
doek):
liet — loopt mij om, bingoeng
kapatakof, poes\'t.nj kapatakof;
donr hel
— gnan, vergeten, tfrlofpa: niet wel
bij het — zijn, gilu &dikUtgUmèèkmM* ;
het in het — hebben, hoofdpijn hebben,
xakd kapala; veel —en, veel /innen,
Hiakin banjuk orang, maki/i bu.ijuk aijuf,
Sprw.; zich aan het — stellen, djadi
kupala, in fa ga palukan;
het — in den
schout houden, menoendoek\'kan kupala
(van toiiidwk); zijn eiiten — volgen,
MfMCfrvft kahfnda knju sfudiri (van
/of,-off\'; het — bieden, mrlatvau, bn-
tnhun;
een — tooneii, koppig zijn,
dfgil; het — stooten, niet reüsseeren,
butal iiiuktiifd, kf/jiica; voor bet —
fitooten, weideren, un-ngfiigguakaa, nu-
noelak
(van toidak); iemand bet hoofd
warm makrn, mfmarahkan; van den
Vorst, nu-iaorkakan; het — opbeuren,
mfiigiin:iL,it kapala; moed vatten, iafm-
pfr/ffupkan huti
,- de —en bij elkander
steken, bumocüfakat, bfrbi\'juru b?rsaiaa-
saam;
boven het — hangen van een
gevaar, tjiluka hfndak: dat aug atus;
zijn — er onder verwedden, hertaroh*
kun kupuluaju;
gekroonde —en, kapala
jang bfrmakota;
zijn — met iets bre-
ken, fadlofli aka?i, pfrdoeli akaa ; iem.
het — breken, plagen, unmbis\'ntgkuu
kapala;
iets naar het — werpen, ver-
wijten, mfinbangkit-bangkit; een goed
—, om te leeren, ringan kuputa; uit
het — leeren, mfiigapal-apal (van ba-
fa},
Ar.); zijn — nederleggen, sterven,
mud; per —, maiing-tnasing, su\'oravg-
taoraug,
b.v. wij betalen drie gul-
den per —, musïng-iuasing kamï mi-in-
bajar liga rofpijali, sa*oraiig-sa orang
kami m. f. r,;
uit dien —e. olih tfbab
ito?, karêna sfbub itoe.
— voor —,
su\'orang demi sa* orang, sa\'orang-sa\'o-
vang, tijap-tijap sa\'orang, masing-ma-
iing.
—, zie ook bij «lekken en on-
gedekt.
hoolUannlessef, pengofpak jang ka-
palu
, p. j. pfrtama.
hoofdaanval, p\'e:/jtrangan bt-tar.
-ocr page 326-
814
hoofctaon voerder — hoofdmiddel.
hoofdaanvoerder, pengandjoer jang
prrtama.
hoofdader, ader ia het hoofd, oerat
kapala.
—, slagader, oerat nadi, oerat
besar.
hoofdafdeeling, Uhagian jang perta-
ma, b. j. kapala.
hoofdartikel, fafal jang besar, f. j.
kapala, f, j. perlama.
—, gewichtige
/ank, perkara besar.
hoofdhad, hoofd reiniging bij het baden,
langiran; ren — nemen, bèrlangir ia-
pa/a, krrames.
Jav.
hoofdbatlerü, koeboe jang besar.
hoolUheMtuur, ptmèrentahan besar.
hoofdbestuurder, peunrenlah brsar.
hoofdhevelhebher, panglima përang
besar.
hoofdbezigheid, p\'kerdjaan jang ka-
pat a.
hoofdborstel, hoofdschuier, sikat ka-
pa/a.
hoofdbreken, pvesiug kapala, eigcnl.
omluopcn vim het hoofd. — geven,
taemoesingkan kapala. —, moeite, ka-
soi\'Sit ha u.
hoofdbureau, katitor-besar.
hoofdcommies, kmrtoem, kornis besar.
hoofddeel, hoofdstuk, fafal, Ar.,bab, Ar.
hoofddeksel, zonnehoed der inlanders,
t\'ereudak, toêdoeng, toedoeng kapala.
hoofddoek, setanga?i kapala (vei\'h.van
sapof tavgan kapala). ïkat kapala; langu
—, die oia het hoofd gewonden wordt,
destar, Perz.; zulk een — dubbel \'_\'e-
plooid, destar birenda doewa; met gou-
den lovertjes, destar beranting-anthig,
destar berapi-api ;
gekleurd met stree-
peu, destar petangi; e s. v. zeer langen
—, boelang, ook boelang Aoetoe, ook
— van een Vorst; een witte —, van
IJ- vadem lengte, die om bet hoofd
gewonden wordt ten teeken van rouw,
kaboeng. — tot een wrong gedraaid en
zoo gedragen, zooals dit nog de ge-
woonte is ia Atjch en Ménangkabau,
të/tgkoetoek, tengkolok; e. s. v. — met
zwarten grond en witte randen, waarin
een zwarte vogel afgebeeld is, sapoe-
tanga» boenga hok. —
-, die als een
touw in elkander gedraaid is, sëtangan
ia/i hajam;
een bijzondere wijze van
den — te dragen, vergeleken bij een
toegebonden mandje vischgelei, gelang
bel at jan.
hoofddoel, >uakfoed jang përlama.
hoofddraaiïng, hoofddutzeling, poe-
sitig kapala.
hoofddwaling, sesatan jang kapala.
hoofdeisenschap, sifat jang pertama.
hoofdelijk, masing-masiag, sa\'orang-
sa\'orang.
hoofdeloos, tiada b\'erkapala.
hoofdeneinde, hoeloe, kapala.
hoofdgebouw, kalja-jtoeri.
hoofdgehrek, ook in zedel. zin, tjeh>
jang terbessr.
hoofdgeld, van de Chineezen, oetcanu
koendai,
d. i. geld der staarten, die ie
een wrong ongebonden zijn. — van de
inlanders, oeicang kapala.
hoofdgeldbriefje, soerat koendai, om-
dat de Cbinec/.en hun koutjirof staart
lot een wrong op bet hoofd samenwin-
den als zij moeten werken.
hoofdgerecht, opperste rechtbank, hoe-
koem besar.
—, hoofdspijs op tafel,
hidangan jang kapala.
hoofdgeschil, persëlisehan jang tïr-
óësar.
hoofdgetal, hilangau besar.
hooldgetuige, saksï jang kapala,
hooidgezwel, gezwel aan het hoofd,
bimjkak kapala.
hoofdgrond, iboe dalil.
hoofdhaar, ramboet, ook van dieren.
— van den Vorst, soerai. Hoofdhuren
worden bij helai on oerat geteld, b.v.
één —, ramboet sahëlai, drie hoofd-
haren, ramboet tiga oerat.
hoofdig, /ie koppig.
hoofdingang, pintoe besar. Zie hoofd-
poort.
hoofdinhoud, kort begrip, ichtifiir. Ar.
hoofdjicht, stngal kapala.
hoofdkantoor, kantor bësar.
hoofdklerk, karkoeti, kapala djoeroe-
toelis.
hoofdkleur, grondkleur, dasar.
hoofdkraal, voor olifanten, kandang
raja,
hoofdkrater, kau:a/i jang bësar.
hoofdkussen, bantal kapala. Ook alleen
bantal.
hoofdkwaal, voornaamste kwaal, pe-
njakit jang prrtama, p. j. kapala.
hoofdkwartier, tempat kadoedoekan
djinderal.
hoofdluis, koetoe.
hoofdman, hocloebalang, pënghoeloe,
penglima iierang, sardar,
Perz.
hoofd middel, voornaamste geneesmid-
-ocr page 327-
BIS
hoofdneijjinjj — hoog.
del, kapala obat; geneesmiddel voor het
hoofd, obat kapala.
hoofdneigins* nafsoe jang kapala.
hoofdofficier = hoofdman.
i.oul\'doouinerlc. makfoed jarig kapaJa.
huotitour/iink, moela Srbab, pohon se-
bab, moela perlama.
hoofdopzichter, is bet een Europeaan,
opsinder besar; is het een inlander,
mandor besar,
lioofdpacht, pak besar.
liuofilpacliter, pat br-sar; is het een
Chinees, poetija besar.
hooidpewioon, orang jang terbesar,
o. j. kapala.
hoofdpakhuismeester, penghoeloe
bendahari.
hoofdpijn, aal-i/ kapala; van den Vorst,
gering hoelof, een zwaar gevoel in hel
hoofd, vgetoe. Zie ook duizelig; hnrd-
nekkige — nn de bevalling, rojan natk
kahoelot\', r. n. kakapala.
hoofdplaats, iboe n\'egari; versterkte —,
kota.
hoofdpoort, pintoe gerébang. —, hoofd-
ingang van een gebouw, gapoera,
hoofdpunt, pohon pérkara.
hoofdrnd, djantva jang terbesar.
hoofdrechter, liiikim besar.
hoofdregel, sjart jang jterfama.
hoofdrivier, soengai besar, iboe soengai;
do — in het 1\'arniliJH, waaruit alle
andere rivieren worden gezegd te vloeien,
kautsar, Ar.
hoofdschedel, batok kapala, lempoe-
rong kapala. ■—, bekkeneel, tengkorak.
hoofdschilfer*, roos op het hoofd,
keltnioemoer.
hoofdschotel, de voornaamste schotel,
hidangan jang besar, ftidangan jang ka-
pttla.
hoofdschuld, voornaamste schuld, hoe-
tang jang terbesar.
hoofdschuldenaar, orang jang tér-
banjak hoetangnja.
hoofdschuldige, orang jang terbesar
salahnja.
hoofdsieraad, perhiasan kapala. Zie
ook hoofdtooisel.
hoofdsluier, k\'eloeboeng.
hoofdsom, kapitaal, dat op rente wordt
uitgezet, pokok oeicang. —, bcdrijfs-
kapitanl, modal. — en rente, pokok
oetrang déngan boenganja.
hoofdstad, iboe negari, letterl. verta-
ling van het Ar. oemoè\'lboUidn.
hoofdstof, clement, Tinsoer, Ar.
hoofdstraat, loeroeng besar.
hoofdstreek, djadjahan jang bé$ar.
hoofdstuk, faxal, Ar. bib, Ar.
hoofdtak eener rivier, batang soengai
jang t-rbesur.
hoofdtooiscl: perhiasan kapala; eene
soort vnn—.bestaande in een kostbaar
bewerkten, breeden hoofdband, door een
bruidegom in pi. v. den hoofddoek gedra-
gen, sigar.
hoofdtouwen van een vaartuig, het
want, tamberang.
hoofdtrek, si fat jang perlama.
hoofdvak, pekerdjaiin jang terbesar.
hoofd vonnis, kapoetoesau hoekoem
besar.
hoofdwacht, jtengaicalan besar, kaïcal
besar.
boofdwal,van MM vesting, deicala besar.
hoofdwasschinc pëmbasoehan kapa-
la ;
bij het bitden, laugir, kerames, Jav.
hoofdwerk, prkerdjaan jang terbesar.
hoofdwet, hoekoe m besar, oendang-
oeiidang bë-iar.
hoofdwond, loeka kapala.
hoofd wortel, van eene ]>lant, akar
oembi, iboe-akar.
hootdwrona:, zie baarwrons en
hoofddoek.
hoofdzaak, perkara jang terbesar. —,
grond, pokofc; tot — maken, zich streng
ann iets houden, mengeraskaii (van kerns),
b.v. van don godsdienst maakten zij ■—,
ttgama jang dikéraskannja. Ook mem-
besarhni,
b.v. die zaak maakten zij tot
—, perkara itoe dibesarkanuja.
hoofdzakelijk, p\'ftama-pertama, pada
gralthnja
(vnn gralib, Ar.).
hoofdzee, xnnoedra, Skr.
hoofdzeer, koedis kapala, goerak kapala.
hoofdzeil, tajar-tujoeng.
hoofdzetel, kadoedoekan jang téroeta-
rna, kadoedoekan jaag térlinggi, k. j.
termoelia.
hoofdzonde, tlosa jang terbesar.
hoofdz warsheid, kasoesahan ja./g
terbesar.
hoofdzweer, zweer aan het hoofd,
poeroe dikapala.
hoofseh, tjara radja, adat astana.
hoos, ftnggi. hooier dan, tinggi dari-
patla ;
veel hooger dan, lèbih tinggi dari-
pada-,
hoogste, tertinijgi; op zijn hoogst,
satinggi-tingginja; zeer—, amat tinggi,
,.11\'hi\' tinggi;
even —, tama tinggi; even
-ocr page 328-
:ll»i
hoogaanzienlijk — hoogheid.
—   als, sama tinggi dèttgan ; zoo — als,
satinggi, b.v. zoo — als een berg, sa-
tïttggi boe kit.
—, Hijw. tiaggi-tinggi,
b.v. — stijgen, na\'ik tiuggi-ihtggi.
iu prijs, btstir harganja ; een —e prijs,
karga bèsar. — van loon van het zin-
gen, mèlangsi. — dag, hari tinggi; het
is nog geen — dag, hari belom fitiggi;
drie vademen —, etnpat depatingginja;
twee —, opgestapeld of boven op elkan-
der, doeiKa aoetoen, dorica lapis; hoe
langer hoc hooger, taakin lama, mahin
tinggi;
al hooger en hooger, van stij-
gen ol\' vliegen, btrpangkat-pangkat, d. i.
trap&wijze, b v. de vosje! -tijgt al hoo-
Kcr en hooger, borrneng ito? naïk ber-
panolaf-pangkat.
—er op liggen, di-
atas-atas,
b.v. landen die —er op
liggen, negari ja ai/ \'li-at as-at as; de
allerhoogste God, Allah jang malta
tinggi, Allah tnala.
Ar. een —o vlood,
pasauij bëêar, — water, ajar bèsar; WH
— e zee, omhak besar, gëioéwtoamg bitiw,
—, \\aa kleuren, dj<-lah, b.v. — rood,
mcrah djelah. —, van een deklast,
djeroeboeng, djerwmbueug; zich — ver-
hellen, van een deklast, n.<nilje,oeut-
boeng.
— opschieten, in de hooirte
groeiend, van bouwen, roendjati. —er
stellen, —er schatten, aielrbilikan, b.v.
gij schnt uwe broeders —er dan uwc;
ouders, toewan lebihkan saoedara toe-
tcatt tlaripada ajah-bonda foeicatt.
—,
verheven van personen, besar, moelia,
ïili.
Ar. — van geboorte, bangsatean,
brfasal, besar asal;
een —e stem, sof-
teara jang njaring;
een —en dunk van
zich zelven hi-bben, sombong; uit den
—e, van den hemel, dart laugit, dari
sotga ;
een —e ouderdom, ömoir tortca;
een —en ouderdom hebbend, sant/at
toetea wtnoer;
bereiken, merandatocwa;
op — bevel, dèttgan Utah baginda,
dengan perentalt orang besar;
de twist
rees —, perbantahan itoe utakin besar.
—e woorden, twist, perbantahaii; een
—en toon voeren, b\'erkat a-kat a. dèngan
ttmthong;
het i» — tijd, soeda/i lampan
tcektoenja.
— zwanger, boen/ing saraf,
mengandoeitg sarat;
tan Vorstinnen,
Ija.ail saraf; in —e achting staan, amat
kahnrmatan.
—. aangeschreven stann,
amat kabilattgan, dipèrmocliakau amat;
niet — vliegen, niet — timmeren,
dada b\'erapa pengetahoi\'.xnnja, f. b. ka-
patidajaunja.
hoogaanzienlijk, amat moelia, moe-
liairan.
hoogacht-baar, "-\'"at ntotrhfajijim. Ar.
hoogachten, inengendahkaii, menghor-
rnati, metitoeliakau.
hoogachting. t<~ilini. Ar. met —, hoog-
achteml, in brieven, dengatt tïlfim.
bewijzen, menta/imkan.
hoogbejaard, banjak i\'mtuer, terlalor
tuetcii öihiter, sangat toêwa.
hoogberoemd, terlmioe masjhorr.
hoogblauw, biroe djèlah.
!i.Mi".i.i\'ii!n. warita pala.
hoogdag, feestdag, hari-raja.
hoogduit!>»«*h, "_/. naan.
hoogduitKcher, orattg dj\'erman.
hoogedel, amat moelia, bangsatean,
iizi:. Al\', malta bangsatean.
hoogedelheid, jaag izat, namelijk van
den tiulthnn en den Kroonprins, in
brieven.
hooy;eei\'WnnPd, amat moehtanjim, Al.
hoogel\\jli, zeer, bijzonder, amat.
hoogen, opbieden, melelnhdehih liargaa/a,
mèlebih tlaripada tatvaran. —, /ie ook
ophoogeii.
liOO^v\\yrit*nterf/>eiig/iocloe imam, i.aa.a-
besar.
lioogeprie»terambt, imdmal, Ar. dja-
bat mi iinam-bfsar.
hoogt\'priestex*schap,<//»\'<«//a/ imam-
bèsar,
hoogereind, tëmpat jattg tinggi, t. j.
moelia.
hoo<>erlmnd; van —, op hoog bevel.
zie bij hoog.
hoogerwal, sabejah artgin,pehak angin.
1 looizi-sc 11of >1. uiadrusali, A r. mandarsah.
booimannd, van een twist, terlaloe bèsar.
hooggeacht, ter/iormaf.
hooüi»el»oren, bangsatean.
liooggüdui\'ht, haióat, Ar. —, zeer
gevreesd, tamgat ditakoeti. —, plechtig,
gruotsch, atautat, Ar.
hooi£i»(\'i\'l, hoening djtlah.
hoossjerechtsbof, hoekuent bèsar, nm/i-
kaïaat jattg tinggi.
hoo<r<*<\'N«\'liat = hooggeacht.
Iiou^ui\'/i\'icii. ia hoogen rang, tinggi
paugkatnja.
lioo£5i»roen, kidjan dj\'elah.
hooghartig, hati-bésar.
liooiïliuiM ii^l i t;i<l. kabesaran hati, besar-
hali.
boosheid, katinggian, kabesaran. ,
titel voor aanzienlijke personen, sja-
-ocr page 329-
hoogland — hoop.                                            317
ra/al, Ar. —, van God en Vorsten,
\'izat, Ar.; zijne —, jong \'nat, s\'eri pd-
ilorka,
Skr. — des harten, kabèsaran
hati.
hoogland, tanah koeloe, oedik.
hooglander, orang hoeloe, orang yoe-
noeng.
hoogloilelüh, amat kapoedjian.
lioo^loopend, vun een twist, bïsar.
hooHmued, tjongkafr, hol jak-, kaf jak,
sontbong, angkoeh, magroer,
Ar. takab-
boer,
Ar. kahesaran haii,
hoogmoedig = hoogmoed. — wor-
den, ook mendapal had; zeer —, vei-
waand, soenyar.
hoogmoediglülr, dezelfde woorden
als hoogmoed met denyaa er voor.
hoo£tnouend, amat kuetcasa, b\'esar kue-
wasanja
,
hoognoodig, ta\'dapat iiada, perkte
aakali
(van fardl, Ar ).
hoogrood, merah djdah, moeroep, b.v.
dan bèrbadjoe kesoemba moeroep bersoeral
dva bèsar dtnyan ajar-mas,
met een hoog*
rood geverfd baadje waarop met vergulde
letters een groot e spreuk stond.
hoogrug, bochel, bouykok1. Ook hoog-
ruggig.
hoogschatten, mengen dahkan, memoe-
liakav, ni\'embesarkan.
hoogst, Hijw., i\'érlaloe, amat, tèrlampau.
hoogte, linyyi; de — er Van is drie vuet,
iinyyïnja ütja kaki. —, hooge plaats,
timpat linyyi; een mans —, sapendiri
orang;
de — van de voeten tot de
toppen der vingers van den loodrecht
uitgestreklen arm, pèraendjoeny; de —
hebben, beschonken zijn, mabok; fig.
naik koeda hidjau, d. i. op een groen
paard rijden; in de — steken, rijzen,
den kop in de — steken, b.v. van
boomen enz., mèroendjau; zijn zwaard
in de — steken, in de lucht verheffen,
membanykitkan pedaugnja ka-oedara.
van zaken nemen, naar den toestand
van iets gaan zien, mtmantau (van
pantau), b.v. kamt pon besoek pagi
hendak mimantau anak--anak- hoewah
jang di T\'elok Tandjoeng,
morgen
ochtend zullen wij ons op de hoogte
stellen van onze onderhoorigen te Telok
Tandjoeng; op de — vun iets zijn met
een vaartuig, bhrtenfanyau denyan; on-
geveer op de — van, antara: nog niet
op de — zijn, nog niet begrijpen, belom
mingerti;
uit de — tot iemand spreken,
berkala-kata dèngan fjongkalr, berkata-
kata denyaa tombong;
uit de —, voor-
naam, ook linyyi, b v. tingkah laiornja
pon makhi tinggi;
iemand in de —
steken, mènyanykai-anykat, memoedji-
tnoedji ;
eene — bereiken, sampai di-
timpat tinggi;
den top bereiken, tam-
pai dipoentjak\', s. d. kemoentjafe,
hui igi i.i< I, masa-raja, hari-raja, hari-
b\'esar.
hoogverraad, doerhaka kapadaradja;
—  plegen, mindoerhaka kapada radja.
hoogvliegend, van een vogel, tirhang
tinyyi-tiayyi. —, zie opgeblazen,
hoogwaurdig = hoogeerwnnr-
dig.
lioogweilge boren = booggebo-
ren.
hoogwichtig;
zeer belangrijk, bèsar
takali, pérloe sakali (van fardl, Ar.).
hoos wij •• tërlaloe pandai.
hoogzuinig, Iiimat-himat aakali.
hoogzwanger, boent/tig sarat, menya^-
doeny sarat; van Vorst innen, ha.mil sarat.
hooi, roeutpoet kiring.
hooilzrop, graszaad, badjany-badjany,
hooivork, niet drie tanden, serampatiy;
daarmede steken, tnenjerampany.
hooiwagen, e. s. v. aaidspin met lange
pooten, ajak-ajak-
.
hoon, smaad, maloe, tjela.
i hoonen, membtri maloe, mëntjela, ?nén-
tjoetja, mènistalcan, menyhinakan. —,
lasteren, menyhoedjat. — dooi\' uitjou-
wen, njei/jen.
hooner, pcnljela, penista, pènghina,
p\'ènyhoedjal.
hoop, verwachting, harap, asa, Skr.,
p\'enyharapan. —opvatten, moelat harap.
—  voeden of koesteren, bèrharap, mè-
tiaroh harap
(van taruh); ijdele —,
penyharapan jany sija-sija; ijdele —
blijven koesteren, harap-harapan, asa-
asaihi.
Voor het luatste b.v. pada
bifjara sè.haja batklah kita kembu/i,
êoepaja janydipertoewan djanyan asa-
asaihi,
naar mijne meening zou het
goed zijn als wij terugkeerden, opdat
Zijne -Majesteit geen ijdele—koestcre;
er is geen — meer, het is hopeloos,
wanhopig, poeloes asa, hilany asa; hoop
maar niet meer, djanyan enykau asa
iayi, djanyan asa-asaün;
zijne — Btel-
len op, harap akan, b.v. zijne — op
God stellen, harap akan Allah; ook
1 harap pada; geen — meer hebben,
-ocr page 330-
318                                                 hoop — hoos.
poetoet asa; zijne — verijdeld of teleur-
gesteld zien, poetoet asanja; zijne —
].- in rook verdwenen, IPnnjaplah aPyala
pPngharapannja.;
zich met ijdele —
vleien, mPnipoekan dirinja dengan harap
jang tija-sija;
alle — is vervlogen,
patah ktttwdi den/jan P.batnnja. S|irw. ;
op — van beter, harap akan baiknja.
hooi», stapel, timboenan; aan —en, bér~
titaboen-timboen;
aan —en leggen of
zetten, meuimboenkan; een — kinderen,
banjak anak ; een — menschen, banja.fr
orang ;
te — loopen, datang bp-rkaroe-
moen;
de proote —, de menigte, ka-
banjakau;
een gemeen e — orang hxna-
dina;
bij —en, bij stapels, bPrt-iiaboen-
timboen;
bij den — koopen, bv.li tan~
danrj, bPli borong.
—, kleine heuvel,
boesoet, b.v. een mieren—, hoop, door
witte mieren gemaakt, boesoet auai-anai,
ook boi\'kit anak, b.v. de lijken der
menschen vormden hoopen, bangkai
sPgala manoesia mPmboekit naak,
—,
stapel, kleiner dan timboen, longgok.
— levende wezens, die bij elk. zitten
ot\' staan, onggok. — van opgeschoten
touw, tinakar, b.v. twee —en touw,
fait ttoexa liagkar; van touw of draad-
vormigc voorwerpen ook poen/jak.
van keutelachtige dingen, b.v. van
paardevijgcn en van sommige vruchten,
kïtimpal. ■—, itapel, b.v. viin geteld
ireld, lambak, b.v. niaka, adalah ségala
dinar itoe lagi bPrlambnk-lambak\' sa-
,nw-(•■••.-tja dihadapan I. udoeica boedak
itoe tenyah dibilanyvja,
en al die dinn-
ricn waren nog bij —en voor die beide
kinderen, terwijl zij zetelden.—, troep,
toempoek; bij —en, bPrtoempoekdoew-
poefc,
— , troep vnn menschen, die bij eik-
ander zitten, ook kïloeitipoek; bij—eu,
\'iPrktlormpoekr-ktloeittpurk\'. —, stapel, bij
liet banken, part-h; bij het banken de
—en maken, wPutarelt; een onordelij-
ken —, of vorinloozen — vormend,
zoonis b.v. een ineen sef rommelde zak-
doek, eeti — brieven, boeken, geld enz.,
/atidiak : bij zulku —en, bvrlambak-tutii-
bak;
een — vuur, uenyytienan api.
van al let lei dingen om verbrand te
worden, pProm; de plaats van zulk een
—, pPmProenan ; een — koe-of karbnu-
wendrek, fahi lïmboe lof kar ban) satepik.
hoopen, zie ophoopen.
hoop*tfew\\jze, bij hoopen. Zie bij
hoop.
hoopvol* harapatcan.
hoorbaar, kattPnyaran. Nauwlijka —
wegens den afstand, tajoep, rëdam.
hooren, mPndPngar, mPmngar. — naar.
mPndengarkan, denyar akan; doen —,
tnf.mperdenyarkan ; telkens — naar iets.
dengar-t/Pugaran, b.v. niaka kata Lak-
samaua: Ja, tocwaukoe! djanganlak
toetcankoe denyar-dengaran Hoe,
en Lak-
satuana zeide • O, l.wc Majesteit, 1
moet niet telkens daarnaar hooren;
hoor eens, tjoba dPngar, dPngarlah
olihtttoe;
naar iemand —, zijne woor-
den opvolgen, ioeroet kata orany; van
—   zeggen, dart kata orany, dat laai
zïch — , bolih ditPrima, bolih dipPrfjaja.
hooren, behooren, betamen, pa toet.
hoorn, horen, beenachtige uitwas, tan-
doek.
— op het voorhoofd, eenhoorn.
tjoela; b.v. de — van een rbinoceros,
tjoeta badak; van hoorns voorzien zijn,
bPrtandoek, b.v. koetjiny bPrtandoek,
bP/anda bPrsoenat. bPharoe bolih djadi,
als de katten hoorns hebben en de Hol-
landers besneden zijn, dan zal het pa;*
gebeuren; van een — op bet voorhoofd
voorzien zijn, bPrtjoela; met de — s
stooten, mPnandoek. —, eenschnlige
schelp, ioetii\', gevolgd door den naam
van bet dier, b.v. — van een slak.
koe/if sipoet. —, groote schelp van een
zeeweekdier, wiuirop geblazen wordt en
die bij de Hindoes ook voor het plen-
gen van otl\'ers wordt gebruikt, de —
van Neptunu>, xanyka; de — des tijds,
sanyka ka/a, d. i. de lantste bazuin.
—  e. ». v. groot*, scherp gepunte schelp.
rPngak; de —s van een Maleisen dak
op Suinatni, goniljong; de —s van in-
secton, fandoek, tuembak; voel —s, soe-
tigoet;
de —s der maan, tandoek botdatt;
te veel op zijn —s nemen, mPnany-
yorng tPrlaloe banjak pïkPrdjadn
(van
tanggoeny). —, de stof, tandoek\'; een
kam van —, ftmr tandoek.
hoornaehtijj» sarorpa tandoek.
hoornlieest, bint/tang jang bïrtandoek".
hoornblazer, toekang sPlumpret.
hoornen, tandoek, daripada tandoek.
hooniKOHchnl, boenji svlomprel,
hoornloo», tiatta bïrtandoek.
boornHlnU, sipoet sPrai, stpoel liniah.
lioorii-iliintï, oflar bPrtjoela.
hoornvee, biuatang jang b\'érfandoek.
hoorn/wijn, hertzwijn, babi-roesa,
hoon*; trechtervormige water—, poetiuy
-ocr page 331-
SI 9
hoovaardlg — houden.
lezen, ttiêraugkak-rajigka/c mimbaija.
horzel, lalat karban, lalat koeda. —,
eene soort van wesp. iaboehan. —, eene
soort van pnardenvlieg, ptnjtngat.
horzelen, gonzen, btrdPngocng.
i hospihi, rndof\'k\' semang, in kw. bet.
| hospitaal, roemiih oravg sakït.
boBseboRsen, schokken van een kar
of rijtuig, banfhig-bauting.
hotten van melk. pttjah; gehot, pefjuh.
hou! Tuss.w., btrhïnii, dtam.
houden, met de hand vasthouden, më-
nitgang
(van pëgang); ook in andere
beteekenis, b.v. de vasten—, mï\'mïgang
poeicasa;
op de vlakke hand—, tnena-
tang
(van latang); iets in de gesloten
hand of vuist —, mYwggënggam; iets
kleins in de hand —, viindjiudjing,
b.v. houd voor mij mijn horloge vast,
djindjingkan arlodjikue; op de schoot
of den gebouen arm —, memangkor
(van pangkoe), b.v. Kia Tambof-han
dipangkoe dilvvgan kïri,
K. T. werd
op den linkerarm gehouden; omhoog
— met loodrecht uitgestrekten arm,
mëndjoeicak; in den gesloten mond—,
mïngemam (van kï-mam); tusschen de
tanden — of dragen, mtnggoiiggong;
twee dingen, die moeten worden saraen-
gevoegd, tegen elkander —, om te zien
of ze passen, mvmadoi: (vnn padoe); de
hand voor den mond —, bertëkap, b.v.
makte mtCenang Uoepott poelung karot-
rnahnja sambil bërtXkap moeloi-tnja,
en
do voedster keerde naar huis terug, de
hand voor haar mond houdende; iem.
bij de hand —, memëgang tangan wang ;
het niet kunnen —, tiada tahan, tiada
bëtah;
niet — in iets, b.v. van een
anker, spijker enz., tiada maka.it; een
winkel —, btrktdai; eene school —,
menaroh tëmpat viivgadji (vnn taroh) ,-
raad —, zie beraadslagen; een
feest —, bh\'hari raja, dit hangt daur-
van af welk leest het is. Gewoonlijk
beschouwt de mindere man de locbo
reidselen als het werkelijke feest. De
toebereidselen noemt men djaga-djaga,
daal\' ze meest \'s nuehts plaats hebben;
de wacht — , Uerdjaga, btirkawal.
van iets, er op gesteld zijn, socka <tkan,
bergemar akan, mXnggcmari;
datgene,
waarvan men bijzonder houdt, kagtnia-
ran,
b.v. aardnppelen zijn het, waar-
van de Hollander veel houdt, ktntang
iloelah kagcmaraii orang biJanda.
— van
belijoeng. — als een behaarde kogel,
bailai. — als een gordijn, taicoeng.
van zeer langwerpigcn vorm, die zich
snel voortbeweegt, sangkajau.
\'. toovaardig, tjongkak1, katjajr, angkoeh,
sombong.
loovaardiglijk, dëngan tjongkak- enz.
lioovaardü m hoovaardij;.
iiid/i\'ii, uithoozen, nienimba (van timbd);
het water uit het scheepsruim —, mï-
nimba roewang, berkëmarau.
hop, de vogel, mïragai, hoedhoed, Ar.
hopeloon, poetni\'s-asa. —, waar geen
raad voor is, tiada ttrbilj arakan lagi.
hopeloosheid, kapoetoesan asa
hopen, harap. — op, harap pada, harap
akan, harapkan,
b.v. harapkan hoedjan
dilaiigit, ajar ditf.mpajan ditjoerahkan,
— op den regen aan den hemel, het
water, dat in bet watervat is, uitstor-
ten. Sprw. — op Gods barmhartigheid,
harap akan rahmat Allah,
horde, van bamboe, waarop men viseh
uitspreidt, padjak; kleine, vierkante —
van bamboe, om borden op te drogen
of offert op te leggen, autjak; e. s. v.
hangende —, om voorworpen of sprj-
zen op weg te zetten, salavg. — boven
de stook plaat $,/Mtr«7MM7J; een — hierop
gelijkende, gajang. — van vlechtwerk
ook bidai, b.v. boenji peloeroe saperti
katjang djatoh kabidai,
het geluid der
kogels was als dat van boonen, die op
een — vallen. —, troep, kawati, ke-
lorrnpoek.
horizon, kaki langit, fepi langit.
horizontnnl, boedjoer.
liorlos**, djam, arlodji.
horlogr-glas, katja arlodji.
iiorloi»eliettini»;» rantai arlodji.
liorloserad, rotla arlodji, djantvra ar-
lodjï.
horlogesleutel, koentji arlodji.
horlogeveer, ptsairat arlodji.
hor loge werk, pikakas arlodji, pikakas
djam.
horlogi\'wijzer, tljaroem arlodji.
\'loroscoop, ramal. —trekken, niimbi-
lang ramal,
eigenl. uit, in het zand
getrokken, lijnen iets voorspellen, waar-
zeggen. De uitvinding daarvan wordt
aan den profeet Daniël toegeschreven.
horoscooptrekker, oraiig jatig iiiem-
b\'tlaiig ramal.
horten, stooten, b.v. van een voertuig,
bërbantivg-banting; met — en stooten
-ocr page 332-
320                                              houder — hout.
iemand, kasih ukan sa\'orang ; te veel
— van iemand, firlalw swku of lïr-
laloe kasih akan sa\'oraiig
; te veel —
van iemand, dia liet niet waard is,
gamborh; zich — alsof, poer a-poera,
mdin,
b.v. zich — alsof men dom is, ui\'
het niet weet, poera-poera bodoh, utdin
bodali :
ook boettat ot\' mtiubui-icat, b.v.
hij hield zich alsof zijn been irebroken
was, diboeicatnja put ah kakiaja; zich
van den den domme —, bwirat bodoh;
zich dood — , boetcat mati dirinja, int-
matikan dirinja ;
zich ziek —, mtui-
hufKat sa kit dirinja;
ook mt/itboetcat
fakoenja tapï-rti,
b.v. maka ijapon ....
mlmboetcat lakwnja supirti orang masj-
groei,
hij hield zich als iemand die
bekommerd U; hut met iemand —,
safakat di-ngan, Ur/akal dingaii ; het
met eenc vrouw ot\'ecu meisje—, birkï-
iial-khiatan
; in verkeerden zin, zie hoe-
reeren en overspeli het met een
ander — van ecne getrouwde vrouw,
mimphdoeicakait lakhiju; bet — met,
ook sapakai dingan; b.v. hel — met
slecht volk, sapukai dingan uraag dja-
hat.
Uit kon wel ecne verbastering zijn
van safakat, volgens de uitspr. sapa-
kaf;
het — iuet iemand, b.v. met den
vijand, ?nasoek birsama-sama dingan;
in waarde —, in dienst —, aan zich
—, minitliharakan (van pilihara, of
parihara, Skr.). Hetzelfde wordt ook
gebezigd van er o[i nn — van nien-
schen, dieren, planten enz.; zijne tong
in toom —, tniiaitiharakaii Udahnja;
van iets —, zoodat men het -ïmm t ,
ot\' jammer vindt als er iets aan gebeurt,
imu, b v. dot WH het paard, waar-
van hij hield, itueUth koeda, javg di-
sajangnja;
het met beide partijen —,
tig. .-ii\'-n tadjam birtimbal; het ervoor
—, tampa, n/tnampa., b.v. hij hield het
er voor, dat die man het gestolen had,
ditampanja oravg itoclahjang mSntjoeri; j
men zou het er voor—, naar het schijnt,
roepavja, rasanja; het verkeerd ervoor ;
—, verkeerd opvatten, salah tampa;
wij — het er voor dat, pada hati kamt.
—, niet lü3latcn, tinda ftpmij verb.
Wijs, djangan Upas; het oog — on,
letten op iets, boe icang-boe ir ang aiata; \'
in bet oog —, ntimasang mala kapada,
mingaram
(van araia); in ontzag —
van iemand, mindjaoehkan; een oog in
het zeil —, djttga ba\'ikba\'ik, rnimboi\'-
icang-boeicang taata. —, er iets op na-
houden, minaruh (vnn taroh), b.v. rij-
tuig —, mrnaroh kareia; bedienden—.
menaroh hamba sihaja; afrekening —.
mindjilaskau kira-kira. —, inhouden.
mot-wat; dat schip houdt tien last.
kapal iioit innen-at sapoeloelt kajan; voor
waar —, pirtjaja, — voor, achten,
meenen, nitujangkaknn (van sangka).
mïnyirakan (van kira); een belofte
overeenkomst etc. —, minjainpaika.
djandji
(van sampm), tïtap atas ffjmmjji.
—, geen afstand willen doen van lat»,
mimigang (van ptgaagi, t\'tada mau
mïmbtri, mingikirkaa
(van kikir). —,
achterhouden, tegenhouden, terughou-
den, mïnuliani f van tahan); de wet —.
gehoorzamen, wünoeroet hockoem (van
ioifüft); de inzeltingen —, mi.not-roet
sjariat,;
den mond —, zich stil —.
bïrdiaia diri; in gedachten —, ingaf:
zijn woord —, atinjanipaikan djnn-
djïtija
(vnn imm), titap atas djandji-
nja;
zich aan zijn woord —, tegoh
atas kafanja.
—, vatten, vangen, mi-
nangkap;
b.v. houd den dief, tangkap-
lati penfjoeri itoe.
—, vatten van een
spijker enz., inakan; zich dapper ■—.
tntHorndjork\'kati biianhija (van toen-
djofir);
zee —, inilaoet; landwaarts—.
mïndurat; langs de kust —, minjot-
sorr pantai
—, kleven, likat; zijn fat-
socn —, mHnkoekan dirinja dingan
paloef, ut. d. d. taptrtiitja;
bij den
wind —, tegen den wind opwerken.
minjongsong angin (van songsong).
houder, orang jany memtgatig, o. j-
mrnaroh.
— van een beleenbank, toe-
kaag pak ptgatlajan.
houding, postuur van lichaam, s\'ikap.
Zie ook voorkomen; zijne — goed
doen uitkomen, wïmburtcang sikap; tlink.
ferm van —, se kali; een onwillige, on-
vuegzame — aunnouien, kïilesa; een
vechtende, dreigende —iiannemen, van
dieren, mt/igtrradr/ig. —, gedrag, ka-
lakoeati.
hout, kajoe; van —, dnri (darïpada) ka-
jof;
het — van een boom in tegen-
overstclling met den bast, het merg
enz., daging, tiras, isi-kajoe; bet—, ol
buitenste, harde gedeelte der palmboom-
stammen, welks binnenste doorgaans
zucht en week is, rotjoeng; eene om-
heining daarvan gemaakt, pagar roe-
joeng.
— van den kokospalmstam, tboet;
-ocr page 333-
houtachtig — bouwen,                                        321
kloin gehakt —■ op een akker, dat van
bet verbranden is overgebleven, paudoe;
ecnu menigte vnn allerlei geveld —
■■[i eenc plunts, b.v. op een stuk bosch-
grond, rt-bu; levend —, kajoe hidoep;
dood —, kajoe malt; bet doode — ia
een boom, de doode takjes, rattiiiy-
ranfiny j iin ff mati;
brand —, kajoe api;
ecu stuk of blok brand— om bet vuur
Miieulend aan te houden,, ofitgyoen; een
overgeschoten stuk brand—, poenloeiig
api;
gekloofd —, brlahaa kajoe; rood
—, kajoe yoeloeny-goe/oei/y, kajoe boe-
taf ;
pas geveld —, ttbaityan; voorden
bouw van een huis enz, ramoewan;
vermolmd —, kajoe oeuygoenan, kajoe
jaag dïèuakan hwbuek-;
timmer— voor
een hui*, kajoe bakal roemah ; voor een
vaartuig, kajoe bakal pXrahoe, enz.
lioutaehtift, saroepa kajoe.
lioutnder, zie ader.
houtuwch, haboe kajoe.
houtdief*, pXuljoeri kajoe.
\'MitiiiMni.-i-, toekang tiudarik knjoc.
houtduif, boeroeng balata.
houten, kajoe, dari (aar/pada) kajoe.
houterig, onbehouwen, stijf, van ma-
nieren, kakon, kikoek.
lioutgewas, kreupelbout, bf-loekar.
houthakken, bet—, pïimotonyan kajoe
(vnn poto/iy). —, booinen vellen, peut-
baugan
(van tvbang). —, tot kleine
stukken, ptmbïlahaii kajoe. — in het
busch voor bouwmateriaal, peramoeiran
kajoe.
houthakker, orang mtramoe kajoe, o.
wtMototiff kajoe, o. mtmbtlu/i kajoe, velas,
o. pï-tiïbaag.
Zie het vorige woord.
\'iouthundelanr,tȕ"/(/ bitdjoeical kajoe.
uutlioup. Umboenau kajoe.
boutje, op eigen —, sfitdirinja.
uoutluiO) pluntenluis, toaiijau.
uutmaat, oekoeran kajoe,
\'uutmude, hoelat kajoe.
loutinyt, biand?tapel, pantjaka. —,
boutftapel, Hmivenan kajoe.
\'Miiiiiulm, houlpooder, aboek kajoe.
1 <<mt plaats, ttmpa! kajoe; loods, banytal.
\'üutrijlr, banjalr kajoe-kajoeicun.
\'■outrups, hoelat kajoe.
i\'outschroef, sïktroep kajoe.
\'loutshool, arang. —verkuoper, orang
bèretjoeical arauff.
loutslunjs, oelar kajoe,
■ outsnede, oekiran kajoe.
out snijder, penyoekit kajoe.
houtsnijwerk, o.-kiran kajoe.
j houtsnip, boeroemj iljoeloek1, boeroeng
kaki duiii,
houtsoort, dji-nis kajoe, matjaia kajoe.
houtspaander, tafal.
houtstapel, timbonian kajoe.
houtvcrkoox>iiii£, houtveüing, le/ang
kajoe.
ho ut ver hand, pirkoebueuyau kajoe,
tamboengaa kajoe.
— door in keep ing,
zwaluwsliiaiieu enz., tanyyam; recht*
hoekig — door middel van zwaluw-
staarten, panlja.
houtvjJl, grove vijl, pal ar.
houtvlot, raki/ kajoe.
: houtwaren, barang-barojtg kajoe.
houtwerk, baiang~barang kajoe; hel
pasklaar gemaakte — of geraamte van
een nieuw buis, gtraman.
houtworm; uun soort van kleine —,
keturah; een groot c- soort, die ouk wel
gegeten wordt duor de orang laoct,
tltmbétoek; een soort van kleine tor-
retjos, die het hout uitvreten, boeboefc.
lioutwesp, zaagkevor, kotnbang.
houtzaag, ghegadji kajoe.
lioul/user, cea,ty penggèregadji kajoe.
houvast, pT/iitgauyaa.
I houw, slag met een zwaard of hamer,
tetak1, paloc ; met ééu —, d eny au aak al i
telak-, dtuyan sakalt paioe.
houwbul* kapak, kaïnpal-, Jav.
; houweel, huk urn den grond om te
werken, Ijanykoel, patjoel, J»v.; met
zulk een — arbeiden, mvnljaugkoet,
matjoel,
Jav.; mijn werkers—, pttttja-
toek-,
—- vin het sagoruerg uil den stuin
te hakken, paaykoer, ook om de sawnhs
om te Werken = Jav. patjoel; met de
— omwerken, mtmangkoer, —, breek-
ijzer, alabangka.
houwen met een houwer, kort zwaurd
of kupme.», m\'émaravy (vuu parang), uit\'
ulêtak\'
(van telak\'); met een zwaard—,
wtntaruèigkan pidaiig, mïnttak>kau pt\'
dang;
in Btukkeu —, immXnggal (van
fiënggat), uiXmotong (van patong), uïèina-
rang bt-rptttgyal-pëuggal.
—, beitelen,
mtinahat w au pa/tal, gehouwen); ge-
bouwen Ii6», batoe pa/tal; den kop
uict ée\'a slag \\ an den romp —, tat-
mantjoeny kapala
(van pantjueny); op
een blok, minïndas kapala (vnn tendat);
in tweeen —, door midden —, uitminy-
gal doeica, mtiabtlah duetca.
Uet laatste
meer in de lengte.
21
-ocr page 334-
:l-12
houwer — hui-.
zijn gelaat was geheel betrokken en
zijne huidharen stonden overeind.
j huidig, ten —eu dage, sakaraug i,r.
hari itii, pada masa ini.
1 huidiiinde, zie innde.
buiduitslns;; jeukende, schurftige —.
koedis; jeukende, roode —, door nel
zweeten vcroorzankt, de roode homi.
koedis boeta, bétik-betik, ij f mpak.
huid vleit, witte vlek op d= menschelijkt-
huid, panait.
huidvuil, daki. Ook van dieren, b.v.
het vuil, dat met het roskammen van
een paard komt, daki koeda.
huidwond, zie aesrhramd.
huidziekte, pënjakit koelit; eene soort
van —, wauibij de huid ?teeds afschil-
fert. ichtyosis, koerap losong. De Meleiei
gelooft, dat deze ziekte oukwetsbaai
mankt. —, zie verder bij de namen
der soorten.
huil*, kap, toedoeng, tetida, kap. —,
luifel boven een raam, kungsan.
huii\'ltiir, pëdalipakai toedoeng, p. p. kap.
huij£, unak-lidah, atiak-tïkak; hangen
van de —, ké/édtr; iemnnd van de —
lichten, beetnemen, nitnipoekan orang
(van iipoe), niïinpï-rdajakan orang, m\'é-
ngilkalkan doewit orang.
huilr, kéloeboeng, sïdoeboeng; de — naar
den wind handen, nutsoek kandaug kam-
bing, wrugëmbek
; masoek kandang kar-
bau, mëngoiurak.
Sprw. d. i een geiten-
stal binnenkomende, blaten; een buffel-
kraal binnentredende, buiken.
huilen, schreien, menangis (van tangis) ,-
over iets —, menattgisi, ut en angr sic au.
—, janken, kermen, zoowel van men-
sxhen nis dieren, mvloeloeng, b.v. (eng-
getamlah \'tja teugah ineloetoeng,
ondel
het — zonken zij. — met een gerekt
geluid, met gerekt gehuil roepen, laomg,
mëlaovvg, nu-raoeng.
— van den wind,
bérdtngoeng. — met de wolven in het
boseb, zie het daarvoor gebruikte Sprw.
bij huilt,
huis, roeina/i. De vier soorten van Mn-
letsche huizen in de Pad. Hov.1. zijn
roemah lipat pandan, r. bel ah boeboettg,
r. gadjah moharam
en f.serambt, het Ie
heeft iu de breedte drie, het 2e vier,
het 3e vijf en het 4e zes palen. —op
stijlen of palen, roemah panggoeng,
op den beganen grond, roemah dasar.
—   met een atnppen dak, roemah atap.
—    met een laag, naar vier zijden
houwer, kort zwaard, param/, paran/j
pofofiy
; korte, breedc —, parang mon-
dok.
— voorzien van mensebenhnar,
parang latoek. — met scherpen punt,
parang MTS; tweesnijdende —, parang
ma/a doeva.
—, korte sabel, pï-dang
katjang parang.
—, die van voren
breeder is dau van achteren, go/ok.
— met naar beneden gekromd gerost,
tjïnangkas; een soort van — in gebruik
bij de Atjchers, gedoebang; een suoit
van — of lang zwaard, waarmede de
zeeroovers gewapend zijn, babngkong.
—, een soort van kort breed zwaard,
dat tegenwoordig meest in den krijg
gebezigd wordt, keleieang; de — van
zacht hout wordt als een — van ijzer.
parang gahaes uündjadi sapï\'rii parang
bési,
Sprw.
houwitser, mortier, kuit stuk geschut,
lomong, mariam ptrioefi api, (omhang.
hoveling, orang astana, orang dalam.
—, hofbeambte, péndjaical astana; de
hovelingen, segala \'tst asfaua.
hovenier, ioekang kêbon, ptnoenggoe
tanuni.
hovenieren, berkebon.
huh\'heltvur, orang poera-poera, orang
moena/ik, lig. sachïhd moeka doemt.
bulobodaobtliEf poera-poera, moenajik,
Ar., dimoeka latn dibelakaitg la\'in, ka-
rena moeka.
huichelen, puera poera. —, onoprecht
zijn, mtndo\'-ica itati; plutmstrijken, mê\'
ngambü moeka.
huid, vel, bast, koelit; ongelooide —
van een dier, haloer, béloelang; een - ,
béloelang sabidaug; bereide —, koel\'U
samak;
da — verkoopen voor men den
beer geschoten heeft, belom beranak \'■
tXlah d\'ttimang;
de afgelegde — eoncr j
slang, saroevg oelar,- de dunne, bui- ,
tenste — van een bannanstam of hum*
blad, këlisip; de koperen -— van een
schip, lapis tembaga; de —afstroopen,
méngoeliti; met huid en haar opvreten, ,
ntenelan toeboehnja sVrla déngan iah\'nija; ,
zoo blijf ik met mijn naakte — over, !
tiniioII,ih akoe (ti iigiin koelit koe tia<la
WffHinuM, uitroep vau icm. die alles
door den brand verloren heeft.
huidberehler, ioekang smaak koelif.
huidhnur, roma (Skr. romÓ); één —,
sahèfai roma; bij vogels bet dons, boelne
roma;
b.V. moekan ja pon taram-iennt- !
ram dan tPgala romanja pon btrdiri, \'
-ocr page 335-
B3I
huisbediende — buide.
afloopend dak, roemah liittas. — met
een plat dak, roemah MM^. — iu hel
klein, b.v. voor model ot\' speelgoed,
rofwa/i\'in, roemak anak; allerlei zulke
huisjes, roemak-roemakan; voor— wordt
wel eens deur, p\'-ntor, in de plaats
gebezigd, b.v. datauglab hamba hipintur
toewanhamba,
ik kwam bij Alijubeer
ann — ; apabila llamiah dtüantj kapin-
\'•>■■ f,e,hu/a,
toen H. bij bel althuis —
kwam. Ook wordt voor — wel mm
^angga, trap gezegd, b.v. laloe ija Kr*
(/ju/au katanggii Laksumaua ; figa p"v
toek tang ga dalain doesoen ito?.
—, dut
niet de suiallo zijde loodrecht op den
weg ot\' de rivier staat, roemah Hnlany.
eigen —, eigen baard, roemak fangga.
—   en hol\', roe utah kampueng, kampoeng
halaman;
publiek —, zie hoerhuis:
ecu — zonder vrouw, rangka, letterl.
geraamte; icm. van een — voorzien,
niïroriiiahi; in een — zetten, mëroe-
i.iiilikitti;
samen in een — wonen, doe-
tloeir saroemak;
meestal gebezigd voor
gehuwd zijn. —, huisje, tijdelijke ver-
hlijfplants van levenlooze voorwerpen,
roemah, b.v. het huisje van de naald
ecnei\' balans, enz. — van een bril of
schelpdier, saroeng; daurvan voorzien,
daarin steken, menjaroengkan; huisjes,
die op de chinccschc graven staan.
roemak artja-, het — Gods, baif Oei-
lalt;
naar — gaan, komen, poelany,
te ■—, di roemaki niet te —, dada di
roemaki
te — liggen bij iemand, mi-
novmpany
(van toempany), te — zitten,
zie Imi-vuM. —, huisgezin, isi roe-
mah,
b.v. hij en zijn geheele —, -ja
st-rtu segala isi roemahtija;
van goeden
— e zijn, iisal ba\'ik-ba\'ik; de heer des
huizes, toewan janij puenja roemak;
overal zich te — gevoelen, berasu
feiimiij dimana-mana, kerasan,
Jnv.
1 >ui»*l>ediende, kamba, boedjany jany
bekerdja didalaw, chadim,
Ar.
^niüUelvUlyimisbcslitirrfèreiitak roemak.
\'\'uiNbezorger, die op de huishoudelijke
zuken orde stelt, toekany senggara, let-
teil. baas ordesteller.
\'uisbrank, inbraak, t\'etasan roemak.
"uisdenr, ptutoe roemah.
huisdier, binatang djinak-,
!uiHtluit", boerofng merpati, b. perpati.
\'mis (genoot, orang saroemak, aroma
uttoedoelt,
\'uiisijftfiii. Ui roemak, orangist roemak.
huinheer, toewmm jang poenja roemah.
hui* hen, huishaan, hajam pelihara.
huishoud, amljing penoenygoe roemah.
huishoudelijk, zuinig, himat-kimat,
tjtt immi. —e zaken, perkara roemak
tent/ga.
huishouden; eigen —, roemah tanyya;
zijn — opbreken, aan kaut doen, mem-
bueictingkau roemak fatiyyanja; geducht
—, van dieven ot\' wild gedierte, ganas.
hui*houdinjg, pemerentakan roemak
tangg.i.
huishoudwU-r; inlandsche —, tevens
bijzit, van Europeanen, njaki, Jav.
huishuur, sewa roemah.
huisje, zie hui- en beHtekamer.
— op een olifant, baloehaa.
huisknecht huisbediende,
huismeester, zie huiübezor^er.
huismuis, t\'koes roemah, likoes pati.
huisiiiUHch, ptpit roemah, boeroeng
gredja, op Jav.
buisonderwü»,//\',wy\'«\'/;rtJVM di roemak.
huisraad, perkakas roemah, s\'erba roe-
maJt.
huisslnk, /ie bij tilalt.
liuissleutel, anak koenfji roemak.
huisslut, koentji roemah.
huisvivst, hokvast, steeds in buis blij-
ven zitten, berpcram diroemah.
huisvester, memberi toempaagan;ergens
gehuisvest zijn, menoempang.
huisvesting, toempangan, seicaka.
huisvrouw, eebtgenoote, biai, isteri.
huiswaarts, karoemah, poelany. —■
keeren, poelang karoemah.
huiswerk, pekerdjaan di roemak.
liuiszit i.-iiil, mekoer.
huiszoekïnü. penjelidikan roemah; voor-
al taftihoeg roemah.
huiveruehlic» kagentaran.
huiveren, ngeri, gentar, b.v. tiada fa-
koet dan tigeri kapada djafan ma/i, niet
vreezen en — op den weg des doods,
huiverig, schroomvallig, gaufa; door
de koorts, ugeri-ngeri.
huivering, koortsige —, gigil, tigeri.
huiveringwekkend, jang mengada-
kan tigeri; j. mendatatigkan ng.
huizen, beroemak, doedoek; samen —,
doedoek sar-iemak.
hulde. t>-in huk, hormal, Ar. — bewij-
zen, unn God ot\' den Vorst, menjembah;
aan deil Vorst ook mendjoendjoeng doe/i;
iets als blijk van — aan God ot\' deu
Volst aunbicden, memitersembakk-in.
-ocr page 336-
121
huldeblijk — huur.
Hoe, kapadanja. —, bez. Vrnw inareka-
Hoe, tija,
b.v. — huis, roemah uiareka-
iloe, roemahnja.
hunkeren, sterk begecren, ingin, rindoe,
rtsjik;
Ar. —, stil wachten op iets, dal
men denkt te ontvangen, b.v. ren aal-
moes, uitnoodiging. — van icm. naar
een brok, me.iyiitdiny (van inding).
hunner, mareka-itoe, nja,
huppi\'len, vnlompal-lomput; aan het —
raken, terlompat-lompat —, van dieren,
barliinpala. —, steigeren van een paard,
dat afgeleid wordt, mniljatjar.
hupsch, tjautik, iiianis.
huren, van zaken, uitnjeu-a (van sei/.a ,
een Vaartuig—, menjeica pèrahoe; werk-
volk —, ook van wajangspelers en van
menschen in het algemeen om iet- tegen
loon te verrichten, mengopah oramj
beker dja.
hurken, berdjongkok, longgok; gehurkt
zitten, doedoek berdjongkok, allen zaten
gebuikt op het gras, samoeica btrlony-
gok\' di-atas roempoel.
—, zitten mei
het achterste op den grond en op-
staande knieën, bërtjangkoeng,- daarbij
de knieën met de armen omvattend,
btrtjangkoeng birpëloek loet oei; neder
—  en onmiddel ijk weer opstaan, mi-
ngiiidik
(van indik). —d het vuur aan-
blazcn, bertjamjkoeng mènioep a/n; ge-
hurkt zitten, de knieën ondersteuud
door een band, die om den hals gaat.
zooals oude en geleerde mannen doen,
die dnn opstaande dien band als orde-
lint over den schouder dragen, bëram-
bin loef oef.
— ook bertingyoeng, b.v.
doedoeklah ija bërtiiiggoeiig difmiah, zij
zaten gehurkt op den grond.
hut, voor tijdelijk verblijf, pondvk, tëra-
tak-;
verzameling van hutten bij vera:
gelegen rijstvelden, leratak doesoen. Het
wooid/c/-tf/«X-ook gebruikt als men nedc-
rig van zijn huis tot den Vorst spreekt.
—  in de rijstvelden, ook karbnuwcn-
hocders-wnchthut, daiigau, yoeboeg, Jav.;
kleine — of afdak, in der haast op-
geslagen, sapau, baroenydtaroeiig,
van twijgen, waarin men zieh verbergt
om vogels of wild te schieten, boem-
boen.
— aan boord, petak; koeroeiig.
butsen, door elkander —, mëiigafjau
(van kafjau).
| huur, seica, oewang seica; te —, dise-
icakan, bulih disrua.
—, loon, opttb.
gadji.
—, dienst, pektrdjadn.
huldeblijk, huidegift, aan God of den
Vorst, perse ui bah au.
huldigen, v:tn God of den \\orst, mr-
njëmbah.
— van den Vorst ook: ;//(■»-
djoendjoeng doeli.
hullfdoek, kn\'in séloeboeng
hullen, meiijeloeboeiig; zich —, befte-
loeboaig,
iels — in, m\'enjëloeboengkan,
b.v. mnka bag\'mda pon mengambil ka\'ni,
laloe baginda bëis\'eloeboeng,
Zijne Maj,
nam een kleed en hulde zich; dis\'ë-
loeboengktmnja kapalanja dan HUnganJa
denyan kaïn selimoehija,
hij hulde zijn
Uoot\'d en ooien in zijn deken; in wol-
ken gehuld, ook samar dengan aican,
b.v. martjoe gotiioe/tg Hoe sa mar dengan
await,
en disapoet awan.
hulii. tofloengaii, ptrtoeloengan, penoe-
loeng.
—, bijstand in werk of gevceht,
fiembanloewan. —verlecnen, menocloeng;
bij werk of in gevecht, mëmbantoe. —,
bnat, goeiia, faïdah, Ar. ■— vragen,
minta tueloeiuj; iemand om — vragen
ouk : t/tt-njrrti/a; met Gods —, dëagan
toeloeng Allah;
—, helper of helpster,
penoeloetig, ffmtmtOC.
hulpbehoevend, bvrhadjat toeloetigan,
zie arm.
hulpmiddel, oepaja, daja; zonder —,
l\'tada berdaja; geen — meer hebben,
er niets meer op weten, tiuda bërdaja
Ingi
; allerlei —en, daja-orpaja; een
—   aanwenden, mengoepajakan. — tot
beoefening cener taal, përkukasati be-
hasa.
hulponderwijzer, goeroe-knkak-.
hulptroepen, bala pémbantoe.
hulpvmtrdisf, soeka menoeloeng, soeka
iiHittdiantoe.
hulpvestinu, kola lari-larian.
hulsel, scheede, saroeng ; iets van een
—  voorzien of daarin steken, mvnja-
roetigkaii.
— van den bloesem der pal-
men en sommige bloemen, b.v. de roos,
sëloedang, soedang, — van tui k-rhi\'
tarwe, peper enz., kvlonysong. —, bui-
tenblad, dekblad van bloemen, kclo-
pak*;
van de banaanbloeiu, këfopak\'
djantoeng.
hulet; e. s. v. —, pokoje djeroedjue.
hum!, de/i a m.\' iemand met — roepen,
mëndeham; hummende zijn, berdëham.
humeur; in een goed — houden, me*
viel\'t har ukan hati orano; uit zijn —,
rësah, marah.
hun, pers. Vraw. 3e nmv. kupada mareka-
-ocr page 337-
888
huurcedel — iets.
huwen, wettiglijk, ki\'nrin, Ven. nikah,
Ar. Dit laatste meest van Vorsten.
Wettiglijk doen —, wengiiwinkan, m\'e-
uikahkan.
—, ecne vrouw nemen, tór«
bint, berisieri; tot vrouw nemen, b\'er-
binikau, bèris/erikan
; doen —, van eene
vrouw voorzien, m?mpt?binikan, m?m-
peiisferikan;
ook mendoedork\'ka.i d> iigun ;
—, een man nemen, bërtaki, bersoe-
wamt;
tot mnn nemen, hertakikan, bér-
soewaatikan;
doen —, vun een man
voorzien, mèwpvrtakikan, uirmpersoewa-
mikan
, ook n/endoedoekkan drngan;
gehuwd zijn met, brroemah dèngau, doe-
doefr sarvemah deugan, bersaroemah df
»gan;
over en weer —, van twee
families, berambil ambilan.
hyacinth, het edelgesteente, jajroel,
Perz. permata padaiu (Skr. paduia).
hyadeu; de —, een iterreagroep, de
regenstenen, bin/ang fnlantifc.
hyenn, dloeboe, Ar.
hypocriet, orang inoendjik, Ar.
huurcedel, soeral sewa.
huurder, orang jnng un-njewa.
jiiurliui-, roem ah mm,
Uuurkoetaier, koerir kareta sewa.
huurling;, orang opahaa.
huurloon, opah, gadji.
Uuurpanril, koeda sewa.
huurpenninjr. godspenning, tjengk\'ernm.
huurr\\jtui<£, karefa sewa.
liuwbnar, roemadja, van radja, fckr.
menBtruaalbloed, bdligr, \\x.akal bdligr,
Ar. ook roemadja poe/era, van aanzien-
1 ijk ai. Ken verbloemende uitdrukking
voor — van meisjes, lerkam donca,
twee rokken aanhebbend.
huwbaarheid = huwbaar.
liuwelüh; een wettig —, nikah. Ar.,
kawin, Var/.. Wettig, duur den priester
gesloten - ,uikah lahir, nikah jatig safr,
kawin jatig bef oei;
wild —, met elkun-
der leven zonder formeel getrouwd te
zijn, nikah haft»; een — sluiten lus-
sclien twee puren broeders en zustcis,
bertoekar anajr pan ah; een — voltivk-
ken, sluiten, mengawinkan, mémkahkan ;
ten — vragen, meminniig, {van pinaug\\
minta diperhambakan ;
ten — vragen
van een meisje voor een nnder, felnug-
ka>.
Schijnt door vrouwen te geschieden.
huwelijken; onder elkander van twee
familie*, bframljil-ambtlan. —, steeds
trouwen vun velen, kawin-maicin,
huwelüliBiuiiiiïelt\'iienhi\'den, per-
kara nikah kawin.
huwpiyUHiiiinzoelr, pe>iiiaat/g (van
pinang); een — doen, ui\'eminang; voor
iemand een — doen, memïnangkan.
huwelühMlmnd, peytambatan orang
laki-bini.
huwelijhwibriiiulier, sjarf kawin.
liuwelUltstrii\'t, aan de ouders der bruid,
mahr. Ar. isi kawin, —, welke aan de
aanstaande vrouw verzekerd wordl.
mahr, Ar.
huwel\\jk«i>;oed, haas kawin ; door den
man aangebracht, har/u pi-mboedjangaii ;
door de vrouw, har/a piiiggadixan,
huweiyiiHliefde, kasih laki-bini, k.l.
is/\'eri.
\'uwelükftpand, trouwring, aijaram.
tutwelijltsplicht, barang jang wiidjib
a/as orang laki-bini.
liuwelUhntrouw, satijn orang laki-
bini.
Uu weiyk» voorwaarden,      s\'egaln
djundji oivng kawin.
ieder, vnn personen, — op zich zelf,
iedereen, masing-ntasing, masing-masing
orang;
zoo maar —, sabarang orang.
—, van zaken, tijap-tijap, sa/ijap-tjap.
—, elk, ook bilang, b.v. bilang h/ui,
lederen dag, h. botten, iedere mannd
enz. — kreeg tien Gulden, uiasing-masing
dapat sapoeloeh roep/jah. — jaar, tijap-
tijap tahoeu.
— jaar in \'t bijzonder,
sat\'jap-tijap /ahorn.
iedereen, ieder in het bijzonder, mas\'mg-
masing;
zoo maar —, sabaraug orang.
—, alleman, in-gala orang, samorwa
orang,
b.v. — gaat er heen, sigaln
orang pergi kasana.
— weet het, sa-
moeien orang tahoe.
Ook orang sakalian.
ieselUU = ieder.
1 iemand, orang, ta\'orang, b.v. iemands
vrouw, een andera vrouw, bin> orang;
iemands goed, harta orang; een zeker —,
Stanoe. —, wie ook, baravij-s\'tapu pon.
\\ iets; — ot\' wat, opa-apa, barang apa-apa,
barang sasoea/oe.
—, een weinig, xedi-
kit, barang sédikif;
beter — dan in
het geheel niets, dapa/lah srdikit da-
ripada /iada sa kali;
geef mij ■-, het
een of ander, berikunlah akoe apa-apa;
geef mij —, een weinig, bïrUavlah
akoe sédikit.
— hooger, tinggi sedikit.,
bij vond —, didu^a/nja barang apa-
-ocr page 338-
ijzer.
\\jlliooftliit, poes\'mg kapala. - , dioome-
rig, deugoe.
Üliiiü*. goepoeh-goepoeh, tjepaf-fjepat.
lekas-lekas, dengatt sigera. bangat-bangat.
dengan pantas.
U«, ajar bekor, ajar bafoe, ès; het —
breken, den weg banen, mrmboeka t/ja-
tan, mtnoendjoek djalan (xnn forndjoejr);
zich op glad — begeven, een gewaag-
den stap doen, fïg. mehiugkah laoelan;
uaet Si. Jutmis als de kalven op het
— dansen, ka/au kuetjing pakai tatidork,
wolanda masürfr iildm, beharoe holih
djadi.
Spiw. d i. als de katten hoorns
krijgen en de Hollanders .Mohatnnic-
dancn worden, zal het pus gebeuren.
UNeiyk, verschrikkelijk, haiban, .Ar.
\\j*ltouil, sedjoek sijap, dingitt savgat,
iJHVOj>el, bot\'roeng hoedang, 6. rat/ja
hoedang, b. boewaja, b. pekaka.
ܻwater, ajar \'es.
ijszee, laoet ajar bekoe,
ijver, radjin, karadjinan, oesaha, Skr.;
met — werken, bekerdja dengan radjin.
uveriji» radjin, dengan rat/jin. — doen
zijn, mnadjinkan. — leeren, bi/adjar
dengan radjin.
— van gedrag, pantas
kalukoftcan
—, vuiig van geest, lamjkas.
Üverloos, kofrang rattjin.
ijvt-rvuur, grairnf, kt,
ijverzurht, Ijfmboeroetcan, grairai, Ar.,
icinnnds — opivekken, van ecne zaak,
m\'endjadi panas dimata orang.
Üverzurhtia. tjimloerof. — zijn op,
mentjemboi\'roekan.
ijzel, art;, Ar.
Uzen, huiveren, ngeri, b.v. tiada takoet
dan ngeri kapada djalan uiati,
niet vrce-
zen en — op den weg des doods:
Djtka saribof zangyi mfugheilan, tffura
nan tida/f gentar dan ngeri,
al werden
ook duizend reuzen gek, de goden zou-
den niet beven en —. — bij het zien
van hitlsbrekende toeren, yeli-yrman,—,
waarbij de baren teberge rijzen, sèmni.
U^er, best; van —, best, daripada besi;
de slcchtMc kwaliteit van —, best fa-
vah;
do beste kwaliteit van —, b\'éti
r/tarsaiii.
— in staven, besi ianiai, bësi
berbatang;
gesmeed, geslngen —, besi
teinpatcatt, besi jang ditempa; e. s. v. wit
—, waarmede men wapen* dninaeccert,
besi patnoer; de —s, boeien, ketenen,
betoeuggoe, ranfai; plaat—, best papan;
gegoten —, besi torwanga»; \'t is lood
om oud —, stda/i tiga oncang; vroe-
326                                                  Ü«ïel -
upa, didapafnja barang sasoeatoc.
ann uf met iets doen, wengapa-apakan.
—  gedaan wolden iirin ui\' iiicl iets,
dipengapakan : ook wel tHpmgapa, b.v.
tiada patik beri dipengapa-apa, ik sta
niet toe dal hem —hoegenaamd gedaan
worde. — of wat van van alles, serba
sed\'tkit;
dal is — anders, ada laintija
sedikit;
nog —, nog ecuc zaak, saper-
kara lagl, dan tagi
; en wederom nog
—, dan lagi poe/a.
Ü<tel, onnut, sija-sija. Als Bijw. ook
dengan sija-sija —, doel loos, te ver-
geefs, ijuema ; geheel —, tjoema-tjoetaa.
—, ledig, hempa, kosong. —. loi-zinnig,
omlamlvastig, onbetrouwbaar, angin
— e woorden, perkataitn jang sija-sija,
perkataita kosong, perkataun tahi angin,
b.v. perkataiinnja itoe saiuoetranja tahi
angin belaka,
zijne woorden zijn allo
slechts — gopinut. — werk, pek ■\'*■rdjaiin
jang fjoema-tjoema. —e roem, katnega-
lian jaag sija-sija;
zich — gedingen in
spreken en handelen, main angin, b.v.
oraug iai mailt at/gin, djanganlah per-
tjaja akandia,
die. man gedraagt zich
-—, geloof hem niet; een — persoon,
lccglooper, uniinj perftn/ai; een — vat,
bedjanah jang hempa.
yiiil I iii«l. kasija-sijaiin.
Ütii-UijU, dengan sija-sija, d. tjoema-
tjoeaia.
ijtleltuit, lichtzinnig vrouwspersoon,
ptraiiipuficau pèrlêntai.
Ü k, tjap timbangan, tjap kompat/i, ook tëra.
ijlten, van maten en gewichten, boeboeh
tjap kowpani,
ook nienèra; geijkt, ter-
t\'éra..
ook mino/ok (van tolok\') d. i. ze
vergelijken met een legger of slaper.
\\jlter. djoeroe tjap, penolvk, pènera.
Dl, huast, spoed, sigera, gocpoi-h-goepoeh;
in aller—, dengan sigera, d. goepoeh-
goepoeh
—, ledig, It\'etnpa, kosong. —,
wijd uiteen, djarang; b.v. — doek,
katn djarang. — hoofdhaar, rambot\'t
djarang
Uien, snel loopen, lari drngan pantas.
—, voortniaken met werk, bersigera. \\
—, verward spreken, m\'eratjau, wera-
ban.
—, httidop droomen, MM, vit-
tigigau,
b.v. (irue/am memandang sa-
pèrli tnamai,
G. keek nis iemand die i
ijlt; fiigkau inëngigattka//, atuic \'èngkau i
djagakah, ijlt ge of zij\', ge wakker;
bvradoe dida/atn igau-iganican, slapen
al ijlende.
-ocr page 339-
837
\\jzerhlik — in.
van Voistelijke echtgenoot en en vnu
gewone gelieven jegens elkander, ka-
kanda
(de man), ndinda (de vrouw);
met — en gij spieken, tutuveeren,
berakoe-berengkau.
illuminutie,/W</« sariboe, lampo-lampo.
illumiiiecrcn, memasaug ptlita sariboe
(van pasang).
Immer» gewoon, nltijd, sadia, memang,
sedekala, selaloe,
b.v. uw dieuaar heeft
— in deze stad gewoond, hambamoe
satlia dtam dalam negari
MS; deze
gebruiken zijn — zoo geweest, adat
ini sedekala bagitoe ;
want vroeger
waren uok de Vorsten in dit land —
bevriend met de schcepsgezagvoerders,
kareita dehoeloenja pon radja-radja da-
lam negari ini bersahabat memang dengan
nachoda kapal;
hij is — aan bet suk*
kelen, ija dalam penjakit selaloe; voor
—, sampai saiama-lamanja, ook laloe.
b.v. voor — vorzinken, tenggelam laloe,
iniuins, \\ oegw. karena, kareita sasoeng-
goehnja,
b.v. het is waar, wat Mijnheer
zegt; — hebben zij zelf bekend, benarlah
saperti kata toctcan itoc, karena {kar\'ena
sasoenggoehnja) mareka-itoe sendïri pon
soedah mengakoe.
—, Bijw. boekan,
boekattkah,
1>.\\. dit is — zilver, bof-
kaukah peraft ini.
— niet, toch wel
niet, masa, masakan; dat zal — niet
gebeuren, masakan djadi Hoe.
impoMt, beja, fjoekai.
iinpotttmeester, pemoengoet tjoekai,
p. beja.
impotent, letttah dzakar.
in, dalam, didalatn, di. Ook wel eens
dengan, atas, ka en kapada, b.v.: —
de lucht, dalam oedara. — de kist,
didalam pe/i. •— het boseh, dihoetau ,-
binnen — bet bosch, didalam hoetan.
—   zee, di laoet. — de zee, didalam
taoet,
— hel Malcisch zeggen, bêrkata
dengan behasa M elajoe;
een bock of
geschrift — het Maleiscb, dengan behasa
M\'elajoe.
— het Maleiseh vertalen,
metijalin kapada behasa Melajoe (van
salin). — den dienst van zijn heer
ergens heengaan, pergi dengan pikèr-
djadu toetcannja.
—, hij bepalingen van
tijd meestal dengan, b.v. — twee a
drie dagen, dengan doewa liga hari.
eenigen tijd, dengan beberapa lamanja,
—   na het gebruik van woorden, die
eene beweging uitdrukken, ka, b.v. —
den hof gaan spelen, pergi b\'ermaïn ka-
gcr lood, nu —, déhoeloe t\'tmah, saka-
rang besi.
Sprw. d. i. vroeger zacht, du
streng; hert — in de hand houden, itir-
megang besi panas.
Spiu.
jzerblik, ojan, kaleng, besi poetih.
Ü/erdrand, dawai besi, kawat besi.
ij/en-n, btsi, dart (daripada) btsi,
ijzererts, tanah besi.
u/ersHas, djarimj datcai.
uzeriï»*\'ter, toekang menoetcang bist.
Uzerajietp**y, petoewangati besi.
■■
■!•) uu-i 1. h-ras saperti besi.
(jzerliout, kajoe halian, kajoe pindts,
k. kepinis, k. besi;
e. l, v. —, kajoe
koecambi.
i.izerljoutbüora, pohun balian ; e. s. v.
—, dien men ook voor schaduw in de
kotiijtuinen heeft (cassin florida), pohon
djorwar.
ij/ermUn, tambang btsi.
iizerroest, karaf besi, lahi bisi.
Üzermneilerü, dapoer toekang besi.
i/iTsmiil, toekang besi, pandai besi.
Üzerv\\jl**el. kikiran besi.
ijzer vlek, bekas tahi besi, nuda fahi\'besi.
ijzerwnren, barang-barang besi, ptrka-
kas besi.
ijzerwerk = üzerwuren.
ik* Hiervoor worden, naar gelang van de
Verhouding, de volgende woorden gebe-
zigd: akoe, kita, hamba, sehaja, oeloett,
dengan, patik, hamba loetvan,jang diper-
hamba, bèta, goewa,
(\'hin. en wel als
volgt: —, tot zijns gelijken ol\' minde-
ren, van een klein kind tot zijne ouders,
en van den inenscb tot God, akce.Ook
in het algemeen, b.v. in geschriften,
nis er van verschil in rang of leeftijd
geen sprake is.—, als pluralis uiajestn-
tes, kita. kamt. —, beleefdheidshnlve, :
zelfs tegen minderen, sehaja, hamba.
Het laatste minder nederig dan het
eerste. Van sehaja vormt uien verder
voor il» nog sehaja toewan, sehaja da-
toeft
en sehajanda, verkort tot sanda,
en van hamba vormt uien jang diper- .
hamba, dat tegenover jang dipertoewan
gebezigd wordt. —, tot bedienden en
gering volk, te Halnvia, goeica, Cbin.
Heter akoe. —, tot den regeerenden
Vont, patik; met het gebruik van \'
patik aangesproken worden, dipatikkan.
—, van een Vorst tot zijne ondeida-
nen, kamt, kita; tot den Hijksbesticider
of Vorsten uiet hem in gelijken rangen
soms ook tot zijne moeder, bèta. —, \'
-ocr page 340-
128
inademen — inbreuk.
tamaa ; hij ging — den hof baden, ija
peryi mméi kataman.
— I\'ndnng zijne
opwachting komen maken, datang mrny-
hadnp ka Padany
,- hij bracht hem boven
om te gitten — zijne woning, dibavanja
naik doedork karoemahnja.
— vier nf-
deelingcn verdeeld, ierbehagi atas êm-
pal brhayi.
— drie gevallen, atas tiya
p\'erkara.
— iemand vertrouwen stellen,
pi-rtjaja akan sa\'orang, harap pada sa\'o-
rang,
— den naam (ïods, bi\'smi\'/tahi,
Ar. d\'éngan vania Allah. — den naam
van Iemand, atas nam*(f) — den bc-
ginne, pada moelanja, iaoela-moela,pada
pèrmoelaan.
— het jaar IS.., pada
tahoen xaribv doelapan ratoi\'s.
— Jezus
gelooven, berinuinkan Isa. — eeuwigheid,
taïama-lamanja. — den regentijd, pada
moesim hwdjan.
— de dertig, tiga
poeloeh lebih,
— den wind, menjong-
song angin,
— het openbaar, njata-
njafa, tirmafa-mala.
— en uit, kaloetcay
masoi\'k;
ongegeneerd — cu uitgaan,
tjt/a^it/th\'-m,- plaats, waar iedereen
ongegeneerd — en uitgaat, tempat tje-
lam-tjtioim.
— het zwart gekleed zijn,
pakai hifam, bérpakai hitaia. — ijzel-
handelen, bi-rdjusical besi. —goud wei-
ken, nieiiyrdjakan cmas; zich overgeven ,
— de huilden, meujerahkan dirinja ka- \'.
pada iamjan
(vun serah). — het gebergte,
dipegoer.oer>gan. — oprechtheid, d\'éngan
saeaggoeh-Hotuiygoeh, dényan toeloes ieh~
las;
bij hecli ecne wond — zijne dij,
pahanja loeka. — iets bedreven zijn,
toekany pada, pandai pada, J\'ahata pada ;
diep — den nacht, djaoeh malam.
leven en sterven, ma/i hxdoep; baïk
hidoep, ba\'ik mali.
— de verte, dart
djaoeh, di tempat djaoeh;
diep — schul-
den steken, teuggelam dalam Zioefat/y,
sarat denyau hoefany.
— tcgenwoordig-
heid van, dihadapau; van God of den
Vorfet, dihadtirat. Ar. — afwezigheid
van, pada masa tiada, pada masa tiada
hadUr.
— de voetstappen Van, menoe-
roti bekas tapak kaki
(van toeroef); het
wilde er niet bij hen — (zij wilden het
niet gelooven ot\' begrijpen), tiada masoek
dalam ïikal, tiada toeloes /■<>"\'■> hatiuja. \\
inademen, bemafaskan.
inbeelden; zich ■—, sanyka, kira. —,
verwaand zijn, djematva, sombuny.
inbeelding, sanyka; vel wnandheid, som-
bony, djeniawa;
vol —, zelfbehagen,
b\'inyah.
inbegrip! niet— van, masoek bilanyan,
s\'erta denyau.
inbeuren, van geld, mea\'erima (vnn
th\'ima), uienioenyoel (van poenyoet). —,
helpen instijgen, inëndikkan.
inbyten, invreten, b.v. van sterkwatur
of zuren, makan.
inbinden, vnn een bock, mendjilidkan.
—, beteugelen, menahani (van falian),
b.v, zijne driften —, menahani haica
nafsoenja;
zich—, menahankaa dirinja.
inbittcr, paltif maoeny.
iuhliiu w, biroe fat oei, biroe-sabiroenja.
inblnxen, bertijoep kadalaia. —, opsto-
ken, toesoek\'toesoek. —, zie ook in-
fluisteren.
inbluzer,
peuorsoek\'.
inblüde, fêrtalue soeka-tjita.
iiibl\\jven, ttnyyal didalam.
inboedel, />• i!. akas roemah,serha roemah.
inlioc^en, masoek berperai\'përai.
inboeten, van planten voor de gestor*
venc om die te vervangen, menjisip,
utenjixit, mtnjtsik.
ïnboomen, masoek betyalah.
inboorling, oiany negari,orang beaocica,
anale bnemi.
inboori, n/arah sanyat.
inboren, niaaggerek kadalaw, ia. masoek.
inborst, pekerti (Skr. prakreli). Meestal
verbonden met bocdi tot boedi pekïrli.
Verder: feranyai en fabiilt, Ar.
inbraak,
ietesan roemah.
inbranden, b.v. een merk, ijk enz. in
tets branden of ïdiroeien, menj\'elar (vnn
selar), ntenjelarkan.
inbrandin<£, pénjelaran.
inbreken, van een dief, m\'enetas roemah
(van tètat). — op een gesloten mas>n,
b.v. binnen gesloten gelederen, menje-
boek
(vnn tebuek); de dieven zijn in dat
huis ingebroken, pmtjoeri soedah men>-
tas roemah itoe;
zij braken op de cc-
ledcrcn van den vijand in. mareka-tloe
menji\'boi\'k baas moesoeh.
inbrengen, mnnbawa masoek> i/iuiaa-
sockkan;
tegen iets in to brengen neb-
ben, bal ah; legen iets inbrengen, rede-
twisten, membalah; ecne klacht —,
mtnyadoekan hal, m\'endöica.
inbreuk, pelanygaran. — jnnken, melany-
gar,
b.v. — maken op de welvoeglijk-
heid, mdavgyar brhasa. maken op
de gewoonte, mr/at/i/yar i}dal; moed-
willig op ieiu. rechten inbreuk maken,
anykara ckan liak orang.
-ocr page 341-
inbuieen — Indringen.                                        329
innuijïen, bcdr. Wiv. mtlekokkan. Onz.
Ww. — van eeo vloer, bamboezen brug,
de zitting van een rotting^oel enz.,
lendoet, mèngembek.
incarnatie, pendjelemaau, b.v. karma
toevran afa/nja pi\'ndjtlemaiin detea-devra,
want oorspronkelijk zijt gij ecne — van
de goden.
incBPneercn, mèndjelhna.
incognito, satnar, dfaigan tataar, — i
reizen, beidjalan whijamar.
wlai-litïlt. lerkenang, trringat, ttrsrdar, !
gevolgd di.or het Voorz. akan. — ma-
ken, m\'engingatkan.
indalen, loeroen kadalaui.
iiulnmmen, van de zee, mengikat laoet,
indenken, memikirkan,
inderdaad, werkelijk, toenggoeh-soeng-
■■\'/\'. —, waarlijk, wezenlijk, zie ald.
—, geheel en al, terdege, zooveel moge-
lijk, sapala-pata, b.v. djika sapala-pata \'
bapa h ii in ha m\'ntgasihi hamba,
al» vader
mij — Hel\'heelt; sapala-pata uama jaag
dj ah at, djangan alang-képalang,
— een
slechte naam, niet mnar half ea hall\'.
inderhaast, gorpoeh-goepoeh.
indertijd, pada aiasa, taikala.
indeuken, mlekokkau; ingedeukt, ft\'- !
kok; overal ingedeukt, rol deuken, tekak-
lekok;
ingedeukt van een deksel, den
neus enz., kfpek. —, zie ook deuken.
indië, uegari Hindi, tana/i Hiudija. Wordt
er N\'eerl. Indic mede bedoeld, dan ne-
gari-negari jang dibaicah angin int.
indien, djika, djikalau, ka/au. —, bij
geval, — het eens, kala/i-ka/au.
zelfs, djikalau.,.. sakalipou, b.v. — -.
hij zelfs dood waro, djikalau ija mafi
sakaliputt.
—, bij aldien, als maar,
lamoen, Jav.
indienen, mtinpt-rsimbahkan ; eene klacht
—, wengadoekan hal, mendütca.
iiidiër, orang Hindi,
indijjo, de verfMof, nila.
indijsoplnnt, faroi\'r», toni, Jav.; de
breedbladige —, tarocm akar.
\'"dijken van de zee, mèugikal laoet.
indiMcb, Hindi.
individu, een enkel persoon, oravg
sa\'orang
indoen, i/iemboebneh daltim, tnènaroh da-
lam, mémaxoekkan;
ook alleen méuiboe-
boek,
b.v. er suikui\' —, mëiuboeboeh
\'joi-la,
ook vnn vloeistotl\'en; weer —,
mengïmbalikan, b.v. mriigëmbalikan tua-
nikum Hoc kadalam tjemboelnja,
het \'
edelgesteente weer in zijn doosje doen.
Sprw.
indommelen, mengantoek, ferfidon-;
even —, een uiltje knappen, m\'eradam.
indompelen, nirntjelorp, menjflathkaa;
het ingedompelde, tjdorpan. — in
kokend heetc vloeistotl\'en of gesmolten
metalen, mêntjiloer; de hand daarin —
als een godsoordeel, inénljeloer tangan.
indoopen, mênljiiluep, imiijifamkan (van
sclam); het ingedoopte, fjrloepan; even
—, zuoals b.v. eene bete in de saus,
mentjffjah.
indooper, indompelanr, pentj-foep.
indoopins, tjelocp; met ééne —,d~engan
sakali tjeloep.
indraaien; ergens —, van een vaar-of
rijtuig, bclok masoek,- doen —, membe-
lokkan masoek;;
zelf ergens —, singgoh
/aasoek.
indragen, mèmbatca tnasoek.
indraven, lari masoefc,- van velen, b?r-
lari-larian matoek.
indrijven, inslaan van spijkers enz.,
mèmbenani, mèmantaf; (van pantak), me-
lantak;
geheel tot aan den kop —,
inhijampak (vnn sant pak), memo>,koel
mati
(van poekorl). — van pnlcn in
den grond, of de lading in een vuur-
wnpen door middel vnn een laad»tok,
melantak; van palen om iets op to
bouwen, memantjang (van ptn/t/ang),
zulk een paal). —, drijvende binnen-
kotnen, bh-hanjot?l-havjoet masork; vee
—, menghalau masoek, mènygiring ma-
soel\'.
indringen, van scherpe dingen, zoowel
snijdende en andeie harde vooiwerpen,
spijkers, projeetielen enz. als zuren en
dergel., makan. — van een spijker,
bout of wig, ook mewantak; ingedrou-
gen, pantak; doen —, memantakkan.
— van iets puntigs, menelop(\\d>ntcliip\\;
ingedrongen vnn iets puntigs, ielap,
van een wapen of kogel, ook foei,
m\'eloet;
van boven naar beneden in iets
dringen oi\' er in zinken, menjelaut, voor-
namelijk in vochten en weeke zelfstnn-
digheden; ingedrongen van vocht in
den grond of in vloeipapier on/..,sé.r<tp ,-
in ecne zaak dringen, im-njenyyarakau
pérkara
(van sëtiggara); niet geweld — ,
tegen wind, stroom, mensehen, vijtiri-
den, moeilijkheden, vuur enz., meianda,
b.v. btrlajartah didalam angin riboef
itoe dilanda djoega sahari\'Samalam
, wij
-ocr page 342-
33U                                 indringend — ineenkrimpen.
zeilden ia dien storin ca drongen er
tui\'ti ri\'ii c!iu;i.\'il tegen in. —, zie ook
t)i n nen< 1 riimt\'ii.
indringend, schaamteloos lastig zijn,
rmor/, uu-H/ftmoel.
indringer, bèualoe, eigenlijk de naam
van e. 8. v. kwade woekerplant.
indrinUen, van vloeipapier, den grond
enz., menghisap, leltcrl. opzuigen.
iiidrojgen, soesuct o/i/t kakeringan, keroet
aii/i kakrringan.
indroojti kering betoel, kering sakali.
indroppi-len. bedr. meuïttl\'-n Ui k-kan
kadalaut
(van titik>, droppel); onz. Hf-
titik-titik kadalam.
indruipen, meniris kadalaut [vaatiris).
Zie bet voorg. woord.
imlriii-.cn tegen, inelatvan.
indruk, nagelaten spoor, bekas, — van
den voet, Mas kaki. - .door een band,
boei of keten achtergelaten, likas. —,
holte, lekok; allerlei —ken in dien
zin, lekalr-lekok, — maken op het ge-
moed, makan dalam hali. — gemaakt
up bet gemoed, iermakan dalam liali.
indrukken, zoodat er een deuk of holte
ontstaat, mtlekofckan, mengepoekkan (van
k<jwek), mh/gepek-kan (van kepefr)
met iets scherps b.v. den nagel, men\'
Ijeloc, tnenyyetoe.
—, zie ook injje-
drukt en induwen.
iii.h-uh-.il, deuk, lekok, kepoefc, lepel\'.
indrukwekkend, afamat, haib&u, Ar.
jaag membëri dahsjat, Ar.; van gruote
voorwerpen, imponeerend, ook van
groot e personen, oembang; zich zoo
voordoen, meiigoemhang,
indruppelen, zie indroppelen.—,
instuiven van den regen, de golven enz.,
teinpijas.
induiken, bedr. menjëlamkan(\\aB s\'elam);
onz. menjelam dalam,
indutten, mmyantoek- sampaiiidoer; in-
gedut zijn, tertidoer.
induwen, indouwcn, m\'enoclak masofk
(\\an toclak). —, met geweld instoppen,
„uu tja sak (van asak). Zie ouk instoj>-
pen. —, zoodat er eene deuk ontstaat,
mè/èkok-kati, mengepoekkan (van kèpoefc),
met>gepekkan
(van kepek").
ineen, het eene in het andere, sator dn-
lam safonuja, saloe dalam
MM laia.—,
samen, te znmen, bertauia sama.—, zie
verder de samenstellingen.
ineenbrengen, masot\'l\'kan saloe dalam
jarig la\'in.
ineenbuisen, membengkoengkan berta-
•MM, Zie bij buigen.
ineemloen, memhoeboeh bersama-tama,
men tja mp oer kan,
ineendrnnien, b.v. van touw en dergel
»iemi<dal (van pïnfal, ineengedraaid);
mengoesik (van oesikjh.v. benang soetèra
merah di-oesik dengan b\'enang soet\'era
poetih,
rood zijden garen met wit zij-
den gnren ineengedraaid. Ook mémMn
(van pi/i») en meltmbar. — van touw
door middel van een gewicht, dut aan
het einde daarvan hangt, melanang.
wringend —, memoelas (van poelax),
met een rnd —, menjering déngau keu-
tjir{\\un sering,
stijf in elkander gedraaid
van touw enz.); een doek —, m\'emboe-
lang kaïn, mtmoental
(van poental),h.\\.
ditangkapnja kaïn ikai-pinggang Lak-
samaua Hoe, dipoentalnja dengan la-
ngannja kiri,
hij greep den gordel van
1.. en draaide dien niet zijn linkerhand
ineen ; ambil kdin, jwental-poenlalkan,
sèlamkan kapada minjakr sapi,
neem
doek, draai dat ineen en doop dnt in
het vet, id.; doek tot een punt —,
/n\'eaiboelir kaïn; ineengedraaid zooals
de punt van een peperhuisje, kejiot.
tussi\'hen de vingers, b.v. van eene pil
enz,, m\'enggilijr.
ineendringen, w\'endesaikkan bersama-
sama.
—, dicht tot elkander brengen,
tntrapalkan.
ineendrukkeii, tot eene vaste massa,
vu-Htjimptilkan (van timpal, ook kipal).
i ncenirommelen, tnërenjokr.
i neenaebogen,/t«y/ïir\';^ Oersaai a-sawa.
ineengedoken, b.v. door ouderdom,
ronggofr. —, van een beschaamd meisje,
kepot; met verscheidenheid, kepang-
kepot.
— zitten, b.v. als een zieke kip,
meromok.
ineengedronsen, kort en d\'\\k,kèreloel;
een — ventje, oratiy k\'eretoet. — van
lichaam, ook douyok. —, kort, iets
waarvan de lengte niet in verhouding
is met de breedte, b r. een ■— aan-
gezicht, boen/af:; ook van een boek dat
te veel is afgesneden; krom —, zooals
b.v. iemand in den slaap, kerekoel.
ineengerold, van een touw of slang,
liuykar.
ineengroeien, toemboeh berselimpat.
ineenkrimpen, meugeroet (van ktroet).
— vnn het hart door eene onvriende-
1 lijke bejegening, mèndêroel.
-ocr page 343-
851
ineenlironlielen — ingebeeld.
ineenlironlielen, birbilit-bilit, Ver-
liuykar.
inecnloopen, van vertrekken, léroes~
mfntroes.
— van vochten, btrfjampoer
djadi Mtitor,
— van schrift, karam. —
v;tn melk, pi-tjah. — van rivieren,
tl» ,-\'• HW.
ineenpersen, mPngapit bvrsama-sama .■
vaster —, mX-nyïnjak (van ëitjak).
ineen rollen, n/P/iggoetoeng bXrsama-
sama.
i neeimcliroeven, mtmasang dXngan
sik-troep
(van pasatig).
ineenschuiven, mtnjorongkait satoe
dalum satoenja.
iiu\'enslnon, de handen —, fiir. voor
alkander helpen, bantoe-membantoe, toe-
ioeng-mtnoelaeug;
in overleg handelen,
sa fa kal, bïrmoeti\'afakat, Ar. — der
handen van verbazing of ontsteltenis
doet de Maleier niet, maar slaat dan
met de vlakke hand op de borst, mX-
nampar dada,
of op de dijen, mXaumpar
paha
(van tampar), /ie ook klappen.
incenalingeren, bedr. mïnjëlimpai,
onz. bersXdimpat. Zie ook vlechten.
ineenamelten, bedr. mtleboer djadi
satoe, ttn-Wioer bersama-sama
; onz. Hboer
djadi satoe, Hboer bersauia-sama.
incenstnmpen, mXaoemboek\' btrsama-
Mama
(van toemboek).
i neensteken, mvntjoetjoek bXrsama-
sama.
ineenstorten» van muren of gebouwen,
roeboeh.
ineenstorting, karoeboehan.
ineenstrengelen, bedr. mettjelimpat,
onz. bXrsXlimpat; ineengestrengeld, bir-
djïraït.
■ neentrappen, mXmidjak bPrsama-sama
(van pidjak).
meenvlechten, taXugannjamkan ber-
samU\'Sama,
; "eenvloeien, vnn gesmolten zaken,
mXli/Ut bXrsawa-sama, melilih djadi satoe
— van rivieren, mXsgalir btrsama-sama,
■nïngal\'r djadi satoe.
\'"eenvoegen. mXrigënaka» (van kena),
mïnjisipkan
(van sisip).
• neenvouwen, niïlipat bXrsania-sama,
mXlipat djadi satoe.
\'"eenwaetten, zie in eengroeten.
I "eenwililtelen, mXwbXlit bersama-
sama, ti\'tmbthtt bX-rsama-sama.
\' "eenwringen, b.v. doek, Hiémoela»
bXrtama-sama
(van poehts).
ineenzuklten, ineenstorten, roeboeh
van personen, rïbah, neerstorten.
meenzetten, mimasang (van pasang),
ménginakan
(van kina).
inenten, vun pokstof, mXnaHamlau ka-
toeniboe/ian
(van taitata), mi idjaljahkan
bitti/t katoemboehaa.
Zie ook enten.
inent er, vaccinateur, op Java, mantiri
fjatjar.
inenting, tunaman katoeaiboe/iau.
inet**en, w ,/i/oekir dingan ajar kXras.
i nel siiis, pingoekiran detigan ajar kiras.
influisteren, mi- mbisiki ,mimbts\' k-bisiki.
informatie, zie inlichting en mede-
deeling.
inlbrmeeren, bï rtanja-taiijakan,mXnji-
lidik
(van sidik),
inirnal, eluk Lznar, bagoes sakali.
iiiiïiiiii), binnengaan, masoek, masoek ka-
dalai,i;
door d<: deur —, masoek dari-
pada pintoe.
—, beginnen, moelai; de
maand i» ingegaan, boelan soedah moe-
lat;
in- en uitgaan, untsoek-ktdoetcar,
kaloeictir masoek;
voortdurend vrij —,
zooals een vriend vun den huize, bir-
tjtlam-fjvloem
; zoouls visch in een
gescheurde fuik, bertjêlasdjëloes.
kunnen, dapat dimasoekkan, dapat di-
moetcatkait du lam
; van het cene getal
in bet andere, bol Ut masoek, bolik di-
ambil,
b.v. gaal er vijfmnnl in, bolih
masoek lima kali, bolih di-ambil litna
kali\';
tien knti gaan er in een schepel
(NB. dit keert uien om en zegt: een
schepel houdt tien knti), sa\'yantany
moe wat sapoeloeh kali;
tot ol\' op iels
—, mXmasoeki; tot cene vrouw—,b.\'i-
satoeboeh dïngan sayora>tg pXrampoetcait;
bij ieinnnd —, even aangaan, aanwip
pen, sinygah, mamptr, Jav.
ingaande; — rechten, beja, tjoekai.
ingnarder, pXmoengoet. — van rechten
of belasting, pl-moeiiyoet tjoekai,p. beja.
ingang, deur, pintoe. —, monding van
eene rivier, koetcala. —, mond van een
vat enz., moeloet. —, begin, taoela,
pirmoelottn.
— in het hart hebben,
masoek kadalam hatt. djatoh kadalam
kali;
in het hart beklijven, djatoh malt
kadalam liati.
— vinden, geloofd wor-
den, d\'tpXrtjaja, dilïrima; met — vau
1 Sawiil, laoelat kart satoe boelan Saicat.
ingeheeld, vol zelfbehagen, beagah;
een —e gek, urang bengah. —, vnn
eene ziekte, geluk enz., sangka-saayka
sthadja.
-ocr page 344-
882
ingeborene — ingooien.
ingeborene, die in huil «rehoren is, VBM
een .-lnvenkind, anak t/nas. —, inboor-
ling, anak-boeuii.
ingebracht, dibaica masork.—e goode- j
run bij bet huwelijk, matkêwin,U% kdwin, i
ingedeukt, van den neus, een deksel I
enz., këpek.
ingedrukt, tengkong; vnn een deksel, !
kepek; van een blikken trommel, pë-
roujük,
— van het hoofd ot\' den grond,
lÏMOana; een — voorhoofd, dahi lem-
bamg,
—- aan den kant, van lange
lichamen, b.v. van een been, yintai,
in gegrift, teroekir didalam.
ingekankerd, geworteld, lier akar-a kar.
ingehaald, geplooid, kerociloet, b.v. den
draad inhalen opdat bet geplooid zij,
tank bénang be.ri kerotdoet. Zie in-
h nle n.
ingelegd; — met, btrtatahkan, b.v. —
niet juweelen, paarlen en robijnen, ba-
latahican rataa moetoe mo\'mkam.
— met
goud en zilver, bntatahkan ëinas-pi-rak.
— vnn schiijn- of lakwerk, bërkera-
wang.
—, ingclegen, ingezouten, rut»;
wat in zout — is, asi/ian; allerlei in
het zont —e zaken, asin-asinan; ook
bëkasam, b.v. —e alickiuiken, pekasam
ttritip.
— in zuur, asaui; augurken —
in zuur, keümovn asui.i; allerlei in hut
zuur —e zaken, asam-asaman; in sui-
ker —, nianisan,
ingenieur, bouwmeester, tatmar, Ar.
ingenomen met iets zijn, soeka, soeka
ukan, swkakan.
ingenomenheid, kasoekaÖn.
ingepakt, këmas; tot een pakje, (tt-
boengkoes.
ingeschapen, zie aard.
ingescheurd, kojak; dwars —, van een
zeil, den mond enz., rabak, b.v. zijn
mond was — tot aan zijne ooren, moe-
lottnja rabak sampat katelinganja
; met
een lange scheur, re-bak.
ingeslagen, vnn den bliksem, tepertocs.
ingestort van een zieke, bëntan.
ingetogen, bescheiden, sopan. — zijn,
mhuiruh sopan (van tarok); zich tcgen-
over iemand — gedragen, menjopani.
—, zichzclvcii bcdwiiigeiid, mëua/iani
dtri
(van tahan), menghui\'kun dirinja.
—, niet onthouding, usketiseh, larak.
zoo — leven, bërtarak.
ingetogenheid, in dien i.\\n,përtarakan.
ingeval, bijaldien, dj Ma/au kiranja,
lamoen,
Jav.
ingevallen, van buik, wangen, horsten,
een gezwel, zak enz., këmpis. — van
de wangen, van iemand die treen Urn-
den of kiezen meer heelt, këmpoeng,
tjëngkoeng.
— van de wangen ook
tjaoettg. — van de oogen, het gelaat,
den neuswortel, zoonis hij npen enz.,
tjëdot-k, b.v, moekanja tjëdoek, tangannja
tjënykork,
zijn gelaat is — en zijne
handen staan krom; eenigszins — van
de oogen, tjëngkera; hetzelfde, maar
dieper, tjëngkëroeng.
ingeven, van medicijnen, memberi makan
obaf, immlit-ri minoem obat.
—, inspi-
rceren, mtngilhdmkan (van ilham, Ar.).
ingeving, invallende gedachte, ilkal mën-
datang.
—, inspiratie, goddelijke —,
ilham, Ar.; verklaard, verlicht door
goddelijke —, tadjalli, Arab. — van
den duivel, watëwas, Ar.
ingevolge, sëbab, dari sëbab,olih sëbab.
daripada sëbab.
ingewand, darmen, përoel, isi përoet,
de —en uit een dier halen, b.v. uit
visch, dien men schoonmaakt, mtmt-
roet
(van përoet); zwak van —en, boe-
roek përoet;
het — der aarde, dalamnja
boemi.
ingewniidfUwn.n.1, pënjakit përoet.
ingewandspün, saki/ peroet; krninp-
achtige —, moe las përoet, bisa përoet.
in gewand «worm, tja/jiug ; een soort
van kleine —en, maaien, kë.rëmi.
ingewijde, in een geheim, sarahasija.
ingewikkeld, moeilijk op te lossen,
soekar-soetit\'. - , moeielijk te begrijpen,
vnn wetten, een verhaal enz., pë/ik.
— o redeneringen, timpoefen ptrtataöm.
•—, duister, motjkil, Ar.
ingeworteld, bërakar, asil, Ar.
ingezetene, anak boemi, orang pedoe-
doek;
van een stad, orang isi.
ingezonken, b.v. van de buik, këmpis.
ingierig, kikir bhiar, kikir sakali,kikir
soenggoeh.
ingieten, meuoeicaug dafam (van toe~
tcang), mëntjoeyahkan dalain.
—, in de
keel gieten, méntjëgoekkan.
inglijden, gëlingsir masoek, g. kadalam,
gëloengsoer tuusock, g. kadalam
; toevul-
lig, tvrgëliiigsir, (vrgelortigsorr.
inglippen, binnensluipen, masovkc/ijain-
üijam.
ingoed, btük sakali, baik btnar.
ingooien, door gooien breken, nttliiti\'
pur sampai pVjah, mtdoetar s. p.
-ocr page 345-
inhout.                                           333
inhoud, in, boenji, itiot\'wafun. — van
een boek, vat, kist enz., isi. — van
een brief, contract enz., boenji. van
een vaar- of voeituig, moeicafan. —,
grootte, bësar, b.v. een vaartuig van
tien kojan —, pérahoê sapoeloeh kojan
bUsarnja;
zakelijke, korte inhoud van
een geschrift, fingkas, si/npan.
inhouden, bevatten, nioewat, isinja;
hoeveel houdt dit vaartuig in, pha/ioe
ini moewat btrapa;
hoeveel houdt dit
narden vnt in, tvmpajan ini bvrapa
isinja;
wat houdt dat boek in, kitdb
itoe apa isinja;
wat houdt deze brief
in, soerat int bagaimuna boenjinja; zich
—, bedwingen, mïinalian kati (van ta-
ftan);
zich — bij het gaan enz., mtna-
hankan diri;
zijn toorn —, menakani
marahnja;
zich —, bescheiden zijn
tegenover anderen, sopan akaii, sopani,
b.v. segala utgari jang di-atas angin
dan dibawah angin ini sakaliannja pon
sopan akan Jlfafaka ini,
allo rijken
boven den wind en hier beneden den
wind houden zich in voor Malaka;
hanjalah saoedarakoe katiga koesopani,
alleen vooi u. mijne drie vrienden,
houd ik mij in. —, korten van een
loon enz., (jïngkolung — van den adem,
mïndïngoe.
inhouding van een loon enz,, tfêngko-
long.
—, beteugeling, tahan.
inlioudsmaat, soekaf, takar; met een
— nieten, mïnjoekat, menakar; een —
voor droge waren van \' kojan of 160
gantnng, koenfja, koentjah, b.v. haal
lilij een koentja grof zand, ambilkan
akoi\' karsik sakoentja;
een — van JB
pikoel of 5 kati, gantang = 4 fjoepak-;
o.
b. v. gantang om belasting in goud
te melen, gantang olang-aling; de in-
houdsmaten, tjoepak-gantang; de —en
onderzoeken, numeriksa .•segala fjvepak
gantang;
een kleine — voor rijst, kal
of ling = \\ fjoepak of 2 a 2J koetoek
of 2 gïnggam; ecu kleine — voor droge
en nutte waren, koepang = 4 0<>?p(\'k;
! een groote — voor vaartuigen, last,
1 koja» = 2K of 30 of 32 pikoeli een —,
tevens gewicht, de indiselic centenaar,
pikoel - 100 kati = 125 Amst. <ffi. —,
zïe ook bij maat.
inhoudsopgave, van een boek, da/tar
segala isi kiftib.
inhout; de inhouten van een vaartuig,
\' gading-gading; de inhouten van een
ingraven
ingraven, graven in, nitnggali dalam.
—, begraven, mvnanam (van tanam),
ingrijpen, de band in iets steken, uit-
niasoekkan tanga».
—, inbreuk maken
op rechten, uiflanggar j?ak. —, vatten,
in vutten, b.v. VAD de tanden van een
rad, ntakan.
ingroen, hidjau btioel.
ingroeven, tnïngaloerka» (van aloir).
inhaken, mengaït (van ka\'it).
inhakken, mimtiPlah; den kop—,meni-
bela/i kapala;
de deur—, nitmbtlahpiii\'
toe;
op den vijand —, niet woede aan-
vallen en niemand sparen, mengamoki
moesorh.
inhalen, van iemand of iets, dat vooruit
gaat, hiervoor is geen woord. Voor in-
gehaald heeft men sampai, aangekomen,
gekomen tot, ook: tirikoet ; voortrnch-
ten in te halen, kedjar, nitng\'êdjar,
menjoesoel
(van suesoel). — van een
vlag of vlieger, wi&noeroenkan (van toe-
roen>.
— van naaiwerk niet een draad
om het te plooien, tarik benang bvri
keroedoet
—, inpalmen van een touw,
uiengoemboet (van oemboet). —, binncn-
halcn van iets dat buiten is, ntembatea
masoek
; zijne woorden —,mtngobahkan
katanja, membaliki katanja,
b.v. kola
soedah terfandjoer kapadanja, maloe
hamba mUmèali&i,
ik beu in mijn spie-
ken tot hem te ver gegaan, en schaam
mij om mijne woorden weer in te halen.
—, plechtstatig gaan verwelkomen,
van Vorsten of aanzienlijke personen,
?nengtloe-eloekan; van minderen, men*
djtmpoei, ntënjamboet
(van samboet).
inhalig, schraapzucktig, kikir, loha,
fainil,
Ar.
inltaligheid, kakikiran, loba, fama, Ar.
inham, baai van de zee, tïluk. — van
eenc rivier, of een meer, ranlau; baaien
en inhammen, tïlok-rantau; de —men
aandoen, mïrantau; kleine — of baai,
serok.
inhangen, menggantofng didalam; een
venster of deur —, memasang (van pa-
san g\\ tntngenakan
(van kïna).
mhebben, inhouden van een vaartuig
enz , moewat. —, beteekenen, b.v. dat
heeft niets in, tiada tiiingapa ; dat heeft
wat in, dat kost moeite, soekar sakali.
• nhechten, niPmasaug (van pasang), jne-
iigenakan
(van kena).
in heien, nitlanfak.
inhijschen, menarik masoek (van tank).
-ocr page 346-
334                                         inhuldigen — inlnten.
losse verschansing, (mar.) fadjoek gan-
ioenij;
bovenste gedeelte van de ach-
terste inhouten, verlenging van deiant-
soenhouten (mar.) tad/o-k tïlai,
inhuldigen, van een Vorst, mënfabal-
ktin radja, mfnobtifkaa radja
(vnn nobat,
trom); ingehuldigd worden, difabalkaa,
di nobat kan.
inhullen, /ie omhullen,
inhuppelen. mXlompat masoek.
inhuren, Mvujrwtt; weder —, wiHjewü
poe/a (van Jtfica).
injagen, binnendrijven van vee, mtng-
halaitkau masoek, mtnggiring masoek.
inkankeren, makan sampai kadalam ;
inarkankeid, win een gebrek of haal,
btrakar.
inlmfsen, van edelgesteenten, parelen
enz., mëmpïrt utah kan.
inkeep, takik; allerlei inkene», tafik\'
takavy ;
inkepen maken, mè.nakik ; grooto
—, zoonis in kokospalmen, om die te
kunnen beklimmen, in balken en/.,
takoek. Zulke inkepingen maken, wit-
nakoek, b.v. ditukoeknja batang kajoe
t\'/iif, zij maakten inkepingen ia dien
balk. — in den -um van kokospalmen
ook yoeba,tg. — aan het einde van een
balk om daarin een anderen bulk te
leggen, tjanyap ; vnn zulke inkepen voor-
zien zijn, bïrtjangap. —, lat-ch, hout-
verband door — ot\' zwaluwstaart, iavg-
gam;
door middel vau —ingeu veibin-
den, menaaggam; van zulke —ingen
voorzien zijn, ingekeept, btrtanggam,
— in een boom, oiu die later te vcl-
len. oc bang; zulke —ingen maken,
mfngoebang. —, zie ook keep.
inkeer, berouw, sisal; tot — komen,
mïnjvsal, btrstsal; zijn — nemen bij
iemand, datang mïnoempang.
inkeeren, bij iemand aangaan, singyah
tot zich/elven Ingekeerd, in gedachten
verzonken, (vrfekoer; tot ziehzelven
—, insdl akan diritija; lot ziehzelven
—, spijt hebben, wtnji-su/ akan dirinja,
inkepen, zie bij inkeep.
inkerven, zie kerven.
inkijken, menengok kadalam (van te-
*>gok);
bespiedend, glurend, menghintai
kadalam, mingh\'mfip kadalam.
inklnuleren, in een boom, memandjat
(van pandjat).
inklemmen, mfj/igapit/:an.
inldimmen, in een boom, itaïk, mXmm-
djat (van pandjat); door het venster—,
na\'ik masoek daripada tivgkap; doo\'
het dak—,»aik masoek daripada atap
inkomen, salaris, gadji, belandja; eei
vast —, btlandja ntati. —, binnenko
men. masoek.
inkomend; —e rechten, b<ja baraug-
baraug jang dibaica masoek,
ook tjoc-
kat,
hooge — e rechten ook tjoeka:
jaag ke"ras.
inkomst van, opbrengst,përolihan hasit.
inkoop, ptmbïlian.
inkoopen, mtmbïli. — om het weder
te verkoopen, membïti héndak MÏndjoe-
v:<>l poe la;
at* ld om — te doen, oetcany
inkooper, orang jang mtmbïli.
inkoopMprü", har ga mïtnhïli.
inkorten, korter utaken, iafmendekkan
(van pendek), mtn>ar.dakkan (van pau-
dak).
—, door opschorten, intujinysing
(vnn sivgsing) •—, verminderen, me-
ngoerangkan
(vnn koerang). —, beteu-
gelen, mtmtfntni (van tahan). —, zit
ook bekorten en verkorten.
inkoud, dingin sakalt, tedjoek sakali.
inkrimpen, mtugi-roef (van kfroef), ouk
mêngoeutjoep (van koen f joep); zijne uit-
gaven —, mhigoerangkan btlandja (van
koei-aitg), métigaitdak; zijne woorden oi
rede —, mhinykaskau pX-rkataiimija
\\ mïnieitdekkan pvrkataiinnja.
— vnn den
wind, bXtraliii.
! inkruipen, masoek iiu-rangkanglmé.njoe-
toep kadahm
(vnn soesoep).
inkt, damil, Ar. ajar datcat, tin fa, mangs
Skr. — van den inktvisch. sepia, wumj»
tot ong
,- eene pen met —, kalam jaag
ffrpatoet dtngan daicat;
peu en —.
kalam dan daicaf.
inktkoker, tïmpal datcat, timpat tinfa.
inktvlek, noda tinfa.
inktvisch, ikan sotong, fjoemi-fjorini.
— voorzien van acht vangarmen, ikan
\\ goerita; een soort vnn kleinen —, ikan
noes; een soort van vergiftigen —,
pompon g,
inladen, rnXuwefatkau.
inlander, anak boemi, orang uPgari.
Zie l>ewoner.
inlandMch, nfgari, hasil nHgarr, atal
ntgari;
inlandschc kemiri-noten, boe\'
tcah kïras nïgari,
inlnten, binnen laten komen, soeroeh
masoek, pungyil masoek, hicmbÜri masoek-;
zich — met iets, zie bemoeien; er
iets —. overlaten, tinggalkan dalamnja.
-ocr page 347-
inlnveeren — innemen,
:!:*;,
inlnveeren, masoek; bfo-perni-përai, ma- \\
soej: btrpal-pal.
inleel\\jk* boesork sakali, djahat sakali.
inleg, inzet, grondkapitaal, pvkok.
bij een wedstrijd, tarok, b.v. isi toe-
djoeh boetcah kapal ini berikan akan •
iarohija,
geef de lading van deze zeven
schepen tut inleg (of inzet); den —
betalen, mëmbajar tarvhnja. Ook ptta-
roh
en petarofian. —, zie ook inzet.
inleggehl, oewany taruh; bij eene han-
dclszaak, modal.
inleggen, van iets bij een wedstrijd, .
•iitHnru/i.
—, inzouten, menyasinkan, :
mtmboexat asinan. — in zuur, mënya-
samka», mënyatjarkan.
— in suiker,
mëmboeicat manisan. — van juweelen, j
menata/ikan (van tatah). — van geld
enz., mtnaroh (vnn taroh). —, in iels j
leggen of plaatsen, memboeboeh dalam, i
ménaroh. dalam, ititl\'etakkan dalam.
inlegger, van geld en dergel., orany
pënaroh,
bij eene handelsonderneming,
orany jany mëmbëri modal.
inlegsel, ciseleeiscl, t at aha» ; tot — heb-
ben, btrlatahkan; b.v. goud en zilver
tot — hebben, btrlatahkan tmas perafc.
—, zie ook helegsel.
inleiden, binnenleiden,membatra masoek;
voor een Vorst of aanzienlijke, baica
inïtnyhadap.
Inleiding vnn een boek of brief, ta$dir,
Ar.; inleidende woorden, a/as kata,
ilcUlicn. meniris kadalam.
inleveren, mëmbatca masoek; de (ge-
schreven) stukken —, membatca masoek
sëyala soerat.
—, zie indienen,
\'niezen, zie inzamelen.
inlichten, duidelijk maken, mënërana-
kan
(van tërany), menjataka» (van vjata);
in het geheim of stil —,mtmbëri ris\'ik,
mërisikkan,
b.v, kapada hamba bertlab
risik,
licht toch uw dienaar in, maka
dirisifckannja knpadakue,
in stilte licht*
ten zij mij in. —, met een licht in
iets, menjoeloeh kadalam; lichten in,
zijn lieht werpen in, bërsinar kadalam,
bërsïnarkan tjahajanju kadalam.
inlichting, katëranyan, kanjataan.
geven, mëmbëri katëranyan, mëmbëri ka-
njataiin
; geheime mededeel ing, risik.
— geven in dien zin, mërisikkan, mem-
bëri risifc.
iiilittj*eii, ada didalam, zie liggen.
inliggend, jany ada didalam.
lijsten, cen lijst of raam om iets
maken, mënyaudanykan (vnn kandany,
raam, lijst om iets). — van eene schil-
derij, mëmpërbinykaikan (van bltigkai,
lijst), mënyënakan bingkai. —, zie ook
lijst.
inlijven, bij iets opnemen, mëmasoekkan;
in den Mohamtuedaanscben godsdienst
ingelijfd, dimasokkan agama Islam. ■—,
voegen bij iets anders, b.v. land enz.,
mënambahkan kapada. -—, in een register
opschrijven, mtndaftarkan,
inloodsen, mëatbatea kadalam moewara,
m. k. koetcata, ut. kapada pïlahoehan.
inloopen, inhalen niet loopen, mënjoe-
in-l
(van soesorl); onverhoeds tegen of
op iets —, mtuëmjiot\'/i (van iëmpoeh);
loupcndc binnenkomen, masoek-, bërdja-
lau masoek;
hard —, lari masoek; een
haven, baai, straat enz. zeilende —,
bërtajar masoejr; er ingeloopen zijn,
ecu koopje gesnapt hebben, këna djërat,
tcrdjïrat
; tegen —, strijdig zijn met,
latcan, bërljidera dëngan; tegen den
wind, een vijand enz. —, mënjonysony
(van songsony); met cen bocht —, zoo-
als iemands middel, de gedraaide poo-
ten van eene tafel, Ijëuykek; in- en
uitloupcn, masoek kaloetcar, kaloeicar
masoek.
—, invloeien, mtuyalir kadalam.
inlossen, iets wat verpand is, mëneboes
(vun tëboes).
inlossing, ttdwi\'san, peuëbcesan.
inlui, malas sakali, m. bënar,
inmnnhsel, in zout, asinan; in zuur,
asaman; in zoet, manisan; in zout eu
een weinig gezuurd, pëkasam.
inmaken, in zout, menyasinkan ; in zuur,
mëngasamkan; in zoet, mëmaniskan; in
zout en een weinig laten zuren, mem-
boetcat pëkasam.
inmengen, zich eigens —, mëntjampoey-
kan dirinja dalam, mëmasoekkan d. d.
inmeten ; door meten verliezen in lengte,
dimakan pënyoekoer; in hoeveelheid, di-
makatt penakar, dimakan pënjwkat,
b.v.
een halve el is in gemeten, satenyah
clo dimakan pïnyoekoer;
vijf kati zijn
ingemeten, lima kati dimakan penakar.
inmetselen, meny oer oen ykan dalam pa-
yar lembofr.
inmiddels, dalam antara Hoe, seman-
tai a, dalam pada Hoe.
innimien, van boeken, rmndjahit kitdb,
mX?idjahit soerat.
innemen, van iets dat buiten is, mem-
banu tnasoek-
—, van eene lading, van
-ocr page 348-
336                                     innemend — inscheppen.
schatten dezer aarde ingepalmd, tXrta
tcaitlah hattnja akan harta doenitt.
inpHMHen, beproeven of iels er insluit
tjsba kalan bolih uiasoejf; ergens —
goed ingaan, masoek betoel.
inpekeleu, inrnyasinkau,
inpeperen, met p»per bestrooien, mïm
boeboeh latla. —, betaald zetten, ment
balas.
inperken, mX-nyandanykan (van kan-
dang).
inpompen, bij herhaling iemand iet-
lecren, mtnyadjar bcroelatigoelang,
inprenten — inpompen,
inprikken, mXntjoetjoeki, ment jat jolt.
Zie tatoueeren.
inproppen; iemand spijs —, mXnjoe-
tcfijti dingan paksa.
inregenen, timp/jas.
inrekenen, van vuur, nitnoetoepidtngan
hnhoe, niïmoepoek. —, gevangen zetten.
mXmXndjarakun (van pXttdjaia), ntXnyot-
rumtykan (van koeroeny), memasoengka^
(van pasotrag). —, gevangen nemen.
minanykap (van fattffkap).
inreimen, lari i/taxoek:
inrichten, inX/iyatoerkoit,mXnterenlahkaii
(van pX-rentah), mhnatvHkan (\\anpatuet).
inrichting, pX-iiyaUierait, pXanerentahan;
liefdadige —, ba/ai dvrtna. — vui\'i
onderwijs, iXmpat beladjar.
inroepen van hulp. minta toeloeny. —,
binnen roepen, panyyit ntasoek. •—, ir.*
dagen, minjita (van sita, verb.).
inrollen, tot ecne rul maken, nitnygot-
lot\'tty dXnyan. —, naar binnen rollen,
mTi?tygofliny kadalam. —, rollende bin-
nenkuiiien, liiryoelivy-yoeling niasoek.
inruilen, viXnoekar (van toekar).
inruimen, plnats maken voor, niimbXn
tempnt, mtilttpanykan, b.v. dan sarot-
i\' i\'inj sXlasamja dilapanykannja akan
timpat koeda Hoe, en een vak van zijm
galerij ruimde hij in tut ecne plaat
rooi dat paard.
inrukken, van troepen in ecne vijande-
lijke plaats, tampil masoek; in de ka-
zcine, balik kadalam tanysi.
inschenken, tmnoetcany kadalam (vat
toeteauy), mXngisi, b.v. in een glas schen*
ken, mXnoetrang kadalam jnjala, mXngit
pijala.
inschepen, zich aan bourd begeven.
na\'ik kapal, naik perahoe. —, zie in-
lmlen.
inscheppen, /nXntjidoefc kadalam.
het vaar- of voertuig, moetent, van den
persuun ilii.- laadt, ntcntoficatkan dalam.
—, in hui-s nemen, wi mblii toempa-
tigau.
— van geneesmiddelen, minoem
obat, makan obat;
kunt gij pillen —,
bolihkah tnykatt inenXlan obal yentcl f
— van raad, minta bitjara. — van
zeilen, mXmv\'iigofl lajar i van poengoet),
tnXnoeroenkan lajar
(vau tneroen).
van plaal.». htakan timpat. — van het
hart, mX-ngambtl-ambil fiafï, miramah\'
ramahi hati.
—, veroveren van ecne
vesting, mXnyalahkati; ingonuiuen zijn
met, sorka akan, sot\'kakan, berktnan
akan, birktnankatt ;
zeer ingenumen zijn
met iets, ïïsjik akan.
innemend, lief, mrftff.mtrrgMïïtHtmwtil
hati.
innen, van belasting, [tueht, bijdragen
van verschillende portonen, mXinofnyot\'t
{van poenyort).—
, zie uok invorderen.
innerlijk, inwendig, bdfin, Ar. dalam
hati, d. bafin.
inni^*, soenyyoeh-soenyyoeh. — van een
vriend, toeloes, satiatcan, ouk rodony,
b.v. een —e vriend, fohbaf jany soeuy-
yoeh-soenyyoeh, sohbat jaiiy rodony.

van liefde, utisra, Ski\'. —e liefde, kas\'tlt
m\'tsra.
— met iets verbonden, liet geheel
doordringend, b.v. van vergif, een ge-
necsuiiddcl enz. uuk utisra. —, zie ook
intiem.
inoou»ten, van veldvruchlen, mXmoc-
vyoi\'t
(vanpoeatjoet); van rijst, mtnoetcai
(van todicai); vau peper en dergel.,
mïmoepoel (van poepoel); de vruchten
van arbeid —, mendapat haf il; lof—,
mXndapai poedji.
inpakken; van allerlei zaken in een
besloten ruimte, b.v. in een koffer enz.,
btrkimas ; ingepakt, kXmas. — van
meubels en dergelijke, duur ze met iets
te omwikkelen, nitmbaloet, —, een
pakje van iets maken duur het ergens
in te wikkelen, mXmboengkoes. —, iciu.
vuur zieh inatiiücntMëngainbil-ambil hafi,
mtnawan hati
(van tatcan). Zie het
volg. woord).
inpalmen van een touw enz., mtngoem-
hort
(van oemhoel). —, beetje voor
beetje in bezit nemen, b.v. van een
land, kant, — van het hart of gemoed,
i>-iu. —, iem. gunstig voor zich weten
te stemmen, mindapal hati orang, utX-
natcan hati
(vaa tatcan, gevangen ne-
men), b.v. zijn hart werd door de
-ocr page 349-
— insmüten.                                      337
lading in een geweer met een laadstok,
mflautak, — van den bliksem, me-
njambar
(van sambar); ingeslagen van
den bliksem, ttperloes; den bodem —,
verijdelen, me,aha f al kan. —, een vouw
leggen in, mïlipat; eencn weg —, mt-
noeroet djalan
(van toeroet). —, inslok-
ken, mentjaroek. — , nanr binnen gaan,
van een huiduitslag, mtngendap, ma~
soek;
zijn eL\'cn glazen —, membinata-
kan hal dirinja;
eene deur —, memï-
tjahkan pintoe
(vnn pêtjah).
inslag, vnn een weefsel, pakan. — van
gouddraad, pakan binang //!«*; de —in
zijn koker, pakan btrturak; tot —heb-
ben, bïrpakankan, b.v. goud tot —
hebben, bérpakankan fmas, d. w. z. met
goud doorweven.
insln2draa<l,inslnggaren,ii\'w//;;\'//jflX-(/H.
inslajrNpoel, schietspoel, torak.
inslapen, in slnnp vallen, tertidoer.
—. tiir. sterven, mati; van Vorsten,
mangkat btradoe.
inslikken, mïnelan (van fëlast); al —,
naar binnen Inten glijden, zooals bij
het eten van macaroni, metuelnen.
inslippen, insluipen, wasoek d/jam-
d/Jam, inasoek (hendap-\'vudap, tjoeri-
tjoeri mnsoek.
inslokken, inzwelgen, menfjaroek.
innlorpen, mzngiroep (van iroep).
insluimeren, tertidoer.
Insluipen = inslippen.
insluiper, binncnsluiper, leleèon, Jav.
(van lrbo?i),
insluiten, achter slot, mXvgoentjikan
didalam
(van koentji), menoeloep dida-
lam
(van toetoep); een brief —, mema-
soekkan soerat.
— van eene vesting,
mtngïpoeng bXrkoeliling (van këpoeitg).
— met belegeringsschansen, mïngneboe-
ngoeboei
(van koeboe). —, omringen,
mtlengkoeng, b.v. door rillen ingesloten
(van een haven) dilengkocng karang.
—, bevatten, inhouden, moeicat.
insliii\'iii\'ii = in slorpen.
insmnkken, mtntjainpak kadalam.
insmeersel, pe/oeloet, ptloeloetan.
insmeren met, mïtijapoe dïngan. — op,
ménjapoekan. — van de huid met iets,
mtloeloet, mvngoerap; het gelaat met
streepen vnn roet eo kalk —, tot straf,
me\'ntjoenting-tjoeiUitig. — met eene zalf
of een smeersel, memalit-malit(vanpalit).
insra\\jten, mXloetar kadalam, mëntjaui-
paf: kadaJaui, i/ttllimpar koilaiam.
%%
inscherpen
inscherpen, inprenten, mUngadjar bïr*
oelang-oelang.
inscheuren ; dwars —, rabak, gïrabak,
mïrabak,
b.v. moeloetnja Tabak sampai
katflingatija.
zijn mond scheurde in tot
aan zijne ooren. —, met eene lanse
scheur, mïrebak; b.v. van een zeil,
papier, eene wond enz.
inschieten, tusschensteken, «ienjisipkan
(vnn si-tip). —, door schieten vcrbrij-
zelen, niïnembak sampai pffjah, m. sam~
pal rofboeh.
—, er bij verliezen, kaki\'
lungan, karoegian,
b.v. het leven er bij
—, kahilangan njara; er geld bij —,
karoegian oetcang; te diep —, in iets
dringen, wasoek ferïafoe dalam. —, te
binnen schieten, th\'ingat. NB. dit wordt
vnn den persoon gezegd, b.v. die zaak
schiet mij te binnen, tïringatlah akoe
ukan jjPrkura itoe.
—, naar binnen
schieten, van den rand van iets, dat
buis- of 6chuifvormig is, ktloem,
iimchünen, bïrsinar katfalam, bersinar-
kan fjahtijanja kadalam.
inschikkelijk, sabar, Ar. eigent. ge*
daldig.
inschikken, toegeven, niembëri ka/ifoi-
daknja.
\'isi\'li(im). dok VPnar, bagoes sa-kali.
inschrift, inscriptie, soeratan-, een steen
niet —, bafofi bersoeraf.\'—en-bas-relief,
soera tan fimboelfënggëlam.
inschrijven, op eene lijst, niPiijoerat di-
dafUtr-,
in een boek, mïnjoerat dalam
kiiab,
—, inteekenen op iets, niPmboe-
boeit tanda-fangan.
insehrijvina;, bijdrage voor het een of
ander, tagait.
inschuiflarte, kotafr sorong-sorong.
inschuiven, meujorong kadalam (van
■torong).
inschuUl, pioetang.
inscriptie, zie inschrift.
insect, hoelal, sPrangga.
insgelijks, dïmikian poela, djoega.
innijjniëii, ali/t, b.v. de Hijks- of Kroon—,
alaf kcradjuiiti, perkakax karadjaan.
insUpelen, tiris kadalam.
insinuatie, bedekte anntijgine, sindiran.
nslaan, van een spijker enz., mtman-
takkan
(van pantak); tot en met den
kop, êiïemoekoel mati (van poekoel), mem-
bf-nain.
— van palen, om daarop te
bouwen, mXmantjang (vnn panfjang, zulk
een paal). — van een paal in den
grond, een spijker ia het hout, de
-ocr page 350-
888
insnijden — instevenen.
insnijden; insnijdingen maken, menorih
(van torih). — van eene voor in snij-
werk, mërëtas. — van de huid, mërë-
tas djangat.
—, kerven, mënghiris-hiris. j
insnijding, kerf, torih, rëtas, hiris; zie
insn\\j< li-n: met een bijl een — ma-
ken in een gevclden stam, daar waar
men dien splijten wil, mëntjoewar.
insoppen, mëntjëloep.
inspannen, van trekdieren, mëmasang \\
(van pasang), mëngënakan (van kina);
zich —, mëngoesahakan dirinja (van
oesaha); zich ernstig op iets toeleggen,
mënjoenggoeh-njoenggoehi (van soeng-
goi\'h);
zich met geweld —, mënggagahi
dirinja, bër koewat-koewat.
inspanning, oesaha, tëkoen, idjiihad, ,
Ar.; met —, dhigan oesaha, bïrtëkoen, j
dhigan tëkoen; met — luisteren, më-
nëngar dëngan tëkoen;
met — iets
verrichten, geen tijd laten verloren ;
gnnn, tiada lenga; met — arbeiden,
zijne botten er aun zetten, vtëmbanting \\
toelang;
zie ook vlug, voortvarend.
inspecteeren,
mëmërikstü {\\nn përiksa);
de tuinen —, utëndjalani këbon.
inspecteur van policic, pënghoeloe kat-
tcal,
Pent. sëkot (verb. van Schout),
mërivjo, Fort.
inspinnen; zich —, ntëmbaloet dirinja,
b.v. die rups spint zichzelve in, hoelat
itoe tnémbaloet dirinja.
inspiratie; Goddelijke—, ilhtim illahi.
inspireeren, mëngilhamkan; geinspi-
reerd, molham, Ar. geïnspireerd wor-
den, diilhdmkan.
inspraak, van het geweten, angatt-
avgan halt, satahoe halt, rasa hati.
inspreken; moed —, mempërtëlapkan
hati.
inspringen, mëlompat kadalam; ineen
kuil, put enz., iërdjoen kadalani. —,
van een hoek, mëntjëroek kadalam ;
een — de hoek, tjëroek. Zie bij hoek.
inspuiten,
mentjorot kadalam. van
geneesmiddelen, mënjoempitkan.
inspuwen, mëtoedahkan kadalam.
instaan, voor iets of icm., mënauggoeng
(van langgoeng), mënjanggoep (van sang-
goep), mëngakoe.
installatie, plechtig? aanstelling van
den Onderkoning, den IVndaharn en
den Toeuiénggoeng, lantikan. — van
mindere hooiden, gëla.\'an.
installeeren, plechtig aanstellen, më- i
lantik\', mënggëlar, zie installatie.
instnmpen, volstoppen, mëngasafc (vac
asak). —, zie ook inprenten en in-
slaan.
instandhouding* pëmëltharaan.
instappen, btrlaiigkah masoelf, bërdja-
lam masoek;
in een vaar- of voertuig
iia\'ik; ligt het vaartuig echter luger
dan de persoon die instapt, dn n ! .■ i
b.v. toeroen kadalam sampan.
insteken, in eene opening, mënnesoek
(van loesoek), mëntjoetjoeè\', b.v. een
drand in het oog vnn eene naald ■te-
ken, mënoesoek dtngan kalindan dalam
lobang djaroem;
rechtop in den grond
enz. steken, menljafjak; rechtop ergens
ingestoken, iërljatjak; met een vaart,
met kracht, mhtgoeiidjam; zich in iets
steken, mensen, mënfjantpoer kan dirinju
dalam, mëmasoekkan dirinja dalam.
Ook mëmasoeki zonder dirinja, b.v.
pëkerdjaiin jang tiada sahënarnja dima-
soekinja,
hij stak zich in zaken, die
niet recht waren; tusseben iets —,
t/tënjiiipkan (van sisip, ergens tus&chen
gestoken); den mond ergens —, ma-
soefc moeloet;
de hand ergens —, ma-
soek tangan;
ergens den mond — ook
mënjampoek, (van sampoek) b.v. als de
een spreekt, steekt de ander er den
mond in, sa\'orang bërkala, $a\'ora?ig
me.njampoek
; snijdende of puntige werk-
tuigon tot aan heft of gevest —, nië-
njampaik
(van tampaje, zoo ingestoken).
Ook van een roeispann tot aan het
handvat; bloemen ergens—, mënadjoejr-
kan,
b.v. hij stuk die bloem in zijn
hoofddoek, boenga Hoe diladjoeikkannja
pada deslar/tja;
achteloos —, b.v. een
zakdoek in den zak, mëmëdal (van
pëdal). —, zie ook steken,
instellen,
vaststellen, mënëtapkan, më-
nëntoekan.
—, invoeren van wetten of
gebruiken, mëlëtakkan. —, oprichten,
mënëgakan (vnn tëga), mëndirikan. —,
tot stand brengen, stichten, mëmijadi-
/.<■\'■/. mïngadakan.
—, aanvangen, moeldi.
insteller, dezelfde woorden als instel-
len met jang er voor.
instelling,
wet, hoekoem, Ar. oendattg-
oenilang,
—, gebruik, adat, Ar. —,
bepaling, sjarf, Ar.; Goddelijke —,
sjarial, Ar.
instemmen; met iets —, bet goed keu-
reit, mëmbënarkan, — met iemand, btr-
faleat dtngan, stttoedjoe dëngan,
instevenen, bërlajar masoefc.
-ocr page 351-
Mfl
instügen — intrigant.
instijgen, in een vaar- ot\' voertuig, na\'ik.
instippen, ntïnijWjaJt.
jnntooten, naar binnen duwen, ménoelak
kadalam
(van loetair).
instoppen, induwen, b.v. gras iu een
mand, goed in een koffer, mëngtndal
(van ëndal\\ Zie ook stouwen.
imttormen, binnenstormen, masoek ri-
buet-riboet, masoek mérimpoeh.
instorten, stortende indoen, mënoewang
kadalam
(van torwang). — van gebou-
weo, lotsen enz., roeboeh, roentoeh, b.v.
djika bêbtrapa pon andjing minjalak,
boekit botifikah roentoeh,
al blaffen er
nog zooveel honden, kan daardoor een
berg —. Sprw.; weer ingestort, bij
ziekte ol\' bezwijming, batik sakit, btn-
(an,
b.v. maka bagindu pon stntap nasi
soesoe, fatoe bentan,
de Vorst at rijst
met melk en stortte weer in. —op den
vijand, méntmporli kapada moesoeh(vaa
ttmpoeh), menjïrboekan dirinja k. m.
ins touwen, met geweld induwen, b.v.
meubels ia een vertrek, mtmadat (vun
padat). Zie instoppen en stouwen.
iimtrooien, mënghamboerkan kadalam,
instroomen, mëngalir niasoik-.
instructie, beding, y\'arf, Ar. — voor
een ambt, sjarf djabatau.
instrument, përkakas, pekakas, përka-
I-asau
; muziek—en, boenji-boevjïan. —,
beweegmiddel, pësaxat.
instuiven, van slof, tërbang kadalam;
van bladeren, mëlajang-lajang kadalam.
—  van den regen, tempias.
insturen van een vaartuig, ntelajarkan
masoek. —, zenden naar binnen, më-
njoeroehkan kadalam,
■ iiMtuwen, zie instouwen.
insubordinatie, doerhaka.
inteekenaar, urang jang soedah uir.m-
hoeboeh fauda-tangan.
inteekonen, mëmboeboeh tanda-iangan
inleelcenlust, daftar tanda-tangan.
integendeel, mëtaitikan, ook ba/ik; b v.
batik, ja toewankue Sjah ulam, bahica
sakali liada moor patik
gc/k/uw, integen-
deel Uwe .Majesteit, Wercldvorst, wij
zullen in geen geval terugtrekken. Ook
der/gan ot\' pada baliknja.
\'ntentie, njat, Ar. kaAèndak\'.
interessant, endahendah. •—, schoon
en vreemd, pëlik-pelifr, b.v. —e woor-
den, pïrkataiin jang pëlik-pcli$: Ook
— e zaken, b.v. apa-apa pëltk-pëlik
dihorlue, jang patoel ki/a ti/tat,
wat
zijn er alzoo in het bovenland voor
— e zaken, die wij behuoren te zien.
interesseeren: zich voor iets —, we-
Ktjendahkan, mtnfadloelikan.
interest, rente van geld, boenga oeicang.
—  trekken, makan boenga. — op —,
boenga ganda berganda; op — zetten,
mtndjalarikatt boenga.
interlineair; —e verklaring van den
Koran, tafsiroe\'lkuran, Ar.
intiem, gelieerd, op een intiemen voet,
mësëra ^Skr. misra, innig vermengd),
b.v. maka \'i\'ala Sangkoeni pon kasih
niïsira rasanja ai uu Laksamaua,
en
T. >. gevoelde eene —e genegenheid
voor L.; zeer — van een vriend, sërap
mtésëra, rodong,
b.v. sahabat jang rodong,
een zeer —e vriend. —, zie ook ia»
miliaar en innig.
int\\jds, juist bijtijds, sënjampang,sapën-
njam pang.
intocht; plechtige — van een Vorst,
masoek nrgar\'i dtngan sëgala oepatjara,
intoomen, mënahani, mënahankau (van
tahan); zijne driiten —, mënahani haica~
naj\'soeiija. Ook mëmëudjaiakan h. j/.(van
ptndjara}, zieh —, voor een ander inuou-
den, mënjopani (van sopan) niet den |ier-
soon.voor trien men zich intoomt, tut obj.
intrappen, vun tets vcrtikaals, b.v. eeue
duur en/.., laëiiëndang sampai pëtjah
(van tvndang), mënëradjaug pintoe. —■
van iets horizontaals, b.v. een vloer,
mëmidjak sampai pëtjah (van pidjak),
mëngirik s. p. (van tril-); toevalliger-
wijze —, met den voet doorheen trap-
pen, tërptrosuk kaki kadalam.
intrede, binnenkomst, masoek-.
! intreden, binnenkomen, masoek\'; hij
treedt de kamer in, ija masoek1 kada-
lam bilik.
intrelt, masuek;/,\\\\a — nemen bij iemand,
pcryi ménoempang (vun toempaug).
intrekken, mvnarik masoek (van/</>■(/!•).
— , opgeslorpt, ingezogen worden, di-
hisap oliii;
eene verordening —, mt-
niadakan parentah
(van tiada); dieper
het land —, mëndarat tagi. —, mar-
ebeerend biiiiienkuineii, btrdjalan ma-
soek.
—, zie ook de andere samenstel-
lingen met trekken,
intrigant, urang pëngitat, b.v. bint/i
poela rasa hatikoe mëndëngar kata urang
pëngitat int,
ook gevoelt mijn hart een
afkeer bij het hooren der woorden van
dezen —.
-ocr page 352-
840
intrige — inwentelen.
die van iets uitstroomt of het om-
geeft, van een boozen geest in danabij-
heid, imhasan; verderfelijke—, die van
iets uitgaat, dat men ziet of waarmee
men in aanraking komt of onder welks
invloed men is, badi,
invloedrijk, banjak- koeicasavja.
in voege, Voegw. en Bijw., sahiugga.
djadi, demikian.
invoegen, tusschenstcken, mvnjisipkan
(van s\'tsip). —, tusschen iets doen, ma-
soekkan.
—. inlasschen. mïnjamboeag
diltngah
(van samboeng).
invoegnel, lascb tusschenin, samboe-
ngan diffingah.
invoer, prmbatcadn masoek\'-
invoerortilielen, barang-baraug jang
dibatca masoek, dagangan j. d. m.
invoeren, immhawa masoek\'; een gebruik
—, mëiiffldatkun, tne\'ndjadikaii rtdal;
ingevoerd, ook laort, b.v. ingevoerde
kêmiri-notcn, boeicah keras laoet ■ eene
wet —, mïlrtah\'kan hoekoem, mendja-
dikan hoekoem;
een godsdienst —, me-
masjhoerkan agama;
eene botuursrege-
ling —, melakoekan pfrentah.
invoerder, importeur, orang jang mem-
ba tra masoek.
Verder dezelfde woorden
als bij invoeren met jang er voor.
invoerrechten, inkomende rechten,
beja, tjoekai.
| invorderbaar, jang dapai ditagih,jang
dapat dilarll\'.
\\
invorderen, van schuld, mtnagih hoc
tang, mënarik hoetang.
invordering, pïnagihan.
invreten vnn roest, zuur enz., makan;
ingevreten, kamakanan; b.v. peliharakan.
djangan diberi berkarat, djanaav kama-
kanan matanja,
zorg er voor, dat bet
niet roestig wordt en bet lemmer niet
wurde ingevreton. —, zooals b.v. kan-
ker en dergcl., tjv\'re\'iia,
invullen, het ontbrekende, menambahi.
\' invulsel, tamba/tan.
inwachten, menantikan.
inwacliting; onder — van, dengan
wt-n anti kan.
inwarm, panas bënar, panas sakali.
inwateren, lekken, botjor, tiris.
inweefael, inslag, pakan.
inwendig, dïdalam, dalam had, dalam
bafin;
het —e, dalam, hati, ba(in, Ar.
ook isi.
inwentelen, menggoeloeng kadalam, vt.
\' n/asoeh\'.
intrige, ifat, hilaf, Ar.
intuimelen, b^rhoeiabalang kadalam,
rïbah kadalam, ferdjoe» ;
er in getui-
ineld, gekanteld, tersëdjam kadalam,
tersoend/ani kadalam.
intusHchen, dalam pada itoe, b.v. dalam
pada itoepon entah hiduep,
intusschen,
wie weet of hij niet leeft. —, onder-
tusschen, svmantara, dalam atifara.
invalt van een vijand, p*njïrantjan, pv~
langgaran.
—, geraasmakend bijvoeg-
tel of refrain in de muziek, tingkuh.
—, kuur, tingkah; twistende — in de
rede, tingkah. —, plotseling opkomende
gedachte, ïfkal mXvdatang; de zoete—,
tïmpat nasi goelai,
invallen, in iets vallen, djatoh kadalam,
loerorh k., goegoer k.
— van licht,
berstaar kadalam, otrfjafiaja kadalam,
—   met een geraasmnkend refrain in
de muziek, m<\'ningkah; twistend in de
rede vallen, mlii\'tngkah. — van een
vijand, mtnjïiitng (van si-rang). — van
de gong bij het gniuelnnspcï, senggaet
gong.
—, instorten, roeboeh ; aan ée\'n
kant, rventoeh. —, in de gedachten
krijgen, tPringal, daiang ift\'ttl; weder
—  Tan een zieke, zie instorten. —,
zie ook ingevallen.
invaller, iem. die gewoon is een ander
twistend in de rede te V9.\\\\tT\\tpininpkaA.
invaren, vun het vaartuig, b?.rlajar
masoelc.
— van den persoon, masoek
berlajar, masoek\' UérpPrahoc.
—, ach-
terup varen, soesoel berpfrahoe.
invnten, mrmboebueh dalam tong.
invullen, in iets va«.tgrijpcn, b.v. de
tanden van een rad enz., makan. —,
van edelgesteenten enz., btrtatahkan.
inventaris, daftar, Ver/..
invfiitariseeren, mïndaftarkan.
inventie, pindapat.
investituur, pélant\'tkan, jünggPlaran.
invitatie, djempoetan, zie uitnoodi-
gen,
in vi teereu,«\'?«<■/ƒ fO///j<?(?/\', mempërsilakan.
invlechten, van de overschietende cin-
den bij het vervaardigen van matwerk,
Bfffoê.
invloeit, macht, koneasa. — hebben,
bïïkuctcata. — oefenen op, mPngo?wa-
satti;
zijn — doen gelden, mëlaioekan
koeicajanja;
zijn — aanwenden, w?m-
pergoettakan koewasanja, zegenrijke —,
b?rkaf; door uwen zegenrijken —, </?-
ngaii berkat toewan. — door do lucht,
-ocr page 353-
in werpen — inzien-                                           311
inwerpen, mttoetsr kadalam, melimpae
k., meutjaiupak- k.
inwerpeel, barang jang diloetar kada~
lam, b. j. ditimpar k., b.j. difjumpak k.
inweven, mmipakankau.
inwijden; ^udsdiüiistig —, mentahbis-
kan;
eene kris met bloed —, m\'elangiri
keris,
inw\'Uiliiiu., godsdienstige, tahbis, Ar.
inwyhen, saiijga/t kapada.
inwikkelen, m\'embebat, mëinboimyko<\'s-
ka»;
zich ■— in een verkeerde zauk,
intiujoesoetkan d\'irivja (van ioesoet); zich
mengen in, memason/fkan dirhija, men-
tjaiitpoerkan dirinja.
inwikkeliny;, vun iets in iets anders,
pembebalan, pemboev gkoesan.
inwülegen van een verlangen of be-
geerte, melüdueskan (van loeloes, inge-
willigd), mimièri. —, verlof geven, wièrn-
beri, mémbtri idzin.
inwillisiny;, verlof, idzin.
inwinnen; berichten —, bï.rtaitjakan
c/tabar.
inwonen, bij iemand, lacaoempang (vnn
toen/pang). —, wonen in, doedoek di-
dalttiii, diani d.
inwoner, van Innd of stad, ingezetene,
pidoedoek, moekiin, Ar.; de oorspron-
kelijke —s van een land, de aborigines,
oraug pasaik, anak-boemi. — van een
huis, orantj isi roemah; mede —in ecu
huis, orang taroemah,
inwortelen, btrakar didalam; ingewoi-
teld, berakar. Ook tig.
inwrijven, — met, mmjapoekan pada
(van sapoe). Ook nimytjosokkan pada,
h.v. dj\'edjébatan digosokkan pada kueda
Hop,
dat welriekend smeersel werd liet
paard ingewreven. — van do ledematen
met zalf, andere voorwerpen met verf,
hars en dergel., mtloeloet; eene kris
met Hmoensap —, inatgasami kèris;
een strijkstok met hars —, m\'aidamar-
kan peuygi\'sek.
—, zie ook wrijven
en insmeren.
inwringen, utasoekkan deagan dipodas.
in/uüi\'ti, mèngg\'êrgadji kadalam.
inzakken, instorten, van een huis, betg,
grot enz., roeboc/i; aan één kant, roen-
(w/i;
van de voeten in het mulle zand,
tjëperoep; van de voeten ergens door-
heen, b.v. door den vloer, een moddei-
oppeivlakte enz., terperosok, —, nedcr-
dalen in, loeroen kadalam; nederdalen
in vloeistolfeu, lenggèlam.
iiiünmcluar, orang jang me irgo>\'mpoel-
kun,
en verder dezelfde woorden als
inzamelen met jang er voor.
inzamelen, m e,tgoempoelkan (van korm-
pofl), mSnghimponkan, mm ga m pon g kan
(van ka ui pong), — van belasting, pacht
enz., mèmoengoet (van poengoet). Ook
vun vruchten als het met oprapen ot\'
opnemen gepaaid gaat. — van boom-
vruchten, meratiggah; de tijd voor het
— der boomvruehten, moesim mfrang-
ga/i.
—, /.ie ook oogsten.
inzameling, pe.Hjoeiupoelan, penghuapo-
ttttn, pwtiornyont\'an
, prranyyu/ian. Zie het
onderscheid bij inzamelen.
inzeepen, menjapoekan gabon pada, in?ny-
gmuk- dèngan sdbon.
inzegenen = inwijden en zegenen.
inzeilen, i><rlajar masock; achterop zei-
lon, berlajar u,\'?njnesoel.
inzenden = zenden.
inzet, bij een spel, pasang; wat boven
den — betaald wordt, teban; tweemaal
den —, teban domra; gelijk aan den—,
sama sa teban. — bij spel en hij een
weddingschap, tagati, peiaroh, piiaro-
ban
en alleen tarok; eerste — bij het
weven, die altijd sterker is dan het
eigenlijke weefsel, punhjorh. —, eerste
bod, lawaran jang bërmoëla. —, zie
Ook inle."..
inzetten, van een stuk in een kleed,
mënampal (van tampal). , zetten of
plaatsen in iets, mënaroh dalai» (van
tarok), membuebotdt dalam. — van ju-
weclen etc. menatalikan (van tata/i),
mtnitrap \'mtan.
— van een bod, moela\'i
tawar.
—, opzetten van geld bij spel
of weddingschap mimaêong (van pa-
tang), iagan,
— van een stuk in broze
voorwerpen, zooals b.v. in eene tafel,
laénjoembi (van soentbi). —, op zijne
plaats, mtmasang, b v. een mast —,
memasang Hang; eene tand —, rnema-
sang g\'gi;
eene machine —, memasang
përkakas asap.
—, beginnen van gezang
of muziek, mëngangkal, m\'énarik, b.v.
m. ponton, een minne-liedje —.
inzettinu:, voorschrift der ouden, p\'éma-
lab.
Zie bij voorschrift.
inzicht, verstand, «kal, Ar. — krijgen,
datavg aka-l. —, bedoeling, oogmerk,
niaksued, Ar. —, voornemen, nijat, Ar.
kahendak.
inzien, begrijpen, uiëngérti; inzicht krij-
gen, begrip krijgen, dataug Bftal, —,
-ocr page 354-
842
inz\\j pelen — j nardus.
maka titak baginda: Maoekah Stri Sara
Diradja akan saoedara Padoeka Radja f
maka sembahnja: Datdat toewankoe,
wil
S. N. D. de zuster van P. U. Kn hij
zeide: Heil zij mijn Heer, d. i.ja! Ook
tot andere personen wordt zelden met
ija geantwoord, inanr weestal wet het
hoofdwoord uit de vraag, b.v. saki/kah
ija.\'\' üakrit loeican.\'
is hij ziek \'- Ziek
.Mijnheer! of wet sehaja, uw dienaar:
ik geloof vao —, aga\\- sehaja bagitoe.
—, en zelfs, wat weer is, behkan. b.v.
bij werd gewond, ja, zwaar gewond,
ija kena loeka, behkan, loeka parah.
op iets zeggen, mingijakan, — zeker,
ija soenggoeh. — en amen, benar dan
antin.
juaj>iyn. tali péntjémat,
.ianjipaftrd, koeda péntjémat.
jaar, tahoe», xanal. Ar. Het laatste meest
in tlatecringen van brieven, soms in ver-
ceniging met tahoe»; nieuw—, fahoen
beharoe;
schrikkel—, sa/ kabisah, Ar.;
het ehristelijkc ■—, tahoen masehi; het
woha::.inedaansche —, tahoen hedjrai;
het begin en einde van het —, per-
moe/aan da» kasoedahau tahoen;
ver-
leden —, tahoe» jang laloe ini; toe-
komende —, tahoe» jang datang ini;
het tegenwoordige —, tahoen ini, ta-
hoen jang sakarang \'mi.
— in, — uit,
daripada satahoen datang kapada sata-
ham;
hij is vijftien —, umoernja tittta-
brlas tahoe»;
iemand van zijne jaren,
orang jang sa\'o\'worr dvngan dia; op
jaren zijn, soedah foeica, bërida; op
jaren komende, adar, oedar; in den
bloei der jaren, perteagahan Tiatoer;
drie — geleden, soedah tig» tahoen
laloe;
na verloop van vele jaren, sat\'e-
lah beberapa tahoe» lamanja;
ieder —,
jaarlijks, tijap-t\'tjap tahoen, sabilang
tahoen;
bij jaren, jaren lang, birta-
hoen-tahoen;
om het andeie —, sata-
hor» tepas satahoen;
met tussehenver-
luop van een —, lat satahoen, s\'elang
satahoen;
over twee —, lagi doetoa
ta/wen;
een — ergens overblijven, me-
nahoe»;
hoeveel jaren zijl gij oud,
ü moer moe berapa tahoen; in het —
1nS4, pada tahoen 18*4; derdehnlf —,
tengah tiga tahoen; vele jaren lang,
beberapa tahoen lamanja; vele jaren
geleden, beberapa tahoen laloe.
aarboek, kifiib taicarich, Ar.
luu\'duj,\', hart tahoen.
onderzoeken, memerifcsa (van periksa);
naar ui ij n —, gevoelen, pada ]>erasajin
sehaja;
zijne fouten —, sedar akan sa-
lahnja, mengHahoei salahnja.
inzüpelen, tirit.
instinken, geheel zinken in iets, b.v. io
vloeistoffen, zand, aarde, hout, tenggè-
lam, terhenaia
; doen —, m\'en\'engg\'elam- i
kan, mèmbenamkan.
inzitten, er mede —, verlegen zijn,
kapitjikan olih sebab; er warmpjes —, ;
a in at hartatcan ; iemand danr wat inzit,
orang jaag bërisi.
inzoet, manis lienar, manis sakali.
inzonderheid, kefjoeicali, m\'flainka»,
b.v. — is dat liet geval met de Maleische
Vorsten,waarvan do moeiten geen schrift
kunnen lezen, kHjoewali \\ntl radja Mi-
lajoe, kabanjaka» jang tinila tahoe m\'èm-
baija soerat.
— God is het, die geëerd ,
woel worden, melainkan AU ah djoega
jang patoet dis-mbah.
inzout, asi» sakali. asin benar.
inzouten, nningasinkan,me»ggarami.—,
in de pekel leggen, mendjiroek; aan \\
groote stukken —, m\'emida (van peda,
zouteviscb); ingezouten, mm, gezouten
vleeseh, daging asin, zie ald.; allerlei
ingezouten zaken, asin-asinan.
inzuigen, minghisap. —, opslurpen,
m\'éntjeroep. Zie zuigen en opslur* \',
pen.
in/wart, hilam legaat, hitat» betoel.
inzweljien, ongeknuwd inslokken, me-
/■■■/■,-. —, gulzig inslokken, mënfja- ,
roek, menêlan (van Man),
inzweren, invreten van een zweer, \'
makan kadahtm.
i-miii\'-l. Jsmïitl, Ar.
iwoleeren, imngaxingkan.
israëliet, orang bant Isjr\'lïl; de Israë- \\
lieten, baui Isjrïiil, de twaalf staiumen
der Israëlieten, kadoewa belas aoekoe
banysa Isjrü\'tl.
itnliaan, orang Itali.
italiaanseli. Kali.
italië, negari Hall.
ivoor, gading; van —, dari gading.
ivoordraaier, petarik\' gading, toekang
iMffitrik\' gading.
ivoren, gading, dari (daripada) gading.
,T.
ja, \'ja, behkan; tot den Vorst, daulat w
toncankoe, d. i. heil zij mijn Heer! b.v. J
-ocr page 355-
jaarfeest — jan.                                                343
op het lijf—, nu-,igedjoetkan ; op kosten
—, membesarkan btlandja ; dood—, van
een paard, mëlarikan koeda sauipai
maü;
over de kling —, mëmboenoe/i
dengan peda»g;
door het lijf -, door-
steken, menikam teroes ; een kogel door
het hoofd —, menembak tvrors kapala.
—, drijven van vee, menghaiau, meng-
giring;
gejaasd, in angst zijn, choeicd\'
fir,
Ar., èe/\'debar-debar hati. Zie ook
najaden, nazetten enz.
jajjer, pembutToe, orang pëmboeroe.
jak, badjoe. — en rok, de geheele klee-
ding, kaïn badjoe.
jakhals, S\'-rigaia, Skr. andjing hoetan,
—, schurk, orang djahaf, bangsat, Jav,
jalappe; de valsche, onechte —, de
nachtschoone, boenga poekoel ëmpat,
k\'embang p. ëmpat,
Jav. de echte be-
hoort in Amerika tehuis.
jaloersch, tjtmboeroetcaH. — zijn op,
tjemboeroeiean akan ; in hooge mate —,
tjemboeroe jiingit.
jaloerschheid, tjemboeroe, hiri hati.
jaloezie, voorhangsel van tijne bamboe
of rotan tot keering van het zonlicht,
bidai; keré, Jav.
jam, een soort van aardappel, oebi.
jambosa, djamboe.
jammer, weeklacht,pëngadoehan, ratap,
—, ellende, kasoekaran, siksa; iets —
vinden, — zijn, sajang, b.v. \'t is jam-
mer dat ge niet kwaaml, sajang toetcun
iiada datang;
\'t is — dut dit paard
mank is, sajang koeda iui ptntjang •
het is als met de térapajang-vrucht. eet
men haar, men wordt bedwelmd, werpt
men haar weg, dat is —, oepama boenah
tempajang. dimakan maiiok, diboeicang
sajang,
>prw.
jammerdal; dit —, Cg. van deze aarde,
maja-patla i,n.
jammeren, mengadoeh, mëratap, tabak1.
—, schreeuwen, herik, mengherik; het
jammert mij van hem, hatikoe sajang
akandia, berkasihanlah akoe akandia.
: jammerjvcaclirei, pënghërik, përaoeng.
1 jammerklacht, 2\'ï"\'Jado<\'han, ratap,
sabak.
jammerlijk, ellendig, kasihan, kasa-
jangan, tjilaka.
jan; — en alleman, sèga/a orang, saèa-
rang orang, srmbarang orang.
— de
wns^che^, janhen, orang kvdi. — Klaas-
seu, — potage, alan-alan, badoet, Jav.
— rap en zijn maat, sëgala orang hina-
jaarfeest, hari raja tijap\'tijap /a/mm.
jaargeld, gadji tahoe». —, pensioen,
pansioen.
jaargetijde, moesim,
jaarhring;, perïdaran iakoett.
jaarlijks en —oh, pada Hjap-tijap
tahoen, pada sabitang tahoe», bilang
tah oen.
jaarmarkt, paiar tahoe».
jaartal, bitangan tahoe».
jaartelling tarich, Ar.; de Christelijke
—, tarich masehi, Ar.; de Mohtmme-
daanschc —, tarich hedjrat, Ar.
jaarwedde, gadji tahoen.
jacht, het jagen, pemboeroeican. — ma-
ken op, mëinboeroe. — maken op een
wild /wijn, m\'emboeroe babi hoetan; op
— zijn, berboeroe; op — gaan, pergi
berboeroe.
— maken, haast maken, met
het werk, m\'emboeroe pèkerdjaiin, uiem-
bangatkan pikërdjaan;
met —, dèiigan
bangat-bangatan, d. goepoeh-goepoeh.
jacht, een soort van speelvaartuig, kitji.
jachten, haasten, aandringen, gesa-g\'esa,
poesa.
—, haasten bij werk, mvmboeroe
pèkerdjaiin, mëmbangatkan pèkerdjaiin.
jachtfluit: e.s. v. kleine —, waarmede
men het geluid van het hert nabootst
om het te lokken, pipit roesa.
jachtertren, jagorsnet, djaring.
jachtgeweer, b\'edil pëmboeroe, sena-
pang p.
—, zie ook bij «eweer.
jacht««*zel, katcan berboeroe\\ tïman
btrboeroe.
juchtlmjjel, zie bij hnsel.
jachthond, andjing perloeroewau.
jachtig, haastig, gësa-gesa. —, ijlings,
goepoeh-goepoeh, goepoeh-gapah, bangat-
bmigat, boeroe-boeroe.
jachtstoet, p\'engir\'tng orang berboeroe,
I:atci 1,1 ofang berboeroe.
juchityd. moesim berboeroe.
jacob, jak\'oeb.
jaconnet, kaïn chasah.
,•■<:■\'".
met bcp. obj. m\'emboeroe; met
onhep. obj. berboeroe, b.v. een hert —,
membueroe sa\'ckoer roesa; herten —, op
de herteiijacht zijn, berboeroe roesa, —,
een vaartuig met eene lijn voorttrek-
ken, menijemat. —, jachten, menggësa-
gesa;
haast maken met een werk, mem-
bangaikan pèkerdjaiin, mëmboeroe pèk~er~
djaiin;
gejaagd zijn, gësa-gesa; door de
keel —, makan hahis dengan metca,
mëmboroskan dengan kametcai/n ;
op de
vlucht —, mënghalaukan; een schrik
-ocr page 356-
844
janhagel —jongt
dina. —, in een kollichuis, djonyos
komaf Ma/t.
— rechtuit, orany ttroes-
th\'any.
janhagel, orany hina-dina.
janhen, zit: bij jan.
Janken, zooals honden, die zich bezeerd
hebben, nitmëkiny (van plkiny); gedurig
—, zooals dwingende schreeuwende kin-
deren, tjijar, mhtgoewek (van oewek).
—, zie ook huilen.
janmaat, orany kapttl, orany chalasi.
januari, boelan djanoetcari.
japan, nëyari dji-poen.
japannees, orany djvpoea.
japunsch, djtpoen.
japon, badjoe njonja; meisjes—, badjoe
nona.
jarenlang* birtahoen-tahoen.
jarig, sa-tor ia/toen umoervja; eenjarige
koe, lémboe jong satoe tahorn antoernja.
—, jaardag, hari tahoe» ; hij is heden
—, aakarany hari iahoennja.
ja», djas, badjoe toetcan-toetcan; een
lakenscho —,badjoe sachalat,djas laken.
— en broek, als daarmede de geheule
kleeding bedoeld wordt van een inlander,
kaïn-badjoe.
jasmijn; e. b. v. zeer welriekende — ,
Waarvan twee soorten, do enkele en
de dubbele, boenga muloer, kembany
nielali,
Jav.; eene andere soort, met
groot e bloemen, boenya ptlcan; de wilde
—, boenya pekau hoetan, boenya yandjir.
jaspin, de steen, ptrmala jasjb, Ar. p,
iikifc,
Ar.
Java, tanah djawa. Zelden poelau djatca.
Javaan, orany djatca.
javaausch, djawa; de —e taal, bthasa
djawa.
jiivelijii, werpschicht, fjatnptik boeteany,
pendahan.
jegen», akan, kapada, bayaij onze plich-
ten — God, perkara jong diwadjibkan
Allah atas kami;
dankbaar — God,
mëmbtri sjoekoer kapada Allah; vrien-
delijk — iemand zijn, legot-sapa ka-
pada sa\'orany, buik kapada sa\'orany,
jehova, lloewa, Ar. — God, lloewa Allah.
jenever, sopi, djenewer, djin. Eng.
jeneverdi-inker, ptminoent sopt.
jeremiade, pvngadoehan.
Jeruzalem, bailoe \'hnoejfaddis, Ar. let-
terl. het heilige huis.
jethro, de schoonvader van Mozes,
Sjüaib, Ar.
jeu, jus, komcah, kaldoe.
1 jeugd, masa moeda, ktljil; in mijne —,
pada masa moedakur ; van zijne — tot hij
volwassen was, dart ktljiluja sainpai
besar;
de —, de jongelieden, orany
moeda-moeda.
jeugdig, mocda, bal/ja, Skr.
jeuk, yafal. Ook — hebben, jeukerig,
wulpsch.
jeuken, galat.
jeuking, kriebcling, zonder dat men
iets ziet, zooals b.v. door de aanraking
vun een zeekwal en dergel., mijang.
jicht, sengal, ptnjakit svngal, pvnjakit
sindi, sakil toelany, pirai.
1 jichthnobbels, boekoe-boekoe pirai.
JU, plat voor gij, diri, mika.
joti, ajoeb; de — des Bijbels, nabiajoeb.
jobstrunen, een soort van gerst, die
in ludie groeit, van welks blauwgrijze
zaden men tuudcolliers maakt voor kin-
doreit, djelai batoe, handjtlai batoe.
jodendom, jahordijat, Ar.; het jood-
•che volk, ieauta Jahoedi, bangsa Ja>
hoedt, oentiital Jahoedi.
—, de Mozuïsche
leer, agama orang Jahoedi, ayania nabi
Mot: sa.
1 jodeukerk, synagoge, kanisah, Ar.
jodenkerkhoi\', ptkoeboeran orany Ja-
hoedi.
j jodeniym,«///yV/^\' tanah, minjak latoeng,
: jodin, pilraiitpoewan Jahoedi.
joelen» v rooi ijk — vun eene menigte,
rantai-rainai, beramai-ramajan. —, woest
getier maken, beryadoeli, rioeh rënda/t
boenjinja,
johnnnes, Jahja. De apostel —, rasoel
Jahja.
— de dooper, Jahja ptmbaptisa.
jok, scherts, yoerau, sënda, sëlocroh,
la walt.
jokken, schertsen, bustloeroh, bergoerau.
—, schertaeuderwijs onwaarheid zeg-
geo, këlakur. —, liegen, doesta, djoesta,
bohony.
jokkernü» sëloeroh, lawah, peryoerau-
wan, stnda, goerau.
\\
jol, zie bij boot.
jonas,
Joenoi\'S, Ar., de — des Bijbels,
uabi Joenoes.
jong, niet oud, moeda, bal/ja, Skr. —e
lieden, orang vweda-moeda. —, nog
klein, ktljil, ketjijr; de jongste, jany
ktljil, sikëfjil, siké/jik;
van jonga aan,
dari ktljil, daripada moela ktljil; ge-
heel van jongs ann, daripada samorla
këtjil;
nog zoo — zijnde, dutgan sa-
I moeda Hoe, b.v. kartna tja kamalasan
-ocr page 357-
345
{ong — juist.
dïngau samoeda itoe, want hij heeft
luiheid en dat nog zoo jong zijude;
zeer —, in gedichten, moela ptrtama.
—, pas, beharoe, b.v. eene —gehuwde
vrouw, pérampoetcan jang btharoe katrin.
jong, pasgeboren dier, anak; katten —,
anak koefjing.
jongedochter, dajang.Z\'nt ook maaifd
en meisje,
jongeheer, alleen van Europeanen,
en vreemde oosterlingen, xinjo, Port.
jouijejulvrouw, alleen voor huropea-
uca, Arabicien en Chioeczen, nona. Port.
jongeling, uiting moet/a, oraug teroena,
icangsa;
een aankomend ■—, orang tint\'
ft oei au.
i\' ingeli Mj\'sriuip, de leeftijd, kamoe-
daan;
de jongelingen, se gala orang
moeda-moeda.
jongelui; — met elkander, oraug boe-
djauy MM boedjang.
jonjfen, knaap, boedak, boedak laki-laki.
—, zoon, mannelijk kim), anak lakt-
/aki;
van den Vorst, poeltra. —, al»
woord, waarmede men een knanp uun-
spreekt, jongetje! kaljoeng.\' van een —
bevallen, béranak laki-laki; van de
Vorstin, btrpoetera laki-laki, en niet
alleen berpoettra. —.bediende, zie ald.
jongen, — werpen, btranak.
jonger, — dan, moeda dart (daripada),
lebih moeda dar-, (daripada).
— broeder
of zuster, adik; ter bepaalde onder-
scheiding met laki-laki of përampoeicau \'.
nla bepaling. —, discipel, moerid, Ar. !
jongetje, boedak kêtjil. Zie bij Jongen. :
jonggeborene, jang beharoe djadï.
jonggehuwde, jang beharoe katcin.
j onggezel, urang lioeïljang, oraug teroena.
j ongtnmi, urang boedjang, orang teroena ;
een ongehuwd — en als zoodanig vrij
van belasting, i>ëlawang.
jongst, overtr. tr. van jong, ttrmoeda,
moeda sakali, jang moeda.
jong«te, laatstgeborcne, bongsoe, tig.
anak penjoetji pï-roet; de — dag, hart
k\'jiimut,
Ar. —, laatste, jang lerki-
moed\'tan, jang bèlakang kali.
jongstleden, zie laatstleden,
jonk, djueng; als een zwaar geladen —
noch Oost-, noch Westwaarts kunnen,
saperli djueng tarot, Uada kalimoer,
tiada kabarat.
Sprw.
jonker, loeit; de gezamenlijke —s, sh ;
gala toen, pertoenan.
jonkheid, kamoedaiin, hal kamoedaiin.
jonkvrouw, dajang, dnng; de gezamen-
lijke —en, ségala dara-dang.
Jood, orang Jahoedi.
joodneb, jahoedi, Ar.
jool, pret, ramai-ramai, kasoekaan jang
lUlHfll.
jota, baris hoeroef; geen — of tittel,
satoe nukfah alaic litik pon tidak.
jou, plat voor u, diri, mika.
journaal, daftar, 1\'erz.
jouwen, zie uiljouwen.
jozef, Joe&oef, Ar. Joesoep; de — des
Bnbelv, nabt Joesoef.
jubel, jatcljil, Ar., zie jubeljaar.
jubelen, zie juichen.
jubeljaar, tahoen jaicbil.
judas,v<-nader!ijk wensch,ür</»yc^ï/V(/i«r\'.
jull\'er, zie jonkvrouw en jonge-
doehter.
juilertje, het insect, glazenmaker, .ii-
boer-stboer, tjapoeng.
jufvrouw, zie jonkvrouw en jon-
gedoehter.
juichen, bersoerak-soerafr, btrtlmpik
soera k.
juiclitoon, boenji soerafr-soerak.
juist, middelmatig van grootte, van
mensehen, ramboenai, stderhana. —,
met juistheid, van schieten, bet oei, b.v.
maka oratig J\'ahang pon haibat rasanja
ntëlihat bttoel Hang Saditn memanah
Hoe,
en de i\'nhangers waren verbaasd
te zien hoe — H. N\'. schoot.— treilen,
utembétoeti, b.v. sa\'orang pon tiada bolih
mentbitoeli dia,
niemand kon hem —
treilen. — tegenover iets, vlak legen-
over, berletttangari dP.ngan. — van
treilen ook alleen het grondw. Icnlang,
b.v. kmala/t teutioiy kapalanja, het trof
juist zijn kop. Ook — van eene plaats,
b.V. djangan hitang timpat tenlang
nuttin, engkau ba/ja,
laat de plaats, waar
ge — gelezen hebt, niet verloren guan.
—  bij tijds, — toevallig, sanjampang,
b.v. pagi int sanjampang aila pakajan
orang la\'in jang diseica,
juist dezen uior-
gen waren er toevallig klceren van nn-
deren die gehuurd werden; sanjampang
bfrtemoe dengatt bapa hamba ini,
toen
ik — toevallig vader bier ontmoette.
—  van pas, ter goeder ure, toevallig,
kabttoelan. — van pas, ook saujam-
pang,
b.v. maka kata Btadahara: sa-
njampanguja orang kaja Lafcsamana
datang,
en de Kijksbesticrder zeide:
\'t ia — van pas dat het hoofd Laksa-
-ocr page 358-
S 16
juistheid — kaars.
knak, rahang, toelang rahang; boven—,
toelang rahang jang di-afas; onder—,
toelang rahang jang dibaviah.—, wang,
pipi, b.v. ingevallen kaken, pipi tjtng-
koeng.
—, gelaat, moeka, b.v. blee\'\\
bestorven —, moeka jang poetjat test.
kaak. tchiiDÜ\\)ua\\, tf\'mpal üib, Ar.: ann d
—  stellen, tentoonstellen, me\'mbe\'ri fiil.
kaakhcen, toelang rahantj.
kaakslag*, lempeleng, tampar,
kaal van hoofd, soelah, goendoel,boetak.
—    van den grond, zonder planten
goendoel. —, onbegroeid van het hoofd
bergen, eilanden enz., loekoes, lakos .
ook — afgevrelen, geschoren, gesleten,
gebrnnd enz. geheel —, glad af, liijin
fandoes,
b.v. Sakati toendoek Hfjin
tandoes, Batjai didjilat andjing koeroes,
ééns het hoofd neergebogen en bet wa-
glad kaal als afgelikt door een mageren
bond. —, zunder takken, boeloes, b.v.
bfrdiri saperti pohon kajoe boeloes.
daar staan als een kale boom. —.
door de mot afgevreten, van laken enz.,
bikax fftffal, btkas d\'tmakan fféffat. —.
arm, miskin, Ar. papa; er — afkomen
dapal maloe, kifjitia; een — maal.
makanan jang kapa/ang; een kale uit-
v lucht, dalih jan ff sija-sija. — afge-
sletcn door schuring of wrijving, aoes-
aoes,
b.v. een — afgesleten wijsvinger.
t?loendjoek aoes-aoes. —, afgesleten var.
kleeren en de schors vnn hoornen, soelah.
kaalheid, kagoendoelan, kaboetoesan, ka-
papaav.
Zie het onderscheid bij kaal.
kaalkop, orang soelalt, ook kapal■
soelah, orang goendoel, orang boefak:
flg. poepoeran poejoeh, d. i. koestel -
plaats van een kwartel, daar die zou
glad is als een dorschvluor, —, e. b.v.
zeebaars, ikan kakap.
kaam, lapoek.
knamachtig, beriapoek,
kaap, tandjoeng, hoedjotmg tanah; eene
—   omzeilen, bvrlajar laloe daripadf
tandjoeng.
kaapstander, pontaran.
kaarden, knmmen van katoen, wol enz..
mettgojak\'ngojak (van kojak).
kaars, d\'ian; was—, dtan lilin. Ook
alleen Win; spermaceti—, stearine—,
lilin belanda; twee knarsen met een
spiegeltje, die zevenmaal om bruid en
bruidegom gedragen worden, dian tjt-
remin;
overgeseboten eindje van eenc
—, pomong, b.v. djikalau sadjengkal
manu komt. — van maat en tijd, —
van pas, — op zijne munt, — op zijn
tijd, — bezig met, — terwijl, sidang,
b.v. — terwijl ik at, sï.dang hamba
makan.
— sliep ik, sedan ff hamba
tidoer.
—, ook sawa, b.v. in het —e
midden, padn sawa ff.ngah; geheel —
wordt ook negatief uitgedrukt met tiada
bïrsalahan laff\',
b.v. uwe woorden zijn
geheel —, katamoe tiada bh\'salahau
laffi.
— als, precies als, ganal; dat is
juist mijn wensch (of verlangen), st-
madja kaltvndak akoelah;
zoo is het —,
wtoel bagitue. —, zoo pas, bPharoe.
wilde hij gaan, toen.....bïharoe tja
htndafr pïfffi maka ....
juistheid, kabétoelan.
juk, draag>tok, pïnggandaran. — voor
trekdieren, yof, kok, danam; een —
ossen, lemboe tapasang, Itmboe. sagoek;
ten volk onder het — brengen, mfniï-
lokkan soeator bangta
(van tütok, Ar.).
julibeen, toelang pipi.
jukriem, fa/i kok, tal\'t danam,
juli, boe/att D/of/i.
juni, boetan Jijoeai,
juno, de godin, wordt vertegenwoordigd
door itoerga, Skr.
jupiter, de god, wordt vertegenwoordigd
door Shca of ïndra. —, de planeet,
mofsj/ari, Ar.
j urli, badjof nona,
jury, djoeri.
jus, vleescbnat, koetra/t dat/vit/, kaldoe.
j ustifiVeeren, mvmbenarkan.
justitie, djoesfis, djoe&iisi.
juweel, ptrmata, Skr. ratna, Skr. (ook
lig. voor prinses); djauhar, Pen.; allcr-
leï —en, ratna nioftoe mdnikam; met
allerlei —en bezet, blrtatahkan ratna
moetoe tndnikam,
juweelen, pïrmata; een — ring, tjin-
tjin pï\'rntata.
juweelendoosje, ijoemboe pïrmata.
juweeljiruin, poedi.
juwelier, toekantj intan, djatihart, Pcrz.;
slechts de — kent do juweulen, djauhari
djoetja jang inhigïmal mdnikam,
Sprw.
1*.
lni:ii, havendam, toempoeican haroes. —,
veerkade, pangkalan tambang.
knaigeld, roeba-roeba.
kaaiman, krokodil, boeicaja.
kaaimuur, zee hoofd, dtrmaga.
-ocr page 359-
liaarsenmaher — kakelbont.                                  847
pandjang dian tiada dipakainja, diboe-
v;a»gkannja pontong,
als de knars een
span lang wns gebruikte hij haar niet,
iunar wierp het eindje weg; ecne —
opsteken, memasang dian (van pasang);
de — uitduen, memadamkan dian (van
parfum); de — snuiten, n/enggoenfing
dian, t/iviidjepit dian:
zoo recht staan
al* een —, bërdiri laksana alif\'; tfr-
tjafjaf: bagai lembing térgitdai,
rechtop
ingestoken als een verpande lans.
Iiaanienniaker, toekang dian, toekana
/i/in.
kanrsepit, soemboe dian
kaarslicht, terang dian.
kuarsesnuiter, djfpit dian.
kaarsvet, lemuk dian.
kuurt, tcekening, pïfa, gamhar; in —
brengen, mëmëfakan, mënggam barkan ;
land —, pefa boemi,gambar tanah ; zee—,
pi fa. laoet, gamhar faoff; Europeesche
speel—, kerf o, uort.;Chineesebe speel—;
hiervan de volgende soorten: pakau-
pakaa
of daoen pakau, patoewi, k/ja en
pekak. — spelen, met Europeesche kuar-
ten, mdin kerto. /ie kaartspelen.
kaarteblad, daoen kï-rfo.
kaartenpapier, karfas kerto.
knartspel; e. s. v. Chincesch — met
8 kaarten, pekak, Chin.; e. s. v. een-
en-twintig, pakau, Chin.; e s. v. Chin.
—, dat met ISO kleine, langwerpige
kaarten gespeeld wordt, koetea, Chin.;
v. andere s. v. Chin. —, po, Chin.
kaartspelen, met Europeesche kaarten,
maStt kerto; met Chineesche kaarten,
mu\'iii peiafc, m, pakau, m. koeica, m.po.
Zie het vorige woord.
kaart speler, dezelfde woorden als
kaartspelen met orang er voor.
kaas, kedjo, dadi kering, pant\'r, Pcrz.
kaasmade, hoelal kedjo.
kuaspers, apitan kedjo.
kaatsbal, hoeicah raga, nnmel. een holle
Lal, gevlochten vnn rotan, die met den
voet in de hoogte wordt geschopt, di-
srpak.
kaatsen, mdin seyiak-roga. Do spelers
staan in een kring en schoppen elkander
den bal toe, tritnjepalf.
kaatser, orang bermdin sepak-raga.
I;al)iuu, kabaja.
kabbelen, bërkofjak. — door tegen-
stand, b.v. dour klippen onder water,
bërlatjak:
kabel, fali iaoeh, fait djangkar; den
—   vieren, niënghoeloerkan fali saoeh ;
den — kleeden, mïmbtbat fali saoeh ;
den ■ - kappen, memofong fali saoeh
(van pofong); de — is onklaar, taii
saoeh bër/töending;
een kink in den —
niet fig. fait saoeh fërsangkoef,- een —
opschieten, nielingkarkan fali saoeh.
kabelarins, t?ti saoeh,
kabeli*aren, fali anak, bënang fali saoeh.
ka bel «at, hok bij den voorsteven, tjë-
rofk lialoeiïan, të.ntpat tali saoeh.
kabeljauw, de visch daarmede overeen-
komende is de ikan tënggiri.
kabelketting, ranlai saoeh.
kabelslen<*te, pand jaag fali saoeh. Zie
seheepslen j»t e.
kabeltouw, tali saoeh. tali djangkar.
kabeltros; een —, tali saoeh sa\'oefas.
kabinet: geheim —, waar men zich
afzondert, of iemand onder vier oogen
spreekt, chalicat, Ar.
kabouter, e. s. v. kleinen geest,polottg.
ka< lul, toestel tot verwarming, pï-ng-
ganggang.
.
kade, langs het water, tepi toebir. Zie
ook l.;iui.
kader, zie padre,
kadraai, sampan djoetcat-djoetcalaH.
kadraaien, djoeical-djoeicalau d\'tkupal.
kadraaier, orang djoeiral-djoeicatatt
dikapal.
i Haf, van graan, raeman, sëkam. Ook fig
\'liada tërbatca sèkam, niet in staat zijn
—   mee te draden. Sprw.
kajapoet-boom, pohon kajoe poefih.
ka.japoet-olie, minjakr kajoe poefih.
kaïn, de broeder van Abel, Kabil.
kajuit, koeroeng, koeroeng kapal.
met cene vierkante opening, koeroeng
badjau.
— zonder die opening, koeroeng
ma/i
; vrijstannde —, campagne, nta-
goe/t.
—, met matten overdekt iredeelte
achter op een inlandscb vaartuig, pëka-
djangan.
— op maleische vaartuigen
lm\'! een plat dak, wnarop men zitten
kan, hoeranda.
,
kajuit-.juMiifii, djaitgos kaplian kopal.
\\
kak, fahi, berak; veel — maken, groot-
spreken, htrnngah\'iiitgah; veel te vitten
hebben, bavjak fjëreiret.
kakebeen, boven —, boekoe asam ; on-
der -, tot\'lang rahang,
kakelaar, kakelaarster, orang ptleter.
kakelarü, pëleier.
kakelbont, fjorak. — zijn, bertjorafc.
—  ook pantja Karna, peltbagai vrama.
-ocr page 360-
;us
kakelen — kalmeercn.
kakelen, van eene hen, mtngakafy (van
kakak), kitok, berkituk, üitok, Jav.
—, snateren, biteter; lang cu rad —,
gerit jan.
kaken, met een nies kieuwen en inge-
wanden uit een visch snijden, minfjikit,
kaketoe, boeroeng kakatoewa.
kakhuis, kakoei, djamban, pirlindoen-
tjun. —, zie bestekamer,
kakken, berak, vuig. b.v. saptrtïorang
toedak l/makd\'tinyalt dja/an,
als iemand,
die midden op den weg gekakt heeft,
Sprw. t/at//a/i berak bisar, kitaponhttt\'
dak- berak bisar djuega,
kaki de olifant
veel, nuk wij willen veel —.
kakkerlak, Upas. —, albino, boe/ai
op Java boelé.
kakpraatje; allerlei —s, al de plantjes,
die men ergens gehouden heeft, kintoei
bisar khifoït ké/jit, d. i. groote en kleine
veesten.
kalander, in=ect dat het graan uitvreet,
boeboek. Door dea— uitgevreten, t/ima-
kan boeboek.
kalebas, pouipoengewas, taboe. Soorten
zijn: taboe a/ar, de watermeloen; taboe
manis, de pompoen; taboe merah, de
roode kalebus; laboe këndi, de tleseli
kalebas. Deze laatste heet ook taboe
ajar paudak; e. s. v. groote groene — ,
die, nog jong zijnde, als groente gestoofd,
en oud gekonlijt wurdt ter vervanging
vnn onze naccatla, koetidoer,66tigoe, Jav.
kalefaatbankje, zie bootsmans-
stoeltje.
kale faut hamer, p&moêkoel puk al.
kalefateren, mÜttakal (van pakalj. Zie
breeuwen.
kalei\'atering*
pitttakalau.
kales, tweewielig, rijtuig, bendi.
kali\', van eeno koe, anak Htnboe, attttk
sapi,
Jav., anak djaici, Sum. — van
een buliel, anale kirbau, — van een
hertj anak roem i nuchter —, anak
ttmboe
(of kirbau) jang bëharoe djadi ;
een gemest —, a)iak H taboe jong iattt-
buen;
een — van een man, orang jaag
atnai ba\'ik hatinja;
men luuet den put
dempen, vóór het — verdrinkt, sabv-
lofinja Ujatoh ba\'ik disadiakan poe poer,
Spr. d. i. vóór men valt moet men
het smeersel klaarmaken ; met St. Jut-
mis ais de kalveren op het ijs dansen,
ka/au koetjhtg bérlandoek-, bilanda ber-
soenat,
d. i. als de katten horens dragen
en de Hollanders zich besnijden, Sprw.
kalfkoe, endoeng thnboe.
kalfsborst, dada anak- Itmboe.
kalfsbout, palta anak Itmboe.
kallwleder, koelit anak: timboe.
kulfsnat, kaidoe daging anak ttmboe.
kalfsoog* spiegeleieren, ntata tapt, —,
iemand die groote uitpuilende oogcu
heelt, maia bÜ/tjak.
kalfsvel, zie trom.
kalfsvleesch, daging anak letnboe.
kaliber, bisar, kador, Ar.; geschut van
groot —, marijam jattg besar kadarnja.
— van een vaartuig, bimrnja kopal
(of pirahoe).
kalief, cha/ifat, Ar.
kalifaat, cltitd/at. Ar.
kalk, kapoeri gcbluschte —, kapoer
taati;
ongebluschte, grove —, kapoer
tohor;
tijne, natte —, die bij de betel
gebruikt wordt, kapoer makaii, kapoer
tirii, sadah;
metsel—, kapoer masak:
van — voorzien, b.v. een bételprtiim,
ttttugapor.rkaii. — branden, membakar
kapoer.
— beslaan, minga/jau kapoer
(van katjan).
kalkaehtig, mroepa kapoer, sahagaï k,
kalkbakje. kalkdoosjc, kalkpotje, bij de
ingrediënten voor de betel, ptkapoeran,
hal^Urantler ^toekatig uiimbakar kapoer.
kalkbranderü, kalkoven, ptkapoeran,
tanoer kapoer.
kalken, mingapoeri, tnhtjapoekan kapoer
(van sapoe), milaboer dengatt kapotT.
kalkoen, hajam ivolanda, hajam bitanda.
kalkoven = kalkbranderU.
kalkpot, timpat kapoer.
kalkwater, ajar kapoer.
kallen, snappen, babbelen, bileter.
kaller, kalster, pileter.
kalm, tevreden van gemoed, sinang,
iinang, sidjoek hati.
—, bedaard van
water, tinang, b.v. kalau ajar ïinany
djangan disungka tiada boewaja, a.U
het water — is, moet men niet ureenen,
dat er geen krokodillen zijn, Sprw. —,
rustig van een land of stad, ook si-
djot\'k,
b.v. maka nigari Malaka pon
saiilausatah sidjoek saperti ajar didalam
tatttm,
de stad Malaka nu wua rustig
en — als het water in een houten bak.
—, stil van het weder, met algemeen
betrokken lucht, ook —, vrij van drukke
bezigheden, piluewang. — geworden,
van wind of golven, tedoe/t.
nlmeeren van het gemoed, bedr. int-
njinangkan
(van senang).
-ocr page 361-
kalmoek — kumvormig.                                      349
! kameraadftchnppelijk, 1ïïrhandai~
handajan, bhianlon-taulanan.
kamer! «• waarder, zie kamer*
diennnr.
kamerdeur, pintoe bilik, pintot\' kantor.
kamerdienaar, van \'s Vorsten afzon-
derlijk vertrek, hodj\'tb, Ar.
kamerüemak,stillctje,(/?V\'/«/y/7H komt,
kamerheer, tapit, montert daiam.
kamerjapon, gewatteerde Japansche
—, bttdjof L\'j-\'is.
kuinerjullVr, kamermeisje = kame-
nier.
kamermuil, fjênela.
kamerpot, pi-pot, mangkok ponggok,
pis/tot.
kamerrok, nachtjapon, bailjof malam.
kamersWiut, orlak pintoe, pïngoehtk,
kamerstoel, stilletje, lamari beril.
kamfer, kapoer, ka/oer, Ar. De beste
t. v. —, kopoi-r baros, naar Haros, eene
plaats op de Westkust van Sumatra.
—, die in de holte van bamboe trevon-
den wordt, kapo.T boelo^h.
kamfertaoom, pofton kapoer.
kumillebloemen; e. s. v. —, bornga
tiroeni,
Immizool, zie baad je.
kammen, >/itriijikal (van sikaf},mënjisir
(van sijtir); met de vingers het haar
—, nttnjoegar (van soegar). —, kaar-
den, van katoen, wol en dergel., mï-
ngojak-ngnjak
(van kojak).
. kammossel, kapis.
\\
kamp, legerkamp, pt-lantoraan, perl/Pn-
tian balti\'tantara.
—, afgepaald akker-
veld, bvndang, ladat/g; zie ook kave»
linii- —, buurt, kampong. —, wed-
strijd, pPrloettibaon.
kamp, Bijw. ..— op bij het spel, sama sfri,
kampanje van een vanrtuig, hïtT-ri,
boeranda, andjorng-andjoeng, djentpof-
djÜmpoe,
Itumpeeren, bï\'rrbaitns-h, Ar.
; kampement, tempat chaimak bala-
tantara.
\'
kampen, strijden met dm vijand, b\\ rj^ -
rong,
—.worstelen, bërkëraS\'kh\'asaH.—,
een wedstrijd houden, bërloemba-loemba.
kampop, zie kamp.
| kampplaats, zie strijdperk.
kampvechter, pahalawan, Perz. hoelof-
balang, pïndfkar.
knmrad, djantrra bergigi.
kamschelp; de —, kapis.
1 liaravormig, saroepa sisir.
Ualmoek, kaïn ramboeii.
kalmte, kaUnoMgam, kë/édoeban, ptloe-
ica.u/, sëdjoek had.
Zie bet onderscheid
bij kalm.
Imlmus, dëringoe, djïrangatt.
kalmuswortel, aimr diringop, alicah,
Ven.
kalotje, kopijoh, som/lok; zulk een —
van rotan gevlochten, kojiïja/i pett\'
djaiin.
kalven» bewaak.
kam, silnt, sisir. — van een baan, ba-
Iwng, djengger,
.Tav.: een volle, kroon-
achtige —, baloeng straga, — bij het
weven, die vertikaal op het weefgetouw
>laat, sisir, karap, koeda-kufda,- fijne
—, sisir halo?». — in bet opgestoken
haar van vrouwen, sisir kondai, —van
een rad, gigi djanftra.
Unmdrasend, van vozels, bfrbaloeng.
luimeel, oota,- de — geeft zichzelven
over, onta menjerankati dirinjo, Sprw.,
d. i. met hangende pontje* terugkomen.
katneeldr\\jver, pairaug onta, gombala
onta.
kameelin, onta bt\'fina.
liuroeelpnrdel, giraffe, :arajt, Ar.
kameclshult, pot-nofk, këlasa, bungkol.
linmeeUhntir, boelo>\' onta.
kameleon; e. s. v. —, geroet/ing, boeng-
!i»i,
Jav. Zie ha<>edii*.
Iinmelot, e. s. v. harige of wollen stof,
kaïn kambtli.
kamenier, volgjuffer van eenc aanzien-
lijkc vrouw of prinses, dajang,
kamer, bilik, kam ar; op zij van het
huis uitgebouwde —, andjoeng; bin-
nen—, bilik bersakat; boven—, bilik
lot eng, langkou
; voor—, bilik dimoeka :
achter—, bilik dibelakang; studeer—,
biltk tétapat ntenjoerat; bedienden—,
pëboedjangan; verborgen — om schat-
ten in te bewaren, bilik pï.loeboer;
slaap—, bilik tïduei; pvtidoeran; van
den Vorst, ptradoeivaii. — van een
kanon, dalamnja mariam. —van koop-
handel, madjtis segala saudayar.
kameraad, handai, faulati, fèman, ka-
icttn, bandoe,
Skr.; een — hebbon, ber-
handai, b\'érfÊman, bfo\'kawan;
als —
vergezellen en ook als — helpen, nié-
nëmatti;
tot — hebben, In-rhandaikan,
bïrft/iiankan;
raet elkander — zijn,
bïrhandai-handojan.
kameraadschap, handajan, taitlanan,
petfêmantm.
-ocr page 362-
BftO
kan — kant.
kan, beeft men niet. zie kruik en pot.
kanaal, gegraven waterleiding, parit,
taloeran, sefokan, teroesan.
kannnlhooid, pantjkalan.
kanaal sluis, pintoe-ajar.
kanalje, gemeen vulk, orang hina-dina.
—-. gemeen wijf, ptrampoetran djahat.
kannpé, bangko.
kamiHter, grove bauiboemand, kn\'an-
djang.
kandelaar, kaki- titan, tempat Min;
veelarmige —, kand\'tl. Ar.
kumhj, goela batoe.
kaneel, koe/il manis, kajoe manis selan ;
e. s. v. —, die naar kruidnagelen riekt
en als >pet-et ij, o. a. in de nasi kabucli
gebiuikt wordt, koetU latcang; e. s. v.
—, die aU medicijn en waschmiddel
voor het hoofd gebruikt wordt, sïntok,
bv. maka radja bersinfok1 dan berlimau
niandi,
de Vont gebruikte — en liinou*
nen bij het baden.
kaneelboom,y-e/\'" m kuelit manis; n.t. v.
—, enssia lignea, pohon tedja, onder-
scheiden in mannelijke, pohon tedja
djantan
en de vrouwelijke, p. I. belinu.
De wortel van den eerste wordt al-
geneesmiddel gebruikt.
kaueel-olie, nt/njak koelit manis.
kaneelwnter, ajar koelit manis.
kanker» pêkoeng; oppervlakkige —, pe-
koeny mïlajang; droge —, pêkoeng bof-
boek.
Ook sakit tjirna en resfoeny.
MUI den hals, pekoeng intis; e. 8. v. — <
in den neus, koesta dangkoeng.
knnnekensltruid, nepenlhes, daoen
khtdi.
kano, uit ée\'n boomstam, djaloer. — ,
waarin slechts plnnts is voor een man,
kolik ; e. 8. v. —, die op rivieren wordt
gebruikt, kempang.
kanon, mariaai; een —, tapoetjoek \'
mariam; een klein koperen —, dat op
een spil draait, lila; een klein ijzeren
—, rantaka; een lang —, slnngstuk,
ekoer loetony; het heilige — te Üa-
tuvia, pendjagoer; met het — acbieten,
méueuibak dengan i/tariam (van (embak);
een schot met los kruit uit het — doen,
mtmioeuuny obat tapoetjoek mariam.
kiinon, regel, kanoen. Ar.
kanon bunk, bangoen-bangoen mariam,
kanongebulder, boenji mariam.
kanoniek, kanoni, Ar.
kanon metaal, tjangsa mariam, lojang
mariam.
kanonnade, penembakan mariam.
kanonneeren, menembaki d\'engaa ma\'
riant (van tembak).
kanonnier, soldadoe mariam.
kanonreep, tali penghela mariam.
kanonskogel, pelo^roe mariam, pelot
kanonschot, als geluid, boenji mariam;
één —, sak al i tembak mariam.
kanonstellins, bangoen-bangoen ma-
riam.
kanontuiu;, perkakasan mariam.
kanonvuur, api mariam.
kans, oentoeng, oendi; eenc goede —,
oentoeny bdik ; slechte —, oentoeng
tabatk;
eene — wagen, meutjoba oen-
loettg, menyadoekan oentoeng,
b.v. ma-
ting-masing menyadoekan oentoeng seha-
dja,
een iegelijk waagde slechts eene
—, lig. uitgedrukt oentoeng saboet tim-
boel, oentoeng batoe tenygelam;
er fa
geen — op, ta\'btdih diAarap; de —
opgeven, mflepaskan oentoeng; de —
is verkeken, lennjap oentoeny, lesap
oentoeng;
ik zie er wel — op, sehaja
tjakap djoega;
de — waarnemen, mim-
ielukan oentoeng;
de — staat schoon,
oentoeng bdik roepanja; de — staat
slecht, oentoeng ta\'bdik roepanja; do
kansen berekenen, het voor en tegen
vnn iets overwegen, over de gebeur-
lijkheden spreken, La-andai-andai.
kansel, verhevenheid waarop de priester
staat ia de moskee, minbar, Ar.
kanselrede, preek in de moskee, c/tuf-
bal,
Ar.
kan «el redenaar, priester in do uios-
kee, die do cholbat leest, cftafib, Ar.
kansspel, h;i/;inl-|ii\'], djoeili.
kansspeler, hnzardspeler, pendjoedi,
orang mdin djoedi,
kant, zijde van eenc rechtlijnige figuur,
van een vlak of lichaam, Mjfi; kantig,
bérteyi; driekanlig, bersèyi tiya, ook tiya
persegi,
op Java pesayi.—, vlakke zijde
van iets, pvnampang, b.v. loetcas ko-
tanja pada saptnampany sa/tari btrltt-
jar,
de breedte van die stad aan een
—  was een dag zeilens; kola sapenam-
pauy betont layi soedah,
nog niet één
—   van de vesting was gereed.—, aan-
liggende zijde vnn een hoek, sandiiiy
péndjotroe.
—, zijde, waar slechts van
twee tegenoverliggende —en sprake is,
bela/t; de eene —, de andere —, sa-
belali;
van moeders —, dari sabelah
-ocr page 363-
kant — kapitaal.
8ftl
ëinak; van weerskanten, doch niet als
er water tusschenbeiden is, sabëlah-
mënjabelah;
is er water tusseben, dan
saberang-menjabërang. —, zijde, ook
pe/iak; de beide —en, kadoeica pehak;
vaa beide — en werd gevochten, maka
kadoewa pehak pon berperanglah;
aan
beide —en van iets voorzien zijn, iets
dragen, berlimbalan, b.v. ada jang ber-
timbalan, ada jang sabèla/i,
sommigen ,
droegen het aan weerskanten, sommi-
gen slechts aan één kunt; een werp-
schicht die aan weerskanten gepunt is,
sëligi tadjam bertimbal; aan alle —en, ;
pada stgata pnhalf. —, boord, lept, \'■
pinggir,
Jav.; de scherpe — van iets,
siding, serinding; de —en of vlakkeu
van eene f euhlakkige kolom, btlimbing,
naar de vrucht van dien naam; van !
het middenpunt naar den — toe lig- i
gend, sipi; naar den — toe gaan, van \'
al wat geschoten of geworpen wordt,
mtnjipi; aan den — van den weg,
dil\'epi djalan; naar den — uitwijken,
m\'enëpi; de — eener rivier, ttpi soe-
ngai;
de hooge — eener rivier, tëbing;
de hooge — of rand van een kuil,
tëbing; de — van de zee, pantai, lëpi
taoel;
de —, zijde van iemand of iets,
sisi; rechter—, kanan, sisi kanon; lin-
ker—, kiri, sisi hifi. Ook sabëlah; van
beide —en, dart ktri-kanan; voor—,
?noeka; achter—, bëlakang,■ ieder aan
zijn eigen —, bërsabdahan; naar alle
—en, kamana-mana; van alle —en,
dari mana-mana; aan alle —en, dimaita-
ma?ta;
van welken — komt do wind,
dari sabëlah manu datangnja anyin;
aun — doen van een werk, mënjoe- I
dahkau (van soedah), mënjëlësaikan (van i
selèsai), mënghabiskan; aan —, in be-
hoorlijke orde, bëraloer; aan — doen,
opruimen vnn den boel, mënji/npani,
b.v. het huis aan — brengen, mënjim-
pani roemah
(van simpan); aan alle
—en bezien, mëmëriktdï pada stgata
pehaf;, uienimbang-nimbang
(van tim-
bang);
van alle —en wordt gezegd,
dimatia-manu kala oraug; iemand van
— helpen, mëmboenoeh oraug; zichzel-
ven van — \\\\c\\^vm,mtmboenoeh dirinja;
dat raakt — noch wal, tiada kena >
sakati-kali;
zich langs den — van
iets voortbewegen, menjoesoer (van sof- !
soer),
kant, speldewerk, renda, Port.
kant, rechtzijdig, bërsëgi bëtoel. — ea
klaar, sadia dtngan atoernja.
kantbeslac zie beslag.
K-tuit bocht, keloek, lock, \'vloek; een kris
met vijf—en, keris jang lima ëloeknja,
beuntboordsel, ke/i/a bërenda, lëpi ren-
da, pinggir renda.
kanteel, toengkoep, ringkit.
kantelen, tuimelen, sedjam, soendjam;
gekanteld, tasëdjam, tërsoendjam; naar
beneden gekanteld, tersèdjam kabaicah,
kanten, van kant, renda,daripada renda,
kanten; zich tegen iets —, mëlaiean,
tnèrintangi.
kantig, kanten hebbend, btrsanding.—,
zïc ook bij kant.
kantine, kamar bola soldadoe, kangteug.
kantoor, kantor. —, handelsfnetorij,
lodji, kapetoran (van fetor, Port.).
kantoorbediende, kantoorklerk, kan-
toorsehrijver, djoeroe-toelis kantor.
kantoorbehoeften, përkakastm djoe-
roetoelis.
kantoorknecht, opas kantor, mandoi\'.
kantoorwerk, pékërdjaün dikantor.
Uiuii-t een, batoe ptndjoeroe.
kantteekenin&, lidsjiat, Ar.
kantwerk, kërawang; met groote gaten,
kërawang pa/iat.
kap, van een dak, boeboeugau. — van
een lamp, toedoeng lampo. — van een
rijtuig, langit-langit, toedoeng, kap, ook
kadjang. — boven den berijder van
een olifant, kop. —, op het hoofd,
kulotje, koelak, songlcok. —, helm, waar-
mede soms kinderen geboren worden,
sampoel; met zulk een —, bërsampoel.
— boven ceno kajuit, koekoek, ma-
goen;
boven eene hut benedendeks,
magoen angin.
kapel, vlinder, koepoe-koepoe, rama-rama.
kapel, zie bidknpel.
kapen, stelen, mhiljoeri. —, zeeroof
bedrijven, wërompiilr, mëmbadjak, Jav.
kaper, dief, pëntjoeri ; zeeroover,përom-
pa^, badjak,
Jav,
kaperkapitein, pènglima perompalc,
kapala badjak,
Jav.
kapitaal; bedrijfs—, modal; op rente
uitgezet —, pohon, pokofc. — en rente,
pokok dengan boenganja; elkander —
verstrekken, pokuk-mtmvkik. — waar-
mede eene zaak wordt begonnen, pang-
kalan;
iemand van—, 07mang hartaican,
orang kaja.
kapitaal, Bijv. nw. btsar; een — gebouw,
-ocr page 364-
352                                          kapitalist — lmrpor.
roemah bPsar; een —e fout, salah In-sar.
kapitalist, orang hartatean,orang koja.
kapiteel, vnn een kolom of kolomncbline
voorwerpen, zuoals pooten van meubels
enz., mal. — van een pilaar, tjoepoe.
kapitein, kapitan, penglima; scheep* — ,
vachuila, kapifau kapal, djoeragati, Jav.
kapitein-adjudant. Xvf/ij\'/tfjf-afif/VWrt».
kapitein-generaal, kapitan-djenderal.
kapitein-luitenant, kapitan-liténan.
kapiteinsrnng, patigkut lapt/art.
kapittel, hoofdstuk,fatal, Ar, hab,Kx.
—, vergadering, ma/tjlit, Ar.
kapittelen, menggot-sari: fiï. membatja
chotbaf, d. i. een zcdepreek houden.
kapmes, parang: c. s. v. —, waarvan
lemmet en gevest uit één stuk ijzer,
tjandneng; e. andere s. f, —, met ge-
bogeu punt, pemaoelc.
kapoen, hajam kibiri, hajam kas/m.
kapoenen, mengébirikan, men gast\'m kan.
kapok, kahoe\'knboe, kepok, Jav.
hnpohboom, pohon kaboe-kaboe, ran~
il of, Jav.
kapot, gebroken, zie ald. en brehen.
—, dood, mati. — gaan, maft, mam-
poes.
— maken, dooden, mtmboenoeh.
kappen, met een hakmes ot\' houwer,
mimarang (van parang); aan stukken
—, memenagal (vnn ptnggal), —, vellen,
ombouwen, menebang (van t\'ebang). —,
vellen, wegbakken van kreupelhout en
dergel., menebas (van t\'ebas). — van
bouwmateriaal in het bosrh, mêramoe;
den mast —, m\'eiifbang tiang; eenen
kabel —, memotong tali saoeh (van
patong). —, zie ook kakken,
kappen, het haar opmaken, mengandam
ramboet;
van vorstelijke personen en
eene bruid, tmngandam soerai.
kapper, haar—, pëngandam ramboet.
kapping, penebangan, jyênèbasan. Zie
kappen. —, hanropmaking, peiigan-
daman ramboet.
linpranf, dakspar, kasau.
hapsd, perhiasan ramboet, pïngandamun
ramboet.
kapsjees, bendi.
kapspant, bouwk. koeda-koeda.
kapspiegel, fjèrémin tolel, kufja tolel.
kapstok, sampajan, sampiran, Jav.
kaptafel, tnedja tolel.
kapwagen, kareta bertenda, kareta kap.
kar; inlandsche —, pedati; per —, ndik
pedaü
; Europeesche —, kahar; strijd—,
rata, rata peperangan.
karaat, voor goudgehalte, matoe • goud
vnn tien karaten, \'emat sapoeloeh matoe
karal>\\jn, terkoel.
karaf, flacon, serahi (Ar. siraht).
karakter, letter, Jjioeroef, Ar., afrtara.
Skr. —, cijfer, angka. —, inborst
pëkerii (Skr. prakréti), meestal verbon-
den met boed\'t tot boedi pek\'erli, ptra-
ngai, fabiïit,
Ar.; zijn —toonen in zijn.
handelingen, m\'emboettang tahii\\t; vast
vnn —, t\'efap hati.
karakterkunde, tl moe firnsat. Ar.
karaktertrek, ianda përangai, hlamat
perangai.
Karavaan, kdjilah, Ar. kancan, Perz.
Iinrnvnnoera, nitinzil, Ar., roemah ica-
l\'af;
e. s. v. —, persinggahan, op Java.
prsa nggra ban.
knrbeel, steunbalk, sokong.
Uarkonade, karmènatji.
karbonkel, de edelsteen, tnanikam.koe-
i/i-\'Li.
—, pestkool, pai\'pa, pënjakil radja.
hnrliouw, zie nufïel.
kardeel, mar. tali i-rètan.
kardemom, poeirar, kapoelaqa.
bardoen, voor geschut, ban data, poendi
pottndi.
— vnn inlandsch maaksel ei:
in bamboebulsel, gantang-gantang.
knrdoesdrager, lcgerjongene, die d«
kardoezen drngen, boedal\' bandala.
kardocskist, ptti bandala.
kardoesnaald, djaroem bandala.
kardoes pa pi er, kartas bandala.
karet, schildpnd, sisifr. —, gomelastiek.
karet, g\'rtah karet.
karetschildpad, het dier, sisik, pÜn-
tijoe, Jav.
karig, vrekkig, sH-oet, kikir. —, weinig,
sëcfikrt.
karigheid, kikir, sëkoet, kakikiran.
karigl\\jk, dengan kikir,dengan perikikir.
karkant, halssnoer van edelgesteenten,
kal oeng i titan.
karkas, in het algemeen, de dorre
beenderen van mensch of dier, béng-
karak;
van een mensch, toelang oratio
mati;
van een dier,toelangbinafangmati.
karmijn, gelan.
karmozijn, jrirmizi, Ar. warna kirmizi.
karn, p\'enoemboek ajar-soesoe.
karnemelk, ajar-soesoe jang ditoem-
boek.
karnen, mmoemboefr ajar-soesoe.
karonje, perampoetcan djahai.
karper; c. s. v. —, ikan goeramih,ikan
tambèrir\', ikan tambera.
-ocr page 365-
karpet — katoen.
:;;,:;
Itnrpot, pïrmadani, katifat, Ar.
karpoets*, karpoes.
Imrreman, orang pï-dalitkapalapedati.
Iinrrevoenler, zie hnrremnn.
knrrevra«"ht, moeiratan pedati.
kurreldoek, zie zeildoek.
kartel, kaemai; zooals in den rand van
Ma muntstuk, ringgit; gekarteld, Wp-
*\'"\'""»\'. bfringgit.
Uurtelen, mrngoemaikan.
hartelijk, bérkoemai.
Uurtet»ko«el,/y«"\'W/(»i\'.\'X1 api,petoeroe api.
karton, l\'tirfiit djilid, hirfiis iebal.
Iturtouw, marïam besar.
karvielna<£el, uiar. kelett.
Imrwnts, tjtnnfi, pïfjoH; met een —
«•laan, inëntjémvti; iets niet een — slaan,
nuntji mitikan.
Iciirwei, zwaar werk, pïkhdjaön jang
soekar.
—, ingewanden van een dier,
sïyulii isi pïroet.
Wurwijxnml, dje.moedjoe.
lniH, V. e. juweel, karangan, koudam.
—, gtddkns, pvrbéiutaharaiin. —, geld,
oetcang; niet bij — zijn, tiada bXr-
oeicang;
de — houden, tm\'intrevla/ikan
pvrbéndabaraan.
— van de kiezen, ra-
hang, toeUmg ru/iiivg.
ltuNiH\'l<t, oi\'wang br land ja.
lta»houder, kasir.
ItnRHen, vnn edelgesteenten, mïnatah-
kan.
kiiHsie, cenu soort van zeer bitter hout,
dut als koortswerend en mangsierkend
middel wordt gebruikt, Indara laoel.
lï)i^Niei>ouiii, po/i oh bid ara taoet.
linHAicr, kasir.
ltuKt, lamari, altnari. — met loketten,
kotak-kntak, altnari bïirkofak-kotak; e-:a ,
terrasvormig kastje, gevlochten vnn
pandnntisblnden en gebruikt tot vor-
zending van gnuibir, sago en dergcl.,
katang-kafaiig; in de — komen, om
schulden gevangen ge/et worden, kena
kaeroeng.
—, hoerenkast, roetnah
djang. /Ac ook hok en sevunfgeniM.
ttustnnje, vrucht, boeicah barangan,bae-
tcah sarangan ;
de —s uit \'t vuur ba-
len, bïrlarmors; de persoon die gewoon
is do —s uit bet vuur te hnlen, tontg-
koe loemoes;
gewoon zijn dit te doen,
bï-rtoengkoe Zoemoes; als ge door een
ander de — l uit het vuur kunt laten
halen behoeft ge dit zelf niet te doen,
djikalaa ïngkau dapai memtgangkan
oelar dengan langan oratig jaag laïn,
maka tiada horos engkau memegang
dia dtngan tangan sïudirimoe.
kaste, bangsa, soekoe-bangsa; da — der
krijgslieden, tjaterija, van ksjatlrlja,
Skr.; iemand van de verworpen —,
outcast, oratig tjandala.
kuMteel, in het schaakspel, (ir, b.v.
bidak dan tir bérlangkah salamal, de
pionnen en kastcelen maakten goede
sprongen. --, vesting, burcht, kola,
boerdj.
Ar.
kastijden, nu-njiksa, nie\'ngailjari, wi?-
njangsaraka.it (van sangsara); ia hot
openbaar —, mendtra.
kiv<*t|jdiiii£, sifaa, tkr. dtra, sangsara.
knatrol, braadpan, pinggorengan, koe-
walt.
kat, kurfjing, koetjing Intimi, koetjing
pi-rawpoeican ;
tt.nime —, koetjing negari;
boseh —, wilde —, koetjing hoetan; als
eenc — die baar schijt, sapérti koe-
tjing laT-wb\'1 rakkan ramboel,
S>prw.; de
vliegende —, eene soort van groote
vleermuis, kaloewang, kaloeng, koeboeng,
malok;
mauwen als een krolsche —,
djiiit-djérit bagai koetjing btjang; de
— uit den boom kijken, stil wachten
of loeien op iels dat men gaarne heelt,
inhigind\'ing (van inding).
kateu;oriaeh, van viagen, bïptlroenia-
hun,
b.v. gij vraagt zeer —, bëpëroema-
lniii binar toewan bïrtanja,
hater, koetjing djanian,koetjing laki-laki.
kntern, koeras, van koerdsat, Ar.
katheder, in de moskee, minbar, Ar.
kat\\jvi<£, tjitaka. oentoeng malang,sijal.
katjes, e. s. v. zeescbelpjes, batueng-ba-
toeng
; een hiiikriem bezet met —,ikat
pinggang /andoer batoeng-batoeng.
katoen, de stof, zooala die van du plant
komt, kapas. koefoen, Ar.; gezuiverde
katoen, kapas jang soi\'dah dïboesar,—,
geweven, kaïn, ka\'t.t kapas; gebleekt,
wit —, kam poe/ih; sterk gepapt wit
—, ka\'in kapoer, lettel 1. kalkduek;
e. s. v. fijn wit —, kaïn giras, kdiu
doerias; e.
s. v. wit Kuropee>ch —,
ka\'in kafji; ongebleekt geweven —,
kaïn menta/i, kaïn btlatjoe; wanneer
dit naar do olie riekt, btlatjoe utinjak-;
gebloemd, gedrukt - , sits, kaïn fjita,
kaïn Ijit;
e. s. v. gedrukt — of sits,
ka/amkari, 1\'erz.; geruit —, schotsche
ruit, kaïn gr bar; e. s. v. Indisch — van
Scrampore, kaïn svlampaeri; e. s. v. In-
disch wit —, kaïn radja bad ar; e. B. v.
23
-ocr page 366-
W4
katoen naai — keel.
djïng. — met gesloten mond, memba-
ham,
b.v. saperli harimaa membahan
tanah,
als een tijger, die aarde kauwt
—, mommelen, zooals lieden die tan-
deloos zijn, mengoenjah (van komjah).
kauwoerde, labor, zie kalebas.
hauwsel, waitwhan.— van sïrih, sepah.
kavalje, oud, versleten voorwerp, ba-
rang jang borroefe,
kavelen, land in ksivelingcn vcrdeelen,
b.v. om verkocht te worden enz., menja-
kaf
(van sakat), menanding(van tanding\').
kavelins, perceel, stuk van grond, die
verkocht wordt, sakat, landing, b.v.
kemordian disakat sakat tanah itoe laloi
dilelang,
vervolgens werd het land in
kavelingcn verdeeld en daarna publiek
verkocht. Ook laetnpoek-, wanneer het
b.v. van houtgewaa is.
kaviaar; e. s. v. — is de gezouten kuit
der Indische elft, telor tëroeboek.
kazemat, roemah dibaicah tanah.
kazen, dik worden van melk, petjalt.
kazerne, tangsi.
kazerneeren, mendoedoekkun dalam
tangsi.
kazuarixt, bo\'-rorng kasoeicar\'i, boeromg
roesa.
kazunrisboom, pokok\' eroe, pohon
tjemara.
keel, strot, kerongkongan, rongkongan;
mijn — is erg droog, kering sakali ke-
rovgkongankoe tui.
Ook tefak en hol-
kor.m,
Ar. —, strot bij een dier, nierih.
—, hals, Irher, dit wordt ook wel voor
—, strot gebezigd, b.v. een grnat in
de —, toelang ikan lersengkang pada
leher.
— achtervlakte, rahang; een
groote — opzetten, inembesarkan rahang;
vernauwd van de keel, fersëmpil, /?r-
sesafr; verwijd van de keel, tPrlapang,
terloewas;
de — afsnijden, mengeral
leher
(van keral), mïmotong irher (van
polong); bij de — vatten, nienfjekair
leher;
met geweld in de — gieten,
mentjegoek-; door de — jagen, door-
brengen, meniboroskan; in overdaad
eten en drinken, makan minorm drngau
mewa, hidoep dengan kamewaan;
een
brok in de — gekregen hebben, ka~
bP.ngkalan,
b.v. saperli orang kabïng-
kalan, mPlainktui dt-ngan ajar djorga
melakorkan dia,
als iemand, die een
brok in de — heeft gekregen; alleen
met water kan men dat doen voort-
gaan. —, stem, sorwara.
Indische katoenen stuf, larittmm; de
rijde —, kapok, die tot vulling van
liedden en kussens wordt gebruikt,/\'aAw-
kabor, kïpoek, Jav.; e. s. v. grof —,
kaïn mastoeli; e. s. v. blauw geruit ot
gestreept—, kiclengoud, kaïn ginggang,
kaïn tjelr.
—, garen, benang kapas.
katoenbaai, bandela kapas,
katoenbatist, kaïn ehasab, kaïn kasa.
\\tWto&n\\iQOm.tpohonkapai}soorten zijn:
ka/Hts brsar, k. niori, k. tahorn, k. oemah
en k. hortan; de zijde —, die het bc-
kende kapok levert, pohon kabor-kabor,
pohon randoe;
een wilde soort daar-
van, ramloc hortan.
kntoendroad, benang kapas.
katoendrukker, pïvgompok kaïn, toe-
katig t/itafr kaïn.
katoenen, kapas — lijnwaden, kaïn-
kaïn kapas.
kat ot>nfiuweel, ftrlPdor kapas, beloe- \\
dror kapas.
katoenklopper, van rotan gcvloch-
tcn, uui de kiitocn te zuiveren, pïne- \\
pok inpas.
katoenplant, pokok kapas; e. 9. v. .
wilde ■—, welks bladeren als middel ,
tegen maagpijn worden gebruikt, pokok
rambeya, pokok lambega;
e. andere s.,
pohon baidorri.
katoen winkel, ktdai kaïn-kaïn.
kaloojz, een halfedelgestcentc, batoe I
baidorri, permata baidorri, bator mata >
korfjing;
het roodc —, baidorri sepah;
het witte —, baidorri boelan; het
groene —, baidorri panda».
katrol, takel, blok, kapt, kerek, lorah.
kattedarm, tali peroef koetjing, peroef
moeda korfjing.
kattedrek, tahi koetjing.
katteklnuw, korkoe korfjing; de voor-
pooten van eene kat, tangan koetjing. \'
kattekwaad, nakal.
kattengeslacht, bangsa koetjing.
knt tentje* nor, dïngkoer koetjing,
kattestanrt, hanekam, de plant,pokok
batomg ajam, kembang djrngger ajant.
katuil, boeromg hanfoe; e. s. v. —,
borrorny ponggok:
katvyi, kikir rkoer tikoes.
katviarli, ikan këfjil\'ketjU.
kaurj, xipoct bïlandja Sijam, si-poel
tjongka}?.
—, zie ook schelp.
kauw, e. s. v. kleine kraai, borroeng pong.
bauwen, viamah; stuk gekauwd (van
kleeron) door een hond, dimamah a?/- \'
-ocr page 367-
beelachtervlak — keilen.
:J5,\')
keelachtervlak, zacht verhemeltc,
Wem}.
keelader, oerat leher. — bij een sluchl-
beest, oerat- tnïrih; deze mout bij hel ;
slachten doorgesneden worden, anders \'
is het vlecsch onrein, harata.
Urr]l.:iii.l, kinband, ecnor hool\'dbcdek-
king, tali toedoe.ny.
keelgat, lekak, lobany kcrongkonyan; ook
alleen kërvi/ykiniyatt, hoewel minder
juist, daar dit de nijp of strot is.
lieelgezwel, bent/kak leher,
keelklier, kelendjar leher.
kcelknobbel, bouykol leher.
keelontsteking, yoewam, yovwama.
keelopening, moeloet k\'vronykonyan.
: keelpijn, sakit leher,
keelziekte, phijakit leher.
keep, inkeping, takik; allerlei kepen,
lakik*takany ; kepen maken, Menakik;
groote —, zooals il) kokospalmen, om
die te kunnen beklimmen, in balken en/.,
takoek; zulke kepen maken, mtnakoek;
ook yoebany. —, baakachtige inkepin-
gen, yantjoe, b.v. kajue empat ptrttgi j
jutiy atla biryantjue-yantjoe kïljit, een
vierkant hout met kleine inkepingen.
— aan het einde vim een balk, om
daarin een anderen balk te leggen,
tjanyap, •— van eene pijl, tjabany pa-
nah.
— in den eikel, teint; diepe —,
b.v. in eeu boom, om er de hars ol\'
gom te doen uitvloeien, ook in balken
ol\' ander hout, tjaruek. Zulke kepen
maken, vtevljaroelp,
keer, omwending, verandering, obalian,
pvrobahau ;
een — nemen, berobah. —,
maal, kali; één - ,sakali; den eersten
—, bcr/noela kali, pada bermuda k-i- \'
linja; alleen voor dezen - , zio dit-
iniuil: hoeveel —, berapa kali; zoo-
veel —, sakian kali; veel keeren,
banjak kali; cenige keeren, bêbïrapa
kali;
ieder —, Hjap-tijap kali; den een
of anderen —, eenmaal toch, sakali
la\'sakali;
voor den tweeden — doen,
mïitidoewa kali; een enkelen—,kada»y-
kadany;
in één —, dhtyan sakali yoes;
allen in één ■—, satnoewa sakali; den
eenen — niet, den anderen — wel,
sakali ta\', sakali /ja; alles op één —,
Barna sakali; te — gaan, uielawan;
tegenwerken, Hte.rinlan.yi; gedane zuken
hebben geen — , jatty soedah soedahlah, \\
keertlnm, le.rbis. /ie bij dam en dijk* I
keeren; huiswaarts ol\'tot de plaats van \'
afkomst, poelany. —, terugkeeren, ba/ik;
weerom—, kumbali. —, van den wind,
ook van de vrueht in de baarmoeder,
beralih; naar omhoog — van het aan-
gezicht, den bek, de snuit enz., men-
tjonyak
(vnn tjonyak, naar omhoog
gekeerd). —, umkeeren, b.v. van een
kleed enz., niémbaliikan\\ zieh tot iem.
—, batik, bérkata kapada; zich met het
gelaat — naar, Inrpalitty kapada; bet
gelaat naar iels —, ook ntmadjal (van
het Ar. tadjaha) b.v. ttta/uikat katae-
djoeh lapis lanyii ituipon mÜiiadjat
kahadleral Allah taala;
het gelaat naar
den hemel —, nunenyadahkan kapa-
lanja kalanyit;
den rug toe —, uitui-
balik bëlakatiy kapada.
Zie ook bij at-
keeren. —, wenden, horizontaal om-
draaien, b.v. van een rijtuig, leger,
vaartuig enz., ■nhiyérak (van erak), b.v,
tantara 1*. I. pon éraklah akanuendoer;
In zichzelvtn —, berpikir-pikir dalam
halhija;
ten beste —, mëmbaïkkan. —,
tegengaan, beletten, mtneyahkan (vnn
tëyah); de Hemel keere het, didjaoeh\'
kan Allah kira?tja;
een gevaar —,
nttndjauehkan baliaja, mvmalinykan ba-
haja
(van paling); eene plaag —,
me.noelafrkatt bP.la (van toelak); het
water —, menahankau ajar (vnutaltan).
—, terugdrijven, ményoendoerkan (van
oendoer). —, veranderen, bérobalt-; de
zaak is gekeerd, per kar a iton soedah
berobah;
zich niet kunnen — of wen-
den, tiada bolih beryerak-bergeri; het
onderste boven —, mémbatik-belah ,- den
boel het onderste boven —, membong-
kar, tnembonykar-bavykir, menjelonykar
(van sëlotiykar); onderste hoven gekeerd,
balik-belah, sonysany; over en weer
gekeerd, zoonis b.v. de sigaren in een
kistje, pating-peloeny, —, zie verder
de samenstellingen en ook vegen.
keerkring, sipat djalan mata-hari.
keerkrinjgsvosel, con blauwachtig
zwarte vogel met twee lange veeren in
den staart, boeroeny saieai,
heernagel, groote pen of nagel, labany.
keerplaat*», kernpunt, lint put batik.
keerweer, loeroeny toempat, djalan
toempat.
keerzijde, sabelah, bï\'lakany, sabelah
bëlakang,
keet, zout—, peyaraman, Cempat masak
yaram.
—, loods, banysal,
keilen, van een hond, menjalak (van
-ocr page 368-
860
keg — kennisneming.
kenmerk, taiuln. \'afdinat, Ar. b.v. wel-
duen is liet — van een goud hart, titen--
beri dirma Hoe tatida (Uttimat) halt /air
buik.
Zie ouk bij konteeken.
kenmerken, bedr. Ww. aan den da;
leggen, mvnjatakaii; een kenmerk atm
iets geven, ménandaï, wëuthoehoeh lande
kennelijk, duidelijk, ujata,tirang,liihi
Ar. —, kennis krijsen van menschcii
bij kleine kinderen, moelui kinal ore»/:.
kennen, weten, tahoe; iels —■, met iet-
bekeml zijn, niënyïtaftoeï.—, van nabi
persoonlijk —, kenat, min yin al; elkan-
der —, bërkenal-kinalan; elkander lce-
ren —, minginat-nginali; iemand bi
zijn leven gekend hebben, mtndaptr
h-ajal orang
; kont gij dien man. kinal-
kah imjkau orang Hoe;
de boom word;
aan zijne vruehten gekend, pabon kakï-
nalan darïpada boewahnja;
zijne les - ,
tahoe pingadjiannja; te —geven, mini-
biri tahoe.
Zie bij kennis en mede*
deelen; eene wetenschap —, mingi-
ta/w\'i soealoe ëlmoe;
van builen —
apal, verb. van haf al, hifil. Ar.; de
wereld —, mïng\'ïfaho\'-i peii hal doenin
tui;
zichzelven —, tahoe akatt dirinja.
kenner, orang jaag tahoe.
kennis, wetenschap, pëngïtahoetean,
tlmoe,
Ar. —, bekende, kiualan; iti
—    brengen, introduceeren, mtngënal-
kan;
met elkander in •—gebracht woi-
den, dikënal-kei/ali; hij heelt veel—sen.
banjal\' kënatannja; een oude —, këtta-
tan lama.
— geven, mimbiri la/toe, aan
den Vorst of aanzienlijken, wimper-
simbahkan tahoe, mimaloemkan.
Zie
mededeelen. — maken, moelaï mi-
nginal, minginal-ngënal.
— van zaken,
begrip, pëngirtian, pingel\'ahoeusan; de
■— te boven ganu, mëltpoe/i pingel a-
hoewan, duatas pëngërtian;
hebt gij
daar — aan, tahoekah inijkau akan mi.
—, medeweten, .salahoe ; buiten — vna
zijn heer, tiada dëngan salahoe toe-
wannja;
buiten —, iu zwijm, pingsan,
moertja, tiada sëdar;
weder tol zijne
—   komen, sedar poela, s\'toeman poe la:
oen kind dat al «enige teekens van
kennis geeft, boedak- jatig tahoe mënga-
gah
(vun agah).
kennisgeving, pëmbëri-ta/toeican, intl-
loemat, Ar.
kennismaking, pingenalan.
kennisneming, onderzoek, pefnerik-
saan.
salak), gout/gong, Jiiv, —, zie ook
kijven,
bes, wigge, bad/i, sintoeng. Ook do -
ot\' wig, waarmede men een tronimelvel
spant. — onder kitst of tat\'elpool enz.,
ga» djal.
kegel, waarmede men spoelt, pantjang.
—, kegelvormig, lopong ; de —s opzet-
ten, mï-wasang pantjang (van pasaug).
kegelen, W tniiün pantjang.
ltegelspel, ptrmaïnan pantjang,
kegelvormig, topung.
liegeen; — inslaan, mimboeboeh badji,
tm\'i/j) ii(afiig, mingyandjal.
Zie het un-
derseheid bij keg.
kei, keisteen, ronde gladde steen, \'■■■\'•■
iitjin, baloe ajar.
keil = keg.
keilderen, keileu, met een plat steentje
over de oppervlakte van het water —,
lan tjang-lantjang.
keil* teen, batve lantjang.
keisteen = kei.
keizer, kai.sitr, Ar. Be — van Java, in
de HSS. btitara Madjapahit\';tegenwoor-
dig de Vorst van Suerakarla, Soetoe-
hoenan, üoenan;
de—van China, inde
HSS. seri koj/ijah, letterl. de glans van
het kalotje. Ook radja btlnoeica Tjiua.
— van Turkije, Üoeltart uïgari Itueia.
keizerin = vorstin,
keizerlijk, soeltdni, Ar. t-aifari. Ar.
keizerrijk, soetfdiiat, Ar.
kelder, heelt men in Indië niet, men
zou hem billk dibaicah tanah kunnen
noemen. —, spiji-kamer, goeiiatig sipen.
kelderflesel», vierkante Ilcseh, waarin
de jenever wordt aangevoerd, pXles.
keldermeester, toekang sïpm,
kelen, met een mes of dolk borende in
de keel steken, viengyorok\'. —, slach-
ten in het algemeen, ttiëtijimbeleh.
keling, slachting, jiinjembilehan.
kelk, breed uitloopend glas of beker,
pijala; bloem —, namelijk dat, waarin
de eigenlijke bloem besloten is, kilopal\'.
hemel, onta,
hemeltlrijver, gombala onta.
kemelin, onta bëfitia.
kemelsharen, benaiig bodoe onta.
kemelshaar, boeloe onta.
kemirinoot, boeicah kiras, boetcah ki-
mii\'i, Jav.
kenbaar, dapal dikettal, ter kenal, kaki- .
nalan. — maken, min aloe in kan, mem-
biri tahoe.
-ocr page 369-
357
kenteeken — kerkwijding.
hentceken, taitda, alumat. Ar. b.v.
Umoe dan ïtkal dihaltti-balai itoilah
ttmda urauij jong latei,
als kondig*
heden en verstand verwaarloosd wor-
dcn, is dit een — van een zorgeloos
mmisch. —, kenmerk, aanduiding, ija-
rat,
Ar. —, kenuerk, in ion, rooi*
konen, waaraan men kan zien wat hij
van zins is, ut\' hij schuldig is ui\' niet
enz., felalah; een brandend vuur ui\'
lantaarn, hetzij in do rijstvelden, hetzij
up vaartuigen, soeirar.
Uenteekenen, menundai.
kenteren, uverladen van het eenevaar-
iuig in hel andere, tuemwirgga/ikan (van
poenggah). —, kantelen, b.v. een balk
—, menjedjamkon, metijoendjamkuu;
gekenterd, tersedjum, ttrsoendjain. —,
koeren, batik, b.v. het tij kentert, batik
pttsung, batik soervet, gerak pasung,
gerak tveruet.
—, krengen van een vaar-
tuig, uienjengetkuu peruhve (van tengel).
--, omslaan van een tnartuig, keieboe.
kentering, huttenen de noeasoua, woc-
sun pantju-roeba.
keper, gekeperd katoen, kaïn betuigue;
ongebleekt —, dril, bèlafjoe kelarai;
op de — beschouwen, memeriksaï de-
iigun saksawa;
de —■ van hel weefsel,
pakun bertvrak lintiingdintang.
keren, vegen, menjapoe (van sapoe).
kerf, insnijding, turi/i; kerven maken,
menorih. —, door een lichte houw mei
een mes, sabel enz. om er een tecken
aan te geven, takek; zulke kerven in
iets maken, menakek — in den rand
van iets, loonls b.v. een imiiitt-tuk,
ringgit. —, snede in iets, b.v. in visch
of iets dat men breken wil, kelar ;OJk
de kervea in een wascbplank en — of
ring van insecten, b.v. maku kaïihatan
doewa-belas kelar koetititig toebohuja,
twaalf ringen werden er on zijn lichaam
guzion. —, merk, streep, die men op
iets maakt bij bet lellen vun hnndels-
waicii, voor zekere ronde getallen,
evenals wij bij het turven, goendal.
keri\'bank, tempat menghiris-hiris,
kerfmnckine, perutjik, pengerap.
Itert\'mes, pisaa pe-ighiris.
kerfstok, waarop men ronde getallen
aantcokent, goendatun, pengèijum.
Uerk, gredja; de — gaat aan, gredju
moeluï;
do — gaat uit, gredju svcdah ;
de l\'rotcstantsehe —, gredja matehi;
de ltooniM\'hc —, gredja scrani; ter —
gaan, pergi kagredja. —, zie ook bede-
huis en moskeei
kerkn-mbt, djubutan gredja.
kerk l>an, pengoeljilun duri datum gredja.
kerkbank, buugku gredja.
kerkbeeld, patoeng digredja, bèr/iala.
kerkbelolie, kunt digredju.
kerkbeiwluit, përentaA g-redja, fyoekoem
gredju.
kerkbestuur, ptun rent alt an gredju.
kerkbewimrder, peuueiiggue gredju.
kerkboek, kifdb gredja. —, gebeden-
boek, kitiih salaicat, Ar.
kerkeenten, doeicit gredja.
: kerkdienst, kabaklian daluia gredja.
kerkediennar, keikekneeht, hambu
gredja. —.ouderling, f oeica-foeica gredja.
kerkelijk, gredja. —e goederen, hurta
gredju. —e geschiedenis, hikiijat gredja.
kerkenorde, perutneran gredja.
kerkenordening, perentuh gredja.
kerker, pëmJJMrm, koerueng, pasuengan.
kerkeruad, madjlis segata toeica-toeica
gredju.
i kerkeren, ineincudjuTukun, rutiigoeroeng-
kan, memasoeng.
kerkering, pmdjaraiin ; plaats van—,
temput pendjariau.
kerkernieester, penoenggoe pendjara.
kerkfeest, hari-ruju gredja.
hi\'rltHHiitï, pfrgi kagredja.
kerkganger, wang jutig pergi kagredja.
kerkgebed, dvu digredju, tt\'inbahjaug
digredja.
kerkgebod, hoekuem gredja.
kerkgebouw, roeniuh gredja.
kerkgebruik, iidat gredja.
kerk^enoot, orung sagredja.
kerkgezas*:, k\'.eieusa gredja.
kerkgezang, njuvjian gredja.
kerkhof\', pektiebaeran.
kerkholsbooin, de buum.die algemeun
op de begraafplaatsen der inlanders
wordt geplant, plumiere aeutifolia,
pohon kanbodja, p. sembodja. p. tj\'em-
paka moeliu, boenga koeboer.
kerkklok, bengel, g\'eida gredja.
kerkleer, pengadjurun gredju.
kerklecrtmr, pandilu, Ski\', pudri, Port.
kerkregel, sjarf gredja.
kerksieraud, per/iiasun gredju.
kerkstoel, koersi gredja.
kerktyd, icektoe gredja.
kerktoren, menarah gredja.
kerkwet, huekaem kanoen gredja.
kerkwijding, tuhbis gredja.
-ocr page 370-
868
kerk zang — keukeni£ereeclscbax>.
kerkasans, tijanjian yredja.
kennen, menyadoeh, melvtdoeny, uiïra-
omy, mdaveny, m\'enyheril\'.
kermiiij*, penyaduehan, peloe/uettyan,
perauenyan, petiyh\'erikan.
hermifi, pasar /ahorn.
kern, korrel, bidji, boe/ir. —, van hout,
het harde, terax; ook het binnenste
van (graankorrels. —. taergpït van plan-
lon, hempoeloer. —, binnenste van vele
zaken, haft. —, het bestu, fijnste, pa/i.
—, merg, pit, ouk soemsoem. oe/ak.
kernvrurht, boewak berbidji.
kerrie, goelai; rijst met—, nasi denyan
■ ;<:■/■■\'■. Bengaal se he —, yoelai ke/iny.
kern, waterkers, sëkt/i.
kert-pel, moejpim, Ar.
kerst*Iwfoiari djadi toeken Isa Alwasih.
kerMverfcli, béharoe-beharoe. —, van
gebakken zaken, panas-panus, ook van
uene tijding ui\' opkomende gedachte,
b. v. /é/ap i apab i/a inyaian in i lay i
pan as-pa n as berbanykit dalam ha/i koe,
doch tuen deze gedachte nog pas —
bij mij was opgekomen.
kerven, ondiepe sneden in iets maken,
b.v. ia visch of iets, dal men doorbreken
wil, mhiy\'elar (van Ar/ar). Ook fig. van
het hart, b.v. poetoeslah ha/i bayai
dikelar,
het hart scheurde alsof het
gekorven wus. —, insnijdingen maken,
ook man/rik (van iorih). —, tot kleine
stukjes snijden, mera/jik; lijn —, zoo
al» b.v, tabak en dergel., maiyhiris-
hiris.
—, ook menyerap (van kerap) naar
bel geluid, door kerven veroorzaakt.
Zie ook kerf.
kerver, peuyhiris, pênyèrap.
kervin**, penyhirisan, pfnyelarun, phiye-
rapan, peuorihan, peraljikan.
kespen, mar. yadiuy-yadiny.
ketel, meestal van metaal mei hengsel
ca tuit, tjerefr; van een kokosdop ver-
vaardigd, tfêrej) /empoeroeny; hooge —
van bij/.onderen vorm, waarop men do
rïjst gaarstooml, kofkoesan, dandany;
een ijzeren — luet hengsel, ki-nfj-vy.
keteltrom; groole —, die ook bij de
troonsbestijging van een Vorst wordt
geslagen, fokat, Ar., noèat, Para. nubal
ibrahim.
—, die met twee slokjes wordt
geslagen, aakara; e. s, v. kleine —,
kuba/, 1\'erz. —, metalen klok ol\' bek-
ken, waarop men met een elastieken
klopper slaat, yovy,
keten, ranlai; gouden —, ranlai \'èmas;
in —s sluiten, m\'erantaikan; de —.
loamaken, van — a bevrijden, mhigoo
raikan ran/ai;
mot —s binden, mhtyi
ka/ denyan ran/ai;
geslachts —, si/si
lah,
Ar. —, reeks van bergen, barit
yoenoeny, ülihan goevoeny
; berg—
yocnoeiiy barisau, boekt/ barUan.
ketenen, imran/aikan, nttnyiiakan ram-
/ai
(van kena); du harten — , iriènata-
ba/ haft
(van land/at).
ketcninu;, pei-antajan. — lig. van hel
hart, per/autbatan.
ketsen, afstuiten, zie nld. — , niet af-
gaan van een vuurwapen, liada letoep,
ben/ja/, f\'-n/ja/, yen/jat.
—, mislukken
van ecne zaak, iiada djadi, ba(al,\\v.\\
vuur —, met een vuurslag, nianan/il
api
(vuu pan/ik).
keisine, zie ketsen.
ketstuim, vmirslug, prritantik api.
ketter, orante bidü/, Ar.
ketterü, nieuwigheid in strijd met de
sunuut, btdiit, Ar.
kettinm, ran/ai. — in het weven, loeny-
sin;
den — scheren bij het weven.
menyani (van ani).
kettinïïïïwntïe*", een misdadiger in de
ketting, orany ran/ai, orang pi-rantajan,
orany bendoewan,
Siug.
kettin<*koeel, pe/oeroa bolany-bsliny.
kettin«kwnrlier, bet verblijf der kot-
tinggangers, peran/ajan, boewi.
kettinginaat, oekoeran ran/ai.
kettinspomp, /a/i ajar. Zie ook ket-
tin «scheprad.
kettinijscheerder, bij het weven,
ani-ani,
kettinjjsolieprtid, kin/jir.
kettin<>steek, bij het naaien, kija;
dubbele —, kija doeica ka/i; e. s. v.
— voor zoom, met een groven naald
en ongetwijnde zijde gewerkt, zoodat
de steken vierkantjes vormen, o/ok.
kettingstraf, fyuekuem diran/ai.
kettinjjwerk, als sieraad, kerawany
béran/ai,
kettins^ijde, soe/era pin/al.
keu, anak babi.
keuken, dapoer, eigenl. stookplaats, /ent-
pal masak-ntasak.
— bij ceno vorsle-
lijke woning, ptnavyyaiin, phtanyyah;
de — bezorgen, tnènierentahkan dapoer;
de kou do —, makanan dinyin.
keukenbezem, sapoe dapoer.
keukencereedichap, p\'erkakas da-
poer.
-ocr page 371-
B5fl
keukenhaak — kiel.
keukenbaak, gantjoe.
keukenkast, almari dapoer.
keulienltlauwer, jnnhen, zie bij Jan.
eultenlamp, peliia dapoer.
eukenmeid, kokki.
iiiKcn/iiui, garam.
leulcen/uur, atjar.
leur, verkiezing, soeka. —, keus, pilt\'
hun,
b.v. — in uu schappen, orang pili-
han.
—, werk, stempel, tjap, landa
oedji.
—, hnndvct-t, zooals die in vroe-
ger tijden meest») door do Vorsten
werd gegeven op koper gegraveerd,
pijagam; te kust en te —, pilih fan-
ding.
— van nangcnaiiie spijzen, p\'ele-
bagai tnakanan jang ledsal Ijita rasanja.
—, plaatselijke verordening, oendang-
oendang;
ik geef u de — , tvewan (en-
tjik> engkau
enz.) holik pilih.
keurballetje, waarmede men het lot
werpt, omdi; daarmede het lot werpen,
memboeicang oendi.
keur bende, pasoekan orang pilihan,
kafoenipoekaii orang pilihan.
keurder, pemilih, orang jang memilih.
—   van vechthanen en blanke wapcnsT
p\'esisik. Zie ook bij keuren.—, toet-
ser van edele metalen, ook üg. van
andere zaken, pengoedji (van oedji).
keuren, van edele metnlcn, m\'ematloe;
gekeurd, padoe. b.v. gekeurd goud,
emas padoe. —, toetsen van edele
metalen, mengoedji; gekeurd, dt-oedji;
gekeurd goud, emasjang soedah di-oedji.
—  van geldstukken, door ze te laten
klinken, mementing (van pènling).
van veebthnnen, naar de schubben anti
de puotcn, of van blanke wapens nam\'
het damascccrscl, menjisik (van sisik, I
schubbe). —, onderzoeken, beproeven,
mëmériksai (van periksa), mentjobd\'t.
door onderlinge vergelijking, menanding
(vun tanding).
keurig, belangrijk, p\'enting. —c dingen,
fijne wnnr, pèntingan. —, uitmuntend,
kostbaar, endnh-endah. —, uitnemend,
ot-tama. — lekker, amal ledzat tjila
rasanja^ nlmat,
b.v. —e spijzen, makanati
jang amat lèdzat tjila rasanja, makanan
jang nlmat.
—, moeilijk te bevredigen,
zie klesclikeurig en ook bij net.
keurigheid, fraaiheid, kostbaarheid,
kaendahan.
keuring, toetsing, pengoedjian —, be-
procving, pertjobaan. —, onderzoeking,
prnieriksaan.
keurkorpn — keurbende.
keurling, lasjkar pilihan, tiddadoe pili-
han, orang pilihan.
— uit de voor-
vechters, hoehebatang pilihan.
keurslijf, zonder baleinen, tjocli (Skr.
tjöli); e. s. v. — tot ophouding of steun
der borsten, p\'engampoe soesoe. — ook
koftang, Jav.; Kuropeesch —, korset.-
keursteen, toetssteen, f/atoe oedji.
keurstempel, tjap oedji, tanda oedji.
Iieus, de daad van kiezen,/«Vt//,- mot —,
bij —, pilih-pilih ; eene — doen, nièwi-
Hh;
vrije —, icht/jar, Ar. ook — der
middelen voor iets; eene — doen, in
dien zin, mengichtijarkan. —, het gc-
ko/.enc, pilihan; eene goede — doen,
memilih ba\'tk-baik. —, believen, soeka;
b.v. in \'s koopers —, soeka orang jang
memb\'eli.
keutel, tengkel; keutels vormend, als
keutels aan elkander zitten, tn\'enengkel;
verder: boef ir tahi.
keutelnchtig, menengkel; talmachtig,
laiubat-lambat; iemnnd die —is, orang
pelam bat.
keuvelen, praten, loetoer, bértoetoer-toe-
toer;
met elkander —, ioetoer-mhioe-
toer.
—, over koetjes en kalfjes praten,
reta-reta; vertrouwelijk —, berbeka-
beka. —
, ook bërpërt-pèri, h\'érbantjang
en meroending,
kevel, goesi.
kever, zie tor.
kevie, sangkaran, koeroengan.
kibbelnnr, kibbelnnrster, pèmbantah.
kibbel ach tij*, soeka ijerewet, soeka ber-
bantah-bantah, soeka berlengkar,
kibbelarij, pï\'rhantahan, tengkaran.
kibbelen, herbantakdjantah, berlengkar.
kieken, kuiken van een hoen, anajr
hajam.
— vnn eene eend, anajr itik,
an/tk hebei?,
Jav. —, klein diertje, dat
men opkweekt, didik,■ zulk een diertje
opkweeken, mendidik.
kiekendief, boeroeng helang. —, rood
met witten borst, helang hajam; de
gespikkelde —, helang boerile; nl zingt
do — met de kippen ook een minne-
lied, ten langen laatste worden deze
toch gegrepen, pauion helang dtngan ha-
jam, laodtat Uwen di/tambar djoega.
Sprw.
kiel, van een vaartuig, toen as; platte
— van i;roote vaartuigen, sagoer;
tweede —, onder de eigenlijke —, ka-
soet;
een vaartuig met — en bokken,
p\'erahoe dengan loenas dan soesaugnja,
-ocr page 372-
MO
Wel — küverü-
kijfn<"hlitï, socka bèfbantaJi-bantah, ban
iahan i
een — persoon, orattg bantahan
kult, kijkje, een kijkje nemen, zie U\\\\-
ken.
kijken, in de gewone beteekenis vat
zien, mr/ibat; iemand iets laten —
ni\'éinp\'èrlihatkan ,■ opzettelijk naar iet
—, meni\'/igok (van tengnk), mëmandant
(van pavdung); bet (\'hincescho komedie
spel —, vii\'nnngok\' toajavg tjina; in he\'
gelaat —-, tnraiandavg maf ka; nuu
elkander —, elkander onderling aan-
kijken, berpandang-pandangan ; voor zicli
uit - -, vii\'inandang kahadapan; naar
een schouwspel -raan —, petgi "létiotr
Ion
Cvan tonton) Jav,; door een venster
—, meningkap (van titigkap); van eer
uitkijk —, menindjau (van tindjaa)
terloops nanr iets —, mendylaa; me"
dc hand voor de oogen —, wegens he:
verblindende licht, mënjilan (van silau.
naar achteren —, omkijken, uïèiioli.
(van tolih); zijwaarts—f door het hoofd
een weinig te keeren, mengelih (van
kelili); met goiekten hals uit de hoogtl
naar iets —, wfnindja» (van ttndjau):
met roornitfwtokea hoofd naar iets - ,
tnindjrugok, wndjaigab; strak, sterk
naar iets of iemand —, fixeeren, nu-
ngaiaal-amaU, mirëv.aeng-rënoeng;
tem.
in de oogen — om zijne aandacht te
wekken ol\' om bon aan het lachen U-
maken, mhigagah (van agoh); elkander
nog staan nan te - , van hanen, die
zullen vechten, lagi beragahan,- vcr-
baasd staan te—,terfjfngang-tjënyang;
staan —, niets uilvoeren, uielenga st-
kadja;
raar op zijn neus —, kasiptn-
sipoevan;
kijk eens, Ijoba lihat, fjob.i
lengofr;
naar iemand gaan ■—, p>rg\'
mflihat oiang;
prenten —, imlihai-
lihat gawbar, umifngok-nmgol\' gam-
bar;
prenten laten —, memperh\'haiku,
gambar.
kijker, aanschouwer, oraugjang mflihat.
orang jang mrarngok.
Zie bij UiiUen.
—, verrekijker, inopong, keker. — op
drievoet en voorzien van een richtingv
tocstel, teropong abah.
kül*C"t» nufang, eigcnl. gat om lichi
door to laten. Zie uitk\\jk.
kijktoren, zie uitkijk.
ki)kven«ter, tingkap, djhidida.
k\\jven, herbant\'al•■bam\'ah, bïrtmgkar.
ktfver, orang bantahan, orang ijrrewct.
kijverü. p\'ibaniahan, tengkaran.
d. w. /. een volkomen toegerust schip.
kiel, Ulllg IinMIIienlülïllljl\', hadjo<"pan,/..;,,,/;
zoo als ile bedienden 1c Batavia draden,
badjas toro; een ruime —, zoo&U de
kinderen dragen, htuljoe lunggtw.
kiel, wig, keg, hadji.
kiellmlk, loatas, rindang. —, waarin
de mast staat, boeicaja*boru-aja.
kielen; dr kiel leggen,wjewiiyeAoe/i foenas.
ktolenffoed, geruit of gestreept bessen- I
goed, kaiti givggang, Ijele.
kieliiiiï; OOB vaartuig op do — halm, ;
wmjengetkan perahoe (van seugH).
IiH\'1 L:i. ie. /.lihliigtt».
kielplimk; dc twee eerste planken, die
op de kiel gezet worden, apit limptmg.
kielntut, kalaiig, toendjany.
kiel water, ajar aloer perahoe, olakan
lïmordi.
kiem, van planten/aden, erwten, hooncn
en/., ketjambah. — van een kokosnoot,
l\'lamjHhny, kélauipoeng, i omlaag. —,
prop, kienibultje, parnat. —, oorspron-
kelijke vorm, h-mbaga. —, zie ook
Hpruit.
kiemen* van zaden, bt-rkiljambnh,- gc-
kiemdc booncn of erwten, kafjang ke-
ijambah.
—, uitspruiten vnn planten,
zie nld.
kier» n-nggang; op een — , even open
van cenc deur enz., bkrtnggang.
Uil-*, baktand, geraham, gigi yraham; de l
— van verstand, gïrnham bonysoe; holle !
—, gi-rahuia roaipang, g. balo.iy, Jav.
g. ieiulnh\'k; de kiezen, paugkal gt\'gt.
kienlmttr, jong dapat dipilih.
kieach, sopani santoen.
kieachkeuriu, prtnilih, ptmën(ing,peH-
tjitg
kiexkiiuwen, makan përlahan-lahan,
méngoenjah (van koenjah). Z\\e ouk bij
lang.
liii-j .uu. sukU gtgi.
kieuw, iiwiing.
kievit; e. s. v. —, die in den regentijd
hij zwermen vliegt en gegeten wordt,
lioi\'roi\'iig kaki dia».
kiezelsteen, baioe kHikir.
kiezelzund, karsik.
kiezen, nirmüih (vun p\'tHh); /on —,
kalaoel \\ zeewaaits aanhouden, mrlaoetf; !
volle zee —, kalaoel re.mbang.
kiezentrekker, pt-ntjaboe.t gigi,
kiezer, pimilih.
kiji\', pïrbantahan; buiten —, tiada per- I
bantahan lagi, tiada tjak lagi.               \'
-ocr page 373-
kindermeel.                                     361
penak; klein —, kindje, schootkind,
kanak-kanak; hij is nog een klein —,
ija lagi kanak-kanak. — gedurende den
lijd dat het loopt te spelen ol\' tot den
leeftijd van twaalf jaren, bu-\'dok.
van broeder of zuster, anak xaptn-poe;
ontijdig geboren —, miskraam, yoe-
yoeran;
dood geboren —, kabtbangan.
— van eenc Maleisrbe vrouw bij lien-
gnleezen of KÜniranee/ien, anak djawi
pekan.
— van ongemengd bloed, anak
saaiafa-iaala.
— des doods, anak "\'aii
diboenoeh ;
zoog—, anak soesoewan ;
ge>peend —, anak saruk, anak Inpas
soesoe;
het — van den Vorst, anakda
baginda, anakauda baginda;
stief—,
anafc tïri; vrouw en —eren, anak\'
isteri, anak-biui;
iemand» —, «««£*
orang; inlandsch —, uit een inlaud-
Mshe moeder en een vreemden vader,
peranakan; gevonden —. anak poe-
ngoi\'l;
gegeven—,atiak dapat; van —
tot —, anak-beeanak; de —eren Isracls,
bani Isjraïl.
kinderachtig, buedak-b„<-dak, kaboe-
dak-boedakan,
b.v. nutka seei liatara
pon soeka teetaiea tnelihat patih nienari
itoe kabi\'<dak-ljondaka,it
en de Vuist van
■lava moest lachen, tocu hij den patib
zoo kinderachtig zag dansen.
kinderachtigheid, p&ri kaOaedak-boe-
dakan.
kinderdoek, windeldoek, lantpin.
kinderdoop, baptisan kanak-kanak.
hinderi\'oed. in het algemeen, lampin.
kimlerliemd, kamedja anak-anak.
kinderjaren, mam ketjil, MM ka/noe-
daiin.
kindcrjui\'vroow. nnn het bof, vrou-
wen, belast met de verzorging der kin-
deren, enang.pengasoh, bifi-biti, pencara.
kinderjurk, badjas nuna ketjil.
kinderkamer, bilik anak-anufr.
kinderkoftt, makauan anak-anak.
kinderliefde, kasih anak-anttk.
kinderlievend, kasih akan anak-anak.
kinderlijk; —e liefde, kasih anak-
anak.
—, nis een kind, sc/akoi: anak,
sapérli anak.
kinderloos, onvruchtbaar vnn vrouwen,
manduel. —, van kindereu beroofd,
boctoet, paepovr.
kinderloosheid, kaboeloesan, wandoel.
kinderluur, kaïn lampin.
kindermeel, e. s. v. gist in kleine kor-
rels, dat in deeg als gist gebruikt
2-1
kikhalzen —
kikhalzen, termhigkëlaH.
kikken, geluid geven, berbocuji; niet
durven —, tiada heraut berboenji; gij
moogt er niet van —, djangan kause-
boi\'lkan sedikit pon.
kikker = kikvorwch.
kikkermoes, o. i, v. waterplant, die
nis groente gegeten wordt, sajoer kang-
kotng.
kik vdrsrh, kafak, lanljih; op Java ko-
dok;
/ wart groen e, grauw gestreepte—,
die een zeer bard geluid geelt, katak
beloeug,
zoo genoemd naar het geluid,
dat hij maakt; jonge —, die nog geen
pooien beeft, ètroeaoe; e. s. v.—, hm§-
koeng.
Zoo genoemd naar het geluid
dat hij voortbrengt. Aan hem ontleent
de sajoer kangkoeng, het kikkeiniocs,
zijn naam.
kikvoi\'Muhebtl, paha kafak.
kil, diepte nabij droogten, paloeh. —,
vaarwater tu»»rhen twee banken, aloer.
kil, koud. fri»ch, aedjoejr; een — gevoel
hebben, kadingittan.
kilheid, sedjoek, dingin.
lullij*, kadïngiuan.
kim, horizon, lepi lanyit, kaki Urngit,—, \'
waterkim, waterlijn, gigi-njar; aan do
— Zichtbaar worden van een vaartuig,
menggigi-ajar. —, kaam, schimmel,
lapuek.
kin, dagoe, djangyoet, .Jav.; met de hand
onder de — zitten, ber/eftkoe be.loeng~
kat dagoe;
bebbe—, lange dunne —,
dagoe tenlifr.
kinhnnd, keelhand, v. e. hoofddeksel,
tali toedoeng.
kiutl, anak. — van een Vorst, poelera;
een — hebben of krijgen, beianak; \\a.i\\
een Vorst, berporteea; ceht of wettig
—, anak gahara, anak haldl, Ar.; on-
echt, onwettig —, anak hardsu, anak
gampany, haram-zadeh ;
ook al» scheld-
woord; hoere—, anak soendal, ajiak
keudak;
het eerste of oudste —, anak
soeloeng ;
het jongste —, anak bougsoe,
anak pëmboenloel, anak- ptnjoetji peroet
;
het middelste ■—, anaj? tèngah; van
vier kinderen heet het oudste anak
jang foewa,
hel tweede anak~ jang te-
nga/i,
hul derde anak jang moeda en
het vierde anak jang bongsoe; het tweede
—, paugga,\'/; cnnigst —, anak toeug-
gal:
aangenomen —, anak angkat; in
huis geboren slaven—, anak mat; een
—, dat mot zorg is opgevoed, anak
-ocr page 374-
soa
kindermeid — kist.
wordt, doch ook als — wordt gebezigd
ooi oi\' kleine kinderen mee op te fok-
ken, soedji.
kindermeid, bij Vorsten, zie kinder-
jufvrouw. — bij Europeanen, baboe.
kindermolentje, poetüu angin.
kindermoord, pémbnenoehan anak.
kindermoorder of kindermoordster,
pemboeuoeh anak.
kindermuttt, karpoes anak-analr.
kim 1 • *i i >ln;i< ■.. peiiyoesik anak-anak.
klnderpokken, katofmboehan, sakit
orany ba\'ik, tjatjar,
Jav.
kin der pop, bont-ka, anak-anakan.
kinderpraat, toetoer anak-anak.
kinderrijk, jarig banjak anaknja.
kinderschoen, sépaloe anak-anak.
kinderschool, tempat boedak~boedak
meayadji, sékolah.
kinderspeelgoed, pvrmdinan anak-
anak-
kinderspel, permainan anak-anak.
kindersprookje, Ijerit\'era kanak-
kanak.
kindervreugd, kasoekadn anak-anak.
kindervriend, sokbal anak-anak.
kinderwagentje, karefa anak-auak.
kinderziekte = kinderj tokken.
kin» Hief, anakkoe, \'emas, anang.
kindsbeen; van — af, danpada masa
kètjil, daripada masa mnetta.
kindach, van ouderdom, mamai. —,
suf, njanjok, inya-inya. —, als een
kind alles nadoen en nazeggen, cene
ziekte die bij suinmige zenuwachtige
vrouwen waargenomen wordt, lat ah ;
zieh zoo — aanstellen, melafah.
kindschheid, kamamajan.
kindsdeel, erfportie, béhayian poi\'saka
anak.
kindsheid, kamoedaiin, masa morda,
masa ketjil.
kindskind, an, ï fjoeljoe; van een Vorst,
tjoetjoenda, tjneuda.
kink, verkeerde draai in een touw, /<*r-
poctar; er is een — ia het touw, fait
Hoe terpoelar.
—, fig. verhindering,
san ij koe tan.
kinkel, lomperd, orany koerang ttdjar.
kinketthi**, rantai kvkang.
kinkhoest, bafoek rï\'djan.
kinkniltje, fjawak dagoe.
kinnehitk, ra/tang, toelany rahang.
hirmelmkwlmm, rahang babi.
kiiineimksslu<£, tempt leny, tampar.
kiniielmlissliii;ader, oerat rahang.
kip, hoen, hajam. — ter onderscheiding
van baan, hajam bdina, hajam përam-
poetcan.
— met zeer fijne vederen, ook
wel Japansche — genoemd, hajam
roembid-roi\'iitbai, hajam tjemara.
— wcl-
ker vederen verkeerd staan, hajam balik ;
half volwassen —, slacht—, om ge-
roosterd te worden, hajam pètanygany;
volwassen —, die reeds gebroed heelt,
klokben, iboe hajam. — die geen eieren
legt, ajam mandoel. — met een bol-
staart, hajam koen/orl. — met zwart-
achlig of paarsch gekleurd vleeseh en
beenderen, waaraan men bijzondere
eigenschappen toeschrijft, hajam soela-
sih ;
gerooste —, hajam panggang; ge-
vulde —, hajam opor; hij gaal met de
—pen op stok, mata bifalavg bélom
petjah, soedah hendak mem6of/a,A.Y,\'.
z.
de oogen der sprinkhanen zijn nog niet
iu hunne bolten teruggetrokken, en hij
wil al slapen, of zijne oogen ilicht-
doen. — ik heb je! soedah ktuta.\' kèaa!
kippeulnas, yflembaenyan hajam.
hippel».mt, kaki hajam, paha hajam.
kippedrek, tahi hajam.
kippedreknehtijr, zoo taai en week,
ocaai.
kippen, ecu eï dourpikken, ménclastèlor
(van te/as). —, uitkiezen, memilih (van
pi/ik). —, vangen, meaangkap (van
iangkap).
kippendlef, pèntjorri hajam.
kippenei, telnr hajam.
kippenhok* umgtaren hajam, koeroe-
ngan hajam. — onder het huis, reban,
b.v. daa ineittjoeri hajam ifik didalam
rtbannja,
en kippen en eenden uit hun
hok steelt.
kippenktinr, f/i/a hajam.
kippenlndder, ttoigga hajam.
kippeiiluis. ama; die luizen hebben,
berama.
kippensoep, sop hajam, kaldoe hajam.
kippenvel, van koude, yel\'eyata, koulil
brrkiktr,
d. w. l. huid met dehoedanig-
heid van een vijl, sèram koelit, berdiri
boeloe roma.
ktppi™. bijziende, raboen, mata hajam,
boela hajam.
, kirren, van duiven, mt\'mëram (van jiêram),
kofkoer;
vandaar de naam eener soort
van tortelduif, boeroeny tckoekoer.
kist, pt-li, zie nuk doodkist. — of
keffer, b.v. voor de wajiingpoppen,
kotak. — op rollen, peti pèlakai; e. s. v.
-ocr page 375-
kist deksel — klad.                                           363
kistje, waai van hut deksel los is en er
afgelicht kun worden, kdemmdan, ka-
lamdan.
— va» boomsehors, inzondtr-
hcid lei\' bewaring vnn rijst, kelovk,
e. s. v. —, waarvan liet Llek.-el uit twee
doelen bestaat, bet eene vast en het
andera los, meestal gebruikt voor pro-
visie-ki?t, taharah-, e. f. v. bouten kistje,
bekleed met lijn vlechtwerk ot\' versierd
met allerlei schelpen en Cbineesch glas,
veelal gebezigd uiu er de huwelijke-
geschenken in te doen, yrndaga, iën-
daya;
Europcesche pak—, kas.
kistdeksel, toetoepau piti.
lusten, nn-inbüfbo\'\'ii diilalam pt\'li, tiwfe-
lakkau didttlatu peti.
kit, boidvv], roeina/t pandjang; amüoen—,
roemak mail ai. —, groote kruik, boe-
joeng.
bitsen, keilen, met een plat steentje
over de oppervlakte van het water trer-
pen, melahtjany-lantjang.
kittelnal*! de - , clitoris, kelintit, ke-
lintU.
—, iemand die kittélt, pbufjoegi.
kittelen. kitte) log gevoelen, geletek,
gëli, mendjucgi.
—, bedr. nienggcH-ytti,
HH-iii/ijrlrli\'k-
lutteli». yelelek, yeli.
l.illcliMiri;!., tekas marali, pèmarok.
bit tel steen« batoe kartik.
kitteltoiiüiw:, lot tegenspraak geneigd,
bavtahan,
kittig, net, tjantik. —, vlug, pan/as,
tjakatan,
i lsi.iiiiii\'ii i iü., altijd klagend, socka wr-
ngadoeh, silaloê menyadoeh.
klnaghui**, roftitah perkaboengan.
klaaglied, ratap, tabak: ; een —, sabidjï
ratap, sabotdir rat tip;
een —aanbellen,
btrl.idji ratap.
klaagtoon, bocaji-rafap.
Ulaar, gereed, sadijtt; iets of iemand —
maken, menjadijakan. — staan, — zijn,
thsadtja, zich — maken of houden, ber-
sad/\'ja.
—, gereed, toegerust, sijap.
maken, nn-njijapkan; >.ich — maken,
bersijap; zich terechtschikken, zich in
orde brengen, bi-rkénias dirï.—.gereed,
van bet ontbrekende voorzien, lang-
kap;
b.v. bet schip is —, kapal xw-
dak lanykap.
— maken, mclangkap, b.v.
Schepen — maken, vndangkap kapal;
met bep. obj. ihdavgkapkan, b.v. hij
maakt een schip —, ija mélaugkapkan
taboewah kapal; bezig met schepen —
te maken, bïrlavgkap kapal, —, afgedaan
van werk. sucdah, habia; s\'efrsai\',porioes,
sampoen,
Jav, — maken in dien zin,
m\'enjoi-dahkan, inetighahiskan, mrnj\'ete-
saikav,
— , duidelijk, njata, kr/ara, Jav.
fakir, Ar. —, bel der, doorschijnend,
tjera/i, /letiir/g, djcrmi/i, b.v. klare oogen,
mata tjerali. — als glas, helling sapvrti
kat ja,
— water, ajar djèrenih; een
klare lucht, t f rang tjorwatja,■ zoo —
als de dag, van iemands fout of schuld,
Üg. lapérü ha jam pontik fèfbang sijatig,
d. i. als een witte haan, die overdag
vliegt; een — bewijs, dal\'U jang sa/t,
Ar. dit is een geldig bewijs. Voor een
klaar bewijs: dulil jang adjla.; een klare
stijl, perkataiin jang U-rang; zich —
uitdrukken, berkata téroes-terang, ber-
kata déngan njata;
kant en —, sijap
df»yan langkapnja;
het oten is —,
ma kan au soidah xadija.
khuu\'hl ijke 1 ijlt. njata, t f rang, kHara,
Jav. fakir, Ar.
klaarheid, doorschijnendheid, djermih,
kiming. —, duidelijkheid, kanjatadn;
geldigheid, sah. Ar.
kl:iarkrijn»-n, dapat mi-njot\'dahkan (van
sofdah), dapat uifughabiskan.
klaarleggen,mrtijadijakan (van sad/ja).
j klaarlicht, van den dag, tijang terang.
klaarliggen, tersadija,
klaarmaken, zie bij klaar. — van
e e n b ét e 1 p r u i i u, tutugapw\'r kan strik,
letlerl. kalk op de bélel doen, van
Aapoer, kalk.
I hlaarsehünend, bwsinar tjahajavja.
: klaarstaan, tersadija, hadlir, Ar.; van
spijzen, fersadji, b.v. i/asi tersadji dilotf-
toi-t,
de rijst op de knieën —.
klaarzetten, gerecdzetlen van spijzen,
mïnjatljL (van sadji). —, aanrechten
van spijs of drank, vïmyhidangkan (van
Ziidang, klaargezet). — van iets anders,
b.v. om het mede te nemen, menjadija-
kan, mr/tg hadlirkan.
kla&rziend, mata trrang, wat.i tadjam.
— van geest, flkal burdi jang tërang.
klaas; een houten —, orang kikoek.
klacht, wee—, p\'éiiyadoi-han, —, aan-
klacht, diïica, p\'erdtiwaün, laedor/ian;
eon — inbrengen, mïtidüwa; rouw—,
ratap, tabak.
klad, vlek, smeer, noda; van iets klc-
vcrigs, b.v. boter, stroop, klui en dergel.,
sèlitkek. Zie ook vlek, —, blaam, fji/a/
iemand eon — opleggen, mhitjelakan;
1 belasteren, mengoempat (van oempat),
-ocr page 376-
3(H                                            kladden — klaren.
ménftfvalikav (van Jifttak, laster, Ai1.).
—, concept, ontwerp, rang, ravtjana.
Uladden, vuilmaken, mtngotorkoM (van
kotor), m\'rntjêmarkan. —, slordig schrij-
ven, krabbels maken, mr>/jvnaf tjakar
ha jam
(van soera f). — , vo 1 vlekken
maken, mi-ntjotritig-miu-ritigkau.
kladderigg;, l/trlaiiiioernii, bn-kidor-kotu-
rau.
It]nds*<-hi1deren, L\'rrlormofr, m\'floPinas.
kluiten, wee—, mtvyadoeh • rouw—,
mt-ratap, berbidji ratap, bribidji tabak;
luid — over, ook gadoeh. ■- , hui., n-
troven, iwrawau\'fturan ; anti —, wnoi--
do\'-h (van tordarfi); zie ald.; zijn nood
— , j/icttgadoriuti hafiija.
kluner, prugadofh, orang jaug m>»g<-~
dorh. Zie ouk aanklager.
lilakkfitiiH, proppeniehïoter, b\'dil !.<><■-
lofh, téloep-tètoep,
—.voetzoeker, zwcr-
mer, pètmson, mor/jon.
klakkeloos*, zonder leden, dhigan /h-da
xf\'n. \'it dtmjan tiada iminna-mhta.
—,
onbedacht/aam, dengan /a/ai, dhtgau
al pa.
klam. vochtig, b.v. van den grond, de
lucht enz., h-tabap-, van klcevcn. papier,
eetwaren enz., embal. — van de huiil.
btrg\'eiah. —, vochtig, kleverig, leitqas,
b.v. van den neus, vochtige kaas, de
lucht enz. — worden, in dien zin,
m\'éh-ngas.
klainheid, ka,mbalant kafettgasan; zxo
klam.
liLimj), toepai-toi\'pai. —, wanroi> de
deksbalken rusten, boekon saigkar.
voor mast of voer, fvko/i, k\'rfaban.
klampen, m\'t-ngi-aakan forpai-foepai (vnu \'
kctia); nan boord —, zie enteren,
klank, bomji, bahaua, Ski1. Zie geluid;
een dotïe —, boettji jaug ttmkmp; ffdele
—en, vergeefsche redeueeiingen, pir- .
kataiin jang sija-sija.
klunklx-kken; e. s. v. houten —, be-
hooiende tot de Vorstelijke nobat, p\'-- ]
roi-poek.
klankteeken, klinkerlceken, gebruikt
bij de nrabisehc letters, .\\hidja/a, burin.
klant, voor vaste — van een winkelier
is geen geschikt woord. Men keert het ,
om en spieekt van een vaste leverun-
cier, iem. hij wien men steeds koopt
en noeir.t dien hiigganan. —, snaak,
koddige vent, orang dj\'maka, oraug
Ijertdik.
klap, op de wang, om du ooien, met \'
de vlakke hand, (\'i\'-mpelcvg, tampar
«i-pak;
zulk een — geven, mï\'ti\'émpe
leng, airnampur, m\'fiiji-pak.
NU. tttMJMB
kan ook gezeild worden van een —
met de vlakke band op iets anders
b.v, m\'mampar ti/amok, met de vlnkkt
hand mug»en doodslaan, m\'fnampat
pa hu,
met de vlakke hanilun op dt
dijen slaan, als teeken van verdriet oi
ontsteltenis. —, met een zweep,pe/joet.
—, gesnap, pi-foetofran, pi-rljakapan
prleterau.
klnpat-ktig:, snnpaclitig, fiiletcr.
kliipliriiir, zit krui*.
klnpfmK, /Ie klaklfclms.
klnploopen, z\'.c panlikken.
hlnpmolentje, in tuinen om vogels te
verschrikken, tUira», selajoen, bolatiij-
balivg.
klappei, prlrter, orang p\'Arirr.
klappen, een klap geven, mrvïmpclevg,
menampar, m\'eiijepak, tut uit/joet.
Zie het
onderscheid bij klap\'; in de hamlen
—, bfif\'epok lungan,- dansende in dr
handen —, iepak tori; kruiselings in
elkanders en daarop in r,i<P\'cn handen
—, handjeklnpspcl, birgendang kcra.
—, snappen, beleter, bërfjoera; ijdel
geklap, onheteekenende prnntjes. (ahi
angia.
—, verklappen, zie ald. — vun
toeslaande deuren ot\' voetzockers, kiri--
tap, tértloepi
met verscheidenheid,/r/v-
tap-ker\'Moep. —, van twee platte, harde
voorwerpen, die tsgen elkander gesla-
gen worden, hgap; hetzelfde, maar
doller, l\'egorp. —, kwaadspreken, adjor-
djah, m\'eiigoempat;
«it de school —,
nii\'/abttcka rakasija.
klapper, babbelaar, snapper, orang
pHfter;
voetzocker, zie klnhkenua.
klapperboom, kokospalm, zie ald.
klapi>eren, ranimelen. fliIetak-geU-toek.
klapperend, fp-imli-lak-yi-tm-lrtm-l\'.
klapi>ert ancien, bhy\'ligt,g\'i\'lafnek. I let
laatste woord ook gevolgd door <i>yi, tand.
klapwieken, tnh/t/rpak-t/gipakkan sa-
jap
(van kfpak, klanknnbootsend woord),
b.v. maka borroeng //efaiig ifofpon ui\'?-
ttgepak-tigipaHtni sujapnja,
de sperwer
nu klapwiekte.
klaren, helder maken, m\'éng/iïningkati,
miiiiljt r,;/i/ikaa.
—, zuiveren, mhtjoe-
tjikan
(van xuetji), msntjèrijakati, mi-m-
pat-sihkaii.
—, in orde hrenuen, mint\'
bi-foidka».
—, opklaren van het weder,
djadi tvrang tjoetcafja.
-ocr page 377-
kleed.                                             365
baadje. —, voor het beuedenliehanm
van de middel tol de voeten, e. s. v.
rok of zak, zoowel voor matinnen als
vrouwen, kaïn, saroeng. Ook vereenigd
tot kaïn-sarot-ny. Zn Ik een — met
plooien van voren, zooals du mannen
dingen, kaïn kXmbany. Hetzelfde zon-
der naad.&rïa lepas. Wanneer de saroing
di-or een vrouw over de borsten, onder
do oksels der armen door vastgemaakt,
wordt gedingen heet zij amban (Jav.
kXmbXn); e. 8. v. — met zijden schering
en katoenen inslag, kaïn bXlaka.iy pa-
ratiy;
zijden —, welks bloemen een
ketting vormen, kaïn djontg sarat ;
e. s. v. — met randen van goud en
kesoetuba, kaïn lapik-lapik. — zonder
broek, kaïn goeiabang; oud, versleten
—, waarmede men zich nauwelijks
dekken kan, kaïn kanfjort; op Javaan*
sche wijze beschilderd —, kaïn batik
iJjatea.
— van Boegineesch mitaki-cl,
meestal geruit, kaïn boegis; Hoeginee-
sche —jes vn» zijde, kaïn tadjoittg;
lang hoven—, zooals door de hndjis
en Arabieren wordt gedragen, zie bij
i ;il il .:i:if,l: c. s. v. lang, vim voren
geheel open, boven— van katoen of
andere dunne stof, dour inlanders over-
dag, door Europeanen als nacht- en
morgen— gebruikt, kabaja. —je of
stuk doek, dat tusschen de becnen dour
gebaald wordt om de schaamdcelen te
bedekken, kaïn tjatvat; harig —, kaïn
rambwti, kaïnbvli,
1\'erz.; lang, wollen
—, grijs of bruin, boerdah, Ar.; niet
meer kleeren nan liet lijf hebben dan
om de naaktheid te bedekken, slechts
dat wat men aanheeft en meer niet,
saltvlai sap\'n/yyang, b.v. maka, kndoe*
wan ja pon IXpastuIi kadarat sa/ivtai
iapinggang,
beiden ontkwamen naar
het land met niet meer aan hut lijf
dan om hunne naaktheid te bedekken.
Letter), écn lap om elke middel. —,
tapijt, vloerkleed, pérmadani,— of iets
dergelijks, b.v. een stuk leder, dat op
dun grond gespreid wordt, om er eten
op klaar te zetten, soefrah, Ar. —en,
laken, linnen of eeuige andere slof,
gespruid op den weg, dien een Vorst
of aanzienlijk persoon moet pnsseeren,
poewadai; van kleuren verwisselen, ber*
saliu kaïn, bïrsalin pakajan;
een stel
kleedeien, salangkap pakajan; kleeren
aanhebben, berkaïn badjoe; geen klee-
klarinet; e. s. v. —, svroenai,
kln.n«e, raag, pangkat; du eerste —,
tevem hoogste, voornaamste —, pang-
kat jang pêrtama; du laagste —, pang-
kat jany rèndah sakali;
iemand uil de
allerlaagste — der maatschappij wordt
figuurlijk genoemd kttorutbi tahi najam, :
d. i. nakomend stukje van een kippe-
drol. —, aldeeling, b\'ehayiun,- de fat-
soenlijke —, pangkat- oravg baïk-baïk.
Ulat«>ren, yo?uivvX:idt -
rammelen, van papier, bladgoud en
dergel., gëreeik.
klatergoud, èutas pirada, ptrtuta geri
sik, t/nas kXrontjany.
klauteraar, pemandjat.
klauteren, zooals m een boom of in ;
een mast, inXniandjat (van pa?idjat, een
/et of wip met het lichaam in de hoogte).
Zie ook klimmen en beklimmen.
klauterpanl, paal met ingedreven :
dwarshouten, gebruikt um tegen iets
op te klimmen, aoodladder, tanyya
siiiiyai, lijany sigai.
klauw, poot, kaki; voorpoot, de voorste j
— en, tangan;dt werkelijke — ui\'nagels, \'
koekoe; anker—, koekoe djangkar, koe*
kun saoeA, ianyan saveh.
— van vogels,
tjakar; kippen—, tjakar hajam. —, !
kiauwel, puntige krabber, koekoer;ver-
dcelde—,koekoe bX-rbXlali; met de—en ;
grijpen, zoonis van een neer>chietender.
roofvogel, ménjambar (van sambar),
klauwen, niet de nagels, nivvyyarwk.
—  met een puntigen krabber, mvvgw-
koer
(van koe/roer). —, met de pooten
in den grond krabben, zooals kippen,
nieayaïs (van ka\'is), inX-ntjakar,
klauwhamer, martil javy bX-rsiratan.
Idnuwier, waarmede klimplunlcn zich
vasthechten, sajap.
kl nu wijzer, breekijzer, a/abanyka, liiiy-
gis, ilav.
kleed, in het algemeen, pakajan (van
pakai, gebruiken, aanhebben). Daar dit
echter ook kan beteekenen; gouden en
zilveren sieraden, die men aanheeft, tuig
van lij- en trekbeesten enz. zoo drukt
dit woord het niet bepaald genoeg uit.
Voor kleederen bezigt men dus ook dik-
werf kaïn-badjuc, boven- en onderkleed.
Wordt een bijzonder kleedingstuk be-
doeld, dan gebruikt men den naam
daarvan; het gewone boven—, zoowel
voor vrouwen als mannen, baadje, ba- ■■
djoc.
Hiervan verschillende soorten. Zie
-ocr page 378-
366                                     klecden — kl
ren aanhebben, tiada berkaïn badjoe; \\
kleederen, die ten geschenk wolden
gegeven, wisselkleederen, pfrtalin; ge- I
dragen ;.:!r::n- die men aan iem. geeft, .
train bekaa fotboeh. —, zie ook bij ;
doek.
kleeden, ntïmakai (van pakui); iemand
—, nnwakaikan, mïnyeaakan pakajan
(van kriia); gekleed, bïrpakai; niet iets j
gekleed zijn, Ijérpakaikan, b.v. inel een I
purper fluweelen baadje gekleed zijn.
berpakaikau badjoe bïitdoe oengoe; zich
—, berpakai pakai, b.v. mijnheer kleedt .
zïeh, toewan bérpakai-pakai; oj) zijn
l hiiicr-eh gekleed zijn, memakai ij ara
fjma;
cene zonderlinge wijze van zich !
ie —, zich naar welgevallen —, zon- \\
der z:ch aan de etiquette te sturen,
niHwakai berdayany loetcar.
kleeding, kleed ij, pakajan, pemaka- j
jan, kaïn badjoe; eene eompleete —,
sapvtnakajan badau, salanyknp pakajan,
kleed ing* tol\', alle slof, waarvan klce- |
ïen gemaakt worden, kaïn.
kleeding*tnk; één —, pakajan salitlui.
kleedje, klein baudje ot\' juikje, badjoe
ke.tjil;
fraai gekleurd —, dut over hel j
deksel wordt gelegd tan spijzen enz.
die uien elkander toezendt, toedoeny
hidauy.
kleedkamer, alleen bij Europeanen,
bilïk\' bvrsuiht pakajan.
kleefnchti», zie kleverig.
kleeiriJHt, oiy/.a glutinoza, poeloef, kv-
lan,
Jav. Hiervan twee hoofdsoorten,
de witte—,poeloet poet/h, en de zwarte,
poeloet hitam, waarvan weder varie- I
teilen; gekookte — iu banaanblad ge- I
wikkeld, yoyos. /ie verder bij ryst. \'
kleerlmkje, svmbXrip, (eig. een koperen
bak op voet), b.v. maka istt-.ri Ta/a
Sanykoeni whxjaloetcarkan pï-tsalhi toe-
dj och xiutbvfip,
de vrouw van T. 8.
braeht zeven bakjes niet wisselkleede-
m ii uit.
kleerbortdel, sikat pakajan.
Idt\'crlüi*!. ahnari pakajan.
kleerkir*t, pïti pakajan, groboy, .Tav.; j
de Maleiers bergen hunne beste klee-
ren in o. ». v. fraai verlakte, groote,
ronde doos met deksel, banykin.
kleerkooper; eigenlijk kleerverkooper,
orany mïndjoewal pakajan.
kleermaken, mïndjahit pakajan.
kleermaker, toekauy vihidjahit paka- I
jan, toekauy djahii, lïtindjahit.
                I
«■illl-l\'l(H)Vi;_\'.
kleermand, bakoel pakajan, rmmtam
pakajan.
kleermot, yéyat, nyvnyat, Jav.
kleerscheuren; zich voor — bewaren
maken dat men er zonder — afkomt
unniï-liharakan toeboehnja daripada te
bam,
d. i. zijn lichaam behoeden vooi
blauwe plekken.
kleerschuipr = kleerborstel.
kleerwinkel, kï\'dui oramg mendjoeua!
paka/au.
klei, leem, lanah lijat, tanah pëkat\'.
yïdoeh, yé/oek; stijve klei, tanah tryar.
kleiuchtig, week, Itmbek; naar klei
gelijkende, saroepa tanah l/jat.
kleien, van vaten enz. wümboeboeh tanah
lijat.
klein, kïtjil, ketj/k; kleiner dan, f&jii
daripada, lïbih këtjil daripada;
kleinst,
ierketjil; op zijn kleinst, sakëtj\'tl\'ke-
inlnja.
—, een weinig, s\'vdikit. — in
zijne soort, kriel, van voortbrengselen
uit het plantenrijk, padi. b.v. een —
soort van kokosnoot, dwerg kokosnoot,
ujioei padi; kriel-oebi, eene kloiue soort
van aardvrueht, kriel-aardappel, oeb-
padi. Van voortbrengselen uit liet dieren-
rijk, katai, katifr, b.v. krielkip, hajain
ka/ai, hajam kalt]?.
— in zijne soort
ook komeny; te — voor het doel, b.v.
van een paard, om met een ander een
ïpan uit te maken enz., tjafjil; met
elkander — zijn, van velen, bïrkïdjil-
kë.tjitan,
b.v. bïrkïdjil- kvtjitan liwa bër-
taoedara tiada bïrljïrai barany sa/tart.
nog klein zijnde scheidden wij vijl
vrienden zelfs geen dag. —, zie ook
kort; kleiner worden van een vlam,
nnnyïndap, letterl. bukkend schuilen;
klein zeil maken, reven, mënyandak.
Meinachten, wï:mpë.rwoedahkan, mc-
mandany woed ah {\\\\\\.\\\\paiidany),ntiMhai
moedah.
Zie ook minachten en ver-
acblen.
kleindochter, tjoetjoe; van Vorsten.
fjoetjoenda, tjoenda. Ter onderscheiding
van kleinzoon, tjoetjoe peratnpoetcan.
tjoi-ljoendti peran/poeican.
kleinduimpje, zio dwerg.
kleine, kindje, kanab-kanafc; de —,
van een persoon al» bijnaam, sikïdjiL
siketjik:
kleingeestig, kakoeranyan boedi,
klein gel tl, pasmunt, oewany pefjah.
kleingeloovig, koerany imdn, IXmah
imdn, koerang pertjaja.
-ocr page 379-
M?
kleingeloovligheid — kletsen.
kleinzing, tapisan, saringan, Jav.
kleinzoon, ijoetjoe; van Vorsten, tjoe-
ijoenda, ijoenda;
ter onderscheiding van
kleindochter, ijoetjoe laki-laki, tjoe-
tjoenda laki-laki.
kleitrupper* kleitieder, bij het steen-
bakken, pëngirik getoen.
kleiweg* itjalan ditanah lijat.
klem, apiian, pengapit; e. s. v, — voor
wilde dieren, apit-apil; e. s. v. — met
veer, om dieren, ook vogels te vangen,
belanlik. — in den mond, kïdjanj
moeloet, bérkantjing gigi.
—, nadruk,
koetcat; in de —, in het nauw zitten,
tërsPpil, kapitjikan.
klemmen, mèngapit, mënjepif; geklemd,
terupit, tersëpü; de vingers —, nienga-
pitkan djari.
—, zooals cene deur de
Vlagen of de kevels van een zuigeling
de tepels der borst, ké.\'ap, mingëtap,
ook het — van een bankschroef. —,
tusschen twee lichamen insteken, zoo-
dat het ingestokene daartusschen ge-
klomd wordt, si-lil, inénjilit; zieh ergens
met de handen aan vast—, berpaoet;
met bep. ubj. mëmaoet, b.v. mëmaoel
leher orang,
zich aan iemands hals—;
hetzelfde, maar sterker, bersangkoel-
paoel;
vast tusschen iets in geklemd
zitten, b.v. tusschen twee muren enz.
zoodat men noch hei-, noch derwaarts
kan, te.rasak.
klemtoon* koeieal, cigenl. kracht.
klep, zie bij deksel.
klepel, pelvntoeng, an.tk gëata, anak
lotjeng;
hij heet! de klok hooien luiden,
maar weet niet waar de — hangt, tja
saperti itifr mënëngarkan goeittoer,
d. i.
hij gelijkt eene eend, die naar den
donder luistert.
klepkuni, knip om vogels te vangen,
djïhak; daarmede vogels vangen, mP«-
djebak.
kleppen, getal:; met verscheidenheid,
gëlak-getoek-; zie klepperen.
klepperen,gémëlëtak; met verscheiden,
heid, gëinëlé\'akifëmvlëtoek.
klerk, djoeroe-toelis, penjoerat, ka/ib, Ar.;
het hoofd der —en, karkoeti.
klerknmbt, djahatan djoeroe-toelis.
klets, pluk, plakkaat van iets, b.v. van
kalk, modder, klei, koediek en dergel.,
tepik.
kletsen, plakken, plakkaten maken,
mftiepilr. (Juk — met het deeg bij het
1 kneden. —, leuteren, telkens op het-
UWmxeloovigltei&ilalü\'Taiiffan iman,
kalémahan iman.
Ult-inhmulel, djagal; in vruchten en
zaken die aan bederf onderhevig zijn,
dj. moed*; in waren die lang bewaard
kunnen blijven, dj. ktras en ia eet- en
drinkwaren, dj. masafr.
i *\'i iilinri ig, zie vree«n<*hti<*.
kleinheid, kakëtjilan.
kleinigheid, bartmg kë/jil, be»da ketjil,
jierkara ketjil; allerhande kleinigheden,
hï-nda ketjil mtngUjil; zelfvernederend
gesproken van eigen goederen, huis-
raad, werk enz , ktropas-ktrapis. —,
gemakkelijke zaak, péktrdjiutu moedak,
uok moedah-moedahan, b.v. boekan
inoedah\'Hioedahan ?/a\'ik koeda tizi,
het
is geen — een vurig paard te bestij-
gen. —, kleine guve, barang te.dikit.
—, zie ook gering.
kleinkind, ijoetjoe; van Vorsten, ijoe-
ijoenda, ijoenda.
— van broeder of
zuster, ijoetjoe sapoepoe. — van een
kleinkind, p/joei\'; allerlei ach ter-ach te r-
klcinkinderen, ver nageslacht, pijoet-
}>>j*t.
UI ei nk rijgen, rfrt/Jd/ me/tgYdjilkan, dapat
.aéngetjikkan.
—-, ten onderbrengen,
vernederen, uiï-HOendoclrkan (vaa toen-
doek), méréndahkan;
van een volk,
>ne.naloikkan (van inlok-, Ar.).
kleinmnken, in stukken breken, me\'me-
tjaJikan.
Zie breken. —, fijnMiijden
enz. mengel/ik-nyëtjikkan (van ketjikf.
— van hout, in korte stukken kappen
uf zagen, ménoeical (van toeical).
Ul<>ininoedig, Aa/i kef/il, tawar hati,
tjabar. — maken, mënawarkan had.
- einmoedigheid = hleinmoedig
ktataood* btnda jang endah-endah, mala
hëada, përmata.
l<Vinoogig, bérmala ketjil.
\'iii-.i-hniï, soeratan halons.
Itleinsohrüver, pënjoeral\' hnloes-haloes.
liU-iiisdoelT, kdin pënapis, ka in saring.
!ïli*intjp, klein kind, amik ketjil, kanak-
kanak.
—, kleine zaak, perkara ketjil.
Zie bij kleinigheid; met een —
tevreden zijn. mënjenangkan dirinja
de.ngan stdikit;
zieh niet met een —
van iets afmaken, tiada boli/t soeda/t
déngan .stdikit.
Meinzeerig, Ukan ram takit.
Irleinseen, doorzijifen, ménapïs (van ia-
pis), menjaring
(van saring) Jav.
Itleinseer, pëuapis, pënjaring, Jav.
-ocr page 380-
31IS                                                  kletser — klikspaan.
zelfde terugkomen, nakauwen, nu.m-
benijang,
Mën. —, zonder slot of zin
sproken, nu-remid, mv.renjidi, nierfpek,
kerepoet,
kletser, orang wttrtmrt enz. Zie bot
voorbaande woord.
kletskop, \'.>\'/■■ ■/•> sakit paka, kapala
hërpnrroe.
kletsnat, doornat, basah koejocp.
kletteren, zooaU regen tegen de gla-
zeu, erwten op een planken vloer, mfn-
dcrai.
vnn veel wapens, gvmhrfatr,
go-iaXrin/jing,
b.v. dan gor/nertn/jiug
segala sïndjala d/orga kadïngarau,
en
slechts het — der wapens werd gehoord.
—, klaleren, gXmXrinfjang.
kleumen, kadinginan.
kleumer, orang pï.idingin, orang kat/i-
uginaii.
kleumst-k, pending in.
kleur, warna, Skr. ragam; veel kleuren
hebben, baujak ragamnja ; van e\'e\'nc—,
saicama. \\ au kleeding zegt men sa-
dondon,
b.v. ecue kleoding aanhebben,
waarbij alles vnu ei\'ne — is, ntrmakai
sndundon.
Dit is alleen het voorrecht
der voornaamste hoofden ia een Mal.
staat; de —en in een weefsel, raat;
frisBche, levendige —. van het gelaat,
seri, xing. — vnn schaamte, Sera mocka ;
van — veranderd, van hel irelaat, uit
beschaamdheid of verlegenheid, tram;
mengeling van —en, panfja-tcartta,
letter), vijf kleurig, porsparagam, Skr.;
de nationale -en, de standaaid, ulam.
Ar. alom karadjaüv.
kleurbud, voor goud, üpoek,
)tleurt\'ii, eene kleur of tint aan iets
geven, mXwarnakan, ook mrragani ; ge-
kleunl, hvrwar na; <;oud — door het
in een bad te brengen, nu-njtpoeh;
gekleurd, van goud, ivrsvpoeh.—, eene
kleur krijgen van schaamte, mhidapat
bi-ra moeka. —, met waterverf, mï-non-
lis dvnga.il dawat trariia*tcarnu. —, van
allerlei kleuren voorzien, ntPragain; op
die wijze gekleurd, diragam.
kleurhoudend, van manufacturen,
fiat/a tueroen tcaruanja; niet —, vcr-
kleurcn, iotroeu tcarnanja.
kleuritr» van het gelaat, pipi mmak.
kleurloos, tiada bïrtcarna.
bleurst\'hiikeeriiitt, ragam, poespara-
gam,
Skr.
kleursel, om de ta.iden zwart te ma-
ken, een zwart poeder vnn gebrande
schillen van sommige vruchten, gerang
—, mengtel, dat men in cenig kokenil
vocht doet, om het te kleuren, laroe.
kleurverandering, pïrtdiahan warna
kleuter, kaïiafr-kanak jang tjaiilïk.
kleven, aan of tegen iets —.blijven —
tïkaf, bPrlXkaf. Op Java bïleugkrt. —
geplakt aan, dunptl; doen — op, mr-
iit\'iitprlkan;
nog — van lijm, verf o:
andere kleverige zaken, noe niet droog.
U-kit; op elkander — van de oogledt-i:
door den slaap nis men pas ontwaakt,
djcrrkf/, djï-rikat; doen —, melPkafkan .
—, aanhoudend blijven op eene plaats
van iemand, bXrkandjang, Itkat.
kleverig, h\'kaf-lïkat. fëkit-lekit. —
slijmerig, ivndir, bfrltudir. —, vochlL
van de banden, léngas. —, dik nu
vlocistoll\'en, pï-kat. — vnn de mensche-
lijko huid, hXrgXtah, -*— van rijst, dit;
te gaai1 is, bi-njafr.
kliek, rest, overschot, slsa; een — van
iets overlaten, mXnjisakan, tinggalka:
MM,
klielcenmaal, makan sisa-sisa.
klier, krftndjar.
kliergezwel, boricah kïtï-ndjart poerot
paka
(volgens anderen, poeror baka),
iemand met een — aan den hals wordt
spottend genoemd bïro*$r mtnghautvr
hasil,
d. i. een Lampongsche aap, d
in zijne wangzakken overbrengt, wal
het hoseh hem opgeleverd heeft.
klierzak van de civetkal, anda morsam.
klierasiekte, sakit poerae paka, pënjakl
baka.
klieven, kloven, splijten, trirmbvlah; ie
golven —, vnn een vaartuig, ment/en-
f jang ombaia, nivnangkocl
(van tangkttel;
schuin op één knnt liggend de golven
—, van een vaartuig, mXrfmban; mi\'
een z wa a rd —, mX-n fjXn.\'jang den ga j
pXdang.
klik, stut, die het laatst verwijderd wonii
om het vaartuig van stapel te laten loo-
pon, kajot: gandjil pX-rahof. —, ach-
torste stuk van het roer, tkoer kvmoiuli-
—, kolfbeslag van een geweer, salo\'-
tan sikot\' bedii.
kliUWi-u. kwand vertellen, dat iemand
gedaan heeft, mXngnempat (van oempal -
adjiii\'djah, ook djoedjah.
klikker, kwaadverleller,, pX-ngocmpat\'.
klikklakkeu, gvmvlttal?; met verschei-
denhcid, gt-nüdXtak-gX\'inèli\'tve^.
klikspaan = klikker.
-ocr page 381-
klimaat — kloekbtirtiu;.                                       309
kliimmt, hawa, oedara, iljclim, Al\'.; een
heet — hel>l>iïti, beriklim panat.
kliiiiiiooi», kliiuerwt,/vi//rt«y mfndjalar,
klimmiv»t, kliuipaal, lijang sigai, langga
iïnhjai,
li liminen, stijgen, aaïk. — op of in,
tic beklimmen; tot iemand of iets
i>p—, wÜitaUti. — in een palmboom of
must, mï\'maniljat (van pand/at, een zet
of wip niet net lichaam in de hoogte).
Ook in andere boouien, b.v. titPmau-
tljaf
pid.uk fjëkith, bolih ma/i djaioh,
in een sneeuwbessenboompje klimmende,
kun men doudvallen. Sprw. —, toe-
nemen, bPrtambah-Uimbah, b.v. zijne
jaren —, brrlambahdamhah armoernjm.
— van eene schuld, Idrlandiahdambah
hoelang;
van moeilijkheden, bïrtambah-
titiubah xofmh;
al hooger en honger—
vnn een geluid, b.v. hij het spannen en
aanslaan van eene snaar, tamst, langsi\',
latising en langsing. —, voort krui pen
van planten zoowel in de hoogte als
over den grond, aièndjalar, mPrambat.
/.ie ook kruipen; ten hemel —, vnn
een gebed, na\'ik tampeti kttpada Toehan
Allah
klimmend, van planten, taPndjalar, me-
rambal.
klimop, zie het volgende woord.
klituplnnt, iu het n\\^vvxcen, poknkjang
mïndjalar, pid.ok jang mPrambat
; e. S. V.
—, overeenkomende met ons klimop,
daocn pasang-pasiitig. —, zie ook -lin-
jjerphuit cu vvoekerplnnt.
Wlinir. lemmet, het hlnnk van een steek-
of houwgeweer, mes euz., mala; degen—,
mala pPda/ig; over de
        jagen, iiiïat-
bariwt\'h dPngon pPdang of dPngan mala
pPdang.
klink; — cener deur, kantjing, p%*igan-
tjintj fintoei
de deur in de — (duiten,
zetten, nCP.nganljing pintoff; de deur is
op de —, pinioe toedah tPrkaiifji/ig.
—,
driehoekig stuk, zooals o mier de
mouwen van een hemd of bnadje, in \'t
kruis van een broek en/., kekrk, si bar.
Ulinkbout, zie bout en klink ihilicI.
liliiikdeur, klinket, pinloe kPtjil.
klinken, bPrboeuji, b.v. de muziekinshu-
inenten klonken, maka herbomjilah
sPgala bitcuji-boenjian.
—, het maken
van een klinkend geluid, al naarmate
het meer of minder zwaar of helder
is, kilPnlaug, kPlentorng, kPlPnling,
kPlontong
, kilontang, b.v. — vnn groote
geldstukken, die op een steen vallen,
kPltntang; van kleine geldstukken, kP.-
lentiug, mPndPnfjing, mPndPIjing, me?i-
dering, gPmPrPnljiag.
— met een gal-
nieiid geluid, kP/Pntoeng; hnrd of sterk
— in een ledig vertrek, doch niet met
een weergalm, tïbar. Zie ook weer-
klinken. — wet een kloppend geluid,
kllelak, kf.lelot\'k. — zooals een glas,
wanrtegen men met een mes slaat,
kërenling. — met een dreunend geluid,
zoonis trommen, mvndPrang; met elkan-
der —, de glazen aanstooton om te
drinken, toosten, bPrlaga; laat on» —,
mari kita bérlaga; de zaak is beklon-
ken, sot\'dah rat bifjara. —de munt,
kuntant geld, w-wang to, nai; met --de
munt betalen, mPmbajar toenai, mvniiu-
bang toenai
(van timbang). —, \\nst-
slaan, memoekorl mnti (van poeioet),
iiiï\'tttnfak.
— van de ooren, mcndPsing,
b.v. sahingga mPndPsing kadoctra bPlah
tilinganja,
zuodnt zijne heide ooien
ervan klonken.
klinker, baksteen, baloe bata, baltic ba-
kar.
—, vocaal, fyarakal, Ar.
klinkerluOM, van een letter, mati.
| klinkerteeken, klankteeken in het
arabisch schrift, baris, svndjata.
klinket, pin/of kPl/il.
klinkkbiur, /.ie louter.
klinknujjol, houtnagel, pakoe soendiat.
Zie mijiel.
klip, karang, baloe laoet; blinde —,
IProem boe.
Mi i ».k-Iii ■■•_ pénaeh karang; eene —e
plaats, (Pm pat karang.
klipunken, tanda karang.
klipdruiven, e. s. v. eetbaar zeewier,
ploearia candida, agar-agar.
kliptjeit, katnbing guenoeng, kambing
hoc tan.
kliplmtk, kapoer karang.
1 kli i ti\'ri-ti i, huk taieanan karang.
klipviotnh, ikun karang.
klisteer, obat phoenuing, obat simprof,
Jav. obal soi\'iHpif.
klist i-tT-pnit. simprot, Jav.
kloek, klokhen, ibucdiajain.
kloek, dapper, berani, pPrkasa, gagah.
wiraican.
— van verstand, bidjak, bi-
djaksana, bïrbordi, hoedhnan.
—, zwaar
gebouwd van lichaam, oi-mbany, legaji.
, ï-terk, koetcat.
kloekli11 rt i<£, dï\'ttyan berani, dê.ngan
pirkata.
25
-ocr page 382-
»70
kloekheid — kloppen.
klool\'hout, kajoe jang tërbvlah-bidali,
btlah-btlahan kajoc.
kloofiip* bibir toetnbing, zie lip,
kloot, zie bij bal.
Kli " •! z tl.. if-inpat boêwah ptdir. kontol.
klooven, mX-mbelah ; in tweeen —, mëm-
bel ah ifoi\'tca.
— van boomstammen tot
planken of balken, mtmbahaii, ook kloo*
ven of splijten van een mensch met
een wapen.
kloo ver, pïitibëlah ; hout—, pvmbïlah
kajoe.
Klop. tik, b.v. op eene deur enz. keloi\',
palnr, poekoel, toekoel,
—krijgen, kina
poekoei, kina paloe.
kloppartij, përkaluldan, plrang poekoel^
ptu\'koi\'lan;
een algemeene—, poekoelan
jang ramai.
kloppen, wïêmoekoel, mémaloe, meaepok,
i/imr/riok, m&wekoel.
Zie de grondw.
bij klop. — met een stok, klopper
of hamer, memoekoel. —, op of tegen
iets tikken, b.v. met de knokkels, rni-
ngëlok;
op de deur —, mëngetok piti-
io>\';
zachtjes met de vlakke hand slaan
—, wënepofk, b.v. andjing ditëpoek
kapala nriiidjfaigf-U ekaer,
een hond,
die op den kop geklopt wordt, steekt
de staart ia de boogte, SplW. — mot
een stok of klopper op een klok of
muziekinstrument, m&maloe, mènaboeh
(van iabarh). —, met een knuppel,
stuk hout en dergel , mëmangkomg
(van pangkoeng). —, beuken, platslaan,
b.v. van buuiboc enz., mMloepoek. — tot
vezels, meuggot\'icul; zaehljes —,mokw<
tot-k (van tottloejp). — met een kleinen
hamer of ander klein voorwerp, mëni-
tik
ivan titik:-, b.v. ai hunne gewrieh-
ten werden met ecu houten hamer
geklopt, ditiUknja svyala smdwendinja
dmgan kajoe pmwtfkoel;
niet iels hards
op tests — om het te keuren, mtnin*
ihig
(van tinting)} met iels hols, b.v,
een koker, onderste boven tegen iets
—   oro oi\' uit te krijgen wat er in zit,
niPjiocnlomg (van toentoeng). — van het
hart, bï\'rdïbar (ook van blijdsehap);
van vermoeidheid, gcp\'ijap. — van een
slagader, btrdïniijart, ook van het hoofd.
—  van vloeistoffen, mmoembui\'k, b.v.
maka ajar panaê iloepon difoembo>\'i"
toeiiibofknja san/pat mvntljadi sldjoek\',
hel warme water word door hem ge-
klopt tot het koud werd; iemand geld
uit den zak —, nitugak-alkan doewit
kloekheid = kloek,
klok. bel van mcAatx\\t gmta (Skv. g/mnla),
lot jen ff, lontjeng,
Chin. —, uurwerk,
djain, toutjeng. — van hout aan den ■
hals van buffels, këromting,kï-!intor,ig, \\
këtok.
—je, sebolletje, k&tiniingoM.
behooiende tot het javaansrhe klok-
benspel, gong; de — slaan, wtémaboeh
gïnfa (van taéoek); de — slaat, lou-
ijmg étérhoenji;
de — gaat, lantjeng
litrdjahm-,
de — staat stil, lontj mg
tïrlunii:
de —■ jaat een weinig achter,
lonijmg Icabtlakangan s&dikU; de —
gaat voor, iljaïan lonijmg Ürlaloe ïe.kas;
de -— luiden, nimggontjaug Ion ij mg
(of g&nia), mtngge\'rakkan lontjmg (of
gtnta); iinn de groote — hangen, int:-
rniijahkan chabamja, mémaêjhoerkau,
klobhen, zie kloek,
klokken hij het drinken, bïrtjtgaek.
klokkenmetmi.1, tqjang, gemgta. —,
geel koper, ttmbaga plroenggoe.
klokkenspel; het javaansche —, ga- \'
tnëfan.
]s 1. ik-1; i: ■:. poekoel lonijmg, p ekoel djam.
kloktouw, tali gmi", tali lont/mg.
Klomp, klont, kluit, goempal, h.v. een
— deeg, sugomipal têpoeng; lot een —, i
üférgoempal; aan —en, Sérgoempal-goem- ■
pal.
—, massa, ketocl, b.v. vijf broo-
den, roti lima U&toel, — van goud en I
deigel., pat-hal; tot een — maken, we- !
moekali tot een — bij elkander, bër-
kimpal.
klomp, holsblok, heeft men niet. W\'t\\
c. s. v. voetklossen. Zie bij KI. -..
klompviwrh, e.s.v. visch met dikken
kop, die hij laag water in den modder
rondspringt, ikam tï.mbakoul.
klont, —, brok, vormloos blok, ook van
suiker, tougkol. Zie klomp en kluit,
klonteren, vim melk en/.., pt-ijah.
klonteriü, bvrgormpal-gocmpal, ook bï-r-
barkoe.
— meel, Üpoeng hXrlmakoe; een
kussen met klonters, ban tal jang lier-
boekon.
—, meelklonters in spijzen, iahi
kambing.
— van melk, petjak.
klontje, klontjes, kandysuiker, goe/a
batoe.
klooi\', spleet, fjPlii/i, bï-lah. — in dïeren-
klnuwcn of hoeven, siratan koekoe, fit-- \'
laha» koekoê, —, ravijn, holle weg,
djocrang.
kloot baar, ttiht-lahkan^ dapal dibëlah- !
kan; niet —, tiada lërbïlahkau.
klooi\'heitel. pahat pvmMlah.
-ocr page 383-
klopper knaphunclic.                                      371
orany; aan een doovenmans deur —,
mëmoitiki orang pèkafc; het water in
den buk — en zijn eigen gelaat be-
spatten, t\'epoeki a/ar didoetang, tërpërë-
tjik moeka aëndiri,
Sprw.
klopper, hamer, pentoekoel, pengetojf,
zie ook Immer. — op een deur in
den vorm van een ring. yëlavy-gëlany
pintoe.
—, e. s. v. platten knuppel,
guewal.
kloppinj», van het hart, (h-bar; klop-
pingen van het hart, pndebaran.
lflow, garenklosje, ook voor touw, gelen\'
doeng,kareta;
klosjesgare^fönaify^i/tfA-
doeng, b. kareta, — van een spinne-
wiel, iisii du opstaande houten, waarin
die — steekt, tijang kiai; do houten
voet klossen, die men vooral in den
regentijd draagt en die met een daarop
Maanden knop tusschen de beide voorste
teeoen vastgehouden worden, tjarpoe.
blosjesjtaren, bènang kareta.
klossen, opwinden van garen of touw
op een klos, nttnyyelendueng. —, een
klossend geluid maken, zoouls met de
hakken op een steunen vloer, hrtak-
këtoefr.
klotsen, van de golven, berbakat. Ook
bfapaloe, b.v. ombak berpaloa sëndlriuja,
de golven —legen elkander; de golven
—, ombal- bërpalon-palocwuu. (lok ber-
lepoefc-tëpork.
klucht, grap, djinaka, b.v. o, jou geheim !
wil je ook hier je —en vertoonenf hal
pentjoeri, diainipon htgkau hendak me-
uuaidjuekkan djinukamoef
Zie grap.
klnc-htiff, berdjiuuka, tiloeroh, loetjoe;
zieh — aanstellen, méndjinaka.
kluehtspeler bij het komediespol, ge-
uaamd ma\'joeng, alan-alan.
kluit hout, van een vaartuig, djoengoer,
djib bom.
ItluiR, op den voorboeg voor ankertouw
of ketting, ovghak,
kluisgat» lobang ongkafr,
!ni--pi:!iik, (mar.) tangkotp pip*.
kluister, kelen, rantai, btloenggoe. —,
voetboei, ranlai kavgkang. xanykela, Skr.
—, blok, waarin misdadigers worden
gesloten, pasoevy.
Ui ui stèren, mëranlaikan, mëmbèloeity~
guekau, mëmasoenykan
, atëngenakau
sanykrla.
kluit, klomp, klont, yoempat; tot een—,
bërgormpat; aan —en, bvryOL\'wpal-yoem-
pal.
—, klont van zachte en taaie
zulfstnndighcden, kipal, b.v. oen
(Ti-kookte rijst, nasi sak\'vpal; een
klei, tanuh lijat aakhtai.
kluiven, beknabbelen, mënymiyhany (van
kongkang),
kluiver, kluiverzeil, djib, kelewer, lajar
go f si, lajar tjoefjorr;
buiten — ,patandjib.
kluizenaar, iemand die zich tot het
doen van vrome verrichtingen afzon-
dert, orany përtapa, :ahid, Ar.
blnlseiiaarsbntajKMu/oj1 orang përtapa.
kluizenaarsleven; een — leiden, 6er-
tapa.
i.ini/i\'iiiii\' ■-. oebon, Kw.
; ï.\'in -i\'n. b.v. een ei, mëngaron (van
aron), mëmoedi (van pofdi), — met een
klutser, die men tusschen de beide han-
den draait, mëmoetar (van poeear).
kluwen, toetal, zie klos.
kuaasdier, binatang jong menggèrat.
knaap, jongen, boedak. —, jongeling,
orang feroena. —, als aanspraakswoord
voor een jongen, kaijoeng, b.v. wel, — !
Aai kaijoeng! —, bediende, bordjany,
boedak. -
-, klein tafeltje, kènap ; e. s. v.
—    met «enigszins opstaanden rand,
meestal van koper, aimberip.
knabbelen, uttiiyëroemit, me mam ah; op
suikerriet - , tnëngoenggia iêboe.
knagen, als een rat, meng gerat, meng-
yërit.
Ook mëngërat (van k\'érat). Zie
ook knabbelen. —- van het geweten,
zie berouw*
knak, breuk in een tak, stok, been enz.
koelai, b.v. kakinjaaabilahaoedahpatak
tlga tërkue/a\'-koe/ai,
zijn eene been ia
gebroken, driemaal geknakt. Kigcnlijk
beteekent lëvkotlalkoelai er geknakt bij-
hangen, en in zooverre ook geknakt.
—  van een tak, stok enz. ook aBrëptk,
knakken, ttiviiyaet\'al-iiyovla\'tkan.
knal, van een geweerschot, das, dïfofs.
knallen, berdas, burdëtot\'S.
knap, bedreven, pand ai.; zich — aanstel-
len, mimandai airinja, b.v\\goeroe-goeroe
jang tiada bStadjar mimandai ahtdirinia,
leermeesters, die niet gestudeerd heb-
ben en zich/elven — aanstellen; zieh
—, tlink, ferm voordoen, aekah. —,
geluid van een brekend of knappend
voorwerp, tëto», lëtoep, ijëbefos, .Tav. —,
vlug, b.v. in bet dansen ot\' zingen,
akas. —, zio ook knal.
knaphanrliu, punt as, akas, tjakatun,
Jav. tjikatatt; zoo — was zij, demi\'
I kianlah akasnja.
-ocr page 384-
872
knapheid knie.
knapheid, kapandajan,
K?i;ip.ifs, zindelijk, netjes, tjantijr.
knnphoeh, e. s. v. dunne, krakende
koek, oepdk,
knappen, ploll\'cn, van vuur of van hout
of iets anders, in het vuur, miltloep,
—, klnnkuaboolsend, kaap; met ver-
Bcheideoheid, kerap-kh-orp. —, knette-
ren, zooals b.v. vlcesch in een heetc
pan, keroetoep; koken uf braden dat
het knapt, masak keroetoep. — of kia-
ken der gewrichten, serak-serik, lekap-
lékoep, letil-letik.
—, knappend kan-
wen, uietiiepak (van pfpafc); de ringen
laten —, uit droefheid, of van ver-
legenheid, door er aan Ie trekken, eene
inlandscke gewoonte, mematoh-matah
djari,
b.v. maka soelfan Aehmad pon
ateniatah-uiatah djarinja strta dengaii
sêsalnja,
en de Sulthan A. nu liet zijne
vingers — terwijl hij spijt had.
knappend, croüuant, van gebakken,
gebraden, irt-rtjus-ttrid ul\'gebiand, yurnuj.
knnpzak, kaskocl, Pen. - , een lederen
zakje voor provisie, ban/jan.
hnnruen op de tanden, beik\'eretuk yiyi,
mënggeretakkan yiyi, yeiat,yeroet, ktren-
njoet.
knarsetanden, mengeritkan giyi, zie
het voorg. woord.
W11: i -: i ■ r« kèrandjany; suiker—, k\'éran-
djavg yo\'da ;
twee — s suiker, </w/« doewa
keraudjang.
knauw, met den bek, kër\'èkak. Ook een
— geven, b.v. ma/i dun loeku dikerè-
kah bad uk,
omkomen en gewond wor-
dcn. geknauwd door een rhiiioceros.
linauwcn, met di\'n bek op iets, zooals
b.v. een hond op een been, eene kat
op een muis of vogel, ktreka/i, kè;ëkap-
kèr\'èkoep.
Zie ook knagen.
bnauwsel, kërekahan, kër\'tkapan.
knecht, hamba, chddiin, Ar.; een
der —en, hamba sèya/a- hamba, patjal,
zie bij slaaf, —, stalknecht, gombala
koeda.
kneehtje, jongen, boedak.
knechtschap, perhambaan.
kneden, van deeg, was, leem enz. me-
ramos, mengoeti
(van oeli), mëlueli; deeg
—, tnèramas ie poeng; wat gekneed is,
ramasau; tot deeg —, ook mevgadon;
tot kluiten of klonten —, meuyepai
(van krpal); met de voeten —, me/a-
njal\\
b.v, de grond werd door de oli-
fanten tot slijk gekneed of getrapt,
tanah Hoe di1a»jak-lanjuk yttdjuk Hoe
j knedcr, pèramas.
! kneedbaar, dapat diramas.
| kneedscl, ram o.san ; deeg, ad uvan.
I kneep, djëpil; lijne — roet vinger en
duim, djéntik, tjoebit, Jav. - , boozu
streek, tipoe, daja, Ukal, matar, Ar.;
daar zit de —, dat is de zaak, zie bij
zaak.
knekel, toelang orany mafi.
knel; in de —, iu de benauwdheid, in
het nauw, teraepit, kapifjikan, b.v. ka-
rena séhaja ini sanyatltih kasakitan dan
kapiijikau, want ik zit zeer in moeilijk-
heid en in de —; in de —, ook ter-
hempet; in de — brengen, mfiijenipitkan.
knellen, mimjëpit, metldjepit, meuyupit.
—   van ring- en pijpvormïgo vuoiwei-
pen om iets, doordat ze te aainv zijn.
studat. —, zie ook nauw.
knetteren, zooals b.v. zout ïn bet vuur
uierefeA. — zooals een geweervuur in
de verte, yëroetoep, bhrdtrap.
kneuzen, viemarkan (vrd me/nar, gc-
!.:....■,!. ook van vruchten en in de
heelkunde).
knevel, snor, koemis, stift», Tuin.; een
—   met bochten, misai berkïfoek ,■ dr
—  .- in orde brengen, wengandaui misai.
— tje in het midden van de bovenlip.
oi-rtvy. —tje, n/i\'sai /a/at hinyyap, d. i.
een — zoo tnoot, alsof er een vliej:
op zit. —, de haaltjes onder de ondel-
lip, fjoemik.
knevelunr. woekeraar, üg. tin/ah.
knevelurü, zie woekeren.
knevelen, binden, m\'enyikat; sterk bin-
den, mëngëbai (van kebai), mhiyeiebal
(van kerebat). —, geld afpersen, uit-
zuigen, mv/uhakan oewavg, lig. menyhi-
sap daralt.
lineveltouw, tali pbtgikat.
knlbbelaar, orany yang tawar ter/a/oe.
kikir.
—, haarkloover, pëvljükil-tjekii.
knihbelen, nuuw dingen, tatvar tër/alor
kikir. —,
haarklooven, mfaitjekit-tjekit.
knie, loetoet; de beide —en, kadoeua
b\'élah loetoet;
de —en buigen, mëlipai
loetoet;
tot aan de —en, sampai diioa-
toet, hingya loetoet;
een huidebewijs
brengen aan de —en van den Vorst,
mëvjembah Uitdoet bayuida; op de en
liggen, doch met het lichaam recht
overeind, b\'erdtri loetoet; onder de —
brengen, onderwerpen, Wtenolojfkam (van
ti}/ok, Ar.), mhuja/ahkan; kin en —en
-ocr page 385-
l.iiii\'i>iii;\'in:.\', — knobbel.                                      3i3
slaan tegen elkander, toeloet berpafoe-
patoe dhtgan dagott,
lij;, uitdrukking
om Je hevigheid van bibberen of sidde*
ren aan Ie duiden. —, kromhout, zie
ald. en lmiehout.
ïLiii.\'iniiv.iif, lipaian loet oei,
knieholte, peUpat Indoet.
knie-hout, kruinhout, kajoe sikoe-tikoe;
de —en in een vaartuig, gading-gading.
kniejicht, sengul loetoet.
knielen, berloeloel, berteloet, meloetoet.
—   van een olifant, goeman, deroeai;
duen —, menggoenamka a, m\'endèroemian,
bet laatste üok van andere groote
dieren, kaïueelen enz.; het linkerbeen
duen — en bet rechter laten staan,
-""ii.- een schutter, die een zeker schol
wil duen, berteloetknn kaki kirt dan
mendh\'ikan kaki kanan;
geknield, ter-
teloet.
knier, zie scharnier.
knieschijf, titupveroeng loetoet.
kniezen, moeroeng, gondah-goelana.
kniezer, petnoeroeng.
kn\\ji\', sekin.
knijp; in de — zitten, kapi/jikan, tersepit,
hnüp<lokter, toekaug pidjit, dokter
knupen, mentjoel/il, mtnt/jepit, meiigetip,
memidjit, uiengepit
, menyetrl. Hel onder*
scheid is als volgt: niet duim en vin-
ger —, tnenfjoebil, b.v. wordt de linker
dij geknepen, dan voelt de rechter pijn,
ineitljoebit paha kirt, paha kanan saki/,
Sprw. beteekent: Ueleedigt lücn den
een, dan trekt de ander zich dal aan.
—   met eene tang of schaar, zooals
kreeften enz. otëndjïpit, b.v. didjepilnja-
dent/an sepitnja,
zij kneep liet met hare
schaar; uiet de nagels —, m\'engetip
(van kelip); de ledematen met de vin-
gers — als gezondheidsmaatregel, mi-
ndtljit
(van pidjit), pidjit, Jav.; ruet
den arm —, mingipit (van ktpit); tus-
selicn de nagels ut\' de toppen der vin-
gers —, m\'èntjetel (van ketel). —, zie
ook knevelen en toeknepen.
knüperlje, tangetje, angkoep, sépit
angkoep, paijipil;
duim en vooraten
vinger als — gebruiken, meng angkoep-
kan djari.
kn\\jptim<>, zie nüptiin*».
knik, wenk, tanda, isjarat, Ar.
knikkebollen, bera nggok-anggok; un-
willekeurig, b.v. onder het dragen van
een vracht, Veranggok-uwggok. — ook
mh/jënggoet en èèrsinggok; aan hel —
geraakt, tet\\seitgtjük-.sen<jgt>k. — van een
slaperige, mengantoek.
knikken, een knik niet het hoofd geven,
b.v. als teeken van toestemming,nvèng-
onggok,
ook een hoofdknik als groei
en het knikkebollen van een slaperige;
onder een vracht gelukt gaande knik-
ken, leravggok. Zie ook bij knikke-
bollen.
knikker, kelifji, kestm, Jav.
knikkeren, Imrmaia kelifji, tnain k\'èsten.
knik kerspel,^(r/na\'iito\'.» kil\'t ij i ,p. këxten.
knip, met de uugen, kedjap, kedjam,
kelip.
-- met den vinger, djentik. —,
vugelknip, djebak; met zulk een —
vogels vangen, m\'èndjebak. — van eene
deur, kantj ing pintoe. — met eene
sehanr, goetitingan. —, hoerhuis, roe-
laa/t pandjang;
geen — voor den neus
waard zijn, sedikd pun tiada beigoena.
kni i mui-. pisau lipaf.
knipoog, toestemmende of nanuioedi-
gende wenk met het oog, kenjil.
luiipni»*\'ii, mimgédjap mata, mengai-
njit, kidjip,
vd\\V. kidjap en kidjap,
Men.; elkander knipoogjes geven, ber-
utti\'in mata.
knippen, mei de ougen, mengedjapkan
mata, mengedjamkan mata, mengel\'is
(van
keus); herhaaldelijk met de oogeD —,
keledjap; luizen ot vlooien ~~,ménindas
(VU tiidas) ;\\u\\/.en—, meuindas toeina,
m. koetoe;
met duim en vinger —,
menielik (\\an pet ik), mendjentik. — met
de nagels, mengetikkun koekoe; aan het
— met de nagels zijn, berketik-kelik.
—, met eene gewone schaar, meng-
goeitting.
— met eene schaar die het
scharnier aan bet einde heelt, zooals
eene pinangsclmar uf eene schaar, waar-
mede men blik en plaatijzer doorknipt,
mengu/jip (van kafjip, zulk eene schaur).
knipHclmnr, goenting.
knipsel, goentingan.
knltteren, zoüals papier, dat gefroin-
\' meld wuidt, miérèêifr.—, zie ook knet-
teren.
knobbel, knoest, boentjak, boe/jak. —,
inzonderheid aan het voorhoofd, ton-
djoli
als zulke — s te voorschijn komen,
mënovdjol. — op het lichaam als aiekle-
veisjhijusel, ook — op den snavel van
een vogel, tombol; ziekelijke —» tus*
si* hen vel en vleesch, die van plaats
veranderen,polong avgin, —, hult, zou-
-ocr page 386-
374
knobl -«\'lm\'litii; — hnop.
nl» van een kameel of rund, Iwnykol,
bonyyil.
—, b.v. van horene, dit- nop
niet duoigcbioken zijn, bon/jol. — , door
verzwciing nuu hun il in ui voeten, boe-
huil.
—, uitwekend gezwel, bvndjul.
— ,
ontslaan duor hel uitpuilen vnn
den navel, boedjal.
knobbel ueh lij», knobbel ig, benyyol;
0 vel al — , bttiyyalbittyyol. —, bul tip
vun bet vooibuold, djtudol. —, zie bij
knobbel.
knobbeltje onder aan vi lichten of blue-
men, bvtniat, b.v. boen taf b\'ulji nanyka,
bet — onder ann een nangknpil; b.
boeuya mettoer,
het — onder aan een
jasmijnbluem; b. ujioer, bet — onder
aati een kokuMioul.
knobbeluil win aan boomen. borittjair,
boefjak.
knoedel, zie noedel.
knoeien, iet;- villen doen, waartoe BOOD
uiel iu staat i*, togeh,
knoest, IlitWOl aan hoornen, boft jak-,
boent juk, gembol, Óongkol, poesoe,bunir.
knoeMt eri«, Uiboetjafcboefjuk, grtoe-
goct,
enz. Zie hnocMt.
knoflook, buuany tjina. Zie ui.
knok, been, toelang.
knoki<*. bfi/oftang.
knokkel, vingergewricht, boekt»- djari.
knol, raap, lobak. —, bol van gewas-
sen, oembi. —, slecht paard, koedtt
gèladak,
Jav.
knolnewiim. Hiervoor is geen woord.
\'Mc —ben in bel algemeen uit te druk*
ken mankt men gebruik van de suiuen-
gestclde uitdrukking.oebi-ket\'dek;c>. v.
eetbaar, uardappclachtig —, sintpuh.
Zie verder bij nnrdvrnclit.
knolrmlü*. lobak kefjil.
knolznact, bidjt lobak.
knook, /.ie knok.
knoop, nan een kleedingstuk, boelang,
kantjing;
ovorsponnen—, kantjing boe-
teu/i roe.
— uun een bandje, kantjiuy
badjoe;
biervun do volgende soorten:
kantjiuy uitruk mtnyigal, k. naruk tne-
tajany, k. sanyka retna, k. sahari boe-
lan, k. korjtae\'koepor, k. majang me-
nyt.nrai.
—, die onder aan een broek
01   aan een vest zonder mouwen gedra-
gcu wordt, kantjing latcidatci. —, dien
Dien ergens in legt, simpoel; schuif—,
strik —, simpoel poelih; vnstc —, sint-
poel maii.
— in een zakdoek om iets
1e onthouden, simpoel inyatan. — in
een touw bij het tellen voor zekere
ronde getallen, yoendal. Het touw,
waatin die —en gelegd wotden, goen-
dalau.
Zie kerf\'m tok. - nnn een zak-
doek of bcuisje, oenf\'tl. —, zooals men
dien legt in een doek, sjerp of dus,
boevtil. Zulk een — maken, ntemboeu-
til.
— aan het einde van een zweep,
famara/i. — of knop aan het einde van
een touw, turksche —, b.v. ann het
einde vnn een valreep, lapula lalat,
boekoe bemban;
zoodanige —, waartoe
slechts twee touwen gebruikt worden,
boekoe ben/ba» du< uu; een beenen —,
kantjiuy (oelanij ; een parelmoeren —,
kantjivy indoeny moetiara. —en drnaien,
puetar kantjing; de — van den inhoud
eens biïefs of eener redeneeiing, boe-
kor;
waar zit de —, apa hoekoenjaf
daar zit de —, bayitoelah boekoenja;
in de —, simpoel maii; een - leggen,
zie knoopen; een — losmaken, aan
een kleedingstuk, inemboeka kantjing,
in. boetang;
van een touw enz. mingoc-
raikau situpoelan, mitnhoeka siutpoelan;
er een — op leggen, vloeken, bertoem-
pah,
— of meik in een lood- of log-
lijn, merkah.
knoopen, de knoopen aan een kleed
vastdocn, menyanfjiny. - , een knoop
leggen in touw enz. nnnjitnpoelkan. -- ,
een knoop leggen in de vier uil einden
vnn een doek ol\' kleed, memoeudjoet
(vun poeudjoet). — van nelten enz.
mi\'iijiral (van straf). — van beursjes
enz. meradjoet.
knoopendrnnïer, pemoetar kantjing.
knoopje», e. s. v. pnarsche bloemen,
bocnya hoelang.
knoopMjjat, roemah boetang, roe utah
kantjiuy.
—, oog, lis voor een knoop,
sosok.
knoopwerk, van netten, siratan; van
bcursjer. enz. ratljoeian.
knop, uitspruit»] van planten, taroejp,
toenas. — van bloemen, bloesems of
hinden in zijne eerste ontwikkeling,
koedoe. — vnn bloemen, bloesems of
binden, wanneer die bijna ontsluit of
zich opent, koentjoep, koentoem. —,
hnndvalsel, pemegang. —, knobbel, zoo-
nis op een gong of cene deur enz.,
tontbol, v. e. deur ook tjontbol. — vnn
vele vooiwerpen, b.v. wandelstok enz.,
kapala. — van een deksel, boetjoek.
— mot ribben ol\' geslepen kanten, zoo-
-ocr page 387-
Knoppen — koek mes.                                         375
knutselen, allerlei fijn werk verrichten,
gPropis, inProm\'tl; mei een mes in bam-
boc, hout, rotan en dergel., wiëraoet.
Uuntwelurü, knutselwerk, gPropisan,
rnmitan, raorfan.
IniuNcIriK\'s pi sa ti raoi\'t.
koddig, djimika, ioetjoe.
koe, ïfmioei ter onderscheiding van den
os, Umhoe brtiua, Op .lava xapï, tam pi,
sapi pPrampoetcan.
Op Sum. djawi;
oude koeien uit de sloot halen, mPm-
bongkar-banykir. utP tuhintijktl-hangkit,
b.v. sampai dimuknija dan dibitugLar-
bangkiruja,
zoodat hij haar uitschold
en oude koeien uit de sloot haalde;
mPmbangki (kan pPrkara jang lama, mPtu-
baugkit ba/ang fPrbPua/u ;
te paard uït-
gaan, op cciic — terugkomen, pPrgï
bPrkoeda, poelang ilMémbot,
ijprw.
koebeest = koe.
hoeluinr, bottod IPtubi»\'.
hoclieriler, tjamhala Ivuiluh\'.
koehoorn, fnndork iPwboe.
koehuid, koeltt Hmbot,
koeien ment, tahi tfmbot.
koek. Hiervoor is geen ander algemeen
woord dan ku\'fih, Cbin. —jes, gebnk-
jes. pau tanau. Jav. koetcih-koricUi, Cbin.;
e. e. v. dikken, platten —, voornamelijk
van sagomeel, gobak; e. s. v. dikken
— van sago, zonder olie of vet in de
pan gebakken, lompik; platte, dunne
—, door de Malejcis gewoonlijk voor
eerste ontbijt gebruikt, IPutping; e. s. V,
inlandaehe —jes, poef»?, onderscheiden
in poi\'toc majamj, p. kPrtng en p. otfai.
De laatste soort is van groene boontjes,
katjang hidjau, gedrukt in Moouivorm ;
platte, vierkante, samengeperste —, b.v.
van gekorven tabak, deeg enz. trpik,
Irmptug,
.Tav. Tot zulk\' een — kneden
of saiiiendiukkcn, miut-pik; een — was,
sabafa HU», ook hatil; een —je vnn
was, benzoë, puttepereha K~wi.,tampang,
bafa;
guttopercha in platte koekjes,
gïfah bPrbata; hij wil den — en ook
het meel, koswihnja >ja moor, fépo:iig-
uja pim tja tuaoe,
Sprw. — bakken,
mrmbakar koi\'irih-koririh.
koekbukker, tw-Lang kaetcih-koeicih,
torkattg panganau.
koekdeeg» ivpofttg kaewilt.
koekenpan, tïmpat bakar koewih-koe-
wih.
koeklok, van hout, kProenling.
koekme», plat ijzer met steel, gebruikt
als op een deksel, of onder aan oen
oiideiM\'hoIi-1 van een hanglainp, gïloe-
goer,
zoo genoemd naar dé vrucht van
dim naum. — vnn een degen, vlaggo-
>tok en/.., kPmurufjak, poeu/jak, pémorn-
tjak.
-- op de punt van ren Uns,
kaentjorp; platronde — op vlagge-tok
of ninst, borirab berfuthang, biwicab
pedada.
— van een spijker, pajorug
pmtot, kap-tla pakoe.
— van een speld,
kaptiht pfniti.
knoppen, liotten, SSrtotnat, bn-larotk
moedu.
lniopxpeld, groote borsttpeld van goud,
kaersang, föroengsang.
haor, knorbeen, knorfbeon, kraakbeen,
loplang mocda.
luiorren, zoonis b.v. varkens, witndt-
ngors, mï-tidcrorui, mtnggXram,
—, broiu-
men, b.v. op een kind, mP.radjoi\'k,
op, beatraffea, tnïuggiusari, rnimtrthi,
Unorrepot, pCradjii\'-k, pPmavfi.
knorrig, maruh, radjoek, ngPmi, -lav.
b.v. djavgan totwan mar ah, mijn lieer
moet niet - zijn. — worden, —,
gemelijk zijn, nitradjofk, b.v. lult»\'
miratljot\'klah Ümakot Abdtwrrahiuau
Hot pPrgi &" TrPuggauoe,
toen werd A.
— en ging naar Tiéngganoe; waka
Machdor-in pon ugPrrulah, katauja,
en
j^M. werd —, zeggende. —, verstoord,
. zonder het in woorden te uiten, mr-
JTrt-.ttgofs.
knot vim garen, iofkal. Deze houdl 40
rejan of strengen.
knot*, gada. —, atrijdhamer, godam,
tjokmar,
zie ook knuppel.
knotten vnn boomen, mtnoetoeli (van
toefosfi); geknot, getopt, van het boven-
einde beroofd, fjaiuporng. —, tot een
knot maken, mïnoekzl\'; iemands hoog-
moed —, uiPrvndahkun liati oraiig.
knuist, (ji:ui(gaM; in iemands — en zijn,
zich in zijne macht bevinden, ada da*
lam gPugganmn fat/g/iu oraug.
knuppel, knots, gada, Skr. tjokmar. —,
korte zware knots, bPlantan; korte —,
\'mii dwars uiec te slaan, (/""\'•\' Itulang.
—, waarmede men op het seinblok
slaat, petvnloeug; platte —, klopper,
goricat. t dikke stok, pe tarnt orng.
knuppelen, mPmPutorng (vnn pPttfoeng);
iets —, nu-mbPla.nl ani, mP.maloe dvngan
gada, m. d. /jok/aar
enz.
i\'imiKelaur, iemand die allerhande fijn
werk verricht, pP.nggtropis, pP.ronüt.
-ocr page 388-
\'ilCt                                   liocUouli — koetshuis.
om pannekoeken of ander baksel om te
kieren, soedip be,si.
koekoek, knp boven Bene kajuit, mayaen;
boven een vertrek benedenaeks, Magoen
axgin. —, de vogel, fjindrairasih. —,
vallicht, j,il<h\'l,ir t>rn»ij. —, ren mnn,
dii- ilc echtbreuk zijner vrouw ver-
draagt, oramg dajons, van dajoils, Ar.
pfmbtta ifik.
Iiiii\'i.ra:ii. In il il,i hij lt\'iiihih\'J:itittlnny MSI.
koek win kol, kï-tlai panganan, kf-lui
koeteik-ioeunk,
koel. frisch, s*djo.-k. — maken, mtnyë-
djwkLitn.
— water, ajar stdjork*. —,
onverschillig, tiada fèdtoeti, tis/fm «er-
dofti. — behnndelen van «en bezoeker,
b*nlatt<j tikar pon luiak, men spreidde
zelfs geen mat, voor ons: men prewn-
teerde zelf* geen stoel; in —en bloede,
moedwillig, démgam &*hadja, d. xttigadja.
koelbloedig, onverschillig, tta-ht fa-
dlosli. dada pï-rdorli,
kochlrnnk, mlnui\'mnn stdjoejr,
koelen, koeler maken, mT-njïilja,>kkitn.
— van gloeiend ij/er, wÜMtfUofp bt-si
pNHvat; zijnen doi>t —, BrimoeièéU&mm
dabayn
(van poeuMU); zijne driften —,
wtëmtocMHutan iaiem-wafaoe; zijne ver-
bolgenhcid aan een ander —, an\'ui-
baemamg rtnlam;
de wind koelt, attyin
mak in t&djoek,
kool hartig. ,liuyn.)i hati jatiy timfn
fadlnrti.
koelheid, kaxPdjorkan.
koelhuis, rin-mah pïrang\'nian, bal ai pt f
attyinati
kooli. sjouwer, arbeider, arany koelt;
als — arbeiden, wOnyorti.
koelkruik voor drinkwater, kvvdi,
ijfndi,
.Tav. dnrak\\ Ar.
koelte, xviljftflr. —, koele plaat», tïm-
pat sPdjork-,
— , wind, een stijve —,
angin fógang ktlat, lettert, wind die
de brassen Bpant; een frisseuc—t angin
ktntjang; een aanwakkerende—, angin
niPnijï-iitjang.
koeltje, windje, angin sVpoewi-sipocwi.
Ook angin .vpor-aïpos, uttyitt lï-atahdiui-
hort.
koeltjes,, frischjen, sY-djoek étdikit.
koelvul, voor drinkwater, fampaja».
koelzeil, saromg pïttjPdjonk, saromg
angin.
koemelk, ajur toaoê fïinbor, ajar soe-
so<- stipt.
koemest, tahi Irmbor, lahi sapi.
koen, dapper, biïrairi, gayah, prawira,
toirawan, pïtrkasa.
—, onversaagd, tjan-
dang.
koenheid, kahnumian, kalakidakinn.
koepel* gewelf, koebbat, Ar. •—, boven-
verdieping, sotor. — over het water,
gebruikt als badhuis, panfja-pPrxada.
—, verheven overdekte stelling op
palen, pamgyoeng.
koepeldak- fH-ap, ttkofip,
koepelvormij», bol, fjïmboeng,
koepokken, kinderpokken, kmtoem-
boehan, fjaf/ar, Jnv. —, inenten, wi-
int nu ui kaliifmborhan, m. tjafjar (\\na
tanam).
hoppokinenter, manfPri fja/jar. .lav.
koopokst of, nanah fja/jar, bï-nili ka-
ioemboehan.
koeren, /ie kirren.
koer», richting, toedjae; van een —,
tatordjv. — nemen, mtnyambU halor-
trati;
den — nemen naar, mtnoedjoe;
bij het nemen van den — rekenen op
het afvallen van het vaartuig, im\'.ii
hoewamg \'u/ar;
een iegel. zijn eigen —
M>txititi-ui.tsinii dtiigtui foi\'djot\'tija ; snmen
den zelfden — honden van vaartuigen,
samen zeilen, bt-riainy; den — zetten
of houden naar, mPaoi\'djar; van den
rechten — afdwalen, sPsat ilai\'ipada
djiilan jiiiiy bvfopf. —,
marktprijs, Iniry
pasar;
rij/en van den —, iiail; luirya
dalen van den —, iaerorn harya; bui-
ten —, van geld, liada lakac lagi.
koermen naar iel:-, mvuiwdjw. —, oji
een bepaald punt afsturen, nii:ncuibak
(van innhiik).
! koestn-art, ekoer II\'•mbo?. — met do
haarboa er aan, fji-a/ara.
koestal- kandang ttmbae, kandany taan.
koe»!eren. verzorgen, niiiut-liharakah
(van pt\'lihard); zich in de zon —,
brrdjïiaorr dirï; zich bij het vuur —,
brrdiiuig; zich —, stoven, bï-rt\'aar/as
zich in het zand —, zooall vogels.
poepoer, He plaat» waar een vogel zieli
in het zand gekoesterd heeft, porpoi-raii.
— van hoop, wrok, liefde, wanlroii-
wen enz., menaroh (van tarok), b.v.
hoo|» —, int-iutroh barap; kommer ol
zorg —, mt\'iiaridi ijinia. —, verwm-
men, mëmanan (van pattat),
i koeterwuiilseli, verbasterde taal, bï-
hasa kafjaiikitM
(van kafjau, gemengd)
koets, kit/i\'/a, zie r\\jtui*£,
koetfthui», bangsal kareta.
-ocr page 389-
koetster — koken.                                             377
koetnier, kors\'ir, tdis, Ar.
koetopnarri, koeda kureta.
ltoevoet, loewil, ptredjang, ptngaempil;
met een — iets oplichten, mPnoewil,
mëngoempil.
—, breekijzer, ulubangka,
hnggis,
Jav.
koffer, pëii, Tam. kleerco—, reis—,
pe.ti pakajan. — of kist, b.v. voor de
wajnngpuppen, ko/uk; geheim — tje ter
bewar\'ng van kostbaarheden, tjanda
peti;
gevlochten —tje met los deksel,
ktmpUok, —, zie ook bij kimt.
Uofiermnker, /oelung peti.
ltoflie. kahwah, Ar. kopi; fijn gemalen
of gestampte —, sïrboek kahicah, -f.
kopi. — tot poeder malen of stampen,
mènjêrboek kahwah, m. kopi. —zetten,
mïmboewaf frnhwah, m. kopt; gezette
—, ajar k-ahwah, a. kopi. — branden,
mtmèëkar frahwah, m. kopi; een kop
—, kahwah sa/oe mangkoik, kopi s, m.
— schenken, nünoewang kahwah, m.
kopi
(van toetotme), — planten, niïua-
nam pokolr kahwah, m. pohon
jCyj/h (van
tanam). — plokken, memftik boewah
kahwah, m. b. kopi
(van pïtik).
koffie naai, goeni kahwah, karoeng kopi;
een haal kollie, kahwah sagoeni, kopi
sa/oe karoeng,
Iiofüehoom, pokolr kahwah,pohon kopi.
koffieboon, boewah kahwah, boewah
kopi.
koffiebranden, Zlfst. nw. pe/nbakaran
kahwah.
koffiedik, mvndup kahicah, hampas kopi.
ltoffieaoed, kotiieservies, piring-mang-
kok kopi.
koffiehuis, voor Europeanen, kam.ir
bolah.
lioffieli ut «knecht, djongos kamor
bolah.
Uofliekun, fempat fcahicah, l. kopi.
liofHekoiiimoIjp, kotliekopje, mangkok
kahwah, m. kopi.
koffiemolen, k\'saran kahicah, k. ko-pi.
kuffieplant = koffieboon | de plant-
jes die men ovcrplaut, bibit kopi.
Uoffiephvnt uijc, kvbmi kahwah, k\\ kopi.
co 11 i f| ilaii t er, oraii?/ mvnanam kopi\' (win
koffiepot; grij* narden ~ met luit en
steel, die uit China wordt aangevoerd
en in algemeen gebruik is, kipsau, kip-
i\'ian, k\'psigau.
koffieveiling!, h-lang kahwah, f. kopi.
koffiezak = koffie baal.
kojgol, M\'hict—, p-dui\'ïv,\'. p.\'lor, Jav.;
betooverdc —, die nooit zijn doel mUt,
peloeroe toenang; geweer—, peloeroe
bet/il, p/\'lor setiapatig;
kanons —, prloe~
roe mai\'ijam, prior in.;
ontplofbare —,
peloeroe trpi; holle —, peloeroe bPsi
lantai;
ketting —, peloeroe bolang-baUng ;
tot den — veroordeeld, dihoekoem akau
mali dide.rel
(of di/embalf).
ltOi*elaanzetler, pengasuk peloeroe.
lio\'41\'lh.ili. tt.tnput peloeroe, pi/i prior.
bogelfleooh, bïloeboe.
kogjelijat in een schietschijf, ma/u
fllumat.
koüdaieter, pe.noewang peloeroe.
ko<»elpark, kandang pelceroe.
ko£*eltEin±r, kakatoewa peloeroe,
lioi»el trekker, pi-n/juboet peloeroe,
kogge) viMch; eenc soort van zeer giftigen
visch, die van een angel is voorzien,
ikan bom/al; soorten zijn : ikan boenlul
pisang, i. b. kolak.
kojgelvorni, a/joewan peloeroe.
lioigelvormiu, saroepa peloeroe, boen-
tal, boen/ar.
koiiPlvry, bé/oew.ih, kï-bal.
koiiclwagen, péda/i peloeroe.
kok, djoeroe musak, koki ;h»\\[t—, bij—,
djorroe tanuk, lettert, de rij>tkukcr;
al terneene — op marseh of op zee,
(jompoh; \'t zijn al geen —> die lange
messen dingen, soenggoeh ber djanygoei,
tiada bvrdjoebah,
Sprw.
koken, in het algemeen, niasafr.— van
allerlei, masakmasak, b.v. mijne vrouw
houdt niet \\an —, binikoe tiada soeka
masakmasak;
bezig zijn met - ,beriaa\'
sak-masak;
iets voor iemand ~, m?\'«-
peruiasakkan; o, mijn grootje! kook
toch dit vlcesch, ƒ*, nenekkoe.\' pïrma-
snklah daging ini.
— in stoom, dam]»,
wnsem, gaar sloomen, zoonis men de
rijst doei, mt.ngoekoes (van koekoes), ook
iapoeng. — in een ge.-loten pot of ook
wei in een bus, die in kokend water
wordt gelegd, mingilim (van Hm); rijst
op die wijze gekookt, nasi Hm; in een
hainboekoker iets gaar—, inzondeiheid
kleefrijst, wïlïmang. —, zieden, kokende
zijn, van vocht of spijzen, bérdidih,
mendidih;
ook fig. aan bot — bron-
gen, doen —, meiididi/ikan. —, bobbe-
lon, gvlïgak. — in water, zooala b.v.
aardappelen, groenten. vi»ch,soms ook
vleeseh, afkoken, mï-reboes. — vnn rijst
in een pot met cene bepaalde hocvcel-
26
-ocr page 390-
378                                         kokend — holioanap.
pi-ntantjar; de — stil laten staan om
te ruit men, mtnakoeng (van takoeng).
kokosnoot, boeieah njiorr, boeicah kr-
lapa. De velschillende benamingen der
—  , al naar gelang van de rijpheid,
zijn: — na het afvallen van den blue-
sein, moembang; jonge — waarin het
vruchtwater nog niet zoet is, tjingkat.
—  als die nog zeer jong is, boengsil.
—  wanneer de dop nog kan gegeten
worden, njioer krtongkong. — wanneer
de kern nog een slijmerige massa vormt,
njioer ingoe&aii. — wanneer de kern
krnnkbeennehtig geworden is, njioer
ft/inga kamhing.
— wanneer de kern
zoo hard geworden is. dat zij er moet
uitgepeuterd worden, njioer t/oengkilan,
njioer xoengkoeran.
— wanneer de kern
volkomen rijp is, zoodnt er kokosmelk
van üeinaakt kan worden, njioer jiÏ-
nianlan.
— wanneer het onderste ge-
deel te reeds zwart is, njioer bergigi
bilatttng.
— wanneer het water in de
noot zoo verminderd is, dat het bij
schudding een enkelen keer heen en
Weder gaat, njioer goufjang suka/i.
wanneer zij hare volle rijpheid heeft.
njioer toeba; twee kokosnoten met een
gedeelte van den losgesneden bast aan
elkander geknoopt, njioer sulali. —.
waarvan de inhoud steeds brijstchtig is.
een bijzondere soort, njioer dhnakau
boe/att, kelapa kopjor,
Jav,; oude, droge
—, njioer koetai; groene —, die geheel
alleen aan den trosstengel gegroeid is,
njioer Aidjitti jang toenggal. Zulii cenr
noot wordt als tooveriniddel gebezigd.
Soorten vnn — zijn: njioer gading
n. tltin/ii-truTita, n. padi, n. poejoeh, n.
nipa, n. ïe.mba, n. liidjau,
«. poeaan, n.
foerki,!\'. karah.n. manis-nmnis,n. dadah,
n. ratoes
en n, roembija; gernspte en
uitgeperste —, hampas njioer, krpijal.
—  geraspt en niet suiker gekookt, tot
vulscl van gebak of met klcefrijst ge-
geten, in/at, inti.
kokosolie, miujak njioer. m. kelapa.
voor spijsbereiding bruikbnar, minjak
pï\'ftanak, minjak maian.
— door nï-
rooming van de kokosmelk verkregen,
minjak fukoeng.
kokospalm,pokoknjioer,pohon kelapa.
kïlambir
(Jav. kérambtl).
kokossuiker, gorla njioer, goela kr-
f upa.
Itultowsiip, dat getapt wordt om er sui-
heid water, meuanak (van fanak); in
zijn ticheel gekookt worden, d. i. zonder
het nan stukken te snijden, dimasak
boel at-boelat;
op het vuur to —zetten,
meudjfrung; rijst en toespijs —, bïr~
fa nu k-m ï-nggoela i.
kokend, het kookpunt bereikt hebbend,
bérdidih, mendidin.
koker, schrede, overtrek, saroeng. —,
waarin de inslag der wevers heen en
weer schiet, ecwuonlijk van bamboe,
Zorak; de inplug in zijn —, pa kan WSr*
torak; groote—, van bamboe, gebruikt
om water to halen, boe mimen ff; bain-
boezen —, voorzien van een touw,
gebruikt aan boord om drinkwater uit
het vat te scheppen, fjnloeng; een blik-
ken —, tjanoe. —, waarin men voor
oude landeloozc lieden de sirih stampt,
gobi\'k\'; de danrbij gebruikte beitel,
mink gobek. —, waarin de mast van
een vaartuig staat, toekoeh, bïrombong. ■
— van schildpad of pandanbladen, tot
berging van labak of betel, lopak-lopuk;
open —, schoorsteen, la
22
mpeglas, utm-
prong, Jav. —, zie ook bij bul* en
verder de samen-tellingen.
kokhalzen, het geluid dat aan het wet-
kelijke braken voorafgaat, nundjeloe- ■
wak;
aan het — geraakt, ftriljvloe-
icf\'k, moentah-btlilah.
kok in je. gorla tarik.
kokkelkorrels, toeba btdji.
kokonbnst, bast van de kokosnoot,
mhoet; het lot van den — is te drij-
vcn, het lot van den steen om te zin-
kon, oentoeng labottt lintboel, oevtoeng
bafoe terggelmn,
Sprw.
kokosblad, palmblad in het algemeen,
pelvpah, pTpah; dioog afgevallen —,
bPfarai\', Jav.
kokoKhloemsrheede, xoedang, *eloe-
Hang majang.
kokonhloemkolf, majang njioer, in.
kilo pa.
kokon bloem sten «el, bugal.
kokosilop, te mpoer oeng, ba tok kelapa;
segment van een —, porok, femporok;
boven-te helft van eer* — tïmpoeroeng
•ifivtan,
de onderste helft, /. bHina.
kokoskiern, toemboeng njioer, f, kelapa.
kokosmat, tikar xahoet.
kokosmelk, die van de fijngera-pte noot
wordt verkregen, santin, u/ar nanttw ;
dunne, waterige —, door tweede op-
giet ing van water verkregen, sitntan
-ocr page 391-
B79
kolt o* louw — bomen.
kcr van te maken, ttira, ïahang; het
gegibte —, toetcafc.
kokoMtouw, taft saboet. — :il.« lunt
gebruikt, tali api.
kolo-joneen, zie bijkok.
kol, bles, petak.
kol, tooverheks, zie ald.
kolder, rie banuuk —, vlieger, la/ang-
lajaugan.
kolenbrander, toekang arang.
kolenbranderij, pïrarangan.
kolenhok, goedang arang batoe.
kolenmijn, galijau urang batoe, pêf/t*
bakait arattg batoe,
kolenvuur, bara h/j\'.
Itolenznl , karo-ug arang batoe.
kolf, van een geweer, sikoe btdil, —,
korte knots, tjokmar, gada. —, di.-til-
leer—, koekocsan ; ghuen distilleer—,
bat aug.
1 ■ .11 1..mii. tem pat mtün tjatoek.
kolt bul, boewah ijatorkant boewah l/il.
kolfwpel, pi-nu o i<i uu tjatoek, p. dit.
kollWtok, pentjataek.
koliek, iiioclas peroet. — met braking
en afgang, tjika; hevige —, tjika
kasijaugan, omdat deze doydelijk is als
hij niet in één nacht oveigaat. —met
looze brn kingen, tjika këdadak.
kolk, diepe plaats in water, loeboel\';
in overigens ondiep water, paloeh. Zie
ook draaikolk*
kolokwint, ban/at, Ar.
kolom, sleenon zuil, tijang batoe; een
—  met vlakke zijden, tijang htlimhing,
naar de zoete blirnbing-vrucht. — van
iets dat in —men gedrukt ut\'geschreven
is, tadjoer, ook kolom; zich als een —
verhullen, van rook, mtnaboen (van
taboe»).
Itolonne, tadjoer; in drie —s, ladjoer
tiga lapis.
koloKKiml, ofudjaiig ; buitengewoon lang
en dik van uiensehen en dieren, ook
bugver. Zie ook bijzonder.
kolven, biiitiain fjalorjr.
kom, ma/igkok. Dit is MMÏMxiu de nlge-
meene naam. I >ok wel bailjana, Skr.
doch dit beteekent meer elk vat, waarin
men iets doet. Elke soort heelt zijn eigen
naam, li.v. groote —, wasch—, paxoe.
—  om uit te drinken, eroemj-eroeng of
iroi-tig ; koperen vingcrkoiu, gebruikt
om bij het eten de vingers nat te
maken of te reinigen, kimhok. Zulk
eene — van glas, zooals de Europeanen
gebruiken, kemhof; kat ja; e. s. v. metalen
— zonder voet ftf rtWj. Pfmwiw*irtahia
—   met getaudtn rand, gebruikt lot
overbrenging \\an kleine geschenken,
zuoals wuchtcn, bloemen, gebak enz.,
sanggan; e. s. v. groote — of kop,
fjombottg. — van (\'hineesih porselein,
waaruit rrjstesoep gegeten wordt en
welks inhoud genoeg is voor vier man,
mangkok ka/t dj i; groote, (\'hineesch
porseleinen — met deksel en twee
hnndvatsels, perni; e. s. v. porseleinen
—, van Chineesch maaksel, groot ge-
noeg voor een geilekop, mangkok ka*
pala kamhing
, e. s. v. — niet deksel,
waarop een knop, tot berging van >pij-
zen, voornamelijk op reis, moekoen;
wijde, dikbuikige —, ntangkak- mïrï-
loeng;
o. kleine s. v. —, om uit te
drinken of water mede te scheppen,
hattl; groote meialen —, waarin de
huwelijksgit\'t wordt overgebracht, batil
bvlandja.
— cener haven, muacara. —,
inham van de zee, lélofr. —, vijver,
waterkom, kolmm. —, kolk, diepe —
in overigens ondiep water, paloeh.
kom, als uitroep, mart.
bonman ! nwi, inarilu/i, aja.
komaf, atol, Ar. van een goed —, ba\'ik
asal.
kombuis, dapoer.
komediant, acteur, përan.
komedie, zie coiuedie.
Uoinediespeler = komediant.
komeet, bintang berkolek (van kofek,
harige staart). Ook bintang bÜrekoer,
bintang hénisap
en bintang koe&oes, Jmv.
komen, dalang. — tot, — over, over-
vallen, mXndalangi; doen—,/nendatang-
!,<\'.i.
—, aankomen, te of tot, sampai,
tiba;
tot een goed einde —, slagen,
ber sant pa jan ; er toe —, gebeuren, sam-
pai, sampai djadi;
hoc komt het dat . .. ,
boetapa përinja; huc komt het dat gij
in dezen toestand zijt, boetapa maka
toi-wan salakoe ini.
—, naderen, ham-
pir.
— tot, HiéngHainpiri; doen —,
mënghampirka» ; nader —, datattg ham-
pir, datang dèkaf;
in handen —,dapat,
b.v. die kris kwam in onze handen,
dapatta/t keris itoe kapada kita, waarbij
kërii subj. en kita obj. is; ter ooien
—, dapat, b.v. als dat bericht mijn
chef ter ooren komt. djikalau dapat
ehabar Hoe kapada kapala sihaja;
te
huis —, poelang, b.v. te paard uit-
-ocr page 392-
B60
komen.
sachïlat tui bPrapa harganja/1 nan den
man —, van een meisje, tig. sovmtmel
nnndupat toetoepnja,
letter), hel inumljc
kitjgt zijn deksel; nan den man —,
van koopwaren, takoe; er is bijna niet
aan te —, niet to verkrijgen, rnahut
dileti, toekar ditjïhari;
aan du beurt
—, kena gil ir an; aan de galg —, tidik
pïyantoenyan;
niet uan den gang kun-
nen —, tiada da pat moelai; ann land,
aan wal —, na\'ik daraf; uan booid —,
na\'ik kapal, na\'ik perahoe; achter iets
—, het geheim er van te weten —,
mindapat rakasijanja; achter de waar-
heid —, mendapai ku.be/iaraunja; dicht
bij iets —, ongeveer zijn als, sa\'akan-
akan,
b.v. deze kleur komt dicht bij
groen, warna int sa\'akan-akun hidjau;
er niet bij kunnen —, tiada dapat
sampai;
niet kunnen begrijpen, tiada
bulih mïnyhti;
kom boven, tot een
gast, djempoetlah na\'ik; in gevaar —,
mindapat bakaja; in verlegenheid —,
mendupat kasoekaran; in zwang, in de
mode —, djadi iidat, djadi bijasa; in
veizoeking —, ktna pvrtjobadn, dii/oda .-
in de kt nam —, èïranak, bërsalin,
van eene Vorstin, bérpoetéra; in de
gedaehte —, toevallig zich heiinneien
IPringat; ik kan niet op zijn naam -
tiada sehaja tïrinyat akan namanja
met iets —, nnmbaica, b.v, met geld
—, niPmbawa oetcaug; met eene goede
tijding —, iiihnbawa chabar buik; om
een meisje —, daftuiy mPminauy (van
pinany); om het leven —, mati; onder
dak —, dapat toempanyan, dapat (Pm-
pat doedoek
(of dijam); onder de uogen
— van iemand, tnemandang woeka (\\aa
pandtiny);
iem. op het lijf —, over*
vullen, mPndatanyi; tegemoet — ,datavg
mvudapatkan;
om iemand plechtig to
verwelkomen, datuny mPnyetoe-e/oekau;
terecht — , gevonden wolden, (irdapat;
tot zichzelvea —, svdar, sPdar ukan
dirivja;
uit eene bezwijming, id. en
ook sijoeman, in gat; tot bedaren, rusl,
kalmte —, djadi senuvy poela; tot iets
kunnen —, het van zich kunnen ver-
krijgen, hardvochtig genoeg zijn, sam-
pai hati;
er uit kunnen —, kunnen
lezen, dupat membatja; er bovenop —,
tot rijkdom —, djadi kaja; om op
mijn verbaal terug te —, den draad
van mijn verbaal weer op te vatten,
kimbalitak akoe ntPntjeriterakan; ik
gaan, op eene koe Ihuiskouien, peryi
bïrkoeda, poelang litrltnibue,
Spiw. —
aan iemand, wien hut behoort,/w/«wy,
b.T. de rechtspraak dam over komt
alleen uan Uiij, potlang patio, kiia djoega \\
hoekotnnija;
achteraan —, te laat, bel
laatst —, mëntjurut; niet een ledigen
buik —, oiu eten —, iiitioibiurapïroii;
auu den dag —, uan liet licht —, van
daden, sobit; van andere znken zoowel
als daden, njata, kitara, fakir, Ar., zie ;
ook bij licht en «treek; vuur — i
van het hoofd bij de gebuurte, merO\' \\
djul;
even te voorschijn — en dan
neer naar binnen gaan, zooals eene \'
blak, de tong, mtndjèlir; bij afwisseling i
ui\' beihnling, djiloer-dj»tir. Ouk van
personen, die even builen komen; aan
de oppervlakte, buven den hoiizon —, ,
timboel; te weten —,dapat tuhoe, dapat
chabar, dapat tcarfa.
— uit iet*, kaloe- \\
war, kiloewar dart datum,
— in iel», j
musoek, masuek kadatam ; in de plaats
■— van, ganli, mïnyyantikan, t/jadt
gunti;
te pas —, van pas —, maoe
pa ka f,
d. i. willen gebruiken ; bPr^ddjat, \'
d. i. noudig hebben; to pa» —, bchoo-
ren, betamen, pêtoet, karos, laijr, Ar.; !
tot stand —, djadi; niet tot stand —,
fit/da djadi, bd(al, Ar. ninken dut iets
niet tot stund kumt, uiémbdfufkan;
daarvan komt volstrekt niets, tiada \'.
djadi sakalikali;
van buven —, toe- \\
roe»,
b.v. alle zegeningen — van God, j
segala bïrkat toeruen duripadu. Allah;
hij komt van de trap, ija tonoen dan .
atas tanyya;
aan iets —, verkrijgen,
birutih,inrudapa/,tie gannde en komende
man, orang plryi-datauy, oravy masoek-
ka lor nar;
iemand laten —, soeroek
dat au y;
op beleefde wijze, uteiupïrsila-
kan datauy, méndjeiitpoei\';
niet ver met
iets —, het zal niet veel baten, tiada
birnpa yuciwnja ;
wat moet daarvan —
wat zal dunrvan Worden, upakan dja-
dinja.
— zeggen, tot den Vorst, bï-.r-
datany sPnibah ;
iem. — spreken, datauy
ktndak> fjt-rdjoempa;
er komt regen,
akan ada hoed jan; de tijd zal weldra ;
—, kart akan datany kitak; zoo ver
zal het niet —, tiada akan sampat
bayi/oe;
toevallig, onvci wachts — te ;
geschieden, Hba-ttba, xakoevjoeny-koe-
njoeny;
duur to staar. —, veel geld .
kosten, mastiek ban jak; beland ja; op
hoeveel komt dit luken te staan, ku\'in
-ocr page 393-
komfoor — konine.                                           381
\\ kommerlooe, tiada berkasoekaran,
dada bvp>\'r/jtn/aan.
: kommetje, om uit te drinken, tjatcan,
mangkok- kï-tjil.
— voor de betelnoot
in een bételdoos, tjawan pinaitg.
van metaal om uit te drinken, ook
gebiuikt bij bet baden, batil. Zie kom.
kommie*, kornis.
kommieshuir-jf, wacht huisje der
douanen, balai mata-mata.
komimw,/><:</[»//«« i^van dom, -In. . naald ;
zich naar het — richten, mtngambd
ptdoman;
de streken van het —, mala
pëdomuH;
miswijzing van het —, sem-
bir pëdoman.
Kiiiiili:i»in\'u.",cl, tjiiitjin pidvn-.an.
Iiunipuwbus, loetoepan péiloman,
k< jiii ] <:i~l;mi ] >. tui/ipo pëdomttn.
komputmuiMje, rufinah pïdoman.
liompitHiiHiiKt, djarocm pidoman.
kompnHMtreek, mata pidoman. De
kompasstieken zijn: Noord, oefara;
N. N. O. oetara iiiaoer lat/cl; >i. U.
timoer laoet; O. N. ü. timoer timoer
laoet;
Oost, timoer; O. Z. O. timoer
mintnggara;
Z. O. tenggara; Z. Z. O.
se/atan minëiiggara,- Zuid, sttatan \\\\\\v\\.
straalachlige, waarschijnlijk naar de
vele stuiten, die de Indische Archipel
in hel Zuiden hoeft); Z. Z. \\Y. sï-tatan-
sitatan daja; \'/,.
\\\\. stiatu/t daja;
\\V. Z. W. barat\'barat daja; West, ba-
rat;
W.N.W. barai barat laoet; N. \\V.
borat laoet; N. N. \\\\ . oetara barat laoet.
komplot, i/ioi-djakat ora/tg dja/taf, m. o.
doerhaka.
komjilotleeren, biriaoeaj\'akal héndak-
ntiitdo<Thaka.
kompreH, zie eompres.
kom»t, dalaug; sedert uwe —, sémin-
djak datang tot-fat/.
—, amikouist, ook
kadatangau. Zie ook amikomat,
Itoint-i-hiip, itarta, ehabar, berita.
i koii«l*«hnppen, mea-urtakan, méng~
c/iabarkau, mt-mbt-ritu.
komttii-hupper, piwarla, pï-mbïrita,
a/jai/g, oratig ja»g miiuhaica ehabar.
konfijt. Manman, haltcd, Ar.
; konfijten, mimpérboewat mauisan;
allerlei gekonlljte zaken, conliluren,
manis-manisaii.
kon\\j»* f"pai, kélin/jt\', kaweloe (l\'ort.
euelbo). Zij zijn, even als du heien,
musschni enz. door ons ingevoerd.
koninir* radja, ook in het schaakspel
en bij andere spelen, b.v. radja gasin\'j,
kom in nHr huizen der aanzien!ijken,
rat at ah si-gala roemak orang besar-besar
sehaja natki
; hoe komt het ilat, apa
iébab/ija, apa moetanja;
hel komt dnnr
vnn daan, dat is de reden, ifoclah
sebab/tja;
wat zal daarvan —, wat zal
daarvan het einde zijn, apa kasoeda-
hannja;
tot aan de linnen —, sampai
dimoelott.
— van den wind, béil\'jwp;
de wind komt uit de» oosthoek, a/tgitt
btttijoep dari sabita/i Canon-;
over een
■treep, grut, lijn, omheining, muur
enz. —, meJaloei; te kort —, gebrek
hebben aan, kakoerangan; niet genoeg
zijn, koerang, liada tjuekoep; verliezen,
rocai; kom hier! marl sini, maritah,
marï;
laten —, van personen, soeroeh
dading;
bevelen te zenden vnn zaken,
toeroek kirim; met be[i, obj. minjoC\'
TOeh intngirim
; uit de schulden —,
Upas hoetang; te hoven —, overwin*
ncn, mingalahkan, miiiatig daripada.
—, zie verder de samenstellingen.
komfoor, test, vuuipot, kératt, dapocr-
dapoer, ptrbaradn, atiglo,
C\'hio. dapoer
kefjil;
e. 8. v. —, dat op een stang
bevestigd tot flambouw dient, shang-
kak- api.
—, waarin do otl\'erstokjes
verbrand worden, die bij de ceremonieën
der t\'bincczen gebruikt zijn, njolo. Cbin.
komiek, tellet, nw. alan-alan, ogak-
ogak, badot-t,
Jav. banjoel. —, bijv.
nw. siloeroh, loetjoe, djinaka.
komijn, djïnfan, waarvnn twee soorten,
de t/j int a/t poetih en dj. hilam.
komkommer, limoen, hantimoen, mtu-
ti/noen, kttinwfü,
Jav.; e. s. v. bittere
—  (momordica), die als groente gegeien
wordt, prrija,pïto/a. — in\'t zout. asinan
kétimoen.
— in \'t zuur, afjur kttimoen.
komkoinuieranlntie, rovdjok" kéti-
moett.
liointnandant, konttmdan.
kom mum leur, komanduer.
kommer, pértjintaan, soegoel, veib. vim
sjoegroet, Ar.; ia — nederzilten, doe-
doe]: berfjinta;
grooie —, nastapa (tkr.
manastapa, kwelling des geestc»); smart
en —, dueka nastapa; in groote —
of zorg veikeeren, tij", ajar dimi/toem
rasa ttot-ri, nasi dimakan rasa si-kam.
—  veroorzaken, méndoeka-ljitakan.
kommeriyk, verdrietig, di/tgan doeka-
tjita. —, zorgelijk, dengan pirtjintaan,
dengan sjoegroel, masjgroel,
Ar. —,
armoedig, pa-pa, miskin, kapapaan.
-ocr page 394-
382                                            koningin — kool.
de koning van het tulspel. NB. rat/ja
wordt wel foor het begrip Kuning gc-
bruikt, doch veeltijds beteekenl het niet
moei dan opperhoofd, aanzienlijke. Oui
het begrip van — nauwkeuriger uit Ie
diukken voegt men er MB1 ma/ut,
groot, voor, b.v. maha radja. Verdei
in geschrifte*, sjnli, 1\'erz. matik, Ar.
rafoc, Jav.; de — der wereld, sjah
ulam,
titel waarmede men den \\ orst
aanspreekt. Ook spreekt men den —
aan met toeicaukoe, mijn Heer. en vn.:
hein spirkende gebruikt men hayiiul. ,
Zijne Majesteit. — worden, «dik nuf ja,
djadi radja;
tut — hebben, biradja-
kan ;
tot — verhetleii, meradjakan,
mrndjadikan radja;
zieh als — aan-
stcllen, vuorduen, mïradja; nis --
boereehen, karad/aiiti; de — der —en,
radja sèyala radja; de — der vogels,
radja ti.yala onyyas; de — der elften,
ratlja ieroeboek; de — der apen, radja
kira;
de — der verschrikking, malik
alhaiban,
Ar.
koninmin,radjapïraui poewau.Zij draagt
den titel van pïrmaisueri, verb. vanSkr.
paranx\'svari. Deze titel wordt gebezigd
als men van haar spreekt; tot haar
sprekende gebruikt men toetcaukoe, mijne
Meesteres. — weduwe, djanda radja,
ist?.ri radja mathoem,
koningschap, niartabat radja,
koningsdochter, atiak radja puetiri.
koningshof, astana radja, maliyai,
dahu.i,
Jav.
koningshuis, rvmah radja; het huis-
houilen van den Koning, sïyala isi
astana.
koningsklcur; de— is bij de Maleieis
niet purper, maar geel, koeiiiny. Het
gebruik van die kleur heeft zieh de
regeerende Vorst voorbehouden.
koningskroon, makofa raiija.
koning*kruid, basilicum, roekoe-roe-
koe, soelasih.
kouingsmoord, ptmboenoehm* radja.
lioiiiiiü-inoorilcniiar, pïmboenoeh
radja.
koniugsschev>ter, toeuykat karadjaiin.
koningsslang, boa-constructor, oelar
MawA.
koiiingsstUl, bourt\'k. toendjoefr lanyit.
koningstitel, yUaran radja.
koningstroon, tavhta k-tradjaiiii,konsi
kartu/jaait, sinyyasaua,
Skr. siahïisana.
koningsvosel, oa parady»vogel.
koningawater, ajar k?rat.
koningseer, serofula, sakil paka
sakit baka.
koningsboon, anak radja, poet era
radja.
koninklijk, karadjaiin, sorlfani, Ar ; de
— c kleederen, pakajan karatljaau, pa-
kajan soelfani;
de—e standaard, iJ/a/u
karadjaiin;
de —e troon, taehta kaïa-
djaiin.
— ook alleen ratlja, b.v. hel
—   bevel, Utah radja; de —e gebmi\'
ken, tsfiadat radja; de —e tam il ir.
kamu koetaicarya radja; het— gebied,
hoekoem rtulja; het — bestuur, pfmt-
remUUum ratlja.
—, op zijn konings,
fjara radja, sapïrti radja.
koninkrijk, karadjaiin; het — der
hemelen, karadjaiin sorya.
konkel, vrouwspersoon, die zieh met
knoeieiijen inlaat.}» rampoeuau Sf konkot.
kon kt-] en, sikonkol. Dit en andere
woorden, zooals sïkakir, hebben op
Javu reeds ingang gevonden!
konstabel, djourue mi f ar, yanir (van
hel J\'ing. gunnet).
konstttbelsknmor, tempat pekakas
mar\'tain,
kont, de billen, patitat.
konlnnt, zie comptant,
koiitericiten, mvnyyambar, mtnoelïs
(van toelis).
kontcrf\'eitsel, yamhar, toelisan.
konzeiiielje, knsënil.
kooi, zoowel voor vogels als andere die-
ren, satiykar, kveroeuy, sanykaran, koe-
roeuyan.
— voor grootere dieren, hok,
kandany, b.v. sehuaps—, kandany kam-
biny;
stolp— voor kuikens enz., sï-r-
kap.
—, legerstede, fempaf fidoer, pelt-
doeran.
— aan boord, koetir\'t.
kook, didilt; het water is aan de —,
ajar hamptr btrdidili; het water is vau
de —, ajar tiada layi herdidih; aan de
—  maken, mïndidihkan; het water is
van de — geraakt, «par ttrhinti didi/mja.
kookboek, kilah maxak-masakan.
kookgereedsehnp, pérkakas dapoer.
kookhnnrd, dapoer.
koukhuis, dapoer. zie keuhen. —,
waarin het afgetapte palnisap, nira,
tot suiker gekookt wordt, tabak.
kookk n 11 si. pandai inatak-matak.
kooksel, matakati; zoo het alleen in
water afgekookt is, rïboetan.
kookwerk, ptkl-rdjaan matak-masak.
kool, de groente, koebit; kappertje»—,
-ocr page 395-
kool koorts.                                                383
koebis knpri; kleine snvoije —, kvetii
telor;
het is allemaal —, samoricanja
p\'Prkara jang tija-sija lelaka;
iemand
eene — stoven, inPniporkan orang (van
timpe), mPmpPrdajakan orang. — ver-
koopen, hPrljrritPra kosong.
kool, vuur—, bara-api; doove kolm.
bara pa\'lam; op hccle kolen zitten. tPr-
puljak dibara Aangaf.
—, steenkool,
arang bafor. —, houtskool, arang.
koolpnlm, waarvan men de spruiten
als groente eet, p-\'koe taoct.
koolMblivd, daora hoirbis.
kootteer, brlakin, bP/angkiu, veil». Bug.
koolxund, biilji koebis.
]fi>nl/u\'iirl, hitam iPgam, hitam sapPrti
arang.
koon, WAttg, pïpi; blozende —en, pi pi
m>\'tah;
blecko —en, pi pi poetjat.
kooi), siibj. pt\'HihHi; ohj. bPlian; te —,
didjoewatt lundak didjoewal, b.v. dit
pnnid is te —, kor/fa mi didjoewal;
een — sluiten, mPmhPli,djadi- mP.mbPli;
toen de — gesloten was, IPtub djadi
soft/uh dibPli;
een — toeslaan, iian-
ncmen, wPngidjabkan. (van idji\'tb, Ar.):
te — loopen, met koopwaren, wëttdjth
dja, bPrdjadja;
met iets pronken, iaPnt-
pp.ragakan
(vnn aga); zijn eigen schande
te — dragen, kPra niPmijmkan tahinja,
Sprw.; op den — werken, mfmÓoewat
barang-b<irang kodian.
Zie koop<*oe<l;
op den — toegeven, mina.wba.bi dingan
sPdikit;
op dieu —, onder die voor-
waarde, dPugaa djandji i»i • niet door-
gaan van een —, tiatta djadi wmhïdi;
is dit te —, didjoeiral i»i, mi didjut-
icalf
—, zio verder de samenstellingen.
koopakte, suerat djonrat-bPli.
koopeontrnut, soera/ pPrdjandjian
djoeiraUfli.
lïotipilii!*. fiari Ulantj. letterl. verkoo-
pingsdeg.
koopen, mPmbili; voor of ten behoeve
—, mPmbPlikan; met fiereed geld —,
mPntbPli timbang tofnai; alles in een
koop —, bPli tandang; van alles een
beetje —, niet in het groot opdoen,
kPfok-atPiik; op risico ■—, mPmareh
(van pan-h); de vcr>tooting of echt-
scheiding —, door de vrouw, mot dani-
voor een zekere som te betalen, mPnP-
boes falah.
— op crediet, mPmbPli
hoetang.
— op tijd, mPmbPli dPngan
djandji;
duur gekocht, bPli mahal;
goedkoop gekocht, beli nioerah. — en
, verkoopen, djoewal-bPli. — van slaven,
mPnPboes, ook al worden ze niet vrij
gegeven; gekochte slaven, orang tP-
boesan.
kooper, Jtc\'mtï\'ti, jaag niPmbPt\',
koopi*iori«j» kooplustig, koopziek, soeka
mPmbPli.
koopsond, sWniiy JWraaj kndian (van
kodi, snees uf twintigtal; dus zaken die
bij twintigtallen in den handel worden
gebracht\', b.v. koopschoenen, êfpatoe
kudian.
Op .lavn Itodtn.
koophandel, pPrm\'jagaant pPrdagangan.
—   drijven, banijagu, bPrnijaga; door
in het grool op te koopen en in \'t klein
weer vnn dr hand te zetten, inénorlak-
merajih.
koopje, billijke koop, pvmbéfian jaag
moerak; een — snappen, bekaaid uit-
komen, kPtjiic-t; eon — gesnapt heb-
ben, er iogeloopen zijn, kPna djPrat,
tPrdjerat;
een — gekregen hebben, een
mal figuur maken, b.v. door een roésail-
liance enz., kadjvinalan.
koopman, handelaar in het groot, san-
dagar, hijapPr\'t, orang banijaga;
vaste
—   of winkelier, bij wien men steeds
koopt, rakanan. Itngganan, Jav.
koopireltt, kooppenningen, o?wangpPai-
beli.
kooppr\\JN, har ga. pPinbrfijaa.
koopMliul, bandar.
koopvimrtler, koopvaardijschep, kapat
pPriiijagaa/i.
koopwaar, barang dagangan. Men
maakt onderscheid tuatchen koopwaren,
die verkocht worden, djoewoMjOêwtdan
en — die gekocht worden, bPli-bP/ian;
allerlei —, die men langs de huizen
rond vent, djadja-djadjaan. Met zulke
—   loopen, uiPtidjadja.
koord, touw, fait; ter onderscheiding
van gewoon touw, fa/i jang tPrpinial;
zijden —, tali soetPra; tot de — ver-
wezen, d\'thoekoem akan ma/i digantoevg.
—,
boordsel, stbar, fa/t ajar; op de
—   dansen, laPnari di-afas tali. —,
streng enz. om iets in beweging te
brengen, b.v. een drijfriem, het touw
van een vnlluik enz., pPsaicaf.
koorts, dPmaia ; de -— hebben, bi rdP/aam,
de — krijgen, kPna dPmaia; de heete
—, typheuse —, dPinam kapijaloe; de
koude —, dPmam gigil; bij afwisseling
heete en koude - , dvmam panas dhigiu,
dvmam panas-tis,
Jnv.; e. s. v. koude
-ocr page 396-
SM
koortsachtig — koppel.
—, dëmam pUih. WoUtofcl met nan-
doening vnn de lever, vun pelih, de
lever; koudo — met op/.etting der
mill, (letnitM hoera; alludangsebc —,
dëmam sahari-hari; nndcrdaagüche —,
ili in.(ui aakari lëpas sahari; derden*
daagschc —, d&MOm sahari lëpas dotica
hari;
binnen—, dëmam oeral.
koortsachtig, koortsig, een gevoel van
kooitl hebben, rpjasa.
koortsidng, hart tl f mam.
koortnliit te, panas dëmam.
IcoortMmidrlel, obat dëmam.
kooPtHverwckkenil,^!»^ mëndatang-
ktw il f niam.
ItOOZptl, zie lit\'l Kno/i\'ii.
kop, kom, mangkok. —pen en ftchotels,
pinggan-mangkok; laatkop, mangkok
bekam.
kop- vnn een dier, bovenste gedeelte,
van een voorworp, kapala. — van een
varken, kapala babi. — van ecne speld,
kapala pëttiti. — van een vaartuig,
kapala përahoe. — van een spijker,
pajoeng pakoP, kapala pak op. ; over den
—, toenggang; aldoor over den —,
topnggang-mënopnggang; op zijn —,
topnggang balik; over den — gaan,
van een vlieger, niïnikaw ka/jiiwaklvan
tiiam); van een koopman, gevallen,
dja/o/i. Ook sïham, d. w. z. op bet aan-
gezieht gevallen, zóó dat bet gelant
ergens in bedolven is, b.v, in den
modder, zand, de banden en/..; den
—  voor de voeten Inttoa, wCJmMUJjwtBg
kapala
(van panfjaeiig); zonder — of
staart, ttttda hindoe hilirnja; hal? over
—, vnn vluchten, lintangporkang, taeng-
gangdanggang;
met den — gebrnid zijn,
gila, sar sar; een goeden, gezonden —
hebben, bërïtkal bord i jang ha\'iktriugan
kapala;
een stijven, onver/ettelijken —
hebben, kërax kapala, kapala \'ja f of,
ttgar haft.
— als lmIptclwoord, orang,
b.v. de bemanning van dut vaartuig
bestaat uit twintig —pen, avakpëra/toc
Hop doiwa poi-lot\'h orang banjaknja.
koper, tembaga; rood —, tembaga, ter
onderscheiding onk: tembaga tarrah;
geel —, kofu\'nigan, tembaga koeumg,
—. klokkcnmetaal, een mengsel van
—  en zink, tembaga përopnggop, lojang;
blad - , përada tembaga, daopn tembaga;
voor brt koperen vnn schepen, lembaga
lapistw;
getrotcn — in itavcn enz.,
tembaga lantak.
Uoperaehttg, saroppa tembaga, sëpërti
tembaga; vermengd met koper, bërtjam-
poer tembaga.
koper<lrna<l, dawai tembaga, kawai
Irmhaf/a. —, waarmede men den hoek
aan het vischsnocr bevestigt, përamboH.
koperen, Hijv. nw. tembaga, dari tem-
bagti.- geel —, kopnhigan, lojatg, dari
ko*ningan, dari lojang.
koperen, Ww. mélapis denman tembaga ;
een gekoperd schip, kapal jang dilapis
dénqan tembaga, kapal jang bërlap\'skatl
tembaga.
kopergelcl. omvang tembaga.
kopergieten, pënoewangau tembaga.
kopergi.\'ter, fopfeang kopnhigan.
kopergoetl, zi<- koperwerk.
kopergroen, tabi tëmbaqa.
koperklenr, tcarna tembaga.
liopormvjn, lamhang lëmhaga, gal\'jan
tembaga, fjëbakan lëmhaga
koperroewt, tahi tembaga.
koperroort, sulph. rupri, iëropti.
kopersluger, toekang tembaga, pamdai
tembaga.
kopcrsnü\'lt\'r. pengoekir dalam tem-
baga.
kopervitriool, ferorsi.
koper werk, baranipbarang (ëmbaga,
prrkakas tembaga, serba tembaga. — van
geel koper, fmrang-barang kopnhigan,
pëkakas kopningan, serba kopningan.
kopgla»*, mangkok bekam.
kopie, afschrift, m/mm* soprat.
kopienoek, kifab salinan snprat.
kopieeren, menjalin soprat.
kopieergeld, opah menjalin soeraf.
kopieermachine, pïkakas menjalin
sopraf.
kopiist, orang menjalin SOPi\'at.
kopij, exemplaar, waaruit wordt ovcr-
gesrhreven of waarnaar wordt gedrukt,
nosrhaf. Ar.
kopijgpld, g<tdji nosrhtif.
lcopyreeht, hak HOtchat.
kopje, mangkok\' keljil. —, kommetje
om uit te drinken, zonder oor, tjawan.
— 8 en schoteltjes, fjatcan dan ping-
gan;
het -Tav. mangkok piritiy komt
meer en meer in gebruik. — met een
oor, tjattgkir, tjawan bertjangking.
Itopmcs, pixan pëmbekam.
koppel* panr, pa sang; een — ossen,
lemhop sapasang. —, paar, man net je
en wijfje, djoda; een — duiven, mvr-
pati tattjodo.
—, troep, menigte, katcan.
-ocr page 397-
386
koppel — kort.
koppel, koppolband van zwaard, bajon-
nel enz., sandatig.
koppelaar, koppelaarster, djoeroeman, ,
p\'endjoero-man, pitang moeda, alkoe.
koppellmlk, omhang.
Loppden, een meisje en een jonden \'
nnn elkander brengen, niendjodokan.
koppen; koppen zetten, membekatn; \'
door middel van — bloed n flappen,
mëufjandak.
koppeiiKiieUen, mengajau (van kajak).
koppeiiMiieUer, pengajau.
koppenzetten, membekam.
ltoppenzettcr, ptmhekam. —, barbier
en wondheeler, hadjim, Ar.
koppig*, degil, keras kapala, tëgar. —,
on volgzaam, halsstarrig, onbuigzaam,
bingat, bengal. — vim een drank, ttië-
mabokkan.
koraal, kornalstecn, karang; gelakt —,
bloem —, karang boenga; allerlei —, ■
karang-karangan. — , koralen, die men
uan rijgt, van allerlei kleur, ntanik-
inanik; bloed—, merdjan, Ar.
kornnlnehti™, mei korualbanken, tem- j
paf karang, bërkaratig.
koranllmnk, karang.
kornulboom, karang bufttga.
koriml rif, karang. —, die zich van ,
den oever ver in zee uitstrekt, fadjuer. t
konmlMtren, batoe karang.
korncli, karaei,, Ar. vulguns de Mohnm-
mcdanen is liij de bewaarder van groote j
schatten,
koran, ktirdn, alkorthi, Ar.
kortinat, so-nggar/i-soenggoen, bëratii.
hordon, pengatcal perhinggaiin iirgari.
kordonbetijzel, arn een geweer, tjin-
tjin sëlepang.
koren, graan, gandoem, Perz. trigo;
Tiirkseb —, djagomg; hel kat\' van het
— scheiden, menfjeraika?t sëkam dart
padinja.
koren, het geluid maken, dat aan het
werkelijke braken voorafgaat, n.tndji-
loeual; ook mengoetcek (van ueicek-).
Zie ook brnlcen.
Uorcnaup, tnajang gandoem.
korenakker, brndang ganduem.
korenlmlni, iangkai gandoem.
Uorenmo\\(*n,pënggithigan tëpoeng,ki$a-
\'
rau tepoeng gandoem.
korenschoof, btrkas gandoem.
liorensehuur, gofdang gandoem. Zie
r\\jM-<\'hiiiir.
korensikkel, sa hit gandoem.
korenatroo, m\'èrang gandoem.
Irorenwan, ttjiroe
korf\', mand. Ken nlgemeene benaming
ontbreekt. Voor de verschillende soor-
ten de volgende namen: een zeer run\'
van bamboe gevlochten — ter verzen-
ding van suiker enz., kerandjang; een
wijde, lage —, tijner gevlochten, bakoel ;
gevlochten van pandanbladeren met
deksel, dat moeilijk te openen is, ter
berging vnn kostbaarheden, bakoel gita.
—   vuur naaiwerk, naai mand, bakoel
mëndjahit;
kegelvormige —, die over
iets levend» gezet wordt, b.v. over
kuikens, ook een — gebruikt oio. op
die wijzo visch te vangen, serèkap. Zoo
visch enz. vangen, ntenj\'erekap; teenen
—   of rotan mand, wijd gevlochten,
voor fruit of groente, ook een — om
schelpen of visch in te duen, raga.
voor naaiwerk, spijzen, vruchten, tot
berging van kookgereed»chnp enz., ran~
tang;
e. s. v. grooten —, waarin men
rijst bewaart, voorzien van deksel, rom-
bong;
e. s. v. —, vervaardigd van boom-
bast, vooral ter bewaring van rijst,
katiding. ■—, zie ook mand.
korhoen, boeroeng limboek, b. limboekan,
b. dekvef.
koriander, Htoet»bar; de plant, pokok
ketoembar-, het zaad, bid/i ketoembar.
kornak, zie corniic.
kornalijn, batoe akik-, pennata ïtk-ik~.
kornuit, zie makker.
korporaal, kaporal.
korpst, \\xot\\i,pasoek; bij —ea.berpasoek-
pasvel:
korpMgewiize, paiuel\'-patoekan.
korrel, bidji, boet ir; do grove —s in
het zand, i/ioe paair.
korreliielit iu, berbidji\'bidji.
korrelen, tot korrels iiinken van do
sago, mtnggo-liga (van go-lika, Ski\'.
bolletje).
luii\'-i\'i, zonder baleinen, fjoel\'r, koetang,
pëngampae svesoe,- Kuropce*oh — met
baleinen, korset.
komt, koelit, koelït k\'êeat; brood—,
koelit roti; aangebrande —, zie nnn-
lirnml-el. —, roof van cenc zweer,
ktro\'ping.
kort, patidak; pendel: — van begrip,
akal jang pendel: — en dik, van
levende wezens, sint oef. — en dik,
papak: — naar evenredigheid van de
diklc, hmtok:-— en breed, ineengedron-
27
-ocr page 398-
:isu
kortademig — kost.
gen, dr lonkte niet in verhouding lot
du breedte, b.v van hut aangezicht,
een liHii1!,. vaartuig enz., boent ak; te
—   van klecren, hel begrip, «en weit,
been of ander lichaamsdeel, levens-
duur enz., singkat, b.v. een weg die
te — is, djalan singkat; een heen dat
te — is, kaki yang singkat; nis het
leven te — is, dan verlengt hij het,
((/\'ka oesijanja singkat, didjadikannja
landjoel;
te — van onderen, b.v. van
kleederen of gordijnen, sent eng; een te
—  kleedje, badjoe jang senteng; te —
min het einde, te — om aangevat of
geknoopt of in iets gestoken te wor-
den, tjoepoel. — van beunen, bij een
gewoon bovenlijf, ook — opdepooten,
van dieren, denak, — begrip van een
rede of opstel, ringkas; een —e brief,
soerat jang ringkas. — besrrip, resumé,
idjmal, Ar. een kort begrip van tets
geven, mengutjmalkan. — zijn, in spre-
ken of schrijven, zich hekoiten, me-
ngambil ringkas, men ga m bil pendek at oe-
ran, m. singkat
; binnen —, spoedig,
lekas. — te voren, i\'èrd\'ehoeloe sedikif.
—   daarna, tinda berapa lama k\'emoe-
dian;
binnen—, binnen weinige dagen,
dalam srdikit hari ini. — en klein,
tot gruis, lochch, loeloeh tavfai,; ri-
moek-r\'edam.
— en klein gooien, w-
loeloehkan, tneloeloendaufakkan, mer\'e-
moek-redamkan.
— van stof, spoedig
boos, — nangebonden, lekas-marah; te
—    komen, te weinig zijn, koerang,
ta\'tjoekocp;
te weinig hebben, kakoe-
rangan
,- te — schieten, onderdoen,
fiicas, kalah; in het —, — en goed,
pendek sa/tja; een hoofd —er maken,
mëmantjoeng kapala. — van gezicht,
bijziend, mata Itajam, boeta ha jam; te
—  doen, benadeelen, meroegikan; zich-
zelven te — doen, meroegikan dirivja
s\'èndiri,
zichzelvcn hot leven benemen,
m\'èmboenoeh diri. — van geheugen, lèkas
ttrloepa.
— van adem, s\'esak dada, na\'
pas pendek;
iets of iemand —houden,
mëmbantarkan, b.v. djikalau t\'tada di-
bantarkan, nistjaja mèndjadi besar,
als
hij niet — gehouden wordt, zal hij
stellig groot worden. — en bondig,
dtngan sapatah kata sadja, dëttgon
ringkasnja ;
de kortste v,meg,/>ititos; den
kortsten weg nemen door, memmtas.
kortademig, tiapas pjndefr; — heid,
pinjakit lUah.
kortnf, zie bij kort.
kortbeenijï, draak, kakt singkat.
Uori .-I \\\\\\i, zie bij kort.
lïdrl elinj£*, \'\'■\'\'■"■/ lama, belom bagitoe
lama, beharoe ini.
korten, korter maken, memandakkan,
memen/i\'ekkan ,- het haar —, m^avndek-
kan ramboet, mémotong ramboet
(van
patong); de nagels —, mémotong koe-
koe;
de vleugels —, memotong sajap.
Iemand de vieusels—, zie iemand kort
houden bij kort. —, aftrekken, in-
hoiiden, memotonq, mrnfjengktdortg; don
tijd —, melenipi. memffiabiskait icrktoe.
L. u-I li;i i-i ■\'. beeamboett pendek-; van huid-
haar, bërb()"toe pendek.
kortheid,pendek, ringkas. Zie bij kort.
korthciilMhnlve, sehah hendak mèngam-
bil ringkasnja sadja.
korting, aft rekking, inhouding, jtoto-
ngau, tjengkolongan.
kortpooti» — korlbeenijg.
liortstmirt, togel, ragas, abtar, Ar.
kurt«tn«rten, m\'enogefkan, meragas.
korl stoiidi;;. sa\'saiit lamanja, x\'éinan-
fata sadja.
Zie bij tijdelijk.
kort»\\\\*yi. goerau. svnda:, p\'ergoeramcuni,
perma\'inan; uit —, boeital ma/n sadja.
kort*»w\\jlen, bnyoeratt, main,bers\'ènda.
kortswijler. orang bergoeran, orangp\'e-
ma\'in, orang djtnaka.
kortwieken, memotong sajap; iemand
—, zie bij kort.
kortzichtig, bijziend, mata-hajam, boeta
hajam, raboen;
kort van beirrip, il kal
jang pendek, ükal jang pifjik, singkat
pemandangan.
korven, in manden doen, mëmboeboea
dalam keraadjang, meuibakoelkav, mem-
bueboeh dalam ranfatu/
enz. /ie kort.
korzel, knorrig, zie a)d.
koftmetiek, reukwerk, baoe-baoeiean
jang haroem;
e. s. v. —, kasai.
IcowNcm, kwabbe nun den huls van soin-
mige dieren, gèlamtnr, djoembil.
kont, spijs, voedsel, makanan; zie ook
bij «pijs. —, voeding, onderhoud,
rezek-i, Ar.; bij iemand of ergens in
den — zijn, m\'enoempang. — en in-
woning, toempangan dan makanan; den
— winnen, mentjehari rezeki. Ook alleen
mentjihari. zijn eigen — winnen, iaën-
fjehari lêndiri;
zijn afzonderlijke —
doen, berldin périjoek; samen in de —
zijn, sapirijoek; alleen voor— en klee-
ren dienen, b\'ekerdja mèndapat pakajan
-ocr page 399-
kost -^- kraak.
387
dan makan aadja; smakelijke ,maka-
nan jang sedup
; slechte —, makanau
jatiij koerang buik;
do keele —, t/tak:!»
datam
; de halve —, aaparo makan
datum;
zonder den •—, vuil iemand die
gebuurd wurdt tegen loun alleen, Ie pas
taiigan, tiada makan dalam.
kost, uitgaaf, belandja; up —en jagen,
me/nptrbanjakkan belandja,- up iemands
—en leven, kidoep dengan belandja
orany;
veel —en maken, berbanjak-
bunjak belandja;
te mijnen —e, dengan
belandjakoe;
un —e leggen, uitgeven
voor, membijajakan, metubelandjakan ; te
veel, veiduen, uteneban.
kost buur, duur, huug in prijs, mahal,
besar harga/ija,
—, prachtig, veel waard,
entfahendah. —, veel uitgaven eisenend,
makan èanjak- belandja; een — kleed,
pakajan jang endah-endah ; een — huis-
houdeo, roemaft tangga jang makan
banjafc belandja.
kostbaarheid, luister, pracht, kamoe-
Hjaan, kaendahan.
—, de hou ge kusten,
kabcaaran bflandja; kust baarbeden, v uur-
werpen van groot e waarde,pérkara jang
endah-endah, beuda jamj endah-endah,
mala-benda.
l.osdiiiiis, indoe k- ac/nang.
kostelijk* zie kostbaar. —, voor-
tiellehjk, jang teroetama.
kosteloos, zouder un kusten, dengan
tiada belandja, tjoema-ljoema
,- zuiidcr
betalen, dengan tiada bajaran.
kosten, waard zijn, wurdt uitgedrukt
met harganja, de prijs er van;b.v.wat
kust dit, int berapa harganja.\' het kost
vijf Gulden, harganja lima roepijah;
dat zul hem het leven —, itoelah ukan
menjebabkan malinja.
kosten, uitgaven, belandja; de—beta-
len, mhnbajar belandjanja,- de — bere-
keuen, mengira-ngirakan belandjanja;
tut do — veroordeeld worden, dihoe-
koem akatt mèmbajar belandjanja;
up
- — van, denga/t belandja.
koster, kerkbewaarder, penoenggoe
gredja.
kostgun^er, orang me noem pang ; ieitt.
die or kuatgangeis up nahuudt, zuowel
man als vruuw, indock semang.
kost<-eld, btlandja makan.
kosthuis, roetnah tempal menoempang.
kostuum, pi echt gewaad, pakajan kabe-
saran.
kost winning, pmtjeharian.
kot, hok voor dieren, dengkoel. —, ver-
vallen huiy, roemah boeroek. —, bordeel,
roemah pandjang. —, gevangenis, koe-
roeng, pendjara.
kotsen, mofiah, motutah.
kotter, e. s. v. vaartuig, sekotor, verb.
koubeitel, pahat paling, paling.
koud, dingin. —, frisch, koel, sedjoek;
erg —, dingin tit, aëdjo-\'k Ha; ijs—,
aedjvek sijap; zoo —, van oen vocht,
dat de daarin gestoken nagel er van
kriuipt, serum koekoe. water, ajar
dingin, ajar sedjoek;
als — waler up
\'l lijf krijgen, bagai dirahap kam öusah;
de —e koorts, demam gigtl. — wurden,
djadi dingin; er — van wurden, er
van ijzen, ngeri, seram. ~ ruaken, mën-
dinginkan;
friseh maken, verkoelen,
minjedjoekkan ; het —e jaargetijde,
moeaim dingin, moesim aedjoefc. —, OB-
gevoelig, zie ald.
koude, dingin, aedjock^; iïovatte —,
verkoudheid, aema-u-mu, selèsema; door
— aangedaan, kadiuyinan, kasedjoekan,
kena dingin, kena scdjoefr;
ziek door
gevatte —, aakit sedjoek\'.
koudepis, aakit kenljing.
koudvuur, mati daging; eeae soort van
—, kelémajoeh.
koudzweet, pelueh dingin.
koukleum, orang pendingiu.
kous, aaroeng kaki; lampen—, aoemboe;
geweven —en, aaroeng kaki lenoenan;
gebreide —en, aaroeng kaki radjoetan,
—en Btoppen, tiaifc-tisik aaroeng kaki.
kousehund, pengikal aaroeng kaki.
kout, gemeenzaam gesprek, banljang,
petoetoeran, omong-omong, Jav.
kouten, keuvelen, bertoetoer-toeloer ; met
elkander —, loHoer-menoetoer, mentjé\'
loteh, berbantjang.
Zie keuvelen,
kouter, ploegschaar, najam.
houw, zie kooi.
kouwel\\jk, takoet dingin.
kozijn, van eenu deur, iboe pintoe.
van een raam, iboe djendela.
kraas, van een kleed, n/ja, le/tgkoeug
leher badjoe;
stijve — aan een Maloisch
baadje, kepok-kepofc. — van een vogel,
kaloeng; een stuk in zijn — hebben,
im\'ijoy. naik koeda hidjau.
kraai, boeroeng gaga^\\ gaoek, Jav.
kraaien, van een haan, berkoekoek; het
—, koekoek-, keloeroek, Jav.
kruaiennest, aarat/g boeroeng gagak.
I kraak, e. s. v. vaartuig, k\'erakah.
-ocr page 400-
383                                   kraakbeen — krachtdadig.
hruaklieen, loelang moeeta, toftattg
rawan.
hruakzindelijk, berexih sakali.
kraal, veckraal, kandang —, om ■ * 1 i-
fanten Ie vangen, ranoe. Zie ook ko-
rafil,
linuini. winkel, kfdai; op Java icarong ;
eene ■— opzetten, memboeka krdai, m.
tearvmj;
kraampjes op de markt, da-
»gau-da>igau,
.Men.; in do — liggen,
sofdah beranak\', so?dah bersalin; van
de Voisliu, sofdah berpoettra; in de —
sterven, rtiatï sokit btranak.
kraam bezoek, kraammaal, krnaio-
firitn, feest, dat 40 dagen na de be-
valling gevierd wordt, ba/as bidan.
krumnkind, anak htharoe djad\'t.
U run in vrouw, ptrawpuncan beharoe
beranak:
kraamvrouwenkoorts, demam ba-
anak.
kriuiinziiiverintï, darah nifas,
kraan, e, s. v. hijsehweiktuig, toembak
sojang.
kruan, tuit, tjérat, fjeratati.
braanooib braaknuot, toeba bidji.
kraanvogel; soorten vnn —, boeroeng
kelaboe, boerotmg djbidjang, karkj,
Ar.
kraan-zaag, getegadji besar.
krab, krabbe, kittm ; soorten zijn: Ütmm
randjoetig,
lijn en fraai geleekend (Men
beweert dat zij zwaar vergift is, «Is zij
mot oebi Btinggala gegeten wordt), /•.
tSmpada, en /■. ptuir, eene zeer kleine
■net lleebti eene schaar, die in den
modder of hel zand van het strand
leeft; c. 8. v. eetbare —, krpiting; nog
ueno soort, kéravgkang; e. s. v. land—,
siravgkttk\'; de Moluksche —, belang-
kas, mimi,
Jav. Verder nog, ketam
andjavg-andjang, bangkang
en djang-
kang,
waarvan sommigen zeggen dat zij
niet gegeten mag worden; do — leort
haren jongen om reeht te guun, k\'vlam
mengadjar amtknja berdjalan bef oei,
Kprw.
k rnb, krabbel, forti, tjakar ,garoek; krab-
ben en schrammen, tjakar ba/ar. /ie
hel onderscheid bij krabben,
krabbel, tjakar; geen — <=cbrifts van
hein, sotratitja tiada baratig safjakar.
— e, sleeht schrift, tjakar liajam; met
allerlei —s, tjakar balar. — met een
grif op eene lei of nen op papier,
tjoenting; zulke —8 maken, men/joen-
ting-tjoenting.
krabbelen, menggoris-goris, m\'éufjoen-
fing-tjoenting.
— met de poolen, mèn-
tjakar;
zouals de kippen met de pooten
in den grond, mengdis-ngdit (van kais).
krabbelen, slecht schrijven, m\'enjoerat
tjakar hajam, tnenoelis f. h.
krabbelsclirift, soeratan tjakar hajam,
ioelisan t. h.
krabben ; een krabbel maken, menggoris;
bekrabbelen, ménggorisi. —, krauwelen,
menggaruek; zich den buik —, meng-
garoetc-garoek peroet
,- met de nagels—,
ménfjeiekaa; met de pooten in den grond
—, zooal* kippen, mertga\'is (van kais);
met pooten of klauwen —, msni\'jakar;
met ield puntigs in iets —, b.v. in een
hoop vuilnis, om daaruit nog wat te
halen, koewit\'kapai; achteruit —, terug-
trekken, oendoer; ontkennen, bersang-
kat;
uitvluchten zoeken, berdalihdalih ,-
uit —, mengetik ; af—, meugikis, zie ald.
—, slippen van een anker, melarat.
krahber, pen ggame k, kikis, péngikis.
—, klauw, koekoer, ook tjakar; e.t.\\.
—, waarmede men de kokosnoot uil-
krabt, pengoekoer.
kruimel, garoekait, koekoeran. —, uit-
krabscl, kfrikau; afkrabsel, kikiian.
kraelit, sterkte, k-oewat, Ar.gagah ,■ mei
—, koeivat-ko-\'icat, déng.th gnga/t. — en
moed, gaga/i berani; ergens - bijzetten,
menggagahi. —, liehnnmskiaeht, gaja;
geen — meer hebben, tiada bïrgaja
tagi;
ik ben nog niet op mijne —en,
brloni ada gaja utot; ik ben pas weer
op —en, b-\'haruftah akvi! bergaja. —,
bovennatuurlijke, door do goden ver-
leende, sakti, Skr. kasaktiati; de eere-
inonicit die men verricht om die — to
verkrijgen, paedjaün; die ceremoniën
verriebteu, wtmoedja; zijn — op iem.
of iets aanwenden, menywicaii, meng-
k\'uewat-kc\'tcatkan;
weer bij —en zijn,
vnn iemand, die ziek is geweest, fj^gar;
van — zijn, van toepassing zijn, lakoe ;
van — doen zijn, mrfakuekan; niet
meer van — zijn, tiada lakne tagi ,-
uit — van, duripada sebtdj, dari karena
sebab;
do — (ïods, kudrat Allah% Ar.;
de - die (iod verleent, kwical jang
dikiuoeniakan Allah;
de — der woor-
den, küficasa perkataan; opdat hij de
— van mijn arm ondervinde, soepaja
dikétahoehija bekas tavgankoe.
krachtdadig, kueicat; eene —e onder-
stcuning, pêrlotdorngan bftoel-beloet.
-ocr page 401-
389
lirncliteluuM — krnnUh** UI.
daaraan trekt, de riemen onder het
roeien enz., derap-dtrap, dtrop-déroep,
mvnderap, mt\'mafu\'i djari.
—, zooals
papier, dat men in elkander frommelt,
wndtsiik; iets dotFer, mendésoejr. —,
zooals katoen dnt gescheurd wordt,
m\'-ud>-rt^; iets doffer en ook vnn touw
dat afbreekt, uwnderoek. — door wr ij-
ving of schuring, kerit; het — der
riemen, kerit dajorng. — van een slcu-
tel in een slot, ieretip. —, veroorzaakt
door het loopen in grof /and of door
dorre bladeren, ynesak, gëresik; zwaar
krakend van den donder, tagar; dreu-
nend — van den donder, bergamgam;
een kiukeud geluid maken van het
roer, nit-regaia. — vao brekende takken
en struiken, wanrop een olifant treedt,
kerepak, kitvpuk. — met den mond,
kenkah, metigereka//. —, zie ook ber-
-irn en knappen.
kruien, lucbtbelletjes vormen, berg\'elém-
bot-nyan,
krans* kukut, — voor een hangslot, kukut
laki-laki;
do beugel die over die —>
heengaat, eer men bet slot er aanhangt,
kukot bt\'liua.
kramen* in «Ie kraam komen, beranak,
bttrtatin;
van du Vorstin, bêrpoethra,
kramer* iemand die in eeue kraam ver-
koopt, urang berkcdai, orauy irarung.
--, marskiamer, pmdjadja, pei/ygalas;
(\'hinceachu —, die met zijne waren,
limiiufuftuicn, garen en baad, langs den
weg luopt, fjhia kt-luniung.
knuin-rij. barang-barang djuetcalan.
Wrnttip, in \\iK\\\\\\\\itinoftas,niüeliispt-rut\'t,
ook puf/ar peroi\'t. ■— bij het kramen
en de menstruatie, rujan. — in het
algemeen, kikidjanyan; door — saam-
getrokken, b.v. een arm of been, ketoel,
—, zie ook iimnukfuMip.
kruinpi»uui*", diu bij vlagen komen
en dun weer voorbijgaan, Miijdingeu,
steken, irityat, rëngurt.
Iii\'iuili, sukit: van den Vont* gering;
zeer —, sakit sangat; gevaarlijk —,
sukit pajah ; doodelijk —, sakit kamati-
matian;
dat wat de krankheid verour-
zaakt, de kwaal, penjakit, pan/gering,
kruiikiu-htijx, sakit-sakitan.
kranke, urang sakit.
lii\'iiiilii-iilii\'Wiiiu\'iU\'r, ziekenoppasser,
pklajau urang sakit.
kruuklicul, penjakit; in — verkcererr,
berpi\'iijakit.
hrnchtelooN, zwak, lémah. Oolc vna I
oen woord of gezegde. — van licbaiim,
tiadtt btrgaja lagi. — ninken van boon
iuvloeden door een vervloekende too-
verformule, mtnjerapah (van lerapaA). \'■
— waken van tooveruiiddelen, vergif
enz., meHiap<ts{\\anpapas), tt/t/iaicar (van
tataar).
Wri\\<\'liteluo«Iic*i<l, kalemahan. —, \'
(lauwheid, van iets dat andeis sterk of
krachtig is, b.r. geneesmiddelen, drank,
het gemoed enz., tatcar.
Urn<*litPiiH, daripada sebab, tlarikan\'na \\
tebab, uiiii Lo.-iki.
kracht ij», kvetcat, bfrgaja. —, gezond, :
friteh van liehuain, ook van planten,
sVgar — uittken, mènjtgarkan. — voed-
scl, makauan jang meng koe vat kan toc-
fiui\'h;
een — gebed, permintaiin dua
jang soenygiwh-soeiiggoeh ;
eeo — genecs-
midde), abat jang serast; een — bewijs,
kanjataiin jang tfrang.
hriicliti^lüU, ilfinjan kuewat, tlengau
tü.-nygoeh-sui-iiygorh.
kracht vol, amat kveicat, küt\'/rat savgat,
kruk, zie kraken*
krakeel* tengkar, tjekif, jwrbantahau;
hevig —, p\'ikaluhijaa. — verwekken,
mvtigadakuu pirbautahan.
\\iv\\\\\\ivv\\Qi\\tlh-it<)igkiir,bfitiantah-baiitah;
niet zijn velen—, birtcngkar-tfnykaraa,
berbantah-baittahan ;
hevig —, berkalahi.
hrulit\'eler.yjvrwf/b,ibaidah\'bantali, urang
iértcitgkar, orang pembantah.
krakeeltjt, toekü berbantah-batita/i, soi-ka \\
btrtaigkar, bantahan.
\\tn\\Ut\'\\iniz,kortri/t s\'etimpat,ruti krrkrting.
kraken | biervoor velschillende uitdiuk-
kingen naar gelang van het geluid, h.v.
—, eeo dof krakend geluid maken,
zooals b.v. een vloer, Ivretuek; helder-
der, keretak ; inet verscheidenheid, Mrtf> :
tak-kerefijr, kcretak-mervtik\', — van deu-
i\'eu, venstors of luiken, badesar, b.v.
pitwduejig (itigkap burnji berdexar, het
vensterliiik maakte een krakend geluid.
—, met een knappend geluid, rap ;
met eten of kerven zulk een geluid
voortbrengen, mengerap; met versebei-
denhuid, ra/t-rwp,- hard en krakend bij
het kauwen, zooals een rauwe aard-
appel of komkommer, basau. — zooals
een stoel, die verschuveu wordt, gerot;
met verscheidenheid, yeruk-geralp.
der gewrichten, soak-ïtrijr, lëkap-lekoep.
— zooals do vingerleden, wanneer men
-ocr page 402-
NO
krankzinnig — krent.
fraaiheid nam steeds toe . de vederen
— en in orde urennen, netten, zooals
do vogels met hun bek, meajelisijr (van
stlisik\').
kreatuur, kadjadian, m>u-hiuk, Ar.
Kfi-.ln r. zie i-n\'ilici.
kreriï, hoedang kara/ig, hoedang kttair,
tiimm baltoe.
—, bet sterrenbeeld, bin-
tang moigkara
(Skr. tnakara), sarfan. Ar.
kreeftengang! den —gaan, in zaken,
soeroet, oendoer.
Iireeftsooi;, niitta hoedang ka-ano.
kreel\'UMrlmur, stpit hoeduny karang.
kreek, kleine bocht of inham, soewak;
ia de kreken varen, ménjoewak-; kreekje,
beekje, aloer ajar, anak- ajar.
kreet, van vreugde, soerak. — vun
vreugde slaken, bt r soera k-; herhaalde-
lijk, bérsoera k-soera k. — van smart,
woede, pijn, tarejak; zulke kreten sla-
ken, bvrtarejak-. —, roep, stroe. Zie
ahl.; luidriubtige kreten, rijoeh-rhidah ,■
krijgsgeschreeuw enz. tempik-soerak-.
kregel, kregelig, lichtgonuikt, bengkeng,
lëicat marah.
kreit», afdeeling van grondgebied, dat-
ra/i,
Ar., djadjahan.
krekel, djanyktrik-; e. s. v, —, rijany-
rijany;
e. s. v. —, die een scherp ge-
luid maakt en daiumede de thuiskomst
van iemand, die op reis is, voorspelt,
sanyyit dajoeng.
kreng, banykai —, slecht ^rouwsper-
soon, soendal, ptrampoetran bast.
krengen, een vaartuig op zijde balen,
om het te kalefuten, mïujrngetkan pt-
ra/w
(van senget). —, eenen draai
maken met een rijtuig, m\'tmbeluek-kaii
karcta.
krenken van het bart, mempersakiti
Aa/i;
gekrenkt, sakit hati. Ook leryë-
rak- hati,
b.v. djadi ttrgerafr hati Bïn-
dahara,
dan zou do Kijksbeslierder
gekrenkt zijn; gekrenkt en daarom
gehoorzaamheid weigeren, rodan. —,
besehadigen, imUuesakkait. —, lienadee-
len, mëroeyikau; iemunds eer of goeden
naam —, mtnyëdjïkan nama orany;
gekrenkt van hersens, zie krank-
zinnig.
krenker, dezelfde woorden als kren-
ke:i niet jaag er voor.
krenselen, graan op eene wan heen en
weder schudden, om het te zuiveren,
iiicnyindany-indang.
krent, kujmisj, 1\'erz.
krankzinnig, ijila, edau, Jav.; eenigs-
zins —, sarsar, Pen. yi/d sëdikit. —,
bezeten, wuu/jhogh, Ar.
krankzinnige, urany yila, orany sarsar,
krankzinnïgcngewtieht,        roemah
orany yUa.
krans, karatiyan. — vun bloemen, Éa>
yangan boeitya, boenya dikarang. — uill
het hoofd, buelany-boelai/y; e. s. V. —
oui hut hoofd vim een bruidegom, boem-
ban. — van rotan of iets dergelijks,
paii-pmi, urn du gelijkenis met een rog.
—, krul, gebogen lijn van snijwerk,
kaluek;.
Wriiii-.cn, bekransen, minijhijasi denyan
karanyaa boenya.
krnnsstrop, mar. këtikir.
Wriint, nieuwsblad, tutu-at cltahar; advcr-
tenticblad, soerat lelany.
krantsehrüver, redacteur, ptnyarany
soerat chahar.
Krap. kampir-kamfiirtiada. — toekomen,
Jiampir-liauipir ta\'tjoekuep, — meten,
met eeu lengtemaat, whtgaekoer tiada
Hbih tiada kuerany.
— meten, met
een inbuudsmaat, minakar tiada libih
tiada koerang
(van taka,% — wegen,
miaimbauy tiada lébi/t tiada koeraug
(van timbany).
kras, met iets scherps, garoet, garis.
—, schrap, stroop, goris. —, onrogel*
matige Stroop, t/orek-,
kras, stuik, krachtig, keras.
krnsheitl, kakïrasan.
liriissi-iü schrappen maken, ntïnyyoris,
mhtygaris, mtnyyaroel, méutjorek\'.
Zie
kras. —, een krassend geluid maken,
kcrofr, fórijf; als een vijl, gerat.
krassend,krijschend, van de ntcax,yaroe.
krasser, kugeltrekker, phttjaboet pc-
loeroe.
krater, kawah.
krntes, sibonykok.
krauwel, ptayyarue. •— om het vleozige
uit kokosnoten te krabben, koekoer.
krnuwelen, mé/tgyaroe. —, woelen in
het baar, lut.tyyh\'tijany, b.v. sahari-
hart minggérojtuiy ramboet dan tucaiu-
dts tot-ma,
dagelijks — zij in bet haar
en klippen luizen. — in het haar of
iu de vederen van een vogel om die
glad of elfen te maken, minjoerai (van
suerai), b.v. maka disoerainja boeloe-
boeloe bueroeny ifue, makin sangat bër-
lambah-titntbak elokiija,
zij kruuweldo
in de vederen van dien vogel, en zijne
-ocr page 403-
krenteboom — krijgen.
:!ül
krenteboom, pokok kisjmisj.
krentenbrood, roti kisjmisj.
krentenkukker, lafaard, pPnakoft.
—, gierigaard, orang kikir, orang mf-
nangk<ibau darat,
krenterig, tako>\'t-tako<,tan, pcmakairt.
krenk, kreukel, rimpel, krroi-t, kfdoel,
koi\'ntal.
kreukelen, l>edr. mP.ngr roet kan, mïngr-
flo\'tkan, mrngoemalkan ;
gekreukeld, Mr*
kiroet-keroet, bh-kvdoet-kfdo>\'t, koemei.
kreunen,steunen, inrngrraNglva.il Prang).
—, kermen, mrndPngoes, van dengors,
gekreun, gekerm; zuchten en —, bfr-
l.i\'larh-krxa.h.
—, zooals stervende men-
*chcn of dieren, meutetik-; allerlei ge-
kreun, prkik-pr.kin-k, zie ook bekreu-
nen.
kreupel, tijdelijk, geen blijvend gebrek,
piiifjartg; als blijvend gebrek, timpang.
h.v.borkannja i\'impang, pint\'jang sehadja,
niet blijvend —, maar slechts tijdelijk.
—, mank, trckkchccnend, trnnljort,
b.v. terïntjort btrdjulan, saprrti orang
mïlompat /akornja.hi)
liep —, als iemand
die springt. —, scheef, verkeerd van
uitspraak, intjnrt, ook — van een stoel
i-te. waarvan de poolen niet even lang
zijn. —. van rijm of schrift, djanggal.
—  min heide voeten, timpang kadoetra-
brlah kaki.
UreupelRchtig, timpang stdikil.
ltreupelbowcli, bilorkar, boe kar; dicht
begroeid —.ontoegankelijk oord, rongga.
\'ireupele, orang timpang, orangpi,itja/tg.
liroupelliout = kreupelbosch.
krevel, gatal.
krevelkrukl» daoen gatal,
krevelstiekte, sakit gatal,
lirib, voederbak voor dieren, frmpaf ntakan
binatang, palomgan. —, keerdara, tarbis.
kribbebüten, van een paard, soeka
»>*nggigit, k\'frapti,
kribbebüter, kocda jang soeka mYng-
gigit. Zie het vorige woord.
kribben, kribbig, lastig zijn, merosing.
-  , kcerdammen maken, memboewal
t ar bts.
kribbig, ptrosing.
kriebelen, jeuken, gatal, —, zeer klein
schrijven, menjoerat (of mt-noelis) haloes-
halors.
kriebelig, jeukcrig. ya/a/. — van schrift,
haloet-haloes.
briebelschrifl, toelüan haloes-haloes,
toeratan h. k.
kriegel, zie kregel.
kriek, zie krekel.
krieken, liet —van den da™, dinihati,
fa-ljar mreékah, rina
(van rahhia),
kriel, bijzonder klein in zijne soort, van
menschen en dieren, kaük, op Java kali-,
van voorwerpen uit het planteurijk,
pmli, b.v. — nardvruehl, Ofbi pat/i.
kokosnoot, njioer padi.
krielen, wemelen, mïnggPrrmoel, ntï\'ng-
gtrorntaet, goeme.rPmrt,
Jav ; krielend,
wetuelend op iets samen*troomen, van
inenschen zoowel als dieren, berkïroe-
mom.
—, zie ook wemelen.
kriellimin, krielhen, kriel kip, hu jam
kaf ik, h, draak,
op .lava hajaia kat»\',
kriezel, zie beetje en ziertje.
krüg, oorlog, prrang ; de heilige —,
prrung sa\'/il Allah; den — volgen,
toeroef bf-rpi-rang; den — beginnen,
inorfdi bérpPrang. —, woordentwist,
prtbanlahan.
kr\\jgen, verkrijgen, brrolih, mPndapat,
b.v. een brief --, niPudapuf. soerat ,
geld —, bt-rotih oitcang; niet meer te
— zijn, tiada tPrdapaf tagi. —, met
de hand nemen, mingambit, b.v. vuur
—, mhigamhil upi; ten behoeve van
iemand of iets —-, mengambilkan. —,
vangen, vatten, minuugkap, b.v. een
dief —, ntrnangkap pthitjon-i (van tang-
kap).
—, ontvangen, aannemen, mPin-
ritna
(van terima), b.v. geld —, turnP-
ritaa oncang.
—, getrotl\'en worden,
kï\'tta, b.v. de koorts —, kr,ia drmam ;
een ongelnk —, kPna tjilaka; eene wond
—, kr.na lot\'ka. —, overvallen worden,
kadatangan, b.v. gasten —,kadatangan
djamoe.;
vrees —, kmlatangan takoet;
een post —, bProlih djahatan \\ ecne
vrouw —, tnendapat bint; slaag —,
kïraa poekoel, kPna paloe; trek, lust,
begeerte —, moeldi ingin; twist —,
moeldi bhba,ntah\'hanta.h; gulijk —, in
het gelijk gesteld worden, dihPnarkan;
ongelijk —, in het ongelijk gesteld
worden, disalahkan; het te kwaad —,
het onderspit delven, fiicas; in het
hoofd —, op de gedachte komen, men-
dapat kapikiran
; het in \'t hoofd —,
gek worden, djudi gila; gedaan —,
ontslagen worden uit c-ne betrekking,
dijivtjatkaa, dil f paskan; h ij den neus
—, foppen, mrnijioc (van lijior), niP.m-
jiérdajakan;
te zien, te spreken —,
bolih bh\'djoempa, bolih bïrlzmoe; iets
-ocr page 404-
392
krijger — krHgslrom.
in het hooft! kunnen —, van buiten
loeren, dapat mïngapahcpalkan; over
het hart kunnen —, sampai kali; togen
iets of iemand iets —, moelat sPgan
akant moela\'i djimoe akan;
op zijn
brood —, verweten worden, dibangkit-
bangkit;
het bang, benauwd —, moe/ai
kapitjikan, moelat kasoekaran;
om de
ooren —, kina tampar, kïnatïmpil\'tng;
op zijne broek —, dap-it dipantal,-tan-
den —, moelai toe.mboe.h gigi, dapal
ijiijï;
jongen —, bïranak; ciuren —,
bPrlïlor; eene inUk rauin —, goegoer
anak;
gedaan —, afkrijgen, mPnjoe-
dakkan
(vnn sotdah), nünghabiskan ; iets
gedaan kunnen —, verrichten, dapal
inïagïrdjakau barang apa-apa;
zijne
jaren —, moelai toema; liefde, irenegen-
heid vour cenc vrouw —. djafoh halt
akan sa\'orang pirampovwan
, iljaloh ka-
si/i ukan s. p.
krüaer, oorlogr-innn, orang pïrang.
IrrtJserlJeapelen, mdin mïnyPdjar-
ngPdjar (van kïdjar).
krüirHiiiinseleaenhedon, hal per-
kara pïrang.
krüsHatld, de kuste der krijgslieden,
ijalrija, Skr.
lirUamirtikeleii * de —, hokoem oen-
dang-oendang pïrang.
krüs*kedrüf, pïkïrdjaan pïrang. —,
dappere dund, pirboewatati jang bïrani.
liriii»«l>C\'lei«l, bidjaksana dalain pïrarg.
kr\\j«:»l>ende, pusoekau orang pïrang,
ktiloeinboekan o. p.
a/al pipirangan, pïrkakasan pïrang.
krÜiï»l>evelli«-l>iter, pïiiglima pïrang.
liriii£Ml>on\\vlmnilitE<s orangjavgpau-
dat mïngikaf borlicarfi.
lirüi»:wijouwlïiin»*t, i/moe mïngikat
boehcarli.
lï>*ÜsH<liin<l, pïrbo-ivalan bïraui.
)ir\\js;M<IniiB, niet gelrokken kris, kan-
djar;
dien — uitvoeren, bïrkatidjar.
—    iret luidruchtige muziek op liet
tooneol, struma; e. s. v. -— op Ctlebes,
enz. kabïxarwi; e. e. v. — bij de Boe-
gincezen. wnnrbij zij den Vent trouw
zweren en hem niet engkau nnnspro
ken, eroajr.
Ifi\'UuMilifiiNt, pïkïrdjaan pïrang; in
—   gnnn, bij de Europeanen, tnasoek
soldadoe.
Ur\\ii*fvt\'t\\. soiinpa/i satijn, letter], eed
vnn trouw.
I\'rüa-ipcr, hor mat orang pïrang.
hrüi*wi;ol>ruiW, adat orang bérpïrang.
lirüuiireluU, oen\'oeng pïrang.
WrÜarMjjereecluKihnp, sïrba pïrang,
atal pppïranga*.
krui»\'»«jeroep, krijzsgeschreeuw, krijgs-
getier, tïmpifr soerafr pïrang.
briinnapviuir, fiéhaja pïrang.
lti*üi»*aevanaene, orang tawanan.
maken, minavan.
krijiïwjjowand, pxkajan pPrang.
briiü^sjfiweep, sïndja\'a orang pïrang.
krüi»>««»eweld, gagah pvrang, haiha\'
pisang.
\\tT\\\\>Z\'*\\ja.t\\\\iXt pïrkasa, btraai.
ki*ijy;«heir, lanlara pïrang.
Ui\'ut:-lH\'l<i. orang pïrkasa, oranggagaJ.
bïrani, ho-loebalang.
Ur\\ji«;RkfiiiK, oentoeng pïrang.
krüiï**kiiH, c/iazanab pïrang.
krüiï*kneoUt, orang pïrang, /asjka>-
soldatloe.
krÜonkosten, bïlandja pvrang.
krü«*Uundet ïlntoe pïrang, hikma\'
pïrang.
krUgnkundijje, orang jang faham pad.
llmoe pïrang.
krUuwloijpr, lanlara pïrang.
krüi;-*lie<ien, orang pïrang, sïgal-
lasjkar;
de kaste der —, tjatrija, Ski.
kr*iji»:»li»t, tipor hikmat\'pïrang, oepaji
was/ahat pïrang;
eene — nnnwendci
mïngoepajakan,
Ur\\Ï!Z**Mi\\f\\\\\\.t bala-tantara pïrang.
kr\\iiï>*inn.kkor, kaïcnn dalam pïramj.
brijüHinnn, orang pïrang.
krüi>:**tiiuzi<*k, siga/a boenji-boevjüxx
pïrang.
krüawooi\'ciiintj* pïladjaran pïrang.
ltrÜa^ordoninK, pïrafoeran pïrang.
ltr\\ignover»*te, pïng/ima pïrang, ho>-
loehalang. paha/aicatt, 1\'erz,
kr\\j:»*riin<l, madjlis hoekoem pïrang.
kr\\ji»t*ri\'i\'lil, recbl vnn den oorlog, )ja*
pipïiangan.
kriii»»rok, biuljoe pïrang.
kri(j»Hruiiio»T, lïmpik-soerak pPrang
gnemoero\'-h pïrang.
kriigNtoeruwlins;* ka/angkapan ;■
rang. — mnken, lïïrlanykap akan bi\'-
pïraiuj. birsijap ukan bïrpPrang.
krü jjwt < >i■ 111. angka/an pïrang, angkal-1\'
bala-tantara.
kr\\j«Nlooiicel, tïinpat pïpïrangan, t>"\'
dan pïpïraagan.
kr\\ii>;Nlrom, gïndirang pïrang.
-ocr page 405-
lirüsstrompet ■— krom.                                       303
boelan, pagar boelan, kalangan boelan.
—, zooals aan butfelhorens, boomen
enz. die het aantal jaren van groei
aanwijzen, rënggal.—, krinkel, van up-
geschoten touw, eene slang enz., lingkar.
krinkel, in touw, garen enz., poending.
—, kronkel, van eene rivier, of de zee,
bëlikoe; een boofd of kaap, wnar de
zco of rivier ecnen — voimt, tuudjoeug
bëlikoe;
allerlei —9 of kronkels, zoo-
als eene slang maakt, kilang-Liloek:
krinkelen, bh poending, bërbëlikoe, ber-
kilang\'kilovk\'.
krioelen, ngëtijap. Zie krielen.
kris, de Indische dolk, kêris. — met
een recht lemmet, keris stipoekal.
met veel bochten, slnugvorniig,/j«/W7^,
paroe.ng sari; e. s. v. lange, zware —,
oorspronkelijk van Solok, soendang;
e. s. v. kleine —, soeduek* bikang; e. s. v.
—, afkomstig van Mandar op Celebcs,
sendeiik\'. — met vlammend lemmer,
waarin meer dan negen bochten zijn,
këris tjërita; e. s. v lange —, het meest
in gebruik op Hiouw, k-e ris pundjang;
e. s. v. kleine of korte—, die als bij—
wordt gebruikt, pëndoewa; geluks—,
keris sëmpa7ia; het bovenste, uitste-
kende, getande gedeelte van een kris-
lemmet, tjandja; met de — dansen,
eene krijgsdans uitvoeren, beikandjar.
kris; — en kras door elkander, silang,
pe/iljong-mentjong,
Men. tjampoer baoer.
—  en kras door eene menigte inenschen
gaan, si\'Uinpat-iiiïnjë,limpat.
I krisil>e»ln<£, pendok*.
hrtMobeede* saroeng këris.
kri*Keherper. toekang rut/fjap.
kris*en, met de kris doodsteken, een
duudstraf bij de Maleiers, waarbij do
veroordeelde dour het rechtcrslcutelbcen
schuin tnt in het bait gesloken wordt,
mXnjalarig (van salang).
kriHtal, habloer, ba/ut-r, Pen. baloe bë-
lauda; bergkristal, batoe peloemban.
kristalhelder, hening sapïrti habloer.
kroes, beker, Ijaican; een — water,
satjatDOtt ajar minoest; smeltkroes,koewi,
kroes, koi i gekruld vim het haar, këriling.
kroewhuur, ramboet këriling.
kroeskop, kapala këriling.
krokodil, boeicuja. Soorten zijn : boewaja
laboe, b. katak en b. tëmbaga; dooreen
—   gegrepen, dihaulain bi,t;v:aja.
krokodilsei, lïlar boewaja.
krom, gebogen, bengkokt bengkang; met
Ü8
kr\\ii2Htromi»et, najïri perang, sëlom-
pret perang.
Urü—stuijf, alat pï-ptrangan, sërba pe-
rang. pekakas perang.
ltr\\jiï»v»an» alainat perang.
\\ir\\ili^vo\\hrora?/g perang, sëgala lasjkar,
rOjat,
Ar.
krüiSHvoorraftd, perbP.kalan perang.
kruijswet, hoekoem pêrang.
krü^fzahen, pëkërdjaan perang.
>cy^jlg»MMolitigf sueka bêrpirang, wira-
tcan, pv.rkasa, gembira.
krijach, tarejak, pekis.
krü*<"ken, bërtarejak-, —, gillen, men-
djérit, mëmêkis.
kr\\jt, kapoer belattda; zwart —, kapoer
hitam;
bij iemand in hel — staan,
bërhoetang kapada sa\'orang.
kr\\jtberm bii\'-ki/ kupoer.
ki\'viten, mënangis (van langis, gekrijt);
zijne oogen rood —, niénangis sawpai
maianja baloet darah;
rood bekrelen
ougen, muta baloet bïkas inliianyis;
zijne oogen blind —, mënangis sampai
boe/a in at a;
bloed —, niënangis darah.
krijten, met krijt besmeren, mënjapoekan
kapoer bëlanda
(van sapoe).
krytsteen, baloe kopoer.
krimpen, van de huid door kunde ot\'
schrik, sëram. —, van touw, doek, enz.,
mengëroet (van këroet); op Java ineng-
kerêt,
ter onderscheiding van mengërët,
knagen, knabbelen. —, verminderen,
blinken, soesoet; steeds minder worden,
makin lama viakin toerang, btrkotrang-
koerangan.
— van den wind, bëralih;
gekrompen, verwrongen van lichnams-
gcstalle, kijat, b.v. dengan sëgala rïijat
bësar kttjit toewa wotda dan linggi ren-
dak limpattg heroêt pijoet kijat,
en al
het vulk, groot en klein, uud en jong,
lioog cu laai;, kreupel en scheel\', ver-
schrompeld en gekrompen. —, samen-
trekken, door koken of inwerking van
zuur, këtjoel. — in het lijf, snijdingen
in den buik, moelos përoet,
krimpviseh, ikan dipotong hidoep-hi-
dorp,
kriny;, ouilrek, borlatan, da\'ira/i, Ar.—,
kreits, loopbaan, përidaran. — om zon
ot\' maan of Saturnus, gvianggang; dun-
kcre — rondom de tepels eener vrouw,
gélanggang soesoe; loodü — rondom
wonden of zweren, gëlangijang merah.
—, rondom de tepels, ook tampoek
soesoe.
— om de maan ook kandang
-ocr page 406-
BM
kromachtis — kroos.
verscheidenheid, — en verdraaid, béng-
kaag bengkok. \'
— en scheet\', rroet-be-
ngoft, erang-eroet.
—, geboden vim den
neus, mantjoeng. — getrokken, leng-
kof-, Ihigkoeng;
scheef, verwrongen, van
do ledematen, b.v. de lippen, éroet, op
verschillende wijze, érawg éroet.— trek-
ken, btrtengkok, bérlengkomg.—, steik
naar buiten gekromd, van de beenen,
pmgkar. — getrokken van handen of
voeten, zoodat ze een harkaebtig voor-
komen hebben, kukof. —, naar boven
gekromd van arm of been, kepak. —,
verkromd van de vingers door schuift
enz., gëreytut. —, verkro i d van de
ledematen, kot-koel.—, gebot-huid, bong-
kok,
die kromme, sibongkok; zou krom
als een kukosschil, bvnykok saboet. —,
gebogen zitten, zooals oude lieden,
doedofk mengoekoet. —, gebogen, zoo-
als b.v. een rotan, de nek, de rug,
ptlëkoh. — vergroeid, kPrefoet. — ge-
trokken, ktrekoet, ook /.uuui? iemand
die kruin ligt te slapen. —, gebogen,
zooals b.v. planken aan du huid van
schepen, een turksche sabel enz., ba-
WOW,
— getrokken, niet pint, zooals
b.v. cene plank duor de hitle, pelong,
Ihigkoeng, gilt ding.
—, gekromd, zoo-
als horens, bPrlingkar. —, onregelmatig
rond van lijnen en vlakken, imbal. —,
bochtig van een weg» bengkang-bengkok,
tjï\'lhigkok.
—, gebrekkig van uitspraak,
print, peluer, teloer\\ peloet.—me spron-
gen maken, sP.lempang. —me wegen in-
slaan, vninoerot\'t djalanjang fiada bPfoel
(van toeroet). — buigen, mP.mbeugkokkan,
krosnaohtlflb bengkok sPdikit,
kromlieenij», zie bij hrom.
kromhout; kninhouten van een vaar-
tuig, kajoe sikoe-sikoe, pi tang-pi sang,
gading-gading.
kromlijnig** imbal.
hromloopen, bPrdjalan deugan bmgkok:
kromme, de —, si bengkok.
krommen, iets krom buigen, membeng-
kokkan, ouk tig.; zich — in allerlei
bochten, zouals een gevangen slang of
paling, gelijang-gèt/joel; zich stuipach-
tig —, zooals een doorgehakte >lang
of paling, gele (is; zich om iets heen —,
van cene slang enz., melingkar; zich —
van den weg, mPntjélêngkok. —, zie
ook buiden en krom.
kromming, van cene rivier of kust,
be.likoe. —, kleine inham in den oever
der zee, eencr rivier of van een meer,
raulaa; die —en invaren, aandoen,
mérantau. — van een ring, bPntoek.
van ecne lijn, llngkorng, imbal. —, zie
krom.
kromnou», hnviksneus, hidoeng man-
tjoeag.
. ltromtual. vermengde tnal, bekasa ka-
tjaukaa, bekasa tjampvran.
k ro m te, buog, Ploeng, pPrloeng; wat
eene — of boog maakt, pïngèlofng.
—, zie ook kromming.
krotiiHpreker, krumtong, oraag teloer,
oratig pelaf.
kronen, een kroon opzetten, mtmperma-
kotakan, mingenakan mnkota;
de ge-
kroonde hooiden, sPgata radja-radja
jang birmakota.
kroniek, tarirh, Ar.
krouiel<M<>hrüver, fahiboe\'ttarich, Ar.
kronkel, bocht, lingkar. — in een weg,
rivier, slnng enz., bPtit. — om iets
heen, lilit.
kronkelen, mï lingkar, bPrlingkar.
om iets been, mthlil. — als een wurm,
gPiroewit, mettggêroeicit. — als eene
slang, een weg, eene rivier onz., bï-r-
b(l>t-lit-lit,
—, zie ouk krommen.
kronkelpad, djalan bengkattg-bettghok,
djalan sun pang-sijoeï\'.
kroon, makota, Skr. Itidjoe, Ar. lat/jurk;
de — opzetten, zie kronen; de —
der Vorsten, makota sPgala radja-radja|,
tddjoe\'ssald(in, Ar.; doornen —, ma-
kota doeri, tadjoek doeri.
— van blue-
men, tadjoek boe?iga; een — van blue-
men op hebben, bïrtudjoekkan. boettga;
de — van het hoofd nemen, schand-
v lek ken, mPnghinakan oratig, mP.ntjP.la\'
kan oratig;
de — spannen, uitmunten,
bérkulPbinan, naar de - steken, wed-
ijveren, bviloemba-loemba; de guederen
der —, domeingoederen, harla radja;
de sieraden der —, dn Kijkssici aden, alat
karadjaim.
—, liebtkroon, kandil, Ar.
kroon, een oud geldstuk ter waarde van
twee (iiildcn, rejal.
kroonduif, tnPrboe.k, me.mberoek.
kroonkiiiKlelrutr, kandil, Ar.
kroonprins*, tPngkoe besar.
kroonprinsen, gemalin vandenkruon-
prins, isfëri tPngkoe besar.
kroonratl, djantPra bPsar.
kroontje op sommige vruchten, zooals
de manguistan, fapock.
kroos, eendenkroos, loemoet.
-ocr page 407-
B96
Itroosi — kruipen.
kroont, afstammelingen, anak-boetcak,
mtafr-tjoefjoe, auak penak, itzoerrtjat,
Ar. —, kinderen, anak-anak, b.v. zij
en haar —, tja dëttyan seyala anak-
anaknja ;
geen — hebben, tiatfa béranafc.
krop, van een vogel, tëmlmlok. In over-
drachtigeu zin uuk vnn njenscben gebc-
zigd, b.v. is je — nog niet vol, ben je
nog niet verzadigd, btlomkak kënnjany
(t\'mbululrmof!?
Iirop, omjebuild meel, iëpoeng gandoem
jang btlom disërkai.
Ur opader, oerat leher.
Uropheen, borstbeen van vogels, toelang
dada boeroeng.
—, sleutelbeen, tëlangka.
l.t-opduif. mirpati goitdok.
kropflEAOMa e. s. v. pelikaan, boeroeng
oemlan.
kropi»ezwel, aan den hals, bëyoek,
yottdok, gimdong.
Itroppen, uitstaan, verduren,mëndtrita;
niet te — zijn, tiada lérdtrita.
Urot, ellendige woning, runaak boeroek,
pondok boeroek.
—, bordeel, roemah
pandjang.
kruid, wild —, roempoet, daoen. t
mocskiuid, sajoer; geneeskrachtig —,
Jaofti ubat. —en, specerijen, rëtupak-
rem/utk, boemboe,
Jav.; kruiden [>luk-
ken, inzamelen, niérambaii, Jav. inge-
zamelde ot\' voor inzameling geschikte
kruiden ot\' bladeren, rambauan, Jav.;
er is geen — voor gewassen, ttaütt I
obafnja, tiada dapat dipviobatkan.
kruiden, mëndioebuek rëmpah-rëmpah;
ou Java tarok boemboe.
kruidendooN, j-peeei ijdoos, tëmpal rëm-
pakrï\'iiipah, tvrnpai boemboe, Jav.
kruidenier, toekang rëmpah-rëmpah.
kruideiiiernwinkel, këdai rëmpah\'
rëmpah.
kruidenleren, geneeskundige kruiden
zoeken, mënfjëhari daof/i-daoen obat.
kriii«|er\\jen, rëmpah-rëmpah ; met ver-
Bebeidonheid, allerlei —, rempak-pijaii,
rëmpah-patcah.
kruidje, pokok kefjil.
kruidje-roer-inü-niet, poe/ëri ma-
toe, roempott kutnaloeican,daoen hidoep;
e.», v. —, daoen koeljiugan.
kruidnagel, boenga latcany, tjëngkeh;
de moernagel, iboe tjënakeh.
kruidnagel boom, pukok boenga la- \\
wang, pokou tjëngkeh.
kruiduajrelhout, kajoe tjëngkeh, kajoe
pokon boenga lawang.
                               \'
kruidnaueloüe, minjak boenga lava/tg,
minjak tjëngkeh.
kruidworm, rups, hoela/; hnrige —,
koe/at boetoe.
kruien, mënjorong (van xorong).
kruier, orany koe/i.
kruiersdoon, opah koelt.
kruierwwerk, pëkë/djaiin koelt.
kruik, boeli-tjoelt; aaiden water— met
tuil, kéndi. —, kegelvormige llescb,
botjong; een zeer groote aaiden water—,
tëwpajau: een water— met dikken buik,
Dauwen hals en wijden mui\\&,borjoeng ;
geel verglan.-de, aarden —, goetji.
kruim, i-si jan-/ lëmbuet. — van urond,
iti roti.
kruimel, iimah ; kruimel?, rrmah-remah.
kruimelen, onz. mêremalt-rrmah, mërtt-
pi/i
; hedr. mëremah-remahkan, tuirapihl.
kruimelend, van gekookt graan, door
gebrek aan lijmige deeien, kënai.
kruimelitf, lus, rul, van brood, aarde
enz., rëpoewi.
kruimitr, uieclig, ëmpok.
kruin, van bet hoold, hoetoe kapala,
oeboeu-oeboen, ynemala, m.ërtjoe.
— van
een burg, poentjak, kéwoentjuk, nter/joe.
— van een boom, kêtnoentjak, poen-
tjek;
een volle — van een boom, poe.\'
(juk rmdtoeit.
        van jialiüboouien.yw,\'-
tjoefr. —, draai iu het haar, zie drum;
in een — uitloopen, mëmoentjak; wat
uun — vormt, pëmoentjuf?.
kruipen, on handen en voeten ot\' up
handen en knieën, laïranykak; onder
Iets door —, mënjoesoep; overal onder
door —, soesoep-sasap; ouder oi\' in iets
weg—, ook sësap. —, kruipend voor
iemand gaan zitten, ook tig. zich vet\'
nederen, mëntjëledoek, met verscheiden-
heid, ntëntjëJedanydjiledoek. — voor
iemand met hul b»ot\'d omlaag, /«?-
njoe/tykoer (van soenykoer); zoo krui-
pend iemands knie omvatten, /nëitjoeny-
toer loetoet;
zoo kruipend het stol" van
iemnnds voelen kussen, mëttjoengkoef
Htëatjioem dueli.
—, zich kruipend voort-
bewegun, mêndjilanak. — van een roof-
dior, vóór het zijne sprong doet, bïr-
dëkam.
— van dieren en planten,
mettdjalttr, mëlata, mërajap. — de die-
ren, b\'tnatang jany mèndjatar, binaiang
jang mëlata.
-de planten, pokol\' jarig
mëndja/ar, pokok jang mëlata;
al wat
op aarde kruipt, sëyala jang mëlata
pada boemi.
— over den grond, van
-ocr page 408-
396                                                kruis -
sommige gewassen, zooals b.v. aard-
beien, w\'t-NJO\'-lurr; allerlei planten die
100 —, soelofr-sneloi\'ran, ook vun een
krokodil. Zie voort kruipen.
krui*, vuor mUdudigeis, kajar palang,
pendïpang, falie,
Ar.; het Si. Andieas-,
rilang; zoo gekruist worden, disilang;
schuinliggend —, sengkilang. - ia eene
ving, wapen, ordeteeken, sengkaug.
zuual.- het Maltezer ,sêngkang berba-
djang.
— vun twee stukken, sengkang
notoiig, omAnt
de inktviseh op zulk een —
gedrumd wordt. —, dat men op het
vuurhuufd van kinderen of op den ach-
tersteven van een vaartuig waakt tot
afwering van buoze geesten, paigkah;
van zulk een — iets voorzien, me-nang-
kah ;
het Zuider—, stenebeeld, bintang
tohuk, bintang pari.
— in een broek,
pfsak, sibar. — of munt-spel, lil Min j,
tjainpak-balik, fjempeti\'k. —, ridderurde,
bintang. —, verdriet, moeilijkheden,
kasoekaran ; een kruisje vuur naam-
teeking in de plaats, perëmpatan; wet
de boenen onder het — zitten, bër&ila,
doedork bersila.
kruisbeeld, crucifix, tan da salib.
)ii\'uij«l>oi>ir. schietboog, pau ah, borsocr.
—, waarmede aaiden balletjes gescho-
tm worden, tarbil.
kruishoot, gewapend vaartuig om op
zee te «ruisen, perahoe pa/ir, perahve
pajang, ftêraAoé pëmajang, pinis.
krui*elin!£*«, /ie bij Kruisen.
kruisen; de armen over de borst —,
memtlofk torborh; kruiselings van de
armen, zoudat de handen up de schouders
komen te liggen, stuigkHang; elkander
—  van veel wapens, silaug-uii-ujilang.
—  van steekwapen*, b.v. uin er iemand
onderdoor te laten gaan, mtnjampof {1MM
tan/puk.
— van vaartuigen, olang-ahng,
lierlajar sinipang-sijwr;
op iets — , b.V.
op zeeroovers of contiebnnde, in\'è/uajiri
(vun pajir), b.v. maka bagiuda wnitafi-
■\' "\'t
.... sfgala hoeloe-balang weimijiri
kalangkap,tn orang lïarau Hor.
de Vuist
zond du hoofden om op de vloot der
Harauwers te . —, schuin gekruist,
kruiselings sooals b.v hut St. Andruns-
kruis, si/at/g, bersilang. (luk van kuor-
den en planten en van striemen up
den rug van iemand, die van wcers-
knnten gegeeseld is —, het voorhoofd
van een kind of den achtersteven vun
een vaartuig vun een kruisteekeu voor- \'
kruk.
zien, tot afwering van hooze geesten,
nismangkah (vu pangkah).
kruiser, zie lirni-liooi.
kruishouten, dwarshouten vande mars,
op schepen, dotlang-dorlang.
kruiNimen, vun misdadigers, mèmalang-
kan (van pafang), wend?pang, mènyalib\'
kan (van snitb. Ar.).
kruistiiet; grout — uf totebel, met langen
hefboom, wnnrmedu men van eene stel-
lagc in zee visebt, tangkoel. Zie uok
bij nel.
kruispunt,dwar*boom ter afsluiting van
een weg enz., kajoe sengkang.
Krui*) nul, zie kruiMweis.
kruispunt van wegen of sluolen, sele-
koeh.
Kruisen, ra van de bezaansmast, peba-
tran pënjormtg.
hruissliutiiij», sengkang totong, naar
het kruis, gevormd door twee stukken,
wuurup men den inktvigch droogt,
lifui-.-.! fii^r, tijang pengapoeh belakang.
krui ssten«»e want, temberang tijang
pengapafh be/akang.
hrui**steii£jera, pëbaicau tijang pënga-
poeh belakang.
Iiruinvormia, van een gebuiiw, ridder-
orde, kroon of doos, astakona, Skr.
ltruiuwcK, djalan simpangan ; op Java,
djulan pt-.rapatau, —, viersprong, ouk
dililaii sitang empat.
kruit, obat bedil; kanons—, obat mariam;
wet los — schieten, iwinboncang ubat.
hruithoorn, handala, mandala, Port.
tintos- tl\'or.).
kruit buis. kruit kamer, kruit magazijn,
guedang obat bèdïl.
Kruit molen, prnggilingan obat bïdil.
kruitMtool\', pit/i/ganggang obat bedil.
Kruit ton. kruitvat p\'pa obat bedil.
kruitwagen, kareta obat bedil.
kruitznk, kardoes, zie ald.
krui\\viiu<\'n, karet* sarong.
kruizemunt, nmjanaf
kruk, ouder den arm, lange —, wnarop
men met de oksels steunt, torngkat
ketejak*;
op —ken, bertoengkat krtrjak,
b.v. orang iluf bertoengkat ketrjak sëbab
kahilaugan kakinja,
die man gaat op
— ken, omdat hij zijne beunen verleren
beeft. — vao een spinnewiel, trtinga
rabat, tangan rahat.
Ook van een koffie*
molen en dergel. werktuigen, ttlinga.
—, waarop de marktkramers zitten,
koeda~koeda. —, knop van eene deur,
-ocr page 409-
krukken — kunnen.                                    397
tombol. —, waarop men met de hand
steuot bij het gaan, loengkat.
krukken,sukkelen, berpenjakil-pënjakit;
steeds—,dalum hal sakit-sakit sëhadja.
krul, in het haar, ikal, — van geschaafd
hout, iaial Htam. —len aau letters of
lofwerk, awan-awan; eene slangswij/e
door elkander getrokken — onder eene
nanmteckening enz., selimpai; muzikale
— \\.....■ een nieuwe maat, senggoel
njanji. — bij eene danstiguur, senggoel
tari.
—, zie ook bij I\\jn.
krullehol, orat/g jang ikal ramboelnja;
kroeskop, zooals van de negers, kapala
keriling.
krullen, van het haar, mengikal; tija
en dicht —, kroes, kèriting; een weinig
—, van het haar, melentaer; een wei-
nig — van een haarlok, landik.
kuch, droge hoest, batoak kering.
kuchen, baloek kering; — om iets te
kennen te geven, ot als teeken van
eigen bevinding, berdtham-dvham.
kudde, troep, karnat; een — schapen,
sakawan kambing.
kuieren* bardjalan-djalan, tjengk\'érëina ;
op Java pas/jar, in\'etantjong.
kuil\', pluim, djnmboe-djamboe. — van
een paard, djawbak. , haarlok op de
kruin, oiik — van vogels, djamboel,
gombak.
— in den nek van sommige
vogels, tjènlong.
kuiken, anak hajam.
kuikendief", kiekendief, e. s. v. roof-
voge), boeroeng helwig; bij verk. ook
lang b.V. ditempal tiada lang, ka/a
bilalitng; Akoelah lang,
waar geen — is,
zegt de sprinkhaan: Ik ben —, Sprw,
kuil, gat, lobang; wol I\'s—, peloba/\'g. —,
waarin na regen, o! het atloopen van
het zeewater, water achterblijft, Inpak.
—. valkuil, k\'eloebocran, ser/ing. —,
holte, lekok; allerlei —en, le.kuk-lekok;
met —en en gaten, van een weg, ber-
lekak-lèkuk,
—en, holten ot\' deuken
krijgen, uwlekok. —. holte in iets. waar
bet einde van iets anders moet inkomen,
b.v. voor een paal, mnst, ook in een
rijstblok, tjoepoe. —tje in het mensche-
lijke lichaam, tjawak. —tje in de
wangen, tjawak p\'pi, lekok pipi. —tje
in hals of nek, fjengkivoeng. — om
olifanten te vangen, pendijaf, C. — ook
teluga, b.v. stront — , tëlaga tuhi.
vnn een vaartuig, roe/vang, ümburoe-
wang.
—, kolk bij eene woning of
keuken, waarin het vuile Water wordt
geworpen, pel\'unbahan —, waarin men
zijn gevoeg doet, pëlindoengan,- een —
graven, nienggali lobaiig.
kuilachtiar, van den weg, berlekak4èkok.
kuilen, een kuil maken, memboeirat
lobang, nienggali lobctng;
in een kuil
leggen, mëmboeboeh dalam lobang, me-
nanam
(van tai/am).
kuiltje, zie bij kuil.
knip. badjana, badjan, pasoe; een diepe
— of bak voor water, djrfoek, long
djUoek.
kuipen, een hoepel om een vat leggen,
mênjimpai (van sïmpai, hoepel, band). —,
samenspannen, ber moe wit fa kat djahat.
kuiper, toekang tong.
kuipery, samenspanning, moewdfakat
djahat,
\' kuiaoh, rein, toe/ji. Zie bescheiden.
kuischelük, dengau soctji.
k ui ^c li en. verbeteren, mèmbaiki; van
een opstel, nnnsahkan (van sah, Ar.).
kuistchhcid, kasoefjian.
kuit, van het been, djantoeng bëtis, boe,-
icah bétis, peroet bètis,■
gevuld, van de
kuiten, boentinq pndi. —, van viseh,
t\'elor ikan ; elft—, fïlor terorboek.
kuit heen, toitlaug betis.
kuiter, ikan jung ada telornja.
kunde, T-lmoe, Ar. — en wetenschap,
ëlmoe dan pmgëlahoean; zijn — tcpas
j ■ brengen, niengëtoewarkan pengèfahoe-
tcannja. Ook in samenstellingen, b.v.
reken—, ctmoe kira-kira.
knndii», bërëlmoe, tahoe, ïtlhii, Ar. Brif,
Ar.; een kundig man, ook: orang jang
tahoe,
—, bedreven, panddi; zich —
aanstellen, memandai dirinja,
kundigheid, kapandajan,ptt/gëfahoean.
kunne, geslacht, bangsa; van de vrou-
welijke —. bangsa perampoeiran.
, kunnen, mogelijk zijn, bolih; in staat
zijn, dapat; niet anders —, moeten,
horos; b.v. horoslah negarikoe nlnh,
\'t kon wel niet anders of mijn Kijk
moest veroverd worden. —, de gelegen-
beid of den geschikten tijd hebben voor
iets, timpat} niet — in dien zin, tiada
sempat; \'t zou — zijn, \'t kon eens wezen
dat, kalau-kalau; als bet maar eenigs-
zins kan, bolih déngnn sabolihuja; zoo-
veel het maar kan, dengau sobolih-
botihnja;
naar dat het kon, barang
sadapalnja,
b.v. soedahlah hamba bër-
\' itiasak barang sadapatvja, kar\'eiia hamba
-ocr page 410-
3ÜS                                                    kunst — kurkuma.
tiada bêrolih kajoe opi, ik heb gekookt
naar bet kun (zoo goed en zoo kwaad
al» bet kon), want ik kiecg geen brand*
hout; iets — verrichten, dapat menger\'
djakail,
— lezen, UÜtoe membatja.
schiijten, tahoe mentn/ii, tahur mtujof-
rat;
niet — wordt behalve met tiada
bolih
en tiada dapat dikwerf door den
vorm ter bij het Ww. uiet voorafgaand
tiada weergegeven, b.v. niet —-betaald
worden, tiada terbajar; niet — optillen
en niet opgetild — worden, tiada
tnanykat;
indien het kan, djika bolih,
tijïkatuu da pat•
al wat ik ka», sabolih-
btdihküf,
kun het, t/ui\'•fikah ; kunt gij
hel, dapatkah enykau; ik kan het niet
helpen, buekan salahkoe, buekan salah
xehaja
enz.; el\' niet bij , tiada bolih
sampai
; het niet — verstaan, tiada
bulth metiyerii;
er builen —, — unt-
beren, tiada bt.hadjat; er niet in —,
ta\'bidih masoek; er niet doojheen —,
(a\'bo/ih teroes; tegen iet? —, iets —
uitslaan of uithouden, dapat mJMtttrita;
niet tegen iets —, tiada terderita; uit
iels —, bolih kaloewar, dapat dikatoe-
tcarkan;
er uit —, er van gewaakt —
Woidcu, dapat diperbuewat.
kunst, h\'kiaat, Ar. ook in sanicnstellin-
gen, b.v. een —dier, binatany hikmat.
—en en weteniehapjWR, itmoe dan p\'e-
iiyrtahü\'-an; de seboone —en, ctmott
jauy xiiii-siiii.
—, ervaienheid, bedrevon-
heid in eenig handwerk, ka panda jou;
zijne — o! bedrevenheid toonen, me-
noendjoekkan kapaudajamija;
geheime
—, zwaite —, waai door iemand, die
weggeloopen is, gedwongen woidt van-
zeil\' icing Ie keeien enz., potdar-balik-;
een beschreven voorwerp, daarvoor ge-
bruikt, dat uien uiel dal doel aan een
touwtje laat draaien, hzimat poef-af\'
>■<>!■\'■:.
— cn veituonen, ber/ambot\',- ver-
toouer van —en, penambol, ook menyu-
lah;
er een —je op weten, ada penye-
tahoean, ada perntdinan,
b.v, maka si
Dj\'ebat itoe ada peiiyvtaliofannja, maka
ija tiada dapat dilutcan orany,
die Dje-
bat weet er een —je op, en daarom
kao men hem niet wederslnan, ha\'mca
si lijebat ini ada djoiya sasoeata per-
iiuüiiamija,
die Djcbut moei er wel een
—je op welen; bel is irecn — dit te
doen, tiada êoettk nam boe wat ini, inoi\'-
dah d/oega memboewat iai,
kunstbloemen, boenya-boenya hikmat.
—, gemaakt uit het merg van de
aroboeng-amboeng-plant, èoenya am-
boengamboeny.
kunstelült, den aan hikmat.
kunsteimnr, toekany, panda\'i, kipoe,
kim por.
kunstonarü, kapandajan. —, list, tipoe,
daja, hidat,
A r.
Itiiii-iciiiiiiil.cr. vrany sihir, Ar. orany
penjilap.
Ifunttureep, daja, sifap,ook ooi iemand
te misleiden ; een — gebruiken, berdaja;
iemand door een — misleiden, mevjilap.
— bij het hanleeren van wapenen.^cr<W(//.
kunstig, hikmat, dengan hiirmat.
hunMtmensch, orany hikrwat.
kunstnajcul, nagel op de vingers, van
goud of zilver als versiersel, tjanyyai.
kuiistspoor voor veebtbnnen, tadji.
kuu*tviuir<li<;, pandai. totkany.
kauwtvjiurdiüheiii, kapandajan, ka-
toekanyau.
kunstwerk, pêrboeuatan hikmat.
kunis, baroet dada.
harenmaker, penyolah. —, potsen-
maker, alan-atan, badoet, Jav.
Ituria, idiihnH. b.v. turn Abdoetlah MM-
nja, tèrlaloe ufahan, beer Abdoetlah ge-
nauuid, bij was zeer —.
kurk, slop, snoembat, timpat, soempïl,
Juv. —, de stof, in Indie een zeer liehle
houtsoort, kajoe yaÓoes; ook alleen
yabars; de drijf kurken van een visch-
nct, pilampoeny.
kurkuchtitf, zaebt, licht van sommige
houisoortcn, lempoeny.
kurkltoom: e. s. v. boom die bijzonder
licht hout levert, dat voor kurk gebruikt
wordt, pokon gaboes.
kurken, met eene kurk diehtmaken,
in e iij ut\'ia bal (van sufinbat).
kurkft rekker, penijabott tormbaf, pï-
narik> soniibat, koierefr,
ook oelir-oelir.
kurkenznk, om het tegen elkander
btootun van schepen te beletten, bantal
penjanyya.
kurlfliout, kajoe yaboes.
kurkuma, de eetbare, kontjit, kortiir,
Jav, koi\'inkoriiia, Skr. koerkaemat, Ar.
Soorten zijn: kofiijit besar, k. pad\'t en
k. san tan ; de hool\'dwortel van de —,
iboif koinijU; de zijwoitels daaromheen,
anak koirnjit; de wortel, die de verf-
stof levert, welke in den handel voor-
komt, tcmoe latcalr; e. s. v. plant die
veel op de — gelijkt, teyanda.
-ocr page 411-
•09
kuM —■ kwaadaardis-
iemand die veel kuren heeft, orang
bertingkah, o. jang banjak ulah/tja;
gtj
hebt veel kuren, banjak rayam \'enykatt;
verkoop niet tu veel kuren, want dat
wekt clechts anderer haat, djanyanlah
in-n<i<ii,ih sangat, mtndjadi kabentjian
orang sehadja.
kwaad, dja/iat, kadjahatan ; goed en —,
hetzij goed of —, baik-djahat\'. —, ramp,
onheil, Ijilaka, bela, malapetaka, ben-
tjana.
—, laster, Jittioh, oempaf, oepat.
—, hoon, tjela, tjuefja. —, ongelijk,
onrecht, na/a/i. —, ziekte, kwaal, pe-
njakit.
—, aanslag, verraad, chijanat.
Ar. —, leed, bentjana. — berokkenen,
membentianakan, memben bentjana; de
Wortel van alle —, po/ton seyila ka-
djahatan;
hel ecne — komt bij het
andere, lig. oepaê btrhvelaw ratjoen, il. ï.
plantcnvergif met deltstullelijk vergif
tot toespijs. Ook ketjoeboeng berhoe/ani
gandja,
de duornappei met gandja tot
toespijs. Under gandju wordt verstaan
een bcdwelmingMtiiddel, bereid uit de
bladeren van de cannabis sativa. Van
liet eene — of onheil in het andere,
lepas dari moeloet hartman djato/i ka-
moeloet boeivaja,
Sprw.; goed niet —
—   vergelden, baik diba/at djahat.
waad, liijv. nw. dja/iat. —, toornig,
marah, goesar; van \\ orsten, moerka.
—   vvoideu, djadi marah. — maken,
mtnuirahkan; zich — maken, djadi
marah.
— op iemand zijn, marah akan
sa\'\'orang;
van den Vor^t, moerka akan
sa\'orany
; licht — worden, lekas marah ;
iemand die licht — wordt, pemaroh.
—, slecht, goddeloos, doerdjana, ka-
ptsla. Jas/k,
Ar. —, wreed, boosaardig,
benyig. — van aard, b.v. van een ket-
tinghond, yarany; iemand een — hart
toedragen, menaroh dengki akan sa\'o-
rang;
in een
        blaadje brengen, ber~
djahat,
b.T. maka Laksamana béidatang
sembah berdjahat Jiendahara,
en Lnksn-
mana kwam den Vorst spreken om
den Kijksbcstierdcr in een — blandje
te brengen; kwade trouw, chijanat, Ar.;
kwade samensprekingen bederven goede
zeden, pertjakapan djahat meroesakkan
adat jang baik
; het zeer — hebben,
kasoekaran sangat, kapUjikau sangat;
tor kwader ure, pada niasa jany tiada
baik;
een — vermoeden, sanyka-sangka
jang tiada baik.
Iï\\vaadanrdis,slccht van a&rd,perangai
hu«i zoen niet den mond koetjoeji. Meer
algemeen in gebruik fjioem, liet ruiken
met den DOOS, dut uuk in de betcukenis
van — wordt gebezigd.
hu«HOn, zoenen, mrnyoefjoep; iet» of
iemand —, mengoetjoepi, b.v. den grond
—, mengoctjorpi boen/t; de voelen —,
mengoetjoepi kaki; en beei Toewah glim*
lachte terwijl hij zijn wicbelboek kuste,
maJta toen Toewak pon ftrsennjoem s\'eraja ■,
diioetjoepittja akan poestakanja;
ter- \\
dege —, keroemofx. —, zoenen dat het
klapt, mentjoet joep. —, met den neus
ruiken, het n.t-f-i in gebruik in pi. f.
zoenen, mentj\'oem; zijn kind — , men-
tjiofhi UHükuja.
huHMCii, zeilstnw. bantal; staatsie—,
vvaarvun er drie of vijf op een pronk-
bed liggen, bantal s\'eraga; een dik en
kort ai ui—, bontal kemboetig; het on-
derste van een stapel btalieku^ens,
bantal penjambuet; rol—, e. s. v. —,
dat de Ktiropeaneu in Indie op hunne
bedden gebruiken, bantal goeling• groot
fvlindervoimiir —, waartegen ineu niet
den rug leunl, bantal «jnjoow; zacht
— om op te zitten, lembek; bovenste
van een stel —s, dat den vurm van
een diiehoekig prima heelt, bantal
pereboeng.
— der lusten, bantal pen-
ayinan;
stoot —, uui botsing van vaar-
luigen te breken, bantal penjanyya;
een geschilde kokosnoot tot hoold—,
bantal mendjaga.; hoold—tje voor kleine
kinderen, kopek; de kussens aan eenen
mast, f èm boekoe; op het —• geraken,
berulih pangkat besar; op het —zitten,
doedoek datam madjlis orang besar;
eenen dommelende een — toe>cbuivcn,
ora>g mengantoek disoeroengkan onnfal,
Sprw.; lot — gebruiken, berbantalkan ;
tot — gebruikt worden, diper ban talkan.
IcuKMennloop. sar oeng bantal, sampoel
bantal.
kunt, pantai; langs de —, ménjoesoer j
pan f ai; langs de— varen ol\' zeilen, ber-
tajar ménjoesoer pantai ;
een vlakke—,
pantai rata.
hiiMt, verkiezing, pilih; te — en te keur,
piUh tanding.
hu-i luit i i\'i\'ij, koeboe dipantai.
IiunI lu-wnm-r, orang pantai.
kunt*treek, Ituatlud, tan ah kilir,
ItiiNl viuiiMlcr, kapul Hindi ,perahoe jang
berlajar ménjoesoer pantai.
liniir. gril, olah, tingkoh,ragam,1janda; ■
-ocr page 412-
400
kwnadaardigbeid — kwartier maan.
djahat, fabial dj ah at; een —e koorts,
ili ui il ui jan// iidiiiI aan gat; eene —o
ziekte, p\'enjakit jang djahat; de kwnnd-
nardigste vim alle ziekten, jang t\'érdja-
hat dari/jada s\'egala penjakil;
een —e
hontl, andjing jitn3 djahat, andjing
jang ffalak;
een — wijf, perampoeican
jang bengis.
kwaadaardigheid, kadjahatan. —,
hevigheid, kasangatan.
It w:i-.m!:i:i rdi-\'Hjh. dengan djahat pè\'
rangat, dengan djahat fabiïït.
kwaadMoedis, darah boesoek.
kwaaddenkend, tjemboeroetean. sang-
ka-sangka.
kwaaddoener, orang jang mèmboewat
djahat, orang djahat, orang fdxifc, orang
duerdjaiia, orang knpista.
kwnml<reKin<l, berniat djahat.
kwaadheid, slecht beid, kadjahatan.
—, toornigheid, marah, gortar; van
den Vorst, moerka.—, woestheid,garang.
kwiuulsappi^, ba/oe s\'egala ajar.
li\\v;i:Mk:i|i|.i\'-lii\'iil. kabajoewan s\'egala \\
ajar.
kw(iH<UrhillH, den ga» djahat; goed-
schiks of —, maoe ta\'maoe. /ie «oed-
SCllilïK.
kwnadp*meder, orang jang mereka
djahat.
hwiiiidsprolten, inengoempat, adjoe- I
djah, m\'enjitnahkan.
kwnndsprekendheid, oenipat.Jitna/i.
kwaad spreker,k wand spreek eter, péng~
oempat, pendjoedjah, toekang fi\'tnah.
kwaad-toker, stokebrand, pengatjoem.
kwaaf 1 willis, berniat djahat, maoe .
djahat.
kwaadwilligheid, kaniatan djahat, \\
dtngki.
kwHiKluteer, op \'t hoofd, koedis kapata.
kwaal, als oorzaak van ziek zijn, ;•-
ujakif; allerlei kwalen hebben, berpenja- \'
kit-penjakit. —, zielesinurt, doekadjita;
lara in gedichten; langdurige —, lang-
durig lijden, idap; nllerlei kwalen in
dien zin, idap-idapan. —, algemeene
ramp, bela.
kwal», puitaal, ikan sembilang.
kwiib, lel, zie kossem.
kwal>aal, puiliial, ziu Invul).
kwadraat, \'empat persegi. Op Java am-
pat pèsagi.
kwadrant, sape/emput boelatan.
kwaken, mengoetcefc.
kwakkel, zie kwartel.
kwakkelen, sukkelen, bërpenjakit-
penjakit, bhsakit-sakitan, mengidap
{van
idap).
kwakken, hard nccrsmijtcn, mentjam-
pak, menghznijMiskan, membanting.
kwal; groole zee—, oeboer~oeboer, koe~
lat laoet
; e. s. v. zee—, wier aanraking
branderige pijn veioonankt,ampai-ampai.
kwiilük, niet goed, fa\'ba\'/k, koerang
ba\'ik.
— nemen, goesar, ke/jit had, ine-
ngaiabil marah, m. moerka;
gij iiu»et
het niet — nemen, djangan ioewan ketjil
hati, djavgan toetcau goesar.
—, moei-
lijk, bezwaarlijk, soesah, toef-ar. —,
nauwelijks, zie ald. —, misselijk, hen-
dak moevtah.
— varen, ongelukkig zijn,
tjitaka. — gezien, niet in tel, dada
kabilangan, tiada di-endahkan.
kwaliteit: van eerste —, uitstekend,
kapala. b v. zijde van eerste —tsoetera
jang kapaia,
ook kapala-kapala, priuia
—, kapala sakali,
kwal«ter, rochel, Il dim, dahajr, tender.
kwalsteren, bérduhal\'.
kwanselaar, orang jang soeka utenoe-
kar-noekar (vnn loekar, ruilen i.
kwanselen, menoekar-noekar, toekar-m\'e-
ttoekar;
met elkander, bértoekardoekaran.
kwansuis, poera poera, sa\'otab-otah.
kwant, suiuik, orang djiuaka.
kwart, sapereiiipat, saaonkoe; soms ook
sapaha; drie —, tiga p\'erempai, tiga soe-
koe.
/ie ook kwartier,
kwartaal, sapiTtmpaf tahoen, liga boetan.
kwartel, bueroeng seloefi, ajam padi;
e. s. v, —, boeroemj poejeeh, b. iepoe-
joelt;
eene nndere soort, boeroeng pik uu.
kwartelnet, djaring poejoeh,
kwartier, -\' uur, susoekoe djam, sapiT~
empat djam.
— voor tweeen, poekoet
doetca koerang sapèrea/pat, poikueldtn-ica
koerang sasoekoe.
— over drieën, pae~
koel tiga iebih saperempat, poekoet tiga
lebih sasoekoe.
kwartier, wijk, kampoeng —, tijdelijk
verblijf, loempangan; in — zijn, we-
noempang;
hoofd — , verblijfplaats van
den bevelhebber, lempat kadoedoekan
djtnd\'eral.
— maken, mêntadiakan tem-
pat menoempang, menjatliakan toeiapa-
ngan;
geen ■— geven, geen lijfsbehoud
schenken, tiada sajavg akun sa\'orang
djoeica pon, mem boen oeh kasamoewanja,
tiada mendxri djiica.
kwariiermaan, boelan pèrbani; eerste
—, toedjoeh hart boetan.
-ocr page 413-
kwartiertij — kwijten.                                        401
kwurtierty, doodtij, ajar perbani.
kwartiertje, 4 vnn cen inhoiiJ^maat,
pïrëtnpat, b.v. disoekainja poet/i dëngan
pere/apal,
zij maten het diamantgruis
met een — .
kwarlje; een kwartgulden, setali, van
taii, louw, koord, waaraan vroeger de
75 pitis geregen waren, die de waarde
van een kwartgtilden vcrlcgcnwoordig-
den; een —, ook sasoekoe roepijah;
drie —s, tiga soekoe roepija/t; op Java
tiga talm.
bwaNHiehoiil, e. s. v. zeer bil ter hout,
dat als koortswetend middel wurdt ge-
bruikt, bidara laoet.
kwattt, tres, roembai^roembai; van parel-
kwakten of tressen voorzien, beroembai\'
roembaikon mo,t/,iara.
—, franje, ook
djoembai. —, kwispel, djawbae-djamboe ;
iets met —en vergieren, mèndjamboe-
djamboekan;
de —en ann een vlieger,
oeuting-oenting. —, bundel van los naar
beneden bnngende rec[>en, dj oer ai; als
zulk een — nnar beneden hangen,
mëndjoerai. —, gevormd door het her-
haald vouwen vnn drnudvorniige din-
gen, gentjel. —, vezelknoop in hout,
mata*kajoe, ook tiWjltar, Men. —, wind-
buil, orang sniubotig.—, opschiklievend
persoon, peso/ik.
kwftHtppijï, fatterig, gadoek. —, vcr-
waaad, srimbmig, soengar-soetigar.
kwHNtif;; vnn hout. bat/jak mafanja, b.v.
deze plank is —, papan iui banjirfc ma-
tanja,
of banjaj? ma/a kajoenja.
kweeappel, xitfardjal, Ar.
kweekbed, voor zaailingen, pësëmajan,
lapaitg xana\'t, setnajan benih
/ bet —
zuiveren van gras en onkruid, vóór de
beznniïng, oiënebas sïmajaii ; rijft op do
— den uitzaaien, mèmbaja/.
kweekflin-r, discipel, muerid,pëladiar.
—. hulponderwijzer, goeroe kakak, eha-
lifah.
kweeken, fokken, mentelihartikan (vnn
2jt\'li/iara,Skv. pari//ara). \'/Aa ook tukken.
hweelter, ptimëi\'//ara, orang jatig memë/i-
Marakati.
kweekerjj, pïuttjiharadn.
kweeliHeltoul, viundarsah, soerau.
voor aanstnande priesters op Java, pc-
san/rtan, pësantrev,
Jav.
kweektuin, voor zaailingen, këbon pë-
smnajan.
kweelen» lief zingen vnn vogels, boen/i
boeroi\'iig jang mërdoe.
kwel ach tic soeka mengoesik, soeka
mëngganggoe.
! kwelduivel, kwelgeest, plager, pëngoe-
sifr, pëngganggoe.
kwellen, tnëngoesilr (van oesik), mëng-
ganggo.\\
—, Merker dan het voorgaande,
mënjaka/. — niet gernas, rumoer ge-
scbreeuw, mëmboewa/ bising. —, boos
maken, mé\'ijëtengankan (van srrëtigan).
—, pijn, moeite nnndoen, menjattgsara\'
kan
(van savgsnra). mëujakiti (van saki/).
—, doomjpelen, tiris.
kweller, pettgoesik, ftengganggoe.
kwelling*, pijn, moeite, sat/gsara, siksa.
kwelwater, ajar tiris.
kwel/iek, soeka mingoesik, soeka mëtig-
ganggoe.
kwestie, ïescriil, përs\'élixiban; eene ■—
hebben, berxelisih, —, ruzie, twist, për*
baniahan.
—, vraair, soeicat, për/anjaiin ;
de zaak in —, waarover beraadslaagd
wordt, përkara jat/g dibitjarakan.
kwetftlmnr, tiada këbal, d. i. niet on-
kwetsbaar.
kwetnen, meloekakan, mëloeka\'i; bepiuiid
raken vnn een wnpcu, loet. metoet; ge-
kwetst, Ineka. --, rnak, loet. —, zie
ook kwetwend.
kwetsend, voor het gezicht, gehoor,
zedelijk gevoel, xoembang ; in hoogt\' mate
—, grievend, pedih sawpai kaloe/ang.
kwetsuur, wond, loeka; duodelijke of
zware —, /orka parafi.
kwijl* speeksel, lijner, ajar lijoer.
kwnlbaard; die oude —, sihantjner
lijoer.
kwijlen, berl/joer-lijoer.
kw\\jnen, van planten, terijavg. — van
ziekte, inë.rana, mëngidap. — vnn liefde,
tjiu/a mërana.
kwijnend, smachtend van de oogen,
ma/a bijoekoe, naar de oogen van e. s. v.
schildpad. — ten gevolge van verlies
of verlaniïen, bingit.
hw\\jiiini», sukkejiiu, san/por, rana . ten
gevolge vnn verlies of vei Inngen, bingit.
kwijt, verloren hebben, kal/i/imgan, ii.v.
zijn stok — zijn, kahi/angan toeng-
ka/nja.
—, ontheven, Ivpas, tertëpas ,■
b.v. de kooits — zijn, lepas dïmam;
maken dat men iemand — wordt, me-
l\'epaskan, mèndjaoenkcn.
kwxjtnrief, kwhtnntie, soerat bajaran.
kw\\jten: zich vnn zijne plicht —, m\'e/a-
koekan bnrang jang wadjib a/asnja.
—,
zijne schuld ntbotalcn, mèmbajar habis
-ocr page 414-
409
kwijtraken — laas-
boctcafan jang kina, pekërdjaan jang
kina; prrboewatan jang kedji, pekér-
djaiin jang kedji;
voor — uitmaken.
ui- zoodanig be.-chouwen of behandelen.
mengbinakan, wengedjikan. — boven den
grond, van een hui*. — boven het water,
van een vaartuig, lajap. — langs den
grond of over het water strijken, van
een vogel, nwtajap. — van een dak,
een hoed en/., dempalc. — van het
water, geheel aliïeloopen, volkomen eb,
ti ut pas, sueroef timpas, pasang kering.
—   bij den grond, van planten, ranap.
—   gras, toempoet ra nap; een — land,
vink land, ianah datar; een — en vlak
land, taitak datar jang rata; ten onziehte
van de zee, of tegenover bovenland.
tauah ft il ir; een lage prijs, moerak
karganja;
win lage geboorte of afkomst,
kina asatnja, tiada beiha,igsa,astd orang
hina;
een lage ziel, een -— inenseh,
orang kina; het lager onderwijs, penga-
djaran jang moela-uiorla;
oio , diba-
Kak;
naar om—, kabatcak ; van om—,
da/i bairah. — op iemand nederzicn,
vnmti.tdang mot\'dah. — gestemd van
eene snaar, ktnditr; te — gestemd,
terlaloe ken dm\'; lager stemmen, me-
ngendorkatt ;
lager brengen, houden,
pi uut.-e u, zette il, wënoeroetikan (van
tueroen); de rivier is —, son/gai Hoe
dangkal
(of dangkar); de lage volks-
klasse, bel pleb.*, orang kina-dina; op
een l«gen loun spreken, berkata per-
lakan-lakan
,zieh bijzijn spreken nederig
aanstellen, berkata dengan werendakkan
dirinja;
lage taal, markt taal, behasa
pasaran.
liiüü. lij. I!j\' of tegen elkander, lapis;
van zulk een — doorzien, melapis;\\an
zulk een —voorzien zijn, in lanen, ber-
lapis, birla/iis-lapis.
Voor lagen op elk-
ander ook sorxuen ; in lagen op elkander,
bersoesoen-soesom. — in den grond,
ouk lapis; steenkolen —. lapis arang
batoe ;
steenharde —. waar uien niet
kan doorheen graven, batoe kan/par;
een dubbele —, doeua lapis, sarang-
!■■\'/■;
de volle — geven, met bet geschut
aan boord, atenembak sarempak sakalt
(van tembak); met guwcer, mentjoerak
dengan bedil,
b.v. sërfa ditjoeraknja de-
nyan bedil poela dari djaoek,
terwijl zij
nogiunals van verre de volle— gaven;
ieiuund lngen leggen, mengadang-adang
akatt sa\'uraag.
hoetangnja. —, zijtie belofte nakomen,
tntnjainpaikan djantljinja.
kwijtraken, kahilangan.
ItwytMrhelden, melepaskan, man f kan,
menghatalkan, mtngampaeiti, mengam-
poeukan, meagkapoeskan. —, vrijstellen,
ibra\', Ar.
kwütsirhelclini*, ampnen, maaf, istibra\'\',
Ar., tabrijat, Ar.
kwik, kuikzilvcr, ajar-rasa. —, vlug,
pantas, fjepat.
kwikmidttel, obat ajar-rasa,
kwiliKtaart.jo, een soort van vogeltje,
dat ook iu Indie vouikomt, Lebas ekoer.
kwikzilver, ajar-rasa.
kwispedoor, ketor, ten/paf loedali,peloe-
dakam.
kwimpel, hans uiteinde van eenen staart,
Ijemara. —, -ry.ir roede, djari ampai.
—, kwatt, saptie, sikal.
kwispelen, met eene icherpe roede goe-
selen, menjtsak dengan djari aiapat (van
sesak).
k wimpel ut nnrt en,
        mengebas-wgebas
ekoer (van kebas). Ook mengi\'jas-ngibas
i-koer (van kibas), menglpaingipai (van
kipci).
kwimtii», overvloedig van uitdeelen,
dengan lempalt, berkalentpahan, dengan
moerak.
kwittantie, soeraf bajara», tabrijat, Ar.
I..
laaillioui. om ile lading van en naar
Ijuord te brengen, penfjalang, tjoenija,
(\'hin. tuengkang, soenbaek. Pon,
lnadcedel, duj\'tar uioeicatav, soerat
uioewataii.
kutdjjnl, lobang mata U\'dil.
liia<ljïeree«l«clinp, perkakas meng/si
bidil.
1 uiu 1je, kotak; sehuif—, kotak sorong-
toroMff.
laadprauw = lnndlioot.
laadruim, petak1, roevang, timba roe-
wang.
laaiKttjk. van geweer of kanon, fÜtm
lak-, pengasak.
laatr- nederig, rendah, b.v, du bergen
zijn —, hoog is de hoop, rendak gar-
ntutug, ti»tjgi harap,
Sprw. uok laag hij
den grund van bloemen en vruchten,
— staan van de zon en - vim hout-
gewas. —, gemeen, kina, kedji, tjan-
dala,
Ski\', b.v. lage handelingen, per-
-ocr page 415-
éOfl
laaghartig — ladder.
laaghartig, slecht van aard,/forrdjana.
laagheid, karendahan, kakedjian, enz. \'
Zie bet onderscheid bij laag.
laagte, tusschen twee verhevenheden, \'
lembang. —, zie ook vallei.
laakbaar, katjeladn.
laakzucht, soeka méntjela.
laan, pohon berbandjarbandjar, pohon
duewa bandjar.
laar*, seliwal, verb.; marokkijnen halve
—, moezah, Ar.
laarzen, geeselcu, menjesah dengan lalt
(van aesah).
laat; hiervoor is ff «en woord. — in den
nacht of avond, wafaw mmtém; zoo —
op den avond ui in den nacht, bogiui
inatam;
zeer — in den nacbt, djaoth
iiialam.
—, ver 0|> den dag, sijung har»,
djatieh s\'ja/ig
; te — komen, bij een
bezoek, daar de persoon zooeven is
uitgegaan, sajoep, letlcrl. zijn doel niet
bereikt; te —, over den tijd, van iels,
dat een bepnalden tijd dnuil, b.v. een
jaargetijde of wind, ka-tip, b.v. angin
soedah katip,
voor dezen wind is bet
te —, daar hij haast voorbij is. —,
lang van duur, lambat, b.v. hij komt
—, lambal datangnja; zeer —, terlalof
lambal;
ten —ste, eindelijk, kasoeda-
han, kasoedahavnjit, achirnja, aehir-
arhiriija;
eindelijk en ten —ste, lama-
kalantaiinnja, lambat-laoen;
vroeg of—,
lanthat-lanen; hoe — is bel, pofkoft
hïrapa;
bet is al —, soedah lampau
wektoenjti ;
bet is te —, soedah laloe
ketikanja
; later, kémoediati; lutet\'ü tij-
dingen, chabar jang kimordiatt; later
komen dau.datang kemoedian daripatla ;
laatste, terkemoed\'uut ; de laatste \'ijdin-
gen, chabar jaag lerkemoedian. Ookjang
kasoedaban, jang belakang kali;
de
laatste maal,bflaiajig katinja ; de laatste
dag van bet jaar, hari kasoedahan ta-
hoen,htirïpen gh abt.-tan la/toen;
bet laatste
oordeel, hari kijdntat, aehir zatniin, pa-
hoek o»1 man jang aehir;
de laatste band
aan iels legden, menjampoernakan (vnn
xamporrnd}, mtnghabiskan, menjoedah-
lan
(van soedah), menjelesaikan (van
sélesai); iemands laatste uur, adjal, Ar.
Tot zichzelven i op ditmaal is uw laatste
uur geslagen en zult gij gedood wor-
den, hai badan, sakali \'tai adjalmoelah
dibocnoi\'h;
iemand de laatste eer bewij-
zen, menghantarkan mail orang kakoe-
boei-;
den laaUtcn adem uitblazen,
poetoes njawa, poetoes djiwa; de laatste
ademtocht, nafas aehir; bet laatste der
dagen, aehir zamdn; de laatste doen
zijn, inéngttehirkan.
laatlmnd, een soort van lang en smal
windsel, bedoeng lilit.
lantbekken, mangkok bekam.
laatkop m laat bekken.
laai iriis. pllfMOet, pisaU Kali, tadjl.
laatst, onlangs, beherapa hari laloe, bt-
haroe ini, belas, l.ma;
ten —e, kasoe-
dahan, pat/a kasoedahan, achtr, pada
aehir.
Zie ook bij laat.
laatste, achterste, dihelakang sakali, b.v.
bet — huis, roetnah jattg dibelakang
sakali.
Ook peuiboentoel.
laatst geboren, jongste kind, anal:
bongsoe, atiak penjoetji pêroel.
laatstleden, jang beharoti lalae, jang
laloe ini;
b.v. — Maandag, hari senen
lang laloe. ini.
lal>l>er, zacht van den wind, sépoewi-
sepoewi, lentah-lt inboet.
lubberen, bérlijoep itpQëwi tfpotwi, ber~
tijoep lemah-lèmbuet.
lahhcrkoelte. angin sepoewi-sépoewi,
angttt lemah-lemboel.
labberlot, orang perletitai.
lach, firlatea ; glim—, zie ald.
lachehek, orang jang soeka lértawa,
lachen, teriawa-, bard, schaterend —,
tertawa gelak-gelak, (erlatca besar.
van velen ifezauieulijk, tertawa ramai-
ramaï, I. wembatoe rueboeh;
om of over
iets —, teriawa akati, teriawa sébab ;
schudden van bet —, kekel, Itrkijat-
Lijal tertawa,
letter!, spartelen van het
— ; uit —, tertawakan, tertawaï; zich
half dood —, tertawa karnati-ntatian;
in zijn vuistje —, teriawa l/ersembueni,
lértawa bertukap muefoel.
— om, niet
om geven, dada J\'adloeli, tiada per-
tloeli;
een lachend gelaat, uw-ka manis,
d. i. een vriendelijk, liet\' gelaat; aan
het — brengen, djadjikan teriawa;
lachend, santin! teriawa, sèra/a teriawa.
hu-her, orang jang fërtawa.
lurliliiHt, soeka lértawa.
lach verwekkend, jang mendjadikan
tertawa.
ladder, leer, taitgga, ta/igga senigai.—,
die tevens tot stut d\\<:nt,ta»ggasokottg.
—, beslaande uit een paal, waarin op
gelijke afstanden pennen zijn geslagen,
Hang sigai; louw—, tangga tali; bam-
boezen —, tangga boeloeh, tangga ba/n-
-ocr page 416-
404
ladderboom — lahwerk.
dor; dubbele —, tanyya raitgkap; de
zijstijlen van eene —, iboe tanyya; de
spurten van tcne —, anak tanyya;
eene — opklimmen, na\'ik tanyya; eene
—   af klimmen, toeroen tangga.
laclderhooin, iboe tanyya.
ladder *port, anak tanyya.
lade, schuillade, kolak sorong-sorong;
geweer—, kajoe bidil, saroeng bedil.
laden, inhouden, geladen hebben, moe*
tcaf;
let» — in, memoetcatkan dn In in,
b.v. bij lnadt kutlie in dnt vaartuig,
tja memuetcatkan Lupi dalam pêrahoe
Hoe.
— van vuurwapens, mengtsi; met
scherp —, menyisi otiat peloeroe; het
vaartuig is geladen, perahoe Hoe toe-
dak dimoewat;
zwaar geladen, sarat,
b.v. sapérli djoeny sarat, tiada katimoer,
tiada kabarat.
als een zwaar geladen
junk noch Oost-, noch Westwnaits,
Sprw.; liebt geladen, anggal; op iets
laden, leggen, uok ntinoempangkan; het
op iemand geladen hebben, mïnaroh
deugki akan sa\'mang, mindêndam akau
ta\'orang,
b.v. didi-ndatanja djoega akan
orang ttoef
toch had hij het op hein
geladen ; de toorn Gods op zich —,
mèndatangkan toe/ah Allah atas diriuja.
ladenkiixt, al wart bérkotak turong^su-
rong.
lader, Tan een vaar- of voertuig, orang
jang mi-moe wat kan.
— van een vuur-
wapen enz., orang jang menyisi.
hu Iri a I. i. medja bérkotak sorong-sorong.
lading, IU een vaar- ut\' voertuig, moe-
u- tn ii.
— van een vu ui wapen, Ui, b.v. de
— Van een geweer, ui bïdil; eene— rijst,
saitioetratiiu bèras ; een schip niet volle
—, ka puljang sarat déngan moetcatannja.
ladinj\'Hbriei\',cognossement, soerat moe-
tealan.
ladin<£p1aatM, ttmpat mémoematkan.
lat", llauw, smakeloos, tawar. —, zonder
smaak ol\' geur, b.v. vun tabak eti dergel.,
ambar. —te spijs, makanan jang tawar.
— fa taal, béhasa tjoepar, pérkatadn
jang kosong, pértjakapan kas.mg.
Voor
kosong ook hé.mpa. —, slap, krnchte-
loos, letnaJi. —, dwaas, zot, gila, bodoh.
—. kinderachtig, kaboedak-boedakan.
—, vreesachtig, pénakoet; zeer —,
snuy.it pt-nakoet, pénakoet brsar. /ie
ook lul\'hnrtis, —- bang om iets te
doen, tja bar; wees niet —, djanyanlah
tjabar hatimoe.
—fc verontschuldiging, ;
dallh-daiih jang sja-s\'tja.
lafaard, péttakoet.
lafenÏM, barang jang menje\'garkan toeboeh
(van tëgar). — voor den dorst, barany
jang niémoewaskan déhaga(\\aupoetcas).
lafhartig, tjabar, bérani la/at, d. i. vlie-
genmocd.
lafheid, smakeloosheid, tawar, ambar.
—, lafhartigheid, tjabar, bérani lalat.
—, dwaze handeling, pérborwatan jang
tija-tija.
—, ijdele woorden. pérkataan
kosong.
l:ii£enles:firer, péngadang.
lay;er, verg. tr. van laag, lebih réndah
enz., zie hum.
lajjerwal, sabïlah darai; aan — ge-
raken, van een vaartuig, djatoh kada-
rat, tërdampar;
tig. achteruit zijn in
zijne zaken, djatoh, soeroet.
lagiiRter, e. s. v. heester, die steeds
voor heggen gebruikt wordt, beloentas.
lak, weelderig, welig (van korengroeij,
sof boer.
lal*, gebrek, fout, sa/ah.
hih. om te verlakken, dawarafr. — om
meubels enz. te vernissen, minjak rc-
ngas, tjat, tjafo,
(\'hin.; gom—, schel-
lak, ambalan; zegel—, brieven —, Min
métérai. Min tjap, lakri,
1\'ort.
lakei. péndjawat astana.
laken, de stol\', sakélat, Perz. taken ;
een rok van lijn zwart —, badjoe sa-
kélitt hifai/i jang haloes;
als — dat er
aan den eenen kant anders uitziet dnn
aan den anderen, sapérti sakTdat nioeka
doetca,
Sprw. doelende op een dubbel-
bartig mensch.
laken, beddelnkcn, sépe.rai, ka\'in ham-
paran ditïwpat tidoer;
dood—, ka\'in
kafan;
tafel—, kdin hatnparan medja.
—, zie ook dc*ken.
laken, afkeuren, rnénfjélakan, mfntjeta-
tjïla.
—, aanmerkingen maken op iets,
méntjértja, b.v. endahtija ta\'dapat hen-
dak diljï\'rfja,
de schoonheid ervan
kou niet gelaakt worden, nl wilde men
dat ook.
UÜcensob, sakflaf, daripada sakelat;
een lakeiisehe jus, badjoe sakï-lat.
lukenvelMch, zie bij buikbtmd.
hikluir-, ambalau.
lakken, verzegelen, tnemPferaikan, mfn-
tjapkan, mémboeboeh métérai, mémboe-
boeh tjap ;
dicht —, menoetotp dêngan
Min, menoefoep dengan ambalau
(van
tuetoep).
lak werk, barang-barang jang difjat.
-ocr page 417-
408
lam — lnntlbouwkumle.
stad, doesoen, desa, b.v. hij woont op
het —, ija doedoek didoesoen; het —
all uu pen, menandang desa (van tandang);
vlak —, taiiah datar; een stuk —,
saputottg tanah ; een —, sabonvah tanah ;
sahoevah nPgari;
vruchtbaar, vet —.
tanah gêmofr; onvruchtbaar, dor —,
tanah kering, tanah mafi; uitgeput en
verlaten - , tanah mati ; bergachtig — ,
tanah goenoeng; een bewoond — , négari
orang ;
een vreemd —. négari asing ;
aan — gaan, ndik daral; over —
reizen, bPrdjalan darat, bPrdjalan dida-
rat;
van — steken, mPnoetak (van toe-
lak);
een — aandoen, singgah dineaari ;
langs bet — varen, mPnjaesoer pan/ai;
een gezegend —, dtir assaldin, Ar.; het
—   bobben, inwendig toornig zijn, »!•
rPntan, mprongsing, mPronsing,- iemand
het — opjagen, mPmbanijkitkan morah
orang;
Ie — komen, djatoh, b.v. waar
hij ook te - kom e, barang dimana
pon ija djatoh,
zie t>eltvmten; ergens
het — iian hebben, sPgan akan,- het
—  bebouwen, mPngPrdjainn tanah, mP-
ugoesahukan tanah;
het — ontginnen,
ntemboeka tanah, mï-mbPlah tanah; door
bet kreupelhout ei onkruid weg te
hakken, mPnPbas; door groote booincn
om te hakken, menehang; door beide,
menPbang-mPnPbas; hier te —e, dinP-
gari ini;
het — dienen, in dienst van
hot Gouvernement zijn, dalam pPkPr-
djadu (ioepernPmen, dalam. pekPrdjaatl
koinpani;
het — bestelen, mentjoeri
harta kompani.
landaard, tabial orang negari. —, de
gewoonten in een land, iidat nPgari.
landbewoner, bewoner van het platte
laad, orang doesoen, orang desa.
liiiiilbi/il. milik tanah.
landbezit ter, orang jang Pmpoevja
tanah, toeicait tanah.
landbouw, peroesahaan tanah, pëker-
djatin tanam-mPnanam.
landbouwend, jang ntPngoemhakan
tanah, jang mPngvrdjakan tanah, jang
fanam-mpnanam.
landbouwer, orang bPrfjoefjoek fanant;
die niet dooi\' water besproeide akkers
bearbeidt, orang peladang, orang ber-
hoema.
—, die door water besproeide
akkers bebouwt, ppnjatcah, orang mP-
njairah.
land bouwkunde, elmoe peroesahaan
tanah.
hun, jong schaap, iiniik- kambing, anafc
domba, anak- biri-biri.
lam, verlamd, van tle bcenen, teponjc,
locmpoeh
; geheel —, te.poek lesi.
van de ledematen, ltsa, b.v. niet —uie
ledematen, dPngan anggota jang AÜM,
—  en krom van arm of been, tjapiir.
—, zwak, IPmah.
lamenteeren, mPrawan-rawan.
lamheid, te-poef\', tjaptk. —, /.wakheid,
kulémahan.
lammeren, een laui werpen, beranafr.
Uinil), pPlita, mul. ili- inlandsche —,
bestaande uit een aarden schoteltje
gevuld met ulie waarin een pit ligt;
de Kuropeesche —, lampo, verb.; eenc
—   met vier armen, pelita Pm pat sara-
kit,
—, ook kam/U, Ar.; de voet, waarop
de inlandsc.be — geplaatst wordt, kaki
■■/■\'■\';
de — :i;i n>\' eken, mPmasang
pPlita
(van pasang), m. lampo; de —
uitdoen, mPmadamkan pPlita (voo pa-
dam), m. lampo.
lavmpesla*, tjorong lampo, sempProng.
lumpclinp, toedoet/g lampo ,- walmkapje
boven de lamp, tetaga soelang.
lampenist, toekang lampo.
lampppit, soemboe..
i:iiii]ii\'ili<>ni, metalen wuschkom, moen-
dam.
huiipliclil. ITrang pelita, tPrang lamp».
!; 11111 nilir\', min jak pelita, minjak lampo.
lampzwart, soelang pelita, soelang
lampo.
lamslioiit, paha kambivg.
liiin^vli\'c-i*h, daging kambing.
lancet, porsoet, pisaa Kali. tadji.
VOO! de vaccine, pisaa ptntjafjah, pisau
daoen padi.
laneetliolier, saroeng tadji.
land, bewoond —, nPgari, Skr. dar, kt.
—, grond, tanah. —, in tegenoverstel-
ling met water, daral; groot vast —,
daratan. —, groote bewoonde land-
streek, hPuoetca, —, dat aan niemand
toebehoort, tanah radja. — in sa men-
stelling met eigennamen soms negari,
Mini- bPnoewa, b.v. negari II idanda,
Holland; tanah Jjjawa, bet land Java;
bénoi\'iva \'Jjina, het land China enz.
Ken bepaalde regel voor het gebruik
ia niet up te geven ; bPnoetea wordt meest
voor zeer groote landen en ook voor
werelddeelcn gebruikt, b.v. bPnoetea
Eropa,
het werelddeel Europa enz.;
bet platte — in tegenstelling met de
-ocr page 418-
LM
lnndbouwkundiee — landverrader.
liuu 11 \'o uwli u ndi iX\' ■* orang jang faham
pada përoetahaini tanah.
landdier, biuatang darat.
landdrost j Maleïiche —, ponnggawa.
lniiil.i.",ri)iiiir, toetcan tanah, orang
jang ii/\'/jofu/a tanah.
lHiiili\'i^i\'iiiluni. mi/i tanah.
lamlel\\jk, doesoen, desa; tjara doesoen ;
een — verblijf, te ut pat kadoedoekan
didoesoen. —e gewoonten, ïldut orang
duetoen.
landen, aan land kuiuen, naik darat;
uan land zetten, miinbaa-a kadarat.
landengte, t/enting tanah, ptgëntingan
tanah.
landerig, zie onder land.
landerijen, tanah bëndang; kunstmatig
bewaterde —, waarop rijst geteeld
wordt, xatcah-saieah, bëndang.
landuenuot, orang sanëgari.
lnndijereeht, hofkoem nëgari.
landgoed, Inndhoeve, doesoen, tanah
ajar.
landheer, toe wan tanah.
landhuis, buitenverblijf, roemah didoe-
toen.
landhuishoudkunde, llmoe péroeta-
haan tanah.
landhuur, seiva tanah.
hun Mi ii u f Ier, orang jang më.njewti
tanah.
landing* boot, iniami-rh vaartuig oüi
van buurd naar den wal te brengen,
sampan pvnambang, tambangatt, ook pv-
rahoe darat.
landingsplaats, timpat naik darat,
pangkatan, bugan.
landkaart, pëta tanah, gambar tanah.
landlirub, zïe bij krab.
landleven, buitenleven, kahidoepan di-
doesoen.
landlieden, orang doesoen, orang desa.
landloopen, mïnandang deta.
landlooper, pinandang desa, këlana
tandang desa. —, zwerver, orang më-
tarot, orang mëngonibara (van kambara),
—, sli\'aatslijuer, vagebond, orang risau,
ajjar Ar. b.v. tngkaa ini njatalah ajjar
pëntjoeri, \'t blijkt dat ge ceo — en
dief zijt.
landluchl. buitenlucbt, haura\'doesoen.
— i:i tegenoverstelling van zeelucht,
hawadarat.
landmaat, oekoerau tanah.
landninclit, tam ara didarat,- oppcr-
bevelbebber van de — en zeemacht,
kapala jang mëmërentahkan tëgala tan-
lara jang dilaoet dan didarat.
landman, zie bij hoer en land-
liouwer. —, dorpeling, orang doesoen.
land meetkunst, rlmoe mëngoekoer
tanah.
landmeten, mëngoekoer tanah.
landmeter, pëngoekoer tanah.
land metersketting, rantai pëngoe-
koer tanah.
landmeting, pengoekoeran tanah.
lnudmuis, tikoes tanah.
landont "juinen, zie bij land.
landpaal, tauda përhinggaan tanah,
tanda pêmïnggir tanah. \\oor tanah ook
nëgari. Verdei : tëmpadan, tipadan. —,
grens, ba/as, pëminggir.
lnndpaeht, seica tanah, padjair.
landpachter, orang jang inënjeica ta-
uah, o. j. mëmhajar paiijak.
lnmlpl:iit:_ï. uli.\'cnu\'ene plaag, hela.
latidpiini, hoidjoeiig tanah, tandjueng.
laiulriunl. landïrud, vcrb.
landrat, tikoes tanah.
landrecbt, hak nëgari.
landrechter, ommegaande rechter, rad
kétitiug, kapata rad tambang.
landreis, përdja/anan didarat.
landrente, setca tanah, padjak.
\'
landschildpad, e. 8. v. —, koera-koera.
/ie schildpad,
landslood, duinein, harta radja.
hindsheer. \\orst, jang dpërtueican.
1 landskind, de oorspronkelijke bewo-
ners, orang bénoewa, anak nëgari, orang
tërënak, oramj boemi, orang pit sak.
landsman, u-ang sanëgari.
hiiidsrecht, huk nëgari.
landstaal, bëhasa nëgari.
landstad, ntgari dihoeloe.
landstreek, djadjahan, deta, Skr.
landsvergadering, madjlis bitjara
nëgari.
Inndszaak, pïikara nëgari.
landtonu, hoeüjoeng tanah, tandjocng,
hmdvcrkcnning, hi.i/ajan nëgari, toe-
toehan nëgari.
landverhuizer, iemand, die naar een
vreemd land trekt om daar zijn onder-
houd te zoeken orang jang bërpindah
kanëgari lain.
landverhuizing, kapindahan kanëgari
lain.
land vermaak, tamasja didoesoen.
i landverraad, chijanat, Ar.
1 landverrader, orang chijanat.
-ocr page 419-
landvolk — langarmig*                                                4l>7
landvolk, oratig dorsoen.
landvoogd, wakil radja, tcali, Ar. Zie
ook J^^>^*v\'t*rnt*u,*■
l.ni\'lv.n.-ilii. v;ikdlal, Ar.
laiidwaurtM, kadarat. — aanhouden,
van een vaartuig, mrndarat. —, meer
binnenslands didarat.
liindwesj» djalan bfsar, djahin raja.
Imidwiud, anyin darat.
lundzuHt, vraag isi nïgari, pèdoedoeï?
nëgari.
lundzüde, sabïlah darat.
liini», van maat, pandjang; zoo — ah,
tapttndjang, b.v. zoo — als een vinder,
sapandjang dj\'art; op zijn —st, xapan-
djang-pandjangnja;
ten —en laatste,
berpandjavgan; ongeveer —, pandjang
pendt\'k, pandjattg pandak.
— lut en, [
biïri pandjang, b.v. datum pada Hut-pon
tiada diktrat, bfri pandjang-pandjang,
evenwel wordt het niet tijn gesneden,
inen laat het lang; even—, sama pan-
djang;
horizontaal —, in vergelijking
niet de hoogte, breedte of dikte, b.v.
van een gebouw, vaartuig, dier, lansar,
langsar.
— en smal, naar boven scherp
toeloopend, lundjong; uitermate — en
smal, tig. \'\'■■<;■" brluet dirêyang, d. i.
als een gerekte paling. — genoeg van
het hnar om het op te knoopen, tam-
porn.
— van duur ut tijd, lama; een
jaar —, satahom tamanja; zoo — als, :
salama; lang van duur ook bPrpan- ;
djangan; sedert —, darl salamanja;
reeds — verblijf gehouden hebben op
cenc plaats, of bij een persoon, fêrë-
na
v; orang tèrënak, lieden die daar
reeds lang hebben gewoond, tèrënak
kapada radja,
reeds lang in de nabij*
heid van den Vorst. — doen duren,
brpfrlaitakan; op zijn —st, talama-
lamanja,
b.v. \'tja tëtah përgï kasëtat,
tetapi salama-lamanja ëmpat hart /ja ■
poflang,
hij is naar Singupoera gegaan,
doch op zijn —st vier dagen, dan komt
bij terug; ten —en laatsto, lama-ka-
l-maiin.
— daarna, lama kemordian;
b\'-t is — geleden, sorda/i lama; boe—,
t\'impa\'t berapa lama; zoo —, sakian
MM, bagitoe lama; zoolang als Snng
-Vila Poerba zich incarneerde in Ko-
innln Bahrain, HMM S. .V. 1*. ute.n-
djëtëma mëndjadi K.
-V.; al —, reeds
—, taiamavja, b.v. reeds lang wilde
do Vorst gezanten zenden, salamanja
baginda hëndak mëngoetoes
; zoo — hij i
leeft, zijn loven ~,.ia\'<7marr hidorpvja;
nog niet —, btilom lama; nog niet zoo
—, bëlom bagitoc lama; bet is reeds
drie jaren — dat hij op dat kantoor
werk/aam Is, sardah liga (ahorn ta-
mavja ija bëkërdja dikaufor ïtoe.

leven, h\'uluep lama; een — leven, ümorr
pandjang;
zijn leven duurt —,landjoet
Z\'uioi-riija;
zoo lang hij nog leet\'t, sëlayi
hidorpnja.
— van duur, lunger dan
gewoonlijk, b.v. van het leven, een
toon, verhaal, redevoering, neg enz.,
landjuft. — van duur, langzaam, lam-
bat,
b.v. hij blijft — weg, lambal da-
tuugnja;
bet duurl — eer het tot stand
komt, lambat djadi, ten —en laatste,
lambatdauen. — vnn ergens vertoeven,
ouk lambat. — van duur, soms ook Ictia,
b.v. — onderweg zijn, liërdjalan Irna;
niet — slapen, tidorr tiada Irna; zich
—    met iets bezighouden, er — over
doen, b.v. met baden, eten enz., \'■• -
romdan.
— over zijn eten bezig zijn,
btfur-tidau dëuyatt nasi. — bij een ge-
leerde zijn, bërumdan dëngan orang
tllim;
zich — met Iets bezighouden
ook h\'ka, b.v. maka lekalah didatam
bau\'ijaqa,
zij houden zich lung op met
handel drijven. - .gevierd, van een touw,
landjar. — uitgestrekt van de beenen,
loendjoer, landjar; een rede — rekken,
mPlandjwdkan pPrkataün; van hoven
even —, van verschillende zaken die
rechtop staan, zoodnt ze vnn hoven
gelijk zijn, een vlak vormen, paras;
te — gevierd en daardoor in eene bocht,
van touw, ook te — at hangend van
eene hunglaiup, landorng; niet even —
zijn, met elkander verschillen, bërtëli-
.s\'i\'i.
— en slank van den bals, djin-
djang;
iets op de —e baan schuiven,
mëmpërtang-ioehkan; op den —en weg,
lambat-laonn; zij heelt —e vingeis,
djarinja pandjang, lig. voor stelen;
met —e tanden eten, ntakan perlahan-
lahan;
het is zoo breed als het — is,
setali liga aricung, d. i. een kwartje is
drie dubbeltjes (elk van 10 duiten).
—   en breed, pandjang Irbar, b.v. dalam
pada itoi\' djangan paria pandjang lebar,
inlusseben, laat er ons maar niet — en
breed over praten ;hoo - er hoe dommer,
niakïn lama makin bodon ,* bet niet — meer
maken, zijn einde naderen sPhadjakan,
maft.
— leve de Koning, daulat baginda.
lai-£armii£, bPrlëngan pandjang.
-ocr page 420-
■108                                                    lancbeenis — lans.
liiniïl>eenia:» bfrkaki pandjany,
luiij£l>e](]ii:£i van sommige strandloo-
per», birparoh pandjany.
laiil*l>ln«li<<;« birdaoen pamljany.
lmi<£*lrn<li££. van spreken, leret, lan-
djoel;
lange draden ol\' vezels hebbend,
béroerai pandjany.
lHiijiduritj, lama, landjoet. — vaneene
ziekte, ntirana, b.v. eene —e kunde
kuurt*, tl f mam koera jany mtrana.
lniii»«luriiiht*i<t. kalamann, landjoet.
limoen, overreiken, minyoendjoek-
1iiii<*Iiu1m, leher djindjany. —, e. 8. V.
Hesch, sï-rahi, Ar.
ln.n;*liimcli<», btrtanyan pandjany.
hiiinl i itriir, van bet hoofdhaar, béram-
boet pandjany.
—, vao het hu IJ baar,
birbtielue pamljany.
Iuii£li4-i<i, kapandjanyan. —, lengte,
pandjany.
laimliüoniia, birtandoek pandjany.
li»niilcv«*n«l»,/ü».9 hidoep lama, jany pan-
djany initoernja,jamj landjoet tiinoernja.
luni^lip, bibir pandjany,
liLiiuneut*, hidoeny mantjoeny; die —,
xiltidoetiy mattfjoeny.
lfinuoor, Ulinya pandjany, die —, si-
ti\'ltnya patidjatiy.
liuiijoorij*. lurii-liiKja, pandjany,
lmiiri>oot, kaki pandjany ; die —, sikaki
pandjany.
langs, xaputtdjany, b.v. — den weg,
sapaittljany djalan. — de rivier, xapan-
djany soenyai,
— een kant, zuuiu of
boord zich bewegen, rijden, zeilen, varen
enz., mï-njoexoer (van xoexuer), b.v. langs
de kust zeilen, bï-rlajar MÏnjoesoer pan-
tai;
langs den berg gaan, bfrdja/an
menjoexoer yoeiweny;
langs het busch
gaan, birtljalan minjoexoer hoetau.
welken weg. daripada djalan viana;
hier —, laloe dari xini; daar —, laloe
dari sana.;
iemand die er van alle kan-
ten langs krijgt, die bet uut gelden moet,
toe in pot\'fan Ziamex, lett golfbreker.
Imiir»*. uiakin; b.v. hoe — zou meer,
makiii lama mak in baujak.
lunsNi\'heepKi boedjoer kapal, boedjoer
liUïiïi-i;HRn, btrdjaluü lafon daripada;
ook alleen laloe daripada, b.v. de kogel
ging lang» zijn hoofd, pelueroe itoe laloe
dari pada kapalanja.
Innijnlupfr, pïnidoer.
lun naloop en, bii djalan laloe daripada.
langst, overtr. tr. van lang, tirpandjany,
tirlama, terlandjoet, zie bij lans* op
zijn —, salama-lamanja, sapandjany-
pan dja nynja.
limii-t nart, ekoer pandjany.
lani»f*ti»iirtiiï, brrekoer pandjany.
lnnjï«tl**ven«le, jany tirpandjany
umoernja, jany terlandjoet a-ntoerttja.
lnn<»KzalingM, mar. tajany koerst ma-
lany, pinahan lémberany.
liin<£toii<*< babbelaar, iidah pandjany,
moeloet pandjany, orany pr\'/eter, orany
gilatak.
la nut on ui il. pandjany lidah, pandjany
moehei, prleter, gilatak.
lanjjwerpiu, pandjany, ook menian-
djany,
b.v. nu pat përsiyt niimandjany,
langwerpig vierkant. — rond, boelai
pand jam f.
laiifjivülijg, birpandjanyav, landjoet,
la in bat.
lani>xanni, pirlahan,perlahan-lahan ,■ op
Java planpLin. —, lang van duur,
lantbat. —, liane in de uitvoering van
eenig werk, limlam. -, bedaard aan,
van iraan, roeien, enz., alap. —, be-
daanl, deftig in zijne bewegingen, san-
toen, iiiéndrra,
Skr. liefelijk en —,
manis mtndèra; iet» — doen gaan,
ttttniptilitiithatkati, mimpirlahankan.
lunuziiinerliund, lama-kalaiiitian, lama
dïnyati katamaiin ,dï-nyau pirtahan-lahan.
lankmoedig, pandjany hati, sahar, Ar.
lHiiknioctliiiiy li, d i n y ii7i pandjany hati,
diiiyan xabar.
l:in-; de groule, vulslagen —, toembak;
daarmede pieken, mi\'noembak, niï-radak-
kan toembak; kurte —, speer, li\'-mbïny;
daarmede Btekeo, ï/ienikant déiigan lëm-
biny, menikamkan lëaibiny
(van tikaui).
— met breede punt en kruifijzer, koe-
djoer, koen dj oer;
huulcn — zonder
ij/eren punt, sï/iyi, xeroendjany : daar-
niede werpen, menjeliyi; de Kijk*- of
staatbie—, een der vournnamsle Kijks-
(■ieraden, tjayan, Per/., ook fjoyan ka-
ratljadn.
Volgens anderen djuyan en is
bet e.». v. stiijdvurk met drie punten;
e. 6. v. —, bvndirany; staatsie— van
Vursten, bij uptoeblen ued ragen en
voorzien van haar, patent. — of piek
met haar ondeinan, bandanyan.
met Iwce of meer ijzeren weerhaken
aan de punt, roejany. — met drie
punten, sirampany; allen, die speren
hadden staken met de speren; uilen,
die lansen hadden, staken met de lansen -
-ocr page 421-
109
lansdrager — last.
cd Sri Oedani werd in de lies gewond,
gestoken duur de 1\'ortugeezen met eene
lange lans, stgala orang jaag btrlim-
b i ng, btrtikam kan II m hing tija ; ëtgala
urang jang hïrto<>mbak, btratlakkan
toembajmja; dan ttrï Oedani pon lof ka
tiri-arinja diradajr ïtrangki dtngan
tuembak pandjang;
vervulgens staken
zij ■iiu.-t de lansen ); er waren er die
uuur boven, er waren er die naar be-
lu-ilii) staken, /■//>• diradaknja, ada
jang mlrodok, ada jang mtroiintjang
hmwdrnaer, hellebardicr, oraug ptrti-
Laman;
e. s. v. —, die de wacbt houdt
bij den Vorst, pengatciuan.
lutittier; %, s. v. lanniers waren vroeger
up Java de djajang-ttgar.
lunskneeht, zie lans drager.
littiMschneht, batang loembak.
luntaarn, lantera, kandil, Ar. —, waarin
olie gebrand wordt, tt-ng, (\'hin. —,
waarin eene knars gebrand wordt, tang-
long
Chin. —s van papier, van allerlei
kleur on vorm, gebruikt voor illuuiï-
nutie, loUng, (\'hin. —, glazen dak ut\'
vallicht, zie koekoek; hij is een
groote —, maar geeft weinig licht,
oetaknja banjak, fï kaïn ja stdikit; die
moet tuut een Innluarntje ge/oeht wor-
den, mtihal dïbtll, aotkar ditjthari, Sprw.
lantaarnpaal, tiang lantera.
lanterfant, ptlcnga, orang pcrltnlai,
orany ptlalai.
lanterfanten, mtlenga, mtnganggoerti.
lap, vlard, ptrtja. —, die ergens opgezet
wordt of is, tampal; zulk eeo — van
lijnwaad, tampal kaïn. — van ijzer,
tampal btui enz. zulk een — opzetten,
tntnampal, b.v. een — up zijn baudje
zetten, mtnan/pal badjoenja, ook int\'
nampoeng
(van tampoeng, een — aan
den kant van iets). -, grooter of kleiner
stuk van lijnwaad of papier, oulc Ijëm-
ping;
zich met een — behelpen, b.v.
om zijne naaktheid te bedekken, mtn-
Ij tin ping.
—pen, vodden, kaïn-kaïnan;
groote, afgepaste —, hïlai; een of
twee —pen katoen, kaïn sahtlai doetca
Jitlai.
—, die om den buik van een
klein kind geslagen wordt, lampin.
van laken of katoen, waarin men zijne
betelbladen en tabak wikkelt, gtdt-
boeng;
een kleed waarbij do —pen
neerhangen, een haveloos kleed, paka-
jan tjompang-tjamping.
— alleen om
de schaunideelen te bedekken, die tus-
schen de beenen doorgehaald wordt,
ook stopdoek, tjawat, kaïn tjaicat,
van vleeiich, ptnggal; horizontaal—pen
afsnijden van vleesch of visch, mtnjijat
(vnn S\'jat). —, dronkaard, pémabok,
priainurm.
—-, zie ook doek.
lapueld, "//(//\' in- tinii.pal.
lapje van vlcescb, pfnggal. —s, van
doek, ptrtja-ptrtja kaïn, kaïn-kaïnan:
vlak voor \'t - , van den wind, loeroe-
fan, soumg bon-itan;
iemnnd voor \'t —
houden, mtmpfrmaïnkan vrang; door
beui op te hemelen of in de hoogte te
steken, mtngangkat-angkat orang,mtng-
andjoeng orang.
lappen, een lap opzetten, verstellen,
mv nam pul (vnn tampal), mtmimpoeng
(van tampoi-ng), N.B. Utmpoeng is meer
aanzetten v<in een lap op den kant
van iets.
lappendeken, bedelaarsdeken, gtbar
btlah krtorpat.
lappenmand» bakoel kaïn-kaïnan.
lardeeren, met een priem steken, men-
tja/jak; eene kip met een priem ■—,
m\'éuljatjah hajam dtngan ptnjoefjotk,
b.v. miika dïljatjahnja dtngan ptnjot\'~
tjüsk ukan hajam itoe talon dipang-
gaugnja,
zij lardeerden die kip meteen
priem en roostten huur vervolgens.
lardeerpriem, piMijortjoel?.
larie, larie- falie, pvrtjnka/ian kosong.
larve, van bij, wesp of mier, lt.mpaja}c;
van muggen, die zich in het water
knippend voortbewegen, dj int ik-dj intik.
luKcb, aangehecht stuk, sambofngan,
hotbumgan.
— door inkeping, zoonis
bij bulken, tanggam.
laxschen, mïnjauiboeng, mvnghoehoeng-
kun.
— door inkeping, zoonis balken,
tntnanggam; up die wijze gelascbt zijn,
btrtanggam; niet gelascht, van balken,
planken en andere lange vuorwerpen,
uit één stuk, simampai, mtradja-kaja
en hiervnn maitja-kaja en mtndja-kaja.
last, bevel van bestuur of overheid,
ptrentah; zulk een — geven, mtmSKri
ptrentah.
— van den Vorst, titah; zulk
een — geven, tntmbtri titan, btrlitah.
— van God, Jirmdn, Ar., zulk een —
geven, btjirmdn. —, bevel in bet alge-
meen, prnjoerork; op — vnn, dingan
pï-njoeroe/t;
ook dtngan soeroehnja en
dtngan soeroehan. —, bevel aan of van
een vertrekkend of stervend persoon,
pitan; zulk een — geven, bïrptsan;
29
-ocr page 422-
-tlO                                            lastbrief — lnten.
zulk een — geven nan iemand, mentX:-
tan\'t i :i:in._-:i.-.:..L- ic-ir.iu.\'l of 10 tl Ülllk
een — (reven, berpX.sankan. —, moeite,
zorg, snesah, — veroorzaken, lacujoe-
sahkan.
—. hebben, kasoesahan. —,
zwaarte, druk, kabPrafan. —, lading
van vanr- of voertuig of lastdier, moe-
tcatan.
—, moeilijkheid, nood, verlegcn-
ht\'id, kasoekaran, kasoesahan,kapitjïkan.
—, belasting, tjurkai, brja. —, plaag,
hinder, overlast, pengoesik; ten —e
leggen, zie beschuldigen. —, een
luan\'s draag vracht, pi koetan; scbeeps—,
7ooal» die in Indie gerekend wordt van
27—32 nikocl, elk van 125 Amst. <u\',
ktyan; een vaartuig van twaalf —,
pérmMoê doeica-bXlas kojan. —, die men
op zich genomen heelt, waarvoor men
instaat, tiwgtjorngan; schriftelijke —,
soerat pXrentah ; van den Vorst, soerat
Utah,
Zie ook volmacht; iemand
tot — zijn, wtndjadi soeafoe kabXraJan
kapada orang;
den — (lading) innemen,
van de scheepslieden, mX-nXritaa moe-
tcatan
(van t Prima j; van het schip,
tlittiofirat, geladen worden; den — |
(ladingi breken, mPinhmigkar moncatan,
mPuio.-nggah
(van potnyyah); het einde
zal den — dragen, pat/a aehir kelak-
dat/mg kasoesabattnja.
lastbrief, van het bestuur, soerat pPreii\' ,
tah; van den Vorst, soerat Utah, —,
volmacht, (ie «ld.
lusl i lier. hinaiitity ianggoengan.
lastdrager, pakkendrager, orang koeli,
orang pPnggandar.
— van iets, dal
met zijn velen aan draagboomen gc-
dragen Wordt, orang pXngoesoeng. Zie
ook hij sjouwer.
laster, oempat, fitnah, Ar. hodjat, Ar.
—, val>che beschuldiging, totrkasau ; er
is geen — die doodt, er is geen lof
die den huik vult, tiatta oempat jang
vtimboenoeh, iiada pot-dji jang mh/gen-
I
vjaiigkan, Sprw.
IjisI riMüi\', pXng oempat, ioekang fitvah,
pXngh\'o/ijat.
—, valscho beschuldiger,
pémoektLÊ,
last iti\'ii. iiiïiH/oi\'inpat, mïnfifnahkan,
mPnghodjat, laPmbaica n/oetoef, adjoe-
:
tljah. —, valsch beschuldigen, uiPnoe- \'
kasi
; (iod —, mPnghodjat Allah.
lastering* ormpatan, fitnah, hodjal.—, \'
valsche beschuldiging, foekasan.
lastertylt. dpagan oenpaf, dPnganfitnah,
dPngan hodjat.
lastermond, lid ah pPngoempal, lidah
fitnah.
lastertaal, perkalaau hodjat.
lastertonj* — lastermoml.
lnsiiT/iniit, lnsterziek, soeka mPngoem-
pai, sorka mPnfitnahkan orang.
lastgeld, tonnengeld, roeba-roeba.
lastgcver, van wien het bevel uitgaat,
jat/g ntPmbPri~pPrentah, jang mëmbtn
titah.
—, die volmacht geelt, moeicakil
Ar. jang mPmbiri koewasa, jang mëica-
kilkan, jang mpngoe irasak an.
last hel il»er, afgevaardigde, oetoesan.
soeroehan.
lastig, moeilijk, soesah. soekar. — en
ingewikkeld, snekar-soelit. —, veel
praats hebbend, tjPrewet; iemand, die
in dien zin — is, pP.nfjPrewet; een —
persoon, plnger, peugorsik; p\'éngganggoe.
— vallen, hinderen, met rumoer, ge-
inas, mXmboeicat lixing. vullcn.pl;.-
gen, mvngoesik, nuugganggor.— vallen,
iemand vermoeien, mi mPna/kan (tan
pënaf). — vallen, door telkens aan Ie
komen, Ie komen manen ol lecnen,
mPndPdas-dPdasi, b.v. liadaldh tertahan
laai olih sPhaja, karhia didv das-d edasi
otih orang satijap hart,
het is door mij
niet meer uit te houden, want iederen
dng word ik door de lieden lastig
gevallen (om betaling); aanhoudend
iemand om iets — vallen ook peroesa,
Skr. Zie ook plajjen.
laslijrheid, kasoesahan.
lat, tengel ann den wand, bProti. —,
vloer! at ten van platgeslagen bamboe,
pPloepneh; van den watcrpalui, roejoeny;
do —ten waaraan de ntnp van een
dak wordt bevestigd, ook de panlntten,
waarop du dakpannen worden gelegd,
reng, kasau niPlhitaag; de latjes in de
atap. waardoor de bladeren bij elkander
wolden gehouden, hPnykaican. —, ge-
brnikt bij het weven, bX/Pbas.
latafel, medja bPrko/a.k xaronff-xorouff.
laten; hiervoor is geen algemeen woord ;
bet moet on verschillendo wijze worden
teruggegeven, b.v. -, toestaan dat iels
in den toestand blijve, wanrin het i-,
titiffffa/ian, mPmbijarkan ; de deur wordt
opengelaten, pintoe ditinggalkan ter-
bueka;
iemand aan ziehzelven over—,
tnX\'ndtijarkan orang; ik heb uiijnzonne-
schcrui in het bootje gelaten, akor
tinggalkan pajoengkoe dalam sampan;
thuis —^tinggalkan diroemah; het leven
-ocr page 423-
laten — lurecren.
411
—, mati, hilang njawanja, hilang dji-
wattja;
er voel geld—.verteren, ttiëng-
halnskan bavjak oeivang, inëmbélandja-
kan banjo,}? oeicang;
doorbrengen, mtm-
boroakatt banjak oeicang
,- de vijund inoest
het veld —, t a\'dapat tiada utoesueh
itoe mïninggatkan medan pépirangan,
(a\'dapat tiada t/toesoeh itoe oenduer dari
medan piph-angan
; ik kan bet voor
dien prijs niet —, la\'bolih sP/taja bïri-
kan dïngan harga bagitoe;
ik heb het
mij wijs — waken, sïhaja ditjfriltraï
bagitoe;
hij liet zich gezeggen, ija
mënérima tëgor, tja mïmoerott kata ;
dat
luat zich booreu, bultii ditërima, bolih
dipfrfjaja itoe, baratigkati bagitue;
dat
liiut zich niet denken, tiada bolih di~
xtuigka;
laat uwen zoon meer vrijheid,
bijarkan anakmoe lebih bebas südikil; ■
laat ons gaan, mari kt\'ta pvrgi; sta toe
dat wij gaun, binlah kanti pérgi; laat
ons lecren, mari kita biladjar; sla toe
dat wij leeren, btrilah kamt biladjar;
laat al. houd 0[>, djangan; laat niet,
djangan; laat het niet slorleo, djangan
toempah;
laat hem niet uitgaan, dja-
neem tja ka/oetcar;
sta niet toe dut hij
uitga, djangan beri ija kaloewar, —in
de beteekenia \\au beteleu, soeroeh, b.v.
— brengen, soeroeh batca, toeroek huw
Uw ka*;
het eten — opbrengen, soeroeh \\
amakai makoMtm.
— betalen, soeroeh
bajar,
— in du beteekenis van ducn
wordt meestal uitgedrukt duur den
causatieven vorm van het Weikw. uivniel.
aelitergevoegd kan, b.v. ziju knecht —
gaun, zijn afscheid geven, mfliptukan
hambanja.
— drogen, in de zon, -//»"«-
djt-moerkau; in den wind, mtngangin-
kan.
— bleeken, mtntoetihkan, mfng-
hoedjan-panaskan.
aüyzca, tittudikkaa ;
het anker — vallen, melaboehkan saoe/t;
een touw — zakken, mïuiijboeloe.-kau
tali. Zie de Grammatica. —, nalaten,
afstand doen, tinggaikan, wïütpaekam,
titi\'-mbijarkan;
b.v. hel npiumrooken—,
tingoalkan ntiiioein mail at; zijn vuor-
neinen — varen, mi-t» paskan nijatnja;
zijn doel — vuren, mïimbijarkan mak\'
soednja
; iemand — vitren, mhmbijarkan
orang
; iets niet kunnen —, geen at-
stand kunnen doen, tiada bolih lépas;
niet kunnen — oiu te vragen, gangguc
moeloetkoe birianja;
een wind —, bPr-
ktntoet;
een boer —, serdateah; een
zucht —, berkiloeh, mtttgiloeh; zijn
water —, ke?it/ing, boewang ajar keljil,
kasoengai kvljit.
—, aderlaten, zie ald.;
laat mij met rust, djangan oetik> akan
dakoe, djangan ganggoe akan dakoe;
laat het daarbij blijven, soedah bagitoe;
zijn goed aan anderen —, tinggaikan
hartanja kapada orang laïn;
goedkoop
—, béri moeraJt; zich door anderen —
bedriegen, bijarkan dirinja di/ipoettrang;
laat mij het doen, bijar akoe mitnboetoal
itoe;
het dwerghert— ontkomen, bijar\'
kan pvlautloek itoe lari bërlépas.

weten, te kennen geven, mrtabi-ri tahoe;
door een ander — welen, soeroeh bt.\'i
tahoe;
laat hem binnenkomen, soeroeh
dia masoek;
wanneer bet een uunzien-
lijk persoon is, dien uien moet — bin-
nenkouien, plrtilakanlah toewan (ëntjik,
daloek enz.) masoek; djëiupoe/tah toe-
wan masoek;
laat den goudsmid komen,
soeroeh pattggilkan pandai emat.
laten, zell\'st. nw. iemands doen en —,
kalakoetcan, tingkaJt-lakoe.
later, naderhand, këmoedian, arhir, djt\'
mah,
b.v. in — dagen, pa da hart ja tig
kïmoedian
; in — tijden, patla tarnen
achir.
- in de eeuwigheid, di acherat
djt-mah;
dil kindeke zal — een groot
held worden, kanak-kauak iititah djé/nah
djadi djohan pthalaican
,- hij kwam —
dan ik, ija da-tang kt-moedian daripada-
koe;
eene —e tijding, chabar javg ke~
mnedian;
blijf wat —, linggal lebih
lama sëdikit.
luUjii, bthasa lalisi.
latten; een vloer —, met bamboe of
niboeng, mëlantai; met — van hout
beslaan, betcngelcn, mëntasang beroti.
latuw; e. s. v. wilde, eetbare —, fjeng-
këroeng.
latwerk, rechtstandig, kisi-kisi.—, ruit-
gewijs, dja/a-djala.
laurier, luurieiboom, dafnah, Pen. po-
hun. satam,
laurierbladen, daoen salam.
lauw, van vochten, niet warm of koud,
lïg. soetcain-soeicam koekoe, d. i. Zoo dut
men er de nagels in kan houden zonder
zich te branden. —, tusscheu koud en
warm, in den eigelijkeu zin, niet ovei-
draehtelijk, rédang. —, onverschillig,
tiada J\'adloeli, tiada p\'iirdoeti.
luveeren, vnn een vaartuig, bërperai-
përai, mëutboewaitg pirai, birpal-pal,
mïmbuetrang pal, mïttggërïgadji angia,
lelterl. dun wind doorzugen; ceuc haven
-ocr page 424-
412                                        lavement leefregel*
wijzen, aan zijn verzoek niet voldoen
mPnghëmpakan orang; een ledige mant:
pProet kosong. —e rijstkorrcls, die doo;
de klander zijn uitgevreten, en dien
ten gevolge bij het was;>chen van ii-
rijst op het water blijven drijven, bërut
timboel;
er met ledige handen at\'geku-
men, teleurgesteld, attai. —, zonde;
bezigheden, tiada kPrdja; een — brein,
oetafy javg tiada berisi. — loopen, —
gaan, leka, bPrdjalan-djalan dlngan
levga,
ook mPngauggoer.
ledigen, ledig maken, mPnyhempakan,
mPngaloewarkan isinja
(van kaloewar.
—, uitdrinken, miuoem habis.
lediggnnger, zie leeglooper.
ledigheid, niet gevuld, kahPmpaiiti,
kosong.
—, werkeloosheid, kamalasan,
pPri malas.
ledtgiyit, dPngan hempa, dPngan kosotuj.
—, zonder werk, dengan lenga, denga/t
lalai.
ledigloopcn, zie bij ledig. — van een
vat, kaluerarlah habis sï-gala isinja.
ledigmalcen, zie ledigen.
ledigputten, mPnimba tampai Jtabi-
ajarnja.
ledigneheppen, mPntjidoek sampai ha-
b»s is\'mja;
het hol van een vaaituit\'
—, ui: tiii.i/i-il, mPnimba ajar roeuunu,
(van timba), bP.rkP.marau ajar roemani/.
ledigstaan, van een zetel enz., tingyal
dPngan hempa,
—, zonder iels te doen
bérdiri dPngan lenga.
ledigxitten, doedork dengan malus
doedoek dPngan lalai, bérdiam diri
leed, verdriet, inwendig —, doeka-tjila,
suesah-hati;
uitwendig —, bentjana,
mara;
allerlei — in dien zin, mara-
baJiaja.
—, berouw, spijt, sesal.
hebben, bvrsPsal, meiijësat. — hebber
over, bersPsalkan. — veroorzaken, in-
wendig, mvndoeka-tjitakan, mPnjoesah-
kan ha/i, membPri soesah-hati;
uitwen-
dig, membëntjanakan, wPmbri bPntjani\'
tnPmarakan.
— doen, iels aandoen. Ai/-
boewat pPri; lief en —, soeka dan doeka
voor- ea tegenspoed, oentoeng baik dar
oentoeng mat artg
,• zijn — aan iemand klu-
gen, mëngadoekan halnja kapadu orang
hetzij u lief ol\' —, gij moogt willen
of niet, .sot\'ka ta\'soeka; tnaoe la\'maoc.
leeddrngend, mïtnangtjoeng doeka, bPr-
doeka-ijita, kadoekaan;
spijt, berouw-
hebbend, bersïsal.
leerregel, sjarf, Ar.
binnen —, rnasoek bPrpPrai-pPrai, masarfr
betpal-pal;
een vaartuig doen - , t»7in-
palkan. —, vim een bcschonkenc, hoe-
joeng, \'hoejoeng amboeng.
—, lig. met
allerlei uitv Inenten vuur den dag komen,
bPrdalihdalih.
lavement, obal pProeieang, ubat semprot,
Jav. —, uok hoeknat, Arnb. een —
zeilen, hor/rnatkan.
lavcmentMpuit, sPmpï-rot, Jnv.
lavi\'ii, to drinken geven, mPmbPri mi-
MM, ■—, verkwikken, mPnjPgarkan
(van segar).
lawaai, gadoeh, gPntar, hoeroe-hara;
Joden—, gPntar S/jak, letterl. Sijaksch
rumoer, boevji Ijtna Icaram, letterl.
bet geluid van schipbreuk-lijdende Cbi-
neczen; een groot —, lig. bprtimba
kerang,
letterl. schelpen scheppen.
laxaiin, pi-.il/jaAar.
laxeermiddel, vbat pPnfjahar.
lazaret, roemah orang sakit.
1: i z 1111 rnteen, lazoetcardi.
ledebantf tPmpat fidoer,petidoeran ; van
Yon-tcn en aanzienlijken, pPradoi-wan;
e. s. v. hoog —, randjang. — voor één
pen-oon, /.■■til.
ledehanthrhangKel, kPhmboe timpat
tidoi-r, kPlamboe pPradoewan, tirai.
ledematen| de — van het lichaam,
si-gala angguta iorboeh.
It\'tlt-] tijn, sakil lotlang.
leder, leer, koelit; gelooid —, korlit
samak;
on gelooid —, bPloelang; één
vel ongelooid —, bPloelang sa&idang;
bulFe!—, koelit karbau; ossen—, koelit
lëmboe, koelit sapi;
schapen—, koelit
kambing;
knlfs—, koflit anak\'lïmboe;
bereiden, looien van —, mPnjamak
(van samak); van — trekken, mP.ng~
hoenoes pïdang, menghoenoes keris
; leer
om leer, sama btrba/as.
ledera e h tic sapvrti koelit. —, taai
van spijzen, lijoel.
lederbereider, toekang samak koelit.
lederen, kui-lit, daripada koelit.
ledergoed, barany-barang koelit.
lederviHch; de —, kitatig.
ledewater, ajar témdi, ajar boekoe.
Icdewaterzueht, sakil ajar stndi,
sakil ajar boekoe.
ledig, hï-mpa, kosong, tiada isinja, tiada
iïérisi.
— van oen koektrommel, oiei-
dop, vrucht, alles waarvan de inhoud
er uit is, kPlompang. —, eenzaam, soenji,
chali,
Ar.; iemand — wegzenden, af-
-ocr page 425-
118
leeftijd — leeren.
leeftijd* ouderdom, amoer, Ar. oesija, I
Skr.; van een —, sama wmoer; van
een slag, sabaja.
leeftocht, levensmiddelen vuur de reis,
bikal-bëkalan, roetcadah, Ar.
leefw\\jt*. péri kahidoepan.
lueylooper, orang pe.inalas, orang pëla-
lui, oratig pérlentai.
leegte, htmpm,
leelüld boesoek, boeroe^,djahut,bertjela, .
ijirtjatjat, djeh-k,
— van uiterlijk, ook
odoh; afschuwelijk —, bogol; iets — I
of berispelijk vindon of noemen, men-
tjelakau, mint jatjatkan;
leelijkc klce-
rea, pakajan boeroek; een leelijke vent,
orang djahat, orang bingit; er — uit-
zicn, djahat rorpanja, boeroek roepanja,
ta\'ba\'ik roepanja;
het ziet er — uit,
de zaken staan biecht, përi //al perkara \\
Hoe ta\'baik.
— staan va» ecu kleed,
fakïiia, ta\'pat vel\'; dat staat u —, dat
is slecht van u iedaaa,jrër6MaM4*MMM
hm ta\'baik; dat is een — zeggen, V^r\'
kataün int ta\'ba\'ik;
teinand — aandien,
mi ma» da tig oratig dengatt inarah, tnf-
ngerling orang dengatt ekoer mata;
er
— aan tue zijn, dalam hal kasoekaran.
leeiyklieiti, kaboesoekan, kadjaha/ant
katjë/aan.
leem, klei, tatiah lijat, tanak pïtkat,
geloeh, geloefc;
e. -. — van kalk en i
ban, gala-gala,.
\'• enien, datipada ianah lijat, d. tanah
pekal, d. gilvek.
leemte, gebrek, kafjtladn; premis, ka-
koerangati.
leen; te — geven, memberi pindjam,
iets aan iemand te — geven, mfmim-
djamkan;
te — v ragen, mémindjam,
minta pindjam;
voor iemand te —vra-
gen, mémindjam i. Zie leenen.
leenen; van iemand —, mémindjam,
minta pindjam
; iels aan iemand—, me- \\
mind/amkan,
b.v. emasjang Datoek-pin- \'
djamkan kapada sëhuja hari Hoe, het
goud, dat Datoek mij dien dag leende;
voor iemand —, mémindjami, b.v. dji-
kalau ïngkan hendakmêtitjëhari, b/jarlah
aJtoe pmdjamiï\'was orang xapoidoeh tahtl,
indien ge uw onderhoud wilt zoeken,
laat mij dan voor u tien tahil goud van
anderen leenen; geld —, aan anderen
te leen geven, ook tné.mbtri hoetang,
meng hoelang/;
in bruikleen vragen of
nemen, ménjanggam (van sanggam); op
pand —, bërgadai. — met het doel
om het nooit terug te geien, zooals
de inl. hoofden met den minderen man
doen, pindjam kajoe ara; het oor —,
menêngarkan (van ilengar), mëmbêri
tilïnga;
op Java mémasang kueping
vvan pa-tang). Zie ook luisteren; de
behulpzame hand —, membantoe.
leener, die te leen geelt, orang jang
titïinindjatnkan, o. j. mëmbërt pindjam.
—, dio te leen vraagt, orang jang
mëinitidjaiii, o. j. minta pindjam.
—,
die gewoon is te leen te vragen, p<-
mindjai/t
\\e?ni*ueil*barang-barangjang dipindjaui,
pïgaugan, iehadzat. Ar. —, ïu bruik-
leen, sanggam.
lcenins» piadjaman; bank van —, /te*
gadajan, roeiaa/t gadai.
leep, slim, fjërëdik.
lceperd, orang tjérédil\'.
leepheid, pvri tjërtdifc.
leepoogi ontstoken oog, mata 6ilis.
waarvan het onderste lid neerhangt,
zoodat de binnenkant ziehtbnar is, mata
redjeh.
leer, zie leder en ladder.
leer. onderricht, pëngadjaran; gods-
dienst--, pëngadjaran agama. —, onder-
richt der uuden, pematah; in de —
zijn, zie leeren. —.weienschap, kunde,
elmoe, Ar. b.v. de — der toekomende
dingen, de eschatologie, ëlmoe acherat;
geneesmiddelenleer, ?lmoe obal.
leer aar, goeroe, pingadjar, mofttlim, Ar.;
godsdienst — , goeroe, pandita, Skr. pa-
deri;
voor inlnndsche — in den guds-
dienst gebruikt men goeroe; voor een
hervormd predikant, pandita en voor
een K.C. geestelijke,/j«*/ë*\'i. - .geleerde,
wijze, hakim. Ar. —, prediker in de
moskee, chdtib, Ar.
leertitvrNiimhl, mul. vnn een gods.
dieii.-lleciaar,/V/([/;«/«?i pandita, djabatan
paderi, djabatan goeroe.
leerare», goeroe perampoetean.
leerbereider, toekattg samafr.
leerboek, kitiib pëngadjaran, soerat />?-
ngadjaran. —, in vragen en antwuoi-
den, kitdb soewal-djawdb, soerat soeical~
djaieab.
leercursus, daras. Ar.
leerdicht, sji)ir pëngadjaran.
leeren, onderwijzen, mengadjar (vnn
adjar). —, studecren, beladjar,- iets
aan iemand —, mengadjarkan; lezen
—, onderwijzen, mengadjar membatja
-ocr page 426-
411
leerjjnns: •— leserkntup.
baganja; iets op eene fraaie — vormen,
mênoi-roet toeladan yang bdik; lieden
van éene —, orany saèaja; zij schoeien
op eénc —, mareka-itoe satoedjoe,
mareka-itoe satve fiati;
op eene andere
— schoeien, niXnyobahkan peratoerannja.
tchoenmaker blijf bij uwe —, djanyan
Xnyl.au fadloeli akan pXkvrdjaiin orany
la in.
leeuw, sinya, Skr. ter onderscheiding
van leeuwin, siriya djantaii; het tceken
van den — in den dierenriem, boer-
djoelasad,
Ar.; een brullende—,sinya
me ui kas;
een woedende —, sinya ya-
raity;
een — die een aanval doet,
Sinyn meuerkam.
leeuwendeel, behayian jatiy terbesar.
leeuwenhol, ytdia sinya.
leeuwenkuil, kitneboeraa sinya.
leeuwenmoed, bërani bagai sinya.
leeuwenwelp, auak sinya.
leeuwin, sinya bX/iaa.
leyimit, pïmbïrian poesaka.
le<£iiturit*, orany jauy mendapat pembi-
riar. poesaka.
lej»ateeren, memberi behuyian poesaka.
let»«\'r, plaats waar uien zieh neerlegt,
peborinyan; ook van dieren, b.v. peba~
rïnyan badak,
bet — der rhinorerossen.
—, krijirsvolk, ba/a, tantum, r\'ujal, Ar.
augkatan pt\'rany. — van een wild dier
onder struikgewas, boemhoen. — van
een wild zwijn, djeroemaen. —, slnnp-
plaats, pX/idoeran, iXwpat tidoer; van
Vorsten of nanzienlijken, pXradoean;
een — hebben, ziek ligsren, bérbariny
sakit;
een — op de been brengen,
niXnyerahkaii se gala rajat liXndak ber-
pïrany;
het — in slagorde scharen,
méngikat perang.
let;ernnnvoerder, hoeloebalang, paha-
lawan,
1\'erz, penglima perang (onder-
scheiden in penglimaperatig besar, pjing-
linia pXrang
en pXnijlima dalani), poeiuj\'
gaica,
Boeg. = penglima pérang besar.
(Hij volgt in rang op den pénglitna
pesoekoean).
leirernlcleelini*, pasoekan, katoemboe-
kan.
lejjerlierielit, chabar dart medan jie-
perangan.
lederen, halt houden vnn een leger,
bXrhenti, mendirikan chaimah.
lemerliuoTd, zie lejïernnnvoerder.
le&;erkitmp, baroeng.baroeng; een —,
opslaan, berbaroengbaroeng.
soerat; in bet lezen onderricht untvan-
gen, bXladjar membatja suerat; iet* van
buiten —, minghafalkan i van ff af al.
Ar.)- — lezen vitn d— Kor», wiêmjeéji
koran.
— bij iemand, bXladjar kapada,
bèryoeroe pada.
—, kusl ijden, menya-
djari,
b.v. wacht, ik zul je —, iuyat,
itanti akoe mënyadjari Xnykan;
elkander
—    kennen, uioela\'i bfrkenal-kenalan;
moeilijk te —, te onderwijzen zijn,
teyar, keras kapala, bXrat kXpatii; moei-
lijk aan te — zijn, suesah dipêludjari;
gemakkelijk te —, te onderwijzen zijn,
moedah di-adjar, rinyan kapala; gemnk-
kelijk aan te— zijn, moedah dipëtadjari.
l«*f rumijf, djalan pi-nyadjaran.
leertsieriji.3\'"\'^" bXladjar, inyin bXladjar.
leeriny, pX-nyadjaran. — trekken uit
iets, imnyainbil ibarai.
leerhooi>er, OtWUë bXrdjoetcal koelit.
leerliu**, pêladjar, moer\'td Ar.; een—,
die zijn meester reeds behulpzaam is,
auak lanyan, lisr.
leerlooien, mXnjamak koelit.
leerlooier, luikamj samak koelit,
leerlooierij, tempat samak koelit.
leermeester, goeroe, pXnyad/ar, moeit\'
Urn, Ar.
leermiddelen, pirkakasa» mXnyadjar,
p. sikolah.
leerplan, atoeran pXr/yadjéiran.
leerrede, preek in de moskee, eholbnf,
Ar.; ceno — in de moskeo houden,
rnXmbalja ehotbat. — in eeno christe-
lijke kerk, penywljaran; ecne — in eene
christelijke kerk houden, rnenyadjar.
leerrejjel, voorschrift, sjart. Ar. —,
grondregel, oesoet, Ar.
leernehool, tempat mXnyadjar, (Smptti
bélad/ar, tempat mXnyadji, sfkolah, vcib.
—   Voor Mohammedanen, mandarsah,
Ar. soerau.
leernnr, tcekloe penyadjaran.
leerwijw, ptri minyntljar, peri bXladjar.
leeivumn, soeka bXladjar, radjin béla-
djar.
—, waaruit veel te leeren valt,
bavjak pXnyadjarannja.
lecsbniir, dapat dibatja; niet—,ttada
tXrbatjakan, ta\'dapat dibatja.
leettluMt, soeka membatja.
lee«oeleiiiiijj:( pXladjaran membatja.
leent, gestalte, sikap, lïmbnya. —, vorm,
Waarop iets gemaakt wordt, ook afjoe-
wan.
— voor laarsen of schoenen, ke-
l\'éboet kasoet;
fraai van —, een goede
figuur hebben, ba\'ik sikapnja, bdik lem-
-ocr page 427-
legermacht — leiden.                                         -115
legermacht, bala-tantara.
legerplaats, kamp van een leger, pi-
lantaraim, pPrhPnliav,
b.v. van de eene
— tot de andere, daripada soeatoeppr-
hPntian datang kapada perhPntian jang
ia in.
legerscharen, bala-lanfara; de lieuiel-
■ehfl —, bala-fanlara mal dik at.
legerstede, iPmpat lidon, pPbaringan. i
legertent, chaiwah, Ar.
legertocht, angkatan pPrang.
legertros, lcgcituig, sPgata alat pPpt-
rangan,
legerwagen, rata pvpPrangan.
leggen, mïlPtakkuii, mPiubveborh, uiena-
ruh
(van taro/t), mPmbaringkan; iets op
tafel —, mPlPtakkan dimtdja; in eene
kist —, meinburbaeh dalum pPti; in de
kast —, mïnarch data/n almari; een
kleed, tapijt, mat ut\' grooten platten
steen —, mPnghamparkan, gelegen, tïr-
hampar;
een kind op het bed —.mPia-
barïtigkan kanak-kanak ditémpat tidaer;
op of over elkander —, zoonis b.v.
hoeken, de plooien van een overhemd,
planken, die men op elkander spijkert
enz., utpnjofsofa (van sofsnra); du hnn-
den op iets —, b.v. op den kop van
ren ilachtoffer, m^uoempangttM faugan;
imngliavtarkiiii fanganvja kapada;
den
vinger ergens op — om het non te i
wijzen, mPuorndjal (vnn t(wndjal); de
vlakke hand op iets—, mPnPmpap (van
tPtupap); do hand op de borst —j
tnPnPmpa/ikan languu kapada dada. —,
nerrlejruen van een steen, mPnghantar\'
kan uaboenah batoe;
neb luinp op iets
—, b.v. op iemands schoot, ui e Had is;
te slapen —, viPnidon\'kan (van fidoer);
te slapen —, vim kleine kinderen, in
de lief ko/.ingstnnl, un-mbamkan (van
Lam); op een hnkhlok —, mèiatidas;
aan den dair —, mPnjafakan, mPlahir-
kan,
b.v. zijne tevredenheid aan den dan
—, menjalakan kasPnanganvja ; blijd-
schap aan den dag —, mPlahirkan ka-
toekaannja;
ufkeerigueid aan den au;
—, mPnjPgan; op elkander gelegd, van
betelbladen, hPrsOflap; op elknnder
gelegde betelbladen, daoen ririh bPrsof-
lap; afzonderlijk —, apart —, mvnija-
singkan, mPugaxakan
; zich to slapen ;
—, mPmbaringkan dirinja hpndaktidiwr;
de wind legt zich, angin bPrtPdoeh;
strikken —, mPmasang djPrat (van
pa&ang); lagen —, mPngadang (van
adang); voor oogen —, aantoonen, mï-
uoendjoekkan
(van toemdjoek); de schuld
op iemand anders —, xalahnja ditang-
goittgkan pada ttrang la\'ir
; de hand
aan iets —, moelaï mPngPrdjakan (van
kerdja); in den weg —, dwarsbomnen,
mP.rintangi; de woorden in den mond
—, disoarorh katakav, wttnjoeroeh mP-
ngatakan
; in asch —, mPmbakar, »/!?-
noi-nofkan (van toenoe), mPngliaugor\'s-
kan;
do hand op den mond —, bPrte-
kap mosloet
,- de kiel —, mPmasang
loenax
(vnn paxaug); den eersten Meen
■—, mPmasang baior jangpPrlama, mPm-
boeboe/t b. j. p.;
bet londament —,
mPmboeborh a/as, mPmasang kaki tem-
bok ;
iciiinnd voorover —, mPuiarapkan
orang
(van tiarap); iemand achterover
—, mPnPlPntangkau uratig (van tPtPn-
tang);
op de schoot —, nemen, hou-
den, uiPmangkoe (vnn paugkof), mPriba;
iets een ander op de schoot —, mPlP-
/■■ \'.■/.■i,i dipangkue, m. diribadn;
zijne
handen op den crond — van iemand die
ter aarde buist, mïuïkankan tangannja
taioemi;
weer op zijne plaats — , mPmoe-
langkan pada tPmpatnja
(van poflang);
over iets heen —, van een doek enz.,
mP.noednengkan (van toedoend); Op elknu-
der—, in lagen, métapitian, mPvjoesoen
(vnn soi\'sarn); een vloer —, mPmasang
lantai
(vnn pasang); eieren —, bPrlPlor.
leghen, hajam jang bPrttlor.
legio, kahaujakan.
legioen, katoeinboekatt, pasoekan.
legtvjd, mtfsim bPrtPlor.
leguaan, bnaicak; op Java mPnjawak1;
zich als een — voordoen, mPmbijawak.
lei. om op te schrijven, papan taelis,
fo/i bafot\';
op eeno — schrijven, mpnjae-
rai pada lofy batoe;
met — gedekt,
van een huis, bPratapkan batof.
leiden, geleiden, mPnghantar, mPmjhan-
tarkan;
bij de hand—, meuiimpin (van
pimpiri\\, mPmimpin faugan; een beest
aan een touw of teuirel achter zich
voort —, inPngiritkan, (vnn irit, ook èrèt
uitgesproken). — door middel van iets,
b.v. bij den toom, bij een stok enz., rnP-
noenioen
(van toentoen). -— van vloei-
stollen of rook door eeno buis of pijp,
mPnljnroiig; waartoo zal dat —, wat
zal daarvan het einde zijn, apatah
soedahnja;
een troep ■-, door als aan-
voerder voorop te gaan, mengandjor\'r
(van antljovr); het water ergens heen
-ocr page 428-
■n i;
leiddrnnd lende.
—, menjimpangkan (vnn simpang), me-
noeroodcan
(van toeroen), mïngalirkan
(vnn al\'tr); wal ar nnuv de rijstvelden
—, mëmbandarkan a/ar kasawuh; in
verzoeking —, mtmbaaa kapada pZr-
tjobaun;
in do waarheid —, mtmbawa
kapada kabtnaran;
du vergndeiing —,
tnëmërfnfaAkun inadjlis, m.pPrhïmpunan
(vnn perentah); de weikzuainheden —,
mingalaerkun pïkïrdjaan, mtmèrenlah-
kan
».; urn den tuin —, bij den neus
■—, ml /i\'poekan (van tipoe), mvmptr-
dajakan ;
ler sluebtbnnk —, letter!, mtm-
bittcii knpada pibantajan, m. k. pitiin-
bvlehan;
overdrachtelijk van personen,
mëmlatca kapada nta/i; deze Weg leidt
naar N., djalan ïni djaluh kantgari .V.
Zie bij luopen; zich laten —, mtm-
bijarkan dirinja dïhantar
^of dipunpin,
dibawu, difofntoeti);
(ïod leid e u op
den reebten weg, ursjadaka\'llah. Ar.
gebruikt ui» zegewensch.
leiddraad, fofroel\'toeroftun.
leider, geleider, pinghantar, pemimpin,
prmbawa, piaoentorn, pingandjoer.
Zie
bet undeiM\'heid bij leiden.
leiding, hantaran, pimptnun,taentafnan,
piiiihofitiiH, plngandjaeran, pénfjoro-
ugan.
Zie bet ondcr»cheid bij leiden.
—   langs den rechten weg, irsjad. Ar.;
deze zaak ir. ann zijne—toevertrouwd,
pïrkara ïni distrahkun kapada pfmM*
rfniahannja.
leid-tel, keisol, tali kang.
leidwmun, péugbantar, pïmimpiri, pPm-
bawa, pënontoen, pt-ngavdjoer.
Zie liet
onderscheid bij leiden. —, kanvoor*
der, ook ptnyhocloe, kapala, amir, Ar.
—  der geloovigen, titel der Kaliefen,
amir au \'Imoemin ina.
leiendak, atap batoe,
lelseil, /ajar dastofr.
lek, boljor. — zijn, bo/jor. — worden,
djaifi. bot /ar ; een — stoppen, mtinboe.~
noeh boljor.
— tnnken, b.v, een vaar*
tuig uiii bet te doen zinken, m\'imbo-
ijorkan.
—, de lekke plaats, tëmpat
boljor.
— van een vaartuig, doordat
de naden opengesprongen zijn, gr/a.
—  vau een dak, liria.
leken: geleekt, bij droppels gevloeid,
etoes; leking, pêngètoes, b.v. dibawu
kalémpat darah jaug etoes,
werd ge-
bracht ter plaatse \\an bet geleekte
bloed; bvrdjalan dekat petigttoes durafi,
liep dicht bij de bloedleking.
lekdoek, doorzijgdoek, kaïn penapis.
lek^nt, lübang boljor.
lekhonig;, ajar lebah litisan.
lekkuge, botjaran. —, doorsijpeling,
lirisan.
lekken, boljor. —, doorsijpelen, vitni-
ris, tirts.
lekker, van »pijzen, dranken, bot ge-
voel, den slaap, MM geur enz., sëdup,
enak.
Zie ook aanufimaui; ik gevoel
mij nïet —, badankoe dada sêdap. —,
welvarend, smakelijk ook njaman en
lid zat t Ar. - leven, hidoep dtngan
Irdzat;
allerlei — e spijzen, pélibagai
makunan jaug Kdzat fji/u rasanja.

eten, mukan enak\', m. s*dap. — ruiken,
enak batienja, haroem baaenja, watigi,
sëdup baaenja.
— smaken, enak ra-
tanja, lêdzat rasanja.
—, verzot op —
eten, saeka makan enak-enak; t. ut.
sedap\'sedap;
iemand — maken, op-
opwarmen, op* ijzelen, mtnyanykat-auy-
kaf, mrnyandjaeny,
zie bij loopje.
lekkerbek» orany jang soeka makan
minorm stdup-sëdap.
lekkerheid. kaunakan, kasedapan.
lekkernij, sidapan, ritmat. Ar.; allerlei
—en, stdup-sïdapau, pïtibagat n\'tmat.
lekker-t, allerlei ^hak,pf/ibagaipanya-
■i<i.i. p. kofici/i-kafwi/i.
lekkertje**, dtngan ledzat.
lekitteen, tihreei>tecn, botoe pcujiring,
ba/of sarïngan.
lekton, lekvat, pïnadah fitisan.
lekwnter, ajar bo/jor, ajar litisan.
lekxnk, ka\'in ptnapis, kaïn sarivgan.
lel, in het nlgemeen, tjoepiny; oor—,
tjocping ttdiuga ,- de —len van een liaan,
gilandiïr, pijal. —len-bvllen, tjoinpavij-
tjumping
; een kleed waar de —Ion-bollen
bijbangen, pakajan tjumpattg-tjumping.
—, zie ook hoert k«el—, huif;, anak-
lidah.
lelie, bakoeng, bomga bakoeny. Soorten
zijn: b. emus, b. pi-rak, b. suewasa en
b. pantai; e. s. v. witte, welriekende
—, bfoamban.
lellen, telkeus zijne woorden herbalen,
liiroetaiig-oflung katanja.
lemmer, van mes ot\' wapen, mutu.
van een mes, mata pisau. — van een
zwaard, mata pï-dang.
lemmet) pit van lamp ui\' kaar», .>"■ ■in\'.ih-.
lende, middel, pinggang. —, zijde van
het lichuam, lambaeng; de —iien, srlhi.
Ar.; de —n smeren, mtngJiantam.
-ocr page 429-
lendebreuk —- letsel.
417
iroes. — van een inlniidsch anker,
tjandil, — van een blijde, djaeran,—,
schep, gemaakt van een kokotdop met
eon steel er aan, gajoeny; e. s. v. —
of Bebop voor water, siboer. Voor onzen
eetlepel zegt men bijnc overal senduk,
lepelblad, timoen soedoe ajar.
lepelen, met een eetlepel, mënjoedor.
Ook voor het — mei den bek van zwom-
vogels, b.v. soedah lidak fernoedoe oli/i
angsa, bëliaroe dibënkan kapada itik,
als het door de gnnzen niet meer i*
op te —, dan pas wordt het aan de
eenden gegeven, Sprw. — met een
grouten potlepel, mënjëndofc.
lept\'lvurniis* saroejut soedoe.
leppen, met kleine teugjes drinken,
mëngirorp (van troep).
lepper, pëugiroep,
lepperen, mengiruep~iroep.
lepperinj». pënyiroepan.
lepra, pënjakit Lu-sla, këdal andjing;
e. s. v. —, waarbij voren in de palmen
der handen en voctzoolen ontstaan,
kërat-këral; e. 8. V. —, waarbij de kno-
ken krom worden, daiujkoeng,■ de hoog-
ste graad van —, Ijaboff. —, zie ook
melmi i arbbeid.
leprubuom, de hura crepitans, pokok1
koes/a.
les, die geecven wordt, pëngadjaran.
die men leert, pëtadjaran ; lees—,pëm-
batjaan.
— geven, mëngadjar. — nemen,
beladjar; zijne — van buiten leeren,
me\'ngapal-apalkan pembalja\'/u/ija (vun
lja/a(, Ar.). —, vermaning, terechl-
wijzing, na&thal, Ar. —, bestrnlling,
tëngking, përtdikati, pënghardikan;
iemand de — lezen, duchtig door-
halen, mvrëdikkan, mtnghardikkan, w?-
HÏngking (van tëngking); een zedepreek
houden, mëmbatja chvfbut, b.v. toewan
ini tëïlalof! pandai mëmbatja elif-fbat,
mijnheer is zeer knap in het lezen
van do —.
lesboek, lessenboek, soerat pëladjaran,
lêse mujesté, duerhuka kapada radja.
lesjjever, pënyadjur, goeroe.
lessclien. van deu dorst, mëmadamkan
dahaya
(van patlam, gelescbt^, mitnoe-
icaskan dahaya
(van poewas, verzadigd).
lessenaar, medja toeiïs. — in de mes-
kee, waarvoor do priester staat, die de
preek houdt, minbar, Ar.
letsel, verhindering, sangkoetatt. —, na-
deel, schade, roegi. —, verwonding,
lendebreuk, patah pingyang.
lendestuk, daging pingyany, daging
lambotng.
lende wervel, barkoe torlang bëlakang.
lendentider, oerat lamboeng,
emlenlam, Ifuttah pinggang.
cndenpijn, sakil pinggang.
longen, langer worden, djatÜ pandjang,
bërtambah pandjangnja.
—, dunner
maken, aanlengen, nunljdïrkayt, mengt n~
fjerkan,
Jnv.: Je dagen —, sijang hari
inakiu paniljang.
lenatP* paniljang. — van tijd, lama.
—  en breedte, pandjang lebar; de —
en breedte van iet», itn/ang-bun/jwr,
b.v. de — en breedte van eeiie latei,
Imlang\'boedjurr mud ja; geugraphisebe
—, boedjoer. — van iets ook djoe/af,
b.v. twee scheen»—n, doewa djoelat
kapal;
de — van een paard, een
paards—, sadjoelat koeda; ook van tijd,
b.v. btbërapa zaïnan dan djoflal-djnrlat,
vele eeuwen en lengten van tijd; de
gebeele — van het u enschelijkc lichaam
als het uitgestrekt ligt, landjuer, b.v.
birapa puntljany landjoer, bayiloelah
tëtimoet,
zoo lang de lengte van het
lichaam is, zoo lang is ook do deken.
Sprw.; door — van tijd, lama-kalamaan ;
zich in zijn volle — uitstrekken, b.v.
van eenc slang, më/n boedjoer kan dirinja.
—, zie ook lun».
lenj>temaat, oekoeran pandjang. —en
inhoudsiuattn, oekoeran dan soekafan.
li\'iiiir. buigzaam, teedcr, lemboet.
van da ledematen, wapens, hoofdhaar
enz., /tut/k, lëntoelr. — van lichaam,
en vlug in zijne bewegingen, djëraoet.
lenigen, zacht mak en, mëlëmboetkan.
—, verminderen, mengoeranykan (van
koerang). —, verlichten, mëringankan.
lens, ledig, liëuipa, kosong. — scheppen
van een vaartuig, berkttnarau, b.v. Mr-
kemaran ajar rocivanguja, het water
in het ruim — scheppen, uühoozcn.
lenzen, ledig scheppen, mënimba lani-
pai habis ajarnja
(van timba).
lenzen, met storm voor den wind weg-
zeilen, bërlajar dtngan lajar toepang
sëhadja.
lepel om iets naai* den mond te brengen,
soedoe, sordoak-, senilok-, b.v. koerang-
kon\'ang boeboer, lëbih-lëbih soedoefc,
hoe minder pap, hoe meer lepels, Sprw.;
groote pot—, sëndofr; o. 8. v. houten
—  om de gekookte rijst om te roeren,
-ocr page 430-
41S                                              letten — leunen.
\' letterverbinding, rangkajan hoeroef,
hoeboengan hoeroef.
letterverzettinjï, pindahan hoeroef.
lettervorm, atjueican hoeroef.
let terzet ten, mengatoerkan hoeroef.
let terzet ter, toekang ntïngatoer hoeroef,
pengatoer hoeroef, toekang fjap.
let terzetterü, tempat m\'engatorr hoeroef,
leujjen. doesta, bohoitg; op Jnva t/joesla.
—» verzinnen, mêreka doesta, berboewal
bohong, berboewat doesta,
ook leugens
op den mouw spelden. —s spreken,
berdues/a, berbuhong, berka/a-ka/a does/a,
btrkatti\'kata bo/wttg.
leugenaar, petidaesfa, peuibohong, orang
bèrdoesta, orang berbohung
; tot — ma-
ken, memperdoestakan ; voor — uitgc-
luaakt worden, diperdoestakan.
\\
leugenachtig, van eene zaak, doesta,
bohung.
— van een persoon, pendoes/a,
pembohong.
—, gewoon te liegen, ook
tjaling ; een — verhaal, tjéritera doesta,
tjeritera bohong.
leuj*enmneder, orang mereka doesta.
leugentaal, perka/aan does/a,perkattuïa
bohong.
leujj;entuflin«, chabar doesta; op Java
kabar d/oes/a.
, leujjenvertliehtsel, rrka doesta.
leunenverteUiiii*. tj\'oritera doesta.
leu<;en/al(, ptmbohong besar, péndoesitt
besar.
leuk, onverschillig, tiada fadloeli, dada
perdoeli;
zich — houden, zich houden
alsof men er niets van Weet, poera-
poera tiada tahoe., mtiin bot/oh.
leunen, als zelfbewuste daad, bèrsandar,
bèrsetider,
b.v. hij leunt tegen den buom,
tja bèrsandar pada pohon Hoe. —, als
accidenteel passievo toestnnd, tersaudar,
tèrtender,
b.v. de lansen leunden tegen
den wand. siga/a ioembak itoe tersundar
pada ditttlitig;
tegen elkander—,sandar-
menjandar;
doen —, m\'enjandarkan.
b.v. van een kind tegen zijne moeder,
bersendel; schouder aan schouder -—,
b\'ersendel baboe; onder het gaun op
iemands schouder —, berpapah ; aehter-
over —, sandar aloë; bij hel zitten
geheel achterover —, lijoefc,- met de
kin op den voorarm — en voor zich
staren, m\'endangok; met de kin ergens
op —, mëndjanggoel; met den arm op
tafel —, lindih; met do hand op tets
drukkend —, menèkan (van tekan); met
de ellebogen geleund zitten, doedoek
loeka. •—, beschadiging, verwonding,
ook djëdjas. — bekomen hebben, ///-
i/tra, b.v. men /egt dat de bevelhebber
— bekomen heeft, rhabar pvitg/imanja
fjidtra.
—, ongemak, kasoesahan, ka~
toekaran.
letten, weerhouden, menegahkan (van
iegah), utenahanï (van taJtan . wat iet
mij, apa jaug menegahkan dakoe. —,
achtgeven o», memjamkan, memberi
viala, m f ui/ik
(van f t/ik), inent perhati-
kan,
ook verkort tot meratikan, —,
een oogje houden op, niëinboewang-boe-
icang utata;
let goed op deze dingen,
dïe gij ziet, tjamkan baïk-baik bara:ig
perkara jang kaulihai im ;
goed op de
kenteekens of kenmerken van iets of
ieni. luiten, mfoum» baik-baik; ik let
er op en overdenk het, akoe tjamkan
t/au akoe in gat-i ng af;
let vooral op zijne
woorden, tjamkan baïk-baïk perkata-
tinnja;
let er op, geef acht, tngtil-ingat,
iljaga baik-ba\'ik.
letter, hoeroef, Ar. aksara, Ski-.; druk—,
hoeroef fjap, h. tjitak, h. t\'era; schrijf— ,
hoeroef soerat an. — en relief, zooals
voor de blinden wordt gebezigd, hoe-
rot?f\' timboel;
stop- of merk—, fyoeroef
djcroematan, boeroeftisikan.
—s gieten,
mêuoewang hoeroef timah (van toetoang),
—8 snijden, tnéngoekir hoeroef (van
vektr).
letterhahje, tempat boeroef,
letterdoek, met klap, kaïn djeroematatt
harroef.
letterdrulr, pèngefjapan hoeroef, pentji-
takan hoeroef.
letteren, de fraaie —, ëlmoe danp\'enga-
t ti Ito fan.
letteren, merken, borduren, nt\'endjeroe-
titat hoeroef,mtnoelis horroef
{van toe/is).
\\etteri*icter9 toekang menoeicang hoeroef
tjap.
lettergreep.patah ka/a, suekoe kalimah.
letterknN, kotak-kofak tempat hoeroef.
letterkunde, t/moe ki/tib.
letterkundige* orang alim, Ar. orang
sas/ratcan,
lettorHehrift, soeratan hoeroef.
lettcrMnuder, peugoekir hoeroef.
letterMoort, rnatjam hoeroef.
lctterteelten, klanklee»ien bij het Ara-
bisch schrift, barïs hoeroef, séndjata
hueroef.
lettertje, briefje, soerat k\'eljU, soerat
sadzarah, soerat sakerat
enz.
-ocr page 431-
leuning ■
b\'ertëtekoe; met de kin leunende op de
hand en de elleboog leunende op de
tafel of iets dergel., bertelekoe bertong-
kat dagoe.
lcunini*, van een trap, soesoeran iangga;
ook wel van een brug en/..; rug— van
een stoel of bank, pesandaran. — van
eene galerij, kelek-kelek,- arin— van
een stoel, kelek-kelek koerst.
1 piini 111*1-1oei, koerst kelek-kelek.
leunliiiHHen, bantal pesandaran. — oj>
een Iraaien stoel, of op een praalbed,
bantal seraga.
leun, wachtwoord tot waarschuwing voor
onraad, sembojan. —, devies, aldmat. Ar.
tanda nfiimat. —, schijn, poewpoera,
se.moe-semoe;
iets voor de — doen, poera-
poera mëinboeicat,
ook tjoema-tjoema.
lenteranr, talmer, pelambat. —, iemand
die beuzelpraat houdt, orang peremet,
Drang perenjeh, orang perrpek.
leuteren, talmen, herlambatdamhat,për-
lahan-lahan;
op Java plan-plaa. — bij
zijn werk, oentilkan bëkerdja. — in tijn
werk, zooals naaien, breien enz., meng-
gëroemif,
—, beuzelpraat houden, tuë- \'
rejtek, meremet, mérenjeh. —, zaniken,
mengëtil (van kelit); het zeil leutert,
tajar tiada makan attgiti.
leuterliotiH» orang pëlainbat.
leven, \\V\\v. hidoep; levend, hidoep;
laten —, in het— laten, menghidoepi,- j
doen —, het — geven, mëngh\'doepkan ;
zoo lang hij leeft, saü-moer hidoepnja;
als (iod wil en wij —, itisja\' Allah,
ka/au ada djandji kita;
de Koning
leve, tot den Votst, daulat ioewankoe,
dirgahajoe ioewankoe;
van den Vorst,
daulat baginda; niet ecne vrouw —, ;
doedoek dëngan sit\'orang pêraiiipoeican ;
tevreden —, hidoep dëngan senang; in
rust, veiligheid, vrede —, hidoep dè-
ngau santavsa, h. d. saïamat sanI\'ausa
;
:tl wat leeft, sega/a sasoetcatoe jan//
hemjaica,
letterl. al wat een ziel heeft;
lang —, hidoep lama, landjoet o-moer,
pandjang tl-moer;
lang doen —, wëlatt-
djoetkan ïtmoer
; als ik leef, djikalau
ada hajat, djikalau ada hidoep;
zoo
waar als ik leef, sasoenggoeh-soenggoeh
akoe ini hidoep. —
als vrooüjk Kransje,
hidoep dengan soeka rija; in overdaad
—, hidoejt dëngan kameicaïin, bërlebih-
lëbihan;
zij kunnen met elkander niet
—, kouien slecht met elkander over-
cen, mareka-itoe tiada bolih bërdjinak-
leven.                                              419
djinakan; men weet niet hoe lang men
leeft, orang tiada tahoe akan adjalnja;
(iod doe u lang—,dilandjoetkan Allah
kiranja Temoer/noe;
hij heeft niet om
van te —, tiada jang didjadikan bè\'
land ja hidoepnja;
als een groot heer
—, hidoep f/ara orang btsar; niet meer
■—, tiada tagi hidoejt, soedah mati;
goed —, hidoep dengan senang; zich
goed gedragen, ba\'ik kalakueicaKiija, de
armen laten —, verzorgen, memeUhara-
kan orang miskin
(van pelibaraï; van
de hand in de tand —, dapat pagi,
makan pagi, dapat petaug, makan petang;
van nj-t alleen—, makan nat\', sthadja;
toen hij nog leefde, pada masa hidoep*
nja, pada masa hajaliija;
slecht met
iemand —, iemand mishandelen, me-
ngaiiiajakan orang
(van aniaja); zij —
met elkander als de kat en de hond,
kalakoeannja saperti and/ing dengan
koetjing;
duur ■—,pakai banjak betand ja;
het is bier duur —, dismi pakai ba-
njak. belaudja;
hij weet te —, hij is
boleeld, tja tahoe adat, ija tahoe behasa ;
hij heeft overleg, ija ta*orang bidjak-
sana;
hij weet zich behoorlijk te ge-
dragen, ija tahoe mëlakoekan diriuja
dëngan patoel
(of dëngan sapee/inja•;
armoedig —, hidoep dengan kakoera-
naait, hidoep dalani hal miskin;
in twist
—, selaloe datam pêrbantahan; in vriend-
schap met iuuiaud —, hidoep berkas\'ih-
kusihan dëngan sa\'orang;
onder do
schaduw der liollnmlsche vlag —, /-\'-
doep dibatcah përaaoengan bandera f/\'o-
lauda;
ruw, onverschillig met iets —,
mënjëmbarangkan (van sembaravg): voor
of ten behoeve van iemand —, hidoep
karëna sa\'aratig.
— als god in l\'rank-
rijk, mtradjü\'lela; ongeregeld —,üada
kefahoean kalakoeannja;
naar zijne
lusten —, menoeroet hawanafsoenja;
gelukkig —, hidoep dengan salamat;
van den hoogen boom —, memburoskun
hartanja, makan boeicahnja sërfa dengan
pokokuja.
leven, Zlfst. nw. hidoep, kahidoepan,
hajat.
Ar.; zijn — , hidoepnja, kahidoe-
panttja;
bij zijn •—, pada masa hi-
doepnja, pada masa hajatnia;
teeken
des levens, vriendschapsblijk, geschenk
bij een brief, tanda hajat.; uw — is
afhankelijk van God, hajat moe akan
kahendak- Allah.
—, ziel, njaica; het
— hebben, bërnjatca; al wat —
-ocr page 432-
42ü                                            levend — levendig.
heeft, Styala tasoeatoe jany bernjaica; l
een aas ■■ —, ji/aica-njaica ikan; er ia
nog een nasje — in, ada layi njaica-
njaica tkan dctainvja;
zoo lief al» zijn
eigen —, satmibauy dengan njaica,
timbangan njaica
; mijn — is in zijne
band, kaaiatiankoe dalani ta^gannja,
b.v. kata orany jang tahoe bahira ka-
matiankoe mi dalam tanyan Lttksainaiia,
zij, die het bepaald weten, zeggen, dat
luijn — in de haiid is van Lak.-aainna,
LMterl. mijn dood; iein. bet — benemen,
mtittjambil nialiiija; het toekomende—,acherat, Ar. dit en het tuekumende—,
doenia acherat. —, levensduur, n moer,
Ar. gedurende zijngchecie—tsa\'i7moerhidoepuja; al mijn — , sa\'~moer hi-doepkoe; firn lang —, \'umoer pandjang,
intiuer landjoet, dirgahujue,
bkr.; in liet
—  laten, menghiduepi; het — geven,
mtnghidoepkan; zoodal er slechts het
—   aan ontbrak, sahingga dada ber-,ijatca djoega, b.v. dun berbayai-bayai
roepanja biuatang diloelisnja saperti
binatang hidoep roepanja, sahingga tiada
bernjaica djueya,
zij hadden daar allerlei
suurlen va» dieren geschilderd, die er
als levende dieren uitzagen, zoodnt er
slechts het leven een ontbrak,—, voed-
sol, bestaan, kahidoepan, rizt&i, Ar.;
hinderlijk —, geraat, getier, ook b.v.
van het geluid van kikken als hun
gekwaak iuio. belet te slapen, inyar.
—, rumoer, getier, yadoeh. — maken,
berijadueh, memboewat bisiny. — maken
over iet» of oui iets, ménygadoehi, mëny-
gadoehkan;
een vreeselijk - , gadueh
besar.
—, bewegen van een kind in de
baarmoeder, zie bij bewesen. —,
opschudding, gëmpar, hoeroe-hara; het
was een -- als een oordeel, yemparnja
taperti kijamat adanja.
— over iets of
tegen iets inuken, mengyemparkan ; ecu
deugdzaam — leiden, buik kalakoean-
nja;
het — benemen, mëngambil n/a-
umnja, wcmboenoeh
■; zieh het— benemen,
mëmboeiweh dirinja. —, dat waarin ,
men zijn vreugde vindt, kasoekaiin, b.v.
zijne vrouw is zijn - , bininja itoe
kitsot\'kaannja;
de juebt is zijn —, bér-
boeroe itoe kasoekadnnja
; in — en dood,
mati hidoep; een gevecht op — en dood,
bermati-mati perang; zijn — voor iets
opofferen, tnembelandjakan djitcanja; zijn \\
—  wagen, hendak mëuboeicang njaica,
b.T. sebab oeicang doelapan poeloehring- \'■
git ttoekah enfjik hendak mëmboewany
njaica,
wilt ge dan voor die tachtig
dollar» uw — wngen\'r het — hangt
aan een zijden draadje, b\'ergattfoetig
padn sahëlai rambot-t niatt hidoep
; als
je er zoo uitziet geef ik geen duit
meer voor je —, djika toedah demi-
kian roepamue, sakeptng pitis pon tiada
hargamoe lagi;
bet — er bij inschie-
ten, hi/ang njawanja; het — er af-
brengen, uil den strijd, zie bij levend;
iemand naar het — staan, menjëhadja-
kan matinja;
otu het — -inreken, lijl\'s-
gcaade suieeken, nmita djii\'.a ; (iod ver-
lenge uw —, barang dilandjoetkan
Allah kiranja ümoer oetija zaman tue-
<<■<>.\'.
briefstijl; zijn — in godsdienstige
afzondering slijten, bêriapa; manier van
—, peri hidoep, peri kahidoepan; een
zwervend — leiden, weaijontbara, ha-
njoet kanana kamari;
in het — snijden,
uiëngerat dalam daging jang hidoep; in
het — gespaaid blijven, dihidnepkan ,- op
Verbeurte van het —,atas hoekoem mati
diboenoeh ;
nuar het — treluekend, ditoe-
lis menoeruet toeladan jang hidoep.
—,
drukte, vroolijkheid, volkrijkheid, rawai.
levend, hidoep; een — wezen, kaadaitn
i jang hidoep, kaadaitn jang btnijatca; een
—    mensch, orang hidoep. —, Bijw.
dengan hiihep, hidoep-hidoep, b.v. —
gevangen, ilitavykup dengan hidoepnja.
—   gevild, dikoelifi hidoep-hiduep; uieer
dood dan —, ièbih dari satëngah mati.
—   maken, unnghidoepkan, b.v. en al
die prinsen weiden door Indrn Poelia
weer — gemaakt, inaka sv.yala anak
radja-radja itorpott dihidoepkan poe/a
olih ludra 1\'oetera.
— water, ajar hu
doep.
o kalk, kapner tohor; do —o
talen, s\'egala behasa jany layi terpakaï
sakarang ini;
bij — en lijve, telag%
hidoepnja;
nog —, lagi- hidoep; hij
heelt drie nog —e kinderen, analcnja
jang lagi hido\'-p iiga orang.
— uit den
strijd gekomen, bet leven er afgebracht
hebben, hidoep daripada perang; in de
— e \\\\u.\\\\i\\,piida tangan orang jang hidoep.
levendbnrend, btranak, b.v. er zijn
—e en eicrlcggcnde slangen, ada oelar
jany btranak; ada jany bertelor.
levende, orang hidoep, b.v. God zal de
— n en de dooden oordeelen, Toehan
Allah akan meiighoekoemkan seyala orany
jang hidoep dan jany soedah mati.
levendig, wi>i aard, ramai, b.v. kar\'ena
-ocr page 433-
421
levenmnkend — leveren.
mareka-itoe. tirlaloe ramai lakidaki per-
ampoeannja,
want zij waren zeer —
van aard, de mannen en de vrouwen.
—i druk, siboek, b.v. maka dalam
Malaia terlaloe siboek pada hari Hoe,
karena liga empat poeloeh kapal berlajar
sakalt goes,
te dier tijde was het te
Malalca bijzonder—, want dertig, veer-
tig schepen zeilden op eenmaal uit. —,
vlug. wakker in zijne handelingen, panlas,
panfox katakoean.
—, druk door het
groot nantal personen, dus — van cene
markt, cene stad, een gezelschap, een
audiëntie enz., ramai; een —e haudel,
perniagadn jaag ramai; een —e stad,
negari jang ramai, negari javg mnmoer ;
een —e umi kt, pasar jaag ramai.
in bewegingen of hnndelingrn, katjak.
levcnmnliend, zie luidruchtig.
levenloon, mati, tiada hemjatca, tiada
hidai\'p.
levenHiidrm, na/as penghidoepan.
levensader, asul penghidoepan.
levensbeginsel, ptdum penghidoepan
levensbehoud, pemeliharaiin kahidoe-
pan,
levensbenoodisdheden, barattg jang
hadjat akan kahidoepan.
levensbericht, ehabar akan peri kaht-
doepan.
levensbeschrÜving, h\'tkajat jïéri ka-
hidoepan.
levensbron, pofion rahinat.
levensdagen, u-moer hidoep.
levensduur, leeftijd, tümoer, u-moer hi-
doep,
Irveiiscinil.-, de vooruit bepaalde tijd
van iemands dood, adjal, Ar. adjal
hidoep.
— ook djandji, b.v. zijn — wa»
reeds daar, telah sampai djandjiiija.
levensgeest, soemangat; keer terug —,
koer sitemattgat! een uitroep van verba-
zing of ontzetting.
levensgevaar, bah-ja, bahaja maut.
levensgezel, "lun of vrouw, djodo; zij
heelt geen —, bij heeft geen —in,
tiada djodoaja.
levengroot, sab\'esar orang hidoep; van
een dier moet voor orang de naam van
het dier in de plaats komen.
leveniijnnr; van de eerste levensjaren
af, dart moeïa ketjil; dart k\'etjil moela.
levenskar of wayen, kandaraitn trmoer.
levenskracht, gahja, gaja; geen —
bezitten, tiada bergaja. —, ook vjaiea
en soemangat.
levemtlang, saTunoer hidoep, galama
77moer hidoep;
hij is — naar den over-
wal velbannen, ija diboeicaug kasabe-
rattg akan tittggal disana sa\'ü-moer hi-
do\' \'paja Ia m a
w ja.
levenslicht, het leven, kahidoepau,
hajat. Ar.
levensmiddelen, penghidoepan, re.eki,
Ar. —, spijzen en dranken, makanati
dan minoeman.
—, proviand, bekal\'
beka/an, ptrbekalan;
van — voorzien,
in dien zin, memhtkalkan. —, rantsoen,
biaja, moesara; van — voorzien in
dien zin, memb\'tajakan. —, benoodigd-
heden, hadjat, barang-barang hadjat.
\\i \\ • i !-• mi-i ,i mi i i i\\\\\\<-\\ ti-ti, hal kahi-
doepan.
levensonderhoud, dat wat tot —
dient, penghtdoepan, sara,nafakah. Ar.;
tot — dienen, mendjadi penghidoepan,
akan penghidoepan.
—, best au u, kahi-
doepan ;
zijn — zoeken, nt\'entjehari kahi-
doeptinnja;
bekrompen—, piljij) re:e^i.
levensreis, p-lajaran kahidoepau, b.v.
dan telah ketta heherupa rihoet dan ombak
jaag bé*ar-be.\\ar dalam pelajarau kahidoe-
pan doenia int\',
en overvallen ben door
stormen en groot e golven op de — in
deze wereld.
levensteeken, filt. voor een geschenk
bij een brief, tatida kahidoepau, altima-
loe\'/ha/af, borhauae\' ll/ajat,
A r.
Ie vi -ii-i iji 1. uiasa kahidoepau, ir moer, Ar.
levenswandel, katakoetcan.
levenswitrmle, soehoe, toeH.
lev« ni<iwijs,;w\' kahidoepau. —, gedrag,
kalakoeteav.
levens woning;, roentah atmöer,
levenwekkend, jang m\'enghidoepkav.
—, door middel van heidenscho offer-
nnden en liet opzegden van formulier-
gebeden, jang memoedja (van poedja),
lever; de —, bet lichaamsdeel, limpa,
hampedas, pelih;
uitzetting van de —,
bengkak\' limpa.
leverader, oeral limpa.
leverancier; vaste—,rakanan, lengga*
ttan.
leverantie, kat\'erahan.
leverbunr, verkocht kunnen worden,
bolih didjoetcal; niet—, tiada bolih di-
djoetcal.
leverhotszlekte, bij buffels, boendoeng.
leverbreuli, petjah limpa.
leveren, membatca, membaica masoefr,
m\'enjampaikan, mengadakan;
om werk
-ocr page 434-
422                            leverontsteking — lichaii mnmaal.
térbajang-bajang kapada mata; men kon
op zijn gelaat — wat er zijn hart om-
ging, in hatinja itoepon kalihaianlah
pada moekanja.
lezen, opzamelon, mémoengoet (van
poengoet), mengoetip (van koetip). Zie
ook oplezen; aren —, méntjading;
rijst aldus verkregen, patli tjading.
lezer, van geschrilt,;«,t«6rf//«. —, oplezer,
pemoengoet, pengoetip.
lezing, voorlezing, pembafjaan. — van
den Koran, pengadjian. —, oplezing,
poengoetan, penguetipan; na de — van
dien blief, tatelah soedah dibut/a toe-
rat itoe.
lias, bundel aangelegen papieren, soera/-
soera/ jang terdjeloedjoer.
lichaam, ding, benda, kaüdadn, barang;
een vast —, benda jang k\'eras, benda
jang kipal; barang jang keras, barang
jang k\'pal;
een vloeibaar —, benda
jang fja\'ir, barang jang tjdir;
elk —
hcett lengte, breedte en hoogte, tijap-
tijap benda ada pandja-gnja dan lebar~
nja dan lingginja;
een doorschijnend —,
benda jang terang-teroes; drupvoruiig
—, barang jang ber/ifik-titik; uiensi-he-
lijk of dierlijk —, toeboeh, badan, Ar.
in poe/ie, seUra (Skr. sarira); stollelijk
—, toeboeh ka sar; onstollelijk, geeste-
Üjk —, toeboeh lialoes, kaddaatl rohani;
ziel en —, badan djïmi, toeboeh dan
vjawa;
zijn ganse li o —, saloeroeh toe-
boehuja.
—, lijk, mail, —, kreng, bang-
kai.
—, buik, peroet; de rulup van
het —, batang toeboeh. —, vorm, ge-
stnlle, lembaga.
lichaampje, stofdeeltje, dzarrah, Ar.
lichaamsbeweging, gerakau toeboeh,
g. badan.
lichaamsbouw, bangoenan toeboeh, b.
badan.
lichaamsdeel, anggota.
lichiuunsdwang, .■djiisat, Ar.
lichaamsgebrek, tj\'ela toeboeh, tjeta
badan.
lichaamsgestalte, lembaga, bangoenan
toeboeh.
—, houding, figuur, sikap,
lampan.
lichaamsgestel, p\'èri kaiidaan toeboeh,
faal kaiidaan toeboeh.
lichaaniskasth*<ling, sjdsat, Ar.
lichaamskracht, koetcal toeboeh, poe-
/cal badan.
lichaamsmaat, de maat vanhetnien-
schclijk lichaam, oekoeran toeboeh, oekoc-
te —, te prestoeren, akan niembaica
pekerdjadn.
—, overleveren, /ie nld.;
»lag —, berperang; stol"— tot gepraat,
mendjadi isï nioetoef, mendjatli hoewtih
moeloet;
in handen —, tnenjetahkan
katangan;
niet te —, te voorschijn te
brengen, liada teradakan, h.wsapoeloeh
pon tiaila teradakan,
tien zelfs zijn
niet te —.
leverontsteking, saki/ barak pada
lint pa.
levertraan, minjai: ikan.
leverworm, tjaljing kambing.
leverzieltte, penjakil limpa; e. 8. v.—,
verzelil van kuurt», demam pelih.
leviat i ui n, zeemonster, naga laoet.
leviet, orang Leici; de Levieten, bant
Lewi;
de Ktuui der Levieten, toekoe
bttngsa Letei
lexicosrnnf, ahti\'llograt. Ar.
lexicographie, êltnoe\' tlograt\', Ar.
lexicon, kiiab lograt, Ar.
lezen, van ie!? dat geschreven ot\'gedrukt
ïs, membatja; hardop, overluid—,mem-
ba/ja koeteat-koetcal, n.embatja denoan
vjaring soe iraranja;
stil bij zicbzelven
—, membatja didalam huti; met up-
leltendlieid —, collutioneercn, menatik
{van tatik); ïuel horten en stuolen —,
merangkok-raagkak membatja ; vlot, vlug
—, luntjar membatja; bapercud —,
tèrsangkoef-sungkoet membatja; loeren
—, beladjar membatja; het 3(iu hoofd-
stuk va» den koran bij stervenden —,
membatja jasiu; de onderrichting voor
de gestorvenen bij het graf —, mem-
hatja talkin;
den Koran —, mengadji
Koran,
ook alleen mengadji; den koran
leeren — beladjar mengadji; leeren —
door den onderwijzer de woorden nn
te zeggen me.iaattji batang; het gebed
in de moskee —, membatja koenoef;
bij herhaling —, beroelang-oelang mem-
bat ja;
planeet —, in de stuiten —,
mètihat da/am nwdjoem; tooversjireu-
ken — of opleggen, membatja mantera;
uit bepaald»; luekens iets — of voor-
zeggen, membatja ra/aal, me.nbilang ra-
mal;
de een na den ander —, ganfi
berganti membatja;
de Vrijdagpreek in
de moskee —, membatja ehofbat ; ook
lig. voor de les —, een zedepreek hou-
den; beëindigen van bet leeren —van
den koran, mengehaiamkan Koran;
iemand de les —, bestrall\'en, menghir-
dik, meredik;
uit de oogen te — zijn,
-ocr page 435-
429
lichnarasoefening — lichten.
ran b<ulan. —, maat van voorwerpen,
oekoeran benda.
lichanmsocfenin<£, p\'érocsahaiin toe- \\
boe/i.
ii\'l 1:1:1 msiui\'sl ;ui\' 1. hal kaiidadn foe-
boeh.
lichamelijk, een lichaam hebbend, 6ër- \\
toeboeh.
—, stoffelijk, zinnelijk, djoes- ■
KW, Arab. —, vuel- ol\' tastbaar, jang
da pat dipegang, jang da-pat didjamah.
—, gestal tel ijk, ber/embaga.—, aan het
lijf, pada toebueli, b.v. — gestraft,
dtsiksa pada toeboehnja.
licht, het tegenovergestelde van duister, ,
terang. —, glans, einar, ijakaja, noer,
Ar.; phosphorick —, pen-dar; zulk — j
van Kicb geven, b\'èrpeudar-péndar; ook ]
valsch — in de oogen; het — eenor j
lamp, teravg pe/ita, terang lampo; breng
ons —, bawalah pe/ita; bawa/ah lampo,
ot\' /i/in ol\' diun; steek het — aan, ■
pasanglah peli/a of lampo of lift» of
dian. —, duirlicht, in tegenoverstelling
van naeht, sijang, sijang hart. — wor-
den, djadi sijang; het is reeds —,
suedah sijang, hari pon sijanglah; wcr-
ken bij het —, naml. bij het dag — ,
bék\'erdja pada sijang hari; bij lamp of
kaars, bekerdja dtngan pe/i/a of lampo ,
of li/in of dian. — en schaduw, terang ■
dan bajangdj/tjang.
— en dunker, teravg .
dan gt\'lap; tussehen — en donker, i
uu/ara terang dengan gelap. Zie sehe-
merinii; het — zien, geboren wur-
den, djadi, diprranak-kan, b.v. hij zag
het — te Batavia, ija djadi di Batawi,
ija dip\'eran akkitn di Ha fa w ij ah ;
v a 11
Vorsten ook hihir, Ar.; in het — komen,
verschijnen, uitgegeven worden van
boeken, ka/oeicar; aan het — komen,
djadi nja/a, djadi hihir; van iemands
streken, kadapatan hoedt; doen aan het
— komen, mhijatakan, me/ahirkan;
iemand het — uitblazen, dooden, mem- :
èosnoeh, niêngoemboet vjawa, memenjap* 1
kan njawavja; het — zijn van iets, j
non\\ Ar. b.v. uit vleierij legen Vor- !
sten: gij zijt — der wereld, Toewankoe ■
noeron\'lölaiH;
op klaar —en dag, pada ■
sijang hari k\'etika rëmbang.
—, helder
schijnend van de zon, h-rang /joetcaija; \\
van de maan, terang bendèrang. —, 1
opheldering, b.v. van eene zaak, kafè- 1
rangan, kanjutaiin. — geven, ophelderen, \'
menèrangkan, mènjatakan; aanbreken
van het —, zie aanbreken.
licht, gemakkelijk te doen, moedah. —,
mogelijk, wellicht, allicht, \'t zou kun-
nen gebeuren, moedah-vmedahan; niet
—, 111 oeilijk, soekar; niet — op te
tillen, sorkar di-angkat; licht, geiing
schatten, memoedahkan; te — achten,
m\'entjoewai. —, gemakkelijk, soewang-
soetcang.
— buos, soewang-soewang
marah ;
niet — . ta\'soewang-soeicang, b.v.
een driedraadseh louw breekt niet —,
ta/i jang liga lembar la\'sot-icang-soeurang
poeloes,
Sprw. niet — vergelen, liada
soewang-soetcang loepa.
—, niet zwaar,
ringan, herivgan; op Javn vu/eng.
geladen, van een vaartuig, unggal; het
—  met iets opnemen, niet tellen, me-
ringankan,
b.v. het met den godsdienst
—   opnemen, meringankau agama; een
— e vracht, gandaran jang ringan. —,
van sommige houtsoorten, puimsteen,
gebak en dergcl., voos, kurkachlig,
lempoeng. — in het hoofd, gerajang;
ecne —e ongesteldheid, sa kil sedikii,
sakil tiada bëhena;
eene —e (dunne)
kleeding, pakajan tipis; eene —c kost,
spijs, makanan jang lemboet-Umboet;
een — Werk, pekerdjatin jang ringan.
—  te doen, moedah d\'1\'perboeweI\'; het is
—  te probeeren, moedah diijoba; cene
— e straf, sik sa jang ringan; een —e
gang, pontos dja/annja; een — vrouws-
persoun, perampoetcan djalang, lonié.
—  over iets heciiloopen, iets — opne-
men, m\'èmpermoedahkan.
licht, van kleuren, moeda, b.v. —groen,
hidjau moeda. —rood, merah moeda.
—  gekleurd van de oogen, blauw of
grijs, boe/ar. —e oogen, ma/a boelar.
liebteehtfflb van het licht, terang stdi-
kït;
van kleuren, moeda sëdikit.
lichtbeehl, fjehaja baja/ig.
lichtblauw, biroe moeda.
lichtbruin, rossig, wama perang.
met stippen, inz. van paarden en hanen,
hangkas. — van huidskleur, hij nien-
scben, hitam manis.
lichtelïooi, peramponean- djalang, lonté,
lichtelijk, allicht, moedah-moedalian.
lichten; beginnen te —, van den dagc-
iaad, sinar terang, fadjar m\'érckah. —,
lichter mak<;n, minder zwaar maken,
meringankan. —, een last ontnemen,
7/iengangka/ /anggoengan. —, een deel
der scheepslading lossen, memoenggah
saparo moewafan
(van puengga/n.— van
een vnartuig, zoodat het minder zwaar
-ocr page 436-
iU
lichter — lieden.
geladen is, nièngangga/kan (van anggal).
—, ledigen, meng/f empakan.—.optillen,
in\'enaangka/. — van een anker, ment\'
bongkar saoeh ;
uit den zadel —, tneng-
goegoerkan \'/art a/as koeda
,- troepen —,
mengtrahkan rnjat (van k\'erah): de hie-
len —, lari berlepas d\'trinja; de hand
uiet iets —, me/npêrmoedankan, n/èmboe-
icat ringan, utaingankan;
iemand de
huig —, den voet —, memperdajakan
orang, menipoekan orang;
iemands duop-
ccel —, zijne zaken aan liet licht bicn-
gcn, membongkar bantjkir perkara orang;
iemand de beurs —, mengïtka/kan doe-
v;ït orang;
een afschrift van het een
of ander - , mhtgambil tolman soera-t.
—, verlichting aanbrengen, miringan-
kan.—, met een fakkel of pitje, menjoe-
loeH
(van toeheh); met een kaars of lamp,
m\'etnbawa dijan, mentbawa pe/i/a. —, weer-
lichten, berkilat ; zie bliltsemen. —
van de zee enz., berpendar-pendar.
lichter, vaartuig, waarin een deel der
scheepsvrncht wordt overgeladen, tong-
kattg, perahoe fjoenia,
Bat. soenboek-,
Perz. —, zie ouk hefboom.
lichtergehl, onwang seua tongkang.
lichl tTiiiiiii, djoeragan tongkang.
lichtgeel, koening moeda,ic~ernalangsat,
lichtgeloovig, lekas pertjaja.
lichlgeloorigheid, pertjaja angln.
lichtger»altt,/^v/.* marah,soeka marah,
n/pis tklinga.
licht «e vend, m\'en\'erangi, menêrangkan.
—, phosphorisch licht van zich geven,
herpen dar-pendar.
lichtghms, kil at; oogcnblikkelijk voor-
bijgaande —, te/au. — bij de geboorte
of het overlijden van verheven per-
sonen, tedja.
lichtgroen, Itidjau moeda.
lichthart, orang pilalai.
lichthartig, /a/ai.
licht hater, pembéu/ji akan /erang.
lichtheid, vroulijkheid, kasoekaan. —,
geringe zwaarte, ringan. —, vlugheid,
panlas. —, vnardigheid, kapanditjan,
kafofkangan.
—, gemakkelijkhcid, moe-
da/i, kamoedahan.
—, zorgeloosheid,
achteloosheid, lichtzinnigheid, lalai,
kalalajan.
licht hoofd, zie lichthart*
lichlhout, glimhout, kajoc jaag b\'érpen-
dar-pendar.
lichting, oproeping van volk, k\'érahan,
pcitgerahan.
I lichtje, een in olie gedoopt pitje om
bij te lichten, soeloeh.
lichtkoffel, peloeroc api.
lichtmis, orang risau, p\'érisau, orang
gaibana, orang doekana.
lichtpleliken, gevormd door de zon
als zij door het loof schijnt, telau-telau .-
die — hebben, bêr/\'e/au-tètau.
lichtrood, merah moeda.
lichtftchuw, takofl akan /erang.
lichtschuwer, orang jang takot\'t akan
térang.
lichlHtraal, sin ar; fig. panah.
lichtvaardig, koerang inga/, koeranij
pi kir;
een — mciiseh, orang jang koe-
rang higat, orang jang koerang pikir;
oen —ü daad, p\'érboetoatan dtinyan koe-
rana ingaf, përboewatan dengan koerang
pikir.
—, met to weinig overlegging,
koerang timbang-meni mbaitg.—, voimetc!,
roekeloos, térta/oe berani.
lichtzinnig = lichtvaardig.
lid, deel van het lichaam, anggota. —,
deelgenoot, maat, sakoefoe; als — bij-
staan, nssisteeren, aitnjakoe/oéi, —,
geleding tusschen twee gewrichten, roe-
tcas, ros Jav. Zoowel van levenlooze
voorwerpen als van dieren en planten,
b.v. vinger—, roetcas djari; bamboe —
een geleding van een haiuboeiiet, sa-
ropuas hor.toeh.
— van het oog, kelopak
ma/a;
uit het —zijn, van een der lede-
maten, sa/ah oer at; het mannelijke —,
zie bij »chaamdeel;eene ziekte ondei
do leden hebben, menjehadjakav sak\'tt.
lid, deksel euner kan enz., loe/oepan,
k\'é/opak, fampoek:
lidman t. sakoetoe.
lidmaat nchap, pérsakoe/oean.
lidteeken, paroef; van eene wond, b\'é-
kas loeka.
— om den mond, b.v. van
cene verzwering, waardoor de mond
eenigszins gesebonden is, birat.
lied, njanjian; een — zingen, ni\'énjanjt-
kan soea/oe njanjian.
—, deun, /agoe;
een — zingen, m\'elagoekan lagoe., —,
deuntje, wijsje, inzonderheid om iemand
in slaap lo zingen, kidoeng; zulk een
— gingen, mengidoeng,
lieden, orang; allerlei —, orang~orang;
cenigc —, bèbérapa orang, sa/éngah
orang;
veel —, banjak orang; weinig
—, sedikit orang; aanzienlijke—,orat!\'j
b\'esar-bésar;
geringe—, orang hina-dina,
orang kë/jil
; die —, zij —, mareka-i/oe;
\'
wij —, ki/a-orang; gij—,kamoe orang-
-ocr page 437-
liederboek -— liefelijk.                                        425
waren; iets tot —e doeleinden beste-
don, m\'èiidérmakan.
liefdadigheid, kamoerahan, péri dèr-
mawan.
1 iefl hi 11 i ••, heil liügest ii-li i, balai d\'ènna,
panti dèrma.
liefde, genegenheid voor iemand of iets,
kasih, soeka, moehabbat, Ar, — bobben
voor iets, kasih, b.v. hij heeft — voor
zijne vrouw, kasihlah ija akan ist\'èrinja;
heeft men — voor de rijst, dan moet
men het kaf wegwerpen, djikalau kasih
akan padi, maka boewanylah sèkamnja,
Sprw.; zinnelijke —, birahi; door —
geheel bevangen zijn, smoorlijk verliefd
zijn, gila birahi, kasmaran (van asmara,
Skr.), édan kasmaran, Jav. — tot het
geld, soeka akan oetvang, loba akan
oeivang
,■ met — verrichten, mêmboeicat
denyan soeka hati, m. d. karidlaiin hati.
—   tot don naaste, kasih akan samanja
manoesia;
werken der —, Smal, Ar.—
der ouders voor hunne kinderen, ouder-
lijke —, kasih iboe-bapa akan anak--
anakuja.
— der kinderen voor hunne
ouders, kinderlijke —, kasih anak-anak
akan iboe-bapanja
; doe het om do —
Gods, boewatlah itoe kar\'éna Allah; ter
—  voor u, dari s\'èbab kasih akan dikau ;
de band der —, tambatan hati.
lietdelmnd, tambatan hati, kelindan;
ook rangkai hati; zulk een — hebban,
herkelindan.
liefdeblijk, tanda kasih, aldmal kasih,
liefdebrand,f/i\'/a birahi, édan kasmaran.
liefdedntvd, ïtmal, Ar. kabadjikan,
liefdt-dienst, pèrloeloengan.
liefdedicht, ponton,
liefdedrank, minnedrank, obat p\'ènga-
sih, k\'lattg péngasih.
liefdedrift, nafsoe birahi.
liefdedronken, mèndam birahi.
liefdegaaf = liefdegift*
liefdegift,
aalmoes, dèrma, sidékah. Ar.;
iets tot liefdegil\'ten muken, daarvoor
gehruiken of besteden, m\'éudérmakan,
ut en ifèdëkah kan.
liefdegod, asmara dewa, Skr.
liefdeloos, tiada mènaroh kasih (van
taroh).
liefderijk, moerah hati.
lieftleMhulve, dari sPbab kasih,
UefdeMinart, tjinta birahi, lara, sakit
birahi.
liefelijk, bekoorlijk, djoewita; een —
snoer, tali djoemta. — goud, èmas djoe-
30
liederboek, soerat njanjian.
liederlijk, zedeloos, risan, gaibana,
doekana.
liedje, njanjian, kidoeng. \'Zie lied;
minne—, ponton,
lief, aardig) manis, molik, djèlita; een
—  kind, anah manis; zulk een —kind,
boedak samolth itoe; eene lieve stad,
négari jang molik; eene lieve wijs,
lugoe (lèlakon) jang molih; hot ia mij
—  dat ik n hier aantref, soeka sakali
sèhaja bèrdjoempa denyan toewan ditini;
neem dit weinige voor —, sènanykan-
lah dirimoe denyan s\'èdikit int, tjoekoej)-
kanlah dèngan s\'èdikit ini,
ook djangan
toewan abikan,
Mijnheer versmade het
niet, b.v. sentaplah tuewan, barany-
barang roepanja djanganlah toewan abi-
kan.
—, geliefd, k\'èkasih, b.v. mijn —
kind, hoi anakkoe jany k\'èkasih. Ook
jang disoekaï,\' b.v. het lieve gold,
oeivang jany disoekaï. —, lieve Hemel,
lieve tijd, astayal aslagapir\'lah, Ar.
lettert. God vergeve mij!—, liever dun,
manis daripada, b.v. dit kind is liever
dan dat, boedak ini manis daripada
boedak itoe;
ik drink liever kollie dan
thee, akoe lebih soeka minoem kopi
daripada ajar teh.
—, de liefste, jany
ièrmanis, jany manis sakali, jang paling
manis.
—, liever willen, bij voorkeur,
beter dat, rèmaklah, b.v. liever deed
bij afstand van zijn eigen genoetien,
rèmaklah ija mènoelakkan kasoekaannja
sèndiri;
liever breekt hij geheel door,
maar hij weet van geen doorbuigen,
rèmaklah ija patah sakali, l\'ètapi tiada
ija tahoe mèlanloer.
Zie ook bij liever;
liever ... dan .. ., ook maoe .... dari-
pada.....b.v, liever zou ik een tijger
in bet gelaat zien dan mijn leermeester,
maoelah akoe memandang harimau dari-
pada memandang moeka goeroekoe itoe.
Abd. — en leed, soeka dan doeka,
soeka-ljita dan doeka-fjila, kasoekaïin
dan kadoekaan;
zoo — als zijn eigen
leven, timbangan njawa. —, goliefde,
beminde, këkasih ; zijn —, kèkasihnja.
Uefdadig, moerah hali, d\'èrmaican. —e
instellingen, balai dérma, b.v. danpada
sagenap djalan dilihat olih Laksamana
dan Maharadja Satija panti dérma dan
balai dérma itoe terlaloe endah-endah
perboewatannja,
en langs den geheelen
weg zagen L. en M. S« godshuizen en
—o instellingen, die zeer fraai gebouwd
-ocr page 438-
420                                Hoffelijkheid
tcila, lief kooscingtnitdrnkklng. ■—, zacht
van geluid of steru, meriloe, Skr. b.v.
tërlaloe tij ar ing soewamja lagi merdoe,
zijne (■tem was zeer helder en liefelijk.
— , tcboon van de stem, een land-
schap enz., përmai, b.v. en de—e stem
werd schor, dan toewara jang përmai
mëndjadi parau.
—, vriendelijk van
gelaat, gedrag enz., manis. —, annge-
naam van woorden of gedrag, sedap,
b.v. përkafaiin jong sedap manis, zoete
en liefelijke woorden; het liefelijke of
bekoorlijke van iets, s\'eeana. —, zacht
van den wind, sepoewi-sëpwe\'i. —, wei-
luidend van tonen ook ttrindai. —,
aangenaam van eene geur, haroem, sedap,
liefelü" !>\'•■\' I. kamanitan, kasëdapan ;
al wat — bijzet, b.v. een kneveltje,
kuiltjes in de wangen, moesjes enz.,
jiémanis, perinunis.
liefhebben, iets of iemand, ituiA akan,
iitënaroh katih ukan, mengawilii;
op Jara
Ijinia saam; het — als Zclfstnw. pe-
ngasihan.
—, verliefd zijn op, birahi
akan, i\'sjik akan,
liefhebber, orang jang soeka, b.v. een
— van vrouwen, wang jang soeka akan
p\'eraa.poeican;
een — van dobbelen,
orang jang soeka main djoedi; een —
\\v.xi jagen, orang jang soeka përgi bër-
boeroe;
een — van beate spijzen, orang
jang soeka tuakan pedas-pèdas.
Zie
minnaar.
liefhebberij*
kasoekaan, kagemaran.
liefje, kekasih, fiati, émas, \'e/nas djoe-
icifa, tangkai Aa/L
liefjes, netjes, tjant\'tk, manis, ntoU!,:
lief koosen» intunderbeid een kind,
membelai; eene vrouw —, mëngaroem-
aroem.
—, in slunp sussen op de knie,
mingolil (van olit). — van een kind
door het op de hnnden of opdebecneu
op en neder Ie bewegen, m\'enimang-
nimang
(van iimang).—, vleien, sussen,
mëmboedjoek. —, gekheid makend, bër-
tjoemboe.
liefkoozer, phab\'élai, phiyolit, pent-
ntang, pémbuedjoek.
Zie het verschil bij
liel\'ltoozen.
licflzoozirijrr, ptmbelujan, pèngolitan,
p\'éniutangan, pëmboedjoekan, tjoemboe-
wan.
Zie het verschil bij lief koozen.
liefkooxiiiiveimniii, voor Hieltjes, is
ilabelt; voor jonden of lucisjc, cinas en
eimts ntei\'ah.
liefoogen, birmaiii mata.
— lieverlede.
\' liefst, bij voorkeur, terlebih soeka, b.r,
ik blijf— thuis, akoe terlebih soeka tim-
gal diroemah.
— niet, terlebih loeka
Üatla,
— niet. in de Verbiedende wij-,
kalaa soeka djangan, b.v. doe dal -
niel, ka/au soeka djangat boexcat itoe.
ook terlebih fiaïk djangan,djangan apalai-
liefmte, beminde, kekasih. —, tuce:«t ge-
wilde, b.v. in: dat is mijn — eten, zit
lievelinsHlioNt.
11 ■ ■ 11; 111•», tjttemboetcaa.
lieden, doesta, berdoesta, memhohong; oi
Java djürsta; leugens op do mouv.
spelden, berboewat doesta; hceten —.
m\'èndoestakan, ook membohimgkan; wat
kun hij toch —, alangkak doettanja,
—   en bedriegen, tantjoeng dan bohong;
uit gewoonte —, bijasa berdoesta; dal
liegt ge, bohong éngkau.
liejjer, pëmbohong, pendoesfa.
lleau de Hezen, ari-ari, koenfji palm.
selangkangan,
Hat.
lit\'f-breuli; beginnende —, oeloer-oeluee.
oelueran.
lies wortel, cal mus wortel, dj\'erangau,
op Java deringoe.
lieve, tot eene vriendin, een man tot
zijne vrouw, ook lot kleine kinderen.
ëndok. Zie liefje.
lieveling;, golield kind, tinmngan, anak
iimangan, anak jang këkatih,
—, een
volwassen persoon, kekasih.
lievelins»arbeldt Lievelingsbezigheid,
p\'éke,rdjaau jang disoekdi.
lieveliii}**iilrnnh*iiiinoetnankaffëma}an.
lievelingekoat» lievelingsgeroebt, ma-
kanan kagemaran, b.v. wat is do — der
Mnlnkanen, apa makanan kagémara,
orang Malaka.
Heven, liefhebben, beminnen, zie ald.
liever; — hebben dan, soeka lerlebii
daripada, kasilt terlebih daripada,
b.v.
bij heeft — een Gulden dan 100 centen,
terbelih \'tja soeka mendapal satoe roepijah
daripada saratues ten
t; zij heeft haai
jongste kind — dan baar oudste, katih
vja akan anaknja jang bongsoe itoe ter-
lebih daripada kasihvja akan anaknje
jang suelueng.
—, verkiezen, ook rënmk.
angoer,
Jav., b.v. ret/taklah akoe mat\'
daripada d\'tkal\'a-kat\'ai orang,
ik stel
—  dan dat ik door de nienschcn be-
babbeld word; roei — wat, lebih buik
dajoetigkan sedikU.
lieverlede; van —, lama dengan kala-
maan, perlahan-lahan
, lambat-taoen.
-ocr page 439-
127
Liever!
lisgen.
lievert, beminde, geliefde, kekasih, mnta,
Juv. van tjintn.
liflut\', lluuwe kost, makanan jatty taicar
rasanja.
Hgrlagi vuil oen vnuiluig, /tari berlabveh.
^i;:ii-lil, vnn een vaartuig, rueba-roeba,
bi\'ja pelaboehan.
liüiv\'ii. "1» eene zijde, uui te lusten of
Ie slapen, ook vun dieven, berharimj.
— te slapen, beebariny tiduer; aan de
kooi Is —, berbaiiny kena de,aam; Ie bed
—, beilariny ditempat tiduer; zoo gaan
—, mtiitbaiiHykait dimija; zoo doen—,
metnbariuykan; voorover —, tiarap;
achterover, op den rug —, teteittuny ;
plat on den buik —, ook van dieren,
tangktmp, telanykoep, Qloekoep; pint up
den rug —, terlautar; op den rug — j
met één been uitgestrekt en liet andere
met den voet op den grond en de knie
naar boven, kenykany; onverschillig
achterover —, b.v. in een stoel, van
iemand die vermoeid is, terlepa; met
bet hoold op deu arm —, ineuibantal-
kan hiiyati,
d. i. den arm tot kussen
maken; uitgestrekt up den grond —,
terhautar, b.v. veel lijkeu lagen nilge-
sliekt up bet slagveld, hebei apa mdit
oru/iy terhantar dimt dan peperanyan
;
ongemanierd —, meuyalar (van a/ar);
op eene ongewone pluuts uitgestrekt
—, in den weg -, b.v. van een lijk,
een beschonk ene, ÜMPOMff, yèiempai/y;
hctzcllde van velen, bergelempanyan ;
uitgestrekt op een hellend vlak, MO*
aU b.v. een krokodil ot\' een vaartuig op
het strand, iemand op eene sofa enz.,
ttraadai. —, aederliggcn, rusten, tne/ti-
band;
verspreid, in wanoide door elkun- ,
der daar —, van groote voorwerpen,
b.v. stukken vun een vergaan schip op
het strand, incuschelijke lichamen over
deu vloer, berkaparan; vun kleine voor-
weipen, ber/iambueraii, bertabueran, zie \'
bij vcrsinniiil; door elkander op
een hoop —, zuudut allen dwars tegen
elkunder tn ligt, sunysuuy kalafc; nit-
gestrekt, niet in elkander gerold, —
zuoals b.v. eene slung, duizendpoot enz., ,
mendjelar; op de plutte zijde—, zooals i
b.v. een boek, blud enz., mendj\'elepak;
voorover — met omhoog stekend ach-
terste, van dieren, mendjunykany; op
elkander —, van voorwerpen, die op
elkander sluiten of pussen, zoouls twee
boekeu, de beide schelpen van een
mossel, de belde lippen, ook de hemel
up de aarde, voor ons als de hemel op de
nntde valt, tmtgkoem, berfaiiykoep, b.v.
lany\'tt dan buemi int ftendak-b&rttMgkoêp ;
geknield —, van mensehen, berieluel ,■ ge-
knield — van groote dieren, zoouls oli-
lunteti, kuineeleu enz, meitderueui; zoo
geknield doen —, ntenderuemka/i; op eik-
ander gestapeld —, bertapis-tapis, bc-
soesoeu-soesüen
, bti\'liiidih-tindih; tegen
iets aun —.leunen, als handeling, Urtmtt-
dar;
ala passieve toestand, tersandar; zuo
doen —, iiitnjandarkaii; het ondersta
boven —, lonyyamj,- vour anker —,
berlabufh. — van deu wind, utati; gaan
— van den wind, senap, letterl. weg-
kruipen , vast — v.m\\ iets, b.v. een
schuit uun een puul enz., lurtambat
pada;
op Bteiveu —, hv.ndak watt,
hfiiduk povhfs NJatca, sehadjakan u.ati;
stil —, t\'iada léryerafy\'; in hiuderlaug
—, menyitdany; op de loer —, mê^y~
hint ai;
bij eene vrouw —, tidoer de~
nyan sa\'urany perampuetcan, bertatoebueh
d. s. p.
— vau levenlooze voorweipen
wordt mede op verschillende muuieicn
uitgedrukt, b.v. dat bork ligt op de
tafel, kitab ifoe ada di-atas medja, k. i.
terletak di wed ja;
die doek ligt op
den vloer, kaiu itue ada dilantui; Itiotuv
ligt op de l\'inangkaup, neyari Jliau
ada ditandjueny Vinany;
dat eiland
ligt ten Oosten vun, dueduekiija paelau
itue disabelah timoer;
tegen het Noor-
den —, menyhadap vitara; met den
achterkunt uuur den weg —, van een
huis, Mtmbvlakanykan dja/an; voor aan
deu weg —, dimueka djalan; met den
voorkunt nuur den weg —, m\'aiyhadap
djalan;
laten —, niet uunraken, «»e«<-
bijarkan, Hada mendjamah, tiada meuy-
oesik;
laten —, verlaten, mè/iinyyal-
kan, membijarkaii
; iemand ucbuin laten
—, iiieiidjauehkait dirtnja daripada
sa\'urany;
in de kraam —, berbariuy
beharoe beranak;
overhoop — met
iemand, berselisihan denyau sa\'orany;
in proces — met iemand, bei-fioekoeia
denyan sa\'orana;
met het uungeziebt
voorover op den grond —, zoouls bij
het bidden der Mobuuuuedunen, soe-
djued,
Ar.; er is niets uun gelezen,
dada mtiiyapa; vul —, penueh dënyait
b.v. het pakhuis ligt vol zout, yuedany
itoe penueh deuyan yaram;
het ligt aan
u, is voor uwe rekening, atas enykaulah ;
-ocr page 440-
4S8
ligger _ ïüf.
l\\jden, voorbijgaan, soedah, laloe, lama,
b.v. het is een jaar geleden, sopdah
laloe satahoen;
drie dagen geleden,//^\'
Aart laloe; het leed lang eer hij kwam
lama sabëlom ija dafang, lainbat datang-
»ja;
het leed niet lang, tiada bërapa
lamanja.
, lüden; het —, xangxara, anïaja; het —
dezer wereld, xangxara dalam doenia i/n.
lÜder, patiënt, orattg lakit. —, die vee!
te verduren heelt, orattg jang merasu
Sangsara.
lii\'l/;L!iui. xabar. Ar. tahan lama.
l\\ji", mensehelijk lichaam, toeboeh, badan,
Ar. —, buik, pèroet,■ pijn in het —
sakit përoet, moelos pèroet. —, romp.
batatig toeboe/t. —, baarmoeder, kan-
doeng, rahim,
Ar. pëpoedjoe. Zie Imnr-
moeder. — vnn een kleedingstuk,
badan; iemand te — willen, hëndak
mimoetoel
(van poeiosl, slaan); blijf
mij vnn het —, djangan djamah akoe.
iemand te — komen, aanvallen, »>■
njëregap
^an serëgap), mënerpa (van
terpa); aan den lijve gestraft worden
disiksa pada toeborh ; een schrik op het
—  jagen, mengedjoetkan (van këdjoet
geen hart in het — hebben, penakui
besar,
b.v. die man heeft geen hart ir.
het —, orattg itoe pénakoet besar; mi".
—     en ziel, badair djiwa, dengan bar/au
djiwa;
met al zijn vermogen, dengan
sabolih-bolihnja, déngan sakoewatkoe-
tcasanja.
-- en goed, orangnja xerti
dengan svgala hartanja;
geen hemd aa;i
het — hebben, tiada beekain badjof;
met niet meer dnn men aan het —
heeft, sahefai sap\'mggang, b.v. ka\'Joein-
nja p"tt lepaslah kadarat sahêlai sapimi •
gang,
beiden ontkwamen naar het lftttd
met niet meer dan wat zij aan het —
hadden, letterl. met een lap om eiken
middel; niets om bet — hebben, niel>
te beduiden hebben, satoe pon tiada
goenaitja;
het heeft niet veel om hei
—, het is zoo\'n zaak niet, tiada bérap-
halnja;
het — vol hebhen, kennjanj
pèroet;
hij heeft het — vol, peror\'tnj-
kennjang;
als we maar wnt in \'t lij\'
krijgen, axal btdi/i ber\'isi përoel; zijn
—   wagen, h\'endak memboewang njawi\'.
zie bij leren; zijn — bergen, /<>>\'
bèrlèpas dirivja ;
bij levenden lijve,pao\'\'
masa hidoep;
van moeders —,daripa<i\'\'
kandoeng emaktija, daripada rahits
\' iboenja, daripada djadinja, daripail>\'
de zaak bleef —, werd uitgesteld,
përkara itoe dipërlanggoehkan; lang —
gebleven, tol bet laatste uitgesteld,
van een werk, adjoen; het woord lag
niij op de tung, op de lippen, gangyoe
moeloetkoe le*dak bërkata
{ut\' hendak
berianja)
; geld dat renteloos ligt, oewang
jang tiada didjalankun, of wang jang
tiada bérboenga.
ItJZtfer, meestal legger, groot waterval,
to»y besar. —, slaper voor iiinten en
gewichten, waarmede men die confron-
tecit, tolok. —, slaper, exemplaar voor
ii-iH- volgende uitgaaf, bënth.
li«t;iiiiï *an ecne plaats, ttoedoek, b.v.
de — van die plaats was in het Oosten,
itmpat itoe doedoeknja disabelah timoer;
ook kadoedoekan, b.v. kadoedoekan poe-
/au itoe trrlaloe lampan,
de — van dat
eiland was zeer gunstig.
li «plaat*, ankerplaats, pelaboehan, moe-
aura;
besloten, veilige — voor vaar-
tuigen, timhoeng. — van andere zaken,
tempal.
l\\j» baicah angin; aan —,dihatcah angin ;
in — vallen, djaioh dtbatcah angin.
Uiiilmar, duldbaar, tërtahan, t\'erdërita;
niet —, tiuda tërtahan, tiada terdërila.
lüdelüli, geduldig, xabar, Ar.
lijtien, ondergaan, verduren, tahan, mën-
derila, brraxa, mënanggoeng
(van tang-
goeiig) kena;
niet te — zijn, tiada
tërtahan, tiada térdwifa, tiada tértang-
goeiig;
pijn —, béraxa xakit; verlies
—, këna roegi; schipbreuk -, karam,
kina karam;
honger —, berlapar, kala~
paran;
dorst —, bétdahaga. —, lang-
durig ziek zijn, merana; chronisch —,
idapan, tenat. —, in tegenoverstelling
van verblijden, doeka, —, (jedoogen,
vergunnen, mëmhëri, mëngidzinkan, më-
loe/oeskan:
die zaak lijdt geen uitstel,
përkara itoe fa\'bolih dipertanggoehkan;
iemand mogen—, soeka akan sa\'orattg;
ik mag het wel —, soeka djoega akoe,
pada hatikoe baiklah
,■ geduldi; —,
tahan dengan xabar, mënderita déngan
tabar;
verdrukking —, teraniaja, këna
sangsara.
— voor eens anders fouten,
mënanggoeng salah oratig tam. NB, Dik-
werf wordt —, aangedaan worden door,
uitgedrukt met ka .... an, b.v. duor
hitte —, kapanasan , door koude —,
kadinginan. door wiiter —, kaajaran,
verlies —, karoegian, smart —, kadoe-
kaan,
pijn —, kasakitan, enz.
-ocr page 441-
ltffnrta — lültplcchtigheiil.
12\'J
moela djadinja; iemand om het —
vutten, mvntjZkap pinggangnja; ieuinnd
bij het —nomen, tuïmptrdajakan oraug,
mtnipoe oraug
(van ttpoe): men hcefl hein
hij het — irehad, ija toedah Lïna lipue.
ïyi\'urtt*, fabib jaug chtif.
lytbuntl, ikat pinggang.
lyfeljgen, oelon-, hamba radja. — wor-
den, wanne fc celoer.
lUfeiatenoohap, onvervreemdbare —
hij lic» Vorst, door gratie van de dood-
straf, oefoer, b.v. maka jaug toeboeh
oraug Hoe di-ambil radja ukan Ufloer.
1Ü\'3^. horstklecd, koet mg; nauw slui-
tend —, tjoeti.
lyrUiirdit, mang ptngiiiug.
iytko*t, /ie Hevelini*wltof*t.
lÜltnediniM, (af/tb jaug c/iaf.
ïyt\'rok, vim eun priester, djoebah, Ar.
iyf\'*.l>«-hoef"ten, p$ngkido#pe*.
Ü (\'f*l>ehoucl, péunliitaraan toeboeh; om
— smeekea, minta djiva, m. hidoepi,
m. amdri,
verbnst. tot m. amin, m. njatca.
ïyisdwmiij:, saugsara, Skr. sijasat. Ar.
lu\'«iït\'"talte, niku/j. Zie eewtnlle.
ïyiMHevaur, behaja mant.
lyfintieraadf pirhiasau ioeboeh,
iyf-.toebeh.oor, mi/ik sïndiri.
ïyistoet, sigala oraug ptngiriag.
iyt*trnti mfcsa pada toeboeh.
lytïriiwant, page vnn den Vorst, d^W-
im(£, bïdoetvauda; hoofd der—cn,pé.ng-
horton djoetcak, pïitijhoeioe biduetcauda.
lijfwacht, woeht met de bewaking van
\'s Vorsten persoon belasl, péugateidan
radja;
lid eencr —, katcat, oraug pt-
ngaval;
nis — over iemand de wacht
houden, mlngatcati,
Uilt. dood n.iiiM\'b. oraug uiati, mail, Ar.;
minachtend, baugkai, b.v. van een zelf-
moordenaai\', booswicht, verslagene enz.;
do bezorging van al de plechtigheden
hij de begrafenis van een —, immbdiki
mail;
een— ter aarde bestellen, vteng-
k-oebuerkau indit, mvuauatitkan mail
(van
ianam); het —- volgen, ut <ng ir ing kan
ma\'it;
een — naar het graf dragen,
uiéngoesoeng /aait kak\'orboer; de voor-
geschreven gebeden hij een — verrieh-
ten, mXnjrmbahjaitgi malt; een —was-
sollen, membasoehkan mail; een —
balsemen, itiïrvuipah-nmpahi mail.
ïyii, zoom touw van een zeil, perimpiu,
lept lajar, bib/r lajar, ris lajar, tall
arts;
een net met een lijk van rolling,
djariug btrariskau rotan.
! Hjlün-lit ii_:-. saroepa mail, sapt-rli oraug
mati.
lyitbuur, van bamboe, oesoengan ma\'it,
koeroeug batang,
— van ecu legeerend
Vorst, djümpana, pan/ja radja-diradja,
()i»k wel alleen, ratlja-diradja.
lyUbey.oriïinü, ut< mbdiki ma\'it.
ïyiibu», tjandi.
\\^U<iivi\\Hi^simba/ijaiig karPtta ara tig mail;
een — verrichten, mdujï-mbabjattgi mail.
\\
Ü.i 1.«11 ;■ ■ ■ .■" - pïugoesueng ma\'it.
lyhen* zie <*eiijlteii en tielü\'w dat
lijkt er niet naar, djaoeh sakalt, takaii\'
kalt titula bagiloe.
—, schijnen, roe-
paujtt,
b.v. het lijkt te zullen regenen,
hïndakboedjan roepattja; hij lijkt dwaas
te i\\]a,gila roepanja. —. panen, voegen,
patoet, buik, b.v. dat buis lijkt mij niet,
roemuh itoi.\' tiada patoet kapadakoe.
liilii-iihiii-.ji\', pida/un (van lajutt, lijk).
Uiki.\'t — i. zie doodmaal: het — hun-
den uj> den zevenden dag na het over-
lijden, mïnoedjoeh hart. -- on den hon-
derd:-ten dag vieren, menjtraloes hart.
iyiii*aren, ■>•\'■ beunt/gprrimpitt, binaitg
ris.
luliijt-bed, kinif, Ar.
lyliliuici, sterfhuis, roe mak oraug ttuiH,
roemah karnat tan.
iy killeed, katn kaf au. Ook alleen
kafatt. Ar.; in een — wikkelen, «&-
ttgafanï; tot een — maken of gebrul-
ken, iitïitgafaukiin. —, dekkleed, waai-
mede men een |ias gestorvene toedekt,
ra/tap; mei zulk een — toedekken,
m\'érahapkaa. Zie ook «lootlUh-ed.
—, rouwkleed, ka\'iit pirkaboi-iigan. Zie
rouwkleed. - over de kist, toedoeug
pët\'t oraug mati.
lylittU\'urit;, poedar, poeijal maiiat.
lvJUWoetM, kareta ma\'it, kanda oraug
malt; zie ook lijkbaar.
■ lijKiniii\'ii. kaiit lachattU hilam toedoeng
peti oraug mati. Zie lijbkleed.
\' ïyiiltichl, baoe baugkai.
lyicluis, die kort voor het sterven te
voorschijn komt, een zeker teeken van
den aanstaanden dood, ktrauta,
lÜUotler, sèdt-kah artcah.
iyitoi>ciiiu<>;, ontleding, pr/abita/nta
mail;
de oneningen in een lijk, die men
voor de begrafenis gewoon is mei katoen
dicht Ie stoppen, rongga mail.
I ïyiipleclitiijlieiil, oepaljara oraug mufi,
djindzat,
Ar. de lijkplechtigheden rer-
richten, titcmbaiki mail.
-ocr page 442-
430                                               UMirr.1..
l\\jkre<lef aodbat, Ar. —, laatste gebed
bij een doodc, rbatitnat, Ar.
1 jjUrcnk, laar baagkai.
lijlf-flujuwinu, priuïriksadn bangkai.
UJltMtutio, of pat} ara oravg ma/ï, djiud-
zat,
Al.
lÜl"*1oet, pïrarakan mail, pet/girhtgan
mat/.
— wordt lig. ook wel genoemd
radja berdjalaa, omdat voor cen —
alles int den weg moet gaan.
lijktouw, tali arisan.
lÜltverl>rnmliiiiï, petubakaran tnaïf.
Ifjttvoeht, vocht dut uit een lijk sijpelt,
daitu.r.
Uili/imy, bhlji ratap, bidji sabak.
lüin, pap, pïrïkaf, Hm; Ctaincesche —,
përtiat tjii/a. — van gestremde tuclk,
jiïrekat if,.iti. —, vervaardigd uit den
afval vun gambii\' en gebruikt om mes-
sen, krissen enz. in het heft VMl \'c
zetten, djaboeiig; weeke planten—, poe-
font, Qitah;
iels daarmede bestrijken,
b.v. eva stokje en daarmede vnngen,
memoeloet, uniiggtlah. — om papier
enz. te lijmen, pvvjiepoeh.
Uiiiinohlii*. kleverig, Itvdir, Ie kat.
,«**n»""\'r\'^"\'"\'\'i mendjabaeag. Zie lijm.
—   ven papier, menjTpoeh (van sïpoeh).
lijmiix. gebonden van vochten, kent al.
—   win spieken, pi rlahau-lahan.
HJmliWiiMt, sikat perekat.
lÜi"Oi>loHf*ins, als gcnvesiniddel, ajar
pXrïkat.
l\\jmpot, tempat pïr^kat.
lüm^tolïjp» voor vogels, pemoeloetong-
gas, pïmoeloet bonoeng.
lümwnlor, ajar perekaf.
lijn, streep, garis, gorix, sjafar, Ar., —en |
tickken, m&uggari», me"nggoris; rechte
—, garis jaag loeroes; in de rechte—,
vnn afstamming, sabofattg tijang, b.v.
djikalau sabafavg tijang po» asal kita
anafr radja djoega.
—, rechte streep, .
ook oeroes : met enkele lijnen eene schets
op iets maken, om aan te toonen hoe
het bewerkt moet worden, mengoeroes;
kromme —, garis javg bengkok. —,
regel, sipat, xifaf, Ar. —, vore, aloer,
djaloer, ladjo\'-r.
—.regel om op te schrij-
ve», garis, sjafar, Ar. ook djidar; sier- j
lijke kromme —, krul, kelok, kafok;
■langen— met uitspringende krullen,
kelang-kchk; buitenste —, omtrek,
kijas; op éénc —, zooals cilnnden, die
recht achter elkander liggen of de ]
waggons van een spoortrein, bertalt-
— lü»t.
tali. —, koord, tali; visch—,talikaïl
timmermans—, fa/i sipat, bevang arani/
—   roet looi of tan bestreken, tali sa.
mak.
— bestreken met tan en tijngc-
slampt glas, gebruikt bij vliegei wedding-
schappen, tali samak ka/ja; de —en
in de handpalmen, geheimzinnige —en
op amuletten, radjah; de —en in de
band ook rvtak iangan en soerafan
tangan.
—, jnaglijn voor een vaartuig,
tali pen/jémaf; de -en rondom hei
geschrevene of gedrukte op eene blad-
zijde ter versiering, kandang; een ge-
schrift dat vnn zulke —en voorzien is.
soeraf birkandang. — ter versiering
b.v. op den rug van boeken, vazen,
handschoenen en dergel., tali ajar; nnar
de — planten, menanam bf-rtati (vae
iauaai): nan de —, met een touw aan
iets vastgebonden, tertambat ; aan de —
trekken, een vaartuig voorttrekken.
vtPiitjëiiiat; hij die aan de — trekt,
pint je mat; éénc — trekken, vnn één
gevoelen zijn, sarasa, sahati; hetzelfde
met elkander overeengekomen zijn, sa~
fakat; evenwijdige —en, zie even-
wiiilii* en imrnllel.
lijn, liniaal, zie ald.
lijnen, ménggaris, meaggaris; zie lini-
eeren. —, eene lijn op den grond
trekken, mtnggaris tattak.
lÜnUoelz; hiervoor koek van uitgeperste
nardnoten, baengkal katjaug, tepik ka-
tjang.
lijnolie, verfolie, mi»jak tjaf.
lijnrecht, regelrecht, leroes, tangsoeng.
—  , loodrecht, ttga bedoel.
lüiis*lny;er, toekaag mevjierivg tali.
lUn«ln.«eriJ, pT\'njtringan tali.
li.ii.-lniit\'r-i\'ml. penjering, djantVra-
penjering.
lijnwaad, ka/a ; allerlei lijnwaden,ptlv-
bagai kaïa-kaïu;
grof —, ka\'hi kasar,
kaïn karoeug, mas/aeli,
b.v. djoewal
toe/era bili laastoeli,
zijde verkoopen
en grof — inkoopen, Sprw.; fijn —,
hiïu halnes. —, linnen, kaïn ramt.
iy«t, rand, birai, birih, koemai, les. —,
raam, kandang Ook de lijnen rondom
een geschreven of gediukte bladzijde.
—, houten raam waarop de wanden
van eeo buis of kast staan, bëmhel.
van hout rondom de weverskam,
giroek. — van een dak, planken ter
bedekki\'.ig vnn de spiiuribbcn, toempoe-
uw. kasau.
—, raam om eene schilderij,
-ocr page 443-
18]
lijsten — linnenkint.
papier, karftis ja/tg soedah digarisi,
frarfiis jnng soedah dimi&far.
liiiieerpliinkje, zooals de Muleiers in
plaats van onze liniaal gebruiken,/w//m»
misfar.
linieHi\'hip, krpal peraug jaag tërbesar.
link, bëka.t rautai. —, striem, biloer.
linker, tegenstelling van reebtet, tin,
b.v. — hand, t<it;gaa kiri. — voet, kaki
kiri.
— kant, sabëlah kirt enz.
link», kiri; naar —, kakiri. —opgaan,
mëngiri. — omslaan, bal ik kasabïlali
kiri, amhil kirl.
— en rechte, kiri-kanaa ;
in de beleckcnis van hier en daar,
overal, sanu-sini; duaana-mana; in de
beteekenis van heen en weder, kasaaa-
kauiari.
linkttch, aan de linkerzijde, disabëlah
kiri;
het —e huis, roemahjang ilisahëlah
kiri.
—, bediiegelijk, pênipoe, —estre-
ken, ukal pëntpoe. —, voor alles de
linkerhand gebruiken, kidal; iemand
die — is, vraag kidal. —, on handig
in manieren, tjauggoeng. —, onhandig,
lomp, legen alles aanMooten, .sërampuk
to ttggoel.
—- door gegeneeidheitl. k/koek.
lintfaobhetd, on handigheid, katjang-
g\'ii\'iigan;
b.v. katjangoengan kttpad.i
oratig bëxar,
— tegenover aanzienlijke
personen.
linksom, kakiri. —keert, bal ik kakiri.
linnen, kaïn rami; grof Ueneaalsch —,
kaïn girat; grof Indisch —, kaïn këri-
kam;
rijn — of nelelduek, gebruikt
voor vrouwcnsluicrs, kaïn tfnumk; Hol-
landseh —, kain rami U\'olanda; gewast
—, kaïn U/in; een stuk —, kain rami
sakajoe;
schoon —, kaïn-kaïn bëresih ;
vuil —, pakajan kolor, pakajan tjemar;
bcti—, sïperai dan sarueug bantal ;
tafel — ,kaïu hamparan medja; keuken-—,
kaÏH\'kaïn da poer; garen—, kaïn ÖPnang ;
blauw gestreept —, kaïn ginggang;
ongebleekt —, kaïn meulali; oud —,
kaïn-kaïn loewa.
linnen. Bijv. uw. kaïn, kaïn rami, dart-
pada kaïn, dar\'ipada kaïn rami;
een
— hor d, kamedja kaïn rami. — garen,
V\' ,t,i,f rami. — kleederen, pakajan kaïn
rami;
een — laken, tfptraï kaïn rami.
linnenblet\'ker, toekaug pembasoh kaïn,
toekaag minatoe, dobi.
linnengoed, baravg\'harang kaïn, kaïn-
kaïn.
liniienkrtNt, almari kaïn-kaïn.
\' linnenkinl. /,-■\'■■ kaïn-kaïn.
bingkai, — , register, dafiar, Ar.; &ta-
liï-ii&cho — der bevolking, bantjibantji.
luiten, in ecne lijst zelton ut\' vutten,
iiiïngaiidang, mi-nginakan bingkai.
lÜ^ter; e. s. v. —, wit en zwart gevlekt,
boiroeng moerai; zwarte —, tl ie zeer
goed geluiden nuboolM, boenn-iigtijoeng;
o, s. v. — , mirébah.
lUstawiliaiaij kifum koemai,
Hjstwerli, versierde rand, rand ter ver-
Mering sïtirau; aan vensters, palam.
—- van rechtlijnige holle en bolle in*
snijdingen, ojief, korutai, koemai giloe-
goer.
—, in elkander geotokea bloemen
voorstellende, gvbah ; zulk — snijden
of leekenen, menggobah.
■Üviiï. zwaar, gezet, kolossaal, omhang.
—, dikbuikig, géiutoet. —, gebonden,
Van vochten, ken/al. —, dik van een
boek, fëbal, fn\'nar,
iy wuiirtn, dibawahangintkabaicah ung\'m.
Hizcil, tnjar dasloer.
l{Jae>ilara, pSroewam dastoer, piboewan
dastoer.
ïyzeiluspier, dost oer bom.
• Üzü<U\', dibaienh anytu.
lil. .Infifn, /ie «-lixteroojj\'
lilicui\', sopi iintiiis.
liltt\'ursti-1, diankzetje, strahi, Ar.
likketmnrden, meadjilitkan lidah.
likkebroer, zuiper, ptminoem.
likken, miudjilat; belikken, mindjilati.
—, aflikken, b.v. de vingets enz., wêS6-
loeloem.
likker, pëndjilat.
limoen, dj\'t\'roek, limau (Port. limoa);
bij het baden van —en gebruik maken,
liïrlimau. —, liiniuctje, djëroek tipis,
liman nipis;
gezouten — eu, liminctjes
in het zout, asinan djëroek ui pis; e. 9. v.
zoeten —, liiiitiu krdangsa = de poin-
pclmocs, djëroek uiatjan. Jav.
ü iiKH\'ii Im.i.in, pokok djëroek nipis,
limoennnp, përah liman.
limonade, njar djëroek dëngan goela.
linde; e. s. v. lindeboom, pohon baroe;
o» Java po/ion tcaroe.
liniiuil: eigenlijk liniecrplankje, misfar.
linie, regel, lijn, garis, gorit, barïs,
sjafar, Ar., sipaf, ii/at.
Ar.; gcalnchts—,
soesoer galoer, silsilah, Ar.— van sol-
daten, baris, sa/. Ar.; in — opgesteld
of geschaard, oeVeWit, bërsaf-saf. —,
evennachtalijn, chaf isttica\', Ar.
linieeren, mënggarisi, mënggorisi, Ste*-
mis/ar, mt-nd/idari, Jav.; gelinieerd
-ocr page 444-
484
linnenkoopman — loifelvjlt.
linnenkoopman, oran/j berdjoeieal
kdin-kdin;
een Cbinccscbe—, die lang»
do huizen vent, fjina kelantotty.
linnenkruum, khlai kdin-kdin.
linnen weefwel, tinofnan kat».
Unnenwever, toekany iïnoen kaïn.
linnenwinkel, këdai kaui-kdiu, toko
kaïn-kaïn.
lint, baad, Jita, tali.
lintwever, toi\'kany trnoen Jita.
lint worm, tjmi/ima sorsor, tjafjiny pipiA,
ook tjatjïny ptmoeuegoe badan.
linzen, midjui\'^midjuf, Porz,
lip, bibir, btbir moetoei; boven—, bibir
di-atas;
onder—, bibir dibatrah ; hang—,
bibir djoetceh; huzen—, bibir toembiuy;
dunne —pen, bibir timit; dikke —pen,
ii\'i/V ftbal; omgekrulde —, bibir bér-
djor.ykat;
vooruitstekende —|>eu, bibir
montjony;
droge —, bibir kering; ge-
spleten —, bibir soembiny; liet woord
op de —pen hebben, yanyyot\' moeloet,
b.v. ik hnd het op du —pen otu te
Vlogen : yanyyoe Wtoeloetkoe kindak
btrtauja;
de — laten hangen, pruilen,
tntrunysiuy, nuratljurk; zich op de
—pen bijlen, ininijyiyil iilocvdjork,
lettel 1. op de wijsvinger bijten, de
—pen sluiten eu de —pen van nijd op
elkander turnden, wOngatOtpkan moe-
lui-l;
het zal nimmer weer over mijne
— peo komen, sakali-kali i\'mda akue
bïrkata layi ukan pïrkara itoe.
lippeiiziill\', palrt bibir.
liciuidiitie, kadjïlasan kira-kifa.
licpiitleeren, mindjilas kira-kira.
Us, oog. knoopsgat, soiok. —, lus, si-pil
ordany;
darm —, si pit i.edany fUtott.
ÜMch, kirifjuet. —, e. s. v. van biezen,
bHZ-inbany ot\' bilambauy, beltnibi/n,iav.
ook bakui-vy ajar.
lispelen, berkata dïnyan ieloer. —,
ruisthen van den w\'inil, sï-poeici-sïpoeici.
liepen* lluistcren, bïrbisik-bistk".
list. tipur, daja, il kal, Ar. h<dat, Ar.
reka; een — beramen, mï-rrka, nien-
ijr.hari ajral, niï-ntjihari daja-orpaju
enz.;
een — aanwenden, niemakai tipcn (van
pakai), m, daja, m. iikal, m. hetat, —,
peets, streek, trek, kitjoe; Jisleu en
streken, takak-takuh, tipoe-daja, takah-
takah.
listiy. Itïjv. nw. tjirvdik, banjak iikal;
een — menseb, oru ty jauy bavjak
nk\'ahija, urany fjiredik.
—, liijw. détigan
akal, dïiiyau helat.
\' lltteeken, bekos loeka, paroel;. vol—s,
kerobuk-.
loef* luefzijde, atas anyin; te loovert,
di-afas anyin.
lo.l lniissen, tali ki-lat disabelah anyin.
loei\'wnnrts, di-afas anyin, kasabêlah
w yin.
loei wal, pan/ai jauy di-atas anyin.
loel>ü<le, sabttaA anyin.
loeien, van den wind, birdinyaeny.
van vuur, golven enz., mVndéroe. —,
met een donderend geluid, ywmwriteh.
—   van een buitel, minyoewak.
; loeiiNeh, een weinig scheel, djovlnuj
bihasa, djorlmy ajar.
— aankijken.
mt.idjQidiny, mtnyirliny (van kvrtiny;,
nii-nyirliny druyan ekocr mata.
loer, pinyhintajan; op de — staan, ui
liggen, meny/nufai; in hinderlaag ol in
opwaehling, miuyaduny (van adauy);
iemand ecne — draaien, mïnqitrdaja
kan o-.any, menipoe urany
(van tipuc).
; loer, lomperd, pïrcdjaJi. —, botterik,
uramj boduh, urany diyit,urauy dot\'ityof.
! loerder, pinyhintai, pinyadany, pêr/joe-
loek.
loeren, gluren, bespieden, ménghinfai,
mï-njue/ueh
(van sorlorh). — in hïndei-
laag, wïnyhïiiditp-hdidtip; in opnaeh-
ting, nienyadany. — op iets, dat men
hoopt te ontvangen, of met het uor hoopt
op te vangen, ményindiny (van iitdiny).
—, cene loer draaien, zie bij loer.
loerinc p^uyhiulajau, pïngadanyan, pi-
njorluehan, pinyidinyau.
Zie loeren.
loertrut, spleet om door te loeren, tvbany
in v n y li int ai, tjrlah ményhintai.
loerx>luutK, témpat müiyhintai, tempnl
mtuyadany.
i loeven, be/uck; t/iTmbf/otk-kan pïrahue,
mï-njuesuer anyin (van lursutr).
, loever, te —, di-atas anyin.
lot\', loot\', zio al<l.
lof", prijs, poedji, hamad. Ar. — en blaam,
pot\'dji dan tjï/a; eigen —, zeltverhet-
ling, Icainïyuhan diri; met — van iemand
spreken, wï-ntonlji orany; iemand —
toezwaaien, mïinufdji-mui-dji orany; tot
—   «trekken, mtndjadi kapoedjian.
zij Hem, swbhanahoe, Ar. — zij God,
soebhana Allah, Ar. alhamdoc\'llilahi.
loiilieht, sjïi/\'r pofdji-poedjiun.
lolleiyk, kap rdjian, paioft dipoedji,
liaros dipoedji;
een —o naam, namd
knpo\'-djiun;
een — geding, kalakocan
jony pv.toet dipoedji.
-ocr page 445-
loi\'aierij* — lommer.                                                    -433
logl\\jn, tabdal, (all tabdal.
].■>.•-,\'>--. kaldm, Ar.
losplankJet ikan-ikan.
l\'i.\'\'ri\'l. alah, portaran tabdal.
lok, gekrulde—van het haar, ikal,- een
—  haar, rambuft *a-ikal. Zie luuirlolt.
lokaal, tëmpat, biltk, roe utah.
lokaas, oempau. — voor vogels, pika-
tan; haak met drijvend — voor kru-
kodillen, a/ir; de krokodil heelt in het
—  gebeten, tïlah boetcaja Hoe Wttmakmn
alir;
ouk vempau alir; zulk— uitzetten,
tnënabankan alir.
1 lokazen, uttngt-nakan oempaa (van kena),
mXmbofborh oempan ,
krokodillen —, »<£-
ngalir boetcaja; met een jongen bond
geloknasd, di-alir dëngun anak andjing.
I lokduif; e. i. v. —, poenai dëkortt buc-
roc/ig Umboek.
\' lokei* /r/c/- cruipan.
| loket, ko/ak.
loket kust, kolak-küfak, almari ko/ak-
kutak.
; lokjjcld, oftvatig sofivap.
\\ lokf*itt, pëmbërian soewap.
I lokken, ojam dëuak-.
[ lokken, vleien, memboedjoek, niëmue-
djoek
(van poedjofk). Zie ook verlok-
ken- —, looaltf eene hen haar kie-
kens, mëndëkoet. — van dieren ol\'
menschen, die men vanden wil, mëmïkat
(van pikat). — van vogels ook mende-
koet.
— van kleine vogels, door op ten
stuk bamboe te strijken en daarmede
een tjilpend geluid te maken, mengrsik
(van kesrk).
lokker van vogels, pëmïkat, pëndëkoef.
—, vleier, pëmbordjurfk\'.
lolivoyi-I, boeroi\'ng pëmikat (ook alleen
pëniifra/), borroeng doenah, 1\'oi\'z.
lol, grap, klucht, vermaak. Zie die woor-
den.
lollen, mauwen van katten, kie ald. —,
zingen, zie ald.
lombard, pigadaian, rotunah aadai, —•
houden, invuiëgang pëyailajan (van pë-
gang);
iets in don — zetten, mëvgga-
daikttii barang;
naar den —■ brengen,
mëmbaura kapigadajan (karoemah gadai)\\
uit den — lossen, mënëboes daripada
ptgadajau.
lomlmrdliriefje, soerat gadai.
lomburdliouder, pak gadai.
, lommer, schaduw, naoeng. —luwte,
tëdaeh, — schenken, mënaoengi, mënï-
1 doehi; ziehzelven — bezorgen, — zoc-
lofüieric, soi\'ka akan pordji, inginakan
pondji,
loflied, zio tol\'/unv..
loioiler, korban poedji-pordjian.
loipwnlm, wazmoer poedji-poedj\'tati.
lofWpnmk, poedjt, per kat aan jang mt-
mofdji.
■ .11 ui i .u, uiï-mofdj i.
■i\' Uiriii;-. jioedjï.
\'ol wiiurdii», ./awy patoet dipoedji, jang
barofj dtpoedji, kapo/\'djian.
loi\'wmir<Ii&*keid, //?/■* kapoedjian ; ook
alleen kapoedjiam.
lofwerk, loofwerk, snijwerk aan huizen
t*o andere voorwerpen,karangan boeiiga,
boenga oekiran.
Hiervan verschillende
soorten ah: oekiran da oen boedi, eene
nabootsing van de bladeren des heiligen
vqgebooms; o. awan bërsilap, o. auan
berarak en o. atcan mëlarat, alle drie
bijzondere nabootsingen vnn wolken;
spiraalvormig — om iets heen, sorloer
ba tang.
—, voorstellende- in elkander
gestoken bloemen, gobahi zulk — ma-
ken, mënggubah. —, zie ook ly«t werk.
lol\'ziwiu, pofi/ii-pocdjian, iahlil. Ar. —,
waarbij men God en den profeet prijst,
dzikr, Ar. dikir.
loffetngOn, mêmofdji, inëvjanj\'kan ta/ilil,
bërdzikr.
loc» zwanr, o-\'nibang, bësar, Krat. —,
vluizig, „m/as.
lo«jl»oek, sot-ral tabdal, s. popdal.
loijje, afgezonderde zitplaats voor een
persoon, mungkor. —, factorij, lodji.
IOgê% arang mïnorinpang, djamoe.
loaeeren, als gast, mënoempang, —,
logies veileenen, mëmbïri loruipangan;
doen —, mënoempangkan.
li \'■•_\'\'r)-;r:i-t m lotj^.
losenient; Kuropeesch —, roemah ma-
kan ;
Inlandsen — , tëmpai menoirmpang,
përsinggahan.
Op Java pa sanygr ah an.
logementhouder* fatwan rotmah ma-
kan,
iiiui\'ii, zie leugen.
loipen -l i-iil len, mfndofsfakan.
lojjt^en, memboficang /abdal,mëngoekoer
ladjve kapal, intlm bofwang ikan-ikan.
loiïüliiH, djam tabdal.
logheid, zwaarte, peri oembang, kubé-
rafav.
—, luiheid, malax.
lojjie*, tijdelijk verblijf, fot?mpangan.
verleenen, mëmbëri toempatigait. —aan
boord van de mntrozen, koerveng orang
c/talasji, korroeng aicak kapal.
-ocr page 446-
■m
lommcrrült — loon.
ken, btrnaoeug, bfr/édoeh; omlor het—,
dibatcah pemaorngan.
lommerrijk, van boomcn, rrndang;
dicbt en —, rambak lagi rrndang.
lomp, zwaar, grof, plomp, ormbang. —,
onhandig, tjanggoewg, krkor. —, on-
beleeld, koerang adjar, bal ik adab. —,
overal tegenaan- ot\' op icis ïnloopcn,
redj ah.
lompen, il uiden, përlja^pirtja; oude
vodden, ka\'iii-ka\'iuan tonca. —. oude klee-
ren, kaïn borrork; in — gekleed, brr-
paiaikan kaïn boeroek:
lomperd, onbeleefde brok, orang kor-
rang adjar; die —, sikorratig adjar.
—, onbesuisde indringer, pvrïdjah ; die
—, siprrédjah.
lompheid, onhandigheid, onbehouwen»
heid, ki/tjarrggorngan. b.v. katjanggoc-
tigi/ti ka pada urang bPsar, — tegenover
groote Int —. onbofchofdheid, koeravg
adjar, biadab, Ar. —, onbesuisdheid,
pirr.djchan.
Ihiil\'. parorparor.
Ion**"*!*1**» orrat paroe~paror.
lonsonteteUng, sakit paroe~paroe.
lontïPÜP» barlorhdiorlorh.
lonnpüptiililteii, tjahang paroe-paroe,
lon*»tei*ini*, prn/akif paror-parur.
lonlx, ter zijde toegeworpen blik, k)-r-
ling.
lonlren, VU terzijde een blik toewerpen,
uiengerliug. —, elkander oogjes geven,
birmaïn niata.
lont, toruaui, sormhoe, morraug, — voor
het aan>teken van llmreft, vervaardigd
van in elkander gedraaide vezels van
den kukoï-noulhnst, fafi api.
lontgnt, lidmiig sormhoe.
lontfjeweer, istivggar.
loocliennnr, orang jarig mrnjavgkal.
loochenbanr, dapat disangkal.
loochenen, ontkennen, më?tja»gkat. —,
in rechten of in godsdiensiige zaken,
moeukir, Ar.
lood, het metaal timah, timah hHam ; zoo
zwaar als —, sape.rti timah biïralnja.
—   om oud ijzur, sit/ali liga oewang,
sawa djoega;
kruit en —, obat dan
priorroe.
—, dieplood, ba toe doega,
peroem.
—, zinklood ann een viscb-
snoer, ba/uc kaïl, haior ladoeug. — ann
cene klok, balor lontjrng, batoe djam.
—  oui het een of ander in evenwicht
to houden, timhangan; recht in hot —
stsan, traa b\'^torl.
                                    \'
loodnchtig* sarorpa limah hitam.
loodpii, peilen, mrndorga, mémboetvatig
përuem.
looden, Bijv. nw. timah hitam, daripada
timah hitam.
loodcrtn, ianah iimah hitam.
loo<lixïfter, lorkang memasak timah.
loodUleur, donker loodkleurig,ook van
de wolken, se ham, këbam.
loodlcoiyic, nwrlas timah.
loodlun, uui 1c peilen, tali dorga; tim-
iiH\'i iri:ui~ —, taH sipat,
loodmijn, tambamg timah hitam, gal/a»
timah hitam, tjibakan timah hitam.
loodrc*cht, trga betorl,
loods, nan boord, gids, aan wal, pau-
dor.
—, gids, die iets weet op te spo-
ren en de expeditie dnnrvoor te leiden,
paitavg. —, die van den wal aan boord
komt om het sehip binnen te loodsen,
moeliUim darat. —, gids, ook prmhaica
djalan.
Zie mhK,
loods, sehuur, bangsal, Irngkok; tijdelijke
— in een rijstveld, dangau. — nan
een steiger, tératak. —, hut, jxtr.dol;
loodsen, mfmandor, memaudorkan (van
pandor); binnen—, mfmbatca amsork.
nnar buiten —, membaira kalorivar.
loodzwnnr, supïrti timah hvratnja.
loof, bladeren, daorn-daoen. —, gubla-
dertc, daoen-daaman; het samen gebon-
den — van een bos uien, djambak;
dicht —, rambak.
loofhut, pondok daoen-daoen.
loos, nschloog, ajar /taboe.
looi, run, boombast om mede te looien,
orliar; de bast van den tcniring-booin,
daarvoor gebezigd, koet-U teniring. —.
looistof, samak; vermengd met lijnge-
stampl glas, waarmede men vlieger-
touwcn bestrijkt, samak katja.
looien, tannen, uitnjumak, tmngoebar.
looier, leerlooier, lorkang samak.
looier \\j, prkoetitati.
looit, baieang, zio bij ui; e. s. v, bics— ,
die hij de spijsberciding doorChincezen
en Europeanen wordt gebruikt, kortjai,
(\'hin.
loom, lui, malas. —, zwaar, lusteloos
van hel lichaam, doordat men niet
geslapen heeft, gajang. —, lusteloos,
rengsa. — worden, merengsa.
loomheid, kamalasan; ziekclijko —,
kapïnatan.
loon, opah, gadji. — geven, me meer i
opah, memberi gadji.
—trekken, makan
-ocr page 447-
13:.
loont reltliend — loopen*
opah, makutt gadji. —, dagloon, opa/t
hart,
— voor vork bij \'t stuk, buitene*
huis, opah Orana, — voor werk aan
don winkel, opah dalem; voor — wer-
ken, mt-ngambU opah; voor — lalcn
werken. — geven, mPngopah. — voor
liet vinden van iets, ppmbilif. —, ver-
gcldin<:, piiahalasan ; bet — der zonde,
pPmhalasan dosa, pakala dosa, —, dat-
gene, wnt men door zijne handelingen
verkrijgt, pProMian, b.v. dit is het —
van hen, die hunnen ouders ongehoor-
/aam zijn. luilak pProlfkan wang jaag
tiada mPnoeroid pPrfntah ibof-bapanja.
—, zie ook" ï)cloonin<£.
loontrektieml, makan opab, makan
gadji.
— dienaar, orang ma kan opah,
o. opahan, o. makan garfji, o. gadji.
loop, gang, djalan j wijze van loopen,
pïri djalan. — cener zaak, lakoe;
\'s werelds -, de gewoonte der wereld,
adat tlvfuija, kalakoevan dosnija.
van iemands sehrift, gaja; snelle —,
ren, /art; een — doen, hPrdjafan-djtf
lan;
een venen — doen, bïrdjalan-
djalan djaiti\'h;
op den — gann, lari.
— van hemellichamen, pPridaran ; in
den — gestuit, difahankati djalannja;
in zijn voornemen verhinderd, bat al
maksordiija;
altijd op den — zijn, van
personen, djarang dirorma/i : van zaken,
sPlaloe hilang; in den — van den dag,
sémantara sijaug huri; de — eener rivier,
richting, arak xoengai,- de stroom, a/ir
soengai.
—, buikloop, fierst: bloed —,
fjeret darah ; slijm—, tjn\'H titidir.
loop, vnn een geweer, laras; dubbel-
loops geweer, sPnapang doewa lams,
bPdil dorica laras;
een gel rokken, ge-
groefde —, lams bPraluer, laras jang
dilarik;
een gehoorde —, faras jaag
digerek;
een gednmasecerde —, laras
jang bPrpamoer.
loopbnan, levensbaan, djalan kahldoe-
pan.
— van hemellichamen, piridaran.
—, voor wed loopen, tPmpat ptrlombaSn,
loopen, bPrdjalan; te voet gaan, berdja-
lan kaki,
in puëzie ook bPrdorli; hard
■—, bPrlari; snel gann, bPrdjala/i IPkas,
bPrdjalan dPngan pantas, bPrdjalan de-
vgan sigtra;
uit alle inucht —,bPrlari
sakoewat-koevial;
hnrd komen nan —,
datavg bPrlari-lari; voor of om iets
bard —, lari kan, b.v, apakah kamos \'
sakaltan larikan itoe, waarvoor toch
loont ([ulieden zoo hard-, heen- en \'
wedersehnddend —, bPrdjalan bPrtin-
f ing;
niet zwnaiende nrmen —, berdja-
lan ntPli-nggang ;
met een sierlijken gang
—, bPrdjalan bPrgaja-gaja; achter elk-
nnder ■—, bPrdjalan bPrboentorf, bPr-
djalan bPririi/g
; wijdbeens —, bPrdja-
lan mPngangkang, bPrdjalan utPndjang-
kang;
op de handen —, met de beeneo
omhoo<*, zoouis de kunstenmakers, bh\'-
djalan sangsang ;
op handen en voeten
•-, mïuibijawak (d. i. zich als een
leguaan voordoen >. niPnjiladang (\'d. i.
zich als een sPladang, e. s. v. wild rund,
aanstellen); op de teencn—,mendjeng-
tel;
over iets smals —, mXmiti \\\\aa
titi-,
b.v. langs de takken —, mPniti
dahan kajae;
ergens tegenaan of iemand
tegen het lijf —, tersaiapuk; onhandig
tegen alles nan --, strampok to,-nggoel;
iemand onvoorziens tegen het lijf —,
tegen iemand nanbonzen, méndampak;
op iets nan of in —, tnenjeraag ivan
sPrang); op den vijand in—, menjer-
bofkan dirinja kapada wtotMOék
(van
sPrbof); gann —, vlochten, lari; laten
—, doen —, mt-ndjalankan; een kind
leeren —, nnn de hand ot aan een lei-
band, mPnafih (vnn Intik); iemand laten
—, liein aan zijn lot overlaten, mtm*
bijarkau orang, uf\'ndjaofhkan dirinja
daripada orang. tiada fadlaeli akan
orang;
voorbij iets —, bPrdjalan faloê
daripada;
voorbij iets heen-en weder—,
bPrdjalan falor-lalang; been en weder— ,
komen en enan, bPrdjalan ptrgi-dafang;
op Java bPrdjalan bolak-balik; heen-
en weder—, overal heen—, bPrdjalan
kasana-kamari;
overnl heen—, bPrdja-
lan kamana-mana, bPrdjalan sana-sini;
achterop—, niP.njoesoel (van sorsurf);
achterna — , mP.ngikoft, menoeroet; ach*
t erna/cl ten, vervolgen, mPngoesir, mP-
tigPdjar
(van kedjar); te hoop—, sauicn-
strootnen, bPrkProfmnm; herhaaldelijk
ergens heen—, hProidang-c.\'lang pPrgi
ka;
hard dooreen— vim een troep men*
leben, lari punt ang-panl ing; te zniuen,
met elkaoder —, bPrdjalan bPrsama-
tama;
te gemoet—, pPrgi btrtPmos,
dataag btrtPmoe;
om iemand te ont-
vnngen, pPrgi mPnjainlotd (van samboety,
om een aanzienlijk persoon plechtig in
te halen, prrgï wPi/gPlor-Ploi-kati. Voor
pPrgi ook datang; snel op iets of iemand
toe-, mpn 1/hambat; vooruit—, bprdja-
lan dPhoeloe;
een ander voorbij—,
-ocr page 448-
Ma
looptMlll.
MtHilthofloei; met. den voet tezen iets I
aan —, trrsontuh kaki kapada,tïrantoelf (
kaki kapada; uit het buis —.katoeirar
dari dalam roemah;
snel tut iets —, i
lari Mlnyoesir, b.v. snel tot de ileur
—, om die zoo spoedig mogelijk te
bereiken, lari nirnyoesir pitttoe; zich
moede —, btrdjalan sampai pënat; ,
fieh buiten adem —, lari sampai (ir- \\
mrnyeh-mri/geh; in het oog —, niru-
djérêmba
,■ zijwaarts naar binnen —
van een holle of gang ol\' boeit in eene
kamer of straat, mt-nijèroek^nvntjéroek \'■
kadalam;
o|) den wnl —, van een
\\ nai tuïlx, "" Ixii\'njorkan /.■ ra.hu. k atlit-
rat;
o» den wnl geloopen, tirlanygar
kudarat, fërdampar;
op een klip of
znndbank geloopen, kandas. —, dragen
van zweren, wonden enz., uenet.
van de uuren, torek; laten —, laten
ontsnappen, mémb\'tjarkau lari- btrhpas
diriuja;
laat dut maar —, bemoei u
er niet mede, djangan Jadlorli akan
Hoe, b\'jarkantah ÜÓe
; met bel hoofd
tegen den muur —, mênoewbuekkan
kapala kapada duiding
(van toemboek);
plat —, liïrtljalan koelïliutj; de stad
plal —.bPri/jali\'ii kueliliiiy dalam mtjari;
de deur hij iemand plat —, béruelang- \\
otdang datany karot\'ut ah;
ledig — ïon- ,
der iets uit te voeren, brrdjalan dïnyan
tenga, berdjalan driiyan lal ai.
—, vloeien
van eene rivier, mt-ngaltr; naar zee —
van het rivierwater, hilir; uit een vat :
—, van vochten, bïepautjuer dari dalam ;
druipend, tirit; langs het gelaat —,
van tranen uf zweet, Ijrrlinang-liuang ;
in droppels af— van tranen of zweet,
brrhamboeran ; door een doek enz. laten
—, kleinzen, doorzijgen, mtttapit (vnn
lapis); het horloge loopt te snel, artodji
ilott Itr/alof tékas djalannja;
Ie lnng-
zaaiii, trrlaloe lambat djalannja; dat
gebergte loopt van het Oosten naar
het \\\\ esten, goenoet/g barisan ttof, dari
timoer kabarat arahnja
; deze Weg loopt
nani\' A., djalan ini djatoh kanryari A.;
deze weg loopt van A. nnnr H., djalan
ini dari A. lalof kaaegari II,
; en die
weg nu liep juisL midden dooi de
kampoeng van den Sulthan, maka
bttui\'llah djatoh djalan itue dilrnyah
kampoeny ,Sotl(an;
er loopt een gerucht
dat, at/a chabar mrngatakan (of boe-
njittja);
in de haven —, van sehepen,
ntasoek dit/toftcara, masoek diptlabuchttii;
te hoog —, in prijs, terlaloe na\'ik har-
ganja;
te hoog —, van een twist, djadi
trrlaloe bitar prrtiantahau itot:;
vnn
velen, djadi trrlaloe ram ai phbantahan
iluf;
hoog met iemand —, amat mr-
moeliakan vrany, amat mrngentlahkan
orang;
er jngeloopen zijn, een koopje
gesnapt hebben, férdjërat, kPna d/hut;
achterom —, bé/djalan dari bètakany,
lalut: dari bïtakang;
langs den wal —,
zeilen, btrlajar mrnjoesoer pantai (van
soesuer); ann het lijntje —, een vaar-
tuig aan een lijn voorttrekken, nten-
tjttuat
; do zeilen of een touw of ket-
ting lntcn —, vieren, mrnghoeloerkaa;
vuor den wind —, zeilen, ber/ajar dt-
tigan angin dari brlakang.
Zie ook
lenzen; op- en af—, b.v. trappen enz.,
mdik-toerotn; te niet —, fiatla djadi,
ba/ut,
Ar.; storm ■— op eene vesting
enz., mtitjrraug (vnn af rang), mtnrm-
poeh
(van lempoen); storm — om iets
te bemachtigen, mr rr boel; achter de
koeien —, nt<\' nggombalakan Itmboe ; door
dit bout — schoone aderen, kajoe ini
elok koerainja
(of bartk-bariknja); het
loopt er met hem door, kapatan.nt
ta\'bttoei;
door dik en dun —, mrnga-
TOeng Iwuipuer dan befjel?
(van aroriuj,
doorwaden); ik zou voor u zelfs door
het vuur —, karma toe wan sehaja
masoe£- ttjikatatt dalam laoet api saka-
lipun;
in do war —, in het honderd
—, djatli katjav, djadi kaf jan bilati;
het luopt naar drie unr, hantplrpoekvel
liga;
hij loopt naar de vijftig, hampir
lima poeioeh tahoen amoernja;
om den
dokter —, pfrgi tarmanygil tabib, (of
toewan duktrr); er loopt wel een leu-
gentje under, dalamnja ada djoega doeiia
sedikit\'SÏdikit;
up veel kosten —, ma-
kan banjak brtantlja, maoe baujak
belandja;
voor iemand hel vuur uit de
slutlen —, sangat bfrdjana kapada ga\'u-
ravg;
inten— van rivieren, uitmonden
in, birtrmoe kuemdanja; onder water
geloopen, van velden, kaiimpoehau, sf-
bak;
over iets heen —, overstroouten,
van vloeistoll\'en, mëlipocli, mr lampa/tui,
zie over«truomeu ; uiteen—, ver-
schillen, btrsatahan, briijitlrra, zie bij
verwehü; uileen— van een menschen-
raassa, leger enz., l/rr/jrrai-fjcrai, fjï!-
rai-bérai.
loopend, jttny bvrdjaht». —, van lijds-
bcpalingen, jat/g sakarang ini; ook
-ocr page 449-
loa.                                          437
loten maken, mëntjarang, ook loten af*
plukken; de loten, die aan den stam
uitkomen, soeloer bafnng; jonge —,
nitj-pruitsel, poefjoek; jonge — vnn het
bauiboeriet, die als groente gekookt,
ot\' in het zuur gelegd, wordt gegeten,
poefjoek reboeng. —, aflegger, stek,
tjangkok, anggoeran; zulke loten of
nfleirirers van een boom nemen, mën-
tjavgkok, mëtigaiiggoerkaa.
loover, daoen-daonmn. Zie loof.
looviTtje; gouden —s, moetoe, kida-
kida, këfip-këlip.
loozen, tnelëpaskan ; het water—,melë~
paskan ajar;
zijn water —, urineeren,
kénf/ing, boewang ajar këfjil, kasoengai
këfjil.
Ook alleen boetcang ajar en
kasoengai. Vcider,mëntjoefjoer ajar seni;
zuchten — , bërkëloeh; winden —, blr-
këntoet;
iemand willen —. hëndak- mï-
lëpaskatt orang, h. më/idjaoehkan orang.
lor, oude lap, ka\'tn~kaïnau foetca. —ren,
oude kleeren. pakaian boeroek, ka\'in
boeroek-boeroek.
—, deugniet, orang
djahat, orang përlënfai, btras-basah.
lorjjnet, fjh\'ëmta tnata pëajëpit.
lori, Moe soort van papegaai in de Mo-
lukken, boeroeng noen,
lorren, bedriegen, mënipoe (van tipoe),
m ëmpërdajakan.
lorren<lranien, sluikhandel drijven
inendjai\'wal-bïli barangdmrang gëlap, —,
bedriegen, zie lorren.
lorremlrnftier, orang jang mëlarikan
heja, orang jang mëndjnewal-bëH harauu-
baraag gëlap.
—, smokkclvaartuig, />\'"-
raboe jang wëmbatra masoffr barang-
barang gëlap. ■ — ,
bedrieger, penipoe.
lorremtrunierü, pëndjoewalaa barang-
barttng gëlap.
—, bedriegerij, tipor\', dajtt.
lorrt-nWisI, pë/i kaïn-kaïnan foetca.
lorrenmnnd, bakoel kain-ka\'inan tonica.
lorretje, papegaai, boeroeng noeri.
lorrewerk, pëktrdjaiin sëmbarang.
tors, achteloos vrouwmensch, përam-
pofican jang lalai.
lort*en, vcrwanrloozen, mëlalaikan, meng\'
balai-bulaiian, iitëngtilpakaa.
—, op
krediet koopen, niëmbëli hoelang. —,
bedriegen, mënipof, mëmpërdajakan.
Ion-, niet vast, beweeglijk, tiada tëfap,
bërgërak.
— , niet gebonden, tiada tëri-
kat, tiada fërtainbaf.
—, vrij, niet meer
ann VUt, lepas. ~—, ontslagen, ontheven,
Upas. —, ontglipt, ontschoten, lo/djoi-t.
— vasthouden, antjaï; iets te los vast-
looper
nllceo int, b.v. het —e jaar, tahoen
imii/ sakarang ini;
de —e maand, boe-
Ia» ini.
water, ajar jang mërgalir.
—  schrift, soeratan bërpangkoe. vnn
de oorcn, forek. e prijs, barga pasar. ■.
—e rente, boettga jang rfjalati int. —e
termijn van betaling, angsoeran jaag
djalan ini;
de tijding verspreidde zich
uls een — vuur, rhabar itoe bërpëljaa-
pëtjah diniana-mana.
looper. Iemand die gaarne luopt, orang
jaug toeka bërdjatan.
—, vluchteling, ;
pëlari. —, postbode, opas pos. —, zwei-
ver, pëngombara, orang tnëngombara,
zie landlooper. —, sleutel, die op
vele sloten past, koenfji maling, verk.
van anak koenfji mal ng. —, draaiende
molensteen, baloe jang btrkisar. —,
wrijfsteen van schilders, batoe giling-
—.raadsheer in het schaakspel.gadjah.
—, touw, dat door een takelblok ge-
schoren wordt, f alt kapi, fait eretan.
— , touw dnt door tenminste twee blok-
ken loopt, lalt oelang. —, zandlouper,
djttm pasir, —, boodschapper, soeroehan.
loopsrmif, mijn, porti tjïhakan, tem-
boesan; loopgraven maken, mvnggali
])aïitt ntëntjëbak parit, mënëmboes.
loopje; een— met iemand nemen, »i?m-
përmainkan, bërsënda-sëndakan; door
hein in de hoogte te steken, op te
vijzelen, tnëngangkat-anykat, uiëngan-
djoeng-andjoeng;
mag je met mij een :
—   nemen, patorlkah e" tig kan bërsenda- ,
sëndakan akoef tuch bemerkte hij het
niet, dat men een — met hein nam,
tiatla djoega tja sëdar di~andjocng orang
akan dia;
iemand, met wien men steeds
een — neemt, orang përmaina».
loopjongen, boedak soeroehan, atjoeng,
kaijoeng,
loopsoh, hënilak mendjantan, hëtulak
bekak.
loor; te — gnan, hilaag.
loos, listig, f/ïrïdik, bat/jak akal, bër-
daja, ook paadjang ïtkal
loos, ledig, htmpa, kosong. —, niet
wezenlijk, tiada soenggoeh, tiada. bënar.
—, gehuicheld, voorgewend,-jo<Trf-/>0\',m;
een — nlarm, gadoeh jaag tjoeuia-
tjoema; een —c annval, pënjërangan
paera-porra; een —e deur, plafon malt;
een —e kiel, lapis loenas.
loomheid, tjërëdik, akal.
loot, levende dunne lak, rotding bid/au. ■
—, rnnk van klimplanten, tjaraug;
-ocr page 450-
-13S                                                   losbaar — loscettel.
bonden, mvayantjaikan; houd niet los
vut wnt go in de bundcn bebt, dja-
yati di-autjaikan pïyauyaa itoe.
—, niet
gespannen, losjes, van touw, oen bindtel
enz., krndoï; van een knoop, puelih,
b.v. een — se kuoup, schuil knoop, sim-
poel povlih.
—, i mm zitten, van klee-
ren, een spijker, band eu dergel., Imiy-
yar,
b.v. bet zit erg —, bindt bel goed
VBSt, batijak lonygar, \'tkotlah fêrik:4hifc,
—eer maken in dien zin, mrlunyyarkan.
—, toegemaakt, van do zeilen o[> een
vaartuig, tfrbabar. —, van geweven
stollen, djarauy, srrau, ujinjai, —, uit*
gezet, niet saiuengedrukt, zouals b.v.
een handvol houi, boerak: —, uit eik-
nader, open, lnehtigjes, b.v. van een
uitgekuinden baard, gezuiverde boom*
wul enz., It/iak; zich zou —voordoen,
uiili],<ii, b.v. djanyyoetnja pon poetih\'
lalt mr. ir/tak saprrfi kapas jauy trrboe-
sar,
ook vu zijn baard wit en — als
gezuiverde boouiwul. -, losgeraakt van
een vischbnuk, uit een strik, kleui,
val enz., raboel, b.v. rabortluh ikan
itoe,
die viseb ie —, is er at\'; raboetlah
boeroeuy ÜO$ datipada djtrai,
die vogel
is — van den strik. — van de tong,
t ."ia bï-rtuelany, b.v. ija birlortoertah
dettyat/ kafitndakiija, lid alm ja tiada
birloelany,
zij keuvelden naar hartelust,
hunne tongen waren —. — van het
hooldbuar, niet upgebonden uf gevloek*
ten, téroerai. — maken, mr »y oer ai kan.
—     van de tong, veel praat» hebben,
een boogen toon voeren, djïndjata,
tjtntjala
; losheid van long, djïndja-
laan, tjXntjalaün.
— en verward van
het hoofdhaar, yvrvbauy; ziuh zoo voor-
doen, mettyyiTi-baity. —, niet nan eik-
ander vast, zuoals b.v. kogels, ptrai.
—, waggelend, b.v. van een tand, spij-
ker, paal enz., yalir, yoeical-ya/it, roe-
aal.
—, inul Van den grond, yrmboer.
—   maken in dien zin, mfiiyyrmbuer ;
losjes met aarde aanvullen, mïniwbocs
oKi/iboer (van tiuibons). —, kruimelig,
rui, van brood, aarde enz., repoeici. \'
—, luchtig van gebak, stollen, rul van
den grond, lu,uboek. -, niet in bossen,
u.v. vnn brandhout enz., Ijoerai.
maken in dien zin, — doen zijn, ntïn-
Ijoeraikan.
—, er of, van dingen, die
ergens op vastgezeten hebben, b.v. het
pleister van een uiuur, het deksel van
een botervaatje enz., lokat. —, losge- \'
laten, van platte voorwerpen, die op
iets bchooren vast te zitten, b.v. een
schil, schors, bast, papier enz., lunykah;
een — geiuebt, chabar a/iyin; zijn hart
is — van de weield, ftathija Ir pat
daripada dueuia tui.
—, veranderlijk
weer, zooals in de kenteringen, pantja-
rub\'j.
— uit de gevungeni*, katoeuur
doei dalam pindjara;
de duivel is —,
ada koeroe-hara bësar,ada yadoeh brtar;
de deur is —, pintoe tuba/ka, pintot
trntyanya; een — leven leiden, kala-
kücwau javy tiada krtahoetcan
; laat —,
Irpaskanlah .\' een schol niet — kruit
doen, mtmboewavy obat.
losliinii\', tërttboeskait; niet —, tiada
itrtïbveskan.
losbandig, liederlijk, risaa, djanyak;
een — mensch, oraay risau, per i stut;
zich — gedragen, mrrisaii, wtndjanyak;
er — toegaan, tjaboel, b.v. maka tja-
boellah HKyarï Malaka pada
auMfl ifor
eu destijds ging bet te Malaka — toe.
losbandigheid, ptri risau.
lombarsten, ontploli\'en, mr.lr.toep, int-
dtos.
lo-l>ft tt-n. uttudjiramkaH sampai Upas,
.><■ ndm
.. tam kan sampai tii\'borka.
lostȟten, Htt-iifjrraiknH dtnyau nuny-
yiyü.
—, door bijlen openen, mimboeka
divyau Mt/tyyiyit.
—, door steikwater,
mruibui\'ka dmyan dimaken a/ar kiras.
—, zie ook doorbijten.
lotsblüven, tinyyal li/borka, tinyyalflSr»
Irpas, tinyyal téruerai. Zie bij Ion.
losl>ol, uiai,y ijaiLuta, orauy risau,
prritau.
1 o»brunden, van hel gesehut, laetnasaity
mariain;
oiu het vuu de losse lading te
ontdoen, uitmbuiwauy obat,
lowln-eUrii, Hii\'i een breekijzer,ntruibofka
denyan perrdjaiiy. laïmbwka dxiiyan
ahtbauyka.
Is het werkelijk verbreken,
dun voor mëaibwka te gebruiken mimi-
tjahkan
(vnn pitjak); een brief—, /«?/«*
bueka suvrat; zich van ceu touw ot\'
ketting, waarmede men gebonden is,
bevrijden, mëiauffoi\'skaa raittaiiija, mr-
muftoeskan taliuja
(van poeloe&y, uit
ceu kooi ot\' hok—, btrtrpas d\'tridinyan
wiimïtjaAkan sanykaran, bc/irpas diri
dëffyuu miutétjahkau kaudany;
zijn toorn
brak los, btrbanykitlah marahvja; de
steenpuist biak \\u$,pt/ja/ifa/t biwl itoe.
•««edel, süt\'tatpoenyyahan, soerat bvay-
karan.
-ocr page 451-
13
lcmlrtvnien — los wei*.
lostlrnnien, b.v. van touw, iiiemboeka
pintalan.
— van een schroef, mtmèoeka
sekeroep dingen mPmoetar dia
(vnn
poet ar).
10Hj>iifin, ontglippen, b.v. van cca touw,
builden of boeien, luetjoet. — , loslaten,
looali b.v. het pleiiter van een maar,
vernis, verf, verlak enz., gPfPka<{:
en van bel lijf vullen, van een klceding-
stuk, h-luk: — van iets dnt ergensunn
Vaal zit, terlPpas. — van het hoofd-
haar, tïroerai, ook —, uit elkander
gaan van andere zaken. — van knop-
pen of bloemen, /ie opensaaa I op
iemnud —, aanvallen, mPnempoeh ka-
pada sa\'oraug
(van fimpoeh); op den
vijand —, men dat ongi moetoek; in het
gevecht zich op den vijand stollen,
menjPrboekan dirinja kaptida laoesoeh;
van zelf —, tPrboeka sPnd\'trinja
losjjeld, oeicang tebuesan; nis middel om
te lossen, oewany pPnëltoes.
losijrcndelen, mtmboeka ka-itjiuguja.
loslmlten, mPmboeka kaï/aja.
loslmnt\'t\'ii, bPrganfoeng ; een --d touw,
fa/i btryantoeng. — \\an bet hooldhanr,
iiroerai. — vun de beenen bij het zil-
ten (wat voor onbeleefd gehouden wordt),
van een kleed, een zijdgeweer, vleugels,
bloemen enz., bPrdjoentai; met —do
beenen zitten, duedoek bPrdjoentai.
losltnoopen, mèmboeka kaaljinynja.
loslioopen, mPnPboes (van teboes).
loxlioopins, pPnP.boesan.
losliurken, mï-ntjaboet soembatnja.
loslitten, niet vasthouden, vrijlaten,
mPlepaskan, b.v, djauyan digPngyam sa-
pPrti bara, rosa haiigal dilépaskan,
laut
het niet zijn all gloeiende kolen in de
hand houden, voelt men de liilte, dan
laat men ze tos. Sprw. —, van dingen,
die op iets nnders vastgemaakt zijn,
b.v. gelijmd, gespijkerd of gegroeid
zoonis do nagels op de vingers, mendjP-
loengkap, soengkap.
— van het lichaam,
van vel, huid, bast, schil enz., kelojak
(fre<|U. vnn kojak, gescheurd). — van
een korst, verlak, pleister, kalk, geheel
—, gPlopak; gedeeltelijk —, gPtokak.
lo»lyvig, tjahar.
losmaken, mPlepaskan, mPnljPraikan,
me/itboekakati, mpngoeraikan, inPlonyyar-
kan
enz. /ie bij los. — van een knoop
of kluwen, wiêngoemgksi, — vnn liet
baar, mtnyoeraikan ram boet, ook: int-
nyoesaikan ramboet;
het hart van alle
zorgen —, nieloetjoetkan ha/i daripada
séyala kabvralan.
—, losbindeo, open-
doen van lijnwaden, mengoraff (vnn
wak). —, ontplooien, vnn de zeilen,
mPngP mbangkan lajar (van kt-utba*>y),
latiigaparkan lajar
(vnn kapar), mem-
babar lajar.
—, ontplooien vun vaan-
dele, rningerekkan; weer — van klcc-
ding, HiétiHiibak, b.v. birkmn doeua
t\'uja belas kali rombak, bPlom ba\'tk di-
baiki.
als hij zich kleedde, maakte hij
het twaalf- ot\' dertien maal weer los;
was bel nog niet goed dan verbeterde
hij het. —, afvoerende middelen toe-
dienen, mPmbPri pPntjahar.
losplmtts voor schepen, témpat poeagga*
han.
Ook alleen poenggahan eene veik.
vun pëpuenyyahan.
lofprijs, tiboesan, fiarga tPboesa», oeieang
(•b\'H\'san.
— voor iemands leven, f&oe*
san njatca.
losraken, K-pas, loepoef. —, vun een
strik of haak van bet te vangen dier, of
het dier van een strik of hnuk, rabuet;
do \\isch raakte los. raboetlah ikuu Hoe.
losrollen, mPmboeka goe/oei/gan.— van
opgerolde dingen, b.v. een Uï\'\\\\,»iPngoe-
bar
(vnn o~bar); iets dat verkeerd op-
gerold is gedeeltelijk weder — om het
Ie bei stellen, mïnjlrak (van strak).
losrukken; zich trachten lo» te i uk-
ken, van een gevangene, mPronta-ronta ;
zich —, ook mPraboel,- op den vijand
—, me neut poeh kapada moesueh (van
ten/poe/i); zio losgaan.
loHMchlften, ontglippen, loeijoel; los-
geschotcn, luetjoet, suedah luetjoet.
lossen, ont ?c hepen, mimuenggah (van
poenggah). — van een pand. menPboes
gadai.
— van een slaat\', mPnPboes hamba
(van têboes). — van geschut, zie los-
bram li-ii. —, ontbinden, zie nld.
losser, van eene lading, orang jang nte-
moei/ggab, orang jang m\'Pmbongkar moe-
watan.
—, vrijkooper, peneboes.
lossing;, van eene lading.pPwoenggahan,
péiiibongkaran.
—, viijkooping, pint-
boesan.
losspringen, terugspringen, van veer-
kraehtige Hebumen, of gespunnen zaken,
membhigkas. /ie loslaten,
lostornen, vun een naad, meretas;
losgelorud, rétas.
loftvoiiwen, mPmboeka Upatannja.
loHwee, niet doordnebt, dényan koerany
in gat.
-ocr page 452-
440
loawinden — luchtblaas.
] lubben, ontmannen, mêngèbiri; met bep.
obj. m\'éngèbirikan (van kebiri), m\'enjidn
(van sida), niiingasjimkan (van kasjim),
gelubde, orang kebiri, orang kasjim,
sida sida.
1 liK\'ht. de stof, hawa\', Ar.; de —, de
atmosfeer, aedara; b.v. de vogel vlooi:
de — in, boeroeng Hoe terbang ka-oedara.
—, de hemel, langit, b.v. de wolken
in de —, segala atcan dilangit; er zijn
vier grondstoffen, namelijk narde, water,
vuur en lurht, adalah empat aiasir.
ija\'itoe tanah dan ajar dan api den
hawa1.
—, wind, tocht, angin, een —je
scheppen, makan angin, m\'engambil-am-
bil ang\'tn.
—, geur, baoe, b.v. de —
der bloemen, baoe boenga; een stin-
kende —, baoe boesoek ; j-tront—, baoe
/•\'hi,
b.v. djaoeh baoe boenga, d\'ekut
baoe lahi,
vnn verre hlocuicngeur, vnn
nabij stront—, Sprw. Zie ook stank
en sterk; de — van iets, angiu-
anginnja,
b.v. zijn vader bad er de —
van gekregen, angin-avgiunja itoe soe-
dah diketahoeï olih bapanja
; de — van
iets krijgen ook m\'entjioem baoe; een
heldere, klare — , t\'erang tjoewatja;
i een betrokken —, langit jang rèdoep,
langit balam-batam
■ een overal betrok-
ken—,lanoit taram-temaram ; ontvlntu-
bare —, hawa\' jang dapal bernjala.
scheppen, ademen, b\'èrnafas; de —
klieven, van een vogel, mênjongsong
angin
(van songsong); zijn boezem —
geven, mèmboeka rahasija haiinja; in
de — springen, m\'el\'eloep (meletos) flr-
bang ka-oedara (ka/angit); kasteelen in
de — bouwen, zie luchtkasteel:
in do open —■, dibaioah langit, b.v. in
de open — slapen, tidoer dibawah
langit;
uit de —■ gegrepen, op geen
grond berusten, tiada béralas, tiada
pohon s\'ebabnja, tiada moela kafenanja.
—  geven, ruimte maken, memberi Uga,
mel\'egakan;
er hangt een zware —,
atcan mengandoeng hoed jan; zware —en,
awan-aican jang kaboes.
| luchtballon, zie luchtbol.
luohtbewoner, zie bij geest.
lunbtblaas, bel, gèlemboeng, b.v. ver*
dwijnen nis een — op het water, lennjap
saperti gèlemboeng di-a\'as ajar;
kleine
—, g\'elemboengan; kleine luchtblaaajes
op vloeistoffen, die beginnen te koken,
reneh; zulke blaasjes krijgen, mereneh.
—  van eun visch, paroe-paroe.
losvrinden,van een V\\ünen,mf>igoeiigkai.
lot, deel, oentoeng, nasib, Ar. dikwerf
met elkander verbonden gebruikt, nnniel.
oentoeng-nas\'tb. — , toebeschikt deel,
pe minia. —, lotcrijbricfjc, soerat oendi;
het — werpen, ni\'emboewang oendi; door
het — vrijgemaakt worden, katoewar
daripada oendi,
b.v. kita boeicangkan
oendi antant kadoewanja dan kita mar-
dahekakan barang jang kalaewar dari-
jiada oendi\';
liet — raadplegen op de cene
of andere wijze, b.v. met dobbclstce-
nen, kaarten, munten, strootjes en/.,
mëmareh (van paren); een gelukkig —,
oentoeng buik; een ongelukkig —, oen-
toeng mulang.
—, zie ook loot.
lotballetje, oendi, boewah oendi.
lot brief je, soerat oendi, s. tolerek.
loten, bet lot wei pen, memboewang oendi,
tnèmareh
(van pare/t). Zie bij lot.
loterij, up inlandsebe wijze, peloetaran
oendi;
op Europeescbc manier, lotêrek.
loterijbriefje, soerat oendi, s. loterek.
lotgemeen, sama oentoeng, sama naxib.
lotgenoot, jang sama oentoeng, jang
sama nasib.
lotgeval, lot, oentoeng, nasib, Ar. —,
ontmoeting, pc ri e moe wan.
lotli, de neef van Abraham, Loet, nabi
Loet,
Ar.
loting, peloetaran oendi.
lotsbedeeling, oentoeng-nas\'tb.
lotnbestel, rnndsbosluit Gods, takdir
Allah.
lotu*, waterlelie, boenga palma(Skr. pad\'
ma), boenga teratai, boenga s\'erodja, toen-
djoeng, pèkadja
(Skr. pnngkedja).
louter, geheel zuiver, samata-mata soetji,
—, enkel, geheel en al, be/aka. —,
slechts, xehadja, djoea.
louternar, ntlineni\', pénjoedi.
louteren, zuiveren van goud, m\'enjoedt
(Skr. soedi). — van andere zaken, nie-
njoefjikan
(van soetji); gelouterd van
goud. tersoedi; geheel gelouterd, zuiver,
samata-mata soetji; gelouterd van meta-
len in het algemeen, masak.
loutering, p\'énjuedian, penjoetjian.
louterheid, kasoetjian,
loven, prijzen, meitwdji (vnn pnedji).
—, een prijs vruscen, minia harga.
en bieden, minta harga dan taicar; ge-
loofd zij God, soebhana Allah, Ar. al-
hamdot• tlihahi,
Ar.
lover, prijzer, jang memoedji. —, die
een prijs vraagt, jang minia harga.
-ocr page 453-
luchtl>ol — lulden.                                           441
lucktstreck, pehak boemi; de koude
—, pehak boemi jang setijoek; de warme
of heete - , pehak boe/ut jang panas;
de geiuntigde —, pehak boemi jang
panas oegahari, pehak bocmi jang panas
sedan tj.
i luchtstroom, djalan angin, djalan
hawa\'.
—, veroorzaakt door iets, dat
vooibij gaat, imbiis; ook —, die van
iels uitgunt en vnndnar de invloed van
een boozen geest, imbasan.
: luchtvaart, pehijangan di-oedara.
lucht verschijnsel, tanda dilangit,
ala mat dilangit.
lui-lit vormig, sttperti hawa*.
luchtweg; de luchtwegen in bet lichaam,
djalan hawa*.
luchtweger, pënimbang hawa\'.
luchtwortel», ioendjang.
luchtzeil, koolzcil, saroeng penjèdjoek,
sarueng angin.
luchtzuiverend, jang mèmpërësihkan
hawa\'
(of oedara).
lucifer, wrijfvuurboutje, pëntjolek api,
goris api, géretan api, fjorekan,
Jav.
lui, malas, tig. berat sikoe; een — mensch,
orang malus, pemalas. —, tram:, tegen-
zin hebben in het doen vaneen bepaald
iets, sëgan; iemand die daarmede IV-
hebl is, pënjégan; zich zoodanig toonen,
menjëgan. —, onwillig, van een bediende
om ten uitvoer te brengen wat hem
bevoleo wordt, ketasa. —, van een
vaartuig, waarin geen vaart nK^damal;
een e bui krijgen, këna malas, ka-
datangan sëgan.
lui, lieden, orang; de groote —, orang
bësar-bësar
; do rij ke —, orang kaja-kaja;
de arme —, orang papa dan miskin;
de geringe —, orang hina-dina.
1 luiaard, lui mensch, pemalas, orang
malas;
aarts—, die niets goed doet,
pëlasoh : den — uithangen,soeka malas-
malas sëhadja.
luiaard, het dier, stenops tuidigradus,
koekang, kongkang, kamalasan.
luid, helder van een geluid of de stem,
njaring. —, hardop van lezen, jroewat-
jraewat;
naar — van, saperti boenji,
sapërti tirsè.boet di .. .
. —, schaterend
van lachen, gelafc-gëlak.
I luiden; de klok of bul —, mënggojang
lotjeng, mënggontjang lonfjeng, meiiggë-
rakkan lonfjeng.
Voor lotj\'-ng en lotitjeng
ook gënla. —, geluid geven, bërboenji;
meeBtal boenjinja, het geluid er vnn is.
31
luchthol, ieng Verhang.
luchtdeeltje, zie atoom.
luchtdicht, tiada tërmasoek olih hawa\'.
luchtdroog, kering angin.
luchtdrukking, tindihan hawa*.
luchten, in ilen wind te drogen hangen,
mënjidai (vnn sidai), mèngamjiiikan ; nier
kunnen — uf zien, tiada maoemëmandang
moeka, tiada holih melihat aaljelah maia.
luchter, kandelaar, kaki dian, kandil.
luchtgeest, de luchtgeesten, dewa-dewa
awan.
Zie bij geext.
lurhtgewest, akasa, angkasa, Skr.
eigenlijk de bovenlucht.
luchthartig, viool ijk, soeka-tjita. —,
zorgeloos, alpa, lalai. —, opgeruimd,
senang hati.
luchtig* koel, frisch, sëdjoejr; cene —e
plaats, tëaipat sëdjoek. , lus, uit elkanr,
b.v. vnn gezuiverde boouiwol, een uit-
gt\'kntndcn baard enz., lepak. — van
een kleed, dun, (ipis. — vnn gebak,
brood, aarde enz., rèpoewi. —, il uu
gezacid, djaravg; er — ovbr heen
loopen, mëmpermoedahkan. —, vroolijk,
opgeruimd, soeka-hat\'i, senang hati.
luchtigheid, koelte, kasëdjoekan. —,
opgeruimdheid, kasoekadn hati, kasë-
namjan.
luchtje, koeltje, zacht windje, angin
sëpoewi-sepoewi.
—, gcurtje, baoe; een
— van zich geven, bérbaoe,- or is al
een — aan, sofdah herbaoe; aan alle
kwaad is een —, tiada boesoek jang
ia\'berbaue;
er is een — iLKn,ada bao\'-nja;
een — scheppen, zie bij lucht.
luchtkasteel, kotjak; —en bouwen,
wenggantang asap, d. i. rook meten met
hè\', schepel.
luchllaag, lapis oedara.
luchtledig» hempa.
luchtpijp: de —, boeloeh-boeloeh, dja-
lan na/as.
luchtpüpader, oerat boeloeh-boeloeh.
lurliijH)inp, pemjhëmboes hawa\'.
luchtrei», pëlajangan di-oedara dënqan
teng tërbang;
cene — maken, mëlajang
di-oedara dëugan teny tërbang.
luchtruim, hawa\', Ar. oedara Skr. boe-
mantara, akasa,
Skr. ook angkasa.
luchtschip, kapal tërbang.
luchtsgesteldheid, peri oedara.
luchtHoort, djë/iis hawa\'.
luchtsprong, van dieren, djempat;
luchtsprongen maken, van velen, bër-
djémpatan,
ook kindja.
-ocr page 454-
112
luidkeels — luisteren.
—, inhouden, van een brief, geschrift,
gesproken woorden enz., barujinja; dat
luidt vreemd, ïïdjaïb bornjinja; dat is
eene vreemde zuak, itorlah prrkara
ütljaib;
hij beeft de klok hooien —,
maar weet niet waar de klepel hangt,
tja saprrli itik mvnrngarkan gomt oer,
d. i. hij is als eene eend, die naar den
donder luistert,
luidkeels, dtngan njaring. —, vnn
weenen, rijorh, tjijar-tjjar, b.v.ferlaloe
rjorh bornji tangit orang,
en zeer —
was het geween der mensen en; dan
anak-anal\'iija ada m\'ettangis trrfjijar-
fjijar s\'rbab kalaparan,
en hare kinderen
weenden zeer — van den honger. - ,
schreeuwend roepen of vragen, mengt-
datt
(van krdait). — van lachen, geluk-
g\'elak,
luitlruchtis, grmpar, rijorh; met ver*
scheidenheid, ook zeer —, rijoeh-rendah ;
gegak-, grgap,
meestal in verbinding met
gormpita tot grgap-gormpita. — van
muziek, de trom, het spreken, ranfjak:
— vnn vroolijkheid, ramai, rija. —e
vreugde, soeka rija, b.v. dan djangan
éngkau takborr dan rija, karena negari
dom/ja int dada kèkal,
en wees niet
verwaand on —, want deze aarde blijft
niet eenwig; zeer — van lachen, fecst-
vieren, fig. m\'embator rorborh. Ook vnn
een —, algemeen geween.
luidruchtigheid, opschudding, gent-
par, grgrr, rijorh, rijoeh-rendah, gegap
gormpita.
—, vroolijkheid, karamajan,
karijaan.
luier, windeldock, lampiu, kcin lampin, •
brdorng, kaïn bedorng
; in—s wikkelen,
membrdornrj; een kind nog in de —8, \'
bordak laiji didalam lampinnja.
luieren, b\'ermalas-mala&an ; liggen —, ba- \\
ring wMeuter.
/ie ook lanterfanten.
luiermand, rantang ka\'itt lampin, ran-
(ang kaïn bèdomg.
luifel, boven «en raam, kongsan.
luiheid, ma/as, kamatasan, peri malas.
luik, vensterluik, natavg, tordorng djrn-
drla.
— in een scheepsdek, — van een ■
laadruim, pintor p\'rlékaH.
luiken, dichtdoen van de oogen, mengt- \\
dja in kun mata
(van k\'èdjam), m\'êmrdjam- >
kan mata
(van prdjant), mmgatoepkan
mata
(van katorjA, ook m\'érapat, b.v.
hij look de oogen op do matras, tja ;
m\'rrapat di-afas Ulam; na een oogen- >
bltk de oogen geloken te hebben, \'
sakoHika mërapat; half geloken van de
oogen, zooals de oogen van Chincezen
en varkens, sipil.
luilnk, pemalas, orang malas.
luilakken, laat opstaan, tidorr sampai
trngah hari.
luiledisr* malas dan lal ai.
luilekker, malas dan Irdzat.
luim, kuur, gril, tingkah, ragam. —en
hebben, brrtingkah; gij hebt veel—en,
bunjak ragam engkau; in een goede —
zijn, senang hati; in een kwade of
slechte — zijn, marah, meradjoei; ben-
tjoeh, benfjoet;
op zijne —en ligucn.
bespieden, beloeren, menghintai,
luimen, loeren, men git int ai.
luimer, beloerder, penghinfai.
luimig, kurig, bert\'ingkith, banjak ragam.
— • gl\'n[\'l>\'(-\'\' djinaka, selorroh.
luipnurd, harimau koembang, hartman
akar.
luipen, zie luimen,
lutperd, bespieder, penghintai. —,
kwaadsprekcr, pengoempat. —, die niet
veel spreekt, prndiam. —, huichelaar,
orang mornajik.
lui*, kortoe, forma. Het laatste alleen
voor — op het lijf; het eerste ook als
scheldwoord, sikoetor, die luis. niet te
verwarren met sikorfork die vervloekte ;
vee—, kerpat\'t, koetor babi; schapen—,
teek, ■lengkenit; lijk—, die kort voor
het sterven te voorschijn komt, een
zeker teeken van den naderenden dood,
kérnnfa; wand —, pidjat, krpindingAlp
Java kortor-bersoek- en bangsai; de
wand— is een schildpad geworden,
pidjat sordah mendjadi koera-korra;
zeer kleine — op dieren en planten,
zooals vogel—, suikerriet—, ama; plan-
tcn—, toengaa ; luizen vangen, mrntje-
hari korfor,
zie luizen,
luister, kamoeliaiin; dat wat iemand
luisterrijks nnn zich heeft, permorliaiin.
—, glans, schittering, tjahaja; de —
van zijn koningrijk, kamoeliaiin kara-
djaannja;
de — der kioon, tjahaja.
makota. —
, pracht, ook öflumaf, Ar.
luister, nrmblakcr, frandil, Ar.
luisterunr, orang jang mrmasang tèlinga.
luistcrnchtifi*, déngar-dmgaran.
luisteren, hooren nnar, tnendengarkan,
mrntngarkan.
—, afluisteren, mrmasang
telinga
(van pasang); stil — naar iets,
dat men niet hooren mag, mettginding
(van inding); genegen zijn om te —,
-ocr page 455-
luisterrijk — lusten.                                           \\ \',:\'.
dengar-déngaran; niet willen — naar
raad, vermaning, lessen enz., kalis.
—, gehoorzamen, niettoeroet (van toe-
roet);
naar goeden raad —, ménoeroet
bitjara jang ba\'ik;
het paard luistert
naar den toom, koeda ménoeroet ké-
kangnja;
bet êcbip luistert naar het
roer. kapot ménoeroet kemoedinja. —.
zie ook fluisteren en jjlan/en.
luisterrijk, moelia i^Skr. moe/ja); zeer
—, moeliatcan. Ook tnaha, Skr. —,
groot, besar, b.v. eene—e overwinning,
kamïnanyan jang bèsar.
luistervink luistern.Br*
liiinxieUte. peiijakit koetoe; van dieren
en planten, berama.
luit ; e. s. v. —, bespannen met vier
snaren, ke/japi, —, behoorende tot de
nobat of plechtige muziek, damti; e. 8. v.
nunarige —, bamboes, Ar. f op de — i
spelen, métuétik k\'etjapi (van p\'etik-).
luitenant, titnian. Ook in deszelfs
samenstellingen.
luitsimur, tali k\'etjapi.
luizen, tn\'étttjehari koelie; elkander —, \\
berkoef oe\'kcefoean,
b.v. maka tja doe- \'■
doei: dimoeka tangga berkoetoe-koetoe-
tcaa dengan ségala dajaug-dajang,
zij
zat met al de hof ju fier» voor de trap
elkander luizende: het hool\'dhnar enz
doorzoeken, zooals de apen gewoon zijn
en de Javanen, menjelisik (van s\'etisik). \'■
luizenei. neet, télor koetoe.
luizeneter. oratty makau koetoe.
luizenknxn, stsir haloes, sisir koetoe.
luiarennewt, sarong koetoe.
luiseiiT, p\'enceh koetoe.
lult, oentoeng. — of rnak, k\'ena fakeria;
op goed geluk af, wild te werk gaan, \'
nierambang; als Bijw. rambang-ratubaug.
—, zie ook **olulr.
lukken, zie (gelukken.
lul, pijp, pantjoeran. —, zie roede.
lullen, kletsen, beuzelpraat houden,
niérepek, m\'erenjeh, méremet.
luller, kletser, pérepefc, peretij e/i, p\'èremet.
lummel, zie lomperd en bloed.
lurken, zuigen, nienghisap.
lus, de verschuifbare lussen aan een
trom, sim pal. Zie lis, strop en tres.
lust, vreugde, soeka, gemar, soeka kali,
kasoekaihi. —
hebben, soeka, bérg\'èmar; j
zinnelijke —, ook sir. — hebben aan
iet», soeka akan, bérgémar akan, nietig\' \'.
gimari.
— krijzen, datang halt, —,
begeert», anndrift, tjita, résa, na/soe, >
Ar. —en en begeerten, haica-nafsne. Ar.;
de - en opwekken, menggalakkan haica-
na/soe;
de —en bevredigen, mémoewan\'
kan hvtca-na/soe,
de —en opvolgen,
ménoeroet hatca-na/soe; de —en licdwin-
gen, iii\'-matikait hawa-na/soe, mtitahan-
kan haica ua/soe, inttnadamkan hatca-
na/soe,
NB. na/xoe wordt ook in gocdo
beteeken is gebezigd, b.v. adakah sa o-
rang pon. jang berna/soe hendak metn-
biioelkan atau m\'engatoerkan djalannja
at au ftoekoemnja,
is er wel iemand ge-
weeet, die — had haren stijl te kui-
scben of hare wetten te regelen V —
des harten, dat wat het hart verheugt,
perjoeka hati, b.v. penjoeka hati kerntak
dir\'tboet,
de — des harten wilde men
ontrooven. —, voornamelijk tot den
bijslaap, sjaltcat. Ar.; doen waarin
men maar — beeft, nielakoekan kasoe-
katinnja;
geen — hebben om iets te
doen, itialas, b.v. ik heb er geen — in,
tnalas akue; er tegen opzien, nfkecrig
van zijn, ségatt; geen — meer hebben,
fatoor hati; niet uiet — een werk ver-
richten, menjambalewa; met dn. obj.
menjambalewakan {van sambaletca); met
—, met liefde d\'engan soeka, dengan
ïisjik-,
Ar. —, sterk verlangen naar
genot of bezit, ing\'m, rhidoe,sjarah, Ar.
—, belustheid van een zwangere vrouw,
hidam; die — naar iets hebben, meng-
hidant;
sterke, onweerstaanbare — nnar
spijs of drank of iets anders, waaraan
men gewend is, b.v. naar opium, jenever
en dergel., k\'etagihan; teleurgestelde —
of begeerte, kamponan; bet is een —•
dit te zien, tttïndjatli soeatoe kasoekaiiti
uttlihat Hoe;
iels met — doen, nt\'em-
boeical apa-apa dengan soeka kali
of
d\'engan karidlaan hati; geen — tot
eten hebben, liada soeka makan,
lusteloos, geen zin hebben in, ntalas,
ségan, gerajang;
iemand die altijd —
— is, phnalas, penjégan. ■ —, loom,
een — of loom gevoel van het licbnam,
b.v. door dat men niet geslapen heeft,
gajang, rengsa. — worden, nurengsa.
lusteloosheid, segatt, tnalas. —- aan
den dag lecgen, ménjègan.
lusten, believen, soeka, ridla, Ar. —,
wel genegen zijn tot het doen van iets,
soedi. —, gaarne eten, soeka makan;
gaarne drinken, soeka minoem; b.v. ik
lust geen doerijan, akoe la\'soeka makau
doerian;
ik lust geen sterken drank,
-ocr page 456-
-Hl
lusthof — maaksel.
akoe ta\'soeka minoem sop\'. —, zie ook
bij lust,
lusthof, taman; in gedichten, ook lè.la-
iitjuii.
— der genegenheden, taman kaa-
sjik-tlsjikan, t. pengasihan - ,
paradijs,
Jirdaas, Ar. —, zie ook hof.
lusthui»*, in den vorm van een tempel
met vier tinnen en een toren, pantja-
pèrsada.
—, waar men zich afzondert
om een luchtje te scheppen, balai pèr-
aiiyiuan;
e. 8. V. —je of koepel, sotor ;
e. s. v. --je op het water, balai kam-
bang, balai timboel
lustig, zeer viool ijk, rija, soeka rija;
eco — leventje leidend, dëngan kahi-
doepan rija;
hij zag er een beetje —
iiit, adalah sedikit roepanja rija.
bij het werk, rad/ia. — van velen,
ramai, b.v. het ging danr— toe, ramai
takal\'i disana.
— aan! bdïklah, ajo,
Jav. tabaslah Cvao sabas. Ar.).
lustigheid, uitbundigheid, karijaan. —,
van een menigte, karamajan — bij
bet werk, karadjinan.
lustoord, Qmpai kasoekaan.
lu-ithloi. mdligai.
lutje, lutring, naairing, tjintjin ntèndja-
kit.
luttel, sëdikit.
luw, ledoeh.
luwen, fedoeh, djadi tëdoeh.
luwte, kattdoehan; do - zoeken, bértë-
dofh.
Zie ook beschutting en
schaduw.
BC
mn, verk. van Mama, emak, mak-, ma\'.
mime, pèroet, pèroet besar, pèroet raja; I
eene groote —, boejoet. — van vogels,
hampedal, p\'tdal; de — overladen, ma-
kun terlaloe bavjak.
maag, bloedverwant, samtk, saoedara,
koelawarga.
— van moederszijde, doe-
sanak, kandoeng.
Zie bij bloed ver-
wnnt.
maagader, oerat p\'èroet bësar.
maagbitter, obaf pa/iif.
maHijhreult, pëtjah pèroet besar.
maagd, anak-dara, boengarau kènnja,
Skr. gadis, anale gadis, bikrah, Ar. Op
Java prawan, Jav,; de gezamenlijke \'
— en, pèrdaraan; eene ongerepte —, !
zie bij ongerept; eeno — in het
Paradijs, hoert, Part.; de — Marin,
sitli Mariam. —, bet teeken in den :
dierenriem, soetiboelat, Ar. bintang ma-
jang;
afgezonderde —en, anak-dara
tarolian;
jonge —en, die nan het hof
dienst doen, dajang-dajang, biti-biti;
ook binti-binti; eene — verkrachten,
mènggaga/ii anak dara, meroegoel anak-
dara.
maagdarm, slokdarm, kèrongkongan.
maagdelijk, pèrdaraan; de —e staat,
hal pèrdaraan, pèmjgadisan. —, van
eene maagd, anak-dara, b.v —e
Bchannite, maloe anak-dara; het maag-
delijke woud, rimba raja.
maagdenroof, pèrèboetan anal\'-dara.
mangdenschenner, peroegoet anak-
dara.
maagdom, dara, bikir. Ar. boengaran;
zij is haar — kwijt, hilang daranja,
hilavg bikirnja.
maagelixer, sopi pahit.
maaghoest, batoek- sakit pèroet.
maagkoliek, moelos pèroet.
maagkramp wet opgezetten buik, se-
nak;
daardoor aangeduun zijn, kast-
nak-senakan.
maagmi< lil.). obat pèroet.
niiinirpiin, bij volwassenen, bisa hati,
bisa peraef, sakit hoeloe hati
—, e. 8. v.
ziekte bij zeer kleine kinderen, ver-
gezeld van moeilijke ademhaling, telan.
maagsap, ajar pèroet.
maagschap, sanak- saaedara, koela-
warga
(Skr. id.), soms verbonden met
het Ar. kaoem tot fraoem koetaicarga.
Ook koelaicangsa, Skr. en koelasentana,
Skr.
maagstreek, maagholte, hoeloe Hati,
toedoe hati.
maag ver «terkend, jang mengkoewat-
kan pèroet.
maagziekte, pènjakit pèroet besar.
maagzuur, sèrdawa masam-masam.
maaien, van graan, m\'erapa, minjabit
(van sabit). —, oogsten, mètigëfam (vnn
këfam), mènoewai (van tuewai<, eigenlijk
rijstsnijden met het duarvoor gebruikte
mesje; gras—, memolong roempoet (van
potong, snijden, omdat hut gras in Indië
gesneden wordt). —. zio oogsten.
maakt in de — zijn, laai dïpérboewat.
maakloon, opah mèmboeicat, opah ker-
dja.
maaksel, phboewatan, b.v. Engelsch —,
pèrboetcatan inggèris; zeer fraai of kost-
baar van —, ikrlaloe endah-endah per-
boeicatannja.
—, gewrocht, kadjadian,
-ocr page 457-
448
maal — maandblad.
I sahari boelan; wassende —,boelan Urn-
boel;
met wassende —, timboel boelan ;
afnemende —j boelan soesoet; de —
| komt op, boelan t\'èrbit, boelan ndik;
do — gaat onder, boelan masuek, boe-
la,/ toeroen;
de — breekt door, maka
boelan pon mengembanglah
(van kembang);
de — is twee dagen oud, doewa hari
boelan;
hij is naar de —, binasalalt
ija;
van een koopman, ija soedah dja-
ioh;
het maantje in de vingernagels,
boenga koekoe; het is nnnr de —, weg,
lelap; loop naar de —, njahlah ëng-
kau
; naar de — willen reiken, hendak
mentjapai boelan;
als de dwerg, die
naar de — wil reiken, saperlï sttjabuel
hendalp mentjapai boelan.
Sprw.; do
glans van zou en —, noeron\'l sjamsi
wa alkamari.
Ar. cene uitdrukking die
alleen in brieven voorkomt; de — als die
overdag zichtbaar is, boelan kasijaugan.
moanbewoDero, detiata tjendèraloka,
lctterl. de inaangoden.
insiiiiii «riet\', soerat mënagih hoetang (van
tagih).
maand, boelan; de Muliamuiedunnscuo
namen der —en, bij de .Muleiers in
gebruik, zijn : Moeharram, Safur, lla-
bioe\'laical, Rabioelachir, DjoemadV la-
wal, Djoemadïlaehir, Jtédjab, Sj\'lban,
Ramadlan. Sjawdl, iJzoelkaïdah, lizoe\'l-
hidjah;
onze numen voor de —en wor-
den op deze wijze vervormd: lijanoe-
wart, 1\'eberwari, Marij, Aperil, Mal,
lijoeni, Djoeli, Aguestoes, September.
Oktober, iS\'opember, Desember.
Zij komen
meer en meer in zwang; de zooveelste
der —, wordt uitgedrukt hari dag en
daarvoor het telwoord, b.v. den tweeden
Januari, pada doewa hari boelan Djanoe-
toari;
de eerste der —, sahari boelan;
op den zevenden der — Sjaban, pada
toedjoeh hari boelan Sjiiban;
elke —,
pada tijap-tijap boelan; bij de — be-
talon, bajar boelan; eens in de —,
satoe boelan sakali; gepasseerde —,
boelan jang laloe ini; aanstaande —,
boelan jang dalang ini; zes —en ge-
leden, aiain boelan laloe;\'lts—en lang,
enam boelan lamanja; de loopende —,
boelan int, boelan jang sakarang ini;
eene maand overblijven, b\'êrboelan.
j maandag, hari itsnain, hari smen;
een bluuwe —, zelden, djarang.
I maandbericht, ehabar boetanan.
! maandblad, soerat boelanan.
b.v. de inenschcn zijn Gods —,manoe-
sija Hoe kadjadian Allah;
een wonder-
bnar —, kadjadian jang \'adjaïb.
maal, keer, kali; uva—, sakali; acht—,
doelapan kali; hoeveel—, berapa kali;
zooveel—, sak/jan kali; vele inalen,
banjak kali; eenige malen, bëbërapa kali;
telken uiale, tiap-tiap kali; voor deze
—  slechts, sakali ini sëhadja ; ten eenen
male, sawa sakali; voor \'t eerst, pada
sakali,
ten tweeden male,padak-doewa
kali;
ten eenen male niet, sakali-kali
lidak, sakali-kali djangan;
ten eenen
male, louter, geheel, btlaka. — de hoe-
veelheid, kian, b.v. twee— zooveel,
doetca kian; hoeveel—, de bepaalde
hoeveelheid, berapa kian. —, keer, ook
bagai, b.v. tien—■ verder, sapoeloeh
bayai djaoehnja.
maal« zie maaltijd.
mnal, reiszak, valies, banian, boktja.
maalgeld, iiiaalloon, opa/i m\'enggtling.
mualttteen, Lalue kisaran, batoe pënggi-
linyan.
maalMtroom, ajar oelak,poesaran ajar.
maaltijd, maal, inakanan; van Vorsten
en aanzienlijken, sanlapan. —, feest-
niaal, përdjamoeican; een — geven,
mëndjamoe orang, m\'èmbhi makan rni-
naem;
ter — noodigen, mëndjempoet
orang makan minaent, mëmanggil makan
minoem;
de ter — genoodigden, orang
djempoetan, orang panggilan, oravg dja-
moe;
na den —, sateluh soedah makan;
twee —en per dag doen, makan doetca
kali pada sahari;
mosterd na den —,
soedah habis nasinja beharoe dalang
laoelcnja.
111:1:111; de —, boelan, alkamar, kx.tjbi-
d\'éra,
Skr.; volle —, boelan poernama;
de geheel volle ui aan, boelan poernama
raja;
do volle maan in al haar glans,
boelan poernama ëmpat belas hari boelan
gilang-goemilaug tjehajayja ;
kwartier—,
boelan p\'érbani, ook lengkoengan boelan;
halve —, gedeelte van de —, boelan
sap\'enggal, boelan lëngkoeng, lengkoengan
boelan;
donkere —, boetan gëlap, boelan
malt;
donkere —, van laatste tot eerste
kwartier, k\'élam; visehvangen bij don-
kero —, mëngëlam ; lichte —, boelan
térang;
bet licht van de —, l\'èrang
boelan;
helder Bobijnen van de —,
l\'èrang bënderang; nieuwe —, boelan
bëharoe;
volgens de inlanders als de
—   weer voor \'t eerst gezien wordt,
-ocr page 458-
iiisiiiinit\'lïjlts — maat.
446
maas, van een net, mata; de ma/t 1:
van een werpnet, mata djala; drie-
hoekige — in netwerk, tïraitjoe.
van het rotnn-vleehtwcik in stuclzittiii-
gen enz., mata poenat; met giooti
wijde mazen, serang.
mant, lengte—, orkoeran; een goede—
oekoeran jang bef oei; inhouds— vooi
droge en natte waren, soekatsn, takar
ecne goede —, toekatan jang btto> I.
takaran j. b.;
maten en gewichten, so< ■
katan dan fimbangau;
geijkte inrit 1
en gewichten, soekatan dan timbanga.i
jang noedah ditofok, soekalan dan titn-
bangan jang pak ai tjap kompam.
— in
de muziek, irama; de —slaan, méngi-
rama;
met de lengte— meten, mengoe-
koer;
met de inhoud*— meten, menjoe-
kat,
b.v. desoeroeh nja soekat d\'enga. <
gantang,
hij beval het met het schepel
te meten,ook uifotakar ;e.s.x. inhouds—.
waarvan er 20 op een pikocl gaan,
gantang; e. s. v. inhouds—, waarvan ei
4 op een gantang gaan, tjoepak; e. t. v.
inhouds-, van 2 kali, bidon\'; alle
maten onderzoeken, niemïiiksa segala
tjoepak gantang;
eeno opgehoopte volle
—, gantang raboeng; e. s. v. — voor
ongepeldc rijst, vervaardigd van boom-
bast en inhoudende 10 gantangs, serok;
o. *. v. inhouils— van 10 en 5 gantang.
sat; die van 10 gantangs, sat besar;
dio van 5, sat këtjil; eene inhouds—
vaa J tjoepak, kat, leng ; eene inhouds—,
ongeveer gelijk aan een schep met de
holle hand, tjatok; met de kleine in-
houds— meten, menljatok; ook tnën-
tjatoe;
de inhoudsmnteu voor droge
«aren te Singnpoern en Malaka wor-
den aldus opgegeven: 4 tjoepak = 1
\'Jantang; 10 gantang — 1 parali; 80
parah = 1 kojan of last van 27—40
pikoef; de jmrah op ltiouw heet goem-
bang;
voor lengtematen heeft men: de
breedte van de hand, pïlémpap, tetem-
pap, tabah;
een span met de hand,
djïngkal; de elleboogsel, van den top
des middelstcn vingers tot den elleboog,
hasta; de vadem, zes voet, depa; de
dubbele vadem, djoeinbah = 10 cllc-
boogsellen; eeno lengte—, tevens
vlakte—, van ongeveer SU vard in het
vierkant, rtloeng, harlong. Men geeft
de verhouding aldus op: 4 pe/e"mpap
m 1 dfèngkal; 2 djtngkal = 1 hasta;
4 hasta = 1 depa; 2 depa = 1 djoem-
iinian(U\'Uilis, tijap-tijap boelan, pada
tijap-tijap boelan.
matmdciyitHch, boelanan, bitang boe-
/ai/.
—e bezoldiging, gadji boelanan.
— e betaling, bajaran boilatian.
maandgeld, gadji boelanan.
iiinnn<lM<\'ltrii\'t, san-at boelanan.
innumlMtaat, il aft ar boelanan.
mnnndwloiidon, kaïn tjtmar, kaïn
kofor, haidl,
Ar.; de — hebben, ber-
kam tjemar, bêrkaïn kofor, btrkojtah
di-ngan dar ah ;
de — krijgen, menda-
pat boetannja,
ook mï-mbaira boetan,
tnémbatca ïtdat,
mannüeesten, deieata tjenderaloka.
maanjaar, fa hoen kauiarijah (van ka-
niar, maan, Ar.).
muankaart, péta bo-lan,gambarboetan.
mnnnliop. bet zaad, b\'uljipukokapijoen.
—, de plant, pokok apijoen,
maanltrin<£, kring uut de maan g\\ lang-
gatig, kandang boelan, pagar boefan, ka-
tamjan boe fan.
mannletter, hoeroef kamari.
maanlicht, tïraag boetan; belder —,
pat/as malam.
niaanloop, ptridaran boetan.
maanmaand, sjahar. Ar.
maanr«*i;enl»oojj, pïfangi boetan.
mmiiiK<-hyr, boe.tatan bttelan.
mnnnsomloop, ptridaran boetan.
mHni\\Mvevtl\\i\\HHiriiiix,gi\'r/ia}raboetan.
iiiaiiiivoi-ini". sarocpa boetan.
inaan/aml, b\'tdji pokok apijoen.
maanziek, eene soort van toevallen,
gila babi, saki f boefan.
maar, doch, trtapi, takin. Ar. — wet
nadruk, maar, akan tetapi, akan tvta-
pinja;
ei\' is echter een kleine — bij,
sfdikilnja.
maar, slechts, alleen, hanja, sehadja,
djoea, tjoema,
b.v. o» dezen steen —,
pada ba *ae in i baik; allen w a ren 2 ij
tegenwoordig, — hij niet, mareka-itoe
sakalian pon hadlirlah, lianja ija liada ;
t is — uit gekheid, boewat maïn se-
had ja;
dut veroorzaakt — ziekte, Hoe
imtngadakan penjakit djoea-,
de prijs is \'
—  twee (iuldcn, harganja tjoema doeica
roepijah. -,
tueb, djoega, b.v. wij zeilden
—   door, bïr/ajar djoega kami. —, in \'
sterk tegenstellende beteckenis, mVdin-
kan,
b.v. het was geen olifant — een rbi-
Doceros, boekan gadjah, wetainkan badak.
maarHchallt, djohan pehalatcan, Perz.
marstkal.
-ocr page 459-
447
maat — maohtgcver.
bah 20 djoembah = 1 rëloeng of har-
heng ;
een lengte— voor katoenen
stutten enz. is doorgaans de breedte
van het goed, zulk een vierkante lap
heet sëtanyan; bepnaldu — voor iets,
djangka; beneden de bepaalde —, koe»
rang dari djangka;
regen boven de—,
boven matig veel regen, hoed jan lëbih
tlari djangkanja;
allerlei — nemen.
djangka-mëndjangka. — ook kira-kira;
zonder —, tiada kira-kira, dëngan tiada
kira-kira,
b.v. dan dipatoe dëngan tiada
kira-kira,
en worden zonder mate ge-
slagen; zonder mate geven, menibëri
dëngan tiada kira-kira.
— ook këdar,
Ar. naar mate van, sakedar; onder de
—  zijn, de vereisebte lengte niet heb-
ben, koerang pandjang, koerang tinggi ;
de — nemen, inëngoekoer, méngambil
oekoerem,
—, hocgroutheid van iets,
bësamja; inet mate, met overleg, dë-
ngan kira-kira dan kedarkan ;
met zuinig
overleg, dëngan himat-himat. —, regel,
orde, peratoeran; al naar innte, MM,
b.v. al naar mate hij ouder werd, werd hij
slechter, niakin toetra, n/akvi djahatija.
iiuint, makker, tvman, kawan, tanlan,
handai.
—, nicdcgcnout, sakoetoe, kongsi.
—  bij een werk, pëmbantoe da/om pë-
kërdjaiin, kaïean.
— met iemand zijn,
bërtaulan dëngan sa\'orang.
maatregel, reka, al il, oepaja; zijne
maatregelen waren zeer doelt rellend,
këna bënar oekoer-atilnja. —en ver-
zinnen, méreka; voor Sets nemen, nan-
wenden, mëngoepajakan; allerlei —en,
daja-oepaja, oekoer-alit. — van het
bestuur, përentah, peratoeran ; iemands
— en verijdelen, mêmbafa/kau daja-
oepaja orang.
mnntNchnppU, vereeniging, kongsi, J
Chin. përsakoeioean. Hel eerste is
\'t meest in ccbruik; de —, samen-
leving: hiervoor is geen woord. -Men
knu het teruggeven met doet/ia, wereld,
sëgala orang, de mensehen, enz. —, zie
ook eenootNchnpcn compagnie.
maal st i>l<, balang p\'éngoekoer.
rniicii.liunisi\'i\'H\'ii van een weg, n/enge- ;
rakali (van kërakal), mëngërikili (van
kërikil).
maradniniweg, djalan kërakal, dja-
lan kërikil.
nuinirüiii: e.s.v. — ,die uit Chinnwordt
nangevocid, taksa; deze — toebereid met
vleescb, garnalen enz., bahmi, Chin.
machine, përkakas; stoom—, përkakas
atap.
— om iets in beweging te bren-
gen, pesawat. — met raderwerk, pesa-
icat bërdjanfëra.
— door water gcdre-
ven, pesawat ajar.
machinekamer, tv.mpat pesawat.
machinerie, sëgala pesawat.
machiiiiMt, djoeroe pesawat.
macht, koeicasa; kracht en —, jroewal
koewasa;
uit alle —, sakoewasa-koetcasa.
sakoewat-koetiasa, sakoewat-koewat; zoo-
veel mogelijk, sabolih-bolihuja. —, ver-
mogen ook k-odrat, Ar. de — (Jods,
k\'odrat Allah; onderde —,d>bawah (ioc-
koem, didalam fyoekoem, dihawah përea-
tah ;
geheel in iemands — zija,ada dalam
gënggaman tanga» orang, ada dibawah
tapak\' kaki orang;
ik ben geheel in uwe
—, gij kunt met mij doen wat gij wilt,
lig. pa/ik ini oepamanja poeiih, dapat-
lah toewankue pPrboewal wërnanja ba-
rang pëlëbagai toewankoe djadikan.
—,
hoeveelheid, kabanjakan; eene — van
schepen, kabanjakan kapat; dit is boven
of buiten mijne —, tiada koewasa
se.baja bagai jang dëmikian;
niet bij
—e zijn, tiada didalam pë-ngoewasanja;
uit al zijne — loopen, bértari sakoewat-
koewatnja;
opdat hij de — van mijn
arm ondervinde. soepaja dirasainja bekas
tangankoe;
uitvoerende —, koewasa
melakoekan
; wetgevende —, koewasa
mëmërentahkan ;
land—, angkatan da-
rat;
zee—, angkatan laoet; de land-
en zee—, tantara pëpeeangan didarat
dan d i laoet;
de oorlogvoerende —en,
radja-radja jang bërpërang; do hcmel-
sche —en, volgens het heidensche bij-
geloof, sëgala dewa mëmbang d/in afrit;
de helsehc —on, sega/a djin sjaitiin•■; bij
— c zijn, bërkorwusa.— govcn, mëmbëri
koewasa;
als vervanger of gevoluiach-
tigde, niewakilkan. — hebben over, më-
ngoewasani;
iemands —fnuiken, mëma-
tahkan koewasa orang
(van patah, gebro-
ken); met —, geweld, dëngan gagah.
muehtbrief, soerat koewasa, polmak.
machteloos, naar het lichaam, lëma/t,
tiada bërgaja, tiada koewat, dlaif.
Ar.
—, zonder uitwendige macht, tiada
bërkoewasa.
—, uitgeput, lëtih, lësoe.
Ook met elkander vet bonden tot letih-
lësoe.
—, impotent, lëmah dzakar.
machteloosheid, kalëmahan. Zie
machteloos.
machtgever, jang mëmbëri koewasa.
-ocr page 460-
448
machtkebbend — maken.
mnchtbebbend, be\'rkoetcasa, empoenja
koricasa,
macht hebbende, jany berkoewasa,
jany vin poen ja koewasa.
machtig macht hebben, koetcasa, bër-
koetcasa.
—, krachtig, sterk, koewat.
—, groot, bèsar, b.v. een -— kunink-
rijk, karadjaan bftar; een — V urst,
radja bésar. —, vet van spijzen, lemak.
Op Java, yéuioek, wel te onderscheiden
vim goerih, smoutig. — zijn, in staat
zijn, dapat, tjakap, mampoe. — zijn, ken-
Dcn, b.v. van talen, tnenyttalioei, métt-
dapat.
— zijn, bezitten, mvuipoenja\'i.
—  worden, mtnyoeicasani; veroveren,
menya/ahkan ; ten onder brengen, mena-
lukkav;
aanzien verkrijgen, bProlih koe-
icasa, bvrolih panykat jany tinyyi, nttn-
djadi besar.
— in prijs, besar harya.
—  in het doen uitvoeien van bewinds-
inantregelcn, përkasa pat/a melakoekan
perenlah.
—, zeer, buitengewoon, tér-
In li\'f. — groot, f er/a f<>f besar.
maohtigen, macht geven, /aembëri koe- j
KOta. —, volmacht geven, mticakilkatt;
gemachtigd zijn, tot gevolmachtigde
gebruikt worden, dipïricakilkan. —,
vergunnen, mtmüëri u/zin, nïï.nyidzinkan. \\
machtiging, vergunning, idzin. Ar.
madapolntn, kaïn madapolam.
milde, hoi\'liü; faridmda,koewtm»; whnrftV
—, schiirl\'tmijt, koeman djalar; huid—,
die zich niet verplaatst, koeman doe-
»\'<>■:■.
— van eenc mug of muskiet,
djintik-djinttk. — van insecten, bere-
nga. —, aarsmaden, tjatjing ktroewit, j
ij, këraicif. —, kuasimidüii, tjatjiny \\
minjak, hoelat panir, koe/at kedjoe.
madelief, boenya sërornai U\'olanda.
madera, anyyoer Madera.
madras, M éndfras.
madura, Mëndoera.
miiitii/ün, yoedany, yiidoeny. Ook groote j
winkel; wapen—, yoedany sendjala;
Meeding—, yoedany pakajan.
mtiirnzvininceBter^\'nyhuelueyëdoeny, \'■
béndahari.
mager, tenger, koeroe*.— worden, djadi \\
koeroes;
een —nienscb, orang koeroes. j
■—, schraal, van vruchten of een kind, :
denykel; een —e knaap, boedak deng- j
kei; om een hoogc mate van magerheid
aan te duiden zegt men: bayai andjing j
bëranafc fotam, ala een bond, die zes
jongen huofl. — en dor, koeroes kering. \\
—,
zie ook achraal.
mager; het —e, vnn vleesch, isinja, da-
yit/ynja,
b.v. ik verzoek om het —o,
niet het vet, akoe minla isinja, djanyan
lemaknja.
magerheid, koeroes.
magiër, madjoes. Ar manbidz, Perz.
magintrunt.}!• mi renlahan nëyarit orawi
bt*ar-bësar ttëyari.
magneet, batoe bfrani; met —■ aan-
gestrekon ijzer, bes/\' btrani.
magncetiiaald, djaroem pedoman.
uiBÏM, Tuiksche tarwe, djayoeny; zich
als maïskorrels voordoen, van de pok-
ken, mt\'adjayoeng.
maïV>br\\j, boeboer djayoeny.
maïskorrel, bidji djayoeny, btra* dj«-
goettg.
maÏMineel, lepoeng djayoeny,
majesteit; l\'we —, toewankoe, sjah
ulam, doeli sjah. ulam;
Zijne —, ba-
yinda,
Skr. sëri par/orka, Ski.; Zijne —
de Sultbnn, seri padoeka Soeffati. Ver-
der Jany dipërtoewan, Jamloewan, ha-
dlirat.
Ar. en van den Keizer vnn China
seri kop/joh. —, heerlijkheid, kauw-
liaan;
de — Guds, djalal Allah,
mnjeMtcitaschennis, salah kabawali
doeli,
majestueus, alaniat, Ar. adikara.
tnnjoor, major.
male, tam, djinak; een — paard, koeda
djinak.
— maken, mendjinakkatt.
makusgnr, Minykasar.
tnakusser-olie, minjak 3/vnykasar.
makelaar, in den handel, Ijar/ykoi\';
koppelaar, tussehenpcisoon, oravg la-
lang.
Zie koppelaar,
makelaardij, tjanykoean.
maken, vervaardigen, mempërboewat. —,
herstellen, mëmbaïki, —, nemen, in het
kaartspel, makan. — bij uitersten wil,
membëri pnesaka, mewasijatkan. — in
samenstellingen wordt veelal terugge-
geven met den causatieven vorm der
Werkw. namel. nchtergevoegd kan, b.v,
gezond —, mënseh hafkan; genezen,
mhijemboehkan (van sémboeh); vroolijk
—, miinjoekakan (van soeka); bedroefd
—, mendoeka\'tjilakan; Koning •—, me-
radjakan ;
groot —, niembësarkan ; vrede
—, bij anderen, mënipërdamatkan; zclt\'
vrede —, berdamai; zieh wog —, uit
de voeten —, lari; zich stil weg •—,
lari diam-diam; mnak jo weg, scheer
je weg, njahlah ënykau! ëntjillah, hem-
boeslah ;
aan de kook—, mvndidihkan ;
-ocr page 461-
maker — mam.                                               449
het hoofd warm —, vertoornen, me-
marahkan.
—, scheppen, invniljadikan,
h.v. (\'ml heeft hemel en narde gemaakt,
didjadikatt Allah akan lauqit dan Imw,
—, opstellen, mengarang (van ka-rang);
een boek - , mëngarang kitdb; een ge-
dicht —, mëngarang sjmr. —, uitmn-
ken, e/j ad i; tien dubbeltjes — een
Gulden, sapovloeh orwang djadi satoe
roi-pijah;
boe zal hij het met mij —,
wat zal hij mij doen, akoe dip?»gapa~
kaunja;
hoc zult gij het —, bagai-
mana halmof kvlak;
hou maakt gij het,
loetcan (entjifr, njonja en/.) at/a balk l
dat maakt mij niets, tiada mëngapa
kapadakne;
het slecht —, zich slecht
gedragen, tti\'baik kalakoi\'icannja, kala~
korwunnja (a\'ba\'ik
,■ het slecht —, zeer
ziek zijn, terlaloe pajah sakihija; het
er nnai\' , verdienen, paloet m?ndapat,
pafort berotih ;
bet niet lang meer —,
neldra sterven, ithadjakan mati, van
Vorsten, ié.hadjakan mangkat, kelak
ukan sampai adjalnja;
hij zal het niet
lang meer —, liada lama lagi tja; het
wel —, gezond en wel zijn, salamat
santavxa;
veel werk van iemand —,
sant/ut mhignidalikan oravg, sangat
wiimoeUakan orang;
veel werk van iets
—, mïngarsahakan; cene reis —, te
land, b^reljalan; te water, berlajar.
dat iets er is, iets er doen zijn, me-
ngadakan ;
niet overleg er zoo veel van
— als men knn, himat-hïmalkan, kira~
kirakan sï-hadja;
om iets vun te —, ;
boewatav, b.v. ka\'in boewatan batljot\',
goed om baadjes van te—.ook bakal:
boombast om touw van te —, koAit
bakal lal/,
/ie bij materiaal; ge-
maakt, vervaardigd, in tegenstelling
met dat wat geworden is, boaicatan,
b.v. batof bopwatan, gemaakte steenco;
schulden —, bvrhoeiang.
muiter, javg mP.nipt-rborwal. —, werk-
meesler, tarkang, pandai, b.v. een rij- :
tuig—, loekang kareta, horologie—,
loekang arlodji. —, schrijver van een
werk, pëngarang.
mnkinjj, legaat, pëmbtrian porsaka,
makkelijk, ïïlt sremakkel\\jk.
makker, tcnian, katcan, taulav, hanelai ;
reit*—, të/nan didjalan, kaïcan didjalan ;
al zijne —s en kameraden, sï-galahan-
dai taulannja
,- do gezamenlijke —-,
petemanan; getrouwo —, knmeraad,
kapit; als — iemand vergezellen, me- \'
nemani (van tfanan), ook als — helpen.
makreel, ikan bawal.
makreeliseep, ikan paratiy-parang.
wal, gek, gila, sarsar. —Ie vent, gek,
sachar. Ar. orang gila. —1c kuren,
lingkah orang gila; half —, saténgah,
verk. van satvngah gila; een half—Ie,
orang xatïngah, wel te onderscheiden
van sattngah orang, eenigen, zie altl.
mal, model, tehdadaa daripada kajoe; op
Java Ijonto. —, geraamte, rangka.
maleiMf*h, Më.lajo»\'; op zijn —, mela-
joe-tnëlajoewan, tjara^mtlajot\'.
—, ook
e/jatci, vooral zuo genoemd door de
Ambiëren en andere vreemde ooster-
lingen; de —e tanl, behasa Mélajoe,
bëhasa djawi.
—e kinderen, anak- MHa~
jor, anak djairi;
id. van eenu —c vrouw
bij Hengalezeu of Klingnnuzen, anak
djawi pvkan
; het —e volk, bangsn
Melajoe, bangsa djawi.
maleier, orang Mïlajoe, orang djawi;
echte —, orang Mïlajoe bé/of/, orang
Mëlajoi\' djali;
elders, niet in de
Malciselie landen, geboren —, përana-
kan Mï-lajoe.
malen, teekenen, schilderen, mënoelis
ejambar, mtnotl/s pëla
(van loetïs). —,
beschrijven, i/tc/ixi fa/kan, tnüu/jerilt-
rakan.
muien : fijn —, meuggiling, mengisar
(van kitar); meel —, menggiling teporng;
tusschen de beide handen —, mentor-
sar
(van poesar).
malen, pingen, hinderen, niungoesik,
menggatrggoe;
iemand aan het hoofd
—, mëmboewat bising. —, ijlen, raas-
kallen, mengigau. —, sutl\'en, wartaal
spreken, meraban.
maler, schilder, phioelis gambar. —,
kweller, p&ngoesik, pëngganggoe. —,
suffer, ptraban.
mnlie, niala badjoe zirha. —, nestel,
rgg—, sP.nlagi.
malie, houten kolf, tjatoefc.
maliebaan, tettipal mdin fjaloel:
maliënkolder, badjoe rantai, badjoe
zirha.
mallen, main gila.
malleprnnt, për/jakapan gila, ptrka-
taan gila.
iimlseh, lëmboet. —, zacht van gekookt
vleesch, empok.
malsnhheid, /.\'/■\' Itmboet.
mam, boi\'6t eener vrouw of van eca
wijfjefdier, soesoe.
-ocr page 462-
■130                                                   inttmmen —
fruit—je, naai—je, —je voor spijzen
enz., rantang; het kegelvormig —j\'.\'
van bamboe, waarin de rijst wordt
gaar gestoomd, koekoesan; e.b.v. vici-
kant —je, dat aan een koord over den
schouder gedragen wordt, kaf au ff; e. s. v.
— die op den rug gedragen wordt.
djangki, garing; een groot e dito met
deksel, rangkittg; c. fl. v. — van blauV-
it\'ii, zonder deksel, waarin kalk, sago.
bélatjan enz. wordt verkocht, topow;
0.1. T. — of rotan vlechtwerk, waarop
men in de keuken de heetc potten ei:
pannen zet, lêkar, sarong koetrali.
met deksel en tweo hengsels, die men
op reis meeneemt, kepik; Jav. karper,
karpai;
platte, ruwe stal —, aan drie
zijden met opstaande» rand. gebruikt
om het vuil uit de stallen te drogen.
saki, pokis, poengki, (\'hin.; grove —.
gebruikt bij het inznnielen van dr
agar-agar, sarau; groote — van boom-
schors, antang; —je, waarin men zeken-
dranken ter markt brengt, sanggocr.
Per?..; schep —, waarmede men naai
visch schept, tunggok; daarmede vis-
sehen, menanygok. — of korf boven on
een olifant, ter weerszijden van een
kameel of ander lastdier, rivgga; lang-
werpige pak— voor den oogst, die dooi
middel van een band, die over h<
voorhoofd gaat, op den rug gedragei.
wordt, amboeng; op die wijze dragen.
mengamboeng; een vrncht op die wqie
gcdrugen, amboengan; grove, rond
rotan—, raga.
mundarün, tnanteri tjina.
mnmlenmaker, toekang bakoel-keran-
djang.
mnndolün, mandoline, madali.
mandvol, een —, satoe bakoel p\'énoeh,
satoe keraudjangpïnaeh
enz,, bij inandtn
vol, berbakoel-bakoel penoeh, èèkerati\'
djatiff-k\'erandja/ig penoeh
enz. Zie
mand.
iii:ni<\',".i-, plaats waar men de paarden
in het ïond laat loopen, pebegaran.
manen, van een paard of leeuw, boeloi\'
tengkok;
ook wel rainboel.
manen, schuldvordercn, m\'enagih, mena-
gih hoelang
(van tagih) \\ elkander, ot
overal, of herhaaldelijk —, tagih-
m\'enoffih;
aanhoudend —, ntendédas,
mënd\'édasi.
maner, pènagih, pènagih hoelang, pen-
dëdas.
mammen, niènjoesoe.
mammon, /mr/a doenia i/ii.
mini, gehuwde —, lakt, toetcami. — on
vrouw, laki-biui, soetcami dan itteri.
—, in tegenoverstelling van vrouw,
orang laki-laki, letterl. mannelijk por-
soon. Moot het geslacht ter onder-
scheiding niet bepaald aangegeven
worden, dan gebruikt men voor —
alleen orang, b.v. een dapper—, orang
berani;
een geleerd—,orang ëhm; een
fatsoenlijk —, orang baik-bdik; de kleine
—, het geringe \\\\i\\V, orang kefjit,orang
hina-diua
enz. — tegen —, sama sa\'o-
rang.
— tegen — vechten, berlikam
sama sa\'orang;
ook berperang mèndada;
zijn —, partuiir, die tegen hem op-
weegt, padan. sama padnv ; iemand voor
geen —uitmaken, minipertidakkanlaki-
lakinja;
aan den — brengen, van een
meisje, mempertakikan, mem persoeitami-
kan;
aan den — brengen, van koop-
waar, niendjoewal, mendjadikan lakoet
melariskan;
zijn — vinden, m\'endapal
orangnja;
zijn — staan, mévgembari
(van kembar). — s genoeg zijn, sampai
koe ie at;
do — een kwartje, nutsing-
raasitig s\'etali.
— voor —, sa\'orang
dimt sa\'orang, sa\'orang Inpas sa\'orang;
zij kregen een (ïulden per —, mareka\'
Hoe mendapat sa\'orang satoe roeptak;
de gaande en komende —, orang p\'ergi
datang;
op den — aan, van spreken,
leroes-terang, op dm — af bestraffen,
men\'empelak; met — en muis vergaan,
van een vaartuig, karaat dengan segala
awaknja;
een troep van 25 —, pasoe-kan jang doeiva poeloeh luna orangnja;Jan en alle —, sabarang orang, svm-
barang orang;
zich een — betoonen,op het slagveld, m\'enoendjoekkan laki-lakinja (van loendjoek).
manbatir, huwbaar, roemadja, dkal
haligr,
Ar.
manbanrheid, baloegrijat, Ar.; kon-
merk van —, hoed jat baloegrijat, Ar.
mand; voor bet algemeenc begrip geen
woord; e. ft. T. ruw gc\\lochtcn — vanbamboe, ter verzending von producten,
knastci\', kèrandjaug; dicht gevlochten— of korf, voor huiselijk gebruik, van
bamboe, rotan of pnndnnusbladen, ba-
koel;
e. ft. daarvan met deksel en slui-
ting lot berging van kostbnarhedeo,
bakoel gïla; e. s. v. —je met deksel, m
soemboel; opengewerkt —je van rotan,
-ocr page 463-
maneschijn — marionettenspel.
45]
maneschijn, t\'èrang boelan. —, lichte
maan, boelan terang; heldere —, boe-
lan tjérah;
in <le — spelen, bernidïn
terang boelan,
ïnitngaiin\'ü\'/crf siamang, jutair lue-
toeng.
iuun<*el, gebrek, kakoerangan, b.v. er is
—  aan geld, orang kakoerangan oeicattg.
—  aan rijst, kakoerangan beras.
imin!*i*u, boeicah mempetam.
nmiittiriwtni], boetcalt manggia.
\'ii\'.mli.ii\'ii;;, berani, perkaaa, laki-laki.
iimnhiif\'t i^Ueiil, lakilaki, kaberanian,
kulakï\'laktan.
Hiiinliufti^lük, dengan heraut, perk asa,
mnnier, per», adat. Ar. olalt. —, traat,
fjara, lakoe, b.v. xègala dajang-dajang
itw bermaïn maaing-maaing pada la-
koenja, nl de hoijuii\'urs vermaakten
zich, ieder op hnnr eigen —. •—,
geding, lakoe, kalakoewau; iemands
manieren, tiugkah-lakoe; goede —en,
behasa, boedi-behaaa. —, gewoonte,
itdat, Ar.; slechte —en, ïtdal jang
la\'baïk.
— van leven, ptri Itidoep; de
—    van het land, adat n\'égari; 0[>
Mnleischc—,tjara Metajoe; op gecner-
lui —, aakali-kati tiada; op versehil-
lendo —en, dengan pelebagai peri, ber-
peri-peri;
op welke —, dtngan bagat-
mana peri.
munierlvjk, beradab, tahoe adat, dengan
boedi-behaaa.
manifest, firittdn.
manilla, Manila.
inmiilla-si<*aar, seroetoc Manila.
miiiiinst penagihan, pendedaaan.
manipulatie, kunstmatige bestrijk ing
der ledematen, p\'eloeloetan.
immij iiilct\'i\'i\'ti, meloeloct; zich laten
—, berlaeloet; iemand die van — haar
bedrijf maakt, peloeloet.
mnnk, als blijvend gebrek, timpang.
gaun, mtnimpang. Ook lig. /ie bij pas-
«en. —, als tijdelijk, voorbijgaand
gebrek, pintjang, b.v. boekannja ttm-
pang, pintjang siihadja,
niet blijvend
maar tijdelijk —; met één voet —
gaan, mendjengkot; met kromme beencn
—    gaan, berdjalan pangkoe-pangkoe
timpang;
aan hetzelfde euvel — guan,
sama beraalahan.
ninnnioedis, laki-laki, berani, perkaaa.
mannelijk* van het mannelijk geslacht,
ook —, dapper, laki-laki. In gedichten,
lanang, Jav. -—, van dieren, djantan.
mt\\nnf\\\\j\\ihtii(\\tlaki-laki,kalaki-lakian.
—, huwbare leeftijd, f}kal baligr, Ar.
—, schnnuideel, kamaloeican, pel ir,
boe-toeft, dzakar,
Ar.
munnen kracht, koeieal orang lakidaki.
mannetje, djantan. — en wij Ij o, djan~
tan betina.
mans broeder, zwager, ipar, ipar laki-
laki.
manschap, van een vaartuig, atcak
kapal, atcak ptraftoe.
manschappen, krijgslieden, laajkar,
orang perattg.
muii-iiowiuul, pakajan orang lakilaki.
uianshaml, tangan orang laki-laki.
van M-htijven, btkaa tangan vraag laki-
laki, chat orang laki-laki.
—.mannelijk
gezag, koi-icasa laki, koeicasa aoetcami.
munshcm<l, kamedja orang laki-laki.
munshoed, topt orang laki-laki.
manshooifte, sapëndiri orang tingginja.
muiishiu;, jiemboenoehan; onwillige —,
pemboenoehan tiada dengan sehadja (of
aengadja),
matianaam, nama orang laki-laki.
manspersoon, orang laki-laki.
inunswerk, p\'ekerdjaïin orang laki-laki.
mantel, aelimttet, kaïn seloeboeng, fjadir,
1\'erz. —, atidoeng; grove — van wol
u! geilenhaar, zonder mouwen, ajal,
1\'erz. —, lang wollen kleed, grijs of
bruin, borrdah, Ar.. iemand den -—
uitvegen, mengoembah (van koembah).
mantelpak, lanijan.
uiiuiufiK\'l uren, barang kaïn-kaïn.
mannin» tuur winkel, këdai kaïn-
kaïn .
niiiiiWÜI\', kedi, papafe.
manziek, geil van een vrouw, gatang,
gangsang.
marelieeren, berdjalan; in gelederen,
berdjalan berbaria; in gesloten gelederen,
berdjalan berbaria rapal; uit de llank
—, berdjalan séroeng.
mare, lijding, ivarta, berita, chabar, Ar.
marechaussee, hiermede oveieenko-
monde wnren vroeger do djajang-segar
op Java.
iiiar^c. hdsjijat, Ar.; in margine, di
hasjijat.
marint Mariam, Ar.
marine-officier, opsir kapal peramg.
marinier, soldadoe kapal përang.
marionetten, orang-oranyan.
marionettenspel, permdinan orang-
orangan.
-ocr page 464-
452                                                 mark — maat.
mark, grensgewest, djadjahan batat n\'e-
tj\'iri, {/jat/ja/tan pemtnyyir.
markt, pasar, pekan. —, oen gedeelte
\\tin den weg uu-t kramen iiun wcers-
ZÏjde, liburh; eeo drukke, vuile —,
pvsar jany rantai; de Muandag»che—,
pasar seuen; de l>ondcrdags.che —,
pasar chamis, enz. —, vuur marktprijs,
harya pasar; boven de —, lebih dari
hanja pasar;
beneden of onder de —,
koerany dar» harya pasar; de — liep
up en al, harya pasar naik toeroen; van
alle —en tebuis zijn, tjeredik sakali.
marlet du-;, hari pasar.
markten, naur de uinrkt gaan, ptrgi
kapasar.
—. naar du markt brengen,
batoa kapasar. —, up de markt VW-
koupen, djoewal dipasar.
nuuUi^cld. geld uiu inkoupen op de
markt te duen, heluudja pasar. —, eene
bir-ii-Liii.\'. bfja pasar, tjoekai pasar.
marktkrnam, Aedai dipasar.
marktkramer, urai/y berkedai dipasar.
miirUttiiet-Mter, kapa/a pasar. —, Chi-
nce.-cht; pachter, puetija, Chin.
marktplants, pasar, pekan.
murlitprÜM, harya pasar.
murUtrecht, zie marl. i geld.
markttual, behasa pasar.
marktwaar, barany-barany pasar.
marlpriem, poesoet tuekany lajar.
marmel, kelifji puewalam.
tnarineltide, manman boeaah-boeicah.
marmer, puewatam, batoa puewalam,
murmar,
Ar.; veelkleurig —, baioe pe-
linyyam.
—, gemarmerd, geaderd, ber-
burtk-barik;
geuuaruicrd duek, gewaterde
stol, kat» btvbur/\'k\'barijr.
maruiei blad, vuu eene tal\'el, papan
mrdja daiipada batoe poewalam.
marineren, Bijv. nw. poewalam, dari-
pada batoe poetcalam.
—, Werkw. mem-
baritr-burik;
gemarmerd, berbarik-barik\'.
mar ui er «;r oei, tambang batoe poeu-a-
lum, galian balue poewalam.
raarmeriiapier, kar/ds berkoer ai, kar-
(ds berbarik-bariè:
marmot, likoes goenoeng.
marok\\jn, koe/il kambiug.
mar», ri> planeet, maricfi, Ar.
mars, om den mast, doelang-doelang,
kucrsi,
mar», zie bij mand.
mar»cli, reis te voet, djalan kaki; een —
maken, bèrdja/an kaki militaire—,per-
d/atanan suldadoe, perdjaianan tantara.
marHchroute, djalan tantara.
marsehvaardie, hadlir akan b\'êrav,-
kat, sadija akan berangkat;
zich —
maken, bersiap akan berangkat.
mnrsdra<£er. drager voor een rond-
venter, koeli orang mèndjadja, ko^li
kelnntung.
mnrH^nst, mat\'eros koersi.
marskramer, pendjadja, orang jaitij
berdjadja, orang penggalas ;
Chineeschi:
—, kelontony, fjiua kelontony, zou gt -
nucuid naar den rammelaar, dien z,j
bij zich dragen.
mar»krainer\\j, djadjaan, barang-ba-
rang kelonfong.
marsstens, Hang pèngapoeh jang di-
bawah.
marsra, gaicai peboewan.
iiiiirswil, lajar pèngapoeh jang dibaicab,
martelaar, geloofsgetuige, sjahid, Ar.:
als — sterven, mati sjahid.
martelarü, siksa, sangsara, tiasat, Ar.
martelen, wen jangsarakan, m\'ensiasat-
kan.
— vnn dieren ook mènganiakan.
marter, rohiiarter, moesang akar, tam-
moer,
Ar.
martevaan, steenen watervat, tempa-
jan stjam, padena.
maskeeren, verbergen, vermommen,
m\'enjamarkan (van samar), nienj\'emboein-
kan
(van semboeni); zich — nt\'ènjamar-
kan dirivja;
gemaskeerd, vermomd,
d\'engan samar, bersamar.
iniidtpr, grijng, topeng; komediespel
met —», maïn tojteng; het —■ afdoen,
letterl. tnVmboeka topeng; tig. voor: zijne
bedocling openlijk te kennen geven,
nienjatakan maksoednja; onder bet —
van, huichelen, voorwenden, poer a-poer o.
iim-lnTudi\', tamasja orang bèrtopeng,
maseharat,
Ar.
maskeren, een masker voordoen, pakai
topeng.
—, zie ook maskeeren.
massa, kabanjakan ; een — volks, kaba-
vjakan orang,
\'
maeseeren, méramas, mcheloet.
masseur, peloeloet.
massief, pedjal, kipal. —, niet hol,
van een bamboe, of vnn iets dat hol
moet zijn, toempat.
mast. Hang; scheeps —, tiany kapat,
Hang p\'érahoe;
met één —, b\'ertianij
toenggal;
de gioote —, tiang ayoeng;
de fokke—, tiang hadap, tiang toepang;
de bezaans—, tiang b\'elakang, tiany
pënjorovg;
ijzeren —, tiang leti; van
-ocr page 465-
matras.                                         453
kadjang roengkoep; matten zeilen, veel
gebruikt op inlandscho vnarttiigen, lajar
kadjang;
grove—ten, van nan elkander
geregen palmbladeren, kadjang samir.
Dezo worden niet in tweern gevouwen
en dus geteld bij bilah of helai; met
zulke —ten beleggen of bekleeden,
vtènjamir; de —ten, waarmede een
vaartuigje wordt opgehoord, roebing.
—, waarop het ruwe sagouierg wordt
getreden, rikan ; stroo—, tikar merattg;
de — oprollen, menggoeloeng tikar,
mendangkar tikar.
—, heel grot\' vlecht-
werk van bamboe, ruitsgewijze, kélarai,
gedeg,
Jav.; grof —werk voor zakken,
zeilen enz., kadoet; fijne rotan — ten, die
als voorhnngsels gebruikt worden, bidai.
mal, afgemat, lelah, lelih, lëxoe, pënat.
mat, dof, zonder glans, koesam, sneram.
mateloos, tiada bërarkoeran, tiada hasab-
nja.
—, buitensporig, fér/a/oe savgat.
materiaal, bouwstof, bakal; het —■ voor
een huis, bakal rormah; het — voor iets
in gereedheid brengen, mëmbakal, b.v. de
ruwe vorm voor een krisscheede rraken,
mëmbakalsarveng keris; — voor een huis,
perkakas roemah; het bijeengebrachte —
voor den bouw van iets, ramoe-ramoe-
wan;
dat — in het bosch bijeenbren-
gen, tiankappeu, nuramoe da/atv hoe/an.
matheid, vermoeidheid, ka/eta/ian, ka-
pena/an, djerih.
ma tic zich bet een en ander onthoudend,
berpan/avg — in het gebruik van spijs
en drank, oegahari; bijzonder —,amat
oegahari.
—, middelmatig, sedang, së-
derhana.
—, ingetogen, sopan, sav/oeu.
—, spaarznam, zuinig, himat-hituat, Ar.
matigen; zich —, zie onthouden.
—, beteugelen, intoomen, nienahani;
zijne driften —, menahani hatca na/soe-
t/jd
(van /a/tan). —, lenigen, verzach-
ten, m\'eringaukan. —, vei minderen,
viengoeravgkan.
matigheid, in spijs en drank, pëti
oegahari.
—, spaarzaamheid, himat-hi-
uh.it. —, kuischheid, ingetogenheid,
sopan-santoen.
matit*ltjk, dëvgan oegahari, dengan hi-
mat-himat, dengan sopan-santoen, dengan
kira-kira dan jrëdarkau.
Zie matigt.
matras, bultzak, kasoer, Ulam; smalle,
dunne —, voor c\'cn persoon, gëletja;
kleine, vierkante eere— met boordsel,
inzonderheid voor bruid on bruidegom,
tjtoer.
maatband
ijzeren —en voorzien zijn, bertiangkan \\
besi;
sloeps—, tiavg s\'èkotji, tiavg sam- \\
pan
; houten —, tiang kajoe; vna hou-
ten —en voorzien zijn, bertiangkan
kajoe.
— Zonder steng, tiang yoentoeny.
—   en steng uit een stuk, tiavg gan~
dja eras.
— met klampen, /tang ber-
toepai;
een — uitzetten, mëndirikan
tiavg;
den — strijken, minoeroenkan
/tang
ivan toeroen); den — bctakelen,
memasavg /a/i tëmbirang (van pasang);
drie—, tiga ba/ang /tang; driemaster,
kapal tiga Hang.
innsthnnd, /jintjin tiang.
■nasi l>eii<*el, koenlji tiang.
■ nantt>ok, aan boord vau inlandscbe
vaartuigen, tjagaik.
mnMbroekinij;, sepatoe tiang.
miLMteloos* tiada bërtia»g.
miiMten, van — voorzien, mem per tiang\'
kan, niemboeboeh tiavg pada.
masthout, kajoe bakal tiang.
maftktff, badji Hang.
msitt liliini]), toko/t tiang, ketaban tiang.
maal koker, die ;i;in een kant open
is om de mast te kunnen strijken, ber-
ovibong tiang.
maMkraais, sepatoe tiang.
iiM-t -cliooi\', sokong Hang, toendjang ,
tiang.
iiiisi-poor, lapik kaki tiang.
i:;i-iviscli, ikan todak.
mawtwerp, mar. halve knoop, djérat
bërdoeica.
mattSpaansche —, ringgit, rejal; pilaar—,
ringgit mariam. Zie bij dollar,
mat, van vlechtwerk, geen woord voor
het algemeeno begrip; fijn gevlochten i
—  van bamboe, rotan, pandnnbludeien
enz. om op te zitten, te slapen, te
eten, te bidden, tikar; b.v. bul mat, —
waarop men zijn gebed verricht, tikar
sembahjang.
— van pandanusbladen,
tikar patidan. — met roodo figuren, :
tikar putjar. — vun rotanriet, tikar
rotan.
— en kussen, het inlandscbe
beddegoed. tikar bantal; grove — ten,
van aaneengeregen bladeren van den
pandandoeri ofbengkocwang ongebruikt
voor dekmntten ot\' wundbekleeding van
hutten, kadjang. Zij worden bij bid aug
geteld, omdat ze in tweeen gevouwen
zijn even als een vel schrijfpapier; zulk
een gevouwen —, kadjang roengkoep;
een gevouwen — als dak opgozet, zoo- ;
dat de beide einden op den grond stann, \'
-ocr page 466-
4M
matpnixliniicn — mededienatmaasd.
inntrjisliniH\'ii, kaïn kasoer, kaïn tilam.
mul ruMnen maker, tveka-g kasoer.
matreM, goeroe peratnpoeican.
imitryN, atjoeican hoeroef tj?p.
inut poon, orang kapal, uu uk kapal,
chalasi,
Pers. ynatëros, verb.
mntro7.enxvorht p\'ékï\'rtfjtit\'m orang ka-
pa/, pëkërdjaa/t chalasi,
mnt ten, mei matten beleggen, meng-
hampar i dëngan tik ar;
stoolen—, me-
randjavij koerst.
mttt tt>n nies, roempoel poeroen, kere~
tjott.
mattenmaker, Uiekang tikar.
mat tenverliooper, orang berdjoeica/
tikar.
matwerk, zie vlechtwerk; grof —
VOOC /ukken en zeilen, kadoei.
nmuMolLMici, tjandi.
mauwen, van katten, mëngejoeng, me-
nyijait. — van tijgers, mëiigaoem-aoem.
mazelen, tjumpak, sai.it tjampak.
met jeuk, tjampak ke/adi.
mazen, kuuscnstoiijjen, menistik-nisik1
saroeiig kaki (van lisik) Jnv.
itiecuiiiiiiu, de eerste zwmte ontlasting
van een pasgeboren kind, tahi gagak.
medaille, eeienenning, bïtttang perak
tanda kahormatan. —, gedenkpenning,
zie ald.
mede, met, er bij, sêria. —, doelen in,
mënoeroet, b.v. — bedroefd, mënoeroet
doeka, — verblijd, mënoeroet soeka
(van foeroet); zoo ook in de beteckenis
van mededoen, b.v. uedespelea, mënoe-
roet bermu\'tH; mede sterven, mënoeroet
maft.
mede weenen, foeroet më.nangis.
— .meegaand, van den wind, loeroetan,
b.v. de wind i- mee, angin toeroetan.
—, ook, djoega, b.v. dat wordt —
verkoeht, ttoe d\'tdjoewal djoega. —,
tegelijk, samen, bërsama-sama; hier—,
dëngan ini, bësërfa int, akan int; daar—,
dëngan Hoe, bësërfa Hoe, akan Hoe. —,
zie Verdei de ï-amensttllinireii.
nUMleiuuiwezii.\', sarrta hddlir.
metleaanzitten, aan den disch, doe-
doek iiutkau bërsama-sama.
medeaii>:evaardi£ïde, sama oetoesan,
sovta soeroehan.
medearbeiden, bvkërdja èersuma-sama.
medearbeider, sama pëkërdjaien.
medebediende, sama kaïcan,
medebeHcliuldis*de, sama tnedoehan.
medebpNtuurder, sama penter ent aft.
in ede bezitten, sama empoevja.
medehidden, toeroet tembahjang, to--
roei mëminfa döa.
medebort;, sama pengakoe.
medebrenson, mëmbawa sïrta; ook
alleen, mêmbatca; bij brengt een homl
in ede, tja mëmbaica andjing sërtanja.
—, veroorzaken, mënjëbabkan (vnii
stbab), mettd/adikan, méngadakan. —,
bevelen, mé.njoeroeh (van soeroeh).
medebroeder, ambtgenoot, sama dj<f-
batan.
medeburger, sanëgari, orang sanëgari.
medechristen, sama orang Masehi.
medediinMen, toeroet mënari.
mededanwer, liman mënari.
mededeelbaar, bekend gemaakt kun-
nen worden, bolih dibéri tahoe, bol\'"
dichabarkan, tërchabarkan.
mededeelen. te kennen geven, tnëmbt r>
tahoe, nnngatakan
(vnn kata), mëmttloeu.-
kan
(van m-l/oem, Ar.]; eerbiedig —, b.v.
aan een Vorst, mëmpërsëmbajikan; iets
in zijn geheele verbnnd van het begin
tot het einde —, mënggaloerkan, mëit-
tjeritërakan dari përmoelaannja da/a/tg
kapada kasoedaltannja;
slechts kottelijk
—, slechts bet voornaamste zeggen, m< ■
ttgambil simpannja sêhadja, mëngarnbit
ringkasnja sêhadja.
—, een deel geven,
mvmhTliitgi, mëmi/ëri; zieh —, van de
vlam aan andere voorwerpen,of van ceno
ziekte, mendjongkit, —, deelhebben ann
of in. Zie deelnemen en aandeel.
mededeeler, bekcndirinkei, jattg mem-
bëri tahoe, ja/tg mematoem kan ;
manden
Vorst, jamj mëmpërsëmbahkan. —, die
een deel geelt, jang mëmbëhagi.
mededeel<»enoot, ia eene hnndels-
zaak, samodal, rakanan, përsero. Bat.
mededeelinjr, kennisgeving, pëmberian
tahoe;
aan Vorsten, persembahatt. Zie
ook berieht. ■—, geheime inlichtinir,
die gevraagd of gegeven wordt, risik;
b.v. kapada hamba berilah risik, geef
mij in \'t geheim —; sa\'oravg pon tidak
mendïngitr risik,
niemand had er eenige
— van vernomen; zulk eene — uu.
trent iets geven, merisikkan, b.v. maka
dirisikkannja k/\'padakoe,
in het geheim
gnven zij mij daaromtrent —.
mededeelzaam, liefdadig, soeka mëm-
bë.ri, tavgan tëitiaela, dërmaican.
mededienwt knecht, sama hamba,
sama kavatt.
meded ien 8t ma ngd = mede-
dienstknecht.
-ocr page 467-
mededingen —
mededingen, lawan, bërlawan.—, aan
een wedstrijd deelnemen, toeroet be"r-
loemba-loemba.
mededinger, lawan.
mededinging, pertatcanan, perloem-
baan.
mededoen, nitnoempang (van loempang),
ook menorrorf, /ie bij niette. — in
de tenuitvoerlegging, of totstandbren-
ging van iet», sadaja; met iemand—, j
ook berfaikal dïiigan.
rucdedoogen, belas, kasihan; ook vcr-
eenigd lot beltis-kasihan; rahmat. Ar.;
ontferming en —, bèlas-kasihan.
niedcdrinken, toeroet minor m.
mede-echtgenoote, inedevrouw, ma-
dor;
eenc — hebben. bérmadoe; du
vrouw met bare drie —n, isteri em-
pal bérmadoe;
de prinses tot — hebben,
berntadoekan toetcatt poeteri.
mede-echt genootschap, permadoe-
tcatt.
medeëigennar, sama tmpoenja milik.
iiiedci\'-rtupnnanit sama tcdrits.
medeeter, e. s. v. uitstag, djëratcat
nasifc.
— van de spijs, orang jang toe-
rort makav.
— van één e spijs, orang
makan sahidangan.
medegaun, hrrdjalan serta, lit.rdjalan
bersama, mtrtïmani;
als volgeling, toe- \\
rort, mengiring, mvngikoet.
— van het :
anker, zie «lippen. — in de een of
undcre zaak, menjertdi.
medeünxt, MUM djamoe.
medegenoot, sakoetoe, tv.man; zie ook j
deelgenoot.
meclegetuige, sama saksi.
medegetuigen, toeroet membtrikasak-
sian, toerort na\'ik saksi, sama tmik saksi.
medegetuisenis, sama kasaksian, \'■
sama sjah,iduf,
Ar.
medegevangene, in den krijg, sama
tawanan.
—, in de gevangenis, sama \\
te"rpendjara, teman dalam pêndjara.
medegeven, membtri akan dibawa serta.
— ten huwelijk, membtri akan emas
katcin.
medegevoel, sympathie, rawan. — ver-
wekken, meratcankan hati, mëmberi
rawan hati.
medehelpen, bij een werk of strijd,
/// imliantoe.
■ uedehelper, pembantoe.
medehulp, p\'embantoewan, bantocwan.
medehuurder, teman menjewa, kaïcan .
menjewa (van setca).
medeminnarij.                                455
medeïngezetene, orang santgari,sama
ptdoedoek- negari.
medchlunk, sama boenji.
medeklinken, sama berboeni\'t.
medeklinker, hoeroeft Ar. eigenl. let-
ter, doch al de letters van Ar. Mal.
alfiibelh zijn —s.
medehomen, dat aug serta, datang ber-
sama-sama.
medekrUgsmnn, medestrijder, teman
perang, kawan dalam perang.
medelachen, toeroet ttrtatca, tirtawa
ber sama-sama.
medeleeraar, sama goeroe, itman
goeroe.
medeleerling, teman sekola/t, itman
beladjar.
medelid, sakoetoe, teman.
medelijden, kasihan, belas, sajang, ra-
Kan, hiba, sjafakat.
Ar. —, medegevoel,
sympathie, ook insaf, Ar. — hebben,
medclijdciid zijn, bérbêlas, bérkasi/tan,
menaroh belas, menaroh kasihan, bïr-
kasajangan.
— gevoelen, sajang, b.v. ik
gevoel — als ik dien man zie, sajang
akoe mëlihat orang itoe.
— verwekken,
meratcankan hati, membtri rawan hati,
b.v. merateankan had séga/a jang meli-
hat dara/t itoe,
wekte bet >— op van
allen, die dat bloed zagen. —.deernis,
gevoelde hel hart van al wie hun geval
aanzag, hibalah rasanja hati barang-
sijapa
me.lt/iat hal mareka-itoe.
medelijdend, bérbitas, bérkasihan, me-
naroh belas, menaroh kasihan, .sajang,
berkasaja ngan.
medeloopen, raedegnan, berdjalun
serta, btrdjalan bersa ma-sa ma.
Zie
medegann. -—, meeloopcn, gcluk-
ken, in spel of handel of zaken geluk-
kig zijn, moedjoer; bijzonder —, moe\'
djoe sakali;
het loopt ons allen bijzonder
mee, kita santoewa moedjoer sakali;
eenigcrinute —, moedjoer-moedjorr,h.v.
als bet eenigermato meeloopt dnn wel
tot vier ■ vijf stuks per dag, kalati moe\'
djoer-moedjoer itoe sauipai djoega ï ui-
pat lima rkoer sa/tari.
medclooper, b.v. bij een optocht of
begrafenis, die niet tot het gezelschap
behoort, orang sapendja/an.
medemant, teman, kattan, petnbantoe.
medeinenneh, sama manoesija.
medeminnaar, vtadoe.
medeminnaren*, madoc.
medeminnarij, permadoewan.
-ocr page 468-
45G                                               medenemen — meenen.
medcnemen, mï-wbawa sPrfa, melmbaiva
bërtama-sama; ook alleen niembawa, b.v.
een pnrnplu —, ntémbawa pajoeng. —,
foppen, mënipoe (van tipoe), mP.mpe\'r-
dajakan.
medeonderteekenen, toeroet wi?m-
boeboeh tand a-t angan.
tnedeoorzaah, sama sïbab, sama pohon.
medepliehtlc menoempang pëkerdjaèn.
mede] ili. 1111.- -.-, jaag menoempang pë~
kërdjaïin, sakoetoe, sabahat.
medereken en, masoekkan bilangan,
masoekkan lira-lira; mcdegcrekeod,
matufk bilatiyan, masoek~ lira-lira.
tnt\'i li\'-ilup-i-l, sama mae/iloek.
medeHrliuUU\'i uur, sama bërhoetang.
medesrh it Mig, sama bvrsalah ; zie ook
medeplichtig.
iiK\'dcsl.Tpiii, lett«rl. menjeret; mede-
voeren, membaua. — , verleiden, van
eene vrouw, ménateari (vnn talvar). —,
van den stroom, iets —, minghanjoetkan.
mede «Iepen, tërseret.
mcflesleuren, achter zich vuorttrek-
ken, ook vnn een blinde, dien uien
geleidt, iein. bewegen uieê te doen,
mengeret (vnn eret).
medenpelen, totroel bërmain, umin ber-
sama-sama.
medespeler, katcan bvrmain.
medespreken, toeroet bërkitta-kata;
den mond insteken, masoek moeloet.
medestander, katcan. — en tegenslttii-
der, katvan da» laican.
medestrijder, bclpcr in den krijg, ban-
toe dalam përang, latrun biÉrpërang.
Zie ook tegenstander,
mcdetroonen, ntemboedjoe^ toepaja
inenoeroet.
medevidlen, zie medcloopen-
medevnllerlje, oentoeng jaag liada
disangka, ook obat djëri/t, il en. b.v.
voor gedane moeite, die niet beloond
bedoelde te worden,
medevaren, menoempang dalam kapal,
menoempang dalam pera/toe.
medeweenen, toeroet mv\\nangis.
medewerken, bij het werk nssislecrcn,
m\\\'mbantoe.
medewerker, pëmbatttoe.
medewerking, pëmbautoetcan, Ttnajat.
medeweten, satalioe; met —, dengan
saiahoe; zonder —,dëvgan liadasafahoe.
medicijn, ubal, p\'enatctr.
inedif-yndriiiik, oba\' minoem,
roedicynfleseh, bol ui obat.
medicijnkaal, almari obat,
medicijnkist, pelt obat.
medic\\jnmeester, fab\'tb, Ar.
medicineeren, minoem obat, makan
obat, pakai obat.
meedooijenloos, liada uienaroh kasi-
han.
meekrap, gvtoema.
meel, door stampen of malen verkregen,
tepoeng. —, door uilwassebing veikn-
gen, zetmeel, pati; tarwe—, tëptten.j
gundoem ;
mms—, tepoeng djagoeng ;
rijst—, tfpoeng béras. — voor bezwe-
| ringen, met kurkuma geel gekleurd,
tv poen g tawar ; bloem van —, tïpoeng
haloes, tepoeng loemat,
— maken, mï-
nvpoeng,
b.v. ntënëpoeng liada bvrbërax.
— ronken en geen rijst liebben. Sprw.,
tepoengnja ija maoe, koewe/inja pon ija
maoe,
hij wil het — en ook de koek.
Sprw.; cussavc—, pati oebi; sago — ,
pati sagoe; het ■— er van wordt gc-
notuen, de afval er vnn wezgeworpe»,
di-ambil palinja, diboeicang lutmpasnja.
Sprw.
mee lach tig, saroepa tepoeng.
inccllilocin, zie bij meel.
meelb lil, penjêrkai.
meeldeejj, aitonan, tepoeng basalt.
meeldrand: de lueeldradeo eencr
bloem, sari.
meelkalk, kapoer loemat, kapoer haloes.
meelkevcr, boeboefr.
mcelkist, pX\'ti tepoeng.
meelklonters, in spijzen, tahi kam-
bii/g.
meelouper, buitenkans, zie mede-
vallerije.
mcelpap, baeboer tepneno.
inci\'Upüs makanan daripada tepoeng.
meelstof, stuilineel, tepoeng tart,
, meelsuiker, goela loemat.
meettor, zie ineelkever.
meel worm, hoelat tepoeng.
■ neelsmk, karoer.g tepoeng.
meeIzeel\',/(?w^yrt^tfH tepoeng, pvnjvrkai.
j meenen, kira, sangka, lira-kira. •—,
het voornemen hebben, b$rnijat, htn-
dak
; nnngnnnde iets —, mënjangkakan,
tangkakan, kirakan,
b.v. hij meende
dal het goud v,-a»,disangkakannjaemas;
het goed —, ba\'ik nijatnja, nijatttja ba\'ik;
ernstig gemeend, meenens, soenggoeh,
toenggoeh-soenggoek;
niet —, tiada
êoenggotth;
uit gekheid, mam, boewat
1 ma\'in.
-ocr page 469-
meeninfr — mccston deels.                                     457
meenins, gevoelen, kira, tangka, ptra-
saan;
ook j/endapat; lot eene verkeerde
—   geraken, ttrsalah sangka; verschil
van — onder elkander hebben, bërbén-
toeh sama séndirtnja;
wat ia uwe —,
bvetapa bitjaramoe f —, bedoeling, voor-
nemen, hij at t Ar. kahéndak. —, doel,
tnaktofd, Ar.
meer, waterplas, tasik, danatt, lahar,
tcalahar,
Jav.; een zeer uitgestrekt —,
tasik jttti\'j maho loewas.
meer, veigr. tra» van veel, IPbih ; het
—dere, libihnja. — of minder, lebih koe-
rang ;
hel uioge wat — ot\' tuinder zijn,
bolih lebih koi-rangnja; een weinig —
ut\' minder, sPdikit lebih koerang; hoe
—___ hoc —.....lebih .... IP.bih ....,
b.v. lebih poetjoek, lebih pïUvpah, hoe
—   ulUpruitsels, hoo — palmbladen,
Sprw. In dezen zin wordt het ook ver-
dubbelt!, b.v. koerang-kueravg boeboer,
Itbih-lébih soedork,
hoe minder pap,
hoe — lepels, Sprw. — dan overvloe-
dig, bïrlPbih-lPbihatt. — maken, ver-
meerderen, aiPlïbihkan. MÏlPbihi. — dan,
lebih dari, lïbih daripada. — dan ge-
woonlijk, itrlunipau daripada adat.
dan overvloedig, bprlïbih-lébihan; zelfs
—, lébih, doch dan wordt het om den
nadruk achteraan geplaatst, b.v. hon-
deid Gulden, zelfs —,saratoes roe pij ah
lebih.
— dan honderd Gulden, lébih
daripada saroetoes roepijah;
honderd
Gulden —, over, IPbih saratoes roepijah ;
zooveel te —, des te —, makin, matig-
kin, sïmakin, setnangkin
; hoeveel te—,
te — nog, istimetca jtoela,- hoe langer
hoe —, makin lama makin lïbih.
om den vertooucr dnn om dewajangte
zien, tedikil hëndak mPlihat tcajang,
banjak hendak mi Ithat dalaug.
—, nog,
ook, lag\'\'■; niet - , tiada lagi; niet —
te lellen, tiada tërkira-ktra lagi, tiada
tPperma/tai lagi ;
hoeveel te —, apa lagi,
bïrapa lagi;
wat is ei\'—,ada apa lagt;
wat nog — is, dan lagi, ook walar,
alih-alih
en alihkan = het Jav. tijm
/nalih
, dan lagi puela, tambahan lagi,
tambahan poeUi,
zie daarenboven;
er niet — zijn, gestorven zijn, tiada
lagi, sordaJi ma/i.
üic sterven. —der
gemaakt worden, dilèbihkan, b.v. akoe
dilèbihkan daripada segala nabi,
ik ben
meerder gemaakt d-»u ulle profeten.
meerdere* orattg jang lébih besar; iem.
—,superieur, chef, hoofd,orattg bttarnja.
meerderen, zie vermeerderen.
meerderheid, kalPbihan, b.v. het heeft
wel eenige —, ada djoega sasoealoe kali\'
bihannja ;
mijne — is weg, Vil ah hilang-
lah kalibihankof.
—, menigte, kaba-
njakan.
meerderjarig, Hkat baligr, Ar.
meerderjarige, orang jang toedah
akal bd/igr.
meerderjurisrlieid, boeloegr, Ar. masa
ükal baligr.
meerendcel, kabanjakan.
meerendeelN, kabanjakan kali.
m eer «je 111 e Ut, ja/tg tërsébvl. Zie bo>
venyemeld.
meerkut, kïra, monjet,
meer muien, béliérajia kali,
meermin, peri tasik, een vrouwelijk
boos wezen, dat een meer bewount;
poeleri tasik, in de 1ISS. eene schoone
prinses, die in een neer haar gebied
heeft. —, binloe \'Ibafrri, Ar. d. i. doch-
ter der zee.
meerpaal, paal, waaraan vaartuigen
worden va.-tgeuicerd, tijang pPndarat.
meertouw, fait tambatan përahoe.
meerviweh, ikan tasik.
meervoud, banjak.
meerwater, ajar tasik.
meervarhen, bruinvUeh, ikan loemba-
luemba.
meenituuilen, glimlachen, tersennjoem ;
eventjes, een weinigje —, tPrsennjoem
simj/oil;
valsch —>, tersPnnjoem ratlja.
mi\'i\'sl. tPrbanjak, tPrlebih banjak, têr-
banjafr kali;
de —e menschen, tPrbanjak
orang, kabanjakan orang ;
de —e koeren,
terbanjak kali, kabanjakan kali; het —
gehate voorwerp, barang jang lerlebih
kabentjian;
de — geliefde persoon,
orang jang lerlebih dikasihi ,■ wat het
— gebeurt, jang djadi tPrlïbih banjak
kali;
de —c, jang bêsar sakali, jang
lerbësar,
b.v. van den tuinde tot den
—e, darij/ada orang jang tïrketjil da-
tang kaj/ada orang jang terbesar
(of
besar sakali); op zijn —, salïbih-lPbih.
tija,
b.v. op zijn — twintig mnn, salP-
bih-lébihnja doewa poeloeh orang,
meestul, sabanjak kaliuja; ook selaloe,
steeds, vooitdurend, b.v. — is het zoo,
sPtalof bagitoe. —, in brieven ook pada
gralibnja
(van grdlib. Ar.).
meest biedende,
orang jang ttrtinggi
tawarannja.
meestendeels, zie meerendeels.
32
-ocr page 470-
158
meestentijds — meisje.
meestentijds, zie meestal.
meent er, heer, toewan; van den Vorst
gesproken, jang dipertoetcan Jamtoetcan;
van den profeet, djoendjoengan. Verder
rab. Ar. Zie heer. —, in eenig hand*
werk, pandai, toekang. —, in eenig vak
van wetenschap, hakim, Ar.; de —,
wondheeler, hadjim, Ar., fab/\'b. Ar. —,
onderwijzer, goeroe, pvngadjar; tot —
hebben, bergoeroekan, bergoeroe kapada;
met zijn velen om het zeerst iets trach-
ten — te worden, m erf boef; zich met
geweld van iets — maken, mfngambil
dengan gagah-,
met geweld rooven, m>-
rampas dtngan gagah;
zich van een
land, eene stad of vesting — maken,
mïngalahkan nïgari, m. kola; zich —
maken vnn hel hart, vivnghembat had,
mengambil hati orang;
van eene vrouw
door verleiding, mfnaicari hati (vnn
tatcar). —, eigenaar, ioeican, toewan
jang Xmpoenja;
de — van dat paard,
toetcavnja koeda itoe, toetcan jang em-
poenja koeda itoe.
—, vervnardigcr^/tfy
nnmpïrboewal, toekangnja; den — spc-
len, den baas spelen, mvngatas-ataskan
diri?rja, ntengaïahkan Ijoekoem;
iets —
Zijn, iets goed kennen, tahoe baik-baik,
nièi/gefahoi\'i ba\'ik-baïk
; zichzclven geen
—  zijn, tiada dapat menahankan dirin\'/a
(van tahan).
meeNteraehtis» nis mecstor, tjara
goeroe, saperti goeroe,
—, hcerschzuch-
tig, hï-ndak mengatas-at askan dirinja,
—, op houden toon, deugan sombong,
dtngan poengah.
meeKterHohtiglieid, sondjong, poe- ,
ngah.
meesteres* foeican, enfjifc, b.v. hare —, \'
toetcannja, X-nfjiknja.
meesterknecht, beeft men niet. Men
kan er mandur voor gebruiken, dat in-
landseh opzichter over werkvolk be-
teekent.
meesterlijk, op meesternchtigen toon, \'
dïtigan sombong, dengan poengah. —, \'
voortreffelijk, uitmuntend, ftrtatoc ba\'ik,
terlalue bagoes, amat endah-endah.
meesterloos, oobebeeid, tiada bertoe-
MOL
meesterschap, gezng, pï-rtoetcanan.
—   in eenig handwerk, kafoekangan.
meesterstuk, perboeicafan jang teren- \'
dah-endah, pïrboewatan jang ttroetama.
meesterwerk, ptkerdjaün jang ttroe-
tama.
meet, aanvangsmerk, tanda moeldï . w,■■
van — aan, samoela; met iets Wmt
van — aan beginnen, mtnjamoelakan.
meetbanr, dapat di-oekoer, bolih il -
oekoer;
niet —, tiada teroekoer.
meetbrief, van land, soerai oekoero,
tanah.
—, van een vaartuig, socr--
oekoeran perahoe
(of kapal).
meetffeld, opah mengoekoer.
meeting, pïngoekoeran.
meetltetlini», rantai pengoekoer tanah
meetkunde, elmoe mengoekoer; land—
elmoe mengoekoer tanah.
meetktindige, die knap is in bet meten
orang pandai mengoekoer.
meet lijnt ta/t pengoekoer; timmermans —
bvnaiig arang.
meetlood, taïi sipat, batoe doega.
meetroede, van twee vadem, toembak.
meetwnoer, tali pengoekoer; timmer
mans—, bïnang arang.
meetstok, kajoe pengoekoer.
meeuw, boeroeng tjamar.
meewnrig, peloe, b.v. soeicara ja,uj
amat merdoe, membt-ri peloe hatisegalti
jang méndXngar dia,
eene zeer roerende
stem, die het hart — maakte van
allen, die haar boorden.
meewarigheid, peloe hati, kapeloewau
hati.
mei, de mnitnd, boelan inai.
meid, jongo dochter, zie mnncd. —,
dienstmnngd, hamba ,- ter onderscheiding
van dienstknecht, hamba pï-rampoeican
b.v. knechten en —en, hamba laki-lal
dan perampoeican.
Verder djarijah, Ar.
De nlgemeene bennming voor — bij
Piiiropeancn is op Javn baboe, eigenl-
kindermcid, b.v. baboe dalam, kamci-
n.i\'iil; baboe njonja, lijfmeid van
mevrouw; baboe tjoefji ka\'in, wnschmeid.
Zie verder de samenstellingen. —, in-
Inndscbc huishoudster, djamah-djama-
han;
op Java njahi.
meidenwerk, pekerdja/\'in hamba peram-
poetcan.
meineed, soempah doesia; een — doen
niakan soempah.
meineedic makan soempah.
meineedifge, orang jang makan soempah.
mei*»je, anak perampoetcan, boedak pï-
rampoeican;
aankomend —, dara kefjil,
auak-dara kefjil;
een opgesloten huw-
baar ■—, orang pingifan. — dat pas
tepels begint te krijgen, anaik-dara
soeut\'t,
jong —, maagd, ook gadis.
-ocr page 471-
as
meisjesklerding meloen.
meiffjeskleeding, pakajan boedak- (of
anale) perampoewan.
meisjesschool, sïkolah nona-nona.
mejufl\'rouw, ongehuwde dochter van
Kuropeaneu, Chineezen en andere
vreemde oosterlingen, noria —, tot
ecne fatsoenlijke Maleische vrouw, toe-
tean, ënljik;
tot een meisje, dajang.
melaatsch, berkoesta, èërkëdak, boeroes
van abras, Ar.
raelaatsche, orang jantj berkoetta enz.
Zie melaatMch.
melantschheid, koesta, boedoeg, këdal.
— in het eerste tijdperk, badam; e. s. v.
—, inzonderheid aan handen en voeten,
këdal; in erger graad, këdal andjing,
këdal gadjah.
—, waarbij de uiterste
ledematen afvallen, koesta (Skr. id.);
soorten daarvan zijn: koesta pari, koesta
boenga, koesta lïmboengan,
waarbij het
lichaam overal gezwollen is, en koesta
datigkoeng,
voor welk laatste ook kan-
ker in den neus wordt opgegeven en
c. s. v. —, waarbij de knoken krom
worden. —, waarbij voren of kloven
in de palmen der banden en voetzooien
ontstaan, ktrat-kërat, kiting; een booge
graad van — , poeting damar; do hoog-
Ita graad van —, tjabok-,
melaatschhuis, leprozenhuis, rocmah
orang berkoesta.
melancholie, moeroeng; omschreven, ,
pëvjakit nïïmpëdoe hitam,
Mi.\'hiss»\', suikerstroop, tanggoelL
melden, vermelden, menjëboel (van së-
boet);
gemeld, tërseboel; bovengemeld,
tërseboet di-atas, madzkoer, Ar.; daar
straks gemeld, terseboet tadi; nu wjrdt
er gemeld, maka lérsï\'boellahperkataan ;
zoo nis later gemeld zul worden, sa-
përti akati diseboet dibëlakang ini.
—,
berichten, membëri tahoe, mengchabar-
kan.
—, openbaren, mënjatakan, më(a-
h irkart.
meldenswaard, jang patoet diseboel.
melding, seboetan, b.v. saperlijang lagi
akan datang sëboetannja,
zooals daarvan
nog de — zal komen, d. i. zooals later
zal worden gemeld.
melig, kruimig, van gekookte zaken,
rëpoeici, kersai. —, meclbezittend, bër- -
tëpoeng, ada tëpoengnja, ada patinja.
melissuiker, goela poetih. /ie bij
suiker.
melk, ajar-soesoe; bij verkorting ook :
alleen soesoe. Zie verder de samenstel-
lingen; gestremde —, dadi, Skr.; ge-
hotte —, soesoe pëtjah; geklonterd,
bërbidji-bidji ; waterig, tjajër; vet, lë-
mak,
ook voedzaam; met — zijn, —
in de uiers hebben, tjian of tjxang, Mal.
melkachtig, saroepa ajar-soesoe.
meikader, oerat soesoe.
melkhaard, djanggoet jarig beharoe
moei ai toemboeh.
melkhak, témpat ajar-sotsoe.
melkboer, toekang ajar-soesoe.
melken, mëmerah ajar-soesoe(van përah).
melker, torkang përa/t ajar-soesoe.
mf-lkflesch, botol ajar-soesoe.
melkgeit, kambing jang dipërah ajar
soesoeuja.
melkgevend, përahan; eene —e geit,
kambing përahan.
melkkaas, k-djoe ajar-soesoe.
melkkalf, anak-lëmtioe jang mënjoesoe.
melkkan, têmpat ajar-soesoe.
melkkarn, pënoemhoek ajar-soesoe.
melkkleur, v\'ërna ajar-soesoe.
melkklicr, kël\'i/djar soesoe.
melkkoe, lëmboe jarig bërajar-soesoe,
lïmboe jang dipérah.
melkkom, melkkop, mangkok\' ajar-
soesoe.
melklam, anale kambing jang mënjoesoe.
melk maal, soekatan ajar-soesoe.
melkooi, kambing jang mënjoesoéi.
melkpnp, boeaoer ajar-soesoe, zie pap.
melkplanten, pokok-pokok jang bër-
poeloel.
melksap, — in planten en vruchten,
ajar soesoean; kleverig — uit planten,
poeloet.
iLii\'llispijs makanan jang bërtjampoer
ajar-soesoe.
melktand, gigi soeloeng.
melkvee, binatang jang dipërah ajar
soesoenja, binatang përahan.
melkweg; de —, oemmoe\'nnoedjoemi,
Ar. bimasakti, ook wel alleen Öima.
melkwit, poetih ajar-soesoe.
nirlli/ri-i\', përtapis ajar-soesoe.
melodie, tagoe, ragam; liefelijke —,
ragatn jang mërdoe.
meloen, in het algemeen, taboe; hiertoe
behooren verschillende Boorten, als: do
gewone pompoen roet zoet oranjegeel
vlecseb, taboe manis, laboe përangki,
omdat de Portugeezen er zoo veel van
houden ; e. s. v. langwerpige, eetbare —,
laboe ajar; e. 8. v. korte, eetbare —,
die in vorm veel op een waterkruik
-ocr page 472-
I(ÏU
memento mori — memcb.
gelijkt en uitgehoold en gedroogd daar-
roor ook gebruikt wordt, bij ons bekend
onder den nuntii van lleschkalebas, faboc
ajar pandak, tahoe ktndi,
Jav. ; de
water —, kèmêndikai, imndikai, ook
ttmiïai, (imbikai en mëtdftikai, j|-
manaka, Jav. onderscheiden in s.merah,
de roodc, en s. poetih, de witte.
memento ti.ori, in gat akan adjalnroe.
tiieiitoriiitil. soerat pPriuyatan.
memorie, pPringatan.
memoriMeeren, van buiten leeren,
•II\' ■\'\',■■■\'/ \'r \'"\'■\' /\'■ ■ \'■\' Il ■
man, orang. — zegt, kala oratio; over
bet gebruik, zie de Grammatica.
memigeeren; zich —, zie onthou-
clen.
menngeuK, hiniat-himat\', kira-kira dan
jefdarkan, bPrpantan.
merjïbutir, dapat diljanrpoer.
mengeldiehlen, sju.tr rampai-rampai.
mengelen, zie mengen.
mengeling, tjamporran. —, van kleu-
ren, pan/ja wPrna; eene — van geuren,
sarayam baoe.
mengelmoes* tjampoeran, katjauün.
mengelwerk, gemengde opstellen, ka-
ranyan rampai-rampai.
mengen| mtnfjarnpui-r; iets in iets —,
niëit/jampoerkan; iet» met iets —, ver-
mengen, mPntjam poer i; verschillende
zaken ondereen—, b.v. gras, haver,
haksel enz. tot veevoeder, mrnggaoel ,-
op die wijze gemengd, fjampoei-gaoel;
door elkander —, b.v. van klei en
water en diergel., membanljoeh, niemban-
tjoehkan ;
ondereen —, door elkander
wrijven van verven, paloe-paloe; door
elkander — van allerlei kruiden, tne-
moedi
(van poedi); door elkander ge-
mengd vnn allerlei droge zaken,
rampai, b.v. van bloemen, groenten,
bladeren, gedichten, gesprekken enz.
maar niet van vruchten of zaden;
zich ongeroepen in iets —, mendje-
maica, min}ampok
(van sampok); het-
zellde en danibij veel te vilten heb-
ben, mënljomet; zich in eene znuk —,
me.nljampoer kan dirinja dalam soea-
toe perkara, mënyoesoctkan dirivja da-
lam,
dit laatste voornamelijk in ver-
keerde zaken.
mengsel, wat dient om onder iets ge-
mengd te worden of er onder gemengd
is, tjampoeran. —■ *nn allerlei droge
en lichte znkcD, zooala bloemen, groen-
ten, gesprekken, gedichten enz.rampai:
verschillende —s in dien zin, rampa--
rampat,
wordt niet gebezigd van vrucl-
ten en zaden. -, zie ook compONitii ,
menie, sPdPl\'mgyam.
menig, banjak. — keer, banjak kal .
—  een, bat/jak orany; er zijn —en die,
ada banjak orang jarig.
menigeen, banjak orang; verscheider,-
personen, pPlibagai orang.
menigerliut-.«le( mcmgerlei, pelebagtt
djettis, peltbagai matjam;
ook ulleet:
pèlPbayai.
menigmaal, menigwerf, banjak kali.
menigte; de --,kabanjakan orang, oran
banjak;
de —, het plebs, sPyala oran
hina-dïna;
het publiek, si-gala oran i
jarig nam.
—.verzameling, verecnigin^:.
përhiutpunan, pPkoernporlan ; eene groot ■■
—, soealoe pÉrfiimpunan(pï-koeinpoelan
besar;
in — altijd voorhanden zijn,
b.v. van koopwaren, stlaruh; in —
gewoonlijk toestroomen, mïnjelaroh; in
—   toestroomen ol\' snmen-tiuomen vnn
mensehen ol\' dieren, bPrkPraemoen.
menigvoud, menigmaal, banjak kali.
beberapa~bPrapa kali.
menigvuldig, banjak, bagaï-bagai, p-■\'■
lêbagai.
—e gedachten, bagai-bagai ko-
pikiran, pitPbayai kapikiran.
—, bij
herhaling, beruelany-oetang. NB. Ik\'
menigvuldige der handeling wordt ook
uitgedrukt door de verdubbeling, b.v
mene/iibak-tifiribak; — schieten, enz.
menigvuldigheid, kabanjakan. —.
overvloedigheid, kalrmpahan. —, hci-
haling, Oftatrgan.
menigvuldigiyW. banjak banjak, d- ■
nyan kalempa/ian, béroelang-oelang.
menigwerf, zie menigmaal.
mennen, besturen vnn een olifant M
wagen, urhigapalakan (van kapala).
van een puaid, menyerel, eigenl. een
paard enz. bij den toom leiden. — van
een wngen, ook membawa.
menner, orang jang mvngapalakan,o.j
mengeret, o. j. inëmbawa.
iiienseb. in tegenstelling met anden
wezens, manoexia, Skr. — in het al-
genicon, niet in tegenstelling met andere
wezens, orang; de —en en de dieren.
itgala manofsia dan sPgata binatany,
en (iod sprak tot den —, tnaka bejii-
mihilah Allah kapada manoesia;
een
goed —, orang jang bdik; daar waren
veel —en, adalah banjak orang disano■
-ocr page 473-
menscbdom — merken.                                      461
menacbdom, tegala manoetia, hangsa
manoetia.
uirnttrlielütt, tjara manoetia; ook
alleen IMMNM, atlttm, adami. Ar. —,
humaan, vlecschelijk, intan, Ar.; eeae
— e gudannte, Hmbaga manoetia, roepa
manoetia; het — lichauui, toeboeh
manoetia, haiian adam; do —e natuur,
fat/lat manoetia.
meiiHcheiyicerwiJze, tjara manoetia.
tapërti manoetia. — gesproken, bër~
kata tjara manoetia.
menBvbehJkbeid, fabutt HMONW,
ptri manoetia. —, üg. voor minxaam-
lieid, lémah-lé.mboetj tiif. voor mede-
deelzaniubeid, kamoerahan; tig. voor
medelijden eu ontferming, b\'élat-katihan.
ineiiMchemulfl, kamoeiiaan manoetia.
menwrbeimrbeid, oesaha manoetia,
pt:k(-rtljaïtu manoetia.
meni*rheiibe*\'ld, roepa manoetia.
■iifii»i-lH\'iiiil«M\'il. darah manoetia.
)ii(>nHt\'heii(Li**t, pPntjoeri orang.
inen»«<*beiidrek, fa/ii orang; meer fat-
soenlijk, toevgai otang, b.v. int toengai
orang ftrtaloe boesoefc baoenja, deze —
slinkt ver.-chtikkelijk.
menschenetor, urang niakan daging
orang.
raenscbengednimto, Itmbaga manoe\'
tia, roepa manoetia.
menHchenbnnr, van het hoofd,ramboet
manoetia.
memtchenhaat, bïniji akan tamanja
manoetia.
xnenscbenbnter, p\'Ümbintji akan ta~
manja manoetia.
menachenkind, attafy manoetia, onaf?
adam, bani at/am.
raensvbenlief\'de» katih akan tamanja
manoetia.
raensebenminnnar, orang jang kasih
akan samanja manoetia.
raenNcbenmoord,
         pÜmboenoe/iun
orang.
rnen«cbenmoordenaar, /.■ mboi-noeh
orang.
menscbenoller, korban tembtlehan
orang.
raenaebenrns, bangsa manoetia; or zijn
vijf — sen, manoetia ada lima bangsanja.
iiicnMclienselmw, takoet berdjoempa
dengan orang.
iiirimrhciivlt\'.\'wcli, daging orang-, in
tegenoverstelling van ander vleescb,
daging manoetia.
menicbenvreei, takoet bërdjoempa
dengan orang.
menHchenvriend, orang jang katih
akan tamahja manoetia.
inenMclienwaiintp, kamoeüadm ma-
noesia, kavndakan manoetia.
menNnhenwerk, pèrboewatan ma-
noetia.
mennclibeid* bangsa manoetia, tegala
manoetia.
oienMchlievend, kasih akan tamanja
manoetia.
meiischwordinii, du menschelijko gc-
daiinte iianiiüiuon, invndjé.léina niauuesia.
inenNtruatie, kaïn kotor, ka\'tn tjémar,
haidt.
Ar. —, die niet op den cowonen
tijd wil ophouden, rojan haidt.
mep, tampar, fempiling.
meppen* wfên<unpart mfattmpiling,
mercuriuN, Ji; planeet, afarid, Ar.
in.Tin. mënambat iVftH tan/bat).
merjï» \'n de beenderen, soemsoem, bïnafc
toelaug, oetafr toetang; soengsoem.
Jav.
— van palwgewasscn, guembar; het
zachte — van planten, zuoals b.v. onze
vlierpit, ampvetoer; het — uit eeno
soort van biezen, dat voor lampenpitten
gebruikt wordt, ampoeluer koempai.
mergbeen, toetang jang otrtoemtoein,
t. j. béroefak.
mergel; e. s. v. —, die onder water
zoo glad en vast wordt, dat er soma
geen anker op houdt, napal.
merepit; planten —, ampoeloer.
meridiaan, mistar rïmbang mata-hari,
dairah nasjilnahari.
Ar.
merk, tanda, alamat. Ar. fjinna, Skr.
—, nagelaten indruk of spoor, békat;
de —in of lapjes aan een loodlijn,
mïrkah. — door weggeznkt water ach-
tergelnten, tikat.
merkbnar, voor het gezicht, kalihalatt,
dapat dilihat.
—, voor het gehoor,
kadtngcran. —, voor het gevoel, dapat
dirata.
merken, menandai, mïnandakan, mem-
boeboeh tanda, mtmboeboeh Ctlamat.

door een kerf in icta te hakken, b.v.
boomen, mtnakei1 (vnn takefr). —, letteo
op, menfjamkan; merk op hetgeen ik
zeg, ijamkanlah perkataankoe int.
met de naald, menjoedji (,van soedji),
minjoelam
(van toelam), eigenl. bor-
duren. — met cijfers of teekens, me-
ngangkakan
(van angka). —, zie ook
bemerken.
-ocr page 474-
461
merkijzer — met.
tin sst 111 iisrh. Van een bal birr, bok \'
karav/pagi; inessenznk, poendi-poend ■
karampagi.
mcusins; de —, al MasUi, Ar.
1111\'t.siim, geelkoper, koeningan, lojamj.
—, klokkenmetaal, gartgsa.
men «ing, randlijst aan cene plank, du-
in de groef komt, lidah.
mi*Mf*mgplo<-g, ploegschaaf, kïta-.,
lidah.
mest, mist, badja; toevoegen van —
bij cene plnnt, menjoewapi; opnemen
van — door de plant, makan haboe.
—, afval, sërasah. —, drek, tahi,
niestaardc, tanah badja.
mestheest, binalang tambon.
meuten, vet maken van een dier, mï-
nambonkan. —, van het land, mt/nboe-
boeh badja,
im-l)i<H\'ii, hajam tambon.
mesthoop, timboenan badja, timboenan
tahi. —, poel, longkang.
meatkali\', anak lemboe tambon.
mentkuil, mestput, iandas, ielagatahi.
mestvunlt, timboenan badja, timboenan
sainpah,
nicsivi-c = mefttbcest.
mrstvork, drietandige, sërampang.
met, sërta, dingen, bctsama\'Sawa, sërto
dengan; op Java meestal, sama; rijst
—   kerry, nasi dengan gaetai; op Java,
nasi sama kart. — zich voeren, mem-
batca serfanja.
— iemand sproken, ber-
kata-ka/a dengan sa\'orang.
— geweld,
dengan gegah. — vrede, dengan salü-
mat.
— zijne vrouw en kinderen, sërta
dengan anak bininja.
— elkander, ber-
IIM HMj zij gingen — elkander op
weg, mareka-üoe Mrdjalan bïrsama-
sama;
en allen, die — hem waren,
dan segala orang jang sïrtanja. — iets
begiftigd worden, dikarofnia\'i dengan.
— zijn vijven, bPrlima orang, — hon-
derden, bvratues-rotoes. — een schip
komen, datang dalam kapal(of përahoc).
—  een vaartuig zeilen, berlajar dalam
pïrahoe
(of kapal). —, door, olih. —,
bij zich, mede voo ren de of brengende,
meinbaica, dengan mïmbaica. — haast,
goepoeh-goepoeh. —tortijd, lama-kala-
maiin, lambat-laofn.
— ernst, —tcr-
daad, soenggoeh-soenggoeh, dengan sa\'
soenggoehnja. —
iemand zijn, het —
iemand houden, menjërtuï, b.v. God is
—   v], Allah ada menjë.rtdi toewan; ik
zal — u zijn, hambalah menje\'rfaï toewan.
merkijzer, b7>si fjap.
mcrblna, jiertatulaan.
nicrli l»:ii oen, benang soelam, bïnang
soedji.
merk letter, hoeroef tanda.
merklijn, bij de timmerlieden in ge-
biuik, bfnang orang.
merk] mul, smnpadan.
xuerkwteen, batoe tanda ba/as, b. t.
perhinggaan.
merkteclien, tanda, ti/amat, Ar. tjinna,
Skr.
merk teekenen, menanda\'i, menanda-
kan, mtitiboehoph tanda, memboeboeh
aldmat.
merkwaardig, vreemd, ongewoon,
bezienswaardig, fraai, pelik, ndjiiib, Ar.
eeno —e geschiedenis, 1jX:rittra jaag \'■
adjdib.
merkwaardigheid, pï\'lik, tamesja;
wat voor merkwaardigheden zijn er
alzoo in het bovenland, die wij behoo-
ren te zien, aptt-apa pe/ik-fielifc dihoe-
ïoe, jaag pafort kïta lihat;
al de merk-
waardigheden van cene slad, sïgala
tamasja nfgari.
merrie, koeda bttina.
me**, pi san, — om het een of ander te
besnijden, zoonis hout, rotan endergel.
pisau rauet, — gebruikt bij het nftap-
pen v mi palmboomen, pisau sadap;
mesje voor het uitsnijden van hout enz.
pisan walt; ban boezen —je, gebruikt
bij de besnijdenis, seuibtloe; e. s. v. groot
—, lading; dolk —, sekin, Ar. rkandjar,
Perz. —, dat in sommige streken de
Maleiscbe vrouwen altijd bij zich dra-
gen, om dalgene te snijden, waarop zij
belust raken, sekin pengidam ; een —
dat aan twee kanten snijdt, pisan
djambijak;
de snede van een ■—,
mata pisan; de rug vnn een —, be.ta-
kang pitau;
de punt vnn een —, hoc-
djoeng pisau;
een — slijpen, mëngasah
pisau •
onder het — zitten, geschoren
worden, lagi ditjoekoer; met hot — in
den buik zitten, kasoekaran sangat,
kapiijikan sangat;
er is nog wnt voor
het —, ada lagi banjai: pekerdjaan;
iemand het — aan de keel zetten,
■ni\'emaksa orang (van pakxa), mX-ngham-
bal orang ;
het — snijdt bij hem aan twee
kanten, ija mtndapat laba kiri-kanan,
mesheft, meshecht, hoe.loe pisau.
meslemmer, mata pisau,
messcheede, saroeng pisau.
-ocr page 475-
LOS
met — mevrouw.
met, Bijw. serta, demi; op .f ava s\\,i ,i/.\'.
— dat hij dit zeide, sirta dikatakannja
ini.
— dat hij dit doet, demi diboe-
watnja Hoe.
mot, gebakt vlecsch, tjtufjangan daging.
metaal, voor het algemecne begrip ia
geen woord; logam. Tam. Zie verder
de natuen der verschillende metalen
eo de samenstellingen.
mctaiiluHi-h, baboe togam.
metaaldraad, daicai, kaïcal. — trek-
ken, minghoenoes dawai.
metaalgieter, toekang kueningan.
metaaljfieterü, dapoer tiboeran.
metiinlnicnuMel, i-uuipositic, mengsel
vnn vijf verschillende metalen, pantja
logam
(Skr. pantja lok»),
m i ;i;i Iscli ii im, aanga logam.
meteen; zoo —,kï-la£; sabintar djoega.
—, tevens, sakali.
meten, met de lengtemaat, miugoekoer.
—, met de mhoud»uiaat, zoowel voor
droge als natte waren, minjoekat (van
soekat), minakar (van takar); b.v. maka
■ nms Hoe di&oeroehnja soekat dingan
gantang,
en hij beval dat goud te —
met de vijf kati-iuaat; het baadje naar
zijn eigen licbaam —, mingoekoer
badjoe dibadan sindiri.
Sprw.; de
lengte en breedte van iets —, mingoe-
koer pandjang lebarnjn, mingoekoer
lintang boedjorrnja
; ook miloega; de
diepte —, peilen, mindoega; bij f-pan-
nen —, nieugilan (vnn kilan); inet een
gantang of /„ pikocl, of vijfknties-
maat —, menggantang; met do el —,
mingoekoer e/o; met de elleboogacl —,
mingoekoer hasta; met de vadem —,
mengoekoer depa, mendipa; geweven
stollen bij lengten van ongeveer \\\\
vadem —, mengaboeng (van kaboeng,
een lap van die lengte); zijne boven-
natuurlijke krachten — met die van
een ander, mingadoekan kasaktiannja; \'
elknnders krachten —, mengadoc £#*• .
wal; zich — met, in een gevecht, bir- \\
toedjoe dingan,
b.v. engkau hindak \\
koesocroehkau berfoedjoe dingan Lak-
samana,
ik wilde je bevelen om je met
Laksnmana te — ; ook birlawan dingan;
zichzelf, persoonlijk met iemand —,
minggidanqkan dada; zich op leven en
dood met iemand —, bersoekat darah
berlimbang daging dingan sa\'orang,
let-
terl. het bloed —cd het vleesch wegen
met iemand; twee vechthanen met
elkander —, om te zien of ze aan
elkander gewaagd zijn, bïrpadan Aa-
jam.
—, zie ook afmeten en maat.
meter; de ollicieelc — vuur handels-
waren en scheepsladingen, kapala aal.
metgezel, kawan, timan. — op weg,
kawatt birdjalan, f. man bïrdjalan; als
— vergezellen, minimani; tot — maken
of hebben, birtimankan.
metins* niet de lengtemaat, pingoekoe-
ran.
— uiet de inhoudsmaat, penjoe-
katan, pinakaran.
metselaar, toekang batoe.
metselaarsambuch.t,^< kirdjaün toe-
kang batoe.
metselanrtbaai, kapala toekang batoe.
metselanrslmeeht, kawan toekang
batoe.
metselen, nu-inasang batoe (van pasang),
minirap bala;
een muur —, minoe-
kang temboik, mimhoewat fembok\'.
metttelhalli, pleister, perikat.
metselsteen, batoe bata, batoe bakar.
metselwerk, pikirdjaiin toekang batoe.
metterdaad, dingan sasoenggo<\'hnja.
mettertijd, lama kalamaiin, lambal
laoen.
metterwoon; zich — gaan vestigen,
pirgi doedoek; zich —komen vestigen,
datang doedoefr.
metworst, oeroelan, sosis.
meubels, huisraad, perkakas roemah,
serba roemah.
meubelen, meubileeren, melangkap roe-
mah dingan pirkakasnja; melangkap
roemah dingan sirba-sirbinja.
meubel gord Un, kilamboe djendela.
meug; tegen heugen—, dingan dj e moe,
dingan segan.
meuken, in de week staan, berendam;
in de week zetten, mirindamkan. —,
zacht maken, melimbot\'lkan.
mevrouw; tol of van cene Vorstin of
prinses, toewan. — de prinses, toewan
poeteri.
—, tot of van de vrouwen
van Europeanen, Chineezen en andere
vreemde Oosterlingen, ujonjah, Chin.
—, als titel van hofdames, daag; van
zulk ecne, die cenige voorrechten heeft,
dang lela. Ook in fabels een titel aan
visschen verleend, b.v. dang kakap,
mevrouw de kaknp; terwijl de mannen-
tïtel sang aan viervoetige dieren wordt
gegeven. —, tot of van eene fatsoen-
lijke Mnleiachc vrouw, toewan, enlji$\\
—  ook siti, Ar.
-ocr page 476-
46i                                            mica — middelpad.
mica, glimmer, moscovisch glns, mnria-
glas, simïndal, batoe tjPrvmin, abrak, Ar.
miehnël, de ani tsengel, mikail, Ar.
microMtroop, fïrofiimg akan mïlihat bèn-
da-brnda jang tïrkP.tjtl, tïropong tuema.
middaj*, tïngah hart. Zie ouk bij mid-
den. —, do tijd, waarop de zon in
het zenitb staat, matahari boentar ba~
jang, fïrpidjak matahari, rïmbang tna~
tahari.
—. na den duotgang der zon
door den meridiaan, ïohor. Ar.: na den
—, nml. tot 1 ore, Upas tïngah hari,
tïngah hart laloe ;
wel te onderscheiden
van den namiddag of arhtcr—,pïtang,
die ongeveer van 2 tut U ure \'s avonds
gerekend wordt; nnmiddazs 3 uur,
tïngah toerorv ; om 5 uur, tïngah rïn-
da/t;
tusseben 5 en fl, koetüa lingsir;
\'s—s twualf uur, porkocl doetca-bïlas
tïngah hart.
middtisoirltel, zie midda^lün.
middageten, wiekan nasi, makanan
tïngah hari.
midd(iïriï*\'l><\'d, het tweede der vijf
verplichte gebeden, sïmbahjang tohor.
midduc^\'bcdHuur, e-aktoe tohor.
middaghitte, panas tïrik pada tïngah
hari.
middn*»hlaar, iijata dïvgan (ïravgnja ;
tig. supïrti };<i tint paetih tïrbang sijang,
d.i. als een witte haan, die o» klaar-
lichten dag vliegt.
iiii<l(l:iühn.-i, makan nasi, makanan
tïngah hari.
midda<>l\\jn, meridiaan, mistar rïmbang
ui at o. hari.
middasmnal, makan nasi, makanan
tïngah hari.
m ii l< hu-1n:t li-il, makan nasi, makan
tïngah hari.
midda<*i>reeli, in de moskee, chotbat fï-
pas tïngah hari, rhoff/at tïngah hari laloe.
middtiüslnapje, bïrbaring tïngah hari.
iiii<l<l:i:.\'.imr, waktoe iï.ngah hari, waktoe
johor.
middel, middellijf, pinggang. — van
bestaan, pïvfjïharian, b.v. dëngan tiada
pïnijïharian t
zonder — van bestaan.
—, dat men aanwendt om zijn doel
te bereiken, otpaj»; zulke —en, daja-
oepaja;
zulke —en aanwenden, mïngoe-
pajakan;
ook ichtijar; alle —en in het
werk hebben gesteld, habislah ichtijar
dan kapamtaijan;
er was geen — voor
te bedenken, tiada tï~dajakan. — tot
levensbehoud, zoowel een wapen als
provisie, rantsoen, gage enz., sara.
om kinderen te krijgen, obat bïranak.
— om het buren gemakkelijk te maken,
sïloesoh. — om lielde op te wekken.
obat pïngasih. — om baat op te wek-
ken, hikmat pembïnfji. — oin wakker
te blijven, pïniljaga. Over het algemeen
wordl het — tut het bewerken van
iels uitgedrukt door een afgeleid Zelfst.
nw. mei het Voorv. pï, b.v. pïntjaboet,
pïnfjoefjork, pïmbajar, pïloetar, pènjï-
pit, pïmofkoel, pïnggali, pïnyïlam, pï-
ngïnal.
—, geneesmiddel, obat. — tegen
de kuorts, obat dïmam. —, list, motle-
fiat,
Ar.; duor — van, dart $ïbab,olih
sïbab;
met de hulp van, dïngan pïr-
toelofiigav.
— tot voorkoming van een
gevecht, tuelak sïndjata.
u>i<l<l<-lmir, pïngantara, vdsit, Ar.
middelnar*uiiint, djabatan pïngan-
tara, daradjat tciisif.
middelbaar, pïrtïngahan, oegahari.
— e leeftijd, pïrtïvgahan \'/moer. —,
zie ouk middelmatig.
middel lmml, ikatpinggang,saboek,Jti\\.
middeldeur. pintoe jang ditï\'tgah.
middelen, aardschc goederen, harfu,
harta-bïnda;
rijkdom, kakajaan; een
man van —, orang hurfaimn, orang kaja.
middelerwül, sèmantara, dal .in an-
tara Hoe.
—, juist terwijl, sïdang.
middelltleur, tcerna sïdïrhana.
middellüf", pinggang.
middellvjn, van een cirkel, sïngkang.
—, de evennachtslijn, chat isictca, Ar.
middelmaat, oekoeran jang oegahari.
middelmatig, bet juiste midden hou-
dend, sïdïrhana, oegahari, sïdang; zijn
lichiiain was — van lengte, niet hoog
en niet laag, toeboehnja sïdïrhana,
tiada tinggi, tiada rïndah.
Ook toe-
boehnja sïdang sederhaua.
— groot.
vnn nicnschcn, ook ramboenai. ~- , van
een werk, sïmïdjana; een - e kleur,
wïrna seder/tana, b.v. poelih koening
sïdïrhana,
het midden houdend tus-
schen wit en geel. —e warmte, panas
oegahari, panas sedang.
—e prijs, harga
oegahari, harga stdang;
iemand van
— c grootte, orang oegahari. — dik
garen, niet te grof en niet te fijn,
benang sedang; een —e naald, dja-
roem stdang.
middelmuur, pagar tembok jang di-
t\'éngah.
middelpad, djalan tïngah.
-ocr page 477-
middelpoort — mijmeraar.                                   465
middelpoort, pintoe gërèbang ja/tg di-
tettgah,
middelpunt, poesat ; hot juiste —,
përthtyahan bëfoet. — van een cirkel,
poesat boetal; het — vim Juva, poesat
tauah Djatca;
het — van de aarde,
poesat boemi.
midtlelpun tv liedend, hendak tari
dtiri poesat.
middelpuntzoekend, hendak mën-
dapatkan poesat.
middelrü, tjetera djnntoeng, sëkal an-
lara dada dengan përoet.
middelMcbip, përtengahan kapat (of
perahoe).
middelschot, sëkal; dindiny jaag di-
tengah
; ook alleen dinding.
middelMlngf, middelsoort, maijam jang
sedang, rocpa jang sedang, djenis jang
tëdang.
middelMtand, kadoedoekun jang oega-
huri,
b.v. adapvn kadoedoekan jang
oegahari iloelah. sa\'bdik-ba\'ik kadoe.doi-
kan dalain doenia dan snrasi dengan
kasënangan tnanoesia,
wat den — bo-
trelt, dat is de beste stand in do wereld
en gesehikt voor de rust (of tevreden-
heidj des nienschen.
middelste, tengah, jang ditengah; vnn
vier personeu wordt het aldus opge-
geven : jang toetcanja, jang tengahnja,
jang moedanja dan jang bungsoenja
;
het — kind, anak t\'engnh; het — boek,
kitdb jang aitëngah; het — gedeelte,
tengah ; bëhagian jang ditenyah; het —
van de handpalm, p\'eroet tangan; het
■— van den binnenkant eens vingers,
përoet djari; hel — van de voetzool,
përoet kaki.
mUUlo\\Hlemtboettji soewara jang sedang.
middelloon, boenji jang sedang.
middelvinger, djari tengah, djari
hantoe.
middelvlien, zie middelrif.
middelweis» djalan tengah.
midden, tengah. përtengahan; hel juiste i
—, sama tengah, tengah befoel; ook
poesat, zie middelpunt; in het —,
ditengah; in het juiste —, pada sama
tengah, ditengah bet oei;
het — van een i
Vorstelijk verblijf, seri astana; van du i
gchoorzaal, air* ba fat. —, het middelste
gedeelte van een gebouw, paleis, vesting,
graf enz., katja poeri; het juiste —
van den dag, juist 1;J uur op den ■
middag, tengah hari t\'epat; juist in het \'
—, in bet zenith staan vnn de zon,
rëmhang, b.v. rëmbang tengah hari, in
het zenith midden op den dag; hot —
van den nucbt, tengah matam. — op
den weg, ditengah djalan, b.v. sapèrti
orany berak ditengah djalan,
als iemand
die luidden op straat gebakt heult,Sprw.;
te —, van eenu menigte, di-antara, b.v.
te — van zijne familie, di-antara kaum
koetatcarganja;
te —, als tijdsbepaling,
dotiiui antara, semantara.
middendoor, teroes ditengah. — van
iels dat gespleten is, tërbetah ditengah.
middenin, ditengah, ditengah-tëngah.
middernacht, teugati matam.
midscheeps, di tengahnja kapat (of pe-
rahoe).
mier, semoet; witte—,auai-anai, semoet
poetih, rajap,
Jav.; larve van een witto
—, tëmpa/afc; grootc, roode —, die op
vruchlbuuiuen leeft, kerengga, gang-
gratig,
Jav.; vliegende witte —, kala-
katan. laron,
Jav.; als eene—, die een
iprinkbaneboutje aan koning Salomo
cadeau-doet. oepaina semoet nieinpëi-sem-
bahkan paha bilalany kapoda radja
üotaiinan,
betuiging van nederigheid hij
bet geven vau geschenken aan meer-
deren.
mierenci, fflor semoet. Zie ook larve.
miereneter, het sehubdicr, tënggiling;
trënggiling,
Jav.
mierenhoop, heuveltje, boesoef,poesoe,
ponysoe.
mierennest, sarang semoet.
mierikswortel; een wanrdig plaats-
vervanger daarvan is akar meroengyai;
akar kefor,
Jav.
m\\i, moet op verschillende manieren wor-
den teruggegeven, /ie de Grammntira;
aan —, kapadakoe; enz.; aangaande
—, voor —, akan dakoe, enz,: met—,
sërtakoe, dengan dakoe, enz.; hanl —
vuur, ambilkan akoe api.
mijden; iets —, wëndjaoehkan dirinja
dar\'ipada, mèmëliharakan dirinja dart-
pada.
in\\jl, mit; Kngetscbe —, die in fndic
gebruikt wordt en waarvan er drie op
een uur gnnns gerekend worden, pat;
drie —en van Hatavia, tiga pat dja~
oehnja dari Bètatcï;
dj 1\'erzïschc —,
p\'ersangga.
myipual, t\'tang pat.
iniJNt een, batoe pal.
m\\jmernar, suffer, pëngangoet.
-ocr page 478-
4M
mijmeren — minderen.
\'■ mild, milddadig, moerah, dërmawan,
dana,
Ski\', sac/it. Ar — zijne handen
openen, mènghamparkan tangan.
milddadigheid, kamoerahan, sacha-
tcat,
Ar. idjadah. Ar.
mildheid, zie milddadigheid.
millioen, djoeta (van het Skr. ajoeia),
sapoeloeh keil, sarafoes laksa.
milt; de —, anak Hm/m, koera; ver-
stopping en opzetting der —, sakit
koera;
koorts, daardoor veroorzaakt,
dtmam koera.
mimiek, adjoeje.
min, minder, koerang; te —, kocrang;
ten minste, op zijn minst, koerangnja;
op zijn allerminst, sakoerang-koerang-
nja;
de minste, sëkoerang, b.v. de
minste van u, sekoerang daripada ka-
moe.
— een, koerang asa, koerang satoe,
b.v. veertig — één, koerang asa ëmpat
poeloeh.
— of meer, sedikit lebih koe-
rang,
b.v. — of meer de Muleiscbe
taal leeren, beladjar bëhasa Mëlajoe
sedikit lebih koerang;
ook semoe-semoe,
b.v. — of meer bol, sèmoe\'Sëmoe leng-
koeng;
hoe —der pap, boe meer lepels,
koerang-koerang boeboer, lebih-lebih toe-
doek,
Sprw.
min, zinnelijke liefde, birahi,tjinla birahi,
ïïsjik,
Ar. kasih.
min, zoogster, pënjoesoe; op Java baboe.
~ bij aanzienlijken en Vorsten, pènga-
soeh, enang ;
droge—,phtgasoeh; natto
—, male tetek. —, zie ook zoog-
moeder.
ininaebtpn, mèntjëlakan, mèmandang
moedtü»
(van pandang), melihat moedan,
tiada mengendahkan, tiada mëmbilang-
kan;
anderen minachtend, verwaand,
poe ngak.
minaret, manarah, Ar.
minder, koerang. — dan, koerang dari-
pada. —
worden, afnemen, soeroet, ada
koerangnja;
steeds — worden, b\'érkoa-
rang-koerangan.
— dan wel . . . b.v. —
om de wajnng, dan wel om den vertooner
te zien, sedikit hëndak melihat wajang,
banjak hendak melihat dalang.
—, zie
ook bij min.
minderen, bedr. mëngoerangkan. —,
onz. koerang, ada koerangnja, soeroet,
soesoet;
minderende zijn, bïrkoerangan;
steeds —, makin koerang, makin soeroet,
makiii soesoet.
—, langzaam minder
worden van cene sch\\i]ü,angaoer, soesoet;
de koorts wordt minder, dimam itoe
mijmeren, suffen, mëngangoet (van
angoel); in mijmering verzonken zijn,
tërmënoeng, b.v. maka tërménoenglah /ja
sakoetika,
een oogenblik was hij in
mijmering verzonken.
uiUn, bez. \\ooinw. koe en verder al de
woorden, die daarvoor in de plaats moe-
ten worden gebezigd. Zie de Grammatica.
iti\\jn, bergmijn, tambang. — waar goud
gegraven wordt, tambang laboeng.
waar goud gewasschen wordt, tambang
hanjoetan,
Suni. —, groeve met gangen
en stutten, kolong. —, loopgraaf, parit
fjebakan.
mjjnuder of bedding, waarin tin ofeonig
ander metaal voorkomt, karang. Mal.
mijnent, ten —, diroemahkoe, diroemah
sehuja
enz.
in üm\'itt hulv e, akan dakoe, akan sehaja
enz.
111Üii«\'iilwi\'»r, daripadakoe, daripada
sehaja
enz.; groet hem van —, tam-
paikanlah salamkoe kapadanja.
münjjrond, tanah iambang.
manheer, toewan, toewan-hamba, ,nau-
lana.
Ar. NB, toewankoe mag alleen tot
den Vorst gebezigd wordenen beteekent
dan zooveel als ons: Uwe Majesteit;
wees zoo goed — en ga zitten, silakati\'
la/t toewan doedoek;
ik heb liet kind
van — niet gezien, tiada hamba melihat
anak toewan-hamba.
— in fnbels een titol,
die aan viervoeligedioren gegeven wordt,
sang, b.v. sang likoes, mijnheer de rat.
iiLÜnopziclitcr, toewa tambang, kapala
tambang,
Suui.
mljnput, lombong. — bij het tingraven,
lombong timah, Mal.
mijnwerker, anak tambang, Sum. —
in een tinmijn, anak lombong, Mal.
myt, made, koeman, \'/.ie ook mnde.
nuit, brandstapel, pantjaka.
mijter, koelah, Perl, kalausoeicat, fcalati-
si jat,
Ar.
mik, vorksgowijzo gevormd of gespleten
hout, loepattg, b.v. zet dat kalf een —
op, bhilah bërtoepang anak lémboe Hoe.
mikken, op iets, mimbëloeli. —, visee-
ren, m\'embidilr. —, aanleggen op, van
een wapen, m\'cngocnting. —, richten
van het geschut, mi/ar. Ar. vandaar
djun\'oe mifar, constabel.
mikpunt, sasaran.
miksch\\jf« sasaran.
mikntokje, waarnaar men met geld
of platte steencn werpt, djih.
-ocr page 479-
467
mindering — misbruik.
minneziekte, zie minnepijn.
minnezucht, p\'enyeloeh orang birahi.
minst, sakoer ang-koerang,- op zijn —,
minstens, sakoerang-koerangnj"; in het
—e uiet, sakali-kali tidah; het —e
of geringste niet, sedikit djoea pon
tidak;
ik ten —e, akoe djoega; wees
maar de —e, toendoek\'lah djoega; van
geen de —e waarde, tiada berfaèdah
sakali-kali, satoepon tif.da goenanja ;
het —o, kleinste, geringste, jang ter-
ketjil, jang terhina.
minstens, sakocrang-koeraugnja.
minuut, 6\'u- uur, min\'tt. De duur van
ongeveer tien minuten wordl aangeduid
door sakapoer sirih lamanja, d. i. de
duur van een bételpruim.
minuut, eerste schriftelijk opstel, nos-
chal.
Ar.
tninuutglas, zie zandlooper.
■ninuutwijzer, djaroem minit.
minvermogend, kakoerangan harta.
minzaam, manis, bdik. Zie ook vrien-
delyk. — in liet toespreken, tegor-
sapa.
minzaamheid, fegor-sapa.
min ziek, sakit birahi, lara hati, gila
birahi, edan kasmaran,
Jar.
mirakel, wonderwerk, ntüdjizal, Ar.
ptrbuewatan jang ailjdib.
mirre, moer, Ar.
mirreboora, pohon moer.
mirt, patjar btlanda, moerd, I\'orz, as,
Perz.
mirteboom, pohon moerd.
mis, verkeerd, in de meeste samenstel-
lingen, salah; het mis hebben, salah;
vnn het spreken ook bolak, b.v. seraja
katanja
.- bolakkah kata patik bahica
orang jang hina Hoe djangan di/tampir-
kan,
terwijl bij sprak: Had ik het mis
toen ik zeide, dat uien dien gemeenen
man niet moest doen naderen. —, niet
raak,salah, tiada k\'ena, zie bij raken. —
sehictcn, salah tembak. —, ni\'st geraakt
van cene klap, kogel, bal, in het spel
enz., loenljas; gij hebt het —, tngkau
salah;
dat is —, toevalligerwijze, tér-
salah.
— zie verder de samenstellingen.
misbaar, gadoeh, gentar, hoeroe-hara.
Zie ook lawaai, geraas en getier.
misbak, bantoet, barang jang t\'erbantoet.
misbegrip, misvatting, salah tampa.
misbruik, oen verkeerd of slecht ge-
bruik, salah pakai. —, verkeerde ge-
woonte, adat jang salah.
ada koerangnja. — in prijs, toeruen
harga;
eene schuld doen —, menjoe-
soetkan hoetang.
—, arloopen van het
water, vorloopen van volk, soeroet.
in sterkte, van een geluid, langst.
mindering, korting, patong, fjengkolong;
wat in — op cene schuld betaald wordt,
angtoeran; in — afbetalen op eene
schuld, MCHJorSot\'tkan hoetang.
minderjarig, bèlom fik-al baligr.
ininervu, soerasxeati, Skr.
miniatuur, ketjil; kleine schilderij,
gambar ketjil.
minijver, tjemboeroeican.
minister, manteri, Skr.; do eerste —,
perdana man f\'tri, tcaztr, Ar. patih, Jav.;
de gezamenlijke—s,para manteri, segala
manteri sakaltan.
mininsterie, de gezamenlijke ministers,
permanterian.
minnaar, beminde, kekasih, pembirahi.
— of minnares, waarmede men onge-
oorloofden omgang heeft, kendak (van
kahhxUifc). Met zoo iemand ongcoorloof-
den omgang hebben, er zoo iemand
op nahouden, berkendal: — van cene
gehuwde vrouw, morkah; zulk een —
hebben, overspel bedrijven, bermoekah.
minnaren, ktkasih. Zie ook minnaar.
minnebrand, ïlsjifc birahi, nafsoe bi-
rahi.
minnedicht, panfon.
minnedrnnli, obat pèngasih, kilang
ptngasih.
minnegloed, kahangatan birahi, tumara.
rainnegod, asmara deica, Skr.
minnelmndel, tjandoeicai, bermdin
mofda.
rainnekoozen, b\'ertjoemhoe-tjoembotan.
minneliedje, panto». —s zingen, b\'er-
panton,
b.v. b\'erpanton htlang dêngan
hajam, lambat-laoen disambar djoega,
al
zingt de kiekendief —s met de kippen,
ten langen laatste worden ze toch ge-
grepen. Sprw.
minnelijk, dèngan bdik, baik-baïk.
minnelust, nafsoe birahi.
minnemoeder, zoogmoeder, mal; soe- \'
soe, mak* leteli.
minnen, elkander, bérkasih-kasihan.
minnenijd, tjemboeroewan.
minnentawnardig, patoet dikasihi.
minnepijn, sakit birahi, lara hati,
ijinta birahi, edan kasmaran.
minnepraat, tjoemboe-tjoemboean.
minnetroost, penglipoer lara.
-ocr page 480-
463                                     misbruiken — misnoegd.
Meestal wordt het van den persoon
gebruikt, wicn iets behaagt, b.v. tiada
bwkenati akan,
geen behagen vinden in.
! mishagen, zell\'st. nw. djemoe, b\'éntji,
s\'egan.
mishandelen, m\'enganiaja, menjakitt
(van sakit), menistakan (van nista), man-
boficat boeta-toeli.
misliappen, salah gigil.
misliooren, salah denyar,
■■
minkans, salah. oenloeng.
miskennen, iemand de eer niet geven,
die hem toekomt, tiada meugoepamakau.
—, niet tellen, tiada mengendahkan,
tiada membilangkau.
misküken, salah lihal.
misklank, salah boevji,boenji djanggal,
tjampah.
miskoopen, m\'embèli tèrlaloe mahal.
miskraam, goegoeran, anak goegoer;
middel om een — te verwekken, om
de vrucht af te drijven, obat akan men-
djolok, obat pendjotok.
misleiden, bedriegen, m\'enipoe, mèmper^
dajakau,
—, doen dwalen, menjesatkan
(van s\'esal). —, door schijn bedriegen.
m\'ènjemoe (van semoe), b.v. die man is
door ons niet te —, orang Hoe tiada
tersemoc olih kita.
— door kunstgre-
pen, meiijilap (van sitap). —; van den
duivel, m\'eiigeliroekan (van keliroe, Jav.
misleid), b.v. door den satan misleid
worden, dikeliroekan sjaifiin.
misleider, bedrieger, penipoe.
misleiding, dwaling, sesalan. — door
kunstgrepen, sllap. ■—,door den duivel,
keliroe. —,door sïinksche streken, keroh.
mislezen,verkeerd lezen, salah membalja.
misloopen, beschaamd mul iets uil-
komen, ketjiica. —, niet ontmoeten,
tiada bërt\'emoe, tiada b\'erdjoempa.
mislukken, tiada djadi, tcoeroeng, Jav.;
de rijst is mislukt, lanaman padi tiada
djadi;
al mislukt vóór nog eene poging
gedaan is, belum di-atjoe,tiwas dehoeloe;
iemands plan of voornemen doen —,
membatalkan (van haf al, Ar. mislukt);
mislukt vun iets, dat moet gisten, van
het rijpen van eene zweer, of het uit-
komen der pokken enz., seiaan. Ook
overdrachtelijk van eene onderneming.
mismaakt, misvormd, keretoet.
i mismaaktheid, aangeboren —, tji-
nangga,
mismoedig, moeroeng, b\'èngok,
misnoegd, sakit hati, moeroeng.
misbruiken, verkeerd of slecht gebrui-
M\'ii, pakai sulah, salah memakai; den
naam God» —, metijeboet nama Allah
dengan s/ja~s/ja;
een meisje —, ont-
eeien, meroegoel auak-dara ; tui «In nik
maken van \'s YorMen naam, mèndjoe-
ural til ah;
van iemands naam, mén-
djoeural Mama orang.
miserediet: in—zijn van een persoon,
tiada kapertjajaan.
misdaad, kasalahan, pêrboewalan dja-
hat, kadjahatan, data; tegen God of
den Vorst, duerhaka; eene — begann,
berbortcat salah, berboewat djahal, ber-
boewat do$a, berdosa;
tegen God of den
V or&t, mendoerhaka,- met on/et eene
— begaan, btrboetcat djahal dengan
t\'éhadja (sr?tgadja).
misdadig, berkasalahan, djahal, bèrdosa,
doeidjana,
Skr., tegen God of den Vorst,
dvfrhaka,
misdadiger* orang doerdjana. orang
jang berboetcat djahal, orang berdosa,
orang jartg doerhaka.
misdeden, salah membvhagi,
mii-< luen, bfiboficat salah.
misdracht, goegoeran, naak goegoer.
misdragen; zich —, katakoi\'an jang
tiada patoel, tiada sauomoeh lakoenja.
misdrijf, kasalahan,pi-rboeicat\'an djahal.
misdruk, salah Ijap, salah tjitak, ta-
lah tera.
—papier, bartas jang salah
ditjap
enz.
misduiden, verkeerd uitleggen, salah
maiyerlikan.
— van iemands woorden,
m\'embawa salah, b.v. wij spreken do
waarheid en hij misduidt het, kita bë>--
kata benar. dïliawanja salah.
—, kwa-
lijk nemen, ktljil hati. —, verkeerd
opvatten, salah lampa.
mix^ann, niet ontmoeten, tiada ber-
djuempa, tiada bertëmoe;
zich —, zie
misdoen.
misgeboorte, abortus,goegoeran, aval\'
goegoer.
—, wansehepsel, kadjadian jang
boeroek, orang
k~e.re.toet.
misgissen, salah sangka, salah ktra.
misguoien, salah lempar, salah loetar.
misgreep, zie missing.
misgrijpen; iieli aan iemand —, tóf-
boeicat salah akan sa\'orattg.
misgunnen, jaloersch zijn ten opzichte
van iets of iemand, tjemboeroe akan.
—, geen genoegen nemen met, tiada
soeka akan.
mishagen, nan, tiada b\'èrkëtian kapada.
-ocr page 481-
MS
misnoegen — modderpoel.
ininnoecen, niarah,- het — van den
Vont, moerka.
mispas, salah langkah.
ruisrekenen, salah kira-kira.
misschien, barangkali, tijapa tahoe,
takoet êijapa tahoe.
—, bet mocht eens
wezen, kalaii\'kalau. —, wellicht moge-
lijk, moedah-moedahan.
misschieten, salah tembak.
misselijk, walgen van iets, moewal.—,
walging gevoelen, doiujal. —, neiging
tot braken hebben, tvja. — zijn van
iemands woorden ot\' handelingen, loetcat.
missen, niet raken, van een schot, worp,
stoot, houw, den juisten tijd enz.,
loentjas. —, gebrek aan iets hebben,
kakoerangan. —, ontbreken, b.v. van
tanden, palen enz. als er een ot\' meer
missen ot\' ontbreken, rongak ; doen —,
van een wapenstoot, aiénjalahkan tikam
(van salah); het kan niet —, fa\'dapal
tiada.
—, verloren hebben, kahilangan ;
zijn duel —, tiaila sampaï maksoednja.
missionaris, prsoerorha-. —, christe-
lijk zendeling, pesorrorhan indjil.
niis-ivi\', brief, risalai. Ar.
misslaan, salah porkoel, poekoel tiada
këna.
missla™, fout, vergrijp, salah, chilaf, Ar.;
can — begaan ten opzichte vnn iets,
mengchilafkau. —, fout uit ouweten-
heid, salah bebal.
missprin<j;eii, salah me.lompat.
mÏHMprons, salah lompat.
misstaan, djanggal, tiada kena.
misstap, salah langkah.
mi hm tappen, salah mëtangkah.
in i-i-t i\'ki\'ii, salah menikam (van tikam).
mist, nevel, kaboet; natte —, hoedjan
boebo.
mistasten, misgrijpen, niéndjanggau,
ook fig.
mistig, berlaboet, lembab.
niisti\'fil, salah langkah.
mistreden, salah bïrlangkah.
inisd\'oosti:;, niueroi-ng, hafi binasa.
— gemaakt worden, dipérbinasa hati,
b.v. ja lortcankoe, djangan upa diper-
binasa hati kami sakalïan detigan tiiah
jang déiniktan,
o, Uwe Majesteit, laat
ons hart toch niet — gemankt worden
door zulke woorden.
mistrouwen, wantrouwen, koerang per-
tjaja, sjak.
Ar.
miwvatten, misgrijpen, niéndjanggau,
ook lig.
iiiisviT-iiimi, verkeerd booren of ge-
hoord, salah-dëngar.
misverslimd, salah amfrilan, salah
lampa.
—, verkeerd begrip van eene
zaak hebben, salah pengertian.
min vormen, verwringen, mënggel\'tjat,
mlsvormijj, rrismnakt, kéreloet.
niitvouw, salah lipat.
mis was, salah tuemboeh, tiada djadi
loemboehannja.
niiMwiizi\'ii, salah mënoendjoek (van
toendjoefr). — van het kompas, «/?-
njémbir (van sembir).
miMvvuzin^, van het kompas, pënjem-
biran.
miszeggen, salah bërkata.
mi «zeilen, salah bïrlajar, —, voorbij
zeilen, bérlajar laloe daripada.
miszien, sa/iJt melihal, sitap mata.
bij het tellen, silap bilang.
mits, asal, utvlainkan, lamoen, tlav. soe-
kat.
— het goed zij, komt bet niet
aan op den prijs, asal ba/k, tiada pan-
dattg harganja;
ik ben genegen om te
betalen, — hij den eed allegge, hamha
soi\'ka mëmbajar, asal tja bersoempah
;
wnt go begeert zal ik geven, - go
mij maur niut doodt, apa kahendakmoe
akoe bëri, lamoen djangan djoega akon
ettgkan boenofh, ■
— de Vuist het ver-
gunt, dan mag het, soekat dikaroeuia-
kan radja beharuelah bolih.
mitsdien, tégal ilof, sïbab itot\'.
mitsgaders, dan lagi, bësërta, serta
detigan.
modder, slijk, loempoer, beljak, hefjrk
leijak-;
diepe —, lennjau; zachte,
eonigszins taaie —, se toet; zachte —,
zooals in een bullelkraal of op de
plaats, waar de bulfels zich in het slijk
wentelen, londang,- overal met —,ram-
bah,
b.v, taaka dilihat olih Laksamana
berambah-rambah j/ada halaman Hoe
tiada tja menjiugsing kainnja,
L. zag
dat het voorplein overal met — was
en bij schortte zijn kleed niet op.
modderaal, ikan lendoeng, Dat.
moddei hank, lennjau.
xnoddercroiid in zee, lanar.
modderig, vnn den weg nn regen,
betjak, beljefr, letjafc.
i modderpoel, lénnjav., limbahan, koe-
bang.
—, waarin de bulfels zich wen-
telen, koebang kerbau, kwbangan. —,
plaats van weeken modder, waar bulfels
of varkens zïeb wentelen, londang.
-ocr page 482-
470                                        moddervisch — moei.
moddervisch, ikan be1 toetoe.—, klomp*
visch, e, s. v. visch met dikken kop,
die bij laag water in don inodderrond-
•pringt, ikan tëmbakoel.
mode, trant, tjara.—.gebruik, gewoonte,
adat, Ar.; naar de Hollandschc —,
tjara wolanda; het is hier — om contant
te betalen, adat disini mëmbajar toenai.
niodesek, peso/ik; pengadon.
model, toetadau, tjunlo. —, monster,
tjonto, mat jam, b.v. Malukaasch —,
matjam Malaka. —, gietvoim, leest,
atjoetcan; geboetseerd —, oorspronke-
lijke vorm, tvmbaga.
modelleeren, inemboetcat toeladan.
modern, bëharoe-beharoe; da —e leer,
plngatljaran bëharoe-beharoe.
moed, berani; fig. hati. — geven, mem-
bert hatï,
— krijgen, mïndapat hati.
—   verliezen, hilang hati; weer —vat-
ten, mëmbdiki hati; mannelijke —,
laki-lak/, kalalci-lakian; zijn mannelijke»
— toonen, mënoendjoekkan laki-lakitija;
in arren —e, dïngan marah - van den
Vorst, dingan moerka; wie heeft den
—  om een tijger wet do handen aan
te pakken, siapa btrani mëitangkap
hariniau.
Sprw.
moede, Itlah, pïnat. Op Java fjapr; dood
—.afgetobd, uitgeput, tënat; zoo — uU
een hond, saperti andjitig lëlahnja.
maken, mëttlahkan, memënatkan; het
leven — zijn, fiada saeka hidoep lagi.
moedeloos, pefjah hati, had këtjil(wol
te onderscheiden van këtjil hati, boos,
kwalijknemend). Verder hilang hati,
fjabar hati.
moedeloosheid = moedeloos.
moeder, mak, emajr, ook als aunspraaks-
woord jegens oude vrouwen en troetel-
naam voor kleine meisjes; de — van
Jozef, makr Joesoef. •—, verder iboe,
indoek, indoeng;
dit laatste voornamc-
lijk in samenstellingen, b.v. —buffel,
buffel die gekalfd heeft, indomg kïrban,
doch ook wel van mensehen, b.v. indoeng
Hang Toewah,
de moeder vnn H. T.
—, wijfje van dieren, dat reeds gujongd
of eieren gelegd beeft, bijang; vorste-
lijko —, bonda; de vorstelijke —, iboe
sicari;
do — van den Vorst, bonda
baginda;
van céne —, sa\'iboe; eene
—   hebben, beriboe; tot — hebben,
&P.rihoeka7i; aangenomen —, mak? ang-
kat;
vnn —s zijde, sabelah „nik.
moederkoeli, de placenta, temboeni.
moederkoren, niet in gebruik, doch
middel om het baren te bevorderen,
sèloesoh.
! moederborst, telek\' mak; soesoe iboe,
aan de —, dipangkoe mak; dipangkw
iboe,
d. i. op do schoot.
moederkwaal, pënjakil kandoeng, p.
pëpoedjoe, p. rahim.
moederliefde, kasih iboe.
moederlijk, van eene moeder, mak,
iboe,
b.v. —e liefde, kasih iboe. — hait.
hati iboe. —, van moederszijde, dart
sabélah
mak, dari sabelah iboe.
moederloos, tiada bëriboe.
moedermelk, ajar-soesoe mak, ajar-
soesoe iboe.
moedermond, banrmoedermond, moe-
loet kandoeng, moeloet rahim.
moedernaabt, telandjang boeg\'tl, telan-
djang boelat-boelat.
moedertaal, behasa asal.
moedertje, mak\'.
moedervreugd, kasoekadn iboe.
moederzegen» bërkat iboe.
moederzorg, tjinla iboe.
moedig, berani. — en dnpper, gagah
btrani, berani dan perkasa, prawira
përkasa.
—, trotsch als eene vecht-
haan, bangkas. —, vurig van paarden,
sëmbërani. als een haas, berani
latal,
d. i. vliegc-nmoed.
moedwil, angkaran. — plegen, mem-
boewat augkara, djahal dëngan sëhadjn
{sengadja).
—, ondeugendheid, nakal.
moedwillig, dïngan séhadja, dengan
angkara.
— op iemands rechten inbreuk
maken, angkara akan hak orang. —,
ondeugend, nakal.
moeheid, kalélahan, kajjettalan.
moei, zoowel van vaders als moeders
zijde, mama, ma, ma\'saoedara; Vorste-
lijke —, mamanda; vaders of moeders
oudere zuster, mak toeiva, gemeenzaam,
mak oawa. —, vaders ot\' moedors jon-
gcro zuster, mak- moeda, gemeenzaam.
mak oeda. —, vaders of moeders jongste
zuster, mak\' këfjil, mak bongsoe, mak\'
tjïfc.
—, moeders zuster, die in ouder-
dom onmiddelijk op moeder volgt, mak
saoedara salah mèndjadi,
salah
mëndjadi.
—, vaders of moeders mid-
delste zuster van drie brocdors en
zusters of van drie zusters, makltngah,
mak #!?<*&,
■*•# alang. —, vaderB of
moeders eenige zuster, mak1 taenggal.
—, jongere zuster van moeder ook bibi.
-ocr page 483-
moeien — moeten.                                          471
moeien; al ware er zelfs ons leven
mede gemoeid, djika dafang kapada
njatca patik sakalipon.
moeilijk, soesah, soekar, pajak, bïraf,
sik-sa, soe/it, mosjki/,
Ar. b.v. —, zwaar
vnn een werk, hel gaan, het zooken, iets
zeggen enz. pajak, soesah, sot\'kar.
wcik wordt ligt, kerdja jang soekar men-
djadi moedak.
—, lastig, soekar. — en
innewikkeld, soekar-soe/it. — maken,
mhijoekarkan; —e omstandigheden, kal
kasoekaran.
— om te beklimmen, soekar
dina\'tki;
verrichten van — werk, lig.
bertoeicil, d. i. een handspnak of koevoet
gebruiken. — te genaken van een pen-oun
of plaats, — te raden van een raadsel,
te begaan van een weg, j/W//.—e voor-
waarde, djandji jang of ra f; eene —e
verplichting, tanggoengan jang berat;
zich —, maken, toornig worden, djadi
n,arak ;
van Vorsten, moerka. — vallen,
lastig vallen, menjoesahkan (van soe-
sak);
kwellen, mtngganggoe, meiigoesik.
—  van begrip, stompzinnig, doengoe.
moeilijkheid, kasoesakan, kapajahan,
kasoekaran; in — zijn, kasoesakan,
kapajakan, kasoekaran.
— aan iemand
veroorzaken, menjoesakkan; zichzelven I
onnoodïg moeilijkbeden veroorzaken, ■
moeilijkheden zoeken, die niet bestaan,
ttada beban, menfjehari beban {b\'éban
een vracht in beide armen). —. ver-
hindering, die in den weg komt, gën~ \\
da/a;
zulk eene — in den weg leggen,
IU iemand of iets, mïnggëndalakan; >
ia moeilijkheden zijn, zich in eene .
moeilijke positie bevinden, djtrih.
moeite, die men met of voor iets heeft, ■
le/ah; zich — geven, bï-rle/ah; zich —
voor iets geven, mvlv/akkav, ook ber-
soesah-soesah akau;
zich — geven, 67r-
soesah;
doe geen —, maak het u niet
lastig, djangan bersoesak-sofsak. —,
ongemak, penat. —, last, zorg, soesah.
—   veroorzaken, menjoesakkan; in — i
zijn, kasoesakan. — doen voor iets
mëngoesakakan (van oesaha, inspan-
ning); zich — voor iets geven, mengoe-
sakakan dirivja.
—, moeilijkheid, kwel-
ling, sangsava. — aandoen, in dien zin,
nvènjangsarakan, nitnjoesahi; de —
waard zijn, ada goenanja, ada faidah-
nja;
de — nemen, voor iets dat beneden [
iemands waardigheid is, fig. bertjïmar j
kaki; in — rijn, kasoekaran. — voor j
niet doen, vergeefsche ■— doen, mem- \'
boetoang phiat, ki/ang penat, me\'mboe-
wang garam kadalam laoet, mengadoe
ajar dfngan garam.
moer, droesem, grondsop, ke/adak.
moeruH, pa/a. —land, ianah paja, raica,
Jav.; inuernssige grond, laag land,
broekland, ban/jak; zich door middel
van een van voren omgebogen plank
over eene moerns voortbewegen, mt-
nongkah
(van tongkah).
moeruttpnlm, nipak.
inoerttNmeer, danau.
moeruwvosel; e. s. v. —, boeroeng
kaki dïan.
moorbeaie, kertau, toet, Ar.
nioer bezie hl nd, daoen kertau; in
plaats vnn — en wordt door do zijde-
wormen e. s. v. binden gegeten, daoen
kabësa>-an
genaamd.
moerbezieboom, pokon kertau.
moerkonijn, indueng ktlinfji.
moerland, tanah paja.
moernnüel, rijpe kruidnagel, polong.
iiioeri>loe£*, zie ploeg*irhaaf>
moeit, gekookt van vruchten, b.v. van
bananen, broodvrucht, doerian enz.,
lempoek.
moe«<*roente, sajoer-sajoeran.
moenje, kleine, vleezige uitwas op de
huid, daging menempel.
moenkruid,sajoer; allerlei — en, sajoer-
sajoeran, sajoer\'/najoer.
—.klaarmaken,
mfnjajoer; iets tot — bereiden, menja-
joerkan.
moesson, moesim ,- de droge —, moesim
kemarau;
de regen—, moesim koedjan,
moesim bah ;
de heete —, moesim panas.
moestuin, kebon sajoer-sajoeran.
moet, indruk van iets, 6ekas.
moeten, patoet, maoe, karos, Aetrdak,
ta\'dapaf tiada, djangan tidak, ta\'kan
djangan,
b.v. hij moet sterven, patoif-
lah tja mati;
\'t moest wel, \'t kon niet
anders, patoef lab, karos/ah, b.v. haroslah
negarikoe a/ah,
mijn Rijk moest wel
veroverd worden. — geschieden, maoe,
hendak,
b v. djikalau soeka bSk?rdja
maoe/ah soedah d\'u/a/am saboelan,
als
men werken wil, dnn inoet het binnen
t\'éne maand af zijn; itii fiendak dipo-
tong dan Hoe Kindak dihiris-hiris,
dit
moet in stukken en dat in schijven
gesneden worden. — met nadruk, /«\'-
dapat ttada, takan djangan, b.v. ik
moet er been, ta\'dapaf tiada akoe
kasatia, ta\'kan djangan akoe kasana;
-ocr page 484-
472                                       mogelijk — mommelen.
mok, een ziekte van paarden, zwerende
punten, boeboel. Ook van inenschen, b.v.
kakhija boeboel, tërlaloe boeroefr roi\'pa-
nja,
hij had de mok aan de beenen en
zai[ er zeer afzichtelijk uit.
moker, godam., godam besar.
mokeren, menggodam.
tiujUiT-liiir, paloe godam.
mulilieltn, terdege kussen, keroemoes.
mokken, pruilen, mXrosing, mProengo, \'.
mokker, perosing, pXroengoet.
molipoot, kaki hoeboel.
mol, het dier, wondok, tikaes mondok,
dandam; tanygarlasan.
molen, waarin met rollen, walsen of
littgende cilinders gemalen wordt,pïng-
gilingan, kilangan,
b.v suiker—, pen,,-
gilingan ttboe.
—, waarin mei een
draaienden steen gemalen umin. Km-
ran. Ook van —s, waarin iets ander-
dun een steen draait, b.v. kisuran kal,-
wak,
koflicmolen. —tje, waai \'BH dfl
kinderen spelen, poesing aitgin; een
slag van den — Weg hebben, tattnyah
gila;
ook alleen sXIXngah bij verk.
molentinr, toekany pênggilingan, to,-
karig kisaran.
moleiinid, d/antéra pïng gilingan.
molensteen, bat of kisaran.
molentje, zie molen en klnp-
rnotentje.
mollen, in \'t geheim ombrengen, «/. -
nyïrdjakan (van k?rdja).
mollig, poezelig, tainborn, motifok, sinlal
van vrouwen ook denok, Uut.
molm, aboeir.
molmaobtlgi molniig, verteerd, van
hout, doek, ecu spijker cuz., rapoe/t.
mulmworm, boeboek,
■ nol-In: e. s. V. plant, waarvun dejongi:
bladen en uit>pruilsels veel op — ge-
lijkcn. pëtampoeng.
mot ukken. M\'aloëkoe; do Moluksch*
eilanden, poclart-puelaii Maloekoe.
mom, zie iniiHlter.
mommelen, iets in den mond heen en
weder bewegen, it/enyoeloem (van /\'<"\'-
loem). — met den mond dicht, kï.mani,
lierkémam;
iets op die wijze —,meny-
mam.
■—, met den mond doen alsol
men kauwt, mïnyanyoet (van anyoe/)-
— van lieden die geen tanden meci
hebben, niënyoenjah (van koenjak); o\\\'
iets —, zachtjes met de taudeloo/i-
kevcls drukken, mëngyonjfl, meng-
gonjfh.
gij moei geduld hebben, kendafrlak
Xngkau bersabar;
moet gij dun alle»
zeggen, paloetkak Xngkau mXngatakan
samoewavja
; hel inuei reeds negen uur
zijn, kXndaklak soedah poekoel san/bi-
lan;
hij moet omgebracht worden,
ta\'kan djangan ija diboenoek ; dat wei k
moet veel inspanning gekust hebben,
tXntotlak prktidjaun itve nuntii banjak
oesaka.
motreiyit, misschien, barangkafi, ka/au-
ka/au.
— is het zou, bet kon wel zoo
zijn, barangkali bagitoe, — is het door
hem niet te dingen, kalau-kalan tiada
tXrtanggoeng olihnja.
—, geval, andai,
bijgeval, tont, la\'andainja, sandainja,
andai-andainja.
—, kunnen, in staat
zijn, bvlih, dapat. —, wie Weet, Xntah,
b.v. uf het — goed zou zijn, tntak
pon buik;
zoo —, als het zijn kun,
muedah-moedahan; zooveel —, sabotiti-
boliknja, sadapat-dapa/iija ;
boe zou dut
— kunnen zijn, mana bidi/i, matia da-
puf, uiauakaa bid Ui, manakan dapat,
dimanakan bolih, dimanakan dapat;
hoe is het —, ada-atlanjakak en ada~
kah paioet ;
is het —! tanbat\'. uitroep
van verbazing. Ook astaga.\' uiet —,
tiada bofih, tiada dapal, uioestahil, Ar.
Zie onmogelijk.
moffen, bolth, da/jai\'; niet —, tiada
bolih, tiada dapal;
ruug ik je urn een
geneesmiddel verzoeken, bulihkah akof
meiainta ubal kapadnmoe.
—, uehuurt-n,
betamen, ptitoet, karos. b.v. gij mocht
u wel schamen, patoetlak ïngkau matoe,
tjih la\'maloe.
—, lusten, soeka mal,nu ;
moge, uui du wensebende wijze uit tu
drukken, apatah, baravy, kiranja, moega-
moega.
Zio de Grammatica. Om den
wensch uit te drukken dut iets niet zij
of geschiede, djangan apalah, djangan-
lak kiranja;
\'t mocht eens, \'t zou kun-
nen zijn, kalutt-kalaa, saolah-olnh; het
mug niet, wordt niet vcruurluuld, tiada
d/\'bëri, tiada diloeloeskau, tiada di-
idzhilcan, tiada bolih, Ira-bolUi;
\'t mocht
wnt dat gij zulks doen kundot, nta/npoe
itiykau dapat mXmboewai itoe.
mn-geluiheid, koewasa, pengoetuasaün.
—, Kijk, staat, karadjaan.
inohiim.-ii\'iluun, orang islam,
mobaininedannHch, islam. — wor-
den, masoek islam, — gemaakt wor-
den, di-isli\'nnkan.
muire, gewaterde stof, moeri, ka\'in mocri.
-ocr page 485-
478
mompelen — mooi.
mompelen, pruttelen, b\'érsoengoet-soe-
naoet,
ook komat-kamit,
monarch, jaug dipër toewan, soelfdn, Ar.
monarchie, soelfauat, Ar
mond, moeloet, in de meeste gevallen;
iets in den — huuden, mëngoeloem.
van eeno rivier, koewafa. —, krater
van een vulkaan, kaïcah. — van een
gieter uf spuit, tjorol; de hnnd zich
voor den — houden, b.v. om het
•chreeuwen of huilen te smoren, berte-
kap moeloel;
den — stoppen, tot zw ij-
gen brengen, mëngatoepkan moeloet (van
katoep), mëmbocuoeh perkataan orang;
den — stoppen met een doek, een prop
enz., mënjempalkan moeloet (van sempat-,
ergens den — insteken, mëmasoekkan
moe loet;
den — houden, iliam, bërdiam
dir\'tnja;
naar den — praten, mëmboe-
djoek;
den — roeren, bërbanjak per-
kataïin, beteter, banjak moeloet, moeloet
rampoes;
iemand in den — loopen,
toevallig ontmoeten, tiba-iiba bëetemoe
dëngan sa\'orang;
niet den — vol tan-
den slaan, tiada lerka/a-kala, tërkaloep
moeloel;
dat, waarvan ieder den — vol
heeft, waarvan ieder spicekt, isi moeloet;
den - altijd vol hehben van, tiada
lëpas daripada moeloet,
b.v. lamoen
ëngkau djoega bërkafa-kaia, jaug poe-
tëri iloe tiada lepas daripada moe/oet-
tnoe,
als jij maar spreekt heb je den
— altijd vol van prinsessen; met twee
•—en spreken, balik btlakang la\'in bi-
tjara, dimoeka la\'in dibëlakang la\'in,
lidah bértjabang, sapërti paraiig mata
doeioa;
een groote — moeloet bësar;
een brutale —, moeloel bërani, moeloet
kasar;
een vuile —, moeloet kotor;
bij —e van, dëngan lidah, dënyanlisdn,
Ar.; hij sprak bij —e van Ownr, bë-
Jirmd/i Ija atas lidah Omar.
mondbehoeften, rmmdvourrnad, bëkal,
jtërbëkalan.
—, inzonderheid voor cene
reis, ook djoewadah, Perz.
mondeling, bij monde, dëngan lidah,
dëngan lisdti,
Ar.
mondgat, lobang moeloel; ook alleen
moeloel.
mond gesprek, een — houden, bërkata
moeloet dëngan moeloel;
deftiger b.v. in
blieven, samboetan kalam, b.v. tor ver-
vnnginti van een —, akan djadi ganti
bhsamboetan kalam,
mondharmonica, gerindinq.
mondhoek, ekoer moeloet?
mondig, meerderjarig, akal baligr, Ar.
monding, eenor rivier, koewala,paloeng.
Het eerste zoowel voor de uit— in zee
als die van de eene rivier in de andere.
Ook landstreek bij de —. Zekere uit-
goslrektheid waters voor de — eener
rivier, moewara.
mondjesmaat, maar even genoeg, bër-
pada-pada,
zie bij genoeg.
mondklem, berkantjing gïgi.
mondkost = mondbehoeften.
mondkwaal, paiijakit moeloet.
i iniin I-lij m. lendir moeloet.
iiiondHpoeling, koemoeran, ajar koe-
mondstop, soembat kajoe.
mondstuk, van een kanon, moeloet
?narian>.
—, van blaasinstrumenten, dat
voor de Hppen gezet wordt, tjeper.—,
van blaasinstrumenten, dat in den mond
genomen wordt, pipit.
iiiomltroraineitje, ginggoeng.
mondvol, hap, soeicap; een — rijst,
sasoewap nasi. Ook samoeloei; b.v. wilde
nog een — eten, hendak makan sa-
moeloet lagi.
mond voorraad, pèrbekalan.
mondwater, gorgelwater, ajar koe moer.
monnik, inzonderheid christen—, rd/tib.
monnikkenwerk; — doen, vergeef-
sene moeite doen, mémboewang garam
kadalam laoel; mëmbandarkan ajar ka-
boekil.
monster, staal, matjam. —, gedrocht,
zie nld.; het — , dat, naar men gelooft,
bij eclipsen zon of maan inslikt of
tracht te verslinden, rahoe, Skr. slang
van reusachtige grootte. —, wreedunrd,
oraiig jang sangat b\'èngis.
monsterachtig; — groot, g\'éntala; een
—   giuote drunk, naga gèntala.
monsteren, memëriksa (van périfcsa).
monstering, pëmeriksaan.
monteeren, uitrusten, mélaiigkapkan.
—, ineonzetten, mèmasang (viuipasang),
—, inzetten van juweelen, immpërta-
tahkan.
monteering, van een soldaat,pakajan
foldadoe.
monteerkruit, obal pënggalak. Ook al-
leen penggalak.
monument, üldmat pë-ingatan, landa
tïldmat.
mooi, bagoes, elok, përmai, endah-endah.
—  van gelaat, elok paras, — van een
landschap, de stem enz., pèrmat; een
33
-ocr page 486-
474                                       mooiheid — morsen.
— huif, roemah bagoet; —e kleeren,
pakajan jang endah~endah. — van het
wede)-, /joetca/ja jang baïk, dat is wat
mouis, dat zou wat moois zijn (iioniekc
uit ioe]t), baik-ba\'ik bngors, btük-baik
bagoesuja;
ook alleen bniknja\'. zich
zeer — voor doen, ktti/ah. Zie ook
tra ui en lief,
mooihi\'icl, kaelokan, kabagoesan, kai\'n-
dabau.
mooipraton, berboewal moeloet manis.
mooiprater* moeloet manie,
moor, ne^er, vraag hitam, orang llabxji,
d. l. een Abvi-sinièr; belanda hitam, d. i.
een zwarte Hollander, de/e benaming
i- n|> Java algemeen. —, krue?haiigc
bewoner van ü. Guinea enz., orang
MSNM. —, bewoner van de kast van
koiouiandel, of van daar alkoni»tig,
orang kt/rug; de afstammelingen daar-
van op Java, kodjah (van liet Pent.
chodjah): de wijk der —en, in de stc-
den o[i Java, pëkodjan; bij de Maleiers,
LampOfng keling.
moord, pemboenoi\'han. — wet voorbe-
dachten rade, ma/i dtiigau disëhadja ;
woedende •—, amok, pe/igamnkan.
moordauiiHlns; —en tegen iemand
smeden, headok mengerdjalcan (van
kérdja), niiitjehadjakan malitija (van
se/i ad ja).
moorden, viëmboenoeh; woedend of ra-
zend —, ui\'engamuk; hetzelfde onderling,
bërautukamukati; met een duik onder
een menigte, mëngarau.
moordennnr, pemboenoeh ; razende —,
penyainok, orai>g mëngaiiiok.
ïuiMii 11< i\'ii, ptiigaéiioican.
uioordyeroci», /arejak amok.
nuninl^i-piin, safakat orang pembtte-
uoeh.
moordlust, sceka memboenoeh.
HEOordarpelonfe» go/ia wang pïmboe-
noch.
iKoordtooncel, fimpai pemloeuoehan.
nioorcnhuid, tanab oiang llab.\\ji.
inoorscli, uil Muon-nland, llubsiï. —,
vuu de kut van Roroinaiidel, heling.
—, ArabUcb, b.». van gebouwen, </*•«£/.
mout, huis, po/ong, pengaal.
mop, gebakken metselsteen, baloe ba/a.
uopaeaSi kidoeng pipi/i; oigenl. cc»
platte neus.
mopperen» pruttelen, bersoet/gocl-aoe-
«gout.
—, pruilen, m n-adjoek, mërotittg, .
mëforgsuig, mcroenguet.
mor nul, zie toepassing.
morden, ochtendstond, pagi, pagi-hari,
vroeg in den —, pagi-pagi; den gnn-
seben —, xapagiaa; des —s, pad,\'
pagi-hari, dari pagi;
des ■—s om lu
ure, paiuts bari; des —- om U me,
teugah ndtk. /olih lènggala morda; d.-
 8 om 11 ure, /o/i/t /enggala toeten;
goeden —, sali\'diiat pagi; van —, pagi
ini, pagi liari tui;
van den — tot den
avond, dari pagi santpai ptlang, dart
pagi bari da/aug petung.
—, zie ook
dun e rund en aanbreken.
mortjeii, de dag van —, esoek, esoek
hart.
—ochtend, esoek pagi, pagi esoek.
 u v o u d, mala m esoek, esoek mala » .
pe/aug esoek, esoek petaug. Zie het oa-
deiseheid tusseben petaug en malam h j
avond. — den dag. esoek barilah.
morden, zekeie landmaat, arloeng, r<-
loeiiy; o[> Java ba/tor. Zit: bij in uut.
mor<>t*nlmd, niaui/i pagi.
mory^-nbeurt, gi/iran pagi.
mori;(\'iidiiiiw, ëmboeu pagi.
niorgendrunU, minoeman pagi.
mor«;eii<\'teii, makan pagi.
mortïfii«tdted; het eerste—, sëinbal--
jang xoi fioeh,
inor«enf;ewaa<l, der KuropeuiiCU in
Indio, xaro/\'uy dan kabaja.
iiniiv.\',i\'niil:ins, tedja.
inorgci>jiii)on, kabaja.
morgenland, /m/ah aiaxjrik; het — en
avondland, latiab masjrik" dan mêtfib-
morj*«-nli<dit, teraug pagi; het MM*
breken van hel —, fadjar, Ar. d\'tui
bari, fadjar wt/èkah.
morjieiuniddny:, esoek tëttgah hari.
mortienoehtend, esoek pagi, pagi
esoek.
moraonoller, korbdn pada pagi hai ■
niorut\'iirood, im-rah J\'at/jar.
muiv.ciiM\'licmfi\'inu.      sandjakah\'
tikr. teraug tanah.
moryeiiKler, de —, bin/ang timorr.
bti/fang pengandjoer, biu/ang babi, bt.t-
tang kadjura, znhrat. Ar.
inorueiiMtond, p"\'Jh p<\'</i hart.
morisonuur, icak/ur pagi hart.
niorueuwuelit, ka wal pada pagi hut\'
morren, pruttelen, bersoe/ngoel-suengoel
klagend —, b.v. over liet noodlot o:
slechte bejegening, më/idajoe.
niorsduui i, nia/i mawpoes.
morseboli përampoetcan kotor.
moi\'NCii, vuilmaken, muigotorkau, uien-
-ocr page 487-
175
ïn.irsiu — rauitziek.
tjemarkan. —, storten, meuoempaJtkan
(van toe ai pak).
morsig, kotor, tjtmar. — waken, me-
ngoturkan, men\'jeaiar/,an.
morsigheid, kakotvran, ka/jematau.
tnurs])üt, urauij kotor.
uiurlt\'1, ceuicnt, ptrekat.
mortel; te — slum), mtmaloe sampai han-
tjoer locloeh, m\'enghanljoer-loelocAkan.
mortier, kuit stuk geschut voor hel
Werpen vim bommen, pirioej? api, to-
moity, marie in tombong.
morzel, pelja/.an; to — slaan, zie bij
mortel,
morzelen, zie vermorzelen,
mot*, loemoet. —, dut in putten, vijvers
enï. groeit, hidjau-hidjaa; door —
bezet worden, dtAtnggap uli/t loeuioet.
moNMshtigf sarofpa Uitmoet,
iiioslti\'t\', masdjid. Ar. de beiligo — te
Mekka, masdjidoe \'lAaram; de beroemde
— ia Cairo tuet eene acudeniic, at/nas-
dj\'tdue \'lazAar, teller!, de schilleicnde —.
iiiuslteelit\'iuabte, peyatcai masdjid,
dit /ij 11 : de mmn, rhatib, btlal en
nodja ; de laatste zorgt vuur bet schoou-
liouden en het slaan op de bedoek.
mowkeetoren, meaaraA, Ar.
iioskiih\'ii, njamuek ; eene zeer kleine
soort vnn —, agas.
u.issi\'1: /ontwater—, korpany; platte,
breede —, kepah; mosseltje met zeer
schoon,bruin [marsene,gevlamde settelt),
remi*; iu.\'omuukte — en van dio soort,
remis asam, pekasam remis; nnderc
soorten van zoutwaler—s zijn: sintiuy
M kidjing.
mossel «el 1 cl p, koetil korpang, enz.
moMsi^, beeloeuioet.
uo-it\'i\'il, de plaut, sawi-satci; op Java
tèsaici; het zaad, bidji miei: do door
de Kuropeauen gebruikte toebereide —,
moster, moestardi,
mot; de—, het \'u\\i>ct:\\, gegat,ni/\'enyèt, Jav.-,
door de — afgebeten, kuul, békas g\'égat.
motregen, Aoedjan rintïk-rintik, hoe-
djaa rennjai, Aoedjan boenoet
; Aoedjan
gerimis,
Jav.
motregen,**!»* ada Aoedjan rintik-rintik,
a. A. yeriatts.
mottig, door de mot beschadigd, dima-
itui yeyat.
—, vau de kinderziekte ge-
sehondüii, boert]?, lj\'erelja.1:, b\'èrparoet
kaloemboeAan;
erg —, hopeny.
motto, opschrift, iiltimat, Ar.
mouelie, zie moe*Je.
mousseline, zeer llju wil katoen, kaïn
kasa, ka\'i/t c/tasaA, Ar. kam moeset\'tn.
utoustacUe, zie knevel.
mouw, arm van een kleed, Ivngatt; de
— van een baadje, lenyatt badjue; er
geen — uau weten te passen, tiada
dapat meagoepajakan dia;
iemand wat
o|i de — spelden, me.uperdajakait orang;
het uehler de — hebben, tjeredif?; dat
is eene gemaakte —, een voorwendsel,
itonlah dalth s\'e/uu/ja; de aap Itpiut uit
do —, itjatatith pe/.er f in ja, ujatalah fa-
b\'iatnja;
iels uit de — schudden, mem-
boetcat barang aasoealoe de/tgan mue-
daAttja;
de handen uit de — steken,
btkerdja deagatt radjiu.
uiozaïli, paatja-warna.
DIOIM, de proleet, »ahi Moesa.
uittil, Hti kop ; hiermede eeuigszius ovor-
uenkomende is het pi koel, vun 125 Am.-;.
U\' ot\' 1UU kuti.
unit", vunzig, apak-. — wolden, mem ja-
pak.
—, bedorven, bast, berbaoe mui,
muilen, stinken, berbaoe boesoek, her-
haae basi.
mug, iijainoefc; kleine — of muskiet,
die Vinnig steekt, ayas-agas, reugit.
muggeliret, giyit njanwefc; bekasyigit
ujamoeiy.
muggendrek, tahi njamuek.
muggengegons, detigoeug njamoek-.
muggeiizilteu, laembelah ramboel.
tuiiggenzitter, pembelah ramboel.
muil, zie muilezel,
muil, bek, moeloet.
muil, slot\', tje/icla.
muilbrtnd, voor dieren, sengkang.
m uil builden, meujeiiykang.
muilezel, bagral, Ar.
muilezelin, bagral letina.
muilpeer, teatprteng, tampar.
muilziidel, petaua bagral.
muis, vun de hund, Aalt tatigaa, boe-
tcu/t tangan, djantoeug tattgan.
muÏH, het dier, tikoes; veld—, tikoes
padi;
kleine witte —, tikoes poel i/t;
met man en — vergaan, karaat dèagau
seyala ai\'jaknja, leuyyelam deitgan segata
isinja.
nuiix^rauw, wama tikoes, k\'elaboc-,
muisjes, suikerbakkerswerk, goela
moetia.
m M i l elin.", orany doerhaka.
muiten, wëndoerAaktt.
mutlerü, doerAuka.
muitziek, soeka maidoerAaka.
-ocr page 488-
470
inuizedrek — na.
muizc<lrok, muizekeutol, tahi tikoes.
muizen, niénangkap tikoes (vnn tangkap),
mniM«ngat| lobang tikoes.
muizenlmnr, boeloe tikoes.
muizenkeutel, talii tikoes.
muizennpMl, sarang tikoes.
muizen vul, perungkap tikoes.
mul, van narde, zand, gemboer. — ma-
ken, m\'enggrmboer.
mummie, moeuiia, Ar. en 1\'erz.
munt, geld, oeicang; klinkende—,mafa
oeicang.
munt, het welriekende kruid, pokofrasa,
wilam
—, nagel kruid, roekoe-roekoe.
munt biljet, karttis oeicang.
munten, minimpa oeicang (van tempa).
munten, hel o[> iel? toeleggen, niënjeha-
djakan;
op het leven vnn iem. gemunt
hebben, mènjéhadjakan mafivja; het on
iem. gemunt hebben, wrok koesteren,
mënaroh dengki akan sa\'orang.
muren, van een inuur voorzien, me/na.\'
gari,
(van pagar), m\'emagari dingan
batoe.
murmureeren» birsoengoet-soengoet.
— t C£t* n, bersoengoet-soengoel akan,
bëisoeiigoel-soengoetkan.
iiiuriuureerinsï» soengoet, persoengoc-
tan.
murw, goed rijp van vruchten, ranoem.
—, acht, lemboel.
murwen, metimboetkan.
murwpüi». toelang jatig bërsoemsoem.
motob ; do alireuieene naam voor niusch-
achl ige vogels is boeroeng pi pit; do uit
Europa ingevoerde —, boeroeng gredja,
d. i. Verkvogel; e. s. v. —, boeroeng
tjoetjoer.
uiUMCuni, ïldjaïb chanah, Verz. lctt.
plaats Voor wondere d in jen.
iimrtiili pa/a.
musknutbluem, foeli, boenga pala.
xiiu&Utt.i*.tUoomt pokok pa/a.po/ion pa/a.
iiinsKiiiill.ni.T, wivjak pala.
uin-.ltuu\', noot, boewah pala.
muskel, pavgsa,
muskei, lontgewccr, is/inggar, setiuggar
(Puit. espingnrda).
muskiet, njamoek.
mnshuH, civet, kastoeiï, dcdes, dfibat;
van — voorzien zijn, zooals het dier,
cd — gebruiken, van den mensen, Hf
kas/oerit bérdedes, bërdjebat.
—, die als
reukwerk en als gcieesmiddel wordt
gebruikt, tempaoes.
niusliuiblaa*, poendi\'poendi kastoeri.
j iiiii-ltusl.loem, boenga kastoeri.
munhusdier, de civetkat, moesany
djebat, ras<\\ Jav.; eene soort daarvan.
tènggaloeng.
muakufthert, kidjang kastoeri; soort
van —, napoen.
: munhuKhnt, moesang djèbat.
inuNhuiplnnt, pokok kastoeri.
muskusrat, tikoes kastoeri, tikoes toert.
muskusreuk, baoe kastoeri.
mushuszali; die zich nabij den navel
van het mannetje van het mubkusdiei
bevindt, indoeng kastoeri.
muts, slaapmuts, karpoes. - — van rood
laken met een kwast, do zoogenaamde
fez der Turken, farboesj, Ar. kopijah ,
hooge spitse —, sigara. —, gomnakt
vnn een ineengedinuide doek, tengko/ok.
mutsaard, brandstapel, panijaka.
muur, pag.ir fembok, pagar batoe; ook
alleen temb»k. —, wal van ecno vesting,
deicaia.
inuiirt>etlekkiii<*, in de bouwkunde.
toeloep tiang, larian tikoes.
muurlmï-edis, tjefjak.
muurkandelnur, muurlamp, tandjoi.
muiirAiilpetf\'r, ssndatca.
muzelman, moslim, Ar.
muziek; de geznmenlijke mu/iekinstm-
uicnten, sega/a boenji-boeujian; met
volle —, dengan berbagai-bagai boenji-
boenjian; op — zetten, nielagoekan.
I muzieknnt, de man, dio op do inland-
sehe muziekbekkon» slaat, pandjafc.
muizehboek, soerat lugoe.
muziekinstrument; een volledig stel
Javaanscln- —en, game/an. Hiervan dr;i-
gen de dcelcn elk zijn bijzondcien naam.
—en die geslngen worden, poekoelan.
taboehan; de —en met snaren, dit
getokkeld worden, zijn : do saront tje/\'em-
poeug en së/oekat.
myrrhe, moer. Ar.
| mlrtlie, as, Ar.
N.
I ii. n. nomen neseio, non nouiinandus.
anoe, st-anoe.
nu, nabij, hampir, dekat; van betrekkin-
gen, vrienden enz. ook karib. Ar.
na, in tijdsbepalingen, la/oe, /epos, ook
habis, b.v. habis esoefr datang /ceso.,
— morgen komt overmorecn, b.v. —
tweeën, poekoel doetca la/oe. — mid-
dernacht, la/oe daripada t\'eagah ma/am ;
-ocr page 489-
naad — nanld.
177
—    den middag, tengah hari /aloë. — I
drie dagen, fëpas tiga hari. — ziju i
vertrek, sapëninggalnja; do een — den
ander, sa\'orang U-pas sa\'orang, sa\'orang \\
dimt sa\'i rat/g;
bet eeno weik — het
andere, lepas satae-saloe pëkerdjaavnja;
onverwijld - , onmiddelijk —, lantas.
—, achter, dibetakang, këmoedian, b.v.
hij komt — mij, tja datang dibetakang
akoe, \'tja datatig këmoedian dart padakoe.
—  elkander, achter elkander van per-
sonen, die gaan, berboenloet, bëriring;
van personen diu komen en van zaken,
berto-roet-tocroet, bèroelang-oelang. — i
een jaar, këmoedian daripada safoe
tahoen, lepas tatoe tahoe».
— de/en,
këmoedian daripada ini; op drie guldon
—, koerang tïga roeptak; op écn —,
koerang saioe, koerang asa, këtjoewali
tatoe, mëtainkan tatoe;
Ie — kumen,
beleedigcn, zie ald.; op verre —, bij
lnngo —, djaveh sakali, lagi koerang :
ban jak; op weinig —, koerang sëdikit, <
hampiï-hamp\'tr, Hjaris.
iiiiiid, van naaiwerk, djahitan; een —
lostornen, merel as djahitan; een overs-
handsebe —, lilif oebi; de naden tus-
schen planken, tjtlahan papan; tnuchen
du deksplanken, dio mei werk en pik
worden gevuld, loet-ik; open naden
hebben, in hoogc male lek zijn van
een vaartuig, gëla; oen kleed zonder
—, kaïn (of badjoe, enz.), jong Hada
djahitan.
naai, van een rad, lengkar.
ruiuijL^nt, lohaiig lengkar.
naiiidoos, tem pat perkakas mendjahit\',
tem pal pendjahitan.
naait-il, mendjahit; twee naden plat op
elkander —, mendjahit tindih kasih;
twee naden boven aan elkander rond —, ,
mendjahit HUI oebi; over \'s hunds —,
mendjah/t sabëravy .toengai; twee stuk-
ken met tle lange zijde aan elkander - ,
b.v. een tafel- of bcddelakon enz., ftlftta-
kak (van tukak). — zoodat de kleinen,
■treepen ot\' bloemen van het doek behoor*
lijk overeenkomen, mendjahit dèngan
ditëinoekan Ijurak-tjoraknja;
met een
los.-e stiksteck —, mendjahit bërkia; met
een gewone rijgsteek—, mendjahit djëloe\' j
djoer. —,zie ook slikkenen i\'üi»eii.
naaiixaren, benang, benang pëndjahit,
laaihal tuil, benang kapas.
nmvikistje, ptti pendjahitan.
iiiuiikitsscii, bant at djaroem pëiiili.
naaimachine, pësawat mendjahit, djan-
téra mendjahit.
nnuimand, ranfatig pendjahitan.
ïiauimeinje, boedak jang beladjar men-
djahit.
naainaald, djaroem mendjahit.
naaischool, tem pat beladjar mendjahit.
naai-.fl. djahitan.
naaister, toekang mendjahit.
naaiwerk, barang-barang djahitan, pë-
kerdjaiin toekang mendjahit;
allerlei —
verrichten, djahit-mëndjahit.
naaiwinke\', kedai toekang mendjahit.
naaizüdf*, benang soetëra.
naakt, telandjang. — zijn, zich — bc*
vinden, in den toestand van — zijn,
bërtëlandjang; moeder—, telandjang
boegil.
— maken, itienelandjangkan.
en blout, telandjang dan terboeka, b.v.
alle dingen liggen — en bloot voar
God, segala përkara telandjang dan ter-
boeku dihadapan Allah.
Zie ook bij
ln.id; iemand— uitschudden, menang-
galkau segala pukajannja.
—, niet be-
bouwd van een land, tandoes, landas;
cene —e vlakte, padang tandoes; do
—e waarheid, bënar belaka.
naakte, orang telandjang.
naaktelijk, dtngan telandjang, b\'érte~
land jaag.
naaktheid, katelandjangan. —, do
schaamdeelen, kamato/>wan, aurat, Ar.;
hij heeft niets om zijne — te bedek-
ken, safoe pon Hada padatt/a akati më-
noetoepi katelandjanyannja.
—, armoede,
kapapaiin, kakoerangan.
naald, djaroem; zij worden bij bilah
geteld, b.v. één —, sabilah djaroem,
drie —en, liga bilah djaroem; naai—,
djaroem pëndjahit; zeil—, djaroem
lajar;
stop—, djaroem pëndjëroemat.
—   cu draad, djaroem dan kelindan.
—    of pen om netten op te breien,
tjüban; de diaud op dio — brengen,
mêntjoban; eeuo — met nitgescheurd
oog, onder cenige nieuwe—eo, djaroem
bilang,
wordt als tooveriuiddel gebezigd.
—  van een kompas, djaroem pedantan.
van een evenaar, mata naratja, djaroem
nas at ja.
Niet mata datjing, want dat
zijn de oogjes, sterretjes ol\' streepjes op
cene Cbineesche unster, die het aantal
katics aanwijzen; het oog vnn eene—,
lobang djaroem, bet gat door cene —
geprikt, Hang djaroem. —, zuil, tiang
Ulam al
; graf—, nisjd/t, Perl. zie uld.
-ocr page 490-
47s
naaldboom — naar.
nnnldbooin, de cnsuarino, pokoft éroe,
pohfl» tjfinara, Jav.
nanldcltop, kapala djaroem.
nanldendoow, ttmpaf djaroem.
iiiiiildi\'iilnil.ci\' m naai Icin lo.is.
luisililcnh u*.-en, havtal djaroem, ban-
tal pniifi.
nnnhlcnooQ, lobang djaroem.
naalden we rit. kant werk, kèrairang;
niet groote openingen, grof, krraicang
pahat.
Zie ook borduurwerk,
naald i»rnw, panicum col on ii m, roem-
poel koeja-koi\'Sa.
nnam, tiama, Skr, ism. Ar.: vóór—,
nama batang toeborh ; ijeboorte—, nama
dat/ing,
ter onderscheiding vnn fff/ar,
don titel; cen — hebben, genaamd
zijn, b\'rrnama<; cen — geven, mhtama-
kan, mcuamai;
vnn den/elfden —, M-
nama; vnn gelijken —, mm nama ;
zijn eigen —, nama toebuehnja : een
beroemde —, vama jang tirnmxjhoeï;
een vnl-elie —, nama jang ditjaeri;
naar den — vnn, m\'enoeroet vama, b.v.
cen — ge\\en naar den — van zijn
vader, mimUri nama (of wTnamatën)
menoerort vama hnpanja;
een goede — .
nama jang batk; een slechte —, nama
jang djahat, nama jong k\'edji;
een
slechten — krijgen, herolih nama dja-
haf, brrol\'th nama jang /r/a;
zijn —
te schande maken, te grabbelen gooien,
onteeren, mi-mboeieargkan vama; op een
anders —, d. W. z. zonder zijne voor-
kenau, iets zeggen of doen, met slechte
bedoeling van iemands — gebruik ma-
ken, mrndjoetcal nama. Zie minltrui*
ken; den -- van iets bobben, maar
het eigenlijk niet zijn, mengambH nama ;
van —, beroemd, teraama, kanamaiin.
b.v. ito-lah orang jang fêrnama, sambi/an
orang,
dat waren mannen vnn —, negen
In getal ; moka kabanjekan daripadanja
itoe orang jang kanamaiin,
de lneeslen :
hunner waren mnnnen vnn —; in den
— van iemand1, atas vama; in den —
Gods, bixmi\'l/ahi, Ar.; een — Weer in
gedachtenis brengen, doen herleven,
mhrimb\'—fkan nama; iemand» — noc-
Uien, tn?»j~ebort nama orang; den —
d 1a2e.11, den — feebben vnn, m\'enang-
goeng nama, dikatakan, d\'in-boeI;
in —
des Koning*, dtugan /i/a/t baginda,
demi tilab Jang dipvrtocwan;
slecht? in
—, vama se/tadja, pakai nama s\'ehadja;
boe is uw —, siapa namamoe; wat ia \'
de — van dit ding, h\'évda int apa
namanja
; zijn — veranderen, m\'engo-
bahkan namanja, herioekar vamanja.
nnumgpnoot, sanama,
naamlijst, da ff ar nama-nama.
nnamloos, tiada bh\'nama, tiada nn-
manja.
—, van geen onderteekening
voorzien, dada pakaï tanda tangan,
tiada berfanda tangan.
nnnnirol = naamlijst.
nnamürernndering, pero\'jahan name,
p\'-rfofkaran nama.
nanmteehening, fanda tangan, tapai-
tangan.
nnnniwoord, nama, ka/a nama; de
— en. nama-nama.
imiipen, navolgen van hetgeen cen an-
der zegt of vervaardigt, miniroe (vnn
tiroe), mengadjok; alles van iemand - ,
zekere zenuwachtige gesteldheid bij
sommige vrouwen, waarbij zij anderen
op eene zotte wijze nlles nnzeggen en
nadoen, en daarbij uillh\'ppcn wat haai
maar vour den mond komt, mflatah.
naiiper, p?,tgadjok, peradjok.
naar, Vuorz. ka, kapada, het eerste vvordl
nooit, het tweede altijd voor de namen
van personen, de voorn aam woorden,
levende voorwerpen oi\'getnllen gebezigd.
Zie du Gruminnticn. —, ka verbindt
zich met de volgende üijw. ka atas,
boven; kabawaft, — beneden; kahada-
pan,
- voren ; kabelakang, — achteren :
kadaium, — binnen; ka/orivar, — bui-
ten; kasunti, daarheen : kamari, bier-
heen ; kakanan, — rechts; kakiri,
Hnks: ka 1,1.1 na. waar heen. —, som?
ook alleen pada, b.v. — mijne meeninz,
pada xavgkakor. —zijne gedachte, pada
kapikirannja.
—, soms ook lanfa-t ka,
of lalne ka, b.v. van rechts — links.
dari kanan lautax kakiri, ilari kanaii
la fut\' kakiri.
— den nnam, nwnoeroel
vama, mfaigikoët nama,
— hunne ban-
delingen, sairdar perboeicafannja.
zijn vermogen of stunt, il/a kcdarvja.
Ar. — omstandigheden, al* koeUi hal,
Ar. — huis, poelang, poe/aug karoemah.
—. overeenkomstig, xatordjun. — zijne
woorden, sa/oedjoe datgan katanja, ook
mïnorroel kttfanja. — mijn wcn?ch,*<(-
toedjoe dengan kahendakkoe. — toe,
wordt dikwerf niel door een Voorzetsel,
maar door een Werkw. uitgedrukt, b.v.
— iemand toegaan, ptrgi m\'endapatkav
sa\'orang,
— het gebergte vluebten, fari
-ocr page 491-
470
naar — nabrengen.
menoedjoe goenoei/y ; een weinig—den
kant gaan, menepi sëd/kit (van të.pi).
—  zco nanboudon, viëlaoet. — het land
aanhouden, mendarat. — recbtl uit-
wijken, mènyanan. — links uitwijken,
mëngiri. — boven, rivioropwaarts gaan,
moedijr. — beneden, rivierafwaarts gaan,
milir. — den Vorst paan, pë/gi meng-
liadap radja.
—, aangaande, betreffende,
akav, b.v. vragen — de zaak, bértanja
akan përkara itae;
soms is akan met
hut YYorkw. samcngel rukken, b.v. —
tijding vingen, her tan} ttkan chahar,
gelang, sakedar, sakira-k\'tra, b.v. —
gelang der omstandigheden, sakedar
seyala lialal/oealnja. — ieders voi\'lliu-
gen, sakedar mating-was ingnja. — wei-
gevallen, sëbayaimava soeka, sëbayai-
inana kahëndak.
— men zegt, sapvrfi
kata urang.
nuar, akelig, enz. Zie de Bijv. nw. dm
daarvoor in de plaats kunnen gebezigd
worden.
naardien, tëyal, sëdany, sëbab.
naarffeeatiit, bedrukt, sedoe, tëndoe;
heel — , Ui sedoe-sedoe.
naarmate, sak\'edar; ouk — van.
nuarMtij», radjin. — werken, bëkërdja
denyan radjin.
imarstiislül*. dengan radjin.
n uur mi igheid, karadjinan, uesalta, idjt-i-
had,
Ar.
naast, dichtbij, dëkaf, hampir. —, Ier
zijde van, pada sis/, disisi.— elkander,
bërsisi. —, nevens- elkander, van zitten,
sand\'mg; vlak — elkander of tegen
elkander aan, van vaartuigen, dempok;
van zitten, don/pak; van velen vlak
—  elkander zitten, doedoek beidompak-
douipak;
ook berdemp\'/l; vlak —, ook
si/np/t (sitmentr. van sa en hi/npit), b.v.
di/naka/nkannja djinazatnja sim pit de-
nyan mëntoewanja,
zij hegroeven zijn
lijk vlak naast tfijn schoonvader. —
elkander staan, berdiri ta\'orang disisi
sa\'orany;
allen stonden — elkander,
masing-masit/y berdiri disisi ié/naunja.
—   God, de/toeloe Allah, d. i. eerst God.
b.v. — God den allerhoogste bobt gij
mij het leven geschonken, dëhoeloe Allah
taöla, kë/noedian t oe wan lah jang it/enyhi-
doepkan sëhaja.
iiiiusi, kortst, meest nabij, terdèkal; de
—o weg, djalan jat/g ter dëkaf; mijn
—e buurman, orany takampoengkoe jany
ter dekal;
de—e bloedverwanten, sanak
saoedara jang térdëkat. —, aanstaande,
jang datavy in/, b.v. do —e week,
djoemaat jang d^tany ini; de —oprijs,
poetoes harya, harya mati; den —on
prijs bepalen, bilang mati harga ,■ do
— o tut iets zijn, het meeste recht op
iets hebbon, jai/g terbesar haknja; ten
— e bij, sakira-k/ra, sa\'akan-akan, scdi-
kil lebih koerang.
naaste, evenmensch, sa/na wanoesia;
uw —, samamoe manoesia.
naasten, eigenen, mengambil akan di-
rinja.
—, lossen, mëueboes.
nnastitt-lesen, jang tërdëkal tèmpatnja.
uanstlioinend, eerstkomend, jang da-
tang ini,
nabauwen, mënyadjoek-atljoek,
nabauwrr, penyadjoek-adjoek.
naberouw, sesal ke/nondian, b.v. sésal
dehot\'loe ada pendapatanxja, sësal kémoe-
dian saloepoH tiada yo--nai/ja,
beruinv
vooraf heelt zijn nut, berouw daarna
is lol nieis nut, Sprw.
nabestaande, sanak, ihesanak; nabe-
Staanden, sanak\'saoedara, kau/n-koela-
tcarya.
— van moeders zijde, doesanak
kandoeny.
il a bidden, •ini/yirit/ykan së/nbahjai/y
dibetakany.
■ mini- dekal, hampir. — komen, tot iels
naderen, niënyliamp\'/ri, b.v. — de stad
komen, uiënghampiri nëgari.— brengen,
voeren, mëngha/npirkon, mëndëkatkan;
die stad ligt — dn zee, nëgari Hoe
btrhampiran denyan laoet.
— zijn, b.v.
iemand — zijn in of bij het een of
ander, inënjertdi (van sërta), b.v. om
mij — te zijn in dat werk, akan me-
nJKïtdi akoe atas pëkërdjaan Hoe.
nab\\jtïele^en, bërhampiran denyan, bei\'-
dekatan denyan;
vlak —, berdamp\'tng
dengan.
nabijheid, dekal, Hampir; in elkanders
—  blijven, berdekal-dekat denyan; steeds
in iemunds — zijn, berdampiny dengan
sa\'oratig,
nab|j komend, kampir-hampir sama,
sa\'akan-aka?/.
nablüven, zie achterblijven.
nabootsen, mëairoe (Van liror).—, van
iem.. om hem belaehelnk te maken, me-
ngadjoek-adjoek ;
zie ouk nabauwen.
nabootutin&r, peniroetcan; dat wat eene
—  is, liroetcan.
nahrensen, tnëmbawa dari bëlakang,
më/abaica këmoedian.
-ocr page 492-
480                                        naburig — nachtwerk.
jagers of onder struiken van wild.
bormboetl.
iiucht lucht, Aaica\' malam.
nachtmuul, ptrdjamoetcan malam.
iim-htinmiUbcliiT, piala perdjamoi--
tca/i malam.
nacht maal «brood, rotiperdjamoetcan
malam.
nachtmerrie, helavg malam, iaboes,
ook katitulihan; de — Lebben, kuda-
tangan helang malam.
michtpoMt, kaïcal pada malam.
nacht run 1\', burrurtig sueicaugi.
nachtrein, /letdjalauan pada malam.
nachtrondc, sambaug.
nachtrust, luloer pada malam.
nachtKchade, do sierplant isolnnum
melongonu), t\'eroevg. Soorten zijn: ft-
roeng pueti/i, t. uengoe, t. p\'èrat,t.asam,
t. pipit
en t. kematt. Du vruchten wor-
den gekookt en gebakken gegeten.
nachtschoone, de jalappe, boenga/,<v-
kwl em/.af,
nnchl schot, bornji mar\'tam poekocl
durlapan malam.
nnehtaein, liihtsein op schepen, soewar;
een — geven, memben tottwar.
Dnchtslott koenlji jat/g dipoetar doev.ui
kali, koenlji malam.
nacht**i»ie«el, waterpot, uiangko/]: ken-
tjing, maugkvk pongguk".
nachlspooli, ha.itaf malam, tueicangi,
helang malam.
naclitctoel, btril, op .\'ii\'.ji.
nacht uil, boeroeng batilof, belang hantoe,
belang suvteit, belang malam.
Zie ook
bij uil.
nacht verblijf, tempat bèrmalam.
nachtvlinder, kaper, Jav.; e. 8. v.
grootcu —, kelembak.
nachtvogel, die een geluid maakt
alsof uien lijnwaad srheuit en die als
aankondiger van den dood wordt bc-
schouw d, boeroeng set jank- kaf\'av. —,
die een weemoedig klugcnd geluid voorl-
brengt, boeroeng pongguk, ook bijgr-
naamd sir indut: butlan, om dut bet i>
ulsof hij naar de opkomst der muan
verlangt. —, zie uil.
nnchtwnali, —wake, wak toe djaga
pada malam.
nachtwacht, kaïval pada malam ; rond-
gaunde —, sambang.
nnchtwiuidelcn, mengigaii, eigen I.
benauwd en hardop droomen.
nachtwerh, pekerdjaim pada malam
naburig, dekat, hampir.
Diibuur, orang salangga, orang sakam-
poeug.
nacht, mahim; ook --van den dag, die
er op volgt, b.v. malam semtt, de —
of avond voor Maandag, d. i. Zondag-
avond enz. \'é—s, malam hari; van—,
gcpasseciden —, malam tai/i; nan-
kooicnde —, malam \'mi; den ganï-chen
—, samalamau ; den — over, ot" door,
samalam-mnlaman; toen het — WU
geworden, satelah hari malam , stikdon-
kere —, malam boela; het begin van
den —, Itja\' Ar. het gebed bij bet begin
van den —, sembahjang \'txja\'; den —
ergens dooi brengen, bèrmalam; één
enkelen — bij iemand doorbrengen,
mendjolok- malam; dag en —, sljang
malam;
een dag en —, etmnnl, sa/iari
samalam;
diep in den —, djauek ma-
lam;
midder—, tengah malam; door
den — overvallen wolden, kadatangan
malam.
nncbtblocm, een welriekende bloem
(polyanthes tubeiosn), bomiya sotndal
malam, boevga s\'edap malam.
nachtbraken, bckvrdja pada icakloi-
malam.
nachtdier, penljoeri pada malam, mu-
ling,
Jnv.
niwhtdieiiHt, pekerdjaan malam.
nachtduivel, hantoe malam, toftcangi,
nachtegaal; e. e. v. —, boeromg boel-
borl,
Pers.
nachtelijk* malam. — uur, icaktur
malam. --
duister, gelap malam. —,
des nachts, pada malam.
nachtrust, djamoe jaag bèrmalam.
nacht jjeinicht, yen/par pada malam,
gadorh pada malam.
nachtgewaad, voornamelijk van de
Kuiopeancn en hunne afstammelingen
in Indic, saroeng kabaja; in — ,denguu
sarufiig kabaja.
nacht i*ezioht, verschijning, cliajdl pada
malam.
nacht t;las, tljam pasir.
nachthemd, kiimidja malam, kamedja
tidoer, sjabi,
1\'orz.
nacht hui**je, voor het kompus, rocmali
ptdoma».
ïiin\'lii U wan ier, tempat bèrmalam.
nachtlamp, pelita.
nachtleger, slaapplaats, lëmpul Hdoer.
—, plaats van overnachting, tempat
bèrmalam.
— van boomtakkcu voor
-ocr page 493-
nachtwerken negaan.                                      481
—, Eckreetiuimen, pimbertsihan djam-
ban.
nacht werken, sekreet ruimen, mémlz-
r\'esikkan djamban.
nacht wint) ttmyin laoel\\anyin dari laoet,
nachtzwaluw, ;capriniulgus), boeroeny
birik-birik-, borroeng biberrlr.
michtzweet, piloeh pada timiam. Op
Java krivyvt pada malam.
nacyicren, hiloeny layi sukali, hitofity
pOfla.
natlalen, toeroft tocrofn, b.v. — in het
gial\', toeroel tuerven kadalam k\'oeboer.
nadat, te/ah, sattlah, satïlaft *oedaht
h-pas;
in de spieektaal u|i Jm:i,wi.|<1
ah. — velen aangekomen waren,
tilah banjak sampai — hij wel ovei-
ducbl hiid, saivlab sordah ija berpikir-
pikir.
— tle Koning de zaak had in-
gezien, saiTtluh radja mïliJial ukan hal
itof.
— Lij aldus gesproken had, habix
birkata bayituf. ■
— U:en gegeten had
waschtc n.tn de handen, suedah wakan
MÏmbasoeh tanyan -,
aeht muanden —
de tngeltchcn Malaka hadden genomen,
Ivpas daripoda doelapatt borlan Ivyyris
mcuyaoibil Mulaka.
— er eeuige dagen
verloupen waren, salïlah bïbïrapa hari
lamaitju.
—, zie ook nu.
nadeel, rofyi, tnadlaraf, Ar. — lijden,
kï\'na roryt, r/.endapat raigi, karofyiau.
—     veroorzaken, berokkenen, doen.
mtrofgikan. — vergoeden, uiiwibdïki
roryi, mivyyanli rofgi;
ten — e van
iedand, akan rofyi sa\'urang.
nadecli<r, verlies, i-chude-aanbrengend,
mendjadikan rofyi. —, niet geschikt
voor, liada Intik kapada, b.v. opium*
rooken is — voor het lichaam, minoem
madat Hof tiada bdik kapada loeboeh.
iiadciuaal, tïyal, sedany, xêbab.
nadenken, bit pikir, btrpikir-pikir; in
—    verzonken zijn. tvrmïnomy; b.v.
maka termtnortiglah ija sakoflika, en hij
whh een oogcnblik in — veizuuken;
zonder —, onnadenkend, dada dvtigan
ichtidr. •
—, o vel wegen, timbavy, tim-
batiy mtni/nbany;
goed — , pikir buik\'
bdik, timbavy ba\'ik-bdik.
—, zie ook
i.\'1\'tlm\'ll t 1\'.
nadenkend, Ciïrkupïkiran, b\'trinyalav.
—, in gedachten verzonken zijn, btr-
pikir-pikir, terf\'ekorr, lerntenoeng.
nader, diuhteibij, libih dïkal, lï-bih ham-
pir, libih danipiuy.
—, korter, libih
pandak, libih pendel;
b.v. een weg
die — is, djalan jang Itbih pi-ndck-,
—, duidelijker, juister, lébi/t betoe/,fah
poela,
b.v. een —e tijding, chabar jat/g
libih bilufl, chabar jany fuh poe/a;
een — bevel, pirrutah jany libih fah,
—, nieuwer, biharoe. —, later, kïmve-
dian poela,
naderen, datavy libih dekat, mïndikal,
daiuvy libih hampir.
— tot iets, viindi-
kali, mivyliampiri,
ook niirapai\'; doen
—, mt-tidikalkan, mtnyliaaipirkati; van
Voorwerpen, die ie wijd van elknnder
staan, ze dichter bij elkander brengen,
mirapalka^. —, toetreden, dalany.
onder het maken van bet gewone teeken
van ondeidanigheid, birdulaxy-ïêadiah.
— met vijandige uogueiken, tmnyindas.
naderhand, kewofdian, kémuedian
hari, dibllakang, bïlakany kali.
nadering, piuyluniipiran.
nack\'/eii, kimufdian daripada ini.
nadoen, nabootsen, n.iniroe (van litof),
menotToet
van tofroft). — alles wat
een ander doet, zeggen wat een ander
zegt, door zenuwachtige opwinding,
cene ziekelijke gesteldheid van som-
migc vrouwen, mi-fatah; niet na te doen
zijn, liada fêrtoeroet, b.v. barany la-
komijn liada lirtonoet olilt oravy la/n,
wat hij deed kou door anderen niet
nagedaan worden.
nudrauen; iels iemand —, utZmbatca
dari bttlakang;
iemand volgende hem
ïets —, Mitiyiriny satnbtl meuibuica.
nadruk, nagebootste diuk, tiroeican
Ijap, tirvtficaH ijilak-,
—, klemtoon,
buenji koeical, koetcal.
nadrukkelijk, dïttyan soettyyofh-soevy-
***■
nadrukken, «it-niioe Ijap, meniroc\'
Ijilak.
nnduiken, in het duiken volgen, Ivf-
roet tnènjïlam
(van sïlaw)
iiaduwcn, achterna duwen, nmtjorovy
dari belakai/g.
uaëter, wie u ntloop van den ui aal-
tijd eet, b v. de- tat\'elbedienden, bet
gevolg der gasten, taiujalanya.
nagaan, achter iemand gaan, btrdjalan
diOïlakany, ményikuft, minofroet
(van
loerufl); Iemand,voornamelijk een meer-
dere ui» volgeling volgen, mvvyiriuy.
—, bespieden, mï\'nyliiutai, intliliali. —,
in het oog houden, b.v. een dief,
mtugaram (van aram). —, bewaken,
toezicht houden, mtmboeicana-boetenay
-ocr page 494-
4S2
nafiapen — nalaten.
nafjenlaoht, anak fjoetjoe, tjoe/joe-
tjitji, anak boeteah.
na\\jlen, mënjoesoel (van êoetoel), mengt-
djar
(van këdjar).
nnüvcr, t/ëmboeroetcan, grairat, Ar. Am
ha/t.
nnüveriff, /jëmboeroe. — zijn op iets.
mëntjëntboeroekan, mëngiri.
nnjnuen, nazetten, mënyëdjar (van let-
djar), mërtgoesir.
—, streven nnnr, më-
noentoet
(van toentoet); wnt men na-
jaagt wordt niet verkregen en wat men
in een zak bij zich draagt stort bij
beetjes uit, jtitig dikëdjar tiadtt dapaf,
dan jang dikandoeny bër/jetjeran,
Sprw.
mi kijken, na oogen, van iemand die
zich verwijdeit, ntënghanfardëngan ma/a.
—, nazien, onderzoeken, mëlthati, më-
mëriksa\'i
(vnn përiksa).
naklimmen, toeroet na\'ik, toeroet mï-
mandjat
(van pand/at).
nakomelingen, bëuih, anak /joe/joe,
anak boeicah, dzoerrijah,
Ar. bttka, Ar.
imkomelin&ttehap, sëgala anak /joe-
tjoe, kocla-sëntava,
Ski\'.
nakomen, na iemand komen, dafang
këmuedian davpada sa\'oi\'ang.
—, op
iemand volgen, toeroet. — van eene
vei bimltenis, mëwjawpaikan djandji;
zijne belofte —, mënëyoehkan përdjan-
djiatt;
eene voor de vervulling van een
wenseh gedane belofte —, niëmbajar
nijal, lipas n/ja/, mëmbajar kaal;
de
bedevaart voorschrift en —, mëtiyërdja-
kan roekoen hadj; bevelen of geboden
—, mëuoeraet përeniah, mëlakoekan pë-
ren/ah
(voor përen/ab ook /i/ah, pesan,
hoekoem
enz.) zie hevel.
nakomer, opvolger, aan/i. —, volbren-
ger, uitvoerder, jang mëlakoekan, jang
mënyërdjakan, jang mënoeroet
(van /oe-
roet).
nakrooMt = naltomelin«:*eliav>.
nalaten, achterlaten van iels, miinuyyal-
kati
(vnn ttvyyat); voor iemand let!—,
mënivyyali, b.v. ada sëhuja dëntjar ada
ajalt sëhaja mvnhiyyali së/iaja emiis
saboeivah /janda-pë/i sa\'osany,
wij heb-
ben vernomen, dat onze vader ons
ieder een kistje goud nagelaten heeft
— b.v. van het onderhouden der ge-
boden of het doen der verplichte gc-
bcden, wëninyyalkan; sterft een tijger,
hij laat vlekken na; sterft een olifant,
hij laai beenderen na, harimatt ma/i
mëninggalkau belang; gadjah mati me-
maia. —, zorg dragen, viëaiëlih arakan
(van pëlihara), —, onderzoeken, mï-më-
riksdi
(van përiksa), nauwkeurig —,
mënjelidtk (van sélidik). —.berekenen,
mënyira-ngira ivan in), —, begrijpen,
mëngërli, b.v. nu kunt e« wel —,
sakarany ënykaii bolih tuëngër/i. —,
achterblijven, b.v. van een horloge,
tër/inggat, kabitakanaan.
DBSapeDi zie nnoo<;pn.
naseboorte, fiMÓoeni, oeri, b.v. aval\'\'
nja IT-pas, Oêrinja /inyyal, het kind
kwam, maar de — bleet\' achter; ook
oeri bësar,
nn<;pl, van hand, voet, poot o!\' klauw,
koekoe; geribde — van eene hand, koekoë
pasok.
— aan een der vingers, dien
men tot siernad bijzonder lang heeft
laten groeien, tjanggai. — van goud
of zilver, in de plaats vnn een lang
gegroeiden — tot sieraad gedragen,
/adjue; de — s verven, cen gebruik
bij plechtige gelegenheden, mëwboeboe/t
hinai.
Dit geschiedt met de bladen van
den /«///W-boom, ook pufjar kof kor
geheelen, die witte, zeer nelriekende
bloemen dratigt.
nnsel, pen, pasak; met een — iets vast-
mnken, een — in iets drijven, mëma-
sak.
—, spijker, pakoe.
nn<;i\'l, kruidnagel, zie ald.
naselbed, koekoe moeda; de huid bij
het —, boen ga koekoe.
natselboom, pohon tjëngkeh.
na$*el1 tor»! . 1, tikat koekoe.
nadelen, spijkeren, mëmakoe (\\j\\n pakoe).
—, pennen inslaan, mfwaiak (\\an pa-
sak),
genageld, lërpakoe, tvrpaxak, b.v.
een Diiddel om dieven af te «eren zijn
spijkers genageld aan de hoeken vnn
den bciiducl, langhal ptmtjoeri itoe
pakoe dipasak dihoedjoeny bëndoel.OuV
fig. b.v. /Xrpakoe dalai» ha/i, in het
hart genageld.
naffelhont* kajoe fjënykeh.
nnm\'lliruid, e. e, v. munt, roekoe-roekoe.
naaelnieuw, bëharoe sa-kali.
luiyelsi-liaar, yaeiilivy koehoe.
iii»tEolva**t, lërpakoe, koekoek sapër/i
tïipakoe.
na<£emnakt, di/iroe, tiroewan. —,
kunstmatig, hikmat, b.v. —e leeuwen,
singa hikmat.
nacenoeg, bijna, ha/npir-hampir, ktra-
kira.
na«erecht, dessert, tamboel.
-ocr page 495-
nalatenschap
vinggalkati toclattg, Sprw. ■—, vcv- I
zuimen, mïtalaikati, nr&ngalpakttv, me"-
ninggalk<i»;
niet kunnen —, la\'dapal
t\'-ada;
niet mogen —, bepnald moeten,
fa\'kan djauyan; niet — , niet ophou-
den, tiada bi\'rhënfi, b.v. hij Het niet
nu mij te plagen, Hada ija bérhettfi
daripada i/iéiigoesik trhaja; di-oesikttja
tf/iaja dYngan tiada bYrhenfinja.

van koorts, toerang,
nalatende hap, pucsaka, kart* pYning-
galan;
on beheerde —, poesaka gaen-
toeng, tarikak,
Ar.; afstand doen vnn
cene —, mYttaelak poesaka (\\&x\\ toclak).
nalatig, la/ai, alp-\', takfit; Ar.
nnlatiirheM = rmlntie; ook ka/a-
Iajan.
nnlrzen, overlezen, niYmbatja poela.—,
zie opleven.
nalezing* /ie oplczinc
naloopen, volgen, toeroef mengikoet.
—, naijlen, soesocl, kédjar, oesir.
van een uurwerk, kabilakanyan,
immnaliMcl, tirocwav. — , oneehte waar,
wut in zijn soort niet deuat, sYloengkang.
iili i n;i:i I -, kimaediav hari, achir. Ar.
d/cniah. Voor het Inntste b.v. kanak-
katiak inilah djeuiah djad\'i djohan pY-
halatcan,
dit kindeke zal — een irroot
hi-ld worden; het —, de eeuwigheid,
acherai, Ar.
nnmnken, hiYniroc (van time).
ii:imi:iI.i-v. pï\'ll\'iroe.
ni\'iiH\'lijli, ijti-ifoe, juni, Ar. ook mYtiga-
takan crfitija.
nnniflooN, onnoemelijk, onuitsprekelijk,
tiada tY-ikafakati, tiada terkira-kirakatt,
tiada tersifatkau.
nnmono, in den naam van. daripada
pi hak, atas nama.
nnmeten. Met een lengtemaat, mYngoe-
koer paria;
met een inhoudsmaat, t/iY-
vjoekat poela
(van soekaf), me vak ar poela
(van talcar).
j\\\\\\\\\\\\\'u\\\\\\i\\u. na twee uur tot zonsondci-
irang, pYtattg; soit\', .Inv. — van 12 lot
\'1 uur wordt nos ten gak hari genoemd,
b.v. pockocl satoe fYttgah hari, BH uur
des namiddags. Ook wel ftbini hari
lnfor
; des —s drie uur, paf koel tiga
pY\'faitg, koHikm tYttgah foeroen.
— ook
\'tsar, Ar. het —gebed, xYmbahjatig
üxur.
—, om 5 uur, koetiku thigah \\
rendah.
ii;»iiii(l(l:i.uiltitj(\': een — doen, tier-
baring ifoujah hari.                                  \'
— naimnak.                                     433
niiiiiifli i. kasocdahan malam, achir ma-
lam.
nnn<rliin, e. s. v. geel Cbineeseh doek,
ka/n fjiita.
nnooj>en, mYnghantar dettgau mata.
nap, gemaakt Van een koko^dop, si koel;
napje van een kokosdup, b.v. om lijm
of plantengom in te doen, gYlock.
van oen kokosdop of daaraan \'.lelijk,
om uit te drinken, kYdYlam, kYnde.lam.
—, van kokosilop met een steel er aan,
siboer; de hand als — gebruiken, fa-
ngan diboeicat sibocr.
—, ook kaïtkocl
van bet Pan. kocykoel, b.v. inaka dita-
dahttja ajarnja dYngan kaskoet,
en hij
ving het snp met een ■— op.
naplitlin, minjak tanah, minjak latoeng.
napluixen, nauwkeurig onderzoeken,
mi wi tiksa dYngan *tiksama{\\VLnperiksa),
ittYnjiUdik
(vnn sYlidik).
nnpliilc, pefikan jat/g achir.
Uitpraten, nniigudjnk-adjok.
napraier, pYradjok.
mui\', oratig nta\'iu-ma\'in. —, potsenmaker
bij cene tooneelvertooning, alnn-ala»,
badoef,
Jav.
narrotiM«\'li, kajul, knjar.
narilun, nardltt. Ar. spijk —, naricastoc.
iïar<lii-ij»f*w*« bi\'i\'C tittrwastoe.
nnrei7i\'n« bérdjalan mYnjoesoel (van
soesocl), bYrlajar menjuesoel.
nnreWenen, nïïnghifoeng poela.
nnrieht, ehabar, Ar. kt/bar, warla, berifa.
nnrijdi\'ii, bij hel minste vergrijp telkens
op de vingers tikken, koeti-koeti.
naroepen, tneiiji-roe dart bYtakattg.
narri\'nwerlt, ptkerdjaan oratig ma\'iu-
maÏH.
narrii»* knorrig, zie nld.
nnMehrift, aanheebtsel, tYmatati soeraf,
hoeboetigatt socrat.
naHrhruven, eopieeren, niYajaliti socrat
(van sttliii). - —, een brief iiehterna zen-
den, mY\'vgirini socrat dari bYlukang
(van kirim).
nasleep, lieden die achter iemand loo-
pen, boeitfoef, b.v. sYhaja takoet tebab
ada batijtik boentact sfhaja dibétakang,
ik vrees, want ik heb een heele —
nebter mij. —, de gewono volgelingen
vnn een hoofd, oratig peitgiring.
nanleepen, mYtijcrct (van scret), mY.tig-
kirit, mtnghela.
—,ecn vaartuig opsleep-
touw hebben, mYnoenda (van loenda).
naslepen, leret. scret.
misiiiaali, rata jang tinggal; een —
-ocr page 496-
484                                      ïm-in-\'llf ii — nauwelübs.
hebben of doen proeven, mënékak (van
tëkak) b.v. zoet, dat een zoeten — in de
keel achterlaat, mani nomi* mënëkak,
nusnelie», bïrlari rnittjoetoei (van sor-
tod), mengedjar (ven këdjar), bërlari
mtvghambat.
naspeuren, navorschen, mëitjëlidiiV
(van sifltlik en dit weer van sidik);
niet nu te speuren, tiada terstiidik.
na»i>rauk, lastci, jttnah, Ar. Zie ook
0|i-|>r;i;il..
im«i>rin^» ii, toerort mélompat; in tets
naar beneden, tot-roet terdjoen.
nasi ank, baur boesark jaug lëkat.
naMtarcn, van iemand, die zieh verwij-
dort, iiuiujhautar deugen mat»,
nnstütï**n, tueroel nait,
nastreven, (joh* mtuoeroet, tjoba me-
nyïkuet,
nasturen, zie nazenden,
nat, Bijv. uw. basah, b.v. mati-mat i
wondt hijarlak basah,
voldoende baden,
laut men nat zijn. Sprw.; klets—,
dour—, basah koejorp. — en iliuug,
basah kiring. —, en wel zoo, dat uien
hel uitwringen kan, doch niet diuip-
nat, lï\'tjaer. —, doch zoo, dat er bij
het wringen niets nieei uitkomt, /< Ijurh.
—, van eene woud, trfjer.—, snotterig,
[ingaf.
nat, zeli\'st. ntv. vnn vruchten enz., ajar,
—, eau», doop, sop, korica/i, Chin. —
en droog, eten en drinken, ma kan au
dan mittoemam.
IHitti1*hHg| basah sedikit,
nateekiMii\'ii, mXuygaiabar (of mëttoeiis)
meuorrorf toeladau.
nutellen, tmiubifang pocla, tnembilang
la ij> sakali.
nuthuls, drinkebroer, pïuiiuoem.
natheid, basah,
natie, baiiysa, kaum, Ar. dejoodsche — ,
bauysa oraity jahordt, kuis ut orany ju-
hordt;
van dezelfde —, sabangsa.
natmukiti**, pvmbasahaii.
natoeht, achterhoede, pëuueturp fax-
tara.
natten, natmaken, nicmbasaJika». Zio
ook betten.
mitiii», basah sedikit.
naturaliseeren, mémbér\'tkan hak orang
ttegari.
naturen, zio naoo™en.
natuur: aard, wij?, pëtt. —, ingeschn-
pen aard, c/turlork, fat/iat, Ar. —, in- I
borst, ook ph-angai, pëkirti. — t het \'
eigenaardige, adat, zio ald. —, heelal,
tllam; de gnnschc —, samesfa lïiam.
natuurlijk; het is —, het spreekt van
zelf dat, pa toet, b.v. patoettah ija djadi
miskiu,
\'t is — dat hij aiiu werd. —,
\'t kon wel niet andcis, hoe kon \'t an-
ders, „uiiiai.au lidak. —, \\un aai il.
fabiflï, Ar. —e eigenschappen, si/at
fabiïïi,
Ar. —, oprecht, toelocs. —, niet
wettig vnn een kind, harem; een —
kind, anak hartim, —, zinnelijk, nafsoe.
~
veistnnd. hordt ptkerti.
natuurwetenseluip, êlatot faóiiïi, Ar.
nautilus, o. s. v. zeeweekdier, tiport
Aamtoe laoet.
nauw, eng van een doorgang, opening,
weg, enz., sëpit, sempit, jnffift; een—e
borgpal, djurrat/y Jaug pttjik; de/o
aaide is ons allen te — of te eng, maka
bormi iui piljik/ah pada kamt sakaliati.
—, niet wijd genoeg, beperkt van
ruimte dicht opeen, sesak. —, eng,
vnn pjjpaohtigfl vuoiwerpen, sitidat,
b.v. përigt jattg amat tëndat, een zeer
—e put. Uok van ringen, hoepels en
dergcl. —, eng, smal, van haakvouiiigo
dingen, wegen, rivieren, huizen, ver-
trekken, kopet, —, weinig geopend, vnn
een vunrtuig, kinfjorp; in het — bien-
gon, niénjr.mpitkaii, méujésakkan; in liet
—   zitten, kasei/ipitait, kvpitjikan, kase-
sakan, tersepit;
in het — gekomen,
tus:-chen andere zaken in, torst/at; in-
dien ik niet erg in het — zat, zou ik
dit goud niet willen verkoopen, djika-
/au séhaja tiada tersrpit sangut, tiada
sëhaja héuttair ntendjoetcal emas iui;
want ik wus zeer in de moeite en in
het —, kart na sehaja ini tanyatlah
kasakifau dan kapifjika»
; het niet zoo
—   niet iets nemen, uit-ringankan, b.v.
mïrittyaukan ayauta, het uiet den gods-
dienst niet — nemen, letteii. licht
opnemen; hot — met iets nemen, me-
ttycras&an
(van krras), b.v. zij namen,
het — niet den godsdienst, ayama jany
diktraskamija.
—, gierig, kikir, zie ald.
—, streng, keras, zie ald. —, pas,
even, beharoe, b.v,— was hij uitgegaan
of . .., beharoe ija ka/orurar, maka ....
—   insluiten, b.v. eene stad of vesting,
menyhimpil; zich — behelpen, hidorp
dtnyaa tuiskitinja, h. d. kakoerangan-
nja, meittjorkorpkaa dengati sedikit.
nauw, zci-ëngtc, straat, së/at.
nauwelijks, pas, be.haroe. —, ternau-
-ocr page 497-
nauwgezet — nederbuigen.
IS5
wernood, het scheelde weinig of.....
tij ar is; nog niet tot aan, bëlom sam-
pat, bëlompai.
nauwgeiflt, iets verrichten, tjërëmat.
—, van onderzoeken, dëngan saksama,
Ski\'. — zijn in hot houden van iets,
b.v. zijne godsdienstplichten of andere
zaken, mëngëraskan, zie bij nnuw.
nauwheid, engheid, kasësakan, kasem-
pitan,
zie bij nnuw.
nauwkeurig, goed gekozen, b.v. van
woorden, pUih-pilih. —, van onderzoe-
ken, dëngan saksama. --, zonder fout,
bëtoel sakalt, tiada salahnja. —, juist,
kina.
nauwlettend» van onderzoeken, dëngan
sttkxama.
—, zeer oplettend, ingaf ba\'ik-
baïk.
—, wuakzaain, djaga bdik-bdik.
nauw te, enge, sin al Ie weg, djoerang.
—, nauwe doorvaart, straat, sëlal; in
de — gekomen, beklemd tu&schen twee
lichamen, tërsëlit. - ,zie ook bij nauw.
navel, puesai, poesër, Jav.
navelader, oerat poesat.
nnvclband, baroet poesat.
navelbreuk, boeroet poesat.
naveldoek, kdin baroet poesat
navelstreng, tali poesat; het afvallen
\\on de —, loeroeh tali poesat; de — af-
snijden, mengërat f\'alipoesat (van kë.rat).
navertellen, ntëntjërilërakan poela,
na ver Want, zie nabestaande.
uavloeiïng, bij de geboorte, oeri, rojan.
navolubiiar, dapat ditiroe, d. di-ïkoel.
navolgen, nadoen, mëniroe —, achterna
gaan, mënoeroel (van toeroet), mëngi-
kovl.
—, zie ook vervolgen. — , op-
volgen, mënggantikan.
navolgend, ondergcmeld, jaag itrst-
boet dibaicah itii.
—, hierna komend,
mm datang ini, b.v. het — jaar, ta-
hoen jang datang ini;
den —en dag,
pada kaësoekan harmja; in —e dagen,
pada këmoediun hari.
nnvolgenswaard, jang patoei ditoe-
roet,
navolger, naboolser, pe.niroe, penoeroel.
—, opvolger, ganti, ptnaganti,
navolging, tiroetvan, toeroetan.
navorsehen, niënjëlidik (van sidifc);
nauwkeurig —, mënjëlidik dëngan sak-
sa ma.
nnvorseher, pënjelidtk, penjidik.
navraag, onderzoek, përiksa; dat kan
— lijden, bulih dipëriksa. — doen,
omtrent iemand of iets, bertanjakan.
navragen, vragen naar, hërtanja akan.
—, navorschon, bërtanja-tanja.
navrucht, boeicah bongsoe, boewak achir.
nawee, bij een kraamvrouw, rojan.
naweeken, werendam poela,
nawegen, mX>nimbaiig poela (van firn-
bang).
nawerk, werk na ecnig ander, pekër-
djaiin jang këmoedian.
nawerken, bëkërdja këmoedian.
naweven, bertënoen mënoeroet toeladan.
nawijzen, mënoendjoek (van toendjoek);
met den vinger—, mënoendjoek dëngan
djari.
nazaat, zie nakomeling,
nazareër, orang nasarani. Aldus wor-
den do K. C, genoemd.
I nazeggen,toeroet mengatakan(vaa kata),
—, navertellen, mëntjerilëraka» poela.
\'
nazenden, van zaken, mëngirim dari
bëlakang (van tirim), —, van personen,
mënjoeroeh mënjoesoel,
nazetten, mrtighëmbal, mëngëdjar (van
këdjar), mëngoesir, mënjoesoel (van soe-
soel); elkander —, oesir-niëngoesir; links
en rechts ■—, iaënghvmbat kakir\'i dan
kakanan.
nazetting, pïnghëmbatan.
nazien, nastaren, zie ald. —, onder*
zoekend, mëlihali, mëmëriksaï (van
përiksa).
nazingen, van icmnnd die voorzingt,
toeroet mënjanji,
nel), snavel van watervogels, soedoe.
van een vaartuig, djoeloeng-djoeloeng.
nécessaire, reistas, boktja, oentjang.
necrologie, hikajat kahidoepan orang
mati.
neder, neor, toeroen; naar beneden, ka~
bawah; op en —, naïk toeroen; van
boven —, dari at as kabawah,- op en
—   gaan, b.v. in een vertrek, op de
straat, laloe-lalang, bolak-balik, përgi\'
datang, kasatta tamari;
op iets —vullen,
djatoh mënimpa (van timpa)
\' nederbrengen, mïmbawa toeroen.
! nederbuigen, zich —, het hoofd —,
toendoek, mënoendoekkan kapala; zich
met het hoofd ter aarde —, soedjoed,
Ar. — van takken door de zwaarte
der vruchten, bërlëlai-lëlaijaii, meloejoel.
—  van aren, takken, de boeg van een
vaartuie, het hoofd, de kop van dieren
die willen vechten of op hol gaan, roen*
doel\';
ook nedergebogen in dien zin;
\' met nedergebogen kop voorwaarts gaan,
-ocr page 498-
4ÏSC                                          nederbukkun
zoouls b.v. kooien of bullels, sondol;
met nedergeb gen kop stooten, menjuu\'
dol; uedergebogen vim een rund, ol\' de
uinlci.il\'. ui een luit, djveweh.
ni\'derbuhlteu; zich —, toendoek, nit-
uotndoekkan dirinja.
nederdaleni toeroen; in het graf —,
toeruen kadalam koeboer; up aardt —,
toeroen \':■■„.!. — vun de z^n, tue-
roen
,- uok djatuh ; doen —, méuoeroen-
kan;
tot iet» —, minoerueni. — in het
gemoed, ook hint/yup; op iets—, ncder-
sti ijken, vun vogels, hinyyap dl.
nederclrunen, m< mbuwa toeruen.
nedertlruipen, birtUik, tirit kabaicah.
nederdruklien, niet hand, poot ut\'
kluuvv, utinyheiupet, mi in-kan (\\uu tikanv,
nedeigcdrukl, iirhempet, térltkan.
door een winnende beweging vun het
lichuuiu, mniijinilik (van indik).
ïieilei-tluitNcli, icutunda, bitanda; de
— e tual, bihasa wulatida.
iietlertluitMoher, orany iculanda, orany
bitanda.
nederduwen, minuelak kabaicah (van
toelak).
neder^aun, toeruen; o[> en —, na\'tk
toeruen.
uuderhiilen, oüiveihalen, sloopen, int-
roeboehkan, mirombak, luimifjahka/t
(v ao
pêfjah). —, naar beueden Hekken, uit-
t.oervmkuu, taënarik loaroeu.
netierhanijen, Kooalfl een kleed, gor-
dijo enz., labueh,- slap —, zuouls b.v.
een doek over eeu touw, t;c uiuieu en
boenen van een dunde, kilipai; met
verscheidenheid, zoouls b.v. de ooien
vnii ?oinmige houden, këlipit-nUipai;
slap — en zich heen en weer bewegen,
zoouls b.v. de ooien vun een olifant
of de ourknuppen eener vrouw, kilépak ;
slingerend —, zoouls cenu slnng in
den bek eens vogels, de zakdoek uit den
zuk, een losse kousebiind enz., bi.rdjila-
djila;
tot iu het aangezicht — vun
de hoofdhuren, miroeuykau; slap —
vun de bovenste oogleden, roedoe; los
—, beieren, hoeniai; in strengen —,
bërhiientajan. — als iels dut geknakt
is, b.v. vun een gebiokcn arm ul\' been,
eeu geknakte tak, het hoofd vun een
doude, do ooien vuq sommige dieren,
zoouls olifunten en bonden, tirkoelai.
—   Zoouls de Iconen) nun den huls van
een os, niiiiyyilambir. — van de wan- ,
gen, uitnyyilimbir; laag — van vrucb-
— nederlander.
ten, onder het bereik hangen, gajueh
bï-ryajoeh;
los — van oen zijdgeweer\'
de boenen bij het zitten, btrdjoentai ;
slingerend, slordig er bij —, mentent ai.
—  als franje in menigte, mcndJHroembai.
—    van horens, denykul. — van een
touw en dergel. hoeloer; doon — iu
dien zin, miuyhoeluerkan. —, zie ook
kaniïeii en beieren.
nederhellen, zie hellen.
nederhurken, méloenijyuek, b.v. sa-
vtuetva miluentjyuek di-afas roempott,
allen hurkten neder up het gras. Zie
hurken; even — eu weer upsluun.
indik. —, mindjuuykok; met KekmUfal
boenen op het achieote zitten, birsila.
—  met do handen up de kniecn, mtrony-
kok, ntéranykoeny;
doen — van groule
lastdieren, mindiroemkan.— van groote
lastdieren op de foorete kniecn, min-
déruem.
nederig, ootmoedig, rindah, hati rindah;
een —e slaat, hal karéndahun; zich
—    aanstellen, voordoen, mtrhidahkan
dirinja;
de kunst vun zich— te gcdra-
gen, cluiue padi.
nederigheid, karïndahan hati, hati tin-
diih;
uit —, mirindahkan diri, b v,
dat hij zou sprak Wol uit—,karénaija
berkata\'iata itoe mirindahkan dirinja ;
do — beoefenen, — leeron, btladjar
ituioe padi,
fig. uitdrukking, ontleend
aan het Sprw. sapirli bocicah padi,ma-
kin birisi, makin roenduek,
nis rijstaien,
hoe voller, hoe meer ze uedeibuigen.
nederknielen, birt\'étuel. — van gruote
dieren, mindiroem. — voor den Vorst,
iiiitiji:mbiih doeli (vun sewbah).
nctlerkomen, naar beneden komen,
toeruen. —, op iemund, overgelaten
zijn nnn iemand, komeu voor rekening
vun iemand, poelamj kapada, terlauy~
(jof)iy aft/s;
bij stiuouien —, djuedjueh,
b.v. b\'ébëïapti hari hundjan van djw:-
djiteh, niany umlaut liadalah ttdueh,
vele dagen kwam de regen bij strou-
ïnen neder; nacht en dag hield hij
niet op; dut komt op leugens neder,
djatoh kapada pt\'kvrdjaan dotmta.
nederlaag* alah, kaülahan; de — lij-
den, atu/i, titcas, dt-alahhitn; de — doen
lijdei), uany alah kan, tuïuiicaskan.
nederhintl, ntyari wulanda, myat\'i
btlanda.
iiederhviider, orang uolitnda, oramj
bt.lo.nda.
-ocr page 499-
i^T
nederlandsch — xiedervnllen.
hoop —, mëmoetoeskan harap oraity
(van poetoes). —, nedcrgeslngen van
rijzend deeg of beslug of gebak, ban-
toef, tiiëiiyéndap
; neergeslagen van graan
op het veld door wind en legen, ban-
tai;
zich met der woon eigens—,përyi
dvdui-ir di, dataity doedoek di, mimba-
nyoenka» toeniakuja di.
— van de haan
vau een geweer, mëmatotk (van patuek).
nederMle«\'i>fii, mënyhe/a kabawah.
nedorwmahben, uedeismijten, »«?«•
tjampak kabawah; ook alleen méutjarn-
pak
; nedergesmelcn, tërtjampak; b.v.
het vuil, dat daar nedeigesmeten is,
tampah jong tirtjampak dititoc; on-
ver^ehillig —, tjampak1 tebar.
neder mui y ten, miuiUttttiiiy. Zie ook
het vorige woord.
neder»*preiden, van een kleed enz.,
in ë iiy/i a in pa rkati.
nedernprintït*n, zich nederstortcn, ttr-
djoen ;
van velen, bëtërdjveH~tirdjoena>i.
iieder**tooten, door een aloot nuar be-
neden doen -torteu, mënërdjoenkan
(van tërdjoeti). — met een enkele tteek
van een wapen, tikam iandaay.
neder»* lort en, door instorting neer-
vallen, rofboth ; doen —, mtroeboehkan.
—, ucerzijtfen, van men^chert en boo-
Uien, rëbah; zich met geweld — on,
mtnyhaiuboerkau dirinja kapada. — met
een straal uit goot of pijp, pantjoer,
bërpantjoer
; herhaaldelijk of voort -
durend, bërpaiitioer-paufjoer; van velen,
btrpatifjoer-panfjoerau.
neder*lrühen van vliegende vogels en
insecten, hiuyyap.
neder»*lrooien, mënyhamboerkati, M&>
naboerkan (van taboer).
inilif-i roomen, niëiiyalir kabaicah ;
van het water in eene rivier, mi/ir,
bërhilir.
— van den regen, toeroen
dvtigan dëras, uiïndjot\'djorJt.
iiedertnii>pen, imnyëndjak (van e»-
djak);
Uedeischoppeii, mëitëadany ka-
batvali
(Vun tvndaiiy).
nedertreden, mëiii/ëndjak (van ëndjufr),
nedertreUlten, mënarik kabaicah (van
tarik), niinyhrta kabaicah, mënartfc toe-
roeit, iit\'fiiyheta {oeroen.
lU\'dertinmelpn, bërhoeinbalaiiy; van
v eleu, bërhoembalauyan.
nedervullen, djatoh. —, nederzijgen,
van ineiisclicu en hoornen, rëbah; op
ziju achterste —, djatoh tërdoedoek;
voorover —, djatoh tiarap, djatoh tïr-
nederlmidscb, tculanda, wolandaewi;
de —c taal, bëhasa tcofanda.
neder Uiten, mënovroetikan (van t tieroen).
— van een gordijn of ankor, mtla-
boe/ikan.
— van ccn touw en dergel.,
mënghoeloerkan.
nederlejfcen. nte/eia i-kan; vlak —
van ccn tapijt, inat eu ook van een
grooten platten steen, wiingk*mpmrktmt
zoo neergelegd, tërbampar; zich —,
mëmbaiivykan diritija ; zich ongemanierd
niet het bovenlijf eigens op —, b.v.
met den arm op de taft-1 en het hoofd
op den arm, leudeh. —, allegucn van
de wapen?, mënanygalkan sëndjata (van
tanyyal), —, verslaan, tiiiuiboenoeh;
de kroon —, toetoen daripada taehta
karadjaiin ;
hij ieiuand ter bewaring—,
deponecien, mënoewpauykan (vaa toem-
patio), mënarohkan
(van tarok).
nederlagen om te rusten, bëtbariny ;
achterover op den rug —, ttlëntauy ;
voorover —, tïarap. — van een vier-
voetig dier, djonykatiy; uiet zijn velen
ter —, van zieken, gesneuvelden, af-
gevallen vruchten enz., iiitndjê.iéitiparig;
onverschillig op den grond —, tërhan-
tar,
b.v. de lijken lagen op bet slagveld
neder, tïrhantar sëyala muit dïmedan
peptrauyaii.
Zie ook limren.
nederplnklieii, nederzetten, meufja-
toefkan.
ni\'derriji;en van een sclieepstent nauiel.
de uiteinden op de scheepfboorden, rnë-
roeiiykoepkan ;
zoo nedergcregen zijn,
roeuykoep.
nederrollen, toeroen bëryoe/i\'/y-yoe/ïity.
nederrukhen, minjentak kabawah.
iii\'ilrrsiihcli\'ii, inrmarmiy dëtiyan pZ-
dan ij.
nedersekielen, doodschieten, vitnein-
bafr
(van tembak); op iels — om het
te grijpen, van cc.; roofvogel, den blik-
hciu en/., niënjainbar (van sambar); recht
— uit du lucht met den kop naar be-
neden, van roofvogels, soendjam.
nadersebijnen op iels, bërslnar kapada,
bértjihaja kapada.
nederwehryven, mëttjoerai (van soe rat),
mënoeli»
(vau tuetis).
iioi\\iTH\\i\\*vlen,tiiiiski>bau;a?i,btrtt\'{t\'ra/i.
neder**luun, dour slaan doen neeisloi-
ten, bantam. •—, ncdci>torti\'ii, van uicn-
scheu en hoornen, rëbah; zijne oogen
—, van schaamte, toendoek maloe,ii. i.
het hoofd huigen van schaamte; iemands
-ocr page 500-
IS-
nedervellen —- nejjenoojï.
soengkoer; achterover —, djatoh fêtlfn-
tang.
—, niet het aangezicht ter narde,
djafoh lerdjeroemoes. — onder het ma-
ken van hel gewone teeken van onder-
danigheid, menjimbah soedjoed. —,
afvallen vnn bladeren of vruchten,
loeroeh ; vóór den tijd, goegoer; zncht-
jes, zwevend —, zooals b.v. een boom-
blad, een geschoten vogel enz, mflo~
jong;
de mouw laten — bij het eer-
biedig nanvittten van \'\\c\\i,melingsirkan.
nedervellen, van boomen, menëbang
(van tï-bang).
nedervliegen, terbang toeroen.
nedervlietrn, nedervloeien = neder-
Htruonien.
nedervl\\jen; zich —, gaan liggen,
mPm baringkan dirinja.
nedervoeren, /nembaica loeroen.
««■derwaarts, kabatcah, toeroen,
neder wentelen, mënghoembalangkan
kabatcah.
neder werpen, neci\'smijten, mint jam-
pak
; zich — ter aarde, mint jam pakkan
dirinja;
het vuil dat danr nedergewor-
pen is, sampan jang tïrtjampak disitoe,
neder/nldien, toeroen; onverwachts —
van een mensen, rvbak; b.v. in zwijm
—, rtdiah pingsan —.bezinken, zie ald.
nederzetten; iets ergens op —, mvle~
takkan;
nedergezet, terlPtak, b.v. op
tnl\'ol nedergezet, terleta^- dl-atas tm-dja.
—, plaatsen, van grooto voorwerpen,
ntïitaroh (van tandt), b.v. ceno stool —,
ntenaroh koersi. —, ncdorplakken van
iets, mXntjatoelckan ; den voet -, ««?»-
djvdjakkan kaki; zich —, van een
vliegenden vogel of vliegend insect,
hinggap ; zich ergens met der woon—,
pPrgi doedoek, dafang doedoek. Voor
doedoeir ook diam. —, doen bedaren,
menjenangkan (van senang), mendiam-
kan.
—, partijen bevredigen, ntenda-
ma/kan, mëmplrdamaikan.
nederzetting, vertiginz, kadoedoekan.
«oderzien, mïmandang kabatcah (van
pandang), inrlihat k., menengok k. (van
teugol\'); laag — op icmniid, meman^
dang moedak;
in gunst — op, van God,
tnenitik dingaa karidltuin. (van tilik).
nederzxjjjen, onverwachts, van een
mensch, rebah; zacht, zwevend —,
inelojong.
neder?!!tien, doedoek ; doen —,m$ndoe-
doekkan;
op iets —, tnêndoedoeki; toe-
vallig komen neder te zitten, (erdoedoek.
neef, anakr saoedara; volle — of nicht,
eigen — of uicht, saoedara sapoepoe,
ook abang sapoepoe, sauak, anak-sanak.
—, zusterskind, këmanakan, Méo. -frf-
ponakan.
neen, tidak, b ekan. Zelden wordt botaf
daarmede gcanlwoord. Zie de Gram-
matioa. — tot den Vorst, mohon patik
toewankoe,
letterl. ik bid u, Mijnheer\'
maar - , alih~alih, b.v. disoeroehnja
përgi mengadji, alih-alih tja bërhenfi
diloeroettg berma\'iu\'mdin,
hij zond hem
om te gaan leeren, maar neen, hij bleef
op straat spelen.
neep, tjoebit, pentjoebit. —, schade,
roegi; een — geven, verlies berokke-
nen, meroegikan; een — krijgen, dapat
roegi, kina roegi;
in do — zijn, kapt-
fjikan, kasoekaran, tirsepit,
neer, zie neder,
neernluehtis, moeroeng, sedoe, slndoe,
bengok, masjgroel,
Ar.; heel —, tlrsl-
doe-sï\'doe.
neeridiiehtiaheid, moeroeng, kadoe-
kaiin, doeka-fjifa.
neerwlut;» bezinksel, doedoek.
neet, telor koetoe.
I neetoor, orang bïngis.
nrcen, sambilan, koerang satoe sapoeloeh,
sapoetueh koerang a»a.
i nemende, jong kasambilan ; do — dor
maand, sambdan hari boelan. — als
noemer, perxambilau, b.v. £ lima pï;r-
sambilan ;
ton —, kasambilan,
negendelmlt*, Véngah sambilan.
i neeenderhimde, sambilan bngai,sam-
bilan roepa, s. mafjam, s. djPnis.
ni\'.-.riid ui. !..■!. sambilan lapis, s. ganda.
negenduizend, sambilan riboe.
negenduizendste, de —,ja>ig kasam-
bilan riboe;
vier —, empat perse"mbi\'
lan riboe.
netfenlioeh, sambilan pendjoeroe.
negenhonderdste; do —,jang kasani-
bilan ratoes;
zeven—,toedjoeh ptrsam-
bilan ratoes.
ïiecenjnric t\'rmoer sambilan tahoen.
sambilan tahoen lamanja.
nejzenlmnt, sambilan plrsegi.
negcnnitifO, sambilan kali. —■ zooveel,
sambilan kian.
neseninnnndsch, te moer sambilan boe-
lan, sambilan boelan lamanja.
necenoog, steenpuist die uit verscheiden
gaten ettert, hisoel saboet, bitoel slra-
boet, paëpa, plnjakit radja, bisoel lada.
-ocr page 501-
489
nesenponder — nemen.
nekheen, toelang tengkok.
nekhnnr, boeloe £êngkofc.
nehhen, dooden, mémboenoeh. —, den.
nek breken, mëmatahkan leher. —, bre-
ken van eco glas enz., mtmëtjahkan
(van ptfjah\\.
nekpijn, sukil tengkok.
nek»*pier, oerat tvngkok.
nemen* viéngambil. — ten behoeve van,
mëngambilkan. —, aanvatten, mtmëgang
(van pfgang); het eerste beetje van iets
—, iets aanbreken, mïloeicak; er is
nog niets van genomen, het is nog niet
aangebroken, bilom diloeicnk; met duim
en vinger een beetje van iets —, men-
f/ëkil, mé/it/ëkak, mendjëmpoel;
eene
hoeveelheid zoo genomen, saljeiif, sa-
tjikafr, tadjimpoet;
van elkander —,
van dingeu, die met de vlakke zijden
op elkander zitten, zooals twee vellen
papier enz., mÜtijijat (van sijaiy, de
vrijheid —, memberanikan dirinja; op
zich —, er voor instaan, mënanggoeng
(van tanggoeng), hirtjakap, menjanggoep,
bërtjakap-menjatiggoep;
van een vorste-
lijk bevel, mëndjoendjoeng titah; op
zieh —, b.v. een werk, mënanggar (van
tanggar). —, innemen van spijs, makan ;
van drank, minoem; van eene Btad .of
vesting, mingalahkan. —, maken in
hi-t kaartspel, makan; dienst —, ma-
soek soldadoe;
in aanmerking—,ivgat-
ingat, memikirkan;
men moet weten te
geven en te —, hendaklah orang tahoe
kira-kira dan këdurkan;
de vlucht —,
lari; de moeite — voor, soesabkan;
neem daarvoor de moeite met, djangau
soesahkan Hoe;
tot man—, bvrlakikan,
birsoetcamikan;
tol vrouw —, bïrbini-
kan, be.risttrikan ;
tot metgezel —, ber~
temankan, djadikan tëman;
gevangen
—, niëtiangkap (van tangkap); in den
krijg, mënawan (van taican); een bad
— , mandi; van Vorsten, bërsiram; de
hand —, nvêmëgang langan {van pegang),
mindjabat taugan;
kwalijk —, djadi
fcè\'tjil hati;
in den arm — , hulp vra-
gen. minta toetoeug; in de armen —,
omhelzen, memëloe^ (van ptloek); om-
armen, mtndakap; op den arm —,
mtmaugkoe dilëngan; iemand bij zijn
wooid —, memegang kata orang; voor
lief —, mënjenangkan dirinja dëngan ;
zija vermaak —, uienjoekakan dirinja
(van soeka); te veel hooi op zijn vork
—, mhijanggoep ttrlaloe banjak (van
M
negenponder, mariam sambilan pon.
negental, bilanga» sambilan.
nciii\'iiiii\'ii, samhilan-btlat.
negentiende; de —,jMf kasambilan-
belas; vijf —, lima pérsambilan\'bëlas.
ne«ent iendehalf, tin gak sambilan\'
belas.
negentienhonderd, sambilan-belas
ratoes.
ne<jentienj»risj, Ti moer sambilan-belas ,
taboe», sambilan-be\'las tahoen himanja. \\
nesientienmmd. sambilan-belas kali. \\
—  zooveel, sambilan-belas kijau.
neuentij», sambilan poeloeh.
iienentiijer, orang jang sambilan poe-
ioi\'h tahuen amoernja.
neu«*ntii»jnri«*, Trmoer tambilan poe- i
loeh lakoeu.
neuentiizinanl, sambilan poeloeh kali. \\
— zooveel, sambilan poeloeh kijan.
ni\'^envoud, sambilan lapis, s. ganda.
negenzüdi*;* sambilan pprsegi.
ne<;er, orang llabsji, belanda hitam, tco-
landa hitam.
negeren, koe ion nee ren, mtnganiajakan.
ne<*erhind, tiegari orang llabsji.
nejjory, tiegari, doesoen.
neij»e, kunt, renda, Port.
neigen, met het hoofd of bovenlijf, toen-
doe}:;
tot ieltt —, overhellen, zoowel
stoffelijk als zedelijk, fjëndëroevg; het
bart van iemand —, ment/éndëroeng\' j
kan hati; ten avond — van den dag,
lingsir kari; zeer ter kimme neigend,
van de zon, ruejoeb. —, zie ook hel-
len en overhellen.
nei^iiiiï, zin, lust, soeka, nafsoe; sterke
—  hebben, iïsjilr, Ar. ingin. —, trek
ril zwangere vrouwen, pengidam. —,
buiging met het hoofd of bovenlijf, j
toendoefr. —en en driften, haica-nafsoe, i
Ar. —en gevoelens, tjila; edele —en, j
tjita jang ba\'ik.
nek, tèngkofr; een stijve—, fëngkolr jang
fêgar.
Zie ook hals. —, waarin het :
hoofdhaar puntig toeloopt, tengiof: \'
Upas; stijf uf hard van — zijn, tegar
hati;
den — breken, mXmaiahkan teng-
kok
(van paiah); lig. voor mimbinasa-
kan;
den — toekeertn, memalingkan
dirinja daripada;
den — buigen, krom-
men, mënoendoekkan të/igkoknja (van
toendoek); den — omdraaien,rnimoetar
leher
(van poetar); het onderste gedeelte
van den —, ko/tofc; in den — zien,
rn^nïpoe, mëmptrdajakan,
                         \'
-ocr page 502-
neptunna — neteldoek.
sanggo p); uit elkander —, mem boe ka ;
neem, veronderstel dat, sandainja, mi-
tsalnja, sWofpama, oepamavja;
inet ge-
weld —, tnirampas, ntëngambil dïngan
gagah.
Zie verder de samenstellingen.
iH\'i\'iiinu-, de god der zee, Baroeua,
van hot Skr. Yaroena.
■MptnnuMtof, —vork, trisoela, Skr.
nerf\', van een blad, toetang daoen. —,
nfscheiding der verschillende stecnlugcn,
waar men de groote bcrgbloksteenen kun
splijl en,/>«»*/*«. — van hout, oerat knjoe.
nerven», diinanit-mami pon tidak-,
heen, tiada kaïnana-mana. —, niets,
tatoe pon tiada. — toe dienen, safoi\'
pon tiada goenanja.
— anders dan,
dimana pon tidak mrlainkan. — om,
zonder reden, dengan tiada mor/a ka-
renanja;
/onder doel ot\' bedoeling,
dïngan tiada wakfoed.
ncrine. broodwinning, pïnfjeharian, pï-
kïrdjadn.
—, vertier, aftrek, lakoe, larïs.
—, hamiel, pïrniagaan, pïrdagangan;
de tering naar de — zetten, kira-kira
dan kédarkan.
— en hanteeriug, pïr-
niagalin dan pi roe sa f taan..
nt\'sl, zoowel lig. als werkelijk, zoowel
van andere dieren als vun vogels, mits
door henzelven gemaakt, sarang, b.v.
van vogels, sarang boeroeng. — van
bijen, sarang lébah. — van eene spin,
spinneweb, sarang laba-laba, zeeroovers-
—, sarang pïrompak1; een — maken,
zie nestelen. ■—, waarin de kippen
hunne tieren leggen, bestaande uit ge- i
spleten bamboe met stiou er in op een
bamboe-stok, terak, pïtarangan (van
tarang, nest). —, ondeugend meisje,
boedak prraiapoettan nakal; als iemand,
die zich beschermt in een bijennest,
ofpama wang mïmï-liharakan d\'irinja
dulain sarang fïbah.
Sprw.
nestel; ei dat men in het nest laat om
do hoenders te lokken, ttlor cewpan,
nestel, rijg—, iéntagi,
nestelen, een nest hebben, bïrsaravg;
een nest maken, memboeical sarang; bet
matei inal voor een nest bijeenbrengen,
mêngangkoel sarang.
ncfttbaar, eerste baar vnn dieren, boelor
kasap.
nes tv ederen, boelue pahat.
neftthort; voor hoenders, terak.— voor
eenden, kérandjang iiik mengïram.
nentvol, een —, sa\'isi sarang, sasarang
pinoeh.
net, keurig, fjantik. —, in de puntjes,
zindelijk, kieseh, ook in bet eten, «/*/£.
—, juist, bïloel. — van pas, kena
betoet.
— gepast, b.v. van geld, btloel,
tiada koerang apa-apa;
het is — elf
uur, bttoel poekoel saiïtas, poekoel
iabïlas bttoel.
— zooveel, even zooveel,
sawa banjak.
net, om te visschen; voor het algemeen
begrip geen woord. De soortnamen zijn
als volgt: werpnet, djala; daarmede
vissclien, mïndjala. — voor algemeen
gebruik, b.v. over vruehlboomen, voor
een bed, stoel enz., djala-iljala. — om
iets te vangen, b.v. vogels, wild enz.,
djaring; met zulk een— vangen, mïn-
djaring;
zulk een — uitzetten, ment-
bentavgkan djaring, mtnahan djaring
(van la Aan); groot sleep- of trek—,
poekat; ook — om landdietcn te van-
gen; met zulk een — vangen, mïmoe-
kat;
bet vaartuig dat zulke —ten voert,
perahoe pïinoekat, ptraho,- poekat;
e. s. v. ophaal — , gebruikt bij luikvoi-
mige staketsels, djérmal; het beweeg-
hare — in het vïschstaketsel of de
keloeng, ptiryimbang, pïngimban ; e. s. v.
zak—, om garnalen te vangen, sondotig,
svrondony
; daarmede vangen, mïnjon-
dong, mïnjêrondong;
e. s. v. — om
krabben te vangen, bintoer, binloeh;
daarmede vangen, mïmbintoer; e. s. v.
— om kleine dieren, zooals dwerg-
hertjes enz. Ie vangen, lapoen; zulk
een — uitzetten, memasang lapoen:
e. s. v. — of strop, vervaardigd van
rotan, om herten te vangen, riding,
tiding;
een — uitwerpen, zie uitwrr-
pen; het — vun het hart, djita-djita,
lïndja djantoeng, lamoeral,
Ar. —ten
boeten, herstellen, mïmboeboel djala
(of poekat of djaring), zie daarvoor
boven. — van de hersenen, zie her-
st\'iiviics: in het — zijn, verschalkt
zijn, kïna djïrat.
net; in het — schrijven, mhijalin dengan
sa/tnja.
netel, brnndnctel, latang, djïlatang,
daoen gatal; e. s. V. —, raini.
neteldoeli, ka\'in chasaht kaïn kasa;
dun of zeer fijn —, ka\'in chasah em-
bovn,
Meu. chasah tcolanda; c. s, v.
gedrukt —, doerijas, ka\'in gawoevg,
ka\'in nioemal
(veibast. van het Ar. mak\'
wal), ka\'in moga;
als — op door-
nen, saptrti ka\'in chasah di~utas doen,
-ocr page 503-
491
netelig — niet.
Sprw. beteekent, dat men iets zeer
voorzichtig moet trachten te ontwarren
of behandelen; e. s. v. —, gebruikt voor
vroawenslaidre, strasah.
netelij*, ingewikkeld, moeielijk, soekar;
zeer — en ingewikkeld, soekar-soel\'tt.
netelrooK, uticaria.ye/^ö/tf. —, breede,
roodc opzwelling van de huid, btdan-
bedan.
nctflMtriiili. pokok djXlataiig.
mii\'iiUam, sisir haloes.
netjes, tjantik. —, zindelijk, iu de
puntjes, ti/iik, beradoea; zich — klcc-
den, birdandan diri. —, in spreken of
kleeding ook tuttoeu.
netton, do vederen [ihiizen en in orde
brengen, zooaU de vogels, minjélisik
(van sïlisifr).
netto, betoel, beresih.
netvlies, daruivlies, daruinet, djala-
djala.
netwerk, djala-djala, djaring-djaring.
neui\'iën, in zijn eentje stil zingen, tX-
naudoevg.
neux, liidvniy; die zijn — schendt, die
schendt zijn aangezicht, potony hidoeng
roesak moeka,
Sprw.; door den — spre-
ken, sengau, mindingoeny, menhidoetiy;
bij den — te leider* zijn, tig. sapïrf:
karbau tjoetjork hidoeny,
Sprw.; iemand
iets onder den — wrijven, verwijten,
uiembanykit. — van een vaartuig, djoe-
ntjoer pérahoe;
den — overal insteken,
zich met alles bemoeien, nidinasoekkaii
dirinja dalam sé.yalapérkara
; vlak voor
den —, betoel diliadapan; iets in den
— krijgen, mêndapal anyin-angiunja;
een — krijgen, mêndapal malor, btrotih
ittaloe
; de - snuiten, mêmbueicaHg h\'t-
ngoes, mtnyésang hinyoes
(van tang);
den — dichthouden, b.v. vuor stank,
mènoetoep hidoeng; ook: iiada botih
niXinhoeka hidoeng.
neuNbeen, batany hidoeny.
]»eunl>toetlinij, linoeny-linoenyan.
tieuH<loeU, zakdoek, tapoe tangan, kam
tapoc ianyan.
neusgat, lobnny hidoeng, Hjang hidoeng.
neushanr, boetoe hidoeng.
neuohoorn van ecnig dier, tjoela.
van den rhinuccros, tjoela badak,sori,i-
boe badafr.
ueushoormlier, ihinoceros, badafr.
met een neushoorn, badak gadjah.
met twee neushoornen, badak karbau. \'
ïiusliuornvo^L\'], boeroeng tnggang. \'
neiialthmk, in de Cnnwiuaticn wordt
door Hadju Ali lladji in zijno Bostanoe-
Mkatibin aangeduid met déngoeiiy, boefijl
dëngoeng.
neusmiddenschot, stkat didatam
h> dor iiy.
neusniL\'. batany hidoeng.
neustop, hoedjuetig hidoeng..
n€\'u*tvW*ut»el, tjoepiny hidoeng.
neuwwortel, panykal hidoeng.
neiiN/üwunden, lamhoenyan hidoeny.
neuwzweer, plumbago rosea, rëtlueny;
svphilitisebe —, ordena, résloeng kotji.
nevel, mist, kabwt. —, dump, oeicap.
nevelachtig, betrokken van de lucht,
rtdoep, balam-balam, b.v. het is nog niet
helder, de lucht i- nog —, bétont tjoe-
tcatja, layi balam-balam;
overal — zijn,
van de lucht, taram-tX.iuaram. — vau
de ooi;en, dof, zooals bij bei ontwaken,
raboen; algemeen — c lucht bij stil,
kalm weder, pXluetcany. —, llauw zicht-
baar door den verren afstand of door
damp enz., kaboes. — en donker, kt\'
tam-kaboet.
nevenlxMloelitirr* maksoed jang kudoe~
ir-\', nial jang tXrsvmboeni.
nevenhfigrip, iuyalan jany kadoeica.
nevenheteekeniM, Xrti jang kadoeicu.
nevenmun, kaïean.
neven»*, naast, disisi. —, dichtbij, dXkat.
—, met, tXrta, dtngan, sirta denyan,
btirsaiiia-sauia dXngaii.
neven» •*mind, jany beserta dtngan int,
jany distrtakan dXnyan int.
neven/uali, bijzaak, pXtrkara jang ka-
doewa.
nicht, kimanakan, saoedara tapoepoe.
Moet bepaald het geslacht uitgedrukt
worden dan moet de bepaling përam-
pi" i\'sn.i
volgen.
nietniind, xa\'orang pon tidak; er is—,
sa\'orauy pon liada. — wie ook, liada
siapa.
niemendal* saloe pon tidak; er is —,
satoe pon tiada.
nier; de nicien, boeicah pingyang,kirin-
djal, gïli-yëH, yam/jat.
nierhed, Kwak boeicah pinygang.
nierbekken, timpat boeteah pinygang.
nierpün, sakil boeicah pinygavg.
niersteen, graveel, baioe boeicah ping-
gang.
iiieswortel, hclleborus, cbarbak, Ar.
iiicMniilili\'l, ubtil btrtsin.
niet, tidak, tiada. — zijn, liada; het
-ocr page 504-
492                                               nietig — nijdig.
nissen; op —, wederom, poela; weer
als — maken of opmaken, niëmoelaug-
kan beharoe,
b.v. ik heb dat ding weer
als nieuw opgemaakt, sëhaja soedah
poelangkan bëharoe barang itoe;
op —,
van voren aan, samoela; op — weer
beginnen, menjamoe/akan; telkens weer
op —. of van voren aan, da capo,
bërfaloe-taloe, b.v. telkens begonnen de
tranen weer op — te vloeien, ajar
tnata toeroen bërtaloe-taloe.
De reeipr
vorm hiervan is ook in gebruik, b.v,
taloe btrtaloe, over en weer telkens van
voren aan; het — is er al af, boenga-
nja toedah lajoe, soedah lajoe boenganja
het zal mij — doen, ing\'mlah sëhaja
hëndak tahoe;
op Java sëhaja kepiugi.i
tahoe.
— van iets ophooren, menengar
dë.ngau tër/je,igaug-/jri/gaHg, tcrtj\'éngang-
fjëngatig mënëngar.
n ieu wacht ig, bëharoe-bëharoean.
nieuwbakken, v»n brood enz., bëharoe
dibakar.
nleuwbelteerde, orang bëharoe masok
againa.
■ iii-11 wi-li.il>:s, iït-.haroe-hëharoe.
nieuweling;, orang beharoe, vork. van
orang beharoe da/ang.
nieuwetnaan, hoelan bëharoe.
nieuwerwctsch, ineroet dat beharoe.
tja"ma beharoe.
nieuwaast, djamoe beharoe datang.
nieuwgeboren, pas geboren, bëharoe
djadi.
nieuwgehuwd, beharoe kaïcin, bëharot
beristëri, beharoe berbini, beharoe bërsoe-
wami, bëharoe hërlaki.
| nieuwheid, kabeharaean.
nieuwigheid, pïrkara bëharoe-bëharoe.
nieuwjaar, tahoen beharoe.
nieuwjaarsdag, hari fahoen bëharoe.
nieuwjaarswensen, saldmat tahoen
bëharoe.
! nieuws, chabar bëharoe; iets —, wal
—, barang beharoe.
nieuwsblad, soerat chabar.
nieuwsgierig, ingin hèndafc tahoe.
nieuwstijding, chabar, berita, tearta.
i nieuwtje, barang jang bëharoe, chabaran.
I niezen, bërësin ; aan het — raken, itm
béresin.
n\\jd. afgunst, dëngii, hasad, Ar.; ver-
teerd van —, karatan kaii.
ntfdig, wangnnstig, bërdtngki hatoed.
Ar. —, vergramd, gëmas, marah; van
\' Vorsten, moerka.
—   zijn hoekan; nog ■—, belom, Vèlow-
pai,
saincntr. van bP/om met sampai.
—    meer, tiada fan, — meer dan,
tiada lébih daripatfa; uit het — tot
aanzijn gekomen, daripada tiaila kapada
ada.
— meer zijn, soedah tiada; om
—, gratis, tjoema-tjoema, pertjoema,
karena Allah;
uiti —, ijdel, te ver-
geefs, tjoema-tjoema, sija-sija; te —
doen, tot — maken, mPmadakan; maken
dat men — heeft, te — doen, wat
iemand beeft, hivwptrtldakkan. — met
ui, satoe pon fidak; te — gaan, ten
onder gaan. binasa. — willen ta\'maoe,
tiada mao-\\
— eens, sakalipon fidak.
alleen dat, boekan itoe séhadja; het is —
met mijn wil, boekan dengun kahtndak-
koe.
—, dat niet, b.v.—.dat ik niet in
staal ben weerstand te bieden,bwkannja
patik tiada terluwan;
in het geheel—,
takali-kali tidak; soms —, soms vel,
sak alt ta\', sakali tja. — luns daarna,
tiada btrapa lama këmoedian; om —,
zonder reden, dèngan tiada sebab, dé-
ttgan tiada
sameiia-mv.ua. — in de ver-
bied. Wijl, djangau, b.v. ga daar —
heen, djaugan Pngkau kasana; vlucht
—, djangan lari. — alleen, —slechts,
boekan sê/tadja, djangan, djangankan.
niet ii». zonder waarde, tiada bërgoena,
tiada bPrfai:dah.
—, ijdel, onnut, sija-
sija.
—, klein, Reling, kë\'jil, svdikit.
nietigheid, perkara ketjii, barang jang
sija-sija, barang jang tiada bërgoena,
barang jang tiada bërfaïdah
, barang
jang tiada bvrapa goenanja,
niets, satoe pon tidak; er is —, satoe
pon tiada;
voor —, om niet, tjoema-
tjot\'ma, përtjoema.
—, hetzij van een
of ander, tiada apa-apa; het maakt —
uit, het doet er niet loc, tiada mëngapa.
nietswaardig, satoe pon tiada goena-
nja, satoe pon tiada faïdahnja.
—,
laag, gemeen, kina, ISedji; een — pcr-
soon, orang ftina, orang kedji. —, ijdel,
boekan-boekan. b.v. —e zaken, pPrkara
jang boekan-boekan;
een — persoon,
orang jang boekan-boekan.
nietteirenstannde, kvndati (samentr.
van kahendak fiati), maski(van het Port.
masqué). Ook këndatu\'ah, këndatUah
dëmikiau, maskipon.
niettemin, intusschen, dalampadaitoe.
—, toch, evenwel, djoega; maar —,
tëtapi.... djoega.
nieuw, be/iaroe, baroe, in alle heteeke-
-ocr page 505-
nijdigaard — nonactiviteits-tractement.                      493
I iem., ménamdi mëngikoet nama; hij
wordt Ali genoemd, Ali namanja, na-
manja Ali;
hoe wordt hij genoemd,
siapa namanja; hoc wordt dat genoemd,
apa namanja; boven genoemd, jong
ter&eboel d i-at as;
noem dat woord eens,
tjoba sëboetkan ka/a itoe, tjoba boenjikan
kata itoe.
, noeming, vermelding, sëboetan, pënjé-
boetan.
: noen, middag, tengah hari.
, noest, kwast in het bout, mata kajoe.
—, vlijtig, radjin, oesaha, Skr.
I nog, in de beteekenis van vermeerdering
en voortduriug, lagi, masih en misih,
veib. van het Jov. taksih. — steeds,
lagi, masih. — steeds meer, masih lagi.
—  al, djoega; er is — al, ada djoega,
b.v. er zijn — al een beetje koopwa-
run, ada djoega dagangan sédikit-sëdi-
kit. —
niet, belom. — niet, niet zoo
dadelijk, verbiedende wijze, djangan
dëhoeloe;
— niet, eer, sabëlom, b.v.
als hij — niet gegeten beett, sabelorn
ija mukan.
—, on ook, dan lagi, b.v.
—   zeide hij, lagi kaianja. — eens,
sakali lagi, lagi sakati. —, in de be-
teekenis van „z el (s", djoega, b.v. giste-
ren —, kalamarin djoega; ook —, lagi
poela, tambahau poeta;
tot — toe, sampai
sakarang.
— lang niet, op verre na niet,
djaoeh sakali; al is het — zoo weinig,
djikatau sedikit sakalipun. — eens zoo
groot, doewa kian besarnja; bet is —
geen dag, hari belom stang.
nogal, djoega. b.v. — boog, tinggi djoega.
i nogmaals, lagi poela, lagi sakali.
nok, van een dak, pevaboengan,përahan,
boehoengan, boemboeugan.;
kleinere —
op den hoofdnok, ter bevestiging daar-
van, pélekat raboeng.
nokbalk, toelang boemboeng, perahan.
nokhedekking, van atap ot\' dekiiet,
raboeng.
nokpan, gënleng p\'êrahan.
nolens volenN, maoe ta\'maoe.
,
nommer, angka.
j nommerbriefje, soertil angka.
nommeren, mëmboeboeh angka; gcnom-
meid, b\'erangka; ongenommerd, tiada
lierangka.
non, endang, Kw. ook vrouwelijke be-
diende van een pandita.
\'■■ ruMiiiri i.>], bèristh\'dhatoe \'Ichair, Ar.
j nonactiviteits-tractement, oewang
hoela.
nijdigaard, orang dengki, pëndêngki.
nijdigheid, kadengkiau. —, boosheid,
mar ah, kawarahan; van Vorsten, moerka.
n\\jgen, met bet hootd, toendoek.
nijpen, met eene tang, schaar enz.,
menjepit (vim sepit). —, zie ook knü-
pen.
nijpend, van pijnen, in bet nauw ge-
bracht door schuldeischers, perit.
van armoede, pêrih.
nüper, pënjepit, sepit; — van een bril,
stjjit tjeiëmm mata.
nüpertje, pincette, tjoenam. —, tan-
getje oiu de haren van dim baard uil
ie bekken, sepit anykuvp.
nijptang, kakatoewa, ragoem ; e. s. v.
—, kotkoe harintau.
nijver, radjin, oesaha, Skr.
nijverheid, karadjinan, oesaha.
iiili, hik, snik, zie ald.
nikken, zie knikken.
nimf; heniclsche—,bidiadari; water—,
bosch— enz., pèri, veib. Perz. waarin
het een goeden geest is, doet» in het
Mal. wordt het ook voor een kwaden
geest gebruik; goden en —en, detoa
dan pèri.
nimmer, nooit, in het veiledene, tiada
përnah,
nog —, b\'elotn përnah. Zie bij
nooit*
niw, holte, tjengkéroeng. — in eene uios-
kee, in de richting naar Mekka, mi/i-
rdö,
Ar.
noach; de — dea Hijbela, nab\'t Noeh, Ar.
nobel, bangsawau, zie edel.
nobleMse, segala orang bangsawan.
noch, tiada, tittajf. — dit — dat, —
deze — die, — deze — gene, — de een
— de ander, inipon tidak,ito<-pon lidafc.
nochtans» kendatilah dëta\'ikian .... djoe-
ga,
b.v. — gaat hij daarheen, kendatilah
demikian pergilah djoega ija kasana.
—,
edoch, tëtapi, akan letapi, ivalakin, Ar.
noedels, zetmeel in balletjes, koleh-
koleli, tjatja;
ronde —, tjatja halia;
langwerpig vierkante —, tjatja anafr
ikan.
noembaar, bolih diseboel, bolih disëhoet
namanja;
niet — tiada lerstboetkan.
noemen, iets een naam geven, m\'émbëri
nama, ménamdi, tnënamakan
; genoemd,
bemama, dinamdi. —, uilspreken, me-
ngatakan, memboenjikau.
—.vermelden,
mëuj\'éboet (van sëboel), b v. iemand wel-
dttdig —, menjëboel orang dëngan nama
kamoerahan;
naar den naam — van
-ocr page 506-
MI
nonnen» noordelijk.
nonsens, sija-sija, boekan-boekan; een
—  zaak. p"rkara jang boekan-boekau ;
een — kerel, orang jang boekan-boekan;
— prnat, perkataan jang boekan-boekan.
nood, kasoekaran ; gevaar, behaja ; uiler-
ste —, kasoekaran jang terbesar; het
heeft geen —, er is peen gevaar bij,
tiada behajanja; in geval van — of
gevaar, djikalau ada behaja; als het
noodisj is, djikalau b-rliailjat,- in — zijn,
kasoekaran; uit den — helpen, meloe-
poet kan daripada behaja, wehpaxkan
daripada kasoekaran.
—, drang tot
ontlastin;» hadjat; groote —, Qadjat
bèsar;
kleine —, hadjat kttjil.
nooddruft, had jat, kakoitangan. Zie
urmoede.
nooddruft ii-, papa, miskin, Ar.
noodilwang, diaroerat. Ar.
noode, iets van — hebben, berhadjat,
WtMOe pakai;
van — zijn, htndak dipakai.
noode, ongaarne, dengan ségan, malas,
tiada soeka.
noodelooH, tiada oesah, ta\'oesah, tiada
pëtioe, tiada bergoena.
—, to vergeefs,
tjoema-ljoema.
nooden. eie noodi«;en.
nood «jes*chrei, gehuil, loeloeng.
noodhulp, zie bij waarnemen.
noodlgb — hebben, maoe pakai, bïrha-
djat, maian,
het laatste voorn, van geld
of materialen, h.v. hij heeft veelgeld,
—, ija makan banjak oeteang. —, nood-
zakelijk zijn, wat men — hecfï, pak.su,
hadjat,
Aral>.; dat werk veveischt of
heeft veel uitgaven —, pek\'erdjaiin Hoe
makan banjak bélandja ;
het is—, beta-
melijk, patoef, hendaklah, sajogjanja;
waartoe is het —,apa oesahnja, mengapa;
het is niet —, ta\'oesah, tiada oesah.
noodigen, verzoeken, invitceren, men-
djémpoet, ni\'emanggil
(van panggil), mein-
per til akan,
het eersle en tweede van
minderen, het laatste van meerderen of
hen, die men eert j ter maaltijd —,
mèmanggil makan, m\'endjempoei makan,
mempersilakan makan
(of santap); de
genoodigde, orang panggilan, orang
djempoefan, orang jang dipersilakan.
noodi**cr, van beioup, djoeroc djempoet.
noodij*in«>, /\'"\'iggilan, djempoetan.
noodjaar, tahoen jang bèrbèla, tahoen
tjilaka.
noodklok, genta sembnjan.
noodkreet, larejak \\ibab kasoekaran,
djërit sebab kasoekaran.
noodlot, oenloemi, nasib, Ar. —, het
lol dat over iemand beschoren, voor-
uit bepaald is, takdir, Ar.
noodlottig, tjilaka; de krijg zou —
zijn, peperangan /readak kaliirasau.
noodMchot, buenji mariam sèmb jan.
noodsiein, trnd/Ojtin, -lldtnat behaja.
noodweder, rihoet dau tofdn.
noodwendig, zie noodzakelijk.
noodzaak, dwang, drang, paksa, dia-
roerat.
Ar. Zie ook het volgende woord.
noodzakelijk, plichtmatig, perloe, van
het Ar. fardl, b.v. het is —, dat
vrouwen hnur gansche lichaam bedek-
ken, segala perampoewan fardl djoea
menoetoep sakalian toeboehnja ;
ook ha-
ros,
b.v. het is — dat de Vorst onder-
scheid tussehen hen niake, horos afas
radja bahira dibedakannja pada antara
ritareka-itoe.
—, noodig, pa^sa, hadjat,
Ar. ook cene —e behoefte; een groote
en kleine —e behoefte, hadjat bësar
dan kètjil;
uit noodzaak, karena ha~
d/atnja.
■—, er wel toe gedwongen zijn.
diaroerat; het is —, het moet — ge-
sehiuden, ta\'dapat tiada. — zijn, ook
noodzakelijkheid, nooddwang, drang
der omstandigheden, diaroerat. Ar.
noodzaken, dwingen, meu/ak\'sa (van
paksa). Ook mèngeraskan (van kuras),
b.v. tiada ija utaoe kalcewar, rnareka-
itoe keraskan,
wil hij er niet uit, dan
wordt hij door hen genoodzaakt; dan
m\'engtraskan dia tinggalkan samoeanja,
en nood/aken hem alles achter te laten.
nooit, voor den veil. tijd, tiada pernah,
tiada soeicah
; voor den toek. tijd, tiada
djemah
; nog —, b\'tlom pernah, bétom
soeicah
,- nog — iets gedaan of onder-
vonden hebben, belom tahoe; zoo iets
heb ik nog — gezien, belom pernah
akoe meiihal jang demikian;
hij zal —
gelukkig zijn, tiada djemah ija satamat.
— in de lockoinst ook. sakali-kali
tiada
.... akan, b.v. — zal ik daarheen
gaan, sakali-kali tiada akoe akan pergi
kasatia;
noa — van mijn leven, san-
moer koe h\'tdoep bêloM.
noopüzer, voor olifanten, koesa.
noor, noorman, Xoorweger, orang norga.
noord, oetara, pafcsina, Ski.; vlak —,
oetara lépal; X. X. West, oefara baral
laoel.
Zie verder bij koinpnHatreek.
noordelijk, in —e richting, arah ka-
oetara:
een weinig —, oetara sèdikit.
-ocr page 507-
noorden — nuttiging.                                         495
aakarang, kini (samen tr. van ka-ini),
b.v. hij heelt tot nu toe nooit verstand
gehad, \'ja tiada berTtkal salamanja krui,
— eertt, beharoe aakarang, beharoe ini;
van — af, moela\'i dari aakarang ini.
—, aangezien, tègal,sedang.—.welaan,
baiklah, marilah.
nu, als i-topwoordjc, po», b.v. sebab pon
akoe ,\'/■ ■!"-■ tl\\ lobang :ni,
de reden nu,
waarom ik dit gat graaf, is....
nuchter, onla-dweliud, aioeman.—, nog
niets gegeten hebben, belom makan.
nut\', anak perampoewan jang bertingkah.
petolik.
nuk, tiugkah; zie luim.
nukkig, bertingkah.
nuraeri, kitiib Bilangan.
nummer, angka.
nummeren, meutboeborh angka; genum-
nierd, berattgka; ongenummerd, liada
bet angka.
nut, guetta, faedah, Ar. tnanfaal, Ar.;
het — dat iets heeft, dal aan iets ver-
bonden is, pèrgornaitti; welk — steekt
er in, apa peraoenaannju\\t —, leering,
petuewa; zonder — in dien zin, dengan
tidak petoetea;
ten —te, ukan goena;
ten —te maken, aanwenden, memper-
goenakan.
— trekken, mendapat faedah,
birolih faedah;
ten algemeunen —te,
akatt goena orang sakalian. — aan-
brengen, memberi faedah,djadi bergoena;
welk — heeft dut, apa gomanja; het
heoft hoegenaamd geen —, aatoepon
tiada gornanja,
b.v. sesal d\'èhoetoe pen-
dapat annja, sesal k\'emoedian satorpon
tiada gornanja,
berouw vooraf heeft zijn
voordeel, naberouw is tot niets —, Spnv.
| nut 1 doos, tiada bergorna, tiada ber-
faedah.
— maken, m\'eiighah\'tskatt, b.v.
maakt alle vergelijking —, mengha-
biskan aegala laksana.
—, ijdel, a\'tja-
sija;
te vergeefs, tjoema-tjoema.
nutten, bergorna kapada, memberi faedah
kapada.
nuttig, bergorna, betfaedah,- van perso-
neo ook gornawan, Skr. — voor, ook
terpakai kapada.
nuttigen, eten of drinken van Vorsten
of aanzienlijkon, aantap. b.v. soedah san-
lap itoe lalor aantap mtnorman,
nadat
(de spijzen) genuttigd waren nuttigde
men de dranken.
nuttigheid, goena,pèrgoenaiin. —, voor-
deel, winst, laba, perolehan.
nuttiging, peraantapan.
—, in het Noorden ligsend, disabélah
oetara;
in —c richting zeilen, bèrlajar
kasab\'etah ortara.
noortien, oetara, pakaina; noordelijk
deel, behagiav ortara. —, noordzijde,
noordkant, sabetah ortara; ten ~,pada
subelah ortara.
noordenwind, angin oetara.
noorderzon, met de — vertrokken,
hè\'iihors, lett. geblazen.
nounlUnnt, aabela/t oef ara,pehak oetara.
iioortUmper, ikan paoet.
noordpül, djaroem ortara.
noordpool, zie bij poot.
noor<i-«-li, ortara.
ïioordwmtrtN, katabèlah ortara, ka\'
ortara.
— aanhouden, mengambiloetara.
noordzee, laoet oetara.
noordzijde, aahelah oetara.
noormtin. Noorweger, orang norga.
noorMch, de taal, béhasa norga.
noorwegen, nêguri norga, tanah norga.
noot, aanteefcening, kantteekening. hd-
sjijat,
Ar.; veel noten op zijn zang
hebben, banjafc ragam, b.v. gij hebt
veel noten op uw zang, battjak ragam
\'rngkau.
—, kukosnoot, boewah tijioer,
boenah kelapa.
—, noteinuscant, pa/a,
boricah pala.
nop, in zijn nopjes, welgemutat zijn,
dsjik-asjik, b.v. djika betidahara tïsjilp-
\'üsjik- dikampoengkanttja segaJa anak boe-
mthnja,
als de Kijksbestierder in zijn
nopjes was, dan riep bij al zijne kin-
deren en kleinkinderen bij elkander.
nopen, zie unntnoedi^en, enz.
nopen»*, ten aanzien, tènfang, akatt.
nopje, zie nop.
ii.irs.\'li, korzel, m\'erëngoes. —, wreed,
gara/tg, geram.
nota, sorrat peringatan. van iets
nemen, in gedachten houden, m\'engam-
bil ingantan.
notaris, tiofaria.
not< in \'isluiiii. pala, Skr. de boom,
pokok pain; de vrucht, boewah pala.
—tuin, kebon pala; geconÜjte —, ma-
nisan pala.
notitie, fadloeli, Ar.: geen — van iets
nemen, tiada fad/oelikan.
nu, tegenwoordig, aakarang; ook voor:
en nu, maar mi; nu met nadruk, oogen-
blikkclijk,*«£flrfl»y ini, aakarang djoega.
— en dan, adang adang, kadatig (sa-
mentr. van ke-adang), terkadany, ter-
kadang-kadatig;
tot nu toe, aampai
-ocr page 508-
4M
o — of.
beAata Melajoe; zich in het schrijven —,
b\'eladjar menjoerat; zich in den wapen-
bandel —, beladjar b\'ermaïn téndjata,
oefening, p\'eladjaran, oesaAa. — der
spieren, gviunastischo — houden, ber-
s e na m.
oefenplaats, exercitie-plein der solda-
ten, tempo/ beladjar bêrbarit.
oefenschool, tempat beladjar. Zie ook
school.
oefentyd, masa beladjar.
oefenunr, kuetika b\'eladjar.
oei, tuss.w., adoeh.\'
oer, ijzererts, oergrond, tanah b\'ési.
oerliiiii», lapis tanah besi.
oeros, sttadang, banteng.
oester, tiram; soorten zijn: tiram batoe,
tiram bakau
en tiran kera; op eene
bijzondere wijze ingezouten —s, péka-
sam tiram.
oemterbanh, oesterput, plaats, wanr
oesters zijn, petiraman.
oesterput, zie oesterbank.
oesterschelp, koelit tiram.
oesterverkooper, orang bèrdjoeical
tiram.
oever, tepi; v;in eeue rivier, tepi soengai;
houge en steile —, tèbing. — van do
zee, pantai, tepi laoet, tepi pan/ai; bui-
ten zijne oevers treden, me Ie inbak, mi-
lampar
; langs den —, sapandjang tepi,
sapandjang pantai;
langs den — varen,
b\'erlajar menjoesot-r pautai i^vnn soesorry,
op den — van den dood, Aampir sam-
pai adjal, Aampir akan mali;
aan den
—  van het verderf, Aampir akan binasa.
oeverbewonor, van de zee, orang jang
doedork dipantai; van de rivier, orang
soengai, orang jang doedoek dit\'epi
soengai.
oeverduiu, borkil ditëpi laoet.
oeverplant, rhisophoren, pohon bakau.
oeversnip, boeroeng sikoedidi.
ocverzand, pasir ditepi laoet.
of, ataw, b.v, dit — dat, ijk\' afaw Hoe;
goud — zilver, perak ataw ëatas.
hoog, — laag, a/aic tinggi, ataw rëudaA.
—   bij algehcele onzekerheid, \'entaA, b.v.
—   hij dood is, dan — hij leeft, dat weet
ik niet, èntah tja mati, entah htdoep,
tiada sthaja tahoe;
hetzij verre — nabij,
ba\'ik dekat, ba\'ik djaoeh; betzij goed —
kwaad, maoe ba\'ik, maoe djahat. Soms
wordt — in bel geheel niet uitgedrukt,
b.v. overwinnen of verliezen, kalah
m\'enavgitja;
goed — kwaad, ba\'ik dja-
O.
o, Tom, w. bij het aanspreken vao gelij-
ken of minderen, Aai; vim meerderen,
ja. — fiod, ja Allah, ja illahi. — mijn
kind, Aai anakkoe.
oblie, koeiceA sêmprong.
obli«»»tie, soerat Aoetaug; rente gevende
—, sorrat Aoetaug jang berboenga.
oceaan, laoetan bèsar, sëgara, Skr. dja*
ladtri
(Skr. djaladAi), semoedera, Skr.;
de groote of onbegrensd» —, b.v. ten [
Westen van Suruatra of ten Zuiden
van .lava, laoetan seleboe.
och, acb, adoeh, wah. — lieve kind. j
adoeh anang, adoeh anafr. — of, iu :
gebeden, woedaA-moedaAan kalau, mor-
dah-maedahan barang.
— arme, sajang, .
kasihan.
ochtend, pagi, pagi hari; vroeg in den j
—i Pa9\'\'l>a\'J\'; morgen—, esoek pagi;
den gehcelen —, sapandjang pagi.
(H-In enddauw, emboen pagi.
ochtendeten, mak au pagi.
ochtendgebed, der Mohammedanen,
Sfiiibtihjang soeboeh.
ochtendgloren, terbit fadjar, fadjar
mcfckah.
oehtendgroet, salamai pagi.
ochtendhoelte, sëdjoek pagi.
ochtendlicht, t\'erang pagi.
october, boelan Oktober.
oculeeren, zie enten,
oefenen ; zich —, m\'ettgoesaAakan dirinja.
—, uitoefenen van een werk of bedrijf,
melakoekan, meng\'èrdjakan (van kerdjai. j
—, aanlecien, beladjar; onderwijzen,
m\'engadjar. —, doen wennen, membiasa-
kan.
— van de hand of vingers, door
iets bij herhaling te doen, ook van
mond of tong door opzeggen enz., m9>
lampas; de spieren —,bersenam; wraak
\'—, membalas ; straf —, metrghuekoeut-
kan, ménjiksakan
(van st\'ksa); gerech-
tigheid —, mëlakoekan ka\'tdi/an; god-
zaligheid —, mëlakoekan ibtidat, bet-
boctect bak/i;
maeht —, melakoekau
koewasa;
geduld —, geduld leeren,
b\'eladjar sabar; geduld met iets —.
menxabarkan; geweld —, m\'etiggagaAi,
mengeraskan
(van k\'eras), mengerasi;
weldadigheid —, utelempaAkau kantor-
rahan, mëlakoekan kamoeralian;
zich in \'
de eene of andere wetenschnp —, bèla- \\
djar,
zich in het Mnleisch --, b\'eladjar \'
-ocr page 509-
Ml
oüer — okselspier.
l o fier brood, roti përstmbahan,
otter buts in eene moskee of kerk, ia-
boeng,
eigenl. eene groote bamboe-
geleding met een nauwe spleet, ook
wel gebruikt voor spaarpot.
ollerdienat, kabik-tiait dengatt korbdn.
otterdier, binatang korbdn, binatang
persembahun.
otteren, membatca korbdn, me^persembah-
kan korbdn, memoedja, mitnboeicang
««-
tjttfr, memberi sedtkah. Zie het onder-
scheid bij otter; iets —, mtmprrsem-
bahkitn, u.>ïtigkoibdnkan, mensedekahkan.
—   op de graven van afgestorvenen,
tnemberi stdefrah artcah.
otter «ave, perse mbaJian, korbdn, sedekah.
Zie ott\'er.
oilerkist, peli dtrma.
oiierlam, anak domba korbdn.
ollermuul, seiekah.
otlerpenninu, uVlf, oetcang dtrma.
otterrÜMt, geul gekleurde rijst, die bij
offers gebruikt wordt, ba-as koenjit,
beras koen ing.
oliervleesch, daging korbdn.
ottervuur, api pvmbakar korbdn; hei-
denseh —, api p\'emoedja (van poe-
djat Skr.).
oili.ii, tijahatan, djauatan.
officier, inlandsen legeihoofd, hoeloeba-
lang; Europeesch —, opsir, verb.; hun
—, of otlicieren, ook: orang besar/tja.
—   van gezondheid, doktor soldadue,
verb. — vu» justitie, fiskaal, piskal,
verb. pegawai jang mendjaija oendatttj\'
oendang.
—, zie ook lej*erbooi\'d.
ottieierMrnii", pangkat opsir.
olsebooxi, soeuggoehpon, djikaiau ....
sakalipon, maskt (Port. mastte), uiaski-
pon,
b.v. — hij leelijk is, zijn hart is
toch goed, soenggufhpon boesoek roepa-
nja, maka hatinja buik djoega.
— een
storm bet huis beukt, het zul niet
vallen, djikaiau angin ribotl sakalipon
iiMi<-utpO\'-h kapada roemah itoe, tiada
djoega ija-itoe akan roeboeh.
o «iel", ojief, rechtlijnige hulle en bolle
insnijding voor lijstwerk, koemaï, koemai
gëtoegoer.
o<giet*f<*haaf, lijstschaaf, ketam pijan.
oker, gele —, operment, artal, retal.
oksel, holte onder den arm, kéteja^.
okselhanr, boeloe ketejak-,
okselreuk, baoe kïtejak.
okselschrooi, kekek-.
okselspicr, oerat kettjalf.
hatnja; juist — onjuist, salah benar-
nja;
willen — niet, maoe ta\'maoe.
tusschcn nvtv Telwoorden wordt mede
niet uitgedrukt, b.v. twee — drie per-
sonen, doriva tiga orang; vier — vijf
maal, kmpat Hma kali; veertien—vijf-
tien mijl, impat lima belas mil; deze
—   gene, ecnig persoon, wie ook, salah
sa\'orang, barung sa\'orang;
hel een —
ander, salah soealoe, baramj sasoeatoe ;
min — meer, srdikif banjak, banjak
sèdikit.
— ook ka/au, b.v. ga zien —
bij thuis is, pergilah melil/at ka/au ija
diroemah ;
vraag — zijne kwaal genezen
is, tanjalah kalau penjakitnja soedah
semboeh.
— , ook maka, b.v. pas had
hij het gedronken — hij viel dood
neder, b\'tharoe diminoemnja maka reba/i-
lah ija ma/i.
—, hoezeer, hoewel, be-
rapa pon, maskipon, djikaiau
.... saka~
lipon,
b.v. of ge al schreeuwt, ik doe
toch niet open, berupa pon tngkau fór-
tarejak, tiada djoega akoe boekakan.
—  ge al boos wordt, ik ga toch niet,
maskipon engkau marak (djikaiau eng\'
kan marah sakalipon), tiada djoega
akoe. pergi.
otter, ptTitnibahan, korbdn, Ar.; hei-
densch, bralimnunsch —, poedja, Skr.
poedjaiin; bezwering!—, zoen—, — tot
afwering, semah, semahan; onbloedig
brand , homa, Skr.; vrijwillig —, be-
staando voornamelijk in maaltijden en
gaven aan de armen, sedeku/t, Ar.; e. s. v.
—   tot herstel van zieken, bestaande
uit ■■(•[) klein, rond vleehtweik van
bamboe of kokosbladeren, waarop mea j
spijzen legt. en hier of daar neerzet,
ot\' op het water laut wegdrijven, mem-
boeirang anfjak
(van anfjak, dat vlecht- j
werk), b.v. maka djikaiau penjakitnja
itoe tiada diboewang anfjak, tiada akatt
semboeh,
als. men voor zijne kwaal niet |
(zulk) een offer brengt, zal hij niet
genezen. — op de graven van afgestor-
venen, stdtkah artcah; een — brengen,
memp\'ersembahkan korbdn, mtmBh\'i s\'ede- \\
1\'uh;
iets tot — maken, mengkorbdnkan.
otteraar, orang jany mëmpersembahkan
jrorbdn, orang jang metnberi fèd\'efrah, [
orang jang memoedja, orang jang me»t~
bocwang anfjafr.
Zie het onderscheid \\
bij otter.
otteraltaar, rnedzbn. Zie altaar.
otterande = otter.
oilerbtoed, darah korbdn.
-ocr page 510-
49S                                               okshoofd — om.
okshoofd, pipa,
oleander, ecne poort vnn bloetndra-
gcmle heester, pïdrndang.
oleaster, pnknn zttit hoelan.
olie, minjak; kokos—, minjak njioer, m.
ki\'apa,
l)e/e wordt onderscheiden in
twee soorten, nrol. die geschikt is voor
de spijsberciding, mimak makan, en die
voor de lamp. minjak paxang, minjak
lampo, minjak pelifa;
aciheiisrhe ■ ,
zoouls in de schil vim een oranje-appel,
fjiar; welriekende —, minjak jang ha-
rofm banen ja, minjak tcangi;
allerlei
welriekende —en, minjak baoe-baoetran.
—, die door bijmengsels welriekend
gemankt is, mi"jak berkaxai.; e. s. v.
welriekende —, minjak afar {van afar,
Ar.); e. s. v. welriekende—, pari il, b.v.
viakn nenek kahajan itoepon datanglah
mtiabatca boenga, diboeboehnja part il t
en het oud grootje kwam bloemen bien-
gen, waarop zij welriekende — deed;
op de hand gedragen als een pot vol
—, ditating xaptrti minjak jang penoeh,
Spnr. d. w. /.. iets of iemand met groote
zorg behandelen.
oln-swlit in, oliehoudend, bvrminjak, ada
minjaknja.
olii-l>nk, te in pat minjak.
oliebol) 0. s. v. —, dja/jm-ng linting.
olieboom, /ie ol\\jfl>oom.
oliedroenanif talii minjak.
olie-en-nzijiiRtelletje, op pootjes,
tjerana fjaeka-niinjak.
olii (If-.-li. xïrahi minjak. hotol minjak.
uliekoek, d\'/vrnpoet-djeinpoet; e. s. v.
platten — nol gaatjes, djïram-djeram.
oliekruik, borliboeli minjak.
olielamp, lampo minjak.
oliemnat, takar minjak.
oliemolen, pXngapitan minjak, pPnggi-
lingan minjak.
oliën, iiiï mpirminjakkan, m^minjaki,
memhoeboeh minjak, menjapoe dengan
minjak (van xapoe).
oliepnpier, k<^\'(\'\'f" minjak.
oliepers, pengapitan minja-k, kompaan
minjak.
oliepit, een pit in olie gedoopt om bij
ie lichten, soeloeh.
oliepot, bedjanah minjak.
olierijk, banjak minjaknja.
olieslager. pPngapif minjak, peugêmpa
minjak.
olieftlafferU, pengapitan minjak, peiUm-
paan minjak.
oliesteen. ba/oe asah dengan minjak.
olieton, olievat, tong minjak.
olieverf, f jat minjak.
olieverkooper of olie verkoopster,
oratig bérdjoeusil minjak.
olievet, lémak minjak.
olievlek, noda minjak.
oliezaad; bet indï?che —, sesam» m ir;-
dit-uin, Itnga, bidjen, widjen, Jav,
oUeraohsaperli minjak lemboelnja.
olifant, gadjah, Skr. beram; een lok—.
tjoetmk; een woedende —, voorname-
lijk een, die zich in den bronsttijd van
de kudde heeft afgezonderd, gadjah
niela;
de ■— die gewoonlijk door den
Vorst bereden wordt, gadjah kana\'ikan
baginda;
de Itijka—, gadjah karadjaan,
meestal een witte, gadjah poelih. —en
met elkander laten vechten, bïrdjoe-
urangkan gadjah.
olifantenjafter, pa.wang gadjah, boe-
moer,
ook boemoe.
olifant e n kraal, kandanq gadjah.
olifanten temmer, patrang gadjah.
boe moer.
olifniitshaak, ijzeren haak om een oli-
fant te besturen, koesa, angkoexa, Skr.
oliimitsliuid, koelif gadjah.
olifantNleider, eornac, pa/rang gadjah.
olifantslinnen, e. s. v. wil katoen,
waarop een olifant afgebeeld is, kdhi
gadjah.
olifantstnnd, gading; één —, sapoe-
tjoek gading;
een paar —en, gading
sakapala.
—, ivoor, ook danta, Skr.
iil.t\'iinUsimit, boelalai gadjah.
olijf, :ait. Ar. boetcah zait.
oiyfber»», boekit zaiton.
olijfboom, pabon :ait.
olijfolie, minjak zait.
olm, de boom, pohon dardar, Ar.
oloiirjiplii-i-h. soeratan tangan xendiri.
om, Vrz. rond, koeliling, b.v. — de tafel,
koeliling medja. — do stad, koeliling
negari.
Niet altijd U het in dezon zin
inet koeliling weer to geven, b.v. een
gordel — het lijf, ikat dipinggang; een
boofddoek — het hoofd winden, më.li-
litkitn des/ar pada kapala;
de pijlen
snorden — zijn hoofd, xfgala anak
panah itoe bf.rdëngoeng laloe dari kapa\'
lanja.
—, richting aanwijzend, ka, b.v.
—hoog, ka\'a/as. —laag. kabaicah.
de Noord varen, berlajar ka\'oetara.
de Oost houden, ntembelokkan perahof
katimoer.
—, plaats aanwijzend, di,
-ocr page 511-
199
om.
\'t is heel goedkoop, bijna — niet, moerah
sakali, hampir tiada. harganja;
al mijne
moeite was — niet, tjoema-fjoema segala
jy&natkoe
(of IP.lahkoe), — ieta geven,
fadloeli akan, pïrdoeli akan, mengen-
dahkan;
niet — iets geven, tiada f\'a-
dloeli. akan, tiada mengendahkan.

reden, karena, karena se.bab, b.v. — al
die goede woorden, kanna sehab segala
përkataiin yang balk itoe.
— (iods wil,
karena Allah; als het niet was—hem,
djikalau tiada karena dia (of karena-
nja);
ik prijs u — uwen ijver, akoe
memoedji ëugkau sXbab radjiitinoe.

vele redenen, alas bèberapa sëbab. —,
aan, ten opzichte van, akan, b.v. —
iets denken, ingat akan; met verlangen
—  iemand of iets denken, férkenang-
kan.
— hulp vingen, minta (oeloetig.
—  zegen vragen, minta berkal. — geld
verlegen zijn, kakoerangan ortcang.
iemand roepen, memanggil sa\'orang; zij
is gedaan — eieren, ija soedah pergi
membëti (elor;
stuur srauw — den smid,
lékas soeroeh panggil toekang btsi.
eene boodschap gaan, pergi mf.mbeli
apa-apa;
het is hem nlleen — geld te
doen, oetcang d/ort/a jang disehadja-
kannja;
het is hem alleen — kundig-
heden te doen, ëlmoe djoega jang di-
toentoetnja.
— de grnp,/r(W«£ bërgoerau
sehadja, boewat ma/n sehadja.
— strijd,
reboet-reboetan. — het hardst, berkëras-
kerasan, berlXkas-lëkasan, bXrloemba-
loembaiin.
— kort te gaan, hendak-
mengambil simpannja.
— eens een voor-
beeld te nemen, bij voorbeeld, oepa-
manja, mitsalnja.
—. een doel, bestem-
ming of strekking aanduidende, akan,
héndak,
ook oentoek, b.v. — morgen
te eten, oentoek makan esoek, letterl.
deel voor; zooveel als noodig is —
gegeten te worden, sa\'oentoelr makan.
—, Bijw. vnn tijd. soedah laloe, b.v.
het uur is - , wakloenja .<toefhi.li laloe;
een uur is —, soedah laloe sadjam;
de wind is —, angin soedah bXralih.
—   het leven, — hals. soedah maii.
— het leven brengen, memboenoeh, meng-
ambil njatea.
— zijn geld en goed
geraken, kahilaugan segala harta-ben-
danja.
— terug te komen tot mijn ver-
haal, kèmbalitah akoe mentjeriterakan.
—   iets wedden, bh-taroh. — zijn, van
een weg, lèbih djaoeh. —, in de betee-
kenis van ter, pada, b.v. — te ver-
b.v. —hoog zijn, ada di-atas. —laag
zijn, ada dibawalt. — het lijf, pada
toeboeh, dibadan.
—, voorbij, afgeloo- j
pen, soedah, habis. ■—, ten einde, opdat, \'
akan, soepaja: weinig — het lijf heb-
ben, fig. tiada bïrapa gonnanja, tiada \\
berapa faidahnja;
de nnnen —ieinund
slaan, meni/akap, d. i. omarmen; iets
—handen hebben, ada kerdja. —, tijd
en hoeveelheid aanwijzend, ktra lira,
lèbih koerang,
b.v. — negen uur, kira-
kira poekoel tamfatati.
— Nieuwjanr,
kira-kira (ahorn Stkaroe; hij is — de
zestig, kira-kira mam poeloeh taltoen
tnitoernja; tebih koerung enatn poeloeh
>
(ahoen t\'emoernja, — te, gevolgd door
een Werkw. wordt soms teruggegeven
met hëndafr, soms met peri, b.v. om |
te nemen, Jtendak mï\'nyambil; om te
verklaren, pvri tmngatakan; soms met
pada, b.v. pada mïnjatakau, om ia liet
licht te stellen. — de twee uren eens
innemen, fijap-tijap doetra dja.ru sakali
tnakan oba(.
— de tien jaren wordt
het eens nagezien, tijaptijap sapoeloeh
(ahoen sakali dipériksa.
— beurten,
berganli-ganli, bërgilir-gilir. — en —
elkander afwisselend, gand-bêrgand.
—   en —, — den ander b.v. van ko-
ï\'ftlen van verschillende kleur, die men ,
nanrijgt of van lioumen, die men plant,
etc, bers~v.lang-sela.ng, bvrselang-sT\'Hnt/. .
—  den anderen dag, sahari lepas sa- I
Jiari, selang sahari, lat saliari. — den
derden das, sï-lavg doewa hari, lat
doewa hari.
/ie ook bij ander en
overfllann; het een — het ander,
bersfóab soeaioe dengan soee.toe.,- \'t is
lood — oud ijzer, — het even, sawa
djoega, sefali (iga oeteang;
leer — leer,
dja/iat dibalas dengan dj ah at; werken
—    brood, bekerdja hendak (of akan)
nie.ndapat rë:eki, m~P.nfjehari kahidoe-
pan;
dienen — loon, tnakan opah,
makan gadji;
oog — oog en tand —
tand, inuta akan ganfi moia, gïgi akan
ganti gigi;
drio stuks (van vruchten)
—  een duit, liga bidji sadoeicit. — niet, ,
tjoema-fjoema, karena Allah, dengan
tiada bajaran.
—, gevolgd door de
onbep. \'Hijs van het Ww. is meestal
hXndak, b.v. — te Melen, hendafr ntï-n-
fjoeri;
ik kom — te vragen, hawba
datang int htndak mXminta;
ik kom
—    uwe ziel weg te nemen, sehaja
dafang iui hëndak mXngambil njawamoe;
\'
-ocr page 512-
50Ü                                                 omarmen
klaren, ter verklaring, patio, ménjata-
kan,
— te zeggen, pada mêngatakan.
omarmen, berdekap, nundëkap, memt-
loek1
\\van ptloek); elkander omarmen.
bérdékap-dèkapan.
üiuiirmiiiü, pXloekan, dekapan, pcme-
loefc,
oml>ind<-n, tuïnqikat. —, omwinden,
zie ald.
ombrengen, dooden, uiëmbvenoeh ; met
den uieest wieeden dood —, uiëmboe-
i\'Ufh dingan sadjalmt boenoeh.
ombuigen; omgebogen, /ie omlig-
sen, — vun een steekwapen of snij-
dend werklui);, beloel,
(hui l:i i. karëna, Skr. sfbub, Ar. —,
duar, dewijl, sëdang, tegal.
omdeelen, nttmbëhagi-bëhagi.
omdijken, niéngikat berkuetiliug.
omdoen» van een kleedingstuk.wrwrt-ï-a/,
méngënakan (van kina). —, aangoidun
van een zwaard enz., mëvjandamj-
kan
(van tandai/g). —, omwikkelen,
zie ald.
omdolen, tnïngombara (van kombard),
kilana, btridar-idar.
omduling, kombara, peridaran.
omdraaien, bedr. mëmoetar (van poe-
tar), mewofshigkan
(van poesiny, draaien
oui een middelpunt); den nek —, int-
moetas
(van poe/as. wringen). —, zich
afwenden van iemand, hem ontrouw
worden, lig. bérpaliny haloewan; zich
—, berpalitiy dirinja. —, keeren, wen-
den, rechtsomkeer maken, mënyérak
(van érak). —, veranderen, b.v. van
den wind, bëralih. —, omwentelen,
bëridar, btrkisar.
omdracht, plechtstatige —,perarukan;
eene — houden, bïrarak>;
omdragen, ronddragen, niïmbawa korli-
liny ; plechtstatig —, ményarak.
uunlr.iv.il, berlari koeliliry.
omdrvn telen, bërdjalan-djalan koeli-
lïng.
omdryven, met den stroom, hanjoei
bïrkurliliuy;
zwevend —, mëlajany-
lajauy bërkoeliling.
omdrogen, met een wrijf- of vaatdoek
van borden, kopjes enz., mëngésat (van
kesaf),
omduwen, minoclak\' tampai djatoh (van
toe/ak).
omdwalen, sesal bërkoeliliny, mtnyom-
bara
(van kombara), kelana. —, rond- .
loopen, ook alleen bërkoeliling, b.v. in \'
— omgaan.
de buurten —, bërkoeliling dalamka-, -
poeny-kawpoetiy.
omdwarrelen, bërpoesing-poetiny.
omelet, dadar, koewrh dadar.
omfladderen, b.v. van vlinders ene.,
mivyatoevy-atveng bërkoeliling.
omfloersen, mênjëloeboeng (van WW*
ion,/).
omgaan, met een persoon, bërkënal-
ketttj/a»;
vertrouwelijk — met, ifr«-
mah-ramahan dëngan, bërdjinak-djina-
kan dëngan
,- vriendschappelijk met
elkander —, bërsohbat-sohOatau ,■ in het
geheim met elkander — in ongeoor-
looide betrekking, sabambangan; op
ongeoorloofde wijze wet elkauder —
van jougelieden vnn beiderlei kunne,
matn mueda. —, rondom iet» gaan,
bërdjalan koel Hing, b.v. om de m ad
gaan, bërdjalan koeliling nëgari. — in
iemands gemoed, ada didalam hatiwja.
Zie
ook bij hart; men kon op zijn
gelaat lezen wat er in zijn gemoed
omging, isi hatinja itoepon kalihatan-
Init ptu/a moekan ja;
er gaat veel oiu,
er is veel drukte, rautai takali; er i-
veel alt rek (van koopwaar), banjat;
lakoe; er
gaat iets om, er is een geschil,
ada pëmëlisihan, ada soeatoe përkara;
builen iemand —, zonder zijn welen,
dëngau tiada sataboe; buiten iets —,
di/otftcar. —, ronddraaien, zio ald.; de
dag ging om, habislah hari ifoe, soe-
dahlah hari itoe.
- van een praatje,
gerucht, pïtjuhlah rhabar. — in du
stad, bërdjalan koeliling dalam nëgari ;
goed met iemand —, bërtakoe kapada
saorany dëngan ba\'ik;
slecht met iemand
—, bërfakoe kapada sa\'orany deugan
dj ah at;
hij weet met «indelen om te
guan, tahoidah /ja biramah-ramahan
dëngan boedak-boedak~;
niet kinderen
weten om te gaan, ook ta/tue bëranak;
met Vorsten weten om te gaan, tahoe
beradja-radja;
goed met een dier —,
mfuitliharakan soeaive binafang ba\'ik-
baik;
mannen die gewoon zijn met vee
om te gaan, orany jany biasa mëmtli-
harakan bivatany;
met iets —, het
hantceren, utendjabaf, mewëgang (van
pïgang), b.v. met het geweer —, men-
djabat bèdil;
ik heb nooit met wapens
oagegaan, tiiula tahoe sïhaja nïéndja-
bat sï-ndjala;
die met pik omgaat,
wordt er mede besmet, sa\'ekoer karbat\'
Mthibtiiva loempoer, samoeua karbau
-ocr page 513-
501
omgang — omhanden.
enz., dihadap. —, zie ook om«in-
gelen*
omgeving, van een Xorst, sëgala orang
jang mënghadap
(of jattg hadlir). —,
al wat rondom iets uf iemand zich
bevindt, barang jang koeliling.
omgieten, omsmelten, tnëtëboer. Ook
lig. van dntgene, wat iemnnd vroeger
geleerd heeft.
omgooien, van zware voorwerpen, »>\'-
noembangkan (van toembang)
omgorden, van een zwaard enz., nië~
njandangkan
(van sandang, band, riem
of koppel, die over c\'én schouder eaat).
—  vun de lendenen, mïngikat pinggang ;
de boi\';»t —, van vrouwen, bërkemban.
—  van kleederen, mïngënakan pakajan
(van këna); met een dijk —, tnëngikat
dëngan tambak
(of tarbis); met eene
gracht —, mrlengkoeng dëngan parit.
om<;raven, van den grond, mënggali;
graven rondom iets, mënggali koeliling;
grachten rondom iets graven, niëmbotr-
waf parit koeliling.
omgravinu;, rondom iets, galian koelt-
ling.
—, gracht, parit koeliling.
om™Te\\vteT\\tdjadipërhinggaan koeliling.
omgrenzing, përhinggaiin koeliling.
omhaal, van woorden, landjoet perka-
taan, përkataan landjoet;
geen — van
woorden gebruiken, tiada mëlandjoet-
kan përkataan.
omhalien, b.v. van klccdingstukken
enz., mëngdit pada lobang lam (ofpada
lëmpaf la\'in).
omliakken, van groote booinen of an-
dere zware voorwerpen, mënëbang (van
tëbang). — vp.n struikgewas, mënëbas
(van tëbas); allerlei —, zoowel boomen
als struikgewas, zoonis dat bij het oat-
ginncn van een boseh geschiedt, /«?«?-
bang-mënëbas; omgehakt hoal,Itbangan ;
omgehakt kreupelhout, tëbasan. — van
den grund met een hak, zooals de in-
lander doet j. pi. v. spitten, mëntjaug-
koel; mëmatjoel
(van patjuel, Jav.).
omhuUlting, pïmbangan, pënëbasan.
Omhalen, alles overhoop halen, mëm-
bongkar-hangkir.
—, omverhalen, b.v.
een huis enz., mëroeboehkan,niërombal\\
omhangen; een kleed —, gebruiken,
mëmakai (van pakai); een zwaard —,
vtënjandangkan pëdang (van sandang).
Ook tan een belletje om den hals —.
—, op eene andere plaats hangen,
nïëngganioeng ditëm at la\'in. , vast-
tfrpalel-palef, d. i. een buffel brengt
den mudder aan, al de buffels worden
aangesmeerd, Sprw.; onbesuisd met
iemand of iets -, mëmboeicat hoeta-
toeli;
onverschillig met iets—, mVnjëm-
barattgkan
(van svmbarang), ntf.njambalr-
tcakan
(van tantbalewa); mot leugens —,
soeka bërdoesfa, biasa berdoesta; in et
bedrog —, sueka mënipoe (van tipoe),
biasa mënipoe;
bij de huizen —, bër-
djalan daripada saboeica/i roemah da~
tan ff kapada saboetrah rocinah;
met
koopwaren, mëndjadjah,- doen —, b.v.
van den beker, iets ter bezichtiging
enz., mëngidar-idarkan j een kwartier
is omgegaan, soedah laloe sapërëmpat
(sasoekoe) djam
; met de —de post,
dengan pos jang balt Ir.
omgang, gang rondom, djalan koeli-
ling, idar.
— met menschen of zaken,
zie omgann; den — doen in den
tempel te Mekka, liërbaewat taicaf da-
lam masdjid alfraram
; ongeoorloofdcn
—   met elkander hebben van jonge-
licden van beiderlei kunne, niaia moeda,
bërmain moeda;
in het geheim met
elkander on geoorloofd e o — hebben,
sabambangan. —. gedragingen, tingkah*
lakoe;
grof in de» —, kasar tingkah-
lakoe,
—, plechtige optocht,pë.rarakan;
zulk een — doen, hërarak; de eigen-
lijke — van zulk een processie is,
idaran (van idar); de rechtbnnk van
—, rad sambarg, rad koeliling.
omcebogen, zie hij omliggen,
omgelieer*!, tërbalik. — staan, van
holle voorwerpen, b.v. kommen, glazen,
vaartuigen enz., loekoep,
omgekocht, këna ëmas^makan xoeicap.
omgekruld, van een olifantssnuit, gë- j
moeloeng. —, omgeslagen, neerhangend
van de onderste oogleden, bëlengset.
— e lippen, die naar boven vooruit-
steken, bibir berdjongkat.
omgelegen landen, environs, djadjahati,
da\'irah.
Ar.
omgeven, mëngoelilingi (van koelt/ing),
—, omringen nis een cirkel of boog, [
mefengkoeng,
b.v. door koraalrilfcn — , ,
dilengkoetig karang. —, omwikkelen !
met iets, mëmahet. — zijn in dien zin,
tërpaloet. — met cene boogvormige
buiging, zoonis b.v. een doek den bals,
mëngëloeng (van këloeng, boogvormige
buiging). — zijn, van een Vorst door j
zijne ministers, ambtenaren, officieren
-ocr page 514-
502                                      ouahehben — otnkoopcn.
hechten, m\'enjangkoetkan (van saugkoet),
b.v. hij hing zijne pijl en boog u|> zijn
rug, dan buesoer-panah disang koetkan-
nja dibelakanynja
; icuianil een gouden
keten —, mënyaloevykan oraiiy dengan
run/ui emas
\\van kaloeng). —, zie ook
omhullen,
omhebben, van een kleed enz., pakai ;
met bt-paaid ohj. berpakaikan.
omheen, ku.UVtng, bërkoeliting.- de gracht
daar —, paril jaug koeliling itue ; het
land da ai1 , tanah jatig koeliling itoe ;
bet omliggende land, djadjahan, dat\'
rah,
Ar.
omlicinen, mttnagari (van pagar, hei-
ning), numagari koeliling.
omheining, payar; tot —hebben, Wr-
pagariatt; van eeue — voorzien, mttna-
gart.
— Van latten, payar Malaka.—,
die ook van boven dicht is, ter bescher-
ming van planten, toerau. — van door-
nen, payar ttoeri; van bamboe, payar
boetoeh;
van pair: boomenhout, pagar
roejvrng;
van net hout van den vrater-
pnliu. payar mbuentj. —, van boven met
opgaande bochten, payar Vengyaloevg.
omhelzen, uiemeloek ivau peloek), mende-
kap;
den bals —, uiemeloek leher; het
lichaam —, wümftocf toeboeh, mende-
kap toeboeh;
elkander —, berp\'eloefc-
petoekan.
—, aannemen, i/tthi» rima{\\an
tërima).
— van ecnen godsdienst, SM-
toeft agama; den ,\\Iohnmuiednanschcn
godsdienst—tma$oek islum ;den (\'hiisle-
lijken godsdienst —, masoek ma$elji,
masoefc f er it ti i;
het —, Xelfst. nw.
pelttek; het —en kussen, pëloek-tjioem.
omhelzing, peloek; éene —, sakali
peloefr.
—, omarming als maat, pëme-
loei:
ooihoepen, menjimpai, mëmasany sim-
pai
(van pasany), menyeuukaa simpai
(van Leun),
omhooj;, i/dik, ka-at as. — gaan, st ij-
gen, nuik, na\'ik ka-at as. — stuiven,
vliegen, berbangkit Verbang ka-afas.
omhoojj ilri jvi-ii; omboog gedreven
door den wind, diferbaitgkan ang\'ni
na\'ik.
omhooj^httii\'eu, niiityuagkal na\'ik.
omhouiien, niet ofleguen, tiada me-
nanggalkan
(van tanggal).
ombouwen, van boomen, palen enz.,
menebang (van tebang). — van kreupel-
hout enz., meiiebas (van teöas). — met
een houwer, m\'emarang.
I omtiouwing, van hoornen, pën\'ebanyaii.
— van kreupelhout, tebasan.
I omhullen, menjeloeho»mg ; omhuld wor-
den of zijn, diseloeboeny; ouibuld als
daad van het Ittbj. bërstloeboeny; id. als
accident, terseloeboeng ; iets —, menjt-
loeboengkan;
omhuld zijn met, berse-
loeboengkan;
zich — met, menjeloe-
boenykan dirinja dengan.
—, ook me-
nyelueboeng
(van keloebotmg). •— met een
sluier, menoedoengi (van toedoeng). —,
omwinden, omzwachtelen, membebat. —,
I omkleed en, mengoelas.
omhulsel, seloeboeny, keloeboeng. —,
huid, kuetit. —, scheede, saroeny,
rangka.
Dit laatste ook tig. van het
lichaam met betrekking tot de ziel.
—. bekleedsel, oelas.
, omhulsen, menyatjau (van kafjait).
omkantelen, zie kantelen.
omkap] uil, zie omhakken en om-
houwen.
omkeeren, onz. Ww. baJïk; bedr. Wn.,
membatikkan; \'t onderste boven keeren,
membalik bel ah, membalik songsang; om-
gekeerd, \'t achterste voor, van een kleed,
bukony, balik bokong. Ook van een pio-
ces, waarin de beklaagde als klager
optreedt; het hoofd —, berpaltny ka-
pala.
—, zich afwenden, bérpaliay
dirinja;
zich —, heengaan, balik beta-
kang.
—. veranderen, trans, meityobah-
kan;
inlr. bei\'ubaA; omgekeerd, tërba-
/<\'■■;
het omgekeerde van iets, baliknja.
omkülien, menolib (van tulih)\\ naar
alle zijden —, tolih-vienolih.
on.hleeilen. menjaloet (van saloet).
omkleedsel, saloetan ; ook suuas kuclit.
omklemmen, ifa omknellen*
omkliuken, met een omroepersbekken,
tnentjaiitttigkan, memomonykan.
omknellen, zooals een elastiekc ring
om den arm, umn/jenykam.
i omkomen, iterven, mati. —, vergaan,
in het verderf storten, biiiasa; doen—,
in dien zin, memlnnasakan; ei\' mede
—, genoeg doen zijn, nte?t/juekoepka>/.
—, van den tijd, laloe. —, vooi bij -
komen van eene plaats, laloe, tepas.
omkoopliaar, dapat disoeteapi.
otnkoopcn, ummbert soeicap, m\'éngekol
(van kekul, steekpenning^. —, met ïoud
of geld, mënyeinasi. —, geld of goed
in handen stoppen om iemand voor
zijn doel te winnen, mënjorong (van
1 sorong); omgekocht worden, zich laten
-ocr page 515-
31 :i
omkooper — omreiken.
—, kina opa/i, kina ëoius, inakatt soe-
wnp, kétta sarong; door een vuig loon
omgekocht worden, ditoewapkem tahi
dan ajar kentjittg.
omkooper, arang jaug m\'emberi soetcap,
u. j. wengimasi, o. j. uteujorong.
omkoopprü**, oenang soevrap.
omkral>t>en, van den grond, mengga-
rofk; met de poolen den grond —,
zoonis b.v. do kippen doen, mengdis-
nga\'is (van kais).
omkransen, met bloMM, mtnftlMtkm*
karangan boenga (van kena).
omUronlielen, uielilit.
omkrullen, van den innd van iets, zoo-
dat de binnenkant zichtbaar wordt, b.v.
do lippen, menjiugsiug (van singsittg).
—   van de onderstu oogleden, zoodul
da binnenkant daarvan to zien \\*,lrtiset,
bëleuset.
—.optrekken, b.v. van nat leder
in óv zoa, gtrit/gsiiig. /ie ook krullen.
omkuieren, berdjalan-djalan koeliling.
omlaag, naar beneden, kmJmwmkj naar
—  gnan, loerocn, torroen kabaicah. —,
beneden, dibawak.
omlegeren, van eene stad of ve&ting,
inevgepoengi (van kepoi\'ng).
omlei£<£en, otukeeren, membttUk bdah.
—, op eene andere plaats leggen, me-
mindahkan
(van pnidah). — met een
band of rand, m\'engikat; leggen van
i<-: - rondom iets anders, memboeboeh
koeliling,
b.v. suiker om iets leggen,
memboeboeh guela koeliling.
omleusel. band om iets, ikat, tjintjin,
shitpai,
Zie bij band.
omleiden, rondleiden, mimbavui kceli-
/ing, menghaiitar koeliling;
bij de hand
—, me mi wpin kof/iling (van pimpiti).
—  van het gemoed, luentjenderoengkan
hati.
—, langs een anderen weg leiden,
mimbawa daripada djalan jaug la\'in.
Zie leiden.
omlfchten, memerangi koeliling (van
terang).
omlijnen, omgevallen zijn, tïrbalik:
—, van de onderste oogleden, b\'eleng-
St\'i.
—, van een mes of dergci. voor-
werp, bengkoeng; met Verscheid., beug-
kang-bengkoeng
; rondom liggen, koeli-
ling,
b.v. de —de dorpen, segala
doesoen jang konliling.
omlijnend = omliüjjen.
omliJNteu, mengandaug (van kandaug,
omlijsting van een geschrift, brief enz.).
omloop, omwenteling, j.tridaran, p\'er-
kifaran, —, kring, kreits, daar, At.
een — volbrengen, mindaur; de —
van zon, maan en sterren, ptridarau
matahari boelan dan segala bintang;
de — van het bloed, djalan darah;
de — Win geld, djalan aewang; valsch
geld in — brengen, mendjalankan
netcaiig lantjoeng;
in — zijn van een
gerucht, bei petjah-peljak chabar.
omloopen, rondom iets loopen, berdja-
lan kuelilttiy;
in do buurten —,berdja-
lau kat lil<ng dalam kauipong-kampong,
ook beridar-idar. — vnn den wind,
beralih. — van een rad enz., berpoe\'
sing, berkisar.
— van het tioofd, poe-
sing kapala.
— van zon, maan of
sterren, beiidar. —, vootbijgaan van
den tijd, lalue. — van een gerucht,
birpëfja/i-pe/ja/i. —, omverloopcn, me-
nempoeh sampai djatoh
(van tempoeh).
—, van stroomend water, mengalir
koel ding.
ommelanden, djadjahan, ddirah. Ar.
ommegaand, Jan9 birdiri koeliling.
ommezien; in een—)deiigun sakêdjap
mata.
ommezyde, balik, sabelahnja,
ommuren, memagari dengan tembok
birkorUltng, mendindtugi kot\'liling de-
iigtin iembak1-
omnibutt, groot rijtuig, kareta lamba-
ngan.
om puien, ment jat jak- koeliling.
omperken, memagari koeliling (van
pagar).
omplnkkeii, mmempel koeliling (van
tempel).
i.niplii\'is.\'l, tempelan.
oinplantcn, rondom iets planten, mena-
itini koeliling (van tanam).
omploegen, menatggula (vnn ttuggala);
miloekoe, Jav.
omplollen, van zware voorwerpen,
djatoh bedeniam.
om plooien* milisoe bérkoeltling, iuili-
pit (i\'erkailiüng
; ontplooid, zooals b.v.
de boek van een vel papier bij het
inpakken van tets, leppen.
ompraten, mentjenderongkan (of mem»
boedjoek) dengan p\'érkatadn manis.
om prater, pemboedjoek dengan perka-
taan mauis.
omranden, een rand of lijst om iets:
maken, imngandang (vun kandaug);roni\\-
om een vijver enz., mingikat.
umi-eiken, iets laten roudgaan, b.v.
-ocr page 516-
504                                        omrennen — omslaan.
spijzen of dranken, mïngidar-idarkan.
omrennen, berlari koeliling.
omrüden, met een rijtuig, bPrkareta koe-
liling ;
te pamrd, bh-koeda koeliling.
omringen, mïngoelilinyi (van koeliling),
omgeven in een cirkel of boog, meleng-
kon g,b.v
. dilengkong karang, door koraal-
riffen omringd. —.omgeven, van een lijst
enz., mengandang (van kandang, dat wat
iets omgeeft). —, van eene groot e menigte
menschen of dieren, mengeroemoeni,b.v.
door vijanden omringd, dik?roemoeni
moesoeh;
door mieren omringd, dike-
roemoeni sëmoel;
door bijen omringd,
dikeroemoeni IP.Öa/t enz.; omringd zijn
door, van een Vorst, dihadap.b.v.maka
baginda pon di/tadap olili segala man-
tPri, pégatoai, hofloebalang,
de Vorst
nu was omringd door al de ministers,
ambtenaren en officieren j met een muur,
heg, schutting enz. —, mPmagari (van
pagar)-. met een rand of dijk —, tnè-
ngikat;
eene vesting —, insluiten, me-
ngepoeng
(vnn këpoeng); met batterijen,
mïngoeboe-ngoeboei koelilivg(van koeboe).
Zie ook omninselen.
omroepen, bij bekkenslag bekend ma-
ken, mëntjanang; met bep. ubj. mëntja-
nangkan. ■
— onder het slaan van de
mongmong, eene andere soort van bek-
\\mn,mp.mong-mongkan. —, overal bekend-
iunkcn zonder bekkenslag, nn\'.njzranta-
kan
(van sïranta). —, met koopwaar
enz., bersëroe~sëroe koeliling.
omroeper, bij bekkenslae, pënfjanang.
omroepembekhen, fjanang, gtm-
breng,
(\'hin. —, kleine gong, mongmong.
omroeren, mvngatjaukan (van katjati).
— met een spaan of spatel, menjoedip
(van soedip). — met do handen, mtra-
jam.
— van gekookte granen, om ze
gelijkmatig gaar te laten worden, nu;-
ngorih
(vnn karih). —, door elkander
roeren, b.v. rijst met melk, deeg mot
gist, mengaron. —, dooreen roeren, zie
ook bij roeren.
omroelsel, katjauwan, rajauwan, aroe-
nan.
omrollen, dj at oh tergoeling, rP.bah ter\'
gueling.
—, voortrollen, hedr. vitnggoe-
lingkan.
omruilen, zie bij ruilen.
omruhken, mPnjentak sampai roeboeh
(van senfak).
omsabelen, mti/iarang sampai rëbah
Cvan. parang).
omschaduwen, mtimbajangi koeliling,
mtnaoengi koeliling
(voor koeliling ook
pada segala pehak).
oniMcliansen, mengoeboe-ngoeboei koe-
liling
(van koeboe).
omHühnniting, përkoeboean.
omscheppen, eene andore gedaante
geven, viendjadikan lain roepa. —,
ïuetamorphoseeren, mïndjelimakati.
omMchepping, metamorphose, pëttdje-
limaiin
.
omsch\\jnen, btrsinarkan koeliling, me-
ngoelilingi dzngan tjahajanja.
oniHchiklien, mengesak {vq.ii kt-sak), b.v.
schik naar rechts om, kï\'saklah kakanan,
omttehoeien, mï.mboeboeh ambaroe koe-
lil ing.
oin schommelen, overhoop halen,
m embongkar-bangkir.
omsrhoppen, mentndang sampai dja-
toh
(van lendang).
omNcborsen, memboeboeh koelil koeli-
ling.
omitchrift, soeratan koeliling.
omschrijven, deliniceren, mensifatkan
(van sifat, Ar.), mëmerikan (van përi).
—, schrijven rondom iets, metijoeral
koeliling.
—, verklaren, mtnjatakan
(van njatd), wtiiérangkan (van lërang).
omschrijving, verklaring, kale.rangan,
kanjataan.
Zie ook voorstelling.
omschudtlen, mXmgatjau (van katjau).
—, zooals b.v. in eene üeseh, mengo-
tjok
(van kofjok).
omschuiven, zie omschilzken.
omschutten, niendindingi, —, om hei*
nen, niémagari (van pagar).
omsingelen, van eene stad, vesting enz.,
mPngepoeng (van kepoeng); omsingeld
in dien zin, tVrkPpoeng; omsingeld
worden, dikepoeng; rondom door vij-
anden omsingeld, dikepoeng moesoeh
bërkoeliling.
— vnn eun vijand, ook
viéiujiloevgi (van kUoeng).
omslaan, omvallen, vnn zware voorwer-
pen, loembang, van minder zware, ter-
balijr,
b v. het rijtuig sloeg om, karela-
nja firbalil\'.
Zie omvallen; zich een
kleod —, mënjëloeboeugkan dirinja
Mngan kdin
(van seloeboetig); een doek
of wapen —, ook nünjangkoetkan (van
sangkoct). — van een doek of sjawl.
tnenjPlendang (van selendang). — van
een touw of band om iets, mengikai,
b.v. een gordel —, mtngikat pinggang,
d. i. den middel binden.—.omwikkelen
-ocr page 517-
omslachtig — omstaiidigiyit.                                        5G5
)..!■■ doek enz., membaloet; met touw
enz., mïtilit; ook van een hoofddoek
uu Let hoofd. —, omkucren, bedr. mem-
balikkan,
b.v. de bladen van een boek
enz. —, opschortcu vnn mnuiven, brueks-
pijpen enz., minjingsing (van singsing).
—, duur slaan doen vallen, mtmaloe
sampai djat oh
f van paloer, geheel —,
mt*ialoe sampai tïrbatijc. —, oiogesla-
gen naar boven, b.v. de hoeken van
een tafelkleed, nat enz., lingkoep - ,
omgeslagen, gevouwen, l/paf; oingcsla-
gen neeibanvend van de onderste uug-
leden, bèlenysel; umgeslagen van een
Uiua etc. zie omliggen; hel blaadje
is omgeslagen, de zaak is gebeei ver-
nnderd, soedah berubah iialnja. — van
een koppel of bandelier, ménjandang
(van sandaug). —, wenden, bal ik; rechts
—, batik kakanan,- links —, balik
kakiri;
van een vaartuig, beloek kaka-
na», beloek kakiri.
—, in het lond slaan,
meiualoe korft/ing ivan paloe); met een
zwaard, memarang koeliling (van pa~
rang), infnëtak koeliling
(van tétak).
—   van den wind, in Ml anderen boek
schieten, bera/ih. —, veranderen van
het weder, het hart en/., berobah; b.v.
zijne liefde is omgeslagen in haat,
kusihnja btrobah mendjadi bvntji.
omslaehl ig, langdradig, iandjoet; een
—   verhaal, perkattutn Iandjoet. — in
zijn spreken zijn, me Iandjoet kan pèrka-
taiin.
—, langzaam, lanadoiend, lam-
bat;
een — werk, pëkërdjaiin lambat.
—, telkens herhalend, bëruelang-oeUing.
omslag, vuuw, lïpat. — van een brief,
enveloppe, tam poel, saloet; van andere
zaken, pëmboengkoes, pïmbaloet. —,
belegsel, beslag van nielnal, saloet. —,
niocilc,soesah. /ie ook hut vorige woord :
maak geen —, djaugan soesah-soesah.
<>mNlii<*t»oor; gorrdi; groute —, djara.
omslagdoek, silene o ti <j. Zie doelt
en s juni,
i) 111 sleiiteren, hërdjaltm dj al au koelt-
ling dr.ayan le.ngab.
\'-inslepen, tërsen-l koeliling.
innsleurt-n, mëughela koeliling.
um-dingeren, om kronkelen, wïlitif,
membëlit, tnëlingkar,
b.v. dibélit/ija de-
ngan boelalainja,
zij omslingerden het
met hun snuit; oetar mélingkar dile-
hernja,
de slang omslingerde zijn hals.
Zie uuk orastrengelen en rond-
slingeren.
omsluieren, mfnocdoengi (van toe-
doeng), metijëloeboengi
(van seloeboeng),
mêngétoeboengi
(van këloeboeng).
Omsluiten, insluiten van eeue vesting,
ntényvpoeag koe/Hing (van kepoeng).
met eene om tuining, mèmagari koeli-
ling
(van pagar); met de armen of
pooten —, omarmen, uiendékap; als
een cirkel —, melengkong; met een
rand of lijst —, zie ald.; met een
touw of band ■—, mtngikat. —, bevat-
ten, moevat. -, zie uuk omgeven.
omsmeden, luct smeden een anderen
vorm geven, menempa laïu roepa. —,
rondom iet- smeden, menempa koeliling.
omsmelten, mële.boer samoela.
omNinüten, ntëndjalohkan, m\'êroeboeh-
kan, menoembangkan
(van toembang);
zie smijten; met zijn geld —, mïiu-
borotkan ueica.ignja.
omsnellen, bërlari koeliling,
omnnullVlen, mtntjxocmi koeliling.—.
rondom onderzoeken, niimhiksdi koe~
liting
(vnn përiksa).
omspannen, met de banden, niintjtng-
katig, niëntjëngkal.
—, zooals een ring
den arm, mêntjéngkam. —, spannen
rondom iets, mëmasaug koeliling (van
pasavg), mëregangkan koeliling.
omspitten, met de hak omwerken,
mëuijangkoel-tjangkoel, mëmatjoeli (van
pafjoel), Jav. — met eene spa, menggali.
omspoelen, mïngoemhah vaa koemba/n,
mëmbasoeh, tnenljoetji
; vaatwerk —,
méngoembab pinggan-mangkok, mënljue-
iji p. m., mëmbasoeh p. m.
Zie ouk
spoelen.
oniotaaii: gaan —. bal ik belakang.—,
rundum slaan, berdiri koeliling.
omstander,orangjang berd ir i koeliling,
orang hadlir, orang jang menghadap.
omstandig, vnn een verhaal, beschiij-
ving, verklaring enz., segala peri hal,
b.v. een — verhaal doen vnn dien ooi-
log, mëntjvri/Xrakan segala peri bal
ptrtmg Hoe,
omstundiglieid, hiil, peri; du omstan-
digheden, pëli bal, segala hiil-ahoeal;
d»or den drang der onhandigheden,
uuk door bekrompen omstandigheden,
ilengan dlaroerat, Ar.; naar omstan-
digbeden, <lla koelU Qcl, Ar. safódar
peri bal;
in gezegende omstandigheden
verkeeren, van eene vrouw, boen f ing,
hamil,
Ar. doedoelr peroet.
omstandigiyit, zie omstandig.
-ocr page 518-
506                                  omatappen — oravervallen.
om si tippen, bïrdjalan koeliling.
oinst ehen, duur steken doen vnlleti,
menikam sampai rfbah (van likam).
omstevenen, berlajar koeliling; eene
knap —, menandjoeng ; verse b il lende:
kapen —, tandjorng-mPnundjoeng.
omstoolen, moedwillig, mfnoclak sam-
pat djatoh
(van toelak;; m, s. re bah:
toevnllig —, tëranfork sampai djatoh,
têrsoentoeh sampai djatoh.
—, vernieti-
gen, mïniadakan (van fiada). —, doen
instorten, mïroeboehkan. —, verijdelen,
»iïmbii(alkan,
omstorLen, zie omvallen,
omstralen, bedr. mvnjinarkan koeliling ;
onz. bïrsinar koeliling.
oiDHtreeli; omstreken, djadjahan, dat-
rah, Ar.
omstrecliH, bij bepalingen van hoeveel-
heid, kini-kint, lïbih-kocrang, bat/jak- ■
sïdikit;
van lengte, pandjang-pandak;
Om dit denkbeeld uit te drukken bezigt
men doorgaans de beide Kijv. uw. van
tegenovergestelde betcekenis; hier —,
dichtbij, dékal sini, daar —, dekat
satt(t,
waar —, dekat mana.
omstreiigelen. mïlilii; verward — of
omslingeren, bïrdjalin-djalin dïngan.
omtiiNten, mïrabah rabah koeliling.
omtrek, omliggend land, djadjahan, ddi~
rah, Ar.
—,buitenste \\\'\\\\n,kijas,koeliling.
omtrekken, om vort rekken, menar/fc ;
sampai rotboeh (van tarik), mïughela
sampai rofburh
—, rondom gaan, bir-
djalan koeliling.
omtrent, /ie omstreeliM en t>Una.
omtuimelen, zie omvallen.
ointuincii. mtuittgari koeliling (van pa- \\
gar).
omtuinin», pagar.
ontvademen, mtmïloek (van peloejr).
omvademinif, pttmUloet; een —,sape-
mïloek;
een boom van drie—en,pohtm
liga pi.tie/vi\'k-
omvallen, van hoogc, zware, rechtop- ,
staande voorwerpen, zooals boumen,
masten enz., lormbatig; die doen —,
mïnoembangkan ; omgevallen, toembaug.
—, insluiten van hui/<*n enz., roebarh.
—, neerstorten, vnn personen, rïbah.
/ie vullen.
onivim». omtrek, koeliling, da\'irah, Ar.
—, grootte, bttar.
omvangen, omarmen, mïmïloek (van \'
pVoejf), mv/idiikap. —, inhouden, moe- j
wat, melipoet.
omvaren, bïrlajar koeliling; hier en
daar varen, bïrlajar sava tint; verschil-
lendo plaatsen aandoende, berlajar sing-
gah-mïnjinggah;
een hoek van het land
—, menandjoeng (van tandjaeng, knap
Inndpimt); verschillende hoeken —.
tandjiifng-mïnandjoeng; de aaide —.
berlajar koeliling boemi.
omvatten, met de armen, mï-meloek(van
pïloek);
in zijne armen of pooten,w?«-
dêkap; elkander —, berdtkap-dïkapan.
—, zouals bij het worstelen, gïloel. —,
in zijne ruimte begrijpen, mïlipoet,
zijn eigen middel met beide handen —,
zoodnt de vingeis naar achteren komen
en de duim naar voren, bïr/jïngkang,
zijn eigen middel met beide handen—.
zoodat de duimen naar nehteren en de
vingers naar voren \\nm\\c»,bïrtjaugking.
geheel —, vnn eene macht, mïlang-
kapi at as,
b.v. adapon koeieasa rad ju
iiOê mïlangkapi atat sëgala anak radja-
radja dan mantïri, hoeloebalang dan
rajat sakaliau Hoe,
de macht des Vor-
sten omvat al de prinseu, ministers,
legcrhoofden en het geheclc volk; met
de gesloten hand —, mënggï.ng»am.—.
zich aan iet- vasthouden met de ban-
den, b.v. een nl\'hangend tuuw, een
tak enz., memaoel (van poort), — met
een bund of rand, mïngikat. Zio uuk
omringen,
omver, van booiucn. masten, palen,Zoem-
bang,
—, van gebouwen, roehoeh. —.
van personen, rïbah. —, van andere
zaken, tïrbalik.
omvergooien, omver doen vallen, me-
noemba/tgkan, mïroe.boehkan, wereba/i-
kan.
Zie het onderscheid hij omver,
omverhalen, van gebouwen, mïrombak.
— van een paal of mast, mcndjato/i-
kan Hang.
omverhonwen, van personen, nictna-
rang sampai rïbah, mïnïtak s. r.
(van
tv/al,-). — vnn boonien, me\'nïbang (van
tebatig).
omver*teïien, niïnikam sampai rtbah
(van tikam).
oiiiverstüoten, mïnoelak sampai dja-
tvh
(vnn toelak), of voor djatoh eer.
der andere woorden die vallen beteek<-
nen; met de horens —, mïnarkap (fM
tarkap), mïnïrkurp (van tïrkoep),
omvervullen, instorten vnn huizen enz.,
roeboeh; aan eén kant, racntoth, —.
vnn personen, rïbah. —, van andeie
-ocr page 519-
oraverwaaien omwippen.                                  507
I ontwenden, intr. birpaling; zich —,
b\'érpaliny dirinja; truns. memat/nykan,
b.v. een paard —, memalingkan koeda ;
een vaartuig —, m\'emalinykan perahoe;
zich van iemand —, zijne zaak ver-
laten, hem afvallen, berpaUny halw-
wan.
—, geheel doen oiiikeorcn, mem-
bal tkkan.
—, omdraaien, om zijne as,
poelar, poesiny; zie otuwentelen;
zich — van een ivupen, ierbalik.
om wentelen, zooals hemel i ie hamen,
bèridar-idur, bérkitar. —, om zijne as,
b\'erpoesiny, b\'erkilar. —, iets omrollen,
nienggoeluengkan, ménggoeliiigkail; m
slijk zich —, b.v, van bull\'eis, rhino-
cerossen enz., berkuebang; van andere
dieren, zooals zwijnen enz., menyge-
toemang.
Zie wentelen.
omwenteling, zooals van bemellicha-
ïnen, p\'eridaran, perkitaran. — van de
aarde oiu haren as, kapoesinyan boemi.
— in slijk, zooals van bultels en rhi-
nocerossen, perkoebangan.
omwentelingislman, djalan peri-
daran.
omwerken, weer op nieuw maken of
doen, mèmboewat samoeta. — vun den
grond, die nog ououl^unncn is, utem-
belah lanah.
Zie omgraven en plo<--
gen.
— van natte rijstvelden door de
pooten vun buffels, merantjah. —, doen
instorten, meroeboehkan, merombak,
\'■
omwerpen, zie omvergooien.
omwikkelen, n/\'esgëbut (van kebat),
membel il.
—, omklceden, mënjaiaet (van
saloefr; een brief omwikkeld met gele
zijde, soerat bersaloel soet\'era koeuing.
—, met papier, bladen of iets anders
om een pak vun iets te maken, mëm-
boengkoes,
omwikkeling, kebatan, bëHtan, satoe-
tan.
Zie het vorige woord.
: omwinden, omslingeren, mëmbëlit, m\'é-
lilit.
— , omdraaien, niëmotsiar (van
poelar); iets, dat ergens vast in moet
sluiten, dnarvoor mei doek, papier enz.
—, b.v. de stop van eene llesch, de pen
van een mes en dergel., mënggaudjal.
—, onder gorden, zwachtelen, mtm&aroet;
het hoofd of de hand —, mimöoelattg,
omwindMel, belilan, lililan, yandjaf,
baroet, boetany.
Zie het onderscheid bij
bet vorige woord.
omwippen, witgkany-oenykU —, of
djoeuykaiiy-djtifugkït —, of djunykany-
1 djangkil sampai djatuh. Zie wippen*
zaken, djatok; zachtjes —, melojotty.
Zie vallen en omvallen.
om verwaaien ; omvergewaaid, ditiorp
angin sampai roebueh
(ui rebah,oi toem*
bang,
of tirbatik, of djatuh). Zio om-
vervallen.
omvlechten, mïnyanjam koeliling, nu-
vyaraiiij koeliling.
omvleugelen, mrttoedoengi denyan sa-
jap
(vu» toedoeng), mëlindoetiyi dhigan
sajap, ménanrttgi dPnyau sajap.
omvliegen, rondvliegen, thbany koeli-
(ing;
hier en daar vliegen, (trbang sana
sint.
omvlieten, mengatir koeliling.
omvloeien = omvlieten.
omvoeren, rondom iets brengen, mem-
btttca koeliling, menyhantar koeliling;
in
plechtigen optocht —, mengarak toe-
liling;
overal —, ginds en her voeren,
mëmbawa kasana kamari. — van het
hart, mënfjenderoengkan halt. — , ver-
leiden, memboedjoek. —. doen dwalen,
niP.njësatkan (van sesal). —, in de rondtu
doen draaien, mtmoeêingkan (van poe-
shig);
iets met zich —, van een stroom,
menghanjort kan,
omvouwen, mi-lipat; anders vouwen,
mélipal la\'in roepa; Weder —, mtlipat
poe/a;
ronuom vouwen, mPtipat koeliling.
omvraag; in — brengen, bïirlanja koeli-
Ung pada masing-masiny.
omwaaien; omgewaaid, dilivep angin
sampai roebueh
\\toembany, ribah of dja-
toh).
Zie ook omver.
omwullen, mtngikat,- vun eene stad of
vesting, mémboewat dewala koeliling,
uiuwülliii.";, dirtcala, tembok kola. pagar
tembok.
—, dijk, rondom iets, ikai.
om wandelen, bvrdjalan-djalan koeli-
liny.
om wandeling, perdjalanan koeliling.
om wanden, lue.ndindingi.
omwanding, dinding.
omwaren, overal rondzweven, btrla-
jang-lajany sana-sini.
omwasHchen, mtmbasoh, menyoemba/i
(van koembah}.
omweg, simpangan, eigeul. weg, die van
den reelilen koers afwijkt; zonder—en,
ronduit, van spieken, tëroes-lerany,
berla/aran,
ook vun best ratting. —en
gebruiken, draaien, birpoetar-poetar,
berpoetar-bal/k.
—en zoeken, wtr.gapa-
apa, \'Zio
ook uitvluc-lit,
om wel ven, tnélengkoengi.
-ocr page 520-
508                                 omwisschen — onaangetast.
omwisücben, menjapoe loewar-da/am-
nja,
— met een wrijf-, of vaatdoek, ■
van borden, kopjes enz., menyesaf (van
kësat).
omwis«elen, bérloekar-toekar. —, elk- \'
ander vervangen, birganti-yanti, ganti- -.
bert/anti.
omwisseling, pér/oekaran, përgantian. \\
omwoelen, van de natte rijstvelden door !
de poolen der buffels in plaats van niet
den ploeg, meraii/ja/i. — van den grond
met den snuit, zooals oen varken,
mbyoengkoer (van tomgkoer). Ook met
de vingera het hoofdhaar —. Zie
woelen. —, omwikkelen, zie old.
omwolken, mënjëloeboeny of meny\'eloe-
boeng dëngau awan-awav
(ran t&loeboeng
en ktloeooeng); om wolk t. disdoebomg
of dik\'eloeboeng awan-a\\can ; om wol kt,
van een bergtop, berséltmoelkan aican-
awan, ditoedoenyi denyan awan-aioan.
omwonend, jaiiy doedoek koeliling.
oinwoners, oraiig jang doedoek koe-
liling.
omwriemelen, berkeroemoen koeliling,
mhiyeroemoeni.
oniwroeten, van den grond met den
snuit, zoonis een varken, mënjo>-nykoer \'■■
(van soengkoer); zie wroeten; met
de handen, of met de pooten zooals
de kippen, mënyakas (van kokets, vol- i
gens anderen hrkas), me-gaïs (van ka\'is).
omzeilen, v. e. knap of landpunt, me- \'
nandjoeng; verschillende landpunteu —,
tandjoevy-meiiandjoevy; de aarde —,
b\'érlii-jar koeliling boemi,
omzetten, b.v. met edelgesteenten, mèna-
iahkan
(van latah); omzet met paarlen,
juweelen en robijnen, bertatahkan ratna
moetoe manikam;
met diamanten om- j
zet, van een ander edelgesteente enz.,
konatiy-konany sakebon, letterl. een ge-
beele tuin van vuurvliegjes.
omzetten, omwerken van den grond,
zie ald. —, in den bande), verbande-
len, mémpëntiayakan,
omzichtig;, gie voorziehtig.
omzien, menolih (van tolih); even —,
mènyïVth (van ilih); onverschillig —,
of rondkijken, weinig; naar iets—, het
oog houden op, imliliat-l-haikan, mem- \\
boeicatig-boewatig mata;
naar iets —, !
iets zoeken, menljëliari.
omzien, oogenblik, kcdjap mata, saai, \\
Ar.; in een —, denyan sakedjap mata, \\
denyan sasd\'Jt.
oniKoomen, v. e. kleed enz., mëmboe-
boek kelim koeliling.
— van een vijver
enz., mënyikat; omzoomd in dien zin,
bërikat; omzoomd met, berikatkan, b.V.
omzoomd met koper, berikatkan tem-
baga.
—, een rand om iets maken,
b.v. aan ecne mat, om het uitrafelen
te beletten, meugoêmpoekkoM,
omzwachtelen, mimèaroet, mëmbèbat;
met doek —, membaroet of membëbat
denyan kaïn.
omzwaehteling, pembaroetan, pëinb\'è-
baton.
omzwemmen, bërëitung koe/itiny.
omzwermen, tërbang koeliling.
omzwerven, m\'éngombara, këlana.
omzwerving, kombara.
omzweven, itietajavtj-ltijiang koeliling,
n.elajanylajaiiy sana-sini.
on, als ontkennend voorvoegsel wordt
mce.-tal teruggegeven met tiada en koe-
rang,
wanneer namelijk het begrip niet in
het woord zelf reeds ligt; nog—,bèlom.
on, elliptische uitdrukking, als verkorting
voor oneven, yandjit, yasal. Zie on-
even,
onaangediend, denyan dada dibaica
mifiyba\'/ap.
onaangekleed, tiada bërpakai-pakai,
tiada berkdin-badjoe.
onaangenaam, voor het gevoel of den
smaak, tiada sëdap, tiada ennk.
aangedaaan, verdrietig, niet prettig.
sedoet. —, bedwelmend, van lucht en
smaak, maneny, b.v. — bitter, pahit
maoeny.
— van karakter of\' humeur,
tiada ba\'ik haii, tiada buik pekerti;
iemand — zijn, tiada mëmpërkë/iankan ;
iets — vinden, tiada berhénan akan,
tiada soeka akan.
—, moeilijk, lastig,
suekar, ioetah. — maken, in dien zin,
vi\'enjoekarkan, mènjuesahkan.
onaangenaamheid, uioeielijkheid,
kasiiekaran, kusoesufian. —, geschil,
pPrsëlisihan, pertjidëraan. —, twist, pcr-
bantahan;
onaangenaamheden zoeken,
uitlokken, mënfjehari\'tjëhari,
onaangeraakt, tiada didjamah; nog
—, bëlom didjamah.
onaangeroerd, zie- het voorgaande
woord. -, niet vermeld, tiada dinë\'
boef;
nog —, belom disëboet.
onaangenprokcn, het woord niet ge-
richt tot, tiada dit\'èyor, tiada disapa.
onaangetast, tiada didjamah, tiada
di-oesik;
nog—, bëlom didjamah, bëlom
-ocr page 521-
MO
onnance teekend — onbedrevenheid.
\\ onanie, rantjap.
onnnmt, përau/jap.
\\ oiibaal /urlii iü, moera/i; miiBsUi\\ ncfta-
tief uitgedrukt, b.v. tiada mentjëhari
laba, tiada menoentoet laba, tiada tuba,
tiada taimï.
i onbarmhartig, tiada menaroh kasihan
(van tarok), tiada tnënaroh belas-kitsi^an,
tiada menaroh sajany.
—, wreed, bengis.
\\ onbeantwoord, tiada ditahoet, tiada
didjatcd/i
; van een brief, tiada dibalas;
nog —, betont disahoet, belom didjawdb,
betom dibalas.
—e Helde, kasih jany
tiada dibalas detiya/i kasih.
onbebouwd, onbeplnnt, tiada di/a-
nami.
—, ongeploegd, tiada ditatiyyala.
—, onumpehakt, tiada difjangkoel. —,
woest, vnn gronden, tandoex. —, niet
niet gebouwen bezet, tiada beroemah,
/iada roe mah-roemahnja ;
een —c vlakte,
woeste vlakte, padang tandoes, padang
Wtoekoer.
onbecijferbaar, tiada tér/titoeng.
onbedacht, koeranypikir, koerang ingal.
—, in oveihaasting iels doen, ba-boe-
wat barang apa denyan yoepoeh-goepoeh.
onhednchtclük, dëngan koerany pikir,
denyan koerany inyat, denyan lalai, de-
tiyan atpa.
onbedachtzaam = onbedacht.
onhedachtzaumheid, koerang pikir,
koerang inyat, lalai, a/pa.
onhcdeeld, tiada berolih bëhagian.
onbedeead, tiada ma/oe, denyan tiada
maloe, tetap hati, deuyatt tétap hafi.
onbedekt, bloot, ttlandjany. Ook lig.
—, onbewimpeld, denyan tijata, terues-
lerany.
—, openlijk, tijata-njata, lér-
mata-mata.
— en daardoor zichtbaar,
b.v. een huis enz., berandany.
on bedenkelijk, f iada terpikirkan,tiada
terkira-kirakan.
onbederfelijk, tiada bolih roesak, tiada
bolih boi-roek1, t. b. boexoek.
onl ifilii in t, denyan tiada dilajani.
1 onlii-i! iiln , dt\'ttgan tiada tarbïs, tiada
bëtarbis, t\'tada bertambak, tiada di\'ikat.
onbedolven, tiada timboes.
onbedorven, tiada roesak, tiada boe-
roefc, tiada boesoek",
nog —, belom roe-
sak1, Mom boeroek\', belom boesoefc.
onbedreven ; nog —, bëto/i tahoe, l.élom
b\'tasa, belom menyirti, lagi bodoh;
nog
— in manieren, bélom tahoe bëhasa.
onbedrevenheid, kabodohan. Zie
linkaht\'id.
di-oes\'f.4; nog —, van een leger of
vesliug, belom ditanggar, belom distrang.
onaantteteehemt, tiada térsoerat pada
daftar.
onaan-^ezie n, ondank»\', ktudatdah, dji-
kalau .... sakalipvn.
Oll;i;in\'\'<Vni UI, Van       ir il il 11 H 11 UU I\'
meisje, ttadn dipinavy,
onaannemelijk, (iada bolih ditënma.
—, uugcloutelijk, ta\'masoh afrol.
onaanzienlijk, ke/jil, Zn nu. —, niet
loi vullen wasdom gekomen, van vnicb-
ten, tjëdiny. —, niet in tel, tiada ka-
bilanyau. —, niiuder voornaam, koe-
rany besar, koerang moelia.
onaardig, tiada manis, koerany manis.
—, ondeugend, na kal.
onachtzaam, /a/ai, a/pa, takfit\'. Ar.
—, Jtijw denyan /a/ai, denyam a/pa,
dtttyatt taksir.
ontiL\'lil/tiiimlicid, lalai, a/pa, tai\'sïr,
Ar. Ook kalalujan.
onndell\\jl(, tiada berbatigsa.
onai^cbrolu\'ii, tiada berkapoetoesan,
deugan tiada berkapoetoesan, santïaxa,
s\'enantiasa (Ski1, nitjasa). — van ge-
1 uiden, het eene onmiddel ijk volgend
op liet andere, bërtoeroetdoeruet\'.
onnlift-ditHii. Wem soedah, belom habis,
belt/m I a inmat. — ,ondei broken, bi ngkatai.
onaisewend, van den blik ot\' van
aankijken, matanja tiada lëpas dari-
pada memandang.
onai\'i>ewerkt, — gelaten, in den bleek
gelaten van een werk, banyai. Zie on-
afgedaan,
onafhankelijk, vrij, bebas, tiada tatukr,
tiada dibaicah pertntah. Zie vrij.
011:11 \'hankeiykheid, hal kabebasan.
onnfkeerbaar, tiada terfungkiskan,
tiada tërtoelak.
onafhoopbiiHr, tiada tërMoes.
onaHo*bnar = onafkooptinnr.
onaimeel baar, tiada tëruekoer. —,
onbegrensd, tiada bërhingga.
onaiMchüidbnar, tiada tertjeraikan.
onafscheidelijk «* onnfMcheid»
banr.
onaiweerbaar, tiada ter/angkiskan.
onafzetbaar, tiada tërpeljatkan.
onafzienbaar, vun een afstand, sajoep
itiala memandang; eene onat/ienbnte
menigte, soeatoe kabanjakan jang tiada
bolih di/ihat habis samoeivattja.
onnneeren, mënjesel (van sesel), ook
merantjap.
-ocr page 522-
510                               onbedrlegelijk — onbekwaam.
onhedriegelijk, tiada tnëntpoe (van
tipoe), tiada mënipërdajakan.
onbeduidend, alom, kPpatang, bïrkï\'
palangan. —, bcuzelacbtig, memooer.
—, van zonden, sagrir, Ar. —, van
niet veel nut, tiada berapa goenanja,
tiada berapa kédartija; het is —, maakt
niets uit, heeft niets te beteekenen,
tiada apa-apa, tiada mëngapa.—, ijdel,
tia-sia.
onbedwelmd, sioeman.
onbedwinslmnr, tiada i\'erlahankan,
tiada terdjinakkan, tiada t\'ertiilokkan.
onbedwongen, vrij, bebos, dë/igan
bebas.
onbeëedigd. geen eed gedaan hebbend,
tiada her soempah; nog —, bëloni bër-
snempah. —, niet met een eed bevestigd,
tiada pak ai soempah; nog —, betont pa-
kai soempah.
onbejjiian, van een weg, tiada didja-
lani; nug —, betont didjalani.
onbegnnnliiinr, tiada tërdjalani.
onbeheerd, tiada dikahèndaki, tiada
disorkdi.
onbpgeven, tiada diberikan, tiada di-
anoegërahakan; nog —, betont diberikan,
bëiom di-anoegërahakan.
onbegonnen* tiada dimoelaï; nog —,
t>, lom dimoela\'i. —, zonder begin, tiada
per moet aan »ja.
onbesraven, tiada tërianam, tiada di~
tanamkan, tiada d\'i\'koeboorkan ; nog —,
betont d\'Uanamkan, betont dikoeboerkan.
onbegrensd, tiada liërhingga, tiada bè-
përhinggaan. dettgan tiada pèrhinygaan;
op Java tiada bërtcutas, tiada icafasnja.
—   van de 104, s\'eleboe; groot e —e
oceaan, taoetan selëboe. —e toegenegen-
beid, kasih jany tiada bër/tingga.
onbegrepen, koerang térang ertinja.
onbegrijpelijk, zonder voorbeeld, bij
uitstek, boekandjoekan, b.v. bij is —
dom, budohnja boekav-boekan. —, on-
aannemelijk, ta\'masok fikat.
onbegroeid, zie kaal.
onbegroot, tiada temilai.
onbegrootbnnr, tiada t\'èrnilaikan,
tiada tërkira-\'kirakan.
oi!lielmu;"Ujk, tiada mempërkënankan.
onbebaard, van huid, tiada bërboeloe.
—    van het hoofd, tiada b\'eramboet.
/ie kaal.
onbeheerd, tiada diperettahkan, tiada
dipèliharakan, tiada dxptgang.
Zie on-
bewaakt.
onbehendig, niet vlug genoeg, koerang
pantas.
—, stijl\', kakoe.
onbehoedzaam, koerang djaga, koe-
rang ingat.
onbeholpen, van manieren, kikoek,
fjanggoeny,
onbehoorlijk, tiada patoet, tiada luik.
—, onbetamelijk van gedrag, tiada
sëitoenoeh, dingan tiada sënoenoeh.
onbehouwen, in manieren, fjanggoeng,
kikoek, batik adab, tiada tahoe uti.it.
■ onbeh ulpzmim, tiada soeka mënoe-
lueng
(van toeloeng).
onbekeerd, tiada tobat,- nog—,belom
tobat.
onbekeeriyk, tiada iërtobalkan.
onbekend, dada fata/wean. Van per-
sonen heeft dit ecne ongunstige betee-
kenis, daarom gebruikt men voor —
in eene gewone beteekenis van perso-
nen, tiada kakenalan; het is mij —,
tiada sehaja tahoe, tiada sehaja tnënge-
tahoeïnja;
een —e, orang tiada kakëna-
tan;
met iets — zijn, tiada tahoe,
tiada mënijëtahoe\'i;
hel —e, barang
jang tiada këtahoean.
onbekendheid, van personen, /uit tiada
kakëttalan,
onbeklaagd, van overledenen, tiada
diratapi.
onbekleed, tiada bersaloet, tiada bër-
lapis.
onbeklemd, tiada tersëpit, tiada sësak.
— van gemoed, tiada bertjinta, tiada
bërsoesah luiti, tiada masjgroel.
Zie
beklemd.
onheklimhaar, van bergen, muren en
dergel., tiada bolih d/ndiki. —.vanboo-
men, masten enz., tiada bolih dipandjat.
onbekomeluk, tiada ttperolih.
onbekommerd, tiada bertjinta, tiada
so\'-sah, tiada masjgroel, tiada mënaroh
fjinta
(van laroh). tiada chatcafir, enz.;
wees —, djangan berlj in f ja, djangan
soesah, djangan chawafir.
onbekookt, betont masak.
onbekooriyk voor bet oog, tiada sêdap
dipandang, tiada sèdap kapada pëman-
dongan.
Zie bekoorïyk.
1 onbekrompen, ruim, loeicas. —, op
zijn gemak, te tja. —, mild, van geven,
dëngan lempah, dëngan moerah halt.
onhekwuam, tiada taik, tiada tjakap,
tiada patoet, tiada faham
; zie het on-
derscheid bij bekwaam. —, beBchon-
ken, mabok, chajali, Ar.
-ocr page 523-
onbeladen — onbeschaduwd.
Ml
onbeladen, tiada bèrmoewalan, tiada
bërlauggoengan.
onbelangrijk, dada berapa goenanja,
tiada p\'enlingnja.
onbelast, niet met een last bezwaard,
van inenscben, tiada berfai/ggoengan.
—, van voer- of vaartuigen en dieren,
tiada bermoewatan. —. niet gedrukt
duor belasting, tiada kena tjoekai, tiada
këna bfja.
onbeleefd, kotrang adjar, koi\'rang bë-
hasa, biadab,
Ar. langgar behasa, balt ft
adab.
onbeleefdeltfk, dèngan koerang adjar. !
onbelcuen, van dranken of andere voch- j
ten, belum doedock\'.
onbelemmerd, tiada dirintatigi, tiada ;
ditëgahkan, tiada d\'ttahankan, tiada tér- i
sangkoel, tiada ièrUgah. Zie belem-
merd en beletten.
—, vrij van
een gezicht, latcas, iawah, awah en
banglas. - , van het gezicht of gehoor,
door dat er geen voorwerpen in den
weg zijn, tantang.
onbelet, tiada tèrtëgah; van personen
ook behas, vrij.
onbelezen, koerang mëmbatja kitab.
onbeloonbaar, tiada tèrbalas.
onbeloond, tiada dibalas-, niet —, :
dibalas djoega.
onbelust, tiada ingin.
onbemand, van een vaartuig, tiada \'
berawak. —, van eene vesting, tiada
be/iasjkar, tiada orang soldadoenja.
onbemerkt, tiada këtahoean, tiada
kalihatan, dèngan tiada njata, tiada
keiara, sëmboeni-sëmboeni.
onbemiddeld, tiada bérharta, tiada
menaroh harta.
Zie ook arm.
onbemind, tiada disoeka\'i, tiada dika-
si Ai.
onbeminnelük* tiada manit.
onbenadeeld, tiada diroegikan, tiada
kina roegi.
onbeneveld, van de lucht, tiada re-
doep, tiada bèrkaboet.
—, van het ver-
stand, tërantj. —, onbedwelind, zich-
zclvcn goed bewust, sioeman.
onbepaald, onzeker, tiada tentoe, —,
onbegrensd, tiada bh\'hingga, tiada bër~
waias, tiada wata-snja, tiada beperking-
gaan. <
—, onbestemd, van bevelen,
berttlau-télau, b.v. zijne bevelen zijn
— als de zonneschijn in het kreupel-
hout, perentahnja bh-tëlatt-tëtau sapërti
panas dibëloekar.
onhepaaldelijk, dèngan tiada tënloe,
dënyan tiada bërhingga. Zie onbe-
paald.
onbeperkt = onbepaald,
onbeplmit, tiada ditanami; nog —,
belom ditanami.
onbeploegd, tiada ditanggala; nog—,
bèlom ditanggala.
on beploegbaar, tiada iërtanggala.
onbeproefd, tiada diljoba; nog —,
ièlom diljoba. —, nog niet getoetst,
bèlo/n di-ondji. Ook lig.
onberaden,
koerang ingal.
onbereden, vnn een rijdier, bèlom p\'er-
nah dina\'ik, bèlom ditoenggang. Zie
bereden,
onberedeneerd,
tiada ditimbang, mën-
tah.
onbereid, niet gereed, tiada sadia;
nog —, bèlom sadia; nog niet gereed
gemaakt, belom disadiakan. —, van
leder, tiada samal:. — leder, bëloelang;
een vel — leder, bèloelang xabidang.
—, ongebraakt van hennip, bèlom di-
sëiboek. —, ongezuiverd, van katoen,
belom dibuesar.
onbereikbaar, voor hot oog, sajoep
malu mëmandang. —, voor de hand,
tiada tërtjapai olih tangan. —, la\'bolih
sampai di.
onhcreisd, jang bèlom pernah didjalani
orang. —, van een persoon, jang belom
tahoe m~tndjala.ni lam négari.
onberekenbaar, tiada terkira\'kira-
kan, tiada lerkisabkan.
onberijdbaar, van een weg, tiada ter-
djalani. ■—, van een tijbeest, tiada
bolih dina\'ik.
onberijmd, tiada pakai sadjü.
onberispelijk, tiada bèrkafjelaan.
van iemands schoonheid, tiada dapat
disigai.
onberispeiyitheid, peri tiada berka-
tjëlaan.
onberouwelük, tiada bèrsèsalan.
onbeschaafd, ruw, kasar, koerang
adjar, üada tahoe adat, tiada tahoe
bèhasa, baltic adab.
onbeschaamd, tiada maloe, tiada tahoe
maloe. — van gelaat, moeka tëbal, moeka
papan. —, in handelingen, dèlap. han-
delen, mtndèlap. —, brutaal, sëlamba.
onbeschaamdheid, moeka tëbal.
onbeschadigd, tiada roesafr; nog —,
bèlom roesak,
onbeschaduwd, tiada dinaoengi.
-ocr page 524-
512                              onbescheiden — onbetoombanr.
onbescheiden, koerang atljar, tiada
me naroh sopan.
onbeseheidenlUk, ilXngan liaila so-
pan, dëngan tiada maloe,
onbeschermd, dada ditindoengkan.
onbeschoft, koerang ad/ar, tamboeng ;
een —e vlegel, përtauèboeng; iemand
— behandt\'lcn, mënamboengi.
onbeschoftheid, tambueng, pïri tam-
boeng.
onbe»4chreidf dada ditaugiti.
onl>eschreven, niet beschreven, tiada
tërsoerat.
—, niet vnn schrift voor-
zien, tiada bersoeraf, b.v. een —steen,
batue jatig tiada bërsoerat.
onbeschrijfbaar, tiada ttrtoeraii.
onheschi yi.li.jL, tiada tX\'Tpfatkan,
b.v. matjafoel jat/g tiada (trififatkan,
onbeschrijfelijke kommer.—, ook tiada
dapat diptrikan, tiada llrpërikan.
onbeschroomd, tiada takuet, tiada
malot, bërani,
—, Bijw. dengatt tiada fa-
koel, dëngan tiada maloe, dëngan btrani.
onbeschroomdheid, kabëranian ; zie
ook vrijmoedigheid.
o» beschut = onbeschermd.
onbeslapen, tiada dikatidoeri; nog —,
btlom dikatidoeri.
on beslecht, belom poefoes, belom sëlësai.
onbeslist, bëlom ténfoe. /ie het vorige
woord.
onbesmet, zuiver, rein, snetji, faAir, Ar.
—, onaangetast door eene besmettelijke
ziekte, tiada tërdjangkil, tiada katoe*
laran,
Jav.
onbesmetteiyk, van eenc ziekte, tiada
ntëndjangkit.
onbesneden, bërkoeloep, tiada bër-
soenat.
onbesnedene, oratig koelarp, orang
jang bërkoeloep;
ouk wel nlleen koe-
loep,
die —, sikoeloep.
on besnoeid, van boomen, bëlom diran-
tjoeng.
onbespceld, vnn slag-instrumenten,
belom dipaloe, belom ditaboeh. —, van
tukkel-instrumenten, belom dipUik. —,
vnn strijk-in>truuienten, belom dige&efc.
—, van blaasinstrumenten,belom dttioep.
onhespicd, iiada dihiatai, tiada d>-
toeloeh.
onbespraakt, tiada fasih, koerang fa-
$iff lidahnja.
onhesprenjsd, tiada disiram, tiada
didiroes.
onbesprenkeld, tiada diperetJUi.
onbesproken, geen stof tot praatjes
geven, tiada mtndjadi boetcah moelvct.
onbestaanbaar, boekanboekan, tiada
adanja,
b.v. —e zaken, pérkara jang
boekan-boekan, perkara jang tiada ada-
nja.
—, fabelachtig, lavgkara. Zie on*
uioi;. 1 ulv.
onbesteld, vnn brieven enz., tiada di-
sampaikan.
onbestemd, tiada tëntoe, tiada bër-
katëntoean.
— van gedachten, iëdat.
onbestendig, tiada tëntoe, tiada lëtap.
,
veranderlijk in spreken en handelen.
mam angtn. —, niet blijvend, tiada
këkaL
—, vnn den huk op den tuk
springen, allerhande werk ondeihaniK-n
nemen, muur gebrekkig verrichten, mi-
tëutjam, mëvënijah.
Zie vergankelijk.
onbestendigheid, jpeW jang tiada
tëtap, Jiiri jang tiada këkal.
onbest\\j}*buur, van bergen enz., tiada
dapat diuaïki.
onbestorven, niet door den dood vcr-
lijiii) ht\'bben, tiada kamatian. —, lan
vleeach, bëlom mati bëloel.
onbestrallelük. tiada patoet dihoe-
koem, tiada patoet disiksa.
onbestreden, onbetwist, tiada diban-
tahi.
onbesuisd, blindelings, dëngan boe/w
toeli; het een of ander — verrichten,
bërboetiat bara-g soeatue berboeta-foeti;
zijn geld — dooi brengen, mëmboroskan
ocwattg dëngan bot\'ta\'toeli; een —
meiisch, verkwister, orang barboer. —,
ook bërboetadjoefir, b.v. — huid loo-
pen, bërtari bëeboeta-boeta. Zie onbe-
dncht.
onbetaalbaar, tiada tërbajar; zijne.
schuld is —, hoetanguja tiada tërbajar.
Ook tiada dapat dibajar. Zie onschat-
banr.
onbetaald, tiada dibajar; nog —, bëlom
dibajar.
onbetamelijk, tiada patoet, koerang
patoet, tiada senoenoeh, tiada lail\', tiada
dengan sapërtinja. —, onkicsch in woor-
den of manieren, beka-beka. —, Bijw.
afat përi jang tiada patoet.
onbetcekenend, zie onbeduitlend.
onbeteinbaar, tiada tërdjinakkan.
onbeteuuelbnar, tiada tërtëgahkan.
onbeteuterd, zie beteuterd,
onhetoo^haar. tiada tërdalilkan.
onbetoombaar, zie onbetembanr
en onbeteugelbaar.
-ocr page 525-
onbetraand — onbewimpeld.                                 513
on betraand, iiada basah olih ajar-mata,
tiatta bërajar-mata.
onbetreden, liada terdjedjak, tiada
didjuliuii orang, tiada tï-rpidjak.
onbetreurd, tiada disajangi. —, onbe-
weend, tiada ditangisi.
onbetrouwbaar, vnn een persoon,
tiada kapïrtjajaan.
onbetuigd; zich niet — laten, tiada
koerang mïnjafakan dirinja.
onbetuind, tiada bêrpagar, tiada di-
pagari.
onbetw\\jfelbaar, tiada lagi sjah da-
lam»ja.
onbetwist, tiada dibantahi.
onbetwistbaar, tiada dapat dibantahi,
tiada terbantahkan.
onbevaarbaar, tiada lïrdjalani olih
perahoe, dada dapat dilajari.
onbt\'vnllig, koerang mtmis.
onbt>vnlligheid, kakoerangan matiis.
oiibevaren, tiada bëpïlojaran; een — ,
schepeling, anak pirahoe jang tiada j
bïpitajarau.
.ml.. \\ ;ii icli,jl,-, tëgar, bënak, dëngoe.
—, moeielijk iets leeren, kapata bërat ;
il:.\' man was uitermate —, hij kon
niet leeren, boekau boetcaicn bênaknja
oratig Hoe, tiada dapat beladjar. Zie
dom en stompzinnig,
onbcvattelükheid, katvgaran, kabï-
balan.
oiibevlelilielükt tiada tërfjëlakan,
tiada te.rtjemarkan.
onbevlekt, tiada bërtjëta, tiada berka-
tjelaan, tiada bertjemar, tiada btrkatjë-
maran. — .zuiver, rein,soetji, zakijah, Ar.
onbevoegd, tiada patoet, tiada laïk.
—, niet gerechtigd, tiada poenja hak.
onbevoegde, orang jang tiada patoet,
orang jang tiada la\'ik: —, niet gcrech-
tigdc, orang jang tiada empoenja hok.
onbevolen, tiada disueroeh, tiada di-
titan, tiada dipërentahkan, iiada dibtri
pereutah, tiada dipïsan. Zie bevelen,
onbevollit, eenzaam, verlaten, soenji.
— en eenzaam, soenji-sPvnjup; nog —
v. e. land, b?/om ada orang itinja,
belom dikadoedoeki orang,
onbevooroordeeld, tiada mlnaroh
sjak- (van tarok).
onbevoorrecht, tiada dilëbikkan, liada
didïhoeloekan. — boven anderen, tiada
dilebt\'hl,a,i daripada orang la\'in.
onbevredigd, onvoldaan, tiada stnang,
liada poeicas; nog —, bèlom senang,
bïhnn poetcas. —, nog niet tot vrede
gebracht van twistenden ot\' oorlog-
voerenden, belom diperdamaikan-, nog
geen vrede gesloten hebben, btlom ber-
damai.
onbevredigend, geen voldoend genoe-
gen \\erschnl\\end, tiada Mimpërkepankatt.
onbevreesd, liada tahoe takoet, tiada
mënaroh takoet;
wees —, djangan ta-
koet.
—, onbezorgd van een nakend
gevaar, tiada koexatir; wees —, in
dien zin, djangan koeitatir (van het Ar.
chaKafir). Zie moedig.
onbevroed, tiada tërsangka, tiada tër-
kira.
onbevrucht, van eene vrouw, nog —,
betom boenting, van Vorstinnen en fat-
Boenlijke lieden, belom hamit.
onbevuild; nog—, belom ditjë.markan,
belom dikolorkau.
onbewaakt, tiada ditoenggoei, tiada
didjagdi.
— door een wacht van ver-
sebeidene personen, die de ronde doen,
tiada dikawali; in een — oogenblik,
pada saiïi orang koerang ingaf, pada
sabëniar orang la/ai.
onbe wassen, tiada bërtoewboehan,
tiada berpokok-
Zie knal.
onbeweegbnnr, tiada dapat bergerak,
tiada lërgürukkan.
onbeweeglijk, dï-vgan tiada bergërak.
—, in dezelfde positie, zooals ecu sol-
daat in \'t gelid, een unngelegd geweer,
tegoen; zouals een man te paard, ot\'
een voorwerp dal snel draait, tënang.
onbeweend, tiada ditangisi.
onbewerkt, tiada dikerdjakan. Dit moet
teruggegeven worden met die woorden,
welke de eoort van bcweiking uitdruk-
ken, b.v. — ijzer, bësi jang betom di-
fëmpa,
d. i. ijzer, dat nog niet gesmeed
is. — katoen, kapas jang bëtom dtboe-
sar,
il. i. nog niet gezuiverd, of kapas
jang belom ditënoen,
d. L nog niet
geweven, enz.
onbewezen, tiada njala, tiada terang,
liada $ah ;
nog niet genoeg bewezen, kon-
rang njuta, koerang tërang, koerang
#ah.
onbewierookt, met wierook, tiada di-
oekoepi;
met lof, tiada dipoedi-poedji.
onbewijsbaar, tiada dapat dinjatakan.
onbewilligd, tiada dibëri, tiada diloc-
loeskan, tiada di-idzinkan, tiada diridla-
kan.
onbewimpeld, openlijk, bertalaran,
b.v. iemand — de waarheid zeggen,
-ocr page 526-
514                                  onbewogen — onbruikbaar.
miïtiimpïlakkan orang bertalaran (van
Hftnptlakj; hij sprak — van mijn voor-
neinen, dïkatakannja dengan bertalaran
dari hal ntaksoedkoe itoe.
—, ronduit,
ook déngan teroes-terang.
onbewogen, tiada térgérak. — van
halt of L\'eiiiufd, dada tergerak hali.
onbewolkt, dada berawan-avan. —,
belder van de lucht, terang tjoetcatja.
onbPwuonbnnr, tiada holih dikadoe-
doeki, liada bulih dikadiami.
onbewoond, tiada dikadoedoeki. tiada
dikadiami.
—, eenzaam, ledig, soenji.
—, van cene woning, ook hë/npa, ko-
song,
d. i. ledig.
onbewunt, tiada sedar, dëngan tiada
stdar, tiada dikëtahoei.
onlH\'wuHtheiti, flanwtc, pingtan,
muertja.
ouhezaaid, tiada ditaboeri
onbfzeerd, tiada loeka.
onbezeiicUi, liada di/aëléraikan, tiada
pakai mëlërai, tiada ditjap, liada pakai
tjap.
onbt-zeild, tiada dilajari.
onbezet, ledig van een zetel ot\' plaats,
hém pa, tiada didoedoeki.— .niet zwan-
ger, liada boent ing; nog —, van eene
bedekking, die reeds door een umin
bekleed was, hvlom ada gantinja. —,
van ecnu vesting, tiada berlasjkar, liada
bhsvldadoe,
onhezichtigd, tiada dilihati.
onbezield, liada bernjawa.
onbezorht, o,atig liada sampai kasatia.
—, een /.aam, onbewoond, sotniji. —,
van een persoon, b.v. een zieke, liada
d\'ikuendjvenyi, liada dilatcati.
onbezoedeld, tiada ditjl\'markan, tiada
tjemar, tiada dinedjiskan, tiada nedjis.
—, rein, soetji, fakir, Ar.
onbezoldigd, tiada makan opah, tiada
makan gadji.
onbezonnen, koerang ingat. —, Bijw.
dengan kuerang ingaf.
onbezorgd, geen zorg hebben, liada
bert/vila, tiada menaroh tjinfa, tiada
sofsah hali.
onbezwuard, niet door bezwaren weer-
houden, tiatia tertahankan, tiada ter-
sangkoet, tiada dirintangi.
—, niet
gedrukt door zorgen, liada kasoekaran,
tiada bëptrtjinlaan.
—, vrij van be-
lasting ot\' rechten, lepas btya, lëpas
tjoekai, tiada kina beja, tiada kina
tjoekai.
—, zonder schulden, tiada bër-
hoetang. ~~, niet beleend, tiada fërgadai.
onhezwnlkt, Hat/a katjëladn, tiada di-
kala-kataï.
onhezwangerd, van personen en die-
reu, liada boeteling; van personen alleen,
liada méngandoeng anak, tiada hamil.
Dit laatste van aanzienlijke personen.
— van andere voorwerpen, b.v. de
wolken, atmospbeer enz., tiada mengan-
doeng
(van kandoeng), b.v. de wolken
zijn — met regen, awan-awan tiatia
mengaiidoeng hoed jan.
onbez\\v«>ken, in een strijd, liada liwat;
n,,(Ü — > beioai titcas. —, van trouw
enz., dada bérobah. —, vast, van ge-
moed, titap. —, niet verzwakt, b.v.
van hoop of geloof, tiatia temah.
onbexwijlteiyit, tiada bolih titcas, t.b.
berobah,t. h. lëmah.
Zie onbezweken.
onbybelwolï, tjidera dengan boenji
alkitdb,
onbillijk, onbehoorlijk, tiada patoel,
dengan tiada samena-meiia.
—, onrechl-
vaurdig, tiada iidil, koerang ad il, dP-
ngan (tilim.
—, zonder recht, tiada
dengan kak.
—, zonder reden, tiatia
bërsebab, dengan tiada sebab;
zonder
oorzaak of reden, dengan tiada moe/a
karïnanja.
—, zio ook onbehoorlijk.
; onbloedig, tiada bërdarah, tiada da-
rak/ija.
onbliiMchhanr, tiada tërpadamkan.
Ook lig.
onboetvaardig, tiatia maoe bërtobat,
tigar hali.
onboet vaardigheid, peri tiatia bër-
tobal, katëgaran hali,
onboetvaardigiy k, dPugan legar hali.
onbrandbaar, tiada bolih mriijala.
Mei te onderscheiden van onver-
brandbaar, tiada bolih dimakan api,
liada bulih dibakar, tiada bulih ditoe-
noe,
in welke beide laatste uïtdruk-
kingen ook dapat voor bolih kan ge-
bezigd worden.
onbreekbaar, tiada bolih peijah (of
pa/ab, of poetoes). Zie bij breken het
onderscheid. —, niet te breken zijn
door een persoon enz., tiatia lerpëljah-
kan
(of tërpatahkan, of terpoeloeskan).
onbroederiyk, boekan adat taoedara-
bersaoedara.
onbruik, tiatia lerpakai; in — zijn,
tiada lerpakai lagi.
, onbruikbaar, tiada bolih di pakai; niet
1 goed om gebruikt te worden, liada baik
-ocr page 527-
— onder.                                         615
inoelaï mëmboewaf. — handen nemen
van it\'inund, zie bentratlen. — de
oogen van iemand komen, dafang
dihadapan matanja, dafang ménghatlap ;
iets — de oogen hebben, ada diha-
dapan matanja.
— vier oogeo, moeka
dengan moeka, moeka tama moeka.
—■
de aandacht brengen, mëngingatkan,
membëri tahoe, mémilloeinkan,
— de
regeoring, pat/a mata karadjaiin, b.v.
—   do regeering vun Alexnndor de
Groote, pada ramen karadjacn hkandar
dzoe\'l kamen.
—, bij hoeveelheids- en
prijsbepalingen, koerang datipada.
de f 1U0, korrang daripada saratoes
roepijah.
— de 20 el, koerang dari-
pada doeica poeloeh elo,
— het bevel
of de bevelen, dibawah péren/ah, da-
lam përentah.
— de bevelen van an-
deren slaan, dalam perenfah orang.
iemuud, — de macht van een ander
willen staan, maue membauah kapada
orang.
— de voogdij, dibawah wikalat.
—  de bescherming, de hoede, dalam
pëmëliharaan, dibawah përtindoengan.
—   het masker, du mom, den mantel,
den schijn, dtngan poera-poera. — de
gcdannte, dengan roepa, mëroepakan
dirinja,
— den naam van, dengan nama,
pakai nama.
— verbintenis, verband,
belofte, voorwaarde, beding, voorbehoud
van, dengan djandji, — eede, dengan
soempah, pakai soempah, bë.rsoempah.
—   verzekering, dengan mengakoe.
voorwaarde, bij een contract, dengan
sjarf, dengan djandji;
or — verwed-
den , bëtarohan; van — on, aan do
benedenzijdc, disabëlah bawah, dibawah,
pada sabitah bawahnja;
van — op,
dari bawah laloe ka-af as; kopje —,
duiken, mënjëtaui (vnn sëlam). — de
plak of pantoffel van zijne vrouw,
dibawah pïraitah bininja; er — wer-
ken, in bet ongeluk storten, mïtnbina-
takan;
het onderspit doen delven,
miniwatkan (van tiwas); er op of er
—, oentoeng saboel timboel, oentoeng
batoe tënggdam.
Sprw.; ten—brengen,
van een volk en ook tig. van driften,
mtnïilol\'kan; van een land of stad,
hiengalahkan, —, in betrekking tot de
ruimte, antara, di-antara, dilëngah,h.v.
hij staat — de loeschouwers, tja bïr-
diri di-antara orang jang mënengok;
hij woout — de heidenen, tja doedaek
di-antara orang kajir,
hij beweegt zich
onbuigbaar
akan dipakai, — maken, membinasa- I
kan, mëroesak^kan. —, onnut, van een
persoon, iëmpëlah.
iiiinii^iiiiur, tiada ferbeng kokkan; zie
bij buijjen.
onbuigzaam, kedjoer, kakoe, kërat,
ffgar.
— van gemoed, kakoe hati,tëgar
hati.
—, onvolgzasui, koppig, bingal.
—   vun nek, tégar fëngkok. —, niet
souple, b.v. van haar en der ^el., kedjoer.
ondank, koerang tërima; jegens God,
koerang xjoekoer. Zie dank.
ondankbaar, tiada tërtma,tiada tahoe
tërima;
jegens God, tiat/a mëngoetjap
sjoekoer, tiat/a sjoekoer.
Zie dank-
bonr.
ondankbaarheid* koerang tërima,
pPri koerang tërima.
ondunk*, maskipon, kendatilah.
ondeelbaar, tiada tërbehagikan.
ondenkbaar, tiatla tërkirakan. tiada
tërpikirkan, tiada tërsangkakan.
onder, bawah, dibawah; naar —, kaba-
tcah;
van —, dari bawah, b.v. — het
huis, dibawah roemah; naar — gaan,
toeroeu kabatoah; van — de rustbank,
tlari baicak fMütmi; niet — iemand
willen staan, tiada maoe mëmbawah
kapadanja;
iets — een zekere rubriek
brengen, mawefckan bilangan. — een
nomuier, dengan angka, — dagteekc-
ning vnn, dengan tarich. — het zegel,
dengan mëtërai, dengan tjap. — de I
vlag, dibawah bandera. — eene vlug 1
varen, bër/ajar memakai bandera; een
Innd — zijn schepter brengen, mëtta- j
lokkan saboeirah nëgari (vun tïllok, Ar.).
—  zeil gaan, btrlajar, toelak berlajar,
bërangkaf.
— stoom zijn, varen, bër-
lajar pakai asap.
— den wind, benedcus-
winds, dibawah angin. — water, diba-
wah ajar.
— water geioaVen.fënggelam.
—    wator staan, van land, dilipoeti .
olih ajar, kampohan. — zijn, van zon
of maan, soedah masoek, —, in de
omstreken van, didjadjahan, didaïrah,
b.v. hij woont — Batavia tja doedoek? \\
d idair ah
(of didjaitjahan) Batawi.
bereik, dapat ditjapai dengan tangan.
—   den wal loopen, den wal naderen,
mëndarat. — land, dicht bij den wal,
dëkat dengan darat, hampir dtngan
liarat.
— land hoi:d.mi, dicht langs de ,
kust varen, tnenjoesoer pan/ai (van .
toetoer). — handen nemen, van een ■
werk, moe/ai, moelat menger djakan, >
-ocr page 528-
516
onderaan — onderdoen.
onderbnadje, badjoe dalam.
onderlmnt, koelit jang didalam.
onderbevelbebber, pëngtima moeda.
on der binden, mëngikat dari batcah ;
de navelstreng —, mëngikat tali poetat.
onderblad, van planten, daoen jang
dibatcah.
onderbleven, tinggal dibatcah.
onderboi**t, dapoer toetoe.
onderbreken, mëmoetoeskan (van poe-
toes)
; onderbroken, onafgedaan, bëng-
kalai,
van een werk. Zie stuiten.
onderbrenjzen, onder dak brengen,
mëmhama dibatcah afap, mëmbatca ma-
sar\'k kadalam roemah
,- ten—, te giond
richten, mëmbinatakan; ten —, vnn
volken, landen, eteden, mhiitlokkan
(van lalok), mëngalahkan; in staat zijn
ten onder te brengen, tëralahkan, b.v.
djikalau tiada djoega patik tëralahkan
detca Hoe,
indien ik toch dien dewa
niet kan ten onder brengen.
onderbroek, seloetcar tapih.
onderbuik, baicahuja përoet. — op de
hoogte van de blaas, kërëmpoeng. —,
de schaamstreek, ari~ari.
onderbuiw, badjoe dalam.
onderdaan, sakai, rajal, Ar,; onder-
danen met verscheidenheid, rïtjat-sakai;
de Vorst en al zijne onderdanen, radja
dengan sëgala rfljat\'Sakainja.
onderdanig,onderworpen, van een vulk
enz., talufc. — zijn, onder iemands
bevelen stnan, dibatcah përenfah.
zijn, onder iemands rechtsgebied l>e-
hooren, didalam hoekoem. —, nederig,
rëndah. —e dienaar, hambajang rendah;
— zijn, gehoorzaam, uiënoeroef- pemi\'
tah
(van tacruet); een —e zoon, anak-
jang soeka mënoeroet.
— e groete, van
een mindere of jongere aan een meer-
dere of oudere, tëmbah.
onderdanijzbeid. karëndahan,përi til-
lok\', pënoeroetan.
Zie het vorige woord.
onderdeel, zie deel.
onderdek, mar., tingkat dibatcah.
onderdekken, met een deken, mënjëli-
moetkan
(van tëlimoet). —, met narde,
mënintboes dengan tanah (van timboes).
onderdeur, ptntoe ba\\cah.
onderdicH, dalam pada itoe, sëmantara
Hoe.
onderdoen, voor iemand oi\' iets, titcat,
b. v. d\'tpërhamba tiada akan tiwas
daripadanja,
uw dienaar zal voor heul
niet —.
—   de menigte, ija bërdjalan ditëngah I
orang banjak; mengen —, men tja ui- \'
poerkan dengan; er — loopen, ver-
inengd zijn, bert jampoer dengan. — de
inenschen komen, përgi berdjoempa
orang;
von — eene menigte, dart ««• \'
tara, dari tëngah. —, in betrekking
tot den tijd waarin eene handeling
geschiedt, talagi, sëmantara, dalam,
tëngah, dalam antara,
b.v. — het scltie-
ten, sëmantara orang mënembak. — het
eten, tëngah makan, — zijn werk, da-
lam ija bekerdja.
— zijn voortgaan,
dalam antara ija bërdjalan. — dienst
gaan, matoele foldcdoe; een — velen,
van personen, sa\'orang di-aatara orang
banjak, di-untara orang ban jak sa\'orang ;
een — vele, van zaken, hangt af van
het te gebruiken Hulptclw. b.v. van
zwaarden, di-antara banjak: pëdang sa-
bilah,
van vruchten, di-antara banjak
boeivah sabidji
of saboetir enz. Zie bij .
een. - anderen, zie bijvoorbeeld. \\
—    elkander, sama sëndirinja, pada \\
tama sëndirinja, dengan sauia sëndirinja.
—    elkander beraadslagen, bërbifjara
sama séndirinja.
— ons jongelui, kifa j
bermma:iawa orang moi\'da — deze !
omstandigheden, dengan hal jong dë-
mikian.
— al deze gevaren, dalam \'
sëgala bëhaja mi,
— begeleiding, di-
iërta\'i, dipësërtakan.
— begeleiding van .
volgelingen, di-iring. — do wapens, I
langkap dengan sëndjatanja, sijap dengan
sëndj-ila, bërsëndjaia.
— de wanrde, ;
koerang daripada harganja, dibatcah .
harganja, tiada pafoet-paioet harga. — \'
de hand veikoopcn, djoewal dibatcah ta- I
ngan. — weg, ditëngah djalan, antara !
bërdjatan; nog — handen hebben, :
lagi mëngërdjakan (van kërdja); nog
—    handen zijn, van een werk, lagi
dikerdjakan. ■
— aan, dibatcah, i/ikaki; 1
pada sabelah baicah, pada bawahnja.
—   aan den berg, dikaki goenoeng.
aan de poot van de tafel, pada ba-
tcahnja kaki medja.
onderaan, dibatcah; b.v. hier—,diba~
tca/i int.
— op de bladzijde, dibatcah
moeka soeruL ■
— zitten, dotdoek dibatcah.
ondernardsch, dibatcah tanah; de \',
zeven — e gewesten, toedjoeh patala
boemi,
tegenover de zeven ben elsche \\
gewesten, loedjoe patala laxgit (patala,
Skr.). De —e gewesten ook: alant her- \\
tach,
Ar. Zie ook bel.
-ocr page 529-
517
onderdo m pelen — onderhemd.
onderdompelen, mi-njëlamkau (van
aëlam).
onderdompeling, pënjëlaman.
onderdoor, tëroes dari baicah, dari ba-
itah laloc,
on der do orgaan, bïrdjatan iiroes dari
baicah.
omlerdorpel, ambang jang dibatcah.
onderdrukken, onrecht aandoen,
mënganiajakan, mënjiksa (van sïksn .
onderdrukker, pënganiaja, orang
talim.
onderdrukking, aniaja, ]dlim,
onderduiken, mënjëlam (van stlam).
onderduwen, menëkan kabaicah (van
tëkan), mënoelak kabateah (van toelak..
—, met geweld onder water of onder
den modder om te duen stikken, mem-
bërak, letterl. om te doen opzwellen.
ondereen, tjampoer, ètrsama-sama; ook
vereenigd tot f jampoer bërsama-sama.
ondereenkoken, masak bërsama-sama.
ondereenmensen, ment jampoer kan
hirsatna-saina. Zie mengen,
ondereenroeren,
Miiiyaijau bersauia*
sama (van katjau).
ondereenstmelten, weleboer btrsama-
lama.
ondereen vlechten, mtttganjam ber-
sama-sama.
ondereinde, baicah, kaki, — van een
paal, waarmede deze in den grond zit,
Oimbi tiatig. —, voeteneinde, toewpoean,
onderen, baicah; naar —, kabateah;
van —, dari baicah.
ondergaan, van zon of maan, tnasoeJc,
mati, loeroen;
ondergegaan, van de zon,
ook tërbënam. —, te gronde gaan, ka-
ram, binasa.
—, verdwijnen, lënnjap.
ondergaan, lijden, t/terasa\'i, minany-
goeiig
(van fanggoeng); getroffen woi-
den, kïna; mishandeling—,tëraniaja;
ticstrattinifcn —, këna stksa; kastijdin-
gen —, mPrasai tangsara; den dood
— ,mati diboenoeh; schipbreuk—,k~ëna
karatn;
verliezen —, ke.iia roegi, uien-
da/iat rorgi;
verandering —, bürobaht
di-obahkan;
verbetering —, dibdiki.
ondergang, kabinataim, karaat. van
zon oi maan, masoek, Mali; de — van
het land, kabinasaan nPgari; de — van
het schip, karn ui nja kapal; tegen de
—   der zon, kasabëlah matahari mati
(of masoek), kamat/rib, Ar.
ondergedeelte, baicah, sabelah baicah,
bthagian disabëlah baicah.
ondergeschikt, dibatcah, dibatcah /■•■•
rentah, dalam pfrent ah orang.
Zie ook
onderhoorig.
ondergeschikte, orang jang dibatcah
perentah, dibatcah dagoe.
ondergeschiktheid, kandahan, hal
dibatcah perentah, dalam kandahan.
ondergeteekende, jang boeboeh tanda
iangan dibatcah, jang taroh tapak tangan
dibatcah.
ondergoed, kdin-kdin jang tVrpakai
sabëlah dalam.
ondergorden, membaroei; een schip
-—, membaroet kapal.
ondergording, pëmbaroetan.
ondergraven, tnttiggali dari baicah;
een huis —, mfnggaroek roemah.
ondergrond; harde — in een mijn,
die het verder doorgraven belet, bafoe
kalattg, koitg,
Chin.
ondergrondsch, dibatcah tanah.
onderhand, het onderste van de hand,
de buitenkant van de hand, pëmarap.
onderhnndelnar,bij het aanbieden van
vrede, pi\'iijorovg damai. —, makelaar,
taNchenpersoon, talons, orang talang.
—, die iemands zaken bepleit, penoe-
loeng bifjara.
—, een die een meisje
voor iemand ten huwelijk vraagt, të-
langkai.
onderhandelen, bërbitjara, bërmoesja-
tcarat
; over iets —, mïmbitj arakan ;
met iemand over den prijs van iets—,
latcatt bvrpajoe; over den vrede —,
vredes-vooretellon doen, meiijorong da-
mai;
als onderhandelaar bij een huwe-
lijksnanzoek optreden, mënelangkai(van
tëlangkai).
onderhandeling, bttjara, moesjatca-
rat.
Ar.
onderhandsch, VU een koop, contract
enz., dibatcah tangan.—, in bet geheim,
sëmboeni-sëmboeni, dtam-diam.
onderhavig, wanrvnn sprake is, jang
tersïboel itoe.
Zie ook onderhevig
en onderhoorig.
onderhehhen, aan de voeten hebben,
pada kaki; hij heeft sandalen onder,
fjarpoe pada kakiuja, kakinja bëtjarpoe,
onderhehbend./c//^ dibatcah perentah\'
tija, b.v. de ofieief met zijne —e man-
schappen, opsir (hoeloeba/ang) dëngan
tPgala orang jang dibatcah përenlahnja.
\\ onderhelpen, onder dak helpen, toe-
loeng mëntjeharikan toempangan.
1 onderhemd, kamcdja dalam.
-ocr page 530-
518                                   onderhevig — onderliggen.
onderhevig, onderworpen, tiïlulr.
aun dun dood, (iflok kapada waul,
aan koortl, koewat kena détnam.
aan overslroomiugen, koewat dilipoeti
olih ajar, koewat kampohan, koewat
kena ajar bah.
— aan allerlei kwalen,
b\'erpenjaktt •]>?}) jakif; dat is aan geen
twijfel —, tiada sjak layi.
onderhooi\'d, hooid onder den batin en
boven den djoeroe-kérah, djenany.
onderhoorig, dibawah, dibawah peren-
tah, datam peyanyan.
—, onderworpen
van volken of landen, tïllok, Ar. —,
ouder bel rechtsgebied behoorend, datam
hoekuem.
( onder het gebied van tene
Btad behoorend, van hinden, djadjahan,
ddirah;
alle —e landen, s\'eyala dairali-
tütoknja.
onderhoorige, van een Vorst, orany
sakat, rïijat.
Zie ook onderde-
schikte.
onderhoorigheid, djadjahau, datrak,
tïllok
; alle —beden, seyala daïrah-
tülofc.
—, wat onder iemands bewind
staal, ook peyanyan.
onderhoud, levens—, sara, rezèkt, Ar.
kah i doe pan ; de persoon bij wien uien
zijn levens— vindt, van wien men zijn
voedsel ontvangt, tempal nasi yoelai,
b.v. karena timpat nasi dan yoelai
nenek diroemahnja Hoe,
want do pluals
waar grootje haar — vindt, dat is ten
zijnen huize. —, verzorging, phneliha-
radn;
zijn — zoeken, m\'entjehari kahi-
itoepannja, nïentjëhari rizékinja, m. ma-
kan ;
in iemands — voorzien, mëmëliha-
rakan saorany;
de kosten van levens—,
belandja pènghidoepan; de kosten voor
het — van andere zaken, belandja
wentel i har akan, belandja metabuïki;
zijn
eigen — verdienen, in zijn eigen —
voorzien, mentjihari sëndiri.
onderhoud, gesprek, pëtoetoeran, per-
kalaün, pe,rtjtiLapun.
Zie gesprek.
onderhouden, verzorgen, nïem\'élihara-
kun
f van pëlihaia), b.v. hij die vrouw
en kinderen niet onderhoudt, is erger
dan een heiden, orany jany tiada mëutë-
liharakaa anak-bininja Hoe djahal dari-
pada orany kajir.
—, vervullen, van
gobuden, mïiweroel (van toeroH); ge-
boden doen —, w\'dnkoeknn përetttah;
het leven —, méineliharakan hidoep;
een vuur —, memetiharakan api; het
vuren, schieten —. meiitmbak denyaa
tiada bërkapoetoesan.
—, vast bezig
blijven met, bèrkandjany, b\'érlëkom,
(Hap;
zijne maleische taalstudiën —,
tëtap datam bèladjar bëhasa Mëlajoe-,
iemand —, vermanen, mënasihatkan,
meneyor
(van tëyor); zich —, tnëweli-
harukan dirinja
; zich bezighouden met
iets, mënyoesahakan dirinja dalam. —,
zio ook houden en onderduwen.
onderhouder, verzorger, pemUihara,
jany méiitëliharakan;
de —, God, arrti-
zik,
Arab. arrazdk.
onderhouding, pemëliharaan.
onderhoudskosten, belandja ptnieli-
haraïtn.
onderhuid, ook tweede bast, këlapoh.
onderhuis, hawnhnja ruwnah.
onderin, dibawah, ditempat jany diba-
vah.
—gaan, masoek dari bawah.
onderkaak, toelama rahany jany diba-
wah, (oelany dayoe.
onderkant, sabelah bawah, bawah; de
— der wolken, kaki awan.
onderkennen, mtiinbedakan, m\'ènyhtal;
elkander —, b.v. in het donker of in
den strijd, kenai-mëngenat, bérkënal-ke-
vatan sa\'orany dènyan sa\'orany.
onderkenning, pembedaün.
onderkleed, badjoe dalam. Zie on-
der rok.
onderkok, bijkok, toekany tanak.
onderkomen, Zelfst. nw. toempanyan,
lëmpat wïnoeinpany,
ook sewaka, Ski",
een — hebben, bërsewaka.
onderkoning, radja moeda, jany diper-
(oewan moeda, jamtoev:an moeda.
onderkonl ngsehap, djaba(an radja
moeda, panykat radja moeda.
onderkusseii, bant al phtjambat.
onderlaag, a/as; wat voor — gebruikt
wordl, penyalasan. — van een bed, ulas
te in pat tidoer.
—, waarop iets geklopt,
gebeukt, gedrukt of de «ene of andere
kracht uitgeoefend wordt, landas. —,
eteun, Btnt, van bulken of steenen,
waarop iets rust of staat, yalany. —,
zooals b.v. een bultzak, mat of plank
voor het lichaam, lapik.
onderlnken, op een bed, lapik tidoer.
onderlangs, laloe dari bawah, mënjoe-
toer kaki
; b.v. — den berg, menjoe-
soi\'r kaki yoenoeny
(van sotisoer).
ouderhist, moewatan jany dibawah.
onderlegden, ményalas; onderlegd,
di-alas.
onderlegger, zic onderlaag.
onderliggen, onderdoen, het verliezen,
-ocr page 531-
(IS
onderlijf -— o rider scheiding* teekexi.
onderricht, pengadjaran, nasihat. Ar.
■ onderrichten, mengadjar, inenafthal-
kan.
—, kennisgeven, memb\'eri tahoe,
m\'emaloemkan;
aan den Vorst, memp\'er-
sembahkan.
—• van een doode van dat-
gene wat hij de grafengelen heelt te
antwoorden, mémbatja talkin, menatkin-
kini;
dagelijks - , terechtwijzen, m\'elatih.
onderrichter, pengadjar. —, leeraar
van professie, goeroe.
onderrichting: = onderricht,
onderrok, voor vrouwen, lapih.
onderscheid, beda, lat» ; het — er re»,
bedanja, la\'innja; b.v. dit is het — er
van, inilah bedanja; het — tussehen de
vorige gevangenis en de tegenwoordige
is als tuuchon hemel en aarde, la\'innja
pendjara jang dehoetoe dengan pendjara
jang ada sakarang soperti boemi dengan
lauyit.
—, ver&cbil, ook kaldinan.— en
verschil, pérbedaan dan katainan; gij-
lieden moet geen — meer maken,
hendaktah djangan ka-moe perldinau.
weten te maken, tahoe membedakan.
maken, ook mengasingkan; tot oordcel
des onderscheids gekomen zijn, tahoe
trtt;
zonder —, dengan liada bedanja;
zonder — ts m; keu. dengan liada ment-
bedakan ;
groot is het —,djaoeh bedanja.
onderscheiden, onderscheid maken,
membedakan. — tussehen .... en mrm-
bedakan antara
.... dengan. —, onder-
scheid maken, ook melahtkan, b.v. bolih
eagkatt ketahoëi melainkan b\'ehasavja
dengan hdlnja,
kunt gij weten onder-
scheid te maken tussehen de tnal en
do zaken; vriend en vijand niet weten
van elkander te —, liada berkenalan
latrun dan katcan, liada berketahoean
lagï katcan dun latcan;
niet te ■—■ zijn,
voor het gezicht, onduidelijk zichtbaar,
tam ar.
omler«eheiden, Bijv.nw, verschillend,
aoders, la\'in. — zijn van, b\'ertdinan
dengan, bersalahan dengan, berbeda de-
ngan.
— zijn boven anderen, tnegah,
b.v. tnegah puda antara xegata pahala-
van,
onderseheidea onder nllc helden.
—, verschillende voorwerpen, bugai-
bagat\', djenis-djénis, peiehagai, roepa-
roepa, mat jam-matjam.
onderscheidenheid, pérbedaan.
onderscheiding, pérbedaan. —, eer,
die iemand gegeven woidt, hormal, Ar.;
fijne, scherpe ■—, akat jang haloes.
onderscheid!ngsteelten, tanda per-
ia een strijd, iiwat. —, van vechten-
den of worst-denden, thhempet; doen
—, menghempet.
onderlüi", bawahnja péroel.
otiil«arlyli. mar., aris lajar dibawah.
on<lerlüzeil, mar., /a/ar da*toer jang
dibaicah, nitji dastoer.
o\\\\K\\\\^v\\\\^r.iy\'\\\\*i\\}\\vr,tUisiüi\'r bom dibawah.
om lerli nj;, MUM sendirinja, bersama-
sama. Dikwerf schuilt het begrip in
den vorm van het Wetkw. b.v. berdjan-
dji-djandjian,
— overeenkomen; bèr-
bantah-bantahan,
— twisten; berb\'enlji-
bentjian,
elkander — tuiten,
onderlip, bibir dibaicah.
ondcrloopen, overstroomd worden, di-
iipoeti olih ajar, kampoehan; kabandji-
ran,
Jnv. —, in beirrepen zijn, masoek,
b.v. er loopen ook slechten onder, ■•</"
djoega masoek jang djahat.
on<li\'rmaan-<rli, dibateah langil, di-
doenia int, dimaja-pada ini, doeniatci.
ondermaMt, mar., tiang dibawah.
ondermeester, goeroe kakak.
ondermensen, mentjampoer kan.
ondermvjnen, ondergraven, menggali
lobang dart bawtüt.
—, tig. verwoesten,
m\'eroesakkan, membinasakan.
onderin mi r, kaki tembuk.
ondernemen, beginnen, moelaï.
ouilri\'iiciuiii\'i, pektrdjaitn; in zijne ■—
slagen, succes on zijne — hebben. Zie
bij slagen,
onderoiiicier, «V-M*, socrian ; hoogste
— aan boord van inlandsche vaartui-
gen, terang.
ondcroin, koel il ing dibatca/t.
onderoven, kolorig ilapoer.
onderpncht, pak Leljil.
onderpachter, foekang pak k\'ètjil.
onderpand, petarobau, bij verkorting
ook wel petaroh, b.v. adnlah Hoe bagai \\
bapakoe djadi pdarohan djoega,
dit kap
voor mijn vader wel een — zijn. —,
Ook wel hatoean. —, buieend pand,
gadajan, barang gadai. —, iet» dat
men bij koop of verkoop, bij huur- of
werkcontract vooruit geeft tot ver-
zekering van de zaak, Ijengkeram. •—,
zekerheid, ook: akoraii ; ziehzelvcn tot
— geven aan, bepetarohkan dirinja .
kapada.
onderra, mar., p\'eboetcan jang dibaicah,
onderraUcn,liet onderspit delven, tiicas,
onderrand, birih jang dibawah, lept
jang dibaicah.
-ocr page 532-
(80
onderscheppen — onderteekenen.
bedaiin. —, eereteeken, tanda kahor-
matan.
onderscheppen, zooaU een os doet
met de horens of iemand die met een
mand garnalen vangt, mênjérondong
(van sêrondong),
onderschip, het ruim, roeicastg.
onderschotel, van een kan uf karaf
enz., lapik, b.v. kendinja daripada ko-
mala jang hidjati dan lapitrnja dari-
pada nu,\'.--, de waterkruik was van groen
edelgesteente en de — was van goud.
onderschrnsen, mïnjokong (van io-
kvngj. Zie ondersteunen,
onderschrnppen, mëmboeboeh garis
dibaicah.
onderschrift, socralan(of toelisan)jang
dibaicah,
onderschrijven, onderteekenen, mem-
bofboeh ianda tangan, mènaroh 1.1. (van
tarok),
onderschrijvins, onderteckening, tan-
da tangan.
onderschuiven, ménjorongkan dibawab
(van sarong) \\ ook wel alleen mënjorong-
kan, b.v. orang mhiganfoefr disorong-
kan banial, een slaperig mensch een
kussen —, Sprw.
ondershn-nds, in het geheim, semboeni-
semboeni, diam-diam.
onderspit» het — delven, iiicas, kalah;
bet — delven, van velen in den krijg,
bfralah-aluban, bertitcaS\'tiicasan.
onderst, fërbawah, dibaicah sakalt.
onderstntin, duiven ondernemen,birani
memboetcal, tjakap tncmboeicat, m\'èuang-
gomg (van tanijgoeng).
onderstaand, onder vermeld, jang ter-
tëboet dibaicah ini, dibaicah ini; alle —e
nnamteekeningen, sëgala ianda tangan
jang dibaicah ini.
onderstand, in geld, oeicang ajapan.
—, hulp, jiertoeloengan. —, zie ook
t>\\j*timd en hulp.
ondtTstlioven, terbalik, balifr bèlah,
songsang. — holen, overhoop hulen,
mènjélongkar (van silongkar), mëmbong-
kar; alles — halen en door elkander
gooien, mèmbongkar-hangkir.
onderste, benedenste gedeelte, batcah,
baicahnja; bet — vao een boomstam,
pangkal batang kajoe.
ondersteken; den afhangenden rand
van iets —, b.v. van een bcddelaken,
mengelebetkan (van kilebet, op die wijze
ondergestoken).
onderstel, kaki; van een voertuig, /-•
dati; voor werktuigen en andere voor-
werpen, b.v. draaibassen enz., tjagak.
—, stellandje voor een kanon, bangoen-
bangocn.
onderstellen, agajr-agajr, kira-fcira, me-
tijangka
(van sangkai; ondersteld, dji-
kalau kiranja, saandainja, mitsalnja.
onderstelling, vermoeden, saugka;
de — hebben, minjangka.
ondersteunen, stutten, mënjukong (van
sokong); iemand bij het gaan, —, me-
mapah
(van papah); iets of iemand —
door iets te geven, waar of waartegen
het of hij leunen kan, menjandari (van
sandar), b.v. dan padoeka Maha Deici
sëdar, lalce banguen disandari olth
sègala hini adji,
en Hare Hoogheid
M. 1). kwam tot haarzelve, stond ver-
volgens op en werd duor de vorstelijke
vrouwen ondersteund ; een vaartuig door
middel van stutten —, mënggalang
përahue;
het hootd wordt ondersteund
met een kussen, kapala digalang de-
ngan bantal;
iots met den gebogen arm
—, tegenhouden, mënjinggoeng (van
ainggoeng) —, helpen, weuoeloeng (van
toelocng). —, hulp veileenen in den
krijg oi bij een werk, ntèmbantoe; slecht
volk ■—, van het noodige voorzien,
membèri ajoeman. — van onderen, tegen-
houden, mètijangga (van sangga), m\'e-
ngampoekan.
ondersteuning* p\'f\'ijokosig, pfrnban-
toean, perloeloengan
enz. Zie hot vorigo
woord.
onderstoppen, zie ondersteken.
onderstrepen, mëmboeboeh garis di-
baicah.
onderstroomen, dilipoeii olih ajar,
këii-a ajar bah, kampoehan, kahandji\'
ra»,
Jav.
onderstuk, van een hnnïlamp, léndjtr.
onderstut, sokong, ga/ang; een vaar-
tuig op —ten zetten, op bet strand of
eene belling zetten, mënggalang pèrahoe.
onderstutten, tnenjokong, m\'enggalang;
zie hel vorige woord.
onderittuurman, nullim moeda, djoe-
roemoedi jang kadoetca.
ondertnnd, gigi dibaicah.
ondertnsten, onderzoeken, mëmèTtjrsa\'i.
onderteekennnr, orang jang mëmboe-
boeh tanda tangan.
onderteekenen, mëmboeboeh Ianda fa-
ngan, menaroh l. I.
(van taroh).
-ocr page 533-
521
onder teelten ins
— onderzoek.
sëadjata, die beide steden onderwierpen
zich en leverden de wapens uit; zich
—  aan zijn lot, men/oekakan; het beste
is zich geheel aan (zijn loti te —,
ba\'tklah dtsofkakan sakali-kalt; schrifte-
lijk bewijs van zich te —, uwrat sPm-
bah,
b.v. maka padoeka Hofjannja pon
MÏujii\'-rwh ka Malaka hPndak mhtta
toerat simbalt,
en Zijne Hoogheid H.
zond naar .Malaka om een schriftelijk
bewijs van onderwerping te vragen.—,
zich ten dienaar stellen van iemand,
mpinpprhatabakan dirinja; aan kwalen
onderworpen zijn, bPrpPnjaktt pPttjakif.
onderwerping, toendork, torngkoel.
Zie het vorige woord; teekens van —,
pênatngkoel, b.v. salntgi paria settopafï
bPpPisPtabahkan fünoengkoel nPgari
Jjjambi dan 1\'ïli-wba/ig üvitgan sPgala
stvdjaitiitja,
daarenboven gaf «Ie opper-
bevelhebber va» het leirer al de teeke-
ncn vnn onderwerping der rijken van
Ujauibi en 1\'elembniig benevens al de
wapens aan den Vorst over; ook dia-
mat toi-tidoik-
—, gelatenheid, sabttr, Ar.
onderwieht, kuerang t\'tmbangau.
onderwijl, sZmanlara, dalam antcra,
aula/a padit itoe,
onder \\v\\j**, pPngadjaratt. — geven,
mengadjar. — genieten, bPladjar.
genoten hebbend, bPpPladjarau. —.leer,
der ouden, phnatah.
onderwijzen, mPngadjar, zoowel iein.
als iets; ook tmngadjarkav; dagelijks
—, mPlatik; onderwezcu worden, di-
adjar;
dadelijk» onderwezen worden,
dilatih; niet ie — zijn van een zaak,
tiatla tertuljatkan; van een persoon,
tiada tïradjari.
onderwijzer, goeroe, pïngadjar; bij
een — in de leur zijn, bPrgoeroe ka-
pada,
ook tot — hebben; hulp—, goe-
roe kakak.
onderwinden; zich— te doen, beraui
tnPm boete at.
onderworpeïinjr, orang jattg tïilok.
onderworpen, tülok. —, gelaten,
sabar, Ar.
ondel-zeil. benedenzeil, lajar dibaicah.
—  zijn, bïrlajar,
onderzetMel, stut, schoor, sokong, ga-
lang; e. s. v. metalen — u»et voet, voor
glazen, konmien enz., kï-lopak svrodja.
onderzoek, ptriksa, Skr. pèmeriksaaa;
een — verlangen, miunohon periksa ^van
po/ton); grondig—.pémeriksadn dalam;
36
onderteekcning, tauda tangau, tapak
t
antja.it.
ondertrouw; in — zijn, bcrtornangan ;
ia — zijn niet iemand, bértoenangkan
ta\'orang,
ondertrouwde, toenangan.
ondertrouwen, mempirtoenangkan.
DndertiixHchen, dalam pada itoe, *?*
ma»f\'trii Uoe, dalam uittara itoe. —,
niettegenstaande, tiadti djorga, b.v. bij
had bet beloofd, — deed hij bet niet,
loedab didjandjinja maka tiada djoega
diborwaivja.
onderuit, kaloewar dart batcah.
ünderviit, lukvnt, pi:nadah ti/isait.
ondervindt\'», merasa\'t, tvtndapat. Sër-
ürnoe i
fiuait —, me.rasai doeka-tjila ;
moeilijkheden —, tuïndtipat soesah,
mPrasa\'i kasuekarua;
dat heb ik onder-
vonden. /Plan toedak ttkOê bPrtemoe.
ondcrvindiiijj, pëlümoeati, pPudapa-
tait, tadjrib,
Ar. ouk fjtdja, bijasa; icin.
van weinig —, onaoozele huls, die niet
veel gewoon is, oravg tPreuah; zonder
— en daardoor gemakkelijk te foppen,
ararif, Arab.
ondervragen, birtanjakan; de rechter
ondervroeg ui de getuigen, maka //akim
pun bPrtanjakan sPgala saksi.
— van
een slapende, om 100 achter de wuni-
heid te kumen, sewa tav ja; nauwkeurig
—, onderzoeken, mPvjPlidik (van sidik),
lavmeriksdt dPngan saksama
(van pe-
riksa), mPniisH
ivan pisil).
onderwunt, mar., tPmbaang dïbatcali.
onderwater, iemand — houden, mPm-
bïaatnkaa;
zoo ter dood gebracht, mail
dibenata;
een vaartuig — zetten, mem-
benam kan perakoe.
— staan, van een
land, kattjaiav, kampofhan.
onderweg, liijw. didjatan, diltngak
djalan, dalam bèrdjalan.
onderwereld. <llam bPrzach, Ar.; de
zeven gewesten der —, pratala, katoe-
djoeh pelala boe mi t katoedjueh lapis
boe mi.
onderwerp, zuak, pPrkara, hal, Ar.;
iets tot — van een gesprek maken,
mPmpPrikan.
onderwerpen, van een volk, de driften
enz., menttlokkan (van ialofc, Ar.); zich
—, bukken, loendoek; iemand —.doen
bukken, utenontidoekkan; zich aan een
overwinnaar —, ook ntïnocngkoel (van
loengkoel), b.v. maka kadoetca buewah
itïgart itoepon nténoengkofl dan bérstrah
-ocr page 534-
522                                onderzoeken — oneindismaal.
een — doen, instellen, zie onder-
zoeken; gerechtelijk —, pimërikMaan
atat pïrentah koekoem.
onderzoeken, mëmtriksa. — naar, mi-
miriksdi, mïmiriksakan;
nauwkeurig
—, minjidik (van sidik), mtweriksa dï-
ngan saksama, m. d. sëlidik, niïnjilidik
;
alles ten nauwste, tut in de kleinste
bij/.ondui heden —, hij rechtzaken, mi-
njvlongkur
(van silougkar), d. i. over-
huuphulcn, vuor den dag halen. —,
inlichtingen trachten te verkrijgen,
mirisijk, b.v. tabïlom k/fa ris ik bdik-
batk sïyala boedi ptkirti dan pira-
ngainja,
voor wij terdege hebben onder-
zucht naar zijn aard en inborst. —,
beproeven, mtutjota; de kracht van
iets —, ini.ii_uf.il koeicatnja. —, na*
vraag duen, bïrfanjakan; naar iemands
WeUtRnd —, bërfanjakau satatnatnja.
onderzoeker» pimiriksa, penjidik, pin-
tjoba;
zie het vorige woord voor het
onderscheid.
onderzoeklievend, soeka mëmërifcsit,
so?ka wenjèlidik.
ondeugd, djahat. — , gebrek, tj\'vla.—,
schnlkscbe knaap, bordak nakal.
ondeugend, nakal; zich — aanstellen,
mïnakat,h.v. fiada tahoeminakalsapirtt
movjet kirajang laï/t,
hij stelde zich niet
— :i:.n zuuals andere apen.
ondeugendheid, nakal, pïri nakal,
kadjahatan.
ondicht, niet op rijm, fiada birsadja\'.
ondicht, lus, van weefsels enz., djaraug.
ondiep, niet diep genoeg, koerang m-
lam. —, Inag. van het water, tohor,
fjelek, i!an<jl.ii!. dangkar,
b.v. sibab
koi-icala Indra 1\'oera tirlaloe dangkar,
onidiit de mundïng van de Indrn Puera
a! te — is. —, niet bijzonder diep,
tiada berapa dalam.
ondiepte, timpat fohor, tï/npat ijetek ;
het ondiepe gedeelte van een water
nabij den uever, tïpian.
ondoenbaar, fiada tekirdjakan.
ondoenlijk, onmogelijk, tangkara,
tnot sla/iil,
Ar.
ondoordringbaar, *oui vocht, kedap.
ondoorgrondelijk, tiada tïrdoega.
ondoorMchünend, fiada tirangdïroes.
ondoorwaadhuar, tiada dapat diha-
roeng, tiada tïrharoeng.
ondoorzocht, tiuda diperiksa.
ondraaubanr, tiada terbawc, tiada
tirtanggueng.
ondragelijk, fiada tïrtahan, tiada tir-
tanggoetig.
ondrinltbnnr, tiada bolih diminoem.
onduidelijk, koerang tirang, koerang
njata.
— voor het gezicht of gehoor,
wegens den afstand, sajoep. —, niet
recht te undersebeiden, tornar. —, niet
duidelijk te undersebeiden met het
gezicht dour de menigte of kleinheid
der voorwerpen, mirmtjam. Zie ooL
zichtbaar,
onduldbaar, tiada tïrtahan, tiada ttr-
derita.
onduurznam, tiada tahan lama.
onecht, van metalen, muot enz., «e-
toengkang. —, vaUch, vermengd van
metalen, koopwaren enz., lantjoettg;
b.v. — L\'mid, imas lantjoeng. —, van
een kind, hartim, Ar. een — kind,
anak karaat, haram zadeh, anak kindak.
Zie ouk bij valsch.
onedel, niet van adel, tiada birbaugsa,
tiada bangsawan.
— , laag, gemeen, hxna.
oneenig, bïrbantah-bantah, bérljidïra.
oneenigheid, pirbantahan, pirtjidë-
raiin;
niet tut eensgezindheid te bren-
gen zijn van velen, lig. sapirti tan-
doek dtbïrkas,
oneenngezind, birtclingkah.
I oneer, schande, smaad, maloe, tjëta.
—, gemis van eer, koerang Jiormai.
j oneerbaar, tiada tënoenoeh, tiada la\'ik.
oneerbiedig, koerang hvrmat. —, on-
beleefd, koerang adjar.
oneerlijk, diel\'aehtig, soeka mentjoeri.
— van handelingen, tiada bitoel, tiada
katahoean.
oneetbaar, tiada dapat dimakan.
oneilen, ruw, hobbelig van oppervlnktc,
zooals b.v. een pokdalig aangezicht, de
schil van sommige vruchten enz., kere-
toet, kirotot,
—, luw, van oppervlakte,
ook vnn den ViC\\X, mënggiroetoc.
van een weg, met kuilen, birlikak-
lïkok.
—, niet vlak, tiada rata. —,
zie ook oneven en ruw.
oneigenaardig:, tiada patoei.
, oneigenlijk, dtngan oepama, divgan
\'tbt\'trat.
oneindig, tiada birkasoedahan, tiada
berkapottoesan, tiada birhingga;
tot in
het —e, sampai kikal salamadamanja.
—, zeer, uitermate, tirlaloe, b.v.— ver,
terlalu? djaoeh. Zie ouk eeuwig*
oneindiliniaal, dïngan tiada birka-
poeioesan.
-ocr page 535-
onergdenkend — on gedoomd.
KSS
onergdenkend, tiada meaaroh tang ka■,
liada ménaroh sjak (van tarok).
onergeriyk, tiai/u mémbhi sjak-.
onerliencl, tiada di-akoe; nog—,bttom \'
di-akoe. —, niet geteld, tiada dibilauy.
—, niet aangenomen, tiada ditëriuta.
onerkentel\\jk, tiada mënaruh tërima
kasih, koerany tërima.
onervureu, koerany biasa, betont biasa, j
béiom sampai tahoe, —, dooi jeugd, j
layi moeda.
oneven, yasal, yandjil; even of -— spe-
len, uinut yasatyënap.
onevenmatig, liada rata, tiada sauta ,
rata.
onfatsoenlijk,
koerany bëhasa, tiada <
tahoe adat. —, onbeschoft, koerany
adjar.
onfeilbaar, tiada ttrsatah, tiada bolih
talah.
onfraai, tiada elojr. Zie verder fraai,
onfriscb,
tiada séyar; van gevoel of
smaak, tiada sedap.
ongatit\', roesai; boeroek-; zie gesclion-
den.
onsaar,
niet geknokt, mértlah. —, wel
gekookt, ui uur nog hard van binnen,
lagi bPrhati. —, nog niet geheel gaai\',
nog ecnigszins rauw, ëttgkah-ëtiykab.
—, vnn vlecsch ea andere spijzen, maar
niet van lijst, yénnjoel; nog —, niet I
gaar genoeg, van gekookte zaken, koe- ■,
rang masal-; van gebakken zaken, kw-
rany bakar, koerany yoretty, koerany
rëndamj; steenen die nog — zijn, batue
jany koerany bakar.
ongaarne, dënyati seyan, dënyan tiada
soeka, djëmoe.
ongangbaar, tiada lakoe, tiada bolih \\
lakoe.
onganoch,
tiada tëdap.
ongastvrij, tiada soeka mettdjamoe ,
uK\'iiy, tiada soeka meutbfri toempanyau.
ongeaderd, van dierlijke liehaiuen,
tiada béroerat. —, ongedaroasceerd,
van wapens, tiada berpamoer. —, van j
hout, marmer, gekleurd papier enz.,
tiada bërbarifc-barik, tiada bërkoerat.
ongebaand, van een weg, tiada dira-
takau. van een terrein, tiada ditë-
ravykan, tiada ditebas.
ongebaard, tiada bïrdjanygoet.
ongebakken, tiatta dibakar, tiada di-
yoreny, tiada dirhutaty. Zie bakken,
ongebeden,
tiada dipinta, tiada di-
po/ton.
ongebeeld, niet gebeeldhouwd, tiada
dt\'oekir.
ongebeurlijk, moe sta hit, Ar.
ongebleekt,
van garen of weefsel, mhi-
tah. — katoen, kdin méntah, —, tan
de wa&ch, tiada dipoetihkan, tiada
di hot \'dja ti-p unaskuir.
ongebloemd, tiada bërboenya,
ongcbluscht, zie bij kalk.
ongebocid, dïngan tiada dirantai, de-
nga)i tiada lérbëloeuyyoe.
ongeboekt, tiada tèrsoerat, tiada tër-
seboet dalam daftar.
ougeboentl, tiada disikat; nog —, bt-
lom disikat.
ongebulsterd ; nog ,bëto/a dikoepas.
ongebonden, v. e. boek, bélom ttidjitid.
—, ongeregeld van levenswijze, tiada
këta/toea», doekana, risau.
ongeboord, tiada bert f pi, tiada bér-
kétim. •—, niet geboord met eea boor,
tiada digerek-.
ongeborduurd, liada disoetam, tiada
disvedj\'t.
ongeboren, tiada diptranak-kan,
ongebraukt, tiada disërboek-,
ongebraden, tiada diyoreny, tiada di-
ritidany.
ongebrund, tiada diyoreny, tiada diba-
kar,
zie branden,
ongebreideld, tiada be.rkëkany.
ongebruikelijk, tiada tërpakai.
ongebruikt; nog —, bétont dipakai.
ongebruineerd, tiada tëroepam.
ongebuild, tiada ditapis, tiada dishkai.
ongebutfet, tiada mtmar.
ongeduagd, tiada disita.
ongedaan, niet gedaan, tiada diboetcat.
— maken, méniadakan (van tiada).
—, nog niet afgedaan, bëtom soedah,
betont sëlësai, bttota habis. — gebleven,
tirbantoet.
ongedacht, tiada Urkira, tiada d
stinyka.
ongedeeld, tiada dibëhayi.
ongedeerd, zie ongeschonden en
deren,
ongedeesemd,
tiada berayiffafirt, Ar.
ongedekt,
liada btrtoedueny, tiada
tërtfictorp, tirboeka. —, zonder dak,
tiada bi\'ialap.
ongedierte, ka/a, b.v. slangen en —,
oe.hu dan kala. —, luizen, op het
hoold, koetoe; op het lijf, loema.
ongedoopt, bëtom dtbaptisakan.
ongedoornd, tiada bërdoeri.
-ocr page 536-
on™edra<£en — ongekneuttd.
C2;
gehoord, tiada pïmah didttigar, béloai
pertiaA didvayar.
ongehoornd, tiada bhtandotlp, tiada
bÜrtjuela.
Zie hoorn.
ojijjelioor/anm, tiatfa mïHoerost.
tegen booger macht, b.v. God, een Vorst,
rechter, oudeis enz., dverhaka.
zijn jegens deze, mi-tidoerbaka kapada.
—, ongexeglijk, tegenitrevend, babil,
—, zie ook ondeugend.
oni^fhouden, tiada haroa. tiada wadjib.
Zïe gehouden.
ontïehouwen, tiada dipahat. —slcen,
ba/v? jany /iada dipahat.
on^eliuiclitld, diugan tiada poera~
poera.
Zie oprecht.
ongehuwd, van eeri man, belom bïr-
bi/ii, tiada bïrbiui, (iada bPristèri. btlvtti
berttttri.
— van eene vrouw, tiada
brrlaki, bPlom biilaki, tiada beraoeami,
btlam bPraueami;
de gezamenlijke —e
vrouwen en meisjes, pérboedjauga».—,
nog niet wettig iu het huwelijk getre-
den, bïlvui kdtcia; een — persoon,
boedjaay; nis ungchuwde leven, i/të/n-
boedjang.
—c staat. pïbvedjaiiyan.
oiigekmnd, tiada disikat, tiada diaisir.
oii£*ekiipt. van hout, tiada d>bilab.—,
van het huur, tiada di-audam.
on<*ektirteld, tiada birkurmaï, tiada
bëriaygil.
onbekend, v. e. persoon, tiada kakvna\'
tan;
van eene zaak, (iada dikPtahoei.
ongekeperd, tiada lonek, tiada dift-
ia." .i liatang-lintaag.
onsekertU, tiada birloiih, tiada bti\'
kklar.
oiiüHicl nul, tiada bêraatai.
on^clieurd, niet van eene keur vooi-
zien, tiada bPrtanda ofdji, tiada tjap
undji.
—, niet getoetst, tiada di-oedji.
—, niet onderzocht, tiada dipifikaa.
onj*eklee<i, tiada btipakai-pakai. —,
van eene inlandsehe vrouw, bï-fktinbatt,
d. i. het bovenlijf /onder bandje, maur
de siuoeng over de borsten tot onderde
nkwb o]»i:i;haald; het gewone kostnuoi
iu buis.
ongekleurd, tiada bïwtrua.
ont^eklopt, ongcklutst, b.v. van een
ei, tiada dt-aroa, tiada dipuedt, tiada
dipocaar.
Zie verder bij kloppen.
onaehluiNterd, tiada b£ran(ait tiada
terbëlueiiggoe, tiada tf-rpaaurng.
on<*eknakt, tiada tirkoelai.
ongvkneusd, tiada we mar.
on«etlraijen, van een klecdingstuk,
Lilom dipakai.
oiijif dreven, van goud of zilver, tiada
bérvkir.
ongednld, kut-rang aabar.
oiijji\'duldii;, koerang sabur.
on<*fduri<*, onbestendig, /iVuAt tentve.
on gedwee» teyar, dada aiênoeroet.
onbedwongen* zonilrr dwang, de*~gan
tiada dipakaa. —, Vlij, btfbas.
ongeëcht*. tiada dihatalkaii.
oiiiii\'ëfrtl, tiada kahurmatan, tiada
dibvrmati, tiada dinffmotliatëW
on:*t-4~-Ilt?nd, /\'</«■\' ifiratakan.
oinjeëri\'de, /iWrf mëmpornja\'i tanah.
(jin\'.i-.\'-ii-. kvrang bih-di.
onue«venanrit,//«f/w blrbanding, tiada
bérfara, tiada bandivyauHJa, tiada ta-
rartja.
oni*eliitsoeneerd, tiada dirvfpukait.
oogeformeerdi tiada dirocpaka», tiada
dtdjadikan.
üiiH;t\'tïi«t, tiada bercfiaiuir, tiada berayi.
onjrejxliuind, tiada diyïrves.
onijeijomd, tiada btrgefab.
Onjf ncwrdj /»W<* bfrikat pinyyang.
onuieurendeld, tiada tirkaiifjiny.
01 mei» rond, /rW<i btralaa, tiada brr-
dasar. — van cene tijding, tiada
li\'iitüt\', tiada tijata, tiada sa/i, zie ook
gerucht*
OngegrondTOSt* tiada diboeboe/i alas,
tiada diboebueh k ak i-te mbo k.
oiitifgund» aéngau tiada disorkakan,
dtiiijan tiada diridtakan.
ongelmrkt, tiada diyaruek.
onucliuriuiMt, tiada birbadjoe bisi,
tiada btrbatLJoe zir/ia, tiada birbaroel
dada.
oniifliii-pcltl, tiada dilikaa.
uiisfeheeld, tiada disi/abue/ikan, tiada
di-ubafi.
oiiijfheeten» tiada diaoeroeft.
on^ehekeld, tiada d/yarork, tiada di-
sisir.
on**ehuluid, tiada bPrkPtopong.
on<;fhevel<l, tuida bvrchamir, tiada be-
rayi, tiada dic/taiairka», J\'afirt, Ar.
ongehinderd, dcupan tiada ti-rsatig-
toet, dtnyan tiada ditïyahkan. Zie ook
bij vry.
oiitrehot\'d, zonder hoed, tiada bh\'tja-
piai\', dada bPrlopi, gomt doel.
onjLsehoopt, tiada dibarap. Zie onver-
wucht,
ongehoord, tiada didingar. —, nooit
-ocr page 537-
— ongoloovig.                                   625
salah ; in het — zijn of gerankt, ttrsalah ;
had ik wel —. had ik bet wel mis,
btdakkah sëhaja. —, dnt de een den
ander naadtie\\,persaf"/tatt; doe elkander
ge<-n — ann, djangaa kantor bërsa/a-
han;
in het — stellen, — geven,
mPujalahkau, mënsalahkan.—, niet met
elkander overeenkomend, tiada safn*-
djne,
-,verkeerde opvatting of meening,
xatali lampa. —, onrecht, aniaja, talim.
ongelijkimrdig, tiada sama përi, bef
tatnan përi, tiada sama fablaf, hërla\'i-
nan (aélat.
ongelvjklteenig, tiada sama kakinja.
on<*t*lv)kel\\jk, tiada sama rata, b.v.
dat is — verdeeld, Hoe dibëbagi tiada
srnaa rata.
ongelijkheid, verschil, persalahav, për-
brdaiïn.
I onuelvikhoekist tiada sama pëndjoe-
roi\'iija.
ongelijkluidend, tiada sama bnrniinja.
onsi\'lukniHtiy;, tiada sama ex-ka^ran-
ttja, tiada sama rata. — vnn hevelen,
berftlan-telatt, d. i. vlekkerig, b.v. pë*
f utah hërtëlan-tëlan sapërti pat/as di
bëloi\'kar, de bevelen zijn — als zonne-
schijn in het kreupelhout,
onuelyltmoedis, tiada tetttof halinja.
oni»«"l Uk namis, tiada sama vamanja,
la\'i>i-lahi namaaia.
; onselükwlachtis. lain hangsanja. la\'in
djënisnja, tiada sama hangsanja, t. s,
djenistija.
onselUïi^oortis. tiada sawa m af jam-
nja, bërlainan matjamaja, tiada xama
djënisnja, bërlainan djënisnja.
onseiyktüdis. tiada sama satoc masa
(voor masa ook icëktoe of zamdn, of ka/a),
onselükvormis, bërlainan roi\'pa, hëv
salahan rarpa, tiada sama rorpa.
ongel ykzijdig, tiada sama bërsëgi.
onaolilct. ongemanierd, koerang adjar.
on^eliniëord, tiada dim\'tstar.
ongplo«en, dëngun tiada dorsta.
on^loorliend, tiada dixaugkal.
ongeloofi koerang përtjaja; in gods-
dieutigen zin, tiada bërimdn,
onseloof\'hnitr, tiada dapat dipërfjaja.
ongel ooft*l\\jk, absurd. onmooglijk,
moest ahil, Ar. fa\'masok f}ka/.
onselooid, tiada saaiak, bë/am sawak.
— leder, een —e huid, bëtoelattg; één
—c huid, bëloflawg sabidang.
1 onceloovis» koe-rang përtjaja, t\'iada her-
on&ekneveld
oneokneveld, niet gebonden, tiada
tïrikaf.
onsekniold, dengatt tiada bertëtort.
ons*\'kookt. tiada dimasair,- nog —,
heloni dimasak. —, rauw, aiëttta/t,
onKfhopord, tiada bërlapis tëmbaga.
onijeliorven, dada dih>ris-hiris. Zie
kerven* — van insecten, tiada bèr-
kVar.
ons«*kr*>nkt, van eer of trouw, tiada
hërtjëla.
onsfkroond, tiada bërmakofa.
ongekruid, met specerijen, tiada bërëm-
paft-rëmpah, tiada dirëmpah\'t.
onsekuiMoht, van den Mijl, tiada di-
sahkutt, tiada dixam/iOiTttaka».
onsekurkt. tiada bérsermbat,
onseltwcld, tiada di-nfsik.
ongehwetftt, tiada totta,
onspi. dierlijk vet, lemak.
t.n.\';fhi:il.t, tiada ditje\'ia.
onseinden, van een vaar- of voertuig,
tiada bërmaettatan. —, van de lading,
tiada dimm\'icatkan.
onjselapt, tiada ditampal, tiada bërfaia-
palan.
ontrold, bë/aiidja.
ongeldis. tiada sah.
ongeleed, seen geledingen hebbend,
tiada bërsëndi, tiada bérhoekor. Zie
geledins*
ODgelesndi tiada dipindjani.
ongeleerd, tiada blrpëladjaran, tiada
bërr/aiof.
onsei esen. geen gelegenheid hebben,
tiada sëmpat; een — tijd, koetika tot
masa of hari) jang tiada ba\'ik. —, geen
goede living hebbend, tiada ba\'ik
tëmpatuja, kadordarkannja tiada ba\'ik.
ongelegenheid, moeite, katoesaAan,
kaêoekaran.
Ook in — zijn; in —
brengen, mtnjoetahkau, mSmjoekarkatt,
mëndatanakan soesah, méndatangkan
kasoekaran;
schade, leed berokkenen,
memboricat honar, m. bëntjamt.
ongeletterd, /ie ongeleerd. —, on-
gemerkt, tiada dïtanda\'i.
ongelezen, niet gelezen, tiada d\'tbafja.
—, niet uitgezocht, tiada dtpHih.
ongelijk, niet gelijk, tiada sama. —,
niet vlak, tiada rata. — zijn, verschil-
len met, bërsalalian dengan. —, o nellen,
hobbelig, menggeroi\'toi\', berlëkak-Hkok.
—, ruw, ka sap, kasar.—,niet gepaaid,
tiada sadjodo, tiada sapaxang.
ongelijk, salah. — hebben, salah, bër-
-ocr page 538-
526                                onaeloovi<»heid
ongeloovighcid, koerang perfjaja, htil
tiada bëriman,
onueloovijse, orang kaf ir (vandaar Knf-
fer); vervloekte —, kajir mahwm, Ar.
als scheldw. L\'i-lij. —, aU uitroep,
uieestal schei isendcrn ij/t-, kaparat.\'
(van kafarat Ar. grndw. ka/ir).
onuelost, nog —, van een vaar* of
Voertuig) bflom tlibongkar,bïlom ilipoevg-
gah.
—, niet vrijgekocht of ingelost.
im.\'it tfittèor».
onjreloulerd, tiaiia disoetjtkan,
o»«elul>d, tiaiia kal/tri, tiada kasim.
ongeluk, tjilaka, patakit; allerlei - , !
rampen en —ken, mala\'pataka. — ah !
vergelding voor een ongeoorloofde daad,
totlah. - , een ongelukkig accident,
dahijat, Ar. —, tegcnheid, omtoeng-
malaHg.
—, onheil, pleng, btla; wat
een —! bèta upa ini.\' —, zio ouk
onjsevnl en onheil.
ongelukkig, tjilaka. — in het bereiken
VU zijn ditel of in zijne undememin-
gen, sijal; zeer —, in dien zin, sijul
dangkatan.
Ook —.onheilspellend, vnn
een gehint, b.v, boeroeng hautoe itoe
moekanja -sijal,
do katuil heelt een — i
gezicht. — worden, to gronde gaan,
hinasa, b.v. toiToetkan rosa, binasa;
torroef kan hati, inati,
door nnar het
gevoel te luisteren wordt men —,
door nnnr het hart te luisteren komt
men oin, Sprw. —, V. e. tijdstip, zio I
ongunstig.
on ij;i 1 uk h i;_;<\'. orang tjilaka, orang sijal,
orang jaag tiaiia bërnasib.
—, als
schrldwooid, bëdëbah, sitjilaka.
ongelukkigheid, rampspocdigheid, .
kaljdakaiin.
onseluksbode, orang jaag mËmbawa
chabar djahat.
ongelnkndug, h"r\' jan9 ta\'ba\'ik.
on«eluli8voj»el, iemand wicn alles
tcgenloopt, oratig pemara. —, iemand ;
die door zijn lachwekkende tegenspne-
den tot spreekwoord geworden is, pa\'-
kadoek, ti\'bai malang.
on<-enianht, niet gehuicheld, tiaiia
porra-poera,
—, niet met de hand ver-
ranrdigd, hoek.iu pï-rboetiutan. tungan. I
ongomnehtigd, dtngan tiaiia bï-rolih I
koewasa,
onjjeinali, moeite, pettat, soesah. — !
lijden, kapënatan, kasoesahan. —, ziekte,
ptHJakit. —, beletsel, hinderpaal, sang\' !
koetan.
                                                       \'
— ongooefend.
ongemakkelijk, soesah, soekar, herat,
oiijfenmnlerd, koerang bebasa, nielang-
gar bt\'hasa, tiaiia tahoe at/at, biiiiiab,
Perz. — liggen, mengalar (vnn aiar).
onm\'int\'t\'ii. boekan kfpalang, —, bij-
zonder, zeer, ftrlaloe, atnal. — vreemd,
grarib, Ar.
ongemeend, tiaiia suniggoeli.
ongemengd, tiaiia tjtvnpoer.
onsemerltt, niet van een merk voor-
zien, tiaiia bértanila, tiaiia ditamldi,
—, onopgemcikt, tiaiia dikëtahoei,
diam-diam, tjoeridjocri,
—, zelf er
geen gevoel van hebben, tiaiia bërasa,
b.v. Ittloi tjoffjoer ajar matanja tiada
bPrasa lagi,
vervolgens vloeiden bare
tranen, zonder dat zij bet voelde.— laten,
doen alsof men het niet ziel, pvera~
poera tiaiia mëlihaf, menoeioep ma/a.
ongemewt, vnn een dier, tiaiia ditani\'
bo\'-tikan.
— van land, tiatla diboeboeh
bailja.
ongemeten, tiaiia di~oekoer, tiaiia di-
soekaf,
zie meten.
ongemeubeld, tiaiia langkap tlëngan
përkakasnja,
onitemoeid, ticda di-oraik. — gelaten,
tiaiia dipëngapakan.
on>tenna)[l>aar, tiatla terhampiri.
ongenade, van den Vorst, moerka; in
- vervallen, kétia moerka.
ongenadig, tiaiia menaroh kasiltan.
ongeneeHlU\'1» t\'ntila fï/obatkan, tiada
disëmboebkan.
—, langdurig vun eene
ziekte, mPrana; eene —e ziekte sakit
mërana.
ongenegen, tiatla soeka,segan,djemoe \\
niet — zijn, soeka djoega.
ongenoegen, toorn, tnarah, amarah;
van Vorsten, moerka. —, twist,/j(!ri«»r\'a-
lmn ; luide zijn — te kennen geven over
onverdiende behandeling, mërenfjang;
het — Oods, paloe Allah, b.v. nanti
krlak tlttfartg paloe Allah akan kita
ini,
weldra zal Gods - over ons komen.
ongenocijzaani, tiada tjoekoep, tiaiia
mamada\'i
(van pada), koerang.
ontrenoemd, tiada fe.rsP.boet, tiada tïr-
sëboet natnauja.
onbenoemde, N. H., anoe, sianoe,
orang ano<\'.
ongenoinmerd, tiatla berangka.
ongenood, tiada tlidjempoei, tiatla di-
panggil, tiada tUpPrsilakan.
onseoefend, tiada bërpë/adjaran, tiatla
tahoe, tiatla bijami.
-ocr page 539-
ongeoorloofd — onsetabberd.                                527
ongerustheid, zorg, ijinta, soetah, ua-
lang hati, chawdfir,
Ar. sjoegrorl. Ar.;
in — zijn, bërfjinli, kasoeszhan, cha-
u-afir, kaïjoegroclan.
on gesalarieerd, tiada m uk art gadji.
on geschaafd, tiada dikëtam ,- nog —,
t/ttom dikëtam.
ongeschapen, tiada didjadikan.
ongescheiden, tiada bértjërai, tiada
tjërai.
ongeschikt, tiada patoet, tiada laik.
ungeschiUtelvfk, dëngan tiada patoet.
ongeschoeid, zonder schoeisel, tiada
birkasoel.
ongeschonden» tiada ruesak-Jagi ba\'ik,
tiada tjelanja.
ongeschoren, tiada ditjoekoer.
ongeschubd, zonder schubben, tiada
bërsisik.
ongeslepen, van snijdende werktuigen,
tiada di-asah; vun een spiegel, basah,
b.v. moekanja tafrsana tjërëinhi baxah,
tjandal sëdikit tidak htrasah.
—, van
edelgesteente, tiada di\'/janai.
ongesloten, niet dichtgemaakt, tiada
tïrtoetoep.
— , niet met een slot dicht-
gemuakl, tiada tërkoentji. —, onge-
grcndeld, tiada tërkantjing,
ongesluierd, tiada bï-rtoedoeng.
ongesmcerd, tiada disapoekan lemajr,
tiada disapoekan minjak.
ongesmoltcn, tiada Ifboer.
ongespleten, tiada tërbïtah.
ongestadig, dada fëtitoi; tiada tttap.
—, onstundvastig, Untjah, — , van een
vlieger, niet willen staan, usik; ooit
niet blijven zitten, van mensehen. —,
steeds van plaats veranderen, mentja-
tjar.
— bij zijn werk, nu dit dan dat
doen, mt.utjo utjit, oentjat-O\'-ntjit,
ongesteeld, tiada bërtungkai.
ongesteld, saki/; van Vorsten, gering;
de >ifr~cii.ii ut\' zuuk, die de ongesteldheid
bij Vorsten veroorzaakt, pvnygër\'tng.
ongesteldheid, penjakil; allerlei on-
gesteldbeden ut\' kwalen hebben, Aë>-
pënjakit-pënjakit.
ongestempeld, tiaila firmétërai, tiada
tertjap.
ongesteven, van linnengoed, tiada di-
kandji,
ongestoord, onafgebroken, zie ald.
ongestraft, tiada diml\'sa, tiada dihoe-
koem. tiada kina ^oikoem.
Zie ook bij
dood.
ongetabberd, tiada b\'êrdjoebah.
ongeoorloofd, tiada bolih, dilarang,
hanim,
Ar. —, voor het algemeen,/«*«-
tan ff, b.v. bitberapa banjak paatang
dan laranfftm dinëgari Mélajoe,
in de
Maleischc landen zijn veel — c en ver-
bodcu zaken. —e spijzen, makauan ja;ig
hanim.
—, zie ook verboden.
ongeopend, tiada terboeka, tërtuetoep; i
nui.\' —, biluM diboeka.
ongepuard, tiada berdjodo.
ongepalit, dada tt-rboengkoet.
ongepast, tiada patoct, koerang patoet,
tieula la\'ifr.
ongcpeld, tiada dikorpas.
ongeperst, tiaila di-apit.
ongeploegd, tiada ditanggala.
ongepolü*-* tiada terofpam.
ongepresten, tiada dipftedji.
ongerniid, tiada bertepi; zonder kar-
telraud, tiada bëriuggit.
ongerechtig, onrechtvaardig, fatim, Ar.
ongerechtigheid, zonde, goddcloos-
heid, dosa, kadjahatan.
ongeredderd, verward, tjampoer-baocr,
tjam poer gaoel.
ongeregeld, tiada beruloer, dada fin-
tve.
— van taal of geding, loeloe-lala;
een — gedrag, kalakoean jang tiada
kïtahoean.
ongercinigd, tiada disoetjikan.
ongerekend, niet meegeteld, tiada
dibi/ang, tiada masol\' bilangan.
ongerept, niet aangeraakt, tiada d\'tdja-
mak;
nog —, bïtont didjamah;ecne—e
maagd, fis;, boenga jang noermala lagi.
ongerief, kasivsahan, kasoekaran.
ongerijmd, absurd, moestdhil, Ar.
ongeroepen, tiada dipanggil.
ongeroerd, van hart, tiada lergï\'rak
hati.
ongerust, gonda/i, doera, Skr. chatedfir,
Ar. —, angstig, ook vaican; zich —
maken over iemand, meratcan. — en
in twijfel, goendah-goelana. --.gejnngd,
b.v. van iemand, die een verzoek wil
doen, walang, icalany hati, ouk zich —
maken over iemand, die zoek is. —zijn
over ui.-, zich over iets — maken en
er telkens over spreken, mPnggadoeki.
—, bezorgd over iets, r?sah. —, bekom-
merd, bï\'.rtjinta. — over, berfjintakati,
b.v. zij is — over haar kind, tja b$r-
tjintakan anahtju,
ook bimbang hati,
b.v. bimbang hatikoe akan kakangmantri,
ik ben ■— over mijn ouderen broeder,
de mantri.
-ocr page 540-
528
onjjetalit — ongezouten.
oncetaht, tiada bï-rtjabang. — van
horens, tiada berangga, tiada f jvranggab.
onjjettind, tiada bëryigi.
onijeteeWend, tiada bertanda tangan,
tiada diborboeh fnpak tangan.
onjjeteld, tiada dibt/ang.
ongel fiml, v, ii.i, liar.
onuelrooHt, tiada dihiboerkan.
ongetrouw, tiada satia. Zie on-
trouw.
ongetrouwd, vnn een uian, tiada ber-
btni, tiada btiristrri
; vnn eene vrouw,
tiada her/aki, tiada bersoewami. —, oog
geen wettig huwelijk nnngegaan, btlom
kdicin, belom nikak.
onirelrouwdr, boedjang. /ie ook on-
gehuwd.
ontfetweerntl, ongel wij ml, tiada di-
pia tal,
ongetwijfeld, tiada sjak. —, voor-
zeker, msljaja.
ongetw\\jnd, tiada dïpintat.
ongeuit, tiada dikatakan, tiada dis?\'
boel.
ongevaarlijk, tiada b\'erbahaja.
onjierul, fji/aka. —, leed, mara. —,
ungeluktig toeval, yrrok; een —, dat
men niet voorzien heeft, yërok tidak
mentjioeia baor;
allerlei—,yêiok-gërak.
ongevallig, niet welgevallig, tiada ber-
kruan kapada.
ongevederd, tiada btrborloe.
on «je veer, bijna, haiapir-hawpir, —,
naar gissing, kira\'kira. — als, sa\'akan-
akau.
—, naar umie van, sakedar (van
ktdar, Ar.), Jüj de Bijv. nw. wordt —
ook uitgedrukt door de beide tegen-
stellingen nevens elkander te plaatsen,
1) v. lung — zes voet, pandjany pandak
\'raam kaki.
— op de hoogte van, a«-
tara; er waren — v\'j"ig. "da kedar
lima poeloeh.
—. hij hoeveelheid ol\'
tijdsbepalingen, barany, b.v. — vijf ot\'
zes dagen, barany lima ëaam Aart.
drie of vier huizen, baravy tiya ëwpal
boewah roeiaah.
ongeveinsd, dmyan tiada poi-ra-poera.
— , oprecht, toeloes, larroes.
ongeverfd, tiada disapoekau tjat.
ongevind, tiada b-nirtp.
ongevK*ugeld, tiada bei\'sajap.
ongevoeglüW* tiada patoef, tiadaldilr.
ongevoelig, tiada bërasa, tiada stdat\\
boentoe, tajar had, keras hati,
zie ook
verstopt. ■—, lig. trial djiuyat. —,
wreed, beiiyis. —, onverschillig, zie ald.
ongevoerd, tiada bërlapis, tiada di~
lapis.
onuevorderd, tiada dipinta, tiada di-
tayift.
onuevormd, tiada diroepakan. —, geen
voriu hebbend, tiada beroepa.
ongevouwen, tiada dilipat.
.
onmevrancd, tiada dipinta, tiada di-
tattja,
zie vragen.
oii<jf\\viiiirM<-liuw<t, tiadir di-ingafkan,
tiada dinasihatktui.
on<jewii|>eiid, tiada bertendjata.
onjjt\'wiiBKfheii, tiada dihasoeh, tiada
ditjurfji.
— van de billen, na het doen
van eene boodschap, senykilat.
ongewuMl, tiada dtsapoekan lilin.
ongewnterd, van geweven stollen, tiada
br/barik-barik, tiada koi\'rai.
ongeweeWt, tiada ilirindam.
oi]»<\'\\v(\'er<i, tiada ttrlëyah,
ongeweigerd, tiada di-engyankan.
ongewend, t>ada biasa, tiada tahoe.
ongeweiiHi-lit, tiada dikahendaki.
ongewerveld, tiada berloelany.
ongewettigd, tiada fiafdl, fiardin, Ar.
ongeweven» tiada ditenoen.
ongewijd, tiada difahbiskan.
ongewild, tiada di kakend aki. —, niet
gangbaar, tiada lokoe.
ongewi», tiada tëntue.
ongewoon, ongewend zijn, tiada biasa.
—, treemd, bijzunder, adja\'ih, Ar. p~e-
?\'&> yarib,
Ar. Zie bij vreemd en
l»iJ7onder. —, zelden, djarartg. —,
buitengemeen, zeer, tërfaloe, aniat, sa-
«gat.
—, niet allcdnagscb, boekan ké-
palauy, hoekan barany,
zie ald.
ongewroken, tiada dibalas.
ongezudeld, tiada bërpëlana.
ongezegeid, tiada bermetërai, tiada
pakai tjap,
ongexeglijlc, tiada teinaxihatkan, tiada
mënerima nasi fiat.
—, tegenstrevend,
babil.
ongezien, onzichtbaar, tiada latihat.n.
—, ongeacht, tiada kapandanyan.
ongozift, tiada di-ajajr, nog —, bëlom
di-ajak.
ongezind, tiada soeka, sryan, mulat.
ongezond, van iemand, ziekelijk, >\'■</•
penjakit-penjakit, to.\'ka sakit-sakit.
—,
schadelijk voor de gezondheid, ta\'bdik
kapada toeboek, mëndatanykan
sai.it.
—, niet lekker of prettig zich gevoe-
len, tiada njawan.
ongezouten, zonder zout, tiada bïr-
-ocr page 541-
»»g
ongezuiverd onlust.
ook tiada ketahoean ; zich — maken,
menjamarkan dirïnja (van samar).
oiiltiesch, onbetair elijk in woorden of
manieren, fjeruboh, tjampah, beka-beka,
—   handelen, nietttjeroboh.
onklaar, van een vlag, die over den
knop van den stok is genaaid, bait-
deira poeteri bertoedoeng;
van touw, /.io
bij hink en krinkel; zie ouk bij
troebel.
onkosten* belandja. — maken, berbe-
tandja, mmgalorirarkau belandja.
onkruid, roempoet-roempoet.
\'■
oukuiseh, doekana. — van eenc vrouw,
soendal.
onkunde, kahodohan. kab\'ebalan.
onkundig, dom, bodoh, b\'ebat. —, niet
wetend, ttada tahoe.
onkwetsbaar, kebal, b\'ertoetcah; mid-
del om — te tnnken, pelias.
onkwetsbaarheid, kafoetcahan, kebal.
onlangs, beharoe ini, b\'elom lama, sedi-
kil hart ialoe, brberapa hari la/oe.
, onledig, leka, b.v. zich ■— houden met
prnten, teka di\'tgan berkafa-kata: de
\\ orst hield zieh — met nanr dien
viscb te kijken, dan It\'kalah baginda
memandang ikan Hoe;
zieh — houden
met, zich bezighouden met, wordt ook
uitgedr. met het Voorvoegsel bèr, b.v.
ada djoega sedikit orang beritnoen ka\'in
soetera,
ook waren er eenigen, die zirh
—   bielden met het weven van zijden
kleedjes.
onleerzaam, kakoe hati, b\'éraf kapala.
onleesbaar, tiada dapat dibatja, tiada
t\'erbatjakatt.
L onlenchbnar, tiada tëtpadaiakan, tiada
terpoetcaskan.
, onliehamelük, tiada b\'ertoeboeh, tiada
bad anti ja.
on lief. niet lief, tiada manis, koeraitg
manis. —, onnangenanm aan, tiada
berkénan kapada.
onliefel\\jk, tiada sedap, tiada manis,
tiada mak.
; onlüdbnnr, tiada tïrd\'erita, tiada t\'er-
tahan.
onlijdeHjk m onlijdbaar.
oiilydzanm, tiada menaroh sabar (van
taroh), koerang sabar.
onloochenbaar, tiada dapat disatigkal,
tiada dapat didoestakaa.
onlosbaar, tiada tèrt\'eboes, tiada dapat
dif\'eboes.
onlust, tegenzin, sègan, djemoe.
garant; niet gezouten, tiada digarami,
tiada diboeboeh garam;
nietingezouten,
tiada di-asinkan. —, laf, tatcar, kon-
rang asin, koerang garant,
ongezuiverd, tiada disoetjikan.
onsezuurd, vnn dceir, fafiri, Ar.
onuodist, orang jang mXnjangkal Allah.
(.iil\'iii l~\' liensl i.". tiada beribadat, tiada
berbakii kapada Allah.
imjjunsl 14*, tenen, vnn don wind, sakal.
—   van een tijdstip, uahas, Ar.
onhnndi-*, stijf ia manieren, tjanggoena,
kekne.
onhandige, iemand die tegen nlles aan-
stoot, serampuk toenggoel.
onhnrmoniHch, van geluiden, tjampah.
onheeltmnr, tiada dapat s\'emboeh.
onheil, ramp, tjilaka, bi/ahi, verb. Ar.
—    berokkenen aan, mentjehianatkan.
—, ten gevolge van een vloek, mata-
pafaka;
het eenc — komt na het andere,
pitjah kitpi, poefoes toetradji; door —
getrollen worden, ditimpa t/tara, keita
tjilaka.
—, zie ook on nel uk.
onheilspellend, van gelaat, sial, b.v.
bneroeng hanioe Hoe mockat/ja sial, de
katuil heeft een — gelaat,
onherbergziinm, van een persoon,
tiada soeka membrri toempartgan.
onherkenbaar, tiada dapat dikenal
poela.
onberroepbanr, tiada terobahkan.
onherstelbaar, tiada dapat diba\'iki
poela. —, totaal bedorven, rahap. •—,
van een ontbonden huwelijk, lig. pa-
tah arang.
onheuglijk; van —e lijden, tjekatt
Aart\', zamait tandoen.
on hoi lelijk, bal ik adab.
onhoudbaar, tiada tertahankan.
oninijebonden, tiada didjilid,
ontoflp ent, tiada ditanami katoent-
boehan.
oiiitiirt-]]:uii<l, tiada didjahit.
oninsepnkt, ttada t\'erboengkoes, tiada
k\'emas.
oninsetojjen, tiada menaroh sopatt,
tiada sênoenoeh.
on juisi. tiada bttoel, tiada sak; was
het wel —, had ik het wel mis, bolak-
kah s\'ehaja, b.v. bolakkah kata patik
bahxea orang jang hitia Hok djangen di-
hampirkan, waren mijne woorden —,
dnt men een gemeen persoon niet moest
toelaten in zijne nabijheid.
onkenbaar, tiada dapat dikenal lagit
-ocr page 542-
onluRten — onophoudelijk.
53"
1 onnaspeurlijk, tiada tërsëlidik\'.
onnatuurlijk, la wan tabiat, lawan pé-
ratigai.
onnauwkeurig, koerang betoel, koe-
rang sak.
onnauwkeurigheden in geschriften,
chilaf, Ar.
onnavolgbaar, tiada tërliroe, ta\'\'dapat
ditoeroef.
onneembaar, vnn eene vesting, tiada
teratakkan.
onnoembaar, tiada tèrkatakan, tiada
dapat dtstboet.
onnoemelijk ; — veel, zie ontelbaar.
onnoodig, fa\'oesak. —, onnut, tiada
bergoeua;
het is — te zeggen.dat...,
djangati dikata, djangan dikatakan lat/i.
onnoozel, divans, déngoe; oogcn>cbijn-
lijk —, doch ze achter den mouw heb-
ben, fig. tiada lërbaxa sëk-am. —, on-
schuldig, soetji. —, oprecht, toeloes.
onnut, tiada be.rgoena, tiada goenanja.
—, niet te gebruiken, tiada férpakai,
sémpëlah.
—, ijdel, sia-sia.—, tol niets
dienstig, tig. doven koenjit, d. i. bladen
van de kurkuma. —te dingen verrich-
tcn, mtndaaen-koenjit.
onomheind, tiada bèrpagar.
onomkoopbaar, tiada dapat disoe-
wapi.
Zie omkoopen.
\' o]ium-.rli;uisl. tiada dikoeboe-koeboei.
onontbindbaar, tiada ieroeraikan.
: onontgonnen, bétont dibëlah, bëlom
ditebas.
onoutvanghanr, onontvankelijk, tiada
bolik diterima.
onooglijk, tiada sëdap kapada mata,
ta\'baïk rorpanja.
onoorbaar, ta\'patoel, tiada laifr.
onopgevoed, bëhasa kasar, tiada tahoe
bëhasa.
onophoudelijk, dëngan tiada b\'erkën-
tiiija, ta\'soedah, ta\' soedak-soedah.
—,
steeds, voortdurend, s\'èlaloe. — met
iets doorgaan, zoonis b.v. een tamboer
inct trommelen, mënjëlaloe. —, van
arbeiden, aankijken enz. zonder zich
te verpoozen, tiada lenga: van arbei-
den, ook: tiada bërdjëda lagi. — weer
van voren aan, telkens weer op nieuw,
bërtaloe-taloe, b.v. kapada Allak sangal
dipërmatoe, m\'énoeroet titaknja bërtaloe-
taloe,
bij had voor God veel ontzag
en onderhield zijne geboden —; ber-
boewat doerkaka bertaloe-taloë,
— in
verzet komen tegen du gevestigde macht;
onluNten» oneenighcden, përbantakan,
pe,s?lisihaHt përtjidé\'\'aiin.
— in een
land, hoero\'-\'hara, karoe-biroe, hiroe-
hara.
onmacht, geen macht hebbend, tiada
berkoetcasa:
te weinig macht hebbend,
ko\'-rang koemsta. —, zwakte, kaltma-
katt;
in —.bezwijming, pingttut, mvrtja,
Skr. bi\'hausj, Perz. —, zie ouk itn>
potent*
onmachtig, zwak van persoon, lemak,
dtöif,
Ar. Ook van woorden, eene over-
levering, getuigenis enz. Zie het vorige
wn i il en /wiili,
onmnnnelijk, boekan laki-laki.
onmaliu, tiada kira-kira dan (redarkatr.
—, overdadig, dengan meica, térlam-
pau, terlaloe.
(iniiii ili-iiri\'i/iiiim. tiada sorka mem-
bè/iagi.
/ie gierig en vasthoudend.
—, niet spraakzaam, përidiam.
onmeedoojjend, tiada tnënaroh belas-
kasiban
(van tarok). —, wreed, ben-gis.
onmeetbaar, onmetelijk, zie onbe-
grensd.
onnirngliaar, tiada dapat ditjauipoer.
onmcnxrl), wreed aard, orattg bëngis,
orang lalun.
onineiiNoheiyh, btngis, lalim, Ar.
onmerkbaar, vuur het oog, tiada ka-
liliatan. — voor het oor, tiada kade-
tigaran. — voor het gevoel, tiada dapat
dirasa.
oiimi\'iih\'Ujli. op het eigen oogenblik,
sabëntar djoega, pada sdat itoe djoega.
—, zoo maar in eens, b.v. van ieto
zeggen, sèrta-m\'érta. — na, onverwijld
na, fantas.
on mild, tiada dërmatran, tiada bërka-
moerahan.
onmin, perbantahan, përteli sihan, pértji-
onmiflbanr, volstrekt moeten, ta\'dapal
tiada. —, niet getuist kunnende wor-
den, zie noodig.
onmiskenbaar, zie onlooehen-
baar.
oiimoiïf\'Hili, ta\'bolik, ta*dapat; ongc-
lijiud, absurd, moestak/\'l, Ar. mohal, Ar.
—, ondoenlijk, langkara.
onmondig; nog —, belom f}kal bdligr.
onnaakhaar, tiada tërhampiri.
onnabootHeiyii, tiada tertiroe.
onnadenkend, koerang pikir, koerang
ingaf, alpaf lalai, tiada dhtgan ichti-
dr/ija.
-ocr page 543-
onoplettend — ontbering.                                     531
gelijke: nog — , belom masak; ouk fig.
belom sampai toema; nog niet geheel
lijp, ëngkah-ëugkah.
onroerend, jatig tiada terbatca.
onrustig, angstig, woelig, gejaagd, niet
op zijn gemak, be/isaft, yetisah. I>il
laatste ouk in het slapen, kelesah.
— zijn, mengëtesah. — van gemoed.
guendah yoetana, bunbaiig.
onruststoker, pengharoe.
on», pers. Vrnw. de aangesproken per-
><hui ingesloten, kita; de aangesproken
peisoon uitgesloten, iami. —, plur. mftj.
kita, kamt.
ons, bez. \\ iinv., k\'tta, kami, zie het
vorige woord.
onschadelijk, tiada m\'emberi inëd/arat.
onschatbaar, tiada temt/ai, tiada ttf-
hargakan.
onscheidbaar, onscheidelijk, tiada ter-
t/eraikan.
onschriftmntig, tiada satoedjoe de-
ngan boetiji alKitab, bersa/ahan dèngan
buenji a/Kitdb.
1 onschuldig, tiada bérsa/ah, soe/ji dari-
pa\'la salah. Zie ook onzondig,
onsmakelijk, tiada sedap rasanja, koe-
rang sedap rasanja.
—, flauw toebereid,
vun spijzen, tjampah ; hetzelfde uiet ver*
scbeidenheid, tjampah-hambar,
\\
onsmeltbaar, tiada teileboer; de on-
siueltburu deelen van erts, amang.
onspoed, oent oen g-malany.
onstaatkundig, koerang fjèrèdtjr.
onstandvastig, onge.-lndig, linfjah,
tiada tëutoe. — zijn in zijne woorden,
men dola k-dalik.
onsterfelijk, niet kunnen sterven, ta\'-
botih mati. —, eeuwig, kekal, baka\', Ar.
onsterk, tiada koetcai, koerang froewat.
onstilbaar, van honger of dorst, tiada
terpoeicaskan.
onst ral\'bnar, tiada bolih dihoekoem.
onstuimig, van de golven, de driften,
enz.,ye/ora, bë) ye/ora. — van het gemoed,
ook geyak-yempita.
onstuitbaar, tiada tërtëyahkan.
ontaarden, bèrobah fabiiït, bèrobah
perangui.
ontaliyk, tiada tërbi/any, tiada têpèr-
man ai.
ontastbaar, tiada tërdjamah.
ontberen, kakoerangan; kunnen ■—,
zich kunnen onthouden van, tahoe
pantang.
ontbering, kakoerangan.
ajar-mata ioeroen bert aloe-t aloë,— vloei-
den il.\' tranen.
onoplettend, latai.
onoplettendheid, kalalajan.
onoploHbnnr.zic onverlclnnrbnar.
onoprecht, tiada toeloes, fuula téroes,
tjoelaa. — zijn, huichelen, mendoeica
had.
ou,|!/<\'i ii\'Uj k, tiaita dkngan sehadja,
tiada séngadja. Zie ook onwille-
kcurijr.
onordelijk, tiada atoer, tiada deugan
afoerau, (aula h-natoer.
onordcnteiyk, tiada patoel, tiada /dik,
tiada tahoe adat, koerang adjar.
onoverdacht, koerang ditimbang,
onoverdekt, tiada hertoedoeng, tiada
tertoedoevg.
on overeenkomstig, tiada satoedjoe,
tiada berpatoetan, bersa/ahan.
onoversrlirüdbanr, tiada ier/any-
kahkan, dada dapat dilaloei.
onoverwinlmar, tiada tera/ahkan.
onoverwinnelijk = onverwin-
baar.
onpartijdig = reehtvnardig.
onpas; 1c —, op een ongeschikt oogen-
blik, pada masa {of koetika of sailt)
jttiig tiada bdik.
onpasselijk, ongesteld, ta\'sèdap, fa\'-
enak.
onpeilbaar, tiada ttrdoega.
onraad, verwarring, hoeroe-hara. —,
opschudding, gempar. —, gevaar, behaja.
— vuilnis, sampan.
onrecht, jd/int, Ar.; ten onrechte ster-
ven, mati teraniaja,
onrechtmatig, dengan tiada bak, tiada
ëaipoenja Jiafc.
onrechtvaardig, tiada beitar, tiada
adil, Idlim.
onrechtvaardigheid, [ufd/nat, Ar.
onrechtzinnigheid, bidat, Ar.
onregelmatig, tiada bera/oer, koerang
aloer.
onrein, vuil, kotor, tj\'émar; godsdicn-
êtig —, nédjist Ar. godsdienstig ver-
boden, ontzegd, onthouden, hardm, Ar.
onreinheid, vuilheid, kukoforan, katje-
maran;
godsdienstige —, pèri nèdjis,
Ijidl n\'edjis.
oni\'üm, tiada bersadjtl.
onrijp, hard, rauw, ment ah, mingkal.
—, nog jong, moeda, inzonderheid van
vruchten, die door rijpheid nooit zacht
worden, zouals kokosnoten en d iet -
-ocr page 544-
532
ontl>i*?den — ontevredenheid.
ontbieden, manangyil. sorrorh datang; I
beleefdelijk —, mimpèrritakatt,
ontl>ö\'« niakan pada pagi, Tftffl Mn
—, dat «ut men het eerst gebruikt,
al is het maar een kop kotlie, afas pe*
roet;
al wat men tot eerste — neemt,
lëmpiny-lempivy. —. dut wat men ge-
bruikt vóór het aanbreken van de mui-
genschemering in de vaMcnmaand, sa-
hoer
Ar.
ontbijten, mui-a// pada pagi hari,
ontbinden, mtrigoeraikan, toêmkoekm.
—, /ieh oplossen, ksmijoer.
ontbladeren, de bladeren doen afval-
len, mhtggoegoerkmm daom;ontbladerd,
dor en bladerloos, ranggat.
ontbloot, beroofd, kahilanyau, katidaat:.
—   van kleeren of\' wapens, bert elan-
djang.
—, uitgetrokken, van wapens,
fërhoenora, tërtjabart\', tefandjany • een
onlbloote kris, khriê bertëlandjang.
van, /onder, saeuji. <*ok h™-
ontbloot en, menëlandjangkan, wette-
landjanyi;
het lichaam —, nitmboeka
toeboh;
het hoofd —, mtmtoeim kapa-
lanja;
met ontbloot hoofd, dényun ttr-
boeka knpalanja.
— van iets, dat door
een doek of iets dergelijk* bedekt is,
mètijiliik\' • van sefak\\; ook van een
wapen; —. een wapen uit de schecde
trekken, wümgkoeuoe». — door de bedek-
kende huid van iets af te schuiven,
utënjtsel.
ontboeien, mëagoeraikan raitfai.
ontbolsteren, mtngorpas (van koepas)
—   vnn vruchten, die een harden schil
hebben, zooals b.v. kokosnoten, meng-
ge/otak.
—, pellen tusseben over elknn-
der draaiende schijven of steenen, wé-
ngisar
(van kiaar).
ontbonden, opgelost, hanfjoer, lëbofr.
—, aan stof, loeloeh. —, uit elkaadcr
gevallen, van een lijk, ketai.— vaneen
huwelijk, lerorrai kaïe\'tnnja.
ontbranden, moelai mënjala. — van
het kruit op de pnn, een lucifer en/.,
lalak. — vnn ireweer of kanon, m\'flê-
toep.
— van liefde, hartstochten, bër-
bangk\'tt, tërbit.
ontbreken, van de /ank, kofrang; van
den persoon, gebrek hebben aan, kakor-
rangan,
b.v. wnt ontbreekt moet aan-
gekocht worden, yang kot-rang hendal?
dib\'éli;
er ontbreekt wijn, kofrang ajar
atiggorr ;
mij ontbreekt geld, akoe kakor-
rangan oeicang
; daar ontbreekt slechts
eene kleinigheid of zeer weinig aan,
koerang .tahiris sabëlanga, d. i. er ont-
breekt een snippertje aan een pot vol.
—, missen tusschen twee andere uit,
b.v. van tanden, palen enz. als er een of
meer aan ontbreken, ronyak; het eenige
wat er ninar aan ontbreekt, tüdikitnj*.
on tc-y teren, vnn onleesbaar schrift,
moffiUnhkan; niet te — zijn, tiada ter-
i/ioffii/ö/ikan.
ontd«*kkr>n, het deksel afnemen, m<tm~
boeka toetofpnja.
—, uitvinden, vinden,
mem/iipat.
ontdekking, uitvinding, pïndapatitn.
ontdekker, uitvinder, pëndapat.
ontdoen, van kleederen enz., mènang-
ga/kan
ivan fanggal).
ontduiken, van de inkomende rechten,
m\'rlorikati fjoekai, in. bfja.
or\\\\e**vi\\ortpfroryort. - - van Gods naam,
penghodjat nama Allah.
onteeren, schenden vnn eene vrouw,
\'t /ij door haar te verkrachten, \'t zij door
slechts in haar slaapvertrek te komen,
wrofgofl; onteerd, vnn eene maagd,
aoedah roeaak. -■, verlagen, inényhina-
kan, mëny\'fdjikan,
—, schtindo aandoen ,
mrwpiTitHittïekan. — van (iods nanui,
iitéiiylto-ljal nama Al/ah.
ontegensprekelijk, tiada Verbant ah-
kan.
onwederstimnhanr, tiada da pat di-
hwan.
onteigenen, nn-n\'tadakan hak milik (van
tiada).
ontelbnnr, tiada f\'erbilang, tiada Vepër-
mattai, tiada Verhiadbkan
(van hiaah,
Ar.), tiada terkian. —, onberekenbaar,
wunr de berekening in het dwaze ovcr-
gaat, hifah-entali, èntah-berentah.
ontemlmnr, vnn dieren, tiada Verdji-
nakkan;
van driften enz., tiada tèrta*
hani.
onterven, mrnnelak daripada hak pof-
siika;
geheel en al —, mënyaloeiear-
kan daripada irarifs sakali-kafi.
ontevreden, knorrig, marah.hafikë.fjil.
—, gemelijk, prnltelig, rongsing.
zijn, méranyxiny. — omdat men niet
ten uitvoer kan brengen wnt men zoo
gnurne wil, sëbal.
ontevredenheid, reden tot — geven,
menyyërffkkan hat\'i, b.v. bëlomlah layi
kakanda pèrnah mënggerakkan hati bèta,
nog nooit h<;bl gij mij reden tot —
gegeven.
-ocr page 545-
ontfermen — onthouden.                                       533
ontfermen; zich — OTOX. mtwffëliini.
mtngasihankan (van kasihan); (iod moge
zich uwer —, jarhamkalllah. Ar.; zich
—  over, het jammer vinden van, sajang
ala».
untlermer, penjajang,
ontfVriuinir, kasihan. —en, belas-kasi-
han ;
van Vorsten, dtr ma-kar oenia. Voor
—   wordt *»«k dikwerf bet Ar. tahmat,
barmhartigheid, gebezigd.
out liiisrlcii, iiiengnmbil diam-diain;
«inder het koopen den koopman iets—,
seta-meujela.
ontgaan, ontkomen, aan een gevaar,
enz., lot\'porf. —, iet» uit het geheugen
verloren hebben, terloepa akau. Zie ouk
ontglippen.
on todden, boete betalen, membajar
deuda.
—, straf voor iels lijden, k?nu
ptibulasnii;
iemaud die bet — luoct,
die er van alle kanten langs krijgt,
die du klappen opvangt, ioempoean
haroes,
ontginnen; land —, mim&i/aA tanah;
ook memboeka tanah,- er bouwland van
maken, mnnpertudaiigkaii ,■ door booiuen
te vellen, meitebatiy (van tvhamjw, door
het kreupelhout weg Ie kappen, mem-
bas
(vau telas); door beide, mfiielami-
Mtu\'tbas.
oiitulnilen, zie ontglippen.
outuliiumeu. beginnen te ontbranden,
bawNtigtier., b.v. muku ditijoepnja di-
saugkanja api iiw hmdak beroenggoen,
en bij blies et\' op, meeueiide dut bet
vuur zou —.
ontglippen, lue/jo-\'t, gelanfjir, g\'elo>t-
tjor.
—, ontsnappen, loepoet ; doen —,
meloepoetkan, b.v. i\'in-ii>o tui toepoef
daripada gengyamau,
de/e wereld ont-
glipt aan de vuist, lig. uitdrukking
voor sterven.
ontüïoeien, m>ndjadi /umus, mendjadi
saperti api bernjala-njala,
b.v. hij ont-
gloeide in toorn, I.erbangkitlah .iinrah-
tiju saperti api beriijala-njala.
ontüorden, den gordel losmaken, n,em-
boeka iktit pinggang;
het zwaard —, me-
nanggalkan pèdany
(vau iaiiygal).
on 1 uren dele n, memboeka kanfjingtija.
onthaal, ontvangst van een $»*t,pê»jain-
boet
(van samboet), penenma (van Arm);
een goed—, ptnj\'imboet jang buik; zijne
woorden vonden een goed—, perkataiin-
vja dilerima baik-bdik.
— van gasten,
ook kerdja, waarmede men bedoelt de
werkzaamheden, die voor een goed ont*
haal woiden verrieht. —, maaltijd,
pêrdjamoean; ook kerdja.
onthullen, me.aburka kaifnja.
onthalen, van gasten, mendjamoe, ook
onthalen op, b.v. op eten en drinken
—, infiidjaiMue tiiakan minoem, en ook
iemand — op b.v. aiaka per muisoer >
pon iiiendjttiitue seyala pneferi ittie ma-
kan minih-m ;
met bep. obj. mendjamoei,
b.v, hantbalah mendjamoei djamoemoe,
ik zal uwen gaat —. Soms ook men-
djtimoekan.
ut l*i* 1 — t i\'i-i\'ii, memboeka sentudji, mem-
boeka keiljai.
onthalzen, mengèrat leher (van kerat),
m\'êntofony leher
(van potong). — van een
dier, slachten, ook meiijembëlelt (van
sémbeleh); zie onthoofden.
onthanden, de handen afkappen, me-
nyoedoevykan tan (jan
(van koedoeny).
ontharen, mentjaboet boetoenja; de baren
doen uitvallen, mdoeroehkaii boetoenja.
Voor hoofdhaar i. pi. van boelof te
gebruiken ramboe\'.
onthuspelen, memboeka dart pada li-
kasan.
tuit hel ten. meiepaskan.
ontheiligen, memtljiskau (van nedjis).
onthollen, lari beilepns ttiri.
unthooiden, mengèrat kapula (van ke-
rat), memènggul kapalu <
vau penggal);
met één zwuardslag, memnntjoeng ka-
pala
(vau pantjoeng), memangkas (vun
pangkas). — op een blok, nu nendas
(van tendas).
onthouden, in het geheugen bewaren,
ingat ukan, tiada loepukan; om te—, in
gedachten te buuden, karena meiigauibil
ingatan.
—, terughouden, b.v. loon enz-,
menahun (vun tahan); iemand iets —
van hetgeen hij gewoon is te untvan-
gen, weiiaharkan (van tahar); mengikir-
kan
(van kikir), b.v. niaka ija mengikir-
kan barang jatig.....hij onthield van
het goed dat . . ..; zich —, ergens op-
houden, doedoek, d\'tam, tinggal; zieh
— van, bedwingen, b.v. van lachen ot\'
weenen, tnenahan d ir in ja daripada; zich
van bet verbodene —, menahan dari-
pada jang ditegah
; zich — van, vrij-
wareo voor, memeliharakan dirinja dari-
pada
(vnn petïhara); zich — van,
verwijderd houden van, b.v. van een
persoon, van kwaad enz., mendjaoehkan
dirinja daripada;
zich vau het een of
-ocr page 546-
531                                  onthouding — ontmoedigen.
ander —, umdal het niet goed of on-
geoorloofd is, pa\\tang, berpanl\'nng, b.v.
tul een zieke: onthoud u goed van een
en ander, pautang baik\'bu\'ik, ook mfr
manfaiitj diri;
zich — van eenig genot,
een ingetogen, asketisch leven leiden,
bert arak; zich —, in onthouding leven,
boets doen, nastapa,
onthouding, van ongeoorloofde zaken,
jxintiuty, /rara, Ar. zoehued, Ar,; onthoil-
dingen en verboden zaken, pantang dan
lauttiijitn,
— van eenig genot, een in-
getogen, asketisch leven, pertarakati.
ontliuiden, van een dier, mengoeitV#(van
kor Ut).
onthullen, meiijingkap sdoeboeng (van
i\'mgkap).
onthutsen, terkedjoet; geheel onthutst,
vcibouwereetd, ferpikau-pikau.
üiiii.j\'1. ntusa (of koetika, ofué.k\'(oe)jang
tiada buik;
een verkeerde t ijd, salah
tcefctoe;
bij tijd en —, pada ma&ajang
baik dan jang tiada bdik.
ontijdig, sti/a/t tcektof, pada masa jatg
tiada bdtk.
—, vóór den tijd, dehorloe
daripada tvektoenja, sabélom kortikatija.
— bevallen, alvullen van vruchten,
bladeren, haar enz., gorgoer.—e beval-
ling, goegoeran anak; een — geboren
kind, tuibkniati), anak goegoer,
ontijlen, lari daripada, tari berlepus
diri.
ontilbaar, tiada teratigkaf. —, niet
vervoerd kunnende worden, van goede-
ren, tiada terbatca.
oiiiltitp.ii, me/i/joeri; zie ontfut-
sclen.
ontkennen, loochenen, menjangkal (vnn
sangkal), moenkir, Ar. —, voor ouwaar
veik\'arcn, mindoeatakau.
ontkenner, vtany jang menjangkal, o.j.
mom kir.
ontkenning, saugkalan.
ontherkeren, inelépaskan dari daiam
prndjara, mmgaloricarkan dari dalant
pfitdjara
(of koeimiig of pasüt-ngan).
onlhernen, meng alov war kan bidjiuja,
ontketenen, idengoeraikan rantainja,
ontkiemen, *an bounen, erwten enz.,
berketjambah. —, van pionten, berta-
roi\'k\' moi\'da, btrpoetjoe}?.
—.voortkomen
uit, voortspruiten, toemborh, terbit.
ontklceden, menanggalkan pakajatt;
ontkleed worden, stem n, taati, int-
niui/gat
(van tinggai).
ontkleuren, menghilangkan teërna.
ontkluisteren, mèngoeraikan ranfai,
memboeka belomggoe.
ontknoopen, mtngoeraikan timpoetan.
ontkomen, tèpaa, bèrlrpas diri, foepuet\';
aan een net, strik enz., rabuet; doen
— , me/orpoflkaH.
ontkoming, katepaaan.
ontkurken, menfjaboet aoembatnja.
ontladen, vun een schietgeweer, mentja-
baet isivja, mënga/oticarkan isuija,
ontlasten, van den last bevi ijden, meng-
angkut tanggoengan.
—, bevrijden, ver-
lossen in bet algemeen, mrlépaikan,
metoepih\'tkan. — van het hart, mem-
boekakan ralias\'ia Hati.
ontlasting, stoelgang, boewang ajar,
bttrafr,
vuig. kasomgai, verbloemd. —■
bij kleine gedeelten vermengd met bloed,
ecne soort van dissenterie, kaaoeugai
UL\'d\'ittg-oedaiig;
dunne, waterige, spuit-
vorniige —, tjakar, tjerel; zulk eene
—   hebben, mintjabar, mèntjerrt,■ on-
willekeurige —, bij buikziekte of bij
het laten vliegen van een wind, kim\'jit;
onwillekeurige —, beter boewang ajar;
onwillekeurige pisloozing.^aer kën/ji/ig.
ontleden, lid voor lid afsnijden of uit
elkander nemen van een dierlijk lichaam,
mënjendi (van sëttdi, gewricht,dus letteil.
ontwrichten).
ontleenen, leenen van iemand, mëaitn-
djam
(van pindjam). —, nemen of put-
ten uit geschriften, mvndj\'émpoei; ont-
leend, tèrdj\'empoei, b.v. ontleend aau
de geschiedenis van Hang Toewab, te,-
djempurt daripada fyikajat Hang Toenah;
moed —, memindjam berani.
; ontloken, van eene bloem, këmbang.
zijn, t\'trkëinbang.
ontloopen, aan een gevaar enz., /(tri
berlepaa diri, mëlarikatt njatcit.
—, ver-
schillen, bcrbfdtt, bërsalahan, tiada tamo,
1 ontluiken, zich ontplooien, openguan,
berkrmbang; van vele, berkembang-kem-
bangan ;
doen —, mengtmbangkan; toe-
vallig —, en ontloken, terkembang. —,
opengaan, zich ontvouwen, van bloe-
uien of andere zaken, die ineengerold
zijn, ook bengkar, w\'egar.
ontmand, kebiri, katim, Ar.
i ontmannen, mettgebirikan (van këbiri),
h\'vngasimkan
(van kasim, Ar.).
ontmantelen, van eene vcatiog, meme-
tjahkan kota.
ontmoedigen, memberi taicar hati.
Wel te onderscheiden van mïnawarkan
-ocr page 547-
535
ontmoeten — ontsluieren.
Aa/i, verleiden van eene vrouw; ont-
moedigd, tatcar hati; ontmoedigen ook
minfjabarkau kaft.
ontmoeten, b?rtemoe dtngan, bïrdjoem-
pa dvngan.
Dit lftaisto uok van de
oogca, b.v. hun beider oogt-n —elkan-
der, suma-sama bérdjoempa maianja.
Het eerste wordt gebruikt zoon-el van
de zaak, die Mtmoet wurdt ui- van
den persoon, die ontmoet, b.v. sega/a
nvgari jang bertemoe dengan radja Sw
rana itoe,
nilo Bteden, die door den
Vorst Soranu werden ontmoet. — van
personen ook bersoewa, b.v. apabila
soedak bérsoeica dèngan entjik Ibrahim,
toen hij mijnheer Ibrahim had ontmoet,
ontmoeting, //«r/f«^a»; eene — onder
vier oogen, een cntrevuo hebben, berli-
hatan.
ontnemen* niengambil daripada; met
geweld —, mPrampas.
ontnuchteren, uit bezwijming of dron-
kenschap, onz. Ww. sïdar povhi, tïoe-
man por/a;
bedr. Ww. metijedarkan.
out nuchterinjjsmiddel, obat sioe-
man.
ontoegankelijk, tiada tXrhampirit(em- \'
pat toelit-soelit. —oord, dicht begroeid
kreupelboseh, rongga. — van eeo/aiuc
plaatse», bosschen, alleenstaande boo-
men enz. omdnt men meent, dat er
zich geesten bevinden, berpoewaka, ada
poeicakanja
(= het Jav. angke\'r).
ontoereikend, niet genoeg, koerang;
niet voltioende, tiada tjoekoep, tiada \\
memadai
(van pada), ook alang-kipa- ;
tang; niet reiken ot\' komen tot, tiatta I
sampai.
ontoombaar, tiada tërlahani, tiada
fvrtei/a/tkan.
ontpakken, pakken openen, me\'mboeka j
boengkoesan; ingepakte zaken, nténgaloe-
warkatt barang jang kemas-kemas;
eene \'
kist —, membongkar p?ti, mënga/oeirar- ■
kan barang-barang dari datam p* ti.
ontploften, melêtoep, met\'ttos; het eerste ;
niet doller, het Iwecdo met een meer j
helder geluid.
ontplooid, kembang, berkfmbang. — zijn
of gfraken, Urkëmbang.
ontplooien; zich —, bërkembang; iels
—, mengëmbatigkan; zich — van vele,
bërkembang-kembat/gan. —, losmaken
van vaandels, mtnyirakkan, b.v. toeng-
goei pandji\'pandji di-trakkan.
ontredderd, totaal bedorven, antjai.
ontreinljsen, «tentje\'markan, mëngotor-
kan
(van kotor); in godsdienstigen zin,
menfdjiskan.
ontroerd van gemoed, gêmpar. —, ge-
jnugd, b.v. van iemand, die een verzoek
wil doen, uralang. —, zie ook ontsteld.
ontrollen, van opgerolde zaken, meng-
oebar (tan vebar).
ontrooMtbanr, tiada terkibuerkan.
ontrooven, mërampas, mengambil tft-
nyan gagah. Zie ook rooven.
ontrouw, tiada satia, tiada tëyoch sa-
tianja, chianat,
Ar. —, ven adel ijk,
bewafa, 1\'erz. b.v. pertmpoewan jang
makar beicafa ini,
dit listige en on-
trouwe wijf; ontrouw zijn jegeDS hnren
man, bewafakan soewaminja.
ontruimen, verlaten,mvniuggatkan (van
tinygal). —, ledig maken, mênghem-
pakan.
ontrukken, mérampas, mïreöoet, meng-
ambil dêngan gagah,
— door eeu ruk
aan iets te geven, menjentafrkan (van
sentafr; aan een gevaar —, mïloepoet-
kan daripada bahaja.
ontrlinten, mï-ny/iaroekan.
ontschaken, van eeno vrouw,më/arikan
perampoewan,
ontschepen, mèmoenggah (vau pofng-
gah).
ontscheuren = ontrukken,
ontschieten = ontslippen.
om si\'lioi \'it\'ii, menanggalkan kasoet (van
tanggat), mtmboeka sPpatoe.
ontschorsen, mïngorpas (van koepas),
mvmboricang koelitnja.
ontsieren, mhtghilangkanperhiasannja,
ontslaan, uit eene betrekking, vaneen
werk, verbintenis enz., mêlPpaskan, mï~
ngatoewarkan (van kaloetcur). —, af-
zeiten uit een ambt, mvmëtjatkau (van
pet jat),
ontslag, lepas; schriftelijk —, soeral
l?paj, soerat pet jat.
ontslagen, uit zijne betrekking, weik,
dienst of verbintenis, lépas. —, vaa
een ambtenaar, lig. sembam, d. i. mot
het geluat in de handen gedoken, of
voorover op bet aangelicht gevalleD.
ontslapen, sterven, mati, méninggal
(van tinggal); van Vorsten, mangkat
beraduc.
ontsleepen, menyhflakatt.
ontslippen, hetjot\'t, gelan fjir, gëlontjvr,
Üuk ontslipt.
ontsluieren, memboeka toedoengnja.
-ocr page 548-
ontsluiten — ontuchtig.
;/.Wj
b.v. — in de ingewanden, sakit radang
ilidalam peroef;
uitwendige — bij
zweren cuz., barah. — in de keel,
goetcama.
outstekingskoorts, démam panas.
ontsteld, geschrikt, tërkedjoet, dahsjat,
Ar.; ik ben er geheel van —, kering
rasa hatikue,
—, verlagen, versuft,
tërmangoe^mangoe.
ontstelen, mëutjaeri.
ontstellen, schiikken, tërkëdjoet, iër-
perandjat, këna dahsjat;
doen —, mè-
ngedjui\'tkan, mvmlieri dahsjat.
ontsteltenis, kaktdjoe/att, dahsjat. Ar.
—, opschudding, gëmpar, hoera~hara.
ontstemil, uit zijn humeur,rës<*A,s»ijtig,
ngëren. —, gemelijk, moeroeng, rottstiig.
— van muziekinstrumenten, soembang,
ijtiHipah;
met verscheidenheid, tjampah-
tjahang.
ontstemmen, toornig maken, mémarah\'
kan.
— van instrumenten, mtnfjam-
pahkan;
onz. djadi tjampah.
ontstentenis, afwezigheid, katiadaan,
katidaati,
ontstoken, van gezwel of wond, barah.
—, gezwollen, van een lichaamsdeel,
bétigkak; op nieuw ontstoken van een
wond, bintun. —, aangestoken van
vuur of licht, dipasang. —, zie ook
ontsteken.
onttukelen, van een vaartuig, menoe-
roenkan talt-malima
(ru toeroen).
onttooveren, van betoovering genezen,
mënghilangkan hoba\'an.
onttrekken, korten, afhouden, potong,
wïnguerattgkan
(van kuerang), ijengku-
Zong,
Jav.; zich aan iets —, oendoer
daripada, mëndjaoehkan dit\'tnja dart-
pada.
onttrekking, kortiog, potong, tjeng-
kol ong,
Jav.
onttroügeleii.inet list trachten meester
te worden, mengilkalkan.
onttronen, mënoeroenkan daripada
lachta karadjaiin;
ontt ruood van een
\\orst, tig. simbam, d. i. met het aan-
gezicht in iets gevallen of het aan-
gezieht in de handen houden.
ontucht, duekana, pt.rtjaboelan; van
eene vrouw, ptrsoendalan. — plegen,
bërboeicat pëkërdjaan tjaboel; lesbische
liefde, tampok-laboe, die plegen, bër-
tampok-laboe.
ontuchtig, doekana; van eene vrouw,
soendal.
méujingkap totdocnguja (van singkap);
tig. van een geheim, mïmboeka rnhasia.
ontsluiten, mëmbneka,- iemand iets —,
mi mboekakan. Mt uiboekaï; een giendel
—, mimboeka kantjing; een slot —,
niïmboeka koetitji; zich —, opengaan
vnn ii.\'n !-.■ :i. regoo- ut\' zonneschermen,
den hemel enz., bvrkémhang; van vele,
bërkëmbang-këmbangan.
ontsluiter, p<mhtfka, jang mëmboeka.
uiilNniippcii, tart fèpojr, lari berlëpas
(/\'tri;
doen — mémpërlépaskan, b.v. djika
lain daripada dom besar Hoe barang tipoe
daja pon koeperlèpaskan djoega engkau
daripada utaii,
ware het een andere dan
deze groote zonde geweest, alle luidde-
len zou ik aangewend hebben om u aan
den dood Ie doen —; aan een gevaar
—, locpoet daripada Lahaja. —, los
laken, uil een strik of van een haak,
rabuet; b.v. de vi-ch ontsnapte (.van
de haak), raboettah ikan itoe.
ontsnapping, kalëpasan.
ontsnapt. Upas, luepoet, raboet. Zie
Olll -11:1 | )] M-li.
oin-iiiirrii, mi-mbofka fa/in/a.
oiitsnelleu, lari bërlépas, lari locpoet.
ontsnoeren, •nïngwraikan, mëmboeka.
oiiispiiniicii, de pees van een boog,
mï nanggalkaa la/i bucsar (van tanggal);
zich —, menjënangkan dirhija (van
senang). — der spieren, k\'cndor oerut.
ontspringen, met een horizontalen
straal te voorschijn komen, bërpanfjoer;
met een vertikalen straal, bërpantjar.
ontspruiten, ioemboeh.
ontstaan, worden, djadi; doen — men-
djadikan, nnngatlakan ;
gevaar doen—,
mimbëri bahaja; onheil doen —, mënga-
dakan tjilaka;
doen —, veroorzaken,
mënjëbahkan (van sëbab), b.v, ziekte
doen —, menjèbabkan pënjakit. —,
beginnen, aanvungen, maelai. —, voort-
Bpruiten, tocmboeh, tërbit, kaloetvar,
dafung.
ontsteken, van vuur enz., mëmasang
(van pasang), mënjalakan (vp.n njala;;
in toorn —, onz. bërbaugkillah ama-
ra/inja;
van den Vorst, hërhangk\'dlah
morrkanja.
—, in vurigen ijver doen
ontbranden, meng gr air at kan ; tot toorn
—, hedr. mimbangkitkan amarah, mï-
marahkan, menërbitkan marah
(van
tërbit).
onstckenri, van ziekte, radang.
ontsteking, vun ziekte, sakit radang,
-ocr page 549-
B37
on tuin — ontwikkeld.
ontuis, slecht goed, barang-barang boe\'
soek.
—, goed zonder waarde, baraitg\'
barang jang tiada bPrgoena.
— , vuilnis,
si\'mpah; afval, ha/upas ; allerlei —,
dat de dieren vreten, oedap-oedapan.
ontvallen, uit de hand flippen, loetjoet
daripada tangan, loeroek daripada fa-
ngan.
—, bij vergissing iets zeggen,
tStandjoer kata, tPrdorong kata. —,
door den dood verloren hebben, kama-
Ham,
b.v. haar man is haar —, ija
karnat ian lakhija.
—, plotseling ster-
ven, mati tiada disangka, sakot-njoeng-
kofvjofng mati.
—, vergeten, tér/wpa,
b.v. zijn naam is mij —, (Prloepa akoe
akau namanja.
—, kwijtraken, kahi-
langan.
ontvungbah, penadah.
ontvangen, krijgen, mPndapat, bProlih,
dibvrikan;
een brief — , mPndapat sof-
rat.
—, aannemen, mPnPrima (vun te-
■.•ima).
—, innen, b.v. van belasting of
bijdragen, mPmoengoet (van poengoet).
—, onthalen van gasten, in het alge-
meen, //lendjanwn; met hep. obj. mP.n-
djan<oei;
recepieeren, beleefd —, mP-
njamboel
(van samboet); zeer deftig —,
ui* *igo?ndjuïkka,t dPngan ta\'bdtk-baïi
hormat.
— hebben, zwanger zijn, boen-
ting, hdmil.
Ar.
ontvanger, van belasting, impost enz.,
pPmoengoet brja, pemoengoel tjoi\'kai.
on tv engere Kant oor, kantor brja,pP,-
bijaan
en dit verkort tot ptbfjan, ook
pptjoekaijan ente/npat mtngambil tjoekai.
ontvangst; het ontvangen, pinPrima;
wat ontvangen wordt, pPnPrimaiin; ■
wederkeeiig vun elkander in —nemen,
timbang IPriaia. —.onthaal, van gasten,
pPrdjamoeican; wijze waarop men iemand
ontvangt, pPri mtndjamoe.
ontvankelijk, ontvangbaar, dapat di-
tPrima, boti/i dit Prima;
niet —, het-
zell\'de met tiada er voor; di\'in wordt
het eerst door den rechter voor —
verklaard, maka bPharoelah ditPrima
i-i \' fidkini. Yav
ook afwijzen; niet
— voor lessen, vermaningen, ruad enz.,
kalis.
ontveinzen, poera-poera tiada, sPmoe-
sPmor tiada.
—, verbergen, mPnjem-
botnikan
(van sPmboeni).
ontvellen, mtngPloepat (van kPloepa»,
ontveld).
ontvlambaar, dapat mPnjala. — , spoe-
ilig boos, IPkaa marah, soeka marah.
ontvlammen, anz. moela\'i bPr»jala,
bProcnggoen ;
doen —, menjaiakan ; van
drift of toorn, mtmbangkiikan amarah,
mi\'?/• r bit kan amarah
(van tPrbit); van
de driften, lusten, mPnggulalfkan hatca-
nafsoc.
ontvlieden, lari bi-rlPpas; non iets —,
lari daripada; met iets —, niPlarikatt;
aan een gevaar —, mtlarikan njaica.
—, ontkomen aan, Ivpoet daripada.
ontvluchten, zie het vorige woord.
ontvoeren uun, mi/arikau daripada.
ontvouwen, van iets dal opgevouwen
is, tuï\'inboi\'ka Upatannja. —, uitleggen,
verklaren, mPnjataka.t, utPngPrtiian,
mfnttangkau
aan ttrang).
ontvreemden, Melen, mPntjoeri.
ontvreemding, pPntjoeriau.
ontwaken, wakker \\\\onlea,djaga,djaga
daripada fidoer
. doen —fmt~nd/agakan.
— uit den slaap, eene bezwijming of
gedachteloosheid, stdar; doen —,mPnjP-
darkati;
toevallig tut bezinning komen,
tPrstdar, chabar akan dir\'tuja, sioeman.
ontwallen, vnn ecue vesting, mPmetjah-
kau kota.
on t waiienen, mPaanggalkan iPndja-
tavja
(van tanggat).
ontwaren, bespeuren, mPndapat tahoe.
—, zien, inzliliat.—.gevoelen, mPrasdt.
ontward, tProerai, seltsai.
ontwarren, van haar, touw, eeno inge-
wikkelde zuak enz., mengoeraikan, mP-
njPlPsaikan.
—, uit elkander plukken
van haar, vederen enz., menjorrai (van
soerai).
ontweldi&en, mPrampas, mingambil
dPngan gagah.
ontwerp, schets, kind, concept, ranfjana
(Skr. ratjanü), rang; ruwe schets, platte
grond, bagan.
ontwerpen, mPrantjanakan, mPreka.
ontwijfelbaar, tiada sjak lagi.
ontwijken, aan een slag of houw, mt/ig-
gelek,
—■ aan een wapenstoot.. mPuja-
lahkan tikam
(van salaliï. — aan een
houw of een bevel, helak, —, uit den
weg gaan, ook — door eene buiging
van het bovenlijf, mengPlek (van kPl>-k),
—, door de volte hier en daar elkan-
der —, srlimpat-mPnfPlimpat; om iels
heen gaan, om het te —, limpau,
mPlimpau;
met dir. obj. tnPlimpaut.
ontwijkend, slinksch, keroh.
ontwikkeld, lichnmclijk en verstande-
lijk, tjerëdas; buitengewoon lichamelijk
37
-ocr page 550-
538                              ontwinden — onveranderd.
—   voor den leeftijd, djagoer; niet
behoorlijk
—, van vruchten, me kar,
ontwinden, loswinden, van een klu-
wcn, mïngoengkai (van oengkai).
ontwortelen, m\\\'mbantva; ontworteld,
bantoat.
ontwrichten, mtnjéndi (van sendi.gc-
wrieht), bXrtjérai sctidi.
ontzadelen, m&tanggalkan pëlana (van
iavggal), mvmhoeka- sela op Java,
ontzag;, maloe, — hebben voor iemand
of iets, inïngemalueï (van het ongebrtli-
kclijke kimaloé). — koesteren voor
iemand, mi\'naroh maloe akan sa\'orang,
b.v. soepaja atlalak maloe sïgala radja-
radja akan doelt jang dipïrtoeican,
op-
dat alle Vorsten voor Uwe .Majesteit
—  koesteren. —, ook tampa rasa; je
bebt voor mij geen —, tiada tampa
rasa engkatt akan dakoe.
— hebben,
zonder juist bang te zijn, geroen.
ontzaglijk* geducht, hotbot, Ar.
ontzagwekkeml, mof/itasjam, Ar. hai-
ban,
Ar.
ontzegden, mXmboeka metërainja, mem-
boeka tjapnja.
ontzeggen, weigeren, mengenggankan.
—, verbieden, melarang.
ontzeilcn, berlajar lepas daripada.
ontzenuwen, verzwakken, krachteloos
waken, mtlema/tkan, mémapas (van pa-
pas).
ontzet, kalépasan, kalorpoetan.
ontzett€\'n, van een post, memefjaikan
(vnn pefjai, ontzet). —, verlossen, be-
vrijden, mïlepaskan, meloepoefkan; zich
—, verba/.en, tërfjêngang-f/ïnga>/g,kèna
dahsjat;
ook alleen dahsjat, b.v. maka
dahsjatlah rasa hati baginda,
en het
hart des Koning* ontzette zich. —,
schrikken, terktdjoet.
ontzettend, verschrikkelijk, haibat, Ar.
vieinberi dahsjat, tïrlaloe amat sangat.
ontzetting, verbazing, dahsjat, Ar. Zio
ontzetten.
ontzielen, wütmgambil njawanja, me-
ngoemboet njaicanja.
Zie dooden.
ontzien; ieirund —, zich — voor, in-
houdfiD, tr.hijopani (van snpan) met den
persoon als dir. obj. —, ontzag heb-
ben, zie bij ontzag.—, sparen, sajatig
akan;
niet —, niet geven om, tiada
fadloeli;
niet tellen, tiada vtèmbilany-
kan;
zich — voor, menielih arakan
dirinja daripada
(van pï-lihara); iem.
gevoelens —, verschooncn, daarmede
rekening houden, menimbang rasa orang ,
mf.niiiibang hati.
—, vreezen, takoet;
geen moeite —, tiada takoet p&ttat;
den dood —, takoet maii.
ontzinken, in vloeistoffen, hilavg ttvg-
gXlam, ■
—, verdwijnen, hilavg, IXnnjap.
ontzondigen, mXnghilangkan dosa,
mXnghapoeskan dosa;
ontzondiging van
een dorp, waar een misdrijf is gepleegd,
en wol duor het slachten van een buffel,
pXmbasoeh doesoen.
ontzwaebtelen, mémbocka baroetnja,
memboeka bPbatannja.
ontzwemmen, Upas birenang.
onuitblusclibaar, tiada terpadamkan,
onuitblussoheiyu, zie het vorige
woord.
onuitdenlïbaar, tiada terpikirkan.
onuitdoof\'baar, tiada terpadamkan.
onuitgegeven, bëlom dikaloewarkau;
nog niet gedrukt, bXlom ditjap, zie
drukken.
onuitlegbaar, niet te verklaren, tiada
ti ri rtikan.
onuitputbaar, onuitputtelijk, lettcrl.
tiada fertimba habis, lig. tiada berkapoc-
toesan, tiada berkascedahan,
b.v. eene
— e liefde, kasili jang tiada berkapoetoe-
san ;
eene —e geldkist,/>c7i oetcang jang
tiada berkasuedahan tsiitja, pXti oetcang
jang tiada tX>rhabixkan isinja.
onuitroeibaar, tiada tertoempaskan,
tïada ttrbinasakan
onuitsprekelijk, tiada terkatakan,
tiada terkatakan habis.
onuitstaanbaar, tiada terdïrita, tiada
terfaban.
onuitvoerbaar, tiada fc\'kerdjakan,
tiada dapat dikerdjakan.
onuitvorschbaar, tiada ierstttidik.
oiiiiil\\vischi»ii:ir, onuitwisBchelijk, ti-
ada dapat di/tapoeskun.
onvast, tiada tXgoeh, tiada letap. Zie
vast.
onvntbanr, tiada dapat, b.v. — om te
leeren, tiada dapat bXlailjar.— oin onder-
wezen te worden, tiada dapat di-adjat:
onveilig, van land of zee, hetzij door
roovcis of klippen, (/\'£«/«»■ (letterl. vuil),
zeer —, banjak. Ijemar. —, met gevaren,
berbahaja, ada maradmhajanja.
onver, tiada. bXrapa djaoeh.
onveraceünsd, tiada kXna beja.
onveranderbaar, tiada tërobahkan.
onveranderd, dXngan tiada bërobah,
tiada di-obahkan.
-ocr page 551-
onveranderlijk — onveroordeeld.
:,:vj
onverdroten, dtngan jak-i u.
onvereenisbuar, nicl tot een te ma-
ken, tiada d-ipat dipïrsatockau.
onvereenigd, tiada bérhoebwng, tiada
safofdjoe.
onvergankelijk-, ki:kal, baka\', Ar. van
do vergankelijke naar de —e stad, dari
nïgari jang faua\' kapada ntgari jang
baka\'.
onvergeeflijk, tiada dapat diuimpoevi,
t. d. dimaiifkan.
onvergeldbanr, tiada tïrbalaskan.
onvergelijkelijk, tiada têrbandingkan,
tiada trriiagaikan, tiada dapat diban-
dingkan, tiada dapat dtbagaikan.
on vergenoegd, tiada soeka, tiada st-
nang.
onvergetelijk, liada dapat diloepakan.
onvergotden, tiada dibatas.
onvergroot, tiada dibïsarkan.
onverhinderd, tiada iïrtegahkan, tiada
tiriangkutd, tiada dirintangi.
on verhoed», xakornjoerigkoeujoeng, —,
onverwachts, vóór uien er aan denkt,
tiada ti-rkira-kira, dengan tiada stdar.
—, stilletjes, van aankomen, zich be-
geven, luluk. — aankomen, overvallen,
mi-lotuk-
onverholen, tiada sïmborni, njata, Ia-
Air,
Ar. bërta/aratt, b.v. hij sprak —
over dat, wat ik op het oog had, di-
katakaunja bPrtalaran dari (uit maft\'
soedkoe itoe.
onverhoopt, tiada terkira.
onverhoord, niet toegestaan, tiada di-
loelueskan.
onverhuurd, tiada diftcakan.
onverkoopbaar, tiada dapat dt-
djot wal.
onverkrügboor, tiada tepi-roliH.
onverlaat, oraiuj daerdjana.
onverlicht, niet vr.n licht voorzien, ti-
ada diltrangkan, tiada ditürangi.
onverloofd, tiada berloenangan; nog
—, bëlum btrtütnangau.
onvermengd, t\'tada bertjampoer.
onvermijdelijk, tiada dapat dilaioc\'i.
onvermoeid, tiada fahuf pvnat. —,
ïn 1 k-hamel ij ken arbeid, tjégar,
onvermogen, tiada koeioaxa, koerang
fcwtcal, kalitmahan.
— tot voortteling,
mati povfjoek, lïïmah dzakar, komeng.
onvermogend, tiada kaeUHMO, kot?-
rang k-vetcal, léuialt.
—, nriu, behoeftig,
zie ald.
onveroordeeld, tiada di/ioekoem.
onveranderlijk, liada perobahannja;
in —e wijsheid, dïngan hikmat jang
tiada berkisar.
onverantwoord, tiada dièeri kira-
kira; nog —, brluiu dibïri kirti-kira.
onverantwoordelijk* niet te ver-
schooncn, .tiada bolih di-ampoeni, t. b.
dwnïïtifkan.
onverbiisterd, tiada birobah tab\'iatnja,
nog —, bédarn bëroba/t fabtatnja.
onverbeterbaar, onverbeterlijk, tiada
tï-rbaUi, tiada dapat d\'ba/ki; b.v. djika
tiatia dapat dibaiki, maka djangan dipt-
fjahkan,
is het (door ti) niet te ver-
beteren, dnt het dan niet (door u)
verbroken worde, Sprw. — van een
geschritt enz. ook tiada dapat dibïtoel-
kan, tiada dapat difahkan.
—, vol-
maakt, tampocrna.
onverbiedelijk, tiada dapat dilarang-
kan, tiada térlvgahkan.
onverbloemd, niet figuurlijk, tiada
pakaï \'tldrat.
—, rondborstig, fêroes-
terang.
onverbonden, niet samen verbonden,
tiada btraoebornt/. —, geneesk. tiada
terbtbat.
—, niet gebonden, tiada tïri-
kat.
—, vrij, van een persoon, bebas.
onverborgen, Itiliir, njata, tiada sem-
boeni.
onverbriind, tiada ttrbakar, t\'tada ttr-
foenoe, tiada dimakan api.
onverbrandbaar, tiada dapat dibakar,
f. d. ditoenot\', t. d. dimakan api.
onverbrechbaar, tiada ttrpvtjabkan,
t. tïrpatahkan, t. tirpoeloeskan.
Zio bij
breken bet onderscheid; een — ver-
bond, plrdjandjian jaag tiada dapat
di-ubahkan
onverdedigbaar, niet te behouden,
tiada Itrpïliharakan.
onverdeelbaar, tiada tïirbe/tagikan. j
onverdeeld, tiada dibt-hagi; nog —, :
bï-luM dibë/iagi. —, eensgezind, safakal,
sarata, satuedjoe, sahati.
onverdelgbaar, tiada firtoempaakan,
tiada ttrbinasakan.
onverderielijk, "ie onverganke-
Hik.
onverdiend, tiada paloet, dengan tiada
patuet.
onverdooibaar, tiada tï-rpadamkan.
onverdorven, tiada rocsafc,
onverdraaglijk, tiada terderita, tiada
ttrtaftan.
onverdraagzaam, koerang fabar.
-ocr page 552-
onveroverbanr — onvoorbedacht.
Hu
tiba-tiba, terkedjoef. Zie ook onver-
hoeds.
— voor elkander staan, van
personen, legers enz., mendjerempafc.
overvallen worden, tt-eserampak; want
de dood kotut —, karena mati itoe ttr-
kedjoet datungnja.
— ontboden of geroe-
pen zijn, van een geneesheer, terdjoea,
in tegenoverstelling met een vooraf
aangenomen ot" geëngageerd, tempah.
onverweerbaar, tiada dapat melaican.
onverwelkbaar, tiada dapat lajoe.
onverwijld, dengan tiada b?rtanggoeh.
sigera, dengan sigtra.
Zie oogeii»
hlihkeiyk.
onverwinbaar, tiada tera/ahkan.
onverwrikbaar, tiada tergerakkan,
onverzadigbaar, onverzndelijk, fiad.i
tahoe kevnjang, tiada dapat dikennjang-
kun, tiada tahoe poetcas, tiada dapat
dipoeicaskan, sèlafc.
on verzegeld, tiaita dimetérai.
onverzeld, tiada disertaï, tiada dipe-
sertakan.
onverzethaar, tiada dapat dipin-
dahkan.
onverzettelijk, zie standvastig.
onverzoenlijk, tiada terdamaikan.
onverzorgd, tiada dipeliharakan.
onverzwel^liaar, tiada tertétan, tiada
dapat ditelaa.
onvoegzuam, tiada patoet, tiada ïaijc.
tiada dengan sapertinja;
op verschil-
lende wijze ■— behandelen, koembang-
kambing.
onvoldaan, niet vorzaAigti,tiada poeicag.
onvoldoend, tiada tjoekoep, tiada sam-
pai, aiatig-kepatang.
onvolkomen, tiada sampoerna; nog
—, belom sampoerna. — gebleven, ge-
staakt, achtergebleven in het werk.
neergeslagen van beslag enz., bantoef.
onvolledig, tiada genap, koerang.
on volleer d,betum tammat peladjarannja.
onvolmaakt <= onvolkomen.
onvolmaaktheid, klein gebrek, tjan-
dat.
onvoltallig, tiada genap bilangannja:
koerang.
onvoltooid, tiada disoedahkatt, bel/m
soedah, beioiu tammat.
—, gestaakt
van een werk, bèngkalai.
onvolvoerd, bètom dikerdjakan, belom
dilakockan.
onvolwassen, bt/om sampai. besamjtt.
onvoorbedacht, zonder opzet, tiada
dengan sehadja.
onvcroverbanr, tiada fératahkan.
onverpoosd, dengan dada berhentinja.
onverricht, fiitda dikerdjakan; onver-
richterzakc, bersehadja-sehadja.
onvcr»uni;i 1, tiada takoi\'t, dengan tiada
takort.
onverschillig, hetzelfde, sama djoega,
sama,
b.v. —, üt\' het waar is, of niet,
sama ada benar atatr boekan. voor
vermaningen, ttlal fêtinga. —, er niet
uui geven, tiada fadloeli,tiada pïrdoeli.
—, achteloos, lalai; soms ook sia-sia ;
niet —, gevoelig, peka; iets — behnn-
delen, er mede doen naar welgevallen,
menjembarangkau (van s\'embarang of
sebarang, elk, onverschillig welk); iets
— behandelen, er niet den waren prijs
op stellen, menibataikan, ai\'enghalai-
bataikan,
dus ook verwnarloozen: tiada
fadtuelikan;
eene —e houding aan-
nemen, melengakan dirinja.
onverschoonhnur, tiada butih di-uin-
poeni.
onverschrokken, tiada fakoet, btrani,
tiada gentar dan ng\'eri.
onverschuldigd, niet verplicht, tiada
icddjib, tiada fardloe, tiada p\'erloe.
onversierd, tiada bep\'erhiasan, tiada
dihiasi.
onverstaanbaar; hiervoor is geen
woord. Matgetti wordt alleen van den
persoon in de heteekenis van verstaan
en nooit in het passief gebruikt. <>n-
vcrstuaiihare woorden uiten of geluiden
voortbrengen, zooals b.v. een stervende,
keta/oet, keieloet, ketotuf. Deze woorden
worden zoowel van de tong als van
den ipralcu zelf gebruikt.
onverstand, kabodohan, kabêbalan.
on verstan dis, ooduA, bebal, tiada ber-
boedi.
onverstoord, geen overlast aangedaan,
tiada di-oesik: Zie ongehinderd.
onvertaalbaar, tadapat disatin b\'ehasa.
onvertaald, tiada disatin b\'ehasa.
on vertelbaar, tiada dapat difjertte-
rakan.
onvertroostbaar, tiada terhiboerkan.
onvervaard, tiada takarf, tiada gentar
dan ngeri, berani.
onvervoerbaar, tiada terbatca.
onvervreemdbaar, tot godsdienstig
gebruik bestemd, habis, Ar.
onverwacht, dada tïrsattgka, tiada .
terktra.
onverwacht», takoenjoeng\'koenjoeng,
-ocr page 553-
onvoorbereid — onzichtbaar.                                 5-11
himpa. —, onbekend met, tiada tahoe,
tiatta mengftahoéi.
onwetendheid, kabfduhau, djahiliat,
Ar. de tijd der —, d. i. de tijd vóór
Mohaoimud, zaman djahiliat.
onwetens, dengan tiada satahoe.
onwettig, melaican hoekoem, bersalah
dttigan Iinekoem.
—,niet echt, hanim. Ar.
een — kind, anak haram, hardia zadeh.
onwezenlijk, niet be&tannde,/<tir^/iW<7.
onwÜM, tiada berboedi, badoh. —, gek,
güa, sarsar.
onwil, tiada maoe.—, tegenzin, djemoe,
srgau.
onwillekeurig, tiada dengan sehadja.
Het —e van de eene uf andere hande-
ling wordt dikwerf uitgedrukt door den
ace. vorm ter vnn het Werkw. —e
overtreding, misslag, fout, iehtilaf, Ar.
/ie ook onnadenkend.
onwillens, dengan tegan, dengan djr-
moe;
willens of —, maoe ta\'maoe.
onwillig, tiada maoe, leaggana, Skr.
zelden. — van nard, hati enggan. —,
traug om een gegeven bevel ten uit-
voer Ie brengen, malas, kelesa. —,
tegenzin gevoelen, segan, djemoe.
onwis, tiada truloe.
onwrikbaar, tiada lèrgerakkan.
onze, zie ons.
onzedelijk, kwetsend, soembang. —,
onkuUrh, tjandala, Skr. doekana.
vnn eene vrouw, toendal.
onzedelijkheid, pertjaboelan, persoen-
dalan.
onzedig, tiada sanoenaeh, tiada m\'enaroh
sopau dan matoe. \'/Aa
onzedelijk.
onzeker, tiada tentoe.
onzekerheid, hal tiada tentoe.
onzelieveheersbeestje, een fraa.
rood gespikkeld torretje, bilalang
pidjar t
onzent; ten —, diroemah ka/ui, diroe-
taa/t ktta;
bij ons te lande, dinégari
kamt, diriegart ktta.
onzenthalve, wat ons nnngaat, akan
kami
(of kita), adapoa akan ka/ui; ter
wille van ons, karena kami (of kita),
onzentwege; van —, daripada pehak
kami
(of kita).
onzentwil; om —, karena kami (of kita).
onzichtbaar, tiada ka/iha/an ,- de kunst
of bet vermogen om zich —te maken,
halimoenan, b.v. djika akoe hendakkan
halimoenan ta\'dapat tiada ükoé mati
djoega diboenoeh orang,
als ik het ver-
onvoorbereid, tiada disadiakan de-
hoeloe.
onvoordcelig, tiada labanja, tiada
aenloengnja.
onvoorspoedig, tiada bersalamat.
onvoorwanrdel\\jb, dengan tiada
djandji.
onvoorzichtig, korrang ingat. kueraiig
djaga. Op Juva koerang hati-hati.
onvoorzien, onverwacht, tiada mentji-
oem baoe, letter), waarvan men de lucht
niet had, h.v. grroh tidak méntjioem
baoe, onvoor/icn ongeval.
onvoorziens, zie onverwarhtt en
i\'i >nsklap*.
onvriendelijk, stiiursch, be-gi»; van
het gelaat, bersoet.
onvrij, gedwongen, ferpaksa.—, gevnar-
lijk, niet veilig, herbahaja.—.verboden,
hirangan, —, aan rechten onderhevig,
këna beja. —, niet vrij, zie vrij.
onvrucht baar, van boomen, tiada
berboeicah. —, van land, tiada berhaxil,
djahat, maft, b.v. een — land, tanah
djahat, tanah uiati. —, van vrouwen
en wijfjesdieren, manduel.
onwaar, tiada benar. Zie ook leugen»
onwaarde; van —, tiada bergoena,
tiada berfaêdah, sia-sia; van — vcr-
klareu, vernietigen, mvniadakan.
onwaardeorhaar, tiada terhargakait,
tiada t\'ernilai.
onwaardig, tiada pafoet.
onwaarheid, zie logen,
onwaarnchijnlüb, fabelachtig, l-ntg-
kara.
onwankelbaar, tetap. —, onbeweeg-
lijk, tiatfa berg\'erak--
onweder, donder, goentocr; storm, rf-
boet. —, buiig, pantja roeba; zwaar
stormweder, riboct da» tof au.
onwedersprekeiyk, tiada dapat di-
banfahi.
onwederstaanbaar, tiada dapat di-
faicair.
onwel, zich niet recht wel gevoelen,
rensa, toeboeh tiada sedap; gedurig —,
sukkelen, saiapoe.
onwelgevallig, tiada b\'erkenaa kapada.
onwelkom, tiada kasoekadn.
onwellevend, zie onbeleefd,
onwelluidend, djatiggal, satah boenji.
onwelvoeglijk, tiada sanoeaoeh,
onwerkzaam, tiada soeka bekérdja,
malas.
onwetend, dom, budoh, djdhil, Ar.
-ocr page 554-
6-13
onzytlia;
— uü».
mogen begeer um uiij onzichtbaar te
maken, kan het niet missen of ik zal
toch gedood worden; ook kapefangan.
oiizÜdit;, onpartijdig, tiada toeroet sa-
belah- menjabetah.
on/in, nonsens, s/a-sia, perkataan javg
sia-sia, p. j. boelan-boeka». Zie wiir-
tanl.
onzindelijk, kotor, tjemar.
onzin* lelijkheid, kakotora», katjema-
ran.
i.n.\'i ii [!■;■. /ie ilv.sms.
onzondis;, tiada bèrduxa, soetji dari-
pada dota.
onzuiver, tiada soetji, tiada bèresih,
kidor, tjemar, nedj\'ts,
Ar. —vun water,
troebel, kerueh. Ook van taal of stijl.
— in de leer, bidiit, Ar. — vervaltcht,
lantjovntj; gemengd, Mrtjëwmotr.
onzuiverheid, katjemaran, kakutoratt;
overgebleven — in de tual of stijl ook
keroeh. — in de leer, bidiit, Ar.
ooit, boetca/i-boi-ua/ia?!.
ooi\'l boom, pu/iuii boetcah-boeicah, pvkok
boeuah-buewah.
ooft iniintf. bakoel bvewah-boewahan.
ooftverhooper, orang javg berdjoea:al
hoewah-boeteahan.
oo«r» "lata; het geestelijk ■—, mata hall,
tegenover het lichamelijk —, mata ka-
pal a;
uitpuilende —en, mata tombul;
ingezonken —, witta lekuk, m.tjekoeng,
ia. tjengkoeiig;
glazige —, mata her-
fjahaja;
mat vun de oogen, kaboes,
kaborr;
gebroken —, vun een lijk, mata
berdiri;
draaiende —, mata berpoesiag-
poesing;
blauwe —en, /uoals bij vele
Europeanen, mata koetjiug ; een ver-
slandig —, slim uitzicht, mata tjtrii-
dip;
kwijnende —en, wata bioekoe;
een — in het zeil houden, m\'emboe-
leatig-boev.ang mata, aiembert mnta;
met
het — ou, ter wille van, mëmaadang
kapnda
(von paudang); onder vier —en,
moeka deugau moeka, sa\'oravg denaatt
sa\'orang sehadja;
onder vier —eu zijn,
een entrevue hebben, herpandangan,
larlihatan;
een ander vlak in de —en
kijken, ientang mata dengan mata; hij
heelt een boos —, d/a/iat titiknja;
elkander —jes geven, bermdin mata;
ieti vast in het — houten of vutten,
menttanikan ; op het — hebben, bedoelen,
m\'eujehadjakau; iemand in jet — houden,
nngann, b.v. een dief, mengaram (\'van
WAM); voortdurend het — op iets hou-
den, memata-matat, b.v. hij hield vouit-
durend het — op hen die aten, orang
makaii \'ttoe dimala-matatnja;
wat alleen
voor het — gedaan wordt, b.v. een
boete, die wel betaald, doch later
teruggegeven wordt, sitih mata. —van
eene naald, lobang djaroim. — va»
een knoop, gagang. —, lis, knoopsgat,
sosok. —- aan een strop, om er iets
door te halen, sepit oedaag. — vau
eene zweer, mata bitnet; het eene —.
sabelah mata; de beide —en, kadoevn
hel ah mata.
— om —, en tand Oltl
tand, mata gauti mata, gigi gai/ti gig\';
een betraand — oog, waarin de tra*
neii staan of komen, op Java mata jaag
katja-katja. •
—en met gezwollen, onl-
stoken oogleden, mata bilis, naar het
roode vi-.cbje zoo genoemd; uit het—.
uit hel hult, djaoeh di ma/a, djaoeh
dl hati;
toevallig het — vestigen op,
terlihat kapada, terpandang kapada;
in het — springen, mvntjoeijuek wuUa .
iets op het — hebben, bedoelen, bc.--
maksoed;
de — en openen, mimöoeka
mata;
van een under, memboekaka.i
mata;
de —en sluiten, mengedjamkau
mata
(van kedjam), meugatoepkan maft\'
(van kattiep\'-. voor ons: een stmvende
de —en toedrukken, gebruikt men «i&M-
ba\'ikl mait; ga uit mijne —en, vjahlah
\'engkau;
voor —on stellen, meag/iadaj),
b.v, melaiiikan uegari acherat samata-
mala jaag koehadap,
slechts de toekotn-
stige wereld stel ik mij zooveel mogelijk
voor —en: uit bet — verliezen, hu-
njap daripada pemandangan.
Dit wordt
gezegd van de /aak, niet van den peï-
suon. Ken kwaad — op iemand heb-
ben, mènarüh dtiigkï akan sa\'orang;
onder de —en durven zien, bërani
menghadap, beraui berhadajt-hadapau;
iemand een rad voor de —en draaien,
mempadajaka» orang; zand in de — en
strooien, m\'enipoe orang, m\'émhaetakan
mata orang, m\'eitjilap mata orang
(van
silapt; in uiiju—, naar mijne meening.
pada saagkakoe, pada ptnglihalankoe;
groote — en, zich wijd openen van
do —en, mata memboetaf; groote —en
opzetten, mëmbeliakkatt mata; op het
— schijnt het goed, kalihatannja hdih,
roejMtnja ba\'ik;
onder bet — brengen,
vermanen, menasihatkan; voor — en
stellen, meughadapkan; hoe zou de oog-
appel kunnen scheiden van het wil
-ocr page 555-
oosader — ooumerli.                                         543
des —*, adapou hitam mata itoe di-
„iauakan bul-I\' hertjerai deiigan pve-
tihnja.\'
Sprw.; het — des dngt, mata-
hart,
do gewone benaming van de zon;
mei hot bloote —, tonder bril, tiada
bffjeremin;
zonder kijker, tiada bertë-
ropong;
zoover het — icikt, sa/jfmau-
dangan mata djaoe/mja, sajodjana mata.
memandang;
voor iemands —en, diha-
da/jan;
groote —en opzetten, membt-
liakkan mata;
niot uit de —en kannen
zien, b.v. van stof ot\' hevigen wind,
tiat/a bolih memboeka mata; een goed
—  Bun inte geven, mëmbmïkkam r«ejHUtja,
Zie versieren.
oounder, onaf mata.
oogappel, bidji-mata, orang-orangun
mata-,
het eerste ook als liefkozings-
wuord, b.v. o, mijn —, Aai bidji-ma-
takoe.
ooylml, boelat mata.
oogen, nauwkeurig beschouwen, meiiga-
mat-amati.
—, mikken, zie aid. op iet»
—, iels begecren, mentjamkan.
oogenblili, kedjap mata, koetika (Skr.),
uSt, Ar. ben/ar, ketjeugt Letter), halve
oogluiking; een —, «akedjap mata,
sakoetika, sa wit, sabentar, saketjeng;
in een —, dengan sakedjap tncta, de-
ngan sakoetika, dengan sasaüt, dengan
sabtntar;
in een —je, dengan sabentar-
bentaran;
op bet eigen—, pada koetika
itoe djoega, pada xaïtt itoe djoega,
sakaraug itoe;
na een—, sakoetika lagt,
aabentar lagi;
ecnige —ken, ecu minuut
of wat, sakapoer sirih tamanja,\\c\\\\ei\\.
zoolang een sirihprtiim. duurt, b.v.
ergens een paar —ken ritten praten,
itoedoek bertjakup-tjakap sakapoer sirih
lamavja;
iets ruimer genomen, sapë-
niiiiak nasi lamanja,
d. i. de duur van
een rij.-tkookscl; ieder —, berpenanak-
penanak,
b.v. ieder — knapte hij zich
op, berptiianuk-pènanak ija membdiki
dirinja;
ik heb zelfs geen —- geslapen,
aaketjeng mata pon tidak akoe tidocr;
ieder —, aabentai\'-sabentar; het cene
—   .... en het andere —.....sabèn-
tar .... sabentar . . . ., sakoelika ....
takoelika .. .., b.v. het cene — weenen
en het andere — lachen; het bcslis-
sende —, crisis bij cene ziekte, of
nakend gevnnr, kemèhet; het rechte
—, geschikte tijdstip, koetika jarig buik,
sailtjang ba\'ik, tc\'ektoejang bdik ;
van het
eerste —, dari moela, dart dical moe/a.
oogenblilcliel\\jk, dengan sakedjap
mata, sabentaran.
Zie het vorige woord.
—, nu, aakarang ini, aakarang djoega.
—, dnt slechts cen oogenblik duurt,
sabhitar sehadja, sakoelika sehadja la-
manja, aasa-lt djoea.
—, onverwijld,
dadelijk, sabentar djoega, b.v. hij deed
bet—, diboevuünja Hoe sabentar djoega.
oosendienanr, orang jang m^mboeicat
di ni/an moeka-moeka.
oogemtienst; uit —, dexgan moeka-
moeka.
oo£eiis«*liünIült, roepanja, pada roe-
panja, kalihatannja. \'/.ie
ook «ehü"-
bnar.
oogenMcliouw, pemeriksaan; in —
nemen, mèmeriksai.
i)iii\',i-ii/:iir, tjelab, eigenl. e. s. v. zwart
poeder, waar wede men de oogleden
smeert. — gebruiken, berljelak-
ooggetuige, saks\'t, Skr. sjahid, Ar.
orang jang melihat. sendiii.
oosuezwel, bengkil mata. Zie fie-
v. wollen.
ooggla*. oogglnasje, tjeremin mata;
katja-mata,
Jav.
ooghnar, boe/oe mata.
ooshoeli, kaedjoeng mata : binnenste —,
soedoet mata, po/ion mata; buitenste
—, ekoer mata.
oogbolle, Itkok mata; uit de—en, ver-
nield, van het oog. petjak; ledige oog-
kas, mata boetak-
oogje; elkander - sgeven, bermdin mata;
een — geven, wenken, mengisjtiratkan.
oogjt\'sgoeci, kaïn loerik.
oogliamer, ooirkas = oogholte.
oogklep, p\'enjilau ma>a.
ooghu il-i reeli, bingkai mata, gelang-
gang mata.
oogltwiiul, pènjakii mata.
oogleiiN, batoe mata.
ooglid, kelopi\'.k mata, peloepok mata;
er is iels onder mijn —, kelopak nia-
takoe tergatang.
oo*»l\\j<!er, orang sakit mata
oosKUr» ba\'ik roepavja,
oo <j 1 u i I i«\' n < 1, dfiiyan mèng\'èdjamkan
mata, poera-poera ta\'li/iat, bë/\'balik
mata.
oogluiliing, kedjam uiata.
oosninnt* oekoerau mata.
oogmerk, doel, maksoea, Ar. kesad, Ar.:
aan het — beantwoorden, safoedjue
d\'tngan maksoed;
zijn — bereiken,
mendapat maksoednja.
-ocr page 556-
5(4                                             oogmiddel — oor.
djoega, Öagitoe djoeya. — nog zoo,
lagi bayitoe, demikian lagi; zus en zoo,
demikian-demikiati, bayitoe-óayitoe, ba~
yiloe-bayini;
al is het —, djikalau . .. .
sakalipoM, samètitang
; waar het — moge
zijn, dimaiia pon èaik.
ootUk, tjêri-dik.
ooiijini-\'i. orany fjërëdifc.
oom, zoowel van vaders- als moeders-
zijde, mama. Vorstelijke —, mamanda,
ook aanspraaktitel voor een ouden Itijks-
bestierder, als de Vorst tot hem spreekt.
—   ot\' tante, vadeis of moeders broer
of zurtci\', ba pa (of mak) saoedara. —,
vaders broer, die in ouderdom onmid-
delijk op vader volgt, bapa mofda, ba pa
saoedara salah meadjadi.
—, vaders
of moeders middelste broer, pa\'ngah
(verkorting vnn bapa tenyah). —, van
moederszijde ook saordara ma*. —,
oudere broeder vnn vader, pa\'toeica.
oor, ttlinga, koepitta, Jav. ook van
het handvatsel sonimiger voorwerpen j
hang—, zoonis van sommige honden,
den olifant en andere dieren, telinga
jany ierkoelai.
— van een kanon, pua-
tjtny mariam.
— vnn een kopje, pot-
teu en pannen enz. nis ze maar één
— hebben, tangkai, hebben zetwee, dan
telinga. — aan een kopje, tjangki.ig,
Mal-; op oen — staan, tding, Mal.,
zie bij -•■huüi: het cene — in en
het andere weer uit, Hg. bayai mënam-
poetty ajar dalaut limas pêsoefc,
als
Water opvangen in een lek bakje; het
—    lecnen, mëmbhi telinga, dënyar~
deiiyaran,
b.v. hi-uthiklah toetcankoe
djangan drnyar-dtnyaran akan sembah
orany jany tiada sabenamja; djikalau
toetcankoe dengar-dengaran akan kata
orany jany Jit/iah itoe, toetcankoe mt-
njesal kelak,
L\'we Majesteit moest niet
het — lecnen nnn de woorden dier
lieden, die onwaar zijn; indien Uwe
Majesteit hel —leent aan de lasterlijke
woorden dier lieden, dan zal (J. M.
weldra beiouw gevoelen; het —scher-
pen, oplettend luisteren, memasany fe-
littya, patang koepiny;
in bet— blazen,
in het — bijten, mtmbisik-bi\'sikkan;
tuiten van de —en, be,desitty te/inga;
aan het — hangen, vertellen, men/je-
riterakan
; ter —e gekomen, kadènyaran
kapada;
het — laten hangen, droef-
gee&tig zijn, moeroeng; op één — lig-
gen, bérbaving tidoer; iemand —en
oogmiddel, obal mata.
oogontsteking, pcttjakt\'t uiata.
oojji>ün, »akü mata.
oospoeder, waarmede men de oog-
leden verft, fjflafr.
oos*t, in het algemeen, perolihau fiatU.
—, inzameling van graan, in \'t bij-
zonder vim rijst, pênaewajan, ptngilaman
i van tot-wai en kt tam, de mimen van
het mesje, waarmede de rijst gci-neden
wordt). — van hoogen akkergrond,
ptrhoemaan. ■— van vruchten, poengue-
fau boetcah-boetcali, petikan borwa/i-
boewak.
/ie pluk.
oojfsten, van rijst, ni\'e»oeicai,mëngëtam.
— van vruchten, mrtnoettgoft bueicah\'
boetvan, memetik b.-b. (vnn petik).
— van
product en, minyoempoelkan hasil (van
koempoel), m\'emoengoet ha§il
oogstor, van lijst, peuoetrai. — van
andere producten, pemorngort fytifil.
oogst fee* t, ooirrtmaal, $rdtkah penoe*
ICtljltH,
oogstmand, bt/onony, Mal.
oogst r«-ek; (\'e —. bitigkai mata, ytfang-
gang moto,
oogsttijd, van lijst, moesim mënoetcai. \\
oogt and, tnr\'ing, gigi aso; de—en,ook
pvnyapit y\'iy\'t Seri.
oogverblindend, tiada dapat dithi\'
long njata.
oogverblinding, door goochelarij, of
handen vlugheid, silap-mata.
oogvlies, selapoet mata.
oogwater, ajar obat mata.
oogwenk, kedjap mata; in een —, de- j
uyan sakvdjap mata; één —, sakedjap- j
mata, sakelip mata. —, dien men
iemand geelt, isjarat daiyan mata,
pnigoitidjoelr mata;
iemand een —
geven, mëuyoentljoek mata, mengisjd~
rafkan deayan mata.
oogwit, het wil van het oog, poetih
mata.
—, doel, zie ald.
oogziekte, in het algemeen, pënjakil
mata.
ooi, domba ietha, Uri Uri Utina.
ooievaar, borroeity laklaf; Ar.
ooit, in het vcrledene, përuah. — in de
toekomst, dj\'emah. —, ook tahoe. —,
te eeniger tijd, ook barany kala, barany
kali, barany bïla, baratiy ka/a poft.
ook, nog, lagi, pon,- en —, dan lagi,
layipon;
wie —, sïapa-siaoa pon ; wat
—, apa-apa pon. —, zelfs, djoeya. —, j
wederom, poela. — zoo, demikiun
-ocr page 557-
545
oorbaar — oorlogvoerend.
—, heldendaad, përboetcatan berani.
oorlogshelasting, oepëfi perang.
oorlogshende, pascekan orangperang.
oorloiislioiilt, orang kapal perang.
oorlogsbuit, Aarfa tatcanan.
oorlogschip, kapal perang.
oui\'lii^sdiiiiil. perboewalan dalam pë~
rang.
oorlot£Heerueht, chabar perang.
oorlog-*g*\'zimi, soeka berperang, hen-
dak berptrang.
oor log* held, pahdlatcan, Perz. hoeloc~
balainj.
oorlogsjucht, kifji perang.
i)oi\'li.->l.;ins. oenioeng perang.
oorlogskas, kiijgskas, pirbëndaharaaa
perang.
oorlogsliloli, gong fjaboel.
oorlogskosten, beland ja perang.
i iorhi;;-.K i\'i\'i-i. soerak perang, fem-pik-
soerak perang.
oüi\'lo^sliiuist. hikmat perang.
oorlogsliat, tipoe perang, ata&lefytit
perang.
oorlogsmacht, bala-fantara perang.
oorlog-«materiaal, /ie krijgsbe*
noodigd heden.
oorlogKinocd, bërani dalam perang.
oorlogsramp, béla perang.
oorlogsrecht, hoekoem perang.
oorlogsroem, kapoedjian orang perang.
oorlogMNtnndanrd, ütdtaal perang.
oorlogstijd, mm berperang.
oorlojistrom, genderang perang.
oorlogstuig, perkakas perang, alat
perang, sërba perang.
oorlogsvaan, bandera perang, illdmat
perang.
oorlogsvaartuig; Kuropecseh —, ka-
pal perang;
bet Mnleiscbc — bij uit-
nemendheid is de péndjadjap, een twee-
mast vaartuig met borstwering, apilan,
voelende twee zware stukken en eenige
draaibassen en voorzien van dubbele
roeibanken; e. s. v. —, drijvend fort,
kota\'.aara. Ook de plnats op een
Maleisch — achter de apilan ot\' borst-
wering.
oorlogsveld, medan pëpërangan,
oorlogsvloot, angkalan perang, kalang-
kapan perang.
oorlogsvolk, orang perang, lasjkar.
oorlogswagen, rata perang.
oorlogswapen, sendjata perang.
oorlogswet, hoekoem perang.
oorlogvoerend, jang berperang.
aannaaien, bedriegen, menipoe (van
fipoe), niëmperdajakau ; de —en opstc-
ken, beginnen weerspannig te zijn,
hëndak mendoerhaka ; aan het — voort-
trekken van iemand, membembet; een
klap om de —en, tëmpeleng; tot over
de ~cn in schulden steken, tëngge.lam
dalam hoetang;
op één — nn gevild,
koerang têdikit soedah, tiada berapa
ptri-pfri.
oorl lüiir. paloef, këna, la\'ik, Ar.
oorhajj, soebang, ke\'raboe.
OOVbel* anting-anling.
oorblnzen, mengoempat, mënfitnahkan.
oorblazer, pëngoeinpat, (oekatig Jitnah.
oord, tëmpat; een ver verwijderd —,
tëmpat jang djaoeh.
oordeel, het vermogen om te kunnen
onderscheiden, bitjara, kapikiran,akal;
zijn — opschorten, bërtahan bitjara;
gezond —, i)^al jang sampoema. —,
vonnis, kapoefoesan hoekoem ; het laatste
—, frijdmat; de daij van het laatste
—, hart kijtimat, jaumoe\'lfcijamat, Ar.
jauuioe\'tmahsjar: de vlakte, waar het
laatste — zal gehouden worden, padang
mahsjarat.
oordeelen, meenen, Lira-kira. —, be-
schtildigcn, mëtrjalabkan, wënsalahkan.
oonU\'i\'Uiliii:. de dag van het laatste
gericht, jaum edditt, jattnioe\'lfrijamat.
jaumoc\'tmahsjar,
Ar.
oordcel veiling*, vonnis, kapoefoesan
hoekoem.
oorgat, /\'ja»g telinga, lobang telinga,
I. koeping.
oor«e/wel, bïngkak felinga.
oorlmngur, antivg-anting.
oorkonde, soerat riwajat.
oorltnop, soebang, këraboe, Jnv.
oorkussen, lantal, bantitl kapala.
oorlel, tjocping, tjoeping felinga.
oorlepeltje, pëngorek telinga, koreik
koeping,
Jnv.
oorlof", iffzin, Ar.
oorlog, perang; do heilige —, perang
sabil Allah.
—, waarbij men slechts
de reizigers van weerskanten aanvalt,
perang dendam kasoemat. — voeren,
berperang, më\'lakoekun perang; ten —
gann, ?taik perang, përgi perang. Zie
ook gevocht.
oorlogen, berperang, melakoekan perang.
oorlosnbnzuin, naftri perang, sëloni\'
peret perang.
oorloge bedrij f, pelcerdjaan perang.
-ocr page 558-
Mfl
oorlogzuchtig; — op.
oost, timoer, watahari tribit. malahari
hidoep, masjrik,
Ar. tcéfan, Jnv.
oostelijk, in het Oosten, ton Oosten,
disabïlah timoer; naar het Oosten, kasa-
bïlah timoer.
oosten, sabëlah timoer, tabtlah atafa-
hari tfrbit, masjrik-
oostenwind, at/gin timoer.
oosteren, von den wind, alih katimocr.
oostergrens, pXrh\'inggaan sabëlah ti-
moer.
oosterkim, tvpi langif sabëlah timoer.
oosterling, orang timoer, orang hita.u.
oostersch; op —e w-jjzc, fjara orang
timovr, fjara Hindi.
oost-indië, taiiah Hindi\\nëgari Hindi;
N\'cdei landseli-------, llindia Nederlanda.
oostinjevnarder, ka pal indjanan (van
iiiihama», Kng. i.
oostkant, sabëlah timoer.
oostnoordoost, zie kompas-
streek.
oostwaarts, katimotT, kasabtlah ti-
utoer
; zie oost.
ootje; iemand iu het — nemen, zie
loopje.
ootmoed, réndah hatï, tawadloe, Ar.
ootmoedig* nederig, rëndah.
ootmoedigheid, karindahan l>ati,hati
rëndah.
ootmoediglijk, denyan rëndah hati.
op, Voorz. alas, di-atas; verder pada,
di, dalam, didalaai, akau, dëngan,
nl
Haar gelang het Maleisehe laaleigen
voor on» op een ander Voorz. ei:»cht,
b.v. — de tafel, di-atas medja, —het
hoofd, di-atas kapala. — een eiland
wonen, doedoefc dipoetau, ook dalam
poelau.
— een dorp wonen, doedoefr
dalam doesoeit.
— het lijf, pada toe-
boek.
— iets steunen, bërsandar pada ;
ieder zat op zijn ei»en plaats, masiag~
masttig doedoek d??/gan lémpahtja.

zich nemen, ianggoeng, mxnanyyoeng\'.
—   iets vertrouwen, harap pada.
zijn vader gelijken, aarurpa dëngait
bïpauja.
— iets bet oog vestigen,
méiuandang kapada (van pattdattg); iets
—   het oog hebben, bedoelen, birniat,
baraity sasoeatoe, bïrmakfoed b. t.

het land, didarat, in tegenoverstelling
vnn hot water; in tegenoverstelling
van de stad, didesa, didoesoen. — de
tluit spelen, mdin soeling. — do viool
spelen, mdin rPbab, natu biola. — zijn
kamer zijn, dalam biUk*. — school,
oorlogzuchtig, soeka birperang, kew
dak birperang.
oor\\ieixtert fjoengkil tïlï)iga,\\>.\\.oepama
bilah ataw lidi, jang iersPlat kapada dhi\'
ding, dapat djoegadi-ambil akau tjoeng-
kil gigi ataw tjoengkil tTlingu,
ir«* 1 ijk
een spnnnder of spijltje, dat in den
wand steekt, nog genomen kan worden
Voor tnnden- of oorpcutcr. \'/Ac oor-
lepeltje.
oorpijn. Kaki/ tflinya, sakit koeping, Jav.
oorrand, pïlipatan têtiuga, tèpi ff/inga.
oorring, fjiiifjin trl\'waa.
oorschelp, i/aoi\'ïi tt-liiiga.
oorsieraad, pïrhiasan télinga.
oorumcer, tahi télinga, fjirit teliuga.
oor spiegel, plmbï ngkar tïlinga.
oorsprong, moela, pokok, pohon, /zoeloe,
af al,
Ar. — een er rivier, horloe soe~
ngai;
van iets noch den —, noch de
gevolgen weten, t\'uida menyétahoe\'i
koefa* hilimja;
het kan niet missen
of elk ding keert tot zijn — terug,
ta\'dapat tiada fijapdijap soeaioe Hoe
kïmbali kapada afolnja, Sprw, —, zie
ook oorzaak.
oorspronkelijk, asal, Ar. b.v. —c
bewoners, orang asal nfgari, oram/
bïnoetca, orang tfrénak;
de —e taai,
bïfiasa n$al; de —c uitspraak, boenji
af al
,• de —c kleeding, pakajan asal.
—, zuiver, echt, ook djali; de —e,
jaag asal sakali; het —, het origineel
v. e. geschrift, nosekat. Ar.
oortje; hij keek alsof hij zijn — ver-
snoept had, digigitnja trtoendjoeknja.
oorvee«, (jmpiHuf, sP,pak; een —
geven, iriëtiëmjji/ing, menjëpak.
oorversiersel; sclnj luchtig —, soe~ [
bang, ki-raboe,
Jnv.
oorworm, tempirit.
oorwortel, po/ion te/inga; ook pavgkal
lil inga.
oorzaak, moela, karena, Skr. pohon,
sibab,
Ar.; ter oorzake van, door toe-
doen VftD, dar\'tpatla sPbab, olih sëbab,
dX-ngan tïbab;
zie ook middel; een
— hebben, bersébab. b.v. kartna pt-
vjaktl ini bersebab datanttuja,
want deze
kwaul beeft een — vun baar ontstaan ;
daar was — noch reden voor, tiada
moela karinanja;
zonder — of reden,
dvngan tiada uwela karënanja, dhigan
tiada saména-mX-tut,
b.v. vnn kastijden
enz.; wat is de —, apa iëbaluja, apa
moelanja.
                                                   \'
-ocr page 559-
W7
opbakken —
opbarsten.
ache/al. — aarde, nam. de aarde al.-
bol, di-titax boemi. — nieuw, nog een?.
sakali lagi, lat/i sakati, telkens weer
— nieuw, van voren aan, blrtalue-
laloe;
honderd centen gaan er — een
dollar, saringgit djad\'t saratoes sen;
verbaasd — het zien, tïrfjrngang-
tjengang mïlihut
,■ om — mijn vetbaul
terug te komen, kimbalilah akue min-
tjiritürakan;
om — India lloetunja
terug te komen, adapon akan bidra
Bvemaja. •
— vrije voelen stellen, uit
de gevangenis, melepaskan daridahu,,
ptndjara;
uit slavernij, mvma.-dahek,:-
kan.
— Je proef stellen, mpu/joba,
Mtutjobdi;
dat is koren — zijn molen.
ituelah minjak pada pïlitanja. — voor-
waaide van, tlvngan djaudji. — bevel,
déngatt pêrtutah, dï-ngan ptnioeroeA,
van den Vorst, dingan Utah. — genade
zich overgeven, mtnjïrahkan diri mati
hidoep.
— één na honderd, koerang
asa saratues.
— zijn moest, salrbih-
Itbihnja.
— zijn minst, sakonang-kui-
rattgnja,
—, ten einde, socdah.
maken, viïnjoeddJikan. —, niet mee;
voorhanden, of in voorrnad, poeiues.
Httbis.
—, opgegeten, habis dimakaM:
schoon - —, geheel —, van zaken, die
weggenomen, uitgetrokken of gestolen
zijn, ook van geld en spijzen, poepues:
zoo —maken, incmoepueskan; geheel
■—, schoon —, niets uiecr over, puenaii,
Skr. habis poenah. — zijn, opgestaan
zijn, soedah bangoen. — en af. nad:
toeroe;i;
berg—, berg af, naik goenoeng
toeroen goenoeng.
— en neer gaan van
een ruiter op een dravend panrd,
èerenlafre\'ntak\'. — en neder, neder-
hurken en weer opstaan, sim/gang.
en neder voorbij iets, lalue-laltntg.
en nedergaan in een gat, zuuals b.v.
een zuigerstang, mrlotjuk. — en nedei
bewegen van takken, bétlatnboeng-law-
boengan;
schielijk — en nedergaan
van de borst, de aderen, de strotgroeve
enz., mendSgap; vnn de borst ook
tnenampi (van tampi). — den duur,
tetaloe, senantiata.
opbakken, nog eens bakken, vnn brooii
enz., membakar lagi sakali; van vlcesch
of visch in eene pan niet vol, mïnggo-
reng lagi sakali.
Zio bukken.
opbarsten, opberstcn, b.v. van vruch-
ten enz., mertka/i,- van andero zaken,
mvrïlafc. Zie bersten.
ditê/npat bêladjar. — hand, zie voor»
ftcbot. — eens, zie plotseling en
onverwacht*. — mnrsch gaan,van
aanzienlijken, bvrangkat,- anders bèr-
djatan.
— do been brengen, MÏngïrah-
kmm
(van kërah). — de vlucht paan,
lart; zie vluchten. — sterven lig-
gen, nïndak- mati; zie sterven. —
jaren zijn, toedek lonen. — die manier,
dh/gan prri jang dtmikia/i. — zijn . . .,
tjara, b.v. — zijn ehineescb, tjara
tjina;
ietwat — zijn uinleisch, metajoe-
mélajoean s\'édïkit,
ook bihasa, b.v.
dan raden (ittloek inakan bihasa oratig
goeaoeng,
en raden (>. at uj) zijn berg-
bewoners. — zijne boenen slaan, btr-
d\'tri dingan kakinja.
— den zevenden,
pada [kapada) loedjoeh kart boelan.
rail sterven, mati didjalaa. — iemands
zijde zijn, bïisoeatue d?ngan sa\'urang,
pada sabïlah sa\'urang.
— het ontvaii-
gen van den brief, satvlah sampat soe-
rat itoe. •
— (na) iemand voigon, kïmoe-
dian daripada oratio
... — tles&chen
doen, mvmbutolkan. — sterk water
gezet worden, dimasoefykan dalam ajar
keras.
— (na) het eten, habis makan.
—  die vraag, akan pPrlanjadn ito*\'.
zijn wenken bedienen, mlüyani dingan
ïadjin.
— Singapocru varen, berlajar
ka Si»(japüera.
— iets aandringen, zie
ald. — iets aanspraak maken, zie ald.
■— iemand schelden, maki-maki akan
oratig.
— iemand juloersch zijn, tjem~
Loeroewau akan oratig.
Soms Uioet —
met den trans, vorni van het Ww.
teruggegeven wurden, b.v. — iemaad
knorren, mtmarahi urang. — een meisje
verliefd zijn, mengasihi sa\'urang anak
dara
enz. — zekeren dag, pada soeatoe
hari,
— dat uogenblik, pada koetika
itoe, pada sabénlar Hoe, pada saat Hof.
—   dat eigen oogenblik, pada koetika
itoe djoega,
enz. — goed geluk eene
handeling verrichten, fig. oentoeng saboet
timboel, oentoeng batoe lPnggilam,S\\tï\\v.
Zie «zelulc. — zijn witst, poelih sa-
poetihnja.
— hot paard stijgen, naik
koeda.
— den berg klinituen, menatki
boekit;
van onderen —, dart bawa/i
laloe ka-atas.
— de jacht gaon, ptrgi
birboeroe ;
dut rust — mij, dat is voor
mijne rekening, atus akue (hamba, pa-
tik
enz.); de verplichting rust — u,
ivadjiblah atasiaoe; in den hemel en
—   aarde, dalam duenia int dan di-
-ocr page 560-
opbergen — opdraaien.
— van belasting, mtiubajar tjoekai,
m. bt\'ja. — van schatting, door over-
wonoeaen, nrimptrsïmbahkan Ocpeti.
opbrengst, product, ha f il,- zekere —
van rijst aan de priesters, bij het einde
van de vasten, Jitrah, Ar. pitera. —,
wat ontvangen of geïnd is, poengoetait.
opbruisen = opborrelen.
opdagen, verschijnen, tiba, kalihatau,
lahïr.
opdat, soepaja, af al, biar, agar, agur
soepaja.
— niet, soepaja djattgan en
verder de andere woorden gevolgd door
iljangan.
opdelven, nringgalt, nrintjïbak, —, tig.
voor navorschen, miuririktdi (van pr-
rik**), mtnje/idijr
(van ridijr). — ook
uringorek- (van korek), letterl. uitpeu-
teren.
opdelving, pïnggatiau, pintjebakan,
pïngurekan.
—, navorsching, sïlidikan,
pemt-rifrsaan,
opdelver, graver, orang jaug mhiggal\',
o. j. nten/jëbak; penggali, pëntjebak.
opdeunen, nringidoeng (van kidotmg).
opdiepen, uit het diep ophalen, nringa-
loewarkan ilari dalam
(van katoetcur).
—, nut aanbrengen, mendatangkan
fai-dah,
opdism-hon. uriiighhlavgkan, mtnjadji-
kan;
wat opgediseht wordt of is, kida-
ngan, sadjian;
opgediseht, (trsadji.
o\\ydii*achiniZr/>tri</hif/a/igaH,piênja<ljian,
opdoemen, mrlampocng, urilumpomg
poekat,
b.v. maka kalihatanlah poelan
Sailan urilampoeng poi\'kat,
het eiland
Ceilon doemdo op en kwam in \'t gezicht.
Zie opduiken.
opdoen, zie opendoen. —.voorraad
inslaan, nrimbvkatkan, mhigkimponkun
bekal.
—, opdisschen, zie ald. —, ver-
krijgen, erlangen, nrindapat, bërolih.
— van de waseb, melipat kain-kain.
berfsih;
zich —, zich aanbieden, da-
tang,
b.v. als de goede gelegenheid zich
opdoel, djikalau datang uiasajang fm\'ik.
opdokken, betalen, membajar.
opdonder, vuistslag, gotjoh.
opdonderen, donderop, scheer je wee,
ttjahlah ingkatt.
opdonkeren, van eene kleur, ntakin
loetca tctruanja.
opdouwen; stroomopwaaits douwen,
van een vaartuig met een boom, mXng-
galahkan moed ik:
opdraaien, opendraaien, memboeka dt-
opbergen, Ier bewaring, mtnjimpatt (van
simpau). Zie bergen.
opbeuren, optillen, ntftigangkat. —,
bemoedigen, inïtrifapkan hati (van te-
tap).
Zie ook bij weten. —, verlcven-
dïgen van eene plaats, meramaikan.
opbieden, mïnaïkkan tawaran, mtlïbih-
kan fairaran.
opbikken, alles opeten, makan haJAs
samosicanja.
opbimlen, mengtkat.
opt>lnzen, nringtmbotngkan (van kt.m-
boeng), nrimiyiltiuboenykan, tntmbing-
kukkttn;
een opgeblazen, verwaand per-
soon, orang sombong.
opblceken, djadi portin, djadi poetjat.
opblijven, niet gaan slapen, djaga;
den ganschen nacht —, <?jitga sapan-
djang fatum.
opbobbelen, zie bobbelen.
opbod, hooger bod, tawaran jang libih;
bij — verkoopen, melelangkan.
opborrelen, uit eene wel of vu kokend
water, bovwul, bouwak-, gëlegak. — van
lucht, b.v. uit een kruik of vnt, onder
water gebracht, mïrobok:
opborstelen, urinjikati- (van sikat).
opbouwen, uitnthuii<ioe.nkun.
opbrnilen, iirirt.ndaiig sakali lagi.
opbranden, met een gloeiend ijzer nier-
ken, menjiilar dt.ngan besi panas (van
stlar). — , door verbranden verbruiken,
mewbakar habis. —, door het vuur
geheel verteerd worden, dimakan habis
olih api.
—, opvlammen, in de hoogte
brunden, tiuik vjalanja.
opbreken, van steenen met een koevoet
of breekijzer, mfai-djang. — van een
brief, memboeka sorrat. — van eene
deur, mPnritjahkan pinton (van pet/ah).
— van huis of tent, mintbongkar; zijne
huishouding —, ernan geven, mtntboe-
tcangkan ruemalt (angga.
— van een
leger enz. vertrekken, berangkat, ber-
djulun.
— van een beleg, uri\'mperhïn-
tikan pïmgipoetigan.
—, oprispen, ser-
datca.
—, berouwen, mïnje,sal (van sesal),
opbrengen, omhoog brengen, membawa
■nuk. ( opvoeden. memëliharakan{\\m
pilihara).
— van een gevangene, uring-
hantarkan orang jang ditangkap
; van
een krijgsgevangene, nringhantarkan
orang tawunun.
—, opleveren, voort-
brengen, produceeren, nringhusilkun,
iiiï-ngaloeicarkan husil
(van kaloewar).
— van spijzen, wringangkai makanan.
-ocr page 561-
5 18
opdracht — open.
tigan mtmoetar (van poetar); ia de
hoogte druaien, mtmoetar ka-atat ; voor
iets —, moeten instaan, mënanggoettg
(van tanggueng); iemand voor iets laten
—, menanggoengka* ya*la orang.
opdracht, last, soeroeh, pëtati, peren-
tak.
Zie last; schriftelijke —, soerat
icfttimal,
Ar.
opdracht!*», van gelaatskleur, merah,
bfra.
opdragen; iemand—iets te doen, mP-
njoeroeh (van soeroeh), bërpétan. ■—,
naar boven dragen, mëmbaica ndik.—,
aanbevelen, mëmoedji (van poft/ji). —,
toevertrouwen, mënjéra/tkan, ntënyama-
n af kan, mvmpirtarohkan.
—, op iemands
schouders legden, utënangyoengkan (van
frtHggorHg). —, iets aan iemand gelasten,
en teVflM zien hoe hij het uitvoert,
bërpétan ditoeroefi. —, van een last,
of bevel, een opdracht doen, mëng-
• htmalkan
(van ihtimal, Ar.). — van
de spijzen, méngauykat atakanan, me-
vjadjikan.
Zie ook opbrengen.
opdraven, tori ndik.
opdreunt\'n,w/Fw/a»)jiflM, iriëmboenjikan.
opdrijven, naar boven drijven, jagen,
m• nyhaLut ndik. — van den verkoops-
prijs, mëlibihkon tawaran; inct den
vloed komen —, dibaica ajar pasang.
Zie ook bovendrijven.
opdringen, aandringen om iets te doen
of te nemen, mëmak-sa (van pak-ta). —,
ia elkander dringen, van een vijandelijk
leger, mënyyoeloeny. Zie dringen.
opdrinken, minoem habis.
opdrogen, bedr. mëngi ring kan (van
kiring). —, door met een doek of iets
anders, dat opslurpt, te drukken,
mtuë/ap, b.v. ditëtapnja ajar-matanja
dënyan sapoe tangannja,
zij droogde
hare tranen op met haren zakdoek. —,
onz. djadi kering; ook alleen kering;
opgedroogd in dien zin, kakeringan;
hare tranen droogden niet op, tiada
kering dëngan ajar matanja;
van zelf
—, van het zweet, padam; dat meer
is opgedroogd, kakeringatt tasik Hoe.
opduiken; bedr. iets met duiken boven-
breniren, mënjëlam, b.v. den dissel —,
mënjëlam bëtioeng.—,onz. timboel. — en
weer verdwijnen, zooals het strand van
uit zee gezien, kirap. Zie opdoemen.
opduwen, mënoelak\' na\'ik, mënoelak\' ka-
atat
(van toelak), mënjorong na\'ik (van
sarong).
opeen, in lagen op elkander, btrlapit-
lapit, bertoesoen-toesoen.
—, aan sta-
pels of hoopen, bërtiinhoendimboen;
dicht —, nevens of op elkander, ber-
iindih-tindih.
— , bij elkander, bërtama-
tanta.
opeendrin«en, mënindih; opeenge-
drongen, lërtindih.
opeensepaltt, dicht — van rookwol-
ken, bërkëpoel-këpeel; van personen, bër-
tindih-tindih.
opeenstapelcn, niënimboenkan; van
woorden, mënjoesoenkan përkataiin (van
toetoen).
opeenvolgend, achter elkander, bër-
toeroet-toerort\', bërtimpadimpa.
opeinchen, mïnoentoH (van foentoef\',
mëndütca, mënagih
(van tagih). Zie
eiNchen.
opeitfchinc loentoetan, daica, tagihan.
open, wordt op verschillende wijze uit-
gedrukt, b.v. — van een deur, kist,
kaBt, wonde, den mond enz., tërboeka,
dat tegenover ttrtoetoep, gesloten, en
tërnyanya, dat tegenover lërkatoep,
gesloten, staat. — van al wat een
reet of spleet heeft, b.v. de oogen enz.,
tjëlef.-. — gaan, in dien zin, mëntjë-
Iele,
—, geopend vnn de oogen ook
belek\'; met — oogen nauwkeurig be-
kijken, mëmbrlek. — staan, van eene
deur of een venster, térkauyyany; even
—, van ceno deur, een bek enz., rëny-
gang, bërëtiyyany.
—, even geopend,
van den mond, zoodat men de tanden
bij het lachen zien kan, senyeh, tër-
tëngeh.
—, openstaand, van dingen die
vanzelf open en dkht kunnen gaan,
zoonis b.v. schelpen en dorgel. tjëkeh;
aldus ■— staan, of zich openen, mën-
tjekeh,
—, ontplooid, b.v. vnn bloemen,
zonneschermen, den hemel, vleugels,
ooren enz., kembany, térkembany. —,
rui in. vrij, loewas, iapang. —, meer
geopend, van ringen, haken enz., leng-
kan ij
; eene ruimte — laten, mrlapany-
kan,
b.v. dëkat përadoean bayinda
itoe taroetcany dilapangkannja, disana-
lah koeda Hoc ditainbat,
dicht bij
\'s Vorsten slaapplaats liet hij een vak
— en daar werd het paard vastgebon-
den; het — veld,/«««/* lapang,padnny;
een — stad, negari jang tiada berkota
benteng;
in de — lucht, di-oedara,
dibatcaa langit.
— 1 ij f hebben, pu r-
geeren, mëntjanar; wat — lijf maakt,
-ocr page 562-
VI
openbaar — opening.
kembang,- de ooren —, ming\'embangkaa
tfliiiya;
een weinig — van een deur,
op een kier zetten, merenyyangkan se-
dikii- pintoe.
— van iets, dat uit naast
elkander staande dingen bestaat, zoonis
palissaden, staketsel?, omheiningen,
slagorden enz., ui\'Uijmcak .van koicak,
geopend in dien zin»; zich —, van
dingen, die open en weer dicht gann,
zounis b.v. schelpdieren, eene wond
enz., "f iijïnink (van sintalr); zich tel-
kens —, van den bek van een visch
die op sterven ligt of snakt naar het
water, menganykoep. — van de kron-
kels ecner slang, ontplooien, mengt\'rak-
(van érak), b.v. oelar mengêrak leng-
karnja;
zijne handen —, milddadig
zijn, wenghamparkan tangannja. — van
den mond, memboeka wveloef, menga~
ngakan moeloet
(van nganga); de oogen
—, memboeka mafa; iemand de oogen
- -, m\'èiitj\'elekkan mafa orany, membov-
kakan mata orang;
het oor. de vrouwc-
lijke schcedo enz. —, mémbhiykarkaa,
—, zie het volgende woord.
opengaan, van ecne bloem, regen- of
zonnescherm, den hemel, het hart, het
oor enz., over het algemeen van alles
wat samengeplooid of gevouwen is,
berkembany; van velen, b\'erkembany-
ktmbangau;
opengegaan in dien zin,
terktmhatig. —, ontluiken, van een
bloemknop, of dingen die opgevouwen
of opgerold zijn, of die gekookt wor-
den, membenykar (Jav. ttiegar). Zie
mekar. — van het hart, bij het
zien van iets, dnt de zinnen streelt,
ook sirap. — en dichtgaan, van de
netisvlcuguls, keiiibang-koeutjoep, b.v. bij
hevige gemoedsbeweging: van zelf —,
tèrboeka sendirinja; van zelf—, splij-
ten, b.v. van een ei, naad, zak. klee-
dingstuk, bèta». —van de oogen, tj\'elek,
b.v. beharoe fjrlrk mata orang Malaka,
toen pas gingen de oogen der Mnla-
kanen open.
openlmrt iir. onbewimpeld, feroes-te-
rang, bertatarau,
b.v. hij sprak er —
over, dikatakannja denyan b\'eifataran,
dikatakannja d\'engan téroes-t\'erang.
opt\'ning. begin, moe/a. —, gat, fubany.
Hang.
—, scheur, barst, spleet, tjelah,
lekah, riikah;
de beide openingen des
lichnams, die men zooveel mogelijk
bedekt, de geslaehtsdeelen en de anus,
abaimana. —, mond, ingang, moeloet.
purgatie, pentjakar. —, van snijwerk,
ttmèoes, irmboefc. — tafel. roemaA ma-
kan.
—, los, van een knoop, bei haar
enz., zie los. —, doorgebroken van
een gezwel of puist, pefjah. — en bloot,
iijaitt dan It\'thir, fèlaJidjatiy dun ter-
boeka.
— kaart tpelen, rond voor iets
uitkomen, l*rkata dengau teroes-terang.
— zee, taoet rembang. — van gemoed,
had berktnibtwg.
«jpcnbiiiir. Bijv. BW. J\'/W<Z, hUiir, Ar.;
door ieder gezien en gekend, iljahar,
Arab. — verkondigen, mendjaharkan.
—, ruchtbaar, fenar. —, Hijw. denyan
Hjata, denyan lalnr, njata-njata, mnloem.
Ar. —, algemeen, sadjatï, nm. Ar.
amoem, Ar.; in het— gestraft, disiksa
t\'rwata-viala;
in het —, ook dihada-
pan orang banjak, dihadapan segala
oraug;
een — ambtenaar, jtegaica\'t,
pegattai karadjotm, p. go f per nemen.
openbaarmnlicn, nnajatal.au, melti*
hiika».
openlmren. menja/akan, mëlahirkan,
b.v. zijne bedoeling —, meh\'ihirkan
itiaksoi-dtijti;
een geheim —, m\'èmboe-
kakan rafiasia.
—, algemeen doen weten,
me/ualuemkan.
openlmrine* ingeving, tcahjoe, Ar.
—, verschijning, tadjalli, Ar.; de —
van Johannes, tcahjoe javy kapada
Ja/tja,
open bersten, van vruchten, zweren,
puisten, handen of voeten, door rijp-
beid of gczwollenbeid, mïrïkah; b.v.
als een opengebersten granaatappel,
■taptrtt dtliitut uttrrkah. Zie het volgende
woord. — van een zak, kteeding-
Ituk, een ei cdz. van een naad, van-
zelf opengegaan, betas. — met cenig
geluid, meletos.
openbreken, onz. van eenc zweer, p\'e-
fjah;
van zelf—, van vruchten, brood
enz., wentjekah; aldus opengebroken,
fjekali. —, bedr. mënivtjahkan (van
petjah), me ut boe ka d\'engan memetjahkan;
de deur met geweld —, memetjahkan
phitoe dengau yagahnja.
opendoen, van een gordijn, m\'enjinykap
fvan stnykap). /ie openen,
openen, utfmboeka, memboekakan; ge-
opend, lifbunka. —, ontplooien, vnn
een regen- of zonnescherm, bloemen,
den hemel enz., m\'euy\'embangkan; zich
—, in dien zin, berk\'embang; van velen,
btrkèiubang-k\'embangan; geopend, /er-
-ocr page 563-
openknppen — opsnuif.                                       551
—, Inlichting, uitlegging, kanjataan,
pèngcr/ian, katerangait;
de — van de
nog niet gefloten hersepan, oehoeii\'
ocboen.
Zie fontanel. —, insnijding,
ontleding, pêmbfla/ian.
openkappen vnn een bosch, meuebang-
m> n\'ebas
(van tebang-tebas), memerang-
kan
{van terang).
openlirusen; niet kunnen —, tiada
dapat memboikakan;
niet open te krij-
gen lijn, ttada terboekakan.
openlaten, tnigijidkun ttiboeka, t. f\'er-
nganga ;
opengelaten van eene deur of
doos, bangai. /ie open.
openlijk, onbewimpeld, dengan berfala-
rau,
b.v. iemand — bestraffen, menem-
pëlakkan orang dengan tiirtalaran;
ter-
wijl hij — over mijne bedoeling sprak,
serta dikatakannja dengan bertalaran
duri jtal maksoedkor.
—, uitwendig,
jtihir, Ar. — doen blijken, mëlahirkan.
—, belijden, mengakoe dengan teroes-
ferattg, in. dengan njata, m. ilihiidapun
vraag sakalian
. — bekend lijn, keta-
hoean dimana-rnana, terniasjhoer di-
mana-mana, diketahoei orang sakalian;
zich — vertooncn, mëlahirkan dtrinja.
openmaken, wmboeka, memboekakan.
Zie openen. —, losmaken, openbin-
den, b.v. vnn lijnwaden om ze te
luchten, mengvral\' (van orak): weder
--, of losmaken van een knoop, kluwen,
streng enz. ook merouibak. Zie ook
losmaken.
openrijten, van dorens de huid, ming-
hirtS\'hiris.
— van de huid met een
snijdend werktuig of wapen, m\'erelas.
openscheuren, vanzelf opengescheurd,
gebersten, van eene nand, klcedingstuk.
zak enz., bëtas; door drukking open-
geschenrd b.v. van een zak, een vloer,
door te groot gewicht, ceu zeil dnor
den wind en ecu wond door een steek
of schot, buhus; verder —, van won-
den, rabak,\', rebak ; van een e scheur,
spleet of opening, mëngerabit (van ke-
rabif), mengerabik
(van kerabik).
openschuiven, van gordijnen, menjing-
kap
(vnn siugkap).
openslaan, m\'ètnboeka, memboekakan.—,
v. c. gordijn, mënjingkap (van singkap).
Ook v. e. boek.
opensluiten, mëmboeka, memboekakan.
opensnijden, mënibelah, menjiat (\'van
tiat). Uit laatste ook van een boek.
openspalken, den mond opengcspalkt
hebben, wijd den mond opendoen,
mangap.
opensperren, van de ougen, m\'émbë-
liakkan;
opengesperd, beliak. Vnn den
mond, zie het vorige woord.
openspringen, met een knal, meletos;
opengesprongen, gebarsten, rekahtbong-
kas.
openstaan, tërboeka, tërnganga. Zie
open.
openstnnnd, onbezet van een ambt,
tërboeka; nog niet voldaan, b.v. van
eene rekening enz., belom selvsai, belom
djelas.
openlornen, meretas, mëmboeka tljahi*
tannja.
openvouwen, mëmboeka lipafannja.
openzetten: de ooren —, menge mbaug-
kan te/inga
(van këmbang).
operment, gele zwiivelarscnik, artal.
Aarfat.
—, gewoon, onzuiverrattckruid,
barangan,- wit nrsenic-o\\yde, barangan
poefih, warangan,
Jav.
opeten, makan habis; van Vorsten, san-
tap hahis.
—, doorbrengen, weuiboros-
■■■\'■■\'.\'. menghabiskan; met huid en haar
—, makan dengan tahinja.
opeter, dooi brenger, pemboroi.
opfleuren, bedr. menjegarkan ; onr. djadi
segar ;
weder—, onz. djadi s-gur poela.
opflikken, herstellen, mëmbdiki. Zto
opschikken.
opflikkeren, van vuur, sënggau.
op lokken, memëliharakan (van pëlihara).
opfokkins, pëmetiharaiin.
opirisschen = optieuren. —, ver-
koelen, opkoelen, mënjedjoekkan; onz.
djadi sèdjoek; wederom —, djadi se-
djoefc poela.
opcanl\', mededeeling, pëmbëritahoean.
—, lijst, daftar, Ar. —, taak, zie ald.
—, vraagstuk, p\'ertanjaan, x,■■■i--.il. Ar.
opgaan, naar boven gaan, naik; iets—,
b.v. een berg, mënatki. — van de zon
of maan, terbil, naik; van de zon ook
Ziidpfp. —, opstaan, oprijzen, bërbang\'
kit.
—, opkomen van gewassen, toem-
boeh.
—, geen overschot hebben, habis,
tiada sisanja.
opüiminl, van houtgewns, bcrbalat/g.
opiiiuvrder, pemoengoet. — van tol of
belasting, pemoengoet beja, p. Ijoekai.
opgang, na\'ik; de — naar het huis des
lleercn, na\'ik kabail Oei tab; de — der
zon, na\'ik matahari, terbil matahari.
—, ttap, taugga; dit huis heeft twee
-ocr page 564-
152
opgeblazen — ophanging;.
—en, roemah ifii ada doetea tangganja.
—, begin, mofla, pennoelaan.—, roem,
kapoedjiau; veel — maken, bèrolih
kapoedjiau, djndi masjhaer namanja.
—, het Oosten, matahari ierbit, m,
hidoep, masjrik,
Ar.
opgeblazen, van HM blaas enz., boen-
tat.
—, sterk gespannen, b.v. van eert
met water gevulde blaas, de wangen,
eene puist enz., bernas. ■—, van den
buik, kemboeng. Zie opgezet. —,
verwaand, trotsch, sombong, tjongkak,
bongkak.
— worden, mendjadi som-
b/ntg.
— gek, penjombong; zich — aan-
stellen, menjomboag t/iri. — en ver-
waand, bongkak-poengah.
opgebruiUen, nunghabiskan, mnnakai
habis.
opa»\'hoopt, bertimboea-timboen.
opgeld, baai.
Opgelicht, zooals de wortels van een
omgevullcn boom, of de aarde door de
wortels, buengkas. Zie oplicht »\'ii.
opgerold, in elkander gekruld, zooals
een slang, berketoek.
opgeruimd, van hart, soeka hati, se-
nting hati.
opgeruimdheid, van hart, kasorknün
hati, kasenangan hati.
opgcschiWt, versicid, terhtjas.
opgeschoten, halfwassen, tengahndtk.
opgenloten; in de gedachten — liggen,
terbajang dalam pik\'tran.
Opgetogen, van blijdschap, «jam/£aw-
kaan.
opgeven, van een vlieger, mëngaudjoeng.
—, bevelen te doen, memereutahkan
(van perentah), menjoeroeh (van soeroeh>,
bêrptsan.
—, verinten, mtninggalkaa
(van linggal), uiêmbiarkan. —, spuwen,
moetah, moentah; blued —, moentah
darah;
fluimen ■—, berdahak. —, over-
geven, menjerahkan (van serah). —, van
den strijd, het onderspit, delven, tiwas,
kalah, •
— van do hoop, poefnes harap,
poetoes asa.
— van een randsel, mtin-
béti pénarka.
— van den naam, me-
ngatakan namanja, mèmbêri tahoe na-
utanja, menjiboet namanja
(van seboet).
opgevuld, asak; een —c pop, anak-
anakan asak.
opgewekt, vroolijk, soeka-hati; zie
levendig, —e moed, gembira. Ski\'.,
ook door het lezen van een verhaal.
opgewonden, vurig, ge/nb.ra, Skr.
opgezet, gezwollen, kemboeng; een—te \'
buik, peroet kemboeng. — van de buik
ook, boentjil. —, opgeblazen, tut bar-
stens toe, belènting; ziekelijk — van
den buik, door overmatig gebruik van
spijs, senoh.
opgezetenen, oraug pedoedoek; onder-
lioorigen, anak boetcah.
opgezwollen, béng kak; zie gezwol-
len. — van buik of wangen, bcentjit.
opgieten, mennewangi ivan toewang),
opgooien, miiewtpéf ka-at as, n.tloetar
ka-at as.
opgorden, m^njiugsing <van simgsing\\
opgraven, mettggali, m\'engorek (van
korek).
o\\>iXTi\\-vt\'V,penggali,oraHgjang menggal..
opgroeien, van menschen of dieren,
bertambah besar; van planten, toemboeh.
ophnnlbrug, itjembatan angkat.
ophalen, menarik ua\'ik (van lartk),
menghela ndik.
— van een brug enz.,
mengangkat, menarikka?t. —, inzamelen,
b.v. van belasting-, huur- of pacht-
penningen, memoengoet \\ van poevgoet).
—   van de riemen bij het roeien, me-
mahoet
(van puhoet), b v. rtjang kiri,
pahoet kanan,
strijken bakboord, —
stuurboord; eventjes — en weer luten
zakken, zooals een vischhaak bij het
bengelen, mèntjandak; zijn hart eens
terdege —, berpoeieas had; met den
neus de geur van iets —, gerising;
zijn hnrt —, menjoekakan hatinja {vau
soeka), memoewaskau hatinja (van poe-
tcas),
ook bèrpoewas hati; de kleuren
weder —, membangkitkan poela tcèr-
nanja ;
bet zeil —, mmaikkau lajar;
geheel opgehaald, in top gehcscbeii,
van een zeil, sampak. —, of inhnleu
of inpalmen van een touw, mengoem-
boel
(van oemboet); vroegere dingen
weer —, verwijten, membongkar-bangkir,
tnembatigkit-bangkit
, b.v. membangkitkan
perkara jaiig lama,
van oude dingen—,
oude kueieu uit de sloot halen; het
weder —, herstellen uit eene ziekte,
djadi hdik poela. —, vermelden, men/t-
boet
(van seboet >. —, verheerlijken,
memoedji (van poedji).
ophangen, menggantoeng,■ iemand —,
ook inengga/oetkan orang; opgehangen,
bergantoeug, terganloeng; iets —,mhig-
gantoengkan;
aan iets —, mevggantuengi:
—  met veelheid van obj. b.v. gordijnen,
behangsels enz., menggantoeng-gantoeng.
ophanging, pénggantoengan.
-ocr page 565-
5M
ophebben — opjagen.
hoogor maken, mtni/iggikan (van tinggi).
ophooging:, van den grond, tambak.
— van de verschansing eens vanrtuigs
tegen stortzeecn, roebimg.
ophoopen, opstapelen, bedr, minoem-
porkkan
(van toempoek), mënimboenkan
(van timboen); zich —, bërtambah-
tambah, bërtimboen-timboen.
ophouden, stilhouden, bërhënti.— met
iets, bërhënti daripada; zonder—,tiada
bërhënti, dëngan tiada berhënlinja;
zon-
der —, onafgebroken, tiada bërkapoe-
toetun;
zonder —, zonder einde, tiada
bërkasoedahan;
zij hield niet op met
weenen, tiada kering dëngan ajar ma-
tanja.
— met weenen, doordat men
tevreden gesteld is, senang dari laë/m-
ngis,
niet — van ook tiada. lëpat, b.v.
ziju mond hield niet op van. hij had
steeds den mond vol van, tiada tfp*4
daripada moeloetnja;
doen —. toeroeh
bërhënti, mimpirliïalikan
; iemiuid —,
titïnahani; zich —, lang toeven, leka,
b.v. zich lang onderweg—, leka didja-
lan;
zich met praten —, leka dengan
bèrkatit-kata;
zich lang — met naar
iets to kijken, leka mëmatidang (van
pandang); zich Inng bij het spel —,
leka bërmaitt; onder het werk —, tal-
men, leuga; zich aanhoudend ergens
—, b.v. in het water enz., biroendan. —,
in de hoogte houden, mëngangkat; zijn
kleed —, opnemen, mëmoengoet kam
(van poengoet). — van een vlieger enz.
opgeven, më ngantljoen g-andjoeng; de
handen — om iets te ontvnngen, mina-
dahkau tangan;
den mond —, in dien
zin, mënadahkan moeloet (van tadah).
—, rechtop houden, niënigakaii (van
tëga). —, ondersteunen, zie nld. —,
beletten, mënahani ivan tahan), mëne-
gahkan
(van tëgah), mïrinfangi. —, bij
zieh houden, vun een gast, mëmëgang.
—, vertragen, melambatkan, —, uit-
stellen, tnëmpêrtanggoehkan; zich ergens
—, vertoeven, tinggal. —, van een
hoofddeksel, niet afzetten, tiada mëm-
boeka.
—, van wind of regen, tëdoeh.
opinie, meening, pëngagak, sangka, rata,
kapikiran, pëndapat.
opium, zie amfloen.
opjagen, mëng/ia/aa, mënghalankan. —,
voor zich uitdrijven, van vee of wild,
mënggtring. — van den prijs bij eene
veiling, mtlëbihkan taicaran, menaikkan
harga.
ophebben, op het hoofd hebben, mema-
kai
(van pakai), b.v. een hoofddoek —,
mëmakai dëstar, mëmakai së tangan ka-
paia.
Ook wordt het teruggegeven met
het Voorv. bër, b.v. bërdëtfar, bërsë-
tangan kapaia.
—, opgebruikt, srenut-
tiad hebben, toedah makan kabis, toe-
dab minoem habis \\
veel niet iemand
—, amat kasih ukan orang, amat soeka
ukan orang.
Ophefa overdreven lof, poedji jang tër-
laloe amat,
opbellen,optillen, méngangkat (vun ang-
kat);
uit het slijk —, lift. mënfjaboet
dari Umbahan.
—, optrekken uit iets
ook mëntjatohkan ; de handen — bij het
bidden, mënadahkan tangan (van ttulah);
de handen van verbazing —. mëngang-
kat tangan dëngan hatrati.
Ook de
handen — om hulde te bewijzen enz.;
met opgeheven handen amen zeggen,
inënadahkan «Mts; op de beide vlakke
handen in de huogte heffen, mënatang
(van tatang), mënafing (van fatingt. —,
roemen, mëmoedji (van poedji), —,
vernietigen, afschaffen, mXniadakan (van
tiada); den beker tot iemand —■,mïvg-
angkatkan piala kapada sa\'orang.
Zie
nanhetlen en verhellen.
ophelderen, bedr. mrnërangkan {van
tïrang).—, opvroolijken van bet aelaat,
mëmpërëtihkan muf ka (van bërëtiA): op-
gehelderd, van het gelaat, djërënih.
—, verduidelijken, verklaren, niënë-
rangkan, mëngërtikan.
—, onz. djadi
/Prang;
van het geluat, djadi djërënih,
bïrsëri.
opheldering, pënërangan, katërangan.
—, verklaring, pëngërtian, trlb/\'r, Ar.
tafair. Ar.
ophelpcn, helpen om op te stnan, toe-
loeng
.... bangoen (of bangkit). —,
helpen een lasl op te nemen, toeloeng
mëngangkat.
ophemelen, buiten mate prijzen, më-
moedji tërlaloe amat
(van poedji y, iemand
in de hoogte steken, mengangkat-ang-
kat, mënga/idjoeng-andjoeag.
o] ih \\i -*i\'iicn, tarifc naik, menaikkan, b.v.
uit den kuil —, tarik- naik daridalam
hibang;
de vlag—, menaikkan bandera.
ophitsen, zie aanhitsen; iemand
heimelijk tegen een ander —, mëng-
atjoem.
ophoogen, van den grond, aanvullen
met aarde, mënambak (van tambak). —,
-ocr page 566-
&54                                             opkamer — opkweeker.
opkamer, bilik jang di\'afas, bilik lo-
teng;
luchtige —, vertrek op een plat
dak, bilik piranginan, zooals m Arabie,
bil%k andjofng, aldja?, Ar.
opkijken, n.ïmandang ka-atas, mtUhat
ka-atas, utênengok ka-atas
(van tfttgok),
minenaadah
(van ttngadah, dat tegen-
over toendoek staat); telkens — van
zijn werk, toendoek téngadah; vreemd
—, ftairdn niïlihat; ook terkPdjoet,
letterl. verschrikt,
opklaren : helder worden, djadi (Prang;
van het weder, djadi (Prang tjoewatja;
omdat de duisternis nog niet was op-
geklaard, spbab bitom tjPrah gPlap. —,
van vochten, djadi hpning, djadi djt-
rinih.
Dit laatste ook van bet gelaat,
nevens bPrsPri. —, bedr. mPnPrangkan,
tnPnghPningkan, mPndjprPnihkan.
Zie
ook ophelderen,
opklnuteren, in een boom of mast,
mPmandjat (van pand jat). Zie op-
klimmen,
opklimmen, naïk; in rang —, naik
pangkal.
—, beklimmen, b.v. een berg,
heuvel enz., menaïki, mendaki; tot iets
of iemand —, mena\'/kt, b.v. maka soel-
fi\'tn Mansoer Sjah puit mPmbvri titah
.
mvnjocroch méndïki Hang h astoeri, >
sa\'orang pon tiada bPrtjakap menaïki
|
dia, en siilthan Mansoer Sjah gaf bevel
om tot llnng Kastoeri op te klimmen,
doch niemand was in staat om tot
hem op te klimmen; in bet hart ■—,
tlrbit dalam hati, bPrbangkit dalam
haii.
/ie ook l>eklinimen.
opklimmin<£ï bij trapsgewijze — ,ber-
pangkat-pangkat, bvrtangga;
bij — van
den een tot den ander, bPrtanggadangga.
opklooven, memèetai.
opkloppen, mPmbangoenkan dtngan
mPiigil\'uk.
opknappen, zich —, mpmbatki dirinja ;
wat —, iets beter worden, mPndjadi
baïk stdikit;
iets —, verbeteren, i/iem-
bitïki barang soeatoe.
Zie ook ver-
nieren.
opkoken, nog eens koken, musafr poela,
mtrtboes poe/a:
zie. koken. —, een
weinig koken, masak- stdikit.
opkomen, in de hoogte komen, stijgen,
naik. — van hemellichamen, tïrbit,
naik;
van de maan ook kambavg;
weder —, naik poe/a; doen—.oprijzen,
mPuibangkitkuv, mvnPrbitkan. — van
een bui, storm enz., toeroen, d.i. neer-
dalen ; het — van den vloed, boenga
pasang.
— van toorn, btrbangkil mar ah,
naik marah. —
uit eene liggende hou*
ding, bangoen. — uit eene zittende
houding, bangkit b^rdiri. — en weer
verdwijnen, zooals de riemen bij het
roeien, het strand van uit zee eezien,
kirap. —, aan de oppervlakte komen,
timboel. — en zinken, timboel-ttnggP-
lam.
— van katoen dat schoongemaakt
wordt, mt.mbarsa-boesa, letterlijk schuim
vormen. —, van gewassen, toemboeh.
—, verschijnen, kalihatan; doen —
van geesten enz., mPmbangkitkan; weder
— uit eene ziekte, sembueh poe/a dari-
pada ppnjakil.
—, ontstaan, bPrbangkit,
djatfi;
er tegen —, van bet zemoed,
bangkit Aalt; tegen iets —, tegenspre-
ken, zich verzetten, het verkeerd vinden,
mtajalahi (van satah). —.toevallig aan
iet» denken, tPringat akan. —, het op-
komende,toekomstige,/(t\'/^* akan dalang.
Zie ook opzwellen en opatann.
opkonmt, begin, aanvang, oorsprontr,
asal. moela, pnhon.
opkoopen, alles in eens koopen, mïm-
btli tandang;
ook alleen mtnandang,
b.v. ditandangnja boetcah djamboe ito>!
doewa sadoewit,
hij kocht die djamboe-
viuehten op legen twee voor een duit:
in het groot — om in het klein weer
te verkoopen, merajih.
opkooper, orang jang mPmbPli tandang.
— die in het groot opdoet, om in het
klein weer uit te verkoopen, pPrajih.
opkroppen, zijn verdriet —, menjPm\'
boenikan doeka-tjitanja
(van stmboeni),
mevjamarkan doeka-tjitavja
i vau sa/nar);
beleedigingen —, zure broodjes eten,
dittlani bator, d, i. steenen te slikken
gegeven worden,
opkrullen, van het haar, mengikal,-
opgekruld van de bovenlip, djoengil.
opkunnen, op kunnen eten, dapat ma-
kan habis
; op kunnen drinken, dapat
minoem habis;
van andere zaken, dapat
mtnghabiskan;
kunnen opstaan, dapat
bangoev, dapat bangkit;
tegen iemand
—, dapat mëlatcan; iemands partuur
zijn, tegen hem opgewassen zijn in een
strijd, sama padan,
opkweeken, mP.mP.liharakan (van peli-
hara);
een diertje —, mPndidik ■ het
diertje, dat opgekweekt wordt, didik-,
opkweeker, pemPlïhara, orang jang
rnimplihar akan.
-ocr page 567-
ophweekinfi; — oplichten.                                     555
opkweeliinj*, pZintlikaraiin.
opltwikUrn, verkwikken, minjhjarhin
(van sfgarj. —, vergieren, mtnghias\'t.
oplnatj, lang op iets lapis; vu» een —
voorzien zijn, Ini lapis. — van druk-
werk, zie druk.
opltiden, van eune lading op eca voor-
werp, memvetcatkan; op een persoon,
mëuanggoengkaii (vnn tanggoemj); op
een kar laden, mnaoewatkan kapedati;
hij laadde liet hein op de schouders
ditanggoengkamija pat/a bahoenja.
< )| il:u i ■• ii. unngoendjoek ka-at as.
oplaujjer (mar.) tadjoejr; naar buiten
gebogen —, waarvan een zekere hoe-
veelheid do snngga galah vormt, (a-
djoek tangga galah,
oplappen, lappen opzetten, m f nam pal
(van tampal). —, verstellen, meiiibatki.
oplnten, doen boven kooien, van een
persoon, soeroeh na\'ik, memptrsilakan
iint\':. wndjempoet na\'ik;
V1 iegers —,
in het algemeen, bérmaïn lajangan; een
vlieiïer —, mênaikkan lajangan; een
vlieger opgeven, zie opgeven i duiven
—, melepaskan boeroeng m\'erpati. —,
niet afzetten, van een hoofddeksel,
tiaila memboeka.—, niet afnemen, tiada
nifiigaiifjkat.
oplegden, leggen op iets, mëlHakkan
di-atas, menaroh di-atas
(van tarok),
—, er bij voegen, vermeerderen, me-
nambahi, mïnambahkan
(van (ambah).
— in een pakhuis, mëngoempoelkan da-
lam goedang
(van koempoel). — van
geld, méngoempaelkan ueicang. —, ter
perse leggen, mèntjap, mem-ra, mëntji-
lak.
Zie druUki-n, — van een last,
menanggoengkan (van tanggoeng); van
eene wet, straf of verplichting, m\'elt-
takkan,
— van een klad, aantijgen,
uitnoedoeh (van toedoek), menoekas (van
lorkas). Zie ook lasteren. — van
een vaartuig, op stapel zetten, m\'engga-
laug.
—, voorraad opdoen, nii-ngoein-
poelkau b\'ekal.
— van een eed, bcéedigen,
m ê nj oe ui pa/t t (van soempah), soeiveh ber-
toempah,
— van het zwijgen, soeroeh
diant;
iemnnd door overreding lot zwij-
gen brengen, mcmboenoeA p\'ei\'kataim
orang
; den mond stoppen, mëngatoep-
kan. moeloet.
— van de handen, b.v.
bij hot zegenen, viemhocboeh tangan,
meietak\'kan tangan.
— van de handen,
b.v. op den kop van een otlerdier,
ui\'enoempangkan tangan. —, opplakken,
van een pleister enz., twnepit (van
tepil). — van bladgoud of bladzilver,
meïekap-lekap. — van boete, mendenda.
—   van belasting, wtntjoekai, méngëna-
kan tjoekai.
— met een opleg-el of
bekleedsel. zoowel van metaal als iets
anders, w&njaioti (van saloet).
oplej£Kel, bekleudsel, saloet, saloetan;
van een — voorzien zijn, bersaloet.—,
zie ook belejjMel.
opleiden, naar boven, wmbatca na\'ik,
m\'tnghan/ar na\'ik
; bij de hand, intmimpin
na\'ik
(van pin/pin). — tot iels, in \'t al-
gemcen, membawa kapada.
opleidin™,door onderricht,p>ngadjaran.
oplepperen, zooals zwemvogels met
hunnen snavel, minjoedoe; niet opgelep-
perd kunnen worden, tiada tersoedoe.
opletten, acblgeven, m--ntjainkan. —,
ter harte nemen, iio-ntptrhatïkan, —,
het oog houden op, membueicang-boe-
icang mata.
—, aandachtig luisteren,
mind-iigae baik-baik,
oplettend, voorzichtig, awas.
oplettendheid, perhatian.
opleveren, van voordeel, opbrengsten,
berhiitil, mengaloeicarkan hasil (van
kaloewar)
oplezen, oprapen, memoengoet (vanpoe-
ngoel);
dat wat opgelezen wordt of op
te lezen is, kapoengoetan; aren —,
menfjading; door — vci kregen rijst,
padi tjading. —, op zamelen, mengoe-
tip
(van kuetip); kruimels —, m\'engoe\'
tip remah-remah.
—, met luider stem
voorlezen, membatjakan,
oplezer, o\\y/.a.mc\\aar, pemoengoet, pèngoe-
tip.
—, voorlezer, pembatja, orang jang
membatjakan.
oplichten, helder worden, djadittrang,
—, optillen, iwngangkat, ook urengang\'
goeng
(van anggoeug). — met een spaak
of hefboom, hienguengkil; eventjes met
een spaak —, mmgoengkit. —. iels
met ééne hand opnemen bij hand, poot
of vlerk, tmnafing (van tating). —van
één poot, zoonis de honden soms doen,
inengengkeng (van kengkeng). — van één
been, m\'endjengkang; op verschillende
wijze, mtadjengkang-djentjko\'t. — van
de hielen en weer neerzetten, terwijl
de tcenen op den grond blijven, ine-
ngendjuet
(van atdjoel). —, iemand
bedriegen, uiemperdajakan. —, gevnn-
gennemen, mënangkap (van tangkap).
—  zooals eene slang haar kop, een
-ocr page 568-
556                                        oplichter — opnemen.
olifant zijn slurf, m\'éntjadoek. —, op- i
schorten, van een gordijn, sarocng of ,
ander klucdingstuk, een douk, die ergens
over ligt enz., mXnjdak\' (van setafr). \'
—, van een sluier, kleed enz., mt-
njingkap (van shigkap). — met den kon,
door eerst Ie bukken, zooals li.v. een \'
os, die iets op de horens neemt, mX-
nganggol,
— van onderen met de beide
banden, b.v. een kast, ledikant enz.,
mtttjangga/ig (van saiiggang); van voren
opgelicht, zooals b.v. bet hoofd om
naar boven te kijkeo, een stuk geschut \'
enz-, dongak; opgelicht van arm of been,
fepak; aan één kant opgelicht, zooals
b.v. dakpannen door den wind, sirap;
opgelicht, zooals de wortels vaa een
omgevallen boom, of de aarde door de
wortels, boeugkas. Zie ook optillen,
oplichter, bedrieger, ptnipoe, pindaja,
oplichterij,/ient^xvrtn, pXrdajaaH, tipor-
tepok.
— plegen, bXrkitjoe-bïrdaja.
en bedrog, lantjomg-kltjoe.
oplikken, inXndjilat, mindjilat habit.
oploop, van menschen, gXmpar, orang
bXrkX-reemui\'n, orang bX.rkXformpofk,
oploopen, naar boven loopeo, naïkt
bXrdjalan na\'ik.
—, zwellen, djadi bXng-
/vy. bXrbX.ngkak,—, vermeerderen, bXr-
tambah.
—, eeue wandeling doen, btr-
djalan-djalan,
—, op-cn-neer loopen,
berdjafan pergi-datang, b. kasana\'ka-
mari;
voorbij iets, lalne-lalang, botak-
halik,
.Tav.; eeoe rivier —, moedik.
—, verkrijgen, mXndapai, bXrolih; een
nieuwtje —, menXngar ehabar.
oploopend, driftig, panas, pat/as hati.
oplosbuar; chemisch —, dapat han-
fjoer.
—, op te helderen, dapat di-
Xrtikan.
oplossen, chemisch, mXnghantjofrktin;
opgelost, verteerd, ontbonden, ook van
spijs in de maag, /tai/tjoer. —, vcrkla-
ren, mv.ngürtikau.
oplossing, verklaring, pt-ngXrtiav,
opmulten, een bed —, mX>tupX>rbaïki
ptradotan
of ia. pf.tidoeraa; in orde
brengen, mXmbaïki; weer als nieuw—,
immvflangka/i bcharoe (van poelang).
—, opwekken, aansporen, mïiigadjak.
—, zoodat er niets overblijft, utvngha-
bixkan.
—, doorbrengen, mXnghabiskan,
memboroskan;
zijn vermogen —, ver-
kwisten, ook mhigoembah (van kovmbah);
geheel opgemaakt, verkwist, doorgc-
bracht, poettah, Skr.; het baar —,
mXagandam ramboet; van Vorstelijke
personen en eene bruid, mXngandam
aoerai; tot een wrong —, /aX-ngoendai
(van koirridai); de knevels —, viXngan-
dtn/i misai. —, besluiten, menXn/ot\'kau
(van tXntoe); zich —, vertrekken, bXr-
djtila», van Vorsten en aanzienlijken,
bXrangkat\'.
opmaker, verkwister, pXmboros.
opmareheeren, bXrdjalan, btrangkat.
Opmerkelijk, vreemd, üdjdib, Ar. hai-
raH, Ar.
opmerken, mXmpXrhatikan.
opinerliin^Kwaard, patort dipXrha-
tikan.
opmerking; bij zichzelven de — ma-
ken, iiiftijlah hatikor.
opmerkzaamheid, attentie, pXrha-
tian.
opmeten, mXngoekoer.
opmeter, ptttgorrkoer, orang jaug Mt\'
ngockoer.
upuu-tiim, pïugoekofraN.
opmtiiisfl, lipatan jaug didjahit; een
— maken, mïndjahit liputav.
opnemen, optillen, mXngangkat.— van
een luik en die elders plaatsen, mi-
ngaagkit.
Zie afnemen. —, van den
grond, oprapen, rnXniofiigoct (van pof-
ngoet);
geheel onwillekeurig iele —,
of aanvatten, minggapil,■ met de punt
van een vinger kleine lichanmpjes —,
mX-ntjiljap. — met de toppen der vin-
gere, zooals kruimels en dergel. op-
lezen, niïngoetip (van koflip). — met
de toppen der vingers, of zoo vast-
houden, zooals b.v. iemun 1 die slier-
aspersie eet, wÜmbtbU; zijn kleed —,
ophouden, inXinofngoet ka\'m. Ook het
wnschgoed — van de bleek. —, bckij-
ken, Tfielihat, tiiïlUiati; scherp bekijken,
nandnehtig beschouwen, tuvnatap (van
1atap), b.v. maka ditatap otih Maha
lladja Dfica Sofra, maka dWhatnja
korkon/ju kut\'ravg safoi\',
enM.lt. JJ. S<
nam het goed op en zag dat er t;t>n hoef
aan ontbrak; het met iets licht of
gemakkelijk —, mtriiigankan, b.v. het
met den godsdienst liebt —, mXriugaV\'
kan agatêia;
in ernst —, m?ja$ittka)i;
geld —, mXmiadjttM oeirang; kwalijk
—, djadi kXtjil hati; in huis —, tijde-
lijk verblijf verschaffen, mXtmhXiri ioem*
pangan.
—, aieten, mX-ngofkoer. —,
opbreken, taX.mbofka, mX-mbongkar. —,
onderzoeken, rnXtiitiri^sdi (van pXrifaa),
-ocr page 569-
557
opnemer — opperpriester.
— van de namen, menjoera/kan nama-
//fin,\'.
—, op zich nemen, tanygoevy,
minanyyoeny.
Zie bij nemen. —, |
aanuemen, mtt/ïrtma (van ttrima). —,
tut stand komen, djadi.
opnemer, onderzoeker, pïm$rik*a.
opneming, onderzoek,i>it,ieri$rsaan,—,
opmeting, pinyoekueran. — van geld,
pindjaman oewang.
opnieuw, nog eens, sakali layi; telkens
weer van voren aan, bietaloe\'taloe. —,
van voren aan, samoela. — met iets
weer beginnen, minjamoelakan. Zie
nieuw.
opnoemen, mïnjëboet (van siboet), ach-
tereen, een voor een —, mënjiboet
satoe-satoe
; hunne namen een vooreen
—, menjeboet nama masuiy-masiny. —,
tellen, mimbïlavg. —, zeggen, minga-
fakan;
niet allen op te noemen zijn,
tiada ftrkafakan habis samuewatija.
opnoeming, aiboetan, pinjiboetan.
opolleren, als een otter opdragen, mPm-
piisïmbahkan, mingko~btrmkan
; zich met
zijn velen —, sterven, ftfrmmtt «ni»
—, te Itosle leggen, membitiandjmk;
met opullering van zijn leven, d> ngan
bitaud/a ajatcanja.
—, wagen van zijn
leven, htndak miwboewang ujawa; wie
zich voor een ander opotl\'ert o! in de
plaats stelt, galang yauti.
opontbieden, soeroeh data»y,rnima»y-
yii;
beleefd — mimpërsilakan datany.
1\'lH.iiili.nl. panyy\'ilan.
oponthoud, uitstel, ptrtangyoehan; zie
verhindering.
oppakken* inpakken, birktmas-kimas; i
tot een pak maken, mimhomykocskan. ,
—, optillen, zie ald. —, gevangen j
nemen, mSnangkap (van ianykap). —,
zoodat men zich niet kan verroeren,
mirenykoh.
oppassen, iem. bedienen, mtdajani;
zieken —, milajani vrany sakit. —,
op zijne hoede zijn, djaya, bh\'djaga.
—, toezien, een oog in het zeil hou-
den, tittHiboeicany\'boewany ma/a, mem-
biri mata.
—, bespieden, mlnghintai.
—, hoeden van dieren, mïnygombala,
b.v. paarden —, m inyyomhaia koeiia,
kippen —, minygombala hajam. —,
vlijtig zijn, radjia. —-, beproeven of
iets ergens op past, mintjoba. Zie pas-
sen; pas op! djaya buik-bdik ; ingal-
inyat,
oppassend, buik kalakoeannja; zich — \'
gedragen, melakoekan dirinja ba\'ik-baik.
oppasser, bediende, pelajav, hamha.
—, spion, pïnyhhitat. — van dieren,
gombala. — van paarden, yomhaia
koeda,
van pluimgedicrte, yomhaia
hajam
enz.
opper, in samenstellingen, hoetor, maha,
pinylwloe, kapala, hlsar.
Zie de samen-
stellingen.
opperudmirnal, laksamana.
opperbest, maha baik,
opperbetttuur, ptmirentahan jatiy
maha linggi.
opperbevelhebber, over het zeewe-
zen, laksamaaa ; te land, ping!ima pt;*
rang blaar.
opperbevelhebberschap, op zee,
pangkat laksamana ; te land, pa»gkat
pluylima pirany besar.
opperdeel, bovenste deel, bihayia» sa-
btlah a/as.
—, bovenste deel van bet
land of eene rivier, horlof, oed\'tk; de
opperdeelen des lands, hoeloe niyari,
tanah vedtk.
oppergebieder, janydipïrtoewan; bij
verkorting, jamtoewait.
oppergerecht, ho-lorm bisar.
opperi»erecht**hof, mahkamat bisar.
opper-je/uy, pi mi re ut ah au, adikara.
opper <*odheid, maha dewa.
opperheer, maha railja, jang rflJMT"
toewan, ad trad ja, Skr. —, van God
gesproken, Toehan, maha bisar Toehan,
opperheerschappij, pimerentahan
jauy maha tinggi, rijasat,
Ar.
opperhol\', op perge rechtsbof, mahkamat
btsar, liockoem bisar.
opperhoi meester, jam-jam binda*
hart.
opperhoofd, p&nghoetoe, kapala, ook
orat/y tocwa; het — dat vnn allea
kennis draagt, orang lo/\'ica taboe.
opperhoutvester, radja rimba.
opperhuid, dunne oppervlnkte, bast,
vel, djan gat; van de — ontdoen, min-
djan gat
; het werktuig daarvoor, pin-
djangat;
zijue — is dik, ttbal djanyatnja,
—, epidermis, koelit art.
opperlileed, badjoe torwar. — door
priesters en pelgrims gedragen, djoeb-
bah,
Ar.
opperklerk, djoeroe-ioetis blaar. Zie
klerk.
oppermacht, koewasa jang tirbesar.
opperofïicier, hoeloebalany.
opperpriester, imam btsar.
-ocr page 570-
558                                   opperrechter
opperrechter, kiidli, Ar. hiikim besar.
opperschenker, pünghoeloe segala
pêndjawaf minoeman
(of santapan).
oppersrhout, merivjo besar, sékot
Stiet,
oppersen, mtngapit-poe/a.
opi>erstalineester( van de paarden,
pïnghoeloe koeda; van de olifanten,ping-
hoeloe gadjah.
opperste, pïnghoeloe, kapala, jang ka-
pala sakali;
de — van de inlandsche
troinmelslagers, pïnghoeloe nobai.
opperstuurman. miïMIim bïsar, djoe-
roe-moedi bïsar.
oppervlak, /ie oppervlakte.
oppervluhhij** tliloevor sïhadja,\\ahir
sïhadja, koerang dalam;
van verstand,
tohor ; een — persoon, vraag jmnj koe-
rattg tahoe, o. j. k. f\'aham, o. j. k. pirn~
\'
da/; oppervlakkige kundigheden, tjèti-Jr
limoen ja.
oppervlakte, morka, Irbar, t/tas; de
— der zee, moeka laoet; de — der
«arde, moeka boemi, tabak. Ar. de —
van een steen, atasnja batoe. —, het
uitwendige van iets, lahir, Ar.: aan
de — komen, bovendrijven, timboel;
even boven de —, ramap; zich even
boven de — heen bewegen, mïranap.
op per vliet», zie opperhuid.
oppervoord, wak il bïsar.
oppervorst, maha radja, jangdipïr- ,
toeican.
opperwal, darat di-atas angin.
opperwnter, ajar dart hoeloe, ajar ,
dari oedijr.
opperwezen,het —,maha bïsar Toekan.
opperzanl, bilik di-atas, dldjat, Ar.
oppeuzelen, makan habis.
oppikken, van vogelt, mPmaroeh (van
paroeh), mïmagoet (van pagoet). —, van
■ondm ook mïngoetïp (van koetip).
opplakken, meuempel (van tempel), mï-
nepit
(van tepit), mïlïknp ; die geschrif-
ten werden aan de hoekon der straten
opgeplakt, so/-/-at-soeral Hoe d/tempelkan
pada sïgala simpavgan djalan;
fij n
gewreven witle peper wordt op het
voorhoofd geplakt om hoofdpijn te
gene/en. Itida soelah jang digiling iiot
diiepïtkan pada dahi tnïngobati sakit
kapala;
dan wordt er klatergoud ge-
nomen en hier en daar opgeplakt, laloe
di-iimbil ptrada térbang Hoe dilïkap~
lïkapkan.
oppoetsen, zie poetsen.
— oprichten.
oppoken, van vuur, mengoepafc api.
opponneeren, mïlawan, mïmbantahi,
mïnjalahi (van salah),
opponent, orang bantahan.
opportuniteit, uïktoe jang balk, koe-
tika jang balk.
opposant, vrang bantahan.
oppotten, van geld, mïngoempoelkan
oewang (van koempoet).
oppronken, mïnghtasï; zich —, bïr-
Jiict.
opproppen, volstuppen, mïnoempat;
opgepropt, volgestopt, toempat.
opraopsel, poeugmtan ; allerlei —,/>oe-
ngoet-poengoetan.
—, verzinsel, reka.
oprakelen, van vuur, mïngoepak- api,
mïnggalakkan api.
—, oude koeien uit
de sloot halen, wïmbongkar-bangkir.
opraken, sïhadjakan habis; opgeraakt,
habis, soedah habis.
01 rapen, oplezen, mï.noengoet (van
poengoet), mïagoetip (van koetip), b v.
de kruimels —, mïngoetip sïgala re*
mah-remah;
ook van vodden of oude
kleeren.
oprecht, toeloes, loeroes, hening, ichlas,
Ar. —e woorden, pïrkataan loeroes,
pïrkataan jang binar.
— hart, hati
toeloes. h. loeroes, h. hïning, h. poetih,
h. djerïnih;
een bijzonder — hart, hati
toeloes ichlas.
—, in opgerichte hou-
ding, tegap, tïga,■ in zulk eene houding
zitten, mïntjonggok\'.
oprecliteiyk, dïngan toeloes, d, ichlas,
dïngan hati jang soefji
enz.
oprechtheid, katueloesan, ichlas, Ar.
kabïnaran, poetih hati; bijzondere —,
toeloeS\'ichliis; in alle — mijns harten,
dïngan sasoetji-soetji hatikoe.
opredderen, het huis opruimeo, mï-
njimpani roemah
(van siwpan), ook
btrsimpan roemah. —, alles behoorlijk
opbergen, mïmbïtak\'.
opreiken, mïngoendjoek ka-a/as.
uitrekenen, optellen, aiï/ighïfoeng, inïn-
djoemlahkaii.
—, van vuur, zie op-
rnkelen.
oprichten, recht overeind zetten, min-
dirikan, mïnïgukan
(van tïga), mïm-
banyoeukan;
>teenen —, bertrga batoe;
een paal—, i>i<ndirikan sabatang Hang;
een moskee —, mPnegakan mtsdjid;
den godsdienst —, >.ivnigakan agama;
een huis —, uttmbangoenkan roemah;
een sehool —, niémboeka sekolah, mtm-
boeka fêmpat btladjar.
—, moed geven,
-ocr page 571-
550
oprichter — opschikken.
men in een tuin of bosch, rriè\'neratig-
kav.
—, om bals brengen, zie hul*.
oprukken, v. e. leger, berangkat, bPr-
djalan.
opschnJIen, mXnjadjikan (van sadj\'t).
opsdmrrelen ï zijn levensonderhoud
door allerlei kleine verdiensten —,
koeieil-kapai.
opselmven, op nieuw schaven, nte,/gï-
lam poela
(van ketam).
opschenken, mhioewangi (van toeicang).
opscheppen, met de beide handeD,
ntlngaoep (van kao\'-p) b.v. hij schepte
met zijne handen de aarde op, dika-
oepnja iavah i/oe.
— met een lepel,
menjot\'doek- (van soedoefc), met een
grooten potlepel, mï-njendok (van svn-
dol\')
; met een aker of wat daarvoor
dient, mhiimla (van timba); bij kleine
beetjes —, mPntjedoek. — met de horen?,
om het in de hoogte te werpen, më-
njondol
(van sondol), mënjvroendoevg
(van seroendoeiic), dat mede gebruikt
wordt voor he* — van garnalen met
een soort van mandje tanggoek. —,
goed onthalen, mendjamoe bdik-baik;
opgeschept, in overvloed voorhanden
zijn, berkalempakan.
opsekerpen, menadjamkan (van ta-
djam).
üok fig. van het verstand. —
aan de punt, mP.lantjipkan; een kris—,
mZngi/ir (van kilir).
opsehcuren, onz. kojal\', tjarik-,sobek.
Ook opgescheurd, b.v. mijn wambuis
is opgescheurd, badjoekot kojak. Zie
scheuren,
opschieten, uit de hand opgeven, op-
laten, ittengattdjoeng, b.v. een vlieger —,
mtngandjoeng lajangan; duiven —, mX-
lépaskan boeroeng mïrpat\'t;
een touw
—, tot een rol leggen, mïJitigkar fa/t,
mXmbXüi; een opgeschoten touw, tuit
bXrüngkar;
hoog—, in do hoogte groeien,
van hoornen, mïroendjau; opgescho-
ten, nl groot, van kinderen, zonder
iets geleerd te hebben, djevggar-djXng-
goer;
vuurpijlen —, mXltpaskan panah
api;
opgeschoten, opgeschoven, vaneen
kleed, eer. mouw enz., singsing, sing-
kat.
—, naderen, makin hampir. —,
opgroeien, van planten, toemboek. —,
van werk, sekadjakun soedah, kampir
akan soe.dak.
opschik, adort, soiïk.—, versiersel, pXr-
htasan.
opschikken; zich —, bZ>rhias, bXradon,
tntmpPrtetapkan hali. —, troosten,
mX\'nghiboerkan.
oprichter, jang me\'ndirikan, jang mXm-
bangorttkan, jang menï>gakan
enz. —,
bevestiger, pïndiri.
oprijzen, opstann, bangkit, bangoen,
baagkit berdiri.
—, zwellen, b.v. van
een gezwel, djadi bPngkafr. ; te berge
rijzen, van de haren, stram. Zie rijzen.
oprisptii, sï.rdaica, btsXrdawa.
oprisping, sïrdaica.
oproeien; eene rivier —, berdajofng
moedij?
; met {maaien, berkajoeh moedijf.
oproepen, roepen om op te staan, mem-
bangoenkan, mPndjagakan.
—, bijeen-
roepen, van onderhoorigen, mvngtrah- \\
kon
(van ktrah), —, van een naam,
mt-njXboel na ma; een doode —, ntêut- i
bmigkit\'han urang mati, tnembangoenkan
orang mati;
tot eene vergadering —,
mtmanggil kapada fier kim pon an (van
panggil).
oproeper, van volk, pëngïrah. — tot
bet gebed, modiii, verb. Ar. biltil, Ar.
oproeping, bijeen roeping, van volk,
pëngerakan. — tot bet gebed, ilcamat. Ar.
oproer, pergadorkan, koeroe.-kara, karot?-
hiroe, gentpar.
— maken, afvallig wor-
den, bal/la, Jnv. — verwekken, meng- I
gadot\'kkun, viïngharoe-biroekan, mXnga- ■
dakan pvrgadoehan;
de gansche stad
was in—,maka gen/parfah sa\'iai negari. <
oproerig, tegen den Vorst of de over- \'
beid, doerhaka, — zijn teLïen den Vorst,
„itndoerkaka kapada radja, meng/iadap
mofka kapada radja.
— van eene
menigte, hoerot\'-hara, karoe~biroe, kirof~
k ara,
oproerkreet, (Xntpik-socrak doerkaka.
oproerling, ornng doerkaka; die —,
sidoerhaka.
oproer maker, oproerstichter, orang ■
jang intngadakan hoeroe-hara.
oprollen, niivggoelocng. — in, vténg-
goelot\'ng dtngan.
— van zeilen, ook
imnggiling; zijn beddegocd —, meng-
goeloeng tikar bantalnja.
oprollintï, pevggotdoengan.
oprooateren, mëmatiggang poela (van
panggang).
opruien,opstoken, mtngasoet, mX.ngatjau.
opruier, opstoker, pX-tigasoet.
opruiing, opstokine, asoetan, ptnga-
soetan.
opruimen, zie opreclderen. —,
ruim maken, mïfapattgkan. —van boo-
-ocr page 572-
560                                opschiklievend — opsnuiven.
openmakon, van eon boek enz., mem-
boeka. ■
—, opnemen van een kleed, do
mouwen enz., ménjingsing (van singsing),
ui\' iitjela
v (van selak), menjengsat van
sengsat). — in prijs, onz. ndik harga;
bedr. niindikkan harga; bet loon —,
mïnambahkan gadji, m. opah (van tam-
bah).
—, van planten, toemboeh.
opslu&>;, verbooging in prijs, ndik harga;
in loon, tambahan gndji, t. opah.
van een kleed of mouw, singsingan.
—   van het oog, pimandangan ma(a.
opslokken, mènêlan (van titan); haasüg
■—, minoembal (van toembaly, haastige
opslokking, pênoembalan. Zie ook
schrokken.
opslurpen, inzuigen van vocht door den
grond, vloeipapier, eene spons enz., mi-
njërapkan
(van strap). Ook makan b.v.
karftis Hoe makan dawat, dal papier
slorpt de inkt op. —, opzuigen, in-
zuigen, ook mèntjiroep, — met den
umin!, niïngiroep (van iroep).
opslorping, piitjïj-tipan, pingiroepan.
opsluiten, menueloep; op velschillende
wijze van verschillende personen, toe-
toep-minoetuep.
—■ in een hok, mengoe»
roengkan
(van koeroeng); opgesloten
worden, di koeroeng kan, kina koeroeng.
—   in eene gevangenis, mémindjarakan
(van pindjara). — van militairen bij
het marchceren enz., mirapal; opgc-
sloten van een vogel in eene kooi, of
van een meisje, om het verborgen te
houden, pingil; wat nog onbestemd in
de gedachten ligt opgesloten en nog
niet tot de zekerheid eener overtuiging
is geworden, jang ürbajang dalam pi-
kiran.
— in bet blok, memasoeiig (van
pasoeng), membëloengguekan, — in een
hok of stal, mingandangkan (van kan-
dang).
—, openen, mimboeka.
opsnijden, aansnijden, moeldi wtimo-
tontj
(van patong), ■—, voorsnijden, /««-
mutongkan. —, opensnijden, zie ald.
—, nlles snijden, memotong habis. —,
grootspreken, bermegah-megah, birtja-
kap-tjakap.
opsn\\jder, pocher, orang sombong, pe-
ngatjak.
Zie ald.
op^nijderü. blutFtïrij, boetcal, b.v. boe-
icalnja terlaloe bZsar.
opsnüdiiii;, pocherij, kamtgahan, pir-
katatin sombong, tjakap angin.
opsnuiven, de geur van iets, meng-
gërising.
ook Vevdaiidan, metidandan dirinja, ment\'
bagoeska.il dirinja; iets —, menghiasi,
mïttdandam, mïttgadon,
—, opschuiven,
kïsak, b.v. schik naar den rechterkant
op, kftakla/i kakanan, ouk minytsak
(van ésak).\' —, door op zijn achterste
voort te schuivon bij kleine beetje»,
mengittgsoef, mrngesoet.
opschiklievend, fatterig, gadoelf, pi-
ngadon.
opschilderen, mintjat poela.
opschorten, van een kleed of de niou-
wen, mrtijingsinij van singsing), mfnje~
lal\'
(van selab), menjengsat (van sengsat\\.
opschrift, \'liiimat, Ar. —, adres van een
brief, ald mat sorrat. — boven den in-
houd van een brief, meental bestaande
uit een korte spreuk, ka-pala soerat.
opschrÜHtoek, soerat ptringatan.
opschrijven* wïnjoerat, mtnoelis (van
toelis). — in een register of op cene
lijst, nitndaftarkan.
opschrijver, pènjoeraf, pfnoelis.
opschriivinj», soeratan, toelïsan.
opschrikken, terktdjoet, ierperandjnt
(van pandjat).
opschrokken, memolok {van poluk),
mtufjaroek\'.
opschudtien, van een bed en dergel.,
mïramas.
opschudding, tumult, hoeroe-hara,
geger, gempar, pïrgadoehan, gadoeh.
— maken, in — brengen, mtuggadoeh-
kan, me nggtmparkan, minghoeroe-hara-
kan, mengharoe-biroekan, mënggegerkan.
Ook over iets — maken.
opschuiven, zie opschikken. —,
cene andere positie innemen van een
leger, j/tenjPsar (van sesar).—, op zijde
schuiven, b.v. van een gordijn enz.,
minjingkap (van singkap). —, zie ook
voortschuiven.
opsieren, tnïnghiasi.
Opsiering» pei/g/iiasan.
opsiersel, pe.rhiasan.
opslaan, in elkander zetten, tnemasang
(van pasaug); eene teut —, mtmasang
chaimah;
hutten of tenten — , birba-
roeng-baroeng ;
het houten geraamte
van een huis —, waarna men met
bnruboe en atap kan gaan werken,
mtttggtram roe ma h ; de uogen —, w2-
nïngadiih (van tïngadah).—.oprichten,
van een gebouw, tent c iz., mémba-
ngoenkan, mtndirikan.
—, van een gor-
dijn, minjingkap (van singkap). —,
-ocr page 573-
opsommen — opatundelinj*.                                  501
opHommen, optellen, membilatig, m<- i
ngoempoelkan (van kuempoe(),mX:niljoem- j
lahkan. —, verscheidene dingen achter
elkander opnoemen, mftijëborl masing-
masingnja
(of tiap~liap)ija),
opspnllien; deoogen—, membeliakkau I
mata; den mond —, mengtmgakan moe-
loei
(van nganga); opgespnlkt hebben,
mangap.
opnpnnneii, van doek over iets enz.,
membentangkan. — van een troinmelvel
op een trom, door middel van rotan
of koord, mênganggil. — van snaren,
ui\'emasang tali (van pasaag),meng\'enakan \'
tali (van kena). —, zie ook spunneii.
opspnren; geld —, meirgoempoelkan ,
unrattg (van koempoel); geld in een :
spaarpot —, mènaboeug (van tabueng).
opspatten, van vocht, perautjit.
opupelden, vastspelden, mengikat de- \\
ngmi peniti, wenjeiiHtt
(vun semat); in
de hoogte vastspelden, b.v. een kleed,
gordijn, met spelden opnemen, menjing-
sittg ilf-ngan peniti
(van singsing).
opspelen, lawaai maken, gadoeh, bër- j
gadoeh. —, van cene vrouw, die boos
13, gerèba/tg~gèribik. —, beginnen te
spelen, moelai ma\'iu; het eerst —,ma\'in
dehoeloe.
— van kaarten, merembat.
opsperren, van den mond, menganga- ■
kun moeloet;
opgesperd, van den mond,
ternganga, mangap. — vun de oogen,
membeliakkun wuift; opgespelde oogen,
mata beliak.
optporen, m\'eutjehari >\'< ngan radjin;
nauwkeurig onderzoek doen, mëtijèlidifr.
(van sidifr).
ui m| iriutlc. ui moe/oei, boewah moeloet;
in — komen, mendjadi isi moeloet, men- ]
djadi boeicah moeloet,
opsprin&en, uit ecne liggende houding, :
b\'erbangkit d\'enyan sigira, sigera b\'erbang- |
kit. —, een sprong of sprongen maken,
melompat; daarmede be/ig zijn, bVrlom- |
pat; toevallig — in dien zin, Verlom- I
pat. — van schrik, terpèrandjat (van
pandjat, k\'erandjat, —, omhoog sprin-
gen, van een mensch, een visch uit
het water, mèlamboeng, —, opkrullen,
van het hoofdhaar, mendjengkil. —,
met een straal, van water enz., mëtan-
tj\'tt, m\'elantjoet.
—, in menigte, van
kleine visschen of garnalen, mërètjoep;
onwillekeurig uit den slaap —, van
honden, ktkau. —, terugstuiten, b.v.
van een bal, mengamboel (van amboet); 1
ook van dingen, die met geweld onder
water gehouden zijn. —, uiteensprin-
gen met een knal, tne/e/oep, melHos.
—, bersten, petjah, h\'elah, relafr.
opspuiten, met een straal, memantjaf
(van pautjti.r); aan het — zijn, berpau-
tjaran;
bij tusschenpoozen, van water
enz., mant/it, mantjoet, mtlantjit, nutaw
tjoet, pantjit, jtanfjoet.
opspuitiii-*. pantjaran, panfjitan, pan-
tjoet au.
opstmin, overeind staan, als act, èèrdiri;
als nccidenteel passieve toestand, ttrdiri.
, zicb oprichten, bangkit bèrdtri. —,
uit den slaap of eene liggende hou-
ding, bangoen; voor iets of iemand—,
in dien zin, iiiembaugoeni, b.v. disa-
nalnh koeda ifoe difumbat, doeiva tiga
kali samalam dibungoini baginda,
dnar
wns dat paaid vastgebonden en twee-
driemalen \\ nachts stond do Vorst
voor hetzelve op. — van een zetel,
tueroe-; voor iemand van zijn zetel
—, mènoeroeni, b.v. djikalair anafc
radja-radja datang, tiada ditoeroentnja;
m\'elaiukan atiak radja jang akan gatttï
karadjaün, maka ditoeroeninja,
kwa-
iiien er prinsen, dan stond hij voor
hen niet van zijn zetel op; alléén voor
den prins troonopvolger stond hij op.
—  van tafel, oendoer daripada makan;
van Vorsten, oendoer daripada santap.
—   tegen iemand, m\'elawuu; legen het
wettig gezair —, b.v. tegen ouders, leer-
meesters, de overheid, den Vorst, (ïod,
mèndoerhaka kapada; tegen den Vorst
—, ook menghadap moeka kapada radja;
verschrikt uit den slaap —, rondtasten
en overal tegenaan loopen, terktdjoet
bangoen, t\'eraba-raba toenggang bul ik;
uit de dooden —, bangkit dart antara
orang mafi;
van den dood —, bangoen
daripada mati;
niet meer van eenc
ziekte —, iiada shnhoeh poela dan-
pada phijakit.
opstnnnd, bèrdtri, terdiri.
opstal, alles wat op een erf gebouwd
is, roemah kampoeng.
opstallen, mengandangkan (van kan*
dang).
opstnnd, tegen elk wettig gezag, b.v.
tegen God, de overheid, Vorsten, rech-
ters, ouders enz., doerhaka Skr. —
van een huis of gebouw, bangoenan.
opstandeling, orang doerhaka; die —,
tidoerhaka.
-ocr page 574-
562                                     opstanding
opstanding;! de —, kabangkitan, kijtUmat, Ar.; de dag der —, jaumoe\'llfijd-
mai,
Ar. Aart kijdmat, ])e Mohatume-
danen verdeden de — in «ene eerste,
of groot e, k\'ijauiat kobrü, en tweede,
of kleine, kijdmat sagArd; de — uit
de dunden, kabangkitan dart natura
orang mati.
opstnpelen, bedr. menimboenkan, me-
nvempoekkan
(van toewpoek), b.v. samoe-
fanja itoe ditoenipoelrkannja ka-alas
kapalanja,
dat alles stapelde hij boven
op zijn hoofd; zich —, berttmboen-
limboen.
—, zonder orde of regelmaat,
van lange voorwerpen, mtnindan (van
tindan); zich tot heuvels —, meuiboe-
kit anak,
b.v. bangkaï 3\'èga/a manoesia
mtmboekit anak,
de lijken der uienschen
stapelden zich tot heuvels op: zich op
elkander stapelen ook: alas-nwnguias.
opstappen, berlangkah na\'ik. —, weg-
gaan, pergi, burangkat. —, sterven, mati,
mtninggal,
van Vorsten, niangkat.
opsteken, iets in de hoogte steken,
mëngoendjoefc ka-atas. —, in desebcede
t-leken, menjaroengkan (van saroeng).
—, openen, b.v. een vat, memboeka.
— van geld, tnenjukuekan orwang (van
ëakoe). — van een lamp of sigaar,
mëmasang (van pasang); doen vlammen,
menjalakan (vnn nja/a). — van het
hoofd, mëmbësurkan dirinja. — van de
vingers bij eedzwering, mevgoendjoek
ka-af as dengau djari assjaJtadat;
fig.
voor bersoempah, een eed ailuggen.
—, openzetten van de ooren, meng\'èm-
bangkan te/inga.
— van een paraplu
of parasol, mengembangkan pajoeng (van
ktmbang). — van den wind, een storm
of bui, toeroe», d. i. nederdalen, dus
juist het tegenovergestelde van ons —;
b.v. er stak een storm op, verzeld van
regen, toeroevlah riboet dengan hoe-
djannja.
— van den staart, zooals de
honden, mendjèngkif, b.v. andjing dité-
pok kapala mendjéngkit ekoer,
wordt
de hond op den kop geklopt, dan steekt
hij den staart op, Sprw.
opstel; letterkundig —, karangan, ran-
tjana, ittjana
(Skr. ratjani})-, de ver-
schillende doelen van een —, anggota
karangan.
—, ontwerp, dinah. —, eerste
bandschrift, noschat, Ar.
opstellen, van een geschrift, hetzij
proza of poczij, mëngarattg (\\\'&n karang),
meranijanakan.
— vau allerlei geschrif-
opstuiven.
ten, karang-mengarang; opgesteld, ter-
karang.
— van minnedichten, m\'engikai
panton.
— van het geraamte van een
huis, mènggeram roeiaah. — van een
leger, mëngikat perang; van eea leger,
een optocht enz., mèngatoer; in geregelde
orde opgesteld, btratoer,
opsteller, van geschriften, pèngarang.
— vod gedichten, jtrngarang sja\'ir.
van eene geschiedenis, pèngarang Ai\'
kdjat, safiiboe\'Ihikdjat
\', Ar. orang jang
ampoenja tjeriiera.
opsturen, b.v, van een vlieger, rook,
wolken enz., na\'ik. —, zich golvend
veihcil\'en, zooals b.v. vlammen, men-
djociang;
dik — van rook, b^rkëpoel.
—, te paard stijgen, na\'ik koeda. —,
eea berg bestijgen, mindiki yoenoeng,
mèndaki bofkit.
— in rang, na\'ik pang-
kat.
—, uit de diepte aan de opper-
vlaktc komen, timboel.
opstijging, ndtlc; in rang, na\'ik p<tng-
kat.
opst ïjvi\'ii. met stijfsel, memboeboeA kan-
dji pofla.
—, stijf worden, van den
wind, mengentjang (van kentjang); van
andere zaken, djadi kakoe. —, stollen
van vloeibare zaken, djadi bèkot.
opstolien, van vuur, mengoepalr api,
mèngaalakkan api, menjalakan api
(van
njala), iemand heimelijk tegen een ander
—, mengatjoem. —, kwaadstoken, me-
ngasoet
(van asoef), ook menjoepak en
mëngasah hati orang. —, geheel ver-
branden, meutbakar AabU.
opstoker, aanhitser, pengasoet.
opstolierU* atoetan.
opstoppen, mhioempat (van toempat).
opstopping, penoempatan.
opstopper, penoempat, orang jang we-
noem pat. —, oorveeg, tëmpeleng.
opstoven, van spijzen, mënoemis poe/a
(van toemis).
opstrijden, mtlawan kata; iets —, mÏm-
bantahi.
opstreken, met een strijkijzer, menjê-
rika
(van sëtërika, verb.). —, naar
boven strijken, mênggosojr ka-atas, mr-
njisir ka-atas;
zie bij strijken*
opstroopt*», van mouwen of broeks-
pijpen, tnenj\'tngting; opgestroopt, sing-
sing.
opstuiven, van stof, bèrbangkit, b.v.
maka lëboe doeli pon bèrbangkit ka-
oedara, het stof nu stoof op in de
I lucht. —, opvliegen, zooals b.v. vuur,
-ocr page 575-
Ma
opsturen — opvangen.
waarin srepookt wordt, kembera.—, zoo- I
als katoen, dat schoongemaakt wordt,
memboesa\'boesa, — van de vederen van
vechtende hanen, méneraboeng (van !
Veraboeng). —, van kleine voohtdeelen,
ontstaan doordat eenig vocht met ge-
weld tegen iets slaat, berlempias. —, ;
snel opvliegen, terkvdjoat t erlang. —,
toornig opvliegen, berbangkit dt/igan
amarah. Zit
opvliegend.
opsturen, zie opzenden.
optakelen, van een vaartuig, melang\'
kapkan kapal, m. pèrahoe.
Zie ook
takelen.
op tarnen* opentornen, uiëritas, mem- j
bveka dja/iilamrja.
optassen, menimboenkan (van timboni). I
opteekenen, mhijoeral (van soerat),
ménoelis
(van loelis).
optellen, opnoemen, membitang ,■ bij
elkander —, mengoempoelkan (van koeia-
poel), mèndjoemlahkan.
optelling, bilangan, tljoemlah, Ar.
opteren, verteren, makan hubis.
optillen, mentjaiigkat (van angkat); niet
in staat op te tillen en niet opgetild
kannen worden, tiada iirangkat. —,
ook mènganggoeng (van anggoeng).
en op het hoofd nemen, më/idjoen- j
djoette, — en wegdragen, zooals bij
een verhui^bocl, t/iën gang koet (van ang- i
koet). — met ée\'ne hand, doch niet
booger dan de horizontaal uitgestrekte ;
arm, mêndjêndimg, b.v. een kind bij
een arm, een hond bij een poot enz.
—, doen stijgen op, mènaikkan ka-atas.
optocht; statige —, pei-arakan ; nl wat
bij zulk een — behoort, arak\'arakan,
paicai;
den —regelen, méngatoer paicai. ■
— van een leger, angkafan; het leger
begon den —, maka bala-tantara pon \'
bèrangkatlah; in — de stad rondgaan, j
bcrarak koeliling dalam tiëgari.
optochtstrom, voor een statigen rond-
gang, géndang ara^arakan, — in den
krijg, gëndèrang bërangkat.
optooien, mënghiasi; zich —, bérhias. i
optooisel, pirlnasa».
optoomen, van een rij- of trekbeest, \\
nienghiakan pakajan
(van kena).—, den :
toorn aandoen, tuöige.nakan kang.
optornen, zie optarnen; tegen iets
—, tersoentoek kapada; voor iets —,
aansprakelijk zijn, mënanggoeng (van ]
tanggoeng),
optred, pémidjak kaki; de breede —
onder aan een trap, tapakan, katapa-
kü\'i;
losse —, livgkatan; losse — bij
een rustbank, tingkatan pentat; losse
— vóór een estrade, koeda-koeda.
van een rijtuig, ijandit.
optreden, nu\'ék, bërlangkah neuk; als
getuige —, tiaik suksi atas.
optrek, optrekje, klein vertrek bij de
woning aangebouwd, andjoeng. —, waar
men zich zet om een luchtje te schep-
pen, bal ai përangman.
optrekken, in de hoogte trekken, tarifr
ndik, menghela na\'tk.
—, open of lüf-
trukken, tarik? sawpat tërboeka, mim-
boeka dengan tarik.
—, door den stop
er af te trekken, mtnfjaboet suembat;
een tlesch —, memboeka butul, mënfja-
boel soembat bolol.
—, van den nevel,
doen verdwijnen, mënjingsing (van tmg-
sing);
ook nieugliapoesktin, b.v. de zon
trekt de wolken op, malahari meng-
hapoeskan awan-aican.
—, doen stijgen,
mëndikkan; ook van een gebouw; een
huis —, bouwen, mënëgakan roe-mak
(van tëga), vtembangoenkan ruentah; den
neus vies voor iets —, g\'tli-ghnan. —,
omkrullen, b.v. van nat leder in de
zon, géringsinij ; een gordijn —, menjing-
sing këlambue;
zich—, zoonis b.v. apen
bij bet klimmen, of iemand tegen een
gvmnastiekladder, niënggaguhi dïrinja.
--, van een leger euz , bèrangkat. —,
hooger maken, më»inggikun (van tinggi,.
—, bijeentellen, zie optellen. —,
verdwijnen, van dampen, lënnjap; op-
stijgen van dampen enz., na\'tk. —,
opgetrokken van de beenen, zoodat men
ze niet meer kan neerzetten, terkapi-
kapi.
—, opgetrokken, zie bij krom.
optuigen, van een rij- of trekbeest, mfa
ngënakan pakajan
(van kena). —, van
een vaartuig, melangkapkan kapal, m.
perahoe.
opvangen, door iets in den weg te
leggen, b.v. een kuil of strikken voor
wild, mënahan (van tahau). —, met de
naar boven gerichte holte vandehuml,
menadah, uien at ang; al vangt de zee
een juar lang regen op, zij zal toch
niet zoet worden, mënatang satahoen
hoedjan d\'dangit, laoet masakan taicar.
— van vocht, door er iets onder te
houden, menadak (van tadah); ook tam-
poe?ig,
b.v. tampoeng ërtinja tadah sa-
pèrti nira,
tampoeng beteekent —, zoo-
nis van pnlinsnp. — van iets dat
-ocr page 576-
561                                       opvaren — opwarmen,
toegeworpen wordt, taenjamboei. —, ia
ontvangst nemen, uiënjamboH (vftnMM*
boet), ook — van iemand, die flauwvalt,
opvaren! dü rivier—, berlajar moedig,
moedik berpvrahoe ;
tegen wind en stroom.
—, mèlanda. —, ten hemel varen, naik
kola.igif.
— naar de plaats der gezalig-
den, muk kasorga, miradj. Ar.
opvarenden, atcak perahoe, atcak
kopal. Zie matrooN.
opvul loon, voor een weggeloopen slaaf,
pëwtÜÜt,
opvatten, van den grond opnemen,
w?moPuguet (van poengoet). —, meeneo,
ttiiiipa; verkeerd —, sulah lampa.
Opvatting, nieening, sangka, kira, lam-
pa ;
eene verkeerde —, sulah lampa.
opveaen, met een veger of bezem, mfa
njapof
(van sapoe); met een doek, m>-
rtgèsat
(vnn k\'esat).
opverven, itiengêtjal pnela.
opvijzelen, al ie zeer prijzen, mtmoedjï
tïrtaloe
(van poedji).
opvlammen, van vuur, marak, b.v.
sebab api marak beuur, omdat het vuur
duchtig opvlamde.
op vliemen, vaa een vogel, terbang na ik.
—, toornig, en van stof zie bij op-
stuiven. —, schielijk opslaan, ter-
tidjoei baityuen.
opvliegend, oploopend, berang, p\'ero-
ngof, panas bara.
opvoeden, van kinderen, mimëtiharakan
anak-anak.
—, opkweeken, ook mëndi-
dik;
het kind, dat opgevoed, opgekweekt
wordt, didik; wel opgevoed, tahoe bè-
hasa, bthasa baik, adib,
Ar.
opvoeren, opwaarts brengen, mëmbaicu
naik.
—, doen stijgen, uiënatkkan. —,
naar boven geleiden, mztighantar naik,
m. ka-at as.
— van den pi ijs, uiènaik-
kan harga.
—, vertoonen mam.
opvolgen: iemand —, mengganlikan,
b.v. zijn vader in de regeering —, naïk
kuradjaün nienggiuitikan ajahanda bu-
glnda;
bepaald — wat iemand zegt,
tiudu melalufi katu; ook in iets —,
b.v. in de regeering —, nirngyantikan
karadjaitn;
elkander bij afwisseling—,
ganti-b\'trganti, bfrgant i-gantïan. —, vol-
doen, nakomen, torroet!; b.v. de bevelen
—, tnenneroet perentah; van den Vorst,
mhioeroet Utah, mëndjoendjoi-ng Utah;
zijne lusten —, tumveroH haica-uaf-
soenja.
opvolaer, plaatsvervanger, ganti, ping-
ganti. —, die voldoet, nakomt, onleeft,
pënoeroet.
opvolainjï, venanging, phigganliau.
—, nakoming, voldoening, penoeroetan,
toeroeian;
bij —, achtereen, bertoeroet-
toeroeian;
bij vervanging, bërganti\'
gantian.
opvorderen, opeischen, zijne aanspra-
ken op iets doen uelden, mëndaica\' Ar.
Zie invorderen.
opvouwen, melipat, met veelvuldigheid
van bundeling, melipati.
opvouwer, p\'lrpal.
opvreten, makan hahis. Zie vreten.
opvreter, wang jong makan habis. Zie
vraat.
: opvrooljjlien, mtnjoekakan huli (van
soeka). Zie ook bij weten*
opvallen, mvngisi; vol maken, mëmvnohi
(van ptiioh). — van een zak, pop enz.,
mengasak, b.v. een opgevulde pop, ttf^
anakan asak. — van borduurwerk,
merak-im. —, volstoppen, b.v. met aaide,
mènjëboekun (van sëboe). — met puin,
aarde of iets dergelijks, mtaambuk{\\ixa
tambak), ménimboes
(van timboes); op-
gevuld, zie bij vol.
opvuller, jtttig metig\'ti,j. mémëaohi, j.
mtfiiambak,j. mciimboes.Zie
opvullen.
opvulmel, tri, lambakan, Hmboesan. Zie
opvullen, — van kipper, en eenden,
die daarmede worden toebereid, opor*
opor, Jav.
opwaaien; door den wind opgevoerd
worden, d/t\'-rbangkaii angin.
opwaarts, ka-atas; rivier—, moedig,
kahoeloe soengai.
—, naar de boven-
landen, kahoeloe. — zien, menengadah
(van tengadah). — en naar beneden
zien, toeadoek tengadah. —, klimmen,
stijgen, nétte,
opwachten, menan/ikan; in hinderlaag
—, b.v. den vijand, mengadang.
opwaebter, in hinderlaag, pengadang.
opwachting, in hinderlaag, petigada-
vgan;
zijne — bij iemand muken,
menghadap, lahidjelang, b.v. zijne —
bij den Vont maken, menghadap radja;
zijne — bij Mevrouw de prinses maken,
mhidjëlang toexan poeteri.
opwaken, uit den slaap, djaga, djaga
daripada tidocr.
— uit eene llauwte
of mijmering, s\'edar, sioeman.
opwaUkeren, aanwakkeren, van den
wind, mëng:ntjaiig (van kêntjang).
opwarmen, m\'ananasi (van panas). —,
-ocr page 577-
opwarming — opzadelen.
5\'i
lam, wij zeilden bij dien storm en
werkten er zelfs een etmaal tegen op;
afvallen en weer —, v«u een vaartuig.
bvrlajar sinipany-sijoer; tegen den wiud
—, van een vaartuig, vogel enz., ook
menjut\'soel angin, b.v. karéna pcra/w\'
i/oe ketjil /iaila bolih menjoesoel, ka-
pada ttekloe int angin dari haloetcuu
(erlaloe kefas,
want het vanrtuig is klein
en kan niet tegen den wind —, die
tegenwoordig vlak tegen en zeer hevig
is; ook rrtcany; tegen wind of stroom
—, ook mfiijungsong (van sonysong). —,
van iemand die op een M-hommel staat,
door telkens te bukken en een ruk te
geven, meitgendjoe/ (van èndjoet).
opwerpen, in de hoogte werpen, mrloe-
/ar ka-a/as, m\'elimpar ko-aitu, tamghoem-
balangkan ka-atas.
—. voorstellen,
opperen, mi"lyhadapkan, mènga/fakan ;
zich tegen iemand —, opstaan, op-
roerig worden, mendoerhaka kapada,
b\'ei\'bangkil mtlawan;
zieh — tot iets,
mendjad\'tkan dirhtju.
opwinden, van garen of touw op een
klos, menyye/indoeng. — van een uur-
werk, ,uemw:/ar (van poe/ar), membtri
fali,
b.v. ,/ie>>ioe/ar arlodji, een horloge
—; djam \'t/op hendaklah dibèri tali,
die klok (of dat horloge) moet opgc-
wonden worden. — van een tol, menya-
Ut
(van alit). —, om iets heen winden,
b.v. het touw van een vlieger, memoe-
loet
(van poelort). —, door toover-
middelen in geestvervoering brengen,
m\'engogam (van ogam). Zie ook opwek-
ken- —, aansporen, zionld.: het anker
—, membongkar saoeh (of djangkar),
memos/ar saoeh
(van poetar).
opwippen, zie wippen. — van een
voorovergebogen kop of hoofd of de
boeg van een vaartu ig, of met de
horens, wnganggot (van anggol); bcur-
telings — en weer zakken, (ëruiiggol-
anggol,
of la.iggol-avggol. — met het
achterste, bër/oengyi>tg; op Jnvn djeng-
king;
hij wipte met zijn achterste
hemelwaarts op, di/oenggingkannja pan-
/atnja ka/angit;
met een spaak of hef-
boom —, mëngoengkit. —, zoonis met
een wipplank, mengoen ikang-oengkit.
opwroeten, zoonis b.v. een varken
doet, menjoengkoer (van soengkoer). Zie
wroeten.
opzadelen, mengïnakan pelana (van
khia). Op Java taroh sela.
bepraten, méuggombok. —, ophemelen,
ia de hoogte steken, ni\'éngandjoeng-
andjoeng;
opgewarmd worden, khia
andjoeng.
— van vroegere geschillen,
oude koeien uit de sloot halen, zie
hij koe.
opwarmins. opvijzeling, andjoeng. Zie
het vorige woord.
OpwuMDi opgroeien, van planten.
iormhorh. — van menschen en dieren,
djadi hé sar; tenen iemand opgewassen
zijn, partiiur zijn in een strijd, pa/fan,
sttma padan, sa/i, sama sali
.- in andere
zaken, timbal. Zie ook het volgende
woord.
opwegen, even zwaar wegen, sama be~
ra/, sama timbanyan.
—, tegen iets
anders, bedr. mvnimbang dèngan; tegen
iets opgewogen worden. tH/imbang rf!f-
nyan; tegen iets —, bedr. mènimbal;
onz, bH/imbalan dtnyan.
opwekken, wakker maken, mè-ndjayit-
kan;
uit ecne bezwijming of mijmering,
ook nienjrdarkan (\'van sedar). —, doen
opstaan, uit den slaap ot\' den dood,
titritibangoeiikan, iii^inbanykitkau. —,
aansporen, m\'enyadjak. —, vnn de lusten
of begeerten, menyya/akkan haica-vafsoe.
— vnn den moed, door iets te eten of
te drinken te geven, of door trom of
trompet, of knjgMDuzielc, door prikke*
ling van de hfcrtltochten, door een toe-
spraak, toovermiddelen enz., iiiïrang-
s.i/tg;
pogingen doen om den moed of
bet leven weer op te wekken, bij knmp-
vechters. vechthnnen enz., menyoesap
(van oesap).—. vroolijk maken, tnenjoe-
■\'■\';>\'>, ka/i
(vnn tor-ka); opgewekt doch
niet bevredigd, van lusten, b.v. van
den eetlust, nahak-,
opwekkend, jang mëndjagakan,j. mé-
njidarkan, j. mtmbangaenkan, j. mïm-
bangki/kan, j. mtngadjak, j. mengga-
Zakken, j. nn.ranysany.
Zie het onder-
scheid bij het vorige woord. — middel
vnn den moed of de hartstochten,
prranysting; een —geneesmiddel, pïng-
ga/ak.
opwellen, even opkoken, in water, m?-
rèboes sêdiki/. —, zie opborrelen
enz. — in het gemoed, berbangkit dalam
hati, /irbit dalam ha/i.
opwerken, tegen den wind, moeielijk-
heden, een vijand, den stroom, vuur enz.,
welanda, b.v. berlajarlah dida/am angin
riboet Hoe dilanda djoega sahari-tama-
\'
-ocr page 578-
Mfl
opxamelanr — opziener.
wagen, bertaroh; met bep. obj. mëat-
pèrtarohkaii.
— van een lap, lappen,
menampal, b.v. menampal badjoe, een
lap op een baadje zetten; menampal\'
kan
slaat op het voorwerp, dat als
tampal of lap gebruikt wordt. —, aan-
hitsen, zie ald. -—, beginnen, moela\'i,
mëmboeka,
b.v. een borduurwerk —,
moelai menjoelam; een winkel —, mëui-
boeka kftlai;
eene school —, mëmboeka.
êékolah.
—, opvullen, van doode dieren,
mëngisi; met boomwol —, mengisikan
dingen kaboe~kaboe.
— van een val,
strik, net enz., m\'emasang (van pasaiig).
—   van vischfuik.-taketsels, mëntjafjak
bëlat
; komen —, onverwachts komen,
van iemand, tiba-liba datang; opgezet,
b.v. van een lichaamsdeel, bèngkak.
opzetter, aanhitser, zie ald.
opzicht, zorg, leiding, pëmëliharaa.i.—,
onderzoek, pëmtriksaiiu; onder iemands
—   zijo, in dien zin, dibatcah pemërifr-
ladn oratig.
—, betrekking, tintang,
akan,
b.v, in dit —, akan htil ifoe,
téntang përkara itoe;
ten —e van mij,
akan sthaja, akan dakoe; in vele —en,
atas bërapa-bërapa përkara; in vier — en,
atas ëmpat përkara, b.v. adalah kiiab
jang difjap itoe tiroetama daripada
jang ditoelis adanja, ija-itoe atas ëmpat
përkara, periaiiia....., wat do gedrukte
boeken betreft, die zijn uitnemendcr
dan de geschrevene in vier—en, voor-
eerst ......
opzichter, zie opziener.
opzichtijj, van kleuren, voornamelijk
bij kleederdrncht, maki-maki, letlerl.
scheldend.
opzien, naar boven zien, mënéugadah
(van iëngadah). — naar den hemel,
mënengadah langit. —, zich verwonde-
ren, hairan, Ar.; tegen iemand of iets
—, bërbanjak- hati, b.v. djanganlah
kakanda bërbanjak hati kapada bèta;
tegen een werk enz. —, sëgan, serek,
b.v. djanganlah stri padoeka sohbat kita
iëgan bijar berkirim soerat paria kita,
dan moet onze geachte vriend er niet
tegen —; laat hij ons een brief zenden.
opziener, inlaiidsche, over werkvolk,
bedienden, gevangenen, mandor, Port.
europeesche —, opsinder, inlundsclie
— over de cultures enz. op Java, man-
teri. ■
— bij de Maleiers, djënang, pin-
djënang;
daarvoor fungecren, mëndje-
nang,
—, inzonderheid van de opium-
opzanK\'lnnr, pengoetip, pëmofngoet\'.
opzamelen, oplezen, itifngoetip (van
koetip), mumoengnef (van pon/goei).
opznmelina:» pt-ngoetipan, poengoetan.
opze;»i»en, nirmbatja; gebeden —, mëm-
bat ja dQa;
iets uit bet hoofd —,
mènghafajkan, — van verzen, berbait,
bërsjilir, berpanton.
Zie het onderscheid
hij gedicht* —, luide oplezen van
den Koran, mïngadji koran, —, ontslnan
uit een dienst enz., mëlepaskan; de
huur —, memoetoeskan teica (van pof-
loes);
een kapitaal —, min/n këmbali
oewattguja, soeroeh puelangkan modal-
irja;
eene overeenkomst —, mëniada-
kaïi përdjnndjian
(van tiada), mëntoe-
toeskan djandji;
de vriendschap —,
mëmorioeskan përsohbatan, mëmoetoeskan
kasih.
opzeilon, eene rivier —, brrlajar mot\'-
dii>:
—, verder zeilen, bërlajar djoega,
bërlajar djaoeh lagi.
ppwnden, van personen, mënjoeroeh-
kan
(van soeroeh); van zaken, rmngirim
(van kirim); van beide, menghantarkan.
opzet, voorneuien, sëhadja; met —, dë~
iiga/i sehadja;
zonder —, tiada dhigati
sëhadja;
tot een voorwerp van —
maken, w/ijehadjakan. —, voornemen
ook nijat. Ar. kef ad, Ar. met—,dèngan
nijat, dengan kësad;
een boos —, nijat
jang djahal.
opzet telylr, dengan sëhadja, dtngan
sengadja, dengan nijat, dengan kt-f ad\'
nja.
— vermoorden, mëmboenoeh dëngan
i\'ehadja;
het — op iemands leven toe-
leggen, mënjehadjakan uiat\'t crang.
opzetten, van een zon- of regenscherm,
mragtmbangkan (van ktmbang, geopend,
ontplooid). —, iets overeind zetten,
mtndirikan, ttfnëgakan (van tëga); do
ooren —, van een paard, menahankan
tëlinga.
— van de haren, zooals een
aap van nijd of vrees, mënjeramkan
ro>\'ma
(van stram\'). —, in geregelde
orde plaatsen van troepen enz., menga-
toerkan;
de ?chaak*tukken —, mënga-
toerkan boetcah Ijatoer.
—, op het hoofd
zetten, van /ichzclvcn, mëmakai (van
pakai); een ander —, mengtnakan, b.v.
zich de kroon —, mëmakai makata;
zij zotten hem de kroon op, dikëna-
kannja makota.
—, anorii;h(on van
spijzen, menjadjikan (van sadji), mêng-
hidangkan.
—, op het vuur zetten om
te koken, mëndjërang. — op het spel, \'
-ocr page 579-
opz\\jn — orembaai.                                           567
pacht, tjenteng. —, hoofd van eene
markt, potija, Chia. —, bewaker, pè-noenggoe.
opzijn, opgestaan zijn uit den slaap,
soedah bangoen; nop niet —, bëlombangoen.
opzitten, doedoek. —, niet in bed zijn,soedah banger», tiada bèrbaring.—, opde aebtente pouten zitten, b.v. van
honden, doedoek bèrdjongkok. —, zich
te paard zetten, naik koeda. —, waken,
djaga; den ganseben nacht —, dji/ga
aapandjaMO malam.
opzoeken, mentjèhari, mentjehari sampai j
dapat. Zie bezoeken.
opzouten, in het zout legden, mënga-
sinkan, mënggarami.
opzuigen, mènghisap. Zie ook opslor-
pfii. —, inzuigen, tnenfjèroep.
opzuipen, minocm habis.
opzweepen, met de zweep doen op-
staan, m\'é/nbangkifkan dèngan tjèmèti.
opzwelgen, tuenèlan (van Man); gulzig
inslokkcn, rnëntjaroek; ongekauwd —,
mèloeloer.
opzwellen, opkomen, rijzen, ook van
de borsten eener vrouw, montok. —, \'
ziekelijk, djadi bèngkak. — van den .
buik, djadi kl-mboeng. — en wcêr in-
zakken, kemboeng-kempis. Zie zwellen. ,
opzwellen*»;, ziekelijke, b\'èngkak.
ihmI.i\'I. zie godspraak; e. s. v. —, j
waarbij uien uit het vallen van twee ;
stukken kurkuma den afloop eener
ziekte te weten komt, témas-tèmas; dat ■
— raadplegen, mènèmas-nèmas. —, :
waarbij men een boek of iets anders
ophangt en laat draaien tot het stil- \'
hangt, gebruikt om den dader van een
misdrijf aan te wijzen, poetar-balik.
orane-oetang, eene soort van grooten
aap, matcas.
oranje, djingga, wërna djingga, »-.,■<,„ j
pinang masak.
ornnjenppel, de zoete, boevak djë- j
roek manis, boewah limau manis.
oranjebloesem, £o*«^a djèroek,boenga
limau.
oranjeboom, pokok djëroefc, pokok
limau.
orunjescliil, kot-lil djiroejf, koelit limau. \\
ordaliën, zio sodsgericht.
orde, regelmaat, aloeran, pèrentah, sa$, \\
Ar.; in —, dèngan aloeran, beratoer- I
at oer, dèngan 9a)); in goede —, van !
menschen, dèngan pèrentah jattg edik; \'
niet in —, tiada sah, b.v. djika tiada
hendahara dan toemènggoeng pon, ma-
sakan tiada f ah doelt jang dipertoewan
mèngaroenija\'t nama akan patik,
al zijn
de bendahara en de toeménggoeng er
niet bij, waarom zou het toch niet
in — zijn, als Uwe Majesteit mij een
titel wil verleeucn; in —, niet in de
war, zooals b.v. haar, sirai, sèlèsai;
in — houden, zorgen voor iets, wj-
njinggaru (van sènggara); in — bren-
gen, mên$ahkan; st-hikken, ontwarren,
afdoen, mènjelesaikan (van sèlèsai, in
— gebracht); wat in — is breng jij
weer in de war, èngkan koesoetkan
kemoedian daripada soedah sèlèsai;
in
goede —, dèngan pèrentah, dèngan
pèratoeran jang ba\'ik;
goede — op iets
stellen, wèmerentahkan (van pèrentah),
mèngatoerkan.
—, trant, stijl, tjara.
—, vereeniging van personen, pèrsa-
koetoean, kongsi,
Chin. hoeici Chin.—,
ridderorde, ridderteeken, binlang.
or< lelijk, dèngan atoer, dmgan pèrentah.
—, het zijne in orde houdend, sèlija.
—, betamelijk, patoet, dèngan patoet,
dèngan saperlinja, dèngan. paloetnja.
ordelint, ordeband,— en e\'chaipe, sèle-
pang.
ordeloos, zonder orde, tiada beratoer.
—, verward, zie ald.
ordenen, regelen, mèngatoerkan, mime-
rentahkan, mènsahkan.
—, regelen van
een spel, door den maat of parttiur te
stellen, mèmadan (van padan). Zie orde,
—, wijden, mènlahbiskan (van tah-
bis,
Ar.).
ordening;, wijding, ta/ibis, Ar. —,
regeling, dandan, pèrentah.
ordentelijk, tartib, Ar. dèngan tarlib.
order, bevel, last, pèrentah, oerdi; van
een Vorst, Utah. — ann een vertrek-
kende of achterblijvende, dus die men
meegeeft of achterlaat, pèsan. Dok —
tot het vervaardigen of koopen van
iets in afwezigheid van den lastgever,
ordeteeken, decoratie, tanda kahorma-
tan, bintang. —, teeken eener vereeni-
ging, tanda pèrsakoetoean, t. kongsi,
ordinair, zie gewoon en alle-
dangsch.
ordinaris, roemah makau.
ordonnans; vorstelijke —, bantara.
ordonnantie, pèrentah; zio bevel,
ordonneeren, soeroeh; zie bevelen,
orembaai, e. s. v. vaartuig in de Mo-
-ocr page 580-
568                                    organisatie ouderliefde.
al verdort gij als een bamboe, ge zult
mij toch niet krijgen, weranda loewa,
méranting aoer, la\'kan mendapat akoe;
een — of eerwaardig persoon, aan
wien men eerbied verschuldigd is, de
oude bij uitnemendheid, zooals men wel
eens van een chef of meester spreekt,
bel\'tjau; te — om nog te kunnen wer-
ken, tueica renta; zitten als een —
mannetje, doedoek roengkoch. — zijn,
den leeftijd hebben van, Tmtoer, Ar.
b.v. hij is tien jaren —, o-moemja
sapoeloeh tahoen:
hoe — zijt gij, ber~
apa (tmoermoe.
—, versleten van een
kleed of ander voorwerp, boeroe•$■; een
— gebruik, odai dëhoeloe-kaia ,■ het—e
testament, perdjandjian lama, was/jat
lama;
de —e geschiedenis, /likiijaf
orang dehoeloe-kala;
mijn —e heer,
bapa sehaja, orang toeica sehaja. — en
jong, toewa~moeda. —er gewoonte, sa-
pèrti bïasa, sebagaimana biasa, sapèrti
memang.
— maken, mèntoetcakan.
oudachtia,/yc/prt sedïkïl,toewa-toewaan,
oudbakken, loewa. — brood, roti
loewa.
—, ouderwetsch, dari dehoeloe-
dèhoeloe.
oude; de —, zie oud; de —n, lieden,
der oudheid, orang zaman dèhoeloe.
oudejaar, kasoedahan la/toen, péngha-
bismi tahoen.
oudejaarsavond, malam tahoen bë-
haroe.
oudejaarsdag, hari kasoedahan ta-
hoen, hari penghabisan tahoen.
\' oudemannenliuis, oudevrouwenhuis,
besjesbuis, roemah miskin.
ouder, vergel. trap van oud, loewa, lebih
loewa.
— dan, toewa dartpada, lebih
loewa daripada.
ouders, orang loewa, iboe-bapa; vorste-
lijke ■—, ajah-bonda.
ouderdom, leeftijd, T/mioer, Ar. oesïja,
Skr. —, tijd des oudordoms, masa
toewa,
b.v. in zijn —, pada masa toe-
wanja;
een hooge ■—, annoer toeica;
een boogen — bereiken, mërttnda toewa.
Zie ook bij oud, — van de maan,
asmoer boelan; van denzelfden —, van
één slag, sabaja. Zie leeftijd,
i ouderdoinsHwaal, pèujakit toewa.
, ouderen, in tegenoverstelling van jon-
geren, jang foewa-loewa.
onderhuis, roemah iboe-bapa.
<
ouderliefde, liefde der kinderen tot
hunne ouders, kasih akan iboe-bapa.
lukken, r\'embaja, waarvan orembaai eene
verbastering is.
organisatie, /ie regeling.
organiseeren, zie regelen.
origineel, asal, sadija,mema?ig; het—,
bet oorspronkelijke geschrift, nosrhal,
Ar.; bei — van een portret, hak\'-
kat nja.
orion, bet sterrenbeeld, hiniang bèlan-
tik, adlijawza,
Ar.
orkniin, (o/dn, Ar. stormen en orkanen,
riboet dan (ofan.
o», lemboe kebiri, sapi kebiri. —, rund
in het algemeen, lemboe, sapi, djawi;
rund van het mannelijk geslacht, lem-
boe djantan, sapi laki-laki, djawi laki-
laki;
wilde —, sëladattg, banteng, .Tav.
ossegal, hampèdoe lemboe, hampèdoe
sapi.
osseliop, kapala lemboe, kapala sapi.
osscmiTir, soemsoem lemboe, soemsoem
sapi.
ossenbloed, darah lemboe, darak sapi.
ossendrijver, gombala lemboe, gombala
sapi.
ossenhoren, iandoek lémboe, Iandoek
sapi.
ossenliuid, koelit lémboe, koe/il sapi.
ossenleder, koelit lemboe, koelit sapi.
ossenmarkt, pasar lemboe, pasar sapi.
ossenvleesch, daging lemboe, daging
sapi.
ossetand, gigi lémboe, gigi sapi.
ossetong, lidah lemboe, lidah sapi.
ossewagen. p,;dati lemboe, pëdati sapi.
otter, andjing ajar, andjing laoet, me-
merang, berang-berang;
eene soort die
in gezelschap leeft, berang-berang kawan;
eene soort die alleen leeft, berang-berang
toenggat.
ottervel, koelit andjing ajar.
oublle, e. s. v. koekjes, oepak bèlandja,
koewih tjepit, koewih semprong.
oud, van leeftijd of duur, in tegenover-
stelling van jong of versch, loewa. ■—,
in tegenoverstelling vnn nieuw, lama,
b.v. de —c stad, kola lama; de —e
weg, djalan lama; de —e kleeren,
vakajan lama; de — ste tijden, eerste
tijden, poerbakala, Skr.; in den ■—en
tijd, uil den —en tijd, dèhoeloe-kala;
zeer — worden, van personen, oen
heel hoogen ouderdom bereiken, tig.
niéranüng aoer, d. i, als een dorre, bla-
derlooze bamboe worden, ook mïranda
loewa,
b.v. al wordt gij nog zoo —en
-ocr page 581-
ouderiyh — over.                                   5C>9
ouderiyk, iboe-bapa, b.v. de —e wo-
ning, roemah Iboe-bapa; —e liefde, liefde
der ouders tot hunne kinderen, kasih
iboe-bapa aknti anak-anaknja.
ouderling, ornUte ia eene gemeente,
toeWM toiWMj de—en, para toewa-toetca,
sfgala foeica-foeica.
ouderlin<j»<-hnp, pangkat toeicadoetca.
ouderloos, piatoe, tiaifa bëriboe^bapa;
van Vorsten, tiëdë ajah-bondanja.
ouders* iboe-bapa, mak-bapa,- van Vor-
sten, ajah-bonda,
Ollltl1 iKlimd. kasoekaiiu ibos-bapa.
ouderwet», tjara dïhneloe-de"hoeloe.
oud^ust. orang lama. Zie ni(\'ii\\v»»«t.
oudheid, ouderdom, Timoer, toewa, lama.
—, oude tijd, zamdn dïhoeloe kala;
oudheden, in/, oude tempel* en beelden,
ar/ja, Skr. ook rêlja. —, oud graf,
dat men vereelt, këramat.
oudje, orang toewa; het *—, de oude,
btlijau; onder ons- — s, samanja toetca,
b.v. wij paan slechts onder on» —s,
kami pergi samanja lorna .seh&lja.
©ud«_-ver grootmoeder, mojang pe~
rampoewan.
oudoverKroolvuder, .nnjanu laki-
laki.
oudroest, besi toewa, bïsijang berkarat,
karafau, baramj\'barang karatan.
ou(U; van —, memang, sadia.
oudste, eerstgeborene, soetong, ja/tg-
toetca.
Op Ja vb ptmharPp, Jav. —,
opperhoofd, toeiea-toena; de —n, para
ic\'-wa-tot\'tca;
de —, die het gezag heeft
over een rij tijdelijke hutten bij vernf-
gelcgcn rijstvelden, toeica bandjar; de
—n van eene stnd, toewa-toetca negari;
de —, die van alles kennis draagt,
ioeica tahoe. —, de overtr. trap van
oud, jang toeica, tertoewa, toetca *?«-
dt\'ri, paling toewa enz. — lijden, pon-ba
kala,
zie het volgends woord.
oudtyds, dthoeloe kala, dthoeloe-dehne-
toe, zamdn ttehoeloe kala, sedia-kala;
van — zoo geweest, memany.
oudvnder, zie aartsvader,
oudu-yi\'scl], pÉrampoeuan toewa; op
zijn —, tjara pframpoewan toewa.
ouwel; brief—, pfrëkat soerat, perekat
lidah.
ouweiyk, er ouder uitzien dan men is,
roengkoeh. —, oud van voorkomen,
toeten roepanja.
ovaal, boelat boedjoer, tljorong.
oven, dapoer ttanoer ykitoehar,f oeroen. Ar.
oveudeur, pintoe dapoer, pintoe tanoer.
[
oven<*a1Iel, bf-ti rotfofc,
ovenu*nt, moeloet dapoer, moeloet fa*
uoer.
oven huis, roemah dapoer, roemah ta-
noer.
ovenliraliher, besi penggarofk dapoer.
over, aan de andere zijde, zie over-
kimt. —, overig, nog in voorraad,
Ubih, sisa, b.v. er is nog —, ada
Itbih, ada si-ranja, aila lebthnja.
—,
voorbij, laloe; zoowel van lijd als van
plaats, b.v. tPngah hari soedah laloe,
soedah laloe tengah hari,
het is al —
den middag. — den bi\'iig, laloe dari-
pada djémbatan;
het onweder is —,
fofaa itoe soedah laloe. —, al te, t\'ïr-
laloe, langkah, ttrlampau.
—, in de
beteekeiiis van gaan, mtLdori, b.v. —
de bergen, ./tëlaloei goenoeng. — de
maat, melaloeï oekoeran, mëtampattwi
oekoa-an, mtlipoeti oekoeran.
—, in de
beteekenis van oveigegeven, ttisïrahkan,
tërtirah,
b.v. de stad is —, nzgari
itoe soedah dtsirahkan.
— en weder,
van twee partijen, labëlah-mënjebe\'lah;
het begrip van wcdeikeerig wordt ook
uitgedrukt door den vorm van het
Ww. b.v. — en weder pijlen schieten,
panah-mémanah. — en weder gezanten
zenden, oetoe.s mhtgoetoes. — en weder
slaan, poekoel-mï-moekoel. —, boven
overheen, di-atas, dart alas, ka-atas,
alai.
Ar. b.v. een kleed — de tafel,
kaïn hamparan di-atas medja. — het
huis vliegen, tërbang dari alas roemah.
— eene sloot springen, zie hiervoor
bij springen. Kene brug over
eene rivier etc., moet soms vertaald
worden met pada, som* met dari atas,
b.v. over die rivier lagen twee bnig-
gen, waarover men in de oude stnd
kwam, pada soengai itoe adalah
doetca djambaian d a r i p a d a n j a
orang btrdjalan niasoefc kattalam kota
lama;
over eene brug gaan ook laloe
daripada djamhalan;
een los bruggetje
leggen over eene gracht, menaïktatt
tilian pada parit.
— iets komen, da-
tang kadtas. —
hem, iïlaihi, Ar. — u,
\'llaikoem, id. vrede — hem, tltaihi assa-
lam,
id. vloek — hem, nlaihi\'llünat,
id. vrede — u. assalam alaikoem,
td. de gewone groet, van de Aia-
bieren overgenomen en waarop bet
antwoord luidt: ica iïLiikoetn assalam,
89
-ocr page 582-
570                                       overal — overbrengen.
en — u zij vrede. — iets leggen, uit- I
spreiden, mvnijhamparka», b.V. MD kleed I
—  de tafel leggen, mPnijhamparkau kaïn
(timedja.
—, aiingaande, (Umi, dari, of
de causatieve vorm van liet Wcrkw.
b.v. hij sprak niet dan alleen — zijne
zaak, dada tja bërkafa-kata mtlainkan
dart perkaranja;
bekommcid zijn —,
bërljinfa akan; bedroefd zijn —, é?r-
doeka-fjita akan. —zijn beminde droo-
men, bermimptkan krkasihnja. — zijn
kind weenen, menatigisi anajrttja.
iets denken, bërpikirkan; hnU — kop,
toenggang batik. — de klim: jagen,
memboenoeh dengan pedang; tot — de
ooien in schulden, tinggïlam dalam
hoelang. Zie
schuld. —, zoolang all,
van tijd, sa, b.v. dien gcheelen nacht
— ,»anialom-malawan Hoe; dien ireheelen
dag —, sahari-harian itoe. — zijn k!mt
laten gaan, fiada mfttgendahkan, tiada
fadloelikan.
— zich krijgen, door iets,
b.v. een ziekte, nantredaau worden, ka-
loeroenan, kadataiigan.
—gaan, over-
steken, van een water, hetzij zee of
rivier, mtvjablrang. — de rivier gaan,
mënjaberang soengai (van saberang).
—, na verloop, hahis, lagt, soedah,
b.v. over drie weken, habis fr\'ga djoe~
maat, lagi tiga djoemaïit;
heden —
acht dagen, êëlang toedjorh hari, lat
foedjoeh hari, lagi doelapan hari dengan
tui, Upas toedjoch hari.
—dag, pada
siang hari.
—nacht, pada malam. —,
na, gepasseerd, laloe; het is —vieren,
soedah poekoel ïmpal laloe. —, te veel,
libih. — do helft, Mam) l?biht — de
zeventig, foedjoeh poeloeh lëbih. —, ter
oorzakc van, darisebabnju.— elkander,
van de beide armen, berdï-kap toeboe/t,
mtinëloek toeboeh.
— land, darat, tii-
darat.
— land gann, lit-rdjalan darat.
— zee, dilaoet. — jo zeilen! mar.
term, alih lajar\' Zie verder do samen-
stellingen.
overal, op alle plaatsen, dimana-mana,
sana-sini, di&itoe-dis\'tni, sagénap sana-
sini.
— in het rond, koeli/ing, birkoe-
lilïng,
b.v. hij zocht hem —, ditje\'
harinja berkoeliling.
— heen, naar alle
plaatsen, b.v. van sleepen of werpen,
ofrkating-katitig, tartigathig-ngatingi, b.v.
membomcang dtstarnja sakatian bërka-
tiiigkaling,
hunne hnofdJoeken — neer-
werpen; setangankoe dikating-kafingi
boedajr \'doe,
mijn zakdoek wordt door
dat kind — heengesleept. —, schceps-
term, naïk saiaoewanja.
overultegenwoordig. hddlir pada
segala tempat.
overbekend, térlaloe masjhoer, kttahoe-
wan dimana-mana.
overbevolkt, terlaloe ramai, Cérlaloe
mamoer, terlaloe banjafc orang itinja.
overt>ljjfsel, overschot, MM; een —
laten, mënjisakan. —, van iets dat
geperst, uitgetrokken of op andere wijze
verwerkt is, hampas. —, achterblijvend
gedeelte, poengkoer; het —- van de
sago, het roode of slechtste gedeelte
daarvnn, poengkoer sagoe.—.nagelaten
spoor of merk, bekas; de —en, bcen-
deren van een doode, ioetang-toelawg.
overblijven, van een rest, overschot,
kliek, tinggal sisa; doen —, in dien zin,
mënjisakan. —, nog in leveu blijven,
tinggal hidoep, lagi hidoep. —, over-
naeblen, bërmalam. —, een jaar, of
jaargetijde, menahoen (van tahoen). —,
b.v. van een bijgeloof, eene gewoonte
enz., Itkat; nog —, lagi Itkal.
overblijver, overlevende, jang lagi
hidoep.
overbluften, in de war brengen, wiëm-
bingnengkan;
overbluft, hingoeng. —,
tol zwijgen brengen, mëngatoepkan mot\'
loet
(van katoep).
overbodig, meer dan noodig, lëbih dor;
had jat.
—, te veel, terlaloe, tëylampai\'.
—, overdadig, van geven of gebruiken,
tembolr. —. onnoodig, ta\'oesah. Zie
overdadig.
overboord, dalam ajar. — vallen, dja-
tuh dalam ajar.
— springen, tërdjoen
dalam ajar.
overboratelen, mëvjïkat poela (van
sikat).
overbrnden, mënggoreng poela, m. sa-
kali lagi.
overbrengen, membaica; vanpersonen
en znken ook mênghantarkan, d. i. gelei-
den. Al wat op die wijze overgebracht
wordt, hantaran. — van een brief of
last, ook mtujampaikau (van sampai).
— van goederen, b.v. bij een verhuis-
boedel, mengangkoet. —, aanbieden van
een groet, die men moet —, mëngan-
djoi-rkan saldm,
b.v. strta Lak\'samana
mëngandjoerkan saldm tafim datoefy
bëndahara bënoea këling Hoe,
en L.
bracht de beleefde groete van den
Béndahara van het land Reling over.
-ocr page 583-
overbrenger — overdwart,                                    571
—, verplaatsen, mtmindahkan (van
pindah). —, vertalen, mënjaliu-bëhasu
ivan salin), mënfërdjamahkan. —, van
den tijd, mënghabiskan icêktoe; nuttc-
looa — van den tijd, mënghilangkan
icëjrtoe;
ergens een jaar uf jaargetijde
—, ménakoen (van tahoe»), b.v. hij
bracht daar twee moessons uver, ija
mïnahoeu ditana doewa moesini angin.
—, klikken, zie ald. —, lijden, duur-
staan, mPndtrila. —, over een water,
nanr den uvsrkant brengen, mënjabt-
rangkan.
overbrenger, pëmbawa, pënghantar.
— van eene hoeveelheid goederen,
pëngangkoel, —, vertaler, orang jang
mëujalin-b^hasa.
—, klikker, zie ald.
overbrenging, pëmbawaan, pïnghanta-
ran, ptngangkoetan. pënjalinan-bëliasa.
Zie het onderscheid bij bet vorige woord.
overbruggen, niëmboeboeh iljeir.bat\'uu,
in. fitian.
overbnigen, overhellen, onz. tjëndë-
roeng;
bedr. mentjëndtroengkan. Ook
tig. van het bart. — van takken door
zwaarte van bloemen of vruchten,
mtloejoet. Zie buigen.
overbu ur, orang sabtlah, orang sabfrang.
overcxjf\'eren, nünghiioeng poela, m.
sakali lagi.
overcompleet, Wtih, tïbih dari bilang-
anuja.
overdaad, kameicaan; in — leven, hi-
doep dïngan kameicaan, hidoep birföbih-
lëbihan.
overdadig, mewa, dëngan kameicaan.
bërlëbih-ltbihatt, tërlampau.
—, over-
bodig, van geven of gebruiken, leinhok-.
overdeden, nicinbèhagi-bvhagi poela,
vi. sakali lagi.
overdek, van een vaartuig, tingkat
di-atas.
—, kleed uver iemand om te
dekken,sëlimoet; over iets, kain toedoeng.
overdeken, sïpërai jang di-atas, gtbar
jang diatas,
overdekken, menoetofp, mhwedoengi.
—, met een doek, van een persoon,
mënjtlimoeti, mëngëloeboetigi (van këloe-
boi\'ng),
van zaken zie bij dekkleed;
in menigte —, zie bij bedekken.
—, een vaartuig van een dek voomen,
mëmboeboeh tingkat; een huis van een
dak voorzien, mëmboeboeh atap, niëm-
boeboeh gënteng.
— met een stulp of
iets stolpachtigs, zooals dieren onder
een mand enz., mënpértkoep (van sërë-
koep). —, beschermend, mëlindoeng;
met bep. obj. niëlindoengkan. —, be-
delven, met aarde of de golveu, wc-
nimbocs; door de golven overdekt,
ditimlioes ombalr. —, o verstroomen,
overstelpen, mëlipoeti. — met schaamte,
mëmbëri maioe, mtmpërmaloekan; met
selianmtc overdekt, kamaloe-malwican.
overdekking, pënoetoepan, ptnoedoe-
ngan, pëlindoengan.
Zie het vorige
woord on dekkleed.
overdeksel, ioHoep, toedoeng, sëtimoet,
këloebueng, sërëkoep.
Zie overdekken.
overdekt, katoetoepan.
overdenken, mëmikirkan (van pikit),
mënimhang-nimbang;
van alle kanten in
overweging nemen, timbang-mënimbang.
overdenking, pikiran, timbangan; iu
—  verzonken, iërfëkoer.
o verdeur,///«/öf sabetah ,pintoe didtpan.
overdoen, van voren af weer —,mëm-
boeical samoela;
nog eens doen, mëm-
boeical sakali lagi.
— van iets tegen
den kostenden prijs, mëmbëhagi; een
gedeelte van het ecne vat — in het
andere, mëngagihkan (van agih). —,
weer verkoupeo, mëndjoewtl poela.
overdrnobtt-iyk, figuurlijk, pakaipër-
oepamau», pakai ibarat, dtngan oepama,
dëngan \'tbiiral.
overdragen, dragende overbrengen,
mëmbaica, mënghantarkan, mëmindahkan
(van pindah). — op een ander, mënoe-
roenkan kapada orang hun.
— van een
verhuiïboedel en dergel., mëngangkoet.
—  van eene schuldvordering op een
schuldeischer van den houder, mënjem-
pok
(van sempok). Ook endosseeren van
een wissel. —, overgeven van eonen
post enz., nuinjï-rafikan (van sërah).
overdreven, tërlaloe amat,bahena,boe-
kan-boektin, lëbih ilari patoet, tërlampau
sangat, amat san gat.
overdrüvt-n, naar de overzijde drijven,
bcdl\'. mënghalau kasabërany; onz. ha-
njoet kasabërang.
—, to ver gaan,
metaloei, niëlampauwi. —, breed uit-
meten van een zaak, mëngambil pan-
djang.
— van een bui, onheil enz.,
laloe. —, in woorden, lëlandjoer për-
katttan.
overdruk, zie herdruk.
overdrukken, zie herdrukken.
overduivelen, zie overbluften.
overdwars, in de breedte, lintang.
en overlangs, lintang dan boedjoer.
-ocr page 584-
572                                    overdwaraen — overgaan.
liggen, terlhilavg. — leggen, mPUntang.
— voor iets of iemand WfKen.mPlintangi.
—   aanzien, mPngarling dengan ekoer
mata
(van karlingi.
overdwarsen, dwarsboomen, melin-
fangi, mïrintangi.
overeen, over- of op elkander,satof di-
atas satoe, bPrtindih-tindih, berlapis-
lapis, bPrsoesoen-soesoen.
Zie de samen-
stellingen.
orprecnbrcnsen, doen harmoniëeren,
uitmat oef kan (van paloef \\.—, tot elkan-
dcr brengen, mPnPmoekan (van ftmoe).
—, tot een brengen, mempPrsatvekan.
—, gelijk maken, mPnjamakan (van
MM).
overeenkomen, eens zijn, safoedjoe,
snfukat, Mama.
—, afspreken, bPrtuord-
fakt/t, bP.rdjandji-djandjian.
—, ge-
schikt, gepast zijn, patoef, kt**, bPr~
patoetan.
—, partuur zijn, padan,
bPrpadan;
niet —, geen part uur zijn,
boekan padan, b.v. hajam irti hoekan
padan dengan hajau itoe,
deze haan
komt met dien niet overeen, is geen
ïiiirtuur; niets of niemand hebben die
er mede overeenkomt, tiada bandingnja,
tiada bagainja, tiada taranja
; zijn
gedrag komt met zijne woorden over-
een, kalakoeannja safoedjoe dengan
pPrkataönnja;
niet —, zie ook bij
Kcheef; dit papier komt niet overeen,
l.artas ini tiada MM; doen —, ook
Ment moekan (van tPmoe), b.v. uiPndja-
hit dia dengan ditPmoekan fjorak\'tjorak
itoe,
hetzelve naaien zoodat de ruiten
(of kleuren) —.
overeenkomst, afspraak, fakat, Ar.
djandji, tifad, Ar.; schriftelijke —,
soerat perdjamljian. —, zie ook het
voorgaande woord en o vereen stem-
minjr.
overeenkom-stij» met, safoedjoe de-
iigan.
—, volgens, satoeroel, ook bagai,
b.v. overeenkomstig het gewoonterecht,
bagai hoekoem adat.
overeenstemmen, safoedjoe, be\'rpaloe-
tan;
doen —, mPmatoefkan, mPndjadi-
kan xntoedJGC,
ook bPrxauiaiin. — en
verschillen, bPrsamaan dan bPrsatahan.
—   van gezang met de muziek, ber~
padoe,
doen —, in dien zin, mémadoe,
—, van hetzelfde gevoelen zijn, sahati,
sarasa;
eens ran denken, MM pikiran.
overeenKtemming, verstandhouding,
moetcafal\'at\', Ar. b.v. een blijk van —
en wederzijdsche genegenheid, fandu
moewafajfat dan bPrkasih-kasihan.
—.
gelijkheid, pPtsamaan; de — der kleu-
ren, pérsamaun wPrna; in — zijn met,
b.v. van woorden, sieraden, kleeding
enz., bPrsamboetan, b. v. gemar dan
kasih hatinja nielihat moeloet gamboeh
katiga bPrkata-kata bPrsamboetan dengan
boedi behasanja,
bet was hem aan-
geoaaoi en een lust om te zien, hoe
hetgeen de mond der drie danseressen
sprak geheel in — was met hunne
beschaafde manieren: de verschillende
meeningun door vergelijking tot —
brengen, mPmadoekan pikiran sahingga
mPndjadi satoe.
ovewergintiTon, tiga hari laloe, soe-
dah liga hari laloe.
overeind, fëga, berdiri, terdiri; recht
—  staan, berdiri bPloel, tega berdiri.
—  zetten, oprichten, metiPgakan, men-
dirikan.
— komen, opslaan, bangkit,
bangoen.
— staan van de baren, door
vrees, ontzetting of toorn, sP.ram.
gaan staan, in dien zin, si-ram, gere-
mang, merengoe.ng, meramang.
overeisehen, overvragen, minta fiarga
fPrlatoe besar.
ovcrerteiyk, van ceue ziekte, besmet-
tel ijk, méndjangkit. —, erfelijk, van
ouders op kinderen enz., baka, ook —e
aard; een —e kwaal, penjakit baka.
overerven, zie het voorgaande woord.
overeten, makan terlaloe banjak.
overgaaf, penjPrahan (van sPrah), ook
sPrah ; do overgaaf verhinderen, belet-
ten, uiempvrtPgahkan sera/t. Zie ook
overhnnditïino,
overgaan, van de eenc plaats naar du
andere verhuizen, berpindah; doen —,
mPmindahkan. — van deze wereld naar
de toekomende, bPrpwda/i daripada
doenia int kapada acherat.
—, o ver-
springen van het een op het andere,
b.v. van eene ziekte of de vlammen,
méndjangkit. — tot den vijand, beloet
knpada woesoeh.
— op iemand, komen
aan iemand, bij wien het behoort, poe-
lang,
b.v. de regeering ging over op
Sulthan Mahraoed Sjah, poelanglah
karadjadn kapada saelUin Mahmoed
Sjah;
doen —, in dien zin, me\'moe-
tangkan kapada,
b.v. sapPrti oeicang-
oeieang boelan itoe pon kita poelangkan
kapadanja,
en zooals de maandgelden,
ook die hebben wij op hem doen —.
-ocr page 585-
578
overvaar — overhandigen.
— tot een godsdienst of eene nationali-
teit, masoek; b.v. tot den cbristelijken
godsdienst —, masvcfc tnasehi, masuek
serani;
tot de Chineesche nationaliteit
—, uk\' <</■■}• (jina enz. —, besluiten tot,
menëntoekau (van Itntoe). —, van pijn,
ziekte, hilavy, stmborh. —, ophouden,
bvrkïnli; tot bedelf —, djadi haesofk.
—, veranderen in, bërubah, b.v. zijne
liefde ging over in haat, kasihnjaberu-
bah méndjadi beutji.
—, gaan over
iels, b.v. een brug —, lalve daripada
djembatan;
overgegaan, overgegeven,
van eene stad, disZrahkan; plotseling
■— tot een ander onderwerp van gesprek,
siyera menyahetcarkaii përkalaan Itün.
overvaar, lirlaloe masak,
overuan^, voorbijgang, laloe, pindah.
—, verandering, kaöbahan. — tot een
godsdienst of nationaliteit, masork.
i>\\ \'ergangsl üdperli ; iemand in zijn
—, oratiy thigah mënyobah.
over^Hve, zie overgaaf. —, aan een
vijand, ook toendoek; teeken van —,
ui.nut\'.\' ioendoek.
overyeseven, tersërah; ter hand ge-
sleld, san/pui, dïsampaikan.
overgelaten; aan zichzelven —, di-
biarkan;
geheel aan zichzelven —, voor
oud vuil daarheen geworpen, lërlaniar,
kabiaran.
overgeld, surplus, wat men meer noemt
voor onvoorziene uitgaven, bast.
overuenoec Itbih dart tjoekoep.
overueven, tor hand stellen, mtnjata-
paikan
(van satupai). —, overreiken,
mtnyoi-ndjoek; aan den Vorst, mï\'in-
pershitba/ikuti.
—, uitleveren, mènjvrah-
kau
(van sera/i). —, laten varen, inv.m-
btarkan;
zich —, ouderwerpen, menje-
rahkan diri, toendoek;
de kameel geeft
zichzelven over, onta inPnjërahkan diri,
Sprw. bet. met hangende pootjes terug-
komen. —, braken, moeiah, moentah;
ieU —, moentahkan; iets — nan
iemand, bij wien het behoort, mëmoe-
lavykau,
b.v. dipoülaiiykan olih bapakon
styala perkakasnja kapadakoe,
en mijn
vader gaf mij al zijn gereedschap over;
zich — aan zijne driften of lusten,
nitiioeroet haica-nafsoeaja (van toeroet);
zich aan zijne vreugde —, membaica
kasoekaannja,
ook niembawa kasoekaan
hat\'wja;
zich geheel aan iemand —,
zich geheel aan hem toevertrouwen,
b?pertaro/ikan dirivja kapada.
overgeving, braking, moeniak.
overgewicht, libihnja timbanyan. —,
doorslag e|> het wegen, baki,
overgieten, zie «rieten.
overgroeien, van takken, klimplanten
enz., iiténdjoflai, Men.
overgrootmoeder, mvjany; ter on-
derscheiding van overgrootvader, mo-
jauy pêratttpoewan ;
vorstelijke —, mo-
jauyda.
overgroot vuiler, wtojamg; ter onder-
scheiding van overgrootmoeder, wtojamg
laki-laki;
vorstelijke ■—, mo-janyda.
overhiiul, p< nambany.
overlumlHchuit, sampan petttt/ubtt/ty,
ptrahoc pinjabiranyav.
Op Java iamba-
nyau.
overhutilvetTi panykalan tambany.
overhaaat, d titaan yoepoeh-yot-pueh,
yèsa-yesa, bang al ban y at.
— en in wan-
orde, gëruh-yï-rnh, b.v. djatitjan anak-
kuf bïryï\'roh-g\'Prah, xoi\'paja iirllpas
moerka dan murah,
mijn zoon zij niet
—  in zijne handelingen, opdat hij aan
booshuid en toorn onlkome.
overhaasten, mï\'iiyyï:sa, me/nbangattan
amat;
een werk —, mëmboeroe pïkër-
djaiiii.
overhnaflting, got-poe/i-yocpoe/t, gun~
poeh-yapah;
in —, dënyaa goepoeh-
yoepwh, dtiigan yoepoeh-yapah.
| overhalen, disüllcercn, méngoekoe»
(van koeküi-s), —, uittrekken van wei-
riekende olioen of wateren, inïnjoeliny,
—  van den liaan van een geweer, men-
tjékahkan, mëtnëlik pitjue stluapany
(van petifr), mëraji/i.-—; iemand ergens
toe —, niembawa liati urany. —, tot
iets gunstig stemmen, tot iets overreden,
tnenyéloi\'u (van êlouri); iemand met een
zacht lijntje trachten over te halen,
niëndjoedjoel-djoedjoel, ntëmbondjot\'k-
boedjoek.
— met een vaartuig, menam-
bany
(vnn tambany); eene vrouw trach-
len over te halen, b.v. tot een huwelijk,
vïe.nyoemboel\' (van ofinbuek).
overhnler, met een \\amtuig, pénainbany.
overhand, overwinning, kammanyaa;
de — hebben, menany, yrai\'tb, Ar. ook
van een hartstocht: de — boven elkander
trachten te verkrijgen in een woorden-
wisseling, btratax-atasan; de — krij-
gen, steeds toenemen, nmkin bi-rtamba/i~
tambah,
overhandi^eiit mXnjampaikan kata-
■ngan, nienyoendjoefc katanyau.
-ocr page 586-
.174
overhand* — overijverig.
vertrek, katjau-belau. —, van eene
stnd, een huishouden, een leger enz.,
poralc-parik, porak-peranda, letterl. op
verschillende wijze verward door elknn-
der, b.v. mendjatti porak-parik nègari,
de stad raakte—, in verwart ing; porak-
parij? roeutah taugga,
bet huishouden
lag —; ladaugnja se,-ta isinja habis
porak-parik sakali,
zijn akker met al
wut er op stond lag geheel —; sègala
bala tantara habis porak-ptranda katana
kamari,
het geheele leger raakte — en
vluchtte ginds en her. — liggen,
gebrouilleerd zijn, bèralangan, b.v. upa
toedahnja kita beralangau dengan sijam
ini,
wat znl er het einde van zijn, als
wij met Sijam — liggen f voortdurend
met elkander —liggen, d. i. fig. sapi\'rfi
tandoek diberkas,
als horen* tot bun-
deU gebunden.
overhoojicooien, zie het volg. woord.
overhoophalen, den boel het onderste
boven buien, unmbongkar, menjelongkar
(van selongkar); met verscheidenheid
membongkar-bangkir. Dit laatste ook
van allerlei vroegere voorvallen op-
halen, oude koeien uit de sloot halen.
Verdei mèagatjav-belaakan, mlndjadikan
porak-parik, men dj ad\'t kan porak-peranda.
overhoopliggen, in onmin leven, bt-r-
selisihan, bertjidera, bhrs\'etïroe.
— van
voorwerpen, zie overhoop.
overhooren, luisteren naar, mèndengar-
kan.
overhouden, dat op den persoon slaat,
wordt in het Maleisch teruggegeven met
woorden, die overblijven van de zaak
beteekenen. b.v. ada lèbih, slsanja, lagi
tinggal.
—, bewaren, opbergen, mënjim-
pau
(van simpan), menaroh (van taroh).
overig, lebih, lagi tinggal, sisa. Zie
over; de overige dertig duizend
dinariën, jaag tiga laksa dinar lagi;
het —e geld, oeicaug jang lebih itoe,
lebihnja oewang Hoe;
het —e van het
eten, sisa makanan ; de - e tien gulden,
sapoeloeh roeptak jang lagi tinggal itoe.
overigen», lain daripada itoe (of tui).
—, intusschen, dalam pada itoepon.
overijld, bangat, fërlaloe goepoeh-goe-
poeh, tèrlaloe gèta-gèsa, bangat-bangat.
overijlen; zich —, te vee! haast ma-
ken, tèrlaloe goepoeh-goepoeh.
overijling, goepoeh-goepoeh; met —,
dèngaa goepoeh-goepoeh.
overijverig, tèrlaloe radjvt.
overhand», zie bij naaien.
overhangen, overhellen, tjèndèroettg ;
buigen van lakken, ntèlèntoer; o\\> zij—,
singil. —, op het vuur zetten, men-
djèrang.
Zie overhellen.
overhebben, lihih dari ijoekoep, ada
lebihnja;
voor een ander wat —, soeka
mèmberi kapada orang, soeka mènoe- .
long orang
(van toeloeng).
overheen, lalue dari afas. —gaan*
mèlaloei. — stappen, mèlangkahkan;
tig. niet van belang rekenen, tiada :
mengendahkan, tiada mèmbilangkan.
vloeien, zie overvloeien. — zetten,
bet hart over alle zorgen heenzetten,
mèloeljuetkan hati daripada sègttla ka- j
bèralan. —, bovendien, Itbih dari itoe. !
overheer, de ^ orst, jangdipertoenan,
jamtoewan.
—, heer, meester, toetcan, I
penghoeloe.
overheeren, regeeren, memtrentaJikan
(van perentah), mèngampoe. —, ver*
overen, overweldigen, mèngalahkan. —,
onderwerpen, mhioendoekkan (van toen-
doek), Hthiillokkau
(van tïllol; Ar.),
membawa/ikan.
overheerlijk, schoon, amat endah-
endah, endah-endah sakali;
van een
landschap enz., amat permai. —, van
smaak, amat ledzat tjila rasanja, amot
sèdup rasanja, tèrlaloe s. r.
overheerHchen, iii\'ém\'érentakkanlmhig-
ampoe.
—, beheersenen, zie ald.
overheerscher, jangdipèrtoewan, jam- \'
tot\'wan.
overheet, tèrlaloe panas.
overheid, si-ga/a orang besar; de stede- !
lijko —, pèmrentahan nègari, toe/va-
toeica nègari, si-gala penghoeloe nègari, \'<
overheidsambt, djabatan penghoeloe !
nègari.
overhcidNpi>ri40onf orang besar, peng- \'
hoeloe nègari.
overhellen, ijtnderotng (ook fig. van \\
het gemoed^, miring. —, scheef, niet
in evenwicht, imbal, — naar e\'éne zijde,
serendeng. —, afwijken uit den lood-
rechlen stand, van huizen, muren, schc-
pen enz., singii ■ ook fig. van het
gemoed; een vaartuig aan lij doen —,
mendjerba.
overhelling, tjèndèroettg, shigit. Zie het
vorige woord; sterke — des harten.
toenggang Hati.
overhemd, kamedja loewar.
overhoop, van den boel, b.v. in een
-ocr page 587-
— overleg.                                          575
herat (van tanggoeng). — met werk,
mënanggoengkan terlaloe banjak\' pëkër-
djaiin, miuthiratkan dëngan pekërdjaiin.
— zijn van werk, bezigheden, van eene
menigte /aken of vrouwen en kinderen
op reis enz., rimbit. — zijn van bezig*
heden, timboel-tënygëlam dalam p^kër-
djaan;
iemand met weldaden —, mt/i-
pofti deugan kabdikati; van den \\orst,
mèlempakkan karoenia; zijne maag —,
makan terlaloe ba..juk.
overland, darat. — reizen, birdjalan
darat.
overlans, soedah lama, toedak hëhërapa
lamanja.
overlnnsen, overreiken, mëngoendjoek.
overltmys, in de lengte, boedjoer.
en overdwars, tinlang boedjoer.
overlaat, al te zware last, moetcatan
jat/g terlaloe herat.
—, moeite, hindernis,
soesah, oesik, aniaja; iemand — aandoen,
mënjoesahkun orang, mengoesik orang.
overlaten, laten overblijven, een rest
ol\' kliek van iets, tinggalkan sisa,mënji-
sakan
(van AM, overschot). — aan
iemand, vuur rekening laten van iemand,
mëmoelangkan kapada; laat het aan mij
uver haar te zoeken, biarlah a/as akoe
méntjëhari dia;
overgelaten zijn, in
dien zin, poelang kapada; alleen —,
ménoemang (van toemang, alleen over-
gelaten); aan het lot —, zich om iemand
niet bekommeren, mënggërawat; het
blijft aan den priester overgelaten meer
dan veertig ann een vrije te geven,
karos baga\'i Imam mëlebih daripada
empat poetoeh pada jang mardaheka.
—, overgeven, mënjërakkan (van sèra/t).
—, laten passeeten, mëmberi laloe, b.v.
niemand wordt hier overgelaten, sa\'o-
rang pon tiada diberi laloe dart sin/;
hij liet hel voor dien prijs over, di-
berikaunja deng.m sakïan harganja.
overleden, gestorven, mati, soedah mi-
ninggal;
van Vorsten, soedah mangkat
beradoe, soedah icafal. •
—, wijlen, vnn
Vonten en aanzienlijke personen, mar-
hoem,
Ar.
overledene, orang jang tnati, o. j. soe-
dah meninggal;
van Vorsten, jang soe-
dak mangkat bëradoe:
de —, wijlen,
marhoem. Ar.
overleder, koelit di-atas.
overleeren, bëladjar poela, heroelang-
oelang bëladjar.
overles, himmat, Ar. schrander, —,
overjaard
overjaard, zie verjaard.
overjarijj, lebih dari satoe tahoen.
overjnN, badjoe loeicar.
overkant* sabetah, tëntangan. — van
een water, sabërang; naar den — ganu,
iaënjaberang; nanr den — eener rivier
gaan, ecne rivier oversteken, menjab\'e-
rang soengai.
overküken, ia de rondte, mëtikat koe-
Uling.
overhlauteron, meaaiki. Zie over.
klimmen.
overkleed, bailjoe locicar,- priesterlijk
—, djoebbak, Ar.
overkleeden, zie beklceden.
overklim uil-i), mëndiki. — door mitl-
del van iets, waarin op gelijke afstan-
iien pennen geslagen zijn, mënjigai
(van sigai).
overkoken, lembak.
overkomen, gebeuren, djadi,përistetca,
Skr.; wat is die vrouw —, apa pïrtS\'
teicanja perampoeicun itoe;
indien het
(of hein ui\' haar) iets overkomt, indien
er iets meê gebeurt, djikalau ada
toeatoe përinja;
als hem bet een of
ander overkomt, djikalau ada apa-apa
baraug soeafoe hdl-altoealnja
,- mij is een
ongeluk —, sëhaja kéna tjilaka, sëhaja
dapat tjilaka;
vele rampen zijn hem
—, ban jak. bita tel ah datang atasnja;
Wat is u —, apa kënamoe. —, van
elders komen, datang dari. —, over
een water komen, menjabërang; over
iels anders, mëfaloeï. —, met geld voor
den dng komen, niëngaloewarkan oewang
(van kaloewar). —, herstellen van
schade, mëmbdiki roegi, —, overvallen
van een vijand, mëndatangi.— worden,
kadatangan.
overkomst, komst, datang, kadatangan.
overhop, toenggang balifc. Zie hal".
overkrüjjen, van gasten, kadatangan
djamoi\'.
— van stortzeeën, fërsimbah
gëtombang.
overhropt, vol, penoh-sésak, p. pëpal:
— van werk, rimbit, timboel ienggëlam
dalam pekërdjaiin.
overhruipen, van kruip- of klimplan-
ten, lange takken enz., mëndjoelai, Möd.
overladen; de lading uit een vaartuig,
mëmoenggah (van poenggah). — van het
eene vaar- of voertuig in het andere,
mëmindahkan moeicatan (van pindaK).
—, te zwaar laden, mëmoeicatkan ter-
laloe banjak, mënanggoengkan terlaJoe
-ocr page 588-
576                              overlegden overnachten.
| asiana verbonden is. —, te groote hoo-
veelhoid, kalempahan; een — van gal,
kalempahan hampedoe.
overloopeu, tol den vijand, mëmbeloet.
Ook met den vijand heulen, de partij
van den vijand kiezen, h.v. sebab Ar-
driang Kuk itoe beluet, diberinja djalan
l akan higgris, oj.dat A. K. het met den
vijand hield en den Kngelschen den toe-
gang verschafte. —, overvloeien, van
oen vloeistof, sëbak, tembak-, tampar;
lot —s toe vol, zie bij vol.
overlooper, tot don vijand, pëmbeloet.
overluid, van lezen, hardop, koewat-
koewat. —, van zingen enz., dengan
njari/tg soearanja. —, van lachen,
schaterend, gulak-gtlak.
oviTiuaiit, maat te veel, oekueranjang
lebih, takaran jaug lebih,
ook kakbihan.
Zie maat —, wat men boven de
maat neemt, baai. —, al te zeer, lèr-
lampan daripada adat, iërlaloe sang at.
overmuelit, koewasajang tërlebih bësar;
voor de — bukken, tiwas, kala/i.
overmuclitig, (niëbih koewasa.
overmaken, nog eens maken, mëmbue-
wat poela, mëmbofwat sakali lagi;
van
voren aan geheel —, mtmboewat samoela.
Zie zenden.
overiuunnen, viënyyayahi; overmand
worden, digayahi.
overmatig, lebih dari oekoeraa, lebih
dari djanykanja, ter lampan daripada,
üdat, tërlampau sanyal, ba/iena, Iërlaloe
bahena.
overmeesteren, mënyalahkan (vainJtt-
lah). —, cijn&baai maken, mcnïüokkan
(van tülok, Ar.); zijne driften —, me-
ntltokkan hawa-nafsuenja;
door zijne
driften overmeesterd, dibawa olihhawa-
nafsuenja. — ,
door pleging van geweld,
mëugyayahi.
overnieten, nog eens meten, met een
lengtemaat, mtnyoekoer sakali lagi; met
een inhoudsmaal, tnëuakar sakali lagi
(van takar), mënjuekatpuela (van $ot:kat).
I overtnitK, daar, dewijl, teyal, sëdany.
overmoed, overmoedig, Iërlaloe bërani.
overmorgen, loesa, hari laesa; over
—, de dag na —, luesanja lagi,toclat.
overnuuien, nogmaals naaien, mëudja-
hil puela; voor de tweede maal naaien,
mëtidjahit pada duewa kalinja.
I overnuaisel, wat nog eens genaaid is,
tweemaal genaaid, djahitan doewa kali.
I overnachten, bèrmalam; ook in de
iinyyi himmat; met — behandelen,
zuinig huishouden met, mSttffhimmaikan,
inëntjhimiiiai\'kimmatkur.;
uiet — schnak-
spelen, mtndjalankan fjatoer dënyan
bërhimmat;
met —, h.v. iets verdeden,
ook dtngan kïra-kira dan k\'edarkan; in
— treden of zijn, herpadoe-padan; zon-
der —, iiada berkëiorlue. —, beraad-
slaging, bitjara, moesjdwarat. —, over-
weging, limbangan.
overleyj»en, met overleg behandelen,
zie hel vorige woord; het voor en tegen
wikken en wegen, ndnimbany-nimbany
(van timbang), btrpadoe-padan. —,
beraadslagen, berbitjura, btr moesjdwarat;
met anderen —, overwegen, beroera-
oera, meny oer a-oer a.
Zie het volgende
woord. —, het gebeurlijke bespreken,
berandat-andai, h.v. birandui-andailah
sa\'orany dënyan sa\'orany,
zij overlegden
met elkander (namelijk wat er wel
gebeuren kon). ■—, naar de andere zijde
leggen, van zeilen ot\' roer, méngatih,
b.v. over je zeilen! alihlah lajar! —,
voorleggen, vertoonen, mënyhadltrkan;
utënoendjuek"
(vau tuendjofk), i/iëmpë/li-
haikan.
—, besparen, nunjimpan (van
sim pan . mraaroh (van taroh).
overle«jjn»iï» overdenking, kapikiran ;
de —en des harten, sëyala kapikiran
hati;
met allerlei —en den tijd ver-
spillen of de goedo gelegenheid laten
voorbijgaan, beroera-oera. Zie het vorige
woord.
overleven, langer leven dan, hidoep
lama daripada.
overlevende, jang layi hidoep.
overleveren, iets overgeven, mënjërah-
kuii
(van serah). —, ter hand stellen,
mtiijampaikan (van sampaii, mënyoen-
djoefr katanyan;
aan den Vorst, mem-
përsëmbahkan.
overlevering; de — van Moehnmniad,
liadits, Ar. de heilige—, hadilsoe\'lkoe-
does,
— in het algemeen, hiervoor is
geen ander woord dan, tjëritera, ver-
haal, riwiijat, Ar. id.
overlezen, rntmbatja puela; telkens—,
bëroelang-oelang „tembatja.
overlijden, mali; van \\ orsten en aan-
zienlijken, mangkal beradue, hitavg,
waf ut,
Ar. Zie sterven.
overloop, gang van het vorstelijk huis
naar de gehoor/aal, roeny. Vandaar dat
die gehooiv.aal balairueny heet, namelijk
een Lulu. i. die met een roeny aan de
-ocr page 589-
:.;:
overslaan.
overnemen
overschaduwen, ntiiiaoengi. —, be-
schutton, mtiiindcengkan,
overHcliuduwiuSi përnaoengan, për-
lindoengan,
overschatten, mtnilaikan hargauja
tfrlaloe bësar,
overs«-henkeu, menoeicang daripuda
soeatoe bëkat kapada bëkas ja/tg lat».
—, te vul schenken, menoewang MM*
pai toempah.
oversrkepen, mëmindahkan moewat an
iyB.xipindah},m%moeHggah{shüpoenggah),
overscheppen, mïntjidoêk- daripada
soeatoe bëkas kapada bëkas jong tam.
overschieten, overgeschoten, tinggal,
tërtinggal;
er van —, tivggal sisanja;
doen —, minjisakan.
overschot, afval van afgekookte of uit-
geperste zaken, kompas, b.v. /tampas
kopt,
koffiedik; hampas tëboe, uitgeperst
suikerriet; hampas njion\\ uitgeperste
kokosnoot enz. Verder nog tjereh. —,
rest van iets, sisa, lëbihnja, salebihtiju,
—, restje, kliekje van iets dat niet
geheel opgebruikt is, sisa. —, rest na
eene aflrekkiog, lebih; een — laten,
ménjisakan, tinggalkan sisa. —, na
gemaakt gebruik, b.v. — van niurkt-
geld, rentjeh.
overschrijden, inëlangkahkan. —, ver-
der gaan dan, te boven gaan, terlam~
pau daripatla.
overschrijding, pvlangkahan.
overschrijven, m\'hijalin soeral (van
salin).
overschrijving, saiinan soeral.
overslaan, hetzij opzettelijk, hetzij bij
vergissing, b.v. een blad in een boek,
langkait; telkens een —, om den andere,
bfrsëlang~sëlang; met verscheidenheid,
bërsëlanij-sëling; zonder —, in dien
zin, geregeld, liada bërsetai/g. Ook —
van een dag enz. — van do golven op
het vaartuig, simbah gtlombang. —,
overspringen, van vuur, de vlam, op
andere voorwerpen, niëndjangkit, mëit-
djëlati, sëntjgau.
—, overgeslagen door
den inslag, van een draad van de
schering, soelap, —, besmettelijk zijn,
va» eene ziekte, mendjangkit. —, ver-
geten, mvforpakan; overgeslagen, in
dien zin, lërloepa. Ook tïrlindoe/ig,h.v.
niemand werd door hem overgeslagen,
sa\'orany pon liada ttrlindoeng kapa~
datija.
—, een overslag of berekening
maken, me?/ghi(oet/gt bërkira-kira.
beteekenis vau een nacht over blijven
staan, ngiuëp, Jav.; de plaats waar
ineu overnacht, pirmalamaa; laten —,
den nacht over laten slaan, b.v. xuelk
enz., matumkan. — op het erf, of onder
het afdak, bij een vreemde, doedoflf
tersaro.
overnemen, aannemen, miatrima i^van
thrima), mënjamboel tvan samboet). —,
op zich neiLen, mtnanggoeng (van tang-
goeng).
— uit een of ander werk,
mëmoengoet (van poengoet).
overoud, sangat tuewa, ter lampau toewa.
overpeinzen, mëmikiri (van pikir), —,
overwegen, mënimbang-nimbang (van tim-
bang).
overpeinzing;» kapikiran; in — verzon-
ken, lër/ëkoer, Ar.
overpluutseu, mëmindahkan (van pin-
dak),
overplaatsing, pindahan.
overphvhken, zie beplakken,
overphmten, mëmindahkan (van pin-
dak).
—, van stekken, mëngganysa,
mënganggoer,
— van de rijst, van het
zaaibed op de velden, mëngandjak\', Pad.
bov. 1. goed om overgeplant te worden,
elufc di-uitdjaik.
overreden, mënasifratkan (van tutfihat,
Ar.); tot iets —, lot iets gunstig stem-
men, mëngéheu (van Hoen),
overredend, van den mond, muelvci
waiiis.
overregenen, mëughoedjaiü; over-
legend, kahucdjanan.
overreiken, mëugoendjotlf; aan den
Vorst, mïmpërsëmbahkan; met veel
eerbied —, mfatgoendjocfckan deugati
sabdtk-baïk }format.
— van den beker,
mtnjoelang; ouder elkauder den beker
—, bërsuelang-soelangan.
overrekenen, nug eens rekenen, meng-
hitoeny poela.
—, uitrekenen, mëngira-
ngira, mïnghitoeng.
overrijden; overreden door een rijtuig,
digelek oli/t kareta.
overrijp, van vruchten, magang. —,
goed rijp, zacht van rijpte, ranoem.
overroeien, mindajoeng kasabërang,
mengajoe/i kasabërang
(van kajoeh).
overroepen, mënjëroe kasabërang; roe-
pen om den overhaalschipper, mënjëroe
pi/iambang.
overrompelen, mënjïrëgap (van sèVë-
gap). — van een vijand, in stilte over-
vallen, mëlulofc.
-ocr page 590-
678                                        overslag — overtomen.
dilanggarnja sakali, didjëraminja de-
ngan séligi,
en door de Malaknnen
werd op eenmaal een aanvHl gedaan
en zij overstelpten hen met werpsebieh-
1 eii; overstelpt vun allerhande dingen,
zooals van doozen, pakjes, kistjes,
koffers enz. van iemand op reis, rondab-
randeh ■
overstelpt, oveikropt van bezig-
heden, drukten, siboek, timboel tënggë-
lam dalam pekërdjaan;
overstelpt door
droef heid, kalempahan doeka-fjita, di-
saratkan doeka-tjita.
overstem pelen, mëmëtëraikan poela.
overstolpen, met iets hols overdekken,
b.v. met een bord of mand, mënjoeng-
koep
(van soengkoep), menjerïkoep (van
sërëkoep).
; overstorten, van het eene vat in het
andere, mënoewang dalam bëkas la\'in
(van toewang). —, met geweld zich op
of over iels storten, mëughamboeri. —,
storten van vocht uit iets over den
raad daarvan, bedr. mënoempahkan;
onz. toempah; overstort worden b.v.
van een kleed enz., in dien 7,\\n,katoem-
pahan.
overstrooien, meng ham boert; met bloe-
men —, menghamboeri dëngan boenga.
— met een vocht of fijne zaken, zoo-
als suiker, mënjirami (van siram).
overstroomen, iets, mïlampar, mëli-
poeti, mengampoehkan;
het land —,
mëngampoeh kan nëgari ; overstroomd
zijn van velden, ampoeh,kampoehan,—,
onder water zetten, mëngafjap; over-
stroomd, tëratjap.
overstrooiriing, ajar-bah. — bij zeer
hoogen vloed, pasang bah Verder am-
poehan, ajar-sëbak.
— hebben, onder
water staan, bëratjap. Op Java — die
van het gebergte komt, bandjir.
oversturen, zie overzenden,
oversuikeren, mot suiker omgeven,
menjaloet dengan goela (van saloet); met
suiker bestrooien, mënjirami dëngan
goda
(van siram), mëmboeboeh goela.
overtallig, lëbih daripada bilangan.
j overtappen, mënjalin (van salin). Zie
tappen.
I overtellen, wederom tellen, mëmbilang
poela,
; overtocht, te land, përdjalanan; met
een vaartuig, pëlajaran.
\' overtogen, overdekt met, disaloet dë-
tigan,
b.v. met goud —, disaloet dëngan
1 emas.
overslag, berekening, kira-kira. —,
waardoor de kram voor een hangslot
komt, tjaping.
overspel, ziua\', Ar. moekah, kfndalf.
De beide laatste woorden ook voorden
persoon, met wie of wien men — be-
drijft; bërmoekah schijnt alleen vaneen
getrouwde vrouw te kunnen worden
gebruikt, hërkëndalr en bërzina\' bezigt
men zoowel van den man :■]- van de
vrouw. — bedrijven, berboeical zina\',
bërmoekah, bërkëndak-
overspeler, orang bërzina\', orang ber-
këndafr.
overspeelster, orang bërzina*, orang
bërmoekah, orang berkendafc.
overspreiden» b.v. een kleed ergens
over, mëngharparkan kaïn di-atas, meng\'
/ia/npari.
oversprongen, oversprenkelen, merë-
tjiti bërkoeliling, mëmërttjiki bërkoeli-
Vng.
overspringen, springen over iets, me-
lompat,
b.v. eene sloot —, mr lompat
porti,
een muur —, melompal pagar.
—, ovorslann van vuur, sënggau, men-
djangkit.
overstaan, blijven staan, tinggal; een
nacht en diig over blijven staan, tinggal
snhari samalam.
overstaan, tegenwoordigheid, hadapan,
?jiidlirats
Ar. ten — van, dihudapan,
dihiidlirat.
overstag, mar. beloejr(r) — gaan, mëm-
bfloek.
— vallen, dibeloefc angin.
overstappen, mïlingkahkan.
overstnpping, pëtangkah.
overste, hoofdofficier, hoeloebalang, pe~
halawan,
Perz. pëngtima përang, sardar,
1\'erz. Voor ons — zegt men meestal
obës, verb. —, hoofd, pënghoelae, pe-
tnoenfjafc,
Sum. eerste overheidspersoon,
dateelf pemoenfjafc, id.
oversteken, naar den overkant gaan,
mënjabërang (van saberavg); eene rivier
—, mënjabëra~g soengai. — van eene
vlakte, mëlaloeï padang. —, den kort-
stcn weg nemend, meminlat {v&npintas}.
—, overreiken, mëngoendjoel\'; samen
—, ruilen, bërtoekar-toekaran.
overstelpen, overvloeien, mëlipoeli;
ook fig. b.v. met weldaden —, mcli-
poeti dëngan kabaïkan.
—, met een
sterken strnal begieten, mëndjerami.
Ook gebezigd van — met werpschich-
1 e n, b.v. maka olih orang Malaka
-ocr page 591-
overtollig — overvloed.
57\'J
jafrtnkoe ija-itoelah Amir Arah,- stukken
van—.corpus delicti, tanda biti,tjhnut
boekt\'f-,
Skr.
overvaargeld, veergeld, oewang tani\'
bangan.
overvaart, het overvaren, pinjallra-
ngan.
—, passage, toempanyan; geld
voor de overvaart, oeieang toeinpavgan.
—, veer, zie ald. en overvaren,
overvallen, mendalangi. — worden,
kadatangan; door den vijand — worden,
kadatangan moesoeh; door ziekte, kada~
ttingan sakit;
door gasten, kadatangan
djamoe;
door den dag — worden, ka-
sijangan;
door den nacht — worden,
kamalaman ; door den regen — worden,
kahoedjatian. —, onvoorziens op het
lijf vallen, onverwachts voor elkander
staan, van personen of legers, mendji-
rimpak.
—, onvoorziens tot iemand
komen, op hem toetreden, tninjerégap
(van serigap). —, onverwachts tot
iemand komen, ook: minirkam; hem
op \'t lijf vallen, b.v. vanwaar komt gij,
mijn lieve, vader zoo —,dari mana oesosf
jang sjahda, maka minirkam kapada
ajahanda;
onverhoeds—, ook menjobok
(van sobofc); door duizeling — worden,
kaphüng-piningan; door stuipen —
worden, kafvrdjomian saiean; door eene
ziekte —, katibaiin ptnjakit; in eens
door velen te gelijk — worden, tir-
serempak,
b.v. ada djotga barangkali
ièrserÜmpafc, tiada simpat disoempit
akandia,
soms worden ze ook wel —,
zoodat ze den tijd niet hebben hen
met hlaaspijlen te schieten. —, naar
den een of anderen kant vallen, zie
vallen,
overvaren, voor geld van de eene plaats
naar de andere, menambang (van tam-
bang) .
oververtellen, nïtntjtritirakan poeJa.
o ververven, mintj ai\' poela; door indom-
peling, mt\'titjelüfp poela.
oververzadigd, djemoe, ttrlaloe /•?«-
njang. — vnn, djïmoe akan. Verder
bingkajang. —, van feestvieren, djlnoh.
—, de buik vol van spijs, siuoh.
overvliegen, overheen vliegen, têrbang
milalnëi.
—, van de eeno plaats nanr
de andere, tirbang daripada soeaioe
tempirt katempat jaiig la\'in.
overvloed, kahmpahan, kameteaün. Dit
laatste ook in de beteekenis \\ nn over-
daad; in —, dtingan lempahvja, di-
overtollig, te veel, thtaloe banjak, t¥r-
lompau banjak.
—, boven het noodige,
Ivbih daripada hiidjat. —, onnut, fiat/a
b\'ft/oena, tiada bf.rfa\'idah.
overtolligheid, kalrmpahan, kabanja-
kan.
overtreden, ntëtaioeï. — van de Vor-
slelijke bevelen, melaloeï tita/i. Verder
nog melangkah en op Java mflanggar.
—, over iets heen treden, mt.langkah\'
hm.
—, fouten begaan, bïrtalah, b?r-
lueirat salah.
—, zondigen, berdosa,
lérbomrat dosa.
overtreder, orang jang mflaloei, o. j.
mttangkah, o. j. tërsalah, o. j. bïrdosa.
Zie het vorige woord.
overtreding, misslag, salah; allerlei
—en, satah-silah. Ook kasalahan. —,
uit vergissing, ichiilaf. Ar.
overtreiïen, nieTtbehi, b.v. haar gelaat
overtrof dat der dochteren van aan-
zienlijke Vorsten, parasnja mtlïbehi
parus anak ratoe jang agoeng-agoeng.
overtrek, sloop, enveloppe, zak over
iets, sampoel; van een — voorzien zijn,
lirsampocl, bilongsong, Jav. —, cn-
veloppe, ook paloet, safoet; daarvan
voorzien zijn, tirpaloet, tirsaloet. —, !
over den mond van flotcb, glas of pot, !
h.v. con blan^, doek, leder, papier enz., :
tii-iang; mei zulk een —- sluiten, meng\' I
pttaxgi. —, scheede, koker, saroeng,
iets daarvan voorzien, daarin steken,
wvnjaroengkan.
overtrekken, van een overtrek voor- j
zien, minjampoel, mfuiafoet, niinjaloet,
m>ngg<tangi, niènjaroentjkan.
Zie het
onderscheid bij het vorige woord; met
doek overtrekken, zie bij bekleeden. \'
—, trekken, reizen over, mï/a/oet, b.v. \\
vele bergen en vlakten —, tntlaloei \'
bïbtrapa-brrapa goetioeng dan patlang;
eeno rivier —, ineujab\'ërang soengai
(van sabtrang); door wolken overtrok- j
ken, b.v. van de maan, disopoH au>an- j
awan. Ook door dauw uf damp.
overtrekBel, saloctan. Zie overtrek.
overtuigen, van goede zaken, menasi-
hoikan
(van nasihat, Ar.), membiri
.lasihat.
— van verkecidlicid, bestraffen,
vh-nï-mp^lak (van fïmpïtak); overtuigd
worden, in dien zin, kina tSmpelak.
overtuiging: de vaste —, sangkajang
ttgoh, jakhi,
Ar. b.v. ik heb de vaste
—, jtikinlah hattkoe; doch nanr mijne
vaste — is dat Amir Arah, tttapipada \'
-ocr page 592-
5S0                                  overvloedig — overwinning.
nyan Meica, blrktüempahan, dïngan ka-
luewaiin;
juist io grooten — afvallen,
vaa vrucotea, tëagah djerah yoeyoer;
io — zija, ia — leven, ook btrUb\'th-
h\'/ihitit;
een — vaa woorden, kabanja-
kan pukalaun
,- ten —o, tambahan poela.
Zie bet volgende woord.
ovrrv 1 ut-ilii». lempah, dëityan lempahnja,
denyau lempahan, metca, dëayan kame-
tcauii.
—e spijs, makanan meien.
doen zijn, melempahkan. — aanwezig
/.mi. b.v. vaa geld of koopwaren enz.,
Mtlmver, Ar. —, io overvloed voor-
komeo, b.v. vruchten, visch, koopwaren
eaz. ia den daarvoor bepaalden tijd,
ook van ziekten, djèra/i. •— afvallend,
(ëiiga/i djèraA yoeyoer. — aankomend
vaa vaartuigen, përahoe tenyah djërah
dutany ;
zie ook i>e«*t. — ol\' in menigte
van figuren op een kleed, djerah.
zija, iets anders te bovengaan, tncli-
poeti.
—, vaa goede werken, djarijah,
Armb. — gl»Q= verspreiden, t,iëlempuh-
kan fjahaja.
— gunst bewijzen, mëleni\'
pakkan karoenia;
zeer —, ook sap»:-
noehnja,
b,v. maka kata Laksamana:
t/ttïkta/t, jany kasih bapa hamba itoe
sapënoekiijalah,
en L. sprak i Welaun,
de liefde mijns vaders is zeer —.
overvloedigheid «= overvloed.
overvluedigiykr, dëngati bcrkaletn-
pa/ta/t.
overvloeien, overloopen van rivieren,
meren, slooten en allerhande vaatwerk,
dat overvol is, lembak-, lampar, sèbafr.
— van licht, glans, weldaden, gunst,
een vocht, lempah. —, overstelpen,
melipocll. Zie overutroomen.
overvoeren, te veel voeren, mëmbëri
makan lerlaloe bat/jak.
—, overbren-
gen, zie ald.
overvol, lerlaloe pënoeh. —, overmatig
vol, van vaten, b.v. een bord met rijst
(van vaste, niet van vloeistoffen), terair;
overvullen, mtnerakl.an.
overvragen, minta harya terlaloe bësar.
overvreten, makan terlaloe banjak-.
overvulü, vaa den buik, sënoh; niet
—, oiet opgestopt van den buik, lavas.
overwaaien, ditërbanykan artyin, di-
batca vfi/i
«mm; hoe is Mijnheer hier
komen —, bajoe maita gurangatt, toeican,
jany datany berpoepoet ini;
letterl. wat
voor windvlaag, .Mijnheer, is er hier
komen waaien.
overwul, saberany; naar den — gaao,
Mënjadërany ; naar den — gebannen woi -
den, diboetcany kasabërang.
oviTwn-srlii\'ii, membasoh poela.
overwegen, overdenken, timbany; bij
herbalinir —, timbang-meniiubaHy. Zie
ook overleggen. —, oog eens wegen,
iHënimbany poela.
overweging, overdenking, tïmbanyan ,-
bet kwam bij hem niet io —ytiadalah
kapadanja limbangan atasnja
; i n —
nemen, meagambil insaf; menlmbany;
b.v. de geschillen in — nemen, me/tim-
bany per bant aha,i.
—en met anderen,
oera\'oera,- den tijd of de gelegenheid
met allerlei —en laten voorbijgaan,
beroera-oera.
overwegend, tërlëbih bërat.
overweldigen, menyyayaht.
overweldiger, penygagah, orany jany
menggagahi.
overweldiging, penggayahan.
overweUael, imigkoeng, froebbal, Ar.
overwelven, melviigkuengi.
overwerk, bast, b.v. sébab kaiau deiigan
bayiloe kila bast poela,
want als het
zoo gaat dan maken wij nog —.
overwerken; zich —, mëranggakan
diri,
M.
overwicht, doorslag bij het wegen,
baki.
overwinnaar, urang jang mënang; ala
—  terugkeeren, këmbali dengan kamë-
nanyannja.
In eigennamen komt veel
voor, mansoer, Ar.
overwinnen, de zege behalen, mënany.
Dit wordt alleen subjectief gebruikt;
overwonnen is ala/i, kalah, këtjoendany ;
doen —, mëmënanykan, b.v. ërtinja
Mansoer Sjah Hoe radja jany dimë-
nangkaa Allah daripada sëyala sëtë~
roenja,
do beteekeois van Mansoer
Sjah is: koning, dien God zijue vijaodea
doet —. NB. mënany regeert het Voorz.
daripada; van een advokaat of redenaar
de overwinning op zijne tegenpartij
behalen, irtfiigalahkott lidah; overwia-
nend, de overhand hebbend, gralïo, Ar.;
den vijand —, menyalahkan moesoeh ;
zrjoe hartstochten —, mëngalahkan
hatcC\'tiafsoenja;
elkaader —, het onder-
spit doen delven, beralah-aiahan; in
staat zija te —, tëralahkan. Zie
winnen.
overwinning, kamtnanyan. In eigen-
namen en in poëzie, djaya, Skr.; de
—    behalen, bërolih kautènanyan. Zie
-ocr page 593-
overwinst — panljseld.                                         581
overzijde, sabérang, sabélah.
overzijdsch, aan de overzijde, disal--
rang, dixabïlah. — ten opzichte van
elkander, saherang-menjaberang, sabetab-
nit.ijabeta/t.
overzijn, *i* overschieten. —, ge-
nezen, sëmboek, soedah ba\'ik. —, over
iets heengegaan zijn, soedah latoe. —,
voorbij, geëindigd, afgeloopen zijn,
to>\'dah.
overzilveren, me.ijalo>d dëngan perak
(van sa/oet); overzilverd, disaloet de-
ngan /rerak.
overzolderen, mêlantaika», mëmbr-
boek lantai.
overzulhs, dari sébab, tegal.
overzwaar, terlaloe herat.
overzwemmen, merënangi.
1*.
pandje, voetpat of dijk in de rijstvel-
den, kalang, pëmatang, —, in de be-
bouwde kom eener gemeente, loeroetig.
putti, oude man, orang toewa. Zie bij oud.
pnniement, termijn van betaling, ang-
soeran.
paaien, tevredenstellen, menjenangkan
(van senang), mëmbdiki kali. —, met
mooie woorden of beloften, mèmboedjoelf.
paal, pijler, stijl, Hang. — in den grond
en niet op neuten gezet, Hang tanam.
—, waarop men iets bouwt, pantjang;
zulke palen slaan, mëmantjang.
onder een huis, tonggak; schuine —,
stut, sokong ; de palen, die in den grond
worden geslagen om de grenzen van
het te bouwen huis aan te geven,
ram boe; b.v. roenuih soedah hëramboe,
het buis is met palen afgebakend. —
onder water, tonggak. —, grenspaal,
sëm/iadan, Hang batas. —, grens, batas,
peminggir;
paaltje, staak enz. wnaraan
men dieren vastlegt, tambang. —, zie
ook palissade. — en perk stellen,
mënëgakkan (van tegah), mevakani (van
tahan); de palen te buiten gaan, me-
la/oei batas, in. përhinggaiin ;
dat staat
als een paal boven water, het is on-
betwistbaar, Hoe tiada tërbantakkan lagi.
pnn-1, afstandsmaat op Java en Sumatra,
een engelsche mijl, waarvan er drie gaan
op een uur gaans, pal.
imul1>ruiï, djembatan jang bërtiang.
paalfgeld, ankergeld, roeba-roeba, beja
pëlaboekan.
ook victorie; de overwinning bcha-
len o», mënang daripada. Zie over-
winnen.
ov<>rwin§t,/^" iattg lebik ,oenfoeng jang
lebik.
overwinteren, menahoen moesim dingt»
(van taboen); zij overwinterden tweemaal
aldaar, mareka-itoe menahoen disana
doetca moesim ditigin.
overwitten, nog eens witten, mi-laboer
dengan irapoer sakali lagi,
overwonnelins* oraug kalak, orang
titcas.
—, die eijnsbaar is, orang til lol?.
overwonnen, ten onder gebracht, ka-
hik. utah, tiicas, k\'tl\'joendang:
overwulven, zie overwelven.
overzaaien, bezaaien, m\'énaboeri (van
taboer); overzaaid, ditaboeri. —, nog-
maals zaaien, mrnahorr poe/a, m. sakali
lagi.
overzeesch, disabemitg laoei; van over
do zee, dari sabérang laoet,
overzeaaen, nog eens zeggen, mhtga-
takan poela, mengatakan sakali lagi
(van
kola); telkens —, beroelang-oelang mv
iigaitikun.
Zie oververtellen.
overzeilen, nnar den overkant zeilen,
bërlajar kasahërang,■ elkander —, van
vaartuigen, btrlanggar-langgaran.
ovorzeilina:, pëlanggaran pïrahoe (of
kapal).
overzenden, zie zenden.
overzetboot, sampan p\'énambang. Op
Java lambangan,
overzetten, met een boot, tnhiambang
(van tambang}. —, iets of iemand een
water —, mënjaberangkan (van sabe*
rang).
—, vertalen, menjalin bëftasa (van
salin), mémindahkan (van pindak), m\'èn-
tërdjëmahkan
(van tërdjëmah, Ar.); in
het Maleisch —, menjalin kapada bë-
hasa M\'t\'hjoc, mëndjawikan;
uit het
Nederduitsch in het Maleisch —, >/>> -
mindahkan daripada bëhasa wolanda
kapada bëhasa mëlajoe
overzetter, overhaler, pbtambattg. —,
vertaler, penjalin bëhasa, jat/g menjalin
bïhaxa.
overzicht; kort — van den inhoud,
icktisdr, Ar.
overzien, rondom —, mêlihat koeliling,
—, nazien, onderzoeken, memëri^sdi
(van perifaa). —, berekenen, kira-kira;
de gevolgen kunnen niet — worden,
tiada terkira-kirakan apakan djadirtja
(of ilfribalnja).
-ocr page 594-
582
paalhoofd — puurdenstoetcrU.
paalhoold, havenhoofd, pangkalan. —
voor de vcerschuiten,pangkalan tambang.
paal»>l tt-li, mar. simpoel toeroes,
ïmiilvii»!, tétap saptfd tiang ,■ zie i mul.
paalwerk, in bet nlgcuiecn, zoowel van
eene vesting ui- een havenhoofd, tjero-
fjok, sampadan;
zie omheining.
pnalwopin, teicdo navalis, kapang ; een
grooter soort van —, die door de orang
laoet wel gegeten wordt, fembe/oek, b.v.
een oud bootje dut door den — is
vernield, sampan boeroek jang dimakan
tembeloek ;
een ander soort van —,
tembatar.
paapje, pop eener kapel, indoeng koepoe~
koepor.
paar, tweetal, man en vrouw, mannetje
en wijfje, keiamin ; bij puren, berketamin;
een paar uitmaken, at/a ketaminnja,
gepaaid zijn. —, twee of meer van
dunne voorwerpen, zooals pennen, pot-
looden, pieken enz. ook van personen,
rangkap; bij paren van twee of drie,
herangkap-rangkapav, b.v. bij paren
dansen, mênari beraugkap-rantjkapan.
—, koppel, pasang; bij paren, bêrpa-
sang-pasang.
Ook gebruikt van diitwn-
den. —, iemand met zijn wederhelft,
djodo. —, van ringvormige voorwer-
pen, raican, b.v. een — armbanden,
gelang saraican. — van twee voor-
werpen vlak tey;en elkander aan zooals
huizen, bergen, eierdooiers enz., ban-
doeng,
b.v. berboewat hal ai berbandoeng
doetca.
—, van twee vlak nevens eik-
ander gelegen platte voorwerpen, die
bij elkander bebooren, zooals b.v. de
beide kuiten van een viscb, kampoeh,
b.v. t\'elor tèroeboek1 doewa-belas kam-
poeh,
elftkuit twaalf paar. — in het
algemeen, zooals b.v. in: een panr
centen, een paar appels enz., satoe
doewa, doewa liga.
Wordt sa gebruikt,
dan moet het hulptelwoord ook bij sa
komen, b.v. sa\'\'ekuer doewa ekoer lémhor,
sahilali doewa bifah pedang.
Is er geen
hulptelwoord dan herhaalt men bet
woord, b.v. saroepïjah, doewa roepijah,
sahari doewa hari, sa\'orang doewa
orang,
d. i. een — Gulden, een panr
dagen, een paar personen; een paar
vaartuigen, doewa liga boewah perahoe,-
ook barang doewa; bij paren, twee en
twee ook berdoewa-doeua; een — dui-
ven, boeroeng tnerpatt sapasang; een —
gehuwden, orang inwin sadjodo.
paard, koeda; wat op een — gelijkt,
koeda-koeda. — in het klein, koedadn ,-
in het klein nagebootste paarden, koeda-
koedadn;
een vurig—, koeda Uzi, koeda
semberani.
— van vuur, koeda api;
fabelachtig —, borak-, b.v. ada jang
di-a/as borak Verhang, dan ada jang di-
alas garoeda,
er waren er op vliegende,
fabelachtige paarden, er waren er ook
die op grilloenen zateu; jonge paarden
ruwe haren, auak koeda boeloe kasap,
Sprw.; te —, btrkoeda, naik koeda;
te — uitgaan en op eene koe tehuis
komen, p\'ergi berkoeda, poelang bérlent\'
boe,
Sprw.; rij—, koeda kandikan, koeda
kandaraün, koeda toenggang,J*v.;
koets-
of trek—, koeda penghela; een —
berijden, meng au dar ai koeda (van ka;t-
dara), m\'enoenggang koeda
(van toeng-
gang);
voor — spelen, mekoeda. Dok
zich als een — voordoen, do gedaante
van een — vertoonen. — onder den
man, koeda kandikan, koeda toenggang ;
er een — op nahouden, menaroh koeda
(van taroh).
paard, mar. balk langscheeps tot steun
van de deksbalken, kajoe loendjawg.
paardebloem, e. s. v. plant, daarop
veel gelijkende, t\'empoejoeng; e. s. v.
plant, overeenkomende met onzo —,
en welks wortel als middel tegen de
ingewandswormen wordt gebruikt, pa-
liman.
paardeborstel, sikal koeda.
paardedek, sêlebèrak, verb.
paardedeken, selimoet koeda.
paardedrek, iahi koeda.
paardekam, sisir koeda.
paardekleed, selimoet koeda.
paardekracht, koewat koeda.
panrdoleer, koelit koeda.
paardenaeslnclit, djenis koeda.
paardenhaar, hoeloe koeda.
paardenhoef, koekoe koeda.
pnnrdenhorzel, zie paardenvliefi;.
panrdenkneckt, gomhala koeda, tue-
kang koeda, djoeroek.
paarde»mest, tahi koeda.
paardenm.an£g;a, e. s. v. vrucht, boe-
walt paoeh djanggi.
paardenmiddel, obat koeda.
paardenras» djenis koeda.
paardenapel, pern,a\'inan koeda.
puurdeii»tul, kandang koeda, g\'edo*
gan,
Jav.
i paardenstoeterU, pèkoeilaiin
-ocr page 595-
583
paardentnijj — palthuiahuur.
iniufilrnuiii-, pakajan koeda, abah-aba-
kan koeda, Jav.
paardenvlieo:, pi kat; als een —, die
hare oogen verloren beeft, saper/ipikat
kahilangan mata,
Sprw.
panrdenvoeder, makanan koeda.
paardenvolk, orang berkoeda, orang
htrkandtiraiin.
paardenvracht, moetcatan koeda.
paardenwed, lempat mandi koeda.
paardenwerlt, pükeidjaan koeda.
paardepoot, kaki koeda.
panrdestaart, ekoer koeda.
paardestal, kandang koeda. —, ital
voor cea aantal paaiden, pekoedadn.
paardewtront, /aki koeda.
pnardetoom, k\'endali koeda.
paardevleesch, daging koeda.
paardezadel, pèlana koeda.
paardezoen, sepak koeda.
paardje, koeda Xv//i/,-paard in bet klein,
koedaii». — spelen, ma\'tn koeda-koedadn.
paardrijden, na\'ik koeda, mengandara\'i
koeda (van kandara).
paardrijder, orang ndik koeda, orang
bèrkoeda, orang jang niengandardi koeda.
paar», de kleur, tcèrtta oettgoe, «erna
paroe-paroe, lelterl. longkleurig.
paar*j»ew\\jze, bërk\'flamin, berpasang*
patong, bèrangkap-rangkap,
enz. Zie
paar.
paiiscliiivonil, inalam fdsach.
pansehbrood, roti fdsach; ongezuurd,
IihiimI, zie bij brood,
pnuichdag, Aart fdsach.
paagchfeettt, Aart raja fdsach.
]in;«-clil;nii, anak domba fdsach.
paaH<-ht\\jd, mam raja fdsach.
puiiscliwcclr, djoemïial fdsach.
pacha, pasjah.
pacht, pul\'; amfioen—, pak" apioen.
—, huur, setca. — van land, seica
tanah.
—, landrente, padjak, oe«ang
padjak, seica, oewang setca;
zij beweren
alleen de wijsheid in — to hebben,
mareka-itoe niengakoe dirinja sthadja :
pand ai.
pnehtnete, pnebtbrief, pachtccdel, soe- i
rat pak", soerat padjak, soerat mm,
pachten, mëmadjak* (van padjak). —i
huren, menjetca (van se«a).
pachter, toekang pak. —, huurder,
orang jang menjetca; de cbineesebe —
eener markt, poetija, Chin.
pachtgeld, oe«ang pak, oe«angpadjak,
oeicang sewa.
pacificatie* perdamajan.
paciflceeren, m\'tndamaikan.
pud, weg, djalan; in een buurt of tus-
schen woningen, loeroeng. Zie wet»;
het gewone —, djalan peigi datang.
— in de bebouwde kom eener gemeente,
loeroeng; het — der deugd, djalan
kabadjxkan;
op bet — zijn, didjalan,
berdjalan;
het rechte —, djalau jang
btnar;
zij —, simpangan, djalan sim\'
pangan;
het verkeerde —, djalan jang
salah, djalan sesatan.
padde, kodok, dongkang, Bot. kintal, Mul.
paddenstoel, tjendaican. Zie Hchim-
mei.
paederastie, semboerit. — bedrijven,
m\'enjèmboerit, bersèmboeril, bérsèmboe-
ritan.
paf, het geluid, letoep, telos.
pat\', oorveeg, iempeleng.
puf, opgeblazen van den buik, kemboeng,
pafJi<£, van het lichaam, zie pappijf.
patzn.li, dikbuik, scheldw. siperoet kent\'
boeng.
pagaai, schepriem, pèngajoeft (van ka~
jack);
dubbele —, met een blad aan
weerskanten, b\'etibat, kèlibat.
pagaaien, mingajoeh; iets voort —,
mengajoehkan. — met een dubbele
pagaai, mengelibat. — van iemand, dis
up den voorsteven zit, menjampang
(van sampang).
pjianiiier, orang berkajoeh.
piiai\', edelknnap vnn den Vorst, djoewak;
e. 8, v. —, bidoewanda. Zij zijn de
o ve tb tengers der vorstelijke bevelen en
de dragen van de rijksinsigniën. —,
hofjonker, ook moeda perwara.
ptii;hiit, moeka soerat.
pnirode, hindoe-tempel, koewil. Tam.
hoena, Skr.; Chinceschu —, ketinteng.
pak, boengkoes; groot — of baal, bandela,
Fort.; vierkant — wit garen, bënang
porti/t sakolak.
—, knot, bestaande uit
een aantal strengen, toekal, —, atel,
sa/aiigkap; een volledig —kleeren, .ta-
langkap pakajan.
—, riem van papier,
zio ald.; een zwaar —, tig. tanyyoe-
ngan jang b\'erat.
palidoelx. kaïn pïmboengkoes.
puKiiiii-cii, bvnang kasar,
pulc-jcld, opah mëmboengkoes.
pakhoed, barang-barang boengkoes.
pakhuis ; ïteencn —, goedang,gedoeng.
piildiiiishuur, seica goedang, sewa
gëdoeng.
-ocr page 596-
184
pakhuismeester — pan.
pnkhuismeester, djoeroe gèdoeiig,
tekoh.
pakje, boengkoeta», borngkoe» kUjil.
pflkl(»ae. haraug-barang kemat.
pit kit en, tut een pak of pakken maken,
memboengkoei. —, wikketen in iets tot
een puk, nn-mbomykops di-ngan. —,
inpakken, in eene kleine ruimte bij
elkander schikken, zijn boeltje —, in
kist of koffer —, bt-rkvmas, menytntas-
kan.
—, omhelzen, nn-niflork (van p\'e~
tork).
—, vatten, n<rnangkap (van
langknp). —, omarmen, mrnthkap. —,
vatten, zich vasthechten in, makan. —,
grijpen en vasthouden, oinknellen, men-
ijftujkam;
zich weg—, wegscheren, ?ijah ;
pak je weg, njahlah r/iykau; een dief
—, mftiangkap pentjoeri; een koffer—,
berl>i»tu-kvntas pelt; iet? in een pnpicr
—, mtmboengkoft dèngati kartiis; zijne
biezen —, lari berlepus dirt, lari mtm-
batca dirt;
gepakt en gezakt, overladen
van allerlei reisbenoodigdheden, rondah-
rtmdeh;
goed ingepakte en fijne koop-
waren, dagangan javy kfmas-krmas dan
ja/tg haloet-halocM.
pakkendrager, orany korli.
pakker, maker van pakken, orany jang
mtmbcengkors;
inpakker, die het goed
netjes in eene kleine ruimte pakt, /«••
ny\'emai.
pakket, lioi-nykofsan, boenykoes ketjil,
paklinnen, kam pïmboevykofti,
ptikmaml, groote, ruw gevloehtcn —
van bamboe, kèrandjang.
paknnnld, pesoembot.
pakpapier, kart at pintboengkoes.
pahlouw, tali pt-nyikat barngkoet.
pul, pen om het zwaaien van -pi] of nul
te beletten, lidah roda, lid ah djantèra.
pul, onbeweeglijk, Map. — stann, bèr-
diri Map;
iemand — zetten, den mond
snoeren, m\'rngatorpkan mor lort (van
katoep).
pBltmkUn, drangkoets, pëlitrigki,pèlang\'
kitig.
—, e. s. v. rijtuig, kar?fa p\'rtatigki.
paleis, attana, peda/amatt; .Tav. dalïm,
— voor de vrouwen, of dat gedeelte
van het —, waar de slaapvertrekken
zijn, maligai, —, dat gedeelte van eene
vorstelijke woning, waar de Vorstelijke
familie zelf verblijf houdt, poeri, Skr.
palen, grenzen, raken min, b\'irdamping
dèngan.
paling, de visch, ikan mowa; e, s. v.
eetbare —, ikan belin, ikan Undoeng,
Hat.; e. s. v. zeer groote —, die zoowel
in zoet als zout water voorkomt, ikan
malomg,
—steken, mhijerampang ikan
motca,
palingnteker. zie aalgeer*
puliRHntlon, tji-ratjak, fjërotjok, fèrang-
kera,
Port. Zie ook paal. — in sterk
hellende richting, zooals b.v. om een
hertenkamp, toyany.
palissadeer en, mtmboeboek tjèratjak,
m, tj\'erofjok.
palissadeer! ng, tjèratjak, tj\'erofjok,
sampadan, yerogol, Jav.
palissnnderl>oom, pohon angtana;
op Java Sana.
palissanderhout, kajoe angtana;
kajoe satia, Jav.
paljas, potsenmaker, alan-alan, pefa-
tcak, badoet, Jav.
palm, van de hand, tapak tangan, ook
hati tapak- fattgan; van de voet, tapak
kaki.
Zie middelste. —, de maat
met de hand, dj\'enykal; b.v. twee —,
tloetca dj\'enykal.
palm, de boomsoort, daarvoor is geen
afzonderlijke naam; wel voor de ver-
schillende soorten van palmen, b.v.
kokos—, pokok nj\'ioer; sasoe—, pokok
roembia;
areka—, pokok- pt\'nang; de
moeras—, pokok nipah ; de hout—,
pokok niboeny; eene groote soort daar-
vnn pokok viboeng ibort, pohon bajat.
Verder p. hmtar, p. chorma enz.
J palmblad, pelipah, b.v. lèbih poetjoek,
lèbih pèlepah,
boe meer uitspruitsels, hoe
meer —, Sprw.
puliniet, het hart uit de kroon der pnl-
men, oembort.
palmkool, zie koolpalm.
palmolie, hiervoor is geen aliremeene
benaming; we) voor de bijzondere soor-
tcn, b.v. kokospalm-olie, minjak njioer
enz.
palmriet, rottingriet, rotan.
palmsnp; ongegist —, nira, Skr. ge-
gist —, zie palmwün; het eerste,
zoete ■—, dat getapt wordt, ajar-madue.
palmtak, pèlepah.
. palmwün, gegist palmsap, toewak.
\'<
pan, om in te koken of te braden, koe-
Kali;
braad—, pènggorengan; groote
ijzeren — zonder deksel, zooals die,
waarin suiker, gninbir en dergel, ge-
kookt worden, kawah; e. I. v. koperen
—, gh\'irgainy; uit de — in het vuur,
lepat -lari mortod harimau djatoh
-ocr page 597-
:><>
pand — papier.
schubben, Jamlna, laminah. —, borst-
hornas, baroet dada; en tienduizend
ullicieren en helden, die maliënkolders
en pantsers aanbadden, dan sapoidoe/i
r/boe hoeloebalang dan pahaUncan jong
bërbadjoe zirha dan bërbadjoe rantai.
pantseren, mvngënakan badjoe rantai,
m. b. zirha;
een schip —, me/apis
kapat dëngan papan bësi.
pnntsersolnp, kopal përang jang bër-
lapis bësi.
pnnviach, visch om te bakken, ikan
bakal goreng;
gebakken visch, i&au
goreng.
panvlies, sXlapoel batoe kapaia.
pap, brij, boeboer. — van rijst, boeboer
nasi.
—■ van meel, boeboer tëpoeng.
van rijst en kokosmelk, boeboer santa.i,
buebü\'T lë/itak.
— van zwarte kleefrijst,
boeboer RÊkatoel; dunne —van rijst met
specerijen, botboer kandji; cene soort vnn
stijfgekookte —, boeboer poetëri berloe-
bang.
— van sagomeel, boeboer këpoe-
roen.
— gekookt van vruchten, feu/perk.
— van gegiste doerianvrucht, fëmpoe-
jak;
eene soort stijve — van kleefrijst
en suiker, wadjik. — in de geneesk.
boeboer; droge —, toewam. —, lijm,
përëkat.
papachtig, sapXrti boeboer.
pnpaja, ceno welsmaketide vrucht, boe-
wah bëtik,
waarvan twee soorten, betlk
rambai,
die aan lange stengels afhangt,
en bëlik batang, die aan korte stelen
onder de kruin aan don stam zit. Op
Java jlëpaja.
papaver, de plant, pokok apioen.
papaverbloem, boenga apioen,
papn verbol, boewah apioen.
papaverzaad, bitfji apioen.
papegaai, boeroeng noeri; eene kleine
soort van • — of groote parkiet, boe-
roeng bajan
; de wilte kuif—, boeroeng
kakatoewa;
de groene Niassche —, boe-
roeng kekek--
—, zie ook parkiet.
pnpegaaiskooi, sangkaran boeroeng
noeri, koeroengan b.
«.
paperassen, soerat-soeratau.
papier, karfas, Ar.; zeer dun —, waar-
van men vliegers maakt, karfas ëmboen,
Mën.; inlandsen — van boombast, ook
pakpapier, dïdoewang, djXloewang, —en,
geschriften, soerai-soeral, b.v. hij nam
al zijne —en niet;, dibawanja akan
sëgala soerat-soeratnja sërtanja;
een
boek —, 2-i vel, karfas sakoeras; ook
40
kamoeloet boewaja, Sprw.; een ijzeren
—, kantjah, Men. — van een treweer,
dapoer-dapoer, soedoe.\'Soedoe, tPHnga-
litdil. — vnn een silex-geweer, tjoeping
obat. —, dakpan, gënteng.
pand, slip, poentja. — voor schuld,
gadai; allerlei —en, gadajan. —, on-
derpand, toevertrouwd pand, pëtarohan
(soms verkort tot pttaroh), amónat, Ar.
pënarohan; te — geven, bergadai; ver-
pu ruien, menggadaikan; eeu — lossen,
mëneboes gadai (van leboes).
pandanus, panda», pohon pandav.
pandbrief, soerat gadai.
pandelins», orat/g tërgadai. —en, hoe-
tang-hoetangan; ook orang btrhoetang,
— die zijn meester moet dienen, bër-
hoetang niingiring. — die vvijblijft,
berhoetang pXmbtdahan. — worden voor
schuld, berhoetang kapala.
pandeksel, foetoep koewali. — van
een geweer, iela.
pandgoed, gadajan, barang gadai.
pandjeshuis, pXgadajan, roemah pe-
gadajan.
pandrecht, /tak gadai.
paneel, papan tipts.
paneelhout, kajoe, papan tipis.
panlat, Ti\'vg, kasau mé/\'tniang,
panlikken, op de klap loopen, nitngin-
ding, letterl. er naar uitkijken of men
ook iets zal ontvangen.
pnnlikker, pXnginding.
pannckoek; e. s. v. —, soerabi, —,
e. e. v. omelet, dadar.
pannenbakker, vervaardiger van dak-
pannen, toekang gXnteng. Zie ook pot-
tenhakker.
pannenbakkerjj, pëgentengan, tëmpat
membakar gX.nteng.
pannendak, afap genleng; van een —
voorzien zijn, beratapkatt gënteng.
pnnneudekker, toekang mtmasang
gënteng (van pasang).
pannetje, koewali këtjil; e. s. v. ver-
glaasd aarden — met ooien en deksel,
oetce, Chin.
pantalon* Inngo broek, tjëlana pan-
djang, sëroewal pandjang.
panter, harimau kombang; matjan ioe-
toel, Jav.
pantoilel, Ijënela, Port. een paar —s,
sapasang tjënela; onder de — staan,
dibawah përmta/i bini.
pantser, badjoe best, badjoe rantai,
badjoe zirha, 1\'erz. — van metalen
-ocr page 598-
580                                  papierachti"
gebruikt voor katern; een riem —,
karfas sakodi; vloei—, karfas pënë/ap,
j?. pënjërap;
post—, kutrtas soerat kiri-
man, ir. pos;
bord —, i-ar fat dj\'lid;
druk—, karfas tjap; kaart — , karfas
kërto;
schrijf—, Irarfas sorral; teeken—,
karfas toelis, k. gambar; kas—, frartas
a/as, l: almari
,■ stroo—, karfas merang;
pak—, karfaspimboengkoet, dtfoetcang;
geldswaardig —, oetcang irarfas. —,
krant, soerat riiabar, toerat lelang.
papierachtic, sapërti irarfas.
papierbederver, papieibekladder,
slechte schrijver, orang jarig mënjoerat
tjakar-hajam.
pnpierbïoem» boet/ga irarfas.
papieren, karfas, daripada karfas.
geld, oeicang karfas. ■— huisjes, zooals
de Cbineezen Voor hunne afgestorvenen
verbranden, roemah-roemahati karfas.
papierdruhker, presse-papier, ptniu~
dik soerat, pht\'indih karfas.
papierknipsel, goentitigan karfas.
papiermuher, orang jattg mtmboewat
karfas.
papiersnippers, ptrija-ptrtja irarfas.
pa-l-iertje, karfas sapotong këtj\'tl, k.
sakërat.
papkind, anakjang makan boeboer sëha-
dja, jang dipetihurakan dïngan boeboer.
paplepel, toedoek boeboer, sendok boe-
boei-,
Jav.
papoea, orang papoewa.
pappen» IU1,1 riLl> behandelen, in de i
geneesk. mëmboeboeri; met droge puppen
behandelen, Mënoeicam (van toeuram).
pappig, sapërti boeboer. — van vruch-
ten, ook van bet lichaam, bonjor. •—, j
tot verrotting overgaand, b.v. van
vruchten en spijzen, lodok, lodoh.
pnpsel, lijm, përëkat. —, dunne, water-
achlige pap, kandji.
paraat, dadelijk, sabïntar djoega. —e
executie, dihoenoeh sal/ëutar djoega.
parabel, gelijkenis, oepama, oempama, ■
Skr. \'ibarat. Ar. patëmon, Jav.—, raad*
se), zie ald.
parade, mil. soldadoe bërbarit betar. —,
plechtige vertooning, oepaljara, Skr.
paradekleetl, pakajan oepatjara, pa-
iajan kabësaran.
paradijs: het —, Jirdaits, Ar. sorga
(Skr. suarga). —, lusthof, djaunat. Ar. >
.— der lusten, taman kaiïsjik-asjikan,
pnradüsvüs, de plant, pukok pisang; ■.
de vrucht, boeurah pisang.
— parenthese.
paradjjsvosel, boeroeng deioaia, ong\'
gas angkasa, boeroeng lëpah radja,
boeroeng tjendërii\'tcasih.
paragraaf, fasal. Ar.
paraplu, pajoeng,
parasiet, e. s. v. plant, simbar.
parasol, pajoeng.
partiel, zie panter.
pardon, ampon, maaf. Ar.
pardonneeren, mëngampoeni, mëmaaf-
kan.
pareeren, van een wapenstoot, mënja-
iahkan tikam
(van salah). —, door uit
te wijken, mënjilat (van silat). —, vau
pijlïchotcn, onheil enz., mhiangktskan
(van tangkis).
pareerstnns aan een wapen, palang
tavgan, gandja.
— van een sabel,
tangga pëdang.
parel, inoetiara, moet ia, Skr. moe toe.
Zij worden geteli bij boelir en b\'nlji,
b.v. drie parelen, moetiara liga boelir
(of bidji); een snoer —en, inoetiara
ta\'oetas;
niet snoeren of franjes van
parelen, bëroembuikan inoetiara..
parelduiker, pënjëlam moetiara.
parelen, kleine luchtblaasjcs opwerken,
zooals b.v. water, dat aan de kook is,
mèrenek. — van het zweet, bërmanik-
ma.\'iik,
b.v. hingga pëlochnja pon bër-
mamk-manik didahinja,
zoodat hem zelfs
het zweet op het voorhoofd parelde.
parelmoer, indoeng moetiara, koelit
moetiara, geicang.
parelmoeren, indoeng mot tiara, ge-
wang, daripada indoeng moetiura, dart-
pada gevravg.
parelmoerschelp, si poet geivatig, ke-
joeng,
Uut.; e. s. v. — , een voet lang
en een hand breed, zeer gezocht voor
de Eui\'opeeschc markt, rëlai, koelai;
e. s. v. tweeschalige, platte —, die
geheel uit parelmoer beslaat, sint ing.
pareloester, lokan moetiara, si/wel
geuravg; e. groot o s. v. —, roengkas.
parelHiioer, collier van parelen, ka-
loeng moetiara,
parelvisseher, pXujïfatn moetiara.
parelvisst\'beru, pënjëlaman moetiara,
paren, tot een paar maken, mëndjodo-
kun
; gepaard zijn, in dien zin, bër-
djodo.
—, wettig huwen, katcin, I\'erz.
nikah, Ar. —, coire, ajoek, antjoet1,
ampoel, bëïbëkaik.
—, doen vergezeld
gaan, mënip\'esertakuii^aoV mënghueboengi.
parenthese, kandang.
-ocr page 599-
parfum — pas.                                               587
parfum, raksi; welriekende olie, mi-
njafc rafcsi.
parfumeoren, niërafrsi.
parfumerie, ju raksi.
parfumeur, piraksi.
park, ingesloten ruimte, kalengkong, kan-
dan g ;
geschut—, artillerie—, kaleng-
kong mariam, kandang mariain.
parkiet, boeroeng kastoeri; e. s. v. groo-
ten —, boeroeng bajan; e. s. v. kleinen,
groenen —, sirindil, se/éndït, belet,
Jav.; e. 0. v. — tusschen bajn.ii en
sëriniltt in, pialing.
parlementair, onderhandelaar over
den vrede, penjwong tfamai.
part, deel, bëhugian. Zie deel; voor
mijn —, wat mij betreft, ukan dakoe;
voor mijn deel of aandeel zie ald.
part, listige trek, tipoe, tlaja, makr, Ar. j
iemand —en spelen, menipoe wang,
uiimpërdajalan orang.
part, afdeeüug van sommige vruchten,
wier vleesch in afzonderlijke —en is
verdeeld, zooals b.v. sinaasappel?, uien
en dergel., pangsa, oelas; een ■—je vun
eeno ui, sa\'oelas baicang; twee —jes
vun een sinaasappel, doeica pang sa
djcroefc manis.
particulier, iemand die geen openbaar
ambt bekleedt, ora:ig birsihadja, parli-
kilir,
b.v. anak toetcan jang bértëhadja,
uwe kinderen die — zijn, die ambtc-
loos zijn.
particulier, wonderlijk, vreemd, adja\'ib,
Ar. aneh, Jav.
partü- in eunigen strijd, laicun; als —
in een strijd optreden, mëndjadi lawaa,
meiwan,
b.v. lafoe ija iriënjaboengpoela,
difaicannja orang minjaboeng,
vervol-
gens liet hij weder hanen vechten ea
stelde zich — vun de haaenvechters.
—, vereeniging vnn een aantal men-
schen tegenover elkander, kobok. — bij
spelen, die dooi\' twee gelijke partijen
gespeeld worden, goe, — , aanhang,
katcatt, oemmaf, Ar. b.v. de — der
zeeroovers, kawan wang pirompak; de
priester—, oemmat imam. —, verecni-
ging van leden, genootschap, pïrsakoe-
toewan, kongsi,
Chin. —, vereeniging
van naar ecu doel strevenden, safakat.
—, gezelschap, përhimponan. —, ge-
volg van een hoofd, sïgala orang pe-
ngiring.
—, zijde, kant, sabtlah, pehak;
de beide partijen, kadoewa pehak; ecne
— kiezen, niinoeroet saLëlah, mëtioeroet
pehak (van toeroet). —, feeBt, kara-
majait, kerdja;
eene — geven, bikei-
dja;
eene goede — doen, rijk trouwen,
ka tri ii dtngan orang kaja, léristtrikatt
wang kaja, bertoeamikan orang kaja.
—, een keer spelen, sakali btrmain.
—, hoeveelheid, kabanjakan; eene —
menschen, soealoe kabanjautn wang;
gedeelte, bekagian; eene — kotlie,
toeatoe behagian kanwa (of kapi).
van een muziekstuk, lagoe, ragam, —,
nut, voordeel, goena. — van iets trek-
ken, mempïrgoenakan; hij trekt —van
zijn geld, dipërgoenakannja oewangnja;
ik ben van de —, ik doe mede, akue
serlalah
; eene jacht—, ramai wang
berboeroe.
pnrtüuautfer, volgeling, pingikoet.pë-
ngiring.
—, nanhangcr, kawan, orang
jang safakat.
—, aanvoerder, pengan-
djoer.
purtülioofil, pïngandjoer orang jang
safakat.
partijschap, verdeeldheid, pë.rtj\'u(t~
radn.
partuur, in een strijd, padan, sama
padan;
b.v. hajam int boekan padan
dëngan hajam Hoe,
deze baun is geen
—  voor dien; beproeven of ze elkanders
—  zijn, bérpadan, b.v. bïrpadan hajam,
hanen met elkander meten vóór den
strijd. — stellen, ordetien, regelen van
een wedstrijd of spel, numadan.
pus, schrede, langkah; een — doen, bër-
langkah;
een schuinsche — bij het
schermen, fangkah seroeng; de passen
bij het schermen, of bij het vechten
met de klis, doen, miliiakan langkah;
zekere — bij het schermen, btlëbuf;
zwaai— bij het gaan, waarbij de voeten
een boog van binnen naar builen be-
scbrijven, langkah Hnibai; met een
ander — houden, in den pas gaan,
nünginakan langkah; geen — voor*
waarts kunnen doen, t\'utda (irlangkah;
den — afsnijden, mimoeloeskan djalan
(van poetoes). Zie ufsn\\jtleu. —, beig-
engte, djoerang. —, zeeengte, si/at.—,
paspoort, vrijbrief, soeratpas, —, schrif-
telijke verklaring, soerat katcrangan. —,
schriftelijke vergunning, soerat idzin.
pus, maal, keer, kalt; op dit —, sakali
ini.
—, betamelijk, patoel; dit geeft
geen —, tiada paf oei ini; op zijn —,
j uist genoeg, sëdaug, fjoekoep, betoel,
tiada lebih tiada koerang;
van —,
-ocr page 600-
r.ss
pascha — passie.
assen, zien of iets past, door de voor-
werpen tegen elkander te houden, viï~
modoê,
b.v. dipodoe dthoeïoe. beharoe
dikïnakan,
eerst gepast en dan er pas
aangezet. —, meten, mhigorkoer. —,
beproeven, aanpnssen, tjoba; schoenen
—, nienfjoba sepafoe. —, van pns zijn.
zitten of staan, kï-na Sttoel, kena bfnar;
juist op iets —, van twee dingen, die
op elkander gelegd worden, b.v. een
deksel op een doos, het een* vel papier
op het andere, ook vnn een spijker in
een gat enz , soetcat. —, er in kunnen
gaan, botih masovk. —, voegen, betamen,
geschikt zijn voor, padan, patoet, Idïlr,
Ar.; niet weten wat hem past of voegt,
fiadit tahoe akan l\'edarnja.—, voltallig
zijn, genap; voltallig maken, menage\'
napi, mXingg\'e.na.pkan;
net gepast, befoel,
genap;
niet —, niet overeenkomen.
timpang, d. i. mank; zoo zijn, bertiw-
pang,
b.v. die man past, naar liet schijnt,
niet bij die vrouw, bertimpanganlah
roepanja lakidaki dh\'gan pïrampoetcan
Hoe;
niet meer —, b.v. een kram in
het oog, een been in het gewricht, een
scharnier enz., hekel; volmaakt hij
elkander —, van twee gelieven, soe/ti-
boel inPndapat toefoepnja,
d. i. het
mandje krijgt zijn deksel, ï>prw. — op,
waken, djaga, mendjuga, nieniXliharakan
{van pe/ihara), b.v. op het roer —,
mendjaga kemoedi; op zijne tong —,
zijne tong in toom houden, meme/iha-
rakan Hdahnja;
op zijn tijd —, ate\'m-
belakan we.ktoe;
op zijn goed --, danr-
voor de behoorlijke zorg hebben, tjt-
remai.
—, bedanken, ta\'soeka, ta\'hendak.
passend, voegzaain, in stollelijken,
plaatselijken en zcdclijken zin, patoef,
it\'tïk,
Ar. — maken voor, niëmatoetkan
dXtngan.
—, kunnen gebruikt worden
voor, Urpakai kapada; voor elkander
—, een span of paar uitmakend, bahat.
—, vocgzaam, partuur, padan. —, goed
of juist passen aan iets, kXna. —, be-
tamelijk, semenggah.
passer, djangka; met den — meten,
mendjangka.
passie, drift, hartstocht, nafsoe, Ar.
meerv. hawti\'nafsoe, —, het lijden van
OhrÏBtus, saiigsara Isa J/masih; als de
vob de — preekt, boer pas op je gan-
zen, bërpanton Mlang dvngan hajam,
lambat laoen dtsambar djnega,
Sprw.
daarmede overeenkomende.
behoorlijk passend, kena bï-.toel. —, \'
eerst, hViaroe; zooeven —, beharoe
tadi;
voor \'t eerst, djolong j juist vnn
—, nog juist ter rechter tijd, senjam-
pang,
Zie Juist
i>;i-i*hii. fasah, Ar.
pii»2an«, tclgnng van een paard, Upas,
l>»iwijt*i>oren, bëharoe djadi.
pnoneld, kleingeld, oevmng pet joh.
oncartf/ btlandja.
pasklaar, sadia ahan ditjoba, s. a. dipa-
saug, s. a. dikenakan.
— maken van het
houten geraamte van een nieuw huis,
mïnggvram ; de — gemnakte houtwerken,
gïraman.
paskwil, shidirtin, soerat s\'mdWan.
pasliwilninker, pïiu/arang soerat »«•
diran.
paslijn, timmermaai mectsnoer, benang
arang.
paslood, timmermans —. tali sipat.
pasmunt, zie pa««;eld.
paspoort, zie pas. —, bewijs van
ontslag, soerat f epos.
passant wind, atigm moesim.
piiss:iij.(\', djafan /a/oe-ia/ang, djalan \\
pirgi-datang;
veel —, veel komende j
en gaande menschon, banjak orang
pergi-datang, b. o. luloe-lalang.
—, ,
plaats in een boek enz., tempat, —,
op een vaartuig, toempangan.
passagegeld, bajaran toempangan.
voor een hut aanboord, harga petah. j
passagier, orang menoentpang. — op
een handclsvaartuig, die aandeel in de J
lading heeft, orang kiwi. — aanboord |
vnn een inlandsen vaartuig, die voor ■
de kosten der passage werk aanboord
verricht, satct, senaw\'t.
passagieren, mar. voor zijn genoegen
naar den wal gaan, pergi kaptsisir, \\
waaruit die zeeterm is ontstaan.
passajïiersïïoecl, barang-barang orang
tntnoempang.
passeeren, voorbijgaan, èïrdjalan laloe,
—, overvaren, nvênjab\'èrang. — vnn den
tijd, mlnghahiskan wëJktoe. —, iemand
of iets voorbijgaan, overgaan, overslaan,
me fa/oei. —, opmaken van een nkte,
niemboexcat soerat, niengarang soerat.—,
gebeuren, voorvallen, djadi, peristewa,
passeltfk, redelijk, tnmelijk, afdong,
tidirhana.
passement, seroen, patam, paaïmen;
met — van gouddraad, berseroen be-
nang fmaa.
-ocr page 601-
689
passiebloem — pen.
passiebloem, e. s. v. —,buenga belewar.
passief, schuld, hoelang. — ca Mtief,
koetang dan pihoetany.
pustei, djoewadah; e. s. v. pasteitjes,
epuk-epok; pastei t jee van vleeach, viseh
ut\' garnalen, ptnaram.
luiNiiior, Koouiïch geestelijke, paderi,
1\'uit.
i\'ii»lin\'ir, ruemah padtri.
patuat, oebi.
piiternuttter, bidkians, tasbih, Ar.
patiënt, zieke, orany sakit.
putois, behasa katjaukan.
patriarch, Luierik-, Ar.
piilririëi-, urany banysatcan.
patrü*, hajam hoetan.
li;iii\'vi-.|>noi-i, pititoe mariam, dj\'endela
mar iaat.
patroon, be-cberuitT, pè/nelihara, pelin-
doeny.
—, heer, meester, loewan. —,
vuoi beeld, tofladan. —, lading Toot
een geweer, isi bedil; scherpe — , in
bedil jauij berpeloeroe.
putroontnseli, karpai, karpai obat
bedil.
patrouille, katcal sambany, pa/rol.
X>atruuilleeren, bèrkaicul sambang.
pauk* ketcltioiu, yendany. —, die met
twee stukjes geslageu wordt, nakara,
pauUun, ntemaloe yendany (van pa/on),
paukentfesclial, boenji yèndany.
paus, papa.
pauw, boeroeny m\'erak\'. In gedichten ui-
lakandi
veib. van ntlakanta, blauwhals,
Skr.; een pronkende — , m\'erak; nienyi-
yal;
een kunstig nagemaakte —,mèrak-
hikmat.
Piiuwiii. mi-rak\' betina.
pauze, pii■/leiitian.
paviljoen, zomerhuisje, ba/ai péranyi-
uau, anyloeny, Cbin. uuk nanyloeny.
pede stal, tambal\'.
pees, oerat ktntjany, oerat besar.
tuoseben duim en wijsvinger, daging
beras b\'ekal. — van een buug, tali
boesoer.
peesliuppelen, o\'erak- oerat.
peesknoop, gtoote, boettga barah;
kleine, kel\'euttja.
peesvlies, koelil oerat besar.
peilen, dieploodeu, mendoeya, m\'emboe- \\
wang peroem,
Mal. mèndoeya wordt ook :
gebruikt van het — eener wond of ■
van het gemoed.
peiler, de man, die aan boord met het
dieplooden belast is, pèndoega.
peil int;, pèndoeyaau.
peil Ion. 1, dieplood, batoe doeya,pero>\'in.
peilsl oh, batany kajotf pendoeya.
peinzen, memikir-mikir (van pikir), At/-
menoeMy-menocny, beranyka-angkadn; in
gepeins verzonken, termenoeny-,nenoeny,
têrfwkuer,
Ar.; peinzen op, munikirkaa
alas.
peinzend, zie het vorige woord,
pelt: e. s. v. —, yala-yala; die met —
omgaat, wordt er uier bennet, öérmaht
ajar, basah; berutam pisau, loeka,
Spnv.
pekel, ajar-yaram. In samenstellingen,
asm, b.v. —vleescb, day\'tny atin; in
de — leggen, inenyaxinkan; vruchten
in —, dj\'eroek; vruchten in — leggen,
m\'endjeroek:
pekelen, inzouten, tnenyasinkan; tut
pekel worden, djadi ajar-garam.
pekelvleeach, duyïny axin; ook pf.ka-
IM,
pekken, memboebueh yala-yala, menja-
poftcan yala-yala (van tapoe),
pel<*rim, bedevaartganger naar Mekka,
hddji, Ar. naar uene andere heilige
plaats, Ontsta sutr, Ar.
peltiriiiiuKf, ■*** Mekka, had], Ar. Zie
uuk bedevaart; de eenzame — naar
Mekka, iadjrid, Ar. — naar eenc andere
heilige plaats, sijaral, Ar.
peltfrimK<*ewaa<l, van de bedevaart-
gaugers naar Mekka, taftim, kt. aftrain,
Ar.; het — nanlrekken, /nèmakai aftrain.
pelgrimstocht, zie peli;rimui»e;
een — met zijn velen doen, van een
Vorst, merambeh.
pelikaan, boerotwy bauga, boeroe/tg
oendan.
pellen, menyvpat (van koi\'pas, gepeld);
ook tiïenyvetil (van koetil). —, onlbul-
steren tusschen over elkander draaiende
schijven of steeneti, mèuyisar (van kisar).
pelmolen, penyyilinya», ptnyisarun.
pelol onsvuur, d\'erel. — geven, men-
derel.
puliiw, groot kussen, bantal bèsar.
pen, schrijlpen, k\'alam, Ar. — of naald,
waarmede men netten breidt, tjoban;
de draad op die — brentren, mentjo-
ban;
een grouter soort, yelindoeag. —,
houten pennetje om iets uit te halen
of vust te steken, poeri/i. —, stukeitje,
bikal. —, om iets te rijiren of vast
Ie steken, tjoetjoak, pê/t/joftjoek; b.v.
voor het haar, tjoefjoek- koendai.
ooi du atap of het dekriet vast te
-ocr page 602-
MO
pendant — persen.
peper); lange spannsche —, lada tjina,
tjtli;
e. s. v. — op Java lombok, tjabe;
ronde epaansche —, lada moetia;
spaansche —, lada tjanljang; spann-
sche — in het zuur, atjar lada tjina,
atjar tjabe,
.tav.; kleine spannsche —,
cayenne—, lada pëdas, lombol\' ratcit,
lombok seftin,
Jav.
peperbus, tëmpaf lada.
peperduur, «labat sakali, mahal sangat.
peperen, mëmboeboeh lada.
peperhuisje, zakje vnn bladen, om b.v.
sago in te doen, tampiu, basoeng.
peperhorreï, boetir lada.
pepermunt! e. s. v. — , poko, Cbin.
pepenn on t doosje, bolrond doosje
voor pepermuntjes, reuk enz., iëlipa.
pepermuntülie; e. s. v. —, uitwendig
gebezigd tegen schele hoofdpijn, mi-
itjak pokc.
pepernoot; e. s. v. —, tadoe.
peperpltint, pokok lada.
pepert uin, kebon lada.
peperwortel, zie mierikswortel.
perceel, van land, petak.
perceelsgewijze, birpetak-petak.
percent, ten honderd, da/am taratoei;
een —, dalam saratoes asa; tien —,
dalam saraloes sapoeloeh; vijftig —,
sd\'émas ënam.
perfect, sampoerna.
perihel, bahaja.
periode, masa, ka/a, zaman. Ar. moesim.
perk, tuinbed, petak; een rond —, boe-
lang-boelang.
—, park, lusthof, taman.
— voor dieren, gc*chut enz., kandang.
— voor hanengevechten, gelanggang
hajam, kalevgkong.
—, renbaan, tempat
bèrfomba, pirlombaan.
perkament, karfas koelit.
perken, van eene omheining voorzien,
memagari (van pagar), m\'éagandangkan
(van kandang).
permanent, sënantiasa, santiasa.
permissie, i(hin, Ar, pèrmisi,
pers, met hefboom of ander werktuig,
apitan. — door uittreding of drukking
iuet de \\iRm\\vn, ptugirtk, apitan, këmpa;
wijn—, apitan anggoer; olie—, apitan
minjak;
druk—, apitan tjap. —, treed-
kuip, pengirik (vnn irtk).
persboom, pënyapit.
persen, door middel vnn een werktuig,
mëngapit. — door middel van handen
of voeteD, mhigirik. — van suikerriet
enz. om er het sap uit te krijgen,
steken, tjoefjoek aiap. — of stift,
waarmede een mes of wapen in het
heft vastzit, poe/ing. — van een stekel-
varken, boetoe landak, tOêfi landak, j
doeri landak. —, nngel, pasav . houten
—, ook têrboet; met zulk een —vast- •
maken, eenc — in iets drijven, me/na*
sak;
groote houten —, die men in de
stijlen vnn een huis slaat, om er een
balk oji te leggen, soesoh ; ijzelen —,
gebruikt bij dakbedekking om de idjock
of ilalang door te steken, djara atap,
Pad. bov. 1.; bouten —, die ergens in
geslagen wordt, om er iets aan op te
hangen, ook de —nen, die men in een
boom slaat, om hem beklimhnar te
maken, paling. — of dwatshout in paal,
maat of slnm, om er in te kunnen
klimmen, sigai. — vnn een roer, gan-
dar.
—, zie ook pin; ecne -— ver-
maken, m\'erantjoeng k.\'Uun; eenc —
met inkt, kalam bérpaloet dengan da-
waf.
— en inkt, kalam dengan daicat;
in de — gebleven, niet tot uitvoering
gekomen, tèrhanioet; ganzen—, boefoe \'
augsa ;
een bos—, kalam sa\'ikat.
pendant, djodo, fara, pasang ,timbalan.
pennehouder, batang kalam.
pennekrus; onctfen, ruwe —, gèrigis.
Zie pennestreek.
pennemes, p\'tsau mërantjoeng kalam,
pisau raoet.
pennen, schrijven, menjoerat (van toe- t
rat), mënoelis
(van toelis). —, met een
pen steken, méntjoetjoek. Zie pen.
pennendoos, pennenkoker, pennen-
kistje, kklëmëndan, van kalamdan,J>\\ir7.
pennesehiicht, bafatig kalam.
pennestreeh-, goris kalam ; met een —, I
dengan sagorts kalam.
peiininc. p\'tis, P\'fjit, doetcit, keping;
tot den lnatsten — betalen, mèmbajar
sampai sa\'doeicil dtbëlah toedjoeh,
Sprw.;
de tiende —, datum sapoeloeh asa.
penningmeester, bendahari.
pens, përoet, péioet bésar.
peusbulh, përoet gëndoet.
penseel, pënjapoe këtjil.
pensioen, oenang djasa, lctterl. geld
voor bewezen diensten; gepensioneerd
zijn, makau oetcang djasa. Ook pang\' ]
sïoen.
pi\'nsioneeren, mi ai bert ocicavg djasa, \'.
mïniberi pangsioen.
peper, lada; zwarte —, lada hilam ;
witte —, lada soelah letter!, kaalkop-
-ocr page 603-
perser — ptfL                                                 591
imngilang (van kilang). —, drukken I
bij ontlasting of baring, mëneran (van
teran). —, dringen, sterk op iets aan-
dringen, mëngoeicati; herhaaldelijk en
pijnlijk — bij de ontlasting, ook iemand
— of dwingen tot betaling, meredjan.
—, door middel van uitknijping, wü-
m\'erah
(van p\'erah).
perser, pëngapit, phigirifc.
persing, pengapifan, pèngïrikan. Zie
pen*. — bij ontlasting of baring, tiran.
persloop, dysenterie, redjau.
persoon, orang, tf tri. —, individu,
orang; een cnkelo —, orang sa\'orang; :
dik van —, gtmoek orangnja, de uitcr-
lijke eigenschappen van zijn —, si/at
orangnja;
in eigen —, sa\'orang dirinja,
stndiri;
de —, dien het aangaat, jang ,
ëmpoenja toebueh; zonder aanzien des \'
—s, dengan tiada m\'emandang morka
orang, dttngan tiada mënilik orang;
een Gulden de —, masing-masing tatoc
rocpiah.
persoonlijk, in eigen persoon, sendiri.
persplank, papan apitan.
pertinent, van vragen, zie katego-
riseh.
perzie, farsi, Ar. adjam, Ar.
perzik, toeffah farsi, Ar.
pest, pënjakii xampar; ook gebruikt voor
vee—; verder faiïn. Ar. phijakil faati,
atcar;
de beide laatste woorden ook
voor cholera; een langdurige —, sam~
par kidap,
ook als scheldwoord. —,
epidemie, veelvuldig voorkomend van
eene ziekte, p\'énjakit jang dj\'erah, —, :
zie ook bij ziekte.
pestkool, negenoog, bisoef lada, pai\'-pa, !
penjakit radja.
pestkoorts, demam tattn,
pestpokken, zie pokken.
pet, do Kuropeesche — of muts, karpoes;
de Jnvannsche —, namelijk e. ■-. v. j
klep, xongkok.
petroleum, minjak tanah.
peulvruelit, kaf jang; allerlei —en,
katjang-katjangan.
penter, al wat gebruikt wordt om iets
uit te peutoren, g\'erindjam, pèntjoengkU,
peuternnr, pêntjoengkil.
peuteren, uitpeuteren, mëntjoengkil; zie
ald.; in den neus —, meridjolok-djo/ok
lobang hidoeng.
peutering, pënfjoengkilan.
pharao, radja Firaoen.
pkilosoof, failasoef, Ar.
philosophie, filsafat, Ar.; scholasti-
sche —, \\lmoe kalam. Ar.
phosphorlirht, zoonis van het zeewater
en sommige dieren, pendar; znlk —
van zich geven, birpëndar-pèndar.
pinnoibrte, piano. — spelen, mahi
piano.
piaster, Spaansche zilveren munt, rejal,
ringgit.
Zie hij «lollar en mat.
pickles, atjar-atjar, asam-asaman.
piek, groote lans, toemhak. —, kleine
lans, speer, lembing. — met breede
punt en kruisijzer, kocdjotr. — met
twee punten, tofmbak benderang; e. 8. v.
kleine —, tjrkel. — met haar, toem-
bafr bërtjëmara.
— als teeken van
waardigheid of ambt, toembak djaba-
tan.
—, lans, in de USS. ook gan-
djoer-,
met eene — steken, menikam
dengan toem\'jak, mëaikamkan toentbak,
mëratiakkan toembak, mënoembak;
eik-
ander met de — steken, toembak-
mhiOi\'tnbak;
een steekapel met —en
houden, berniain toembafc; de — schuren,
lari bèrlèpas diri. —, zie lans en
speer.
piekrtrager, piekenier, orang përtika-
man.
pieksehacht, batang toembak.
piepen, zooals zwaluwen, muizen, jonge
vogels enz., mëndétjit, mentjitjit, mën~
tjit.
— van kuikens, mëntjïjap; het-
zelfde met verscheidenheid, tjïjap-mijap.
—  vnn een detirhengsel of slot, kijoet.
piepjong, moi\'da sakali.
pier, aardworm, tja/jing tanah.
pieren, foppen, iuëiupoe,mëmpërdajakan.
pierewaaien, berdjoeloer-djalar, mè-
lantjong.
piere waaier, pïndjoeloer-djalar; pé-
lantjong.
pierig, van eene vrucht, dimakan hoelat.
piernnakt, telandjaug bocgil.
pierrot, alan-alan; badoet, .lav.
piëus, salik, Ar. beribadat.
pij, boerdah. Ar.; e. s. v. — vervaardigd
van boombast en door de adjar-adjar
of hcidensche priesters gedragen, kasto
detoewang.
pijl, schietpijl, anak panah; ook dikwerf
alleen panah; blaas—, pijltje, dat uit
een blansroer geschoten wordt, damajr.
—  en boog, boesoer-f/anah,- met —en
schieten, mëmanah; een —, of —en
ufschieten, mëmanahkan anafr panah;
elkander met —en schieten, berpanah-
-ocr page 604-
SM
PÜler — pillendoos.
panahan; o\\er-ejX\'Vceev,pana/i-tnètnana/t ;
zoover een — draagt, sapèmanah dja-
oehuja.
PÜler, zuil, pilaar, tiang. Zie paal.
pijlkoker, tarkasj, Per/.
pïjlpunt, tuata pana/i.
p\\jlt»ehol, pemanah; «en — ver, *<//«-
manah djaoehnja.
pijlsnel, van geschoten ol\' geworpen
TOOI werpen, ledjang.
PÜlwortel, penwortel, akar oemhi. Zie
nruroet.
p\\jn, sakit. — hebben, sak tl. — in het
huufd, sakit kapahi. — in de beenderen,
jicht, sakit toelang; iemand — aan-
duen, imnjukiti. —, mueite, kwelling,
MMMM, Skr. siksa, Skr.; rheuuia-
tische —, scngal. — gevoelen van vcr-
mueienis, leuyoeh. — in de maag, zie
maagkramp. — in den buik, met
snijdingen, tnaelas ptroH; in do —
zijn, tig. ka sakit tui, kapifjikan.
pijnappel, zie aimnuN.
pijnbank, rad, t\'eratv, Port.
pijnboom, pokok araz; e. s. v. — is
de easuarine, pokok- \'troe, jiohon tje-
marti,
Jav.
pijnen, drukken, peisen, tnenitrah (van
perah); zieh —, beijveren, w\'engoesaha-
kan dirinja, m\'eradjinkan dirinja.
p\\jni yen, HihnjakUi, tittntpir&akitt, m\'c-
njanysarakau
(van sanysara), inenjik\'sa-
kan
(van siksa, Ski1.), m\'ensidsatkan (van
sidsat, Ar.).
pUni«jer, ptujik-sa, penjangsara.
pijnlijk, sakit. — aangedaan, kasakitan.
—, smartelijk van eene woud, pedili.
—, inzonderheid van de ledematen,
seruk, strik; overal in de ledematen,
met verscheidenheid, serak-strik. —,
stekend vao een gezwel, ptrih. — aau-
gednan van het hart, m\'enykal. —,
moeilijk, b.v. van een werk, soekar,
siiuyat bevat, sangat pajak.
pijnstillend, menyhilanykan sakit.
PÜP* okshoofd, ouk goudsche — om uit
te ruoken, pipa. — om uil te rooken,
ook penyoedwt, Jav.; opium-—,tjvelim;
ook de hoeveelheid voor eenc —;
oottersche tabaks—, met wntcrfle&ch
en buigzaam roer, hekah, i\'erz. — ,
buis, tot leiding van vloeistoffen, tju-
rong,
b.v, van water, fjorottg ajar ;
van look, fjorottg asap. —, tot allci-
ding van water enz., s\'elosran; merg—,
ioelang juiiy bhsoemsuem. —, tluit, zie
ald.; blaaspijp, zie ald. —, ter aan-
duiding van lange, duone voorwerpen,
bataug; eene — lak, damar met\'erai
sabatang;
naar iemands —eu dansen,
menoeroet s\'egala kahendak \'-rang.
PÜpnarde, ianah ma/a, tanah peloes.
PÜpen, lluiten, zie ald.
PÜPJJ"**\'» brandspuitgast, kawan bomba,
penarik- bomba.
PÜpje, buis, boetoeh-boeloeh. Zie pyp,
PÜpknn, ktfiidi.
PU pkuneel, koflit tnanis btrèalang-
bafang.
pik, pek. Zie ald. e. s. v. vet, gc-
bruikt tot dichting van de naden vau
vaartuigen, lotek, Chin. f jan, Chin.:
een — op iemand hebben, bentji akan
saorang.
pikant, prikkelend van spijzen, pedas.
—, scherp van woorden enz., tadjam.
pikbroek, matroos, zie ald.
pikdonker, getap-govlita.
piket, kawal, p\'engaical.
piketpaal, patjak-.
pikhouweel, a/abanyka.
pikken, pekken, zie bij pels. —, van
vogels, met een halden, scherpen bek,
mêutatoek (van patoek\', inêmarof/t (\\an
paroeh}, memagoH (uu payoft), elkun-
der —,berpayoet-payoetan. — van vogels
met een sneb, waitjotok-. ■—, een tol,
die iu beweging is, met een anderen
raken, memanykah (van panylcah).
pikol, een mans diaagvrncht, pikuel =
125 Amat. HL\',
pikzwart, hitam leyaut.
pil, ofntal, poeloeng ubat, gentel.
pilaar, tiang. — met een spiraalvor-
mige band als versiersel, tiang soeloer
bafatiy.
— iu den vorm van twee om
elkander geslingerde louwen, Hang bei-
lil it;
achtknntigo —, tiatiy berseyi
duelapan;
de vier achtkantige hookl-
pilaren iu het midden der Norsteltjko
woning, tiang se.ti. — op een voetstuk,
tiang beralas. —, grondzuil, roekoen,
Ar. de vijf pilaren van den Islam,
roekoen islam jang lima.
pilaar mat. ringgit maria.-nt zoo ge-
noemd omdat men de beide pilaren
daarop voor kanonnen aanziet.
pilaarMeliaeht, batany tiang.
pilaarvoet, kaki tiany, pelapik tiany,
pilaster, tiany jang \'ewpat p\'ersëyi.
pilaii, nasi kaboe/i, nasi chaboeli,
pillendoos, tempal poeloeny obat.
-ocr page 605-
pillendraaien — plaagduivel.                                        5U3
pillendruaieii, tueschcn du vinger-
l \'i|i|)rji. rtiëiiggentef, minggele h-gentel t
tnëttguenlal.
pilleuplunk, papan p\'enggeleh gentel.
piloot, stuurman, djaeroe~moedi, moeïil-
li/u,
Ar. —, loods, muiililitn darat.
pimpelunr, drinkebroer, peminoem.
pimpelen, minuem, minoeia banjüh.
I limpel i »;iiii-!-, oengoe tuewa.
pin; houten —, pusah, Verboet enz. Zie
pen. —, [lunlig voorwerp, waarmede
men iet» vaststeckt, se mat. — die coi-
responilccrt met het gat in een ander
voorwerp, pakoe-sëmat.—.puntige stok,
of langu — oiu ia den grond te steken,
ratifjang.
pinan&£* pinang.
l >i imiiuhudin, pok oh pinang.
pi mm snoot* boeten h pinang; de ge»
droogde —, pinang koetai.
phuiiiiiimliii = piniini>l)OOin.
pincet* stpit.
pingelen, menawar (van tawar).
pinlt, kleinste vinger, hètingking.
pink, vissehersvnarting, peraboe pimoe-
kat, perahoe poekat, sampan poehat ,-
bij de —en zijn, slim, fjèrèdih..
pink. eenjarig kalt\', anah lemboe yang
Ttinoa- satahoen.
piulioojjen, mëngetjeng (van ketjeng).
—, elkander oogje» geven, bermdin ntafa,
pinkster» pantehoata, uit het Grieksch,
pinliNterdaj*, hari pantehoata.
pinkel i\'i-ièe**1, maya raja pantehoata.
pinnen, met pinnen vaststeken, zie bij
pen.
pint neitch, balang.
piuenrooH, radja boenga, bolan, ühin.
piun, in het schaakspel, bidah, Ar. —,
die in een vak up de laatste rij aan-
gekomen, voor een ander stuk vernis-
seld wordt, bidak, dilantih.
pionier, sehansgravcr, pingyali parit.
i>i.ii"-- kdin pihé.
piraat* perompah\', Uanoen, zie xee-
roover.
pi mm i de, zie pjrnunidSi
pi**, hentjing, ajar hentjing, ajar seni,
kimeh; koude —, setesima ajar ken-
tjing, sema-sema ajar sint.
piisnWit ij», saperti ajar hentjing.
piMufUrijvend, jar.g mernoekoel ajar
hentjing, zie pi»dr(j vendmiddel.
pisang, zie Imiuuui.
pisbak, tëmpat haaoengai hitjit, t. hën-
tjing.
j pittblmis, pengëntjingan, poendï-poendi
p\'éngentji/igan.
piwtiuiN, pisweg, tali ajar, tjorang
kènljing.
pi-tkn-k, zie luier.
pisdr\\jveiidiuiddel, jienderas, pelo>-n-
toer.
liiHSunj*, pislcidcr, zie ptsbaJa*
pis-in-kcd, e. ». v. kruipend diertje,
koetoe bidueh.
pinloop, beter kentjïng.
piulut-ht, antjing, Ziantjing.
pi*luier, zie luier.
pittopMtoppinu, boesoeng hentjing.
pispot* mangkoh ponggoh.
pi»**en, hentjing, haaoengai kètj\'tl, ■!■
boewang ajar aeni, bêrkëmeh.
plaatoen» kiiranijan.
pistool, zekere gouden munt, dinar haas.
—, klein suluelgewecr, këatol, pistol.
piNtoolliolNter, aaroeng kestol.
pitttoolNcliot, prnrmbah hëxtol; eeu —
ver, sapënembah ktstvl djaoehnja.
pisvloed, aalas, Ar. salsal baoel, Ar.
beser kinljing.
pittweif, tjoroiig ajar hëntjïng.
pit, kern, lidji; groote, harde —, batoe;
merg— van planten, hempoeloer, jioe-
loer.
—, eetbaar gedeelte van eene
viucht, isi; do jonge, nog eetbare —
van steenvruchten, zooals de uiémpciuro.
enz., iëngkaloh. — van lamp ot\' kaars,
soemboe. — in olie gedoopt en tian-
gestoken om even bij te lichten, soeloek.
—je om iets llll te steken, tjohfe,
pittij». vol pitten, phweh dengan bidji.
—, krachtig, hoewat, berisï.—.geestig,
birboedi, beril hal; ala Bijw. dengan
boedi, dengan ö^al.
pitvrueht, boewah jang bérbidji,b.jang
ada bidjinja.
plaai;, ramp, b\'ela, sihsa, Skr. faü-n, Ar.;
eene doodelijke —, b\'ela kamalian; do
— de» hongers, b\'èla halaparan; de —
der tering, b\'èla sini; met eene — be-
zoeken, beproeven, mtinbelaï. —, al-
gemeene ziekte, epidemie, onder plan-
ten en dieren zoowel als meuschen,
binah, b.v. Jiabislah sigala puhon hilapa
dimakan binah,
al de kokosboomen zijn
door de — verteerd. —, kwelling,
gangguean, oesih.
pluHübiiMt, plaagbeo&t, penggangyue,
pëngoesih1.
| plnnt-duivel, plaaggeest, maroe. Ook
1 lig. van iemand gebezigd.
-ocr page 606-
594                                        planffxiek — plaatsen.
papan ini hèndajf digèrègadji. — in
eene ninluische woning, waar men du
borden wascht, watervaten zet, zich
baadt enz., djerambah. —, betrekking,
ambt, djaicatan, pekerdjaiin ; bewoonde
—, tèmpat orang. —, stad, nt-gari;
vesting, kola; versterking, benteng ;
dorp, doesoen. — vinden, hebben, grij-
pen, djadi, pèristeica. — maken voor,
memberi timpal; ook bertoekar dengan,
b.v. bertoekarlah doe ka fjifa dengan
soekafjita,
droefheid maakte plaat>
(lelt. werd verwisseld) voor blijdsclinp.
—   van bestemming, tempat jang ditoe-
djoe, tèmpat pèmègian, tèmpat jang dikè-
sadkan.
—, binnenplaats, pelantaran.
—, voorplein, halaman.—.vlakke grond,
waarop een huis enz. stunt, nat ar; de
heilige —en, sègala ajjtram. Ar.; vnn
—  veranderen, berganti tempat; op een
en dezelfde — zijn, bérsatèmpat; er is
geen — genoeg, koerang tempat, ta-
sampai tempat;
dat is de — er niet
voor, boekan tèmpatnja; ook een on-
ge.-chikte —j stand —, tempat, tèmpat
berdiri;
een — geven, van eene —
voorzien, mèmpèrtempatkan, memberi tvin-
pat;
in de eerste —, vóór allo dingen,
hoebaja-hoebaja, pèrtama-tama, moela-
moela;
in de eerste — draag ik ze
aan den te prijzenen en allcrhoogsten
God op, daarna aan u mijn broeder,
pértama kapada Allah soebhanahoe wa
tafita bèta sérahkun kemoedian kapada
adik-lah;
in de — van, akan ganti;
datgene wat in de — vnn iet» gegeven
wordt, in ruil daarvoor, toekarannja;
in — van, daripada, oesahkan, alilt-
alih,
b.v. in — van te leeren ging hij
spelen, daripada mèugadji pergilah tja
bèrmain-main;
ia —van beter werd het
hoe langer hoe slechter, oesahkan buik
ntakin djahai;
hij beval hem te gaan
loeren en in plant» dnnrvnn hield hij
zich up straat op om te spelen, disoe-
roehttja p\'èrgi mèngadji, alifi-alih tja
bèrhèttti diloeroeng bermaïn-main ;
in —
van, lant staan, gezwegen van, djattgan,
djangankan;
in iemands — komen,
iemand vervangen, ntènggantikan.
nemen, gaan zitten, doedoek: — nemen
op een vaar- of voertuig om mede te
gaan, mènoempang. — geven, toestaan
b.v. vnn eene bede, meloeloeskan.
laatHbekleeder, ganti, tcakil, Ar.
taaisi\'n, zetten, mènaroh (van taroh).
plaasziek. soektt méngganggoe, soeka ]
mingoesik.
plant, plat, dik stuk metaal of steen,
papan, b.v. een ijzeren —, papan bêsi;
een marmeren —, papan baloe poetca-
iam;
metalen —, die voor klok dient,
génta (Skr. ghanta); zilveren —je, om
de schaamdeelen van een naaktloopcnd
meisje te bedekken, ijaping. —, die op
de borst, of voor den buik gedragen
wordt, bad oeng; ronde — oodcr aan
den stok van Malcischc blaasbulgen ut\' ,
pompen, omboh. —jes van metaal om
mee op te leggen of te versieren, tjè- \\
pè/oek,
Jav.; gouden of zilveren —aan
een ceintuur, pending. De ceintuur zelf
heet dan tali pending. —, zandbank,
zie bank. —, teckening, pëfa, gambar,
pigoera;
de — poetsen, lari, minggal,
Jav. lari hèmboes; de — gepoetst, hèm- ;
boes, èmpoes, Jav. b.v. detca hembuetan,
eea godheid, die de — gepoetst heeft, \'
plotseling verdwenen is; met iets de
— poetsen, er mede op den loop gaan,
utémoei\'tng (van poef ing); eene — voor
het hoofd hebben, een onbeschaamd
gelaal, moeka papan, moeka ftbal.
plnntdruk, pengc/japanptta,p. gambar. ■
pluatdruklten, tneiigêfjap peta, m.
gambar.
plnatdrukker, loekang tjap pèfa, t. Ij.
gambar.
plaatüzcr, bist papan; smal —, bësi j
lantai.
plaatkoper, tembaga papan. — voor
het koperen van schepen, tembaga la- \\
pisan kapal,
plaatpapier, jrarfas p\'ela, JNUJéi gam- \',
bar.
plaat*; in het algemeen, tempat. Ook
in vele samenstellingen zooals zitplaats
enz.; op dezelfde —, ditè/npal itoe {
djoega; zich op een en dezelfde —
bevinden met iets anders, bérsatèmpat;
zoo maar elke —, xabarang tèmpat.
—, waar men zijn onderhoud vindt,
of liever krijgt, zonder er voor te wer-
ken, tèmpat nasi goelai. — voor een
gevecht of lichnamsocfcningen, medan, i
Perz. — van retraite, die men bewaart
voor het geval, dat de slag verkeerd
uitvalt, tjtulattg; de juiste — van iets,
(enfang, b.v. waar is de — van zijn
huis, tentang mana roemahnja. Ook
ènggan, b.v. op welke — moet deze
pluk doorgezaagd worden, ènggan mana
-ocr page 607-
plnatsxesteldheid — plniitensif.                               595
—, van eene plaats voorzien, mhiem-
pulkan, minïmpati
(van tèmpal); wel
geplaatBt zijn, ditémpat jang bdik, di\'
tèmpat jang bedoel;
tijdelijk iets bijeen
nnder —. mënoempangkan. —, doen
zitten, mëndoeeloekkan, —, zetten om
het ann den invloed Moot te stellen,
b.v. water op een graf om het gcnees-
kTachtig (e doen worden, uienambang-
kan
fvnn tambang).
plant «üeNieldlieid, përi kaiidaiin tëm-
pat.
plantftnüder, pëngoekir.
plnntsvervniiffencl, nnngganti.
plaatsvervanger, ganti, tcakil, Ar.
plaat* ver vansjinsr, pcagganfiau.
placcntii, zie nageboorte.
plag, tanah batu, zie zode.
plagen, kwellen, storen, mï-ngganggoe,
m?nnoi\'tik, menggadoehkan, mënjakat
\',
meroeudoeng, menggoda, dit laatste in
de bcteekenïs van aanvechten; door het
ongeluk geplaagd, d. i. vervolgd, wor-
dcn, diroendoeng walavg. —, onder-
drukken, wtttgatiiaja.
plaser, pèagganggoe, pëngoesil\'.
plak, klets, vnn modder, klei, koedrek
en deigel., tepik.
plakkaat, aangeplakt bevelschrift, pë-
Wcat.
plakken; iots op of aan of tegen iets
met een kleefstof —, mënempelkan (van
tempel); op elkander —, zooals vleesch
in een rat, natie klecren, boeken enz ,
mengempap; op of tegen iets —, van
platte dingen, mVlrkapkan, h.\\. di-ambil
përada tërbang d\'ih-kap-hkapkan,
blad-
goud werd genomen en er opseplakt;
geplakt zijn, in dien zin, likap. —,
zich ergens lang ophouden, bërtogok,
b.v. ik plakte, al prntende, tot het
dag werd, sïkaja bïrtjakap bërtogok
sampai siang
; iets ergens neer—, m\'è-
vogokka»,
b.v. wie heeft die flesch
hier nceigeplakt, siapa ménogokkan
batang int disini ;
plakmïddel, kleef-
stof, péfëkat.
plakker!», lékaf-lékat; zie kleverijg.
plukmiddel, përëkat.
plakzeggel, mëfèrai tempel.
plan, schets, ontwerp, rantjana. Skr.
rang, dinah. —, voornemen, kahhidak,
niaf,
Ar. van — zijn, berniat; plannen
maken tot winstgevende ondernemingen,
mVroending; allerlei —nen maken, roen-
ding~mëroending.
planeoren, mëratakan.
pluneet, sijarah, Ar. de planeten, radja-
bintang, bintaiig bëridar-idar;
—lezen,
steirenkijken, ntëUaat dalam noedjoem ;
uit gegeven teeken* waarzeggen, ment-
hitavg ramal.
plnneetboek, soerat ramal, poettaka,
Sltr. tattra, Skr.
planeetlezer, sterrekijker, akloe\'lnoe-
djoent.
plank, papan ; zich als eene — voordoen,
b.v. van oen huiduitslag, mëiaapan,
—en uit één stam, papan satoenggocl;
het plankje, waarop de gewone sambal
wordt fijn gewreven, satgkalan; het
boutje waarmee dit geschiedt, anak
s\'f-ngkalan;
het —je, waarop de afge-
weven stof wordt gewikkeld, papan
goeloeng.
planken. Bijv. nw. papan, daripada
papan;
een — huis, roemah papan.
plnnkenbe»ebot, ditiding papan.
plankenvloer, tan/ai papan
plankier, van een rijtuig, toempoean,
papan toempoean.
plant, pokok; de planten in het alge-
meen, s\'?gala toembneh-toemboehan; wat
met de hand geplant is, tanaman. —,
plantje, pokok kéfjil; laag plantje met
ureede bladen, daoen ; met langwerpige,
spitse bladen, meestal roi-mpoet; jonge
— en, anak pohon, a. pokok- oin Ul^
te zetten, bibit.
plantaardig, nabati, Arab. b.v. plnn-
tensuiker, rietsuiker, sjakar nabati.
plmiUiLïe. pHanaman, këbon; suiker—,
kébon tëboe.
planten, mënanam (van tavam); met
dir. obj. ook mënanamkan,- op iets —,
iets beplanten, menanami; ireplant, tér-
tanam;
geplant worden, difanam.
van geschut, mrmhot\'boeh mar tam.
van geschut in iets, b.v. in de ver-
schansing van een schip, mënjoenting
(van soentitig); den standaard —, mèn-
dirikan ïlliimat.
—, in den grond ste-
ken, van paaltjes, pennen enz., men-
fjafjak.
— met een plantstok, waar-
mede men du gaten in den grond maakt,
inzonderheid van rijst op droge gron-
den, menoegat (van ioegal, plant- of
pootstok).
plantenbed, petak këbon. — met zani-
lingen, lapang sëmai.
plantensil\', ipoeh, oepas, naar den oepas
of giftboom.
-ocr page 608-
ó\'.Mi
plantencom — pleet.
voorwerpen, zooals geldstukken, plan-
ken enz. —, uitgerold, niet in uen
klomp, babar, —, van du taal, spraak,
katar, b.v. eene —te uitdrukking, pit-
kat uu n katar;
zie buveo. — n\'eg, lond-
uil, iets zeggen, téroes-ttratty, — ter
narde, van vullen, tërdjtroeinoet. — op
den buik liggend, tiarap, tikmap.
plat, plat dak, soetueh (,verb. van het
Arab. ta(ah), gèlattak; een huis met een
—, roemah papak-,
platdak, in tegenoverstelling vun ecu
spits opioopend dnk, atap limas.
plat dr ukken, intntkan sampai pipih,
i van ttkan).
platheid, tremeenheid, kêkataran.
platina* e mat poetih; op \'/.. O. Bomeu,
tuiat kodak,\'.
platje, guitje, orany djinaka; ondeugende
jongen, boedak nakal.
plutliluppt-n. van bamboe en dergel.,
miloepoeh.
plat koppig, van dieren enz., doyol.
Uok voor zonder horens, kam of kuif.
plat neuH, hidoeny pipih, hidoetty p>-u_fk.
plat praten, doodp raten, mi,tyalahl<i.n
lidah, iiümboeuoi\'h pi, kat au n vraiiy.
platrond, boelai pepeh,
plattieuieten, mtnembak tampai roeboeh
i,van tembak).
plnt*laaii, van bamboe enz., pletten,
mtmëloepue/t (van ptloepoeh).
plattegrond, bahan,
platteland, deta; het — afloopen, mi-
naitduny desa
(van landany).
plat trappen, b.v. een opgemaakt bed,
mi tat a oi.
plui viacli: e. s. v. schol, ikau saoe
beluiiya;
e. s. v. geep, ikau parany-
parany
,om de gelijkenis met een hakmes.
plaveien, zie beittraU\'ii.
i>l;ivuis, batoe roebin; djoebiu, Juv.
pl< h-.: het —, orany hiita-dina,
placht) tinykai haloetcan. — van een
klein vaartuig, loepi.
plechttjewaad, pakajan kabvtarau.
pleeht ia, dtnyau oepatjara, iiftaiitat, Ar
pleeln i^lieid, aan een tang ver&ehul-
diicd, oepatjara; die — in achtuemun,
tovmbhi oejiatjara. —, groutschheid,
b.v. van een geluid, iiflauiat, Ar.
plet;hti*tutii> = pleelitin-
l>leeskin<l, anaik-anykat.
pleegvader, bapa angkat. — of pleeg-
moeder van geesten, djindjatty.
pleet, ttmbaya poetih.
plnntenuom, yetaft, poeluet; uiet —
bestrijken, b.v. een lijuMokje om vogels
te vangen, mtmoeloat yUah.
pliiiiti\'iiKiftii. zie kiem.
plantenkumle, iimoe nalitil, Ar.
i iliiiti t-iil u i-. toemjau.
plnnlenolie; eene soort van —, of plan-
teuvet is de mi/ijak- ttuykutcany; eene
andere HKMt ili\' huiijak keroeicitty. \\our
het uigcuieene begrip ia geen woord.
pluntenrulf* styala toemboeh-tuemboe-
htm.
l>iuiiteiiHii|>; ook hiervoor is geen ge-
schikt ivijn.ii. Zie -ap en i>aliuM»p.
planter, orany (aitam; zie ook land-
bouwer,
plmiterü, plantsoen, ptta/iaman.
plantgewassen, tuuaai-fanaiuan.
planthoi", k\'ebuH.
pUuil-i.cn, pètanamau.
liluppL\'i\'t-n, snateren, tjalak-, b.v. moe-
luetnja tjtdak boekan boetcatan layi,
zijn
niond plappert op ceuc unbegiijpelijke
maaier.
plas, zie kuil en poel.
plasrejien, hoedjait Itbat, hoedjan derat.
plasM\'u, inel de handen in hel water,
utentjépoek-tjipoek, berktftjimpoetu; \\ au
badenden, mïntjtbuer-tjï-boer; met de
vleugels —, uiêufjf boei kan sajap. —,
een plassend geluid maken, zooals wuler
dut van eeue leken hoogte uj> den
grond of in het water valt, méntjiruu
(van tjiruu).
plat, vlak, ellen, rata. — maken, mtra-
takait.
— nis een koek, /ji\'/W* ; ook van
den neus. —, ondiep, van borden en
schotels, leper; ouk —, gebrekkig van
de uitspraak, b.v. orany M ilajue ittyaii
itoe leper tjakap, hhidak kata ap a,
d\'tkatanja upé,
do Maleiers van die
streken hebben eene —te uitspraak,
aU ze ipa billen zeggen, spreken ze
uit upé. —, in tegenstelling van &eherp,
vlakke kant van iets, papar.— maken,
van snijdende f oor werden, du tanden
enz., MÏmapar. — van de kuiteu, ttla-
datiy.
— en breed, zooals van een
spiegel, het aangezicht, du vollu manu
enz., bambany. —, gedrukt en daardoor
breed, b.v. van een kikker, waarop
men getrapt heeft, of den neus,/^m/V^1.
—, ingevallen, van buik, borsten, wan-
gen, gezwellen, zakken enz., kempis.
— en dun voorwerp, kipiny, dit wordt
gebezigd als hulptelw. voor platte, dunne
-ocr page 609-
plollertje.                                           597
wadah, Ar.; zonder —en, bërst\'hadja-
iëhadja.
b.v, mënjamboet soerat dëngan
btrsëhadja-xëhadja,
een b riet\' zonder
—en in ontvangst nemen.
plichtshalve, karëna wddjib.
plichtverznker, orangjang mëlalaikan
barang jang wddjib atasnja.
pliohtverzuim, pëlatajan barang jang
vddjib.
ploeg, het werktuig, badjak, tanggala,
Skr. luekoe, Jav.
ploeg, troep volk, of arbeiders, kawan,
goe, rëgae, kafoemboekan;
bij —en,
b^rëgoe; in —en verdeden, mërëgoekan,
—, verzameling van volk, dat het-
zclfde werk verricht, ook poewaJc.
ploegVmar, dapal ditanggala, dapal
dibadjafr.
ploegen, mënanggala, membadjak:
van het vee ook mënanggala, b.v. djika
karban dan lë.mboe itoc mënanggala,
als die butlel of os ploegt: mëtoekoe,
•Tav. —, met de ploegschaaf, mëngetam
lidah;
de golven —, van een vaartuig,
mëntjëntjaag omhak, meremban.
ploeger, pënanggala, pëmbadjak, orang
mëtoekoe.
ploeghout, kajoe tanggala, kajoe badjak.
ploegijzer, tad jak, soengkal tadjak,
mm/a badjak, mafa fanggala, lidah
tanggala.
ploegü^erbeen, tiang badjak.
ploegos, lemhoe pënangga/a, l. pëm-
badjak-
ploegschaaf, këtam lidah (van lidah,
messing, zie ald.).
ploegschaar, na jam, pëngoendjam
tanggala,
zie ploegijzer.
ploegstaart, batang tanggala, batang
badjak, gandar.
ploegvoor, aloer fanggala, aloer badjak-
i>ï<>i\', een ploilond geluid, lë.pak, lëpok.
ploilen; een ploll\'end geluid maken,
vnn iets dat plat op den grond, of op
de platte zijde valt, zouals b.v. een
boek, mëndjëlëpak, gelëbak, gëlëbap,
gëlëboefr;
op den grond —, van val-
lende zware voorwerpen, b.v. kokos-
noten, een boom enz., bërdëntam. —,
een plotl\'end geluid maken, zoonis b.v.
een emmer of aker in het water, kë-
dëmpoeng.
—, ontplotl\'en, letoep, lëtos,
zie ald.
; ploilertje, een glazen halfbolletje met
pijpje, dat, als men er op blaast, een
ploll\'end geluid, maakt, lëtoep-lttoep.
plegen —
piesen, gewoon zijn, biasa, memang.
plegen, bedrijven, mëmboeivat, hërboewat;
raad—, bërbitjara ; raad— over iets,
n/Pm b itjarakan.
plein, open v\\tMtti,padang, tanalt lapang,
meddn.
Ar.; open — voor eene woning,
pPlanfaran. — voor een Vorstelijk ver-
blijf, halaman.
pleister, metselkalk, përëkat. —, hetzij
van kalk of andere zelfstandighcden,
lepa, —, heelk. tampal; een — op-
leggcn, mënampal.
pleisteren, met kalk, mënërap, b.v. di-
tërap dëngan kapoer jong amat bërësih,
met zuivere kalk gepleisterd worden.
-—, heelk. mënampal (van tampal). —,
vertoeven, bërhënti; ergens aanznan om
te —, si/iggah, bërsir/ggah. Zie op-
lionden.
pleisterknlk, ptrëkaf, kapoer perëkaf.
pleisterplaats, perhëntian, tëmpal
përtinggahan;
ook alleen përsinggahan;
pasanggrahan,
Jav.; van de eene —
tot de andere, b.v. van een Jeirer, dari-
pada soeatoe përhëntian datang kapada
soeatoe përhëntian,
pleit, atjara, singketa.
pleitbezorger, pënoeloeng bifjara, pë-
ngafjara, pëngawaia,
Üat.
pleiten, bërafjara, bërsingketa.
pleiter — pleitbezorger.
pleister, kasoekaiin, — maken, bër-
soeka-soekacn.
— en pret rraken, bër-
soeka-soekaiin dan bëramai-ramajan.
pleizierreis; een — doen, bërlajar (of
bërdjalau) bPrnia\'in-ma\'in.
plek, tëmpal; zie plaats. —, vlek,
itoda; zie vlek en gevlekt.
plempen, zie aanplempcn.
plengen; iets ■—, nëntjoetjoerkan, më-
noempahkan
(van foempah), b.v. wijn
—, mënfjoetjoerkan ajar-anggoer; bloed
—, mënoempahkan darah,
plengoiler, korhan tjoeijoeran.
pletten, van metalen, ook van deeg
met oen rolstok, mentjanai,më,mipeli kan
(von pip>\'h).
pleuris, sak\'d pinggang (?).
plicht; wat aU —op iemand rust, jang
icódjib alasnja {wddjib,
Ar. verplicht).
■—, noodzakelijk, fardl, Ar. pë.rloe; de
noodzakelijke godsdienst—en, roekoen,
Ar. die —en verrichten, mëngërdjakan
roekoen
(van kërdja). Zie verplicht,
!i"t ïimoiyk en noodzakelijk.
plichtpleging; de gewone —en, roe-
-ocr page 610-
&9*                                      plombeeren — plukken.
plonibeeren, met iets stoppen, mënoein-
pal
(van (oein/jat). —, met loodjes
merken, memboeboeh mëtërai timah.
plomp, bet geluid, tjëmpoeng, tjëboer.
plomp, /waai- van lichaam, oembang.
—, vleczig van lichaam, pëdjat.
plomp, onbeleefd, zie ald. en lomp.
plompen, een plompend geluid maken,
mëntjcnipoeny; van een voorwerp, dut
in het water valt, yëlëpoeny, mentje-
lëmpoeny;
ia bet water —, met ecu
plomp werpen of storten, mtnfjëboer,
mcntjëboerkan
; met verscheidenheid,
tjëbar-tjëboer.
plompverloren, zoo maar in eens,
sërta-iaërla.
plooi, lipatan, fisoe, këdoet. —, rimpel,
frons, kreuk, zooals in de huid, in-
gcwaiiden, boven de neus, enz. këdoet;
zeer fijne —, zooals in halski aagje»
enz., lipit. — in de huid, përlipatan
koelit.
— van den oorrand, pcr/ipatan
tëli/t\'ja, përlipatan daoen tëlinga.

in een vetten hals, de billen enz., kttak;
in de verkeerde —en of vouwen, 1\'ipoh;
met op elkander gelegde —en, zooali
de borst vuu een overhemd, lipat bër-
toesoen ;
de —en openen, memboeka
lipatan.
plooiimiir, dapat difipal,■ niet —, tiada
ter//\'pat kan.
plooibout, pë/ipil, bc si pëlipit.
plooien, milt pat; lijn —, zooals b.v.
hulskraagjes, iinlipit; de lippen — tot
een glimlach, mtmbawa tërsïanjoem,
b.v. hare lippen waren buitengewoon
lief als zij ze tot een glimlaeh plooide,
ttrlaloe maiits bibirnja dibawanja ter-
sënnjoem itoe;
de lippen verachtelijk
—, mëntjëbek; geplooid, saamgetrok-
ken, van den mond, kepot.
plooier, pëlipat.
plooi-ü*er, om fijne plooien in kraagjes
enz, te maken, pëlipit, bësi pëlipit,
plooisel, lipatan; lijn —, lipitan.
plot wi-liu";. onverwachts, liba-tiba, sa-
koenjoeuy-koenjoeng.
Het eerste alleen
vnn iets, dut te voorschijn komt; een
— e dood, 7iUiii sakoenjoeny-ko^njoeng.
—   kwum er een schip, tiba-tiba da-
tanglah saboeicah kapal.
pi ui in, djawboe-djtiutbue, djamboel. —,
vedeibos, panache, djambak boeloe.
van bloemen, juweclen enz., malai;
tot zulk een — hebben, btrmalaikan.
pluimltexem, pëiijapoe boeloe.
pluimeloos, liada bërboeloe.
pluimen, van vederen berooven, min-
tjaboet boeloe,
—, van een pluim vuor-
zien, rnZnyiitakan djambak boeloe.
xyluimfxudivrtOtboeroeng\'boeroemg; boe
roeng-boeroeugan (r).
pluim^rant\', yombala hajam.
plnftms*M*f roempoel soeudat gamit.
pluimpje, prijsje, poedjian; een — knj-
gen, m|ndapatpoedjian, b\'érolikpoedjian.
—, vedeibosje, djamboel këtjil, djam-
bak këtjil.
pluiiiiMtaftrt, fjëmara.
pluimtttrijken, mëmëletjeh (van pële-
tjeb), ntëngamfiil moeka.
—, vleien,
memboedjoek.
pluim«lr\\jker, pcmëletjeh, —, vleier,
pëmboedjoek.
pluis, van lijnwaad, boeloe kaïn. —,
werk om te breeuwen, pëmakal. —,
zooals bij het doorsteken van matrassen
gebruikt wordt, pëntjëngkam titam.
pluis, zooals het behoort, jsëbagaimana
patuet;
het is duur niet —, disana
boekan sëbagaimana patoet.
pluizen, de vederen in orde brengen met
den bek, vau vogels, mënjëlitik (van
ielisik-), mënjverai (van toerai). —,
vezels uit- of afhalen, mëntjaboet boe-
loe.
Zie uitpluizen.
J pluizer!™, met pluizen of vezels, btr-
boeloe.
pluk, het plukken. De vertaling bier-
van hangt af van de wijze van plukken,
nml. met de hand vnn bloemen, vrucli-
ten en dergel., pëtikan; vau den grond,
of van iets dat laag bij den grond is,
poenyoetan enz. Zie plukken. —,
oogst van sommige gewassen, zooals
peper en dergel., poe poe l; de groote
—, poepoef agoeng; de tijd voor de
groote of algeraeene — der boomvruch-
ten, moe si ui mërangyak. Zie oo^st,
txuraroeling en ook bij vlok.
j pi uk h mi Ir, gala// jaag bërkdit.
plukhuren, bërpoepoeh, bcrkalahi,
plukken; mei de hand vun den steel
—, van kleine vruchten, bloemen enz.,
memëtik (van pëtik1). —, van bloemen,
ook nxënggtntas. — van vruchten, die
op den grond wassen, mëmoengoet (van
poenyoet). — van groote vruchten,
zooals kokosnoten en dergel., mëngam-
bil.
— van vruchten ot\' bloemen met
een stok, waaraan haaksgewijze een
mes of houtjo is bevestigd, mëngalap,
-ocr page 611-
plukker — poken.                                             599
triingait (van kaït). —, inzamelen van
boonivruehten, mëranggah; do tijd voor
dat — , moesim mXrangyah ; de vruchten
van zijn arbeid —, niïndapat hii&il
pekHrdjaanttja.
—, do veeren uittrekken,
mëntjaboet boeloe; den boel uit elkan-
dor —, scheuren, mëngërnai (van ker-
nai);
uit elkander — van iets, dat in
elkander gestrengeld is, zooals hooi,
katoen, tabak enz., mëndjondjot. Zie
uok do samenstellingen.
plukker, petiietifc, pemoengoet enz. Dit
hangt van de wijze vao plukken af.
Zie ald.
plukloon, opah mëmetiik; opah memoe-
ngoet
enz., zie plukken. — voor
koko&Doten, doman, van het Jav. due-
man,
deel, aandeel.
pluksel, sabsab, bënang tjaboet; van
geweven stoffen, tiras, Bat.
jilul.i ij.l. zie bij pluk.
plunderanr, pendjarah, përampas. —,
roover, penjamoen.
plunderen, rooven in den oorlog, irien-
djarah, niendjarah-rajah;
buiten den
oorlog, 7>ieraoipas; een huis —,mëram-
pasi roemah;
op den openbaren wtg—,
menjamoen (van samoen).
plundering, pëndjarahan, pïrampasan,
pënjamoenan.
Zie het vorige woord.
plunje, kleeding, pakajan; matrozen-
kleeding, pakajan orang kapal, p. o.
chalihi;
hij zit goed in zijne —, tjoe-
koeplah pakojannja.
plunjekist, pëti pakajan.
pi uk minus, lèb\'ih-koerang.
pluvier; e. s. v. —, tikoedidi.
poehen, bërmëgah-mëgah, btrijakap~
tjakap, bermïga/dan diri.
pocher, orang jang beraiegah-megah,
pengatjak.
poeherü, ijakap attgin, kanïegahan.
\\iOi\\i\\iSVn,sengal kaki; ook alleen sëngal.
poeder, pulver, sï-rboek1. — van kollio,
serboefc k\'ahwah; tot — maken, niënjër-
boefr.
— ala geneesmiddel, obal serboek-.
—, zoo fijn als meel, iepoeng loemat.
—,
uit de apotheek, obul loemat, o.
serboek\';
tot —, tot fitot\', loeloeh, loe-
mal.
— van rijsteincel, om het aan-
gezicht te blanketten, bed al\'; tot —
wrijven, mën/irikkan (van pirifc),
poederen, met rijsteiiieel, membedaki.
poedersuiker, yoela pasir.
poëet, ioekavg sjaïr, pëngararig sjaïr.
poel, mest—, longkang, tetaga la/ti. —,
moeras, zie ald. - , afgrond, keloeboe
ran, toebir.
\\ MH-l.pii nat, hajani moetiara.
poelgriii", rorwpoet poeroen.
poelvos;el,£oiTw«y bangau,/,\\K reiger.
poep, veest, ken f oei. —, st tahi.
poepen; een poep laten, berken toef; zijn
gevoeg doen, boetcang ajar, kasoengai.
poeper, die poept, oraiig bërkëntoet;
die zijn gevoeg doet, orang boewang-
ajar.
—, achterste, panlat, bantat.
poes; woordje, waarmede men eene kat
roept, sing~sing, tjing-tjing.
poespas, ijampoer-aüoek;
poet s. trek, streek, list, bida, helat, Ar.
—, gü\'\\ten&lïve,k,djinaka, kifjau; iemand
eene — spelen, mtnjëmoe (van sënwe),
geen — te spelen zijn, tiada Cérsëmoe;
eene — spelen, wat wijs maken, mtün-
kan angin.
poetsen, wrijven, menggosok1. —, polijs-
tcn, tnéletjoek; gepoetst worden totdat
het glimt, dileljoek-leijoekkan sampai
berk \'dat
; de plaat —, hemboes. — met
een schuier, zooals b.v. schoenen enz.,
mrnjikal (van sikat).
poetspoeder, gemaakt van het ge-
droogde schuim der branding,/»/»\' beua.
poezelig, mollig, tamboen. —, gezwol-
len, b.v. van de borsten, manto/r.
poëzie, sjaïr, Ar. De Male\'ieis hebben
maar twee soorten van —, do sjaïr,
of het heldendicht, en de panton of hot
minnedicht.
pot\', het geluid van ontploffen, tïtot-p,
letos.
pof; op den — koopen, mëmbeti /toetang.
\'■
pof; geplooide —, kedoel.
poll\'en, in de heete aseh braden, mem-
bëmbam;
op het vuur roosteren, me*
manggang; eene gepofte kip, hajam
panggang.
—, op crediet koopen, mem\'
beli hoelang.
i poilertje, e. 9. v. gebuk, bauloe, poetoe.
s, die bij het begin van een gnst-
maal met gekruide saus gegeten wor-
den, aras kerdan; e. s. v. —, bingka;
eene andere Eoort, bikang.
po«ent mënljoba, mëngoesa/iakan diri.
poging, fjoba.
pok, zie pokken.
; pokdalig, tjvreljak, bérparoet kuloem-
bochan, tjapoek,
Men. boerifc, Jav. —,
erg door de pokken geschonden, bopeng.
poken, met iets langs, b.v. een piek ot\'
\' stang, in iets — of steken, mirodvk,•
-ocr page 612-
BOO
pokken — pootje.
polyp; e. s. v. eetbare zoutwnter—,
dojak.
pomp, bomha, verh. pampa, verb.; Chin.
pomp met kleppen, soewitjija, Chin.;
kettine—, tali ajar.
pompelmoes; de —, djamboetca, liman
djamboetca, liman kf.dangsa; tljeroeJc
b$sar, djeroek mafjan,
Jav.
pompen, mPaariJ: bomha.
pompoen, laboe, labat\' manis.
pompntolr, voor een gladden loop,
piinggaboes.
pompwnter, ajar bomha.
pompzniger, kodok-kodofr.
pond; het Indische —, ongeveer 1|
Amst. %, kali.
ponjaard,£?W*, sitoar, se" kin.Ziedolk.
pont, pï-rahoe fambangan.
ponteveer, pangkafan tambang.
pontgast, orang pïnambang.
pontgeld, oewang fambangan.
pontonbrng, djï.mbatan penthoe.
pooien, mirtoem banjak.
pooier, pp.minoem.
poolt, duik, zie ald. — voor het vuur,
pï-ngoepak api.
pool, aspunt, koetueb, Ar. de Noord—,
iroefoeb sjamali, Ar. de Zuid—, koetoeb
djanoebi.
poolster, bintang koefoeb, b. oetara.
poort, pintoe; grooto — van kasteel of
stad, pintoe gtrebang; de buitenpoort
van eene Vorstelijke woning, pintoe
toni.
—, ook taicang, Jav. b.v. eere—,
lawang seketeng.
poortgat, zie geschutpoort.
poortje, pintoe ketjil,
poortwachter, penoenggoe pintoe.
poos, onbepaalde korte tijdruimte, djoe-
roes;
eene —, sadjoeroes lamanja; bij
poozen, berdjoeroes-djoernes ; eene lange
—, djoeroes pandjang; eene korte —,
djoeroes panilak. —, onbepaalde korte
tijdruimte, langer dun djoeroes, djtnak-;
eeno goede —, d/enafc pandjang; eeno
korte —, djvnak pandak. —, pauze,
rust, perhentian. Zie oogennUk.
pool, been, voet, alles wat tot —dient,
kaki. —, klauw van een vogel, tjakar;
op zijn — spelen, goesar, niemboewai
gadoeh;
met hangende —je» terug-
komen, onia mtnjtrahkan dirtnja, S<prvf.
I poot, zie stek en loot.
! pootig, sterke handen hebbend, btr-
fangan Jfoimal.
\' pootje, zie podagra.
het vuur op—, mrngoepafr api (van
nepak).
poliken, de kinder—, katoemboehan,
tjatjar;
valsche of water—, dj^toen~
toeng, tjatjar ajar;
de echte—, tjatjar
besar, katoemboehan btuar.
— die niet
tot rijpheid willen korren, katoemboe-
hun hoengkoes;
e. s. v. kleine —, ka-
foemborhan djinfan;
iets grouter, t,
A-e/oenibar;
/eer groot, k. djagoeng;
e. s. v. gevaarlijke —, fjengkïring ,-
boosaardize kinder—, gelijkende op de
rerapena i-v nichten, katoemboehan r?«-
fi\'-nai,- de zwarte, doodelijke —, ka-
taeit.boehan lakoem.
— die het gcheele
Hchnnm bedekken, k. kertdt t/ja/oh
ka-ajar;
de Javnansche —, frambozen-
uitslag, poeroe-mafa. Zie inenten.
pokput, paroel katoemhoehan; ondiepe
en schaars voorkomende —, rttjak;
hier en daar een — hebben, bïrZtjaj,:
pokstof, benih katoemhoehan, biang
tjatjar.
pokxiekte, phijakit katoemboehan, p.
tjatjar.
po1\\jatliltfcrien* duoen hampelas, op Java
daoen rtmpe/as.
polijsten, mengoepam (van oepam), mele-
fjoek, mfnggitap, mettggeroes.
— van
hout met eene soort van ruwe hinderen,
mïughampelas, nïrramptlas; gepolijst,
van hout, terampelaa.
polijster, ptngoepum, prnggeroes.
politie, polis.
politieagent, mata-ntata polis, opat
polis.
politiehnrean, kantor polis.
politie-inspecteur, mïrinjo, locwan
stkot.
politiek* tipoe ftikmal; wereldsche —,
tipoe hikmat doenia.
politiemaatregel, perentah polis.
politiewncht, kawol polis.
polit ic/iüilr, pt\'rkara polis.
l»olitoer, politoer.
pol*, nadi; de — voelen, zie bij voe-
len en verder polsgewricht.
])ols:i(|i\'v, oerat nadi.
pol■ nd erge*wel, btngkajr oerat nadi.
polsen, den pols voelen, mrndjamah nadi.
—, onderzoeken, menjëlidifc (van sidifr).
polsgewricht, boekoe fangan, pïrg\'ëla-
ngan fangan.
polsslag, dennjoet oerat nadi.
polygamie» pfrmadoean (van tnadoe,
medevronw).
-ocr page 613-
601
pootstok postlijst.
portanl; e. s. v. smal — tusschen twee
uan elkaudcr komende daken, rambat.
— voor ot\' nchter het huis, serambi.
I portatief, dapat dibaica, terbaiva.
i porte, de Verhevene—, as/una Istanboel.
porte-brisée, pinloe laicang.
porter, het bier, bir hitam.
\\
portie, bckagian, saparo. — lig. voor
straf ook bïhagian, h.v. als de eerste
minister het hoort, dan zal jij je —
wel krijgen, djikalaa didengar pradana
manleri, ada poela dikasih behagianmoe.
/ie aandeel,
portier,
deurwachter, penoenggoe pin-
toe, baicab. Ar.
portier, koetsdeur, pinloe karela.
j portierluikje, lïngkap pinloe.
| portionstafel, roemah makan.
; portret, pttta, gamba?:
\' portretschilder, pXnoelis peta, pënoe-
liê gambar.
porlretteeren, memetakan, mengganf
bar.
portuaal, negari tortoegal.
Portugees, orang pvrangki (veib. van
Franken); in de tegenwoordige samen-
leving, orang seratü, orang 1\'ortoegis.
portvrij» tiada bajaran, Ivpas bajaran.
portwijn» anggoer port.
post, deurstijl, djenang pinloe.
i post, uitgezette wacht, pXngawal; stand-
plants vnn zulk oen wncht, tempat pï-
ngatval, tempat bërdjaga.
—, last, lang-
goengan;
een zware —, langgoengun
jang beral.
—, artikel, fasal, Ar. —,
ambt, bediening, djaicatan, djabatan.
post, posterij, pos; een brief met de —
verzenden, mXngirim soerat denganpos;
breng dezen brief gauw naar de —,
lekas, bawa soerat ini kakaidor pos.
—, postbode, upas pos.
postheambte, pegaicai kantor pos.
postbediende, d/oeroe-toelis kantor pos.
\\
postbode, opas pos.
; postda*£, hari pos dalang.
| postdirecteur, kapala kantor pos.
I posteeren, memperle\'mpatkan.
i postelein, zio porselein,
postliuis;
gebouw op de Javaansche
wegen, waar men vun postpaarden ver-
wisselt, roetnah pos.
postkaart, peta tljalan pos.
; postkantoor, kantor pos.
postkar, karela pos, kahar pos.
I) os t koets, kareta pos.
\'
postl\\jst, daftar soerat pos.
41
iKKiNhiU, toegal; met den — planten,
niénoegal; de persoon die er mede plant,
penoegat.
poover, papa, miskin, Ar.
pooxen, rusten, bérhttnü, iïêrhentikan
le/ah.
—, verwijlen, zie ald.
](up. anajr-anakan, boneka, Port.; een
opgevulde —, anak-anakan asafr; een
vanzelf bewegende —, anak-anakan jarig
berpesawal.
— van een vlindor, indoeng.
/ie il ui keiaar.
popelen, poperen, van hot hart,gciït/fr,
gelelek1, kedei-,
lint. Zie kloppen. —,
van de bladeren eens booms, berembai.
popje, poppetje, boneka kPljil; zie pop.
—. w ij f j e van vogels, bttina.
pop\'.\\jn» tali lajar.
poppenL\'Ofd, përmaïnan, ma\'m-mainan.
poppenkleeren, paka/au boneka.
poppenspel; inl. — met lederen pop-
pen, teajang koel\'d. — met houten pop-
pen, icajang golek.
poppenspeler, vertooner van het in-
laudsche poppenspel, dalang,
populair, ramah-tamah, Ueramah-rama-
han dïngan orang kttjil,
populier, pohon hawicar, Ar. de zwarte
—, pohon hawwar roemi.
por, steek, tikam.
poreus, n.et gaatjes, beilobang-lobang;
zooals de huid, berlobang roma; zie
hot volgende woord.
porie; de —en van de mcnschelijko huid,
■\',"\'■■\'.-..,■ roma, Hang roma.
porren, wekken, inendjagakan, tnem-
bangoenkan.
—, unnzetten, aandrijven,
uit/tg ad jak, niengoe-pafc.
porselein, lijn aardewerk, tembekar
betoel;
wit ■—, saboen, h.v. een wit
—en hord, pinggan saboen; een wit
—en kopje, mangkutr saboen.
porselein, de groente, de eetbare portu-
laccn, gelang, waarvan twee soorten: de
witte —, gelang poeüh en de roode —,
gelang tnerah. Op Java krokoi.
porseleinaarde, tauah tembekar,
porseleinen, tembekar, daripada tem-
f/ekar.
porseleinfabriek, tempat toekang tem-
bekar.
porselein uiaker, toekang iembekar.
porseleinwinkel, kedai barang-barang
tembekar.
porseleinzaad, bidji gelang.
port, briefport, bajaran soerat, opa/i
soerat.
-ocr page 614-
609
postlooper — praal.
postlooper, opat kantor pos.
postmerk, tjap soerat pos, melerai soe-
rat pus.
postpaard, koeda pos.
postpapier, frarfas soerat kiriman.
postuur, zie houding; zicb ia —
stellen, bersikap dirinja, berboetcat lakoe.
pofttwnncn, karrta pos,
poNtweci de groote weg, djalan bësar,
dj ir fan raja.
post wet, oendang-oendaug pot.
postzegel, melerai soerat pos.
pot, hiervoor .\'itii al gemeen e nnam; wel
voor de bijzon lere soorten, b.v : —
ii.et wijden buik en nauwen hul-, voor*
namelijk ooi er rijst in te \'nuken.pèrio* k.
— van roode aaide, unverglaasd, met
wijden mond, bëlanya; zulk een — van
ijzer, bëlanya (/est; potten en pannen,
pënoek-bëlanya; zie pottenwerh;
geel, verglaasde, aaiden — met wijden
buik en nauwen mond, goetji; e. 8. v.
zwarte, verglaasde aaiden —jes, dio
uït China worden aangevoerd, k\'èda;
e. 8. v. aarden —, këtiloeug, yëntoeng,
Jav.; e. s. v. zwarten, verglaasd, aarden
—, met wijden buik en nauwen mond,
si/oen; e. s. v. — of aarden wntervat,
die bij bruilofttoptociten het badwater
bevat, koendui, Skr.; e. s. v. dikbuik—, .
zooals de geiuberpolten enz., doch kan
zoo groot zijn, dat ze van 10 tot -\'
gantang inhoudt, bëloeboe; e. s. v aarden
—   uit den ouden tijd, die nog wel
eens uit den grond wordt gegraven en
soms goud bevat, pedena, Skr. een dito
—, doch iets kleiner, tadjau; e. ». v.
p]at —je met deksel, om reukwerk in
te doen, tëlepa; hooge, smalle, koperen
—  of ketel, waarboven de rijst wordt !
gaar gestoomd, danttang; e. s. v. — met \'
een of twee bandvalsels, morovg; —je ,
voor het gesmolten was, dat bij het
batikken, Ol kleedjes-schilderen,gebruikt
Wordt, (jantiny. — in den vorm van j
een waschkom, pasoe, ook de ■—ten, ;
die in de suikerfabrieken worden ge-
bezigd; e. s. v. metalen kom of — zon-
der voet of rand, ook gebruikt voor
het baden, savykoe; o. s. v. — oin water ,
te halen, boejoeng; e. s. v. grooten,
aarden —, gebruikt voor watervat,
iëmpajan; e. ». v. grooten — of water
kom, koelah; de mond van een ■—,
moeloet; de bodem van een —, pantat.
—, inzet bij het spel, pëtarohan; den
— winnen, mendapat sëgala pëtarohan.
Zie ook watervat,
potnarde, tanah Hat.
potRMi\'b, garam hahoe.
potaHehloos, ajar habot, — van ver-
brand rijststroo, ajar haboe tnerang, dat
voornamelijk tot reiniging van het hoofd
bij het baden wordt gebruikt.
potdeksel, toeloep përtuek.
potdeksel (mar) plank of lat, die de
uitstekende gedeelten van de oplangers
bedekt, tnetoep tadjoek.
potdoek, zie vaatdoek.
■ poten, menanam (van tanam); met den
pootstok —, mënoegal (van totgat).
poter, ftool&Budappel, kënfany bibit,oebi
bibit.
potgeld, spaarpotgeld, oewang taboe-
ngan, oewang fjilingatt, Jav.
potje, zijn eigen — doen, bérlaïn pe-
rioefr;
samen uit een — eten, MgfliutJ.
Zie bij pet.
; pollepel, b.v. om soep op te seheppen,
&ëndofc,
potlood, waarmede men schrijft of
leekent, kajoe toe/is, pottëlod, pensil in
de Straits-settl.
potnat; het is één —, satali liga oewang.
pot nelicrf, ttmbekar, pèfjahan piring-
wangkuk.
potsenmaker, komiek, alan-alan, ba-
doet, Jav.
potsierlijk, djiuaka.
potstuk, oewang (aboengan.
pot - ui U*-r. goela patoe.
pottebezem, sikat perioe^bëlanga.
potten, in een spaarpot doen, Mr.tjimjxm
dalam taboe/igan, menaboengkan.
—, in
bloempotten zetten, mëmboeboeh dalam
djambangan.
pott en\\>i\\liUer,toekang përioefc-bëlanga,
pendjoivan, koembakara,
Skr. toekang
koetcali, toekang pasoe.
pottenl>akker\\j, dapoer pëndjocnun.
pottenbakkersklaip latiah dat.
pottenkrnnm, këdai përioe^btlanga.
pottenwerk, potten en pannen,përioefc-
belauya, perbuewatan pëndjoenan.
potter; geld—, oramjjang mengoempoel-
kan oewang, o. j. menaboeng.
potviseh, ikan paoes.
praaien, toeroepen, menjëroe (van sëroe);
de voorbijvarende vaartuigen —, me-
ngambil djaiciib përahoe pergi-datang.
praal, bij plechtige gelegenheden, oepa-
fjara.
-ocr page 615-
SOS
praaltfewaad — prieel.
Zie keuvelen en kouten; iemand
doen —, opdat hij geheimen vcrklappe,
mendjoeloel\' kata. —, plupperen, van
menschen en ook van vogels, baljalak,
zie plupperen; voor dun mond maar
wat weg —, kata dirambany; berkata
merambang.
prater, babbelaar, keuvelaar, penoetoer.
predestinatie, tak\'dtr Allah.
predestineeren, mentakdirkan.
predikant, pandïta, Ski\', padrt, l\'ort.
predikatie, sermoen in de moskee,
chofbat. Ar.; in de kerk, penyadjaran.
prediken, mengadjar; eeue predikatie
houden in de moskee, membatja chufbat ;
het Kvangelie —, mtiuasjhoerkau in dj il.
predikstoel, preekstoel, in de moskee,
minbae; eigenlijk eene verheven plaats,
vanwaar de priester des \\iijdags zijne
toespraak tot de gcloovigun houdt.
prefectuur, tcalajat, Arab,
prent, peta, gambar, piyoera.
prentenboek, kitab yambar.
present, tegenwoordig, fyadlir, Ar.
present, geschenk, had/jah, Ar. p\'éntb\'è-
ria/t
; van een meerdere aan een min-
dere, anoeyeraha, karoenia; van een
mindere aan een meerdere, pei■» mbaliam,
presenteerblad; klein —,ook gebruikt
om daarop de vorstelijke brieven te dra-
gen, tjeper; e. 8. v. groot koperen —■
op voet, pahar, (abafc. Ar.; e. s. v. groot
— op voet, kërikal, toelujc bahoe; o. ». v.
houten of metalen —, talam ; een—je,
baadeja, 1\'oit.
presentie, tegenwoordigheid, hadllrat.
Ar. hadapan.
preserveeren. mèuieliharakan (van pe-
lihara).
president, pérsiden, fadr. Ar.
pressen, volk oproepen voor .openbare
werken, mengerahkan (van kerah).
presscr, oproeper van volk voor open-
bnre werken, peny\'erah.
pressie, paksa, — uitoefenen op iemands
gemoed, méiighembat halt orany.
pret, kasoekaiin, karamajan, taiiiasja.
prutiuaken, met zijn velen, Lersoeka-
soekaan, beramai-ramajan.
preutseli, berlinykah.
prevelen, stil met den mond bewegen
bij bidden of lezen, komat-kamit; zie ook
mompelen.
prieel, puendjoeng; eigenl. een boogvor-
mig latwerk, begroeid met klimplanten.
—, ook: angloeny, t\'hiu.
pranlgewaad, pakajan kab\'esaran, pa-
kajau kamoeliaan.
pi ;i;il".i\\i f, tjandi.
prualhnna, pronker, p\'esolik.
prmdvertoon, bij plechtige ontvangst
of geleide, oepaljara; van zulk een —
doen vergezeld gaan, memberi oepaljara.
— maken, schijnen, meledany.
praam, tonykany.
praat, toeher, tjakap, kata; veel —8,
banjak moeloet, moeloel fjalak\'; veel—s
hebben, ook viereta-reta; veel — heb-
ben, lustig zijn door veel aanmerkingen
te maken, tjerewet; iemand, die veel
—s heeft, penljereicel; veel —s, telkens
een grooten mond opzetten, moeloet
rampoca;
gemeenzame —, petoetoeran,
pertjakapan.
Zie ook bij vuil.
praatuchtig, zie praatziek,
praatje, gesprek, pertjakapan. 9,kata-
kata.
—s maken, inzonderheid ver-
dichte, merapik; ieuinad, die het onder-
werp is van de —jes der ineuschen,
otany ja/iy müni/jadi isi moeloet (of
boewah moeloe.t) orany; houd je oud-
wijvenprnatjes voor je en trek je zwaard,
tinyyalkanlah olihmoe ségtila perkataan
int takalian bayai chabar sey..la anak
pèrampoetcan djoea, mela\'iitkan ambillah
pedanymoe,
lelterl. laat je praatjes na
als een vertelseltje voor de meisjes; een
auder — beginnen, het over een anderen
boeg gooien, me ny aloë war kan perkataan
la\'in.
—, los gerucht, chabar anyin,-het
is maar een —, chabar auyin sehadja.
praatziek, yèlatak, tjeramah.
pracht, luister, kamoeliaan, aflatnat, Ar.
prachtig* amat endah-endak, amat moe-
lia; zeer —, moeüawan.
prachti<*heid, kaendahan, kamoeliaan,
praehtvertoon, die aan een rang past,
oepaljara.
pralen; met iets —, m\'emperagakan,
b.v. diperayakannja kasana kamari, hij
praalde er overal mede (of hier en ginds).
praler, orany jang b\'erméyah-mi\'jah, p\'é-
nyafjak.
prunsen, ménjéptt (van *epit), mhidjépit.
prut, kotjak, meyah.
pratheid, kameyahan.
praten, spreken, berkata, bertoetoer, bës-
tjakap;
onnut, zonder doel —, bert ja-
kap anyin;
hardop —, b\'ertjakup k\'oe-
wat
; zijn keel droog —, bérkeriuy
ajar-lijoer.
—, kouten, een gemeenzaam
gesprek houden, b\'erbantjany-bantjany.
-ocr page 616-
604
priem — prikken.
priem, els, portoet, penggerek, jtemjoe-
fjuejr;
niet een — boren, mënggerefc;
c.s. v. ijzeren —, waarmede de gooche-
lwirs zich itekea zonder zich te kwet-
sen, /taboes; deze vertoon ing maken,
bënnaïn daboes, bërdaboes. —, vlijm,
tadji. Zie ook duik.
priemen, met een priem boren, meng-
gerei:
priester; raohaiumedaansch —, imam.
Ar. ook gebruikt voor jood?ch —. —,
geleerde, pandita. Ski*.; heidensch —,
bocdn-leernar, adjar-a/ljar; K. C. —,
padri (Port. padie); rhinecsche — aan
cene kélenteng, fangkeh. — der Magiërs,
maubadzt\'tn, Anib. (van maubadz, vuur*
aanbidder); inohainiiiedaanscb— belast
mei de Vrijdags preek, chatib. — van
minderen ra mr dan den imam, Ifbai;
op Java ook wik/i», volgen* sommigen
een verkorting van het Ar. \'llimoe\'ddin,
leeraar van den godsdienst. volgens
anderen van moendzin, oproeper tot
het gebed.
prie»teraml>t, imdmaf, Ar. djawatan
imam;
het — bekleeden, bert ma mal.
priesterdom, ségala Imam,para imam,
sëgala padri.
priestergewaad, pakajan imdm,paka-
jan padri;
het priesterlijk oppcrklecd,
djoebbah, Ar.
priesterheersc\'hnppü» pëmerenfahan
imam, pëmërentahan padri.
priesterlijk, tjara imam, tjara padri.
prit-Htermuts, keto, Jav.
priesterorde, pèratoeran imam,
priestersehuar, piuhimponan imam.
prie»tert»el»ap, imdmaf, Ar.
priesterwüdini*, lahbis imam, lahbis
padri.
prü> booze vrouwelijke geest, peri, 1\'erz.
prijken, versierd zijn, térhiat.
pr\\JH, lof, poedji; roem, eer, kapoedjian.
—, waarde, harga, ar/ja, règa; wat is
de — daarvan, bcrapa harganja; een
boogt —, harga bësar; een lage — ,
harga s\'fdikil; de naaste —, waarop
niet meer af te dingen vnlt, poetoes
ha-.-tja, harga mali;
vast en hoog in—,
harga tërik. —, dien iets halen kan,
pajoe; den — van iets bepalen, over
den — van iets onderhandelen, mtmm
joekatt;
markt—, harga pasar; onder
den —, koerang daripada harganja;
de —, waarvoor men iels gekocht heeft,
de koopprijs, harga pembitian. —, lot,
winst, oentoeng. —, buit, rampasan,
djarahan;
op — stellen, waardeeren,
mëngendahkan; cen — op iets stellen,
mënghargakan, mëmboebueh harga; zich
— geven, mhtjërahkan dirinja (van
serah).
prijsbederver, orang jang mendjoexcal
boe kan harga.
prüseiyi*» patoet dipoedji, kapoedjian.
prijsgeven, ménjirahkan (van serah).
I i!-(j-.liouilfji<!. terik harganja.
prijsje, geringe prijs, harga sèdikit.—,
lof, poedji.
pru*kiiinp, perloembaan, luemba-loemba.
prfjaUJSt, doft ar harga barang-barang.
prn**v("rhoot»injï. ""\'& harga.
prijsvermindering! toeroen harga.
prijzen, loven, memoedji (van poedji);
God —, mèmoedji Allah; (ïod zij ge-
prezen, alhamdoe\'liUahi, Ar. —, er den
prijs opzetten, membueboeh harga, meng\'
hargakan.
prijzen* waard, kapoedjian, patoet
dipoedji.
prik, steek, likam, tjoetjoel\'; een —
geven, menikam; vele —ken geven,
beprikken, m\'ênikami. —, steek met een
priem, tjatjah; zulk een — geven,
mëntjatjah.
prikkel, om nan te sporen, pénggërtafc.
—  van de hartstochten, den moed, de
reukzenuwen, pêrangsang, b.v. een toe-
spraak, krijgsinuzïek, een toovermiddcl,
opium, alcohol enz. —, doorn, stekel,
doeri.
prikkelbaar» spoedig boos, Inkas marah,
soeka marah.
—, geil, gaial, gasang,
gangsang.
prikkelen, aansporen, mè-ggèrtak.
van de hartstochten, den moed, merang-
sang.
Ook — van de rcukzenuwen b.v.
door eau-de-coïogne, secrcetluvht enz.
prikkelend; de zenuwen —, tjengis;
sterk — van id., rangsang —, beet
op de tong, ptdas, b.v. —o specerijen,
rempah-rn/tpah jang p\'èdtis. —e dran-
ken, minoeman jang pedas. Zijn het
alcoholische dranken dan ook minoe-
tiian jang këras.
prikkeling, aansporing, pénggertakan.
—   van de hartstochten, përangsangan;
een heete — van mond en tong, lidas.
prikken, steken, menikam (van likam),
mënljoetjoel\'.
— met een priem, mta-
tjatjah
; zacht of eventjes —, mëntjë-
Ijah.
Ook gebruikt voor tatoëeren.
-ocr page 617-
SOS
prikker — proteslnntsch.
prikker* pënikam, pèntjoetjoek pentja-
tjah.
prikstok, péntjatjah; tot aandrijving,
pëngertalr.
priktol, zie tol.
prins, vor&tcnzooo, auak radja, poetéra,
Skr. Zie ook kroonprins; de —en,
sëgalu anak-anak raitja, para poeti-ra.
prinselijk, tjara auak rat/ja, tjara
poetera radja, kapoeteraiin,
b.v. een
kuinjiiirtf stel prinselijke kleeren, sa-
iangkap pakajan kapoeteraiin.
prinsenhof\', ustana auak rat/ja.
i>rii er-., poeteri, Skr. auak ratijapa\'am-
poetcan ;
Mevrouw de —, toetcanpoeteri;
de — sen, para poeteri.
privmit, bestekamer, djamban, pérlindoe-
iigan;
op Java kakoes. Zie ook eicen.
privilege, wat een ander ontzegd is,
larangan.
probiial, goed werkend, passend vim
een geneesmiddel, serasi, uioesiadjdb.
Ar. moedjarrab, Ar.
probeeren, taëntjoba.
probeersteen, batoe oedji.
procedfioren, bersingketa, béraljara,
bèrhoekoem, datcd1 -taëudCtwa\'\'.
procent, dalam saratoes, b.v. tien —,
dalam saratoes sapoetoeh.
proce*», recht>gediug, singkela, atjara,
Skr. een — beginnen, mëmboeka bitjara;
zonder vorm van —, dengan liada
periksa lagi, tiadalah pandjang b\'Uja-
ranja.
proceskosten, belandja htoekoem, tig.
pëmbasut\'fi balai of pëmbasueh medja.
professie, perarakan, ambalan; eene
plechtige —, perarakan dhigan s\'égala
oepatjara.
processtukken, soerat-soerat düwa\'.
pron.es-vertMiH.1, soerat pëmbèrilaan.
—, acte van beschuldiging, soerat lot\'
doehan.
procuratie, wakilat, Ar.
procureur, pleitbezorger, pëngaijara. j
protluctief, bërlaba, bërhasil. — makeu, !
mëlabakan, menghasükan.
proef, probeering, fjoba.—, blijk, bewijs,
kanjataiin. —, monster, matjam.tjonto;
op do — stellen, mëntjoba; water—,
vuur—, als godsoordeel, zie ald.; dan
kan ieder een proefje nemen (van een
spijs), bolih mengambil-ambil rosa sa\'o-
rang sëdikit.
proefsteen, batoe oedji.
proesten, voeht met den mond ah atol-
deeltjes uitblazen, menjembaer (van Jt<«-
boer); elkander bij het baden wet witter
be—, bërsemboer-sémboeran. —, uitbla-
ua, b.v. zooals een zwemmer, meng-
hêutboes-hëmbofS,
b.v. berë./ang nnitg-
hëmhoes-hemboes,
al —de zwemmen.
proeven, sniaken, mêngetjap (van ke-
tjap);
met bepaald obj. mêHgètjapi, ook.
mêrasui,
b v. iu langen tijd geen rijst
geproefd hebben, te/a/t beherapa lamauja
tiada mïrasai nasi.
proever, van spijzen, péngUjap.
profeet, nabi, Ar. de —, d. i. Mohaui-
mad, annabi; de profeten, séga/a nabi,
anb\'tja.
Ar.
professie, pëatjeharian.
I profeteeren, bernoeboeat.
! proflteeren, voordeel hebben; b.v. voor-
waar veel zou ik van u hebben geprofi-
tcerd, nistjaja banjaklah pendapatankoe
duri paditmoe.
profetes, nabijaht Ar.
profetie, noeboeatt Ar.
proi üt, laba, omtoeng; inkomsten, op-
brengst, hasil.
pronk, perhiasan.
pronkbed, prnalbed, pèlaminau.
pronken, met iets te koop loopen, otenil
vertoonen, memperayakaa (van agai, ber-
andah.
— van een pauw, menyiyal.
pronker, in kleed ing, ptsolijf.
pronliyewimil, pakajan kabësaran.
pronksieroml, perhiasan jang eiidah-
endah.
pronkziek, in kleeding, solil\'.
prooi, rampasatt. —, voedsel van het
wild gedierte, mangsa,
prop. stop, kurk, soembal; met eeu —■
dicht maken, mënjoembat; ook ie wand
een — in den mond steken. Verder
goempal; tot een—, van een kleed, hér\'
goempal.
—, die men ergens induwt,
doch zóó, dat een gedeelte er van buiten
blijft, sëmpat. — op een schietgewcer,
nat. —, kort en dik persoon, orang
këreloet;
spottend, hagai sërok düenfaj?,
d. i. als een aangestampte rijstuiaat.
Zie ook etterprop.
proppenschieter, bedil boeloeh, fctoep-
lëtoep, tembak-tembak.
propvol, penveh-s\'esafr, penoeh-p\'epafr,
toeuipat.
proseliet, orang jang masoek agama.
protestant, hervormd christen, orang
masehi.
protestantse!), masehi, Ar.
-ocr page 618-
600                                             proviand — punt.
proviand, hek al, perbekalan.
proviandeeren, mèmb\'ekalkan.
provincie, moekim, Ar.
provinrleliout, kajoc svpang.
provisie, bekaf.
provisieimmer, sepen, verb,
provisieliist; groote —, waarvan het
deksel uit twee declen bestaat, het
eene vast, het andere los, saharah.
provoeeeren, tut den krijg dwingen,
menoendjoek gagah-bèraniija, menoeii\'
djoejr luki-lakinja
(van toendjoek).
proza, petigntoeran soerat jang melarai.
pruilen, mokken, meradjoefc; tegen
iemand —, meradjoeki.
pruiler, pèradjoejr.
pruim: een sirib —, sakapoer sirih, sirih
sakapoer;
de duur van een sirih —, sa-
kapoer sirih lamanja;
een gekauwde
sirih—, sepah ; een tabaks —, s\'finpal,
soesoer, sasoegi tëmbakau.
pruim, de vrucht, idjas, Ar.; gestoofde
—en, idjasijah, Ar.; e. s. v. vrucht,
die wel iets van onze — heeft,
satcoe, waarvan de besten satcoe manila
heeten.
pruimeimom, pabon idjas.
pruimen: sirih kauwen, makan sirih.
—, talink kauwen, mengoeluem itmba-
kau
{van koeloem). —, stout eten, bet ah
makan.
prulwerk, pekerdjaiin sëmbarang.
prulU"», sëmbarang.
pruttelanr, peradjoefc.
pruttelen, grommen, meradjoek; tegen
iemand, meradjoeki; ook rnërèngoet-
r\'engoet, bersoengoet-soengoei\'. -
, mop-
peren, mïrosing. — achter iemands rog
over het opgedragen werk, mérotofc,
ook — in \'t algemeen.
psalm; de psalmen Duvids in het alge-
meen, zaboer. Ar. het boek der —en,
kitiib zaboer; een afzonder! ijke —,
mazmoer, Ar. b.v. — vijf, mazmoer
jang kathna.
publicatie, pa/kaf, soerat mi) lot\'in at,
pul>lioeeren van geschriften, Imeken,
m\'enjatakan.
put>lielï, openbaar, zie nld. ■—, de
menigte, orang banjak, rhataik ,- het —,
de menigte, ook segala orang jang aam ;
een publieke plaats, tempat kabebasan.
— e dansmcid, djoget, Jav. met zulk
eon meid dansen, mengebeng, ngibïng,
pudding, hnhca, Ar. poeding, verb.
pui, voorgevel, astaka, djorong.
! palka teroetama; puik-puik, kapala-ka-
pala.
! puimsteen, batoe timboel, b. apoeng,
I puin, rocboehan, baton roeboeh.
I puinhoop, karoeboehav.
puist, bisoel, bfntil, bintil, binlit,
op de huid, doch geen steenpuist, meer
als de Javaansche pokken, poeroe;
venerische —. poeroe kotji; water—je,
koeman ajar; vet—je?, die na de pok-
ken uilkomen, mata ikan. —je, knob-
beltjc, bultje, zooals van een mugge-
bect, bint ai; ook bintit en benfit; vurige
—jes in het aangezicht, dj\'erawat; e. s. v.
steenpuistjes, djerawat batoe. /ie ook
•trontje.
piiisti\'rii», poeroean.
puitaal: e.?, v. —, ikan keli. Op Java
ikan lélé; e. s. v. zee—, die een giftigen
angel beeft, en veel gegeten wordt,
ikan s\'embi/ang.
] piihl.i\'l •!_•. zie bij pui-l en ruw.
pul, kruik, boeH-bueli.
pullii\'n, mengorek (van korefr).
puilt, hampas.
pulver, poeder, s\'frboek; tot —maken,
mènjeiboek. — van koflic, serboek frah-
trah;
zeer fijn —, loemat. —. buskruit,
zie nld.
pulveriseeren, menjh\'boek, weloemaf-
kan.
punctie, in de ]we\\\\u\\ai\\e, penfjatjah;
een — doen. mentjafjah.
punt, stip, bij eene letter, titik,tfokfah,
Ar.; scherpe — aan wapens of werk-
luigcn, mata, b.v. mata panah, pijl-
punt; mata goenling, de —en van eene
schaar. —, uiteinde, hoedjoeng, b.v.
saph-ti télor dihoedjoeng tandoek, nis
een ei op de — vnn een hoorn, Sprw.
hoedjoeng tanah, land—, kaap ; scherpe
— nan een vaartuig, gelijkende op een
land, turing. —, slip van een kleed,
uiteinde van eene pit, flambouw, lont,
touw, poen f ja; een doek in een —
drnaien, memboelir kant; de lange —
vun eon kris, toenlueng; scherpe uit-
stekende —, \'t zij in den grond, \'t zij
in het water, toendjang. — van een
tol, pangsi. — van iets dat aangepunt
is, b.v. eene pen, loentjtp. —, uit-
spruitsel, poetjoek; de —en of uit-
spruitscls van bamboe,poefjoejr rëboeng,
ook de benaming voor iets, dat met
—en uitgeknipt is; uiterste scherpe —
1 vnn iets, b.v. van padi of rijst in den
-ocr page 619-
puntachtïfi — raadschailen.                                  60?
halm, tjolet; een stuk hout dat aan
beide einden anngcpunt is, gebruikt um
krokodillen to vangen, s\'eligi tadjttm
bertimbal.
—, znuk, oim-tandigheid,per-
Icara, fasal;
met een — in de hoogte
steken zoonis een paal, een honde-.taurt,
een slip van een hoofddoek enz., ter
tjantjang;
in de puntjes zijn, keurig
netjes, bèradoen, antoen. — van uit*
gang, basis, anggaran. —, top, poef jak,
poenljak, kêmoenljak.
Zie ook uil-
einde.
puutaclitis, luenljtp, tadjam hoe-
djoengnja.
puntdirht; het — der Maleiers is de
panton. —en opzeggen, berpantun,
punteeren, zie richten.
punten, zie aunpunten.
punt i;.-.. van eeafl aanpunting voorzien,
loentjip. —, spits, sara, b.v. gigi tara,
snijtand. —, spits tocloopend, zooaU
b.v. een pvrainide, de boeg van een
schip, een mast, eeue de»ch coz., fontjos.
l>ui>il, van het uog, orang-arangan mata.
purjjeeren, mentjahar,
l>ur*»eermiddel, pèntjahar, obat boe-
icang ajar.
purper, oengoe, tcèina oengoe.
purperen, van purper, oengoe.
purperkleur, icêrna oengoe.
put. water—, perigt; soemoer, Jav.;
droge —, perigi boeta j men moet den
■— dempen ?our het kalf verzopen is,
sabélomnja djatuh bdik disadiakan poe-
poer,
Sprw. letterl. vóór den val moet
incD het smeersel (de zalf) klaarmaken.
—, kuil, iëlaga; stront—, tèlaga tahi;
de — van ilngar bij Mekka, zam-
Mg, Ar.
putdeksel, toeloep perigi.
putommer, timba.
putje, kuiltje, zie bij kuil.
putketen, rantai perigi.
put rad, djanlëra perigi.
puts, sitbccpsemincr, timba orang kapal.
putten, wëaimba.
puttin<*l>out, labang temberang.
l>uttin<fUzer, rantai ben temberang.
puttinirwant, lali temberang.
putwater, ajar perigi.
put as wencel, kajoe sanggoetan.
puur, zie bij zuiver.
pyramide, stompe, vierzijdige—Jimas;
de —n van Egypte, haram, Ar.
python, eeno soort van reuzenslang op
de Soenda-eilanden, oelar satcah.
R.
i ra, vnn een mast, paboewan, p\'éroewan,
gandar Hang, andang-andang;
bovenra,
andaug-andang alas, pérbahoe; ondrrra,
andang-andang baicah, perkaki.
raad, bitjara. — voor iets schaffen, mem-
bifjarakan;
schaf mij —, bitjarakan
dakoe.
— houden, berbiljara,- onder
elkander — houden, berbiljara sama
téndirinja.
—, vermaning, advies, maft\'
faal,
Ar. —.oordeel, beraadslaging over
de middelen, irhtijar, Ar. —, in rade,
rapat, madjlis; een lid van den —,
sakoetoe madjlis ■ vour den —brengen,
mëmbau-a menghadap rapat, m\'embawa
menghadap madjlis;
de brecde —, rapat
bèsar, madjlis bésar;
de hooge — van
adel, madjlis segala orang bangsaican.
—   van State, diican karadjaan.-~~ van
Nederlandïch-lndie, ditcan tanah llindia
Sederlanda, rad pan India;
er is geen
—  Voor, tiada tèrbifjarakan; ten einde
—  zijn, soentoek pada Okal, d. i. een
beletsel zijn voor het verstand, b.v.
Soetfan Sjarif soentoek pada ilkalnja,
S. S. was ten einde —; ten einde —■
zijn, geen hoop meer hebben, poetoet
asa, poeloes harap, tiada bèrdaja lagi;
met — en daad bijstaan, mënoeloeng
dengan bitjara serta dengan daja-oepaja.
Zie ook raadsbesluit.
raadgever, pt-noeloeng bitjara, jang
mèmbert bitjara.
raudi»evinü, bitjara, pèmberian bitjara ;
goede — der ouden, die een ongeval
vojrkomt, pèmalah.
raadhuis, gëdoeng bitjara, roemah bi-
tjara, balai.
raadph\'jjen, berbiljara; ovor icta —,
mèmbitjarakan ; de v>orteekens —, mem-
bueka faal;
voor iemand do sterren—.
mèmpërnoedjoemkan; bet lot —, mëne-
ngofr oentoeng
(vau lengok); met het
werpen van dobbelsteenen, kaarten,
inuutun, strootjes enz., m\'émareh (van
pare/t); de toekomst —, ménjidik ph
soena
(van sidik).
raadpleger, van het lot, pènengok
oentoeng.
rniul-.ln--.luit, përentah rapat, peren-
tah madjlis;
het — Gods,takdir Allah;
wat in Gods — is bepaald, jang di-
takdirkan Allah, soei-atan pada atcahija.
ra adat* huilen, mèmbitjarakan, mèmbert
-ocr page 620-
608
raadsehrUver — radijs.
bitjara; schaf mij raad, bitjarakan
dakoe.
raadschr\\jver, djoeroe-ioelis rapat,
pënjoeral madjlis.
raadsel, dat ter ruding wordt opgege-
ven, pënërka (van tërka); ook têka en
met verscheidenboid, tëka-tëki, —•■ op- \'
geven, met —s zijn, bnteka-teki; ook
Woorden te raden geven door alleen de |
medeklinkers te noemen.
raadselachtig, duister, moeielijk te \\
vatten, gélap, mosjkil. Ar. —, twijfel-
acbtig, liada tentoe.
raadselachtigheid, ingewikkeldheid, |
phi 1)dl jang mosjkil; duisterheid, p\'ért \\
}fdl jang gëlap.
raadselboek, soerat têka-tëki,
raadselwoord, kala tëka-tëki.
raadsheer, mantëri; eerste —, per- ,
datia manfëri. — in het schaakspel,
gadjah.
raadslafi;, bitjara, moewdfakat, Ar. ook ;
alleen falrat.
raadslid, sakoetoe rapat, sakoetoe bi- i
tjara, sakoetoe madjlis.
raadsman, pënoeloeng bitjara. — van l
een Vorst, ma/tferi, zie raadsheer.
raadsvergadering, madjlis bitjara,
rapat bitjara, diwdn,
Perz.
raadvragen, minta bitjara, minta ich-
tijdr.
raadzaal, iempat bitjara, balai.
raadzaam, patoel, balk.
raaf, boeroeng gagah; op Java boeroeng
gaoelf;
het is een witte —, iets zeer
zeldzaams, makal dibili, soekar ditje-
hari,
Sprw.
raagbol, sapoe laba-laba; als een —,
vun het hoofdhaar, ongekamd en in de
war, kersang.
raak, getroffen, k\'èna, naml, van het voor-
werp, dat getroffen wordt; van het voor-
werp dat treft, terk\'éna kapada, —,
effect hebben, van een wuponstoot, ëloet,
loet.
—, touche bij oen tweegevecht,
basah, als uitroep. —, het dool bereikt,
van een kogel, sangkil, Zie ook rake-
lings,
raam, venster, m de woningen der
Europeanen, djëndela; in die der in-
landeis, thtgkap; bamboezen—, dat op
den rug gebonden wordt en waarop
men lasten draagt, galas; op zulk een
— dragen, menggalas; borduur—, pè-
midangan;
ook in \'t algemeen eoo —
om iets op uit te spanneo. Ook pau- \'
Udangan. Het grndw. schijnt bidang.
Zie nok droogranm. — om eene
teekening of schrift, kandatig,
raap, lobalc.
raapzaad, bidji tabak:
raar, zeldzaam, djarang; dat is nu weer
wat raars, inipun soeatue sabagai poela.
—, vreemd, adjaib, Ar.
raaskallen, zotteklap uitslaan, van een
dronken of krankzinnig persoon, tjela
pe/a/t,
Mal. Zie ijlen.
raat. honigraat, sarang lebah.
rabarber, kalëmbak.
rabarberpil, oental kalëmbak;
rabarherpoeder, toemat kalëmbak.
rabat, korting, patong, tjëngkelong, basi.
—, tuinbed, petak ktbon.
rabbi, paudita jahoedi.
rad, wiel, djantëra, Skr. machine met
raderwerk, pêsawat bërdjantèra, —,
waterrad, poetaran ajar. — om zijden
garen ineen te draaien, kitttjir. — voor
touwslagers, penjhing. •—, pijnbank,
tëralo, Fort. rëgang. —, wiel van een
wagen, roda; het massieve — van een
bufl\'elkar, gerek; een — voor de oogen
draaien, in de war brengen, mimbi-
ngoettgkan.
rad, snel, vlug van beweging, pantas,
dëras.
— van tong, batjar moeloet,
moeloet batjar.
—, zonder horten of
stooten, van lezen, spreken, enz., lan-
tjar.
Zie welbespraakt.
raddraaier, péngkaroe.
radeeren, uitkrabben, mëngikis ■ vun / ■■\'-
I\'s-, zie uitkrabben.
radeloos, poetoes harap, poetoes asa,
linnjap bitjara, berhati moetoe.
raden; een raadsel —, mënërka (vun
férka); hij heeft het geraden, kena ter-
kanja;
er om raden, wie het eerst zal
spel on of meedoen, door er om te
trekken, of te gooien met dobbelstee-
nen, of het raden van kruis ol\' munt,
bërs\'éri; zie ook beslissen. —, raad
geven, tnëmb\'rri bitjara, mëmbéri nasihal,
mengichtijdrkan.
—, gissen, kira, agak-,
satigka.
raderboot, kapal asap merak simpir.
raderhast, van eene stoomboot, mërak1
simpir,
letterl. een pauw, die zijne
vleugels lant hangen,
raderwerk, sëgala djantira.
radheid, pantas, lanfjar.
rad\\je; e. s. v. lange —, lobajp; roode
—, lobak merah; witte —, lobafc poe-
-ocr page 621-
— rampzalig.                                  609
bij den Vorst, kïna moerka; van zijn
stuk —, verlegen worden, in de war
—, djadi hingceng; in brand —, kena
hangoes;
tiit bet geheugen —, tërloepa
akan;
van den weg - , svsat daripada
djalau jang bëtoel;
in verlegenheid —,
kapitjikan; om zijn goed—, kahilangan
haria-btndanja;
aan den grond —, van
000 vaartuig, tXrdampar, kandatt; weg—,
h\'tlang, lennjap; toevallig — in, lerma-
soek- kadatam ;
geraakt bij bet schermen,
bolos; ook bvsor. Zie ook geraken
en treilen.
rakketali mar.), tali pendondang.
rara, don ba djantan, biri-biri djantan,
kambing bïlanda laki-laki, kibasj,
Anib.
—, het sterrenbeeld, boerdj hamal. Ar.
mesa, Skr.
ramen, berekenen, kir a-kira.
raming, kira-nira.
rnmmeien, mïnoemboek (van toembork),
wiimbanat;
met de beide handen, mint-
bahan.
rammelaar, mannetjes konijn, kilintji
djantan.
—, kinderbel, kftintingan.
van een chinceschen marskramer, k>-
tontong;
vandaar dat zulk een mars-
kramer tjina kelontong genoemd wordt.
—, snapper, babbelaar, ptleter, orang
be/etfr.
rammelen, gX merel ak, gëmelétak, met
verscheidenheid, zooals b.v. de wielen
van een wagen, droge noten in een zak
enz., këretak-keretoek. —, zooals van
een pottenkast of een hoop kopergoed,
die in elkander stort, gerantang. —■
van de pitten in droge vruchten, goen-
tak.
— van papier, bladgoud enz.,
gerÜsik. —, b.v. het geluid van harde
voorwerpen ia een houten doos, kerang.
— van den honger, moeical lapar.
van geld, zie rinkinken. —, babbelen,
beleler. Zie rail.
rammeling, een pak sluag, hautain,
paloe, bftasah.
ramp, tjilaka, bela. Dit lantste ook
voor een algemeene — of plaag, b.v,
b¥la kalaparan, de — van het honger-
lijden, d. i. hongersnood, —.onheil len
gevolge van een vloek, mala pataka,
taulal.
Ar.
mmpopocd, oentoeng malang.
rampspoedig, malang ; een — lot,o>?x-
toeng malang.
ramp<*poediglietd, katjilakaan.
rampzalig, fjilaka.
rad\\j*t>ooinpJe
tih. Onze kleino, ronde — komt niet I
voor.
rndy»r»oompje, ook genoemd snecuw-
bcssenstruik, pokok tjekoeh; e. ». danr-
vuu, de tjekoeh manis, beeft bladen,
die wel aU groente gegeten worden.
radü^\'/aad. bidjï lobak:
radnaat\', a/oer djantera, a/oer roila.
riul-rliijt, tjakera, Skr.
radttpaak, unak djantera^ atlttk- roda.
rail velg-, bira\'i djantera, birai roda.
rafel, van geweven stoften, tiras.
ratelen, bértiras.
rafllesia arnoldi, ktrotboet.
rag, spinrag, sarang laba-laba.
raget»ol, sa poe sarang laba-laba.
ragen, nienjapoe sarang laba-laba.
ruuout, daging toemis.
rak, mar. zeker met leder beklcede-ttrop
van touw, waarmede de ra tegen den
mast gehouden wordt, ketendara.
met een eind rakketali, die nan bet
einde van het val gebonden wordt,
ktltndara djantan. —, waarvan het
einde van het val tot rakketali dient,
kelendara peratnpoewan. \'/.ie ook rek. ,
rakel, ijzeren pook, besi pvngoepak api.
rakelen, oppoken van het vuur, meug- :
orpak.
rakeling», koerang sedikit kena, hampïr
kina.
—, het dichtst bij het doel, van
een geschoten of geworpen voorwerp,
tembek.
raken, treilen, van het voorwerp dat
get rollen wordt, kina; van het voorwerp
dat raakt, terkena kapada; iets of j
iemand —, mengend!. Zie ook gera- |
ken; juist in bet midden geraakt,
kena tëpat. —, aankomen van een slag
of wnpenhouw, tiba. —.aangaan, kena,
b.v. wat raakt mij uw goed, apa kina- \\
koe hartamoe ini; ook f ad toe li.
—, met
kracht uitwerking op iets doen, bang-
kah, pangkah, mëmangkaft,
b.v, een op-
staanden lol —; ook iemand bij een redc-
twist —, troeven ; even den grond —,
van iets, dat door bet water gaat,
sanggat; tot elkander, aan elk. tegen ,
elk. rakend, tjantoem; tot elkander j
doen —, zooals b.v. de deelen van
MM kaart, mëntjantoem, —, palen aan, j
btirdamping dengan. —, bereiken, sam- I
pai. —, betreffen, akan, adapon, ada-
pon akan.
—, roeren van het hart,
mërawankan Aali; licht geraakt, lïkas
marah;
in ongunst —, kina mar ah;
-ocr page 622-
610
rampzalige — ra».
rampzalige, orang tjïlaka.
rampzaligheid, ptri luil (jilaka.
ranrune, déndam, bentji.
rand. zoom, te/n, pinggir, .Tav. bibir,
b.v. bibir ma/a, de oogranden; bibir
tjatcan,
rand van een kopje; bibir pe-
rahoe,
de rnnd of boord van een vaar-
tuig: boven— van de verschansing,
boord, rimbat; de buiten— van al wat
platrond is, tereng. — van een bord of
schotel, ook van een geschrift, marge,
ti-mbir; onbeschreven — van eene blad-
zijde, halaman; vlakke — van iets ook
limidang, b.v. limidang pinggan,
een bord: limidang pemidangan, vlakke
— van een borduurraani; zonder —,
van borden, schotels, kommen enz.,
merlang.—, boordsel, bimjkai.—, stoot-
kant, koordbelegsel, aris, b.v. een net
niet een rand van rotting, djaring
bèrariskan rotan.
—,b v. het tandvleesch
langs de tanden, of de — langs de
nagels of klauwen, airatan; dikke —
van een wond, bikar; onderste — van
een dak, tjoetjoeran atap; de groote,
gebloemde — van een saroeng of in-
hind^che rok, kapala saroeng; wanneer
die — getand is mot tnriden gelijkende
op bauiboespruiten, heet hij poetjoek
reboeng,
dat ook de algemeene naam
is voor een op die wijze uitgetanden
—. -— van een lmscb, sut-soer hoetan,
gigi hoetatt.
— van het hoofdhaar, gigi
ramboei.
—■ van de golven, waar zij het
land lekken, gigi omhak; gelcekende of
geschilderde —, of lijstje om iets, alit;
zulk een — om iets maken of leggen,
tnï\'tiga/it. —, dien men om iets heen-
legt om het in te sluiten, ikat, b.v.
ikat périgi, rand van een put; ikat
kolam,
rand van een vijver; kolam beri-
katkan batoe best,
een vijver inet bazalt-
steenen tot —: zulk een rand om iets
leggen, mengikat, b.v, kulam Hoe di-
ikatitja dengan timbaga soeicasa,
hij
lag om dien vijver een — van koper
en spinsbek. —, lijst aan iets, birih,
birai,
b.v. — van een tafel, birih rnedja,
de dak— van een vor«tel. woning, birih
attana;
de — van het oor, pélipatan
dunen itlinga;
op den — van bet graf,
hampit akan mati; op den — des ver-
derfs, hampirkan binasa. Zie ook bij
kant.
runtï, orde, reeks, atoeran, —, «raad,
trap, pangkat, daradjat, Ar. in — stij-
gen, opklimmen, ndik pangkat, btrtam-
bah-tambah pangkat daradjat;
lieden van
— en gewone lieden, orang ehas dan
aam;
nnar —, in geregelde orde, bira-
toer;
naar — zitten, doedoek berpang-
kat-pangkaf;
ook bertaf-saf, Ar. doe-
doek* biratoer.
—, zetel, post, ook
kadoedoekan; van denzelfden — met,
sakadoedockan dengan,
rnni\'srliikken; iets —, mengatoeri,
me\'ngatoerkan.;
de soldaten in gelederen
—, mengatoeri toldadoe, mingatoer ber-
saf-taf.
—. medetellen, membilang;
onder de knappen gerangschikt wur-
den, dibilang dengan slgala orang jang
pand ai.
rniitj«rhililïiiij», peratoeran.
rank, slank, lansar, langsar. Zie slank,
rank, wortelspruit, toe/oer. — van kruip-
of slingerplanten, djoelai, Men.; de —en,
waarmede sommige planten zich aan
iets vasthechten, tjatjing-tjatjing. —,
treek, list, tipoe, makr, Ar.
ranken, door middel van — zich ver-
breiden, zooals de wijnstok, en andere
klimplanten, merambal; ook niindjoe-
lat,
Mén.
runs, ransig, sterk van vetten, tengik.
j ransel, k^rpai. —, linnen zak, boentil;
; e. s. v. mand, die op den rug gedragen
wordt, djangki, garing, rangking, arn-
boeng.
Zie mand.
ransel, slaag, bëlasah. — krijgen, ketia
| belasah.
I ranselen, hantam, nvèmUelasah.
1 ransig;, zie rans.
rantsoen, pilahoer, tnesara, tara; zich
tot een — stellen, bërlaboer diri; op
i — stellen, van personen, paarden enz.,
i mentjatoe; bij kleine beetjes uitgeven,
| menfjekil.
I rantsoen, losgeld, oetoang tëboesan,
\' oewang penÜboes.
rantsoeneeren, vrijkoopen, mïtilboes ;
op rantsoen stellen, zie rantsoen.
| rap, vlug, gezwind, pantas, keratjal\';
van bewegingen, ook pelah; Jan — en
zijn maat, orang hina-dina.
i rapen, zie oprapen en de andere
samenstellingen.
rapier, pidang.
rapport, pimbïri tahoean, ripot. —
doen, mtmbtri tahoe.
rariteit, barang jang Hdjdib,
ras, soort, geslucht, bangta, djïnis, Ar.
—, afkomst, baka, van een goed —
-ocr page 623-
611
ram — rechtaan.
zijn, baik baka; van slecht — zijn,
Ai na baka.
rit-, gezwind, pautas, sigëra.
ri»N|>. paroef, kikir, koekoer.
ras] ifiu mfmaroef, mëngikir, mtngoekoer.
nispxcl, paroetan. kikirau, koekoeran.
rn«lerwerli, palissadecring, fjëraljafc,
tjiroljok, sampadan.
— van palmlatten,
payar roejoeng. — bestaande uit roedjes
voor iets, b.v. voor een venster, kisi~
kisi.
— van stokken, waarover men
meloenen, pompoenen of andere planten
laat klimmen, para-para. —, ook g?radi,
b.v. dan koeliling f?mpat itoe diboe~
boehnja g?radi,
en rondom die plaats
zetten zij —.
rnt, rot, tikoes, tikoes besar; e. ». v.
groot* huistat, tikoes moudok; de spits-
rat, tikoes ambavg boetan; de muskus-
of stinkrat, tikoes kastoeri, tikoes toeri,
tikoes fjPntjoeroet, tikoes boesoel\'.
ratel, oret-oret. — om visch te lokken,
oro-oro. — om vogels te verschrikken,
titiran.
rutclrtlaa* krakcnile donderslag, peter
rnttenldcm, — van ijzer met tanden,
dio als een buk naar iets hapt, tjakoeji.
—knip, —val, zie rattenval.
rattenltruit, barangan, warangan, Jav.
arsenic-o.\\_vde, barangan poetih.
rattenne«t, sarong tikoes.
rattenval* koetjing-pëkak, letterl. doovc
kat, boter ïiittonklem; e. s. v.—,simbat
ruttcHtunrt, «koer tikoes. Ook een
dunne, ronde vijl.
rauw, ongekoukt. onrijp, uientak.
van de huid, IPtjer.
rav\\jn, holle weg, bergkloof, djoerattg,
limboengan, tahang.
ravotten, zio stoeien,
i\',i/cil, lajar paboetcan.
razen, tieren, geger, mëmboewal ingar.
razend, woedend, gila. — moorden,
mëngamok. — verliefd, gila birahi, edan
kasmaran,
Jav.
reaal, een Spaanscbe ta\\in\\,rejal, ringgit.
rel>el, orang doerhaka.
rel»elleeren, mëndoerhaka.
rebellie, doerhaka.
recept, voorschrift van een doktor, soe-
rat fabib.
reeht, niet krom, loeroes; een —e weg,
djalan loeroes. Ook van het hart. —,
juist, niet scheef, betoel; de —e weg,
djalan jang betoel. — gaan, bërdjatan
betoel.
— op iets afgaan, membë\'toeli.
—, gelijk, effen, rata; een —e weg,
djalan jang rata. —, waar, oprecht,
bênar; de —c weg, djalan kabënaran.
—, juist, echt. sadjati, b.v. als de Vorst
den —en man wil hebben, dan ben ik
de —e om het rijk Djohor te boturen,
djika/nu radja hëndakkan sadjatinja,
mi~l.ii.il.an ajah inifah jang sadjatinja
memërentahkan tanah Djohor. —, juist,
in orde, sah. Ar. déngan sah; iemands
—, wat iemand toekomt, hak, Ar. —,
inkomt-nde rechten, fjoekai, bejn; het
—, dat iemand op zijne zijde heeft,
t i moe-t i moe; van rechtswege, id. van
rechtswege winnen, menang timoe-timoe;
van rechtswege verliezen, alah timoe-
timoe. —, regelrecht, vlak, fëpat.
op iets afgaan, mïnepat, membetoeli; te
— komen, belanden, djatoh. — geven
over, mhtghalulkan (van haliil). Ar.);
de —c tijd, het juiste tijdstip, koetika
jang ba\'ik, tcekloe jang baik, masa jang
ba\'ik; een —e erfgenaam, ictirils betoel;
een — huwelijk, kiiicin jang sah.
iluor zee, tëroes-tt-rang. — zoo, sabaslah !
ba\'iklah! te —, met —, sabel oehija,
sabënamja. Zie ook bij l>illijU.
reeht, wetten, wetgeving, reebtsbedee-
ling, hoekoem. Ar. het goddelijk —, hoe-
I koem Allah ; het knnonieke —, hoekoem
I jranoen, Ar. leen —, hoekoem Inlok-, Ar.;
j gewoonte—, hoekoem adat; godsdienstig
I —, vervat in den kornn, hoekoem sjara ;
crimineel ■—, hoekoem assijasat. —,
| gerechtshof, gedoeng bitjara, madjlis
^oekoem. —, rechterlijke uitspiaak, ka-
s poeioesan hoekoem. —, bevoegdheid om
te bezitten, aanspraak, billijkheid, hak,
Ar. — doen, mïmbhiarkan; gerechte-
lijke beslissing geven, memoetoeskan
ftoekoem; tegen —, melawan hoekoem;
! tegen iemands — of aanspraak, tnëla-
] tra» $ak orang; zijn — laten varen,
! mtèle\'paskan haknja; moedwillig op tem.
I — inbreuk maken, zie moedwillig*
! naar —, satoedjoe dengan hoekoem; in
I —en aanspraak maken, mëndïtwa; de
I —en, rechtswetenschap, ëlmoe hoekoem ;
van —s wegc, daripada pehak hoekoem.
1 — doen, billijkheid beoefenen, bïrboe-
I tcat iiis.it: dagvaarden om voor het —
I te verschijnen, mtnjita aka/i mfnghadap
\'• hoekoem (van sifa); in —en betrekken,
niingatjarakan; iemand cene rechtzaak
i aandoen, mXngatjara\'i;erf—,hakpoesaka.
rechtaan, regelrecht, langsoeng ka.
-ocr page 624-
C12                               rechtbank — rechtsvordering.
rechtbank, madjlis biljara, i/tahkamat,
Ar. — van ommegang, rad sambang, Jav.
recht liiiiiit-n, ii. • »/i/i \'••■ll.iu.
rechtdaj», ht\'.ri atjara, hart hoekoem.
rechtelijk, atas sjart hoekoem.
rechten, de —, llmoe hoekoem. Zie
ï\'.\'ili I -\\ ireken.
rechtens, sabitoelnja, sabïnamja.
rechter, die recht .spreekt, kadli. Ar.
hak\'mt. Ar.; iemand tut — nemen, Mr-
hakim kapada, ook iemand nis — uit-
ipraak laten doen.
rechter, tegenover linker, kanan, b.v.
— hand, (angan kanan enz. Van de
rivieroevers juist het tegenovergestelde
van ons.
reehtenirm, léngan kanan.
rechterelleboos, sikoe kanan.
rechterhand, tangan kanan; ook alleen
kanan.
rechterkant, sabïlah kanan, sist kanan.
reehterlyk, hoekoem, daripada pehak
lioekoem; de —e macht, koewasa hoe-
koem hakim, madjlis hakim.
rechteroever, van eene rivier, tfpi
kiri. Zie bij rechter,
rechteroog, mafa kanan.
rechteroor, tilinga kanan.
rechliTHHintit, djabatan hakim, niêrta-
bat hi\'ikim.
rechterstoel, koerst hakim, koersi pë-
ntj\'ld\'laii;
voor Gods —, dihadapan
koersi phtgadilan Allah.
rechtervleugel, vnn een leger,gading
tanlara jang kanan.
rechtervoet, kaki kanan.
rechterzijde, sabtlah kanan, sisi kanan;
vnn den \\ ■■,.-:, sisi kaï-masan. Zie ook
zütic.
rechtgeaard, ba\'ik (abtatnja.
recht«eloovi«, van de Mohammedanen,
t si (lm. Ar. tnoeslim, Ar. moemin, Ar.
rechthebbend op iets, mo-\'stahak, Ar.
rechthoek, rechte hoek, sikoe; een
timmermans —, tikoe-sïkoe. —, vier-
hoek, vinpat përsëgi pandjang.
recht huis, ruemah biljara, balai.
recht i<jcn, machtigen, mëmbèrikoetcasa,
mvteakilkan.
rechtl\\j"is£, btrsipal beloel.
rechtmnken, mëmbëloelkan.
rechtmatig, billijk, patoel, haros, laik,
Ar. bëfoel. — toekomen, hak, Ar. b.v.
niana hak toeicaahamba, hamba btrikan-
lah, wat u — toekomt zal ik u geven.
—, wettig geoorloofd, halal.
rechtop, recht overeind, iega. — staan,
lëga btrdiri. — zetten, oprichten, wié-
nïgakan; zijn kop — houden, van een
paard, minïgakan kapalanja. — van
zitten, mëntjonggok; ook — staan van
levenlooze voorwerpen.
rechtover, birhadapan, berlëntangan;
aio er een water tusschenbeide is, Mr*
sabër angan.
rechts, kanan. —op gaan, mtnganan.
— laten ligiren, mtnganankan, b.v. maka
kanii kanankanlah Aden, en wij lieten
Aden — liggen.
rechtsaf, kakanan.
reehtsbedeeling, ptmbtrian hoekoem.
reehtsbode, soeroehan hoekoem.
rechtschapen, oprecht, toeloes,ichh\\s.
rechtscollege, madjlis biljara, madjlis
iétim.
rechtsdau, hari atjara.
rechtsdwan™, puksa hoekoem, srjasal
hoekoem.
rechtsgebied, hoekoem, hoekoemal, Ar.
rechlsüebruik, iïdat hoekoem.
rechtsgeding, atjara, singketa; een —
hebben, biraljara, btrsingketa.
rechtsgeleerde, fakih; wccrv.fokaha.
rechtsgeleerdheid, Umoé\'ljikh, Ar.
rechtskosten, bëlandja hoekoem.
rechtsmacht, koetcasa hoekoem, pëga-
ngan.
rechtsom, balik- kakanan.
rechtsomkeer maken, van een leger,
ntfngérak (van érak).
rechtsi>raak, kapoetuesan hoekoem ;
ook hoekoeman.
rechtspreken, mëmoetoeskan hoekoem ;
ook mïnghoekoemkun.
rechtstammis, bërbatang loeroes.
rechtstandig, bPrdiri béloel, tëgap
btrdiri.
rechtstreeks, regelrecht, tëroes, betoel,
langsoeng. —, zonder tusschenkomende
personen uf zaken in aanmerking te
nemen, van afkomst, djikalau sabalang
Hang pon.
recht-verdraaiing, pëngobahan hoe-
koem.
rechtsvervolging, p^noentoetan hoe-
koem.
rechtsverzuim, gebrek in den vorm,
talah hoekoem.
rechtsvordernar, jang mtndawa\'.
rechtsvordering, daica\', perdatcaan;
eene — tegen iemand instellen, mën-
datca* a\'.as sa\'orang.
-ocr page 625-
rechtsvorm — redetwist.                                     G]3
rechtsvorm, atoeran hoekorm, djalan
hoekoem, sjarf boekorm
rechtswege; van —, dari pehak hoe-
koem. timo>\'4imor.
rerht*xanh, pfrkara hoekoem, atjara;
rechtszaken, pehofkoeman.
rechttoe, rechtait, ttroes, bltoel.
rechtuit, onbewimpeld, tïroes-ttrang.
recht uitgnan, rechtuitloopen, bêrdja\'
lan teroes.
ref*htvniir<U*E, <ldif, Ar. betiar, bttoel.
rechtvaardigen, mfmbPnarkan,
rechtvaardigheid, iïdalat, Ar. kabe-
ttaran.
recht vaurdigmahend, wi?*»£?«fln(-tf«.
rechtverkrijgende, jan ff bërolih hak.
rt\'clitzunlt, përkara, atjara, singketa ;
een — hebben, beratjara; in een —
uitspraak doen, mïngatjara; in een —
betrekken, mengai\'jarakan; een — van
iets maken, mvmptrkarakan.
rechtzinnig, be/iar da/am i/na/i.
rechtzinnige, oramj jang btnar da/am
imtin.
recipieeren, intHJainboel (vnn samhuet).
reciteeren, mPmbatja.
rt-clnttmnt, die aanspraak maakt, orang
jatiff mïndflica\'.
reclame, aanspraak, eisch, dQtea\', Ar.
reclame eren, mendftwa\'.
recommundeeren, aanprijzen, niCmoe-
dji
(vnn poedji).
reconcilieeren, ntiindamatkuii.
rec.u, soerat tanda iangan,
redacteur, pïngarang. — van een krant,
pengarang soerat chabar.
reductie, van een geschrift, karangan;
de personen met zulk een arbeid behist,
sitjala pï.ngarang.
reddeloos, tiada tMoeloeng lagi, tiada
ttrbtfa lagi.
redden, belpen, mïnoeloevgi. —, bevrij-
den, mïtvpaskan. —, doen ontkomen,
ntiloepoetkan; bezittingen —, bt-rlPpas
Aar/a;
ik red u van den dood, koeptr-
Irpaxkan dikau daripada mati
; zich,—,
ontsnappen, brrlïpas diri; iemand uit
het gevaar van het vuur —, mtloepoet-
kan orat/g daripada btkaja api
,- iemand
uit den put ■—, menoeloengi orang ndik
darï da/am ptrigi
; iemands leven —,
mïnghidoepi. —, vrijkoopen uit slavernij,
menfboes (van teboes).
redder, pfnoeloeng, orang jang mtfêpaa-
ka», o. j. mtloepoet kan.
—, vrijkooper
uit slavernij, pfaitboei.
redderen, in orde brengen, mtngatoer-
l.nn. •
—, den boel opbergen, minjimpan
(van sim/tan), buis of kamer op—,
m?njimpani.
redding, pfifof/o\'-ngan, kalïpasan, kaloc-
poetan,
zie redden.
reddinutfoot, rrddingsloep, sampan pt-
noeloeng.
rede, wuarden, verhaal, pi-rkataan. —,
getprek, ook pïrfjakapan; ïn de —
vallen, musifk moeloet; iemand in de
—   vallen, fm. mï-ngPrat lidafi Oïan-i,
d. i. iemands tong afsnijden. —, rede-
voering, prngailjaran. —, preek in de
Moskee, rhotbat. Ar. zulk eene —hou-
den, mïmbatja rhofbat; zijne — afbte-
ken, mëmoftoi\'skan pï-rkatauntija; ver-
bloemde —, \'tbdrat, Ar. oepama, Skr.;
zinspelende —, siadiran.
rede, owrdeel, verstand, bnedi, Skr. ïikal.
Ar. (Jok vereenigd tot ükal-boedi; de
—   zeijt mij, kuta f}kal.
redekavelen, bértuetoeï-fuetoer, btrlja-
kap\'tjakap; met elkander ■—, toston-\'
mïnof/oi\'r, bPrtottoer-taetoeran.
redeku veling, pï/orloeran, pvrtjakapan.
redekunde, de wetenschap, llmocfasi-
haf,
Ar. welsprekendheid, fasihat, Ar.
redekundige, urang jang fasih //-
! daltnja,
redelijk, met rede begaafd, zooall in
redelijke wezens, nalik, Ar. letterl. met
i spraakvermogen begaafd. Ook berökal.
I redelijk, billijk, pafort, karot; vnn den
persoon, berinsaf, bvrboeicat instif.
redelijk, tamelijk, middelmal ig, si dnng,
sédtrhana.
—, nog al, tljoega. — wei-
varend, bdik djoega. — ver, djaoch
djoega
enz,
redelijkerwijze, déngan patoetnja.
redelijkheid, billijkheid, paloet, imêéf.
redeloos, ttada btrnkal boedi, tiada
j tuifik.
reden, oorzaak, moe/a, karïna, tebab,
pohon;
zonder oorzaak of - -, dtiigau
tiada moela karënanja;
zonder —, zoo
maar, ook dfngan tiada tamina-uieua,
b.v. zonder — iemand sluan of ander
leed aandoen; om welke —, waarom,
mïngapa, kar?na apa, svbab apa, apa
tthabnja;
met —, met recht, zie bij
l>illült: de — du, dat zij geluid geeft,
is, sPbaè pon ija fórboenji iloe; om —,
sibaè, karï-aa, karïna stbab.
rederijk, zie welbespraakt.
redetwist, ptrbantahan.
-ocr page 626-
B14
redetwisten — regen.
I fïêrenlah, regeling, orde); als Vont —,
karatljaan.
Teneev\\ni*,ptmêreH(ahaH; van een Vorst,
i koradjaiin; van de — afstand doen,
! van een \\orst, mtninggalkan karadjauu.
rejjeerinuloo», tiada dibatcah perentah.
regeeringMambt, djabatan, djawatan,
re-ï**erinl5p*ï»erj,i0i3n* orang jang b$r-
djahalan, pé/ntrenlah, ptgaicai.
resel, liniaal, zie nld.—, bepaling, voor-
schrift, perentah, sjarf, Ar. —, liJD,
sipaf, verb. fifat. Ar. barts, garis. —,
tus.-chenstijlen, in de bouwkunde, pe-
lantjar.
—, riehcl van een wnnd, belë-
bas;
levens—, gewone —, svnnat, Ar.
—, wet, kanoen, Ar. volgens den —,
kauoni, Ar.
regelen, mingatoerkan, memerentahkan,
memaloetkan
(van patoet), b.v. zijn hui —
houden —, mengatcerkan roemah lang-
ganja;
de begrafenis —, memérenlahkan
mail;
zijn gedrag — mtmatoetkan kata~
koeaunja;
het — dour geboden en ver-
boden ook sijiisal. Ar.
90&éHn&,pf*9*toera*.— van het bestuur
| over iets, al ware het over een diseh,
perenlah; ook dandan; de — daarvan
laat ik aan u over, mana perenlah
(oeican (ênljik, njonja enz.).
retEelmuut, püra/oeran.
ves&\\ma.ti£Z*beraloer,dv.nganp*ératoeran.
reselreeht; — naar, Ihoes ka. — naar
hun land, zich haastende naar hun land,
mtngorsir karitgarinja, langsoemj b.v.
langsoeng ka-aslana, — naar het paleis.
— afgaan op, b.v. van e«n kogel op
het wit,\' mentpal (van tepat). — zijn
weg door een streek ol\'landschap neuten,
I rnëmintas (van pinlas). — naar, van een
weg, djalan ttpat. — doen doorgaan,
mX-langsoeugkan. — doorgaan, zonder
! rechts of Ünks to kijken, of zich aan
iets te storen, nunong. /ie ook reeht-
streehs, direct.
rejjen, hoedjan; poëtisch: aboe\'lhajiit,
d. i. vuder des levens, Ar.; een dichte
j —, hoedjan lübal; vroege en spade—,
hoedjan soeloevg dan hoedjan bongsoe,
hoedjan aical dan hoedjan achir. — in
enkele droppels, hoedjan rinlik-rinttk,
I hoedjan gtrimts, Jav ; mot—, hoedjan
| boenoel. — bij zonneschijn, hoedjan
panas. — in den eersten kentertijd,
hoedjan kapala stlatan. — in den
| tweeden kentertijd, hoedjan baral laoet;
\' hevige —, stort—, hoedjan deras; in-
redetwisten, btrbant\'ah-bantak. —,
tegenkakelen, iets ia te brengen heb-
ben, b.v. tegen een bevel, memhalah.
redetwisten, tegenprater, orang ban-
tuhan.
redmiddel = middel, zie alil.
redoute, koeb;e.
ree, het dier; e. s. v. — met ongetakte
liuiiih, kidjaitg,
ree, zie reede.
ree, rij van hand bij het gebruiken van
iets, lebar tangan.
ree, ^eieed, vaardig, zie ald.
reel>olt, kid/ang djanlan.
reede, ptlaboehan; bij verkorting ook
labuehan,
reeden, uitrusten van vaartuigen, mt-
lanykop kopal, m. pirahoe;
met bep. ubj.
m t la ilgkap kan.
reeder, tevens bevelhebber van zijn
eigen vaartuiiï, nachnda, djoeragan,
reeds, bereid!;, toet/ah, lelah; b.v. het
ts — Dacht, soedah malaui; het is —
twee uur, soedah poekoel doetca. —oud
zijn, soedah toeiea. — zestig jaar, e nam
poeloeh tah oen soedah.
reet, de reven van een zeil, pi jat,
reei\'luiiiden, tali pijat.
ree*»eït, kidjang belina.
reeUnlf, anafc kidjang.
reeks, rij, djadjar, djedjer, baris, ban-
djar, den-t\\ saf
Ar.; in —en of rijen,
berdjadjar, bêrdjedjer, berbaris, bertaf-
faf, bërbandjar, borderel;
in —en zet-
ten, nttndjadjar, méndjedjer enz. ook
— en vormend, vertoonend. Djadjar en
djedjer, zouwei van naast elkander als
achter elkander geplaatste voorwerpen.
Baris, komt steeds voor in de beteekenis
van reeks, lijn in het front, eene lijn
vormend. — van bergen, barisan, lili-
haii;
een berg—, bergketen, boekil ba-
risan, lilihan goenoeng;
eene — van
huizen, lilihan roemah.
reep, van papier, linnen enz., tjar\'tk,
pïrfja,
—, touw, lalt. — of touw, oiu-
vluehten, om do vleehling dikker te
maken, zooals bij cenu zweep, senlular.
reeselmaf\', kt tam pandjang
reet, spleet, kloof, Ijé/ah, s-la.
reetird; hij slycg er geen — op, wilde
het niet in overweging nemen, tiadaltih
kapadaiija limhaiigan afasnja.
re«*eerder, pïmërentaJi,
reueeren, regelen, een geregeld bestuur
over iets uitoefenen, menvérenlahkan (van
-ocr page 627-
515
regenboog — rein.
stuivende — hoedjan tempias. — alsof!
bet met baksteenen vim den hemel
gegooid werd, hoed jan tiada bolih tjetek
mata
(of memboeka mata); een nialsche
—. die du bloemen doet ontluiken,
hoedjan pengembang boenga; een—van
vonken, goegoes boenga api. — treilen,
kena hoedjan.
regenboog, petangi, koewoeng ptlangi,
benang radja, kaUmbadja, keloewoeng,
Jav.; een —waarvan slechts een stukje
zichtbaar is, toenygoet petangi; de —
heeft zeven strepen, pelangi bertjorafr
toedjoeh.
regenbui; korte —en met droog weder
tussebenbeide, losse --en, hoedjan ham- .
bat mlrtoewa;
plotselinge —, hoedjan
pengarak ganfoeng.
Zie bui.
regentlroppel, titij) hoedjan.
regenen, hoedjan; bet regent, ada hoe- \\
djan, toeroen hoedjan;
ook inéngoedjan; ■
het regent kogels, mengoedjan peloeroe ;
het heeft geregend, soedah ada hoedjan;
het beeft gedaan met —, hoedjan soe- j
dah; het zal —, akan ada hoedjan;
doen —, mhwnoenkan hoedjan; het
regent dat het giet, hoedjan saperti \\
ter/joerah adanja.
regenmoiiMHon, moesim hoedjan,
regenput, regenbak,perigi ajar hoedjan. \\
regenscherm, pajoeng. Zie zonne-
seherm; het — opzetten, mengem- \\
bangkan pajoeng
, een — gebruiken,
berpajoeng; tot — gebruiken, berpa- I
joengkan.
regennterren; de — of Hyuden, bin-
lang bt\'lantik.
regent, bestuurder in het algemeen, ^<:-
merentah. —, hoofd van een district of
regentschap, draagt in de verschillende ,
streken en onder de verschillende vol- ;
ken van den Archipel een anderen naam !
of titel. Onder de .Muleiers is — of j
distiietshoofd, bat in; op Sumalra, toe-
wankoe, datoefc,
op Java under de Ja-
vanen, ad/pati, pattgeran adipati en !
toemenggoeng, al naar gelang van den
trap Ües adels; in de Lampongscho
districten, paratcaiin; in den Moluk-
schen Archipel, orang kaja enz. enz.
prins —, zie kroonprins,
regentüil; do vaslo—, moesim hoedjan,
moesim pengoedjan.
regentschap, kaboepaten, Jav.
regenvlaag, hoedjan riboet. Zie re- ■
genbui.
regenvloed, overstrooming, door bet
van de bergen komende regenwater
ontstaan, ajar bah. Zio overstroo*
ming.
regenvogel; e. s. v. fabelachtigen zang-
vogel, die gezegd wordt om regen of
dauw te roepen, djantajoe, ghitajoe,
Jav. djatajoe, Skr.
regenwater, ajar hoedjan.
regenwind, angin hoedjan.
regenwolk, awan jang niengandoeng
hoedjan, mega mendoeng,
Jav.
regenworm, tjatjmg tanah.
regiment, pasoekan, katotmboekan.
register, lijst, da/tar, Ar,—,To\\,sidjH,
Ai.; naam—, daftar nama-nama.
reglement, bestuursregeling, perentah,
sjart,
Ar.; schriftelijk—,soerat perentah.
rei, verzameling van personen, ktloem-
poek, perhimponan, ba/a.
reiger, boei\'oeng bangau, waarvan drie
soorten : de bangau besar of bangau karbat/,
de bangau kambïng en de bangau oetar.
Verder boeroeng koendoer, boeroeng roe-
tcak-roewafc;
e. s. v. grijzen - , boeroeng
poetjoeug; v.
s. v. —, die zeer tam wordt,
boeroeng ranggoet/g; vene bijzonder groot o
soort daarvan, ranggoeng babi; e. s. v.
— met lange sneb, boeroeng kelingking.
reiken, met de hand naar iets, men/ja\'
pat;
zoover men met de hand — kan,
saptntjapai, d. ï. een hoogte van vijf
elleboogsellcn of bustn\'s. — naar iets
met horizontaal uitgestrekten arm, men-
djengkau. — ,
kumen tot de schouders
van het afhangend hoofdhaar, ram-
boetvja mendjëdjak bahoe.
— tot op den
grond, of tot op een iar,d of boord, b.v.
van een dak, een tent, mat enz. roeiig-
koep,
b.v. zulk een dak, atap roengkoep ,-
zulk eenc mat, kadjang roengkoep, enz.;
zoover het oog —, sajodjana mata me-
mandang.
—, komen tot, sampai, b.v
zijne macht reikt zoover ai et, koeaa-
sanja tiada sampai disiloe ;
de hand —,
?nengoendjoeir tangan; helpen, menoe-
loeng, nivinbantoe.
reikhalzen, sterk verlangen, rindoe ;
met obj. rindoe akan, merindoekan.
rein, soetji, Skr. van goud, soedi, Skr.;
zeer —, alleneinst, maha soetji; uit-
wendig — , f ah t-r atlahir, Arab.;inwen-
dig —, (ah/r albafin, Arab. —, zuiver,
onbesmet, fahir, Ar. —, helder, klaar,
van het aangezicht, cene woning, een
vertrek enz., djelah. —, schoon, niet
-ocr page 628-
a i b
reinheid — rekening;.
vuil, b?r$sih; een — gemoed, hati jang j
soetji, foead assakih, Ar. in brieven. |
—, geoorloofd, van spijzen, halal. Ar. \'
reinheid, kasoetjian, tahiirat, dit laatste
ook van cene vrouw: den vloed niet
hebben.
reinigen, mï-njoetjikan.mè/ttahirkan; het
hoofd — bij het baden, een algemeen
gebruik, bvrsintok, bh-limau, bX-rlangir;
het hart —, mïndp\'rmihkan hati,
van een lijk, door de drckstoll\'en er uit
te verwijderen, mrroi\'Kang; zich de
billen —, na het doen van zijn gevoeg,
méntjebuk, beristindja\', Ar. —, voor rein,
geoorloofd, verklaren, meughaldlkan.
reiniger, pfnjoctji.
reiniging, pT-tt/oi\'fjiiin, pïsoi-ljian. —,
godsdienstige wassching, grasal, Ar. — I
der billen, na het doer. van zijn gevoeg, \'
tjfbok, is(indja\\ Ar.
rei**, te land, phdjalanan,- te water,
jiïlajaran; goede —, als wensch, salti-
mat (tjalan, sa/amat berdjalan, salamat
bérlajoT;
op — gaan, pergi bërdjatan,
përgi bvrtajar;
vertrekken van een Vorst
of aanzienlijk persoon, bXrangkat; in
poëzie, salih bXrdot\'U; op —zijn, pergi\'
pïïrgian.
— van één dag, dagreis, sahari
pèrdjalanav, sahari pX-lajaran.
rei», maal, keer, kali; eenige reizen,
bébérapa kali.
reisdeken, kaf {fat, Ar.
reisgeld, bHandja didjalan.
rciHgenoot, kaïcan berdjalan, teman
didjalan.
reiskosten, belandja didjalan.
rei Kinakker, kawaa bïrdjalan; tot — j
luaken, uiiinboeicat kaïcan bïrdjalan.
reÏMtnand, zie bij tnnnd.
reispas, soerat idzin, soerat pas.
reis vaardig, sadia akan Urrangkat,
s\'ijap akan bïrdja/an
of akan blrlajar,
reiswagen, kareta orang bt-rdjalan.
reiszak, valies, roistasch, stlafr, oen-
tjang, buk/ja, gandrng
(zelden), kasang. \\
reizen, te land, bXrdjalan; te water, \',
btrlajar.
reiziger, te land, orang pêrdjalanan ;
te water, orang pftajaran; moesajir. Ar. \'
relt, droogrek, kapstok, sampajan. —,
boven den vuurhaurd, borden— of — ,
om visch op te drogen, meestal van
bamboe, para-para. •—, om potten en
pannen op te zetten, ock para-para en
lekar, Mal. —, afstand, djaoeh; een]
goede —, djaoeh toenggoeh.
rekbaar, jang dapai maeloer,jang dapat
dirXgangkan.
Zie rekken.
rekel, andjing djantan, andjing laki-laki.
—, onbeschaamd reenseb, orang lam-
boeng.
rekelaelitig, onbeschoft, tamboeng.
rekenaar, (/rang jang pandai menghi-
loeng, orang jang pandai ntënghisab.
rekenlmur, jang dapat dihitofng, jang
dapat dihixtibkan, jang ivrhisiibkan.
rekenboek* kilab kira-kira.
rekenUord, zie rekenraam.
rekenen, mfnghitoeng, méngira-ngtra,
mïnghistib.
Ar. —, berekenen, — op
iet», mïnganggar (van anggar, Perz.1;
zich verrckcoeD, sa/ah hitveng, salah
kira-kira;
bij elkander—, optellen, men-
djoemlahkan.
—, lellen, Mimi/Hang, b.V,
de Mohammedanen — hunne jaren naar
de vlucht van den profeet, orang isltim
mXmb\'lang tahornnja daripada hrdjrat
nabi;
gerekend worden onder of tot,
dibilang dengan, n.asoek bifangan. —,
schatten, mtailai (van uitat), ménghar-
gakitu.
—, achten, het er voor houden,
sant/ka, pada sangka, kira, pada kiru,
kirakan;
gerekend worden in de plaats
van, dibilang akan ganti; door elkander
gerekend, dibilang rata. —, afrekenen,
tneudjelaskan kira-kira. —, staat maken
op iets, harap, mëmalar (van palar),h.v.
— op regen, harapkan hoedjan; op uw
goed reken ik niet, Hada akoe palar-
kan harfamoe;
wat rekent gij daarvoor,
Xngkau viinla bt\'rapa harqanja (of opab-
nja
of bXlandjavja). —, het rokenen,
de rekenkunst, vlmoe kira-kira. —, zwan-
ger zijn, boen/ing, hamil, Ar.
rekenfeil, rekenfout, salah kira-kira,
salah hitoeng, salah hisab,
rekening, kira-kira; zich met de —en
verantwoorden, — en verantwoording
doen, mXmSSri kira-kira; eene — op-
maken, mX-mbocwal kira-kira. — van
credit en debet, kira-kira hoetang dan
pioetang.
— van een geteld aantal, b.v.
dagen enz., bitangan,- de — is vol, bila-
ngan soedah gïnap.
— houden met
iemands gevoelens, ménimbang rasa
orang, minimbang hati;
op — koopen.
bP./i hoelang; op — geven, djoewal
hoelang;
voor — komen van iemand,
overgeluten zijn aan iotuand, podang
kapada;
iets voor iemands — laten,
nitmoelangkan kapada; dat is voor uwe
—, itoe di-atas ïngkatt, Hoe atasuoelaJi,
-ocr page 629-
017
rekenins~courant — reuk.
voor zijno — nemen, nie.nanggoeng (van
tanggoetig), mengakoe; de —on vereffc-
nen, m?.njelésuikan kira-kira, wijmdft\'
luskan kira-kira;
er zijne —bij vinden,
uilndapat oentoeng, berolik laba, min-
dapat /i<ifi/.
r<-kenin<*-t-ourunt, soerat s?gala hoe-
fan g dan pioetang.
rekenkamer; de —, diican hisab, Ar.
rekenkunde, el moe kira-kira, tltnoe
hisab.
Ar.
rekenkundige, orang jang fabam pathi
ilmoe kira-kira.
rekenlei, lok batoe, bafoe toelit.
rekenmeester, goeroe jang mfngadjar
kira-kira.
rehenranm, rekenuiacbine, xipoeica,
Chin.
rekenschap, verantwoording, kira-kira,
djairJb, Ar. — geven, doen, memberi
kira-kira, membèri djatctib.
rt-kkeiyk, toegevend, inschikkelijk,
llmboet, sabar, Ar.
rekken, vnn touw en alles wat elastiek
is, moeloer, rtgang, imregang \\ zich —,
uilrekken om iets te bereiken enz.,
mërPgangkan diri. — van eene rede
ot\' beraadslaging, mé mandjan gkan (van
pandjang*; het onderzoek vnu eene
zaak voor de rechtbank lang —, «lë-
iiiandjang-mandjangkan bitjara,- z ij ne
rede lang —, ook mtlandjoetkan per-
kat aan.
relief: en relief, timboel,
religie, zie godsdienst.
rclitiuie, erfstuk, dat in wnarde te
houden is, manah, poesaka.
relnpiienkast, tjandi.
rellen, babbelen, bHeter.
relletje, standje, geger, gatloeh.
ren, snelle loon, lari.
renbaan, voor paarden, pëlarian koeda,
ptrloembaan koeda, medtin,
Perz.
renbode, soernehan jang pantas, ktïsid.
renegaat, orang moertad, Ar. orang subi.
rennen, lari; tegen elkander in—, b.v.
van twee rijtuigen, mï-njampok (van
sampok).
renperk, pérloembaan, medtin, Ven.
rente, anale doetcil, boenga oeicang; vier
percent —, dalam saratoes empat boe-
nganja;
kapitnul en —, modal dëngan
boenganja, pokok\' oewang dvngan boe-
nganja.
— genieten, makan boenga.
geven, van het geld, berboenga; van
den persoon, wtémbajar boenga.
1 renteloos, dada berboetiga, liada ieV-
htisil.
rentenier, orang jang hidoep daripada
boenga oewangnja.
rent meester, dj oeroe koentji, bindahari.
rentmeesterschap, djabatan djoeroe-
koentji, djabatan bëndahari.
rei»; in — en roer, gë.mpar, haroe-biroe,
hoeroe-hara, hiroe-hara, gadoeh.
reparabel, dtipat i/iba\'iki.
reparatie, plrbaïkan.
repareeren, memba\'iki.
repntrieeren, poelang kanigarinja.
reppen, zich haasten, btrgoepoeh-goepoeh,
btrsigïra; zich — bij het eten, mengoem-
ba4, b.v. di-oembasnja makan, hij repte
zich bij liet eten. /ie haasten,
reputatie, nama; do — bederven,
mëroesakkan nama.
reciuest, soerat pïrmintatin.
retiuewtrant, orang jang memptriëm*
bahkan soerat pêrmintaiïn.
requeHtreereu, mëmpfrtt:mbuhkan soe-
rat permintaaji.
reserve, fjadang; in — houden, mtn-
fjadang.
reserveeren, mentjadang. Ook van
verscho paarden op een station.
reservefonds, oewang fjadang, tjagar,
Mal.
resideeren, doedoek, diam,- van den
Vorst, birteuiajam.
resident, toeican residen.
residentie, dat wat door een resident
bestuurd wordt, residenan.
rest, overschot, sisa, lïbih, ptuingga/an,
barang jang tinggai, bakijah, Ar. —,
laatste beetje, ook kored; een — laten,
tot — laten, menjisakan; de — der
spijzen, sisa segala makanan. — van
een bui, opgeloste bui, tahi angin; de
— van het geld, fóbihnja oetcang Hoe.
restant = nan bot vorige woord.
j restaureeren, memoed/a (van poedja}.
resten, resteeren. tinggai sisa, ada l&-
bihnja.
resumeeren, een kort begrip van iets
geven, mëngidjmdlkan (van uijmal, Ar.
kort begrip, resumé).
retirade, perlindoengan.
retireeren, oendoer, soeroet, b.v. het
leger retireerde, oendoedah bala-tan-
tara Hoe.
reu = rekel,
reuk, de —, het orgaan, pé.ntjioem. —,
geur, baoe, ganda (Skr. gandha); een
42
-ocr page 630-
618                                        reuknltanr — richten.
aangename —, baoe haroem,baoe tedap,
ieiiuiji ;
een onaangename —, baoe boe-
toek;
geen — hebben, niet kunnen
ruiken, tiada dapat mëntjioem baoe;
geen -— van zich geven, tiada btrbaoe ,■
in een slechten — stuan, ven slechten
naam hebben, boetoek namanja, këdji
namanja.
—, welriekend water, ajar
wangi.
Zie uuk reukwerk.
reultallnar, wed-ba pëdoepaa», medja
2>(-doi-jiaiin
.
rcuktloosje; bulrund —. së/epa.
reukeloo», geen reuk van zich gevend,
tiada baoettja.
reukfleschje, botol miujak tcangi.
rexi\\ii*ri\\Htrufmpoei sërai.\'£\\t citroen-
grpM.
reuk je, luclitje, dat nnn iets is, baoe; ;
er is een — aan dit vleesch, daging
iui soeda/i bërbaoe.
rcukoJier, korbdn dot-pa.
reukolie, m\'nijak icangi, miujak haroem
baoenjat miujak raksi, miujak bërkasai;
\'
e. s. v. —, een mengsel van vijf ver-
schillende welriekende olieén, pantja
bëfjara.
reukvat, pëdoepattn.
reukwater, ajar vangt, ajar bërkasai,
reukwerk, i-ak&i, përaksi, kasai; aller-
Ici •—, baoe-baoeicati, djëbat-djëbaian.
— gebruiken bij hel buden, siram bër-
kasai.
— gebruiken bij den maultijd,
pakai baoe-baueicau.
reukwerliNelmal = reukvat.
rt\'iikwurtvl, akar tcangi.
reukxecp, sabon tcangi.
reus. titan, da/ija, Skr. boeta. —, hooze
geest, die de menschen verslindt, rak- \\
sasat
Skr. ook raksaksa en rafrsjasa
geschreven. —, een fabelachtig groot
munster, ytrgasi. —, e. s. v. buvenmen-
schelijk wezen, zavggi, 1\'erz. —, gruut
mensch, oratiy btsar pandjang, orang
dëgar.
reusachtig, bijzonder groul, bësar sa- ,
ka/i. —, groot van een mensch, dëgar.
reutelen, rochelen, mïmbï/aliak.
reuzel, dierlijk vet. Itmak. —.varkens- \\
vet, mhijak babi, lëmak babi.
reuzenl>loem, zie rail lorna,
reuzenschelp; de —, kima.
reuzenslang; do —, oclar savm; de
giootsto soort vun de —, oelar sawa
rïudam.
revelen, zie «uilen,
reven vun zeilen, mX-njingsmg (\\niisiitg- \'
sing), mëngë/atkan (van këlat), mtugau-
da\\*
(van andak), ntïmbaksi tajar.
revolver, këstoel poetaran, lettorl. draai-
pistool.
rheuinatiek, rhcumntisoie, pirai, së-
ngal toefang, pëujakit sëngal.
rhinoceros, badak- — met een neus-
hourn, badak g«djah, met twee, badak
kërbau.
rhinoceroshoorn, f joel a badak.
rhinoceroshuiil, koe/il badak\'
rhinocerosvoifol, boeroeng ënggang;
uuk alleen ënggang; de — met één
hoorn, ënggang danta; de — met twee
hoornen, buceros bicornis, euggaug
papan.
rib, ribbe, van het lichaam, ouk vaneen
dak ut\' vaartuig, rtirsoi\'k, eigcnl. toelang
rofsoi\'k,
zie roesoek; Jav. iga. —, ribbe-
been, toelang rovsoek; kraakbeenachtige
—, toelang roesork jatig lëmboef, tof-
lang roesoek mafda.
—, middelste nerf
van palmbladen, lidi; hoofd—, van
een palm- uf vnrenblad, pëlëpah. —,
gezungd huut, van zwaarder afmeting
dan de broti, kanibi. —, rand van
vruchten, zoonls b.v. de belimbing,
katjang-botor en dergel., stmbir. —,
zooals op een wnschbord, waarop de
wascblieden het %oed slnau, kefar-kè/ar.
—, balk, spur, balk tot steun, gëlëgar,
rasoefr,
richcl, aan een wand, bülTbas; zie rnnct,
lijst enz.
richten, naar iets, mënoedjoe (van toc-
djoe);
ook gann in de richting van iets,
b.v. zich — of begeven naar het \\Yes-
ten, mënoedjoe malaharï malt. — van
een stuk ge;-chut, mëmitar (van initar),
mëmbega, ntënguentiug, mënghadapkan.
— vnn een kijker, meetinstrument,
geweer enz., mëngoenthig-oentiug.
van een ander wapen enz., mëinbttoeli.
—, dirigeeren naai, mtngëpadakan (van
këpada). —, ecne richting aan iet»
geven, ook mëngabah {van abah, rich-
ting», en mëngarahkan (van ara/t). — ;
gericht zijn aan, van eeu brief, uttn-
djëlang;
letterl. zijne opwachting ma-
ken bij, b.v. wrat ini mëndjëlaug
foeicankoe,
deze brief is gericht aan
L\'we Hoogheid; gericht zijn in de
richting vun, ara/t ka . .. ., b.v. gericht
naar -Mekka, ara/i ka Mckah,- tol,
iemnnd bet woord —, hem aanspre-
ken, mëtëgor (van tëgor), minjapa (.van
-ocr page 631-
richter — rijden.                                              flltt
sapa); zich —, schikken naar iets,
mmoeroel (van tneroet), b.v. zich naar
hel voorbeeld — van, mënoeroet toela-
dan;
zich naar de bevelen — van,
mënoeroet përentali; den steven —,
mënoedjoekan haloetcan perahoe. Zie
ook rechten.
richter, van een kanon, konstabel, djoe-
roe mitar.
Zie ook rechter.
richtijz, in orde, bëtoel, sa/i, Ar.; niet
—, onveilig, bërbïltaja; niet — in het
hoofd, liada bëtoel kapala.
richtisheid, kabëtoelan.
richting* kant, pehak, arali, të.nfang.
.
—, van een stuk geschut, mitar. —,
van een vaartuig enz., toedjoe,—.naar
Mekka, bij het bidden of begraven
der Mohammedanen, kiblat, Ar.; eene
andere — aan hot voorste gedeelte van
iels geven, mtmesong (van pesong); een
— nemen, zich richten, mengarah, b.v.
een aanval doen zonder bepaalde — te
nemen, mënërkam tiada lagi mëngarah;
een — geven, in een — brengen, me-
ngarahkan;
de — van den weg volgen,
mengirïag djalan. — van iets, dat zich
voortbeweegt, b.v. een leger, abah;
eene — geven, ergens heen dirigeeren,
mëngabah; een iegelijk zijn eigen —,
masing-masing dëngan toedjoenja. —,
koers, toedjoe.
richtsnoer, lalt sipat (van ftfat, Ar.).
—, voorbeeld, toeladan. —, regel ter
navolging, sjort. Ar.
ricinie-olie, ininjak djarak bënggafa,
ntinjak ptntjahar.
ricoeheteert\'i», van een kogel, mandi.
ridderorde, bintatig, tanda kaliorma-
tan;
militaire —, bintang bïhadoeri,
rieken, bërbaoe, bëbaoe; vuil —, baoe
boesoek, basi,
b.v. uit don mond ■—,
moeloet bast; sterk —, de reukzenuwen
prikkelend, tjëngis; sterker dan dit,
rang sang,
riem, roeispaan, lange —, dajoeng; de
korte ■—, schep— of pagaai, kajoek,
pïngajurh;
lange —, gebruikt op rivier-
vlotten, die rust op eon standaard en
loopend in beweging wordt gebracht,
tjawas, Mal.; losse ■—, die in een dol
vrij heen en weer beweegt, dajoeng
golefr;
lange — met rond blad, dajoeng
toedoet/g belanga;
do achterste — op
vaartuigen met lange riemen, dajoeng
piminggang;
met de gewone lange—en
roeien, bërdajoeng; iets zoo roeien,
nténdajoengkan; met de schep —en of
pagaaien roeien, inëngajoeh; iets zoo
roeien, mëngajoehkan. —, van dieren-
huid gesneden, tali koelit, tali bëloe-
lang.
Zie ook koppel, —, lederen
gordel, ikal pinggang; schoen—, tali
kasoel.
\'.
riem, van papier, ge.ndang; ook kodi;
een — papier, karfas sagendang.
riembank, roeibank, stngkar, sëvgkal.
riemhlad, papan dajoeng, gebeng.
riemunl, de galen waardoor de riemen
gestoken worden, eroeng-eroeng.
riet; hiervoor guen atgemeene naam; de
verschillende soorten heeten : het gewone
dnnne moeras- of waterriet, dat ook
bij ons voorkomt, boeloeli ranfifc;bnai\'
boe—, boeloeh; zie bamboe; rot-
ting—, rotan; zie rotting. —gras,
ilalang, alang-alang, Jav.; suiker—,
ttboe; e. s, v. wild suiker—, sacharum
spontaneum, g\'êlagah, gaga,Jav,; e. s. v.
—, iets gelijkende op suiker—, tëb?.-
raa — gëlagah
op Java; den boel in
het — sturen, in de war brengen, pon-
lang-pantingkan..
rieten, Hijv. nw. in — dak, zie dak.
rietHuitje, zie fluit.
rietgrnH, soorten zijn: ilalang,gëlagah ;
e.s. v. —, daoen balcoeng.
rit\', koraalbank, karang, —, zandbank,
iïëling, gotong; een — dat puntig uit-
loopt, bëting berkoendjoer. —.geraamte,
skelet, toelang-toelangan.
ritWcizin<?, tali pëngandak.
r\\j, reeks, achter elkander, djadjar, ban-
djar;
in rijen, bërdjadjar, bërbandjar.
—, rang, sof, Ar. in rijen, hërsaf-saf;
in geregelde \\\\\')m\\-/Xittin, doei\'ark hérsaf-
$af.
—, \'t zij achter, \'t zij naast clk-
nnder, deret; in rijen, bürderel-deret\';
op zijn minst drie op cene —, sakoe-
rangkoeravg liga saderel;
op eene —
staan of zitten op iets duns ver boven
den grond, zooals matrozen bij hi-t
paiadeeren op do ra\'s of een troep
vogels naast elkander op een dunne
stok, tnënëriti (van tëriti). —, regel,
gelid, bari.i. — van platte voorwerpen
op of achter elkander, lapis. — van
voorwerpen of personen achter elkander,
ook ladjoer. Zio reeks.
| r\\j, zie ree.
1 rjjbeest, kandaraa», kavdikau, binatang
kandaraiin. Ook als scheldwoord.
\' rijden, wordt op velschillende wijze
-ocr page 632-
620                                           rijder — rijkszaken.
teruggegeven. Dit hangt af van de
manier van —, b.v.: —op een rijbeest
of met een voertuig in bet algemeen,
bérkandara, bérkandaradn; met bepaald
obj. mtngandarai. Verder ndik, b.v.
paard—, ndik koeda, in een rijtuig —,
ndik kareta; ook alleen met het Voorv.
bër, b.v. birkoeda, berkareta enz.; voor
anker —■ van een vaartuig, tanggol-
Uiiyyol, birtahar;
een rijtuig of rijbeest
hard laten —, mt/arikan, b.v. mëlarikan
koeda,
een paard hard laten —, laten
draven; métarikan kareta, een rijtuig
hard laten —; op de tong —, het
onderwerp der gesprekken zijn, inendjadi
isï mueloel, mtndjadi boeicah moeloet.
rijder, ruiter, orang bérkandaraiin,
Ie paard, orang berkoeda.
rii^(lr:i:ul, gebruikt voor het naaien
met de losse rijgsteek, bënang djëloe-
djoer,
— voor het aanrijgen van koralen
enz., bënang pënfjoetjoek; bënang pë-
ngoctas.
rUcen, met den gewonen rijgsteek, mën- \\
djahit djëloedjoer, mëndjéhedjoer;
met
den stiksteek, mendjahit btrkija. —ook
alleen loedjuer. —, aan —, saaien —, .
b.v. van atap op de daklatten, het
trommelvel op een trom, mënganggït
(van anggit); los aaneen geregen, tjan- ■
toeng.
— van koralen, nlnp enz., men- i
tjoetjuek. Van koralen,paarlen en dcrgel.
tot een snoer ook mengoetas; eene bij-
zondere manier van matten nnneen te
rijgen, tjoetjoek1 pedettdang.
i*Ü££luf> koetang,
rÜo;l\\jn, pënjirat.
ryjjmalie, kaitan, Ar.
rüuniuiUl, djaroem pentjoefjoefc.
rücneKtel, kaffan, Ar.
rU™*<;hoenen, ktisoet ja\'ig bértali.
rüjjsnoer = rijgdraad.
i-yw, veel vermogen bezittend, kaja, bër-
harta, hartatvan;
een — man, orang
kaja.
— van gemoed, kaja hati. —,
vun Cod, kaja, grani, Ar. b.v. sërah-
kanlah kapada Tuehan jang grani,
geef
bot over aan den llucre, die — ïb.—,
kostbaar, prnchtig, cndah-aidah.
worden, djadi kaja. — maken, men-
djadikan kaja,
— aan bladeren, tak-
ken, familieleden enz., rimboen.
rijk, hcersehappij, rcgeeiing, staat, land
door een Vorst geregoeid, monarchie,
karadjaan. — der natuur, hiervoor is
geen gesehikt woord. Zie dierenrijk
enz. —, rijksgebied, soms ook <\\lam,
Ar. b.v. i\\lam ilenangkabau, het —
van ilénangkabau; aluin Djaica, het
Javaanschc —. —, land in samenstel-
lingen, ook negara, Skr. b.v. de —strom,
nobat negara; de —strompel, seroenai
negara;
zijn — is uit, soedah liilang
koewasanja.
rijkaard, orang kaja.
ry-kaleRf bendi.
rijkdom, kekajadn. —, schatten, harta
benda, mata benda.
rijkelijk, bérkalem/iahav, dëngan kalem-
pahan.
rijhilijKli.i\'1, kalempahan, —, zie ook
o ver eindigheid.
rvjltsambl, djabatan karadjaan.
rüliHambtenHar, pegaicai karadjadn.
rijksarchief, de lijksannalen, iadzkirat
karadjaan.
rtfksbeatunr, pë.mërentahan.
rüksl>e»tierder, përdana manteri (Skr.
pradhana), mangkoe-boemi, verkort van
pemangkoe boemi, bëndahara, dit laatste
is de meest gebruikelijke titel bij de
Maleiers.
rijksdaalder, 2J. Guldenstuk, ringgit
kapala,
naar het borstbeeld des Konïngs,
daarop voorkomende. Ook ringgit tëng-
korak*.
rijksjjehied, hoekoemaf, hoekoem, Ar.
r\\jliKH;rens, përhinggaiin uëgari.
ryiisiïezn.0:* koewasa radja.
rükwinniüiiiën, alat karadjaan.
r\'\\\\loKruon. makota karadjaan, makota
radja, tiidjoe.
Ar.
rvjkslejrer, bala-tantara radja.
r\\jkMopi>erhooid, jang dipërtoeican.
rijknopvoljrer, troonopvolger, ganti
radja, tengkoe bësar.
rüksprins, tengkoe, analf radja, poe-
tëra radja.
rijkwraad, rijksvergadering, madjUt ka-
rad jaan.
ryiiNsehepter, toengkat kuradjaüu.
r\\jkssieraden, atat karadjaan.
rijliwwtnf, toengkat karadjaan.
rü ka at andaard, üldinat karadjaan,
rvjkKtrom, nobat negara, nobat kara-
djaiin, gïndang karadjaan.
rijkstrompet, seroenai negara, nafiri
karadjaan.
rü lisverstulerinff, madjlis karadjaan.
rijkswet, hoekoem oendang-oendang ka-
radjaün.
rijkszaken, pÉrkara karadjaan,
-ocr page 633-
SS]
rUkazesel — rjjat.
rUkszegel, mtte\'rai karadjaiin; het
der Menangkabausche Vorsten, tjap
kim pa.
i"ü"i. bevrozen damp, ïutboen bëkoe.
rijm, versmaat, sadjiï, Ar. sadjak; ge.
brekkig —, kreupel —, sadjanja koe-
rang. — ,
dicht, ook irajijaA, Ar.
rümelooH, tiada bërsadjïi.
rymen, van een gedicht, het rijm heb-
bend, bersadjü ; van den persoon, mënsa-
djijkan, mengt naken sadjn, mïmboeboeh
tadjïi.
Zie rum.
r\\jmer, dichter, pëngarang sjüir,
ryiiscli, —e wijn, anggoer asaui.
rijnwijn, zie het vorige woord.
rÜPi behaarde rups, hoelat boehe.
i"Üi». van vruchten, masak, ook van graan ;
op het punt vim—,sthadjakan masak;
de een na den ander— wurden, bërsam-
buetan masak.
—, van harde vruchten,
zooals kokosnoten enz., tueica; van
pinangnoten ook masak; zeer —, murw
ol\' zncht van rijpheid, ranoeui; half—,
van vruchten, mengkal, —, volwassen,
van personen, akal biiligr, Ar. sampai
deicasa;
een — oordeet, et kal boedi
jaug sampoerna.
rüpimrd, koeda kandikan, op Java
koeda ioenggang. —, rijbeest, kanda-
raiin, koeda kandaraan.
rijpelijk, terdege, soenggoeh-soenggoeh. ■
rijpen, vnn vruchten, masak, djaiti ma-
sak;
aan—■ van vele, bërmasakkan; op
\'t punt vnn —, sëhadjakan masak;
achtereenvolgens —, bersambuetan ma- \\
sa$r;
juist aan het — zijn, ttngaft bïr- ■
masakkan.
— van harde vruchten, zoo-
als kokosnoten enz., djadi toewa, mortuï
toeica.
— van cene zweer of steenpuist,
nïëngangkoet nanah; niet — vnn een
steenpuist, seboen.
rijpheid; tot — brengen, zie itnnd.
r\\JM, dun blnderloos takje, ranting; levend
ot\' groen takje, ranting hidaep. Jn pi. v.
ranting ook ranljing.—, klimhout, b.v.
voor erwten ot\' booncn, pëndjalaran ;
het wandelende —, e. s. v. insect, dat
veel op een takje gelijkt, bilalang
ranting.
ï\'iJHliczem, sapoe liili.
rjjMctiaaf, kïtam pandjang.
rijnhout, ranting-ranting.
ï*y-.t : hiervoor geen nlgemcene benaming,
wel voor de soorten, b.v.: — in den
bolster, hetzij niet of zonder stengel,
padi,- ongepelde — zonder «tengel, \'
antah, op Java yabah; harige —, padi
bërkotek;
onharige —, p. goendoel;
ledige —, pa/ti hhnpa, p. gaboeg.
van hooge gronden, padi koema, padi
fadang, padi iipar,
op Java padi tëguf,
padi gaga.
— van bewaterde velden,
padi satcak. — bestemd om er ëmping
van te maken, pa/li ëmpingan, padi
pïrëmpingan.
— uit den bolster, gepelde
of gestampte —, bëras; allerlei soorten
van die —, beras-pttas; witte —, biras
poetik,
ook wel bëras soemboe, nanr het
witte mergpit vnn het koempai-riet,
dat algemeen voor lampepitten wordt
gebruikt. — door den klnnder iiitge-
vreten, bëras timboel, omdat bij het
wassrhen de korrels daarvan boven-
drijven ; gezuiverde, wit gestampte —,
bïras tjiroeh; zuiver witte —.eerste
soort —, atjita, llind.. ongezuiverde
—, bëras kotor; geel gemaakte —, die
bij bijgeloovige en andere plechtigheden
gestrooid wordt, bëras koenjit; jonge
—, geroosterd als versnapering gegeten,
emping, bërtik. — gekookt, nasi, imai;
in den wasem gaar gestoomd, nasi
koekoes;
in een pot met water gekookt,
zooals bij on? de gewoonte is, nasi
tanak;
in een gesloten pot gaur gekookte
—   mot kip, nasi tim, nasi djanda.
toebereid met boter, kip, eieren, speer-
rijen enz., nasi kaboeli, zoo genoemd
naar de stad Kaboel in Indié; begijnen
—, d. i. — met saffraan of kurkuma
gekookt, nasi koenjit, nasi koening. —>
die bij het huwelijk met eene weduwe
gegeten wordt, nasi damai. — in een
blad met een weinig visch, voorname-
lijk voor vreemdelingen, nasi dagang.
—  voor gasten, nasi angkaian. — met
boter gemengd, nasi min jak. — in
kokosmelk gekookt, overeenkomende
met onze rijstebrij, nasi lemak; acht-
kantig opgemaakte —, gebruikt bij
plechtige gelegenheden, nasi btrtsta-
koena.
— met fijngesneden rauwe groen-
ten, nasi oe/am. — met gebakken
eieren in korrels, nasi Mor; stapel
gekookte kleef—, met rood geverfde
eieren versierd, die op feesten, b v.
bruiloftsmalen, vóór de hoofdpersonen
wordt neergezet, nasi hadap-hadapan.
—  met de toespijzen enz. door elkander
geroerd, nasi gndak. —, gekookt of
gaar gestoomd in pyramidale of kubus-
vormige zakjes, van palmblad gevloch-
-ocr page 634-
G22                                               rü«taar — rinfi.
ton, keloepat; een bijzondere soort daar- \'
vnn, keloepat Ie pat; gekookte —, eerst
gedroogd, dan geroosterd en ala ver- .
snapering met geraspte kokosnoot en
suiker gegeten, tjéngkaroei-; tot brij
gekookte —, botboer nasi; ook alleen
botboer; zie verder de samenstellingen.
r\\i«tuur, boetcah padi.
i\'ü-! Molt, waarin mi-u de rijst stampt,
lésoeng, loempang.
i*ܫtl>ou\\v, (anaman padi.
rÜntdW\'fje, boerceny djëlafii; boeroeny
belatik\', b. ye/atik:
rܻt<li**f*li, sadjian nasi; een bijzondere
—, die bij bet huwelijksfeest nas bruid
en biuidegoin wordt aangeboden, nasi
Aa dajt-hadapan.
i\'Üstelirii, rijst gekookt met kokosmelk,
nasi lemak:
rüsteiiK-el, tepoevg beras. — stampen
of maken, menepoeug.
r\\isifiiiit. ajar kamlji.
ryistepup, borboer nasi.
rystetnart, biervan bestaan verschil- I
lendo soorten, zie bij lroeli.
rUstUÏMt, een soort bolle koker van ;
boomschors tot berging van de padi,
kepoefr pat/i, ook kttoefc.
rijst korrel, in den dop, bidjipao\'i; witte
—, bidji beras; gebroken —8, loekuet,
Ie moekoet, ook demoekoet, ntënir, Jav. \'
rt|atlepel« van koknsdop met een steel
er aan, fjentony.
rü«tmnat, y.ïe maat,
rü*tmuml, zie riJMtkist.
rü«tme*je, waarmede de rijst geoogst
wordt, këtam, pïiHjetatit, toewai, aai- \\
ani, Jav.
rü^toomHt, peiifftlai.titH, pK/ioewajan, po-
tong padi.
r(i*i i nikhuit*, piloeboer. Zie ry»t-
nrhuuP.
rü«tpeliiiolen, penggilingan padi, kisa~ \\
run padi.
i-üsipl:ini, padi, pokok\' padi. — ter
overplanting, benih padi, bibit padi, sè-
majan p.
rystKi\'huur; kleine—op palen, rang-
kijang, rlaykijany, laigkijang, téngka- \\
lang, tangkajan, loemboeng, Jav. — ;
van boombast of planken, djëlapatty.
rijslstamper; de bouten —, die bij
bet rijstblok behoort, a:itan, aloë, Jav.
rijstatroo, djiranii, merany, Jav.
rijstveld; bewnterd —, xatcah; moeras- ;
&ig —, saicaA ratcang; verlaten of braak- \'
liggend —, sawah lihat, 1\'ad. bovl. j
niet bewaterd —, latlang, tëgal, Jav.
— in het gebergte, bij wijze van roof-
bouw, hoeuia, gaga, Jav.
rü*»tvo;jel, zie rtfstiliefje.
rüstwan, njirue.
rü«t.\\vnler: dun afkooksel van rij^t,
gebruikt voor kindervoedsel, tot het
stijven van goed, plakken van papier
enz., ajar kandji.
rU*wülc te Batavia, djaga monjet.
ryten, scheuren, nieugojak (van kojuk,
gerctca), m\'eatjarik, werobefr, Jav.
rytui<*, al datgene, waarop men of
waniia men rijdt, kandaraan, van den
Vorst en aanzienlijken, kanaikan; een
Europccsch —, karela (Port. carreia);
een — bestijgen, na\'ik karela.
rijzen, stijgen, na\'ik. — van het water.
djatli bësar. —, zieh uitzetten van deer,
beslag enz., moetcai. —, opkomen, op-
zwellen, ouk van de borsten ceaer
vrouw, monlofc; to berge — van de
haren, banyoen, serum, remany, gér\'émang.
—, opkomen van zon, maan of andere
ueincllichaiiien, tërbit. —, klimmen van
id., ndik, ook mendaki. —, van zijn
zetel op-taan, bangkU, bangoeu. Zie
>ii.j^i-ii en opryzen.
rü^en, takken, rijshout, ranting-ranting.
rtJsenbO*, berkas rantiny rimlinu.
r\\JY.iiXi van gestalte, roendjau. —, slank,
pandjaug lampai.
rijzweep, tjemêfi, tjeinak; lange —,
tjemeti bertali.
rillen, een rilling krijgen door schrik,
vrees of iets wrnngs, gëman. ■— van
de koude, giyil; in heviger mate,gogoh.
/ie •siildi-fi-ii en beven.
rimpel, kreuk, kervel, k\'èdoet, kisoet;
kleine —. kërèdoel; grove — ia de
huid, përlipalan koelif. —, frons, kreuk,
plooi, zoonis in de durniun, de huid
enz., k\'èdoet.
rimpelachtiï*, bérkëroel-kéroct, g\'élëin-
boer, kisoel.
rimpelen, mengtroet, menggélëuiboer.
rimpelig = rimpelarhtijz.
ring, aan den vinger en ook aan andere
zaken, tjintjin; vinger— met een kastje,
tjintjin tembosa. —, waarvan de steen
in een koepelvormig kastje zit, tjin-
tjia ikat pèseban.
— aan de pols of
enkels, gdany. — ann den bovenarm,
pontoh; bovenste arm—, kilij? bahoc.
— aan den hals, kaloeng; zulk een —
-ocr page 635-
5M
rinebnnrd — riviernrm.
ouihebben, berkaloeng; iemand zulk een
—  omdoen, mengaloengkan. — aan een
deur, gelang pinloe. — voor sleutels,
gtlang koentji; holle eokel— met
steentjes er in of belletjes er nan, ke-
ron/jong;
een kleine — om een. knoop
in de sjerp, pëujamboeng. — op een
deur, bij wijze van klopper, gelang-
gelang pintO\'\\ hal kat,
Antb. — nan het
boven- of ondereinde van mes of kris,
«en blaasroer of stok, om het scheuren
Ie voorkomen, iemin; ook sampak en
sangkar; tot — hebben, bt-rsangkarkun,
b.v. soempitan bërsangkarkan ëmis, een
hinasroer met gouden —en of banden.
—  nan het gevest van een kii-, sim-
pal.
— door den neus van een buffel,
meestal vnn rotnn, kïlikijo, Mal. —
onder aan de krissehcede, bountoel.
—   van ijzer die om het te draaien
bout gedaan wordt 0111 het splijten te
voorkomen, tjintjin bindoe, ook een
vinirerring, die daarop gelijkt; de groote
—en van een zeil, b.v. van een beznans-
\'zeil, die om den must loopen, karah-
karah;
langwerpige — in het oog van
ON zeil, poeki andjing, ( hoepel om
iels, simpai. — of hoepel, die opgehan-
gen wordt om er iets in te zetten, b.v.
ecne lamp, lendja; toover—, tjiutjin
ktmaktian.
— aan gordijnen, tjiutjin
këlamboc.
— om den nek van een vogel
ol\' ander dier, ouk nl is die door de
natuur gevormd, kaloeng. — vun witte
vederen om den nek van een kwartel,
gelang poejoeh. Aldus noemt men ook
de —en, die aan hout worden gedraaid,
b.v. aan de pooten vnn tafels of stoe-
len enz. — of kerf van insecten, kélar;
die —en hebben, gekorven zijn, bérke-
lar;
b.v. maka kalihatanlah doeica-bëlas
ktlar koelilïng loeboehnja,
en twaalf
— en waren zichtbaar rondom zijn
lichaam: met ringen of kringen op
gelijke afstanden, hetzij door de natuur
zooals bij slangen en wespen, hetzij
door de kunst zooals bij lansschachten,
krisscheden, gebonden pnardestaartcn,
bërtëbo/.\'-tëboe, bérkèlar-këlar. — om zon
of liman of Sattirnus, gèlanggang. Zie
ook liriiii*.
rinylmard, bakkebaard, die onder de
kin samenloopt, tali toedoeng, zio
Imnrtl.
rhii.»(luif, boerO\'\'ng përgam.
ringelooren, zie plajron.
rin*>kn.M, kondam.
rinj»inuui% pagar tembok bërkoeliling.
riiii»rupN, hoelat berkelar.
rinj»«*loot, parit bërkoeliling.
ringsteken, menikam halkah (van ti-
kam),
voor halkah ook tjintjin, bermain
mènikam lijang tjintjin.
rir»i£viiii;i\'i\\ djari manis.
riiij;vortnijï, saroepa tjintjin.
riiijjwnl, detcata bërkoeliling.
rinsworm, de bekende liHidziekte, koe-
rap;
soorten zijn: koerap pakatt,k. ga~
djaht k. hajam
en /•. soesoe. Deze laatste
is een dergelijke uitslag rondom de borst-
tepels, ontstaan door onreinheid.
rin heibel, gènfa (Skr. ghanta), këli-
uingau, këlentingan.
—letjes, giring-
giring.
■   rinkelbom, rë.bana; op do — spelen,
bvrtampar riibana.
rinkelen, lening, goemérënfjing. Zie
ï\'inkinken.
rinkelrooien, rondzwieren, mëngom-
bara
(van kombara); slechte huizen bc-
zoeken, beroetang-oelang karoemah pan-
djang.
rinkelrooier, orang pétlentai.
rinkel werk, rinkelende versierselen,
die nnn iets zijn aangebracht, gëgètar.
rinkinken, gëmëréntj\'nig, m\'éndérang,
mindering,
al naar het geluid meer of
minder zwaar is. — met verscheiden-
heid, gëitnTentjing-gemërï\'ufjoeng.
rinnch. zuur, asain.— van smaak, asam
rasanja.
—, zuurnchtie, asam sedikit.
ri*ieo, pareh; geld op — uitzetten,
goederen op — koopen. memafeh.
ris*t, van aan een — gestoken zaken,
b.v. visch en dergcl., tjortjoek. —,
saamgebonden, b.v. van uien en dergol.,
rangkai.
. ristten, tot risten maken, uiïntjoetjoek,
m\'érangkai.
ritselen, schuifelen, kërosok. —, het
geluid dat ont-taat bij het loopen
door struiken, kërepas, k\'erëpis. — van
bladeren, ménggèrësik. — vnn papier
en dcrgel. dat in elkander gefrommeld
wordt, kësok-kësafc.
i rilNijm, ga/al, hëndak bekak. Zie i*&\\\\.
■   rivier, soeugai. —1 je, anak sorngai. —,
ook balaug ajar. — in het 1\'aradïjs,
kalakautsar; do — de Nijl, soengai nil.
rivirral\'wiiurtti, hilir. — gaand, milir.
: riviernrm, simpangan, tjabang soengai,
batang soengai, anak soengai.
-ocr page 636-
624
rivierbedding — roeper.
rivierbedding, toebir soenyai.
rivierdyii, tambal? soenyai, tarbis soC\'
nyai.
rivieropwaarts, oedik. — gaand, moe-
dik.
rivierschildpad, zie schildpad.
riviervisch, ikan soenyai.
rivierwater, ajar soenyai.
rivierzand, pasir soenyai; grof —,
grintzand, karsiir disoenyai
rob, andjiny laoet.
robijn, iiidnikam, Ski\', laai, Ar. ptrmatu
merah, batoe dëlima.
robuust, yayuh; grof, sterk gespierd,
bayas, bèyap.
rochel, fluim, dahak, lêndir.
rochelanr, pèndahak.
rochelen. Il ui men loozen, m\'vndahak.
—, reutelen, mêmlelanak.
roede, dunne lenige tnk, waarmede men
b.v. geesclt, djari ampai, ook rotan,
daar men voor dit duel uuk rottingriet
bezigt. —, mannelijk teeldeel, pilir,
palat, boet oh;
dunne rechtopstaande
roedjes, zooaW b.v. in een venster van
inlnndschc woningen, kisi-kisi. —, veer-
krachtige hefboom, nan welks einde
iets bevestigd wordt, b.v. heugel — ,
stok van een visebnet, de veer vnn val*
len, de lepelstnng van een blijde, de
zwengel van een nut, djoeran. —, de
landmaat, op Java toembak.
roef, boeranda; e. s. v. —, die niet boven
boord uitsteekt en meest van matten
vervaardigd is, petoen.
roer, zoo ia eens, onmiddellijk, sèrtu\'
merta.
roeibank; in een inlandsch vaartuig zijn
dat de dwarsbalken, waarop gewoonlijk
do roeiers zitten, sènykar, senykal.
roeiboot, inlandsehe, sampan kajoeh-
kajoehan.
roeidol, die los in het boord zit, kilt-
kilt dajoeny.
roeien, met de gewone, lange riemen,
bërdajoeny; iets daarmede —, mënda-
JGenykan.
— met de korte schepriemen
of pagaaien, berkajoeh; iets daarmede
—, mhiyajoehkan; ract kracht —, mè-
rengkoh dajoeny;
zoo snel mogelijk—,
merèntjak; staande — met het anti-
gezicht gekeerd naar den voorsteven,
ecne manier van — bij de Cbineezen,
mëntjijau, Chin. — met vier man, op
Chinecscbe wijze, tijoe, ( hin. — met
een pagaai op den voorsteven, om aan
het vaartuig ecne bepaalde riehting te
geven, mènjampaity■ sehrijdeüngs op
den voorsteven zittend, menjampany
b\'erkangkang;
men moet — met do
riemen die men heeft, hendaklak orang
mëmadakan tltnyan barang jany uda.
roeier, pendajoeny, penyajoeh, anak du-
joeny;
de —s van een vaartuig, ge-
zamenlijk, s\'eyala anak dajoeny.
roeipen. dol, k\'eliti.
roeischuit, pèndajoenyan. — die gepa-
gaaid wordt, perkajoehan,
roeistrop, kalos; in de — doen vnn
de riemen, mengalas; in de —pen gelegd
van de riemen, terka/as; losse —, /c-
likir dajoeny.
roeiriem, dajoeny.
roeispaan, penyajoeh.
roekeloos, fêr/aJoe berani, angkara.
handelen, moedwil plegen, bërboeicut.
angkara.
roem, glorie, yah; eigen —,kamèga/iitii.
—, prijs, lof, poedji, kapoedjia«. —,
faam, sjohrah, Ar.
roemen, iemand of iets—.prijzen, m\'t.
moedji
(van poedji). —, roem dragen
op iets, bermëgah; zichzelveu ■—, mëtne-
yahkan dirinja,
roemcus waardig, jmloct dipoedji-
poedji.
roemer, poeher, orany jany bérmégah.
roemer, drinkglas, pïjala, 1\'erz.
roemgierig, inyin akan dipoedji.
roemrijk, kapoedjïan, masjhoer. Ar.
roemzucht, soeka akan poedji.
roep, het roepen, s\'eroe, penjetroeKan.—,
nieuws, tijding, c/iabar, warta; de —
gaat, ada chabarnja; in een kwaden —
staan, bernama boesoek.
roepen, om te komen, mémanyyil (vnn
pangyil); al luidkeels roepende om zijno
vrouw en kinderen, bëmeroe-seroe ni\'e-
manyyil anak islërinja;
uitroepen, —
tot of over iets of iemand, bërsëioe,
bèrsiroekan, meroewah;
zij riep te koop
met hare bloemen, \'tja bërs\'erue-sïvoekan
boetiyanja;
de afstand, waarop iemand
nog te beroepen is, saroetvu/um. — met
een gerekt gehuil, laoeny. —, vréugde-
kreten slaken, bersoerak-soerak-; luid
—, een wild krijgsgesehreeuw wunhetl\'en,
bèrt\'empik soerafr. —, schreeuwen, b.v.
van pijn, bertarejak; om hulp —, bèr-
tarejafr minta toeloeny.
Zie ook op-
roepen en andere samenstellingen.
roeper, orany jang mémanyyil, orany
-ocr page 637-
fiJÓ
roer rol.
roersteven, tjauda kemoedi.
roertouw, tali kën\'.oedi.
roervink, lokvogel, zie ald. —, ann-
stoker, ophitser, pèngoepai; jiënoesoefc,
pëngatjoem, pëngharoe,
roes, mabofc. Zie dronken; bij den
—  koopen, membéii borong.
roest, op metalen, karat; met —, 6ir-
karat;
door —verteerd, dimakan karat.
—  ook lahi, b.v. ijzer —, tahi bësi.
op de bladen van planten, karah.
roesten, bêrkaral, dimakan karat; ge-
roest goed, karalau.
roestig, karatan.
roestvlak, bëkas dimakan karat.
roet, schoon-teen— ,arang para-para, zoo
genoemd naar de zoldering boven den
viuirbnard. Schoorstcenen heeft ineii
niet. Fijn —, zwartsel, djtfaga, tjelaga;
bij het verbranden roet geven, berljelaga.
roetuWiiii*. saptrti arang para-para,
taptr/i tjelaga.
roetztvnrt, zoo zwnrt als roet, hitam
sapërli arang. Zie pikzwart,
roezemoezen, levenmaken, mëmboetcat
gadoeh.
roezemoezig, levenmnkend, gadoeh,
betgadoeh.
roezig, halfdronken, satëngah mabok.
—   van bet weder, pantja-roeba.
roitel. e. s. v. schaaf, zie ald. —, op de
trom, zie bij trom. —, pak slaag,
paloe, hantam.
ros. Je visch, ikan pari; een bijzonder
groote soort van —, ikan bongkar ka-
rang,
roggebrood, roti hitam.
roggestaart, ekoer pari.
roggnvtd, koe/il pari.
rok; dn indisebo vrouwen—, saroeng,
kaïn;
bijzonder voor Jav. mannen, kaïn
pand jang.
— met bloemen van blad-
goud, saroeng fëlepoek, — met bloemon
van gouddraad, saroeng bërtaboer.
met bloemen, gelijkende op kruidnagels,
saroeng boenga ijcngkeh. Zie kleed.
rol, van al wat opgerold is, goe/oeng;
kleine —, goeloengan, b.v. een — mat-
ten, tikar sagoeloeng; een — papier,
Jearfds sagoeloengan; van matten onz.
ook dangkaran. —, de rolletjes, zoonis
b.v. onder een ziekenstocl, rolwagontjo
enz., lereng-lereng, pëlakai. —, waarop
bij het weven do afgeweefde stof ge*
wikkeld wordt, pësa, pénggoeloeng kaïn.
—  voor de loglijn, gêlendong. van
jang bërsïroe, orang jang bertarejajp enz.
Ook penjëroe. Zie het vorige woord;
de — tot het gebed in de moskee,
moeadzin. Zie bij priester.
roer, van een vaartuig, kemoedi; e. s. v.
los, lang — op inlandsche vaartuigen,
kemoedi sepak; gewoon Kuropeesch ■—,
kemoedi tjawal; een — dat goed luistert,
kemoedi patik; aan het — staan, meaië-
gang kèmoedi;
\'t bestuur in handen
hebben, mimegang përentah ; niet naar
het — luisteren, tiada mënoeroet kemoedi.
roer, beroering, hoera-hara, Maroe-biroe,
hiroe-hara, gadoeh, gèmpar.
roer, geweer, btdil, sënapang, isting-
garda,
1\'ort. —, buis van iets, b.v. van
eene pijp, boeloek.
roerbivnr, ülbaar, dapat di-angkat,
teravgkat.
roeren, met de handen of een lepel in
iets, berkarau, ntèngadoek; dooreen —,
mëngatjau (van katjaü); van verschil-
lende spijzen, ook bij bet — van
beslag, nterandan, b.v. bijarlah hamba
randauka» dthoeloe sajoer-tnajoer,
laat
mij eerst die groenten dooreen —. —,
ouiroeren van iets met iets anders,
b.v. rijst met kokosmelk of deeg met
gist, mengaron (van arou); den mond
—, snateren, beleter. —, dichtbij zijn,
hampir, dèkal, bërdamping.—.bewegen,
verroeren, zie ald.; het hart of gemoed
—, m\'eratoankan hati, mëmbèrt peloe
dihali;
de trom —, mëmaloe gënderang
(van paloe); zich —, bewegen, bërgerak;
met verscheidenheid, bérgërak-bergéri
roerend, van goederen, dapat dibawa,
ttrbutca;
—e ea onroerende goederen,
als rechtsterm, barattg jang th\'ba%sa
dan jang tiada têrbaica.
—, treilend,
unndocnlijk, jang merawankan hati, jang
memberi peloe dihali,
ook hiha.
roerganger, djoeroe-moedï,
roerhol, U-Inga kèmoedi.
roerig, druk, levendig, ramai.
roerlooi», laras b\'edil.
roerloos, tiada bèrgerak\'; bewegingloos
op den grond liggend, zooals een doode
of onmachtige, bongkang; van velen,
bongkang bangking.
roerom, mengelmoes, tjampoeran, tjam-
poer-adoek:
roerpen, helmstok, tjelaga, tangan ké-
moedi.
roersel des harten, gërakan hati.
roerspaan, zie spatel.
-ocr page 638-
S26
rolMoli — rondbrengen.
hout of steen om het laad of een weg
te effenen, lindis, pëlindis. —, die men
onder een lust aanbrengt om die voort
te kunnen bewegen, kalang boeiat ,■ de
rollen, waarover een vaartuig van de
helling te water wordt gelaten. lapik
galangan.
— van opgeschoten touw,
lingkar. — van een tooncelvertooner,
lakov, lakon-lakon (van lakoe), Jav.—,
register, da/f ar, Ar. sidjil, Ar.
rolblolr, om den grond gelijk\' temaken,
ündis, pëlindis.
roli*ord\\jn, kelamboe goelnengan.
rolliusKen, banfal gotek; op Java banial
goeling.
rollen, enz. goeling, btrgoeting. — en
wentelen, goeling-gëientaiiy; zich —,
bérgoeling; van zelf —, bérgoeling goe-
ling sëndirinja.
—, bedr. iets —,mëug-
goeling, menggotlingkan.
Dit laatste ouk
van de oogen. —, oprollen, b.v. zeilen,
mënggoeling, mtnggiting; door elkander
verspreid over den grond —, van af-
geslagcn of nt\'itostooten voorwerpen, b.v.
inenschenhoofden, steenen enz., bërpe-
lantingan
(van panting); door elkander
verspreid gerold, ierpflanting. Soms ook
uit iets over den grond gerold, b.v.
maka llanouian pon hrpelanting dari
boejoeug Hoe,
en I lanonian nu rolde
uit de waterkruik. —, wentelen van
iets, ook mënggoelik. — vnn tranen
lantrs de wangen, berlinang-linang.
en zich verspreiden van de tranen, ber-
hamborran.
NB. beilinang-linang wordt
ook van dauwdroppels gebezigd.
roller, zware golf, geloembang.
rolpnnrd, affuit, pedati marïam,
rolroml, goeloeng-goeloeng. —e balken,
kajoe goeloeng-goeloeng.
rolsteen, waarop de t-peccrijen voorde
keuken worden fijngewreven,irf/oir^/iM^.
rolstoel, koerst lereng-lereng, koersi pë-
lakai.
rolwncen, kareta lereng-lei-eng, kareta
pëlakai.
rome, nëgari llanma.
romein, orang llanmawi. NB. onder
oravg lloein verstnot men algemeen de
bewoners van Turkije en het oude
Hvznntium.
romeinKch, raumawi.
romer, roemer, wijnglas, piala anggoer,
gelas anggoer.
rommel, verwarde hoop, lambak; tot
een —, bërlambakr-lambak ; door elkander
gesmeten —, barang-barang katjatt-bilan,
baratig jattg poniang-panting.
Zio ver»
ward.
rommelen, een dof geluid geven, b.v.
van den donder, gormoeroek, mëndajoe;
heel in de verte, sajoep-sajoep bo&ijinja.
—, stommelen, zoonis b.v. een rat in
een kist met goed, gerodak. — in den
buik, bërgeroek-geroek. —, den boel in
de war schoppen, tnéngafjau-bilankan,
nuuionl\'ang-mantingkan.
rommeling;, geluid in de verte, boenji
sajoep-sajoep.
rommel kruid, rempah-rëmpah f jam\'
poer au.
rommelzoo, zie rommel
romp, het lichaam, zonder armen ol\'
beenen, togak, d. i. eigenlijk een stam.
waarvan de takken zijn afgehouwen:
b.v. maka Indra Djat\'ipon bërdiri déngan
tiaila bërtangan, dan titeboehnja Hoe sa-
p-rti fogok,
en I. D. nu stond daar
/onder handen, zijn lichaam als een —.
—   van een vaartuig ook badan përa-
hoe, bëhara.
rompslomp, zie warboel.
rond, kogelvormig, cirkelvormig, boeiat,
boenlar,
op Java boendar; b v. — als
een liinittetje, boentar saperti liman nipis.
—  van balken, goeloeng-goeloeng. — in
zijn geheel, van hel hart, boe laf-boelal;
een — jaar, salahoen soenfoek, safa-
hoen boeiat;
een —e maand, saboelan
soentoek.
—, gladaf, paras, b.v. een
—e kolom, zander ornamenten, tiaug
paras;
in het —, bërkoeliling• overal
in het —, bërkoeliling dimatta-niana,
b.v. hij zocht hem overal in het —,
ditjëharinja akandia bêrkoelilina di-
mana-mana.
—, vnn een getal gënap ,-
een — getal, bilangan jang génap.
van de borsten eener vrouw, maniok.
—  voor de vuist, teroes-tërang. — voor
de vuist spreken, berkala tvroes-tërang.
--, halfrond, van do wereldkaart, boe-
latan boen/r;
do beide hult\'—un,kadoeiea
boelalan boe-mi.
rondiichtit;, boeiat-boeiat, boentar-boen-
tar.
rondas, rond schild, përisai.
rondbazuinen, mëicartakan, mëmberi-
takan, mëimtjahkan, mëmasjhoerkan.
rondblikken, mëmandang bërkoeliling.
rondborstig, tëroes-terang, heroes;
onbewimpeld, bertalaran.
rondbrengen, mÉmbatca koelilittg.
-ocr page 639-
827
ronddeelen — rondtasten.
ronddeelen, m\'fmh\'éhayi-behayi. — van
kaarten, mimarek (van parelt).
ronddobberen, van een vaartuig, ber-
olang-aling.
ronddolen, omzwerven, mengombara
(van kombara), Ariana; iemand die rond-
iloolt, orang mengombara, orang kelana,
ronddraaien, zich um een middelpunt
bewegen, bérpoesing, b.v. bérpoesing sa~
pirti gasing,
— als een tol. —, wen-
telen, bergaagsi; eene —de beweging
Hinken, bergerak hergangsi. —, rond-
wentelen, van hemellichamen, bïridar-
idar.
—, zooals b.v. aan een spit iets
—, menggolelr.
ronddragen, mêmbaiea berkoeliling;
iets ter beschouwing—, b.v. zijne bruid
bij •\'.o gasten, mtngidar tontonan.
ronddraven, bërlari bérkoeliling, ber-
lari berpoesing-jtoesing.
ronddrentelen, btrdjalan-tljalau koe-
liling.
ronddrijven, op het water, hanjoel
bërkoeliling, hanjoet kasana-kanwri;
met
windstilte op zee —, van een vaar-
tuig, mëngaioeng-aioena. —, bcdr. doen
ronddraaien, mëmoesingkan.
ronddwalen, bérpoeslng-poesing, b.v. in
de buutten—, berpots\'ni a-poe xiitg dalam
kampoeng-kampoeng;
ook berdjalan brr-
poe.sing-poesing
, aan het — geraken,
tcrpwsiug berdjalan. — , zwerven, mè-
ngombura, këlana.
ronde; rondgaande nachtwacht, katcal
tambang;
ook alleen samba»g; de —
doen nis nachtwacht, lalang; Jav. lang-
lang, bërlanglavg.
rondeel, boelicarti, l\'ort. Irolaloem.
ronden, mëmboelalkan, mhnboenlarkan,
/.ie rond.
roiulllndderen, van vogels, Ihrbang
koi\'/iling.
— van kapellen, méngaloeng-
aloeng bcrkue/ilivg.
rondgaan, berdjalan koeliliug, berkoe-
Uling, beridar ;
overal —, b.v. om iets
te zoeken, gdintar; hij ging het huis
rond, \'tja berdjalan koeliling dalam roe-
mak;
de buurt —, btrkoeliling dalam
kampoevg;
do wereld ■—, uiélanglang
boeicana.
— van een rad, tol enz., bfr-
poesing,
— van eene tijding enz , ber-
pèljah-petjah;
iets laten —, b.v. den
beker of iets anders, mëmperidarkan.
rondgang, ommegang, peridaran,
in den tempel te Mekka, fatviif, Ar.
zulk een — doen, bërboeicat fateaf;
plechtstatige —, optocht, p\'érarakan;
zulk een — doen, berarak-; met iets zulk
een — doen, mengarak, b.v. niengara^
soerat,
een brief in plechtstatigen —
overbrengen; mengarak mampilui, lirui-
lol\'tu—, met den bruidegom in optocht
rondgaan.
rond&rpven, duen rondgaan van iets,
/nr;,ipr,idarka», —, ronddeelen, ment\'
bfhiigi-hthagx.
rondgliiren. mtnghintai bërkoeliling,
rondheid, boelat, boentar; op Java w»
dar. —, oprechtheid, zie ald.
rondliout, kajoegoeloeng-goe/oeng, kajoe
boelat.
rondh vilten, meoiandang bërkoeliling,
memandang kasana-kamari
(van pan-
dang>;
voor memandang ook mëlthat.
rondkomen met iets, iets genoeg doen
zijn, menfjoekuepkan dénga», memadakau
(vHii pada)\\ met zijn inkomen —, men-
tjoekoepkan dengan gadjinja.
rondliop, van spijkers, kapala boelat.
roudhruipen, rondscharrelen, zoonis
b.v. varkens enz., herdjalaran.
rondleiden, menghantar bërkoeliling;
bij de hand —, me mitnpin bërkoeliling
(van pimpin).
rondloopen, berdjalan koeliliug; ook
koeliliny-koetiling. —, passagieren, mar.
ktfijawan; overal —, b.v, in eene stad,
mënjérauta; zonder doel —, merajau ;
ïn den blinde —, zonder te weten wat
men doen moet, wordt lig. ook uitge-
drukt roet sapërti p:kat kanitattgan
mata,
d. i. als een paardevlieg, die
hare oogen kwijt is.
rondom, koeliliug, — gaan, berdjalan
koeliling
enz ; eene reis — de wereld,
pèlajaran bërkoeliling boemi; de wereld
—, mëlanglang boeicana.
rondreizen, berdjalan (of balajar) koe-
liling ;
oen gewest, landstreek —, van
een marskramer, mendjadjah; rond-
reiziger ia een gewest, pëndjadjah; het
gewest zelf, djadjaiian.
rondscharrelen, zie rondliruipen.
rondslenleron; in zijn eentje hier en
daar •-, térkontal-kantil sa\'orang.
rondsnuilelen, këledar. Zie snuili-
len.
rondstrooien, mènghamboer berkoeh-
ling;
in wanorde over den grond —,
mëngaparkan ; aldus rondgestrooid zijn,
bërka/iaran.
rondtanten; overal —, meraba kasana-
-ocr page 640-
G:>»
rondte — rook.
perang; van het lichaam, boetoe perang.
roodheet, merah api.
i roodheid, merah, kamerahan.
rood ho at, kajoe s\'epang.
roodkleurig, bèrwerna merah.
roodkornnl, karang boenga merah.
roodiiinken, memerahkan,
roodverven, mengesoemba (v. kêsoemba).
roodverver, van lijnwaad, loekang tje-
loep merah, loekang toga.
roodvonk, djengkering.
roof\', bet roovcn, rampatan; in den krijg,
djarahan; op het land, samoenan;
allerlei —, rèboel-rampas; allerlei —
plegen, merèboel-merampas. — begaan,
merampas, mendjarah, mënjamoen. — en
manslag begaan, mètijamoen-menjakar.
roof, korst van cene wond, keroeping;
zulk eene — afplukken, mengèroeping.
—je of vliegje op iets, selapoet,
roottielitii*, soeka aierampas enz. Zie
rooi\'.
roofdier, binalang ganas, binalang bue-
VII,
rooiirierij», loba ukan rampatan enz.
Zie root\'.
root<£oed, barang rampatan, djarahan.
roofhoek, zeerooversnest, tarang pe-
rompak.
— v»n roovers op het lnud,
sarang pénjamoen.
roofpnrt\\j, nachtelijke —, keljoe, Jav.
rool\'wehip, perahue (of kapal)perompak.
roolataat, negari perompak.
roofxpelonk, goha pénjamoen.
roofvogel. Ue —s zijn in Indië slecht
vertegenwoordigd. Zij worden met den
algcmccnen naam van helang of bui\'-
roeng Itélang
genoemd, waarvan ver-
schillende soorten, maar die allen niet
veel grooter zijn dan een valk.
rooi ziek, roofzuchtig, van dieren, ga-
rang, gantis
; zie rooft-ionfi-
rooi, afmeting met een koord, p\'er\'en-
tangan lali.
rooien, nfmetcn met een koord, mhïu-
lang lali.
—, vellen van hoornen, m\'e-
n\'ébang
(van tébang).
rooil\\jn, si/at (of sïpaf) lali pirentang;
\'buiten de — uitsteken, m\'engandjoer.
rooimcester, pèrtanda merentang lali.
rook, anap, ook voor damp; met —
verdrijven, mèngasap, b.v. mëngasap
njamoek,
muskieten met — verdrijven;
wel te onderscheiden van mëngasapi,
bcrooken, met — behandelen, iets
rooken. — van iets als genees-, behoed-
kamari, m\'eraba berkoelxling; in het
donker —, menggagau; in liet bünde
—, kerapai.
rondte, kring, boe/al,boenlar, ziekrint;;
driemaal de —, of den kring rond, tiija
kali daoer
(van daur, Ar. kring).
ronduit, /onder omwegen, teroet-térang,
dengan bertalarau.
rondventen, mendjadja, berdjadja; iets
—, mendjadjalan; met de pakken op
den rug ■—, menggalas.
rondvliegen, lërbang koeliling.
rond wentelen, b.v. in slijk, vnn var-
kens enz.. menggeloemang, bèrdjafaran ;
herhaaldelijk of voortdurend iets —,
menggott k-golikka».
rondzenden, van iets, b.v. een geschrift,
lijst, beker enz., mempiridarkan, soeroeh
metnbtttca koeliling.
Zie rondjjeven.
rondzien, zie rondkijken.
rondzwalken, op zee, méngoembang
(van oembang).
rondzwerven, menyombara (van kom-
bara), mëndjalang, k\'elana,
Jav.; een
—de buitel, k\'erbatt djalang.
rondzwerver, orang berkombara,orang
kelana.
ronken, snorken, mendëngkoer, meng\'
geroh, bergoeroes, gorok", Jav.
ronkcr, pendengkoer, p\'engg\'èroh.
rood, merah; donker —, merah loewa;
licht —, merah moe da ; hoog —, merah
moeroep (ook alleen moeroep); vuur —,
merah uïe/ijala, merah merang, merah
padam (vun het Skr. paduia, byacinth);
helder, schel —, ook serah. — vnn
het gelaat door schaamte, aangezichts*
pijn enz., b\'era moeka; steen—, zicald.;
licht —, rozerood, dadoe; geelachtig
—, biring; eon vechthaan vnn die kleur,
hajam biring. — ook abang, Jav.;
licht —, abang moeda; donker —,
abang toeica; de —e zee, laoet kolzom.
roodaarde, ianah-merah, tanah abang.
roodachtig, mei afamerahan, kamerah-
merahan.
roodborstje, boeroeng sepah poeiert,
ook wel boeroeng sepah pinang moeda.
roodbruin, rossig, tcèrna perang.
roodehond, uitslag, die door veel
transpireeren ontstaat, roeicam, ook:
betik-betikr.
roodekool, koebis merah,
roodeloop, tjeret darah, baewang-boe-
wang ajar darah.
roodharig, van het hoofd, ramboet
-ocr page 641-
— rotheid.                                        629
gang; de hoeveelheid, die ineens geroost
wordt, sapëmanggang. —, droog in eene
pan, b.v. kollie, meel enz., mëuggoram,
b.v. tjampoerkanlah pat-i njioer, goram
sëd\'ikit,
meng er wat kokosmeel onder
en roost het cen weinig. — van viscb
of vleescb, gewikkeld in cen bannao-
blad, pais.
rooster, lantai b?si.
roonterwerlr, traliewerk, uit roedjes
bestaande, kisi\'kisi. — van latten ot\'
porselein, aan balustraden, vensters,
deuren enz., bandji.
roovcn. mi i ireweld ontnemen, merampat.
— op zee, wérompak. — op het land,
mënjamoen (van samoen). — in den
krijg, méndjarah.— en plunderen, mën-
djarah-rajah, mëmbaiak.
—, wegkapen,
mënjambar, b.v. barang-barangnja saparo
disambar bëndoewan,
zijne goederen wer-
den gedeeltelijk door de kettinggangers
geroofd.
roover, op zee, përompak; op het land,
penja innen.
rooverbende, pasoekan orang penja-
moen,
rooverhooldmnn, van de zceroovers,
pënglima përowpak.
rooverjj, allerlei roof, rèboet-rampas.
roovcrshol, go/ia pfiijamoen.
rooversnest, van zeeroovers, sarang
pérompak.
roi>\\j* roepijah; een Jiengaalsche —,
roepijah sikka.
ros, paard, koeda.
ros, de kleur, wëma perang.
rosnehtig* perang sëdikit.
rosette, rozet, van juwoelen, karangan
miinikam.
rosjjcel, merah koening.
roshui\'i<ïT van het hoofd, ramboetperang,
van de buid, boeloe perang.
roskam, pënggaroek\' koeda.
roskammen, mënggaroel: koeda.
roskleurig, ivërna perang.
rossen» zie roskammen en sifros-
sen.
rossig; = roalileurig.
rot, zie rat.
rot, hoop menschen, pasoekan, këloem-
poefc.
rot, tot bederf overgegaan, boesoefc.
rotin\'ht\\*x, een weinig rot, boesoefc se-
dikit, kaboesoek-boesoekan.
rotheid, boesoejr, përi boesoek, kaboe-
soekan.
i*oolrachti<£
of toovcrmiddel, raboen; daarmede be-
rooken, mëraboen ; ook gebezigd van bet
verjagen door — van muskieten. —
en vuur uit een afgeschoten kanon,
delap; alleen de rook, asap mariam.
roultiiHit iü, rookerig van reuk, baoe
asap.
rooken, onz. van vuur enz., bërasap,
kaloewar asapnja.
—, bedr. iet» —, I
makan, minoem, b.v. eene sigaar —, I
minoem sëroetoe; opium —, makan :
madat. — van of aan ecne pijp, meng-
hisap,
d. i. zuigen; tabak of opium—,
uit een pijp —, ook mëugoedoet (van
oedoet). —, iets van — doordringen,
b.v. vlcesch of viscb, mëngasapi. — en
drogen, betzij op het vuur, hetzij alleen
in den rook, zooals rookvleesch, ge-
rookte visch enz., mënjalai {van sa/ai);
zoo gerookt en gedroogd zijn, tërsalai.
—, aanwezig zijn van rook, ada asap,
b.v. het rookt in de keuken erg, ada
banjak asap didalam dapoer.
—, zie .
ook berooUen.
rookend, bërasap. — vuur, api jang
lagi berasap.
roolier, van amfioen, pëmadat.
rooberi<r, naar den rook rieken, bèrbaoe
asap.
rookerü» përasapan.
rookkolom, asap wnaboen (van taboeti),
gamboet,
Cr.; dikke —, këpoel; zieb
als cen dikke — voordoen, mengëpoel,
b.v. van veel scheepszeilen hoven elk-
ander; een — vormen, bïrkëpoel.
rooklucht, baoe. asap.
fookvlci\'scli, daging salai.
room, kapala soesoe. — van gestremde ;
melk, kapala dadi; te roomon zetten
viui melk, b.v. van geraspte kokos om
er olie van te maken, menakoeng (van
takoeng).
roomboter, mantega takoeng.
roomsen, nasarani; de —e godsdienst,
agama nasarani.
roos; de plant, pokol? mawar; de bloem, |
boenga mawar, boenga ajar-mawar; de
chineesche —, hibiscus rosa sinensis,
boenga raja; op Javn ook këmbang
sëpaloe,
omdat met de bloemen de
schoenen gepoetst worden.
loos, schilfers op hot hoofd, këlëmoe-
moer, goeral\' kapala.
—, ziekelijke
zwelling, basal api.
roosten, op het vuur, mëmanggang (van \'
panggang); gerooste kip, hajam pang- \'
-ocr page 642-
6-iO                                                             rot#* — ruis*
rots, batoe, boekil batoe. —, klip in zee, I
karavg, karang batoe.
rot saclitiu, kabaioe-baioean.
rotsiiï- b-nrbatoe\'batoe.
rotsklomp, goempal batoe goenoeng.
rotsklool", d/oeratig, tjelah batoe.
POtspuntf hoedjoeng batoe.
rols&iielouk, go/ia batoe.
rotsspleet, tjelah batoe.
rotten, tut bederf overgaan, djadi boe-
ioel\'.
rotten, samenspannen, bermoewafakat ,
djahat.
rottenknip, /.ie de samenstellingen met
rat.
rottenvuur, iembak tar\'tinpak takati.
rott«\'Mnart, zekere vijl, kikir ekoer
tikoes.
rottij», boetoe.k.
rotting, zie rottiii<jriet. —, wandel-
stok, toengkal.
rottinuknop, ktipala toengkat.
rottint£**lair, schat, sabel, Jav.
roltinjjriet, rouingpalm, rotan. — io- !
zamelen, mrrolaa. —, waarmede de
atnp aan een geregen wordt, rotan pe.ng-
anggit atap.
— aU bindsel gebruikt,
rotan pendjalin; met de — krijgen,
slaag krijgen, kena rotan.
rouw, over een doode, perkaboengan;
in de — zijn, berkaboeng, lelterl. den ,
witten houlddock op hebben. —, spijt, ;
sesal. — hebben, bersesal. —, verdriet, ;
doeka-ljita, — hebben, berdoeka-tjita.
rouwl>e*lr\\ji", perkaboengan.
rouwbeklag, iazïjat, 1\'erz. — doen,
mèmHèli tn-,jnl.
rouwen, beikaboeng. Zie rouw.
rouwlloer», /.ie het volgende woord.
rouwkleed, kaboeng, namelijk een witte
hoofddoek.
rouwii*, berouw hebben, bersesal, iwë- \'
njesat.
rouwltlaelit, ratap, bidjl ratap, bidji .
sabak.
rouw klunen, mt-ratap, berbidji ratap.
rouwklajjer, p\'eralap.
roven, de koist afnemen, tnengei\'oeping
(vui) ktro\'-iing, roof, koml).
rozeappel; de bekende — in liulic,
djambue ajar-maicar.
i\'o/cliliiil, \'taoen boet/ga mawar.
ro/eboom, pvkok ma war.
i\'ozflïiKip, koento\'-M bontga mawar.
ro/en^eur, baoe boenga mawar.
i\'üzi\'nlinms, bidfeMOW, tasbêh, Ar.
rozenolie, minjafr mawar,
rozenwater, ajar mawar.
rozerood, iladoe.
rozijn, razijn, zabih, Ar. kUjmisj, Ar.
ro/ünenbrood, roti kujmisj.
rubriek, f af al, Ar.
ruchtbaar, van eene handeling, een
naam enz., tjdir. — maken, menljair-
kan.
—, maken, uitstrooien, mengirai
(van kirai); zaebtjes aan — maken,
melilihkan. —, algemeen bekend, ook
tenor. — maken, ook mengingar, b.v.
rahasïa itoe liada bolih di-tngar, dat
geheim mag niet — gemaakt worden,
letter!, er mag geea geraas over gemaakt
worden.
rut>, belakang; met den — naar, mem-
bdakang;
iemand den — toekecren,
mémbelakangi; den — laten zien, mem-
boewang belakang,
b.v. maka pdjahlah
perang rZijat Sijain itoe, laloe lari mem-
boewang belakang,
en de slngorde der
Stjauieezen werd verbroken, vervolgens
vluehttcn zij, latende bunnen — zien :
hooge —, niaur geen boehei, tjakong,
Mal. of tjekoeng. — van een mes, be-
lakany pisau, ponggong pisau.
— van
den neus, batang hidoeng. —, reeke,
rijzende grond, permatang ■ op den —
dragen, zie bij «irn»en; bij iemand
op den — zitten, bèrdoekoeng knpada
sa\'orang;
de handen over elkaar op
den — gelegd, sengkeling; een krom-
men — hebben, bongkok sedikit.
aan —, belakang meng/tadap be/akang.
— van de hand, ponggong tangau
lichter iemands — praten, mengoempat
wang.
—, zie ook ruslcunini\',
rui£K<\'«raat, toe/ang belakang,
rutïürelmsia, rug tegen rug, zie bij rus*.
rua;}*elm™»eh,z. achterwnnrtscli.
ruuueineru, soemsoem toe/ang belakang.
ru«piiii, sakit belakang.
ruijlje sprank, btfjara.
rut;lt*iiiiiiiii-, van oen 6toel of bank,
ptrsandaran.
ru*£Hteun, zie bet vorige woord.
ruKvoerins van een kleed, tadahptloeh.
ruien, van dieren, toekar boeloe. —,
nunjilih^ .Men. metoeroeh; eun kip die
ruit, ajam meloeroeh.
ruit", lawtiik-lawal\', Men.
ruijj. ruw "p *•"! gevoel, zooals b.v.
keper of wol op het bloote lijf, grof
papier enz., kasap. —, vuw, b.v. van
ongeschaafd hout, k\'esat. —, harig,
-ocr page 643-
ruiste — ruiter.                                              631
vezelig, vnn touwwerk, geweven stollen
enz., btrseraboet.
ruiste» wildernis, semak-semak.
ruiken, onz. eenen geur van zich geven,
bérbaoe, ada baoenja. —, bedr. eenen
geur inademen, niailjioem; te — krij-
gen, de lucht in den neus krijgen, men-
dapat baoe.
—, zie ook rieken.
ruiker, bouquet, boenga sadjambak, ta-
rangan boenga.
ruilbunr, tlapat diloekar.
ruilen, menoekar; met elkander —, vnn
velen, birtoekar-loekaran; over en weer
—, toekar-mïnoekar.
ruiler, penoekar.
ruilhandel; — drijven, berpaloe-pafoe;
volg. vd\\V. de waren bij een — wnar-
deeren.
ruilins, toekarait, penoekaran.
ruim, wijd, uitgestrekt, loeivas, lapang.
■—, breed, lebar. —, los, wijd, longgar.
—, voel ruimte aanbiedend, open, vrij,
liga, — baan maken, zie bevorde-
ren. —, onbelemmerd van een gezicht,
latcah, b.v. een — gezicht, p\'émandangan
jang lawah,
ook banglas,- een — huis,
roemah bêsar. —, overvloedig, lempah;
het — hebben, berkalempahan; het—e
sop, de open zee, laoet rembai/g; een
■—e wind, angin ba\'ik; de banden — heb-
ben, ada se input; het niet — hebben,
onbemiddeld zijn, tiada berharta.
zooveel, lèbih daripada itoe. — een
jaar, satoc talwen lèbih.
ruim, ot\' hol van een vaartuig, timba
roewang;
ook alleen roewang.
ruimen, plaats maken, mémberi thnpat.
—, ledigen, menghempakan. —,schoon-
maken, itiemp\'tresihkan, ntènjoefjikan. —,
verlaten, overlaten, meninggalkan, b.v.
een huis —, meninggalkan roemah,
van den wind, meiidjadi lapang; de
wind ruimt, angin pon lapang,—, ruim
maken, wëloewaskan, mvlapangkan% mè-
lebarkan, w\'elonggarkan, m\'èligakan.
Zie
bij ruim het onderscheid. Uit de voe-
ten —, uit den weg —, heimelijk van
kant maken, niengerdjakan (van kerdja),
Hièmboeivang,
—, zie ook inruimen
en andere samenstellingen; het veld—,
afdeinzen, oendoer; uit den weg—van
zwarigheden, t/iéng/iilangkan kasoesahan.
ruimiuuvlil van een geweer, pêsoemboe.
ruimschoots, overvloedig, lempah, de-
iigan Icmpah, bërkalempahan.
ruimte; open —, kaloewasan, lapang,
lebar, liga, kalapangan. Zio bij ruim;
de onafzienbare — rondom ons, sawang
langit.
— door eene insluiting omgeven,
kandaug; besloten —, waar een strijd
wordt gestreden of zich iels bevindt,
maar geen slagveld, gelanggang; de
afgesloten — onder eene woning, die
op palen staat, gebruikt tot berging,
of tot verzorging van gevogelte of klein
vee, r\'eban; de benoodigde — om iets
te kunnen lalen doorgaan, loeloes, b.v.
lobtmp saloelues orang bolih masuep,
een gat met een —, genoeg voor een
persoon om er in te gaan; fempal dja-
lann/a saloeloes orang sehad/a,
de weg
daarvan had slechts — voor e\'én pcr-
mj\'m. — om zich te kunnen bewegen
of verroeren, legar. —, vrij van be-
nauwdheid, s\'elesa; gebrek aan —,
koerang tëmpat; eene — openlaten,
mi-lapang kan. —, spleet tusscïion iets,
b.v. de tanden enz., tjefa/i, sela.—,vak
tusschen vier pilaren, roewang. —, tus-
schenruimte, ledige plaats lusschenin,
si\'/a, b.v. pi\'tiot h sesak tiada b\'ersela
lagi,
propvol zonder eenige — over.
ruin, koeda këbiri, koeda kasim.
ruïne, puinhoop, karoebuehan, karom-
bakan.
—, ondergang, verderf, kabina-
sa/in.
ruïneeren, m\'èmbhiasakan, mvriéngkarap-
kan (van t\'tngkarap, geruïneerd).
ruisoben* zoonis eeu over den vloer ge-
trokken wordende mat, de regen in de
boomen, eene woelige menigte in de
verte, mëndesah; een ruischend geluid
mnken, zuoals omvallende bamboe, de
vleugels van een grooten vogel, water
op gloeiend ijzer en dergel., niendesan.
—  zuoals de regen, of een net, dat in
het water wordt geworpen, mendhav;
zacht—, van den wiml.sipoeici-sepoeivi.
—  van de ooren, bërdesing, tni\'ndësing,
ruit, de benamingen biervoor zijn ver-
schillend, nlsr gioote — in eene stof,
r\'ebak; rechte — vnn weefsels of in-
legsels, tapak-tjaloer, tjorak-tjaloer;
kleine ruitjes, fjorak bertjèn/jang; de
schuine —en van een bcdelaarsdeken,
bcfah-k\'eloepaf; Sehotscho —, gebur ;
het doek, zoogenuemd, kaïn g\'ebtir; de
ruitjes zuoals iu een \\ nn rotan gu<
vlochten stoelzitting, mala poenaitA.\\.
duivenoogen. —, wijnruit, aroeda, Port.
ruiter, orang birkoeda, orang bèrkanda\'
raitn.
-ocr page 644-
632                                        ruiterbende — rusten.
ruiterbende, ruiterij, iantara bïrkan-
il ar aan.
ruiterlijk, zie oprecht.
ruiterszalf, obat koedis.
ruiterwnebt, kaïcal orang bïrkanda-
raim.
ruitijd, moetim be"rtoekar boeloe.
ruitK\\v\\jztr, zooals de ruiten op een
bodelundekan, bélah kïioepat. Zie bij
ruit. — van vlechtwerk, weefsels,
naaiwerk enz., kr/arai.
ruitvormic, gendjoet.
ruk, tentair, rïnggoet\', rintak. Zie bet
volgende woord.
rukken, met een ruk aan iets trekken,
dut elan afhangt, mïnjentafc; uit de
banden —, mëiijentak daripada tangan ;
iets dat afhangt heen en weer trekken,
mtrénggoet; bij herhaling, mïrfngffoet-
rPnggoel\',
b.v, dirtnagontkannja sarang
ttoe,
zij rukten aan dat nest; aan iets
niet een ruk trekken, mërentak; met
zijn lichanui een ruk ann iet» geven,
meren/air diri, b.v. tja pon mërentafr
dirinja, maka poetoeslah taiinja,
hij
niku- met zijn lichaam, en het touw
brak; ecne rukkende beweging mnken,
ook bvritïnnjoet, mtndennjoet; een ruk
aan iets doen, b.v. aan iemands arm,
mënjindjob (van aindj<,h); met geweld
nun een touw of arm—, wïngorndjortt
(van oendjot\'u); zachtjes —, zooals een
visch aan den dobber, het lood bij bet
dieplooden, niëngëndjoet (van ïndjoet);
uit iets —, trekken, mentjahoet; met
geweld, zooals een boom uit den grond,
een pijl uit eene wond, een keg uit
bout enz., membantoen; te velde —,
ten oorlog gaan, na\'ik perang, pergi
pïrang.
—, zie verder ook de snmen-
stellingen.
rukwind, bajoe, poepoet-bajoe, angin
got\'noeng-goenoengau,
omdat de —en in
de Mnlcische landen van de omliggende
bermen vnllcn.
rul, los, van de aarde, tjtroel, -Mal.;
kruimclig, los, van brood, aarde enz.,
rfpofKi. Zie tilil.
rum, ram, verb.
rumoer, gë/npar, gadoeh, geger. — over
iets mnken, gemparkan, mënggadoehi,
gegerkan;
groot —, jodenlawaai, fig.
tjina karam, d. i. Chineezen die schip-
breuk lijden. — maken ten teeken van
onraad, titir, menitir.
run, boombast als looistof, oebar; met
—   bereiden, van touwwerk, zeilen enz.,
tannen, niP.ngorbar.
rund, koebeest, tëmboe, djawi, sapi,
sampi;
e. s.v. wild —, se/adang,
rundvee, lemboe-kërbau, lemboe-kambing.
rundvet, gëmok> iapi.
rundvleeeeh, daging Itmboe, daging
sapi.
rups, hoef at; harigo —, hoelal boeloe,
ook nis scheldwoord voor een harig
menscb ; e. s. v. groote, groene —, *?»-
tadoe; e. s. v. —, tëngkada.
rupspniH\'si, saravg hoelat.
run, orang Hoes, orang Roesi.
ruxland, bënoetca Roesi.
rii»i*is<\'h, lloesi; het —, de taal, behasa
Hoest.
niHt, na bezigheid, përhéntian.—, stilte,
na drukte, pïdoeteang. —, vrede, veilig-
heid, santausa (Skr. santosa), ook in
—  enz. —, tot — gekomen, van het
hart, de golven enz., sëlësai; van den
wind, tedoeh. —, tevredenheid des gc-
inoeds, kasenangan hati. —, slaap,
tidoer; van Vorsten, adoe. —, stilte,
diam;tevens eenzaam,toenji.—.kalmte,
sakinüt, Ar. Ook plaats der —, ecn-
zatue verblijfplaats. In — leven, hidoep
detigan talamat santausa;
zich ter —e
leggen, pergi tidoer; van Vorsten,pergi
btradoe;
in de — zijn, gestorven zijn,
soedah matig kat bh\'adoi\', soedah tcafüt;
met — laten, mëmberi senang; niet
met — laten, iiada mtmberi senang;
laat dat met —, torn daar niet aan,
bemoei u er niet mede, zit er met de
handen niet aan, plaag hem niet enz.,
djangan oesifc itoe (of dia).
runt, mar, kaki tëmberang.
ruNtbanh; de gewone — in Malcischo
woningen, pentas, pentasan; op Java
ba/f\'bale. — van vlechtwerk, randjang.
— , cannpé, bangko. —, slaapstede, katil.
Zie bnnk.
ruNidus, hari bïrhënti tiêkërdja.
rusteloos, zonder rusten, dengan tiada
ber/icntinja.
—, onrustig, woelig, zie ald.
ruitten, ophouden, bërbënfi. — van ver-
moetdheid, mrmpër/iPnfikan lelah. —,
slapen, tidoer; van Vuisten, btradoe;
rust wel! slaap wel! salamat tidoer\'.
doen —, doen leunen tegen, miinjan-
darkan
(van sandar): laten —, laten
blijven, membiarkan, mendiamkan; zich
—, vooibereiden, bërsiap diri, b.v. zich
ten strijde —, blrsiap diri akan ber-
-ocr page 645-
rustend — lasopalm.                                         633
plrang, —, stil zijn, diam; liggend—,
berbaring; met den voet op iets — als
steunpunt, bertoempoe. —, zijn gemak
of rust nemen, béristirahat, Ar. — op,
voor rekening zijn van, atas, b.v. het
lust op mij om die zaak ten uitvoer
te brengen, atas akoelak mëlakoekan
përkara Hoe.
rustend, in do bcteekenis van — prc-
dikant, rust genietend, béristirahat, Ar.;
zich rust geven in dien zin, niëngislird-
liaikan dirinja.
rustig*, kalm, senang. —, na storm of
regen, ttdoe/i, rldah. —, stil, diam.
—, eenzaam, soenji. —, kalm, ouk
sëdjoek, b.v. maka itfgari Malaka pan
santausalafi sëdjoefc sapërti ajar dida-
lam talam,
de .-i;id Mnlakku nu was
stil en — als het water in een houten
bak. —, stil, ook karar, Ar.
rustplaats, eenzame verblijfplaats,
waarheen men zieh terugtrekt, om rust
te hebben, sakinat, Ar. —, perhenttan.
— onderweg, përsinggahan, pasanggra-
ban,
Jiiv. —, graf, foeèoer, Ar.
rustpunt, plaats waar men ophoudt,
timpat berhënti. —, steuupunt, b.v.
voor den voet, tuempoean.
ruststoel, koti\'si uialas,
rusttijd, koetika berhenti,masa ber/imti.
rustverstoorder, pengharoe, pëngoe-
tijf.
ruw, grof, kasar. —katoen, ka\'in kasar ;
iemand — behandelen, mengasar-ngasar-
\',-iii wang,
ook bërboexcat garang. —,
ruig op het gevoel, zooals een jong,
ongeroskamd paard, een ungeschuafde
plank, grove geweven stollen, grof
papier enz., kasap, b.v. auafr koeda
boetoe kasap,
jonge paarden hebben
ruwe haren, Sprw. Van ongeschaafd
hout ook, kesat, —, scherp, zooals een
vijl of een zaag op den kant, gtrigis.
—, onoffen, ruig, wild, kesat. —, grof,
met uitstekende pukkels, van de opper-
vlakte, menggëroftoe (ook van bejege-
nen); —, minder grof dan het voor-
guaudo, menggcrigis. —, knocsterig,
van hoornen, geroegoet. —, oneffen,
hobbelig van oppervlakte, zooals b.v.
een pokdalig aangezicht, de schil van
sommige vruchten, keretoet, kerotot. —,
niet zuiver glad geslepen, van juweelen,
djendot, lettcrl. bultig, in het —, van
werk, waaraan de laatste hand niet is
gelegd, goebal, ook tajtafc ioekoel. Zie
bij werk. —, van een diamant, m?«-
tah; een ruwe diamant, ïnlan vientah.
—■ omgaan met, b.v. met zijn kleeren,
die men in een hoek smijt, tnuijepok
(van sepol\'). — van een weg, berlekafc-
lëkok, menggeroefoe.
ruwharij». berbueloe kasap.
ruwheid, grofheid, kakasaran.
; ruzie, woordentwist, perbantahan, ook
gadoeh; hevige — met elkander heb-
ben, berbantah-bentoh. —, vechtpartij,
përkalahian.
ruzieachtig, soeka btrbantah, bantahan,
soeka berkalaki.
ruziemaker, përbantah.
S.
sabbat, sabbaf, Aart saptoe.
. sabbereu, zie mommelen.
■   sabel, bet wapen,pedang ; korte, kromme
—, pedang katjang parang. —, die naar
boven breed uitloopt, këtetcang,—zon-
der scheede, in Atjih gedragen, roedoes.
■   suhelha jonnet, sjamsjtr, Pen.
J subeldier, mustela Sevttica, sammoer,
Ar. Ook sabelpels en kleeding van
subelpels.
sabelen, zonder obj. mënëtafrkanpedang,
berlètakkan pedang; met bep. obj. me-
marang .... dengan pedang, mënëtafc ....
dëngan pedang.
sabelhouw, tëtafc pedang,paloe pedang,
subollilin;», mata pedang.
sabelkoppel, sandang pedang.
\\
sabelkwast, djambüC\'djamboe pedang.
snbelpunt, hoedjoeng pedang,
sabelsclieede, saroeng pedang,
saddueeër, orang sadoeki.
saffier, een helderblauw edelgestcento,
përmata nilam, batoe nilam, 7iilakandï,
nilakatita, Skr.
saffraan, koema-koema, koemkoema, Ar.
salfraunkleur,
icërna koemkoema,
sago, sagoe,- parelsago, sagoe tampin;
de grove —, sagoe rendang, zoo ge-
noeuid uindat ze bij de vervaardiging
in vetachtige pannen geroost wordt.
i sn<>;obr\\j, die in de Aiolukken gegeten
wordt, papeda, boeboer sagoe.
sugomeel, pati sagoe,
I saijoklopperij, tempatpangkoer sagoe■,
lettcrl. do plaats, waar het Bagomerg
wordt uitgehakt.
sajropalm, metroxylon sagus, pokofc
roembla,
43
-ocr page 646-
63-4                                         sago weer — namen ketenen.
■aeowcer, zie palmwijn.
sajet, bënang boeloe.
salade, seltu/a; e. s.v. fijne, in het wild
groeiende —, beremi,- e. s. v. —, van
fijngesneden onrijpe vruchten, vermengd
met azijn, Spaansche peper, soja, suiker
tuz.,roedjak; zulk eene — maken, m, roe-
djak.
— van kokosnoot, roedjafrmanis.
salade-olie, minjak-sëlada.
■alarieeren, memberi gadji.
•alarifi, gadji.
■altlo, sisa, lëbifi.
■alet Jonker, pësolil\'.
salie; e. s. v. wilde —, conyza balsa-
mifeia, pokok tjapa.
saliveeren, bërlioer-lioer.
•alpeter, lëndawa, garam mitioe.
talueeren, met het geschut, mtmbëri
fyormat dëngan mëmasang mariam.
— ;
bij bet schermen, een krijgsdans enz.,
bërbahasa. — met den beker, mfngang- j
ktitkan piala kapada saorang. —, met
eono vlag de vlag van een ander be-
groeten, menjamboet, memóëri saltim,
mëudjawub salant.
■alut, sa/ii/n; met het geschut, zie het
vorige woord.
salutNchoten, met het geweer tot ver-
welkoming van een voornaam persoon,
bed il pëmapak. — geven, ook mëmbërt
(da mat.
samaar, saroeng.
samen, te zamen, bërsama-sama. —, er
bij, aerta ; te zamen met, sërla dëngan.
—, met zijn beiden, zie bij beide.
— rijden, van twee paarden of ruiters,
bërkembar. — varen, van twee of meer
vaartuigen, bërsdiny,
samenbinden, metigikat bërsama-sama,
—, van lange, smalle voorwerpen, zoo-
dat ze met elkander een vlak vormen,
meestul met rotan of touw, meudjulia.
—, aan elkander knoopen der einden
van een kleed, mëntjëngkam. — tot
een wrong, b.v. van de punten eens
kleed.-, een kleed of doek tot een zak
of bundel enz., memoen dj oei (van poen-
djoel).
— met dwurslattcn vun gcsple-
ten bamboe of niboeiig, b.v. van de
vloerlatten, mëndjëriati. — van palis-
saden met dwarslatten, meremba». —,
aan elkander hechten vnn touw, garen
enz., mévghoeloengkan ; letters —, meng-
koeboengkan fyoetoef, mlrangkai goeroe/.
— aan eeo rist of tros, merangkai.
—, b.T. van graan, mënggëmalkan;
samengebonden, in dien zin, bërgëmal-
gëmal.
— tot bundels, b.v. rijzen enz.,
mëmbërkas.
samenbindsel, van rotan of touw, dja-
lin, pëndja/in.
— van dwarslatten, /.• .-.\'-
djërian, peremban, zie het vorige woord.
samenblijven, tinggal bërsama-sama.
samenbrengen, verzameleo, mengoeui~
poelkan
(van koempoel), mënghimponka»,
mëngampoengkan
(van kampoeng). — van
het volk voor een publiek werk enz.,
mëngerahkan (van kerah). —, lot eik-
ander biengen, mënëmoekan; saiuenge-
bracht worden, in dien zin, ditëmoekan.
samendoen, meedoen, er ook bij zijn,
mënjërta\'i. ■—, met zijn velen aan iets
deelnemen, zis gemeensehnpiH1-
l\\jk en gezamenlijk. —, bij eik-
ander doen, zie mensen, vermen-
gen enz.
samendraaien, van touw en dergel.,
memintal (van pintal), mëngoesik\' (van
oesik). Zie ineendranien.
smneiidrngen, bijeendragen, membttica
bërsama-sama;
zie ook samenbren-
gen.
samendrijven, vnn vee, mëvghalau btr-
sama-sama, mënggiriny bërsama-sama.
samendrukken, zie drukken, sa-
menpersen en and. samenstellingen,
samenfrominelen, mërtnjok.
samengaan, samen loopen met, ber-
djalun bërsama-sama.
—, overeenstem-
men met, satoedjoe dtngan.
samengesteld, b.v. van bloemen, soe-
soen.
samengestrengeld, dooreengovloch-
tcn, zouals b.v. rankende gewassen,
sëtiykaroet.
samengetrokken, door kramp, b.v.
een orm of been, këloel. — van de
huid, — door koking of de inwerking
van zuur en dergel., kitjoei; kramp-
aebtig — van een spier, gandjat.
samen gezworen e, orang safakat.
snmengieten, mëtëboer bërsama-sama.
samengroeien, i^emior// bërsama-sama.
samenhang, përhoeboengan.
samenhangen, bërhoebotng.
»txmeahccï\\ten,tnëtig/ioebo\'ngkan;iloea
—, mempërhoeboengkan. —, een stuk
aanzetten, mënjamboeng (van samboeng).
snmenhoopen, menimboenkan bërsama-
sawa (van timboen).
snmenketenen, mtrantaikan bïrsama-
tama, metigikat dëngan rantai.
-ocr page 647-
samenkleven tarnen weefsel.                               635
samenbleven, tékat btrtama-sama.
anmenknoopen, mënjimpoelka» bër-
sama-sama. Zie samenbinden.
Ramenknoopini;, simpoelan.
samenkomen, datang bërsama-sama,
bzrkoempoel, berhimpon, bërkampoeng.
samenkomst, pêkoempoelan, përhim~
ponan, përkampoengan. —, oiitmuetim:,
përtemoean.
samenleesen, mëlëtalekan bersama-
sama, mënaroh bersama-sama.
samenleven, samenwonen, doedoejp sa-
roemah.
samenloopen, ineenloopen, van rivie-
ren, bertemoe kocicalanja,
samenmengen, mhttjampoerkan.
samenmengsel, tjampoeran.
samenpersen, Bamendiukkeu, ook van
de lucht, meaiampatkan (van mampat,
samengeperst).
samenraapsel, poengoet-poengoetan.
«amenrapen, memoi\'tigoet.
samenroepen van volk voor publieke
werken enz., ntvng\'erahkan (van fcerah).
samenrotten, bermoewafakat djahat.
samenrotting, moewafakat djahal.
samensrhikken, van bloemen, een
opstel, gedicht enz., mëngarang (van
karang); zie ook schikken,
samensmelten, melëboer bërsama-
sama.
samenspannen, zie samenrotten.
samen.Hpvaa^f perfjakapan; gemengde
samenspraken, tjakap-tjakap rampai-
ram pal.
samen «i»reken, bfrtjakap-fjakap,
omong-omong, Jav.
samenstel, ranljana Ski\', karangan,
ook van een geschrift of gedicht.
samenstellen, in elkander zetten, me-
ranfjanakan, mhigarang; kunstig —,
bewerken, mereka. — van woorden enz.,
zie samenvoegen,
samensteller, pengarang.
samenstemmen, overeenstemmen, sa-
loedjoc. — van het gemoed, sahati.
samenstemmentl, satoedjoa.
samenst rengelen, zie samenge.
strengelt!.
Hamenstroomen, in menigte op iets
afkomen, van inensebea of dieren, b\\ r-
këroemoen, iiiêttgëroemoeni. — b.v. zooals
mieren op suiker, mëngëroeboeug (van
kh\'ueboeng, Jav.).
samentreiien; juist —-, membetoelt,
b.T. Jeartna memblloeli boelan toa/atnja
sëhaja ëmpoenja bapa, want treft juist
samen met de maand, waarin mijn
vader overleden is.
samentrekken, van de longen enz.,
mëndjadi koentjoep; de vleugels —,
mëtigoenfjospkan sajap.— van de huid,
door afgrijzen enz. ook stram (d. i.
eigenl. kippevel krijgen)- — der spie-
ren, kéroet oerat. —, in plooien trek-
ken, b.v. het gelaat bij het eten
van iets, dat erg zuur is, gering-
sirtg;
samengetrokken, van den mond,
kepot, —, bekorten van eene rede of
geschrift, mvringkaskan,- samengetrok-
ken, in dien zin, ringkas; in korte
woorden —, mëringkaskan përkataan,
zie samengetrokken. —.optellen,
mëndjoeintahkan, —, bijeenkomen, van
een menigte, berkoempoel, bërhimpnn.
| samentrekkend, wrang van smaak,
sëbat, sepat, Jav.
I samenvnren, van twee of meer vaar-
tuigen, bersding; doen —, blr&aïngkan.
i samenvatten, een greep met beide
handen tegelijk doen, b.v. van rijst,
bouken enz., niërangkoem; zulk een
greep, saravgkoem.
samenvloeien, incenvloeien van rivie-
ren, bërtëmon koewalanja.
samenvoegen, aaiieenhechten, meng-
hoebofuglcan
(van hoebaeng, samengo-
voegd). —, lasschcn, mënjamboeng (van
samboeng, gelaseht). —, ia elkander
zetten, niëmasang (van pasang). —,
samenstellen van twee woorden, më-
njandarkaii,
b.v. kalimah ajar disan-
darkan kapada kalimah laoH niendjadl
ajar-laoet,
het woord ajar samengevoegd
met het woord laoct wordt ajar-laoet,
— van een aantal gelijke declen tot
één geheel, mërakit. — tot een paar,
b.v. een huwbaren jongen en een meisje,
mëndjodokan.
samenvoeging, pénghoeboengan, pë-
njamboengan;
zie het vorigo woord. —
van twee stukken bewerkt hout, zoodat
zij een hoek of punt vormen, zooals
b.v. bij scbilderijlijsten enz., madoti
mantjocug.
samen voegsel, përhoeboengan, sam-
boengan.
samenvouwen, niëlipat bërsama-sa/na ,-
ook alleen mefipal; de handen —, më-
lipat iangan,
zie vouwen.
| samenwassen, zie samengroeien.
I samenweefsel, perhoeboengan.
-ocr page 648-
6M
ftamenwerlten — schaar.
Miuufinwerlien, bik • rdja birsama-sama.
—, medewerken, bïjslnan, mtmbantoe
dalam pïkïrdjadn.
snmenzweerder, safai-at djahal.
saiuen/weren, brrmoeicdfdk\'at djahal.
•uminelen, zie talmen,
sandaal, kasoet, fjarpoe, ijandoeri. —,
eenvoudige zool onder den voet, tapifr
kaki.
NiiiKIt-lliooin, jiohon tjhidana.
siiiKlrlhotit. kajoe tjvndana; \'>ok nlleen
tjïudana. Soorten zijn; het gewone—,
tjvndana koenit/g; het roode —, tjen-
datta djanggi; water uict — gemengd,
dat ojj de graven gesprengd wordt, ajar
tjindana.
hiinilruli, stntlaroes, Ar.
hiui-l.i\'ii, sangsïkhta, verb.
Map, in het algemeen, ajar; /ie de sa-
ini:ii-t>\'iiii)iri\'n, o. a kwaadsai>pij£.
— door uitpersing verkregen, pêrah, b.v.
—  van limoen, pirah limau.
sapanhout, kajoe sïpang.
vappeur, sapir, verb.
sappig, bérajar, banjak ajarnja.
saprijk, zie het voorg. woord.
NarcnNtne, moelocl bisa.
tiiir<loiiy.\\stt>L\'ii, pïrmata ot\'Hiim.
Harren, plagen, mingoesik. •—, tergen,
ergeren, mt-ngetjilkan hati; toornig ma-
ken, nitmbangkitkan mar ah.
sasseiraa; e. s. v. —, kajoe pedas.
mitan, sjaitdn, Ar.
satansch, sjaifani, Ar.
satanshind, anuk sjaifan.
satijn, aflas, Ar. sï-li; cene bijzondere
soort, waurvan men broeken maakt,
séti pasang; dikke, Cbinecsche — , koen-
toewan,
Cbin.
■atineeren, menggeroes.
satire, sindiran.
satiricus, penjindir.
siiiurnu-..ili\' planeet, bintang zoehal.kx.
saucijs* ■"■■■■>\'.
suueüsL\'broodje, pïnaram; e. s. r. —,
halvemaanvormig, gevuld met gehakt
van kippevleesch, djala koetai.
wiuk, koetcah.
savoyelmol, koebis Wor.
s.\'iii|i(\'cri\'ii, méngoepas kapala.
Mr 1 mui, kttam, pëngrfam, sêroet, Jav.
— vour lijstwerk, kètam pijan; id. doch
zeer klein, ketam likoes; i Beschaaf, kt tam
pandjang.
schaaf beitel, mata kttam; gekeerde—,
pa/tat nedjis.
schaaf nel, kétaman.
schaakbord, papan ijatoer; de vakkei
van een —, tapak" tjatoer.
schaakspel, pirmaïnan tjatoer; jiirmdi-
nan gadjah-gadjahan.
schaakspelen, bérmdin tjatoer t Sër-
mam gadjah-gadjahan.
schaakspeler, orang btrmain tjatoer
(of gadjah-gadjahan).
schaakstuk, boewah tjatoer; het eerst
een — verzetten, makan dfhoeloe; van
den Vorst, santap dihoelue; de namen
der verschillende stukken zijn: de ko-
ning, radja; koningin, nmntéri; raads-
heer, gadjah; paard, koe da; kasteel,
tir; pion, bidal\'.
«chaal, dop, schil, koelit.
schaal, platte schotel van metaal, om
iets op te presenteeren, tjepfr; metalen
—  met voet, voornamelijk voor de sirih,
tjérana; zulk een — in den vorm van
een schuitje, tftrana bidoek-; metalen
— tje met voet, om er een glas of iets
dergelijks op te zetten,tendjong.— van
aardewerk, p\'mggan. Zie ook weeg-
schaal.
sclmaldier, zie schelpdier.
schaamachtig, maloe-maloeau.
schaamdeel | de —en, zoowel manne-
lijke als vrouwelijke, kamaloean, itoerat,
Ar.; het vrouwelijk —, ook van dieren,
poeki; meer fatsoenlijk, poekas; van
meisjes, nono, Ar. ampoet; mannelijk
—, pelir, dzair, Ar. boe f oh.
| schaamrood, bera moeka.
■   schaamte, kamaloean; rood van —,
b$ra moeka; het gelaat van ■— in de
handen houden, zie bij hand.
i schaamtegevoel, rosa maloc.
■   schaamteloos, tiada mfnaroh maloe,
tiada tahoe maloe, tiada maloe.
—, los-
bandig, tjaboel; iemand — behandelen,
mïntjaóoeti.
. kclmap, in het algemeen, kambing; meer
bepaald ter onderscheiding van andere
dieren, kambing biri-biri, kambing tco\'
lauda, domba,
Pen. ter onderscheiding
van het geslacht, kambing Li Una, biri-
biri belitia, domba belina.
\'■ schaapherder, gombala kambing.
schaapskooi, kandang kambing.
schaar, troep, kaïcan; de schare, orang
banjak.
; schaar, knipschnnr, goenting; met eene
— snijden, mtnggoenting; het snijden
van de schaar, makan, h.v.sape\'rti goen-
-ocr page 649-
schaarde — schalm.                                          037
ting makan dihoedjoeng, als eeoe —
snijdt aan de punten, Sprw. — om de
pinangnuot te snijden bij het betel-
kauwen, ook do —, waarmede men
blik en plnatijzer doorsnijdt, katjip.
—  van krabbe of kreeft, sepit, këfijr.
schaarde, vaa snijweiktuigen, soembing,
sempak.
schaardig, soembing, tempo h; vol
schaarden, gërigi, gërigis. — worden,
mvnjempafc, mënggërigis.
schaars, en sclianrsch, iljarang, mahal.
—, bijna op van vruchten of andere
zaken, die periodiek komen, laicas,
worden, métaicat. —, niet dan met
veel moeite verkrijgen, tërlaloe sifrsa,
b.v. pada mata ifoe tërlaloe sïfrsa ma-
kanan di Singapoera,
te dier tijde waren
de levensmiddelen te Singapoera zeer
— ; ik zag hem —, djarang koelihat dia.
schabralt, alas pëlana, ka/al. Ar.
schacheren, is verbasterd tot sëkakar.
schacht, bet lange gedeelte van iets.
batang. — van peulvruchten, waarin
de boonen zitten, tjPmoek; Mal. —,
pijp, koker, fjurotig. —, vleugel, sajap,
schade, nadeel, verlies, roegi; geleden
—, karoegian. — lijden, këna roegi,
karoegian.
— hebben, bëroegi. — ver-
oorzaken, meraegikan. —, leed, maea,
madlarat,
Ar. —, ongemak, tjidëra ,-
zichzelven — berokkenen, mëndatang-
kan tjidtra bagai dirinja.
— vergooden,
mengganti roegi; ook alleen mëngganti,
Zie ook schade vergoeding.
schadelijk, mëndatangkan roegi, mem-
bëri roegi.
—, verderfelijk, mëmbiuasa-
kan, mtroetakkan
( mën.beri madlarat.
schadeloosstellen, mengganti roegi.
schadeloosstelling*        pënggantian
roegi.
schaden, mëmbëri roegi, m. mara, m.
madlarat, mëndatangkan tjidtra, mëroe-
gikan, mëroesakkan, mëmbinasakan.
Zie
schade.
schadevergoeding, gauti roegi, ook
alleen gauti; bedorven goed temgzen-
den met den ei-ch van —, mënëinpoeh-
kan.
— gevraagd worden, katern poeh an.
schaduw, bajavg, bajang-bajang, ///, Ar.
de — Gods, {il Allah. —, buiten de
zonneschijn, tfdoh ; het voorwerp dat de
—   werpt, Ufa/nja bajang-bajang; de —
op den middag om 12 uur, boevlar
bajang-bajang.
—, beschutting, lommer,
naoeng, — in dien zin genieten, bër-
naoeng, b.v. onder een boom, bernaoeng
dibaicah pohon.
Zie beschutting;
de — wordt langer, bajang-bajang Hoe
lingsir,
d. L de avondsclinduwen dalen
neder; de — van iets op iet* doen
vallen, mëmbajangkan,- iets in de —
stellen, tig. mënghabiskan, b.v. parasnja
sërta dengan sifalnja mënghabiskan
manis saloeroeh djagat lijama int,
haar
gelaat ea uiterlijke hoedanigheden ïtel-
len al wat lief is op geheel Java in
de —.
schaduwachtig, vau een booin, zïo
lommerrijk. —. als eenc schaduw,
saperti bajang-bajang.
schaduwbeeld, hajaug-bajang; dat,
wat als een — in de ïcdachten ligt
opgesloten, jang lërbajaag-bajang dalam.
ingatan.
schaduwhoom; gebezigd in de kofrie-
tuinen, pohon dëdap, pohon tjëngkëring.
schaduwrijk, zie lommerrüli.
schaduwzijde, o/ai-.
schuilen, opdisschen, mï\'ujadjikan (vaa
sadji). —, verschuilen, zie ald.
schaften, eten, makan.
schafttijd, tcï\'kloe makan.
Mc\'lmkeeren, zie schikken.
schakel, schalm, tjintjin rantai, ma/a
rantai, fialk"ah,
Ar, b.v. een keten met
fijne —s, rantai jang sëni-sëni halkahnja.
—, maas van een net, zie nld. — van een
gouden of zilveren buikband, kotafr.—,
verbinding, përhoeboengan, ka\'it-kaïfan.
schakelen, aan elkander, mëntjaugke-
lingkaa, mëaghoehoengkan
; geschakeld,
zooals de armen, de vingers, de se hal-
men van een ketting, tjangkël\'ing; aan
elkander geschakeld zooals de regels
bij een panton, bërkaïf-ka\'it.
schaken; eenc vrouw —, mëlarikau
perampoeiean;
het — vnn een meisje
of weduwe met hare toestemming,
bambang.
schaken, schaakspelen, btrmdin tjatoer,
bermdin gadjah-gadjaha*.
schnko, stijf hoofddeksel, songkok; këlo-
pong, kopijah.
schal, boenji, bahana.
schalk, guit, orang djinaka.
schalkachtig, guitig, djinaka.
schalks, dengan djinakanja.
schalksch, loos, slim, tjirëdik*. —e
oogen, ,nata tjëredifc.
schallen, bërboenji.
schuim, zie schakelt ijzeren — in
-ocr page 650-
schalmei — schateren.
den vorm van ten krakeling./;\' Imtg blti.
schalmei, toeling, sfroeling.
nchamel, armoedig, papa, boeroefr, mis-
kin.
—e klceding, pakajan boeroek.
schamen: zich —, maloe; zie ook
schaamte; foei, ge niuest u —,tjÜ,
ta\'maloe;
zich — over of voor, maloe
ukan.
schampen, naar den kant uitwijkende,
mtnjipi (van sipi), alleen de huid kwet-
sen, mtlofjot.
schamper, scherp, honend, tadjam.—e
woorden, pïrkataan jang tadjam.
schampschcut, schimpscheut, sindi-
Tan, përkataan sindiran.
■champschot, schot, dal ter zijde nf-
glijdt, temlak mèlutjot.
schandaal; openbaar —,ho»ar, tamasja,
1\'erz. b.v. maka Hang Aijï-bat po» ....
tamasja dtngan sïgala dajang-dajang
dan goendije radja itoe,
en II. D. maakte
een openbaar — met al de hufjull\'ers
en bijzitten van den Vorst. — maken,
mtmboewai hun ar.
schanddaad, pïrboeicata» jang kïi/ji
schande, maloe, b.v. — verkiezen bo-
ven den dood, btrani maloe, takoet malt,
Sprw. iemand — aandoen, mtmbëri ma-
lue, mrmpermaloekan;
\'t ÏS — als een
tïjgeijong een kattekind wurdt, maloe
anak harimau miiidjudi anak koetjing,
Sprw, met —, dtngan maloenja; te —
worden, kamidoean. — te dragen heb-
ben, mtndonkucng maloe. —, smaad,
ook nista ; iemand— aandoen, hi> \'nista-
kan;
openbare —. maloe tïrpoepofr pada
kïning.
—, ook arang diinoeka, d. i.
roet in het aangezicht; — aandoen,
memboeboeh arang dimoeka; de — uit-
wisschen, memboetcavg arang dimoeka;
de sterren des hemels kunnen ze tellen,
maar hun eigen — zijn zij zich niet
bewust, bintang d\'dangit dapat dibilang,
Ulapi arang dimoeka dada stdar,
Sprw.;
openbaar — aandoen, door het nan-
geziclit met roet eu kalk Ie bestreepen,
mtntjoenting moeka dtngan arang dan
kapocr;
zijn naam — aandoen, mem-
boe wang kan nama.
—, oneer, ook aib,
Ar. — aandoen, mcnibvt i (lil, de grootste
— voor een man, namelijk dut zijne
vrouw door een ander bevrucht is,
dajoets, Ar. b.v. \'t is — voor een man
als bij er geen (gesnelden) kop op na-
houd l, dajoels kapada la.d-laki djika
tiada mtnaroh kapala orang.
schandekoop, ttrlaloe moerah.
schandelijk, laag, gemeen, kt d/t. h\':na.
—, schande veroorzakend, mttnbëri ma-
loe, mëngedjikan (van kèdji), menghina-
kan. —, op onteerende wijze, dtngan
ptri jang mhnbXri maloe, atas perijang
kidji.
j schandclühheid, kakëdjian, kahinaan,
fadlihat, Ar.
schandhoer, ptrampoewan djalang.
\'
schaiidmerlt, tanda pïrmaloean.
schandmerken, membéri tanda /»?r-
maloean.
schandvlek, smet, paroet, tjtla.
\'
schans, koeboe; van —en voorzien,
mëngoeboe-ngoebo\'ü.
schanskorf, ktrandjang, amboeng-am-
boeug, béloebur, Mal.
schapeieder, koe Ut kambitig.
Hchapeluis, teek, slngkinil, koetoe
babi, koetoe domba.
schapenhok, kanilang kambing.
schapenmelk, soesoe kambing.
j schapensekeren, mvnggoenting boeloe
domba.
schapenstal, kandang kambing.
schapen wol, boeloe domba.
sehapevaeht, béloelang domba.
schapevleesch, daging kambing,
schappelijk, redelijk, tXdang, oegahari.
scharen, regelen, ordenen, nifatgatoer-
kan; in orde geschaard, btraloer, bh\'-
saf-saf.
scharlaken, kirmizi, Ar.
scliarlakenkleur, tri-ma kirmizi.
scharlakenrood, merah kirmizi.
scharminkel, lange slungel, orang pan-
djang lampai; magere—, orang koeroes
kering.
scharnier, sendi, Ski\', sekeri.
scharrelen, wroeten, krabben, zooals
de hoende», mvuga\'is i mui kuis); ook fig.
van arme lieden om aan den kost te
komen.
schat, harta; allerlei — ten, mata bX-nda.
—, liefje, mas.
schatkaar, tXrhargakan, lëmilai. Meest
gebezigd in negnlievcn zin, namelijk
met tiada, b.v. liada tXrhargakan, tiada
lïfiiila\'t, niet te schatten, onschatbaar.
In positieven zin, dapat dihargakan,
dapat dinilaikan.
schatbewaarder, pXnghoeloe chiza-
nah, p. bXndahari.
schateren, van bet lachen, gelafc-ge\'lafc,
gtlakali-, hilai, mhidekah; het uitseha-
-ocr page 651-
schaterend — scheef.                                         03^
schee, scheede, koker, overtrek, saroeng;
iets daarvan voorzien, daarin steken,
menjaroengkan; kris—, saroeng ke.rU.
— maker, orang minjaroeng,— van den
bloemkol!\' der palmen, soedang, seloe-
dang.
— van den bloemkolf der bananen,
kt/opafr djantoeng; de taaie blad—van
de pinang- en nibocngpalmen, opih.
voor den langgegroeiden nagel van den
linkerduim,kompang ; van een der andere
nagels, die men lang beeft laten wor-
den, saroeng tjanggai.
scheedespie&sel, pengekar (van kÜkar,
uit elkander), pembengkar poeki,
scheede vloed, poetih-poetihan,
scheef, schuinsch, b.v. van een regel
schrift*, den naad van een kleed enz.,
siroeng. — gevouwen, seroeng lipalnja ;
op allerlei wijze—, seroeng-menjeroeng.
—, niet recht van bet aangezicht, of niet
vierkant, van een zakdoek en dergel.,
bengot. — worden, membengot. — van
zitten, dengafr; bij het zitten een scbeeve
houding aannemen, meudengak, b.v.
djangan ïngkau doedoek- mendengafr,
je moet bij het zitten geen scheeve
houding aannemen. — getrokken, ver-
wrongen, van lichaamsgestalte of een
lichaamsdeel, eroet. — trekken, bedr.
niengeroetkan, b.v. maka moeloet Moe-
hammad Zeit pon di-eroet-eruetkannja,
en M. -\'. trok zijn mond telkens —,
ook niengeroeUeroet bibir; een — ge-
trokken mond, bibir tereroet-eroei; ook
— van zien, iets niet recht zien, b.v.
pandangnja betoel mendjadi eroet.
vun een gezicht door een gezwel, berong ;
een — gezicht hebben door eene zieke-
lijke aandoening, ditampar hantue, d. i.
een klap van een spook gekiegeu heb-
ben; uit gemclijkhcid scbeeve gozichten
trekken, yï-rhijoel; een — gezicht zet-
ten, een leelijk zuur gezicht, seringit,
Pad. bov. 1. —, scheefhoekig, niet
parallel, b.v. van een vierkanten doek,
eene kamer enz,, gendjang. —, niet in
vierkante positie, b.v. een stijl vaneen
huis, die met de andere stijlen wel in
cene rechte lijn, doch niet haaks staat,
pijal. — vun den hals, een paal, een
gat, dat eene andere richting beeft dan
het voorwerp, dat er in moet komen,
teling. —, afwijkend van de rechte
lijn of koers, pentjong; schotseh en—,
pentjong-meiitjong. —, niet overeen-
komen vun dingen, die aan elkander
teren, mlnghilai, b.v. maka bidadari ,
Bongsoe pon tertaica dan menghilai, \'■
en de hemelsche nimf B. nu lachte en |
schaterde het uit.
schaterend, schril van geluiden, mersik.
schaterlach, tertawa gelafr-gelak.
»K\\\\t\\iUnmertptrbendaharaiin,chizavah.
Ar. baitoe\'lmdl, Ar,
schatkist, ehizdnak. Ar. baitoe\'lmdl, Ar. \\
— voor liefdegaven, joeVi derma.
schatmeester, bendakari. Zie schat-
ter.
schatplichtig, cijnsbnar, tülofc, Ar.
mtmbajar oepéti, mempersembahkatt
oeptti; dzimmi,
Ar. als zoodanig wor-
dim in .Mohauimedannsche landen alle
niet Mohammedanen beschouwd en ge-
noemd.
schatrijk, amal kaja, ttrlaloe kaja,ter-
lampau kaja.
schatten, menilai (van nilai), tnenghar-
gakan;
niet te —, tiada ternitai, tiada
iehargakan;
met goud gelijk geschat,
teritilai dhigan etnas. —, gissen, kira-
kira, agak-agak.
—, op prijs stellen, :
lig. mengenda/ikan, mtiabilangkan.
schatter, pe/ii/ai.
schutting, waardeering, nilajan. •—,
cijns, oeptti. —, contributie, door de
hoofden geheven, bantji. —, belasting,
impost, èeja, tjoekai. —, achting, fyor-
mat,
Ar.
schaven, met cene schaaf, mengetam; <
geschaafd, diketam. — met eene lange |
streek, mengetam landjar; met een om-
gekeerden beitel, mengetam taeding;
met eene schaaf, waarin bet ijzer in
een spitsen hoek staat, ■nieng\'elam fan-
sar.
—.licht kwetsen, meletjetkan,wëh\'
tjoctkan;
zie ^geschaafd.
schavot, heeft men niet. Het is terug
te geven met tempat hoekocm, pëboe-
noehan,
of tewpat met een woord, dat
een der sti alten aanduidt, b.v. tempat
soela
of pï.rsoelaan, de plaats van het
spietsen; ons — is bet best terug te
geven met ptya^toengan, do plaats van
het hangen,
schavuit, ptntjoeri, orang djahat, bang-
sal, orang doerdjana enz,
schavuitenstreek* pektrdjaan pen-
tjoeri.
schedel, batoe kapala (van batofc), £%m-
poeroeng kapala, djamala, batoe djamala.
— van een doode, bekkeneel, tengkorak\'.
schcdelholte, rongga kapala.
-ocr page 652-
040                                        scheefbeen
gezet zijn, b.v. van lappen of behangsel, I
waarvan de bloemen of streepen niet ;
overeenkomen, getijoet. —, krom, beug-
kok;
met verscheidenheid, bengkang-
bengkok.
Zie hellen en overhellen.
scheefbeen, kaki eroet.
■cheet\'hoeliis, van vlnkke lichamen,
gendjoet, gendjang.
scheel, loensen, il joeling; een weinigje
—, djoeling beftasii, djoeling ajar. :
zien, m?ndjoeling; iemand — aankijken,
mi udjot liniji,
scheenbeen, toelang kering, toelang bt-
fis, toelang pXngtdjoet
; met het —
schoppen, membenteft ; zie «choppen.
scheenbeenplaut, moeiaft, 1\'erz.
scheep; te —, dalam pPrahoe, dalam
kaptil;
te — gaan, bfrlajar dalam pe~ \'
rakoe (\'of kapal); te — komen, aan
boord komen, na\'ik pïraftoe, ndik kapat. \\
schcepshnllnst, (oelak bara.
scheepsbevelhebber, inl. nachoda,
1\'erz. djoi\'ragan, fjinfjoe, Chin.
scheepshoei, timboelan.
scheepshoorn, met een ijzeren haak
onderaan, Ijatiggaft ; daarmede boomen,
h\'vrtjtuiggah,
scheepMhuik, badan kapal of b. pi-\' \\
rahoe.
scheepsknpitein, kapitan kapal, zie
scheepsbevelhebber.
scheepskameel; e. s. v. —, pïraftoe \'
bïrambaukan bo f loeft.
scheepspapieren, soerat pas kapal
(of peraftoe).
seheepstoeht, pïlajaran.
scheepsvolk, bemanning, ateafc kapal
(of perulioe); djoeicab-djoeicak kapal {oi
pt-raftoe).
—, volk van het (.chip, zie \\
mntroom.
scheepswunt, le/n&erang,la&erang, Bat.
scheerdrund, loengsin.
scheermes, pisau tjoekoer, kvrampagi.
schcerriem, gaboes, cigcnl. een zeer
week stuk hout, waarop men messen [
aanzet.
scheet, veest, kvntoct; een — laten, ber- [
kXnioH;
iemand of iets beschijten, he-
veesten, mtngi-nioetkan, mengt-nloeti.
scheidbaar, dapat ditjvraikan; niet—, \'
tiada ttrtjeraikan.
scheldbrief\', soerat falak; een — geven,
mè\'mberi soerat lalafc.
scheiden, onz. bertjerai; bedr. mentjt*
raikan, ttie\'misaft
(van pist.ft, Jav.);per-
sonen van elkander —, mïndjarajr;
— schelen.
gescheiden van iets of vnn elkander,
zoonis bij echtscheiding, het spenen,
wegloopcn enz., sarajr. —, zich van
elkander verwijderen, mengérafc (van
érak\'}. — om naar een ander land te
gaan, bérfjërai berla\'in negari -. een
boedel —, mtmbthagi-btftagi ftarta VOO-
saka
; zich —, afzonderen van iets,
méndjaoeftkatt dirinja duripada; zich
afgezonderd houden, nivngasingkun ili~
r\'mja;
zich — van den grooten hoop,
berpïntjilkan (van penfjil, gescheiden
van den grooten boup, alleen geraakt).
—, verlaten, méninggalkan (van tittg-
gal);
uit het leven—, mïningijal, muli;
van Vorsten, mangkat, icafaf. Ar. Zie
sterven; in tweeën gescheiden, at\'ge-
broken, van lange, lenige voorwerpen,
b.v. touw, woorden, een loop of stroom,
liefde, enz., poetoes; aldus —, memoe-
toeskan;
geld, dat door eene vrouw
betaald wordt, om te kunnen —, t<-
boesan falak\'.
scheidinif, prrtjeraijan. —, vertrek,
pr.ninggalan; subj. opgevat, prninggal.
scheidsman, ziu middelaar.
scheidsmuur, pagar tembofr jat/g di-
tt/igaft.
scheikunde, ttmoe kimija. Ar.
schel, bel, gtnla Skr. lontjeng.
schel, helder klinkend, vaa een geluid,
rtsik; een — geluid maken, meresijr;
in schelheid toenemen, van zingen,
niilangsi. — van de stem, het zingen,
njaring; een — geluid voortbrengen,
van eene fluit, een glas enz., langsing.
schelden, makt, maki-maki, memaki;
do huid vol —, tjoefji maki.
schelder, pemaki.
scheldnaam, spotnaam, nama s\'tndiran.
schelen, onibreken, koerang; wat scheelt
er aan, apa koerang. —, verschillen,
bïrsalaftan, birbeda; het scheelt, of
scheelde, weinig, salah sï-dikit. —,
ergens om geven, fadloeli, Ar. ook
pérdoeli en éndahkan, b.v. apalah kita
c\'ndaftkatt, kita saramai iiti tiada ter-
larcan,
wat kan ons dat —; wij, die
zoo talrijk zijn, zijn niet to weerstaan;
wat kan mij dat —, apa kitafadloeli;
ook hasab, Ar. b.v. wat kan hem
dat —, upa hasab kapadanja; hut
scheelde- niet veel of......n/arts, het
scheelde niet veel of ik was ver-
moord, njaris akoe diboenoh ,■ het schoeit
hem in den bol, kapalanja ta\'b$toel;
-ocr page 653-
641
aclielf — si\'hi\'piiiuui!.
wat scheelt er aan, apa kofrang, zie
deren.
schelf\', hoop, timboenau.
schel (Vee, laoet fro/zom.
schelheid, van geluid, mèrési^,njaring.
schelhout, kajoe jang difjaroek1 koe~
litnja.
««•helklinkend, zooals bekkens, de/n-
pir.
schellak, amhalau.
schellen, luiden, mënghela gènta, mèng-
gojang lotttjeng.
Kchclm; dio —, sipèntjoeri, sang g\'elap.
schelmachtig, zie he«lrie<*eiyk.
Kche]mer\\j, zie bedriegerij.
schelmst reek, pèrboetcafan pèntjoert,
schelp, koelil. — van schelpdieren in
het algemeen, koelU kërang; e. i. v.—,
die men wel voor lamp gebruikt, lokan;
e. s. r. horenschelp met lange punten,
ranga; kleine horenschelp, zouals van
slakken enz., sipoet; hiervan een groot
aantal soorten.
s«-h elpdicren. in het algemeon, kVrattg-
kerangan, isi korting,
— zoeken, ber-
kerang
; eenschalige —,sipoet ; gedroogde
—, kèrintiug; e. 8. v. klein schelpdier,
dat zich aan de huid van vaartuigen
hecht, teritip.
scherm», zie schets.
schemer, half donker, reatang, kaboer,
sandja;
in de avondschemering niet kun-
nen zien, raboen sandja. Verder silam.
Dit laatste ook fig. van een ver verleden
tijd, b.v. adalah kapada soealoe silam,
kodrat Toe/tan mèmljadikan ulam,
het
was ia een —tijd, dat do Heere het
heelal schiep.
schemerachtig, = bet vorige woord.
schemernvond, xefctoe samar moeka,
sindjakala,
b.v. de — werd door den
nacht vervangen, sendjakala bérdjabat
d\'éiigan malam.
schemerdonker, zie schemer.
schemeren, voor de oogen, wegens het
verblindend licht, silau. — van het land
in do verte door het schitteren van het
wnter der zee, silau ajar, —, donker,
dof zijn voor de oogen, kaboer. —,
flikkeren voor de oogen, bérpèndar-
p\'endar.
schemering, kaboer hari, kaboer stang;
morgen —, tèrang tanah; avond—, teek-
toe samar moeka,
ook sandja; in de
—, pada bajatig-bajang. Zie ook sche-
mer,
| schemerlicht, tusschen licht en don-
ker, saboerdimboer, peloewang.
schenden, bederven, mèroetakkan (van
roesak, geschonden). —, breken, zie
ald. en stuk. — door iets een uit-
stekend stuk te ontnemen, mèrompoug-
kan
(van rompong), zie geschonden;
wie zijn neus schendt, die schendt zijn
aangezicht,potong bidoeng,roesak moeka,
Sprw.; van de pokken geschonden, zie
poLi In li::: eene mangd schenden,
mênggagabi anuk dara, meroegoel a. d.;
zie onteeren.
schender, dit lianjt van de wijze vaa
schenden af, b.v. maagdc—, peroegoel,
zie het vorige woord.
si\'li\' ndig, zie schandelijk.
I schenkel, paha; osse —, pafia lemho».
schenkelvleesch, daging paha,
schenken, gieten, meaoetcang (van tue-
tcang).
—, geven, mrmberi,- ann Vorsten
en aanzienlijken, uiempèrsèmbahkan ; van
aanzienlijken aan minderen, mèngaroe-
niakan
(van karoenia), nienganot\'graha-
kati
(van anoegèrahd); vergiffenis —,
mèmberi ampon, tnengampoem, müafkan.
—, overlaten, membiarkan.
schenker, die giet, oratig jang aiettoe-
tcaug ;
hof—, pendjateat minoeman; de
opperste der —», toeica sègala pendja-
wat minoeman.
—, gever, orang jang
mèmbiTÏ, o. j. mempersèmbahkan
enz.
Zie het vorige woord.
schenking* pèmbè,ian, karoenia, anoe-
geraha, pèrstmbahan,
zie het onderscheid
bij schenken. — bij bel leven, do-
natio later vivos, hihah, 1\'ad. bovl.
, schep, zooveel in eenmaal kan opge-
schept worden. Dit hnn.it af van de
wijze van scheppen, zie ald. b.v. een
— met de volle hand, satjatoek. —,
nap mot steel, gemaakt van een kokos-
dop, siboer, gajoetig.
! schepel; het inlandsche —, /„vim een
pikoel, gantang.
schepeling, orang pèrahoe, orang kapal;
de —en, de bemanning, atcak pèrahoe
(of kapal), s\'egala au uk pèrahoe (of
kapal). —, zie ook matroos.
schepen, laden in een schip, memoewat\'
kan dalarn pèrahoe
(of kapal).
i scheplepel, pèntjidoek, tjidoek.
schepmnnd; groote —, om garnalen en
kleino vissclien te vangen, funggok, am-
bai;
daarmede visschen, mèngambai,
mènanggok.
-ocr page 654-
642
schepnet — scherp.
één slag allen treilen, merampaipapan;
scheer je weg, njahlah ingkau, ëntjitlah
ëngkau, hemboeslah ëngkau ;
een lijn —,
mërëgang tali, memasang /a/i. Zie ook
haar.
scherf, van verglaasd aardewerk, tèm-
bekar;
scherven, in het algemeen, pë-
tjak-pëtjahan.
schering, van een weefsel, loengtin;
doek met zijden —, ka\'in bïrloengtin
toetëra.
— en inslag, loengtin danpakan.
scherm, voorhang, van dicht aan eik-
ander geregen rotan of bamboe, bidai,
bh/al, keré,
Jav. — of zeil, schuin op-
staand, voor deur of venster, met stut-
ten opgehouden, ebek-, —, schut, din-
ding.
—, gordijn, këlamboe, tirai. —,
schutsel van opgespannen doek, ampa-
jan ka\'in;
van wit katoen, waarachter
de dalaug de wajang vertoont, këlir, Jav.
schermen, met wapens, bérti/at, mai-
dekar;
met armen en beenen —, bersi-
latkan kaki tanga»;
daar er fout ge-
scbermd is, zou het goed zijn bet weer
over te doen, karëna /ërtalah tilat itoe
baiklah tamoela dïhoeloe;
op zijn Me-
uangkabauwscb —, si/at /jara Mënang-
kabau;
met wapens schermend dansen,
mëmën/jak- (van pëntjak) \\ aldus mot twee
goloks —, mtmëntjak galok>; met den
degen —, bërma\'in tendjala, bërma\'in
pedang.
schermkunst, ëlmoe pëndekar.
scherm meester, pëndekar.
schermwapens, l\'ètir.
scherp, goed snijdend, /ailjam; een —
mes, pitau /adjam; een — verstand,
ilfral tadjam; een — gezicht, tnala ta-
djam;
zoo — als glas, dat een zwevende
veder doorsnijdt, tadjamnja tapërti gelat
makan diboeloe terbang;
zeer— vaneen
mes, vlijmend —, makan ta/ap; zeer
■— van wapens en gereedschappen, ran-
tjap;
hot —, do snede van mes of
wapen, mata; aan weerskanten —, ta-
djam bërtimbal. - ,Vo%e\\, peloeroe;
eene
—e lading, obat peloeroe; met — schie-
ten, menembak\' dengan peloeroe. — toe-
loopend, ook van den neus, tnantjoeng.
—, puntig, loentjip. — van een smank,
b.v. van zuur, tering. —, heet van
smaak, pëdat; ook van een knal, van
een geweerschot, vd\\V. —, pijnlijk,
pëdi/i, perih. — van een gevecht, tanga/,
haibat,
Ar. —, streng, kiras. •—e be-
velen, përentah jang kërat.—e uitdruk-
schepnet, om garnalen te vangen, ton-
dong, sërondong;
daarmede vangen, mi
njondong, m\'tnjërondong.
—, om visch
mee uit te scheppen, saoefr-saoek?. Ook
netje aan een stok om vruchten te
plukken.
scheppen, met een spijslepel, mënjoedoe
(van toedoe). — met een lepel, of met
de holle hand, mënfjidoefr; ook —van
viech uit een kaar enz. — met een
kokosdop of iets dergelijks, mën/jeboefr.
—, putten, tnenimba (van timba). —, i
met neergebogen kop iets met de horens \'
—, mejondot (van tondol), mënjëron- j
dong (van sërondong). — met eeoe !
pagaai, më/tyajoeh; met obj. mënga- ,
joehkan;
met eene pagaai naar zich ■
tocseheppen, om het een of ander voor-
werp tot zich te halen, mëngabir (van >
kabir); een luchtje —, mëngambil-ambil .
angin; adem —, btrnafas, bërnapas;
moed —, mêmbêra/iikan dirinja; behagen
—   in ietB, bërkënan akan, sofka-ridla
i>\':i\'n ;
wind —, van een zeil enz., makan
angin;
water —, binnen krijgen, van een
vaartuig, kamatokan ajar, tnatok ui ar. ,
scheppen, doen ontstaan, mëndjadikan.
—, doen zijn, mengadakan.
schepper, formeerder, c/ia/ik, Ar. jang i
mëndjadikan; do — der wereld, cha-
lik-oe^lïilam, Ar. Toehan jang mëndja- \\
dikan tamètta alum.
schepper, nap met een steel, vervaar-
digd van een kokosdop, tiboer, tjentong. \'
—   zonder steel, meestal van kokosdop, ,
tjeboejr. —, aker om mede te putten,
findia.
schepping, kadjadian; de gansche —,
sëgala kadjadian, tatnesta alam takalian.
scheprad, waarmede het water wordt
opgevoerd, kintjir.
■chepriem, kajoeh, pëngajoeh .■ dubbele
—  met aan weerskanten een blad, bëli-
bal;
zie pagaai.
schepsel, kadjadian, machloeje, kr.cha-
Ui-at.
schepter, toengkat karadjaiin.
scheren, van baar of baard, mënijoe-
koer;
met eene schaar, b.v. van de wol,
mënggoenttng boeloe; glad —, van alle
uitsteeksels ontdoen, mëmaras (van pn-
rat).
— van een heg, namelijk de uit-
stckende toppen afsnijden, mëmangkat
(van pangkas). — bij het weven, mëngani
(van ani); over mi kam —, tnënja- i
makan; allen over één kam —, met
-ocr page 655-
scherpen — schichtig.                                         643
kingen gebruiken, tadjam moeloet, moe~ !
loei bisa. —, terdege, van toezien,
luisteren enz., bdik-bdik; van onderzoe- \'
ken, bdik-bdik, dëngan tëlidik, dëngan
saktama.
scherpen» mïmpërtadjamkan ; de wapens
—, mëmpërtadjamkan sëgala shidjafa;
het verstand —, mëngasah pikiran • \'
slijpen, mëngasah. —, aanzetten, zooals :
b.v. de punt van eene kris of een mes, \\
mëngilir
(van kilir>. —, op een fijnen
wetsteen, zooals b.v. scbeermessen en
ander gereedschap, mëmbengis. — van
eene zaag, mèngikir gërgadji (vau kikir).
—  van het gezicht, het verstand enz.
scherp maken, më>iadjamkan{\\v,i\\ tadjam).
scherper, slijper, pëngasah ; aanzetter, |
pëngilir.
scherpheid, tadjam.
8chcri?hoehig( berpïndjoeroe tadjam. \\
Zie hoek.
scherpklïnkend, van de stem, nja-
ring, — van andere geluiden, mërsik. j
scherprechter, beul, përtanda, pile-
baja, atgodjo, Port.
scherpsnüdend, tadjam.
scherpte, tadjam. Zie scherp,
scherpziend, awas, ma/a tadjam.
scherpzinnig, terang boedi, arif, Ar.
—, slim, geslepen, tjèrëdik.
scherts, jokkernij, sënda, goerau, sëloe- ;
roh, laicah; allerlei —, senda-goerau; ,
ook goeraU\'senda; het was slechts —,
boewat mailt sèhadja, tjoema mdin-main
sëhadja.
schertsen, bërgoerati, bërsëloeroh, Ier- \\
sénda, bërsinda-goerau; zie geksche- i
ren en jukken,
schertsend,
dïngan goerau-sënda.
fcichcrtserU, përgoeraaican, sëloeroh, sên-
da-goerau.
scherven, splijten, brokkelen, bërpëtjah-
pt\'jah, zie ald. —, afwerpen van kleine ;
stukjes, b.v. van aardewerk enz., sem- j
pak, sompik.
schets, rantjana, Skr. dinah. —, de
buitenste lijnen of omtrek, kijat; ruwe
—, ontwerp, platte grond, bagan; eene
—  ontwerpen, merantjanakan, mëmpèr-
boewat dinah, mh-eka.
Zie het volgende j
woord. —, teekening, pëta, gambar.
schetsen, de schetslijnen teokenen, më- \'
ngaloek (van ka/oek, schetslijn), mëngoe-
roes.
— naar iets, b.v. eene teekening,
merantjanakan. , ontwerpen, mëreka, j
titëmpërboeicat dinah.
schetsl\\jn; gebogen —-, kaloek. —en
op iets trokken, mingaloek, mëngoeroes.
schetteren, mërsik boenjinja.
scheur, spleet opening, rékah, lëkah,
tjèlah, tisoe.
—en en gaten, b.v. in
een oud gebouw, petjah-be/ali. — in
lijnwaad, papier enz., kojak, tjarik. —,
berst, zie ald.
scheurbuik, sëriawan, ook spruw.
scheuren, bedr. van lijnwaad en derge-
lijken, mtngojak (van kojak), mënjoicek
(van sowk), enz. al naar gelang van de
wijze van — en het onderwerp dat
gescheurd wordt, b.v. iets —, menlja\'
rik;
afgescheurd stuk, tjarik; ook ge-
scheurd ; overal gescheurd, vol scheuren,
tjorak-tjarifr; een klein stuk van iets
—, mënt/ébis, mëntjêbir; een klein af-
gescheurd stuk, tjëbis, tjebir; aan stuk-
ken —, mëntjabik (van tjabik, aan
stukken gescheurd): aan flarden —,
mën/jobak-tjabik, mërobak-rabik, mën-
tjding, mëntjoeicang-ijding;
zijne kleede-
ren —, van smart of toorn, mëntjarik-
tjarik kdinrtja, mëmbëlahkan badjvenja.
—, gescheurd, van papier, geweven
stotfen enz. van een zeker punt tot
naar onderen, tjabir; op verschillende
wijze, tjobar-tjabir. —, gescheurd, aan
den raud geschonden, van papier of
geweven stoffen, tjompang; overal zoo
gescheurd, tjompang-tjamping \\ aan stuk-
ken —, ook mtntjetai. —, uitscheuren,
van een gat, b.v. in een oorlel, wërabit;
gescheurd en aan Harden, in dien zin,
kojak-rabit. —, inscheuren, b.v. van
wonden enz . rabak, rebak; in dunne
reepen of in kleine stukken —, van
dingen, die met de vlakke zijde op
elkander zitten, menji\'at (van stat); den
boel uit elkander —, plukken, mengèr-
nai-ug\'ernai
(van kérnat). —.losgescheurd,
van een tak, b.v. door de zwaarte der
vruchten, S\'kah. —, splijten van iets,
b.v. hout of do grond door de hitte
enz., bèrbëlah.
scheuring, verdeeldheid, përtjidëraiin.
scheut, uitspruitsel, toenas, taroek; en
ook het gras kreeg juist nieuwe scheutjes,
dan roem poet pon sëdang bërtaroek
moeda-moeda.
—, zooveel als men op-
eens uit een kan of tlesch giet, wordt
terugeegeven met slok, tjëgoek, tëgoek.
scheutig, mild, zie ald.
schichtig, schrikachtig, këdjoet-këdjoe*
tan.
-ocr page 656-
SM
schielijk — «chUn.
schielijk, tëkas, sigera, bangat, fjépat, I
pantas, goepoeh, naar gelang van de
omstandigheden, b.v. — loopen, berlari
lëkas, berlari I\'jepai\', berlari dëngan
pan/as.
—, komen, dafang dëngan *i-
gèra.
— voortmnken met werk, mëut-
bangat kan pekerdjaïm.
— maakte hij
dat af, dihabiskannja itoe bangaf-bangat.
—, o vel haast iets doen, wtëmboetcat
barang sasoeicatoe dengan goepoeh-goe-
poeh,
hiervan —■ in alles op vcrschil-
Icnde wij/c, goepoeg-gapah. —, ploUc-
ling, onverwacht, (iba-tiba, sakoenjoeng-
koetijoen g.
schieman, toekang agoeiig. — en bot-
telier in een pei>oon, zooals dat op de
kustvanrders het gebruik is, katap.
schier, bijkans, hampir, njans; zie ald.
schieten, met den boog, memanah (van
panah); elkander —, met elkander aan
het — zijn, bet panah-panah an; over en ,
weer elkander—,panafi-memanah ; eenc
pijl —, me man ah kan anak-paaah. —,
mot een schiet geweer, kanon of pistool,
mïnenwak (van tembak); met los kruit
—, rnëmboewang obal; met geweer —,
meinbedil; met scherp —, mënembak
dengan peloeroe;
met een blaasrocr —,
ménjoempit (van soemp/t); dood—, nië-
nembair
MUM mati; mis—, sa/ah tem-
bal\'.
^1*- Mvnembak- heeft tol obj. het
voorwerp, dat geschoten wordt, waarop
het schot is gericht, ntet dat waarmee
men schiet of wat men wegschiet. —,
tegen elkander in, zoonis bliksemstralen,
vecht hanen enz., saboeiig^inenjaboeng;
naar voren - , onverwachts naar voren
komen, b.v. het hoofd van een kind
bij de geboorte, mèrodjol. — in een
anderen hoek, van den wind, beralih
— naar beneden, u/ënorkik(\\&n loekik).
Men.; uit de hand —, glippen, b.v.
van een touw, loetjoel; stralen —, bër- \\
sinar;
naar iemand toe—, mënërpa fvun
ierpa); in de oogen — van de tranen,
mala morldi berkatja-katja; onderwater
—, duiken, mènjelam (van se/am); te
binnen —, toevallig zich iets herinneren,
tèringat, terkenang ; wortel—, bërakar;
geld- -, memïndjamkan oeicang, ttiëndja-
tankan oeicang;
kuit—, van visschen,
bert e lor ; in het zaad —, moeldi ber-
bidji;
de zon ■—, mëngoekoer tinggi
mata-hari;
de netten —, mëlaboehkan \'
poekai;
ballast—, méngntoerkan todalp- i
bara; een bok-—, tërsalah kata; stralen \'
—, bérsinar, bërptinah; stralen — op,
bérsinar kapada, berpanah kapada ;
tekort—, onvoldoende zijn, tiada ljoe~
kofp;
in gebreke blijven, koerang, tiada
sampai;
onderdoen, titcas; nalatig zijn,
tafcfir. Ar. alpa, lalai.
schieter, met een vuurwapen, orang jarig
ni\'-ifinbuk, peneinbak.
— met een booir,
pëmanah, orang jang memanah.
schietgat, <;csebutpooit, zie ald.
schieti»«*wetT, bedil, zie aeweer,
pistool enz.
schietlood, batoe doega.
seliiiipül. anuk-panah.
schietschijf, WMT, sasaran.
schietsehuit, overvaarboot, tambaugan,
përahoe
(of sampan) tambaugan, p. p»
nambang.
schietspoel, torak, anafr-lorair.
schiet worm, zie mijt.
schiften, scheiden, mëntjeraikan.— van
melk, peijah. —, onderzoeken, mtme-
riksai
(van periksa), mënjélidifr (van
sidik). —, uitpluizen, uitzoeken, tnemi-
Uk
(van pilih).
schitter, orang jang mëntjeraikan, o. j.
mëmeriksa, pê/rjeltdik;
zie het vorige
woord.
schilt hm, pëntjërajau, pilihan, pémërtk-
saiin,
zie schillen.
sch\\jt vn een katrol, kerek,niata,\\i\\\\r.
—, de draai— van een rijtuig, roda,
Sing. — om op te schieten, sascr,
sasaran.
—je, gesneden van suikerriet
of iets dergelijks, dat rond is, toebang
(naml. om de gelijkenis met een oor-
knop); in —jea snijden, mënjoebang.
van een dambord, boetcah papan opit-
apitan, boeicah papan tjatoer.
—, waarop
de diamant zesiepen wordt, tjauai; de
glazen — van een electriseermncbine,
roda. — van een pottenbakker, pëlar\'tk.
— van zon of maan, boe/at. — van
geld, sluk, iep ing; veel schijven heb-
ben, menaroh banjak oeivang (van tut oh).
—, werp—. fjakra, Skr.
schüischieten, mënembak (kapada) sa-
saran, bërbëdil.
sch\\jn, schijnsel, licbtglans, b.v. van
zon of maan of edelgesteente, tjahaja,
sinar.
—, uiterlijk voorkomen, rotpa,
kalihatati;
den — aannemen, poera-
poera;
tlauwe — van iets, dat schielijk
aan het oog voorbijsnelt, këlibat. —,
bedrog, sëmoe; door — bedriegen,
mënjrmoe ■, den — voor het wezen
-ocr page 657-
schünatmval — schild.                                         045
sirhijn-.tri.jili.->., roepanja bërtjidëra, roe-
panja bërsalahan.
schijnvermmtlc, kasoekaan tiada sabH-
narnja, k. t. aoenggoeh-soenggoeh.
schijnvriend, sohbat poera-poera.
schünvrieiidschai>, ptrsohbatan poe-
ra-poera.
schijnvroom -= schijnheilig*.
schijten, berajr. — op iets, beschijten,
mëmberaki; toevallig aan het — raken,
tërberak-, b.v. dan tërberak-beraklah sa-
pandjang djalan, va
raakten aan het
—  den ganseben weg langs.
schilt, orde, atoeran. —, genoegen, ka-
aoekaan; in — zijn met, soekakan. —,
tevredenheid, kastnangan; niet in zijn
—  zijn, tiada aoeka, tiada senang.
schikkeiyk, redelijk, aedang; een —e
prijs, harga jang aedang. —, inschikke-
lijk, toegevend, subar, Ar. —, ordelijk,
bëratoer, dëngan atoeran,
schikken, ordenen, regeleu. mëngatoer,
mëngatoer kan, mëmatoet, mëmatoelkan.
—, besturen, me nitr ent ah kan (van pë-
rentah).
—, vereffenen, mënjëlësaikan
(von sëlësai, geschikt); de kleeding in
orde —, tnimatoet pakajan (v&npaloet).
—, behoorlijk samenvoegen, b.v. van
bloemen tot een ruiker of krans, meran-
tjanakan;
zich naar iemand —, mee*
gaande zijn, mënjarap (van sarap), toe-
roet kahëndak orang.
—, terechtschik*
ken, ordelijk inpakken, b.v. goed in
een kotter enz., bërkëmas-këmas; indien
- het schikt, gelegen komt, kalan dëngan
moeda-moedahan;
zich tot den krijg—,
bërsiap akan bërpërang; in slagorde
stellen, inzonderheid van olifanten,
mëngadjoeng ■ zich tot het werk—, bër-
tadia hëndak bëkërdja;
zich in de om-
standighedeo —, mënjenangkan dirinja
iluliim hal-ahoetcalnja;
zich naar Gods
wil —, taicakkoel pada Allah, letterl.
vertrouwen op God ; in geregelde orde
geschikt, gezeten zijn, doedoefr bëratoer,
doedoefc bërsaf-saf;
het zal zich wel
—, pada kasoedahannja bdik djoega,
ba\'ïk djoega pada achirnja.
Zie verder
du samenstellingen.
i schikking, atoeran, pëngaloeran, përa-
toeran, perentah, rantjana;
zie het vorige
woord.
schil, koelit; zie dop en hulsel.
; schild; klein, rond —, përiaai; daar-
mede een krijgsdans uitroeren, mënari-
\' kan përiaai; groot, langwerpig vierkant,
nemen, bajang-bdjang disanyka toeboeh,
Sprw.; in — iets doen oui ecni! andere
handeling te bedekken, zooals b.v. bij
eeD schijnaanval, mëngatjah; onder den
—  van, porra-poera, sëmoe-si moe; uit
—, karëna tnoeka.
s<-li\\jminuvfil, atjah; eeo — doen,
mtngatjah.
M\'hynliunr, kalihaian, lahir. Ar. — iets
doen "in later iets anders te doen, atjah.
sch\\j "deugd, kabadjikan poera-poera.
•*chü«dood, mati soefi, Perx. ook ka-
mati-matian, njawa aëaat.
sch\\jndoode, orang mati soeri, o. nja-
wavja aësat.
M\'hijin\'ii, glans, gloed, schijnsel geven,
bërtjahaja, bh\'sinar. — van de zoo,
panas; van de maan, tërang boelan,
b.v. de zon schijnt, ada panas; de maan
schijnt, at/a tërang boelan; doen of
laten —, mëntjëhajakan. — van de zon
dour het loof en dus hier en daailicht-
plekkcn vormend, panas bërWau-iëlau.
—, zich voordoen, roepanja; naar het
schijnt, roepanja; naar het schijnt zal
het regenen, hëndafr ada hoedjan roepa-
nja
; het schijnt zoo, roepanja bagitoe.
—, prualvertoon waken, mëtedang ;
ergen? doorheen —, bërbajang-bajang,
b.v. van een wapenstoot, dat de punt
van het wapen aan den anderen kant
doorschijnt; ergens doorheen — van
streken of listen, tfrbajang, b.v. zijne
listen schenen er door, rlk-atnja tërbajang.
— alsof, roepanja sa\'ulah-olah. — onge-
vecr als, roepanja sa\'akau-akan; naar het
schijnt, men zou het er voor houden, / >•■•
panjet, raaanja.
— op iets, bërxinarkan
tjahajanja kapada;
het schijnt mij toe,
pat/a pëng/ihatan aëhaja,pada aangkakoe.
schijngeloof\', iuian poera-poera.
schijnsel uk, salamat jang tiada aoeng-
goeh-aoenggoeh.
sch\\jn grond, dalit jang tiada sah, d.
j. t. bënar.
schijnheilig, moenafik-, Ar.poera-jjoera
soetji.
schijnheilige, orang moemijik\'.
schijnheiligheid, »j/(/£-, Ar. kaaoetjian
poera-poera.
schijnreden, zie schijngrond.
schijnsel, tjahaja; het — van de zon,
tjahaja matahari, van de maan, tjahaja
boelan;
wel te onderscheiden vun zonne-
schijn, panas en maneschijn, tërang boe-
tan.
— in een spiegel, bajang-bajang.
-ocr page 658-
öl-i                                         schilder — schitteren.
schimmel, uitslag, lapoek, koelat, loe-
moet;
zie a-wam.
schimmel, grijs gevlekt paard, koeda
daoek.
schimmelen, uitslaan, blrlapoek, btr-
koelat, berloemoet.
Ook schimmelig.
schimmenrijk, Ulam blrzach, Ar.
schimp, smaad, tjoelja, tjtla, nista;
zijdelingscbe —, sindiran.
schimpdicht, panton sindiran.
schimpen, honen, Bmaden, mentjoetja-
kan, menfjêlakan, menistakan;
zijdelings
—, mtnjindir.
schimp.-f. smaler, ptntjtla, pénista.
sekimperd, tjuetjaiin, tjelaan, stndiran.
schimpnanm, nama sindiran.
schimptaal, behasa tjoepar, perkataiin
tjoepar, maki-maki.
schimpwoord, scheldwoord, maki.
schink, ham, paha babi.
schinkebeen, toelang paha babi.
schinkel, schenkel, paha.
schip, vaartuig, plrahoe, bahtra. —niet
van inlondsch maaksel, kapal. —, voor
al de samenstellingen en bepalingen,
zie ald.
schipbreuk, karam kapal. — lijden,
ktna karam. — doen lijden, mengaram-
kan.
schipbreukeling, orang jang ktna
karam;
belooning voor het redden vnn
—en, ganloeng lajar.
schipbru**, djtboeng, Mal.
scldphnnk, penggalah.
schiploon, opah mlnoempang.
schipper, pauratig perahoe, nachoda,
Perz. djoerngan.
schipperen, overwegen en naar raio
geven, kira kira dan ktdarkan, doega-
doega lan watara,
Jav.
schitteren, flikkeren, blrkilal-kilal,
mlmantjar-mantjar kilal, memantjar-
manfjar tjahaja;
eene stad doen —,
niimantjarkan nvgari (van pantjar). —,
flikkeren, ook girlap, goemirlap; van
vele voorwerpen, goemirlapan. —, blin-
ken, van juweelen, regen of dauw-
droppels, stenen enz., berkilau-kilau-
Kan, tjerèlang, tjrmerlang.
—, blinken
met een vuurgloed, van de ondergaande
zon, be"rkonang-konang; b.v. de zon gaat
schitterend onder, matahari masoek ber-
konang\'konang.
—, blinken, ook gi/ang-
goemilang,
ook van den glans der maan;
—, flikkeren, glinsteren, van de oogen,
een spiegel, den blikscin.-\'e/jeWiw^, fêp<êr-
houten —, in het midden smaller dan
aan de einden, voornamelijk >n gebruik
bij de Tiinoreezen, kïlasak; klein, rond,
houten —, oetar-oetar. —, voorname*
lijk in gebruik bij de zeeroovers, \'>>■•-
heug;
klein, koperen —, tadjoehan;
koperen of lederen —, dadap. — van
butfelleder, djtbang. — van een schild- i
pad, sisik, koelit pënnjoe; in het —
voeren, btrnijat. —, bescherming, be-
schutting, pfriindoengan, b.v. (iod is
mijn —, Allah djoega ptrlindoengankoe. \\
schilder, ftnoehê gambar, toekang gam~
bar. —, verver, toekang tjat.
schilderachtig, fnini van een land- i
schap, permai. — in het algemeen, \\
endah-endah sapërli ditoelis roepanja.
schilderen, mlnoelis gambar, menoelïs
pïta.
— , teekenen, ook meloekis; op
Javaansche wijze kleedjes bo-—, mcM\' j
batij:. —, verven, mïnjapoekan tjat.
schilderhuisje, roemtth monjet,
schilderij, ptta, gambar, toelisan, loe- ,
kitan.
schilderkunst, ëlmoe menoelis pela.
schilderwerk* als versiering op iets,
b.v. bloemen enz. op eene vans, song-
geng.
schildknaap* bantara, bidoeicanda, \\
djoewak.
schildpad,zoowel land- als zee—,koera-
koera.
— die bet schildpad levert, sisil-;
het —, sisi^, karet; zee—, welks vlccsch
eetbaar is, doch welks schild niet ge-
bruikt wordt, pênnjoe; kleine, oneetbare j
zoetwater—, tabi-labi,- groote land-, \'
baning; een andere soort, boeloes. •—, ■
die zeer groote eieren legt, kambaa.
schildpadden, Hijv. nw. sisik, dart- \\
pada sisik, ptnnjoe Jav.
schildwacht, man op post, plngawal,
sêkilwak; op — stann, btrkawal.
schilfer, een nfgeschilferd stukje, «e\'re\'-
pih. —, schubbe, sisik. —s op het
hoofd, keiemoe moer. üie loovertje.
schilferen, afschilfeien, zie ald.
schiliertnlk, fjérPmin batoe.
schillen, mëngofpas (van koepas, gc-
sehild); aardappelen—, mhigoepas kin-
tang.
—, den bast van boomen afhalen,
mhitjaroek, b.v. hout dat geschild is,
kajoe jang ditjaroek koelilnja. —, ont- !
bolsteren, mhigoebak.
Hcliiiu, schaduw, bajang-bajang. —,
spook, kantoe. —■, verschijning, visioen,
chajal. Ar.
-ocr page 659-
schitterend
lang. —, vao eene hoogrood* kleur, I
mëndjerau. —, van sieraden enz. ook,
sinaran.
schitterend = schitteren.—,duide- ,
lijk zichll);inr, gër/ah.—, van eene hoos-
roode kleur, djerau.
schittering, kilat.
schobbejak, schubbenpantser, lamina,
laminah.
schoeien, een scboeiing inaken, m\\ m-
boeKiit ambaroe; op ééne leest —, «t2-
njamakan.
achoeiïti<*, ambaroe; datgene, waartegen
de golven aanslaan, toempoean haroes, \\
— van een rivier, een terras enz., tamhak,
si\'liui\'i i ►limit, papan ambaroe.
schoeisel, kasoet, sepatoe,
schoelje, zie schurk,
schoen, kasoet, sepatoe, padoeka, Skr, |
kauts, Ar, — van lang gras en touw,
door de (\'hïneezen op de peper-en gani-
birplantages gebruikt, kasoet italang.
schoenborstel, sikal kasoet, sikal së-
patoe.
schoendrund, bënang sepatoe.
schoener, tweern ast vaartuig, waarvan
de achterste mast geen ra\'s heeft, kapal
tïngah doeica Hang, satah-satahan, së-
koenër.
sehoenhoorn, pëngtjah kasoet,
schoenlapper, toekang sepatoe.
schoenieder, koelit sepatoe.
schoenleest, këleboet kasoet, k. sPpatoe.
schoenmaker, toekang kasoet, toekang
sepatoe.
-..•]nH\'iiini«luTSiiuih:n-l il ,/■•■\'.>, (fjaÜH
toekang kasoet, p. t. sepatoe.
Hchoenmakersels, pënggerek toekang ;
kasoet, p. t, sepatoe.
schoenmakerHgaren, bënang kasoet,
b. sepatoe.
schoennaad, djahitan kasoet, dj. se-
patoe.
schoenpin, pakon kasoet, p. sepatoe.
sehoenriem, tali kasoet, t. sepatoe.
schoensmeer, tinta sepatoe.
schoenzool, tapak sepatoe.
schoileerder, peroegoel, oratig jang
mtnggagahi ptrampoewan.
scholl\'eeren, mëroegoel, mlnggagahi
orang përampoetcan.
schollel, soedoek. —, wiedijzer, tadjak.
schollelen, met een schotiel werken,
mënjoedoek, mënadjak.
schoft, een vierde van een dag, sapër-
o in pat hart, —, schouder, bahoe. — ■
— schoon.                                        647
voorlijf van een dier, gotnba. —, schurk,
schoelje, zie ald.
schoften, berhënlt hëndak makan.
schofttyd, schoftuur, koelika bërktnti
héndak makan.
schok, stoot, zooals ia een voertuig,
bant\'ing; electrische —, dennjoet.
schokken, van eene kar enz., mémban-
ting-bantïng;
geschokt worden in eene
kar enz., dibanttng-lmntiug. — van het
gemoed, mënggërakkan had, mënghuroe-
kan halt.
schokker, e. s. v. vaartuig, tongkang,
schol, de visch, ikan saoe btlanga, ikan
sëbëlah.
scholier, boedak- tëmpat beladjar, moe-
rid,
Ar. pëladjar, boedak: sekolah,
schommel, boewajan, ajoenan, —zon-
der leuning, boewajan todjang,
schommelen, mëmboewai, bërajoen,
niëngajoen.
—, heen en weer schudden,
b.v. van water in een eniiner of vat,
bërgonfjang, bërgojang, vling-oling, dit
laatste ook — van ecu vaartuig door
de golven. —, overhoophalen, zie ald.
schommeling* boetcajan, ajoenan,gon-
tjang, oling,
zie het vurige woord.
schommeltouw. tali pemboetcai.
schoot\', bundel, berkas, ikat, gr mal;
tot schooven maken, membërkasi; tot
schouven gebonden, berge mal-gimal.
schooien, bedelen, mint a-mint a ; overal
—  om wat op te loopen, koemat-kapai.
Zie voddenhrubben.
schooier, bangsat, orang i/rinta~miuta,
zie voddenkrnhher.
school, het begrip is Kuropeescb, dus,
—    op Europeesehe manier, sekolah,
—, waar men leert lezen, voorname-
lijk den Kovar\\,pë}igadjian,soerau,laï/g-
gar,
Jav. —, aan eene moskee ver-
bonden, mandarsah; ter schole gaan,
ptrgi mengadji; uit de — klappen,
iiivmboi-ka rahasia.
school, menigto, verzameling, inzonder-
heid van visseben, këloempoeng; bij
scholen, bt\'rkè\'loewpoengan.
schoolbchoeften, përkakas sekolah.
schoolbord, papa» toelis.
schoolgeld, bielandja sekolah.
■choolmakher, sapëngadjian, tëman
sekolah.
choolmeester, goeroe, moealim, Ar.
choon, fraai, elok, bagoes, përmai, dit
laatste ook van de stem en een land-
schap. —, kostbaar, b.v. van meubels,
-ocr page 660-
04^
schoon — schooven.
genomen kind van een paar gehuwde
lieden trouwt mot een van hun beider
eigen kinderen, dan worden die ouders
besan sabantal genoemd.
schoonpraat,\'"<?e-/iW manis, lidahplm-
boedjut-k.
schooni>rn.ter, pelmboedjoefc.
schooiiMchyuend, vlok pada \\ahir
se/iadja.
schoonvader, mtntoeica ■ ter onder-
scheiding van schoonmoeder, mentoewa
faki-/aki;
zie ook schoonouders.
schoonvegen, van een slagveld, eene
ingenomen stad enz., mtngkampëlas,&. i.
glad-naken, polijsten.
schoonzoon, minantoe; ter onderschei*
ding van schoondochter, minantoe laki-
laki.
schoonzuster, ipar; ter onderscheiding
van schoonbroedcr, ipar perampoewan.
schoor, stut, schuiu tegen iets gezet,
sokong. — voor een dak legen de
weBtewinden, sokong borat. —, stut,
onder iets, lorndjany. — voor hel zeil op
inlandschc vaartuigen, toembak sujang.
schoot-paul, tiang sokong, Hang toen-
djang.
schoorsteen; —pijp, tjorong asap, sent\'
prang,
Jav. —tje hoven een lampeglas,
stookpijp, enz., le/aga soelang. —tje
van een percussie-geweer, ptrsoemboean.
schoorvoeten, aarzelen, zie ald. —,
de voeten schoor of schrap zetten, bi-r-
toempoe kaki, nmwempoekan kaki.
schoorvoetend, pertahan-la/ian, zie
iiiir/i\'li\'inl.
schoot, van een zeil, tali daman. —,
bras, kelat. — van een kleed, pantjoeng.
—, bocht aan het onderlijf, ribaan,
karibaan, pang koe;
op den — houden,
werifa, mémangkoe; op den — zetten,
van oen kind, melétakkan pada ribaan.
—, baarmoeder, rahün Ar. Zie ald.;
de handen op den —, zie bij hand;
in den — der aarde, didatam boe mi;
het hoofd in den — leggen, hukken,
toendoek.
schoolgaan, van een vlieger, nonjoet,
joesir.
—, over den kop gaan, van een
vlieger, menikam kaiawah.
schoolkind, anak jong diribat anak
jang dipangkoe.
schootvrij, zie onkwetsbaar.
schooven, tot schooven binden, mem-
barkas, menggemal.
Zie schooi\'; rijst
tot bossen binden, nitngikal padi.
gebouwen, klecderen enz., endah-endah.
—, bevallig, van gelaat, tjantik, elok,
moedjïlis,
Ar. —, fraai in den hoog-
-ten graad, bisai. —, gun&tig, geschikt,
van de ligging, tampon, b.v. kadoedoe-
kannja poel au itne térlaloe tampon,
de
ligging van dat eiland was zeer —;
bet —e of lijne van iets, feW.—, rein,
tiêrtsih, soetji, tfiria. —, belder, trans-
parant, djïrinih, kening, bening, Jav.
—, geschikt, baik, senang, b.v. eene
— e gelegenheid, MM jang baik, teek-
toe ja»// baik, w. j. senang.
—, weel*
derig, vet, van planten, toebon-. —op,
poenah; van eten, toeinbas, halls toembas.
—  opmaken, tot het laatste ftiertje op-
makeu, utênuembaskan.
«ebooii, ni-i-ii...,j,. alhoewel, zie ald.
schoonbroeder, ipar, ter onderschei*
ding van schoonzuster, ipar ïaki-taki.
—, vrouws broeder, biras.
schoondochter, minantoe; ter onder-
scheiding van schoonzoon, minantoe pér-
ampueican.
schooue, pïrampoewan jattg elok pa-
rasnja.
schoonheid, kaèlokan, kabagoesan.
schoonhouden, nttmtliharakan bt-
rtsih.
schoonhlinkend, baik boenjinja.
schoon maken, mimpïrtsiAkan, Mr
njoetjikan; schoongemaakt, in orde,
klaar, gereed, tjhoeh, Mal. — van
visch, groente, een tuin enz., bersiang,
memperstang.
Ook — door het o ver-
lollige hout weg Ie kappen. — van
vruchten en groenten, door er bet uit-
stekende, of ondereinde, of overtollige
loof al\' te snijden, zooals b.v. radijs
en dergcl., memanykas (van pangkas).
—  van katoen met de snaar van een
boog, Mtmboesar kapas. — door het
kreupelhout weg te hakken, uie/iëba*
(van tcbas).
schoonmoeder, uiènioewa; ter on-
derscheiding van schoonvader, itiên-
toewa pïrampoewan.
Zie ook schoon-
oudera.
schoonouders, ntentoewa. TH weder-
zijdsche — ten opzichte tuu elkauder
heeten besan en worden onderscheiden
in besan laki-laki, de wederzijdschc
schoonvaders en besan perampoe icon,
de wcderzijdsehe schoonmoeders; tot
elkander in die betrekking staan, bh--
besan.
Wanneer een voorkind of aan-
-ocr page 661-
scliooverzeil — schouder                                      041)
schooverxeil, lajar agoeng,
schop, zie schommel.
ntcliop, spa, phiggali, sëkop, verb.
Mchoppen. zie achommelen.
Mchoppen; met voet ut\' poot zij- of
achterwaarts —, menjepak (van sepak);
met de binnenzijde van den voet, w/f* j
njepak siltt; met de buitenzijde van den
voet, mhtjepak singkoer. — met bet
scheenbeen, mëmhenteh,- iemand — en ■
trappen, t\'endany-ieradjang. — .trappen,
naar voren met de voeten of voorpooten, \\
■mëiieradjang
(van tëradjang.—, met het
ondersta van den voet oen trap geven, i
n.ëatndang (vna Vanlang); op zij —,
van zijne plaats —, Ménqoe\\ciskan (van
kueieis), b.v. mengoewiskan tikar diha~
da pan bïndahara,
de raat weg— in
tegenwoordigheid van den Hijksbestier-
der; een standje —, mtnjerantang (van
steantang).
««■hoppen, in liet kaartspel, sékopong.
wlior, heesch, para», si-rak.
schoren, stutten, mënjokong (van S0\' l
long), nienoendjang (van ioendjang). Zie
•««-hoor.
schorheid, kasërakan, parav.
schorpioen, kaI\'atljtuyking; e. 3. v. zeer j
grooten —, kttotugging. —, het ge-
•tante, biutang kala, nkrab, Ar.
•chorremorrie, gepeupel, orang UtUh
dina.
•chorn, koelit; boom—, koelit kajoe; :
gedeelte naar binnen gegroeide —, ba- \\
loi-ng koelit,
wordt als een slecht teeken
beschouwd.
«ehorwen, van de schors ontdoen, mëng-
oepas koelit
(van koepas), mëmboetcang ,
koelit. —, uitstellen, mempërtanggoea-
kan.
—, lijdelijk ontzetten, mëmpër- \\
heaïtkan;
voor goed ontslaan, meme-
tjat kan
(van péfjat).
•chorsins, uitstel, pérlangyoehan. —, \'
perheittian,
schort, om den middel en tusschen de !
beencn doorgehaald, tjatcat; zulk een \'
— aanhebben, bèrtjaicat; doek voor zulk
een — gebruikt, kain Ijaicat,
•ehorten, haperen, dvxen, korrang,h.v. !
wat schort u, apa koerang.
schot, van een vuurwapen, das, b.v.
een eerbewijzing van vijftien schoten,
hor mat lima-bëlas das; wij deden drie
geweerschoten, kamt pasavg bëdil liga
das;
een — doon iuet een kanon, ook j
tmnembak (van tembak), b.v. vier schoten \'
doen met het geschut, mënembak empat
poetjoek;
een — doen om het stuk
vau zijn lading tu bevrijden, mëmboe-
tcang obat;
pijl—, pemanah ; een pijl—
ver, sapemanah djaoehnja,
schot, snelle voortgang, ladjoe. — van
een vaartuig, ladjoe pérahue. —, spoed,
bangal, b.v. er moet wat —bij, hèndak
bamjat sëdikit\';
er — achter zetten,
membangatkan jjèkerdjaiin.
schot, beschot, dtndi,tg,■ ook van een
kar of wagen; schotten aan iets maken,
m\'tndinding.—, schutting, pagar; schot-
ten rondom iets maken, mëmagari; tus-
seben —, sakat; een daarmede aige-
schoten vertrek, bil ik her sak at; een —
ergens voor steken, mënjakat.
schot, belasting, tjoekai, beja.
schotel, pinygan; ronde —, pinggan
lingkar;
een ovale —, pinggan djorong;
groote, aarden —, sahan ; grootc, vlakke
—  op voel, kërikal. --tje, piring; sam-
bal —tje, piring sambal. —tje, dat bij
een kopje behoort, pinggan alas tjatvatt;
ook alleen alas fjaican. —tje van ecne
inlandsche lamp, daoen pëlita; ruw,
aarden —tje, waarop de sambal fijn-
gewreven wordt, tjowek; ïioote koperen
—   op voet, pa/iar; iets kleiner, s\'ém-
bërip;
nog iets kleiner, met deksel,
talam. — of metalen schaal voor de
benoodigdheden bij bet bételkauwen,
tjtraua; zulk een — in den vorm van
een schuitje, tjërana bidoefr.—, gerecht,
hidangan, sadjian.
acholeldoeli, vnatdoek, kain kësat.
schotelen, opdisschen, zie ald.
schotelliltlten, panlikken, zie ald.
schotelrak of rek. para-para, lekar.
schotel water, aj\'ar pëmbasoeh pinggan.
■chotsch, zie bij scheef. —e ruit,
zie bij ruit.
schotschrift, soeral sindiran.
schotvrü, zie onkwetsbaar.
schouder, ba/toe, poendak, Jav.; op —
houden, van een geweer of sabel, mënti~
koel
(van pikoel); op zijne —s torsen
of nemen, mënanggoeng (van tauggneng);
op de —8 van iemand laden, ménang-
goengkan;
op de —s dragen, zie dra-
een; op do —b zitten, zie zitten.
—  legen — leunend, bërsendel bahve;
over den — hebben hangen, b.v. een
tasch of iets dergel., bërsëlepang; over
den — slaan, b.v. een zakdoek, saroeng
enz., mèvjèlempang; met bep. obj.
M
-ocr page 662-
650                                schouderader — schreeuwen.
itiënjëlempaitykan (vnn srlempany); over
den — aanzien, minyerliny di-uyau ekoer
mata
(van k\'erlitty).
schouderader, uerat bithoe.
schouderband, tali bakoe; voor een
sabel of iets dergel. koppel, san/lang.
— van zijde, met goud gestikt, die
aan het hol\' door do vrouwelijke bedicu-
den bij plechtige gelegenheden wordt
gedragen, terwijl zij «ene dikke waskaars
in de hand houden, selampai.
Hcliouderbeen, toelany bakoe.
schouderblad, belikat, tamparan nja~
mok, toelany kipat.
schouderen, zie bij schouder.
BchouderhwRst, van een Ind. officier,
dja/nboe-djambue bithoe.
ai\'bouderlnpi tampal bakoe; gele, bo-
stikte —, door de hof bedienden op den
linkerschouder gedragen, tetampan.
schouderriem, riem die over één
schouder hangt, b.v. zooals voor een
zwaard, sandany; aan zulk een —
dragen, menjandany ,■ dragende zijn, btf-
sanduvykan;
iets daaraan dragen, of
omdoen, menjandanykan. —, bandelier,
ook st/epany; zie Kchouderband.
schout, vim politie, marinjo, 1\'ort. tor*
wan sekot.
schouwburg; Eur. —, zooals te lïa-
tavia en elders, kutttedi.
schouwen, bezien, mëlihati,- onderzoe-
ken, memcriksui (vanpèriksa);geschouwd
worden, kèna lëntany.
schouwing, onderzoek, pëmëriksaun.
schouwplunts, waar iets merkwaar
digs te zien is, tem pat tamasja.
schouwspel, openbare vertooning van
iets, tamasja; inlandsch poppen—,
icajany.
schouwspeler; inlandsche —,dalany,
oraity bërma\'m icajany.
schraag, koeda-koeda ; houten schragen, :
zooals die, waurvan een tiuimuicrman \'
zich bedient, kitik-kilikan; een vaar-
tuig op schragen of stutten zetten, b.v.
om het ie kunnen repareeien, mëngga-
tang kapal
(of perahoe).
schraal, mager, koeroes; van eeno
Vracht of een kind, denykeL —, voor- \\
lijk, van den wind, sak at; een schrale
wind. anyin sakal; namelijk in dien
zin en niet — van den wind als den
plantengroei tegenhoudend. —, weinig,
s\'edtkit, dèttyan sidikit.
schraalhuns, orany kikir.
schraalheid, kakoeranyan.
schraap, kikis.
schraapnehtig, kikisan.
schraapuzer, besi penyikU.
schrauptod, kikisan.
«chnuip/ucht, (ama, Ar. kakikiran.
schrab, garis, kërok, kikis.
schrabben, mënyikis, mënyërok, mïng-
yaris.
schrabber, penyikis, pëKgeroJc.
schrabsel, kikisan, kërokan.
schragen, steunen, stutten, ménjoko/iy
(van sukony), mënoendjang (van turn-
djangi.
—, helpen, bijstaan, membantoe.
schram, lichte wond, paroet. —, zon-
der bloeding, tja/ar. —, krab, goris.
schrammen,slechts de opperhuid upen-
rijten, van oen wapen, mër\'étas, b.v.
kërismoe tiada mirétas djanyat, uwe
kris schramt de opperhuid niet.
schrander, tjendik; een — uiterlijk
of oog, mata tjérëdik. —, vlug van
begrip, ërti; een — mensch, orany
ërti.
Ook petah, ürif. Ar. — en beleid-
vol itrif\' bidjairsana.
schranderheid, verstand, akal, Ar.
schraiiNen, stout eten, bet ah maka».
schrap, met iels scherps, yaris. —,
kra?, streep, yoris. Zie streep,
schrapen, schrabben, zie ald.; met de
vingers als met een hark bijeen—,
mènyokot (van kokot); met de beide
handen bijeen—, nitngaoel (van kaoet);
aldus naur zich toestrijken, méraoep.
schraper, vrek, orany kikir, orany tjëli.
schraperitj, kikir.
schrappen, doorhalen, van hetgeschre-
vene, mëmarany (van parang), mënyha-
poeskan.
schrapsel, kikisan.
schrede, lanykah; twee of drie —n,
doeira tiya lanykah; een — doen, ber-
iangkah;
geen ■— kunnen doen, tiada
terlanykah;
een gelukkige, eerste —,
lanykah moedjoer; met looino—n, tiada
terlanykah kaki;
hierheen zijn —n rich-
ten, bertapak kamari. —, halfspringende
stap, djauykah; zulke —n doen, ttitn-
djaugkah
; met groote —, van iemands
gang, tjakah; mei rassebe —n, dènyait
pantas djalannja, berlari-lari.
schreef, streep, yaris, yoris.
schreeuw, tarejak, roetcah, djëril.
schreeuwbek, pèndj\'erit, orany btrta-
rejak, orany gadoeh.
schreeuwen, bërtareja\\\'; gillend —,
-ocr page 663-
schreeuwer — schrijven.                                     651
schouders van iemand zitten, bêrdjoe-
lang;
iemand zoo dragen, mendjoelang.
schrijden, schreden maken, melangkak ,-
half springende —, mendjangkah. —,
voortschrijden, berdjalan; langzaam—,
berdjalan pertahan-tahan.
schrijt behoeften, perkakas toelis.
schrijfhoelc, soerat.
schryfhord, papan toelis.
schrijffout, salah mènjoerat, salah me\'
noelis.
schrijfifeld, opah mènjoerat, opah më-
noetis.
Hchruf^ereedschup./^ri-a/\'aXffiè\'M/W-
rat, perkakas menoelis.
schrjjtinkt, daicat. Ar. op Java tinla.
si-hrgf Unbinet, schrijl kamer, schiijf-
kantuor, bit ik menoelis, tempat mènjoerat.
Hchrü* kistje, seurijfnécessaire, kete-
mëndan
,
schrijf kunst, Il moe mènjoerat, ëlmoe
m\'enoilis.
schrijllelter, hoeroef soeralant h. toe-
lisan.
schrülloon, opah mènjoerat, opah me-
twelis.
schryflust, lust om geschriften op te
stellen, soeka mëngarang soerat; lust in
het schrijven, soeka mènjoerat, soeka
menoelis.
schrijfpapier, karta* soerat, karfas
toelis.
schrijfpen, kalam, Ar.
schrijfplitnlt je, papa?i toelis.
schrijftafeltje, bordje, loh, Ar. papan
loh.
schrijfteeken, letter, hon\'oef, Ar.
schrijfwerk,pëkerdjadn loelis-mènoelis.
schrijnen, scherpe pijn, pèrih, ook
pëdih.
sein uu werker, toekang kajoe jang
mhnperboetcat koerst almari, toekang
koersi almari,
schrijven, menoelis, mènjoerat; dicht
opeen —, menoelis rapat; wijd uit
elkander —, menoelis renggang. — op
een tafeltje of lei, menoelis dalam pa-
pon;
een boek —.opstellen, mëngarang
soerat, mëngarang kitab;
geschreven
staan, vermeld zijn, tèrsëboet. b.v. ia
de Koran staat geschrevea, tèrsëboet
dalam kitab
fron; geschreven, aan het
Blot van een brief bij de dateering,
térsoerat, tèrmak\'toeb, Ar. b.v. geschrc-
ven den 12en Moharram, tvrmak-toeb
pada doeica-bëlas Aat
; boetan Moharram ;
van menschen, tëmpik. — en roepen,
tëmpik-soeral: —, jammeren, menf/hèrik ;
gillend —, zooals varkens, mendjerit;
<>uk van oienschen gebruikt. —, rumoer
maken, kcriaii; maak geen geschreeuw,
djangan keriau; ook berkerian. —.janken,
zooals dwingende kinderen, tjiar. —,
roepen, zie ald.; veel geschreeuw en wei-
oig wol, fiftah chabar dari roepa.Sprvt.
scli ree 11 wer, schrecuwleelijk.scbrecuw-
bek, pendjtrit.
•ehreeuwerij*, tjoepar. —e tanl, zoo-
al» bij het gemeeno volk, bèhasa tjoepar.
schreeuwlceiyk, zie «chreeuwer.
schrcit\'n, wecnen, menangis t^van tangis<;
klagend —, van pijn of droerheid,
mtnghèrik; hard —, met langgerekte
stem, meraoeng ; weekingen en —, vm-
ratap dan meraoeng;
bitter—, menangis
tërsedïh-sedih ;
gcininenlijk —,bertangis-
taugisan, tan gis-menangis. ■
— over iets,
mlnangiskan; zie beweenen. — als
een kind om de borst der moeder, be-
tareak-t^reak* saperii boedak- kalaparan
soesoe.
schreier, pènangis.
sehreierijj;, soeka menangis.
schriel, karig, zie uld.
schrift, soeratan, toelisan; loopend —,
soeratan burpangkoe, —, hand van schrij-
ven, btkas tangan menoelis, chat. Ar.
—, schriftelijk bewijs, soerat tanda
tangan.
—, geschreven boek, soerat,
kitab,
Ar; de —, de Heilige—,alkiidb,
kit aboe\' f koedoes.
schriftelijk* térsoerat, térloelis, dengan
soerat, dengan toelisan;
een — bewijs,
soerat tanda tangan; een — verbond,
perdjandjian jang térsoerat. — anlwooi-
den, mèmbulas diatcab dengan soerat.
schrift-» e leerde, pandiia, kd(ib, Ar.
de —n, segala ulema, Ar.
schriftuelecrdheid, êttnoe kitab.
schriftmuliK, satoedjoe dengan boenji
alkitab.
schriftuur, zie bij schrift.
schriftuurlijk = schriftmntig.
schrifluurplnats, uit de Heilige
Schrift geciteerde bewijsplaats, dalil, Ar.
schriftwoord,pèrkataim alkitab, boenji
alkitab.
schr\\jdeliiitfs, op iets zitten, b.v. zoo-
»i- op een paard, mengangkang (van
kangkang, wijdbeens); ook tjtlapafc;
op toevallige wijze — komen te zitten,
iërtjëlapak. —, o|> den nek of een der
-ocr page 664-
652                                        «chrüver — schudden.
voor bet voorhoofd geschreven staan, \'
terpoepofc pat/a lening.
N<-lirijver, penjoerat, penot-lis, djoeroe-
toelis, katib,
Ar. —, opsteller, pënya- \'
ra&g, sa/fib, Ar. Dit laatste bcteekent
eigenlijk beer, b.v. sahi\'joe\'/hikiijat. Ar.
de heer van het verbaal = jaag ent-
poenja tji_ritëra;
voornaamste — , hoofd
der schrijvers, bij een Vorst, geheim-
schrijver, secretaris, karkoen.
■chrikt kèdjaet; door — bevangen, ver-
schrikt. Lakei!joel tin, tërkedjoet. —■ aan-
jagen, wf/iyédjoetkau. — iianjagend,
nok van woorden, gerantany.
schrikuchti^. soeka tërkedjoet.
schrikbarend, verschrikkelijk, haibal,
Ar. haibiUi, Ar.
schrik t.....1\' I. roe pa haibat,
schrikkeldn*;, jaum kabisat, Ar.
schrikkelijk, zeer, erg, sangat, amat, j
terlaloe.
schrikkeljmir, sanat kabisat, Ar.
schrikkelmnnnd, sjahr kabisat. Ar. \\
schrikken, këdjoet; verschrikt, tërkë~ .
djoet, katjet, Jav. Zie opschrikken.
schrik wekkend, inënyrdjoetkan. Aai-
ban,
Ar.
schril, v. e. stem, njariny, rësik.
**rhrobbeerin<j; iemand eene — geven,
den mantel uitkloppen,M\'7/i£j«ar<i orang.
«ehrobnet, poekat.
schroef, sikiroep. — om iets in vast
te zetten, rayoem.
HrhrocfdrHud, pel\'tr Uit, oclir-oetir.
schroefslcutel, koentji s\'fkëroep.
s.\'hrui\'lsloh, rayoem.
schroeien, zengen, onz. hangues; ook j
geschroeid: licdr. minyhanyoeskan; met
en heet ijzer —, ménjëlar, mënjë/oer j
(van se/ar en stlocr, geschroeid); even \'
boven het vuur —, zengen, mënyyany
gany
; even in de pa» —, b.v. rauw ;
vleesch of vet, mënyëlas (van kelas).—, j
ïn heet water duiupelen, mentjë/oer.
schroevedrimier, oebin, pëmoetar sé- \\
kaoep.
schroeven, w\'ftitorfar siktroep.
schrok, gulzigaind, pëndëmap, pëlahap,
orang yilni-djoh, urnng rakoes,
Jav.
seli rokticli I i-_z, zie schrokki;*.
schrokken, gulzig inzwelgcn, mèntja-
roek, uielotluef,
—, opschrokken, opdat
een ander niets zou krijgen, mëmolok\'
(van po/ok).
«chrokkij», demap, lahap, ge/oedjoA,
rakoes,
Jav. bosor.
                                    \'
schromelijk, zie vreeseltfk.
schromen, takoet.
schrompelen, zie rimpelen.
H<\'hrompeli<;, zie rimpelig.
schroom, takoet.
schroom valliir.w/fl/i^, takoet, pénakoet.
nchroot, schiethagel, pënaboer, penant\'
boer, mimis;
kanon —, boeirah anggoer
bësi.
schub, van dieren en planten, rink.
Hcliulmchti<£, saptrti sïsik, saroepa
sisik.
schubben, de schubben afnemen, m\'et/ji-
sik, wmboemany sisik;
geschubd, van
scliHbben voorzien, bërsistk.
schubbijï, vol schubben, pïmoeh dïngan
sisik.
Nchubtlier; het —, tènygiliity, trëny-
gi/iny,
Jav.
schubviMch, ikan jany bërsistk.
schuchter, matoe, takoet.
schuddebollen, mèiijtnygoet (van séng-
yoef).
schudden, hiervoor verschillende woor-
den, al naar de wijze van —. b.v.
zacht heen en weder —, yojang, bër-
yojang;
aan het — raken, teryojaiiy;
iets aldus —, mënyyojanykan. —, ster-
ker dan het vorige, gonijany, bëryon-
tjany;
aan het — raken, tëryontjang ;
iets of aan iets —, viënygonfjany; de
hand — bij het nfscheidneroen, mhtg-
gontjang-gnnijang tanyan ;
bet hoofd—,
rnenyyontjany kapa/a; h ij werd door
hem geschud, doch bewoog zich niet,
diyontjangnja tiada bêrgërak\'; het hoofd
—, ook menyyërakkan kapa/a, niënyyi\'
Utig kapa/a, mënyo/ing-olingkan kapa/a;
met het hoofd heen en weder —, b.v.
uit weerspannigheid, më/inggang-ling-
gany kapala,
b v. maka bnedak itoepon
menai/f/is dan kapalanja di/inyyang-
liiiygnngnja,
dat kind nu weende on
schudde met zijn hoofd al been en
weder. — bij het lachen, keielf heen
en weder —, zooals van iets, dut men
wil wasschen, wëngintjah (van kintjah).
— van speelkaurton, kinfjuv, mëmban-
fjoe/i, kopok,
ook mmyotiny.—, schom-
tuelen van vloeistoffen in een vat, onz.
bërkotjak; bedr. in eene ftWh iets —,
mènyotjok (van kotjok). — van eene
maat, bedr. mënyënfak-hitak; met het
nchteiBte onder bet gaan heen en weder
—, bërajak-ajak, btrdjalan bërtinting;
heen en weder —, om iets los te ma-
-ocr page 665-
653
schudding — schuin.
ken, b.v. een paal enz., mëngogah (van \'
ogah)\\ op eene wan heen en weder—,
zooals b.v, meel, rijst, stofgoud enz.
(HB het grove van het fijne at\' te schei- i
den, inhigindaiig (van indang)t menin-
tttig
(van tint ing); van rijst op eene
wan om de groute korrels af te zon-
deren, mëngadang-adaug; heen en weder
—, zooals b.v. de kossem van een os,
gëdabir. —, trillen, zooals b.v. een
boom, eene stoomboot door de werking
der machine, gëgar; met het bovenste
hoen en weder —, koewat; bij vouit-
during of herhaling, koewal-koetcal.
van den grond, bij aardbeving, bër- \'
gëmpa, beigenfar.
Zie beven. —, be-
wegen, b.v. van het lichaam, birgerak; ■
zie bewegen. — met de vederen
van vogels, om zich schoon Ie maken,
uthtgirai\'iigiraikaH boetoe (van kirah,
ook mengirap (van kirap); uit de holle
hand ut iets anders in den mond —
van iets droogs, b.v. een poeder of
suiker, mënonggak: (van tonggak). Zie
verder de &nuienstellingcn.
schuddini*, in de heelkunde, g\'egar.
schuier, s/kal.
schuieren, mënjikat.
schuit\', iets dat in- en uitgeschoven
wordt, soronga». Zie de samenstellingen.
—, hoüe zoom, waardoor men een lint
of veter brengt, gogok pelipit. Ook de
holle — of zoom van een borduurlap,
waardoor het stokje komt, dut het doek
moet spannen. — van een broek, waar-
mede deze om den middel wordt toe- |
gebauld, pinggang se/oewar, tètitiga sar-
t\'-\'ül,
— aan een zon- of regenscherm, ;
om dat op te zetten,penjaxgga pajoeng, I
andja, —, grendel, van eene deur,
kantjing pintoe.
scbuifblad, van een tafel, daoen medja ;
aorongan.
schuifdeur, pintoe aorongan.
schuifelen, sluipen, zooals eene slang
onder bladeren, gras of vuilnis, mënjë- \\
linap
(van sëlinap).—.ritselen, kërosnjc.
—, blazen van slangen, mënghémboes. ,
schuillüioop, simpoel poelili.
schuillti.de, kotak sorong-sorong, so- I
rongitn.
schuifpltinlr, papan aorongan.
schuifrina; b.v. de sebuifringetjes aan
een beurs of zak, telitiga potra.
schuiftafel, medja gorongan
schuifzoom, pelipit, gogok pelipit.
schuilen, zich verbergen, bérsêmboeni,
mhijemboenikan dirinja;
verscholen zijn,
tersembueni; voor iets —, b.v. voor
gevaar, regen of wind of hitte, bërfin-
doeng, bërtedoeh
; in de schaduw —,
b\'ernaoeng; daar schuilt wnt achter, ada
djoega rakasianja;
de fout schuilt niet
bij u, maar bij dien Sjach alam di-
rimba, boekan salak daripada toetcan-
hamba, ja»g aalahnja itoe Sjah alam.
dirimba djoega.
■chuilhoeh. tem pat aëmboeni, gëmboe-
nian.
— van het hart, c ft ai wat ttati,
giroe\'lkoeloeb.
Ar.
Mchuilhuuden: zich —, bërsëmboeni.
scliuilphmtN, fempat stmboeni, gemhoe-
nian.
—, schut plaats, përlindoengan,
p\'ernaoengan.
schuim, op den mond en op het water,
boewift, boega. ■-, vuil van metalen,
aanga. —, tinslakkrn, tëra timah. —,
gering volk, vrang hina-dina.
schuiml>ehltcn, berboeteïh moeloet, &&•
boe sa moe loet.
schuimen» berboticih, bërboeaa. —, klnp-
loopen, mënginding; eene kris doeu —
van ht;t bloed, melangiri tSris,
Mcliiiimcr, klaylooper, pënginding.
schuin, hiervoor verschil lende wuor-
den, naar gelang van de wijze, b.v.
—, hellend, scheef, mir\'iug; ook tjoe-
roe;
overhellend, tjëndëroeng; zie hel-
len en overhellen. —, hellend,
aan de eene zijde hooger dan aan de
andere, mengoet, be.ngoet. —, scheef,
van de rechte lijn afwijkend, b.v. van
een regel schrilïs, de rand van een
kleed, eene vouw enz., seroeng.
staan van ecu hoofddeksel, aenget.
toeloopend aan éenc zijde, zoonis b.v.
een kluiverzuil, aojot-ng. — toeloopend
aan beide zijden, tiroeg. — staan van
de zon, mata-hari fergelek. — tegen
elknnder op, zooals b.v. een dak, tent,
mat die opgezet is, enz., roengkoep.
nlloopendo oppervlakte van platte voor-
werpen, b.v. zwaard, kris, pagaai enz.,
tëdas. —, met een stompen hoek naar
beneden, toeding. —, op ee\'n oor, van
een hoofddeksel, gendeng. — staan, op
één oor staan, mtnjendeng, tërsendevg.
—   achterover hellend, van sebeeps-
niasten, aadak. —, geveld, van geweer
of lans, b.v. om iets af te weren, ook
—   in den grond gestoken, b.v. van een
stok aan den waterkant, aagang. —,
-ocr page 666-
O 5-1
schuins — schuldenlast.
een kleed, gordijn of takken op zijde
—, m\'ènjeJak (van selak); iets ergens
onder—, wënjoesoepkan (van soesoep).
Zie voortschuiven. — van opium,
htinoem madat, makan madat, mënghi-
sap apioert;
de schuld op een Einder—,
menanggoenykan salahuja at as orang
la\'in;
de schuld op elkander —, bër-
dalih-dalihan;
zie schuld. —, van
plaats veranderen, zie verschuiven;
gaan —, stilletjes vertrekken, pèrgi
diarn-diam, tart d.-d.;
voor opium —,
zie rooken.
schuiver, opiumrooker, pemadat.
schuld, fout, misdrijf, satah. — hebben,
bersalah. —, aan geld of goed, koetang.
— hebben, berhoetang ,* diep in de—en
steken, sangkoel paoet dengan hoetang,
ba-hoetang koelilmg pinggang, b\'erhoe-
tang baris.
— die aangroeit, hoetang
toembueh;
eene — aangaan, op zich
nemen, maianggoeng hoetang; eene fout
of misdrijf voor zijne rekening nemen,
menanggoeng salah; preferente —, die
vóór aile andere betaald moet worden,
hoetang bëias; te betalen en te innen
■—en, debet en credit, hoetang dan
pioetang;
eene — afdoen, mèmbajar
hoelang;
zich in —en steken, meng-
hot\'langi dirinja;
uitgestelde —, hoc-
tang jang dipertanggoehkan;
op —
koopen. membêli hoetang; op — geven,
verkoopen, djoewal hoetang. —, nog
niet betaalde h uwe l ijksgift, satiang
bê/a/i.
— belijden, mengakoe salalt;\\ei-
geef ons onze —en, a/npoeni apalah
segala sa/ah kam/;
zich zei ven de —
geven van iets, m\'etijesalka?i dirinja
(van sesal); op olkauder de —weipen,
bhdalih-dat/han; de — van iets dragen,
menanggoeng sulahnja. — of geen — ,
salah ben ar; dat is jou —, salah eng-
kaïl;
buiten zijne —, fiada déngan
salah nja.
schuldbelientenis; schriftelijke —,
toet at hoetang — , bekentenis van fout
of misslag, pengakoe.au salah.
schuldhesei\', rata salah.
schuldeischer, penag\'ih hoetang, —,
crediteur, orang jang mt.nghoetangi, o.j.
ëmpoenja èmas.
schuldeloos, soetji daripada salah.
schuldenaar, orang berhoetang, orang
hoetangan.
—, die een misdrijf heeft
begaan, orang jang salah.
schuldenlast, kabératan hoetang.
scheef, ouk gendeng, b.w — houden
van een e lelgesteente, om liet te laten
schitteren, vnn den kop, om er mee te
stooten, berg/\'ndengan. — vim boven
naar beneden, torkik-. — naar beneden
schieten van een vogel, menoekik; er
—■ toegaan, tjaboel, b.v. maka tjaboel-
lah riegari Malaka pada masa itoe,
en
destijds ging het te Malaka — toe.
— aanzien, m\'elihat déngan ekoer mata
kapada, niemandang d\'engan mata serong ;
een schuinen blik toewerpen, mengér-
f/ng déngan ekoer maf*.
schuins en schuinscht zie het vorige
woord.
schuit, hiervoor verschillende woorden,
naar gelang van den vorm, b.v. —,
vaartuig in het algemeen, perahoe;
roei—, perahoe dajoeng —, inlandsche
boot, sampan; soorten zijn: sampan
pandjang, s. gebeng,
die tut woning
dient voor de orang liioet; sampanpan-
djang kanaika?/,
voor Vorsten of hoof-
den; s. pandjang tambang, voor vervoer
van personen op grootcn afstand; s.
pëndj uring an,
om te visschen met drie
man; s. kolik, s. poekat, een bijzonder
grootc, om met de vleet te visschen,
ook irebruikt voor handelsvaartuig; s.
lakak
enz. —, laadbuot, tongkang, tjoe-
n/a,
Hat.; veer—, sampan pénambang,
iambangan.
Zie vnartuij»;.
schuitevoerder, zie schipper.
schuitje, bootje, djoekoeng, djoengkoeng,
pitidis, sampan barkoeng, kolifc, bidoek;
een — tin, limah sadjoengkoeng, tin/ah
sabata;
een ballast —, best sadjoeng-
koeng, sadjoengkoeng besi.
schuitjevaren, berpëeahoe ketjil.
schuitlvjn, jaaglijn, tali pëntjemat.
schuitvormis, bidoek*; een —e bétcl-
sehaal, tjerana bidoek-
schuiven, hiervoor velschillende woor-
den, al naar gelang van de wijze van
—, b.v. toe -, af—, in—, voort —,
m\'enjorong (van soroug); op zijde —,
vun een gordijn, sluier, dekriet enz,,
menjingkap (van s/ngkap); op zijde —,
aan een kant —, ook van gordijnen
open— of dicht—, van eene omheining,
om er door te kunnen gaan, enz.,
ménjésarkan (van sësar, op zijde gescho-
ven); de kris naar voren —, menga-
sakkan k\'èris kuhadupan ;
3en zijdgeweer,
kris of dolk, hetzij naar voren, hetzij
naar achteren —, méngisar (van kisar);
-ocr page 667-
65 B
schuldig
— seinen.
schuldig, geld- of goed schuld hebbend,
herhoetang. —, overtreden hebben, for-
safah; ook alleen salah; het antwoord
— blijven, niet in staat zijn te anl-
wourden, tiada t\'erdjawdb, dada fersa-
hoet, Verkatoep moeloet.
— verklaren,
door den Rechter. mènsalahkan, b.v. een
schuldige — verklaren en een recht-
vuardige onschuldig verklaren, mensa-
lahkan wang jang bèrsalah, dan mèut-
btnarkan wang jang hénar
,■ des doods
—, patoef mati diboenoeh; iemand, die
del doods — is, orang patoet mati
diboenoeh.
schuldige, orang jang salah.
schuldigheid, op zich genomen ver-
plichting, hoetang.
schuldoii\'er, l\'orban kari-na salah.
Mi\'huldvordereii, mètioenloet hoetang,
inf?i<rgi/i hoelang.
schuldvordering* pioetang, ïlar/jat,
Arab. de wet on de schuldvorderingen,
horkoem aar/jat, Arab.
schulp, /ie schelp.
Mcliuli>kalU,/((;*\'"\'r sirïh,kapoer makan.
scluu-en, menggosofc; sterk wrijven, më-
nganjah; 1:111.:\'- iets —, strijken, b.v.
zooals een geit togen een muur, gesel;
re houder tegen schouder —, bergesel
bahoe;
zich — tegen iets, van een
imard, menggoeloengkan (of m\'enggoeting-
kan) dirinja kapada.
—, strijken langs
iels, b.v. van schepen, dia elkander
aanzeilen, eene boot die tegen een
steiger schuurt, of vnn lieden, die eik-
ander strijkelings passeeren, gisir. —,
hard wrijven, van een meubelstuk,
ietimnds mond of neus, zich den rug
—, zooals b.v. de varkens, ménjèntal
(van sëntal); zijn rug —, menjhttalkan
hlakangnja.
•ohurfti koedis, koedil, koedis api, ook
ga/al koeman; op Java goedik. Jav.;
e. s. v. —, koerap pakau. —, mijt, koe-
man djalar,
zie bij made.
schuri"tig,ecn —paard vreest de roskam,
boeroek- ntoeka, tjërëwia dibélah, Sprw.
schurk, schelm, orang djahat, orang
doerdjana;
op Java bangsat; vertrapte
—, scheldwoord, tetripedafr.
schurkenstreek, perboewatan orang
djahat.
schut, beschot, dinding, sakat.
schuthok, koeroeng, kandang.
schutsel, van doek, ampajan kaïn.
vuor jonge planten tegen zoo of regen,
pondong; tijdelijk los — van bladeren
op het boord van kleine vaartuigen,
om het overslaan der golven te voor-
komen, kapa-kapa.
schutsluis, p\'mtoe ajar.
■«hutten* opsluiten in hok of kooi.
m\'engandangkan, mengoeroengi.
schutter: boog—, orang pèntanah.
schutting, fuigar, pagar kajoe.
schuur, pakhuis, goedang. — op rollen,
goedang pelakai. —, loods, bangsal;
lijst—, p\'floeboer.
schuurbiezeii, beeft men niet, doch
gebruikt daarvoor in de plaats tot het
polijsten van hout eene soort van scherpe
bladen, daoen hampèlas; op in.\\&daoen
rémpflas.
scliuurimnl, schurk in de weide, kisi-
lan.
schuw, wild, Har. —, vreesachtig, ia-
koet, pènakoet.
schuwen, tak»et okan, mendjaoehkan
dirinja daripada.
schuwheid, katakoelan.
secondivnt, makker, de tweede, phi-
doewa.
secretarie, sHeriari, verh.
secretaris, k\'eiani, karkoen, katib. Ar.
s\'ekertaris; gezantscüaps—, karkoen
oepadoef a.
secte; godsdienstige —, madzhab, Ar.
sector, geoin. fèmbereng fadjam.
securiteit, kat\'entoean. —.reservefonds,
fjagar.
sedert, sinds, samendjak, daripada,
het vertrek, sapèninggal. — de F.ngel-
schen op Java kwamen, saaiendjal\'
wang Inggris dafang ditanah Djatca.
—   bijna, hampir-hampir soedah, b.v.
—  bijna eene week, hampir-hampir soe-
dah sadjoemaat.
—, van dien tijd of,
daripada masa, b.v. — heb ik hem
niet gezien, daripada masa itoe tiada
koelihat dia.
— verleden jaar ben ik
hier, daripada lahocn jang sordah laloe
itoe akoe disini.
segment, fèmbereng. — van een kokos-
dop, porofr, fempwoS\'.
sein, tanda, aldmat. Ar. isjarat, Ar.;
nood- of alarm—, simbojan; licht—,
aan boord van scbepen, vuur— in de
rijstvelden, soeicar.
seinhlok, voor nachtwakers, waarop
met een knuppel geslagen wordt, khi-
toengkentoeng,
op Java tongtong.
seinen, met de hand wenken, mélambai,
-ocr page 668-
030
seinsehoten — sireen.
mévgisjdratkan. — met een nood- of
alarmsein, mhnbëri sïtmbojan ; een vuur-
ot\' lichtsein geven, mëmbéri soewar.
sein* ch o ten, uit \'t geweer, bëdil sem-
bojan.
neinvuur, soewar, romba.
seizing. platte, langu vlecht van touw, \\
sëlampit,
seizoen, moesim, masa, Skr.
sekreet, be-,*.eknmer, djamban, pèrlin- i
doengan.
si\'UriM i|Mii, tandas.
sel■.-:•, bangsa.
selite, uemmat, Ar. godsdienstige —,
ntadzhab, Ar.
selderij, sëladëri, daoen sëladëri.
selterswater, ajar tcolanda.
semester, saievgah (a/toen, eitam boelan. i
seminarie, mandarsah. Ar.
sciim \'bladen, het bekende pargeer* j
middel, ilaorn sena malei. Dit malei ie
Mekkaanscb.
sepia, mangsi svtong.
september, boelan September.
seraf, serafijn, tsrdjbt, Ar.
serail, mdligai.
serj»**» c. s. v. wollen stof, sërdja.
sergeant, tirtam, sërian.
serie, volgieeks, salsilat, Ar*
servet, toetcala, 1\'ort. serbeta.
servetaoeii, kaïn sërbeta, kdin këpiri. \\
servetrins, gelang serbeta.
servies, compleet stel, salangkap, sapë- \'<
rangkap, saperanggoican. Zie stel.
sesamolie, minjak lënga, minjak bidjen ;
op Java minja^ tcidjnn.
sfeer; hemel—, tjakraicala, Skr. —, !
hit luchtruim boven den dampkring, :
akasu, Skr. angkasa; de zeven bemelscbc
■foren, katoedjuah lapis lat/gil, katoc-
djoeh pëtala hmgit,
sinm, itëgar\'t. S/jam.
siamees, oravg Sijam.
sidderen, gïdt/r, këtar, gentar, gëlètar;
aan het — geraakt, lërgèlar, th\'kUar;
sidderende, bérgëtar, liërgèntar, goemëlar,
goemëntar; hovig —, zwaar beven, ge-
mëlètak, gëmëlUoek.
sier; goede — maken, tnakan minoem
sédap-sëdap, hïdoep dëngan kamewaan;
goede — maken ten koste van een
ander, mhiari diladang orang, d. i. op I
een andermans akker dansen.
sieraad, për/tiasan. —, opschik, inzon- i
derheid van vaartuigen, dandan; e. s. v. I
gouden —, in den vorm van een takje, ■
dat bruidegom en bruid, of den pas
besnedene aebter het oor gestoken wordt,
panlja oepafjara; gouden — voor cene
bruid, om den haarwrong te bedekken,
toeloep sanggoel. Zie versiersel.
sieren, ménghiasi.
sierlijk* elok, bagoes, tjantil\', përmai,
endah-endah.
—, fraai van een boom,
ook tjantik. —, van een gang of den
loop van schrift of den toon van lezen,
gaja, birgaja, b.v. bërdjalan bërgaju-
gaja.
—, niet plomp van fatsoen, zoo-
nis de tegenwoordige schepen vergeleken
bij die van vroeger, apat. —, versierd,
terbias.
sicriykheid, kae/okan, kaendahan.
siersel, pèrhiasan.
sigaar, seroeloe; de stroo—ofsigarette,
rokojc; manilla—, seroeloe moutte,
sijjarenkistje, pêti seroeloe.
sijjurenkoker, tempat sëroetoe.
sitjarette, rokok.
signaal, tanda, ïildmat, Ar. — tot waar-
schuwing voor onraad, ook — in den
krijg, sémbojan.
sijpelen; uit—, zooals b.v, urine of
etter, pérëtjit.
sik, kinbiiard, djanggoet, djenggot, Jav.
sikkel, joodsch gewicht van 4 drachmen,
ook een munt-; uk de zilverling, ttiktU.
sikkel, het snijwerktuil-, sabit; met de
— snijden, menjabil; e. s. v. —, kh\'i.
—, grussnijmes, (jaroet.
sim, hengelsnoer, tali ka\'tl. —, dobber
van een hengelsnoer, pëlampoeng kuil.
sim, aap, kira, monjet.
simeon, üjanaioeH, Ar.
simpel, uitermate dom, sëmboeloe. —,
eenvoudig, enz., zie ald.
sinaasappel, djëroek manis, liman
manis.
sinaï; do berg —, (or Sind, Ar.
sinds, zie sedert.
singel, buik—, (all përoet. — van een
zadel, amban.
sint, heilige, rësi, Skr. een groote —,
ma/tarësi, Skr. Zie heilifie-
sintels; gloeiende —, bara apl. —, slak-
kon, t\'ërak, lëra. — van een hartatoorts,
lombung dumar; van con inlandsche
lamp, lombong pëlila.
sipoy, soepai.
sire, toewankoe, doe/i toewankoe.
sireen, vrouwelijke geest, die een meer
bewoont, peri tasik. —, zeemeermin,
bintoe\'Ibahri, Ar.
-ocr page 669-
sliiun.                                                  657
of përampoewatt. Ook übdi, Ar. veelal
gebruikt, omdat .sëhaja doorgaans ais
pers. Vrnw. wordt gebezigd; dienaren
en slaven, hamba-sëhaja-, eigen gekochte
—, sëhaja tv boe san; een vrijgelaten—,
sëhaja jang dimardahekakan, oratig
mardahfka;
tot — maken, mt/apérsë-
hajakatt, mëmpërhambakan ;
een— zijner
driften zijn, hamba haicanafsoenja, pë-
uoeraet hawa-na/soenja.
—, ondeidaan,
tot den \\orst van zichzelvea of anderen
spiekende, patik. Zie de Grainni. —,
dienaar van een —, pat jat; wordt ge-
bruikl als men van zijn eigen onder-
gesebikten, onmondige kinderen of ver-
wanten tot den Vorst spreekt. — als
geschenk van bruidegom aan bruid,
dapa; een woggeloopen —, sëhaja pë-
lari.
— van den geringsten—,këri/jal,
kïtnentbi tah\'t hajam,
letter], nakomend
stukje van een kippedrol; hel hoofd
der slaven, diu de administratie danr-
van heelt, pvttghot-loe dëngan.
slaaf\'seli en slaafs, sapïrfi hamba, sa-
përti sëhaja, fjura hamba, tjara sëhaja.
sluu<£, porkofl, pa/of, hatttam, gasak enz.
-—, ransel, bilusah. — krijgen, këna
bïlasah,
ook k\\ na poekoet, këna paloe
enz. — geven, mëmoekorf, mëmaloe,
iHÜnghatitam,
enz. Zie ülann.
slun<*» zijn, aan het vechten zijn, in
het dagelijksche leven, btrkalahi; in
den oorlog, bërpërang. — worden, —■
raken, moelaï bërkafahi, moelaï bër-
përaag.
slunn; hiervoor velschillende woorden,
al naar de wijze van ■—, b.v. — met
een slok, hamer enz., m ë moekoel; in
het honderd—, onverschillig waar men
raakt, poekoel mërambattg. — mei een
stok of zwaarder voorwerp, niëmaUn-,
ook het strallend — van God; tenen
elkander —, van de golven, bërpa/oe-
paloean sëndirinja;
ook aiëmbanting
dïrinja.
—, een pak slaag ge\\en,klop-
pen, luënghatttam; afrossen, mëaggusafr,
b.v. ttiakkof salaloe gasak MUM sëhaja,
mijne moeder slaat mij altijd. — met
de vlakke band, een klap met de
vlakke band geven, ntPnawpar (van
tampar): op die wijze muggen dood-
slaan, inënampar njamok; aldus op de
borst —, van verdriet of vertwijfeling,
mënatitpar-iiampar dada. — met den
rug van de hand, om af te weren,
mënepis (van (fpis). — om het oor, een
nlrih —
sirih, zie bij betel,
sirihuoos, zie hé tel il oom.
HiriuH, het sterrenbeeld, alkalb, Ar.
siinii|i, /ie «troop.
sissen, een sissend geluid maken, zooals
b.v. water op heet ijzer, bërdesar, iaën-
dvsar.
—, zooals van bakkeu of braden
en van een brandend pitje in bet water,
mëadesir. — zooals het ankeitouw door
de klui/en, taëndësoer. —, blazen, zoo-
nis van eene slang, mënghrmboet. /ie
l.lnzen.
«iitttt gebloemd katoen, tjita, kaïn tjita;
lieht gekleurd —, kïlamkari, kaïn kë-
lamkari.
— van Madras, waarvan men
veelal bandjes maakt, simoen, kaïn si-
motu.
sitsen, Jlijv. nw. tjita, datipada tjita, ,
enz. Zit; het vorige woord.
sitwpupier, jEw/óf bërboenga.
situatie, kadoedoêkan.
~Jiiiil. sjal, Ven ; de inlandsche —,
sëlftidang.
-jul.\'i. lm watt ff merah,
MJimker, zie chnnker.
sjees, bendi.
sjerp, KOrdel, ikat pitig.jang, saborfc,
karnat\',
I\'erz ; e. s. v.—, over het stant-
sickleed van prinsessen en de dnnse-
rtmi van den Vorst, waarvan de beide
einden naar beneden handen, saw/turT.
— over den schouder bij wijze van
bandelier, sandang.
aJHflflUj mëntjitjit.
sjofel, boerofk; er — uitzien, boeroek
roepanja.
sjorren, mëitgikat dëngan tali.
sjouw, zware vracht,pikoelan jang btrat,
tattgyoengan javg bërat,
—, zwaar wei k, ;
pëkërdjaan jang bërat.
sjouwen, mëmikoel {van pikoel). —,
opnemen en wegdragen, mëttgangkoet j
(van angkoel). —, zwaar werk ver-
richten, mhtgërdjakau barangjaug bërat. j
Zie tlrtifgen.
sjouwer, sjouwerman, ktteli, oratig
koeli;
zooals bij een verhuiabocl of het
lossen van een vaartuig, pëngangkoet;
die met andereo iets aan een stok of
boom drnagt, pT-ngoesoeng.
sjouwloon, opah koelt; zie tlrnns-
loon.
sjouwwerk, pëkërdjaaa koelt.
skelet, rangka.
sluiit\'. slavin, sëhaja; ter onderscheiding
van het geslacht gevolgd door laki-taki \'
-ocr page 670-
659
slaan.
oorveeg goven, mï.ne\'mpeleng (van lïm- j
puleng); op de dij —, een teeken van
uitdaging, of om iemand te ergeren,
ot\' om ziehzelven op te winden, menam-
par paka.
— met de vuist, \'t /.ij men
iets daarin heeft of niet, menggot/oh;
de voeten tegen elkander slaan, iriéng-
gotjoh-goljoh kaki;
hij verdiende dat
luen met een kokosdop zijn mond sloeg,
patoetlah digotjoh-gotjoh moeloetnja de-
ngan tempoeroeng tijioer;
zacht klop-
pend —, menepok; zich op de borst
-—, mënepok dada, b.v. uit droefheid.
—, beuken, mvnvbah (van tëbah); zich
met de hand op de borst —, ook me.-
ni-bah dada;
hevig —, met hand of
mist, zoudat het klapt en zeer doet, ;
mmebok (van tebok); zijwaarts naar
buiten — of steken met iets, merembal. \\
— met iets duns en buigzaams, eene
roede, een touw enz., menjesah (van
sesah); ook het wasehgoed —, zoonis
de Indische wnschliedon dat gewoon
zijn; smijtend—, zooals b.v. de waseh-
man het goed, mtmbanting. — met
karwats of zweep, memetjoet (van pe-
tjoet,
zweep, karwats). — met een zweep
of karwats, viiraiapatLan, b.v. hij sloeg
met zijn karwats naar den grond, ija \\
mXrampatkan tjemïti koedanja kaboemi;
:
horizontaal —, met iets buigzaams,
zooals rotting, karwats, zweep enz.,
menjibat, menjembat (van sebat en sem- ;
bat, zulk een slag); met iets langs —,
b.v. met een sloepriem, touw, riem enz., ;
mframpat. — met het platte van een
liniaal of sabel, maar niet met de platte !
hand, memapat (van papat), — met een
lang voorwerp naar iets, b.v. met een
stuk naar vruchten of een rat, mlmt-
pah
(van pï\'pah); met vuisten —,me~ng-
yotjoh, menoemboek.
— met de vuist,
even als met een hamer, beuken, vit-
marap
(van parap). — tot straf, op
onbesuisde wijze, onverschillig waar
men raakt, mtlasah. — met knuppel
of knots, menoemboek, zie knuppe-
lon; mot de knokkels — of kloppen,
mengetok (vnn kï-lok) —. kloppen met
een hamer, smeden, mïne\'t/ipa, menoe-
koel;
geslagen goud, et/tas lempaican ;
geslagen goed, goed dat met den hamer
bewerkt is, è\'énda toekoelan, —, klop-
pen, beuken, vn-mbanat. —, van een
deur, die dichtgesmeten wordt, geren\'
tam.
— met den uenea stok op den
anderen, van een tamboer, naga Öe\'rk\'ë-
tok,
letterl. de tikkende draak. — op
den rand van een gondang of trom,
in pi. v. op het vol bij variatie, kam-
bing berlaga,
letterl. de bokken zijn
aan het vechten. — op slag-instrunien-
ten, zooals bij de gamelan, mïnaboeh
(van taboek); ook memaloe (van paloe)
en memoekoet (van poekoet). — op een
tamboerijn, menampar rèbana (van tam-
par);
tot vezels —, of kloppen, rnïng-
goewal;
plat —, van bamboe enz.,
meioepoe/t; wrijvend tegen elkander—,
van harde voorwerpen, b.v. vuursteen
en slag, mtmantik (van pantik); vuur—,
mfmantik api; een touw om iets heen
—, memoental (van purntal); met een
doek enz. heen en weder —, b.v. om
muggen of vliegen te verdrijven, me-
ngibas
(van kibas); met voet of poot
zijwaarts uit—, menjepak (van sepak);
hard — op eene trom, geweld maken,
ntënitir (van tiiir); zijne hand — aan,
inttndatangkan tangan kapada. — van
de zeilen bij windstilte, tnhigembat (van
e\'mbat); ook — met iets elastieks. —
in sehaak-, dam. of ander spel, makan;
heen en weder — van iets, zwiepen,
mengebas (van kebas). Ook iets van iets
afslaan, b.v. stof van zijne kleeren —,
viengebaskan haboe dari pakajannja ;
tegen elkander —, van de bladoren
eens booms, merP.tnlutt; twee zaken tegen
elkander —, menjaboengkan,—, betrek-
king hebben op iets, van woorden,
terugslaan op iets, dat voorafgegaan is,
roedjoek. —, slachten, membantai; ook
— met een zwaar voorwerp, b.v. di-
bantainja dengatt kajoe, pïfjah kapa-
lavja,
hij sloeg hem met een hout zijn
hoofd stuk. — mot pooten of vlerken,
menggtlepar ; los ergens over geslagen
zijn, zie bij handen. —, persen, me-
ngapit
(van apit); olie —, mengapit
minjak;
over den schouder —, zie
Heliouder; touw—, memintal tali
(van pin/al); geld—, munten, m\'e.ne\'mpa
oewang
(van tetnpa), mëme\'fe\'raikan
oewanij
(van meierai); geloof —, jj?r-
tjaja; de hand — aan, beginnen, moe-
lat ;
de hand aan het werk —, moela\'i
bektirdja;
de laatste hand aan een werk
—, menjoedahkan pekerdjaiin (van soe-
da/i);
aan het kruis —, mïmalangkan
(van patong), men$alibkan (van falib,
Ar.); op de vlucht —, vluchten fan";
-ocr page 671-
6(9
slaap
— slag.
in den wind —, mïngbalai-balaikan,
mvlalaikan, tiada mtngendahkan, tiada
fadloehkan;
het oog — op, ineman-
dang kapada;
in gunst, mtnilik kapatla ;
toevallig, terpandang kapada; het oog
naar boven —, w&mêufmésk (van tenga-
dah), mèmandang ka-at as;
de armen
over elkander —, mtmêloek toeboeh
(lil pïloefr); uit het veld —, het
onderspit doen delven, inengalahkan;
het zwijgen opleggen, mïngafoepkan
mathei
(van katoep). —, van den blik-
scui in iets, menjambar (van sambar),
ingeslagen, föpïrloes; in boeien —, zie
ketenen en boeien; eene brug —,
mrmasang djambatan. — van eene klok,
bïrbornji; pas heeft de klok geslagen,
bibaroe bPrboenji lontjeng. — van de
pols, een ader, b?rd¥nnjoct-de\'nnjoet.
van het hart, kloppen, berdfbar. ■
naar binnen van eene ziekte, tnasoek
kadalam;
met blindheid —, mfmboeta-
kan;
do urinen om den bals —,mïime-
loek leker
(vanpï\'loek); om het lichaam,
me/idekap toeboeh; met een zwnnrd—,
mtmavang dengan pï-dang, mVmarang-
kan pedang
(van parang), mï-nétafr de-
itgan p$dang, mÜnefakkan pÚng
(van
mak).
slaap, het tegenovergestelde van waken,
tidoer; van Vorsten, adoe. — hebben,
slaperig zijn. mingantoek, héndak tidoer;
den — niet kunnen vatten, tidal\'bolih
dibittca iidoer;
in den — gestoord, en
daardoor den — niet weer kunnen
vatten, bant oef; den — nog in de
oogen bebben, mata bïkas tidoer; de
—  in een der ledematen, eene soort
van verdooving gepaard met een prik-
kelend gevoel, pirai, semoetan, kasïmoe-
tan, kasïmoet\'Sï\'moetan;
in — vallen,
terÜdoer, terlalai.
shmp, holligheid bij het oog, ptlipisan.
slnit|mchtij£, soeka tidoer, ntëngantoejp
sihadja, inaoe tidoer sihadja.
sluuphank, zie Imnh,
slnaphol, boewah apioen.
shmpdeun, kidoeng, pengidoeng; een
—  zingen, mengidoeng.
slaapdronken, sangat mingantoek. —■
zijn na het ontwaken, mï/tdoesi.
slnaphemd, kamedja tidoer.
slanpltnmer, bil ik tidoer ; van Vorsten,
peradoean, bilik piradoean.
sluiipliiinicnuiil. sakatidoeran.
slaapkop, pïnidoer.
slaaplust, soeka tidoer.
slaapmiddel, pinidoer; bedweltuingB-
ruiddel, obaf-behausj.
sliuipmut», karpoes.
slaapplaats, pitidoeran ; van Vorsten,
ptratloean ,■ versierde — voor bruid en
bruidegom, pêlamin; ook — voor de
moeder ecner jonze dochter, die in de
kapata pi lam in slaapt.
slaapstede, rustbank, kat il; van bout
eu zonder pooten, g$rai.
slaapvertrek, bilik tidoer, pitidoeran;
van Vortten. piradoean, bilik piradoean.
filaapwandelen, mingigav.
slaap, wekkend : — middel, pinidoer,
obat behausj.
slanpzan<*. slnnpdeun, liedje om ia
slaap te zingen, kidoeng.
slaapzucht, katidoer-tidoeran.
H\\f\\c:htba,tih,pïrsembëlelian,p?rbantaja>i.
slachtdier, binatang simbftehnn.
slachten, tninjinifjfleh, mrmbantai, tn<Ê~
motong
(van patong); van een oli\'erdier,
minjimbileh, dzabah. Ar. Het onder-
scheid tusschen banlai en sembileh is,
dnt het eerste meer neerslaan, het
tweede meer den strot afsnijden be-
teekent.
slachten, gelijken, overeenkomen met,
bersaroepa dengan.
slachter, pimbantai, toekang patong.
slachterij, pirbantajan, pedjagalan.
slachtoller, simbilehan, korbdu\'ti»be-
tehan.
slachtotïcren, mémpersimba/ikan £■«--
btin simbifehan.
slachtvee, binatang sembilehan.
slag?, soort, maf jam, djems, Ar. roepa,
bagai.
—, leeftijd, baja; van één —
met, sabaja dingan; en men zag vijf
knapen van e\'én —, maka dilihat boe-
dak-boedak lima orang sabaja;
lieden
van hetzelfde —, van denzelfden slem-
pel, orang sahaeloe-hoeloean.
sla»;» geluid, boenji; oen geweldige —,
boenji keras. — van een klok, poekoel;
op — van drieën, hampir poekoel tiga.
— in het aangezicht, tPmpeteng.
met de vlakke hand, tampar. — met
een stok of hout, poekoel, paloe. — met
iels buigzaams, b.v. rotan, karwats,
zweep, geesel, touw enz., sibat, sïm-
bat;
met vele —en geslagen worden,
dipaloe dtngan beberapa se bat; veertig
—en min één, empat poeloeh koerang
asa sibat.
— als hulpTelw. ook dera,
-ocr page 672-
060                                             slagader slank.
b.v. kan/i mëmaloe flikau dëngan sara-
toes dëra.
— van een zwaard, teta&.
— met de vuist, gotjoh; met één —
wegmaaien, alleu treffen, imrampat.
om iets been, bi/it, b.v. een hoofddoek
die twee slagen um het hoofd gaat,
dëstar dofwa bï\'lit. — io de rondte,
met een touw, salingkar. —■ om de
band, van een touw ot\' slip, poental.
—, klop van een ader, dëunjoet.
van een vogel, boenji boeroeng. — in
het spel, makan; zich met den Iran-
schen — van iets afmaken, soedah
dëngan sedikit.
— , veldslag, përavg ;
\'va.
den — omkomoi,, mati dalain pé-
rang;
zonder — ot\' stoot, dëngan tiada
përang atate bërsoesah;
een —van den
molen weghebbcn, satëngab gila, bij
veik. ook satëngah; op —, onver-
wachts, sukoenjoeug-kuenjoevg; met één
—, op eenmaal, dëngan sak all gues. —,
gewoonte, biasa, tahoe; den — van
schrijven hebben, biasa mënjoerat, tahoe
mënoelis.
—, ramp, onheil, tjilaka. —,
handigheid van iets hebben, akas, zie
h:mi li."ln-j< |.
wlngader, polsader, oerat nadi, oerat
bërdënnjoet\', gerat pëmboenoeh.
shigaderbloed, dar ah oerat nadi.
slagader breuk, pëtjah oerat nadi,
slagbal, bal bij het Maleiseho balspel,
raga.
slagboom, dwarsboom, sëngkang, p$-
njnkat, pa/atig, Jav.
slagen, tot een goed einde komen, ber-
sampajan, bërhasil;
ook alleen jhasil,
Ar. — van eene onderneming. #asïl
akan pekerdjaiin.
—, zijn doel bereiken,
bërolih maksoed. —, geluk ken, djadi,
bëroenloeng;
niet —, tiada djadi, tiada
sampa\'t lualfsoed, tiada liasil, woeroeng.
«laser = slachter.
slnghoedje, percussie, pëngga/ab.
slag-instrumenten, taboeh-laboehan.
sla ";l:iiii\'. bij het weven, geroep.
slaglijn, /a/i sipat
Hla^orde, përatoeran përang, ikal pë-
rang;
in — stellen, mëngikat përang;
verbroken —, pëtjah përang; tn ge-
regelde —, bërsaf-saf, Ar.
slagregen, hoedjan dëras.
slagtand, van een olifant, gading; vaa
een wijfjes-olifant, gën\'ts of gëneh.
van een varken of ander dier, taring.
■laeuurwerk, lon/jeng jang bërboenji,
djaia j, b.
slagvaardig, hddlir akan bërpëraug,
stap a. b., sadia a. b.
slagveder, boetoe sajap.
tila,i*veU\\,pëpëraugan, medtinpëpërangan,
padang p.
; het midden van het —,
seri médan.
shüj/ij: de — geven, mtiidjërëba.
slagzwaard; kort en breed—,parmig.
slak, tuim-lak, sipoet daral; boumslak,
si poel lintah; kleine huisslak, sipoet
sërai;
e. s. v. zeeslak met schelp, sipoet
bëlitoeng;
e. s. v. eetbare ,bëlongkeng.
slaken, ontbinden, mëngoeraikan. —,
loslaten, mëlëpaskan.
klakken, sintels, tëraljr.
i slakkenhuis, koelit sipoet.
\\
slang, oelar; soorten zijn: oelar biloedafc,
e. s. v. adder; o. tawah, de python of
reuzenslang; o. kisi en o. sëni, beide
klein en giftig; o. tëdoeng, o. belang,
o. kapajf
en o. lidi, alle vier giftig;
o. tanah, niet giftig; o. bakau, o. boelalai
gadjah, o. danau, o. kelam ttboe, o. li-
rang, o. oembaka, o. poenti, o. lahi kar-
ban, o. likoes, o. ajar,
de waterslang;
o. poentoeng tëboe, met geringd vel; o.
daoen,
lang, dnn en zeer fraai groen,
niet giftig en soms als speelgoed ge-
bruikt; o. radji, zeer giftig, groen met
witte spikkels; o, bëiiaga en o. moera,
beide giftig; o. ba/ang boeroek?, een
zeer vergiftig slangetje, een pink lang
en grijsachtig rood ; o. tjintantani, goud-
geel, die, naar men meent, goud kakt;
o. bëtoesoek, giftige zeeslang; o. naga,
de denkbeeldige draak.
slangel>eet, pagoet oelar, paloe]f oelar.
slangelün; kelang-keloek; fijne —en,
dicht bij elkander, zooals op sommig
lijnwaad, loerik, lorefy.
slangendooder, e. s. v.W£el,tjërpïlai.
slangenei, lëlor oelar.
slniigengebroed, anafy oelar.
■   slangen gif, bisa oelar.
■   slangeiiliuid, koe/il oelar; de afgelogdo
—, sëloemoe, saroeng oelar.
slangesteen, e. s. v. steen tegen slan-
genbeet, batoe oelar.
slangntuk, e. s. v. kanon, ekoer loeloeng.
slank, lampai; een lang en —persoon,
orang paudjang lampai, o. p. nipis. —,
tenger van leest, aroeng, ramping, ran-
tjing,
ook sari, vandaar sanglir sari,
bijnaam voor — e vrouwen. —, rank,
latisar, ook vaa het lichaam. — van
1 hals, djindjang. — van middel, ramping.
-ocr page 673-
Gtil
slap — Biechten.
slap, machteloos, lëinah. — zwak van
lichaam, ook dlfltif, Ar. —, buigzaam,
teeder, lëmboet. —, week, h.v. van
mudder, leder, pap enz,, lémbek. —,
los, niet gespannen, këndor. —, dun,
van koltie, thee, soep enz., tja\'ir.
maken, mëntjairkan. Op Java tji-wèr.
—, verlept, van iets, wat vroeger stijf
of strak was, zooals een overhemd,
papier, het aangezicht van oude incn-
schen enz., ronjok. —, verflensd, van
planten, bladen, zijden of gewone stof-
len, lajor. — door het gebruik, van
geweven stoffen, papier eu dergel.,
lëfjok, loesoeh. — van iets, dat stijf
geweest is, h.v. gesteven goeil, papier,
een lijk in het eerste tijdperk van
ontbinding enz., lola. — als een lap,
lolek, Chin. — als een vaatduck, lëm-
bekdotek.
— van visch, die niet meer
versch is, bantoe. —, teeder, van een
stengel, këmalai. —, ingevallen, van de
boi>ten, kempis. — neerhangend, van
de borsten, këlëmping. — neerhangend,
van de bovenste oogleden, roedoe.
neerhangen, van uitspruïtselsder hoornen
of planten, bërlëmpaijtin, ook van boo-
jnen, mëltmpai-timpai. — togen iets
aan hangend, Eooftll h.v. de zeilen
tegen den mast bij windstilte, gëlepek-
— of geknakt er bij neerhangen, b.v.
van een gebroken nrra of been, het
hoofd van een doode enz., tërkoelai.
slapeloos, tiada (idofr, djaga.
slapeloosheid, kadjaga-djagaan, ka-
koerangan tidoer.
slapen, tidoer, bërlena; van Vorsten,
bëradoe. — met het achterste naar
iemand toe, tidoer mëmoenggoeng, naar
elkander toe, tidoer poenggoeng-më-
moenggoeng;
willen —, këndak lido\'T,
hëndak bërlena, hëndak bëradoe;
ook
hëndak mëmboeta; zich te — leggen,
mï\'.mbaringkan dirinja lihtdak tidoer;
doon —, nivnidoerkan, mtmperadoekan;
op de rechter zijde —, tidoer mengi-
ri/ig kanan.
— op iets, iets beslapen,
taënidoeri; gaan —, përgi tidoer, përgi
bëradoe;
een gat in den dag—, tidoer
sampai djaoeh hari;
tusschen — en
waken, anlara tidoer dengatt djaga.
van de ledematen, cene verdooving
met kriebelend gevoel, pirai, sëmoetan,
kasëinoetan, kasëmoet-sëmoetan.
slaper, slaapkop, penidoer.
slaperig, rnëngantoeik. — in hooge mate,
ralip; iemand die er zeer — uitziet,
pïralip. Ook arip, Jav. — worden, in
slaap vallen, tërlatai; nog —zijn, van
de oogen, nog niet goed open, kZlat;
er nog — uitzien, mata bëkus tidoer.
slapheid, maehteloosheid, kalëmahan.
slaven, bvrlëiak. bëkêrdja bïrat.
Klavenunrd, përangai sëhaja, tabiaf
ham ba.
NluventlieiiHt, pékffdjaiin sëhaja, për~
hambaün.
-ldvt\'iilminh\'I, djoetcat-bïli orang, mën-
djoetcal-bëli kamba, djoeical-beii haniba-
sëhaja.
sluvi nlmndelmir, orang jang bëntjoe-
wal\'bëli. hamba-sëhaja.
slavenkind, anak sëhaja; een in buis
geboren —, avak ëmas.
slavernij, përiuimbttiin ; tot —brengen,
meHipërhambakan.
slavin, sëhaja, sëhaja perampoeicaHtïibdi
pérampoeiran.
— aan het hof. om den
Vorst in flaap te maken, pïngarip, pe-
marip
(van arip).
slecht, djahat, boeroek, boesoek enz., dit
hangt af vau den aard, h.v. — van
een persoon, eene daad, eene spijs,
djahat; geheel en al —, sapala-pala
djahat;
voor — Uitmaken, nivndjahai-
kan.
— van aard, laag, gemeen, këdji,
doerdjana;
van doer slecht en djana
mensch; voor — uitmaken, aU — he-
sehouwen, of behandelen, mëngëdjikan.
—, goddeloos, fasik, Ar. —, van een
naam, boeroek, djahat. —, niet deugen,
van koopwaren enz , aib. Ar. ta\'baik,
koeraug balk.
— zeilend, van een vaar-
tuig, waarin geen gang zit, damal.
staan, er — uitzien, b.v. van pluntsoen,
koerang balk roejtanja. —, dof van
gezicht, kaboer; bijziend, zie ald. —
van een reuk of geur, boesoek- — van
een zieke, sakit pajak. —, glad, ellen,
rata; gestild van golven, tëdoek, sëlësai.
— en recht, toeloes-iehhis; de —en,
de boozen, orang fasik, orang djahat.
—, versleten, van een kleed, huis enz.,
boeroel\'. —, gebrekkig van uitspraak,
te/oer, peloet, pelat. —, stijf, gebrekkig,
van schrift, ijanggoeng, djanggal; eene
—e troost, pënghiboeran jang këpalang;
hij is van eene —e afkomst, kina
asalnja.
—e, gemeene daden, përboe-
tcatan jang këdji.
\\
slechtanrtl; een —, orang doerdjana.
\'
slechten, afbreken, omverhalen, nCérom-
-ocr page 674-
1\'HlL1
slechtheid — slijpen.
bal\', mvi/iëtjalikan (\\aapetjalt). —, gelijk-
uiaken, b.V. van een weg, mëratakan.
slecht hei cl , kadjahataa, foesoek, Ar.
Zie slecht.
slechts, alleenlijk, sehadja, hanja, djoe-
i\'-ii. tjoetna, tjoema-tjoema, sëmadja.
—,
waar, alleen maai\' om, salet/ar. Zie
uok nlleen. — als, tenzij, soekat; nis
bet In-;;, slechts Ie duen is om uiij in
Ie slokken, dan wil ik hem dat wel
toestaan, sehadja pon ditelaiinjalali akoe
ini, sehadja koebe.rdah ija tëlan;
al
ware het —, djikalau.....sakatipo»,
b.v. al ware bet — een ->\\a.nf, djikalaa
tëhaja sakatipo».
— uit jok, boewat
mam sehadja.
— twee dollars, hanja
doewa ringgit, tjoema doewa ringgit.
slechtweg, eenvoudig weg, bèrsèhadja-
tehadja.
slede, pengeretan.
sleep, slip, pantjoeng; lange —, patt-
tjoeng tëlang
(vergeleken bij de telang-
bloem). — van menschen, die uien achter
zich heeft, boentuet; want ik heb een
beele — achter mij, karèna ada banjak
boemtoft sehaja.
—, gewone stoet van
volgelingen eens hoofda, oraug peagtring,
sleepboot, sleepstoomboot, kapot asap
toenda.
sleepen, voorttrekken, mènjerei (van
seret j, mëughela, mëngerct (van eret);
hij sleepte hem naar de gevangenis,
dihelauja akandia kapendjara.—,bocg-
seeren, m\'enoenda (van toenda); lanus
de zijde —, b.v. eene bloep, ganding.
—, sukkelen, van eene ziekte, tampoe,
merana;
tegen bet beloop in — , b.v.
van bamboe, tukken, een mensch bij
de beenen, menarik soengsang (van
tarik).
wleepend, van eene ziekte, merana;
eene zaak — houden, mëmpërlambatkan
soeatoe perkara;
uitstellen, mëmpertang-
goehkan.
sleephan.Ii of hoek, dio achter het vnar-
tuig sleept, om visch te vangen, mata
ka\'il toenda.
sleeplün, waarmede men vUcht, kali
toenda.
sleepnet; groot —, poekat; daarmede
visschen, mëmoekat; e. s. v. klein —,
soms van zijde, ten gebruike van dames,
kisa,
slcepplunt, aan de sc\'ieede van een
sleepsabel, toemit.
sleepsabel, pidang tent.
I sleeptouw, of kabel, tali pénoenda-,
op — nemen, m\'enoenda.
sleepzeil, lajar seret.
1 slempen, overdadig eten en drinken,
makan-minoem dengan metca.
slenter, sleur, biasa; volgens den ouden
—, saperti biasa. —, streek, list, daja,
tipoe;
allerlei —s, tipoe-daja.
slenteren; been en weer —, laloe-fa-
lang.
—, rond—, zonder iets uit te
voeren, mèlimbang, tenga-teuga; in zijn
eentje hier en daar rond—, terkontal-
kantil sa\'orang.
slepen, van een voorwerp, terseret,- eene
zaak slepende houden, memperlambatkan
soeatoe perkara.
slet, ontuchtig vrouwspersoon,, pët-am-
poewan djalang, pëièmpoewan basi.
sleuf\', groeve, aloer.
steur, biasa; uit —, sebab biasa.
sleuren, sleepen, ntënghela; zie slee-
pen; met geweld —, voorttrekken,
b.v. een arrestant, mëndjoerons.
sleutel, koentji, pëngoentji, anak koentji.
— urn kiezen te trekken, penijaboet gigi.
sleutelbeen; het — , selaugka, seUtagan,
sleutelgat, lobang koentji.
sleutelring, gelang koentji.
slib, die na eene overstrooming is blij-
ven liggen, njanjat. Zie sl\\jk.
alihberig, glibberig, lifjin, lèuéir.
slier, door eene >aus gebaald, van som-
mige groenten, peut jok*.
slierusperge, akar jaag dimakan pen*
(juk;
zie groente.
slieren, eret, seret.
sl\\jlr, loempoer, betjak-, letjak. —, diepe
modder, lënvjau, lanau; in het — wen-
telen, bërgëloemang dalam loempoer; uit
het — opbellen, mentjaboet dart Urn-
baltan;
in het — baden, zooals buffels
en rbinocerossen, bêrkoebang.
slÜherig, bërloempuer, bèrbetjak, letjak.
: sl\\jm, lëndir, (am, Ar.
: wlümntgnng, boewang ajar ingoes, tjeret
ingoes.
Zie ufgnng.
slijmerig, bërténdir.
slijpen, scherpen van snijdende voorwer-
pen, mengamh (van asah). —, aan du
punt scherpen, mëngilir \\van kilir).
van edelgesteenten, mentjanat, mënjerodï
(van serodt); geslepen juweelen, int au,
disèrodi.
— op een steen, die om
een as draait, mënggërinda; stomp toe-
loopend —, van gereedschap, zooals
b.v. een kouwbeitel, mëngasah toeding.
-ocr page 675-
slijper — «lippen.
iw;:s
I slijper, pëngasak, pintjanai.
slifpplaiik; \'\'■ ~- v. zeer licht hout,
waarop men messen aanzet, gabons.
slüpateen. die om een as draait, tja-
nat, gerinda;
fijne -, wetsteen, batoe
Stuffit;
vlakke —, batoe péngasah.
slijten, hiervoor is geen geschikt woord;
voor — van kloeding enz, zou men
kunnen gebruiken, loesoeh, djadi boe- ,
roek. —, uit een winkel in het klein
verkoopen, djagal; den tijd —, meng\'
kabUkan wëktoe.
—, overgaan, hi/u>ig,
ialoe, linnjop.
•lik, modder, loempoer, betjak, zie. h\\jjU.
slikken, mën\'elan (van Wan); gestadig
—, al slikkende naar binnen laten
glijden, zooals bij het eten van maca-
ronie enz.,m&oeloêrj ongekauwd door—,
slikken van pillen en dergel., tnënetan ;
oental; inoeielijk, pijnlijk —, door ge-
zwollenheid van de keel of de huig,
sëdafc.
slim, sluw, geslepen, tjéridik-, bêrttfral.
in het nagaan van eens anders doen en
laten, tjèrëdik mëmandang lakoe orang;
een weinig —, verstandig, tjërèdas,
namel. tusschen tjërëd/k- en bodoh in;
door ervaring — geworden zijn van
dieren, die geleerd hebben wat een strik,
net, knip of val is en daarom voor-
zichtig zijn, tahoean. ■— maar niet ver-
standig, tjërèdik ta\'bërakal. •—, erg, van
eene ziekte, pajak, savgat; inoeielijk
van een geval, svesah, nwsjkil, Ar.
Nliromerd, orang ijeredik..
slinger, om steenen te werpen, oemban,
bandavg, tali pengoemban, oemban tali
; ,
ali-ali, Jav. — van een klok, boewajan. \\
slingeren, met een slinger werpen, ,
mï\'ngoemban tali, mengali-alt\', Jav, mhig- i
onmbankan. —, weg— van een knots !
enz., m\'émbalangkan. —, heen en weder, j
zooals de slinger van een uurwerk,
mimboewai, èërajoen, b\'èrgojang; ginds
en her geslingerd, van het hart, karoei-
meroet, roeioat;
met de armen — onder
het gaan, ook — van een vaartuig,
bértttnggang; pronkend — met do armen,
mèntjampalf tenggang; slingerende bo- i
wegingen maken, van een vaartuig, :
Ujoek-lenggang; zwevend — van de
beenen, bérajoen kaki. — vnn een be
sehonkene, een vaartuig enz., hoejoeng;
met verscheidenheid, van een besebon-
keno, hoejoeng-ambong, terhoejoeng-hoe-
joeng;
heen en weder — met iets, dat
men in de band heeft, b.v. een znk-
doek, Mèlimbai; dit opzettelijk doen
om de aandacht op zich te vestigen,
mémboeivangkan limbai,■ heen en weder
—■ b.v. van de borsten eener vrouw
en dergcl., kontal-kantil; gedwongen
naar alle richtingen te — of te rollen,
kontang-kanting; heen en weder —,
zooals de kossem van een os, gëlibar;
heen en weder — of bungelen, van
iets, dat afhangt, nntang-anting, ontal-
antil}
heen en weer — zoonla de ooren
vnn een olifant, ooibelletjes en dergel.,
ta,kël\',pak-; met een lont heen on weder
—, updat zij nanblijve, mengibas (van
kibas); met de punt van den voet op
zij —, mëngaijak,- van zich af —, b.v.
een worm van de band, mëngètif (van
këlis); zich apiraalsgcwijze om iets heen
—, zooals slaagen, slingerplanten enz.,
ttéënjoeloer (van soeloer); door elkander
—, b.v. van een krul, vlechtwerk, een
menschenuiassa, mënjëlimpat (van se-
limpat,
aldus door elkander geslingerd);
zijn goed laten —, mënghalai-balaikan
bara ng\'barangnja.
slinger pur doen (mar.) tali lenggang.
slingerplant, pokof: jang mëlata. —en,
soelocr-soeloeran, pohon mëndjalar. Zie
ook \\voelieri>lant.
slintïersteen,£(zfoi\'pengoemban; op Java
batoe ali-ati, analr a/i-ali, baling-baling.
•linyjeruurwerk, djam jang bërboe-
tcajan.
slink, linker, kiri.
slinken, minderen, van eene schuld,
groente onder het koken, het lichaam
enz., soesoet; doen —, mënjoesoetkan,
— van groente, ook lëtjoeh; eenigszins
geslonken, van gezwellen, sëroi.
slinksch, valsch, keroh; met —e Btre-
ken te werk guan, bedotten, merakoel.
slip, punt van een kleed enz., poeiitja.
—, die van ondor iets te voorschijn
komt, b.v. van een hoofddoek, goentji;
schuine — van voren aan een kaïn,
Wang pandjang kaïn. — van een hoofd-
doek, die van achteren schuin omhoog
steekt, tandjafr.
slippen, uitglijden, gëlitjik, gel in fj ir;
geslipt, tergëlUjik, Ver gelintjir. — vnn
een anker, larat, la/jak, b.v. als hot
anker slipt en niet vat, djikalau saoeh
larat, tiada makan;
men moet het
anker niet laten —, saoeh itoe dja-
ngau dib\'éri larat.
-ocr page 676-
M i
slipper — sluipen.
t/ikan. — van een geweer, pifjoe, da-
poer bP.dil, dapoer sïnapang;
achter—,
in de gevangenis, tX-rkoerocng, terpXn-
djara;
achter — zetten, mïuyoeroeug-
kan, wtmirndjarakan.
slot, einde, tordah, katofdahan; ten
slotte, lüjw. kasoedahannja, achirnja.
—  van een geschrift, tammai, Ar. het
—  eener geschiedenis, tammatoe\'thika-
jat,
Ar. —, einde, narede, chalimat,
Ar. —, uitkomst, Ar. achir, Ar.; ten
—te, achirnja. —, dat wat tot besluit
van iels dient, b.v. het dottert bij een
maaltijd, of het laatste gerecht of de
sigaar enz., pXujoedah.
slot, kasteel, sterkte, kota, boerdj, Ar.
--, palcis, astana.
slot, van cene rekening, kadjflasan krra~
kira.
slotpoort, piiifoi\' kota.
slotsom, uitslag, ökibal. Ar.
slottoren, bangunn kola.
•lolvoogd, pPnghoeloe kota.
•luier, hnlledoek, kPloebomg, kaïn sXloe-
boeng, tjadir,
Verz. een — gebruiken,
gesluierd zijn, bXrsX.loeboeng, berkX-loe-
boeng.
—, voor het gelaat, ka\'in toe-
doeng mo\'-ka, lajah.
—, voor vrouwen
van het hoofd tut de voeten, sXrasah,
sarasj,
I\'erz.; bid— voor Mohamme-
daan;*che vrouwen, telékorng. —, zoonis
de bctlevanrtgnngsters, die de bedevaart
hebben gedaan, soms dragen, en waarbij
alleen de oosren worden bloot gelaten.
birgotfi; merguek-, bofrk-a, Ar.
sluieren, mXnoedoengi, mXnjXloeboengi,
mXugXloeboengi;
gesluierd op de wijze
der Mnletschc vrouwen, namelijk met
een kaïn of vrouwenrok, zoodat alleen
een smalle reep voor de oogen open
blijft, bPrtoedofng tingkurp.
sluierfloer-*, kaïn tosdof-ng.
■latte* van het hoofdhaar, kX-djoer.
hoofdhaar, ramboiU kXdjoer.
sluiUen, smokkelen, zie ald.
nluimeranr, pXnganfoek:
•luimerurhl ii;, surka mXngantoek.
sluimeren, tidoer sabtntar, mXradam.
sluip: ter —, têrhtndap-hendap, tjoeri-
tjosri.
sluipileur, pintoe maling,
sluipen, hXndap-hXndap; binnen—, ma-
sok IP.rhï\'ndap-hendap.
—, glijden, zoo-
als kleine slangen onder bladeren, gras
of vuilnis, mïujelinap (van sitittap).\'L\\t
kruipen.
slipper; een — makon, stilletjes even
weggaan, mPnjt\'limpaf, mï-ntljtlimpat.
•lobberen, /.ie slorpen.
•loep: de inlandsche—, sampan,p\'ntdis.
Voor de soorten, zie hij sehuit. —
om te bocgseeren, sampan tuenda; vier*
kante, chineesche —, sampan kotafr ;
korte, breedfl chineesche —, sampan
tongkol;
europeeschc —, svkotji, sam-
paii bat il.
sloephiiiiW, ganfjor, pen/fait, sangga-
mara.
«loepriem, dajoeng.
sloeproeier, plndajoeng.
•lof, achteloos, Itngai, lalai.
-lui, mui), tfinela.
stoffigheid, kalulaja».
ulo Hen, achteloos met iets omgaan, nïïng-
lialai-balaikan.
slnli. tdllg, ffgoel*; een —, satëgoffr.
r.|nliihirm, kïrongkongan, ook boeloeh
rongkongan.
•lolcdnrmsopening, kïroengkoeng.
•lolt je, borrel, sopi; een — nemen,
MUM sopi,
slokken, zwelgen, door de keel gieten,
m\'i\'uygogok. Zie slikken.
slokop, pïndtmap.
nIous, •eVwsuvnMR kofor.
»loop, overtrek, sampot-l; omhulsel, oelas,
saroeng;
van een — voorzien zijn, i?r-
sampoff; kussen—, sampoel bant\'al\', sa-
rof/ig banial.
•loopen, merombak, mtmbongkar, metne-
tjahkan
(van pt-tjah); vestingwerken —,
mr mëtjuli kan kota. — van een vanr-
luig. mXnoetoeh (van toetoeh).
Mlooping, pïrombakan, hal mXmXtjahkan.
•loot, gracht, parit. —, waterleiding,
sXloerau, silokan.
•lootje, parit kUtjil. — springen, *?-
lompat-lompat parit. Zie springen.
•ltotkunt, tXpi parit.
slo..tj>limk, titian parit.
slop, nuuwe doorgang, steeg, djoerang.
slordig, van kleed ing, dada tjeremal.
•— van een opgetuigd vaartuig, bïrsX-
rahoet.
—, grof afgewerkt, gahas.
iets doen, aiïrtgaroH (van karoet). —-
ook leler.
slorp, opslui\'piug, pengiroepau; teug,
lvgot\'1\'.
slorpen, leppen, mèngiroep.
slorpins, pengiroepan.
•lot, koentji, iboe koentji; op — doen,
met een — sluiten, mï.ngoentji, ntëngoen-
-ocr page 677-
smaakvol.                                          665
wenjakat (van sakat); eene rekening—,
mendjelaskan kira-kira ,■ toen de koop
gesloten was, tëlnh djadi soedah d&Ui;
het huwelijk —, wettiglijk huwen, ka-
tcin,
Pen. nikah. Ar.; van den priester
of ambtenaar is het: ntengaicinkan, »?-
pikaf)kan ; een verbond —, hërdjandji;
met elkander, brrdjandji-djandjian; in
de gevangenis —, memëndjarakan (vnn
jirndjara). mengofroengkan (van kor-
rorng);
in een hok—,mrngandangkan ;
den vrede —, bërdamai.
sluitluken, zie sluitdoek.
slnitmand, kepik, karpi\'k, Jav.
sluitstuk, eindstuk om iets af te slui-
ten. pémbornoth.
slurf, tromp, lange snnit, bë/alat, zoo-
wel vnn andere dieren als van den
olifant.
slurpen, zooals bij het drinken van
warme kotlie, mëntjoetjorp. Zie slor-
pen.
sluw, tjerfdik-. —e oogen, mata tjfredik.
sluwheid, tjp.re\'dik, përi tjërPdik.
smuad, IjPia, mufof, fjoetja, nis/a (Skr.),
tlib, Ar. fadh-ïfat, Ar.
smiiiidheid. haijilaïtn, kamaloean en
verder gelijk smnad. — aandoen,
uiëmbëri katjëlaan ia/as), membe\'ri maloe,
ménijortja, menistakan, mëmbPri aïb,
mëngaibkan.
snutiidnanm, nama jang katjPlau/i,
iiama boesork, nama maki-maki.
smaadrede, përkataan jang tnemèÜri
maloe;
zinspelende —, përkataan tin-
diran.
smaak, rasa; een lekkere —, mak ra-
sanja, sëdap rasanja;
wrang van den
—, kt\'lat; zonder kraak of —, van
spijzen, tjampah-hambar; reeds eeoigs-
zins veranderd van —, mamik; een
vuile — in den mond, tëkajr pajau;
de — als zintuig, perataiin lidah; het
orgaan van den —, ook tïkak; de
natuurlijke —, dien men in den mond
heeft, rasa ff kak; wat voor— hebt ge
in den mond, upa rasa te kak toewan f
Kigenlijk is tïkak de keelachtervlakte,
het zacht gedeelte van het gehemelte.
■—, genoegen, gevallen, soska; geen —
vinden in, tiada soeka akan. —,mode,
trant, fjara; gewoonte, adat, Ar.
Nmnahje; er is een — aan, zie l>e-
dorven.
smaakvol, fraai, kostbaar, rndah-endah,
perniai,
zie fraai.
■43
•lui per —
-lui) kt. pe.nghendap-he\'ndap.
sluipliol, goha pP.rsr.mhoenian.
sluipsw\\jze, htHihip-hZiidap, stmboeni-
sfnihoeni.
sluif», tc at erk eer ing met openslaande ik*u-
ren, pintoe ajar.
r-luitt>oom, voor eene dear,selakkoenfji.
- i dwarr-booin voor iets, sëngkang.
van eene rivier, batatigan.
sluitdoek, -lui; hikt*», voor een kraam-
rronw, baroet,- een — aanleggen, mf-
.igïuakan barort.
sluiten, met een slot, mengnt>ntji, meng-
O\'-tttjikan
(van knentji); in bet blok—,
van een gevangene, memasotng (van
pusomg); in boeien —, mënjangketa
(tui sangkila); in keteDen —, mfran-
taikan;
in de beide voorpooten of
: ruien —, mëndfkap; — van de oogen,
menytdjamkan mata {van kfdjain), më-
vrfdjamkan
(van pf.djam)-. de hand —,
miugatoppkan fa»gun; de banden —,
/ie samenvouwen: goed — aan
elkander, van planken, kïdjam; hnlf
gesloten van de oogen, ki\'tjrng; zooals
de oogen der Chineezen en varkens,
met een schuinen stand, sipit; zich—,
van de lippen, k*tap; den mond —,
mi-ngntofpkan iiwloet; gesloten van den
mond, tërkaforp; de lippen —, menga-
iot-pkan bibir ;
op elkander gesloten
van de lippen, lerbekam-bëkam; op
elkander gesloten van twee voorwerpen
die op elkander passen, b.v. de beide
schelpen van een mossel, de lippen
\\ nn den mond, twee hoeken cnz.,/a«;7-
koep; zich aldus —, mï-nangkoep; ge-
sloten vnn eene bloem, een regen- of
zonnescherm, iérko\'\'nfjo?p; den mond
van eene flesch, een glas, pot enz. met
een overtrek—, b.v. met eene blaas of
iets dergelijks, ntënggètangi; zich om
iets heen —, b.v. modder om een been,
dat er in gezakt is, de aars om de
drekstof, mënijt-moH (van kï-mort); het
— van de verschillende openingen des
lichaams, pemingkew, Jav. vnn ingke.m ;
de vlerken —, mïngumljnepkan sajap
(van konnijofp); gesloten, van gelederen,
,apat, thidih; irocd sluitend, van tim-
merwerk, een weefsel, eene heg of haag,
rapat; niet sluitend, b.v. van de eene
pluk tegen de andere, ntflas.—,dicht-
doen, vnn iets dnt een deksel heeft,
zooals eene deur, kist enz,, menoetoep
(van toeloep). — met een dwnrsboom,
-ocr page 678-
Gi\'.G
■maaldichl — smeedsel.
smaaldicht, panton s\'mdiran.
«machten, sterk verlangen, ingin, rin-
doe,
b.v. naai rijkdom —, ingin ukan \\
kakajaiin;
naar zijn lief — trindoe ukan l
këkasihnja; van dorst —, sanijat bér
dahaya, ingin hendafc mitioem;
sterk \'
—, rindoe-dïndam. —, verzwakt zijn
door, lemah, b.v. — van de hitte,
lëmah stbab kapanasan.
smachtend, kwijnend, vun de oogen,
rnatn bioekoe, naar de oogen van de
bioekoe, eeno soort van landschildpad.
Zie het vorige woord.
smadelijk, jang iiiivtjetakan; Iïijw.
atas përi jang kafjïlaan. — bejegenen,
uiénghinakan, meuyëdjikan, mëluetoe.
smaden, mtntjtlakan, mtngtdjikau (van ,
kïdji), mïnistakan (van nisfa), w««-
tjërëtja; elkander - , bêrfjtrêfja-tjerë-
tjaan. —
, smadelijk bejegenen, mëtt-
fjanipah.
—, smalen, mXntjoetja.
smnder, ptntjëla, pXntjoclja, pënisla, t
ptnyedji.
smading, tjelaan, tjoetjaan.
smul;, van iets dut neergesmeten wordt,
f jam pak.
smakelijk, van spijzen en dranken,
sëdap, ettak, ?ijamaii, sëdap rasanja,
et/ak rasanja, lëdzat fjita rusatija.

eten, makan sedap-sXdap, maka- ejntk-
enaje;
van Vorsten, santop stdap-sëdap.
— maken, van spijzen en dranken,
tiiXvjïdapkau.
smuiielooc, van spijzen, zonder geur of
smaak, aaibar, hambar, tjampahhambar,
taicar;
geur en —, zooals b.v. verlegen
tabak, bajak1.
sn.in.Ueri, gevoelen, ondervinden, mëra-
sai;
den dood —, ntcrasaï mati, m.
maut;
pijn —, wXrasai sakit. —, proe-
ven, zie ald.; niet goed —, ta\'sedap
rasanja, ta\'btülc rasanja;
gued — ,
sëdap rasanja; dit vleeseli smaakt
niet goed, daging int ta\'sedap rasanja;
naar iets —, rasanja saperti, dat
smaakt naar traan, sapXrli. minjak ikan
rasanja;
dat smaakt visebachtig, amïs :
rasanja; die woorden smaakten hem
niet, iiada tja bërkë?ian tikan pï\'rka-
taan Hoc;
naar meer —, naar uiteer
doen verlangen, van spijzen, nitnyasa-
kan ft kak.
smakken, met geweld neerwelpen, men-
tjampak, uieny fit ai pas, iiiXm bant ing
; iets
—, mini\'jampakkan, mënghëmpaskun, ,
mtmbanting.
smakken, een smakkend geluid maken
bij het eten, kënnjam, ke.tjap.
smal, het tegenovergestelde van breed,
tjijoet, Jav. liet wordt meestal nega-
tief teruggegeven met koerang lebar,
niet breed genoeg; naar den eenen kant
smaller wordend, een puntig of smal
achterste of ondereind hebbend, zooall
b.v. een vaartuig, kopje, glas, watei pot,
de billen enz., timpoes of témpoes; lang
en —, van een persoon, tinyyi lampat,
— van schouders, tonljos. —, nauw,
eng, van haakvormige dingen, wegen,
rivieren, huizen, vertrekken, kopet.
smalen, smaden, mënljërëtja. Zie sina>
deu.
•maragd, groen edelgesteente, zant-
roed,
Ar.
Hinarotsen, klaploopen, zie ald.
smart, pijn, wee, sakit. —, branding,
glociing eener wond, ptrih. —, leed,
verdriet, droefheid, daeka-tjita, ook
alleen doeka. —, zielesmurt, nastopa;
kommer en —, doeka-nastapa, Skr.;
langdurige —, saki f mërana. •—, leed-
wezen, zie ald.
siiiui\'! t-nelil. pampas; die boete betalen,
mémampas.
smurte)\\jk, pijnlijk van ecne wood,/*e-
dih, mënjakiti, ptrih.— van iets anders,
verdriet veroorzakend, mëndoeka-tjita-
kan.
—, een nijpend, pijnlijk gevoel
veroorzakend, b.v. van een gezwel,ptrih.
smarten, mënjakiti, mXndueka-tjitakan,
Zie het vorige woord. —, smetten van
dt\' huid, zie smetten.
smeden, hameren, mënëmpa (van fX-mpa),
mtnitik
(van titik), mëmuekoel (vaDjWl-
koel), mënoekoel (van toekoel); gesmeed,
geslagen, fimpawan; gesmeed goud, Xmas
tïmpawan
; terwijl liet grooto ijzer
gloeiend wordt, kan hel kleine gesmeed
worden, aémantara bX-si jang bësar pi-
djar, bolih jang kttjil dilitik;
au n el kan-
der — van twee stukken, mënjamboenij
(van tamboeng, Insseiien), kwaad—,mc-
reka djahat;
aanslagen —, niakur. Ar.
smeder, van kwaad, përeka djahat.
smederü, tlapuer toekany best, depoer
pandai bësi.
smeedbaar, wat zich laat hameren,
jany mënërima ttrrtpa; j. m. toekoel,
jany dapat difëmpa, j. d. ditoekoel.
smeedsel, tëmpa; b.v. kXiris pandak
tëmpa Malaka,
cen korte kris van Ma-
lakkaÈth —.
-ocr page 679-
smeekbede — sin i ds kol en.                                   6G7
smeekbede, pohon, pemohon.
smeekeling, orang jan// niemohon.
smeeken, memohon (van pohon), met
zakel. ubj. mimohonkan. b.v. om ver-
gill\'enis —, mimohonkan ampon,
smeeker = smeekelinu,
smeekgebed = smeekbede.
smeeking, jnmohonan, permiutaan, dva.
smeekschrift, soerat përmintaiin.
smeer, ongel, dierlijk vet, lëtnafc. —,
veeg, b.v. van iets dat beniodderd is,
palet; zulk een — gekregen hebben,
Hrpalet; ook — met een vingertop,
/ie nansmeren. —, klad, vlek van
iets kleverigs, b.v. boter, stroop, klei,
eu/..,3itekeh; oor—,fahililinga, huid —,
huidvuil, daki. —, slaag, poekoel, pa-
lot:
— krijgen, kina poekoel, kina patoe.
smeerborstel, si kal sipatoe.
smeerbuik, piroel gendoet.
smeerkaars, dia» Hmak.
sineerkalk, kapoer pelesfer.
smeerkliertje, këltndjar miujak\'.
smeerlap, eerloos mensch, orang ktdji.
—, schandjongen, orang palet.
smeerlapperü, kotor-koforan.
smeersel, zalf, welriekend—,oerapan,
kasai, minjak kasai;
dit — gebruiken,
birkasai; geneeskundig —, uit kruiden
bestauude, param; verkoelend of prik-
kelend —, waarmede men bij hoofd-
pijn enz. het voorhoofd bestrijkt, poe-
pofc;
iets tot zulk een — maken,
memuepukkan,- seherp prikkelend —,
gebruikt tegen rheuiuatisehc aandoenin-
gen en kneuzingen, poepoer; men moet
het — klaarmaken vóór men valt, sa-
beloumja djatoh ba\'ik disadiakan poe-
poer,
Sprw.; e. s. v. geel —- voor het
liehaain, boer at % boreh, Jav.
smeervlek, bikas limak; opJava«w/«
gimok.
smeerxalt\', zie smeersel.
smeltbaar, dapat dileboer, boli/t hun-
tjoer,
smeltbuis, pantjoer liboeran.
smelten, van metalen, miliboer; tin —
ook masal? timah,—, oplossen, gesmol-
ten, laroet. —, onz. Ww., hantjoer,
djadi hantjoer;
gesmolten, hantjoer.
siui\'iii-rij, péliboeran, timpal Hboer.
amelthitte, pidjar. Iliervun pëmidjar,
soldeerniiddel, al wat tot het soldeerun
gebruikt wordt, zooals borax, hars enz.
smeltkroes, koeici, bikas leboeran.
smeltoven, dapoer leboeran.
smeren, met een welriekende zalf, »(?-
ngoerapi (van oerap), mënjapoekan mi-
njak kasai
(van sapoe). --, uitstrijken
van kleverige üelfstandigheden op iets,
kinnjal. —, bestrijken met vet, was,
enz., menggosok, mënggosoki, minjapoe-
kaït;
iets — op iets, inzonderheid vuil
of vergif, mitoemoerkan, b.v. malta ipoe/t
itoepon dxloemoerkannja,
en hij smeerde
dat plantenvergif er op. — van brood
met boter, mëmboeboeh mantega; :-ehoe-
nen —, minjikat sipatoe (van si kat),
menggosok sipatoe;
de rnaa^ —, mak au
minoem kiHiijavy-kinnjang;
de keel —,
miuoem kënnjang-kënnjang; honig om
den mond - , zie honiij; iemand de
ribben —, mëmaloe dingan rotan (van
paloe); iemand de handen —, omkoo-
pen, zie ald. Zie ook aansmeren.
smerig, vuil, kotoi-, tjëmar. — maken,
mengotorkan, mëntjëuiarka/i. Zie vuil.
smerigheid, kakotoran, katjimaran.
smertt\'ii, zie smarten en smetten.
smet, vlek, gebrek, tjita, fjatjat. —,
schandvlek, paroet; zonder — of rim-
pel, tiada mënaroh gralat dan tjPmar,
b.v. haft hêning djirinth jang tiada
minaroh gralat dan tjituar,
een oprecht
en zuiver hart zonder — of rimpel,
letterl. zonder dwuling of onreinheid;
zonder —, tiada blrkatjUaan, tiada
tjelanja;
een — werpen op, méntjëlakan.
smetstoii eener ziekte, badi, ook —
die uitgaat van andere zaken en ziekte
veroorzuakt.
smetteloos, tiada birkatjëlaiin; zie
zuiver, rein en heilig.
smetten, vuilmaken, zie besmetten.
smetten, sniarlen van de huid, b/ring;
vournumeiijk bij kleine kinderen,sarap,
smeulen, Ilauw branden, van vuur,
eene lamp enz., malap; ook këlip-këHp;
aan —, beroenggoen.
smid, bewerker van metaal in het alge-
meen, peuimpa. —, bewerker van een
bijzonder metaal, pandai loshang, b.v.
ijzer —, pandai besi, toekang besi;
goud —, pandai ëmas, toekang etnas,
Hinidsatinbeeld, landasan pandai bési,
■paron,
Jav.
smidshuas, kapala toekang besi.
smidse* dapoer toekang besi.
smidsgereedsehux», perkakas toe-
katig besi.
smidshamer, zie bij hamer.
smidskolen, aratig toekang besi.
-ocr page 680-
668
smidsoven
— smiuweii.
«midsoven, dapoer tockang b\'esi.
nmidswerk, pektrdjaan toekang bësi.
-i>: i. ii 11: ■, lenig, lemboet.
smijten, gooien, werpen, m\'eloetar, mè~
lontar, mëlempar;
met bep. ubj. mèloe-
t ar kan, nul f in par kan
; een voorwerp om
wede Ie —, pelempar; den boei in
wanorde door elkander —, mengosajr-
ngasik
(van kosaJp-kasik, door elkander
Besmeten); iets vierkant opzij—, menghe-
(tan;
met geweld —, smakken, ment jam-
pak, me ui buut ing. menghempaskan, mèng-
hantam. Zie
verder de samenstellingen.
smüter, verkwister, doorbrenger, p\'em- ,
horost orang barboer.
smoezen, onder elkander fluisteren, 5e?\'-
koesoe-koesoe sama sendirinja, b.v. maka
masing-masing pon berkoesoe-koesoelah
sama sendirinja,
en men smoesde onder
elkander. Ook berbisik-bisik.
smokeriij, baue asap, kimal-këmal,
»>in.lthi\'lfii, melarikan tjoekai.
■tuokkelnood = Kmohhelwnar.
smokkelwaar, barangdiarang getap.
sniuiili, /ie rook.
smnordronkeii, niabok boengu sü\'dasih.
siunorlii-t-i. door de zon, panas tërik.
—, door te warme kleeding of te ge-
drongen te zitten, rimat.
•moorlijk; — verliefd, sangai birahi,
edan kasmaran,
Jav.
MiKiui\'viil, penoeh s\'ésak, pëuoeh pëpafr.
•moren* stikken, mati lémas; gesmoord,
Ifutus. Uok in het water—, verdrinken.
—, uitmaken, blugschen, nièmadamkan
(van padam) ook van een oproer. —,
b.v. door middel van dekens en kussens
of iets dergel., mênghempetkan sampai ■
lémas.
Miiimt. dierlijk vet, lèmak, g\'émofk. —, ,
dierlijk vet, dat veel door de Maleiers
gebruikt wordt bij de spijsbereiding,
de gi der Klinganeezen, minjafc sapi.
«mouten, besmeren met smout, ménja-
poekan lèmak.
■montiSi van spijzen, lèmak.
•mulfgor, orang tnoendfik-
smuk, perhiasaii.
smukken, mengkiasi.
m i»ii 1 len, ntakan-minoem sèdap-tëdap,
makan-udnoem enak-enak.
•muller, orang jang soeka makan-mi-
noem sedap-sëdap
(of ettafc-enak-).
mii ii l]>iiiM ij, ma ka wminoem ramai-ratnai.
smtnk, orang djinaka.
•naalca en snaaksch, djinaka, ook
fjoera; een snaaksche jongen, sa*orang
boedak jang fjoera.
snaar, tali. — van metaal, daicai, ka-
icat. —
van muziekinstrumenten, mu-
ziek—, tali boenji-boenjian. — van een
trom, genta.
■nak, snik, zie ald.
snakeris. djinaka.
■nokertjt djinaka.
simlilti\'n, naur den adem, ook — van
vissehen buiten het water, ngap-ngap,
ook cengap-oengap. — naar lucht, snel
en kort ademhalen, mêntjoengak. —,
den bek voortdurend open* en dicht-
doen van vissehen aan de oppervlakte
van het water, tjamin-tjamin, en als
zij op het land zijn en op sterven
liggen of naar het water —, mèngang-
koep.
—, fig. sterk, reikhalzend ver-
langen naar iets, rindoe; met bep. obj.
merindofkan. Ook rindoe-dëndam akan.
snap, oogenblik, zie ald.
■napaehtigi babbelachtig, peleter.
snapaehtigkeid, pëleteran.
snaphaan, bedil, senapang; dubbel-
loops —, sbiapang k\'embar, s. phigan-
ten;
ftchterlaad —, s. kopal\'.
snappen, snateren, beleter. —, plappe-
ren, van vogels, overdrachtelijk, bérsjair
berpèri-pèri.
—, babbelen van kleine
kinderen en vogels, bërfjoera. —, hier
en daar onwaarheid babbelen, fjoeloe-
Ijala, fjola-tjala, tjolang-tjaling.
—,
pakken, grijpen, niétmngkap (van tang-
kap)-,
wegpakken, mèrampas, mefèboet;
van boven neerschietend —, zooals van
een roofvogel, mëiijambar (van sambar).
—, betrappen, mënavgkap, mëndapati.
snapper, babbelaar, peleter.
SIl\'ip-, .*/\'/.\',
snareninstrument, boenji-boenjian
jang bertali.
snarenspel, pelikan boenji-boenjian.
snnrenspeler, orang jang memêtijr
boenji-boenjian.
snater, babbelbek, moeloet beleier.
sii.n ri\'ii ;i f. peleter.
snateraehtis, peleter, soeka beleter.
snateren, snappen, beleter. Zie snap-
pen. —, rammelen, bèloe-bëtai. —,
lang en rad kakelen, gèritjau.
snauw, grauw, djerègah.
snauwen, grauwen, grommen, — ook
bh\'tèngkhg, mènjèrègah, kerising, keren-
njoet, kerennjing; snauwend bestraften,
mbihtgking (van tëngk\'tng).
-ocr page 681-
GC9
snnuweria — snüden.
een vlieg, er op neerstrijkende, glijdt
er af.
snelbulnns, unster, datjing, Cbin.
snelheid; hier vuur worden dezelfde
woorden die snel beteekenen als Zelfst.
nw, gebetigd ; met —, dengan sigera,
• •■ nyan pantas, dengas lekas
enz.
snellen, hard looKB, b\'ïtari; \\an velen,
berlari-lariaa. — , koppensnellen, zie uld.
Kiit-liyk, dengan sigera, denyan lekas enz.
ook sijera sigera, lekasdr-kas.
«lU\'lluui ifiiil, pautiis djalannja.
«ïfiluuper, oiang jang pantas djalan-
nja, kttsi\'I,
Ar.
snelzeiler, kapal jang ladjof-, p\'era-
hoe j. I.
snerpend, van pijn, perih, sangaf.
sneuvelen, muit, malt dalam peraug.
sneven ■■> liet voorgaande woord.
snijden, metnvtuny [\\ na pot ong), menger al
(van kerat), inemenggat (van penggal),
mtnghiris
enz. dit bangl af van de
wijze b.v. af -, door — , memutong; in
dcelen —, menyerat. b.v. in drieën —,
m\'engerat liga; uun stukken—, memeng\'
gal;
in kleine stukjes, reepjes ofsehijf-
jes —, zooals tabak, vk-esch, visch,
groente enz., menglnris-hiris, b.v. koeken
ruitsgewijs —, Htengkiris holwa; van-
daar Je golven met een scherpen boek
—, v. e. vaartuig, niengatabil Air is holtca ;
in kleine stukken — van harde voor-
werpen, bv. zouihout, stroo, suikerriet
eu dergel., meratjik; iresneden zoethout.
kajoe maats jaag dira/j\'k; de snijder op
die wijze, ptratjtk; schuin —, aanpun-
ten, inerantjoemj ,■ mei een stompen boek,
nterantjui\'iig toedïiig; met een scharpen
hoek, inv.rantjui\'nij lunsar; in schijfjes
—, van suikerriet en dergel., nienjoe-
bang
(van swbang, oorknup of oorplnat)
om de gelijkenis daarmede; vleesch in
dunne lappen —, om bet te drogen,
utenopek ^vau topek); dunnetjes, of in
dunne lappen, eigens nf—, b.v. den
bast van een boom, de huid van een
dier, het vleesch van de beenen, mï-
ujajal
(van sajat); in de lengte nan
dunne schijven —. b.v. uien, majang;
verschillende vourweipen van boven
gelijk of op t-éne lengte —, mèmaras
(van pasos)-, dunne sneden —, zooals
van vleesch, koek, vruchten en dergel.,
mèndidis; vUch in de lengte, d. i. langs
de ruggegroat, in dunne schijven -—,
mtnjdinap \'Van settnap); fijn —, aan
snauwerig, sorka maijirrgah, enz. Zie
bet vurige woord.
snavel, bek van een vogel, paroeh,
tjotok
; met den — pikken, tntmagoet
■ van pagoet), mtutjotofr.
■ueli •• bet vorige woord. — van snuit-
visscbcn, djorngofr. — van een vaar-
tuig, djoengoer perahoe,
•nfl>M<-huit, ptrohoe b\'tïdjoengocr.
snede, afgesneden stuk, potvng, kerat,
ptnggal, hirit,
b.v. eeoe — brood, roti
sapt/tggul, r. sapotong;
eene —vleesch,
daging sapenggal, d. sahiris, d. sakira/;
dunne — , van vleesch, vruehten, koek
enz., didis; de — van een mes of
wapen, utata. —, de snit van een kleed,
putoiifjun ; scherp van —, ladjain,■ bot
van —, foempofl. —, kant van een
boek, tepi kitiib, tepi soerat, —, ge-
sneden wond, loeka kina pisau (of
welk ander instrument de — veroor-
znakt hecftj; juist ter —, kètta betorl.
snedi<r* van een gezegde, tadjaia, fje-
rèdik.
snees, twintigtal, kodi; bij sneezeit,
kuif\'m ii, btrkotli.
snttetjo, kleine snede, b.v. van biood,
vlecrcb enz., hiri»,
meeuw, Isaldjoe, Ar. ter verklnriug
ook hih-djun saperti kapas, d. i. regen
als katoen.
sneeuwtiesseustruik, pokok tjéko/t.
sneeuwen; bet sneeuwt, ada tsaldjoe,
ada iwfiljan saperti kapas.
sneeuwwit (zie bij wit), spierwit,
portih inctah, saph\'li kapas /aiig dihor-
sar poetihnja.
snel, spocdi : van de eene of andero
handeling, sigéra, lekas, tj\'epat; ra», vnn
alle beweging, ook van spieken, lezen,
zingen, leeren, ïegenen, sebieten, stroo-
men enz., deras. —, vlug, van loopen,
tangkas, pantas, deagan tangkas, dêngau
pan/as.
— van zich voorwaart» be-
wegende /.aken, ladjof, b.v. een —
zeilend schip, kapal jung ladjoe.
vliegen, terbang ladjoe. — van iets dat
steeds in dezelfde rirhtiog voortgaat,
ook lego/, b.v. van een vaartuig. —,
vlug van voortgang, steeds door, b.v.
van lezen, eene slang, weversspoel,
gezegde enz., lantjar,■ zeer — van een
zeilend vaartuig, ii/ija»g. Om de groote
snelheid van een zeilend vaartuig aan
te geven, gebruikt men ook de tig.
uitdrukking: lalat hinggap tergdintjir,
-ocr page 682-
670                                            snijder — snoeren.
kleine stukken, klein —, mengernai
(van krrnai); nnar zich toe —, zooals
inet een eikkei, merajih; kleine stukjes
van iets af—, b.v. van hout, bamboe,
rottingriet enz., vieraoet; het mesje
waarmede men zoo snijdt, pisau moet.
Naar uien wil hiervan ook de naam
rotan eigenl. raoetan, het op die wijze
geMiedene. Naar zich toe —, zoodat
uien de punt vnn het mes naar zich
toe gekeerd heeft, menjingkoer (van
singkoer); met ecne s.\'baar —, meng-
ijtimtuKj,
b.v. een buadje —, menggocn-
tiuy Ladjoe;
het haar —, mènyyoenliny
ramboet
; met eene schaar — vnn pinnng-
iiuot, plaatijzer, blik enz., m\'enyatjip
(van katjip, de soort \\an schaar, daar-
voor in gebruik). —, van het werktuig,
diil snijdt, Makan, b.v. de zaag wil
niet —, yergadji tiada mao- makan;
het mes snijdt niei, pisau itoe tiada
makan;
rijst —, in het algemeen, po\'
tong padi;
met het mesje, daarvoor in
gebruik, wciydam (van kvtam), menoe-
itai
(van toewai;, ngaai-an\'t, .Tav. —,
lubben, i„engèbirikan (van kèbirii, mënga-
snukun
(van kas\'tm, Ar.), gesnedene,
zie ald. —, graveeren, mengoekir (van
vkirj; zich in den vinger —, loeka
djari kina pisau;
tot straf iemand de
lange haren af—, mnatjas. Zie ul*nij-
<k\'n en andere samenstellingen.
snijder, kleermaker, zie ald.
•nUdinjb pijn in het lijf, moetas peroei.
snüdnel, hel geMiedene, potonyan, kirt-
san, rutjoenyan,
enz. Zie bij *n\\jden.
snÜ\'i\'exi om hout, bamboe, roltingenz.
mede te besnijden, pisau raoet.
Hiiijtund, giyi sara.
snytüd, voor de rijst, moesim mètioerait
moestm meny\'etam, m, pfdong padï,
snijwerk, keratcang, oekiran; van —
voorzien zijn, bèrkerau-ang, bèroekir; met
verhevenheden uitgehouwen —, béryoe-
nueny-yüMornyan.
— maken, a jour,
wenitas (van te/as): en bas relief, me-
nyoekir.
—, waarbij de bladeren van
den heiligen vijircboom zijn nagebootst,
vik:ran dtwen boedi.
snik, bij het schreien, sedan, sédoe ; al
^nlkkende, têrs\'edan-sedan, tersèdoe-sedoe.
—, zucht, keloeh, pengttoeh. —, ndem-
halmg, na/as, Ar. de jongste —,»afas
jang arhir;
niet reeb: — zijn, tiada
beitar amat.
snikheet, van dezoniiehitte^j/iJuw terik1.
snikken, na erg weenen of bij aam-
borstigheid, m\'engesak-esak; al snikkend,
bij het schreien, tersèdan-sïdan, tersë\'
doe-srdoe;
snikkend weenen, menanyis
tèrsedoe-sedoe.
Ook mengetjap >van kè-
tjap)
b.v. zuchten en —, m\'engetoeh-
mf/Kjc\'jnp.
—, schielijk de lueht door
den neus uitstooten, meudengoes. —,
zooals iemand, die een stomp in den
rug krijgt, dèngofr; met verscheiden-
heid, dèngok\'dfngii:
snip. de vogel, hiervan verschillende
soorten, als: sikoedidi, boeroeny tj\'èloe-
toet, b. birkik4, b. biroe taoef, b. sipe-
kak;
om hare hardhoorigheid.
«nipper, afval van papier enz., redja.
Niiippt-rlmk, fempat redja-redja.
unipperen, meredja-redja.
snit, jiotonyan.
snoeien, de kleine takken wegnemen,
m\'eranfiny, merantjing.
snoeimes, pisau p\'ertmtjing.
snoeiMel, de afgesneden kleine takken,
ranting-ratttinyan, ranfjing-rautjinyan.
snoepachtig, telkens tusschenlijds iets
eten, koedap-koedap, koedoep-koedoep.
snoepen, stilletjes wegnemen en opeten,
koedap-koedap, koedoep-koedoep.
snoer, urn bloemen, kralen, edelge-
itMatea enz., malai, fjoeijoek, b.v.
moetiara saijoetjoejf, een — parelen;
tot — hebben, bermataikan, b.v. parelen
tol —en hebben, bêrmalaikan moetiara,
voor ons; van parelsnoeren voorzien
zijn, —, lijn, koord, tati, oetas, b.v.
een — parelen, moetiara sdoetat; een
driedubbel — breekt niet licht, tati
tiya lembar ta\'soeicauy-soeicang poetoes.
Sprw. — van een collier, ook b\'elit,
toedjoe/i betit,
zeven snoeren. — van
bloedkoralen met andere koralen er tus-
sclien, biramani. (Wolllcht eene samen-
trekking van biram en mat/ik"). — van
goudplaatjes, goudkorrels, parelen en
dergcl., goetdjai. — van 1000 kleine
(\'hineescho muntjes, pekoe; zijden —,
die driemaal om den middel geslagen
wordt en dient uiu den gouden borst-
plaat te bevestigen, tal\'t djoetcita. —,
fig. dat wnt het harte bindt, pèrtaui-
bafan hati.
snoeren, aan een snoer rijgen, tnenyoe-
tas.
Zie rijgen. —, binden, zie ald.:
den mond —, mhigatoe-pkun moeloet;
den mond gesnoord, tvfkatoep nioefoetf
ook memboenoeh pèrkataiiit oratig, mem.
-ocr page 683-
•noet — sommigen*                                           671
boengkam; middel om iemand den mond
te snoeren, pXmboengkam; den mond —,
ook mtnjoembat moeloet (van soembat,
prop, stop),
snoot, snuit, djoengoer, montjong; zie
snuit.
snoeven, blull\'en, mïngatjak, bertjakap
angin, brrkata~kata dPngan sombong.
Nnucvend, kat jak, sombong.
snoever, pPngatjak*, ppnjombong, orang
sombong.
snood, djalial, doerdjana, kapista.
Kiioodaiird , orang ja»g djahat fabtatnja,
orang kapista.
snor, knevel, koemist}nisai,brtngos,3ti\\.
Zie bij knevel. —, lange buren op
de bovenlip bij katten, tijgers en/.,
soengoet.
snorken, ronken, mX/idX/igkoer, m\'Png-
gProk, bP.rgoeroes, menggtros, mtleng-
koer;
een weinig —, sXndar. —, zie
ook snoeven.
snorlier, pPndPngkoer, pXnggtroh.
snorren, gonzen van insecten, den wind,
touwen enz., bXrdïngoeng.
snot, ingoes. — ten gevolge van ver-
koudbeid, sPIPsPma, sXma-sPma.
snotterig, nat van den neus, IPngas.
snullelen, ruiken, mtntjioem ; met voor-
over gebogen kop in den grond —,
mXnjoengkoer {van soengkoer).—, onder-
zotken, mPnjXlidik (van sidik).
siiuilWi, snofncu/en, sPngau; al snuf-
lende, dPngan sPngautcan.
snugger, schrander, fjtredik\\\\
snuit\', >i)tnïi;ibuk, tPmbakan hidoeng; op
Ja vu sPnggrofjr, Jav.
snnifjt*, een vingergreep tusschcn duim
en vingertop, pPitgapit.
snuisterij, barang-barang kttjik-mtngt-
fj\'k, benda-bPnda kPljik-mtngPtjik.
snuit, zooals van een varken en som-
mige visschen, djoengoer, montjong. —,
zooaU vaa een olifant, mug, vlieg enz.,
boelal ai.
snuiten, van den neus, mtmboewang
ingoes.
— door bet eene neusgat dicht
te houden en het andere uit te blazen,
mtngesaug (van ï-sang). — van eene
kuaiP, mPnggoenting li/in (of dian).
snuiter, kaarse — tgoentiag dian,g. lilin.
snuitsel, ahoeJc dian, goentingan dian,
g. li/in.
snuit vormig, snoetvorung, mout jong.
snuiven, ruiken, niP.nfjioem.—, ademen,
bëmapas, mXtiighela napas. —, blazen,
zooals b.v. een paard, menghP.mboes-
htmboes napasnja.
—, snuiftabak ge-
bruiken, pakai tembaka/i hidoeng, p.
stnggroek.
sober, zie matig. —, bekrompen, ka-
koeraugan, papa.
S sodomie, sP.mboerit, liictil, Ar.
sodomielur, orang sïmboerit, orang
litcaf.
soolmtten, mtmohon (van pohun).
soep, ka/doe, koetcah, sop; dikke rijste—
met specerijen en vleesch of kip, boe-
boer kandj\'t.
soepbord, piring dalam,pinggan dalam,
p. lekok.
soepgroente, sajoer sop.
soepterrine, tPrPnang sop, t. kaldoe.
soepvleeseh, daging sop.
j soes, zeker luchtig gebak, koetceh soes.
I soezen, in de war zijn, bingoeng. —,
duizelig in bet hool\'d, pïning kapala.
sofisme; het —, ilmoe tasoeicoef.
soju, ketjap; Japansche —, ketjap Djt*
poen.
solt, kous, saroeng kaki.
soldnnt; Kuropceschc —, soldadoe, se*
ridadoe, stridadoe, Hsjkar,
Ar. lasjkar,
Perz. een Bengaleesch —, sopai; een
Javaansch —, pradjoent, Jav. — wor»
den, masok soldadoe, tig. potong ram-
boet.
soldeer, zie soldeersel.
soldeeren, mPmatPri (van pateri), >■■■■■
rtkati
(van përPkal).
soldeersel, pattri, pPrPkat, ptmidjar,
tingkal.
soldy, gadji. — trekken, makan gadji.
—, onderstand in geld, oewang ajapan.
solemneel, dXngan sPgala oepatjara.
soli \\\\&o gloria, sPgala poedji bagai
Allah.
sollt-u, sleepen, zie ald.
som, door optelling of verzameling ver-
kregen, koempoelau, djoemlah, Al.; de
— opmaken, optellen, mPngoempoelkan,
mtndjoemlahkan ;
eene — gelds, banjak-
nja oewang.
somber, zonder glans, van het gelaat,
den hemel enz., soeram, moeratn.
van gemoed, berdoeka-tjila, kadoekaan,
hati berkabuet, gobar.
sommatie, zie dugvnurding.
sommigen, bPbPrapa, satPngah, ada
jang, ook jang ada, b.v. — lieden hou-
den niet van opium rooken, bXbXrapa
1 orang tiada soeka minoeni madat,
-ocr page 684-
672                                                 soms — span.
zeiden dit, anderen dat, satiêngah orang
kata bayiui, tattnya/i bayitoe; ada jang
kata bagini, ada jung kata bagiloe.
soms, somtijd?, nu en dan, bij wijten,
adang-adany, kadany-kadany, tïrkadang-
kadang, btiang hari, kadang-kaJa, ba-
rany, ada kalanja, anda k-and uk\'
en
barang-kati. Vuur dit laatste b.r. .■\'\'/-
soefjikan barang-kati drngatt tanyan,
akait !■(,!/,! sefaloe d\'tsoetjikan ija-itoe
dXnyan soealoi\' pisawat,
— wurdt het
met de handen schoongemaakt, doch
meestal maakt men het schoon met
een werktuig.
sondeeren, peilen van de diepte eener
wund, mZndoega, b.v. maka didoi-gaulih
fabib dïngan ekuer lirih,
en de dokter
peilde haar met het steeltje van een
siribblad.
soort, foepa, matjam, djinis, Ar. bayai;
van dezelfde —, saroepa, sarnatjam,
sadjinis, tabayai;
allerlei —, roepa-
rwpa, mat jam-mat jam, djinis-dji/iis,
bagai-bagai, pXlvbagai. •
—, ouk mata,
b.v. —en van koopwaren, mata daga-
ngau,
b.v. btberapa raloes mata daya~
ngan,
vele honderden suurten van koup-
waren, bXratufs-ratocs mata yotdai, hun-
derden soorten van toespijzen. — bij
—, fig. jang pi pit sama pipit, jang
ettggang sa/na ïi/gga/iy,
d. i. ue iüumIi
bij de inusschen en do rhinocerosvogel
bij du rbinoceroivogeli, Sprir.
soortelijk* k-edar, Ar. —e zwaarte,
bëral fcédarnja.
sop, nut, saus, ju, kor\'ica/i, (\'hin. —,
vleesebnnt, kat doe; het ruime —, van
de zee, laoet rëmbang.
soppen, in eene vloeistof doopen, »ie/i-
tjttoep.
sorbet, sjarbal, Ar.
sorteeren, mëiaUih-milih (van pilih)
mtmilih matjam.
sortcerinjj» pvmiti/ian, pilihan.
souvenir, tanda phhiyaian.
souverein, jang dipXrtoetcau.
souvereiniteit, rijasat, Ar. pfoioe-
uanan.
spna.li, hefboom, tucioH, pXnyui\'mpi/, ook
pt-ngoetiykil; met een — oplichten of
Voortbewegen, mvnoewil, ntXngoempil.
van een wiel, singkany, anak djanfera;
eone — in het wiel steken, eene hin-
dernis in den weg leggen., niinjanykoH-
kan
(van sanykoet), mX-ri dangi. — ge-
loonen, ttnangkoet.
•liaan, spatel, breede houten — meteen
steel, waarmede gekookte rijst wordt
omgeroerd, soedip; ijzeren —, soedip
bësi.
—, om gekookte rijst op te sehrp-
»en, tjatoek- n~si; groote —, die bij
het weven gebruikt wordt, bolera, bë-
libas.
spaander, ta/at, bilah. — ontstann bij
het houtklovcn, timpaff.
spiiuiiirli, Ispanjul, ispanjoli, tjara Is-
panjol;
het —, de Spnanschc taal, bi-
hata tspaajot.
— liet, rotan kastita.
—    groen, sulub. cupri, tëroeti. —e
pokken, rastoeng kotji.
spannsidie-inat, iijat, ringgit.— met
de beeltenis van den koning van Spanje,
ringgit bXsar, ringgit kaïn bttar, zoo-
genoemd omdat du kuning daarop in
romeinsch costuum is vuurgesteld.
MptiuiiMche- peper, tada-tjina, tjabt\',
Bat. fumhuk, Jav.
wpaanwclie-ruiter, randjau.
ttpmirduiten, Ofwany taboenyan.
*puurheid = het vorige wo>rd.
spaarpot, vaa bauibue, bambuezen
koker om geld in te bewaren, boem-
boeng durtcit, taboeng,
ook taboeng pit\'S,
taboeng pXkalf.
—, sleencn varken, op
Java tje/engan; doosje in den vorm
van een —, een schacht met spleet er
in, door de Pjakoens onder den arm
gedragen, keruitntoeng; in een - op-
leggen, menabuftiy; aU spaarpenning
wegleggen, //iXna/wngkaa.
spaarzaam, zuinig, huishoudelijk, hint\'
matdiimmat,
Ar. — met iets te werk
gaan, kira-kira dan k-edarkan, tntiig-
hiinmat-hiniiiiatkan.
—, zelden, djaiuug.
—    in woorden, tiada bXrbaujak\' ka~
tanja,
spade, late, van de regens, acAir, Ar.
bongtof, b.v. de — regens, hoed jan
aehir, hoedjan bongsoe.
—, laat, lang-
zaain, lambat.
spade, graaf, penyyali, — voor mijn-
werkers, ptntjXóak: Zie hak.
spadeling, jatiy djadi tërkt\'moedian.
spaden, graven, mrnggali; met den bak
werken, mXntjanykoeif; op Java ntao-
tjoel. Zie xpade.
spalk, van een irebroken lichaam-.óVe!,
bidai, ook iantai.
spalken, mtmbidai, mXmbXlai, b.v. een
gebroken been —, mfmbélai kaki jang
pat ak,
span, tusschen duim en een der vingers,
-ocr page 685-
678
spanbroek — spatel.
dj\'enykal; tusschen den duim en wij.-vin-
ger, djénykal tëloendjoeki tusschen tien
duim en de pink, djenykal kelinykiny;
tusschen den duim en het eerste lid VU
den wijsvinger, djenykal kelok. — met
duim en vinger, tjekak. —, omspan-
ning met duim en vingertop, (Jap.
met duim en wijsvinger, tjap /eloeu*
djoefc.
—, op die wijze met du beide
banden te zanien, doetca (Jap. — met
de hand, kilau, j,elempap; bij — en
meten, mtnyilaic; een — breed, sapt-
lempap lebarnja,
—, tweespan, paar,
pasamj; een — paarden, kut da sapa-
sanij;
bij —en, bërpasauy-pasauy. —,
voor eikander passend, babat. —, /.ie
ook juk.
spanbroek, stloetcar jan;/ têrifc, Ije-
lana j, t.
spanen, van spaan, darïpada /a/al.
spanen, met een spatel opscheppen,
mêujuedip (van soedip).
■paiiffi gouden oi" zilveren boistspeld,
këronysany, koersany.
spanjanrcl, urany /spanjol, orauy ka-
s/iia.
span je, nhjari Ispatijol, «. Kas/ila.
spanketen, remketting uan een rijtuig-
wiel, ranfai ruda kartta.
spnnkoortl, tolt reyany. — van een
lil o» keet rooi, pényanyyit bedoejf.
spannen, iets — b.v. een net, touw
enz., merëntanykan, merëyanykan. —,
uitspannen, van een doek, net, tent,
—   van een boog enz., membëntany.—,
strak aanhalen, menerikkan (van tèiikj.
—   van een snaar, maiynfjanyi.
van een vel over trommel of tamboerijn,
uien jent oeny (van sën/oeny, ecne leart
van wig of keg, daarvoor gebruikt);
ook meiiyanyyit (van anyytt); strikken
—, memasauy djëral. —, ge.-panncn
van lichnnm, badan sériuy; van den
buik, b.v. door een te vuile muug,
opstopping van winden uf drekatolfen,
séyah. — van trekbeesten voor iels, ,
memasauy (van pasany), m\'enyenakan
(van kèna). —, van snaren op een .
instrument, menyénakan /a/i, — van
een schietboog, mêmb\'en/any pana/i,
m\'enyédavy boesver.
— van den haan
van een geweer, merajih pt/joe, m\'em\'é-
fik- pitjoe
(van pë/ïk). — van de zeilen,
door den wind, mënyën/jauykan lajar
(van ken/jaug, stijf gespannen van zeilen,
touw, band enz.); stijf— en gespan- \'
nen, zie bij suji\': de vierschaar —,
menyhimpoenkan madjëlit bt/jara, m. m.
hoekuem;
de kroon —, overtreden,
me/ipoe/i, mtlëbehi; niet gespannen,
losjes, kënduer. Zie bij los.
Hpiiiinii, djariny jany dibën/any.
spanning* geraamte \\.c.dtk\\i,bufboenyt
koeda-koeda,
—, verschil, oneeuighcid,
persdisehan, tjidera. —, kommer, angst,
per/j iti/aan.
•panraanif raam om iets te spannen,
borduurmaiu enz., peinbidanyau, pemi-
danyan, pemidany.
spanril> in du bouwkunde, kasau; hoofd
—, kasau djanlan ; dunnere tusschcn—,
kasau betina.
spanriem* tali reyany.
spant; de —en vua een vaartuig, ya-
dïttij-yadiny.
spar, zie clakspar.
sparen, uitsparen, zuinig omgaan met,
meiiyhimma/-himma/kaa; voorden ouden
dag —, men/jadauy twtca. •—, bewaren,
b.v. geld enz., iiténjinipan (van simpan),
menaboetiy
(van /aboeny). —, ontzien,
het jammer vinden om te gebruiken,
sajany akan; niet —, in dien zin,
tiada sajany akan. —, zelden gebiui-
ken, djarany me mak ai (van pakat); in
het leven —, uienyhiduepkan; in het
leven laten, mënghidoepi, b.v. spaar
dien houd iu het leven, hidoepilah alt\'
djiny Hoe;
als God mij het luven spaart,
djikalau dilaudjoetkan Allah ü-moerkoe;
de moeite —, zich geen moeite geven,
tiada hersoesah-soetah; spaar u de moeite
djanyan bersoesah-soesah.
spartelen, yërayau; voorover op den
grond liggen te —, sorngkoer yh-ayau.
— om zich los te rukken, gtledar,
zooals een misdadiger die gevat is, om
los te komen, m\'eronta-ronta. —, zich
stuiptrekkend bewegen, kial-kial. —,
slaan met vlerken en poolen, of met
pooteu en staart, of met staait en vin-
nen, van een geslacht dier, utinyyelepar.
—, zooals b.v. de moten van een door-
gehakte aal, de afgebroken staart vun
eene hagedis, een vi»ch op den grond,
yèletik: — in het water, tot vermaak,
këttmpoeng.
spat, opspringende —, sprenkel, ritjik.
—, spikkel op iets, rinlijr.
sputel, wanrmede men groote hoeveel-
heden gekookte rijst omvoert,penylidah,
Zie s[iaiiii.
-ocr page 686-
<-u
spatie — speldenwerk.
spatie, tusschenruiinte, djarak. — heb» j
ben, berdjarak.
■putten, van vallend vocht, mërïtjik;
een spattend geluid wakend, gtmhrh
tjih\'.
—, krassen, van eene schrijfpen,
nienggërigis; bespat raken, tëpïrëtjik.
Zie besprenkelen.
specery, rtmpah, —en, rëmpah-rëmpah;
met verscheidenheid, rëmpah-piah, rëm-
pah-pawah.
— in iets doen, m\'éinbue-
boek rëmpah\'rëmpah.
— in poedervoim,
die men op het doodkleed strooit, waarin
het lijk zal gewikkeld worden, pafjui. ,
specht, boeroeng pëlatoek; soorten zijn:
pëlatoek batof, p. batcang en p. lalat.
speeksel, loedah, ajar loedah, Hoer,
ajar liorr.
speekselklier, këlëndjar ajar lioer.
speelbal, zie bal.
speelbord, echt inlandseh —, papan
tjongkak.
Zie dambord.
speelduiten, speelgeld, bëlandja ma\'in
djoirdi,
speelgenoot, tëntan ma\'in.
speelgoed, përma\'inan, mdin-mainan.
speelhuis; Chineesch —, waar het
bekende dubbelspel to p gespeeld wordt,
pëlopan.
speelkaart, Knropeesehe —, kërto;
(\'hineesche —en, palau-pakatt, daoen
pakan, patoewi, k\'tja-, pekak.
speelkameraad, tëman ma\'in, ook sa-
përma\'inan.
speelplaats, ièmpat ma\'in.
speelpop, pop, a?iak-anakan, orang-
oravgan, baneka.
—. fig. van een kind, \\
anak timaiigan,
speclseh, soeka ma\'in-ma\'in.
speelswijze, onder het spelen, sambil \'
bërmain.
speeltafel,alleen bij Europeanen, medja
ma\'in.
speeltijd, wëkloe bërmdin.
speeltuig, alat bër ma\'in; kinder—,për-
mdinan.
—, muziek-instrutnent, zie ald. I
speeltuin, hot\' tot vermaak, taman.
speeluur, wektoe bërmdin.
speelziek, soeka bcrma\'in-mdin sëhadja, !
speelzucht. uafsoe akan bërmdin.
speen, tepel, mala-soesoe.
speer, korte lans, lëmbing; met zulk eene
— steken, mëlëmbivg, mënikam dëngan :
l\'èmbing, m&ni&aaikan lëmbing {van li- \\
kam).
— met breede p.int, gebruikt om
visch te steken, koedjoer; houten —
niet enterhaak, témpoeling. Zie lans.
speerdrager, piekenier, orang ptrti-
kaman.
speerpunt, mata Umbing.
speet, zie spatel en spaan.
speetje, alles wat gebruikt wordt om
er iets aan te steken, ten einde dit te
kunnen roosten, pëmanggang. — van
geroost vleesch of visch, patjak; op
Java sisatê.
spek, van het varken, lëmak babi.
spekbuile, siiieerbuik, përoel gëndoet.
speklials, zie speknek.
spekken, zie lardeeren.
spekkoek, eene soort van koek in ver-
schillend gekleurde lagen op elkander,
koeicifh lapis.
speknnnld, zie lardeerpriem.
speknek, van dieren en inenschen.^xw-
noeb,
spekpunnekoek, dadar dèngan daging
babi.
spekslager, (oebang polong babi.
spekslagers winkel, këdai toekang
babi.
spekvet, lémak- babi.
•pefcmwoord, koel-t babi,
spel, pë.rmdinan, ook lig. b.v. hij heeft
er een spelletje mee, ada djoega sa-
soeaton përmainannja;
twee —len spe-
len, tweemaal spelen, doetna kali main.
Zie spelen; zijn — drijven met
iemand, mëmpërmdinkan orang; het ■—
der oogen, ma\'in mata; een — vnn
wind en golven zijn, dih^mpaskan olih
angin dan ombak
; op het — zetten,
bëtaroh.
spelboek, Mulcisch —, soeral teka-tëkt
turbang.
—, ahé*boek, sofrat aUf-bu-ta.
speld, djaroem pënjëmal, pëniti, fëniti,
djaroem pëngëlat.
—, pen, bikat. Zie
kaarspeld en borst speld.
speldeknop, kapala pëniti, pajoeng
pëniti.
spelden, met spelden vaststeken, më-
njémat
(van sémat, vastgehecht meteen
speld). —, roet spelden besteken, mëni-
kami dëngan pëniti;
wnt op den mouw
—, ma\'inkan angin.
speldenbakje, doosje, kokertje enz.,
tëinpal pëniti.
speldengeld, oewang boeta poera,
oeivang pëinadoewan.
Zie zakgeld.
speldenkussen, bantal pëniti.
speldenwerk, kërawang. — met groote
openingen, los —, kërawang pahat. —,
neigc, kant, renda, Port.
-ocr page 687-
speldeprik — spijkeren.                                       675
I speldeprik, tikam phiiti.
\' «pel e mei en, bërmdin-mdïn tamasja.
-pelen, maht, zouwei iets als met iets
—; oulc tip. zie de samenstellingen;
de zon speelt in bet water, ajar ber-
iilal\'kilatkan malahari,
d. i. het water
weerkaatst de zon; kaart —, ma\'in
kertot
zie kaart; viogt-et-un —, mam
tjaboet,
zuugenoemd, omdat de spelers
de ktiarten uit den, op ecu schoteltje
lïggenden, stok trekken; een gevaarlijk
spel—, mémdinkan ranggoemj, ontleend
aan een hoornen werktuigje aan een
hengelsnocr {ranggoeng geheeten), dat
lireekt als er een groote vL-ch aan trekt.
—, paren van dieren, zie ald.; op zijn
poot —, bergadorh, m\'emboetcat gadoeh.
—, zinspelen met zijne woorden, me-
vjindir
tvnn sindir). — op, mènjindiv\'
kan;
voor den geest —, een tlauw
denkbeeld er van hebben, terbajang-
bajang dalam ingatan;
eenc poets ot\'
trek —, mëntpoe (van tipoe), mëmper\'
dajakan;
met de oogen —, elkander
oogjes geven, bermain mata; met de
wapens —, bërmdiii sëndjata; met den
wind —. van plnnten, n/ci/ia\'iti angin.
spelen; hel —, = spel.
spe Ui-, pemdin, orang jang maht. —,
dobbelaar, pëndjoedi. — op de gamelan,
het indïscbe klokkenspel, jtênaboeh ga~
me fan.
— op btt tooneel, aeteur, zie ald.
spelfout, sa/ah hedja\'.
speling, speelruimte, — hebben, longgar.
spelkunst, el moe mënghedja\'\'.
spellen, tnënghedja\' {van hedja\', Ar.);
het —, hedja\'au.
spelling, hedja\'an, përhedja\'an.
spelonk, goha, geronggang.
spelt, o. s. v. graan tjatcak.
spendeeren, mëmbelandjakan.
spenen, van de borst doen, mënjarafr
(van S(tral\'), mëlepaskav dari soesoe;
zich —, onthouden, birpantang-pantang.
sperwer, in hel aliïemcen, boeroeng
lielang;
meer bepaald, helang radja
ira/i;
soorten zijn: hëlang hajam, de
kiekendief; /*. boeril; h. stpoet en h.
looet,
de laaUten leven van visch.
speten, mtmaljak (van patjafr).
spichtig, puntig, loenfjip, lantjtp; op
-lava lintjip. —, lang en dun van pcr-
soon, pand jang lampai.
spie, spij, wigge, badji.
spie, bespieder, phujhintai.
apiegat, zie spuigat.
j spiesel, tjerémin, kaf/a, Jav. —tje aan
weerskanten van een statsickussen, tje-
remin bant af;
waarzeggers—, tjërèmin
teroes ;
groote —, waarin men zich ten
voeten uit zien kan, tjerëmin b\'esar sa-
tinggi btrdiri.
—, van een vaartuig,
tjaping bèlakang.
spiegelen, zich —, bëljêrëmin; zich in
het water —, bèljërëmin dalam ajar;
zich — aan het voorbeeld van een
ander, mëitgambil toeladan. —, weer-
kaatsen in bet water, hërkil at-ki lal kan,
zie spelen.
spiegel «je vecht, perang asap; een —
houden, bermain perang.
spiegel si f iel, le/jat, l\'/jindëtjat.
spiegel gin**, ka f ja tjerëmin.
spiegellüst, roemah Ijerètnin.
\\
splert van het lichaam, niiiskel, daging
kantjing, pangsa, oerat kasar.
— ouder
de knie, oerat pëngetoel• de tweehoof-
dige —, biceps, boewah /c«y*in,vleesch—,
ook Üdlalat, Ar.; de —en oefenen, bër
sènam.
—, scheut, halm, hetai, b.v. een
gras—, sahëlai roempoet,- een —tje
hoofdhaar, sahëlai rambuet.
spiering, ikan kérisi, ikan lé m boeroe (?).
spierkracht, koetcal, Ar.
spicrkrntnp, kakërasan.
spiernaakt, telandjang boegil,
spierwit, sneeuwwit, poetih mëiah.
spies, spiets, groote lans, foembak; speer,
lembtiitj; werpspies, peiidahan, soefigi.
spiesdrager, piekenier, orang pertikü\'
man.
spieshout, batang toemha)c, batang fëm~
bing.
spietsen: met ecne lans doorsteken,
menoembak; aan een spies rijiren, een
wreedaardige straf bij de Mohamme-
daansebe volken, menjoelakan(van soela).
spictspaal, soela.
-pi.j. zie -pie.
! spijker, pakoe, pakoe best, —s op laag
water zoeken, fig. mëntjehari lantai fër-
djongkat,
Pad. bovl.; aanleiding zoc-
ken tot twist, mëmoengoet sa/ah (van
paeugoet), mëntjéhari-fjëhari; heb jij een
gat, dan heb ik een —, djika angkan
torgal, adalah benih,
d. i. heb jij een
pootstok dan zijn er zaailingen.
spvjkerbloem, boenga latrang.
spijkerblad, daoett pakoe, daoen pakoe
I adji.
\\ spijkeren, mèmakoe; beBpijkeren, tnema-
koe\'i.
-ocr page 688-
670
spUker™u1 — spits.
spjjkerizat, lobany pakoe.
spyki -rkop, kapatapakoe,pajongpakoe.
spUU pasak-, fjoengkil.
spijs, makanan, ajapan; van Vorsten en
aanzienlijken, santapan; allerlei spijzen,makan-makanan; de geliefkoosde —,
waarvan men bijzonder houdt, makanan
katje mar an;
de hoofd— bij de rijst,roedji. —, prooi, van het wild gedierte,mangsa, Skr.; opgedischte —, sadjian,
hidangan
; van eine — eten ïnet een
ander, makan sahidangan. —, proviand
op reis, bek al; zijne tranen tot — heb-
ben, bt/Ltkulkan ajar-maia.
spüsbak, pahar; iets kleiner en op
poolen, semberip.
spüskamer, goedang, iepen.
NPÜ*Un*t, a/ntari makanan.
spüskorl\', etentmtnd met al\'deelingen,
rantany soesocn.
spÜsulliT, pet se m ba/i an makanan.
spy^verterinj», tjerna, kaljërnaiin.
■PtJtf berouw, sesal. — hebben, b\'érs\'êsal,
mënjesal;
bij zicbzelven — hebben,
menjësal akan dirinja.
spijten, zie bet vorige en het volgende
woord. —, medelijden hebben, najaag
akan,
b.v. het spijt mij, dat de Maleische
taal zou verwaarloosd wordt, sajangtah
akoe akan behasa malajoe dihalai-balai-
kan bagiloe.
spijtig, boos, knorrig, ng\'èren, ngeren
Aait.
— glimlachen, térsènnjoem ageren ;
een — gezegde, përkatadn tadjam.
spijzen, eten, makan; van Vorsteo en
aanzienlijken, santap. Zie eten. —,
spijzigen, zie hel volgende woord;
samen — met, makan sahidangan dë-
ngan, santap sahidangan deugan;
uit
éen schotel ot\' één bord —, makan
sadaoen, santap sadaoen.
sp\\jzi<zcn, membèrt makan, mëmbëri aja-
pan.
spikkel, rintik; ook gespikkeld, b.v.
een gespikkeld paard, kue.da rintilf. —,
spat van vocht, rttjifr, përéljifc, —, op
de nagels, boenga koekoe; nagels met
— s, koekoe berboenga.
spikkelen, bespikkelen, mèmèrëtjiki
(vaii përëljik).
spikkelis, bërintik-rinlik-
spil, van een spoel, rad of spinnewiel,
kisi. —, as, zie ald. —, Hijv. nir. dun
en smal van een been, rentjeng.
spillebeen, spillepoot, kaki rentjeng.
— met platte kuiten, bëtis sëladang.
spillen, zie verspillen.
spilziek, pemboros, soeka memboros.
spin, laba-laba; op Java laica-laica.
spinazie; e. i. v. bladgroente, die do
plaats van onze — eenigszins kan in-
ncinen, i- de bajam, of gëndola (ama-
ranthus). Hiervan verschillende soorten,
eetbare en oneetbare.
spinbaar, dapat dipintal.
■«pinde, spijskamer, sëpen.
spinnekop = spin.
spinnen, garen —, me mint al benang (van
pintul , menganleh, .lav.— van een kar,
dengkoer koetjing; er zijde bij — , men-
dapal laba, mendapat oentoeng, mëadii-
pat faidah.
spinner, spinster, pemintal, orang jang
memintal benang.
spinneweb, sarang laba\'laba, roemah
laba-laba.
spinnewiel, rahat, djatitéra, pemintal,
peujering.
spinrag = spinneweb.
spinrokken, tiang rahat.
spinsbek, soetcasa; eigenl. een mengsel
van goud en koper, ook lojang.
spinsel, phitalan, poetaran, b.v. een —
garen, dat nog niet goed in ekamler
gedraaid is, satoe poetaran benang,jang
belom bersering.
spint, van hout, goebal.
spintijg, bergoebal.
spion, verspieder, pënjoeloeh,ptnghintai.
spionneeren, mënjocloeh (van toeloeh),
ménghintai, menghintip,
.lav.
spiraal, soeloer balang.
spiraalvorm!**, sarocpa soeloer balang.
spiritualiën, sëgafa ajsr kin-at.
■pit, braadapit, patjak\'; aan het spit
braden, mëmamjgang (van ptmggavg),
mëmafjak.
j spit; het — in den ïug, sakil loehmg
bëlakang.
spitje, speetje, vnn viseh of vleescb,
patjak, sësate, Jav.
i spit», punt van een wapen enz., mata,
hoedjueng.
—, van een berg, buom,
mast enz., poet\'jak-, poentjak, kemoen-
f jak.
—, van een leger, tjoetjoek-, (joe-
tjoek- lantara, haloeican, hoeloe;
zich
aan de — stellen, djadi pengandjoer,
d. pénghoeloe, d. kapata, mëngapalakan
(van kapala).
spits, liijv. nw. scherp toeloopend, hen-
tjip, lontjos, roenfjing,
voor dit laatste
b.T. —e vingers, djari roentjing, —,
-ocr page 689-
spitsboef — spoor.                                            677
vooruitstekend, mantjoeng. — van aan- I
gezicht ot\' neus, door vermagoring, \'
tjaoes. — toeloopend van een dak, of
van boomen, zooals de populier, lon-
tljong.
— naar onderen tocloopend,
/oonls b.v. de pooten van een tafel,
tfinjioe». —, doch niet in een fijne
punt uitloopcnd b.v. zooals de kin, een
manilla-sigaar, tiroet.
spitsboef\', schelm, prntjoeri,pPndjoerit\'.
spitsen, de ooren -,lbwiU félinga,
niïngembangkan felinga.
*pit*ic loenfjip, tiroet, lontjot, man~
fjwug
enz. Zie spits.
spitsneiis, hidoeng mantjoeng,
spitspnnl, strafwerktuig, soela.
■pit «roede, rotan pendfra.
spitssnuit, djoengoer.
spitsvindi<*, spitsvondig, tflrfdik.
spitten, graven, delven, mrnggali.
spitter, orang jang mPnggali, jiPnggali. ■
■plettt, opening, scheur, tëkah, rPkah,
tjïlah, bel ah.
splijt buur, dapat dibflah ; niet —, tiada
tërbelahkan.
splijten, klooven, mrmbvlah ; niet geheel
door—, maar bijwijze van keep of mik,
mëmbelah panggang. —, klooven van
een boomstam tot planken of balken
of van een menseh met een wapen,
mtmbaharr; in staat zijn te—Jïrbelah,
b.v. niemand was in staat het te —,
ra\'orang pon tldak trrbëlah; door in-
scheuring gespleten, zooals b.v. takken,
strïkah ; in tweeen ~~,mëmbëlah doewa.
sply\' houl, wig, badji.
mpiytins, pfmbelahan.
spl\\jtsel, belahan.
«punter, soeban, soetoep, sèroepih;
nanldvormige — van niboeng en der-
gelijke. aeloembar, —, die onder het
vel of den nagel is geschoven, toesoep. \\
— van bamboe, gebruikt nis mes, b.v. :
bij do besnijdenis, itmbiloe,
fttplintertfnisetje, svpit angkoep.
split, spleet, beliihav.
splitseind, stuk nangehecht touw, tam-
boengan tali.
splitsen, twee stukken touw aan elkan-
der verbinden, meujamboeng tali (van
samboeng), mena/rm (van taiim).—, ver-
deelcn, m^mbe/iagi, mfntftraikan.
spoed, haast, siyï-ra (Skr. §ighra). — I
maken, zich spoeden, bertigfra. — !
maken met iets, mtnjigïrakan, mem- .
pïrtigZrakan, b.v. — maken, met een
werk, mémpêrsig\'érakan pëkerdjaün, mëm-
bangatkan pekh\'tljaan.
spoeden, zie het vorige woord. -—,
snel loopen, bïrdjalan lekat, bfrdjatan
dëngan sigira, berdjalan dPngan panfas.
spoedig, tigera, lëkat, dengan tigPra,
dPngan lékat, bangat
; ten spoedigste,
tabolih-bolih dPngan tigPra, sabolih-
botih dPngan IP.kat.
spoel, wevers—, lorafr, geltndong.
spoelen, in een vocht heen en weder
bewegen, mëmbilat; den mond —, A?r-
koemoer. —, vloeien, stroomen, zie ald.;
weg—, wegdrijven, hanjoel; wegge-
spoeld worden, dihanjoetkan. —, was-
schen, mPmbasoeh, mPnfjoetji.
spoeler, wasscher, pembasoeh.
spoelinsbnk, veevoederbak, paloeng.
spoelkom, matigkofc betar.
spoelworm, tjatjing peroel.
«po™, speeksel, lordah.
spoken, ada hantoe; daar spookt het,
ada hantoe disana. — van de zee, de
golven, bP.rgPlora.
sponde, bed, pPttdoeran, tPmpat tidoer;
vnn Vorsten, peradoetcan.
«tpongnt, van een vut, mata tong, moe-
loet long.
sponning, groef, aloer.
spons, loemoet karang, boenga karang,
kembang karang
; eene — met water,
een natte —, boenga karang ttrserup
ajar.
sponsachttfg* vol gaatjes, zooals brood,
sommige soorten van kaas enz., blrta\'
rang.
sponssteen, puimsteen, baloe tiiaboel.
spook, in het algemeen, hantoe.
spookdier, stenops tardigradus, poe-
kang.
spookver**rb\\jnin™, kal\'thatan hantoe.
«pooi*; natuurlijke — van een haan,
soetoh, tagil, djaloe, -lav.; kunst— voor
veehthanen, tadji. —, prikkel, gPre.tafr,
patjoe;
een puard de sporen goven,
menggerttafc koeda, mPmatjoe koedn.
spoor, nagelaten indruk vnn voet of hand,
bPkas, kPtan; ook fig. b.v. tiada ber-
kPsan moekanja dinisla orang,
zijn ge-
laat draagt de sporen niet van door
de menschen gesmaad i.: zijn; voet—,
bPkat kaki, kpsan kaki; nagelaten —
of indruk van de band, bekas tangan;
dus ook iemands schrift-, nagelaten —
vnn andere zaken, b.v. van spijzen,
roet, eene wond enz. ook irk-is; sporen
-ocr page 690-
678                                        spoorbaan — spreken.
tusschen twee mesjes doortrekkende,
mëndjangat; de mesjes daarvoor gc-
bruikt, pëndjangal, pisau djangat. —,
in dunne reepen of kleine stukken —,
ménjijat (van sijat).
spouwliout, béteboi.
spraak, taal, bëhasa. —, stem, soeicara.
—, woor !en, kata, ptrkatatin; wel ter
sprake (of ter tule) zijn, petah lid ah;
de — misSBn, zie stom; men kent
iemand aan zijne —, sëbab bihasit,
mënoendjoekkan banysa,
Sprw.; de —
gaat, chabamja, katanja, kata orang.
spraakgebruik, adat përbëhasaitn.
spraakgeluid, stemgeluid, boenji &Q6-
tcara.
—, klank van de taal, boenji
bthasa.
spraakkunst, êlmoe\'miahoe, Ar. tl-
mue\'ssaraf, Ar.
spraukleer, pmgadjaran bëhasa.
spraakvermogen, pëngoetjap.
spraakzaam, soeka bërljakap-bjakap.
—, vriendelijk toesprekend, tëyor-sapa ;
welsprekend, petah lid ah; weinig —,
bëngap.
sprakeloos, stom, këloe; op Java bisoc.
—, niet in staat iets te zoggen, liada
dajiat bërkata lagi, tiada ttrkata layi.
sprank, vuurvonk, boenga api; zie
aasje.
spreekgestoelte, In de moskee, min-
bar,
Ar.
spreekwoord, oepaiaaan, peroempa-
ntadn, pérbihasa, p\'trbëhasaan
(Skr. pa-
ribhasu).
spreeuw; e, s. v. —, boeroeng pcrling.
sprei, deken, dekkleed, gtbar; groote,
breede, zijden —, gP.bar gandan. Ook
stptrai. —, kleed om uit te spreiden,
kiün ha/i/paran.
spreiden, van een kleed of runt, meng-
hamparkan. Zie uitspreiden.
spreken, bërkata, berfjakap, btrloeloef,
oedjar, bërpëri
enz. Hot eorsto is bet
meest algemeen. Verder heeft men danr-
voor nog versebillende woorden en het
gebruik daarvnu hangt af van den rang
van den persoon, die spreekt, of tot
wien men spreekt, b.v. —, zeggen, van
drn V orst, Utah, bëttita/t, b.v. en de
Vorst sprak, t/ut ka Utah baginda. —,
zeggen, van Vorsten en profeten, btr-
sabda
(van sabda, Ski\'.). —, van God,
bëjirmdn, Ar. — van God door den mond
van, bï\'.Jinndn atas lidah. — tot Vorsten en
aanzienlijken, onder het maken vun het
van vroegere gebouwen of verblijf-
plaateen, de overgebleven fundamenten,
bagan. —, vore, oenoet, roenoi\'t; het
—   van iets volgen, mëngoenoet\', mtroe~
noet.
—, de weg, dien groote, wilde
dieren gewoon zijn te nemen, dhiai.
—, zie ook spoorstaaf; het —
bijster zijn, dwalen, sësal; buiten bet
—    t reden, niënitiggalkan djalan jang
bëloel
(van tinggaï); iets op bet —
zijn, mënljioeni baoenja, mëndapat angin-
ajiginnja;
hij volgt hot voet— zijns
vadei\'B, ija mënoeroet kesan kaki bapanja.
spoorbaan, djalan kareia api.
spoorbonter, tërsësat, kësasar, Jav.
spoorloos, zonder .-poren na te laten,
liada nfniinggalkan biikas. — verdwenen,
hilany, btkasnju pon dada tërdapal,
spoorwlai;, pënggërtak, pengadjafc.
spoorslags, in allerijl, sigvru\'sigëra,
goepoh-yoepoh.
spoorstaaf\', pëloeroes,papan bërloelang.
spoorwagen, kareia api.
sjoorwcü» djalan kareia api.
sporen, van sporen voorzien, b.v. een
haan kunst sporen aanbinden, mëuibue-
lang, mï-ngë.nakan ladji.
Zie uunbin- ,
den. —, do sporen geven, mtmatjoe,
mënggërëtak.
—, iemand aansporen,
mëngadjak-, — van eene lica door den
haan, het hof maken van den baan
aan de hen, mënjinykir (van sinykir).
sport, v. e. ladder, anak lui/gga; v. e.
stoel, anti-/ koerst. —, rang, graad,
panykal, dvradjal, Ar.
spot, sindiran, vtok\'-ulok; don — drij- !
ven met, mënyolok-olok; zijdelings zin-
spelend, mhijindir (van sindir). —, ■
pap, boert, sclierts, goerau, djinaka.
spotuehtig, soektt mëngulo^-utuk, soeka
beryoerau.
spotboei", spotvogel, orang djinaka,
soecharat. Ar.
•potdicht» spotliedje, ponton sindiran. \\
spolgeld, zeer luge prijs, buekan-boe-
kan harga.
spotiiaam, nama sindiran.
spotten, mënyolofc-oloik; nitnyadjok-
adjtik, uivnjindir.
— met Gods naam,
tnëny hoed jat nama Allah,
spotter, pëngolok\'-olok\', ptnjindir, peny-
hoedjai.
spotternij» oluk-otoA; sindiran.
spotvogel, zie h pot boe f.
xpouw, belah, bëlahan.
spouwen, wëmbélah, — van rotan, die i
-ocr page 691-
sprekend — springen.
678
bekende teeken van hulde, bërsëmbah ;
niet bepaald obj. mëmpërsëmbakkan;
bij voortduring of herhaling —, b?.r-
kat a-kat a;
met elkander —, bërkata
sa\'oring dëngan su\'orang;
gemeenzaam
—, bertoetoer, bërtjakap. —.hernemen,
oedjar; niet in slaat zijn tot —, tiada
tërkata-kata;
met ik en gij —, tiito-
veeren, berakoe-bërangkau; van zich-
zelveu met scbnja —-, bërsehaja. —,
tig. in gedichten, mfoighambuer bahuna,
d. i. geluiden strooien. Ook btrperi;
op de vingers —, zooals b.v. dout-
stotumen enz. bërmatn tangan. — over
dingen, waarvan men geen verstand
heelt, mëngaroet (van karaet), ook wnr-
taal —; ongerijmd en onbetamelijk —,
suelai-r-boeloer; uit de oogen —, tër-
bajang-bajang kapuda mata,
b.v. Iiati
dida/am sangat bërtjinta, tërbajang-
bajang kapot/a mata;
door den neus—,
sëngau; eene taal —, bërbakasa, pakai
bahasa;
voor zijno jaren goed kunnen
—, van een kind, beter dun men ver- ,
wachten kon, pet es; voorloopig en
oudurhiuids over iets —, mëmantjaug j
(van punfjtihg, stuak wanman men iels
vastbindt); over koetjes en kalfjes —,
de mogelijkheden vnn iets be—, btr-
andai-andai;
het spreekt vanzelf dat, ,
patoet b.v. pa\'oetlah ija djad\'i miskin,
het spreekt vanzelf, dat hij arm werd,
hij moest wel arm worden; dat spreekt
vanzelf, dut was steeds zoo, memang ,
bagitui-; spreek er maar niet meer vnn,
djangan dikatakan lagi; ook: om er :
niet meur van te —; zachtjes met
elkander - , lluisleren, bërbiiik-bisik; ;
voor zichzelven —, bvrkufa akan faal
dirinja;
zichzelven verantwoorden, më-
njakuel dari hal dirinja;
goud —, borg
blijven, mëngttkoe, mënant/goeng (van
tavggamg); recht —, een vonnis vul-
len, mëmorfaeskan fioekoem (van poetoes);
do waarheid —, bërkata bi\'nar; is mijn-
heer te —, batik bérdjoempa dënyan
toe wan;
iemand tot — brengen, aan
het — maken, de spraak geven, mëm-
bawa oramj bërkata-kata;
naar den .
mond —, mëmbaedjae^. Zie vleien;
uit de t,ogen —, tërbajang-bajang ka- <
pada mata,
uit de oogen te lezen zijn.
— over iemand, iemand bebabbelen, ■
mëngata-ngatui mang; zonder iemand
juist te bebnbbelen, bërkata-kata dari \\
hdl oiaug;
ik laat niet gaarne over
mij —, akoe tasoeka mëndjadi buetcah
moeloet otang. —
, eene redevoering
houden, mëngadjar; bij wijze vnn —,
oepatuanja, sandainja, mitsalnja; in zijn
—    te ver gaan, tërdorong katanja;
Zonder een woord te —, dëngan tiada
mëngatakan sapatak kata pon, sapatak
kata pon tiada dikatakan;
spreek op,
katakantah, katakanlah olihmoe; on-
betamelijke woorden —, jang boekan
kata dikatakan.
/ie verder du saiuun-
stellingen en du woorden die er voor
in de plaats worden gebruikt.
sprekend, duidelijk, klaar, njala; een
—   bewijs, tanda jung ujata. — van
gelijkenis, saroepa dëngan, mëngham-
pir,
Jav. memper.
I spreker, orang jang bërkata. —, rede-
naar, orang jang mëngadjar.
sprenj»l>ekken, tempat ajar përëndjis.
sprengen, zie sprenkelen.
sprenkel, rëndjis, ook rëutjis, rëfji^.
sprenkelen, mërïndjis; met bep. obj.
mërëndjiskan, b.v. inërëmtjis rëndjiskan
datum sakalian b\'ilik,
water aanhoudend
in alle kamers —, mërëtjik-kan. —,
begieten, zie ald.
sprenkelkw\'HHt, përëndjis, përëntjit,
djamboe-djamboe përtndjis, përëtjilf.
spreuk, spreekwoord, zie ald. —, zede-
spreuk, mitsiit, Ar.de—en van Salomo,
amtsiit nabi Salaimiin.
spreukdieht, guerindum, Skr.
spreukenbook, suerat përoepa/nadn;
het — van Salomo, kitdb amtsal nabi
Solaimdn.
spriet, puntige stang, piarit, —, lange
mastboom, mar. pënggiling stmandëra.
—, voelhoren van insecten, soengoet.
sprictzeil, lajar sëmandira, lajar pëtig-
giling.
springen, huppelen, mëlompat; touwtje
—, mi lompat fioeng; aan liet — zijn,
bërlompat-lompat; met zijn velen aan liet
— zijn, bërlunipat-luitipatan; aan het —
raken, tP.rlompat-ltimpat; over iets —,
ook mëlompat zonder Vrz. b.v. overeen
sloot — , mëlompat parit; over een muur
—, mëlompat pagar. Over eene sloot —
moet verschillend worden overgezet. In
het algemeen is het n-ëlompal parit,
b.v. zij sprongen over eene slout en
vluchtten, mareka-ttoe mëlompat parit
laioe lari;
ook voor slootje springen
wordt dit gebruikt doch met verdub-
beling tan het Werkw. In een bizondur
-ocr page 692-
6S0
«prinslans — spui.
geval is bet kasaberang parit, b v. drie
spronsten over de sloot en twee vielen
ia het water, liga orang mPlompaf
sampai kasabrang parit, tëtapi donca
orang tërdjoen kadalam ajar;
somt ook
dart atas parit, b.v. drie sprongen over
de sloot en twee doorwaadden haar,
tiga orang mëlompat dari atas parit,
do^ica orang tnëngaroeng dia;
tegen iets
—, iets lii\'-|ii iii^-i\'ii. b.v. zoonis eene dolle
kat tegen den muur, mëlompat i.— met
heide voeten tegelijk, mëlovtjat. — van
den hak op den tak, van het eene werk
tot het aodere overgaan en niets be-
hoorlijk «dunken, mëtinf?ab\'tintj<i/i,b.v.
djika angkan hëndak hahiskan ini,
djangan lintjah-imtjah,
als gij dit wilt
al maken, moet ge niet van den hak
op den tak —. Ook oentjal-oenijit,
mrrïnfjam, mëréntjah.
— naar beneden,
tt-rdjor», bètèrdjoen: met zijo velen,
bëlèrdjoman; van zijn paard —, tir-
djoen dari atas koedauja.
—, vertikaal
in de hoogte op iets, zooals b.v. oenc
kat op de tafel, of zooals vogels, mtrë-
djorfr.
—, opspringen, zieh ia de hoogte
werpen, vnn een mensch, of van een
visch uit het water, mëlamborng, b v.
al —de naar de vlakte, lambocng-lam-
boeng dirinja katanah padang itoe.

uit elkander met een plof of knal,
m\'élétos; iets doen — in dien zin, mê-
lïluskan;
uit elkander —, van iets,
dat men op den grond werpt, lig. sa-
pirti tëmhtitot dihëmpas,
als de vrucht
van de wnterpalm, die men hard neer-
smijt; schielijk vooruit —, zooals h.v.
een visch uit het water, een panrd enz.,
lëljnet; uit de oogen —, van tranpn,
bërpantjar, b.v. de tranen sprongen haar
uit de oogen als regen, vjar maianja
bërpantjar saperti hoedjan;
in menigte
uit het water —, van irarnnlen, visch-
jes enz., mënfjerëtjap; in het water —
méntjëbo*,r kadalam ajar. •—, krullen,
vnn het hoofdhaar, méndjëngkit. — van
glas of aardewerk, pëtjah; zie ber-
Nten. —, afbrekea van touw, garen
en dergel.. po»tofs. —, splijten van
hout, de huid enz., bëlah. —, zie ver-
der de samenstellingen.
spring»™**» btltbak. \'/Ais «prinjjveer.
springlevend, hidoep bëtotl-bëloi\'l.
springplank, papan ioempoean kaki.
sprintïleujjel, tali sara.
sprinsjtü» pasang poernama.
mprinaveer, pëgas. —, voorzien van
eenig wapen of schietgeweer en uit-
gezet om wilde dieren of menschen te
dooden, bflantik: zulke — uitzetten,
mfmasang belantifc.
springvloed = **prin3t\\j-
-1 >i"i nKI >:■:■ n, bilahuig, icalang, Jav.
e. s. v. kleine —, pè.lësil. Andere soor-
ten zijn: bïlalang tj?ngkadop, b. koenjit
en b. gambar, welke laatste gegeten
wordt; de groene, stinkende — op Java.
die het rijMgewns bederft, tcafattg san git.
sprits*; e. s. v. —gebak, panga-ian tja-
kar fiajam;
e. a. s., van eieren dooreen
ijlen doek gekleinsd in kokend water.
st\'rawa. Zie dnibbellioelr.
--i>rit st\'ii. spuiten, zie ald.
oproeien, gieten, begieten, zie ald.
sproet, zoinersproct, iahi lalai, djera-
vat, bintik koflit.
sproetij». t-\'rfahi lalai, berdjPraicaf.
sproliUel, sprokkeling, klein dor takje.
randng, rantjing.
sprohltelen, mëmoengoH ranting-ran-
fing
Cvan pomgotf).
Bjiron^i lompat; een of twee — en,
satompat dnctca lompat, —en maken,
mëlompai-lompat, ook v. e. paard of
ander dier: kromme —en maken, van
den rcehten weg afwijken, menjimpang,
mënjëliinpang
(vnn simpang); een —
doen, zoonis een vloo, een sprinkhaan
enz., mendjëntil\'; op stel en —, sërta
m\'rrfa;
op den —, gereed, sadia.
sprookje, vertelling, fjërttëra.
«prot, \'kan iambau.
spruit; jonge — vnn planten, tofnas,
po-tjoek,
b.v. jonge bamboe—,poffjoek
rèborng;
de eetbare jonge — van de
bétoeng-bniuboe, stborug.—, afstamme-
ling, pantjaran. —, kind, anatr.
spruiten, jonge loten of knoppen krij-
gen, bërtaenat, bërpoetjork morda. —,
ontkiemen, van erwten en boonen, die
in de week zijn gezet, bërkëtjambali;
in menigte uit iets —, zooals b.v. de
— van een uitgeloopen aardappel enz .
menfjërëfjap. Zie ook de samenstellingen.
spruw, zekere aandoening der slijm-
vliezen, sëriaican. —, bij kinderen be-
neden het jaar, pandai-pandai. —, bij
kinderen tot den ouderdom vnn veertig
dagen, goewam ; e. s. v, —, lota mondai.
spugen, braken, moetah, moenta/t; zie
spuwen.
spui, pintoe ajar.
-ocr page 693-
58]
spuien — staan.
badja; zuiver —, niet gedamasceerd,
best mëlela; onvorvalscht —, best tor-
sani,
naar de stad (\'borasan in Perzië.
staan; overeind — als eene van den
persoon uitgaande handeling, bërdiri;
accidenteel, ttrdtri; rechtop —, bërdiri
tega;
de dag, waarop een kind voor
bet eerst op deu grond staat, hart bër-
djëdjak tanah;
met den voet ergens op
—, berdjèdjak; op het hoofd —, zoo-
al- b.v. kunstenaars, bërtunam pisang;
lett. zich planten als «en banaan ; pal —,
zooals een schildwacht, vrij rechtop —
of overeind—, zooals bv. een mast, së~
réndjang;
z.>o recht — ah eene kaars,
zie bij kaars; pal —, niet wijken,
tiada uendoer; tegen over elkander —,
bërhadap-hadapan ; op de teunen —, niPti\'
djengkft;
de stelling of positie van op
de teeneu —, satljengket; zich in die
positie bevinden, bïrsadjnujkfl; naar
voren — , b.v. van de tanden, de buven-
lip, mëndjmigaiig; overeind —, zoonis
ecu paal, de staalt van een hond enz.,
mëntjiuitjang; van vele palen in den
grond, bërtjërantjangan; blijven—, van
vochten, dus ook de tinnen op de wan-
gen, olie of vel op het water, ladoeng;
in den weg —, nainel. als een wand
of sehnt, tërdinding; iemand — als
partuur, invngëmbari (van këmbar); op
hel punt — van te breken, door be-
schndiging, raka; iets zoo beschadigen,
mërakakan; to — komen up, van een
prijs, djatoh, b.v. als honderd een dollar
zijn, dan komt het stuk Ie — op een
cent, kalan saratues saringgit, djatoh
sabidjï saloe sen
; hoe stiiat het er mede,
apa chabar; hoe staat het met dat
werk, pëlërdjaan Hoe apa chabar; zoo
staat bet er mede, dëmikian/ah halnja,
bagi toe/ah olahnja;
laat —, djangan,
djangankan,
b.v. laat — een tijger,
zelfs geen geit, djaugan hariniau, kam-
bing pon fidak;
laat — voor den
knecht, voor den heer vreest hij zelfs
niet, djangankan hamba, toewannja pon
tiada ditakoetinja.
Ook oetah en oesah-
kan,
b.v. laat — verminderen, het
nam steeds toe, oesahkan koerang, makin
birtambah-tambah;
laat — dat hij ge-
rankt werd, zijn huidhaar zelfs werd
niet geraakt, oesahlah ija këna, boeloê
romavja pon tiada kina;
naar iets —,
het er op toeleggen, niinjëhadjakan
(van sëhadja); naar zijn leven —,
46
spuien, ntëngalirkan ajar.
spuigat; du —en op een vaartuig,
eroeng-eroeng, rodok-rodok. Men.
spuit, pëntjorot, simprot, Jav.
sptiitartMenü, obat pëntjorot, obat
simprot,
Jav.
spuiten, met een spuit, miutjorot. —,
opspuiten, van water, panfjoef; bij
kleine hoeveelheden, pantjit. Zie do
samenstellingen.
sj»uitwast, bij een brandspuit, orang
bomba.
Mpiiitmcenter, mandor bomba.
spuit middel, obat pëntjorot, obat
simprot,
Jav.
spul, zie spel; spullen, eigendommen,
vuig. kirêdtik, mërëdoejr.
spuimiliMnlt, obat moentah.
*puu|l*el( braaksel, moentahan.
spiiwtmW, pi/oedaAan.
spuwen, birloedah ; iels —, uitspuwen,
tnëtoedahkan. — op iets, bespuwen,
miloedahi; vuur —, mënjëihboerkan ap<,
lettert, vuur uitproesten; een draak
die rozewater spuwt, nagajang mënjëin-
boerkan ajar-mairar ;
venijn—,mënjëm-
boerkan bisa;
hij bespuwde zijn kind
nat si rib, unak-nja disimboerinja di-
wt/au sirih;
bloed —, moentah darah.
Bpuwiu**, pïrlofdahau.
tpnwp >tje, timpat loedah,pëloedahan ;
zie kwispedoor.
spuwsel, braaksel, moentahan.
st. stil, diam.
staaf, batang, b.v. ijzer in staven, bësi
birbatang.
staag, aanhoudend, salaloe, sëna/ttiasa,
zie gestadig.
staalt, stok, voor boonen, peper, bé*tol
enz., djoendjoengan, pëndjalaran, b.v.
boonen—■, pëndjalaran katjang, djocn~
djoengan katjang.
— dien men in den
grond steekt oiu er b.v. een bootje aan
vast te leggen, galah oendjam, galah
panfjang;
ook alleen pantjang,- van
mensehun, als staken in den wegstnan,
bërtjërantjangan; iets op staken zetten,
mtmantjang; /ie spreken; recht op-
staande — bij een boom, toeroes; door
zulk een — ondeisteunen, mënoeroes.
staakl>oonen, katjang mëndjalar.
staal, monster, nutijam, op ,1&va,tjunto ;
niet met het — overeenkomen, tiada
satoedjoe dvngan matjamnja
(of dëngan
tjontonja).
«taal, bard ijzer, wad ja, badja, bësi
-ocr page 694-
082
staand
— staat.
niinjëhadjakan matïnja. — blijven, nis
daad, berHenii. — gebleven, van een
horloge, klok, of machine, tè.rhe\'nti;
open— van een deur, of deksel, of
den inond, lerboeka, ternganga. — laten,
txnggalkan, biarkan; onder water - ,
zie overstroomd. —, pateen, van
klecding, këna; bet stant aan u, is
voor uwe rekening, at as attgkaulah;
dat staat niet aan mij, boekan seAaja
poenja sofkn;
borg —, mëngakoe, më-
nanggoetiy
(van tanyyoetiyi; op interest \\
—, makan boetiga; in bloei —, bër-
boenga;
op een goeden voet —, met i
iemand, btr&uhbat-sohbatan; tegen iets
gekund —, bèrsandar, tërsandar; niet
willen —, van een vlieger, asik; op
stal —, oda da lam kattdang; geschrc-
ven. of vernield —, tPrtëboet. — op ,
nnam van, tërseboet dtityan naam; in
brand —, bërnjata; in een kwade reuk
—, haoe boesvek, boesoek baoenja,- bc-
schaamd — voor, nièndapat tnaloe ka-
pada;
op vallen —, van een gebouw,
tïhiidjakan roeboeh; onder de bevelen
—, dibatcah pirentah-, onder iemand
willen —, maoe mëmbaieah kaj/ada
ora/i\'i
,- gelijk — met, sawa dëngan;
onder beheer—, datam pïyanyan ; vlak
tegen iels aan —, brrdempet, bërdom-
pat;
te doen --, zie bij doen; goed
—, er goed uitzien, ba\'ik roepanja.
s tan ml, overeind, bërdiri; op—en voet,
onniiddclijk, sabëtitar djoeya.
stüiuidi-, terwijl, dalam, sv.dany, serta, \\
sëmantara.
Htannder, de twee - s van den voor- |
boom van een wecflocstel, pasoeng. — !
of vang voor masten of vluggestok, i
waarin deze worden vnstgozet, krap.
staanplaats, timpat l/erdiri.
staar, de — op de oogen, pafikan,mata
daging-o\'ayinyan
\', ook setapoet.
ntnnrt, v. e. dier, ekoer. —v. e. Chi-
nees, koefjir, koentoeny, koentjir, tau-
fjany,
Mal. als spotwoord ook fja-
tjing,
—, v. e. vlieger, rambve. —,
v. e. ploeg, gandar. —, v. e. fuik, ia-
djoer;
harige, vlassig* —, kidek; vnn-
daar bintang herkot ek, komeet; zonder ,
—, van kippen, papalf, letterl. efl\'eii;
de — tussclien de pooten houden,
diHipstnnrten, berfjaicat ekoer; do —
lusschen de pooten steken, mëntjawat-
kan ekver.
— van een rund, tjïmara;
ook de valschc haar—, door de vroti-
wcn gebruikt om beur haar op te ma-
keu. —, nasleep, zie ald.; er is kop
noch — ;ian te vinden, tiada kttahoean
hoetoe-h ilirnja.
staartachtig, saroepa ekoef.
«taartlieen, toelong ekoer.
■taarteloos, tiada bërekoer, ablar. Ar.
—   van boenders, pokeng, koenloel.
staar) peper, cnbeben, lada bërekoer,
këmorkoes, Jav. kababat, Ar.
ataartriem, v. e. rijbeest, amban ekoer.
MitnrtHcliroef, sëkeroep laras bëdil.
slaarlNter, zie komeet.
-.1 mirt -i uli, vleescb, daging boentoef.
—  van een kanon, djagoer.
staartveder, boeloe ekoer; do twee
langste —en van een vogel, b.v. pauw
of aigu>fazant, lawi-lawi.
staartvin, sirip ekoer.
■tuat, ;?tand, rang, panykat, daradjal, Ar.
—  , hoedanigheid, fiere kaiidaan. —,
opschik, tooi, perhiasan. —, toestand,
omstandigheid, peri \')>>\'. pïri /tal kan-
daan;
aldus is de — van zaken, dtim-
kianlah peri hal itoe.
— van weten of
kennen, zie bij weten. —, vermogen,
koeieasa, kïdar, Ar. naar den — vnn,
sajrëdar; naar ieders —, ta leed ar ma-
sing-maxing;
in — zijn, bij machte,
tjakap, bertjakap, kneicasa b.v. üisoeroek
poewasa apabila koewata ija,
hun be-
velen te vnsten als zij daartoe in
—    zijn; Aai Kartala Sari, tjakap-
kali ëvgkau ni em boen och h oelorba la tig
itoe,
wel K. S. zijt gij in — dien
officier te dooden ; sa\'oratig pon tiada
bertjakap meiia\'iki dia,
niemand was in
—  om tot hem op te klimmen; niet
meer in — zijn om een antwoord te
geven, kahabisan djawab, d. i. met zijn
antwoorden ten einde zijn. NB. Met
in — zijn tot de eene of andere Imn-
deling wordt dikwerf ook uitgedrukt
door het Ww. met voorgevoegd ter en
voorafgegaan door tiada, b.v. niet in —
zijn op te tillen, tiada tëranykat; niet
in — zijn to spreken, tiada tërkata;
niet in — zijn kaf mee te dingen, tiada
tërbatca sekam,
Sprw.; niet meer in —
zijn te antwoorden, tiada. fêrdjatcab layi;
ik ben niet in — te beschrijven hoe die
lieden weeklaagden, tiada koeicaxa *e-
haja m\'énjoerafkan lakoe uravg mêratap
itoe;
ik ben niet in — do smart en
het leed te dragen, tiada koeicasa
kakatig menanggoevg doeka nastapa.
-ocr page 695-
staatkunde — staazeil.                                        683
— maken op, rekenen op iets, m\'emalar
(van palar); op iemand, harap pada;
iemand op wien men — maakt, in wien
men zijn vertrouwen stelt, orang kaper-
ij aj aiin;
op iemands trouw geen -— kun-
nen maken, tiada bolth dilawan b\'érsalia;
ia gezegenden —, van eene vrouw, boen-
ting, mengandoeng, hamil,
Ar. —, lijst,
rol, inventaris, daftar, Ar. soerat. —,
aauzien, kamoeliaan, kabesaran; een man
van —, urany moe/ia, orang b\'esar. —,
koningrijk, rijk, karadjaiin. —, land,
negari, b.v. de — der Nederlanden, ka-
radjaiin negari If\'olanda;
de sinten van
Europa, segala negari benoeica ICropa.
staatkunde, zie politiek.
staatsdame, zie hof juffer.
staat «ambtenaar,/\' \'eyaicai karadjaiin;
zie staatsdienaar.
staatsbestuur, pemerentahan kara-
djaiin, pemerentahan negari.
staatsdienaar, ambtenaar, pegatcal.
De vier voornaamste staatsdienaren in
een Maleiseben staat zijn: de bendahara,
rijksbestierder, de toemenggoeng, die de
politie en andere inwendige aangelegen-
beden bebeert, de taksamana, die alles
wat bet zee wezen betreft bebeert, en
de sjahbandar, die het toezicht boudt
over alles wat uit- of inkomt van den
zeekant. —, minister, manléri; de eerste
—, perdana manteri, wazir; ui de staats-
dtenaren, segala matilëri; de —en of
krijgsoversten, die den Vorst ter zijde
staan en aansprakelijk zijn voor zijn
persoon en voor betgeen bem wedjr-
vaart, apil lèmpang; dus zooveel als
onze adjudanten vun Z. Al.
staatsdoinein, Aorta karadjaan.
staatsgeheim, rahasia karadjaan.
staatsheraut, bantara.
staatsie, uiterlijke vertooning, prneht,
praal, oepaljara; al wat daartoe behoort,
pawai. Zie praal en do samonstel-
lingen.
staatsiekussen, praalkussen op een
bed, bantal séraga.
staatsielans, djogan, van het 1\'orz.
Ijogait. Zie lans.
staatskns, chizanah karadjaan.
staatsman, zie staatsdienaar; nl
do staatslieden, segala manieri-mantéri.
staatsraad, montert bësar; de — als
vergadering van al de rijksraden, para
vianlèri bésar, diivdn,
Perz.
staatsrecht, tegenover andere staten,
hal: karadjaiin; inwendig recht van do
burgers, hoekoem karadjaan.
staatwresjeliny:, pératoeran karadjaiin,
sjarf karadjaiin.
staatsrej»eerin£ï, pewrentahan negari.
\\
staatsuitgaven, bèlandja karadjaiin.
staats ver guderini», madjlis kara-
dj aiin.
staatsverwisselin™, pënggantiati ka-
radjaan,
staatswege; vun —, daripada pehaki
radja
(of d. p. goepernemen).
staatswet, hoekoem karadjaiin.
staatszaak, pèrkara karadjaiin; do
staatszuken of aangelegenheden, segala
halahoeical karadjaan.
stad, negari, Skr.; versterkte —, kola;
do eigenlijke — met betrekking tot de
voorsteden, poerl, Skr.; de heilige —,
baitoe\'lmoeikadis, Ar. d. i. Jeruzalem.
— en land, negari dan desa; de geheelo
—, sa\'isi negari, sag\'enap negari; eenu
geheelc —, sanegari; een bloeiende —,
negari jang mamoer, n. j. ramai; in
het midden van de —, dipèrtëngahan
negari, diténgah-lengah negari;
van —
tot —, daripada saboeicah negari ka-
pada saboetcuh negari.
stadbewoner, orang isi negari.
, stade; te — komen, bergoena, holik
dipakai.
, stadgenoot, orang sanegari.
, stadhouder, plaatsbekleeder van den
Vorst, tvakil radja, Ar. wali, Ar.
1 stadhuis, g\'èdoeng biljara, roemah bi-
tjara.
stadsbestuur, pemerentahan negari.
stads<Eebied» djadjahan, ddirah, Ar.
stadshas, perbèndaharaün negari, chizd-
nah negari.
stadskwartier, soekoe negari.
stad si ie den, orang isi negari.
stadsmuur, deivala (van diwar, 1\'erz.).
stadspoort, pintoe negari, pintoe ger\'é-
bang.
stadsraud, madjlis biljara negari.
stadwaarts, kanëgari, kakota.
stat\', stok, toimgkat; voor — gebruiken,
mémpèrtoengkatkan. — van adjudanten,
p\'éngapit.
«tajj, mar. soeicai ; aebterstag, lalt lahau
toeroet;
voorstug, tati pêuyauygofc; euno
soort \\ü.\\\\ —• op inlandacbe vaartuigen,
arang-araug; over — gaan, mënadah
lajar.
1 staj£seeil, lajar boeboetan.
-ocr page 696-
884
staken — standaard.
■taken, doen ophouden, mempërhënlikan;
/ijnu boetedoening —, mèngorafr te* ,
panja (van orak). —, ophouden met, I
bcrhènti, b.v. den arbeid —, bèrkbtti
bëkërdja,
staketsel, piffltB\'lirirriitg, r—ynfar. ffl- ■
rotjok; bamboezen — in zee, in de ■
gedaante van eene groote fuik, kvloeng ;
cene bijzondere soort daarvan, krloeng ■.
Hataici,
—, dat boven het water uit- i
steekt, djodjut. —, omheining van
palmhout, pagar roejoeng.
stakinir, perbentian.
stakker, zie Htikkel.
stal, voor groote dieren,ktmmg; paarde-
—, kandang koeda.
stnlbezem, meestal vervaardigd van
palmhladribben, sapoe lidi.
stalen, van -urn!, daripada wa//ja (of j
bad ja).
«tal J ontren, paardenjongen, gombala
koeda.
stallen, mengandangkau, \\masokkan da-
tam kandang.
stallel je, winkeltje, k\'edai, waroeng, Jav. ,
Rtnlimind, zie bij mimd.
stalruif, voederbak, tri, Ar. paloeng.
Ktnm, van een boom, batang, balang
puhon, laras;
gekapte jonge—men van
2a 8 duim diameter, kajoe laras; dun- .
ner id. anak laras; de kale —. waar- :
van de takken afgehouwen zijn, logofr. ;
—, volksstam,xorkoe bungsa; diio — inen, !
t/ga boetcah bangsa; de —men, pèsof-
koean,
dat zijn de Mohammedaansche
bewoners van bet Kijk Lingga; —, |
familie, apoeicab, poewah, —men vor-
men, membafangbalang.
stamboek, sifsilat, ,\\r. soeliilat, Ar.
soerat asal.
stamboom, geslacht sboom, soesoer,
so*soer-galoer, sjadjarah.
Ar.
si nmelnar, vraag gatjap.
Ntameli\'ii, Btotteien, gagap. —, krom
•preken, gebrekkig praten, berkata dé-
ugarr ieloer, b. d. pelat.
stamgenoot, oratig sabangsa, orang
sasoekoe bungxa.
*taml\\)Nt, /ie stamboek.
stamouders, nrnek-ntojaug.
stampen, fljn-—,mtnotmtoeft(Tento*m> j
boel\'); tot stof, poeder of gruis —, i
mëloeloeh-lantakkan; tot stof enz, ge-
stampt, toeloeh-lanlak. — met een in-
lloildsiuiwit, nungentak-entakkan; met !
de handen een paal of stuk hout in
den grond —, menggëroendjam, meng-
oendjatn;
met de voeten op den grond
—, menggëriak; het geluld van vele—do
voeten, gèrètak-meretib. Zie stnmp-
voeten en de samenstellingen.— v. e.
vaartuig, berauggok-auggok, ook b\'erang-
gort, mengamboel.
stamper, pënoemboek, — van een rijst-
blok, vijzel enz., antan, alof Jav. —
voor de betel, ten gebruike van oude
\\ü\'\\d}c&, anakgobfk; het kokeitje, waarin
men de betel stampt, gobek. — eener
bloem. fort.
stampin*»; de eerste — van do rijst,
toemhoek goebal, de tweede of witstam-
ping, /. fjëroh, f. batigsai; de — voor
hel avondeten, f. tanafc.
stampwel, toemboekan.
stampvoeten, beren f af? kaki, mengin-
djak\'èndjak, mèngènfakkan kaki.
— met
de uitgetrokken kris in de hand, b.v. nis
men iemand trouw zweert, bërkandjar.
stampvol, pënoeh x\'esak, pënoeh pëpak-
stamregister, soerat asai, zie stam-
boek.
stamvader, mojang. Zie stamou-
ders.
stamverwant, sabangsa, sasoekoe
bangsa.
stamwoord, pohon pèrkataan.
stand, hot staan, pèndiri. —, houding,
sikap. —, staanplaats, lëmpat, timpat
berdiri.
—, ligging, kadoedoekan. -—,
bedrijf, nering, pëktrdjaiin. —, klasse,
rang, pangkat, daratljat, .Ar. marlabat.
Ar. naar zijn —, ala kédarnja, Ar.
satöedjoe dëngan pangkatnja. —, al\'-
komst, geslacht, bangsa; van goeden
—, bërbangsa, balk batigsanja; van ge-
lijken —, sama berbangsa, sama bang-
sanja;
de hoogere —en, orang besar-
besar, oratig bangsatcan;
de lagero —,
orang hina-dina, sëgala rajaf. —, staat,
wezen, kaadaiin, hal kaiidaihi; tot —
brengen, mhidjadikan, men god ukan, me-
tigérdjakan
(van kërdja); tot — komen,
djadi, berlakoe, b v. përkara itoe tiada
djadi,
die znak kwam niet tot —;
tëlapi jang kahendak hati berlakoelah
olibmoe,
torli komt door il tot —, wat
het hart begeert; in — huuden, rnèmë-
lUiarakan, m\'eneJapkan.
— houden, niet
wijken, bertahan, liada oendoer, fiada
maoe liicns;
in — blijven, tétap, kékal,
berkandjang.
—, opstand, bangoenan,
itandnard, ïilam, iildmat, Ar.; de
-ocr page 697-
686
standbeeld
— stede.
koninklijke —, tilam karadjaiin ; o. 8. v.
—, of wimpel, die de Mnleische Vor-
sten ut\' Iiok.. -■ staatsambtenaren aan den
mast voeren, peraboe digala.
■tnndbeeld, patoeng.
stnndellïruid, anggerek; zie orchi.
deen.
stander, zie -pil.
Mtnlidgeld, voor het staan op de markt,
bi\'ja pasar.
■tandje, opschudding, pergadoehan. —,
ruzie, perkalahian. —, berispinfc, goe-
lar
; iemand een — maken, meajeran- \'
tang (fan sërantang); een — krijgen,
këna marah, digoesar, diserantang.
standplaats, tinipat, tempat bërdiri. ,
—, verhlijfplnals, tempat doedoek, l\'ém- ,
put diam. — bij een werpspel of
schietwedstrijd, padok.
standvastig, bestendig, Map, karar,
Ar. — in tegenspoed, sabar, Ar. —, i
volhardend, tetap, btrkandjang.
standvastigheid, katetapan; in tegen-
spoed, sabar, Ar.
statig, van een pnnrdenbit, bed këkatrg. !
—en zooals b.v voor de venster* eener
gevangenis, kisi-kisi best. —, ijzeren
staaf, bafang besi —, langs de verschan.
sing van vaartuigen gespannen, om het
overboordvallen te beletten, rimbat,
»t tin ij v eer, in een gewee rtlot, kètik:
paha bitalang.
stank, baoe boesork; ook alleen baoe, \'
b.v. drek — , baoe taki.—, Bterke lucht,
zoonis van urine, pesïng; zoonis van
bokkestront, hantjiny; branderige —, ■
hanyit, sangtt ; ook bat»; hangit. —, \\
vischnchtige lucht, anjir; op Java
amis, — voor dank, dilimpar boenga, \'
dïbatas limpar tahi,
Sprw. Zie verder \'
de samenstellingen.
stap, tred, schrede, tangkah, pëfaugkah;
een gewaagden — doen, tig. mëiangkak
laoftatt;
in drie stappen, mëlangkah
liga tangkah.
— op iets, het zetten
van den voet op iets, djëdjak; een —■
doen op, bërdjedjak, m\'éndjédjak, men*
djedjakkan kakhija pada;
geen — kun-
nen doen, tiada lërlangkah.
stapel, onordelijke hoop, t\'imboenan ; zie
ook hoop; netjes opgestapelde —,
zooals b.v. van geld, kisten enz., tong* \\
gofr.
—, groep, toempoek; bij —s of
groepen, bèrioempoek. —, stel van in
of op elkander passende voorwerpen, \'
zooals kistjes, doozen, pannen enz., ;
soesoen; cilindervormige — vnn plat-
ronde koeken, zooals b.v. vnn arensuiker,
toeroes. —, helling, waarop een vaar-
tuig gezet wordt, galavgan; een vaar-
tuig op — zetten, mënggatang, meata-
tjak
(van patjak), menjussoek (van soe-
jy-\'^\'i.dit laaute in de beteekeni;. van het
beloop van den romp maken, uuk »«f«-
bangoen peharue; een vaartuig van —
doen loopen, mëtoentjoerkan pirahue (of
kapal). —, hoop van geteld geld, [uithak.
-t ii ] n-il-tl. mtniinboenkan (vnn timèoen);
op elkander gestupeld, uan hoopen,
bertimboett-tiniboen; in lagen op elkan-
der, b\'erlapis-tapis, bersoesoen-soesoen;
voornamelijk van zuken, die op elkan-
der passen, zooals doozen, kistjes, pnn-
nen enz.; zoo op elkander —, mënjoe-
toen;
op elkander gestapeld zitten,
doedoek- bertihdih-iindih.
stapelgek, gila beloel,
stapelplaats, waar de koopwaren
samenvloeien, rekan.
stappen, passen mnkvn, bértanykah.—,
gaM, Loopen, berdjalan; over iets heen
—, milangkahkan. — op iets, b\'èrdjë-
djak, mèndjédjak, man djêdjakkan ka-
kinja pada;
ia een bootje—, aan wal,
aan boord —, in een rijtuig —, ttaïk.
stapvoets, lang/nam, ptrlahan-lahan.
staren, turen op iels, merenomg; aan-
houdend —, mer\'enoeng-rënoeng; onbe-
wegclijk — d, mat a ter boent ang.—, aan-
stnrcn, mëngamat-amati.
Htaroosen, de oogen wijd openspalken,
tnembeliakkan mafa, bitetang, —, strak
staan van de oogen, zooals b.v. van
een doodt), boent ang.
stnten-generaal, diwan s\'égala tcakil
orang banjak.
stntijj, langzaam in zijne bewegingen,
méndèra, Skr. liefelijk en —, waait
mendera.
Zie plechtigs
station, tempat pérhëntian, tempat p\'er-
singgahan.
statuur, v. e. persoon, bangnen-bangoen
orang;
de geheelo lengte der — Jandjoer.
staven, bekrachtigen, mënei/oehian (van
tëgoeh), mënetapkan (van tetap). —, be-
vestigen, mëngiakan, menjoengyoehkan
(van soenggoeh). —, bewijzen, menjata-
kan, mèntsabitkan
(van tsabit, Ar.); cene
rechtsklacht —, tnëntsabitkan dawa\'i
met een eed —, menjoengyoehkan de-
ngan soempah,
stede; in — van, akan ganti.
-ocr page 698-
6S6                                     stedehouder — «teemsen.
ouk van een dissel, schop of bak. —
vun een dissel, pert\'dah; nagemaakte
—   aan een bouquet, g\'ègïtar.
steelswijze, tjoert-tjoeri. —, stilletjes,
van komen of gaan, lolok\\ — komen
of gnan, mttoiofc, — een slippertje
maken, mënjëlimpal (van sr/ii/tpat).
steen, batoe; gehouwen —, batoe pahat;
gebakken —, batoe bakar, baton bata.
—   met inscriptie, batoe birsoeraf; een
- tje in bet zand, bijzonder grove zand-
korrel, iboe pasir; de —, het graveel,
pinjakil kaïang; de zwarte —in den
tempel te Mekka, die door de pelgrim»
gekust wordt, hadjaroe\'laswad. Ar.; de
—  der wijzen, tjititamani, Skr. djamis
hakim,
Ar. — des aanstoots, batoe son-
tohan.
— uit de ingewanden van som-
mige dieren, bezoar —, moestika,goeliga.
—, verharding in vruchten of planten,
boent at; kostbare — , edelgesteente, pér-
mata.
—, pit eener vrucht, büfji. —en,
die bij storm door de golven losgerukt
en nnar het strand gevoerd zijn, tagal.
Kteenneliti». van een grond, h\'erbaloe-
batoe, bërkarsik.
steennder, zie ader.
sleennluin, taicas batoe.
steenlmlilcer, p\'endjoenan.
sleenbiililierü, tëmpat p\'endjoenan.
-i\'\'i\'iilnili. bet teeken in den dierenriem,
binlang djadajat.
steen brasem, e. s. v. zeeviscb, i\'jhw»
geroet-geroet,
steendruk, tjap batoe.
steendrukker, toekang tjap batoe.
ste€*ndrukpers, apitan tjap batoe.
steenen, batoe, daripada batoe.
«teengoed, piring-m>>iigkok\'.
steengroeve, fe/aga batoeigalian batoe,
I steengruis, anak batoe, batoe kërtkit.
—, grint, karsifr.
steenhard, keras sc/p\'érti batoe.
\\
steenhoop, tiwhoenan batoe.
i Nteenhouwen, mem ah at batoe (van
pub at).
steenhouwer, toekang memahat batoe,
pemahat batoe.
| steenigen, mëlempari d\'tvgan batoe, mfa
loet art dengan batoe.
—, als stiaf voor
overspel, mërëdjam (van radjm, Ar.);
het — van den duivel, eene ceremonie,
die eens in het jaar in het dal Mina
volbrocht wordt en tot de vrome ver-
richtingen der pelgrims behoort, djam-
1 rak, Ar.
stedehouder, plaatsvervanger van den
Vorst, tcakil radja.
stedeling, oranij n\'ègari.
steeds, voortdurend, ielaloe, sènanfiasa.
—, aldoor, djoega, b.v. en wij zeilden
dien gansenen nat\'ht steeds door, maka
bfo\'lajarlah djoega saitiatiim-nialttman
i/of,
dag en nacht gingen wij —,
zonder op te honden, maka sïjang
dan malam bïrdjalatt djoega, dada
berhhiti lat/i;
zoo moet ge — doen,
demikianlah kaukerdjakan djoega. —,
aldoor, ook sabagat. —, bepaald
reeds, sadia, memang, b.v. — van Mn-
leischc afkomst, sadia afal Melajoe.
een inwoner van Ninünpoera, orattg
üingapoera memang;
wij waren — de
geringste dienaren van 1\'we Majesteit,
sêkaja int sadia hamba jaag térhina
dibüKah toetcankoe.
—, van altijd her,
dari salamanja. — in vroeger tijd of
tijden, sadiaka/a.
slees, nauwe straat, /oeroeng, djoerang.
steelt, stoot met een wapen, tikam.
van brei- en naaiwerk, mata. — vau
een wond of puist, zie steken. —
van mug of vlieg, ketip, Mal. — van
wesp, schorpioen enz., sent/af ,■ e. b. v.
— bij het naaien, toelatu/ bïloet ; eene
andere soort, bidji p\'erija; in den —
laten, mcnoemang; met hep. obj. mt-
noemangkan;
elkander in den — laten,
toemattg-menoeinang; in den — gelaten,
fue/nang, b.v. mamkan bèta tuemangkan,
hoc zouden wij (u) in den —.
ste*\'lil>eitel, pahai penjoesoer.
«teelïfuiU, het ai.
steeliü^er, djaroem pengoekir.
steekpenning, ijèngkeram, kekol,
oncang soewap,
steelcriug, fjtnfjin, halkah, Ar.
steeln*i»t\'l, waarbij men naar den rïng
steekt, mant menikam halkuh. —, tour-
nooispcl op .lavn, s\'enenan. \'/Ac ald.
steel, van bloemen, vruchten, potten on
pannen enz., stengel, tanghai. — vnn
bladen of bloemen, wnuimede zij aan
twijg of stengel vaslzitlen, tjngang. --
of stok vnn eene groote. zonnescherm,
gaudar. —, waarmede de vruchten van
pnlingcwasscn nan den dikkeren sten-
gel zitten, inanggar; hit —tje, waar-
mede de rijstkonel nan den stengel zit,
tengkok. —, handvatsel, p\'émëgang. —,
van roeiriemen, toetang da^oeng,batang
dajoeng.
— van hamer of bijl, sangkal,
-ocr page 699-
887
steenknlk — steken.
stekelbuik, e. e. v. giftigen visch, ikan
boental,
stekelhunir, pagar doeri.
stekelig, met stekels, btrdoeri.
stekelvarken, landak, laiidaj? tanah.
Mtelti\'lviscli, ikan doeri.
steken. Hiervoor een groot aantal woor-
den, al naar gelang van den aard van
het —, b.v. — met een scherp werk-
tuig of wapen, menikam (van tlkam),
bv, met een kris —, menikam dengan
kéris, menikamkan keris;
met kracht
in iets —, b.v. met een dolk in hot
lichaam, een kurk in eene tlesch, më~
ngtndjal
(van ëtidjal). — met eene lans,
ook mënoembak (van toembak), mera-
dakkan toembak;
aan het — met de
lans zijn, beradakkan toembak; met iets
— als met eene lans, mënoembakkan;
werpend —, zooals met een harpoen,
menikam lepas ; loodrecht naar beneden
—, menikam tv pat ,■ schuin naar beneden
—, mfnikam toeding; nanr zich toe-
halend —, zooals met een dolk, m?-
rajih; van boven naar beneden—, b.v.
met een spiets, stang, degen enz. w*e-
nohok (vnn tohok); schuin naar boven
—, met lans of kris, mïnjai/afc (van
sadak); naar zich toe — of snijden,
waarbij uien mes of dolk zóó houdt,
dat het lemmer bij de pink uitkomt,
menjingkoer (van singkoer). — met een
lang en dun voorwerp, zooals een piek,
stang enz. niénoedjah (van toedjah);
daarmede znehljes in iets —, poken,
merodok. — met een drietandigen vork
of elger, tmnjerampaiig (van sërampang);
zijwaarts naar buiten — of met iets
slaan, merembat; ruw en wild naar iets
—, inzonderheid van boven nnar be-
neden, mïroendjavg; met iets langs
nnar iets — om het te hebben, men-
djolok;
ook met den vinger in de keel
■— om binken Ie verwekken; met ecu
puntig, lopelnchlig voorwerp, waaraan
iets blijft hangen, in iets — om er
ven proefje vnn te hebben, b.v. in
aarde, een botervat, een grnanzak enz.,
mérantjaitg. — in een gnt of holte,
ntenfjètok; met iets in de koel —, b.v.
om braking te veroorzaken, mentje\'tok
tekak;
met iels puntigs ïn iets —, b.v.
met den vinger in het oog, met de
draad in do naald of in koralen, met
een i.tok enz., menfjoeljoek, mïnoesoek
(van toesoek), menjoesoek (van soesoek).
steenknlk, kt/poer batoe.
sleenklip, kar OH ff, batoe karang.
steenkool, arantj batoe; stapelplaats
voor —, perarangan.
steenkolenmijn, galïan arang batoe.
steenkreeit, hoedang karang,
steenpuist, bisoel; zeer vurige —, bi-
.mei lada.
— in of nabij den oksel,
kombang bïriédueh, letterl. een hommel
in de schiiduw; e. b. v. —, iboe satcan.
/ie IiIiimI/W.\'iT.
steenrood, rossig, icerna perang, b.v.
steenroode vloertegels, batoe oebin pe-
rang.
steensny<lcr, pengoekir batoe.
steensoort, djtiiis batoe.
steenworp, pe loet ar batoe, ptngoemban
batoe;
één — ver, sapetoetar batoe dia-
oehiija, xaptngoemban b. dj.
steevast, hokvast, aan céne plants ge-
hecht, ierënak,
stee vonder, titian.
steiger, landinzsplaats, pangkalan.
vuur veersehuiten, pangkalan tambang.
—, gebruikt bij bet bouwen van een
boog huis enz., perantjah; timmermans
of metselaars —, djuntang, Mal. —in
zee, om op te zitten bij liet visschen
met een kruisnet, panggar.
sleijjeren, v. e. paard, mengerïdjang
(van ke\'re\'djang) Mal. bïrontak, ook
mtnari-nari, mettdompak, Pad. hov.1.
steil, tjoeram; zeer —, nagenoeg lood-
rechf, van eene helling, ttrdjal; een
—e berg, boekil jang tjoeram. —, on-
buigzaam, kedjoer, ook of inzonderheid
van het hoofdhaar.
steilte, tempal tjoeram. — door aard-
storting, tërbis.
stek, allegger van eene plant, namelijk,
UU tak of loot, die men in de aarde
legl om wortel te maken, Ijaugkok.
—, jonge plant of luot, anggoeran.
stekel, doeri, toembak ; de lijne, harige
—s aan sommige gewassen, zooals bum-
hoe, suikerriet enz., se/ara; de —s of
stekelachtige uitspmilsels aan den voet
win nmiMD, zooals ilalang enz. die
de voeten verwonden, soeda\'Soeda.
van een stekelvarken, doeri landak,
— van den pandanus, toembak panda»,
doeri pavdan.
stekelachtig;, berdoeri\'doeri.
stekellmnrs, ikan pisang.
stekell>oom, pohon doeri, pohon jang
b^rdoeri.
-ocr page 700-
ÜSS
steken.
haarnaald, oen schrijfpen, mënjoenting
(van soenting)\\ ook van geschut in de
verschansing van een schip; bloemen
ïn elkander — lot slingers of festoenen,
mfuggobah; zulk een slinger of festoen,
gobah; met het voorste gedeelte uit
iots —, b.v. met het hoofd uit cea
venster, geschut uit het schietgat, mai-
djïngol;
met het hoofd uit een venster,
om te kijken, ook mendjengok; tot aan
bet boveneinde in iets —, b.v een
kris tot het gevest in het lichaam, of
een huis tot den drempel in het water,
atjap; gaten in den grond —, mëntja-
tja/i tanah;
in iets nuts of kleverig»
—, b.v. de hand in water, de voet in
modder, mentjipwh,■ iets ergens onder
weg—, onder iets schuiven, mtujoe-
sufpkan
(van soesorp); overal onder
gestoken of stekend, soesoep-sasap; hier
en daar in het verborgen —, zich in
hoeken en gaten bevinden, sïlit-tfpit;
loodrecht met een vaart ïn den gtood
—, mtnghoendjam; nldus gestoken zijn
van vele voorwerpen, berhoendjam-hüen-
djamatt;
in iets blijven —, b.v. van
ecne lans of een meg, waarmede men
naar iets werpt, lërhuendjam; met de
horens in iets blijven —, (ërsangkorr;
in het spreken of lezen blijven —,
sangkoH; iemand in de keel blijven
—, van spijs, iïrnnngkvlan; in do ont-
wikkeling — gebleven, bantoet, ter-
ban loet;
van wal—, bërtoelak, bërtajar ;
wat steekt er in, wat zou daarin —,
wat zou er tegen zijn, apatah talahnja.
— van een zweer, mërttjotok-tjotok. —,
zeer doen, zounis eene wond, de uogen
door vuil of door scherp licht, pediA,
përih;
van een gezwel of bloedvin ook
ënlak, këlindjar, angkol; een ring aan
den vinger, mëmboeboeh tjintjin pada
djari;
naar den ring —, menikam Ijal-
kah, men/kam tjintjin, bërmaïn mëni-
kam halkah
of tjintjin; in den mond
—, masoekkan dalam moeluel; een
hupje in den mond—, mënjuewap (von
soetcap); elkander hapjes in den mond
—, zooals b.v. bruidegom en bruid,
bërsot\'wap-soewapan; aan een spit —,
mvmatjak (van paf jak); iemand over-
hoop —, mënikam sampai mat\'t; ïn een
z;ik —, masofkkan dalam kantoeng,
niëngandoengkan
(van ka-doeng). — van
de zonnchitte, tërik; de zon steekt,
po mts tërifc; zich in iets —, me ma-
— naar iets, dat men niet ziet, b.v. j
viseh in troebel water, meradjah; met
een stang in water nuar iclB —, mï* \\
ugajan
(van kajau); in den blinde met ,
een stuk, stang of liniaal naar of in
iets —, om te voelen of er ook iets is,
ikeugoeicar-ugottcarkan (van koetcar) met .
het middel als dir. obj.; naar tets —, i
opdat er iets blijvc hangen aun het
voorwerp, waarmee men steekt, b.v.
naar visch, tin, schildpadeicren enz,
mënrroek (van leroek); met iels puntigs
naar iets — om het machtig te wor-
den of te vinden, b.v. vruchten, visch,
een drenkeling enz., mëroedjah; met
een angel —, mïnjëngat (van sëngat);
door een angel gestoken, ook ditikam
sëngat.
— van muggen en dergel. met
den bek en niet met het achterste
zooals bijen, niengëtip (van këtip).
in iets met ecne nanld, een doorn,
spijltje, wapen enz., mtnjëmal,- in blij-
ven —, van genoemde voorwerpen,
tirtemat, b.v. tërslmat pada daging, in
bet vleesrh blijven —. - , tusschen—,
b.v. een kris in den gordel, een spijltje
om een zakje, of een doom om een ,
worst ete. dicht te maken, mïujixip, ,
ttieuipersisipkan; zoo gestoken zijn, ter-
tisip.
— met de punt omhoog, zooals
b.V. een pnal, de staart van een hond, i
mëndjëngkit; ook omhoog — van het
gekrulde haar op het voorhoofd; een
zwaard of degen met de punt omhoog
—, mémpïrfjanfjungkan; met de punt
schuin omhoog —,tjotigkak; in allerlei
richting, zooals verward staande pieken
of geweren, tjungkah-mangkih; het nch-
terste schuin in de hoogte —, mtn- \'
djëvgking; het achterste telkens in de
hoogte —, toengging-toenggit; puntig
omhoog —, zooals de naolden op een
nnaikussen, de bajonnetten van een troep
Boldaten, mëntjt-roi\'tjofp; iu menigte, i
zoouls geweren, pieken, stukken glas !
of spijkers op een omheining, bërtjë\'
rantjangan ; \'m
iets, b.v. ia den grond,
van lange, puntige voorwerpen, masten, j
pnlen enz., tjat jak; in het oogloopend j
uit—, zooals een kris buiten den gor- ,
del, een van de beide becnen, een
boomtak in den weg enz., tPrdjt.ngkar;
op velerlei manier, djongkar-djangkir,
tjongkah-tjangkeh, ijungkah-mangkeh ;
achter het oor, of in hc\'. haar — als
versiersel, b.v. cene bloem, gouden
-ocr page 701-
689
stekend
stellig.
—, beschaamd maken, mëmpërmatoe\'
kan, mëmbëri maloe;
zijne zinnen op
iats —, bergemar akan, bërnafsoe akan,
ritidot\' akan
; up iemand van de andero
kunne, birahi akan; eeue eer in iets—,
roem dragen op, bërmëgah-mëgah akan;
ter zijde —, mënjabëlahkan (vnn sa-
belah);
zich voor oogen—,mënghadap,
b.v. mëtainkan nëgai\'i acherat saaata-
mata jang koehadap,
slechts de eeuwig-
heid alleen stel ik mij voor oogen; in
slagorde —, mingikat pcrang, mëng-
atoerkan bala-tantara.
—, bepalen,
mënënlorkan (van tëntoe), bv. de prij-
zen —, menënloekan harga; de markt
—, tnënëntorkan Harga pasar; ter hand
— , mïnjampaikan kataugan; eerbiedig
ter hand —, b.v. een brief aan een
aanzienlijk persoon, mcntaslitnkan (van
taslim, Ar.); in het werk —, te werk
—, iemand werk geven, mëmbëri pëkër-
djaan;
iets in bet werk —, b.v. om
zijn doel ie bereiken, mëmpërgoenakan;
prijs op iets —, mengendahkan, mem-
bësarkan;
hoe zullen wij het —, apa
\'Ikat kifa, apa bitjara kita, apa daja
kita;
zieh iu handen — van, menje-
rahkan dirinja kapada
(van sërah);
zich voor den geest —, ingaf-ingat; to
bock —, opstellen, mëngarang (van
karang); in een boek opschrijven, më-
njoerat dalam kitdb
(van soerat); te-
vreden —, mënjënangkan \\\\aa senang);
van vijandige purtijen, mëndamaikan,
mtinpérilamaikatt;
op vrije voeten —,
mëlëpaskan; van een slauf, mëmardahe-
kakax;
uit het hart —, bet hart er
van af —, mëlëpaskan dari dalam hati.
—, veronderstellen, zie ald. —, gesteld
dat, djikalau kiranja, sandainja, woeloe
(ïetb. van het Ar. wa lau, en indien).
—, richten van geschut, zie nld. —
tegen, verzetten, weerstund bieden, më-
lawan;
veel te — hebben, met iets,
bavjak1 sofsah; zich borg —, mënang-
goeng
(van tavggoeng); gelijk —, më-
njamakan
(vnn sama).
•teller, opsteller van een geschrift, pë-
ngarang.
\\ stellig, bepanld, tëntoe, koenoen, nisfjaja,
pesli,
Jav. sah, Ar. b.v. een — bericht,
chabar jang tëntoe, chabar jang sah;
wat is de -e reden, de bepaalde reden,
apa koenoen sëbabnja,- als hij zieh zoo
gedraagt zal hij — ongelukkig worden,
\' kalau dëmikian kalakoeannja, nisfjaja
soekkan dirinja dalam, ntentjampoerkan
dirinja dengan;
in brnnd —, mënoe-
noekun
(van toenoe), mëtnbakarkan,
inënghaugoeskan;
den mond ergens in
—, masoekkan moeloet; de baad zoekend
ia iet* —, b.v. in den zak, m>\'njëloek
(van sïloekr); do trompet —, mënioep
najiri, m. tërompei\';
dam* steekt iets
achter, ada djoega rahasianja. — of
gestoken zijn van geld in handelswaren,
lëkat, b.v. mijn geld steekt nog in allerlei
handelswaren, dinar hamba lagi lïkai
kapada dagang-dagangan
; diep in schul-
den —, hoetang t/ërbaris-baris, sarat
dengan koetang, sangkoel-paoel dengan
hoetang, bërhoetang koeliltng pinggang ;
zich in schulden - , bërhoetang. Zie
verder de suuienstellingcn.
stekend, zie het vorige woord.
Htt-ltlïcii, een takje afsnijden en planten,
mtngangguer (van anggoer). — door
middel van nfzetscls, mëutjangkofr.
«tel; een compleet — van kleeren, sa-
langkap pakajan.
— van kopjes en
schoteltjes, ook perangkap, b.v. een —
kommen, uw nu Lok sapérangkap; ook
sa/angkap. —, -tiipel van in of op
elkander passende voorwerpen, zoouls
kistjes, doozen, pannen enz., soesoen.
—    van kleeren, juweelen, knoopen,
steengoed, muziekinstrumenten, ook për-
anggo
en përanggoan (van anggo, gc-
bruiken, Jav.). — van zeveu, van 1 in-
gen, armbanden, knoopjes enz., sarairan.
—  van zeven gouden knoopjes, katt/jing
tnias sarawan.
—, paar, pasang.
«tel, stand, orde atoeran; op — zijn,
tëratoer; op — en sprong, onmiddelijk,
van iets zeggen of antwoorden, sërta-
nter ta.
•tel, stelling, werf, zie nld.
■telen, mëntjoeri; bevolen, kaljoej-ian;
gestolen, ditjoeri; het gestolene, tjoe-
rian;
het hart —, mtngambil hati.
•teler, pèntjoeri.
•telkunst, algebra, addjabr, Ar.
stellage, bangoen-bangoen .\'L\\e #%.e\\\\\'m™,
stellen, plaatsen, zetten, inënaroh (vnn
taroh), mëlëtakkan; vlak tegenover iets
—, mënghadapkan; zie tegenover;
iemand boven oen ander —, melëbih-
kan, mëndëhoeluekan;
achter —, w?jb-
bëlakangkan, mëngëmoediankan ; paaien
perk —, mëmpërhinggakan; de wet —,
mëmbëri hoekoem, mëmërentahkan; op
rekening —, mënghoetangkan; ten toon
-ocr page 702-
690                                              «telling — sterk.
binasalak ija; hij zal — komen, pësli
ija datang.
stelling, stellage, hiervoor verschillende
woorden, als: —, grootc en verhevene
op palen, panggoeng; vrijstaande —
van bamboe om er het een ot\' ander
op te zetten of te drogen, ZooaU visch
enz., para-para. —, eene platte vloer
op palen, \'t zij om er iets op to zetten
ot\' er bij het visschen met een kruUnet
op Ie zitten, panggar. —, in een keuken
om iets op te leggen of er op te zitten,
piJmUuan dapoer. —, itijger, gebruikt
bij het bouwen van een hoog huis,
pïrantjah, aram-aram; logische —, peri.
stelpen* doen ophouden, meinper/iënli-
ka».
— van bloed, tnenasafc (van la-
sak\'),
b.v. maka loekanja ituepon dita-
sak\'nja, soepaja djangan kaloewar da-
rahnja,
zij deden een bloedstelpend
middel op die wond, opdat het bloed
niet meer zou vloeien.
stelpmiddel, voor bloed, tasal\'; het
meest gebruikte middel daarvoor is
e. s. V. zwam, penaivar djambr.
steltlooper, e. s. v. vogels, haeroeng
kaki dia».
stem, toeara (Skr. tw&ra). Zie ook ee-
luiil; een zwakke —, soeara këljil;
eene scheUo —, soeara jang njaring;
hel geluid van de —, boenji soeara;
met luider —, dvngan njaring soea-
ranja;
de — des donders, boenjigoeroeh.
stemmen, v. e. viool door het nan-
schroeven der snaren, niembantar biola.
—, in overeenstemming zijn met een
geluid, salala ; muzick-instrumenten—,
tntuala, mënalakan. —, tot iets gestemd
uf genegen zijn, senang, soeka.
■temmer, van een niuziek-instrument,
penala,
stemmig, ingetogen, sopati.
stemming, gomoeds—, kaüdin\'in hati,
peri kaiidaan hati.
stempel, zegol, tjap, nietèrai, ken/pa,
iera.
— op een munt, melërai, sikka,
Perz. —, merk, landa, üldmat, Ar. —,
keur, van goud- of zilverwerken, landa
oedji.
—, nagelaten indruk, bekas.
stempelaar, pznera,
stempelen, nïengëljap, memele\'raikati,
nienghiipa, irietiera, ménandiü,
zie het
voriire woord.
stem verheffing, rafdat, Arah.
stemvork, jtenala.
stenen, kreunen, mëngerang (van ërang).
I steng, verlengstuk van een mast, soeloer
liang, samboengan Hang.
—, topmast,
tiang pengapoeh.
j stengel, v. e. plant, batang pokojp. —,
dunne steel van eene bloem, tangkai.
\\ ster, bintang, nadjm, Ar. de —ren, së-
gala bintang, noedjocm,
Ar.; vallende
—, tjeret bintang, panah këloedan, bin-
tang bïralih, b. ké/arat, b. terhamboer;
telescopische —, bintang teropong; vaste
—, bintang jang fétap ; dwaal—, bin-
tang jang beridar, b. sijarai;
staart—,
bintang berekoer, b. koekoes; zie verder
de samenst. en bij i<l:u.....!: de maan
door —ren omgeven, boelan btrpagar-
kan bintang
; voor iemand de —ren
raad plegen, tnï-mpemordjoenikan. —,
ridderorde, ook bintang, zie ald.
i sterunijs, pekalr, < \'hm.
! sterf Ued, lëmpal tidoer orang mati.
sterf bericht, chnbar malt orang.
i sterfelijk, kunnen sterven, bolih mati.
—, vergankelijk, fana\' Ar. tegenovor
het onvergankelijke, baka\' Ar.; van
natuur — zijn, berbaka mati.
sterfelijkheid, peri kamatian, peri
jang f oma*.
sterfgevnl, hal kamatian,
sterfhuis;, roemah kamatian.
sterfte, mati.
siri\'luni\', adjal. Ar. koetika mati.
sterk, krachtig, koewat, Ar. iïgap. —
van lichaam, ook keras tuelang. —,
geweldig, gagah; ook in het eten, b.v.
gagah makan. — en dapper, gagah
bërani.
—, stevig, vnn binden, iets, dat
gebouwd of vervaardigd is, enz., l\'égoeh,
koekoek,
Jav.—.stevig van het lichaam,
het gemoed, een wapen enz., te.gap.—,
luid, helder van de stem, njaring. —,
hevig, van een vuur, waarmede iets
gekookt of geMookt wordt, se.gak. —,van
gezette kollie of thee, pPkat. —, van het
hart legen onheil of gevanr, tjekal.—,
ransig van vetten, tëngik. —, prikke-
lend op de tong, zooals mosterd, peper
enz., pedas. —, van een lucht, b.v.
van urine enz., auljing. — riekend,
b.v. van een urinoir, aring; een —
luchtje aan iets geven, zooals b.v. de
bélatjan aan spijzen, inengaringkan.
van smaak, namelijk van vetten,pïdar;
sterke boter, mantega jang pëdar. —,
van dranken, keras; beproeven wie de
sterkste is, worstelen, berkëras-kerasan ;
1 door de uitgestrekte handen tegen elk-
-ocr page 703-
■terken — steunen.                                            691
tigheid Gods; lajoe boenga, verdorren
van de bloem, lajoe roempoet, verdorren
van het gras. b.v. djikalau lajoe boenga
digtnggam Sjah ulam,
als de bloem
verwelkt, die Uwe Majesteit in de hand
houdt; djikalau lajoe roempoet di ha-
laman jang diper toewan,
als het gras
verwelkt op het voorplein vnn onzen
Gebieder; doenia ini loepoet daripada
genggaman,
deze wereld ontglipt aan
do vuist; kvmhali kapada asaltijn,\\.cv\\i%\'
keeren tot zijn oorsprong; mfninggal,
verkorting van mtninggalkan doenia ini,
deze wereld verlaten; bfrpiiidah dari-
pada nPgarï jang fana\' kapada nrgari
jang baka\',
verhuizen van het land der
vurgankulijkheid naar het lard der
onvergankelijkheid; kanegarï fjafjing,
naar het lijk der wormen. — als
getuige voor bet geloof, ook sneuvelen
in den krijg voor het geloof, maft
sjabid,
Ar.; met iemand —, hem in
den dood vergezellen, mati \'» /./ ,■ •iiiuun
■—, timbal mati. — van honger, mati
lapar;
van dorst, maii dabaga — van
een kraamvrouw, door dnt bij de be-
valling het kind beklemd is, mati ka-
babangan ;
bij tie geboorte —, of gestor-
ven, mati diluempoean. —, vermoord
of omgebracht, mati\' d\'thoenoeh ; duizend
dooden —, mati sariboe kamatian. —,
door verstikking, of verdrinking, mutt
lemas.
—, van vee door verstikking.
maft modar; op — liggen, lieudak
mati, hï-ndak poetoes njatca;
ann eene
ziekte —, mati sakil, mati dengan
ptnjakit;
eerst —, vóór een ander —,
tig. berdjalan dPhoeloe; teu onrechte
—, zie bij onrecht.
sterven; het —, mati, mant, Ar. Zie
dood.
stervensuur, adjal, Ar. koetika mati.
stervormijï- saroepa bintang.
steun, schoor, stut, sokoug. —, onder
iets, b.v. onder de voeten, tot-mpoean.
—, waar tegen geleund wordt, ptsan-
daran.
—, toeverlaat, perlindoengan.
—, helper, penoeloeng, pimbanfoe.
steunbalk, stut, sokong. — aan boord
van prauwen voor hel dak, toendiatig,
zie balk.
steunen, ondersteunen, mPnjokong (van
sokong). —, tegen iets, leunen, bei-san-
dar
; met den elleboog op iets —,
mïle\'koe, ook bPrtXlekoe ; onder het gaan
op iemands schouder —, bXrpapah;
ander te houden, de vingers te kruisen
< n tegen elkander op te duwen, èër- ;
pantja, maïn pan/ja; even —. sama
k-of wat, sama keras,
enz.; even —,
tietzij van natuur, betzij door regeling,
b.v. door een sterker lastdier meer tu
belasten, poelik; honderd man — ,sara-
foes orang banjaknja.
—, bedreven in
iets, pandai, faham. Ar. — in iets zijn,
b.v. in het onderzoek doen naar, koe-
IMM. — van een stroom en regen,
diras. —, hevig, van een geluid, eene
aandoening, den wind, keras, sangat.
—, groot, bPsar; een — leger, bala-
lantara jang bPsar;
een —e vloot, ka-
langkapan jang bïsar;
zich — maken
om het een of ander tu doen, tjakap, ■
sanggoep.
sterken, versterken, kracht geven, meng-
ikoricatkan.
—, aanmoedigen, zie ald.
sterkheid, kakoeaatan.
sterkte, kracht, koewat. —, lichaams-
kmcht, ook gaja; geen — meer hebben,
tiada btrgaja lagi. —, aantal, banjak.
■ .
grootte, besar, —, fort, vesting, \'
kola, benteng. — voor een retraite,
kola lari\'lurian.
sterkwatcr, ajar keras.
sterrenbeeld, bintang sagoegoes.
sterrenhemel, ptbintangan, langil b$r- ;
b in tang.
sterrenküker, moenadjim, Ar. ahloe
\'nnoedjoem,
Ar.
sterrenkükerü. t/moe noedjuem, Ar. I
sterrenkunde, ?lmoe noedjoem, Ar.
sterrenkundige, astronoom, moena- \\
djim,
Ar., pandjarawala (van tjakr.%- j
tcala, Sfcr.).
sterrenlicht, tjabaja bintang.
sterrenloop, peridaran binfang.
sterrenreijen, tjeret bintang, zie bij :
ster.
sterrenwichelaar = sterrenkü-\'
ker.
sterveling, manoesia, Skr. anak Adam,
orang jang akan mati, anak mano esia
;
geen —, sa\'orang pon tidafr, sa\'orang i
manoesia pon tidak.
sterven, mati; van Vorsten en uanzicn-
lijkcn, mangkat, hilang, mangkat bera-
doe;
van geestelijken, tcafdl, Ar. — ;
van velen,zich opotfcren,£?rmaÉt-mfl/i</M.
Figuurlijke uitdrukkingen voor —zijn: !
poetoes njaica, poetoes djiica, den geest
geven; kembali (of poelang) karahma- ,
toe\'llah,
terugkeeren tot de bartnbnr-
-ocr page 704-
(V.12                                                steunen — stuf.
den, b.v. tigoeh\'tigoeh, (trik-ttrijp enz.
stiehten, bouwen, oprichten, mimboewat,
mëmbatigoenkan,
b.v eene stad — ,mim-
boewat nigari, membangoenkan nigari.
—, veroorzaken, miujibabkau (van si-
bob), mindjadikan, mingadakan
(van
ada). —, troosten, minghiboerkan. —,
opbouwen van het geloot\', mimbanguen-
ka» intan,
stichter, .-\'""/ mtmboncat, j. rnimba-
ngoenkan, jang nitnjibabkan
enz. Zie
het vutigc woord.
stichting, zie cesticht.
stiefbroeder ot\' zuster, saoedara tiri,
van dezelfde moeder, maar van eeu
anderen vader, saoedara andjing.
stiel doch ter of zoon, unay tiri.
stiefkind, anak (tri,
stiefmoeder, iboe tiri, mak tiri.
stiefvader, bapa tiri, ajah tiri.
stiefzoon of dochter, aimk1 t\'ri.
stiei\'zuster, zie stief broeder.
stier, iëmboe djantan, sapi djantan,sapi
laki-laki;
wilde —, bauieng, andaka ;
e. s. v, wild rund, seladang; gesneden
—, os, Iëmboe kebiri, tapt kibiri; zie
bij iiennedeii.
Htier*-t\\v\\ee*c\\itdagi»g limboe djantan.
stierlmlf, Hmhoe moeda djantan.
stift, pen, pasak; graveer—, zie ald.
—, pen, waarmede mes of wapen in
het heft komt, poct\'mg.
stuf, onbuigznnm, kakoe, kiras, tigar.
—, hard, kiras, kakas; houd je roer
—, tegar kemoedi\'. stijve grond, taaie
klei, tanah tigar. —, opgestijfd, ge-
stolten, bëkoe. —, van den wind, kin-
tjang, tfojamj kilat.
—, onbehouwen
in manieren, kikoek. — in houdinsr,
manieren, kleeding, tjanggoeng; kramp-
achtisc —, b.v. van een nrm of been,
kidjang, kidjoeng. — staan van de
oogen, terdiri, b.v. moeloet tirnganga,
tnata terdiri,
de mond was geepend en du
oogen stonden —. —, hard, zooals b.v.
een doode, bangkar ,tjikang ,kidjat. Men.
— gespannen, van touw, linnen, leder,
netten, de huid, zeilen, de waneen enz.
tigang. — spannen, minegangkan. —,
strak, vim aangehaald, gebonden, gc-
spannen enz., kintjang, tirik, b.v. haal
dat touw — aan, tirikkan tati Hoe;
\'t is erg los, bindt bet goed — vast,
ban jak longgar; ikatlah tirik-iërik; hij
kan dien zakdoek niet — aanbinden,
tiadalah ija bolih mëngikat sapoe-tangan
iemand zoo —, memapah; met zijne
handen op den grond — van iumatid
die ter aaide buigt, mënekankan fo-
ngattnja kabuemi j met den voet ergens
op —, u.v. unt een zeker -/hut of een
duchtigen sprong te doen, bêrtoempoe;
niet de hand bij naar beneden uitge-
strekten anu op iets —, bértëlëkan;
met de handen op de knieën —, bër-
tëlikan loetuet ;
met de handen sten-
nende in de zijde, bërtelïkan ptnggang.
steunen, stenen, zie nld. en lireunen.
steuni>iliuir, toeroes, b.v. layi tja pi\'
>/ukti toeroes nigari Mudjaptthit int,
ook
is hij ala een — voor dit Kijk Madja-
pahit.
steunpunt, voor de voeten, toempoean.
—, van een last, kalang; basis, punt
van uitgung, anggaran.
stcuiiNel, stut, sokong, toendjang.
«U\'vt\'1, laars, sititcal, verb.
steven, de hooge voor- ra achter— van
sommige inlnndsche vaartuigen, soesoeh
pïra/toe, penjoesoeh pirahoe, linggi;
wanneer die — uit één stuk met de
kiel is, iiiiggt madja kaja; voor— van
een vaartuig in liet algemeen, haloean.
—, die als een snuit vooruitsteekt,
djoengoer; den — wenden, mimbeloek-
kan pirahoe;
koersen, minoedjoe, bir~
lajar minoedjoe
(van toedjoe). Zie ook
wenden,
stevenen, birlajar minoedjoe.
stevijj, sterk, Ifufwat, tigoeh, koekoek.
—, robust, gespierd, begap, bagas. —,
sterk, krachtig, ook: tigap; ook — en
vast van den wind, bagus; bijzonder
—, van huizen, vaartuigen, het lichaam
enz., pagan. —, ferm, stout, sangkoen. j
—, van hinden, vasthouden, tigoeh,
ktrat.
— aangehaald klemmend bij
het binden, tirik; zie stijf; een stevige
vuist vol, sagivggam tèrik-. — door-
werken, met volhoudende inspanning, .
birlekoe». —, gespannen, kintjang. —, ■
vast, van papier en dcrgel. sering;
niet — genoeg voor bet gebruik, wruk
zijn, roewai, b.v. een vanrtuig, dat niet
— genoeg in, pirahoe roewai; een mast,
die niet— genoeg is, Haag ju/tg roewai. |
stevijjen, mi ng koe wat kan, minïgoehkan,
miugoekoehkan,
zie het vorige woord.
stevigheid, koetcal, kakoewatan, kali-
goehan, koekoeh.
sirviiiUjk, dhujan £otfaM*, d. tegoeh,d. ,
koekoeh; ook de verdubbeling der woor- \'
-ocr page 705-
atyflieid — stillen.                                            693
itoe terilr-tirifc. — van nek, Itgar
tfnykolf, tvgang leher.
stijfheid, kak* ras*ni, piri jung kakoe,
përi jattg bëkoe.
Zie het vurige noord.
styi\'hooldig, tvgar, tvgang, tëkak-
Ktyflioufdigheid, katëgaran, fëkak,
tégang.
styt\'koi>pi<£ enz. Zie styfboofdig
OU,
sty (\'kramp, kedjoer.
sty 1\'iielt, die een stijven nek heeft, orang
yang tvgar lëngko&ttja, tvgang leher.
styiWel; dunne — van rijst gekookt en
zoowel gebruikt om te stijven als om
te plakken, kandji, ajar kandji.
stytitelen, mvmboeboeh kandji.
styi\'selpHp, borboer kandji.
styfcelpot, (impat ajar kandji.
Mtyizinnitf = Mtynioof\'diu; ook té-
gar hali.
st y jibeusel, kadjedjakan, ptmidjak-
kaki, sanygoerdi,
verb. van sanggaicëdi,
Jav.; ijzeren —, kadjvdjakan best.
styjxheu^olricm, tali kadjëdjakan,tali
pómidjak kaki, tali sanggoerdi.
styggen, ndik; in de hoogte —, op—,
ndik kaatas; in rang—, ndik pangkaf;
to paard ■—, ndik koeda; in een rijtuig
—, naïk kareta ; van een paard of rijtuig,
—, toTorn dart aio*. — in prijs, ndik
ftarga;
op iets —, iets bestijgen, door
aanhoudend klimmen enz., mvndiki b.v.
mïndiki bonkit, op een berg — ; doen
—, mvnaikkau. —, in de hoogte gnan,
rijzen, pomdoi\'k Jav. de kunst of bet
bovennatuurlijk vermogen om zieh in
het luchtruim te verheffen, hikmat
poendvek.
— van vuur, bloed en/,.,
mMnjiuboér
(van simboi\'r), b.v. dat vuur
steeg hooi op, api itoe mënjimboer-
njimboer besar;
het bloed raakte nan
het — in de borst, fersimboer dar ah
didada;
het bloed stee.: naar zijn aan-
gezicht en kwam hem den nous uit,
darahtt/a tnv.njimbo\'-r kamorkanja dan
kaloewarlah daripada hidoengnja.

van de zon of de maan, al hoogcr
rijzen, ndik; niet to verwarren met
tvrbit, opkomen, /ie hoos en vliesen.
fttyit pilaar, tiang; van een huis ook
djërëdjajr. — op een onderlegger, dje-
nang,
b.v. deurstijl, djvuang pintoe.—,
dikke stnak, hoofdstijl van eeoe om-
heining, toeroes. —, manier, wijze, trant,
ijara; in Maleisehen—, tjara Mtlajoe.
—, van eene taal, djalan bïhata.
sty ven, vast, stevig maken, m¥n$gochkan
(van tegoe/i), mengoekoehkan (van koe-
kofh).
— van iets met stijfsel, mëmboe-
boeh kandji.
—, vullen, b.v. van de
beurs, méngis\\ uömvnoehi (van pvnoeh).
—, aanwakkeren van den wind, makin
kvntjang, mïngenfjang.
stiUdonlcer, gvlap goel/ta, Icelata ka-
boet;
van de lucht ook: kélam batlja,
d. i. zoo donker als staal.
stihheet, snikheet, van de zonnehitte,
panas terik.
«ti Uiten, smoren, maft lemas; ook ge-
stikt in dien zin. — in den rook, mati
tërsaiat.
—- in slijk en modder, ma/i
Itpoer.
—, vanzelt sterven, van dioien,
d. i. niet door i-lachlcn, mati modar;
bijna — van het lachen, gëlakak.
stihlien, e. s. v, naaien, ut\' borduren,
m< >>,<•-lam (van toelam), ménekaf (vau
tvkat\\; losjes —, rijgen met den slik-
steek, mëvdjahit bvrkija. —, borduren,
zie nld.
stiksel, borduursel, tekal. — met figuren,
tv kat brrgambar.
stiltvol, pënoeh svsak, pvnoeh pepak:
stilnverlt, borduurwerk, tvkat.
siiltziend, zie bijziend.
stil, zonder bewoging of geluid, diam.
—, van den wind, mati. —, van het
weder met betrokken lucht, ook van
drukken arbeid enz., pëheicang. —,
kalm van het weder, ook djoeicoem.
—, eenzaam van ecne plaats, xoenji.
—, knlm van water of het gemoed,
friiang. —, rustig, van een land enz.,
katdr, Ar. —, van kinderen, ook *?-
ngap. — water, zie bij doodt y. —
geworden, van regen of wind, ië.doch.
— lisgen, niet bewegen, diam, tiada
bërglërak\'.
— liggen, voor anker liggen,
bvrlaboeh; zieh — houden, berdiam
dirinja, mtriiram;
iets — houden, mvn~
diamkatt,
b.v. héndajr didiamkannja,
kata/i\'ka/aii didvngar olih radja,
hij
zou het wel — houden, maar \'t luocbt
eens den \\ orst ter ooien komen; han-
liiMi, die zich niet — kunnen houden,
tangan mërajau.
stillen, mëndiainkan; onz. diam; van
wind of regen, tedoeh; van de golven,
berhïnti. —, verzadigen, memoeicaskan
(van poewas), b.v. .\'.en dorst —,mvmoe-
icaskan dahaga.
—, bevredigen, van
partijen, mvrnpii-damaikan, —, tevreden
stellen, mtnjtnangkan (van senang).
-ocr page 706-
Sfl i
stilletje — stoelkleed.
•tilletje, verplaatsbaar gemak, lamari
beril, djamban koerst.
stilletje», perlahan-lahan, diam-diam,
tjoeri\'tjoeri, sakoe~sakoe.
Zie steels-
jjewÜH.
stilliggen, zich niet verroeren, tiada
bërgerafc;
het — van een vaartuig,
waar vuur belasting moet worden be
taald, gantoeng kX-moedi. Ook die be-
lasting.
■tilstuun, ophouden met iets, btrhënti;
toevallig, zooals b.v. ecu horloge ut\'
machine, tirhénti; cene pous —, van
werkzaamheden uf een bedrijf, lengaug.
—, vnn het water tusseben eb ea vloed,
mëngê/as (van Inlas ; stil laten slaan
van een vucht in een vat urn het te
laten bezinken of um het af te roumen,
menakoetig (van lakoeng), —, van het
bloed, kïritig b.v. Uring darahnja, zijn
bloed stond stil; schijnbaar — van
iets, dat in de rondte draait, b.v. een
tol, pit/juni,- mijn verstand staat er
voor stil, ik weet niet wat ik er van
denken moet, lëmasperhatiankoe, letterl.
mijn denken is ver^iiiuord. — van het
Verstand, uuk: mXudjadi bodoh,<\\kalnja
mPndjadi bodoh.
— van het verstand,
ook suentoek pada affal, b.v. Soefan
Sjarif soi-nloefc pada iijralnja,
on S. S.
verstand stund er voor stil.
stilte = stil. — hebben, geen geraas
hebben, niet veel werk hebben, lëngang;
tot — gekomen, van wind, regen of
golven, lïdoeh; in —, in het geheim,
diam-diiim, svmboeui-sémboeiii.
stilzitten, doedoefc Itdap. —, ledig zit-
ten, bërdiam diri, b.v. daripada akoe
bërdtam dirikor, bdiklah akoe berboewat
kërdja,
het is beter wat bij do hand
te nemen dan stil te zitten.
stilzwijgen, diam, bcrd\'tam diri. Zie
xwüjjen; het — opleggen, soeroeh
diam, mvmpirdiamkan.
stilzwijgend, dïngan diam, diam-diam.
stinkboon, die in toespijzen gebruikt
woidt, pUai.
stinken, iu het algemeen, bërbaoe boe-
soek;
ook alleen bt-rbaoe; alle drek
stinkt, tiada boesoejr jaag la\'biirbaoe,
Sprw.; het stinkt zeven uren in den
wind, baoenja satahoen pXdajaran; het
stinkt en er is geen kreng, baoe boe-
soefc lidak bvrbangkai,
S[ rw.; stinkend
vnn een persoon, tfXngis, een bedouïen \'
dio stinkt, bXdatci jang IjXugis. Verder
al naar gelang van den aard van den
stank, b.v. — naar het zweet, van
iemand, die in lnng niet gebaad heeft,
taïs. — naar urine, përing, aring; duen
— op die wijze, mengaringkan.— naar
viscb, bokkepi-, ijzerroest, kuper enz.,
amis. — naar visch of traan, anjir;
muf, duf, vunzig —, apal\', — zouaU
een droog kreng, bedorven droge visch
enz., kohmtg,- erg —, zooals b.v. een
bedorven ei en dergel., lanloeng; vuil
—, zooals b.v. vuil water, eene goot
of zinkput, bangar; een —de adem,
napas boetaejf.
stinkend, zie het vorige woord.
stinkerd, oratig boesoek? baoenja.
stinkkolk, zinkput, pëlnnbahan.
Ntinkkruid, kasoemboekan.
Htinkneus, rahattg boesoek*.
■ ntinkrut, Ukoes kastueri, tjoeroet, Jav.
stinktor, die het jonge rijatgewas af-
vreet, IjXnangau, Mal. op Java tcalang
sangit.
stiji, tilik\', nofcfah, Ar. —, vlekje, bin~
tik-;
zomervlekken, bintifr-bintik\' koelit.
stippelen, van stippen voorzien, mPia-
boeboeh titik, m. nok\'lah,
—.sprenkelen,
zio uld.
stippen, indoopen, menljëloep.
stipt, juist, bïtoel. —, nauwgezet, tjt-
remat,
b.v. pëkërdjadtt laoet hXndaklah
Ijëfémaf,
het scheepsweik moet —
geschieden.
stoeien, worstelen, berkëras-ktrasan,—,
ravotten, voorul in het water, tagor,
bërtagor
; ook stoeiend elkander met het
een of ander gooien, b.v. met water,
parelen enz.
stoel, koersi; een Maleisch —tje, ridai;
rotan—, die als \'t ware met tralies i-.
koerii kisi-kisi, koersi birkisi-kisi.
op rollen, ziekcnstoel enz., koerst pë-
lakai, koersi btrlereng-lereng.
—, zetel,
zio ald. —, struik, van planten, roem-
poen, përdoe
; een — bamboo, boeloeh
saroempoen
; een — suikerriet, tëboe
saroempoen;
schelpnchtig — tje aan den
steel van sommige vruchten, waarop
de vrucht zit, lampoefr.
stoelen, van planten, aan struiken bij
elkander groeiend, beroempoen.
stoelenmt\\ker, toekang koersi.
stoelenmat, tikar koersi.
stoeltïivnii, zie iU\'i»imi>; en ontlrts-
tin«.
stoelkleed, saroeng koersi.
-ocr page 707-
stoelkussen — stokebrand.
üuö
stoelkusaen. bantal koerst.
stoep, beeft mun niet, tapakanf de f
treden vour een hui», langga.
atoepsteen, batoe tapakan, djorong.
■toet, menigte, kabanjakan; schare,
orang banjak. —, sleep, boentoet; b.v.
er is een heelu — achter mij, ada
ban jak boentoet sehaja.
—■ volgelingen
van een hoofd, segala orang peng\'tringj
door zulk een — gevolgd worden, di~
iriug.
—, plechtige optocht, perarakan.
—, piacht, luister, oepatjara.
■toetery van paarden, pèkoedadn.
stoethaspel, orang d\'engoe, orang seram-
pok toenggoel, oratig bèngalan.
stol, weefsel, kdin; zijden —, kaïn soe-
tèra;
katoenen —, kaïn kapas. van
vlas, kdin kétan ; gowevon —in rollen, :
kaïn goeloeng ; wollen —, kaïn boetoe; j
gebloemde — van katoen, gedrukt
katoen, kaïv tjita; gestreepte —, kam
gingyang;
e. s. v. gestreepte — voor
klecding, kaïn tjenljawi, zoo genoemd
naar den staart van den tjentjawi-
vogel; e. 8. v. geweven —, kèlamkari.
Zie verder bij doelt, katoen, zijde,
wol, linnen, neteldoek enz. enz.
—, grondstof, element, iinsuer, Ar., dat ;
waarvan iets vervaardigd zal worden, ,
bakat. —, bestanddeel, dzat, Ar. —,
onderwerp, hal Ar. perkara. —, aan-
leïding, oorzaak, sebab, Ar. — tot \'
gepraat, dnt, waarvan ieder den mond
VOl heeft, isi nioeloet, boewah moeloet.
—, zie verder du samenstellingen.
stof, stuifsel, poeder, baboe, Moe, dor/i; \\
in het — gaan, bèrdoelt\', tig. uitdruk*
king voor te voet gaan; het — stoof \'
in de lucht, maka doelt pon bêrbang-
kitlah ka\'oedara;
het — van zijn voeten
schudden, fjampak bafoe,êteeacn werpen,
nanicl. in het wutcr, zeggende: rïmiiW
batoe, akoe batik.\' als die steen boven
komt, kom ik terug. — in %n\\tin,abcek;
zeer fijn—,zooula zich op meubels enz.
zet, serédak, serèsah. — of andere lïjne
lichaampjes, die ergens op zitten, srtr-
poh.
— op de vleugels van vlinder»,
kaboe-kahoe; aan —, ontbonden, toeloeh;
tot — gestampt, toeloeh Uutfajf. — op ]
zijn hoofd doen (ten teeken van rouw),
memboeboeh tanah kakapalanja; zoo lijn ;
als —, poeder, loemat; tut — vermalen, \'
in\'enghantjoer-loeloehkan, niëloetoeh-lnn- <
takkan;
tot lijn poeder maken, meloe- j
matkan; uit het — verheffen, met/gang- \'•
kal dari data/n sampah, m. d. d. teboc
doelt.
—, etter, nanah; or komt— uit,
kaloeicar nanah.
stofdeeltje, zie atoom.
stoilel, orang bèngalan, orang dtngoe.
stollelarhtic bèngalan.
stolleliichti«rh«*id, kabengalan.
-tol 1.1 i.jU, van b\\uf, darïpada lëboe docli,
berd zal,
Ar. djèsmani, Ar.
stollen, menjapoe (van sapoe).
stoiler, sapoe, pènjapoe.
stoffig:, berdoeli, berleboe, berhaboe.
>i ..!■■. 11 ui. èmas oerai.
stolje, zie atoom.
stoftneel, tepoeng loemat.
«totre«en, zie motrej»en«
stolzmul, pasir haloes.
stok, lung stuk hout, tjalah, b.v. — om
vruchten af te slaan, zaden uit te
kloppen enz. b.v. bidjt-bidjian ditehah
dengon galah,
zaden worden uitgeklopt
met een --, ook pënèbtih. — tot steun,
wandelstok, toengkat. —, waaraan een
last gedragen woidt over den schouder,
penggandaran, —, waarmede op een
muziek-instrument of grooten trom ge-
slngen wordt, taboeh, pemoekoel, — van
een grooto zonnescherm, die over den
schouder gedragen wordt, gandar. —,
waaraan van onderen oen borizontnal
kruishoutje, gebruikt om katoen van
de pitten te zuiveren, pemoesar (van
poesar, draaien\'. —, staak, tuinstok,
voor booneu, peper, bétol enz., pêMtju*
laran, djoendjoevgan;
reehtopstaunde
— bij een boom, torroes; met zulk
een — ondersteunen, mmoeroes. —,
dien men in den grond steekt om er
een bootje aan vast te leggen, galah
pantjang, galah oendjam
; ook alleen
pantjang. — van een ving, tiang ban-
dera.
— van een Fi\'hepnet, patoek
anggoh.
— met gebogen punt, waaraan
een ijzeren bal hangt, ren omleisidiei-
dingfltoeken voor het koninklijk gevolg,
tjogan, Pon. —, bijennest, sarang lebah,
sarang taicon.
—, in een kooi. Zie
stokje.
stokbewaarder, pènoenggoe pèndjora,
djoeroe pasoengan.
stohhoon, katjang mèndjalar.
stok de •ren, toengkat jaiig bhpidang,
toengkat bërïsi pèdang.
stok doof, toeli bt\'loel, foeli bënar.
stokebrand, blok aangebrand bout,
poentoeng api. — , aanstoker, opruier,
-ocr page 708-
096                                            stoken — «toornen.
fig. djélatang. Pad. bov.1. kwaadstoker, j
ptngafjoem, zie ald.
stoken, van vuur, mengorpafc api, mè\' j
vjalakan api. —, distilleeren, m\'éngoekoes .
(van koekoes). —, opdoken, opruien,
zie ald. —, verbranden, m\'embakar ;
hout —, mèmbakar kajoe; tweedracht
—, mënimboelkan fjidera (van tiaiboel);
kwaad —, m\'enèrbitkan kadjahatan (van .
Verhit).
•token, uitpouteren, méntjoeiigkil; de \'
tanden —, mënljoengkil gigi.
stoker, opruier, zie ald. —, van cene
machine of fabriek, furkang api. —, \'
distilleerder, toekang pëngarukan.
stokerij, distilleevderij, van arak, pt-
vgarakan.
■tokje, kleine stok, zie de woorden
daarvoor en voeg er keljil achter. —,
zooals dat, waarmede de Chineezen
eten, ook — om iets mee op te vatten,
fjikap. — in eene kooi, pèrlenggeran.
«tuUoud, föt-tra saugaf, toetca renla.
stokpimrtlje, koeda-kot\'daan. —, ge-
liefkoosd onderwerp, kaiwkadn.
stokslni;, poekoel (of paloe) dèngan ;
lomgkat. —• met een rotting of ander
zwiepend ding, sèbat.
stokstyt; kakar sakali. —, onbewceg- ,
lijk in de positie, zooals een soldaat
in \'t gelid, een aangelegd geweer, tegoen.
stokstil, diam sakali
stollen, djadi bëkoe, bërbèkoe; gestold,
b\'ekoe.
stolp, waarin licht gebrand wendt, s, In-
lot,.
—, alles wat eebruikt wordt om
te overstolpcn, pénjoengkoep. —, hol,
verheven deksel over iets, sér\'fkoep ;
glazen —, sërëkoep kaf ja; niet zulk een
— overdekken, menjertkoep; ook met
iets, dat dnarop gelijkt, b.v. met een
hoed enz.
stolpen, zie het voorgaande woord.
stolpmnnd of korf om over iets heen
te zetten, b.v, over kuikens enz., sërëkap.
■toni, sprakeloos, kvloe, bisoe, Jnv. —,
stompzinnig, zie nld. — van verbazing,
iertjëngaug, tiada ferkafa sèbab hoi-
rdnnja.
stomdronken, mahok soelasih, mabok
boenga sorlasih;
hij was —, boenga
soelasih maboknja.
stomme, wang kvloe, orang bisoe, Jav.
stommeknecht, boektafeitje, kënap,
medja kënap.
—, stander, waarover
men Meeren hangt, sampajan kaïn.
stommelen, overhoophalen, zio ald.
stommeling, stommerik, domoor, stof*
fel, zie nld.
stommet je; voor — spelen, poera-
poera këloe, mëmboewat kèloe.
stommigheid, domheid, kabodohan.
stomp, niet scherp, toempoel, koerang
t ad jam;
een — mes, pisau toempoef,
pisau jang koerang tattjam.
— maken,
in dien zio, mtnoempoelkan.
gtomp, kurt, geknot, van vaartuigen
ii \'ii den voorsteven, dempafr; aan den
achtersteven, koenioel. —, die na af-
kappin<- van een lid overblijft, kor-
donig;
ook poental, doch zelden, b.v.
ada jang poeto/\'s tanyan kakinja, ler-
kadang poentat doeica,
er waren er mot
de armen en beenen af, soms met twee
stompjes. —, overgesclioten stuk, b.v.
van eene sigaar, een brandhout, een
staart enz., poenloeng.
stomp, met de vuist, toemboefr, gotjok,
tindjau, dmaorfr.
stompen, met de vuist of knokkels,
meuindjau, mënggoljoh, ntënormboejr. ook
mëndëmoek-dëmoek.
—, den top afnemen,
zie ai\'Ntompen,
stompneus, hidoeng pipik.
stompstaart, ekoer koedoeng.
stompzinnig, doengoc, benak, h.v.boe-
kan boewatan bënafcnja wang itoe, tiada
da pat bëladjar,
die lieden zijn zonder
voorbeeld —, zij kunnen niet lecren.
stond, koetika, Skr. wêktoe, Ar. bëntar,
saflt.
Ar.; op dien —, pada koetika
(of icêklor, of sant) itoe; te dezer —e,
pada koetika (tcëktoe, saai) int; van
— en aan, moclaï dartpada sakarang itti.
stonden; de —, de maandzuivering,
ka\'iu kotor, kaïn tjemar, Ifidl, Ar.; de
—   hebben of krijgen, dapat kdin kotor,
dapat kdin tjëtnar, hidl,
Ar. fig. en
fatsoenshalvc, mvndapat boelan, mem-
baiva boclan, mèlihat boidan, viëmbawa
adat;
grof, berkopah dèngan darah.
stoot\', voetwnrnicr, pëyanggavy kaki. —,
iets waaraan men zich verwarmt, tëm-
pat berdiang.
—, komfoor, përbaraan.
stoof-tel, van groente enz., taemisan.
—   van vruchten met kokosmelk en
suiker, pëngat, kolak", Jav.
stoom, damp, oewap, koekoes, asap.
stoomtmd; een — nemen, bërtanyas
dèngan oetcap panas.
stoomboot, kapal asap, kapal api.
stoomen, dampen bij het koken, mër-
-ocr page 709-
097
stoommachine stoppen.
oewap. —, de stoommachinu gebruiken,
mt-makai pesawat asap.
Htoomimicbine, pesawat asap, perka-
kas asap.
sloomitr-liip, kapal asap, kapal api.
fttoonnvnsen, kareta asap, kareta api.
stoomwerktiii», perkakas asap, pt-
satcat asap,
stoot, duw, toelak. — van bet huil.
kêmbaug-koentjoep. —, stomp, toemboek.
—, steek met eeo Bcherp wapen, tikam.
—, ruk, senlak. — van een vuertujg,
banling.
stootcn, stampen, stompen, duwen, me-
naemboek
(van tor inboek); toevallig onder
bet gaan met den voet ergens tegen
—, têrantoek, tersoentoeh, ktsandoeng,
Jav.; met den elleboog zijwanrts —,
!i v. 11 m plaats te maken in gedrang,
menjigoeng {van sigoeny); zijwaarts —
met de horens, mènjinggoeng, mënjing-
goei;
met het aangezicht of bovenste
gedeelte tegen den grond —, toemoes;
in bet voorbijgaan tegen iets —, of
aan loopeo, tërsawpok, tersempok, tïr-
djérimbat;
iemand die overal tegenaan
stoot, onhandige, sïrainpok toenggoel;
met de koppen tegen elkander —, mS- .
nerioep
(van tërkoep); iemands hoofd
op iets hards —, mengendas (van e»-
tlas).
— van het hoofd tegen iels, of
van een vaartuig b.v. tegen een brug,
teratitoek; van onderop tegen iets —,
jneranggoei; met neergebogen kop voor- \'
uitgaande naar iets —, zooals buffels
of koeien, menjondol (van sondol). —,
even den grond raken, van iets dat
door bet water gaat, sanggat,- op de
klippen —, kena karang. — van een
vaartuig nan den grond, eulak; tegen
iets anders, tXrlanggarj van den troon
—, menggërakkan daripada karadjaa».
— met een wapen, menikam (van ti- :
kam). — met de horens, menandoek j
(van landoek); vnn zich —, mtnoelak
(ril toelak).
stootiif, van een hoornbeest, maoe mt-tian- !
doek sihadjat toeka metiandoek, nakal.
slootkant, belegsel, aangezette zoom,
f ris. Zie l\\jk.
stootkussen,
gebezigd om den stoot \'
van twee vaartuigen legen elkander te
breken, bij ons meestal een kurkzak,
bantal penjattgga.
«tootplaat, parecrstnng van een wapen,
gandja.
                                                      *
stop, prop, kurk, soembat, pinjoembai,
pemalam, sïmpal, soempïl,
Jav.; met
een — dicht maken, menjoembat.
met de naald, djïroematan, tïsikan.
stopitoek, vuor vrouwen, kaïn Latent.
«t opii.-~.-h, petes.
stop<*aren, binang djeroemat, benang
tisik.
stopnaaltl, djaroem pendjtroemal, dja-
roem tisik.
stoppel: de —s, die na het oogsten van
graan op het veld overblijven, djerami.
— s van een jongen vogel, boeloe-pahat;
de —s van halmen, toenggoel dférami.
stoppel veeren, boeloe-pahat.
stoppen, met de naald, mendjiroemat,
memsik;
in den mond of bek — van
hapjes spijs ot\' geneesmiddelen, ook —
van reten tusseben planken enz. met
bet een of ander, menj oewap; elkander
bet eten in den mond —, bérsoetcap-
soeicapan.
N B. mënjoewap heeft den
mond of den persoon tot object, niet
de spijs, b.v. mënjoewap moeloet dï-
ngan nasi;
geld of goed in hunden —
031 iemand handelbaar te maken, më-
njorong
(van sarong;, b.v. maka segala
saudagar itoe menjorong, ada jang
saratoes ada jat/g doewa ratoes,
en al
die kooplieden stopten (met gold), som-
migen met honderd, anderen met twee
honderd; kalau ija menjorong pada
datoek lihulahara, nisljaja alah akoe,
als hij den Kijksbestierder (met geld)
stopt, dan moet ik het voorzeker ver-
Hezen; iemand een gulden als geschenk
of fooi in de band —, mëngoeii-
djoekkan satoe roepijah katangannja
;
iemand het eten in den mond —, tot
eten dwingen, mXnjombol (van sombol);
iemand den mond —, fig. menjoembat
moeloet
(van soembat, prop, slop); door
hem te overpraten, mëmboenorh përka-
taiin orang;
zie snoeren; den mond
—, door er de hand vuor to houden,
b.v. om het schreeuwen te beletten,
menekap moe/oei; de ooren —, zich
doof houden, mtuiïkakkan télinga, b.v.
maka samoewanja memëkakkan te/inga-
nja,
en zij allen stopten hunne ooren,
d. i. hielden zich doof, ook mëmboeboeh
kapas pada telinga;
stop uwe ooren
niet lnnger, kaloewarkanlah kapas dart-
pada telingamoe.
— van oen gat, mem-
boenoeh.
— van een lek, mëmboenoeh
botjor, mXndjedjai botjor;
do hollighedea
47
-ocr page 710-
69S                                           Kiopsa j. i — storting.
van een lijk met booniwol —, een
gebruik bij de begrafenis, memasoek-
kan kapot kapada ttmgga mail;
vol—,
dicht —, volproppen, me noem pat (vim
toempai, op die wijze dichtgestopt);
slecht volk met geld —, van het
noodige voorzien om hun slecht bedrijf
uit te voeren, b.v. zeeioovers enz.,
mëmbéri ajvemati. — van een spel, dat
aan den gang is, iets, dat onder zekere
voorwaniden, doch nooit meer dan
driemalen achter elkander mag ge-
schieden, mëujampoe (van tampoe);
achteloos iets in iets —, b.v. een zak-
doek in den zak, een kleedingstuk in
een hoek, luïmërok (van pïrok); eene
pijp —, mtngiii pipa, nam. van een
hollandsche tabokspijp; zie i>üi>; een
kussen ïuct boomwol —,mingisi bant al
dingan kaboe-kaboe;
stoppend middel
tegen dianhce, phiahan kasoengai,- den
doortocht —, ménjakat (van sakat).
stopnajet, binang djeroemat, fónaiig
tisik.
stopsel, mot de naald, djéroemaian,
tisikan.
stopverf, gala-gala, dempoel, Jav.
storax, welriekende gombius, rasamala;
de boom, die de/e bars levert, pohun
rasamala.
store, zonncgordijn, bid ai, ktré, Jav.
storen, plagen, lastigvallen, iiienggavg-
goe, mtngoesik;
iemand in zijne bezig-
heden —, mënjampok (van sampok ;
zieh niet — aan, fiada fadloeli akan.
—, iets in do ontwikkeling of voort*
gang .-tuiten, zuodnt het niet tot stand
komt, mëmbantoetkan (van bantoei, in
de ontwikkeling gestuit, mislukt). —,
belemmeren, hinderen, hindernissen in
den weg leggen, merinlangi.
storm, riboet, atigin riboet. — verze\'.d
van regen, riboet serta dëngau hoedjaw
nja. —
en orkaan, riboet dan fo/tiu;
opsteken van een —, toeroe» riboet ;
aequiuoctiaalstorm, (oj\'an bahari; een
sterk voortgedreven —, riboet javg
amat tangkas.
—, hevige aanval, b.v. op
eene vesting, tvmpoeh, strang, langgar;
fitncmpoeliart, penjeraugan, pllanggarau.
stormachtig, bériboet.
stormtmnd, kinband aan een houfd-
deksel, tali tuedoeng.
stormhok, antar-antar.
stormen, hard waaici, ada riboet,
mtriboet;
op iets aan- of los—, mtnjü-
rattg, mtne\'rpa; op een versterking
los—, merangsang; met zijn velen snel
op iets aan komen —, iïèCêrpaan.
Ntormenderlmnd, dëugatt menj$rang,
dtngan mirangiang.
stormhoed, helm, ketopottg.
Ntormiu, banjak riboet.
ntoi-iiikloli, gtnta sembojan.
Ktormhidcler, sinikait tangga.
Ktormloopen, zie Htormen.
Nlüi\'iiiiniirHi\'li, gïndïrangpénjtrangan.
storm paal, pali>sade, zie ald. —, in
sterk hellende richting, sogang.
ntormpas, charge, gëlora.
Ktormram, antar-antar, pèlantak.
**torms<-hild, zie schild.
storm toren, bamgoen-bangoen.
stormt uig, perkakas mènjerang.
«tormweder, moesim ribuet, hari n-
boet.
Mtonnwind, au gin riboet.
\\
stormzeil, lajar padau, litjar pëngapit.
stortbad, mandi bèrsiram, penjiraman.
storten, over den rand van iets, van het
vocht, toempah; gestort, toempah, ter-
toempah.
— van den persoon die stort,
mï.noempahkan; hestort, overstort wor-
den, kaioempahau. — bij kleine hoe-
veelheden van droge waren, zooals
graan, geld enz., tjetjer; stortend zijn,
bêrtjetjerau; bij kleine beetjes hier en
daar gestort, zooals rijst uit een zak
met gaten, water uit een gieter, tem-
piras.
—, van vloeistof met eene straal,
die zich in droppels oplost, tjoetjoer;
iets doen — in dien zin, mvntjoetjoer-
kan. —
, gieten uit een vat, mtntjoe-
rahkan.
—, vallen in het water, meiig-
gïlaboer;
in het water springend, mtn-
tféboer, terdjoen kadalam ajar;
zich
met zijn paard —, mtngbamboerkan
ioedanja
; zich in menigte — op, meng-
hamboer atas.
—, van de tranen, ber-
hamboeran,
b.v. maka ajar matanja pon
berltamboeran sapërfi moetiara daripada
karangaunja,
en hare trnnen — al»
parelen uit hunne kassen; iemand trii-
nun doen - , mengaloewarkan ajar-
matanja;
in het ongeluk —, membina-
sakan;
bloed —, mènoempahkan daruli
(vnn toempah); zie vloeien; van het
paard —, djatuh dart atas koeda,
goegoer dari atat koeda.
—, bij kleine
beetjes afbetalen, mPngangjoer.
storting, afbetaling bij kleine hoeveel-
heden, atgsoeran.
-ocr page 711-
699
stortregen — strak.
stortregen, hoedjan l\'ebaf, hoed jan
der as.
stortvloed, ajar bah.
stortzee, henna simbah geloembang. —m
o verkrijgen, te f simbah geloembang.
stotteraar, orang gagap.
stotteren, hakkelen, gagap, bèrka/a
dengatt gagap, m\'enggagap;
stuiterend,
hakkelend, bèngap.
stout, ondeugend, nakal; een — kind,
boeduk nakal. —, vermetel, berakuh ;
onbeschoft, tamboeng. —, ferin, stevig,
sangkoer. —, moedig, dapper, bzrani,
gagah.
—, brutaal vaa dieven, ganas,
djinak.
stouthtirli<*i gagah berani, pierkaxa,
stouthartigheid, kaberanian.
stoutheid, ondeugendheid, nakal.
st nul moet ii;-. = stoutlmrtijj.
slüiiwcii, stuwen, b.v. menMrhen in een
rijtuig, goederen in een kist ot\' kut,
kolen in een haard en/., menjorafckan
(vim soruk). Zie instouwen.
stouwer, stuwer, werktuig om te stou-
wen, penjorok.
stoven, aan eene dragelijke warmte
b)out»tellen, b.v. vaa vuur, stoom,
warm wuier, dekens enz., mïnaHgas;
zich —, bertangas; etoving op die wijze,
penaagasan. — van spijzen, utenoemis
(van toemix),
straal, van een cirkel, djarajr. —,
lichtstraal, sinar, b.v. zonne —, sinar
matahari.
— van de maan, staar boe-
lan;
stralen werpen, bërsinar.
Ni runt, in het algemeen, weg, djulan;
op —, didjalan. — in de bebouwde
kom «ener gemeente, loeroeng; op —
spelen, bérma\'in diluewar pin toe; breede
winkelstraat, — met kraniupjes uan
weerszijden, leboeh; een paar —jes om,
doewa, liga be.Ul, b.v. maka dibaiva
olih orang Hoe bèrdjalan doewa liga
belit,
en door die lieden werd het
(putird) een paar —jes omgeleid. —,
zee-engte, selat. Ook nis eigennuam in
gebruik voor Singapoern, b.v. akoe pergi
kastlat,
ik ga auar Singapuera, d. i.
de Straat; eene— doorvaren, menjélat;
ondiepe —, selat kautang, letter], —
die bij alloupend wuler droog valt.
straat arbeider, sjouwer, orang koeli.
straatdmisères, zie publiek.
straatgeruclit, rumoer, gadoeh didja-
laa, gempar.
—, los gerucht, onbc-
trouwbaur bericht, chabar angiu.
straat hoek, sikoe loeroeng.
straathoer, perampoetcan djalung.
straatje, loeroeng kefjil; zie steeg.
straatroof, straatschennis, djangak.
—, root\', op den openbaren weg, pënja-
moeiian.
— plegen, m\'enjamoen (van
samoeu).
straatroover, pênjamoen, ptndjangak.
wtraatrumoer, zie «truat^erucht.
stranturhentler, pendjangak.
straatslijpen, landluopen, mènandang
desa.
straat si \\j per, lundlouper, penandang
desa, kelana tandang desa.
—, vage-
bond, orang risau, iïjjar, Ar.
straattaal, beftasa pasaran.
straatweg, de groute weg, djalan raja.
straf, siksa, Skr. hoekoem, Ar. paloe,
b.v. de stra\'J\'endo haud Gods, paloe
Allah,-
eene — ondergaan, kena siksa,
kena hoekoem
enz. —, lichaamsdwang,
sijdsat, Ar.; openbare —, dera; in het
openbaar strnll\'eii, mëndera; verminde-
ring vun — door den rechter, wegens
consideralien, timbangan bf/uh behagi ;
e. 8. v. — op de Maïeiscbc ^holcn ia
de 1\'ud bov.1. waarbij de schuldige
zijne makkers up eene kip moet ont-
halen, soeroef. Andere —fen op do
scholen zijn, apil tjina, palat, singgang
enz. —, streng, beugis. —, sterk, kèras.
—, strak, kenfjang; ook van den wind;
— worden, aanwakkeren, meng\'entjang;
op —fe des doods, mati diboenoeh
hoekoemnja;
eene — opleggen, menge-
nakan siksa.
strafbaar, patoet dihoekoem, patoct
disik^a.
s tra Uu loos, tiada k\'èna hoekoem, l. k.
siksa.
straJlï\'ii, mèttyhoekoeiitkan, mènjiksakan ;
gestruft worden, kena hoekoem, k. siksa ;
voor het minste bedrijf telkens —,
koeti-koeti.
strat heid.strengheid, b\'engis,kab\'êngisan,
strafplaats, tempat hoekoem, tëmpat
déra.
strafpreek, zie preek.
strufxi-huldig, zie strafbaar.
strafwet, fyoekoem siksa.
strafwetboek, kitab sjarf hoekoem, Ar.
strak, stijf, gespannen, ktntjang.
worden, meiigentjang. — anngehunld,
van touw, baud en elke binding, ter ik,
rat, èrat, kerat
,- zeer — aangehaald,
tèrik-tét\'ti\', rat~ral. — aanhalen, ntene-
-ocr page 712-
700                                          strakheid
rikkan, mengèrat. —, van een lichnams- i
deel, këdjat. —, van een blik, legat.
— aankijken, zie ald. —, onbeweeglijk
staan van tic oogen, boentang. —, ge-
spannen, glnd, van touw, do huid,
netten, zeilen enz., iegang, regang; niet |
—, lus van een bindsel, ketidor.
strakheid strak. — der oogen,
niet kunnen slapen, kabègaran ma/a.
st rukje*, sabenfaran.
Mriih», tuekuincnd, sabentar, kelak. —,
in liet verleden, daar —, zooeven,
b\'èharoe UuÜ; ook alleen tatii.
M ruien, bèrpantjar, mèmantjar, (van
pantjar), memantjarkan Ijahaja, berst\'
nar, bèrsinarkan ijahaja,
de glans dnar-
van straalde nanr boven, tjahajanja
mèmantjar ka\'atas;
van alle kunten —,
sinar-menjivar, berpantjar-pantjaran.
stralend, bèrpantjar, bëtsïnar.
stralenkrans; licht of — bij de ge-
boorte of het overlijden van een nan-
zienlijk persoon, tedja; zie glans,
stram,
kakoe, zie stijl",
strand,
pantai, p\'esisir Jav.; vlak —,
pantai rata; aan het —, dipaniai,
ditepi pantai;
langs het — varen, ttr-
lajar menjoesoer pantai (van soesoer);
langs het — gaan, bërdjalan m\'engikoet
pantai, b. sapandjang pantai.
—, dat
bij laag water droog loopt, land ai;
met het voorste gedeelte op het —
rittea, mhidjanggort; een vaartuig van
het — afbrengen in zee, mëloentjoer\'
kan perahoe;
een vaartuig op het —
zetten, mtlanggarkan jiérahoe kapantai;
zie stranden,
strandhewoner, orang pantai.
stranden, van een vaartuig, thlanggar,
ierdampar;
op een klip of zandbank rut*
raken, kandas; voor gestrand dezelfde
woorden; doen —, windamparkan.
strandreeht, hak lawanan karang.
strandvonderjj, hal tawanan karang.
strandvondst, fairanan karang.
streek, over of lnngs iets, b.v. meteen
stiijkstok over ecne viool enz., gesek,
gesel, kusek, kesel;
wind—,mataangin;
kompa---, maia pèdoman. — , streep, I
zie ald. —, lichting, koers, toedjoe. !
— houden, koersen, menoedjoe\\ een— \'
meer rechts of links op het kompas
sturen, mctijoenting, b.v. breng het
Westen een grooten — rechts, d. i. stuur :
Vf. Z. W. half W., borat disoeniing i
kanan djaroem pandjang ; van—, in do
streep.
war, sasar; de — vink onder de bor-
Bten, daporr soesoe. —, landstreek,
djadjahan, ddirah, Ar. —, list, atol,
daja, tipoe;
jongens.--, akal boedak\';
streken en listen, tipoe-daja, takah-takah,
takok-takah. - ,
kwade praktijk, honar.
—, guitenstuk, zie ald.; niet op —,
ongesteld, sakit, ta\'sidap toeboeh; weer
op — komen, hefsttUca, sèmboehtdjadi
bdik poela
,- er loopt een — door, tja
gila sédikit;
aan het licht koincn van
ieninnds streken, kadapatan boedi.
streelen, door herhaaldelijk over iets te
strijken, ménjèlisik (van sèüsik).
streelend, aangenaam voor de zinnen,
sedap.
streep, lijn, hanl, kras, garis, goris,
korts, sipat, si/at,
Ar. —en trekken,
m\'enggaris, mevggoris, mëngoris. —en
trekken op iets, m\'enggarisi, menggorisi,
mèngorisi;
die — was drie elleboogs-
ellen lang, pandjang korts Hoe tiga
hasta;
een — op den grond trekken,
mtnggoris tanah. —, krns, schrap up
iets ook oeroes; zio ook bij l\\jn; ge-
weven — in fctof, seran, gestreept,
bèrseran; onregelmatige, door elkander
loopende strepen, tjoering; met vcr-
scheidenheid, tjnering-moering; onregel-
matigo —, krabbel, tjoenting; zulke
strepen op iets maken, mentjoentimj;
met zulko strepen zijn, berijoenting;
geheimzinnige strepen op amuletten, do
lijnen in de handpalmen, radjah; door
middel van zulke strepen behandelen,
mëradjah; gebloemde strepen, boenga
berdjalonr.
—, reep van cenige breedte,
djaloer; gestreept zijn in dien zin,
b\'érdjaloer, b.v. de Amerikaansehe vlag
is gestreept, bandera Amerikan itoeber-
djaloer.
—, merk op een kompas,
eirkclrund, stok van een (\'liineesch
unster, enz., maia; brecde, gekleurde
—, tjoral\'; zoo gestreept, bertjorak, b.T.
een kleedje met zwarte strepen op
rooden jrrond, kaïn tanah merah ter-
tjorak hitam,
—, breede baan, van ver-
schillende kleur, pi-lang; met zulke
strepen, gestreept, bh\'pelang; b.v. de
Hollandschc ving heeft strepen van drie
verschillende kleuren, bandera tcolanda
berp\'élang tiga.
— met eenig smeersel
op het voorhoofd, \'t zij nis geneesmiddel,
\'t zij tot versiering, pilis; vlnmmendo
of gevlokte —, zooals op de huid van
sommige dieren, belang. Zie «treek.
-ocr page 713-
701
streepje sgoed — str\\jlielliii£s.
slrt\'rpjcs^ucil. kaïn ginggang, kaïn
herik.
■trekken, rekkeo, spannen, bedr. mëm-
bèntang, merëgang.
—, dienen, goed
zijn vuur. ai uu, bërgoena akan, baïk
akan, terpakai aJcan
,- tot welzijn —,
mendatangkan kabadjikan. —, vol-
doende zijn, tjoekurp, pada.
strekking, bedoeling van een gezegde,
toedjoe perk ai aan; van een verhaal,
gezegde enz. ook ibarat, djaioh.
strekspier, oer at pengëntjang.
itremmen. (-tollen, bekoe, djadi bèkoe.
—, verhinderen, beletten, zie ald.
-i remsel, van melk, dadi, Ski\',
streny, gespannen, kentjang; ten streng-
stc Verbuden, larangan xakuli-kali. —,
gestreng, keras, kakas. — behandelen,
ttièt/gêrasi, mëngakas.
streng. Van gnien, bestaande uit 40 sla-
gen op den haspel, »v/\'a« ; danrvan maken
■iO een tot-kal of knot uit. —, van een
halve toekal, AueH/rt*;strengetje zijde of
gouddraad, oenlïng. —, snoer, zie ald.
strengel, pititalan.
strengelen, mtmintal; zie vlechten;
dooreengestrengeld, zooals b.v. rankende
gewassen, tengkaroet,- dooreengestren-
geld en daardoor niet duidelijk in zijne
dcelen te onderscheiden, zooals b.v. de
takelagu van een schip, stliral; zich
—, slingeren, zie ald.
strengheid, kakèrasan; wreedheid, ka-
bèugtsan.
strepen, menggaris, mènggoris, mëngorit,
zie bij streep,
streven niiar, najagen, mtnoentoet (van
toentoet), mènoedjoe (van toedjoe), metiga-
kan
(van akan), minjehadjakan (van
sëhadja). —, zich moeite geven of in-
spannen voor, mëngoesahakan dirinja.
stribbelen, zin tegenstribbelen,
striem, biloer; rotting—, biloer rotan,
stryd, krijg, oorlog, perang. —, vecht-
partij,perkalahian. —, twist, woorden —,
pirbanttihan; den — aanbinden, mëngï-
kat perang;
den — opgeven, tiwas
perang;
ten strijde trekken, pérgiperang
natk perang;
in — zijn, verschillen,
bérsalahan, lawan, tjidera, b\'érbeda; in
— zijn met de wet, lawan h.oekoem;
met elkander ia — zijn, van woorden
en voorwerpen, ook bërs\'disih; in —
met het gebruik of de gewoonte, toe war
adat, salah pada adat;
om—,bereboet-
\',\'cboetan, bërhemba-loembaün.
strydnks, tjipan.
strydbnnn, voor een wedstrijd, pêr-
loembaiin. —, kampplaats, getanggang.
— voor hanegevechten, gdanggang
hajain.
strydbtiur, tahoe perang; strijdbare
helden, pahalaican jaug tahoe perang.
strydbyl ™ -l i\'iii lal.-.
stryden, in den oorlog, berperang.
tot den dood, bermutï-mati perang. —,
gewoon vechten of handgemeen zijn,
bërkalahi. —, met woorden, berbantah-
bantah.
—, verschillen, bérsalahan, bev
latnan, bêrbedu;
in eene kwade betcc-
kenïs, bër/jidëra, lawan, b.v. — met de
wet, lawan hnckoem. — tegen, bekam-
pen, ■/•\'■\'■■/, ook iig b.v. tegen de
begeerlijkheden of lusten —, melawan
hawa-nafsoe.
— voor iemand, voor of
ten _ behoeve van iemand tegenstand
bieden, berlawavkan, b.v. bërlawankatt
doeli jangdipèrtoeican,
voor Uwe Ma-
jesteït — ; bérlatcankan a/tak itterit/ja,
voor zijne vrouw en kinderen —. —,
niet overeenkomen met elkander, ook
tiatla satoedjoe, b.v. deze beide getni-
genissen — met elkander, dueica kasak-
sian ini tiada taioedjoe,
letterl. houden
niet één koers.
stryder, in den oorlog, oratig berperang.
—, vechter in het dagelijkscbo leven,
orang bërkalahi.—, met woorden, oratig
berbantah;
die gewoon is zulks te doen,
oratig bantahan, pembantah.
strydhinner, godam.
str\\jdi», zie bij stryd en strijden,
strydkivr, rata péperaiigan.
strydknots, tjokmar, gada.
strydlustig, djafak, g\'émbtra, Skr.
strydlustigheid, gëmbira.
strydmtdiker, kawan berperang.
strydperk, kampplaats, getanggang.
vuur hanegevechten, gë/at/ggang hajam.
strydvnartlig, slap akan berperang,
langkap akan berperang.
strUdveld, oorlogsveld, medan p\'èpéra-
MM.
strydvlag, alamat perang.
strydvriuig, soetcal.
strydwagen, r la ptperangan.
stryk, ::;ar. term, zie stryken. — en
zet, ieder oogenblik, tabatlarsabëntar.
strykbord, aan een ploeg, toengkal
badjak\'
strykelinge, zie rakelings en
stryken.
-ocr page 714-
702
str\\jken — stroo.
•tryketi* laten zakken run een vlag,
/cil enz., mënoerornkan (van f oeroen). I
— door een val te vieren, mënjoehkan \'■
(van soeh). — over iets, minjapoe (van
sapoe); over de kin —, minjapoe djang-
goet;
iets — op iets, mi-njapoekan pat/a.
—, gladmaken met bet een of ander, :
menggeroes; op Europeescbe wijze roet
een strijkijzer, mënjet~erika(vvui sètërika).
—, met de handen een lichaamsdeel, l
ook van een dier zijne eigen poolen—,
strijkend drukken, mëngoeroet (van
oeroet), mëltieloet; zich laten — door, :
b\'èrloeloet pada; den knevelbaard op die
wijze —, mëngoeroet tnisai. — over \'
iets, om te streelen, mënj\'elisik (van
sëlisik), zie streden ï op zijde —, \\
weg —, b.v. van haar, dat voor het
gelaat hangt, mënjiah (vnn siuh ; met
de beide holle handen naar zich toe
—, mëraoep; ook met de holle handen
over iets heen —, b.v. over bet gelaat;
met iets puntigs op iets —, vegen of
wrijven, zooals b.v. een lucifer op het
doosje, mëntjo/ejr; vaaiaa.r pentjolek api,
lucifer. — tegen iet?, schuren langs
iets, b.v. van schepen tegen elkander
of tegen een steiger, of vnn lieden, die
elkander strijkelings passeeren, gitir.
—, afstrijken van een inboudsmaat
met een rol of strijkstok, ?iïe.maras (van I
paras). — met een strijkstok op iets,
b.v. op eene viool, mëngisil (van kisil;,,
mëitggesek;
niet een mes of wapen
heen en weer op iets —, om het nog j
wat aan te scherpen, b.v. op de hand,
een riem, een oliesteentje enz , mëngilir
(van kilir). — met de roeiriemen, riang, ■
b.v. — bakboord, ophalen stuurboord, j
riang kiri, paoet kanan; laag over
eene oppervlakte, over den grond of
het waler —, van vogels, mëlajap.
langs iets onder het voortgnan, zooals
eune slang lnngs de wortels vnn een
boom, een vaartuig langs de kust, <
mënjoesoer (van metoer); ook met een
tabakspruimpje langs du lippen, van-
daar dat zulk een pruimpje soesoer
tëmbakau
heet; gaan ■■ met )et«, op
den loop gnan met iets, lari dëngan,
mëlarikan.
—, zie verder de nfleidingen.
«tr\\jkgoecl, baran g-bar ang sëterika.
«tryiihout, voor eene maat, pëmaras. \\
strijkijzer, sëterika, verb.
strijkinstrumenten, boenji-boenjiau \'
jou digesek.
strijkknlk, kapoer jang dilaboerka»,
kapoer pëlesler.
HtryWhip, wrijflap, kaïn kesat, kaïn
pënggosok".
strukpln.uk, papan sëtïrika.
«trükricrn, nanzetriem, zie nld.
strijkster, de vrouw, wier beroep het
is den menseben bet lichaam te strijken
of drukkend te wrijven, pëloeloet.
Strijkstok, van eene viool, pënggeseje
biola.
«trik. om dieren of menschen te vnngen,
dj ér al; een — werpen, mëndjatohkan
djerat, mëntjampak djerat.
— met een
kokosdop, om kippen te vangen, djerat
tëmpoeroeng.
—ken zetten, mëmasang
djerat
(van pasang), mënahan dj, (van
tahan); met een — vaneen, méndjerat.
—, schuif knoop, simpoel poelih. —om
visch to vangen, dijoet. Mal. —, om
vogels te vangen, ook ka/a, Skr.;
beweegbare --, dio naar het voorwerp
gebracht of geworpen wordt, tandjol;
daarmede strikken, mhiatidjol. —, een
toestel met verscheidene paardcharen
— ken, om vogels te vangen, ratjifr;
daarmede strikken, mëratjik ; in den —
geraken, kë/ia djerat.
*trik!»ooiï. djoeicaran.
strikken, zie bij -trik.
strikknoop, schuif knoop, simpoelpoelih.
strikt, nauwkeurig, bëtoel, tah, Ar. —,
ge^reng, këras.
striktlieid, kabétoelan.
«trippen, nfstroopen roet do knijpende
hand of vingers, mëloeroet.
stroef, niet glad genoeg, koerang lifjin.
—, van de tanden, na het gebruik
van iets zuurs, vgiloe, sengkil,• wat de
tanden — maakt, jang mengiloekan gigi.
—, zuur van bet gelaat, masam.
strompelen, struikelen, zie ald. en hij
Siinn.
«tronk, tronk van een boom, toenggoel;
een korte boomstronk, toenggoel bêlanton.
«tront, tahi, berak: — voor dank, siram
boenga, dïbalas siram tahi,
Sprw.
stront hoop, Hmboenan tahi.
stront je, op het oog, poepoeh polotig
angin, tembel.
stunt kuil, strontput, beerput, pëlindoe-
ngan, fëlaga tahi.
»trotitvii*oh, moddervisch, ikan bèdoe-
koeng.
stroo, djtrami, mh\'ang, Jav. — tot be-
dekking van daken wordt niet gebezigd,
-ocr page 715-
stroobos — struisvogel.
70:!
maar daarvoor in do plaats wel het
lunge rietgras, ilalang, alang-ala}ig,3av.
strnohos, stroobundel, bërkas djërami,
berkas merang, ikat merang.
stroogeel, koening merang.
sii\'iidIihIiu, zie halm.
strooien, mënghamboer; iets —, mhtg-
hamborrkan;
op iets —, iets bestrooien,
tnenghamboeri. — van gekleurde rijst,
een bijgeluovig gebruik, mènghamboer
béras koenj\'U.
— over iets of iemand,
ook mënjimbar \'van simbar), b.v. di-ambil
otth imamnja roempoel kering, lalne
disimbar-s\'nnbarkannja ka-atas kadcewa
mareka-itor,
door hun priester wordt
dan droog gras genomen en over hen
beiden gestrooid; over iets —, b.v.
brieven over eene tafel enz. ook me-
njimbah;
zoo bestrooid, i\'vrsimbah; zoo
gestrooid, bersimbahan. — van zout,
suiker, specerijen enz. op iets, mëmboe-
boek.
strooien. Hijv. nw. dari djérami, of
alleen djerami, dari merang,
strooisel, hambwran; glimmend —op
het een of ander ter versiering gestrooid,
ora het daarop te laten kleven, ëmboeu
barah,
ntrooixnnd; e. s. v. zwart, zeer glin-
sterend zand, jiasir lotong.
strooit, gewerkte kant aan een klceding-
stuk, rendtl.—, rand, reep, streep, zie ald.
strooken, overeenkomen, saloedjoe, bër-
patoetan, kena.
stroom, van eene rivier of ecnige vloei-
stof, aliran, haliran, pengalir. —, drift
van het water, haroi\'s; een — van
nicnsclien, orang berdoejoen-doejoen,
orang bêrdédai-dédai
; bij —en neer-
vallen, van bladeren, tranen, regen,
bloemen enz., djatoh bérdërai-dërai. —,
grootc, breedo rivier, soengai b\'èsar,
bèngawan,
Jav.
stroomat, tikar merang.
stroomafwaarts, hilir. — gaan, milir.
stroombed, aloer.
stroomdraad; de —, tali baroes,
stroomen, van het water in eene rivier
en vloeistoffen in het algemeen, mënga-
lir,
ook vnn bloed en tranen. — naar
zee, afwaarts—, van eene rivier, ber-
hilir, milir.
— van eene menigte men-
schen, voortstuwen, berdoejocn-doejoen,
bêrdèrai-dérai;
naar de markt — van
een menigte menschen, bèroejoeng-
oejoeng përyi kapëkan.
— van tranen,
berpantjar, b.v. hare tranen stroomden
als de regen, ajar matanja berpantjar
sapërli hoedjan.
stroomopwaarts, kalioelor, ka-oedijp.
—   gaand, moedilr. — varen, bèrlajar
moedik.
\' «trootnrafeling, tahi haroes.
«troon;»versnelling, in eene rivier,
pëndërasan, djéran, ijigar, — tusschen
klippen bij sterken val, riam.
stroop i inzonderheid die men drinkt,
ajar guela. —, onkristalliseorbare suiker,
fangguidi, anak goela.
stroopen, de huid aftrekken, mëngoeliti
(van koelit), mëndjangal; zie afstroo-
pen.—, landloopen, risan, m\'enjamoen.
strooper, dief of roover op den open-
baren weg, pënj.tmoen.
i strooptocht, krijgstucht om testroopen,
sair, Ar.
strop, of lus, dien men om de beenen slnat
bij het beklimmen van kokospalmen,
s\'èngkëlit. — om er de schoot van een
matten zeil in te leggen, tëlinya leman.
—, gebezigd voor het vangen van her-
ten of andere grooto dieren, r\'iding.
—, waarmede de ra tegen den mnst
gebonden wordt, k\'èlëndura; de —pen,
waarin eene sloep hangt, andoehan
sëkotji;
zie rak-, Ir ra n «strop en
roeistrop.
strot, kërongkongan; hij een dier ook
in\'érih.
; strotgroeve, Itkok leher.
strotlïlep, kipasan napas.
strottenhoofd, karongkong, rahang,
djakoen,
Pad. bov. 1.
struif, eierstruif, dadar, kocweh dadar.
struik, heester, pokok; allerlei wilde
— en, sémafc-sèmak; daarmede begroeid
zijn, bërsëmafr\'S\'émafr. —, stoel, zooals
van sommige planten, die ann een —
of stoel bijeengroeien, o. a. bamboe en
dergcl., roempoen.
struikbosch, hoeian lieluekar.
struikelblok, kasontohan.
struikelen, gëlintjoeh, térgelinijoeh. —,
door met den voet tegen iets te stooten,
iërsërandoeng, tersoentueh, lerantoefc, ter-
sangkojf.
struikgewas; wild —, s<imak.
struikroof, samoenan.
struikrooven, m\'enjamoen.
struikroover, pënjamoen.
\\
struisveer, boeloe boeroeng onta,
1 struisvogel, boeroeng onta.
-ocr page 716-
704                                            atudeeren
gtudeeren, beladjar; zitten te —, doe- !
doel\' beladjar.
student, pëladjar.
studie, peladjaran; iemand van —, ren
gestudeerd persoon, orang bërpëladjarau ,■
ntet van — zijn, tiada bèrpeladjaran.
stut;, norsch, stuurscb, rëngoes; stugge
grond, tanah tigar, — van gemoed, .
hati fègar.
stuifmeel, bij bloemen, tépoeng sari.
stuip, sairan. — waarbij bet hoofd gloeit,
saican baicang. — met moeilijke adtm-
haling, saican sesak ; door stuipen over-
vnllen worden, katërdjoenan saican.—,
bij kleine kinderen, waarbij bet hoofd
gloeit, satcan indja. — waarbij schuim
op den mond komt, vallende ziekte,
satcan babi.
stuitbeen, het Btiiitje, toengging, toelang
toemjging, soebi, boentotf,
ook hoedjoeng ,
tongkeng, tjhionot.
stuiten, een val of beweging met de
handen —, mënjangga (van sangga).
—, tegenhouden, m\'enahankan (van ta-
Aan);
den voortgang van een weik —,
afbreken, doordat er b.v. ander weik .
tusschenkomt, mënénggat (van t\'ènggat).
— in de ontwikkeling, mëmbanloetkav;
in de ontwikkeling; gestuit, terbantoet. ;
—, bezweren, beletten, van ziekte, ge van r
of storm, membantar; de persoon of
zaak, die zulks doet, pnnbantar; de
sluiting, bezwering, p\'émbantaran.
stuitend, wnnstaltig, wanluidend, djaug-
gal.
—, afkeer verwekkend, mendjé-
moekan.
stuiter, groote knikker, këlitji btsar. \\
—, die stuit, jattg men ah an kan, jang \'.
mënjatigga, pet/jangga, pëmbanlue-t, pëm-
bantur,
zie bij stuiten.
stuiven, van stof, bërdlboe,- op— van
stof, bèrbangkit leboe doe/i; uit elkan-
der —, gëtëbar; van een troep kuikens
en dergel., bërtëmpiar; van een men- :
schenmassa of leger, bërfèmpërasan. Zie I
vluchten en instuiven.
stuiver, vijfcentstuk, satengah ottcang.
■tuit, bij de Telw. wordt op verschillende
wijze uitgedrukt; zie de Granimaticn.
—, deel, brok, hiervoor verschillende i
bemimingen, naar gelang van denaard:
plat -- van een wand, verschansing, \'
hout, lijnwaad enz., keping; afgesneden, :
of afgehakt —, penggal,■ aan —ken, ,
bërptnggal-penggal; een — vleesch, da- j
ging sapénggal; afgesneden, afgezaagd \'
— stak.
—, potong, kerat, keratan,- een — hout,
sakërat kajoe; een — tin, sakerat ti~
man;
een — brood, sapotung roti; nf-
gepast —, van lijnwaad, hëlai. —,
verkregen door doorsnijding, tampang;
afgebroken — , brokstuk, van bout,
been en dcrgel , patahan, ook pëmatak,
b.v. het afgebroken —van zijn zwaard,
dat in zijne hand bleef, pematah pi-
dangnja, jang tinggal kapada tangannja ;
van glas, aardewerk en dergel., pelja-
han;
van touw enz., poetoesan; groot
—    van iets, brok, poengkah ,■ klein
—je, segment, tëmbereng; aaneclascht
—, lasch, samboengan. — van iets, dat
aan —ken gescheurd is, tjetai; afge-
scheurd —je, ziertje, kètil; tijn ge-
sneden —je van harde voorwerpen,
zooals b.v. van zoethout, stroo, suiker-
riet, wortels enz., rafjik-, —, brok vnn
vuur, goempal, b.v. kaioetcar api btr-
goempal-goempal,
bij —ken kwam het
vuur er uit. —, rol, van geweven
stoffen, kajoe, b.v. drie —ken onge-
bleekt katoen, ka\'in belufjoe tiga kajoe;
—, geschrift, soerat; ondertcekend —,
soerat tanda-tanyan; klein — van den
rand of een hoek van iets b.v. een
hoek van een >tuk land enz., djoreng;
zulk een stuk er afsnijden, m\'eudjoreng;
een —je uit den kant van iets, b v,
van een tafel, oorlel, neusvleugel enz.,
fjompisa?i; zulk een —je missen, tjompis,
—je uit do tunden, —jes er uit, goc-
batig;
uit één —, niet gelaseht, nïera-
djakaja,
en hiervan madjakaja en tbën-
djakaja,
b.v. een tufel uit één —,
mcdja madjakaja; een mast uit cén
—, d.i. zonder steng,/\'iang madjakaja;
uit één —, niet aangebracht, eras, b.v.
knop en stok uit één —, kapalaloeng-
kat jang eras;
een mast uit één —,
Hang gandja eras; een kris uit één
—, keris gandja eras; overgeschoten —,
zio eind en stomp. —, kanon, zie
ald. —. opgezette lap, tampal. —, dat
gespeeld wordt, lakon, Jav. —, vat,
okshoofd, tong, pipa, Veger. —, daad,
handeling, perboeicatan, pikërdjadn. •—,
boekdeel, djilid, Ar.; een—in hebben,
een — in zijnen kraag hebben, mabok*,
fig. naik koeila hidjau; van zijn —
raken, djadi bingoeng; iemand van zijn
—  brengen, mèmbingoengkan orang. —,
aangelegenheid, hal, Kx.fasal, Ar. b.v.
in het — van godsdienst, dari fasal
-ocr page 717-
«tuk — stuwen.                                               705
brengen, m\'enardjoekan (van toedjoe).
—, doen zeilen, mêlajarkaH; op een
vast punt aan—, mtnembak (van tem-
bak),
—, nnnr het roer doen luisteren,
het roer doen volgen, mëngëmoedikan
(van iemofdi, roen. —, aan het roer
stnan, mêmegaxg ktmoedi (van pegang).
—, een schip eene vooraf bepaalde
richting doen volgen, miuoeroetkatt
kapat
(van torrosf); ook het roer doen
volgen. — van een vaartuig met een
riem, zitteode op den voorsteven, melrsa ;
regelrecht op it-ts aan— met een vaar-
tuig, mtradakkan (van radak, dat ook
voor het steken met eene lans wordt
gebruikt); den boel in de war —,
mtmontang-mantmgkan (van pontang-
panting,
in do wnr gestuurd).
stut, schuine paal tegen iets ter onder-
steuning, sokong; ook tig. dnarmede
stutten, mënjokovg. —, neut, kort blok,
waarop een huis staat, toenygoel, b.v.
ba/ai bërtoenggoetkan zamroed, een open
gebouw met stutten van smaragd. —,
bestaande uit twee stokken, houten of
staven, die vun boven zijn saamgebon-
den, serandang; op die wijze- stutten,
minj\'èrandang; vjrkswjjze —, b.v. —,
waarop in vaartuigen de kndjangmat-
ten rusten enz,, toepang; op die wijze
stutten, m\'énoepang. — voor eon op het
droog gezet vnurtuig, hetzij palen, hout,
steen, blokken enz., galat/g, ook kalatig
en wellicht beter; een vnartuig op
— ten zetten, mèngyalang përahoe,
met vorksgewijze inkeping, arattg babi,
1\'ad. bov. 1. —, steun, bij het klimmen
in een boom, ph\'h\'énd.
stutten, mëtiotigkat (vun tongkal). —,
bekleedcn van mijnwanden tegen het
instorten, mVntkang (van (ékang). Zie
ook het vorige woord.
■tutluilk, sokotig, kajoe toendjang.
stuurboord, kanan pèrahoe, k. kapat.
stuurlfiNti™, lërsarat boeritan.
stuurman, djon\'oe-moedi, moealxm ka-
pali
tweede —, djoeroe-baloc.
stuurrad, poeiar kèmocdi, kintjt\'ratt
këmoedi
; op inlnndsche vnartuigen,
oteiig\'Olrug kirmöfdi.
stuurseh, nurseh, mërïngoes; van bet
gelaat, masam, bërsoet,
stuwen, zie stouwen en instou-
wen; voort — , achter elkander, van
een mensebenmassa of vaartuigen enz.,
berdoe}oen-doejoen; van wolken, bèrarak:
agama, dari hal agama; van — tot —
iets verbalen, mentjeriteraka* btrioeroet\'
(oeroet, m. segala hal-ahoealnja
; bij
het —, polovgart, b.v. bij het — be-
talen, vicmbajar pot on ga»; stijf op zijn
— staan, tetap atas katanja.
«tuk, kapot, ook hiervoor verschillende
woordeo, naar gelang van het breken,
b.v. — , van hout, been, ledematen enz.,
patah. —, van touw, bnnd en dergel.,
poetoes. —, van glas, aardewerk co
dergel., pefja/i; aan stukken en brok-
ken, geheel —, p\'etjah-bilah. —, aan
duizend stukken, aan gruizelementcn,
rèmork-rëdam, hanfjoerloetoeh. — gc-
hakt ot\' gesneden, bèrpenggal-pittggal.
—,aan kleine stukken, kef ai ; tol kleine
«tukken Hinken, mengdai. ■—, aan tlnr-
den, hantjai, —, gescheurd, kajak1,
sobek, robek,
enz. zie ald. ea breken,
gebroken.
stukbreken, zie breken.
stuklmkken, van levende groote wezens
zooals menschen en viervoetige dieren,
melapah-lapah.
Htuligooien, tnènghh»paskan sampai
pêljah,
stukje, potovg kètjil, penggal keljU en
verder alle woorden, dia voor stuk wur-
den gebezigd met kïljil als bepuling.
— segment, Vémbn-eng.
stukpluUken, vun bloemen, ménggolis, !
st uWri.j. Ier, pengliela niariam.
stuksgewijze, birpotong-potong, btr- \\
pmggalpenggat
enz. Zie stuk.
stukslnnn, membaniing sampai pHjah
enz. Zie slaan en stuk. — vun een
klomp suiker, erts, steen enz., mëmërai
(van p\'éraif).
stuksnüden, kleinsnijden, b.v. zoet- \'
hout en dcrgcl., m\'eratjik-ratjik\'.
stukvnllen, tljatoh bërpdjafi.
stulp, hut, poudt i\'.
stulpen, zie stolpen, overstolpen.
stulpkooi, voor kippen, tërekap hajam.
stulpvormis, saperti ièrïkap.
stumper, sukkel, zie ald. —, oude
sukkel, orang toetca lara,
sturen, zenden, van personen, mhtjoe-
roehkan
(van soeroeh); van den Vorst,
gesproken, mtnitahkan (van titah); van
zaken, mëngirimkan; onder geleide,
m\'ènghantarkan; aan iemand iets —,
mhtgirimi; bezig zijn met te —, berki- \\
rim;
het gestuurde, kiriman, hantara».
—, richten, ia eene bepaalde richting \'
-ocr page 718-
70G                                                succefi — tank.
■urcet, fttisil, Ar. — hebben, bérftdsil.
*uf, raban, ngangoet, inz. van oude
lieden —, kind>ch, njanjofr. —, in de
war, bingoeng.
«uilen, van oude lieden, ngangoet, rabati,
meraban, lengoeng, mentjengang.
sullï/r; die —, sifjëngang.
HuiUer, goela, sjukar, Perz. sa kar ,■ kan-
dij—, klont jee, goela btdoe; zie ook
broodNiiilier; riet —, goela t\'eboe ;
palm—, gor/ti djaica, goela lutam ;
poeder—, de gewone riet—, zoonis die
in Indir gefabriceerd vioyClX, goela pasir;
Zerezen —, e. b. v. versnapering, ver-
vnardiïd van —, gorfa kt m/tang; in-
Isndsehfl — in ronde, platte koeken,
goela aren, g. djaica, g. tapafr, ver-
geleken bij den induik van een voet-
zool ; gorfa kerek, vergeleken bij den
schijf van een katrol; waar — is, rijn
mieren, ada gorfa, atlalah sëmorf,Sprw.
Huilterbroodvormie, toengkoes; een
— hoopje rijst, nasi sator/igkoes.
suikeren, mtm/ioeboeh goela.
suilicrerwten, gorfa moeiia.
suikerfabriek, zie Niiiliermolen.
suiker<*el»uk, koeweh gorfa.
suikerkokcr, foekai/g ntasak- goela.
«uikerkokerü, témpal tnatak- goela.
suikerlepeltje, sendok ktljU.
Huikeriutind, kerandjang goela.
•uikermolen, p\'enggilingan taboe, ki-
langan teboe.
HuiUi\'rpan, kaïra/i tnasa$r goela.
suiker] >i<, diabetes inellitus, kèntjing
manis.
suikerpot, tewpal goela.
suikerriet, t\'eboe. — met lange ge-
ledingen, lang en dun —, téhoe lan-
i/joeng;
e. s. v. wild —, suceharum
spuntaneum, gelaqah.
suikerriet Hap, door uitpersing ver-
kregen, k/lang.
suikerstroop, tanggoeli.
suikcrwnter, ajar gorfa.
«nikerziekte, kèntjing manis.
suikers: iet, manis sap\'érli goela.
suizebollenf poesing kapala, pening
kapala.
Huizen, tuiten van de ooren, mëndesing;
door genius, bising. —, klnnknabuot-
send woord voor een —d, dof fluitend
geluid, b.v. veroorzaakt door het zwic-
pen met een rotan, sioel.
au jet, persoon, orang; een slecht —,
pembotük1, bangsal.
sukade, inl. manitan koendoer; op Java
manisan bëligoe.
sukkel, goedbloed, orang tëoiintoevg.
—, oude stumper, orang toewa lara.
sukkeldraf je, van inenschen, lari
anak; op een —, berlari-lari anajr.
sukkelen, langdurig ziek zijn, meng-
idap, tnerana. —, gedurig onwel zijn,
sampoe. — na de bevalling, merojan.
—, tot niets kunnen komen, ngek-ngei;
b.v. ngek-ngek\' bagai roempoet ditengah
djalan, d. j. — als het gras midden
op den weg.
sukkelend, licht ongesteld worden,
lemab soemangal.
hu), iemand die alles verdraagt, orang
ba/joel.
milfer, zie zwavel,
sullen, afglijden, gèluengsoer, meloeloer.
■uitban, soelfdn, Ar. jiWafi/SultanBcb,
soelfani, b.v. een ■— bandje, badjoe
soelfaui, A. i. een bandje met tot aan
de hnnd toe gladde mouwen.
sultlmne, isteri soelf tin, përmeswari, Skr.
siimutni, poelau pertja.
nuppprnr»a, op een handclsvnartuig,
tekoh, kiici. djoeragan.
superieur; iemands —, chef, hoofd,
orang btsamja.
sus, stil! diam !
sussen, in slnap —, méngolit (van olit),
voornamelijk door iem. op de schoot
of de knieën te hossen.
syllabe, palah kala, soekoe kuliinah.
symbolisch, ibdrat. Ar. oepama, Skr.
sympathie, medelijden, kasihan, sjafa-
kat, Ar.
symptoom, ziekte-verschijnsel, tanda
sakil.
synaiiojje. mèsdjid, kanisah, Ar.
syrie, Sjdut, bènoetca Sjam, Socrijat.
\'V.
taai, van vlccsch, bout, klei enz., liai.
—, van andere spijzen, Hoef. — en
buigzaam, lemah Hat. —, kleverig,
zoonis verdikte stroop, ïikat, berlikat,
bétiket,
—, zncht, week, van kippedrek,
oenai. —, onbuigzaam, tegar. —e klei,
stijve grond, tanah fègar. —, hard van
vleesch, bangkar. —, veerkrachtig, van
spijzen, b.v. van gekookte spieren, gajal;
week — van spijzen,kennjal.—.gierig,
kikir.
taak, bepaald gedeelte van een werk,
-ocr page 719-
taal taille.                                                  707
ioegas; op — werken, bërtoegas; eene
—  opgeven, memberi toegas. —, werk,
dat een of meer personen te verrich-
tcn hebben, kat oew boe kan, vdW.
taal, bX\'hasa; de Malcischc —, behasa
Milajoe;
hof - , behasa dalam; vulgaire
—, behasa loetvar; straat—, inaikt—,
hvhasa pasar; schreeuwerige —, zooals
bij het geringste volk, behasa ijoepar;
vuile —, tjaroet, përkataim kotor; vuile
—  uitslaan, mëntjaroet; tegen iemand,
mëntjaroeti. ■— der geneeskundigen,
dokters—, behasa fabib; wel ter tale
zijn, vaardig in het antwoorden, tjatak;
zie welbespraakt; zich van eene
—, bedienen, eenc — Bpreken, berbebasa.
taalfout, zie hiervoor spelfout,
stijl fout.
taaifranje, përhiasan behasa.
taalkunde, elmoe \'ssaraf, Ar. elmoe
\'lilsan,
Ar.
taalleeraar, taaimeester, goeroe dari
behasa.
taalregel, sjarf behasa.
taalwet, hoekocm behasa.
taan, zie loot.
taanlileur, wërna perang, merah toetca.
taats, punt van een tol, pangsi.
tabak, tembakau; de eerste soort noemt
men tembakau kapala; de tweede soort,
tembakau tëvgkofc.
tabaksblad, ilaoen tembakau.
tabaksdoos, tëmpat tembakau; klein
rond doosje, waarin men tabak of betel
bij zich dmagt, sëlëpa. Zie doos.
tahakspijp, p\'pa tembakau; de Clii-
neeschc tabakspijp, oenfjaeivi, Chin.
tabaksplant, pokok tembakau.
tabaksplant aire./^tawrtwaH tembakau,
këbon tembakau.
tabakspruim, tusschen de lippen, zoo-
aU de inlander gewoon is die te hou-
den, sëmpal, —, waarmede men telkens
de lippen afwrijft, soesoer tembakau,
kosal;
een —, sasoesoer te\'mbakau; mcl
eene — do lippen afwrijven, mengosal.
tabaksreuk, baoe tembakau.
tabaksrook, asap tembakau.
tabakssobuur, bangsal tembakau.
tabbaard, djoebah Ar.; e. s. v. — of
lang opperkleed, met overslaande borst-
stukken, zooals de Mooren dragen,
anggërka.
tabel, daftar. Ar.
tabernakel, tent, chaimah, Ar. hut,
Cératak, pondof.:
| tachtig;, doelapan poeloeh.
1 tachtiger, jang doelapan poeloeh tahoen
amoernja.
tachtigjarig* doelapan poeloeh tahoen
u-moernja (of lamanja).
tachtigtnaal, doelapan poeloeh kali,
tachtigste; de —, jang kadoelapan
poeloeh;
een —, sapërdoelapan poeloeh.
tachtigvoud, doelapan poeloeh ganda,
d. p. lipat, d. p. lapis.
tactiek, krijgskunde, elmoe perang, zie
•ld.
taf, taftdh, Pcrz.; e. I. V. — uit Voor-
Indic, pëdfridang.
tafel, medjah; aangerichte, met spijzen
bedekte —, ma\'idah, Ar.; aan — zitten,
doedoek dimedjah. —, register, lijst,
bladwijzer, tabel, da/tar, Ar. —, om
op te schrijven, loh, Ar. steencn —,
lofa bafoe; de — van het noodlot, lol}
mahfoel.
Ar.
i tafelhediende, pelajan, orang jang
melajani medjah.
1 tafelbel, gënta medjah.
■ tafelbezem, s>kaf medjah.
; tafelblad, daoen medjah.
! tafelbord, pinggan, piring.
! tafeldienaai*, pëlajan, orang jang me-
lajani medjah.
—s van een Vorst, die
na den Vorst hun cii£en tafel hebben,
waaraan zij weder door minderen worden
bediend, sangga-sangga. Zie naëter.
tafelen, doedoek makan, doedoek satitap.
: tafelgerecht, hidangatt, sadjïan.
tafelgereedachap, perkakas medjah,
strba medjah.
tafelkleed, kaïn bamparan medjah.
tafellade, anak medjah, zie lade.
: tafellaken, tapelak, ook = tafel-
klced.
tafellinnen, ka\'hi-ka\'in medjah.
i tafelmes, pisau medjah, pisau makan.
tafelpnot, kaki medjah.
tafelschuimer, pë/ig/ding, urang më-
ngiding.
\'
tafelservies, perkakas makaiuminoem.
tafelstoel, koersi katiak-kanaifr.
tafel tijd, koefika makan, wektoe makan.
tafeltje, knanpje, kënap.
tufelzuur, atjar-atjar; gemengd —,
atjar rampai, atjar tjampoer-adoek;
visch in het zuur, atjar ikun; van iets
— maken, iets in het zuur inmaken,
mëngatjarkan.
taille, snede van een kleed, sosofc. —,
lichamelijke gestalte, zie gestalte.
-ocr page 720-
708
tak — tnntlenstoker.
baletcakan (van sambalewa). —mot iets
ten uitvoer te brengen, lang met iets
bezig zijn, mërënjah. —, dralen, toeven,
mengolah; talmend, dralend, ook tëmot-
Umut.
talinliou», pvlambat, pemalaj,pënjëgan.
talrijk, amat banjak, ook ramai, zie
vooib. bij Mclielen.
talud van een nat rijstveld, tëbing.
tam, viin dieren, djiuak. -- maken,
mëndjinakkan.
tamarinde, asam djatca, it/mar kindi
Ar.; de vrucht zooals zij van den boom
komt, nog aan rietjes en niet reeds tot
een klomp gekneed, MM raugkai.
tamarindeboom, pohrm asam djatca.
tamboer, inlandschc troininelslager,
pemaloe gïnderang; Kuropccsche —,
toekang famboer.
tamboer, trom, zie ald.
tamboerijn, rinkelbom, rëbatia; op de
—   spelen, de — slaan, bërtampar rë-
batta, bërindiv rebana;
e. s. v. —, ëdap;
e. and. s. met nauwe openins, gfdombak.
tamboer-majoor, inlandsch hoofd
der trommelslagers, ptmghoeloe nobat.
tamelijk, sëdang, sëdëehana, Skr. —
wat, vrij wat, sëdikit banjak:
tamheid, pëti djinak, bal tijinak.
tand, gigi; ééae —, gigi sabatoe; de
voorste —en, de snij —, gigi sëri;
hoek—, oog—, gigi asoe, gigi andjing,
laring, pëugapit gigi sëri.
—en die op
het doorbreken staan, gigi mëndjagoeng.
—  en die voor elkander staan, gigijang
btrtindik;
wijd van elkander stnunde
—en, gigi jang djarang; vlak tegen
elkander staande — en, gigi sandingan;
blijvende —en, gigi beloel; holle —en,
gigi rompang; kleine scherpe —jes of
niuizc—jes, die men zegt dut oudo
lieden nog krijgen, gigi parang-parang.
—   vnn een rad, gigi djantera, gigi
roda.
—en krijgen, loemboeh giginja;
de —en met een kleursel zwartmaken,
mënggërang.
tnudelthippen, gëlaiok gigi-
tandeloos, tiada bërgigi.
tanden, mëmpërgigikan; getand, eggig,
gerigi.
tandenborstel, sikat gigi, pïtoegi.
tandengeknars, kërïnnjoet.
tandenknarsen, mëngërënnjoet, b%r-
këroet-keroet gigi, mënjanggit gigi, mëng-
gïrëlak gigi.
tandenstoker, pesoegi, tjoengkil gigi,
tak, groote, dikko boom—, dahan; gc-
vorkte —, zijtak, tjabang, fjatcang.
— ken hebben, getakt zijn, bërtjabang;
bladerlooze —, rangga»; zich als blader-
loozc —ken voordoen ol\' die vormen,
mëraagga»; dunne, bladerlooze —, twijg,
ranti»gt rantjing; levende of groene
—, routing hidoep; droge —ken van
den sagopalro, gaba-gaba. —ken schic-
ten, mëntjabang; ook van cene rivier
zich in —ken verdeelen. — van een
volkstam, soekoe, soekoe bavgsa. —van
eene rivier, auak soengai, simpangatt,
batatig soengai;
vau den hnk o» den —
springen, bij bet werk, Uut jak-lintjah.
takel, katrol, torah, kerei; kapt. —,
louw dat door twee ot\' meer katrollen
loopt, te/i oelang.
takelaae, mar. tali-mali.
takelhlok, lorafi, ken-k-, kapt.
takelen, optuigen van een vaartuig,
mëngvnukan tali-mali, mïlangkapkan dë-
ngan ttdi-mali.
tiihelünren, bvnang lajar ter.
takelmeenter, aan boord van Malei-
sche vaartuigen, moeallim angin.
talieltouw, tali oelang, zie takel.
takje, zie tuk.
tnkkenbo*ch, bërkas rantingranting.
tal, bilangan, banjak. Zie «je tal.
luien naar, belangstellen in, fadloeli
akan ;
niet — naar, tiada fadloeli akan.
—, vragen nnur, bërlanja akan. --,
sterk verlangen naar rindoekau, tër-
kenanykan.
— naar spijs of drank ook
mënghiraukan.
talent, geldgewicht, bëhara. —, bekwaam-
heïd, knpandajan; begaafdheid, ükat,
Ar. boedi, Skr.
talie, zie takel.
talins* kleine wilde eend, itij? ajar, Hik
laoet, itik boetoe, befibtt, mëtiwis,
Jnv.
1;ili-i mm. pëiiavgkat, nz\'tmat, Ar. djimat;
geschreven —, soerat azimal. —, be-
staaude uit een geteekende draak, door
vrouwen bij zich gedragen, om mannen
te betooveren en zich van hunne liefde
te verzekeren, sëkoewik.
talk, temaf\', gemak.
talkboom, zie hoterhoom.
talloos, zie ontelbaar.
talmachtij£, soeka menatai ; zie het
vulgende woord.
talmen, sainmelen, mï-nala\'. (van ialai).
—, een werk niet met lust verrichten,
mënjambaleica; met ben. obj. menjam-
-ocr page 721-
tanden vüler — taxis.                                          70ï>
ook kajoe pësoegi, het is e. i. v. bor-
stoltj© gemaakt van oen klein takje.
tandenvyier, iemand wiens beroep het
is om de tanden af te vijlen, toekang
pfpat,
Mid. Sum.
tandis, cggig, glrigi.
tundpvjn, lakit gigi.
tnndra<l, djantera bïrgigi, roda bfrgtgi.
tnntlvlecHrli, goesi.
tundvormiji, van snijwerk, schilder-
werk of uit knipsel, poefjoek rf.boeng,
om de gelijkenis met bamboe-spruiten.
tanen, looien, ititngoebar (van oebar),
mïnjamak
(van samak), b.v. di-oebarnja
lajar Hoe doewa tiga kali, kVmoed\'tan
bïAaror digor/oeng/ija,
bij taande dat zeil
een paar malen, en rolde het daarna
pas op; getaand leder, korlit sttmak.
liiiK\'ii. verduisteren, sorram, djadigëtap.
tnng« werkluist om iets* nijpend te vat-
ten, sï\'pif, penjëpit; vuur—, sepit api;
—ctje om de baardhnren uit te trek-
ken, sfpit attgkoep; e. s. v. kleine —
met scherpe lippen, fjoenam.
lante, moei, vaders of moeders zuster,
htama; van Vorsten, mamauda. —,
moeders zuster, die in ouderdom on-
niiddelijk op moeder volgt, ïmak sao?\'
dara salah mendjadt.
—, vaders of
moeders zuster, mak- saoedara; vaders
of moeders jongtre of jongste zuster,
mak mofda; de bepaalde jongste zuster,
mak botigsoe, wak kë.tjO, en bij ver-
kortine, mak tjik.—, vaders of moeders
middelste zuster, \'t zij van drio broers
en zusters of van drie zusters, mak
iengak
(bij verkorting, mak tigah), mak
atang.
—, vaders of moeders eenigc
zuster, mal\' toenggal. —,jonie re zuster
van moeder, ook bibi; oudere zuster
van vader of moeder, oewak.
tap, kraan, luit, fjerat; de tappen van
een kanon, tangan ttiariam.
tnpgnt, eroeng-eroeng.
t npüt, p^rmadani, Sk r. chatifah, Ar.
— zooals b.v. gespreid wordt op een
weg voor den hoofdpersoon van een
optocht of voor een Vorst nis hij van
zijn rijtuig naar de wachtkamer of in
zijn paleis gaat, poetcadai.
tapir, tenok, babi aloë, babi gadjah.
tappen, aftappen met een kraan, mTti-
tjeral
(van tjirat, kraan). —, aftappen
van palmen, ter verkrijging van het
palmsap, mënjadap; het —, sadapan ;
de tapper, penjadap; het mes daarvoor
in gebruik, pisau sadap; op flesschen
—, wfmbotolkan.
tapper, vnn palmsap, penjadap,
tapatoel, voor een vuurwapen, djabatig,
tjagak.
tarbot; e. s. v. —, ikan bawal.
tarief, prijslijst, daftar harga.
tarten, eene dreigende houdinz aan-
nemen, menggerendevg, mtngat\'joem;
spottend —, mëngadjok; tartend, uit-
dagend aankijken, mënïntang mat».
tarwe, gandnrm, Perz. Irigo, Port. Turk-
sche —, djagoeng
tarwemeel, tepoeng gandoem.
tas, hoop, timboenan; van rijst, djëlw
pang,
Mn\'..
tasch, zak, buidel, geldbeurs, poendï-
poendi;
e. s. v. gevlochten tasebje met
deksel voor de sirib, fpok. —, waarin
brieven of pakjes worden overgebracht,
sï\'limpang. Zie de samenstellingen.
tnMHen, opeenstnpelen, mtnimboenkan
(van timboen).
tast, greep, raba, djamah; op den —,
op het gevoel af, tëraba-raba, b.v.
djangan btrdjufan tëraba-raba, loop niet
op den —,d. i. loop niet op het zevoel af.
tawthaar, dapaf diraba, dapat didjamah.
—, fig. voor duidelijk, njafa, b.v een
— e leugen, doesta jang njafa.
tasten, meraba; b.v. hij tastte naar de
deur, dirabanja pinfoe. — naar den wog,
meraba djalav; overul rond - . linksen
rechts —,m7raba kasava-kamari; nl —d,
/eraba-raba, b.v. nl —d gaan, bërdjala»
teraba-raba;
met de hand in iets —,
of naar iets, dat zich ergens in bevindt,
b.v. geld in den zak of een graat in
de keel, mïnje/oek (van s$/oek); in bet
blinde rond—, kërapai, mërajau; met
een stok in bet onzekere —, om te
voelen of er ook iets ïs, mX-ngoeicar-
vgoewarkan kajoe
(van koewar), Zio
rondta*ten.
tatoueoren, mïnfjoreng, mëntjatjah;
getatoucerd, (joreng, bërtjatjah, b.v. hun
huid wordt door hen getatoucerd, koelit
toeboehnja difjafjahnja.
taxateur, peni/ai; een —, die bij ver-
koop vnn goud en zilver de waarde
moet schatten heet in de Oendang-
ocndnng sati beram.
taxatie, nilajan.
taxeeren, mtnilai (van nilat).
taxi», de Indische —, pohon ëroe; op
Java pohon tjPmara.
-ocr page 722-
710
te — leerkost.
te, bij de onbep. wijs der Ww. wordtdoor den net. vorm der Ww. weergegeven,
b.v. om — nemen, hëudak mëngambil;om — verbeteren, akan mëmbdiki. —,
bij tijdsbepalingen, gisseod, tegen, kira-
kif*,
b.v. — middag, kira-kira tengah
hart,
— avond of morgen, kira-kira \\
pagi aiaio pëtang;
bepaald, precies, ,
bètoel, b.v. — drie uren, poekoet tiga
befoel.
—, plaatsbepalend, di, b.v. —
Batavia, di Batatci. — land, didarat.
—  bed, diptlidoeran. — in de betee-
kenis van tot, akan of de causat.
voiiu van het Ww. b.v.— vriend, akan
fohbal.
— huur, akan disewakan.
niet doen, mtniadakan (van tiada), — ,
weten, ija-itoe, jitni, Ar. — , Bijw.
terlaloe, b.v. — duur, terlaloe mahal,
—  ver, terlaloe djaoeh. — weinig, ter- \\
laloe Jtedikit,
ook koerang, — veel, !
terlaloe ban jak, ook lebili. üok al —,
wordt met tér laloe teruggegeven, b.v.
al — toegevend, terlaloe sabar. — kort .
doen, benndeelen, nCéroegikan. — kort
schieten, onder doen, het opgeven, :
tiwas. — weinig zijn, koerang — bui-
tcn gaan, ttbih daripada djangkanja;
dos — meer, istimewa puela, lambahun
poela;
niet — bij Ww. wordt uitgc-
drukt met tiada en het Vooiv. ter, b.v.
niet — vergelden, tiada tërbalas; niet
op — tillen, tiada terangkat.
teetier, van gemoed, spruitjes, takjes
enz., lemboct. —, fijn, haloes. —zwak,
lëmah.
teedergevoelig, peloe rasanja. Zie j
teergevoelig.
teederhurtigheid, kapeloewan. Zie <
teerge voeligheid.
teei", wijfjes-hond, andjing betina, andjing :
perampvetcan.
teelt, veeiuis, kerpati, koetoe babi. —,
schaponluis, sëngkënit, ook tjengkënek,
angau.
teeken, tanda, aldmat, Ar. ook won-
der— en voor—. Zie kenteeken.
—   van onderwerping, aldmat tuendoek\',
plnoengkoel;
de teekenen der konink-
lijko wnnrdigheid, kapraboewan; de
teekenen van het einde der eeuwen,
üldmat achir zamdn; de teekenen van
hooge waardigheid, kabësaran. — van
verboden toegang, b.v. een gespannen
touw met bladeren, gaicar-gawar.
tot wnarschuwing voor onraad, sembo- \'
jan; de — s van den niaandierenriem
en de daarmede verbonden voorzeg-
gingskunst, rëdjaug, zie dier. —, van
den dierenriem, boerdj ismdni, Ar. —,
nagelnten spoor, bekos. —, wenk, isjd-
rat,
Ar. een — geven, niembtri isjdrat,
mtngisjdratkan.
— van leven, tandu
hidoep, ïïldmatoe\'lhajdt,
Ar. fig. uitdruk-
king voor een geschenk bij een brief.
tcekenaiir, pënuelis gambar, pèloekis.
—, onderteekenaar, jang mëmboeboeh
tanda tangan.
teekenboek, kitdb gambar, soerat gam-
bar.
teekenen, schilderen, menoelis (van toe-
lis), i/ipfoekis, menggambar;
bloemran-
den rondom schrift —, mhijilap (van
silap); figuren — op doek, b.v. van
bloemen of wajangtiguren, menjonggeng
(van songgeng). —, merkteekenen, me-
nanda\'i
(van tanda), mémbéri tanda,
mëmbueboeh tanda,
ook mëngangkakan
(van angka, cijfer, teekenj. — door er
een kerf in te bakken, b.v. boouien —
op die wijze, mënakek (van takek). —,
onderteukenen, nitmboeboeh tanda ta-
ngan;
het avondrood teekende zich aan
den hemel, tedja mëmbaris pada langit;
de regenboog teekende zich uan deu
hemel, pëlangi mëmbaris pada langit.
t i\'i\'lii\'i liiig, taeltsan, loekisan, gambar,
pëta;
in — brengen, mëniëtakan; e. s. v.
— op gebatikte kleedjes, gëringsiiig
wajang, gïroengsing wajang,
—, onder-
teekening, tanda tangan.
teekenpapier, karfds gambar.
teeldeel, zie moliaumdeel.
teelgewas, tanaman.
teelgromi, teelland, tanah jang baïk
akan ditanami.
teellid, boetoe, dzakr, Ar.
teel vocht, mant, Ar. bakal manoesia.
teen, djari kaki; de groote —, iboe kaki,
ook biang djari kaki; de kleine —,
këlinykivy kaki; achterste — of duim
bij vogels, tjangkir, — van vogels,
ripai of ripi; op de —en loopen, men-
djengket,
teen, twijg, tjawang, ranting.
teer, gala-gala lemboet, ter. —, koolteer,
bëlakin, belangkin.
teer, teeder, zie ald.
teergeld, zie reiegeld.
teergevoelig, rapoeh had. — worden,
mërapue/i hall,
teergevoeligheid, karapoehan hati.
teerkost, bëkal didjalan.
-ocr page 723-
teerkwast — tegenhouden.                                    711
it-iTlïWiisi, pênjapoe bëlakin.
teerling, dobbelsteen, zie ald.; den —
werpen, niloetar oendi, mëmboewang
MM,
teerpot, fempat bëlakin.
teertouw, tolt jong dïsapoe bëlakin.
tellen», zie teven».
tegel, bata, batoe bata; vloer—, batoe
roebin, djoebin.
tegelbukker, toekang mëmbakar batoe
bata,
tegelbakkcrü, pëbakaran batoe bata,
tegeldtdt, atap bata.
tegelyk, met, sërta. — van schoten,
een troeji die voort rukt enz. goei, sa-
kali goes.
— Tan een geweervuur ook
natar.
tegelijkertijd, terwijl, sambil, sëraja.
tegelvloer, dasar batoe bata, dasar
batoe roebtn, d. b. djoebin.
tegelvortn, atjoeican batoe bata.
teeemoetkoming, vergoeding, schade-
loosstelling, zie ald.
teuemoettfaan, mënjongsong (van sortg-
song),përgi bërtemoe;
iemand — om hem
plechtig in te halon of te verwelkomen, \\
përgi menjam&oet
(van sambottt), përgi \'
tnëngëloe\'eloekan.
tegen, in de richting van, naar, ka, arak
ka,
b.v. — het zuiden, kasabetah sëla-
tan, arah kasetalan.
—, bijna, hampir,
dëkat,
b.v. — den nacht, hampir »/«-
lam, dëkat malam. — de vastenmaand,
hampir boi\'lan poewasa, —, tot, pada, i
kapada, akan, b.v. — iemand spieken, \\
bërkata kapada sa\'orang.
— iemand \\
boos zijn, marah akan sa\'orang. — I
elkander houden, vergelijken, mëmban-
ding satoe dëngan satoe.
— over, vlak
—  over, tëntang, bërtëntaugan, bersa-
berangan
; dit laatste voornamelijk als
er een water ol\' kloof tusschenbeide is.
—  iets zijn, liada sonka, tiada bër- \\
këtian akan, tiada niëloeloeskan;
iets
—  iemand hebben, tdsoeka akan sa\'o-
rang, walang had;
dat is mij —, dit
walgt mij, djëmoe akoe akan dia ;
iemand — maken, mëndjëmoekan oraug.
—, van den wind, sakal, nïëndahaga
(volg. vd\\V. trivndahagi, tegenwerken van
bevelen), dari haloewan. — wind, angin
sakal.
— worden, vnn den wind, iuë-
njakal.
— iets in, b.v, — den wind,
stroom, vijand enz. in, songsong. — I
den wind opwerken van vogels enz., i
mënjongsong angitt. — heug en meug, \'
soeka ta\'soeka. — wil en dank, MM
ta\'maoe. —, van prijsbepalingen, dC-
11 gun.
— een matigen prijs, dëngan
harga jang s\'édang.
— dcu prijs vao
drie Gulden, dëngan tiga roepijah har-
ganja,
— betaling, dëngan mitmbajar
harganja.
—, in strijd met, birsalahan
dëngan, mëlatcan, langgar,
b.v. — de
wet, bérsalahan dëngan hoekoem, mela-
tcan hoekoem.
— de gewoonte, mëlanggar
Hdat.
— de wellevendheid, mëlanggar
bëhasa.
— elkander invliegen of schie-
ten, zooals vecht hanen, bliksemstralen
enz., saboeng-inënjaboeng; wie zou daar
—  zijn! wie zou daar iets — kunnen
hebben, apatah salahnja! alles —heb-
ben, këmatang! datgene, waar iemand
volstrekt niet — kan, b.v. voor den
een de reuk van doerian, of spek, voor
den ander het zien van wnpens enz.,
pantangnja — iets kunnen, kunnen
verdragen, bolih fuhan, b.v. orang ini
bolih tahan dibasah-këring,
deze mensch.
kan — natworden en weer opdrogen.
—   ietB aan, pada, b.v. — den muur
leunen, bïrsandar pada, tembofy; ruilen
—, minoi\'kar dëngan (van toekar).
tegenutinloopen, toevallig, tërsëram-
pok.
tegenimtwoord, repliek, balas djawdb.
tt\'t^fiihiil>licleii,bërbantah-bantalt,mëiti-
bantahi.
tegenlievel, përentah pënëgah.
tegenhniMeen, van de zeilen, bafysi.
tegendeel, laivan, Idhinja; het — van
iets, het omgekeerde ervan, ook balik;
in —, dëngan of pada baliknja; in —,
milaiukan.
tegeneten; zich iets tegengegeten heb-
ben, tjëmoes.
tegengaan, tegcinoetgaan, zie ald. —,
tegenwerken, dwarsboomen, beletten,
verhinderen, zie ald.
tegengeKehenk, hadijah akan pemba-
lasan.
tegengift, pënavar, noerbisa, Skr. —,
tegeogesebenk, zie ald.
tegengroet, balas salam.
tegenhanger, pendant, timbal.
tegenheid, tegeospoed, zie ald.
tegenhouden, beletten, mënahankan,
mëuahani (van tahan), en mëuëgahka/t
(van tëyah). liet eerste is — in vooit-
gang, weiking of val; het tweede
verhinderen in de uitvoering van iets.
Het tweede wordt alleen van personen
-ocr page 724-
712                                 tegenhuppelen — tegenweer.
gebruikt. —, bij zich houden, vcrh\'in- ;
deren te gaan van een gast, niêmegang ;
van onderen ■—, ondersteunen, b,v. van
een kist, dien men laat zakken, ?in-
ngamporkan.
— door iets dwars in
den weg te leggen, rnemalang, mërtn-
tangï, mëlintangi.
— met den gebogen
arm, menjinggoeng (van singgoeug). — I
door een afscbutsel, minjekat (van sekaf).
—, met aan een touw ie trekken, b.v.
een boom die op het omvallen staat,
mendoegang. — van de vaart eens ?chips,
b.v. door een deklast, te zwaar tuig,
raderkasten enz , mengabar, —, tegen-
gaan van iets dreigeuds, membantarkan.
—  van den bruidegom en zijn gevolg
op weg naar de bruid, totdat een uit
zijn gevolg iets betaald beeft, melawa;
dat, wat dan gegeven wordt, heet pem-
bajar petawa.
tegenbuppelen, daiang berlompat-
lompal.
tegen\\jlen, daiang berlari-lari.
tegenin, b.v. tegen het beloop der tak-
ken of van het haar in, songsang.
tegenkanten, melawan.
tegenkomen, bertëmon dengan, btr-
djoempa dengan; onverwachts —, I
sampak.
tegenloopen» tegen zijn, malang; van
don wind, zie bij tegen.
tekenmiddel = tegengift,
tegennatuurlijk, laioait fabïat. Ar.
tegenover; vlak —, fiêntang, berlen- [
taugan dengan. — iets dat nabij is of
—    iemand, berhadapan dengan, b.v.
waar staat zijn huis —, lentang mana
roemakvja.
— den heuvel zitten (of
wonen), doedoeh- bfrientangan dengan
boeltit itoe.
— den vijand, berhadapan ;
dengan mocsoeh. — elkander staan, \\
berhadap-hadapan.
— elkander stellen, :
niempë.rhadapkan; vlak •— soms ook
berlaga, b.v. Tandjoenu Pioang ligt
vlak — het eiland 1\'enjéngat, Tan- \\
dj oen g 1\'inang berlaga dengan poelau
Pénjëngat;
juist —, ook bërbetoelan j
dengan, b.v. het eiland lYnjcngat ligt
juist — T&ndjuMg Pisang, poe/au \\
Pénjengat berbttoelan dengan Tandjoeng
Pinang.
tegenovergesteld, lawan, b.v. alle
—e eigenschappen, segala ft/at la~
wannja.
tegenoverstellen, ter vergelijking,
nvénanding.
tegenoverstelling, ter vergelijking,
tand ing,
tegenpartij, lawan. —, persoonlijke
vijand, sete\'roe. —, landsvijand, moe-
soeh; zich tot — stellen van een nnder,
hem als — staan, mengembari (van
kémbar, tweeling),
tpaenpraten, bërbantah~bantah, mei»\'
ban/abt kafa, mëlintangi perkataan.
tegenprnter, pëmbantah, orang ban-
tahan.
t egenpruttelen, Vérsoengoet-snengoet.
tegenrukken; tegen den vijand opruk-
ken, mendatangi mocsoeh.
tegensebrift, soerat djatcab.
tegenspartelen, zie tegenstrib-
belen.
tegenspelen, melawan bërma\'in.
tegenspeler, lawan bermdin.
tegenspoed, oenloung malang. —, on-
geval, llab, Ar.
tegenspraak, bantahan, zie ook ver-
sfliillen.
tegenspreken, berbanlah, inembantahi,
mÜmbanfahkan, mëlintangi pfrkataan.
tegenspreker, pëmbanfah, orang ban-
lahan.
tegenstaan, weerstand bieden,melawan.
—, afkeer, walging verwekken, men-
djv.moekan; dat staat mij tegen, djëmoe
akoe akan dia.
tegenstand; — bieden, melawan.
tegenstander, lawan; voor- en —,
kawan dan lawan.
tegenstellen, ter vergelijking, mémban-
dingkan dengan; zich —, verzetten,
melawan,
tegensteller, lawan, pelawan.
tegenstelling, ter vergelijking, bandi-
ngan. —, verzet, lawan.
tegenstooten, zie stooten
tegenstreven, melawan. —, van be-
velen van hoogerhand, mermtangi,
nundahagi.
tegenstrever, lawan, pelawan.
tegenstribbelen, zich trachten los te
rukken, van iemand, die gevat is, me-
ronta-ronla. Zie tegenwerken,
tegenstrijd; in —, zie het volgende
woord.
tegenstrijdig, bërselisih, berldinan,
bërsalahan, tiada saioedjoe.
tegent rekken, tegeuioetgaan, zie nld.
tegenvallen, niet gelukken, tiada
djadi, tcoeroeng.
tegen weer, lawan. — bieden, melawan.
-ocr page 725-
tegenwerken — temmen.                                     713
tegenwerken, bindernissen in deu weg
leggen ii.-uL de uitvoering van bevelen
of maatregelen van bestuur, tn)•rtntang\'i,
b.v. het Gouvernement —, m^rintangi
goeptrwémen, mvndahagi.
tegenwerking, rintangan.
tegenwicht, timbangan.
teg*-nwin<l, angin takaï, angin salah,
angiu dart hatorican.
tegenwoordig, present, ada, l^adlir,
Ar.; persoonlijk bij iets — zijn, meng-
hadapi.
—, mi, sakarang; met nadruk,
sakarang ini, akatt sakarang; in den
— en tijd, pada masa int.
tegenwoordigheid, aanwezigheid,
hadapan. hadltrat, Ar. in -— van den
\\ orst, dihadapan baginda, dihadlirat
baginda;
zijne — van geest verloren
hebben, terbang soemangat, terbang roft ;
verschijnen of zijn in — van, mingha~
dap,
b.v. in — van den Vorst ver-
schijnen, of zijn, mvvghadap radja; in
—   van den dood, menghadap ma/i.
ti-genworstelen, zie tegenstrih-
holen.
tegenzijfle. do andere kant vna iets,
sativtahnja.
tegenzin; — hebben in hot doen van
iets, segan. — in iets hebben, ook
ntalas. — toonen, min den dag leggen,
m\'Énjtyan ; iemand dïe daarmede behebt
i*, pfvjegan. —, afkeer, walging nan
iets, djPmoe akan. — verwekken, men-
djï-iiiorkuu.
tegoed*; — hebben, patoet ntendapat.
tehuis, thuis, eigen huishouden, roe-
ma/i tavtjga sendiri.
tehuiskomst, poelang.
tehui-reis, p^ri/jalanan poelattg, pela-
jaran poelang.
teil, pasor, br tanga.
teint, huidskleur, tcerna koelit toeboeh.
teisteren, misbnndelen, menganiaja.
tekort, koerang.
tekortkomen, van zaken, koeratig;
van den persoon, iets —, kakoeraugan,
b.v. er komt geld tekort, koerang
netcang;
ik kom geld tekort, akoe
kakoeraugan oeicatig;
tekort gekomcu
in iels, van iemand, kefjitra.
tekortkoming, ook in zedclijken zin,
kakoeraugan.
tckortM.\'hieten; tekort geschoten, ge-
fauld in het een of ander, ketjitca.
tekst, vers, onderdeel van een hoofdstuk
b.v. des Bijbels, ajal, Ar.
tel, het tellen, bilangan; bij den —ver-
koopen, djoewal bilangan; in — ïijo,
kabitangan ; niet in — zijn. tiada ka-
bilangan;
ook tiada dibilangkan, tiada
dii\'-ni/a/ikan.
telastlegging, beschuldiging, zie ald.
telhimr, dapat dib\'dang,- niet —, tiada
tërbi/ang, tiada t^ptrmandi.
telegraaf, pos kaïcat.
telegraaf hode, opas pos katcat.
telegraafdraad, lelcgraaflijn, katcat.
telegrnfist, toekang katcat, dj oer oe-toelis
pos katcat.
telegram, telegraphisch bericht, për-
chabaran katcat, soerat pos katcat, soeral
panah.
telegrai»heeren,iw?flïO(?ito«r/Xdtca/(van
poekoel), mémoekorl tetegerap.
telen, vuortbrengen, mtndjadikan, m&ng-
adakan.
—, kweeken, opbrengen, van
planten, memeliharakan (van pelihara).
—  moet soms met planten of zaaien
worden teruggegeven. Zie ald. —, ver-
ooiznkcn, mt.ujvhabkan (van sebab).
teleseoop, teropong binta-g.
teleurstellen, bodr. memberi ketjiwa;
teleurgesteld, kï/jiwa. — omdat men
niet ten uitvoer kun brengen wat men
zoo gaarne wil, sëbal. —, er met ledige
handen afkomen, awai.
telg, loot, scheut, taroek, poetjoek1, toe-
nas.
— en, afstammelingen, unafr tjoe-
fjoe, auak boeicak, dzoerljat,
Ar.
telgang, van een panrd, ligas.
telken*, aanhoudend, ieder oogenblik,
saben/ar-sabï-ntar. — als, tiap-tiap kali.
—, zonder uitzondering, sagvnap kali.
— weer, bij herhaling, bP.roelang-oelang,
beroelang-oelangan.
— weer van nieuws
nf aan, bertaloe-tafor.
lellen, mvmbilang. —, berekenen, mem-
prrmanai
; niet te — zijn, tiada terbi-
lang, tiada feperntanaï;
verkeerd —,
bij het — zich verkijken, silap bilang;
iemand of iets niet —, tiida niimbi-
lang, tiada mïngendahkati, tiada
mem-
bah enakan; mede geteld worden, mede-
gerekend worden, masojy\' bilangan.
teller, pembilattg.
tembaar, dapat didjittakkan; uict —,
tiada terdjinakkan.
temen, langzaam -preken, htrkata dt-
ngan ptrlahandahan.
temmen, tam maken, mendjinakkan,
m^ndjinaki.
Ook fig.;—,in toom houden,
b.v. van de driften, rnïnahani (van tahan).
48
-ocr page 726-
714                                           tempeest — tering.
tempeest, fo/du.
tempel; gebouw dat gewijd is aan den
dienst vao God, kiïbah, Ar. bait Oellah,
Ar. . de vierkante — in de groote
moskee te Mekka, nlkabah. Ar. de —
Gods, kabat Of l/ah; Chineesche —,
kelen/eng. — bij het weven, soembi.—,
van de Hindoes, koewil; afgods—,
roftnah brahala. — van de Mohaiuuic-
danen, gewoon bedehuis, mësdjid, Ar.
—, bedehuis van de Christenen, ym-//\'".
ten, \\oorz. di, — huize, diroemah.
aanzien van, adapon akan. — eerste,
pirlama-/ama. — tweede, kadoewa.
andere, kadoewa. — heine), kalaugi/.
—   einde, soepaja, agari agar soepaja.
—  noorden, disabelah oe/tira, kasabüah
oetara.
— tijde, pada mm, pada
zamtin, tatkala.
— minste, op zijn
minst, sakoerang-kavrangnja. — dienste,
akan goena. — gevolge, 6 f kat, zie bij
gevolg. — koste, a/as lï/andja.
overstaan, dihadapan. — laatste, ach\'ir,
Ar, pada ac/tir, pada achirnja. — zij,
,i ■!■■■.■■. asal. Zie mits.
tengel, bëro/i.
tenger, slank van gestalte, ramping,
ook aruetig, nipis en /iroes. —e pootjes,
zooals van een dwerghert, kaki /iroes.
—, mager, koeroes. /ie Hhink.
tent, als woning, chaiwah, Ar. —, hut,
pondok, léra/ak ; Vorstelijke—,/jatvra.
—  op een vaartuig, zonnetent, /je/ëri,
/enda,
l\'oi! . strooien — op eene boot,
djïroeboeng. — op den rug van een
olifant, bë/oaean. —, kap op een rij-
tuig, lang\'U-lavgit, /oedoeiig kare/a.
tentoonstelling, e. s. v. straf bij du
Maleiers, hoekoem men/joenting, hoe-
koem /iizir,
Ar. van Dzara.
tenue; in groot —, met al de teckenen
hunner waardigheid, orattg brrada/.
tenware, tenzij, mits, soeka/, b.v. —
de Vorst bet toestond, dan pas mag het,
soekat dikaroeniakan radja, bvharoelah
bolih.
— ik zijn naam had ruchtbaar
gemankt, zou mijn gemoed pas voldaan
zijn, toeka/ koe/juirkan namanja, beha-
rcttah pot\'tcas hal\'tkoe.
tenzu, zie hot vorige woord. —, ook
me/ati/ktift, kt/joetca/i, asal.
tepel, van de buist, ma/a soesoe, poe/ing
soesoe, paetmg /etek, lin/il soesa?.

van de borst cener maagd, ma/a pëmi-
ka/,
d. lokoog.
ter, om, pada, b.v. — verklaring, pada
menja/akan; ook ptri mënga/akan.
wille, om den wille van, karena. —,
op, te, di, b.v. ter plaatse, dUempat.
—, voor, akan, b.v. — eere, akan
hor ma/;
zich — ruste begeven, përgi
/idoer.
— zake, wegens, om, sëbab,
dari sëbab, karena sëbab.
terdege, geheel en al, sapala-pala.pe\'ri-
peri.
—, duchtig, sabayai, ma/i-i/ia/i,
b.v. sapala-paia nama yang djaha/,
djangan alang-kepa/ang,
— een slechte
naam, niet half en half; ma/i-maü \\
ttiandt bijar basah, ma/i-ma/i b^rdatcat
bijarlah hi/am,
— gebaad, laat men
nat zijn; — inkt gebruikt, laat het
zwart wezen. Sprw, maka bagïnda pon
sabayai mëmandang Hang Toetcah,
en
zijne Majesteit keek H. T, — aan.—,
duchtig, san gat, amat sangat; zie ald.
terechtbrengen, terugbrengen,zie ald.
—, in de waarheid leiden, van dwa-
lcnden, mëmpërbënari —, in orde scliik-
ken, mëngataerkan, mematoetkan (van
patoe/).
terechtkomen, voor den dag komen,
timboel, b.v. er kwam geen tien percent
van zijn schuld terecht, dalam tapoeloeh
behagian huetangnja /iada/ak /imboel
sabëhagian djoea.\'
; terechtschikhen, in geregelde orde
plaatsen, meiigaloerkan; in een kist of
kast of kuiler, bërkëmaskan.
terechtstaan, voor het gerecht, meng-
hadap hoekoem.
terecht stellen, metakoekan hoekoem
atas.
j terechtwijzen, vermanen, menasihat-
/.<"/:
zacht bestraffen, aanmerkingen
maken, mënëgor (van iegor), —, den
weg wijzen, mtnoendjoek- djalan (van
loendjoek).
terechtwijzing, vermaning, nasihal;
znchte bestralling, tegor, Ar. aan wij-
zing, pirtoeuiljoekan.
terechtzitting, pïrhimponan madj/is
hoekoem.
teren, met teer bestrijken, mënjapoekan
bëlakin.
. teren, veitcren, zie ald.
tergen, plagen, sarren, zie ald.
tering, de ziekte, bë/a seni; do —heb-
ben, ook koeroes kering, b.v. hij kreeg
de — uit droefheid over zijne vrouw,
dan koeroes keringlah ija bërljintaka»
islr.rinja;
e. s. v. —, waarbij de huid
1 scbubbig wordt, demoen èsèk.
-ocr page 727-
terloops — terugreizen.                                       715
terloops» onder nader werk door, sam-
bil-sambil,
termieten, vliegende witte mieren, ka-
lakatau.
xerniijii, djandji. — van betaling, pnaie-
ment, angsoeran.
terpent\\jn, farbanfin, Ar.
terpentünliooni, boefoem, Ar.
terpentijnolie, minjafr farbanfin.
terras, e-trade, tmgkat, pangkat.
term MVormijj, bérpangkal-pangkat, ber-
tiuijk\'if-linykat;
oen —o heuvel, boeiit
bërpangkaf-pangkat.
terrein, grond, bodetu, lanah. —, plaats,
tem pat.
terstond, tabëntar, tigtra, këlak, sa-
bintar djoega.
terug, achteruit, oendoer; naar achteren,
kabilttkiing. —, weder, ktuibali, pOfla.
teru<jbpjn\'ereii, hendal\' këmbali, htn-
dak porlit, minta keinbali.
teruguegeven, kémbali,ptrgi ktmbali;
zich naar huis —, poelang, poelang ka-
roemah;
zich telkens naar eene plaats
—, beroelang-oelang ka/P-mpal.
teru^beltomen, mendapal ktmbali,
oirolih këmbali.
teruglïlijven, tinggal tlibelakang; zie
ook achterblijven.
terugbrengen, meinbawa balik; naar
hui» —, mënibawa poelang. Voor mem-
bawit
ook uienghantar. — aan iemand,
bij wicn het behoort, b.v. aan don eigc-
naar, niemoelangkan (van poelang).
van volk, dat gevlucht is, niZnibalil\'kan,
mr.moelihkan
(van poelih).
terugdeinzen, oendoer, betroendoer,
tnoendoer;
van velen, bï.rocndoer-oen-
doerat/.
terugdenken aan, ingat akan ; met een
gevoel vnn gemis of verlangen, terkë-
nangkan.
terugdrijven, teiugjngen, mV-nghuhat
këmbali.
—, op het water, hanjoet
keuibali, hanjoet balik.
—, doen dein-
zen, mhigonidoerkan.
terugeisehen, minta këmbali; zie
eisenen.
teruggaan, këmbali, batik. — naar
de plaats van afkomst, of waar iets
thuis behoort, poelang; doen —, in
dien zin, memoefangkan; —, nchteruil-
gaan, rctirceren, oendoer, moendoer.
teruggeven, niëngëmbalikan, mtmbalik-
kan.
—, nan iemnnd, wien bet toebe-
hoort, mëmoelangkan (van poelang); de
verloovingsiing—, mëmoelangkan tanda;
bedorven goed — met cisch tot sebade-
vergoeding, niea\'Patpoeh (van ttmpoeh).
terughalen, mëugambil këmbali.
terughouden, nünahaukan, mé.nahani
(van tahan). —, ophouden, bij zich
houden, ook mëmegang.
terugijlen, bërlari balik; naar buis
—, berlari poelang.
teru «jagen, mënghalau këmbali, ui.
batik;
naar huis —, mënghalau poelang.
terugkuatsen, terugspringen, toen-
djak;
zie terugspringen; onduide-
lijk door gepolijste voorwerpen, glns,
waterspiegel enz., teruggekaatst beeld,
kilau; een rivier, waarvan het water
zeer helder was en de zon al terug-
kaatste, soeatoe toengai, ajarnja tir-
laloe poelih bërkilat-ki talkan matahari
Hoe.
terugkeeren, këmbali, balik; weer—,
batik këmbali. —, oaar de plaats van
afkomst ol\' den vorïgen toestand poe-
lang-,
doen —, in dien i\\n,mëmoelang-
kan;
tot de barmhartigheid Gods —,
tig. uitdrukking voor sterven, poelang
karalimatoe\'ttah;
naar huis —, poelang
karoemah ;
tot den vurigeu ?taat —, zich
herstellen, soms ook poelih-, gevluchte
troepen tot den krijg doen —, niëmoe-
Hhkan;
tot elkander —, van personen,
die in onmin Dn gescheiden leefden,
ook — tot het ware geloof, roedjoek;
de regen keert naar den hemel terug,
hoedjan berbalik kulangil, Sprw.
j terugkomen, datang kémbali. — tot
den draad van zijn verhaal, kXmbal\'dah
m ëti (jër\'ttërakan.
terugkomst, poelang, balik\'.
terugloopen, torugmarebceren, bërdja-
lan balik, berdjalau poelang;
retireeren,
oendoer.
I terugmurseh,\'//«&/« batik. —.aftocht,
oendoer.
terugnemen, mëngambil këmbali.
van zijne woorden, mëmbaliki kafa, b.v.
karena kata patik suedah tëlandjoer
kapadanja, matoe hamba mëmbaliki lagi,
want ik ben in mijn spreken tot heiu te
ver gegaan, en nu schaam ik mij om
mijne woorden terug te nemen.
terugreis, djatan batik, përdjalanan
batikt pHajaran balik;
voor balik ook
poelang.
terugreizen, bërdjalan balik, btrlajar
batik;
voor balifc ook poelang.
-ocr page 728-
716                                     terugroepen — tevreden.
terugroepen, rnëmanggil ktmbali (van
pan fff/il).
teruis«ehuiven, bedr. menjorongkan
oendoer.
—, onz. oendoer, moendoer.
terus»lann, balas mëmoekoel (van poe-
koel);
zie bij slaiui. —, terugdrijven,
zie altl.
tcruc«i>rine:en, van geworpen, gerekte
of gedeukte elastieke voorwerpen, min-
Ijeroet.
— in den vorigen toestond,
van elastieke voorwerpen, mingandjal.
—, terugkaatsen van veerkrachtige
lic ba uien, mëngantoel, mimanloel, më-
ngamboel,
b.v. de kogel sprong terug
door een steen, peloeroe mëmantoel kina
halue;
doen —, me man f oei kan ; bij her-
baling —, niëmantoel-mantocl; do speor
sprontE terug en viel ter aarde, maka
limit ng itoe mengamboel djat oh kata-
nah. ■
i>\\\' lusspringcn van gespannen,
veerkrachtig): zaken, bingkas. —, een
sprong achterwaarts doen, van mensch
of dier, mëlompul oenü\'oer; naar of tot
iets —, wiilompat batik:
teru«»*tooteii, mënoelak (van toelak),
mëngoendoerkan
(van oendoer); naar of
tot iets —, mënoelak balik.
terun~t rooiuen, van water ol\' de gul-
ven, die door iels gekeerd zijn, mi-
ngolak;
met den vloed —, van het
water in eene rivier, berbulas pasang.
teru^Htuiteii, zie terugspringen.
tcriit;to«\'l»t, de — nanvaarden, van
een Vorst of leger, btrangkat këmbali.
Zie terugreis.
terugtred, pelangkah oendoer,
terugtreden, oendoer, moendoer.
teru«*treldten, b.v. van een leger,
uendoer, moendoer; sonis ook aoeroet,
doch dit bete.ekent moer verloopcn van
een leger; hij trok (met zijn leger)
terug naar eene stad, maka soeroettah
ija pada soeatoe nigari.
—, door aan
iets te trekken, mënarifc kf/nbali (van
iarik).
ternyvapen, birlajar balik, b. poelang.
1 eruj»\\erlnnsen, naar iets dat men
mist, tërkënangkan.
terugvinden, mttndapal kembtili.
terugvloeien, vnn het rivierwater in de
monding, birbalas pasang. Zie el»t>en.
teru•»voeren, membatca balik-, mïng-
hantar ktmbali.
terugvorderen, umne:i, mtnagih (vnn
iagih).
terugvragen, m\'inta ktmbali.
te rua wan delen, bërdjalan-djalan ba-
Uk, b. poelang.
torujjwerpen, miloetar ktmbali, balas
méloeiar.
Zie werpen.
tepuawtjken, oendoer, moendoer.
terugzenden, mingirim këmbali, meug-
han/ar k. mënjoeroehkan k.
Zie zenden.
terugzien, achter zich zien, omkijken.
mtnolih (vnn tulih); naar achteren zien,
mëlihat kabëlakang.
terwijl, inmiddels, sëmanfara, dolam
antara, dalam pada, sedang, selang,
sambil, sakëlika, sëraja, iëngah, datam,
sëlagi.
— nog juist, senjampang, b.v.
—   het oog juist in deo morgen is,
stnjampang hari lagi pagi. — .... en,
sambil .... sambil, b v. — men duikt
water drinken, sambil mënjilam, sambil
niinoem ajar,
Sprw. — hij omkeek,
sëraja menolih. — hij omkeek ont-
snnpte de dief, sëmanfara ija mtnolih
larilah pënljoeri Hoe btrlepas dirinja.
—  hij zat te eten, dalam tja doedoek
ma kan, tëngah doedoek makan.
— ik
nog jong ben, sëlagi akoe moeda.
zij voortliepen, dalam antara bhdjalan.
—   het opsteeg, sedang naïk, sakoetika
na\'ik.
terzelfder; — tijd, pada sakoetika,
pada koettka itoe djoega;
voor koelika
ook sai/f, trëk\'toe, btnfar, masa, zamaa
en ftitkala. Zie tüd.
terz\\jde, di sabelah. — stellen, inënja-
bilahkan.
test, vuurtest, komfoor, ktran, perapian,
anglo,
Chin.
testament, uiterste wil, tcasljat, Ar.
soerat wasijai\'; zijn — maken, bertcasi-
jat,
bij — vermaken, bërtcasïjatkan.
teu«>, slok, ItgoeX:
teu«£«*l, talï knng, fait lom ; do —s van
het bewind in hnnden nemen, mëndjabat
karadjaim;
den — vieren, nan de driften,
wënoerael haica-nafsoe (vun toeroet).
teu&*elbunr, te beteugelen, zie ald.
teugelloos, buitensporig, zie ald.
teven», lërta, sëraja, sambil; zio ter»
wijl. —, meteen, sakali. — er hij
waarnemen, er bij verrichten, samb/t-
sambil, mrt/jambilkan.
teverneetH, tjoema-ljoema, sija\'Sija.
tevreden, kalm, senang. — stellen,
iiienjinangkan, mënjoekakan (van soeka),
memperstna/ryka?/.
— gesteld na het
weencn, .senang dart mënangis. — zijn
met, bër\'cënan akan. —, rijk van gemoed,
-ocr page 729-
717
tevredenheid — tijd.
zonder begeerten, kaja hati; zich —
stellen met, niémadakau dirinja detigan
(van padd). — gestold, voldaan, vcr-
zadigd, poeicas. — stellen in dien zin,
m\\ ui ir tras/:,\'./!. — gesteld zijn, berpoe~
Kas kali.
tevredenheid, kasoekaan, kasvnangan;
bewijs van —, tanda kasoekaün.
tevredenstellen, zie tevreden.
teweegbrengen, veroorzaken, menga-
dakan, mendjadikan, ittinjëbabkan
(van
Stibab).
thnns, sakarang, sakarang itti, ukan sa~
karang, pada masa ini, pada zamdn i/ii.
theater; inlandsch —, wajang. —, het
gebouw voor het Cliineesch —, pang- ,
goeng wajang; Earop. —, icomedi,
thee, theti chioensis, teh, (\'hia.; de bln-
den, daoen teh; de van de bladen ge-
trokken —, ajar teh. — drinken, uw-
noem teh, m, ajar lek,
theeblad, bind vu:, den tbecboom, daoen -\\
teh, —, presenteerblad van bout, met
opt-taanden raud en niet ot\' Kondot
deksel, doelang. Zie presenteer-
bind. — bij do Europeanen, kaki.
theeboom, potoff teh.
theebtis. Ictupat teh, koepi, Skr.
theedoek, kaïn kesat.
theegoed, perkakas teh, ptring maug-
kofr teh.
theeketel, Cliineesch potje mot tuit om \'
water voor thee of koilie te koken,
tehko, iehkoican, Chin.
theekopje, mangkok teh.
theelepel tje,ft.Wa£ teh, tjamtjoe, Cbin.r
theepol, tehko, tehkoaa», Chin.
theeschoteltje, piring teh.
theestruik, pukofc teh.
Uu-mis, de godin der gerechtigheid, :
malakoe\'lildil.
thesaurie, perbi/ndaharaan.
th\\jm, e. s. v. toekruid, siïlar, Ar.
tiara, koeïah, Perz.
tichel, tegel, /ie uld.
tien, sapoeloeh. — als tiental, poeloeh, i
b.v. hoeveel —en, btrapa poeloeh; nis i
ranggetal, jang kasapoeloeh, b.v. Hoofd-
stuk —, f as-al jang kasapoeloeh,- in het
jaar ■—, pada lahoen jang kasapoeloeh.
■— ten honderd, dalem saratoes sapoe- \\
loeh.
— Januari, sapoetoeh hari boelan
Djanoewari.
tienarmig, bhiéngan sapoeloeh,
tienduagsch, van duur, sapoeloeh hari \'
lamanja.
                                                    >
tiende, rnnggetal, kasapoeloeh; de —,
jang kasapoeloeh. —, breuk, pïrpoeloe-
han
; een —, saperpoe/oehait. De breii-
ken worden meestal door omschrijvingen
vervangen, zoo ook een tiende, dat is
meestal: dalam sapoeloeh asa, b.v. zij
betalen een — van de opbrengst htin-
ner landen, mareka-itoe membajar da-
lani sapoeloeh asa dart segala hasil
tanahnja
; nog geen —, dalam sapoe-
loeh behagian satoe pon btlom;
de —
der maand, in dateeringen, sapoeloeh
hari boelan;
ten —, kasapoeloeh.
tiam\\ee\\i^t dibéhagi supoeloeh\'Sapoelueh.
tienderhnnde, tienderlei, sapoeloeh
maljam, bêrpoetoeh-poelueh matjam
(of
bagai).
tiendubbel, sapoeloeh lapis, s. ganda,
s. kali, s. k\'tjan.
tienduizend, salaksa (van lalfsa, tien-
duizendlnl, in het Skr. honderdduizend)
sapoeloeh riboe; bij —en, berfaksadak\'sa ;
bij duizenden en —en, beriboe-taksa,
tienguldeustuk, oewang mas jang
sapotloeh roepijah htrgavja; soekoe
emas,
namelijk als 4 van uen dubloen,
die veertig Gulden gold.
tienjarig, van leeftijd, sapoeloeh tahoea
lïmoernja.
tienmaal, sapoeloeh kali.
tiental, poeloeh ; een —, sapoeloeh; twee
— len, doewa poeloeh.
tienvoud, sapoetoeh Upat, s. ganda, s.
lapis.
tieren, welig groeien, van planten,
soeboer.
tieren, razen, geger. — ter oorzake
van, gegerkan (van geger akan). —,
lawaai maken, bergadoeh; over iets,
btrgadoehkan.
tierig, weelderig, van planten, soeboer.
—, v rooi ijk, bersoeka-soeka, bera/nai-
ramai.
tU, zie getü»
tvjtl; voor het afgetrokkon denkbeeld : de
—, is geen woord.—, kola, Skr. wordt
meest voor een ruim begrip van
gebruikt; zonder vasten—, tiada ber-
kala;
vroeger —, dt-hoeloe-kala; in den
oudsten —, poerba-kala. ■—, ook masa,
Skr. op dien —, pada masa Hoe; in
dezen —, pada masa int. —, tijdstip,
de rechte ot\' geschikte — voor iets,
koetika, ook ten tijde dat. — voor iets,
wefctoe. Ar. den geschikteu — voor iet»
laten voorbijgaan, mtnghilangkan wek-
-ocr page 730-
718
tüdelUlt — tUdverkwiittins-
toe; ook zijn — verbeuzeleo. —, jaar-
getijde, de vaste — voor iets, b.v.
voor bet bijeenkomen der pelgrims, het :
lijpen van vruchten, den passaatwind,
den regen, het komen van de zee- \'
roeren enz. enz. moesim, Ar. —, dien
mea voor iets neemt of dien iemand
voor iets gegeven wordt, fenggang.b.v.
—    van beraad, ienggang daja; vrije ,
—, ledige —, Laloacasan ; rustige —,
na werk, pètoetcang; in vroeger —
steeds, sadiakala; van alle—en, zamdu-
berzamdn, dari salama-lamanja;
te dier
— e, op dien —, iatkala itoe, kalakian.
(Uit laatste wordt meest gevolgd door
maka); bij —s. sijang-sijang; te ecniger
—, weldra, ki-lak, b.v. als wij te cenigcr
—  rijk worden, apabila kita kaja kefafr; ,
mogelijk te eeniger —, kelak-ki/afr;
den een of anderen —, bij — en wijle,
esvefc loesa, d. i. morgen of overmorgen ;
in de verre toekomst, besoek djimah.
Zie Momtüda; even buiten den ge-
wonen —, koedap; den — tot iets heb-
ben, senang, sempat, b.v. ik heb geen
—   om te komen, tiada sempaf akon
da\'ang;
den — zich maken of gunnen,
mênjempat; om dezen — van ;!en dag,
bagmi hart; te gelijker— iets doen of
er bij waarnemen, samb\'n\' sumbil; oen ,
in het duister of schemer gelegen —,
zie Ni\'liemer; do — van don dag,
waarop de zon in haar vollen glans is, ;
dlohu, koetika sjams; over den —, te
laat, van iets, dat een bepaalden —
duurt, b.v. een mousson of wind, kasip,
b.v. ungin soedah kas/p, Jt is over den
— voor dezen wind, deze wind is reeds
voorbij; eens op een —, salali; eens
op een — gebeurde bet, pada sakali
peristetca;
op allo —en, te aller —en ,
te aller stond, pada srgala masa dan :
koelika. — des levens, masa hiduep ;
levensduur, pandjang wmoer; op zijn \'
—, pada masanja, b.v. regen op zijn
—, hoedjan pada masanja; zooveel —
als men over een sirihpruiui doet,
sakapoer strik lamanja; zooveel — als
men voor een lijstkoukscl noodig heeft,
sapenanafr nasi lamanja; een aeschikte
of Kunstige —, koetika jang ba\'ik, masa
j. b.;
het einde der —en, acAi\'r zaman ;
na verloop van eenigen —, safèlah
bcbérapa lamanja;
gedurende eenigen
—, bèbërapa lamanja; zijn — waar-
nemen, den — uitkoopen, m\'èmbelakan
wèktoe; gebede —, uur, waarop de ver-
plichte gebeden moeten worden verricht,
wëkfoe sembahjang; voor den —, d\'e-
hoeloe dari pada masanja
(of trèktoenja).
Zie nfvullen; van — tot —, terka-
dang-kadang, daripada soeatoe masa
kapada soeatoe masa;
de — der jeugd,
masa këtjil, masa moeda; hoog —, om
hot een of ander te doen, perloe sakali;
voor korten —, onlangs, zie ald.jvoor
langen —, lang geleden, sordah lama;
met der—,la,na~kalamaanJauibat*laoen.
tütleiyit, sêmantara, b.v. die toestand
van Singapoera is slechts —, zal niet
b 1 ij v e ml z i j n, hal negari Singapoera
itoe s\'emantara sehadja, tiada akan
kekal;
ook barang sêmantara. —, ver-
gankelijk, fana\', Ar. het —c met het
eeuwige verwisselen, berpindah dari
negari jang fana1 ka negari jang bafra\'.
—   ergens bij iemnnd verblijf houden,
mènoempang, — iets of iemand ergens
bij iemand doen verblijven, mènoeni\'
pangkan.
tuilen*, koetika, pada masa, taikala,
Skr. Zie ook gedurende,
t Ü\'l — el>reli, en daardoor geen gelcgen-
heid hebbend, tiada sempat.
\\\\Si\\lXvi\\out%
iemands — zijn, méndapat
hajai orang.
tü\'lis*. p"da koetikanja, pada waktuenja,
ook met toevoeging van jang patoci
of jung ba\'ik.
ii.i<lin.";, chabar, Ar. tcarta, Skr bërila.
—  geven, mëngchabarkan, méwariakan,
mémbërita,
t\\j<lUortin<<:, pétenga; den tijd korten,
den tijd passeeren, mënghabiskan hari.
tUiihrinjZ» cyclus, daur, Ar. de kleine
— van acht jaren, daur këtjil; de groote
—  van 120 jaren, daur besar.
tydperh", masa.
tijdpunt, tijdstip, zie ald.
tijdrekening, tiirieh, Ar.
tijdrekenkunde, clmoe tdrich, Ar.
t ijd-ln\'p:iliii.\'j;. zie bij zon.
t\\j<lNomMtnndi£»heden, Jidl-ahoeal
zaman itoe.
tüdstip, detcasa, koetika, xèk-loe, Ar. op
dat —, detcasa itoe, koelika itoe; gun-
stig —, koetika jang ba\'ik; door toover-
kunst uitgevorseht — om iets te on-
dernemen, mesoevsara; juist —.perijang.
Zie eelej»enheid.
tUdverkwl**tins, mënghilangkan tcëk--
toe.
-ocr page 731-
tijdverdrijf*— toch.                                            719
tinne, plat dak, zie bij dak.
tinnegieter, toekang timak, toekang
masak timak.
tinnesoed, barang-barang timah, atrba
timak.
tiiiHluUken, terak timah.
tint, kleur, iccrna, Skr. van één —,
sa we ma.
tintelen, ook v. e. lichaamsdeel, gélén-
ttjar, mëngyelennjar,
b.v. mijne voeten
■— van het loopen in bet hecte zand,
kakikoe menggetennjar berdjalan dipastr
jang panas itoe.
—, een tintelend gevoel
bij het stoolen van den elleboog, de
zoogenaamde weduwnaarspijn, lennjar.
—   vnn de koude, yëleyoet, gigil. —,
schitteren, flikkeren, glinsteren, zie ald.
tinten, cene lint aan iets geven, mèicèr*
nakan;
getint, berwema.
tip, koedjoeng. — van den neus, koe-
djoeny hidoeng.
tiran, orany latim, pënganiaja,o. garang.
tirannie, (alim, Ar. aniaja, garang.
tirannie = het voorgaande woord.
i ini tiniseeren, m\'enyaniajakan.
titel, eornaam, yë/ar, nama; een —ver-
1 renen, mi-nggdar, m\'tmbëri nama, mé-
ngarovniakan gëlar
(of nama); een —
diagen, berge/ar. — van een boek,
pangkat. — , upschiift, soerat alamat.
titell>lnd, jirastii, Ar.
tittel, titik, noktah. Ar.
tjilpen, menfjitjit.
tobbe, badkuip, pasoe, sangkoe.
toeh, desniettemin, cu toch, tegenstel-
lend, djoega, itoepon .... djoega, b.v. —
deed hij het, diboewatnja djoega; wij
zeilden — door, bërlajar djoeya ka/ai.
bij du verzoekende, of smeckende wijze
van spreken, kiranja, apatah, barang,
b.v. dal hij — moge hooren, didëngar-
nja kiranja.
In brieven worden alle
drie deze woorden in deze volgorde
dikwerf gebruikt i barang apalak kiranja.
—  ïn vragende zinnen, bij onzekerheid,
tak, kak, garangan, b.v. wat is er —
in dien koll\'er, apatak (of apakah) dalam
pèli itoe;
wiens kind is dit —, analf
siapa garanyan ini;
wat zou er —- in
wezen, tntak apa garangan isitija.
wel, sëmadja. .. . djoega; b.v. tiada
uesak angkau katakan, sëmadja dikëla-
hoeï orang djoega,
jo behoeft dat niet
te zeggen, men weet het — wel. —
niet, — wel niet, hoe zou, \'t mocht
wat, masa, masakan, b.v. ik zal — niet
tijdverdrijf, pilenga.
tü\'lverlies, kilang tcëktoe.
tüiïl\'r» 1\'imau, hartman, ma/jan, Jav. Soor- ;
ten zijn: karimau toenggal, de konings-
trjuor; h. kombang. k. akar, h. dahan.
lüycrin, harimau bctina, ut al jan p\'eram-
porican.
tUgerlUhti koetjing hoetan.
tüuvrvel. £<Wi\' harimau, k. ntatjmn.
tü"<» bedde-, kaïn kasoer.
tik, këtofr, fjolit enz. dit hangt van het
tikken af; zie het volgende woord.
tikken, kloppen, b.v. op de deur enz.
mengëtok, mënëpoek (van tépoefc). —,
even met den vinger aanraken, min-
ijolit, mengyamil.
— van een klok of ;
horloge, gète/ak. —, kloppen op iets \'
hards, b.v. op een stuk geld om te
hamen of het goed is, méninting (van ;
tinting). —, kloppen op iets, zooals ;
b.v. de bek van pikkende vogels, de \'
hnan vnn een geweer, de hamer van
een klok, inèntjatoek\'; gedurig op de
vingers —, koeti-koeli; eventjes zacht
— of namaken met de punt van iets,
m\'tntjëtjah.
i iktnkken, e. s. v. spel met boonen,
l/ermaïn ijoeki.
lilbmvr, dapal di-anykat, dapat dibawa ;
niet —, tiada teranykat, tiada tërbawa.
tillmry, bendi.
tillen, trien gang kat; zie optillen.
timmeren, m\'enoi\'kany (van ioekany).
timmerloodw, bauysal pèrbahanan.
timmerman, toekang kajoe; in poë/ie
ook sèrimala. —, tevens houthakker,
oei as.
timmermansbaas, kapala toekan g
kajoe.
UminermnnHaereedHchap, përka-
kas toekang kajoe.
timineriuüiiitknecht, kaïcan toekang
kajoe.
tïminermanswerk, p\'tkèrdjaan toe-
kang kajoe.
timmermans werkplaats, bangsal I
pèrbahanan, letterl. spnanderloods.
tin, timah, timah poet ik ; een schuitje—,
sabata timah.
tinnder, up lianka, kolong. — dicht j
nan de oppervlakte, koelit kolong.
t inbedding, karang timah.
tinerts, bidjih timah, tanak timah.
tinmün, op Hanka, kolong; op Malaka
loemboeng timak; arbeider in een —, [
anak. loemboeng.
-ocr page 732-
720                                               tocht — toegang.
roegi; een steek —, minikam (van ti-
kam);
den beker ■—, mënjoelang, mëla-
rih;
elkander den beker —, bërsoelang-
soelangan, bërlarih-ltirihan.
toedeelen, mëmbëhagikan, mëngoentoelk.
kan.
toedekken, mënoetoepi {van toetoep),
menoedoenyi
(van toedoeng) , geheel —
met eene stof, imnyëloebuengi (van ke-
loeboeng.
— met een doek of mantel,
mënjëlt moet kan (van sêlimoet); van alle
zijden toegedekt, litoep, liutoep.
toedichten, meenen aangaande, tang-
kakan, kirakan.
toedienen, bedienen, zie ald.
toedoen, dichtdoen, /nénoefoep (van
toetoep), mëngatoepkan (van katuep); met
een grendel, mënyaii/jingkan (van kan-
tjiny);
met een slot, mengoentjikan (van
koentji). —, medewerken, belpen, we-
noeloeng (van toflvny); het doet er niet
toe, tiada mëngapa.
toedoen, hulp. bijstand, përtoeloenyan,
përbantoewan;
door — van, ter oorzake
vnn, daripada sébab, olïh sthab; zie
middel.
toedracht, përi hal, kalakoean.
toedragen, aandrngen, mëmbawa; ach-
ting —, mënyhormati; haat —, mem-
bëiiiji, mënaroh dëndam
(van tarok), m.
bëntji;
liefde —, genegenheid —, mfa
ngasihi, mënandi- kasih akan;
zich —,
gebeuren, përistetca; hoe heeft zich dat
tocgedrngen, bayaimana përislewanja.
toedrinken, mëlarih, mëiiganygap, b.v.
maka patik dan toemënggoeng mëlarih
pada Laksamava,
de put tb en de tue-
mSoggoeng dronken L. toe; maka piaia
itoe di-anyyapkannja kapada dajany-
dajang ifoe,
en met dien beker dronk
hij de hofjulfcrs toe.
toedrnkken, de oogen van een ster-
vende, mëmba\'iki malt, fig.
toeëigenen, mënyambil akan dirinja,
ook mhiyëmpoenjdi.
toeëlgcning, pëngèmpoenjadn.
tocüuinteren, mëmbisiki.
toesnnn, vnnzelf —, b.v. van eene deur,
tërtoetoep. —, voorvallen, gebeuren,
djadi, bërlakoe; kalakoean, b.v. zoo
gaat het in de wereld toe, dèmikianlah
kalakoean doenia int.
toegang, masoek; bolih masoefr; zich
met geweld den — verschaffen, ma-
soek mëlangjar kadalam
,• ik heb den
— tot allo huizen der aanzienlijken,
weggaan, masa hamba peryi ; het geld
zal — wel niet ontbreken, masakan
koeratiy oeicang.
—.zekerlijk, werkelijk,
soenggoeh, b.v. het is — zoo, soeiig-
goeh bayitoe,
tocht, gang, përgi, pëmègia».
tochtgenoot, kaïcan (of tëman) didja-
lan, kaïcan bërdjalan.
tod, todde, pèrfja, kaïn toeica ; todden,
kaïn-kdinan toeica.
toe, aan, tot, .sampai, b.v. tot hier —,
sampai disini. —, om, voor, akan;
waar —, alan apa. —, naar, ka,- naar
die plaats — gaan, pêrgi kalémpat
itof.
—, dicht, iërtoetoep, terkatoep;
ook van den mond, een e scheur of
wond. —doen, —maken, niënoetorp,
müngatoepkan.
—, gesloten met een
grendel, tërkanljing. —, gesloten met
een slot, tërkoenlji.
toendemen, uténapasi (van nafas, Ar.).
toehedeelen, mëmbëhagi kapada, mëny-
oenioekkan
(van oentoek), b.v. en stel
u tevreden met hetgeen u toebedeeld
is, s\'érta mëmadaï dënyan jany fëlah di-
oentoekkan padamoe.
toehehooren, het eigendom zijn, djadi
mi/ik, poetija, ëmpoenja.
—, gereed-
schap, p\'èrkakas; dat wat er bij behoort,
kalavgkapan, b.v. een paleis met —,
astana detiyti» kalanykupan; dit behoort
mij toe, inilah akoc poenja.
toebereiden, menjadiakan (van sadia),
toehereider, orang jang menjadiakan.
toehereiding, phijadiaan,
toehereidsel, kasadiaan.
loi\'brscli i ], Ut n = toehedeelen.
toebelrouwen, mëmpërtarohkan, meny\'
amanatkan
(vnn amanat, Ar.), mënj\'éruA-
kan
(vnn sëra/i).
toehidden, mëmintakan dva (van pin/a),
mëiuoehoenkan.
toebinden, vastbinden, knevelen, mi-
ngëbat
(van këbaf). —, van eene flesch,
een glas of pot met een blaas, papier,
doek of leder, mënyyëtanyi.
toehhiflen, mënjalak kapada (van salak).
toeblnzen, mënyhëmboes kapada.
toel>Hjven, tinggal tertoetoep, f. fèr-
kafoep, t, tèrkaufjtng, i. tërkoenlji;
zie toe.
toehliklien, mëmandang kapada (van
patidung); elkander —, blikken toe-
werpen, bèrmaïn mafa.
toebrengen, veroorzaken, zie ald.;
schade —, i/iëroegikan, mengadakan \'
-ocr page 733-
721
toegankelijk — toeloopen.
ratalah segala roemah orang besar-besar I
sehaja na\'iki; tcckon dat de — ver-
boden is, meestal eca gespannen touw
met bladeren, gatcar-gatcar.
toegnnkeiyk, tot wien tnea naderen
kan, dapat dihampiri, bolih d.
toegetlnnn, tuegencgcn, zio ald.
toegeeliyk, fabar, Ar.
topycnc»<-ii: iemand — z\\\\a,kas\'th akan.
toegenegenheid, kasih, pèngatihan,
moehabbat.
— aan den dag leggen,
mengasih.
toegeven, mm fabar kan; in ieir.ands
lusten of 1 mm e 11 —, memberi hati.
boven de maat, mengimbuh.
toegevend, fabar. Ar.
toegift, boven de maat, getal of gewicht,
imbuk.
toeeooien, naar iemand gooien, metoc- ;
tarkan kapada, zie gooien. —, dicht-
werpen, dempen, zie ald.
toegrendelen, inëngantjingkan (van \'
kantjing)
toelmleu, van cene schuif aan zak of
beurs, meutjïroet\'; toegehaald, tjeroet ,-
naar zich —, inet cen of belde handen,
b.v. geld, mengabir (van kabir).
toehoorder, orang jong men\'eagar, pen- \'.
dengar.
toehooren, menengarkan, méndéngarkan.
toejuichen ; iemand —, menjoeraki (van
soerak).
toekeeren; hel gelaat—tmemalingkan
mocka k.ipada, mhnatis kapada{\\*.\\l palii);
met do voorzijde naar iets toegekeerd,
nïëiighadap, b.v. meaghadap matahari
mati,
naar de ondergaande zon toege-
keerd; m\'éugliadap timpat sirik, naar
de beteldoos toegekeerd.
toekijken, w\'elihatkan.
toekomen; — met, genoeg doen zijn,
mintjoekoepkan dengan, memada\'i akan
(van pada), b.v. litapi ka/a soe/fdn tia-
dalah mtmaddi akan pëndapatanvja itoe,
inoar de sultlmn zcide dal hij met het-
gene hij kreeg niet kon —. —, komen
tot, sampai; doen —, b v. een brief of lust,
m\'enjampaikan, mewdfilkan (van viifil.
At.);
wat iemand toekomt, jang patoet
kapadanja,
ook Jcedart b.v. wie geen kin-
deren heeft, weet niet wat een kind toe-
komt, barang-ziapa tiada beranak, maka
tiadatah lahoekan k\'edar kanak-kanafc
itoe
; iemand de eer geven, die hem toe-
komt, mtmbèri oepama, méitgoepamai,
mengoepamakan.
—, tocbehooren, zio ald.
toekomend, aanstaand, jang lagi da\'
lang, jang akan datang,jang datang ini-
—, zeer in het onbepaalde, later, ■ { ■"
mah j den een of anderen — en 1 ijd
esoejf-loesa, esoek~etoek; de —e week,
djoemilaljang datang ini; de — e wereld,
achcrat, Ar.
toekomat, tijd die komen mud, !.:■ mot.
dian hari, rsoek-esoek.
tot-kruipen, kruipend aankomen, ber-
datang m\'elata.
toekunnen, gesloten kunnen worden,
dapat ditoeturp, dapat dikoentji, zie
sluiten. —, met iets toe kunnen
kotten, zie toekomen,
toekurken, metijoembat (van toembat),
tuelung, bijvoeging, tambahan.
toehiten, memberi, mêloeloeskan, mem-
biarkati.
—, vergunning geven, memberi,
memberi idzin;
ik ging voor zoover
mijne beenen bet toelieten, akoe b\'er-
djalan dengan sapembèri kakikoe;
oog-
luikend —, berbatik wata.
toeleg, tïhadja; met—, dengan sehadja.
—, voornemen, plan, nijat, Ar.
toeleggen; hel op iots of iemand —,
mênjéhadjakan; met list, makar, Ar.;
ik leg het er op toe om hem te dooden,
akoe sehadjakan memboenoeh dia; het
op iemand — , ook mïmboewat, bv. ada
orang kita dïsiui dïboeieatvja, t\'étapi
tiada dapat,
er zijn er van ons volk
hier, waarop zij het—, maar het gelukt
hun niet; s\'èbab perompak itoe memboe-
tcal orang Vahang djoega,
wnut de zee-
roover» leggen het ook op de Paban-
gors toe. — op iets, vermeerderen,
niënambahkan (vun tarnbah); zich op
iets —, m\'èngoesahakan dirinja (van
oesaha, Skr. moeite, inspanning).
toelichten, ménjatakan, mënêrangkan
(van ttrang).
toelonken; elkander in het geheim—,
m\'ér\'étjak-rï\'ljak\'; zie ook lonken,
toeloop, van eene menigte, keroemoen.
— van het voor- en achterschip boven
do kiel, gaïng.
toeloopen. van ecno menigte, datang
berkèroemoen;
spits, scherp —,loentjip;
zooals een pyramido, de boeg van een
vaartuig, cen wig, lonljos; aan een
kant schuin —, en aan den anderen
kant reeht, b.v. van messen, plnnken
en andere platte voorwerpen, rentjong.
—, hard komen aanloopen, datang het\'
lari-lari.
-ocr page 734-
722                                    toeluiken — toeschouwen.
I toenmalig, jang pada mata itoe.
toenoemen, mëmbéri gëlar, mënggëlar.
toepassen; op zich—, mëugambil insdf
bagai diritija.
Zie aantrekken; op
iets —, mëngënakan (van këna).
toepassing, de moraal van een toe-
spreuk, preek, enz., nasihat, Ar.; van
— zijn, van kracht zijn, lakoe; van —
zijn, b.v. van wetten, ook kids, b.v.
demikianlak >[*i(M a/as nëgari dan anair
soengai;
iets, b.v. wetten of taalkundige
vormen toepassen op, mëngkiaskan; op
zich toepassen, zie aantrehhen.
toer; een —tje rond, bttii, b.v. hij reed
er twee of drie —tjes mee rond, diba-
tcanja berdjalan doeica liga bëlit.

rondom iets gaand, idaran, poesingan.
toereiken, aangeven, mëngoendjoek;
van den beker, menjoe/ang ; elkander
den beker —, bërsoe/ang-soe/angan; over
en weer, soe/ang-mënjoe/ang,
toereikeml, genoegzaam, fjoekoep, sam-
pai, pada.
| toerekenen, ihfifdbkan.
toerekening* iklisab, Ar.
toeren, een toertje met een rijtuig doen,
bërdjafan-djalan dëngan kareta.
toeroepen; iemand —, mënjëroe, nteroe-
wak;
de afstund, wnarop uien iemand
nog -— kan, saroewahan ; waarom roept
ge mij midden op den weg toe, apa
sëbabnja ëngkau mënjëroe akoe ditengak
djalan.
— van iemand, ook mënjoewarai
(van soewara), mënjoerakï (van soerak};
schreeuwend of birlend —, mëlaoeng.
toerusten, van zaken, më/angkapi, mè-
langkapkan;
van personen, mënjiapkan
(van siap); zich —, bérsiap dirinja.
toeschieten, snel op iemand toegaan,
vtënërpa (van tërpa); snel op iets of
iemand afgaan, ook mëngoesir; snel op
iets —, van een vogel en den bliksem,
m\'énjambar (van sambar) \\ op iemand—,
hem bespringen, van honden, voorvech-
ters enz., mëloeroe. — van do melk in
do borsten, iërpanfjoer-pantjoi\'r. — met
een schietgeweer, zie schieten.
; toeschijnen, roepanja; hot schijnt mij
toe, dat die weg zeer ver is, djalan
int djuoek sakali roepanja;
het schijnt
mij toe, ook i pada sangkakoe, agafc-
agalf sëkaja.
toeschikken, toezenden, zie nld.
toeschouwen, bij een tooneelvcrtoo-
ning of endere openbare vermakelijk-
1 heid, mhtonlon (van tonton).
toeluiken, van du oogen, mëngatoepkan
mata
(van kaloep), mëngëdjamkan mata
(van këdjam).
tocluisteren, mëndëngarkan,
toeintiiit, tutbokt
toemnlten, sluiten, dichtraaken, zie ald.
—, gereed mak en, mënjadiakan (van
sadia).
toemeten, voor iemand melen met de
lengtemaat, mëugoekoerkan; met de in-
houd-maat, mënjorkatkan (van soekaf),
mënakarkan
(vnn /akar).
toemet^elen, mëngikat dëngan batoe,
b.T. dilika/nja soealoe pintoe pada soea~
toe èilik di-ikat orang dëngan baioe,
hij
zag eene deur nan eene kamer, die men
met steenen dichtgemetseld had; maka
kamt toeroek ikat pintoe roetnah Hoe
dëngan batoe dan kapoer,
zoo hebben
wij bevolen de deur van het huis met
steen en kalk toe te metselen.
toemuren = het vorige woord.
toen, koetika Hoe, pada tnasa ifoe, tat-
kala, tatkala ifoe, apab\'tfa, apakala.
—,
\\ervolgens, laloe, kemuedtan, zie ald.—,
zoudra, sërta, demi. — noz, salagi
b.v. — ik nog klerk was, salagi akoe
djoeme-toelis.
—, als stopwoord in ver-
halenden stijl, en —, Maka.
toenaam, gë/ar, nama gèhtr.
toennderen = naderen.
lurnailrrim;: — plaats hebben van
twee vijandige rijken, bërkampiran.
tocnaselen, mëngika/ dëngan pakoe.
toenemen, vermeerderen, ber/ambah\'
fambak;
in grootte —, bër/ambah-lam\'
bah besar;
in lengte —, bër/ambah-tam-
bak pandjang;
ook makin besar, makin
pandjang, sëmangkin bësar, sëmangkin
pandjang;
steeds — van schulden, ook
tig. akar mëlata, h v. vele zijner schulden
namen steeds toe, koetangnja banjalr
akar ntëla/a,
—, van het vuur bij een
brand, ntarak, mëlarat, mëroewak, b.v.
siibab apinja marafr bet/ar, omdat het
vuur duchtig toenam (lettert, opvlamde).
—, zie uitbreiden| van vermogen,
ook roewak; zijn rijkdom nam hoo lnn-
ger zoo meer toe, kakajaömtja sëmakin
bertambak-iainbak poe/a banjahtja;
zijue
ondeugden nnmen hand over hand toe,
terlampau bcriebik-lébikan djakatnja ;
met den dag —, makin hari makin
bidambah,
b.v, met den dag nam hij
in grootte toe, makin hari, makin ber-
tambak bësarnja.
-ocr page 735-
-,2\\\\
toeschouwer — toets.
van hamba en thtgkoe, mënyhamba-
t\'énykoi\'kan
.
toestaan, toestemmen, vergunnen enz.
zie ald.
toestand, gesteldheid, peri, peri kaii-
daan, htil kaadaan;
de — der zaak,
peri hal, hal përkara; wat zal er van
dezen mensch zijn — worden, boe/a-
panja djoega akan hal orang ini f.
toesteken; de banden —om gebonden
te worden, mënjorongkan tangan (van
sarong). —, met een scherp werktuig
of wapen, zie steken.
toestel, gereedsebap, perkakas, alat.
toestemmen, goedkeuren, membénar-
kim, mënykaboelkan
(van kaboelt Ar.),
mënërima (van lërima). —, in de voor-
waarden van overeenkomst, kaboel akan
e-o/.
—, vergunning verlecnen, m\'eloe-
loeskan, mëmbëri idzin,
ook ëmbahkan.
—, ja op iets zeggen, mïnyijakan (van
tja); waarlijk het is zoo op iets zeggen,
mënjoftiggofhkan (van soenyyoeh).
toestemming, goedkeuring, kaboel, Ar.
—, vergunning, idzin, Ar.
toestoppen, een gnt met ecu stop,
mënjoembat (van soembal). —, volstop-
pen, menoempat (van loempnt). Zie
«toppen.
toCHtralen, bërsinarkan.
toi\'-t rijWi-n .- met de beide handen naar
zich —, b.v. van geld. méraoep.
toestroomen, met zijn velen ergens op
—-, zooals mieren op suiker, menseben
op een schouwspel, bërkaroemoen. Zie
stroomen.
toesturen, van zaken met den persoon
tot dir. obj. méuyirimi. ■— van personen,
mënjoeroehkan (van soeroeh).
toetakelen, een schip van takclagc
voorzien, mëlanykapkan kapal. —, op-
schikken, versieren, mènghtas\'t. —, af-
ransclen, unnghantam, meuyyasal\'.
toeten, toeteren, op een huorn, mhiioep
tandoek;
op een horenschelp, mënioep
kilah
(van Hoep).
toethoorn, tandoek jaug ditioep. —,
e. s. v. hoornsclielp, kilah,
toetreden, anderen, datatig hampir,
datany dekat ;
snel op iets of iemand
—, mènèrpa (van l\'erpa), mëngoesir. —,
naar voren treden, zie bij voren. — ,
deelnemen, masoek.
toetreding, deelneming, masoei.
toets, beproeving van metalen, oedji;
den — kunnen doorstaan, tahan oedji;
toi\'si\'iK.uwiT, bij een tooneelvertoo-
ning enz., orang pénonton.
toeschreeuwen, mëujèroekan (van #•*
roe), mënjoeraki (van soerak), mëroetcah,
tocsrhrocven, mtnoefoep dêngan si kt\'
roep
(van toetoep).
toeschuiven, iels aan iemand, menjo\'
rongkan
(van sorong), b.v. taperli orang
mëngantoek disornngkan bantal,
nis een
slaperige, dien een kussen toegeschoven
wordt, Sprw. —, dichtschuiven van
gordijnen, mèlaboehkan firai, letterl. de
gordijnen laten vallen of /ukken.
toenemen, wet een ltchtsein, b\'èrtoe-
warkttii.
toestaan, niet cm slng sluiten, zie ald.
—, een bod aannemen, mêngidjabkan
(van idjab. Ar.).
\'\'"\'-luiirn, zie Kluiten.
lüi\'Niiuiiwi\'ii, mëi/ingkiny (van tèngking),
wënjërëgah
(van streyah). Zie snau-
won.
toesnellen, berlari-lari datang.
toesnoeren; den mond —, nthigatocp-
katt moeloet
(van katoep)x
toespelen, zinspelen, zie ald.
toespeling, zinspeling, zie nld.
toespükcrcn, menneloep dëngan pakoe.
toespü"*. bij de rijst, laoek; allerlei—,
laoek-paoek; voor — gebruiken, tot —
hebben, berlaoeïkan. ■— bij thee of
andere dranken, tambo-d; alle natte —
bij de rijst, dus ook de ken-ie, goelai;
die — bereiden, mënggoetai; de ingre-
dientcn daarvoor, yoelat-yoelajan; rauwe
—   bij de rijst, b.v. sesneden komkoin-
ïncrs, salade enz. hoelam; rijst met
zulke •—, nasi hoelam; tot zulke —
hebben, hërhoelamkan; c. s. v. —, die
sterk met Spaansche peper gekruid is,
samba?. Hiervan bestaat een groot aan»
tal soorten; allerlei van die —, aam-
bal-sambal.
toeNpvjMou.lt of sauibulbuk met een
stel driehoekige schoteltjes, mboen, Mén.
aboewan.
toespraak, beleefde, bclftsgstcl lende
—   ann een gast, tëgor-sapa.
toespreken, vriendelijk, belangstellend
—, mën\'ègor, tëgor-sapa, b.v. maka sig\'era
disapa olih Indra Poelra,
en dadelijk
werd zij door I. P. beleefd toegesproken ;
iemand een woordje ■—, mënyaroekatt
(vun karoe). — met het gebruik van
akoe en éngkait, lutoyeeren, bërakoe-
lërëngkau;
iemand — met het gebruik
-ocr page 736-
724                                               toetsen — toga,
bernaoeny kapada; ik neem mijne —
tot God voor den gesleeoigden satan,
üoedzoe bi\'llahi min assjaifani\'trahimi.
toevluchtsoord, tempat perlindoengan,
tetcaka
(Skr.); een — hebben of zoeken,
bèrst-waka. —, vestiog waarin men zich
terugtrekt, kola lari-tarian,
toevoegen, bijvoegen, m\'enambahkan,
menambahi
(van laabah). —, als hulp
geven, ten dienste stellen, membantve
d\'enyan. -•
van mest bij een groeiende
plant, rmnjoeictipi (van soetcap) 1\'ad.
bov. 1. — aan een contract of testn-
ment, zie aanhechten.
toevoegsel, iumbahan, bantoean; zie
het vorige woord.
toevoer, pembawaan.
toevoeren, membawa.
toevoor/ieht, zorg, pémeliharaan,
toevouwen, metipot,
toewaaien, door den wind tocgewaaid,
aangevoerd, dibaica olihangin; door den
wind dichtgewaaid, van eene deur enz.,
tèrloetoep vlift at/gin.
toewenlieii, zie wenken.
toewenseh\'en, zie wenschen.
toewerpen, me/oef ar kapada, me Ir- in par
kapada.
toewijden, mentahbiskan.
: toe wuiven, melambai-lambat.
toezej*elen, m\'enuetoep d\'engan mélerai.
toezejjijeii, b\'erdjandji.
toezei;i;iiiiï, djandji.
toezenden, iemand iets —, mhtgirimi
(van kirii/t), b.v. i/ntka kifa dikirimi
soebany,
en dus worden ons oorknoppen
toegezonden; iets — aan, menyirim
kapada.
toezicht, perentah, pentêriksaan; onder
—   staan, dibaicah perentah, didalam
pemeriksaiin.
— houden op iets, me/t-
hati, m\'eiighadapi;
een oog in het zeil
houden, mtmboeumig-hoewang mata,mem-
bert tnafa.
— als baas, meester bij een
werk, pëndjoeroean ; als zoodanig het
—   houden op, mendjoeroekan.
toezien, het toezicht houden, zie het
vorige woord.
toeziener, toeschouwer, opzichter, zie
ald.
tüe/i.in, gesloten zijn, terkaentji, th\'kan-
tjiny. —, dicht zijn, tértoetoep, terka-
toep; ergens naar —, pérgi ka.
toezwaaien, lof —, mémoedji (van
poedji).
to«u, djoebbah, Ar.
alle toetsen kunnen doorstaan, menahan
oedji dan bakar.
toetsen, mengoedji; ook Dg.
toetser, pengoedji.
toetsing, pengt.-edjian.
toetssteen, batoe oedji. —, gebezigd bij
het wisselen van geld, batoepengoeroep.
toetuijren, optuigen, zie ald.
toe,val, onverwachte ontmoeting, pertë-
moean.
—, toevallig tusschen beide
komende omstandigheid, ïlrcult. Ar. zio
ook < ii i • -,i ■ \\ :i l; bij —, zie onver-
wui-liiN. —, overval, stuip, sa wan;
waarbij geen schuim op den mond
komt, pitam.— ia heviger graad, pitam
babi.
—len hebben, yila babi.
toevallen, van zelf dichtvallen, t\'ertoe-
torp sendiri.
—, krijgen, erlangen, béro-
li/t, beroentuelf.
—, meevallen, meer dan
verwacht weid, lèbih dari jatiy di-
langka, l. d. j. diharap.
—, zich voegen
bij, toeroet ; den vijand —, de partij
van den vijand kiezen, m\'embetoet.
toevallig», onverwachts, tiba-üba, sa-
koenjoeny-koenjueny, iiada disavyka.
—,
juist van pas, ler goeder uie, kabitoe-
lan.
Om in het algemeen bet —e eener
handeling uit te drukken heeft men
bepaalde vormen van het Wcikw. Zie
de Grammatica bij de aecid. vrm.
toeven, wachten, zie ald. —, lang weg-
blij vcii, tambal datanynja. — , zich
ergens ophouden, zie ald.
toevcrlnat, perlindotngan, pernaoengan.
toevertrouwen, iemand of iets als j
pand aan iemand —,b<p\'etarohkan,b.v.
lat\'elah soedah baginda bepetarohkan
anakda itue,
nadat de Vorst zijne dochter
als een pand bad toevertrouwd nan;
zich geheel aan iemand —, bertaruhkan
diri;
niet als pand, maar bloot aan de
zorg van een ander —, m\'enarohkan,
b.v. maka Indra 1\'w\'ira pon mênaroh-
kan nenefy ktbujan Hoe kapada pérdana
wtanïeri,
en J. 1\'. vertrouwde hot oude
bestje ter verzorging toe aan den eersten
minister. —, overleveren, wenjêra/t kan
(van sera//}; eene zaak aan een ander
—, maar toch ziju eigen wil hebben,
bèrsera/t berkah\'endajf hati.
toevloed, overvloed, kalempahan.
toevloeien, in overvloed komen, daiang
btrkalfnipahan;
van eene menigte per-
sonen, datany berk\'êroemoen.
toevlucht, palindufvg tt, pernaoenganl;
zijn — nemen tot, bérlindoeny kapada ,-
-ocr page 737-
toiletartikelen — toonstuk.                                    725
longnder, oerat lidah.
tongbeen, toelang lidah.
tongelooH, tiada birlidah.
tongetje, Udah kUjil.
tongkliertji»», kelendjar lidah.
tongletter, lisdnijat, Ar. van Hsdn,
tong.
tongriem, tali lidah.
, tonijn, ikan loemba\'loemba.
tonneboei, pilampoeng.
tonnengeld, mar. roeba-roeba,
tonnetje, cocon van een zijdeworm,
indoeik soetera.
tooi, pirhiasan, dandan.
tooien, mënghiasi, mindandani; zich—,
b\'érhias, bërdandan, mindandan dirinja.
toom, kidali, kéndati, tali kang; zijne
tong in — houden, memëliharakan
lidahnja (van pUihara); zijne driften in
—   houden, mi.-iahani hawa nafsoenja
(van tahan).
toomelooM, tiada birk\'ékang.
toornen, mingënakan kang (van kena).
toon, zie teen.
toon, klank, boenji; aangenomen — bij
bet lezen, reciteeron, houden van eene
redevoering of zingen, gaja; den hoog-
sten —, of boven— voeren, tjandal.
toon, het toonen, pirloendjoekan; ten
—  zetten of stellen, laten zien, mem-
perlihatkan;
iemand ten — stellen,
mlmb\'èri maloe, mëmpirmaloekan, mem-
beri aib.
i toonbenld, ioeladan.
\\ tooneel, de plaats waar de vertooning
geschiedt, bestaande uit een groote stel-
ling op palen, panggoettg wajang; zio
comedie; op het — laten vorsehij-
nen, mëicajangkan, b.v. de goden op
het — laten verschijnen, miwajangkan
dewa-dewa.
! tooneelstuk, wajangan.
I tooneelvertooning, wajang; eene —
geven, birmain wajang. Zie comedie.
tooncn, wijzen, mënoendjoek (»an toen-
djoek).
—, laten zien, mimpèrlthatkan.
—, doen zien, laten blijken, menam-
pa^\'kan
(van tampak\') b.v. menampakkan
goesarnja,
zich boos —; zijn moed—,
mhioendjoe^kan beraninja, m. laki-la-
kinja.
i tooner, phioendjoeik, ora-ng jong mënoei:-
djoeJf\',
toonloos, maft, tiada boenjinja, tiada
birboenji.
toonstuk, zangwijs, lagoe.
toiletartikelen, allerlei —, dadah;
bak, schotel uf kistje daarvoor, pidadah.
tokkelen, met do vingers, van snnar-
instruincntcn, menggamit, mhnetik\' (van
p\'élik).
tol, in- en uitgaand recht, beja, tjoekai.
—   hellen, mintjoekai, memoengoet beja
(van puengoet), mingënakan beja (van
khia); den — der natuur betalen, zie
sterven.
tol, het speeltuig, gasing, gangshig.
tolbuan, tolbeambte, tolgaarder, pïmoe-
ngoet bega.
tolgeld, oeicang beja, oewang tjoekai.
tolhuis, roemah tjoekai; op Java pibe-
jan.
tolk, djoeroe-behasa.
tolkantoor, timpat mengambil tjoekai.
tolkoord, tali gasing, tali alit.
tollen, mam gasing; aan het — zijn,
birmain gasing.
tollennar, zie tolbaas.
tolpachter, paf: beja.
tolplichtig, kina beja.
tolttchrüvor, dj oer oe-toelis di pibejan.
toltnrief", daftar beja.
tolvrü» Upas beja.
tombe, zie bij graf.
ton, vat, tong, tahang. —, drijfton, p\'é-
lampoeng.
tonder, tondel, rabocfc, eigen), e. s. v.
zwam, afkomstig van den énaupalm.
tonderdoos, timpat raboek.
tony:, het lichaamsdeel, lidah; ook van
andere zaken; de - — uitsteken, min-
djoeloerkan lidah;
ook mindjelirkan
lidah;
de — tegen iemand uitsteken
en zoo onverstaanbare woorden voott-
brengen, om hem te hoonen, mingele-
toetkan lidah
(van kileloet); ergens de
—   insteken, ongerocpen zich in een
gesprek mengen, minjampok (van sam-
pol\');
een gespleten —, zooals van een
leguaan, lidah bërtoi-jmng. —, van een
balans, anaJf lidah timbangan; de —
in toom houden, mimiliharakan Udah
(van pilihara); een gladde —, lidah
pimboedjoek;
een beslagen —, lidah
bértahi;
op de — liggen, b.v. om to
vragen, gavggoe hendafc bërlanja; eene
welbespraakte —, lidah fasih; een
kwaadsprekende —, lidah pengoempat;
de tongen raakten los, sigala lidah
tiada bërloelang lagi, terlaloe ramai
sigala moeloet.
tong, zekere platviscb, ikan lidah.
-ocr page 738-
725                                                  toorn — tor.
toorn, marah, amarah, g\'eram, moerka,
Ski\'. Dit laatste van den VoislenGod.
— , woede, panas had; ziedende —,
pau as bara. — verwekken, membang-
kif kan amarah, m. tnoerka.
— vertoonde
zich op zijn gelaat, marahnja tampil
kapatia moekanja.
toornen, gaesar, marah, moerka.
toornig, = het voorgaande woord. —
worden, djadi marah, djadi moerka,
mengtjëram.
—, vertoornd, opvliegend,
berang ; spoedig — zijn, toe ka marah.
—  maken, memarahkan, m\'emarahi, me-
mowka\'i.
toornij»heitl, kamarahan.
toorts, fakkel, van hars en bladen,
damar, pedamaran. —, niet van har»,
maar van vetten gemaakt, toeloeh. —,
brnndlukkcl van droge palmbladen,
aitt/utig.
toosten, met do glazen tegen elkander
KtOOtu om te drinken, berlaga.
toovennnr, oning huhatan, orang siihir,
Ar.; e. s. v. — onder do zwervende
stammen van het schiereiland Malakka,
pojatig.
tooverlioeli. mant\'èra, poestaka.
toovereirltel| de — van Laksnmnnn,
den half broeder van Itnuin, dien
niemand kon overschrijden, gorit Lajr-
samana.
toovertlrnnlc, naga goena.
toovppdrnnk, obat goena.
tooveren, memakai goena; terug —, !
membalas goena.
tooverformiilier^rttfMftrrt, Ski\', djampi,
poestaka,
Skr. ook pésoena (van afsoen,
1\'crz.); vervloekend —, oui booze in-
vloeden krachteloos te maken, sèrapa/i;
een — uitspreken, mtmbafja manlèra,
memhafja poestaka, mendjampi.
toover;»o<lin, fee, p\'eri, feri, Perz.
tooverliehn, tig. van eene vrouw, die ;
de mannen weet te betooveren,/voi-j£fl£a;
eigenl. e. s. v. boschgeest.
tooverü, Ittibafau, roefcijah, A r. sahh\', A r. ;
—, hekserij, tambol. — om zinnelijke
liefde hij iemand op te wekken, goena
pëngasih;
e. «. v. —, waardoor iemand,
die wegireloopen is, gedwongen wordt
vnnzelf terug te kieren tin/..,poetar batik;
een geschrift, daarvoor gebruikt, azimut
poefar-bafifr.
tooverkrnebt, goena. —, oovcnnntutir-
lijk vermogen, kasaktia>i, hikmat, A r.
tooverhunnt, ïlnwe sihir, pénamboel, \'
ëlmoe pésoena. —, waardoor iemand
als ware het op de plaats vastgespcld
wordt, zonder zich te kunnen verroeren,
sémal. /ie het volgende woord.
toovermid<lel, goena, obat goena, huba-
tan.
—, wnardoor blagen of stooten,
die men doet, snel en sleik worden,
pènd\'eras; om iemand blind te maken,
doorgaans, door berooking,//è/tfiocH.—,
om het ombrengen van iemand te
beletten, tangga boenoeh.—, om onheil
af te weren, penangkal. —, om iemand
tot zwijgen te brengen, boengkam; dat
—    toepassen, m\'emboengkam. —, om
een huwelijk tegen te gaan, to dwars-
boomtn, pilalau. —en aanwenden, m\'è-
masangkan goena;
door —en iets een
bovennatuurlijke kracht doen verkiij-
gen, mhnoedja (van poedja, Skr.). —,
e. s. v. talisman, zijnde cen geteckende
druak, die vrouwen bij zich draicen,
om mannen te betooveren en zich van
hunne liefde te verzekeren, s\'ekoewik:
Zie bnmboo,
toovfrpalt\'is, maligai hikmat.
toovernpreuk, pésoena (van af toen,
1\'erz.), man/era, Skr. poestaka, Skr. een
—   opzetïgen of uitspreken, membatja
mant\'èra, membatja poestaka.
tooverwapen, sendjata bétoewah; b.v.
een toovoikris, keris bètoetcah.
top, poet jak. poen/jak, m\'ertjoe, b.v.
yoenoeng toedjoeh rntrfjoenja, een berg
met zeven —pen; kemoenfjak; in
een — uitloopen, m\'emoentjak\'; wat
een — vormt, pemoenijal\'. —van cene
mast, kemoentjafc tiang, de knop boven
op de n.a-i, boewak berembaug, omdat
zij op die vrucht gelijkt. — van eeno
mast, gedeelte tusschen dek en spoor,
poros. — van cen vinger, hoedjoeug
djari;
van — tot teen, dari tetapakan
kaki ttampaï di batoe kapaia.
top, Tussch. w. buik/ah.\'
topaas, man\'kaui koen>tig,por.tpa-ragant,
reina tjempaka;
chrysolict,zabardjad. Ar.
toppen ; getopt, van hoornen, tjampoeng;
planten —, topsuoeien, knotten, uit-
noetoeh
(van toetoeh).
toppenant, mar. tjangkimj.
toppunt = top.
topzeil, lajar pengapoeh, lajar Hang
pengapoeh, lajar gawai,
toiwwaar, hoejoeng, oling,
tor; voor torren in het algemeen nis
diersoort, kombang, b.v. pergi mtntjari
-ocr page 739-
toren — touw.                                                727
segala hoelat-hoelat dan bilalang dan
djenis-dje.tiis koepoe-koepoe dan kom-
bang,
om Ie gaan zoeken allerlei wor-
iiumi en spi inkhnnen en allerlei soorten
van vlinders en torren. —, die zich
bij voorkeur op de bladeren ophoudt,
kom bang daoen; e. s. v. stinktor, die
het rijst ge was bederft, pianggang, =
walang sangil,
Jnv.; e. s. v. gele —,
kom bang Hf in; de hout—, kombang
kajoe.
— met groene vleugels, kom-
bang padang;
de kokos — , kombang
njioer;
de drek—, kombang tahi. — in
vruchten, kombang boewak; kleine —
met groene vleugels en ornnjc-klcurige
borst, kombang anale tjina; groene,/eer
stinkende —, këpik; grijze, wit en
zwart gevlekte —, met lange voel-
horcns vol geledingen, en op den rug
voorzien van vier kleine doornen, se-
tjina;
lang en dun torretje, dat voor-
namclijk des avonds rondvliegt, karoe-
karoe. 7Ae
ook onzelievebeers-
beestje.
toren, bij ecno moskee, mënarah. Ar.,
ook voor lichttoren.— tjeop een gebouw,
poentjak, kemoentjak; in een - uit-
loopen, memoenfjak; wat een — vormt,
pemoenfjak; wachttoren, i-tcllnadje, ba-
ngoen-bangoen.
—, uitkijk boven op iel;.,
toengkap.
torn, rit as.
tornen, lostornen, mfretas, mëmboeka
pendjahitan-,
aan iets — , waarmede
men zich niet bemoeien moest, mengoe-
sik;
torn niet daaraan, djangan oesik
Hoe.
tornmesje, pisau perêlas.
tornooiapel, perang icatang; een —
houden, Vermain perang ivatang.
torsen, dragen, mëmikoel tvnn pikoel).
tortelduif, boeroeng tëkoekoer; bruiu-
grijze, wildo —, wCêrtboej}; e. s, v, wilde
—, boeroeng poet ar; c. and. 8. boe- j
roeng pint au.
tol, kapada, akan, b.v. zeggen —, tier- \'
kt/ta kapada. —, nut, akan goena. — !
vergelding, akan me.mbalas; van dag —
dag, darlpada sahari datang kapada \\
sahari.
— aan, sampai, datang, sa- \\
hingga, singga, singgan, singgat, laloe
,
ka, mëndjëlang, mendapatkan, b.v. — j
allen toe, kasamoewanja. — altijd, sant- ;
pat salamadamanja. — bier aan toe, sam- !
pai disini. — nu toe.,sampai sakarang.
drie dagen, sampai liga hari; gaan —
aan, përgi sampai. -- nu, datang saka-
ratig.
— aan het einde, datang kapada
kasoedahan;
van den morgen — den
avond, dari pagi datang pifang; van
Batavia tot Riouw, dari Llatawi da-
tang ka Jtiau;
van \'s morgens tot
\'s avond», dari pagi mêndj\'élang petang.
—   den dood, sahingga mati. — zij
zonken, sahingga ténggelam mareka-Uoe;
met het hool\'d — aan den grond bui-
gen, toendoek kapalanja laloe katanah;
van het hool\'d — de voeten, dari ka-
pala laloe kakaki.
— iemand gaan,
pe.rgi mendapatkan orang.
totaal, som, djoemlah, Ar. — beloop
van den inkoop, of van het gestolene,
perhnasan. — van eene familie, of van
de inwonen-, berinda,
totdat, sahingga, sampai, djadi.
totebel, groot Kruisnet met Inngen lief-
boom , waarmede men van een stellngo
in zee vischl, tangkoel.
fcoucheeren, zooals b.v. wild vlecsch
met lapis infornalis, mëntjttjah.
touw, tali. — van hennip of vlas, tali
rami.
— van arenvezcls, tali idjoek*.
—   van kokosnotenbast, tali saboet.
van de dunne, buitenste huid van een
bannunstam of anunasblad, tali kelisip;
neven—, bij—, tali anak. —, of iets
anders, dat gebezigd wordt om een rad
in beweging te brengen, zooals b.v.
bij een spinnewiel, kelindan, tali pesa-
wai.
—, kabel enz. waarmede iets aan
den wal wordt vastgelegd, pendarat.
—, om iets tegen to houden, b.v. een
boom, die op het omvallen .«tant, tali
doegang.
—, waaraan men zich vast-
houdt bij het beklimmen van een trap,
soesoeran tangga; kort eindje —, waar-
mede do hoek aan het vischsnoer wordt
bevestigd, perambuet; iets op het —
(getouw) zetten, aanleggen, menjoesoek1
(van soesoek). — slaan, in elkander
draaien, nunjering tali (van sering),
memintal tali
(van pintal); doormiddel
van een gewicht, dat aan het eindu
hangt, mï\'lanang. ■—, dat tusschen de
strengen vnn geslagen touw ingestren-
geld wordt, temali. ■—■ aan de bovcn-
voornok van een vierkant indisch zeil,
om de nok naar beneden to balen, tali
penoendoek;
los eind — aan het beneden-
einde eener ïuhindscho ra, tali dahi
lajar;
aan een — trekken, menarik
tali
(van tarik); met een — aan iets
-ocr page 740-
728                                         touwbnan — trnppen.
! traktement, gage, gadji. — hebben,
genieten, makaii gadji; nonaetivitcits—,
oeicang boeta.
\'
t raki ement sdag, hari gadji.
traklementwvcrhoo<gins, berlam-
bak gadji.
tralie, rechtstandige roedjes, kiti-kiti;
ruitvormige —, djala-djata; achter de
traliën zitten, ttrkoeroeng didalam pfoi\'
dj ara.
traliedeur, pintue jatig bPrkisi-kisi.
traliën, mPiigPtiakan kisi-kisi, tnembot1-
bofh kisi-kt si.
tralieveiiKter, tingkapjavg berkisi-kiti.
traliewerk, rechtstandige roedjes, kiti-
iiti;
net vorm ig —, djala-djala.
tranen, van de oogen, bPrajar, berka-
tja-kalja.
\\
tranendal, fig. van deze aarde, maja
pada,
Skr. letter), plaats des schijns.
trans, zie bij dak: de hemel —, tja-
krawala,
Skr.
transparant, förang-teroes. NB. Niet
te verwarren met tvroes-terang, rond-
uit. Verder van vochten en het gemoed,
htning, djtrenifi; van ccn dak, bintang-
binfangan.
trant, wijze, plri. —, mode, gebruik.
tjara; op Uulliuidschen —, tjara ivo-
fanda;
ietwat op Maleischen —, me-
lajoi\'-inX-lajoean sïdikil;
zie ook bij op;
ieder op zijn eigen — en naar zijn
eigen lust, masing-masing pada rofpanja
dan kagomarantija,
van gekleed zijn.
trap, met den voet op iets, pidjak; zie
trappen. — tegen iets, tiitdaug; een
—   geven, tnëttïndaug. — met de hielen,
lerf-djaiig; zulk een — geven, nirncrc-
djangkan.
trap, rang, sraad, pangkat, niartabat,
Ar. daradjat, Ar.; een — van boos-
heid of slechtheid, pangkat kadjahatan;
de zeven —pen van bet helscho vuur,
toedjofh pangkat api naraka ,■ bij —pen,
berpangkat-pangkit t.
trap, van al de lieden samen, tangga,
sopana,
Skr. — over de geheeld lengte
van een gebouw, tapakan, katapakan;
dn — npgann, naïk tangga, btrsopana.
—  op, — af, naïk tangga toeroeu tangga.
—   aan een stijgcr of hoofd, tangga
pangkalan.
trapleuning, soesofran tangga.
trappelen, mengenfak\'-ëtitakkati kaki.
trappen, op iets, nümidjak (van pidjak-).
—, treden op iets, er overheen gaan,
vastzitten, vastgelegd zijn, tïrtambat
dtngan /a/i;
niet een — gebonden,
di-ik-ü dengan tali; in —, op sleep-
touw, van een vaartuig, ditoenda; den
gehcelen dag in •— zijn, aan den arbeid
zijn, bfkerdja sapondjang hari.
touwlmnii, pïnjeringan fait.
touwdraaien, /ie bij touw.
louwen, zie looien.
touwltuliler, tangga tali, p^ngaram.
touwfjlajjer, toekang nfênjeriag tali,
pvnjering tali\'.
touwtje, tali ketjil. — springen, mï-
lo in pat t\'iöeng.
touwwerk, dat als ccn geheel bij
elkander behoort, b.v. het — van een
vaartuig, tali-mali, tali-toemali. —,
allerlei touw, iali-tali.
trany, langzaam, lambat; als eigenschap
van een persoon, ook Ivmbab. —, lui,
malus. —, slof, letigai. —, tegenzin
hebben in bet doen van iets, segan;
iemand, die daarmede behebt is, penje-
ga»;
zich — toonen, mPnjPgan. —,
loom, rengsa. — worden, merrngsa.—,
vadzig, tjtlrh, tjoelat. — in het leereo,
bfrat kapa/a. —, onwillig om een
gegeven bevel ten uitvoer te brengen,
kï-lesa. —, langzaam in de uitvoering
van eenig werk, IPmbam. — van een
vaartuig, dat met den minsten tegen-
wind niet vooruit wil, pTngoeudak (\\nn
om dak).
traagheid = traiifi.
traan, vUch—, minjak ikan.
traan, uit het oog, ajar-maia; in tranen
baden, bfrendam dengan ajar-mata; nat
van tranen, niet ophouden van weenen,
iiada kerhg dtngan ajar-mata; de tra-
ncn in de ongen krijgen, viala mofla\'i
kaija-kalja, tPrbit ajar-mata;
zie tra»
nen; biggelen van de tranen, bPrlt-
nang-linang; storten, rollen van tranen,
bï-r/iaiiiboiran j droppelen van trnncn,
bvrfitik-titik; zijne tranen tot spijs
hebben, bfrbikalkan ajar-mata.
traanbuis, fjorong ajar-mata.
trachten, mT-ntjoba; met inspanning
— , utriigoi\'sa/iulan diri. —, steeven,
menoenloft, b.v. naar kennis —,menurn-
toft pengïtahuean
(van toentoeV).
tractaat, akte van overeenkomst, soerat
pï-.rdjandjian.
tmktant, orang jarig menijamoe.
trahteeren, mvtidjamoe orattg, «fr-
beri makan-minoem.
-ocr page 741-
troilend.                                           729
bet huwelijk —, kateïn, zie huwen;
in de rechten —, recht verkrijgen,
hirolih frak; zij treedt in baar acht-
tiende jaar, ija masok irmorr doelapan-
hrlas taboe»;
binnen—, masok; uit —,
naar buiten gaan, kaloewar,- onder de
oogen —, dalang dihadapan mata, mhig-
kadap moeka;
met voeten —, vertrap-
pen, mëmidjak-midjafr (van pidjak). Zie
trappen.
treder, uittreder van graan, pëngirik.
treeft, drievoet, ook drie steenen, daar-
vour gebruikt, toengkoe, djërangan.
van drie in den grond gesla-.\'en pennen,
die men staan laat, toemang, b.v. dan
tuemang Siam iëtnpat bërlanak ituepon
toemboek djarna dalang sakarang,
en
de treeften der Siamcezen, waarop zij
rijst kookten, zijn ook gegroeid tot
nu toe.
treeU, streek, list, zie ald.
tret; \'t is een — als bij thuis is, oen-
loeng djoega kalaa ija diroemah,
treilVlVjk, voortreffelijk, zie ald.
treilen, raken van een wapen of kogel,
loet, makan, tërkëna. —, getroffen wor-
den. getroffen, k*na ,■ iemand of iets—,
mengende, zie voorb. bij raken; /?r-
ktna kapada; aan het — zijn, van
velen, elkander —, berkëna kënaan.—,
van een zwnar voorwerp, b.v. een balk,
mëngëmpap (van ëmpap); door een kogel
duodelijk getroffen, disambar pcloeroe;
door den bliksem, disambar mata peter ;
getroffen, gerankt bij bet schermen,
bolos, bosor ; door de zonnestralen ge-
troffen, (ook van maneschijn), dipanah
olib tjëhaja matahari;
zie ook bij vnl-
len.
—, inslaan van den bliksem,
tëperlons. —, roeren van het gemoed,
mëraivankan kali, mimbë.ri peloe dihati;
door den bliksem getroffen, ook dipanah
halilinlar, kvna kitat, disambar kilat.
—, plaats vinden van een vriendelijk
woord, roedjoefc. —, betreffen, zie ald.
—, overkomen, këna, b.v. een ongeluk
—, door een ongeluk getroffen worden,
këna tjilaka; juist — zie bij juist;
door den vloek der voorvaderen getrof-
fen worden, ditimpa taulat marhoem
jang toewa-toetca.
treilend, roerend van het gemoed, »»?-
rawankan hati, mëmbëri peloe diltati,
mëndatangkan sajang
(of betas-kasihan)
dihalï,
— van gelijkenis, sama roepa
dengan, tiada bersalahan lagi,
49
tr upper —
b.v. gras, struiken, graan, mtrapah.
—, den voet zetten op, ook vertrap-
pen, mendjëdjak. — op iets dat inden
weg ligt, lapah ; neder—, plat—, b.v.
een opgemaakt bed, mëlatam ; door iets
—, of ergens toevallig in —, b.v. door
den vloer of in een gat of in diepen
modder, tërpérosoik kaki dalam ; knedend
—, mélanjak-lanjak. —, uittreden met.
voeten of pooten, méngirik (van trip);
iemand de darmen uit bet lijf —,
mëngirikkan poetoes përoe/nja. —, met
bet onderste vnn den voet een trap
geven, mënëndang (van tëndang). —,
zie ook treden en ««-hoppen.
trapper; de — aan een weeftoeslel,
sandoeng.
trapswiJMS bij trappen, bërpaugkal-
pangkat.
Ook fig. b.v. de dageraad brak
— aan, maka fadjar pon mhijingsinijlah
bërpangkat-pangkat.
—, allengs, van
lieverlede, përlahan lahan. —, telkens
iets meer, makin lama mak in ha»jak;
telkens iets minder, makin lama makin
koerang.
trawant, hidoetcanda.
trechter, tjurong, pënfjorong.
tred, gang, djalan, zie tiet volgende woord ;
een lichte, vlugge —, gërak iangkah
pelah,
b.v. tërlaloe petah giraf: tang-
kahnja;
hane—, kiem in het ei, poe-
gal lèlor.
trede, schrede, langkah, djangka.
raa een ladder, anale tangya,- van een
trap, tingkat, b.v. adalah liga poeloeh
lingkat langganja.
—, zie ook tipt red .
treden op iets, mtmidjak (van pidjafr),
mënidjak
(van tidjak). —, de voeten
zetten op, mëndjedjak, b.v. op gloeiendj
kolen —, mëndjedjak bara. —, uittre-
den met de voeten of pooten, im-ngirik,
van graan ook niPrapah. — van een :
haan, de hen —, bfrhekak; ter zijde
—, mcnëpi (van tffti); nader —,dalang
hampir;
naderen X\\)\\,mtnghampiri; naar
voren —, b.v. van een getuige, redenaar,
priester, lampil. — in de plaats van,
mëngganli, mënggantikan, djadi ganti;
in het midden — , tussebenbeide komen,
dalang antaranja; in iets —, zich
mengen, b%rfjampoer kan dirinja; toe- \'
stemmen, bewilligen, zie ald.; in dienst
— , masok\' kërdja; in militairen dienst
—, masok soldadoe; in iemands voet- j
stappen —, mmoerofl kïsan kaki,
mtnoeroet tapak kaki
(van toeroet); in \'
-ocr page 742-
730                                                treil — trehnet.
treil, treklijn, tali pëntjïmal; zeil en —,
stijnhl lajar dan tali-malinja.
treilen, een vaartuig met een lijn voort-
trekken, inéntjëmat. — bocgsecren, më-
uoenda
(van toen da).
trein, stoet vuu volgelingen van een
hootd, ■•■ ■iiilii orang pëngtring. — van
achter iemnnd loopend» personen, boen-
toet;
er is een heele — achter mij, ada
banjak bvrnloet sëhaja.
trek, begeeite, wensch, kahë.ndak. —,
lust, zinnelijke begeerte, >ngin, napsoe;
iemand — doen krijgen in, mempëri-
ngini.
Üio voorb. bij belust. —, eet-
lust, tfra; geen — meer in spijs heb-
ben, djt/ak, b.v, sofdah djëlaktaii tja,
tiada bolih tërmakan lagi,
hij heelt
geen — meer; hij is niet in staat er
meer van te eten; geen — hebben om
iets te doen, malus, stgan. /ie tejzen-
zin. —, neiging, genegenheid, soeka.
—, lust van zwangere vrouwen, hidam.
—, aftrek, lakoe.—, list, streek, zie ald.
—, ruk, tank; een — of ruk, sakali
■\'■\',/■/
—, streep, garis, goris. —,krul, zie
ald.; de —ken, van het gelnat, ajar-
moeka;
in — zijn, gewild zijn, kasoekaiin;
vun koopwaren, lakoe, banjak lakoe.
trekbeest, trekdier, biuatang pëvghela.
trek\\jzer, voor het schoon maken vun
gespleten rotan, best djutigat, pendja-
itjiit. •
— voor metaaldraad, papan dja-
ngat, bësi djangat.
trekkebeen en, térintjoel-infjoet, b.v.
tërintjoi-t-intjoet ija berdjalan sapêrt\'i
orang mi lompat lakoenja,
hij trekkc-
beendc en liep als iemand die springt.
trekkebekken, van duiven, iolohau, J.
trekken, (arik, niënarik; arhtcr zich
voort—, ir■ nglit la, dus ook het — van
trekdieren; iets tegen het beloop in—,
b.v. een boom tegen het beloop der
tukken, een menseb bij de heenen,
niënarik songsang. — uit iets, b.v. een
kurk van eene Ilesch, een plantje uit
den grond, mëutjaboet; een ring van
den vinger —, mintjaboet tjin/jin dari
djari, mëloeloeskan Ijintjin dari djari,
minanggalkan tjintiin daripada djari;
uit de scheede —, vnn mes of wapen,
mtnghafiioes, mëutjaboet; naar zich tou-
hulend —, met omklemmende handen,
mimaoet. —■ van metaaldraad, meng-
hoenoes daicai;
van gespleten rotan door
twee mesjes, mënghoi-nors rotan; voor
beiden ook mëndjangai ; niet zijn beiden
of zijn velen om het hardst aan een
touw of iets dergelijks —, ieder aan
een eind ervan, béroenggoet\'Oenggoelan,
rukkend —. —, met een ruk aan iets,
b.v. aan een se hel Ie kooi d, viscblijn,
staart, de vingers om die te doen kra-
ken, mënjtutak (van seri/ak; ook sin-
tak), mëudjoedjuet;
met een ruk aan
een bel of klok —, ook mërenlak gënta.
— aan iets dat rekt, b.v. aan bet oor,
mendjendjet\'; aan den teugel van een
paard —, door den berijder die er op
zit, mënghela këkang koeda; uit eik-
ander —, vun cene scheur, spleet of
opening, mtvgérabit (van kerabit); ook
mëngërabik; iets dat afhangt — of
lukken, mërënggoet, b.v. dirënggoetkun-
nja tarang Hoe,
zij trokken rukkend
naa dat nest; scheevo gezichten—, uit
gemelijkheid, gërinjoet; zooals de apen,
svringait kêseh. —, trillen van de
zenuwen, gëronjot; zich onwillekeurig
benegen. b.v. de spieren van ven pas
geslacht beest, gérenjet. — van pleisters
of pappen of oiuslngen, makan; krom
—, van een plank, mïudjadl peloeng
(van peloeng, krom getrokken); er om
—, duor het lot uituiakeu, zie bo-
sliNHen; in twijfel —, mënaroh sjak,
tiada ptrtjaya ukan ;
eono lijn —, meng-
garis, menggoris;
ééne lijn —,safakat,
sahati;
voordeel —, in bet algemeen,
dapat laba, be.rotih laba; voordcel --
van iets, de inkomsten er van genieten,
mëudapat fyasilnja, —, door middel van
heet water, mrrëboes; de hand van
iemand af —, Ir pas tangan daripada
sa* orang, nië.mbiarkan sa\'orang;
voor
de rechtbank —, masoek bitjara, bër-
faoekoem ;
voor het gerecht dagen, sita
akan mënghadap hoekaem;
te velde—,
ten oorlog gaan, përgi perang, bërang-
kat akan bërpëraug;
op de wacht —,
naik djaga, t/a\'ik katval; de wind trekt
naar bet Oosten, au gin beralih kat\'tmoer.
—, overhellen van het hart, tjëtidë-
rof/rg;
nut —, mëndapat faidah; tan-
den —, mintjaboet oigi. - , reizen,
berdjalan; van de eene plaats naar de
andere —, berdjalan daripada saboetculi
nëgari kapada saboeicah negari.
Zie de
samenstellingen.
trekker, van een geweer, Ijandil, pT-
mahoet.
                                                 ,
treknet, poekat, djaring hanjoei, dj.
pïngirik;
een lang —, pajang.
-ocr page 743-
irelios — trommelklank.                                      731
trekoM, limboe penghela.
trekpntvrd, koeda (iZnyitela.
trekpot; voor thee, lehlco, tehkuwan,
Chin.
tremblant, bij het uitspreken der
woorden, kalkêïah, Ar.
trcii-, ii- aan een knoopsgat, tali kan-
tjÏHy, sosok.
-, vlecht, vau het hoofd-
haar, kelabangan ramboet. — of lus in
een rijtuig, gewoonlijk van passement,
waardoor uien de armen steekt, om
gemakkelijk Ie kunnen uitten, sandoe-
ngan.
—, kwast, roembai-roembai; van
pareltrensen voorzien, beroembai\'roem-
baikan moetiara,
treuren, berdueka-tjila. — over iets,
birdonkadjitakan.
treurfluit, boeloeh përindoe.
treurig, droefgeestig zijn, mueroeng.
staan, van het gelaat of de üogen,
koejue. —, aangedaan van het hart,
sajoe, — maken, membe\'ri sajoe dthati;
hoe zou zijn hart niet — zijn, dima-
nakom tidak sajoe Aatinja.
treuzelen, ulahan. —, leuteren, in lijn
werk, zooals naaien, breien enz., me/ig-
geroemit.
Zie talmen.
triangel, het instrument, ktren/jeng.
i rii-h i urn, koeman; eigenl. huitinndo,
schurllmijt, ama; de —ziekte hebben,
berama.
triest, zie bij treurig.
trillen, van eene snaar, gegar. —, trek-
ken van de zenuwen, geronjot. —, beven,
getar, gtniar; trillend, goemetar, goe-
menlar.
—, vau do stem of eeu toon,
renek.
triomf, kamenangan; in —, dengan ka-
menangannja.
tripmig, holothuria, tripang.
trippelen, huppelen, zie ald.
troebel, van vlooistollen, ktroeh. —,
van water ook: bon kat; zeer —, boekat
likat.
—, drabbig, koenijah. — maken,
door ommeren, mëvgebaer (van ktbonr);
vloeit er wel — water uit een helder
meer, adakah daripada telaga jang
djereni/t itoe mengalir ajar jang kit-
roek?
Sprw.
troep, bende, korps, pasoek, pasoekan,
katoemboehan, ambalan;
bij troepen of
colonnes, bv.rambal-ambalan, berpasoek-
pasoekau, berkatotmbuekan.
—, verzatne-
ling van personen, die hetzelfde werk
verrichten, poewak; ook — of zwerm
van dieren. —, kudde, kawan; b.v.een
—   geiten, kamblng sakawan; een —
donkere wolkon, sakawan awan jang
kaboes;
een — mieren, sèmoi-t sakawan.
—   van personen, die bij elkander zit-
ten, keloeutpoefc; bij —en, bérkéluem-
poek-keloempoek.
—reizigers, karavaan,
kajiiah. Ar.
troepenai\'deeling, katoemboekan.
troep*<j;ewÜM, bêrpasoefy-pasoek, berka-
wan-ka wan, bh-keloempoek-kéloempoek.
troetelen, met daden of woorden, mi-
nimang
(van tunanij).
troetelkind, geliefd kind, anak lïma-
ngan, anak limang-tlmangan.
i ii»ei eliiiiiini, ?i uu/a timangan.
troeven, slunn afrossen, zie ald.; iemand
bij het redetwisten ■— of raken, mémang-
ka/t
(van pangkah), dit is namul. het
raken of pikken op een draaieuden tol.
troilel, keri.
trog, voederbak, paloeng.
troggelen, met list zich van iemands
geld of goed meester maken, mingakal-
kan doemt oraug, milobakan,
ir. in. <;een algemecne naam; voor de
bijzondere soorten de volgende benamin-
gen: —, bestaande uit een houten
cylinder, aun weerskanten met gcitcvel
bespannen, en die aan de ceue z ij il o
met de hand, aan de andere .....i een
stok geslagen wordt, gindang; op die
—  slaan, bérgendang; grooto—,gindc-
rang
(frequ. vun gendang); de uorlogs —,
gendirang pirang; dealtochts—,génde-
rang khnbali;
de optochts—,ginderang
arakan;
de vreugde—, gendang raja
kasoekaiin;
groote, lange —, die aan
de rechterzijde met een stok tweemaal,
tegen eenmaal met de hand aan de
linkerzijde wordt geslagen, sïrmangin;
groote —, nubat, Ar. de Kijks—, nobat
negara;
deze wordt alleen bij plechtige
gelegenheden b.v. bij de troonsbestij-
ging, geslagen; ook tabal, Ar. —, in
gebruik bij do Klingnneezeii, samping;
groote — van eeu uitscholden boom-
stam, aan do eeno zijde met btitfelbuid
bespannen, die in do moskee hangt om
daarop de gebedostonden uaa te kondi-
gen, bedoek.
trommel, zie het vorige woord. — van
blik, tiromol.
trommelen, birgindang, mimaloe gen-
dirang, mïnaboeh gendang (van taboeh).
/ie trom,
trommelklank, boenji genderang enz.
-ocr page 744-
732                                     trommelslnc — trouwen.
tropee, iïldmat kanïémangan.
troM, zooajs van vruchten, die met de
stelen bij elkander zitten, b.v. kersen,
limoenen, rauiboetan, tamarinde enz.,
maar niet zooaU druiven en dergel.,
rangkai. — van andore vruchten, zoo-
als druiven en dergel., gogos. —, zooals
van bannnen en der gel., tandatt, eene
kmu van dien —, sikat, sisir, Jav.—,
dos, bundel, gemaakte —, djaras
-   sen maken, tnendjaras. —, bundel,
van champignons en der fel., Ij trenggeh.
—, rol van touw, Umgkar; een —
touw, tali satoe tingkar.
trotweh, fier, besar hati, katjak-; dit
laatste ook van gebouwen; dan zal ik
daarop zeer — zijn, sabesar-blsar ha-
tikoe atas pïrkara itoe.
—, hoogmoedig,
tjongkak, angkoeh. —, verwaand, op-
geblazen, pungah, sumbung. —, min-
achtend, rangah.
trotsheid = trot**oh.
trotseeren, tergen, uitdagen, zie ald.
—   van een gevaar, braveeren, het
hoofd bieden, er tegen inloopen, mfota-
gak
(van tagak-). -—, van gevaren of
luoeielijkheden, mëredah. - , niet aeh-
ten, tiada mémbilangkan, mengabikan,
b.v. hij trotseerde de golven, ombak
d\'t-abïkannja.
—, gering achten, licht
achten, mti/tpermoedahkan.
trouw, satia; ook — zijn; bijzonder
—, satiawan; elkander — blijven, b?r-
Végoeh-iegoehan;
op iemands — kun-
nen staat maken, steeds — blijven,
mënfgoehka* satianja. — en ontrouw,
amdnat dan chtavat. -- zweren, bfr-
soempah-satia.
— zweren aan den Vorst
bij de uitvoering van een krijgsdans,
waarbij men den Vorst tutoveert,
m\'engaroek (van arock-). — breken,
mëngobiihkan satia; verbond van —,
ptrdjandjian satia.
trouwbelofte, boloven een huwelijk
nan tu guan, berdjund/i. he.ndak- kaïvin.
trouwhreuli, pëngobahau satia.
trouwdag, hart kawiu, Aart niküA.
trouweloos, tiada tPgueh satianja, chi\'
jdnat.
Ar. — jegens den Vorst of de
overheid ook doerhaka.
trouweloosheid, chidnat. Ar.
trouwen, een wettig huwelijk aangaan,
kawin, Perz. van Vorsten en aanzien-
lijken, nikdh, Ar. — als handeling van
den priester, mengaiciukatt, minikdhkan;
bet — vaa velen, katcin-mawin. —,
trom mei al »s, paioe gindvrang enz. I
t roinincl8latier,|/(\'»ii/\'ii^ gïndang enz.
trommelNtuli, laboeA, ptmoekoel gin-
dang
enz.
trom mei vel, koelit gëndirang enz.
trom mei vliew, selapoet jang dalam
ttlinga
trommclzucht, peroet kemboeng, boe-
soeng angia.
tromp, van een geweer of kanon, moe-
loet;
trechtervormige — van een vuur*
wapen ot\' blaasinstrument, këtjoeboeng,
om de cc lij ken is met de doornappel-
bloein. —. snuit van een olifant, vlieg
of mug, boelatai, belatai.
trompet; de Kuropeescbe—,sëlomperef,
tvrompe.t;
de inlnndschc —, najiri.
tromi>et<reeieh(il, boenji sïloutperet,
boeuji najiri.
ironi|H\'!sr]n\'l]i, tritonshoren, kilah,
sitntji.it, Skr.
trompetten, mïniaep selompërel, mëni-
joep najiri
(van Hoep); van oen olifant,
mindering.
trompetter,/<M\'£«sy sSlompe\'ret, pinioep \'■
najiri.
irüiusiiaui\', genta gïnderang.
tronen, bertemajam di-atat tachta ka-
radjaan.
tronie, gelaat, zie ald.
tronk, toengyorl; doode boomstam zon-
der takken, poenggoer.
troon, gtta, tachta, Ar. pëtarana, koersi.
Ar. — met hem cl, singgasana, Sk r.
eigenl. de verhevenheid, waarop de —
of zetel, petarana, blaat. — van God,
itrasj, Ar. de koninklijke —, gtta ka-
radjadn, tachta k., koersi k.;
den — i
beklimmen, «dik radja; van den —
stijgen, toeroen dari atas tachta kara-
djaan;
van den — bonzen, menoelak \'
dart atas tachta karadjadtt (van toelakv,
afstand van den — doen, jneninggai-
kan karadjaün
troonen, lokken, nivmboe.djoe.Jp.
troonhemel, tangit-langit singgasana. j
troonopvolger, bakal radja.
troont, phigAiboeran, penglipoeran, Jav.
—, verlichting, verademing, salicuA, Ar.
— voor het verliefd gemoed,ptnglipoer
fara,
Juv.
troosteloos*, Hada terhiboerkan.
troosten, minghiboerkan, melipoerkan,
Jav. mtmbdiki haii; zich —, menghi-
boerkan dirinja.
trooster, pëngAiÓoer, penglipoer, Jav. \'
-ocr page 745-
trouwjxewaad — turen.                                       733
getrouwd zijn met, zie huwen. —
met eene vrouw die 3 umal gescheiden
is van baren man, opdat zij weer met
hem huwen kan, mëmoepoes talajr.
jia het overlijden der vrouw met da
vrouwszuster, of na het overlijden van
den man, met den inan»broer, lëpas
bantal bërganti tikar,
Sprw,
t rouwgewaad, pakajan pinganten, p.
mam pil ai.
X ruuwluwtia, bh/ar nati,soenggoeh haf i.
trouwluirtiuheid, kabenaran hati,
kasoenggoehan hati.
trouwritiis. tjintjin kaïetn, ij. nikah.
—, als geschenk vóór don eigenlijken
iiniiil-i\'lint. tjëngkëram, afjaram,
trouwsehnt, ëmas kaïtin.
trouwverbond, përdjandjian kaïcin,
p. viluh.
trouwverbreher, orang jany mëngo-
bahkan satianja, orang chianat.
trouwverbrekinjj, pëngobahan satia.
truweel, troffel, zie ald.
tucht, regeling dour geboden en ver-
bodeo, siasat, Ar.
111.-li i elinj ■;, orang jat/g disiasat.
(ui\'lucluijs, tiada bërsiasat.
tm-Iithui"!, roemah siasat; ziejjevuii-
tieniM.
tucht isjen, mënsiasatkan, mënjiksakan
(van siksa).
tuchti:*injj, siasat, Ar. siksa, Skr.
tucht roede, tjëmëli, rotan pëndëra.
t uil:, werktuig, gereedschap, zie ald. —,
voor rij- of trekbeesten, pakajan, alah-
abakan,
Jav. bvlongkang, Mal. — van
een vaartuig, tali^mali. —, slecht goed,
barang-barang bonsoek. , Biecht volk, .
orang djahat, orang hina-dina; oor-
logs—, a/at pëpërangan.
i uiiruüf, van een vaartuig, tali-mali.
tuiden, van een vaartuig, mëlangkapkan
kapal
(of përahoe) dengan sëgala tati-
malinja.
i iiitïliuis, goedang iéndjata, gtdoeng s. i
i uijgh uistmeeat er, pënoenggoegëdoeng ;
sendjata.
tuiltje, karangan boenga. —s vlechten,
mëngarang boenga.
tuimelen, hals over kop, \'t onderste
boven, lintang-poekang. —, slingerend
vallen, van dronken personen, rëbah-
rempah,
—, kantelend nnar beneden,
sëdjam, soendjam; naar beneden getui- ;
meld, tërsïdjam (ol ttrsoendjam) kaba-
tcah;
ook —, duikelen van een vogel
uit de lucht. —, tuimelend neervallen
van zware voorwerpen, hoembatang, bër-
hoetnbalang;
van velen, bërhoembala-
ngan;
doen — of tuimelend werpen,
mënghoembalangkan. —, ncderstorten
vau een persoon en ook van een boom,
rëbah. Zie duikelen.
tuin, hof, gaard, këbon,- peper — , kibon
lada,
groente —, kibon sajoer-sajoeran.
—, lusthof, taman; bostdn, I*erz in
gedichten ook fftangori, Kw., nioote,
door eene omheining ingesloten —, af*
perking, omtuiuing, kandang; om den
— leiden, ntëttyeroh (van keroh). Zie
bedriegen.
tuinntirde. tanah këbon.
tuinnrbeid, përoesahaan këbon, pëkër~
djaitn dikëbon.
tuinnrbeidrr, toekang këbon.
tuinbutiN, pënoenggoe këbon.
tuinbiMl, petak këbon ; afzonderlijk stuk
grond voor zaailingen, lapang sëmai.
tuinbouw, përoesahaan këbon.
tuinder, orang berkëbon.
tuindeur, pinloe këbon; van cen lust-
hot\', pintoe taman.
tuinen, een tuin bearbeiden, mëngër-
djakan këbon, mëngoesahakan këbon.
tuinaereedscuap, përkakat toekang
kebon.
tuingfond, tanah, këbon.
luinhaau, pagar këbon.
tuinhuisje, prieel, zio ald.
tuinhuur, setca këbon.
tuinier, toekang këbon.
tuinieren, bërkëbott, menoekang këbon.
tuinman, toekang këbon.
t iininir-, pisau raoet.
1 ii in~-l-.il., zio bij »lak.
i ui n* tok, bloemstuk, pëndjalaran.
tuinvrucht, boeicah kebon.
tuit, van ketel of trekpot, tjërat, tjera-
tan, tjoerat.
tuiten, suizen van de ooren, mëndësing.
tuitkun, aarden waterkruik met tuit,
kindi.
tuli, begeerig, ingin, loba.
tullmnd, hoofddoek, sërban (l\'erz.). Zio
hoofddoek.
tumult, gëmpar, hoeroe-hara, haroe-bi~
roe, hiroe-hara, geger.
— maken ter
oorzake van, gëniparkan, ^egerkan.
tunnel, tëmboesan.
turen, tixeeren, mëngamat-amati; zitten
—, menë/ioeng (van tënoeng). —, uit-
kijken, mënindjan (van tindjaa).
-ocr page 746-
784
turk — tweearmig.
bèrsèla lagi. —, ook pèrantaraan; regel-
matige — van tijd, lat, b.v. met een
—   van twee dagen, d. i. om de drie
dagen, lat dnewa hari. — van de vtn-
gers, latwerk, landen, stcenen enz. ook
tjelah, spleet, opening. —, onderlinze
afstand, djarak; eene — hebben, brr-
djarak;
eene — maken, mendjarah;
ook tig. van personen.—, vak tusschen
de pijlers van een gebouw, roewang.—,
binnenplaats, p\'elantaran pèrantaraan.
tuAMflieiiHchot txèka f ,dinding ditèngah.
tuHNrlien^teken; iets ergens —. in
spleet of plooi, tusschen vel en vleesch,
mènjisip: ergens tusschen gestoken zijn,
tersisip; iets tusschen vel en vleesch
hebben, b.v. een splinter, kasisipan.
tiif*»ehen1 \'\\\\ I, sèlang, lat, b.v. een —
van drie dagen, sèlang tiga hari, lat
liga hari ;
in dien —, dalam autara Hoe.
tïiHMrhonvnk, ruimte tusschen pilaren,
roe iratig.
tiiRHclienvoegen, zie tusNehen-
«teken.
tusnelienwand, sékat, dindimg dite-
ngah.
tusschenwüdte, djarak.
lusMi\'licn/t\'c, laoel belantara.
tutoyeeren, bèrakoe-berèngkau.
twaalf\', doewa-belas, tapoeloeh doewa.
—   uur, bij dng, poekoel doewa-bèlas
tengah hari.
— uur bij nacht, poekoel
doewa belas tengah malam.
twaalfdaagse!!, doewa-bèlas hari la-
ma» ja.
twaalfde, als ranggetal, jang kadoetca-
bèlas ;
ten —, kadoetca btlas ; de — der
maand, doewa-bèlas hari boelan.
twaalfdehalf, tengah doewa-belas.
twanlfderhande, twaalfderlei, doewa-
belas bayai, doewa-belas mat jam
(of
roepa).
twaalfhonderd, doewa-belas ratoes.
twaalfjarig, doewa belas tahoen Temoer-
nja, doewa-belas tahoen lamanja.
twnalfmnnl, dcewa-belas kali.
t wnal i"i ion d er, mariam doewa-belas pon.
twaalftal, dozijn, losin.
twee, doewa; tot — maken, mëndoe-
wakan.
— aan—, birdoewa-doewa; alle
•—, doewa-doewa; met zijn —en gebroe-
ders, kadoetca bërsaoedara; op — gc-
dachtcn hinken, mendoewakan angan-
angan.
tweeurmij*. van een mensch,b$rlëngatt
doewa.
turk, orang Toerki, wang Islanboel.
turkoois, Jiroezah, Ar.
turkocb, toerki, ittmlorfj de taal, b%-
hiisii toerki.
lurkfirliPwcil. djagoeng.
turkte, negari /stat/boel, hinoewa Toerki.
tussehen, in het midden, ditèngah.—,
onder eene menigte, avtara, di-antara;
ook wel — twee, b.v. — u en mij,
avtara akoe dengan rfikau. — twee in,
menjëla (van sela). — licht en donker,
/ie ««■ln\'im-riiii». — tWM lichamen
beklemd, zie beklemd. — leven en
dood, — handen en worgen, didalam
doewa tengah tiga,
d. i. binnen twee en
derdehalf. /ie de samenstellingen.
tUK*»elienl>eide, halfcn hall\', soewang.
—, tamelijk, sèdang, —, nu en dan,
tiH\'kadang-kadang ; een dag —, lat
sahari.
— komen, masok, fjampocr.
tiiKsehendek, titigkat jang di tengah,
pelakr.
tuMftchenin, tusschen twee in, namelijk
van den persoon of de zaak die er —
komt, zoodat er een „om den ander"
ontstaat, menjela (van sela).— brengen,
om iets vaneen te scheiden, b.v. do
vingers van de eene hand tu*schen die
van de andere of tusschen de teenen,
w\'ènjelat. — gekomen, t\'ersèlal. —, van
voorwerpen, tijd enz., sëlang.— komen,
dringen, b.V. tusschen gesloten gelederen
in, menj\'èboek (van s\'éboefr).
tuMrlienkomat, bemiddeling, sjoe-
faut, Ar.
tussehenluajr, lfl}»s ditèngah.
t ut*fiehenli«»<*cnd, doedoefmja dttë-
ngah, d. di-antara.
tUHHrlieninuur, sikal, pagar temboik-
jang ditèngah,
of diantara.
ius>i-ln-ti].inl. djalan jang ditèngah.
tusNrlienpooH, sèlang; met eon —,
bèr sèlang.
tusHehenpoozend, van koorts, ber-
lat-lat.
tuRsrhenruimtp, van lichamen en lijd,
setang: in eene — voegen, van eene —
voorzien, mènjèlang; van eene — voor-
zien zijn, bersèlang; met een — van
drie dagen,sèlang tiga hari.—, de ruimte
tusschen de landen, sèlang-sèlang g\'igi ;
tusschen de vingers, sèlang-sèlang djari.
—. tusschen op zich/elven staande
voorwerpen, zooals personen, hoornen,
kornlen enz. sela, b.v. opgepropt vol,
er was geen — meer, penoeh sïsak, tiada
-ocr page 747-
735
tweebeenig — type.
tweevoud, dubbel, ganda.
tweevoudig, bétganda, doewa lipat,
daeiea lapis.
tweewerf, doewa kali.
tweezijdig, doewa bëlah, doewa pehak,
doewa përsëgl.
twijfel, argwaan, sjak, Ar. — koeste-
ren, mënaroh sjak; zonder —, tiada
sjak;
daaraan valt niet meer te twij-
lelen, daar is geen — aan, tiada sjak
lagi;
geen ziertje —, tiada sjak barang
sadzarah.
—, verlegenheid, wasangka,
Sier. in —, dalam wasangka; zonder
—, voorzeker, nisfjaja; in — zijn of
staan, bimbang.
twijfelaar, boluiteloos persoon, orang
bimbang. --,
die aan iets twijfelt, orang
jang mënaroh sjak-
twijfelachtig, verdacht, ada sjak da*
lam vja.
twijfelen, argwaan koesteren, mënaroh
sjak.
—* besluiteloos zijn, bimbang.
twijfelinoedig, goendah.— en bekom-
merd, goendah-goe/ana.
twijg, Jud takje, ranting. Zie loot en
tak.
twijnen, mëmiiital (van pint al). — door
middel van een gewicht, dat aan bet
einde der druden hangt, melanang. —,
door do draden tusschen de vlakke
hand en de dij of een undur vlak voor-
werp te rollen, mtmilin (?an pilin) j bij
het weven twee draden van verschü-
lende kleur losjes —, niëngoesik-
twintig, doewa-poeloeh.
twintigjarig, doewa-poeloeh tahoen
"ütmoernja, doewa~poeloeh tahoen lamanja.
twintigmaal, doewa poeloeh kali.
twintigtal, snees, kodi; hij —len,
kodian.
twintigvoud, doewa-poeloeh ganda (of
lipat).
twist, përbautahan; waarbij men hnnd-
gomeen wordt, përkalahian. — , krakeel,
harrewarrerij, tëngkar, zie ald ; aan-
leiding tot — zoeken, mëntjëhari-tjëhari.
twisten, bërhantah-bantah, bërkalahi;
over iets —, mëmperbautahkan, b.v.
waarover twist gijliedeu toch, apa djoega
jang kanwepërbantahka/i;
iets betwisten,
mhnbantnhi; met elkander —, harre-
warren, bërtcugkar-tëngkaran.
twister, orang bautahan, orang jang
sóeka birkatahi.
twistzieh, baniahan.
type, oorspronkelijke vorm, lëmbaga.
tweebeenij», bérkaki doewa.
i weedaagsch, twee dagen durende,
doewa Iiari lamanja.
tweede, kadoewa; de—, jang kadoewa,
ten —, kadoeica; du -- van de maand,
doewa hari boelan; voor de — maal,
pada kadoewa kalinja; v an een —
voorzien, mëmpërdoewa, b.v. ik /al u
van geen — voorzien, d. i. geen mede-
vrouw geven, adinda ko\'tidak kakanda
përdoewa;
de — zijn, b.v. in een spel,
of van kinderen, méndoewa; de —,
secondant, assistent, pëndoewa; ook de
—  kris of bij kris, die men draagt voor
het geval van nood.
1 wi\'i\'i 1 r:i;nUcli, doficil lëmbat\'.
tweedracht, përtjid\'eraan, lengkah.
tweedraehtig, bërtjidëra.
tweedubbel) doewa lapis, doewa ganda,
doewa kali doewa.
tweeën i in — doelen, m\'èmbëhagi doewa;
met zijn —, bérduewa; met zijn beiden,
zie bij beide; op slag van —, ham-
pir poekoel doewa,
tweeërlinnde tweeërlei, doewa bagai,
d. matjam, d. roejta, d. djenis.
t «reet***vecht, përatig tandingan.
tweehonderd, doewa-ratoes.
tweejarig, doewa tahoe n ümoernja,
doewa talmen lamanja.
— van planten,
tahoen, b.v. —e kutoon, kapot tahoen.
tweeling;; al wat met elkander een —
uitmaakt, këmbar; een —kind, anak
këmbar;
een —paard, dat met een ander
trekt of suuien rijdt, koeda këmbar; een
—   uitmaken, bërkëmbar; de —en, het
sterrenbeeld, adDjawza, Ar. boerdj ad-
djawza,
Ar.
tweelinggod, dewa këmbar.
tweemaal, doe,oa kali; tot — too ge-
bouren, mëndoewa kali.
tweemnst; een —schip, kapal doewa
Hang.
tweernen, vezels stijf in elkander
draaien, ménj\'éring; getweernd, sering.
tweeslachtig, bantji.
tweesnijdend, bërmata doewa, ook
tadjam liertimbal. —, van een zwaard
enz., djambiak; wellicht eone vorkor-
ting van tadjam biak f1
tweespalt, p\'értjidëraan.
tweesprong, përsimpangan djalan.
tweestrijd, doewa përtjiniaan; in —
zijn, mënaroh doewa përtjiniaan.
tweetal, doewa.
tweetongig, lid ah bèrtjabang.
-ocr page 748-
736                                          typhon — uitbijten.
soedaklak, b.v. sahinggamati soedahtah,
zoodat hij sterft en daarmee—-. — zijn,
van een raad, rede, verhaal, beraad-
slnging enz., portoes; met zijn vrouw
—  zijn, op weg zijn, fig. bertoengkat
tiboc.
—, van een boek, brief enz.
geschreven, uitgelezen, tammat. Ar. twee
malen —, doetva kali tammat. —, van
vuur en licht, pattam, ma/i; zie uit-
sedootd. —, van het oog, uit de
oogholle en vernield, petjak. — elkan-
der, overal verspreid,porak-parik, porak-
përanda;
ook van een verslagen leger.
—  elkander, van wat eerst zooals een
stapel en dergel. bij elkander was, b.v.
ook van een koek tabak, boja; als de
school — is, lepas mengadji. — elkan-
der. los, b.v. van een uitgekamden
baard of boomwol, lepak. — elkander
gevallen, zie ontbonden. — clkan-
der, los, oerai, oesai. — elkander doen,
méngoeraikan, mengoesaiken. Zie los.
—    het gebruik, dada têrpakai lagi.
—  allu mnebt, dengan sakoewat-koewat,
sa\'boli h-bolth.
— alle macht en kracht,
dengan segala koewat-koewasa. —, nf-
komstig, asal dari, afkomstig — Djo-
hor, asal dari Djohor.— hoofde,sëbab,
dari sebab.
—. van iets, dat een inhoud
heeft, dari dalam, b.v. — den pot, dari
dalam pèrioek.
— den put, dari datam
pirigi.
—, voorbij, ten einde, soedah,
habis, soedah habis,
b.v. als deze maand
—    is, apabi/a soedah boelan ini, a.
habis b.
/,, a. soedah hahis b. i. —,
ledig, hëmpa, kosong. Zie de Bamenstel-
lingen.
uitademen, mëngaloewarkan napas,ka-
toeicar na pas; zie ademen.
uitiidemins. napas jang kaloewar.
uit buretten, met ern slag, lëtoep, IHos;
in tranen —, bërhtimboeran ajar-ntata.
uitbtirNtins, met een s]ag.,lèfoep,lëtos.
uitbazuinen, overal bekend maken,
m\'èmaxjhoer kan diman a-mana.
uitbeelden, mèroepakan, mïmboewat
roepa.
uitbeitelen, mëndodos; van snijwerk
voorzien, mengoekir. — en relief, më-
njilap (van silap); zie beitelen,
uitbetalen, mëmbajar.
uitbeuren, mèngangkat kaloewar, tn,
dari dalam.
uitbijten, makan; door sterkwater uit-
gebeten, dimakan ajar-këras; een stuk
nit ieta bijten, zie bijten.
typlion, fofdn, verb.
!,\\|)1iiis, ii\'11,11 if kapialoe.
lyrnn, oruvg ialim. Ar.
tyrnnnie, laliimat, Ar.
t\\
u, pers. Vrnw. Se en 4e nmv. angkau,
dikau.
Heleefdheidshalve worden hici-
vuur meestal andere woorden in de
plunts gebezigd. Zie da Gramniaticn.
ui, bawang; soorten zijn: bawang koetai,
b. merah,
de gewone *jn\\uUen,b.poetiA,
b. timoer,
en b. tjiua, knoflook; eene
bijzonder groute soort van — , bawang
bengga/a, b. bombai
; e. s. v. witte—en,
t/asoen; st. Jansuitjes, (tastten toenggal.
uicnbed, petak bawang.
uifpliint, pokok bawang.
uier, ambitig soesoe,
uieHchil, koelt t bawang.
uil, de vogel, boeroeng hantoe, hetang
malam, hetang hantoe,
— met Inngc
klauwen, hetang soetcir; e. s. v. —, boe-
roeng pongynfc,
zoogenoemd, naar men
zegt, omdat bij geen aarsgat heeft. —,
domoor, zie ald.
uilettpiejgel* pa\'\'Kadoek, lebai italang.
Dit zijn eigenlijk de namen voor een
persoon, die door zijne lacliwekkende
tegenspoeden tot spreekwooid gewor-
d?n is.
uiltje, niichtvlinder, kaper, Jav. b.v.
sap\'érti fjëfjafc makan kaph; als een
hagedis die een — opeet; lig. uitdruk-
king voor een schrokkig mensch; een
— knappen, bërbaring sëdikit, meradam
uit, buiten, dilueicar; uit de stad, diloe-
war nègari;
uit het huis, di loewarroe-
mah;
gaan — de stad, kaloeicar dari
nègari;
gaan — het huis, ka/omar dari
roemen
; jaar in, jaar —, daripada
satahuen datang kapada satahoen;
huis
in, huis —, masoek roem ah t kaloewar
roemah,
—, door, vnnwege, dari, dari-
pada,
b.v. — vrees, dari iakoet. -
nuod, daripada kasoekaran. —, van,
dari, daripada, b.v. — Malaka, dari
Mutaka.
— de krant, daripada soeral
kabar.
— de hand, daripada tangan.
—, verwijderd, djaoek; b.v. — het
oog, — bet hart, djaoeh dimata, djaoek
dihafi,
Sprw. —, gedreven door, dari,
sëbab,
b.v. — liefde, dari kasik, sèbab
kasih,
— het geheugen, ve\'-geten, hilang
daripada ingatun;
en daarmede —,
-ocr page 749-
7S1
uilblnzen — uitdijen.
uitblazen, zio blazen. —, van vuur
on licht, m\'émadamkan (van padam),
mtmboenoeh, mènghemboes;
iemand het
licht —, mimenjapkan njatcanja; zie
uitademen; den laatsten adem —,
mertgang djitca. — van lucht, zooaU
van visseben, mengoeskoet (van koetkoes).
uitblijven, niet komen, tiada datang;
niet kunnen —, nistjaja datang djoega;
niet kunnen missen, (a\'dapat tiada.
uitblinken, duidelijk zichtbaar zijn,
s\'erlah.
uitbloeden, al zijn bloed verliezen,
kainetcar darahnja samoeica; ophouden
met bloeden, berkend berdarah.
uitbloeien, ophouden met bloeien, kalis
berboenga.
uitbluMHchen, van vuur en licht, we-
madamkan (van padam), m\'ematikan, mèm-
boenoeh.
NB, het eerste ook tig. van een
hartstocht enz.
nit boren, menggerek; uitgeboord, (érge\'
rek;
ook van insecten, b.v. door de
houttor uitgeboord, tergerek olih kom-
bang;
ook dimakan, b.v. sampan boe-
roek dimakan ttmbeloek,
een oud bootje
dat door do paalwormen is uitgeboord.
uitbotten, bertoenus, zie botten; in
menigte —, van erwten, graan, gras
enz., merètjoep.
uit bouwsel, aan woningen of schepen,
andjoen g-andjoeng.
uit braak Hel, moetah, moentah, b.v.
oi\'pama and/ing makan moetahnja, als
een hund, die zijn — opvreet. Sprw.
uitbraken, moetahkan, moeniahkan.
uitbranden, zie branden. — door
het zundgat, van een vuurwapen, min-
tjitjil.
— van eeo buis, dimakan api
stgala isinja.
uitbrander, iemand een — geren,
tningg\'era.
uitbreiden, uitgebreider maken, b.v.
van land, macht, het hart enz., itièloe-
toaskan;
de vleugels —, meng\'èmbang-
kan sajap
(van k\'émbang); de armen —
naar den hemel, mènadahkan iangan
kalangitiytm tadah);
zich aan den hemel
— van een regenboog of wolken, mem-
ban goen;
eenc rede —, mélandjoelkan
përkatadn;
uitgebreid, loewas; zie ald.;
zich in do breedte —, van gewnssen,
merambak; ook van personen, wien het
goed gnat; zich — van rankende of
klimplnnlen enz , merambat; ook van
koophandel, b.v. perniagaannja meram-
bal, zijn handel breidt zich uit; zich
—, grooter worden, van wonden, mëre-
bak;
eigenl. inscheuren; zich —, van
een zeer, eenc zweer, merojak; zich—,
van vuur, iemands vermogen enz., me-
roewak.
uitbreken, zie breken. — van het
zweet, kaloexar peloeh; aan alle kanten,
kebah; ook bérsimbah, b.v. bérsimbah
peloeh pada moekanja,
het zweet bruk
hem op het gelaat uit; overvloedig —
van het zweet, rimas, peloeh rimas-rimas.
—, van eene ziekte, berbangku\'pènjakil.
—,zicb uitbreiden, zie het vorige woord.
uitbrengen, naar buiten brengen, mem-
baica kaloewar, mènghantar kaloeitar,
m\'èngaloewarkan.
—, verklappen, me/n-
boeka rahasta, m\'e/ahirkan
r., metija-
takan r.
uitbroeden, mengéram sampai (■.tas (vua
eram).
uitbundig, f ia. —e vreugde, soeka-ria.
uitbundigheid, kariaan,
uittmndii>l\\jk, dèngan rta, dèngan
soeka-ria.
uitcijferen, tnënghitoengkan, menghisab-
kan
(van hisab. Ar.).
uitdagen, tot een gevecht, atljak bêr-
ka/ahi, menoendjoek laki-laktnjtt;
tar-
tend, schreeuwend —, m\'ekis, mèm\'ekis,
mengkis;
uitdagende blikken toewerpen,
mengèntjat (van kèntjal), b.v. maka olih
Moehammad \'Aait dikënijatnja dèngan
matanja Aboe linkr itoe,
en door M. \'A.
werden met zijne oogun aan A. B. mt-
dngende blikken toegeworpen; eigenl.
tartend dichtknijpen of knipoogen; uit-
dagend, tartend aankijken, ook menen-
lang urn*ii. tintang mata dèngan mata.
uitdampen, meroetcap, mèrèicap; aan
heeten damp blootstellen, mengoewap,
uitdeden, mèmb\'ehagi-behag:kan, wienga-
gih.
—, van gewone liefdegiften, men-
dadar.
uitdeden, verdelgen, mhioempas (van
toempas, uitgedelgd), rnémbinasakan. —,
uitwisschen, vernietigen, mënghapoetkan,
(van hapoes, weggevaagd).
uitdelven, mènggati, mengorek (van
korek).
uitdiepen, dicpiuaken, b.v. van een
schotel of blad enz., mhUjengkéroeng-
kan, mendalamkan;
een gracht —,mhi-
dalam parit.
uitdijen, b.v. onder het koken of wecken,
van rijst, erwten, booncn enz., moewai.
-ocr page 750-
788
uitdoen ■— uitgaaf.
uitdoen, uittrekken, afleggen, van klec-
ren, wapent en/.., mëiianggalkan (van
tanggal, uit- of afgedaan). —, uitvegen,
doorhalen, mëngkapoeskan, mëmarang-
kan
(van paratig). —, blusschen, uit-
dooven, zie ald.
uitdooven, memadamkan (van padani,
uitgedoofd), mëmboenoeh, mëmalikan.
uitdraaien, /ie uitloopen.
uitdragen, mëmbawa kaloewar, meng\'
angkal kaloewar.
uitdrijven, mënghalaukan kaloewar,
mënghin/jit,
—, op den stroom, hanjoet
kaloewar.
uitdrinken, mhioeni habis.
uitdrogen, djadi kering; uitgedroogd,
kering, kakëringan. ■—, bedr. mëngë-
ringkan.
uit droppelen; uitgedroppeld, doch
nog vochtig, sëdjat. Zie droppelen.
—, uilleken, druppelsgewijze uitvloeien, ,
Hoes, b.v. van bloed, urine enz. Zie \'
leliën.
uil i Irnij k(i, zie druipen.
uitdrukken, drukkende uitpersen van
vocht, mcmërah (van përah); het water
uit eeu doek drukken, mëramas ka\'in.
— van de prop uit een hloedzwccr,
méma/jol
(van pa/jol); zich in woorden \'
—, oengkap, roengkap; woorden, waar-
mede men zich uitdrukt, oengkapan.
uiteen, gescheiden, fjërai; luet verschei- :
denheid, tjërai-bérai. — doen, mentjë- \\
rotkan, mën/jërai-bèra/kan.
—, van innn-
schappen, inwoners, de planken vaneen
gestrand vaartuig enz., pësai, —, van ;
een verslagen leger, porajr-parik, porak-
pêranda.
—, uit elkander, van elkander,
kékar. — doen, mëngëkar. — doen, van .
vuur, mënyëkah (van k\'ékah).
uiteenloopen, bërsëlisift; woorden dio j
—, pérkafaihi jang bérsëlisih; wegen die |
—, djalan yang bérsëlisih; b.v. maka
orang iloêpon bèrdjalanfah, laloe bërsë-
lisih djalan dêngan radja,
dio lieden
nu gingen, vervolgens liep hun weg en
die van den Vorst uiteen.
uiteinde, punt, hoedjoeng. —, slip,
pand, poen/ja; ook van een pit, Ham-
bouw, iont, touw enz.; puntig —, dat
ergcQB in komt, b.v. de pen waarmede
mes of wapen in het heft komt; ook
van halken, latten, masten en dergcl.,
poeting; het —■ van een mast ook |
poeting tjëpoe-ljëpoe. —, van lak of i
t^\'jg. djoelai; puntig — van cen dissel,
poeting bèlioeng, —, afloop, kasoeda-
Aan, jiènghabisan.
—, laatste uur, dood,
mali, adjal.
uiten; woorden —, mèngaloewarkan
ka/a (van kaloewar). Zio spreken.
uiterlijk. Bijv. nw. en Bijw. naar bui-
ten, nan de buitenzijde zich vertoonendc,
diloewar, nja/a, lah\'tr, Ar. moeka-moeka;
met — vertoon, dengan moeka-moeka,
b.v. kamoerahan jang boekan moeka-
moeka,
weldadigheid zonder —vertoon.
—, ten langste, op zijn laatst, salama-
lamanja,
b v. ija tdah pergi kasëla/,
tëlapi salama-lamanja ëmpat hari ija
poelang,
hij is naar Singupoera gegaan,
doch — vier dagen dan komt hij terug.
—, Zelfstnw. loewar, lahir, Ar. het
— en het innerlijke, lahir dan bafin,
loewar-dalam.
—, voorkomen, roe pa; een
gunstig —, roepa jarig ba\'il; — aanzien
van cen stad, kalakoewan. —, gelaat,
tnoeka; een onbeschaamd —, maeka
tëbal, moeka papan;
dichterlijk, paras,
b.v. zij beeft een bijzonder schoon —,
lerlaloe tlok parasnja. — voorkomen
van iemand inzonderheid van bet on-
der&le gedeelte van liet gelaat, ëmbeh;
van één — voorkomen, sa\'ëntbeh.
uitermate, terlaloe, a/na/, sangal, /ér-
lampau.
uiterst, de meest verwijderde, jang
/ërdjaoeh, terlèbih djaoeh,
—, laatste,
achir. e wil, kahëtulah jang achir.
— ook haöis-habis, sahabis-habis, h.v.
de e grootte, sahabis-habis bësar; de
—e prijs is vijf gulden, habis-habis lima
roepiah harganja,
ook pënghabis, b.v.
de —e list of bedenking, pénghabis
frelat.
—, soms ook soedah~soedah; tot
het —e gebracht, tërpërah-pUjah, letterl.
uitgeperst en gebroken, fiada bh\'daja
lagi,
d. i. geen middel meer welen;
zijn —e best doen, m\'éiitboeteal sabolih-
bolihi.ja.
— zeldzaam, lig. mahal dib\'elï
soekar diljèhari,
d. i. duur om te koopen,
moeielijk om te vinden; tot aan het
e der wereld, sampai dihoedjoeng
boemi.
uiteten, mahan habis istnja.
uit Happen, /érlandjoer ka/a.
uitfluiten, zie uitjouwen.
uitgaaf\', kosten, vertering, bëlandja,
biaja;
onnutte uitgaven doen, memboe-
wang bëlandja;
zich in zijne uitgaven
beperken, zuinig zijn, bër/ahan bëlandja;
doorlooponde uitgaven, bëlandja lang-
-ocr page 751-
789
uitgaan — uitgeven.
toeng; uitgaven hebbon of doen, bér-
bèlandja;
tot ■— bestedon, mimbëlan-
djakan, mëmbiajakan,
uitgaan, naar buiten gaan, kaloewar;
— tot, mëngaloewari; in- en —, kaloewar
masoefr.
—, dooven, vnn vuur, licht
enz., fia/fam; het vuur laten —, door
het uit elkander te leggen, mënjoerai
api
(van soerai); op avontuur —, *&•
rajau;
niet meer —, het huis verlaten,
tiada kaloewar lagi dart roemah; op
roof —, van personen op het land,
përgi mënjamoen; op zee, pèrgi mërom-
pak;
vnn wilde dieren, kaloewar jièrgi
mëntjèhari mangsanja;
op buit —, in
den krijg, pérgi mëndjarah-rajah; een
gebod laten —, van den Vorst; mem-
bëri til ah;
van het bestnur, mëmberi
pérentah.
— van kerk ot\' school, bër*
hënli;
laten — , vrij laten, mëlëpaskan
pèrgi;
er —, van vlekken, Allang; op
iets —, eindigen, kasoedahannja, pada
kasoedahannja.
uitgaand, Jang dibawa kaloewar, b.v,
—e goederen, barang-barang jang dibawa
kaloewar.
—e rechten, beja barang-
barang jang dibawa kaloewar.
uitgang, het uitgaan, k"loewar. —,
plaats waar ir.en uitgaat, tempat kaloe-
war.
—, dour, pin toe; verborgen —,
pintoe. ui alhig; tenen ■— geven, b.v.
aan water, mëmbëri timpat kaloewar.
—, einde, kasoedahan, pinghabisan,
aehir,
Ar. ilkibai, Ar.
uitgave, zie uitganf.
uitgebreid, loewas; ook fig. van he*
hart. —, wijdloopig van eene rede o:\'
verhaal, landjoet. —e deugden of kun-
digheden bezittend, bëstari, Skr.
uitgebreidheid, kaloetcasan; wijdloo-
pigheid, landjoet.
uitgehongerd, kalaparan sangat, ka- \'
boeloeran.
uit gehooid, doorboord, bolong.
uitgelaten, vroolijk, ria. —, dartel, [
këratja k.
uitgelatenheid, kariaiin.
uitgeleerd, in het lezen van den Ko-
ran, lammat mengadji.
uitgeleide, pénghantaran. — doen,
mënghanlar, mènghaniarkan.
uitgelezen, uitgezocht, pilihait. —,
voortreffelijk, uitmuntend, ieroetama.
— krijgsknechten, lasjkar pilihan.
wijn, ajar-anggoer jang ieroetama. Zie
keurig.
uitgemaakt, besligt, ientae. —, vnn
eene zaak, poetoes; het — zijn, kapoe-
toetan —, vast bepaald, vnn een schuld,
tsabil, Ar.
uitgemergeld, uitgeteerd, koeroet-ke-
ring.
uitgenomen, uitgezonderd, mètainkan,
kètjoewati. — slechts, hanja.
uitgeput, doudelijk zwak door lang
lijden, tënat, leta toelang; al zijn ver*
nuft — hebben, habis arak. —, van
vermoeienis ot\' ziekte, letih; zeer —,
lètah-lëtih, lêlih-lesoe,
uitgerekt, /.ie uitrekken. —, van
de ooron, lambing, b.v. zijne ooren
waren — tot op zijne schouders, të-
linganja lambing sampai kabahoenja.
uitgerukt, toegerust, langkap, aiap.
—, van vermoeienis, soedah bërhënti
lëlah.
uitgeschulpt, bërbikoe, b.v. een gebur-
duurd bnadje met uitgescbulplen rand,
badjoe bèrfèkat tëpi bërbikoe.
uitgeslagen, door vocht, zooals b.v.
kaas, lëngas. —, met open figuren, b.v.
van goud, hout, papier enz., (èboek:
uitgesneden, uitgehoold, vnn hout,
dodos.
uitgespreid, zooals b.v. een kleed,
eene mat enz., tërhampar, térbentaiig;
van de vleugels, babar.
uitgestorven, onbewoond, soenji; ledig
en —, soenji sënnjap. —, v. e. geslacht,
habis mati samoewanja.
uitgestrekt, wijd, ruim, loewas. —,
breed, lebar. —, lang, pandjang; recht
—    van de vingers, berboedjoer, b.v.
mënjèmbah berboedjoer djari. —, van
arm of hand, recht vooruit, lërgang-
gang;
recht naar beneden, terhoeloer,
zie uitstrekken. —, van de beencn
bij het zitten, bëloendjoer; ook — liggen
van lijken, b.v. badav sëgala manoesia
jang mati itoe sapërti batang pisang
bëloendjoerttn.
uitgestrektheid, loewas, kaloewasan,
b.v. adapon loewas karadjaiin iskandar,
wat de — van Alexanders Kijk betreft.
uitgeven, van geld voor bet een of
ander, mëmb\'tlan djakan oetcang, mïm-
biajakan,
b.v. voor iemand om hem te
onderhouden. — voor lie/dadige doel-
cinden, mëndërmakan oewang, me.mbia-
jakan pada djalan Allah;
in druk —,
mëngaloewarkan (van kaloewar); zich
—   voor, mëmboewat dirinja, niengatakan
-ocr page 752-
740
uitgever — uithongeren.
Bagomerg uit den stam, mèmangkoer
(van pangkoer).
uithalen, trekkend, mènarik\' kaloetcar
(van tarik-), tuëitghela k. —, peuterend,
zie uitpeuteren. — van iets dat
ergens in vast zil, b v. eene plant uit
den grond, een kurk van eene tlesch
enz., mentjabort. — uit een scheedu,
mènghoenoes, mentjabort; de woorden
uit de keel hulen, opdnt men achter
de waarheid of het geheim kome, mfth
djorltiek- kata-,
met een rijtuig —,mëm-
betoekkan kareta-,
met een vaartuig—,
mëinbeloelckan përahoe. — van den in-
houd van iets of de ingewanden, mëm-
boewang tsiuja, metigatoewarkan isinja,
méwëroet.
—, uitgraven, zie ald. —,
goed opdisschen, mtndjamoe baik-baïk.
uithangbord, ïïtdtnat, Ar. papan ald-
mat.
uithangen, buiten hangen, tërgantoeng
dtloewar.
—, buiten ophangen, meng-
gantwng dtloewar.
—, zich den schijn
er van geven, puera-poera, b.v. den
vrome —, poera-poera orang talih; de
keel —, djëlafc, b.v. het hangt mij de
keel uit, ttjetak- akoe.
uithebben, geëindigd hebben, toedah,
habis, tammat.
—, uitgedronken heb-
ben, diminoem habis.
uitheemsch, dari nëgari lain, hëlai,
grarib,
Ar.
uitheften, mhigaugkal kaloetcar, m. dari
dalai/t.
uithelpen, helpen naar buiten brengen,
menoeloeng kaiocKar (van tueloeng). —,
uit den nood helpen, mëlëpaskan dari-
pada kaioi\'karan;
uit het govaar —,
mèlofportkan daripaila bahaja, mUëpas-
kan d. b.
uithetper, pénoeloeng.
uithiJMchen, mènarilp kaloetcar (van
tarik1)
uithoek, knnp, landtong, zie ald. —,
eenzaam oord, tëmpat jang soenji. —,
verwijderd oord, tëmpat jang djaoeh.
uithollen, door snijden of beitelen wij-
der maken, mëndodos. —, van den
grond, mëngnrok; naar Manen — van
oen kuil in den grond, mënfjëroef: ka-
dalam.
—, doorboren, mëmbolong; met
bep. obj. mëmbulongi.
uithongeren, van den honger om-
komen, mc.ti kalaparan; bijna uitgehon-
gerd, hampir mati kalaparan, kaboeloe-
ran.
—, honger laten lijden, wëlaparkan.
dirinja (van kata); ook wordt het begrip
i-uni- teruggegeven met den act. vorm
van het Wv, b.v. memuridai dirmjn,
zich voor knap —, membisar dirinja,
zich voor voornaam —.
uitgever = drukker; oukorattgjatig
inëng aloë war kan kiidb.
uitgewekene, orang jang menitiggal-
kiin nrgarinja.
uitgezet, het land —, diboetcang ka-
lOMMT negari;
het hui» —, dikaloe-
warkan dart datam roemah
; vaa do
mag, b.v. door een pruim iu den mond,
grmbul,
uitgezocht, b.v. in —e spijzen, goede-
ren, manschappen, vrienden, enz., pili-
han;
prima kwaliteit, kapafa-kapalti,
b.v. dtttangtah sa*orang M elajoe mëm-
bawa ëiiam boewah kajmla-kapala doe-
rian,
kwam er een Maleier niet zes
stuks —e doerian-vruchtcn.
uitgezonderd, mëlainkan, keljoewali.
uitgieren; het — van pleizier over
iets, bérgëndang paha.
uitgieten, mënfjoerahkan; vuur —,
mëmadamkan api dëngan ajar (van
pailam). —, op iemands hoofd, mëroe-
waktim,
b.v. laloe diroewahkan goelai
itve ka-a/as kapala,
toen werd de keri)
over het hoofd uitgegoten.
uitgieting, tjoerahan.
uitgleden, gëlintjir, gëïttjik-; uitgegle-
den, tèrgëtiiitjir, fërgëlifjtk-, t\'érpUetjoek-,
tërgëletjoek, kepleset,
Jav. — naar voren,
gilasar. — op zijde, b.v. door met den
voet op iets te trappen, ierdjërimbat.
uitglippen, uit de hand —, b.v. van
een touw enz., loeljoei, gëlantjir, giton-
tjor;
uitgeglipt uit een gat, waarin
iets staat, b.v. een mast of paal, door
dat het gat niet diep genoeg is, koetjil.
uitgooien, nnnr buiten gooien, mémboe-
wang kaloewur, mëloetar kaloetcar,

van kleuren, inënanggtttkan (van tavggaf).
uitgraven, Hi\'ènggali, mevggali kaloetcar;
naar binnen —, mëntjëroefr kadttlam;
met de handen den grond, de oogen
enz. —, mëngëroek (van këroek).— van
tinertB, uiëmoepnet (van poepoet), Mal.
NB. op Hatavia is poepoet een graaf,
waarvan inbrekers zich bedienen.
uit hult en. mtinboeka ka\'itnja.
uithakken, van het boecb, ménebang
(van tëbang); van bot kreupelhout, mënë-
bas
(van tèbas). — van het bosch, ook
mènërangkan (van tërang). — van het
-ocr page 753-
uithooren — uitkomen.                                       741
uithooren, om achter do waarheid te
komen, rnindjoeloek kata, manfjintj\'
tnantjing
(vu pan Ij ing, Jav.). —, uit-
visecbeo, nvénfju/tgkil; elkander —, m-
kal-memikat, .Mm,
uilliuo/i-n, van liet witter uit het ruim
van eeD vaartuig, m\'enimba ror\'wang (van
timba) ; geheel leos —, van een vaartuig,
berkimarau, b.v. al het water uit het ruim
hoozen, berkimarau ajar roewangnja.
uithouden* lang verduren, tahan lama,
kandjang,
b.v. djangankan \'tja kandjang,
btrpPtaeh pon tja dada,
laat staan —,
hij zweette zelfs niet; niet kunnen —,
tiada tirtahan, dada lerdérila, ook
ta\'koewasa. —, verdragen, ook bllah.
uithouder; do —s van een inlandsch
vaartuig, gandui\'ng, penggandoena; van
een vlerkpranw, kaiir.
uitbouwen, met den beitel, mPmahal
(van pahat); buoineu —, nünPbang
puhun kajoe
(van tPbang).
uithuizi<£, djarang diroemak, d. i. zelden
thuis.
uithuwen, van een jongeling, mPmpt-r-
istfrikan, mPmpfrbinikan;
van een
mei-je, mempPrlakikan, mtmpPrsoewami-
katt;
van beiden, mfndoeduekkan, imp-
ugawinkan (van kaïcirt, 1\'erz.) mfni-
kaiikan,
(van nika/t, Ar.).
uitjiiji^n» jagende verdrijven, mPitgha-
laukan. mettjahkan;
naar buiten jagen,
mPnghalau kaloewar.
uitjouwen, njfnjen; tartend —, memekis
(van pekis).
uitknkken; iets —, mcberajrkan.
uitknmraen, met eone kam, mtnjikati
(van sikat), mPnjisiri (van sistr).
met cene kam of de vingers, mPnggï-
ragas.
— met de vingers, mïnjorgar
(van toegar). —, kaarden, zie ald.
uil huppen: ruimte maken in een bosch
door —, mfnjiang (van siang); een Weg
door het kreupelhout of de struiken—.
meuvbas djuia»; een ongevormd Btuk
uit iets kappon, tnPnebak1 (van tebak,
zulk een gekapt stuk). —, zie ook
uithakken, uitbouwen.
uil lijm wen, mPmamah-mamah, makan.
uitknuwsel, b.v. van suikerriet enz.,
hampat, — van een bételpruitn, tepah.
uitknvelen, van land, menjakat (van
sak al).
uit Weeren, betalen, membajar. —, te
voorschijn brengen, vit-galoewarkan
vnn kaloewar).
uit liepen, menakifr (van lakifr). — van
den -tam eens palnis, om er gemakke-
lijk ts kunnen inklimmen, ook van
balken, mënakoefc (van takoek); zie bij
keep.
uitkiezen, mP.milih (van pilih). — van
geldstukken, door ze te laten klinken,
méminting (van p?nling).
uilkiezer, pPmilih.
uitkijk, boven op iets, torentje, toeng-
..■■\'/-. mirljoc.
—, verheven stelling op
palen, panggorngan. — op den vooi-
stcven, lindjaa karaug; de man op
den —, ppnindjau; de plaats van —,
aan booid, pPnindjantcan, Ijalcng, Jav.
uitkijken, ntPnindjau (vai. tindjau) më-
nettgok (vun lengok); lang te vergeefs
moeten — naar iemands komst, bPr-
poflih mata.
uitkyher, pP.nirdjau.
uit k\\j ht orentje, foengkap, merljoe.
uitkippen, uitkiezen, zio ald.
uithhuhlen, mPnghapoeskan.
uithleeden, mvnanygalkanpakajan (van
tanggal), ntPmboe.ka pakajan; iemand
naakt —, uitschudden, lig. mengambil
tittfingan.
uitklimmen, mïmandjal kaloewar (\\&a
pandjat).
uitklinken, met een omroepersbekken,
mPntjanangkan.
uitklinker, omroeper, pPnijanang.
uitknijpen. Van het vocht uit iet»,
metnèrah (van ptrah). —, zooals b.v.
een citroen, ook mP.rantas.—.strijkend
of stroopend, zoonis b.v. water uit een
doek enz., meloeroel. —, zie ook uit-
wrinffen.
uitknippen, tnïnggoenting; eene figuur
uït papier, doek, leder enz., menïboek
(van Ifboefr).
uit hnip-el, goentingan.
uitkoken, in water, me re boes; uitge-
kookt, rebues, b.v. uitgekookt vleescb,
daging rP.bnes. —, door koken afzon-
deren, mPnggolok:,
uitkomen, naar builen komen, kalor-
war;
ook —, verschijnou van een boek-
werk, —, van planten en tanden, loem-
boeh, •
—, van vogels uit het ei, ménël-s
(van Mas). — van vederen, mPrPboeng;
van voren — op, b.v. \\ au een huis,
w ujihidiip; van achteren — op, mïm-
bèlakang.
—, gebeuren, er toe komen,
sampaï, dalang, b.v. het kwam uit zoo-
als de sterrenwichelaars gezegd hadden,
-ocr page 754-
748
uitkomst — uitleiden.
maka dutatiylak sapërti kaia akloe\'n-
noedjoem.
—, bekend worden, kata-
hoean, djadi njala, djadi fakir;
aan !
bet Hebt kouien van iemands streken
of booze stukken, kadapatan boedi. —,
van eene rekening, bttoel. —, uitloopeu
op, van een weg, djalo/i, b.v. die weg
kwam juist uit in bet midden van de
buurt, djttlan Uur bëloel djalok diiënyah
kampoeny.
—, bij het kaartspel, tueroen;
beschaamd —, ketjitca, bervlik këljiica,
b.v. djanyan di\'ackerat kita bërolih \'■
këtjiwa,
opdat wij in de eeuwigheid
niet beschaamd — ; zijne licbaains- |
gestalte voordeolig doen —, viëmboc-
wavj sikap;
zijn karakter of natuur-
lijken aard doen —, mëmbomcaiiy
fabiat;
met iets —, genoeg doen zijn,
nttntjuekoepkan dëtiyan, b.v. met zijn
tiakteiuent —, mëntjwkoepkan denyan
yudjinja;
op hetzelfde — of neerkomen,
siima djalokvja.
uitkomst, einde, afloop, kasoedakan,
dffibat,
Ar. —, som, djoemlak. Ar. —,
redding, kalëpasan, kaloepoetan, —,
hulp, përloeloenyan.
uitkook^el, afkooksel, reboesan.
uitkoop, téboesan,
uilkoupen, mënëboes; den tijd —, mëm-
betakan wektoe.
uithrabben, mënyêrok (van k-trok), de
oogen —, mënyërukkan ma/a. — met
iels Bchorps, mi-nytrih (van k\'ériff). —,
doorhalen, wegvegen, b.v. van een naam
of woord, mëngkapoeskan, mëmboenoek.
uitkramen, toonen, vertoonen, mëm-
pérlikalkan, niïnoendjoeffkan
(van toea-
djnefc).
uitkrijgen, uit iets kunnen balen of
brengen, dapat mingaluewarkan (van
katoen-ar). —, verlossen, bevrijden, më-
Ivpaskan. •
—, eindigen, mënjuedakkan
(vun soedab), mëntjhabiskan. —, uit-
lezen, zie ald.
uit kruipen, mëravykal? katoeioar.
uiiltumien, dapat k aloë war; er uitge-
brucht kunnen worden, dapat dikaloe-
warkan;
er —, er van gemuakt kunnen
worden, dapat dipP.rboewat daripada.
uitlachen, bcdr. tërtawakan (samengest.
uit tertawa en het V oorz. akan.
uitladen, mëmbungkar, mëmoengyuh (van
poenggak.
uitlander, vreemdeling, orany dagang,
orang këlat, orany lain rïéyari, orany
yrarib,
Ar.
uitlaiidig, diloewar ne.gari.
uitlaiidMoh, dart lain nëgari, Këlat,
yrarib, Ar.
uitlaten, uitgeleiden, mëngkantar kaloe-
ivar. --,
laten heengaan, mëlëpaskan
kaloi\'ttar, mëlëpaskan përyi.
—, weg-
laten, vergeten, lorpakan, térloepa akan.
—, niet aansteken van vuur of licht,
linggalkan padam, tiada dipasang,■ zich
—, de geheimen van zijn hart open-
bareu, mëmboeka rahasia katinja,- zich
—, ook mëngaloewarkan tjakap. — van
kleeren of versierselen enz., tiada ml-
makai
(van pakai). —, opzettelijk weg-
laten, hij spreken, tiada mënjëboel {van
sëboel), bij schrijven, tiada mënjoerat
{van doerat), tiada mënoelis (van tuetis).
uitleenen, iets aan iemand leenen, rnë-
mindjamkan, mëmbëri pindjam;
hier en
daar geld — tegen intrest, mëndjalan-
kan veicang.
uitleeren, bëladjar kabis.
uitleg, ptnytrtian, kaitrangan. vno
een geschrift, lafsir, Ar. — van een
droom, liibir, Ar.
uitlegbaar, dapat di-ërlikan, dapat di-
ta/sirkan, dapat dililbirkan;
zie het
vorige woord; niet —, tiada tërërti\'
kan, tiada tértafsirkan, tiada lert\'ï-
birkan.
uitleiden, verklaren, niëngërtikan, më-
nërangkan, mënjatakan, mëntafsirkan
méniabirkan;
zie uitleg; verkeerd —
van inmands woorden, mëmbawa salah,
—, leggende uitspreiden, van kleed of
duek, mënyhamparkan. —, uitbreiden,
wijder maken, mëloewaskan,- ruimer
maken, b.v. van een kleed of voor-
werp waarin iets moet, mtluuygarkun.
—, langer maken van een kleed enz.,
mëmandjanykan (vanpandjana); breeder
maken, niëlebarkan.— van %o\\d,mënyu-
loewarkan oewany
(of bëlandja).
uitlegger, verklaarder, orany jang we-
nyërtikau enz. /ie het vorige woord;
de —s van een vaartuig, tjadi-ljadi,
— van suikerriet, stukken suikerriet
die men in den grond legt tot vorming
cener nieuwe plant, bibit tëboe, bëni/i
tëboe.
uitlegging, pënyëriian, tafstr, tabt\'r.
Zie uitleg,
uitlegkunde, clmoe tafsïr, Ar.
uitlegkundig, exegetisch, aias sjarf
taf air,
uitleiden, mënyhantar kaloewar; bij
-ocr page 755-
uit nood igen.                                     7-13
uitmaken, vormen, zijn, djadi. —»
beslissen, me\'nénloekan (van tëutoe),
mëmoetoeskan
(van poetotrs), mendjëlas-
kan, mettjèlésaikan
(van selèsai), mPng-
kabiskan, mriitsabitkan,
b.v. orang jang
bërafral sekadja da pat ménéntoekun dia,
alleen, iemand, die verstand heeft, kan
dat —; Min< ut>!■ kan persèlisekan, een
ge.-chil — ; mémorloeskan pPrkara, eeoe
zaak —; mënd/llaskan sëlisik, een
geschil -- ; mareka-itot-lah niëngkabis-
kan sïgula biljara,
zij waren bet, die
alle zaken uitmaakten ; maka djtkalau
tiada tërkabiskan o/in matcka-itoe,
en
als het door hen niet kon worden uil-
gemaakt. —, vaststellen in rechten,
ook mëntsabitkan (van tsabit, Ar.). —,
uitschelden, mëntjeretja, maki-maki. —,
smalende doorhalen, mëngoemau (van
oeman). — voor al wat leelijk \'\\*,mëm-
bagaikan;
voor eene vrouw uitgemaakt
worden, dipritidakkan laki-laki, letter),
ontkend worden van de mannelijkheid;
uitgemaakt, vanzelf spreken, memang,
b.v. koelitiija mt-mavg dada dimakan
besi,
\'t wü- uitgemaakt, dat zijn huid
niet door ijzer kon beschadigd woi-
den ; iemand voor alles —, led ja; dat
maakt niets uit, dat is niets, tiada
mtngapa.
—, uitwisschen, van het ge-
schrevene, memarang (van parang),
inëngkapopskan.
—.uitblusschen, zie ald.
uitmelken, metnvrah ajar soesoenja
sampai habïs.
uitmeten; breed —, overdrijven van
eene zaak, mëugambil pandjang.
uitmonding, van den neus in de keel,
rahang hidoeng. — eener rivier, zie
monding.
uitmunten, bërkalëbikan.
uitmuntend, leroetama, maha, ter-
moelia.
uitnemen, mengambil dari datam. —,
uitsnijden of uitbouwen van het hart
eens palms of een paluiiet, mëngonnbott,
uitnemend, uitmuntend, zie ald. —,
bijzonder, iftlflM, Pen,
uitnoodigen; een meerdere beleefd tot
het een of ander—, mëmpërsitakan (\'van
si/a), b.v. V wordt uil genood igd om
binnen te komen, toe wan dipërsi/akan
H.n.-.i -y:
een gelijke of mindere, so>—
roeh,
b.v. — om te gaan zitten, sorroeh
doedoek.
— om te eten, toeroeh makan ;
een mindere beleefd tot een feest of
maaltijd —, mëndjëmpoet t mëmanggil
uitleiding —
do hfinil —, memimpiit kaloetcar (van \'
pimpin).
uitleiding, penghantaran kaloewar.
ui i lekken, zie lekken en uitdrup-
l>elen.
uitleveren, overleveren, menjürahkan
(van strak).
uitlevering, pïnjërahau.
uitlezen, ten einde lezeo, mëmbatja
kabis.
—, kiezen, schiften, memtlik
(van pilih). —, uitkippen, ook me" moe-
ngoet
(van poengoet).
uitlening, uitkiezing, pilikan.
uitlichten, met een licht uitleiden,
minghantar dhiyan soelorh (of damar,
of teug) enz. —, uittillen, mmgangkat
kaloewar, mtngaloewarkan
; inet een
wip —, inzonderheid vim een napen
uit de scheede, doch niet wat men noumt
uittrekken, mïnjëndat (van sèndal).
uit liggen, van een kleed ot\' doek enz.,
tïrhampar; los, uitgespreid lisgen, ter-
bahar.
uitlikken, mendjilat, mfttdjilati.
uitlokken, zie lokken.
uil lmnUcii, membaica kaloevcar.
uitloop, buis, pijp, seloeran. —, mon-
ding van eenc rivier, koeicafa.
mUoopeii, ten einde loopen, kasoada- \\
hun, berkasoedaban.
—, leegloopeu, \'
bërpantjoer sampai fiabis. —, zich van
buis begeven, pergi berdjalan-djala»,
kaloricar dart roemak;
gij loopt veel uit,
djarang ïntjkau diroemah. — , van een
vaartuig, berlajar, kaloeicar, mënoelak
(van toelak). —, uitkomen op iets, van
een weg, djatoh, b.v. deze weg loopt uit
op de maikt, djalan int djatoh kapa-
tar.
— op, van eenc deur, arah ka.
— op, tot gevolg hebben, sehadjakati,
b v. kahïdofpan k\'tta didornia sekadja-
kan mati,
ons leven in du wereld luopt
slechts op sterven uit; wnar zat dit
toch op —, wat /al er het einde van
zijn, apa garatigan kasordahannja; op
sterven —, vnn eenc ziekte, mtmbaica
njaica.
—, kiemen, van zaden, bh\'kv-
fjambak,
b.v. uitgcloopen boonen ot\'
erwten, katjang kë/jambak. —, van
boomen en planten, bërtaroejr uweda,
bërtoettax, berpnefjock;
uitgeloopcn, van
een kokosnoot, bërtoeinbotrng; in zee —,
van eene rivier metigaltr kalaoet; in
zee — van een landspits, mengaudjoer
kalaoet.
uitloven, djandji.
-ocr page 756-
744
uitnoodisinfs — uitroeper.
uitproesten, van vocht, dat vocht als
stof deeltjes met den mond uitblazen,
menjëmboer (van temboer), b.v. disëm-
boerkannja tueatoe djëni» gëtah,
door
hem werd eene soort van gom uitge-
procst. — van het lachen, tërtatca
gelak-gëlalr.
uitpuilen, b.v. van de oogen, een worm
uit eene vrucht, wild vlecscb uit eene
wond, bërtil, përsil; uitpuilende oogen,
mafa tombol. — van de oogen, zooals
bij dronkenschap, hfjoet. —," uit de
holte treden, van de oogen, kelëdir.
—, van den navel, boedjal. — van een
gezwel, boud jol. —.gedeeltelijk uit eene
opening te voorschijn komen, zooals de
etterpiop uit een bloed/weer, stmboel.
—,van het voorhoofd, djëndol, bint joel.
uitputten; de krachten —, mënghab\'ts-
kan aégala koftcat.
—, ledig putten,
mënimha habt» (van timba). —, ver-
zwakken, mëlëmahkan, mëndltlt/kan.
uitredden, mëlonportkan, mvlëpaskan.
uitreiken, uitdeelen, mëmbëhayi-bëhagi.
uitreis, djalan përgi; uit- en thuisreis,
djalan pergi-datang.
uitreklmtir, dapat dirëgangkan.
uitrekenen, mënghitoeugkan.
uitrekken, mërëgaugkan; zich —, më-
regangkan diri;
zich de ledematen —,
zoowel van dieien als van menschen,
bërsënauv —, b.v. van leder, mëndjeit\'
djel;
zich — van luiheid of vadzigheid,
mënggèliaf, mënggëlioel; van slaperig-
heid of lusteloosheid, këtljang, mëngë-
djaugkan diri; këdjai.
Zie rekken.
uitrichten, ten uitvoer brengen, mela~
koekan, mënyërdjakan
(von kï-rdja).
uitroeien, van groote buouicn, mëmban-
ton;
zie rooien. —, verdelgen, më-
noempas
(van toempas), mëmbinasakan
(van bitiasa); met Wortel en tuk utt-
geroeid, iërtjaboet dëngan oemhi akarnja.
uitroept sëroe, tarejalf,
uitroepen, bëraëroe, bërtarrjak; zie ook
roepen; tot Vorst — , bij trommel-
slag tot Vorst —, mënobaikan (van
nobat), mënfaóaJkan. —, luidkeels af-
kondigen, tcartcar. —, alom verkondi-
gen, bekendmaken, mënjërantakan (van
tëranta); bij bekkenslag —, mëutja-
nanykan, niëmongmongkan
; zijne koop-
v;miy —, mënjëroekan djoewalannja, b.v.
zij riep hare bloemen ten verkoop uit,
maka ijapon mënjëroekan boenganja,
uitroeper, zie omroeper.
de uitgenoodigde, orang djëmpoetan, !
o. panggilau; de uitnoodiging, djëmpoe- i
lau, panggilau; met een wenk —, b.v. !
om te elen of Ie gaan zitten enz,
mfnjogolr van $ogojr>; elkander met
eeoe buiging — tut spel ot\' dans enz.,
bëranggap-anggapan; lot een dans —,
anggap wënari.
uit noodiiiinu, përsilaan, djëmpoetan,
panggilau, anggapan
; zie hel vorige
woord.
uitoefenen, mtlakoekan, uiëngërdjakan;
b.v. zijn beroep —, mëlakoekatt pëker-
djaannja, mëndjabal p.
Zie oefenen.
uitpakken, mëmbongkar, b.v. een kist
—, mëmbongkar isi jiëti.
uitpersen, drukkend uict de handen,
memera/t (van pïrah); een citroen —,
OOk mëramas limaa. —, door middel i
van een pers, mënyapit.
uit per*iiiie, pera/mn, apitan. Zie het
vorige woord.
uitpeuteren, krabbend, mëngorek {van
kurek).
— met een puntig voorwerp
stekend, mënljoengkil. — van kleine ,
znken, b.v. een lauipepit enz., mënjigi
(van sigi). — van de tanden, ook de
pit van een lamp, mënjoegi \'van soegi).
—, b.v. van een afgebroken pen, die
ergens in zit, mënggërindjam.
uitpikken, mëmaioe^ (van paloek), më-
magoet
ivan pagoeti. •—.pikkende doen
uitkomen, van kuikens, mënëtat (van
tëtas). —, uitkiezen, zie ald.
uitpluizen, uitspcuren, b.v. van rechts-
zaken, uië.njtlëngkarkan (van svlhigkar), I
menjelidik (van se/idifri. —, van katoen, I
wol enz., mëngojak- (van kajak). —, van
pluksel, mengoe\'saikan (van otsai). —, \'
om er iets in te vinden, dus ook luizen,
mïnjSlisik (van selisik). Zie pluizen. ,
uilplnkken, van iets, dat ergens vast
in zit, b.v. eene plunt uit don grond, |
haar uit het hoofd of de huid enz., ;
mëntjaboet. — van de blaadjes der :
bloemen voor de boenga-rampai, een
welriekend bloemenmeng«eI, mëroentïh.
l\'.ul. bov.1. —, zie ook bij plukken. |
uitplunderen, mëndjarah hans, me- ;
Mjawueni halls (van tamoen). Zie plun-
deren.
uitpoepen, memberak-kan.
uitpompen, mëngahewarkan ajarnja
dettgan bomba,
—, van een geweer,
mënggaboes.
uitpraten, mëngatakan habis.
-ocr page 757-
745
uitrollen — uitspannen.
uitrollen, van deeg met een rolstok,
niéüljanai; uitgerold, plat, niet in een
klomp, babar.
uitrukken; niet geweld—, van groote
voorwerpen, ook van eene keg en een
pijl uit een wond, mëmbantoen; van
meer kleine voorwerpen, die ergens vast
in zitten, mên/jabuet; bet hart uit het
lichaam rukken, meragoet hati; de
hoofdharen —, ook meragoet, mereng- ]
goet-r\'évggoet ramboei.
—, zich op weg
hegeven, om bij iets tegenwoordig ts ;
te zijn, b.v. van een Vorst, veldoverste,
een leger enz., saleh.
uitrusten, iets of iem. klaar of gereed
maken, nünjadiakan (van sadia), mettji~
upkan
(van stap). —, iets van het ont-
brekende voorzien, b.v. een vaartuig
enz., wdangkapkan (van latigkap, com-
pleet, voltallig). —, van vermoeienis,
berhênÜkan léïahnja.
uitrustin£t< kalangkapan; volle —,
expeditie, tëmb\'erap. —, kompleet stel
salangkap, b.v. een — van kleeren,
salungkap pakajan.
uitscheiden, door scheiden afzonderen,
mhitjëraikan. —, ophouden, herkend.
— met, btrkënti ilaripada; schei uit!
toedak ! soedahlak.\'
uitschelden, makt, maki\'maki. —,
tevens het een of ander kwaad van
iemand zeggende, mèngata\'ugata\'i (van
kata).
uitscheppen, b.v. van een vloeistof,
of visch, m\'enjaoi\'k (van saoek).
uitscheuren; verder uitschouien, b.v.
van wonden, rabak, rebafc; zie scheu-
ren, — , van een gat enz. b.v. het gat
in een oorlel, mërabit; uitgesebeurd,
van zaken die aan elkander vastzitten,
b.v. takken, serekah.
uitschieten, met een straal, van vloei-
stoffen en het licht, me mantjar; herbaal-
delijk, m\'emantjnr-mantjar; in menigte,
èirpanijaran. —, tusschen twee druk-
kende of knijpende oppervlakten,zoonls
b.v. een pit tusschun de knijpende vin-
gers, of door stuiting tegen iets, me-
léntjit;
zie uit<-Hppen. — van het
benoodigde geld lot bestrijding der
kosten, ntingaloewarkan beland ja; een
touw —, menghodoerkan tali. —, af*
zonderen, menjabdahkan (van sabdah),
mentj\'éraikan.
—, omloopen van den
wind, beralih.
ultschut, tjïreh.
uitschrabbeii, mengikis (van kikis),
uitschrabsel, kïkisan.
uitschudden, mengëbas (van ke&as), iets
—, metigëbatkan. — van stof uit klee-
ren, of de vederen —, van een vogel,
mengirap (van kirap), mëttgirai (van
kiraï).
uitsüpelen, zie sijpelen,
uitslaan, uitkloppen met een stok, dus
ook van graan met een vlegel, mt-no-
gasak.
—, schimmelen, bérlapoek, bër-
loemod
; schimmelachtig uitgeslagen,
berloemoeian; breed —, van de takken
der planten, ook van personen, wien het
goed gaat, mërambak, bêrampak. ■—van
vuile taal, mentjaroet.
uitslag* afloop, kasaedahan,pinghabisan,
akibat,
Ar. —, schimmel, lapoek, he~
moet.
—, vurige puistjes in bet aan-
gezicht, djtramat. — na eene ziekte,
tahi penjakit, tahi patias. —, e. s. v.
rooden hond, bélifr-bètij.\'; schurftigc
— over het gebeele lichaam, koerap
pakau.
—, kleine puistjes op de huid,
veroorzaakt door de hitte, onzuiver-
heid enz., roe team; dien — hebben,
béroewam; e. s. v. gevaarlijken —,kajap.
uitsloven; zich —, met inspanning
werken, membanting toelang. Men. —.
zijn uiterste best doen, bermati-mati,
b.v. maka ija aangaf bermati-mati hén-
dafr masair,
zij sloofde zich erg uit om
te koken.
uitsluiten, uit een gezelschap of ge-
nootschap, mëngoetjil (van koetjil, uil-
geglipt). —, uitzonderen, zie ald.
uitsluitend, ra/ah. — iets doen, mfa
ratak,
b.v. — vleesch eten, mératah
daging.
uitsluitsel, antwoord, sahoet jang tiuttoe.
uitslurpen, b.v. een rauw ei, mèntjaralr.
uitsmeden, meugoesaikan (van oetai).
uitsmijten, memboftcang kaloewar,mëii-
tjampak kaloftcar.
uitsnijden, van kleine stukjes, zoonis
bij het graveeren of vervaardigen van
snijwerk, më/ijoebifc (van soebijr); zie
beitelen en araveeren; stukken
—, of uitknippen, uit bout of doek, mem -
boe^ (van téboek); de tong —, menger?/
lid alt;
de palmiet —, niëmjoemhoct.—,
stil vertrekken, lari diam-diam.
uitanjjdin™, aan een kleed voor den
hals, kèroeng, pereloeng.
\\
uitsnuiten, zie snuiten.
I uitspannen, van ten touw en dergel.,
50
-ocr page 758-
746                                     uitspanning — uitsteken.
mërëgangkan; uitgespannen, rfgang, —,
van zaken die in elkander geplooid
zijn, ook van den hemel, mï\'ngëmbang-
kan, mëmbe\'ntangkan;
uitgespannen,
këmbang, tërbëntang; de paarden —,
mënanggalkan pakajan koeda (van tang\'
gal);
zien —, zich vermaken, menjoe-
kakan haft/tja.
uitspanning, vermaak, kasoekadn.
uitspansel, firmament, langit, tjakra-
tcala, bëntangan langit.
—, de onderste
der zeven hemelen, rakijn, Ar.
uitnpeiiren, nauwkeurig onderzoeken,
mïnjêlidik, mëmëriksa\'i dëngan iëlidilf,
m. d, saksama.
uitsimrli\'ii, van kleeren, vaatwerk enz., :
mëngormbah (van koembah). —, van
deu mond en de keelholte, gorgelen,
bêrkoemoer. — van den mond, de keel,
eene llesch of kruik enz., nttnggoerak ;
door de golven uitgespoeld, of uitge-
woeld, di/iiakan ombak.
uitspraak, wij/e van uitspreken, gebat:- j
tan, lidah, (a/al, Ar.goede—.tadjwid,
Ar.; want de — der Mnleiers kan de —
der Arabieren niet navolgen, karma
lidah M ëlajoe Hoe tiada dapat mengi-
koet lidah Arab
; moeielijk, belemmerd
in de —, kéras lidah; ook tel/al lidah ;
gebrekkige —, van sommige letters,
tcloer; die zulk een—beeft, pent t:loer;
rechterlijke —, kapuetoesan hoekoem,
^adla.
Ar.; rechterlijke —, en ook —
in het algemeen, fatwa, Ar.
uitspreiden, van een kleed, graan,
vruchlen enz., mëughamparkan (van
hampar, uitgespreid); alles wat op den
grond uitgespreid wordt, b.v. kleed, ;
mat, karpet enz., hampara». —, van
den hemel, dekriet, een huid enz. ook,
ntëmbëntang; het een over bet ander
—, memèi\'ntangkan satoe di-atas satoe;
zich —, b.v. van den hemel, de vleu-
geit enz., bv.rkeinba.ng; uitgespreid, in
dien zin, këmbang, tvrkëmbang; de vleii-
gell — , tiièiitjémbantjkan sajap; van
vleugels ouk: mëmbabar; uitgespreid,
b.v. van graan om te drogen, ook
lamptir. —, ontrollen, b.v. van zeilen, ,
mëmbabar; loa over eene oppervlakte
—, b.v. van lijnwaden om ze te luch- \'
ten, mëngorak-aï\'ik; zich vertikaal — ,
van vlakke voorworpen, zooals een
schutsel of scherm, menebrng (van j
frbeng, vertikaal uitgespreid); iets —, \'
in dien zin, mënebengkan; werpende—, ■
zooals een werpnet, mënebar (van tebar).
— door om te roeren, dun —, mingë-
kar
(van këkar); zich —, b.v. van een
vogel, die in de lucht kringen trekt,
kambang; het vuur aan den haard —,
om het te laten uitgaan, mënjoerai api
(van soeraii.
uitspreken, mëmboenjikan, m\'ënjêboet
(van sëboet), mëmpë\'rkatakati, mëla/af-
kan
(van la/af, Ar.).
uitsprin&ren, vooruitsteken, b.v. van
land in zee, mëntjandjoer.
uitspruiten, bërtoenas, bërpoetjoefr ;
zie spruiten,
uitspruitsel, jonge loot, toenas, poe-
tjoeir.
— van bainbociiet, reboeng, poc-
tjoek- reboeng.
uitspuiten, van vocht met een straal,
mïntjoerat; horizontaal —, bërpantjoer.
—, van vocht uit een pijp of tuit,
ook van de urine, lantjoer. —met een
straal, zooals uit een fontein, ook van
de urine, mïlantjoet, mëlanijit. — vnn
vuur, bersemboeran. — bij kleine hoe-
veelheden, mëmautjil (van pantjil). —,
uitproesten, menjëmboer (van sémboer).
uitspuwen, als speeksel, mëloedahkan.
—, uitbraken, mêmoentahkan (van moen-
tah).
—, op de wijze alsof men braakt,
meloewalr; iets aldus —, mëloexcafykan ;
proestend —, menjëmboer kan (van sëm-
boer).
uitspuwscl, loedah, moenta/t, sim-
boera».
uitstaan, verduren, mendërita, lahan,
menahan;
niet uit te staan, tiada tër-
dtrita, tiada tërtahan.
uitstallen, van winkelwaren, bërkedai,
b v. maka përampoewan jang poenja
/.■\'■i/w itoe hëndak? bërkedai,
en de
eigenares van dien winkel wilde bare
waren —. —, etalleeren, utënd/fJSpak-
kan,
Pad. bov.1.
uitstappen, uit een voer- of vaartuig,
foeroen. —, sterven, overlijden, zie ald.
uitsteeksel, boven boord van een vunr-
tuig, waaraan de roeistroppen worden
vastgemaakt, tadjoek.
uitstek, uitgebouwd knmertje aan Ma-
lcische woningen, ook van een vuurtuig,
andjoeng. —, balkon, langkan, Cbtn.;
bij —, uitstekend, zie ald.
uitsteken, bcdr. Uw. met iets scherps
—, tnënfjoengkitkan, b.v. de oogen —,
mentjoengkUkan mata. — van de tong,
of de staart, mëndjoeloerkan. — van
-ocr page 759-
717
uitstekend —
uitstrekken.
de tong, zooals slangen, kikkers en
hagedissen, mëndjintit. — van de tong,
voor den dokter, mèndjèlirkan lul ah:
en zooals de bonden ai- ze verhit zijn,
djllfih; zie tong. — van de hand
vooruit naar iets, niiugu-nljoerkan ta-
ngau.
— van de beenen, unngoeadioeï-
kau;
met uitgestoken beeneti zitten,
tloedoek- bëloendjoes, b.v. bthm doedo^k-
bëloendjoer dëhoeloe,
nog niet gezeten
zijn, de beenen al uitsteken, Sprw. —
van de band in de hoogte, mïngocn-
djoek tangan.
— van de beide handen
ia de hoogte, zooals bij het biddeu,
mtnadahkan tangan (van iadah). —,
onz. \\V\\v. naar boven, van lange, puntige
\\oor\\rer\\)nn,mèntjangga/i; van vele voor-
werpen, mtnfjfra/iggah; zijwaarts —,
van zulke voorwerpen, mi-ntjonggah;
van vele voorwerpen, niëntjëronggah ;
boven anderen van dezelfde soort —,
sïrëgam; ergens voorwaarts —, zooals
de oogen uit de kassen, geschat uit
de geschutpoorten, btrsil, pirsil; geheel
boven de oppervlakte —, zooals de
oogen van een garnaal of de pit vun
de djauiboe inonjet of djainbue srmpnl,
biringgil; gedeeltelijk ergens—, zooals
b.v. een tabakspruimpje uit den mond,
song il; ergens —, of te voorschijn
komen, zooals een sigaar uit den mond,
een staart uit een rokje, tjoking Mal.:
in grootte boven de menigte —, zooals
b.v. de hooge gedeelten van een koraal-
rif, wumgkcp. —, door de huid zicht-
baar zijn, djirangkung, mindjeraugkang ;
ook — van armen, beenen of poottn,
van iets dat op den rug lint; luug —
in de cene of andere richting, van
lange, puntige voorwerpen, mëntjoeicar,;
als een onnatuurlijke uitwas —, tiiïn-
tjoiiit
; met de punt op zij —, b.v.
van een bos pennen een of twee, die
op zij —, kilis. Zie steken.
uitstekend, uitmuntend, tiroetama, tir-
djati,
Ar. —, eerste kwaliteit, kapafa.
Zie ook uitmuntend.
uitstel, tanggofh, jitrlanggwhait; lang
—, pandjaug djatidji. — van betaling
verleenen vour iets dat gekocht is, Sfri
tanggoeh akatt harganja.
— verzoeken,
minta tanggoek, minta djandji, b.v. drie
maanden — verzoeken, minta djandji
tiga boelan
; zonder verder —, dëngan
tiatla birtanggoeh lagi.
uitstellen, ronder obj. bërtanggoeh ,■ iets
—, iutnanggoehkan. —, vertragen, mï-
lambatkan.
— tot later of bet laatst,
mëngimoediankan (fan kimoedian).
tot een onbepaalden tijd, .nëmbesoek-
kan.
— tot morgen, inëngesoefckan (van
esoek1), — van een werk, ook wtèmg-
gantoengkan
(van ganioeng, hangen\';
uitgesteld of onafgedaan van een werk,
pikirdjaan jang tirgantoeng. —, stui-
ten van een werk, ook minanggak (van
tanggak): herhaaldelijk —, birtanggoefi-
ta.iggoeh, tanggoeh-bërtanggcith
,- uitge*
steld, geadjourneerd, tirhiil, Ar.
uitsterven, kalis mat: sataoetcanja.
uitstuelen, van planten, iniroempoen.
uitstolleii, iningirai (van kirai).
uitstoomen, mingoevap.
uitNtooten, minuelak- kaloerar (van
toelak), —, buitensluiten, zie aid.
uitstorten, onz. ioempah, yoeica/t, tjoe-
rah, tjoetjo-T.
—, uitloopen, zooals
graan uit een gesebeurden zak, de
ingewanden uit bet lichaam, boerin\'.
— bij kleine beetjes, van graan enz.,
berljetjeran. —, bedr. minve>npahkant
meruetcahkan, tuïntjoertiltkan, mint/O\'1-*
tjoerkun
; uitgestort, tlrtoempuh, roe*
icah, tirtjoerah;
overal in menigte op
ecne plaats uitgestort, b.v. van koop-
waieu, toempah-roi\'tcah; verspreid uit-
gestort, b.v. van graan enz., lampar ,-
van vele zaken, birlamparan; zijn
gemoed of hart —, mimborka si go la
uihasia hatinja;
zijne gedachten geheel
uticn^ëntjoerahkanpikitan, Pad.bov.1..
zich in zee —, van eene rivier, nii-
vgalir kalaoet,
zie uitloopen en
storten.
uitstorting;, pëntjuerahati.
uitstrnlen, birsinarkan, mitaantjarkan
tjahaja.
uitstrekken, zich —, van een gebied,
/oeiras, b.v. het strekte zich tol aan de
zee uit, tottcasnja sampai kalaoet. —,
in.-lt uitgestrekt maken in dien zin,
miloetcaskun. — van eene beraadslaging,
mtloeicaskan bitjura. — van eene rede,
nulandjoetkun përkalaan, mëmandjang\'
kan pïrkatacn.
—, gespannen zijn om
iets, tërëntang, b.v. maka parit Uw
tïïïntang koeliling kola,
die gracht nu
strekte zich uit rondom de vesting;
den arm recht —, niK.ngi.dangkan te*
tigan (van kidang, recht uitgestrekt),
niingvdjoerkan lingan (van këdjoer); de
beenen rech —, mingoeadjoerkan kaki;
-ocr page 760-
748
uitstrijken — uitvlucht.
van welriekende oliecn of wateren,
mbijoeiing, ■—, door middel van wasem
of stoom, mïiigoekues (van koekoes).
uittreksel, door stoom of wasem, koe-
kot\'san.
—, door ufkoking, teboesan.
—, uit geschriften,poengovtan ; beknopt
—, ringkas. —, quint-cssence, j>a(i, soc~
lalat,
Ar.
uitvaagsel, wegwerpsel, *a»/>a£; ookfi^.
uitvaardigen; een bevel —, mïmbiri
jitrentah
.
uitvaardiging, van een bevel, fiat-
llri pèremtak.
uitvaart, lijkstaatsie, pjèrarakan mail.
uitvallen, Van hel haar, lueroch; voor
den tijd, goegoer; door ziekte, bobos,
.Mal. — van tanden en kiezen, meiig-
gèloep, tanggal.
— tot den vijund, van
de belegerden, mèngaloewari moesoeh.
—, eindigen, katoedakannja, djadinja.
uitvegen, mèajapoekan ^van tapoe),
münghapoeskan.
— met één veeg, van
iets, dat geschreven is, mimarangkan
(van pa-rang), b.v. mtmarangkan loelt-
saa,
het geschrevene met é*v*n veeg —;
iemand den mantel —, mèngoembak
(van koembah).
uitventen, laugs de huizen, niatJjadjak.
uitventer, langs de huizen,pendjudjak ;
Chinees cue —, orang ktlontung, naar
den rammelaar, dien bij bij zich draagt.
uii vi\'ï\'lmli\'ii, mimtfirithekatt daïipada
ji\'eniioeladanja datwig kapada kasoeda-
Jtannja.
uitverkoopen, mëndjoeical kalis sa-
moe wan ja.
uitverkorene, pitihan, orang pifiAau.
—, beminde, ktkasih; miju —, lief-
kozingswoord, gebezigd tul eene vrouw
of een meisje, tmas djoewita, ralua
djoewita
; ook alleen djoewita; ook
emas oetama, oetama djiiva.
uitvertellen = uit verhalen •
uit vijlen, zie vijlen.
uitvinden, m\'endapat. —, bedenkeu,
mïmikirkan,
uitvinder, peudapat, orang jang menda-
pat, o. j. m\'emikirkan.
uitvinding, p\'endapatan, idja\', Ar.
uitvisschen, uithooren, m\'eutjungkil.
uitvlieden, naar buiten vliegen, van
een vogel, Verlang kaloewar.
uitvloeien, m\'engaltr kaloewar.
uitvlucht, voorwendsel, dalih. —en
gebruiken, btrdaUh; tot — maken,
mê/idalikkan; allerlei —en, fig. pan-
de beencn schuin naar voren —, b.V.
urn ergens krncht on uit te oefenen,
minodjang (van todjaug); de armen of
voorpooten naar beneden —, meughoc-
loer kan fa/tgan;
de armen naar den
hemel —, zooals bij het gebed, metia-
dahkan tangan
(van tadah); ;le armen
stijf —, b.v. van vermoeienis, menggeli-
ihiny;
uitgestrekt terneder liggen, zooals
een lijk op het slagveld, Ürhamtar.
uitstrijken, smeren van kleverige zelf-
staudighcden o» iets, kenvjat.
uitstrooien, menghambocrkaii; zie
strooien. —, ruchtbaar maken, mï-
vgirai
(van kirai). —, zaaien, zie ald.
uitstrooisel, valsch gerucht, chalar
angin, chabar bohong, chalar d.oesta.
uitstroomen, zie stroomen.
uitsturen, van een persoon, menjoe-
roekkan
(van soeroeh).
uitvullen, zie uitglijden,
ir i i i n n i fen, mhiyyerigi; zie bij tand.
uittnppen, mentjeral; zie tappen.
uit turnen, m\'émboeka (Ijahitan, zie
turnen.
uitteckenen, menggambarkan, memeta-
kan
(van peta), mïnoelükan (van toelis).
uittellen, membilatig
uitteren, van een luensch, djadi koeroes;
uitgeteerd, koeroes; geheel uitgeteerd,
koeroet-kérxng; doen —, tnttigaeroeskan.
uittillen, metigangkaf kaloewar.
uittocht, kaloenuiran, djalan kaloewar.
uittreden, met de voeten of poot en.
van graan, druiven enz. inzonderheid
van de zaadpndi, daar stampen die
beschadigen zou, mèngirik, — van
graan, dat nog in de aren zit, ook,
mérapak.
uittrekken, van iets, dat ergens vast
in zit, b.v. van eeno plant, haar, wa-
pen, tand, vingerring enz., mhltjaboet,
— van een wapen of mes uil descheedc,
ook m\'énghoenoes; oen uitgetrokken
zwaard, p\'t-dang jotftg I ir hoc nous, p. j.
t\'ertjaboet.
— met een ruk, b.v. eene
tand, mcronggas. —, naar buiten trek-
ken of sleepen, mhighda kaloewar.
van kleeren, zich daarvan ontdoen,
menanygalkan (van tanggal); van kleeren,
een ring enz., m\'eloeloeskan, b.v. mtloe-
loetkan ijinfjin dari djarittja,
den ring
van zijn vinger doen. —, naar buiten
gaan, kaloewar; tol iets of iemand —,
"iftigaloewari, b.v. tot den vijand —,
Mutgaloevcari moesoeh. —, overhalen
-ocr page 761-
7-m
uitvoer — omwroctcn.
djang bëlit, Mën.; op vcii-chillcnde wijze
—en zoeken, kèlok-k\'elefc. \'Zag draaien.
uitvoer, pembatcaüii kaloewar; ten —
brengen, melakoekan, mïiigerdjakau (van
k^rdja).
uitvoernrtikel, barang jany dibawa
kaloei\'-ar.
nitvofrbnnr, da pat dikerdjakan,dapal
dilakoekau
,- niet —, tiada tëkërdjakau,
tïada dn pat dilakoeka».
uitvoerder, die goederen uitvoert,
orany jang membat\'-a kaloei\'-ar. —, die
bewerkstelligt, orang jaag m\'éngerdja\'
kan, o. j. melakoekan.
uitvoeren, naar buiten voeren, mèm-
bawa kaloewar.
—, bewerkstelligen,
mtngërdjakan, melakoekan. —, doen
■lagen, mëng/idsi/kan. —, doen verrich-
ten, mëmboeicat, mèngola/t ; b.v. wat
voert ge uit, apa kattboewat; wat voert
mijnheer toch iederen dag uit, apa
ohili toeiean sahari-hari;
wat —, iets ■
verrichten, bërboewat kërdja, b.v. dari- \\
.!\'■\'./ akoe lerdiam dirikue, baïklah
akoe bïrbui\'tcat kërdja.
uitvoerig*, omstandig, dëngan sëgala
Jitil-ahoealnja.
uitvori*<\'l»en, tuïnjëlidifc (van selidik),
m\'enjidik
(van sidik-), mènjigi (van sigi).
—, door iemand de woorden uit de
keel te halen, m\'endjoeloek kola.
uitvor»cher» pënj\'tdik.
uitvragen, zie ondervragen.
uitvreten, wegbijten, makan; uitgevre*
ten, dimakan.
uitwtiH, vleezïge —, wrat, koetil. —,
knoest aan boomen, gembol, bongkol.
—   op bet lichaam vun cen ïuonsch,
/Hok; allerlei — van dien aard, tèkok-
tëkafr.
Mal. —, wrat of tepelachtige
—    aan gember en dergel. wortels,
soenfi, Skr. —, iets wat onnatuurlijk
uitsteekt, pentjonit. —, korstmos aan
boOQIOD, kuelat. /ie gezwel en wrrvt.
ultwiiMemen, in donip opstijgen, méroe-
tïiip,
b.v. tijap-tijap boesoek meroei\'-ap
djoega,
al wat rot is wasemt ook nit,
d. i. geeft stinkende dampen op. —,
zweuten, bërpèloeh, k\'èrhigët, Jav.
uitwusHchen, mrmbasoehkan, mëntjoC\'
tji.
— van het hoofdhaar bij liet
baden, mëlangir, k\'eramès, Jav.Zie wrs-
sehen.
uitwtttereii, van eene rivier ia zee,
.,/e/igatir kataoet. — in eene andere
rivier, bértèmoe koeicalanja dëngan.
uitwee;, weg om te ontvluchten, djalari
larian.
uitweiden, in woorden, mëlandjo-\'tkan
pt-rkafaiia.
uitwendig, tliloewar, kalinatan, (aktr.
uitwerken, verricht en, mengerdjakau
(van kërdja). —, veroorzaken, mëndja-
dikan, mënjëbabkan
(van scbab).—, i;ra-
wt\'ii\'ii, snijden met cen stilt, me-, ut\'
beitel, menjarbij? van soebik); een goede
uitwerking hebben, van een genecs-
middel, srrasi, mucstadjab, Ar,; geen
uitwerking hebben, van een genees-
middel, door de eene of underc ver*
keerde handeling, roesak obatnja.
uitwerksel, gevolg van iets, djadinja.
uitwerpen, naar buiten werpen, ttfm-
boeicang kaloewar.
— van een anker,
een groot vischnet, zooals de poekttt,
mèlaboehkan; een enterdreg of strik—,
më na m bangkan (van tam bang). — met
een zwaai, zooals geschiedt met hut
gewone, werp net of djala, mïneèar (vun
tebar), ménghamboer djala; het diep-
lood —, 1 uoile u, mëndoega. — vaa
duivels, geesten, spoken enz., mëampaS\'
kan
(van papas).
uitwerpsel, st. tahi. —, uitgeworpen
zaak, barang jang tcrbuetcaiig.
uitwijken, më/ijimpang; om iemand of
iets den wes vrij te laten, mèmb\'eridja-
lan.
— nanr den kant, mënepi. — uit
den loodrechten stand, hellen, tjënde-
roeng.
—, doorbuigeo, melen toer. —,
zich in vrijwillige ballingschap begeven,
taêmbor\'/ratig dirinja,- door de volte
telkens —, telkens van de rechte rich-
ting afwijken, sëlimpat-menjèlimpat.
voor een wupenstoot, zie ontwijken.
uitwissen en, zie uitgeven; zijne
schande —, eene beleediging —, mem-
buetrang bera moeka, mënghajioesknn
arang dimoeka
(van hapoes, wegge*
vaagd). —, van ecu geweer, mëitggabocs.
uitwisselen, mënoekar (van loekar).
uitwrijven, wrijven totdat tots ver-
dwijnt, menggosok sampa\'t hilang; du
oogen —, mënggosoff mata; de was—,
menggosok lilin.
uitwringen, meramas, memoelas (van
poelas), mëmoental (van poental); een
doek —, meramas kaïn. — in een doek,
zoodat het dikke in den doek over-
blijft, zoouls bij wrongel en hangop,
mènjërkai (van sërkai).
omwroeten, mërijterigkal (van soeiig-
-ocr page 762-
750                                         uitzaltliing
kaf), —, met voorover gebogen kop,
zooals de varkens, vienj\'oenykoer (van
soengkuer). — met iets puntige, zie
uitpeuteren.
uitzaltliing, van den endeldarm, uterus
enz., tombong.
uitzeilen, lerlajar, berlajar kaloetcar.
uitzenden, mënjoeroehkan (van soeroeh);
er op — om voordcel te zoeken, me
njoeroeh mënfjëfiari.
uilzetten, van netten of strikken, me- \'
masang (van pasami), mënahan (van
tahan>\\ b.v. mënahan randjau, voetangels
— ; mënahan boebve, fuiken —; mina-
Aankan al ir,
levend lokaas —, om
krokodillen te vangen; geld op interest
—, mëitdjatankan oetcang; een uitkijk
—, mëmasang tlndjau; zich — van den
neus, door schrik of toorn, mërengoeng;
zich —, uitdijen, b.v. door weeking,
moetcai. — en weer inkrimpen, van
buik, wangen of neus, këmboeng-këmpis,
kempang-kempis.
uitzicht, ergens been, pemandangan,
tindjau;
zie gezicht; het — is weg-
genomen, tirlindoenglah pëmandangan;
een verstandig —, mata tjërëdik. —,
hoop, verwachting, zie ald.
uitzien, naar buiten zien, mëlihat ka-
loewar.
—, het uitzicht hebben, mënin-
djau
(van tindjait), —, bet voorkomen
hebben, roepanja; er — als, saroepa
dtngan, roepanja sapërtt;
ook saroman,
b.v. er — als een hond, saroman an-
djing;
er — als iemand van de andere
sekse, zoowel van man als vrouw,
këdik, kedt; te vergeefs — naar iemands
komst, Jig. bërpoetih mata. — naar,
hopen op, harap.
uitzien, voorkomen, roepa.
uitziften, zie stilten.
uitzinnig, y\'tla, sarsar, edan, Jav.
uitzoeken, mcmilih (van pilih).
uitzonderen, tnènyéfjoeicalikan (van \\
këfjoewali), mëlahikan,
b.v. gij beiden
inoet uzelven niet — (van anderen),
djanganlah toetcan kadoewa nttlatnkan
dirt.
uitzondering, këfjoewali; zonder —,
tiada bërkëtjoetcatt; eenc — maken
met, mtmbagaikan, mtlainkan.
uitzuigen, menghisap. —, zuigen, b.v.
bloed uit cene wond, mintjoetjoep.
uitzuiger, penghisap; woekeraar, blocd-
zuiger, linlah.
uitzuinigen, menghtmat-himatkan.         \'
— vaart.
uitzuiveren, mënjoetjikan (van soetji).
universum, al het geschapene, kiii-
nat, Ar.
unnter, Cbineesehe —, datjiny.
urine, kéntjiny, kernen, a/ar sèni.
urineeren, këntjing, bërkëmeh, kasoe-
ngai kètjil.
urn, iiM hkmik ter bewaring der atch
van verbrande lijken, tjandï.
uur, djam, Pen. een paar uren lnntr,
sadjam doewa djam,- uren lang, Wr-
djam; vele uren lang, bh\'djam-d jam.
—. klokslag, djam poekoel, ook alleen
poekoel, b.v. het is drie —, poekoel
tïga; iemands laatste —, adjal, Ar.;
zijn laatste — heeft geslagen, adjahja
&oedah sampai. —. zie dood en t\\jd.
uw, hez. Voornw. moe, engkau, kamoe,
diri, toetcan, enz. Zie de Grammatica.
uvvent, ten ■—, di roemahmoe.
uwentlmlve, karena engkau, karenamoe.
uwentwege, dart engkau, dart pada
pehakmoe; op uw bevel, atas peren-
tahmoe.
uwentwil = uwentlmlve.
V.
vaah, geneigdheid tot slapen, mënyan-
toek2.
vsuili, dikwijls, kërap, lèrap kali; soms
ook radjin, koewat.
vnnlt, tiwboenan sampah,1\'imboenan bad ja,
vaam. vadem, zie ald.
vaandel, banier, pandji-pandji, ülamaf.
Ar. toenggoel, bandera, Port,; en nl de
—s wapperden, maka sigahi pandji-
pandjl pon bërkibaranlah.
— als leger-
aTdccling ook pandji, twee —s, doetra
pandji;
leger—, ook ocmboel-oemboet.
vaantje, aan een mast, pëngapoeh,oem-
boel-oemboel,
Jav.
vaardig, patitas, dëttgan pantas, zie
handig. ~ in het lezen, lanijar
mëmbatja.
— maken, mèmantaskan;
mond of tong — Diaken, door b.v.
moeilijke woorden bij herhaling uit te
spreken ol\' veel hardop lezen, ook de
hand of de vingers oefenen, më/ampax.
vaardigheid, pantas. — ia het lezen,
lanijar.
vaardigl\\jl<t van velen, bërpantas-pan-
fasan.
vaars, té mbo? moeda.
vaart, van varen, pëlajaran.
vaart, kanaal, gracht, parit, tëroesm*.
-ocr page 763-
vaart — vntlem.                                               751
vnart, snelheid, ladjoe; in zijn — bo-
leminerd, van een vaartuig door dek-
J:itlintr als anderszins, ambang; aldus
belemmeren in de —, mingambang.
vaartuij*; inlandsch — in het algemeen,
pèi\'ahoe, van den Vorst en aanzienlijken,
kandikan. Du verschillende i-oortcn van
inlamlsche —en zijn: — met slechts
één grool vierkant zeil, gebruikt tus-
schen de verschillende eilanden van den
Kiouw-Linggn archipel tot vervoer van
brandhout, houtskool enz. van ongeveer
7 ïi 8 kojan laadruimte, pèrahoe ban-
doeng.
—, om met een zegen in volle
zee te visschen, pèrahoe pajang, pèma-
i,um.
— van 15 kojan en meer inhoud,
pèrahoe pëngdd, zoo genoemd om zijn
gelijkenis in vorm met een hengelaars-
schuitje. —, om met een sleep- of treknet
te visschen, voorzien van twee masten,
ook cebruikt als bandelsvaartuig, pèra-
hoe poekat, sampan p.
— van den Vorst,
ter handhaving van zijne rechten of tot
wering van smokkelen en zeeroof, krui-
ser, pèrahoe pujir; e. s. v. — in gebruik
bij den sulthan van Djohor,peraJioe bin-
tt\'iiy beratih, pèrahoe kakap oendoe~oen-
doe.
— met twee masten, vooral in Atjih
in gebruik, perahoe banlïng; e. s. v.
roovers—, perahoe bïntajf; e. s. v. groot
handels —, pe/itjalang; e. s. v. Maleisch
oorlogs—, perahoe kakap; e. s. v. han-
dels— met één mast, perahoe pendja-
djap,
ook gebruikt tot verblijf van de
orang-laoet; e. s. v. — met twee masten,
in gebruik bij den pfnglima-jicrang van
Djohor, djoefoeng-djoeloevg; e. b. v. ftla-
leisch oorlogs— met ra, doch zondtr
spiegel, lantjany; e. a. s. daarvan, lan-
tja-g tjamar;
e. 8. v. inlandsch oor-
logs—Jantjaran; e. 6. v. groot inlandsch
— met drie masten en schuine zeilen,
lanija; e. s. v. lïocgineesch handels—
met twee masten, ook bij de Maluiers
in gebruik, pèdeicakan; e. 8. v.—ttjèm-
pëloeng
; e. s. v. klein —, dnt goed zee-
bouwt, gohang; e. s. v. klein visschors—,
Indoe}?; e. s. v. klein—, soemboek (Perz.
soenboek); e. s. v. (Jhineesch —, shiat;
e. s. v. platbodem —, pitang; e. i. v.
Chineesch handels—, tcatigkang; e.
grooter s., jonk, djoeng; e. s. v. lang
•—, gebruikt voor lichter en laadboot,
tongkang; e. a. s. pèrahoe top, tjoenia,
Hat.; e. s. v, gewapend klein — tot
bewaking der kusten,pinis(Vi. péuiche,
Eng. pinnace); e. s. v. klein rivier—,
këtiap, Mal.; e. s. v. roei—, of galei,
zooals vroeger op de Hongi-tochten
werd gebezigd in de .Molukken, mei
twee uitleggers, koera-koera; e. b. v. zeer
groot —, ark, ba/dra, bahïtra, bahita,
Jav.; een volkomen toegerust —, ;>-
rahoe d\'engan loenas dan soesangnja,
d. i. een — met kiel en bokken; een
— in naubouw, dat half al\' is, geraamte
van een —, lakar. —, schip van Euro-
peesch of overwnlseh model, kapal,
Tam. Zie «chip. Alle inlandsche—en,
die tot de sloepen of booten bebooren,
dragen den naam van sampan. Hiervan
bestaan weer verschillende soorten, als:
tampan pandjang, s. lopifc, s. bidar,
3. djohor, .1. balling, s. kakap, s. poekat,
s. pènambang, t. sërëmpoe, s. bértakah,
3. kotak-, 3. toen da
enz. Ook voor de
kano\'s, vervaardigd van uitgehooldc
boou^tammen, bestaan verschillende
benamingen, als: djaloer, kolik, djot-
koeng
enz. Zie bij lioot, luuio en
sloep en verder hij de bijzondere
namen van vaartuigen of schepen.
Voor hen, die meer van de Indit-che
vaartuigen weten willen, wijzen wij op:
Iets over de zeevaart in den IndUchen
Archipel, door C. F. de Bniyn kops en
op den catalogus der verzameling van
modellen van het Departement van
Marine, Landsdrukkerij 1858, door
I. M. Obreen.
vaarwater, tusseben rillen en klippen,
aloer. —, kielwater, a/ar a/oer pèrahoe
(of kapal).
vaarwel, tot een achterblijvende, doe-
doek1 baïk\'ba\'ik, tinggal bdik-bdik. sa/a\'
mat tinggal;
tot een vertrekkende,
saldmat djalan.
vaarwelzeaüen, tnèmberi salaiaat tbig-
gat, T/t. s. djalan;
zio het vorige woord.
i vnas, groute, vaasvormigo pot voor bloe-
men, djambangan; groote aarden — uit
den ouden tijd, zooals die nog wel
op Hinlan worden opgegraven, tadjau.
vnatcioeh, kaïn kesat; op Java lap-lap.
! vaatwnter, ajar pengoembah.
vaatwerk, potten en panrten, për\'wk-
bëlanga.
--, dischgereed»chap, piring-
mangkok, pinggan-mangko[c.
vaccine, zie inenten.
vaclit, bëloelang; schapen—, beloelang
domba, koe/it domba dengan boetoenja.
vadem, dëpa; één —, sadtpa; tien —,
-ocr page 764-
7">2                                              vademen — vallen.
sapoeloeh dtpa; twee —, doewa depa,
ook toembajf,
vademen, niïndepa.
vader, bapa,- van lat-ut-nli ikeii en nan-
zienlijken ook ajah; van Vorsten, aja-
handa.
— ook ahoe, Ar. vooral in
eigennamen, b.v. aboe AU, de vader
van Ali; .boe\'lhajal, de vader des
levens, liir. uitdrukking voor den regen.
—, gemeenzaam, teak, oetcak; zijn —,
or-tcajrttja. — en moeder, ouders, maf?\'
bapa, iboe-bapa;
van Vorsten, ajak\'
bonda;
een — hebben, bïrbapa; tot —
hebben, bvrbapakan; van een — voor-
zien, mvmpirbapakan; de — van Hiboet,
pa\' Hiboet.
vnderaard, tab\'tat bapa, pirangai bapa.
vaderland, tanah\'ajar. — van een
Vont, boenri astand.
vaderlandsliefde, katih akan nêga-
rinja.
vaderlijk, tjara bapa, abaioi, Ar.
vaderloos, tïada bïrbapa.
vadermoorder, pemboenoeh bapa.
vadernnnm, nama bapa, nama ajah.
vaderschap, kal bapa, pangkat bapa.
vaderstad, geboorteplaats, zie ald.
vaderzesjen, berkat bapa.
vadsijfr lui, malas; een — menscb, pc-
malas. —, traag, fjoelas.
vaaebond, wang gaibana; ook <7jj"f\'>
Ar. b.v. engkau ini njatalah öjjar pïn-
tjoeri,
\'t blijkt, dat ge een — en dief
zijt. —, marodeur, bikar, Perz.; zich
alB ■— gedragen, membiïar. —, lieder-
lijk zwerver, tot alles in staat, orang
risau, prrisait;
zich als een — gedra-
gen, mtrisau.
vagen, mïnjapoe; wegvegen, nifngha-
poeskan.
vagevuur, matahar, Arab. van fti/iir.
vak, afgeschoten afdeeling, pclak-; ook ,
hut aan boord. — of bokje in kast,
kist of doos, kotair. —, ruimte tusschen
twee rijen palen in de diepte van een
gebouw, ook ledig — in een vaartuig,
ruim, roeicang. — van een bewateid
rijstveld, piring. — zooals van sommige
vruchten, ook vnn eene kast, pang sa;
vakje van vruchten zooals citroenen, \'
de pit met het vleesch, zooals van
nangka en dergel., oe/as; holte of vakje
in vruchten, bagoe-bagoe.—, tak, onder-
deel, b.v. van wetenschap, bthagian. i
—, beroep, middel van bestaan, p$k$r- !
djaan, p^ntjiharian.
vakerig, mengantoek; arip, Jav.
vakgenoot, orang sapentjeharian.
val, het vallen, djaloh, goegoer, loeroeh,
roeboeh.
Zie het onderscheid bij val-
len. — van het water, soeraet. —,
storting in het ongeluk, ondergang,
kabinasaiin ; ten —■ komen, djaloh, djadi
binasa,
—, zondenval, bërdota.
val, knip, alle gereedschap oiu iets te
vangen, dat op of over het voorwerp
neervalt, perangkap; met zulk eene —
vangen, mfrangkap; ook gebruikt voor
bet vangen met de holle hand, als men
die b.v. over een vlinder legt. — om
beesten te vangen, anderik. — om
wilde dieren te vangen, ook pïndjara.
val, eene soort van touw of lijn op vaar-
tuigen, andja.
vulbyl, kapair phténdas; met een —
afslaan, ménrudas (van lendas).
valbrug, ophaalbrug, djëmbatan angkat,
til tan angkat.
valdeur, pintoe jatig bêrpesawal, p. j.
dilaboehkan.
valgordün, ktlamboe jong dilaboehkan.
valies, reiszak, sitak.
valk; de algemcene naam voor vogels,
tot de —en behoorende is boeroeng
h*lang.
Zie ook kiekendief en sper-
wer; e.s. v. —, boeroeng haring.
valkuil, van wilde dieren, keloeboeran,
petobang, sterling.
— voor olifanten,
anderak.
vallei, dal, lïmbah, Itmbang, pahoek.
Zie dal; de — des doods, padang temoi\'.
vallen; het meest algemeene woord is
djaloh, doch voor elke wijze van —
heeft men bijzondere woorden als: ter
lengte neer—, omver—, van menschen
en boomen, nederstorten, ribah; voor-
over met het hoofd of den kop naar
beneden, rtbah ttrsoengkoer.— en weer
opstann, r$bah bangoen, djaloh bangoen;
met verscheidenheid naar verschillende
kanten zooals iemand, die dronken is,
rtbah rempah; flauw—, re bah pingsan ;
zich laten —, mtribakkan dirinja; n&ar
beneden ■—, djaloh katanah; plat op
den grond —, djaloh rata kaèoemi;
met het hoofd naar beneden ■—, men-
djingkolet.
— van een vonnis of uit-
sprank, djat oh, — van een prijs, dalen,
djaloh, toeroen. — in het gemoed,
ingang vinden in het hart, djaloh mati
dalam hati.
—, vervallen van een rijk
of stad, djatoh ; doen —,mendjalohkan.
-ocr page 765-
— valich.                                             753
toeroet. —, storten in het water, meng-
gëteboer;
kopje-onder —, mëndjingkolet;
iemand om den hals —, omhelzen,
mëmtloek (van pëlvek). —, omvallen,
van boomen en andere groote voor-
werpen, tot-mbang; zie omvallen;
verstrooid —, zooals tranen, sterren,
steenen uit een vulkaan, bërhamboerun.
—, sneuvelen, sterven, tnati. — van
regen of dauw, toeroen. —, tretfen,
vnn stralen of een glans, mëmalue,
b.v. icadjah jatig mants bhtttmbah po-da,
dipalue fjehaja intan komala ■
aan stuk-
ken —, van harde, broze voorwerpen,
zooals glss, aardewerk eoz., djatoh
bërpëtjah-pefjah;
van ledematen, bër-
patah*patah;
in slaap —, tërtidoer; in
de gedachte —, zich herinneren, tëri-
ngat;
ten deel —, te beurt —, bëroen-
toek.
Verder valt er niets te melden
dan. tiada apa përkataiin laim, mëla\'in*
kan;
wie een kuil graaft vooreen ander,
valt er zelf in, barang-siapa mëuggalï
lobang, tja djoi\'ga iërpërosok dalamnja,
Sprw. NB. tërperosok is eigenlijk on-
verhueds in ot duur iets trappen. Zie
verder de samenstellingen.
vallend; —o ziekte, pitam babi, sawuu
babi, yila babi.
— water, ajar soeroet.
—e ster, tjeret bintang, bintang bëralih.
valletje; ongeplooid — om den rand
van iets, oelas.
vallicht, koekoek, pëloetar tërang,
vulput, Icëloeborran, pëlubany. Zie val-
huil.
valreep, iali soeioeran, loepai.
viiKi-li, van gemoed, tjuelas, keroh,pal»o,
(1\'ort. falso); tig. ook poespa-wërna,
Skr. d. i. veelkleurig.—, verkeerd, fout,
salah. —, van spelen, ijoerang, Hat. — ,
geniepig bij een worstelstrijd, dengki.
-, van metalen, vervalscht van koop-
waren enz. lautjoetig. ■— goud, ëtnas
lanljoeny
; ook lantjoengan, —, van
metalen, een munt, ook sëlomykany.
— e munt, ofxang sëlorngkang. —, on-
waar, leugenachtig, doetta, bohong. —,
nagemaakt, liroean. — glimlachen, ter-
aëunjoem radja.
— baar, zooals de
vrouwen in Indic dragen, bestaande in
een bosje uitgevallen hnnr, dat door
de konde gevlochten wi-rdt, tjëmara;
een —e getuige, aaksi bohong; een —e
redeneering, përkataiin jaag sa/ah; eeno
—e stem, boi\'njï soewara jaiig djang-
gal;
eene —e pas, salah lanykah;
valleml
—   vim een winkel of koopman, ban-
kroet gaan, djatoh, djërahab; zie kop.
—  op iets, b.v. stralen ol\' schaduw of
een beeld op een blinkend voorwerp,
b.v. op een plaat, mémoekoel kapai/a.
—  van het oog op iets, djatoh ma/a;
zwevend —, djatoh mëlajang; beneden
den wind —, djatoh kabawah angin; in
handen —, djatoh katavgan; ook dapat
kaiangan;
voorover — met het aan-
gezicht op deo grond, djatoh tërtornij-
koer
; hetzelfde, maar vuortsebuivend,
tërdjëroemoes ; voorover —, zoodat eerst
het aangezicht en daarna borst en buik
den grond raken, mëndjërembab, ttr-
djërëmbab;
voorover op het aangezicht
—, ten bewijze vnn hulde aan God of
Vorsten, soedjoed; voorover plat op
den grond —, djatoh tiharap; hetzelfde
met uitgestrekte armen, djërahab; ook
van een koopman, handelshuis, onder-
neming enz.; plat achterover—, djatoh
tïtentang;
zich op een stoel of iets
anders laten — , mëngentak{ya.i\\ ëntak);
op het achterste —, djatoh tërdoedo- k,
rëbah tërdoedoek-, meudjeirpoefc;
van
iets af—, zooals bladeren, vruchten,
haar enz., op zijn tijd, loeroeh; v<mr
zijn tijd, got-goer, dus ook — van een
rijbeest, nam. van den persoon die er
afvalt; op iets —, van zware voor-
werpen, mënimpa (van iimpa); overal
neer—, ontrollen, bërgëlempang b.v.
bëbërapa banjak binatang rf.bah Vergt:*
lempavgan,
eene menigte van dieren
viel overal neer. —, bij kleine beetjes
uitstorten, tjetjer-tjetjer, bërtjetjeran;
zie uitstorten; uit de lucht —, mtt
den kop naar beneden, zooals b.v. roo;\'-
vogels, die hunne prooi willen grijpen,
toendjam; wel te onderscheiden van
mënjambar, het grijpen zelf; het on-
dersteboven —, djatoh tërsoendjam ;
tuimelend —, djatoh toenggang-balik,
djatoh lint ang*pof kan g;
rollend, wen-
telend —, van groote voorwerpen, oër*
hoembalangan;
een vijand stilletjes,
onverhoeds, in den rug of de flank — ,
mëlolof:; zie overvallen; op het lijf
—, iemand overvallen, menjerëgap (van
sertyap); ook van schuldeischers; een
schuldenaar of vijand op het lijf —,
recht op hem afgaan, mëredas. —,
zakken, b.v. van een gordijn, anker
enz., laboeh; laten — in dien zin, më*
laborhkan. —
, zakken van water enz.,
-ocr page 766-
754
vals e baard — varen.
een —e naam, nama jang ditjoeri, \'
valsehaard, orany fjoelas hattto.palso. !
valsehelyk; — beschuldigen, i/icHoe^
kas
(van toeken). Zie valseh.
valstrik, djërat, kala, Skr.
valwind, anyin goenneng-goenoengan.
vamjnr; e. s. v. •— bij de Maleicrs is
de pënanggalan.
van, \\ uur/., dari, daripada. liet betee-
kent steeds een komen van cene plaats,
tijd of stof; ouk is liet oorzank-aan-
wjj/end. Vuur het gebruik zie de Gram-
ïnalica. Uitdrukkingen, waarin bet niet
wordt gebezigd, zijn de volgende: de
brief — mijnheer, soerat toewan of
toewan poetija soerat, wanneer namelijk
het eigendom, het bezit wordt bedoeld.
— daag, pada hari ini. -— avond, ma-
lam ini, pttang ini;
een man — 80
jaar, orany jattg doelapan poeloeh ta-
hoen amoernja;
klein — gestalte,
këljil bangoenan toeboehnja. —....tot,
habis,... bërganti, b.v. — dagen tut
maanden en — maanden tot jaren,
hahis hari bërganti boelan, habis boelan .
bërganti tahoen; bevallig — gezicht,
n/anis moekanja; traag — gnng> lam-
bat djalannja;
een man — kundigheden,
orang bërïlmoe; iemand — vermogen,
orang bërharta, orany hartaxcan ; iemand
—  verband, orang btrakal, o. boediman ;
een — die drie, sa\'orang didalam tiga
Hoe.
— gansrher hnrte, dhiyan sagë-
nap halt, dëngan sëgala karidlaau hati.
— zelf, sëndirinja; kennis dragen van,
tahoe akau, mënyëtahoëi. — uangezicht
kennen, mêngënal taoeka (van keual). .
—wege, zie door. —, uit, daripada,
daridalam.
vandaag, hari ini, pada hari ini.
vandaar, sëbab Hoe, dari sëbab itoelah.
vandehandHfh, kiri, sabëtah kiri.
vaneen, van gebroken, bërpëtjah-pëtjah,
patah-patah, poetors-poefoes
,zie bij ore-
ken. —, gescheiden, tjërai, bërtjërai;
met verscheidenheid, tjërai-hërai.
vangarm, yoerita, Skr., ouk van —en
voorzien zijn. —en v. e. inktvisch,X\'è7i\'£. j
vangen, met de hand, mënanykap (van
fanykap), mmdapal; met een klauw,
van vogels, leeuwen, tijgers, katten
enz., mënjambar (van sambar). — in
den krijg, krijgsgevangen maken, më- .
uaican (van ta/vauj — van vogels, door
ze te lokken, niëmikat (van pikat).
van garnalen met een zaknet, dat men \'
in voorovergebogen houding voor zich
uit duwt, mtnjondony oedang (van sou-
dong).
— van garnalen met een fijn
vezelacbtig toestel, mendjeriat. — van
visch, in het algemeen, mënanykapikan.
mentjëhari ikan.
Verder hangt dit van
de werktuigen af, waarmede men vischt,
zie bij net, luik, hengel enz. —
van visch dooi\' een bcdwcliiiingsmiddcl,
mënoba ikan (van loba). — van vlooien
of luizen, mtntjthari koetoe, m. toema.
—, opvangen, zie ald.; wind —, van
de zeilen, makan anyin; bot —, ver-
keerd uitkumen, këtjiwa, tcoeroetty.
vanger, pënanykap.
vangst, tangkapan.
vnujjwater, ajar tadahan.
vanwege, zie tluor en wegen».
vanzelf, zie bij van.
varen; de algemeene naam voor de
varensoortea is: daoen pakoe; e. 8. v,
—, rtsat; e. a. s. waarvan men schrijl-
pennen, fuiken en ander vlechtwerk
maakt, rësam.
varen, Ww, in het algemeen met een
inlandsen vaartuig, bërpërahoe ; met een
zeil of stoomvnartuig, bhlajar; rivier
opwaarts —, berlajar mvedik; rivier
afwaarts, birlajar milir. Ook alleen
moedig en milir. — met een vaartuig
dat met lange riemen geroeid wordt,
bërdajoevy. — met een vaartuig, dat
gepagaaid wordt, bërkujoeh ; samen-—,
één koers houden, van vanrtuigen, bir-
sding
; tusschen eilanden of tusschen
deze en den vasten wal door —, më-
njëlat
(van sëlat, straat); in kleine
schuitjes —, bërpërahoe këljil; tegen
den wind op milanda; als stuurman
—, djadi maliin, djadi djoeroe-moedt;
als matroos —, djadi malëros, djadi
chalasi;
hoe vaart gij, toewan (entjik.
njonja, baba, tëngkoe
enz.) ada balk.\'
vaarwel, tot een achterblijvende, tuig-
gal bdik-buik;
tot een vertrekkende,
sëtamat djalan; kwalijk —, verlies
lijden, mëndapal rocgi, karoegian; ten
heoiel —, intrad, van bet Ar. mêradj;
naar de diepte, heizij hel, hetzij iets
anders, —, toeruen. — in iemand uf iets,
van een boozen geest, jaasoe$;mënjelap,
mërasoek;
iemand in wien een boozc
geest gevaren is, orang kamasokan sjai-
fan, orang jang disilap sjaifan, orany
jany dirascefc sjaifdn;
iels laten —,
aan zichzclven overlaten, mëmbiarkan.
-ocr page 767-
vasthouden.                                   733
geheel —, van een ingeslagen spijker,
een geklonken bout, een gelegden knoop,
den prijs van iets enz., maii. — zijn
aan een werk, ot\' gehecht van een hond
aan het huis, tuenak; ook — van ge-
dachten, van verblijf hou den enz. —.
bestendig op eeue plaats, tetap, fcaras,
Ar. — stollen, nnnXtapkan. —, onbe-
weoglijk, tsabil, Ar. inz. van een bewijs in
rechten. —, zeker, stellig, tentoe, pësti,
Jav. —, stellig, waarlijk, nistjaja, Ski\'.
sanisfjaja; al —, bij voorbaat, zie ald.:
eene —e ster, bintang jang tetap; de
— e wal, darat; een — karakter, haii
jang tetap.
— van prijs, zie ald.
vastberaden, dengan tetap hati.
vastbinden, met iets, mengikat; goed
—, mcngikal tï goeh-tëgoeh; stijf —,
mengikat terik-të.rik; iets — aan iet?-,
vastleggen, b.v. een vaartuig aan een
paal of den wal, een paard of ander
dier aan een boom, paal enz., niénam-
bat
(vnn tambat).
vasteland, darat; het groote —, da-
ratan.
vastelük, dengan tetap, dengan ttntov,
dtngan soengguek-soenggoeh.
vasten; de—, poetcasa (Skr. oepawasa)
turn,
Ar.; de — honden, memëtihara-
kan poeieasa, irifaiiegang poetcasa
(van
pëgang); de — breken, eindigen, mëm-
boeka poetcasa;
het breken van de —,
de — eindigen, /oefoer, Ar.; hel feest
bij die gelegenheid, aljifr, Ar.
vasten, Wff. bïrpoewasa, tiada makan
minoem.
vastenmaand; de ■—, boeltinpoewasa.
boelan ramadlan,
d. i. de negende maand
van het Mohammedaansche jaar.
vastgespen, mengatjitkan (van katj\'tt,
gesp. Mal.).
vhsi i\'.ii.ijKii: iets—, zich met de han-
den aan iets klemmen, mëmaoet (van
paoet).
vasthaken, ntengtüt (van kail).
vasthechten, iets vnst steken, nienjang-
koelkan
(van sangkaet); zich —, pak-
ken, vatten, vnn iets op iels anders,
makan. —, zie ook hechten.
vtistheid, katëfapan, katX<<iuehan,katen-
toean;
zie bij vast.
vasthouden, mot do hand, mëmegang
(van pëgang); met kracht zich aan iets
—, vastklemmen, mëmaoet (vnn paoet),
bërpaoet;
onder den arm —, zooals
b.v. oen bock enz., innig/lik {wan ktlikj;
varenkruid
varenkruid, daoenpakoe-pakoe; e. B. v■. I
—, kckol.
varenscast, iemand die het varen ge-
woon is, orang bepe.lajaran.
variëteiten, baravg-baraug jattg blrla\'i-
nan roepanja.
varken, babi, ook nis scheldwoord;
wild —, babi hoela»; e. s v. zwart,
wild — met grooto slnchttanden en
knobbel op den kop, babi tartah; e. 8. v
klein, tosacbtiir, wild —, nangoei; veel
—s maken de spoeling dun, koerang-
koerang boeboer, lebih-lvbih soedoek, ■
d. i. hoe minder pup, hoc meer lepelt-,
Sprw. daarmede cenigszins overeen-
komende.
varbensdrüver, varkenshoeder, gom-
bala babi.
varkenshanr, boeloe babi.—.borstels,
boeloe lengkok babi.
varhenshok, kandang babi.
varkensslacliter, loekang babi, pt- \'
motong babi;
Chineesche—, tjina pemo-
tong babi.
varkentje, spaarpotje, keroentoeng,
namol. een kokertje ot\' doosje met een !
spleet, om er iets in te steken ; op Java
tjelengan, een steenen — als spaarpot,
in navolging van ons.
vast, niet los, gebonden, lertkat. —, j
niet vloeibaar, békoe. —, gedegen, van
metalen, kipal. —, van binden of een
hindsel, ook van cene verbintenis, ie-
goeh;
een — verbond met elkander
sluiten, bertëgüeh-te\'goehan djandji; zeer
—, goed stevig, van binden, terik-förik\'.
— ineen, van een weefsel, klei, gekookte
rijst enz, tëlal. — ineen drukken,
mtiiital. —, ineen, van aangestaraptcn
grond bet lichaam van mensch of dier,
rat, eral en herat. —, aanstampen,
mëngerat; een vaste afspraak met eik-
ander maken of hebben, bërërat-era/an.
—   zitten van een vaartuig, — ingesln-
gen van een spijker, — bteken of
gestoken, lekat, —, dicht ineen, mam-
pat.
e aarde, tan ah mampal; ook ;
pédjal; aarde goed — ineenstampen,
memedja/katt tanah. —, compact, zwaar,
van iets in vergelijking met de gewone
zwaarte, anlap. —, stevig, hard, këras.
—, sterk, koekoek. —, stevig, van
papier, sering. —, diep, van den slaap,
lëlap, njedar, tjendar, djëndëra.
slapen, tidoer le.lap, t. njedar. —.strak, i
këntjang.— zitten blijven, kloven lëkat; \'
-ocr page 768-
;.-,i-,
vasthoudend — vatbaar.
iets met tic vingertoppen —, inéinbibit,
ook menyytfïL
vü-t hondend, vrekkig, kikir, sékoet,
lokrfr,
vuig,, ouk ianyan shiykat; eene
tig. uitdrukking voor een — mensen
is: orang Mtna»gkabau darat, een bin-
ncnlandschn Mcnangkabauer, daar die
/eer — van aard is.
vastigheid, na vastheid.
vastklemmen; zich met de handen —
aan iets, berpaoel,- uok van bet leven
aan den dood. Met bep. obj. mèmaorf;
zich zeer —, bèrsangkoH-paoet.
vastkleven, lekat; zie ook hieven;
op of aan iets vastgekleefd, zoonis b.v.
papier, dat ergens is opgeplakt, dj\'é-
rekeL
vastklinken, mémakoekan.
vaitlesgen aan iets, b.v. van eendier
ui\' vaartuig, mënambat (van tambal); ook
memaoftkan (van paoet), —, meren van
een vaartuig,uok niè»gèpiikan(v&n këpil).
vast lii*i*en. van een vaartuig, gemeerd
liggen, ook — van een dier. lerlambal,
vattllijmen, zie lijmen.
vastmaken, vastbinden, mhtgikat, me- \\
njambat
(van sambal), mhiambal (van
tawbat); zie vasthinden; met eene
pen, bout of nagel iets —, mëmasak
(van patak). — van een verbond, ber- \\
Vegoeh-tëgoehan djandjï.
vastraken; ergens aan of in vastge-
raakt, ook van een vaartuig, Versauy-
koet
; in het kreupelhout vastgeraakt,
t\'ersangkoet dalam bëloekar; ook vast of
gehecht geraakt van bet hart, b.v. /<*»•-
tangkoellah halikoe kapada toewan rasa-
nj\'1,
ik gevoel mijn hart aan Mijnheer
gehecht.
vastsjorren, mimbandoet; de touwen,
waarmede geschut vnstgesjord is, ban-
doct muriain.
vastspelden, met oene speld nan iets !
vasthechten, nihijvmat (van sëmat).
vaststaan, berdiri tetap. —, zeker of
uitgemaakt zijn, soedah tëntoe. —, van
den wind in den een of anderen hoek, \'
doedo\'-k; b.v. do wind staat vast in
het N. O., angin doedoek tintoer\'laoet.
vastfltauipen, van den grond of stec-
nen, mënoemboi\'k (vnn luet/iboefr).
VRn aarde ook mimédjalkan (van p\'tdjal,
vast ineen). Zie aanstampen.
vaststellen, met cenig puntig voorwerp,
zoonis eene speld, doorn, pin enz., me- \\
njimat
(van sémat).
vaststellen, vnn eenu verordening, een
prijs enz., mëlHakkan. —, wettelijk
bepalen, menyoendanykan; eene rekening
—, menëntoekan ptrAiloengan. —, uit-
maken in rechten, mentsdbitkan (van
tsabit, Ar.
vaststelling verzekering, katëntoean,
kafetapmi.
—, bepaling, conditie, sjarf.
vastzetten; iets — door er iets tusschen
te voegen, zoodat het zich niet bewegtn
kan, mtnjeiidal (van sendal). —, sluiten,
door ergens een lapje, papiertje, houtje,
steentje enz. om, ot\' onder, of tusschen
te doen, mhiggandjal (van gandjal,
zulk con voorwerp). —, met woorden,
menyalahkan lidah, mt-nyatot\'pkan »»»<■-
loei (van kaloep), mènjoembal moelort
(van soeinbal). —, in de gevangenis,
mrmëndjarakun (\'van pendjara), mëngof-
ronnjkan
(vnn kueroeng).
vastzitten, ergens aan of in, sangkort;
toevallig blijven —, t er sanykoet; ergens
aan —, door zich daaruan te klein-
men, b\'rrpaoet denyan; zeer —, for-
sanykoft-paoi\'t;
bcdr. met bep. obj. mfa
maoel,
b.v. m\'emaoct lehw, aan den hnls
—, omhelzen. —, ook lëkat, b.v. atiak
panah Hoe lëkat pada mata badp.k
; aan
elkander —, b.v. van de oogleden,
twee brooden enz., wévdjërepet. — in
eene opening, zoodnt er nog een gedcelto
uitkomt, zooals b.v. een kurk in een
tlcschje, een kogel, die te groot is, in
een sehietgeweer, een wntje in het oor,
een pruim tusschea du lippen, stat paf,
sëntil.
— van ring- of pijpvorniize
voorwerpen om iets, mënjëndat (van
sëudal); aan elkander—, zoonis klimop
aan een muur, de teenen vnn zwem-
vogels, het eene huis aan bet andere,
de eene schakel aan den andere, een
doornstruik nan een kleed enz., mën~
djeraïi\';
blijven —, pakken, vatten,
van iets op iets anders, ook makan.
vat, ton, to?iy, tabany. —, groot oks-
hoofd, pipa, ook vat voor buskruit.
—, voorwerp om iets in te doen in
het algemeen, bëdjanah, badjan. —,
waniin men de sagopnp laat bezinken,
oeba. Zie watervat en ton,
vat, greep, zie handvat.
vat haar, te vatten, te grijpen, dapat
dipëyang.
—, bevattelijk, vlug van
begrip, ringau kapala; zie hevatte-
I|jli. —, geschikt voor iets, moedahy
b.v. — voor vermaningen, moedah
-ocr page 769-
757
vatbaarheid — veel.
iVuiafiJjatlan. — voor verbetering, da-
iMtt dibii\'iki, moedah dibaiki,
vatbaarheid, aanleg vau een lichaam
voor eene ziekte, tabiat toeboek memang.
vutenwiisscliexi, zie wnsachen.
vutnel, zie ltnnclvntücl.
vutten, met de hand «rijpen, vangen,
nieinmgkap (van fangkap), een dief—,
Mtënattgkap pMjoeri, —, met de hand
vasthouden, meun-gang (van pegang).—,
in de vaut honden, menggh/ggam
met duim en vinger, mïtitjukit, mentjt-
kak:
— met de vingertoppen, mèmbt-
\'iit,
b.v. dib\'ibihija laloe dibaicanja lari,
hij vatte het met de vingertoppen en
liep er hard mede weg; iicozelven om
den middel —, berfje/igkang, berljang-
king,
het eerste met de duimen naar
voren en het laatsti- met de duimen
naar achteren; iemand uui den middel
—, lUtufjéngkang; zie omvatten en
srrüi»en. —, vat on iets hebbeu, pak-
ken, blijven vastzitten, b.v. van een
anker, spijker, schroef enz., makan.
\\an den wind, makan angi/t, b.v. do
zeilen — wind, lajar makun angitt;b\\}
het woord —, mem\'egang kata, rnhne-
gang woel oei;
vuur —, nangli turnen,
Leroenggosn; in brand geraken, k\'ena
«pi, hangoes;
koude —, kiaa tedjoek",
ktulhtginan;
bij den neus —. foppen,
mimipoe (van tipoe), mc-itpirdajakan.—,
begrijpen, MÏJigtrti (van èrli). — iu
eene lijst, zie ald. —, inzetten van
edelgesteenten, zie ald.
vechlhuas, die de hanen tot vechten
MMttnoort bij openbare hanegevechten,
djoeicara, boedjang djoeiarra.
vechten, in den krijg, bërptratig. —,
niet in den krijs, bei-kttlahi. —, van
dieren, zonder daartoe aangezet te zijn,
berlaga; van grooto dieren zooals oli-
fanten, bokken enz. ook ba-djoewangj
zijn olifant laten —, berdjoevmngkan
y-uljahnja.
— om iets machtig te wor-
den, zoowel van mensebeu als van
dieren, mereboetkan, b.v. saperti andjing
meteboetkan toelang,
als honden, die om
een beeu —, Sprw. —, van katten,
karot. — om iets gevanrlijks, merï-
boet tëmiang b\'tlah,
d. i. — om een
gespleten témiang-bamboe, daar die
zeer scherp is; man tegen man —,bér-
pêrtmg mëndada;
ook bhdada-dadaim;
met vlerken en pooten —, maar niet
met kunstsporen, bopoepoeh; hanen
laten —, uieujaboeng hajam (van $«■•
boeng);
iemand laten — met, vi\'emper-
latcankan d\'éngan;
laten — van andere
dieren of menseben tegen elkander,
m\'engatloe (van adoe), b.v. krekel» laten
—, miiigadoe djangkêril\'.
vechter, in den krijg, orartg bèrperang ;
niet in den krijg, orang berkalahi.
vechterü, oorlugsgevecht, pepcrangan ;
plukbaarderij, pakalahian.
vecliterNbaas, zie voorvechter.
vechtkunst, oorlogstaktiek, tipoe-daja
pesang, cl moe ptrang.
vechthnnn, hajam saboengan; e. s. v.
gelen —, hajam bevang; e. s. v. zwar-
ten, strijdlustigen —, djalak*; e. s. v.
—, die altijd vechten wil, hajam tjena,
d. i. altijd weel klaar of gereed voor
het gevecht.
vechll-.iat, soeka btrpïrang, soeka bér-
kalaki.
vocht meester, scherm mees ter, /.••„■-
dekar.
vecht imrty, plukhaarderij, perkala-
hian.
vechtporli, voor linnen enz., gtlang-
gang;
zie strijdperk.
| veder, boeloe, boeloe boeroeng; de fijne
hals -en van een huan, roembai-roem-
bat:
zie «tnnrlveder; nek—en,
boeloe tèngkok; slag —, boeloe iajap;
nest—en, boeloe pahal.
vederbezem, /.- njapoe boeloe.
vederlio**, pluim, dj amboe-djamboe. —,
panache, djamhak\' boeloe.
vederlooM, t\'uida bèrboeloe.
vedette, pengatcal btrkoeda; zie ook
voorpost.
vee, hititcan, Ar. ketratt, l\'emboe kambïng.
—, leveude have, hidoep-hidoepau.
veefokker, orang jang memeliharakan
Icmboe-kaiti bing.
\\
vee-», smeer, met den vingertop, of van
iels dat beinoddoid is, palet; een —,
een smeer krijgen, t\'érpalel; één —,
streek van het vegen, sakali sapoe. —,
oorveeg, zie ald.
veessel, nunveeg-el, sampan.
veehoeder, gombata.
veekranl, kandang.
veel, banjak-; meer, lebih banjak-;
meest, tvrbattjak; zeer —, amal ba-
tijak-;
zie de (ïrammatica. — of weinig,
naar het valt, s\'edtkit banjak; meer
of minder, sëdikil lebih koerang; buï-
tengewoon —, tirlaiie banjak-, ftrlam-
-ocr page 770-
7*8
veelal — veger.
veerboot, sampan penambang, famba-
nga/i,
Hat.
! veeren, van cene veer, mes, degen enz.,
mël\'enting; doen —, mëltntingkan.
veergeld, oetcang tambangan.
veerhaak, raguem.
veerman, orang penambang; ook nlleen
penambang.
veerschip, përahoe penambang.
veerkracht; koeicat; zonder —, kendoi\\
veerkrachtig, Unting; — voor bet
gevoel, b.v. van een goed gevuld kus*
sen of bed, cene stoelzitting enz., kennjal.
veerkrachtigheid, bingkas; de— van
de snaar eens boogt?, bingkas pëmitil\';
de — der lucht, bingkas oedara.
veertien, \'empat belas, «apoelueh vmpat;
over — dagen, dalam lima-bëlas hart;
een dag of —, tiga-émpaf belas fiari.
veertiendaagsch, empaf-bëlas hari la-
manja, f. b. h. sakali, lijap-tijap ë. b./t.
veertiende, kaëmpat-bëlas; de —, jaug
kaëmpat-bëlas;
de — van de maand,
ëmpat-bëlas hari boelan ; ten —, kaëmpat-
belas.
veertieiidehali", téngah empat-bëlas.
veertienderlei, empat-bëlas bagai (of
roepa, of matjam, of djënis).
veertienjarig, van leeftijd, ëmpat-bëlas
tahoen Hinoernja;
van duur, ë. b. t. la-
vumja.
veertienmaal, ëmpat-bëlas kali. — zoo-
veel, ëmpat-belas kian.
, veertig, ëmpat poeloeh.
1 veertigdaugseh, van duur, ëmpat-pue-
loeh hari lamanja.
\\
veertiger, die 40 jaar oud is, orang
jaug ëmpat-poeloeh tahoen üaioernja.
veertigmaal, ëmpat-poeloeh kali.
veest, këntoet; iemand of iets beveesten,
mëngmtoetkan.
! veestul, kandang.
veesten, bërkentoel.
vete, përsëtéroeaa, përmoesoehan; —,
wrok, dfoigki. —, haat, bëntji.
veeteelt, pëmtliharaiin lemboe-kambing.
veevoeder, makanan lemboe-kambing.
vegen, mei een stotter of bezeui, doek
of kwast, menjapoe (van sapoe); bij
elkander —, van vuil of afval, merajis;
schoon— van een plein, claiiveld, in-
genomen stad enz. van de daar zijnde
personen en zaken, ncnghampëlas; iem.
den mantel uit—, iaëngoembah (van
koembah). Zie wrijven.
1 veger, bezem, stoll\'er, sapoe. — van
pau banjafr, térlampau dar\'tpada ildat;
niet zoo —, tiada bërapa; te —,
tirlalot\' banjak, térlampau b.; met
zijn velen tegelijk, ramai-ramai, b.v.
met zijn velen optillen, angkat ramai\'
ramai
; met zóó velen, saramai ini;
met zijn velen iets doen, b.v. ecne
som bijeenbrengen, of iels koopen of
aannemen, beraniam-rantam; er — van
maken, vermenigvuldigen, mémperba-
njal\'kan;
voor zoo— als, naarmate
van, sakidar, b.v. voor zoo— ik weet,
safrëdar pëngefahoeankoe; zoo—, sakian
ba?ijak\';
zoo en zoo—, saktan-sakian
banjak
; zoo— als dit, sabanjak itti;
zoo— te meer, hoeveel te meer, isti-
meica poe/a;
hoe—, van oen mij» of
hoeveelheid, bërapa; zoo— mogelijk,
van iets doen, xabol\'ih-bolihnja, sadapat-
dapafnja, saJcoetcal-k\'oetvatnja.
veelal, tërkadany-katlang.
veeleer, angoer, tërlëbih ba\'ik.
veelheid, kabanjakan.
veelkleurig, pantja tcerna, ook man/ju
tcèrna, poespa teërna,
Skr. icërnapelangi,
naar den regenboog.
veelmival, banjafc ka/i.
veeluin, kërpati, koetoe babi.
veelsoortig, bërdjenis-djenis, bërmafjam-
matjam, roepa-roepa, pëlebagai, bërbagai-
bagai.
veelverwi", zie veelkleurig.
veelvoud, ganda.
veelvraat, pèlahap, orawy pëlahap.
veel\\v\\jverü, përmadoean (van tnadoe,
medevrouw i; meer dun eene vrouw
tegelijk hebben, bajoeh.
veenbrand, përoenan.
veenbranden, mëmëroen.
veenmol, e. s. v. vliegend insect, dat
uit den grond komt, doch geen tor,
andjing lana/i.
veepest, sampar binatang.
veer, veder, zie ald.
veer, springveer, pëgas, ook van een
geweer; horloge—, pègas djam. —, om
iets in beweging te brengen, ook pésa-
tcat.
—, zooals in het slot van een
geweer, paba bilalang; do slag—, paha
bilalang bêsar;
de stang—, paha bila-
lang ke/jil;
de pandeksel—, paha bila-
lang di loricar.
— van sommige vallen,
als die bestaat uit een leerkrachtigon
stok, djoeran.
veer, aanlegplaatfi voor vaartuigen,pang-
kalan
; overhaal—, pangkalan tambang.
-ocr page 771-
759
veil — venijn.
lang; Europeesche —, generaal, djht-
djeral.
velil heerschap, iljabatan penglinia
pérang.
veldhoed, helm, /ie ald.
veldhoen, hajam hnelav.
veldhut, zio bij hut.
veldleger, bala-tantara pëperavgan.
veldlegering, pirhetttian bala-tantara
pepërangan.
veldlelie, boenga bakoeng,
veldmaarschalk, sarddr, Perz. mar-
sëkal.
veldmuis, tikoes tanah,
veldnimf, zie nimf\'.
veldoverste, zie veldheer,
veldrut = veldmuis,
veldrlet, gclagah, gaga,
veldslag, përang, pèpérangan.
veldslang, oelar tanah. —, slangstuk,
e. s. v. kanon, ekoer loetoeng.
veldteeken, aldmaf pérang.
veldtent, chaimah. Ar.
veldtuiar, oorlogstuig, alal pepërangan,
veldvrucht, —en, tanam-tanaman.
als opbrengst van het veld, hdsil tanah.
— en, nardvrnchten; hiervoor is geen
woord, men drukt het denkbeeld uit
met oi-bi-kfladi
velen, verdragon, verduren, dulden,
zie ald.
velerhande, h\'érbagui-bugai, pelëbagai,
djënis-djënis, rofpa-roepa^ matjam-ma-
tjam. /ie noort,
vela, birih djanïëra, tëpi roda.
vellen, omhauwen, omhakken, mënébang,
(van tëbang), mënoetoeh (van foetoeh).
—  vnn een geweer of lans, mëngëdavg~
kan
(van kidavg\\, nunjugang (van sa-
gang), menavggang
(van tanggang); van
pieken of lansen, ook mërabahkan; door
een kogel geveld, disamhur peloeroe.
—   van con vonnis, nn-moctoeskan hoc-
koem
(van poetoes), mevdjatohkan hoe-
koem.
—, dooden, zie ald.
velletje, vliesje, selapoet, koelit ari.
vendu, Irtavg, leloeng.
venduhuis, rocmah lelavg.
vendumecKter, kapala Ichmg.
venerisch? e. s. v. —e ziekte, pënjakit
karang; e. and. s. met zweeren, radja
singa (volgens and. radja sinar); nog
e. and. s. rëstoeng kofji.
ven\\jnv (dierlijk), bisa. — (van delf-
stotl\'en), ratjoen.— plantaardig), ipoeh,
oepas.
palmbladribbcn, sa-poe lidi. — van aren-
vezels, sapoe idjoefc. — van rijststroo,
sapoe merang; Japansche —, sapoe dju-
poen.
veil, te koop, didjoewal. —, omkoop-
baar, dapat disoewapi; zijn leven —
hebben, hïndak- mëmberi njatcanja, h.
mëmbëlandjakan nj.;
eene —e vrouw,
përampoewan djalattg.
veilbanr, dapat didjoewal.
veildng, hari lelang, h. tetoerg.
veilen, openbaar verkoopen, milelang, ■
mHeloeng.
veiling, openbare verkooping, lelaitg,
teloeng.
veilig, sadjahtra, Skr. santosa Skr. tiada \'
bërbahaja.
—, gerust, amdn, Ar. —, !
behouden, saldmat, Ar. —aan iets ont- j
komen, loepoet dhigan saldmat. Zie het i
volgende woord.
veiligheid, vrede, rust, sadjahtra, Skr. ,
—, gerustheid, securiteit, amdtiat, Ar.
— tot stand brengen, mëngamdnkan. h
—, behoud, saldmat.
veine: en veine, zie bij hand.
veinzaard, zie veinzer.
veinzen, den schijn aannemen, poera- ,
poera. —, op allerlei wijze de onwaar-
heid spreken, opak-apik:
veinzer, orang poera-pocra. ■—, huiche-
laar, orang tjoelas hati, orang moenajik.
veinzerij, poera-pocra, ni/dk Ar. sëmoe. ■.
vel, huid, koelit; velletje, vliesje, koelit \\
ari, sëlapoet;
onbereid — of huid, b\'èloe- \\
lang. —
, van papier, in tweeën gevou-
wen, kadjang, leravg; niet gevouwen,
hilai, lémbar, Jav. b.v. twee — papier,
frarfds doewa kadjang, k. d. leravg,
k. d. fielai;
in een kwaad — steken,
allerlei kwalen hebben, bërpenjakit- :
penjaktt.
veld, land, akker, zie ald. —, open
vlakte, padang; een uitgestrekt —, pa- i
dang loeicas; het —bebouwen, mengoc-
sahakan tanah.
veldarbeid, përoesahan tanah.
veldbloem, boevga dipadang.
veldlleKcb, glazen flesch met rotan om-
vlochten, këmpis, Hat.
veld gedierte, het gedierte des volds, \'■
mérgasatwa.
veldgeschrei, oorlogskreten, fëmpik
soera k përang.
veldgewns, tanam-tanaman.
veldhnard, van drie steenen, loengkoe. i
veldheer, pënglima përana, hoeloeba- I
-ocr page 772-
760                                   venUn1>oom — verademen.
vcnünhoom, pohon ipoeh, p. oepas.
venündriinlt, ntinoeman raljoen.
venünii» = venijn.
venUel, ut/as, atlas pëdas; de plant,
pokok adas.
venkelolie, minjal- adat,
venkelwater, ajar adas.
venkelzaad, bidji adas.
vennoot, rakanan, vrang tamodal, sa-
kongsi.
vennootschap, kongsi, Chin. rauah.
venster, in inlandsche woningen, ting-
kap ; kluïn —, zoldervenster, natang.
—  met jaloezien of met tralies, ting-
kap kipas;
e. 8. v. Mal. —, aan weeis-
zijden van ten met snijwerk versierde
plank voorzien, oendang-oendang ting-
kap;
sluiting van een —, toedoeng
tingkap.
— in Europeepchc woningen,
djendela, djenela, Port.
vensterhlind. toedoeng tingkap, l. na-
tang, t. d\'jendela;
voor toedoeng ook
papan.
vensterglRH, kat ja djendela.
venster<»ord\\jn, kt lam boe djendela,
vensterluik, zie vensterhlind.
vensterruit, katja djendela.
venstertrnliën, kisi-ktsi tingkap, k.k.
djendela.
venten; koopwaren langs de huizen —,
tntndjadja; zonder obj. btrdjadja.
venu**, de godin, remb\'ha, Skr. (r)
venusheuvel, anat. toendoen.
venusziekte, zie venerisch.
ver, djaoeh, bïiid, Ar.; verder, djaoeh,
lèbih djaoeh;
verst, terdjaorh; zeer—,
amal djaoeh, sangat djaoeh; te —,/2r-
laloe djaoeh; ook zeer —. Een ovcr-
drachtelijk fig. uitdrukking voor te —,
van dingen die van elkander staan, zoo-
als schrift, dat te wijd is, steken in
naai- of breiwerk enz. is: kalau satoe
bëtareal* tiada kadtngaran kapada su-
toenja,
als de een schreeuwt, kan het
door den ander niet gehoord worden;
van —re, dari djaoeh, difempat jang
djaoeh;
dat zij —re, djaot\'hlah, didja-
oehkan Allah;
om het verst, berdjaoeh-
djaoehan,
bv om het verst met pijlen
schieten, bërmdin-Ma\'inkan panah btr-
djaoeh-djaoehan.
—, soms ook pan-
djang,
b.v. dat vuur verspreidt zich—,
Hvêlarat pand jang api itoe; een gezicht
, saplmandangan mata djaoehnja; zoo
—  het oog reikt, sajodjana djaoehnja;
een pijlschot —, saptmanah djaoehnja;
een steenworp —, saplloetar balof
djaoehnja.
— ziend, van de oogen,
mata tadjam. —, verder, verder gaan,
la?itas, melanfas; verder jraan dan, te
boven gaan, lampau of terlampau dari-
pada,
bv. verder dan de knieën, lam-
pau daripada loetoef;
ga niet te —,
met de eene of nndere handeling, rij»
ngan melampau; te — gfgaan in het
spreken, terdorong, kata soedah fêlan-
dj oer;
reeds te —, of zoo —gekomen,
telandjoet, van meerdoren, Ulandjoe-
ran;
wel —re van, djangan, djangan-
kan;
b.v. wel —re van gesneuveld, hij
is zelfs niet gewond, djangan mati,
loeka pon tidak;
wel —re van opge-
licht, \'t verroerde zich zelfs niet, dja-
ngankan lërangkat, bêrgërak pon tidak.
--, diep, in den nacht, djaoeh malam;
het — in de wereld brengen, djadi
bïsar dalam doenia ini.
( volstrokt
niet, sakati-kali tidak, b.v. — van
gezond, sakali-kali tiada njaman (of
sehhai) \\ tot dus—, plaatsbepalend,
sampai distni, hingga disini (als het
zeer nabij is, anders disitoe); tijdbe-
palend, sampai sakarang, datang saka-
rang;
en zoo —der, en zoo voorts,
dan sabagainja.
veriinnjjenamen, mtnjoekakan (van
soeka), menjinangkan (van senang),
inënji\'dapkan
(van sedap).
vernarden, ontnarden, bërobah fabïal-
nja, b. pérangainja.
veracojjnsen, membejakan, mëngïna-
kan beja.
veracht; — zijn, kahinaiin, kakïdjian,
katjï/aan.
— worden, dihinakan, dikt-
djikan, difjela<an.
verachtel\\jk, hina, kedji, nista; iemand
— behandelen, mënghinakan, mi\'nge\'dji-
kan, mënistakan;
iemand\'een verachte-
lijken blik toewerpen, méngarling dt-
ngan ekoer mata.
verachteiykheid, peri kahinaiin, peri
kï\'tjï\'litiin, përi kakcdjian,
vernchteloozen, zie verwaarloo-
zen.
vernchten, mengkinakan, mënge\'djikan,
menlje\'lakan. —, niet tellen, tiadamém-
bilangkan.
—, niet in aanmerking nemen,
tiada mtngendahkan.
verachleren, makin koerang, makin
roesal-, makin soeroet.
verademen, bernapas poela. —, tot
rust of kalmte komen, btrolih senang,
-ocr page 773-
7 til
verademing — verbergen.
niendapat leya. —, eens uitblazen, ?««-
le.ngap (van ngap).
verademing, verlichting, lega, salioah.
veral\', djaoeh, terlaloe djaoeh, amat dj.,
satigai dj., djaoeh sakali.
verafgelegen, djaoeh tempalnja, fier- \'■
laloe djaoeh tempalnja
enz.; zie het
vorige woord.
verafschuwen, gX\'U akan.
veranda, sérambi. — vóór het huis,
têrambi dimoeka. — achter het huis,
scrambi bêlakany.
veranderen, intr. berobah; trans, rnê- !
ngobahkan, me.lainkan. —, van ilen wind,
in een anderen hoek schieten, beralih. ■
—, verwisselen,mënyganttkau; van bijzit
—, lig. ganli tik ar; droefheid ver-
anderde in blijdschap, doekafjita ber~
foekar tfenyan soekatjita.
—van plaats,
berpindah; van plaats doen —, nCémin-
dahkan;
van plaats —, van een leger,
mï-njesar (van sesar); gedurig van plaats
—, zoobLi b.v. een tol, vóór hij tot
staan komt, menijatjar; dikwerf in ver-
schillende richting van plaats —, kosafc-
kasik:
—, ook meminda (van pinda),
b.v. ija menibètoelkan sampir kêrisnja,
dlpinda fjara mëlajoe,
hij maakte het
bovenste van zijne kris in orde en ver-
anderdc het op zijn -Maleisch; van
smaak veranderu, maar nog niet bcdor-
ven, bajoe; van kleur —, berobah
warnet}
zie ook bij kleur; van gedrag
—, beralih kalakoewan; bij het zitten
met gekruiste boenen van houding —,
mëngalihkan sila. — van toon bij hot
spreken, beralih behasa; zich in iets
—, incainceren, mendjèlema, mendjadi;
iemand, die zich in een of ander dier
kan —, djadi\'djad\'uiH; ook de kunst
van dit te doen; van gedachten of
meen ing —, berobah inyatan; ook b~er-
halik liat\'t, berbalik pikiran;
van gods-
dienst—, bërtoekar agama; van kleeren
—, btrsalin pakajau; ia goud —, !
bëiobak mëndjadi emas.
verandering, perobahan; als daad, uit-
gaande van het suhj., pengobahan.
veranderlijk, obahan. Zie onbesten-
dig. — vnn humeur, telkens op iemand
boos worden, yocsar-yoesar.
verantwoordelijk zijn voor iets, nie- ,
nanggoeng (van tanggoeng).
verantwoorden; zich metdo rekenin- I
gen —, rekening on verantwoording
doen, memberi kiraklra.
                          \'
verantwoording, langyoengan. —,
verrekening, kira-kïra; voor — komen
van iemand, poelang kapada, iertang-
goeng atas;
voor — laten van iemand,
intutoelangkan kapada.
verarmen, kapapaiin, djadi papa,djadi
m ijk in.
verbaasd, i<rtjïnyang-ij<-ngang, da/tsjat,
Ar.; stom van verbazing, jieyan.
slaan te kijken, vreemd of verwonderd
opkijken, djelingar, —, versuft, IPr-
vianyoe-manyoe
; wel —, uitroep van
verwondering, astaga.\' asiaga pirlah ! Ar.
verband, samenhang, pertambatan, pêr-
hoeboenyan;
uit zijn verband zijn, aan
stukken, hanljaï. —, verbintenis, zie
ald.; in —, in behoorlijke richting,
bet oei ar ah vja, lënla tig beloel. —,
zwachteling, pP.mbaroetan, ppmbebatan.
verlmuddoek, bedoeng lilt!.
verbannen, uit het land, memboewang
kaloewar nvyari;
naar den overwal —,
memboewang kasaberang.
verbanning, pemboewangan.
verbasteren, onz. van aard, beroba/i
fdblatnja.
—, hcdr. mP.ndjanggalkan,
nütiyobahkan,
b.v. den godsdienst —,
mendjanyyalkati agama.
verbastering, van aard, perobahan
tab\'tat.
verbazen, bedr. nitnghairdnkan, mëm-
bëri dahsjat;
zich —, verbaasd staau,
hairdn, Ar. dahsjat, Ar. tPrijengang;
geheel verbaasd staan, fer/jëugang-fjP*
ngang.
verbazend, jang nie.mbt.ri hairdn, jang
memberi dahsjat.
verbazing, hairdn, Ar. dahsjat, Ar.
verbedden, memindahkan kapada tent\'
pat tidoer jang lain (van pindahi).
verbeelden, meenen, vermoeden, zie ald.
verbeenen, djadi toetang.
verbeesteiyken, djadi haiwdni; een
verbeeslclijkt mensen, orany haiwdni.
verbeiden, wachten op, mënantikan ;
ook mëndjelany, b.v. hot aanbreken van
den dag—,mendjëlang s/\'ang hari; den
eersten van de maand —, mëndjelany
sahari boelan.
verbergen, bedr. mënjvmboenikan (van
sëmboeni, verborgen), metramarkan (van
samar, id.). —, wegstoppen, onder iet»
of in een bosch, menjorofc (van sorok);
maka disamarkan bërsoeka-soekaan,
zij
verborgen het onder don schijn van
vroolijkheid; zich verbergen, menjëm-
51
-ocr page 774-
762                                    verbeteren —
hoenikan dirinja, mtnjamarkan dirinja; I
zich onder de menigte —, menjamar \'■
dengan orang ban jak;
zich verbergend, I
bersfmboeni, bersatnar; verborgen, Ut*
semboeni, samar,
—, beschutten, mvlin- \\
doengkan;
zich —, berlindoetigkan di- :
rinja,
b.v. bërlindoengkau dirinja dart-
pada seteroenja,
zich voor zijne vijanden
—: verborgen, terlindoeng; zich hier
en daar —, door eene snelle beweging
rich achter iets —, berkïlit; bij her- i
haling of voortduring, SêrktlU-ktiit;
iets op die wijze —, mengtdifkan.
verbeteren, bedr. metnbaïki. —, van ■
fouten zuiveren, b.v. drukproeven enz.,
metisahkan,- een geschrift —■, mémbt- \\
forlkan soera f.
Zie ln-teren.
verbeterlü"", dapat dibaiki, bolihdjadi
bdik.
verbeurdverlilaren, ia beklag nemen,
mtrantpas.
verbeuren, van plaats verzetten, «e- \'
mindahkan (van pindah). —, verliezen, ;
hitung, b.v. hij verbeurt zijn goeden
naam, hilanglah namattja jang bdik.—, -
verbeurdverklaren, zie ald.. er is niets
aan verbeurd, dada mingapa. Zie ,
boete-
verbeurte; op —, d~engan Hilang, d~e- \\
ngan dirampas, didïnda;
zie boete. ,
verbenzelen, verwaarloozen, mPvgha- \\
lai~balaikan;
den tijd —, menghilang- \\
kan icel-toe, mtnghabiakan teek-toe tjoe-
,
ma-tjoema.
verbidden, itténljenderoengkatt hali, m\'é-
Ifmboelkan hali.
verbidileiyitf dapat ditjendïrocngkan
halivja.
verbieden; ieninnd —, melarang; iets
—, melarang kan; iemand iets —,mtta-
rangkan orang daripada;
verboden zijn,
dïlarang; wat verboden is, larangan, \\
b.v. verboden goed, barang-barang la- !
ranntin; dat is ten strengste verboden, |
larangan sakali-kali. —, in godsdienst!-
gen zin, iriïngliardmkan; verboden zijn,
in dien zin, hard/n, dit staat tegenover j
(laltil, Ar. geoorloofd ; verboden, volgens \'
de inlnndsche adat, voor het algemeen
of bijzonder gebruik, pantaug, pïêmali.
verbijsterd, in do war, bingoëng; zie
verbluft.
verbijsteren, icmnnd in do war bren- !
gen, mëmbingoengkun.
verbijten; zich —, op de lippen bijten,
mh/gelap bibir (van ketap); op den \'
verbitteren.
wijsvinger bijten, menggigti fiêloendjoefc.
verbinden; twee stukken aan elkander
binden, mUnghoïboengkan (van hocboeng,
verbonden). — van balken door in-
keeping, inenanggam (van tanggatn);
ook van twee personen door huwclijks-
belofle. —, er een stuk nanlasschen,
nienjamboeng (van samborny). —, aan
iets of iemand binden, bïrlambaf, b.v.
indien zij zich door liefde nanelknnder
—, djikalau kasih sama bertambat;
opdal de gunst des Vorsten hunne harten
nan zijn dienst verbinde, soepaja ka-
roenija radja meriawbalkan halt mareka-
iloe pada segula ptkërdjaiinnja.
—, ver-
bonden zijn met iemand, bersambat
dengan td orang;
door genegenheid aau
iemand verbonden raken, tersangknet
hali,
b.v. tlrsaugkoetlah hatikae kapada
toewan rasavja,
ik gevoelde mijn hart
aan mijnheer verbonden; innig verbon-
den van de liefde, of van een vergif met
het bloed, mtsëra, ökr. —, van de let-
ters bij het schrijven, uiirangkaikan
hoeroef;
letterverbindingen, rangkai-
rangkajan hoeroef;
woordverbindingen,
rangkai perkataan,- holle beenderen, het
eene verbonden aan het andere, toelang
kosong btrangkai-rangkai soealoe dengaa
socatoe;
aan elkander verbonden van
beenderen ook bergala, b.v. loeloeh
lantak segala toelangnja, toeatoepon
tiada bergala lagi,
al zijne beenderen
tot gruis; geen enkele meer aan eik-
ander verbonden. — van eene wond,
mvmb\'rbat, membaroet. —, sameavoegen
van een aantal gelijke deelcn tot een
geheel, vurakit. —, een verbond of
overeenkomst aangaan, liïrdjandji; zich,
in dien zin, met elkander —, berdjati\'
dji-djandjian;
zich voor iemand of iets
—, er voor instaan, t/ierntttggoe?tg (van
tanggoevg), mengakoe, b.v. zich voor de
schulden van een ander —, niïnang-
goeng
(of mïngakoe) hoetang orang ;
zich bij eene gelofte —, bernadzar,
Ar. berj-aoel, Ar.; in hot huwelijk —,
mengawtnkan (van kaïc\'m), viénikdhkan
(van nikdh, Ar.). Zie intiem.
verbindend, verplichtend, zie ald.
verbint e nis,sa men bang, pérhoeboengan.
—, verbond, perdjandjian. —, belofte,
djandji; verklaring, pïngakoean. Zie
verbinden.
verbitteren, memahitkan, mêmahit\'t;
verbitterd, kapahitan.
-ocr page 775-
— verbrand.                                     763
verbluft, verbijsterd, tërmangoe-mangoe,
lëngoeng, gamam.
verbod, verboden zaak, larangan.
van overheidswege, përentah tëgah. —,
dat wat het algemeen ontzegd is, niet
geoorloofd is, als strijdig met de over-
geleverde gebruiken, pantang, pëmali;
allerlei in dien zin verboden zaken,
■pantang-pëmali.
verboden, van spijzen enz. uit god«-
dienslig oogpunt, hardm, Ar. /ie ook
het vurigo woord.
verbodsbepaling, larangan.
verbogen, verwrongen vau een lemmer,
bël/joet.
verbolgen, sa/igal amarah; van den
Vont, sangat moerka.
verbond, pirdjandjian, waad, Ar. —
van trouw, ptrdjandjian satia. — van
eenigen, die hetzelfde bedoelen, moeicd-
fakrat,
Ar.; een — sluiten, bfrdjandjï;
met elkander een — sluiten, bérdjandji\'
djandjiau
; met elkander een vast —
sluiten, bërtëgoh\'tégohan djandji; de
arke des —, bij de Israëlieten, tdboet.
verbondbreker, orany jang metigo-
bahkan djandji.
verbondbreking, pëngobahan djandji.
verbonden, berhoeboeng; zie verbin-
den.
verborgen, sëmboeni, samar, ttrsëm-
batni, terboeni.
— beschut achter of
tusschen of in iets, tërlindoeng, Ierse*
lindoeng.
—, bedekt van de zon, b.v.
door een voorbijtrekkende zwerm, ka-
lindoengan;
hier en daar —, zich in
hoeken en gaten bevinden, sc/it-sepil.
—, geheim, rahasia. — zonden, zie bij
geheim. —, verloren, weggeraakt,
pennjap. —, mucielijk te vinden, b.v.
van eene plaats of de beteekenis van
een zin of woord, soelit, lêmpal soelit-
soelit;
het verborgene, de toekomst,
graib, Ar. —, in het duister of donker,
dalam gïlap. —, stilletjes, diam-diam,
tjoeri-tjoeri.
verborgenheid, geheimenis, rahasia,
graib,
Ar.; do verborgenheden zijn
(iodes, algraib "md* Allah; allerlei ver-
borgenheden, stgala jang graib-graib.
verbouwereerd, pikau, gamam, bi-
ngoeng.
verbouwereeren, bedr. membingoeng-
kan.
verbrand, hangoss, dimakan api, ter-
bakar.
verbittering
verbittering, kapahilan.
verbleeken, van kleuren, b.v. van ge-
kleurd katoen, toeroen tcërna; ook mal is.
—  van de kleur «ener verf, poelang,
d. i. terugkeeren, namelijk tot het witte
of tot geen kleur. —, verschieten van
de kleur van het gelaat, of de bloe-
uien, poetjal, poedar, b.v. maka poe-
tjntlah moekanja sapvrti mail,
zijn gelaat
wi-iil bleek siU een Y\\)\\i;sakalian boenga
dalam taman Hoe poedarlah wërnanja
sëbab ilartpada tcërna moeka vrang
moeda itoe,
en alle bloemen in dien
hof verbleekten bij de gelaatskleur tui
dat jonge niensch. — van glans, dof,
donker worden, soeram.
verbleekt, poetjal, poeilar, malis, sor-
ram;
zie het vorige woord. — als de
maan voor het opkomen van de zon,
poetjal sapërli boe/a» kasiangan hari.
verblijd, soeka-hali, soekaJjita, kasoe-
kaiin, gtmar.
verblijden, mii/jwkakun (van soeka);
ook mempërsoekakan en beter; zich—,
verblijd zijn =- verblijd.
verblijdend, jang ménjoekakan hali
.van soeka).
verblijf, kadoedoekan, kadiaman; ver-
sterkt, gepalissadeerd — van den Vorst,
kola; tijdelijk —, bïvouak, bagan;
tijdelijk —, toempangan; tijdelijk —
verleenen, membtri toempangan. — ver-
leenen, mëmbëri ttmpat.
verblijfkosten, kosten van tijdelijk
verblijf bij ïeiu., bflandja menuempang.
verblijfplaats, ttmpat kadoedoekau,
timpat kadiaman, tempal t\'mggal.
verblijven, wonen, doedoek, diam,ting-
gal;
tijdelijk —, menoempang; tijdelijk
doen —, mtnoempangkan; bestendig op
eene plaats —, karar, Ar.
verblikken, verbleeken, zie nld.
verblind door het licht, getroffen vau
de oogen, silau, silap. Pad. bov.1. ook
petjak mata. —, blind, zie ald.
verblinden, memboetakan ; do oogen —,
nïëmbuetakan mata.
verblindheid, zie blindheid.
verblinding, oogverblinding, door goo-
chelarij of hundenvlugheid, silap mata.
verbloemd, oepama, Skr. ibarat, Ar.
—   van iets sprekec, uiëngoepamakau,
meng\'tbaralkan
.
verbloemen, verbergen, menjemboeni-
kan
(van szmboeni), menjamarkan (van
samar).
-ocr page 776-
764                                  verbrandbanr
verhrandbaar, bolih hangoft.
verbranden, bedr. mëmbakarkan kabis,
mënghangueskan, minoenoekan,
— van
het boutgewnH bij het aanleggen of
ontginnen van een akker, mï-mandaf
(van pandoe). — van de overgeblevene
stoppels enz. op een rijstveld, iiïïmëroen
(van fiëroen); door vuur verbrand wor-
den, dimakan babi.f o/i// api; zich met
haren overleden echtgenoot laten —,
mïbela, maft brfa.
verbrassen, doorbrengen, mëmboroskan.
verbrander, ptuiboros.
verbreeden, breeder maken, mëlfbar-
kan.
—, ruimer maken, mïlaetcatkan.
— door aan voeging van planken; b.v.
eene tafel, mtnimbau (van timbau).
verbreekbaar, da pat diprtjabkan, d.
dipurtoeskan, d. dirombak, d. di-obah-
kan, d. dipatahkau
enz. Zie bij brelten.
verbreiden* bedr. van een gerucht enz.
mëmëtjahkan; zich —, van id. bërpë-
tjah-pëtjah
; zich —, uitbreiden, van
eene zweer enz., mërojak; overal —,
bekend maken, uifmasjhoerkau; den
godsdienst —, ook mf rambnt kan agama.
verbreken, mi mttiahkan, mematahkan,
mëtuoetoeskan,
zie bij breken. — van
eene overeenkomst, mï-rombak, nnngo-
bahkan
en mïnijadakan; van gewoon-
ten of gebruiken, ook uiï-më.tjahkan; de
blokkade —, vnlintang pajir. — van
de gelederen, door er tusschenin te
komen, menjïbork (van sëbork): door
ze uiteen te doen gaan, mëmëtjahkan;
verbroken van eene slagorde, pëtjah
përang, jioiah.
■ver\\tr\\jY.elen%mer?moefr-rëdaHikatit méng-
hantjorr-loeloehkaii, nieloelueh-lentakkan,
mërëuiaekkiiH.
—, vernielen, ook tnëra-
dak;
verbrijzeld, rëmoek, hantjoer, loc-
loeh;
verbrijzeld van hart, dezelfde
woorden, b.v, hantjoi\'r-lor.lui\'h diilalam i
IjHa; hatikoa laksana soedah rëmoek-
redtim, hanljoer hatikon
enz.
verbroddelen, van werk, mengoesoet-
kiin
(vnn koesuel); zie broddelcn.
verbroederen, mëngambil akan aaoe-
dara. -
-, met elkandei broedere doen
zijn, mëmpërsaoedarakan. —, vrede
maken, bï-rdamai, ntëmpëïdamaikan.
verbroedering» bevrediging, përda-
majan.
verbrokkelen, bedr. nïvmëtjah-mëtjah-
kan, mëmatah -matahkan
, mëmoeioes-
moctoeskan;
ziu het onderscheid bij \'
— verdelgen.
breken. —, onz. bërpëtjah-pëtjak,
patah-patah, poetoes-poetors.
verbruid, erg, sterk, tërlafoe, sangat,
amat sangat, tPr/ampaii.
verbruien, bederven, doen mislukken,
zie ald.
verbruik, pakai.
verbruiken, opmaken, 7/ivng/iabiskan,
memakai sampai habis.
verbuigen, zie buiden.
verdacht, twijfelachtig, ada tjak du-
lamvja.
—, zwak van een woord of
gezegde, Itmab. —, geen vertrouwen
verdienend, dlïlif, Ar. —, van een per-
soon, tiada kapërtjajaün, tiada këta-
hoeican. —
houden, viënaroh xjak akan ;
op iet? — zijn, ingaf akan.
verdagen, uitstellen, mëmpërtanggoeh-
kan.
verdampen, onz. habis bëmacap.
verdedigbaar, te rechtvaardigen, da-
pat dibënarkan.
— in rechten, dapat
dihitjarakan;
niet —, tiada terbitjti\'
rakan.
verdedigen, zich tegen iemand of iets
-—, iaëtatcan, letterl. weerstand bieden
aan. —. beschermen, mëlindoengkan.
— in rechten, mëmbitjarakan.
verdediger, helper in den krijg enz.,
pëmbantoe. —, beschermer, pïlindontg,
—, iemand die weerstand biedt, pëla-
ican,
— in rechten, ptnotdoeng biijara.
verdeelbuar, dapat dibëhagi-bëhagi;
niet —, tiada tërbëhagikan.
verdeeldheid, përtjidëraan, përsëlite-
han;
krakeel, përban/ahan.
verdeelen, mënd»• hagi-in\'hagi, mtmbehu\'
gikan;
in zessen verdeeld, dibëhagi \'énaui;
verdeeld in vier deelen, tcrbëhagi atas
ëmpat bëhagi;
ongelijk —, aan den een
wat meer, aan den ander wat minder
g-\'ven, mi\'.mbëlah-bëhagi; onder elkander
—, mt\'.mbt-hagi pada sawa xëndirivja,
—, van gevonden, gestolen of geroofd
goed, mëngatjang (van katjang).—, b.v.
van troepen, of een andermans goed
en dat weggeven, mengagih-agih, —,
verdeeldheid tusschen personen teweeg*
brengen, mëntjërai-tjëraikan.
verdeeler,orrtvy jang mëmbëhagi-bthagi.
verdeeling, pëmbëhagian.
verdeemoedigen; zich —,mërëndah-
kan dirinja.
verdek, v. e. vaartuig, zie dek.
verdelgen, mëmbinasakan, mëngaraia-
kan
(van karaui). —, totaal uitroeien,
-ocr page 777-
verdelser — verdoold.                                        765
mettoempas (van loempas, verdelgd, uil-
geroeid),
verdelger, pfanbinasa, penoempas.
verdelging, jjë/t/binasaan, karaat, toettt-
pas.
verdenken, nitnjanyka (van sangka),
terka, menerka.
—, twijfel, achterdocht
koesteren, menaroh sjafc. —, zoowel
van iets goeds als van iet» kwaads,
rtitnampa (van tarnpa). —, verdacht
houden, ook mcnuinany (van tomang).
verdenking, sangka, tXrka, tampa,
sjafc,
Ar.
verder, vcrgr. tr. van ver, ttbik djaoeh,
djaoeh layi; zie bij ver-
verderf, kabinagaöfi.
verderfelijk-, ja/tg mtmbaica kapada
kabinasaiin.
verderfelijkheid, .;""\'; kabinasadn.
verderfeniis, kabinasaaa.
verderven, mémbinasakan; zie ver-
delgen.
verderver, pembi?iasa.
verdicht, direka.
verdichten, mëreka.
verdichter, pireka.
verdichtsel, reka.
verdiend, behooren, karos, patoet,ldik.
verdienen; loon —, makan opah;
salaris, tractement —, makan yadji;
zijn eigen brood —, mïntjehari szndiri;
zijn eigea kost —, zouder langer ten
laste van zijne ouders te zijn in dil
opzicht, wtëtépatkan saranja sindiri, b.v.
anakkoe soedah bolih ntcmbunloe; xafö.-
dar mtltpaskan saranja sindiri,
mijn
zoon kan al meehelpen ; zoo ongeveer
verdient hij al zijn eigen kost. —,
behoorlijk, betamelijk i\\]v\\,patoet, karos,
ivudjib,
Ar. b.v. gij verdient gestcenigd
to worden, patoellak enykau diredjam,
wadjib atasmon redja/n;
wat is toch
zijn misdrijf, dat maakt dat hij ver-
dient gedood te worden, apakak dusanja,
jany miwddjibkan dibomoeh atasnja.
Uil deze voorbeelden blijkt, dat witdjib
steeds door het Voorz. atas govolgd
wordt. — van loon of vergelding voor
goede werken, berolih pahala, minda-
pat pahala.
verdienste, loon, opah; tractement,
salaris, gadji. —, door goede werken,
pahala, ükr. —, dienstbetoon jegens
een meerdere, b.v. den Vorst, het (iou-
vernement enz. djasa, kabaktian.
verdienstelijk, bërdjasa-, zich — wil-
len maken, Mndafc bërdjasa, htndafc
hirboewat kabaktian.
—, van een werk
of handeling, pahala, Skr. — werk en
misdaad, pahala dan dosa; een —■
man, voor zijne meerderen, orang ka-
baktian, orang bërdjasa.
verdieping, trnp, panykat.
verdierlijken, menghaiwani,- verdier-
lijkt, haiwani, Ar.
verdikken, van vochten, hedr. mingen-
talkan
; doen stollen, mimbi koekan. —,
unz. djadi kintal-, stollen, djadi bikoe.
verdol>l>elen, inempiidjoed ikan, b.v.
habis modal harta patik dipërdjoedi-
kantija,
en al mijn kapitaal en goed
is door hein verdobbeld.
verdoemd, koetoek, l\'tnat, Ar. karatn.
verdoemde, orang koetork, orang lünat;
die —, sikoetock, silanal.
verdoemeiyk, paioet dikoctoeki, p. di-
fa » at kun.
verdoemellng = verdoemde.
verdoemen, mënyoetoeki, mëlilnafkan.
Onze zelfverwensehing, „ik mag ver-
doeind zijn" is in het Mulcisch hard/n
akoe;
ook alleen hardm.
verdoen»verkwistcn, mëmborashan, ming-
kabiskan.
—, verdelgen, mimhinasakan,
minoempas
(van toempas); ook mëmboe-
wanykan,
b.v. djika karina saboeicah
doemen maka bisana neyari, haroex
doesoen itoe diboewanykan,
alt om den
wille van een dorp een land te gronde
gaat, moet dat dorp verdaan worden,
Spr. —, omhals brengen, dooden, mem-
boenoeh.
; verdokteren, mimbelandjakan kapada
tabib,
verdolen, verdwalen, zie ald.
! verdonkeren, bedv. minyyï\'lapkan, mi-
ng~ëlamkan
(van kilam); onz. djadi yilap,
djadi k\'élam;
verdonkerd, kayelapan,
kakelaman.
—, van de oogen, bcdr.
mengaboerkan mata; onz. djadi kaboi-r.
/ie donker.
verdonkering, pinyyilapan, pingela-
man.
; verdoofd, uitgebluscht, padam, tnati.
—, van het gehoor, door leven of
rumoer, bisiitg; door een slag om do
ooren of door het hooren van een knal,
te\'rpè\'kafc. —, van het hoofd, door een
val, slag ot\' stoot, Ihigar. —, gevoel-
loos van een lichaamsdeel, /rt/*\'; ceniger-
matc —, këbas. — van glans, soeram.
1 verdoold, staat, kesasar, Jav.
-ocr page 778-
706                                      verdoolde — verdrosen.
verdoolde, wang sèaai. orang kèsasar.
verdooldheid, kastsatan, kasasaran.
verdooven. bedr. mémbiaittgkan, mem-
boewal bising, mendjadikan lènjar,
w.
lali, himjoeramkan; on/, djudi bising,
djadi tengar, djadi /a/i, djadi sorraw,
Zie verdoold. —, dool\' worden, zie
dooi\'.
verduoving, in de ..<■»< i\'-Lmnli ./-■/■ ,■
rata, kebas, kakëbasan.
verdord, lajoe, kering. —, afgestorven
van het loof, dat boven dun grond
staat, b.v. van knolgewassen, poepoes.
—, verzengd, verbrand, door vuur- of
zounchitte, lajoer.
verdorren, djadi lajoe, djadi kering;
ook alleen lajoe, kering. —, van eeu
boom, al de bladeren verliezen, zoodat
alleen de dorre takken overblijven,
meianting. —, vermageren, van men-
scben, dieren en planten, dja/fi koeroes-
kering, aoeauet;
zie slinken; doen—,
mèlajoekatt, meuiieringkan, mi/ajoerkan,
mtnjoesaetkan.
verdorven, roeaak, binasa; zedelijk —,
roesak tab\'iatnja.
verdonwen, verteren, zie ald.
verdrnagbaar, duldbaar, boÜh dila-
Aam, üolih diderila;
niet —, tiada ter-
tahan, tiada térdérita.
—, vervoerbnui,
dapat dibuiea, terbawa.
verdraagxmitn, sabar, Ar. tahan lama.
verdraagzaamheid, sabar, Ar. përi ■
sabar.
verdraaid, verwrongen, b.v. van een
arm, sleutel enz., pion, poelas. —, van
armen of beeuen, ook rioek. —, ver-
wrongen, b.v. van een lichaamsdeel,
tjengkmg. --, verkeerd, onstandvastig
in zijne woorden, dolakdalik.—, sterk
naar buiten van den arm, pvkok.
verdraaien; zijne woorden —, mëndo-
lak-dalikkan, w\'emoetar pirkalaan
(van
poe/ar), mèmoelas; van nijd de oogen
zuil —, dat alleen het wit ervan zicht-
baar wordt, mendjadi poetih mata.
verdrag, pirdjaudjian, icild, Ar.; een
— maken, memboetcal pèrdjandjian;
een schriftelijk —, soi-ratpèrdjandjian :
vredes—, perdamajan, pèrdjandjian
damai.
verdragen, optillen en wegdragen, vim !
vele voorwerpen, méngangkoet. —, dul- ,
den, bedr. mensabarkan; o-iz. sabar, Ar.
mènaroh sabar, inenahan sabar; de lucht
van iets niet kunnen —, tiada bolih \'
mënfjijoem baoe. —, uitstaan, méitahan
<van tahan), menderita, Skr. KB, m-ii-
dèrita
bcteekent meer door inspanning
uithouden, b.v. moeilijkbeden, pijn enz.;
niet kunnen —, tiada tèi\'lahan akau,
tiada ttrdèrita, ta\'koewasa;
alles —,
zich alles laten welgevallen, sulachtii,
batjoel.
verdriet, smart, doeka, doeka-ijita, sor~
sah-hati.
— veroorzaken, aandoen, vkh-
doekukan, mendoeka-tjilakan.
—, moeie-
lijkheiu, soesah. —veroorzaken in dien
zin, menioesahkan. —, als straf voor
verkcerdheden, s\'iksa, Skr. zich zelven
— annducn, menjiksakan dirinja; aller-
lei —, doeka-tiasfapa. —, tegenzin,
weerzin, djèmof, segan. — aandoen, in
gedichten ook mèmbèri leta.
verdrietfiyicheid, kadoekaan, kasoe~
sa/iau. kasoekaran.
verdrieten, verdriet aandoen, zie ver-
driet.
verdrietig zijn, bèrdocka-tjitu, kasoe-
saiiau, kadoekanii.
—, niet lekker, on-
aangenaam aangedaan, sèdoet. —, om-
dat men niet ten uitvoer kan brengen
wat men zoo gaarne wil, sèbal. —,
ook g\'elana, Skr. meestal verbonden met
fjoertdah tot goendah-gelana, verdrietig
en in twijfel.
verdrijven, wegjagen, inênghalankan,
menghinijit, wènjahlan.
—, doen ver-
dwijnen, vienghilangkan, b.v. haroeia
mènghilangkan, baoe,
de geur verdrijft
de reuk. Spr. —, verwijderen, mendja-
oehkan;
muskieten met rook —, me
ngasap n/a/iwk\'.
verdrijvcr, peaghalau.
verdringen, zie bij dringen; elkan-
der —, berasak-asakan, mengasnk\' sa\'u-
rang akau sa\'orang.
verdrinken, in het water omkomen,
mati lèmas; ook verdronken. —, met
drinken opmaken, ntenghabiskan dengau
minoem, mèmboroskan dèngan minoein;
zich—, me/emaskan dirinja dalam ajar;
iemand in de zee—,mëlaboehkan orang
kadalam laoet.
—, onder water komen,
van lam!, zie overfttroomen; toot
het kalf verdrinkt moet men den put
dempen, sabè/oiitttja djaloh bcük diaa-
diaka,n poepour,
d. i. vóór men valt is
het goed de zalf klaar te maken, Sprw.
verdrogen, onz. djadi kiring; ver-
droogd, uitgedroogd, kakëringan; zie
uitdrogen.
-ocr page 779-
verdrukken — verf.                                           767
verdrukken, onderdrukken, méngania-
jakan, meninclih
(van t indik); verdrukt,
ttratiiaja, ditindih.
verdrukker, onderdrukker,pènganiaja,
orang laltm,
Ar.
verdrukking, aniaja.
verdrukte, orang jang tcraniaja.
verdubbelen, bedr. mengganda; ver-
dubbeld, bergunda, b.v. koetangnja ber-
ga?ida,
zijne schuld was verdubbeld;
telkens —, b.v. van een kapitaal,
interest enz., yamla-ht-rganda, —, tot
twee maken, maidoewakan..— , vanecne
voeling of oplaag voorzien, mëlapis.
verduidelijken, tninjatakan, mtnërang-
kan, mëngërdkan ;
zie bij duidelül*.
verduisteren, bedr. mënggélapkan,
mëngdamkan
(van kelam). — vaa de
oogen, men gabon-kan mata, mtngëlam-
kan tttiütt.
—, benevelen van het ver-
stand, mënyeloeboengi ïXkal (van keloe-
boeny).
—, ouz. djadi gelap, djadi
kelam.
—, stilletjes wegnemen, itiëtigam-
bil tjorri-tjoeri.
verduistering» kayëtapan, pëngëlamau
(van kelam, duister,). —, eclips van zon
of maan, gerftana, Ski.; zons—, gtrhaua
mataliari;
maans—, yerhana boelan,
verdunnen, van vochten, niërJjairkan.
verduren, uitstaan, tahau, m\'mahan,
mhidërita.
—, geduld hebben, sabar,
Ar.; niet te —, tiada tirtahan, tiada
tërd\'érita, tiada iirxabarlcan.
verduwen, verteren van spijs, mëntjè-
rena;
verduwd, tjërëna.
verdwaald, sësat ; geheel —, sësat
barat;
een —e, orang sësat.
verdwalen, sësat; geheel —, sësat
barat;
doen —, mënjësatkan.
verdwnling, sesatun.
verdwijnen, verloren gaan, h\'dang,
voor het oog, lënnjap, graib, Ar. iésap,
pënnjap, l\'elap;
in of onder iets, hapoes;
doen —, mmigki/angkan, mtlënnjapkan,
tiïènggraihkan, pannjapkan, mënghapoeS\'
kan.
— van geesten of spoken, mëlëlap;
voor altijd verdwenen, hilang graib.
Voor verdwenen dezelfde woorden als
verdwijnen. — van de hoop, pontoes asa.
veredelen, mëmpërbdikkan.
vereenigen, tot één maken, mémpërsa-
toi\'kan, mëndjadikan satoe,
— tot een
paar, van man en vrouw, inëndjodokan.
—, samenvoegen, mènghoeboengkan. —,
lasschen, mënjamboeng (vaa samboeng).
—, doen vergezeld gaan van, mëmpi-
sèrtaican. —, aan toevoegen ter ver-
incerdering, mënambahkan (van tambah).
—, vergaderen, zie ald.
vereenijjbaar, dapat dipërsatoekan,
dapat didjüdukan, dapat dihocboengkan
enz. Zie het vorige woord.
vereenigd, dipërsatoekan, bërdjodo, bër-
hoeboeng, bër samboeng.
— tot éen geheel,
zooals saamgebondeu rijzen, personen,
die beraadslaagd hebben, vlechtwerk
dat aaneensluit, djap.
vereenij»iny;, verbinding,perhoeboengan.
—, lasch, persamboengan. —, vcruien-
ging, verband, sënyyama, Skr. — van
personen tot hetzelfde doel, pérhimpo-
nan, pëkoempoelav
, kongsi, Chin. —,
verbond, motudfakat, Ar.
vereeren, mémbëri hormat, mënghor-
mati, memoeliakan, wimpermoeliakan.
—, aanbidden, mënjëmbah, mënjëmbah\'
toedjoed.
—, dienen, zie ald. — van
eene lleidensche godheid, door het lezen
van formulieren, het aanbieden van
reukwerk, spijzen, bloemen enz., vië-
moedja
(van poedja, Skr.); zich grootc-
lijks vereerd gevoelen, sabësar-bësar
hatinja.
vereerenswaardii;, patoct dihormati,
ji. dipërmoeliakan,
/;. disëmbah, manah.
vereeriny;, hormat, Ar. sëmbah. —,
geschenk, zie ald. —, dienstbetoon,
kabaktiau. — van eene lleidensche
godheid, poedja.
vereeuwigen, mëng\'èkalkan (van këkul).
verdienen, in orde brengen, mënjelë-
saikan
(van sèlësai, veretl\'end). —, af-
doen, mëndjèlaskan, b.v. een geschil—,
mendjëlaskan selisih; eene rekening —,
mëndjë/as Hra-kira.
verelsclien, noodig hebben, bërgddjat;
vereischt, noodig zijn, hendakiah ada,
maoelah ada;
het vereischt spoed, maoe
tekas;
het vereischt goed overleg, maoe
biljara bëloel-bëtoel.
vereisolite; het is geen —, tiada bër-
kakëiidak-.
verergeren, bërtambah-tambah djahat\'
uja, makin lama makin djahat,
ook
aiëmpërumat-amalkau, b.v. zijne stom-
pen —, mempérantat-amatkau gotjoh.
van eene ziekte door vcrwanrloozing ot\'
nalatigheid, ook bijoet.
verf. tjat; water—, tinta, dawdt, Ar.;
de roode —, die door de késoemba
geleverd wordt, yëloega, gèlingyam, —,
bestaande uit de fijngewreven bladen
-ocr page 780-
768
verf bad — vergelijken.
van den patjarboom, waarmede mende
nagels van handen en voeten kleurt, ,
hinai.
verfbad, tjè/oepan; reeds gebruikt —, I
vcrt\'water, dat uit bet geverfde goed is
gewrongen, ajar kotoh-koloh.
vcrldooN, kotair tjat tcèrna-icïma.
verf hout, het sapanhout, kajo? sepang;
e. 8. v. geel -—, kêderang.
veri xjneti, mïnghaloeëkan.
verfhuii>( timpat tj\'eloep, pérfj\'eloepan.
verfkwast, si kat tjat, sapoe tjat.
verflauwen, afnemen, soeroet, makin !
koerang.
verllensen, lajoe, djadi lajoe; verllensd,
lajoe.
verfoeien, minighinakan, mintjelakan,
m\'engedjikan. —, in de kindertaal, foei
van iets zeggen, m\'endjidjikan (van
djidji, foei).
veribeieiyit, kahinaiin, k\'edji, katjetaan,
<lib,
Ar.
verfoeliën, menjapoekau ajar-rasa; ver-
foelied, disapoekan ojar-rasa,
veribmthuien, mmgoeinalkan (van koe-
mal,
verfomfaaid, de sporen dragen van
gebruikt zijn).
veribmiiieleii. verkreukelen, zie ald.
verfpot, tvmpai tjat.
verf muien, versieren, m\'éughiasi. —,
fraaier maken, wéndandani, membagofx-
ktin.
— van de wenkbrauwen, meiaan-
fis
(van pan/is).
verfraniïng, perhiasan, dandan.
verfris**<-lien, van hut lichaam, planten
enz., ménjegarkan (vim s\'egar). —, ver-
koelen, menjedjoi\'kkan (van sèdjoek-,
koel, verfrissebend).
verl\'rom melen, nierenjolf, zie ver-
kreukelen.
verfstof; e. s. v. roode —, tot verving
van lijnwaad, kësoemba; vuurroode id.,
kësoemba moeroep; e. s. v, plantaardige
—, waarmede uien kleedjes rood verlt,
soga; de daarmede geverfde kleedjes,
kaïn saga; o. s. v. gele —, oker, om
de huid, voornamelijk van bruidegom
en bruid te kleuren, artal, rëtal.
vi\'rjjiiiin, bewegen, b>rgerak. —, voort-
gaaa, berdjalan.—, van plaats verande-
ren, bërpimlah daripada tempatnja. —,
omkomen, binasa, karam ; doen—, mem-
binasakan, mëiigaramkati.
—■ door vul
water te loopen, van een vaartuig, karam
docdoefc.
—, verdwijnen, hilang, lënnjap,
graib,
Ar. —, verrotten, djadi boesoefr.
vergaan, verteerd, vermolmd, van touw,
hout en dergel., ëmpok. — , van geveld
hout, tot op het hart na, bangsai.
vergaarbak, om vloeistoven op te van-
gen, penadahan (van tadah).
vergaderen, bedr. mënghimponkan ,-
mengaeiapoelkan (van kormpoel); ver*
gaderd, kimpon, koempoel. —, onz. ber-
himpim, berkuempoe/.
vergadering, perhimponan, pëkoempoe-
la», karapatan, mattjlts,
Al\'.; godsdien-
Btige —, sidang, djëmaht, Ar. ook wel
saiuuverbonden tot sidang-djèinuïtt.
vergn< lerplaat» = vergadering,
soms met vourgevoeüd tempat,
vergnd**r3-aal, openbare, balai. —,
gehourznal bij den Vorst, batairoeng,
penghadapan, pateban,
Jav.
verballen, verbitteren, zie ald.
vergankely\'k, fana\'. Ar. het —e leven,
het naidschc, rieguri jang fana\'.
\'* <■<■■ i ■■ l i-j l, onthalen, zie ald.
vergeeflijk, dapat di-ampoeni, dapat
dima,\\fkan.
vergeefs, tjoema-tjoema, sia-sia, te —.
zonder nut, lantjoet, —, mislukt, bat al,
vergeefi*eh, = het vorige woord. — e
moeite, hilaiig penat. —e moeite doen,
lig. uiemboeicemg gnram kadalam laoet,
zout in zm werpen.
vergeetachtig, luepaAoepaiin, soektt
toept, likas loepa, p\'e/ofpa, koerang
inrjut
; erg —, këras pëloepa.
vergeetal, pëloepa.
vergelden, mëwbalas; liefde —, mëm-
balas kasih ;
voldoende —, genoegzaam
—, mimbalas sampai-tjoekoep; een wei-
daad —, membalas baedi; in staat zijn
te —, vergolden kunnen worden, tër-
balas;
niet te —, tiada tërbalas.
vergelder, pëmbalas.
vergelding, ptmbalasan; zie ook we»
dervergelding.
vergelijk, overeenkomst, ptrdjandjian.
—, vredesveidrng, ptrdjandjian damai.
vergelijken, met iets, mëinbandingkan,
b\'trpadOf-padan, mhiarakan
(van lara),
mënjabagaikan
(van sabagat). —, door
tegen elkander over te stellen, mënan-
ding
(van tanding\\; zich met zijn even-
beeld —, bertiiubang sama satviolr. —,
tegen elkander houden ter vergelijking,
mengatjoe. —, bij een maat of gewicht,
dat als legger dient, menolofc (van lolok1,
zulk een legger of standaard b.v. bij
de ijk). — bij iets, bij gelijkenis toe-
-ocr page 781-
vergelijking — vergrammen.                                 7*ï9
paaien, ntingoepamakan, mtlaksanaka»,
mtngiharatkan, niantamt silkan ; niot ver-
geleken kiiiiiu\'ii worden, tiada kaia-
raiin, tiada kabandtngan.
vergelijking, bij gelijkenis, pïroepa-
madn, oepama,
Skr. Ibiirat, Ar. —, van
het een met het ander, perbandingau ;
ook bandingan. — bij meting en rede-
ncering, ook kijds, Ar.
vergemakkelijken, meringankan.
ver»en, vragen, ei»chen, zie ald.
verijenoead, tevreden, senang.
vergenoegdheid, kasénanga».
vergenoegen; zich — met iets, b.v.
met zijn inkomen enz., ni?madakati {vtitx
pada\\,me,\\tjoekoepknn,
letter], voldoende,
genoog doen zijn, b.v. gij moest u —
met uwe bezoldiging, hvuduklah Ingkau
utfnfjoekorpkan dt-ngan gadjimoe.
vergeten, loepa; toevallig — zijn, van
den persoon, t\'erloepa ukan; van de zaak,
kaloepaiin; zich zelven —, loepa akan
dirinja, nienyaloepakan dirinja
; zich
houden alsof men bet — heeft, wuan
loepa, poer a-poer a loepa;
iets —, mè-
loepai, mengaloepdi
(van kalo<-pa) komt
zelden voor; iemund geheel — zijn, fiir.
loepa katjang akan koelifnja; half —
zijn, ten flauwe herinnering er nog van
hebben, ingat-ingat loepa. — zijn of
worden bij eene uitdeeling, over het
hoofd gezien, ttrlindoeng; niemand
werd —, sa\'orang pon tiada tërlitt-
doeng;
zijn leed trachten te —, b.v.
door wat te gaan zingen, me\'lalailean
hatinja daripada doeka-ljitanja.
ver»eter, zie vergeetal.
vergeven, vergiffenis schenken, mtug-
ampoeni, me\'mbïri ampoen, madfkatt;
God vergeve me! uitroep van verbazing,
ustagapir\'lah.\' verb. Ar. ook verkort
tot astaga! de veel vergevende, van
God, yrafoer, Ar.
vergeven, vergiftigen, zie ald.
vergeven s ge zin il, soeka me\'mbe\'ri am-
poen.
vergeving, vergiffenis, ampoen, madf,
Ar.; \'* Voreten — afsmeeken, makan
ampoen,
gewone uitdrukking, die bij
het aanspreken van den Vorst door
onderdanen gebezigd wordt.
vergewissen, nïembëtoelkan, niiiitnioe-
kan,
letterl. tot zekerheid brengen.
vergezellen, menjertai (van sïrla);
doen vergezeld gnnn door iets, mempt-
strtakan.
—, als makker, mïngawaui
(van kauw/), me\'nïimani (van teman);
een hoofd als volgeling —, mengiring
i\'van iring); in den dood —, met iemand
sterven mati hela; iemand in den dood
—, mémbelaï orang.
vergezioht, pïmattdangan jang djaoeh.
vergieten, mënoempahkan (van toempah);
bloed —, mïuoempahkan darak; tranen
—, titrtjoetjoeran ajar-mata, btrham-
boeran ajar-mafa, berlinang-linang ajar-
mata.
vergiettest, gntenplateel, pinggan p%-
itapis.
vergiilenis, zte vergeving.
vergitt, dierlijk, bisa; delfstoffelijk, ra-
ijeen;
planten—, ipoeh, oepas, (naar
den giftboom); het ■— verwijderen door
een tegengift aan te wenden, ntémboe-
i\'-tii/tf bisa, menarari
(van faicar).
vergift boom; de— bij uitnemendheid
in Indie is de pohon ipoeh; op Java
pohon oepas.
vergiftig, bisa, rat/oen, ipoeh; zie ver-
gift. —, bedwelmend, zooals b.v. stra-
monium enz., mïninhokkan,
vergiftigen, mÜmÜtri makan ratjoen;
verwittigd, kina ratjoen; met dierlijk
venrift, b.v. door de beet van eene
slang, kabisaan; het water —, om ge-
makkelijk visschen te vangen, tuluoba
(van foba).
vergiftiging, pïratjoenan.
vergissen ; zich —, salah fimbang, salah
tampa, salah kira;
zich bij het tellen
—, door zich to vorkijken, silap bilang;
door nfgetrokkenheid zich in spreken
of handelen —, niën/jatjau.
vergissing, salah tïmbang, salah tampa,
ialah kira.
verglimssel, saloet. — der tanden,
saloet gigi.
verglazen, menjalóet, triinjepoeh (van
aipoeh). — van unidewerk, ook mere-
ngas;
verglaasd aardewerk, témbekar.
vergoeden, mï-ngganti, b.v. schade —,
mëngganti roegi; de waarde —, nietig-
gantï harganja;
iets —, door er iets
voor in de plaats te geven, menjilïh
(van silih).
vergoeding, gantï, silih.
vergooien; zich —, verslingeren, men-
tjampakkan dirinja.
vergramd, vertoornd, marah, goesar;
van den Vorst, moerka. Zie verstoord.
—, nijdig, gtmas.
vergrammen, toornig worden, djadi
-ocr page 782-
770                                         versxüp — verheffen.
mar ah; van don Vorst, moerka, Verhang-
kit moerka.
— bedr. vertoornen, me\'ma-
rahkan, memoerkakan, membangkitkan
amarah, in. moerka.
vergrijp, misslag, salah, ch\'daf, Ar.
verarüpen, een misslag btgann, mem-
boewat salah, memboewat chiltif;
zich
aan iets —, m\'éngchilafkan.
vergrijzen, van liet haar, djadl poelih.
verjjriramen, zie verjjrninmen.
vergroeid, wanstaltig, këreloel; een
— c komkommer, limoen jarig këreloel.
vergroeien, djadi këreloel.
vergrooten, membësarkan.
vergrootglas, tjvrvmïii jang memoesar-
ka»;
microscoop, Ijërïmin loema.
vergruisd, haiitjoer, remoek-; geheel
—, hantjoer-loeloeh, r\'ëmoek-rcdam.
vergruizen, bedr. mënghantjoerkan,
meremoekkan;
geheel —, mënghanljoer\'
lueloehkan, mërëmoek-rëdamkan ;
tot poc-
der —, mëmoeil\'ikan (van poedi), nienjer\'
boek
(van serboeh), meloemalkan. \'/Ae
verbrijzelen.
verguizen, smaadheid aandoen, mengde-
djikan
(van këdji), menghinakan, ml-
tiislakan, më.ntjërëfja.
vergulden, mëngï-masi, nitnjë\'poeh mas,
mënjadoer emas;
verguld, disadoer emas.
vergulding, sepoeh teroes.
verguldsel, sadoer emas, ajar-mas.
vergunnen, mïmhïri, memberi idzin;
van een wensen, begeerte of verzoek,
mëloeloeskan. —, van God of een Vorst.
wengaroeniakan b.v. djikalau dikaroe-
niakan Allah,
indien God het vergunt.
vergunning, idzin, Ar. schriftelijke—,
suerat idzin; met vorstelijke —, dengau
nama anoegraha;
schriftelijke — om
een vaartuig te bouwen, soerat paljajk-
perahoe.
verhaal, vertelling, tjeritera, hiktïjat,
Al\', ritcajat, Ar. kisat, Ar.; een duide-
lijlt en omstandig —, oerajan.
verhaal, schadeloosstelling, zie ald.;
daarop is geen — in rechten, ttCbolih
didüwa, tiadalah përkataan,
Oend. Mal.;
daarop is in het geheel geen — meer,
soeatoepon tiada perkal aiinnja lagi;
daarop is verhaal, didalam përkataan
orang.
verhaasten, haast bijzetten, melekas-
kan, m\'ërtjige\'rakan, membangatkan.
verhakking, versperring, ptrempang,
pVngempang.
verhalen, iels vertellen, niêntjh-ifóra-
kan, méngfyikajatkan, meriwajatkan,
mêngl\'isatkan;
met zijn velen allerlei
— doen, bërtjërita-ljëritaiin ; achtereen-
volgens —, méiitjerilvrakan beiloeroef-
toeroet;
al de omstandigheden —, wiën-
tjtrilërakan sigala hdl-a^oealnja;
er
wordt verhaald, cene uitdrukking waar-
mede men een nieuw verhaal begint,
maka diljerit erakan, alkisat, Ar.
verhalen, van zijne plaats, van een
vaartuig door het uitbrengen van ankers
en trossen, mentjëmal. Zie anker-
plaats.
verhalen, vergoeding vragen, minta
ganti roegi;
op allen — wat één gedaan
heeft of schuldig is, mërampat papan.
verhaler, verteller, orang jang ampoe-
nja tjërilëra, sahihoe\'lhiküjat,
Ar. rairi.
verhandelen, koopen en verkoopen,
rnïndjoewol-bëli; tot een voorwerp van
koophandel maken, omzetten in den
handel, mëinpërniagakan. —, belcerend
spreken, mt.ngadjar.
verhandeling, redevoering, pingadja-
ran.
verhangen, o|> cene andere plaats han-
gen, mengganloengkan dilempat lam;
zich —, mengganloengkan diritija.
verhard, verstokt, niet gaar, zacht ol\'
rijp willen worden, bëgar. —, onhan-
delhaar, onbuigzaam, tëgar, këras.
verharden, bedr. mënyëraskan (van
ktras), menegarkan (van tegar).
verhardheid, verstoktheid, kabëgaran.
—, onliandelbaarheid, onbuigzaamheid,
kafegaran.
verharen, ruien, toekar lioeloe.
verheerlijken, nïëmoeliakan, ntëmp\'er-
moeliakati.
—, prijzen, mëmoedji (van
poedji),
verheerlijking, van God, tamdjid, Ar.
verheilen, opbellen, mengangkat; ook
tot een ambt. —, verhoogen, mening-
gikan
(vnn tinggi). —, tot ceno waar-
digheid, van iemand die niets is, mfonue-
ngoet
(van poengoel, oprapen); zichzel-
ven —, membësarkan diritija, mhne-
gahkan dirinja
(van megah, verheven):
de hoogte opwillen, mëngatas-atas di-
rh/ja, melëbihkan dirinja;
zich willen
—   tot een staat, waartoe men niet
komen kan en waartoe men ook niet
behoort, hëndak- men/japai boelan; zich
—  op, membësarkan dirinja daripada;
zich boven elkander —, alas-mëngatas,
bëralas-atasan
; zich kegelvormig —,
-ocr page 783-
verheid — verkeerd.                                          771
iets of iemand, menjangkak- (van sang-
kak,
verhinderd). —, moeilijkheid in
den weg leggen, menjoekarkan (van
soekar, moeilijk); membfratkan; niet
verhinderd zijn om iets te doen, er den
tijd toe hebben, senang. —, zie ook
beletten, ilwiirsboomen; verhin-
derd, belet door vele bezigheden, b\'érat,
b.v. hamba ini lagi brrat doeica poe-
lorh hari; apabila soedaklah herat hamba
kelak hamba datanglah,
ik ben nog
twintig dagen verhinderd; wanneer
mijne verhindering voorbij is, zal ik
dadelijk komen.
verhindering, beletsel, dat toevallig
is, araf, Ar.; wettige —, ïêdzoer, Ar.
verhit, kapanasan.
verhitten, mïmanaskan, memanasi.
verhoeden, membafalkan ; verwijderen,
rdéndjavehkan, b.v. dat verhoede God,
didjaoehkan Allah.
verholen, lï.rstmboeni, fêrboeni.
verhongeren, honirer lijden, kalaparan ;
verhongerd, kaboeloeran,
verhoogen, mïntnggikan (van tinggi);
den prijs —, mena\'ikkan harga; in rang
verhoogd worden, ndik pang kat; steeds
in rang stijgen, btrtambah-tambah pang-
kat daradjat.
Zie ophoogen en
prijzen.
verhooging, in rang, ndik pangkat.
van prijs, ndik harga.
verhooren, ondervragen, berlanjakan,
bïrtanja-tauja, mëmeriksa, me.njilidik
(van sidik). —, van een gebed of wensch,
meloetoeskan, mé.ngkaboelkan ; gunstig
aanhooien van een bede, idjdb, Ar.
verhooring, van een bede, idjdbat, Ar.
verhoovnardigen; zich —, mëmbtsar-
kan dirinja, mimegalikan dirinja
(van
mégah).
verhouding, zie betrekking.
verhuizen, pitidah, berpindak; iets doen
—, mvniindahkan.
verhuren, mPnjnrakan.
verijdelen, mëmèafalkan (van bdfal, Ar.\'
ntensia-siakan; verijdeld, ba"tal, Ar.
verjaard, soedah laloe, soedah berla-
hoen-tahoen.
verjaardag, hari tahoen, hari djadi.
verjagen, mtnghalaukan, menjahkan,
menghintjit.
verkalken, djadi kapoer.
verkeerhord, papan djogar.
verkeerd, fout, salah, b.v. — in de
keuze zijner woorden, salah kata.
zooals ecne stapel kogels, een boop
waschgocd enz., mèroendjoeng; wat zich
aldus verheft, pïroendjoeng; zich steil
naar buven —, zooals een toren, vogel
vlieger enz., tindjak; zich even boven
de oppervlakte —, zooals laag land
van uit zeo gezien of een schip in de
verte, meranap; zich boven de opper-
vlakte —, of uitsteken, b.v. paalwerk
boven wnter, de tepel der borst, de
borsten eener maagd, mendjodjol. —,
stijgen, ndik; van vlammen, mendjoe-
lang;
zijne stem —, mentaringkan soe-
tcaranja ;
in rang, mena\'ikkan pangkat.
NB. Deze uitdrukking wordt in Mal.
brieven van Vorsten wel gebezigd, doch
i- niet te verdedigen; mtn \'ikkan slaat
op den porsoon; mïninggikan moet van
de zaak, pang kat, gezegd worden; den
naam van vroegere helden —, weer
in gedachtenis brengen, nirtttmboetkan
nama.
—, in hevigheid toenemen, makin
sangal, makin këras;
zich — van stof,
brrbangkit, ttaïjr. —, zie ook oi>licilën.
verheid, djaoeh.
verhelderen, ittetïvrangkan, mentratigi
(van lerang<. —, transparant maken,
ini\'itgheningkan, mendjerenihkan.
verheldering,/^«Praw^aw ,- Rls uitwerk-
sel, kalerangau,
verhelen, verbergen, ménjêmboenikan
(van sëmboeni).
verhelpen, verbeteren, genezen,zie nld.
verhenit\'lte, in den mond, langitan
moeloet, langit-langit moeloet
; als orgaan
van den smaak, fëkak; zie ook jge-
hemelte.
verheugd, soeka-ljita, soeka-hati, kasoe-
kaan, bÜrgémar.
verheugen, bedr. mÜnjoekakati, mPnjoe-
kakan bad, mvnggïmarkan
; datgene,
wat het hart verheugt, pinjoeka kali;
zich —, djadi soeka-hati, ménjoekakan
hatinja, soeka-tjita, blrgtmar.
verheuging, kasotrkaün.
verheven, hoog, tinggi. —, aanzienlijk
van persoon, moelia, Skr. üU, Ar. zeer
—, moeliawan, Skr.
verhevenheid, hoogheid, kaiinggian.
—, aanzicnlijkhcid, kamoeliaan, illijat.
Ar.; do — van den vloer, die tot slaap-
plaats dient, pen tas. Hierop staat de
eigenlijke slaapplaats, pttamin.
verhinderen, tegenhouden, mêntgah\' ,
kan (van tëgah). —, tegenwerken, mt- ■
rinlartgi, melintangi.
—, beletten van \'
-ocr page 784-
77fl
verkeerdheid — verkondiger.
verklagen, aanklagen, zie ald.
verklappen, van een geheim, t/iembocka
rahasia.
verklaren» verduidelijken, mtujatakan,
mentrangkan.
—, uitleggen, mengiba-
ralkan
(van \'tbürat, Ar.). — voor, mP-
ngafalan,
b.v. voor een dief—, mtnga~
takan pPnljoeri.
— in staat te zijn om
iris te doen, mP.ntja.kap; zich generen
of bereid — iets te doeo, bPrljakap-
mPnjavggorp
(van sanggoep). —, beken-
nen, mëngakoe; den tekst —, mPnlaf-
sirkan;
onder eede —, naik sak-si de-
ngan bPrsoempah ;
den oorlog —, niPtna-
loemkan pPrang;
zich tegen iets —,
mtnoelak- akan (van toelafc).
verklaring;, uitlegging, \'tbdrat. Ar. zie
ald.; schriftelijke —, soeral kaitrangan.
—, bekentenis, pPngakoe.an. —, gclui-
genis, kasaksian.
verklecden; zich —, van klceren ver-
wisselen, bersalin pakajan ; zich —, ver-
mommen, mPnjainarkan dirinja (van
samar),
verkh\'eid, lekat, bPrgautoeng.—raken
aan iemand, iersavgkuet halt, b.v. ik
gevoelde mijn hart aan mijnheer —,
tersangkoetlah halikoe kapada toeican
rasanja.
—, hangend, zooals een kind
aan zijne moeder, rorjoet, mandja.
verkleinen, mPngPtjilkan (van lèttjil).—,
klcinachten, mPtti\'/Plakart, tnPngh/nakan.
verkleumd, kadinginan.
verkleuren, toeroen tcPrnanja, loentoer,
namel. van gevelde stollen door dragen
of wastenen; verkleurd door de zonne-
stralcn, dimakan panas. —, van kleur
veranderen, bërobah tcïrtta.
verklikken, zie klikken.
verkloeken, memberanikan.
verkniezen, verteren, loesoeh, mendjadi
lorsoeh.
verknocht, zie verkleefd.
verknoeien, bederven, m\'h\'u?xa?ckan,
verkoelen, bedr. mPnjPdjoekkan (van
s~èdjoek), viendinginkan.
verkoelend, sëdjoejr.
verkolen, onz. djadi arang.
verkondigen, mtngchabarkan, tnticar-
takan, memSPritakan, mPmasjhoer kan.
—,
luidkeels afkondigen, icarwar. —, alom
bekend maken, b.v. een bevel, mênfi-
rantakan;
het Evangelie —, memasj-
hoerkan indjil;
bij bekkenslag —, men-
tjanangkan, memongmongkan.
verkondiger, phcarta.
verstaan, salah dZnyar. — opnemen,
salah tampa. —, mi», ook salah; alle
samenstellingen met mis of verkeerd
worden hiermede teruggegeven, b.v. —
springen, misspringen, salah melompal
enz. alles — of mis, salah-sïleh, sërba
salah;
alles — vinden, iiiïinhiwwat serba j
salah. — zijn in alles wat men doet,
.verba salah lakoenja. — opvatten van
woorden, ook wPndjadi salah, b.v. ka/a
jaag bïiutr mPndjadi salah kapadanja,
goed gemeende woorden vat bij — op;
zijne zaken averechts — doen, mPnoem-
boek dipértjoefc, bPr/anak\' dilisoeng,
tig. ;
—, verward, in de war, dwaas, sasar;
—e hebbelijkheid, sasar bPhasa; bij
ongeluk in eene —e opening komen,
b.v. spijzen in den neus, iemand in een
verkeerd huis enz., bfrsat. —, niet op ,
zijne plaats, salah tPmpat, —, omgc- i
keerd, lirbalik; een — hart, hati ja»g \'
IPrbalik;
opzettelijk —e dingen doen,
utain gila.
verkeer»tlieid, kasalahan.
verkeeren, bedr. veranderen, mPngobah-
kan;
onz. berobah. —, in den toeslnnd
zijn, ada dalam hal; in pijn, smart of
moeilijkheid —, kasakïtan, adalah dalam
hal sakïL
—, omgaan; dit hangt af
van den persoon of het voorwerp waar-
mede men verkeert, b.v. met een vriend
of vrienden —, bPrsohhal-sohbatan de-
ngan;
met minderen —, gemeenzaam
omgaan, bPrdj\'mak-djinakan dPngan, bt-
ramah-rainahan déugan;
met slecht volk
—, berlemaukan orang djahat.—, geen-
gngeerd zijn, bPrtoenangan.
verkeerspel, mui» djogar, ook berdjo- \\
gaf;
e. s. v. —■ met twee dobbelsteenen
en 52 steentjes in twee verschillende
kleuren, ma\'in Ijueki.
verkennen, bespieden, zie ald. —, op- ,
nemen, mPliha/i,
verkiezen, mviiiUih (vnnpilih),—, wen-
scben, soeka; al wat u verkiest, manu
sueka toewanlah;
al wat hij verkiest,
sakahtndak hatinja, sasoekat/ja; zooals
de heeren —, zooals de heeren goed-
vinden, mann-maiialah dengan kahPndak
toewan sakalian.
verkiezinjï, pilihan. —, genegenheid, ,
wenscb, soeka.
verkijken; zich bij het tellen — en |
daardoor verkeerd tellen, si lap bilang. ■
verklaarbaar, dapat dinjalakan, dc.pat
di\'ïrlikan.
-ocr page 785-
verkoop — verlangen.                                         773
i verkrUaini*, përolihan, pèndapatati.
\' verkromd, dour ziekte, këretoel; door
een bochel, térhangkok. ■—■ van arm en
been of nrmen en beenen, dengkang-
dengkol.
— en vermagerd van ouderdom
of ziekte, rengkeh.
verkrommen, onz djadi bengknk; met
verscheidenheid, djaiti bengkany-beng-
koJc.
— door ziekte of ouderdom, d\',ad\'>
\' kéretotft, djadi rengkeh.
—, bedr. mem-
bengkokkan.
verkromminiï, bengkok, këre/oet,reny-
keht brngkany-brngkok;
van de wervel-
kolom, terkehel (ofluiig btlakang.
verkroppen; zijn leed —, mmahan
\\ hati;
zijn kommer —, mënyhimponkan
pèrtjintaiinnja.
verkruimelen, iets —, tnëre?nah-remali-
I kan, vierapihi.
1 verkwikken, mënjeyarkan (van sëgar),
mènjedapkan (van sédap).
, verkwiwtcn, tnemboroskan, mëngabwr
(van aboer); zijn geheele vermogen op-
maken, mëngoembah (van koembah).
verkwister, pembcros, pëngahoer, orang
aboera.i, pergoembah, orang barboer.
verkwisting, p-mborosaa, pèngaboeran,
péngoembahait.
verladen, lager makeo, mërëndahkan;
zich —, geineen aanstellen, mènghi/ta-
kan dirinja.
verlak, vernis, sampang, përlak.
verlakken, vernissen, menjampang. Zie
bedriegen,
verlakt; werk dat — is, sampangan.
verlamd, aan de beenen, tepoejr, loem-
poeh.
— van hart, hatinja lëmah; ook
van woorden of cenc redeneering, door
gebrek nan bewijs; geheel —, tepoek
lësi.
—, geraakt in de gewrichten door
[ tooverij, kena sêndi. — ook lasti.
1 verlammen, onz. djadi tepoek, djadi
\\ tepoek-lësi;
zie het vorige woord. —,
bedr. verzwakken, mëlëmahkan.
verlamming = verlamd,
verlanjjen, begecren, hendak, ht/idak-
kan, mëuyhendaki;
het —, kahéndak; al
wat men verlangt, sakaAëndak hati; hoc
groot ook uw — is, nog meer verlang
ik om . . . ., bïrapa garanyan kahéndak
kakanda itoe lebih poela kahéndak beita
hendak ..
. .; sterk naar iemand —,
rindof, dëndam (ook vereenigd tot ri«-
doe-dëndam), bërdèndam, mëndéttdam,
mënaruh dèndam, rindoekan;
naar iets
doen —, mërindoekan; nu eens naar
verkoop, pèndjocical, pindjomcalan.
in liet openbaar, telang, lelong.
verkooptmnr, aftrekvindend, lakoc,
pajoe.
verkoop.-ln.jr, v. e. openbare verkoo-
ping, hari le/attg.
verkoopen, mëndjoetcal; koopen en —,
djoeicul\'btli; alles ia eens —, b.v. de
u\'L\'heelr! lading van een schip enz. djuf-
v:al tandang;
in het openbaar bij opbod
tn afslajr —, meMany, mètelong; onder
de waarde —, berdjoftcal dengan tiada
pafort harga;
in het klein uit een win-
kei —, b\'erdjagal; langs de huizen —,
venten, niendjadjah; de huid — vóór
men den beer geschoten heeft, betont
bfninafc t\'èlnh ditimang;
op erediet —,
djoewal hoetang,
verkooi >er, pen djoewal, oranyjavy m\'èn-
djoetrat.
—, venter lang» de huizen,
pendjadjah ; openbare —, venduuiccstcr,
toekany h-lang,
verkoop! i ui s, venduhuis, roemah lelany.
verkoopiiijj:. openbare—, bij opbod en
afslag, (slang, lelony, Port.
verkooplokaal, verkoopplaats, timpat
Wang.
verkoopprijs, harga djoewal.
verkoopt\\jd, masa djoewal, koetika
djoewal.
verkoopvoorwaarden, djandji djoe-
Kal.
verkoren, uitverkoren, lerpilih, pi/i Aan.
verkorten, mëmandakkan i van pandak),
tnemendekkan
(vao pendek). —, korter
maken dan het moest zijn, mënjinykat
(van shigkat). Zie bekorten.
verkouden, koude vatten, kena dingin,
kena sedjoeik.
—, koud worden, djadi
dingin, djadi sèdjoek.
Zie hot volgende
woord.
verkoudheid der slijmvliezen van hoofd
on neus, xeléiiui, sëma-s\'éma, sélés\'ema, Skr.
verkrnehten, onteeren van eene vrouw,
mëngyaga/ü sa\'oratig pèrampoewan, mé-
roeyoel
f, p., méicafi. Ar.
verkreukelen, mënygoemalkan; ver-
kruukcld, yoemal; van zijden of geste-
ven stollen, lajoc.
verkr ü-jlmnr, boleh dapat; niet —,
tiada teperolih, tiada tërdapat.
verkrüsjen, b\'erolih, méndapat; van zijn
hart —, sumpai hati; bet niet van zijn
hart kunnen —, tiada tampai hati; ik
kan het niet van mijn hart —, hati
lëhaja tiada tampai.
-ocr page 786-
774
verlangen — verleiden.
dit, dan weer naar dat — ,mirajau;oen
sterk — hebben, gèletelf; dringend—,
als een kind nanr de borst, ëmpik,
m\'zngtMpik,
ook het dringend — van een
gastheer dat zijne gasten zullen eten;
verlangend, begeerig, ook gamar, b\'er-
g\'emar.
—, zinnelijk belust zijn op iets,
ingin. — naar eten, goede eetlust heb-
ben, tèkak\' asa-asa; naar weer doen—,
b.v. een proefje, dat de trek naar incer
opwekt, mëngasakan tekak, zooals b.v.
die perzik smaakt naar meer; de kip
verlangt naar bet rijstblok, de eend
naar den kolk, asa ajam hendak kalï-
soeng, asa Hik henttafr kupttimbahati,
Men. Sprw. voor chaeun sou gout.
verlangen, Zelfst. nw. begeerte, kahen-
dak, tjita, hasrat.
Ar.; sterk—,rindoe,
d\'aulam;
zinnelijk —, belustheid, ingin, \\
kainginan.
verlaten, achterlaten, mënivggalkan (van
tinggal); de wereld —, meninggafkan
doeuia;
zich — op, harap akan {uipada),
brrptgang,
b.v. mareka-ifoe berpigang a.\'as
hawa-nafsoevja, lëtapi akoe berpegang \\
kapada pèlihara Toehan jang mhidjadi-
|
kan dakoc, zij — zich op hunne harts- |
tochten, doch ik verlaat mij op de
bescherming des Heercn, die Blij ge-
schapen heeft; zich op God —, ook
tatcakkoel, Ar.; een schip —, toeroe»
dari kapal
,- een vaartuig — vóór den
afloop der reis, namel. door een schc-
pcling, toeruen mtnogan (van togan);
iemands zaak —, zich van hem at- \\
wendeD, hem afvallen, bèipaliug haloeau,
b.v. djikalan tiada akan diboewangnja
Bochtiar Hoe, patik sakalian pon ber-
paiiug haloeanlah,
als hij dien B. niet
opruimt, dan zullen wij allen hem —.
verlaten, Zelfst. nw. pëninggalan; na ,
het —, sapeninggalan; dikwijls ook \\
sapininggal.
Zie vertrek.
verlaten, Bijv. nw. achtergebleven, ter-
tinggal, katitiggalan;
van eene vrouw I
door haren man, bangkang. —, een- .
zaam, soenji, soenji-s\'ennjap. —, van iets,
dat men beeft laten varen, blijven zit-
ten van een meisje, dat niet ten huwe-
lijk is gevraagd, bangai. — van een
stad, ook baloe, b.v. sapërti baloe sa- \\
nëgari,
alsof de geheele stad — was,
letteil. als weduwe was.
verlatenheid, eenzaamheid, kasoevjian.
—, weesheid, piatoe.
verleden, voorbijgegaan, soedah laloe.
—  week, djoemïlaf. jang f aloë ini; de
—  tijd, masa jang soedah (of Utah)
laloe;
het donker of duister —, silam,
b.v. adalah kapada soewatoe si/am, ko~
dral Toehan mendjadikau ulam,
het was
in een duister —, dat \'s Heeren almacht
\'t heelal schiep; geen zuiver — achter
zich hebben, lig. djedjaknja kërueh,
1\'ad. bov.1.
verleenen, m\'èmbèri; van God of den
Vorst, mëngaroeniakan, maiganoegeraha-
kan,
zie ook vergunnen; eea titel
—, mëngaroeniakan gelat, milekatkan
gelat.
verlenen, bedorven door lang liggen,
rëpoet; cd daardoor licht brekend, van
touw, garen, geweven stollen enz., moe-
boet, motnnoet.
—, verteerd van geweveu
stollen, papier en dergel., luesoeh. —,
verstikt, b.v. van laken, katoen, rijst,
kruit enz., kepam.
verleden, beschaamd, maloe, kamaloean ;
erg —, erg be.-chaauid, kamalue-maloeau,
fig. sapérti oravg soedah berak difengaJt
djalan.
—, in moeilijkheid, kasoesahan ;
in hot nauw, kapitjikan. — in de war,
radeloos, kaf jan, berkatjau; met iets —■
zijn, niet weten wat er van te denken,
mendjadi boduh. — maken, mëmbtti
maloe, mëmpermaloekan ;
zeer —, zedig
—, kasipoe-sipoean; zeer — en be-
6chaamd, kasipoe-sipoean maloe.
verlegenheid, moeielijkhoid, soesah ; in
—   zijn, kasoesahan; in — brengen,
utènjoesahkan. —, twijfel, tcasangka; in
—  zijn, dalam tcasangka; in groote —
zijn, zoodat men niet weet wat te doen,
hati bërtungkol; zedigo — uitdrukkend,
van het gelant, sipue; in —, in het
nauw, kapitjikan; in — zijn of komen,
b.v. door de afwezigheid van iets, mea~
djadi bodoh;
iemand in — brengen,
zoodnt hij niet weet wat te doen of
wat er van te denken, mèmbodohkau.
orang;
geld—, kakorravgan aewang,ka-
sëmpitan belandja.
verleasen, op eene andere plaats leggen,
mèlèfak\'kan di tëmpat lam, mènarohd. t.
/., mëmindahkan (van pindah).
verleidbaar, dapat diboedjoek,—, van
eene vrouw, dapat dilateati.
verleidel\\jIr, jang memboedjO\'\'fapëmboa-
djoek;
voor eene vrouw, jang menawari.
verleiden, mèmboedjoek. —, tot iets
overreden, tot iets gunstig stemmen,
mëngétoer. (van éloen). —, verzoeken,
-ocr page 787-
verleider — verloofd.                                          775
mhiggoda. — van eene vrouw, mhia-
tcari
i\'van tatcar).
verleider. pemboedjoek-, pënggoda.
verleiding» pemboedjotkan, pënggoda.—,
ingeving des duivels, tcawtcas, Ar.
verlekkeren, berledzat; verlekkerd op,
berledzat dtilam.
verlengen, van het leven, een toon,
verhaal, redevoering, melandjoetkan ; zich
—, in de lengte uitstrekken, b.v. van
eenc slang, vtentbuedjorrkan dirinja. —,
langer maken, niemand j tuig kan (van pan-
djang).
—, door er een stuk aan te
zetten, menghorburngkan, m\'ênjatnboeng
(van samboetig). —, van iets hols of
pijpnehtigs, door er een stuk aan te
zetten, menjerombung (van serombong).
verlengstuk, loebaengan, samboengan.
— aan iets hols of pijpuchtigs, sërom-
bong.
—, van een mast, sleng, soeloer
Hang.
—, van de scheeps-inbouten, soe-
loer gading.
— van de verschansing op
inlandsche vaartuigen, meestal tot ver-
sierine^ dandan tjanggai; ook alleen
dandan,
verleppen, lajoe, djadi lajoe; verlept,
lajoe, lisoet; van iets, wat vroeger stijf
of strak was, slap, b.v. een gestreken
overhemd, pnpier, het aangezicht, ronjok.
verleuteren, verbcuzelcn, zie nld.
verlevendijjen, levend maken, mênghi-
doepkan.
—, levendig maken, b.v. den
handel, meramaikan. —, vervroolijken,
„ienjoekakan hati (van soeka).
verlicht, door licht, terang; verruimd
vnn gemoed, kalapangan.
verlichten, licht geven aan, menerang-
kan, menerangi.
—, verruimen van het
gemoed, milapangkan hati. ■—, minder
zwaar maken, meringankan.
verlichtinsr. opheldering, pènerangan.
—, verruiming van bet gemoed, ■—,
van zorg, ongemak, ziekte, \\t\\\\n,lnpang,
ringan.
—, verademing, saltcah, Ar.
verliefd, kasih, birahi. — op, kasih
akan, birahi akan.
— raken op, djatoh
kasih akan;
smoorlijk —. gila (letterl.
gek), rdan, Jav. edan kasmaran, Jav.;
smoorlijk —, ook: Vènggelam dalam
laoetan Tisjik.
—, ook ïï&jik, Ar. ■—
van velen, door verliefdheid aangegre-
pen, kaasjik\'ösjikan. — maken, mem-
birahikan,
verliefde, jang kasih, jang birahi. ■—,
beminde, ktkasik.
verliefdheid, bimbang, <lsji£; b.v. hati
didalam ménaroh bimbang, dari dehoeloe
sampai sakarang.
verlies, nndeel, ruegi. — lijden, karoe-
gian.
—, gemis, kakoerangan. —, onder-
doen in den krijg of eenigen strijd,
alah, tucas. —, het verloren hebben
van het een of ander, kahilangan, b.v.
het — der oogen, kahilangan mata.
verlieven, zie bij verliefd.
verliezen, verloren hebben, kahilangan ;
ook door den dood verloren hebben, b.v.
ija kahilangan ihoe-bapavja, hij heeft zijne
ouders door den dood verloren. In dezen
Zin ook kamatian, b.v. ija karnatian
anaknja,
zij heeft hnar kind door den
dood verloren. de tanden verloren heb-
ben, soe.dah tinggal gigi; den moed —,
hitang hati, tatcar hati; zijne gedachten
—, t\'erbang piki.-an ; zijne tonen woord ig-
heid van geest —, terbang sucmangat.
— in den krijs, eenigen strijd of spel,
ka/ah, tivras; uit het oog —, lutnjap
daripada mata;
ook lesap, graib, Ar.j
het leven —, hilang njawa, mati, zie
sterven; zijne bladeren —, loeroeh
daoennja;
het verstand —, hilang a kal-
vja;
zonder tijd te —, dei/gan Hada
bèrlamhatan;
zie ook verloren.
verlijden, verteren door lang liggen,
makan diri.
verlof, idzin. Ar. idjazah. Ar. — vrn-
gen, om zich te mogen verwijderen,
min/it diri, bèrmohon. —, vrijheid vra-
gen tot bet doen van iets, dat ander*
verboden is, tninta bebas • zonder —,
dengan tiada idzin; met uw —, als
men iets zegt of doet, dnt kwnlijk
genomen zou kunnen worden, tabik
toewan {njonja, enfjik
enz.); ook pasang
iabik.
verlofbrief, soerat idzin.
verlofpas = verlofbrief.
verlokkelijk, jang mem boe dj nek.
verlokken, verleiden, zio ald.
verlokking, pemboedjoek.
verloochenen, m\'enjangkal (van sang-
kal), moenkir,
Ar.; zichzelven —, ook
door zich iets te onthouden, ménjang-
kal dirinja;
zijnen erfelijken aard —,
mémboewang baka, b.v. tiada ingkau
mëmboeicarig baka,
gij verloochent uw
erfelijken aard niet.
verloochening, penjangkalan.
verloofd; — zijn, bertoenangan, ook
dalam djandji; staat van verloofdhcid,
pirdjodoan.
-ocr page 788-
7?ii
verloofde — vermeldenswaard.
openbaar schouwspel, tanuisja, Pcrz. —
scheppen in iets, hërkcnan akan,
vermaard, masjhoer, Ar. kanamadn, ter-
tiama.
vermageren, tij ad i koeroes. —, ver-
dorren, van menseben, dieren en plan-
ten, zie bij «linken 1 vermagerd en
veikromd van ouderdom of ziekte, retig-
/■■■/;:
tot den uitersten graad vermagerd,
kedeagkifr.
vermakelijk* j<*ng utenjoekakan.
vermakelijkheid, openbare —, ta~
tnasja,
PeiX.
vermaken, anders maken, djadika» lam
roepa.
— van eene pen, merantjoeng
fatum, méutapat jralam
(van papat); ook
inèroentjïng.
Pad, bov. 1.; bij testament
—, meicas\'jatkan (van tcasjat, Ar.), isa\',
Ar.; zich —, bersoeka-soeka, viënjoeka-
kan diri, bërmaht;
zich met anderen—,
berxoeka-soekatïn; zich met zijn velen—,
béramai-ramajan; zich onderling — en
vreugde bedrijven, bërsoeka-soekaan dan
bërauiai-ramajan.
vermalen, door rollen, menggiling. —,
door horizontaal draaiende sleenea, ■!•
ngisarkan (van kitm% — tot poeder,
mènjtrboei: (van sërboek], — tot gruis,
memoedikau (van potfdi).
vermanen, nwtegor (van tëgor), mëngi-
ngafkatt, mënasihatkau
(van vasihal, Ar.).
verrannins, tegur, nasihat. Ar.
vermannen, zich —, meinberanikaa ha-
tinja,
b.v. diberani-beranikannja ha/ïnja
maka di-oesirnja hantoe itoc,
hij ver-
man !e zich en ging op het spook af:
zich — om iets te doen, waar men tegen
opziet, mëuiëksa; zich —, met geweld
inspannen, mënggagahi dirinja, b.v. maka
t-li/i soettan Malakoc Imansoer d\'tgaga-
kinja djoeya dirinja,
ea Sulthan M. nu
vermande zich.
I vermeend, disatigka, dikirakan.
I vermeenen, sangka, mënjanyka, kirakuu.
vermeerderen, budr. mtlebihi, iiïènatn-
bahi
(van lambah). —, veel maken, mem-
pérbaujak-kan.
—, onz. bértambahdumbalt.
vermeesteren, veroveren, m\'èngalahkan
(van alah). —, ten ouder brengen, ■*•
nafokkan, mtmbaicahkan.
vermelden, menjïboct; vermeld, térsè-
boel,
b.v. zooals boven vermeld is, »a-
ptrti fët\'sèboet di-aias ini;
zooals reeds
vermeld is, sapërti jang tèlah laloe
seboetatinja;
vermeld, ook tirmadzkoer.
vermeldenswaard, patoet disëboet.
verloofde, toenangan, orang bértoena- \'
ngan.
verloop; na —van cenïgen tijd, satilak
btbërapa lamanja;
nu — van cenige
jaren, satelah bêbérapa tahoen lamanja.
—, afneming, zie het volgende woord.
verloopen, van den tijd, laloe, b.v.
nndat vele jaren — waren, safëlah safi-
dak laloe b\'ebérapa tahoen ;
er waren vele
jaren —. soedah bertahoen-iahoen. —-,
van volk, mtlarat, b.v. mijn volk zal
—, oraagkoe akan mëlarat. —, van een
leger, toeroet, soesoet. —, van een schroef,
gaitr. —, van een getij, saizoen, kasip.
verloren» hilang, soedah hilatig. — heb-
ben, kahilaugan; eene vrouw —, die
kan gezocht worden; het ver-tand —.
ongelukkig de persoon, hilang bini,bolih
ditjehari ; hïlang boedi, badan fjïlaka,
Sprw. — van de hoop, alle hoop is—,
poetues iiarap, poctoes asa;hnt—geven,
bij een weddingschap of strijd, met
opzet, membiarkan dirinja alak sehadja.
—, verborgen, weggeraakt, pemijap. —,
te vergeefs, van moeite, hilang ftenat,
tjoema-fjoema, sia-sia.
—, in het ongeluk
gestort, binasa, roesak-binasa, ook —
gaan, omkomen. Zie ook verliezen.
verloskunde, elmot bidan.
verloskundige, bidan. In Indlè altijd
vrouwen.
verlossen, v, e. gevaar, meloepoefkaii.
—, bevrijden van iets, mëtëpaskan. —,
vrijkoopen, inëneboes (van ttboea). —,
baren, beranak, bcrsalhi; van eene
Vorstin, bèrpoetera. —, bij het baren
helpen, m\'ènoeloeng bïranak, mëmbidan
përampoewan.
— uit iets, b.v, uit den
kerker eoz., mëngaloetoarkan (van ka-
ioeicar).
verlosser, bevrijder, penoeloeng. —,
vrijkooper, pèn\'tboes. •—, zaligmaker,
djueroc sahimal. {f)
verlossing, kaloepoetan, kalèpasan, —,
bevrijding, ehaléf, Arab. —, vrijkoo-
ping, tëboesan.
verloven» niënOi.\'iiangkan anaj; (van toe-
nang);
zie ook verloofd.
verlovin™, ptrdjatidjian përtoenaugan;
de —spanden wifsclen, bertimbang tunda.
verlustigen, menjoekakan (van soeka).
vermaalt, kasoekaii», përma\'tuan.— met
elkander hebbun, zich onderling aiuu-
seeren, birsoeka-soekadn; luidruchtig—,
soeka-ria. —, uitspanning, tjangkerima,
Skr. zich vermaken, bt-rfjangkérema. —,
-ocr page 789-
777
vermelding — vermoeid.
vermelding, sèboetan.
vermengen, bedr, méntjawpoeri; ver- !
m«agdtbêrtjampoer; met andere bestand- \'
declen —, ook van een volk en eune
taal, méngatjattkan (van katjatt, vcr-
mengd); een vermengde taal, bëhasa
kaijau;
ook b\'ehasa katjaukan i. pi v. |
kaijau\'an; niet elkander —, b.v. klei
en water, ntëmbantjoehkan; vermengd en
verward, tjatnpoer-gaoel, tjampoer-baoei\';
door elkander —. van droge zaken,
zooals b.v. gras, haver en baksel, meng-
ijaoel.
Op die wijze vermengd ook tjam-
poer-gaoel.
— van verschillende spijzen, i
um de hoeveelheid te vermeerderen, b.v.
rijst met maïs enz., mërandan; dat wat
er mede vermengd wordt, perandau;
innig —. assimileeren, mëmestrakan (van
mësëra, chemisch vermengd, op \'t innigst
verbonden), b.v. maka satëtah socdah
tlimisïrakatinja kadalam behasanja sën-
diii,
nadat zij daarmede hun eigentaal
vermengd badden; ook van een vergif,
of geneesmiddel in het lichaam. — vnn
metalen onder elkander, melakoerkan
(van lakoer, vermengd, ook van twee
vijandelijke legers, wanneer die hand-
gemeen zijn); vermengd, dooreen, door
elkanïer wemelend en daardoor niet
van elkander te onderscheiden, b.v. van
vogels, de bliksem, strijdenden, licht
en donker enz., taboe)\'; van alle kan-
ten, saboer-mènjaboer; zich — van glan-
zen, geuren of kleuren, óërpaloe-pa/oe,
b.v. kaloewarlah tjahajanja birpalof-
2>aloe dëngan tjahaja mati hari,
er kwam
een glans uit, die zich mengde met don
glans der zon ; Oaoenja boenga bërpaloe-
paloe dëngan ajarmaicar,
de geur der j
bloemen mengde zich met die van |
roze water.
vermt\'niïinKi tjampoeran.
vermenigvuldigen, nritb. mëmoekoel
(vanpoekoel);
twee vermenigvuldigd met
drie, doetca kali liga. of liga kali doewa. ;
—, veel doen worden, mëmpërbanjalf-
kan.
— van krissteken ot\' vuistslagen,
mémpttloi\'bi\'toebikan, b.v. dipérfocbi-
toebinja tikamnja,
hij vermenigvuldigde \'
zijne krissteken; zich sterk —, veel ;
jongen voortbrengen, përidi, b.v. hajam \\
dan itik sangat përidi,
kippen en een- \'
den — zich zeer sterk; de gedachten
mijns harten vermenigvuldigden zich
zeer, kapikiran dalam halikoe térlaloe
ganda.
vermeni«vnUli»ins, arith. hiervoor
is geen geschikt woord.
vermetel, stout, tjandang, bërani fjan-
dang, berakah, térlaloe bïrani.
vermeten; zich —, verstouten, m\'êmbë-
rnnikan dirinja, mengambil bërani.
vermifolli; e. s. v. —, seloerai; c. s. v.
—, die uit China wordt aangevoerd,
laTfsa.
vermüdeiyk, dapal dilaloei, dapat di-
djaoehkan.
vermijden, mëndjaoehkan dirinja dari-
pada.
vermiljoen, sadalinggam, Tam. samen-
gesteld uit sada, geheel en Unggam,
rood.
verminderen, bedr. méngoerongkan,
wëngoeraug\'t
(van koerang). —, onz. ma-
kin kuerang, berkoerangan;
steeds —,
bërkoerang-koerangan. — van eene ziekte,
ada koerangnja. —, van een zieke, ma-
kin pajak xakitnja.
— van eene vlam,
tndap. — in prijs, toeroen harga. —,
afnemen, toesoet; eene schuld doen—,
mënjoe&oetkan hoetang.
vermindering, koerang, toeroen; zie
het vorige woord. — van straf door
den rechter, wegens consideratiën, tim-
bangan bëlah bëhagi.
verminken, méroesafckan. —, door een
gedeelte der ledematen nf te kappen,
mèngoedoengi, mëngoedoengkan (van koe-
doeng,
op die wijze verminkt). —, door
een uitstekend gedeelte er aan te ont-
ncinen, mërompongkan (van rompong,o\\>
die wijze verminkt), b.v. hidoeng rom-
pong,
een verminkte neus; pisau rom-
po?ig,
een afgebroken mes; gigi rom-
pong,
een afgebroken tand; tjoetjoer
■rompoug,
een afgebroken boegspriet;
verminkt, een klein stukje er uit, rom-
ping;
verminkten, orang boeroefc-boeroekr.
vermits, mits, zie ald.—. omdat, sébab,
karëna s\'èbab.
—, dewijl, aangezien,
tègal, sedang,
vermoedelijk, naar gissing, kira-kira,
agak-agak.
—, mogelijk, waarschijnlijk,
barangkali.
vermoeden, mënjangka,kira-kira, agak-
agalf;
het—,sangka, kira, agak; aller-
lei —, sangka-sangka; een sterk —,
sangku jang iëgoh. —, achterdocht,
sjak, Ar. — koesteren, menaroh sjak
(van tarok).
vermoeid, pénat, lëlah; tjapé, Jav.;
zeer —, lelak djërih; zwaar — van de
52
-ocr page 790-
778                             vermoeidheid verongelukken.
kan, biirlanja.\'tanja akan, —, onderzoe-
ken, iiitvorschen, zie ald.
vernielen, meruexakkan, mëmbinasakau ;
vernield, rotsak, binasa. —, verwoesten,
ook mtnèngkarapkan (van tingkarap,
vernield, verwoest, geruineerd); vernield
en uit de oogbolle, van het oog,petjafc;
geheel vernield, lig. ook dipÜoepoeh,
d. i. als bamboe platgeslagen.
| vernieling, obj. karoesakan, kibi71a.v1.iin.
vernietigbaar, dapat ditiadakan, zie
het volgende woord.
vernietigen, te niet doen, meniadakan.
—, verdelgen, w\'enoempas (van toem-
pas), mèmbinasakan.
—, uitdelgen, meng-
hapoeskan.
vernieuwen, niembeharoe\'i, memoetang-
kan bêbaroe
(van poelavtg); zie ook her-
stellen. —, door nieuw vervangen,
mengganli bêbaroe,
vernis; e. s. v. vloeibaar meubel—, ver-
vaardigd uit het hout van den ri\'ngas-
boom, mitijak rhigas. •—, verlak, m»
! P<*»g-
vernisboom ; de —, po/ion raigas, pohon
sampang.
1 vernissen, verlukkcn, mï\'njampang, me-
njapoekan minjak rengas
(van sapoe).
vernoemen, mengganti nama.
vernuft, schranderheid, akal, Ar.
vernuftig, beriikal. —, slim, tjer\'edik.
—, vindingrijk, tjandakia, steeds ia
verbinding met ijeredtk.
veronachtzamen, m\'tlataikan, tnhigal-
pakan, mhiyhalai-balaikan.
\\
veronachtzaming, lalai,
verondersteld, mogelijk, bij al dien,
djika/a/t kiranja, sa andaivja; ook woe-
loe,
verb. van bet Ar. tca tut/, en indien,
b.v. woeloe lueicankoe m\'endjadikan radja.
akan patik,
— Uwe Majesteit maakte
mij koning.
J veronderstellen, mhijangka (van sang-
ka),
—, alle mogelijkheden voorstellen,
berandai-andai.
veronderstelling, mecning, gissing,
petrgagiik, sa?iyka.
verongel\\jken, menyaniajakan, m\'tm-
boewat aiiiuja.
verongehjliing, aniaja.
verongelukkende gronde gatm,karam,
kèaa ka-ram;
ook verongelukt; doen—,
m\'éngaramkan; verongelukt, van een
kooksel, baksel, brouwsel, het uitkomen
van eene uitslagziekte, het rijpen van MDO
zweer enz., seman; zie mislukken.
beenen, overdrachtelijk, loempoeh, d. i.
lam.
vermoeidheid, kapenatan, katilahan.
vermoeien, m\'em\'enatkan, mïlélahkan;
zich —, berhlah; zich zwaar — met
werken, birsakit.
vermogen, kunnen, i;i .-laat zijn, <l<i}iot,
bolih, tjakap,
—, de inacht hebben,
koeicasa, bhkoewasa.
vermogen, macht, gezag, koewasa, ^o-
drat, Ar.; bovennatuurlijk — ,kasakfian,
Skr. —, kracht, ko>-wat, Ar. gaja; naar
—, sadapat, safridar; nanr —, staat
of rang, fl/a këdar, Ar.; naar het beste
—, sudapai-dapat; naar ieders —, de-
nyan k\'edanija masing-masiny
; naar—,
met al zijne macht, daigan sakoewal-
koewasavja;
naar zijn —, sakira-kira
penyoewasunja,
ouk aias koetoasmijn;
naar —, zooveel mogelijk, sabolih-
bolihtijit.
—, rijkdom, kakajaan, harta.
vermogend, machtig, b\'erkoeicasa. —,
gegoed, berharta, hartatcan. — van
bovennatuurlijk vermogen voorzien,
sakti, Skr.
vermolmd, van hout, ïi/ipok, dimakan
boebuek, boeroefc.
—, vcrwormd, ver-
pierd, zooals b.v. rijst, gedroogde vruch-
ten, beschuit en dergel., asai.
vermomd, satitar.
vermommen, mënjainarkan/ zich —,
mengamarkan dirivja; zich —, huiche-
len, pofra-poera.
vermoord, dibornoeh, mati diboenoeh.
vermoorde, orany mati iliboenoeh; bet
bloed van een —, darah urang mati
diboenoch
; de schedel van een —, tfoig-
korak o. m. d.
Deze beide zaken wor-
den als toovermiddclen gebezigd.
vermorzeld, rèmoekrèdam, hantjoer-
loeloeb;
zie ook verbrijzeld.
vermorzelen, weremoekkan, mènghaif
tjoerkan, mèrtmoek-rtdamkan, minghan-
tjoer-loeloeb ka n
.
vermurwen, van het hart, wenghatt\'
tjoerkan hall, mélemboetkan kati.
vernachten, b\'ermalam.
vernagelen, inimakoekan (van pakoe).
vernauwen, zirh —, zie bij nauw.
vernederen; zich — ,mtrmdabkan diri;
zich kruipend —, zie bij kruipen.
—, verlagen, vmiyhivakan.
vernedering, karèvdahan, kal karen-
tlahan, kabinaiin, lési.
vernemen, booren, mênenyar, dapat
tahoe.
— naar, vragen naar, bertanja-
-ocr page 791-
verontreinigen — verplichting.
:;y
verontreinigen, in den gewonen zin,
mentjemarkan, mengoiorkan (van kotm).
—, in godsdienstigen zin, men\'edjiskan
(van nedjis, Ar. onrein, ootreioigd).
verontrusten, m\'engoesik, mengharoe-
kan, menggattoehkan.
verontschuldigen, zich —, excuus
vragen, min/a kasi/i, minta m\'aaf,minta
tabik; zie verschooning.
verontschuldiging, wettige, u-dzocr,
Ar. — on bijbrengen, mèmbatca o\'dzoer;
onwettige —, uitvlucht, dalih, Ar.; geen
—  ineer kunnen bijbrengen, tiada ber-
daiih lam.
veront \\VRart\\iizen,m?mberanykan hati\'.
verontvvnnrdiging,A.\'*r<iM^;b.v.grootc
—  maakte zich van hem meester, d<i-
tantjlah bevang didalam haünja.
veroordeelde, orang jang dihoekocm;
ter dood —, orang jang dihoekocm akari \'
malt diboenoeh.
veroordcelen, vonnissen, mtnghoekoem-
kaïi, unhlakkati hoekoem, mimoetoes-
kan hoekoem
(van poeloes); ter dood
—, ménghoekoemkan akan mali diboe-
noeh.
—, afkeuren, zie ald.
veroordeeling, vonnis, kapoetocsan \'
hoekoem.
veroorlooven, toestaan, memberi, ment\'
beri idzin, m\'engid\'zinkan;
zie ook toe- ;
stemmen, toestaan. —, wettigen
voor het gebruik, menghalalkan (van
halal, Ar. wettig geoorloofd); zoover
zijne voeten het hem veroorloofden,
saptinberi kakinja,
veroorzaken, m\'enjebabkan (van sebab), \\
mendjadikan, mengadakan, m\'ènt\'mboelkan
(van timboel), menerbitkan (van tèrbit), ,
membanykitkan, méndaiangkan
,- veroor-
zaakt zijn door, komen van, datang
dari, datang dari sebab;
leed —, mim-
beri madlarat;
toorn —,wémbangkUkan
marah ;
twist —, mènimboelkan tjid\'éra; \\
veroorzaakt den rijkdom van anderen, |
mendjadikan kaja orang la\'in; dat ver-
oorzaakte mij kommer, itue méndatang-
kan pertjintaün datam hatikoe.
NB. het
begrip wordt dikwerf ook teruggegeven
met den caus. vorm van het Ww.
b.v. iemand leed —, mêmbènfjanakan;
iemand droefheid —, inendoeka-tjita-
kan,
enz.
veroorzaker, jang mhijibabkan, enz. \\
zie het vorige woord.
verootmoedigen, m\'éréndabkan, !et-
terl. vernederen.
verorberen, makan habis; van den
Vorst, santap hahis.
verordenen, mémerentahkan.
verordening, perentah. ■—, openbare
afkondiging, soerat berita,
verordineeren, voorbeschikken van
God, mftitak\'dirkan.
verordineering, voorbeschikking, tak-
dir.
Ar.
verouden, djadi toewa, makin toen-a.
—, oud mnken, mëntoewakan.
verouderd, oud geworden, soedah toeica.
veroveren, menyalahkan (van alah, ver-
overd).
verovering, ptwgalahati. —, overwia-
ning, kameuangan.
verpachten, verhuren, zie ald.; apen-
baar —, de pacht verkoopen, mendjoe-
tcal padjak
(of pak).
verpanden, mènggadaikan; hier en
daar —, dit en dat —, gadai-meng-
gadaï;
voor een zekeren tijd —, onder
voorwaarde dat het pand verloren is,
als de eigenaar het dan nog niet heeft
gelost, perdjandjiau lorntjoer.
verplaatsen, verzetten, memi/idabkan
(van pindah), nitiiggangxa, b.v. een ver-
plaatste balai, ba/ai digaiigsa. —, van
de eene plaats naar de andere ver-
voeren, mengandjak1 (vnn andjak).
verplanten, memindahkan, tnenggavysa.
verplegen, m\'em\'eliharakan (van peli-
hard).
verpletteren, zie verbrijzelen.
verplicht, gehouden, baros, wadjib, Ar.
fardtoe, Ar. pérloe; de —e gebeden,
s\'émbahjang jang perloe.
verplichten, noodzaken, memaksa (van
paksu); zedelijk —, mengharoskan, ■$•
teddjibkan, pertoekan.
verplichting, aan iemand — hebben,
voor genoten weldaden, menanggoeng
boedi orang, hoetauy boedi,
b.v. istimewit
poe/a boedinja baginda soedah kiia ta.ig-
goeng poet\'era-bïrpoetera,
hoeveel te meer
hebben wij — aan Zijne Majesteit, tot
in <ni- nageslacht; veel — aan andc-
ren hebben, bat/jak- menanggoeng kasih
orang;
allerloi —en, lasten of zorgen,
die op iemand rusten, tanggoengdang-
goengan ;
erfelijke —, b.v. tot het leveren
van het een of ander aan den Vont,
sakabaka; zedelijke —, kuharosan, ka-
wddjiban;
dnt rust als een zedelijko
— op u, wddjiblah atasmof; aan zijne
wettelijke —en voldoen, b.v. bij het
-ocr page 792-
780
verpoozen — verscheidenheid.
verrotten, djadi boesoel; hantjoer, djadï
boeroek.
verruilen, menoekar; zie ruilen.
verruimen, meloeicaskan, mëlapangkau;
beide ook van het gewoed, b.v. akan
meloewaskan medtin soeiji hati,
tot ver-
ruiiuing der vlakte van een rein hart;
het gemoed —, mïtapangkan dada ; ver-
ruimd van gemoed, ook tërkëmhang hati.
verrukkelijk, jang meratcankan hu/i,
jang mènggrairatkan hati, jang mëmbi-
rahikan hati.
verrukken, in verrukking brengen,
meratcankan hati, mtmbtrahikan hati,
mènggrairatkan hati.
verrukking, geestvervoering, grairat.
vers, couplet van Hindoeschen oorsprong,
seloka; verzen opzeggen, btrsëloka;vcr-
zen samenstellen, mënjeloka. —, gedicht,
bait, Ar. verzen opzeggen, berbait, b.v.
bajan berbait. noeri tjërila, de parkieten
zeiden verzen op en de papegaaien
vertelden. —, deel van een hoofdstuk,
ajaf, Ar. Zie gedicht.
versaagd, katakoetan, tjabar.
versagen, onz. moelai fakaet, hitung hati.
versch, 1\'risch, niet verilensd, segat: —,
nieuw, bëharoet b.v. — brood, roti
beharoe.
—, van vruchten, in tegen-
overstelling van gedrougd of ingemaakt,
hidoep; ook van vleesch. visen en
groenten. —riekend, zoouls b.v. blade-
ren, gras enz., mttoeng.
verschaald, van vochten, ntatis.
verschuilen, doen zijn, mëngadakan.
verschalen, onz. malis.
verschalken, mempërdajakan. —, inis-
leiden, ménjemoe, b.v. die man is door
ons niet te —, orang itoe tiada tèr-
sëmoê olïh kita.
—, bedriegen, ook
mëlantjong.
verschansen, mëngoeboêi (van koeboe).
verschansing, kotboe; met verschan-
singen insluiten, verschansingen tegen
iets of iemand opwerpen, mëngoeboe-
ngoeboei.
—, omwalling, deivala; zie
horst wering en boord.
verscheiden, vele, banjak, bëbérapa~
bërapa.
verscheiden, verschillende, pélëbagai,
roepa~roepa, matjam-matjam.
verscheiden, sterven, overlijden, pë-
ninggal, wafat,
Ar. na zijn —, sapi-
iiinggalnja.
verscheidenheid = verscheiden.
Zie ook verschil.
aangaan van een huwelijk, mëmbërësih-
kan dirinja.
veri>oozen, onder het werk ophouden,
U-ga; zich telkens —, telkens rust
nemen, mëlengakan dirinja; zonder —,
tiada leiiga; zie rusten.
%\'erpoozins, pauze, dj\'eda; zonder cenige
—, tiitdi\' bërdjtda lagi; zie ook runt.
TiTpoten, zie verplanten.
verpraten: zich verpraat hebben, te
ver in het spreken gegaan zijn, kata
soedah tëlandjoer of tërdorimg.
vcrrniul, sëmoe, ehianat, Ar.— plegen,
bërboewat ehianat.
verraden, mënjëmoekan. —, verklappen
van een geheim, memboeka rahasia.
verrader, pe.njëmoe, orang ehianat.
verrassen, zie overvallen,
verregaand, overdreven, terlaloe, tër~
/aloë sangat, ierlampan.
verreizen, bêrdjalan, bérlajar, bërang~
kat,
verrekenen, de rekedng vereffenen,
wëndjëlaskan kira-kira. —, niisrekenen,
salah hitoeng, salah hisab.
verrekijker, téropong.
verrekken, zich — van nrmen of
becnen, mëngëroekoet; zie het volgende
woord, —, vuig. voor sterven, mampoes.
verrekt, vcrwrikt, lergëliat, kërekoet,
këroekoef, salah oerat.
verrichten, menger dj akan; niet te —,
tiada tëkerdjakan; verder mëlakoekan,
memboe wat; met opzet —, mënjëhadja
(van sehadja).
verrichter, orang jang mëngërdjakan,
o. j. mèlakoekan, o. j. mêmboetoat.
verrichting, pëkerdjaiin, përboewatan,
kafakoean; godsdienstige — ,kabakfian ;
heidensi-he, door het offeren van reuk-
werk, bloemen, spijzen enz., poedjaim.
verrijken, mêndjadikan kaja; zelden
mtngajakan.
verrijzen, opstaan, bangkit. — uit de
dooden, bangkit dari antara orang ntati;
zie r\\jzen.
verrüzing, verrijzenis, kabangkitan.
verroeren: zich—, bewezen, bërgërak;
met verechcideüheid, bërgërak-birgëri ;
zich niet kunnen —, tiada dapat ber-
gërak; door verlamming in de gewrich-
ten, këya sëitdi.
verroesten, bërkarat, dimakan karaf.
verrot, boesoe}?, hantjoer ■ van hout enz.,
boeroe}c. — van binnen, vim vruchten,
dangkal.
-ocr page 793-
781
verschepen — vcrsehuldis*!-
verschepen, mtmoeicatkan dalam kopal
(of pirakoe).
verscherpen, mï-nadjamkan poela (van
tadjatn), ook van zijne woorden. —
v»n een bevel, mïngëraskan poela (van
ktras).
verscheurd, tjabik, tjarik1, tjobak-tja-
bik-, kojak, sojak-, robek-;
zie liet vol-
gendc woord.
verscheuren, mentjabik, meutjarik-,
mïugojak;
aan flarden —, mëntjobak-
tjabik.
—, door gaten in iets te maken,
mtmisuk-fnësokkan (van pësuk). Zie ook
bij scheuren. —, zooals b.v. een
tijger zijne prooi, mhijojafc; ook mïn-
ijarik-tjarik;
door een tijger verscheurd
woiden, dimakan hartman. —, met
geweld vaneen rijten, mëngtrtkah (van
kërëkah), mogelijk krakend ot\' knau-
wend —.
verscheurend, woest van dieren,ganus,
verschiet, verre afstand, djaoeh.
verschieten, van kleuren, (oeroen
wvrna, moentah.
— van gelaatskleur,
hirtitti, berobah. —, van plaats ver-
anderen, beralih; eene verschieten do
ster, biutang beralih. —, voorschieten,
zie ald.
versch\\jnen, met de gebruikelijke cere-
moniën in het openbaar — van een Vorst,
radja bt-rZului. — voor iemand, meng-
haduj).
— voor den Vorst, mtnghadap
radja;
doen —, mënghadapkan; aan de
oppervlakte —, timboel; —, zichtbaar
worden, kalihatan; verschenen, verloo-
pen, van een zekeren tijd, laloe.
verschjjninjv, visioen, c/tajdl. Ar.
verschikken, bij het zitten de onder
het lijf gekruiste beenen omwisselen,
mtngnlihkan sila.
verschil, onderscheid, kaldinan. — en
onderscheid, pérbedaiin dan kaldinan.
— in waarde tusscb.cn twee muntsoor-
ten, agio, §arf, Ar. —, in mccnïng of
gevoelen, b-ntoh; onderling in meening
verschillen, zie het volgende woord.
—, geschil, pt?rsalahttn, sé.lisik.— heb-
ben, berselisik; ook in afmeting van
voorwerpen, die nevens elkander ge-
plaatst zijn.
verschillen, bërlaïnan, bersalaAan,bPr-
beda;
onderling — en overeenstemmen,
birsatakan dun bërsamaan. —, geschil
met elkander hebben, beisëlisih, btrtji-
dëra;
in meening ot\' gevoelen —, Vér-
bentok;
met elkander verschil hebben,
btrbentohan; hevig — met elkander
hebben, bërbantah-lentoh• in prijs —,
bërsalahan harganja.
verschillend, onderscheiden, ongelijk
zijn met, btrsalahan dëngan, btrldinan
dvngnn.
—e, nllerlei, pïdêbagai, bt>r-
biigaibagai.
versclioonbaar, bolth di-ampoeni, bo-
lih dimaafkan.
—, onbeduidend van
zouden, sagrir, Ar.
versetioouen, verfraaien, zie ald. —,
ander linnen aandoen, bërsalin kaïn;
verschooncud behandelen van iemands
gevoelens, die ontzien, daarmede reke-
ning houden, mhiimbang rosa orang,
mënimbang halt,
—, vergeven, zie ald.
verschoonintr, vergeving, zie ald. —,
Verontschuldiging, tabik. — vragen,
minta tabik1, b.v. djïkalau uda kiranja
chilaf bebal sebaja, melainkan sehaja
minta tabik banjak-.banjak,
als ik uit
onwetenheid mocht overtreden hebben,
dan inzonderheid vraag ik zeer veel —.
verschoppeling, orang tërtëndangan.
verschot, zie voorschot.
verschoten, verbleekt, poedar; zie
verschieten.
verschrvjven; zich —,xësat menjoeral.
verschrikkelijk, haibat, Ar.; zich —
aanstellen, mUnghaibatkan diri.
verschrikken, doen schrikken, mëngë-
djoetkan
(van këdjoel); verschrikt, ter-
ktdjoet.
—,bang maken, mtnggtraniang,
verschrikker, vrees-aanjager,penggoe-
roen,
verschroeid, lajoer.
verschroeien, bedr. uiëhij oerkan; onz.
lajoer.
verschrompeld, van de huid, vleesch
enz. door de inwerking van zuur,
koking en dergel., ketjoet, lïtroet, kedoel,
keredoet.
verschrompelen, mengeljoet kan.
verschuilen, inviijeinbottnikan; zich —,
mi-njëmboenikaji dirinja; zich schuil
houden, bërstmboeni, melik; zich achter
voorwendsels —, bërlik.
verschuiven, bcdr. voortschuivcn, me-
njorongkau
(van sorong). —, onz. af-
wijken, gingsir; ook gingsoer. — van
wapens, die in de scheede zitten, een
weinig uittrekken, gundjak. —, uit-
sttjllen, zie ald. —, opschikken, zie ald.
verschuldigd, verplicht, zie ald. —,
schuldig zijn, btrhoetang; het verschul-
digde, hoelang.
-ocr page 794-
>J
versieren — verspillen.
versieren, minghiasi (van hias), niin-
dandan, mindandani;
versierd, tirhias,
tirdandan;
op dezelfde wijze versierd
zijn, sadandan.
versiersel, pirhuisan, dandan; tot —
maken, minghiaskan ; c. s. v. gouden —
in het opgestoken haar der vrouwen,
gedabah. —, dat men achter het oor
of in liet haar steekt, zooals b.v. eene
bloem, een gouden haarspeld enz., soen-
ting;
zoo achter het oor steken, mi-
vjoenting;
iets daarvoor gebruiken,
mlmpirsoent\'mykan.
versjouwen, overdragen, mingangkoet.
vers Ui ii fit. dipirhambakan.
verslaan, in den krijg ofeenigen naderen
strijd, mingalahkan, mlmoekoel (van pof\'
toet).
—, dooden, nümboenoeh; den
dorst —, me.moewastoan dihaga (van
poewas). —, verschalen van vochten,
ttiatis; van andere zaken, djadi tawar,
djadi ambar.
verslag, schriftelijk —, toerat pintbiri-
taiin.
—, bericht, verhaal, zie ald.
versluiten, in den krijg of eenigen andc-
ren strijd, ai ah, kalah; geheel — en
uit elkander van een leger, porak*
peranda, porak-parik.
—, gedood, di-
boenoeh.
— van den dorst, poewas.—,
verschaald, van vochten, malis; van
nndeie zaken, faicar, ambar. —, van
smaak veranderd, maar nog niet bedor-
ven, van spijzen of dranken, bajoe. —,
deemoedige uitdrukking van het gelaat
of de oogen van iemand, die teleur-
gesteld of vernederd is, koejoe. —, ver-
baasd, kina dahsjat.
verslagenheid, dahsjat. Ar.
verslappen, mindjadi tëmak, mele~
m ah kan,
verslaven? zich — aan, niimpirhamba\'
kan dirinja kapada.
versleten, boeroek.
verslijken, djadi, toempoer.
verslijten, onz. djadi boeroek\'; den tijd
—, menghabiskan xeiktoe, niivghtlang-
kan irïktoe.
verslikken; zich —, of verslikt heb-
ben, aan spijzen, Uruhnt/kitan; nan
dranken, tirstdak, ktutidakau , verslikt,
een brok in de keel gekregen hebben,
kabPnykalan, b.v. sapërti orang kabing-
ka/an, milainkan dingan ajar djoega
milakoekan dia,
als iemand die zich
verslikt heeft, slechts met water kan
men dat wegkrijgen.
                                \'
vernummeren, makin djahat, makin
pajak f birtambah-tambah djahat.
verslinden, minitan (van titan), makan.
Zie gulzig; met huid en haar —,
makan habis dingan (ahitija.
verslingeren, mindjadi karoet-meroet,
b.v. përkara jang djahat djangan ditoe-
roet, djangan mindjadi karoet-meroet,
slechte dingen moet men niet navolgen,
opdat men zich niet verslingert; ver-
slingerd raken op cene vrouw, dj at oh
hali akan pirampoeican;
zich —, min-
djatohkan dirinja,
b.v. timpat jang
tiada patoet ija mindjatohkan dirinja,
hij verslingerde zich zclven op onbe-
hoorlijke plaatsen, ook nitntjampakkan
dirinja.
ver-iiiiiiidheid, kahinaiin, kaljilaiin.
versmaden, mXaijiiakan, minghmakan,
mingilibkan, mingabikan
(van abt).
versmoren, bedr. melemaskan; onz.
versnaperingen, iïdap-sidapan,
versnellen, bedr. mimautaskan (van
pantat), minderat.
versnelling» van den stroom in eene
rivier tusschen klippen met sterken val,
riam.
versnijden, v. o. pen, merantjoe/ig
kalam.
versnipperen, minijebiskan; met eono
schaar, minggoenting-gomting.
versnoepen; hij keek alsof hij xijn
oortje versnoept had, digigitnja-tttoen-
djoei-nja.
verspelen, verdubbelen, mimpirdjoedi*
kan.
versperren, van een weg, rivier, door-
gang enz., mengXmpang (van impang),
minebat
(van tebat), mlnjekat (van
sikat), tnirebat; dit laatste ook van
vruchthoomen door halverwege den
stam dorens te hinden; versperd, ver-
stopt van een rivier of waterleiding,
niet doorloupend van eene weg, boenfoe.
versperring, sikat; bairikade, verhak-
kïng, pingimpang (van empang),
verspieden, meujoeloeh (van soeloeh),
ming hint ai.
verspieder, soeloeh, piujoeloeh, ping~
hint ai.
verspieding, pinjoeloehan, ptnghin-
tajan.
verspillen, doorbrengen van geld of
goed, uiiniboroskan. —, voor onnutte
doeleinden uitgeven, ni$mboewang;wofi\\\'L*i
-ocr page 795-
verspiller — versterken.                                     783
uit elkander gaan, van saamgepakte
wolken, viêrüboeng; zich— van de tak-
ken van planten, merambak; van krui-
pende planten, niPrambal.
verspreken, zich —, salah kata, hitn-
tjatjau.
verstaan, begrijpen, nttngerti, faham,
Ar. mafhnem. Ar. verkeerd —, satah
faham, salah dengar;
zich — op, tahoe
pada,
b.v. jang tahoe pada rlmoe ga-
djak.
—, van een pand, laloe, b.v.
dat pand is —, gadai itoe toedah laloe.
—, overeenkomen, zieald.;te—geven,
me\'mèeri tahoe, tnemaloemkan.
verstaanbaar, duidelijk, të.rang, Kr(i
jang teroes-lerang. —, begrijpelijk, ook;
kaerlian.
verstand, boedi, Skr. akal, Ar. —, be-
grip, pëngfrli; bij zijn — zijn, sioeman,
brringatan bëtoel;
goed bij zijn — zijn,
bdik tikal-buedi, dengan bdik boedinja;
meenen vun alles — te hebben en
daardoor veel op eizen houtje doen,
bïrtahoe-tahoe, — hebben, berboeditber-
ilkal;
aan het — brengen, mëngërtikan;
een helder —, boedi javg tïrang, flk-al
j. t.;
gezond —, natuurlijk —, ük-al
boedi;
met dien—e, onder voorwaarde,
dengan djandji; mits, zie ald.
verstandeloos, tiada bïrboedi, bodoh,
tiada berïik-al-boedi.
verstandhouding, moetcti/akat, Ar.
moepakat, verb. — hebben, bërmoeicd\'
fakat, bh-fakal.
verstandig, bïrboedi. —, edel, bdik
boedi;
zeer —, boedima», arif, Ar.
verstandverh\\jstering, zie krank-
zinnis.
versteend, kabatoe-bafoean.
versteenen, mëmbatoe.
versteening (in vruchten?), boenlal.
verstek, in de bouwkunde, madoe-man-
tjocttg.
versteken, verbergen, menjï-mboenikan;
verstoken zijn van, kakoerangan.
versteld, verschrikt, verbaasd, zie ald.
verstellen, door het opzetten van een
lap, mênatnpal (van tampal). — vnn
netten, niëmboeboel; zich —, zie ver-
mommen.
versterken, tiitngkoetcalLun, mënëgoh\'
kan
(van l?goh) ; een verbond —, mëni-
gohkaa ptrdjandjian
; met elkander, ber~
tëgoh-tëgohan djandji;
hij werd hoe
langer zoo meer in zijn gevoelen ver-
sterkt, lampa hatinja makin blrtambah.
—, tn?m boe wang jnmtf; —, van krach\'
ten enz., nitughabiskan.
verspiller, doorbrenger, pP.mioros. —,
Van krachten en/., jang menghabiskan.
verspilling, pëntborosan.
verspreiden, verstrooien, mPngham-
bnerkan
(van hamboer, verspreid). —;
zich — van velen, b.v. van kogels,
bïrhamboeran; in wanorde over den
■/rond —, mvngaparkan (van kapar); in
wnnorde verspreid door elkander, brr-
knparan;
voQ zwaaiden of wapens
overal verspreid op den grond liggen,
berfji\'tji\'ran ditanah; overal verspreid,
van vluchtenden, sara-bara; nnar alle
kanten zich — en afdwalen, sara-bara
brrhanjort
; zich in een bosch — van
een jaehtgezelscbnp, mhata didalam
hoetan;
overal verspreid, van een ver-
slagen leger, porafr-parik, porak\'përan-
tla, t/erai-bërai;
overal verspreid, vnn
mensehen, dampen enz., btrlamparan;
overal verspreid van een gerucht, of
van goed in wanorde over den grond of
op het dek van een vaartuijf, serak;
overal verspreid, van eenu tijding, ge-
rucht, wetenschap enz., pPtjah, bvrpt-
tja/i\'pïfjah;
overal verspreid van de
stukken, pttjah-ltf.lah; in de rondte
verspreid van bloed, bïrkopa/i-kopah;
over den grond verspreid, van afgesla-
gen koppen, of nfgestootcn voorwerpen,
bërpelantingan (van panting); in menigte
verspreid lianen, andjvrah; verspreid
uit elkander ligiren, tebar. —, den boel
uit elkander gooien, b.v. zijne kleede-
ren, ménebarkan \\ verspreid uitgestort,
b.v. van de hersenen, btrpanfjaran;
zich Inngzaatn —, van vuur, schepen,
wolken, menrchcn enz., larat, mêlarat;
glans —, bër/jahaja, mïinantjarkan tja-
haja;
ook triemanfjar-mantjar tj.; zich
— van een annzennrac geur, se nier ba k;
soms ook se/fierboek; zich —■ door het
lichaam, van vergif, mïitjP.lap (van së-
lap);
ook misëra, b.v. sëmantara tja
bflom layi misera kapada se.gala woe-
djoed radja itoe,
terwijl het \'gif) zich
nog niet roet het gansebe bestaan (of
wezen) des Vorsten innig beeft verbon-
den; ook na\'ik, b.v. maka d?ngan sakoe-
tika itoe djoega ndiklah bisanja ipoeh
itoe,
op datzelfde oogenblik verspreidde
zich dat vergif; zich—, van ecno zweer
of nndcr zeer, nitrojalr; zich overal
gelijk —, van water, mtrata; zich —,
-ocr page 796-
TM
versterkend — verstrooien.
— van zijne stem, menjaringkau soewa-
raiija;
het gezicht —, menadjamkan
Htata
(van tadjamy, zijn hart —, mëiw-
tapkan //afinju, tuëntjekalkan hatinja.
—,
vermeerderen, mënambahi (van tamhahi)
ver»! erkend, jang mëngkoi,watkan,)ang
mënëgohkan
enz., zie het vurige woord.
versterking, versterkte plaats, kola;
iets vaa —en voorzien, mengotaï. —,
versterkte nederzetting der Europeanen,
lodji veib. vaa loge).
verst er kin ««werken, kola-parit, let-
terl. sterkten en grachten.
verstijfd, kakor -, gevoelloos van de lede-
maten, ktbas. —, gestold, bëkoe.
verslikken, van levende wezens, bcdr.
mëlëmaskan; onz. mati lëmat. —, ver-
stikt, verlegen, b.v. van lijnwaad, gra-
nen, kruit enz., ktpam.
verstoken, verbranden, mëmbakar hab\'ti.
verstokken, van het hart, me/iëgarkan
(van ièger).
verstokt, van het hart, ttgar.
verstoktheid, katëgaran,
verstomd, (èrkëlce, bisnc, Jav.; ver-
baasd, tërtjëngamj, pëijan; gebeel —,
tërfjëngang-tjëngatig. — nederzitten zon-
der raad te weten, këlof <lkal bitjara.
verstommen, stom worden, djadi kë-
lof, d. bisoe.
verstompen, stomp maken, menoem-
poelka»
i\'van toempoel); den geest —,
mënoempoelkan flkal. —, onz. djadi
toempoel;
verstompt van het smaak-
orgaan, tjampah.
verstoord, boos, gotsar, sahth had,
marah
; van den Vorst, moerka; zich
zeer — of vergramd toonen, mëradang;
zeer — of vergramd op iemand zijn,
mëradangkan.
verstoordheid = verstoord.
verstooteling*, orat/g kaburicaiigan.
verst ooten, mëmbwwang, mcnoelak\' (van
toelak). — van zijne vrouw, fafük, Ar.
verstootins* ptmboi\'wangan, pëtiorla-
kan.
— van eene vrouw, faldlf, Ar.
verstoppen, opstuppen van eene ruimte,
ifieitot\'mpalkan (van toi-mpat, verstopt).
—, verbergen, wënjëmboenikan (van
sèmboeni; zich —, mënjëmboenikan dï-
rinja;
zich — voor iemand, die naar
ons zoekt ook mëlik; heimelijk iets
wegnemen en —, weginollelen, mëlik\'
kan;
zich nl bukkende ergens in of
onder —, tnëitjorok; de plaats of hel
voorwerp waarin of waaronder men zich
verstopt, sorokan-, verstopt, van de in-
gewandeu, sëkal; verstopt, van pijp-
aehtige voorwerpen, tëndai; verstopt,
versperd, geen doorloop hebbend, ook
bekrompen van het ver&land, boentoi;
verstoppertje spelen, mam bértjehari-
tjehanan.
verstopping, zie het vorige woord.—
der ingewanden, përoet sékal, sëmbëlit.
verstoren, in beroering brengen, mieng-
haroekan.
—, plagen, overlast aandoen,
mttt!/<>■■ sik. —, vernielen, merotsakkatt,
witLiiibinaaakan.
—, boos maken, tnëma-
rahkan;
van den Vorst, memoerkakan.
—, storen, zie ald.
verstoring, pëiigharo^ica», phigoesikan,
karorsakan, kabinasuiïn, kauiarahan, ka-
moerkaitn.
Zie het onderscheid bij bet
vorige woord.
verstouten, zich —, niëmbëranikan di-
ri/ijtr, menyambil bërani, mënggagahi di-
rinja.
verstrekken, geven, verschatlen, zie
ald.; elkunder kapitaal —, pokok-më-
mokok.
Zie ook strekken, die-
nen tot.
verstrekking*, van spijs of geld aan
iemand voor een bepaalden tijd, rant-
soen, pëfaboer.
verstrijken, v. d. tijd, laloe,- ook ver-
streken.
verstrikken, verstrikt, tërdjërat, këna
djërai.
Zie strikken.
verstrooid, verspreid, tërtaboer, tër-
hambocr;
van velen, bërtaboera», bër-
hambueran, btrkaparan,
dit laatste meer
van groote voorwerpen, b.v. de stukken
van een vergaan schip op het strand,
de lijken op het slagveld, slapendo
lieden op den vloer, freq. bërtëlabocran ;
bier en daar — en uitgestort, iëuipï-
ras;
van velen, bërfëmperasan; ook van
een verslagen leger. —, uit elkander,
van een verslagen leger, porak-përavda,
porak-parik, babas.
—, vaneen gesehei-
den van iets, dat een geheel uitmaakt,
een leger enz., ook tjerai-bërai. — van
de dcelen van iets, dnt gebroken is,
b.v. de scherven van een bord, de plan-
ken van een vaartuig, sépai.
verstrooien, verspreiden, menaboerkan,
mttighamboerkan
, inë»ëmpëraskan, mënga-
parkan, mën/jerai-bëraikau, mënjeraifc
(van serak); zie bet vorige woord; zich
overal —, tan uien^cheii, een bericht
enz., bërjië\'jaJi-pëfjah.
-ocr page 797-
verntuiken vertrekken.                                     783
vertering, van spijzeo, tjërëna. —, uit-
gavcn, blandja, rabija.
vertienen, in tien dcelen, mëmbihagi
sapoeloeh.
—, de tienden betalen, mem-
bajar dalam sapoeloeh asa.
vertier, aftrek, /ie ald. en levendig.
vertinnen, mtiijadoer timah,- vertind,
disadoer timah.
vertinwel, sadoer timah.
vertoeven, ophouden, berhhtti.—,wach-
ten, bimanti\'nanti; op iets wachten,
menanlikau.
vertolken, zie vertalen.
vertoon; met uiterlijk —, dengan moeka-
moeka
; b.v. kamoerahan jang buekan
moeka-moeka,
weldadigheid van geen
uiterlijk —.
vertounen, iets spelen, main ; de wajang
—, maïn wajang. —, iets aai) iemand
laten zien, tnëmpërlihatkan; overal —,
Ie koop loopen, pronken met iets, mirn-
peragakan
(van aga). —, hier en daur
laten zien, b.v. zijne klueren, kunsten,
bekwaamheden enz., mïnandanyktin,\\*i\\-
terl. op bezoek meenemen; zich —, een
bezoek brengen, Mëngoendjoefr moeka;
ook mënampak\'kan moeka, mënampakkan
dirinja kapada;
zich —, te voorschijn
komen, katihatan; toorn vertoonde zich
op zijn gelaat, marahnja tampil kapada
moekanja;
zich aan de oppervlakte —,
boven komen, timboel.
vertooner, van het wajangspel, dalang.
vertooning, van het wajangspel, y*r-
mainan wajang.
vertoornen, mëmarahkan; van den
Vorst, mëmoerkakan; ook mëmbangkit-
kan amarah {muerka).
vertragen, mëlambatkan, mtmpërlanxbat-
kan.
—, uitstellen, zie ald.
vertrappen, mëm/djafcmidjajr (van pi-
djak),
soms wordt er nog aan toege-
voegd dengan kakinja; menyëndjafc ,-
met geweld iels —, men gent jang (van
ëntjang). —, uittreden, b.v. grnan door
de pooten van butTels, mëngirifc (van
trift
vertrapper, pëmidjajp.
vertrupping, pidjakan, pëmidjakan.
vertreden, zie vertrappen,
vertrek, kamer, bilik-; zie kamer.—,
afreis, bëraugkat; op het punt van —,
zeilree, van een vaartuig, btrsaoeh toeng-
gal;
na het —, sapëninggalan, ook dik-
werf sapëninggal.
\' vertrekken, bèrdjalan, bërlajar; van
veratuiken; verstuikt, salah oeraf, tër-
pêletjot\'A; tergtliat.
verstuiven, doen opvliegen, zooals de
wind de bladeren oi t>toi,menërba»gkan
(van tèrbaug); den vijand doen —,
muitjiiO\'-Lt,■<> kan moesoeh. —, onz. èc-
terbangan, tjerai\'bèrai,
zie ook ver-
Mtrouid.
verHuflVn, versuft, inga-inga, tërma-
ngof-inatigue, pëgan.
vertillen, memindahkan (van pindah),
mënjalin bëhasa
(van salin), mënlardje-
mahkaw
(van tardjemah, Ar.j, b.v. uit
het Nederlandsen, in hel Maleisen —,
memindahkan daripada bëhasa llutanda
kapada bèhasa Mïlajoe;
in het .MaleiBch
—, mënjalin kapada bëhasa Slëlajoe, ook
mendjatvikan.
vertaler, pënjali/t bëhasa, djoeroe-bëhasa.
viTi:i!in.". xalinan bëhasa.
verte, lijaovh.
verteetleren, bedr, mélèmboetkan ; onz.
djadi lëmboct.
vertegenwoordigen, als vertegen-
woordiger optreden, djadi icakil, djadi
ganti
, mëngganti.
vertegenwoordiaer, ganti, tcakil,
Ar.; algeineene —, icakil moetlajr. Ar.
vertegenwoordiging, pènggantian.
vertellen, fout tellen, silap bilang —,
verhalen, aan het — zijn, bertjërilèra;
iets —, menfja\'itërakan ; /ie verhalen ;
iets iu bijzonderheden — , mëngoeraikau,
mhttjëritërakaa sëgala hal-ahoealvja.
verteller, zie verhuler.
vertelsel, vertelling, fjeritëra, riicajat.
verteren, verbruiken, mëmakai habis
(van pakai). •—, opeten, verorberen,
makan habis. —, van spijzen, itiëntjërina;
verteerd, tjërëna. —, oplossen, ontbin-
den, mënghantjoerkan (van haufjver,
verteerd, opgelost); goed verteerd van
mest, afval, bladeren enz., masak1, ma-
ti\\\\
Men.; zwaar te — van spijzen,
tjikil; zichzelven —, ook — door lang
liggen, makan diri. —, invreten, van
roest, zuren, snijdende voorwerpen, vuur
enz., makan, b.v. door roest verteerd,
dimakan karaf; door zuur vertesrd,
dimakan asam; door het zwaard ver-
teerd, dimakan pëdang ; door het vuur
verteerd, dimakan api; ook didjilat api;
verteerd door nijd, karatan kali; geld
—, makan oeicang, mënghabiskan oewang,
mëmbëlandjakan oiwattg.
—.verkniezen,
verslijten, loesoeh, mendjadi loesoeh.
-ocr page 798-
786
vertroosten — vervloeken.
tooi. —, opsteller, péngarang, —, werk-
meestcr, loekang.
vervaardiging, pfa-botwaian.
vervnnrl\\jk, schrikbarend, haibat, Ar.
vervul, afneming, zakking, soeroet, soe-
toft.
~, fooi, zie ald.
vervallen, van het lichaam, lajoe.
van een gebouw enz., tljadi èoerofjr.
—, verzwakken, zie «ld. — tot armoede,
verarmen, zie ald. —, van een raar-
tuig, djaloh; beneden den wind —,
djatoh kabawah attgin; Op een droogte
of het strand —, lerdampar; lot dron-
kensehap —, djadi pïrnaboJc; in «ene
boete —, kina dënda; in schulden —,
berhoftang. — zijn, niet meer van kracht,
tiada lakoe lagi, Uada tërpaka\'i lagi.
vervuUcheni zie vervalscht.
vervnlsnht, lanljoeng, séluengkang; zie
vuIhcIi.
vervaltijd, djandji, 1,-mpo, Port.
vervangen; iemand of iets —, mhig-
ganti, mènggantikan
; elkander —, «èr-
ganti-ganti; om en om elkander —,
guntibèrganli,
vervanger, gauti, pengganti; obj. gan-
tian.
vervanging, phu/gantian ; alles wat tot
— dient, ganti.
vervollen, bertoekar koelit, ook mènji~
Hh
(van silih\\, Mén.; bij gedeelten —,
tnfiigèlonpas (van keloepas freq. van
koepaa).
verve ii, schilderen, mëiijaporkan tja f,
mëntjat.
— van lijnwaad, garen enz.
door indompeling, aën/jëtoep; het gc-
verfde goed, ijHoepa». — met verschil-
lende kleuren van garen voor den in-
slag, mën/jot\'teal.
verver, schilder, toekang /jat. — van
lijnwaad enz., pëntjëloep, toekang tjéloep.
verving, bij indompeling, tjëhf]), b.r.
met ééne — was dat goed zwart, dhigan
aakali tjëlocp hilamlah ka\'in itoe.
ververij» voor lijnwaden, phi/jèlotpan.
ververnehen, verfrisschen, zie ald. —,
verwisselen, zie ald.
vervliegen, Vèrbang. —, van den tijd,
laloe.
vervlieten en vervloeien, zie vlieten
en vloeien.
vervloeken, mengoetoeki, mëtïlnafkan;
ook mënoelahi (van toelah), b.v. God ver-
vloekte hem met een zwaren vloek, dikoe-
toeki Allah dengan koetoelf jang amat
sangat,
—, verwensenen, m\'énjtrapah.
den Vorst of aanzienlijken, b\'érangkat.
—, wegzeüen, ook bërlipas. —, naar
luiis naaa, poelang; eenvoudig weggaan,
fÜrgit zie weggaan; het gezicht —,
b.v. van pijn of het ruiken van iets
unaanzennains, geriaing; met de Xoor-
derzon vertrokken, hëmbocs, lett. gebla-
zen; zieh —, zie bij trekken.
vertroowten, mènghièofrtaH.
vertroostend, jang mënghiborrkan.
vertrouwd, van een persoon, kapertja~
jaim, andalan;
van een vriend, rodong,
b.v. een — vriend, sahabat jang rodong.
— zijn met den Vorst, bërkap\'U dèngau
radja.
— raken of worden met, \'t zij
zaken of personen, berdjinak-djinakan,
bèramah-ramahan,
b.v, sofpaja bolih
mareka-itoe berdjinajr-djitiakan dêngan
bêhasa dirinja,
opdat zij mogen — ra-
ken met hunne eigen taal; zich —
maken met geschriften, ook berdjinak--
djinakttn.
—, toevertrouwd, van goed,
zie ald.
vertrouwde, orang kapértjujaiin, o. an-
dalan.
vertrouwdheid, kapërfjajadn.
vertrouwelijk, gemeenzaam, ramafi,
djinak
,-van velen met elkander, bèramah-
ramahan, berdjinak-djinakan
; in ver-
sterkte beteekenis, ramahdamah,— van
kinderen tegenover oudore mensehen,
mandja.
vertrouweling, orang kapïrtjajadn.
die alles gadeslaat en aan zijn heer
bekend mankt, af jang; de — onder de
inwoners, atjang*atjang nïgari.
vertrouwen, pi-rtjaja, harap; ook het
—, beneven.- amanai, Ar. — stellen
op, prrfjoja akati, harap pada; met het
grootste —, dtugati sabèsar harap; met
het volste —, dhtgan sapëxoh-penoh
harap;
iemand zijn — schenken, mila-
wan bérsat\'ta
; een man van —, op
wien men zijn — stellen kan, orang
kapertjajaiin;
iemand die niet te —is,
tig. boidut bërsigi bï-rsanding mïloekdi,
d.i. rond met vlakke zijden en kanten
die verwonden. —, toevertrouwen, zie
ald.; op (ïod —, harap pada Allah,
(atctkkoel.
Ar.
vertwijfeld, wanhopig, zie ald.
vertwijfelen, wanhopen, zie ald.
vervaard, bevreesd, zie ald.
vervaardigen, ntëmperbot\'icat, —, T. e.
opstel, itii\'ngarang (van karang).
vervaardiger, orang jang inëmperboe\'
-ocr page 799-
vervloeking — verwanten.
vervloeking, koeloejr, lanat, düa dja-
hat.
—, verwenschimc, ook sera/iah,
srranah;
allerlei vervloekingen, soem-
pah-siranah.
vervloekt, koetoek; lanat, Ar. malTioen,
Ar. b.v. die—e zwaardviscb, ikan todaik
koetaejf itoe;
wat ia dat een — drin-
ken, minoem tottoe} a pak ah int.
vervloekte, korloefr, hlnat, orang ior-
toefr, oranij lanat;
die —, sikneloek,
si tart at.
vervoegen; zich -, gaan om bij iets
tegenwoordig te zijn, salelt.
vi-rvoer, pëmbatcanti; tegen vracht van
de eene plaats naar de andere, penant-
bangan.
vervoerder, pëmbatca, pënambattg.
vervoeren, overbrengen, mïmoawa, —,
geleiden, mënghantarkan. —, verleiden,
mëmboedjoek, mtnggoda; iemands hart
—, verleiden, ook mëmbatta kaft orang,
mënjasarkan haft orang,
vervoermiddel, pëmbatca, pënambattg.
vervolfi, v. e. boek, verhaal enz., boe-
boengan,
b.v. het — hierna, hoeboe-
ngattnja akan dalang ;
in het—,kemoe-
dian hart, dibëtakattg, djëmah, esoek-
esoi\'k,
ook lagi)ija,jang akan dafanglagi,
vcrvoljjen, voortgaan met, tëroeskan,
■niëngikoet;
b.v. zijne boetedoening —, j
mfatgikoet tapaitja; zijn weg —, lang-
soeug kapada djalannja.
— in rechten,
mëndntca. —, najagen, uCëugëdjar (van
ke"djar), mëngoesir (vbd ofsir); een
vluchtenden vijand —, mënggoeloeng
moesoeh jang tart,
ninl. van een leger;
door het ongeluk vervolgd worden, \\
diroendoeng malang ;
iets, b.v. eene ge- i
beurtenis, van het einde tot den oor-
sprong —, mënjoetoer ga/oer. —, on- |
derdnikken, geweld aandoen, mengania- j
jakan.
vervolnina;, nazetting, pëngtdjaran, !
pëngoi\'stran. —, onderdrukking, aniaja,
vervolgens, voorts, këmuedian, taloe, >
kalakian;
op Java laufas; b.v. — kwam
die brief hem ter band, soerat itoe ialoe
katanganvja*
vervolger, verdrukker, zie ald. —,
■nutter, pëngtdjar, pë.ngoesir.
vervroegen, mëndëhoeloekan,
vcrvroolüken, mënjoi-kakan hati (van
saeka).
vervuild, kakoloratt.
vervullen, vnn een wensen of begeerte,
nitnvênohi kakéndaje kali, mhtjampaikati \'
kaAendaf: Aalt (van sampai); zijne
belofte —, mënjampaikan djandjinja;
eene gelofte —, nakomen, mïmbajar
kaul, tnëmbajar niat;
eene plaats —,
van eene <*eur, sëmë.rbak; de gedachten
of het gemoed geheel —, mënjësalekan
datum p> kir tin;
van nardsche zorgen
vervuld zijn, masjgroel. Ar.—.voltallig
maken, mënggënapi; toen hare maanden
vervuld waren, satëlah soi\'dah gënap
boelannja.
Zie ook vullen.
vervuren; spoedig — of vermolmen
van bout, lëkas oenggoenan.
verwaand, tjongkalc. pongnh, kofjafr,
Jav. tnagroer, Ar. takabboer, Ar. —,
opgeblazen, xombong, bo/igkuk\'; zich
aldus aanstellen, mënjombong diri;zeer
—, geiitl\'ectueerd, saengar.
verwnnndbeid = verwaand.
verwiiurdigen; zich — tot het doen
van iets, wel gelieven te doen, soedi;
soms samengetrokken met het \\ oorz.
akan tot sordikan, bërsoedikan; dit
laatste wordt ook gebruikt bij de beleefd
uitnoodigende wijze van spreken, b.v.
toetcankoe përsoedikanlah santap. Uwe
Majesteit verwaardige zich te eten;
indien de beeren zich — dit mijn ver-
haal te lezen, djikalau toewttn-toewan
ioedi membufja hikdjatkoe ini;
zich —■
om ergens te komen, ook bërifémar-
tjemar kaki,
b.v. ba\'ik djoega ioi-wan
hamba bërtjëinar-tjë.mar kaki laloe bër-
rttahi-maïn kanëgari kami,
\'t is toch
goed dat mijnheer zich verwaardigt
tot zijn vermaak naar ons land te
komen, in poëzie ook bërtjëmar doeli.
verwaarloozen, mëugalpakan, ntële-
ngakan. mëttghalai-balai, mëndjtrahalf,
b.v. ëtmoe dan akal dihalai\'halai, itoe-
lah tanda orang jang lalai,
als kundig-
heden on verstand verwaarloosd wor-
den, is dit een teeken van een zorgeloos
mensch. Van eene vrouw, die door
hnren man verwaarloosd wordt, om wie
de man niets meer geeft, zegt men fig.
gantoeng tiada bertali, d. i. hangen
zonder touw.
verwaarloozer, pëtenga, pëlalai.
verwachten, mënantikan,
verwant zijn, bërsanafc-saoedara, dari-
pada iratim koelatcarga,
verwanten, sanafc-saoedara, jranm koe-
laicargu, koelawungsa,
Skr.; veel —
hebben, dik in zijn familie zitten, saoe-
daranja iëbal.
-ocr page 800-
788
verwantschap — verwijl.
verwantschap, sabangsa, sadjvnis,
samafjam, sadaging-darah
; graad vun
zij—, kinderen van broeders en zusters
uu der el kun der nu ■: hunne ooms en
moeien in den eersten graad, poe poe;
van een grnad van zij -, sapoepoe.
verward, in de war, van garen, het
haar, ecne zaak enz., kuesoet; erg —,
van dunne draden, bodjot. — door
elkander van verschillende zaken, tjam-
poer-batier, tjampoer-gaoel, kafjau, ka-
tjnH\'belau.
—, in verwarring, in ver-
legeaheid, karoet~meroet. —, ongekaiud,
van het hoofdhaar, kërsang. — en los
van het hoofdhaar, mëtiggPrtbang.
geraakt, tl-rgXrXbang; erg — van het
hoofdhaar, tiic. didjatïn hantoe, didjalhi
sang këlXmbai.
—, door elkander van
eene menschenmaftsa, si Hm pal; km eo
kras door alkander, si/ang. — zich
door elkander bewegend, zooals een
troep vlederrnuizen of uienschen bij een
oploop, bvbarau. — of verwikkeld in,
birdjalin-djalin dXngan, doch slaat dan
op het voorwerp waarin iets verwik-
keld is, b.v. maka runt ai sXloekoengnja
poii berdj al\'m-djat ia dhtgan tjokmamja.
zijn knots wa> — in de ketting van
zijn schild. — van gemoed, goelana;
meestal verbonden met goendah tot
gorndah*ga<\'ta.ua — van zinnen, nanar.
verwarmen, mXmanasi (van patois).
— bij vuur, mïndiang■ zich bij vuur
—, bïrdiangkan diri. Zie warmen.
verwurmiu^Hiniddel, ter genezing
op een lichaamsdeel gelegd, b.v. beet
zand, een warme steen, heele asch enz.,
torieam; zulk een middel aanwenden,
mXnoeicam. —, inwendig gebruikt, obat
hanyat.
verwarren, nitngoesoetkan, men/jam-
pcer-baoerkan, mXngatjaukan, mëngaroef\'
meroef kan
enz. Zie bij verward het
onderscheid.
verwarring = verward. —, beme-
ring, harof-birat\'; in — brengen, wtÊHff*
haroe-biroekau. —,
opschudding, gein-
par;
in — brengen, b.v. eene stad,
t/tenggeMparkan ; in —/.ijn. van iemand,
die niet weet wat te doen, bingoeiig;
in — brengen, membtngoengkan.
verwedden, bëtaro/ikair; daar wil ik
wel wat onder —, djika betaroh pon
akoe laiean.
verwecken, week maken,mëlemboeikan.
verweekelükt, zie verwüt\'d.
verweeren, roesaj? olih hoedjan-panax>
verwekken, maigadukati, mXndjadikan.
—, opwekken, mX\'mbangoenkan, m\'Pm-
bn iig kif ka H, meneibitkaii
(van fêrbit);
een zoon —, rnXiigadakan attak lakt\'
/aki;
iemands toorn —, m f» bang kif kun
kamarahan,
ook mXmboeicat kamara/tan
kapada orang.
verwelken, lajoe ; doen—, m\'èlajoekan.
verwelkomen; beleefd —, recepieeren,
mënjamboet (van samboet); plechtig —
van een Vont of aanzienlijk persoon,
donr hem feestelijk te gemoet te gaan,
mëngX-loe-Xhtekan.
verwensenen, vervloeken, zie ald.
verweren: zich —, mXlaican.
verwerpelijk, jang patoet diboewang,
kaboewtnigun.
verwerpen, mtnoe/ak (van toelak), mem\'
boe wang.
verwerven, bero/ih, mëndapal.
verwezenlijken, bevestigen van eene
zaak, menjoettggot\'/tkan (van soenggoeh);
oen verzoek, gebed enz.—, mtnjoedahi
(vun so-dah).
verwezenlijking» pX-njoenggoehan, pe-
njoedahan.
verwijden, ruimer maken van een kleed
enz., mi/onggarkan. —, ruimer maken
van een terrein, mX/oeicaskati, mïla-
pungkan.
—, wijder maken van eene
opening. mt-nggumbeng.
verwijderd, djaoeh. —, gescheiden van
iets of van elkander, zuoala bij echt*
scheiding, het spenen, wegloopcn enz.,
sarak; net verst — van het doel. b.v.
een kogel bij het schijfschieten of van
iets dat men bij een spel naar iels,
dat opgesteld is gooit, adjoen.
verwijtleren, mXudjaoehkan; zich —
van, mëndjaoehkan dirinja daripada;
zich —, heengaan, pX-rgi, mëmbaicu
dirinja;
zich afzonderen, btrdjarak-;
van den weg —, inXnjimpavg daripada
djalau;
zich snel van eune plaats —,
zooals een paard hij een wedren en/..,
mXngoembas (van oembas); oukvaniem.
die snel een plaats verlaat; iemand die
deze gewoonte beeft, pingoembas.
verwijdering, afstand, djaoeh. —, ver-
deeldheid, zie ald.
verwijfd, venveekelijkt, lën>ah,f\\%.m>di
angin;
een — persoon, orang mati
itngin.
Zie Suppl. Mal. Wtb. bij mati,
verwij\'» uitstel, ptrtanggoehan; zonder
—, dtiigjn fiada pirtanggoehan; zonder
-ocr page 801-
verwijten — verzamelen.                                      789
Innger —, ook fiat/a bï-rapa antaranja,
b.v. sërta fïnfoela/t akan mënjoeroeh
kïta dibë/akang soerat int dêngan tiada
birapa antaranja akan taoedara kiia
itoe tngkoe Üaid,
en zullen wij zeker
na dezen brie; zonder langer — onzen
broeder, heer Said, zenden.
verwütt\'ii, oude koeien uit de sloot
balen, membangkit-bangkit; bewezen
weldaden —, mvmbangkit xvgala pëm-
beriannja;
roet verwijtingen op verwij-
lingcn antwoorden, bêrtëmpPrau; iem.
iets in het aangezicht -—, mrmbangkit-
katt kapada dirinja;
berispen onder het
—• van genoten weldaden, unmang. —,
laken, mënfjeretja; zichzclven —, mï-
ujësalkan dirtnja.
verwijzen, mënoendjoejfkan. Zie bij
toendjoek.
verwikkeld» zie verward.
verwilderd, Har; ook van de oogen,
b.v. dan maianjti Har tiiewaitdang ka~
kiri dan kakanan,
en zijne —e oogen
keken links en rechts.
verwilderen, djadi Har. — van buf-
fels, djadi dja/ang; ook van eene vrouw,
namelijk eene hoer worden.
verwisselen; iets met iets -—, voor
iets in de plaats stellen, niënggantikan.
van kleederen, bërsalin pakajan.— van
naam, bërsalin nama. —, wisselen van
geld en goederen, mïnoekar (van toekar):
dikwijls van kleederen —, mëmakai
silih-uiënjillA
; het tijdelijke met het
eeuwige —, bërpindah dar\'tpada nPgari
jatig fand kapada negari jang baka\'\'.
verwittigen* wtëmfëri tahoe; aan den
Vorst, nuiiipirstmbabkan tahoe.
verwoed, garang, galak, berang.
verwoest, roe.iak, binasa. —, vernield,
geruineerd, tëngkarap; eeno verwueste
plaats, lig. padang tckoekoer.
verwoesten, 7nëroesakkaii, mvmbinasa-
kan.
—, vernielen, ruineeren, mëiiëng-
karapkan.
Zie verdelgen.
verwoester, pëmbinasa.
verwoesting» kabinasaiin.
verwonde, orang ioeka.
verwonden, meloekdi, nieJoekakan; ver-
wond worden, loeka, kfoia loeka, diloeka\'i
verwonderd, hairan. Ar. adjaib. Ar.
verwonderen, bedr. mënghairankan;
zich —, djadi hairan; zich over iets
—, mënghairankan, b.v. itoepon tiada
dihairankan olih Laksamana.
Zie ook
verbazon.
verwonderlijk, ïfdjaib, Ar, hairan, Ar.
verworden, zie worden.
verwormen, tUmakan hoe/at; van hout
door den paalworin, dimakan tëmbeloek.
verwormiiijj» e. b. v. — in het hout,
këlasah.
verworpen, kaboeirangan.
verworpelina, orang kaboef-angan.
verwrikken, mënggëliat; verwrikt.
verrekt, tërgëliat; verwrikt, verzwikt,
verstuikt van handen of voeten, rioek.
verwrinjjen, mënggëliat, wëmpë/ifijr;
verwrongen, trrgëliat,- verwrongen, ver-
draaid, b.v. van een arm, sleutel enz.,
pi.»//. — van de armen, tjëngkoeng.
verwronsjen, pëtitik; scheef, eroet. —,
verdraaid van armen of becnen, pelt\'
kok, rioek.
— van het lemmet v. e.
wapen, bëlioet; zie krom.
verwulf, lengkoeng, l\'oebbat. Ar.
verzachten, mëlemboetkan; vnn het
gemoed, mï\'li-nibo/-fkiin haft, mëmoerah-
ka» pïrangai;
van zijne woorden, ///?-
maniskan përkataihi. —, van het stera-
geluid, mïmpërlahankan. — van eene
kleur, mëmoedakan. — van eene straf
of arbeid, mërnigankan.
ver/achtend, jan9 ntëlëmboetkan enz.
Zie het vorige woord.
verzadigd, kënnjang, poetca», djënoh,
ook djëmoe, b.v. tiada djëmoe mata
wang mïmandang kadoetcanja;
over—,
onverschillig van wal, bëngkajang.
verzadigen, mëngënnjangkan, mëmoe-
tcaskan.
verzadiging» = verzadigd, b.v. tot
—, sauipai kënnjang, sampai poewas.
verzalien; zijne eed —, ontrouw wor-
den, bërpaling soempah. —, loochenen,
mënjangkal (van sangkaf), woi\'nkir, Ar.
verzakken, iombong, b.v. en allegiaeh-
len verzakten, dan sPgala parit pon
tombong;
aan één kant verzakt, van
don grond of den vloer in eene woning,
tjëroen.
verzakking = verzakken.
verzamelaar, opzamelaar, pëngoetip,
b.v. de — van de kruimkens der
wetenschap, pëngoetip sëgala remah pë-
ngetahoean.
—, jang mënghimpoenkan,
enz. Zie het volgende woord.
•vorv.nmelentmënghimpoenkan,mëngoem-
poeikan, mëngampoengkan;
verzameld,
himpoen, koempoel, kampoeng; verza-
meld zijn en zich verzamelen, bërhim-
poen, bërkoetnpoet
\', bërkampoeng; het
-ocr page 802-
79ö                                    verzameling — verzuipen.
gevluchte volk wcêr —, van een lager,
intmoi\'lihkan sXgala rajat jang lari. —,
opzamelen, mëngortip (van koelip). —,
bijeenroepen van volk voor een publiek
Werk, mingïralikan (van kera/t).
verzameling», pvrhimponan, pekuempot-
lan, pêrkamporngan.
verzamelplaats, de zelfde woorden als
\\ erzaineling, souis Diet voorgevoegd tPm-
pat,
b.v. de Verzamelplnnts van alle
natiën, përkampueuyan sfgala bangsa.
— van personen, waar velen gewoonlijk
sainen^trooiuen, tuempoewan orang.
verzanden, mindjadi pasir.
verzegelen, wlmëtéraikan (van mëierai),
mtmboeboeA tjap.
verzeild, hoe is mijnheer toch hierheen
verzeild geraakt, bajor uiana garatiyan
(ofican jang datavg bërpftepoet ini.
verzekerd, overtuigd van, toet/ah /(\'«-
toe, iiada \'jak, b.v. ik ben —, toedah
tënfoelah kapadakoe;
in —e bewaring
nemen, mëugoeroengkan (vnn koerOfttg),
mlmeud)arakan
(van pëndjara).
verzekeren, zeker maken, mëntntoekan
(van ttniot). — , bewaarheden, mënjoeng\'
goehkan
(van soengyoeh), mttnbiuarkan ;
zich —, overtuigen van iets, mëmbë-
toe/kan.
verzeilen, zie vergezellen.
verzentien, mïvyirimkan (van kirim);
zie ook bij zenden.
verzender, wang jarig mengirimkan,
verzending, kiriman.
verzengd, lajoer.
verzengen, budr. melajoerkan,- onz.
djadi lajoer,
verzet, legen hooger macht, b.v. tegen
God, de overheid, ouders, rechters, den
Vorst enz., doerhaka, Skr. — tegen
anderen, dan bovengenoemde machten,
lawan. —, verpoozing, ruBt, zio ald.
verzetten, verplaatsen, mtmindalikan
(van pindali), mënaroh di ternpat /at»;
zie verplaatsen en verplanten.
—, verpanden, imitggadaikan ; zich tegen
iets —, mXlaman, weigeren, zie ald.;
zich tegen iets —, appellceren, tuë-
vjongsuug
(van sonyxong); zich— tegen
de gestelde luncht, mëndoerhaka, mëti\'
dagl
of mëndaga; zich —, verpoozen,
uitnjoekakan hatiuja; zich —, trachten
los te rukken van een gevangene of
gebondene, iaëronta\'ronh:.
verzilveren, mtnjadoer perajr; verzil-
verd, disadoer peral\'.
verzinken, irvggélam; voor altijd —,
tënggelam /aloë; in den grond —, b.v.
van een paleis enz., ïirslrling kada-
lam boemi;
in gedachten verzonken,
férmtnoeng, terfoekoer (vnn foekoet\\ Ar.).
verzinnen, mrmikirkan (vnn ptkir).—,
beramen, méreka. —, daarstelten, më-
ngadakan.
verzinsel, maatregel, reka,
verzoek, piiita, pëminta; obj. permin-
latin.
verzoeken, vragen, mëminta; als blijk
van toegenegenheid —, ntinta ktwth.
— om den weg vrij te laten, nunta
djalan.
— om het een of under te
doen, ook soeroeh, b.v. — om te gaan
zitten, soeroeh doedoek. — een woord
te mogen spreken, minta ridlakan soea-
toe pérkataan.
—■ om binnen gelaten
te worden, om de deur te openen,
minfa pintof. — om te mogen vertiek-
ken, minfa diri; zie ook Hiueeken
en vertrekken.—, aanvechten, mëng-
goda.
verzoeker, vrager, orang jang nüminta.
—, verleider, pënggoda.
verzoeking, aanvechting,pënggoda. —,
ingeving des duivels, tcasoeicas, Ar.—,
beproeving, përtjobaan.
verzoenen; partijen met elkander —,
vrede maken, mëndamaikan, tnëmpPr-
damaikan, mewperba\'t\'ki, monedfakatkan
(van moewafakat. Ar. eensgezindheid).
—, uitdelgcn vun zonden, mënghapoes-
kan dosa.
verzoener, jang mëndamaikan enz. Zie
bet vorige woord
verzoening, perdamajan, perbaikan.
verzoeningsmaal, tot zoen vnn oin-
gebraebten, kaudoeri.
verzoeten, mëmaniskan.
verzorgen, mv.inëlih arakan (van pï\'li-
haru), tnënjëlvvygarakan, mëmpërbëlakan.
verzorger, pëinifihura, kafd, Ar.
verzorging, pë.niehharaün.
verzot, yita, bërgcinar. — zijn op iets,
yilakan, bt-rgemar akan, grairat, Arah,
—, verliefd, iïnjifc, Ar. yila birahi,edan
kasMaran.
Jav. — zijn op, birahi akan.
verzouten, mfjitbofboeh garant tërlalue
banjak.
verzuim, la/ai, alpa, kalulajan, kaal-
poen.
—• van tijd, kahilanyan wëktoe,
verzuimen, bedr. mëlalaikan, mënyal-
pakan.
verzuipen, verdrinken, zie ald.; men
-ocr page 803-
7\'.H
verzuren — vierhonderd.
moet den put dempen vóór het kalf j
verzopen is, sabëlomnja (/jutoh buik \\
disadiakan poepoer.
Sprw. d. i. voor men ;
valt is het goed liet smeersel klaar te
maken.
verzuren, hedr. mXngusamkan; onz. |
djadi asam; verzuurd, verschaald, btm-
tjoel
; ook als scheldwoord.
verzwalïlicn, bedr. mëlëmahkan; onz. j
djadi lemuh; verzwakt, lëmah, lètih ,■
zeer —, lëtah-lëtih, lëtih-lësoe.
verzwelgen, inzwelgen, mënëlan (vnn \\
tëlan). \'/ab
inzwelgen.
verzweren, van de vingerB, mëntjagoe;
zie zweren.
verzwering, van de vingers, de fijt, ;
Ijagoe, këloeroet. — aan het bovenlijf,
ontstaan uit een bloedvin, binta. — in
de nek, gelijkende op een sabelhouw,
parang-parang, parangan; e. 8. v. —
aan handen ut\' voelen, boeboel.
verzwijgen, mënjëmboenikan, letterl.
verbergen.
verzwikken, verzwikt, tërpeletjoek,
n\'ocjtr.
verzwinden, lënnjap, lësap, graib. Ar. \'
vest, het kleedingstuk van Kurupeanen,
rompi. —, zooals de hadjis dragen, \'
sadarijah, Ar. — roet korte mouwen,
oorspronkelijk voor Aoofcri, badjoe hajat.
vestigen, grondvesten, mëvgalaskan;
zich ergens —, nederzetten, memboe- \'.
wat tempat;
het oog — op, mëmandang \\
kapada
(van pandang); het oog steeds \\
gevestigd houden op, lëkat mata >në- j
mattdatig pada; zijne hoop — op, me-
naroh harap pada;
het oog toevallig
— op, djatoh mata pada, tërpandang
kapada.
vestiging, nederzetting, tempat doedoefc,
tempat diam.
vesting, kota, benteng,
vestingwerken, kota-parit.
vet; dierlijk —, lëmak-; ook — van
smaak; plantenvet, hetzij vloeibaar,
hetzij gestoltfln, minjair, b.v. van den
botciboom, minjaJf sëngkawang, m. tëng-
kawang i
kokos—, mivjak vjioer, m,
kélapa.
—, weelderig van planten, toe*
boer,
ook gémofc. —, dik van roenschen,
dieren, planten, aarde, mest cndergel.,
gemojr. —, goed in het vleesch, tam-
boen,
inzonderheid van groote dieren,
die gemest zijn. — maken van dieren,
zie mesten,
vetachtig, lëmafy-ïémafc, gënwl\'-gëmok*.
veter, tali; schoen—, tali sèpatoe, iali
kasoet.
vetkaars, dian lëmak:
vetklier, srocerklier, këlindjar mivjaJc.
vetpuist, op de stuit van de vogels,
stmivjak-, boeti-boe/i minjafc.
vettig, slijmerig, kleverig, ook van olie
ot\' klei, leiidir.
veulen, anak koeda.
vezel, oerat; de uitstekende vezels van
touwwerk enz., ramboe, sëraboet.
vezt\'lig, harig, ruig vnn touwwerk,
geweven stollen enz., bërsëraboel.
vezelstof\'; de — tusscheii de bladeren
en den stam van een kokospalm, die
er uitziet als geweven, kaïn vjioer; de
—   van den arenpalm, gêmoeti.
vezier, eerste miuister, wazir, Ar.
viee-admiraal, loksamana moet/a.
victorie, kamenanga». — roepen, —
kraaien, bersot-rak soerak- kamënangan,
vier, ëmpat; bij —en, met zijn —,
bërëmpal; alle —, kaëmpat, ëmpat\'ëmpal.
—  aan —, bërëmpal-ëmpat; gedeeld door
—, dibëhagi èmpat. — tegelijk, ëmpat
sakalt, ëmpat pada sakali.
— uur, poe-
koel ëmpat.
— uren, ëmpat djam.
vierde; de —, jang kaempat; ten —,
kaëmput; de —■ ^ijn, mëngëmpat; ten
opzichte van de drie overigen, mëngêm-
pati;
een — deel, sapërënipat, sasorkue,
sapt/ha;
drie — n, tiga per\'empat, liga
soe.koe;
de — van de maand, ëmpat
huri boelan;
de — zijn, van vier kin-
deren, m\'èngtmpat.
vierdeelig, bërbihagi ëmpat.
vierdehali", tëngah ëmpat.
vierdendaag^ch, ëmpat hari sakali,
vierdejmrt, supërëmpal.
vierderhande, ëmpat bagai.
vierdraadsch, ëmpul lëmbar.
vierdubbel, ëmpat ganda, ë. lapis.
vieren, v. c. touw, mëlandjarkun tali,
tnélarapkan tali;
nnitr beneden — van
een touw enz., menghoeloerkan, meng-
oeutbai,
—, afvieren van een val, om
het zeil ol\' eene vlag naar beneden te
doen komen, soe/i. — vnn een fcest-
getijde, mëmëgavg, mëmoeliakan.
vierendeel, supërëmpal, sasoekoe.
vierentwintigtid, basoeng; bij vieren-
twinligtallen, bërbasoeng.
vierhandig, bërtavgan èmpat,
vierhoek, ëmpat pëndjoeroe.
vierhoekig, berptndjoeroe ëmpat.
vierhonderd, ëmpat ratoes.
-ocr page 804-
791
vierjarig — vin.
viiTJarijj;, van leeftijd, v-moer empat I
f ahorn; van duur.èaipal\'tahoe» lainanja.
vierkant, taipat pèrsègi, bersègi èmpat,
b.v. drio —e voeten, liga kaki empat
pertegi;
langwerpig —t èmpat pèrsègi
m\'emanifjang.
vier mimi, empat kali.
vi.TiiiuiiiuW-l|jh-.i-!i, tia/t-tiap empat
boelan.
viernelumr, madjlis hoekoem.
vierni»an, koeda doetca pasang.
viersprong, van een weg, <juatre-bras,
simpang èmpat, djalan silang empat,
djalan pèrëmpalan.
viertal, bilangan impal.
viervluUUÏK, empat pèrsègi.
viervoetig, berkaki èmpat.
viervoudig, èmpat kali, èmpat lipal.
vierzüdij»;, èmpat pértègi.
vies, vuil, kolor, ook djidji ; zich —
tuonen. mendjidji; iets — vinden, mén-
djidjikan,
ook — van iets zijn; een
vieze vent, vrang kator. — van een
stank, amis. —, kieskeurig, pënfjing.
—, af keerig, g\'eman, geli-gëman.
viczovazen, grillen, kuren, zie ald.
vüimtl; persoonlijke —, niet in den
krijg, seteroe, Skr.— zijn,—en hebben,
bersèteroe; iemand als — behandelen,
menjëtëroei; lands —, moesoeli. — zijn,
—en hebben, bërmoesoeh; allerlei —en,
in dien zin, mot:soeh-nta$aJt. —, tegen-
stander, zoowel persoonlijk als in den
krijg, latrun; vriend en —, kawan dan
lawan;
gezworen — met iemand zijn,
bertoenang, b.v. Sijak en Kiouw zijn
van oudsher gezworen —, Hijafr dëngan
/Hou bèrtoi\'nang memang.
vünmlelült, moesoeh, b.v. het—e leger,
bala-/anfara moesoeh,
vünn<i*<\'liup; persoonlijke —, ftérsëte-
roean;
iu — leven, bersèteroe; in —
met elkander loven, bersètèroean; het-
zclfde van velen, bersëtèroe-sètëroean;
lands —, permoesoeh au; in — zijn,
bërmoesoeh; in — zijn met elkander,
bèrmoesoehan; hetzelfde van velen, bër-
moesorh-moesoeha».
v\\jf, lima. panfja, Skr. (dit laatste komt
in enkele samenstellingen voor); bij
vijven, met zijn vijven, bèrlima; alle
—, kalt ma, tima-lima. — aan -—, bèr-
lima-lima;
gedeeld door —, dibëhagi
lima.
— te gelijk, lima takali, lima
pada sakali.
— uur, poeioel lima,
uren, lima djam.
vüfde; de —, jang kalima; ten —, ka-
Hma;
een — deel, sapërlima; de — vnn
de maand, lima hart boelan.
\\\'\\\\ ItlHmlt, tèngah lima.
vyiYlepart, sapërlima.
v\\jfduhl>el, lima ganda, lima lapis.
vÜ\'hoek, lima pëndjoeroe.
vijfhonderd, lima-ratoes.
vijfjarig, van 1 eeftijd, a-moer lima fanoen;
van duur, lima tahoe* lamanja.
v\\jfU"nnt, lima pèrsègi.
v\\j f kleurig, bertcema lima,pantjatcërna.
v\\jfmaul, lima kali.
vUflnl, bilangan lima.
vijftien, lima-bèlas, sapoeloeh lima.
vüfiienhonderd, lima belas ratóes,
sariboe lima ratoes, ttngah doetca riboe.
vijftig, litna-poeloeh.
v\\j ftiger, orang jang lima-poeloeh tahoen
n-moernja
vijfvoudig, lima ganda, lima lipat.
vüfz\\jdig, bersègi lima; een — vlak,
rata bersègi lima.
vijg, \'Ie vrucht, boewah ara; de inl.
—, die het meest op de Levantsche
gelijkt, boeicah ara këleboefc.
vU^ebliid; de bladeren van den heiligen
vijgebootu, die als medicijn worden ge-
biuikt en in teekeningof snijwerk worden
nagebootst ter versiering, daoen boedi.
v ügebo< .1,1, pokok ara, pohon ara;
e. s. v. —, licus Kumphiï, djawi-djawi;
andure soorten zijn: ara rimba, a. kë~
boek, a. sialang, a. makanau poenai;
de heilige — der Indiërs, pohon boedi;
zie vijgeblHd.
v\\jl» kikir; platte —, kikir patar; ronde
—, kikir ekoer tikoes.
vijlen, mëngikir; de tanden —, bérda-
boertg ;
de tanden hol uit—, bërlënfijr;
de tanden puntig ■—, tneroentjing, men-
tjelah gigi.
v\\jl»el, kikiran.
vijver, kolavi, Tam. tëlaga; visch—,
pejigempang.
vijzel, mortier, lësoeng. —, kleine, holle
cilinder met bodem, waarin de betel
voor oude lieden gestampt wordt, gobe}?;
de beitel daarbij gebruikt, anak gobcfr.
villen, mengoeliti (van koelit), mengoe-
pas koelit
(van koepas), b.v. sapërti
kambing dikoeliti,
als eene geit, die
gevild wordt, Sprw.; \'t is op één oor
na gevild, tiada bërapa përi-peri.
vin, van eene visch, sirip; geen — ver-
roeren, tiada bèrgèrafc-bërgëri.
-ocr page 805-
708
vinden. — vinch.
vingeren, mëndjamah dengan djari.
vingergeleding, t\'oewas djari.
vingergewricht, boekoe djari.
vingerglas, mangkoi\' mërëloeng; zie
vingerkom.
vingergreep, tusschen duim en vinger,
djentifr, tjekit, tjëkak, pengapit; zulk
een —• nemen, mëndjëntik, mëngapit,
mëntjekil, mëntjëkak-.
— met de top-
pen der vijf vingers, fjëkoet; zulk een
— nemen, mëntjëkoet.
vingerhoed, saroeng djari, lid al, didal,
bidal
(l\'ort. dedal).
vingerknp, /ie bij scheede.
vingerklem; e. s. v. strafwerktuig op
de Muleische scholen, apit tjina, si-pil
fjina.
vingerlang, sadjari pandjangnja.
vingerlid, roewas djari.
vinuerkoin, koperen —, matigkok »*e-
rëlot-ng, kémbufc. — van glas, këmbofc
katja.
vingerloo», tiada bërdjari.
vingerring, tjlntjin, tjintjin didjari.
vingertop, hoedjoeng djari.
vingervormig, saroepa djari.
vingerwijzing, përloendjoek\'; de —
der mensehen worden, niëndjadi tjolat-
gawit orang;
zie opspraak.
vink; e. s. V. — met dikken snavel,
bosromg tjiafc.
vinnig, scherp, tadjam; een — woord,
j/erkataan tadjam. —, ruw, bits, bëngis,
kasar.
vinnigheid, peri tadjam, kabengisan.
vinvormig, saroepa sirip.
violet, oengoe, merah lëmbajoeng,
violetkleurig, bëri\'-X\'rna oengoe.
viool, vedel; de inlandsche —, rebab,
harbab;
de Europeescbe —, biola; op
de — spelen, btrmaïti biola, mënggese^
biola, bërmaïn rebab.
vioolNiiuar, tali rebab, ta/i biola.
vioolspeler, orang bermdin rebab, o.b.
biola.
vis-n-vi», berhadap-hatlapan.
viftch, ikan; rivier—, ikan darat ; zee—,
ikan laoet; vliegende—,ikan bilalang;
gedroogdu --, ikan kering, daing; stuk-
ken gezouten en in de zon gedroogde
—, tapa-tapa; viseh nldus behandelen,
mëntapa-tapakan; gerookte —, ikan
sa/ai;
gekookte —, die alleen in water
met zout gekookt is, ikan rëboes, sing-
gang
,- de zoogenaamde Makasaarsche
roode vischjes, bilis, ikan merah; gebak-
53
Tinden, niëndapai, b.v, saperli monjet
mtndapat boenga,
als een aap, die bloe-
ïncn vindt, Sprw. NJ{. soms wordt —
met tjëhari, zoeken, teruggegeven, b.v.
soekarlak mënfjehari hoeloebalang ta-
përti Hang Toewah itoe,
bet is nioeiclijk
een held te vinden als die Hang Toc-
wah; gevonden, dapat; jammer —,
sa.ja.ng; iets zeer jammer —, lërsajang-
sajang aka»;
genoegen — in iets, soeka
akan, berkenan ukan,
ook behagen —;
er niets op weten te vinden, geen mid-
del ervoor weten, tiada dapat tlkal;
er kon niets op gevonden worden, er
was geen middel voor te bedenken, ,
tiada lërdajakan; iemand te buis —,
bërdjoempa dengan orang dtroemahnja;
op Horueu wordt veel goud gevonden,
dipoelaa Ka/imanlan tërdapat banjak* !
ëmas. —, uitenen, sanyka, kira, b.v. ik
vind haar schoon, padu sangkakoe elolf
ija;
ik vind het zoo beter, pada kira- ,
koe ba\'ik bagini.
—, gevoelen, rasa, b.v.
ik vind het koud, pada rasakoe së-
djoefc ;
een voorwendsel —, bërdalih;
bet met iemand kunnen —, bolih sa~ ■
toedjoe dXngan sa\'orang;
zich laten—, ;
omgekocht kunnen worden, dapat di-
soewapi.
vinder, orang jang mendapat,pendapal.
vinding; pendapal; door eigen — iets
kunnen, dapat pada afcalnja sendiri.
vindingrük, tianjalf ttkal.
vindloon, voor een vaartuig, opah nëmoe. \'■
vinger, djari, anafc tangan; de wijs—, |
tëloendjoel"; ook djari sjahddat,\\t>\\,\\M\\.
vinger dm\' getuigenis; de middelste—,
djari maii, dj. kanton, djari maft, d/.
inalang.
Zie ook duim en pink;
lange —s hebben, diefachtig zijn, fa-
ngan pandjang;
lusschenruimle der vin-
%en,selang djari; het binnenste, vleezige
van du vingers, përoel djari; de —
Gods, alamal kodral Allah, d. i. teeken
van Umi- almacht; geelt men hem den
—, dan wil bij de heele hand, bërolih
sahasta, hendak sadëpa
; dibërt bc\'lis,
hendak palia;
den — op den mond
leggen, zwijgen, tnendiamkan dirinja;
met den — door iedereen nagewezen
worden, niëndjadl tjolal-gamit orang;
op de —s kijken, mëiigëljam; iemand
die dit duet, phigëtjam; door de —s
zien, vergeven, mëngatnpoeni, müafkan.
vingerbreed, sadjari lëbarnja.
vingerdik, sadjari lebalnja.
-ocr page 806-
794
viachaak — vitten.
ken—, ikan goreng; gezouten —, ikan
asin
; op eene bijzondere wijze gezouten
—, eenigszins zuur, pekasam. — in een
dunne pikante saus, een der bijspijzen
bij de rijst, pindang. — in het zuur,
atjar-ikan; allerlei vischspijzen, ikan
djoekoel;
de —schen, het heinelteeken,
boerdjoe\'lftot, Ar. mina, Skr.
vischaak, përahoe pëtigdU.
vischaas, oempaii.
vischachtist trannachtig van reuk of
smaak, anjir.
visvhansel, mata kail.
viscliben, bakoel ikan.
vi-^chboot, zie vnariuij;*
visch^rimt: groote, becnige—,toela»g
ikan; (ijne —, doeri ikan.
vischhaak, mata-ka\'il, mata k%difr,pan-
tjittg,
Jav. — net een klein gewicht
er nan om hem ver uit te werpen, kail
hamboer;
groote —, dien men op zee
achter het vaartuig lunt slepen, kail
ioenda;
groote —, dien men in stroo-
mend water laat hangen, b.v. om kroko-
dillen te vangen, aliran; daarmedeviasebeo of vangen, mëngalir.
visi-lilii\'iu-i-i, alleen de stok, djoeran;de stok met het tuig, kail bërdjoeran.vi*»<-hhoek, zie vischhaak.
visrlihiii-l, koflit ikan.
vischkank, rahang ikan.
vischUii\'iuvi\'n. isang.
visohkooper, orang djoewal ika?i.
vischkop, kapala ikan.
vischliui\', zie lui);.
vischkorf, bakoel ikan.
vischkuit, tetor ikan; gezouten — van
de Indische elft, telor tëroeboefy.
visi\'hli,i«ii. lofpa-lorpa.
vischlün, waaraan op verschillende af-
8tanden touwtjes met haken zijn bevep-
li%d,rawai;daarmede vi^chca^eratcai.
vischluoht, baoff anjir.
vischman, orang djoewal ikan.
visi\'liiiiim.l, bakoel ikan.
visohmarht, pasar ikan.
vischnet, zie net.
vischotter, bërang-ltPrang.
viscliiv.\']! mi viflt:hlün.
vischry!,, banjafc ikannja.
visi\'lischutfl, met gaatjes, pinggan an-
tjak.
vischschnb, sisifr ikan.
vischschuit, zie vaartuig:.
visclisiiucr, tali ka\'il.
vigchtuig, përkakas minangkap ikan;
e. 8. v. — met veel haken ea een zink-
stuk, pïngarih; al wat men noodig
heeft om op schelpdieren te visechen,
përkërangan.
visnhvalk, Këlang laoet.
vischvangiüt, pentjarian ikan.
vischverkooper,wa»(/ bP.rdjoeical ikan.
visohvyver, pëngempang; de groote
ingedijkte —s aan het strand van Java
te Gen-sik enz., tambak.
viseereii, met een vuurwapen, mitar.
visioen, ckajal, Ar.
visitatie, pemlriksaün,
visite, zie bezoek.
visiteeren, memëriksa (van perijrsa).
vissclien, in bet algemeen, mëntjïhari
ikan, mënangkap ikan
(van tangkap).
met den hengel, më?igai/, mantjing, Jav.
—  met een werpnet, mëndjala. — met
een sleepnet, mëmoekat (van poekal).
—  met een lange lijn of reep, mërawai.
—   mot een vischhaak, mëngédik.
met kunstmatig lokaas, kaljor, — met
een toorts ot\' fakkel, die de tisschen
lokt, tncnjoeloeh ikan. — bij donkere
maan, mhigëlam (van këlam, donkere
maan van laatste tot eerste kwartier).
—  op schelpdieren, èerkïrang; op badar
visschen, bërbadar, >l£n. — met een
vlieg aan den haak, mëpas. — voorover
liggende, een net met een langen zak
voor zieb uitduwende, om garnalen te
vangen, menjoengkoer (van soengkoer).
—   met een korf, dien men over den
visch heen zet, mënjërëkap (vun sërëkap,
zulk een korf). — zie verder denamen
der verschillende werktuigen, gebruikt
bij het —.
visseher, penangkap ikan, nalajan, Skr.
Voor het algemeene begrip is geen be-
pnald woord. .Men noemt den — naar
de wijze waarop, of het middel waar-
mee hij vischt. — niet een werpnet,
pendjala. — met een sleepnet, pemu/fkat.
—   met een hengel, pëiigdil. —■ met een
zegen in volle zee, orang pajang.
met een toorts of fakkel, ptnjoeloch
ikan;
bij de orang lauet, mandjoeng.
viss<\'her\\j> pëtitjëharian ikan,
vissehersboot, visschersschuit, zie bij
vaartuig,
viseli schotel met gaatjes, pinggan
antjak.
vitlust, soeka mën/jëla.
vitten, me/itjtla; spijkers op laag water
\' zoeken, mëntjef/ari-ljPkari.
-ocr page 807-
795
villtr — vlaaachtij£.
vitter, ptntjtla.
vittertf, pentjëladn.
vizier van een helm, natany kttopony,
ook toetoep moeka, — van een vuur-
wapen, mata, o^nliny-oenliny, b.v. —
van een kanon, mata mariam. — van
een geweer, mata bïdil.
vizier, eerste minister, icazir, Ar.
vlaag; wind—, bajoe (Skr. wajoe), poe-
poet bajoe.
vlade; e. s. v. zoete —, sërikaja,
vlac bandera, Port. toenyyoet. — met
twee punten, toenyyoet bértjabany.
met een staart, toenyyoet bértjtmara;
gewone, vierkante —, bandera kapak;
bet blok van eene andere kleur aebter
in een —, zooala b.v. in de Kngelsehe
—, tënakok bandera; een — die door
den winti over den vlaggestok is gc-
slitgen, bandera poeth\'i bërtoedoeny ;
de — hijsehen, mëmasany bandera,
menaïkkan bandera;
do — strijken,
mtnoeroenkan bandera, mëiijoehkan b.
(van soeh); de — voeren, mëmakat
bandera
(van pakai); die onder de lloll.
— varen, jany ada mtmakai bandera
holanda;
een —■ op een modderschuit,
tig. atap idjoek, pêraboeny oepih.
vlajjjjen, pakai bandera.
vlajjuendoek, kaïn bandera.
vliii»i;enlïist, /" t* bandera.
vlajEifeschip, kapal (of ptrahoe) lajeta-
mana.
vlasjjestok, iieny bandera.
vlauiretouw, taii bandera.
vlaiïije voerder — vla^^ertcliip.
vlak, etfen, rata; een —ke weg, djalan
jany rata;
een —ke helling, tjoeraia
jany rata,
voor ons; hellend vlak; een
vlak veld, padany rata. — maken, nic-
ratakan.
— van den grond, datar,
natar, dampar,
b.v. — land, tanah
datar,
ook van een weg, b.v. de weg
is vlak of ellen, djalan mëndalar; zich
vlak voordoen, mhidatar. —, zonder
hoogten en laagten, pupak. —, in tegen-
stelling van scherp, papar. — maken,
memapar. --, ellen geschaafd ofgehou-
wen, papat. —, eti\'en, van uitstekende
punten of verhevenheden ontdaan, pepat.
— maken, memPpal. —, plat, b.v. van
bord of schotel enz., leper. —, niet
hellend, tara, b.v. het dak van dat
huis is te —, daardoor komt de regen
binnen, atap roemah itoe tfrtaloe tara,
aëbab itoelah masoek hoedjan.
—, juist,
recht, van de windstreken, tëpat; b.v.
— West, barat iêpat — tegenovor,
ttntany, bërlëntanyan; indien er een
water tusschenbeide is, bërsaberanyan,
b.v. wij zeilden — tegenover die kaap,
ki\'ui • birlajar (ëntany tandjoeny Hoe;
mijn huis staat — tegenover den berg,
roemahkoe bërténtanyan dényan boekit
itoe;
het Chineesche kamp ligt —
tegenover het veer, kampoeny tjina itoe
bèrtaberanyan dënyan pauykalan tam-
bany;
het —ke vc\\ii,padany; het platte
land, desa. — van bet water bij eb,
volkomen eb, soeroet timpat.
vlak, Zelfst. nw. rata, —, oppervlak,
moeka; het — des waters, moeka ajar.
—, zijvlak v. e. lichaam, pénampany,
b.v. van een buis, vesting, dobbelsteen
enz., ook — verkregen bij doorsnede,
doorsnijvlak; het —, de palm, van de
hand, tapak tanyan. —, vlek, zie ald.
vlakken, ellen maken, zie vlak.
vlakken, vlokken, zie ald.
vliïliWerii», hier licht en daar donker,
btrtëlau-tUau.
vlakte, open veld, padany, datar; de
—   des doods, waar alle menschen
samenkomen, padany té moe; over een
—  gaan, een — doortrekken, mëndalar ;
eene onvruchtbare, woeste —, padany
iandas, padany tekoekoer.
vlakte mant, oekoeran pandjany-lebar,
oekoeran lintauy-boedjoer.
vlam, njala; vuur—, njala api; puntige
—, lidah api; een —nietje, om let*
aan te steken, tjolo}c; een —metje, om
bij te lichten, soeloeh. — in hout,
boenya kajoe. ook bilak\'. —, ader, in
hout, marmer en dergel., koerai. —,
damasceersel in wapens, pamoer; door
de —men verteerd, dimakan njala api.
vlamkleur, icerna api, merah api,
merah nwroep, merah mënjala.
Uok
vLumkleurig.
vlammen, bé.rnjala, bërsijala-njala, mv-
njala;
doen —, mënjatakan ; helder — ,
van vuur, ramaïc,- gevlamd, van hout,
bvrboenya. —-, van hout, marmer en
dergel., bërkoerai. —, hevig verlangen,
inyin, birahi, ftsjifr, Ar.
vlammend, bërnjala, mënjala.
vlammetje, zie bij vlam.
vlamvormiir» saperli njala api roe-
pauja.
vlu>, rami, kattan.
vlatsachtic» sapërti ramt, saroepa rami.
-ocr page 808-
790
vlu«l>aur«l — vlek.
vla»hanrd, de voorbode van een baard,
bakat djanggoet.
vltiNÜiinen, kaïn rami,
vlunplunt, pokok ramt.
vlusaen, Hijv. dw. rami, daripada rami.
vlusnen, hunkeren, ingin, rindoc, \'isjik.
vliiMKlen<r, bittang rami.
vlitHznnd, bidji rami.
vlecht, anjaman; platte, lange —, van
touw, baar enz., .•■ lamptt,- l\'oolsche—,
e. V. v. hnarzickte, ramboet didjalin
hantoe
; valsche haar—, tjemara.
vlechten, vun haar, bamboe enz.t *»<■
nganjam;
plat — van haar of touw,
mënjëlampii\'■; allerlei vlechtwerk maken,
anjam-mënganjam; mandewerk — van
rotan, ijzerdraad enz., mërandjang (van
randjong en hiervan afgeleid këran-
djang,
e. s. v. ruw gevlochten mand,
knaster): door elkander —, mënjëlim-
pat
(van sëlimpal). — van zeer grof
baiubocwerk voor wanden van huizen,
mënjasaf.\' (van sasak). —, schikken
van tuiltjes, mëngarang boenga (van
karang); gevlochten vnn bloemen, bër-
këraicang;
dooreen gevlochten, zooals
b.v. rankende gewassen, sëngkaroet.
vlechtwerk, anjaman; grof — van
bamboe of tecnen, gebruikt voor wan-
dun, dek van kleine vaartuigen enz.,
sasak; los, plat en breed —, iStimput,
ook oene bijzondere soort van vijf-
hoekig —. Zie ook bij ruit.
vledermuiit; kleine — in het algemeen,
kelalavttr, kt/afar; e. s. v. groote —,
këlambit; de vliegende hond of kat,
kaforirang, kaioeug, Jav.; c. s. iets
kleiner dan de voorgaande, kampëret.
■vleesch, daging; ook van vruchten enz.
— in tegenoverstelling van de beenen
en het vet, isi; b.v, meer beenen dan
—, tërlëb\'ih ba»jak toefungiija daripada
isinja;
ik verzoek nlleen oin het —,
niet het vet, akoe miuta isinja sihadja,
djuiigan lëmakuja.~
—aan dunne lappen
gesneden en gedroogd, di-ndeng. — in
do zon gedroogd ook halorr; gebraden
—, daging goreng; gekookt —, daging
rtboes;
geroosterd —, daging panggang ;
geplooid —, daging tuemis. — , dat
zoolang gestoofd is, tot de saus geheel
is verdwenen, flèW; gezouten-—, daging
asin;
het — van de inanggavrucht,
daging botftcah mtmpëlcm; wild —,
daging djahat; het —, in tegenover-
stelling vnn geest, hawr-nafsoe. —,
mensch, in tegenoverstelling van hemel-
sche wezens, manoesia. — worden,
mëndjëlëma djadi manoesia; den weg
van alle — gaan, poclany kapada
asalnja;
zie sterven.
vleeweheiyii, kadagïng-dagingan. —e
gemeenschap hebben met, btrsatoeboeh
dëngan.
—e lusten, haica-nafsoe. Ar.
—, in tegenoverstelling van geestelijk,
djismani. Ar.
vleei*elijjereebt, sadjiau dagi»g.
vleeMchhouwer, slachter, /ie ald.
vleeschklomp, goempal daging.
vleeschmade, htteïat daging.
vleeMchmand, bakoel daging.
vleeschnut, ka/doe Port., koewah
daging.
vleesciiHoep = het voorgaande woord.
vleesehvretend, jang makin daging.
vleeHchwordin<£i incarnatie, ptndjë-
lé maan,
vleet, groot net, poekat.
ylfioolJi dik in het vlecscb, van vruch-
ten, lonak.
vlejjel, dorschvlcgcl, heeft men niet;
een stok om zaad uit te slaan, p\\ nëboA ;
de stamper, gebruikt om de rijst uit
den halm te stampen, anlan, aloi-,ia.\\.
—, lomperd, zie ald.
vleu;elii.clitijSi zie lomp, onbeleefd
enz.
vle«;elen, uitslaan van zaden met een
stok, mrnebah (van tëbah).
vleien, memboedjoek. —, flikflooien, me-
meletjeh
(van ptlftjeh). —, liefkoozen,
mentjoembor. —, ophemelen, in de
hoogte steken, mëngangkat-angkat. —,
loftuitend, mëmoedji-moedji (van poedji);
zich met iets —, mëmboedjoek dirinja
dëngan ;
hopen op, harap pada.
vleiend, jang mëmlio<\'djoek,pëinboedjOt\'k.
vleier, pëmboedjoek.
vleiershniLf», pëngiling.
vleitnal, pïrkataa» pëmboedjoek, poedji-
poedj\'ian;
allerhande —, poedjoefc-em-
pe»ak.
vlek, gehucht, tëralak, doekoeh, Jav.
vlek, vlak, smet, noda, bintifc. —, klad,
smeer van iets klevcrïgs, b.v. boter,
stroop, klei enz., sëlekeh; blnuwe—ken
door blaan veroorzaakt, b\'troe léèam,
lett. bont en blauw. Ook alleen lëbam,
b.v. tnëmëliharakan toeboehnja daripada
lëbam,
zijn lichaam voor blauwe —ken
bewaren; witte —ken nnn banden en
voeten of op de huid, uene veel voor-
-ocr page 809-
vlijmen.                                        797
kamari; al hooger en hooger—, terbang
berpangkat-pangkat
; zwevend —, mtla-
jang-lajang, terbang mPlajaug;
fladde-
rend —, zooals de vlinders, mïngatoeng-
atoeng;
door elkander —, van vorschil-
lende vogels, sabocr-trirnjabuer, b.v. dan
tjoetjoer ktpodang pon saboer-mttnjabovr
dalam taman itoe,
de musscheu en
wielewalen nu vlogen in dien bof door
elkander, d. w. z, al heen en weder:
ook gebruikt van de bliksemstralen;
tegen elkander in—, van vechthanen,
de bliksemstralen enz. ook sabumuj-
mïnjaboeng. ~-,
opstuiven van stof, ber-
bangkit;
in do lucht —, door ontplof-
fing, nièlP.toep f of mïlïlos) terbang
kalangit;
om den hals—, zio omhel-
sten; in brand —, moeldi menjala.
—, hard loopen, btrlari.
vliegendrek, fa/iï lalat, t. laler.
vliegenei, tPlor lalat, t. laler.
vliegenpltik, pelëntik?.
vliegen», goepoeh-goepoeh, dengan goe-
poeh, dengan goepoeh-gapah.
vlieger, het speeltuig, lajang-lajang,
lajangan, hélang-helang, waoe
of icaoeh,
—s oplaten, bermaïu lajang-lajang; een
— opgeven of ophouden, mengandjoeng
lajang-lajang;
do — gaat niet op, die
zaak gelukt niet,phkaraitoe t\'tadadjadi.
vliegerkoord, tali lajang-lajang.
vlierboom; de —, sanboekat, Ar. (lat.
sambueus), ak-fa, Ar.
vliering; de inlaudsche woningen heb-
ben noch zolder noch —; er is dus ook
geen naam voor. De — van een Kuro-
pcesch huis zou men kunnen noemen,
loteng jang di-atas sakali.
vlies, selapoet. —, dun velletje, koulil
ari;
vuil — of vol op het zeewater,
veroorzaakt door stof enz., sarap laoet ;
geboorte—, ook — om vruchten, zooals
uien, de salak, maïs, rijst enz., setoepat.
vliet, zie beek.
vlieten, langzaam stroomen, mengalir
përlahan-lahan
; uit iets —, b.v. van
bloed enz., melilih.
vliezig, met vliezen, betselapoet; vlies-
achtig, sapërti selapoel.
vlijen, naast elkander schikken, mema-
sang
(van pasang). —, plooien, voegen,
tepaskomen, zie die woorden.
vlym, ladji.
vlijmen, vlijmen vaneen mes, zeer scherp
zijn, makan tatap; met een vlijm snij-
den, ?nenge\'rat dingan ladji (van kerat).
vlekkeloos
komende ziekelijkheid, psorïasis, sopafc, |
balar ; wit, of lichter gekleurde —ken
op de menscbelijke huid, panau. —ken
op de huid als voortecken van frain-
bozenuitslag, boenga poeroe; witte —
op den oogappel, palikan, belalak: —, I
piek, ook toêmpoejf, b.v. een wit paard
met zwarte —ken, koeda poeiih ber-
tO\'nnpotfk\' hitam.
—ken op de huid van
dieren, belang; zie gevlekt en bont,
—, blaam, tjela.
vlekkeloos, tiada berkafjèlaan.—, zui-
ver, rein, soefji, nirmala, Skr. —, vrij j
van zonden, soefji daripada dusa.
vlekken, méntjoeringkan; met verschei- ■
denheid, méntjoering-moeringkan.
vlekkerig, bï-rsïlrkeh ; met plekken van
een lichtere kleur, berlëlau-tilau; zie
vlek.
vlekkig, zie gevlekt.
vlerk, vleugel, sajap. —en hebben, ge-
vlerkt zijn, bérsajap; zie vleugel.—,
uitlegger van een vaartuig, tjadi,
vleugel, vlerk, sajap, këpak. —s heb-
ben, gevleugeld zijn, bérsajap; zijne
beide —s, kadoeica btlah képaknja.
van eene slagorde, léngan, gading; van
een leger, sajap; rechter, sajap kaaatr,
linker—, sajap kiri; met de —s klap-
pen, klapwieken, mengepak-ngëpafckan ,
sajap; de —s uitspreiden, m\'Üng\'émbang-
kan sajap;
de —s samenvouwen, mé-
ngoentjoepkan sajap
(van koenljoep); de
— ■ korten, kortwiekeD, mêmotong sajap,
mengerat sajap.
vleugeldeur, pinioe lawang.
vleugelgebouw; een klein — aan eene
vorstelijke woning, gadjah mtnjoesoe, ;
andjoeng.
vleugelloos, tiada bérsajap.
vlieden, vluchten, zie ald.
vlieg, lalat, laler, Jav.; groote, blauwe
—, brommer of vleesehbederver, lalat
langau;
witte —, welker steek zeer
pijnlijk is, kapoer-kapoer, ontleend aan
de kalk, die men gewoon is op den
steek vim een insekt te smoren; e. i, v.
—, welker steek gom achterlaat, kt- \'
loeloet.
—, die de padi vernielt, dje-
nangau.
—, overeenkomende met de
Spaansche — (eigenl. tor), dtndangan ;
de paarden—, pikal.
vliegen, terbang. van velen, bföer- \'■
bangan;
vanzelf—, Urbang stndirinja;
doen — of met iets weg—, ménérbang- i
kan ; heen en weder —, terbang kasana- \'
-ocr page 810-
798
vlümkoker — vloot.
vaderen, toelch, Ar. door zulk een —
getroffen worden, katoelahan. Hiervan
maakt men gewoonlijk daulat,vtc\\\\\\Ai\\
bij wijze van woordspeling, en zegt
int uier ditimpa daulal marhoem, door
den vloek der voorvaderen getroffen
worden. — of zegen van een luet boven-
natuurlijke krachten begaafden persoon
of zaak, aportcah, méndika, bëndika.
vloeken, zweren, bersoempah,- iemand
of iets —, mëtigoeloeki, mëlanaikau.—,
verwensenen, ook mënjërapah.
vloelter, zweerdcr, orang jang bërsoem-
pak.
—, verwenscher, orang jang më-
ngoetoeki.
vloeit waardij*, patoef kina tanal.
vloer, van een op palen ftaand buis,
lantai. —, grond, dasar; met planken,
dasar papan ; met steencn belegd, dasar
batoe
; over den — zijn, aanwezig zijn,
bij de hand zijn, van personen, ada
diianah;
hij hooide dat het in buis
stil, en er uiemand over den — was,
didëngamja soenji didalam ruemah,
sa\'orang pon tidafr ada ditanah;
plan-
ken — van eeno bovenverdieping, g\'t-
ladak.
vloerbalk, vloerbint, gëlégar.
vloerbedekking, lapik.
vloeren, van een huis op palen, mëngi\'
nakan lantai, mèmboeboeh lantai.
— op
den bezanen grond, mëudasarkan.
vloerhleed, tapijt, përmadani, Iiampa-
ran;
harig —, kat\'fat, Ar.
vloermat, hamparan. — van gespleten
rotan, k\'elasak, këlasa, Jav.
vloerplank, van cene woning op palen,
papan lantai. — op den bcganen grond,
papan dasar.
vloertegel, batoe roebin, djoebin, Jav.
vlok, van hoofdhaar, këping; een —
hanr, ramboet sake ping; bij —ken, brr-
këping\'këpitig.
— ineengerold katoen,
die bij het spinnen in de hand wordt
gehouden, helt. — baar, die men den
kinderen op de kruin van het hoofd
laat staan, boeboengan. — van iets dat
in elkander gestreupeld is, zooals hooi,
tabak, katoen enz., djondjot.
vloknehtist aan vlokken, van haar,
beriep ing-këping.
vlonder, -mal bruggetje, titian.
vlot», koetoe-andjing.
vlooiebeet, bëkas digigii koetoe-andjing.
vlooien. ?nënljèhari koet oe-andj ing.
vloot, ka/angkapan, met of zonder toe-
vlümkolier, zie bij koker.
vlü*» ratfjtn, karadjinan, oesaha, Skr.
idjtihad, Ar.
viytbetoon, ianda radjin.
viytijj» radjin, oesaha, Skr.
vlinder, koepoe-koepoe; de reuzen—, koe-
poe gadjah, rama-rama •
groute nacht--,
kelenibok; op Java is koepoe-koepoe, dag-
vlinder, cd kaper, nachtvlinder, uiltje.
vloed, jjetij, pasaug, ajar pasang; wordt
onderscheiden in giuote —, pasang bësar,
en kleine —, pasang ketjil. — bij volle
maan, pasang poernama; springvloed,
zie ald.; het opkomen van den —,
boenga pasang. —, overstrooming, zie
ald. — tijdens de laagste eb, pasang
soeroet.
— twee of drie dagen na
doodtij, pasang sarong boetcih, pasang
djolung-djolong;
bloed—, dysenterie,
rëdjan; de witte —, scheede—, radja
poetih, poetih-poetihan, heser poetih-
poetihan, hamalr,
Ar.; eb en —, pasang
dan soeroet.
vloei, vloeipapier, karttis pënëfap.
vloeibaar, melilih, b.v. — goud, ëmas
melilih;
zeer —, dun van vloeistoffen,
mënoeras (vnn toeras).
vloeiboord, gemaakt van bladeren en
gebruikt om het ilhtltin der golven op
kleine vaartuigen te beletten, kapa-kapa.
vloeien, stroomen, mengalir. — zooals
gesmolten metaal door de goot, mhi-
djaltr;
zacht —, vlieten, mililih; laten
—, mëlilihkan. —, van tranen, dauw-
druppels, oliedroppels enz., berlinang-
linang, bergtnaug;
bloed doen ■—,mëiti-
riskan darah;
zie storten; stil, zacht
—, van eenc rivier, thnang linang; in
overvloed —, van tranen, biggelen,
rembah-remhah, rëmbah-rembeh. -- uit
do geslachtsdeelen, beser. —, van kwijl
uf ixver langs de kin, bërleleran, b.v.
hingga berfeleran ajar sirih dimoeloetnja
hingga sampai kadagoenja,
zoodat het
sirihspuw uit zijn mond vloeide tot op
zijn kin. Zie ook de samenstellingen.
vloeiend = bet voorgaande woord. Zie
ook vlot.
vloeipapier, karfiis pënëtap, k. tëlor.
vloeistof, barang jang tjatr,bendatjdir.
vloek, koeloefr, lünat, Ar. — over u !
koeloeklah engkau, karam bagaimoe,
Irlnat atasmoe;
Gods — over hem,
lïluat Allah alasnja. —, verwensching,
sërapah. —, eed, soenipah. — van hoog-
verheven personen, of overledenen, voor-
-ocr page 811-
vlootvoogd — voegen.                                         799
voeging van kapal of përahoe; ook ang-
katan laoet.
— van oorlogsschepen, ;
augkatan tof kalangkapau) kapal përang ,-
armada. Port.
vlootvoogd, laktamana, pënglima pi\'
rang laoet.
vlot, rakit; op een — vervoeren, mëra-
kit
; klein — aan weerskanten van een
vaartuig om er mevr in te kunnen laden,
ambau.
vlot, vlug, van lezen, spreken, lautjar,
b.v. djikalaa t\'uida mareka-itoe bolih \'
mëmbatja dëngan lanfjarnja,
als zij niet
— kunnen lezen. —, drijvend raken,
van iets, dat aan den grond zit, kam-
bang.
—, afdrijvend, hanjoet.
vloteling, ooilogsniatrous, zie ald.
vlothout, drijfhout, kajof hunjoei.
vlotten, laten drijven, mënghanjoetkan.
—, drijven, losrakeD, van iet», dat aan
den giond zit, kambang.
vlucht, het vliegen, tèrbang. —.zwerm,
kawan, sakatcan boeroeng. — (van vlueh-
ten), kalarian; de — van Mohammad,
hedjrat, Ar.; op de — gaan, lari; met
iets op de — gaan, mëlarikau; zich
door de — redden, lari birlépas dirwja,
lari mëmbawakan dirinja.
vluchteling, oratig lari, pëlari.
vluchten, lari; niet iet»—, mtlarikan;
hals over kop —, lari pontang-panting,
lari liniang-poekang;
op de vlucht gaan,
in den krijg, ook mambofwang bèlakang.
—■, zich wegmaken, mëmbawa diri;
vluchtend aan iets ontkomen, lari btr-
lépas dirinja.
vluchtig, haastig, goepoeh-goepoeh, goe-
poeh-gapah.
—, vergankelijk, Jatta\', Ar.
vluchtplants, Umpat /aria». —, schuü-
plaats, perlindoengan.
vlug, snel, lëkat, tigïra, tjèpat. — en
gezwind, pantas dëngan tjèpat. —, niet
traag, bij allerlei soort van handeling,
ook weer — na eone ziekte, en — van |
dieren, zooals tijgcis en katten, tjërigas.
—, voortvarend, ganfjang, tjër\'égas.
van geest, langkas. — van begrip, ben-
derang hati.
—, levendig, huloep.
in het loeren, — van begrip, ritigan
kapala;
vlugheid van begrip, kapala
ringau;
niet—van begrip, kapala bërat.
—, snel van voortgang, b.v. van lezen,
spreken, eene slang, een weversspoel enz.,
lantjar. —, snel van bewegingen, tang-
kas.
—, in het opstaan, groeten, — van i
bewegingen, djëraoes. Zie vaardig. \'
vlugheid, knapheid, akas; overigens
—   het vorige woord.
vocht, nat, vloeistof, ajar; zie vochtig.
vochten, mèmbatakkan.
vochtig, nat, batak. —, van al wat
vocht kan aantrekken, behalve de lucht,
b.v. weefsel, papier, de grond, hmbab.
—, van neus en mond, van iemand die
snottert, ook — van de vrouwelijke
schaaindcelen, lengas; nog—, van iets,
dat uitgewrongen is, lëtjoeh, —, klam,
□og niet geheel droog, van kleeren,
papier, gedroogde eetwaren, tiitbat.
vod, afval van lijnwaad, rrdja kaïn,pëf\'
tja.
—den, lappen, kaïn-katnam.
voddenUrnl»t>en, koei\'-it\'kapai.
voddenlirabher, ptnywicit-kapai.
voeden, ménibt-ii makan. —, ondurhou-
den, mëmëliharakan; in het aanwezen
houden, b.v. een vuur enz. ook meng-
hidoi-pka».
—, koesteren, mënaroh (van
laroh), b.v. liefde —, mënaroh kasih;
wrok —, mënaroh bèntji; hoop —,
minaroh harap; kommer —, mënaroh
përtjinlaüH.
—, door de spijzen bij
hapjes in mond of bek te steken, më-
njoi\'wapi
(vuu soetcap), mëiiiberi makan;
zich — met, makan.
voeder, die voedt, jaag mëmbëri makan,
enz. zie het vorige woord. —, spijs,
makanan ; beesten—, makanan binatang.
—   voor visschen, dat op het water
drijft, sarap.
voederbak, trog, paloetiy.
voederen, mëmbëri makan ;zie voeren.
voedsel, makanau; dagelijks —, onder-
houd, rëzeki, Ar. — en kleeding, makati
pakai;
de driften of hartstochten —
geven, mëngèraskan hawa-napsoe; dier-
lijk —, përkata jang berdarah; slechts
planten — gebruiken, makan toemboeh-
tötmborkan tëhadja.
— van wilde dieren,
prooi, mangsa.
voedster, bij kinderen van aanzienlij-
ken, enang, pêngasoeh; inlandscho kin-
dermcid in dienst bij Kutoyeanoa, baboe.
voetUteron, mëmëliharakan, mètididifr.
voedHterling, anafc piara, didifr.
voedzaam, jarig mëngënnjangkan (van
khinjang).
voeg, tusschen steeneo, siar. —, naad,
rapalan.
voege; in dier —, dëmikianlah, bagitoe\'
lah;
in — dat, zoodat, zie ald.
voegen; de — dichtstrijken, minjiar;
met de kanten aan elkander —, Tan
-ocr page 812-
800                                              voecijzer
plntte voorworpen, menampneng (van
tam poeng; zich bij iemand —, ieiuaml
aanhancen, bërdampiny dinyan sa\'arany;
bij iets —, doen vergezeld gaan, mem-
pësertakan.
— bij, b.v. een stuk grond
bij eenc plaats, er aan toe—, masoek-
Icau kadatam;
zich — naar den wensch,
menoeroet kahëndak. — , passen, betamen,
patoef, luik. Ar. padan; niet weten
wat hem voegt of past, tiada tahoe
akan kedarnja;
dicht bij ekander —,
mërapatkan. Zie de samenstellingen.
voeaüzer, om de voegen tusschen stee-
oen aan te strijken, pényèlis (van Hs).
voejj^nnni. patoet, baros, latjr, Ar.
voe«*3fnamhei<l, kapatoftan, kaharoaan,
kafoedjoean.
voelbaar, tastbaar, dapat didjamak,
d. diramah.
—, duidelijk, tijata.
voelen, tasten, mendjamak, merabab,
mëndjabal.
—, gevoelen, merasa, bèrasa;
pijn —, berasa saki/, mërasai sakit ;
den pols —, mèndjamah oerat nadi;
met een stok in het onzekere — ot\'
er ook iets is, me,igoev:ar-ngoe\\carkan
kajoe
(van koetcar).
voelhorens, soenyoet.
voer, zit\' voeder. —, wagen vracht,
zie ald.
voeren, met spijs, een zieke, een kind
of een beest, door kleine hapjes in den
mond te stoppen, wlnjoewapi (vnn toe-
tcap), memberi makan.
—, van eene
voering voorzien, mflapis; van voor-
werpen, die iets moeten bevatten, zoo-
dat de voering dient tot onderlang van
den inhoud, mënyalasi (van a/as); tent*.
vlag —, htii.it> bandera, bïrbandera;
een titel —, beryilar; oorlog —, ber- ,
perany; het woord —, berkata-kaia. —,
besturen, mëndjalankatt, b.v. de pnnr-
den —, mëndjalankatt koeda; geschut
kunnen —, van een vaartuig, dapat j
mènavyyoeny mariam; bevel — over, j
mi-mervniahkun; het bevel —, mhne- \\
gang pirentah. — ,
aanvoeren van een
troep, mïvtjandjorr; in het schild. —,
bh-nial; dat, wat men in het schild
voert, mafaoed, Ar.; met zich—,»?/«-
baica iertanja; wat heeft u hierheen
gevoerd, bajoe matia garangan, toeican,
jaag dafattg berpoepoet int.
Zie de
samenstellingen.
voerinjj, lapis; van eene — voorzien
zijn, btrlapis. — in den rug vnn een
kleed, tadah peloeh; de ronde — op ;
— voet.
den bodem ran een hoed of pet, tam-
poefr.
voerin«lintoen, kaïn lapis.
voerloon, vracht, van passagiers, belan-
dja minoempany.
— van goederen, opah
mi\'mliaira.
voerman, van eene kar, ioekanypedati.
/ie koetsier.
voertuij*, kandikan, kandaraün; een
wagen als —, rata kandikan. —, de
inlandscbe kar, pëdati. —, de Euro-
peesche kar, kahar. —, rijtuig van
Europeanen, kareta.
voet, zoowel het lichaamsdeel als alles,
wat tot — dient, kaki, ook als lengte-
maat. —, lichaamsdeel, in poëzie ook
doelt; zie ook enkel: up één — staan,
bërdiri dëngan sahelah kaki;le — gaan,
bérdjalan kaki; in poëzie ook berdoeli;
twee — drie duim, doewa kaki tëbih
fiya dim;
de beide —en, kadoeira
belah kaki;
rechter—, kaki kanan;
linker—, kaki kirt. —, lichaamsdeel,
ook kadam, Ar. b.v. kadam moebarak,
de gezegende —, d. i. een steen, waarop
men zegt, dat Mohammad\'s voet is
afgedrukt. —, van den Vorst sprekende,
soms pada, Skr. b.v. doelt s\'eri pada,
het stof der doorluchtige voeten, d. i.
Zijne Mnjesteit; ten —ten uit, satinyyi
bèrdiri.
—, onderstel van werktuigen,
sommige vuurwapens enz., fjayak; op
gelijken —, gelijk staan, bersama-
samaihi;
iemand —geren, aan iemands
lusten of luimen toegeven, memberi
kali;
geef hem niet te veel — in uw
huis, djatiyan ënykau djinafckan dia
itoe diroemahmoe;
zich uit do —en
maken, het ontloopen, lari berlëpas
dirinja, mtlarikan dirinja;
zich stil
uit de —en maken, mënjëlimpat (van
selintpal); zich snel uit de—en maken,
lari (of lënnjap) sapërli polony kena
lèmboer,
lettert, vluchten nis een be-
spotcn kabouter; zicli met iets uit de
—en maken, nntarikan, mêmbaira lari,
m\'èmoetiny
(vanpoeting); zich uit de —en
maken zooalsb.v.een weggejaagde hond,
tnênfjentjeny; iemand uit de —en hei-
pen, hem opruimen, omhals brengen,
mengerdjakan, b.v. akan sakarany da-
toefc bendahara, sabiljara dëngan N. S. D.
toewanhamba fièndair dikërdjakannja,
en
nu is de Uijksbestierder het eens met
N. S. D. om 0 uit de —en te helpen.
— aan wal zetten, na\'ik darat; nooit
-ocr page 813-
voetangel — vogel klem.                                       801
een — gezet hebben op zee, tiada per-
nah mënoempoe laoet;
een — zotten,
ook bértapak; op — van oorlog, stap
akan bérph-ang, la*>gkap akan bërpè-
rang;
geen — buiten de deur zetten,
tiada kaloewar dart dalam roemah; te
—    vallen, mëajémbah kaki, sot\'djoed
pntla kaki;
onder den — bonden, mem-
bawahkan;
onder den — buien, afbre-
ken, méméfjahkan (van pëljah), mërom-
bak;
handen en —en zijn hem gebonden,
t\'erikat kaki-I\'anytmnja; op een goeden
—  met elkander staan, berbalkbaikan,
bërdjinuk-djinakan, blrmoewafakat; dat
staat op —en of pooten, bëralas bënar ;
op een grooten — leven, hidoep dè-
ngan kabesaran
; op vrije—en, vaneen
gevangene, lëpas dari dalam pëndjara;
van een slaaf, mardaheka; alles il weer
op den ouden —, samoricattja poe/a
sapërti memang•
met —en treden me-
midjak: d\'engan kakivja
(van pidjak);
den — dwars zetten, tegenwerken, me-
rintangi;
voor de —en werpen, ver-
wijten, me m bang kit; alles voor de—en
werpen, allerhande zaken verwijten,
membongkar-bangkir; geen — achteruil
willen gaan, tiada maoe oendoer sa-
langkah djoetca.
— bij stuk houden,
mënfëhadjakan perkaranja; op slatinden
—, sabentar djoega.
voetangel, van bamboe ot\' niboeng,
randjau. — van ijzer, randjau best;
e. 8. v. langen —, soeda; lange bnm-
boezen, scherpgepunte —s, ook tjorong
genoemd te Alalnka.
voetbad» përëndaman kaki.
voetbankje, alas kaki, penoempoe kaki.
voetboei, ranlai kangkang, bëloenggoe
kaki, sangkëla, Skr.
voeteerder, wang bërdjalan kaki.
voeteeren, bërdjalan kaki.
voeteneinde, van een bed enz., toem-
poewan kaki.
voeteuvel, sëngal kaki; e. s. v. vei-
zweiing aan de voeten, boeboel.
voetganger, orang bërdjalan kaki.
voetgowrïeht, boekoe kaki, përg\'élangan
kaki.
voetjicht, sêngal kaki.
voetlinoUhel, enkel, mdta-kaki, boekoe
lalt.
voetknecht, voorzien van een lans of
hellebnard, orang pèrtikaman.
voetmaat, oekoeran kaki.
voetmat, këlisal.
[ voetpad, djalan këtjil, loeroeng.
: voetrris, pèrdjalanan kaki.
voetring, ter versiering nan het voetge-
vnicht, ge.lang kaki; aan het been,pontoh.
voetspoor, bëkas kaki, kësan kaki, dji-
djafr, re dj ah;
wij zagen geen enkel
menschelijk —, tiada kami lihal barang
kësan kaki manoesia;
bet — volgen,
minoeroel djëdjuk {van toeroet); bet —
uitwisschen, menghilangkan djëdjak.
voetstap, langkuh, djangka; zio ook
voetspoor.
voetsstoots, sebagaimana adanja.
voetstrik, djërat kaki.
voetstuk, kaki; van sommig schiet-
geweer, tjagafc. — vun een beeld of
pilaar, piëdestal, lapifc. — van een
pilaar, lapik1 fiang.
voetval, soedjoed pada kaki, tiarap
pada kaki.
voetvolk, voetkuechten voorzien van
hellebaarden, orang pèrtikaman. —,
infanterie, soldadoe inpantëri, soldadoe
bërdjalan kaki.
voetvormig, saroepa kaki.
voetwnssebing, pëmbasohan kaki.
voetzoeker, pëtasan, morfjon, .lav.
voetzool, Itlupakan kaki, fapaj: kakt;
het middelste van de —, peruet kaki.
Zie sandaal.
vogel, boeroeng, paksi, Skr.; de —s, in
het algemeen, zoowel wilde als tamme,
sëtjala onggas; beter één — in de hand
dan tien in de lucht, padi sagenggam
itóe lëbih baik daripada padi saloem-
boeng
; e. s. v. fabclachtigen —, boe-
roeng sahajan;
e. s. r. grooten fabel-
achtigen —, het rijbeest van den god
Visjnoe, garoeda; e. s. v. denkbeeldigen,
reusachtigen —■, die dient om er op door
de lucht te vliegen, boeroeng wilmana,
Skr.; e, s. v. fabelachtigen zang—, die
gezegd wordt om regen of dauw to roepen,
djantajoe, gëntajot?; zie regenvogel.
vogelaar, vogellokker, pëmikat, orang
pèmikal.
vogelaas, oempan boeroeng.
vogel bek, paroeh.
1 vogeldrek, tahi boeroeng.
vogelen, vogels vangen, menangkap boe-
roeng, mëmikat
(van pikat).
vogeltluit om wilde duiven te lokken,
dëkoet boeroeng poenai.
vogelklauw, tjakar.
.
vogelklem, veerende —, betantik, die
— uitzetten, memasang bëlantik.
-ocr page 814-
h()->
vo&elknip — volbloedijj.
broer of zuster, saoedara kandoeng;
ook saoedara sakaiidoeng. — van vor-
men, mollig, goed in het vleesch, niet
magor en niet te dik, sintal; zie mol-
lig; onnatuurlijk — van het aangezicht,
bol, sëinboep; zeer — vnn het gelaat,
moeka bersibar, d. i. een gelaat meteen
rand. — vruchten, van een boom, lëbat
boeieahnja.
— bloemen, lebat boenganja;
in de —lo vergadering, dilengah madjlis,
—, gespannen van den buik, sëgah;
met verscheidenheid sëyah-bëgah. —,
gevuld van de borsten, bernas soesoenja;
—, oververzadigd, van den \\}\\ï\\\\i,sënoh.
—, opgevuld, zoouls een kamer met
huisraad, een graf met lijken, eene
gracht of put met puin, sëboe. — met,
pënoeh bërisi. —, rond, bol, tjëmboeng,
ook vol van het gelaat. — geladen,
b.v. van een vaartuig, sarat; ook tig.
van het geuioed. — schulden, sarat
dëngan hoelang.
— van de zeilen, tapoe,
en de volle zeilen, alle bijgezet, lajar
pon tapoe,
niet gebr. van den wind ; niet
geheel —, van vaatwerk, roewang-roe-
wangan.
—, van de maan, poernama,
Skr. de —Ie maan, boelan poernama.
—, overdekt niet, b.v. eene tafel met
stof, ook —, gezwollen van zeilen, kë-
poh.
—, rond, gezet, van het mensche-
lijk lichaam, gëmpal. —, dik bezet,
b.v. met bladeren, haar, gras, zeil- en
touwwerk enz., rimbon, b.v. poeljoefr
rimbon,
volle kruin van een boom;
kapalanja rimbon sakali, bij heeft een
hoofd — haar ot\' dik bezet met baar.
—, tot overloopens toe, moemboeng,
moembang.
—, soms ook soedah, b.v.
de —Ie zestig jnreii, ënam-poelueh la-
hoen soedah;
een hand —, sagénggam;
eene —lo markt, pasar yang ramai;
op de —Ie straat, didjatan ramai; oen
prop—Ie straat, loeroeng jang toempal;
do —Ie zee, open zee, laoet rèmbang.
— slaap, sangat méngantoek\'. — gek-
lioid, banjafc goerau-sanda; bijzijn—lo
kennis zijn, sedur, sioeman béloel; met
den mond — tanden zitten, tërkatoep
moeloel;
iemand niet voor — aanzien,
mempërmoedahkan orang, mëmandang
moedah kapada sa\'orang (vaa paitdang);
waar het hart—van is, loopt de mond
van over, moeloel berkata-kata dart ka-
penoehan hati.
Zie propvol en vol-
tatlitf.
olbloedig, banjafr darahnja.
vojsellmip, (tjëbafr; met zulk een — I
vogel» vangen, mcndjëbak; een — uit- ;
zetten, mëmasang djèbak. —, ook sang\'
kar pikat.
vo&elliooi, sangkaran boeroeng; koeroe- \\
ngan, Jav.
vo-;elliooi»er, orang bhdjoewal boe- ,
meng.
viii-i-lhii-. .\'//,./,
vojgellüm, getah boeroeng, poeloet.
vojselnest, sarang boeroeng.
vogelnet, dj ar ing; zulk een — uitzet-
ten, mèndjarivy.
vogelpoot, kaki boeroeng.
voyelroede, lijuistokje, pëmoeloet boe-
roeng.
voselstrik, ratjik; daarmede vogels
strikken, meratjik\'.
vogelvan^er, pëmikat.
vojïelverKchrilïUer, pntjait, Mal. —
in den vorui van een klapuiolenlje,
sëlajoen. — die een rammelend geluid
maakt, kelontang. •—, tig. voor vrees-
uanjager, pënggoeroen.
vogelvoeder, makanan boeroeng.
vogelzang, boenji boeroeng.
vol, pënoeh, dit woord slaat zoowel op
dat, wat vult, als op dat, wat gevuld
is, b.v. saboeicah roemah pënoeh, een
huls —; orang pënoeh dalam roemah,
een huis gevuld met menseben; ajar
pënoeh dalam long,
een vat — water;
pënoeh sësafc dëngan djalan, stampvol
op den weg; manoesia djoega pënoeh i
pada padang, het was op die vlakte —
van mejischen enz.; uok in onze taal
treft men zulk een woord aan in vies,
li.v. die man is vies, ik ben vieB van
dien man; ten —lo, op zijn volst, sa-
pënoeh-pénoehnja,
geheel vuldoonJe, zie |
nld.; de —Ie prijs ot\' waarde, sapènoeh \\
harganja;
geheel —, van een znk en
dergel., kënnjavg. —, van een koller, j
tot aan het deksel, ui\' van do lading |
in een vaartuig tut aan de Inikcn zoo- :
dat .er een dekkleed over moet, pënoeh
bërtépas
(van lëpas, zulk een dekkleed).
—, niet hol, kipal, pëdjal. —, zat,
van gegeten, bëshg, kënnjang. —, bij
tijdsbepalingen, loetoep, ginap, b.v. een
— jaar, satahoen toeloep, ginap sata-
hoen;
een —Ie dag, zie ^miMch. —, \'.
—, bij bepalingen van hoeveelheid, \\
gënap;
b.v. de —Ie honderd, saratoet j
gënap. —, eigen, bij namen van bloed-
verwantschap, kandoeng, b.v. een —Ie ;
-ocr page 815-
W.\\
— volijverig.
volbrengen
dibitakauy, ik heb veel volgelingen
achter mij, er zijn velen, die mij
achterna loopen. —, bediende, katcan.
—, leerling, moerid, Ar.
volgen, mënoeroet (van toi-rort), mëngi-
koet,
— nis volgeling van ecu hoofd
of aanzienlijke, mënyiriny; met bep.
obj. meugiringkan; al elkander volgend,
berirïny\'irinyan; de voetstappen —, më-
noeroet djedjafr, nt. kësan;
overal —,
zouals een kind zijne moeder, bërekoer-
ekorrlaJt dimana tmaknja,
en volgde
overal waar zijne moeder was, den
weg —, méngikuet djalan, mengiring
djalan, mënoeroet djalan;
bet strand—,
mënoeroet pantai, mënjoesoer pantai; in
den dood —, mati mëmbelu, ook van eene
weduwe, die zich met het lijk van haren
man laat verbranden. — op, vervangen,
mëayganlikan, b.v. de dag volgt op den
nacht, sinny mtnggantikan malaia; na
morgen volgt overmorgen, habis esoejf
datang loesa
,- wat zai daaruit —.<\'/\'«-
kan djatlinja, apakan ka soedah anti/a;
zijn eigen wil —, mënoeroet kahëudak-
nja seudiri.
Zie ook opvolgen.
volgend, hierna —, jany dïbelakany
int;
den —en dag, pada kaï-sokan
hariuja.
—, beneden ot\' onder gemeld,
jany tersëboet dibawah int, b.v. de —e
mimen, nama-nama jany tersëboet diba-
tcah ini.
vol gen derwijze, dëmikianlah përinja,
volgens, saperti, sebayat\'mana, satoedjoe,
boctapa, satoeroet;
volgens de inzetting
van Abraham, alas sjarijat Ibrahim.
volgreeks, salsilal, Ar.
volgroeid, soedah sampai bèsarnja.
volgzaam, sueka mënoeroet, —, geschikt,
patih; een — man, orang patih.
volgziekte, eenc ziekelijke gesteldheid
der zenuwen bij sommige vrouwen, die
hen noodzaakt alles na to bauwen,
lat ah.
volhandig, banjak\' kërdja, timboel-tiny-
yëlarn dalam pèkërdjaiht.
volharden, bërkandjany, têtap, béroe-
saha, bèrtekcen;
zio volhouden.
volharding, përkandjanyan; met in-
spanning en —, dënyan oesaha dan
tëkoen.
volheid, kapènoehan, kayënapan, zie bij
vol.
volhouden, zie volharden en uit-
houden.
volijverig, radjin sakali, banjak radjin.
volbrengen, ten uitvoer brengen, më-
nyërdjakan
(van kïrdja), melakoekan.
—, voleindigen, menjuedahkan, meng-
habiskan;
eenc taak —, mëaghabiskan
pëkërdjaün;
een belofte —, mënjampai-
kan djandjinja;
een gelofte —, mem-
bajar fraoclnja.
voldaan, tevreden, poeivas, senang. —,
betaald, soedah dibajar,
voldoen, genoegzaam zijn, mt>t/ia<?a(\\&n
pada,
genoegzaam, voldoende). —, vol-
doende zijn voor, utëmadaï, b.v. kaïn
ituf memadaï mënoetoep kadoewanja,
dat
lijnwaad is voldoende om beiden te be-
dekken. —, bevredigen van een wil of
verlangen, mëtijumpaikan (van sampai,
voldoende, toereikend;; bet is voldoende,
daarmede kan bet gedaan worden, dja~
dilah
; niet voldoende kunnen zijn voor,
tiada bolih mëntjoekoepi; iemand, die
tnoeielijk te voldoen is, zie Uiealteu-
rig. —, af betalen, membajar habis;
den prijs —, mêmberi harganja, —,
genoegen geven, mimpèrkënankau, më-
ujoekakan
(van soeka); aan zijne drif-
ten —, mèmoetcaskau haica-napsoenja,
mënoeroH haica-aapsoevja.
voldoend, genoegzaam, tjoekoep, pada,
sampai;
zie het vorige woord; geheel
— e, geheel genoegzaam, ptula-pada, b.v.
pat/it\'pada bërboewal baïk, pada-pada
berboewat dj ah al
,- djanyan a/any-k\'épa-
lang.
voldoener, jany mëmatlakan of méma-
dai, jany mënjampaikan
enz. Zie vol-
doen.
voldragen, ten einde dragen, van een
zwangere vrouw, méngandoeuy sampai
géuap boelannja;
een — kind, anakjang
dikandueng sampai yènap borlannja,
voleindigen, mënjoedahkan (van sou-
dak), mënjampaikan
(vnn sampai), meng-
génapi, mhijampurmakan
(van sampoer-
»«), mëniammatkan (van latnmat, Ar.),
tntndjëlaskan. Zie bij eindigen.
voleinding, kasoedahan, kayenapan,ka-
sampoernaan, tammat,
A r, kadjètasan ;
ilf — der eeuwen, arhir zaman, Ar.
kasoedahan segata zaman.
volganrne, dengan sëgala soeka-hati,
dënyan siyala ridla halt.
volgeling, in het gevolg van een hoofd
of aanzienlijke, oraug penyiring. —en,
die achter iemand loopen, zonder be-
paald tot zijn gpvolg te behooren, boen-
toet,
b.v. ada banjafc boenloet sihaja
-ocr page 816-
804                                               volk — vonnis.
volstoppen, m\'èmampalkan, — van een
zak, ook mèngasak; volgestopt, van een
zak enz., mampat.
volstrekt, moeten, ta\'dapal tiada,la\'kan
djangan.
— niet, sakali-kali tiada; in
de verbiedende wijs, sakali-kali djangan,
djangan sakali-kali;
ook — nooit.
voltallig, g-nap, gmiap bdangannja.
maken, mënggénapkan, mënggënapi.
bijeen, lungkap. -— maken, mtlang~
kapkan.
voltalligheid, kagenapan.
volte, drukte van mensehen, karamajan.
voltooien, beëindigen, menjoedahkan
(van soedah, voltooid), menghabiskan,
mentammatkan.
—, gereed of klaar
innken, menjadlakan (van sadia, vol-
tooid, gereed); voltooid zijn, bërsadia,
férsadia.
—, afdoen, mendjëlas; met
hop. obj. mei\'djëlaskan,
voltooiing, kasoedahan, penjoedahan.
voltrekken, van een huwelijk, zie
tr ouwen.
voluit, vnn het begin tot het einde,
daripada pirmoelaan datang kapada
kasoedahan.
volvaardig, sadia, dengan soeka ridla,
volvoeren, mëlakoekan, m\'éngërdjakan
(van kèrdja).
volwassen, van zaken, soedah sampai
besamja;
van personen ook rëtnadja,
Tikal baligr,
Ar. habis-habis besamja,
zie ook huwbaar; den — leeftijd
bereikt hebben, ook m\'embatca agoeng;
nog niet geheel —, van menschen,
orang jang Vengah na\'ik.
vond, pendapatan, —, list, streek, iipoe,
helat,
Ar. niaslahaf, Ar.; allerlei ■—en,
tipoe-daja, daja-oepaja,
vondel, vonder, vlonder, tilian,
vondeling, anak poi\'ngoet, anak dapat ,■
te — leggen, inelHakkan anak", mem*
bocwang anak.
vonder, lilian.
vondst, pëndapatan, —, krijgslist, oepa-
ja;
zulk een — aanwenden, mhigoepa-
jakan.
vonk, vuur—, boenga api; een regen of
stroom V!1 ti vonken, bij een brand,
boenga api djatoh bergoegoes-goegoes;
vonken schieten van de oogen, bërkëlip-
kelip,
toevallig, fërkèlip-këltp.
vonkelen, girlap, goemirlapan, bërkilan-
kilauwan,
vonken, bërboenga-api.
vonnis, kapoetoetan hoekoem; een —
volk, natie, bangsa, karim, Ar.; het Ma-
leischo —, bangsa Mé/ajoe; het —,
de onderdanen, rïljat. Ar.; gering —,
orang hina-dïna; het —, de schare,
orang banjak. — in tegenoverstelling
van bestuurders, ook bala, —, zie ook
zeevolk; het — Gods, ocmat Allah,
s\'egala hamba Allah,
—, personen, lieden,
orang, b.v. er is veel — op de markt,
ada banjak orang dipasar; zijn —,
orangnja; het — of de lieden van den
Rijksbestierdcr, orang b\'èndaliara; aller*
lei —en, sêrba bangsa.
volkomen, volmaakt, samporrna, Skr.
— gelukkig, salamaf tampoerna.
maken, mënjampoemakan. —, vol, van
een getal, genap, sah. Ar. Itijw. dengau
genap, dengan $ah.
—, soms ook soe-
dah,
b.v. njafalah soedah, volkomen
duidelijk; met een — hart, dengan
saghtap hatinja.
—, compleet, van een
kostuum, sabërhana, Skr. b.v. een —
stel klceron, sab\'èrhana pakajau; ook
salangkap pakajau,
volkomenheid, katampoernaan,
volkomenl\\jk, dengan aampoema.
volkrijk, ramai, mümoer, Ar. —■ ma-
ken, m\'èramaikan, memamoerkan,
volkrükhcid, karamajan.
volksstam, soekor bangsa, hoeloe-bangsa.
—, geheel op zichzelf, met zijne plich-
ten en prerogatieven, soekoe-sakat.
volledig, gt\'"tp, sah, Ar.
volledigheid, kagenapan.
volleerd, masak diutdjar, tammat pënga-
djiiinnja.
volmaakt volkomen.
volmaaktheid, kasampoernaau.
volmacht, kocicasa. — geven, mvmberi
koewasa.
—, gevolmachtigde, koewasa,
teakH,
Ar. generale —, wak\'d moeflak,
Ar.; schriftelijke —, soerat wak\'d;
schriftelijke generale —, toerat wak\'d
moet lak•
volmaken, volkomen doen zijn, me-
njampoernakan
(van sampoema, Skr.).
volop, overvloedig, dengan lempah, ber-
kalempahan.
— eten of voedsel, djt-
noeh makanaiinju.
volslagen, geheel en al, sa/na sakali.
—, louter, bëlaka, samata-mala.
volstaan, voldoen, tjoekoep, pada, sam-
pai.
volstandig* tëlap, kandjanj.
volstandigheid, kalelapan, perkandja-
ngatt.
-ocr page 817-
SU 5
vonnissen — voorbeeld.
vollen, mëndjatohkan lioekocm; een —
uitspreken, mëmoetoeskan hoekoem.
vonnissen, menyhoekoemkan, memoetoes-
kan liofkoi\'m,
voogd, tcdli, Ar. toeziende —, gauti
lïitli;
de bcwindvoerende —, in tegen-
stelling inet den toeziende, te til i ala-
tnart
Ar.
voosjtlü, pëmërentahaa wélt, koeicasa
tcali, Kalajat,
Ar. — voeren over iemand
of iets, b.r. een Rijk, wtêmaugkoe, lettert.
on den schoot ut\' den gebogen arm
houden of dragen i\'van pangkoe).
vooedyschap, djabatan tcali, pangkaf
v;ali, Kalajat,
Ar.
voor, vore, aloer.
voor, en face, dimoeka, dihadapan. —
aan den weg, daar, waar de weg op
andere wegen of op eene vlakte uit-
loopt, moeka djalan. — de deur, dimoeka
pintoe, dihadapan pmtoe.
— iemand
verschijnen, zijne opwachting maken bij,
mënghadap. —■ iemand of iots zetten of
brengen, mênghadapkan. —zich hebben,
dihadap; dat wat men — zich beeft,
hadapan. — aan den weg uitkomen,
inet den voorkant naar den weg staan,
mënghadap djalan. —, voorafgaand,
dêhoeloe, b.v. — eergisteren, kalamarin
dêhoeloe.
— hij kwam, dêhoeloe dari-
pada dalanynja;
ook sabëlom. — zijn;
in het gebruiken van iets, anderen —
zijn, mêranjah, b.v. soedah dirattjah
orang,
daar is uien al aan geweest.
—, in de plaats van, ganti, akan ganti,
mênggantikan.
—, ten behoeve van,
akan, karêna, bagai, kapada. —, aan-
gaande, akan. —, alsof, sapérti, sa\'olah-
olah,
b.v. — dood, sapérti mati, sa\'olah
olah mati adavja.
—, van den wind,
dari haloewan. — den wind, anyin dari
hêlakang.
— den prijs van tien Gulden,
dëngan sapoeloeh roeptak harganja.
een billijken prijs, dëngan fiarga jang
patoet.
— zes weken, zes weken ge-
leden, soedah énatn djoemüat laloe.
altijd, satnpai salamadamanja; bij ver-
gissing het eene — het andere nemen,
salah mëngambil. — alle dingen, in de
eerste plaats, vooral, hoebaja-hoebaja.
—   dat, terwijl nog niet, simautara
bélom;
ieder — zijn deel, masing-masing
dëngan bêhagiannja ;
twaalf zijn er —
hem, doetra-bëlas bagai dia, naml. bc-
stemd; ik voor mij, akan dakoe; een
—   een, van personen, sa\'orang demi
sa\'orang, sa\'orang Upas sa\'orang; van
zaken, satoe-satoe b.v. di-ambilnja bajan
itoe satoe-satoe,
hij nam die parkieten
een — een; een baadje — een hoofd-
doek verruilen, tnënoekar badjoe dëngan
dêstur;
voet — voet, satoe-satoe lang-
kah.
— wicn houdt gij hem, pada
sangkamoe dia siapa.
— anker liggen,
bërlaboeh. — een ander betalen, mem\'
bajar hoelang orang la\'in;
den dood —
het leven kiezen, hhih soeka mati dari-
pada hidoi\'p;
liefde hebben —, kasih
akan.
— contant geld, dëngan oewang
toenai, bajar toenai, timbang toenai.
—    den dag komen, kalthatan, njala,
Jdhir,
Ai.; zich — iets wachten, mëmê\'
liharakan dirinja daripada.
— iets
vluchten, lari daripada. — uw geluk,
karëna. sa ld mat moe; goed — den dorst,
btük ukan viëmoewaskan dahaga,
vooraan, dihadapan, dimoeka.
vooraf, dêhoeloe, lëbih dêhoeloe.
vooraf l>estaan, ada dêhoeloe.
voorafbetaling, bajaran dthoeloe.
voorafgaand, jang dêhoeloe.
vooral, vóór alle dingen, in de eerste
plaats, hüfbaja-haebaja. —, bepaald
moeten, ta\'dapal tiada, ta\'kan djangan.
djangan lidak.
—, zooveel te meer,
tërlebih, têr/êbth poela, tambahan poela.
—   wordt ook teruggegeven met het
Voorvoegsel ter, b.v. têrharos, vooral
betaamt bet. — niet. wêlainkan djan-
gan, hoebaja-hoebaja djangan.
vooraleer, sabëlom, dêhoeloe daripada.
vooravond, pohon pëtang.
voorbaat = vooraf; bij — iets nan-
neiuen, aangaan, koopen enz., mênem*
pah;
b.v. eene vroedvrouw aanuemen,
iem. voor een dans engageeren, voor
een later huwelijk een nog onhuwbanr
meisje vragen, vruchten, die nog te
velde staan, koopen enz.; bij —, al
vast, memaiig, b.v. neem hot bij —,
noem het al vast, ambilluh memang,
ambillah soedah-soedah.
voorbarig» in bet spreken, lanfjar, la~
v:as;
hij was — in zijn spreken, lun-
tjar mo\'doftnja, tja mëlairas.
voorbedaehtelgk, opzettelijk, dtngan
sëhiidja, dëngan sêngadja.
voorbede, sjoefdïtt, Ar.
voorbedina, voorwaarde, djandji.
voorbeduitlins, zie voorteelten.
voorbeeld, ter navolging, toeladau; ook
ikoetan; een — volgen, mênoeladan;
-ocr page 818-
806                                   voorbeeldeloo» — voordeel.
enz., regelrecht —, mëlintas; de scha-
duw van iemand, die voorbij gaat,
bajang-bajang orang mëlintas. —, soms
ook tanlas, mèlantas, b.v. tiada dapat
mèlantas dari sini,
kan hier niet —.
—, te boven gaan, tèrlampau, b.v.
tèrlampau daripada adat, het gewone —,
te boven gaan. — van een doel, dat
men zich gesteld heeft, langsoeng.
aan iets, b.v. een projectiel aan het
doel, menjiseh (van siseh).—, passeeren
van iemand bij eene aanstelling of
beguni-tiging, mëlaloei; voorbijgegaan
worden, bij eene uitdeeling ot\' begifti-
ging, ierlindoeng; niemand weid voorbij-
gegaan, sa\'oratrg pon tiada ierlindoeng.
—, geen melding innken van, tiada
mhijèboet
(van s\'eboel). —, geen acht
slaan op, tiada mengend ah kan.
voorb\\J££nnnd, vergankelijk van het
aardsche, fana\', Ar.
voorbüaanaer, pètinttis, orang pilin-
tas, orang jang laloe;
de —s, die in
verschillende richting passceren, orang
laloe-lalang.
voorbüliiten, membtri laloe, mëmbèri
djalu/t.
voort>ü*treven, méudèhoeloe\'i.
voorbijvaren, bèrlajar lalot\' daripada.
voorbode, datgene wat iets voorspelt,
bakat, b.v. de — van wind, bakat angiu;
de — van een baard, vlasbaard, bakat
djanggoet;
de — van de pokken, bakat
katoemboehan.
—, voorteeken, zie ald.
voorboom, van een weeftoestel, waar-
op de alge wc ven stof wordt gewikkeld,
papan goeloeng.
voorhout, pnha jang dïmoeka.
voorbramra,ieiingkat saboer pèroewan.
voorbrumHteng, tvringkat saboer doel.
voorbrnmzeil, teringkat saboer.
voorbrengen, mèmbawa mènghadap,
mèmbaica kahadapan, menghadapkan.
—■
van een rijbcesl, menampilkan, b.v.
?naka gadjah kanaïkati pon dilampilkan
oranglah, maka baginda pan na\'iklah
gadjah,
on den koninklijken olil\'ant
bracht men voor en de Vorst besteeg
den olifant. —, voorstellen, uiten, ver-
tooncn, zie die woorden.
voorburg, kota jang dimoeka.
voordacht, met —, dêngan seliadja,
dengan séngadja.
voordnt, alvorens, sabèlom, dehoeloe da-
ripada.
voordeel» labat oentoeng. — geven of
bij—, oepamanja, sandainja, laksana,
Skr. mitsalnja, Ar.; zonder—, in kwade
beteekenis, boekan-boekan, ook boekan
boetcatan,
b.v. dat water is voorbeeldc-
loos troebel, ajar itoe bockat boekan
boeicatan;
de 8toinp/.innighoid van dien
man is /onder —, boekan boeicatan
benafrnja orang Hoe; marah jang boe-
kan-boekan,
toorn zonder —; bodohnja
boekan-boekan,
dom zonder — ; in goede
beteekenis, tiada bandingnja, tiada ta-
ranja, tiada bagainja.
voorbeeldeloo», zie het vorige woord.
voorbehoedmiddel* onheil-afwcer-
middel, pënangkal.
voorbehoud, zie uitzondering;. —,
bepaling, djandji.
voorbereiden, mhijadiakan (van sa-
dia);
zich — op een nakend gevaar,
b.v. op een aanval van den vijand,
kêledar.
voorbereid int;* kasadiaihi.
voorbericht, voor een bock, phidehoe-
loevan, moekadatmnat,
Ar.
voorbesehililten, predestineeren, van
God, mhifafrdirkttn. —, van een mensch,
mènentoekan dehoeloe (vnn tentoe).
voorbenohililiinj», predestinatie, van
(ïod, takdir, Ar.
voorbeschikt heid, zie vntbaar-
heid.
voorbestemmen — voorbegchik-
ken.
voorbidden, ten behoeve van iemand
bidden, m\'eminfa dva akan, mendvakan,
we mintak au, memoehoenkan
(vnn poe-
hoen). Zie
ook nnbidden.
voorbü. van plaats of tijd, laloe; ook
—gaan en —gegnnn ; reeds —gegaan,
soedah laloe; aan iets —gaan, melaloet;
zie roorbüsniin. —, ook soedah,
b.v. de zestig jaren —, ènam poeloeh
tahoe?i soedah.
—, te boven, lampan,
tèrlampau;
ook wel — eene plnate,
b.v. — dat huis, lampan roemah Hoe,
— het doel, — den juisten tijd, mis-
sen, loentjas —, nn, lepas, b.v. ■—
het niiddaggobedsiiur, lepas lo/wr.
kaap Couioriu, lepas tandjoeng kunwr\'tn ;
de dag is al ■—, een beletsel gewoi-
deo om met het een of ander voort te
gaan, tot zijn uiterste grens gekomen,
hart soedah soentoek.
voortttJoAAtlf bèrdjalan laloe, melaloe\'i ;
al heen en weder —, lahe-lalang. —,
voorbijsnellen, snorren, vliegen, zweven
-ocr page 819-
voordeelis — voorhanden.
B07
hebbun, berlaba, b\'eroenfoeng. — trekken,
behalen, verkrijgen, bérolih laba,bérolih
oentoeng.
—, nut, goena, fai\'dah. Ar.
man/aai, Ar.; in dienst van een ander
zijn eigen — mede zoeken, sambil
menjëlam sambil minoem ajar; dalarn
ruemah ntimboetcal roemah.
—, ïnkom-
steo, péndapatan, ha f il, Ar ; ten —e
doen strekken, mengoentoengkan; lijn
— met iets doen, mèmpirgoenakati,
mèngambil f\'ardahnja.
voordeelijï. voordeel gevend, wttmttri
laba, mëmberi oentoeng, mindatangkan
laba
(of oentoeng). —, nuttig, bergoena,
btrfacdak.
—, opbrengst leverend, btr-
hafil,
voordeeltje, buitenkans, zie ald.
voordeur, pintoe dimoeka, pintoe diha-
dapan.
voordewind, anght dari bUakang.
voordc/en, dehoeloe, dëhoeloe-kata.
voordienen, voordisscbcn, van spijzen,
mënjadjikan (van sadji).
voordoen, eerst doen, mëmhoeicat di-
hoeloe.
—, een voorbeeld geven, mëm-
btri toeladan;
zich aan het gemoed
nog niet voorgedaan hebben, bëlom ter\'
lintas kapada rata.
—, voorbinden,
zie ald.; zich — als, de gedaante,
eigenschap of vorm vertoonen, wordt
uitgedrukt met den act. vorm me van
het Ww. waarvan de naam van de
voor te Btellen zaak het grondwoord
is, b.v. apabtla sampai disana maka
poe/au Hoe mëkoeda,
als men tot daar
gekomen is doet dat eiland zich als
een paard voor; tanah Hoe mëmboekit
anak,
dat terrein doet zich heuvelachtig
voor; dan orangtija pon bttnjak- men-
dakan kajoe dihoeian ruepanja,
ook
was des volks veel en deed zich voor
als de boomtakken in het bosch. Wnn-
neer het cene opzettelijke handeling is,
dan mëroepakan dirinja saperti; zich
groot — tusschen anderen vnn dezelfde
soort, sërëgam; zich flink, ferm —,
sekah, lampan; zich als een hoogeu
hoop —, zooals schepen of bergen in
de verte, mëndjerëmboen; zich mooi—,
këlilah; zich goed ot\' fatsoenlijk —,
ook al is men behoeftig of slecht
gekleed, simbai; iemand, die zich op
een afstand goed voordoet, orang séri
goenoeng,
omdat de bergen op een
afstand schoon zijn; iemand die zich
dichtbij goed voordoet, orang sëri pan- ■
lat, omdat het strand nabij schoon is;
zich —, den schijn aannemen van, zich
houden als, poera-poera; als de gelegen-
heid zich voordoet, djikalau dalatig
koetika jang baik.
voordrnrht, een goede —, zie wel-
«preliend.
voordringen, voorstellen, menghadap-
kan;
een verhaal —, menibaica hikdjat,
mentjtrïierakan;
zijne zaak —, aan den
rechter of den Vorst, mëmpërsëmbakkan,
m\'engadoekan.
vooreb, gerak soeroet.
voo ree rjji «teren, liga hari laloe.
vooreerHt, dehoeloe, pérlama, b.v. —
God en dan de gezant Gods, dehoeloe
Allah, k\'inoedïan rasoel Allah,
vooreinde, lioedjueng jang dimoeka, h.j.
dihadapan.
voor«anii; onz. bërdjalan dehoeloe, ook
voor: éérst sterven. Zie «terven. —,
bedr. m\'endëhoeloe\'i, b.v. tiada adat
kamt, kami mëndëhoeloei, orang djoega
mëndëhoeloe\'i kami,
wij zijn niet gewoon
voor te gaan; men moet ons —. —,
van een uurwerk, djalan terlaloe lekas.
—, een voorbeeld geven, zie ald.; eik-
ander —, de eerste of voorste trachten
te zijn, bèrdèhoelue-dèhoeloean; anderen
—, menghveloekan, b.v. ijalah meng-
hoetoe-hueloekatt orang masok Hoe dè-
ngan paulasnja,
hij ging steeds hen
voor, die het (brandende gebouw) ingin-
gen, door zijne vlugheid.
vooi\'Kiinnd, vorig, jang dehoeloe, jang
lëbih dehoeloe,
voor-,\'Hiiaer, phigandjoer, pënghoeloe.*
voorgebergte, kaap, zie ald.
voorgemeld, jang têrsêboet di-atas (of
dehoeloe).
voorgevel, zio gevel.
voorgeslacht, nenek-mojang, orang
toeica dehoeloe.
voorgeven, veinzen, poera-poera. —,
voorwenden, bèrdalih, mëmbaica Trdzoer.
voorgi**teren, kalamarin dehoeloe.
voorgrond, zich op den — stellen,
mëndëhoeloekan dirinja.
voorlumr, anak ramboet.
voorhanden, ada, hddlir, Ar. nog—,
lagi ada; niet meer —, op, soedah,
habis, poetoes;
altijd in menigte —,
van koopwaren, sëlaroh, menjelaroh; in
menigte —, ook m-lmoer, Ar. b.v. akan
tètapi oeicang terlaloe m\'tmoer, maka
makanan tiada dapal,
doch het geld was
-ocr page 820-
808                                      voorhans — voorraaken.
in overvloed —, maar levensmiddelen
waren niet te krijgen; op veel plaatsen
—, van koopwaren, d/ibak, bérdjibah.
—, nabij, hampir, dëkat.
voorhans» voorhangsel, toedoeng, tabir;
allerlei —sels, tabir-mabir. — van ribs
zijden stof, aangevoerd uit China, toe-
doeng kdin randi.
voorhebben, van een kleedingstuk,
pakai. —, van plan zijn, bëmial.
voorheen, dëhoeloe, dèhoeloe-kala; wat
—  zoo was of gebeurde, jang soedah-
soedah, memang.
voorhoede, haloewan; de — van het
leger, haloewan bala-latitara; ook tjoe-
tjoek bala-lanlara
en kapala djalan.
voorhof, pmghadupau, sërambi; zie ook
voorplein.
voorhoofïl, dahi; een stalen —,moeka
papan, moeka tëbal.
\\Min\'liiiuMpl:i!ii, e. s. v. versiersel,
djamang, lëparam.
voorhoofdversiersel, waarvan de
juweelen in den vorm eener bloem zijn
gezet, patant; hoepel vorm ig — voor
eeno bruid, gandijp.
voorhouden, houden vuur iemand of
iets, mëmëgang dihadapan, mënghadap-
kan.
—, onder het oog brengen, wëna-
sihalkan, wëmbëri nasi kat.
—, verwijten,
zie ald.
voorhuid; do —, koeloep, groeloef, Ar.
koelfat, Ar.; koeloep wordt ook gebruikt
als lief kozingswoord voor kleine jongens,
voorhuis, voorgalerij, tér ambt,
voorin, masoek dimoeka.
vooringenomen, berkman.
vooriniiemen, mëmpërkënankan.
voorkamer, bilik dimoeka, bilik diha-
dapan.
voorkennis; inet — van, dèngan sata-
hoe;
de — Gods, marifat Allah.
voorkeur, pïmilih.
voorkomen, iemand vooruitkomen,
■mëndëhoeloei. ■—, verschijnen, kalihatan.
—, verschijnen voor, mënghadap; doen
—   van een rijtuig, toeroek batoa, b.v.
doe het rijtuig —, toeroeh bawa kareta.
—, gebeuren, djadi, përistewa. —, ont-
moetcn, aantreffen, bértëmoe, bërdjoempa;
hij had een weinig beter—dan vroeger,
■/japon adalah bêroepa sëdikil daripada
dëhoeloenja
; het komt mij voor niet zoo
te zijn, pada himmat séhaja boekan ba-
i/iioc;
naar hot mij voorkomt,pada sang-
kakoe, pada kapikirankoe, pada hatikoe.
I voorkomen, beletten, mënëgahkan (van
tëgah). — en dien ten gevolge doen
mislukken, mëmbdfalkan (van bdfal,
ijdel, Ar.). —, afweren, menavgkiskau
(van tangkis).
\' voorkomen, uiterlijk, roepa; goed van
—, bdik roepanja; van een zeer goed
—, roepawan; Hink, ferm van—,sekah,
lampan;
dit laatste ook van een huis,
b.v. lampan bénar roemah itoe; fatsoen-
lijk van —, al is men ook armoedig
gekleed, simbai. —, uiterlijke gedaante,
ook roman b.v. saroman audjiiig, met
een — als van een hond, er uitzien
als een hond; een vreeselijk —, roepa
jang haibal, pènggëring,
nainel. om
iemand een ziekte op het lijf te jagen,
b.v. këna pènggëring hartman, getroffen
(d. i. ziek) door het vreeselijk — van
een tijger.
voorkomend, innemend, manis, bdik
boedi-bëhasa, tëgor-sapa.
—, hulpvaar-
dig, sonka mènoeloeng. —, zooals het
voorkomt, sébagaimana péri hal-ahoeal-
nja;
niet — ontvangen of behandelen
van een bezoeker, bëntang tikar pon
tidajk,
d. i. men spreidde zelfs geen mat,
voor ons: men presenteerde zelfs geen
stoel.
voorlans, soedah lama.
voorlastig, bérat dimoeka, beral diha-
loetvan.
voorleasen, mëlëtakkan dihadajian, m.
dimoeka;
iemand een vraag —, ment\'
bëri soewal.
voorlezen, m\'émbaljakau.
voorlezer, pèmbatja.
voorlezing, pëmbatjaan.
voorlichten, zie bijlichten. —■, on-
derrichten, zie ald.
i voorlijden; met de beentjeB — bij
de geboorte van een kind, analp song-
sang.
I voorliegen, mëndoestdi, më/nbohongi,
! voorlijk, van den wind, sakal; een —o
wind, angin sakal. — worden, mënjakal.
voorloop» arak api, kapala arafc.
voorloopen, bèrdjalan dëhoeloe, b. di-
hadapan.
■—, anderen voorbij loopen,
mëndëhoeloei. —, te snel loopen, bër-
djala?i lërlaloe tjëpat.
voorlooper, zie voorganger,
voorloopis» dëhoeloe.
voorman!*, eertijds, dëhoeloe, dëhoeloe
kala.
voormaken, mëmboewat dëhoeloe.
-ocr page 821-
BOfl
voormalig — voorraadkamer.
asal dari nenek-mojang. —e gebruiken
of gewoonten, rldat nenek-mojang.
vooroudere, nenek-mojang. — ïo den
vijfden graad, tjilawagi.
voorover; plat —, tiarap. — vallen,
djaloh tèrtiaru/j. — gaan vallen of lig-
gen, uteniarap; zich — op iemand
werpen, mëniarapi orang; plat — op
den grond doen vallen, mendjer•oemoes-
kan;
zoo gevallen zijn, tërdjeroemoes.
— vallen, zoodat het hoofd den grond
raakt, bedr. mënjoengkoer; ace. ter-
soengkoer, r&bah tërsoengkoer.
— vallen
en een eind voortschuiven, bedr. mtn-
djeroemoes;
ace. tërdjtroemoes, djaloh
lerdjeroemoes.
— gebogen of buigen
van het hoofd of bovenlijf, toendoe]?;
met hel lichaam — ter aarde buigen
bij hot gebed, soedjoed, Ar.; met —
gebogen bovenlijf voortgaan, sondong;
in die houding garnalen vangen met
een zaknet, dat men voor zich uit
duwt, mtnjundoug hoedang. — hellend
van staande voorwerpen, fjondang ka-
hadapan, tjeno\'éroeng kahadapan.
vooroverl\\|den, mati dehoeloe.
voorpaard, koeda jang dimoeka (of
dihadapan).
voorplecht, tingkat dihaloewan.
voorplein, halaman ; open —,pëlataran.
voorpoort, philoe dimoeka.
voorpoot, kaki dimoeka, van tijgers,
leeuwen en umlere tot bet kattengeslacht
behoorende dieren, tangan, b.v. de voor-
en achterpooten van eene kat, kaki-
tangan koetjintj,
de geheele kudde gei-
ten .... de beide voorpooten ophelfende,
sakalian kawan kambing.... seraja
niéngangkat-angki/tkan tangan kadoewa;
anders van grootere dieren, b.v. paar-
den, kooien enz., kaki dihadajian, kaki
dimoeka;
deszelfs beide voorpooten,
kadoewa be/ah kakinja jang dihadapan.
voorportaal, sërambi.
voorpost, uitkijk, mata djalan, ptnin-
djau.
voorpreelien, de les lezen, fig. mém-
batja chofbat.
voorproeven, taïntjoba dehoeloe, me-
ngetjap dehoeloe.
voorraad, proviand, bekal, bekal-be\'ka-
lan, perliekalan;
iets ia — hebben of
houden, menjimpan (van simpan); niet
meer in —, op, poeloes, habis; van —
voorzien, niÜmblkali.
voorraadkamer, of huis, goedang,
54
Toormalist jang d\'èhneloe. —, in tegcn-
overstelling van (Ie nieuwe, jang lama,
voorman, orang jang dihadapan, o. j.
(Hmoeka.
voorna urn, mar. teringkat koerst.
Toormnrftxeil, lajar ttringkat gaice.
voormust, teringkat tiang,
voormeUl, jang terseboef duatas.
voormeten, mëngoekoerkan; met een
inhoudsmaat. miinjoekatkan (van soekat),
menakarkan
(van takar).
voormiddag, pagi, pagi hari.
voormuur, tembok jang dihadapan, tent\'
bofc jang ie.rdinding dihadapan.
voornaam, narna toeboi\'h,nama daging; i
eigenl. is dit de eerste nuam, dien de
ouders aan hun kind bij de geboorte
geven,
voornaam, vun aanbelang, aanzienlijk, :
besar, b.v. een —persoon, orang b\'ésar; ,
eene voorname /aak, perkara besar.
— uit de hoogte zie bij hoogte;
voornaamste, van vele dingen, kapala;
de voornaamsten der stad, orang Stoor* ■
besar dalant ?iegari;
de voornaamste
ook pïnghof/of, b.v. penghoeloe anak
radja-radja,
de voornaamste der prinsen,
voornaeht, awal malam, 1-sja\', Ar.
voornamelijk, hoofdzakelijk, in de
eerste plaats, përtama\'tama, pada gra-
liltnja,
Ar. —, voor alle dingen, hoe-
baja-hoebaja.
voornemen, Ww. btrniat, hendak, &ër-
ka/iHndak, kesadkan.
voornemen, Zelfst. nff. kahPndak, niat,
Ai\'. fésad, Ar. —, opzet, sViadja; met
het vaste —, voornemens zijn, berst-
had ja,
b.v. h&idafr btrsehadja müntje\'-
hart segala harta,
met het bepaalde —
0111 alle schatten te zoeken.
voornoemd, jang iersèbotd di-atas.
vooronder, mar. kolong dihaloewan.
voorondersteld, sandainja, sa\'andai-
tija. — indien, djikalaa kiranja.
vooronderstellen, mtnjangka (van
satigka), kira-kira.
vooronderstelling, sangka, kira.
vooroordeel, twijfel, sjak, Ar. — op-
vatten of koesteren, ntenaroft sjalf. —,
tegenzin, afkeer, djtmoe.
voorop, dihadapan, dimoeka. —, in de
eerste plants, përtama-iama.
vooropgaan, zich aan het hoofd
stellen, mSndchoeloe, ménghoeloe-hoe-
loekan.
voorouderlijk, dari ntmek-ntojang,
-ocr page 822-
810                            voorraadschuur — voortbrengen.
pérangnja. — in den groei, van kin,
deren, jonge dieren en planten, riap.
voorspraak, tusschenkomst, sjoe/dal,
Ar.; zich van eene — voorzien, pin-
djam moeloet. —, advokaat, plnoeloeng
bitjara; zie ald.
voorstaan; zich op iets laten—, mem-
bcsarkan dirinja, me/negahkan dirinja.
voorstander; in tegenoverstellingvan
persoonlijke tegenstander, kawan. —en
tegenstander, kawan dan lawan; van
— in tegenstander veranderen, kawan
mtndjadi lawan.
voorste, begin, hoetoe; de —, jang
dimoeka, j. dihadapan, j. dihaloewan;
het — gedeelte van een huis, hadapan
roemah; het — gedeelte van een vaar-
tuig, haloewan perahoe (of kapal); het—■
van een weg, kapala djalan, moeka djalan.
voorstel, voorslag, ic.htijar; hoor mijn
—, dëngarlah ichtijarkoe.
voorstellen, iemand —, aan een Vorst
of meerderen, menghadapkan; ook —
van eene zaak. —, eene voorstelling
geven van iemand, hetzij in komedie-
spel of beschrijving, melakoekan sa\'o-
rang;
mag ik het genoegen hebben
u .. .. voor te stellen, hmdaklah tot;-
wan k\'Snal akan
....,■ — van de vredes-
voorwaarden, mënjorong damai; zich
-—, zich voornemen, btrniat.
voorstelling; eene — of omschrijving
van iets geven, memerikan (van përi);
iemand —, introduceeren, mengenalkan;
zich allerlei —en maken, denken, pcin-
zen over iets onzekers, Óerangka-ang-
kaiin.
voorstellingsvermogen, zio fnn-
tasie.
voorsteven, van een vaartuig, haloe-
wan;
lange, spitse —, die weggenomen
kan worden, djoengoer përahoe.
voort, dadelijk, terstond, sabh/tar djoega,
—, vertrokken, soedah pergi, soedah
berdjalan.
—, verdwenen, soedah hilang,
soedah lënnjap.
—, pak je weg, njah-
lah %ngkau \'
voortaan; van nu —, moela\'i dcripada.
sakarang ini.
voortand, snijtand, zie ald.
voortbewegen; zich —( tnembawa
dirinja;
een vaartuig ■—■ met do hand
of een boom, door iemand die op het
land gaat, mëmimpin ptrahoe.
voortbren «jen, produceeren, nienghti-
silkan, mtngalocwarkan.
—, scheppen,
Toorrandschuur, voor i\\j&t,p^loeboer;
zie rijstschuur.
Toorrnns:, pangkat jang pértama.
voorrecht, geluk, voordeel, oentoeng.
voorrede, pendvhoeloean, dibadjat, Ar.,
zie voorbericht,
voorrijder, mata-djaian.
voorschieten, zie voorschot,
voorschijn; te — komen, kalihatan,
njata, ]dkir.
Ar.; aan do oppervlakte
van een vloeistof to — komen, timboel;
te — brengen, m&ngadakan; niet to
— te brengen zijn, tiada teradakan;
ineens te — komen, b.v. van iets, dat
in keel of neus zit, ineens voor den
dag komen van een tijding of een levend
wezen, bërsit; toorn kwam te — op
zijn gelaat, marahnja tampil kapada
moekanja;
te — komen, lohieljjk en
Onverwacht naar buiten komen, zooals !
b.v. de kop van cene slang, het hoofd
van het kind bij de geboorte, een muis
enz., merodjol.
voorschip, halonian përahoe (of kapal). ,
voorschot, tempah. — geven, niïnem-
pah.
— op te leveren koopwaar of
Werk, tjïngk\'ëratn, — op loon, koop of j
leverantie,pandjar; patroon, die iemand i
met voorsehot helpt, indoek semang.
voorschrift, bepaling, conditie, sjarf,
Ar. — der ouden, pematah. —, om na :
te schrijven, iofladan menjoerat. —,
bestuursrcgeling, pe.rentah, ook de—en
omtrent datgene, wat bij het doen van
boete in aeht te nemen is; godsdien-
tttigo —en, sjariïlt, Ar.
voorschrijven, van schrijfwerk, mé-
nonliskan, menjorratkan.
—, bevelen
geven, membëri perenlah; een recept ■—, !
niénofliskan soerat fablb ; zie recept,
voorshands, d\'thoeloe.
voorsiiannen, van trekdïeren, mema-
sang
(van pasang), mengenakan (van
klva).
voorspellen, waarzeggen, niêriênoeng
(van tenoeng). — uit een wicbelaars-
boek, membatja ramal. Zie profe-
teeren en voorzegsen.
voorspeller, waarzegger, pSfeuoeng.
voorspelling, waarzeggerij, pëlenoe-
ngan.
voorspoed, salamai, Ar. oentoeng; in
—, dëngan salamai.
voorspoedig, dengan salamai. —,
gelukkig in den krijg, djtja ptrang ;
hij is niet — in den krijg, tiada djaja
-ocr page 823-
voortbrengsel — voortschieten.
Sll
het aanzijn geven, mendjattikan. —,
doen zijn, mëngadakan. Van iemand, die
□iets meer voortbrengt zegt men: belijr
toedak gin tas,
d. i. de bétik ot\' prpajn
heeft opgehouden vrucht te dragen.
voortbrengsel, product, hdtil, b.v.
de —en van dien grond, sïgala hasil
tanah itoe.
roortdouvven, schuivend voortduwen,
mënjorongkan (van sarong).
voortdrijven, wegdrijven op het water,
hanjoet. —, opjagen van vee, mënggi~
ring,
—, wegjagen, mënghalaukan.
voortdrijver, opjager,/*e»^iri«y,jj?»^-
haiau,
voortdrin<fen; van weeke zelfstandig-
heden uit eene opening —, loeioek.
voortduren, kekal, bërkekal, lama;
doen —, mëngëkalkan; lang doen —,
bP.pcrlamakan.
voortdurend, selatoe, kekal, santiasa,
sënanliasa.
voortduring* ; bij — , steeds, ook malar,
b.v. het water is bij — twee vademen
diep, ajar malar doewa dëpa.
voortduwen, zie voortdouwen;
met een boom een vaartuig —, mïng~
galahkan pvrahoe.
voorteelien, voorbeduiding,/>«faA, itld-
mat, tanda;
allerlei—s, tanda ïïldmat;
een goed —, pëdak baïk, fltdmat jang
baïk, faut.
Ar.; een slecht of ongunstig
—, pedah jang tiada baik, tXldmat jong
liada buik, nahas.
Ar.; de —a raad-
plegen, memboeka fanl; de onrecht-
vaardigheid der Vorsten is het — van
\'s Rijks ondergang, lalim radjanja ald-
mat kabinasaan negari.
coortellen, mïmbilang dïhadapan.
foortguan, birdjalan djoega; in\' de
beteekenis van eenvoudig gaan, blrdja-
lan, laloe;
isnel —, van een zich voort-
bewegend lichaam, lantjar, ladjoe; zoo
gingen wij voort, berdjalan djoega
kamt;
met een vaartuig, berlajar djoega ;
doen —, mëndjalavkan, melajarkan.—,
volharden, zie ald.
•\'oortgnng; — hebben, djadi; geeu
— hebben, tiatla djadi.
roortgeven, rundgeven, memperidarkan.
i\'oortlielpen = helpen.
.\'oorlüd, zeer oude tijd, poerbu-kala,
zamdn déhoeloe kala.
■oortüds, dëhoetoe kala.
.-oortjjlen, btrlari lëkas-lëkas, bërlari
dëngan sigera.
voortjagen, voortdrijven van vee, meng-
giring, mënghalaukan.
— van een rij -
paard, mëmboeroe koeda.
voortkomen, uitspruiten, toemboeh. —,
te voorschijn komen, b.v. uit het hart,
firbit; dat komt voort uit het hoofd
van een kundig man, terbit daripatta
tëlaga orang pandai.
—, afstammen,
toeroen. —, voortvloeien, volgen, kaloe-
war, djadi;
ook alleen het Voor/.
daripada-, uit iets doen —, mëngaloe~
usarkan, minërbitkan, mënimbo\'-lkan;
regen uit de wolken doen —, mënoe^
roenkan hoed jan daridalam atcan-atean.
voortkruipen, melata. —,van planten,
hetzij over den grond, hetzij omhoog
langs iets, mënjoeloer (van soeloer),
mërambal, mëndja/ar.
— van kleine
dieren en planten, niërajap; van een
krokodil, mënjoeloer.
voortleiden, zie bij leiden.
voortmnken, spoed maken, btrsigëra-
sigëra, birlëkas-lekas, berbangat\'bangat;
met iets —, spoed achter iets zetten,
mënjigërakan, mrlïkaskan, mëmbangat-
kan;
zich —, vluchten, lari.
voortm are hoeren* bïrdjatau djoega.
voortplanten, planten vermeni^vul-
digen, tnëmptrbanjakkan poAon (of pO\'
kofc);
den Godsdienst —, mëmasjhoeT\'
kan agama;
kunsten en wetenschappen
—, meramaikan ïlmoe dan pëngëta-
hoean;
zich —, bëranajr-bërboeicah.
voortrnnken, van gewassen, mendjalar.
voortreilelvjli, oetama, endah-endah,
amat baik, sabaïk-bdiknja; het voor-
trell\'elijkatc aller werken, oetama dari-
pada sëgala plke.rdjaan.
voortreülien, de voorkeur geven boven
anderen, melvbihkan.
voortrollen, bïryoeling-goeling; van
platrondo voorwerpen op hun kant,
lereny; een ciud nog — van voorwer-
pen die gevallen of geworpen zijn,
berpelantingan.
voortrukhen, voorwaarts rukken, van
een leger bij een aanval, mënampit
(van tampil).
voorts, vervolgens, laloe, kêmoedian,
lagi pofla, kalakian, arakian, lantiis.
voortschieten | reebt—, zoonU slan-
gen, mPndjoelorr; recht — in hel water,
méndjoeloeng; blindelings —, mëndjë-
loenioeng.
— vnn iets, dat men tegen
wil houden, mfndorany; snel en recht
—, zooals b.v. een weversspoel, lantjar ^
-ocr page 824-
812                                  voortschuiven — voorvloed.
vooruitbetalen, membajar dehoeloe.
vooruitbetaling, ptmbajaran dihoeloe.
Zie voorschot.
vooruitdraven, birlari dihoeloe.
vooruitgaan, voorwaarts gaan, mara,
b.v. pérnhoe ta\'bolih mara, het vaartuig
kon niet — ; voor- en acbteiuitgaan,
oendoer-mara; doen —, doen voorwaarts
rukken van een leircr, memarakan, mt-
nampilkau
van tatnpil). Zie vooruit.
—  van een werk, opschieten, menjtha-
djakau sot\'dah.
Zie opschieten.
vooruitkomen; een ander —, men-
dihoeloet;
in de wereld —, makin bêtar,
makin tinggi.
vooruitloopen, voorwaarts schieten,
niendurong. — op iets, /P.landjoer, b.v.
djaugan ttlandjoer kita alas maxjaterat
sohbai kifa,
opdat wij niet — op de
beraadslagingen van onzen vriend.
vooruitm-hifteti, van ecne slang, lan-
sar, méndjoetofr.
vooruitsteken, horizontaal —, zooals
de boegspriet van vaartuigen, soedoer.
—  ook vainadjoe (van (adjoe, vooruit-
stekend). Wellicht beter tadjoek of
tadjoer; schuin horizontaal —, b.v.
van den wijsvinger, een boegspriet enz.
mïntjoeical.—, zouals eene kaap in zee,
mengandjofr; ook van een huid uit de
rij, een berg buiten de andere bergen.
—, van buik en borst, zooals van
iemand, die achterover in eencn stoel
ligt, se.rdi\'/i. — van de wangen door
de huoge jukbeenderen, tïrsorony-so-
rong.
—, van de bovenlip, menjunjong
(van njonjong); met vooruitgestoken
bovenlip pruilend rondslenteren, me-
tijüHJong sa\'orang diri.
vooruitzenden, mtngirim dehoeloe
(van kirim); van personen, menjoeroeh-
kan dehoeloe (van soeroeh).
vooruitzicht, hoop, zie ald.
vooruitziend, van het verstand, pan-
djang pikir.
voorvaderen, nenek-mojang.
voorval, djadi, purist\'rica, përtemoean.
—, zaak, perkara, hal, Ar.
voorvallen, djadi, peristewa, berlakoe.
voorvechter, pêndekar, hoelot\'balang,
pahalattttn, l\'erz. doebalang, Sum.
voorvertrek, bil ik dimoeka.
voorvinaer, de wijsvinger, djari te-
loettdjoek; zie vinger,
voorvleugel, sajap dimoeka,
voorvloed, gïrttk pasang.
voortschuiven, voortduwen, mtnjo-
rong
(van sarong); beetje voor beetje
—, isoet, ingioet; ook langzaam —
van een vaartuig over de oppervlakte
van het water bij weinig wind; op het
achterste —, zooals b.v. kleine kinde-
ren, kesort, bPrkt\'soct, kisar, bërkisar,
mïngingsori;
horizontaal «—, b.v. van
een stuk geld, eenc slang, lan.iar, mt-
tansar.
— van geld, dat geteld wordt
en op hoopen ligt, birlimbakdimbak.
voort uilen ren, zie voorttrekken.
voortsnellen; in dezelfde richting
voortMiellend, legat.
voortspruiten, toemboeh, tijm f i, kaloe-
tcar, Ifrbit, bërpantjar.
voortstappen, wrfè\'kaskati djalannja,
mtnjiijirakan djalannja.
voortstuwen, /ie stuwen.
voort telen, bïranak, bïranak-btrooetcah.
voorttreden; langzaam ■—, angsoer;
ook langzaam voorwaarts rukken.
voortt rekken, sleept», ménghela. —,
sleuren van een arrestant, vïindj\'oeros;
iemand hij zijn oor —■, membembel;
tegen het beloop in ieta —, menartk
soengtang,
— van een beest aan een
louw of teugel, viengt-ïetkan (van erei).
voort vurend, vlug, fjerYgas, gantjang.
Om een hooge mate van voortvarend-
heid uit te drukken zegt men, bagai
andjiny kadihoeloean,
d. i. een hond
die het wild vooruit raakt.
voortvarendheid = voortvarend.
—, bespoediging, pïrsigërahan.
voortvloeien; zacht —, mïlilih.
voortvluchtige»orangjang sotdahlari.
voortwnndelen, berdjalan-djalan
djoega,
voortwoekeren, van kruip- en klim-
p hi rite n, merambat; van een kwaad,
fig. bagai «pi didalam stkam, d. i. als
vuur in kaf. — van MM zweer, toekak.
voortzetten, mïngPkalkan (van kekal).
vooruit, aan de voorzijde, vóór een
ander of ieta anders, dihadapon, di~
moeka.
— gaan, in dien zin, berdjalan
dihadapan
(of dimorka). — gaan, in
tcgenovcrt-telling van nchteruitgaan,
mara; lifl vooruitgaan, —, voor-
waarla van een leger bij den uanval,
lampil. —, vroeger, dehoelor. —geven,
memberi dehoeloe. — gaan, in dien zin,
bïrdjalan dehoehe. Zie verder de namen-
stellingen,
loruitbeslellen, be\'rpesan dthoeloe.
-ocr page 825-
voorwanr — vorksgewy*.                                     si 3
voorwiiar» bahtca sasoenggoeknja.
voorwaarde, beding, conditie, djandji,
sjarf,
Ar. b.v. op welke — vraagt ge
vergeving, dhtgan djandji mana ~<\'ngkau
mïnta ampon;
onder— dat, dtngan sjarf-
nja hPndalrlah;
ook atas hahwa ,■ zonder
—, tiada dengan djandji; onder —,
mits, soekat, b.v. slechts onder — dat
de Vorst bet toestaat mag het pas
gebeuren, soekat dikaroeniakan rat/ja
beharoelah bolih.
voorwaarts, kahadapan, kamoeka.
gaan, zie vooruitgaan. — treden
van een getuige, priester, redenaar enz.,
tampil. — rukken, van legers, vloten
i-D/. tol een aanval, më/mmpil; ook
inënampil kahadapan; doen — rukken,
ook zijn paard — doen Liaan, mvmarakan.
voorwacht, zie voorpost.
voorwand, dinding jang dimoeka (ofdihadapa,!.
voorwenden, den schijn aannemen,
poera-poera, boeivat-boetcat.
voorwendsel, uitvlucht, dalih, —s
gebruiken, bvrdalih; geen— meer heb-
ben, tiada bérdalih lagi. —, ook lik;
zich achter —s verschuilen, bërlik.
voorwerp, ding, btnda, b.v. onbezielde
—en, bënda-ètnda jang tiada bërnjaica;
er was een —, dat er als een kippe-
maag uitzag, ada soeatoe btnda sapërti
hati hajam roepanja.
voorwerpen, mtloetarkan dihadapan.
—, verwijten, zie ald.
voorwerpsnaam, nama btnda.
voorweten, voorkennis, pëngïtahoean
dehoeloe.
voorzaten, nenefr-mojang,
voorzeeaen, voorspellen, zie ald.; ook:
menëlah (van tétah).
Toorze«aer, pcn\'êlah.
voorzegging, ptnëlahan.
voorzeker, ttntoe, nistjaja, Skr. tanis-
tjaja, tjengki,
vuig.
voorzetten, van spijzeo, mtnjadjikan
(van satlji); een gast iets —, niéndja-
moe\'i, niëndjamot\'kan.
voorzichtig, ingat-ingat; op Java ati-
aii.
—, beleidvol, van aanzienlijke per-
sonen, bidjaksana. Zie ook behoed-
zaam en slim. —, oplettend, scberp
toezien, atcas. Jav. id.
voorzichtigheid = voorzichtig.
, van aanzienlijke personen, beleid,
kabidjaks antum.
voorzien, van het ooodige of ontbre-
kende, m\'ëlangkap, mëlangkapkan.
zijn van, wordt meestal uitgedrukt met
het voorvoegsel Mr, b.v. — zijn van
geld, birwang. — zijn van oogen, bër-
mata,
enz. Soms ook bërpakaiian, b.v.
dit schip is — van ijzeren masten,
kapal ini bërpakaiian Hang èësi; in
zijn eigen onderhoud —, mëlïpaskan
saranja sïndiri.
— in de toekomst
zien, iëroes mata, b.v. akoe bt.ri ingkai;
teroes mata, botih mëlihat jang belom
kalihatan,
ik schenk u de giive van —,
dat ge zien kunt wat nog niet zicht-
baar is; van den noodi^en voorraad ot\'
proviand —, membëkali.
voorzijde, hadapan, moeka; met de —
naar iets toegekeerd zijn, hadap, meng-
hadap,
b.v. met de — nnar den weg
gekeerd, mënghadap djalan; met de —
naar het Westen gekeerd, mtnghadap
matahari ,nati.
voorzitter, përesiden, sadr, Ar.
voos, lodnh, ganjoet,
vorderen, eischen, mtnoentoet (van toen-
toef),
schuld —, mënoentoet koetang,
menagik hortang
ivan tagih); voldoe-
ning —, merwntort pfrbalasan; de ver-
vulling eener belofte —, mtnoentoet
djandjt.
—, aansprnnk maken in rech-
ten, mëndïiwd, Ar.; niet — van een
vaartuig, niet vooruitkomen, mëngoett\'
dak
(van oendak-).
vordering, toentoetan, tagihan, daicii,
Ar. Zie het vorige woord.
vore, voor, gleuf, aloer, garis. —n trek-
keo, menggaris.
voren, hadapan, moeka; naar —, kaha-
dapan, kamoeka;
van —,dari hadapan,
dihadapan, kamoeka, dimoeka;
van —
aan, opnieuw, samoela; van — aan
iets doen, mënjamoelakan; naar — tre-
den, tam pil; ook naar — treden van
een getuige, priester, redenaar enz.
vorig, vroeger, dëhoeloe, lama; de —e
vrouw, bini lama; de —e eeuwen, za-
mdn dëhoeloe.
vork, tafelvork, garpo, Port., ptnjoe-
ijoek-;
groote — met drie tanden, /£-
rampang, trisoelu, Skr.; groote — met
haakvormige dorens, gebezigd om die-
ven, amokloopers of wilde dieren te
vangen, tjanggah; de —en op de ver-
scbansing vun vaartuigen, waarin men
de boomen of bootshaken legt, sangga
galah.
\' vorkagewda, getakt, óïrtjabang.
-ocr page 826-
814                                               vorm — vragen.
vorm, roepa; ook in den — van, b.v.
nalatenschap in den — vim geld, poe-
saka roepa oetcang
,■ een — gcveD,
mtroepakan; vormen, waarin koekjes
gebakken worden, tjitakan koetc-koewe,
—    of geBtalte, waarin iemand zich
geïnenrneerd heeft, fitisatt, Jav.; oor-
spronkelijke —, lembaga. —, matrijs,
rangka. —, gietvorm, atjoean; de —
van het gelaat, pofongan morka; een
contract in den behoorlijken —, soerat
ptrdjandjia* nvénoerart jij ar f;
zonder —
van proces, df.ngan liada përiksa lagi.
vormen, fatsoeneeren, rtitrofpakan; tot
een man of mensch —, mfngadon,
letterl. kneden; iets in een vorm druk-
ken om er een gedaante aan te geven,
meugompokkan (van ompok\').
vormer, jan9 «itrorpakan enz.
vorniloüs, liada beroepa,
vorsen, katak, zie kikvorsch.
vowchen, mënjidit (vnn sidik), »?»/?-
lid ik (van sëlidik).
vorst, regeerder, radja, sjah, Vcn.amir,
Ar. adji, Kw. sangadji; de regeerende
—, rat/ja karadjaiin, jang diperfoeican ;
—  der wereld, sjah alam; dit is een titel,
waarmede men den Vorst aanspreekt.
vorst, bovenste dakpan, gtnteng boeboe-
iigan.
vorstelijk, karadjaiin, fjara radja; bij
benamingen van bloedverwantschap,
baginda, b .v. ajahanda baginda, — e
vader; anakanda baginda,— kind; onk
adji, Kw. b.v. bapa adji, —e vader,
MS adji, de —e bijzitten; de —e klee-
ding, pakajan karadjaiin; een — ge-
schenk, anofgerafia fjara radja; d© —e
gewoonten, ïïdat radja-radja.
vorstendom, land dooreen Vorst gere-
geerd, karadjaiin,
vorstenhof, astava radja.
vorstin, radja perampocfan, pë.rmaisoeri
(Skr. paramesvarï).—, prinses, poeftfi,
Skr. Mevrouw de —, toetran poeiiri,
vorslpnn, /ie vorst.
vos, roebtih, Pen,; do vliegende —, k%-
loewang, kaloeng,
zie hond,
vouw, l/puf, kédo/\'f; kunstmatige —,
lipat lesof; voor het eerst uit de —en
komen van een doek. kleed enz., boeka
lipafan;
in de verkeerde —en of plooien,
iipoh. —, langs den knnt vin iets, b.v.
in een bock, kaart enz., ke/ipit.
vouwbaar, jang dapat dilipat.
vouwdeur, pintoe törlipal.
vouwen, ntelipat; lijnwaad —, mc\'lipat
ka///
; de handen —, ni&ngafoepkan fa-
ngan, triénjambot tangan;
met gevouwen
handen, lerkatoep tangan; de banden
— met gekruiste vingers, mf.mantjil
tangan
(van pantjit), m%tijëngkï?langkan
djari
(van sengkëlang).
vouwer, pelipat, jang mflipat.
vraag, naar iets, tanja, pértanjaan,soe-
wal,
Ar. — en antwoord, soetcai-dja-
tcab,
Ar. — om iets, verzoek, pin/a,
permintaan.
vraajfal, pengapa.
vraagbaak, tempat iïértanja.
vraagspel, matn btrtlka-tfki.
vraagstuk, soewal.
vraat, orang pélalah, o. ptlahap, o. gt-
lodjoh.
vraatzuchtig, pelalak, pèlahap, gllo\'
dj oh, hemaroek\'.
vraclit, lading, last, moewaian. —, last
op den «chouder, tanggofngan. — aan
een stok over den schouder, pikoelan,
gandaran.
— op den rug, ambinan.
aan het uiteinde van een stok over
den schouder, galasan, —, die tusschen
de beide armen genomen wordt, fóban.
—, die in een mand op den rug wordt
gedragen met een band over het voor-
hoofd, amboengan. Zie verder bij dra-
gen. —, passage, die voor het over-
varen betaald wordt, oricang tambangan,
bajaran tonnpangan;
tegen betaliog van
— iemand of iets overvaren, vervoeren
van de eenc plaats naar de andere,
zoowel met een voer- als met een vanr-
tuig, mt-nambang (van tambang). — voor
eene hut aanboord, harga p?lak.
vrachtbrief, soerat moewatan.
vrachtgeld, zie vrac:ht.
vrachtkar, pedali; europeesehe —,
kahar.
vrachtlh\'st, daffar barang-barang moe-
waf an.
vruchtmnnd, die op den rug gedragen
wordt met een band over het voorhoofd,
amboeng.
vrachtvaarder, het vaartuig, pltrabo/\'
(of kapal) tambangan; de persoon, orang
penambang
.
vrachtvaren, tnvnambang.
vractitvrü, franco, zie ald.
vrachtwagen = vrachtkar.
vragen, naar iets, berfanja; met obj.
bertanjakan. — om iets, mfminta (van
pinfa); ik vraag ook om wat, minta
-ocr page 827-
vragenboek — vreter.                                          815
zich naar den —e begeven, b\'Srdagang
diri;
nog geheel — in eene omgeving
zijn, be\'lom goena biasa. —, wat er
buiten is, loeicar, locwaran, kaloewa-
ran.
—e landen, negari asing. —e koop-
waren, barang dagangan dari negari
asing.
—, zeldzaam, djarang. — en
schoon, pelik-pPtik. — en gebrekkig of
links, onhandig ia zijne manieren,
tjanggoeng.
vreemde, orang la\'in, b.v, want hij was
voor Laksamana geen —, karina ija
boekan orang la\'in kapada Laksamana;
die prins was geen — voor den Vorst,
want hij was van zijn geslacht, adapon
anak radja Hoe boekan orang lain ka-
pada baginda, sïbab sabangsa djoega.
vreemdeling, orang dagang, orang he-
lal, orang asing, orang hëlat-asing,
orang grarib, orang loewaran, orang
kaloeicaran;
pas aangekomen —, orang
biharoe, orang datang.
—, bijwoner,
orang mënoempang.
vreexudelingschap, dagang, b.v. nu
eerst gevoel ik mijne — in het land
dezer lieden, btharuelah akoe tahoe akan
dagangkoe dalam negari orang ini.
vrees, takoet ; uit -—, dari takoet, sëbab
takoet;
uit — voor, takoet akan, takoet-
kan,
b.v. uit — voor luizen het kleed
van het lijf wegwerpen, takoet kan
toema diboewangkan ka\'in dari batlan,
Sprw.; uit — voor een spook een lijk
omhelzen, takoet kan hantoe, tërpeloek-
kan bangkai,
Sprw. — aanjagen, bang
maken, mhiakoHi, ook mënakoetkan,
menggauiah, menggrrelak, inènggera;
door — bevangen, katakoetan.
vreesaelitig, phiakoet.
vreeseiyir, huiveringwekkend, ng^ri. —,
geducht, haibal, Ar.; iets vrecselijks,
katakoetan. —, zeer, amat, sangat, tïr-
laloe.
vreezen, takoet. — voor, takoet akan,
takoet kan.
vreli, orang kikir; zie vrekkig en voeg
er orang voor. Figuurlijke uildiukkin-
gen voor een — zijn: toembak kering,
droge lans, orang mënangkabau darat,
ménangkabaiiwer uit het binnenland.
vrekkig, kikir, kikil, kekel, sekoel, lo-
kek,
vuig. bachil. Ar.
vreten, eten van dieren, makan. —,
gulzig eten, mïmadjoh (van padjoh).
—, opeten, mhijengam. (van sëngam).
vreter, zie vraat.
liekagi. —, een vraag doen, bërsoewal.
—   en antwoorden, btrsoewal-djawdb.
—  naar den bekenden weg, dalam ftrang
hïndafc bersoeloeh.
—, smeeken, mPmo-
kon
(van pokon\\. — om zich te mogen
verwijderen, verlof — om heen te gaan,
minla diri, btrmohon-, ten huwelijk —,
mëmïnang (van pinang).—, uitnoodigen
van gasten, memanggil, mlndffmpoet;
van \'aanzienlijke gasten, mëmpërsilakan;
er niet naar —, zich er niet om be-
kreunen, tiada fadloeli akan, tiada
m tngenda/t kan.
vrusenboek, soerat soeical-djatcdb.
vrager, jang b\'ertanja, jang wtP.minta,
pfminla, jang bersoeical,
zie het onder-
scheid bij vragen. —, vraagal, zie ald.
vratig, vraatzuchtig, zie ald.
vrede, als einde van twist of oorlog,
damai. — maken, bërdamai, mêndamai.
—  stichten, tot stand doen komen bij
of onder, mendamaikan, me"nipërdamai-
kan;
de —, die gesloten of tot stand
gebracht wordt, perdamajan; den —
bewaren, in een eoed humeur houden,
mëmtliharakan hati orang. —, rust,
veiligheid, sedjahtra, Skr.; het land is
in rust en —, negari Hoe saldmat san-
tausa.
—, heil, saldm, Ar. — zij met
u, assaldm alaikoem, de gewone groet
ook bij de Maleiers, welke beantwoord
wordt met alaikoem assaldm, u zij —;
met — laten, membtarkan, tiada mi-
ngoesik.
vredegroet, sa/dm, Ar. de — geven,
membëri saldm; elkander do — geven,
berst* Idtn-saldman.
vredelievend, soi\'ka iïérdamai.
vredestichter, ptndamai; zie bij vre-
desvooPKliijj,
vredesverdrag, pirdjandjian perda~
majan,
vredesvoorslas. voorstel, voorwaarde
doen, niettjorong damai; hij dio de—en
doet, penjorong damai.
vredeteelïen, ald mat perdamajan.
vredevlag, tjX-.mara poelih en toenggorl
alamat kXhadjikaii;
die beide vaartui-
gen voerden de —, maka perahoe doeica
itoepon membaica fjemara poelih,
vredevuur, djërambang.
vreedxnam, kalm, rustig, zie ald.
vreemd, uitlandsch, dagang, kë.lat,gra\'
rib,
Ar. b.v. —e vaartuigen, perahoe
dagang.
— mensch, vreemdeling, orang
dagang, orang helaf, orang hëlat asing;
-ocr page 828-
816
vreugde — vrijpostig.
van een gezicht, /ateas; verzoeken om
den weg — te laten, minta djalan. —,
verlost, ontkomen, bevrijd, loepoet. —,
familiaar, van kindereu, jegens oudere
menschen, mandju. — e keus, —e be-
sehikking, ichlijar, Ar. — van belasting,
lipiis fjoekai. — van inkomende reeb-
ten, Itpas b\'-ja. — van port, zie Iran co.
—, tamelijk, djoega, b.v. — wel, baik
djoega.
— wat, tamelijk wat, sïdikit
batijak-,
—, ronduit, tïroei-tëraiig.
vrü»t\\ verlof, idzin, Ar.
vrijbrief, soerat idzin.
vrUl>lü ven, niet gevangen genomen
worden, ttada ditangkup, tiada ditatcan.
—, verschoond blijven, dada kt na.
vrijbuiten, op zee, mtrompak.
vrijbuiter, op zee, perompat-.
vryimiterü. op zee, ptrompakan.
vrübura, kota pPrltnduengan.
vrijdug, Aori djoemdat.
vrijdagavond, maiam sapfoe.
xt\'\\\\v\\\\\\\\i. déngatt bebas; zie vrij.
vrijen, elk. minnen, bvrkasih-kasihan.
■vrijer, kekasib, pembira/ii; zie min-
uuur.
vrijerij, minnehandel, fjaudoeicai.
vrijgeboren, dipïranakkan mardahrka.
vrijgekocht, diféboes.
vrijgelatene, uil slavernij, orang jang
dimardahekakan.
vr\\j geleidebrie f, sPgoeroe, Port.
vrijgeven, verlof geven, memb^ri idzin.
vrijgevig, mild, moerah; zie mild-
dndig.
vrijgezel, ongehuwd jongman, boedjang.
vrijheid, van handelen, kabebasan.
van dienstbaarheid, kamardahekacu ; de
— geven om iets te doen, mtlüpaskan.
—, vrije keus, ïchtijar, Ar. —, verlof,
idzin, Ar.
vrükoopen, mpneboes (van taboes).
vrijkooper, pP.nP.boes.
vrijkooping, péneboesa?i, tPboesan.
vrijlaten, mPlPpaskan; vrijgelatene, lt-
pasan.
vrüloopen, iets misgaan, dada kt na.
vrijmaken, van slaven, mtmardahe-
kakau.
vrijman, anafr boewah; iemand die vrij
is van dienstbaarheid, orang mardaheka.
vrijmoedig, bebas, dPngan bebas, be.rani.
vrijplaats, tempat pPrlindoengan, kota
pPlarian.
vrijpostig, pongah, lindja, —, zonder
zich te geneeren, megajr.
vreugde, soeka, kttso\'kat/n, gemar, ka-
gemaran, soeka-tjita;
ook — hebben
benevens bPrgPmar. — hebben over iet»,
bvrgP-mar akuu. — bedrijven, nitlakoe-
kau kasofkaaMH/a;
gemeensebnppelijk
-— bcdrijveu, btrsoekasuekaun, bëramai\'
rawajan;
uitbundige — riu, sueka-ria.
vreugdege juich, vreugdekreet, soc-
rak\', tëmpik soera fr.
vreugdesi\'hbt; vreugdeschoten bij het
inhalen van een voornaam persoon,
bïdil /<• itn/j,irk. Jav.
vriend, sohbat, Ar. sahdbal, Ar. —,
gebezigd legen iemand, die gelijk is iu
rang, saoedara. — en vijand, kaïcan
dan iatcan;
van — in vijand venimle-
ren, kawau dja/ii lau-an; een oud en
beproefd —, goena biasa; vertrouwde
—, ook chaïd. Ar. b.v. Abraham de
—  Gods, Ibrahtm challl Aittüt. — , fcll
tocspraakswuord voor een minder man,
iduing. —en, makkers en kameraden,
Süftbat hundai taulan. — zijn van, hou-
den vnn, soeka akan; ook alteen sueka.
vriendelijk, «/«?*« ,■ een — gelaal, moeka
manu;
een — gelaat zetten, uiëmanis-
kan moeka.
—, beleefd, ramah. —Zijn,
mi-éiiioiih; tegen iemand — zijn, mtra-
malit.
— en gemeenzaam, rumah-taiaah.
vriendschap, pPssuhbutan, pPrsaffaba-
tan;
niet iemand iu — zijn, btrsa^i-
bal dtngau ta\'orang;
in wederzijdsche
of onderlinge — zijn, btrsahabal-saha-
batan ;
met iemand — sluiten, mPlawan
hprsahabat.
—, soms ook kPkasïhan.
•vvien<l*ich&t>Bhaxulij/tr/ambafaa//at-i.
vriendsehnpsblük, tanda pérso/iba-
tan.
vrij. om te doen wat men wil, bebas.
—    vnn dienstbaarheid, heerendienst,
slavernij, mardaheka, Skr. — van het
helsche vuur, mariUiieka daripada api
naraka.
—, ruim. open, loncas. —e,
ledige tijd, kaloewajsan. — van gebre-
ken, ongeluk, ziekte enz., saldmal, Ar.
—  van dwang, uf nood, lenggar; ook
—   in zijne bewegingen, zich kunnen
roeren. — van gebreken, xoffji dari-
pada talah.
— entree, bebas. —, los,
fêpas. — .u- een vogel, lïpas onggas.
—   als eene kip, lëpu* Aajam, twee
wijzen, waarop in de I\'ad. bovl. sluven
worden vrij gegeven. —, zonder bezig-
heden, lapang; ook — van zorgen,
ongemak, pijn, ziekte. —e tijd, lapang
uiïktoe, kaütpang&t.
—, onbelemmerd
-ocr page 829-
vruchtwater.                                   817
i én/jik; tot hebben, bërbinikan, bër-
isterikan;
voor eene — uitmaken, van
een man, mëmpërlidakkan laki-takinja.
vrouwachtig, op den trant der vrou*
wen, tjara përampoewan.
vrouwelijk, përampoewan; van dieren,
bétina.
\' vrouwelijkheid, de schaamdeelen,
zie ald.
vrouwenaard, tab\'tat përampoewan,
vrouwenschender, përoegoel.
vrouwentimmer, batai-tarang,
vrouwenverltiyf, bij eene vorstelijke
woning, maligai; waarin de ongehuwde
prinsessen zijn opgesloten, kasri, Ar.
vrouwenvertrek, balai-larang.
vrouwenwerk, pëkërdjadn orang pi-
rampoewan.
vrucht, buewah; allerlei —en, boetcah-
boewah;
allerlei —en, fruit, boewah-
boewaban;
afgevallen —en, boewah-boe-
wah goegoeran
,- aan de — wordt de
boom gekend, sëbab botwah kakënalan
pohonnja.
—, opbrengst, product, hdsil.
Ar. b.v. veld—en, hdsil tanu/t;i\\o—en
van den arbeid, hdsil pëkërdjadn; de
—    in de moederschoot, kandoengan ;
de — afdrijven, mënggoegoerkan anak.
—    dragen, bërboewah. — afwerpen,
bërhdsil; de tijd der —en, moesi/n boe\'
wah\'boeicah.
vruchtbaar, veel jongen of kinderea
voortbrengend, biak, zoowel van men\'
schen als dieren; — van den grond,
èa\'ik, gemokt ban jak jidsilnja. — van
een boom, banjak boewahnja,
vruchtbejsinsel, de vrucht in hare
eerste wording na het afvallen van du
bloem, poetik. NB. wordt niet fig. ge-
bezigd; het bolvormig, geel — in de
kokosnoot, tombong njioer.
vruchtboom, pokok boewah-boeicah,
pohon b.-b.
vruchtdr»£end, bërboewah, bërhdsil.
vruchteloos, te vergeefscb, fjoema-tjoe-
ma, sia-sia.
j vruchtgebruik, raakan hdsil; het recht
van —, hafc makan hdsil.
vruchtkiem, zie vruchtbeginsel.
vruchtliorf, bakoel boewahdioewah,
vruchtsteeltje, tangkai bo?wah.
\\
vruehtstoel, tampoek boewah-boewah,
b.v. de — van de manggistan, tani\'
poek manggts.
vruchtwater, bij de bevalling, ajar
toeban-loeban.
vrijspraak —
vrijspraak, niaaf, Ar.
vrijspreken, mild/kan.
vrijstellen, bebaskan, ftaldlkan. —,
kwijtschelden, ibra. Ar.
vrijster, joni;e dochter, ook nis aan-
spraakswoord, dajang. —, qpift;Ait—,
si-opik; de beschaamde of verlegen—,
op ik j n n ij ma/of; eene oude — worden,
bovco den huwbaren leeftijd komen,
mëranda toewa. —, maagd, zie ald.
vrijuit, van ■é,\\ne\\lQ<R,ïérors4ërang> dëngan
tèroes-tëraug, dëngan bebos,
vrijwaren, behoeden voor, mëmiliha-
rakan daripada.
vrijwillig, dvngan soeka hati, dëngan
ridla hati.
vroedkunde, tl moe bidan.
vroedvrouw, bidan, Skr.; als —eene
vrouw in het baren helpen, mëmbidan
përampoewan
; een «—, die vooraf nun-
gcuoinen of besproken is, bidan tawar,
bidan tëmpah;
een —, die men op \'t
oogenblïk laat komen als zij noodig is,
bidan tëi\'djoen, b. tarik.
vroeg, in den morgen, pag\'t-pagi.— op-
staan, bangoen pagt-pagi. —, bij dag,
siang, stanghari; in de —ste tijden,
in de oudste tijden, poerba ka/a. —er,
dëhoeloe; van —, dart dèhoeloe; als
—er, als in het eerst, samoela; van
—  steeds, memang. —er, vorig, lama;
de —ere vrouw, bint lama; de men*
scben van —er, orang lama. —, nog
op jeugdigen leeftijd, lagi mofda, b.v.
een —e dood, mali lagi moi\'da.
vroegrijp, fëkas masajr.
vroejjte; in de —, pag\'t-pagi.
vrome, van een man, orang salih. Ar.
—, van eene vrouw, orang roebijah, Ar.
vrool\\jk, soeka-tjita, soeka-hati, gemar;
uitbundig —, soeka ria; met elkander
—    zijn, bërsoeka-soekadn. — maken,
mënjoekakan
vrooiykbeid, kasoekaan, kagëmaran,
toeka-ijita.
vroom, braaf, van een man, salih, Ar.
—, braaf, van eene vrouw, roebijah, Ar.
—, godsdienstig, ook santri, b.v. ook was
hij verstandig, zeer vroom, dagelijks den
koran lezende en de gebeden doende,
lagi tl firn, sangat santri, mëngadji sem-
bahjang sahari~hari.
vrouw, orang përampoewan, ook alleen
përampoewan; gehuwde —,echtgenoote,
bint, istëri; de voornaamste, echte ■—,
bint ga/iara, Skr. —, meesteres, toewan,
-ocr page 830-
818                                        vruchtzetten — vurig.
vruehtzetten, birpoctifc.
VU»S» gering, genieën, kina, këdji.
vuil, smerig, kotor, tjëmar; ook tjoepar,
mei verscheidenheid, tjeloepar, — ma-
ken, mëngotorkan, mëntjëmarkan. —,
smerig van een plaats, ook biak. —,
onzuiver van het lichaam, b.v. doordat
men in lang niet gehand heeft, ta\'is.
—   goed, wnschgoed, kahi badjoe ko-
tor, barang-barang kotor
(of tjimar), maar
niet kaïn kotor of kaïn tjëmar, daar
dit de niaandstonden beteekeot; kleverig
—, dat aan het voorwerp gedroogd is,
b.v. spijzen aan vaatwerk, slijm of snot
of oogvuil aan het gezicht enz., deeg
aan de handen of straatvuil aan de
voeten, ktredak, bèrkëredak. — van
water, kleuren en dergel., këroeh, letter].
troebel. —, bedorven, stinkend, boe-
soefr,
b.v. een — ei, tèlor boesoek; ook
fig. b.v. eene ■—e zaak, përkara boe-
soefc.
— van een bebroed ei, waarin
de vrucht zich reeds ontwikkeld heeft,
tëmbëlang. — van het aangezicht, waar-
aan eten is blijven hangen, tjëmoeicas.
—  van woorden, kotor, odoh. — sma-
kend, zoonis bedorven water, bangar.
—, bemorst, door vuil bedekt, b.v. een
bord, ijzer, de billen, sèlëpat. —, door
stof of andere fijne deeltjes bedekt,
sëlepoh; zich aan iets — maken, bér-
tjimar dirinja dëngan;
zijne handen
—  maken, b\'értjëmar iangan; ook bër-
tjëmar^tjëmar,
b v. rtiaka datoek ben-
dahara hii/iduk bërtjëmar-ijëmar dëngan
si Djëbat itoe,
dat do Kijksbestierder
zijne handen aan dien Djebat zou —
maken. —e praat, tjaroet. —e praat
uitslaan, mentjaroet.
vuil, Zelfat. nw. kotor, tjëmar; droog
—, nanvecgsel, sampah; allerlei — in
dien zin, sampah-sarap. —, stof, dat
op iets blijft liggen, sër\'ésah; op het
water drijvend —, meestal afgevallen
bladen, kek at. — onder de nagels, tahi
koekoe, tjirit koekoe.
— van de huid,
daki. — uit de ooren, iahi-telinga.—,
schuim van metalen, tanga.—van het
goud bij het smelten, kolom; leizuuio-
ling van allerhande —, limhah; de
plaats daarvoor, meestal bij de keuken,
pëlimbahan. — in ruwe zijde, dat men
kan afpluizen, tahi koetis. — van woor-
den, gemeen, odoh.
vuilbek» pï-ntjaroet.
vuilbekken, mentjaroet.
\\ vuilbekkerü, fjaroefan, përtjaroetan.
vuilheid, kakotoran, katjemaran.
vuiliit, orang kotor.
vuilnis; allerlei droog —, sampah; ïie
vuil.
1 vuilnisbak, timpat sampah.
vuilnisbelt, vuilnishoop, timboenan
sampah.
\' vuilniskolk, bij eene keuken, pêlim-
bahan,
vui 1 pront, zie vuilbekkery. — met
elkander houden, van vrouwen, bërpoe-
kas-poekasan
(van poekas, vrouwelijk
schaamde el).
! vuilspreker, pëntjaroef.
vuiltong = vuilbek.
: vuist, gënggam; gebalde —, djari fer-
gënggam;
in de — houden, mëngr/ëng-
garn;
in de — gehouden, tërgënggam;
eene —, sagënggam, b.v. eene — vol
rij>t, bëras .sagënggam; een stevige —
vol, sagënggam tërtk, sagënggam herat;
met de degen in de —, dëngan ptdang
ditangan;
in zijn —je lachen, zie bij
lachen; voor de — spieken, mhiga-
djar dëngan tiada mëmbatja soerat;
met
de — slaan, ménoemboek (van taetiiboek),
mënggotjoh;
met de — slaan evenals
met een hamer, beuken, mëmarap (van
parap); zie ook slaan.
: vuistgevecht, boksportij, tindjoean;
e. s. v, — bij de Chineezen, koenfan,Qh\'\\n.
vuisthamer, moker, zie ald.
vuistslag,
toemboek, gotjoh, dëmoek.
—en geven, ménoemboek, mënggotjoh,
mëndetnoefy.
vuistvechter, bokser, pëntndjoe.
vuistvol, zie vuist.
i vulkaan, goenoeng bërapi.
vullen, van een vnlsel voorzien, mengixi,
—, vol maken, mémënoehi (van pënoeh,
vol), zie opvullen. —, doen zwel-
len, zie nld.
1 vulsel, isi; het — van een kussen, in
bantat.
— van gebraden kip of eend-
vogel, opor.
vunzig, muf, apak. — worden, mëngapak.
vuren, mënembak (van tembak), meina-
sang
(van pasang). — met zijn velen
tegelijk, peletonsvuur, mëndërel. —met
los kruit, m\'rmboetrang obat.
vurig, vonkelend, zooals soms het zce-
water, bérpendar-pëndar. —, brandend,
gloeiend, hangit, pattas. —, begeerig,
verlangend, Hsjik, Ar. —e oogen, mata
jong bërnjala.
—, zooals een paard,
-ocr page 831-
vurigheid waakhond.
819
lang kas; ooïc Tan den geest. —, op-
gewonden van moed, gëmbira, Skr. —,
woedend, ga/al; b,v. sapèrti tinga jang
gaJaJc,
als een vurige leeuw. —, vol
puisten, van het gelaat, djéraicat. —e
kolen, bara api; eene —e begeerte,
hatrai jang sangat; een — gezwel, barah.
vurigheid = bet voorgaande woord.
vuriglxjk, déngan sangat, dëngan hangat
vuur, api. — maken, mémasang api;
als — bij stroo. sapërt\'t raboek dëugan
api,
d. i. als tonder en —, Sprw.; ecn«
zee van —,laoet api; ten vu re gedoemd,
dihoekoem akan mati dimakan api; te
—  en te zwaard verwoesten, mémbina-
sakan déngan api dan pidang;
een
smeulend —, oenggoen ; een — aan-
leggen, memboewat oenggoen. — geven,
zie vuren; door hel — verteerd.
dimakan api. — vutten, moetdi menjala,
kina api;
zoo rood als —, zie vuur-
rood; op het — zetten oui te koken,
mhtdjërang. —, geinlicht, soewar. —,
gloed, ijver, grairat, Ar. gëmbira; in
—  geraken, naik gëmbira; in —, warm,
r3p. panas; in het — geweest zijn,
soedah tahoe përang; een — op het
veld, om de overgebleven stoppels en
stronken te verbranden, përoen.
vuurnanbidder, orang jang mënjëm-
bah o pi, manbadz, Ar.
vuuraaimtoher, pëngoepak api.
vuurbaak, romba.
vuurberiï, goenomg berapi.
vuurhrund, stuk hout, dat men op
het vuur legt om voort te smeulen.
oenggoen, oenggoenan.
vuurgloed, bara api.
vuurhaard, dapoer, dapoer api.
vuurkogel, peloeroe api.
vuurliolom, Hang api.
vuurmnlren, dour een stuk hout snel
in een nmlcr te laten draaien, mëmoesar
api (van poesar).
vuurmand, sëlaka, roemah stfanggi,
mengkoepan.
vuarmonil, zie knnon. — schietgat
op dn wallen, of in de verschansing
van een schip, soenting.
vuuroven, dapoer api, zie oven.
vuurpijl, tjërawat, soempitan api.
vuurpot, komfoor om op te koken, këran,
angto kè/jil, dapoer këfjil, perapian.
vuurproef, pïugoedjian dëngan api.
—, als godsgericht, soempah oedji api;
e. s. v. —, mëndjilat bësi panas.
vaurregen, hoeiljan api,
vuurroer, zie geweer.
vuurrood, merah padam (van het Skr.
padma), moeroep, merah noeruep, merah
menjala.
vuurrooli, asap api.
vuurseherin, toedoeng api.
vLiursliiiin, mëmantik api; uit een
steen, mënoekik (van toekifr).
vmii*-.l:iii, pemantik api, tjatoes api.
vuursteen, batoe api.
vuurtantr, penjepit api, sëpit api.
viiurifst, perapian, zie vuurpot.
vuurvlum, njala api.
, vuurvliea:, kdip-këlip, kelam-kelip, ko-
nang-kovang.
vuurvonk, hoen ga api.
vuurwapen», sïndjata api.
vuurwerk, boenga api, këmbang api.
—, voctzoekers, zie ald.
vuurzee, laoet api.
W.
waadbaar, dapat di-aroeng; niet —,
liada tëraroeng.
waag, weegschaai, timbangan, naratja.
wanstinls, orang jang tërlaloe bërani.
waagineester, djonroe duf/ing, kapala
datjing.
waagschaal; zijn leven in de — stel-
len, hendak tnëmboeicang njawa.
Waaien, van den wind, bërtioep; het
waait, ada angin; hoe is -Mijnheer toch
zoo hierheen komen wanten, bajoe mana
garangan, toei\'-an, jang dafang berpoe-
poel int;
stnndvnstig in ééne richting
—, zoonis b.v. de passuatwind, menia-
dang
(van padang, vlakte); heen en
weder —, b.v. van een afhangend
kleedingstuk van iemand, die in be-
weging is, siltr-minjilir. —, blazen
tegen of op iets, mëmoepoet (van poe-
poet).
— met een waaier, mengipas (van
kipas); het waait stevig, ada angin
kinljang, ada angin kéras.
—, doen
opvliegen, mënërbangkan; met alle win-
den —, masoek kandang kambing më-
ngëmbek; masoek kandang kërbau me-
ngoewak;
Sprw.: laten — van iemand,
membiarkan sa\'orattg, viëlépaskan sa\'o-
rang;
laat —! biarkanlah.
waaier, kipas.
waak, tijdruimte, gedurende welke men
waakt, nëktoc djaga.
waakhond, andjing djaga.
-ocr page 832-
880
waakzaam — waarheen.
waakzaam, djaga-djaga,
wann, meening, argwaan, sangka; in ;
den — verkeeren, mknjangka.
waanwijs, pat/a sangkanja dirinja se- ,
hadja jang pandai.
waanzinnig, gek, yila,
wntinziuniue, orang gild.
wnar, echt, geen logen, bhiar. b\'étoel
soenggoeh; een — woord, kafa jarig
bënar;
een — vriend, sofcbat béloel.—, \\
geschikt, patoet; de ware plaats, tem- ;
pat jang patoet. —, werkelijk, soeng-
goeh,
b.v. een ware booswicht, orang \\
doerdjana soenggoeh;
zoo — als ik leef, ■
sasoenggoeh-suenggoeh akoe ini hidoep. I
— geworden, njata; i- het —, bënar-
kah, soenggoehkah, ijakah, hHoelkah;
,
ik wou dal het — was, ware het maar i
zoo, sëmadja bagdoelah.
waar, vr. Hijw. manu, dimana. —heen, I
kamana; vim—, dari mana. — ook, dï- \'
mana-mana, barang dimana pon.
—heen
ook, kamana-mana. —, op welke hoogte, i
ttntang mana, énggan mana, b.v. — \'
staat zijn huis, Ventang mana roemah- I
nja. — moet die plank doorgezaagd
worden, \'énggan mana papan ini hendak \\
dipotong.
—, unnw. Hijw. ter plaatse, !
tempat, ditëmpat, b.v. het huis waar
hij logeert, roemah tempat /ja mënoem- \'■
pang;
de kuil, —in het paard gevallen
is, tëlaga, tempat koeda Hoe djatoh
kadalamnja.
waar, lïoüdercn, burang-barang; koop —,
barang~barang dayangan; smokkel —,
barang-barang gëlap.
\'waaraan, vr. Bijw. aan wat, kapada apa,
pada apa, akan apa;
aan wie of wien, j
pada siapa, kapada siapa, akan siapa. \\
—, aanw. Hijw. zie de Grammatica.
waarachter, dibélakangnja.
waarachtig, wezenlijk, soenggoeh, bah-
wa sasoenggoehnja.
—, zoo waar als
God, demi Allah.
waarbij, vr. Bijw. déngan apa, —, \'•
aanw. Bijw. zie de Grammatica.
waarborg, tjagaran; zie liorg en
onderpand.
waarborgen, mënanggoeng (van tang- j
goeng), mengakoe.
waarboven, di-alasnja,jang di-alasnja. ;
waard, herbergier, heeft men niet. —, j
heer van het huis, toewan jang poenja \'■
roemah.
waard, mannetjaseend, itifc djantan, \\
bebefc laki-laki,
                                          \'
waard, de waarde hebbend, harganjaT
b.v. het is tien Gulden —, harganja
sapofloeh roepiah.
— zijn, verdienen,
patoet, haros, b.v. het is — vergolden
te worden, patoet dibalas; niet — ver-
meld te worden, tiada haros disëbort-
kan;
\'t is de moeito —, ada goenanja,
ada fdidahnja,
waarde, prijs, harga; onder de — ver-
Voopi\'n, mendjoeical boekan-boekan harga-
nja, m. tiada patoet-patoet harga;
in —
houden, mémoeliakan, viëngendahkan;
van nul en geener —, satoejion tiada
goenanja;
van geen —, onbeduidend,
mëmboer; in — te houden, manah; mijn
—, als liefkozingswoord, mas goenoeng;
iets van —, kostbaar, barang jang
endah-endah;
de volle —, sapënoeh-.
pénoeh harganja;
goederen van—, pér-
emasan.
■waardeerbaar, jang dapat dinilaï;
niet —, niet te waardeeren, tiada tér-
nilai.
waardeerder, penilai, jang mhtilai.
wnardeeren, mënilai, mënghargakan;
de waren bij een ruilhandel —, bêr-
paloe-paloe.
—, op prijs stellen, lig.
viëngendahkan, mémoeliakan, mëmbi-
lang kan.
waardeeriiiSi schatting, nilajan.
waardeloos, tiada harganja.
waardij», patoet, laijr. Ar. —, aan-
zicnlijk, muelia, Skr. zeer—, moeliawan.
waardigheid, rang, pangkat,martahat,
Ar. daradjat, Ar.; in — stijgen, naïk
pangkat;
de koninklijke —. pangkat
karadjaan;
de —■ van het Kalifaat,
pangkat chalifat, —, ambt, djabafan;
ook de teekenen van een ambt of —,
b.v. men bracht de waardigheidstekens,
orang mêmbawa djabatan. ■—, grootheid,
kabësaran.
waardiiïlUlï, dingan patoet, d. patoel-
vja, d. sapërlinja.
waardü = waarde.
waardoor, vr. Hijw. olih apa, dari apa,
sébab apa.
—, aanw. Hijw. olihnja,olih
sëbabnja.
—, hoe, boctapa; waarom,
méngapa. --, waar doorheen, daripada
apa, daripadanja,
b.v. de deur — hij
is binnengegaan, pintoe, jang tja masoek
daripadanja.
waardschap, hoop, troep van bijecn-
zijnde personen, hëloempoek; bij —pen,
bérkëtoempoek-kèlnempoefr.
-waarheen, vr. Bijw. kamana.—,aanw.
-ocr page 833-
waarheid — wanrover.
foedkannja; het model — hij U ee
guwerkt, toeladan jang diloeroelnja.
1 waarnaast, vr. Bijw. disabvlahnja apa,
disisinja apa.
—, aanw. iiijw. jang ....
disabilahnja, jang .... disisinja.
\'. waarnemen, in acht nemen, mëntpir-
hatikan.
—, achtslaan op, letten op,
gadeslaan, mentjamkan, ntèli/tatkan. —,
nauwkeurig beschouwen, b.v. den ster-
ren hemel enz., mengamal-ainati. —,
onderzoeken, nngann, m\'èm\'éri fraai (van
perifcaa). —, navolgen, naleven, menoe-
roet
(van toeroet), milakoekan, b.v. de
geboden Gods —, menoeroet sïgala
Jirmdn Allah;
zijn plicht —, milakoe-
kan barang jang wüdjib atasnja
,■ er bij
—, onder de hand er bij verrichten,
bij zijne gewone bezigheden, sambil-
sambil;
den tijd —, uitkoopen, niini-
bflakan w\'ektoe;
bet bestuur over iets
voor een ander —, niemangkoe (van
pangkoe, gebogen arm ot\' echoot), —d,
pa/toe, b.v. —d havenmeester, sjabban-
dar pultot.
—, zien, aantreffen, meli-
hat, mëndapatt bert e moe;
zijne ambts-
bezigheden —, niendjabat pekirdjaannja.
waameven», waaraaast, zie ald., en
nevens, benevens.
. waarom, meugapa, karina apa, sebab
apa, apa sebahija,
b.v. — gaat gij
niet daarheen, méngapa enykau tiada
kasana.
— komt gij bier, kafena apa
ingkatt kamaii.
— weent zij, apa si\'
babnja
(of s\'ébab apa) tja menangis.
waaromheen, vr. Bijw. koeliling apa.
—, aanw. Bijw. jang .... koelilingnja.
waaromstreeks, vr. JÜjw. kira-kira
dimana.
waaromtrent = het voorg. woord,
waaronder, vr. Bijw. dibawah apa,
dibaicah si\'apa, di-antara apa.
—, aanw.
Bijw. jang .... dibatcahnja, jang ....
di\'antaranja.
waarop, vr, Bijw. van plaats, di-alas
apa.
—,aanw. Bijw. van plaats,./\'«w^ ....
di-alaanja. —, Bijw. van tijd, laloe,
këmoedian, satelah itoe, satelah soedah
itoe.
waarover, vr. Bijw. atas apa, akan
apa, daripada apa.
—, aanw. Bijw.
jang .... atasnja, jang.... akandia,
jang
.... daripadanja. Soms wordt bet
door den causatieven vorm van het
Wv. weergegeven, b.v. — maakt gij
lawaai, apa ëngkait gadoehkan. — zijt
I gij bekommerd, apa engkau tjintakan.
Bijw. kasana, kapadanja, zie de Gram-
matica.
waarheid» benar, kabinaran; in —,
inderdaad, soenggoeh, aaaoenggoehnja ;
geheel overeenkomstig de —, sasoeng-
goeh-saenggoehnja
; dikwerf wordt het
negatief uitgedrukt met: tiada fagi
bersalahan ;
de - spreken, b\'erkala bénar.
wnarheidlieveml, soeka berkata benar.
waarin, vr. Bijw. dalam apa, dingan
apa.
—, aanw. Bijw. dingan dia, da-
lamnja,
ook thnpat, b.v. wij zoeken een
boot, waarin wij naar boord kunnen
gaan, kita mintjeharï sampan, timpat
kita loeroen kakapal;
iets — iets geweest
is, b\'ekas, b.v. de pot — rijst is geweest,
kocicali bikas nasi; het jaar — hij
gestorven is, tahoen tja mati; do wereld
—   wij nu leven, doenia jang kita
hidoep dalamnja
(of ini).
waarlanj*», vr. Bijw. daripada apa.
—, aanw. Bijw. daripadanja, témpat,
b.v. de ladder — zij op en afgaan,
tangga timpal tja na\'ik toeroeu.
waarlijk, bahwa sasoenggoehnja, bahwa-
sanja, soenggoi\'h-soenggoeh, bëloel-bitoel,
sabhtarnja.
—, in de bet. van wel of
wat in een uitroep, wordt dikwerf
door nja teruggegoven, b.v. katanja:
pandainja ioewankoe mhiyarang boenga,
saümoer patik hidoep bëlom pérnah
viilihat karangan jang saroe.pa ini,
Mijnheer is wel of waarlijk knap
in enz., wat is Mijnheer knap in enz.
—, wezenlijk, inderdaad, ook: saba-
hoewa
of dëngan sabahofica, b.v. roepa-
nja elok manis .sabahoeica, kalakoewan-
nja manis dëngan sabahoeica.
waarloos, bakal ganti.
waarmaken, staven, bekraehtigen,
membinarkan, mënjoenagoehkan (van
soenggoeh); de waarheid aan den dag
brengen, mënjatakan Icabenarannja.
waarmede, vr. Bijw. dëngan apa. —,
aanw. Bijw. dingan dia. Zio ook
waarin.
■waarmerk, tanda; zie merk.
Waarmerken, mimboeboeh tanda; zio
merken.
waarna, aatilah itoe, krmoedian dari-
pada itoe, satelah soedalt itoe.
waarnaar, naar wat, apa, akan apa.
—, naar hetwelk, jang, baravg jang,
jang
.... akamlia, loeroel, menoeroet.
—  verlangt hij, apa jang dirindoekan-
nja.
— streeft hij, apa jang dinajh
-ocr page 834-
"-\'-                           waarschijnlijk
waarscliüniyk, barangkali.
w«iiPN<liu\\vcn, mëngingatkan, mëmberi
ingal, mënas\'ihatkan, mèmberi nasifaat.
—   voor, ook ménjedarkan daripada
(van sëdar).
waarschuwing, vermaning, peringa-
tan, nasihat.
Ar.; teeken van >—, hetzij
hoorbaar, hetzij alleen zichtbaar, sim-
bojan.
waartegen, vr. Bijw. pada apa, akan
opa, laican apa.
—, aanw. Bijw, jaag ....
padanja, ja»g .... akandia, jang ....
laican dia. — wordt dikwerf ook terug-
gegeven met een der transitieve vor-
men van het Ww.
waartoe, vr. Bijw. akan apa, karëna
apa, tébab apa.
—, aanw. Ü\'^K.jang....
akandia, jang .... karënanja, jang ....
sëbabnja.
wuartuHhchen, zie tusschen en de
nndeie samenstellingen.
waaruit, vr. Bijw. dari dalam apa,
daripada apa, dari nut na.
—, aanw.
Bijw. jang .... daripadanja, jang ....
dari dalamnja.
waarvan, vr. Bijw. daripada apa,dari-
pada siapa.
—, aanw. Bijw. jang, , . ,
daripadanja, jang .... akan hdlnja.
waarvoor, vr. Bijw. akan apa, akan
tiapa.
—, aanw. Bijw. jang.... akan-
dia.
— , waarom, zie ald.
waarzeggen, nïrmnoeng (van thtoeng),
mënengofc oentoeng
(van tengok), mëni-
lik-
— uit lijnen in het zand of een
wichelboek, mëmbilang ramal; zie ho-
roskoop.
waarzegger, pëtënoeitg, pënilifc, saste-
rawan,
Skr. —, geestenbezweerder,
djindjang.
waarzeggerij, tenoengan, pëtënoengan.
wacht, het waken, djaga; de—, djaga-
djaga.
—, tijdruimte, waarin de —
wordt gehouden, trëkrtoe djaga. —, de
wairhtbebbende persoon, orany djaga,
pëiioeuggoe.
—, wachtpost, ioevggoean,
kaïcai;
de — houden, bërkawal; het
—  huuden, penyaicalan; over iets de
—    houden, mengatvali, mënoenyyoëi;
oflicier van de —, penghoeloe kaïcai;
rondgaande —, santbavg, kaïcai smnbany.
—   aanboord, kepany.
wachten, nanli. —do zijn, bërnantt;
aanhoudend —, bèrnanti-nanti; op iets
—, menaniikan; wacht cer&t, tianti de-
hoeloe;
van nanti ook in geb:. Subj.
pass. b.v. dinantinja; zie ook ver-
— wagonlading.
beiden; al —do zijn, ondanks zich
/elven tot — gedwongen of geraakt,
ternanti-nanti; luisterend —, loerend
— op iets, dat men denkt te ontvan-
gen, ménginding (van inding); zich —
voor, mèmëliharakan dirinja daripada,
mëndjaoehkan dirinja daripada.
wachter, p\'énoenggoe, pëmëlihara.
wachtgeld, nonactiviteits-tractement,
oetrang boeta.
wachthuis, roemah djaga, roemah ka-
wal, pëlatar, pëdjagadn, pëngawalan;
op
Java — langs de wegen, gërdoe, .Tav.;
soldaten —je, schilderbuisje, roemah
monjet.
—je in de rijstvelden, pang-
goengan, dangau,
op Java goeboeg, Jav.
Zie ook bij hut.
wachttoren, bangoen-bangoen; uitkijk
op een gebouw, ntërtjue. —, verhevea
stelling op palen, panggoeng.
wachtwoord, sëmbojan.
wad, aroeny-aroenyan. —, ondiepte, zie
ald. —, doorwaadbare plaats, ook lan-
dai,
Mal.
waden, méngaroeng ; ook doorwaden.
—, rond— in iets, b.v. ia water, gras,
een anunasveld enz. om met de voeten
iets te zoeken, mërandai, milandai;
door een zee van bloed —, menyaroeny
laoet darah.
wagen, rijtuig, rata, kareta, Port.;
oorlogs—, strijd—, rata pëpërangan.
—, iulnndschu kar, pèdati; Kuropee-
sche kar, kahar; e. s. v. bovennatuur-
lijke —, anggaran; vorstelijke—,rata
kana\'ikan, r. kandaraan.
wagen, in het spel, betaroh ; het leven
—, mèmboeicang njatca; op leven en
dood het — met, of zich meten met,
bersoekat darah bèrlimbang daging dë-
iiyan;
het er op —, zijn geluk beproe-
ven, tnëngadoekan oentoeng; het er op
—, er moge van komen wat wil, oen-
toung sabitft timboel, oentoeng batoe
tënggèlam,
Sprw. lettert, het lot van do
kokosschil is te drijven-, het lot van
den steen om te zinken.
wagenas, zie as.
wugenboom, bum kareta.
wngenkuiw, roemah kareta.
wugunhuiir, van een rijtuig, sewa ka-
reta;
van een kar, mm pèdati.
wugenkap, ioedoeng kareta, tenda ka-
rcta, kap kareta.
wugenkussen, vantal kareta.
wagenluding, moewatan pëdali.
-ocr page 835-
waeernnaher — wandelplaats.
*2;{
wogenmaker, ioekang kareta, toekang
pëdati.
WBsenpaard, koeda kareta, koeda pë-
dati.
—, trekpaard, koeda pengkela.
woKenrud, roda kareta, lereng, djan-
tëra.
wajgenspoor, bëkas djalan kareta (of
pëdati); zie ook spoor.
wagenwes. djalan kareta; karrenweg,
djalan pëdati.
wajjenwiel, zie wajjenrad.
wagenwijd open, pelangah,
waiïsselen, wankelen door topzwnartc,
hoejoeng-hoejoeng, moengoel, —, van
een kind, dat nog niet goed loopen
kan, siah-lajah. —, wankelend gaan,
zooals b.v. van een klein kind enz.,
bêrlatih. —, b.v. van een lossen tand
of kies, goeical-gajil, oengak-angih; ook
van eene oude palissadecring. —, van
een losstaanden tand, een gebouw enz.
ook roewat. —, van een stoel enz.
waarvan de pooten niet even lang zijn,
inljang-inljoel. —, b.v. van een vlagge-
btok of beschonkene, gajang.
waseelend — bet vorige woord. —,
topzwaar, (ding,
waken, wakker blijven, bërdjaga; voor
iets — in dien zin, mëndjaga. —, de
wacht houden, toenggoe. — over iets,
mënoenggoei. —, zorg dragen voor iets,
m\'èmëliharakan,
wiiltcr. pendjaga, pinoenggoe. —, mar.
pëinaïn angin.
wakker, niet slapen, djaga. — worden
uit den slaap, djaga daripada tidoer.
—   maken uit den slaap, mëndjagakan.
—, ijverig, pautas kalakoean, radjin.
wakkeren, aanwakkeren, van den wind
tot eene stijve koelte, mëngënljang (van
këntjavg).
wal, vaste grond, darat, daratan; aan
,didarat; ann — stappen, na\'ik darat,
mëlangkahkan kakinja pada damt;
naar
den — gaan, (oeroen kad ar at; op lager
—   geraken, tirdampar kadarat; van
den — in de sloot, lëpas dart moeloet
harimau djafo/t kamoeloet boeicaja,
Sprw.; ann lager — zetten, mendam-
parkan;
naar den — aanhouden, mën-
darat;
op den — balen, mënghela ka-
darat;
van — steken, menoelak (van
toelak); langs den — zeilen, bérlajar
menjoesoer darat
(of paniai).
wal, narden ■—, schans, koeboe, benteng,
kola.
— van eene vesting of Btad, de-
teala. —, beer, hoofd, dijk, van steen,
tembofc; van zulk een — voorzien,
ménembok.
walbesclioeiïns;* ambaroe.
walg, djëmoe, moewal, moewak.
walj*en, bërdjëmoe, bërntoetcal; ook alleen
djëmoe, tnoewal, bosën, Jav. —, een
afkeer gevoelen van iemands woorden
of handelingen, loewat.
walf^iyk, walging verwekkend, méndjë-
moekan. — van den reuk van iets,
tjéngis; een walglijken reuk krijgen,
mëntjengis. — van een persoon, tjéngis.
—, van reuk of smaak, ook maoent/,
b.v. pnhit maoeng, — bitter,
wallet je, dijkje in de natte rijstvelden,
pématang.
walm, van licht of vuur, soelang.
walmen, mënjorlang.
walmltupje, boven eene lamp, tëlaga
soelang.
wnlrand, berm, ambaroe.
wals, van liggende cylinders, waartus-
scben suikerriet etc. geperst wordt,
kilang.
walsen, met liggende cylindei\'B persen,
mëngilang; het gewalste, kilanyan.
walviseh, ikan paoes, ikan pawas, ikan
gadjah, ikan raja; e. s. v. —met booge
rugvinncn, ikan sëlajar.
walviscbtraan, minjak ikan paoes.
walvischspek, lëmak ikan paoes.
walvisohvaarder, kapal orang men-
tjéhari ikan paoes.
wambuis, zie baadje.
wan, rijstwan, njiroe, tétampah, Jav.;
e. s. v. —, die men schuin houdt en
er tegen klopt om het grove van bet
lijn e te scheiden, tïntingan.
wanbedrijf\', përboeviatan djahat.
wanbegrip, salah pëngertian.
wanbeleid, salah perentah.
wanbestuur = het voorgaande woord.
wand, dinding; de —en aan eene wo-
ning maken, mëndindiug; als een —
dwars voor iets staan, lërdinding. —,
steenen muur, (embofr.
wandaad, pérboeicatan djahat.
wandel, gedrag, kalakoean.
wandelaar, orang bërdjatan\'djalan.
wandelen, bérdjalan-djalan, bérdjalan
bérma\'in-ma\'in, tjëngkëréma; op en neer
— in een gnlerij, rond— in een hot\',
bérsiar\'Siar, waarvan het pasiar op
Java.
wandelplaat», pasiaran.
-ocr page 836-
m
wandluis — wapperen.
wandluis, pidjat, koftoe boesoek, kepin-
ding,
W. Sun), bangsal, Jav.
"wanen, meenen, sanyka, lira ; hij wnant,
pat/a saugkanja, pada kiranja.
wans* p\'pi, ook van dieren. — met
een kuiltje, pi pi tekok: —en met voor-
uitstekende jukbeenderen, ;>//;» tërsorong\'
sarong,
wangehruik, sa/ah pakai, adat salah.
wnnyedrag, kalakoean djahai,
wangedrocht, zie gedrocht.
wnngeluid, boenji djangyal, boenji tam-
pah.
wnngkuiltje, tikoh) pipi.
-..-, -i 11 ■ i11 is1. déngki.
wanaunstis. berdengki, mïnaroh dëngki.
wanhoop, portoet harap, poetoes asa.
wanhopen = het voorgaande woord.
wankelen, wafelen door topzwaarle,
hoejoeng-hoejoeng. —, waggelen, ook
gelintjoeh; /ie waggelen.
wankelend; met —e schreden loopen
zooals een klein kind, of oude lieden,
Verdjalan bertatih-tatih. —, weifelend
van het gemoed, bimbang, gondah.
en bekommerd, gondah-goelana.
wankelmoedig, /.ie het voort;, woord.
wanklank = wanjjeluid,
wanklinkend, wanluidend, djanggal,
tjampah.
—, kwetsend, soembang.
wanneer, vr. liijw. bila, apabila, apa-
kala, manakata, bilamana, bila apafkala
apa, kala mana;
onverschillig —, —
ook, barang kala, barang bila. —, in-
dien, djika, djikalan, ka/au.
wannen; wënampi (van tampi); rijst op
een wan heen en weer schudden, otn
de groote korrels af te zonderen van
de gebroken rijst, mengadang-adang.
wanorde, zonder orde, tiada beratoer;
in — ergens liggen, sepah, b.v. barany-
harang ja»g tersepah,
goederen die in
— liggen; op verschillende wijze in—,
zooals b.v. de haren, kleeding enz.,
roenggoe-rangga ; in —, van eene kamer,
een huis, vaartuig enz. waar alles ligt
te slingeren, ropair. Zio ook verward
en verwarring.
wanordelijk, zie het vorige woord.
wanschapen, këreloel, këdji roepanja,
odoh.
wnnschepsel, orang këre/oet, o. jang
këdji roepanja, o. odoh.
wansmaak, verkeerde smnak aan iets,
fa\'ba\'ik rasanja.
wanspelling, salah liedja\'.
I wanstaltig, dja/tygal, odoh, k\'édjï ro&-
panja, boeroek wpanja.
< want, \\ oegw. imr\'éns, sèbab, Ar. —t
naardien, aangezien, iëgal, sëdang.
want, visscherstuig, zie bij net.
I want, scheepswant, iemberang; achter—,
temberang bèlakang, t. boeritan; voor—,
lëmbn-atig haloewan, —, mot toiiwladder,
tam; zonder toiiwladder, labërang.
wantrouwen, tjemboeroran, sjak, Ar.
— koesteren, tjëmboeroran, ménaroh
sjak.
wantrouwig ~ bet voorgaande woord.
wunvoej»lüli, kwetsend, soembang.
wanvroegiykheid, soembang, kasoem-
bangan.
wapen, werktuig voor aanval of ver-
dediging, sendjata. —en, alat sendjata ;
al wie maar de wapens kon dragen,
hingga dapat memé.gang sendjata; bet
volk te — roepen, méngërahkan sëgala
rajat akan bërpërang.
—, onderschei-
dingsteeken, \'lltimat, Ar.
wapendans, kaudjar,- een — uitvoeren,
bêrkandjar. Zie krijgsdans.
: wapendrager, bantara. .Meestal heeft
de Vorst er twee, de bantara kirt en
de bantara ka/tan, waarvan de eerste
de hoogste in rang is.
wapenen, nülangkap dëngan sendjata;
geheel gewapend, langkap dengan seti-
djata;
zich — (of beschutten) tegen
iets, mëmëliharakan dirinja daripada.
wapengekletter, goemcrinfjing boenji
sendjata.
wapenheraut, bantara; zie wapen-
drager.
, wapenkreet, tëmpik-soerak përang.
wupeninasa^ijn, gëdoeng sendjata,
pergëgaman.
>
wapen oefening, pïladjaran bërindbi
sendjata.
-wapenrok, zie harnas.
wapenrusting, kalangkapan sendjata.
wapenschorsing, pérhèntian përang.
wapenschouwing, pëmëriksaiin bata-
tantara.
wapensmid, toekang sendjata, pandai
sendjata.
wapenstilstand = wapenschor-
sing.
wapentuig, alat përang, pèrkakas pe-
rang.
wapperen, van vanndels of vlaggen,
berkibaran (van kibar). —, fladderen
van eene vlag bij stijve bries, gélëtik-
-ocr page 837-
836
war — wasschen.
w :i-f\\i\\V\\-\\. soerat barang-barang toe~
kang minatoe.
wiis<-lilooii, opah toekang minatoe, opah
ptmbasofh kaïn.
mMohkom, groote, metalen —, mom-
dam;
aarden —, pasoi\'.
watehman, toekang minatoe, toekang
mVmbasoeh kain, pembasoeh kain, dobi,
bittara
.
wuschphiiits, timp.it pe\'mbasockan.
voor borden en schotels, doorgaans ook
do plaats voor de watervaten en het
baden, djé.rambah.
wnterplunlt, papan pï\'iijvstth kaïn.
waschtatel, htedjah prmhasoeh moeka.
waxch tobbe, timpal mëmbasoeh.
wft»chvut, pïba.ioehan.
wnnchwuter, ajar pe.mbasoeh. —voor
het gelaat, ajar pembasoeh moeka; VOO*
de handen, ajar pe.mbasoeh tangan.
NB. dit laatste ook Mg. Zie bij be-
loonintr.
wastloelt, gewast doek, meestal gebruikt
om lijnwaden ia te pakken en voor
matrozen regenpakken, pirtja Min,
kaïn Min.
wasdom, toemboeh; niet tot vollen —
gekomen, klein, achterlijk, van v tucht en
en kinderen, ijtding.
wasem, damp, oetcap; stoom, koekoe»,
asap.
wasemen, beroeusap, meroewap, berasap.
wiisltaurs, n\'tan Min; ook alleen Min;
dikke — voor feesten, welker opper-
vlakte met wassen bloemkelkbladeren
voorzien is, Min ke.lopak.
waskoeh, zie bij ltoeli.
wawsehen, membasoeh ; op Java tjoetji;
het gelaat—,mï,mbasoeh moeka; linnen
—, mëmbasoeh kain; het hoofd bij het
baden — op eene bijzondere wijze,
inelangïr, btrlangir (van langir, nl wat
dient om, met water vermengd, het
hoofdhaar uit te wasschen, b.v. asch
van verbrand struo, zeep, de zecp-
vrucht, zeephout enz.); iemand zoo—,
melangiri; ktramïs, -lav. — ia een.
schotel of iets dergelijks, waaraan men
eene slingerende of ronddraaiende bo-
wegiug geeft, waardoor het vuil over
den rand wordt weggespoeld, melint-
Óang;
goud —, meUmbang e/nas; zich
op onhandige wijze trachten schoon te
— nui zijne fouten, mëmbasoeh moe-
kanja dengan ajar Hoer,
qui s\'oicuse,
■\'accuse; een lijk—,/ntmandikan mail.
war; in de —, door elkander van den
boel, een huishouden enz., porak-pariik,
porai-përanda, pontang-panting;
den
boel in de — sturen, memorak-inarik-
kan, wt-monfang-mantingkan;
beide wur-
den meestal passief gebruikt; den boel
in de — sturen, ook mï-ngaroet, zie
overhooj»; in do —, van het haar,
ongekamd, kiirtsang; iu de —, van
touw. garen, haar, eene /aak enz.,
koesoet; in do —, van het gemoed,
tasar, keliroe; het gemoed in de —
brengen, zoodat men een verkeerden
stap zou dncn, inetijasar hati, mêngé-
liroekan halt;
door den duivel in de
—   gebracht, dikï-liroekan sjaifan; in
de — bij zijne bezigheden, niet weten
wat men doen moet, verbijsterd, bi-
tigoeng.
warboel, verwarring, zie ald.
waren, rondzweven, nïUajang-lajang ber-
koeliltng.
waren, goederen, barang-barang; han-
dels—, barang-barang dagangan.
wnr<ïee»t, pengharoe.
warhoofd, orang sarsar, oraiig sasar.
Warm, panas, Aangaf; ook tig. Van het
gemoed, in vuur; zie heet; het san
-- hebben, blrpanas-panas.
wurmen, memanaskan, menghangatka.it.
—  bij, boven of op vuur, mïnggang-
gititg
; zich— bij vuur, b\'irganggang diri,
berdiang diri.
/ie de samenstellingen.
warmoes, sajoer.
warmoezenier, toekang sajoer.
warmte, pattas, kangat; dierlijke —,
eigen —, levens—, soehoe.
Wars, al\'koorig, zio ald.
wartaal; — spreken, niingaroet (van
karoet. — spreken, klotsea, kerepoel.
—   spieken, ijlen, iiierabati.
wartel» mar. kili-kili.— van een onkcr-
kettiug, kili-kili rantai saoeh.
warzielt, twistziek, zie ald.
was, groei, foemboeh.
was, de stol\', Min; ruwe —, Min mkv-
tah ; zeer witte — van jonge hooigr&ten,
Min sambang; een koek —, bata Min.
\\vn<«\'linchti<>, sape.rH Min.
wivNi-li ; de ■—, barang-barang toekang
minatoe, b.-b. ilobi, b.-b. peuibasoeh.
waHchliord, plank met ribben, waarop
de waschlieden het goed slaan, papan
pe.nje\'sah kaïn.
wu»rh<£oe<l, barang-barang toekang mi-
natoe, kdin-badjoe kotor.
-ocr page 838-
826                                      wawMchcr — waterdicht.
zich de billen —, nttntjebol; berittin-
dja\',
Ar.
wasüFlier, zie wnxohman,
wusHt\'hins; godsdienstige reiniging,
grasol, Ar. tcadloe, Ar.
walsen, groeien van plnnten, toemboeh;
zie <rroeien* —, stijgen van het water,
pasang. —. van de niaan, bïrtambah
ÓPsar, timbocl;
met —de maan, timboel
boelan.
wiwHen, met was bestrijken van garen,
touw en dcrgel., nienjering dengan til in;
van andere zaken, mPnjapoekan liliti
pa da.
WasMon, van was, lilin, daripatio, lilin.
Wat, opa, apakah, apntah, matia, b.v.
— is er in die kast, opa dalam otmuri
itoe.
—, iet», zie bij weinige. —• is
er met hem, boelapakah perinja.
zal ik toch doen, ajmttth dajakoe.
is toch zijne begeerte, apakah kahin-
dahnja.
— is uw baadje en - het
zijne, mana batljoemoe, mana badjoe
dia.
— voor een man, orang mana.
het gebruik voorschrijft, mana kata
adat.
— aangewezen wordt, jang mana
ditoenttjoekkan.
— alzoo, apa-apa, manu-
mana,
b.v. — zijn alzoo de voort-
brengselen, apa-apa hasitnja. — ook
maar de beveleu zijn, mana-ntana pe-
rentah.
— ook, apa djoega, en ook alleen
apa, b.v. apa boekoem, sthaja tPritna;
van — or is een weinig, apa-apa svdi-
kil,
ook zoo — van het een en ander.
— het ook wezen moge, djikataa apa-
apa sakalipon.
— nog meer is, en
bovendien, apa lagi en apafah logt;
al —, barang jang, sPgala sasoeatoe
jang,
b.v. al — ik kan doen, barang
jang dapat koeperboeicat
; al — (ïod
geschapen heeft, sPgala sasoeatoe jang
didjadikan Allah.
— mij betreft, akan
dakoe, adapon akan dakoe;
op — manier,
dengan bagaimana pPri. —, een weinig,
sPdikit, sPdikit djoega, b.v. hij heeft
wel — ttcld, ada oeicangnja sédikit
djoega;
ik zal — helpen, akoe hP.ndafc
nitnoeloettg sPdikit.
— of iets van het
een en ander, apwapa sP.dikil; «leehï>
datgene, —, hanja barang jang. — gij
ziet, behoort mij, barang jang kanli/iat .
itoe akoe poenja; weet gij — ik gedaan
heb, tahoekah Pngkatt apa jang lelah
koeboewat.
—, als uitroep, lagaimana,
b.v. — is die berg hoog, bagaimana
tinggi goenoeng itoe.
—, als uitroep :
ook atangkah, b.v. alangkah doettanja
badak int,
— liegt die rhinoceros;
ook iiikaii, b.v. — zijn je kleeren
nat, basalt takali pakajanmoe. /ie ook
waarlijk: het is — moois! baïk-
baik bagoes !
water, ajar, ook van vruchten en andere
zaken; drink—, ajar minoem; goed,
drinkbaar —, ajar bagoes; levend —,
ajar terbil, a. fyajiit; zoet —, ajar
tatear;
zout —, ajar asin, ajar masin,
ajar laoet
; brak —, ajar pajatt,- hoog
—, ajar bésar; laag —, ajar kPtjil;
geheel nfgcloopcn, timpas; stil —,
doodtij, zie ald.; stilstaand —, ajar
tenang.
— in het ruim van een vaar-
tuig, ajar roewang, ajar kémarav;
regen - en — door inspanning vei-
kregen, zooals rivier- of put—, ajar
hoedjan dan ajar oesahd;
bet zoete —
vuor de monding van rivieren, ajar
alas,
— binnen krijgen van een vaar-
tuig, kaïijaran. masoek-iitasoek ajar. —,
dat voor het gebed gebruikt wordt,
ajar sataical, ajar sPmhahjang; ook
ajar poedjaïin; reiniging*—. ajar tnoef-
lak.
— dat daarvoor ongeschikt is,
ajar makroeh, — des levens, ma\'at/jajdt,
Aiab. — van een diamant, ajar intan;
tusschen wind en —, timboel tahi; in
diep —, in volle zco, dilaoet rPmbaug.
—   en brood, nasi dengan garant; zijn
—   maken, kPntjing, kasoengai kéljil;
onder —, fP.i/ggP/am dalam ajar, dili~
poeli olih ajar.
— in zee dragen, ntem-
boetcang garam katlalaia latut;
het —
hebben, zie waterzucht, /ie verder
de samenstellingen,
waterachtig, a\'s water, saperti ajar;
met water vermengd, bfrtjampoer ttP-
ngan ajar;
onder water i-tnan, of door
water lijden, kaïijaran, zie ook water-
zucht. —, van water voorzien zijn,
bërajar. —, vol water, penoeh dengan
ajar.
waterafleidinüT, siinpangan ajar,
■waterbad, pPrmandian.
waterbak, voor huis of tempel, wanr
men zich de voeten wnscht, kang,
kolam.
waterbel, gPlïmboeng.
waterblaa», zie blaar*.
waterhuin, saloeran ajar,
waterdam, zie dijlr.
waterdainp, oewap ajar, asap ajar.
waterdicht, tiada bolih masoefr ajar
-ocr page 839-
*r,
waterdier — wntervat.
wuterpalm, pohtm uipah; de vrucht
daarvan heet boeicah tïmbaioe.
waterpas, vlak, plat, leper. —, het
instrument, oenting-oenting.
waterpassen, mëiigoenting.
waterpijp, zie waterleidingspüp.
—, zooals de Arabieren gebruiken om
uit te rooken, hokah, Ar.
waterplaats, urinoir, tïimpat kenljing.
waterplant, pok ol\'jang toemboeh dalam
ajar.
waterplas, die bij afloopend water in
een kom blijft Maan, paloeh, lopok.
waterpoel, zie moeras,
waterpokken, tja/jar ajar, djefoen-
toeng.
waterpot, kamerpot, mangkok ponggok.
waterproef, e. s. v. irodsgericht, waar-
bij men, na beëedigd te zijn, moet
duiken, toempah mfaije\'lam. —, geen
voeht doorlatend, van weefsels enz.,
kedap.
waterput, perigi; soemoer, Jav.
waterrad. poetaran ajar. —, waarmede
het water opgevoerd wordt, kintjir.
waterrat, Ukoes ajar.
waterr\\jk, banjak ajarnja.
waterslang, oelar ajar.
watersnip, sikordidi.
watersnood, ajar bah, ampohan Uesar.
waterspiegel, oppervlakte van het
water, mocka ajar.
waterspin, laba-laba ajar.
waterstraal, die ergens uil -puit, pan-
tjoerati ajar.
watertanden, sterk verlangen naar
iets, rindon ukan, ingin akan, f ir ik
salera;
Pad. hov I. ook ajar telera,
got\'si gatal.
watertje, zie kreekje.
watertoeht, reis te water, pelajaran.
wnterton, zie watervnt.
wateruurglas, djam ajar.
waterval, djeram; een —hebben, van
rivieren, berdjeram; een — vormen,
mendje\'ram. —, uit het gebergte, die
met een straal nederstort, pantjoeran
ajar.
watervat; groot, aarden —,t^mpajan;
met dikken, ronden buik, ovaal rond
en twee voet hoog, temjtajan telor
boevaja;
overal even wijd met nauwen
mond, tvmpajan tapaje gadjah; zeer
groot, verglaasd aarden ■—, grooter
dan het voorgaande, pade.na; verglaasd
aarden — met wijden buik en nauwen
waterdier, b\'mafang jang hidoep dalam
ajar.
wuterdrager, orang jang mengang-
koet ajar, pengangkoet ajar.
waterdroppel, tilik ajar.
watereend, Hik ajar.
wateremmer; behoort niet tot de in-
lnndschü huishouding; Eoropeesehs —,
long ajar, tahang ajar; e. s. v. —,
ke/nba majang,
wateren, pitsen, zie uld.
wuleryczwel, bengkak ajar.
waterhoos, poi-ling belioeng; zie hou*.
waterjuJler, tenoeti-tcttoen.
waterkan; c. s. v. —, gocri; aarden
— met dekoel, tertnang.
waterkant, te pi ajar.
waterkeering, zie dam.
waterkers, stketi, Mal.
waterketel, zie ketel.
waterkoker; bamboezen koker om
water te halen, boemboeng, gerigijf.
waterkolk, bij een keuken, timbahan.
waterkom, vijver, ko/am; zie kom.
waterkruik; aaiden — met wijden
buik, dunnen bals, gewonen mond en
met een tuit, këndi. — zonder tuit,
gamo/i, kü/alang, kordja. —, zooals de
brahiunansclie priesters aun een koord
om het lijf dragen, kauiandalaa. Ski\'.;
groots — om water te halen, bocjomg.
wuterkuil, plus, kuil, waarin het water [
is blijven staan, Jopak.
waterkuip, pasor, tong, tahang.
waterleiding, safoeran ajar, parit, &%•
lokan,
Hat. paufjorran ajar. —■ van de
sawah\'s. bandar, Pad. Bov.1. water-
leidingen graven voor den waterafvoer,
membatidarkan. — voor den afvoer van
het overtollige water, bandar p^mboe-
tcatig.
waterleidingspüp, safoeran ajar.
■waterlelie, de lotus, met witte, roode,
blauwe en rozeroode bloemen, teratai,
bont ga serodja, boenga toendjoeng.
waterlepel, van een kokosdop met
houten sleel, siborr, gajoeng.
waterlijn, van een vaartuig, gigi ajar,
itüi ajar.
waterloop, djalan ajar.
■water\\oo\\tH\\i\\oH,M\\VLV .ijïnggang di-atas,
waterloos, ttada berajar, kering.
waterman, het sterrenbeeld, dafoe, Ar.
watermeloen, kï-mandikai; op Java :
semangka; ook kerambodja (Skr. ia- :
ramboedja).
-ocr page 840-
S2S
watervlak — wederleggen.
mond, yoembany; onverglaasd aarden
—, yhi/oeng. — van bont, tong ajar,
pipa tt/ar.
watervlak, oppervlakte van lirt water,
morka ajar.
watervlleg, /a/at ajar.
watervloed, ajar bah, ampohan, ban-
d/ir; zie overat rooiuing.
wnt ervoor rand, aan boord enz., ajar
bïkal.
wateVTNeii tahoe/ akan ajar.
waterweg, djalan ajar.
Wttterwel, mata-ajar.
waterwerkt ui«i, pïrkakas ajar.
-waterzak, lederen znk voor water,
chik, Pers. l\'irbat, Ar.
wnkTzurlit; buik—, bocsoeng. — in
do beenen, oevtuet, —, het water, of
de zwelling der ledematen van een
zieke in het laatste tijdperk der ziekte,
ba&al, basai.
Wauwelen, beuzelpraat houden, mï-rc-
pt\'l\', MÏrfwr/, mhenjeh.
webbe, vnn oenc spin, sarat/g laba-laba.
wed; paardm—, tempat mundi koet/a,
perwauditiH koeda, landai;
buffel —,
kovbavg kerbati.
wedde, salaris, yadjt.
wedden, bttaröh; oin een dollar —, [
befaroh safoc rittyyit; over iets —, |
bvrfarohkan.
weddenwohap, pYlarohan. — met j
gelijkstaande kansen, bïloewai.
Weddei*, orany jaag bëtaroh.
weder, luehtgeï-leldheid, fiari, b.v. regen-
achtig —, hari hoedjan; somber, dui-
iter —, hari ge/ap; sehoon, beider—, !
hart tjoeica/ja, /eraf/g tjeewatja, tjoe- \'
tvatja jat/g ba\'ik; warm —, pamts, hari j
patras; zeer warm —, panas terifr.
weder, op nieuw, nog eeus, poe/a, sa- !
kali lagi, fagi saka/i; nog eens —,
kembali, Kmbali poe/a. — worden zoo-
nis vroeger, b.v. van iemand die ,
genezen, of iets dat gerepareerd is,
poelang samoe/a, poe/atig sapvrti dthue-
loe;
bue heet die man ook —, apa
poe/a tut ma wang itoe.
wederbrengen, m$mbami ktmlali.— \\
Daar buis, mUmbatca poe/ang.
wederdienst, ba/ax chidmai.
wedertïn, gelijke, sama, fata, b.v. het
heeft zijn — niet, dada samanja; zij
beeft haar — niet, dada taranja, —,
evenknie, timbalan. —, waarmede iets
vergeleken kan worden, landing, toe-
Zoek; b.v. zij heeft haar — niet, iiada
bandiugnja
; zonder —,/iadu bvrtoehu-k-.
—, partUDI in een strijd, padan, laican,
b.v. deze baan is geen — voor dien,
hajam tui boekan padan dettgan hajam
itoe.
—, dio er een paar mede uit-
inaakt, djodo, pasany; zonder —,/iada
djodotija, iiaila pasaitgnja.
—, ook nog,
timbanyan en doetca, b.v. hij had zijn
— niet, tiadu dota\'anja.
wedergeven, m\'embëri kembali, mêngèrn-
balikan.
— ann den persoon, wien het
behoort, niïtnoelangkan (van poelang).
wederjiroet, ba/as sa/dia.
wedorgroeten, mï/nbalas salihti.
wederlmlen, mtngambil poe/a, m.kint-
bali.
wederhelft, van personen, djodo, b.v.
tuaka itoelah djadikan djodo atiak toe-
icankoe,
en lunak dien lot — vnn L «er
Majesteits zoon.
wederhoori^, zie koppig.
wi\'iU\'i liouden, nietiahani (van lahan),
mïnïgalikan
(van /eyah).
wederkeeren, kembali. — tot de bann-
hartigbeid tiods, kfmbali karalima/oe\'l-
\'.■\'■\'\'. — tot de plaats, vnn afkomst, tot
den eigenaar of bij wien het behoort,
of tot den vorigen staat, poelang; doen
—, mPmoelangkan.
wederkeeriy:, van beide kanten, sabï-
lah-menjubêlah, daripada kadoeicapehak.
—, wederom, dïmikian poe/a. NB. do
wederkeerigheid, zuivere reciprociteit
eener handeling, wordt dikwerf met
den vorm van het Ww. uitgedrukt, b.v.
yanti-bïryanti, — elkander aflossen of
vervangen; hambai-bérhambat, — eik-
ander nazitten; $o h bat d)ïr soft bat,
met elkander bevriend zijn; panah-
aitmanah,
— elkander incl pijlen sehic-
ten ; tikam-mtnikam, — elkander steken,
fë/ak-mhiï-tak; -~ elkander houwen enz.
Leent bet Wff. zich niet tot liet aan-
ueuien van dezen vorm, dan gant bet
vergezeld van sa\'vrany akan sa\'orang,
sa\'ekoer akan sa\'ekoer,
enz. Zie elk-
niicler.
wederkomen, kembali, datang lïïmbali.
— naar buis of de plaats van afkomst,
poe lang.
wederkomst, ktmbali, poelang.
wederkoopen, mYmbe/i kembali.
wederkrüsen, mïndapat kembali, ber-
olih khnlali.
wederleggen, tegenspreken, niZutban-
-ocr page 841-
S29
wederle«»tjin« — week.
xvei.lloiyi>en,bïrfu<,mba,btifortHba\'loi\'iaba.
wedlooper, ora»g berloemba.
wedren; een — van paaiden houden,
berloemba-loembakan kotda.
wedstrijd — wedloop. — met punt-
diehten, srnggrl njanji.
weduwe, en weduwnaar, djandajialnr,
randa;
ter onderscheiding van het gc-
siachl, dj a» da përamponran, baloe pr-
mvPMM*; ook voor ecne vrouw, die
van haren man gescheiden is en eene
bruid, wier bruidegom is gestorven ; dus
zoowel boston en als onbestorven —;
als eene — zijn, mëranda.
weduwnaar = weduwe, doch ter on-
dersthelding van het geslacht gevolgd
door laki-laki,
weduwnaaritpijn. e. s. v. pijnlijke
tinteling in den itrm bij het stooten
van den elleboog, sènnjar.
weduwschnp, hul djauda, hal balor,
perdjandaan, pèrbaloran.
wee, ToMChoaw. MR.\' adorh! — over
u, tca\'t- at as moe ! karamlah bayaimor \'
wee, lluuwhttrtig, misselijk vaa den
honger, murwal tapar; een — gevoel
in de maag, b.v. door bloedverlies,
staak-.
wee, ramp, onheil, tjilaka, hela. —,
barenswee, sakit bëranajr.
weefgetouw, perkakas tenor», abalt-
aba/t /ertoe», kik\'.
—, bestaande uit acht
ronde stokken, met touwtjes bespanoen,
karap.
weef klieren, vun spinnen, rupsen OU.,
insang.
weefsel, t\'énomav; duek van binnen-
landsch —, kat» trnuman darat.
weefwerktuisj, voor bet lint of koord-
weven, ter*.
weegluis, pul jat, bangsal, koetuc boc-
aoek>.
weegschaal, daoe.n iiaratjn; do—, het
leeken van den dierenriem, mizan, Ar.
weegsteen, gewicht, bator timbaitga».
week, tijdperk van zeven dagen, djor-
miiat,
Ar. toedjoeh hari; elke—, ttap-
tiap tordjorh hari, tiap-tiap sadjoemaht.
week, zacht vun hut gemoed, hout,
aarde of klei, lemburt; hmbelf, Jav.—
maken, me/emboetka». —, zacht, vaa
klei of modder of den grond, lêmbab;
van den grond ook lor/tak. —, door-
weekt van den grond, lêtjah. —, klei-
nchtig, limbejf. —, zacht, kurkaebtig
van sommigo houtsoorten, puimsteen,
taki. , beantwoorden, in\'èndjatcttb, me-
nja/t oef.
wederlessinir» djntcab. Ar.
wederliefde, bala* katïh.
■wederom, porie, kembati; nog eens—,
kembati paria. — jong worden, k\'embali
moeda.
—, nog eens, sakali taai.
weileropbouwrn, m\'rmbangoeiikau
pofla, mèmtotwat porla.
wederoprichten, utendirikau por/a,
uii-ui■)/\'\'/. iin ptirla (vim t\'rija).
wedcropxtim« Hn jï, bang kit on porla.
wederpartij, laratt; hij heelt vele
— Jei>, ba»jak lawnnuja.
wederrechtelijk, tegen iemands recht,
htrltitci\'ii hal\'. —, tegen de wet, mela-
tcan hoekorm.
wederroepen, herroepen, /ie ald.
wederspannelini*, oraug doerhaka,
xv*n\\wr*\\n\\nvi\\>*ytloet-haka.
— zijn tegen,
mrndurrhaka kapada.
wederspraak, balas kata; tegenspiaak,
bant aha».
wedersprelten, iets tegen?]) reken,
m\'tmbanlahi.
wederstnan, mrlaaan.
wederstaanl>nar, da pat ditatcan ; niet
—, tiada tërtawati.
wederstand, laican, pèlatcanau.
bieden, mélawan.— bieden ten behoeve
van iemand, berlawankan.
wederstreven, ntèlturan; zie te«en-
werken.
wcdervnreu, djadi, bèrlakor, b\'er/ëmoe;
het —, përtëmoran.
wederwuardiy:, malang; een — lot,
omtorvg malang.
weder waardigheid, tegenspoed,
ramp, zie ald.; wederwaardigheden,
oentorng-nasib.
wedenvoord, ia/as kata.
■wederzien, weder ontmoeten brrtemor
porla, bërdjurmpa poeta.
wederzijde, sabelah ; van —, sabrlah-
niïnjab\'elnh. —, zie wederkeert^-
wederzijds, zie wederkeerijj-
wederzijdweh» sabelah-mïnjabelah \\ met
— goedvinden, fimbang-térima.
wederzin, tegenzin, at keer, zie ald.
wedijver, wedstrijd, lormba.
wedijveren, b\'erlormba, b\'erloemba-loem-
ba;
ook bërdjoewang, legen elkander
op willen. —, om de eerste te zijn,
van velen, brrdëhorlor-dëhoeloran.
wedloop, përloe.nbaan; paarden—, per- \\
loembaan koeda.
-ocr page 842-
week ■
gebak en/.., limpomg. —, pappig, van
dierlijke lichamen, g\'èmboer. —, zwak
Van gestel enz., Ie in ah.
week, het wecken, r\'eudam; in de —
zetten, nier ai dan, kan; in de — stnan,
direndam.
weekachtig, Umboet; zie weelt.
wecken» bedr. mertndamkan; in de
week staan, remiam, ditendam.
weekgeld, opah tadfoeméSt.
weekhartig, rapoeh ha/i. — wordon,
mërapot\'h hati.
weekhartigheid, karapoehmi haii,
weekheid, lemboet, kalentboi\'ian, kara-
poehan.
weeklacht, luide —, ralap, pengadoeh,
\'jang-ijang,
b.v. banjak pérkara miulah
dan ijang-ijang
; een — of klaaglied,
sabidji ratap, saboetir rafap. —, met
luide, langgerekte stem, raoeng,
weelilneen, meratap, meruoeng, menga-
doeh.
— over, nieratapkan ; bcweuklagen,
Mtratapi.
weehmiilien, mei e inboet kan.
weelimarlit, pasar ja?ig sadjoenuiat
sakali.
Ook genoemd naar den dag der
week.
weelde, gemak, nlmaf, Ar. ledzat, Ar. ;
—, overdaad, kamewaan.
weelderig, van planten, rêmbotn. —,
groeiend, van planten en andere levende
wezens, soeboer.
weemoed, rajoe, sajoe; vervuld van
■—, siboe rajoe.
weemoedig* bij het herdenken van \'.
iets, of het hooien van muziek, sajoe,
rajoe.
— gestemd, b.v. bij bet afscheid
oenien, héba.
weenen, tnhiangis (van tangis); mot zijn
veleu — , bertangis-tangisan ; afwisselend
—, tangis-menangis. — over iets, be-
weenen, m\'enangisi, mënangiskan; zeer
bitterlijk —, menangis terlaloe kamaii-
matian.
— in den hoogslen graud van !
hevigheid, tot stikkens toe, zooals soms
kinderen doen, mïmmgis pidjar, letterl.
■— in den hoogstcn graad van gloeihitte;
snikkend —, m\'enangis t\'èrsedoe-s\'édoe. \\
weer, verdediging, lawan.
\\vaert weder, zie ald.
weerbaar, dapat nielawan.
weerbaarheid, kalawanan, b.v. lam <
kali djangan sahabalkoe. menjêralikan
,
kalaicawan Hoe, een anderen keer moet \'
onze vrien 1 de — niet prijs geven.
weerbarstig, tigar, lengganat Skr. \'
weerbarstigheid, katégaran.
weergalmen, weerklinken, b\'êrgaoeng,
bertaloen.
weergaloos, zie bij wederga,
weerhaak, roewit, fempoelhg, doeri-
pan dan; dubbele —, tféraljap, Mal.;
losse, ijzeren — van een werpschicht,
toer ah.
weerhaan, bolmig-bnliiig, pèrmain ang\'iH.
weerhouden, menegahkan (van fiigah),
mhiahanka?t (van tahan).
weerknntsen, van het licht, btrkilat-
kilatkan, b.v. ajar bérkilat-kilatkan ma\'
lahari, water, dat de zon wceiknaUt ;
de stralen der zon —, bèrsinar-sinar-
kan panas.
weerkaatsing, van het licht, kilat.
weerklank, eeho, gé.ma, gaoeng.
weerklinken, bergima, bêrgaoeng; de
ooien doen —, mendëringkan télinga.
weerlicht, kilat.
weerlichten, bérkilal-kilal. — in de
verte, van het land, dewata.
weerloos, geen tegenwecr kunnende
bieden, tiada t\'érlawan.—.ongewapend,
tiada bersèndjata.
weeromstuiten, tcrugkaatsen, loen-
djak; zie ook terugspringen,
weerschijn, kilat.
weerschijnen, zie weerkaatsen.
weerskanten: van —, sabelah-mhija-
b\'elah ; aan — van een water, sahërang-
menjuberang; zich aan — van iemand
bevinden, mëngapil (van apit); aan —,
van twee strijdende of contracteeiende
partijen, ook pada kadoewa pehak*; ook
timbal batik, Pad. bov.1. b.v. banjak^-
lak mati üinbal balik, van — sneuvel-
den velen.
weerspannig, koppig, degil.
weerwil; in — van, ktndalilah, djika-
lait.... sakalipon, maskipon.
weerwoord, balas kata, djaicdb, Ar.
weer wraak, perbalasan. — oufencn,
mëmbatas goena,
weerzin, sigan, djêmoc ; zio tegenzin.
wees, anak piatoe; mocderlooze —,
jalim, Ar.
weeshuis, rocmah anah piatoe.
weesheid, piatoe.
-weeskind, anafc piatoe, anak- jatim.
weetgierig, zie leergierig,
weetiiiet, domoor, zie ald.
weg, openbare —, djalan; degrooto—,
djalan besar, djalan raja, l\'èboeh. — in
de bebouwde kom eener gemeente,
-ocr page 843-
BS1
wej» — wealmUken.
loeroeng; den — banen voor iets, mé-
loeroengkan,
b.v. diloeruengkan Allah
kahendah\'nja,
door (ïod werd den —
tot de vervulling van hun wensen ge-
bnand; ook den — tot iets aanwijzen;
de rechte —, iljalan jaag bet oei; de
—   der deugd, djalan kabadjikan; de
—   van en naar eene plant.*, djalan
përgi-dafang;
de — van voortdurende
pussage, djalan laloe.-lalang; op —
zijn, didjalau; zich op — begeven,
berdjalan; van Vonten of aanzienlijken,
berangkat; onder —, diténgah djalan,
duljalan;
ia den — staan, têrimlang,
b.v. barang jang terloitang ditikamnja,
wat in den — stond stnk hij over-
hoop; in den — titaan, belemmeren,
zie ald; uit den — gaan, mtmhtri
djalan;
nanr den kant van den —
uitwijken, m\'eiiepi djalan; ontwijken,
melik; van den rechten — afwijken,
ook uit den — gaan, menjimpang,
ménjêlimpang;
in verschillende rii-htin-
gen, simpang-sioer; uit den — ruimen,
ombrengen, mëmboewangkan, m\'éngérdja-
kan
{van k\'érdja), b.v. hai liendahara,
tigzralah boetcangkan si Tonrah doer-
haka pada kita,
o Kijksbestierder, ruim
spoedig dien, tegen inij opgestnncn
Toewah, uit den - ; loewankue h\'emlak-
dikèrdjakamija,
Uwe Majesteit willen
ze uit den — ruimen; uit den —
ruimen, van zwarigheden enz., men-
djaoehkav;
den — van alle vleesch
gaan, zie sterven : de —en der Voor-
zienigheid, iegala takdir Allah; van
den rechten — raken, sesai,- den kort-
ston — nemen door iets, me mui (as
(van pinlas); ook iemand of iets den
—    afsnijden door eene regelrechte
beweging; ook merenlas; de kortste —
door iets, pintasan; vóór aan den —,
daar, waar de — op andere wegen of
op een plein uitloopt, moeka djalan;
zich met geweld een — banen, b.v.
door eene menigte men?cben, eene heg
enz., mhempoeh; verzoeken om den —
vrij te laten, m\'mta djalan; de —, dien
groote, wilde dieren gewoon zijn te
nemen, denai; zijns weegs gaan, m\'é-
noeroel djalannja sendiri;
met iemand
over— kunnen, satoedjoe dèngan sa\'o-
rang;
als gids den — wijzon, meêgnan
om den — te wijzen, ntfmbawa djalan.
weg, verdwenen, hilatig, lénnjap, lesap.
—  zijn, diep in den slaap zijn, tèlap.
—, weggeraakt, htlang, lesap. —, ver-
loren, ontfutseld, pénnjap,
wetr» voort, vanhier, Tusschenw. héa-
Ijit, njah.
we™ber<*eii, ni\'rfitjirnpan (van simpan),
ménaroh
(van taroh), b.v. tahoe makan,
tahoe simpan,
weten te eten en weten
weg te bergen (te bewaren) Sprw.
wej>t>üten, invreten, b.v. van zuren
op metaal, makan.
\\voi*l)liizcii, menghémboeskan.
wegblijven, niet komen, tiada datang;
waarom zijt gij zoolang weggebleven,
mengapa ettgkau lambat datang int;
omdat ik zoolang wegblijf, sebab lama
Hada hamba datang.
wej^brenijen, mutnbawa, mïmbawapêrgi,
wtgdoen, wegwerpen, mëmboeicang.
wei»«lruü;eii ■= wei»breiij»:en.
wegdrijven, op het wnter, hilany ha-
njoel.
—, b.v. van vee, méughalankau;
voor zijne ankers —, larat.
wegduwen, menoetak (van toelak);
iemand met de hnnden —, menoen-
dixmg;
onder het luopen elkander links
en recht» —, ora-ng bérdjafan be.rtoen-
dorng-toendoeng kasana-kamari.
we«en, menimbaiig i^van tiwbaiig); wik-
ken en —, timbang-menimbang ; op de
hnnd —, mênatitig (van lating); met
een doorlag of een weinitr overwicht
—, limbang imboh; iemand die tegen
een ander opweegt in den strijd, par-
tuur, pudan, sawa padan.
wegenx, omdat, sebab, dari sebab, dari-
pada, dari karéna, dari karena sebab.
woizeripénimbang, orangjang mèniitibang.
weiï-rmm, pergï; zie ook vertreli-
knn; ga weg, scheer je weg, njahlah
i\'ugkau, hembot\'slah éngkait, h\'éntjitlaft
ëngkatt;
niet weg kunnen gaan, tiada
tërpergi.
weürseven, memberi; van een Vorst, me-
nganoeg\'erahakan, mengaroenïakan;
alles
—, zoodat er niet meer overblijft, mem-
bérikan poenah.
weglieten, menfjoerahkan.
we«;j>ooien, memboeicang; iets wegens
zijne kleinheid of nietigheid —, b.v.
een panr rijstkorrels, méugëlanit (van
kèlauil).
weirjjrvjpen, mhijambar (van sambar);
zie HXÜp«m.
we<*huliUen, van groote hoornen, vi\'e-
nebang
(van tebang). — van kreupel-
hout enz., mem-bas (van tibat). — van
-ocr page 844-
BS9
weghalen — wcawiizer.
beide, minïbaug-nienebas. Zie hakken,
weghalen, mcngamhil, komen—,datang
me/igambil.
weghennen, reeds ontvangen hebben,
soedah tërima, soedak dapat« het —,
getroffen zijn, soedak kêtia, b.v. de ziekte
reeds —, sordah ki-rta pënjakit itoe.
weghouden, mënjëmboenikan,
wegjagen, m\'enghalankan, menghemboex-
kan, hinljit, mogelijk beter ëufjil, b.v.
den hond —, mtnghalaukan andj\'mg;
jaag dien persoon weg, hèmhoeskanlah
orang ini; bij joeg die vrouw weg,
dihëmboeskamija përampottcan itoe let-
tcrl. wegblazen); hij joeg zijne vrouw
wt\'fï. Va iftëtig/wnljit biniiija.
wegkapen, zie ontfutselen,
wegkappen, zie wegliakhen.
wegknippen; meteen of nicervineers
iets —, mëngefik (van kèlik); met eene
Bchtinr, zie knippen,
wegkruipen, zich verschuilen, bïrseui-
boent; overal onder —, zooals ratten,
die overvallen worden, ook van mcu-
schen, soesoep-sasap.
wegkruipertje spelen, maïn berijé-
haridjèhariiin.
weglaten, linggalkan. —, niet vermcl-
den, tiada mënjëboetkan.
wegleggen, opbergen, mhijimpan (van
simpait); op zijde leggen, m&ijab\'èlahkau,
mïlaloekan,
wegleiden, nu-nghantar përgit memim-
pin përgi, utëmbawa përgi.
wejïloopen, lari; met iets —, meiari-
kan; iets wegnemen en er mede —,
mimoe/ing.
weglooper, drosser, pëlari.
wegmuaien, met een slag allen treffen,
merampat\'.
wejjmnUen, mcaghilaugkan, mem\'ènnjap
(van pentijap),
weg moi leien s iets —, nif.tr kk<ui.
weanemen, mëngambil, nïënqangkat;
van zijne plaats —, b.v. een pot vnn
het vuur, goed, dat te drogen gehan-
gen heeft, ook een uitgezette fuik enz.,
angkil; van zijne plaats — van huis-
rnad en dergel., thzmapas (van papas);
schielijk —, rooven, intnjambar (vnn
sambar).
wegraken, te loor gaan, hilang. —,
te zoek raken, lesap; weeeeraakt, ver-
loren, verborgen, pënnjup, huang.
welreizen, zie vertrekken.
wegrooven, zie wegnemen.
wegrukken, zie rukken,
wegscheiding, simpangan djalan.
wegschenken, zie weggeven,
wegscheren; scheer je weg, njahlah
ëngkau, htmboeslah ëngkau
; zich —,
zie ltnxenpnd.
wegsch uilen» bërsemboeni.
wegshmn, mënge\'iit-xkau, b.v. het stof
van zijn bandje —, mëngébaskan haboc
dart badjoenja.
weg*leepen, zie sleepen,
wegslingeren, slingerend iets weg we r-
pen, mènghoembankan. — b.v. van een
knots, mëmbalangkan; met de vingers
iets —, mëngetik- (van këtik).
■wegsluipen, mënjëlimpat (van s\'élimpal).
wcgsluiten, mëngo-nfjikan(vaa koentji).
wegsmnhken, mëngltëmpaskan.
wegsmnten, zie weggooien.
weg«*poeden; zich —, përgi d\'éngan
gorpofh-gorpark.
wcgspoelen. van het land door de
golven, diniaka» omhak.
wegspuwen, mëloedahkan.
wegsteken, verbergen, zie ald.
wegsterven, van een seluid, langii.
wegstooten» mëuoelakkan, b.v. toelak-
kan tangga, kaki bérajoen, stoot de lad-
der weg, dan hangen de beenen to slin-
geren. Sprw.
wegstoppen, verbergen, zie ald.
wegstormen, ditërbangkan angin.
wegstrijken, iets, b.v. geld, met de
beide handen naar zich toestrijken, mé~
raoep.
wegstrooien, mëngbamboerkan.
wegvagen, mënghapoeskan; ook van
den toorn, (van hapors, weggevaagd).
wegvaren, van wal steken, inénoelak,
toftafc berlajar.
wegvegen, zie wegvagen,
wegvliegen, tërbang; met zijn velen
—, bët\'érbanijd\'rbavfjaii. — door een
Blag of stoot, b.v. een steen door een
slag mot een slok, pèlésat.
wegvoeren, op den loop gaan met,
mëlarikan.
wegvreten, invreten, van roest, zuren
enz., makan.
weg-waaien, ditërbangkan angin.
wegwerpen, mëmboetcatig, mtlempar-
kan; van zware voorwerpen, mëngkoem-
balangkan.
wegwerpsel, hampas, sampah ; ook fig.
wegwijzer, gids, pau doe; ook pëm~
bausa djalan; iemand als, — geleiden,
-ocr page 845-
wegzakken — wel.
S3:i
memandoekan; ook m\'tmbawa djalan.
—, toeken tian den weg, alamal, Ar.
wegzakken, toeroen, soeroet.
wegzeilen, = wegvaren.
wegzenden, van goederen, mingirim;
onder geleide, mènghanlarkan. —, van
personen, ménjoeroeh p\'érgi, menjoeroeh-
kan
(van soeroeh), mïlépaskan pèrgi.
wegzetten, mènaroh disab\'èlah, m\'énja-
b\'èlahkan.
wegzyde, tepi djalan; zijde naar den
weg gericht, sabclah arah kadjalan.
wegzyn, verloren of verdwenen zijn,
hilang, lesap, lennjap. —, bezwijmd
zijn, ping san, mortja. —, vertrokken
zijn, soedah p\'érgi.
wegzinken, in vloeistoffen, tënggelam.
—, in klei, zand enz., benam, b.v.
saoeh jang t\'érbenam dalaia pasïr, een
anker, dat in het zand is weggezonken;
tërbenam mala-hari, de zon is wegge-
zonken.
wegzweven, lennjap b\'érlajang\'lajang;
in poëzie, salih mèngambang.
wei, van melk, kakt dadi, ajar dadi.
weide, t\'émpat gombalaiin, ianah roem~
poel, padang roempoet, tempal makan.
weiden, hoeden, mënggombalakan. —,
gras eten op hel veld, makan roempoet
dipadang.
weidseh, met praal, dengan oepatjara.
weifelen, bimóang, gondah; ook weit\'e-
lend. — en bekommerd zijn, gondah\'
goelana.
weigeren; énggan, iba\', Ar.; mot bep.
obj. \'énggankan; met minachting —,
méngabikan (van abi, Ar.), hij woigerdo
minachtend mijn verzoek, përminlaan-
koe di-abikannja.
— van een vuurwapen,
of vuurwerk, hoewel het monleerkruit
of de aangestoken punt verbrand is,
b\'èrgantoeng. —, weigerachtig zijn om
dienst te presteeron, \'èngkar,
weigrond, lanah roempoet, padang
roempoet.
weinig, sedikil; to —, koerang, b.v. er
ia te — zout in het eten, makanan koe-
rang garant;
to — hebhen, kakoerangan,
b.v. ik heb te — geld, akoe kakoerangan
oewang;
dat is te —, koerang bat/jafc,
sedikil sakali;
beter weinig dan in het
geheel niets, dapatlah sedikil daripada
tiada sakali;
van alles oen —, sërba
sedikil.
—, maar uit een goed hart,
nederigheidsbetuiging bij het aanbieden
van een geschenk, oepama sémoel mem.\'
ph\'sembahkan paha bilalang napada nabi
Solaiman,
d. i. gelijk eene mier, die
een sprinkhanehoutje aan den profeet
Salomo ten geschenke brengt; eea —,
baraug sedikil; niet zoo —, niot zoo
gering, boekan sedikil, boekan alang-
alang;
niet —, niet gering, titlafc alang;
een klciu —, fig. sakerat sapoenlueng,
b.v. oen klein — bedienden heb ik wol,
ada djoega kawan sakérat sapoentoeng.
—   woorden gebruiken, minstdikitkan
pérkataiin;
een —, zooveel als uan de
punt van den vinger blijft hangen,
satjétjap; een —, van spijzen, dikwerf
sasoewap, b.v. eon — ryst, sasoewap
■nasi;
voel of —, naar het valt, sedikil
banjafc,
b.v. dikaroeniai b\'élandja sedikil
banjak,
er werd hem geld gegeven, veel
of —, naar het viel; een — tijds, een,
oogenblik, sabéntar, sasaal, sakoetika,
tiada berapa lama;
dat heeft — te
beduiden, tiada mëngapa, tiada apa~
apa, tiada berapa goeuanja.
weit, tarwe, gandoem, lerigo; Turksehe
—, djagoeng.
weitnscli, poendi-poendi pemboeroe.
weitel>rood, roti gandoem.
weiteineel, tepoeng gaudoem.
wekel\\jkH on wekelijksch, tiap-tiap
djoemaüt sakali, t.-t. minggo sakali.
wekken, wakker muken, meiu/jagakan
daripada tidoer. —, doen opstaan, mem-
bangoenkan. —, veroorzaken, teweeg-
brengen, zie ald.
wel, bron, mata-ajar, lopak mata-ajar.
wel, goed, back. — doen, bérboewat ba\'tk.
—  met een ander zijn, met hom op
een goeden voet staan, b\'trbaik déngan,
b\'erbdikan,
eone samentrekking van bér-
baïk
en akan, b.v. dat dwerghert was
niet — met mij, pilandoek itoe tiada
b\'erbdikan hamba.
— met elkander zijn,
herbaik-bdikan. —, gorust, wolvurend,
njaman, senang, santausa. — bodenkon,
pikir baik-ba\'ik; vaar—, tot een achter-
blijvende, tinggal baïk-baïk; tot een
vertrekkende, salamat djalan; \'t is —,
\'t is genoeg, totdak.\' soedahlah l —,
moet soms met pon overgezet worden,
b.v. — is waar, soevggoeh pon; ik zou
—, /i\'éndafc pon akoe. — Ie moede zijn,
senang halt; vrij —, bdik djoega.
mogen lijden, soeka djoega akan, kas\'th
djoega akan.
— in de beteekenis van
waarlijk, zïo ald.; ik ben niet —,
la\'sèdap toeboehkoe, badankoe la\'sédap,
56
-ocr page 846-
■wol — welk.
BS4
weleerwaard, moehtasjam, Kx.berida,
Skr.
welgaan, gelukken, djadi djoega, bër-
oentoeng,
welgat, lopak mala-ajar.
welgeaard, bdik fabiül, bdik përangai,
baik pëkerti.
welgeboren, bangsawan.
welgebouwd, van een voorwerp, batk
bangoenuja;
zie welgeniaakt.
welgedaan, gezond van voorkomen
bdik roepanja.
welgegoed, hartawan.
welgegrond, bdik alasnja.
welgelegen, ba\'ik témpatnja, lampan.
welgelükeiid, tiada lagi bersalahan
roepanja.
welgelukken, djadi, djadi dengan sa-
lamat;
zie gelukken.
welgelukzalig! berbèhagialah kiranja \'
welgeniaakt, welgevormd, van een
persoon, bdik sikap, tampan, roepawan.
welgemaaktheid, fraaiheid van ge-
stalte, lampan, baïk sikap.
welgemanierd, tahoe tldat, bdik boedi
bêhasa, tahoe béhasa.
welgemanierdheid, boedi bëhasa.
welgemeend, dengan soenygoeh hati.
welgemoed, soeka, senang.
welgemutst, senang hati, üsjik-iïsjik\',
b.v. djika bêndahara asjik-asjiki dikam-
poengkannja segala anafc boewahnja,
nis
de ltijksbcstierder — waa, liet hij al
zijne kinderen en kleinkinderen bij
elkander kouien.
welgeordend, di-atoer baïk-baïk, bër-
atotr.
welgesteld, bemiddeld, bërharla, har\'
tawan,
welgevallen, welbehngen, soeka, k\'ènan,
ridla,
Ar. karidlaan, k-aboet, Ar.; wet —
iets aannemen, mënerima (of meiijamboef)
dengan karidlaiin hati.
—, goeddunken,
kahendalr hati; naar —, sakah\'éndafc
hati;
naar — met iets handelen, er
tucdo doen y.ooals men verkiest, mem-
bagaikan.
— hebben in, berk\'enan akan,
soeka akan, biuk\'ènankan, soekakan;
naar
— regcereu zooals een da/ang over de
poppen, m\'éndalang.
welgevallig; — zijn aan iemand, mem-
përkenankan.
welgevormd, roepawan, baik roepanja.
welhaast, kelak, sigèra.
welig, van planten eaz.,soeboer,gëmoei\\
welk, vr. \\ oornw. van zaken, apa; van
6. tra enaïp. — bij zijn verstand, baik
boedi.
— varen, salamat, bèroentoeng,
bêrbëhagia;
indien ik het — heb, kalau
akoe ta\'salah ;
kunt gij het — doen,
da pat djoega ëugkau ntemboewat itoe ;
ik heb hein — in drie dagen niet
gezien, soedah tiya hart djoeya tiada
koetihat dia;
hij is — rijk, maar niet
gelukkig, soengyoehpon kaja tja, tiada
djoeya salamat.
—, vragend, boekan,
b-T- g\'j gelooft mij niet, —\'r enykau
tiada përfjaja ukan doeka, boekan f

genegen zijn, soeka djoeya,
wel, Tusschenw. wel, wel! eh-eh! hai-
hai\'.
b.v. hai-Aai, hendak: doerhakakah
kamoc sakalian,
wel, wel! zoudt gij-
lieden allen in opstand willen komen f
—, uitroep van verwondering! irahf
welaan, komaan, rnari, mar\'dah, bdik-
tah, sebaslah (van sabas, Ar.).
welbearbeid, welbebouwd, dikërdja-
kan bdik\'baïk, di-oesahakan baïk-baïk.
welhedacht, dipikirkan baïk-baïk, di-
timbany b.-b.
welbehagen, soeka, ridla, Ar. k\'enan,
karidlaan, kënangan, pëngënangan.

hebben, soeka, ridla, berk\'enan.
welbespraakt, lidah petah, pantas
moeluet, pangoes.
—, vaardig in het
antwoorden, tjalajp.
welbespraaktheid, petah lidah, en
= het voorgaande woord.
welhewaakt, ditoenggoe baïk-baïk, di-
djaga baïk-baïk.
weldaad, kabadjikan, perbocwaian jang
beuk.
—, gunstbewijs, van Vorsten of
aanzienlijken, karoenia, anoegëraha.
weldadig, moi-rah, dërmaican; wat een
weldadige uitwerking heeft op het ge-
moed, penawar hati.
weldadigheid, kamoerahan, ihsan, Ar. I
weldadigiyk, dengan moerah hati.
weldoen, btrboeicat buik, mïmboetcat \'
kabadjikan.
■weldoener, orang jang bèrboewat ba\'ik, \\
orany jang memhoewai kabadjikan.
weldoordacht, dipikirkan bdik-baïk,
dithnbang baïk-baïk.
weldoorkneed, van de6g enz., diramas
baïk-baïk.
— in het een of ander vak,
masak.
Weldra, këlajr, lékas, sigèra, lëkas
djoeya.
weledel, weledelgcboren, banysaican.
■weleer, dehoeloe, dekoeloe-dëkoeloe, dé-
hoeloe kola, tempo dehoeloe.
-ocr page 847-
welk —
personen zouwei als znken, mana, b.v.
— huis, roemah apa, roemah mana.—e
vrouw, perampoetcan mtina; ook jang
mana,
b.v. jang mana difoendjtiekkati,
—e aangewezen wordt; jang wanahèn-
dalr diioenotfk,
—e moet gedoud worden.
welk, belr. Voornw. jang, nart.
welklinhend, Inük boenjinja,
welkom, salamat datang, dit is tic vol-
ledige uitdrukking. In liet Mal. is bel
lucest alleen dalang; behag/ja datang =
salamat dalang; assaldm titaikoem,
Ar.
toticasani, Skr. — geheeten worden, ,
diberi soewasani,
welkomstgroet, salamat kadutattgan,
wellen, upburrclen, zio ald. —. even
opkoken in water, niereboes sedik.it.
wellevend, tahoe adat, boedi-bthasa,
tahoe li
htt.su; ook wellevendheid.
wellicht, moedah-moedahan, kalat/kala/t,
barangkati, \'entah, kiranja,
b.v. moedah-
moedahan anakkoe berolih faedah dari-
padavja,
— kan wijn zoon er nut van
trekken ; kahtu-kalaii tl il et bang kan angiti.
—   is het duur den wind meegevoerd;
bar aug kali pet ja A, — is het stuk;
dalam pada Huepun ent ah hidoep, in-
tussehen leeft bij — nog, entah pon
buik,
of hel — goed zou zijn. —, bij-
(feval, als vraag: zal het zoo hel geval
zijn, atji-atji.
welluidend, ba\'ik boenjinja, sedap boe-
njinja.
wellust, genot, ledzat. Ar.
wellusleling, orang jang berl\'edzat.
welmeeneml, met goede bedoeling,
buik uiatnja. —, oprecht, zie ald.
welnemen, toeka, ridlu, karidlaiin,
welopgevoed, tahoe hëham, tahoe adat, \',
btpi/itt/jaran.
welp, fnuik; leeuwen—, anal\' siitga.
welriekend, haroem, haroem baoenja.
—  gemankt, door er iets welriekende
in te duen, of bij te voegen, of in Ie
leggeD, raksi. — maken, nièraksi. —c
ui ie, min jak raksi; dat, wat, of de
persoon, die — maakt, péral-si. ■—e i
ziikon bij ren biul gebruiken, maudi(oi
stram) bërkasaï
(van kasai, kosmeliek). \'
welslagen, gelukken, djadi; niet —, I
tiat/a djadi.
welsmakeml, buik rasanja, s\'édap ra-
sa/tja.
welsprekend, lidah petah, fatih, Ar.
—, Bijw. d\'èngan petah lidah, déngan \\
fasihat.                                              \'
wenden.                                        835
welsprekendheid, petah lidah, f aft-
hal, Ar. balarat, Ar.
weltetiiun, peamd, van een kleed enz.,
kina, paloel, Idilr, Ar.
welstand, welvare», iijtjat, Ar. in go-
zondheid on —, dhigan saftimat dan
ajijat,
in brieven.
weltevreden, senang halt.
welvaart, salamat, Ar. oeutoeng baik,
s\'edjahfera,
Skr.
welvaren, Ww. dalam hal salamat; ook
= welvaart.
welvarend = welvaart. —, prettig,
lekker, aangenaam, ttjaman. —, bloeiend
van een rijk, mfimoer, Ar. —, in rust
en vrede van een volk of \\*n&, salamat
santattsa.
welverbonden, samengevoegd, bèrhoe-
boet/g baik-batk.
welving, verwulf, zie ald.
welvoeglyk, pafort, laik, Ar.—, Bijw.
dengatt paloetttja, déngau tapértinja,
dengun la\'iknja.
welvoorzien, in overvloed, zie ald.
welwater, ajar p\'erigi.
welwezen = welzijn.
welwillendheid, karidladn. — utt
deernis, xjafakal. Ar.
welxnlij£, berbehagia.—, allen die zijne
geboden bewaren, berb\'ehagialah kiranja
segala orang jang mèntëlihurakan fir-
man nja.
welzijn, welvaren, ïïjijal; tot — strek-
kcu, mendatangkan kabadjikan.
wemelen, krielen, niénggériak; mengge-
roemoet, berkeroemoen.
— van kinderen,
mieren enz. ook nietnbelor; door elkan-
der —, zoonls strijdenden, du bliksem-
stralcn, vliegendu vogels enz., saboer;
van alle kanten of overal, saboer-
mhijaboer,
wen, vvateraehtig gezwel, risa, kaja
poenggal{f)
—, vlee>ehaehtigc uitwas,
koetil.
wenden, keeren, zieh— nanr de tegen-
uvergestolde zijde, berpaling; b.v. berpa*
ling kapada orang lam,
zieh tot een
ander —; bërpaling haloewan, don steven
—, ook (ig. voor iemands zaak ver-
laten ; me.matingktm moeka, hot gelaat
af—; ook fig.; tnèmalingkan //era/toe,
een vaartuig doen —; mëmalingkan
koedanja,
zijn paard —; een vaartuig
een weinig naar links of reehts doen
—, membetoekkan perahoe; gramstorig
het golnat —, niémalis (van palis).
-ocr page 848-
BM
wending — wereldnebseatind.
om als eene geslachte kip; zich — in
het slijk, b\'èrgëtoemang dëngan loempoer;
zich in een modderpoel —, zooals de
buffels, bërkoebang, b.v. maka badair
Hoe bëharoe habis bérkoebang,
die rhino-
ceros nu hnd zich pns in den modder
gewenteld; iets in eene kleverige zolf-
standighcid —, b.v. gebak in stroop
of vlade, mënjira (van «ra); alle zor-
gen van het hart —, mëloeljoetkan
had daripada sëgala kabëralan.
—, rond-
draaien, bërgangsi. bërki(ar. —, van de
hemellichamen, bëridar, bërkitar,
wt*nteltri»i>, fatigga soeloer baiavg.
wenln, zie wied nar.
wereld; de— als bol, boemi, tegenover
langit, hemel; do —. als tegenwoordigo
woonplaats der menschen, doenia, tegen-
over sorga of aefierat, de verblijfplaats
der gezaligden of de toekomstige —.
—, ook alam, Ar. de gcheelc—,ëmpaf
ïilam, ëmpat pëndjoeroe Ulam, tapoetar
alam, ïilam dortiia.
—, het heelal.
samtsta ïilam, samcsla ïilam sakalian,
—, ia de HSS. dikwerf ook djagai,
Skr. boewana, Skr.; de gehecle —weet
het, sakolahnja tahoe; do—, het onder-
maansche, ook majapada, Skr. letterl.
de plaats des schijns; de gansche —
rondzwerven, mëlanylavg boenana; ;;ij
meenen, dat hun dorp de gehecle —
i.-, en een sprinkhnnn houden ze voor
een kiekendicf, bérpikirkan doesoennja
Hoc alam ini, dan bHalang disangka-
katitijti helang,
Sprw.
wereldbebeernoher, sjah alam.
wereldberoemd, tërmasjhoer dalam
sëgala doenia.
wereldbol, boelat boemi.
werelddeel; is het best met benora
terug te geven, b.v. het — Kuropa,
bënoea T.ropa, enz.
werelddrnser, ntlas, jang mënjoesoen
alam.
wereldkaart, mnppcmondo.^rt boelat
boemi.
wereldkundig** tënar. \'/Ac rucbt-
hnnr.
wereldlijk, aardscb, doeniatci, (jara
doenia.
wercldline, oravg doenia, orang ma-
japada.
wereldrond = wereldbol.
wereldpoli = wereldlijk.
wereldsclijjesrind, bërnafsoe ataspër-
leara doenia.
—, zie ook koeren, omdriinien j
en boei*.
wending, iu do beschouwing van cene
zaak, djatoh; b.v. kalau bagitoe djatoh-
nja, sëhajalah wenijoeri,
nis het die —
neemt, dan heb ik gestolen \\ een nnderc
— nnn een gesprek geven, mengalo\'\'-
icarkan perkataiin la\'in,
b.v. makasigera \'■
dikaloewarkan ohh toewau Farquhar
,
perkataiin la\'ïn. en dadelijk gaf de heer
¥. eene andere — aan het gesprek.
wenk, tecken, itjarat, Ar. tanda; een
geheime — uit het verborgene, isjarat ■
dartpada graiti;
toestemmende of ann- j
moedigende— met de oogen, knipoogje \\
tegen iem., kënnjit; een— met het oog
geven, tnengomdjoek mata. —, vingerwij-
zing, zie uld.; een — geven met de wenk- \'
brnuwen, wengennjit dëngan keningnja. i
wenkbrauw, kënïng; de —haren, boe-
loc kèning.
wenken, mimberi itjürat, mëngisjaraU \\
kan, mëmb\'eri tanda;
wuivend —, mé-
lambaï;
met een wenk uitnoodigen, b.v.
om te eten, of te paan zitten enz.,
mënjogok\' (van sogofr). /ie imnrnken. ;
wennen, biasa, djadi biasa. /je de af- ;
leidingen; aan elkander gewend zijn, .
b.v. van wilden aan beschaafde men- [
scben, of dieren aan elkander, xoedah i
sabaoe, b.v. mareka-itoe soedah sabaoe
dëngan orat/g beharoe Hoe,
zij wnren
nan die vreemdelingen reeds gewend;
Oftk sabaoewan.
wennen, begeerte, kah\'éndak~,hasrat, Ar.
—, verlangen, tjita; sterke —,rindoe;
volstrekte —, bepaald verlangen, maoe; .
een — vervullen, mëmënoehi kahendnk. j
—, hoop, bede, zie ald.
wenNchen, bcireercn, hëndajp; een
wenseb koesteren, bërkaliëttdak; bepnnld
iets —, zijnen wensch uitstrekken naar, |
mengah\'éndaki; zoonis gewenscht wordt, ;
bagai ditjita; vurig —, rindoe, ilsjifr, !
Ar.; goede reis —, tuh/ibëri salamat
djalau;
gezondheid —, mëmbëri sahi-
mal;
Nieuwjnar —, mëmbëri salamat
(ahorn b\'eharoe.
wentelen, bedr. intnggorli/ig, mëuggne-
Hngkan ;
zich —. bërgorling. —, rollen ;
van iets, b.v. een ton, menggolik. —,
iets rollen, een kind of grooten steen,
mënggolik\'kan; zich om en om —, tnë-
lamboeng diri,
b.v. tnaka batinda pon
mëlamboeng diri saperti ajam disëmbèlih,
en de Vorst nu wentelde zich om en I
-ocr page 849-
^:?7
wereldstreek — werkracenter.
■wereldstreek, pehak boemi.
weren, tegenhouden, mhi\'ègahkan (vnn
tigah), menahankan (vun lahan). —, ver- ;
zetten tegen, melatcan. —, afweren,
menangkis (van tangkisj; zich —, zijn
bc*t doen, beroesaha.
werf, scheepswerf, galangan, bangsal;
van de — laten loupen, m\'eluenljoer-
kan kapal dari galangan.
werk, voor het knlefnlen, gèlant, pema-
kal
(van pakal).
werk, arbeid, kerdja; het verrichte of ;
te verrichten —, pëkh-djaan; aan het
— zijn, — hebben, bèkèrdja; een of \'
ander — verrichten, bèkèrdja pandjang\' \\
pendi\'k;
er een — van maken, er cene
bezigheid van maken, meinljadikan kër-
djagemeen, verachtelijk ■—, pèk\'êr- ]
djaiin jatig hina; ruw —, dat niet ,
netjes afgewerkt is, Iapak ioekoel; netjes
afgewerkt —, Iapak tjanai. Het eerste
OOB gebezigd fig. voor ruw Ie — gaan,
b.v. Jtiaka satèlah soedak dirasaïnja \\
iapak toi\'kofl Ilolanda Hoe;
uitgesteld,
onafgedaan —, pèkérdjaïin jong tèr-
ganloeng. •
—, maaksel, pèrboewatan,
boewatan.
b.v. Mnlakaasch —, pèrboe-
watan Malaka. ■
—, daad, pêrbomialan;
goede —en, perboewaian jang bdik ;
goed, verdienstelijk ■-, pahalu, Skr.
amal, Ar. amal kabadjikan; goede—en
doen, mèmboetcal pahala, mèntboeicat
•\'muil, mèiigerdjakan tintal;
goede —en
en zonde, pahala dan dosa; overvloedige
goede —en, Ümal djarijah; goede—en,
ook faal ja?ig bink, b.v. de goede — en
bedekken de zonden in den hemel,
faül jang ba\'ik mèndjadi tabir didaiam
torga;
bij iemand aan het — komen,
masok kerdja; balt\' —, knoei—, tang-
goengan ;
veel — hebben, veel te doen
hebben, hanjak kerdja; er is voel —
nan den winkel, uda ban jak kirdja;
do —en fiods, siujala p\'erbocwalan Allah.
Zie schepsel. — der banden, in
tegenoverstelling van machinaal —,/>«"-
boi\'tcafan langan. —, boek, kiliib. Ar.
iotnat. ■—, in eeno klok of horloge,
pètatcat. — maken van iemand, hem
belangstelling toonen, mèmenal (van
nirnat), b.v. ijalah sangal dimenatnja
olik Laksamaita,
vnn hem werd bijzon-
der veel -— gom na kt door Laksamnna.
— maken van iels, moeite doen voor
iets, pèrocsah; te veel — maken van,
tèrlalor banjak apok; blindelings te —
gaan, méndjéloenioeng; te veel — van
iemand verlangen, ntakan toelang; ook
zijn eigen werk niet verrichten, maar
dat op anderen laten aankomen, zooals
dat bij gemeenschappelijk arbeiden door
de luiaaids wordt gedaan; niet bij zijn
— zijn, zijn ■— verwaarloozen, lalai;
al het — verrichten, de knstanjes uit
het vuur halen, birtoengkoe bemoei;
in hot — stellen, de middelen ann-
wenden, mengoepajakan; ten uitvoer
brengen, mèngèrdjakan. —, moeite, in-
spanning, orsaha.
werkbaas, loekang. — in metalen en
het weven ook pandai.
werkdivu, hari bèkèrdja.
werkdoosje, met deksel, b.v. voor
naaiwerk, kèmpoe.
werkel\\jk, soemjrjorh, benar; zij meen-
den dat het — zoo gebeuren zou,
sapèrti akan soenggoehlah rasanja. —,
Ifijw. $ocnggofh-somggo,h, dengan soeng-
goeh; dengan talènarnja;
soms ook
dengan xabahwa en ijalah, b.v. hendak-
lalt jakin dtngan sabahwa,
laat men —
ernstig zijn; roemah int patuel sabahica,
dit huis is — passend, id. hawa lèpas-
kan dihali dengan safiahwa,
de harts-
tochtcn — uit het hart verwijderen.
—.inderdaad, ook bétoelnja, sab\'etoelnja
en sabè/tarnja.
werkeloos, tiada békerdja, lenga.
werken, békerdja, bèroesaha. — voor
iemand, in zijn dienst zijn, ook iets—,
en bewerken, b.v. vnn een akker, mè-
ng\'érdjakan;
voor loon of in daghuur
—, makan opah, mèngambtl opah. —,
uitwerken, zie ald. —, gisten, zie ald.;
terdege door elkander — vnn tanio of
dikke spijzen, ntèludt\'h ,■ goed —, pas-
send van een geneesmiddel, zie bij
prolüiLii ; zich onder iets door —,
mènjoesoep ; zich overnl onder door —,
soeso/\'p-nasap.
werker, orang bèkèrdja; die het werk
ten uitvoer brengt, jang mèngèrdjakan.
werkezel, orang toenak.
wer k«»e r eed s e h a\\i,pèrkakas,pëgaieai.
werkloon, opah,
werkman, trraug békerdja, orang opa-
iiiut.
—, sjouwer, orang koeli.
werkmundje, met deksel, voor naai-
werk enz., kèmpoe; gewoon -—, bakoel
pen dja h il.
werk mees ter, iockang; in metalen ook
pandai. —, kunstenaar, kipoe, kimpor.
-ocr page 850-
838                                        werkpak — westeinde.
werhpnlt, pakaijau opafian.
werktuig, gereedschap, pëkakas, p\'èga-
wai.
—, om iuts te drijven ut\' ïn beweging
lo brengen, pesawat; rader—, pesaicat
berdjantera;
water—, pesaicat ajar.
werkvolk, vrang bekerdja.
werkzaam, radjin, bèroeaaJta.
werkzaamheid, karadjinan.
werpimker, Sttoeh terbany, saoeh tjemat.
werpen, mëtnnpar, m\'èloetar, mëlontar;
bet voorwerp om mede te —,pèlempar,
pëloelar.
— van groote, zware voor-
werpen, menghoembahmgkan; in de
boogte —, van iets, dat men in de
hand beeft, mëmbalangkan, b.v. m\'em-
balangkau tjojrwamja,
zijn strijdknots
in de buogte —; maka radja Djohan
pon mémbataugkan ijëmëti kocdanja ka-
ot\'dara,
de Vorst Djohan nu wierp zijn
paardekarwati in de lucht; slingerende
omboog —, nwlamboaiy; met bc», obj.
milambucmjkaH ; zich zoo —, d. i. sprin- |
gen, mtlamboeng dirinja; niet steenuil
—, inzonderheid Bteenigen van ovor-
speligen, wtirdjaiu(van radjm, Ar. steeni-
ging); naar iets —, bij kinderspelen,
mhiogan (van togan); horizontaal naar
iets — met iets dat men o» de vlnkke
band heeft, zoonis bij sommige spelen,
met een looden schijf of een platten
stern, mfiiaiipofiig (van tempoeng); zich
op iets of iemand —, menjeibuekan
dirinja foipada
(van xerboe). —, weg-
werpen mïmtocwoMff, b.v. zout in zee
—, m\'èmboewang garant kadalam laoi-t,
Sprw.; een strik —, mhtoernbatigkait
djérat, mëudjatohkan djérat;
een werp-
spiets —, melautjarkan puetjoek\'; met
geweld ter aarde —, mënghawpaskan
kaboemï
(of katanah); in de gevangenis
—, masockkan dalam péndjara, mèinéit-
djarakan;
zand in de uogen — .membut-
ctakan mata;
zijdclingsehe blikken —,
mièngërling dhigan eköêf mata; stralen — ,
mhmanah, b.v. de mnan wierp haar stralen
op de groote gehoorzaal, boefan mëmanah
kapada batairueng;
iemand alles voor j
do voeten --, allerlei verwijten doen, i
membo/igkar-btiNgkir; bet lot —, mem-
bocwang oendï, mëloetarkati orndi;
on-
durstebovon —, zie ald. — vnn een
net enz., zie uitwerpen; jongen —,
b\'éranak; met geweld —, nit-nljaiiipak.
werplood, dieplood, peillocd, zie ald.
werpmiddel, p\'élempar, pëtoetar. Zie
ook werpsteen.
werpnet, djala; met een — visschon,
mëndjala. — met gruoto mazen, djala
rambang.
werpsehieht, tjainpalf boewang. Zio
werpspiets.
werpsch\\jt", tjekera, Skr,
werpspiets, lëmbing; e. fl. v. —, p\'én-
dahan,
verder tohok en tjampuk-boc-
icang;
met een — iets treilen, m\'éno-
hol\'kau. —
bij du zeeroovers in gebruik,
sagoe-sagoe; houten of bamboezon —
zonder ijzeren punt,se/igi, so-ligi; houten
— aan beide zijdun gepunt, seligi tadjam
berlimbal.
— met weerhaak, sïroewit.
werpsteen, of al datgene, waarmede
men bij hut spel naar iets, wat opgu-
zet ia, werpt, b.v. naar centen, noten,
knikkers enz., aloevg,
werpstrik, tandjol; daarmede strikken,
niènandjol,
werptol, gasing, gangsing, gangsingan.
werptros, tali paifjemat.
wervel, sluilmiddel, aan deuren of vcn-
sters, katttjing, ph/gan/jing.
wervelbeen, toelittig belakang.
wervelen, met een wervel sluiten, me-
ngantjing.
wervelwind, poesaran anght, ang\'ni
oe lak;
zie ook hoos.
werwnnrts, kamana. — ook, kamaita-
mutia, kaïiuitia-niana pon.
weshalve, maka olih sëbab Hoe.
wesp» horzel, die haar nest in de buo-
men maakt, taboehan, naar do ringen
of kringen op zijn lijf; e. s. v. —, pé-
njéngat
(van séngat, angel); e.». v. gele
—, naning; e. s. v. kleine — met rood
achterste, pémoetoetig (.y); e. s. v. —, dio
haar nest van natte klei maakt, ang-
koet-angkoei
(van angkoet, opnemen on
wegdragen); e. b. v. kleine —, dio zeer
venijnig stuokt, ketikëti; o. s. v. —,
die haar nest in den grond maakt, ké-
rawai.
wespennest; dit hangt af vnn welke
soort wespen het nest is, b.v. sarang
taboehan
enz.
west, het Westen, borat, sahëlah borat,
salmiak matahari mati, i/tugrib,
Ar.
koeion, .lav.; ten Westen, dibaral^ di-
sabetah harat, disalxUih matahari mati,
di-atas augin,
d. i. al wat bewustcn
Sumatra ligt; wat beoosten daarvan
ligt heet dibawak angin. \'/ao kom-
passtreek.
westeinde, hoedjoeng baral.
-ocr page 851-
BM
westelijk — wevelinsen.
tiada bërdaja lag:-; te —, namelijk,
nte\'ngafakan, tja-ttoe, jani, Ar.; te —
komen, dapat tahoe; geweten worden,
bekend zijn, ke\'tahocwan; niet geweten
worden, niet bekend zijn wat er van
geworden is, tiada kïtahoetcan apa
djadinja;
doen —, kennis geven, mëm-
bë"ri tahoe.
— te gebruiken, tahoe, b.v.
dolken en lansen — te gebruiken, tahoe
kerit dan toembaff;
ik weet niet anders
of het moet er zijn, akoe tahoe ada
Se\'hadja;
dank —, menerima kasih;
niet willen — van, tiada maoe tahoe
akan;
er niets van —, niet gevoelen,
tiada bérata, tiada stdar; zonder te —
hoe, tahoe-tahoe, b.v. zonder te — hoe,
strandden wij op een eiland, tahoe-
tahoe itrdampar pada tatoe pcelau;
al
wat ik er van weet, sakalian jang
satafioe sthaja;
ook naar mijn beste—;
de Vorst moet het —, dat ia zijne zaak,
radja poenja tahoe. — te geven en te
nemen, tahoe kira-kira dan kêdarkan ;
door u worde geweten! weetI /■■ \'•/-
| hoeilah olihmoe.
I weten, kennis, wetenschap, zie ald.
i wetens, willens en —, dfatgan Mhadja.
—, met kennis, il\'tngan tahoe.
weten«obap, pingttahoean, êlmoe, Ar.
de — der overlevering, rlmoe \'Ihadtts,
Ar. de — der uitlegging van den Koran,
. êlmoe \'llaftir, Ar.; verborgen of geheime
—, êlmoe jang graib; kunsten en—pen,
hikmat dan pengetahoean, h~ikmat dan
rlmoe.
—, letteren, sastï-ra, Skr.
1 wetenschappelijk, berptngetahoean,
êlmi.
Ar.—, geletterd, sastëraican, Skr.
wetenHwnardig, haros dikttahoèi.
I \'wetgeleerde, fa}eih, Ar.
wetj^eleerdheid, rlmoe >lfikh, Ar.
wetgever, jang mengadakan hoekoem
oendang-oendang.
| wetsartikel, fasal hoekoem oendang-
oendang.
} wetsteen, fijne slijpsteen, baloe bengis
zie ook sl\\jpsteen.
: wetteiyk, met de wet overeenkomstig,
satoedjoe dengan hoekoem oendang-oen-
dang.
\'wetteloos, tléngan tiada hoekoem.
\\ wetten, slijpen, ichcrpen, zie ald.
j Wettig = wettelijk- —. geoorloofd,
ftaldl, Ar.; een — kind, anafr \\uildl,
anale bint gahara.
| wettiaen, menghaldlkan.
\' wevelinuen, of weeflijnen, mar. si-kat.
westelijk, barat; een —e wind, angin
barat.
wi>i en = west.
weHtcnwind, angin barat.
westkant, sabëlah barat.
westkust, pan/ai barat.
Westland, tanah barat.
westwaarts, kabarat, kasabï.lak barat.
westzijde, sabëlah barat, tepi barat.
wet, hoekoem; verzameling: van —ten
voor het een of ander, Jtoekoem oen-
dang-oendang;
de zeevaart—ten, hoe-
koem oendang-oendang laoet.
—, regel,
jranoen, A,; goddelijke —, sjarü, Ar-
tjariüt, Ar. — op gewoonte gegrond,
adat, Ar. tot zulk een — maken,
tnêngadatka». In de 1\'ad. bov.1. onder-
scheidt men de adat in drie soorten
als: adat sabcnar, die met den Koran
overeenkomt, adat jang kawi, of jang
tëradat,
of jang tërpakai, uit den grij-
zen voortijd, en adat moepakal of
Uiiadai; de — Gods, zoowel verboden
als geboden, sonnat, Ar. namelijk aU
tweede — en aanvulling van den Koran ;
do — van Mozes, torat, Ar.; de —
der wedervergelding, /toekoe/n kisds, Ar.
wetboek, kitdb hoekoem, soerat oen-
dang-oendang;
het — van Mozes, kitdb
torat,
Ar.
Wetbreker, orang jang melanggar $oe-
koem.
weten, tahoe. —, bepaald met iets be-
kend zijn, tntngïtahoeï (van ketakoe,
geweten, bekend); ik weet het niet, als
antwoord, tiada tahoe akoe; beleefder,
koerang periksa, d. i. niet genoeg onder-
zocht; heel lomp, sëtahoe, verkorting
van siapa tahoe, wie weet het; er al
het noodige van weten, al met bet
fijne ervan bekend zijn, van jongelieden,
die nog ongehuwd zijn, tahoe-tahoevcan;
do staat van — of kennen, het is-
lninisme, daiim\'ijal/ de Btnat van niet
—   of kennen, djahilijnt; u weet het
zeer goed, ■ weet er alles van, toewan
jang ttrbebih taboe;
God weet het
\'t best, Allah jang amat mt-ngëfahoeinja,
tcaltahoe aalam, Ar. — wat men wil,
tahoe bërkahëridafr haft ttndiri; niet
—   wat men zegt zooals b.v. een krank-
zinnige, tiada mvjijëdar barang kata?ija;
—   iemand genoegen to doen, op te
beuren of to vervroolijkcn, pandai me-
njoekakan hati orang;
er niets meer op
—, geen hulpmiddelen meer hebben,
-ocr page 852-
840
weven — wierooUboom.
bij wien hij zijn ijzor tijdelijk plaatste,
tëmpal ija mënoempangkan besinja.
wiebelen, met do voeten, mënggoewil-
gotnoit dengan kaki.
wie:huir, werda ! sëpada, verb. van siapa
ada.
— roepen, b.v. van een schild-
wacht, mënjapa (van sapa, wie).
wietien, gras en onkruid uittrekken,
meroempoet. — van de sawahs, niÜnji-
jang
(van stang) Pad. bot". 1.; met een
hak, mërimbas.
wiedijzer, tadjak; zie ook schoffel.
wieg, bo-\'tcajan, ajoenan; ook dondang,
dondangan,
b.v. boewajan pon digon-
fjang, anak pon ditjoebU, ia
de wieg
wordt bewogen, en bet kind wordt
geknepen. Sprw.
wiegetouw, lali boewajan, t. dondang,
wiegelen, gojang-gojang, gontjang-gon-
tjang.
wiegelied, kidoeng; een —■ zingen,
mengidovng.
wi€*gen. meng gou Ij mi g boewajan.—, heen
en weder schommelen van het voorwerp
zelf, memboewai.
wiek, vleugel, vlerk, sajap,—ea hebben,
gewiekt zijn, bersajap; op zijn eigen
—en drijven, in zijn eigen onderhoud
voorzien, mëntjëhari sëndiri. —, pluksel,
zie ald. —, lemmet, pit, soemboe.
van een molen, sajap pënggilingan.
wiel, wagenrad, lereng, roda, verb.; het
massieve — van een bulïelkar, gerefr.
—, rad, djautera.
wiclband, sïmpai djanlëra, best roda.
wielewaal, boeroeng nilam, këpodang.
wieling, oelak ajar, poesaran ajar.
wier, lui\'moet; e. s. v. eetbare zeo—,
agar-agar.
wierook; de zuivere, onvermengde —,
kememijan, onderscheiden in kemennjatt
poetih,
de wilto — ; k. hitam, do zwarte
—; k. mrrah, de roodc. —; k. ilrab, de
Arabische —; do bereide of vermengde
,duepa, onderscheiden in dorpa bakar,
om te brnnden, en d. pakai, om zou
to gebruiken; ook istanggi. —branden,
mëmbakar doepa, m. istanggi. —, loe-
zwaaien, lig. mëmoedji (van poedjt).—,
reukwerk om te branden in het alge-
incon, oekoep; zulk reukwerk branden,
mengoekoep,
\'ieroohboom; er zijn verschïlende
biiDii,en. die wierook leveren, u)»:pohott
rasamala, p, kelëmbafr, p. gaharoe, p.
djerënang
enz.
weven, fénoen, bërtënoe», mënhioen;
doek —, bërtënoen kaïn; lint of koord
—, tinoen këra, naar kern, het daar-
voor gebezigde werktuig; figuren in
een weefsel —, menjoenggit (van soevg-
git);
een web —, zooals door een spin
en/., me.ujirat (van sitat).
wever, toekang ttnoen, pënënoen.
weverjj, përtënoenan.
weversboom, pvsa.
weverskam, nitr; voor het inwerken
van bloemen, boentang.
weversspoel, torair, anak forafr, boe-
loch gelindoeng.
wevervogel, boeroeng lempoewa.
wezel; e. 3. v. —, bintoeroeng.
wezen, Ww. ada, djadi; zie zijn.
wezen, zelfst. nw. daadaan, dzat, Ar.
tooedjued, Ar.; een broos —, kaadaan
jang rapoeh;
het — Gods, dzat Allah;
het — der zaak, peri hal perkara;
het opperste —, Allah taala, Ar.; in
— zijn, ada hidoep, b v. hij is nog in
—, tja lagi hidoep; het — van iela
ook bahwa, even als in het Skr. b.v.
roepanja elok jnanis sabahioa, haar voor-
komen was schoon on lief geheel haar—.
wezenlijk, waarlijk, soenggoeA, bPfoel,
benar, denga>t saso\'-ngi/oehnja, dengan
sabï.toelnja, dengau sabenarnja, dengan
sabahwauja,
zie waarlijk.
wezenloos, bedwelmd, zio ald.
wezenstrekken, ajar-moeka.
wichelaar, zie sterren wie heiaar.
wiehelarü; e. s. v. — met de vijf
vingers, pantja lima, koelika lima.
wichelboek, poeslaka, Skr. sasféra, Skr. !
bet — raadplegen, nïelihat poeslaka.
wicht, zwaarte, bërat.
wicht, klein kind, kanak-kanak.
wichthoudeml, sampai bëralnja.
wichtig, zwaar, bërat; ook lig. van
eeno zaak.
■wichtje, gramme, heeft men niet; zio
bij gewicht.
wie, siapa, mana, b.v. — is dat, siapa
Hoe,
— is do oudste en — do jongste,
mana jang ioëtea, manu jang moeda;
wiens, siapa poettje. ■—, butr. Voornw.
jang. — het ook zij, barang-siapa pon
bd\'tk;
al —, barang-siapa. — ook, siapa- I
siapa; de persoon bij wiun of tot wien, J
tempat, b.v. de Hijksbestiorder is het
bij wien ik mijn eten heb, bendahara
tempat nasi goelaikoe;
niemand om toe
te spreken, liada siapa têmpaf bërkata;
-ocr page 853-
841
wierooken — w(ji.
wierooken, mengoekoep, memdakar doe-
pa, mëmbakar imtangyi, m. kemënnjan.
wierookgeur, baoe doepa,baoe istanggi.
wierookoiler, pirsëmbahan doepa.
wierookschn.nl» wierookvat, pedoepa-
dn, oekoepan.
wig, keg, badji. —, om het vel van
innamen en tamboerijnen te spannen,
sentoeng; zulk een — aanwenden, me-
njhttoeng.
wiggelen, wankelen, zie ald.
wigvormig, luiitjos.
wij. den aangesproken persoon uitslui-
tend, kamt; dien insluitend, kita; ook
voor Pluralis Majcstatis gebezigd. —,
tot meerderen sprekende, schaja saka-
lian, hamba sakalian.
—, tot den Vorst
spiekende, patik sakalian. — in de
spreektaal ook kiia-orang.
w)jd* ruim, uitgestrekt, loewas. —, los,
ruim van kleeren enz., longgar. — uit
elkander, niet opcengedrongen, lenggar.
— uiteen, dun genaaid, ook — van
oen weefsel, djarang. —, meer open,
van haken of ringen, Icngkang. — van
een gemaakte of door den tijd ontstane
opening, gapend, babang. — uit elkan-
der der mazen van net- of vlechtwerk,
serang. — van elkander, rënggang, het
tegenovergestelde vaa dicht nevens eik-
ander, rapat; de beenen — van elkander
zetten, mëngangkang.
wijdbeens, kangkang, tirkangkang,
djangkang;
erg —, zeer —, kangkang
kojak-,
d. i. zoo — dat de rok er van
scheurt. — loopen, mendjangkang, me-
ngangkang.
wydberoemd, masjhoer di mana-mana.
wijden; godsdienstig —, menla/ibiskan.
wijders, arakian, sjahadan, kalakian,
lagi poela, laloe, këmoedian.
—, na het
bovengemelde, këmoedian daripada Hoc,
wabiïdhoe,
Ar. dit laatste in brieven.
wjjdloopig, lang, gerokt, landjoet,
wijdte, ruimte, b.v. van een schip,
land, inhoudsmaat enz., loewas, —, van
eeu vaartuig ook boekak, b.v, gralai
Hoe boekak-nja nna/n dïpa,
die galei
had zes vademen —. Üie afstand.
wijduitgestrelit, amat loewas.
w\\jdvermaard,wM.*//<0er dimana-mana.
w\\ji", pcrampoewan.
wtffelend, besluiteloos, tjempera, Mal.
wijfje, van een dier, betina. —, dat
reeds gejongd of eieren gelegd heeft,
biang, indoeng.
wülr, het wijken, oendoer, soeroet.
wijlt, buurt, kampoeng.
wijken, afdeinzon, oendoer, soeroet. —,
vluchten, lari; van zijno plaats —,
mengandjak (van andjak). —, uit den
weg gaan, mencpi (van lept); zie uit-
wtfken en do afleidingen.
wükmeester, hoofd van een wijk,
kapa/a kampoeng.
w\\jkphuits, toevluchtsoord, pirlindoc-
ngan.
—, eenzame plaats, waar men
zich terugtrekt om rust to hebben,
saki nat, Ar.
wijl, dewijl, zie ald.
wijl; eene —e, sabentar, sakoetika, *«\'-
saai, sadjoeroes; bij —en, zie som-
t üds: na eene —, sakoetika lagi, sabën-
lar lagi, sa\'sdtll lagi, sadjoeroes lamanja.
i wijlen, jang ma/i; van Vorsten, mar-
hoem,
Ar. sorga, soewarga, Skr. Voor
dit laatste b v. schaja empoenja bapa
tïri padoeka panembahan soewarga,
mijn vader, ïïijne Hoogheid — den
l\'antfmbahan; marhoem is in het Ma-
lcisch, en soewarga in het Javaansch,
algemeen gebruikt.
; wün, ajar-anggoer; ook alleen anggoer;
roode —, anggoer merah; witto —,
anggoer poetih; Rhijn—, anggoer asa/n.
wüimzijn, tjoeka toolanda.
wünllesch, botol anggoer.
wijngaard, ktbon anggoer.
wüngoardenier, toekang ktbon ang-
goer.
wijngeest, ajar keras.
wijnglas, piata, gelas anggoer.
wijnpers, apilan anggoer.
\'\\
wijnruit, daoen inggoe, aroeda, Port.
sadzdb, Ar.
\' wijnsteen, farfir, Ar.
wijnstok, pokofc anggoer; e. 8. v. wil-
den —, për/nggat; e. s. v. wilden —,
welks zwartruodc, scherpzuro vruchten
wol bij de rijst worden gegeten, om
de ootlust op te wekken, lakoem.
\'■
wijnvat, long ajar-anggoer.
w\\jnzuiper, chammtr, Arab.
1 wijs, verstandig, berboedi, bënlkal, boe-
diman, bidjalrsana. —, knap, pa/idai.
1 wijs, manier, lakoe, tjara, përi, maljam,
djalan;
op de —, salakoe; op deze
wijze, salakoe ini. —, manier, ook olah,
b.v. demikianlah olah Ijeriteranja; op
dezelfde wijze, dcm\'ikian djoega, bagitoe
djoega;
bij wijze, dengan djalan; op
I allerbande wijze, be\'roeri-pe\'ri; \'slands
57
-ocr page 854-
B4A
wU^beseerto — wild.
—, b.v. in een doek, de wolken enz.,
bertïtoeboeng; gewikkeld, ttrtiloeboeng.
—, in een blad, van bloemen, opdat ze
door de warmte van de hand niet bescha-
digd worden, mëndjoelik; in cone zaak
—, er bij halen, mëmbabit; zich in eene
zaak —, mëntjampoerkan dirinja daiam
soeatoe përkara.
Zie ontwikkelen.
wiUiten, weeën, overwegen, mhtimbang;
bij herhaling of van alle kanten —,
timbang-ménimbeng, — en wegen, be-
rekenen, bespreken van plannen, /»<•
roending;
met — en wegen, zie ook
overleg. —, het voor en tegen over-
wegen, om twee gedachten overeen te
brengen, memadoekan (van padoe), b.v.
memadoekan pikiran sahvtgga mtndjadi
satoe,
de meeningen — tot zij over-
eenstcmmen.
wil; wenschende —, kaltindafy; volstrekte
—, maoe; uiterste —, vas/jat, Ar. bij
uitersten ■— beschikken, bërwasijat;
over iets, bëricastjalkan; tegen — en
dank, maoe ta\'maoe, soeka la\'soeka;
om best —, akan bdiknja; om den —Ie,
ter —Ie, karena, scbab, ook vercenigd
kartna\'Stbab; om (ïods —, pro Deo,
karena Allah, dengan kart mi Allah;
vrije —, vrije keuze, ichtijar, Ar.; zijn
—   ten uitvoer brengen, miêlakoekan
kahtndaknja;
iemand te —Ie zijn, ml-
noeroel kahëndafc orang.
wild, in tegenoverstelling van tam, Har;
ook van menschen gebezigd en van de
oogcu, b.v. matanja Har memandang
kakiri dan kakanan,
zijne wilde oogen
keken links en rechts. Zie ook ver-
wilderd. —, woest, galak, garang.
—, alles aanvallend, van dieren, ganas.
—, dartel, këratjak\'. —, in tegenover-
stelling van tam ook hortan, b.v. een
—  zwijn, babi hoetan; de —e banaan,
pisang hoetan; de wilden, orang hoetan.
—, woest, van menschen en dieren,
ook boewas. — to werk gaan, op goed
geluk af, luk of raak, mërambang; als
Bijw. ramhang-rambang; de —o dieren,
het — gedierte, mërgasattca, Skr. —-,
afge/.worven van de kudde, van buffels,
djalang; een —e buffel, kërbau dja*
lang.
— vleesch, daging djahat; in het
—  rondloopen, b.v. van kinderen, Aer*
djalan kasamukamari,
wild, wat op de jacht gevangen is, joer*
boercean; één stuks —, aa\'ekoer per-
boeroean.
—, ïidat negari; op Hollandsche —,
tjara tcolanda; wijze van zijn, përi
kaüdaiin ;
op geencrlei v/\\}ze, sakali-kali
Üada;
op eene zeer bepaalde wijze,
atas pehalc jang tërténtoe; iemands
gebeele wijze van handelen, zijn doen
en laten, tingkah-lakoe, pëdjaka. —,
zangwijs, lagoe, ragam; eene— zingen,
me\'lagoekan lagoe.
wijsbegeerte» filsafat, Ar.
wijselijk, det/gan boedi biljara, dtngan
bidjaksana.
wüsaecr, filoesoef. Ar.
wijsaeerij», filtafi, Ar.
wijsheid, boedi, boedi bttjara, hikmat,
Ar.; de — alleen in pacht hebben,
zie paolit; do — Gods, hikmat Allah.
wijsmaken; iemand wat —, metiga-
dakan kapada, membohotigi, btrboewat
bohong.
wijsvinger, djari tvtoendjoek-.
Wüten, de schuld van iets geven, men-
salahkan.
—, beschuldigen, mènoedoeh
(van toedoeh). Zie ook verwijten.
Wijting, e. 8. v. zeevisch, ikan pasir.
wUwnter, water, dat voor het gebed
gebruikt wordt, ajar stmbahjang, ajar
dikt, ajar poedjacn;
ook ajar moetlak-;
o. g, v. —( waarover koranspreuken
gelezen zijn en dat, naar men zegt,
tooverkracht bezit, ajar lam.
wij waterk wast, sprenkelkwast, pe-
rëntjis.
w\\jze, munier en zangwijs, zie wij*.
wijze, wijs man, orang boediman, orang
alim;
de wijzen, Telema, Ar. orang Ürif.
-wijzen, menoendjoek (van toendjoek);
den weg —, rninoendjoejf djalan; als
gids meegaande, membawa djalan; van
de hand —, t/ictwlak (van toelalf);
weigoren, zie ald. en ufwüzen*
wijzer, pënoendjorfr. — van uurwerk of ,
kompas, djaroem.
wijzigen, vtengobahkan; onz. berobah.
wijziging, ph-obahau,
wijzing, rechterlijk vonnis, kapoctoesan
jfoekonn.
wikke, e. s. v. peulvrucht, tjawafc.
wikkelen, mi\'mboeloet-boeloet, b.v. Ju i
flanel gewikkeld worden, diboeloetboe-
loet Mngan kain panas;
zich in iets i
—, verwarren, b.v. in een net, mtm-
boeloet dirinja.
—, van een wirdsel om
iets, mfmbebai, niélilit, —, van een
eind touw om de hand of iets anders,
memoental (van poental); zich in iet» •
-ocr page 855-
— winden.                                         843
van, de zoogenaamde kentering, moesim
pantja-roeba
; ruk—, val—, angin goe-
noeng-goenaengan;
vaststaande —, die
eenigen tijd uit denzelfden hoek waait,
angin bidai; de eerste noordelijke —en
na de westmoeson, maar die nog niet
aanhouden, angin toekoes; pas door-
staande Noordenwind, nog niet zoo
sterk, dat men de helft der bedgor-
dijnen zou kunnen openen, angin kt\'-
lamboe sabelah;
doorstaande, stijve
Noordenwind, angin kelamboe menoeng-
gal, angin lahoen biharoe tjina, angin
ekoer doejoeng.
—, die van terzijde
inkomt, bij het zeileu, angin timba
roewang;
zoo inkomen, menimöa roe-
tcang ;
meegaande —, angin toeroetan ;
voor den —, angin dari bilakang, angin
dari boerilan, angin sorong boeritan;
vatten van den —, van de zeilen,
makan angin; boven den —, di-afas
angin, bala bad,
1\'erz.; bonedenden—,
dibawah angin, zir bad, Pcrz. beneden
den — vallen, djaioh dibawah angin;
bij den — zeilen, mvnjoesoer angin
(van soesoer); tusschen water en —,
timboel tahi; in den —slaan, verwaar-
loozen, mënghalai-balaikan, tiada mi-
ngendahkan, melalaikan;
met alle —en
draaien of: zooals de — waait, zoo
waait zijn rokje, masoek kandang kam-
bing, mengembek; masoek kandang kir-
ba/\', mëngoetcak,
Sprw.—, lucht, haica,
Ar. —, veest, kinloet; bij ongeluk een
— laten, te.rkentoet, — in het lijf, angin.
windas, poetaran lawang; ook alleen
poetaran.
windboom, pengoengkil poetaran.
windbui, bajoe, poepoel bajoe.
windbuil, snoever, penjombong, orang
sombong.
—, kwast, toewakang, Chin.
windbus, sinapang angin.
winddroog, kering angin.
windel, telor moeda.
windeldoek, zwachtel, lampin, kaïn
lampin;
zie uok luier.
winden, omwinden, opwinden, nie.moc-
tar
(van poetar). —, opwinden van
garen of touw op een klos, menggelin-
doerig;
om het hoofd—, van een touw,
het lange haar enz., memboe/ang; ook
om de hand —: om iets heen —,
m&lilil; om zichzelven —, berlilit, b.v.
een touw, dat om zichzelven windt,
lalt berlilit; een pilaar in vorm daar-
aan gelijk, tiang birlUU.
wildbosch \'
wildbosch, hoetan pf\'.rboeroean.
wüdbraad = wild.
wilde, orang hoetan.
wildernis, kreupelbosch, be/oekar. —,
met allerlei struiken en onkruid, st/nak;
tot — maken, mënjemakkan, b.v. më-
ngapa pokok-pokok int me\'nje\'makkan \\
tanah,
waarom maken deze planten den \'
grund tot een —. Zie vinkte.
wildheid, pet-i. Har; zie wild.
wildvreemd, Kèlat, dagang, asing.
willekeur, vrije verkiezing, ichtijdr, \\
Ar. kahentfak hati.
willekeurig, dengan menoeroel kaken- \\
dak" hati.
willen, wenschend, Kéndak; volstrekt,
maoe, b.v. wilt gij eten, tvgkau Kendafc
makan;
ik wil niet, ta\'maoe; morgen
wil ik naar llatavia gaan, esok haritah
akoe Ke.ndak ka Batawi;
ik wil dnt gij
het aldus doet, akoe maoe engkau mem-
bocwat bagini.
— of niet —, maoe
ta\'maoe, kéndafc ta\'Kindak, soeka ia\'-
soeka.
— van zaken, ook maoe, b.v.
deze groenten — afgekookt zijn en die
gestoofd worden, sajoer ini maoe dire-
boes, dan sajoer Hoe maoe ditoemis;
iets —, het toestemmen, ntèngtmboeh\'
kan
(van inboek); niet —, ta\'emboeh;
gewild zijn bij, bevallen aan, bërka-
Kïndak kapada;
gewild, aftrek hebben ;
van koopwaren, lakoe, pajoe.
willens, met opzet, dengan sehadja,
alngadja, dlngan nijat.
— zijn, berst- I
had ja; voornemens zijn, bemijat. —en
on—, maoe ta\'maoe, hendak ta\'/tetidak,
soeka ta\'soeka;
zie willen.
willis* bereid, genegen, soeka, sadia,
soedi.
—, volgzaam, soeka mënoeroeti
—, hulpvaardig, soeka menoeheng. —,
van koopwaren, lakoe, pajoe.
wilsbeschikking» zie testament.
wimpel; lange —, op vorstelijke vaar*
tuigen, oelar-oelar; e. s. v. —, dien de
Malcische Vorsten of hoogo staatsbe-
ambton nan den mast voeren, pïraboe
digala.
wimper, boeloe mala.
wind, angin; zee—, angin laoel; land—,
angin daral; heete —, angin pan as; de
heete, verzengende woestijn—, samoen,
Ar.; gunstige —, angin baïk, angin ,
paksa; ongunstige —, angin sakal; zie \\
tegenwind; veranderlijke —, angin j
hiralih-alih; veranderlijke — vergezeld
van buien, pantja-roeba; de tijd daar- \'
-ocr page 856-
winderig — wisseling.
SU
—, menfjehari; zijn eigen kost —,
mïn/jéhari shidiri. —, toenemen, btr-
tambah-iambah.
winner, jang menang.
■winst, voordeel, laba, oenioeng. — doen,
berolih laba, mendapat oenioeng.
winstgevend, bïrlaba. — maken, me-
labakan.
winter; in Indic is de — het droge
jaargetijde, mursim kemarau, en geens-
zios de regenmousson, zooals gewoonlijk
wordt opgegeven.
winzucht, loba akan laba.
wip; een — of zet met het lichaam in
de hoogte, pandjat. Zie wipplnnk.
—, oogenblik, zie ald.
wipbrug, djërnbatan angkat, dj. djong-
kat.
wippen, op- en neder—, b.v. met een
wipplnnk enz., oengkang-oengkit, djong-
kang-djongkit.
—, zooals de staart van
een kwikstaartje, oengkit-oengkit; ook
van een vaartuig door de golven; op
en neer — van een ruiter op een dra-
vend paard, fêrëntak-ëntak; — van een
lossen vloer, djongkit-djongkitan; met
het achterste in de hoogte —, toeng-
ying-toenggit,
b.v, maka kata ségala
orang Malaka: Mengapa ija-ini toeng-
ging-toenggit,
on al de Malakaoon zei-
den: Waarom — dezen zoo mot hun
achterste.
wipplank, papan djoengkang-djocngkil.
wipstoel, koersi oengkang-oengkit.
wis, zeker, lëntoe.
wispelturig, lintjah. — handelen, main
angin, b.v. orang itoe main angin;
djangan përljaja akandia, de man is
—; vertrouw hem niet.
wisschen, vegen, afnemen, zie ald.
wisscher, voor een schictgeweer, pëng-
gabocs, gërindjam.
wissel, wisselbrief, soerat toekaran.
wisselaar, orang toekar, toekang toekar,
pënoekar, pengoeroap.
wisselbank, kedai oeroep-oeroi\'p, ktdai
penoekar oewang.
wisselen, mmoekar (van toekar).
van kleeren, bërsalin pakajan,?ntnoekar
pakajan.
— van de tanden, ganli gigi ;
de verlovingspanden —, bërtimbang
tanda.
— van geld, mettoekar oewang,
mengoeroep;
schoten uit vuurwapens
met olkander —, bertoekar obat dan
peloeroe.
wisseling, toekaran, gautian; het ge-
winderig, van het weder, banjak angin.
—, winden veroorzakend, méndjadikan
angin.
— van gedrag, of woorden,
sombong. —e praat, perkataan sombong,
tjakap angin.
winderigheid, van gedrag of woorden,
sombong. —, winderige bluf, tjakap
angin.
windgod, Külus, bttjoe, vajoe, Skr.
windhaan, gada\'gada.
windharp, eülusharp, beeft men niet;
een werktuigje van bamboe, daarmede
overeenkomende heet boeloeh perindoe.
windhoos, zie hoos.
windkant, sabt\'lah angin.
windkop, wolk, waaruit wind voort-
komt, pokok angin.
windroer = windhus.
■windsel, zwachtel, bUat, pimbtUoêt;
met —en verbinden, mc\'mbebat, mem-
baloet;
dat, wat tot — dient, pembë-
bat, pembalort;
lang en smal --, be-
doeng lilit.
windspil, pontaran latcatig.
windstilte, mati angin-, door — over-
vallen worden, kamatian angin.
windstreek, mata angin.
windvaan, toenggoel-loenggocl angin,
p\'érmdtn angin.
windveeren, e. s. v. vuerachtigo wol-
ken, na hevigen wind, tahi angin.
■windvlaag, poepoel bajoe; ook alleen
bajoe.
wind wijzer, op een ms.&tto\\y, gada-gada.
windwolk, zie windkop.
-windzak, snoever, zie ald.
windzh\'de, sabelah angin.
windzucht, trommelzucbt, péroet kern-
boeng.
wingewest, litgari jang talok.
winkel, kedai; groote —, got
van Europeanen, toko; een — houden,
berkedai.
■winkelen, berkedai.
winkelgoed, barang-barang kedai.
Winkelhaak; werkman\'s ~,sikuc-sikot\'.
Winkelier, orang berkedai; vaste —,
of koopman, bij wien men steeds koopt,
rakanan; léngganan, Jav.
winkelwaar = winkelsoed.
winnen, in spel of strijd, me"nany.
in den handel, btrlaha, berolih laba,
mendapat oentoeng, berolih oenioeng;
het hart of iemands genegenheid —,
mëngambil na/i; het hart zijns vijands
—, membëli hati seteroenja; zijn kost
-ocr page 857-
B46
wiseelkleed — wolk.
woekeren, tnakan laba Cërlaloe banjafc,
rnéngambil boettga gatda berganda.
woelterplant, iu het algemeen, sakat,
ljendawa?i.
woekerzunht, loba akan laba jang
kïdji-
woelachtig, zie woelig.
woelen, in den slaap, menggPJisah. —,
klauwden in het haar, menggerajang;
een kuiltje in het zand —, van vogels,
öe\'rpe\'rap, mtimerap. — van hartstochten
in het gemoed, bt.rombak. — van een
menschenmassa, meraju", b.v. or woel-
den veel meoscheu in dat huis, banjafy
orang nierajau dalarn roemah itoe.
—,
omwoelen, wikkelen, zio ald.
woelig, onrustig van een zieke enz.,
btlisah, gelisah. •— van een menschen-
massa, ook van de handen of andere
ledematen, niet stil houden, merajau.
— e handen die overal aanzitten, ta-
ngan merajau. •
—, niet stil zitten, van
mensehen, asik. Zit: luidruchtig en
onrustig.
woensdag, hari rebo, hari arbïi.
woensdagavond, malam chamis.
woerd, itik djanlan, bebe$ laki-laki.
woewt, wild, van dieren, galak1, garang,
boewas;
van menschen, garang, Har.—
van den grond, hoetan. —, eenzaam,
soetiji; zeer —, soenji-s\'ênnjap.
woesteling, orang garang.
woestenij, goeron.
woestheid, van den grond, hoefan. —,
eenzaamheid, kasoenjian.
woestijn, goeron, padang goeron tandas,
—, onbebouwde vlakte tusschen be-
woonde streken, padang btlantara; de
—  van Arabic, waarin de Israëlieten
rondzwierven, padang Ttjah.
woest ynbewoner, wang bedoewi,
orang bi-dawi,
Ar.
wol, vnn bet schnap, i<Ww dornba, èoeloe
biri-biri;
veel geschreeuw, maar weinig
—, endah ehabar dari roepa, Sprw. het
gerucht issehooner dnn do werkelijkheid.
wolachtig, van het hoofdhaar, kroes,
k\'ériting.
woli", goerk, 1\'erz. dz\'ib. Ar.
woliskuil, pilabang.
wolk, awan, mega, Jav.; allerlei —en,
awan-ki.ma.wan; dikke, donkere —en,
kaboi\'s-kahoes;eene zwerm donkere —en,
sakawan awan jang kaboes; sanmgepakte
—on, vermengd ui i bliksem, panoes.
—, waaruit wind voortkomt, wiudwolk,
Echiedde bij de — van dit on de r maan -
sche, datanglah peridaran doenia.
wisaelkleed, pJruMn; iemand wet
— eren begiftigen, mempersa/i?ii.
wisselplaats, voor postpaarden, tem-
pat ganti kot-da, roemah pos.
wisselvallig, tiada tï-ntoe.
wit, de kleur, poetih. •— maken, inemoe-
tihkan;
op zijn xv\\ts,t,poetih-sapoetihitja;
spier—, poetih mendfëlvpak, sapïrti ka-
pas jang soedah dihoesar poetihnja
;
effen—,b.v. steengoed, de menscholijke
huid bij albinos, saboen; b.v. —te
borden, pinggan saboai. —te zwelling,
bengkafi jatig saöortt; een — men^cÈ,
nlbino, orang saboen; zie albino;
groenachtig —, wïrna ke\\mang; gcel-
achtig —, poetih koening, werna lang-
zat.
—, goed zuiver of schoon gestampt
van de rijst, tjfroeh. — maken vnn de
rijst, in&ntjiroeh. — van een ei, poetih
fêlor.
— van bet oog, poetih mata. —,
bestorven, bleek, poeljat; ook van kleu-
reo. —te vloed, eune ziekte van vrou-
wcn, poetih-poetihan; in het — gekleed,
pak ai poetih; zwart op-—, onderteokend
stuk, soerat pakai tanda tangan. —,
doel, sasaran.
wi tachtig, kapoetih-poetihati.
wit gepleisterd, dilaboer poetih,
wit «gloeiend, pidjar.
witgoud, platina, zie ald.
wit harig, van het hoofd, btramboel
poetih,
—, van do huid, berboeloe poetih.
Witje* een witte dagvlinder, koepoe-koe-
poe poetih.
witkalk, kapoer lialoes, kapoer sirih.
witkwast,sikat kapoer, penjapoe kapoer,
wittebrood, roti poetih.
witten, menjapoekan kapoer, me/aboer
dengan kapoer.
woede» berang hati, b.v. zijne — ont-
stak, berbavgkitlah berang hat\'tnja. Zie
toorn.
■woeden, toornen, zio ald. — , van gol-
ven, storm en regen, de zondo enz.,
bïrgalora; ook woedend.
woedend, zie liet voorgaande woord.
—   van wildo dieren, ganas, boewas.
—   van andere dieren, galak, — moor-
den, eene soort van razernij, iiünyamok\'
(vnn amok).
woeker, laba jatig terlaloe banjak, hiba
jatig kedji, rocüjat, Ar.
woekeraar, orang jang makau laba
tetialoe banjal\'.
-ocr page 858-
840                                       wolkaarden — worden.
pokojr angin; lichte cumuluB—, roode
regen—, tedja; zulk eene —, die aan
de kimmen oprijst, iedja tnimbattgoen;
de matin omringd door zulke ■—en,
boelan dikandoeng iedja; statig voort-
trekkende, zware —en, atcan-awan ber- \\
arak;
voortstuwende —en als voor- ■
boden van wind, atcan pent/arak MUM; \'
regen—, awan méngandveng hoedjan; ;
grijze, van regen zwangere —, awan
btrWmal\' Uitent,
d. i. —, voorzien van
kinbbevet; witte —, mega (Skr. id.);
voortstuwende witto — en,mega berarak; i
het onderste der —en, kaki atcan.
met Üjn uiteinde, een voorteeken van
krachtigen wind, atcan bèrkaki njamoek\'; i
de Kanpscho —en, bintang badjau,
wolkaarden, mZngoeiiting buela? dotnba.
wolknehtig, saroepa atcan, btrawan-
atcan.
wollen, boeïoe dotnba, daripada bocloe !
domba; e, b. v. — doek, —deken, kdin ;
kambtti; e, s. v. — stof, huif zilver,
half sajet, soef, Ar.
wolliu, zie wolachtig.
wond, kwetsuur, loeka; open —, Hang,
NU. —on worden bij liattg, gat, geteld,
b.v. drie —en, loeka liga Hang; doode-
lijkc, zware —, loeka para/t.
wonden, mXloekdi, mlloekakan ; gewond, j
loeka; gewond worden, ketta loeka.
wonder, wondeidnud, verricht door een
mensen, mü.djizal. Ar. —, vnn God,
■jiïrboeicalan fldjaïb.
wonderbaar, adja\'ib, Ar.
wonderboom, pal ut a christi, dio de
rieini-olio levert, pokok- djarafr tjiita;
wel te onderscheiden van do djarak pa- \\
gart
die voor heggen gebruikt wordt en
welks ]>ittcn zeer giftig zijn.
wonderdnnd, zie wonder.
wonderdier, binatattg jang iïdjaïb.
wonderkracht, bovennatuurlijk ver-
wogen, waartoe uien door boctedoc- :
ning komt, kasaklian. Zie wonder-
macht.
wonderlijk = wonderbaar.
wondermncht, de macht oin wonde-
ren tu doen, van een uicnscb,ntadji:al.
wondheeler,tevens barbier,hadjim, Ar.
wondüzer, zie monde.
wondkoorts, demam loeka (f)
wonen, dofdoek, diam, Ütujgal; sumen
—, doedoefr auroemah.
woning, roentah; Vorstelijke—,aslatta. ;
wuuDi\'luiitM, Umpat doedoek-, timpat \'
diam; plaats van inwoning, i. kadoe,
doekan, t. kadiaman.
woord, raannctjescend, Uit djanfatt.
woord, kata, kaltim, Ar. kalitnat, Ar.;
een enkel —, sapatah ka/a; het —
Gods, kaldm Allah, Ar. kalimat Allah,
Ar. bevel van God, Jirmdn Allah. —,
rede, al> verzameling vnn —en, perka-
taan,
b.v. zijno —on, pïrkataannja;
een gunstig — van een aanzienlijk
persoon op een verzoek, lig. titïk lidah,
b.v. ik ben tuueekcude om een gunstig
— van Uwe Majesteit, patik bXrntohon-
kan satitïk lidah dan batcah docli toe-
wankoe;
weinig —en gebruiken, avÉn-
sedikitkan phkataan;
een groot —
hebben, bïrbïsar moeloet, bvrban\'iaje
kata;
het — verzoeken, verzoeken een
woord te mogen spreken, zie verzoe>
ken; het — des Konings, titah Itadja;
zijn — breken, mtngobahkan sa/ia;
zijn — houden, menjampaikan djan-
djinja
(van sampai), tegoeh dZngan ka-
tanja;
iemands — volgen, mfnoeroet
katanja
; zijn — geven, beloven, tër-
djandji;
een gelofte doen, bïrjraul, btr-
nazar;
oen man van zijn—, orang jattg
fZtap alas djandjinja;
zich aan zijn —
houden, ff.goeh dettgan kata; onbetawc-
lijko —en, kata jang boekan-boekan; do
—en uit do keel halen, mendjolok kata.
woordbreher, orang jang mhigobahkan
satianja.
woordenboek, kitab lograt, Ar.
woordenrnndsels, teka-lïki te\'rbang.
Woordenrük, banjajr ptrkataan.
woordentwist, pfrbantahan.
Wocrdgroepeerhig, rangkai /■> rka-
taan,
woordgronding, afal perkataö*.
Woordherhnling, oelangan perka/aün.
Woordhouder, orang jattg tegoeh dt-
ngan katanja
en alas katanja; zio
houden.
woordschikking, atoeran perkataiin.
woordspelin», sindiran.
Woordverbinding, ikatan perkalaan,
rangkajan ptrkataiin.
woordvoeging = woordtichik-
king.
woordvoerder, bij oen deputatie, ha-
loewan.
worden, djadi; wat zul duaruit—,apa
djadinja;
groot —, djadi bcsar; goud-
-niul —, djadi toekang-mas. — moet
souis mol eeu auder woord of met een
-ocr page 859-
wording — wriemelen.                                        847
der passieve vormen van het Ww. terug-
gegeven worden, b.v. ziek —, djatoh
sa-kit;
duor vrees bevangen —, kada-
taagan takoet;
gezien —, kalihatan ,-
geslagen —, dipot-koel; gevonden —,
terdapat; enz.; koning —. na\'ik radja;
weder — nis vroeger, poelang samoela,
poelang sapérti dehovloe,
wording, schepping, kadjadian; wat
in — is, bakal; zio bij aanslaande.
worden, door middel van cen kourd
of iets dergelijks, ecne straf, die op |
vrouwen wordt toegepast, mëngoedjoet ;
(ïan koedjoet), mêmoedjoet (vanpoedjoet), \'
mëmoeadjoet
(van poeadjoet). — met de \'
handen, mëntjekek Irker; tusschen han*
gen en —, didalam doeica tëngah tiya.
worm; aard- en ingewands—, tjntjing.
—  in het algemeen als insect, hoelat; j
vol —en, ktdémpoeng.
wormltrnid, obat tjatjing.
wormsteeb, bëkas dimakan hoelat.
wormstekig, dimakan hoelat.
worniziekte, sak.it tjatjing.
worp, pëloetar, péngoemban, péloentar;
een steen —, supefoetar batoe, sapèng-
oemban batoe;
een steen— ver, sape- \'
loetar baton djaofhuja,
worst, is een Europcescb product, meestal \\
tosis
genoemd.
worstelaar, orang bergoemoel.
worstelen, Ihgoemoel, bergoesfi, ber-
hempas-hempasnn.
—, met elknnder be- |
proeven wie de sterkste is, bërkeras-
kërasan.
— tegen iets, ann iets hot [
hoofd bieden, mëadada. — incl den dood,
iërkapah-kapah lundak poeloes njaica.
wortel, akar; ook fig.; de hoofd—
cener plant, iboe akar; de pen — , akar
oembi;
de hoofd— van de kurkuma,
iboe koenjit. — van een tand, oembi;
vingervormigc —, zooals van gember,
kurkuma enz., rimpang. —, peen, bërotol,
lobalc tnerah.
— schieten, berakar. Soms
kan bet ook teruggegeven worden met
berlanah, b.v. als de nijd — geseboten
heeft, apabila deitgki soedah btrtanah.
—  schieten in het gemoed, berakar da-
lam hali;
mot — en tak uitgeroeid,
zie uitroeien.
wortelboom, pokoj? bakau, fioküfc
mavggi-matèggi.
wortelen, berakar, ioemboeh akaraja.
wortelluuir, boelue akar,
worlellioui, kajoe akar.
wortelsiiruit, rank, soeloer.
woud, rimba; het grooto—,rimbaraja;
ook hel maagdelijke —; bosch en —,
hoetan rimba.
woudbewoners, zie \'wilde,
wondduif, zie duif.
wouw, kiekendief, boeroeag htlang.
wraak,pemba/asan. —, vergelding, vloek
van overleden hoogverheven personen,
die men zich door oneerbiedig spreken
of handelen op den hals hnalt, ioelah
(Ar, ioewalat); duor die — gel rollen
worden, katoelahan.
w malt gierig, soeka mèmbalas.
wrak, niet stevig genoeg voor het ge-
bruik, roevrai, b.v. een — vaartuig,
perahoe roeicai; die mast staat — ,tiattg
itoe roetcai.
wrak, stukken van een vergaan vaar-
tuig, bëkas perahoe karam.
wraken, verwerpen, afwijzen, menoelai
(van toetak), tampik, .Tav. — van een
getuige door den rechter, mengoemban
tak si.
wrang, samentrekkend van smaak, te-
pal, s\'ebat, p\'eral, kelat, këtar.
— van
de smaak, kelat.
wrat, koe/U, daging mënempel, këtoeivat,
mata ikan.
wreed, bëngis, këras. —, norsch, garang.
—, onrechtvaardig, Jdlim, Ar.—.stroef
van de tanden, na het gebruik van iets
zuurs, tigiloe; wat de tanden — maakt,
jaag mëngiloekan gigi.
wreedaard, oravij bëttgis, orang lalim;
ook pëmbëngit.
wreednardigltfk, dé/igan bëngis, d$-
ugan lalim.
■wreedheid, kabëngisan, kakërasan.
wreef; de — van de voet, koera-koera
kaki.
wreken, zich —, mlmbalas dendam;
iets —, mèmbalas; den dood van zijn
volk —, mèmbalas katnatian fcautiiuja;
iemands dood —, ouk mënoeiitoct ka-
tuut tan,
wreker, pëmbalas.
wrevel, ageren.
■wrevelig, knorrig, ageren, b.v. maka
Mavhdoem pon ngërenlak,
en Machdocm
werd —; ook hali mëadoeri, b.v. m\'én-
doeri hali atvak mhulëngar kataaja;
en verder pëgal, pëgal hati.
wriemelen, door elkander kruipen, me-
lata, soeloer-mëajueloer. —
vnn mieren
en dcrgcl. ook uiënibelar, —, mot zijn
velen ergens op U-ebtloowen, zou&lt
-ocr page 860-
848                                   wrüfcloeh — zantldrnsientl.
luieren op suiker, menseben op een
srhouwspel, bérkïrocmoen.
wrüfdoek, ka\'in kësat, ka\'in goxok.
wri.jliuiililrl, mi; i■ -■ 11e kwaal of een
geest uit een kranke te verdrijven,
alinan.
wrüfpaal, scbuurpaal, schurk in de
weide, kisilan.
wrytWteen, waarop men kruiderijen
fijn wrijft, batoe giiing, pipisan, bato^
pëngasah, batoe asahan,
wrüiïsler, cene vrouw, wier beroep hol
ia menschen de ledematen Ie wrijven,
pdoelori.
wrijven, hiervoor verscbillcude woor-
den, al naar gelang van de wijze van
—, Het inecst nlgeineene woord is:
mengyosok; zich —, bezig zijn met —,
bërgosok\'; op een steen fijn—, b.v. van
kruiderijen, mimi/ris tvan pipis), meng-
yiling,
omdat daarbij een rolstecn ge-
bruikl wordt; ook menyasalt; tol poeder
—, memirik (van pirïk), m\'anirai (van
pirai): hard —, boenen, van een rueu-
bclstuk, iemands uiond of neus enz.,
mënjëntal (van sëntal); de handen —,
mïnggetek iangan; ook mênygisar ta-
vgan
en menggeset tapak tanga»; over
of langs iets —, b.v. met den slrijk-
stok over de snaren eener viool enz.,
menggesrfr, mèiigyisil; twee stukken hout
tegen elkander —, om vuur te maken,
mtngg\'isil; titsschen de handen—,ming-
gisir, mémoesar
(van pocsar); verf —,
mhnoesar fjat (van poesar, horizontaal
draaien): inet de voeten tegen elkander
—, minggisar; overlangs in de handen
—, mhiggnlek; twee harde voorwerpen
tegen elkander -- en daardoor een
knarsend of piepend geluid maken.
mënjanygü, mënjenyget; ook van per-
sonen of partijen; tusschen de handen
—, zoouls linnengoed, dat men wascht,
mênygèlosok; knijpend —• van de
licliuaiusdcelcn mr.t de hnnden, als
fcezondlu\'idsnjaatregel, mi/noeloet; pidjët,
Jav. de vrouw, wier handwerk dat is,
pHoeloi-l; zich zoo door iemand laten
—, berlucluri; ook voor het — van
verf of bars; den buik drukkende, vim
beneden naar boven —. b.v. om win-
den te verdrijven of de gezakte vrucht
weer naar boven te krijgen, mhijëny-
kak
(van xhiykak); onder don neus —,
bcstmft\'un, mïu\'vmpelaik; onder den neus
gewreven worden, khia tempülak; sterk
schurend —, m\'énggavjak. Zie si rij -
ken, «ehuren enz.
wrikken, van een vaartuig, mhtgoempil
(van oempil), mëngoewit (van hoewit),
mhttjiiiu,
Chin. — met vier man, cene
bijzondere wijze bij de (\'bincezen, Hoe,
Chin. —, bewegen van iels, dat vast
I zit, mënyyërakkan, mingyojangkan.
wrikker, van een vaartuig, pëngormpil,
pëitghoewit, pentjian,
; wrinjjen, van waschgocd, ook het pijn-
lijk ■— der ingewanden, jnëmoelas (van
poelas). — door middel van een Spnan-
sche spil, b.v. de planken voor de huid
van een vaartuig, dat zij op hunne
plaats komen, menggïnioek; zich in
allerlei bochten —, zooals b.v. de in-
dische dnnseressen, bërlioefr; met vcr-
seheidenheid, zooals cene slang of nal,
lioefr-ltmpai, —, uit—, uitpersen, zie ald.
\\vroc**>en, m\'enjësal, b\'ersësal,
wroesinjj, •>■■■/.
wroeten, zooals b.v. een varken, me-
njoengkoer
(van soengkoer). Zie krab-
ben.
wrok, dëadam, sakit Aa/i, këtjil hati,
pèrdêndaman.
— voeden, menarok dln-
dam, bërdhidam;
jcirens iemand, mai-
dèndam, bërdëndam akan.
wrokken, zie het voorgaande woord.
wroiii», haar—, koendai. —.hoofddoek,
zie ald.; onordelijk tot een — vormen,
menjëmpolong (van sëmpolony).
wrongel, gestremde melk, dadi, Skr.
wuft, veranderlijk, tiada fëntoe, sabën-
tar baginï sabentar bagitoe.
—, los van
levenswandel, tiada kUuhoean lakoenja,
doerdjana.
wuiven, wenken, metambai.
wulpsoh, ontuchtig, doerdjana, doekana,
gatal;
inzonderheid van vrouwen, b\'tang.
wurjjeiii zie worgen.
Z.
/iiikI, vun planten, benih. —, nakome-
lingen, benih, —, korrel, pit, bidji,
bidjian;
allerlei zaden, bidji-bidjian;
ongebolsterd —, padi, b.v. ongebol-
sterde kollicboonen, padi AraAt\'an. —,
mannelijk teclvocht, utani, Ar. bakal
manoesia;
zaadstorting, nachtelijke,
ihtilam, Ar. — geven, mëmantjarkan
mant
(van pantjar).
vaadbal) boewah p\'élir.
zuuddrayend, btrbidji.
-ocr page 861-
zaadkorrel — zak.
81\'.)
zacht, week, tecder, van het gemoed,
hout, aurde, don wind, enz., lëmboet.
—, van vruchten door rijpheid, ra-
norm, ëmpok.
—, lieflijk van den wind,
sepoeï-sepoeï, — van drinkwater, Ie-
moek.
—, lieflijk van stem en geluid,
mtrdor, sëni. —, lief in spreken en
benemen, manïs, —, week, van klei
of modder, ook van den grond; iëmbab,
lëmbek.
—, doorweekt van den grond,
loenak. —, los van den grond, gémboer,
— maken, ménggewhoer; niet — genoeg,
maar wel gaar, van gekookt graan of
aardvruchten, poclan, pvelan-poelan.
zachtaardig, lëmah-lémbuet, lëmboet
hati.
zachtjes, van spreken, pèrlahan-lahan ;
ook van handelingen.
zachtmoedig = zachtaardig.
zachts, lichtelijk, moedah-moedahan,
zachtzinnig = zachtaardig.
zadel, pëlana, l\'erz. sela, Port. kékapah.
zadelen, mëngenakan pélana, menaroh
sela.
zadelknop, hoeloe pelana.
zadelkussen, bantal pélana.
zadelmaker, toekang pelana,
zadelriem, tali përoet.
zadeltuig, alat pilana.
zagen, mtngytrgadji; het gezaagde, ger-
gadjian.
zak, ruwe baal — van juto-vlas, voor
rijst enz., goeni, karoeng; bij —ken, oer-
goeui-goeni, bërkaroeng-karoeng.
— van
vlechtwerk, die, met het een of ander
gevuld, wordt dichtgenaaid of geregen,
kampit, kaïnpU; ook van pandanus-
bladen voor sago. —, ontstaan door
het bijeenbiuden der vier punten van
een doek enz., poendjoel. —, die op
den rug gedragen wordt door bedelaars,
om er de aalmoezen, door werklieden,
om er gereedschap in te bergen, been-
lil.
—je, gevlochten van bludcren, ter
berging van kleinigheden, këmbal;
geld—je van nipahbladen, kuepat;
kleine —, buidel, poeiidi-puendi. — in
een kleedingstuk, koe/jik, sako; lederen
— voor wijn, olie enz., e/tik, 1\'erz.
kirbal, Ar.; kleine, lijn gevlmbteii —
voor rijst, die ongeveer Ij gitntnng
inhoudt, soempil. —, beurs, gebreid of
geknoopt, radjoet; o. s. v. groote, ge-
breide—, balkas.— van linnen, waarin
men kleeren en andere dingen bergt,
boentil. —, ook kantue,w, Jav.; in —
zaadkorrel, hidji.
zaudvloed, beser mani.
zaadvocht, teelvocht, mani, Ar. bakal
manoesia.
zandzaaier, pënaboer bht\'ih.
zuag, gergadji.
zaagbank, zaagbok, pelanggaran, Mal. j
zaaghont, kajoejitng héndak digergadji.
znnsloon, opah menggërgadji.
xnn,\'ï&e\\,abo>,k gergadji, sérboekg.,tahi g.
znagtand, gigi gergadji.
zaagvijl, penyikir gergadji.
zaagvisch, ikan todak.
zaagvormig, sarocpa gergadji.
zaaibaar, dapat ditaboerkan,- niet —,
iiada ierlaboerkan.
zaaibed, bed voor zaailingen, lapang ,
sëmai.
zaaien, mïmiboei- (van taboer), mtnjebar
(van së&ar, Jav.); het gezaaide, taboe- ;
ran, sebaran.
zaaier, penaboer.
zaailand, tanah jang /li\'/tdafc ditabucri. \\
zaailing, semai; rijst—, sëmai padi;
koffie—, sëmai ka/iua/i; de dooi middel
van —en verkregen koilie, kahtcah
semajan.
zaaisel, taboeran.
zaaityd, moesim mënaboer.
zaaizaad, bidjian; allerlei —, bidji-
bidjian.
zaak, përkara Skr. hal, Ar. ook pëkër-
djaan;
in deze zeilde —, pada pèrkara
ini djoega;
\'t is uit met de —, habis
ptrkara;
dat is de —, itoelak pérka- .
ranja, demikianlah halnja; ook alleen !
xtoelah; eene — van gowicht, ptrkara
jang bësar;
\'t is niet veel zaaks, het
heeft niet veel om \'t lijf, tiada berapa
halnja;
een geringe —, pérkara ktfjil;
de zaken, omstandigheden, sëgala hal- ,
ahoewal; dat is niet mijne —, boekan \\
përkarakoe, boekan s\'èhaja poet/ja per-
I
kara; het is — dat, palocllah, karot- !
ïah; en nu ter zake, om op mijn ver-
haal terug te komen, tnaka kimbali
poela akoe mënljëiitêrakan;
ter zake
van, ditri s\'ebab, dari karëna; in zake,
pada pehak; de zaken, werkzaamheden.
pekerdjaun.
zaakgelastigde, watit, Ar.; algemeene
—, wak/l moe(laJp, Ar.
zaakwaarnemer, kdftl, Ar.
zaal; gruotc, open gehoorzaal vóór de
Vorstelijke woning, balairoeng.
zabberen, zie kwijlen.
-ocr page 862-
850
zakdoek — zedig.
en nsch, van iemand diü rouwt over
een (luude, lerkaboev g-b\'ergoendoel.
uvüi\' bet houfd, ten toeken van rouw,
zooals vroeger bij de Joden in gebruik
WO*, kan het be^t met kaboeng worden
weergegeven.
zakdoek, supoe-latrgan, verkort tot se-
ta»gaii;
in poëzie, roemdl, Pen. ruraal,
Mm.; de — in zijn zak steken, m\'eme-
dal
(van pèdal)-. zijden — met gouden
sterretjes, sïtangau bertabocr; zijden —,
door ecne bruid gebruikt, toekah; in
een — geknoopt, poendjoet.
zakelijk, den —en inhoud van iels
nemen, bekorten, eeno zaak beknopte-
lijk auuteekenen, mhtgatnbil simpannja.
zakgeld, oewang «WA.
zakje, tiischje, sitafr. — van kokos-
bladen, om er rijgt in te koken, oeroertg,
— voor de bvlc\\,ka>ripil siri/i. Zie zak.
zakken, in een zak doen, masuefckan
dalam karoeng
enz. Zie zak.
zakken, dalen, ioeraen ; laten—-, menoe^
roenkan;
door iets heen of in iets —
mot een been, b.v. door den vloor, in
den modder, in een gat, térpërusok-;
laten —, van een anker, gordijn, enz..
tnèlaboehkan • laten — van een touw
of iets dat uan een touw hangt, af-
vieren, inhighoiïoerkan. —, vallen van
water of ander vocht, soeroet; in iets
gezakt zijn, b.v. in den grond of in
het vlccsch, terfavam, térbinam. —,
b.v. door zich te bukken, kleiner wor-
den van ecne vlam, —, bedaren van j
driften, —, bezinken, enz., mengeudap I
(van indap); gezakt, bezonken, doedoejr, |
b.v. do koffie is nog niet gezakt, frak-
toa/i bëlom docdoek.
— van den prijs,
toerom harga.
zakkendragcr, orang koelt.
zukkenlinncn, kaïn karoeng, k, mas-
toeli.
— van jute-vlns, goeni.
zakkenrollen, mhitjëlo^.
zakkenroller, kab\'it, chablis, Ar. ka-
del, philjelok-.
zulutct, zie bij net.
zalf, palet. — voor de lippen, palet
bibtr.
— in de geneeskunde, minjafc
p\'ékat, masoeh,
Ar. biervan alMasih, do
Gezalfde; welriekende—, kasai, minjaJc
kasai, atar
(Ar. öfar), die gebruiken,
bèrkasai. —, smeersel, zie ald.
zalig, saldmat. Ar. bahagia, Skr. —
worden, djadi saldmat. —, stomdroa-
ken, mabok- buct/ga suelasih.
zalige, orang saldmat.
zaligen, niïnjaldmafkaii, mhujch diaskan.
zaliger, wijlen, marhoem, S.v. swarga, Skr.
zaligheid, saldmat, ook nïmat, Ar.
zaligmaker, hiervoor schijnt djoeroe-
saldmat langzamerhand algemeen in
gebruik te komen.
zaling, vnn een schip, zie mars.
zalven, beoliccD, meminjaki, nthnpermi-
njakkan.
zumen; te —, bërsama-sama.
zand, pasir; ook in de heteckenis van
zandbank, zandplaat; grof—, karsifr;
lijn, wit —, karsik1 èoelan; gewoon,
donker —, karsik* loemat. — in do
oogen strooien, mtmbaetakan mata.
zandbank, pasir, boesoeng laoet.
voor do monding cencr rivier, alangan;
smalle — in zee, bètitig.
zandgrond, tanah pasir.
zandheuvel, zandhoop, boesoeng darat.
zandkorrel, een —, saboelir pasir, sa-
b/\'dji pasir; groote —, steentje in het
zand, iboe pasir.
zandlooper, djam pasir.
zandplaat, boesoeng pasir; zie zand-
bank.
zandregon, hoedjan pasir.
znndruiter, orang jang goegoer dari
atas koeda.
zandsteen, batoe pasir.
zandstreck, tanah pasir.
zandwoestü"» padang pasir.
zang, njanjian.
zanger, orang menjanji. — aan het
hof, bidoetcan.
zangstuk, njanjian.
zangwijze, lagoe, ragam.
zaniken, kletsen, beuzelpraat houden,
mërepejr. —, leuteren, mengel il (van kêtil).
zat, meer dan verzadigd, volgcgeten,
bising, boentoer. —, gewoon verzadigd,
khmjavg, poewas. —, dronken, mabok:
—, zeer veel, terlaloe banjaje. —, af*
kecrig, djemoe.
zaterdag, hart saptoe.
zaterdagavond, malam ahad.
zaterdagmorgen, pagi hari saptoe.
zaterdags; des —, pada hari saptoe;
op eiken Zutcrdag, pada tiap-liap hari
saptoe.
zebra; de Suroatraanschc —-, koeda arau.
zedeloos, fjaboel.
zedig, ingetogen, sopan, maloe. — en
ingelogen, sopan-sanloen. — zijn, mina-
rok sopan (va» taroh).
-ocr page 863-
K51
zee — seepvrunht.
I zee horen; de groote —, tritonshoren,
kilah, sangka, Skr.
/celioos, zie hocm.
zerknart, pèfa laoet, gambar laoet.
zeeltalf, mina gadjah.
zeekant, iëpi laoet.
zeekapitcin, kapifan kapal.
zcehlïp, karang, baloe.
zeekoe, ikan doejoeng.
zeekrnb, kétaia laoet; zio krab.
zeckreeit, hoedang karang.
zeeUiiMt, pantai, tëpi laoet.
zeehwal, oeboer~oeboer\\ ampai-ampai.
zeelieden, aicafr perahoe, wang kapal,
cHaldfi, Perz.
zeeman, urang kapal, orang perahoe.
zeemeermin, bintoe \'tbahri, Ar.
zeemeeuw, boeroeng tjamar, boeroeng
ètnbérak, Jièlang laoet.
zeemleder, koelit kambing.
zeemoMsel, zie moxsel.
zeeoflïcier ; Euiopeeschc —, optir kapal
jtêrang;
inland&cbe —, penglima laoet.
zeeoorlog, përang dilaoet.
zeeoverste, inlundsche —, laksamana.
zeep, §abon, Ar. witte —, $abon poelilt;
reuk—, $aèon wangi; groene —, §abon
U inboet.
zeepaarde, napal; ampo, Jav.
zeepaard je, oendoek-oendock, koeda
laoet.
zeepachtig, van aardvruchten, kënnjal,
ganjoet.
zeepnu, soeral pas kapal (of perahoe),
soerat idzin kapal (of perahoe).
zeepbnlijc, tempat $abon.
s.
:\'i*pti:ist : ecne soort van welrickcnden
bnst, die, geraspt en met water ver-
niengd, als zeep schuimt en veel bij
bet baden, om het hoofdhaar te rcini-
gen, wordt gebezigd, langir.
zeepbel, gëtëmboeng. —Ion blazen, meng-
g\'êlëinboeng-gëlembocngan.
zuepboom, pohon lërafr.
zeepen, mènjabon (van $abon).
zeephout, zie zeepbast.
zeepig, glazig, van gekookte aardvruch-
ten, niet melig, ganjoet.
zeepkist, pëli f aio».
z<\'c|iliuiis, négari ditêpi laoet.
zeepnoot, boewah térak.
zecpplant, sëndordofk.
zeepsop, ajar fabon.
zeepvrucht. eene roude, doorschijnend
groene Vlucht, ter grootte van een kleïiio
okkernoot, die voor zeep gebruikt wordt
zee, laoet; cone — van vuur, laoet api;
do groote —, ocL-ann, zie ald.; open
—, het ruime sop, laoet r\'rmbang; de
lïoode — , laoet kolzom. —, {ruif, baar,
geloembang; korte —, ombak; zware
—, die een schip belet te vorderen,
pengoendak (van oendak); de — over*
steken, mënjaherattg laoet (van sabé-
rang);
nnur — honden, m\'elaoet; de —
bevaren, me/aoeti; slechte —, laoet
tënang ;
woedende —, .laoet bërgalora.
zeenal, ikan maloe/tg.
zeenjuin» Mufltfl, baukeng, Mal.
zeeappel, djanik.
zeebaar, geloembang.
zeebeving, gf/ora.
zeebewoneri*, e. 8. v. wilde volkstam,
die in vaartuigen leeft en door den
ganseben Indischen archipel verspreid
is, orang laoet.
zeehoezem, fëfok.
zeehrnwem ; e. s. v. —, ilan bëkoekoeng.
zeedienst, pëkerdjaan laoet.
zeedranh, naga laoet.
zeeclruif; e. s. v. eetbare —, agar-
agar.
zeeëend, Mijt laoet.
zeeëgel, masoe, djanify.
/iM\'i;n:;ic, strant, se/at; oenc — door-
varen, m\'énjilat.
zeel", pënjerkai, ajak; o. 8. v. graolc,
rondo —, gadang en badang. — of
toestel om de grove van de tijne goud-
korrels te scheiden, tintingan.
zeegarnnal, hoedang laoet.
zeesast, orang kapal, orang perahoe.
zeegat, koewala, moevara.
zeegebruilien, Hdat dilaoet.
zee«*edruïH**h, gimoeroeh boenji laoet.
zeeaereeht, hoekoem laoet.
zeeaevnnr, bahaga laoet.
zeegevecht, përang dilaoet.
zeegewnit, o. s. v. —, wuurvnn men
armbanden on/. vervaardigt, akar-bahar.
zeegeweed» djadjahan di l\'tpi laoet.
zeegod, do —, Ncptunus, barocna, Skr.
varoena.
zeegras ; c. s. v. —, rëngkam.
zeegroe», biroe laoet, letterl. zeeblnuw,
daar do tint der zeo in Indic licht-
blauw is.
zeehandel, përniagaan dilaoet.
zeehaven, pëluboehan.
zeehooiïl, havenhoofd, pangkafan, dér-
ntaga.
—, golfbreker, tocn/jtoean ge-
lombang, t. huroes.
-ocr page 864-
862
zeepzieden — zegen.
en met water gewreven, sterk schuimt,
boeieah lerafy.
/••cr/ii\'il.\'n, ma sak sabon.
zeepzieder, foekavg masafc sabon.
zeer, pijn, smart, sakit. —, stekende
pijn, peri/i, pedih; zeere oogeo, mata
sakit.—, uitslag, poeroe.—doen, bedr.
mïwjakitt.
zeer* uitermate, ernst, sangai, tërlaloe,
terltbih, térlampau, sakali, ma/ia, Skr.
bahena, bena; al te —, tërlaloe sakali,
tirlampau sakali. — gaarne, dèngan
soeka kali.
zeerunip, tjtlaka dilaoet.
zeerecht, hoekoem oendang-oendang
laoet.
zeereis, pelajaran, pelajaran dilaoet.
zeereuk, baoe harocs.
zeeroof, rompakan; zcerooveiijen, roni-
pak-rompukan. — bedrijven, m\'érompak.
zeeroover, p\'erumpak; badja}?, Jav. —
van het eiland Magindanau, ilanoen.
zeerooversvaartuig, pirahoe ptrom-
pak-, pïrahoe badjak, Jav.
zeerots, latoe dilaoet.
zeeselmde, roesak kapal (of pïrahoe).
zeeschelp, zie schelp.
zeesohildpad, zio aohildpad.
zeeschip, kapal laoet.
zeeHehuim, boewih laoet, hoesa laoet.
zeeschuimer «o zeeroover.
zeeslag, peravg dilaoet.
zeeslnh, zie slak.
zi\'C"l!ini,". oelar laoet, naga laoet; e.s. v.
giftige, een span lange, roode —, oelar
berang-beravg; e. and. 8. v. giftige —,
oelar ari.
zeesnoek, e. s. v. langbekkigen—,ikan
djoe.loeng-djoeloeng.
zeesoldnat, marinier, soldadoe kapal
p\'ét\'ang.
zeespiegel, mveka laoet.
zeestad, negari ditepi laoet; havenstad,
bavdar, 1\'orz.
zeester, bintang laoet, tapakdapafc.
zeestilte, katedoehan laoet.
zeestraat, s\'élat.
zeestrand, pantal, tèpi laoet,pïsisir,A&s.
zeeslr\\jd, j\'-rtuig dilaoet.
zeetijding, chalar dart laoet.
zeeuurwerk, djam kapal.
zeevaarder, orang pelajaran.
iceevuart, pelajaran dilaoet.
zeevaartkunde, rlmoe pelajcran.
zeevalk, belang laoet.
zeuvurhen, ika?i loemba-loemba.
zeever, Hoer, ajar Hoer.
zeeveren, berlioer.
zeeverza-ad, obat tja/jing.
zeeviseh, ikan laoet.
■  zeevogel, boeroeng laoet.
\\ zeevolk, sehecpsvolk, zie ald.
zeevoogd, laksamana.
zeewuurts, kalaoet. — aanhouden, meer
— gaan, uielaoet.
zeewater, ajar-laoet.
zeewelten, ifroekoem oendang-oendang
laoet.
zeewier; e. s. v. eetbaar —,agar-agar-,
e. and. s. djanggoel doejoeng ; e. s. v.
fijne ngai\'-ngnr, djanggoel monjet; nog
e. and. s. latuh, alle eetbaar.
zeewind, angin laoet.
zeeworm, zie paalworm.
zeewortel, akar bahar.
zeeznken, perkara laoet.
■  zeezand, pasir laoet.
\'■ zeeziek, mabok laoet, mabok ombajr,
: zeezwaluw, boeroeng lajang-lajang
laoet.
zeiir, liefelijk zaehte wind, angin se-
poewi-s\'époewi.
zege, overwinning, kam\'énangan.
.
zegeieest, hari raja kam\'énangan.
j zegegnlm, soerak kam\'énangan.
\\
zeaekroet = het voorgaande woord.
\' zegel, tjap,m\'éth-ai,ehata>n, Ar.; druk—,
cat\'het, tjap kïmpa; het Ncderl-rijks—,
tjap matjan. — ook lera, b.v. orang
besai-b\'e.sar jang tiada mém\'égang tèra,
grooto lui, die er geen — op nahou-
den. —, gezegeld papier, karjas pakai
tjap koinpèin.
! zegelen, mémboeboeh tjap, mëniëtêraikan,
méngehatamkan;
een gezegeld stuk, soe-
rat tjap, soerat metërai.
zegelkosten, voor eene aanstelling
door den Vorst, alas tjap.
zegellak, alkari, Port. lil/n tjap, lakri.
zegelring, tj\'mtjin kempa, chalam, Ar.
zegelsnüder, péngoekir niïterai,p. tjap.
zegelwns, lilin mët\'érai, l. tjap.
zegen, b\'erkat, Ar. den — geven, MÏm-
beri b\'erkat.
— ontvangen, diberi b\'èr-
kal, dikaroentdi berkat.
—, gezegdo, die
geluk of ongeluk aanbrengt, sëmpëna,
Skr. — of vloek \\an een met boven-
natuurlijko krachten begaafden persoon
of zuak, apoewah, méndika, beudika.
zegen, eene Hoort van net, poekat, pa-
i jang;
met de — vissehen, niémoekat,
memajang.
-ocr page 865-
Mfl
zegenbede — zeilklaar.
zegenbede, döa berkat, düa salamat. \\
zegenen, mèmbèri berkat, memberkati,
menjempëna;
zie zegen; maka disëm-
penanja akan hamba,
hij zegendo mij;
een gezegende kris, keris sëmpèva; God
zegene en behoede hem, de zegenbede,
die achter den naam van den profeet
gebruikt wordt, sallalahoe -Vaihi ica <
sallama, Ar.; God zegene me, uitroep
van verbazing of ontsteltenis, tauhat!
koer soemangal!
een gezegend land,
nëgari jang salamat sanlansa; in ge-
zegenden ataat, zie zwanger.
zegening, berkat.
zegenrvJlt, bavjak berkat,
zegenwensen, sal,imat, düa salamat.
— met Nieuwjaar, salamat tahoen b\'è-
haroe;
een — geven, mëmberi salamat. ,
zegeprmi.1, kaïneiiangan.
zegepralen, ménang.
zegestnndnnrd, zegevaan, ah\'tmat ka-
menangan.
zegeteeken, laiula kamenangan,ülamat ■
kameninigan.
zegevierend, de overhand hebbend,
mëttaug, gralib. Ar.
zeggen, bërkata; bij herhaling of voort-
during, bërkata-kala; elkander —, ber- |
kata sa" orang kapada sa\'urang; iels—, |
mhigatakan; hetzelfde —, sakata; over ;
iemand iets te — hebben, hem be- I
babbelen, mëngata-ngatdi orang. —,
spreken, ook uedjar, berfoetoer; van
dm Vorst, bertitah; van Vorsten en
profeten, bersabda, het —, sabda, Skr.
—, in gedichten, bérmadah, bèrpëri;
sommigen — zus, anderen — zoo,
satingah kata bagiloe, satingah kata
bagini; satingah bagai boenji koeicait, sa- ■
tëngah bagai boenji ënggang.
Pad. bov. 1.;
dat wil —, namolijk, ija-itoe, juni, Ar.
ërtinja; zeggende, mengatakan, katanja;
wat het — wil, ertinja, apa \'értinja; ■
ook behasa, b.v. karma boedafr, bèlom !
méngerti nat/gal akan behasa malt, want
hij was nog een kind en begreep nog
niet recht wat het — wil Ie sterven; ,
wat wil dat —, apa ërtinja; wat zeide
hij, apa katanja; al wat gij zegt, sëgala
katamoe;
zóó zeide hij, dëmikianlah
katanja;
zeg op, katakanlah; men zegt,
naar men zegt, kata orang ,-daar mag men
wat van —, didalam përkaiaan orang,
b.v. didalam përkaiaan orang, lagi dapat
didUwa orang,
daar mag men wat van —
en eene klacht bij het gerecht indienen.
■nggfrn, het —, kata.
zegsman, orang jang soedah mentjeri-
térakannja.
zegswijze, fëri mëngatakan.
zeil, lajar; één —, lajar sabidang.
van kadjangmat, lajar kadjang. —van
doek, lajar kaïn; sleep—, eene soort
van matten—, dat soms in het water
sleept, lajar seret; een etl\'en —, be-
stnandc uit een enkele mat zonder
reven, lajar pëdëndang; vierkant mat-
ten —, lajar bafang; e. s. v. schuin —
in den vorm vati een trapezium, zuonls
de pt\'rahoe pemajang hebben, lajar
landjafc.
—, dat aan de binnenzijde
met een langen stok gesteund wordt,
lajar sokottg ; het groot —, lajar agomg ;
lij—, lajar dastoer; stag—, lajar boe-
boetan;
fok—, lajar trinkat; bozaan—,
lajar pènjueroe/ig; top—, lajar gawai ;
bram—, lajar saboer; mars —, lajar
bara gawai;
storm—, lajar pëngapU;
e. s. v. — op kleine vaartuigen of
bootjes, sabang. — tot scherm voor
eene galerij of tent, embrk, b.v. de
voorgalerij had kndjangmalten voor
scherm—•, selasar bërembekkan kadjang;
ook ebek; nlle —en bij hebben, lepue.
— maken, mèngangkat lajar, b.v. maka
sabéntar itoe djuega kapal Hoe pon
mtngangkal lajar laloe bërlajarlah;
de
—en uaar den wind zetten, over stag
gaan, ménadah lajar; onder — gaan,
berlajar; met volle —en, dëngan sëgala
lajar saboer dan dastoer;
de —en
bijschen, mënaïkkan lajar; een oog in
het — houden, mëmboetcang-boewaug
ntata.
zeildoek, kaïn mota, kaïn lajar.
zeilen, berlajar; met een enkel zeil aan
de groote mast, berlajar togof.\'; heen
en weder — en op dezelfde hoogte
blijven, berlajar s\'unpang-sioer; meteen
vaartuig —, melajarkan perahoe; ook
weg— en verder —; te znmen mot
een ander vaartuig —, bërsaïng-saïng;
vaartuig dat mede za\\\\t, përsaïng; dicht
voorbij —, het eene vaartuig het andere
zonder plichtpleging, mënjingkir (van
singkir); slecht zeilend van een vaar-
tuig, waarin geen gang zit, damal;
langs de kust —, berlajar mènjoesoer
pantai;
zeilens, pélajaran, b.v. drie
dagen —, liga hari pëlajaran.
zeUgaren, bënatig lajar.
zeilklaar, siap akan berlajar.
-ocr page 866-
854                                          zcilltoers — zenden.
zeilkoers, loedjoe ber lajar.
zeilmaker, toekang lajar.
zeilmakersplaat, p\'élat lajar,
zeilraakersnaald, djaroem lajar.
zeilree = zeilklaar. —, alleen nog;
maar e\'én anker te lichten hebben,
bersaoeh ioenggal.
zeil»<*lii] i, kapal lajar.
zeilsteen* besi bïrani.
zeker, gewis, ttntoe, pesli, Jav. —,
voorzeker, nistjaja, Skr. —, veilig,
santosa. ■—, onwankelbaar, tetap.
iemand, een —e NN., anoe, foelanoe,
Ar.; op zekeren dag, pada soeatoc hari,
pada hari anoe;
zeer —, wel —, soi\'ng-
goeh bagitoe;
nog niet—, belom tenloe.
zekere; een —, anoe; op een —n dag,
pada soeatoe hari anoe; op een —n tijd
gebeurde, pada sakali pe\'ristewa.
zekerheid, gewisheid, katinioean, —,
veiligheid, kasaniosaiin. —, onderpand,
akoean. — van weten of kennen, jakin.
zekerlyk, soenggoeh-soenggoeh,
zelden, djarang. — te verkrijgen, dja-
rang dapat.
zeldzaam, djarang, mahal, nadir, Ar.
zeldzaamheid, ï/tidirat, Ar.
zelf, sendirt, b.v. ik —, akoe sendiri;
g\'j —j eng/care sendiri; hij —, f ja s$n-
diri
; de persoon —, die het aangaat,
jang poen ja diri, jang poenja badtin;
van —, shulirinja, b.v. van — draaien,
btrkisar-kisar .ihidirinja; hij dacht bij
zichzelven, berpikirlalt ija dalam had\'
nja\\
hij zeide bij zichzelven, tja ber-
kata dalam haiinja
; zij verdeelden dat
onder henzelven, mareka-itoe membe-
hagi-behagi Hoe pada sama sendirinja;
van zichzelven vallen, rébah pivgsan ;
niets van zichzelven weten, niet tot
zichzelven komen, dada chabar akan
dirinja, iiada sedar akan dirinja;
tot
zichzelven komen, sïoeman poela, sêdar
poela;
vol —of inbeelding, bhigah; tot
zichzelven gekomen uit de toestand van
bezetenheid of inspiratie, baloen,
zelfbedrog;, tipoe akan dirinja.
zelfbehagen, soeka akan dirinja,
zelfboheersrtiina;,ra//rt« akan dirinja.
zelfbehoud, pemvliharadn diri.
zelfbelang, oenloeng dirinja.
zelfbeproeving, phujo<-djian diri.
zelfbeschuldiging, zelfverwijt, sesal.
zelf bevlekking, bij mannen, sesel, ran-
tjap.
— oefenen, menjesel, merantjap,
zelf bewegend, berglra^ sendirinja.
zelfbewust, sedar akan dirinja.
zeilde, djoega, b.v. hij is de— die, tja
djoega jang.
Zie dezelfde en liet-
ze lfde.
zelfgevoel, rasa dirinja.
zelfhaat, bVntji akan dirinja.
zelfkant, fêpi.
zelfkastijding;, siksa akan dirinja,
rijadfat,
Ar.
zelfkennis, tahoe akan dirinja.
i zelfmoord begaan, boenoeh dirinja sin-
diri.
—, om een ander in den dood te
vergezellen of te volgen, bela, mali
bela;
zulk een — begaan, membela,
mati bela;
zulk een — door middel
van eene soort van kris, soedoek ge-
naamd, bela soedoefc.
zelfs, ook, pon, djoega, lagi, b.v. — ik
ben ziek, akoe pon sakit, akoe djoega
sak tl;
en —, daarenboven, dan lagi;
zoo — dat, sampai, sahingga; al gc-
beurdc het — dal, djikalau.... saka-
lipon,
b.v. al gebeurde het — dat bij
gedood werd, djikalau tja diboenoeh
sakalipon.
— geen duit, sadoewit pon
liada.
, zelfstandig* wezenlijk, berdzat, dzdti.
j zelfstandigheid,bestanddeel,£aaVa(/K,
dedt, Ar.
i zelfstrüd, bimbang hati, goendah.
zelfverheffing, kamegahan, kamegahan
dirinja.
zelfverloochening, sangkal akan di-
rtnja,
zelfvertrouwen, harap akan dirinja.
zelfverwijt, sesal akan dirinja. — heb-
ben, bersesal akan dirinja.
zelfwerkend, btrgerak séndirinja.
zemelen, de.dafc; kaf, van graan, sekam.
zemelmeel, lepoeng dëdafr,
zendbode, soeroe/ian, oetoesan.
zendbrief, soerat kiriman, risdlat, Ar.
| zendeling, soeroehan, oetoesan; zie af-
gezant.
! zenden, van eene persoon, tne.njoeroeh-
kan;
ook nielepaskan; en als men met
minnehting van iemnnd spreekt, ook:
mengirimkan (van kirim); van den Vorst
gesproken, menilahkan. —, van een
zaak, tnengtrim, mengirimkan; bezig zijn
met —, btrkirim; aan iemnnd iets —,
mengirimi; het gezondene, kiriman.
ran personen zoowel als zaken, onder
geleide, nienghaniarkan. — van een
brief ook melajangkan soerat, lettcrl.
een brief doen zweven, ook mëlepaskan
-ocr page 867-
zender — zetten.                                              855
bëlas boelan ïemoernja. —, van duur,
ënam-bëlas boalan lamanja.
zestig, ënam pnelorh.
zestiger, jang ënam poeloeh tahoen
tèmoernja.
zesvoetig, bërkaki ënam.
zesvoudig, ënam kali, ënam lipat, ënam
ganda.
zet; zich een — geven bij het doen van
een sprong, mengamboel.
zetel, timpat doedoek, koersi; vorstelijke
—, eere—, pëtërana, Skr. voor Vorsten,
lager in rnng dan de Sulthan.
zetelen, van een Vorst, bërsë/najam.
zetyzer, waarmede de tanden van een
zaag gezet worden, pëmboekal? gërgadji.
zetmeel, pati.
zetsel, afkooksel, reboesan. —, zinksel,
grondsop, zie ald.
zetten, plaatsen, mënaroh, (van tarok),
b.v. eene stoel bij de tafel —, mënaroh
koersi dekat medja;
de kaars op tafel
—, mënaroh dian di-atas medja; op
tafel — van spijzen, gereed —, menjadji
(van sadji); den voet op iets —, bër-
pidjak; kaki, bërtoempoe kaki;
in een
hok —, mëngandangkan, mengoeroeng-
kan
(van kandang en koeroeng); in de
gevangenis —, mïunë/idjarakan, mëngoe-
roengkan;
op zijde —, uit den weg—,
mënjingkir (van singkir). — van een
gebroken been, mëndjalar; iets vóór
iets —, waardoor het gezicht er op
belemmerd wordt, mendindingkan; op
het strand —, van een vaartuig, mën-
damparkan, mëlanggarkan kadarat;
op
het strand gezet, tërdampar; de banden
in de zijde —, bïrtjvkak pinggang; aan
elkander — van platte stukken, door
spijkeren, lijmen, plakken, naaien, bin-
den enz., zooals b.v. de lappen van
een bcdelaarsdekim, mënampoeng (van
tampoeng); op het vuur — om te koken,
mëndjërang, inë.ndjtrangkan. — van
koffie of thee, tnëmbocwat; een vaartuig
op het droge —, menohorkan përahoe
(van to/ior); om onderzoek te kunnen
doen naar dat gedeelte, wat beneden
de waterlijn is, mëranggaJrkan përahoe;
tegen iets aan —, zoodat het or tegen
leunt, mënjandarkan (van sandar); itt
of op elkander —, van zaken, in of
op elkander passen, zooals horden,
kommen, koffers, pannen, boeken enz.,
mënjoesoen (van soesoen); zich —, van
vruchten, bërpoetijf; geil ergens op —,
soerat ; elkander gozanton —, van Vor-
sten, oetoes-mengoetoes, oetoes-oetoesan;
elkander brieven —, aan het corres-
pondeeren zijn, bérkïrim soerai.
zender, jang mënjoeroehkan, jang meng-
oetocs, jang mengirim, jang mënghantar,
zie het vorige woorJ.
zending, pënjoeroehan, pengoetoesan, pe-
ngiriman, pënghantaran;
zie zenden,
zengen, bcdr. even boven het vuur
schroeien, mëngganggattg, ménghangoes-
kan,
—, onz. hangoes.
zenuw, asabat, Ar. oerat poetih; be-
weeg—, sarap pënggcrafr. —, ook sarap
en oerat haloes-haloes.
zenuwkoorts, demam kapialoe.
zen, ënam; hoofdstuk—, fasal jang kdë-
nam.
— Sabun, ënam hari boelan saban.
zesdnnssch, van levensduur, «aam hari
tèmoernja;
van tijdsduur, ënam Aan la-
manja.
zesde, ranggetal, kaënam; de —, jang
kaënam;
de — van do maand, ënam
hari boelan.
— als breuk, përëxam, b.v.
vijf-zesde, lima përenam; vier en écn
—, ëmpat lëbih saperënam,
zesdeelig, ënam bëhagi.
zesderhande, ënam bagai, ënam roepa.
zesdubbel, ënam lipat, ënam ganda.
zeshoek, ënam pëndjoeroe.
zeshonderd, ënam ratoes.
zesjarig, van leeftijd, \'ënam tahoen
öemoernja.
— van duur, ënam tahoen
lamanja.
zeskant, ënam përsegi.
zesmaal, ënam kali.
zesmaandeiyksch, wat eens om de
zes maanden plaats heeft, \'ënam boelan
sakali.
zesmaandseh, van leeftijd, ënam boe-
lan wmoemja.
—, van duur, ënam boe-
lan lamanja.
zestal, bilangan ënam.
zesthulf, tëngak ënam.
zestien, ënam-bëlas, sapoeloeh ënam.
zestiende, ranggetal, kaënam-bëlas; de
— van de maaad, ënam-bëlas hari
boelan.
zestiendehalf, tëngah ënam-bëlas.
zestienhonderd, ënam-bëlas ratoes, sa-
riboe ënam ratoei.
zestienjarig, van leeftijd, ënam-bëlas
tahoen tcmofrnja.
— van duur, ënam-
bëlas tahoen lamanja.
zestienmaal, ënam-bëlas kali.
zestienmaandsch, van leeftijd, ënam-
-ocr page 868-
860
zeug — ziel.
hij een spel, wténoekofa (van toekomt);
geld om op te —, oewang penoekok;
zich aan tafel —. j>ergi doedork di
medja;
eene handteekening —, nïtm-
boeboeh tanda tangan;
het bepaald op
iets hebben, vast er toe besloten zijn,
memeksa; een zegel op iets —, mem-
boeboeh tjap.
— van letters, bij hel
drukken, m\'èngatoer fyoeroef; voet aan
Wal —, na/k darat; voet nan boord
—, naïl: kapal, na\'ik përahoe; den voel
dwars —, tegenwerken, mërintangi; den
hoed op het hoofd —, pakai tjapiatt,
pakai topt;
iemand den voet o|> den
nek —, mën/\'ndih oravg (van tintüh),
mênganinja oravg;
planten —, niëna-
nam pokok
(van tanam); betaald —,
mëmbulas; op gezette tijden, pada masa
jang tïrlentoe.
zeug, moederzwijn, indoeng babi, —,
wijfjeszwijn, babi bètina.
zeulen, zie sleei>cu.
zeuren, langdurig en vervelend spreken,
zooals b.v. oude, surle lieden, lig. ken*
tjing dipapan,
d. i. op de planken pis-
scn. —, lastig valleD, uiëngoesik, meng*
ganggoe.
Zie leuteren.
zeven, ziften, mënjïrkai (van sërkai),
mëngajak.
zeven, Telw. toedjoeh.
zevende, katoedjoeh; do —, jang kaioe-
djoeh;
de — der maand, toedjoeh hart
boelan
; één —, saph\'locdjoeh; ten —,
katoedjoeh; ten — maal, pada katoe-
djufh kalinja.
zevendehalf, tengah loedjoeh.
zevenderlei, toedjoeh bagai, toedjoeh
roepa.
zevendubbel, toedjoeh lapis, t. ganda,
t. iipal.
zeven gesternte, bintang poejoeh, b.
kërtika,
Skr.
zevenhoek, toedjoeh p\'cndjoeroe,
zeven honderd, toedjoeh ratoes,
zevenjarig, van leeftijd, toedjoeh tahoe»
ièmoernja.
—, vau duur, toedjoeh la-
hoen lamanja.
zevenkantig, toedjoch përsëgi.
zeven kleurig, br.rwërna toedjoeh,
zevenmaal, toedjoeh kali.
zevental, een stel van zeven, van
ringen, armbanden, knoopjes enz., sa-
rawan.
zeventien, toedjoeh-bëlas, sapoeloeh toe-
djoeh,
zeventig, toedjoeh poeloeh.
! zeventiger, orang jang toedjoeh poe-
loeh tahoen uimoernja.
zich, dirinja, — wasseben, mémbasoeh
dirinja;
zicbzelvcn, dirinja sënd\'tri; bij
—  hebben, mëmbaica.
zicht, sabit.
zicht, vertoon, përtoendjoekan.
zichtbaar, kalihatau, fampak; duide-
lijk —, njata, ketara, tërsïrlah, lahir,
Ar.; van verre —, lantang; tusschen
—   en niet —, even —, antara tampak
d\'engan l\'tada, Ihnboer;
onduidelijk, flauw\'
—, nu eens wel en dan weer niet,
door do verte, b.v. van een zwerm
vogel?, hilam-hilam; telkens verdwijnen
en weer — worden, hUavg-hilavg tam-
pak
; eventjes in de verte — worden,
tatnpak\'tampak apoeng ; heel in de verte
eventjes — zijn, tampak-tampak apoeng;
flauw — door den verren afstand of
door damp enz., kaboes, sajoep; slechts
voor een oogenblik onduidelijk —, b.v.
van iets, dat snel het oog voorbijgaat,
këlibat. — doen worden, më nam pakkan.
—   als in het water gezonken, even
boven de oppervlakte —, tampak më-
rfaidam.
zieden, koken, zie ald.
ziedend, van toorn, hangat, b\'èrapi-api.
ziek, sakit; van den Vorst, gering; de
persoon of zaak, die de ziekte bij den
persoon veroorzaakt, pënggéring. — wor-
den, djatoh sakit; zwaar —, doodelijk
—, sakit pajah.
\\
zieke, orang sakit.
ziekelijk, sukkelend, bêrpënjakit-pënja-
kil;
zie sukkelen en zwakkel\\jk.
zieken, dalain pënjakit.
ziekenhuis, roemah orang sakit.
ziekenoi>passer, orang jang melajani
orang sakit.
ziekestoel, op rolletjes, koersi lereng\'
lereng, koersi pëlakai.
ziekte, kwaal, phijakit; besmettelijke
—, phijakit sampar; olkc besmettelijke
—, wier smetslof men veronderstelt in
de lucht te zijn, sakit faoen, Ar.; val-
lende —, sawau babi, gila babi; erfe-
lijke —, pënjakit baka; allerlei —n of
kwalen, idap-idapan.
ziektestof\', smetstof, badi.
ziel, djiiaa, Skr. njawa, soekma, Skr.;
lichaam en —, badan-djiica.-~-, \\tvcns*
geest, soemangat; de — is uit hem
gegaan, soedah poeloes njawanja.
van een dooile, die naar het volksgeloof
-ocr page 869-
— zUde.                                               857
masam; over het hoofd gezien worden,
bij eene uitdoeling enz., lérlindoeng;
zich eens bij iemand laten —, hem een
bezoek brengen, m\'enampal\'kan moeka;
in gunst, met belangstelling op iets —,
mênilik (van tilik); naar iets — om te
weten hoe het er mede is, mèmantatt
(van panlau); te — krijgen, berdjoempa,
b.v. geen eten te — krijgen, tidak
berdjormpa naai,
lelterl. geen gekookte
rijst aantreffen. Zie verder bij kijken
en de afleidingen van zien.
ziener, die verborgen dingen kan zien,
pèng/ihat, p\'enilik.
zienlijk, kalihalan, tampak:
zier, ziertje, afgescheurd stukje, ketil,
norbdzah,
Ar. —tje, atoom, ondeelbaar
iets, tfjirai, koeman, dzarrah, Ar. —,
stofje, kilonet.
zift, zeef, zie ald.
ziften, zeven, zie ald.
zigeuner, urang zanggi.
zisza», sikoe-kèlortoang. poctjoek\'-rëboeng.
zU, pers. Vrnw. 3e p. enk. vr. = Hij,
zie ald. —, pers. Vrow. 3c p. mrv.
marrka-itoe; tot den Vorst sprekende,
patik-patik itoe; in de spreektaal, dia-
orang.
zijd; wijd en —, dimana-mana, bèrkoeli-
ling.
zijde, kant, sabelah, sisi, prhafc, tipt, b.v.
—   van iets, dat nog eene — tegenover
zich heeft, sabelah, b.v. de linker en
rechter —, sabilah kiri-kanan; aan de
binnen- en buiten—, disabêlah loetcar-
dalam;
aan de —, waar de zon opkomt,
disabêlah matahari tërbit; op — zetten,
mênjabelahkan; van weers—, sabilah-
inènjabètah;
is er echter een water tus-
schenbeide dan sabérang-mënjaberang.
Hiermede veel in beteekenis overeen-
komendc is pi-hak, B.T, do beide -en
(van contracteerende of oorlogvoerende
partijen), kadorwa pehak; ter — stellen,
afzonderen, mêmehaf:. — vau iets, waar
geen — tegenover is, b.v. vun een
persoon, put enz., sisi, b.v. aan iemands
—  staan, berdiri di sisi orang; aan de
—   van den put zitten, doedoek- disisi
perigi.
— aan —, naasc elkander,
bertisi; aan de rechter— van den Vorst,
pada sisi jang kaèmasan, d. i. aan de
vergulde — ; op — gaan, mënjisï. —,
kant, rand, tepi, b.v. de — van een
weg, têpi djalan-, op — gaan, naur
den kant uitwijken, nienëpi. —, kant
58
zieleheil
in iemand kan varen, alma, Skr.; ter
—en gaan, poetors djiwa; deze stad
heeft 20.0U0 zielen, nhjari ini doeica
lalcsa orang isinja;
er was geen levende \'
—, sa\'wang ntanoesia pon tiada; o, \'
mijne —, Itai djiwakoe! het gaat mij
door de —, tèrmakan tam/mi didalam
kalikot.
zieleheil, saldmat djitca.
zieleamurt, doeka-tjila.
zieletroost, ptnghiboeran hati; van min-
nenden, dichterl. ptnglipoer iara, Jav.
ziele vreugd, sorka-tjxta.
zielloos* tiada b\'ernjawa,
zielmis; e. >. v. — of doodmaal met
gebeden, kandoeri, makan artcafc.
zielroerend, m\'embëri prior dihali, mi\'
raicankan halt.
ztelsrust, kasrnangan hati,
zielsverhuizing;, kadjelèmaiin.
zietsverrukking, grairat. Ar.
zieltogen, njatca përgi njatca datang,
sahtmboes na ik, sah\'tmboes toerom.
zien, mëtihat. — naar, opzettelijk —
naar iets, mëlihatkan; bezien, metihali;
elkander zien, een entrevue hebben, bèr~
tihatan;
doen —, laten zien van iets
aan ieninnd, mémpérlihatkan, bepirlihaU
kan;
gezien worden, zichtbaar zijn,
kalihalan; toevallig —,tërlihat; gezien
worden, opzettelijk, dilihat. — kunnen, \'
van de oogen, kalihalan; ook nampak;
gezien kunnen worden is tampak; eik-
ander — van aangezicht, elkander met
dat doel bezoeken, bërpandangan mala;
voor zich uit—, memandang kahndapan;
ziende van de oogen, niet blind, t ■/■■k. ■
—, aanzien, in het gelant —, mèman~
dang
(van pandang); ia het gelaat —,
memandang moeka, bêrpandang mueka;
elkander in het gelaat—, berpandangan ■
moeka;
niet gezien zijn, niet in tel zijn,
tiada kapandangan ; niet op geld —,
tiada memandang oricang. —, kijken
■III iets met aandacht, minengok* (van
frngok\'), b.v. zie dit eens, tjoba tengofr ,
ini; de wajang —, m\'ènrngok wajang; j
in de oogen —, mènenlang mata (van
tentang) \\ sterk — op iets, fheeren,
mêngamat\'amati; zijwaarts —, door het
hoofd een weinig te keeren, mëngèleh
(van ktleh)\\ naar iets of iemand gaan
—, bezoeken uit belangstelling, mela-
tcat
; met bep. obj. melawati; naar
boven —, naar den hemel — , ménhtga- \'
dah (van VèngadaJt); zuur —, moeka !
-ocr page 870-
858                                                 zÜde — zijtak.
van iets, b.v. van een lichaam, een
buis, een weg enz., mesoefr; naar de
—   gaan, karoesoefr. — van eeno recht-
lijnige figuur, hetzij vlak of lichaam,
tégi; zijdig, bërtëgi- driezijdig, tiga
pertegi, berségi tiga;
vlakke — van
iets, ptnampang; voor—, moeka; ach-
ter—, bêlakang; eene — van iets, ook
sjafar, Ar, —, kant, waarheen men
den blik richt, kiblat, Ar. voornamelijk
bij het bidden de — van Mekka. —,
van een levend wezen, een schip of
huis, lamboeng, lam boen gun; geometri-
sche —,kant, sanding pendjoeroe, letterl.
de —n van een boek. —, kant van
een vaartuig, ook rimban; op — gaan,
van de rechte richting afwijken, minjim-
pang
\'van simpang). — aan —, zij aan
zij, bérkèpil; zij aan zij brengen, b.v.
van twee vaartuigen, maigepilkan, —,
kant, ook jumping, b.v. eene kris op
—  dragen, berkerit ditamping; de han-
den in de — zetten, bërtilèkan ping-
gang, bertjekak pinggang, bërtjengkang
p.
en Óërfjangking p.; op — liggen,
hellen, miring; op — strijken, b.v. van
haur, dat voor bet gelaat hangt, op —
duwen van een stuk hout, dat voor
den boeg drijft, mënjiah {van tia/i); op
—   halen van een vaartuig, mènjenget-
kan perahoe
(van tengel); aan de —
hebben, mhigiring, b.v. den weg op —
hebben, mhigiring djalan ; den Sulthan
op — hebben, mengiring pada Soelfdn ;
op de rechter— slapen, tidoer mengi-
ring kanan;
van vaders —, dari tabè-
/ah bapa. Zie
kant.
zijde, de stof, toetera. —, de geweven
stof, kaïn toetera. —, zijden garen,
benang toetera. — met goud doorweven,
toetera bèrpakankan èmat. — volgens
een bijzonder patroon met goud gestikt,
madoekara; dunne, Cbineesche —, die
voor vlaggedoek gebruikt wordt, pangsi,
Chin.; beschilderde —, kdin pitola;
effen, zijden stof uit Hengalen, pidhi-
dang;
gebloemde —, die voor buikgor-
dels gebruikt wordt, limar; eene bij-
zondere soort daarvan, limar pad malam.
—   met bloem- of lofwerk, gebruikt
voor kleeding, dibadjat, Ar.; ripszijde,
in alle kleuren, waarvan buikgordels
en ook Cbineesche broeken worden
vervaardigd, kaïn randi; onbruikbare
draden in ruwe —, tahi oelar; half—,
toetera tjampoer bënang, tattngah soeCéra.
j zijdelins*, zinspelend, van spreken,
sindir. — Bpreken, menjindir; nam. in
kwade beteekenis.
züden, van zijde, toetera, daripada
toeftra.
zijdeur, pintoe pada tabelah, pintoe
pada iringan.
zijdeverver, toekang tjetoep toe/era.
zijdewee, takil pinggang.
zijdewerk, perbottcatan toetera.
zijdewever, toekang tênoen toetera.
züdeworm, hoelat toetera.
zijd*;**weer, zwaard, degen, dolk, zie ald.
j zijgdoek, kaïn phiapit, k. pënjaring.
\'
züsebouw, uitbouwsel aan eene -Malei-
sche woning, andjoeng-andjoeng.
zijgen, mènapit (van tapit), taring, Jav.
züsru^ht, tetok.
zijkamer, bilik iringan.
i zijn, wordt alleen met ada overgezet in
de beteekenis van aanwezig, voorhan-
den, present zijn; is het zoo of niet,
ijakah afaic tidak ; of het zoo is dan
of het niet zoo is.....tntah ija atatc
tidal\'; —, wezen, zie ald.
zijn, bez. Vrnw. nja, b.v. — huis, roe-
mahnja;
met den bepaalden nadruk er
op, dia, b.v. — huis, roemah dia, b.v.
maka tentang raata toeioan hamba de-
ngan mata dia,
In de spreektaal wordt
het bez. Vrnw. nja dikwerf vervangen
door dia poenja, dat vóór het Zlfst. nw.
komt, b.v. i— huis, dia poenja roemah;
op —, in den trant van, tjara, b.v. op
— Hollandsch, tjara Jf\'olanda; op —
Cbineesch, tjara tjina; ietwat op —
Maleisch, melajoe-melajoean tëdikit.
zijnent; te —, diroemahnja.
zünentbalve, karhianja, karèna si-
babnja.
zijnentwese» daripada pehakitja.
z\\jpad, djalan timpangan; een — inslaan,
ménjimpang.
\' /üpiih, langkah seroeng.
I zijpelen, uitzijpelen, bëruenes-nenes;
door—, tirit.
zijpoot, van deur of raam, djënang.
zijstraat, loeroeng timpangan.
zjjstuk, aangezet, aangebouwd —, aan-
genaaide rand, tibar; versierd — van
stntiekussens of vorstelijke zetels, tam-
poel:
zijtak, van een boom, tjahang. — van
eene rivier, anaje toengaï, timpangan,
soengai simpang.
—je van een rivier,
\' inham, sërofc.
-ocr page 871-
ztfvertrek — zinnebeeldig.                          &59
borrel, opium enz., tagih ,- dien —heb-
ben, belust zijn, katagihan; in den —
hebben, van —- zijn, voornemens zijn,
birniat; geen — hebben ia iets, tiatta
hëndak-, tiada soeka
; geeu — in het werk,
maias, sëgan. — hebben in iemand van
de andere kunne, birahi; zijn eigen —
volgen, mënoeroet kahtndak hatinja;
wel bij zijne —nen zijn, bëringatau
bltoel;
niet wel bij zijne —nen zijn,
tiada bënar amat, gila, sarsar, Perz.;
veel hoofden veel —nen, makiu banjak
orang, makin banjajp mat;
iemands —
doen, mënoeroet kahendak orang; iem.
geheel zijn — laten doen, mënatak (\\&a
talak);
zet dat uit uwe —neo, djaoeh-
kanlah itoe dari pada halïmoe, lëpas-
kanlah halimoe daripadanja.
zindeel, anggota përkataan.
zindelijk, btrësih, soetji. —-, net, tjan-
lik, apik.
zinfien, mënjanji; ook bërdendang (vaa
dendang, gezang); iets —, mënjanjikant
ook voor of over iels —; een verhaal
zingend voordragen, bërktkawin,- iem.
met een deuntje iu slaap —, utetigi-
doeng
(van kidoeug, deuntje, wijsje);
met zijn velen —, zooals bij bruilolts-
optochten, Hërdamping; minneliedjes —,
bérpaaton. Zie gezang.
zink, timah sari.
zinken, van zink, timah sari, daripada
timah sari.
zinken, in eene vloeistof, tënggëlam ,-
doen —, mënënggëtauikan. Zie onder*
water. —, van boven naar beneden
in iets dringen, mënjëlam (van sela/a).
— in een vaste stof, benam,- _\';■■;-
ken, terbënam, b.v. saoeh jang itHfbtmm
dalam pasir,
een anker, dat in het zand
gezonken is; pakoe jang terbënam dalam
kajoe,
een spijker, die in het hout h
gezonken; doen —, indrijven, b.v. eea
spijker, mëmbënam; gij zijt gezonken
tot het peil van het redelooze vee,
sampai-sampai ëngkau binatang jang
tiada bërboedi.
Zie ook verzinken,
zinklood, zie dieplood. — aan een
vischhnak, batoe ladoeng, b. kdit.
zinkput, stinkkolk, pëtimbahan.
zinksteen, aan een inl. anker, baloe
anting.
zinledig, Këmpa.
zinnebeeld, oepama, tbarat, Ar.
zinnebeeldig* dëngan uepama, dëngan
\'tbarat.
züvertrek, ann pene woning gebouwd,
waarvan do vloer twee voet hooger ligt,
and/oeng-andjoeng.
zijvlak. van l"en lichaam, stgi; b.v.
viervlakkig, ëmpat përsëgi; een acht-
vlakkige pilaar of stijl, tiang bërsïg\'t
doelapan
; de —ken van een dak in de
breedte, tiba lajar.
zijwaarts; — afgaan, inslaan, mlnjitn\'
j\'ü/ig
(van simpang); naar den kant,/a-
ttpi, karoesoefr; een —che pas, lang-
r,\'h icroeng.
z\\j wt\'ü, djalan simpangan ; een — inslaan,
iitfnjimpang,
zilt. brak, pajau,anta; zie zoutachtitf •
zilver, perak-, tëlaka, Jav.: Berlijn&ch
—, tïmbaga poetik ; met — beslagen, bir-
saloetkatt perak-, disaloet dëngan perak-
zilverdraad, bënang perak.
zilveren, perak, daripada perak-
zilveren», tanah perak.
zilverigeld, oewang perair.
zilvertfoed, baraug-barang perak, bënda-
lj<,idti perak\'.
zilverkleur, icerna perak.
zilverlinji, sikkel, (si-fat, Ar.
zilvermijn, tjibakan perak.
zilverschuim, sunga perak.
zilverservies, përkakas perak.
zilversmid, toekang tmas,pandaiëmas,
lett. goudsmid, daar men geen afzondei-
üjke zilversmeden kent.
zilver*taaf, batang perak.
zilverwerk, barang-barang perak, pïi-
kakas perafr.
zin, zintuig, tndria, Skr. de vijf —nen,
pantjhulrïa, Skr. —, beteekenis, ërti,
mana,
Ar. een — hebben, btrërt\'\'•;
zonder — of beteekenis, tiada bërïrti ;
vku gelijken of denzelfden —, sdërli;
den — van iets vatten, mengërti; deu
— vaa iets verklaren, uitleggen, më-
ngërtikan;
een gezonden — hebben,
van woorden, beralas, b.v. maka per*
kataünnja beralas,
zijne woorden hebben
een gezonden —; bij zijn —nen ziju,
sioeman; weer bij zijn —nen komen,
sïoeman poela, sïdar poe/a; zijn —
krijgen, loe/oes kahëndakmja; zijn —
geven, mëloeloeskan kahëndaknja; in
den — komen om iets tegen het gevoel
strijdigs te doen, datang hati. — in
iets hebben, hëndak, soeka; sterken —
in iets hebben, ïisjifr. Ar. —, sterke
trek in iets, belust zijn naar, snakken
□aar, b.v. nanr een kop koffie, een
-ocr page 872-
800
zinnelijk — zitten.
ledematen); met de ellebogen op tafel
en het hoofd steunende op de handen
—, mWoenggoeh, dotdoek bfrtïfékoe; zoo
— met de hand onder de kin, blrtelikoe
btrtoengkat dagoe ;
tot over de ellebogen
in het geld —, oewangnja sapfrli ajar-
basoeh fangan adanja;
nmi.-i elkander
—   van een paar, b.v. van bruidegom
en bru id, doedofk blrsanding; ook
alleen bërsandm</,- bruid en bruidegom
zoo doen — , wat geschiedt na de rond-
leiding of optocht, menjandingkan;
uedergchurkt —, doedoek bfftinggoeng,
bttrlo/rggok,
voor het laatste b.v. samoe-
ica birlonggok di-atas roempoet,
allen
zaten nedeigehurkt op bet gras : gehurkt
—, zooals iemand die zijn gevoeg doet,
doedoek menoengging, berfenggek; zie
hurlien; niet de knieën bij elkander
en naar buiten gekeurde beenen —.
zoodat het cene been links en het
andere rechts komt, blrtimpoeh katak;
i-chrijdelings op ietB —, b.v. op een
waard enz., doedoek mtngangkang van
kmigkaug, wijdbeens); ook blrljllepak;
schrijdclings — met gekruiste beenen,
zooals een matroos op de ra, bïrfjïlepak
6e~rs%ngki !i/i i kaki;
schrijdeliogs op den
nek of een der schouders — , mindjoe^
lang;
op ééne bil —, wat bij bet bidden
verboden is, tairarroek, Ar.; met afhan-
gende beenen —, wat onbeleefd is,
doedoek bïrdjoentai ; met uitgestrekte
beenen —, doedoek bïloendjoer, b.v.
belom doedoek, btloendjoer dlhoeloe, nog
niet gezeten zijn, de beenen al uit-
M rekken, Sprw.; met de beide beenen
rechts van het Hchanoi — en steunende
op de linkerhand, zooals dit de wijze
van zitten der vrouwen is, bïrtimpoeh;
aan tafel —, doedoek dimedja; om te
spijzen, doedoek makan; van den Vorst,
doedoek sautap; in gelijken rang, even
hoog als een ander —, doedoek 4?r-
timbal; ook met een ander in even-
wicht zitten, zooals in den mand of
het huisje op een olifant; op iets duns
of smals —, zooals vogels, btrtengger,
btrtenggek,
dit laatste ook van personen ;
gaan —, nederstrijken op iets, van
vogels en insecten, hinggap; blijven —
van een meisje, dat niet ten huwelijk
gevraagd is, bangai; op den schoot —,
doedoek dir\'ibaiin, diriba; laten —,
iemand verlaten, meninggalkan (van
vast— van iets, zie ald.
zinneiyW, Üernafsoe; stoffelijk, djoes\'
mant;
de —« lusten, hawa-nafsoe, Ar.
zinneloos, {/iia, sarsar, 1\'erz. nanar,
ahmak.
Ar.
zinnelooze, otang gila, orang sarsar,
vraag tianar, orany ahmak.
zinnen, peinzen, overdenken, zie ald.
ook bhijïnta, b.v. htrtjintahik Alkas
Mantri hïndak rnitnboenoeh Chodjah
B. Dj.,
A. M. zon er op, om Cbodjab
B. Dj. te dooden.
ziiir\\jU. baiijak ïikal-bordinja.
/iii-!»i li-< ■:■;. silap mata.
zinsbeaoochelina; m bet voorgaande
woord.
zinMpelen, in goede bcteekenis, meng\'i-
baratkan;
in minder goede beteekenis,
kija&kan, menjindir, b.v. poekoel anuk,
siiidtr minantoi\',
de dochter slaan, op
den schoonzoon —, Bprw.
zinspeler, pf/ijindtr.
zinspeling, \'tbarat, Ar. kijas, Ar. sin-
dirun ;
allerlei vuile —en maken, van
vrouwen onder elkander, berpoekas-poe-
kasatt
(vnn poekas, vrouwelijk schaatn-
deel).
zinspreuk, pïroepamaün.
zinsverbijstering, niet bepaald krank-
zinnig, sar sar, Perz. nanar. — voor
een oogenblik, mata gelap.
zintuig* zie zin.
zit, doedoejr.
ziitisul. mandi rendam.
zitje, zie bij zitplaats.
zittuut, iikar lapik; ook alleen lapik.
zitplaatH, timpat doedoek. — van den
Vorst, ttmpat sïmajam ; tijdelijke —,
zitje, b.v. in een tuin of op een open-
bare wandelplaats, anggar.
zitten, doedoek; van den Vorst, sema-
jam, bértïmajam;
ook bertahana; naar
rang —, doedoek berpangkat-pangkat;
met de beenen onder bet lichaam ge-
kruist —, blrsila; met één been onder
bet lichaam en het andere op de tegen-
overgestelde dij —, bérsila panggoeng ;
netjes gaan —, mérapatkan si/a; op
elkander gedrongen —, doedoek 42r-
tindik-tindik; in eerbiedig« houding met
gevouwen banden en gebogen hoofd
—, doedoek bïrsoesoen ; alleen thuis
—, dof doek- tHrkolik\'kolik; daar ter-
nedergeplakt —, doedoek fërtjatoek,;
krom gebogen —, als een oud man-
netje —, doedoek roengkoeh, doedoek ,
mtngoekoel (van koekoel, verkrowd van \'
-ocr page 873-
861
zittijd — zonilnar.
Ar. daarmede verzoenen, niindijatkan.
zoenoiler, bezweringsotl\'ur, offer tot af-
wering, semah, s-\'mahan.
zoet, manig, zoowel van smaak en reuk
als van gedrag. — water, ajar taicar;
soms ook ajar inanis.
zoetuchtijr< manis-manig.
, zoetheid, kumanisan.
1 zoethout, kajoe manig.
: zoetigheid, manisan; allerlei zoetig-
heden, manis-manigan. —, alle spijs met
suiker of honig toebereid, halwa, Ar.
zoetje»*, zaehtkens, perlahan-lahan.
, zoetklinkend, van een geluid, ntérdoe
boenj inja.
■   zoettnakend, mfmaniskan.
zoetstcen, oliesteen, zie ald.
zoetvül, kikir haloes.
zoetwater, ajar tawar,
zoetwaterschildpad, koera-koera.
■   zoetwatervisch, ikan soenyai, ikan
darat,
i zo<£, moedermelk, ajar-soegoe.
zo<*, kiel water, ajar aloer pérahoe (of
kopal), o/akan kemoedi.
zolder, tingkat, solor, loleng, Chin.
zolderdeur, pi/doe loteng.
zolderen, van eene zoldering voorzien,
mengènakan tingkat, uemb^ntangkan
tingkat, mtmboeboeh tingkat.
zolderkamer, bilik loteng.
, zoldering; kleine, uitstekende, over-
dekte — in Maleische woningen onder
den nok, llTl WêTt bocwany. — over
eene gebeele ruimte, para-para taboe.
— boven den vuurhaard, para-para.
—, planken vloer van eene bovenver-
dïeping, yeladafc,
\' zolderraam, ziu venster.
zomer, de — in Indic is de regentijd,
moesim hoed jan.
zomerhuisje, balai piranginan; zie ook
prieel.
zomerMproelen, tahi lalat, bititik-bin-
tik kot\'tit, djerawat {!*).
zon, mata-hari, sjams, Ar.; in de —■
drogen, méndjlmoer; in de — zitten,
doedoek dipanas; de glans der —, tja-
haja matahari, /loeron\'ggjams,
Ar.; de
glans van — en maan, twroe\'ssjamsi
tca alknmari,
Ar.; iemand in het zon-
netje zetten, ményandjocny; in het zon-
netje gezet worden, kena andjoeng.
1 zonnanbidder, orang jany mf.nje.mbah
matahari; zie vuuraanbidder.
1 zondaar, orang Ulrdusa.
los— van iets, zie ald.; aan den grond
—, férdampar, bandag; vnn buiten er
op —, b.v. zooals de oogen van een
garnaal, de pit van de djaraboe-si\'mpal-
vrucht, berenggil. — van eene ver-
gadcring, ada berhimpon; in eene ver-
gadering —, doedoek- dalam madjlig;
op een paard —, of gezeten zijn, tier-
kandaraiin di-atag koeda;
er goed in—,
gegoed zijn, berharta, hartawan; goed
— van een kleedingsluk, kina; blijven
—, nn het overlijden enz , katinyyalan•
daar zit de dood op, hoekofmnja mali
diboeuoeh;
op eieren — broeden, me-
nyeram.
zittijd, van eene vergadering, masa bef-
himpon.
zitting* van eene vergadering, perAim-
ponan.
zode. gras—, tanah bala.
zoek; — zijn, Ailang.
zoelibrenijen, ntvnyhitangkan; den tijd
—, menyhilangkan ice"kfoe, lewga.
zoeken, mtntjZAari; ook bij verkorting
gebezigd voor den kost —, b.v. zijn
eigen kost —, niintjehuri sendiri, ver-
korting van mentjêharï rezeki of men-
ijthari kahidoepannja;
zijn onderhoud
met moeite en door allerlei kleine ver-
diensten —, koewit-kapai; in het rond
—, mtntjihari blrkoetUing; op eene
tafel naar iets —, tnSngerejJL\'g (van
kërfpes); hier en daar loopon —, b.v.
naar iemaad, die zicli heeft verscholen,
merajau; een goed heenkomen —, mint
banu nafib, tnembaica dirinja;
nuulei-
ding —■ tot twist, spijkers op laagwater
—, laemuenyoet salah (van poenyoet).
—, pogen, tnenljoba; gezocht, aftrek
hebben, takoe-, pajoe, larig.
zoeker, orang jaiiy menfjeAari, pëntjari.
zoekt milieu, mimjhitangkan.
zoekraken, h\'dany.
zoel, benauwd, zie ald.
zoen, kus, met den mond, këtjoep,
koftjoep.
— op inland»che wijze, d. i.
met den neus bet voorwerp beruiken,
tjioem.
zoen, verzoening, zie ald.
zoenen, met den mond kuisen, mengt-
tjoep, meiiyoetjoep;
iets of iemand, »ie-
«goftjoepi,
b.v. den grond —, méngoe-
Ijoepi boemi;
de voeten —, niengoetjoepi
kaki.
— dat het klapt, bard —, men-
tjoetjoep.
zoengeld, voor een moord, dijat;
-ocr page 874-
862                                      zondag
zondag, A«W ahad; bij de Christenen
meest Aart dnminggo, Port,
zonde* f/cm; geheime zonden, geheime
gebreken, tjepoeara.
zontlclooH, soetji daripada dosa.
/onili-nlioli, fig. toempoean haroes,fc.r.
ik ben de —, toempoean haroes akoe ini.
zonder, /fVic/a dengan, dertgan liada,
lain, soenji, diloetcar.
— rcdeo, — aan-
leiding, dengan liada sebab, dengan
liada samtna-me\'na.
— mij, diloewar
akoe.
— zijn, ontbloot, ontheven, vrij,
vrijgesteld, soenji\'. — medeweten, dé-
nyan liada saiahoe,
— schaamte, dengan
liada maloe.
— slag of stoot, dengan
liada pXrang atav; bï.rsoesah.
— tegen-
spreken, dïngan liada dtbantahi.
twijfel, dada sjah.
zonderlmar, iïdjdib, Ar. boekan-boekan.
zonderling = het voorgaande woord j
weer niet iets —s voor den dac komen,
saloe iabagai poe/a
zondig, berdosa, dosaicati; slecht, fanfr.
zondigen, bïrdosa, bïrboewat dota.
zondvloed, ajar bah, kijamal sagri.
Ar. d.i. de kleine opstanding.
zoneclips, grahana uiatahari.
zonlicht, tïravg malahari.
zonnehaan, pïridaran malahari.
zonnebloem, boenga malahari, kembang
malahari,
op Java.
/onnegliuis, tjaheja malahari.
zonnegloed, panas malahari.
zonnehitte = het voorgaande noord.
zonnehoed, toedoeng.
zonnejaar, lahocn sjamsljat, Ar.
zonneklaar, njafa dengan tïrangnja,
njata-njata.
eonneletter, bchcorende tot de tand-
of tongletters van het Ar. alfabet, hoe-
roef sjams\'ijat,
Ar.
zonneloop, pïridaran malahari, perki-
laran malahari.
zonnescherm, pajoeng. — ah toeken
van nuibt of waardigheid, pajoeng dja-
batan;
staatsie-— met neerhangenden
rand, in gebruik bij den Vorst, pajoeng
oeboer-oeboer
fzoo genoemd naar den
zeekwal). — met geklenrdcn rnnu, pa-
joeng iramiram;
groote staatsie—, pa-
joeng bawat.
— roet kwasten vnn parelen,
pajoevg blroembai-roembaikan moetiara;
een vorstelijke —, tjatvra-, e.s. v. grof
—, lipai. — met een kwast hevenaan,
pajoeng bïrfjemara; met zijn tweeen
onder een —, docwa sapajoeng. —,
— zoodje.
voorhnngscl vnn rotan of bamboe runt*
werk tot wering vnn de zonnestralen,
bidai, ken\', Ja?. — boven deur of
venBtcr, ebefr en embek.
zonneitchüii, panat.
zonnestraal, panah malahari, sinar
malahari;
ecne enkele —, die door
eenc reet dringt, fjrret malahari.
i zonnesteek, timpa malahari.
t zonnentoije, /ie atoom.
; zonnetent, schuin toeloopende — aan-
boord, kaïljang roengkoep. — op het
balfdck, tfête\'ri.
i zonsondergang, niasoek malahari.
zonsopyang, ttrbil malahari.
7.o\\\\*k\\w*\\x\\\\H\\nr\\i\\ix.%grahanamatahari.
zoo, op die wijze, aldus, bagitoe, demi\'
kiau;
op deze wijze, bagini, demikian
int,
op dezelfde wijze, bagitoe djoega,
dïmikian djoega ;
als bet zoo is, djikaiau
bagitoe, djikaiau demikian.
— is het er
mede gelegen, dïmikianlah adanja, ba-
gituelah adanja.
— maar, eenvoudig,
sïhadja, btrsïhadja, dengan sïhadja;
b.v, bïrsehadja-sehadjakah ataw dfngan
pïrentahkah,
— rnnnr, of op bevel? —,
indien, als, djikalan. — maar niet,
\'t mocht eens zijn, kalait-kalau. —dat,
sahiuggo, s:ngga,singgan,singgat.— ....
al, al .... zelfs, djikalan .... sakali-
pon.
—, zoodanig, saktav, dïmikian.
—zeer dat ...., —dat, — zelfs dat,
sampai. — spoedig mogelijk, sabolih-
bolih dïngan ftkas.
— oud als, sama
amoer dengan, sa\'amoer dïngan.

boog als een berg, satinggi boekil, sa-
pïrti boekil tinyginja.
—waar, sasoeng-
goeh-soenggoeh;
het zij —, biarlah, £<?«•
datilah; amen, amin, Ar.; hoe —,
mïngapa, bagaimana. — en —, bagitoe-
bagitoe, dïmikian-dïmikian.
— is het er
mee gesteld, dïmikianlah hdlnja, d.
pïrinja, d. olahnja;
zus en —, bagini-
bagitoe.
— en —veel, sakian-sakian.
dadelijk, sabenfar djoega. —, pas, bï-
haroe.
— thuis gekomen, beharoe poe-
lang.
— een als, sakïdar, b.v. sakïdar
radja kïra itoe kïtjil kapada hamba,

een als die aap-koning is mij te gering.
zoouls, sapïrti, sabagaimana, sapïrti
mana, salakoe, laksana, Skr.
zoodanig* demikian, bagitoe.
zoodut, sahingga, sampai, djadinja.
zoodje; een — vïseh, ikan satjoetjoek,
d. i. zoofeel als er bij elkander aan
een touwtje geregen zijn.
-ocr page 875-
B68
zoodoende — zont.
zoodoende, dtngan dvmikian, dlngan \'■
pêri jang demikian, bagitoi\' dengan ba-
gitoe.
zoodra, demi, s^rta. —, zoo haast, dji- i
kalau sigera.
zooeven, tadi, beharoe tadi.
zoogbroeder, saoedara socsaean.
zoogdier, binatang jang bersoesoe.
tooien, rnimheri xaesoe, mfnjor\'soei ;
elkanders kinderen —, van twee moe-
ders, berambil-ambilan Óersoesoean.
zooü^nnnind, alleen in naam. nama
se"had ja.
zoogliind, anak\' soesoean; ook van den
man, daar hij als de eigenaar van het
zot: zijner vrouw beschouwd wordt.
zoogoed, bijnu, ham/dr; ongeveer als,
sa\'akan-akan.
zooyster, zongiooeder, min, pengasoeh,
mak sorsoe, mak frtrk, baboe tetefr.
ZOOlintlttt ~ 7A < <\\V:I.
zool, voetzool, schoenzool, zie nld.
zoolang, salama ; ook sahingga en alleen
hingga,
zoolleder, koetit fapak kasoet.
zoom, innd van naaiwerk, kelim. — i
van een goidijn, lïtim tabir; platte ;
—, kelim pipih, gerolde of kriel — , k¥-
lim boel ai;
engclseho —. kelim Hud\'ih
kasih ;
open —, k\'elha tnoes; eenigszins
brecde ■—, door vouwen ontstaan, kelt-
pit;
tene bijzondere boort van —, ka\'it
pïrangki;
aangezette — of rnnd, b.v.
aan een zeil, net enz. lijk, tuit.—, rand,
kant, niet van naaiwerk, tepi, soesoer,
pinggir,
.Tav.; zich ïangs den — ïoort-
bewegen, menjoesocr.
zoomen, mengelitn.
zoomin, demikian po» tidak.
zoon, atiak; Ier onderscheiding van doch*
ter anak- laki-laki; van den Vorst, poe- :
(era; een — hebhen of krijgen,bPranak,
bvrpoetera.
■— ook, ihn, Ar. in eigen- j
namen.
zoonNchap, pavgkat anak.
zooi>je, sopi.
zooveel, als gegeven grootheid, kian, \'
gatida, b.v. eenmaal —, saktan, sakali
gatida ;
tweemnal—,doewa kiantdoewa \\
kali yanda.
zooveelwte; de — van de maand, sakian
hari boelan.
zoo-wat; — van het een en ander, apa- \'
apa sfdikil.
zoowel, ba\'ik, b.v. — deze als die, ba\'ik
ini, ba\'ik itoe,
—, ook daripada, b.v.
maka sïgala orang isi nPgari pon
bër/ari-tar/an daripada laki-laki dan
perampoean,
en ui de burgers der stad
vluchtten, — mannen als vrouwen;
daripada besar dan kefjil, — de grooten
als de kleinen; de een — als de ander,
sama, b.v. de een — nis de ander was
□iet op zijn gemak, sama tasenang.
zoozeer, bogitoe. b.v. niet — ziek, tiada
bagiloe saki/, tiada bPrapa sakitnja.
zorg, moeite, last, sorsah, — veroor-
zaken, mfnjoesahkan. —hebben, kasoe-
sahan.
—, moeite, ook sifrsa, Skr. —,
hoede, prlihara, pïmïlikaraiin. — voor
iets of iemand dragen, vnnieliharakan.
— , beslommering, sjoegrorl, Ar. masj-
groel.
Ar. — dragen voor iets, ook
ntenjX-langgarakav, menjelanggari, m2-
njelangkari. — dragen voor, denken
aan, ittgat-ingat akan; in grooto — of
kommer verkceren, fig. ajar diminoem
rasa don-i, nasi dimakan rasa se kam.
—, bekommering, tjinta, pertjintaan,
—  hebhen, in dien zin, kafjiniaiin.
zor»eloofl, achteloos, alpa, la/ai. — en
nalatig, lorpa dan la/aï.
zorgeloosheid, kalalajan, kaiitpaan.
zorgen, zorg dragen voor, mïlanggara-
kan, menjëlanggarakan, mZvjïnggara;
voor kinderen weten te —, tahoe bfa-a-
nalf;
voor iets —, ook me\'mbe\'la; er
niet voor te — zijn, tiada terbe\'fa. —,
zie ook hoeden. — voor, onderhou-
deu, memeliharakau. —, bezorgd zijn,
kasoesahan, bïrljinta, maxjgrorl, Ar.;
er voor — (waken, oppassen) dat, zie
die woorden.
zorgvuldig iets doen, behandelen, ge-
bruiken, bewaren, tjere\'mat, dengan tjt-
re.mat.
— in kleeding en tooi, net,
proper, solifr.
zorgviildigiyiï, dengan iftre\'mat.
zorgwekkend, mvndatangkan ptrtjin-
taiin.
zorgzaam, fjtremat., seïenggara.
zot, gek, dwaas, gila, sarsar, 1\'erz. na-
nar, djiihil,
Ar. van zaken ofhandelm-
gen, ook boekan-boekan.
zot, dwaas mensch, orang gila, o. sarsar,
o. nanar, o. djiihil.
zottenlilap, zie bazelen.
zotteriiU, gekheid, zie ald.
zout, garam. — van smaak, asitt. — op
iets doen, iets zouten, ménggarami, mfm-
boeboch garam;
berg —, garam galton;
zee
—, garam laoet.
-ocr page 876-
86*
zoutuchtig — zuiver.
zoutuchtig, rflt, brak, masin.
zouthelanting, beja garam.
zoutelooN, !i,!i.i,i bergaram. —, laf,
flauw, tiiwar, aaibar,
zouten, zie zout, gezouten en in-
zouten.
zoutevÏHch, ingepekcldc, groote viscb,
aan stukken, ptda.
zoutgroef, yalian garam.
zoutkeet, pïyaraman.
züiitlii-ii\'l, kawah garam.
zoutkori", bakoel garam.
zoutkorrel; één —, taboekoe garam.
zoul mtiivt, soekal garam, lakaran garam. l
zoutinu^ii/ün, goedang garam.
zoutniand, bakoel garam,
zoul meter, penjoekat garam.
zoutmyn, tambang garam.
zoutpuckt, paf: garam.
zout puUhuis, goedang garam.
zout iiaii, pïgaraman,
zout put. timpat garaio, bekat garam.
zoutvut = hut voorgaande woord,
zoutverhooper, urang berdjoeteal ga-
ram.
lontsak| karoeng garam.
zoutzee, tasik matin.
zoutzieder, toekang masak garam.
zoutzicderü, pfrmasakan garam.
zucht, keloeh, tarik mi pat.
zuchten, mengeloeh, mtnarik napat; diep
—, mtngéloeh pandjang. — en stenen,
btrkeloeh-kisah
zuclitig, wuterzuchlig, takit betigkak;
van den buik, takit boesoeng.
zuchtje, windje, angin sepueici sepoewi.
zuid, zuiden, stlatan, kidoel, Jnv. tabe,~
lah selalan, daksh/a, Skr. Zie kom-
[MMS treek,
zuideinde, fioedjoetig setalati.
zuidelijk, svlatan,
zuidenwind, angiu xïlatan.
zuiderkrui»,£i»/a»y tuhokjbintaHgpart. .
zuidhoek, zuidkaap, iandjoeng stlatan.
zuidliunt, s.ibtfa/t sélatan.
zuidkust, panlai sïlatan.
zuidoost, tonggara; het hartje van de
— uioeson, tonggara mandi.
zuidpool, /ie pool.
zuidpunt, //ui\'djof/ig svlatan.
zuidwaarts, kast/ata*.
zuidwol, stlatan daja.
zuidzee, taoet selatan.
zuidzyde, sabilah stlatan.
zuigeling, anak menjoesoe.
zuigen, in hut algeinuin, mëngAitap, b.v. !
bloed —,menghisap dar ah; aan de borst,
menjutsoe, mtnetek; van Vorstenkinde-
ren, tanlap soesoe; niet willen —,
tiada maoe sarttap soesue; aan de borst
doen —, mewdfk-kan; een kind dat
sterk nnn de borst zuigt, pïnetek.
met den mond, ook mhtgtnnjoet van
ietiHJoet), b.v. dat kind wil niet —,
ta\'maot\' mengPnrtjoet boedak Hoe. — aan
borsten, waarin geen zog is, of aan
iets waarin geen voeht is, niengopek
(van kopek).— uun bloemen, van bijen,
vlinders enz., m^.njiri (van teri, het
edele, fijne van iets). —, op iets mom-
melen, b.v. op een klontje, dat men
in den mond heeft, mengoeloem (van
koeloem); smakkend —, op een klontje
of een beentje, mëngetib (van ketib).
—, du burst geven, ménjoetoei (van
soetoe).
zuij»er, ran een pomp, kodok-kodok-
—, of de ronde plaat unn den stok
van -Mal. pompen of blaasbalgen, omboh.
zuigerslniig, zooals van een stoom-
evlinder, pilo/jok (van lo/jok, in een
gat op en neder gaan), anders batatig.
zuil, tiang, tiang batoe; de zuilen van
het Kijk, dat zijn de Kijksgrooten,
tiang karadjaün, b.v. inilah adat orang
tiang karadjaan jang triaw belas itoe,
dit zijn de gewoonten der zestien per-
sonen, die de rijkszuilen zijn.
zuilenrij, djadjur Hang.
zuilschacht, bafai/g tiang.
zuinig, huishoudelijk, tjtremat, Aïmmal\'
htmmat.
— zijn om met iets, b.v. een
pond suiker, zukeren tijd toe te konion,
tjekel. — zijn mut iet», bij kleinu
beetjes vau iets nemen, menfjekit.
zuinigheid, tjere.mat, himmat, Ar.; met
— iets gebruiken, behnndelen, meng-
himmatkan;
met — huishouden, merg-
kim mul kun roemah-tangga.
zuiniglgk, dtngan himmat.
zuipuchtig, sangal soeka minoem.
zuipen, minoem banjak.
zuiper, pcminoem, pemabuk,
zuiplap = het voorgaande woord.
zuiver, toetjï, Skr. —, gelouterd van
goud, soedi, Skr. —, echt, oorspronke-
iijk, onvurvalscht, djati. —, rein, on-
besmet, (ahir, Ar. —, rein van gemoed,
halt soefji, kati poctih, zakija, Ar. —,
zindelijk, van het üehaaro, de kleeding,
het buis, spijzen enz., bereti/i, tjerit,
Skr. —, lijn, v;i,i edele uiüla\\cnt toeica.
-ocr page 877-
— zwaar.                                             865
1 zusterskind, sapoepoe.
zuur, asam, masam; dit laatste ook van
bet gelaat, b.v. — zien, moeka masam;
een — gezicht doen zetten, mémasam-
kan moeka.
— van den grond, masam
tanah.
-— worden, djadi asam; van
melk, bakir. —, wranz, pêrat. —,
moeielijk, soekar, siksa, b.v. al te —
zijn brood verdienen, förlalu? siksa (of
soe.kar)mentj$hari rtzëfcihja ;zure brood-
jes eten, mine lam batoe (van (élan); het
— hebben, het land hebben, pïdih hati.
zuur, wat in het /uur gelogd is, atjar;
allerlei keuken- of tafel—, atjar-atjar ;
gemengd —, ini.xed pickles, atjar rarn-
pai;
visch in \'t—, atjar ikan; iels in
het — inmaken, er tafel— van maken,
mëngatjarkan,
zuurachtig, asam-asaman.
zuurdeeg, trpoeng asam, ehamir. Ar.
ztiurznk, nangka xolanda, sërikaja ko-
landa.
zuurzoet, manis asam,
zwaai, wending, balik, poetar,
zwaaiboor, goerdi,
zwaaien, wuiven, mtlambai. —, wag-
gelen, zooals een dronken man, zie
waggelen. — niet een lont, om die
aan te houden, met een zakdoek, staart
enz., mengibas (van kibas\\; ook met
den snuit van een olifant; heen en
weder —, b.v. van een tak, gëmtlat,
gtmoelat.
—, zich zwaaiend heen en
weder bewegen, b.v. bij het spreken of
dansen, of van een uitgaande tol, »ie-
lenggok-; zwaaiende en buigende zijn bij
liet Javaanscbe dansen, tërlmggofy-leny-
gok- dan fêrlioefr-lioefc;
met de armen
—, fórlenggang, mtlenggang; pronkend
met de armen —, mtltmbai, membot-
i\'angkan limbai\';
onder hel gaan met
de armen —. gaan met den zwaaipas,
btrlaagkah limbai; met een zwaard ut\'
Ulb —, bïriajamkan; met een zwaard
—, ook uiKinoi\'tar pedang; pralend mei
een wapen —, mtlela-lela; met dat
wapen tot obj. mtlelakan, b.v. een kris
—, niilelakan ifriê; met ceu wapen
in de rondte boven het hoofd —, nu -
vgitarkan
(van kitar).
zwaaipas, zie pus.
zwaan, is mogelijk het best weer te
geven met boeroeng oendan, e. s. v.
pelikaan. Het 1\'erz. woord daarvoor is
djojinah.
zwaar, bërat; een zware kist, piti\'jang
zuiveren
—, helder, transparant honing, djtré-
?iih, bïning,
Jav. —, juist, b.v. van
maat, gewicht of het meten en wegen,
hVoel. —, alleen, sehadja, bUaka.
z u i v eren, m enjoetjikam, iw tnjordikan,
mtnfahirkau, mfmperësihka/i
, mtnijëf\'
iakatr, w&ndjïrtnihkan;
/ie het onder-
scheid bij het voorgaande woord; de
metalen — van de alliage, memèësoet.
—  van katoen met de snaar van een
boog, mémboesar kapus, — van metalen,
ook mtngaoex.
zuiverheid, kasoetjian.
zuivering, pïsottjian, pïnjoetjian; de
maaadelijkache —, zie mnandston-
den.
zulk, bagini, bagifoe, dtmikian, meestal
voorafgegaan door jang. Dikwerf wordt
—   een met sa voor- en ini achter-
bevoegd, b v. — een gedraz, salakoe
mi.
— eea afstand, sadjaoeh ini.
zulks = het voorgaande woord.
zullen, akan, këlak, nanti, héndak, maoe;
hij zal komen, ija hendak datang; zou
wel, Kéndalp pon, b.v. bij zou wel....
maar, itêndak pon ija .... karüna; het
/al gaan regenen, maoe ada hoed-jan;
Let zou wat! ntana bol\'th \'. hoe zou,
MM, masakan, masakah, b.v. masakan
bodtih ija akan riïgarinja sakalian ito?,
hoe zou hij niet weten wat met al
\'ijae landen te doen; masa ija kakoe-
rwn oeicang, hoe zou hij geldgebrek
hebben; \'e zou kunnen zijn, \'t mocht
«■ens wezen, kalan-kalau.
zulten, zie inmaken.
zundgat, van een vuurwapen, plsoem-
boean,
(van soemboe, lont), pintjeret,
}.<nggtda}f.
—, van een kanon, mata
mariam.
zuren, zuur maken, méngasamkan. —,
onz. djadi atam.
KM, zie bij zoo.
zuwjelief, ariningsoen, Jav. liefkozings-
woord jegens cene beminde.
zuster, saoedara ; ter onderscheiding van
broeder, saoedara përampoean; tot —
hebben, btrsaoedarakan; oudere —,
kakafr. — van dezelfde moudcr, maar
van een anderen vader, saoedara an-
djing;
mans—, of vrouwabioeder, biras;
jongere —, adifr, adik- ptrampaean;
stief—, zie stief; vadera of moeders
—, zie tante.
zusterloos, (iada tiérsaoedara pïram-
poean.
-ocr page 878-
$66                                             zwaard — zwart.
heidsbetuiging, dldïf. Ar.; ook van
woorden, eene overlevering, getuigenis
enz.; doodelijk —, letak1. —, van ouder-
dom, renta, rajah-, oud en —, toeic<i
renla.
—, vau stem, ki/jil, kambar; ook
pintar. 7.\\t
wrnk,
zwakheid, kalimahan.
zwakkeiyit, kalimahan; ziekelijk, tjë-
lomis. — worden, mintjilomis.
zwakte, limah, ■\'• mahan.
zwalken, zwerven, mingombara (van
kombara), biridar-idar, ook van een
vaartuig. Zie rondzwalken,
zwalker, pingombara, kilana.
zwaluw, boeroeng lajang-lajang; de—,
die do eetbare nestjes bouwt, boeroeng
lajang goka
; e. s. v. —, die zeer hoog
vliegt en een rinkelend geluid laat
hooren, boeroeng giring angin; e. s. v.
—, singtngkang.
zwaluwnest, sarang boeroeng lajang-
lajang.
zwaïuwstaart, e. s. v. houtverbnnd,
badjang, lidah bèrbadjang, langgam.
zwaluwvUch, de vliegende visch, ikan
lajang-lajang.
zwam, die voor vuurmakeo gebezigd
wordt, vooruamelijk afkomstig vanden
énau-palm, raboek. —, duivelsbrood,
koelat; soorten zijn: koelat kajoe, k.
koel, k. padang, k. palah, k. ponysot:
en k. sisir. Zie paddestoel.
zwanenhals; tig. leher djindjattg.
zwanger, boenting, mingandaeng anak,
hamil, Ar. Dit laatste van Vorstinnen
en aanzienlijken. — zijn van een kind,
mimboentingkan anak. —, doch niet
bekend door wien, boenting gilap.
gaan van een plan, birtjinta, b.v. en
Alkas Mantri ging — van het plan
om hem te Jouden, dan btrtjintalaJt
A. M. hëndak mimbofnoeh dia. — zoodrn
de zwnngerschap niet meer twijfelachtig
is, doedoek piroet; hoog —, boenting
sarat, mingandoeng sarat, mingandoung
btrat-, üg. uitdrukking voor — is:
Mttkan nampal, d. i. eetbare aarde eten.
— van regen, gezegd van de wolken,
méugandoeng hoedjan,mingandoeng ajar;
dat, waarvan men — gaat, kandoengan.
zwangerschap, kandoengan.
zwanken, waggelen, zie ald.
zwarigheid, kasoesahan, kasoekaran.
zwart, hitam; donker, kilam; dof —,
hitam poedar; glanzend —, van het
hoofdhaar, icilts. —, donker blauw,
blrat. —, moeielijk, lastig, soekar, pa-
jak, siksa;
specifiek —, io vergelijking
toet de sewone zwaarte, antap. —, van
belasting, wetten enz., tiras. —, van
Beladen of zwanger, sarat.—, van eene
ziekte, pajak. — ziek, sakit pajak. —,
ril gewond, parah. — «wond, loeka
intrah.
—, diep van de stem, garatt,
\'jlmbïra,
— van een geluid, kïras,
haibat, oembang.
—■ te verteren, van
spijzen, tjikil. — in het hoot\'d, ngtloe,
gu/ang;
na een onrustigen slrwip ot\'
Let gebruik van tabak en dergel., pi-
ngar, pinggar,
— bloeien, Ukat boe-
nganja.
— van vruchten, libat boe-
icahnja;
een zware baard, djanggoet
ja/tg libat.
— van ecne straf, sangat.
zwaard, pidang; met een — slaan, mP-
itiaratig dingan pidang;
met het — tot
obj. mïmarangkan pidang | van paravg);
Aljineesch —, gtdoebany, djiuairi; kort
—, zooals het oude Romeinsche, soeti-
daug;
slai;—, sjamsjir, 1\'erz.; een hou-
ten —, bïlabat. — van een vaartuig,
kat ir, katil, sajap.
zwaardedans; e. s. v. —, ptntjak;
een — uitvoeren, mimintjak-
zwRardulae* paloe dingan pidang, pa-
loe pidang.
zwaardveger, toekang sindjata.
z waard visch, ikan lodaJc; e. s. v. groot e
—, tjoetjoet pidang.
zwanrdvormic, saroepa pidang.
zwanrlijli, moeilijk, zie ald.
zwaarlijvig, toeboeh sisai; geMQk>.
zwaarmoedig, moeroeng,
zwaarte, berat.
zwaartepunt, steunpunt, galang.
zwaarwichtig, bisar, pinting.
zwabber, pingisat, silabar.
zwabberen, mingisal van kisai).
zwnchtfl, windeldoek, lampin, kaïn lam-
pin, bidoeng, ka\'in bibat, baroet.
—,
lang en smal windsel, bidoeng lilit,
zwachtelen, mimbibat, mimbtdoeng,
mimbdroet, milampin.
zwadder, \\isa oelar.
zwager, \'par; — of /wairerin van
iemands vrouw of man, biras.
zwagerin, broers vrouw, ipar.
zwak, limah; ook van een woord of
gezegde. — van lichaam, ook lita toe-
hing,
nam. uitgeput. — van ingewanden,
boeroek\' piroet. —, afgemat, lisoe;
meestal vereenigd met lelih tot litih-
lisoe,
— en afgemat; —, nis nederig-
-ocr page 879-
ög:
zwart achtig — zwerftocht.
zwelgen, mëntjaroek; ongekauwd in-
slokken, mëloeloer. —, door de keel
irieten, tnënggogofc.
zwelger, eulzigaurd, orang Jëmap, pën-
dëmap, pëlahap, orang gëloedjoh.
zwellen, van vruchten, die rijpen, een
kleed, zonnescherm, zeil door den wind,
een blaas die gevuld wordt, mi nggëti//.-
boeng. — van vruchten ook, mëngam-
poel
i\'van ampoel, lëmboeng; van vele,
lëmhoeng-lëmboengan. —, zich spannen
van zeilen, mërëgang. —, van de bor-
ften ecner vrouw, montok-montok, tëm-
boel.
—, gezwollen van bet aangezicht
en het bovenste van handen en voeten,
bakoep. —, gezwollen van eene rivier
bij opkomend tij, zonder dat het water
naar boven loopt, s&nak; ziekelijk op—,
djadi bëngkaj,: Zie opzwellen en
gezwollen.
zwelling, bëngkajr; witte —, bëngkak
jang sabuen.
—, zucht, basal; zuchtige
— van den buik, boesoeng; water-
zucbtige — van bet onderbeen, oen-
toet;
e. s. v. ziekelijke —, kajap; van
het hoofd, kajap bëtoel; van de borst,
kajap barah; van de dijen, kajap ba-
koen;
van de voeten, kajap toenggal.
zwemblaas, van een visch, paroe-
paroe.
zwemmen, bërënang; aan het — raken,
tërluang; met iets weg—, mërënang-
kan;
naar iets toe—, tnërënangi; dui-
kende voort—, mëndjëlanak\'; met kur-
ken of blazen —, bërënang bërlampoeng,
b. berpëlampoeng.
zwemmer, orang bërënang.
zwemplnats, tëmpat bërënang.
1 zwemvin = vin.
zwemvogel, boeroeng jang bërënang,
boeroeng ajar.
zwendelarij, poetar-balijr, tipoe-tepofc,
Pad. bov. 1. kitjoe-daja.
zwendelen, bërpoetar-balifr, tërkitjoe-
bërdaja,
zwengel, van een put, djoerau.
zwenken, bërpaling ; een paard doen —,
mëmalingkan koeda.
zweren, een eed doen, bërsoempab ;
doen —, een eed laten doen, mënjoem-
pahkan ;
dat, waarbij men zweert, soem-
pahan;
trouw —, bërsoempah satïa. Zie
trouw,
! zweren, met zweren zijn, berpoeroe.—,
etteren, bërnanah.
zwerftocht, pëngomharaün.
erang (JaT. irëng). —, donkerblauw,
boïong. — of donkerblauw schilderen,
..■ .tmbolong. —, alleen van rijst, beneden
liet middelmatige in witheid, tamhar;
de tanden met kleursel — maken,
niënggërang; iemand — maken, in een
kwaad blaadje brengen, bërdjahat orang.
—   kijken, moeia masam.
z war tachtig, kafutaia-hitawan.
zwartblauw, biroe hitam.
zwarten, mtnghttamkan.
zwartgevlekt, bërbëlanp hitam.
zwartheid, kahitama».
zwortekunstenaar, djindjang.
zwartsel» djëlaga. — voor het kleuren
v --iji de tanden, badja.
zwavel, balerang, tanah tjëmpaka.
zwavel-arsenicum, balerang abang.
zwavelen, mëmboeboek balerang.
zwaveiyzer, ëmat oeroeng.
zwavelinijn, galian balerang.
zwavelregen, hoedjan balerang.
zwavelreuk, baoe balerang.
zweem; er is geen — van, tiada rasa,
(iada mërasdi,
b.v. salagi ada përidaran
tjakraicala, boelan dan matahari tiada
iriëratdi loepa dan lalai,
zoolang er eene
omwenteling is van bet heelal, de zon
en de maan, is er geen — van vergeten
of verwaarloozen.
zweep, tjaboek, Perz. tjamboek\', tjëmafc,
pïtjoet, tjëmëti-bërfali.
zweepen, mëntjaboejr, «tëntjëmafc, niën-
tjëmëti.
zweepslag* tébat tjaboek, sïhat fjëmëfi.
zweer, poeroe, loeka bërnanah; veneri-
sche —, poeroe kotji. — aan den neus,
jilumbago rosea, rüstoeng; sypbilitische
—  aan den neus, ordena, rëstoeng kotji.
—   aan de beenen, toekafr.
zweer der, orang jang bërsofinpah.
zweet, pèloeh, ajar peloeli; op Java
kringel; van Vorsten, djamdjam doer-
dja; bet — brak bem op het gelaat
uit, bërsimbah pëloeh dimoekanja.
zweetbad, iangat.
zweetdoek, zakdoek, sapoe-tangan, kaui
pënjapoe pëloeh.
zweetdranh, obat akan mëngaloeicar-
kan pëloeh.
zweetdroppel, titik pëloeh.
zweeten, bërpëloeh, këringët, Jav.
zweetgat» porie, lobavg rocma, liano
roema.
zweetlucbt, baoe pëloeh; op Ja\\*baoe
kringel.
-ocr page 880-
sOS
zwerk — zwoord.
zwerb, luchtruim, akasa, angkasa.
zwerm, van vogels enz,, kawan; zie
troep; bij —en, tiêrkawan-kawan.
zwermen, zooals mieren in den paar-
tijd, boeboes, Mal.; door elkander, zoo-
als b v. insecten rondom eene lamp,
tëlibang.
zwervt-litijj, orang pengombara, oratig
ktlana, oratig djangela;
een arme, vrome
—, fakir, Ar.
zwerven, mt?igombara, kttana, mendja-
ngéla,
Skr. —, afdwalen, beranjoel,
mëlaral.
zwerver, landlooper, orang mtlarat;
zie landlooper. —, vagebond, tot
alles, zelfs een moord, instaat, orang
rUan, pÜrisau;
zich zoo gedragen, me-
risav.
zwetnen, nvêmboetcal-basoeng, Mal. Zie
pochen.
zweven, berlajang-lajang, m¥lajang-la-
jang;
ook zwevend vliegen; hangend
—, zooals de ingewanden van een ;■■■■■
nanggalan, e. s. v. vampir, berdjila-
djila.
—, zwevend naar beneden komen,
melujong. —, van stof enz., terbang ;
voor den geest —, terbajang-bajavg
dalam ingatan.
zwevend, vliegend, uiélajang.
zwichten, onderdoen, tiicas.
zwiepen, heen en weder slaan, mëngebas
(van kïbas). — met een dun voorwerp
door de lucht, menjioet (van aioet, klank-
nabootsend woord). —, van boomtak-
ken, mtlampai-lampai; aan het — raken,
ttrlampai-lampai.
zwier, bevalligheid, fjantifr. —, tooi,
perhiasan.
zwierbol, orang ptrlintai.
zwieren, draaien, bïrpofsing-poesing. —,
een losbandig leven leiden, mtrisau,
nitndjangak.
zwierig, opgeschikt, solik.
zwijgen, dtam; zich stil houden, Mr*
diam dirinja. — over iets, tot iets
het — doen, mêndiamkan; tegenover
iemand steeds het — bewaren, hem
dood—, mêndiami; tot — brengen,
het stilzwijgen opleggen, mtmpérdiam-
kan;
tot — brengen, den mond snoe-
reu, het — opleggen, mtnjoembat moe-
loet
(van toemóaf), méngatoepkan moeloet
(van katoep), mëmatahkan lidah (van
patah), mimboenoek perkatacn orang;
gezwegen van, laat staan, djangan, dja-
ngankan,
b.v. djangankan liamba, toe-
tcannja pon tidak ditakoeti,
gezwegen
voor den knecht, voor den heer vreest
men zelfs niet. Ook oesah en oesahkan
worden in deze beteekenis gebezigd.
zwijger, pendiam,
\'.
zwijm, flauwte, pingsan, moer/ja, Skr.
bt\'hausj, Perz.
! zwijmeldrnnk, obat behausj.
1 zwijmelen, duizelig worden, poesivg
kapala, pining kapala.
zwijmen, bezwijmen, zie ald.
zw\\jn, babi; wild—, babi hoetan; e. s. v.
klein, rosachtig wild —, nangoetci;
e. s. v. zwart wild — met zware slag-
tanden, en knobbels op den kop, babi
tanah.
zw\\jnesel, landak.
zwijnenhoeder. gombala babi.
zwjjnenhok, kandang babi.
zwvjnenjiicht, pémboeroean babi.
zw\\jnenkost, makanan babi.
; zwijnenkot, kandang babi.
1 zwjjnentrog, paloeng babi.
zw\\jnevleesch, daging babi.
zwunerü, soekara.
zwijnsborstels, boeloe Cêngkok babi.
zwijnshaar, boeloe babi.
zwünsliop, kapala babi.
zwikgat, Hang soembat, lobang soembat.
zwihje, van een vat, soembat; op Java
soempel.
zwikken; gezwikt, tïrp&etjoek, ürgl-
Hat, salah oerat.
zwingel, ptnébah.
: zwingelen, ?/ténëbah (van tïbah).
1 zwoegen, berWah, bïrhai-hoewi.
zwoeger, orang jang btrUlah, o. j. bt-r-
hai-hoewi.
zwoeging, hai-hoewi.
zwoord, koelit babi.