-ocr page 1-
mmmmmm m
-ocr page 2-
v^yvï \\28^Ó
-ocr page 3-
-ocr page 4-
.
-ocr page 5-
r.
ZEDE-PRIiNTEN.
.
-ocr page 6-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000003500091B
0350 0091
-ocr page 7-
Ju r £. r £
C. HUYGENS
ZEDE-PRINTEN,
VERMEERDERD MET DE TOT DUSVER ONUITGEGEVEN PRINT
VAN „EEN PROFESSOR" EN VAN INLEIDING
EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
DOOR
H. J. EIJMAEL,
l.KEK AAK AAN UK OPENBARE HANDELSSCHOOL TE AMSTKKUAM.
TE GRONINGEN BIJ J. B. WOLTERS, 1891.
• \'
-ocr page 8-
Stoomdrukkcrij van J. B. Wolters.
-ocr page 9-
INLEIDING,
MET DOORLOOPENDE CRITIEK OP JORISSEN\'S „C. HUYGENS\' STUDIËN".
Toen Huygens in Mei van het jaar 1625 de eerste verzameling zijner
gedichten onder den titel: Constantini Hugenii equitis Otiorum
Libri sex het licht had doen zien, zullen zijne letterkundige vrienden
wel het gretigst het Vijfde Boek hebben opgeslagen, dat naast de
„Stemmen eeniger Steden en Dorpen van Holland" zijne Charactores
o ft Printen bevatte. Costelick Mal en Voorhout waren reeds vroeger
door den druk gemeen gemaakt: „nae de Characters" hadden zij, volgens
Hoofts schilderachtige uitdrukking, al lang „gevast"1).
De „Zedeprinten," gelijk zij later in de Korenbloemen genoemd worden,
waren dan ook reeds geruimen tijd te voren voltooid. Dit weten wij niet
alleen uit \'s Dichters opdracht aan zijnen broeder Maurits, Secretaris
van State, onder welke het jaartal 1624 te lezen staat, maar ook on
voornamelijk uit zijn antwoord aan J. van der Burgh2) uit datzelfde
jaar, waarin hij — blijkens zijne eigene aanteekening van de Characteres
sprekende — zegt:
Mocht ick maar de ooghjens vinden,
Ronde Rapenburger Linden,
Die u Burigh Borger vnjdt,
Oh! wat zouden mijn Gedichten
All de Dichterij doen swichten,
Van mijn laesten ivintertijd 3).
De Printen waren chttien in getal; eene negentiende, Een Professor,
welke thans voor het eerst wordt uitgegeven, werd door Huygens opzet-
telijk achtergehouden. Zij is in de HSS. der Koninklijke Academie van
Wetenschappen teruggevonden en door Dr. J. A. Worp welwillend voor
mij gecopiëerd. Vers 39—70 zijn niet door Huygens zelven, maar door
zijne moeder — soms vrij onduidelijk — geschreven, een feit, waarvan
\') Hooft, Briev. I, 240.
*) Otia VI, 127.
3) Zie verdere aanduidingen in Ken Waerd, alwaar het jaartal 1623 in margin»
gedrukt staat; de onderteekening vun Een Professor, en Hoofts bovengenoemden brief.
-ocr page 10-
INLEIDING.
VI
onze dichter met zijne bekende nauwkeurigheid aanteekening houdt in
het onderschrift: Constanter, Hagae, Sbris. Aeyer. manu materna.
Links bovenaan staat van zijn eigen hand: Niet te drukken. Welke
redenen hij gehad heeft, om deze Print het daglicht te misgunnen, is
moeilijk na te gaan: zij is wel geene van do beste, maar verdiende toch
stellig de eer der Uitgave oerder dan b.v. de vrij onbeduidende: Een
Divergh.
Waarschijnlijk vreesde hij daardoor de gevoeligheid der Leidscho
Hoogleeraren, of althans van den een of ander hunner, te kwetsen en al/.oo
ontrouw te worden aan het beginsel, dat hij zich tot richtsnoer had gesteld:
\'k Will geen vrienden laten dencken,
Dat ick d\'eer hebb willen krencken,
Die den eenen van Geboort,
Andren van Verdiensten hoort.                                        /
Let men alleen op den inhoud der Printen, dan valt het niet te ont-
kennen, dat zijn vrij langdurig verblijf te Londen, als Secretaris van
twee op elkander volgende Gezantschappen, voordeelig heeft gewerkt op
zijne ontwikkeling. Veel meer nog dan zijn Costelick Mal verraden zij
zijne vroeggorijpte levenswijsheid en zijne kennis van het menschelijk
gemoed. En geen wonder. De vergelijking van het leven, zooals hij het
hier leerde kennen, met dat, in zijn vaderland en op zijne vroegere
reizen waargenomen, scherpte zijn van nature toch reeds zoo snellen en
juisten blik, strekte tot proefsteen van wat hij bij oudere en nieuwere
schrijvers geleerd en gelezen had, gaf hem — en dat was noodig voor
iemand, die, zooals hij, nog al geneigd was om zich zelf tot het middel-
punt van al zijn denken te maken — de vereischte objectiviteit om de
menschen te zien, zooals zij waren, en te teekenen, zooals hij ze zag.
Hij werd daar, zooals hij zelf getuigt, Korenhl. 1, 447:
... op de baen gestelt, daervan (hij), met het roeren,
Gelijck de Sneeuwen kluyt ervaringhs schatt vervoeren
En Werelds wetenschap in Holland brenghen moght.
„De Characteres of Printen" wij zeggen het Jorissen gaarne na, „zijn
achttien (19) schetsen met de pen vol vernuft, geest en waarheid. De
typen zijn uit allerlei standen en rangen der maatschappij genomen.
Nevens den Koning staat de bedelaar, een boer gaat den wijzen
hoveling voor, te zamen volgen de gezant en de beul." \')
Minder onverdeeld is oir \'temming mat het onmiddellijk volgende:
„Het kan intusschen niet anders, of iedere schets draagt de blijken
van de meer of mindere vertrouwdheid des dichters met zijn onderwerp.
\') Jorissen, Coust. Htu/tjens, Studiën, bl. 182.
-ocr page 11-
vn
INLEIDING.
Hoeveel bewondering men ook moge koesteren voor de juistheid, waar-
mede hij de boerenta*\\ heeft afgeluisterd en weet weer te geven, voor
zijn geestigen waard, enz. Huygens is uit den aard der zaak beter in
zijn eigen stand te huis. Is het mogelijk scherper en bijtender de hove-
lingen van Jacobus\' hof te teekenen, dan hij het in zijn Sot hovelingh deed ?"
Velen zullen het, geloof ik, met mij eens zijn, dat het juweeltje onder
zjjne schetsen, Een Boer, nog door fets anders uitmunt, dan door de
juistheid, waarmede Huygens het boeren-idioom heeft opgevangen , en dat
de Waerd, de Bedelaer, de onwetende Medicyn, de goede Predikant,
enz. even treffend van waarneming, toets en teekening zijn, als zijn
Sotte Hovelingh. Stellig staan zij boven diens wijsen tegenhanger; welk
stuk door zijne ongeëvenredigde lengte, de menigte en uitvoerigheid der
ingelaschte détails en de daaruit voortvloeiende geringere mate van
objectiviteit en plasticiteit eerder aan eene beschrjjving, dan aan eene
print, een beeld, doen denken. Juist de grootere kennis van den stand,
waartoe hij behoorde, heeft Huygens hier parten gespeeld en hem belet
de juiste maat te houden. Evenmin kan ik toegeven, dat in Een Sot
Hovelingh
de edellieden van het hof van Jacobus zouden geteckend zijn:
wat hij zijn model to laste legt, past op alle zijne standgenooten, niet
het minst op de omgeving van Prins Maurits. Verder verbieden des
Dichters woorden uitdrukkelijk aan Jorissen\'s opvatting voet te geven.
Noemt hij niet, vs. 35, het duel een
Wanschapen Stoutigheit, van over zee geleent,
dus te onzent uit den vreemde ingevoerd? Slaat niet, wat hij aangaande
\'s Prinsen kerkgang zegt (vs. 49, vlgg.) op een gebruik aan het Stad-
houderlijk hof? En is de Maandaghsmerckt, waarvan hij, vs. 80, gewag
maakt, een andere dan die door wiens „gedrangh" Jan Govertse en
Trijne-moer „booren" (vs. lil)? Neen, hier zoo min als in een der
overige, heeft Huygens ons uitheemsche karakters willen schilderen,
maar Hollandsche, of liever algemeen menschelijke, zooals zij zich voor-
doen aan het oog van een Hollandschon waarnemer.\')
En daarom komt ook Jorissen\'s gissing, dat de breede bespreking van
het tweegevecht in den Wijsen Hovelingh op een persoonlijk feit doelt,
mij niet „zeer waarschijnlijk" voor. Al heeft Huygens in het jaar 1623
met een, naar het schijnt, aanzienlijk persoon twist gehad, de zaak,
waarover die liep, was te onbeduidend,dtfkooti, waarop hij er in zijn
Gedwongen Onschuld gewag van maakt, te luchtig, dan dat er ook
\') Alleen bij Een Koningh is de invloed van zijn verblijf aan het Engelsche hof
niet te miskennen.
-ocr page 12-
VIII
INLEIDING.
maar in de verte van een duel sprake kan zijn geweest. En juist, dat
hij, gelijk Jorissen herinnert, in zijn Oogentroost, dus 24 jaar later, nog
eens op hetzelfde thema terugkomt en geheel dezelfde theorieën verkon-
digt, doet zien, dat wij met een beginsel te doen hebben, een beginsel, dat
volkomen strookte met zijne wijsgeerige en positief-Christelijke overtuiging.
Wil men zich trouwens in gissingen verdiepen, dan geven de Printen
daartoe op menige plaats gelegenheid en trekt het, om maar iets te
noemen, stellig niet minder de aandacht, dat onder al die negentien
Schetsen, er slechts ééne is, die op „de weecker Menschlickheit", de
vrouw, betrekking heeft (L\'ene rijcke Vrijster). Bedenkt men daarbij,
dat juist in het jaar 1623 zijn broeder Maurits dringend aanhield
om de hand van Susanne van Baerle en zijne geheele familie, met
vader Christiaan voorop, te vergeefs hemel en aarde bewogen heeft,
om den tegenstand der koele schoone te breken, dan ligt hier zeker de
vooronderstelling voor de hand, dat wij de aanleiding tot deze Print in
eene omstandigheid te zoeken hebben, waarbij de Dichter zelve betrokken
was. En zij wordt volstrekt niet weersproken door het feit, dat Susanne
later zijne vrouw, de door hem zoo verheerlijkte Sterre, geworden
is. Hij schijnt reeds vroeger dan zijn broeder tot de aanbidders van
Susanne behoord en zelfs een aanval op haar hart gedaan te hebben,
maar eveneens te zijn afgewezen on zich daarover te hebben gewroken
door een fransch liedje: Susanne, un jour1), dat Jorissen terecht als
straf betitelt en waarvan het slot misschien onbeschaamd mag heeten:
Ha! que soudain mon ardeur offensée
S\'appaisera d\'un subject de risee
En te trouvant comme fut caressée
Susanne, un jour
d\'Amour sollicitée par deux vieillards.
Weet men nu nog, dat zij in het jaar 1625 ook Hooft een blauwtje
heeft laten loopen; dat zij de „Gloorroos" is, die hij in zijnen Harders-
kout2) als zeer „wahlerisch" afschildert; dat zij voor eene der rijkste en\'
aanzienlijkste partijen van Amsterdam doorging, dan zal niemand kunnen
beweren, dat mjjne hypothese allen grondslag mist. Ik geef haar intus-
schen voor wat zij waard is, en ding niet verder naar eene der medailles,
die Alida Leevend uitloven wilde „voor die bij uitstek nuttige leden onzes
vaderlands, welke zich in misschienen en mooylijkheden uitslooven." Im-
wers, al mocht ook later blijken, dat de hior opgeworpen gissing juist
l) Otia, bl. 56, 57.
s) Jloofts\' Gedichten I, 247.
-ocr page 13-
IX
INLEIDING.
was, meer dan eene aanleiding, eene impulsie, tot de karakterschets
kan de „blauwe scheen" van Maurits niet geweest zijn. In de grof ge-
penseelde llijcke Vrijster zal niemand het beeld herkennen der niet
alleen rijke, maar ook „schoone en geestige brunette" \'), die later voor
Huygens zulk eene voortreffelijke levensgezellin werd.
En dat mocht ook niet, wilde de Schrijver althans niet ontrouw worden
aan zich zelf; want „de beelden, die hij teekent, zijn geene portretten of
copieën van oorspronkelijken. Menige neus van Verdichting stond op een
gezicht van Herinnering. Het zijn kleine schilderingen van een kunstrijke
hand, door levenswijsheid gericht en gestierd. Levenswijsheid, die het
resultaat is van wat hij zelf heeft waargenomen en ondervonden, maar
niet minder, van wat anderen voor hem in het leven hebben gezien en
geleerd. De ondervinding der voorgeslachten is hem de toetsteen en
weegschaal van zijn eigen ervaring geweest. Den navolger van Theo-
phrastus hebben Horatius, Juvenalis, Seneca, Terentius, Ovidius, Clau-
dianus, Cicero en den Bijbel ter zijde gestaan en voorgelicht."
Het spijt mij, maar ik kan deze even keurige als juiste kenschetsing,
weer niet tot de mijne maken zonder kantteekening. De uitdrukking
„navolger van Theophrastus" vind ik hoogst ongelukkig gokozen. Zij,
die met de Characteres van den Griekschen wijsgeer niet bekend zijn,
zullen allicht tot de gevolgtrekking komen, dat Huygens\' Zedeprinten
daarvan eene navolging zijn. Niets is intusschen minder waar. Onze dichter,
die nagenoeg de geheele oudheid onder de knie had, zal ook de Characteres
niet ongelezen hebben gelaten, maar de overeenkomst gaat niet verder,
dan door den titel wordt aangeduid. Wanneer eene vergelijking van beide
werken, èn wat vorm èn wat inhoud betreft, niet terstond elke gedachte
aan navolging uitsloot, het zelfstandig karakter en het eigen woord van hem,
dien Potgieter terecht een ivaar man genoemd heeft, bleven er ons borg voor:
Libera per vacuüm posui vestigia princeps
Non aliena meo pressi pede a),
klinkt het aan het einde van het dichtwerk. Eene fiere verklaring, maar
met volle overtuiging en naar waarheid afgelegd! 3)
Gaan wij nu van den inhoud der „Printen" over tot haren vorm, dan
valt ook hier vooruitgang te bespeuren, maar helaas! vooruitgang in
eene richting, die de geestige Constanter zelf, op lateren leeftijd tot
l) Jorissen, Studiën, 201.
s) Voor de Vertaling, zie Aantt. bl. 124.
3) Juister en voorzichtiger drukt zich J. ten Brink uit, welke in zijne Schets
eener Gesch. der JSlederl. Letterk.,
bl. 377 zegt, dat H. zijne Zedeprinten „Characteres"
noemde in navolging van Theophrastus.
-ocr page 14-
X
INI.BIDING.
beter inzicht gekomen , „ruggeling" of „averochtsch" zal genoemd hebben.
Over de wijze van behandeling, al is die voor alle typen dezelfde,
mogen wij hem niet hard vallen. Deze sproot voort uit \'s Dichters opvat-
ting van zijne taak. „Schilder met de pen", als hij zich noemt, omlijnt
hij elk der beelden zijner galerij eerst met enkele forsche, sterksprekende,
schoon niet altijd zuivere trekken; vervolgens werkt hij het op en vol-
tooit het in de détails. Moge daardoor zekere eenvormigheid niet ver-
meden kunnen worden, het verraadt geene geringe mate van virtuositeit,
18 of 19 maal diezelfde manier te herhalen, zonder vervelend of zelfs
maar eentonig te worden.
Maar tegenover de gebreken van zijnen stijl, die in de Characteres
duidelijker aan den dag treden, dan in een zijner vroegere werken,
mogen wij niet zoo toegefelijk zijn. Wij kunnen zelfs een gevoel van
wrevel niet onderdrukken jegens den man, die er vermaak in kon
scheppen, zulke „schatten van wereld- en menschenkennis" voor een
groot deel tot onvruchtbaarheid te veroordeelen, door ze te vermommen
en te verbergen in het kleed, waarin hij ze stak.
Toch kunnen wjj ons niet onvoorwaardelijk nederleggen bij Jorissens\'
kritiek \'): „In de gewrongenheid en gekunsteldheid der tegenstellingen ver-
toont zich de leerling van den Deken van St.-Pauls *). Zijn afkeer van alge-
meen begrijpelijke poësie spreekt zich uit in de bijtende teekening „van
een algemeen poëet" en openbaart zich in de gezochtheid van uitdrukking
en spitsv&idigheid der gedachte. Wie bijv. ooit een rijcke vrijster zag, vindt
in de smakeloosheid der onsmakelijke beeldspraak het genre geteekend:
Sy is een Kerraiss\'gans. die menigh boer ontslipt,
Een korssele Goddinn, die \'t meerendeel belipt
Van hare priesteren: een beeld van dusend rekels;
Soo menigh jongen bill een bolsterbed van hekels, enz.
„Gedachten, die zich in zulke vergelijkingen en beelden verbergen,
worden bijkans onherkenbaar. De verleiding is blijkbaar Huygens te zwaar
geweest, om zich in dergelijke tegenstellingen en woordspelingen te ver-
meien , op het gevaar af, dat de gedachte wegvlucht. Zoo bijv. in een Woerd,
Sijn Oestmaend spelt met er, soo kans\' op oester sluyten,
Castagnen sluyten oock, hoewel sy \'t rijm doen stuyten:
Of eenigh niewelingh dat dichten niet en kost,
Hy leert hem \'t Refereyn om eenen Avond Most."
») Studiën, bl. 185.
5) John Bonne (1573—1631) vermaard kanselredenaar en dichter. Huygens leerde
hem kennen tijdens zijn derde verblijf in Engeland (5 Dcc. 1621—13 Febr. 1623),
als secretaris van het gezantschap Francois van Aerssen c. s.
-ocr page 15-
INLEID [NO.                                                                              XI
„Zulke woordspelingen en zulk eene reeks van gezochte, en maar al te
dikwijls valsche beelden komen vroeger niet in die mate als hier bij hem voor.
Hier is de literarische kunst tot kunstenmakerij verlaagd. Dat Huygens zich
door het voorbeeld van een beroemden naam tot dezen wansmaak heeft laten
verleiden, is te meer te betreuren, omdat de Characteres uit het oogpunt
van wereld- en menschenkennis zoo hoog boven zijne vorige gedichten staan."
In de eerste plaats ben ik niet even als Jorissen, overtuigd van den
invloed, dien Donne op onzen Dichter geoefend heeft. Voor zoover ik heb
kunnen nagaan, is het bestaan daarvan hoogst onwaarschijnlijk en het
bewijs daarvoor door J. allerminst geleverd. Ik meen dit uitvoerig aan-
getoond te hebben in mijn artikel John Donnés invloed op Constantijn
ffui/aens
(zie De Gids, Mei 1891, bl. 344, vlgg.) en te kunnen volstaan
met den belangstellenden lezer daarheen te verwijzen.
Het tweede punt, omtrent hetwelk ik met Jorissen in meening verschil,
betreft het oordeel, dat hij over de artistieke waarde der Zedeprinten
uitgesproken heeft. Waarlijk dat vonnis is te hard. Hij verwijte haar
vrij, dat haar in grootere mate de eigenaardige gebreken van Huygens\'
schrijftrant aankleven: uit de voorgaande bladzijden blijkt genoegzaam,
dat ik hem dienaangaande volstrekt niet wensch te verdedigen. Maar
hem van smakeloosheid te beschuldigen, hem de aanklacht naar het
hoofd te slingeren, dat hij „de literarische kunst tot kunstenmakerij
verlaagt" gaat te ver. Bovendien heeft Jorissen m. i. in de twee door
hem geciteerde passages, \'s dichters bedoeling niet begrepen. Bij het
schetsen van Eene rijeke Vrijster zweefde Huygens stellig het tegenbeeld j
voor oogen van die jonge „patriciennes", beschaafd, geestig en gratieus,-
van welke ïesselschade het zuiverste type is, en waarvoor de leden van
den Muiderkring „schwarmten". Zijn model doet zich aan hem voor als
eene echte „parvenue": eene soort, welke in die dagen onzer opkomende
burgerij zeker niet zeldzaam was en zich door trots, aanmatiging, mo-
dieuse, doch weinig smaakvolle kleederdracht een air van voornaamheid
trachtte te geven, waarmede haar geestesontwikkeling geen gelijken
tred hield. Ontstond uit dat conterfeitsel geen verkwikkelijk of aan-
trekkelijk beeld — des te erger voor het origineel: de kunstenaar .heeft
het geschilderd, zooals hij het zag, met grove, hoekige trekken en
schreeuwende, dik ipgelegde kleuren. Was hij dit doende niet in zijn recht?
Evenzoo ziet Jorisiren in de gewraakte passage uit Een Waerd totaal
over het hoofd, dat Huygens hier speelt met een oud rijmpje, hetwelk
destijds genoegzaam bekend zal zijn geweest, om den lezer zijne bedoeling
te doen raden, en den Dichter bij wijze van overgang, de gelegenheid geeft
-ocr page 16-
XII                                                                 INLEIDING.
om nog een trekje toe te voegen aan het beeld, dat hij op het paneel
heeft: de behendigheid van den slimmen dienaar van Bachus, om zijne begun-
stigers tot avondgelagen over te halen, waarbij zijn buidel het beste vaart •).
Aan de eischen der kunst is in beide gevallen voldaan. Of zal men
Saint-Saëns en Jan Steen geen artisten noemen, al haalt ook des
eersten geleerde muziek niet bij den verheven eenvoud van Haydn en
verbleeken de snaaksche tooneelen uit het volksleven van den tweede bij
de breede conceptiën van Rembrandt? En zoo moge ook Huygens geen
evenknie zijn van Vondel, of zelfs van Hooft, een artist, een kunstenaar
van Gods genade is hij, in de Zedeprinten zoowel als in Voorhout of
Costelick Mal. Men noeme hem vrij duister, gezocht, spitsvondig — wie
beschikt, zooals hij, over die bliksemsnelheid van combinatie, die vinding-
rij kheid in het scheppen van nieuwe vormen, die gemakkelijkheid om de
diepzinnigste denkbeelden in enkele woorden uit te drukken? Memand
heeft dit beter begrepen dan Potgieter, wiens beoordeeling, al straalt
er ook de sympathie van een geestverwant in door, mij nog altijd
voorkomt juister te zijn, dan de geringschattende kritiek van Jorissen:
„Maar waartoe toch vraagt men welligt, — en de school van Oats
vroeg het in de dagen van Constantijn en de middelmatigheid bauwt
het haar in de onze na — waartoe dat streven naar het kernige en
korte ? Waarom van den Lezer zooveel moeite geëischt, als de oplettend-
heid, waarop Huygens aanspraak maakt, het nadenken, waartoe Huygens
verplicht, de studie, welke Huygens vergt, in zich sluit? Eer wij ant-
woorden, verganne men ons de opmerking, dat alle stijl ter wereld bjj
wijlen aan overdrijving lijdt; dat ieders trant soms in manier ontaardt,
dat elke overdrijving, iedere manier afkeuring verdient. Niemand zal dus
verwachten, dat wij Huygens in onze bescherming zullen nemen, waar
hij aan deze euvels hinkt. Alles wat wij ter vergoelijking hebben in te
brengen, nadat wij van zijne duisterheid hebben afgeschreven, wat op
rekening der verouderde taal, \'wat vooral op die van den gewijzigden
kunstsmaak moet worden gebragt, wat is het anders dan dat zij ons minder
dan die der populaire lamzaligheid stuit; dewijl het beginsel uit welks ver-
keerde toepassing zij geboren worden, ook nog in de verbastering eerbied
eischt. Het was liefde tot Studie, het was een hoog begrip van kunst". 2)
Amsterdam, 25 Mei 1891.           _____________               H. .T. EIJMAEL.
>) Zie de daarop betrekking hebbende aanreekening, b\'l. 72.
2) Volledigheidshalve vermeld ik, dat van de Zedeprinten een paar niet onaardige
navolgingen bestaan: Een ffoet Student en Een quaet Stwilent van A. P. van Groningen,
verschenen in de Studenten-Zangen, Leiden, 1822. ,
-ocr page 17-
!.L ^, Liï-J>.
ZEDE-PRINTEN.
VOORSPRAECK DER SELVB AEN MIJN\' BROEDER,
DEN HEER
MAURITS HUYGENS,
SECRETARIS VAN STATE1).
\'k Sal hem ernstigh heeten liegen
Die sich selven wil bedriegen,
En beschuldigen myn\' Pen
Daer ick schuldeloos af\' ben;
\'k Sal geen\' Vyanden verdraegen
Over segge-sucht te klaegen,
Die m\\jn\' herssenen, geroert,
6CC,t Cv\'
—\' \'• \'         < IL
:\\\\ c ,
,9U»o
Door m\\jn\' tanden hebb\' gevoert:
\'k Wil geen\' vrienden laeten dencken
Dat ick d\'eer hebb\' willen krencken
Die den c-enen van Geboort, A^m*
And\'ren van Verdiensten hoort. vi\'i?*»!>
v< wit,
10
\' *,*/« .\'. $bty*£\' l
Goede, die ick heb verheven,
\\ Yo<jh\\ ilvh é. f**i \'i •
Quaede, die ick heb gedreven
Voor de geessel van mijn\' mond,
\'k Segh hier, dat ick noyt en vond
Dien al \'t goede kon\' betaemen,
Dien al \'t quaede kon\' beschaemen
Dat ick van de Goede segg,          ^ ui
Dat ick op de^Quade legg.
Deughden heb ick willen paeren,
Ondeughd heb ick willen ga\'eren
En ^yerh echten in een\' klomp,
Naer my hier de Deughd toe gloinp, \'
Naer my daer de ondeughd terghde,
En haer\' open schande verghde;\' j%yic
(.\'/jSÜuj.-Mtwi/
15
l I
f-"i
D
i     "
C: U**>-:. \'
, V\'
Om den Goeden tot het \'Beeld
Daer een yeder \'t sgn in deelt,
\'t Beeld van deughden, \'t Beeld van Eeren,
0
                     Soo sün\' liefde te vermeeren ^l^J.^.ëS
\') Var. Characteres. Dat zijn Printen. Voorspraeck van de Printen. Aen
nijn\' Broeder. Secretaris van State.
EUMAEL, Hui/gens\' Zede-printen.                                                     1
i
-ocr page 18-
2
WtVJ ! S J                        ; i
Dat hy \'t, verder van verschill, /tel /*&,•_& &*.$,£*>,.
Heel end\' al gelycken will\';
           ^ j^ yj^l^
Om den Quaeden haer afgry\'sen                        /* yi ,f
Soo ^afgryselick te prn\'sen, c4 fJJP \'. 4 **         \'•=="
Dat de quaedste van den hoop
Voor sy\'n\' eigen schaduw loop\'.
            $~ï u, \'
Eerst-geboren van mü\'n\' Vader,
\'
35
;
Die, \'t bedaeren soo veel nader Kjdt.-$*tl>\\
Als \'t van m\\jne jaeren staet,^
                                  /
40                     Medgenöod ter tafel gaet, ]/$W>$hJLdlbK*0 *J jtC
i, t i           Daer het Staetige beraeden               /,... a /„/\'
t \' <,t\'              \'s Vaderlands gevreesde schaden,                     <t O
\'s Vaderlands gewenschten spoed
Tegenstaet en spoeden doe/;
45
                     Beoeder, deel van dese Ziele,
Die my niet te deel en viele
p
                      , ,.           Om Gebroeders naem en eer
Door den etter van een zeer
Daer sy noyt de puyst af kenden
50
                     In de lastering te wenden, ... >;.,?. ,V„. • ItenvS,,
Enlbekruysen oock het wit          [luji vu»$j ^LJ ^
I taJLite,. ^u-^r At*v-u. Dat hun in de oogen sit:
,             Weest mun Tuyge by den Goeden,
Die het niet en wil vermoeden;
. 55
                     Treedt de Boosen op den teen,
Die \'t my geerne |overstreên: /KuTu-M /9^«*1
Doetse van de Lessen hooren ,
                             |
Die uw\' kinderlicke ooren,                          y5 , : A
Die de m\\jn\' van teerer Jeughd i^h»>.
60 ,„; >,oa Gaepen leerden na de Deughd;
             £i*e. -j\'/;. ";\'- H«
j..          Doe de#Vaderlicke hoede foCv
\' \',\' 7J \'Hï: Van sn\'n\' vriendelicke roede,
Die nu, van het eerst verlost, \\ / \'
&*/• t\'Mf^-f*"*^*^ \'t Ander leven heeft begost,
***!. 65                     Waeckten over \'t groen bewegen - foJJ. êi.»
Dat wy in den boese\'m kregen,             f**? ^-j^°
Met een\' rechter tegen-bocht
Waer \'t hem slincks genegen docht\':
En sy sullen leeren weten
70
                   Dat ick niet en heb gegeten
öj t g            d\'Eerste Boter na de\'Mem,
ïrk 6               Sonder stadigh Sh\'ner stem              i^/: f\'A
-ocr page 19-
3
Kinder-tuchtelick vermaecken          / \\Q.rf»~U**• ^.«^^{«i.
— Boven \'t voedsel uyt te smaecken, rp,u^            ^ .>t •*•
75                    En genieten onbedocht,>«»»*.^                       ~. rJi. «„». .
Daer myn\' Ziel op teeren moght:
Tuchtingh van vergulder waerden,                        ^
Die syn\' sorgen op vergaerden,
Die syn\' vreese, die syn\' Min _ _ ^^ ^j.
80
                    Stortten in myn\' hollen sin ;                        /.,
Tuchtingh op de vorm gegoten jfc?A<*J\';,&,£
Die de Grootste aller grooten                             .
Met Sün\' vinger in de Wolck Jj^^U^\' \'d\'?t
Groefde voor syn eigen volck. «            \'
85                       Willen sy daer op gedencken                &Xr°- r4 Jjf. ï&
Dat het allereerst beschencken r\\.
\'t Emmer-onbeschoncken vat
Soo doorweickt in \'t eerste nat,
Dat het sweeten noch bevriesen
90
                    d\'Eersten geur kan doen verliesen,
Die, tot dat het sterven gaet,
Door en door de scherven slaet:
Mog\'lick sullen sy besluyten,          . -> ^ , a*^*. ch.^^
. , Allen weder-waen te buyten, Q • t.~j>.,.,: , .t^v*****
— Daer soo vroegh, soo trouw\'en hand
                       ZtjmJLii*** $t\\
aSoo voorsichtigh heeft geplant, .                                0>v
/ Hooren schaedeloose vruchten / n#>«-** *^^ *-l"J r&\'<
95
Van profytige genuchten                                /*?^f.
Aen de tacken, om de bla\'en,
r>
100 ",,           \' In de greppelen te staen.
Sulcke, Broeder, sulcke derv\' ick .>>*o
(Daer op lev\'e en daer op sterv\'ick)
Voor de boose, voor de go\'en                 f /i              *s f
Dese vruchten noemen |o.en.                 V^ l^. O f 8
U* \\jWt<^yc Wiltse ghy soo helpen noemen,                   cUa-V&a •?„
En den logenaer verdoemen,
Die my geerne \') schieten sagh
Daer ick noyt op aen en lagh, l\'ft**
\'L. ^sil een heugelick verdraegen
Vi&den in de valsche slagen,
TCn de veilste rust\'van al .<mJL. ] b & t»pM.k{ \'.«f «&»A»#*Am
In uw eenigh welgeval.                                      ,!•&•*» \'^
In de uitgave van 1625 staat hieronder hot jaartal: 1624. rUi«*ƒ*£ W»v*£ ^<i •*
\') Var. yneren; en zoo telkens.
l
-ocr page 20-
LEDIGE LESER.
Noch dese dry woorden, tot Voorspraeck van den niewen \') naera
dien ick dese onder ons niewe maniere van Schriften gegeven
hebbe. De Griecken, daer van wyse te leen houden, ende onder
haer Theophrastus, die de sn\'ne schreef op het 99. Jaer sijns
ouderdoms, noemdense Chaeacteres : ïnyns bedunckens verre eigent-
licker dan de jsuyverste onder de lloineinen, dieder Notationes
af gemaeckt hebben. Dat sullen my toestaen alle die gedencken
dat onse eewige Salighmaker de Character van God des Vaders
wesen wert genoemt2); met soo krachtigenlbeduydinge, datsede
10 geleerste oversetters in geene Taelen mijner kennisse, sonderóm-
jJWiW^\' spraeck, ten rechten hebben weten naer te komen. Signum,
,
                Species, Imago, Figura, ende de woorden die de heden-
!i\\Mr\',^-^\'\' daeghsche Taelen van dese Latijnsclie\'lyerschapen hebben, konnen
"p den Text hier in niet voldoen. Daer moet sulck eene gedaente
ïf> Uji^eu\'uckt werden, die tusschen haer selven ende haeren oor-
J jt^^/sprongh ais geene kennisse van onderscheid en laete; oock min
r dan men tusschen den gesneden ende den gedruckten Segel gewaer
:-^\'*L\'-
wordt. Dien volgende, hoewel wy het in andere als Gods eigen-
schappen dus nauw niet en behoeven te soecken, om nochtans
te thoonen dat ïnnn voornemen geweest is de waerheit ten deunsten
te genaken, hebbe ick my oock in desen aen de Drucksels ge-
houden: ende wetende dat menschen handen (die geene twee
dingen malkanderen volkomentlick konnen doen gelycken) geene
min berispelicke gelyckenissen en konnen voortbrengen, dan daer
20
25
is tusschen de vorm ende \'t gevormde, tusschen de letter ende
\'t gedrukte, tusschen de Plaet ende \'t geprintte, hebbe my soo
langh metten naem van Printen (daer by mogelick de Ttalianen
haer woord Empronte souden mogen vergelijcken) voor de
Griecksche Characteres willen genoegen, tot dat my myne
„. . i
vrienden t\' samen den misslagh ende de beteringh sullen aen-
w\\jsen willen, ende my in de voordere\\nnj\'ne feilen met soo
oprechten \\suchteloosen gemoed bejegenen, als ick verklaere in
allen desen te werck geleght te hebben.
\') Var. nieuwen. In de uitgave van 1625 overal ieuia; in djftj«^^ï2 »V«>.
^(rfü. »*Jvt-.K !) Var. alle die op de spreucken van den Apostel tot den Keb&ën gelett
LjJ
             hebben, daer hij onzen eenigen Saliymaker den Charactera van God des baders
~. \\\'uHesen noemt.
•
-ocr page 21-
EEN KONINGH.
\'/
;
Hy is een\' Menighte besloten in een\'. Kroon,
Een yeders Opper-knecht; een slave sonder loon,
Het hooge dack van \'t Ryck dat al den hageljuyt sta
Het groote Reken-boeck van al dat in en nvt gaet
EeW Penningh van \'t metael daer wy af zijn gejjrfaeckt;
Maer op de reken-ry der dusenden geraeckt;
Een Vr\\ -hcer iu de boey; een eewige gevangen;
Eenibidder met gebied; een slotrijm van gesangen;
Een Blixetn die door \'t stael van allen weer-stand\\breeckt,
10
En al dat toegeeft, spaert; een wolek die Donder spreeckt;
Een\' Son die noch gely\'ck, noch duysteringh kan lyden,
Of onweer volght\'er op en warre]wind vantijden;
• tfihJt* Een noodigh\' onder-God; een stadigh man te Toer:
^Een doel van ondancks pijl, en achterklappers roer;
15 Een aller voorspoeds eer en schades schande draeger;
gs \';.,\' Een/uytgemaeckte Man; een sclTepseTvan syn\' laeger\'.
olcks will is dat syn will voor aller willen will,
Syn will is yeders wet, syn\' wet is yeders will;
\'\' \'• \'" 1
25
Syn adem stickt in \'t; nauw van lieffelicke liegers,
Van treffelick geboeft, en heer-licke bedriegers;
Die waeyen waerheits locht sorghvuldigh van syn oor:
Is \'t dat Sy onversiens door haer\' besettingh boor\',
Sy breecken \') haer [geweld, en door de kromme fluyten
Van hunn\' versieringen ontwringen hem haer stuyten.
De vriendschap kent hy niet; dat \'s wedergaden vreugd;
Dier heeft hy binnen geen, en buyten is \'t geen\' deughd,
Maer eigen bae^s. bejagh; de Vorsten zy\'n geen\' vrinden
Dan om vèrsélcertheit in veel verbonds te vinden; \\%f*
800 is de vreese meest de Kopp\'lers van s\\jn\' jtrouwjw-.W^i —•
30 En, schrickt hy voor den Oom, hy maeckt de Nicht sy*n\' Vrouwj)\' **""?
Dan is syn voordeel min dan van de minste slaeven, C~
Hy haelt de Mejiyop stal en heeftse niet sien\' draeven.
\') Var. scheppen. ,
CtU
Q ,
T77*
i- • •
&t>_t- iuu
.
-ocr page 22-
o
j «ii u
I
8\\jn\' vrienden zijn nem vreemd tot in den liooghsten nood,
ƒ fel Dan raeckt hun \'s Vaderlands bederven in sun\' dood: ,
35 Soo langh hem langh geluck de deughd doet i wareloosen £<&»«*
Vermengen sy haer Eer niet geerne met de boosen,
Veel liever storten sy haer\' traenen in den stroom
. Dae: tegen all\' haer\' kracht onkrachtigh is en! loom.
Sijn\' dagen zyn niet sn\'n\'; de daghraed en de sorgen
40 Bekruypen hem geleek; van Avond af tot Morgen
(jïeniet hy nauw de rust die vaeck ontstelen
800 langh hy niet en leeft, leeft hy sh\'n eigen man; ^U\'m-.\',^:, •
\\
>Syn\' sieckten seggen hem dat groote bloemen welcken;
j Dat doet hem zitteren voor \'t schuymen van de kelcken,
45 Voor \'t dagelicks gerecht, al diende \'t hem sijn Soon,
Die mog\'lick staende voets kan reicken in de Kroon.
Vergulde distelen, wie kan men uw verbidden „ \\\'ia£,
__, ;                       Door soo veel Aloè\'s bedachtelick bengden?
Wie wensche na de hooghd daer \'t soo gestadigh waeyt,
50 Daer \'t soo dier slapen is en \'t hoofd soo goe\'koop draeyt!
EEN BEDELAER.
I.
Hy is een Aerdsch Planeet; een\' Schildpad sonder dack,
Hoewel t\'huys, waer hy gaet; een\' horenloose slack,
P . tv. Die sondersout_yersinelt; Mensch, menschelickst van allen,
rU/IfT
             Mensch totte "menschelickheit van d\'eersten Mensch hervallen;
5 Een na-neef van den Krijgh; een\' spruyt van Overdaed; f
Een Monick sonder kap; een pachter van de straet; •.\'? ^
^.a.l)
Een\' logge-leger-luys \'), een\' inbreuck van de jwerck-keur;
Een\' schaduw van het Hof; een stoep-stijl van de Kerckdeur;
JM
Een karmer om den kost; een suchter van gewoont;
10 \'t Verwn\'t der Christenen daer om-ontrent hy woont; o*. ^htr.t
Het naeckte lidt des lijfs daer af wy leden heeten;
         \' . •[•laiï
De wey van \'t ongediert; het broey-bos van de neten;
1 q luLri* h*!"" Het uyterste gep_oogh van \'s Werelds ongeval:
. i\', i.p t»l«fct Een niemands bloedverwand; een opgeschopte bal,
-U t 15 Dien elck een\' ander\' sendt, en\\allesins moet stuyten; [OJË^f^V\'
Een rogge «kruymelkorf; een Thresorier van duyten. \'
Sh\'n\' maegh sit op sn\'n\' tongh, en maecktse bedel-rap;
\') "Var. leaer-huyu.
""?"?,
IJ
-ocr page 23-
7                                                                a
Brenght sy geen\' klei ten dn\'ck, dan spreeckt hy met een schrap,
Dan maent hy met een stomp, dan slaet hy met twee krucken,
20 En doet medoogentheit den neck ter borse bucken. • . «
a.
Sön.uyterst toeverlaet is kinder-keel-^getier, [ • ,^a^y>T\'r\' * =9= J
Den ooren die wat lust een\'fSackpn\'p of\' eenyLier;          7\'" • .-.yc6; i^f
Daer brenght hy d\'oude Luyt van Orpheus mé\') ter schandeh, ,\\W^ ;\'
. \' Daer dwinght by Leeweu mé\'), en vanghtse met sijn\' handen,
•. 25 Die\\luy\'ren 3) op \'t gemack; en, gingh de dagh-rent vast, P j(~\\™ .
Soo lief leegh~Bedelaer, als ambachtsman te gast.                _>w T -
Een Schouteth is svjn\' dood, een Lü\'ckhuys is s\\jn leven; I I tj>7*^j
Hy loont syn\' geveren met meer dan hy kan geven; \'_•,         A^>.; ^.^
Den Hemel voor een\' dronck is hoogen Interest;
30 Hy leeft van dagh tot dagh; hy sorght voor \'t winter-nest,
Als \'t sneew geregent heeft; dari swëért hy by de korven
Die \'t Spuy begrommelen met kruymelmul van torven;
Hy koelt sich daer men sweet, hy warmt sich daer men beeft,
^V\'«S\'\' Meest beide kommer-loos; dat \'s dobbel wel geleeft;
35 Hy vindt sich in \'t (geniet van decksel en van kleeren; { <±,ihmM>k.
Valt \'t een of \'t ander schaers, hy deelt weer met de Heeren.
Wat heeft de rn\'ctèe meer voorjange voor-sorghs pyn?
Niet veel. En evenwel, God Hejpse die het zyn.
EEN RIJCKE VRIJSTE!?,.
r
Sy is een\' Kermis Gans," die menigh\' Bqer ontslipt;                     \' r\'s :
Een\' korssele Goddin, die \'t meerendeel belipt, faupMeK^W *.Q&% , lafu.\'»-
Van haere Priesteren; een been van dusend rekels;
         \' \'              "\'•<)\'•
Soo menig\' jongen bill\' een bolsterbed van hekels;
5 Een gulde pn\'1 van \'t kind dat Venus Moeder heet:
          / /M
Een sonderlingh gediert, dat Amber-droppen sweet, / CA
En Roosewater pist; een duyv voor alle tillen.
               / \'l/Ja,.
Sy kan al wat sy wil, behalven yet te willen;                   S~=" rij \'
/ Sy is een\' Vryer-wan; een schuym-spaen van de Jeughd;
10 Sy quelt sich in den keur, en \'t is haer\' meeste vreughd;
Sy kan van dusend een den Maskers-lap4) ontbeeren; ,.., jjr^ j^„ . ,
Elck Vrh\'er, is een Mol, en \'t vleesch geldt na de ^veeren; , , r^
Haer\' sproete-plecken zyn onsichtbaer, of van goud;
Tyd, die de vellen ploeght, en niaeckt haer nemmer oud;
15 Men vrn\'dtse by Gesant; haer by-znn is te derven,
               .
\') Var. met. !) Var. met. \') Var. luypen. *) Var. Maskerlapp.                        _>
-ocr page 24-
Vermits haer\' schildery, de Grondkaert van haer1 erven;
tt tv..\'Hoe haer\' bors grooter gaet, hoe Sy meer Maeghdoms heeft;
Die erger dencken derft verdient niet dat hy leeft.
Sy is het Venus-beeld der Parisen van heden,
20 Daer Jnno noch om lacht, waer\' Pallas maer te vreden;
s\\%ï
\'.\'•
\' \'fjJoli.
fa, r.ub.\'
o,^\\
:
•>
(>1
Haer ooge spreeckt Sehiedams; syn uyteestraelde geest
Betoovert Menschenvlees, maer beesten onnae meest;
Haer waepen is een\' Koey in klaverveld ter \') weiden,
Die o vergeten schünt, en van de melck wil scheiden;
5 Den helm is d\'opperhuyv van Landvrouws Koren-tas,
. Een\':stock-bors in de Kroon geswollen van \'t gewas, -
Het loofwerck om end om zn\'n leckere papieren,
:èi
En liever parckement, daer segelen aen swieren;
[ Haer\' Boomen van geslacht Boomgaerden 2) sonder end;
30 Dat \'s van het oudste Eêl, of Eva is ontkent;
Al is sy klad-papier, sy heeft vergulde kanten,
En die de hand mishaeght die kustse door de wanten.
Sy haeckt na trouwens nacht, en vreest hem\'bet en bet,
De Bruyd en \'t Vryster-rjjck gaen t\'eener uer te bed:
35 Dus valt haer \'t Ja-woord hard, en \'t Neen niet min; om \'t wachten
Daer \'s onraed voor haer\' Deur, men trommelter by nachten;
Haer\' bell is afgeluydt, de klepel roept genae
Van soo veel geesselinghs, de DorpelJ Mannen stae,
Mijn rug-been gaet te plett3); haer\' stoelen-sporten schreewen
40 Van onverduldigheit als hongerige spreewen;
D\'een heetse Roos of Ster, en d\'ander Son of Maen,
Maer meeste van gevoel, Wanneer van Waer-raeck-aen.
u            ------~-----r.i
EEN GOED PREDIKANT.
Hy is een Maeckelaer in ongesiene waeren,
f
Die oore noyt en hoord\', in \'t herte noyt en waeren;
Een Koek van Hemel-kost; een,"koren Wereld-sout; \\Kcv&i.
Een Christelick Levyt; een\' hand-geleid\' in \'t woud;
5 Een\' Trommel van genaed; een Afgesant van boven; f atJr a.««.,$U?
Wrik*?? ^en wachter op de poort; een stoot-steen in de Hoven; V.f*
.\' ,^ _ Een\' schaeve van de ziel; een\' geessel van de sond;
.mL. -^en ^e8ger met^gesagh; een Visscher met den mond; ;\';\'\'\' ^«"t
Een Tafel-waerd in \'t Kruys; een\' Fackel uyt de woleken; £*!
\'r- \'                                                                                                                                                            •\'••. \' \' j
i           \') Var. ie. J) Var. zijn Bogaerds. ») Yar. ter plett:
\'
.
-ocr page 25-
9
J
10 Een Engel in gebeent; een Voor-hoofd aller Tolcken; a£/oU ^w<**.>
Een wecker daer men ronckt; een scheider daer men schermt;
Een dreiger daer men lacht; een trooster daer men kermt.
De bloemen van syn\' tael zyn waerheits bloote leden; ,
, Syn groote Meesters wil is \'t slot van all\' sijn\' reden;
Q
15 Onraed van woorden-keur beswaert syn\' uytspraeck niet;
Wei-spreken is Vbestel van Die hem spreken hiet,
En altijd spreeckt hy wel die boden-brood komt haelen: / &£oi*Ao
UMaer geerne laecken wy de laeckers onser quaelen;
*VDie stormen stoet\'By uyt, en menigh\'Cbitsen tand, L ^^Jl.u, i-%
20 En menigh\' schudde-muts van menigh onverstand. ^^^"\'JT s
5"jnp \'t Verleckerend volop van troetelende leugen,
Van blinde vriendengunst, en kan hem niet verheugen;
Geleertheit rekent hy|onnooselheit van geest; ,:\'\'.                         .
1—QS"~ Gods-dienstigheitl), \'t verschil des menseben van de beest,
25 Niet redens gaev\' alleen. Syn\' boecken zyn de bladen K™\'
Van \'t dubbele Verbond; de fackel syner paden                   "jiW
Ontsteeckt hy aen dat licht, dien troostelicken l) brand
Begaeft,; beroert, beleidt, syn\' tongh, syn hert, syn\' hand;
Het veinsen waer\' hem konst; het recht gaen heet hy loosheit;
30 De Werelds wijsheit, jock; haer\' schoonste deughden boosheit;
Haer\' soetste reucken, roock; haer\' dierste peerlen snot^.j^.V,. /
En alle vreughd verdriet van elders als van God.
Gedwongen ootmoeds pracht is in hem niet te lesen;
Syn oogh is nederigh, syn\' Ziel gelyckt syn wesen,
35 Dat "deftigheit. bedaert soo verr beleeftheit lydt;
                          » P<>\'
Hy kan door fronssen sien, en lacchen t\'syner tyd; ;,v,.-f
Syn.\' kereken zyn soo veel als huysen van ellende;
Daer oeffent hy \'t bewys van \'t saligh\'sonder-ende, $ BJUw^fcw*.
Daer deelt hy mannelick in yeder eens verdriet,
40 En ^plaestert grou wei-loos de gróuwlen die hy siet. \\ aJ^Z^ >;^\'J.-.i<
Bekommeringh van Staet, wat Princen doen en laeten,
Bekeurt syn\' lusten niet; de tydingh van de straeten
Ontmoet hem onverhoeds; hy guntse niet een oor; .("w!» S^wJU.
Gods lasteringh alleen ontgrendelt syn gehoor;                            ( «•;,
45 En daer hy \'t los beleid der Koningen siet hellen
Tot Godsdiensts ondergangh en waerheits achterstellen,
Daer roept hy brand, verraed, en, Vorsten, belght u niet,
<
lek buyge voor een\' Wet van Hooger hands gebied.
- t^;fy».. 3
Geschillen, \'t wilde vyer van al te heete herten,
50 Ontloopt hy ruggelingh: men moet hem jaeren terten L_w*>- ***• I o*.
\') Var. Religie, \'t onderscheit. 2) Yar. die troostelicke.
                    **Q. -; /
;_-
-ocr page 26-
10
Om een uer woorden-stryds; de waerheit met de vré
Verhecht hy echtelick, gelyck sy\'n Meester dé;
Komt d\'een\' van d\'ander\' hand noodsakelick te scheiden,
Hy vat de voorste vast, en koppelt weder beiden
55 Met losse knoopen toe, daer koele middelmaet
Met staede weer den strick van d\'oude trouw om slaet.
Groot Herder Israè\'ls, laet Dijn\' verkoren kudden
De Vruchten Dyns verbonds van sulcke tacken schudden;
Sendt knechten in den Oogst van des\' en beter\' stof,
60 Ons wel-zyn hanghter aen, en Dyns \') naems eigen lof.
(.
\'/• >!
EEN GESANT.
Hy is een eerlick spie; een buy tens-baet-besorger;
Een hier, een allesins gevaerlick medeborger;
Eens Vorstens 2) langhsten Arm; een ongeroepen gast,
Die nochtans noodelick aen \'t hooger endepast;
Een staénde licht, een balck, een waterloop verkregen
1 § V.
V
;.. v. K
l. \'
-->
! <
5
/> j....
•\' U \'t
iA.,_, ; fi,Jv
u.... •
>
•\'••\' r\'
\': \\:— -;:>--
10
ai»\\i-^
&
-
•
. - 4
15
t !.\'l
Op tuyn, op muer, op grond van verr of\' naest gelegen;
Een oogh op \'t sien gehuert, en daerom soo verhooght, -
Op \'t sluymeren gelaeckt,Cop \'t slaepen noyt gedooght; ^ \'^
Een sprekend tafereel van die hem heeft gesonden,
En weder t\'eener sprongh ontlyst, ontlast, ontbonden: p , ,
Eenheiligh buytens lands, aensienlick om den rock; \\2
Een meest vergeten t\'huys of half verschimmelt block;
Den vreemden meer als niensch, den synen meest ^geraem te;
Een Bode sonder bus; een Taelman sonder schaemte;
Een Schildwacht buytens wals; een Klapperman by daegh;
Een ballingh die sy\'n honck liefst weder noyt en saegh;
Een Koningh by der maend; een vol-op Herbergh-houder
Daer \'s Koninghs bors\' uyt hanght; een algemeene schouder
Van al dat Landsman heet; een machtigh Advocaet,
20 Die van kort recht te doen of van vergelden praet;
Een schaedelick geweer daer Princen mede steken;
Min schadelick nochtans dewijl sy \'t laeten wreken,
En yeder een te huys den Bril verdraegen moet,
Dien hy sy\'n\' wederbuer ten spy\'te draegen doet.
\'
[A&
u
;••\'
Al\'
*—\'                                           * * * *
\') Tar. en daer aen (Zijne. !) Var. Vorsten.
.
-ocr page 27-
EEN GEMEEN SOLDAET.                         H> .«. 4ty.
Hy is een\' ijsjre sport in \'t heek van \'t Vaderland;           I j
Een prediker/op \'t mes: een Raedsheer met de hand; l" f&bJMi* f^ Tf3
Een roover wiet verlof; een ongelaeckt ontschaecker;             ^ i^°0 \'
Een vreesliek Ambachts-man, een Wees en Weduwmaecker; f, A,r
5 Een^èTgenaer van al dat \'s vyands eigen is;
                        _
j.v^Een Landsman die met vreughd van vré te dreigen is; ----\'jdtö.lft *y
t.j,c Een\' rest van Moses rot; die noch den dans \\besint heeft • Ahv^/ha
Rondom|der beesten huyd die Israël verblindTieeft; I                 * \' .j„^
Een\' duyve\'binnens koys, een Duyvel buyten bahd;\\ \'j^ ,            b*% • •
10 Een vlegel op den Boer; een\' Zeissem op sn\'n land. fuj#!*& ^===^<1^/.tA
Syn\' vingers zijn het rys van \'s Hemels hardste roeyen,
Hy hongert na den dagh daer honger uyt moet groeyen;
Hy wenscht om veegh te zijn; sterft daer men niet en sterft, ^ v» IAï
t
Verlegen met hetgen\' een yeder/noodste derft; S l^Lf,- tof! -^fc~?
15 Is \'t vloecken Christelick, hy\'^oeffent het met eeren; h^* l
Vergev\' ons onse Schuld, dat kan hy bidden leeren; L K^A~|^, !
\' -Als wy ons\' Schuldenaers, dat wilder langhsaem uyt;
\'> Syn heele Vader-ons versuymden hy om buyt; .JLjaj^ij ^>.
Syn\' averechtse korts verhitt van \'t Aderlaeten;.^.y, \'...f\'; "ö.(KjJ\\j.tai\',aJU.-
20 De goe, de quade saeck van Koningen, van Staeten,
Beproeft hy by de Sold; de best\' betaeler wint;
De ballast syns gevolghs zyn, Knapsack, Vrouw en kind; 9 k*/2u uU.
Daer vecht hy vrolick voor; en wel hun, valt hy boven;
Hunn\' maegen sullen \'t sich dry dagen langh beloven,                    -|JL
25 Vier zyn sy bedelvry; en wee hun, tuymelt hy;
Met een gewinnen sy den Aelmoeskorf op zy,
( Dien doode Jans verdienst van allen minst doet swellen. J\'.HuU*<-
Noch wenschen sy maer half dat hy het moght vertellen,
• .^/\'Verlegen met een stomp, verryekt van \'t derae been: ^W\'.JWj i&t,$to
30 Verr\'/ongerieflicker een mancke man als geen; $tMimst\'èti***e£\\fyur{bJL- (*/*»*$
Dat Graf-schrift schencken hem de naeste van syn maegen,
En dat \'s de rotte vrucht van bloed om goed te wagen. *
Eer is syn/voeder niet; verdient, hy het .gelubd              ,            .
•io l)*t\\rockex~hpfti%yemvèlguk w/it .meHigh dusend spinnen;
:Syn toesien is verdienst. 8Ün jjockenen is winnen;
Hoe hiet de Roomsche JeugWjL Carthagos val en vel?
De Schrijvers weten \'t niet&JiLyas Scipios/bestel; /
\') Var. mette. •) Var. de hey. /^            (kl^l fltf
:
-ocr page 28-
,        12                           A
tw\\u^SU • **** t^iK éCi frü^ biHtëJA, • $Jj> (/. Chg
Die \'t stuck bekrabbelden, vergingen voor een ander;
40 Heel Macedonien heet heden Alexander.
Gaet loten in de kans van dusenden om een,
Gaet worden niet om yet, en van geringh tot geen.
Noch^hooger, Christenen, ghy gaet de uer ontmoeten
Den langen oogenblick, die een voor all\' sal boeten;
,45 Mijn\' sorge volghden u veel traeger dan sy doet,
Waer\' yeder Leew in \'t veld een heiligh in \'t gemoed;
i Maer een\' belaste ziel met boos-beleefde dagen,
          ,,
Een eewigh onberouw den Rechter op te draegen! y          ( tf
- Qêi*owtïb Wee, staele moeden, wee. \'t Isfkostelickrgevaer ƒ WUIA ^^•:-
V\'
50 Daer van het, Wel hem, komt, die noyt geweest en waer\'.
I
i
EEN ONWETEND MEDECYN \').
Hy is een onder-Beul, een Buffel met een\' Rinck;                      i
Een vuyst in \'t sweerigh oogh; een Oorband op een\' klinck;
Een\' Vroedvrouw met eenbaerd; eenkonstigh Menschen-moorder;
Een\' dobb\'le Kerckhof-ploegh; een Boeren-borsen-boorder *);
Een Raetseer met een\' P. voor \'t midden, of voor aen; (/w.r
Een\' onbetroubaer\' brugh daer elck wil over gaen
En vallen in de gracht daer door hy moghte treden; d-foJU\\) \\J
Een\' Zeissem van de Dood, een Bessem van de Steden:
. Een onbegrijp\'lick vat, dat min begrypt dan \'t geeft; _
10 Een mildmond van een\' man, die geeft en niet en heeft.
Soo haest hem \'t knevel-spits komt luysteren in d\' ooreu
Dat Leidens laffe les sijn langh-bewandelt hooren [eAAJL Kw-:
Niet langer waerd en is, die nu den waerden trap
Soo waerdigh heeft betreên van \'t hooge Meesterschap,
i \'Hte* i
;
«ii ij ____                                                                                                                                                                          - -
15 [Met wordt hem \'t School te bangh, met berst hy uyt sjjn\'mueren,
Als waer hy nu de Mensch die Menschen souw doen dueren
Van d\' een\' in d\' ander\' eew, en kroppen \'t Aerdr\\jck op; \'JP*
\'t Waer vry wat spnderlinghs, vermoght hy \'t sonder schop; lyM*i
.Maer.i^sateï\'; liaelt hem in met karren. voltye;:eermfcjh,
*>\' riy i&lftH H5fw^kfc4^\'vBtliw!.g^eri\' vdl\'HtónU.
--
• 01
Hoc raeck aen \'t grabbcli\'nTWjpifns! hem geen versin:
Een\' Tandsucht onverhoed«p^f%yt haer\' plaets bewogen,, \'^y ::
Soo konsteloos geheelt als 3 ^Hck belogen,
\') Var. medicijn. s) Var. Bei
I
Ij
o
-ocr page 29-
6\\ ,           13
C. I \'
25 Slaet sloten voor hem op daer grys\' ervarentheit,
Geen grijpen, geen besien, geen dencken naer en heit.
Dat kan het lecker niew, en vreemdigheits verkleeden.
De spü\'s eu is maer een, niet meer en is \'t bereeden; y ,\'
Maer niewe Schotelen ontsteken\' niew\' begeert,
30 En onder Heiligen zn\'n d\' oude minst geëert. ; > \'• , <Mw
Die malle menschen buy beleidt hem by der ooren "*.A—
(Daer is\'liyVattelickst) tot door de ronde dooren Nb4#.
Daer wiel en paerd door gaet, de ruyme trappen op,
Daer wilde weelde woont: Daer light een\' siecke pop
35 Gewentelt in \'t fluweel van over-zeesche dekens;
Hoe is u, schoon\' Mevrouw? My lust te weinigh sprekens. .—
Beswaert u duyselingh? My dunckt de kamer sackt.          j) 4 fjTT!^ u ,/-
Met herssen-knagingen? Als werdense gehackt.                     , ( l~} "*>»r;
Hoe doet de maegh haer werck? Foey! lieve, swn\'ght van eten. «•
40 Wat doet het onder-lüf? Ick heb het schier vergeten,
Soo langh vergeet het mü\'ns. Geen\' nepen in de Zy? (*nto.»l- M-
By poosen onversiens, met rommelingh daer by.
Met oorlof, reickt den Arm; hem, hem, daer is ontsteltheit,
Feslinat languidc. Maer dat u meest gequelt heit,
45 Is flatuosus est vapor ventriculi,
Gestegen uyt haer\' poel, quod est periculi1),
Die stopt in cerebro spirituum meatus,
Et hos circumagit vi proprii conatus,
Daer komt vertigo van, die dan sympathicè
50 Superiora roert en ima satis mé,
Maer quam est providi in tijds te vigileren!
Tollamus itnque de causam deser seeren,
Soo volght effectus nae. Maeckt mannen-moed, Mevrouw, UiX-tbiJJ\'
t\' Waer\' onvermeesterlick dat my vermeest\'ren souw;
55 Met dese regelen besweer ick uw\' gesontheit;
Walght voor het sweigen niet, dat bitterst in den mond leidt
Werckt werckelickst om \'t hert; noch geeft mijn Reripe ^*\'
Verr minder nauseam dan emmer yemands dé;
Sy weten \'t all\' niet all: betrouwt u negen dagen
60 \'t Beleiden van myn\' hand, den thienden sult ghy vraegen,
Hoe magh \'t den mensche gaen die sonder honger eet,
Die, waer s\\jn Milte liglitj^en waer sijn Longer, weet. jUievjd
De thiende dagh is om; de siecke heeft onbeten:
Dat heeft sy langh gekost, maer derft het nu eerst weten. <ii>tu
65 En, Borgeren, siet toe, met desen kinder-slagh y
\') Deze regel ontbreekt in de uitgave van 1672.
        |W*»*#*d
1\' (Ut i «es,
-ocr page 30-
U
ty,ttu-\'
Wordt raenigh krancke veegh, die beter buyten lagh
Versloft, verwaerdeloost, in ongeleerde handen,
Dan onder \'t scherp Latyn van meesterlicke tanden.
Ervaeren, seght men my, is Dochter van den tijd,
70 En langhsaem aengewas ismenschelick verwn\'t,
In \'t vallen leert men gaen, al stamelende spreken, S -
En die sich \'t glas geneert moet somtijds ruyten breken:
lek heb geen wederlegh: Doch heilig\' Hencker dan,
Die op een\' appeltjen \'), die op een\' stroyen man
75 Den ongewissen arm ten sweerde *) leert bestieren,
En kostelicker vleesch aen minder-koop quartieren:
ir /WA                     
maer lueuBuueii-muuruery ie leereii 111 mier uiueu,
* 0 /. i* q0(j troost\' hem hier die \'t lijdt, hier naemaels die het doet
l
(Jf                           -------
f                                                   EEN WAERD.
>. <                                                                                                                                                  J
Hy is een Opper-kock die \'t schortekleed ontgroeyt is,
Die in de schouw gekipt, en aen den haerd gebroeyt is;
Een vriend van alle man die met hem eten wil,
Van Koop, van Wellekom, van Vrede, van Geschil,
ilvt-Kl"
5 Daer slemp op sluyten kan; een Vincker uyt sün\' Stoepen,
Die met een\' Rhynsche Pyp syn wildbraed weet te roepen;
Een vrolick man om geld, al had hy suchtens sin;
Half Meester van sn\'n Huys, al woont hy \'r midden in.
Sjjn Huysgesin is vlot; in weinig\' uren vloeyt het,
10 In weinig\' ebt het uyt; op Kermisweken bloeyt het.
Ter Kercken is syn bé, Verleent my eters, Heer,
Mh\'n dagelicksche Brood verrott van \'t vochtigh weer:
Des Biddaghs bidt hy, Heer, geeft weinigh\' sulcke dagen,
...«,. ;< . Myn\' Keuckenmeid en kan de koelte iniet verdraegen,
^s \'15 En, staen mnn\' Jongens leegh, m\\jn\' Borse wordt het oock;
Hoe licht is mijn versoeck die niet en eisch als roock!
\', t\'j4«*, a-je. su«
^j Voerluyden queeckt hy aen voor afgerichte Enden;
Die doen hem \'t vreemde Wild tot in s\\jn\' fuyck belenden;
\'t Geraeckter \'s Avonds in, en mog\'lick \'s Mergens uyt;
20 Maer selden sonder schrab in \'t vetste van de huyd.
— \\rUt.
Gebreeckter aen \'t gebraed, valt op den Visch te seggen,
Hy weet der gasten gal wat tydinghs voor te leggen
Dat taey om kauwen is: hy heefter Zegels af,
\') Var. appel-kloot. s) Var. swaerde. \' k „.*•»
<-
-ocr page 31-
15
Wat nu een Actie geeft, hoe veel sy gist\'ren gaf;                       \\
25 Hoe \'t Holland buyten gaet by Witt\' en Mooremannen;             J.V. k
Hoe \'t Christenen betaemt aen Mahomet te spannen; }ft,cn~/j^M .
[toto.
Hoe \'t Bheuien tegen stroomt, hoe \'t Oostenryck geluckt;
Hoe \'t beide lucken sal; waer Gabor henen ruckt;
Hoe Duytsland had gedanst als Engeland gefluytt had;
30 Hoe Spagnen noyt en weeck daer \'t midden in den buyt sat;
              ü.
,lt0 Hoe \'t meent, hoe \'t niet en meent, in seven jaer, in twee,
Sün\' dieren Maeghdom op te veilen over Zee;
Hoe \'t Roomen raeckt of niet; hoe \'t Ratten kruyd daer dier is,
En \'t eenj verCardinaelt eer \'t andere te vyer is; \\ :.*,«,,.t, e,-„ ,, b u-\'
35 Hoe \'t Fransche Rü\'ck sijn woord su\'n\' kind\'ren houden sal;
Hoe Embden gast-vry raeckt, Hoe Maurits \'t ongeval
Yan menig\' blinde laegh geluckigh is ontkomen;
Maer onlancks byder hand den Moordenaer ontnomen,           ;.,." % \\
En weer geboren is: Hoe dat hy door een\' Bril, „         4 K*et»7»., rJ
40- Die met hem slapen gaet, kan oogen waer hy wiff—              ^f
Hoe \'s Christenrycks gevaer syn\' dagen van sijn\' nachten
De helft ontleenen doet; hoe \'t Christenrijck sgn\' machtei\'\'" Die alles voor haer sien gevloden of ge velt,
i-\' Siet stuyten tegen \'t stut van syn "beknopt\') geweld.
45 Al waer \'t een Almanack, hy mocht niet wu\'der weiden:
Maer waer belendt sn\'n praet? „M\\jn Heeren, eer wy scheiden \'            JZ—
„De voorspoed van den Vorst daer \'t Land soo veel aen leit, / t/i &S& \'---
„Heel Schelm of halve Geus die eenss) daer tegen seit.\'*                 i r
i Leeft langh, leeft, groote Vorst, soo langh\'t uw vyand knagen,
5tT Uw\' vrienden troosten magh, wordt nemmermeer^verslagen / \'hSir epjh**), o4
l
\'iS Die \'t nemmerneer en waert; mün\' Ziele stemt\'er toe,
                    ~S^t//,.\\ lo
Eu keurt uw\' laetsten dagh der Landen eerste Roe;             . •.
j, „Dan emmers uyt een\' kelck die Koeyen kon\' verschricken x//l/t-«M. 3^liK>
En is noch vrienden vré, noch vyands val te licken,                Tunu^ ^ c/,f
55 Of Duytsland waer\'^geberght. „Maer \'t hert spreeckt indenwjjn, ?, e,j^v
Soo wensch ick drinckende den Princen wel te zyn." ~>j^l-,it.
Wat vindt de Hel geweers om t\' onsent in te breken!
Wenscht nuchteren die wenscht; en, heeft het noyt gebleken,            \' ,„
Doet blyeken hoe ghy wenscht daer \'t blyckens nood \'belast \\~\\hawJJ* \\
60 De P: ineen eischen meer; men dientse niet te gast:
Gesondheit wordt den Mensch, maer uyt geen kan geschoncken, >4t*
öeluck of ongeval wordt toe noch af gedroncken s):
^Geneest een siecke Vorst daer yemand droncken-doodt
y\\ "Var. heknoopt. -) "Var. kick.
Deze regel is in de uitgave van 1625 uitgevallen.
5
-ocr page 32-
7
16
Op sh\'n\' gesondheit light in \'t bedd, of in de goot?
65 Wie sulcke Texten preeckt, en matigheit van leven
In onbewn\'nde vrenghd, betaelt de Waerd met schreven.
Klaeght dese dat de greep te diep gaet in syn\' Tes:
Hy autwoordt stommelingh, Dat \'s voor uw\' drooge les.
.f f o eJ Geloof en kent hy niet, oft emmers geeft het selden;
70 De Liefde toont hy meest aen wie daer meest Herft gelden;: foU.;,
De Hope houdt hem op, en siet hy maer een\'^kist iw^V;
En vreest sy gaet voor-by, de Hoop seght, t\' uwent is,t.
f\'\\/P J
             ^n\' Oest-maend spelt met er, soo kans\' dp Oester sluyten;
Castagnen sluyten oock, hoewel sy \'t rn\'m doen stuyten:
75 Of eenigh niewelingh dat dichten niet en kost,
          \'y Jt* ^> /(\'
) * iojl              Hy leert hem \'t Referein om eenen Avond Most.
j-r*.\' Hoe hooger ouderdom, hoe hooger blos hem aen groeyt; \\ ^
v .\'h^ ou.\'- Tot dat hy stervende gelijck een grammen Haen gloeyt. . V
\'.<\'./ S i/ \' Gesteenten gaert hy veel, al erftme \'r weinigh af;
80 Rob« nen voert hy meest met Neus en al in \'t graf;
\' Lo H..V
           Daer spreeckt hy door sijn\' sarek: Die liever Waerd als Gast wat
Die voorspoet rekende hoe meer mijn huys belast was,              « (
Groot schrijver, kleine Klere];, verwacht hier \'s Rechters dagh.
i
\\*i
Geboren in \'< geschrei, gestorven in \'t gelagh
^
EEN COMEDIANT.
^.                  Hy is een alle-man, altü\'d en aller wegen,
Waer \'t hem den honger maeckt; een Bed\'ler met een\' degen;
Een Papegay om Go\', een laccher van gebreck;
             : ^ _
^:Een: Meerkat in een\' Mensch; een meesterlicke Geck; r*-*vj>j--,\'}
v\' ix-r
** Een\' Schildery die spreeckt; een spoock van weinigh\' ueren;
Een\' levendige Print van \'s Werelds kort verdueren; tym>\'> wutil.
Een Hypocryt om \'t jock; een\' schaduw die men tast;
                 \\l.let
i . """                                                                                                                               a> **:
ifljfU                Een1 drolligh Aristip, dien alle kleedingli past. <-v-*. - \'* J.->
Hy is dat yeder een behoort te konnen wesen:         W* o. 10
,
10 Veranderingh van staet verandert maer sijn wesen
Oëui*C
           Nae \'t noodigh wesen moet: geraeckt hy op een\' Throon,
(\' fijif^ &Ün hert ontstijght hem niet nae \'t stn\'gen van de Kroon
Vervalt hy van soo hoogh tot op het bedel-bidden,
qp»\'. t\' Gelaet past op \'t geluck; \'t hert drijft in \'t gulde mii
15 En onder \'t va ommen-hoofd steeckt noch de selve man
Die op en neder gaen, en niet bewegen, kan.
-ocr page 33-
17
De Wereld is \'t thooneel \') daer op de Menschen mommen;
Veel\' staen op sprekens rol, veel\' dienender voor stommen;
Veel\' draeven, veel\' staen stil, veel\' daelen, veel\' gaen op,
Veel\' sweeten 2) om gewin, veel\' scheppen \'t met de schop;
Geluckigh hy alleen, die krygen kan en houwen,
En missen dat hy moet, en maetelicken rouwen,
En lacchen maetelick in suer of soet gelach,
En seggen, is \'t nu soo, God kent den naesten dagh.
EEN ALCHYMIST.
Hy is een\' ruyme sift, daer \'t koren met syn\' aeren,
De stuyvers met de beurs, \'t land met de hoev door vaeren;
Hy is de wijse beest die in de boomen piekt,
En \'t elcker hoopt, het hout is daer mé\') door gebickt,
Dat nemmer wesen sal; Hy is een Molendraever,
Die blindlingh loopt en sterft, en sem\'len eet voor haver;
Een Snepper by den dagh; een Jaeger boven wind;
I         \'         .
Een\' inbreuck van de Schrift, die soeckt eji niet en,vindt;
Een reisiger op \'t spoor, van een vergulde stallicht;
Een krygs-heer voor der\'Gouw, die eeuwigh voor de wal light; fat, ,t»i.
Een slemper die syn\' maegh in kool en roock verbrast;
Die op \'t toekomend\' leeft, op \'t jegenwoordigh vast;
Een Heer vau all, en niet; een Toovenaer in \'t wilde;
Een Deken, soo hy seght, van \'t Muntemeesters gilde. I. ,\'t,\'>yL o\\;
Syn wit is Goddelick, op \'t Scheppen leght hy toe; \'u\'w.^
Om dat hy \'t noyt gewint en wordt hy \'t nemmer moe;
En, vond hy dat hy soeckt, hy moght het leeren laecken;
Na-jaegen spitst begeert, besitt bedompt vermaecken;
Veel\' hebben dat hy jaeght, en eten sich maer sat;
Maer soo hy t\' hebben wil, was \'t nemmermeer gehadt; \'***f\'
Hoe ongewisser Jaght, hoe dat sy meer gewilt is;
                         I ^ ttltf
Maer dese Weiman soeckt, waer, hoe, en of het Wild is; - pi
Die kennis waer sn\'n heil; hoe raecken aen den vangh,
Dat sal syn\' afkomst noch doen smelten van verlangh.
Doch Hope keert noch staegh den vaeck van uyt syn\' oogen,
hadd\' die klei gevat, en hadd\' die kroest gedogen, \' Lm/ C^. 4^*»*^,
,:° kool gevonckt, en hadd\' dat glas geduert,
         U**ÏVjj
hadden langh een\' goude pan geschuert:
*ï72, sweeren.^
:\')
Var. met.
ten.
-
-ocr page 34-
18
Nu leght de Hoop in \'t sand, en heel den hoop in d\' assen:
30 Wat middel van herdoen met uytgesmolten kassen?
\'t Plecht-ancker is syn\' tongh, die roert hy in \'t gedrangh
-Van Vorsten huys-gesin, en metten dichten dwangh
Van eeden vol vervloecks door met-bekrosen tuygen
Helpt staele kofferen van Koningen in duygen: v- \'
• v *..
h,<.
35 Eens luckt die reise wel; ten tweeden schaers, inaer oock;
Genaeckt hy drymael \'t Hof, en brenghter niet als roock;
Men telt hem stuyvers toe met vuysten vol om d\' ooren, .
En stooters metten voet; s\\jn\' leerlingen die \'t hooren
Ontstelen sich \'t gedruys: T\'huys vindt hy man noch maert,
40 Noch in de kroesen goud, noch hutspot aen den haerd;
/ .f Syn\' naeckte bed-gemael, syn hemdeloos gebroedsel
*\'i"/r* \'•\'
            rn selver uytgedraeft om decksel, dack en voedsel;
-,X.««\' ^ Hy volght hun op het spoor; in d\' assen vindt hy dat;
\'~ V Die saeyen sy in \'t gaen: ten laetsten brenght hem \'t pad
45 In \'t achterste vertreck van wanhoops dorre gasten;
Daer \'t selden vleesdagh valt, en menighmael half-vasten.
Soo wordt de hand geklemt die naer de Godheit tracht,
En beter schepselen om ergere verkracht.
EEN DWERGH.
Üldi
Hy is een Reus van verr; een Reusen duym van bg\'ds;
Een poppen Oliphant; een schier heel hoofd vol"sp\\jts;
Een vierendeel persoons; in \'t venster yet van aensien;
-" f Een^Duyvels-brood in \'t veld, dat yeder een moet aensien,
,, » 5 En niemand mn\'nen derft; een\' ronde middagh-scha\'uw,
Een\' Zieldoos,\\volle kort, doch daerom niet te nauw;
Sulck een man by een\' man
Als een\' pint by een\' kan,
Als een sweep by een\' vlegel,
10 Als een\'fkloot by een\' kegel,
Als dit veers
By een\' keers.
fan
y
! u
-ocr page 35-
19
EEN ALGEMEEN POËET. ~ , _
Primum ego me illorum, dederim quibus esse Po\'ètas,
Excerpam numero.
Hor.
Hy is een kraeckend wiel, dat stadigh maelt en knarst.
Van al dat in hem leeft zgn d\' herssenen \'t verwarst,
De Maegh het onvoorsienst, \'t vermoedste Tong en Longer;
Een Waersegger, van dorst, een Logenaer, van honger,
p.
Een\' aller paerden Sael; een kruyper in der daed, ,. V^p
,:.<U-
Een vlieger soo hy meent; een\'muffer waer hy gaet;
Een suffer waer hy sitt; een algereed bedichter
Van rouw, van vrolickheit; een haestigh woorden-vlichter;
Een misgeboort van \'t School; een wilde Latinist;
Een windigh wan-geback van Semelen en gist.
Hy niest en hoest in Rijm, Pn daer tem staet te kiesen
Van Rvjm of Reden een, \'t laetst sal hy liefst verliesen.
Besnijdt hem \'t wandelen en eenigheits geniet,
In \'t druckste van den drangh siet hy de menschen niet;
Hy tuytt sgn dag\'liks Dicht in allerhande ooren;
En wee den haestigen, of die \'t onachtsaem hooren,
Hy ringelts\' achter aen, en refereints\' in swyni:
De min doorsichtige, dien \'t klappen van den Ru\'ni
10
15
>, *iL ,
Voor alle reden gaet, zyn d\' Ezels die hem draegen,
e,
tbv/^.^ \'V--
20
\'t Ruym-oorighste gediert, daer \'t al is in te jaegen
3 ..
">i
Dat in de kiese klem van d\' oore niet en gaet,
Daer wn\'se wetenschap voor aen ter w\'achte staet.
Sn\'n Bybel is de schat der wederschapen dieren;
;,
Daer in gelooft hy \'t al, behalven \'t koel versieren
M U^ f v
25
Des dubbel-topten Berghs, daer \'t water Dichters maeckt;
Wil
.; -
Want, dat men aen de Konst door druyven-drop geraeckt
Dat sweert hy by s\'nn\' pen: Maer Midas loon van ooren
}
Bevindt hy mogelick, doch schrickt\'er van te hooren.
De moeyelicke vreughd van Tantals wan-besit
Gevoelt h- soo jervult, als of hy \'t eenigh wit
Des Dichtbis waer\' geweest, en \'t heel verhael beschreven ^"jV^
Op \'t rh\'ckelick gebreck van s\\jn verhongerd leven.
Actaeons hooge kroon gewint hy van syn Whf; | k,iwx4-f
Dat \'s voor sgn Lessenaer te maken van haer lyf; \' ri-\'-.<. „ ..
30
,
35
Doch hy versett den hoon van haer\' bedeckte wegen \' £w
Meest met de gulde klucht van Jupiters, geregen.
I ó.:,                      2*
cl. bJ^I ;•.\'.\' 1
-ocr page 36-
20
Van d\' oudste Wysen ,her berekent hy \'t geslacht
Van Dichtens diepe Konst, al sitse nu veracht,
           t-rf,
En van dien trap gedaelt tot op de jonghste gecken; i . \': \'f
(
a            40 Daer is hy \'t hooft-stuck van; wien staet het aen te trecken?
Hy is een ongediert in menschelicken sch\\jn,          w ,c.Jir\'
Dat yeder een bespot, en yeder een wil zyn.
*- g.lCl
^             EEN MATROOS, /,\'tcvh i-iA).
i                             Hy is een\' Waterkat, een Dansser naer den aerd,
Die drijvende beweeght; een wieg\'ling met een\' baerd;
J •u.\'jiooi\'i. Een Mensch-ge vallen Visch; een tarter van gevaeren;
^(Ln/t-f Een^halv Aeneas Oom, door \'t maeghschap van de baeren;
^ ...,,., ^, 5 Een Kabeljauws genand, van wegen \'t Kabel-gauw; /Al./ --c<Sc
Een Zeesche Koren-bloem, grauw onder, boven blauw; 4
intyf??""
Een kaets-bal van de wind; een Hel en Hemel-naecker
Eer \'t yemand dencken derft; een keurlick kaerten-maecker,
Die op s\\jn\' oogen sweert; een pellegrim om ,buyt;
!/ i 10 Een^arger Argos-maet, en op een schoonder/bruyd. J it*«;J*-
**" \'2-*^\'
              Hy dobbelt tegen \'t lot van honderden om tienen, ._\'" YüJ^j
Alleen om roov en sold tot plas-danck te verdienen; e l xo*.
Eer is sjjn oogh-wit niet, tot dat hy thienmael schrap T"""
S0(^ Vijf kogels heeft gestuyt, en noch soo menig\' schrap.J.
         \'-
15 Door sulcke distelen, die in het Zee-sop groeven,
t
Beklauwtert hy den trap die na de gulde boeyen,
Gebiedens leek\'ren last, het naeste toepad leidt.
\'jxifi \'rM^-
Geklommen door verdienst tot Naeld- en Roers-beleid, di .\'*«*,». \\
Verschijnt hem slaepende \'t betreckelicke wesen rO--i.-\'v
I                  -80 Van d\' Eere, Deughds gevolgh; en seght, Ghy zn\'t gereseii i u<
L_ ff» SV-VOW!.e                                                     •          tt              i                                                          > lluï\'J\'\'
Om hooger op te sien: Hy wackert op tvermaen, it"-\' •\';". J-
^WJU u»«W*>- - jjn ]aet Jen droom syn oogh, maer noyt s\\jn hert ontgaen. ("Ü
?£ïï**Ü
          "Komt \'s Hemels hooger hand scheeps hooge hooft te vellen, *y ,i
jfftMüiujithJu fjy heett s\\jn naeste man, die meeste wonden tellen
s~ w». f ^ 25 En meeste kusten kan: die \'t Zuyden meest besweet
_ • — ;\'" En \'t Noorden heeft bètjrilt; die waer en waer heen weet
oib5 lofikh Van op en neder Son. Nu siet hy van die steilen \')
^
                Een\' vlotte Republyck verbonden aen syn\' Zeilen8):
fJm             Wie die bestormen derft, btdondert hy in t\\jds,
,
30 Of, lust hem meer bescheeds, behagelt hem van bijds, <* \'*~
1 "•, .\' •; \') Var. dat steil neer. \') Var. zeil-keer.
-ocr page 37-
il
u
- Cai;/.                                                          _. ,
En kaetst hem Sabels toe, en kittelt hem met Piecken,
faj En blaest hem boonen toe die na den blixem riecken.
In \'t heetste van die vlaegh vol tegenwoordigheits, __ [i Q/)"\\ dU*^wi
Vol redelicken toorns, vol schrickéïick1 bescheits: <:^Jt ^p^L* r> u
35 Men sterft hem rondom af, hy kan niet leeren beven, f4Mtf~7, ^^
800 langh hy herten siet die met hem willen leven,
En doen geljjck hy doet. Beklemt hem feller macht
Dan drymael syns gelyck, soo vèrsch als onverwacht;^
           „^i/Zur
Slaev, seght hy, evenwel en ben ick niet geboren, f""
40 Noch niemand sal \'t my sien,[flucks, brand in \'t solfer-koren,
$4^\' Sterft, geerne, Maets, \'t is tijd; de naeste wegh van hier,
           K*-u,-.
Is door de kruyd-ton heen; ontsteeckt het laetste vier,
v... \'t Sal van sieli flickeren, en meer als ons verwarmen,
*r- En sterven wy voor uyt, sy sullen \'t laetst bekarmen;
45 Naest ryck en onverseert om Kroonen thuys te gaen
Is eerlick scheidende syn vyanden te slaen.
Waer Kenen, moedigh Man? Den Hemel slu^-sy
Den Zielen die haer self haer\' lichamem^Jtscheuren;
Dat recht beheert Hem toe-diê-^bsiae t\' samen bracht,
50 Vervloeckte Vromigheit, in \'t swarte Ryck bedacht!
Daer ons des Vorsten hand ter schildwacht heeft bewesen,
Verdriet ons \'t langer staen, dat \'s langer Syn\' te wesen?
Verlaeten wy de wall al eer de Ronde kom\'?                                 
\\:J
Staet, Christenen, staet vast, uw\' uer en is niet om:
55 Geworden, is gewis, Te worden, is onseker:
C\'Att? I Watiand\'er van de lipp gebeuren tot den beker!
                 p .
i.
Wat schuylt er onvoorsiens in \'t doncker van \'t geval!
Hoe kan des Heeren hand oockrschooren in den val, f-\'"«/;«„, ƒ(*
Oockjituyten in de vlucht, oock schorten in het sincken,
                . &,sïW
• 60 En bergen Israël, en Pharaö verdrincken!                                    faup, fi^JóM.
Betrouwt hem \'t Voor en \'t Naer en \'t Midden van uw doen;
Oft noemt u averechts, en van verbaestheit koen,
En onversaeght uyt nood; soo zyn sy die, voor schanden,
Voor spot, voor dienstbaerheit in o ver winners handen,
65 Een sachter ongevoel verkiesen in haer\' dood,
                       "fe,<)uZ«Mi^
Enjtrachten na de winst van klein verdriet voor groot. J jftexwswU*
Hollander, \'t past u niet, noch voor een\' Mensch te vreesen,
Noch van de rechte vrees van boven vreemd te wesen;
Wat soecken wy den dagh op \'t hooghste van den Noen? - ffj
70 De Waerheit heeft geseght, Ghy sult geen\' doodslagh doen.
CoJ\\.
_^ocn nt1ft dejManheit plaets. en die de dood kan wachten/j^.^, R5 -
Onthaeltse verr genoegh; Hy moetse niet verachten
-ocr page 38-
•>•>
Dan diese lijden moet; dat \'s tjjds genoegh op \'t lest:
Maer \'t sterven komt u t\'huys, of \'t leven is u best.
•
y-                                                                                                                                         \\r->                                                              5
t \'Vu, ;,,...= »                               EEN BEUL. I W> \\ U
i
,i
Hy is een Ambachtsman die niet en doet als recht;
De scherpe-suere saus van \'t bitter laetst gerecht;
De slagh-knoop van de sweep daer Koningen mé toppen;
W.M
Een Chirurgen in \'t gros, die \'t al geneest met koppen;
Een Snn\'der buyten \'t Gild; een Maeyer boven \'t gras;
u
Een Speelman op de snaer van! quyl en Kennep-vlas; {«t,
ju.»
Een Veerman van de dood, die Charon meest helpt winnen,
Op Vorsten Legers naer, en Salvers die beginnen;
Een eerlick Moordenaer, al heeft hy \'t oock begost,
10 Geln\'ck de snoodste doen, om kleeren en om kost;
i Ten zy het scherpe recht sh\'n Over-over Vad\'ren
Gehoore van der wiegh; soo voert hy in sijr\' ud\'ren
Het adelicke Bloed, dat van der Princen gonst
Schild, Loof en Helm verkreegh voor vry e wapen-konst;
.i^ -—15 Soo wordt hy vroegh gekromt om tjjds genoegh te haecken,
Soo leert hy van der jeughd dat Appelen op staecken
V
             Verwesen hoofden zijn, en Leewen op een\' brugh
En sthlen aen een\' stoep soo menigh bloote rugh.
Noch schrickt hem d\'eerste Galgh; en isser bloed te tappen,
20 Het sh\'ne wordt soo koud als daer hy in sal kappen.
\'k Veigev\' hem \'t wanckelen, \'t is kloeckere geschiet:
Door-oeffeningh te huys geeft buyten \'t voorhooft niet: % \'\'iV*
Stout-sprekers binnens muers, voor kennissen, voor maegen,
» Voor stomme Tafelen en oore-loose schraegen,
"iUfc-Ut-uv , 25 Verschenen in \'t begaep van omgeseten volck
Zijn dom en stom gesien, als of die swarte wolck
h ffl\'j
              Haer\' herten hadd\' bewalmt, haer\' herssenen beknepen,
Haer\' longeren gedemt, en haer van haer gegrepen;
QC£U\'V- (Men noemden ons wel eer om tastehcke reen
\\hxf.. 3Q Pgp een des and\'ren Wolf, wy worden stom van een)
l\'ityju\'lt\' ol <k~ Vergevelicker is \'t die tusschen \'t mensch\'lick grouwen
-----------ü.wvjj.; Van Godes maeckselen te worgen of te houwen,
En \'t schrickelicke Dier dat soo veel\' handen heeft,
«Jw. UmiJ^. En g00 veel, 00gen draeght) Gemeente, staet en \'jeeft.
35 Een Rechter kan bestaen met Recht doen sonder vreesen;
-ocr page 39-
\'
Syn Recht en is niet recht, of \'t moet\'er goed by wesen;
Of \'t vreesen is hem \'t naest, en \'t steenige gejouw,
Op \'t kraecken van een\' strop, op \'t sagen in oon\' houw.
De Waerheit, lijdt sy last, beknepen in de K»Wï.i,
40 Begraven binnen \'t heek van yser-harde tWiflAy *?£ "•*"* °
En vindt geen\' trouwer vriend, geen\' machtiger als hem;
Soo boort hy door en door der logenen bfel^iem;
En leght sy diep en dwers, en kan sy reliek ry\'sen,
SlaeVgeesselt, nijptse \'r uyt met Touw en Tangh en Rn\'sen;
45 Van arbeid moe en heet, van herten koel en still,
Verbonden, als de By\'1, aen diese voert syn\' will.
Gedenckt hy aen een\' wrock in \'t nypen, in \'t bewoelen,
En derft syn\' eigen lust in \'s Heeren last verkoelen;
Soo haest en vindt de wraeck geen\' Herbergh in sn\'n bloed,
50 Syn recht en is niet recht, al is het recht en goed.
Soo door den dicken dyck van \'t veinsen waer\' te delven,
Hy is aen andere dat ander\' aen haer selven:
(
,u,
Een yeders Beul syn Hert, daer quellingh over knaeght:
Van dusenden \') nauw een die \'t onbeknabbelt draeght. Rjn*6f>Jb».
C ;
Qrr.1 Ui fi***> *-
l 7 -                  . - EEN BOER.
Hy is een Edel-man, soo wel als d\'aller eerste, J AWw^.
Die in geen\' Stadt en woond\', en, of hy \'t al beheerste, ej/L ^ *~\\ \'
Beploeghde \'s maer een deel; een Hovenier in \'t wild;
Een soon die om den kost sijn\' Groote-Moeder vilt;
5 Een Mensch die niet en is dan om eenmensch te wesen, \'.
            ~> qJa^
En helpen \'t andre zyn; een volle man in \'t\'wesen, [ -.\'^:.\'.. f t2^(.
In \'t spreken maer een halv, \'t en zy by ongevall;
Soo braeckt hy wel een woord dat wysen wel gevall\',
Vm:0\' Soo ripst hy wel een\' vlaegh 2) daer Letter-li\'en uyt suypen tiJLet,
10 Dat buytens-boecks vernuft kau vliegen daer sy kruypen.
Hy leeft gelyck men leeft daer \'t Leven leven is,
Daer voor noch achterdenck, daer geen gebeef en is,
Tot dat de Trommel komt, en Lonten die hem tergen
          \')i}Juitm>Kk
Tot dat hy Daelders sweet\', oft\'wreken \'t op syn\' bergen,, o ,<^
15 Oft scheeren \'t van syn Vee, oft braeckeh \'t uyt syn vlas, , ,. ,,, \'
Oft maelen t uyt syn\' Terw, of maeyen \'t van syn gras. (e "
Die stormen duyekt hy door soo langh sy hem vermannen;
\'. ——•—:
\') Var. H Mülioen maer. \') Var. vraegh.                             - - -
kt "•.L ^ , I          . l\'         —
-ocr page 40-
24 . ,
Maer, schept hy uyt den nood het hert van wederspannen
Door Boeren-bueren hulp; Soldaten, kiest de wyck;
20 Elck vlegel wordt een Roer, en elcke pols een\' Pijck;
De wraeck sitt in sijn hert, de wanhoop in syn\' handen,
En elck\' in yeder oogh; hy wenschten in syn\' tanden
Noch Room, noch Schaepenkaes voor Menschen vleisch en bloed:
Soo wreed is die het is om dat hy \'t wesen moet.
25 \'k Neem \') Trommel-tüden uyt, geen sijns gelijcke Koningh;
Zijn \'t andre van een Ryek, hy is het van een\' W" gh;
Maer Vryheit sluyt haer heek, en Vrede woonter in,
En \'t kostelick Genoegh; dat hebben and\'re min.
Den ses-dagh sweet hy uyt, van dat de Son\' te karr klimt
30 Tot dat de Nacht-bodin, de Minne-Moeder-starr, glimt;
Soo voedt hy met syn\' hand syn lustigh lijf in \'t groen,
. i Trots die het binnens muers en met de herssens doen.
i
g . j             De seven-daeghsche Rust en wenscht hy niet verscheenen
** «- • o, >.v
Om werekens vry te zyn (gewoonte doet hem meenen
\'M\'J^* ^ Dat(^sweeten Mensch zyn is, en arbeidt Levens lot)
Maer om des yvers wil ter kennis van syn\' God,
Den God der kinderen en kinderlicke Zielen,
Die op de rouwe hand en ongekussent knielen
Syn\' Al-medoogentheit bewegelicker slaet,
40 Dan daer \'t geleerd Gebed door Amber-wanten gaet.
Verlenght de Somer-Son sijn\' achter-Middagh-ueren,
Hy schenckt het overschot den naest gelegen\' bueren,
»•\'**. .«2a.-. * -^n hangter \'t Kroontjén uyt, den Avond blyfter by;
~7\\fi Daer vindt hy mogelick syn\' gadingh aen de Ry; s ïo
/».Co 45 En wringhter sich ontrent, en seght haer met een\'douw, „Tryn,
_v.<U*,., „Tryn \'k weet gien\' langer raed, me denckt je moet men Vrouw z^ü,
„Me denckt je seltse zyn, en in den Hemel ben je \'t,
tW 8
„We staender langh te boock; en, Troosje, noch onkenje \'t,
„Noch bljjv\'j en stickgien Ys, soo klaer, soo hard, soo koel,
•
i
50 „Daer ick men aers noch aers van binnen en bevoel
|ih»W«u-\'>~!~ ^^g waer men hart en haert, en Ambeeldt of en Ove,
„En slypstien of en pot; men suchjes doen him stove,
->\'P , „Men traentgies lengen \'t sop; en, offer vyer ombrack, . Wu,.
•
j „Jou vierige versier ontsteeckt de kole strack;
55 „Die kole zyn men Longh, men Lever en men Niertjes,
i.
„Soo veulderhangde vonck, soo veulderhangde viertjes;
^
                   „En ick wel eer de\\knecht groen licken alPen gras, y^ ^u Wi
„Ga dorre lick en hoy, ga stuyve lick en as;
\') Var. Kip.
?:o-..\'\'i I I
-ocr page 41-
25
3
„Wie wenst hem by en aer sen Weuningh te verwarme
„En benj\' en Meysgie, Tryn, en doe je \'t by men \') darine? JjLUa, I
„Wat let men an men leen? ke dare, dat \'s en tré,
„Wat denck je, kreuckte \'t gras wel minder van men tee \\A^ Y/)
,A1 vloogh ick by de grond? nouw weer en aere slinger, ^ i»&X. - e
„Mick, mick, men hieltje drilt al waer \'t de Speulmans vinger:
60
„Hoe slofter Teunis by, hoe\'staitet Kees ter hangd,
„Hoe sleeptet logge goet de biendere door \'t sangd!
„De wwheit wilder uyt, al stinckt den a\'em van \'t pryse,
„Al uangst\' ick in de klei, \'k en mocht niet taeyer rü\'se.
Ui «Ut. (tUi j
1
k;„Wat schort men an men goed? Al ben ick ien\' van tien,
„De negen benne voort, ick stae, God danck, allien;
„Van ginte Molen of tot achter om \'t kad\\jckgie I
„Verby de Wrcteringh is al men eige sln\'ckje,
„Klinck klaere klsever, Kind: Ick weet van huer noch pacht,
„Men erven hooren mn\'n, gelicken ick \'t geslacht; \'"**
\\ 8<?
J
np
.
-
„Let op men Lam ereys, hoe roytse na men hecke;          \'w
ï
„O minnelick geboomt! Ick sie \'t sen armpgies strecke
„Gelick sen Miester doet, om you, om you, om you,
r
jjtjOm you, men\' Hartegin, te vatte voor sen Vrouw.
Een soen, een lonck, een snick, een kneep, een tré, een suchtgien
80
Besluyten sn\'n gespreek: Trh\'n gloeyt geln\'ck een Luchtgien
• << "Dat \'s anderdaeghs moy weer, of water dreight, of wind:
I ,En jongh, en welbekleid, en goelick, ienigh kind?
lïi *^ab h?t him? seght haer hart, en\'tspringhtgelijckhaer\'kuyten. "S^5;
I „Hoe stae je mit je Vaer? begint s\'hemtop te fluyten; **-^
85 „Die pankoek schuyft, denckt hy, of \'t sel him haest gedn\'n
I „Men Vaer in ick sn\'n ien, lick Druyve-sop en wijn;
„Wilt slegh, we selle you het klav\'re vrouwtgie maecken
in V
„Bin icker \'t Heertgien of. Sy antwoordt met de kaecken
„Met glydt een\' silvre Trouw van sijn\' aen haeren duym;
90 Sy voelt en voelt het niet; als waer\' de Ringh te ruym,
Of sy melaets van hand. t\' Huys derfts\' hem sien en thoonen:
De Vaertgiens raken t\'saem, de bueren aen de kroonen, v/va^f
De Bruygom binnens koys; daer vindt hy soo veel vreughd,
Als Alexander oyt kost eischen van sn\'n\' jeughd, _
JU 95 En Caeser heerschten \'t al,.en beide met haer\' wijven
En brachten niet te saem als vier ontkleedde Ln\'ven:
Wat is hy min of meer om \'t uytgeschudt gewaet
Die in het Bruyloftbed of in de doodkist gaet?
Nu is hy dobbeld Man; en \'t leven van te voren
Var. s*n.
iH-
-ocr page 42-
26
w
100 Gelyckt hy by een\' dood; soo kan hem Tryn bekoren,
Soo reddert sy syn\' stall, soo serpt sy vloer en Tin,
Soo klaert sy Mouw en Ton, soo draeft sy naer syn\' sin
Te knie toe door den dauw; soo past sy op de kaeren,
Soo op het stremmeles; soo suynigh in \'t bewaeren,
105
Soo vlytigh in \'t gewin. Nu rijdt hy t\' Stéwaert aen,
En heeft sijn\' liefsten schat van achteren gela\'en,
Den Kaes, de Melck, en \'t Ey beveelt hy haer vertieren,
-_ VhW>f\'\\ f
Het Voelen met het Kalf syn mannelick bestieren;
Elck maeyt soo veel hy saeyt, elck voordert syn bedryf,
110
Des Avonds munt by munt, en bey de borsen stijf.
Maer eer sy door den drangh van Maendaghs mercktgangh bo
Hoe sparren sy \'t gebit tot achter om haer\' ooren,
Hoe spannen sy de wangh, hoe toonen sy den tand
Op \'t Kostelicke Mal van \'t steedsche Velerhand!
I fj
11
„Ke daer, Jan Govertse, seght sy, dat benne bouwens;
,0 rycke Lieven fleer wat kost\') het goetien\'hou wens!
-
K»UAt>t*. ! »,
<
„Ke daer beget, dat stajt; goud speldewerck op zy,
„Kèrstienten in den Tuyt, en dan een veer der by:
;
«) f.\' •
„Kyck sy nouw, met den Hoep, en mittet spitse hieltgie^,
120
„Jae wel toch moer in \'t slick, jae lieve flenter-sieltgie,
2
„Wat geeft de schei aen \'t Mes, den blaker aen de kaers?
„Die moy is ist in \'t hemd 2), ick toonje naers om naers.
„En jy mé, Moolicke, rock of ereys de Luyve,
            >\' &
„Lae kijcke wat je deckt, ick schat je by de kuyve
125
„Voor Molenare Wijfs; hoe ist mit Neus en wangh?
i*">
W*
„D\'ien magh bepockpet zijn, den andre slim, of langh: ._
Wf.
„Wel, hadd ick \'t niet esien, ick hiet men Vaertgie fluyte
„Se maecke \'t backhuys swart, en vreesen of \'t van buyte
„Wat geel versenge mocht: Lae barne dattet kis,
ft: >
r.>T-
\'
130
I - H
„ De Son en maecktet noyt soo oolick asset is.
„Still, Trijne-Moer, seght hy, laet Wyfgies wat bedrgve,
„Se zynder Wn\'fgies voor; maer Manne worde Wyve:
„Kyck, hoe sit hy te pronck, al keeck hy uyt en kas,
„In \'t Le\'ere wagentgie, sen lockgies mé vol as;
135
„\'Tien hanght him op te schoer; en vrouw die halv ehult is.
„Sou hate dat me \'t saegh daer hy sus mé verguit is:
tna-ou W
„Hoe hanght him \'t lubbe-tuygh efommelt over ien!
„\'t Is schier en heele web, al magh het nimmend sien,
„O \'t is en wond\'re krul van veulderhande laeghies:
\'h*k
SS              140
\')
„Al staetet boven op gelick men hemde kraeghies;
Var. kostje \'*. •) Var. hem.
-ocr page 43-
„\'Al eveliens of ick en dick,e Bybel had,
„En liet hitn nimmend sien as oppet opper-blad.
„Siet nouw sen Mangteltgie, van buyte rood as Panne,
„Van binnen as en gras, vol syc bongt espanne:
145 „Trijn, ongse Domine die preeckten op en dagh
„Van \'t Hemels Bruiloft-kleedt; of \'t dit kleur wese magh?
„Ick houwj\' en biertgie, neen \'t. Maer let op \'t wammes-tuytgie;
„Hoe sluycktet nae den Kiem, lick \'t voorste van menschuytgie,
„En al fijn klatergoud tot snippertgies versneen,
150 „Ja heer hoe kostelick is \'t mallen in de Ste\'en!
Soo rijden sy te keur door \'t schuym van onse dagen, ^ QjtU
Trots trotser Keiseren; haer eigen Wooningh-wagen
Is haer\' Victori koets; daer sien sy van om laegh
Of een geLauwert Vorst sn\'n\' slaeven oversaegh;
155 En roepen binnens monds, siet, Slaeven, ghy sult sterven,
En \'t Malle kostelick wel moeten leeren derven:
Begint het tn\'ds genoegh: wat baet hem overvloed
Die naeckt gekomen is en bloot verscheiden moet?
\'t Is uyt een\' Boeren-lip een\' hooge les gesogen,
160 Maer diese niet en hoort onthaelse door sn\'n\' oogen:
          ^- Wv»&»
Wie een\' geraegen geest op allen voorval slaet,                         \' hli>
Studeert in \'t groote Boeck, ter Scholen waer hy gaet.
De Bedelaer sweegh stil, die op sijn\' koten huckte,
En met een\' holle hand nae \'t Beken-water buckte,
165 Eu schepten in die kruyck dien nooddruft uyt dat vat.
Maer die daer in sijn\' Kuyp sich selfs en all besat,
Ontfingh de stomme les, oock midden uyt de luysen,         M^>, ui
En schaemde sich sn\'n\' Nap ten overvloed te huysen.
Geleerde spreken veel, maer Boeren seggen \'s meer: f,
170 De beste School-vrouw is de daedelicke Leer.
                                           .
/3 u»<-J-,\' --O\'                    j
EEN SOT HOVELINGH
Hy is een Ydel-man, een Edel beest geljjck;
Een\' blaes die bersten wil; een overguldt stuck sly\'ck;
Een\' wimpel aen het schip van \'s Vaderlands groot-Stuerman: ]/\',:*"\'
Een vreeslick Schapen oogh; een spytigh Borgers buerman; Uhf
5 Een deughniet op s\\jn hoofs; een huerlingh om de\'\\sop; 1 \\n^u*.
Een vleier om de konst; een lieger door sn\'n\' krop;
Een klabbeeck in de bagg van weinig\' Oostersteenen: I ^A"^
^                                                                                                                                                  \' t
\'
-ocr page 44-
28
! Een Snyder met de tongh; een Wever met de beenen;
Een trotse Treves-Leeuw, een blixem op de straet; }-,, .
\'
10 Een|raeserid ure-werck, hoewel \'t met veeren gaet;\' \'
"
          Een\' vuyle Muskus-doos; een onnut Staet-gewicht;
[j^,. Een\' sterr, die selver/doof, van \'s Princen luyster licht.
j Den Adel, schoone lyst van sulcke schilderyen,
Is \'t Masker van sijn doen; daer derft hy op betijen,
i --W
15 Als of\' syn\' Ouderen de voor-eer van \'t Gevest
Op schande waer\' vergunt, op schelmery gevest;
De wysheit derft hy self soo mannelick verachten,
Als waer\' sy noyt bekent voor wortel van Geslachten;.
Als waer\' het edelst eêl geborgen in het bloed,
• _ /
              20 En niet veel eer in \'t mergh van \'t voeder van den hoed;
Daer menschen-snyders doch den Edelen van binnen
\'j, ;
                Gelycken by den Boer, op \'t huys nae van de sinnen,
„,/> %4 Daer sproot de wortel uyt wel eer soo hoogh ge-eert,
Soo Adelick beloont, van Stout, Ryck of Geleert.
25 Al wat den boom gelyckt is van de rechte tacken,
u
",\\ Veraerde bastaerden verdienen niet als \'t hacken:
—"-
_, Hy kent alleen het Stout, en meint het maeckt den Mali,
-i,
Slaet van hem als een henghst, raeckt waer hy reicken kan;
Hy lieght soo veel hy gaept; maer wee die \'t hem verwyten,
30 Ghy lieght is \'t hoogh Alarm, daer voor hy and\'re smijten
Of slagen wachten moet; en wordt hy dan gevelt,
Of velt hy andere, hoe is syn\' Eer herstelt,
Hoe beter maeckt hem \'t quaed; hoe hebben hem de plasschen
Van syn oft and\'ren bloed de logen afgewasschen!
35 Wanschapen stoutigheit, van over Zee geleent,
^WM/6
                ^ie neeft u \'t huys verhuert van \'t Edele gebeent?
Hoe onbevleckter Eer waer\', buyten vrienden paelen,
In Godes groot krackeel op \'t ongeloof te haelen!
Wat vindt hy dagelicks, die naer wat kervens lust,
40 Verkoelingh van sijn vyer in \'s Werelds ongerust!
Vj                             Hoe veiligh waer\' hy stout, die schouwde met de plecken
Van Abels ruchtigh bloet de handen uyt te strecken
Voor \'t eewige gericht, daer \'t laetste oogenblick
• j
                 Het vonnis uyten doet van;\'t heet\\onendelick,
45 Daer \'t al moet kinderlick van schrick voor leeren sweeten
\' •> Dat manlick onversaeght, en saligh stout wil heeten!
             i/
Stout zy die \'t wesen wil; een is het in der daed,
Die \'t sterven niet en vreest om dat hy leven gaet.
Een Sondaghs Sonneschyn is \'t hooghst van syn begeeren,
•
.
-ocr page 45-
29
50 Dan misten hy soo lief den hutspott als de kleeren;          \', •
Dan drijft hy door de wolck, als Sterre met een staert,
Die op de Predick-uer voor \'s Vorsten huys vergaert;
Trapt trappen op en af, slaet door de deur-tapyten,
Als waer\' syn arm een\' sweep, als hoorde \'t hem te spyten
55 Dat yets ,bekommerlicks \') syn\' inkomst wederstaet:           \\ <&"\',"
Geraeckt hy naer syn\' Heer de naeste man op straet, **
Die sehielick omme siet, en vraeght hem hoe de wind is;
Wee die dan anders denckt dan dat hy \'t waerdste kind is,
Dan dat syn snel begrip, syn\' kennis hoogh en diep*),
60 Gevraeght werdt daer sich geern een minder op besliep.            ^
Hy sluyt hem oor aen oor, en antwoordt, Oost ten Noorden; ) -
, Een schrickelick geheim; \'t waer schaed dat \'t yemand hoorden,
i
- Hy volght^hem tot in \'t huys daer \'s Werelds ydelheyt             v^ w\'
Of aen de Galgh verschijnt, of op de pijnbanck leyt:
65 Maer een bestoven krul, gekrinckelt om syn\' ooren,
Bevrydt syn\' Herssenen voor sulcke snelle booren,
En waer syn oogh soo dicht, hy vloeckte d\'uer ter heil; \'j4.S*
Maer \'t kyckenstaet hein by; van d\'een tot d\'ander spell _ U-Juï.k**^
Bekruypt, bewandelt hy de wonderlicke swieren ,
                , )). k^ n ^ -(
70 In \'t opgetoyde heir van!murwe Memme-dieren; wAt
Ontvlieghter een\' een lonck, die hem van hondert naeckt;
Mijn oogh-pyl, seght hy dan, heeft emmers Doel geraeckt,
En, kleuter, weest gerust, men sal u naerder spreken; f~jijA Ja,otku,
U is een vryer-vreughd verschenen van veel\' weken.
75 Dat kost Na-middagen van twee tot seven toe,
Dry dagen draeyt die spill, den vierden is hy \'t moe.
Na des\' een tweede Jacht, daer:slimme slobber-stegen J ••\';\'*,\'- *^*
Het vlackste veld af ^Jb: die d\'onbeschaemtste plegen
By sterreloosen Nacht en averechtse Maen;
                     .\'j/*J.:f*t___i<.^i
80 Hy maeckt de Maendaghs-Merckt getuyge van syn gaen, \'^""\'i
En doet de Middagh-Son syn\' mallen wagen mennen;
Wat leght hem aen \'t gerucht? de Wereld magh haer wennen
Aen \'t geen hy geerne doet. Onstaender plaesters uyt,
En boort het Zielen-zeer tot boven door de huyt,__\'""i\'d \'
85 En hinckt hy na den slagh van Venus klap om d\'ooren, <*?• ly*.i*6>/t j
Geringe swarigheit; die wapenen gehooren . Ivwn*. •;.
                     f**ha<r-.
Aen \'t vyfde vierendeel van sulcken Adels schild;
En die den beet ontsiet wat doet hy achter \'t Wild?
\') Var. bekommerlix. De uitgave van 1672 hoeft bekommerlickst; blijkbaar
oene drukfout.
*) Deze twee regels ontbreken in de uitgave van 1625.
-ocr page 46-
30
Maer walgh en overvloed versellen meest den and\'ren;
_    _ . _.— ...
90 De volle vreughd bestaet in \'t woelen van \'t verand\'ren:
Nu lust hem naer de bloem in \'t midden van den doorn;
Naer druyven buytens reicks, naer Danaes in den Toorn:
Dat geit u, echte Bedd; en, Mannen, past op \'t vinckslagh,
Daer vlieght een Koeckoeck om, en dreight u met een\' quinck-slagh.
95 Geluckt hem \'t quaed doen niet, en komt hem juyst te voor
Van hondert Wijven een\' die d\' eerbaerheit in d\' oor
De trouw in \'t herte huyst, \'t en kan hem niet als spijten; "•
Maer die \'t hem spijten doet en kan \'t hem niet verwijten"}
Of \'t spijt haer dat \'t hem spijt dat sy \'t hem spijten doet.
100 Verwn\'t is lijdelick die \'t sehuldigli draegen moet;
Maer onschuld en verwijt valt steeuigh om verdouwen,
En doet d\' onschuldige der onschuld self berouwen;
Die wraeck wringht hy haer op: Hoe is Mevrouw vergist,
: - Die Dievegg heet, en heeft de stelens vreughd gemist!
105 Sun\' quellingh is \'t maer half; hy weetse door te spoelen,
En gloeyt s\' hem om het hert, in \'t keldergat te koelen;
Daer gaet hy uyt sich selfs, en noemt het vrolick dol,
, En seght, het groot Rond-om der Schepselen is vol,
Hoe soud \'t de Mensch niet zijn, die\'t kleine beeld van\'t groot is!
110 Soo strijdt hy met de Deughd, tot dat hy \'s avonds kloot is,
En rolt te beddewaert, en ronckt de dompen uyt
Van menig\' herssen-schroef en ongeboorde fluyt. Vj l*-ï
De Middagh weckt hem op, den hoofdsweer doet hem duchten
Dat \'t weder Mergen is: hy voelt sh\'n\' Borse suchten,
115 En swh\'men op syn\' zijd\', van gister-avonds stoot;
Die wanhoop ruckt hem weer van \'t modder in de sloot:
Op \'t loten leidt sijn\' hoop, en doESel\' dobbel-kanssen. iJf
Maer weigert hem \'t geluck sijn\' püpen na te danssen,
Stae by dan, Kermis-konst; beleefde Steenen, swyght,
120 Wanneer ghy hier een\' kneep en daer een\' slinger kryght.
Daer moet gewonnen zyn; wil \'t qualick rechts gebeuren,
Men mach de luck-Godin haer\' slippen slincks af scheuren.
\'t Geluck is wetenschap; die min doet dan hy kan,
Beklaeght sich f ongelyck, al waer \'t hy nemmer wan.
125 Noch lijdt den Hemel \'t leed, noch veinst Hy niet te hooren:
Tot dat den ouderdom komt sneeuwen om sijn\' ooren;
Dan stort Hy wraeck op wraeck, en d\' een\' op d\' ander\' quael;
Die bladers maken \'t boeck van \'c stinckende verhael
Van syn verrotte Jeughd; die leest hy in syn\' droomen,
180 Die droomt hy waekende, die doen sijn\' Ziele schroomen
;        hjü fa 4 * " • \'•\'\' <K                           \\
-ocr page 47-
81
Voor \'s leyens Avond-uer, en \'t scheiden deses Hjfs,
De vuyle schommel-plaets van soo veel wan-bedrijfs.
De kennis van de roe die Sondaers sullen draegen
Is \'t voorslagh van den klop der Goddelicke slaegen:
135 Dus leght hy noch en wenscht om langh\' en langer pijn,
Te vreden, verr van wel, om erger niet te zy\'n.
In \'t worst\'len met de dood verleeght hy noch sn\'n\' lippen
Met wat hem volgen sal, met Maegen uyt te kippen
Die \'t naeste paer betaemt, met schilden acht en acht,- :*
140 Die om de groote ruytf behooren bygebracht. PuVjj^ • ,
Soo is hy dat hy is, tot dat hy t\'ende wesens, .««fcj^^.
Den wandelaer vermaeckt met sesthien woorden lesens, •
\'* Hier onder leght een romp ontladen van-sijrC Geest, ijn**fc
^ Een Mensch, een Hovelingh, een Niet-mel-all geweest.
•
EEN WYS HOVELINGH. J "
Hy is een\' stille Lamp in ydelheden wind,
Die op syn stadigheit geen slingeren en vindt; \' " \'",t         ,
Een dienstighjYdel man; een volger die kon leiden, j hu-;> -o*^tvW
En konnen sal als \'t hoort, en dan noch een van beiden; Huk,\'**. p«*»~v
Een vriendelicke Leew; een Schaep dat bijten kan; \\ &j %*J-} , , • ^
Een\' Joffer, daer hy wil, en daer hy moet, een Man;
Vol levens onder \'t stael, van Marmer in de kleeren, \\lw{foti-
\'j
\'"\'*\' Vol "ongevoelickheits van kostelicke veeren;
Een Ooster-steen in \'t goud;by Aernemmers gesett, j ;^Z;\'m fu^ [tuAp
10 Maer Aernemmers ontkent, en dieder los op lett;
               tf\\ U)r/«rff
Een vierde Broer van dry die \'t in den Oven herdden, ij \'i„« .« ,
. En, verr van half gesenght, heel Salamanders werden.
,5v, Soo dringht hy drooge-voets door \'t modder van den Hof
Daer bloemen onkruyd zyn, en meest de vruchten stof;
15 Soo leght hy in de School daer, van beleeftheit liegen, ? ^ f ^7-.4j J
Niet doen van tijdverdrijf, van gauwigheit bedriegen,
De Meester-lessen zijn: maer Deughd staet aen syn\' oor
En stuyt die leeringen met betere daer voor.
Het liegen is hem vreemd, behalven daer het prysen , /i
20 Van vrienden syne waerdj ter waere waerd\' wil rysen, p a^^L/J^
Daer lieght hy deughdelick, en slaet sich selven af, j ikX«„
En, heb ick dat ghy prijst,\\pryst, seght hy, Die \'t my gaf.,4"^\' ?ij|-j
\'t Bedriegen oeffent hy^met beter zyn dan schijnen,                    ^ " oloi^ !
Met laegen listigheit in roock te doen verdwijnen, ] w/-\'%
-ocr page 48-
32                         / I                1 :
l /i/U-vO , /(/Lij ,
25 Door \'t listige Rerht-uyt, dat Christelick versett, /
0^-, .
          q          Daer die het niet en kan van^konst niet op en lett.              /
Soo tast de Schermer mis, die meent syn Man zal wycken fai
De slagen die hy dreight en niet en meent te istrycken, j ,)/.
:Hu
< \' En vallen in syn punt: de Man [light stil en recht,. \\tu^M> y.A
30\' En doet hem,\'konsteloos, verwerren in \'t gevecht. yvicv/>-i£,
,,.\'.:,.\'.
                \'t Verdryven van den tyd is verre van syn poogen,
• ",i JJ , \', : ""v Hy volght den Oogenblick soo verr hy hem kan oogen,
En wilde]Flus waer\' Nu, en Nu noch eens soo taey,
rEn Wesen van een\' Ael verandert in een\' Maey,
tt
oren,
En Wesen schier gelyck geboren en verloren,
Soo leeft hy twee mael eens, en besight oock den tyd
Die in des Vorsten dienst nauw besigheit en lydt.
Der Grooten aensien staet in \'t leegh staen veeier knechten;
ij ."Mt. v%, 40 Dat is haer_stedewerck_die buyten voor hun vechten,
lp
                     Een\' Sael, een\' Galery te eieren met gedrangh:
Hy staet\' er oock syn\' uer, en mog\'lick ueren langh,
~
           Maer ueren ryck besteedt, maer\'ryp gekosen ueren,
f
Onschuldigh aen dej vleck van Vrienden en gebueren: {vfex ?
I
               ; 45 Vruchtbaer van wetenschap, onvruchtbaer van gerucht,
"fty\'iiifr-1\' \' !•"\', In vredigheit voll vreughd, in vrolickheit voll vrucht;
«/..<:
                     Maer ueren die \'t berouw van \'s Avondts niet en baeren,
/~\\,;/ , En in \'t gedencken zyn dat/s\'in \'t gebruyeken waeren,
0 ,Süuf (
         \'t Onnosele vermaeck van die se wel beleeft
50 En1; wel bedenckende noch eens te leven heeft.
Sulck\' ueren leeft hy daeghs soo veel\' hy\'er daeghs moet leegh staen,
«y—^ En vatt al waer hy kan "syn wyser, op syn leeghst aen,
r v->^v En suyght hem uyt den mond\' of oeffeningh van Deughd,
fc===^\' f)
             Of wat hy niet en kan, of wat hem niet en heught,
cy*,ail "••^\'55 Duyckt altyd nederigh met syn\', oock meerder\', gaven,
II
b*y,.T\\ L "i Op hoop van meerdere; hoe zediger begraven,
,iV^ï- ^/kn»" Hoe hooger spruyt de Deughd; noyt wordt sy soo gesmoort,
t
          \'^™                   §y.fi wordt Vnoch_ blindelingh geroken of gehoort.
£ XjUi i*uvL          Soo kyekt hy menigh-mael door \'tldunne van syn\' vraegen;
I — u \\ CwOjv" ^ ^e* m\'s* ny vraSens beurt, en moet het seggen vvaegen;
^__ \'^L^oilJltDax doet hy spaeriger dan \'t nood is van gebreck, wur
^WWv \' Maer, verr van gierigh, als ontsteken, en niet leck;R^\'- ~*>
AmUj!
          Daer worden sy gewaer dien d\' ooren niet van steen zyn,
Waer heen syn\' eenigheit, waer all de ueren heen zyn
; J 65 Die \'t Hof syn aensicht derft; dat tastelick bewys
Van Roomens dolingen, dat Christelicke wys
-ocr page 49-
33
In waerheits onderscheid, dat wn\'sselick beschrijven
Hoe \'s Hemels Solderingh d\' een\' d\' andere doet drijven; ia »->
Hoe, waeroin, en wanneer de Son het Masker draeght, \' i lünk, X <\\o "h^)
70 Waer \'t altijd ongelijck, waer \'t altijd etten daeght,
Hoe \'t elders Somerrkomt als onse stroomen" backen; \\<jw$? (* UuuIaa. A
, , Hoe yemand tegen ons kan treden sonder sacken;                            \\ \' .
^\'A^Hoe d\' Aerde hangen kan, hoe haer geweldigh rond                <a, »vmu«\'.
Onsichtbaer werden souw,>die by de Sterren st^ndH\\ „ fcO <ty*.
75 Hoe \'t rond te nieten is, hoe [bierige Matroosen (^ J u-V» l~ O^i-T^j.
i De Zee vermeesteren door stomme Staele Roosen:          *          \\. \\j k.C.
f \'^\'"\'•Hoe \'t ooge door een\' spleet van verr versek\'ren kan
Soo dickmael houdt dat [steil de lengde van een man: \\\'fJrl^U
r^
Hoe \'t\'puntigh aerden-werck der slechter eewen Torens j^^
80 En mueren overtreft; wat Maenen en wat Horens / Ixvu^j .l&&tn**."«-if*&--
De trouwste borgen zijn, wat gangen onder d\' aerd;
Wat buyten best bespringt, wat binnen best bewaert. [t£s\\.
Dat bondige verhael doet voelen datter grond is, .
En ruym sijn\' herssenen wat voller dan syn mond is.
85 Maer, wordt hy voorts geverght, en voert hem \'t ondersoeck
Van graege vraegeren door \'s werelds wonder-boeck,            . x^          r
Van d\' eerste[ Jaeren \') af tot daer sy leerde swemmen, 1 if üihj e \\ VJ[f
Van daer tot op den dagh van \'t Hemelsch overstemmen
Der straffe letteren en onvoldaene Wett,
                                              \'™"
90 Tot datter Die se gaf den hals voor had gesett,
Van daer, door \'t waggelen, door \'t struyckelen, door \'trijsen
Van G-odes stichtingen, tot op het vuyl afgrijsen vw\' -<K
Der dagen die wy sien: de slechtste staen verstomt,1
De wijste twijffeleu hoe \'t weten in hem komt;
                             .
95
Dei kinder-tuchteren, die geen gelijck en lijden, . fraüt-M>!><,\'.t, in foxotlotf
Eerbieden sijn onthoud, en derven \'t hem benijden,;
Die mogelick, als sy, naer \'t sitten niet en hinckt,
                        ;n ij
Naer \'t bucken niet en buyght, naer \'t lesen niet en stirickt. Y^lll.
iltu^^
Want.j[schorte \'r oeffeningh van mannelicke leden,
             i)£WL a9&-\'^
100 Hy schijnt\'er toe gevormt; oock tot delSimme-schreuen,, jj^nqf
Dien vluggen Aexter-gangh, dat konstelicke Mal,
Dat rijsen als een\' veer. dat stuyten als een Bal: i mi*Lj. v ty!uu-tfajJ J)d"
Hy doet het, en gelooft, als emmers, [boven \'t singen, [$J»lvL4
Volmaeckte vrolickheit het Herte wil doen springen,
105 En \'t hert den heelen Man, best springht hy die ^ gelaet 1 tibt** de
Van springen dwingen laet*n reden, rijm en maet:
                 \\\'\')h !>•<•
Maer doet -het ernsteloos, en verre van verwachten
Var. uuren. •wS^..
                    f , .                            rr
,MAElM Huy9ens> ****** \\ ^g, • ^^^[W^
-ocr page 50-
34
X-u-
Dat d\' eere daer uyt volgh\' die \'r kind\'ren in betrachten.
Soo acht hy \'t vingerspel, soo \'t klaet\'ren van een\' Eluyt,
110 Soo \'t snuyven van een Veel, soo \'t kraeken van een\' Luyt;
En gond\' hein God een\' keel die snaeren kan versellen,
Hy leertse danckelick Sh\'n\' wonderen vertellen,
\' .
         En mogelick daer by^dat sijns gelü\'cke Jeughd
Soo Jeughdelick behaeght als deughdelick verheught.
115 Maer siet hem naer in \'t groen, eer \'t Sonne-peerdwan honck scheidt,
Hoe hy het sü\'ne daer ten afgerichten spronck leidt:
Ghy vindt de logen waer ilie \'t Peerd versieren dorst
Dat menschen maecksel was van boven tot de Borst;
Soo kleeft hy aen de Beest; soo is \'t maer een beroeren
)
                120 Der Dh\'en die hy sluyt, der£Schencken die hem voeren;
!\' \'** Soo doet syn\' stiller hand dan of sy niet en dé
\'jbitXi\'. Dat Peerd en Ruyter doen, en geen en schijnt van twee.
* \' 51*? 1 ^e^ sulcken radden tuygh betrouwt hy sich \'t verschynen
<<$ v\\
              l Ter °ogen van s\\jn\' Vorst, die somtn\'ds op de Swh\'nen
^ vk- 125 Of op een\' feller\' Leew, of op een\' sneller\' Haes
, De schaduw schild\'ren wil van \'t Kru\'gelick geraes,
I.kovJEu fa
           > ^jaer gae{. jjy voor een\' ]yr.m. en^ y/[\\ |ief. Wüd noch raemen,
Noch struyck\'len voor sijn\' schoot; hy wringht su\'n\' sterckte t\'saemen,
r ^ \\                     . En onderhaelt sijn\' vlucht, en thoont hem met een\' speer,
— \'(          130 Dat kracht ten strijde baet, maer oeffeningh noch meer:
De Prince siet hem nae met half verslaegen\' oogen,                    ,
En volght hem in \'t gevaer met prn\'sen en medoogen,
Maer volght besluytende,: die \'t op de Beesten kan,
Sal \'t, van gewoonte schier, niet weig\'ren op den man.
135 Daer mede gaept de Deur van \'s Heeren welgevallen,
ff                   , Die,5deunder onderrecht door eene Deughd van allen, AioiWi^\'
^T*1           \'Sijn\' oor gewonnen geeft, sijn gunstigheit, sijn\' Minn,
i>w                           *                                                                ....
J                Den eigenaer te loon. Dat Ridderhck gewmn
Al is \'t het eerste wit van sijn gestadigh loopen,
140 Besitt hy even koel als waer het noch te hoopen,
Of wanckelick gevest, of twijffelick begonst;
f 1/. j^j^j 1 ti En wievt hem overstrhdt bedanckt hy voor de gonst,                 |
1 l t                    Gemoedight, soo het schijnt, om waer te willen maecken . • . ..\'
.Av ü^V
                    t             \' .                            \\                                     Inf 1 r
__Dat hun waerachtigh dunckt. Maerjeven met het blaecken Itujra
\\UAXef.»l\'nf. 145 Van voorspoeds volle vlam ontsteeckt de Nijd de sh\'n\'; t>*v*«f
«Wtjl ,\\* ,v„ 1 Geluckigh en gerust is \'tlallom niet te zyn; {_ wfc*£ , , ^»>fi*u»l v.\'
\'rvAiAl l*Ag         Te Hoof van allom minst; daer moet hy voelenfsmoocken         T^
(                De wroeters die sijn doen of trachten te beroocken,
Of doen \'t, soo \'t doenlick is, en saeyen in s\\jn pad
•
lbt»»*5?j-
-ocr page 51-
35
i50 De stricken daer wel eer sn\'n! voor-genand in trad: >< - ; ".„.           ^i, i
Hy treedt ter zijden af met wei-geveinsde treden, • f),.j^. >.,.( .,»/•, *
Als roock hy lont noch kruyd: dat gisteren, dat heden,
Dat staet hy morgen uyt; tot dat hy, als te veld,
Besett, bestreden wordt met onbeschaemd geweld,
155 En maskerloosen haet; soo wordt hem spn\'t en logen,
En onverdient verwn\'t gewreven onder d\' oogen;
Soo moet hy wat hy doet sien maelen yinet de kool.
            \'T
Soo ten beschimpe staen van [boven tot de zool. ^^
Hy swn\'ght, en reickt voor al su\'n\' schuldeloose vuysten
100 Voor Gods gerechte vuyst; die opent sulcke puysten,
En perst\' er soo den wind en soo den etter uyt,
Dat elck sn\'n\' Meester loont en in \'t g\'esichte spuyt.
Noch is sijn\' bede verr van quaed om quaed te vergen;
Heer, seght hy, stootse wel die my ter onschuld tergen,
,165 Maer stootse ruggelingh ter rechter reden in,
.,
;U^/ .\'Jv"><v, i;
.•....•e• Au
/ "En daer hunn\' boosheit endt, Dnn\' goedigheit beginn\'.
Hoe lieft\'elicken wraeck geniet hy op de quaeden,
Dies\' op sijn\' tegen-bé van \'t quaede siet ontlaeden \'),
Tn \'t goede soo verlicht, dat haer berouwt gewis
           5&t»wP \'j.jUA
170 Haer\' hardste geesselingh en salighst
De naeste toeverlaet is \'s Rechters vonnis hooren:
,-u. \\Mtiou Daer onder hy die \'t ln\'dt en die \'t hem aen doen hooren, \';.;,.\' ,
i*:ii-- (Dat s oock tot God gegaen, die \'t soo, en soo begeert,
En wordt door middelen, en sonder die ge-eert)
175 Daer daeght hy voor \'t gerecht dien \'t onrust lust te saeyen »*^ *$$»*d
t- ^v Daer vrede groeyen kost, envin haer\' schande maeyen, ; .\'
En dorschen in haer\' scha, daer grasiger gewas, o ??«/.,"
J Danck, eer, en eenigheit voor nieFTe beuren was. Unuii^ Cl.tnii
Yi\\
Sn\'n\' sake pleit haer selfs, en, waer \'t voor vyands ooren,
180 De reden most\'er in;"soo kan de waerheit\'booren. \\ cl/wnJït^
Nu is sn\'n Rechter bei.".svjn Rechter en sn\'n Vriend:
Noch raeckt hy maer aen recht, die \'r gunst by heeft verdient; }JuJ<
Maer scherp^genomen recht is ruyme gunst te noemen, ,, ~, , jUityi i,
,4jX
vDaer scherp gegeven gunst ruym onrecht kan verdoemen;\'
               .Jtwfci\'
185 Ruym onrecht doen die \'t doen door ongunst van gemoed,
Ruym\' gunst doet hy \'er voor die \'r maer recht over «loet.
J)^Dat \'s \'t ruggelingh gewin van nijdige Gesellen,
                  .twW^^"
Die door haer Twiggelen, verr van den boom te vellen,
Die in haer sprjtigh oogh te wel gewortelt stond,                - .
190 Noch diep en dieper klem doen winnen in den grond. \'
\') Var. on,
3*
X
-ocr page 52-
36
Oj_ .                Maer \'t katten-spel komt laetst; men gaet hem met de/pert aen
C r - ^ Qje (j\'a]]er Hoofschste heet; men tast hem in het hert \'aen;
h\'Ka En seght hy heeft\'es geeii, of\' \'t is gelijck een\' Noot, A»^?
Of \'t had sijn\' eigenaer gedraegen door den nood:
195 Het klagen is te kindsch, het kijven is te hoerigh,
\'t Verdraegen is te hondsch, en \'t pleiten is te hoerigh;
Wii y-> e:- \'tui&. De wraeck is mannelick, en Adels eigen Recht;
cs~ * Soo (lat te soecken is, men vindt het in \'t gevecht; u.
Een schrappen oogenblick betaelt\'er soo veel\' slechter\'; > r\'Juu* tUrp
.
200 Wat(leght hem aen \'t gedingh die dus s\\jn\' eigen Rechter
ü. w»/,f;,t, Heeft hangen aen de zijd? maer mog\'lick of de klingh (_on*^fc^
\'~ ï CLwih&i ^^\' \'^e gevanckenis haer\'yiandgift oyt ontfïngh.
,\\ <toAx tniij,Liif,\\n,...> De werre-wateren, geboren tot het woelen,
Die van haer self soo wit, soo swart van hem gevoelen, y • \'tf\'tj
I èdLfif:.- 205 En steken daer de spell van haren moetwill niet; - ^nzul >\'
\' ===
                      Maer jagen naer \'t verwijt van dadelick hediet; ^thhdiafci-tv 4
• \' ^
i\'iiJU ><* •
7 En wringen uyt sijn\' tongh een onverhoeds ontkennen,
Dat, Liegen, wordt gedoopt; Met siet hy sich berennen,
En knijpen in den dwangh van onderlinge wraeck. ètSïca cMi**^
i *||«_|| i(J<c^«,210 Soo komt hem \'s anderdaeghs op \'t scheiden van den vaeck
\'hiJ ]»oM- o^j.3 De Wissel-brief te huys van lijf\' om lijf te ruylen,
\' $$**fr!\': Vi.»;*? «^hy, staet\'er, ongewoon tot anders iet als1) schuylen;
. ( c p<. Uki" »^ny nochtans onbeschaemt om bet\'ren dan ghy z\\jt
(                «Te drucken daer \'t hun deert, te seggen dat haer spijtt,
215 „Gedenckt aen gisteren; en, zijt ghy Man geboren,
„Staet mergen voor een\' man die door uw\' borst wil booren,
,,En ruckender dat hert, dien Vrouwen huysraed, uyt,
„Of\'t wachten dat het hem geschiede van een\' "guyt. ^k*>*JUk
j,. ^ Dien.hitsigen ontbijt en kan hy niet verswelgen
220 Door sulcken koelen keel, of\'t \'t hert en wil \'t_ sich belgen;
Sn\'n\' geesten zijn sün gist, en jaegen \'t vierigh op,
En senden hem den broek te rugge door sijn\' krop:
Weerbaer en schuldeloos, verwijt en schuld te hooren,
ij
                                      Hoe hjd\' ick \'t, (mommelt hy) hoe stopp ick hier mijn\' ooren,
; (<                        225 Hoe klenim\' ick hier mijn\' tongh, hoe bind\'ick hier mgn\'hand ?
Neen, \'t waer te veel gele\'en; der boosen onverstand,
Den hooghmoet zy gestraft; \'k wil and\'re met my wreken
|l a, j.
                En diergelijcken slagh op diergelijcke^ breken, \\faX fto- i\'jH.
,\' \\ ^ 1               * Het bloedige geluck van een doornagelt hem
\'n                     230 Magh and\'re voor altijd doen schroomen voor mijn\' lem.
Maer, lem, bewaert uw\' schee (soo komt de koele Reden
\') Var. dan.
-ocr page 53-
f
Ten strn\'de tegen \'t Hert siju\' vierigheit getreden)
Wuer heen ontsteken bloed? wat soeckt ghy in de uioord
Van \'t maecksel dat alleen sy\'n\' Maker toe behoort?
235 Uw terger heeft de schuld; wilt ghy s\' hier op u haelen,
En niet gevaer voldoen, en na noch eens betaelen?
Komt u de strafte toe der ongerechtigheit,
Daer diese niet en lydt, Mijn is de wrake, seit?
Die hand en sal de hand der booseu niet ontloopen,
240 Wat leght u aen de haest? die \'t quaede moet bekoopen
Bekoope \'t door het quaed van quaedere dan hy;
Wat scheelt u \'t onderscheit of \'t flus of t\' Avond zy?
\'t Sal wesen als Hy \'t doet die niet en kan als recht doen
Dat kan Hy door uw hulp en wel beleidt gevecht doen,
245 Maer wacht ghy door sy\'n\' hulp uw\' Man te sien vermant,
Di^Hem sy*h~"Hemel-recht wilt wringen uyt de hand?
Die sy\'n; gedulden terght, om dat het uw\' geterght wordt,
,/ Die Hem wilt onrecht doen, om dat Jiet u geverght wordt? *.%~„M:.l a
ft
"• Als had uw knecht gelijck, die van sy\'n\' medeknecht
250 Verongelijckt, voor hem, u selver eerst bevecht?
Wat is de smalle stipp, \'t onsichtbaer Punt van eeren \'),
Daer op ghy schemer-ooght? een ly\'f van lichte veeren,
Een\' schaduw van een schimm, een bastaert van de Deughd,
Een twistbal uyt de Heil, een stal-licht voor de jeughd:
255 Of eer en is geen\' Eer of \'t is de loon van \'t goede; (K«*- \'i\'rJ-\'--
Uyt opgemesten grond met broederlicken bloede .
             yx>A^!i
En sproot die spruyte noyt; en d\' eerste van den Stam |V,£ . «^\'.»<«£, ^
Daer u het beter zy\'n dan andere van quam
                                      ttstJLj P\'m
Gewanse verr van soo: Ja, mannelicke slaegen
200 Verhieven4) synen roem; maer deughdelick geslagen,
Maer noodelick besteedt,\'daer Gods gerechte straf ,iüx4AM>tA
Sün\' waerheits vyanden die sweepen over gaf.
O rechten Adel-boom van adelicke blaeden,
Dy\'n\' tacken schoten eerst uyt ongemeene daeden,
265 Maer daeden voor \'t Gemeen; Stoutheid van ongeduld;1\' piox.^fc          )
En Moed voor eigen baet zy\'n selden sonder schuld.
Wat soeckt ghy dan? Myn\' Eer. Waer is die Eer te vinden?
Op diese my ontstal. Wie kan \'t sich onderwinden? . . *- •")*••» <xM<**-\\- .]
Myn Schelder steeltse my, en sal het meer en meer,
270 Soo langh ick weerloos sitt. O soecker naer uw\' Eer,
\\ Misrekent Oyferaer! die welgewonnen schatten             \\ (^ \\uk,WUr&
Zy\'n verre buytens reicks van sulcker ving\'ren vatten;
\') Var. Cursief. 5) Var. verheften.
v
-ocr page 54-
38
Hy spouwt wel na de Maen, maer raeckt noch geen gewelf:
Wie Eer heeft kanse maer verliesen door sy\'n self.
275 Noch neem ick hem voor dief; hy hebb\' u konnen rooveu
Van \'t geen hy niet en kan; is \'t waerdigh om gelooven
Dat die u by der Straet ontmantelt of ontgeldt,
Sy\'n\' straffe tegen u sal haelen in het veld,
En boven \'t eerste quaed een arger mogen hopen,
280 En doen u eigen goed met eigen bloed bekoopen?
Waer is de Wett gemaeckt die my mn\'n\' schuldenaer
Heet maenen in mn\'n hemd, en gn\'z\'len met gevaer?
Daer staet de Rechtsbanck voor; daer staet hy voor te daegeu
Die voor gewisse schuld gewisse scha sal draegen,
285 Verr van on wetene getuygen van \'t gevecht ^ ,,< . ,„••,.
Syn\' overhand te sien beduyden op sy\'n recht. J{ tC*^-->
Maer mannelick geschill moet mannelick geboett zjjn; ,,v ^
Hoe waer \'t my eers genoegh die eerlick wilfontmoett zy\'n,
En man voor man gestraft, of straffen, soo hy kan,
                   -
290 Te roepen daer een kind bestaen kan voor een Man? ^ •„
£ Hy is geen eere waerd die \'r in sijn herte geen\' berght,
>- Hy berghter geen\' in \'t hert dies\' andere te leen verght,
En, arger, stelen will, en, arger, and\'re tracht
In sy\'n\' onachtbaerheit te maecken ongeacht. V^ty>"<£. »m/,..W
Noch werdt hem overmaet van Eere toegemeten O
Die voor den eerbeken syn\' oneer niet verweten
            _ . ,/
Maer staetigh werdt getoetst, en rechtigh overtuyght;
Een\' eerlick\' oneer draeght, die voor sn\'n\' Rechter buyght.
volherdt ghy.even mild in Eer te willen schencken
aers\' eerlick ty besteedt; leert aen Sy\'n\' Eer gedencken
Die vré\' voor lasteringh, die vriendschap voor verwyt,
En d\' aj]\' — wan ge biedt aen die op d\' eene smy\'t:
Gunt Hem. Syn\' eigen\' Eer, gely\'ck Sy\'n\' trouwste Knechten,
De Knechten na Syn Hert; dieitn\'d\'lick konden vechten
En swichten tydelick, voor Sy\'n\' gestolen Eer_j__^/
VoorTiunn\'T bekladden naem, gestolen rust, en meer.
Sy wisten dat den Sott in \'t sotte te bejeg\'nen
Waer\' worden dat hy is: leert ghy se van Hem seg\'nen
Die uw\' vervloeckers zijn, en beidden om haer\' soen "jwp«~^.
Die soo/goeddunckende niet weten wat sy doen.
Al staet Verlies en Winst van eewigheit voorschreven;
Sy wanck\'len in ons oogh; die hopen moet, kan beven:
Maer wordt u selven baes, verwint uw\' eigen bloed,
Die winst is waerd en wiss, en Honigh sonder roet. ,y
-ocr page 55-
39
315 Gedachten gaen als wind, soo wind gaet als gedachten, W<. • < .
Maer wind en volghtse niet: de Bode schijnt te wachten uüJ-c > t--
Die \'t raoorder Briefken braght; niaer \'t dunckt den Bode niet,
Soo spoedigh komt hem voor dit mondelingh bedied: \'JmJ^J*!* o»vU*u-<
„Gaet, vriend, en seght uw\' vriend, ick leerde nemmer wecken «T1/*!.
\\jjf 320 „Als voor de Redens kracht; die sal mijn recht doen blijcken, f^\'J,.,...»_
."ISV- £ „Daer \'t Eer en Reden zy. Maer Meester van de leen
              , f^L^, Ijm.
Juk «Die hy en ick besitt is Diese maeckt\' alleen:                            f~ ^
,\'k Ben Christen, en Soldaet, en Edelman geboren,                    ff
„En trachte met de twee"het eerst altyd te hooren: \' U*>i*
325 „\'t Beschermen is mijn\' konst, het Schermen zy de sijn\';
„Die sal ick besigen daer \'t moet\' en moge zyn:
„Quaet doen van tyd verdrijv ben ick van jonghs ontwassen;
„Bespringht hy my te moet \'k sal op mijn\' hoede passen;
„Maer bidd\' hem om geduld tot daer wy vyand sien;
330 „Daer sal de beste man de leste zn\'n in \'t vli\'en.
                           ,
Soo spreeckt hy door uw\' mond, groot doender, en groot spreker,
Gods Krijghsnian in het veld, te huys Sijn\' waerheits wreker, r«- \'. --
Syn Degen en Syn Penn, bei mannelick gevelt " $ • \'" - ; \'"^
Ir* " öp \'t Seven-berghs versier, en Arragonsch geweld.                    MH^-\'V"}
335 Soo stamert hy naer u Stout Christen Arm-van-yser, «4-7 vJ^MiJ ju..
Die soo veel min verzaeght daer \'t wesen most, alslwyser /*fco«* fi
Daer d\' Eer oneerlick scheen, dorst aengaen daer hy vlood\\ u^nJl^.ftl
Die ghy geweigert had \'t het weerslaen sonder nood. < I-v..<.--.w.0, h-ajJl,
M.M.
Die stappen stapt hy na, wanneer de dwangh van saecketi L„,-. Vs$v
340 Syn\' Meester buytens Wals ten tegenwcer doet waecken;,
               \'.•>«£
01\' booren door de korst van \'t aerdige g >ack [, r. - !*a
Daer een\' geborgen stadt I\'asteis-gewijs in stack;
Of\' \'t stormigh welgevall van oogeloose nachten         L-v \'u vc
Besteden daers\' hem oock by dage niet en v\'.\' .ten;
345 Of proeven op een Heid\' waer \'t Noodlot hénen will,
En niaeckeu eenen dagh jongh Schepen van \'t geschill. • ^y..<ui_, ui^JLl
Daer doet hy wat hy kan; maer, in syn eigen waenen,              0\\.\'L >t \'M.
Daer doet hy noyt genoegh; naer andere vermaenen, ji^/a
Daer doet hy wat hy hoort; naer aud\'re, wat hy moet;
350 Naer and\'re, veel te lauw; naer and\'re, koel van bloed.
Hy doet het evenwel, en die hem \'t Hert betast hadd,
Sou \'t soo koel en soo lauw bevinden dat het vast sat;
Maer died\'er \'t lood insonck, sou\' voelen dat syn Vyer 7.*Vi»i» l
t Wu \\Syn selven, soo beklemt, moet.vryen van getier: 1 vul*^ yeuv f, «*»»«%
355 De "pit-ziel van het\') Vyer is eene van de voncken ^ ,
\') Var. dat.                                                                            !<«" \'-H«-J \'•\' \' /
-ocr page 56-
40
i
Die ziel en herssenen naer \'t eewigh Vyer doen loncken\', "
Daers\' uyt geregent zü\'n; de heilig\' yver-brand
Die \'s levens vodde-vreughd, en schroomens onverstand
Voor d\' uer die komen moet, al komtse soo veel laeter,
.\'560
V
Om God verachten doet, en midden in \'t geklater
Van Stael-en Blixem-lood doet schreven van verinaeck
In \'t wel verdedigen van Sn\'n"gerechte saeck.
Soo voert hem \'t rechte stout, de welgeruste vroomheid,
Dien op haer hittighste de Reden by den toom leidt,
305 \\_\\)aer daegers om een woord, en waegers om den \'deun _
\' jA*r»w»«.\'i Staen schrickende van _verr, TWat doet de Man soo [deun? p^-lwto»
twl\'¥ .Maer deun en is maer "deun dien levende gedachten ,\\jA-i-^".v
\'*>„
. ,\' ({,              i \'t Ontleven staen de voets van voren doen verwachten, -
Ei«J^tKi A* ••*£**$£ En \'t is hem selven vreemd, hoe dat hem \'t beven staet i
i
f ,
J
370 Die t\' samen op den \\ tip van dood enf Leven staet.
.
• v. Ontkomt hy levendigh, hy wascht niet eer sijn\' handen
Het bloed af dan^sijn tongh, die datelick in banden
1 . ,
A.\'^u., ca. "ys^Moet swijgen wat hy ded\', en lyden dat men \'t segg\',
Al droegh\'er oock de N\\jd \'t ,\'benijdelixt af wegh. \\ 0\\A»*,vï&>
\'t Huys in de Winter-rust is \'t verre van syn derven,
Te blasen, daer, en daer, en daer genaeckt\' ick \'t sterveu,
, •         375
\' Ick voren-uyt, ick hier, ick ginder, allom ick; f
Om Jofferen te slaen met wouderen van schrick:
Dat malscher Menschen-deel, die minnelicke dieven
VanjMannen dieren tijd, verstaet hy te believen
Met soeter onderhoud dan redenen van Stael,
En kluchten die het Haer doen steigh\'ren in \'t verhael.
Geraeckt hy in die schaer\' (hy wilder somtijds raecken,
En allen ernst somtijds verdrincken in vermaecken)
:»,
fr\'
R
k? 385
Hy schudt\'er soo den Man, den Krüghsman (emmers, uyt,
Als waer\' een\' Trommel-ton verschapen in een\' Luyt.
;^U,
Spel is\'er meest sn\'n Witt, sijn\' meeste wüsheit/jocken;
Maer lüdelick gejock ter oor van alle Rocken;
Ten oorboor riienighmael; want dat men oock de Deughd
390
En bitt\'re leeringen vergulden kan met vreughd,
Besluyt hy uyt den Lent\' van !s Werelds Grieksche Jaeren,
Hoe d\' eerste wijsheit sprack I" h \'t streelen van de snaereu,
En Menschen hard als klipp vermorwden door \'t geluyd
Dat Menschen-tuchteren\'bedreven ou haer\' Luyt.
395 \'Geluckt hem \'t goed doen niet (soo valt het beste Koren
\' 3
           Of vruchtigh in de klei, of in de kei verloren)
i*tl\'.vu{L UsU- Quaed mijden is de trapp die naest ten Hemel leidt:
-ocr page 57-
11
P                                   Of,
Dat doet hy met syn\' Tongh, die noyt van tand en scheidt, \'m G>J?
Om \'t Goddeloos misbruyck van Goddelicke saken_,
400 Uet noodeloose slot van Ja en Neen te maken; /j. in x. y!o*ry ht^i.J*^
(fjands Hoeren acht\'t ghy oock op sulck\' een Dienaers Eed, 4i.»LtJ
, Die \'t derde woord bevloeckt en selver niet en weet?)
\'\'J&iSL NoytTwillens-onverhoeds na woorden die de teenen ]nlMtL-j
Van Maeghden sterven doen om \'t aensicht bloed te leenen ^
105 ISjjn adem stincken doet, en lichten \'t eerste wyf,
. . „ En lichten d\'eerste Man het Vijgenblad van t l|jf.                          . 7 \\S£
Hy wordt\'er noyt beticht van stameren, van lispen,
Van sijn\' berisperen ten loone te berispen ] rJx.L xn. \'
Topswaer van Druyven-<lamp; alwaer de misdaed min;
             / l^ <\\,,
•110 De beest\'lickheit van \'t quaed vervreemdt het van sijn\' sin.
Hy wordt\'er noyt beklapt van lange Winter-nachten
Te hebben schrap gestaen, daer hem de Kans hiel wachten,
En mogelick nu mild, en mogelick dan (scherp, {{fjU^JL.^nJ^/"
Syn\' Hemel en sijn\' God verlooch\'nen om een\' werp. ^_y<\\ J\'sx/ty
415 Uy wordt\'er soo gesien, hy komt, hy blyft, hy gaet\'er,
Hy doet, hy zeit\'er soo, dat menigh ydel praeter
, J Moet lyden dat/syn\' winst van taeye Joffer-gonst |t(H**h« »*>£»•*«*••*
I Een\' ander\' mede vall\' die soo langh na begonst.
^"\'> Noch vindt de wangunst self in syn geregelt laeten,
!."\',\'«.»
\'4Ü50 In syn\' jesneden doen niet waerdigh om te haeten^a/.,^
Dan dat sy\'er niet en vindt: dat Laeten en dat Doen -»~*** ""a-cIt-Is*.^
Schijnt met hem opgegroeyt sint \'s Moeders eersten soen:
Hy doet niet dat hy doet, of \'t\'past hem als syn eten,
Hy laet niet wat hy laet, of schynt niet bet te weten:
125 In wat hy niet en laet, in wat hy niet en doet
Verneemt men \'t eigen E\'el van welgeboren bloed, \\ % jLü.
Berekent hy dat bloed van heden op de jaeren
Doe d\' eerste van syn\' Stam het sterven moest i ontvaeren, uaA><« Jdxtf*!
Het hooghste welgevall dat hyd\'er in geniet,
430 Is dat hem niemand scheel voor Bastaerd aen en siet.
Bereickt syn\' Rekeningh den tweeden derden man niet,
Ja is hy self de man die d\' eerste nae syn\' Van hiet,
C De Peter van \'t geslacht die \'t Velsens E\'el begon ? nikJf. H*. eUl, ^
Was thienmael Gerrit wa: die \'t smoorden in syn\' Ton:
435 En, sullens\' Edel zyn die uyt hem sullenl teelen, \\Hyv\\
Hoe licht syn\' Kaers min licht dan dien sy \'t Licht sal deelej
Of Princen zyn misdeelt in Edelheid van Stam,
Of Edel was het hoofd daers\' al en eerst uyt quam. ^É
Gevalt hem dan die gonst van een der Minder-menafltuo f\'
-ocr page 58-
42
410 Die syne gonst gevall\', en dunckts\' hem waerd om wensehen ,
(Dat toetst hy aen de ziel, en minstendeel aen \'t lijf;
Het veil-diep \') schoon en maeckt niet half het schoone wijf,
Maer, geeft een\' schoone ziel in tamelicke leden,
Sy sal haer heiligh schoon doen\\Jglimmen door de zeden,
445 En stellen haer Lanteern soo doorschijn voor \'t gesicht ... -
Dat oock de dicker Hoorn sal monsteren voor licht)
Hy neemt haer gonst te baet, en derfts\' haer selven vergen, \'
En seght, Mijn hert en is met weig\'ringh niet te tergen,
Noch hoeft het niet te zn\'n; \'t en waer\' ick seggen moght,
>
N
450 Ghy toont u half vernoeght, ick my heel wel bedocht, a>\'
lek schaemde my \'t versoeck; maer op het stom bekennen
Van wederzijds gevall, op \'t vriendelick verwennen
Van menig\' eerbaer uer, verstout ick desen mond
Op \'t binnenst ondersoeck van uwes herten grond:
Spreeckt korte vonnissen; en gunt ghy my het hopen,
Misgunt my t\' eener tijd het noodeloose loopen;
\'
Misgunt ghy my de hóóp van soo gewenschten Ja,
Vergunt een spoedigh Neen voor spaeder ongena:
Dan, vreest geen\' worstelingh, «il lust u niet te singeii
^,v-_ 460 Soo ick ^e_voren fluyt\', de Min verstaet geen dwingen,
. Dit vrijen stont my vry in \'t vrn\'ste van \'t gemoed,
Doet vrylick wat u dunckt, seght vrylick wat ghy doet.
Al had hy niet geseght, de kennis van sijn\' waerde
!.
                                   Sprack sterren uyt haer\' Lucht, en Boomen uyt liaer\' Aerde.
405 Sy antwoordt stommelingh; tot dat sy \'t flauw gerucht
Van \'t. maeghdelicke Ja ter diepster longh uyt sucht.
Maer \'t Ja wordt soo bedoeckt met weigerlicke veiusingh,
Met deinsend\' stille staen, met stille staende deinsingh,
l n(ii»3id                  ^at w*e n"n Maeghden had j behandelt en betre\'en
\'., ((            470 Nam \'t voor een Neenigh Ja, of voor een Jaïgh Neen.
, ^                         Het stof daer uyt gesift, de wimpelingh ontbonden,
Hy wordt\'er mé\') te vre\'en den Oud\'ren toegesonden;
Den Oud\'ren twee en twee op sulcken voet verknocht3),
-----s>                  Dien \'t nu>bejegent wat haer eertijds oorboor docht;
475 Die geeren aen de spruyt van haer\' vergaerde stroncken
Een\' Tnt verhechten sien die Inten kan verproncken,
I *— C^^i^
         En seght hun vruchten toe daer haer\' verstorven kracht
j \'i                              Weer vrucht, weer ander\' vreughd verlangende van wacht.
\'                          ",#, Die vreughd, die ander vrucht be-erven sy by tn\'deu,
\'> Vur. nUe-xchuon. \') Var. met.                                       \'6**
*) Oott» *wee regels ontbreken in de uitgave van 1625.
-ocr page 59-
43
480 Soo \'s Hemels suer verdriet de booser eew wil lyden,
Haer stadige misvall, en bastaerd wangebroed
Te sien, vertemperen door soo veel tegen-goed.
Syn groeyend\' Vaderschap verheft syn\' danckbaer\' Heere,
,
V
\'V : . £>.\' % ,
\'
ijbt
Die syne Jeughd genoot, met trap op trap van eere,
485 Met Stedelick gebied, met Staetelick bewint,
Met al wat spreken kan hoe verr\' hy hem besint.
S\\jn\' kind\'ren, d\' ernstighste van syn\' bedaerder sorgen,
Verry\'ckt hy meestendeel met wat sy konnen borgen /,
Daer \'t brooser goed verbrandt, en \'t voosere versincftt.
490 Gevalt hun vet te deel dat door de Borse klinckt,
Hy laet en leert het hun soo achteloos genieten
i Als-hy \'t versamelt heeft; noyt walgelick vergieten;
Al staet het yeder een van allom toe te vlo\'en,
Die \'t eewigh soecken wil, en schoeyen op sn\'n\' schoen. — r
495 Soo door het rouwst geraes van \'s Werelds booste baeren s ^jj, l$
Meest sonder stuvt gerolt, en sonder stoot gevaeren,
Tot daer \'t gesoncken Lood den Haven-dorpel raeck\', u-»j ..
Tot daer het Ancker segg\', te Lande, Man, ick haeck,
Verlaet hy \'t lecke Schip daer \'t stranden moet en splint\'reu,
500 Om eewigh op het hoogh van Zion te verwint\'ren, iJ>^
De Hooge-Bootsmans rust; van daer hy desen Ball
Leer\' keuren voor een blaes, een punt, een Nietmetall.
O Edel Stam-gesin van syn\' gelycke Erven,
Stelt vryelick op \'t scheel van sn\'n\' verrotte scherven ; Ag\\Un\\ fi\\
505 Dit weinigh en dit veel: Hier leght voor\'Mier en Maey,
Die yeeri gelijck\' en hadd, \'t en ivacr\' een\' witte Kraej/.
EEN PROFESSOR.
.- r f
Hy is een sprekend boeck: een open letter-scliatt,
Een Mannen ABC1): een Kluysenaer ia stadt;
Een wett-steen van de Jeught; een schaef van groene rysen,
Die onder syn bestier tot Staten-Stannnen rysen;
Een veerman van de deught voor domme kal ver-vracht,
Naer \'thooge land van eer door diepe Leerings gracht:
Een Trommel in de stall daer \'t onervaren veulen,
Syn ooren op vereelt; een schuyt van hier tot Keulen
Hiervoor staan in margine nog de beide volgende lozingen: .
Een weeldrigh werelts Abt, Een preker buytens koors. cJ/l. « \'i$
-ocr page 60-
II
Den Jongen lleysigher, dien Krancfords groote Miss
10 (De kleyne werelt-kaert) noch onbevaren is.
Hy schouwt een (kinde r-IJaes niet even sulcken ooghen
Als hem een staetsman doet: maer siet hy weer om hooge
f^K-^j Hy swicht gelijek een I\'atfW die op sijn pooten buckt
En niet een nedrigh spyt syn vedren t\' samen ruckt.
Vermacli liy syn begeert met Leyden te bepalen,
En uaer synuvlooster-niews, en verder niet te talen,
lly is de vryste vorst die oyt getreden heeft
En \') in de gulden eew van \'t ltn\'ck Te vreden leeft.
Sijn boeck-kas is een bosch daer all de boomen spreken
20 Die hoort hij niet sijn oogh, en uyt die bolle beken fMnobUtc
Vergaert hy eenen poel, die in sijn herssens staet
En weder stroomeling de drooge Jeught bebaedt.
1, <\'\' Men vraeght hem als eenl Geest die door een drystall antwoordt;
Sijn liefste vrager is, die kruyssen in sijn hand boort;
>
         *"*• 25 Daer schimpt de Pleyter op; die schildert hem met kool
f            i i              ^n zeo^t, syn konst is kindsch, syn adem ruycktjiae \'t school.
^aoova,                  ^jyn sorg js eene daeglls Yan vier en twintich uren,
Die moet hy\', lust het hem, ter weken vier besuren;
Maer leght hy luijer-sieck, oft in de keldeijklem, v*l
\'60 Dan is de leer-stoel stom, en \'t brief ken spreeckt voor hem:
\\3fo.~ Q et-j
          ^en Hondsdach dieren-schrick is \'t hooghst van syn verlangen *£..
,a.x\\-               Hoe lang die kermis duert, verneemt men aen syn wangen, |
; i , Die brenght hij blosende van daer \'t hem niet en kost:
Dan waer \'t een groote sprong waer \'t leeren weer begost,
35 _Maer \'t scheel is \'t ongelyck van \'t leeken by\' het lesen. hw*b* -
^"Ten laesten komt hij op als uyt een mist geresen
                \' (f/^.t;
v En strack sijn hoor-huys 2) door, en klatert door syn baerd
(>""-\'"\'V Als waer het paerd sijn kracht gedoken in syn staert.
Den nutten Reden strydt van jonge letter-haenen
40 Beleydt hy met een stem, al waerent Ruyter vaenen
• v
             Die slandts gerechticheyt verdedichden int velt;
_, Maer \'t overwonnen heyr en die het heeft gevelt
i /\'
                          Versoent hy minnelyck met volle vrede-jfluyten, , goKiv/
Midts hy vergolden blijft, en aller scha te buyten.
*"~45 Geluckt hem \'t sijner beurt het planten van een muts
f- Op Edel Eesels hooft van D\'een of D\'ander Jbluts u*L
•
:\'
Dat doet hy trouwelick, al waert hy oock de ooren
Ter sy\'den by de kruyn om adem op sagh booren;
.
Hy keurt soo keurlick niet, midts t\' ogïbeest croonen kack\'
. •                \'                      \'                               -                                    Ti                             i
\') Var. Die. 5) Var. hoor-plaats.                        * o*Jtt., X*l* < f
( rC i
-ocr page 61-
45
A
50 En spant hem eerst sn\'n derm en daer nae sünen sack. ,,
• V Op vorsten vocht onthael of afgesonden sprekers           * .; \'J\'lw*< >
Verschijnt hy voor een man, en geeseltse niet hekers,               .,;\'i, jr* üUfo
Tot dat hem \'t ruym gevolch van ongeoochte wijn
Doet rispen in \'t Hebreews, en braeken in Latijn.
X
\'Op \'t staemlen van sn\'n les, daer sal hy \'t lof staen leeren
f. \'j! Van gulden middelmaet en wat sy wonders kan;
                        __ sj
\'Roept yemant onverhoeds, wat deugdelicker man!
Wat tuchtelicker leer! daer staender onder allen
60 Die naerder zgn bekent niet nieu en oude ballen;          W\'g,j"t
Die spreken wt den mondt, danck hebb s\\jn wh\'ser wijf; y~
Die draeyden dese spil huymcfrgen \') op s\\jn lijf; ^
         " J^ ^> *-U
Die schoone Redenen zn\'n korsten vant verbijten w                      C^vJistLt^f
Dat sy hem heeft gebrockt in dageraeds ontbijten.                                1*. "*
65 Öoo gaende gaet hy \'t huys nae groote moeders schoot; ^
Noch wordt shn naem gevrydt van \'t smooren van de doot: , xu. \'•
Die kranssen vlechten hem sn\'n hoog bespraeckte vrinden,
Die \'t constelycxt gesegh int minst te seggen vinden
En noemen silver goudt, en klabbeeck oosters2) fijn,
70 Te weten: was hy \'t niet, hy hoorde soo te z\\jn.
EEN PRINT-SCHRIJVER.
Hy is een\' Spiegel-ruyt die elck sjjn selven thoont;
Een weerschün aller verw; een viller van gewoont;
Een\' kat die nagels heeft en krabb\'len moet daer \'t rouw is,
Maer glh\'en over \'t gladd; een\' tongh die nergens schouw is
5 Dan daer de waerheit\'feilt{ een deughdelicke spie; Jq
Een al-om Waersegger, al waeght hy waer noch wit.\';
\'^ Een Schilder met de pen, al rieckt sy na sterck-water;
Een all dat yemand is; een ernstigh kluchten-praeter.
Sijn opper oogh-merck is profijtelick vermaeck;
10 d\'Een treck\'er voedsel af, een ander niet dan smaeck;
Hy heeft\'er twee voldaen; doch beide maer ten halven:
Maer \'t spertelende been is moeyelick om salven.
Wie dan noch vrucht noch vreughd wil vinden in sn\'n Dicht,
Stopt Oor en Oogen toe in sp\\jt van kloek en licht:
                          , <•§
15 De waerheit stelt sich schoon voor diese wil begrijpen;
\') Er staat iets als huyssuryen. \') Zeer onduidelijk geschreven.
Ui 6
-ocr page 62-
4(5
Wie tegen haer verhardt en laet sy niet te nijpen;
Hoe wel-voordachtelick omhelsden elck sijn\' roe,
En roemde sich van schaemt, Die plaester hoort my toe!
Hij wandelt by den \') wegh met slechte, sluycke treden;
Maer wacht u, die hem moett, voor \'t ooge van sijn\' Reden,
Hy straelt\'er sterlingh mé door \'t buffel-leder heen:
Hy stroopt de schaduw-Deughd de spieren van het been,
Eu van soo menig\' blein, soo veelderhande pocken, ^ ij^ijA
Als duycken onder \'t dack van Broecken en van Rocken,
Versamelt hy een\' klomp, en print daer at\' een beeld,
Daer \'t rechte wesens-kroost der Moeder-vorm in speelt.
Soo tracht hy yeder een sijn\'vBulleback te maecken,
En door sijn\' eigen Deur l) de Deughd te doen genaecken:
Die voor sijn selven schrickt ontloopt sich ruggelingh,
En raeckt doch daer hy hoort onwillens, blindelingh.
Maer \'t groot schort schort hem oock, de kennis van sijn selven;
Dien dicken danipen-djjck en kan hy niet doordel ven;
Sijn\' keers en licht hem niet, sijn heel lijf staet\'er voor;
Syn\' oogen sien hem niet, hy sluypter tusschen door;
En seght hy wat hy is, hy gist maer soo te wesen;
Sijn Boeck light averechts; ó, die het rechts kont lesen,
En hebt uw aengesicht nae \'t syne toegewent,
Wascht sijn\' met uwe hand, en maeckt hem sich bekent:
O oogen die van \'t sand van vuyle laeck-sucht vry zijt
Beloont sijn trouw Hy is, met een medoogend\' Giiy zyt;
Dat heeft de Redens-kracht verkregen op sijn bloed,
Koel seggen wat hy siet, koel hooren wat hy doet.
IAhera per vacuüm posui veMiyia princeps:
Non aliena meo prem pede.
Juvat irnmernorata ferentem
Ingenuis oadisquc lec/i manibusque teneri. Hor.
Var. der. •) Var. door.
-ocr page 63-
AANTEEKENINGEN.
-ocr page 64-
\\
I
-ocr page 65-
AANTEEKENINGEN.
VOORSPRAECK DER SELVE, ENZ.
Voorspraeck. Hier in de dubbele beteekenis van voorrede en verdediging.
Vgl. bl. 4, reg. 1. Vgl. V. Dale: voorspreken.
Vs. 1 —10. Daer ik schuldeloos af ben, waaraan (van datgene, waar-
aan) ik onschuldig, niet plichtig ben. In de XVIIdo eeuw, en vooral bij
II. worden de bepalingaankondigende voornaamwoorden veel vaker weg-
gelaten dan bij ons, de relativa meestal vervangen door de demonstrativa.
Vgl. vs. 107. — \'k sal geen vijanden verdroegen. Lat. constructie, ace.
cum inf. Ik zal niet verdragen, dat mijne vijanden, enz. Vgl. Een
wijs Hoveling,
vs. 480, vlgg. Aanteek. — segge-sucht, praatzucht,
babbelzucht. — geroer!\', in beweging gebracht, gaande gemaakt. Bepaling
van hersenen. Versta: die mij al, wat ik denk, doe uitspreken. Vgl. K. I, 197:
Die den Reiser, moe geroert,
Voert en nooit ten einde voert.
Vs. 11—20. van Geboort, wegens zijne afkomst. — hoort, toekomt.—
Goede—Quaede. Vocativus. Goeden —Kwaden; bij de als persoonsnamen
gebezigde adj. laat H. doorgaans de n weg in het meervoud. Zie hier-
onder vs. 19—20. Daarentegen krijgen zij in den 3den en 4don nv. onkelv. ,
geregeld eene n. Vgl. vs. 27, 53. — die ick heb gedreven, enz. Versta:
wien ik den geesel (de scherpte) mjjner tong heb doen gevoelen. (Dio
ik met den geesel mijner tong heb voortgedreven). — Kon betaemen, op
wien al \'t goede van toepassing was. — Kon beschaemen, die zich al
het kwade te schamen hadden. — de Goede—de Quade. Let hier op het
artikel. Door de Goede wordt hier het genus, de soort, aangeduid, in
tegenstelling met Goede—Quaede (v. 13—14), waar hij zich tot individuen,
vertegenwoordigers van de soort, richt.
Vs. 21—30. Verhechten, samenvoegen, vereenigen. Vgl. Eeng.Pred. YB.bl:
de waerheit met de vré
Verhecht hy echtelick, gelijck sijn Meester dé.
Zie verder: Een Printschrijver, vs. 25. — Toeglomp, toeglanste, toe-
scheen , toelachte. Glomp van glimpen, thans verouderd. Zie Ned. Wdb. i. v.
Den stam van dit ww. hebben wij nog in glimp, bedrieglijke schijn. — en
hoer open schande verghde.
Versta: en mij noopte hare schande open on bloot
gij ha kl, Hut/t/ens\' Zede-printen.
                                                            4
-ocr page 66-
50
te leggen. — den Goeden, 3de nv. enkelv. Zie Aant. vs. 13—14: tot
het Beeld.
Bepal. van sijn liefde in vs. 30. — daer een yeder V sijn in
deelt.
Versta: waarvan ieder hunner (der goeden) een gedeelte helpt
vormen. Vgl. hierbij vs. 16—17.
Vs. 31—40. Heel end1 al, heel ende al = heel en al. Vgl. op en
top, om en torn, op end\' uit, enz. — afgrijsen, afgrijselijkheid, leelijk-
heid. prijsen. Volgens H.s\' eigen aant. estimer, schatten, doen voor-
komen. — Die, H bedaeren, enz. Versta: die, \'t bedaeren (de bezadigd-
heid) zooveel nader (zijnde, nl. wegens uwen meergevorderden leeftijd) als
\'t van mijne jaren staet (verwijderd is), medgenoot, enz. — Meegenoot,
enz. Maurits was, gelijk uit het opschrift blijkt, Secretaris van State.
Vs. 41—50. Het Staetige beraden. Het beraden der Staten. Het is
echter tevens eene woordspeling op den deftigen raad. — Tegenstaet en
spoeden.
Lees het eerste woord achter schaden, het tweede achter spoed =
voorspoed. Spoeden ,doet =. bevordert. — Gebroeders, medebroeders,
evennaasten; genitief afh. van naem en eer. — Door den etter, enz. Om
(ter zake van) den etter eener zweer, waarvan zij zich de puist nooit
bewust waren, m. a. w. wegens een door hen niet be.lrevt kwaad.
Vgl. Een wijs Hocelingh, vs. 160, vlg. — wenden, wentelen.,Vgl. Kil. i. v.
Vs. 51—(>0. bekruysen, vuil, zwart maken. Vgl. Korenbl. I, 212:
\'k Heb mijn schotel sien bekruysen
In de magere combuysen,
In een Kaetsbal van de Zee, enz.
Marnix, Biënk. 1569 , bl. 260: Dat de pot den ketel verwijt, dat hy becruyst is.
vermoeden, veronderstellen, nl. dat ik laster; het ziet op vs. 45—52. —
orerstreen. Het iemand overstrijden, hier in de bet. van vaar maken,
overtuigen van
(iets gedaan te hebben). De zin is: die mij gaarne van
laster zouden overtuigd hebben. Zoo ook K. II, 77: Haer Koekoeck wierd
jalours en woud \'t haer overstrijden. De bet. van bestrijden, ontkennen,
heeft het: Een wijs Hoc. vs. 142: En wie \'t hem overstrijdt, bedankt
hij voor de gonst. Evenzoo K. II, 67. In de bet. van overwonnen komt
het verl. deelw. overstreden voor K. 1, 508:
Hier lusten \'t ons, met reden,
Van vrienden overstreden,
Vijf dagen te besteden,
en K. 1, 551: Die \'r mé ten strijde gingh, was licht\'lick overstrei\'
Zie verder Huygens: Studiën, bl. 155. — Doetse van de lessen hoor en.
Versta: Wijs (gij, mijn broeder) hen op de lessen, die wij beiden van
onzen vader bekomen hebben, om ons tot deugdsbetrachting aan te
sporen. — van teerer jeughd. Datief. Vgl. beneden vs. 77: van vergulder
waerden. — Gaepen, niet zooals Bilderdijk wil, naar lessen, maar naar
de Deughd;
het beteekent dus begeerig zijn, trachten naar. Na =z naar;
omgekeerd, naer meestal gelijk aan ons na.
-ocr page 67-
51
Vs. 01—70. Doe, toen. — Roede, tucht. — Van het eerst verlost.
Vul achter eerst uit den volgenden regel leren aan. Huygens\' vader,
Christiaan, stierf 7 Febr. 1624; dus even voor \'t verschijnen der Zede-
printen.
— \'t groen bewegen, de ontwakende hartstochten, driften. —
met een rechter teyenbocht, met eene buiging naar den tegenovergestelden,
rechter d. i. goeden, kant. Tegenst. met slinks in den volgenden regel.
Vs. 71—80. <FEerste Boter na de Mem. Bilderdijk verklaart hier n
boter door melk. Totaal verkeerd. Huygens zegt: zoodra ik de moeder- \'
melk met de boterham verwisseld had, vingen ook de lessen en leeringen
mijns vaders aan. — Kindertuchtelick oermaecken. Omzetting voor ver-
makelijke
(d. i. op aangename wjjze gegeven) Kindertuchting, opvoe-
dingslessen. Tucht van tien, trekken, opvoeden. In Z. Limb. nog:
kinderen trekken = opvoeden; hgd. erziehen. Dat de woorden aldus
moeten opgevat worden, blijkt uit vs. 77, vlgg. Vgl. Een wijs Hord.
vs. 95: Kimlertuchteren. — Boren V voedsel. Deze lessen werden dus
hoofdzakelijk aan tafel gegeven. Zie Cluysw. vs. 11«*-44. — onbedocht,
onbewust, zonder dat ik het merkte. — Daer, datgene, waar(op). —
hollen sin, ledig gemoed; dat nog braak lag.
Vs. 81—90. Tuchting, enz. Huygens\' vader • verzamelde dus de op-
voedkundige lessen, om ze aan zijne kinderen in te prenten; wg-uld,
gulden. — op de vorm gegoten, op de leest geschoeid, zeggen wjj
thans. — De Grootste ulier grooten, God. Zie Exodus 13, 21: En de
Heer toog voor hun aangezicht, des daags in eene wolkkolóm , enz.; en
ibid. 14, 19. — Willen sy daer op gedencken, Gelieft het\'hun verder te
bedenken, dat, enz. — Het allereerst beschencken, het eerste volgieten,
vullen. — V Emmer-onbeschonken, het tot dusverre ledige , dus nieuwe, vat.
Toespeling op het bekende vers van Horatius, E-pist. I, 2, vs. 69, vlg.:
Quo semel est imbuta recens servabit odorem
Testa diu.
Dat het sweeten noch bevriesen. Het, nl. het vat. Sweeten noch be-
oriesen,
hitte noch koude, die, totdat enz. H. wil eigenljjk zeggen:
dien het behoudt, totdat het breekt, en die dan nog aan zijne scherven
waargenomen wordt. Vgl. aangaande dergelijke samensmelting van twee
denkbeelden tot èèn: Een wijs hoveling, vs. 328: Bespringht hy my te moet.
Vs. 91 —100. Besluyten, tot het besluit komen. — Allen weder-waen
te bui/ten,
Buiten allen weder-waen, d. i. alle tegenovergestelde, verkeerde
meening latende varen. Absol. accus. Vgl. Grimberg. Oorl. II, 2913: —
vijfdusent man, platen of halsberch an. — Daer, enz. Ofschoon achter te
bugten
eene komma, geene dubbele punt staat, dient het volgende toch
als eene letterlijke aanhaling na een in besluyten opgesloten zeggen be-
schouwd. soo trouw\'en hand =. zoo trouw eene hand. — Hooren schadeloose,
enz.
Versta: Daar behooren onschadelijke vruchten, waarin zich het aan-
4*
-ocr page 68-
52
gename aan het nuttige paart, aan de twijgen der in de greppels
geplante boomen te staan. Aangaande greppelen vgl. Cost. mal. v. 443:
Daer noch de versche clauw van \'t greppel-yser staet.
en zie Huyg.-Stud. bl. 29.
Vs. 101—110. Sulcke, zoodanige d. i. vruchten van profijtige ge-
nuchten. derf, durf. — noemen doen, noemen. Doen, gelijk in het hgd.:
Thu mir das geben. Vgl. Eng. do. — wiltse ghy z= Wilt ghy se. —
verdoemen, veroordeelen, aan de kaak stellen. Vgl. K. I, 46:
\'t Zy dan oock Sondagh nu, men raagh \'t Gods Soon-dag noemen,
Ja, en Gods Soen-dagh toe. Maer, laet ick ons verdoemen,
Waer ick van dryen gae, ik vind ons in de schuld.
aanlagh , aanlegde, mikte, doelde. Sedert de Middeleeuwen worden liggen
en leggen reeds telkens verward. — een heuyelyk verdraegen vinden, enz.
Versta: ik zal die valsche aantijgingen met genoegen verdragen. — dagen.
Slag,
zet, gezegde; gewoonlijk in gunstigen zin. Vgl. Lofdicht van Cats
op het Cost. mal. vs. 33, 34:
Denckt dat een wijse pen, tot alle vijse dinghen,
Tot vreemde lijmerij moet nieuwe slaghen bringen.
Vs. 111—113. Veilste, veiligste. — eenigh welgeval, het welgevallen
van U alleen.
VOORBERICHT.
Vs. 1—10. Voorspraeck, zïe bl. 1. Aant. 1. — Theophrastus. Grieksche
wijsgeer uit de 4,le eeuw voor Christus. Hij schreef o. a. een boek Cha-
racteresx.
Zie Inleiding. — eigentlicker, eigenaardiger, kenmerkender. —
suyverste, beste, klassiekste. Cicero is bedoeld. — toestaen, toegeven,
toestemmen. — beduiding e, beteekenis. — omspraeck, omschrijving.
Vs. 11—20. verschapen, gevormd. — den Text voldoen, den tetst
nauwkeurig weergeven. — gedaente, begrip. — ten deunslen, ten nauwste,
zoo dicht mogelijk. Vgl. Ken wijs Hov. vs. 366, Aant. Zie Mnl. Wdh.H,
i. v. doon, bijv. nw.
Vs. 21—30. genaeken, naderen, nabij komen. Vgl. Hofw. bl. 33,
Aant. — Druksels, het gedrukte. Daar II. voor characteres den naam
van printen heeft gekozen, heeft hij zijne benaming aan het drukken
ontleend. — genoegen, te vreden stellen. Vgl. K. I, 226.
Mog\'lick of de nijd sal lijden
Dat sich............
Yemand half genoeght geliet.
V samen, tegelijkertijd.
Vs. 31 — 33. in de voordere mijne feilen, in de fouten, welke ik verder
gemaakt heb. — snchteloosen, vrij van eigenzucht, onpartijdig.
-ocr page 69-
53
EEN KONINGH.
Vs. 1—10. Hy is een\' Menighte, enz. De vorst vertegenwoordigt
immers het volk. — Opper-knecht, de eerste dienaar zijner onderdanen.
H. was dus ook de leer toegedaan, dat de vorst is om het volk, het
volk niet om den vorst. — Rekenhoek, ene. De financiën van Rijk en
Kroon waren toen nog niet zoo streng gescheiden als nu. Versta: Be-
heerder van alle Staatsinkomsten en uitgaven. — Een penningh, enz.
Versta: de vorst is van dezelfde stof, als andere menschen; maar hij
overtreft ze in waardigheid, even als een cijfer aanmerkelijk van waarde
verschilt, naar gelang het in de kolom der eenheden of der duizendtallen
staat. — Gevangen. Waarschijnlijk niet afkorting voor gevangene. De
eerste vorm bestond ook; mv. gevangens. Zie Ned. Wdb. i. v. — Vry-heer,
vrije heer. Woordsp. met vrijheer, hgd. freiherr, baron. Hier en in het
onmiddellijk volgende stelt H. den Koning voor als slaaf in weerwil
zijner macht. — Een bidder met gebied. Zijne verzoeken zijn geboden;
misschien toespeling op de vroeger in zwang zijnde beden, een slotrijm
van gesangen.
Vgl. het slot van ons volkslied: voor vaderland en vorst!
Vs. 11 — 20. gelijck, gelijke. Hij duldt niemand naast zich, gelijk
aan macht, duysteringh, verduistering, eklips; iemand, die hem in de
schaduw stelt. — warrelwind van tijden. Omzetting voor: tijden van
verwarring. — een stadigh man te roer, een man, die gestadig aan het
roer staat; in den volgenden regel beteekent roer, schiettuig, geweer. —
uytgemaeckte, volmaakte, volkomen. Vgl. hgd. ausgemacht, fr. parfait.
Hoe V. Moerkerken dit door,omgekocht kan verklaren, begrijp ik niet.
De volgende woorden staan hiermede in tegenstelling. — Een Schepsel,
enz.
Zijne onderdanen hebben hem immers koning gemaakt, \'s Vdks vil,
enz.
Versta: Het volk begeert, dat \'s konings wil gelde voor den wil
van al zijne onderdanen. — in H nauw, in \'t gedrang. — tréffelick
geboeft,
schurken van hooge afkomst, heerlicke bedriegers, bedriegers,
welke lieden van stand zijn.
Vs. 21—30. besettingh, hier de muur, waarmede de vleiers den koning
omgeven, ten einde te beletten, dat de waarheid tot hem doordringe.
haer geweld, de kracht der waarheid, de kromme fluyten van hunn\' ver-
vieringen,
door de valsche vleitaal van hunne verzinsels. — stuyten. y
Treffen, zegt Bilderdijk. Doch dat past niet bij ontwringen. Dit woord
eischt, dat men stuyten opvatte in den zin van afweren, terugwijzen. Zij
ontwringen hem (weten van hem te verkrijgen) dat hij ze (de waarheid)
afwere (niet naar haar luistere). Zie Kil. stuyten, hollandicè, vertere,
avertere, impedire;
en yg\\. Een Bedelaer, vs. 14, vlg. waar hij dezen noemt:
een opgeschopte bal,
Dien elck een ander\' sendt en allesins moet stuyten.
d. i. terugschoppen, terugslaan. — wedergaden vreugd, een genot, dat
slechts onder gelijken bestaan kan. — Dier heeft hy, enz. Versta: In
-ocr page 70-
54
zijn land heeft hij geene gelijken, en in het buitenland, waar hij er wel
heeft (nl. de Koningen) is vriendschap geen edele opwelling des harten,
maar spruit uit eigenbaat voort. — versekertheit, Lat. securitas, veilig-
heid. - Kopp\'lers, koppelerse, koppelares. Vgl. Hof tv. vs. 1935: Mees-
tersche. Trouw,
trouwen, huwelijk. Vgl. K. I, 461:
Teere leerlingh van de Trouw,
Onlancks Maeghd, en onlancks Vrouw.
Zie verder Hofw. vs. 1943 en Keu goed Predik, vs. 56.
Vs. 31—40. Dan is syn voordeel min, Hij verkeert in ongunstiger
toestand. ~ Meer, merrie. — hooghsten nood, uitersten nood. — \'s Va-
derUmds bederven,
de schade, die het vaderland lijdt. — Sijn\'dagen, enz.
Hij kan niet beschikken over zijnen dag. — Bekruypen hem gelijck, met
don dageraad vangen ook zijne zorgen aan. — Vaeck, slaap.
Vs. 41 — 50. $oo langh hg niet en leeft, zoolang hij slaapt. — zit-
teren,
sidderen; hgd. zittern. Hij is nl. bang voor vergiftigde spijzen. —
rekken in, de hand uitstrekken naar. — Vergulde distelen, heeft betrek-
king op de kroon. Vergulde, hier in letterlijken zin. Niet zooals Voorspr.
vs. 77. — Door soo veel Aloës, uithoofde van de vele bitterheid, die er
aan verbonden is. Vgl. K. II, 403, waar Huygens Job noemt:
De Man in ^4/o<; (dat \'s alle wee) gezultt.
Vgl. verder Hofw. Aantt. bl. 45, 69. bedachtelick, in gemoedo, wanneer
hij nadenkt. — Wie wensche, Conjunct. Wie kan wenschen! hooghd1
voor hooghd e, thans ten onrechte hoogte. — Daer H soo dier slapen is,
enz.
Waar men zoo moeilijk slapen kan en \'t hoofd zoo los op de
schouders zit.
EEN BEDELAER.
Vs. 1—10. Aerdsch Planeet, dwaalster op de aarde. Planeet, v. -h.
Grieksche TT/avtfTOS, omzwerver, zwerveling. Schildpad sonder dack, de
bedelaar heeft geen dak boven het hoofd, dus geene vaste woonplaats:
hij draagt echter zijn tehuis overal mede (zoo goed als de schildpad).
S. Coster had tot wapen eene schildpad met de spreuk: Overal thuys.
horenloose slack, enz. Horenloos z=
zonder huisje. Het woord horen voor
schelp is bekend, vgl. kinckhoren on Zeestraet, K. I, 414:
Siet ... of all \'t menschelick vernuft, met all\' de reden
Daer \'t sich op roemen magh, een Schelpjen machtig is,
Een Schelpen Horentje te bouwen.
Er bestaat eene soort slakken, welke voornamelijk in kelders en op
vochtige plaatsen gevonden wordt, die de eigenaardigheid heeft van zich
tot eene soort van gelei op te lossen, wanneer men ze met suiker of
zout bestrooit. In sommige streken beschouwt men dit als een middel
tegen kinkhoest. De zin zou dan zijn: de bedelaar is als eene slak zonder
huisje, maar hij smelt ook zonder zout. Zonder zout versmelt zal wel
-ocr page 71-
55
beteekenen: die ook zonder toedoen van buiten-af te niet gaat, verkwijnt.
Vgl. Herdersklacht, K. I, 33:
Soo hebben sy verdient met Jacobs achter-erven
Trots dijn becommeringh te smelten in verdriet.
Vondel, Vertr. a. G. Vossius:
Geluckigh is een vast gemoedt,
Dat in geen blijde weelde smilt.
tnenschelickheit, menschelijke natuur, Vgl. K. 1, 541, 545. Hier natuur staat.
De bedelaar is naakt en van alle hulpmiddelen ontbloot, gelijk Adam.—
na-neef, afkomeling, voortbrengsel, spruyt, van geljjke bet. als het
vorige. Oorlog en verkwisting brengen armoede voort. — Monick sonder
kap.
Men denko aan de bedelmonniken, pachter van de straet, wjjl hij
er altijd op is en van haar leven moet. — logge-leger-hiys. Let op de
allitteratie. Trage bedluis noemt II. den bedelaar, omdat hij liever lui ter
neer liggen, dan werken wil. werck-keur, gebod om te werken, de alge-
meene arbeidswet v. d. mensch. Huygens denkt waarschijnlijk aan Genesis,
3, 19: In het zweet uws aanschijns zult gij uw brood eten. — schaduw
van het Hof,
de bedelaar is er altijd te vinden, even als bij de kerk-
portalen. — \'t Verwijt der Christenen, enz., gen. obj. Hij is den Chris-
tenen zijner buurt een levend verwijt; vgl. volgenden regel, daer om-ontrent,
waaromtrent, d. i. omtrent welke, in de buurt van welke. (H. schijnt
zich niet bewust te zijn, dat ontrent uit om en trent =. rond is samen-
gesteld. Vandaar de herhaling van om.)
Vs. 11—20. Het naeckte lidt, enz. De hierop betrekking hebbende
teksten zijn te vinden: Rom. 12, 5; I Cor.; Math. 25, 36, 43. — Het
uyterste gepoogh
, enz. Versta: het summum van aardsche ellende. —
niemands bloedverwand, niemand wil hem als dusdanig erkennen. opge-
schopte
, beeld aan de kaatsbaan ontleend. — en allesins moet stuyten,
en die overal teruggeslagen, afgewezen wordt. Zie Kil. Stuyten, Resilire,
resultare instar pilae. Vgl. Een Koningh vs. 24. — rogge kruymelkorf,
eig. rogge-kruimelkorf; de bedelkorf is gewoonlijk met roggebrood ge-
vuld. — Thresorier van duyten, de bedelaar heeft gewoonlijk niets dan
kopergeld in zijn bezit. Cursief gedrukt, omdat het geen echt Neder-
landsch woord is. — klei ten dijck, brengt zij niets te weeg; heeft zijne
radheid van tong niet het gewenschte succes. Beeld ontleend aan \'t aan-
leggen van eenen dijk. schrap, schram, litteeken. Vgl. Een Waerd, vs.
20; Een Matroos, vs. 14. — stamp, nl. van arm of been. Vgl. Een
gemeen Soldaet,
vs. 28:
Noch wenschen zij maar half, dat hy het mocht vertellen
Verleghen met een stomp, verrijckt met \'t derde been.
Vs. 21—30. nyterst toeverlaet, laatste toevlucht, redmiddel; hgd.
zuverlass. Vgl. K.l, 44; 152. kinder-keel-getier: het krijten van kinderen,
-ocr page 72-
56
die hem helpen bedelen. — Sackpijp, doedelzak. — ter schanden brengen,
overvleugelen, baas worden. Vgl. Bredero, Sp. Brab. vs. 522:
En ick een Roggen-broot met dese beene tanden,
Al wast van twaelf pont, ick brochtet heel ter schanden.
Orpheus, de bekende zanger der oudheid. — Leewen, muntstukken
(waarop de leeuw als wapen staat) weet hij uit de zakken der toehoorders
te kloppen. Hier zullen wel koperstukken bedoeld zijn; men had echter
ook gouden en zilveren leeuwen. Zie Schotel, Maatsch. Leven, 266,
269. — Die, de handen nl. dagh-rent, de opbrengst van eiken dag,
dagloon, op V gemack. Zie Ndl. Wdb., 1338. — Soo lief, enz. Versta:
Ik zou ruim zoo lief een nietsdoend bedelaar zijn, als een ambachtsman,
die feest viert (want de eerste heeft het beter). — Een Schouteth is
syn1 dood,
hij is doodsbang voor een schout, een Lijckhtiys is sijn leven,
daar werden en worden thans nog in enkele streken de armen immers
bedeeld. Lijckhuis, huis, waar een doode ligt. — Hij loont, enz. De
volgende regel geeft de verklaring: hij wenscht zijnen weldoeners den
hemel. — Hy sorght voor H winternest. Na sorght vuile men eerst aan.
Vs. 31—38. smeert. Bilderdijk verklaart hier sweeren bij door: den
mond vol hebben van. M. i. ten onrechte; H. bedoelt, dan houdt hij het
met,
is niet van de turfmanden vandaan te krijgen. — begrommelen,
met gruis overdekken, bemorsen, bevuilen. Vgl. Voorhout, vs. 375:
Beid\' besweet, begroeyt, begrommelt.
in andere bet. gebruikt hij het K. 1, 553. \'t Spuy, vroeger de Turfmarkt. —
Hy koelt sich, enz. Hij doet \'s zomers niets en heeft het dus koel in
vergelijking met anderen, die werken; \'s winters vergadert hij den turf-
afval en stookt daarvan zijn vuurtje. — kommer-loos, zonder moeite of
last. Kommer beteekent eigenlijk: bezwaar, last. Zie Oudem. Wdb. i. v.—
Hy vindt irh in H geniet, hij bevindt zich in het genot. — voor lange voor-
sorghs p \'ii
, voor de moeite van ver vooruitziende zorgen. — God helpse,
God helpo u! gewone zegen- of heilwensch. Vgl. fr. Que Dieu vous
assistc, God sta u bij. Deze werd door den gever gesproken; de begif-
tigde beantwoordde hem met: God loone U. die het sijn. Het wijst terug
op den verzwegen vergelijkenden zin: dan de bedelaars, die\'\'achter
Wat heeft de rijcke meer moest staan.
EEN RIJCKE VRIJSTER.
Vs. 1—10. Kermis Gans. Het beeld is ontleend aan een wreed kermis-
vermaak, tot voor korten tijd nog in sommige dorpen in gebruik, waarbij
een levende gans aan een touw werd opgehangen. Zij was de prijs van
dengene der onder haar doorrijdende boeren, wien het gelukte haar
den kop af te rukken. Ned. Wdb. i. v. gansrijden. — belipt. Ofschoon
-ocr page 73-
57
belippen bij H. meestal, over den hekel halen, op iemand smalen, betee-
kent, bv. K. I, 444 en 607, zal het hier wel gelijk staan met de lip
ophalen over.
Zie Hofwijck, Aantt. bl. 15. — rekels, honden , nl. minnaars,
die er om vechten. — bolsterbed van hekels. De gedachte aan haar belet
de jongelui te slapen, alsof hun bultzak met hekels (het bekende werk-
tuig om vlas te reinigen) was gevuld. — guldepijl; gouden, wijl zij rijk
is. dat Venus Moeder heet, Cupido, de Minnegod, is de zoon van Venus.—
Amber-droppen. Dit amber, niet te verwarren met het barnsteen, wordt
in den Indischen oceaan gevonden, heeft een muskusachtigen geur en
werd als reukwerk zeer hoog geschat. K. I, 243, noemt hij het:
... de graeuwe water-Gomm
Met sijn\' lichte schimmel-blom.
Vgl. Een boer, vs. 40: Amherwanten, met amber geparfumeerde hand-
schoenen; K. 1, 539: amberloose. Zie verder Ned. Wdb. i. v. amber. De
vrijster parfumeert zich dus met amber en rozenwater. — een duijv voor
alle tillen,
eene duif, die ieder jonkman voor zijn duivenslag geschikt
vindt. — behalven yet te willen, zij weet niet wat en wien zij wil. —
Vrijer-wan, wijl zij de vrijers zift, als de wan het koren, een schuym-
spaen.
schuimlepel. Vgl. Eng. spoon. Beeld aan de keuken ontleend,
met nagenoeg dezelfde beteekenis als het vorige. — keur, keuze.
Vs. 11—20. van dusettd een, ééne van duizend, ééne der weinige..
Maskers-lap. In Huygens\' tijd droegen de dames op straat zeer dikwijls
zwart zijden maskers om de blankheid van haar tint te bewaren. Vgl.
Een boer, vs. 123. De rijke vrijster kan dat ontberen, omdat rijkdom
tegen schoonheid opweegt. — Elck Vrijer is een Mol, is zoo blind, als
(men wel beweert, dat) een mol is. — veeren, kleeren. sproete-plecken,
zomersproeten. zijn onsichtbaer, of van goud, worden niet gezien of door
het goud vergoed, opgewogen. — die de vellen ploeght, die voren trekt
in de huid, ze rimpelig maakt. — bij Gesant, door tusschfnkomst van
een derde, haer bij-zijn is te derven. Versta: persoonlijke kennismaking
is overbodig; men kent haar portret, d. i. den inventaris, e"g. de kadas-
trale kaart, harer landerijen. — Vermits, uit hoofde van, wegens,
van wege. — grooter gaet—meer Maeghdoms. Woordspeling.\'1 Hoe meer
hare beurs zwanger is, hoe ongerepter haar (der vrjjster) maagdom is.
Zie Mnl. Wdb. II, 2180. — Vemts-beeld. Toespeling op het scheids-
gerecht van Paris, den zoon van Priamus, Koning van Troje, tusschen
de drie godinnen Juno, Venus en Minerva. H. bedoelt dat de heden-
daagsche vrijers de rijkste vrijsters voor de schoonste houden, waarover
Juno minachtend lacht, maar Minerva, de godin dor wijsheid, ontevreden is.
Waarschijnlijk ligt hierin eene zinspeling op Juno Pronubia. Zij, de
godin van den echt, zou zulke huwelijken nog kunnen goedkeuren, maar
Minerva, de godin der wijsheid, vindt ze niet verstandig.
Vs. 21—30. Haer ooge spreeckt Schiedams. Bilderdijk beweert, dat
Schiedams spreken beteekent verstrikken, binden , vasthouden, als met
-ocr page 74-
58
touwen, omdat er toen te Schiedam vele lijnbanen waren. Dat is ook
de verklaring, die Harrebomée er van geeft. Juist deze plaats doet mij
twijfelen aan de juistheid van hunne uitlegging. Ik geloof, datdespreek-
wijze eenvoudig doelt op de jeneverstokerijen, die toen reeds bloeiden,
en dat H. wil zeggen: hare oogen bedwelmen, als het geestrijke vocht
uit Schiedam; het volgende sijn uytgestraelde geest is blijkbaar eene
toespeling daarop. Vgl. Harrebomée: Hij heeft Schiedam in het oog:
hjj is dronken. Ook de regel Betoovert, enz. is daarmede veel beter
in overeenstemming te brengen. Even als jenever de menschen en vooral
de dierlijke naturen onder hen onder zijne heerschappij brengt, evenzoo
betoovert de rijke vrijster de jongelui en vooral de domsten onder hen. —
onnae meest, verre (verreweg) \'t meest, onnae, ontkenning van nabij,
dus verre. — Hoer waepen, geslachtswapen, armoiries. De Koey moet
hier den op de wapens zoo vaak voorkomenden leeuw of luipaard ver-
vangen ; klaver veld met duidelijke toespeling op het veld in de heraldiek.
Vgl. veld van keel, van lazuur, van sabel, enz. — overgeten, die te veel
gegeten heeft en gemolken wil zijn. — opperhuyv, de overhuiving, het
dak. ran Landrrouws Koren-tas, van den korentas, de korenmijt der
bezitster van boerderijen. — stock-bors, geldbeurs. Over den oorsprong
der benaming zie Oudemans, Wdb. i. v. in de Kroon, de helmen boven
de wapenschilden waren meestal met eene kroon versierd. Moet in, dat
door alle edities gewaarborgd wordt, niet vervangen worden door is,
dan is de stock-bors accus. abs. Zie Stoett. Synt. 455. geswollen van
H gewas,
heeft betrekking op stock-bors; deze is stijf (gevuld) van de
opbrengst van den oogst. — loof we rek, zoo heeten de dekkleeden, d. i.
versierselen, arabesken om het wapenschild, leckerepapieren, schuldbrieven,
ceelen, enz., die het heel aangenaam is te hebben. — lieverparekement,
gewichtiger bezittings- of schenkings-oorkonden. — Boomen van geslacht,
geslachtsboomen. De zin is: in plaats van geslachtsboomen heeft zij ontel-
bare boomgaarden. — pan het oudste E<"1, enz. Versta: van het oudste
adelljjk goed, of Eva wordt verloochend, telt niet meê, zij, die immers
in het Paradijs eigenlijk niets dan een boomgaard besat. ontkent, ver-
loochend; elders K. I, 260, 441 en 450 beteekent het onbekend.
Vs. 31—40. Al is sy klad-papier. Al is de rijke vrijster zelve slechts
nietswaardig papier, het is op den kant verguld (uithoofde harer rijk-
dommen). — wanten, handschoenen, fr. gant. — bet en het, hoe langer
hoe meer. — Be Bruyd en \'t Vrijster-rijde, enz. Versta: mèt dat zij in
het Bruidsbed stapt, is het met de heerschappij, die zij als rijke vrjjster
uitoefende, gedaan. — om H wachten, omdat zij dan weer langer met
trouwen moet wachten. — onraed; hier rumoer, oploop; vgl. Ken goed
Pred.
vs. 15. men trommelter hg nachten, men klopt\'s nachts aanhoudend
en dringend. — afgeluydt, moe van het luiden. Vgl. afgestreden, afge-
tobd; (dit gebeurt over dag). — Mannen stae. Stae voor staet, d. i. houdt
op, halt; afh. van: de Dorpel (roept). — Van onverduldigheit, van het
ongeduld der vrijers, die ze doen kraken. Vgl. K. I, 467.
i
-ocr page 75-
59
Vs. 41—42. meeste van gevoel, die den meesten trek in haar hebbon,
noemen haar met haar voornaam: Wanneer d. i. hoe lang zal het nog
duren? en met haar geslachtsnaam van Waer-raeck-aen, van welken
kant (op welke wijze) raak ik er aan. Het voornw. ik is achter raeck
weggelaten, of met de ck van dit woord versmolten. Evenzoo Ken onw.
Medicijn,
vs. 22, en Cost. Mal., vs. 229.
EEN GOED PREDIKANT.
Vs. 1—10. ongeziene, onzichtbaar. Aldus ook K. I, 500. Elders ongezien
onaangenaam, ongelukkig; b.v. K.\\, 166, 453. — Die oore noyt en hoord\',
enz.
I Cor. 2, 9: Maar, gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet
heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart der mcnschen
niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die hem liefhebben. —
koren, korrel. Math. 5, 13: Gij zijt het zout der aarde; indien nu het
zout smakeloos wordt, waarmede zal het gezouten worden? — Christelick
Levijt.
Christelijk, in tegenstelling met de oud-testamentische of Joodsche
Levieten. Wond, wildernis des levens. — Trommel ran genaed\\ Trommel
voor trommelaar, aankondiger van Gods genade. — stoot-steen, steen des
aanstoots. — een Visscher met den mond. Toespeling op Math. 4, 19:
En hij zeide tot hen : Volgt mij na en ik zal u visschers der menschen
maken. — Tafel-waerd in H Kruys, een waard in de herberg, waar
\'t kruis uithangt; waarschijnljjk met toespeling op de toediening van het
avondmaal. Fackel ityt de woleken. Exodus 13, 21: En de Heer toog
voor hun aangezicht, des daags in eene wolkkolom ... en des nachts
in eene vuurkolom . . .; en 14, 20: en de wolk was tegelyk duisternis
on verlichtte den nacht. — Voor-hoofd aller Tolcken, eerste, opperste
aller tolken, daar hij Gods woord verklaart.
Vs. 11—20. een scheider daer men schermt, een bijlegger van allen
twist. — De bloemen ran sijn1 tael, enz. Versta: De eenvoudige waarheid
is het eenige versiersel zijner woorden. — Sijn groote Meesters tril, enz.
Kom. 9, 19 en 20: Gij zult dan tot mij zeggen: wat klaagt hij dan nog?
want wie heeft zijnen wil wederstaan, enz. — Onraed ran noorden-kenr,
Last van woordenkeus. Zie Kil. Onraed, incommodum. Uytspraeck, lat.
elocutio, zijne voordracht. — bestel, beschikking, zorg. Versta: God
zal wel zorg dragen, dat de prediker wel spreekt. Kxod. 4, 12: En nu
ga henen, en ik zal met uwen mond zijn, en zal u leeren, wat Gij
spreken moet. Vgl. Ken gemeen Soldaet, vs. 38: \'t was Scipio\'s bestel. —
boden-brood, bodenloon. De brenger eener goede tijding maakte aanspraak
op bodenbrood. Zie Mnl. Wdb., I, 1330; De Vries, War. bl. 237; a
fortiori,
de brenger der Goede Tijding, het Evangelie of do Blijde
Boodschap. — Die stormen staet hy uyt. Vgl. Ken Koningh, vs. 3. —
Kn menigh1 schudde-muts. Schudde-muts, hoofdschudden, schouderophalen.
In de uitgave van 1672 staat: Keu menigh. Drukfout.
Vs. 21—30. V Verleckerend volop, enz. Versta: Hij schept geen be-
-ocr page 76-
60
hagen in de streelende vleierijen van blinde bewonderaars, waaraan men
zoo spoedig verlekkert. Deze woorden vormen eene tegenstelling met:
Maer gaerne laecken wij, enz. — Geleertheit, enz. In dezen zin is on-
nooselheit
(eenvoud) van geest voorwerp, geleertheit bep. v. gesteldh. —
Godsdienstigheit. Versta: Hij acht, dat godsdienstigheid , niet de rede alleen,
het verschil uitmaakt van mensch en dier. — \'t dubbele Verbond, het
Oude en het Nieuwe Testament. Deze passage bevat eene toespeling op
Psalm 119, 105: Uw woord is eene lamp voor mijnen voet en een licht
voor mijn pad. — Begaeft (maakt welsprekend) sijn\' tongh; beroert sijn
hert (ontvonkt zijn gemoed), beleidt (bestiert) sijn\' hand. — het recht
gaen
, enz. Oprechtheid is volgens hem de hoogste slimheid. — De Werelds
mjsheit.
Zoo steeds bij Huygens, waar wij zouden zeggen: der wereld of
\'s werelds wijsheid. Vgl. Voorh. v. 7. — Jock, hier: dwaasheid. Vgl.
Oogentr. I, 281:
Slaet wijsheit voor, of jock
Sy (de Kaeckelaers) luydend\' er op in.
Vs. 31—40. snot. Platte uitdrukking. Wij zouden zeggen slijk. —
En alle vreughd verdriet van elders als van God. Versta: alle vreugd,
die van elders, dan van God komt, is in zijne oogen verdriet. — Ge-
dwongen ootmoeds pracht.
De (valsche) glans van gehuichelde nederig-
heid. — Dat deftigheit bedaert, enz. Versta: Waaraan bezadigdheid ernst
bijzet, zoover als de goede toon het lijdt. Bilderdijk ziet bedaert aan
voor eene drukfout; hij leest beiraert. Van eene drukfout is hier geen
_rake: alle drukken hebben bedaert en dat is hier, als veel teeken-
achtiger, verre te verkiezen. — door fronssen sien, ernstig kijken; t\'sijner
tijd
behoort hierbij, evenals bij lachen: als het pas geeft. Zijn kereken,
enz.
Elk huis, waar ellende heerscht, is voor hem eene kerk. — \'tsaligh
sonder-ende.
H. doelt hier op Math. 5, 3—11: Zalig zijn de armen van
geest, enz. Versta: Daar bewijst hij, dat de zaligheid oneindig is, want
elk der bedrukten kan hij troosten met één der aldaar opgesomde: Zalig,
enz. — plaes/ert gronii el-loos , hij heelt, geneest de gruwelen, zonder
ervan te gruwen. Vgl. Cosf. Mal., vs. 214:
\'t zijn grouwelicker sweeren, die ick ontplaestren ga.
Vs. 41—50. Bekotnmeringh van Staet, Staatkundige beslommeringen.
Een goed predikant bekommert zich niet om de staatkunde. — Bekeurt, be-
koort. — tijdingh van de straeten, stadsnieuwtjes. Vgl. K. I, 206: straetsche
maer;
ib. 209: Straetsche, Staetsche, steedsche sorgen; Cluysw. vs. 194:
het nieuwe van de straet. — onverhoeds, zonder dat hij het zoekt. —
ontgrendelt sijn gehoor, doet hem de ooren openen; nl. om het te be-
straffen. — belght u niet. Het reflex, gebruik van belgen is thans ver-
ouderd; wij bezigen het werkw. gewoonlijk onpersoonlijk: het beige U
niet. — Wet van Hooger hands gebied. Wij zouden eenvoudig zeggen:
wet van hooger hand. Gebied, gebod, gezag. Vgl. K. I, 39:
Die hem eeuwig rap sal toonen
Onder \'t spoor van uw gebied.
-ocr page 77-
til
Verder K. I, 214; Cluysw. vs. 379: ick vraeghe met gebied. De zin is eene
toespeling op Handel. 4, 19: Oordeelt Gij, of het recht is voor God,
ulieden meer te hooren dan God. Vgl. voor de volgende regels de door
II. zelven opgegeven plaatsen: Tit. 3, 8, 9; 10; I Tim. 6, 2, 4. — rug-
gelingh,
Hij ontvlucht het niet, maar treedt er van terug, vermijdt het.
Vgl. Ken Printschrijcer, vs. 39. Dat hier van Godsdienstige geschillen
sprake is, blijkt uit het volgende.
Vs. 51 — 60. Verhecht hy echtelick, vereenigt hij als door huwelijks-
banden. Vgl. Voorspraeck, vs. 24. Versta: Hij huldigt de waarheid,
maar tracht den vrede to bewaren met andersdenkenden. — noodsakelick,
door nooddwang, omdat het niet anders kan. — de voorste. Bilderdijk:
die de scheiding of twist begint. Ik verklaar het door de eerste hand,
die hij ontmoet. — koele middehnaet, wijze bezadigdheid , gematigdheid.—
Met staede, onmerkbaar, allengskens. Vgl. flofw. vs. 100: sijn volle
staede langh. trouw, vriendschap, eensgezindheid. — Dijns naems. In de
uitg. v. 1672: sijns. Drukfout. Dijns naems eigen lof. Omzetting voor:
de lof (roem) Dijns eigen naems.
EEN GESANT.
Vs. 1—10. eerlick spie. Eerlick, overeenkomstig de eer, fatsoenlijk,
een spion of bespieder met eere. 7Ae Ken Beul, vs. 9: een eerlick Moor
denaer. Vgl. eene eerlijke (fatsoenlijke) begrafenis, buytens-baet-besorger,
enz.
Versta: iemand, die ons in het buitenland baat of voordeel doet,
doch die, wanneer hij door een buitenlandsch vorst gezonden wordt,
voor ons en voor iedoreen een gevaarlijk medeburger is. — allesins,
overal. Vgl. Cost. Mal., vs. 89; en Mnl. Wdb. — Eens Vorstens. Daar
de uitgaven van 1625, 1644 en 1658 alle eens oorsten hebben, zou ik
hier geneigd zijn aan eene drukfout te denken, ware het niet dat een
dergelijke genitief ook voorkomt, Cost. Mal., vs. 131:
mij dunckt ick mach
Noch altijt zijn verknocht aan d\' eene Wijsen* lach.
en K. I, bl. 520:
Noyt van des eenens zeer, des anderens gebreken.
Ook Vondel gebruikt dergelijke dubbele genitieven met zw. en st. uitgang:
hertens, artsens. Zie: Van Heiten, Vondels taal, I, § 67 en Mnl. Spkk. bl. 360.
Vgl. hgd. herz, hersens, langhsten Arm. Door den gezant doet een vorst
zijn invloed immers gevoelen tot in de verst gelegen landen. — noodelick,
noodzakelijkerwijze, uit den aard der zaak. Vgl. K. I, 154: noodelick besteedt;
I, 641: Najaers Koortsen noodelick, of heel langh of doodelick. — staende
licht, enz.
Raam, Uitzicht. Een servituut dus, gelijk ook de twee andere
balk en waterloop. Bilderdijk merkt op, dat H. hier de 3 soorten van
servituten bijbrengt: de servitus prospectus, tigni inmittendi en fluminis
-ocr page 78-
62
recipiendi. Stamde licht slaat op fuijn, balck o\\) mner, waterloop op grond.
Vgl. H.-Sl. bl. 13!). — op \'t sien, om te zien, waar te nemen, wat in
andere staten omgaat, soo verhooght, zoo hoog geplaatst; immers hoo
hooger men staat, hoe verder het gezicht reikt. — Op \'t sliigmeren, wan-
neer het sluimert; op \'I sloepen, dat het slaapt. — sprekend tafereel.
Tafereel,
beeld. Sprekend dient hier opgevat in de tweeledige beteekenis
van treffend en het woord doend. — t\'eener sprongh, eensslags, opeens,
bij de eerste gelegenheid de beste, ontlijst, ontlast, ontbonden. Dit ziet
op het ontslag van een gezant; het eerste woord houdt de beeldspraak
van tafereel vol, de twee andere niet.
Vs. 11—20. heiligh. Misschien in de dubbele beteekenis van sa int
en sacré. Vgl. lat. sacro-sanctus. Do eerste beteekenis staat echter stellig
op den voorgrond: dit blijkt uit de tegenstelling blork, waarmede II.
kennelijk zinspeelt op het hout, waaruit de heiligenbeelden gewoonlijk
vervaardigd waren. — Ken meest vergeten t\'huys. Omzetting voor: thuis
meest een vergeten.
— geraemte. Voor vreemden is hij meer als mensch,
wijl hij koning en volk vertegenwoordigt; den zijnen slechts geraemte,
omdat hij slechts iets beteekont, door den wil zijns lastgevers. Deze is
dus a. h. w. de ziel, die hem leven geeft. In den vreemde ziet men hem
daarenboven steeds in staatsie; thuis wordt hij nauwelijks opgemerkt. —
Ken Bode sonder bus. Geen gewone bode, daar hij het insigne van het
beroep, de bus, niet draagt, maar toch de bode zijner regeering. Vgl.
hgd. Botschafter. Taelmun, advokaat, pleitbezorger. Als diplomaat moet
hij soms zeer onrechtvaardige eischen doen; daarom: sonder schaemte.—
buytens wals. Gewoonlijk staat de schildwacht op den wal: de gezant
bevindt zich in den vreemde, dus dikwijls bij vijandelijk gezinde mogend-
heden en a. h. w. in het vijandelijke kamp. Klapperman hg daegh. Even
als de klapperman \'s nachts, moet hij bij lichten dag toezien, dat aan
het hof, waar hij geaccrediteerd is, niets gebeurt, dat strijdig zij met
de belangen zijner regeering. — honck. Oorspronk. paal, pin. Uitgangs-
punt, bij zekere spelen; van daar tehuis of heim. De gezant kan om
twee reden3ii liever zijn vaderland niet weerzien: 1°. oiulat het dan met
zijn aanzien uit is; 2°. omdat de terugroeping der gezanten gewoonlijk
den oorlog voorafgaat. Vgl. Een wijs Horelingh, vs. 115. — Koning by
der maend.
Hij kan elk oogenblik ontslagen worden en krjjgt geen jaar-
lijksch, maar maandelijksch tractement. vol-op Herbergh-houder. Merk-
waardig gebruik van het adverb. als bijv. nw. Lat. of Grieksche constructie.
Vgl. ignari sumus ante malorum. (Virg.); discessu turn meo (Cic);
rtv aui nacideumv; ol vüv av&p&nrei, enz. Gewoonlijk wordt bij ons met een
nomen agentis het adverbium tot een samengesteld woord versmolten,
b.v. langslaper, harddraver, fijnproever, enz. Vgl. echter met het oerste
woord het Eng. an early riser. Zie H. Paul, Principien der Sprachge-
schichte, 2\'° aufl. bl. 312 vlgg. — \'s Koninghs bors\'. Deze hangt daar
uit als schild of uithangbord: de weidsche gelagen der gezanten worden
uit \'s konings beurs betaald, algemeene schouder, enz. Hij steunt zijne
-ocr page 79-
03
landslieden in den vreemde en verleent hun zijne bescherming. — kort
recht doen, enz.
De gezant eischt, dat er onmiddellijk recht gedaan
worde op zijne klacht, of hij dreigt met wraak.
Vs. 21—24. loeten wreken, zij staan toe, dat het hun vergolden, op
hen verhaald worde, nl. doordat hun hetzelfde geschiede. Hoe II. dit
wil opgevat hebben, verklaart hij door do volgende regels. — Bril. Hier
in de dubbele beteekenis van oogglas en van breidel of prang. Dit blijkt
vooreerst uit verdroegen en vervolgens uit het onmiddellijk volgende vers.
De bril toch, dien een vorst in den persoon van eenen gezant zijnen
koninklijken of keizerlijken collega toezendt (dragen doet), dient niet om
dezen beter te doen zien, maar om toezicht op hem uit te oefenen en
hem dus in bedwang te houden. In de bet. van breidel bezigt II. het
woord nog K. I, 167, waar hij Gouda laat zeggen:
Spijt Spagnen dan ick sta: Oock sonder d\'oude mueren
Van \'t Kasteleyns gebied. Wie zijt ghy mijner Bueren
Die door den neus noch spreeckt, en mij \'t gebreck verwijt \'i
Ick segge \'t mijnen rqem, \'k ben Brill en brillen quyt.
(Brul en brillen: slot en muren). Vgl. De Papen/>/\'»7 (fort) te \'s-Hertogen-
bosch. Zie V. Dale: brilschans, lunette. Zoo komt ook het ww. brillen
voor in de bet. van breidelen, kwellen, plagen. Vgl. 1\'olit. hall. en refer.
der Kide eeuw.
Maatsch. der VI. Biblioph. Serie 2, n°. 7:
Stampt, zo ghy wilt, ghy wort gebrilt sonder ontfarme,
Door den Prince van Parme.
Of het echter noodig is, dit woord met Kiliaen en Franck van breidelen
af te leiden, waag ik te betwijfelen. Bril noemt men ook den ijzeren
ring, dien men beren, stieren en mannetjesvarkens door den neus haalt
om ze gedwee te maken, te breidelen. Hieraan kan verder de bet. kwellen,
plagen,
.zeer goed ontleend zijn. Men vergelijke knijper (van knijpen);
pince-nez (qui pince Ie nez); zwicker (van zwicken = nijpen); alle be-
namingen voor bril, oogglas.
EEN GEMEEN SOLDAET.
Vs. 1 — 10. sport, staaf of tralie. — met de hand, met de daad, in
plaats van met woorden. — ontschaecker, plunderaar. — eigenaer. Nomen
agentis. Van het werkw. eigenen on het achterv. aar. Iemand die zich
toeeigent. Thans betoekent eigenaar, bezitter. — Landsman, een mede-
burger, die zich (in tegenstelling met de anderen) niet verheugt in het
vooruitzicht op vrede. Waarschijnlijk wdsp. met landman. — KerC rest
van Moses rot.
Exod. 32, 19: „En het geschiedde, als hij tot het leger
naderde, en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak,
enz. die noch den dans besint heeft. Besint heeft, Perf. met presens bet. •=.
lief heeft, in waarde houdt. H. wil hiermede te kennen geven, dat de
-ocr page 80-
64
soldaat marcheert op het geluid van de trom of het kalfsvel. Vgl. Bild. Twee
Broeders voor Bommel:
Aan \'t kalfsvel deed ik eenmaal eed, \'k Gehoor-
zaam, als dat spreekt. — der beesten huyd. Daar er in Exodus slechts
van éón kalf sprake is, moet heeste enkv. zijn. Het woerd is bij H. meestal
vrouwelijk. Zie H.-St. bl. 137. Dus zwakke genitief. — Een\' duyre Linnens
koys.
In zijn kwartieren is de soldaat rustig en vreedzaam; doch, is hij
niet aan de discipline gebonden, dan is hij een baarlijke duivel. — Ken
vlegel op den Boer, enz.
Versta: een geesel voor den landman, wien hij
zijnen oogst rooft.
Vs. 11—20. Sijn1 vingers zijn het rijs, enz. Wanneer de Hemel
streng wil tuchtigen, bezigt hij der soldaten handen als geesels, d. i.
zendt hij oorlog. — Hy hongert. Aldus bezigen wij tegenwoordig hun-
keren
, dat waarschijnlijk een intensief van hongeren is. (Vgl. echter
Franck, h\'tym. Wdb.). Tegenwoordig onpersoonlijk: mij hongert. — veegh,
den dood nabij, in gevaar van sterven; m. a. w. hij verlangt naar den
oorlog, sterft, enz. de vrede is zijn dood. — Verlegen, enz. Hij weet
geen raad met zijn leven, d. i. hij weet er niets beters meè te doen, dan
het op het spel te zetten. Vgl. beneden: verlegen met een stomp. — Is
V vloeeken Christelick. Versta hier bij : maar het is dit niet. oeffent, brengt
het in praktijk; vgl. Een goed Pred., vs. 38. — versugmden hy. Condi-
tionalis: zou hij verzuimen. De n is paragogisch , gelijk zoo dikwijls voor
de h. Zie Vondels Taal 1, 47. — Sijn\' averechtse korts. De koorts is
averechtsch, d. w. z. juist het tegengestelde van eene gewone, daar zij
door aderlating, d. i. lichte verwonding, toeneemt, in plaats van te
verminderen.
Vs. 21—30. Beproeft hy hy de Sold, onderzoekt, weegt hij af naar
de soldij. Vgl. hgd. sold. de best hetaeler wint, hij schaart zich aan de
zijde desgenen, die hem het best betaalt. — De ballast, enz. Versta:
In zjjn gevolg sleept hij als ballast (vgl. lat. impedimenta) mede. Knap-
sack.
Van knappen, eten en zak, dus proviandzak. — valt hy hoven,
behoudt hij de bovenhand; wint hij, komt hij ongedeerd, als overwinnaar,
uit den slag. — sich heioven, reden van tevredenheid hebben. Vgl. Mnl.
Wdb.
1, 868 en fr. avoir a se louer de. — Vier zijn sy bedelvry.
Versta: drie dagen hebben zij volop; de vier volgende hoeven zij ten
minste niet te bedelen. — gewinnen, krijgen. Vgl. fr. gagner la fièvre,
de koorts krijgen. — doode Jans verdienst, enz. Versta: als de soldaat
dood is, kan hij niets meer verdienen. Vgl. onze uitdr. Liever bloo^lej
Jan, dan dooÖe) Jan. — Verlegen met een stomji. Vgl. met deze passage
Een hedelaer, vs
             g. Verlegen heeft hier de bet. van het fr. emba-
rassé de. Zie boven vs. 14. H derde heen, de stok.
Vs. 31—40. voeder, voedsel. Vgl. Oogentr. I, 280: Van aller eewen
her, Was liegen vrouwen voer. Zie verder Hofw. Aantt. bl. 5. geluyd,
roem, lof. — wel doen en wel staen, van zich dapper te gedragen en
-ocr page 81-
G5
goed stand te houden. — roeken-hooft. Bilderdijk zegt, dat H. hier het
spinrokken (colus) verwart met den klos (fusus), daar hot spinnen het
vlas van het rokken op den klos brengt, en niet omgekeerd. Het laatste
is juist; doch H. is oen te goed waarnemer om eeno verwarring te begaan,
als B. hem toedicht. Men leggo eenvoudig den volion klemtoon op dat
en op versirelyht on versta: In tegenstelling met een gewoon rokken-
hoofd , dat vlas afgeeft om to spinnen, laat dit zich bekleeden, met
hetgeen door anderen gesponnen is ; of zonder beeldspraak: de bevelhebber
geniet de eer van wat eigenlijk het werk is der soldaten. — roekenen. In
letterlijken zin betcekent dit: vlas om het rokken winden, maar hier
figuurlijk voor schetsen, ontwerpen, zoodat de bedoeling is: het beramen
van het plan is de overwinning behalen, d. i. het plan v. d. veldslag is
alles; het vechten is maar bijzaak. — üarthagoa val en vel. Van vellen
heeft II. een zelfst. nw. vel = het vellen, gemaakt. Hoogstwaarschijnlijk
heeft hem de uitdrukking Carthaginis excidium voor oogen gezweefd.
Excidium heeft de dubbele beteekenis van val en verwoesting, naargelang
men het van excido of excido afleidt. Val en vel moeten wij weergeven
door: oorzaak en werktuig van Carthago\'s ondergang. — bestel, opzet,
toeleg; \'t was Scipios bestel, de onderneming werd door Scipio op touw
gezet. Vgl. Een goed Predikant vs. 16: Wel spreken is \'t bestel, enz.—
bekrabbelden, uitvoerden. Bekrabbelen, door krabbelen bereiken. Zoo zegt
men wel van iemand, die mot moeite den top eener hoogte bereikt:
hij krabbelde naar boven, vergingen, vonden don ondergang, leden den
dood. — Heel Macedonien, enz. Versta: wat door gansch Macedonië
gedaan werd, heet tegenwoordig door Alexander gedaan te zijn; van de
overigen spreekt men niet.
Vs. 41—50. Gaet loten, enz. Versta: Gaat dan loten om een dui-
zendste kans, nl. om ook veldheer te worden. De volgende regel dient
tot aanvulling en verklaring. — Noch hooger, Christenen. Versta: laten
wij do zaak eens uit een hooger, verheven oogpunt beschouwen. Vgl.
Voorhout I, 107. Hooger, hooger mijn Gedichte. Gij gaet ontmoeten,
vgl. fr. vous allez attcindre. Ned. Wdb. IV, 54; aantreffen, zien gena-
ken. — langen oogenblick, de ure des doods. Men zou geneigd zijn hangen
te lezen, ware \'t niet, dat alle uitgaven dezelfde lezing hadden. Men zal
dus dienen te verstaan: lang, omdat hij zoo benauwd is. \'t Is dan eene
tegenstelling met oogenblik. een voor all\', die alleen voor alle andere
uren. — Mijn\' sorge volghden u, enz. ...;Jno bezorgdheid voor u zou
geringer zijn. — onberouw, onboetvaardigheid. — staele moeden, harde,
verstokte gemoederen. Moeden staat hier in de bet. van gemoeden, oude
meervoudsvorm voor gemoederen. Ned. Wdb., IV, 1432. Vgl. goeden voor
goederen. Vondel, Lucifer, I Bedr. Rei: oorsprong van zoovele goeden,
kostelick,
duur, groot. Vgl. Kostelick Mal. — Daer van het, Wel hem
komt, enz.
Waarvan eenmaal gezegd is: Wel hem, enz.
km ma nr., Hui/gens\' Zedeprinten.
5
-ocr page 82-
M
EEN ONWETEND MEDICIJN.
Vs. 1—10. onder-Beul, oen helper van den beul, omdat hij door zijne
verkeerde behandeling vele monschen van kant maakt. Buffel met een\'
Jiinrk,
nl. door den neus. Deze ring dient om woeste dieren in bedwang
te houden. Vgl. Een Gesant, vs. 23, Aant.; II. bedoelt: de onwetende
Medicijn is wel geen wilde buffel, maar toch altijd nog gevaarlijk voor
het loven zijner patiënten. Hierbij dient in het oog gehouden, dat on-
wetende lieden dikwijls buffels genoemd werden, gelijk thans nog: os,
ezel. Vgl. Bredero, III, bl. 86, waar hij van sommige leden der Oude
Kamer
zegt:
Dit wraack-goedt, dit uytschodt, dees onwetende Buffels.
De ring zal waarschijnlijk wel de bril zijn, dien de dokter, deftig-
heidshalve, opzet. — vuijst in H sweerigh oogh, een vuistslag op een
ziek oog, in plaats van een heelmiddel. Oorband op een\' klinck.
Oorband
fig. voor oorveog; klink is hetzelfde als slag (v. klinken, slaan).
Alapa ad colaphum, gelijk men in \'t Latijn zegt. De beteekenis is: een
geneesmiddel, ruim zoo erg, als de kwaal. — dobb\'le Kerckhof-ploegh.
Dubbel
dient dikwijls tot versterking, vgl. dubbel bier, dubbel gemeen,
enz. De onwetende medicijn doet vele graven openen, een Boeren-borsen-
boorder.
Versta: Hij klopt hun met zijne kwakzalverijen geld uit den zak. —
Raetseer met een"1 P. Raetseer, die naar het zeer, de kwaal raadt. Plaatst
men hier eeno P. voor, dan wordt het praetseer (veelprater); zet men
ze vóór \'t midden , dan ontstaat raeptseer (schraapveel, die zooveel mogelijk
tracht naar zich toe te halen). Vgl. K. lij 11: lek heet een Doctor, maer,
een raed-seer hiet ick best, enz. — daer door hg moghte treden, waar
hij door had kunnen gaan, zonder groot gevaar. De zin is: Door het
raadplegen van een onkundig geneesheer wordt eeno ziekte licht doode-
lijk, welke men daarzonder waarschijn\'.^ \\ \'•vcvt*-\' \'*-\':x«yi> gekomen. —
Bessem van de Steden, hij veegt ze schoon ^. .. .uciiscnen nl.). — onbe-
grijpHick.
Aldus wordt het vat genoemd, omdat het niet te begrijpen is,
hoe het meer geven kan, dan het inhoudt. Begrijpt, bevat. Wdsp. —
mildmond, iemand die gul is in het doen van beloften. Deze regel is do
verklaring van den voorgaanden. Vgl. Ken Bedelaer, vs. 28.
Vs. 11—20. H knevel-spils, do uiteinden van den opgestreken knevel.
Aardig beeld. Versta: Zoodra hij 20 a 22 jaar oud is. lugsieren, fluisteren.
Zio De Jager, Frequent. II, 369. — Leidens laffe les. Alliteratie. HetAca-
demisch onderwijs, bewandelt, bedreven, ervaren. Vgl. Hooft. Ged. 221, 23:
D\'Athener Xenophon, zoo wijs en zoo bewandelt.
Vgl. hgd. bewondert. Vgl. ons bevaren in, een bevaren matroos. Toch zit
er ook eene wdsp. in met college loopen. hooren, toehoorder zijn, de
colleges volgen. — die, van hem, die. — Meesterschap, het doctoraat
in de Medicijnen. Thans nog: Meester in de Rechten. — bangh, eng,
benauwd. si/V muereti, de schoolmuren? of do muren van Leiden?
-ocr page 83-
67
Waarschijnlijk zijn de laatste bedoeld, wegens het in vs. 19 volgende:
Koster, haelt hem in. — Van d\' een in d\' ander\'1 eew, langer dan eene
eeuw. kroppen—op, opvullen, opproppen. — wat sonderlinghs, wat
buitengewoons, sonder schop, zonder de doodgraversspade. — Maer,
Koster, enz.
Versta: Koster, bereid hem de eervolste ontvangst, hij zal
U daarvoor rijkelijk belooncn, door U winstgevend werk als doodgraver
te verschaffen.
Vs. 21—30. Dien handel, die hanteering, dat bedrijf, nl. van lieden
onder den grond te helpen, opset, bedoeling. — Hoe raeck aen \'t grab-
belen.
Bilderdijk houdt dit voor eene verouderde spreekwijze, die men als
één woord bezigde. Ik betwijfel dit en verwijs naar mijne aanteekening
Kene rijke Vrijster, vs. 42: Wanneer, Van Waer-raeck-aen; wat ook
beteekent: wanneer en op wat wijze raak ik er aan. Zie ook Coster,
T. v. d. Schild., vs. 934: hoe raeck an gheweer. versin, overleg,
overdenking. — Tandsucht, tandpijn. Sucht, ziekte."Vgl. waterzucht,
geelzucht, enz. Het is hetzelfde woord als zucht, verlangen, begeerte;
doch wel te onderscheiden van zucht, soupir. onverhoeds, enz. Zonder
dat het hem te danken is, geweken. — gonstelick belogen, degenen, die
hem gunstig gezind zijn, doen het voorkomen, alsof hij ze genezen
had. — Slaet sloten voor hem op, opent hem deuren, grijs1 ervarentheit,
oude, ervaren medici. Let op de gradatie in het volgende vors. —
naer past eigenlijk slechts bij grijpen, besien (kijken naar) en denken
eischen eene andere constructie, heit, heeft. Vgl. beneden, vs. 45, en
Voorh. vs. 5, 6:
Daermee gaen de daechjes krimpen,
Die men langer hoopt als heit.
lecker nietv,
welkome nieuwigheid; lecker, waar men belust op is.
vreemdigheits verkleeden, de yre^^.de d. i. nieuwe inkleeding. — De spijs
en is maer een,
de spij- hetzelfde; omtrent het gebruik van het ont-
kennende en bij maer, zt\'é Verdam, Cluysw. 129. bereeden, bereiden. —
niewe Schotelen. Dit woord dient men letterlijk op te vatten, zoodat
andere schotels of borden voldoende zijn om nieuwen eetlust te doen
ontstaan. Deze verklaring wordt door het voorafgaande vers geëischt.
Vs. 31 — 40. malle menschen bmj, dwaze, menschelijke gril. beleidt,
leidt. — Daer is hy vattelickst, daar is hij het best, het makkelijkst
aan te pakken. H. stelt zich den onwetenden medicijn voor als met een
paar ezelsooren begiftigd, ronde dooren, deuren , poorten, fr. portes-cochères.
Vgl. hgd. Thor. — wilde weelde. Klankspeling. Overdadige weelde, vgl.
fr. luxo effréné; wild heeft bij H. dikwijls de bet. yan ongeregeld, onre-
gelmatig. Vgl. Hofwijck, Aantt. 44, en H.-St. 84. siecke pop. Pop voor
dame, in af keurenden zin. Vgl. Cost. Mal., vs. 253:
Die Pop is opgetoyt; wie salso nu geleyen?
ooer-zeesche, oostersche, vgl. Maerl. Van den Lande van Oversee. Over-
zeesch
dient hier niet gelijk gowoonlijk bij II. door Engelsch weergegeven.
5*
-ocr page 84-
68
De Engelscho lakens deden onder in fijnheid voor de HoIIandsche. Vgl.
Cost. Mal. vs. 161: In \'t smettelick behael van d\' over-zeesche prachten.—
Hoe is w, schoon\' Mevrouw? Hoe gaat het u. U is hier 3de nv. Vgl.
hgd.: Wie ist Ihnen ? Met deze woorden begint het typische gesprek
tusschen den Doctor on zjjne patiënt. — Wat doet het onder-lijf? Hier-
mede wordt naar de ontlasting gevraagd. Doen, intr. varen, het maken;
vgl. eng. How do you do. Mnl. Wdb. II, 249.
Vs. 41—50. mijns. Vergeten regeerde vroeger, gelijk bekend is, den
genit. — Festinat languidè. Letterlijk: Hij haast zich kwijnend. Waar-
schijnlijk toespeling op: festina lente, haast u langzaam, heit, heeft. Zio
vs. 26. — Is flatuosus est vapor ventriculi, Dat is een winderig gas in
den buik; d. i. eenvoudig: een wind. — Die stopt in cerebro spirituum
meatus,
die belemmert den vrijen omloop der levensgeesten in het brein.—
Et hos circumagit vi proprii conatus, en drijft zo heen on weer door de
kracht van zijn eigen spanning. — vertigo, duizeling, fr. vertige. si/m-
pathicï,
door onderlinge sympathie. — Superiora roert, do opperstelede-
matcn (het hoofd) in beroering brengt. — et hna satis mè, en de onderste
nagenoeg ovenzeer.
Vs. 51—60. quam est providi, hoe voorzichtig, verstandig is het.
vigileren, op zijne hoede zjjn; lat. vigilare, waken. — Tollamus itaque
causam,
laten wjj do oorzaak wegnemen. — effectus, gevolg, uitwerking.
Maeckt mannen-moed, heb goeden moed, moed als een man. — onver-
meesterlick,
niet te overmeesteren, met toespeling op meester, chirurgijn.—
dese regelen, het recept, besweer ick, dwing ze terug te koeren, als door
eene tooverformule. Bezweren beteekent thans 1°. door geheimzinnige
woorden of ~ abaren bannen: den storm, den duivel bezweren; 2°. verbid-
den: \' iiiaiids toorn bezweren. Figuurl. := smeeken. — leidt, voor leit,
ligt. Zie Voorspr. vs. 108. — Werckt toerkelickst, heeft de krachtigste
uitwerking. Werkelick, werkzaam, krachtig. Noch. De kracht van deze
partikel wordt het best weergegeven door en desniettegenstaande, en toch.
Aldus: en desniettegenstaande geeft (verwekt) mijn recept, onz. — nau-
seam,
ace. van nausea, walging, neiging tot braken. Vgl. fr. nausée.
yemands.
Hierbij dient recipe, recept, aangevuld. — Sy weten Hall\' niet
all,
alle doctors weten niet allos. II. denkt hier aan het bekende: Non
omnia possumus omnes.
Vs. 61—70. honger, long. Dat men gevoelt, waar long en milt liggen,
is een toeken. dat deze lichaamsdcelon ziek zjjn. Honger eet—honger weet.
Comisch rijm. — gekost, gekund. Naast konde en gekund stonden vroeger
do vormen konste, kost, en gekorst, gekost. Ook van beginnen zijn der-
gelijke vormen in gobruik: begonsle (begost) en vorl. deelw. begost. derft,
durft; vgl. Voorspr. vs. 101. — kinder-slagh, kinderspel, onnoozele
kunstgreep. — veegh, den dood nabij; hier gevaarlijk ziek. Vgl. Ken
gemeen soldaet
, vs. 13. buijten, op een dorp, onder behandeling van een
dorpsheelmeester. — versloft, veronachtzaamd. — \'t scherp hatijn. Scherp
-ocr page 85-
69
wordt zijn Latijn genoemd, omdat het gevaarlijk ia. meesterlicke tanden,
doctors mond. Meester lick, van een meester, d. i. heelmeester. Door
tanden wordt hier beter dan door mond uitgedrukt het woeden van den
onkundigen arts op zijne ongelukkige slachtoffers door middel van zjjn
scherp Latijn. — Er-voeren. Infinitief als subst. gebruikt, even als ons
wedervaren, en gelijkstaande met ervaring. Zie K. I, \'446: geciert met
reden en ervoeren. Vgl. Een Comed. 6: verdueren. — langhmem aengewas,
langzame vermeerdering (van de ervaring), menschelick verwijt, oen ge-
brek, dat aan de menschelijke natuur te wijten valt.
Vs. 71—78. die sich H glas geneert, die met glas omgaat, de glazen-
maker. Zich generen in de bet. van zich bezig houden met, omgaan met,
komt in het Mnl. dikwijls voor, doch dan wordt de bepaling steeds door
met (evenals thans) of bi voorafgegaan; Grimb. I, 13: Dese consteneren,
die hem met dichten generen. — wederlegh, wederlegging; ick heb geen
wederlegh,
ik kan het niet tegenspreken. Doch heilig Hencker dan.
Eigenaardige zegswijs. Letterlijk: doch dan is (in vergelijking hiermede)
de beul een heilige, d. i. dan acht ik den beul beter, dan houd ik het
met den beul. Vgl. hgd.: Da lobe ich mir den Hencker. — stroyen man,
stroopop. Vgl. Ken Beul, vs. 15 en vlgg. — Den ongewissen arm ten
sweerde leert bestieren.
Den ongeoefenden en daarom onvasten arm het
zwaard leert hanteeren. — minder-koop quartieren. Tusschen dezo beide
woorden vuile men aan: vleesch leert, zoodat de zin wordt: en kostbaarder
(d. i. menschen-) vleesch aan goedkooper vleesch (b.v. dat van dieren)
leert vierendeelen. (Quartieren is dus hier werkw. Minder-koop, goed-
kooper en dus minder waard. „Fiat experimentum in anima vili", denkt
Huygens. — God troosf hem, God sta hem bij. Vgl. de Bo, Westvl.
Idiot. troosten,
soulager. Vgl. fr. Que Dieu vous assiste!
EEN WAERD.
Vs. 1—10. Opper-kock, maitre-cuisinier, chef de cuisine, die Hschor-
tekleed ontgroeyt is,
die niet langer den witten voorschoot draagt, dus
die niet langer meer kok is, maar nu hotelhouder is geworden. — inde
schouw gekipt,
die in den schoorsteen ter wereld kwam, die daar van
kindsbeen af geweest is. Aangaande gekipt, uitgebroed, geboren, vgl. K.
1, 550: Hij was te Rotterdam gekipt en uitgebroed (gewonnen en geboren).
Vondel, Olijftak, vs. 4 :
\'t Wild vogelkijn.....
Noch steent het om te zijn
Bij \'t lieve nestje, daer het uitgekipt is.
Vgl. verder Eng. to chip, het uit den dop kruipen van jonge vogels. —
Van Koop, enz. Alle deze dingen geven aanleiding tot verteringen. —
Daer slemp op sluyten kan, waar slemppartijen, feestgelagen uit kunnen
voortkomen. Vincker, vogelaar; Vgl. Een Alch., vs. 7: een Snepper.
Vit sijn Stoepen.
De stoep maakte vroeger met het hek, dat haar omgaf,
-ocr page 86-
70
een geheel uit; vandaar dat men ook zei in de stoep voor ons op de
stoep.
Zie Oudera. i. v. Even goed kan men dus ook uit zijn stoep gasten
trachten te vangen. Kiliaen geeft ook: stoepe, bank, welke voor de deur
der woning stond. — lihijnsche Pijp. Vat rjjnsche wijn. Pijp, vat, wdsp.
met pijp, fluit. — Ken vrolick man om geld. Versta: Om geld te ver-
dienen, ontvangt hij zijne gaston altijd met een lachend gezicht, al is
hij ook treurig gestemd. — Half Meester. De waard is er maar half
meester in, omdat hij het gebruik ervan aan zijne gasten afstaat. —
Sijn Huysgezin is vlot, het getal zijner huisgenooten is op-en neergaand,
niet vast, bepaald. Vgl. Keu Matroos, vs. 28: Een vlotte Republyck.
vioeyt het, is er vloed, toovloed (van gaston). — ebt het uyt, is er ebbe;
de gasten zijn weg.
Vs. 11 — 20. \'< vochtigh weer. Wanneer het weder ongunstig is, heeft
de waard weinig bezoek. — weinigW suleke dagen. NI. als biddagen zijn;
want op die dagen bloeit zijne nering niet. — de koelte. Versta: van de
keuken, wanneer er niet gekookt wordt. — roock, nl. uit den schoor-
steen. Immers rookt die, dan heeft hij te doen. — afgerichte Enden. Do
voerlui zijn voor hem, wat de lokeenden zijn voor de kooikers: zij brengen
hem gasten en daarop dresseert hij ze, door hun nl. fooien en vrij gelag
te geven. — H vreemde Wild, de vreemde gasten, belenden, te land
komen, aanlanden; niet te verwisselen met belenden, grenzen, palen aan.
Zie hierover H.-St. 78; Hofw.te. Taalk. Bijdr.l, 64; II, 14. — schrab,
schram, jaap. Vgl. Ken Bedelaer, vs. 18: dan spreekt hij met een schrap.
Vs. 21—30. gal, verbittering, verstoordheid; der gasten gal, aan de
verstoorde gasten. — Dat taey om kauwen is, waaraan wat te kluiven
valt, dat belangrijk is, en dus de aandacht van den mislukten schotel
afleidt, hij heefter Zegels af, hij weet het zeker, precies. Vgl. onze uit-
drukking: hij heeft er een briefje van en ik geef het je op een briefje;
hgd. ich gebo es dir schriftlich. — Actie. Bedoeld zijn do acties van do
Compagnieën, waarin toen reeds een levendige handel gedreven werd. Vgl.
Bredero, Moortje, vs. 51(i: Hij verstont hem (te besucht!) op Acksjen te
koopen. De windhandel in acties is van lateren datum ,±1719. — by Wit?
en Mooremannen,
in en buiten Europa. Onder de Mooremannen dienen ook
de Indianen verstaan. Eeno dergelijke verwisseling was in de 17de eeuw
niets vreemds. Zie Bredero, Rodderick ende Alphonsus, IIde Deel vs. 939. —
aen Mahomet te spannen, met de Turken aan te binden. Een oorlog met
de Turken was bij onze dichters der 17d6 eeuw een geliefkoosd denkbeeld.
Men lezo er Vondel op na. Vgl. Ken sot hovelingh, vs. 38. Aan iemand
spannen,
niet te verwarren met met iemand aanspannen, = samenspannen,
beteekent iemand te lijf gaan, den strijd met iemand aanbinden. — Hoe
H Bhemen tegenstroomt.
Bij dezen regel teekent Huygens het jaartal 1623
aan. Waarschijnlijk wordt dus hier gedoeld op de bloedige nederlaag
bij Stadtlohn, welke Christiaan v. Brunswijk door Tilly werd toegebracht,
toen hij na zijnen terugkeer uit de Nederlanden zijne vereeniging met
-ocr page 87-
71
Mansfeld, die zich in Oost-Friesland bevond, wilde bewerkstelligen.
tegenstroomt, tegenloopt. Vgl. voorstroom en tegenstroom. Hofw. 74. —
Hoe V heide Ittcken sal, hoe het in de toekomst met hen gaan zal. Gabor,
Bethlen Gabor, vorst van Zevenbergen, bekend wegens zjjn aandeel in
den 30jarigen oorlog. — Hoe Duytsland had gedanst, enz. Hoe de zaken
in Duitschland anders zouden zijn geloopen, als Engeland zich de zaak
der Protestanten had aangetrokken. Jacob I had zich tot dusverre laten
afhouden van eeno krachtdadige ondersteuning zijns schoonszoons, Fre-
derik V van de Palts, omdat Spanje hem een huwelijk voorspiegelde
van zijnen zoon Karel met eene Spaansche infante. — Hoe Spagnen, enz.
Versta: dat het Spanje\'s gewoonte niet was, vrede te maken, zoolang
het voordeelen behaalde.
Vs. 31—40. Hoe \'t meent, hoe V niet en meent. Versta: hoe het weifelt
en nu eens langer (in seven jaer) dan korter (in twee) termijn stelt
voor het ontworpen huwelijk (om sijn dieren maeghdom op te veilen
over zee). — Dier wordt de maeghdom der Infante genoemd, omdat het
zooveel kostte Spanje\'s toestemming te verkrijgen. — Hoe H Hoornen raeckt
of niet,
of de Paus al dan niet er bij betrokken is. hoe 7 Batten krugcl daer
dier is. Dier,
duur; wegens de talrijke vergiftigingen, die er plaats hadden. —
En H een ver-Cardinaelt, enz. Versta, en hoe de eene dosis reeds tot de
bostanddeelen van een Kardinaal is overgegaan (die er door vergiftigd
werd), eer de andere klaar gemaakt wordt. — Hoe V Fransche Iïijck,
enz.
Tengevolge van de schending van \'t Edikt van Nantes hadden de
Hugenoten onder Rohan en Soubise de wapenen opgevat, doch do oorlog
liep in hun nadeel af. Lodewijk XIII sloot nu door bemiddeling van
Lesdiguières (18 Oct. 1622) een verdrag met hen, waarvan het de vraag
was, of hij het houden zou. — Hoe Kmbden gast-vry raeckt. Gast-vrij,
vrij van gasten. Vgl. Chtysw. vs. 301 vlgg.:
"Wilt ghy dan gast-vry wezen, zijt het,
En als ick \'t oock wil wesen, lijdt het;
Soo blijven wy van gastory
Ick vry als ick, ghy vrij als ghy.
Zie Verdam, Aant. De hier bedoelde gasten kunnen of de soldaten der
bezetting zijn, welke de Staten-Generaal te Emden onderhielden en over
wier aftocht voortdurend onderhandeld werd , óf do troepen van Mansfeld,
die in 1622 en \'23 Oost-Friesland brandschatten en het eerst in 1624
tegen betaling van l\'/2 ton ontruimden. Zie Wagenaar, X, 444. Is het
laatste bedoeld, dan verwart de waard Emden met O."Friesland. Het eerste
was van dezen inval vrij gebleven. — blinde laegh, bedekte, geheime
aanslag. Vgl. blinde klip. geluckigh, bij geluk. — bijder hand, tegen-
stelling van gelnrkigh; vgl. het mnl. bi enes handen, door iemands toe-
doen. Maurits is bij den aanslag van Stoutenburg niet door toeval aan
de moordenaars ontkomen, maar hun a. h. w. ontrukt. — Hoe dat hy
door een\' Bril, enz.
Waarschijnlijk toespeling op een destijds in omloop zijnd
praatje, als bezat Maurits eenen wonderbril, die hem alles deed ontdekken. \\
-ocr page 88-
Vs. 41—50. sijn\' dagen van sijn\' nachten, enz. Versta: het gevaar,
waarin het Protestantisme verkeerde, deed hem halve nachten waken en
die aan zijne dagen toevoegen. — \'t Christenrijck, het katholieke Spanje.
Hier dus in anderen zin dan in vs. 41. — \'t stut van sijn beknopt geweld,
den stuit paal zijner kleine (maar energieke) macht. — belendt, loopt uit
op. Zie vs. 18. — De voorspoed, enz. De waard stelt een dronk in op
Maurits. — halve Geus, lauwe, niet rechtgeaarde Geus. — wordt nemmer-
meer verslagen. Verslagen
dient hier opgovat als gedood, omgebracht.
Vgl. Het daghet in den Oosten:
Och lighdy hier verslaghen
Die mi te troosten plach.
Deze opvatting wordt vereischt door vs. 49: Leeft langh, leeft, enz. on
door vs. 52, waarin het sterven des prinsen eene nationale ramp geheeten
wordt. In het volgende: Die \'t nemmermeer en waert, dient \'t = verslagen
echter in den zin van overwonnen gebezigd. Wij hebben dus weer met
een der geliefkoosde woordspelingen van H. te doen. Ook lette men er
op, dat nemmermeer in de eerste uitdr. op de toekomst, in de tweede
op het verleden ziet.
Vs. 51—60. keurt, oordeelt, acht. eerste Boe, eerste kastijding; grootste
ramp. Men lette op de antithesis: laetste—eerste. — kelck die Koeyen kon\'
verschricken.
Bij dergelijke dronken ging een buitengewoon groote bokaal
rond. — Heken, fig. voor drinken. Thans nog bij het volk in gebruik
voor jenever drinken, geberght, geborgen. Duitschland wordt bij vooikeur
genoemd, omdat do Duitschers bekend stonden als sterke drinkers. Vgl.
een duitsche dronk. Denk om den 30jarigen oorlog. Maer \'t hert. enz.
Repliek van den dranklustige. — geweers, wapen, middel; genitief afh.
van wat. — daer \'t blijekens nood belast, wanneer de noodzakelijkheid
van het te doen blijken, u dit oplegt.
Vs. 61—70. den Mensvh. Lees hier onmiddellijk achter geschoncken.—
toe noch af. Toedrinken slaat op geluck; af drinken (afweren doordrinken)
op ongeluck. — droncken-doodt, smoordronken, van het drinken op des
vorsten gezondheid; fr. ivre-mort. — in onbewijnde vreughd. Vul aan:
preeckt. Onbewijnd, zonder wijn. .K7an&speling met onbeweend. Inhcthgd.
is de woordspeling unbeweint aardiger en dan ook veel gebruikt, schreven,
op de lei (de rekening). — stommelingh, stilzwijgend, bij zich zelven.
Vgl. Ken wijs Hocelingh, vs. 465. drooge les. Droog, omdat zij tegen het
drinken te velde trekt. — Geloof, crediet. Woordsp. met geloof, fides. —
gelden, geld uitgeven, vertering maken. Zie Mnl. Wdb. II, 1204.
Vs. 71—80. houdt hem op, houdt hem staande. II. brengt hier de
drie hoofddeugden, Geloof, Hoop en Liefde, nog al aardig te pas! Kist,
koffer, van eenen vreemdeling nl. — Sijn\' Oest-maand spelt met er.
Bilderdijk zegt, dat Oogstmaand (Augustus) de tijd was, waarop in
Holland de oestermaaltijden plachten in trein te komen. Tegenwoordig
-ocr page 89-
73
gelden als Oestermaanden, die waarin eene r voorkomt. Zij beginnen
dus met September en zijn ten getale van 8. De Franschen maken er
zelfs een calembourg van: huitre = huit r. Spelt men Oest met er, dan
wordt do naam der maand Oester on kan dus rijmen (sluyton) op oester
(huitre). Rime riche. Voor de weglating van g in Oegst vgl. men bij
Hooft: krijscolck, krijstiicht. — Castagnen sluyten oock. Bilderdijk bo-
weert dat dit referoin was:
Fransche most smaakt met Castagnen
Beter dan de Sek van Spagnen.
Ik betwijfel het, omdat in dit distichon Castagnen het rijm niet doet
stuyten. Waarschijnlijk werd in het door II. bedoelde rijmpje gezinspeeld
op de „constipecrende" uitwerking van Kastanjes (sluyten). Ik heb dit
echter niet kunnen vinden. Dat kastanjes gezegde uitwerking hebben, zegt
Nijlant in zijn Verstandigen Hovenier (Amst. 1711), bl. 63: sy stoppen
insonderheyt rauw gegeten de Buykloop. — Avond Most, avond-tractatie
op wijn. Most is nieuwe wijn, die nog niet gegist heeft. — aengroeyl—
Haen gloeyt. Dubbel of comisch rijm. Versta: van het drinken wordt
zijn gezicht zoo rood als de kam van eenen vertoornden haan. — Ge-
steenten,
graveel, steen; bekende ziekte; dus geenc edelgesteenten. —
Robijnen, roode puisten op den neus.
Vs. 81—84. voorspoet rekende, die het als een zegen beschouwde,
hoe meer last (van gasten) ik in huis had. — Groot schrijver, die veel
aanschreef (rekende); kleine Klerck, kleine geleerde, man van weinig
wetenschap. — in \'t geschrei, onder tranen (als ieder mensen dus), in
\'t gelagh.
Woordspeling van gelag met gelach.
EEN COMEDIANT.
Vs. 1—10. alle-man, voorsteller van alle personnages; vgl. Jan en
alleman, en zie Mnl. Wdb. I, 355. — Waer H hem den honger maeckt.
Men denke zich don tooncelspeler van toen, als lid „einer fahrenden
Bande". — Een Papegay om Go\'. Papegaai, omdat hij veel van buiten
geleerde woorden moet napraten, om Go, om Gode. Om Godswil! was de
geijkte term, waarvan de behoeftige zijne bede deed vergezeld gaan.
Om Go gaen, bedelen. Bred. KI. v. d. Molenaer, 6:
lek sou liever om Go gaen, eer ick heur sou dienen.
Kil. om Gode gaen; — bidden, om Gods wille bidden, mendicare, emen-
dicare; De Bo. Wvl. Idiot.: De blinde lieden gaen achter de strate om God,
clynckende met bellen. Zie verder Ned. Wdb. op God. Om Go, zal dus
hier willen zeggen om aalmoezen (het geld, dat hij van de toeschouwers
ophaalt), laccher van gebreck, grappenmaker uit nood. — Meerkat, aap;
waarschijnlijk uit Afrika overgebracht, meesterlicke Geck, een bekwame
hansworst. — Schildery die spreeckt, hij stelt een ander persoon voor,
is dus a. b. w. diens portret, spoock van weinigh1 neren. Gedurende het
-ocr page 90-
74
spel is hij de schim van dengene, dien hij voorstelt. — Print. H. cur-
siveert dit woord, omdat hij zelf de .Geprint van den Coracdiant
schrijft, verdueren, duur, duurzaamheid; zie Een onir. Medic., vs. (>9,
Aant. — Hypocryt om \'tjoek. Woordspeling met iir.or.pixr.^, tooneelspeler,
en hypocrite, huichelaar. Om Hjock, voor de aardigheid; de tegenstelling
luidt: om V wat of om H wats. Vgl. Hofiv. vs. 1002:
Soo docht mij, \'t was om \'tjoek gedobbelt of om \'t wat.
Zie mijne Aantt. aldaar, bl. 47. — drolligh, koddig. Aristip. Bilderdjjk
beschouwt dit te recht als eene toespeling op Horatius, Epist. 1, 1, 23:
Omnis Aristippum decuit color, et status, et res.
Hy is dat yeder. Dat = dat, wat. — Nae V noodiyh wesen moet, voor
zoover het noodig is.
Vs. 11—20. Sijn hert ontstijght, enz. Versta: Hij vergeet zijn waren
toestand, zijne eigenlijko positie niet, wanneer hij ook een vorst moet
voorstellen. — V geluck, lot, geval, toestand. H gulde midden, de aurea
mediocritas
, de gulden middelmaat, waarmede H. zooveel op heeft. —
mommen-hoofd, het hoofd, de „kop" dien hij zich gemaakt heeft. — op
en neder gaen,
tot een hooge of lage positie (rol) geraken; vgl. vs. 19.
niet bewegen, onveranderd, dezelfde bljjven. — De Werelt, enz. Denk om
het bekende versje van Vondel:
De Werelt is een speeltoneel,
Elck speelt sijn rol en krijght sijn deel.
mommen, zich verkleeden, comediespelen. — staen op sprekens rol, op
de rol der sprekende personages, stommen, zwijgende personages. — Veel
sweeten om gewin.
In de uitg. van 1672 staat sweeren. Drukfout. veeV
scheppen
\'< met de schop, velen hebben er geene moeite voor te doen.
Vs. 21—24. En missen dat hy moet. Vul hierachter missen aan en
versta: die missen kan, wat hij moet ontberen, maetelicken; dat. van het
bijv. nw. als bijwoord. — gelach, geval, gelegenheid. Wdsp. met lacchen;
vgl. Een Waerd, vs. 84. suer of soet, goed of kwaad. Vgl. Oogentr.
vs. 6, vlgg.
EEN ALCHYMIST.
Vs. 1—10. Alchymist. Iemand die den steen der wijzen zoekt of de
kunst, om uit onedele metalen goud te maken. De alchimie bloeide nog
in Huygcns\' tijd. Zie Hofw. vs. 2718. — raeren, gaan. Vgl. bedevaart,
kruisvaarder,
en de alledaagscho uitdr. Hoe vaart gij? Zie echter Mnl.
Wdb.
II, 1787. — wijse beest, specht. Hij wordt ironicè wijs genoemd,
gelijk gonoegzaam uit het volgende blijkt. Beest, bij H. meestal vrouwel.
even als \'t lat. beslia. Vgl. echter H.-St. 137 en 145. — t\' elcker. Het
bijwoord luidt in het Mnl. en bij Kiliaen Veiken. Ook bij Vondel komt
deze vorm voor, b.v. Pascha vs. 101; Gulden Winckel n°. 23. T\'elker
-ocr page 91-
75
is elliptisch voor: t\'elker maal of uur, gelijk felken, voor t\'elken keer.
hoopt. Het samentrekkingsteeken gebruikt H. bij dit werkw. en bij het
zelfst. nw. om het te onderscheiden van hoopen, haufen, en hoop, hauf.
gebickt; Bikken, hakken; het komt ook wel voor in de bet. van eten;
misschien in beide bet. verwant met bek. — Molendraecer, hij is als een
blind paard in eene rosmolen. — Snepper by den dagh, iemand, die
over dag snippen wil vangen (wat \'s nachts gebeuren moet). Vgl. Een
Woerd,
5: vincker. Jaeger bocen wind. Hij, die boven den wind jaagt,
wordt door het wild geroken en zal niets bemachtigen. Vgl. Hofw. vs.
2719: Goud-jagers, holl en doll. — inbreuck van de Schrift, iemand die
de Schrift doet liegen, daar zij den tekst: wie zoekt, die vindt (Math. 7, 8)
tot ecne onwaarheid maakt. Vgl. Een Bedelaer, vs. 8: een inbreuck van de
Werck-keur. — vergulde Stallicht. Stallicht, dwaallicht. Vgl. Hofw. vs.
48, 72. Verguld wordt het genoemd mot toespeling op het doel van den
alchymist; tevens wordt daardoor uitgedrukt, dat hij zich bedriegen laat
door schijn (verguldsel) voor waarheid (goud) te nemon. — krijgsheer,
legerbevelhebber, niet leger. Dit blijkt uit het volgende die. der Gouw,
elders ter Gouw =z Gouda. Woordspeling met den naam dezer stad en
het goud, het doel v. d. alchymist. Evenzoo Stedestemmen, I, 167:
Mijn Gouwe voert meer Gouds, mijn Yssel meer gewins,
Dan Tagus gulde grond ter borse van sijn\' Prins.
die eewigh voor de wal light. De steen der wijzen wordt bij eene on-
neembare vesting vergeleken.
Vs. 11—20. slemper, brasser, in kool en roock. Terwijl andere slempers
zich in spijs en drank te buiten gaan, benadeelt de Alchymist zijne
maag door de inademing van kolendamp. Vgl. Hofiv. vs. 2722. — Die
op H toekomend\'\' leeft, enz.
Versta: De A. besteedt al zijn geld aan zijne
proefnemingen; hij lijdt nu gebrek, om de kans van eenmaal rijk te
zullen zijn. — Een Heer van all, en niet. Hij waant zich heer van alles,
maar is het in werkelijkheid van niets. Toovenaer in H wilde. De wer-
kelijke toovenaar gaat te werk volgens vaste formules; hij daarentegen
probeert er maar op los. Vgl. Een boer, vs. 3: Een hovenier in Hivild;
Een A. Poëet,
vs. 9: een wilde Latinist. — Een Deken, een overste,
een eerste meester, een feniks. — Sijn wit, zijn doelwit, op \'t Scheppen.
Even ah God het heelal uit niets schiep, wil hij uit iets van weinig
waarde, goud maken. — gewint, bereikt; slaat op wit. Deze regel wordt
verklaard door de volgende. — spitst, scherpt, prikkelt, bedompt, ver-
dooft, doodt. Vgl. hiermede Hofw., vs. 115, vlgg. — dat hyjaeght,
wat hij tracht te bejagen, nl. het goud. — soo hy V hebben wil, enz.,
zooals hjj het erlangen wil, heeft het nooit iemand verkregen.
Vs. 21—30. Weiman, jager, hgd. waidmann. Vgl. weitasch, wei-
spel, en of het Wild is, en of er wild is. Versta: andere jagers weten
ten minste of er wild is, al zijn zjj niet zeker van het te zullen vangen;
deze weet niet waar het is, hoe (wat voor soort) het is, noch eindelijk
-ocr page 92-
76
of het wel wild is. — hoe raecken, hoe te raken. Vgl. Een r. Vrijst.,
vs. 42: wanneer van waer-raeck-aen; Een onw. Med., vs. 22: Hoe
raeck aen \'t grabbelen. — Afkomst, eoncr. nakomelingschap, kroost. Zie
Vondel, Leeuwend. vs. 665 en Xed. Wdb. I, 10\'J2. doen smelten van
verlangh,
doen kwijnen van verlangen. Elders beteekent verlangh ver-
lengen; b.v. Hofw., vs. 1178: de konst is in \'t verlangh. — En hadd\'
die klei gevat, enz.
Met dergelijke drogredenen troost hij zich. gedogen,
gedoogd, van doogen, deugen. Vgl. Oogentr. I, 258. Hofw. Aantt. 58. —
geduert, stand gehouden; m. a. w. ware het niet gesprongen. — ee«\'
goude pan geschuert, zijn huisraad ware lang van goud geweest. —
Hoop, hoop; woordspeling. Assen, Oorspr. vorm; lat. cineres. Het enkv.
asch is uit het mv. ontstaan. Zie Mul. Wdb. I, 476. — herdoen, op
nieuw doen, eene nieuwe proef nemen, kassen, geldkist; kassen voor kast
of kist; Heemskerck, Bat. Are. (1678) 65: Sjj langht voor1 een smulligh
smeerpotjen uit een bestoven kassen.
Vs. 31—40. Jt Plecht-ancker, noodanker, anker dat men op de plecht
zet, om het als laatste hulpmiddel bij de hand te hebben. Vgl. Het is zijn
plechtanker,
het is zijn eenigste, zijn laatste redmiddel. V. Lennep, Zee-
manswdb.
i. v. — Vorsten huys-gesin, hofstoet. dichten dwangh van eeden.
Omzetting voor: dwangh (geweld) van dichte d. i. menigvuldige eeden. —
vol vervloecks, vol vervloekingen; b.v. de Hemel straffe mij, zoo ik on-
waarheid spreek, met-bekrosen tuygen, getuigen, die mede besmet zijn
(door hetzelfde euvel), die ook aan de Alchimisterij doen; waarschijnlijk
de vs. 38 genoemde leerlingen, bekrosen van bekruysen. Vgl. Voorspraeck,
vs. 50. — helpt in duygen , weet ze open te breken, er een gat in te
boren, d. w. z. ze voor zich te doen ontsluiten, staele worden zij genoev^
omdat het iemand niet licht vergund wordt er in te tasten. — schaers,
niet licht, maer oock, maar toch ook nog. — drymael, voor den derden
keer. — stuyvers, opstoppers; figuurlijk gebruik van het bekende munt-
stuk. In Friesland nog: een stuivertje krijgen, voor: vallen op het ijs.—
stooters, schoppen, stompen; eveneens woordspel, met stooter (2\'/2 stuiver).—
Ontstelen sich H gedruys, maken er zich van door. Vgl. fr. se dérober.
Zie H.-St.
bl. 127. Maert, meid. Gewoonlijk leidt men maerte af van
Martha, de zuster van Lazarus. — hutspot, eten, spijs. Van hutsen,
afgeleid van hotten, stooten. Hutspot, door elkander geschud eten. Om-
trent hotten zie H.-St. bl. 133.
Vs. 41—4fc/. bed-gemael, echtgenoot, beddegenoot. gebroedsel, kroost,
kinderen. Selver. Omtrent dezen vorm zie H.-St. bl. 60. — in d\' assen
vindt hy dat.
H. bedoelt: door zijn aanhoudend stoken (onder de smelt-
kroezen) is alles in het huis van den alchimist met asch overdekt, tot
zijne vrouw en kinderen toe. Daar hun deze onder het gaan van het
lijf valt, wijst zij hem hun spoor aan. — V achterste vertreek, enz., het
krankzinnigengesticht. Men weet, dat gedurende de Middeleeuwen krank-
zinnigheid als eene straf des Hemels beschouwd werd en de ongeluk-
kigen, die er aan leden, niet veel beter behandeld werden dan misdadigers.
-ocr page 93-
77
Ook in H.\'s tijd was men in dit opzicht nog niet veel verlichter. —
half-vasten, half rantsoen. Woordspeling met een bekend feest der R.
Katholieken. — geklemt, vastgeschroefd, verlamd. — beter schepselen,
enz.
Versta: die, niet tevreden met wat God yoed geschapen heeft,
het geweld aandoet, om er iets slechters uit te maken. Goud immers kan
dikwijls schadeljjk zijn.
EEN DWERGH.
Vs. 1—12. van bijds, van nabij. Zie Hofw. Aantt. bl. 30 en 65.
Een matroos, vs. 80. Aant. — poppen-Oliphant, speelgoed-olifant, olifant
in miniatuur. Schier heel hoofd, bijna niets dan hoofd; omdat het hoofd
der dwergen meestal zoo groot is in vergelijking met hun lichaam, vol
spijts.
Dwerg.\'n zijn veelal kwaadaardig. — in \'t venster yet van aensien,
wanneer men hem voor \'t venster ziet, en dus het benedenste gedeelte
van zijn lichaam niet bemerkt, houdt men hem voor een volwassen per-
soon. — Dutjcels-brood, paddestoel. Gnomon of kabouters worden wel
onder die gedaante afgebeeld. Vgl. Hofw. vs. 1413: Het schielick witte-
brood dat nae den Dut/vel heet. Aant. bl. 66. Dat yeder een moet
aensien,
dat de oogen van iedereen tot zich trekt. — mijnen, koopen.
Vgl. H.-St. bl. 101. derft, durft. Vgl. Voorspr. vs. 101. — ronde mid-
dagh-scha\'uw.
Daar de zon dan op het hoogste is, zijn de schaduwen
der voorwerpen klein en gedrongen. — Zieldoos, lichaam, omhulsel der
ziel. volle kort, heel klein. — kloot by een\' kegel. De bal is kleiner
dan de kegels. — Als dit ceers by een\' keers, het gedicht is klein in
.gelijking met eeno kaars, die lang en smal is. Aardig stelt H. door
den vorm v. h. gedicht de gestalte van een dwerg voor, met groot hoofd,
kleinen romp en korte beenen.
EEN ALGEMEEN POËET.
Algemeen poëet, gewoon alledaagsch dichter, Verzonlijmer. Er zit iets
minachtends in, gelijk in: Eene algemeene vrouw (fille publiquo); Wes-
terbaen, Ock. 57. — Primnm, etc. Vooreerst sluit ik mij buiten het getal
dergonen, wien ik den naam van dichters geef. Horat. Sat. I, 4, 40.
Vs. 1—10. maelt, ronddraait. Vgl. Zeestraet I, 411: \'Vert Ghy niet
wervelsieck van dat mal-mole-maelen. knarst, geluid geel . \'— hetonvoor-
sienst,
het slechtst voorzien, \'t vennoedste, het meest vermoeid. Longer,
long. Zie Een onw. Med., vs. 62. — Waarsegger. Waarschijnlijk tocspe-
ling op het bekende Sunt enim vates poetae: dichters zijn zieners. Ove-
rigons is de bedoeling van dezen regel: Hij haspelt waarheid en leugen
door elkaar (b.v. bij lofdichten) om zjjnon honger en dorst te stillon.
Vgl. Een Printschr., vs. 6. — aller poerden Sael, een zadel, dat op
alle paarden past; tig. voor iemand, die met alle winden waait, die
iedereen naar don mond praat, kruyper, flikflooier. — vlieger, hoog-
-ocr page 94-
78
vliegend vernuft, muffer, mijmeraar. Zie Halma i. v. muffen, suffen,
mijmeren. Kiliaen geeft het werkw. muffelen en moffelen, balbutire,
buccas movere; dus mompelen. Zie De Jager, Freq. I, 400. De dichter
wordt zoo genoemd, omdat hij, steeds bezig met het „verzen lijmen",
in zich zelven mompelt. — suffer, hij zit meestal in gepeins, omdat hij
bezig is met rijmen. Vgl. Coster, T. o. d. Schild, vs. 884: lek mach
dus suf, dus muf, niet hanghen over den haert. ulijereed bedichter,
iemand, die gereed is op alles een vers to maken. — wilde Latinist,
half geleerde. Hij kent een beetje latijn, maar is er niet in doorkneed.
Wild beteekent eig. ongeregeld. Vgl. Ho f tv. vs. 520: Wild zijn de
schoten; hgd. die wilde Jagd. — windigh wangeback, opgeblazen mis-
baksel. van Semelen, in plaats van uit meel bestaande.
Vs. 11—20. Van Rijm of reden een. Vgl. met dezen regel Oogentr.
288; Hofw. 296. — Besnijdt, belemmert, ontneemt. Vgl. fr. couper.
Couper a quelqu\'un la parole. Versta: ontneem hem zijne dagelijksche
wandeling en het genot der eenzaamheid en breng hem in de drukte
van het verkeer: door zijne verstrooidheid zal hij de menschen niet zien. —
tuytt, galmt. — dag\'licks Dicht, do verzen, die hij door den dag gemaakt
heeft. — ringelts\' achter aen, hij loopt ze al rammelend achterna. Rin-
gelen
is hetzelfde als rinkelen. Zie De Jager, Frequent, i. v. Het is
echter tevens eene wdsp. met ringelen, kwellen. Ibid. Vgl. Beaumont,
Ged. bl. 65:
\'t Huys wort hy van syn wjjf geringelt als een kind,
en ons ringelooren. — refereints\' in swijm, dreunt hun verzen op, dat
ze er duizelig van worden. Referein, eig. de telkens wederkeerende slot-
regels van een couplet; dan het geheele gedicht. — min doorsichtige,
die weinig doorzicht hebbon, onoordeelkundigen. \'t klappen, klinken. —
die hem draegen, die zijnen roem verbreiden.
Vs. 21—30. kiese klem, kieschkeurige opening, spleet; over kies zie
Verdam, Ned. VI. III, 103. Klem, nauwe doortocht, zie V. Dale.
ff oor e. Oore, eig. onzijdig, word ook voor vrouwelijk aangezien; van-
^> daar ter oore. — schat der wederschapen dieren. Ovidius\' Metamorphoses
of Gedaanteverwisselingen. Letterkundige verzamelingen werden in hot
latijn vaak thesaurus, schat, genoemd, b.v. Plantijns Thesaurus teu-
tonicae linguae.
Zoo ook Spiegel = speculum. — \'t all, .dies.
\'t koel versieren. Omzetting voor: \'t versierde koel. Koel, eig. frisch,
hier voor nat; gevolg voor oorzaak. Bij Kiliaen en Halma koelvat =
spoelvat,
aquiminarium. Dus: de verzonnen, (versierde, eig. visierdo)
fabelachtige bron, waarschijnlijk met toespeling op het volgende, daer
\'t water Dichters maeckt. Water
schijnt hem te koel, om poëten te
bezielen; daar is druivennat beter toe in staat. — dubbel-topten Berghs,
de Parnassus, een berg met twee toppen in Phocis, welke voor de verblijf-
plaats van Apollo en de Muzen werden gehouden. — Dat sweert hy bg
sijri1 pen.
Versta: bij zijne dichtpen, als teeken van zijn beroep. Vgl.
-ocr page 95-
70
Oofjentr. 284: lek stceer het op myn boeck, en mijne aant. H.-St. bl. 154.
Midas loon van ooren. Midas, koning van Phrygië, kreeg van Apollo
een paar ezelsooren, omdat hij Pan\'s toonkunst hooger had gesteld dan
die van Apollo. — Bevindt hij mogelick, komt hem voor mogelijk te
zijn. doch schrickfer van te hooren, hij hoort daar niet gaarne van,
omdat hij zich bewust is, dat degenen, die hem prijzen, eigenlijk
ook zulk een paar ooren verdienden. — De moeyelicke vretighd, het
kommervolle genot. Tantals wan-besit. Tantalus wordt, zooals men weet,
in de Onderwereld voorgesteld als badende in genietingen, maar zonder
ervan te kunnen gebruik maken. Terecht noemt II. dit wan-besit, ave-
rechtsch bezit. — gevoelt hij soo vervult, aan zich zelf bewaarheid. Deze
beteekenis moet men afleiden uit eene vervulde belofte, eene vervulde pro-
felie. H Eenig wit,
het mikpunt, Ie point de mire.
Vs. 31—40. Des Dichters, nl. der Metamorphosen. — H rijckelick
gebreck
, overvloedig, dus nijpend gebrek. Let op de antithesis. — Ac-
taeons hooge kroon
, horens. Acteon, die Diana in het bad bespied had,
werd tot straf door haar in een hert veranderd. — Dat \'s voor sijn
Lessenaer, enz.
Versta: Zijne vrouw kroont hem met hoornen, omdat
hij \'s nachts bij haar ligt te rijmen, in plaats van „zich te kwijten van
den huwelijksplicht." — versett den hoon, stelt zich schadeloos voor dezen
smaad, troost zich over den hem aangedanen hoon. versetten, Kil.
ruilen, bedeckte wegen, heimelijke samenkomsten, rendez-vous. — met de
gulde klucht van Jupiters geregen.
Omzetting voor: de klucht van J.\'s
gulden geregen. Geregen, regening, daad van regenen; dus = regen.
Vgl. gehagel, gedonder, gelach, geween, enz. Toespeling op de fabel
van Jupitcr en Danaë, io wier schoot de God nederdaalde in den vorm
van een goudregen. De bedrogen echtgenoot troost zich met het geld,
dat het wangedrag zijner vrouw opbrengt. — 7 geslacht, de oorsprong,
de afkomst, de vinding. — gedaelt. Hierbij dient is aangevuld, hetwelk
uit al sitse enz. te abstraheeren is. Zie Stoett, Mnl. Synt. § 456. —
hooft-stuck, pronkstuk, toonbeeld. Vgl. Een goed P:vd., vs. 10: een
voor-hooft aller tolcken. wien staet het aen te trecken, wien gaat het aan.
Vs. 41—42. Dat yeder een bespot. Dat, ace. als voorwerp, en yeder
een wil zijn.
Hierbij dient ook dat verstaan , doch thans nomin. als gezegde.
De s\'n is: iedereen spot met de dichters en toch wil ieder op zijne beurt
wel dichter zijn.
EEN MATROOS.
Vs. 1—10. Waterkat. Do benaming luidt eigenlijk waterrat in tegen-
stelling met landratten, zooals de niet-matrozon spottenderwijs genoemd
wordon. Huygens maakt er met zijne gewone snelheid van combinatie
kat van, wegens het vlugge zijner bewegingen en zijn klimmen en klau-
teren langs masten on touwen, naer den aerd, die drijvende beweeght,
-ocr page 96-
80
op de manier van den sleep wals, die in Huygens\' dagen in de mode was.
Vgl. Oogentr. I, 282:
heel onlanks ging men holl
Gelijck de Noord-zee gaat; nu is men droomigh doll.
De eigenaardige, wiegelende gang der matrozen wordt hierdoor geken-
schetst; gelyk uit het volgende een wieg\'ling met een1 baerd duidelijk
blijkt. — Wieg\'ling. Persoonsnaam; iemand die gewiegd wordt, in do
wieg ligt. P. Moens, Oldenb. 31:
Uw wiegelingen zaagt ge in moeders arm ontzield.
Zie vorder De Jager, Frequent. I, 894 en Meycr, Woordenschat i. v.—
Mensch-gevallen Visch, Een visch, die toevallig een mensch geworden
is. Vgl. Hofw. vs. 62:
Die Staat- of Lettervolck, of Krijghslui konden vallen.
en v. 1681 vlg.:
waerom de Meid geen jongen,
Do beste slagh, en viel.
halv Aeneas Oom, een halve oom van Aeneas, den door Virgilius bezongen
held. door \'t maeghschap van de baeren. Hierin schuilt waarschijnlijk eeno
dubbele toespeling: de matroos kan een verwant van Aeneas worden
genoemd, omdat hij evenals deze op de baren rondzwalkt, of omdat
hij een kind van de zee is even als Venus, de moeder van Aeneas, die
zooals bekend is, uit het schuim der golven oprees. — genand, met
paragog. d of t voor genan (genaam) naamgenoot. Vgl. Een wijs Hove-
ling,
vs. 150. Zie Ned. Wdb. IV, 1497. — Kabel-gauw, de gauwigheid,
behendigheid om mot kabels om te gaan. Zoutelooze woordsp. — Zeesche
Korenbloem.
Korenbloem op zee. Zeesch, klanksp. met zeeuwsch. Zeeland
is bekend om zijn graan. Grauw onder, boren blauw. Aldus, wijl de
matrozen eenen blauwen kiel on eene grijze broek droegen; de koren-
bloem heeft een grijzen stengel en blauwen kelk. — Hel en Hemel-
naecker,
in dubbele beteekenis. Nu eens verheffen hem de golven
hemelhoog, dan weer werpen zij hem in den afgrond. En: wegens het
gevaar van sterven, waaraan hij blootstaat, kan hij elk oogenblik ton
hemel of ter helle gaan. Op de eerste beteekenis wijst: een kaets-bal van
den wind;
op de tweede eer \'t gemand deneken derft. — keurlick kaerten-
maecker, die op sijn oogen sweert.
Hij zou de stroken, die hij bevaart,
in kaart kunnen brengen, trots don besten cartograaf; doch in stede van
opmeting bij triangulatie, gaat hij slechts met zijne oogen i„ rade. —
pellegrim, bedevaartganger, reiziger (van peregrinus), vreemdeling. —
arger Argos-maet. Argos-maet, Argonaut, matroos van de Argo, het schip,
dat naar Colchis voer ter bemachtiging van het Gulden Vlies, arger,
erger, vermeteler; klanksp. op een schoonder brugd. Datgene, waar men
naar streeft, wordt wel voorgesteld als de brugd, waarom men danst.
De matroos tracht werkelijk goud te verdienen, terwijl do Argonauten
slechts het fabelachtige gulden vlies op het oog hadden.
-ocr page 97-
81
Vs. 11—20. Hy dobbelt tegen H lot, enz. Versta: Hij waagt zijn leven
in eene loterij, waar hij honderd kwade kansen heeft tegen tien goede. —
sold, soldij; hgd. sold. Hiervan soldaat en .soldenier, plas-danrk, niet
zooals Bild. hier aanteekent plaatsdank, of van Vloten, praatdank (van
\'t hgd. platzen nog wel!) maar playsdank, waarvan het eerste lid de
stam is van plaisir, in de oudere beteekenis van behayen. Het betee-
kont eigenlijk de uitdrukking van welbehagen uit den mond van den-
gene, wien men aangenaam heeft willen zijn. Hier eenvoudig voor
belooning. — Eer is sijn ooyh-wit niet. De eer wordt eerst later zijn
oogmerk, als, enz. tot dat hy thienmaal schrap, enz. Versta: tot dat hij
cordaat een vijftigtal kogels en evenveel sabelhouwen heeft opgevangen. —
distelen, zwarigheden, gevaren. Vgl. Ken Koningh,VB. 47: Vergulde distelen. —
de yulde boeyen, de guldon keten v. h. gezag. De gebieder immers is vaak
meer gebonden dan zijn ondergeschikte. Misschien toespeling op den gouden
ketting of band der vlootvoogden. — leek\'ren last, zoeten last. het noeste
toepad leidt,
dat de naaste weg is naar. Vgl. Oogenlr.l, 261: ons toepad,
on ons recht; K. I, 47: en toepad van den wegh; zie verder K. I, 230,
555. — Nue.ld\' en Roers-beleid, stuurmanswaardigheid. — betreckelick, niet
zooals B. wil, valsch , bedriegelijk; maar als altijd , aantrekkelijk, bekoorlijk,
verleidelijk.
Vgl. K. I, 66 ; II, 44. — Deughds gevolg, het loon van verdienste.
Vs. 21—\'M). Om hooger op te sten, om naar hooger te streven. Hy
woekert,
hij wordt wakker. Hier intransitief gelijk meermalen. Vgl. De
Jager, Freq.; Westerbaen, Ged. I, 109: Sy wackren op de loop en rennen
door de wind. vermaen, toespraak. — \'s Hemels hooger hand, enz. Men
lette op de allitteratie en tevens op de tegenstelling van hooger hand en
hooge hooft. — Hy heeft sijn naeste man, Hij wordt als het naast bij
den vlootvoogd staand (en dus als het meest tot de opvolging gerechtigd)
beschouwd, die, enz. — kan. Foutieve dooreenmenging van kan en kent. — s
betrilt.
ïegenst. van besweet. Versta: die het grootste aantal tochten in
\'t warme Zuiden en het koude Noorden heeft gedaan. Trillen, rillen.
waer en traerheen, enz. die de landen van den zonsopgang (het Oosten)
en van haren ondergang (het Westen) kent en den weg, welke er heen
leidt. — stellen, steilten, hoogte van het oppergezag. Vgl. Hof-w. vs. 2526;
en K. I, 149; 444; 565. — Een1 vlotte Republyck, een drijvend gemeene-
best. Men zou kunnen vermoeden, dat hier de republiek der Vereenigde
Gewesten bedoeld is; doch ik acht dat niet waarschijnlijk en versta het
van de vloot, waarover hij het bevel voert. In de uitgave van 1625
staat, in plaats van zeilen, zeil-keer, en dit doet m. i. zien, dat de -"
\'Hoeling is: waarheen hij zich wendt, moeten de overige schepen volgen.
• w bonden, gebonden, tot gehoorzaamheid verplicht. — bedondert, met
kanonvuur begroeten; behugelt met musketvuur. — lust hem meer be-
xcheeds,
is hij hiermede niet tevreden, van bijds, van nabij. De vorm
moest eigenlijk luiden van bijs. De inlassching der d is waarschijnlijk
ontstaan naar analogie van van wijds =. van verre. Vgl. Een dwergh, vs. 1.
Vs. 31—4ö. boonen. Zoogenoemde blauwe boonen of kogels, die na
kijmaki., lluyyens1 Zede-printen.                                                            (i
-ocr page 98-
82
den blixem riecken, van wege den zwavel van het buskruit. Vgl. Voorh.
vs. 121, vlgg. — vol tegenwoordigheits, van geest nl. — redelicken, door
de rede getemperd, schrickelick, ontzaginboezemend. In omgekeerden zin:
K. I, 167. bescheit, beleid. — Men sterft hem rondom af, zijne ma-
trozen sneuvelen rondom hem. — feller macht dan\'\'drymael sijns gelijck,
meer dan driemaal grootere macht, versch als onverwacht, nieuw en
plotseling in het strijdperk verschenen. — solfer-kuren, buskruit, yrain
de poudre Vgl. koren en korrel. Vgl. Voorh., vs. 125 vlgg.:
Dat syn geele Solfer-cruymen.
Dat sijn snelle fücker-Sout,
Selden loot of yser ruymen,
Sonder uw vercoolde hout.
Vs. 4-1 — 50. van sich, van zich af. en meer als ons. Versta: nog andere
dan ons. — voor uyt, vooraf, het eerst. H laetst hekarmen. H laetst
nl. sterven; zij zullen na ons hunnen dood te bejammeren hebben. —
Naest rijck, enz. Versta: Kan men niet met buit beladen en ongedeerd
naar huis keeren, om daar den eerekrans der overwinning te ontvangen,
dan is het ook eervol den vijand al sneuvelende nog te verslaan.
onverseert, ongedeerd. Vgl. Ooyentr. I, 275: verseeren. — ontscheuren.
Zie H.-St. bl. 127. — Vromigheit. Dapperheid, gelijk altijd in het Mnl.
Vs. 51—60. bewesen, heengewezen, besteld, geplaatst. Lsp. I, 15,
37. Var.: Die siele keert te hant, daerse God bewijst. — Sijn\', des
lleeren, zijne soldaten. — de Ronde, ter aflossing nl. — Gen orden, is
gewis.
Wat eenmaal gebeurd is, kan niet meer ongedaan gemaakt
worden. Te worden, wat nog worden, nog gebeuren moet, het toekom-
stige, kan nog anders uitvallen, dan men denkt. — Wat kand\'er, enz.
Vgl. hiermede ons spreekw. van de lip tot den beker is een wijde weg. —
schooren, onderschragen, staande houden in den tegenspoed. — stuyten,
tegenhouden in den voorspoed; schorten, ophouden, omhoog houden. —
En beryen Israël, enz. Toespeling op het gebeurde bij den uittocht uit Egypte.
Vs. 61—70. \'t v0G*- en v Naer, enz. Versta: uwe handelingen in
haren gansenen omvang. — averechts (koen), stoutmoedig in ongunstigen
zin, roekeloos, verbaestheit, ontsteltenis; Ned. KI. Il, 25,5. — Een
sachter ongevoel, enz.
Versta: de gevoelloosheid van den dood verkiezen,
als zijnde zachter. Vgl. K. I, 23, 534. Hofw. bl. 27. — En trachten
na de winst, enz.
Versta: en het voordeel najagen, hetwelk gelegen
is in het lijden eener kleine smart in plaats van eene groote. — v.a*
de rechte vrees van boven vreemd.
Wij zouden thans zeggen • y,;
te wezen aan de billijke vrees voor God hierboven. — Wat „oei ,n wij
den dagh, enz.
Doch waarom nog langer naar bewijsgronden gezocht
voor iets, dat zonneklaar is (helder en duidelijk, als \'t licht der zon oj»
den middag). — De Waerheit, God zelf (in de X Geboden).
Vs. 71— 74. Noch heeft de Manheit plaets. Er is toch nog plaats voor
manmoedigheid d. i.: Men behoeft daarom geen lafaard te zijn. — Ont-
-ocr page 99-
83
haeltse. Hij, die den dood rustig kan afwachten (zonder hem roekeloos
te zoeken), haalt hem ver genoeg af, d. i. gaat hem ver genoeg te
gemoet. — dat \'s. Dat (het lijden van den dood) is tijdig genoeg op
het uiterste oogenblik. — Maer \'t Merven, enz. God zendt u den dood,
of doet hij dit niet, dan is het voor u beter te blijven leven.
EEN BEUL.
Vs. 1 —10. Ambachtsman. Denk om: beulenhandwerk. Die niet en doet
als recht,
wdsp. De beul immers oefent het scherpe recht uit. — scherpe-
suere saus.
Amperzure toespijs, zouden wij thans zeggen, van den bitteren
laatsten schotel (den dood nl.). In gerecht zit weer eene wdsp. — slagh-
knoop.
Aan het lederen uiteinde eener zweep bevindt zich een touwtje,
dat de slag genoemd wordt, en aan het uiteinde hiervan steeds een knoop.
H. noemt den beul waarschijnlijk aldus, omdat hij \'t laatste woord spreekt
van \'s konings macht, even als de slagknoop het uiteinde is van de
zweep, toppen, tollen. In \'t Vlaamsch heet de tol nog top. In \'t Z.-Limb.
is iesdop = tol. Bij Kil. dop naast top. — Chirurgijn in H gros, heol-
meester in het ruwe. koppen, wdsp. Koppen beteekent zoowel koppen
zetten
(heelkunde) als den kop of het hoofd afslaan. Oudem., i. v.: Waarom
heeft de R. Kercke so menigh duysendt menschen doen branden endo koppen?
Voor de laatste beteokenis vgl. nekken, villen, schillen, enz. en \'t mnl.
hoveden (onthoofden), hgd. (dial.) haupfen, eng. to head. In Z. Limb. wordt
koppen nog aldus gebruikt. — Snijder. Iemand, die halzen snijdt of kerft.
Wdsp. met Snijder, kleermaker. Maeyer boven H gras. Aldus wordt
hij genoemd, wijl hij zijn zwaard zwaait ter hoogte der halzen, dus
stellig boven de grashalmen. — quyl. Speeksel. Bij het touwslaan, even
als bij het spinnen, worden de vingers telkens met speeksel of water
bevochtigd. Het koord, waarmede de beul de misdadigers opknoopt, is
dus volgens H.?s voorstellingswijze een product van speeksel en hennip.
Het touwslaan noemt hij zelfs met een door hem gesmeed werkw. kennip-
quylen.
Zie AT. I, 168:
                                       , ,
Daer oeffen ick mijn Jeughd op \'t noodigh kennip-quylen.
De juistheid van bovenstaande verklaring wordt ook bevestigd door Cost.
Mal.
vs. 280, alwaar H. van den arme zegt:
Die met het ring-geraes dat uwe hand begraeft,
Sijn uyt-gequylt gesin van spinnen sagh ontslaeft.
K1m Veerman. Schuitevoerder van den Dood, daar hij de zielen naar de
w\' """«ld stuurt, even als Charon, de veerman van den Styx. — Op—
naer, behalve, uitgezonderd. Salvers, Heelmeesters, dokters. Vgl. lap-
zalvers. die beginnen,
die dus de kunst nog niet meester zijn en door
hunne verkeerde behandeling veel menschen doen sterven. Zie Een onw.
Medic.
vs. 18, vlgg. — eerlick, met eere, zonder de smet, die aan
den naam van moordenaar kleeft. Vgl. Een Gesant, vs. 1: Hij is een
eerlick spie. begost, begonst, begonnen. Zie Een onw. Med. vs. 63, Aant.
6*
-ocr page 100-
84
Vs. 11—20. Ten zy het scherpe recht, enz. Versta: Tenzij hetscherp-
rechtersarabt in zijn geslacht erfelijk zij. Zonen van beulen waren dan
genoodzaakt hunne vaders in hun bloedig bedrijf op te volgen. — Het
udelicke bloed.
Het woord adelick wordt hier op het bloed van den beul
toegepast, omdat wegens de erfelijkheid van het scherprechtersambt in zijne
familie hij erfelijk beulenbXoeA in zijne aderen heeft, even als een edelman
erfelijk graven- of baronnenbloed. Adel bet. eigenl. geslacht. Zie Ned. Wdb.;
adelick bloed
dus letterlijk yeslachtsbloed. Vrije wapenkonsl, ridderhand-
werk, tegenover de gedwongen hanteering van het zwaard door den beul.
Versta dus: zoo stroomt in zijne aderen even goed adellijk bloed, als dat
(van den werkelijken adel), hetwelk van de goedgunstigheid der vorsten
schild, loof en helm verkreeg voor de vrije uitoefening v. h. wapenhand-
werk. — Schild, het wapenbord. Aangaande Loof en Helm, zie: Eene
rijcke Vrijster,
vs. 25 vlgg. — vroegh yekromt, enz. Versta: vroeg ge-
oefend, om later bekwaam te zijn; Mnl. Wdb. 3, 31: \'t Hout sal vroe
crommen dat ten hake sal gedijen; dattet geerne vroech crommet in \'t
wassen, dat een goet haeck werden sal. — Soo leert hij, enz. Versta:
Men leert hem zich oefenen in het afslaan van hoofden op appels, die
op eenen staak geplaatst zijn, en in het geeselen, op steenen leeuwen
en pijlers. — Verwesen, veroordeelde. Vgl. H.-St., 99; Hofw. 46, 55.—
schrickt hem, verschrikt hem, boezemt hem vrees en afkeer in.
Vs. 21—30. Door-oejfeninyh, langdurige, aanhoudende oefening, voor-
hooft ,
den moed, de koenheid. Vgl. fr. avoir Ie front de. Deze regel
wordt door de volgende verklaard. — in \'tbeyaep. Versta: wanneer zij in
het openbaar optreden en de blikken der omstanders op zich gericht zagen.
beyupen, met open mond aankijken. Vgl. Vondel, Leeuwend., Voorr. vs. 61:
En beschimpe een kermiskinckel
Die hier tent en poppewinckel
Komt beyaepen uit het groen.
bewalmt, overwelmd, bevangen, beknepen, bekneld, yedemt, smoren,
krachteloos, amechtig maken. Dempen is het fr. su/foquer; da.a.T\\a,n dempiy,
thans dumpiy, kortademig (van paarden). Aangaande lonyeren zie: Een
onw. Medio.
vs. 61. — haer van heter yeyrepen, hen van henzelven
gerukt, hun hunne zelfbeheersching doen verliezen. Vgl. Ooyentr. I,
259: en stal ons uyt ons; en mijne aant. H.-St. 127. — tastelicke reen,
tastbare redenen. — Den een des anderen Wolf. NI. wijl de eene mensch
den anderen bang maakt. Toespeling op 1\'lautus, Asinaria, II, 4, 88:
Lupus est homo homini. van een, van elkaar; vgl. achtereen, achter elkander.
Vs. 31—40. Veryevelicker. NI. dan bang te zijn om in \'t openbaar
op te treden, is H die, is het voor hem, die, enz. mensch\'lick yrouwen,
de met de menschelijke natuur overeenkomende afkeer. — Godes maeck-
selen,
schepselen. — H schrickelicke Dier, de Hydra, die men het
„volk", de gemeente, noemt. — bestaen, volstaan. — Sijn recht, enz.
Versta: Terwijl een rechter volstaan kan door eenvoudig recht te spreken
en zich niet te bekommeren heeft over de gevolgen, moet de beul bij
-ocr page 101-
85
de uitoefening van het recht er nog voor zorgen, dat hij het goed d. i.
handig doe, of\' hij verkeert in dadelijk gevaar. — \'t steenigegejouw, het
uitjouwen en met steenen werpen (door het gepeupel). — Op \'t kraecken,
wanneer de strop breekt, \'t sagen, wanneer hij het hoofd niet met een
slag af houwt, maar twee- of driemaal slaan moet, zoodat het zagen
lijkt. — lijdt sy laat, wordt zij onderdrukt, d. i. wil men haar niet
bekennen, beknepen, bekneld. Vgl. boven vs. 27. — \'t heek van ijser-
harde tanden.
II. teekent hierbij zelf het zoo bekende Homerische
spwi óSèvzutv aan.
Vs. 41—50. der logenen beklem, de bezetting, het pantserkleed der leugens.
Het woord beklem schijnt elders niet voor te komen. Vgl. echter beklemrech/,
beklem brief. — dwers,
verkeerd, zoodat zij moeilijk te voorschijn te halen
is. Beeld aan het baren ontleend. — Touw staat in verband met slaet;
Tangh
met nijpen; Hijsen (roeden) met geeselen. — Verbonden. Hierbij
heeft eene ellips plaats. H. bedoelt: verbonden (gehoorzaam) aan den wil \'•
zijner lastgevers, als de bijl aan den wil van dengene, die haar hanteert. •
Vgl. Een matroos, vs. 28. In den zin van het hgd. ich bin ihnen sehr
verbanden
(dankbaar), komt i ei bonden ook bij ons wel absolute voor. Zie
Oudem. Wdb. i. v.: Ik ben voldaan en zeer eerbonden om deeze eer. —
bewoelen, hier, hot woelen op, het wroeten in iemands lichaam. Gewoon-
lijk komt hot voor in de bet. van omwoelen, omwikkelen. Zie Uitleg/e.
Wdb.
i. v. — in \'s Heeren last, terwijl hij den last van zijnon Heer
ten uitvoer brengt. — geen, niet eene. De ontkenning dient dan
echter bij soo haest getrokken, waardoor de zin eigenlijk bevestigend
wordt: zoodra de wraakzucht toegang tot zijn hart vindt, is zijne rechts-
oefening eigenlijk geen recht meer, al is zij in zich zelf juist en billijk.
Ter verduidelijking zijner meening plaatst H. hierbij de volgende aan-
haling uit Plessis, Meditat. in Ps. 101: ,Un Prince faict exécuter un
meschant justement; mais il est meu d\'animosité plus que du faict.
L\'oeuvre est juste en soy. Celuy qui Ie faict, injuste néanmoins. 1\'our
son regard il est homicide. Ce n\'est disje plus un criminel, qu\'il faict
exécuter; c\'est son prochain qu\'il tue."
Vs. 51— 54. Soo door den dicken dijck, enz. Vgl. hiermede een door
Beets in zijn Poëzie in woorden, bl. 114, medegedeeld opschrift v. Huygens,
dat uit 80 woorden bestaat, waarvan elk met eene D begint. — Hg is
aen andere, enz.
Versta: Hij doet aan anderen, wat anderen aan zich
zelve doen, nl. pijnigen. — Een yeders Beul sijn Hert. Lasch achter
Beul is in en versta: Iedereen heeft een Beul in zijn eigen hart. — on-
beknabbelt,
zonder knaging of wroeging.
EEN BOER.
Vs. I—10. d\'aller eerste. Adam, ons aller stamvader. H. redeneert
aldus: Adam is, als eerste mensch, de stamvader der edellieden en dus
-ocr page 102-
SC,
ook een edelman; daar nu echter Adam niets anders was dan een land-
bouwer, verschilt de staat van een boer niet van den zijnen en is deze
dus even goed een edelman, als Adam. — of hy \'t al beheerste, ofschoon
hij heer was der geheele aarde. Vgl. vs. 95 : en Caesar heerschten \'t all. —
Beploeghde\'s, \'s = des, daarvan. — Hovenier in \'t wild, tuinman in
\'t ruwe. Vgl. Ken Alchymist, vs. 13: P]en toovenaar in \'t wild; en Een
Beid,
vs. 4: Ken Chirurgijn in \'t gros. Waar de hovenier spit en (/raaf/,
scheurt
de boer het land open met den ploeg; des laatsten egge is ook
slechts eene grove hart; de tuinman snoeit, de boer maait. — Oroote-
Moeder,
aarde. Vgl. GW. Mal. I, 76:
Een overladen oor met oude-moeders beenen (steenen).
Een Mensch die niet en is, enz. Versta: een mensch, die slechts bestaat,
om mensch te zijn, en niets meer, d. w. z. om zijn natuurlijk leven te
leiden, zonder hoogere ontwikkeling. — En helpen \'t and re zijn, hij bezorgt
hun immers het noodige levensonderhoud, een volle man in \'t wesen,
een heel man in werkeljjkheid, waar het op werken aankomt. — by
ongevall,
zonder dat hij \'t helpen kan, bij toeval, onverhoeds. — braecht.
Verwijs. Ned. KI. III, bl. 91, 4: „Om de moeilijkheid, waarmede het
gepaard gaat." Mij dunkt, dat het beter door fiajif er uit kan weerge-
geven worden: de boer brengt het wijze woord niet met moeite uit, maar
het ontsnapt hem, valt hem onwillekeurig uit den mond. — ripst. Oude
en juiste vorm voor ons rispen, hgd. reupsen, mhd. raubzen. Zie H.-St.
bl. 45, vlg.; braecken en ripsen, beide onhebbelijke woorden, gebruikt
H. hier, omdat de boer, al uit hij ook scherpzinnige gezegden, dit toch
in ruwe, onbeschaafde taal doet. een\' vlaegh, eene gulp; overdr. een
gezegde, suypen, zuigen, opmaken. Suypen had in de XVHclc eeuw niet
noodzakelijk de bet. van onbehoorlijk drinken, die wij er aan hechten. Vgl.
Vondel, XIII, 32 : Zij heeft den koelen dauw gesopen; en tal van voorbeelden
bij Oudemans. Verwijs\' aanmerking vervalt dus. — buytens-boecks vernuft,
eenvoudig gezond verstand, waaraan alle schoolsche geleerdheid vreemd is.
Vs. 11—20. daar \'t Leven leven is, waar men in waarheid leeft, het
leven geniet zonder bekommering. Dat het zoo moet opgevat worden,
blijkt uit het volgende. — voor- en achterdenck. Achterdenck = achter-
denken; bezorgdheid over de toekomst en angstige nabetrachting over
het verledene. Vgl. hgd. vor-u. hintergedancken ; vgl. Hooft, Ned. KI. Il,
4: staagh wakende achtersorgh en voorzienigheit. — Trommel. Zinnebeeldig
voor oorlog. Lonten, der geweren nl. — Daelders sweet, geld opdokt.
oft wreken \'t. Het onderwerp is hier, gelijk meermalen, uitgelaten.
hergen, hooibergen. Wreken, wraak nemen, vergelden, verhalen. Vgl.
Ken Gesant vs. 21. Misschien is wreken op hier eene toespeling op
wreken = wringen uit; Kil. wreken (holl.) wreyeken: uit de handen
wringen; zie verder Oudem. en "Weiland i. v. De volgende ww. scheeren,
braecken,
enz. zijn toch ook alle spelenderwijs gebruikt. — Terw, tarwe.—
duyekt hy door, hij doorworstelt ze, al bukkend en buigend. — weder-
spannen,
tegenstreven, tegen weer, verzet, uit den nood, door den nood
-ocr page 103-
87
gedwongen. Versta: De Boer zal, zoolang hij niet anders kan, den
moedwil der soldaten verdragen, maar als de nood hem eindelijk tot tegen-
stand dwingt en hij daarbij op de hulp zijner lotgenooten kan rekenen,
dan mogen de soldaten op hunne hoede zijn. —pols, polsstok; j)ijck, •piek.
Vs. 21—30. hij wenschten, enz. Versta: hij is heeter op het vleesch
en bloed zijner vijanden dan op zijn gewoon voedsel. — \'k Neem—uyt.
In de uitgave van 1625: Kipt-uyt. Kippen, nemen. Trommeltijden,
oorlogstijd. Vgl. vs. 13. (/een sijns gelijcke koningh, geen koning (is dan)
hem gelijk. — Vryheit sluyt hoer heek, hij is vrijer in zijn huis, dan een
koning in zijn rijk. De passage is eene zinspeling op het bekende: my
house is my castle. — H kostelick Oenoegh, het heerlijke bewustzijn
genoeg te hebben. Waarschijnlijk woordsp. met kostelick, duur, moeilijk
te verkrijgen. Vgl. Costelick Mal. H. denkt aan de rijken en aanzienlijken ,
die zooreel moeten hebben om genoeg te hebben, dat hebben and\'re min.
Anderen zijn in dit opzicht niet zoo goed bedeeld. — ses-dagh, de zes
werkdagen der week. ï]en door H. gemaakt woord naar analogie van
het eng. fortnight = 14 dagen, te karr klimt. Denk om den Zonnewagen.—
Minne-Moeder-starr, Venus, de avondster.
Vs. 31—40. Trots, zoo goed als. Trots en spijt zijn voorzetsels uit
zelfst. nw. ontstaan. — seven-daegsche rust, hier om de zeven dagen \'
wederkeerende rust of\' de rust van den zevenden dag. In beide gevallen
is seoendaegsch echter onjuist gebezigd; dit beteekent zeven dagen durende.
Vgl. de vierdaagsche zeeslag; de tiendaagsche veldtocht. Zie verder
H.-St. bl. 46. — sweeten, werken. Gevolg voor oorzaak. — om des yvers
wil ter kennis,
uithoofde van zijne vurige begeerte God te leeren kennen
(uit do woorden zijns zieleherders). — rouwe hand, ruwe, vereelte hand.
ongekussent knielen, knielen op den blooten grond, zonder kussen. —
bewegelicker, gemakkelijker te bewegen. De zin is: God laat zich gemak-
kelijker bewegen zijn medelijdend oog op de ruwe hand en het „onge-
kussend knielen" van den eenvoudigen man te slaan, dan daar, enz. Vgl.
Daghw. I, 170: Hem, beweeglick met een woord. Zie verder H.-St. bl.
47. — Amber-wanten, met amber geparfumeerde handschoenen. Vgl.
Eene rijeke Vrijster, vs. 6, en K. II, 544:
Hoeveel sy Muskeliaets, hoeveel sy Ambers dragen.
wan* eig. een handschoen zonder vingers; het fr. gant is hiervan afge- \'
leid. geleerd Gebed, in tegenstelling met dat der kinderlicke zielen.
Vs. 41—50. het overschot, wat er na de godsdienstoefening over-
schiet. hangter H Kroontjen uyt, wordt er feest gevierd, gedanst. Van
dit laatste was een krans van groen het teeken. Zie Kalft\', Het Lied in
M. E.
V, 510. Kroon, krans. Vgl. fr. couronne. den Avond blijfter by,
de avond gaat er ook meê heen. — sijn\' gadingh, een meisje, dat hem
lijkt. Gading van gaden, behagen, voegen. Jiy voor rei, ronde- of rei-
dans. — wriughter sich ontrent, weet haar op eene, weliswaar boersche,
onbeholpen wijze te naderen. — me denckt, mij dunkt. Zoo zeggen wij
-ocr page 104-
8s
ook wel mij dacht voor mij docht. — te boock, te boek. Denk om de
spreekwijze: Huwelijken worden in den hemel gesloten. Troosje, liefje.
Vgl. Voorh. vs. 578; fr. soulas; ibid vs. 611. — stickyien, stukje. —
aers noch aeis, niet anders dan, precies. Vgl. K. I, 565:
Daer meende de goe Vrouw schier aers als aers te worden;
letterlijk: anders dan anders, anders dan gewoonlijk, tureluursch.
Vs. 51—(JU. slijpstien. Ook deze wordt immers warm door het slijpen ,
even als het hart van den boer, door het koesteren der liefde. pot,
ketel niet spijs erin. him, hem. — \'t sop, hgd. die briihe, het jus. om-
broek,
ontbrak. Zoo ook omberen voor ontberen. — versier, visier, hier
voor gelaat, bakkesje. — veulderhanyde, velerhande voor vele. — knecht,
knaap. Gewone benaming in de 17de eeuw. Vgl. Vondel, Leeuwen
          596.—
lick en as = lick as, gelijk als. en as, een asch. Wij bezi^ . ^y dtof-
namen nooit het onbep. artikel. Zie vs. 141. — hem, zich. bxj en aer sen
Weuningh,
aan den brand van eens anders woning. De boer past dit
aardig op zijn door minnegloed verteerd hart toe. — bij men darme.
Boeren-bastaardvloek voor: bij mijn ziel!
Vs. 01— 70. Wat let men, wat scheelt mij. Vgl. Zeestraet I, 406:
wat lett de menschlickheit. ke dare, kijk daar. Vgl. vs. 115 en 117. Verder
K. I, 494, 599, 603. Vgl. fr. voici, voila; ons ziehier, ziedaar; Ooster, Teeu-
wis,
vs. 1161: Ke hij, kijk hij. dat \'s en tri, dat is een stap, pas. —
tee, teen. — Al, als, indien. Zie Mul. Wdb. 327«; en H.-St. bl. 47.
slinger, flikker (manier van dansen). — Mick, mick, kijk, kijk! Over
dezen uitroep zie H.-St. bl. 47. — drilt, trilt, gaat op en neer. al, als;
zie vs. 63. staet ter hangd, gaat het hem af. — biendere, beenen. Zie
hierover H.-St. bl. 48. — al stinckt den a\'em van 1t prijse. Vgl. Eigen
lof stinkt. Hofu\\ I, 324. — \'/,• en mocht niet taeijer rijse. Ik zou daarom
niet langzawer opspringen, d. w. z. ik zou even vlug en luchtig dansen.
Oriitrent taeg\\ traag, langzaam, vgl. H.-St. 141, en Hof ir. 55. — voort,
weg, dood. „Karakteristieke trek van den Hollandschen boer", merkt
Verwijs op. Zou het alleen op den Hollandschen van toepassing zijn?
Vs. 71—80. ginte. Een uit het onzijdig (/int ontstane oijvorm van
f/ene = c/indsch. kadijchjie van kade en dijk; smalle en lage dijk. —
Waeteringh, wetering. De ae als (\' uit tb spreken, slijckje, klei, grond.—
Klinck klaere, eig. helder klinkend (van metaal); daarvandaan zuiver,
louter, niets dan.
Vgl. ook klinkerd of klinkaard voor hard gebakken
steen, K. I, 458, 460. — erven, vaste go-deren, huizen met de daarbij
behoorende landerijen, gelicken gelijk; vgl. vs. 57 en 58. — roytse, hoe
reikt, gaat ze op mijn hek aan. Rooien, bet. eig. streek houden, van roo!,
fr. roie = raie, groef, lijn. Zie Vercoullie Etym. Wdb. Daarvan aan-
leggen, mikken , schikken, enz. Vgl. K. 1, 237:
Die ons Bloed, en Erf, en Cassen                          &
Godsgewijze, royt en recht!                                    <*.
-ocr page 105-
RO
en K. I, 216:
sonder regel, roy en doel.
hecke ziz hecken, hek. Omtrent de en zie Hofw. 56. — snick, nagenoeg
hetzelfde als zucht, doch met meer geluid. Vgl. den laatsten .snik geven.
->ndre Ie dernier soupir. Ik acht het gelijk in heteok. aan Z.-Limb.
snu een smakkend geluid van de tong. Deze regel is typisch. —
Litchtyien. Uit eene rood gloeiende lucht bij zonsondergang wordt voor-
namelijk wind voorspeld voor den volgenden dag.
Vs. 81—90. welbekleid, lett. goed van klei voorzien; niet (zooals
Verwijs wil) van k-heren ; Vgl. Hof ir. 1, 362 : \'k Hebb mé klei/ an me gat.
Klei is dus grond, landerijen, goelick, schoon, knap. Vgl. Vondel, IJeen-
wend.
Voorred, v. 29: Ooelicke Amstoljoffer. — op te fluiten, aan te zetten.
Opkikkerei\'. zou thans het volk zeggen. Vgl. Huygens (Ed. Leendertz) I, 55:
\'Ifyc                                ;
\'Kmiende me iens np te fluyte
Om de meyt her mongt te sluyte.
Die pankoek schuyft. Dit aardig beeld beteekent: de zaak is in orde.
Wanneer de pannekoek in de pan schuift, is hij gaar. Vgl. If.-Sl. 148.
yedij\'n, lukken, geschieden. — sleyh, slechte, klar\'re rrouwtyie. Wanneer
zjj bij hem en zijn vader komt inwonen, dan zal zij van dat drietal of
klaverblad het vrouwtje zijn. — Bin icker, enz. Als ik maar van dat
klaverblad de heer ben. met de kaecken, zij laat zich eonen zoen geven. —
Trouw, verlovingsring, fr. anneaii de fianrailles. Het is echter geen van
de soort, waarvan in Verwijs\' aanteek. sprake is, uit twee hoepjes
bestaande, van welke elk der verloofden één droeg; dit blijkt daaruit^
dat de ring van zijnen duim aan den haren glijdt. — Sy roeit en roeit
het niet,
zij doet, alsof zij het niet voelt.
Vs. 91—100. de Vaertgiens raken fsaem, de vaders van wederzijde
houden eene samenkomst tot bespreking der huwelijksvoorwaarden.
kroonen, kransen van maagdepalm. Het palmknoopen ter eere van bruid
en braidegom was een alom verspreid gebruik. Zie Hofdijk, Voorgesl.
VI, 220. — binnens kops, te kooi, te bed. — En Caeser heerschten H al.
Ter verklaring van dezen regel is \'t*voldoende en, even als \'t Lat. et,
op te vatten als ook. Vgl. het bekende: Et tu Brute! Versta dus: Ook
Cesar was heer der wereld (even als Alexander), en toch brachten beide,
enz. — Wat is hy min of meer,\'enz. Versta: Alle menschen, die in het
bruiloftsbed of in de doodkist/ gaan, zijn geljjk; met hunne kleederen
leggen zij tevens de teekenen van hun meerder of minder aanzien af. —
dobbeld Man. Paragogische da De boer is nu tweemaal man: als mensch
en als echtgenoot; het leven heeft nu di-bbele waarde voor hem.
"* Vs. 101—110. reddert, brengt in orde. In dezelfde bet. ook redden.
Zie Hof ie. vs. 2406, en mijne aant. Vgl. verder üf. II, 271 en 521. serpt.
Serpen,
schuren, feilen, van se rp, zuur, bijtend. Zie K. I, 228; II, 281.—
Mou \'•. Kil. moude, melckteyle, molde. In Zuid-Limb. beteekent molt een
houte trog, waarin het baksel gemengd wordt. Hier echter waarschijnljjk
-ocr page 106-
OH
van een melkvat gezegd. Vgl. K. I, 170: Ben ick de Zuyvel-mouw.
Zie Tijdsehr. I, 254. — koeren, karn ofkarnton. — stremmeles, stremsel
(voor de kaasbereiding). Zoo ook zageles voor zaagsel, hengelen voor
hengsel. Oudem. Wdb. op Bred. 319. — fStéwaert. Over de verbinding
te—miert zie H.-St. bl. 25. — st/V lief Men schat, zijne vrouw, die achter
hem in den wagen zit. — vertieren, vorkoopen, slijten. Vooral van den
kleinhandel gezegd. Vgl. H.-St. 84. — voordert, bevordert, behartigt.—
munt bg munt. Hierbij dient een werkwoord, bijv. ligt, aangevuld; bij
\'t onmiddellijk volgende, zijn.
                                     )
Vs. 111—120. Maendaghs merektgangh. In H.V tijd schijnt dit in den
Haag de eenige of althans do hoofd-marktdag geweest te zijn. Vgl. Een
sot Hoc.
vs. 80. — sparren sg \'t gebit, sperren zij den mond open. tot
achter om,
tot voorbij. — toonen sg den tand, letterl. en overdrachtelijk
op te vatten; in de laatste bet. den tand toonen, de tanden slijpen op,
bedillen, gispen. Thans beteekent iemand de tanden laten zien, tegen hem
opkomen, niot bang voor hem zijn. — VKoatelicke Mal, de duro Dwaas-
heid (der Mode). Zinspeling op zijn gedicht. Velerhand, de afwisseling
in klcederdrachten, enz. tegenover den landelijken eenvoud. — Ke daer.
Zie vs. 61. Jan Govertse, naam van haren man. bouwens, wjjd geplooide
vrouwenrokkon, die over de andere werden gedragen en ter hoogte van
de knieën opgenomen. — wat kost het goetien houwen», wat hebben ze
aan dat goedje (die kleeren) te houden (te torsen). Zie omtrent deze
plaats H.-St. 40. Vgl. nog K. II, 306: wie zou het goed jen houtoen; schoon
de uitdrukking daar in anderen zin voorkomt, nl. goedje := vrouwvolk. —
beget, bij God! Bastaardvloek, dat staet, nl. prachtig, goud speldewerch,
gouden kantwerk of borduursel, op zg, op zijden stof. — Kerst \'tenteni,
(edel-)gesteenten. Over epenthesis der r, zie Te Winkel, Gramm. Fig.
291, vlgg. Ttigt, kapsel. Over de verschill. bet. van het woord zie ]f.-St.
37. — Hoep, hoepelrok. Vgl. Coat. Mal. vs. 47: Een omgehoeptepack.—
moer in H slick, smeerpoes. Moer in de dubbele bet. van moeder,
vrouw, en moer, moeras, slijk, /lenter-sieltgie. Floddermadam, zou Tante
Martha de Harde zeggen. Flenters, zijn flarden; vgl. K. II, 399. Zieltje
kan ook hier weer de dubbele beteekenis hebben van vrouw en rok.
Vs. 121 — 130. schei, scheede. Kleeren maken de vrouw niet, meent
Trijn. Wat geeft, wat zet zij bjj. — naer.t om naers. Prothesis der n,
even als in uoom, warm, /(avond, enz. De zin is: ik durf mijn lijf wel
naast het jouwe laten zien. — Moolicke, vogelverschrikster, van Moloch,
den afgod der Pheniciërs. rock of, ruk af. Luyve, masker. In Z.-Limburg
noemt men den rand van den hoed nog aldus, huif of luifel is eig. het
vooruitspringend gedeelte van een huis. — kugie, toupet, haar. — Mo-
lenare irijfa,
wegens het witgepooderde haar. — bepockpet, pokdalig,
letterlijk met pokputten bedekt. Pet, mnl. pit, put. slim, scheef. Zie
Voorh. vs. 525; K. I, 698; II, 10. — fhujte, liegen. Vgl. K. I, 597:
\'k Will niet, en evenwel, of je docht dat ick ftuytte,
En maeckto je wat diets, kom anne, voelt van buyte.
-ocr page 107-
01
Vgl. ook: Ken Koningh, vs. 23: door de kromme fluyten van hunn\' ver-
cieringen; K. II, 64: Domine, gij flugtt. — hamen, brannen; metathesis
der r. Kis. Onomatopoea, gelijk sissen. Vgl. Jluydecoper, Proeve, 2, 278. —
oolick, uit odelick, ledig, en daarvan: gering, slecht, leeljjk. Later,
doortrapt, boos.
Vs. 131—140. bedrij re, haar gang gaan. — ui, als; vgl. vs. 63, 64.
kas, kast. Gelasen Kassen noemt II. de rijtuigen, K. I, 411. — Le\'ere
wagentgie,
karos of koets, as, poeder. — op te sehoer, op den schouder.
ehult, gehuld, gekapt. — Sou hitte, zou het land hebben, sits, zoo. Nog
over in zus of zoo. Verguit, in zijn schik. — lubbetuijgh, de halskraag
van geplooide kant. Vooral do kanten om den pols werden lubben genoemd ;
zie C. M. vs. 275; en Voorh. vs. 353. efommelt, verfrommeld; vgl. Voorh.
vs. 373. — ireb, weefsel, geheel stuk kant. magh,bwn. Kimmend,niemand.
Vs. 141—150. opper-blad, bovenste blad. Zie H.-St. bl. 50. — as
en gras,
groen als gras. Voor een stofn. stond vroeger in dergelijke uitdr.
wel het onbep. artikel; zie vs. 58. rol si je bongt espanne, gevoerd met
bonte zijde. Sije bongt beschouw ik als eene omzetting, daar ik geen
zjjden bont ken. Dat bont zou dan tevens groen als gras hebben moeten
zijn! — kleur, komt bij Vondel ook onz. voor. Zie Hoogstr. Geslachtslijst.
De oorzaak, waarom H. het onzijdig maakt, zal wel in het aanwijz. voornw.
te zoeken zijn; vgl. dit maal, dit pas, dit keer, dit soort. Ironische vraag,
gelijk blijkt uit het volgende. Ick hoiiuj\' en biertgie, neen \'t. Ik wed
om eene kan bier van niet. Neen \'t\', neen het (is zooniet). Te Maastricht
zegt men zoo nog altijd ja\'/, neen\'t. wammes-tuytgie, de spits toeloopende
punt van het om het lijf sluitend wambuis, wordt met den spitsen boeg
eencr schuit vergeleken. — sluijcktet, sluipt het, loopt het toe op. — En
al fijn klatergoud,
En alles (alle versierselen) zijn van fijn klatergoud, d.
w. z. echt bladgoud. — kostelick—mallen. Toespeling op het bekende gedicht.
Vs. 151 —160. te keur, waarschijnlijk in dezelfde bet. als te kust en
te keur,
naar hartelust, door H schuym. Hier waarschijnljjk in minder
ongunstigen zin voor \'t lichtzinnig volkje, de jeu nesse dorce, de danten
en quanten, zooals hij ze K. I, 411 noemt. — Trots trotser Keiseren, zoo
goed als de fierste keizers. Trotser, sterke 2do nv. afh. van het voorz.
trots. Wooningh-icagen. Aldus genoemd wegens zijne grootte. — Victori
koets.
H. denkt hier aan den triomfwagon der Romeinsche imperatores. —
Of, alsof, gelauwert, met krijgslaurieren overdekt. — binnens monds. Hier
niet letterlijk op te vatten als: in zich zelve, maar: zonder het uit te
spreken. De hier volgende zedeles is eerder uit de gezegden van boer
en boerin op te maken, dan dat zij door hen uitgesproken wordt. —
\'t Malle kostelick, omzetting voor \'t kostelick Mal en even als elders
toespeling op het gedicht. — tijds genoegh, tijdig, bij tijds. — hoogeles,
belangrijke, gewichtige les. Wij spreken omgekeerd van eene les, waarin
diepe wijsheid ligt. — onthaelse, mag hier niet met Verwijs door uit iels
halen, trekken,
weergegeven, maar moet als inhalen, in zich opnemen
-ocr page 108-
92
opgevat worden. Dit eischt de analogie met hooren, door de ooren
opnemen. Vgl. Een Matroos, vs. 72: onthaeltse verr\' genoegh.
Vs. 161—170. geraeg, graag. Omtrent de inlassehing der e vgl. C. M.
vs. 104: \'t is gelas (glas). Zie Te Windsel, Gram. Fig. bl. 308. — \'tgroote
Boeck,
de Natuur. Vgl. Hof tv. vs. 1605: het Boeek van alle dingh. /e/-
Scholen waer hg gaet, hij is in de School. waar hjj ook ga. Met school
is hier dus niet zoo als elders, het wijsgeerig stelsel bedoeld, dat iemand
aankleeft. Vgl. Zeestr. I, 406:
Geleerder Volek als ick, \'k laet u den knoop bevolen:
Als gh\' hem ontbonden hebt, soo vraegh ick noch uw Scholen, enz.
koten,
gewrichten aan de enkels; niet knieën, zooals Verwijs wil. Zie
mijne aant. Il-St. bl. 51. Ook aangaande hacken, voor hurken, zie
aldaar. — </ie duer in sijn\' Kuyp. Bedoeld is Diogenes, de stoïcijnsche
wijs<reer, sich selfs en all hemt. Toespeling op het bekende: omniu mea
meennt porto.
— stomme les, les zonder woorden. Vgl. Een Woerd, vs.
68: Dat \'s voor uw drooge les. uyt de luysen, van den luiszak, den
bedelaar. Vgl. Een Redelaer, vs. 7. — N<*P, drinkbeker, die eigenlijk
volgens het voorbeeld des bedelaars nog overtollig was. — Geleerde.
Sterk verbogen; thans zwak,—en. Spreken, bezigen vele woorden ; set/yen,
geven te kennen. \'s, des. — daedelicke, practisch. De leer, die zich door
daden uit. School-vrouw, leermeesteres. Een bewijs, dat wanneer wij
thans van nchoolmannen spreken, dit nog niet uit het Duitsch (Schul-
miinner) hoeft overgenomen te zijn.
EEN SOT HOVELINGH.
Vs. 1 —10. Hg is een Ydel-man. Deze uitdrukking is waarschijnlijk
een terugslag op Hij is een edelman in den aanhef van Een Boer en
staat in verband met: Een dienstigh Ydel-man, in vs. 3 van Een wijs
Horelint/h. Ydel-man,
wdsp. met edelman, een man, die niets degelijks
doet en dus niets beteekent. Ydel dient nog/\'opgevat in de dubbele bet.
van leey en van hooraardig. Een Edel beest gelijck. Daar hij niets degelijks
in zijn gemoed heeft, is hij eigenlijk slechts een edel dier. — blaes die bersten
wil,
eene met wind opgevulde blaas; windbuil. — wimpel, eene vlag, een
onnut versiersel. grool-Stuerman, de koning. — vreeslick Schapen ootjh,
een schaap, dat vrecselijke d. i. vreesaanjagende, oogenzet; dus: iemand,
die zonder veel zaaks te zijn, zich vreeselijke airs geeft. In tegenstelling
hiermede wordt een wijs Hocelingh genoemd een Schoep, dat bijten
kan
d. i. oen zachtzinnig mensch, maar die ontzag weet in te boezemen,
waar het pas geeft, spijtiyh Borgera Interman, trotsch en daarom onaan-
genaam, lastig buurman voor burgers. — deughniet op sijn hoofs, een
deugniet met beschaafde vormen. Vgl. Een Koningh, vs. 19, 20. huer-
lingh om de sop,
iemand, die zijne diensten verhuurt, om het vet van
het baantje. — vleier om de konst, een vleier uit pure liefhebberij.
-ocr page 109-
9:5
lieger door sijn\' krop, aartsleugenaar. Vgl. Gij liegt het door uwen
hals. — klabbeeck. Eeno steensoort, die in de nabijheid van Clabbeke
(bij Brussel) gevonden wordt en ook wel Amersfoorder steen , Arnhemschc
diamant, geheeten wordt. Zie Uitlegk. Wdb. op Hooft. Bilderdijk leidt
het ten onrechte af van \'t Sp. clavèque (clabèque). bagg, ring. Vgl. fr.
bague, van \'t lat. bacca, parel, weinig\' Oostersteenen. Weinige zegt II.
omdat er zoo weinig wijzo Hovelingen (deze zijn met Üoster-stoonen
of diamanten bedoeld) aan het hof gevonden worden. — Snijder met de
tongh,
iemand, die veel doet met den mond. Vgl. ons opsnijder. Zie
Een Beul, vs. 5. Wever met de beenen, een maker van strijkages. —
Treves-Leeuw, een leeuw in vredestijd, als er niet hoeft gevochten te
worden. Treve, fr. trève, wapenstilstand, vrede. Vgl. K. I, 468: Luyt,
mijn\' stille ÏVeees-trom. Op het Binnenhof in den Haag heeft men nog
de Treves-zaal. Bij wijze van tegenstelling heet een wijs hoveling een
vriendelicke Leeuw. Blixem op de straet.
In plaats van op het oorlogs-
veld. — raesendure-werck. Kaesend, dolgeworden, ontsteld, dus onbruik-
baar. met veeren. Wdsp. De hoveling heeft veeren of pluimen op den hoed.
Vs. 11—20. vuyle Muskus-doos. Hij is geparfumeerd, maar inwendig
rot of slecht. — onnut Staet-gewicht, een onnutte lastpost van den staat;
hij doet geen dienst, terwijl het gewicht van een uurwerk dit weldoet.—
doof, dof, van glans ontbloot. — schoone lijst, enz. Ironisch gezegde.
Vgl. Hofw. I, 298: Soo kan een\' Ebben lijst, enz. — betijen, te werk
gaan. Vgl. laat hem maar betijen. — voor-eer, voorrecht, privilege. —
gevest, gevestigd, gegrond; in het voorafgaande vers is Gevest degen.
Versta: Alsof schelmenj de grond van hunne verheffing in den adelstand
ware geweest, bekent, erkend. wortel van Geslachten, grondslag, oor-
sprong van (adellijke) geslachten. -- \'t meryh ran\'t voeder van den hoed, de
hersenen, als zijnde het merg van \'t hoofd, dat door den hoed bedekt wordt.
Vs. 21—30. meHschen-anijders, anatomisten, ontleedkundigen. — Ge-
lijcken,
gelijkstellen. \'/ huijs van de sinnen, het hoofd. — wortel, zie
boven. — Adellek beloont. Daar adelick letterlijk generosus beteekent
(zie Ned. Wdb. I, 779) schuilt hier waarschijnlijk eene wdsp. in: edel-
moediglijk
beloond en met adeldom beloond. Versta: Zoo iemand ooit
hoog geëerd en met aanzien of adel beloond is geworden, dan dankt hij
dat zijn hoofd, want moed, rijkdom en geleerdheid zijn uitvloeisels van
\'s menschen wil en denkvermogen. — Veraerde, ontaarde. Eigenlijk van
aard veranderen,
doch meestal in ongunstigen zin genomen. Vgl. K. I,
505: van Ploegh in Pleit veraert; en II, 295:
De goede wijn veraerdt naer \'t vat is, daer m\' hem in doet.
Zie verder Oudem. i. v. \'t hacken, \'t afhakken, afsnijden. — het Stout,
stoutmoedigheid. — soo veel hg gaept, zoo dikwijls hij den mond open
doet, wat hjj zegt. — Ghg lieght is \'t hoogh Alarm. Versta: Bij de zotte
hovelingen is het woord: Gij liegt, de grootst mogelijke beleediging,
die dadeliik tot de wapens doet grijpen, smijten, slagen of wonden toe-
bretigen ( het tegengestelde van slagen (af) wachten.
-ocr page 110-
94
Vs. lil— 44). Wanschapen stoutigheit\', verkeerd toegepaste stoutmoe-
digheid. Grouwelick mal teekent 11. aan, ter brandmerking van de on-
zinnige duels, van over Zee yeleeut. H. schijnt de meening toegedaan,
dat wij de duels van de Engelschen overgenomen hebben. Meestal toch
beteekent over Zee Engeland. Vgl. K. II, 463, waar hij van Engelsche
Houwelicken
zegt:
\'t Heet weddingh orer Zee, Trouw tusschen Mans en Wijven.
Hofw. vs. 1247: Daer was ick orer Zee (in Engeland). Ibid. vs. 2920:
van over Zee (uit Engeland) gebracht. Een Woerd, vs. 32: Sijn dieren
maeghdom op te veilen over Zee. K. II, 534: overzeesche kostelickheden,
Engelsche stukken, die hjj onvertaald heeft gelaten. — \'t huys verhuert
van \'t Edele gebeent,
in het lichaam van den edelman doen post vatten.
Vgl. boven: op \'t huys nae ran de sinnen. — bui/ten vrienden poelen,
buiten bevriende grenzen, in vijandelijk land. — Goden groot kraekeel,
in den grooten strijd voor God en Godsdienst, op \'t ongeloof, den Islam.
Ook Vondel ijverde daar steeds voor. De 30jarige oorlog zal niet bedoeld
zijn, daar II. dan niet van ongeloof, maar van wangeloof (Roomsche
godsdienst) zou gesproken hebben. Vgl. ook Een Woerd, vs. 26. —
naer wat kervens, naar strijd. — ongerust. Het bijv. nw. voor het zelf\'st.
nw. ongerustheid, d. i. onrustigheid, beroering. Vgl. Een Hoer, vs. 156:
het malle kostelick ; K. 1, 136: nu siet hij van die stellen (steilton).
Vs. 41—50. plecken, vlekken. — ruchtigh. Van ruehten, dat voor-
komt K. I, 484:
Dat het ruehten Van sijn suchten, enz.
het beteekent eig. roepen, doch met de bijbeteekenis van klagen, jam-
meren; ruchtig zou hier zeer goed door ten hemel schreeuwend, om wraak
roepend
kunnen weergegeven worden. — \'t heet onendelkk. Omzetting
voor \'t onendelick heet. Heet voor hitte (hellevuur); zie aant. op ongerust. —
kinderlick, in kinderlijk ontzag. — manlick, als een man: t\'. jnst. met
kinderlick. saligh stout, stout zoo dat het zijne zaligheid niet schaadt. —
om dat hij leven gaet. Leven, eeuwig leven. — Sondaghs Sonneschijn,
zonnige, "on<]ag. — soo lief, even gaarne, d. i. liever, hutspott, het
midd-.j .ai; eigenlijk eene spijs, wier bestanddeelen door elkander ge-
mengd zijn; van hutsen, hotten, schudden, stooten.
Vs. 51—60. Dun drijft hg door de wolek. Door de menigte der
nieuwsgierigen. Vgl. Voorh. vs. 645:
Ginder is een wolek aen \'t drijven
Van een over-volckigh Volck.
Sterre met een staert, staartster, comeet. — Die op de Predick-uer,
welke tegen het uur der predikatie. Uer, vr. gelijk wij: de ure. —. sl"et.
Teekenachtig gezegd van het handgebaar, waarmede hij de deurtapi, .i
opent. — als hoorde \'t hem te spijten, als paste het hem verstoord te
wezen, wijl, enz. — bekommerlicks. Bekommeren, beslag op iets legs1"
aanhouden, tegenhouden, liekommerlick, tegenstrevend, iets bekomme
-
-ocr page 111-
95
een hindernis. Vgl. Ned. KI. III, 36, vs. 335; fr. encombrer. — naer
sijn\' Heer,
na zijn Heer. — schielick, plotseling, op eens. Vgl. Hofw.
bl. 3 en 66. Versta: en ziet die (de heer) eensklaps om. — H waerdste
kind,
het liefste kind, de eerste gunsteling. — een minder, iemand van
minder schitterende geestesgaven.
Vs. (il —70. oor tien oor. Hij brengt zijn hoofd bij dat des vorsten;
eigenlijk zijn mond aan diens oor. — Ken schrickelick geheim. Ironisch
gezegde. — \'/ huys, do kerk. — aen de Gulgh verschijnt, te pronk ge-
steld. of op de pijnbanck leyt, gepijnigd wordt (door de woorden des
predikants). — bestoven krul, gepoederde haarlok. Vgl. C. M. vs. 31:
een overmeelden top; en Oogentr. I, 280: het stuift er stof van boomen.
gekrinckelt, in kronkels neervallend. Vgl. Een boer, vs. 135. — lier rijdt—
voor, beschermt, behoedt, vrijwaart voor. — snelle, snel indringend, dus
scherp. — d\'uer. Der Predikatie nl. — skiet hem bij, komt hem ter
hulp. — van d\'een tol d\'ander spell. Spell, speld. Vgl. Oogentr. I, 289:
ick staeck het by die spell. Versta: zijn oog kruipt, wandelt van de
eene speld tot de andere in den dos der opgetooide schoonen; d. w. z.
hij monstert hun opschik tot in de kleinste bijzonderheden. — swieren,
manieren van zich op te schikken. — murwe Memme-diereu, het weeke
geslacht der vrouwen; de weeker menschlickheid, zooals hij ze Hofw.
vs. 1884, noemt.
Vs. 71—80. van hondert, toevallig. Vgl. in H honderd. — kleuter,
zottinnetje. Tot de bedoelde schoone gezegd, naerder, nader. — vrijer-
vrtughd,
de vreugd van een vrijer te hebben. — van twee tot seveu. NL
uren. — Jacht. Op vrouwelijk wild nl. Slimme slobber-stegen, kromme
sloppen; slim, scheef, krom. Vgl. Voorh. 525. slobber, slijk. Vgl. K. II,
507. — vlackste, effenste, gemakkelijkst te begaan, plegen, uitoefenen.—
averechtsche Maen, donkere, niet schijnende maan. — de Maendaghs-
Merckt,
.d >,drukte van de maandags-markt. Vgl. Een boer, vs. 111.
Vs. 81—90. sijti1 mallen wagen, den wagen van zijn dwazen harts-
tocht. — plaesters, builen van syphilis. — Zielen-zeer, de zonde. —
Venus klap om d\'ooreu. Woordspeling met klapoor, bubt venerisch
gezwel in de liezen. — yehooren, hooren, passen bij. — \'t vijfu. v.\'tren-
deel
, \'t vijfde kwartier van \'t wapenschild, dat eigenlijk slechts 4 kwar-
tieren heeft. — den anderen, elkander. — H woelen van H veranderen.
Eene variatie op het bij II. zoo vaak voorkomende thema: Varietas
delectut.
Zie Hofw. bl. 35 en 61.
Vs. 91—100. naer de bloem, enz. Verstar hij walgt van gemaklijk
behaalde overwinningen: ten einde zijn genot voller te maken, dient er
de, prikkel des gevaars bij te komen. — Danaes. Danaë (eigenlijk drie-
•.. iergrepig) dochter van Acrisius, koning van Argos, werd door haren
\'er in eenen toren opgesloten, daar het orakel voorspeld had, dat zjj
T«;£i zoon zou baren, die Acrisius dooden zoude. Jupiter bezocht haar
. X\\ \'e gedaante van een gouden regen en haar zoon Perseus doodde
-ocr page 112-
96
later, bij ongeluk, zijnen grootvader. — Dat yelt u, echte Bedd. Proso-
popoea. 11. waarschuwt het huwelijksbed, in plaats van de echtelieden.
past op, zorgt voor. cinckslayh, knip of net. Zie Ilofw. bl. 19. — Koec-
koeck,
een o verspeler. Vgl. Voorh. vs. 293, vlg.: Hier de Coeekoeck aan
het stuyten over \'s anders ongeval. De verklaring van Verwijs aldaar,
die het toepast op den bedrogen echtgenoot is onjuist. Elders moge het
dit beteekenen (vgl. Kil. coecoek, horendrager, eng. citckuld en fr. coat),
bij 11. meestal niet. Zie nog Hofw. 1113:
De Koeckoeck slaet de maet en roemt van sijn bedrijf,
In volle vrijheit, want de Land-hecr heeft geen wijf.
doch K. II, 77:
Haer Koeckoek (echtgenoot) wierd jaloers en woudt haer overstrijden.
qttinck-slayh, aardigheid (maar van eene verkeerde soort). — d1 eerbaer-
heit in d\' oor,
zoodat zij aan zijne oneerbare voorstellen geen gehoor
geeft. — \'t en kan hem niet als spijten, dan heeft hij daar geweldig het
land over. — Of \'t spijt haer, enz. Zouteloos woordenspel. De zin is:
Zij ondervindt de nadeelige gevolgen van zijne gramschap over het feit,
dat zij maakt, dat hij er \'t land over heeft (nl. wegens den mislukten
aanslag). — lijdelick, te lijden, te verdragen, die, voor hem, die; d. i.
wanneer iemand.
Vs. 101—110. steeniyh om eerdouwen, even moeielijk te verduwen , ver-
teren, als steenen. 11. bedoelt: Wanneer eene beleedigde vrouw haren belager
zijne handelwijze verwijt, dan wreekt hij zich door haar in opspraak te
brengen, en dan zal haar echtgenoot of iemand anders haar al licht als
schuldig beschouwen en haar trouwbreuk verwijten, al is ze volkomen
onschuldig; dan zou zij haast berouw hebben van het kwaad niet ge-
pleegd te hebben, waarvan zij toch beticht wordt. Vgl. Ooyenlr. I, 284:
\'k Heb vrouwen licht gesien, omdat men ze soo achten, enz.
Die wraeck wrinyht hij haer op, die wraakneming moet zij zich, haars
ondanks, laten welgevallen. Het verder volgende bijt hij haar op sarcas-
tischen toon toe. is veryist, heeft zich bedrogen, is er bekaaid van afge-
komen. Aangaande dit gebruik van veryissen vgl. K. 1, 448:
                  t
My sal men mede soo veryist sien en tevreden.
1, 533: De Stierman, op de Wael verbijstert en veryist.
I,   456: In de droerteliekste dallen Van veryiste vreughd gevallen.
II,  100: Andries dacht door een beeck te waeyen en het miste,
Soodat hij daar den grond en \'t loven bij veryiste.
Zie Oudemans i. v. — Sijn1 quellinyh is H maer half, zijne spijt is
maar halve spijt, door te spoelen, met drinken nl. — yaet hy uyt sich
selfs,
treedt hij uit zich zelve, legt alle besef van eigenwaarde af. en
noemt het oroolick dol.
Daar alle uitgaven noemt hebben, vind ik geene
vrijheid met Bilderdijk roemt te lezen. De zin is bovendien gezonr* dat
zich te buitengaan noemt hij slechts vroolijke dwaasheid. — het yroot
-ocr page 113-
9?
Rond-om der Schepselen, het Heelal. — \'t kleine beeld van \'t groot.
Mikrokosmos. Een vaak wederkeerend denkbeeld; vgl. Hofw. 2488: De
kleine wereld, mensch,
die God eens wilde maecken. — kloot in, een bol
geworden is, daar hij suizebolt van dronkenschap, dompen, dampen. Zie Kil.
Vs. 111—120. herssen-schroef. Schroef is dronk; daarvan schroeven,
drinken, pooien. Vgl. K. I, 608: soo legh je staegh en schroeft. Zie Oudem.
Wdh. i. v. Herssenschroef is echter een dronk, die den volgenden ochtend
do gewaarwording opwekt, als boorde men eene schroef door de hersens.
ongeboorde finyt. Letterl. eene fluit (lang, smal glas) zonder boord; hier
tot boven toe gevuld, zoodat er geen boord overblijft; boordevol dus.
Volgens Bilderdijk zit er ook nog eene woordspeling in met de fluit,
muziekinstrument, die van gaten voorzien en dus geboord is. — hoofd-
sweer,
hoofdpijn, katterigheid. Zie Kil. en vgl. mnl. f andsweer. — Dat
\'t weder Mergen is,
dat het alweer morgen is. — swijmen. Zeer eigen-
aardig gezegd: zij hangt slap aan zijne zijde; tegenstelling stijve borse.
Vgl. Een boer, vs. 110. gister-avonds stoot, de klap, dien zij den vorigen
avond gekregen heeft. — modder, hier onz. Die wanhoop, de mistroostig-
heid daarover. — loten, dobbelen, leidt, legt, voor ligt. dobbel\' dobbel-
kanssen.
Hierbij dient op herhaald. Het eerste dobbel zal wel dubbel-
zinnig , twijfelachtig,
bedriegelijk moeten beteekenen; vgl. fr. duplicité
en zie Ned. Klass. II, 6: trots en dubbelheit. — sijn\'pijpen natedanssen,
hem te gehoorzamen. Vgl. naar iemands pijpen dansen. — Stae bij dan,
kom ter hulp. Vaak voorkomende uitdr. Vgl. Hofw. bl. 84. Kermis-konst,
op de kermis vaak in practijk gebrachte bedriegerij, valsch spel. beleefde,
welgemanierde (die niemand door spreken in ongelegenheid brengen,
weten te zwijgen, waar het pas geeft). Vgl. K. 1, 458: beleefde moppen. —
kneep en slinger beteekenen hetzelfde; door een zoogenoemde handhabi-
liteit, een draai of een zwaai, een hoogen worp weten te doen.
Vs. 121—130. Daer moet gewonnen zijn. Vgl. Oogentr. I, 267:
Daer moet gewonnen zijn, God gev\' op wie en waer.
rechts, op rechtschapen wijze. — Men mach, enz. Versta: Kan men
niet winnen door eerlijk spel, dan kan men de fortuin, door slinksche
praktijken, bij de rokspanden grijpen en haar hare gaven afdwingen. —
\'t\'\'ongetijde, ten onrechte, al waer H hg nemmer wan, al verloor hij
altijd. — Noch lijdt den Hemel H leed. Nog duldt God het hem aange-
dane leed. — komt sneeuwen om sijn\' ooren, zijn (des hovelings)
haren grijs maakt. — hg. In de uitgave van 1625 staat Hij (met hoofd-
letter) ; do Hemel is dus bedoeld, niet de ouderdom, wraeck, straf
voor bedreven kwaad, vergelding. Evenzoo wreken. — Die bladers.
Woordsp. met blader of blaar, rond, puistvormig gezwel; hgd. Blatter;
bedoeld is, wat hij elders spaansche pokken (syphilis) noemt. Zie Verdam,
Mnl. Wdb. i. v. \'t stinckende verhael, de vuilo geschiedenis van zijne
misbruikte jeugd, waarvan een verrot lichaam het gevolg is. — die
leest, enz.
Versta: die kwalen brengen hem de zondige bladzjjden zijns
levens in de herinnering terug en deze kwellen hem dag en nacht.
i\'.mmaki., Hui/gens\' Zede-printen.                                                            7
-ocr page 114-
98
Vs. 131—140. Avond-uer, laatste levenstijd. Vgl. Oogentr. I, 257:
d\'ellendig avond-uere. — schommel-plaets, speelplaats. Vgl. hgd. TummeU
platz.
Ik vind het eigenaardiger hier aan schommelen , het bekende spel, te
denken, dan met Bilderdijk aan schommelen, schoonmaken, en het door
morsplaals weer te geven. Daar vuyle er bij staat, zou dit tevens een
pleonasme zijn. — kennis van de roe, wetenschap van de straf, die
zondaars hiernamaals te wachten staat. — \'t voorslagh van den klop. De
tik, die aan den eigenlijken slag voorafgaat. H. denkt hier m. i. niet
aan den voorslag van een uurwerk, maar aan do gewoonte van smeden
en timmerlieden, om eerst een kleinen tik te geven ter plaatse, waar
vervolgens een zware slag moet nederkomen. — leght hij noch en wenscht,
hij blijft nog wenschen. Over deze constructie zie Hofw. 31, 51, 91. Zij
komt meestal voor bij staan, liggen, zitten. — Te weden, enz. Versta:
hij getroost zich zijn lijden, uit vrees voor erger, nl. de holsche pijn.—
verleeght. Verlcdigen, hier, niet refloxief, onledig, bezig houden. Vgl.
K. I, 194:
Tot den Huys-dienst, en niet verder, Laet se sich rerledigen.
wat hem volgen sal,
de ljjkstaatsie. Maegcn uyt te kippen, verwanten uit
te kiezen. Vgl. K. I, 539:
lek laet dat onkruyd staen, en neem geen\' moeyt van knielen
Als om do Blommekens te kippen uyt den drangh.
Zoo leest men ook in de uitgave der Zedeprinten (1625) Een Boer, v. 25:
Kipt Trommeltyden uyt. Omtrent deze en andere bet. van kippen, zie Franck
en Vercoullie, Etym. Wdb. — Die. Dat. plur. = wien. \'t naeste paer,
het tweetal, dat onmiddellijk achter de lijkkoets zal gaan. schilden acht en
acht,
de zestien kwartieren. Bij do begrafenis van een edelman werd zijn
wapenschild (hier ruitvormig) in de kerk opgehangen, aan beide zijden
omgeven door 4, 8, 16 of 32 kwartieren. In vele kerken zijn dergelijke
afbeeldingen nog te zien; ook op het Rijksmuseum , in do Renaissance-kerk.
Vs. 141—144. Soo is hg dat hg is. Hij blijft dezelfde, fende wesens,
na zijn dood. Vgl. Hofw. vs. 905: ten einde levens; Oogentr. I, 134.
Vgl. Stoett, Mnl. Synt. § 339.
                                                          \\k>
EEN WIJS HOVELINGH.
Vs. 1—10. stille Lamp. Aldus wordt hij genoemd, omdat hij, stil
en onbewogen, zijn licht laat schijnen te midden der hem omringende
ijdelheid. — Die, nl. de wind. sijn stadigheit, bestendigheid, standvastig-
heid. Vgl. C. M. vs. 473: Een altijt evenstreex bewogen stadigheit. geen
slingeren en vindt,
hem niet weet aan \'t wankelen en meedoen met
de anderen te krijgen. — dienstigh Ydelman, een leeglooper, die diensten
bewijst. Vgl. Een sot hocelinyh, vs. 1: Hij is een Ydtl-man, enz. kon,
zou kunnen. — en dan noch een van beiden, en dan toch telkens slechts
een van beiden : volger, als hij volgen; leider, als hij leiden moet. — vrien-
-ocr page 115-
99
delicke Leew, een minzaam krijgsman, een Schaep dat bijten kan, een
moedig burger. Vgl. Een sot hovelingh, vs. 4: een vreeslick Schaepenoogh;
en vs. 9: een trotse Trevesleenw. — Vol levens, vol warm gevoel, van
Marmer,
koel en onbewogen, al heeft hij ook geene wapenrusting aan.—
Vol ongevoelickheits van, geheel ongevoelig voor opschik. — Ooster-steen,
diamant. Aernemmers, valsche edelsteenen; \'t zelfde, wat hij in Ken sot
hovelingh,
vs. 7, een klabbeeck noemt. Zie aldaar. — Aernemmers. Hier:
zotte hovelingen, ontkent, onbekend, niet gewaardeerd. Vgl. K. I, 441:
Is U de inckt ontkent, vertwijfelt U de schrijver?
en zie H-.St. 128. en dieder los op lelt, dengene, die hem maar opper-
vlakkig gade slaat.
Vs. 11—20. van dry. Toespeling op de 3 Jongelingen Sadrach, Me-
sach en Abed-Nego in den vurigen oven, Daniël 3. — Salamanders.
Volgens een bekend sprookje kan de salamander, een soort van hagedis,
in \'t vuur leven. — d r oog e-voet s, onbesmet. — School. Het hof is bedoeld.
Versta verder: waar liegen de Meester-les is van beleefdheid, wcrkeloos-
heid van tijdverdrijf, bedriegen van behendigheid; d. i. waar geleerd
wordt, dat liegen de hoogste beleefdheid, niets doen het boste tijdver-
drijf, bedrog de grootste slimheid is. — stnyt, weert af; vgl. Een
Koningh,
vs. 24. daer voor, in plaats daarvan. — sijne waerd, zijne
waarde, zijne verdiensten. Let op de klankspeling, rijsen, hier overgank.
doen stijgen. Vgl. Rodenburg. Jal. Stud. 22: Komt laet mij u oprijsen.
meest de vruchten stof.
H. denkt zeker aan vruchten, die, zooals som-
mige paddestoelen, er van buiten zeer mooi uitzien, doch van binnen
vuilnis en stof bevatten.
Vs. 21—30. deughdelick, In deédubbele beteekenis van terdege en
deughdvol, d. i. in eer en deugd, slaet zich zelven af, vermindert zijne
waarde, verkleint zich zelven. — dat, dat, wat. Die, Hem, die
(nl. God). — oeffent, pleegt, met, door. — laegen listigheit. Laegen staat
in den 2den nv. Omzetting voor: listig gelegde lagen. — Recht-mjt, on-
geveinsdheid, oprechtheid, versett, tegenweer, verdedigingsmiddel. Vgl.
Oogentr. I, 268: Is ootmoed haer versett. — van konst, uit gekunsteld-
hoid, fr. par artitice; d. i. omdat hij zelf altijd met list te werk gaat. —
tast mis, vergist zich. wijeken, ontwijken. — strijeken, slaan. Vgl. hgd.
streich, slag, in Schwabenstreiche. — En vallen in sijn punt. Versta:
de schermer, die een schijnaanval doet, verwacht, dat zijn tegenpartij
den geveinsden stoot zal willen ontwijken en daardoor juist in zijnen
degen vallen, light stil, houdt zich stil. Vgl. Hofw. bl. 4, vs. 55: Het
Roer liglit middenboords. — konsteloos, juist omdat hij de kunst niet te
pas brengt. Tegenstelling: van konst, vs. 26. verwerren, verbijsteren, de
kluts kwijt raken.
Vs. 31 — 40. oogen, zien, naoogen. Wdsp. met Oogenblick. — Flus,
daar even, het pas voorbijgegane tijdstip. Zie H.-St. 107, 120. Nu noch
eens soo taey,
het tegenwoordige tweemaal zoo lang zij, dan het geval
7*
-ocr page 116-
100
is. Vgl. C. M. vs. 371: verslijtens taeyen stont. — Wesen, enz. Dit vers,
dat door Bilderdijk niet verstaan en daarom voor bedorven gehouden
wordt, is inderdaad onberispelijk. II. zegt: het wesen, het zijn (het tegen-
woordige,
dat zoo gauw voorbij is) wenschto hij van een (vluggen en
gladden) aal veranderd in eene (haast onbewegelijke) made. — soo flncks
te voren.
Versta: en flus, dat aan nu voorafging, ook zoo snel voorbij.—
twee mael eens, Versta: hij doorleeft hetzelfde oogenblik tweemaal door
het dubbel te besteden. Hoe dat mogelijk is wordt in het volgende ver-
klaard. — nauw—en. Het ontkennende en komt hier voor, gelijk in het
mnl. evenals bij cume (hgd. kaam) =. nauw of nauwelijks. Zie Stoett,
Synt. § 370. Vgl. Hofw. vs. 244:
Wat Eicken, \'t stercke blad, nauw \'s Somers uyt en staet.
Evenzoo bij maer. Zie Hofw. aant. bl. 31. — staet, bestaat. Het aanzien
eischt het leegstaan. — luier stede-werck, het werk der hovelingen,
wanneer zij in de residentie zijn. Die. Het pron. rel. slaat even als meer-
malen in het Mnl. terug op hot pron. poss. (luier). Vgl. Hofw. bl. 16,
vs. 31; Stoett. Synt. § 187.
Vs. 41—50. daler}/. Bij ons verloopcn tot gaanderij, gang, corridor.
te eieren met gedrangh, door hunne menigte op te luisteren. — rijp
gekosen,
met voordacht gekozen, d. i. bostemd (om er iets in te over-
peinzen). — aan de vleck, aan het bevlekken, belasteren. — Vruehtbaer
van,
vruchtbaar in, zouden wij thans zeggen, of voor de wetenschap.
Vgl. vs. 8: Vol ongevoelickheits van kostelicke veeren, gerucht. Eigenlijk
faam, voornamelijk in slechte beteekenis; opspraak. Vgl. Een sot hov.
vs. 82, en K. I, 631:
\'t Is uw Vriend, wie dat ghy zijt,
Die u van gerucht bevrijdt,
hier dus lasterpraat. — In vredigheit voll, enz. Let op de allitteratie en
de zoo vaak voorkomende woordspeling met vreugde en vrucht. Vgl.
Hofw. bl. 50. — in \'t gedencken. Versta: wanneer men er aan terugdenkt,
zijn ze hetzelfde, wat ze waren, toen men ze aan die overpeinzingen
besteedde, nl. het schuldelooze vermaak, enz. dat V Drukf. die in alle
uitgaven voorkomt; lees dat s\\ — beleeft, doorleeft, besteedt. Vgl H.-St.
160. — En wel bedenckende, enz. Versta: en die men nog eens kan
doorleven, door ze nogmaals goed te herdenken.
Vs. 51—GO. Juf er. Eene lettergreep. Eigenlijk niet geoorloofde samen-
trekking. In do omgangstaal zouden wij echter ook zoo zeggen: zooveel-
i-er.
— sijn wijser, iemand dio wijzer is dan hij. op sijn leeghst, daar,
waar hij (de vrager) het ledigst is; in die zaken, waarvan hij \'t minst weet.
B. „op zijn laagst, waar hij gemakkelijkst aan te klampen is. Of misschien
eenvoudig: op \'t nederigst, met de grootste bescheidenheid." Onjuist;
> ook wijl leegh, mijns wetens, bij H. niet in den zin van laag voorkomt.—
oeffeningh van Deughd, zodelesscn. — kan, kent, weet. Kunnen en kennen
beteekenden vroeger beide weten. Zie Tijdschr. III, 114. heught. Hier
-ocr page 117-
101
juist, onpersoonl. Elders perscenlijk, Hofw. 2381: Jk mag heugen. Zie
H.-St.
bl. 159. — Duyckt, doet onder, verbergt, oock meerder\', ook al
zijn ze grooter. — Op hoop ran meerdere, in do hoop van daardoor zijno
gaven (kennis en deugd) vermeerderd te zien. — Si/\'n, of zij. Omtrent
dit gebruik van en zie Hofw. 57. n»ch , nochtans, toch. — Soo kijckt
hy
, enz. Versta: Zoo komt hij dikwijls door het fijne van zijne vragen
kijken, d. w. z. zjjne scherpzinnige vragen verraden zijne grootere weton- r
schap. — Met mist hy, enz. Versta: Te gelijker tijd mist hij het recht _
van te ondervragen en wordt hij de ondervraagde.
Vs. (U—70. spaeriger, spaarzamer, dan \'t nood is ran gébreck, dan
\'t noodzakelijk zou zijn, zoo gebrek aan stof hem belette te antwoorden.—
ontsteken, opgestoken (van een kraan voorzien, zoodat men eruit tappen
kan), niet leek, niet als een lek geworden vat, dat het in zich besloten
vocht niet meer behouden kan. — een\'ujheil, eenzaamheid, in afzondering
doorgebrachte tijd. Vgl. Cluysw. vs. 209. — Die, Adv. accus. gedurende
welke, dat tastelick bewijs, enz. Accus. Afhankelijk van een uit daer
worden zij gewaer
te abstraheeren zin: daar kunnen zij vernemen. Begin
eener lijst van vraagstukken, als Hofw. vs. 1531; vlgg. Oogentr. K. I,
286, vlg. — u-ijs, wijsheit. Adj. voor subst. gelijk meermalen. Vgl. Een
sot hovelingh,
vs. 40, 44. — \'s Hemels Solderingh, enz. Versta: hoe
de eene sfeer des Hemsls de andere draagt. Men denke er om, dat de
Sterrekundigen zich oudtijds het hemelgewelf in 7 sferen of kringen
verdeeld dachten. Vgl. K. I, 221: \'t blauw geschimmer, Dat m\' in soo
veel schellen snijdt, en Ibid. 222:
Wel toch, oogen, siet om hoogh ....
Door de soo gevoeghde ringen
Dat sy van genoegen singen. (harmonie der sferen)
waerom. Het accent valt verkeerd, gelijk meermalen, het Masker. Bij
zonsverduistering. Vgl. Hofw. vs. 1614:
al loopt de losse Maen
Dan blootshoofds, dan gehult, dan met een masker aan.
ongelijck, nl. daeght. Waar de dag altijd op een ander, waar op hetzelfde
tijdstip aanbreekt; dus: waar de dagen ongelijk, waar ze altijd gelijk zijn.
Vs. 71—80. backen, bevriezen. In Limb. en Friesl. nog aldus gebrui-
kelijk: Het vriest, dat het bakt, zegt men daar, en: het heeft van nacht
gebakken. — tegen ons kan treden, onze tegenvoeter (antipode) kan zijn. ,~
sacken, vallen. — hangen, zweven, als op onzichtbare wijzo opgehangen.
geweldigh, kolossaal. — die, voor hem, die. — 7 rond, het aardrond.
bierige, die bier gedronken hebben, half beschonken. Bild. verklaart: rond-
gemutste, van biret of baret, ronde muts! — Staele Eoosen, windrozen,
van \'t compas. — Hoe H ooge door een\' spleet, enz. Door middel van
hoekmeting namelijk. — houdt dat steil, bedraagt die hoogte. — Vpun-
tigh aerden-werek,
hoekige, van aarde opgeworpen verschansingen, der
slechter eetven,
van eenvoudiger, onkundiger tijden. — Maenen en Horens,
lunetten en hoornwerken (verdedigingswerken).
-ocr page 118-
102
Vs. 81—90. borgen, onderpanden van veiligheid, gangen, mijngangen
(de beste borgen zijn). — Wat buyten, enz. Versta: welke de beste aan-
vals-, welke de beste verdedigingsmiddelen zijn. — bondige, kernachtige,
beknopt maar degelijk. — En ruym sijri1 herssenen. Bild. „Lees herssen
(enkelvoudig en collectivè) en en op zich zelfs. De zin is: dat zijn herssen
ruim, en wat voller is dan zijn mond. Het zou anders zijn voor is
moeten wezen." Ik haal deze meening aan, omdat zij zich volgens ons
taalgebruik nog al hooren laat. Alle uitgaven hebben echter duidelijk
herssenen; de herhaling van En—en zou ook leelijk zjjn, en — zoomen
slechts met H.\'s zegtrant bekend is — kan men het vers zeer goed
vorklaren, gelijk het daar ligt: En ruym sijn herssenen wat voller (zijn) dan
sijn mond is. Versta: En zijn hersenen vrij wat voller zijn, dan zijn mond.
De vorm zijn dient dus eenvoudig uit is aangevuld. Vgl. hiermede de
ook thans nog geoorloofde samentrekking: Ik icoon (enk.) op het land
en zij (mv.) in de stad. — wordt hij voorts gevergd, dringt men verder
bij hem aan; — \'s werelds wonder-boeck, het boek der Schepping of van
\'t Heelal. Vgl. Hofw. vs. 1607: Het wonderlicke Boeck van sijn\' sess
werckdagen. — swemmen. In den Zondvloed ( nl. — V Hemelsch over-
stemmen, enz.
Versta: van den zondvloed af tot dat de Hemel de strenge
letteren van het oude Testament tot zwijgen bracht, die onvoldaan waren
gebleven, totdat Hij, die deze wet gegeven had, er het leven voor opofferde.
Vs. 91—100. V waggelen, V struyckelen, H rijsen, wankelen, vallen
en herrijzen. — Godes stichtingen, Gods inzettingen (zijne Kerk), vuyl
afgrijsen.
Omzetting voor: afgrijselijk vuil, afschuwelijke boosheid. —
Der dagen die wy sien, van onze dagen, slechtste, eenvoudigsten, onkun-
digsten. — Twijffelen, weten niet. — kinder-tachteren, schoolmeesters,
paedagogen. Vgl. bl. 117, 73: Kindertuchtelick; bl. 158: menschen-
tuchteren. Blijkens het volgende die geen gelyck en lijden, d. i. die niet
kunnen lijden, dat iemand er zooveel van weet, als zij, zweefde II. hier
het ital. pedante (eigenljjk opvoeder) voor den geest. — onthoud, van
onthouden, in \'t geheugen bewaren. Vgl. K. I, 211, waar hij na gezegd
te hebben, dat hij niet veel namen kent van vogels, aldus vervolgt:
Kennis dwinght genught in paelen;
Die en zijnder geen in \'t dwaelen.
Wat ick miss in mijn onthoud,
Vind ick altijd nieuw in \'t Hout.
Zoo ook in \'t Zuid-Limb.: naar mijn onthoud, voor zoover ik mij her-
inner. derven, evenals \'t hgd. durf en, mogen; elders durven. — naer,
na. Versta: Ingespannen studie ondermijnt misschien hun lichaam (maakt
hen rheumatisch), kromt hunnen ruggegraat, bederft hunne maag en daar-
door hunnen adem. — schorten, ontbreken, noodigzijn, aankomen op;
conjunctivus: zoo het aankomt op. — Simme-schreden, apenpassen. Sim
of sim me, lat. simia, aap. Hiermede even als met aexter (ekster)-gangh,
is het dansen bedoeld. Vgl. met deze passage Oogentr. 1, 282. Konstelicke
Mal,
kunstige dwaasheid. Wdsp. met Costelick Mal, het bekende gedich \\
-ocr page 119-
103
Vs. 101 —110. rijsen, opspringen. Vgl. Een Boer, vs. 68. stuyten,
terugspringen. Vgl. Een Bedelaer, vs. 14 en 15. — als emmers, als nu
eenmaal, boven \'t singen, enz. Versta: als volmaakt genot zich niet
genoeg uiten kan door zingen alleen, maar het hart doet opspringen,
en dit den heelen man, dan springt hij \'t best, die, enz. — \'t gelaet
van springen,
het gebaar van springen, zijne sprongen. — reden, rijm
en maet; reden
ziet op de te maken figuren, rijm op het herhalen van
dezelfde passen, maet op het tempo. — emsteloos, zonder ernst, toewij-
ding; zonder er veel werk van te maken. Vgl. vs. 30: konsteloos. —
betrachten, bejagen, trachten te verwerven. — \'t vingerspel. Waarschijnlijk
\'t klavierspel, of \'t snarenspel in \'t algemeen. — Veel, vedel. Luyt, soort
van guitaar. Deze wordt, Clmjsw. vs. 458, bastaerd-luyt genoemd.
Vs. lil—120. versellen, accompagneeren met gezang. Keel, stem.—
danckelick, dankbaar. — En mogelick daer by dat. Vul aan: en leert
ze mogelick bovendien iets vertellen, dat. — Jeughdelick, jeugdiglijk, in
overeenstemming met hunne jeugd, deughdelick. Zie de aant. op vs. 21.
Vgl. ook het spreekwoord: Deugd verheugt. — siet hem tiaer, kijkt hem
na. \'t Sonne-peerd, de zon. van honck, van huis, van dit halfrond. Vgl.
Een Gesant, vs. 16; K. I, 455. — het sijne, zijn paard, ten afgerichten
spronck,
om het te dresseercn. — versieren, verzinnen, uitdenken. Vgl.
Een a. Poëet, vs. 24. — mensehen maecksel, menschelijk schepsel. Bedoeld
is de Centaur of paardmensch; hals en hoofd waren die van een mensch,
de romp en de overige declen van een paard. — de beest. H. bezigt dit
woord soms in het vr., soms in het onz. geslacht. Vgl. Een Alchymist,
vs. 3, en H.-St. 137. soo is \'t maer een beroeren. Versta: zijne dijen on
de schenkels van het paard zijn zoo dicht aaneengesloten, dat zij samen
maar óéne beweging schijnen te maken.
Vs. 121—130. Soo doet sijn\' stiller hand, enz. Versta: Zoo is het
ook met zijne hand, die zoo bewegingloos is, alsof zij niet de bewerkster
was van hetgeen paard en ruiter doen (links of rechts gaan) on geen
van beide schijnt te doen (namelijk, aan de beweging van de hand te
gehoorzamen). H. speelt hier mot de verschillende beteekenissen, die hij
aan doen geeft. Bild. geeft de volgende verklaring: „Zijn hand, die
doende \'t geen en paard en ruiter doen, \'t zoo stil en ongemerkt doet,
alsof zij niets deed, en noch in de beweging van \'t paard, noch in die
des rijders schijnt deel te hebben." Hij maakt dan echter hand tot onderw.
van en geen en schijnt van twee, terwijl de constructie eiscut dat geen
van twee
(paard noch ruiter) het onderw. zij. — radden tuygh, rap,
snelvoetig werktutg; zijn paard nl. Rad, gewoonlijk van\'t spreken gezegd,
beteekent eigenlijk vlug in \'t algemeen. Vgl. Bogaers, Slag v. Gibraltar:
Die lichte bodems, rad en slank, betrouwt sich, durven, wagen. hgd.
sich getrauen. — De schaduw schilderen, enz. Versta: hij wil het krijgs-
rumoer nabootsen (door de jacht). — raemen. Jagersterm. Eigenlijk
gezegd van windhonden, die een stuk wild omzetten, het doen stand
houden. H. gebruikt het hier intrans. standhouden. Zoo ook in het hgd.
-ocr page 120-
104
stellen, (van de honden); sich stellen (van het wild). — struycWlen,
vallen. Zoo ook struickel, val. Vgl. C. M. vs. 61. hy wringht sijn\'
sterckte fsaemen,
hij spant alle krachten in. Vgl. hgd. sich zusammen
nemen.
— onderkoelt, achterhaalt. Vgl. K. 1, 495:
Waer elcke Vogel syn, diens oog hem onderhaelden
En oor bereicken kon.
Zie verder: K. I, 495, 555, 710.
Vs. 131—140. half verslaegen, half verschrikt (maar ook half bo-
wonderend). Dit blijkt uit het volgende. — medoogen. Dit woord heeft bij
H. steeds het accent op de tweede lettergreep. Zie H.-St. 121. — bestuif\'
tende,
bij zich zelf de gevolgtrekking makende, dat, enz. — van gewoonte
schier
, bijna uit gewoonte, als van zelf. Vgl. vs. 26: van konst. — gaept,
gaat open. — deunder, scherper, nauwkeuriger. Vgl. vs. 365; en Hofiv.
92. Versta: die door de deugd van dapperheid ook diens overige deugden
beter heeft leeren kennen. — lUdderlick, edel. — wit van sijn gestadigh
loopen,
het doel van zijn aanhoudend gedraaf (streven).
Vs. 141—150. wanckelick, wankelbaar. twijffelick, twijfelachtig. be-
gonst,
begonnen. Versta: pas begonnen, en dus twijfelachtig, of hij het
wel zal behouden. — orerstrijdt, bestrijdt, tegenspreekt. Het komt ook
wel in andere bet. voor. Zie dienaangaande Voorspr. vs. 56, Aantt. —
Gemoedight, aangemoedigd, d. i. lust hebbende, verlangende. Zie Ned.
Wdb.
IV, 1444. Vgl. K. I, 59:
Gemoedight, als een Held die sich ten oorlogh rust,
Om tegens mij met ernst te strijden en met lust.
waerachtigh, met klemtoon op waer, op waarheid gelijkende, waarschijnlijk.
Dikwijls voorkomende wdsp. Vgl. Hof tv. vs. 1544:
soo dat ons klaer, klaerachtig
en waer, waerachtig werd.
even, juist, dadelijk. Vgl. Voorh. vs. 514:
Comt de Minne-moer niet blincken
Even als de Dach verspayt.
Hofw. bl. 42, 74; H.-St. bl. 70. — is het alom niet te zijn. Niet overal
kan men gelukkig zijn. — van allom minst, \'t minst van ergens, smoocken,
rook (laster) uitwerpen. — beroocken, verduisteren, belasteren, in een
verkeerd daglicht stollen. — doen H, in tegenstelling met trachten, bo-
werkstelligen het. Thans: of H doen. — voor-genand. Vgl. K. II, 57:
Een glaso Venster en ons Anne zijn genanden.
Zie verder Een Matroos, vs. 5 Aant. Genand met paragogische d of t
voor genan, eig. naamgenoot, vandaar: makker. Voor-genand is du8 hij,
die vóór hem gunsteling was.
Vs. 151—1(50. ter zijden af, nl. van het pad, en vermijdt daardoor
de strikken, wei-geveinsde, waaraan men niets merken kan. — Als rook
-ocr page 121-
105
hij lont noch krugd, als was hij zich van hun toeleg niet bewust. Tegen-
woordig alleen lont ruiken, dat gisteren. Vul uit het volgende vers aan:
dat (stond hij) gisteren uit. — uytstaen, verdragen, dulden. Vgl. Ken
Koningh,
vs. 3. — Besett, omringd, van allo kanten ingesloten. — mas-
kerloos,
onvermomd, onverbloemd, open. soo wordt hem spijl en logen,
enz.
Spijt en logen worden hem eigenlijk niet onder de oogen gewreven;
maar door spijt (naijver) en leugen wordt hem menig onverdiend verwijt
aangewreven. Wij: iemand iets onder den neus wrijven, onder de oogen
brengen. — muelen met de kool, zwart, verdacht maken. — van boven
tot de zool,
van top tot teen, van \'t hoofd tot aan do voeten. — voor
al,
in de eerste plaats; staat in verband met vs. 171 en 191. reickt,
strekt. —puysten, zweren, etterbuilen (de valschebeschuldigingen). Vgl.
Voorspr. vs. 47, vlg.
Vs. 161—170. sijri1 Meester loont. Vgl. de uitdrukking: het kwaad loont
zijn meester, d. i. zijnon bewerker. Versta: God toont het ongegronde
(wind) en het lasterlijke (etter) der beschuldigingen aan en doet het don
lasteraars tot schimp en schade gedijen. — Noch, nochtans; zooals dik-
wijls. — stootse, tref ze, kastijd ze. ter onschuld, onschuldig, zonder
reden; vgl. vdbr het gebruik van te (in): ter nood, te vrede. — Ma er
stootse, enz.
Maar kastijd ze zoo, dat zij terugtreden van het kwade en
tot recht en billijkheid wederkeeren; en waar (zoodra) hunne boosheid
een einde neemt, laat, enz. — op sijii\' tegen-bé, ter wille van zijne bede
voor hun heil tegenover hunne boosheid te zijnen opzichte. — in Hgoede
soo verlicht^
zoo helderziend gemaakt in \'t goede. Misschien wdsp. met
verlichten, synoniem van ontlaeden. berouwt gewis, berouwhebbend ge-
weten. Verled. deelw. voor het tegenw. deelw. Vgl. C. M. vs. 297:
Wel op, berouwen Siel, laet dat berouw eens blaecken.
Zie aangaande dit laatste: Verwijs, Aant. 8. Vgl. vs. 271 en onze uit-
drukking: een gevat man.
Vs. 171—180. naeste, do naasto daaraan, de daarop volgende. Hot
woord staat in verband met vooral in vs. 159 en laetst in vs. 191. toe-
verlaet,
toevlucht. Vgl. Zeestraet, I, 412: daer is geen toeverlaten op
evenstandigheit. Zie verder K.l, 44 en 122. — hooren, behooren, ressor-^>
teeren.\'\' Versta: tot wiens ressort beleedigde en beleedigers behooren. —
tot God gegaen, Gods hulp ingeroepen, soo, en soo, zus en zoo, op de
eene en op do andere wijze, nl. door rechtstreeksche aanroeping van zijn
bijstand (vs. 159—170) en door middellijke (tusschenkomst van den
Rechter). De volgende regel maakt dit nog duidelijker. — en in haer\'
schande maeyen, enz.
schande en schade inoogsten (afh. van dien \'t lust
te).
— grasiger, tieriger, beter. — eenigheit, niet zooals gewoonlijk bij
H. eenzaamheid, vgl. vs. 64; maar eendracht. eensgezindheid. — pleit
haer seljfs,
bepleit zich zelf; pleit, spreekt voor zich zelve, waer H voor
vyands
/ooren, al was de rechter zjjn persoonlijke vijand. — boor en, gaten
maken, zich ingang verschaffen. Vgl. Een sot hovelingh, vs. 84.
-ocr page 122-
106
Vs. 181—190. hei, beide. Wij zouden thans dit woord liever achter
Rechter en vriend plaatsen. Zie Zeestr. I, 404: Mijn Leser is \'t\'hier bei;
en vgl. H.-St. bl. 85. De Hechter, onder wien zijne belagers en hij zelf
behooren, is de Vorst, bij wien bij in hooge gunst staat. — die Vgunst
ly.
Uitg. 1672: hij. Drukfout. — scherp yenomen recht. De bcteekenis
dezer vrij gezochte woordspelingen is: maar hij (de belcedigdo), die niets
dan strikt recht krijgt, ontvangt reeds eene groote gunst, wanneer hij
het van hem ontvangt, die door eene kleine gunstbetooning groot on-
rccht kan straffen; do beleedigde ontvangt dan immers in plaats van
eene gunst (eene weldaad dus) niets dan recht (datgene waarop hij aan-
spraak maken kan). — Ruym onrecht, enz. ziet op de belagers; ruyni1
gunst
op den rechter. — ruyyelinyh, averechtsch. — wiyyelen, trans.
doen wayyelen, wrikken. Zie Vercoullie, Etym. Wdb. i. v.
Vs. 191—200. V kattenspel, de valschte trek. pert, streek. Vgl. iemand
parten spelen; men valt hem aan met het wapen, dat, enz. — aller
Hoofschste,
wdsp. met allerhoffelijkste, maar hier:, het meest in gebruik
aan het hof. hert, hart, moed. — \'es, des. 2lle nv. van dat, niet van et,
blijkens het afkappingsteeken. \'t is gelijck een\' Noot, het moet door eene
te harde schel omgeven zijn, gelijk het binnenste, het hart eener noot;
anders, enz. — gedroegen door den nood, uit den nood geholpen (zonder
tusschenkomst van andoren). — kindsch, kinderachtig. Dezelfde betee-
kenis hebben sch en ig bij do volgende bijv. nw., namelijk die van:
eigen aan, overeenkomstig met. kijven, krakeelen , twisten met woorden. —
eiyen Recht, de aan den edelman passende rechtsoefening. — dat, het
recht. — schrappen oogenblick. Een oogenblik, waarin men zich schrap
zet, zet vele andere betaald, waarin men to lyden heeft gehad. Wat
leg fit hem aen
7 gedingh. Wat geeft hij om, wat heeft hij noodig. Vgl.
Hofw. 88 en 91. Zie ook: Een sot Hovelingh, vs. 82. sijn\' eigen Rechter,
zijn degen nl.
Vs. 201—210. mog\'lick of, (\'t is) mogelijk, dat. Deze elliptische
uitdr. komt herhaaldelijk voor. Vgl. K. I, 456, 467. Geheel op dezelfde
wijze en met dezelfde bet. moghelick waer, K. 1, 236:
Mog\'lick waer gebreck van stoff, Mij vereisen\' in \'t Richter-hoff.
Evenzoo misselick waer; Voorh. vs. 326:
Misselick waer bij de Straet, Deur off Venster . . . open gaet.
Dit komt ook als misselick of voor: Hooft, Ged. 298:
Mislick oft zy waer gestclt, Op wat woorden voor haer geit.
bij Coster, Teeuwis, vs. 89; moghelijck oft; Tiesk. v. d. S. vs. 28: mis-
selyck waer;
vs. 66s en 1378 misselijc u-ie. handgift. Eig. het eerste
geld, dat een koopman op een dag ontvangt. Vgl. C. M. vs. 303. Hier:
eerste ontblooting. Versta: Mogelijk, dat die degen nog nooit de scheede
verlaten heeft voor een gevecht. — De werre-wateren, geboren tot het
woelen.
Wij zouden juist andersom zeggen: de woelwaters, geboren om
-ocr page 123-
107
verwarring (oneenigheid) te stichten. Blijkbaar heeft II. ook deze uitdruk-
king voor den geest gezweefd, maar geeft hij hier weer gehoor aan
zijne zucht tot het ongemeene. Men heeft wel in do gewone taal woei-
water
en wargeest, maar war water is eone door H. gemaakte samen-
stelling. — wit—swart gevoelen, goed—slecht denken. — de spell steken,
eene speld bij iets steken, ermede eindigen. Vgl. K. 1, 289:
lek staeck het by die Spell.
Met Bild. zie ik hierin eene woordspeling tusschen spel (ludus) staken
en spel{d) (spinula) steken. — het verwijt van dadelick bediet. Dadelick
beteekont bij H. en in de 17do eeuw in het algemeen door of met daden.
Bjj Kil. ipso facto, re ipsa. Vgl. Ken Boer, vs. 170: De beste School-
vrouw is de daedelivke Leer (de leer door daden: de practijk). Hier dient
het genomen in don zin van handtustelijk, ondubbelzinnig. Een verwijt
van dadelick bediet
is dus zulk een, waarvan do bedoeling geen twijfel
toelaat. Versta dus: Zij zoeken hem eene beleedigende uitdrukking te
ontlokken, over wier beteekenis niet te redetwisten valt, zoodat de zaak
met de wapens moet uitgemaakt worden. Aangaande bediet vgl. K. I,
241, 464. Ned. KI. I, bl. 15; II, bl. 3.s; III, 75. — onverhoeds, op
een onbewaakt oogenblik ontsnapt, ondoordacht. — Dat, Liegen, wordt
gedoopt.
Versta: Zijne belagers weten hem daartoe te brengen, dat hij
zonder nadenken iets ontkent van hetgene zij beweren: onmiddellijk
roepen zo dan, dat hij hen liegen heet, en dan zijn de poppen aan het
dansen, berennen, omsingelen. Eene stad berennen is niet, zooals men wel
abusievelijk meent, eene stad bestormen, maar haar van alle kanten
insluiten, zoodat zij van allen toevoer afgesneden is. — onderlingewraeck,
het onder elkander (zonder tusschenkomst des rechters) uitmaken van het
geschil. — op V scheiden van den, vaeck, bij het ontwaken. Vgl. K. I,
499: Van d\'uere dat ick waeck, En sluype \'t mijnent in door \'t splijten
van de vaeck.
Vs. 211—220. Wissel-brief, uitdaging, lettre do provocation, chal-
lenge. — Te drucken daer H hun deert, te nijpen, waar zij gevoelig
z|jn, in hun eergevoel aan te tasten, spijtt, leed, pijn doet. — Vrouwen
haysraed,
een hart, dat beter in den boezem van eene vrouw, dan in
dien van een man zou passen. — wachten, afwachten, guijt, hier in zeer
belcedigenden zin, ploert. — hitsig, sterk prikkelend, oven als heete,
prikkelende spijzen. — of \'t hert en wil V sich belgen, zonder dat hjj
er zich in zijn hart over belgt. In dergelijke beperkende zinnen staat
het ontkennende en gewoonlijk zonder oft. Vgl. Hofw. vs. 1629:
De Dauw is niet soo fijn, wij\'rt sion hem drop voor drop.
8oms ook ontbreekt en oveneens. Zie dienaangaande Hofw. bl. 56.
Vs. 221—230. geesten, driften. H = het, het hart. — broek, de
zwaar te verduwen beleediging. — schuld, beschuldiging, gelijk onschuld
vaak voor verontschuldiging, verdediging. — mommelt, mompelt. Vgl.
K. I, 39:               „,        , ,
Mommelt hy: ick praet van binnen.
-ocr page 124-
108
Vgl. eng. f o mumble, hgd. mummeln. — diergelijcken slagh, enz. Versta:
hun met dezelfde maat uitmeten, waarmede zij mij inmeten (zulk een
aanval op soortgelijke wijze pareeren). — hem voor hemd. Apocope der
tl. Bij II. zeer vaak voorkomende vorm. Zie Jf. I, 37; 213; 575; 586. Uier-
naast echter ook hemd b.v. K. I, 142. — lem, lemmer of lemmet (deze
twee woorden hebben niet denzelfden oorspr., zie Franck). fr. lame.
Vgl. A\'. II, 24: lek veegh een niewe lemm, of een\' verroesten degen.
Vs. 231-—240. \'t Hert sijn\' vierigheit, de vurigheid, drift van zijn hart.
Met vs. 237 begint eene discussie tusschen de Rede en den Hartstocht. —
ontsteken, ziedend, in drift opbruisend. In eenigszins anderen zin bezigt
hij, Ho fw. I, 298: ontsteken aderen. Zie mijn aant. hl. 10. -— terger,
uitdager. — met gevaer voldoen, met lijfsgevaar betalen; in het twee-
gevecht nl. n<\\, hiernamaals. — diese niet en lijdt, die geen ongerech-
tigheid duldt; God nl. — Die hand. Datief; aan die hand. — Wat leght
u aen.
Wat kan u schelen ? Vgl. vs. 200; en Ken sot hovel., vs. 83. die
H quaede, enz.
Versta: die de schuld moet boeten, boete het door de
schuld van anderen, die nog schuldiger zijn, dan hij; d. w. z. laat uw
schuldige uitdager geveld worden door hot misdrijf van nog grooter
zondaars dan hij is, d. i. door den arm van andere befaamder duellisten,
dan hij zelf.
Vs. 241—250. fins of f Avond, dadelijk of straks, later. Fins betee-
kent zoowel aanstonds als pas geleden. Vgl. vs. 33. Zoo ook: schier oj
morgen. — wel beleidt,
goed bestuurd, beleidvol. — wacht, verwacht.—
Die Hem, gij, die hem. — gednlden, het werkwoord, niet het meerv.
van geduld. Zie K. I, 298: nu tert ick uw gednlden, en vgl. Hofiv.
10. — om dat het n geverght wordt, omdat men u poogt onrecht te
doen. Dat dit de beteekenis is en niet omdat U onrecht gevraagd wordt
blijkt uit de onmiddellijk volgende vergelijking, selver, zelf. Zie Cluys-
werek,
vs. 325: met wat sy selver sweigen, en vgl. Verdams aant met
de mijne; H.-St. bl. 60.
Vs. 251—260. schemer-ooght, waar gij op staart, totdat het u begint
te schemeren, en gij niets meer juist kunt onderscheiden. Vgl.K,I, 451:
Doe de Sonne-paerden stickten
En haer ooge schemer-blickten.
Vgl. Oudem. schemer-zichtig. — schaduw van een schimm, minder dan
niets. — stal-licht, dwaallicht, verkeerde gids. Vgl. Hofw. 72. — de
loon,
vroeger mannel., thans onzijdig. Vgl. vs. 408: ten loone. —
Uyt opgemesten grond. Versta alsof er stond: Uit grond, opgemest met.
Vgl. Cosl. Mal., vs. 485: Dat soo mijn vrije Siel van \'t slijekerig bekom-
mer. Het bijw. op in opmesten versterkt de beteekenis. — diespruyte, do
eer nl. — het beter zijn dan andere, het voorrecht van van adel te zijn.—
Gewanse, won ze. — deughdelick, met deugd, met verdienste, op eene
verdienstelijke wijze. Vgl. vs. 21, 114.
Vs. 201—270. noodelick besteedt, aangebracht, waar het moest; „wo
-ocr page 125-
109
es noth that," zou do Duitscher zeggen, daer, daar, waar. — sweepen,
geesels. Accusatief. Versta: waar Gods gerechte straf, die geesels over
de vijanden zijner leer zond. — O rechten Adel-boom. Versta: O geslachts-
boom van werkelijken adel. — daden voor \'t Gemeen, voor \'t algemeen
welzijn. Wdsp. met ongemeene. Stoutheid van ongeduld, stoutmoedigheid
uit gemis aan bedaardheid, geduld, ljjdzaamheid; dus doldriftigheid. —
Moet voor eigen baet, moed ten eigen voordeel aangewend. — Wie kan
H sich onderwinden,
wie zou dit durven wagen (nl. u uwe eer te stelen).
Vs. 271—280. Misrekent. Het verl. deelw. heeft in den regel bij een
zelfst. nw. passieve beteekenis. Misrekent, hier voor misgerekend hebbend.
Zoo vs. 169: berouwt gewis voor berouwhebbend geweten; C. M. vs. 297:
berouwen siel; alwaar tevens de sterke vorm voor den zwakken staat.
Thans ook nog: een bevaren matroos, een welbezeild vaartuig, een bereisd
man. welgewonnen, wanneer de eer werkelijk een welgewonnen schat is, dan
is zij buiten het bereik van (het vatten) zulke(r) vingeren. — Hij. Nl.
die dat poogt, noch geen gewelf, zelfs het hemelgewelf niet (dat toch
zooveel grooter is). — Noch neem ik hem voor dief, doch ik wil aan-
nemen, dat hij een dief zij. rooven van, berooven van. Het simplex voor
het compositum, gelijk dikwijls bij H. — is H waerdigh om gelooven,
geloofwaardig, geloofelijk, d. w. z. is het niet bespottelijk, dat. — ont-
mantelt of ontgeldt,
van mantel en geld berooft. Het laatste ww. is door
H. naar analogie van het eerste gevormd; ook dit wordt steeds in de
figuurl. beteekenis, nooit zooals hier in letterlijke bet. gebezigd, bij der
Straet,
op den publioken weg. — 80h1 straffe, enz. Versta: zal hij
daarvoor door U bestraft worden in een open ridderlijken kamp (is dat
niet te veel goedheid?) — een arger, nl. van U te dooden. mogen hopen,
de kans hebben van.
Vs. 281—290. in mijn hemd. Bij het duel staan immers de tegen-
standors in hemdsmouwen, gijzelen, eig. gevangen zetten voor schulden;
hier: dwingen tot voldoening. — staet voor, is voor gesteld, daarvoor
dient. „Maar staan daar niet zekere jaren voor?" vraagt moeder Witse in
de Camera, als zij voor haren zoon een professoraat droomt, staet hg
voor te daegen,
daar dient hij voor gedaagd te worden. — onwetene,
onwetende. Een onregelm. vorm, te vergelijken met C. M. vs. 297:
berouwen siol. — beduiden op sijn recht. Zie Mul. Wdb, I, <>38. Versta:
uit het feit, dat hij de overwinnaar is, te zien beslissen (opmaken) dat
het recht aan zijne zijde is. — geboett, gebeterd, uitgemaakt. Met dezen
regel begint weer eone tegenwerping. — outmoett zijn, bejegend worden.
In dezen zin zou ontmoeten ook thans passief kunnen gebruikt worden. —
man voor man gestraft. Versta: die man zijnde, als een man gestraft
wil worden, of als dusdanig anderen kastijden wil. — Te roepen daer.
Versta: daarheen (nl. voor do Rechtbank) te dagen, waar een kind het
volhouden kan tegenover eenen man. Vgl. do Lat. uitdr. in jus vorare.
Aangaande bestaen voor, vgl. K. I, 72:
Waer is het Schepsel oock, dat voor Dijn Recht bestae.
-ocr page 126-
110
Vs. 291—300. Hy is geen eere waerd, enz. Repliek van „de koele
Reden." — dies1 andere te leen verght, die ze van anderen moet ont-
leenon; die zich op do getuigenis van anderen moet beroepen, om voor
eerlijk man door te kunnen gaan. — arger, wat erger is. stelen will.
Hierbij dient dies\'\' andere aangevuld. Immers, wanneer men in een duel
zijnen tegenstander overwint, heeft deze quasi ongelijk, en, arger, and\'re
tracht, enz.
Versta: en, wat nog erger is, andere tracht te doen deelen
) 2, in zijn eigen onwaardigheid. — Wirdt, wordt. — Die voor den eerlicken.
Versta: wien, ten overstaan van eerlijke menschen, zijne oneer niet verweten
wordt, maar na plechtig onderzoek volgens recht wordt bewezen. — eerlklc\'
oneer,
eervolle beschaming, schande. — Volherdt ghy even mild, enz. Zijt
Gij geneigd op dezelfde milde wijze, als Gij met Uwen tegenstander wilt
doen, eer te willen schenken , waar zij eervol besteed zij. — aen—gedencken.
Deze constr., hoewel zeldzamer dan die met den accus. en genit., komt
ook thans nog voor. Zie b.v. Beets, Cam. Ohsc. Gedenk aan den lieven
William. Dat in het Mnl. vele werkw. met aan geconstrueerd werden,
die thans eenvoudig trans, zijn geworden, is bekend.
Vs. 301—310. Die vrP voor lasteringh, enz. Math. 5, 44; Maar ik
zog u: Hebt uwe vijanden lief, zegent ze die U vervloeken, enz. Ibid.
39: Maar ik zeg U, dat gij den booze niet wcderstaat; maar zoo wie u
op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe. — tijd\'lick, nu
eens, dan eens, op hun tijd. Vgl. K. I, 44:
En leert ons tijdelick verschricken voor een Lam.
den Solt in H sotte bejegenen, eenen dwaas met dwaasheid (beantwoorden)
tegenkomen. Spreuk. 26, 4: Antwoord den sot naar zijne dwaasheid niet,
opdat gij ook hem niet gelijk wordet. — leert ghy se van Hem seg\'nen.
Omstelling voor: leert gij van Hem, ze te zegenon. Zie boven Math.
5, 44. — soen, verzoening, bekeering. — goeddunckende, laatdunkend,
aanmatigend; zie Mnl. Wdb. II, i. v. goetdunkel. — niet weten wat sy
doen.
"Woorden van Christus aan het kruis. Luc. 23, 34.
Vs. 311— 320. Al staet Verlies en Winst, enz. Versta: Al is ook
van eeuwigheid voorbeschikt, wat verloren zal gaan en wat gered zal
worden; (Leer der Praedestinatie). — Sy wanck\'len in ons oogh, wij
hebben dienaangaande geene zekerheid. — Gedachten, enz. Hier vat
H. weer den draad van het verhaal op. De voorgaande overdenkingen
zijn den wijzen hoveling door het hoofd gegaan met de snelheid des
winds. Versta: Zoo men zeggen kan, dat de wind zoo snel gaat als de
gedachten, even goed kan men zeggen, gedachten gaan zoo snel als de
wind, maar wat er uit volgt is geen wind. — maer \'t dunckt den Bode
niet.
NI. dat hij gewacht heeft. — bedied, bescheid, antwoord. Vgl.
iemand iets beduiden. Zie Voorh. vs. 542.
Vs. 321—330. Edelman geboren, geboren edelman, van adellijke
afkomst. — met de twee, nl. Soldaat en Edelman, het eerst. Versta: op
-ocr page 127-
111
het oorsto (dat ik Christen ben) altijd te letten. — Beschermen, wdsp.
met schermen. — van tijd verdrijv, uit tijdverdrijf. Vgl. vs. 2G: van
konst,
uit artifieie; vs. 134: van gewoonte. — Bespringht hg mg te moet,
valt hij mij bij eene ontmoeting aan. II. perst hier gelijk meermalen
twee denkbeelden tot een samen: kom ik hem tegen en valt hij mij dan
aan. Vgl. Voorspraeck, vs. 91, vlg. Aantt.
Vs. 331—340. door uw\' mond. Marnix v. St. Aldegonde, volgens Huy-
gens\' aanteekening. doender en spreker staan hier in tegenstelling: groot in
daden en in woorden. — waerheits wreker, als verdediger der hervormde
leer in zijne geschriften. — Sijn Degen en Sijn Penn. Herhaling v&n
\'t voorgaande; doch nu in beeldspraak. De degen is geveld op V Arra-
gonsch geweld
(tegen de Spaansche dwingelandij); de pen op \'t Secenherghs
versier,
d. i. op Romo\'s (stad der zeven heuvelen) verzinsel (dwaalleer). —
Arm-van-yser. Do Heer de la Nouo, volgens Huygens\' aanteekening. Hij
geeft hom don bijnaam van Bras-de-fer. Bedoeld is Fran<;ois de laNoue,
veldmaarschalk der Staten. Zie Wagenaar VII, 224, enz. — Die soo veel
min verzaeght.
Versta: die even stoutmoedig, waar het moest, als wijs-
beradon, bezadigd, waar de eer (van een aanval) oneervol scheen, enz.
Versaeght is bijvoeg, nw. Nog over in onversaagd; vgl. hgd. verzagen.—
aengaen, aanvallen. Vgl. llofw. vs. 1774: Gaet an slechts, wat je
meught. — weerslaen, weerom slaan. Versta: tegen wien gij geweigerd
hadt u ter weer te stellen, toen do noodzakelijkheid het niet gebood. —
Die stappen stapt hy na. Dat voetspoor volgt hij. — buytens Wals ten
tegenweer.
Versta: wanneer zijn meester, vöör eene belegerde vesting
liggende, op tegenweer tegen een uitval bedacht moet zijn. buytens wals,
vgl. buitenslands, binnenshuis, enz. Vgl. Een Gesant, vs. 15.
Vs. 341—350. V aerdige geback, gebak van aarde, aarden verschan-
sing. Vgl. Oogentr. I, 257: Verstaet my, aerdigh vat, enz. en H.-St. ^
bl. 120. — Daer een geborgen stadt, enz. Omzetting voor: Daer eene
stad Pasteisgewijs in geborgen stak. Op omgekeerde wijs spreekt Bilderdjjk
in den Muis-en-Kikvorsch krijg van Pasteien leg er schansen. — \'< stormigh
welgevall, enz.
Versta: het gelukkig toeval van een donkeren, stormach-
tigen nacht. Met oogeloose nachten vgl. blinde klip. — Besteden daer,
besteden om een aanval te doen op eene plaats, waar men hem zelfs bij
dag niet verwachtte. — proeven, beproeven, de kans wagen, op een
Heid\',
in een open veldslag dus. waer V Noodlot, enz. Versta: wat het
noodlot hem voorbeschikt heeft, overwinning of nederlaag. — jongh
Schepen.
Denk aan het spreekwoord: De jongste Schepen wijst het oor-
deel. Tot toelichting van dit spreekw. diene het volgende: Hij, aan wien
men oudtijds het eerst zijne meening vroeg — en dat was altijd de
jongste schepen — heet ordeldrager of ordelwisor. Deze brengt — hetzij
al dan niet na een tjjd van beraad — het ordel, het vonnis in, en „heeft
hij gevolg" d. i. zijn de anderen, of is de meerderheid, het met hem eens,
dan wordt naar zijn voorstel beslist (gewezen) en het oordeel uitgesproken,
-ocr page 128-
112
Hij, die het eerst zijne meening zegt, wijst dus naarde oude spreekwijze
wel degelijk een vonnis. — vermaenen, zeggen, vertellen. Even als het
lat. moneo. Vgl. K. I, 26, 200; II, 10. — hoort, behoort, wat hy moet,
waartoe hij gedwongen is (door de omstandigheden). — te lauw, te
fiauwhartig. Dit zeggen zijne vijanden; zijne vrienden zien daarin koele
bedaardheid.
Vs. 351—3(50. Sou \'t soo koel, en;. Versta: zou het zoo koel en zoo
lauw vinden, d. i. precies zoo, als van iemand, wien het niet popelt,
niet beeft. — \'t lood in sonck, het peillood, de sonde in bracht; sincken,
hier gelijk meermalen transitief. Vgl. hgd. senlcen. Vgl. Hofw. vs. 2411:
\'t Huys moet in \'t water staen, en slots-gewijs staen proncken,
Gelyck een\' steenen fiesch ia \'t koelvat werdt gesoncken.
Sijn setren, enz. Versta: y.ijn moed dient, daar hij zoo in toom gehouden
wordt, zich van onbesuisdheid te onthouden. Aangaande sijnseleen vgl. vs.
274, en ons zijn eigen. — pit-ziel, merg, kern. — naer \'t eewigh Vyer
doen loncken,
verlangend doen uitzien naar het eeuwige vuur (de liefde
tot God). Dit wordt nader toegelicht door: de heilig\' yeer-brand, enz.—
vodde-vreughd, armzalig genot van het leven, schroomens onverstand, dwaze
vrees. — d\' uer, die komen moet, de uur des doods.
Vs. 361—370. Blixem-lood, kogels. Vgl. Een Matroos, vs. 32:
En blaast hem boonen toe, die nae den Blixem riecken.
\'t rechte stout, do ware stoutmoedigheid, weigeruste vroomheid, bedaarde,
koelbloedige dapperheid. — op haer hittighste, ook wanneer zij \'t vurigst
is. Vgl. hgd. hitzig. — Daer, daarheen, waar. daegers, de uitdagers
(van beroep), duellisten, waegers om den deun, die het (tweegevecht) om
de aardigheid wagen. Zie K. II, 102: \'t en is maer om den deun. K.
II, 28: maer siet eens om den deun. Vgl. Bredero, St. Ridd. 7:
Die gaf hem, om den deun, een stijve stracke slach.
Deun, Zelfst. nw., bet. eigenlijk liedje, wijsje. Staen schrickende van verr.
Verschrikt van verre staen en zeggen : Wat, enz. deun. De eig. beteekenis
van dit adj. is gespannen. Hiervan afgeleid: scherp, enghartig, schriel. Zie
Hofw. 92. Verder dicht, K.l, 510, Hofw. 87; nauwkeurig K.ï, 150, 119.
Hier beteekent het ook scherp, maar in de bet. van wakker, Lat. acer.
Vgl. K. I, 606: Sc nichtte me soo i/ei»i. Zie verder Mnl. Wdb.Ofdoon.—
deun en is maer deun, dapperheid is maar malligheid, dwaasheid, levende
gedachten.
Waarschijnlijk de gedachten boven ontwikkeld in: De pit-ziel,
enz.
— \'t Ontleven. Wdsp. met levende; sterven, dood. Vgl. H.-St. 33, 74.
Evenzoo onlsterven, Hofw. 58. — \'t is hem selven vreemd, enz. Versta:
hij kan het niet beseffen, hoe iemand beven kan, die op het scheidings-
punt (tip) van Dood en Leven staat. Leven beteekent hier volgens Huygens\'
aant. in do uitgave van 1625: Zalig zijn; dus het eeuwig leven.
Vs. 371—380. dan sijn tongh. Versta: dan hij het bloed, dat hij
vergoten heeft, (de vijanden, die hij geveld heeft) van zijne tong afwascht
-ocr page 129-
113
(om er niet op te roemen), in banden, aan banden gelegd. — Al droegbïer
oock, enz.
Versta: al verzwijgt de nijd (van hem, die het vertelt) er ook
het benijdenswaardigste, het roemrijkste van. — is ,t verre van sijn
derven,
heeft hij er volstrekt geen behoefte aan. Vgl. hgd. bedürfen. —
blasen, pochen, bluffen, roemen; vgl. snoeven, genaeckf ick, naderde
ik rakelings. Vgl. fr. frise\' la mort. — voren uyt, voor uit. — Om Joff\'ereii
te slaen.
Dit geeft do «den van het pochen aan. met wonderen van
schriele,
met schrik over zijne wonderen van dapperheid. — malscher
Menschen-deel.
Vgl. Een ,sot Hovelingh, vs. 70: murwe Memme-dieren;
Hofw. vs. 1885: De weecker Menslickheit, het volk met lange rocken. —
Mannen dieren tijd, voor der mannen.
Vs. 381—390. redenen van Stael, gesprekken over bloedige gevechten.
Misschien wdsp. met redenen van Staat, eene ook in die dagen gangbare
uitdrukking. — kluchten. Ironisch: akeligheden. — schaer, troep, gezel-
schap. — emmers, althans, ten minste. Zoo ook bij Hooft immers; zie
Ned. KI. II, 6. — Trommel-ton. Trom; aldus genoemd naar den vorm;
vgl. Een Boer, vs. 25. verschapen, veranderd; zie Voorbericht, bl. 52.
De trom is het muziekinstrument in den oorlog, de luit dat der min en
van het gezellig verkeer. — Witt, doelwit, meeste, grootste. Vgl. H.-St.
66; en meer en meest in \'t Mnl. Zie voor het overige: Een goed Predi-
kant,
vs. 30: De Werelts wijsheit, jock. — lijdelick. Dit moet nauw met
ter oor verbonden worden: niet kwetsend, gepast voor het oor. Oor werd
vroeger ook vrouwelijk gebruikt; zie Een sot Hov., vs. 96. Vgl. onze
uitdr. ter oore, en Een algem. Poëet, vs. 21. — Tenoorboor, ten oorbaar,
tot nut en voordeel; vgl. vs. 474, en Mnl. orbore. gew. bij H. oorber,
zie K. 1, 1; Cluysw. vs. 59. — bitt\'re leeringen vergulden, ernstige
vermaningen in een behagelijk kleed steken. H. denkt hier waarschijnlijk
aan de twee uitdrukkingen: eene bittere pil en iemand de pil vergulden
of vergulde pillen laten slikken.
Vs. 391—400. den Lenf, den aanvang, het begin. Lente is hier man-
nelijk gelijk in \'t hgd. der Lenz. \'s Werelds Grieksche Jaeren. Omzetting
voor: de lentejaren (het begin) der Grieksche wereld. — d\' eerste wijs-
heit,
de eerste wijsgeeren. Men denke aan de fabel van Orpheus. —
Menschen-tuchteren, opvoeders der menschen; vgl. vs. 95. Tucht Van tien,
trekken, optrekken, opkweeken. Vgl. hgd. viehzucht en erziehung. De
eerste beteekenis is dus opvoeding, de tweede discipline. Zie Voorspr.
vs. 73, Aant. bedreven, voortbrengen, ontlokken. — vruchtigh, geschikt
tot vruchtdragen. klei—kei. Klanksp. Math. 13. Gelijkenis van den Zaaier. —
de trapp die naest ten Hemel leidt. Vgl. Een Matroos, vs. 16 vlg. — van
tand en scheidt,
nooit losraakt. H. denkt weer aan het Êp/c? idbvrw
van Homerus; zie Een Beul, vs. 40. — Goddeloos misbrui/ck, het ijdel
noemen van Gods naam: het vloeken en zweren. ->— noodeloose slot van
Ja en Neen.
Math. 5, 37: Maar laat uw woord zijn: ja, ja; neen, neen:
wat boven deze is, is uit den booze.
eijmagl, ïïuygens1 Zede-printen.                                                      8
-ocr page 130-
114
Vs. 401—410. \'t derde woord bevloeckt, enz., die geen drie woorden
zeggen kan, zonder onwillekeurig te vloeken. — Noyt willens-onverhoeds.
Deze woorden hebben weer betrekking op den wijzen hoveling. De con-
structie is: Noyt willens-onverhoeds sijn adem stincken doet na woorden,
die, enz. Willens-onverhoeds, met gewilde onverhoedschheid d. i. gemaakte
naïeveteit. — Sijn adem stincken doet na woorden, vuilbekt, zoodat, enz.
Vgl. Hofw. vs. 488: Het stinckt er naer mijn mond. Ken Boer, vs. 67.
de teenen sterven doet, enz, het bloed stijgt haar van schaamte naar hot
hoofd, lichten, enz. .Het onderwerp is die (de woorden). Versta verder:
die ons de vrouw en den man in hunne eerste naaktheid, hunnen natuur-
staat, toonen. II. doelt hier op praatjes, waarbij op de „genitalia" gezin-
spoeld wordt. — stameren en lispen, stotteren en lispelen. Wegens het
volgende, hier als gevolg van dronkenschap te beschouwen, berispen, in
het aangezicht te rispen. Hier bezigt II. den thans algemeen gangbaren
vorm. Vgl. Ken Boer, vs. 9: Soo ripst hij wel een vraag. Aant. Zoo
wisselen ook rups en rusp; geps en gesp. — al waer de misdaed min ,
enz. Versta: al ware het ook zulk een erg vergrijp niet (tegen de god-
delijke wet), het beestachtige (dierlijke) van het kwaad maakt er hom
afkeerig van.
Vs. 411—420. beklapt, belasterd. Vgl. achterklap, schrap gestaen,
pal gestaan; blijven stand houden, paal houden noemt men dit in Lim-
burg bij spelen, drinkgelagen, enz. Kans, het lot, spel. — mild, gunstig;
vgl. hgd. mild. scherp, straf, vijandig; beide van de fortuin gezegd. —
sijn Hemel en sijn God verlooch\'nen, zijn God verzaken en daardoor den
hemel verliezen. Dit hangt af van een ww. deed, dat uit hiel wachten te
abstraheeren is. werp, worp (met de dobbelsteenen). — Hy wordVer soo
gesien. Kr
nl. op het juffrouwen-salet. Vgl. vs. 383: Geraeckt hij in die
schaer, enz. — sijn\' winst van tueye Joffer-gonst, zijn aandeel in de
moeilijk te verkrijgen damesgunst. Vgl. Ken Boer, vs. G8. — mede vall,
toevalle. die soo langh na hegonst, die zoo lang na hem begonnen is er
naar te dingen. — geregelt laeten, het nalaten van iets volgens een
ge°\'"lden regel; dus, uit beginsel. — besneden doen, met mate doen.
Besnijden, eig. besnoeien; verminderen, matigen. Vgl. K. 1, 5:
» En wilst du noch \'t getal Besnijden van de mans.
Vs. 421—430. Dan dat sy er niet en vindt. Vul aan: wat waard zij
te haten,
en versta het geheel: De nijd zelf vindt op zijn doen en laten,
waarvan het eerste altijd met mate, het tweede steeds uit principe ge-
schiedt, niets aan te merken, dan dat er niets laakbaars in gevonden
wordt. — sint \'s Moeders eersten soen, van zijne geboorte af. Sint, oude
vorm voor sinds. — H past, het voegt, vlijt hem. — In wat hg niet
en laet, enz.
Breedsprakige omschrijving, uit \'s schrijvers zucht tot onge-
meonheid gesproten, voor: in alles, wat hij doet en laat. — Verneemt,
merkt, wordt gewaar. Heigen iï\'el, altijd dezelfde edele aard. — Berekent
hg, enz.
Voorwaard.: Indien hij berekent. — het sterven moest ontvaeren,
-ocr page 131-
115
den dood door middel van de ark moest zoeken te ontkomen; ontvaeren
is dus letterlijk op te vatten. Dat met d\'eerste van sijn stam Noaeh bedoeld
is, toekent II. zelf aan. — scheel, minachtend; gewoonlijk afgunstig.
Vs. 431—440. den tweeden derden man. Versta: dagteekent zijn adel
pas van zijn vader of grootvader. Vgl. Oogentr. I, 262: Mijn uerwerck
is voor twee dry ueren opgewonden, en mijne aant. H.-St. 129. — die
d\' eerste nae sijn\' Van hiet,
de stamvader van zijn geslacht. Zoo zeggen
wij nog: Hoe is je Van (familienaam)? — Peter, naamgever. De waar-
digheid van peter brengt mede, dat hij zijnen naam aan den doopeling
geeft. In dezelfde bet. gebruikt H. compeer; Hofw. bl. 15, vs. 109. die
\'t Velsens Kei begon,
die de stamvader der Van Velzens was. Vgl. vs.
426. — die \'t smoorden, met wien het uitstierf, in sijn\'1 Ton. Doelt op
het bekende verhaal aangaande de straf van Gerrit v. Velzen, den
moordenaar van Floris V. Vgl. Hofw. vs. 1807. Aant. — teelen, geteeld
worden. Intransitief voor het transit, passief. — Hoe licht, enz., hoe is
het mogelijk, dat zijne Kaars minder licht geeft, dan die van ben, welke
het aan de zijne zullen ontleenen. Het eerste licht is wiv., het tweede
bijw., het derde zelfst. nw. — al en eerst. Men zou geneigd zijn dit als
allereerst op te vatten; Huygens\' bedoeling is echter: waar die edelheid
haren geheelen en eersten oorsprong in vindt. — Gevalt, geschiedt; valt
hem te beurt; vgl. Het geviel te dien tijde. Minder-menschen, vrouwen.
H. hecht sterk aan het prerogatief van den man boven de vrouw. Vgl.
Hofw. vs. 1934 vlg.:
Stracks sey si} (de Rede) \'k was een Mann
En sy (de vrouw) mijn onder-mensch.
In de geheele passage berijdt H. trouwens weer een zijner meest gelief-
koosde stokpaardjes; Vgl. Hofw. vs. 649 vlgg.; 1880 vlgg. — om wen-
schen.
De oude en zuivere vorm voor: om te wenschen. minstendeel, het
minst; de tegenstelling meestendeels is thans nog in gebruik.
Vgl. 441—450. veil-diep, dat niet dieper dan het vel gaat; vgl.
Oogentr. I, 269: \'t Veil-diepe rood en wit; Hofw. vs. 233 en 1931. —
geeft. Latinismus: da mihi = stel. tamelicke, middelmatig, niet bijzonder
mooi, hgd. leidlich, of lijdelick, gelijk H. het elders noemt. Vgl. Hofw.
56, 97, 100. — doorschijn, doorschijnend. — de dicker Hoor>^ doeld
zijn de hoornen platen, welke de plaats van het glas innamen. De com-
paratief dicker zal hier wel dezelfde beteekenis hebben als soms in het
Latijn, nl. die van een niet geringen of al te hoogen graad. Vgl. Boot,
Synt. § 73, a. Het dialect kent nog een dusdanig gebruik: in Heering\'s
Maregien (Gids, Mei, 1891, bl. 187) lees ik: Zelfs bezadigde lieden
maakten de opmerking, dat zij n\'n skoondere maagd" (een heel mooi
meisje) was. Het Mnl. kende ook een dergelijk gebruik van den Compa-
ratief voor den Superlatief; zie Stoett, Synt. 114: Die middelheit wel
houden can, dat es die wiser man. Een Duitsche uitgang er komt ook
in de Middel-eeuwen en bij Vondel voor, doch dan in vocativo: du
8*
-ocr page 132-
116
kloecker geest; mjj, vromer helt; of in nominativo, achter het onbep.
lidw. een: een rijcker Boer; een vromer Ileidt. Zie Van Helten, Vondels
Taal,
I, 91. Een identiek geval levert vs. 480: de snooder eew. Hier
kan men ook weer verklaren: snooder dan hare voorgangsters, of
al Ie snood, monsteren, pralen, prijken. Bij Kiliaen beteekent monster
toonstuk, proefstuk; van daar monsteren, pronken. Zie De Jager, Schijnb.
Frequent,
bl. 83. Versta dus: Zij (de schoone ziel) zal haren glans zoo
door het lichaam doen doorstralen, dat dit in dien glans zal deelen. —
vergen, vragen, met aandrang, gelijk meermalen. — H en waer\'1 ick
neggen mocht,
ware het niet, dat ik kon zeggen; indien ik niet zeggen
kon, dat, enz. — half vernoeght, half tevreden, welbedoeht, wel beraden.
Vs. 451—44)0. stom bekennen, stilzwijgende bekentenis. — wederzijds
gevall,
het behagen, dat de een in den ander vindt; onderlinge toege-
negenheid. verwennen. Hiermede bedoelt H. de kleine vrijheden, die den
minnaar goedgunstig zijn toegestaan (in alle eer en deugd, blijkens het
volgende van menig eerbaer uer). — verstout ick, enz., ben ik zoo vrij
een mondeling onderzoek in te stellen naar. — Misgunt, verschoont mij
van. feener tijd, te golijker tijd; in het volgende beteekent misgunt gunt
gij mij niet. — spaeder, later, hgd. spüter. ui lust u niet te singen, enz.
Al hebt gij geen zin na te zingen, wat ik U voorfiuit, d. i. met mij in
te stemmen.
Vs. 461 — 470. vrijen, vrij, vrijste, vrijlick. Woordspeling tusschen
vrijen, het hof maken , en vrij, ongedwongen. — niet, niets, de kennis
van sijn\' waerde,
de wetenschap van wat hij waard is. — Sprack sterren
ugt haer Lucht,
zou in staat zijn sterren uit haar standplaats aan het
uitspansel neder te halen. — stommelingh, zwijgend, zonder te spreken; vgl.
Een Waerd, vs. 68. — bedoeckt, bewimpeld, bemanteld. weigerlicke
veinsingh.
Omzetting" voor: veinsige weigeringh. Vgl. den volgenden regel,
alwaar H. op aardige wijze de verlegenheid der .juffer schildert, die wel
wil, maar niet durft toegeven aan hare liefde voor haren minnaar. —
behandelt en betre\'en, gehandeld en gewandeld met. Betreden is hier
naar onze opvatting zeker geen schoon woord: het dient hier echter niet
in absoluten zin opgevat, maar als: omgaan met; door er meé op en
neer to gaan, leeren kennen. Vgl. "Westerbaon, I, Ockenb. 94:
Het lot van mijn beroep en goe genegentheden
Die gaven mij noch jongh, oock grooten te betreden.
Zie ook Hofw. vs. 296:
Vertreden mijn gepeins en soms een beter boeck.
en mijne aant. aldaar. — Neenigh Ja, een ja, dat op een neen lijkt.
Ja\'igh Neen, een neen, dat op een ja lijkt;\'At; neemt het echter voor
oen stellig jawoord, dat slechts moeite heeft om geuit te worden.
Vs. 471—480. Het stof daar uyt gesift. Absolute constructie, even
als van \'t onmiddellijk volgende. De bet. is: nadat het jawoord ontdaan
-ocr page 133-
117
is van allen omslag, wimpeling van wimpel: windel, doek, windsel, omhulsel;
vgl. boven bedoecken. — twee en twee op sulcken voet verknocht, de ouders
van elk der gelieven hebben eertijds ook op deze wijze den knoop van hun
huwelijk gelegd. Omtrent twee en twee voor het tegenw. twee aan twee,
zie Mnl. Wdb. Dl. II, 639. — Dien H nu bejegent, wien nu te beurt
valt. oorboor, dienstig; vgl. vs. 389. — de spruyt, ene. hun telg, kind.
stronck, tronk. Etymologisch heeft het echter met dit woord niets te
maken; het is eene nasaleering van struik. Vercoullie, Etym. Wdb. —
Int.
Kil. ent. verproncken, overtreffen door grooteren pronk, waarde;
vgl. verkloeken. — vruchten, kleinkinderen, verstorven, afgeleefd, uitge-
doofd. — Weer vrucht, achterkleinkinderen. Wdsp. met vreughd, gelijk
menigmaal bij H. Vgl. Een Printschr., vs. 13; H.-St. 82. — be-erven
sy,
worden zij deelachtig, by tijden, van tijd tot tijd. — suer verdriet, ^-
ernstige toorn. Vgl. Oogentr. vs. 6. de booser eew wil lijden. Latinismus;
accus. cum inf. Versta: wil lijden, dat de booser eew\' zie vertemperen V \\a>
haer stadige misvall en bastaerd wangebroed door sooveel tegengoed.
Misvalt, misbevalling, miskraam, wangeboorte. Zie Oudem. Wdb. i. v.
booser, al te snood. Vgl. vs. 446: de dicker Hoorn, en de aant. aldaar.
De zin luidt dus: Zoo de hevig vertoornde Godheid wil gedoogen, dat
deze al te snoode tijd (wereld) hare voortdurende voortbrenging van
booze en ontaarde menschen zie verbeteren (veredelen) door die van
zooveel wakkere, degelijke menschen, die als tegenwicht kunnen dienen.
Vs. 481—490. Sijn groeyend"1 Vaderschap, enz. Versta: terwijl hij
zijn kindertal ziet aangroeien, verheft hem zijn dankbaar vorst telkens
tot hoogere eereposten. — Stedelick gebied, Staetelick bewint. Versta: hij
maakt hem tot bevelhebber eener stad, of tot bestuurder van den Staat. —
besint, bemint, hem genegen is; vgl. K. 1, 439. — bedaerder sorgen,
Zorgen van bedaarderen, d. i. lateren, leeftijd. Vgl. bl. 116, vs. 39: Die
H bedaeren sooveel nader. — borgen. Kil. bergen; e voor /• wisselt dikwijls
met o af. Vgl. werpen en worpen, werden en worden. — brooser goed.
Bedoeld is: tijdelijke have. voosere, lediger, ijdeler; vooser goed zal dus
van eer en positie gezegd zijn. De werkw. verbranden en versincken
eischen deze onderscheiding. — Oevalt hun yet te deel. Gevalt, valt; ge.
(eig. samen) verliest dikwijls als voorvoegsel van werkw. alle beteekenis;
vgl. gelukken, gewinnen, gelijken, enz. Vgl. vs. 439. dat door de Borse
klinkt,
geld, vermogen.
Vs. 491—500. Hy laet. Vul aan: het hun genieten. Zie Math. 6, 31:
Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen
wij drinken ? of waarmede zullen wij ons kleeden ? — walgelick vergieten,
op eene walgelijke wijze verkwisten. — Al staet het yeder een, al mag
iedereen verwachten, dat, enz. Vgl. K. I, 190:
Staet u niet in aller feilen Wederhelft met mij te deilen?
en K. I, 197: \'t Oude staet ons niet te ruylen Tegen \'t nieuwe sonder
pruilen. — H eewigh, het Eeuwige, het hemelsche. en schoeyen op sijn1
-ocr page 134-
118
schoen, en zich schoeien op zijne (d. i. van het eeuwige) leest. M. a. w.
die in alles het Eeuwige voor oogen heeft en daarnaar zijn leven inricht.
Zie Math. 6, 31, 33: Maar zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne
gerechtigheid en alle deze dingen zullen U toegeworpen worden. —
sonder stuyt, zonder tegengehouden, teruggeslingerd te worden. — ge-
soncken,
uitgeworpen. Het intrans. werkw. heeft hier, gelijk meermalen,
de transit, beteekenis van het hgd. sencken. Vgl. vs. 353. Hoven-dorpel,
ingang van de haven. Hier is het woord dorpel figuurlijk op te vatten;
men spreekt echter wel in eigenlijken zin van een sluisdorpel. Fig. bezigt
ook Hooft: op den drempel des lands. Ned. Klass. II, 18. — te Lande,
aan Land! ick haeck, ik heb grond gevat. — H lecke Schip, het doode
lijf. — het hoogh van Zion, de hemel. Denk om: het hemelsche Jeru-
salem (Sion). verwinteren, uit te rusten. De winter toch is meestal voor
den zeeman het tijdperk van rust.
Vs. 501—506. Hooge-Bootsmans, des Heeren. H. speelt hier met den
naam, die soms ook wel aan den bootsman gegeven wordt, nl. Hoog-
bootsman. Ofschoon daardoor eigenlijk slechts een ondergeschikt scheeps-
officier aangeduid wordt, geeft Huygens het woord door de verandering
van hoog in hooge de beteekenis van: opperste bootsman, gezagvoerder.
Deze benaming wordt dan verder figuurlijk op God toegepast, desen Hall,
deze aarde. — keuren, oordeelen, achten, houden. Vgl. Hofir. bl. 71.
blaes, zeepbel, (hersen)schim. Vgl. K. I, 591:
C. Ik weet niet ofse mijn te nacht sel uyt men kop gaen.
K. \'k hoop jae, Baes; wat een blaes! daer benne Wijfs enoogh.
Stam-gesin, stamhuis, huisgezin, sijn\'gelijcke, zijns gelijke, hem gelijk. —
scheel, dek, deksel, hier zerksteen. Vgl. Hofiv. vs. 388:
Eer dat hij met een oogh of met een oogh-scheel wenckt.
en mijne aant. aldaar, \'t Is hetzelfde woord als schedel, bovenste van
het hoofd, als het ware het deksel der hersenen; maar \'t heeft niets te
maken met scheel, hgd. scheitel. verrotte scherven, vergaan gebeente. 1\'lat,
even als het geheele grafschrift. — witte Kruey; witte raaf, zeggen
wij thans. Versta: waarvan de wedergade even moeilijk te vinden is als
eene witte raaf.
0,0 <--"                     EEN PKOFESSOR.
Vs. 1—10. sprekend boeck. Denk om de uitdrukking: dat spreekt als
een boek. — Mannen ABC. Hij onderwijst geene kinderen, maar richt
zich tot aankomende mannen en meer ontwikkelden. De variant een
preker buytens koors
beteekent eet: ongewijd predikant; dikwijls werd
van het koor af gepredikt, in plaats van op den kansel. Kluysenaer in
stadt,
hij leeft immers hoofdzakelijk in zijne studeercel. Vgl. Hofw. vs.
2172, en Cluysw. vs. 104. — schaef van groene rijsen. Nagenoeg hetzelfde
beeld als het voorgaande: hij beschaaft en ontwikkelt de studeerende
-ocr page 135-
119
jongelingschap. — Staten-Stammen. Ik zie hierin eene klank- en woord-
speling tusschen statige stammen en stammen (steunpilaren) van den
Staat. — veerman van de deught, enz. Versta: Hij is een schuitenvoerder
in dienst der Deughd (virtus) om door het bijbrengen van grondige
kennis (door diepe Leeringsgracht) de onwetende en onervaren jonge-
lieden („groene wambas-kalven" noemt hij ze, Hofw. v. 649; „kalver-
jonghe maets", Voorh. vs. 530) tot posten en eereambten te brengen.
Zie in den volgenden regel „onervaren veulen". — Trommel, voor trom-
melaar. Vgl. Een goed Pred., vs. 5. — Sijn ooren op vereelt. Versta: bij
zijne leerlingen predikt hij dikwijls voor doove ooren; hunne ooren worden
er gevoelloos voor even als de handen door aanhoudend werken, een schuyt
van hier tot Keulen.
Versta: hij leidt den jongen man in in de kennis dor
wereld en van het leven, even als een veerman op Keulen, een jongen
Nederlander, die de Frankforter mis wil bezoeken, halverwege brengt.—
kleyne werelt-kaert. Aldus noemt hij ze, omdat die mis door kooplieden
uit alle oorden bezocht werd, vooral ter wille van don boekhandel.
Kleine wereld (mikrokosmos) is anders eene van Huygens geliefkoosde
uitdrukkingen voor den mensch. Vgl. K. I, 21; Hofw. vs. 2488. Hier
voor wereld, in het klein.
Vs. 11—20. schouwt, kijkt aan. kinder-Baes, gewoon schoolmeester.
met even sulcken ooghen, met evenveel trots. — siet hij weer omhoog e,
ziet hij op naar een geleerder dan hij. Het volgende is een aardig
beeld. — Vermach, enz. Versta: wil hij niets meer zijn dan Professor.—
Klooster-niews, het nieuws, dat de wetenschap aangaat. Klooster-niews
wordt het genoemd, omdat de academische lessen in het oude klooster
der Witte Nonnen gegeven werden; gelijk thans nog het geval is. —
H ltijck Te weden. Woordspeling. Onder den schijn van een denkbeeldig
rijk, Tevredenheid, bedoelt H. eigenlijk de tevredenheid, die de grootste
rijkdom is. Vgl. met deze passage: Ken Boer, vs. 25—-29. — de hoornen
spreken, enz.,
de boeken spreken tot het oor van zijnen geest; bij het
lezen dient hem dus zijn oog voor oor. — holle, vol, overvloedig
voorzien. Vgl. holle wangen.
Vs. 21—30. staet, tot staan komt. — de drooge Jeught bebaedt,
zijn water (de wetenschap) over de jeugd uitgiet, die daarvan ontboot is.
Bebaden, een door H. gevormd werkw. — die door een drystall au \'-dt;
dus even als de Pythia of priesteres van den tempel te De\' hi
          ook
op eenen drievoet zittende hare orakels gaf. Het woord ..riestal voor:
stoeltje met drie pooten zonder leuning, is nog in gebruik. — kruyssen,
geldstukken, aldus genoemd, omdat ze een kruis als stempel droegen.
Vgl. Bredero KI. v. d. Koe, bl. 11:
lek heb warachtigh gien geld, ick heb seker gien geld in huys,
Ja niet een Hollandsche duyt, gien helderpenning noch kruys.
De Roovere, 183:
Ghecrugste schijven, die wel bijblijven
Is goede provanche.
-ocr page 136-
120
Nw. Amour. Liedtb. 147:
Oft ick sal u roerom koocken
Geeft my eenich munt of cruys.
Vandaar de uitdrukking kruis of munt, niet een kruis (geen zier). Ook
kende men oly kruisen. Zie Oudemans Wdb. op Bredero. Schotel, Maatsch.
Leven,
bl. 269. De Vries, War. 65. Met de afleiding van Schotel: „oly-
kruis,
kruis of penning om er het laatste oliesel meê te betalen", kan
ik mij niet vereenigen. Ik houd het voor eene verbastering van Heilig
Kruis;
vgl. Eng. hohj. — de t\'leuter, de advokaat, praktizijn. schildert
hem met kool,
maakt hem zwart, belastert hem (uit broodnijd). — kindsch,
kinderachtig, onnoozel, van weinig waarde, sijn adem, enz., hij is te
theoretisch, kent niets van de praktijk. — Sijn sory is, enz. Versta: hij
heeft maar voor één uur van de vier en twintig uren, die een dag duurt,
te zorgen (het lesuur nl.). — Die, nl. sory. Ter weken, wekelijks. Zulke
zorgen heeft hij vier in de week. — luyer-sieck, tegenst. van lust het
hem.
Houdt hij zich uit luiheid ziek. kelderklem. Klem, soort van val.
Vgl. Hier liggen klemmen en voetangels; in de klem zitten. K. I, 540:
uyt syn macht en van de klemm geraeckt; K I, 526; II, 11. In de helder-
klem liggen
beteekent dus: door wijn bevangen zijn. In dien zin spreken
wij van de kelderkoorts hebben. — \'t brief ken spreekt voor hem, aan de
poort der Academie (ad valvas) wordt aangeplakt, dat Professor verhinderd
is college te geven.
Vs. 31—40. Hondsdach dieren-schrick. Aldus wordt de hondsdag (of
de hondsdagen) genoemd, omdat men in den waan verkeerde, dat de
honden dan voornamelijk dol of razend werden, \'t hooghst van zijn ver-
langen.
Omstreeks dien tijd heeft hij nl. vacantie. — verneemt, merkt,
wordt gewaar; vgl. Een wijs Hov., vs. 426. — van daer \'t hem niet en
kost.
Hij gaat nl. in de vacantie bij vrienden en kennissen logeeren. —
Dan waer \'t een groote sprong, enz. Versta: Was hij nu maar weer aan
\'t doceeren, dat zou veel gewonnen zijn, maar, enz. — \'t scheel, het
verschil. Vgl. Hofw. vs. 43: daer deelde \'t spoor het scheel; vs. 65, 445,
800, niet te verwarren met scheel, schedel, deksel. — \'t ongelijck,
te groot, leeken. Er zal wel lecken of Heken dienen gelezen. Dit beteekent
smullen, brassen. Zie Kil. i. v. Lesen, college geven. — kond hij op, daagt
hjj op. — hoorhuys, auditorium, hoorzaal, collegezaal, klatert door syn
baerd. Klateren,
verw. met Eng. to clatter, oorspr. een klanknabootsend
woord = ratelen; ook gebruikt in de beteekenis van snappen, babbelen.
Zie De Jager, Frequent. Vgl. hgd. er brummt in den Bart hinein. Hier
voor: onduidelijk spreken. — Als waer het Paerd sijn kracht, enz. Door
in zjjn baard te brommen, doet hij als een paard, dat met zijn staart
zou willen trekken. — Reden strijdt, redetwist, geleerd dispuut. letter-
haenen.
Wij spreken van letterhelden en bij een twist ook van kemphanen.
Uit deze twee smeedde H. waarschijnlijk zijn woord. — Beleydt, bestuurt.
Vgl. Oogentr. vs. 1; H.-St. Aant. ui, als, alsof. Vgl. Ken Boer, vs. 63,
64. liuyter-vaenen, vendels ruiterij.
-ocr page 137-
121
Vs. 41—50. \'s landts gerechtieheyt, \'s lands rechten. - \'t overwonnen
heijr, enz.
Versta: overwonneling en overwinnaar in den redetwist. —
vrede-fluyten, glazen op don vrede, de beslechting van het geschil, gele-
digd. — vergelden, bot. eigenlijk betalen. Vgl. Teestije, vs. 05:
God geve mi spoet
Dat ick vergelde dese scout.
Hooft, Br. 50, 43: Als hij schoon dat (het houden eener dienstmaagd)
hadt vergelden mogen. Mits hij vergolden blijft beteekent dus: mits hij
ervoor betaald worde, aller scha te buyten, vrij van schade of onkosten.
Vgl. Voorspr. vs. 94. — het planten van een muts, het verleencn van
den Doctorshoed, in de hoedanigheid van Promotor. — bluts, sukkel,
domoor. Vgl. Spieg. d. Minne, 109:
Arme bluts de karre is u ontdrevon
en Ibid. 27: Sy slacht d\'arme blutse.
Als bijwoord komt het bij II. nog voor, K. I, bl. 593:
Hoe bluts (onnoozel) wil arme Claes staen kycke.
al waer \'t hg oock de ooren, enz., al ware het ook, dat hij de ezelsooren,
enz. — om Adem op sagh booren, omhoog zag strekken, als om hulp
en bijstand. — keurt soo keurlick niet, oordeelt niet zoo kieschkeurig,
ziet niet zoo nauw. \'t oorbeest, de ezel, de gepromoveerde, kroonen kack\',
goed betaalt. — Spant hem, enz. Onthaalt hem eerst goed op zijne pro-
motiepartij en vult hem daarna de beurs.
Vs. 51—60. Op vorsten vocht onthaal, op feestgelagen bij de ontvangst
van een vorst, afgesonden sprekers, afgevaardigden, gezanten. In het
Latijn heeft orator deze beteekenis. Vgl. De vita propriet, II, vs. 5:
Sex socios oratores Itespublica senis
Me comitem submittit.
voor een man, als een man (iemand, die wat te beteekenen heeft). Vgl.
Een wijs Hor. vs. 289. geeseltse met bekers, plaagt, kwelt ze mot beker
na beker op hun welzijn te ledigen. — \'t ruym gevolch, enz. Omzetting
voor: gevolg van ruim (genoten) ongekochte wjjn. — Rispen en broeken.
Zie Ken Boer, vs. 8, 9. Versta: door den wijn verhit begint hij Hebreeuwsch
en Latijn te spreken. — Gebeurt, enz. Valt hem de eer te beurt, dat de
vorst zijn college komt bijwonen. — \'/ staemlen. Gevolg zijner onmatig*
heid van den vorigen avond; vgl. Een wijs Hov., vs. 407. daer sal hij,
enz.
Versta: in weerwil dat hij nog stottert uit katterigheid, zal hjj eene
lofrede houden op de gulden middelmaat (hetjuiste maathouden), enz.—
wat deugdelicker man. Aangaande dezen genitief zie Vondels Taal II,
§ 261. Verdam, Oost. Mal. bl. 21, aant. 14. tuchtelick, stichtend. Vgl.
Voorspr. vs. 73. K. I, 456: tuchtigh onderwijsen; ibid. 534. — nieuw
en oude ballen.
Spreekwijze aan de kaatsbaan ontleend. De spelers weten,
dat het een groot verschil maakt, of men met oude of nieuwe ballen
speelt. Hier: zij kennen zijne manieren van gisteren en die van heden,
-ocr page 138-
122
Vs. 61 — 70. xijn wij «er wijf, zijne vrouw, die wijzer is dan hij. Vgl.
echter Ken wijs Hovelingh, vs. 444 en 480. — spil, spindel, klos.
huymorgen, hedenmorgen. Vgl. Do Vries, War. bl. 67:
Och! zy kreeg van anxt den arbeit op den hals
Doe haer vaer huinuchtent zei, dat hij ze an Rykort besteed hat.
en Aant. bl. 226: „Huinuchtent. Samengetrokken uit huiden uchtent, d. i.
heden ochtend. Zoo zeide men ook hui-morgen, en met zachtere uitspraak
henochtend, welk laatste eenige malen bij Huygens voorkomt." Hierop
afgaande heb ik niet geaarzeld in het onduidelijke woord van het IIS.
huimorgen of huimergen te lezen. Versta: zijne vrouw heeft hem de klos
opgewonden, die hij nu (in de les) laat afloopen. — korsten van V ver-
bijten, cm.
Versta: overblijfsels van de boetpredikatie, die zij hem bij
zijn ochtend-ontbijt heeft toegediend. — Soo gaende, zoo doende, groote
moeders schoot,
schoot der moederaarde. Vgl. Cost Mal, vs. 37: oude-
moeders
boenen, en de aant. aldaar. — gevrijdt, enz., gevrijwaard voor
vergeten. — Die kranssen vlechten hem. In hunne hjk- en lofredenon,
nl. — in 7 minst. De constructie is: Die \'t constek .<t gesegh te seggen
vinden in het minst; d. i.: die juist vinden, dat men zijne zeggenskunst
het best toonen kan, naarmate men minder te zeggen heeft. De samen-
hang met het voorgaande en het volgende cischt deze opvatting, in
plaats van die, welke voor de hand ligt. — klahbeeck. Zie Ken sof
Hovelinyh,
vs. 7. Oosters fijn. Wanneer deze lezing de ware is, zal oosters
fijn
zoo veel betcekenen als oosters cel, oostersche edelsteenen , diamanten.
Vgl. Ken sot Hov., vs. 7; Ken wijs Hoc. 9: oostersteen. — Te weten, met
dien verstande.
EEN PKINT-SCHKIJVEK.
Dat II. hier, na al die portretten, ook het zijne, als portretschilder,
geeft, is zeker niet onaardig.
Vs. 1 —10. Sjiieyel-ruyt, spiegelglas, spiegel. — weerschijn aller
cerw,
een weerkaatsing van alle kleur, riller, omdat de printschrijver den
menschen als het ware de huid afstroopt en doet zien, hoe zij van binnen
zjjn. Vgl. vs. 22. van gewoont, uit gewoonte; tegens*. van beroeji. Vgl.
Ken wijs Hov., vs. 26: van konst. — daer H rouw is, waar het oneffen
is, waar knobbels, d. i. fouten, zijn. — glijen over H gladd, schielijk
heengaan over het effene, d. i. het goede. Deze eigenaardige gewoonte
der kat is goed waargenomen. — schouw, schuw. De printschrijver spreekt
niet gaarne, waar de waarheid ontbreekt, d. w. z. niet gehuldigd wordt;
daar immers preekt hij voor doove ooren. feilt, Kil. faalt. Vgl. fr. faillir.
deughdelick,
degelijk, nauwlettend. — waersegger. In de letterl. bet. van
zeyyer van de waarheid, waeyht, gewaagt, zegt. Vgl. K. I, 239:
Door \'t besluyt daer \'t all af waeyht.
Zie verder Oudem. Wdh. i. v. — sterek-water, eig. vitriool, hier voor
-ocr page 139-
123
bijtend vocht in het algemeen. — all dat yemand is. Ik vat dit op als
één woord: al-dat-iemand-is, en vul er praeter bij aan: een, die vertelt
alles, wat iemand is, d. w. z. iemand, die U in uw geheel uitsehildert. —
profljtelick vermaeck. Telkens terugkeerend devies van den leerdichter
Huygens. Vgl. Hofw. 32. — voedsel, profijt; smaeck, behagen, vermaak.
Vs. 11 — 20. maer ten haleen. Immers ieder moest er profijt en ver-
maak tegelijk in vinden. — \'t spertelende been. Hiermede wordt gezin-
speeld op dengene, die in \'t volgende vers genoemd wordt. — kloek,
stem. Vgl. K. I, 457: Met een opgesteken /. lock. üit slaat op oor • licht op
ooijen.
— stelt sich schoon, toont een minnelijk gelaat. Vgl. hgd. das
liisst sich schön.
— verhardt, zich verhardt, lact sij, laat zij niet na,
verzuimt zij niet. — Hoe wel-coordachtelick, Wat deed ieder goed, zoo
hij met besef zijne roede omhelsde, d. w. z. de kastijding, die hij ont-
vangen heeft, behartigde. — van schaemt, met schaamte; vgl. vs. 2: van
gewoont. plaester, pleister. Daar hij bekent, dat die pleister voor hem
geschikt is, bekent hij tevens zijn wonde of gebrek. — Hij, de printschrijver.
slechte, sluyeke, stL i, sluipende. — moett, ontmoet. Vgl. K. I, 604:
Daer moette men en dingh dat m\' eerst te vore quam
As soo en Juffer of en Madamme de Parme.
Vs. 21—30. straelt, ziet, boort. Vgl. C. M. vs. 140 en 262. sterlint/h,
(starrelings), strak, buffetteder, de dikste huid. — schaduw-Deughd, schijn-
deugd, schijnheiligheid. — blein, blaar, gezwel. Vgl. Hofw. 42. parken,
booze zweren. Beide woorden dienen natuurlijk in overdracht, zin genomen
voor gebreken. — daclc, deksel, kleeding. Broecken en Rocken, Mans en
Vrouwen. Vgl. H.-St. 101; Hofw. 102. — Versaemelt hy een klomp. Vgl.
Voorspr. vs. 23. wesenskroost, wezenstrek, gelaatstrek. Kroost, beteekent
eigenlijk geslachtstrek, het eigenaardige in het wezen, dat aan alle leden
van een geslacht eigen is. Kroostkunde is gelaatkunde. Zie Oudem. Wdb.
i. v. en Ned. Klass. I, 63, 1. Moeder-vorm, matrijs, origineel. — sijn
Bulleback,
zijn eigen boeman, schrikbeeld. Versta: hij streeft er naar om
iedereen bang te maken voor zijn eigen beeld. De afleiding van het
woord Bullebak, waarvoor Hooft bulleman heeft, is nog onzeker. Vgl.
Vercoullie, Etym. Wdb. i. v. — door sijn eigen Deur, door in zich zelf
te keeren, door het besef van wat hij zelf is. Dit blijkt uit het volgende. —
ontloopt sich ruggelingh, wijkt voor zijn eigen beeld terug. Vgl. Voorspr.
vs. 36. — daer hy hoort, waar hij moet zijn. onwillens, zonder het te
willen, tegen wil en dank.
Vs. 31—40. \'t groot schort, \'t groot gebrek. Vgl. Westerbaen,
Ged. I, 120:
— segt mij eens in \'t kort
Wat schort
Ghy op mij weet.
en verdere voorb. bij Oudemans. — dien dicken dampen-dijek. Alliteratie.
dampen-dijek, mist. Vgl. Een Beul, vs. 51; Aant. — syn heel lijf staet\'er
-ocr page 140-
124
voor. Versta: zijn lichaam (zjjne persoonlijkheid) met al zijne kwade
neigingen staat hem in den weg, om zijner rede toe te laten, zicli te
zien, zooals hij is. — hy sluypter tusschen door, hij ontsnapt aan hunne
waarneming. Vgl. dat gaat er zoo tusschen door. — averechts, verkeerd,
het onderste boven. O, die, o g|j, die. kont, kunt. — En hebt uw aen-
gesicht, enz.
die hem bekijkt (gelijk hij U bekeken heeft). — Waseht
zijn met uwe hand.
Toespeling op het spreekwoord: Wanneer de eene
hand de andere waseht, worden zij beide schoon, maeckt hem sich bekent,
maakt, dat hij zich zelven kenne. — \'t sand van vuyle laeck-zucht. H.
vergelijkt de leelijke zucht om te bedillen bij oen zandkorrel in het oog,
die iemand belet juist te zien. — sijn trouw Hy is. Trouw, oprecht.
De bedoeling is verder: H. die bij het schrijven zijner zede-printen
telkens van de behandelde types heeft moeten zeggen: H y i\'s dit of dat,
vraagt nu, dat men hem op liefderijke wijze zijne gebreken onder het
oog brenge en hem zegge: G y z ij t dit en dat.
Vs. 41—43. Redens-kracht, kracht der rede, van het verstand. —
Koel segi/en, enz. Kalm en zonder hartstocht zeggen, wat hij bij anderen
ziet; maar ook evenzoo van anderen kunnen hooren, wat hij zelf (ver-
keerds) doet. Libera (enz.). Met vrijmoedigheid heb ik het eerst van allen
mijne schreden gezet op een nog onbetreden gebied: mijn voet heeft het
spoor van anderen niet gedrukt. Het verheugt mij, dat ik, die iets
nieuws breng, in de handen der ontwikkelden gevonden en door hen gelezen
word. Horat. Epist. I, 19, 21 sq. en 33.
VERBETERINGEN.
BI. 3, vs. 102: lev\'e en; lees: /e«\' en.
„ 9, „ 3S : bewi/s;             „ bewijs.
„ 15, „ 51: nemmerneer; „ nemmermeer.
„ 17, „ 10: eeuwig h;          „ eewiijh.
BI. 53, vs. 11—20: ui/tgemaeckte, volmaakte, volkomen. — Bij nader inzien dunkt
het mij beter ui/tiiemaeckte hier te verklaren door uitverkoren. Bij Hooft beteekent
w/tmaecken dikwijls afvaardigen, benoemen, rerkiezen; zie o. a. Ned. Klass. Il, bl. 31.
Een ui/trjemaeckle man is dus de uitverkorene zijns volks, m:uir tevens een schepsel van
zijn laeijer
, daar hij zijne macht aan den volkswil ontleent.
151. 81, vs. 11—20; de (julde boeyen, de gulden keten, enz. — Het is mij niet mogen
gelukken met zekerheid te bepalen, ot\' Iliivgens hier zinspeelt op een insigne van den
admiraalsrang. Bijna op alle afbeeldingen zijn de vlootvoogden met een gouden hals-
ketting versierd; doch dit zon ook een cercteeken, tot belooning van een of ander
glansrijk feit kunnen zijn.
*
<5>t\'. £o&/