-ocr page 1-
vz&fï.
rr\\nn
6£RG. SUB. ft>4/r-
^1\\^/t£
->C-e^l
*
.
_
-ocr page 2-
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
-ocr page 3-
6*~                            °R/Y ^ H q
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000019409253B
1940 9253
EEN NIEUW HANDBOEK VOOR HET
NEDERLANDSCH-HERVORMD KERKRECHT.
Er zijn slechts weinige werken, waarin het Kerk-
recht van de Nederlandache Hervormde Kerk in zijn
geheel is behandeld. De man, die boven velen een
goeden invloed op de wetenschappelijke beoefening van
dit Kerkrecht heeft geoefend, H. j. royaards, Dr. en
Hoogleeraar in de Godgeleerdheid te Utrecht, had
reeds, voordat de vermaarde Voorlezing over het
Kerkrecht, als wetenschap, ook voor het
akademisch onderwijs, in 1848 door hem was
gehouden, in 1834 het licht doen zien: Hedendaagsoh
Kerkrecht bij de Hervormden in Nederland,
dat op den titel nader gekarakteriseerd werd als H and-
boek voor Akademische lessen, alsmede ten ge-
bruike van Predikanten en Leden van Ker-
kelijke Vergaderingen. Is dit boek een model,
door de zorg, die aan de indeeling en de bewerking van
de stof is besteed; ook om den belangrijken inhoud en de
historische behandeling van het onderwerp loont het
nog altijd de moeite van het naslaan. Ditzelfde geldt van
de Kerkelijke Wetten voor de Hervormden
in het Koningrijk der Nederlanden, door c.
hooijer, predikant te Zalt-Bommel. Wel is waar ont-
Nibuwb Serie. VU.
                                    85
;w<3
-ocr page 4-
548
breekt in dit, ten jare 1846 verschenen boek, de sys-
teraatiscbe uiteenzetting. Maar deze leemte wordt ruim-
schoots aangevuld door de algemeene Inleiding,
waarin de geleerde schrijver een goed overzicht geeft der
voornaamste Oud-Nederlandsche Kerkordeningen — het
voorspel van zijne in 1865 verschenen Oude Kerk-
ordeningen — en de niet minder belangwekkende
bizondere Inleidingen, die, voor ieder Reglement
geplaatst, de geschiedenis en kritiek er van bevatten.
De genoemde boeken behandelen de Organisatie
van de Ned. Herv. Kerk, die in 1816 haar beslag
kreeg, na sinds het bekende gewichtige K. Besluit
van 8 Augustus 1808 in de gezaghebbende politieke
en kerkelijke kringen van ons vaderland dikwijls be«
sproken en overwogen te zijn. Royaards was, zooals
H. M. c. van oosterzee in het na te melden werk
verhaalt, begonnen de hand te leggen aan eene nieuwe,
met de in 1852 ingevoerde Kerkorde in overeenstem-
ming te brengen uitgave van zijn Kerkregt, maar bij
zijn overlijden schijntde noodigestof voor eennieuwen druk
nog niet afgewerkt te zijn geweest. Buitendien achtte
de eigenaar der kopie van royaards\' werk eene om-
werking van het voor akademisch gebruik allereerst
opgestelde boek onprofijtelijk. De heer van oosterzee,
predikant te Oirschot, sloeg daarom, eigenlijk tegen
zijn zin, de hand aan den ploeg en bezorgde ten jare
1861 een handboek van het Kerkrecht, „ten gebrnike
van leden der vergaderingen van kerkelijk bestuur bij
de Hervormden in Nederland," onder den titel: De
Nederlandsche Hervormde Kerk in hare In-
richting en Bestuur. Jaren lang is dit werk met
z.yii 304 „bladzijden tekst en ruim 164 bladzijden
-ocr page 5-
547
aanteekeningen, ook om den inhoud van deze laatste,
eene bruikbare handleiding voor de mannen van het
vak geweest.
Aan de akademiën zat men inmiddels niet stil.
Door royaabds\' leerling dr. w. muukling, Hoogleeraar
te Groningen, was het Kerkrecht, in navolging van
zijn leermeester, als voorwerp van het akademisch
onderwijs beschouwd en behandeld. In 1857 zond hij
het laatste stuk van zijnePrac tische Godgeieerd-
heid in het licht. Hiermede kreeg het theologisch
publiek de vijfde afdeeling van het groote werk in
handen, die tot de zeer gelukkig geslaagde behoort:
Over het Kerkrecht, met den kunstterm: Eccle-
siastiek wellicht niet ongeschiktehjk gedoopt. Eene
beschrijving van de kerkelijke organisatie van 1852
bevatte deze afdeeling, die wel verdiend had door eene
afzonderlijke uitgave onder het bereik te worden ge-
bracht van zulke belangstellenden en belanghebbenden,
die natuurlijk een boek als de Pr act. Godgel. zelfs
niet onder de oogen krijgen. Te Leiden had dr. i. i.
prins in 1859 eene Korte Schets van het heden-
daagsche Kerkrecht der Nederlandsche Her-
vormde Kerk in het licht gezonden. „Het onder-
wijs," door den Hoogleeraar „volgens dien leiddraad"
gegeven, „werd allengs belangrijker en vollediger, en
onderging tevens die wijzigingen, waartoe de loop des
tijds verplichtte" — zoo deelt de schrijver zelf ons mede
in het korte voorbericht voor het voortbrengsel van die
voortgezette werkzaamheid, dat ten jare 1870 onder den
titel: Het Kerkrecht der Nederlandsche Her-
vormde Kerk, historisch-critisch beschre-
ven is verschenen. Het boek onderscheidt zich, zooals
35*
-ocr page 6-
548
men van dezen auteur kon verwachten , zoowel door een-
voud en duidelijkheid van voorstelling als door nauw-
gezetheid van bewerking. Het heelt dit bizonders:
het jus cons tituendum vindt er eene afzonderlijke
plaats. Afdeeling I toch bevat de geschiedenis van het
ontstaan van het Kerkrecht; Afd. II beschrijft het
Kerkrecht zooals het thans (in 1870) bestaat; Afd. III
handelt over dat recht zooals het, bij voortgaande
regelmatige ontwikkeling , wor denmoe t. Van menig
denkbeeld, hier voorgedragen, heeft de auteur bij het
klimmen zijner jaren de verwezenlijking mogen aan-
schouwen. De methode, door hem toegepast schijnt
te zullen worden gevolgd door Dr. wilhelm kahl ,
die immers op het titelblad van het eerste deel zijner
rechtsbeschrijving plaatst: Lehrsystem des Kir-
chenrechts und der Kirchenpolitik , en hiermede
te kennen geeft, dat hij eerst de leerstellingen
zooals zij zijn, en daarna de grondstellingen
van het Kerkrecht zooals het wezen moet, wil voor-
dragen.
Al de genoemde schrijvers namen in hun tijd eene
meer of minder gewichtige plaats in onder de vooruit-
strevende theologen, en waren, zonder hunne critiek
er van op menig punt terug te houden, over het
geheel vrienden van de kerkelijke inrichting en het
kerkelijk bestuur, waaronder zij leefden. Hoofddoel
van hun streven is dan ook om op kalme wijze het
vigeerend Kerkrecht uit een te zetten en te verklaren,
zonder op leerstellig gebied zich verder te bewegen
dan het besproken onderwerp volstrekt noodig maakt.
Een van hen afwijkend standpunt werd in het
-ocr page 7-
549
jaar 1884 ingenomen door dr. a. J. vos azn., predikant
der Amsterdamsche Gemeente. Van zijne hand zag
in genoemd jaar het licht: De tegenwoordige
inrichting der Vaderland sche Kerk beschre-
ven en naar de beginselen der gereformeerde
Kerkenordening beoordeeld. In dit Hand-
boek tot beoefening en toepassing van het
Kerkrecht valt op het jus constituen dum de
nadruk. In de voorrede (p. XII) wordt gelezen: „Debe-
ginselen die de Heer der Gemeente onmiddelijk of midde-
hjk ten grondslag zijner Kerkstichting gelegd heeft, blij-
ven de kenbron en het richtsnoer van elk behoorlijk Kerk-
recht. Maar zij moeten opgespeurd en besproken worden ,
en zulk eene bespreking is verre van gemakkelijk. . .
(als) men, gelijk ik heb getracht te doen, het thans
bestaande recht toetst aan de grondbeginselen onzer
gestichte (?) Kerken, welke ik in overeenstemming
acht met die der Apostolische Gemeenten." „Tot den
ganschen raad Gods behoort/\' zoo heet het verder
op p. XVI, „niet enkel het antwoord op de vraag:
wat moet ik doen om zalig te worden? maar
ook het antwoord op de vraag: wat moet ik doen
om mij als kerkelijk persoon, als lid, als
voorganger, als bestuurder van en in de
volkskerk waardig en ten zegen te gedragen en zulk
een gedrag bij anderen te bevorderen?" Ten slotte
wordt hier geconcludeerd: „niet maar eene tijdelijke
behoefte of een voorbijgaand verschijnsel" — en ook
geen beschreven recht? zoo mogen we hier al vragen —
zij bij alle vraagstukken richtsnoer van denken en han-
delen, maar „het onomstootelijk Recht der "Waarheid
ten behoeve van de hoogste belangen."
-ocr page 8-
550
Zoo werd op het gebied van wet en recht, van
kerkinrichting en kerkbestuur aan dogmatische beschou-
wingen een groote plaats ingeruimd. Menigeen heeft
dit bedenkelijk geacht, maar Dr. vos is toch op dezen
weg voortgegaan. Dit blijkt uit een boek, dat voor
eenige maanden het licht zag. Het is het eerste in
eene Serie Handboeken, behandelende de
Praktische Theologie, die Dr. A. w. bronsveld
en eenige andere geleerden willen samenstellen. Deze
leerboeken zullen verschijnen bij kemink & zoon te
Utrecht. Het door ons bedoelde handboek is getiteld:
Hoe men zich in de Nederlandsche Her-
vormde Kerk heeft te gedragen, waarop eene
nadere beschrijving van den inhoud volgt in deze
woorden: Systematische Uiteenzetting van
het tegenwoordig Nederlandsch Hervormd
Kerkrecht. Dr. o. J. vos azx. noemt zich hier
„predikant in de Nederduitsche Hervormde Gemeente
van Amsterdam."
In dit werk wordt des schrijvers kerkeljjk-confes-
sioneel standpunt breed uiteengezet. Toch wordt Dr. vos
door zijne zienswijze niet verhinderd om meer dan eens
vrijere denkbeelden uit te spreken. Hij zet b.v. op den
voorgrond (p 132), dat de zoogenaamde Conventikelen
van oudsher door de Kerk, om verschillende redenen, zjjn
tegengewerkt, en zegt, dat naar streng recht, „uit een
kerk vormelijk oogpunt", elke godsdienstige samenkomst
naast of tegenover de openbare Godsdienstoefening der
Gemeente „streng te veroordeelen is." Maar, ziende
op de Evangelisatie, de Zondagschool, de ver-
gaderingen der Afdeelingen van den Protestanten-
bond enz. — die Conventikelen van onzen tijd! —
-ocr page 9-
551
is Dr. vos van oordeel: „De werkelijkheid heeft
ook hare oogpunten", en zegt, dat alleen „bedachtzame
wijsheid" en „echt-christehjke verdraagzaamheid" door
de praktijk „aan de bedoelde misbruiken\'\' een einde
kunnen maken. Hiernevens plaats ik eene, in onzen
tijd, die de Doopformule weer tot een voorwerp van
kerkdijken strijd heeft weten te maken, zeer beteeke-
nisvolle uitspraak. Dr. vos namelijk gaat uit van de voor-
stelling (p. 148), dat de welbekende formule, aan Matth.
XXVIII vs. 19 ontleend, te gebruiken is ten gevolge
eener verordening van een, door hem niet nader ge-
noemd of aangewezen „oud kerkelijk Gezag". Maar
in eene aanteekening constateert hij het feit, dat in
het N. T. ook sprake is van een doop „in (eï;)
jezus christds,\'\' die, zegt hij, hetzelfde beteekent, en
trekt het besluit: „dat men dus niet volstrekt aan de
woorden van Matth. XXVIII vs. 19 gebonden is,
spreekt wel van zelf" Laat mij , om niet meer te noemen,
nog wijzen op het hoofdstuk over In- en uitwen-
dige zending. Het kan niet worden tegengesproken,
dat die christelijke werkzaamheid over het geheel een
niet-kerkelijk karakter draagt. Van zijn confessioneel-
kerkelijk standpunt af spreekt dr. vos van „niet-ofE-
ciëele arbeiders voor de vermeerdering van de godsdien-
stige kennis en de bevordering van christelijke zeden.\'\'
En menigeen denkt hierbij aan de dagen der eerste
Liefde in het oude Christendom, aan hunne „niet-ofnciëele"
maar van God gedreven en door zijn Geest bezielde
Apostelen, Profeten, Leeraren, en — zucht! Welnu, onze
auteur wijst op de „officiëele" bemoeiing met- en belang-
stelling in die werkzaamheid, die volgens hem bij de
Kerk visitatie voor den dag komt, maar verlangt verder ,
-ocr page 10-
552
(p. 388), dat de Kerkeraden begrijpen dat zij, geroepen
tot het bevorderen van alles wat bet godsdienstig leven
in de Gemeente kan verhoogen, aan al hetgeen daar-
toe van de zijde van lidmaten en van leden gedaan
wordt, bijaldien het na grondige toetsing niet verwer-
pelijk wordt bevonden, „als Kerkeraden, en dus ook
van den Kansel, althans zedelij ken steun verleenen."
Meer beteekent, dat dr. vos bij de beschrijving
van de gewone kerkelijke handelingen meestal zeer
objectief te werk gaat. Voor dit deel van zijn werk
onderschrijf ik gaarne het oordeel van dr. herderschee,
dat het boek zeer geschikt is „voor studenten in rech-
ten en theologie en voor allen die door de praktijk
met de wetten en reglementen onzer kerk in aanraking
moeten komen." In het tweede en derde boek komen
paragrafen voor, welker lectuur en stadie den man-
nen van de Kerk en den belangstellenden in haar
inwendig leven alle gewenscht licht doet opgaan. Ik
denk hier eerst aan de afdeelingen, die over het
Besturen van de Gemeente, de Vereeniging
tot wederzijdsch hulpbetoon in ongelegen-
heden en tot gezamenlijke uitoefening van
het Kerkelijk Bestuur handelen, en meer in
\'t bizonder aan de onderwerpen: Kerkeraad in
stoffelijke zaken, Grootboeken, Traktcmcn-
ten, Vervulling van Vacaturen, Bingen,
Fondsen, Classicale en ProvincialeBesturen,
Synode, Hooger Onderwijs, Proponents-
examen, enz. Wordt hier voornamelijk de weg gewezen
in het kerkelijk recht; het was van denschrjjver van de
Geschiedenis van de Vaderlandsche Kerk,
van Groen van Prinsterer en zijn tijd, van de
-ocr page 11-
553
vroeger genoemde Inrichting te verwachten, dat
menige meer en minder belangrijke historische herin-
nering de voorstelling verlevendigen en licht ver-
spreiden zoude over kerkelijke gebruiken. Ik doel
hier o. m. op veel van het geschrevene ia Boek II,
hoofdstuk II, over Eeredienst, en zou de daar b.v.
voorkomende aanteekeningen over de „Tekstbordjes"
niet gaarne missen, noch die over de oude kwestie van
een „Ambtsgewaad" enz. Voorts heb ik het oog op de vele
bijschriften, die den aard en strekking der onderscheidene
Be stuursbetrekkingen toelichten, maar betreur
daarom te meer, dat het gedeelte, hetwelk over den predi-
kant als Catecheet handelt, uit een historisch oogpunt
schraal ia bedeeld, gelijk ook het tegenwoordige gods-
dienstonderwijs eene breedere behandeling verdiend had.
Weldadig doet het groote verschil aan, dat in één
opzicht vooral tusschen de beschrijving van de In r ieh-
ting en dit Handboek bestaat. In het eerste werk
toch uit zich een geest tegenover de Organisatie van
1852, die hier en daar iets hostiels krijgt en zich in
een kribbigen toon openbaart. In het tweede wordt
het goede in de genoemde Organisatie gaarne opge-
merkt en op hare wettigheid nadrukkelijk gewezen.
"Wij lezen zelfs (p.. 382) de volgende veelzeggende
woorden: „Aan het einde van onze beschrijving van
het Kerkverband gekomen, het minst aangename ge-
deelte van onzen arbeid, gevoelen wij eerbied voor de
strengheid en den stijl van den bouw, alsmede voor zijne
(betrekkelijke) doelmatigheid. Van beneden naar boven
werkend, zijn de Gemeenten met haar geestelijk
leven de factoren, in den middellijken weg, van het
welzijn des geheelen lichaams. De Eerkeraden zijn ver-
-ocr page 12-
554
plicht tot hetgeen Gods "Woord van hen eischt. De
zoogenaamde hoogere Besturen hebben hoegenaamd
geene macht om storend in te werken op haar geestelijk
leven, en enkel als zij plichtsverzuim jegens verkeerd-
heden ontdekken, zijn zij tot het tcriiandnomen (?)
geroepen. De Synode zelve heeft hoegenaamd geen
m acht. dan waartoe de Kerk zelve haar gemachtigd
heeft. Zjj voert liet hoogste bestuur alleen onder
de bij de Wet vastgestelde waarborgen. Naar de be-
Iijdenis geoordeeld, heett de Overste Herder het be-
wind in Gemeenten en Besturen , en begeert de Kerk
in alle hare bestanddeolen haren Heiland te volgen ,
zooals \'t aan zjjne ware belijders betaamt". Natuurlijk
laten we deze lofspraak, waarin de spatieering van ons is,
voor rekening van Dr. vos Ten slotte vindt hjj toch zich
zelf terug, eii geeft, naar ons voorkomt, de juiste critiek,
dat „Besturen en Gemeenten veelal naast, niet in
elkander leven," alsook dat „de Wetgevende en Be-
sturende macht veel te weinig in verband staan met
denooden van het Kerkelijke leven\'\', iets wat volgens hem
niet deugt. Want, zegt dr.vos, „de Kerk oefent hare kracht
uit door spreken niet door schrijven ; bureaucratie en
administratieve macht is veelzins onvermijdelijk , maar
zij vertegenwoordigen niet het profetisch element, \'t
welk in de Kerk van den grootsten invloed kan zijn!"
Lees: \'t welk... van den grootsten invloed moet
zijn! — en gij hebt meteen gezegd, waarom het zoo
menige Kerk, hoe zorgvuldig ook georganiseerd en
geadministreerd , niet goed gaat.
Wie denkt bij dit verschil van voorstelling niet aan
den invloed, die door het jaar 1886 met zijne gebeurte-
nissen en gevolgen op dr. g. j. vos azn. is geoefend? Ik
-ocr page 13-
555
ten miDste geloof stellig , dat deze, en andere opvattingen
meer, in het nauwste verband staan met de ervaringen
in dat tijdperk door den Scriba des Classicalen Bestuurs
van Amsterdam opgedaan. Wij zijn nog niet vergeten
hoe aan dit Bestuur de niet benijdenswaardige taak
werd beschoren om in den kerkdijken strijd , door dr.
kdyper c. s. aangebonden , den eersten aanval af te
slaan , en welke in menig opzicht voorbeeldige houding
het hierbij aannam. En als we \'t waren vergeten,
dan zou de leer op p. 221 er aan herinneren , dat het
„uitbrengen van de stem\'\' in eene kerkeljjke Verga-
dering somtijds „censurabel" is, omdit het voor of
tegen stemmen de wilsuiting van de leden ter vaststel-
ling of verwerping van een besluit is. Eene leer, die
naar het ons voorkomt, door de Besturen in hooger
beroep en laatsten aanleg verbeterd is, waar zjj het
aldus uitdrukten, dat niet „het stemmen op zichzelf",
maar „de medewerking tot onwettige en ongeoorloofde
besluiten" „censurabel" is, of liever „als verstoring van
orde en als vergrijp in de uitoefening van eene kerke-
lijke betrekking" moet worden aangemerkt. Zoo ver-
plaatst ons ook in die dagen de bewering op p. 258,
dat, zoodra het aantal werkelijke leden b.v. van een
kerkeraad beneden het twee derde gedaald is, waaruit
de kerkeraad bestaan moet, er „geen plaatselijke
kerkeraad meer is". Waar zeker beter zou zijn
gezegd, met Art. 18 van het Alg. Regl, dat zulk een
kerkeraad „tijdelijk de bevoegdheid heeft verloren tot het
nemen van besluiten". Ik leg nog den vinger bij p. 325 ,
en denk aan het zeer bekende Besluit tot voorloopige
schorsing van 85 leden van den Amsterdamseben Ker-
keraad, den 4 Jan. 1886 door het Class. Best. van
-ocr page 14-
55fi
Amsterdam genomen en den 6 d. a. v. in werking ge-
treden. „Er is in de laatste jaren, zoo lezen wij daar,
geen onzinniger gelach noch onverdiender spot geweest
dan omtrent de bepaling der barmhartigheid jegens de
Gemeente, dat een Classicaal Bestuur in onderschei -
dene gevallen van onvermogen eens Kerkeraads, of ook
bij heerschende onwilligheid, doet, wat des Kerkeraads
is, enz. Gaat dat niet zoo, bij ongelegeoheden , in het
gansche leven der liefde?" Van deze opvatting van
het: „Doende wat" enz. afstappend, die een niet on-
aardig doch onnoodig pleit pro aris et focisis,
vragen we verder: Is het gebruik van het woord
;, Kerkverband", op p. 21, 38 en zelfs als opschrift van
het geheelederde Boek, niet te beschouwen uit oene na-
volging van de Neo-Calvinisten? — eene navolging, die
moet worden afgekeurd, omdat, zooals Dr. vos zelf, p. 282,
zegt, „het reglementaire spraakgebruik deze uitdrukking
niet kent", maar vooral, omdat zij in ons Kerkrecht,
dat van het kerkelijk contrat social van voetiüs
en zijne negentiendeeeuwsche volgelingen , en dus van
eene vrijwillige aaneensluiting van bizondere gemeenten
tot kerkelijke verbanden, niets weet, volstrekt niet op
hare plaats is. Dr. vos komt er dan ook zelf zoozeer
mede in de war, dat in zijn boek nu eens het „Kerk-
verband" beteekent „de vcreeniging van de Gemeenten"
(p. 282), en dat dan weer de indruk wordt gegeven,
alsof het woord eigenlijk aanduidt het Kerkelijk Bestuur
(p. 301). Tenminste is in de zinsnede, waarmede
(p. 386) het Vierde Boek wordt ingeleid, „het Kerk-
verband" aan \'t slot eenvoudig „het Bestuur" genoemd,
en wordt het N. B. vergeleken met „een Dijkgraaf". De
man staat „op een hoogen rivierdijk", zoo lezen wij, en
-ocr page 15-
557
gaat na, „hoe het water stroomt, zonder door uitdieping
van den bodera, of opruiming van zandbanken, of norma-
liseering van de oevers, of door opening en sluiting
van verlaten en sluizen - jaren achtereen veeleer bedacht
op slechting van alle dijken teneinde alle landerijen onder
allerlei water te zetten" — Wat dit beeld, dat hier-
mede uit is, eigenlijk zeggen wil, blijkt niet. „De
dijkgraaf" blijft staan: en hij — of het water? — gaat
nog altijd na! — Dat, om van dit onderwerp af te stappen,
dr. vos allerwaarschijnlijkst in H. V van het tweede Boek
van eene „ vervallenverklaring van de betrekking der
leden tot de Kerk tengevolge van tuchtiging," die
reglementair onmogelijk is, alsmede van eene „Verklaring
van afscheiding van de Kerk tengevolge van Opzicht
door een Kerkelijk Besluit," niet of anders zou hebben
gesproken, als niet „de dagen der doleantie" over onze
Kerk waren gekomen, meen ik te mogen onderstellen.
Goed, dat het Besluit der Synode van 1896 in zake
Schiedam, althans wat het tweede punt betreft, de
noodige klaarheid van denkbeelden heeft verspreid!
Zoo zijn we vanzelf reeds genaderd tot de ontwik-
keling van de zwaarwichtige bezwaren, zoowel van for-
meelen als van materieelen aard, die tegen het werk
van dr. vos kunnen worden ingebracht.
De uitgevers kemink en Zoon te Utrecht hebben
voor een goeden vorm van het boek gezorgd. Het
papier is wel niet van \'t fraaiste, maar de druk, met
verschillende lettertypen voor opschriften, teksten aan-
teekeningen, maakt een aangenamen indruk. Het in
rood linnen gebonden exemplaar verdient ten volle eene
plaats naast de in blauw linnen gehulde handboeken,
-ocr page 16-
558
waarmede de rustclooze pers der Akademische
Verlagsbuc h handlung van 3. c. b. mohr te Frei-
burg i 13. de bibliotheek van aankomende en volgroeide
theologen voorziet. Maar hoe steekt de arbeid van
onzen auteur hierbij af wat de verzorging van den in-
houd aangaat!
Dr. vos legt zich op een losse, familiare wijze
van schrijven toe. Hij maakt b v. (p. 446) gewag van
„een troep verschillende menschen", die de valschelijk
dusgcuaamde geldelijke banden tusschen den Staat en
verschillende Kerkgenootschappen wil zien losgemaakt.
Nu is zulk een stijl moeielijk te hanteeren; hij wordt
vaak al te vrij en daardoor slordig. Daarenboven is
dr. vos niet bang voor germanismen. „Even daarom"
en „even daardoor\'\' — de uitdrukking komt op
p. 129 en 187 voor! — stuiten we dikwijls op zinnen
die er waarlijk niet door kunnen. Wij slaan het
boek op, en schrijven, hier en daar onderstreepend,
enkele voorbeelden ten bewijze af. Bladz. 7 staat:
„Gelijk de Koomsche Kerk zich bewees de valsche
Kerk te zijn doordat zij zich zelve en hare ordinanties
stelde boven het Woord Gods, dus door hare Kerk-
orde , alzoo zou de Hervormde Kerk door hare orde ...
zich ook bewijzen de ware Kerk te zijn.\'\' Op
bladz. 51 wordt gesproken van de door predikanten
genomen vrijheid om al hetgeen men voor waarheid
hield „zonder behandeling, zonder eenige goedkeuring
der kerkelijke vergaderingen, te luchten". Bladz.
80 wordt van den geest der Confessie gezegd, dat deze
moeilijk is te bepalen, waarop de verzekering volgt:
„die door de gewoonheid hunne zinnen geoefend
hebben tot onderscheiding beide van wat al en wat
-ocr page 17-
559
niet gereformeerd ia , zullen de waarheid in dezen
kunnen verstaan." Bladz. 85 prijkt met dezen zin :
„Er moet in niet omschrevene gevallen rekening ge-
houden worden allereerst met het zich in eene ge-
meente spontaan geopenbaard zedelij k gevoel
en voorheersch end dogmatisch gevoelen."
Op bladz. 110 wordt de Hervormde Kerk geprezen,
die den huisvrede eert, geheel anders doende als de
Roomsche Kerk. „Hare dienaren, zoo heet het, komen
niet, dan geroepen, tusschen man en vrouw... Geen
Hervormd predikant zal zelfs naar een bezoek aan de
vrouw brengen, of bij moet weten, dat haar Man hem
in zijn huis wil ontvangen/\' Bladz. 126, waar over
de grenzen der gemeente wordt gehandeld, wordt ge-
leerd: „De grensafscheiding kan in hare werking
tijdelijk geschorst worden, tengevolge van kerkelijke
vergunningen." Bladz. 130, noot, wordt geschreven
„Thans volstaat de Kerkeraad met kennis ge-
ving." Bladz. 182 wordt het Kerkgebouw genoemd „eeu
door stichting tot verheerlijking Gods in \'t aanzijn
geroepen gesticht.\'\' Bladz. 231 leert, dat „alle buiten-
gewone handelingen van Diakenen met gelden
geen kracht hebben" zonder de toestemming des Ker-
keraads Op bladz. 244 wordt wordt als de onder-
stelling van het Kerkrecht genoemd, „dat de Kerke-
raad zelf verstaat en beaamt, wat de geest en de
hoofdzaak is van de bekende Bevestigingsvragen
welke, natuurlijk van wege den Kerkeraad,
er uitgetrokken mag worden." Niet minder
curieus is de noot, bladzijde 260: „In geval een
Predikant komt te overlijden na zijn ontslag en vóór
zijne bevestiging, in den loop der maand waarin
-ocr page 18-
5fiO
hij ontslagen werd, wordt zulks de verlatene Ge-
meen te toegerekend" Hoofdstuk III, bladz. 412,
vangt aan: „Nederland is in deze eeuw vol Secten
geworden... Met het oog op de schier dagelijksche
vermenigvuldiging van zulk onkruid behoort
de Ned. Herv. Kerk... de vraag te stellen.. . om-
trent de verhouding, waarin zij zich te plaatsen heeft
tot de Secten, welke zich nog onder het Pro-
testantisme scha.ren." Bladz. 414 wordt van het
Besluit der Synode van 15 Aug. 1891 gezegd: „Alleen
een van alle Kerkrecht vrije zin kon zulk een
besluit ingeven, voorstellen, goedkeuren." Bladz. 435
leert, dat de Staat zich met niets anders in aanraking
kan stellen dan met het Kerkgenootschap, zooals het
legaal, volgens de aan de Regeering bediende (bekende ?)
inrichting, bestaat, waarop volgt: „Een anderen weg
inslaande zou de Staat in strijd brengen met de
Wet, die het toezicht op de Kerkgenootschappen
regelde." Bladz. 438 wordt gelezen : „ Daar de goed-
keuring niet aan eenig reglement van eenig „bekend"
Genootschap van Godsdienstigen aard werd verleend,
kan zulk eèn voortbrengsel zich enkel als zedelijk
lichaam... in rechten verweren." Maar genoeg. Een
mensen wordt het vreemd te moede, als bij, na deze
en dergelijke stilistische ongerechtigheden, den auteur
zich over de Wet op de Kerkgenootschappen, (p. 439)
de uitwijding ziet veroorloven: „De Nederlandsche Wet-
ten zijn in den regel geen modellen... van kennis der
nationale taal. Maar zoo zonderling verward als het
hoofd en het doel dezer Wet is uitgedrukt...
is misschien geen enkele andere bepaling."
Er is meer, dat uit een formeel oogpunt, naar
/
-ocr page 19-
/                             \'l • •\'"\' ■ *- . ■ è
het mij voorkomt, streng moet worden afgekeurd. De
schrijver belooft ons (p. J) de beantwoording in verscb.il-
lende hoofdstukken van de allergewichtigste vraag: In
welke verhouding staat onze Kerk, blijkens
hare reglementaire bepalingen tot de Bel ij-
denis van het geloof, waardoor zij hervormd
werd? Met gespannen verwachting ziet men natuurlijk de
vervulling hiervan te gemoet. Men denkt aan een onder-
zoek, waarbij het religieuse geloof, dat de grond
en de kracht der Reformatie was en is, de fi d e s
salvifica, tot uitgangspunt genomen en als de
maatstaf aan de leer, de inrichting, het bestuur der
Kerk aangelegd wordt. Men zet zich om te luisteren
naar het antwoord op de vraag: Nederlandsche Her-
vormde Kerk, wat hebt gij gedaan met het geloof,
dat de reden en het recht van uw bestaan is? Maar
ter bestemder plaatse (p. 39) is het onderwerp, dat
werd aangekondigd, vergeten; het wordt zelfs niet meer
genoemd. Ia de plaats er van wordt gesproken van
„de betrekking", in welke de Kerk blijkens hare regle-
menten staat „tot God en Christus, tot den Bouw-
meester van de Kerk", wat hetzelfde wordt gezegd te zijn
als de uitdrukking : „Welke confessioneele kleur heeft
zij?" En boven de afdeeling, die voor het onderzoek is
aangewezen, staat niet wat vroeger (p. 1) was gezegd,
maar: De verhouding waarin onze Kerk staat
tot de belijdenis van de waarheid die in
Christus i s. Wat mijns inziens niet hetzelfde, en in
allen gevalle niet correct is. De docent, die precies
weet wat hij wil, geeft geen vier bepalingen voor
dezelfde zaak.
Bedrieg ik mij, of een dergelijke onzekerheid
Nieuw» Sbbib. VIL
                                    36
-ocr page 20-
562
ontsiert het derde Boek ? Het heeft ten opschrift:
Kerkverband, — een woord, zooals wij vroeger
zagen, door den auteur zelf eigenlijk afgekeurd en
minstens op tweeërlei wijze verklaard. Waar dr. vos
hier zegt, dat hij liever van Ver e e nig ing der Ge-
ra e enten spreekt, geeft hij meteen de strekking dier
vereeniging op: „Zij is drieërlei: lo tot hulpbetoon
in ongelegenheden; 2<> ter uitoefening van Kerkelijk
bestuur; 3° tot verzorging van de algemeene belangen
der geheele Kerk. Hiertoe rekene men ook alle
Fondsen, die wezenlijk een Aerarium Commune
zijn." Wie verwacht niet, dat dit de indeeling zal
zijn van het volgend onderzoek? Maar in een eerste
en een tweede afdeeling worden alleen 1° (Hulpbe-
toon) en 2° (Bestuur) achtereenvolgens behandeld; 3°
(Algemeene Belangen) blijft achterwege en moet hier
en daar onder andere opschriften worden bijeengezocht.
Een derde voorbeeld. In een leerboek kan de
aanwijzing en kenschetsing van de Kenbronnen niet
zorgvuldig genoeg worden behandeld. Dr. vos heeft
dan ook boven een afzonderlijk Hoofdstuk der eerste
Afd. van het eerste Boek (p. 82) het opschrift gesteld:
De Kenbronnen der Kerkorde. In het register
is dit eenigzins veranderd en wordt (p. IX) gelezen: De
Kenbronnen der (tegenwoordige) Kerkorde.
Is het geschied onder een later ontvangen indruk, dat
de inhoud van het tweede hoofdstuk al zeer weinig
beantwoordt aan het opschrift ? Want wat vinden wij
er? Alléén een opsomming van de voor geheel de
Kerk van kracht zijnde kerkelijke Reglementen.
Van de Wetten of gedeelten van Wetten en Ko-
ninklijke Besluiten, die de hoofdbronnen zijn van
-ocr page 21-
563
het in het Vierde Boek beschreven Staatskerkrecht, l8,
geen opsomming, noch hier, noch elders. De A c t e n en
Kerkenordeningen van voor 1816 zijn, 2°, niet be-
hoorhjk opgenoemd en gewaardeerd: de verwijzing toch
naar hooijer en rutgers beteekent niet genoeg,
omdat de door hen bezorgde uitgaven, wat den inhoud
en omvang betreft, van elkander verschillen. Dr. vos,
die voorop stelt, dat tot recht verstand van ons jus
constitutum ecclesiasticum, zooals hij zich uit-
drukt, de kennis van hare „kenmerkende leerstukken"
niet kan worden ontbeerd, had dan natuurlijk, 3C, in
dit hoofdstuk de kenbronnen er van moeten noemen
en beschrijven. Dit geschiedt echter eerst in H. I. der
2de Afd. van het eerste Boek (p. 41 ev.). Maar niet
zonder willekeur worden in dit Hoofdstuk op-zijde-
gezet o. a. de Confessie der Londensche Gemeente,
de Korte Onderzoeking, etc, en worden naast de
drie Formulieren van Eenigheid, zoo maar in
\'t voorbijgaan , de formulieren van Doop en Avond-
maal als kenbronnen geplaatst, wat niet goed wordt
gemaakt door eene latere aanteekening (p. 48). Dat de
Dordtsche Canones, „eenïheologisch Tractaat
zijnde", worden gezegd „niet op dezelfde lijn met de Con-
fessie en den Catechismus te staan," is ook niet te verdedi-
gen; evenmin, dat bij de opgave der litteratuur de door
mij uitgegeven geschriften ad hoc niet worden ge-
noemd. Op zich zelf is dit reeds vreemd, omdat zij
toch tot de nieuwere litteratuur behooren, maar ook
uit dogmatisch oogpunt af te keuren om het licht, dat,
zooal niet door mijne historisch-kritiesche bijschriften, zeer
zeker door de in die boeken afgedrukte en onder het
bereik van iederen student gebrachte zeldzame oor-
36*
-ocr page 22-
504
konden, catechisrai, adviezen en derg., juist over
het tweede Formulier van Eenigheid en over de
leer van Doop en Avondmaal opgaat. En, 4°, ten besluite.
Dr. vos leert (p. 15 ev ), dat Gods Woord is de
bron ook van het Kerkrecht. Zoo wordt ook later
(p. SO) eene plaats gegeven aan Gods Woord als
„aanwijzende" wat de Kerk zelve of hare leden heb-
ben te „verrichten". Ik doe slechts met een woord
opmerken, dat hier de principiëele vraag naar het
recht van deze opvatting wordt voorbijgegaan, om alléén
te constateeren, dat eene nadere, scherpere omschrijving
■san deze kenbron van den eersten rang geheel ontbreekt:
eene cardinale fout in een systematisch geschrift, dat
een studieboek wil zijn. Het gebruik toch door
dr. vos later van bijbelsche uitdrukkingen en voorbeelden
gemaakt, is niet in staat om deze leemte aan te vullen.
Voordat wij ten slotte overgaan tot de ontwikkeling
van de ernstige materiëele bezwaren, die tegen het
werk van dr. vos bij ons bestaan, stippen we nog
enkele hoofdzaken aan, die, naar het ons voorkomt,
door den auteur goed gezien en overtuigend uiteen -
gezet zijn.
Allereerst komt hier in aanmerking wat hij bij de
beschrijving van het Karakter van de Kerk (p. 71)
voorop zet. „Het karakter van onze Kerk", zoo zegt hij,
„wordt niet aangeduid, en mag niet aangeduid worden ,
door eenig aan eens menschen kinds naam ontleend bijvoe"
gelijk naamwoord, zelfs niet door het dikwijls gebruikte
en misbruikte Calvinistisch. Nooit .gaf zij zelf
zich zulk een naam, en alle oude kerkleeraren hebben
zulk eene kenschetsing bepaald afgekeurd. Zij wilde
-ocr page 23-
5KÓ
zich noemen en genoemd worden naar den eenigen
Christelijken naam, dien de Kerk dragen mag, naar
den ambtsnaam van haren Verlosser en haar Hoofd, naar
christüs." Zeer terecht herinnert dr. vos er bovendien
aan, dat eene zorgvuldige vergelijking tot de slotsom
brengt, dat onze Kerk er vrij wat anders uitziet dan de
Luthersche, Geneefsche, Fransche, Zurichsche en Heidel-
bergsche of Paltzische Kerk. De waarheid is, dat
onze groote Kerkmannen van verschillende richting
Zwinglianen, Calvinisten, Heidelbergers, zelfstandig,
gelijk mannen betaamt, een Kerkenordening gevestigd
hebben; waarop een eigenaardig, het echt-Nederlandsch
cachet voorkomt. „Het karakter van onze Kerk, zoo
besluit hij volkomen correct, is geheel eenig; zooals de
Hervormde Natie was, zoo vertoonde zich ook haar Kerk."
Dr. vos doet dan ook dadelijk in zijn boek (p. 2)
recht over de legende, dat de Waalsche Gemeenten
eigenlijk de stam zouden zijn, waarop de Noord-Neder-
landsche zijn geënt. Zeker, sommige „manieren en
vormen van Kerkbestuur" hebben de laatste jongere
Gemeenten van de eerste oudere overgenomen. Maar
men bootste niet slaafsch na. De Synodale Vergade-
ringen namen de vrijheid „ook van elders, b.v. van
Heidelberg, licht te ontleenen." Enkele sprekende
teksten worden ten bewijze van dit laatste door den
Schrijver aangewezen. Jammer, dat hij in dit opzicht
eene leemte in de voortreffelijke, door hem vermelde
dissertatie van Dr. B. van meer over De Synode te
Emden niet aanvult! Door ons werd dit in de Kerk, Ct.,
No. 12 van 1893, gedaan. Wij hebben getracht daar aan
te toonen, dat de instelling van dassen, waarop ten
zeerste werd aangedrongen, noch in Frankrijk, noch
-ocr page 24-
566
in {Schotland ten jare 1572 bestaande, aan de Paltzer
Kerkinrichting is ontleend. Is \'t wonder, dat men naar
het Kcurvorstendom aan den Rijn de oogen wendde ?
Was de autor spiritualis van de Embdensche
Synode, marnix van st. aldeöonde, in die dagen
geen lid van den keurvorstelij ken Opperkerkeraad ?
Hadden vele van de uitgeweken Nederlanders geen
toevlucht gevonden onder de heerschappij van frede-
rik den Vrome, en daarmede zoowel gewetensvrijheid
als dagelijksch brood verkregen ? En — werd men
hier te lande al niet onderwezen uit z ij n Catechismus,
gelijk men de vrije bewerking van zijne Liturgie
met stichting gebruikte (*) ?
Voorts verdient te worden gewaardeerd, dat
dr. vos den samenhang van de Nederlandsche refor-
matorische beweging met de voorafgegane en gelijk-
tijdige strevingen in het oog vat. Men kreeg vroeger
den indruk, dat die beweging omstreeks 1566 uit de
zuidelijke gewesten als ware het geïmporteerd werd,
althans haar eigenlijken inhoud en blijvende richting
van hier ontving. Maar dr. vos zegt (p. 43), dat
wij bij het recht verstaan van de geschriften waaruit
de belijdenis van onze Ned. Herv. Kerk in wezen en
oorsprong moet worden verklaard, te rekenen hebben
zoowel met de Schriften van de Zwitsersche Hervor-
mers, alsook met die der geleerden, welke, zooals
URSINUS, OLEVIANÜS, ZANCHIÜS en MARNIX VAN 8T.
AiiDEGONDE te Heidelberg toefden, maar dat hier vooral
in aanmerking moeten worden genomen de Schriften
van hen, „die in het wordingstijdperk (van 1550 tot
J 620) grooten invloed op onze Kerk uitgeoefend hebben,
ZOOals JOHAKNES ïl LASCO, MAARTEN MICRON, GUIDO
-ocr page 25-
5fi7
DE BRAY, DATHENUS, JÜNIUS, BASTINGIUS, BOGERMAN,
gomarus , trigland , voetius." Misschien meent iemand
dat het wordingstijdperk eerder is begonnen, en eenige
jaren vroeger kan worden afgesloten. Het doet aan de
juistheid van de hoofdzaak niets af. Maar een groote fout
is zeker, dat op de lijst der mannen uit dat tijd-
perk de naam van heynrich bullinger wordt gemist.
Het kon en moest aan dr. vos bekend zijn, dat de invloed
van den grooten medewerker en opvolger van zwingli
vooral gedurende de eerste helft van de genoemde jaren
in Nederland overwegend is geweest. Door het werk
van dr. a. j. van \'t hooft over bullinger en de Neder-
landsche Reformatie is dit feit voor goed vastgesteld.
Laat mij nog één punt vermelden. Als dr. vos
over de beginselen der Hervormde Kerk han-
delt (p. 58), waarschuwt hij tegen de voorstelling, alsof
„in de zuivere belijdenis van God, meer bepaald van
Gods volstrekte Opperheerschappij en van zijne vrije
genade als den eenigen grond der belijdenis (Bij
scholten is het: „der zaligheid" in de eerste drie
drukken van De Leer der Herv. Kerk. De eerste
paragraaf van den vierden druk is geheel veranderd) „het
materieel e grondbeginsel der hervorming"gelegen zou zijn."
Verder leert hij, in dit opzicht zich geheel aan de zijde
van van \'t hooft e. a. stellend, dat „de praedestinatie"
noch „de uitverkiezing," „het uitgangspunt" van de leer
der Kerk is; eerst later „tengevolge van de Bemon-
strantsche twisten, zoo oordeelt onze auteur, is „het leerstuk
der uitverkiezing of van de praedestinatie der uit genade
uitverkoren zondaars een in\'t oog vallende karakter-
trek der Kerkleer geworden." Gaarne onderschrijf ik
op dit punt de beschouwingen van dr. vos en vooral de
-ocr page 26-
568
stelling, door hem vooropgezet, dat in hare materiëele
grondgedachte volkomene overeenstemming bestaat tus-
schen de Luthersche en de Gereformeerde Kerken.
Inderdaad, beide zijn ze van huis uit niet theologisch,
maar religieus of, wil men liever, soteriologisch
gestemd. De godsdienstige actie, waarvan zij in den
beginne alles in het persoonlijk leven, maar ook in
het theologisch stelsel, voor zoover zij dit bezitten,
afhankelijk maken, is het geloof, het geloof alléén.
Sola fide!
Met het vorenstaande hebben wij het voornaamste
gezegd. Toen we over den vorm van het Hand-
boek handelden, kwam onwillekeurig reeds menige
grieve tegen den inhoud ter sprake. Op dezen inhoud
hebben wij nu meer bepaald te letten. Onder twee
gezichtspunten vatten wij onze bezwaren zamen: voor-
eerst, wat aangaat de wijze, waarop dr. vos het
Kerkrecht, in den meest gewonen zin van het woord,
leert en enkele hoofdpunten van zijn stelsel;
ten tweede, wat betreft de kerkrechtelijke dog-
ma tiek, die door hem wordt voorgedragen.
Wij noemden eerst de methode, in het Handboek
gevolgd, en enkele hoofdpunten in het stelsel van
dr. vos. De eigenaardigheid van \'s schrijvers zegs-
wijze, met name ook zijne onnauwkeurigheid, treft ons
hier nog meer dan vroeger. Een beeld, ja, zelfs een
verhaal wordt gegeven, waar wij in oen werk, dat
een „systematische uiteenzetting" wil en moet zijn,
een juiste begripsbepaling of ten minste eene zuivere
omschrijving hadden mogen verwachten. Het gevolg
hiervan is, dat voorstellingen, die nog al verschillen,
-ocr page 27-
569
rechtsbegrippen en zedelijke of godsdiensiige denk-
beclden, hier naast elkander worden geplaatst, zonder
dat hun samenhang wordt blootgelegd, en dat daar
met beide soorten van denkbeelden te gelijker tijd
wordt gewerkt, zóó dat we van het ééne in het andere
gebied vrij onvoorziens en willekeurig worden verplaatst.
Dat dit laatste ook in verband staat met de opvatting van
dr. vos van het Kerkrecht, als zijnde de aanwijzing
van het gedrag, dat men in de Nederlandsche Her-
vormde Kerk in verschillende betrekkingen heeft te
leiden, terwijl hij toch nooit vergeten kan, dat het
Kerkrecht in zijn wezen, gelijk alle objectief recht, is
regeling, ordening, bepaaldelijk regeling, ordening
van de kerkelijke samenleving, springt in het oog.
Aan de duidelijkheid der voorstelling doet het, al
in den aanvang, geen goed, dateene inleiding vóór
het Handboek wordt gemist. Wij worden (p. 1)
onmiddellijk geplaatst tegenover het eerste Boek,
dat met het opschrift prijkt: De stijl, waarin de
Nederlandsche Hervormde Kerk is opge-
t rok ken. Eerst later (p. 70) wordt van dit beeldde
verklaring gegeven, dat er mede wordt aangeduid het
karakter der Kerk. Maar geen woord over des Schrij-
vers hoofdonderwerp, de verschillende wijzen van
opvatting er van en van de bewerking der stof,
enz. Ons wordt wèl gezegd, waarom het eerste Boek
in twee Afdeelingen wordt gesplitst, maar van de
hoofdgedachte, die de grondslag der verdeeling van
het geheele werk is, vernemen we niets. Als in het
voorbijgaan vinden wij (p. 38), geen begrip, maareen
reeks beelden, die ons de gevolgde indeeling moeten
verklaren. Het resultaat van hot in do eerste Afdee-
-ocr page 28-
570
liug van het eerste Boek, ter aangehaalde plaatse geëin-
digde onderzoek schijnt te zijn, dat de Nederlandsche
Hervormde Kerk „ons kerkelijk huis" mag worden
genoemd. „De Gemeenten, die zich daarin als zoo vele
kamerkens of families bevinden, zoo heet het, maken den
inhoud uit: de Gemeenten zijn de corporatieve bestand-
deelen der Kerk, die op hare beurt bestaan uit leden en
hare Dienaars hebben. Over de Gemeenten handelen
wijin het eerstvolgend boek." Dit boek, het tweede,
heeft dan ook tot opschrift: De bestanddeelen der
Nederlandsche Hervormde Kerk. De schrijver
gaat nu voort: „Maar de eene familie staat ook met de
andere in betrekking, het eene kamerke staat met het an-
dere in verband, en gelijk wel van zelf spreekt, ook met het
huis zelf." Het derde Boek behandelt dan en heeft tot
opschrift: Het Kerk verband. Wederom volgt (p. 38)
een inleiding: „Daar onze Kerk niet het eenige is dat
zich als eene maatschappij, als een vereeniging van
godsdienstigen of zedelijken aard karakteriseert, be-
spreken wij in het laatste boek hare verhouding
tot personen en lichamen, die niet met het
kerkelijk verband verbonden zijn, maar toch
daarmede in aanraking zouden kunnen ko-
men." Dit boek ontvangt ten titel: Verhouding tot
personen en lichamen die zich bevinden
buiten het kerkelijk verband. Ook het staatskerk-
recht , d. i. de wettelijke regeling der betrekking van den
Staat tot de Kerk, wordt in dit vierde en laatste Boek be-
handeld. Wij onthouden ons van eene kritiek van deze in-
deeling enhare motiveering Alleen zij nogmedegedeeld,dat
na deze opgave t. a. p. in het eerate Boek niet dadelijk met he t
tweede Boek wordt begonnen. De schrijver zegt nog eerst
-ocr page 29-
671
de hoogst gewichtige vraag naar „de confessioneele
kleur" van de Kerk te moeten beantwoorden.
Wij wijzen er verder op, hoe met het begrip ,Kerk" in
dit werk wordt geleefd. De vruchtbare onderscheidingen
die onze feed erik adolp van der marck in zijne voor-
treffelijke Praecipua ju ris ecclesiastici pro te-
stantismi universalis capita, reeds in 1775 heeft
ingevoerd, en die, zij het met eenige wijziging, door
eoyaards en zijne opvolgers werden gemaakt, tusschen de
Onzichtbare en de Zichtbare Kerk, en tusschen de Kerk
als Godsdienstige Gemeenschap, als Rechtsvereeniging
en als Lichaam in den Staat enz. worden door dr. vos
niet opzettelijk ter oriënteering besproken. Met welk ge-
volg ? Wij zagen de indeeling van het Handboek reeds
ontleenen aan het beeld van „een huis" met „kamer -
kens\'\' of „families", naar men verkiest. In het tweede
Boek wordt de laatste vergelijking doorgevoerd. Wij
worden (p. 86) uitgenoodigd, waar we gereed staan
het gebouw der Kerk van binnen te bezien, „den
eerbied te betoonen dien we openbaren bij toelating
in een achtbare familiekamer", maar waarbij we toch
wel „bescheiden" mogen vragen naar „de regelen die
voor het familieleven door het familiebestuur geformu-
leerd zijn en door alle leden vroeger of later opgevolgd
moeten worden " Er wordt van die regelen gesproken
(p. 91) als van „officiëele mededeelingen van het fa-
milie-gezag." Door den doop komen de kinderen in
„den familiekring" (p. 97); bij de aanneming wordt
men als volwassen lid in „het volledige familieleven
der Kerk" met al zijn plichten en rechten opgenomen
(p. 99). Yan „onze Kerk" wordt voorts gezegd (p. 105),
dat zij vrij is van „Kerkisme", en dus afkeerig van
-ocr page 30-
572
den waan, alsof het Godsrijk zich enkel binnen hare
grenzen bevindt." Zij wordt onderscheiden van „de Al-
gemeene Christelijke Kerk\'\' (ib.) en eenvoudig „Zicht-
bare Kerk" of „Kerkgenootschap" (p. 14) genoemd,
„een gedeelte van de Algemeene Christelijke Kerk"
(p. £1). Hoorden wij zoo even al, dat ze als „eene
maatschappij," als „eene vereeniging" naast en tegenover
andere dergelijke werd gekarakteriseerd: in het vierde
Boek (p. 426) wordt „onze Kerk\'\' zelfs, volkomen na-
tuurlijk, in verband geplaatst met „den Staat", die „de
uit de burgerlijke wetten kenbare organisatie van het
volksleven" is, aan welks hoofd zich „de Overheid" be-
vindt. Een bijna onberispelijke beschrijving vinden we
(p. 88) in deze woorden: „De Kerk is een lichaam,
waarvan de Gemeenten \'de deelen zijn .... Zij is de
concrete eenheid van die organismen, maar tevens de
moeder van de Hervormde Gemeenten, waaruit zij be-
staat, zooals zij (deze laatste) als concrete eenheid (een-
heden?) bestaan.\'\' Wil men die Kerk leeren kennen,
zoo wordt naar waarheid geleerd, dan moet men hare
wetten en verordeningen bestudeeren. Want een Kerk-
genootschap moge op zijn beurt alleen bestaan als deel
van de Kerk in \'t algemeen: het is een lichaam,
een organisme, een gemeenschap, die alleen „uit hare
Statuten" kenbaar is (p. 432.).
Kan het beter ? Maar waartoe dan de uitweidingen,
die we telkens naast de opgenoemde en andere beschrij-
vingen aantreffen? Zóó p. 17 ev. „De Kerk is zichtbaar
als de gemeenschap der in christus jezus geheiligden...
in \'t algemeen door hare zichtbare orde. De vor-
men, waarin de Kerk verschijnt zijn tijdelijk en
onvolkomen." Waarop dan N.B. oenige regels verder
-ocr page 31-
573
volgt: „Toch is zij do woou- en werkplaats van den Drie-
eenigen God Uit dit oogpunt beschouwd heet zij „de
Tempel Gods."" Past deze karaktertrek nu bij „onze
Kerk\'", „de vereenigiug", „het Kerkgenootschap?" Mag
men hiervan zeggen wat op p. 19 staat: „Bedoeld
wordt met „Kerk" het huis , of het gezin , van den
Heer, de gemeenschap die Hem toebehoort... „Kerk,
huisgezin des Heeren," duidt de rechtsbetrekking aan,
waarin jezüs Christus tot haar staat. Het begrip van
eigendom is de grondslag van het Christeljjk Kerk-
recht, ja van geheel het Christelijk leven ?" Is het
eveneens geen sprong van het begrip eener rechtsver-
eeniging naar dat van eene religieuse gemeenschap, als
men elders (p. 92) aan de „ binnen aanwijsbare grenzen
aanwezige" gemeente van de Ned. Herv. Kerk de
praedicaten van de godsdienstige gemeenschap toekent
en haar dan „de Kerk in het klein" noemt ? De
zichtbare, uit hare Statuten gekende, feilbare, in
tijdelijke en onvolkomen vormen verschijnende Kerk en
hare Gemeenten matigen zich natuurlijk geen goddelijk
gezag aan. Doch vereenzelvig die Kerk en hare Ge-
meenten met de Kerk, waaraan men gelooft, en gij
schrijft deze leer neder (p. 108): „\'t Behoeft niet be-
toogd te worden, dat men zich heeft te onderwerpen
aan de christelijke discipline, aan de uitspraken en
beslissingen en besluiten van de Kerkelijke Besturen."
Op het: Waarom? komt het hier waarlijk wel aan!
Welnu er volgt (door ons is gespatieerd): „"t Is iets, wat
van zelf spreekt in het gebouw van God, in het
lichaam des Heeren, in eene schepping van
Hem, die een God van orde is!" Is het afdrukken
van zulke redeneeringen niet meteen de beste kritiek P
\'t Gebrek aan onderscheiding en \'t gemis dienten-
-ocr page 32-
574
gevolge van preciesheid in de bepaling der begrippen,
waarmede op ons gebied moet worden gerekend, met
de verwarring, die er uit voortkomt, vertoont zich
eveneens in de stukken van het Handboek, die over
het Kerkrecht zelf handelen. Wij betreuren, dat
het nieuwste als Systematische uiteenzetting
van het Nederlandsche Hervormd Kerkrecht
zich aanmeldend Nederlaudsch boek geen notitie neemt
van het werk van rüdolf sohm : Kirchenrech t, I.
Die geschichtlichen Grundlagen, dat in 1892
reeds is verschenen. Een geweldig boek, door den
ernst en de vroomheid, door de wetenschap en de
kracht, waarmede de Schrijver zijne grondgedachte:
Das Kirchenrecht steht mit dem Wesen der
Kirche in Widerspruch, ontwikkelt en tracht te
staven! In Duitschland riep het reeds een belang-
wekkende en omvangrijke litteratuur in het leven.
Dr. vos kent het boek, blijkens de vermelding door
hem van eene redevoering, onder den titel: Het
Kerkrecht in zoover het de Kerk met het
Recht in verband brengt, waarin dr. kutgers
het werk van sohm uitvoerig behandelde. Hadden eene
uiteenzetting van soum\'s paradox en de aanwijzing van
de eeuwige waarheid, die naast menschelijke dwaling
in zijn boek wordt aangetroffen, hem geen groote
diensten kunnen bewijzen ? In ieder geval heeft het den
arbeid van dr. vos geschaad, dat hij het voorbeeld van
zijne Nederlandsche voorgangers niet heeft gevolgd,
van royaards in \'t bijzonder, die zijne lezers eerst met
het begrip van „recht" in \'t algemeen, naar den stand
der wetenschap in zijne dagen, bekend maakt, en ver-
volgens in bijzonderheden den aard en het wezen van het
-ocr page 33-
575
„Kerkrecht" bespreekt. Onze auteur kan dientenge-
volge, met totale verwaarloozing van het feit, dat tot
nu toe altijd onderscheid is gemaakt tusschen „recht"
en „moraal", eenvoudig zonder bewijs poneeren, dat „ons
Kerkrecht" tot „de christelijke Ethiek" behoort (p. 30), en
zeggen dat „het vastgestelde Kerkrecht", waarover hij
handelt, „de zedeleer bevat, die onze Kerk, voor hare
verschillende betrekkingen vaststelde als te zijn Hervormd
Christelijk en wier betrachting hare leden en dienaars als
zoodanig^ in hare schatting onberispelijk maakt" (ib)!
De afwijking vnn zijne voorgangers, die van vast staande
begrippen uitgingen, wreekt zich in de schromelijke
onzekerheid, die in het Handboek op dit stuk overal
heerscht. Eenige regels voor het aangenaaide toch heet het:
„Het hedendaagsch recht der Ned. Herv. Kerk is het ge-
heel (de complex) der eischen, die zij, blijkens hare geiden-
de reglementen stelt met betrekking tot hare inwendige
en hare uitwendige aangelegenheden" (p. 29), en eenige
bladzijden later wordt het Kerkrecht opgevat als „com-
plex van plichten" (p. 32). In het derde Boek wordt
van de Kerkorde, zal zij goed heeten, gesproken als „de
teboekstelling, de opteekening, de codificatie, maar daar-
door dan ook de rechtsgeldige regeling van het verband,
waarin de Gemeenten tot elkander staan" (p. 281). De
auteur leert hier zeer juist, dat dit recht en die orde uit
zuiver menschelijke behoeften voortkomen. „Hetgees-
telijk gezin heeft behoefte aan bediening" (p. 187);
„Pastoraat, Diakonaat en Apostolaat" wordt „om de
onvolkomenheid der Gemeente" waargenomen „door
daarvoor aangewezen personen" (p. 188). Onze voor-
vaderen wilden, eenvoudig, „om de eenparigheid in
de leer te onderhouden en tevens die in de orde
-ocr page 34-
576
en in de regeering", eene K erkenord ening (p. 7)
Gekend wordt het recht dan ook alleen en uitsluitend uit
„de geldende wetgeving" (p. 29). "Voor het kerkelijk ge-
drag is de Kerkorde, voor zoover zij spreekt, in dit systeem
terecht de kanon, de regel. Het geformuleerde
recht, dat de Kerk erkent, is het door haar en een iegelijk
te volgen reglement (p. 16). Maar wij verdwalen
ten slotte toch weer in een zg. droit divin! Met eene
„zedeleer" die „onze Kerk" vaststelde begonnen we.
Nog heet het (p. 35): „Bij „Kerkrecht" mag men aan
niets anders denken dan aan hetgeen objectief vaststaat."
Bij „de regelen", waaruit dit blijkt, die de Kerk reeds
vaststelde, komen nu echter „de nog niet in haar bo-
wustzijn opgenomene Ordeningen Gods" En iets
verder (p 3<) lezen we zelfs: „Ons Kerkrecht is ont-
sprongen aan het leven des Heiligen Geestes binnen de
Kerk, aan de bijzondere Openbaring Gods, aan de verschij-
ning van zijnen eengeboren Zoon, onzen lieer jezus
Christus." Deze niet bizonder juridisch er uitziende,
eenvoudig naast de vorige gestelde uitdrukkingen leiden
een nieuwe, de tweede of\' derde definitie van „Kerk-
recht" in: „Ons Kerkrecht is de samenvatting van
hetgeen Hij van onze Kerk vordert volgens de kennis,
die zij heden ten dage daarvan heeft." Waar blijft
hier de oenheid van beschouwing, die in eene syste-
matische uiteenzetting van het Kerkrecht billijkerwijze
wordt verwacht ?
Wij eindigen met de kerkrechtelijke Dog-
matiek, die in het Handboek wordt voorge-
dragen. Want zoo moeten we de theologische be-
schouwingen noemen, die dr. vos ten beste geeft.
-ocr page 35-
577
Hij is (p. 82) tegen „leervrijheid", maar zal wel geen
tegenspraak vinden, wat het uitgangspunt van zijne
theorie betreft, dat van „leervrijheid", opgevat „alsof
men leeren mag alles wat men voor waarheid houdt\'*
onze Kerk reglementair niets weet. Wij gelooven zelfs,
dat nooit iemand in dezen zin op „leervrijheid" aan-
spraak heeft gemaakt. Dr. vos nu is van oordeel,
dat „de tijd gekomen is", om eindelijk eens met de
„kraukzinnigheidswillekeur", die haar spel schijnt ge-
dreven te hebben in de dagen van het inzooverre,
te breken, en „kerkrechtelijk" vast te stellen, „wat de
Kerk te verstaan geeft onder den geest en
de beginselen der belijdenis, de beginselen
en het karakter der Kerk, haar leer, het Evan-
gelie van jezüs Christus" (p. 83). Hij laat het niet
bij het stellen van dezen eisch, in de door ons gespa-
tiëerde woorden vervat, maar geeft zelf aan, wat dan
de Dogmatiek is, die uit een kerkrechtelijk oogpunt
alléén in de Nederlandsen Hervormde Kerk moet worden
aangenomen en geleerd.
De lidmaten en in zekere mate ook de leden van
de Besturen, behalve de predikanten, krijgen geen
zware lasten te dragen (p. 93). De Dordtsche Synode reeds
verlangde van de zoodanigen „geen formeele instem-
ming" met de leer der Confessie en de door haar in
de Canones gegevene nadere verklaring (p. 45). „Alle
volgende kerkelijke Vergaderingen, meent dr. vos,
hebben zelfs gedoogd, dat hunne instemming met den
leer slechts den geest en de hoofdzaak betrof, gelijk die
uitgedrukt zijn in het Kort Begrip der Christe-
lijke Religie voor die zich willen begeven
tot des Heeren Heilig Avondmaal" (ib.). In
Nieüwb Serie. VII.                                    37
-ocr page 36-
578
onzen tijd is evenmin noodig, dat „bet enkele lid" in-
stemming met alle belijdenisschriften betuige: „Het
daarin onveranderlijke en voor een iegelijk bindende"
is echter op zijn minst „de Geest en de Hoofdzaak" van de
drie bekende vragen bij de bevestiging van lidmaten,
„waarmee men zich vereenigd moet verklaren en be-
vonden worden zal men als lidmaat erkend worden
en blijven" (p. 93)
Met de predikanten en godsdienstonderwijzers is
het een ander geval Dat hunne verhouding tot de
leer in de belijdenisschriften kerkrechtelijk is bepaald
door de formule, die zij bij de toelating tot hunne be-
diening onderteekenen, gelijk doüwks en feith in hun
Kerkelijk Wetboek leeren on vrij algemeen aan-
genomen is, wordt door dr. vos, naar het schijnt, niet
aangenomen. Die formule ten minste is niet door hem
behandeld. In ieder geval stelt hij ze verre beneden
de Dordtsche ouderteekeningsformule, die in 1816 werd
afgeschaft. De auteur drukt deze in haar geheel af;
want „zij verbindt de vrijheid des Dienaars met de
rechten en belangen der Kerk," en mag , nog altijd als
model van kerkelijke wijsheid en bedachtzaamheid
gelden" (p. 51).
Hoe is dan nu de toestand ? Het maakt eerst een
goeden indruk, dat dr. vos den historischen weg
wil betreden om tot eene oplossing te komen. In het
eerste Boek komt dit uit, zoowel bij de beschrijving
van de Ordening van de Kerk (p. 1 —\'68), alsook in
menig punt van zijne teekening van de „Verhouding
onzer Kerk tot de belijdenis der waarheid, die in
Christus is" (p. 39—85). Zoo beslist mogelijk wordt
later geleerd, dat het karakter van Kerk en Gemeente
-ocr page 37-
5 79
in de eerste plaats gekend wordt uit hare Historie
(p 98). Dr. vos ontleent aan die historie, die natuur-
lijk en noodzakelijk samenhangt met de geheele bewe-
giug op theologisch gebied, zelfs een van hare beste
en meest proef houdende resultaten. Immers gaat hij
voort en laat na „de Historie" te hebben genoemd,
als tweede kenbron volgen de geloofsbelijdenis
der Kerk, maar beschrijft deze nader met de voor-
treffelijke woorden: „dat statuut van on veranderlijke
beginselen, doch niet van onveranderlijke for-
muleering" (p. 9<i).
Wat wil men meer ? Van de dogmen wordjn wij
met deze woorden verwezen naar het eigenaardige
godsdiensfig-zedelijk leven, waarin zij wortelen. En do
belangwekkende vraag zal nu juist door den „Leerstand"
moeten worden beantwoord, öfen in hoever de over-
geleverde leer juist en goed de onveranderlijke
beginselen uitdrukt, verklaart en samenvat; en of niet
wellicht een nieuwe formuleer ing dier beginselen de
behoefte is van onzen tijd. Maar wij weten het immers
reeds uit het voorafgaande! Dat woord is bij dr. vos
niets dan eene van die klinkende phrasen, die in \'s
mans stelsel schijnen verdwaald te zijn. Wij hebben
vroeger al gehoord van een „Godsbegrip" dat „in
de Confessie voorkomt," en alleen hierom „rechts-
geldig" is. Waarbij zich voegde de leer, dat in
het „hoofdzaak" der belijdenisvraag aangaande het vol-
gen van den Heiland, is opgesloten dat „geen andere
Heiland" mag worden gevolgd „dan zulk een, als
bijv. in den Heidelbergschen Catechismus voorgesteld
wordt!" (p. 58;
Wij zijn er echter nog niet. Op p. 74 leest men:
37*
-ocr page 38-
580
„Wie het Evangelie audera voorstelt (niet dan zijn
Kerkeraad goedvindt, maar) dan de Kerkelijke au-
toritas die wijze heeft vastgesteld, komt in botsing
met een der uitstekends te karaktertrekken van onze
Kerk: in dat opzicht moet de subjectiviteit
en individualiteit van den Prediker en On-
derwijzer zich schikken naar het objectieve
goedvinden der Kerk." Opmerking verdient, hoe ge-
zorgd wordt dat de predikant geen last krijgt van den
Kerkeraad; maar nog merkwaardiger is wat we enkele
bladzijden verder lezen, waar dr. vos de vroegere
kerkelijke inrichting, wat onderwijs en prediking be-
treft, ter navolging aanprijzende, o.a. dit noemt:
„Wilde men in de Hervormde Kerk blijven, dan
moest zich de uiting der eigene conscientie, in
welken vorm ook, regelen naar de uitspraken
der uit de Gemeente opgeldommene kerke-
lijk e Besturen en zich blijven bewegen èn binnen
de grenzen der kerkelijke belijdenis, ruim genoeg voor
bijzondere meeningen en eigenaardige gevoelens en
meerdere schriftuurlijke leerstellingen, èn binnen het
bestaande Kerkverband naar de daarvoor geldige re
gelen" (p. 77).
Ten slotte wordt de oude voorstelling weer inge-
haald (p. 80), en lezen wij: „De beginselen der
Belijdenis onzer Kerk zijn de leerstellingen,
waarin zij geworteld is, in onderscheiding van de
methode, de bewijsvoering, de formuleering der
bedoelde waarheden" (!). De wèl noodige toe-
lichting van deze zinsnede tracht dr. vos te geven met
deze woorden: „Men kan bv. het dogma der Triniteit
verkeerd geplaatst, slecht bewezen, berispelijk gefor-
-ocr page 39-
581
muleerd vinden; toch raag men niet met het dogma
zelf in openbaren strijd komen."
Ongeduldig vraagt de lezer op dit pas , dat ein-
delijk hier aangewezen worde, wat dan volgens
dr. vos „de kerkelijke autoritas" heeft vastgesteld;
hoedanig de inhoud van „het objectieve goedvinden
der Kerk is," en welke ,de uitspraken" zijn, naar welke
in die Kerkzioh„de uitingen der eigene conscientie"
hebben te „regelen"?
Dr. vos antwoordt ongeveer het volgende. Hij wil
niets weten van wat vroeger geschiedde, vaneen stellen
van .de substantie der leer" tegenover het „in alle
stukken en artikelen der leer" (p. 52). „Wat „de leer
der Kerk" is, zoo gaat hij voort, haar inhoud, hare
substantie, dat wordt niet uit enkele, maar uit alle
stukken en artikelen der leer gekend; als ik dan ook
spreek van „substantie" bedoel ik: „het geheel der
in alle stukken en artikelen voorkomende
dog men". De geheele tweede Afdeeling van het
eerste Boek is door hem gewijd aan het pogen om
deze woorden begrijpelijk te maken. In H. 1 zijn
de Kenbronnen beschreven. „De leer der Christe-
ljjke Kerk in het algemeen en die der Hervormde Kerk
in \'t bijzonder, zoowel wat hare zeden- als wat hare
geloofsleer aangaat, in den zin, dien de Wetgever aan
deze woorden hechtte, wordt alleen uit do welbekende drie
formulieren vanEénigheid gekend" — zoo heet het
op p. 41, waar dan de formulieren van Doop
en Avondmaal zoo maar worden bijgevoegd (p. 42).
Maar in plaats dat nu rechtstreeks aan deze kenbronnen
de Kerkrechtelijke Dogmatiek wordt ontleend, worden
na eene excursie over de vraag: of de Kerk hare beljjdo-
-ocr page 40-
582
nis8cbriften mag herzien? (p. 48—52) enkele uitdruk -
kingen gebezigd , aan het spraakgebruik van sommige
kerkelijke reglementen ontleend, waarvan de uitlegging
dienen moet om den inhoud van „do leer" in het licht
te stellen. Deze zijn: 1\\ „Het Evangelie van
jezus Christus"; 2°. de beginselen der Kerk;
3°. haar karakter; 4°. den geest van hare
belijdonis, en 5 . c h ristelijke wandel. „Wat
op Kerkrechtelijk gebied hieronder te verstaan zij,"
wordt van p. 55—85 uiteengezet. Hiermede is „de
verhouding waarin onze Kerk staat, blijkens hare
reglementaire bepalingen tot de Belijdenis van het
geloof waardoor zij hervormd werd,\'\' zoo als het eerst
(p. 1) is uitgedrukt, of, zooals het in het opschrift der
afdeeling zelve (p. 39) luidt, „de verhouding, waarin
onze Kerk staat tot de belijdenis van de waarheid die in
Christus is," in het licht gesteld en de inhoud aangewezen
van de volgens onzen Schrijver rechtsgeldige Dogmatiek.
Het is ons niet mogelijk den schrijver in bizonder-
heden bij de uiteenzetting van de vijf punten te volgen.
Van „het Evangelie van jezus Christus of dat-
geen wat Hij gepredikt heeft" zegt hij (p. 55),
dat het is „blijkbaar de gemeenschappelijke basis van
geheel de Christelijke Kerk en hare verschillende open-
baringen: datgeen wat elk (in 1852 bestaand) Kerkge-
nootschap gemeen heeft, de officieel erkende leer van
de Christelijke Kerk als zoodanig." Onder verwijzing
naar Art. 11, Alg. Regl , de 2 4« vraag vanhetDoops-
formulier en Art. 8 en 9 der Confessie wordt gecon-
cludeerd, dat het beginsel van die leer wordt aan-
geduid door het geloof in den DrieëenigenGod,
Onmiddelijk hierop volgt echter de verklaring, „dat de
-ocr page 41-
583
inhoud van het Evangelie zelf in v. 18 en 19 van den
Catechismus nader wordt aangeduid," terwijl deze inhoud
„ontwikkeld wordt in die vele Artikelen des geloofs en
Afdeelingen van den Catechismus, welke over zijne
geheel eenige persoonlijkheid en werkzaamheid hande-
len." Dat in den Catechismus do „Godheid"\' feitelijk en
logisch niets anders is als de kracht en mogendheid, die
denmensch jezüs Christus in staat stelt en bekwaamt
om als Profeet, Priester en Koning te zijn en te doon
wat des Ileilands der wereld is;dat dusde Chris-
tologie van het leerboekje principieel en wezenlijk de
begripswereld, waaruit het trinitarisch Godsbegrip stamt
op zijde schuift, wordt natuurlijk niet gevoeld door een
theoloog, die „hetgeen jezüs christüS gepredikt heeft"
op ééne lijn plaatst met de geloofsvormen van nicaea
en athanasiüs. Hoe lang zal het nog duren, voordat
men ziet, dat er een afgrond ligt, door geen mensche-
hjke redeneeringen en spitsvondigheden te overbruggen,
tusschen de prediking, die in Bergrede, Paradoxen
en Gelijkenissen de verborgenheden van den Levenden
God en Zijn Rijk, van de Hem gevallige Gerechtig»
heid, van kinderlijk Geloof en broederlijke Liefde ont-
hult, en do levensmoede, wereldschuwe bespiegelingen,
die ten laatste tot het vaststellen van de katholieke
Formulieren van Eenigheid leidden; tusschen de Leer
der Zaligheid die uit de Joden is, en de kerkelijke
Theologie, die uit de Hellenen stamt!
Maar wij mogen ons geen uitweidingen veroorlo-
ven, en noemen het heirleger van vragen niet op die
alléén deze bladzijde bij iederen theoloog, van welke
richting ook, zal doen opkomen. Wij gaan voort met
Hoofdstuk II, dat nieuwe stof zal moeten aanvoeren
-ocr page 42-
584
voor de credenda dergenen, die de Ned. Herv. Kerk
willen dienen. De beginselen der Hervormde
Kerk worden er, naar de slechte gewoonte die sedert
het begin dezer eeuw is gevolgd, gesplitst in een for-
meel en in een materieel beginsel. Het formeele
bestaat hierin, „dat al hetgeen de mensch schuldig is te
gelooven om zalig te worden in de II. S. genoegzaam
geleerd wordt, en dit zóó dat de geloovigen zelve hun
geloof daarnaar reguleeren, daarop gronden en daarmede
bevestigen, terwijl ze al hetgeen daarin begrepen is
zonder eenige twijfeling gelooven, niet zoozeer
omdat de Kerk de Heilige Schriften voor heilig en
kanoniek houdt, maar inzonderheid omdat hundeHei-
lige Geest getuigenis gaf in hunne harten dat ze van
God zijn." Een zonderlingen indruk maakt hier de aan-
teekening, dat de bekende studiën van wijlen prof.
crameb over de oud-kerkelijke en nieuwe Sch riftbo-
schouwing „uit een confessioneel oogpunt\'\'verdienen
te worden geraadpleegd ! Alsof de man, die dit ernstig
deed, de hier boven afgeschreven paragraaf uit de
kerkrechtelijke Dogmatiek van dr. vos nog zou kunnen
en willen onderschrijven! Zonder eenige poging om
het formeele met hetmaterieele begin sel te ver
binden leert dr. vos vervolgens, dat dit laatste eigenlijk
ligt in het antwoord op de vraag: Hoe een zondaar
rechtvaardig wordt voor God? Hiernevens moeten
echter nog „verschillende andere beginselen" aangemerkt
worden als „beginselen onzer Kerk", die in het licht
treden, als gedacht wordt „aan do Nederlandsche Her-
vormers als Sacramentariërs, als Beeldenbrekers en als
Consistorialen, m. a. w. aan hunne leer met betrekking
tot de Sacramonten, den Eeredienst en de Kerk." Ook hier
-ocr page 43-
585
geenerlei aanwijzing, hoe een Kerk of eene Leer gezegd
kan worden van onderscheidene beginselen uit te gaan,
noch eenig streven om een organisch verband tusschen
de opgenoemde beginselen te leggen, wat natuurlijk
alléén mogelijk is bij de blootlegging van één grond-
beginsel, waarvan de overige afgeleid zijn.
Volgt H. IV met de beschrijving van het karak ter
der Kerk. Wij vermeldden reeds, hoe dr. vos hier
de oorspronkelijkheid en zelfstandigheid der Nederlandsche
Hervorming schitterend handhaaft. Verder wijst hij op
het plebejesche karakter van die beweging, en hoe het
kerkelijk leven zich kenmerkte door zelfwerkzaam-
h e i d der Gemeente en hare leden, waarmede wederom
samenhing b.v. de liefde voor het zelfbestuur.
Resultaat voor de kerkrechtelijke Dogmatiek: „Alle
onderwijs en prediking en bestuur moet ingericht
zijn naar het Woord: Eén is uw Meester, en gij
zijt allen Broeders."
In H. V. wordt de Geest derBelijdenis
besproken. Een geest van diepe ootmoed spreekt ons,
oordeelt Dr. vos, uit deze laatste toe, alsook van volstrekte
afhankelijkheid van B het Woord, waarin genoeg-
zaam en klaarlijk is geopenbaard alles wat tot zaligheid
noodig is", van gewillige onder w e rping er aan ,
van kinderlijke dankbaarheid er voor, van
een leven in dat Woord. Voorts is die geest de
geest der verzekerdheid, des vertrouwens,
der dankbaarheid, der onbepaalde gehoorzaam-
hei d aan Gods geboden, der standvastige getrouw-
h eid aan Hem, enChristocentrisch, zoodat daarmee
strijdige geestesuitingen in botsing komen met den geest
der Belijdenis. Hieraan sluit zich in H. VI, met het op-
-ocr page 44-
586
schrift: Christelijke Wandel het betoog, dat onze
Kerk van „Christelijke zeden" sprekend en van „onchris-
telijken wandel," en onderwijs gevend in „de Christelijke
zedekunde" het zedelijk ideaal van het Christendom
hoog toont te schatten. „Wat zij voor christelijke
zedeleer houdt, heeft zij, zegt Dr vos, kerkrechtelijk
aangeduid, wat de beginselen betreft in de tweede
Bevestigingsvraag en, wat het onderzoek zelf betreft,
in het derde deel van den Heidelbergschon Catechis-
mus." De daarin voorgedragen leer van de dank-
baarheid is de kenbron der kerkelijke zedeleer.
„Wat daarmede strijdt behoort, naar kerkelijke opvat-
ting, tot den onchristelijken wandel, tot de verkeerd*
heden die men allereerst door raadgeving en terecht-
wijzing zoo mogelijk uit den weg moet ruimen."
En zoo weten we dan, hoe Dr. vos een einde wil
maken aan de „kraukzinnigheidswillekeur", en wat hij
houdt voor de leer der Christelijke Kerk in \'t
algemeen en de Hervormde Kerk in\'t bizonder,
zoowel wat haar zede- als wat hare geloofs-
leer betreft, in den zin dien de Wetgever
van 1852 aan deze woorden hechtte. Menige
lezer zal met ingenomenheid de breede plaats hebben
waargenomen, die aan de M o r a a 1 is aangewezen,
en eveneens met ons bij meer dan één woord in de
beschrijving van de beginselen, het karakter en den
geest van Kerk en Belijdenis de juiste uitdrukking van
eigen overtuiging hebben begroet. Miiar — wat het
geheel betreft ? Hebben we hier nu eeno ordelijke
voordracht van de kerkrechtelijke Dogmatiek ? Dr. vos
neemt zelfs de moeite niet om aan \'t slot van de
tweede Afdeeling zijne resultaten saam te vatten on
-ocr page 45-
587
b.v. op de wijze van het door hem, in dezen met
ingenomenheid genoemde Kort Begrip, de Dog-
ma tiek van de Ned. Herv. Kerk, die dan nu
kerkrechtelijk vaststaat eu gezag heeft, in korte dicta
voor te stellen — een leiddraad voor de leden der
Gemeente, alsook voor studenten in de Theologie en
Predikanten, en voor de Bestuurders der Kerk bij de
berechting vaa geschillen over de Leer !
Men verwachte geen verdere kritiek meer. Een
Dogmatisch Kerkrecht en een Kerkrechtelijke
Dogmatiek als die dr. vos voordraagt, kunnen ons
niet behagen. Zijn boek, behoudens enkele onderdoe-
len, brengt niet vooruit. Integendeel: het staat achter
bij den arbeid van voorgangers, die dr. vos in ons land
had, om van het buitenland niet te spreken. Hun
arbeid wordt er niet overbodig door. In onderscheidene
vormen leeren we er nog van, wateene systematische
uiteenzetting van het Ned. Herv. Kerkrecht
is en moet zijn. Door dit Handboek leeren we voor-
uamelijk wat ze niet is en ook niet zijn mag.
En nu wij het niet gemakkelijke en vaak ontmoe-
digende werk, de aankondiging van dr. vos\' Kerkrecht,
hebben ten einde gebracht, wenden wij ons op nieuw
naar sohm, en verdiepen ons in zijn Ki rchenrecht.
Hier zit toekomst in. Het Handboek van vos behoort
tot het verledene. De orthodoxe sohm roept ten leven,
menschen en kerken; hij reveilleert. De rechtzinnige
Amsterdamsche predikant repristineert; hij belemmert
het ontstaan van nieuw leven in individuen en ge-
meenschappen.
-ocr page 46-
588
Te vergeefs! Want reischle heeft, Goddank!
gelijk, als hij zijn bespreking van sohms Ki re hen-
recht alzoo besluit: „Das göttliche Dogma ist
gefallen; an seine Stelle tritt das Ringen darnach, in
theologischer Arbeit die Tiefen des Evangeliums christi ,
die uner8chöpflich sind, zu erforschen und in meuschli-
chem Zeugnisz, die Schatze des Evangeliums dar zu
bieten Das göttliche Kirchenrecli t ist abgethan,
an seine Stelle tritt die Arbeit der Christenheit, die
mit immer neuen Mitteln, in immer neuen Ordnuogen
die ewige Aufgabe zu erfiillen sucht, das Evangelium
und den in Ihm lebenden Geist christi zu erhalten
und weiter zu leiten."
„So wabr Gotteswerk gröszer ist als Men-
schenwerk, bleiben alle theologischen Por-
mulierungen und alle rechtlichen Ordnungen
nur die thönernen Getasze, in denen der ewige
Schatz geborgen wird. Wir sollen, gleich dem Töpfer
an seiner Scheibe, die Arbeit thun, immer aufs neue
die rechte Gestaltung für sie zu suchen dasz sie
den ewigen Inhalt wohl bewahren. Wenn wir lasz
darin werden, so sprengt der Inhalt die For-
tnen oder Gott zerschlagt sie durch die ihm
dienstbaren Machte der Geschichte wie des Töpfers
Gefasze. Dann gilt es neu zu bilden, bis Gott
selbst in der ewigen überirdischen Voll-
endung seiner Kirche die ihrem geistigen
Wesen völlig entsprechende Form gibt."
M. A. QOOSZEN.
Leiden, 4 Nov. \'96.
-ocr page 47-
AANÏEEKENING.
(*) Om het belang der kwestie voor de kennis van de
Nederlandsche Reformatie laten wij hier het in de Kerkel. Ct.
geschrevene, verbeterd, volgen:
Dr. van meer heeft onze letterkunde met zijn „De Synode
te Emden 1571" verrijkt, en aan de vrienden van onze Neder-
landsche Hervormde Kerk een grooten dienst bewezen. Den
historici in engeren zin zij het overgelaten dit voortreffelijk werk
aan een tot bizonderheden afdalend onderzoek te onderwerpen.
Onze aandacht is getrokken door slechts ééne leemte in den
arbeid. De auteur namelijk legt terecht verzet in tegen hen
die, zooals prof. reitsma uog onlangs in zijne „Geschiedenis van
de Hervorming", en hooijer vroeger in zijne „Oude Kerkorde-
ningen", leeren, dat aan de Kerkorde van Emden de Fransche
Kerkorde van 1559 ten grondslag is gelegd. Hij wijst aan,
dat die Kerkorde zeer zeker goede diensten heeft bewezen, maar
geeft overigens te kennen, dat te Emden „meerdere kerkorden"
zijn geraadpleegd.
Het komt ons voor, dat dit laatste punt nader in het licht
had moeten worden geplaatst. Ja, het verbaast ons eenigszins,
dat de schrijver, die terecht opmerkt, „dat het classicaal ver-
band, waaraan te Emden zoo groote waarde wordt gehecht, in
de Parijscue Kerkorde schier niet (lees: toenmaals nog volstrekt
niet) in aanmerking komt", zelf niet rond heeft gezien, in de
gereformeerde kerken van andere landen, of niet wellicht daar
het model wordt aangetroffen, waarnaar men te Emden zich in
dezen vormde.
Wat lag nu méér voor de hand dan om te letten op de
Paltz? Men weet, hoe innig de betrekkingen waren, die van
-ocr page 48-
890
ouds Nederland en dit keur vorstendom verbonden, en hoe deze
waren versterkt, sinds de uit Engeland na Eduards dood ver-
bannen Nederlanders in 1562 in de Paltz een toevlucht vonden —
met blijdschap er begroet door Anastasius Veluanus en zoo vole
anderen, die rechtstreeks uit Nederland naar dit land, óók „eene
herberge der geloovigen", waren gevloden. Men weet verder,
dat de kerken onder \'t Kruis in Nederland reeds in heur bijbels
en psalmboeken, de Liturgie van de Paltz vertaald lazen;
en dat de formulieren van Doop en Avondmaal, enz. bij den
eeredienst al werden gebruikt, gelijk de Heidelbergsche
CatechismuB het leerboekje was bij de nederduitsch spre-
kenden. Dr. van meer heeft zelf doen zien dat marnix van
st. aldegondb de man is geweest, die vooral de bijeenkomst
van de gereformeerden heeft bevorderd, zóó dat hij zelfs de
„autor spiritualis" van de Einder Synode mag worden genoemd,
al woonde hij ze zelf niet bij. En marnix was sinds 1569 lid
van den Opperkerkeraad in de Paltz. Op onze Synode eindelijk,
verschijnen afgevaardigdon uit de vluchtelingen-gemeenten in de
Paltz. Eén van hen, „Jasparus Heydenus", gaspar van der
hëijden, is zelfs tot president gekozen.
Om te besluiten: Dr. van meer kent natuurlijk het in het
Synodaal Archief berustende kostbare Bock van dr. petrus
cabeljauw, die in het laatst der 17de eeuw predikant te Leiden
was, dat zoovele oude synodale stukken bevat. Het eerste
stuk, dat er in is afgeschreven, is de Fransche Kerkorde;
het tweede is de Ordo qui in Palatinatu observatur;
het derde is de Schotsche Kerkorde. Hierop volgen de
Acta van Emden. Wij weten niet, of hier opzet is aan te
nomen, alsof cabeljauw op de drie eerste stukken als te
Emden gebruikt heeft willen wijzen. Maar dassen zijn in
Frankrijk nog niet en worden eerst in 1579 in Schotland inge-
voerd. Daarentegen zijn de indeelingen van de gemeenten in
kringen in de Paltz reeds lang in gebruik, en worden in de
Kerkorde van 1564 omstandig beschreven. Op het afschrift in het
Boek van cabeljauw van den Ordo qui in Palatinatu ob-
servatur is aangeteekend, dat hij is „transmissus", overge-
zonden of overgelegd door den bovengenoemden „Jasparus
Heydenus", als „Minister Frankendalensis Ecclesiae" nader aan-
geduid, en door „Johannes Arnoldi". „Amsterodamensis ecclesiae
-ocr page 49-
591
ministro", den bekenden Amsterdamschen prediker, die de
Emdensche® Synode heeft bijgewoond. Op de copie is nog het
jaartal: 1571 geschreven.
Ons dunkt: de zaak wordt vrij duidelijk. De indeeling in
dassen werd te Emden verordend in navolging van de
Paltzer Kerkorde. De drie hoofdstukken, aan Classen,
Provinciale Synodcu en Algemeene Synoden en hare
werkzaamheden in de „Acta Emdana" gewijd, zijn dan ook
kennelijk gevolgd naar \'t geen door VANDERHEijDENenxBNOLDi
aangaande die inrichtingen was „transmissum." Natuurlijk:
gevolgd, zooals echte Gereformeerden modellen volgen: met
volkomene zelfstandigheid, rekening houdende met plaats en tijd,
als vrije mannen die, de dienstknechten van niemand, zich naar
geen mensch willen noemen, maar leerjongeren van Christus
willen zijn. Misschien heeft men hierom — en het is te be.
treuren — van geen superintendentschap of decanaat willen weten.
Hoe dit zij: als men in het oog houdt, dat te Zürich, zeker
reeds sedert 1532, eene dergelijke indeeling van de gemeenten,
in kringen of classen, bestond, aan wier hoofd een deken was
gesteld, dan levert ook de bijzonderheid, waarop we hier de
aandacht vestigen , eene kleine bijdrage tot beoordeeling van het
historisch recht der calvinistische legende in hare be-
trekking tot Nederland.
Tot zoover de bedoelde aankondiging.
Aan dr. vos danken wij de aanwijzing, dat er onder „de
Kerkelijke mannen" velen waren, die een krachtig centraal
gezag voorstonden, en bij de nieuwe kerkelijke organisatie
hadden gewenscht de instelling, in navolging van de Paltz,
van „een Hoogen of Bij zonderen Kerkeraad, be-
staande uit Politieken en uit Kerkelijken ter beslechting van
Kerkelijke vraagstukken" (p. 6, noot 3.).