-ocr page 1-
yyjiW }^-3^>Ó
c^»3. SUS. No 4&
-ocr page 2-
^
^■\'■■■■\\
fa
.
m
"vT
BIBL/OTHSEJC
NED- HERV. JCESC
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER
ARMVERZORGING.
dooi- t.\'K. Sv>oecl< - Hewkremans
In de laatste jaren openbaart zich in ons vaderland een -sterk ver-
langen naar verbetering op het gebied der armenzorg. In het bijzonder
treedt de wensen op den voorgrond, dat de Nederlandsche armenwet
mocht worden gewijzigd. Die wetsherziening wordt gewenscht zoowel
door hen, die het onderwerp bezien van de theoretisch wetenschappe-
lijke zijde, als door hen, die zich in eenvoudige toewijding bezighouden
met het helpen van armen en ongelukkigen.
Niettegenstaande dit algemeen verlangen schijnt toch het tot stand
brengen eener ingrijpende herziening der wet van 28 Juni 1854 tot
regeling van het armbestuur niet zoo gemakkelijk te zijn. Dat was
(welbeschouwd) ook niet anders te wachten. De wettelijke regeling
van eenig maatschappelijk belang moet, om te slagen, de uitdrukking
zijn eener overtuiging, die althans door de groote meerderheid der natie
wordt gedeeld. Omtrent de vraag, »hoe tot afdoende verbetering onzer
nationale armenzorg te geraken", is van het bestaan eener zoodanig
gevestigde overtuiging nog niet gebleken; integendeel bemerkt men
bij de betrekkelijk geringe belangstelling, die het vraagstuk der arm-
verzorging ten deel valt, dat de meeningen omtrent de beginselen,
waarvan moet worden uitgegaan , zeer uiteenloopen.
Een nauwlettend waarnemen dezer verschillende meeningen en ver-
langens doet in hoofdzaak drie richtingen kennen, waarin zij zich be-
wegen.
De richting, die het meest afwijkt van het tot heden gevolgde
systeem, is die, welke aanstuurt op «Staatsarmenzorg", d. i. verzorging
der armen, zoo niet uitsluitend, dan toch in hoofdzaak , door de burger-
lijke overheid. Het is opmerkelijk, dat deze richting bij de jongste
discussiën over dit onderwerp in de Tweede Kamer op 9 December
1808 door niemand is verdedigd. Ook is mij geen werk over armen-
zorg bekend, waarin deze richting voor Nederland als »de gewenschte"
wordt aangewezen. Toch heeft zij hare voorstanders. "Ware dat niet
zoo, de Minister van Binnenlandsche Zaken zou in bovengenoemde
■IoGj-w
-ocr page 3-
2                 GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
discussie niet met zooveel nadruk er zijne blijdschap over betuigd hebben,
dat de heer Hartogh zicli (evenals de Minister) een beslist tegenstander
had getoond van het monopoliseeren van armenzorg bij Staat en ge-
meenten. Wellicht droeg het adres van het genootschap ^Liefdadigheid
naar Vermogen" (eenigc dagen te voren bij de Tweede Kamer in-
gediend) ertoe bij , dat de Minister deze woorden sprak. Het kan
toch niet worden ontkend, dat dit adres de uitnoodiging bevat tot het
zetten van een stap in de door den Minister niet gewenschte richting,
niet alleen door eene doorgaande onderschatting van de beteekenis der
kerkelijke en particuliere armenzorg in ons vaderland, maar bovenal
door den eisch tot opheffing van art. 20 (*) der tegenwoordige
armenwet.
De tweede richting, die door den ernst, waarmee zij optreedt, recht
heeft op aller belangstelling, legde hare beginselen neer in eene dei-
meest omvangrijke en belangrijke studiën, die in de laatste jaren over
armenzorg verschenen, nl. het Rapport van 1895 over het vraagstuk
der armverzorging, in opdracht van de Maatschappij tot Nut van
\'t Algemeen bewerkt door de heeren Mr. II. Goeman Borgesius, Mr.
A. F. K. Hartogh , .1. F. L. Blankenberg, Dr. H. J. de Dompierre de
Chaufepié en Mr. R. J. H. Patijn.
Dit Rapport plaatst zich op het standpunt van art. 20 der armenwet,
dat door »Liefdadigheid naar Vermogen" verworpen wordt (-{-); het
getuigt herhaaldelijk van groote \'waardeering der kerkelijke en bijzondere
armenzorg en stelt de aanmoediging daarvan door de overheid als een
der eerste eischen op den voorgrond (§), doch het legt daarnevens zoodanig
den nadruk op de uitbreiding der openbare armenzorg en geeft aan
hare organisatie een zoodanigen omvang, dat bij wettelijke invoering
dier regeling de overheidszorg de voornaamste en weldra de alles over-
heerschende plaats zou innemen in den arbeid tot hulp der armen. Het
verschil tusschen de eerstgenoemde en deze tweede richting zou in de
practijk dus niet zeer groot zijn. Dat scheen ook de meening te zijn
van een der samenstellers van het Rapport, den heer Hartogh, toen
hij in bovengenoemde Kamerzitting verklaarde, dat het adres van iLief-
dadigheid naar Vermogen" tot dezelfde conclusiën kwam als het Nuts-
rapport.
Het antwoord van den Minister Goeman Borgesius, mede-
samensteller van het Rapport, geeft grond voor de onderstelling, dat
tusschen de inzichten der beide rapporteurs zoo geen belangrijk dan
toch een noemenswaardig verschil bestaat.
C) Art. 20 luidt als volgt:
„De ondersteuning der armen wordt, behoudens de verdere bepaling dezer afdooling,
overgelaten aan de kerkelijke en bizondere instellingen van weldadigheid "
(f) Rapport, bladz. 20S, regel 3. „In beginsel blijft ook in ons stelsel de armenzorg
van overheidswege aanvulling van de vrije liefdadigheid — in dien zin, dat zij niet
optreedt, waar reeds van elders voldoende ondersteuning wordt verstrekt."
(S) Happart, bladz. 192 , § 2. „De kerkelijke en bizondere liefdadigheid worden van
overheidswege zooveel mogelijk aangemoedigd en in goede richting geleid."
-ocr page 4-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING. 3
De derde richting wordt gevolgd door hen, die het minst afwijken
van het standpunt, dat door den wetgever van 4854 werd ingenomen.
Zich plaatsend lijnrecht tegenover het genootschap «Liefdadigheid naar
Vermogen", waar het heweert, dat de kerkelijke en de bijzondere lief-
dadigheid onmachtig bleken tot vervulling der haar toegedachte taak,
houdt deze richting voldoende geloof in het doorzicht, de veerkracht»
en den liefdadigheidszin van het Nederlandsche volk, om de hulp van
lijdenden en behoeftigen in hoofdzaak aan de kerkelijke en particuliere
armenzorg te durven overlaten.
Dat onder het heerschende regime de krachten der kerkelijke en
particuliere armenzorg maar al te dikwijls te kort schieten, wordt ook
door de voorstanders dezer derde richting volmondig erkend ; doch daarbij
moeten drie omstandigheden niet uit het oog worden verloren: 1 °. dat
van overheidswege tot heden zeer weinig is gedaan tot zedelijken steun
en aanmoediging der vrije liefdadigheid, ja, dat deze zelfs vrij wel
onbeschermd is gelaten tegen het zedelijk nadeel, haar aangedaan door
allerlei onbeschaamde bedriegerijen; 2°. dat op hare schouders lasten
zijn gelegd, die daarop niet behoorden; 3".- dat in sommige deelen van
ons land de welvaart in de laatste jaren niet onbelangrijk achter-
uitging, hetgeen wellicht mede hierdoor veroorzaakt werd, dat, ten
gevolge van omstandigheden, die hier buiten beschouwing moeten blij-
ven, do Regeering in die jaren zich zooveel heeft moeten bezig-
houden met onderwerpen, waarvan indirect eene verbetering van den
volkstoestand werd verwacht, dat zij onmogelijk voldoende aandacht
kon wijden aan de directe bronnen van welvaart van het Neder-
landsche volk.
Ook deze derde richting vraagt dus wijziging der armenwet, opdat
tegenover het driest optreden van onwaardigen en baatzuchtigen de
liefdadigheid zich kunne handhaven , zoowel door bescherming en me-
dewerking van de zijde der overheid als door liet overnemen door
deze van de zorg voor die armen, wier verzorging een krachtiger op-
treden vraagt, dan eene kerkelijke of particuliere instelling zich tegen-
over hare medeburgers mag veroorloven. Deze richting zou in hoofdzaak
als de uitdrukking van haar beginsel kunnen aanvaarden de slotwoorden
der inleiding tot het Rapport van 1898 aan de Maatschappij tot Nut
van \'t Algemeen omtrent he.t vraagstuk van de verzorging der verwaar-
loosde kinderen. De bewerkers van dit Rapport zeggen daar omtrent
dit aan de armverzorging zoo nauw verwante belang : »In verband met
hetgeen tot heden in deze aangelegenheid is verricht schijnt bij ons
te lande de reusachtige krachtsinspanning, die noodig is om het kwaad
uit te roeien, veilig aan particuliere krachten en gezonden burgerzin
te kunnen worden overgelaten; maar dan mag ook van den staat wor-
den geóischt dat de wetgeving niet belemmerend werke in dit edel
en nuttig streven."
-ocr page 5-
4                   GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
Aan hen, die aandachtig hebben gelezen, wat de heeren Goeman
Borgesius c. s. in hun Rapport mededeelen omtrent de beraadslagingen
bij de vaststelling der wet van 1854, en die daarbij oog hebben voor
de gehechtheid van het Nederlandsche volk aan oude instellingen,
vooral waar deze in verband staan met de kerkelijke verhoudingen,
•aan dezen is het duidelijk, dat eene poging tot herziening der armen-
wet in de laatstgenoemde richting meer kans van slagen aanbiedt dan
een voorstel tot wetswijziging in eene der richtingen, die in de eerste
en tweede plaats werden genoemd.
Op zichzelf mag deze grootere kans van slagen voor den wetgever
geene reden zijn zich in die richting te bewegen. Ik geloof echter,
wanneer de vrije liefdadigheid zich even krachtig blijft betoonen, als tot
heden in ons vaderland het geval is;, en het mocht gelukken, eene
wetswijziging in deze laatstgenoemde richting tot stand te brengen,
dat de toestanden zooveel zouden verbeteren , dat ook zij , wier wen-
schen zich verder uitstrekken, niet geheel onvoldaan zouden zijn.
Welke wijziging en aanvulling de bedoelde wet in hoofdzaak volgens
deze opvatting zou moeten ondergaan, zal aan het slot van dit opstel
nader worden aangeduid, nadat vooraf de gronden zijn ontwikkeld,
waarom wetswijziging in de eerstgenoemde twee richtingen niet wen-
schelijk schijnt.
I.
Tegen het invoeren van armenzorg van overheidswege als regel
wensch ik slechts drie bezwaren te noemen, welke eenvoudig aan de
practijk des levens zijn ontleend: 1". het verzwakken der deugden
van liefdadigheid" en mededeelzaamheid bij de gegoeden; 2". geestelijke
en stoffelijke benadeeling der ware armen; 3°. het wegnemen van
den prikkel tot krachtig waken voor de welvaart des volks bij de
overheid.
1. Tiet is eene fictie, dat bij een meer direct optreden der overheid
als helper der armen de liefdadigheid niet zou verminderen. Achttien
eeuwen van Christendom bleken , helaas ! niet voldoende, om den mensch
het zoeken van zichzelf en het najagen van eigen voordeel te doen
schuwen. Het beste bewijs, dat ook het oefenen van weldadigheid eene
deugd is, welke o zoo gemakkelijk wordt verleerd, ligt wel hierin , dat
men ook thans reeds gansche kringen van burgers heeft, waar deze
deugd alleen bij name bekend is.
Voor armenzorg is veel geld noodig, zeer veel geld, en waar de
overheid dat noodig heeft, klopt zij aan bij de belastingbetalende bur-
gers. Reeds nu verminderen de bijdragen voor weldadige doeleinden
-ocr page 6-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING. 5
ten gevolge der drukkende belastingen (*). Hoe zouden zij dalen, als
aan de financieele eischen eener algemeene staatsarmenzorg moest
worden voldaan !
En ook waar niet de belastingdruk tot onthouding leidde: waarom
zou men zich voor het helpen der armen persoonlijke en geldelijke
opoffering getroosten? De overheid is ervoor; zij doet het, en zij doet
het goed.
Deze beschouwing zou zóó voor de hand liggen, dat niemand
den voortgang ervan zou kunnen tegenhouden.
Wellicht dat deze of gene in eene vermindering van den liefdadig-
heidszin geen achteruitgang ziet van ons volk. Dit oordeel zou op
zichzelf reeds een bewijs zijn van zedelijken teruggang; want ieder,
die er iets van verstaat, dat de waarde van een mensch uitsluitend
bepaald wordt door hetgeen hij met opoffering van zichzelf voor an-
deren is, zou het ten diepste betreuren, indien van den lust, om wèl
te doen , waarvoor het Nederlandsche volk immer te recht is beroemd
geweest, slechts de herinnering overbleef.
2. Het is een feit, dat door alle arm verzorgers zal worden beves-
tigd, dat de besten onder de armen het inroepen der liefdadigheid
veel te lang uitstellen. Uit mijne ervaring zou ik daarvan menig
treffend voorbeeld kunnen aanhalen. Dat uitstellen mag niet worden
afgekeurd; het is een bewijs, dat lust tot zelfstandigheid, besef van
eigenwaarde, eergevoel bij den arme bestaan.
Toch is het dikwijls te betreuren, dat zij niet vroeger kwamen; dan
ware wellicht met een weinig hulp de toestand te redden geweest.
Doch als eenmaal eene totale verarming is ingetreden, de meubels
verkocht en de kleeren verpand zijn, dan staat men verlegen, hoe in
zulk een toestand hulp te bieden.
Welke vorm van armenzorg is dus voor den waren arme de beste ?
Die, welke het meest een vertrouwelijk karakter draagt.
Zij , die
waarlijk arm zijn, moeten durven komen; zij moeten zich kunnen en
durven uitspreken in eene vertrouwelijke ontmoeting met hem, die hen
helpen kan. Aan dien eisch kan eene verzorging van overheidswege
nooit voldoen; de diaconale armenzorg kan dat ideaal nabij komen.
Het staat zoo duidelijk te lezen op bladz. 248 van het Nutsrapport:
»De plaats waar iedere persoon, die voor ondersteuning in aanmerking
wenscht te komen, zich moet aanmelden •, is de zetel van het bur-
gerlijk armbestuur." Juist, zóó moet het zijn bij armenzorg van
overheidswege; het kan niet anders.
Arme weduwe, gij moet u aanmelden bij den zetel van het bur-
gerlijk armbestuur, op het groote bureau, waar een aantal heeren u
zien zullen. Daar wordt het algemeen register opgeslagen, om na te
(*) Als curiosum bewaarde ik eenige jaren een inteekenbiljet van de winterinschrij-
ving dei\' N.-tl. Diaconie van iemand, die gewoon was ƒ 200 te schenken, doch die het
jaar van de invoering der vermogensbelasting slechts voor ƒ 100 inteekende met het
bijschrift: „Wegens de hooge belastingen mijne bijdrage tot de helft verminderd."
-ocr page 7-
6                    GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
gaan, of uw naam ook voorkomt op de officieele lijst van armen. Gij
stondt er tot heden nog niet op; maar nu helpen geene bedekselen
meer, waarmee gij uwe armoede wist te verbergen; uw naam komt op
die groote lijst, en iedereen, ook uwe naijverige en ongevoelige buur-
vrouw (als zij het maar goed aanlegt), zal nauwkeurig en haarfijn
kunnen weten, hoè uw toestand is en wat gij van anderer hulp
geniet.
Gansch anders werkt de diaconale armenzorg . . . Het is schemer-
avond; de diaken heeft toevallig geene vergadering en is thuis. Er
wordt eene juffrouw aangediend; de diaken vermoedt reeds, wat het
zijn zal; zulke bezoeken zijn hem niet vreemd. Hij ontvangt de juf
fiouw, en nu verneemt hij het eeuwenoude maar het hart met
immer nieuwe droefheid vervullende verhaal van de moeite en zorg,
het lijden en strijden der weduwe.
Zie, tot dien diaken durft deze weduwe komen. Het ging wel niet
gemakkelijk, maar het ging toch. Zij kent hem, zij zag hem dikwijls
in de kerk, hij staat niet zoo heel ver van haar af. Maar als deze
vrouw moet komen »tot den zetel van het burgerlijk armbestuur",
tot het groote bureau, waar zij zooveel vreemde gezichten vreest,
ach! zij zal liever armoede en kommer verduren, dan tot dien stap
te besluiten.
Was het overdreven, toen ik zeide, dat Staatsarmenzorg zou leiden
tot nadeel der ware armen ? Als gij het vertrouwelijk en broederlijk
karakter aan de armenzorg ontneemt en haar verlaagt tot een onder-
deel van het administratief organisme, waarin de Staat zich openbaart
tegenover de eenvoudige burgers, dan hebt gij een stap gezet in de
richting tot uitsluiting der meest sympathieken onder de armen.
3. Staatsarmenzorg zal voor de overheid den prikkel wegnemen, om
krachtig te waken voor de welvaart des volks.
Indien in een rijk, of in een bepaald gedeelte daarvan, voortdurend
veel armoede heerscht, zoo is het duidelijk , dat daarvoor eene algemeene
oorzaak moet zijn. Als steeds de hoeveelheid werk te gering is , om
de nijvere handen aan arbeid en de grage monden aan brood te helpen,
dan moet gezocht worden naar middelen, van welke verbetering in den
toestand kan worden verwacht; en in ons gelukkig Nederland met zijne
talrijke bronnen van welvaart zal zulk zoeken zelden vruchteloos zijn,
wanneer slechts Regeering en volksvertegenwoordiging er hare volle
aandacht aan wijden.
Niemand zal de waarde van onderwerpen als kiesrecht en dienstplicht
geringachten ;• nog minder moet de aandacht beperkt worden, aan
onderwijs en opvoeding gewijd. Ik weet zeer wel, dat de mensch »bij
brood alleen" niet leven kan; maar «zonder brood" kan hij toch ook
niet leven, en daarom is het een eerste plicht der overheid, te zoeken
naar alle middelen, die den bloei van landbouw, handel, nijverheiden
scheepvaart kunnen bevorderen. Dat »zoeken" is niet altijd even ge-
-ocr page 8-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING. 7
makkelijk ; en als er dan in het land een vragen en roepen ontstaat ,
omdat er nood dreigt, zoo is dat een heilzame prikkel, om niet te
verflauwen, maar met dubbelen ijver voort te gaan met het bevor-
deren der oude en het zoeken van nieuwe bronnen van welvaart.
Het zal dan zeker dikwijls gemakkelijker zijn, den roepende den
mond te stoppen met gegeven brood en den vragende de hand te
vullen met onverdiend geld; maar dat brood is spoedig gebruikt en dat
geld is spoedig verteerd, en het roepen zal opnieuw beginnen. Met zóó
te handelen, neemt men wel de ellende voor een oogenblik weg, maar
men doet geen stap, om de oorzaak op te heden.
Laat het wegnemen der droevige gevolgen van een onzuiveren maat-
schappelijken toestand het werk blijven van naastenliefde en Christelijke
toewijding, doch laat de overheid hare volle aandacht geven aan het
opsporen en wegnemen der oorzaken.
Het is ook hier de plaats, om met een enkel woord te wijzen op
een gebied, waar zeer zeker de overheid met vrucht kan optreden tot
voorkoming van armoede. Ik bedoel het tot stand brengen eener alge-
meene pensioenregeling, gebaseerd op besparing, voor hen, die om loon
arbeiden. De bestudeering van dit vraagstuk heeft in den laatsten tijd
zoo groote vordering gemaakt en zijne oplossing belooft zooveel voor
de toekomst, dat de Regeering hieraan wel allereerst hare aandacht
mag schenken.
De vele moeilijkheden, welke deze zaak meebrengt en die nu wel
breed genoeg (wellicht reeds te breed) zijn uitgemeten, mogen toch op
den duur niet van eene poging tot regeling dezer gewichtige aangele-
genheid terughouden.
II.
Waar ik kom tot het Rapport der commissie uit de Maatschappij tot
Nut van \'t Algemeen , moet mij allereerst een woord van hulde en be-
wondering van liet hart voor zoo nauwgezetten en omvangrijken arbeid.
Vooral wat omtrent de buitenlandsche toestanden wordt medegedeeld, is
zeer belangrijk en voor Nederlanders grootendeels nieuw.
Dat dit Rapport (wellicht buiten den wil der samenstellers) ten slotte
tot eenzijdige conclusiën komt, die geheel den weg van sStaatsarmeu-
zorg" opgaan, is juist uit die buitenlandsche onderzoekingen zeer
verklaarbaar. Het grootste deel der mededeelingen uit het buitenland
betreft de openbare armverzorging, een zeer klein deel behandelt de
kerkelijke en particuliere liefdadigheid.
Terwijl in Nederland de uitgaven van overheidswege voor de armen-
zorg gemiddeld slechts 40 % (*) van
het totaalcijfer bedragen , schijnt
f) In Amsterdam bestrijdt do openbare armenzorg 28 »/0 van het totaalbedrag, voor
behoeftigen uitgegeven. 1» \'s-üravenliage is dat cijfer 30°/0; in de zorg alleen voor
huiszittenüe armen draagt de burgerlijke armenzorg daar 14% bij.
-ocr page 9-
8                 GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
in de meeste buitenlandsche steden die verhouding gansch anders te
zijn, zoodat daar vanzelf de aandacht het meest wordt getrokken door
hetgeen van overheidswege geschiedt. Het Rapport bevat o. a. op bladz.
153 deze merkwaardige woorden: «Men moet bij het beschouwen dier
buitenlandsche particuliere vereenigingen , met name in Duitschland, niet
vergeten, dat zij , veel meer dan in ons land, haar arbeid kunnen be-
perken tot bepaalde deelen van het groote veld der liefdadigheid. Dddr
immers voldoet de openbare liefdadigheid
(*) aan de taak der geregelde
bedeeling
en kan dus eene vereeniging van particulieren haar pogen
meer richten op bepaalde voorkoming van armoede door voorschotten,
leeningen, enz."
De commissie is blijkbaar bekoord door het goed georganiseerde der
Staatsarmenzorg in het buitenland tegenover het min of meer verwarde
der zich immer verdeelende kerkelijke en particuliere armenzorg hier
te lande. Ongetwijfeld heeft eene zoodanige krachtige organisatie in
één hand hare goede zijde; maar zij zou voor ons vaderland te duur
zijn gekocht, als wij haar betaalden met eene verflauwing der naas-
tenliefde en Christelijke belangstelling, die juist tot de schoonste
eigenaardigheden behooren van het Nederlandsche volkskarakter,
Eene aandachtige lezing van wat de commissie mededeelt omtrent de
toestanden in de meeste groote rijken van Europa, zal bij niemand den
wensch levendig maken tot vervorming der Nederlandsche toestanden
naai\' buitenlandsch model; integendeel doet menige bladzijde ons
onwillekeurig de bede uiten, dat, als wij of onze kinderen nog eens tot
armoede mochten komen , wij dan mochten vallen in handen der ver-
warde Nederlandsche liefdadigheid en niet in die der goed georgani-
seerde buitenlandsche armenzorg.
Indien werkelijk de particuliere en kerkelijke armenzorg in het bui-
tenland geene grooter plaats inneemt, dan het Rapport ons doet kennen,
zoo is Nederland die rijken verre vooruit. De vrije uitingen van liefde
en opoffering voorzien blijkbaar in ons land in vele behoeften, waarvoor
in andere landen door het openbaar gezag moet worden gezorgd.
Bij al het goede, dat de samenstellers van het Rapport voor Nederland
wenschen en willen, is niet voldoende in het oog gehouden, dat tot
eiken prijs een terugvallen tot die buitenlandsche toestanden moet
worden voorkomen. Het zeer vele goede, dat in het buitenland kan
worden geleerd, moet ingevoegd worden in de in beginsel goede Neder-
landsche toestanden; maar nooit mogen de hooge geestelijke voorrechten
van ons volk worden opgeofferd aan het op zichzelf rechtmatig verlangen
naar beter en krachtiger organisatie.
Ik geloof dan ook tegen het Rapport drie bezwaren te mogen
(*) De cursiveering is niet van de commissie, doch is hier aangebracht, omdat juist
deze woorden het verschil tusschen Nederlandsche en Duitschè toestanden teekenen. Het
woord «liefdadigheid" is hier minder juist gekozen. Openbare armenzorg is geene zuivere
liefdadigheid.
-ocr page 10-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.                 9
inbrengen: 1°. De commissie treedt bij het aangeven harer «hoofd-
punten voor eene nieuwe armenwet" te veel in bijzonderheden ; 2°. hare
voorstellen geven een voor Nederland ongemotiveerden voorrang aan de
openbare armenzorg; 3°. het Rapport verwacht alles van de wetgeving,
zonder een weg te zoeken, langs welken (ook buiten medewerking der
overheid) de armenzorg kon worden verbeterd.
De § § 1—6 der «hoofdpunten voor eene nieuwe armenwet" geven
de algemeene beginselen aan; de § § 7—26 bevatten de organisatie der
openbare armenzorg.
Ik wil mij uitsluitend bewegen op mijn eigen terrein, nl. dat der
practijk, en zuiver juridische vragen vermijden. Toch moet ik even de
vraag stellen, of eene «verplichting", als in § 1 aan de overheid wordt
opgelegd, niet vanzelf ook een «recht" schept voor de andere partij,
nl. de armen; vooral in verband met het bepaalde in § 12.
Bij de organisatie, door de commissie aanbevolen, rijst allereerst de
vraag, of het goed is, haar verplichtend te stellen voor alle gemeenten.
De commissie maakt alleen onderscheid tusschen gemeenten beneden en
boven de 15,000 inwoners. Het bezitten van een burgerlijk armbestuur
is echter voor alle gemeenten verplichtend en de volledige organisatie
moet worden toegepast in alle gemeenten boven de 15,000 inwoners.
Had hier geen onderscheid moeten worden gemaakt tusschen groote
en kleine, rijke en arme, stads- en plattelandsgemeenten? Is het
zelfs denkbaar, dat eene regeling, die b.v. te Amsterdam en Rotterdam
voldoet, ook is aan te bevelen voor uitgebreide gemeenten als Ede in
Gelderland, Weststellingwerf in Friesland en andere, die gevormd zijn
uit verschillende dorpen, die dikwijls vrij ver van elkaar verwijderd
liggen en die elk op zichzelf een historisch geheel vormen ?
Reeds de zeer uiteenloopende toestanden in de verschillende gemeenten
moesten ertoe leiden, dat de wetgever zich beperkte tot het geven
van algemeene beginselen en de verdere regeling onder hooger toezicht
aan de gemeentebesturen overliet.
Er zijn b. v. welvarende gemeenten, waar de armoede zich tot
enkele gezinnen beperkt; andere, waar de kerkelijke armenzorg over
zoodanige middelen beschikt, dat er voor de overheid niet veel te doen
overblijft; wederom andere, waar het helpen der armen met recht
vaderlijke zorg geschiedt door den burgemeester of door burgemeester
en wethouders, zonder dat die regeling ooit reden gaf tot klach-
ten (*). Zou het nu verstandig zijn, al dezen gemeenten een zoo ge-
compliceerd stelsel van armenzorg op te dringen, als door de commissie
wordt aanbevolen?
Maar afgescheiden van de uiteenloopende behoeften der verschillende
(*) Zoo is het o. a. in Weesp, eene kleine stadsgemeente met bloeiende fabrieken en
bijna 4000 inwoners. Trouwens, de commissie erkent zelf op blz. 223 van haar Rapport,
dat haar van moeilijkheden in gemeenten, waar die regeling bestaat, niet is ge-
bleken.
-ocr page 11-
10                GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
gemeenten is liet niet zonder gevaar, dat de wetgever zich zoozeer
in bijzonderheden verdiept op een terrein, waar het openbaar gezag nog
zoo weinig ervaring heeft kunnen opdoen. Een gemeenteraad kan zijne
besluiten zonder veel moeite herzien bij gebleken ondoeltreffendheid;
maar tot het aanbrengen van wetswijziging is meer noodig. En toch
komen in de voorstellen der commissie bepalingen voor, die in de
practijk lichtelijk konden tegenvallen. Ik wil als zoodanig één bepa-
ling noemen, welke een der hoeksteenen van het systeem der com-
missie uitmaakt; het is die uit § 17: »Als regel geldt, dat een
armbezoeker slechts een klein aantal gezinnen heeft te bezoeken." Op
bladz. 245 geeft de commissie nader aan, dat dit kleine getal hoogstens
»uy/" mag bedragen. Dit zeer kleine getal opent den weg tot eene
zeer groote verkeerdheid. De armbezoeker, die slechts zoo weinig
gezinnen te verzorgen heeft, zal zeer licht inde verleiding komen, over
deze menschen een ongeoorloofd patronaat uit te oefenen, een patio-
naat , dat niet alleen onvcreenigbaar is met de opvattingen v-an het
vrijheidlievende Nederlandsche volk, maar dat ook allernadeeligst werkt
op de vorming van geest en hart dergenen, die het ongeluk hebben
arm te zijn. Zeer zeker, er zijn menschen (en men vindt ze niet
enkel onder de armen), voor wie het nuttig en noodig is, in alle dingen
te worden geadviseerd en gecontroleerd; maar er zijn ook zeer veel
menschen, die gaarne hun eigen weg gaan en te wier opzichte nie-
mand recht of reden heeft hen te beperken in het zelfbestuur hunner hande-
lingen. Indien de zoodanigen arm worden en gij treedt als armverzorger
hunne woning binnen, dan is het alleen uwe taak , zoo verschoonend mo-
gelijk te onderzoeken, welke hulp men van u vraagt, daarna die hulp op
het spoedigst te verleenen en u dan zoo snel mogelijk terug te trekken.
Ik heb mij meermalen geërgerd bij het vernemen, hoe sommige
armbezoekers bij hunne prijzenswaardige pogingen, om zich van den
toestand van een gezin op de hoogte te stellen, alle teerheid, alle
kieschheid, alle ontzien van den arme uit het oog verloren; terwijl
toch een weiuigje toegepaste menschenkennis wel kon doen raden, wat
men gaarne zou willen weten. Beter een onvolledig rapport dan die
ongeoorloofde aandrang tot het zien van kamers of kasten , die men
u niet vrijwillig opent; beter onvolkomen gegevens dan dat eigen-
machtig onderzoeken van dekens en stroozakken , die men u niet uit
eigen beweging toont. Gij nioogt van den arme niet vragen, dat hij
u zegt en toont, wat gijzelt\' voor uw eigen broeder, uwe eigen zuster
verbolgen zoudt houden. De arme heeft zulk een klein terrein, dat
hij liet zijne kan noemen; ook hij is geroepen »een koning" te zijn;
laat hem althans op dat kleine gebied zijn koningschap uitoefenen.
Indien gij eenigen tijd met den arme hebt omgegaan en uwe toe-
wijding aan zijne belangen heeft zijn vertrouwen opgewekt, zal hij u
gaan achten en liefhebben en (ik mag het uit ervaring zeggen) hij
-ocr page 12-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DEK ARMVERZORGING.                41
zal tot u spreken als een vriend tot zijn vriend, als een kind tot zijn
vader. Laat echter liever ruimte voor onbeantwoorde vragen, dan
dat gij met geweld zoudt nemen, wat u slechts toekomt, voor zoover
het u vrijwillig naar den drang des harten is toevertrouwd. Zoolang
gij dat vertrouwen niet bezit, is het beoordeelen van den toestand wei-
licht moeilijker, maar de ervaren armbezoeker zal toch wel wegen
vinden, om zich althans voor volkomen mistasten te vrijwaren.
Hier ligt het groote gevaar van het invoeren der aanbevolen regeling.
De politie mag uwe woning niet binnentreden dan op gegronde ver-
moedens en krachtens bevelschrift van den rechter; maar als gij het
ongeluk hebt arm te zijn, dan komt de officieele armbezoeker uwe
woning binnen en hem moet gij alles toonen en alles zeggen, ook wat
gij nog aan niemand hebt geopenbaard.
In vele gevallen wordt de scherpte van een stelsel geneutraliseerd
door de persoonlijke eigenschappen van hen, die met de uitvoering
zijn belast. Het zeer groot aantal benoodigde armbezoekers geeft echter
weinig grond bij deze zaak op zoo gunstige wending te mogen hopen.
Doch al mocht het gelukken, steeds voortreffelijke menschen te vinden,
zoo zouden toch de beperktheid van het arbeidsveld en de akelige vol-
ledigheid der formulieren den armbezoeker verbieden zich met een
persoonlijken indruk tevreden te stellen en hem dwingen tot een stel-
selmatig ontleden — en (zoo mogelijk) beheerschen van den toestand,
waarbij niets hem mag terughouden.
Dat ik hier de schaduwzijde van eene der hoofdbepalingen, door de
Nutscommissie aanbevolen, in eenigszins donkere kleuren heb getee-
kend, is alleen, om mijne meening te rechtvaardigen, dat men niet te
voorzichtig kan zijn met het wettelijk vaststellen van deze en derge-
lijke regelen.
Mijn tweede bezwaar geldt het feit, dat de commissie eene regeling
geeft voor de openbare armenzorg, welke tot in de kleinste bijzon-
derheden afdaalt, terwijl over de wegen tot verbetering der kerke-
lijke en particuliere armenzorg zeer weinig wordt gesproken. De
reden van dit zwijgen zou kunnen zijn, dat de commissie de kerkelijke
en particuliere armenzorg zoo voortreffelijk geregeld vond, dat zij geene
verbeteringen kon aanwijzen. De geheele toon van het Rapport geeft
echter aan deze onderstelling weinig waarschijnlijkheid. De reden zal
vermoedelijk zijn, dat de openbare armenzorg in meerdere mate de
belangstelling der commissie trok.
Ten einde de vraag te beantwoorden, of de commissie bij het ver-
deelen harer belangstelling wel met den juisten maatstaf mat, moet
ik den lezer met eenige cijfers lastig vallen. Ik kies daartoe de
gemeente, waarvan ik het best op de hoogte ben, namelijk \'s-Gra-
venhage.
-ocr page 13-
12                GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
Uitgaven voor ondersteuning in geld , levensmiddelen, brandstoffen
ligging aan huiszittende armen door de navolgende instel-
kleeding en
Tingen te \'s-Gravenhage
Ned.-Herv.
Diaconie.
/\' 71,169.44
\'» 07,350.15
» 66,681.—
» 66,027.68
» 70,669.61
» 74,079.53
» 80,883.79
Burgerlijk Armbestuur.
np; «Armenzorg".
Hiervan aan Hervormden (t).
/\'14.404.00 of 70°/0
> 11,773.30 » 70 »
» 9,644.60 » 70 »
» 9,030.— » 70 »
a 7.930.0(1 » 70 »
» 9,250.80 » 70 »
» 8,010.70 » 70 »
V(
Tiitaal
f 20.
\'» 10
» 13
» 12
» 11
» 13
\'roenig
Bedrag.
578.10
819.97
,778.44
900.11
338.58
,224.72
301.45
Totaal
ƒ 19
» 23
» 20.
» 28,
• 28,
o 2(1,
» 20.
Hiervan aai Barvoradan (*).
f 13,391.38 of 69 9%
» 10,539.05 » 09.9 »
» 18,222.85 » 09.7 »
» 19.950.49 » 70.1 »
i) 19.805.— <, 70.1 »
• 19,232.11 »72.8 »
» 19,541.07 » 73.2 »
ried rag.
148.04
040 40
134.10
479.49
339.89
394.13
681.98
1891
1892
1893
1894
1895
1896
1S97
» 12,
Voor ondersteuning
al/.oo uitgegeven :
van Ned.-Hervormden te \'s-Gravenhage werd
Hiervan door tic Hm. Ilianmie
(Kerkelijke Armenzorg).
ƒ 71.109.44 of 71.9%
» 07,350.15 > 70.4 »
» 05,081.— » 70.2 »
» 00.027.08 » 09.5 »
> 70,009.01 » 718 »
» 74,079.53 » 72.2 »
» 80,883.79 » 74.2 »
Hiervan door liet Burgert Auuli.
dlnmliare Armenzorg).
ƒ 13,391.38 of 13,5 »/„
Uien. door de Ver, „Armenzorg"
(Partiraliere Armenzorg).
ƒ 14,404.00 of 14.6 %
Totaal (§).
ƒ 98,905.42
» 95,002.50
» 93,548.45
» 95,014.17
» 98,470.01
o 102,508.44
» 109.034.80
1891
1892
1893
1894
1895
1890
1897
11,773.30
9.644.60
9,080.—
7,930.00
9,250.80
8,010.70
10,539.05
» 18.222.85
» 19.950.49
» 19,805 —
» 19,232.11
» 19,541.07
17.3
19.5
21
20.2
18.8
17,9
12.3
10.3
9.6
8
9
7.9
Aannemende, dat de ondersteuning aan personen van andere gezindten
in dezelfde verhouding over de drie vormen van armenzorg is verdeeld
als die aan Hervormden, komt men tot de slotsom, dat van de ver-
zorging der huiszittende armen (en dat is toch, wat men iu engeren
zin onder armenzorg verstaat) te\'s-Gravenhage wordt gedragen ± 20 °/0
door de burgerlijke armenzorg, ± 80 °/„ door de kerkelijke en parti-
culiere armenzorg.
Dat ik door zelfstandige berekening tot de becijfering dezer verhouding
wilde komen , geschiedde in hoofdzaak , om de gelegenheid te hebben
eenige getallen te noemen; het enkel noemen der percentage-cijfers
zegt zoo weinig. .
Een kortere weg tot berekening dezer percentage is het optellen
van kolom 13 op bladz. 471 van Armenzorg in Nederland van Mr.
Ph, F alkenburg (3l\'c deel), liet resultaat dier berekening is: / 3!),508
of 14 n/o d001\' (\'e burgerlijke armenzorg, ƒ244,413 (**) of 80 °/0 door
(*) Deze /.ijii hoofdzakelijk personen, die wel opgeven tot de Herv. Kerk te behooren,
doch die nooit als lidmaat dier Kerk zijn aangenomen of die wegens verkeerd gedrag
als onwaardige leden worden beschouwd.
(f) De vereeniging «Armenzorg" geeft in hare Jaarverriagen geene aanteekening van
de gezindte, waartoe hare ondersteunden behooren. Met echter voor de Hervormden
dezelfde percentage aan te nemen, die alle jaren bij het burgerlijk armbestuur bestaat,
zal geene misrekening worden gemaakt.
($) Uit totaal is natuurlijk niet geheel zuiver, aangezien de cijfers van andere
kerkelijke en particuliere instellingen, als b. v. de wijkvereenigingen en de vereeniging
«Vrienden der Armen", buiten rekening zijn gelaten. Deze onzuiverheid komt echter der
openbare armenzorg ten goede, want bij mederekening dezer cijfers zou natuurlijk het
aandeel der openbare armenzorg dalen en zouden de beide andere getallen stijgen.
(**) Ten einde kolom 13 op zichzelf te kunnen optellen, is van de cijfers van den
wijkirbeid in de wijken V en VIII der Herv. gemeente (bladz. 461), die de kolommen
13 en 14 te /.amen bevatten, in elk der beide kolommen de helft gebracht.
-ocr page 14-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK OER ARMVERZORGING. • 13
de kerkelijke en particuliere armenzorg. Gelijk ik dus reeds hierboven
opmerkte, was mijne berekening in het voordeel der burgerlijke armen-
zorg, doch de laatstgenoemde cijfers komen der waarheid meer nabij.
Volkomen zuiver is deze verhouding natuurlijk niet te berekenen, omdat
op het terrein der liefdadigheid ook verschillende kleine Corporation of
vriendenkringen zich bewegen, wier arbeid aan het oog van den onder-
zoeker ontsnapt.
Te Amsterdam betaalt de burgerlijke armenzorg 28 "/o van ne^ totale
cijfer, dat daar voor allerlei behoeftigen wordt uitgegeven. Laat men
de zeer hooge kosten der gemeente-ziekenhuizen buiten rekening, dan
betaalt de burgerlijke armenzorg aldaar ƒ314,802 van de ƒ 217,004
of 15 %.
Wat doet nu de commissie in haar Rapport ten bate der armenzorg
in deze twee groote steden ? Zij ontwerpt eene zeer kostbare en om-
vangrijke organisatie voor de 15 % > (ne het burgerlijk armwezen draagt
van de algemeene kosten der armenverzorging. Maar de overige 85 "/„, ver-
dienen die ook niet, dat aan hunne verbetering de aandacht wordt gewijd \'!
Met deze vraag kom ik tegelijkertijd tot het bezwaar, dat ik in de
derde plaats noemde: de commissie verwacht te veel van de wet en
heeft te weinig vertrouwen in de energie en den wil voor wat waarlijk
goed is, bij de kerkelijke en bijzondere instellingen.
In het oorspronkelijk voorstel van het departement Groningen, dat
tot de samenstelling van het Rapport leidde, werd aan wetswijziging
volstrekt niet zulk een alles overheerschend gewicht gehecht. Er werd
eenvoudig gevraagd »een onderzoek naar hetgeen tot verbetering van
de arm verzorging is of wordt beproefd in ons land, in vergelijking ook
met dergelijke pogingen in den vreemde"; en 2°. »een verslag, aan-
wijzende zoowel de beginselen, waarop een doelmatige armverzorging
moet rusten, als de middelen waardoor deze beginselen in\' grootere en
kleinere gemeenten kunnen worden toegepast".
Uit de correspondentie tusschen de commissie en het hoofdbestuur
der Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen (*) blijkt ten duidelijkste, dat
de commissie door den gang van haar onderzoek ertoe kwam de
Staatsarmenzorg meer op den voorgrond te stellen , terwijl het hoofd-
bestuur meer verwachtte van eene verbetering der kerkelijke en particuliere
armenzorg.
De omschrijving der opdracht, die de commissie ontving , en de groote
vrijheid van handelen, welke haar bij de uitvoering dier opdracht werd
gelaten, boden aan de commissie eene zeer schoone gelegenheid, om na
ernstig onderzoek met krachtige hand de lijnen aan te geven, waarlangs
de kerkelijke en de particuliere armenzorg zich moesten bewegen, om meer
dan tot heden aan haar doel te beantwoorden. De arbeid dei- commissie
zou meer waardeering hebben gevonden, indien van deze gunstige ge-
(*) Zie liet ItuppoH, bladz. 6—10.
-ocr page 15-
14 GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
legcnheid, die niet zoo licht zal terugkeeren, op krachtiger wijze was
gebruik gemaakt.
Als wij nader bezien, wat en hoe door de kerkelijke en particuliere
instellingen wordt gewerkt, zal des te duidelijker blijken, welke goede
grondslagen voor eene uitnemende armenzorg hier aanwezig zijn.
De belangrijkste armverzorgster in geheel Nederland is de Neder-
landsche Hervormde Kerk. Waar de commissie hare mededeelingen
omtrent de arm verzorging dier Kerk met deze verklaring opent, kan
het alleen uit gebrek aan intieme bekendheid met dien arbeid worden
verklaard, dat die mededeelingen een zoo weinig waardeerend karakter
dragen.
In Armenzorg in Nederland geeft Mr. Pb. Falkenburg de navol -
gende opgaven omtrent de uitgaven der Ned. ïlerv. diaconieën in
Amsterdam, Rotterdam en \'s-Gravenhagc voor armen, zieken, weezen
en oude lieden (*) :
Amsterdam.
Rotterdam.
s
-Gravenhage.
1881
./\'
313,694.—
./•
105,405.—
4882
»
333,400.—
y>
112,252.—
1883
»
336,462.—
P
114,883.—
1884
»
333,057.—
»
112,004.—
1885
»
342,470.—
t
115,834.—
1886
»
348,436.—
s
117,007.—
1887
»
354,787.—
»
120,765.—
1888
»
350,033.—
y
123,076.—
188!)
»
355,214.—
»
130,706.—
1800
D
356,276.—
./•
103,032.—
»
135,480.^-
1801
i
100,477.—
»
144,361.—
1802
»
107,645.—
»
135,207.—
Deze cijfers zijn op zichzelf welsprekend; toch zou (niettegenstaande
de financieele krachten dier diaconieën) hare methode van werken zóó-
danig kunnen zijn, dat alle hoop op hervorming naar de gewijzigde
eischen en verhoudingen des tijds moest worden opgegeven.
(*) Ik heb hier de cijfers, door Mr. Falkenburg g^Rcr011! eenvoudig overgenomen;
alleen voor het jaar 1889 (\'s-Gravenhage), dat hij Mr. Falkenburg ontbreekt, heb ik het
cijfer zelfstandig berekend, met aftrek derzelfde posten, die in de andere jaren in
mindering waren gebracht. Men moet echter uit deze cijfers geene conclusie trekken
voor de vergelijking van den omvang der werkzaamheid dezer 3 diaconieën onderling.
Zoo geven de cijfers van Amsterdam de totale uitgaven aan, terwijl voor \'s-Graven-
hage de verplichte uitkeeringen (± ƒ 2550), de ontvangen verpleeggelden, enz. (t ƒ 10,000)
en het onderhoud der verhuurde huizen (rt ƒ 3000) in mindering zijn gebracht.
Trouwens, de splitsing der inkomsten en uitgaven der Herv. diaconie te\'s-Gravenhage
in zuivere on onzuivere is zeer zeker te verdedigen, maar behoeft toch eene nadere
uitlegging, zonder welke zij aanleiding geeft tot de misvatting, dat de diaconie werkelijk
de voordeelige saldo\'s had, die in Mr. Kalkenburg\'s tabel W. op bladz. 163 zijn aange-
geven, terwijl juist de diaconie voortdurend met nadeelige saldo\'s te kampen had.
-ocr page 16-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.              15
Dat is echter geenszins het geval. Indien ik in het Rapport der
commissie bijna op elke bladzijde als nieuw en modern zie aanbevolen
de twee hoofdbeginselen: 1". geen onderstand zonder grondig onder-
zoek; 2". ieder geval op z.ichzolf beoordeelen , —dan kan ik niet nalaten
te glimlachen, want zelfs de oudste diaken der drie bovengenoemde
diaconieën herinnert zich niet, dat ooit eene andere methode is toegepast.
Te \'s-Gravenhage b.v. bestaat volstrekt geen vooraf vastgesteld
minimum- of maximnmtarief van ondersteuning. Elk geval wordt geheel
zelfstandig beoordeeld. Wel is door bet gebruik een zeker tarief ont-
staan , dat zich (buiten de toevoeging van tarwebrooden) beweegt tusschen
f 1.50 en f 4.— in de 14 dagen (*), doch zelfs het woord «tarief"
wordt in de vergaderingen niet genoemd, en zoodra do omstandigheden
eenigszins buitengewoon zijn, wordt dan ook van de gewone bedragen
belangrijk afgeweken; zoo zijn meermalen bedeelingen toegekend van
/ 6, ƒ 8 en f 10 in de 14 dagen.
Wat verder de methode van onderzoek en van omgang met do armen
betreft, zoo werd er reeds op gewezen tijdens de oprichting der ver-
eeniging «Armenzorg" te \'s Gravenhage, in een hoofdartikel in liet
Dagblad
van 10 Maart 1801, dat het Synodaal Reglement voor de
Diaconieën uitnemende bepalingen bevat, die als grondslagen eener goede
armenzorg nog niet zijn verouderd Zeer zeker komen in dit reglement,
dat binnen weinige jaren eene halve eeuw oud zal zijn, bepalingen voor,
die herziening eischen; maar toch bevatten de artt. 4, 0, 11 en 12
grondbeginselen, welke door iedere instelling, die het ware belang der
armen zoekt, gaarne zullen worden overgenomen.
En hoe worden nu deze beginselen door de plaatselijke diaconieën
toegepast? Wederom kies ik \'s-Gravenhage als voorbeeld en ik doe
dat met te meer vrijmoedigheid , omdat de mededeeling onderaan de bladz.
40 en 41 van het Rapport nu juist den toestand te \'s-Gravenhage niet
als den besten teekent. Er zijn 21 diakenen, belast met het huisbezoek
en de verzorging der huiszittende armen. Dit getal is zeker voor zulk
eene groote gemeente te klein; maar toch is het een feit, dat de liefde
en de opoffering van diakenen het mogelijk maken, dat nooit eengezin
in ondersteuning wordt opgenomen, zonder dat het twee malen door één
of meer diakenen is bezocht; dat de tijdelijk bedeelden bijna allen hunne
wekelijksche bedeeling uit handen van den diaken persoonlijk ontvangen,
en dat ook de vastbedeelden (dat zijn zij, in wier toestand door ouderdom
of invaliditeit weinig verandering is te wachten) van tijd tot tijd een
bezoek van den diaken ontvangen , terwijl vele diakenen geregeld tegen-
woordig zijn bij de 14daagsche gelduitdeelingen aan de vastbedeelden
in hun kwartier, zoodat er steeds gelegenheid is voor alle bedeelden
den diaken te spreken.
Waar deze toestanden *zóó zijn, waar zooveel geldelijke kracht en
(*) Niet prr werk, gelijk (vermoedelijk door slechte correctie) wordt aangegeven in
Armenzm-y in Tfeilfrland van Mr. Ph. Falkenhnrg, deel III, bladz. 144.
-ocr page 17-
1G                 GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
persoonlijke toewijding bestaan , daar behoeft men zeker niet te wan-
hopen aan het tot stand komen van verbeteringen, die door nieuwe
tijden worden gevraagd.
Dit alles betreft de armenzorg in de Ned.-Herv. Kerk. Van de
methode en de zorg bij andere kerkelijke gemeenten kan ik uit ervaring
niet spreken; maar toch is het mij niet onbekend, dat in verschillende
gemeenten der Luthersche en Gereformeerde Kerken de armenzorg
plaats heeft met groote trouw en toewijding en met volkomen toepassing
der individualiseerende methode; terwijl hetgeen op bladz. 35 en 36
van liet Nulsrapport wordt medegedeeld omtrent de Vereeniging van
den H. Vincentius van Paulo, voldoende aanwijzingen bevat, om ook van
Roomsche zijde op medewerking te mogen hopen, waar het geldt de
verbetering der armenzorg.
Over de bijzondere niet kerkelijke instellingen zal ik niet behoeven te
spreken. Deze zijn bijna alle van jongeren leeftijd dan hare kerkelijke
zusteren en het is juist bij hare oprichters, dat de denkbeelden omtrent
armenzorg werden gevonden, welker verwezenlijking en volmaking het
Nutsrapport zoo vurig wenscht.
Als men dit geheele veld van kerkelijke en particuliere werkzaamheid
overziet, rijst als vanzelf de vraag aan de commissie: «Waarom niet
eene krachtige poging gewaagd tot vernieuwing der belangstelling in de
kerkelijke en particuliere armenzorg, ten einde door hervorming en
samenwerking deze krachtige loten aan den stam van het Nederlandsche
volksloven tot nieuwen bloei te brengen?"
De inhoud van het Nutsrapport en (meer nog) de bewoordingen van
het bovengenoemde adres van «Liefdadigheid naar Vermogen" geven
op dit «waarom" twee antwoorden; en dit onderwerp mag niet verlaten
worden, zonder ze even onder de oogen te zien. 1°. De kerkelijke en
de bijzondere liefdadigheid (maar vooral de eerste) toonen maar al te
dikwijls door vasthoudendheid aan oude begrippen en door hare geheim-
zinnigheid, dat van haar op het punt van hervorming en samenwerking
niet veel te verwachten is. 2°. Al zou de goede wil bij haar aanwezig
zijn , de geldmiddelen, om dien wil uit te voeren, zouden haar ontbreken.
In beide antwoorden ligt een schijn van waarheid, maar toch ook
niet meer dan een schijn.
Dat de kerkelijke armenzorg dikwijls bewijzen gaf van vasthoudendheid
aan oude begrippen en van geheimzinnigheid, is niet te ontkennen. Het
is slechts de vraag, in welke mate deze eigenschappen zich vertoonen.
En dan geloof ik, dat dit niet zóó sterk is, dat niet met grond op her-
vorming en samenwerking zou zijn te hopen.
Eene zekere mate van vasthoudendheid aan gewoonten en methoden,
voor welker deugdelijkheid men goede bewijzen meent te kunnen bijbren-
gen, is niet af te keuren. Een mensch of eene instelling, die bij elke
windvlaag uit het Oosten of uit het Westen van richting verandert,
verraadt zwakheid.
-ocr page 18-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.                 17
Van de oudste tijden af echter hebben menschen en menschelijke
instellingen minder schuldig gestaan aan de zonde dezer zwakheid dan
aan die andere zonde, welke daar lijnrecht tegenover staat, nl. het
genieten en versterken van de kracht der eigen positie. . Vooral bij de
kei-ken en kerkelijke instellingen toonde deze zonde zich, helaas ! dikwijls
zeer sterk. In blinde liefde voor den weg, zelf met zoo vasten tred
bewandeld, in vurigen ijver voor de middelen, zelf zoo proef houdend
bevonden, loopt men en roept men en strijdt men en.....het doel,
het ideaal gaat verloren. Zoo is het gekomen, dat in naam van den
Koning der Kerk daden zijn verricht, waarover deze Koning reeds voor
eeuwen zijn: »Wee u, wee u !" had uitgesproken.
Ook de kerkelijke armenzorg heeft deze klip niet geheel kunnen
ontzeilen. Uit groote zorg voor de diaconie en de diaconale instellingen
is wel eens vergeten , dat ten slotte toch alleen met het belang der
armen mocht worden gerekend, ook al moest de geheele*diaconie in
haar tegenwoordigen vorm te gronde gaan.
Toch , ik herhaal het, behoeft deze vasthoudendheid aan oude vormen ,
althans in onzen tijd, niemand af te schrikken. Op bladz. 40 van het
Nutsrapport lezen wij : »Er is in de Hervormde Kerk een toenemende
onvoldaanheid over de werking van hare armenzorg," Ik mag er
bijvoegen , dat deze onvoldaanheid niet buiten den kring der ambtsdragers
gebleven is, maar reeds tot menige belangrijke hervorming heeft geleid.
Het gaat echter niet aan, alle onvolmaaktheden, die uit de maat-
schappelijke toestanden en uit gebrek aan medewerking voortkomen,
op rekening te schrijven van het kerkelijk conservatisme.
En, bovendien, de onmiskenbare verdienste, die de kerkelijke
armenzorg heeft door haar trouwen arbeid gedurende eeuwen, maakt
haar toch zeker wel waardig, dat men zich eenige moeite en inspanning
getrooste, waar men hare medewerking zoekt ook op nieuwe wegen.
De welwillendheid en belangstelling, waarmede eenige denkbeelden en
plannen tot hervorming door velen werden ontvangen, geeft grond voor
de verwachting, dat de kerkelijke armenzorg, als werkelijk mannen van
naam en talent zich aan haar wilden wijden, nog eene schoone toekomst
wacht op het arbeidsveld der nationale liefdadigheid.
Ook de beschuldiging van geheimzinnigheid is te algemeen. De
jaarrekeningen en statistische opgaven worden toch door alle kerkelijke
en particuliere instellingen alle jaren overgelegd. Dat zij niet alle
worden openbaargemaakt, is eene fout, die de instellingen zelf het meest
benadeelt. De kerkelijke on de bijzondere armenzorg behoeven zich in
het algemeen niet over haar arbeid te schamen.
De zeer uitgebreide mededeelingen in de werken van Mr. Ph. Falkenburg
bewijzen voldoende, dat alle gewenschte opgaven door deze instellingen
gaarne worden verstrekt; en indien wellicht eenig diaconaal of parochiaal
bestuur in dezen achterbleef, zoo zou (althans waar het opgaven aan
de Regeering betrof) een beroep op de hoogere kerkelijke vergaderingen
-ocr page 19-
18              GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
of macliten zeker de gewensclite uitwerking hebben. Art. 16 van liet
Synodaal Reglement voor de Diaconieën in de Hervormde Kerk zou
zeker niet gewijzigd worden, wanneer het burgerlijk bestuur meerdere
inlichtingen vroeg, dan thans door de wet van 28 Juni 1854 worden
gevorderd (*).
Dat niettemin herhaaldelijk, gelijk ook het Nutsrapport op ver-
schillende bladzijden mededeelt, eene poging tot samenwerking is
afgestuit op den onwil der kerkelijke armbesturen , vindt zijne hoofd-
oorzaak in één feit, ui. dat de hoofdvoorwaarde tot samenwerking
steeds was: »het aanleggen van een centraal register". Ook het
Nutsrapport stelt op bladz. 300 en 301 het aanleggen van zulk een
register als een eersten eisch op den voorgrond.
Tot de samenstelling van een zoodanig register, waarop ook de
namen van al hunne armen zouden voorkomen , mogen de armverzorgers
der Kerk nooit vrijwillig medewerken ; op dit punt verbiedt hun geweten
het opheffen der geheimzinnigheid. Ongetwijfeld zou de wet aan de
Regeering de macht kunnen geven hen daartoe te dwingen ; maar het
gebruik maken van die macht zou eene daad zijn van ongehoord en
geheel onnoodig geweld.
Gelijk ik reeds schreef op bladz 6, draagt de kerkelijke armenzorg
een vertrouwelijk en broederlijk karakter. Hare grondgedachte is, dat
de meer gegoede leden eener kerkelijke gemeente door tusschenkomst
der diakenen hunne behoeftige broeders en zusters steunen en dat
deze laatsten tot diakenen komen, niet gelijk de bedelaar, wien het
onverschillig is, wie hem gaven schenkt, als hij slechts geholpen wordt,
en die op het punt van » vragen" de phase van schroomvalligheid
verre achter zich heeft, — maai\' dat zij komen in vertrouwen, als een
broeder tot zijn broeder, wetende, dat hetgeen zij van hun toestand
mededeelen, blijft bij den diaken of althans binnen den kring der
diakenen. Indien nu dezen de namen en omstandigheden dier armen
openbaarmaakten door plaatsing in een centraal register , zoo zouden
zij van het in hen gestelde vertrouwen hetzelfde misbruik maken , dat
een geestelijke of een geneesheer maken zou, als hij de hem in zijn
ambt toevertrouwde familiegeheimen aan dei-den mededeelde. Wat
(*) Dat door vele diaconieën <le nieuwe tabellen voor de statistiek van het armwezen,
voor liet eerst over liet jaar 18\'JH, zeer onvoldoende zijn ingevuld, ligt in hoofdzaak
hieraan, dat hare administratie!! niet op liet geven van zulke uitgebreid» inlichtingen
zijn ingericht; terwijl ook bovendien de goede bedoelingen der Itegeerhig hier en daar
zijn misverstaan. In werkelijkheid wint bij diakenen de overtuiging meer en meer veld
dat het volharden in de bescheidenheid, waarmede zij hun omvangrijken arbeid tot
heden bedekt houden, in onze dagen tot verkeerde gevolgtrekkingen leiden zou.
De stelling van den heer L. .1. van Wijk , uitgesproken in de Vragen des lijds van
Mei 18\'J\'J, dat de door den Minister gevraagde armenstatistiek minder betrouwbaar zou
zijn dan ile beste andere statistiek, komt mij onverdedigbaar voor.
[Iet beantwoorden en vruchtbaar bewerken der gestelde vragen zal echter alleen
mogelijk zijn wanneer door alle instellingen van weldadigheid uniforme registers worden
gehouden, waaruit de gewensclite opgaven gemakkelijk kunnen worden geëxtraheerd.
-ocr page 20-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.                 19
verhandeld wordt tusschen een arm lidmaat der kerk en zijn verzorger,
is heilig.
De plaatsing dezer namen op een centraal register zou ook volkomen
doelloos zijn. Van vele armen weet de diaken met bijna absolute
zekerheid, dat zij bij geene andere instelling om hulp zullen aankloppen ;
hunne namen zouden dus op dat register pareeren, zonder dat ooit
naar hen werd gevraagd.
Zoodra echter een arme zich ook elders om hulp aanmeldt dan bij
de diaconie zijner kerk en hij dus zelf den eersten stap heeft gezet
in de richting tot openbaarmaking van zijn toestand, is ook voor den
diaken de reden tot geheimhouding opgeheven.
Er is dus niets tegen, dat van eiken arme, omtrent wien inlichtingen
worden gevraagd (waarmede bewezen is, dat hij zich tot derden om
hulp heeft gewend), ook alle gewenschte inlichtingen worden gegeven.
Bovendien ontvangt de diaconie talrijke aanzoeken om hulp , die moeten
worden afgewezen of die, hoewel niet geweigerd, toch ook niet van
ganscher harte worden toegestaan, omdat de betrouwbaarheid vanden
aanvrager niet met volkomen zekerheid is vast te stellen. Ook de
namen dezer personen zullen gaarne door diakenen voor het centraal
register worden opgegeven.
Op deze wijze zal dit register volkomen aan zijn doel beantwoorden ;
want het zal van de behoeftigen alleen die niet vermelden, van wie
niet de meest mogelijke gerustheid kan worden vertrouwd, dat zij
(eenmaal geholpen door de diaconie hunner gemeente) zich bij geene
anderen om hulp zullen aanmelden.
Ongetwijfeld blijft het bij deze wijze van werken mogelijk, dat een
enkele onrechtmatig eene dubbele ondersteuning weet te verkrijgen,
door met zekere sluwheid aan twee instellingen van liefdadigheid een
volkomen vertrouwen in te boezemen; maar deze gevallen zullen
zeldzame uitzonderingen blijven, die geenszins eene wetswijziging
zouden rechtvaardigen, welke zou leiden tot een dwingend optreden
der Itegeeriiig, waardoor menig trouw armverzorger slechts de keuze
zou blijven tusschen nederlegging van zijn ambt of verkrachting van
zijn geweten.
Tegenover de opmerking, dat de kerkelijke en de bijzondere armenzorg
financieel toch in gebreke zouden blijven, ook al zouden zij mee willen
gaan op den weg der hervorming, vermeld ik de bedragen, door
de diaconieën der Ned.-TJerv. gemeenten te Amsterdam, Rotterdam en
\'s-Gravenhage ontvangen aan renten, collecten en giften (\').
(\') Do cijfers voor Amsterdam zijn berekend uit tabel A (bladz. 105) van Armenzorg
in Nederland
door Mr. Pli. Falkenburg (deel I); de cijfers voor \'s-Gravenhage zijn ont-
loend deels aan Mr. Falkenburg, meerendeels aan de gedrukte diaconale rekeningen;
de cijfers voor Rotterdam werden mij welwillend door de Rotterdamsche diaconie
medegedeeld.
-ocr page 21-
20
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
VGra venh age.
Renten.       Collecten.
/ 51413     / 58691
» 54027     » 64766
» 56057     » 61965
» 56714     » 66443
» 57074     » 61374
» 57863     » 64304
» 58148     » 61255
» 60739     » 64592
» 61528     » 64275
» 62093     » 66692
» 61970     » 76842
» 63317     » 70678
Rotterdam.
Amsterdam.
Collecten.
Renten.
f 170888
» 170264
» 176552
» 175022
» 171876
» 178359
» 177351
» 177669
B 173745
» 172227
Collecten
ƒ91507
» 89141
t 88061
x> 91556
» 86705
» 73355
» 77256
» 77783
» 85817
* 84078
Renten.
1881
1882
1883
1884
1885
1886
1887
1888
1880
1800
1891
1892
f 40332
» 38296
» 37681
ƒ 50362
48930
45517
Deze cijfers bewijzen, dat althans de kerkelijke armenzorg voorloo-
pig financieel nog niet machteloos staat. Als men daarbij in aanmerking
neemt, dat in de laatste jaren de rentestandaard voortdurend daalt;
dat het aantal liefdadige instellingen , die hulp vragen, steeds toeneemt,
dat de thermometer der liefde voor zuiver kerkelijke in-
velen nu juist niet op kookpunt staat, zoo is het een
verschijnsel, dat b. v. te \'s-Gravenhage na 12 jaren de
gestegen met 23 "/<> en de opbrengst der collecten
en bovendien
stellingen bij
moed gevend
renten zijn
met 20 %.
Toch moesten deze cijfers gansch anders zijn De Hervormde
diaconieën zijn thans wel zuiver kerkelijke instellingen, maar krachtens
haar oorsprong en het uitgebreide veld harer werkzaamheid dragen zij
bijna een openbaar karakter (*). Ook bij hare ondersteuningen wordt
geen andere eisch gesteld, dan dat men zich zedelijk gedraagt en »lid-
maat" is der Kerk, zonder verder naar richting of belangstelling te
vragen, al moge deze laatste eene aanbeveling zijn. Zulke instellingen
moesten warmer en meer algemeen gesteund worden. Bij de zeer
aanzienlijke uitbreiding van het aantal inwoners der drie genoemde
steden moesten de cijfers in bovenstaande tabel eene voortdurende en
belangrijke stijging der opbrengsten aanwijzen.
Waarom is dat niet het geval?
Hoe komt het, dat een diaken, rondgaande voor de winterinschrij-
ving ten bate der armen zijner gemeente en aanschellende aan twee
heerenhuizen van gelijke waarde, bewoond door twee leden eener
zelfde hooge vergadering, beiden even gefortuneerd, geen van beiden lid
der Kerk, waartoe de diaken behoort, hoe komt het, dat hij aan het
eerste buis de inschrijving van f 25 gereed vindt liggen en aan het
tweede huis (na 2 dagen vergeefsch bezoek) den derden dag voor zijne
volharding wordt beloond met .... 25 cents (-}-) ? Waar ligt de oor-
(*) Zie omtrent dit openbaar karakter der Hervormde diaconieën o. a. de belangrijke
historische inededeclingen van Mr. Pli. Falkenburg en Mr. J. II van Zanten in Armen-
zorg in Nederland,
\'s-Oravenhage en Groningen.
(-f-) Historisch,
-ocr page 22-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.                 \'21
zaak , (lat die diaken, verder gaande en aan het huis eener gegoede
Indische Familie de vrouw des huizes zelf aantreffende, op zijne beleefde
vraag ten antwoord ontvangt: »Koin jij met die collecte, man? Ja,
die belasting maakt die mensclien arm. Hier, man, heb jij een
cent!" O
Kunnen deze treurige ervaringen misschien worden verklaard uit
onvoldoende belangstelling in kerkelijke zaken ?
Maar hoe dan te verklaren, dat in bet rijke, niet zeer kerkelijke
Amsterdam eene neutrale, voortrede]ijk ingerichte vereeniging als »Lief-
dadigheid naai\' Vermogen" nog met geldzorgen te kampen heeft? Deze
dingen hebben slechts één verklaring, nl. het gebrek aan liefde, aan
medegevoel, aan teerheid van ziel. Ilier beseft men iets van de vree-
selijke waarheid , dat het menschelijk hart van nature boos is en
zelfzuchtig en liefdeloos.
Ik kan zeer goed rijkdom zien en verheug mij gaarne in het goede,
dat anderen genieten ; maai- ik gevoel mij dikwijls treurig en veront-
waardigd bij het aanschouwen van dat zorgeloos opslorpen van genot,
terwijl nog geene twee straten verder gebrek geleden wordt. Er wordt
gebrek geleden in menige woning binnen het rijke Amsterdam, het
welvarende Rotterdam , het weelderige \'s-Gra\'venhage. En dat zij, die
genieten, dat zoo zorgeloos doen kunnen, komt alleen hierdoor, dat zij
niet weten, wat er geleden wordt. Maar waarom weten zij dat niet?
Omdat zij het niet willen weten. In dat Dniet willen" ligt de zwarte
plek van het menschelijk hart.
Maar als nu de nood dreigt en de beden der armen vloeien milder
dan de gaven der rijken, laten wij dan niet dadelijk zeggen : »De lief-
dadigheid is onmachtig, de Staat moet te hulp komen"; maar laten
wij roepen en werken en bidden, bidden, dat God de harde harten
verteedere. en de gesloten beurzen opene. Want, Gode zij dank, er
zijn in ons goede Nederland op dit gebied nog zooveel schoone din-
gen te zien. Er zijn er nog zooveleu, die niet alleen veel geven,
maar die gaarne geven, bij wie men geneigd is te vragen: »Zou het
wel waar zijn , dat het menschelijk hart van nature boos is en zelf-
zuchtig en liefdeloos?"
III.
Werd hiervóór in hoofdzaak het terrein opgenomen, waar de tus-
schenkomst van den wetgever niet wordt gewenscht, ten besluite volge
eene aanduiding van hetgeen van wetswijziging wordt gehoopt door
hen, die de richting volgen, welke het minst afwijkt van het stand-
punt, door den wetgever van 1854 ingenomen.
In de vorige bladzijden werd voldoende aangetoond, waarom deze
richting het bestaan eener bloeiende kerkelijke en bijzondere armenzorg
(*) Historisch.
-ocr page 23-
22                GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
ten zeerste in het belang acht van den Staat. Wanneer dit vaststaat,
moet de wet bepalingen bevatten omtrent het toekennen van subsidiën uit
openbare kassen aan instellingen van liefdadigheid. Die subsidieering
mag geenszins »regel" zijn , want dat zou niets zijn dan overheidszorg
in bedekten vorm. Waar echter eene instelling van liefdadigheid ge-
toond heeft levensvatbaarheid te bezitten en met vrucht te arbeiden,
doch bijzondere omstandigheden haar ondergang zouden kunnen ver-
oorzaken , in deze en dergelijke gevallen moet de overheid ter hulpe
kunnen komen.
Zijn ten slotte noch kerkelijke noch bijzondere liefdadigheid in staat
een arme te helpen, dan moet, evenals onder de tegenwoordige wet,
de overheid zelf die taak op zich nemen. Dit optreden der overheid
is wel geene bepaalde liefdadigheid, maar het moet nog veel verder
verwijderd blijven van politiezorg. Even ernstig als dus het behoud van
art. 20 der tegenwoordige armenwet wordt gevraagd , even sterk
wordt naar wijziging van art. 21 verlangd. De bewering, dat de
overheid alleen zou mogen helpen , om den arme als \'t ware van den
hongerdood te redden, eene beschouwing, welke door sommigen uit den
inhoud van het tegenwoordig art. 21 schijnt te worden afgeleid, is
eener Christennatie onwaardig. De gemeentebesturen moeten, waar de
natuurlijke helpers ontbreken en waar de liefdadigheid onmachtig is,
eenvoudig hun werk overnemen , en de hoogere regeeringscolleges
belmoren de macht te hebben te waken, dat bij de vervulling dezer taak
noch te schraal noch te ruim worde te werk gegaan. Ook behoort de wet de
regelen vast te stellen , volgens welke gemeenten die voldoende aantoonen
geene middelen te bezitten of te kunnen bijbrengen voor eene goede ver-
vulling dier taak, daarin door rijk of provincie kunnen worden bijgestaan.
De regeling van haar dienst voor de armverzorging moet, behoudens
hooger toezicht, aan de gemeentebesturen worden overgelaten ; alleen
moet de wet voorschriften bevatten omtrent het te werk stollen van
personen , die zich om hulp bij de gemeentebesturen aanmelden.
Bij dit woord »te werk stellen" moet niet uitsluitend (zelfs niet in
de eerste plaats) worden gedacht aan de gewone werkverschaffing, al
zal ook deze vorm van armverzorging niet zelden dooi\' de burgerlijke
besturen nog beter dan door kerkelijke en bijzondere instellingen kunnen
woiden behartigd. Hier wordt meer de nadruk gelegd op gedwongen
werkzaamheid en op de noodzakelijkheid tot oprichting van werkhuizen.
Het verblijf in deze inrichtingen waarborgt wel den arme voorziening
in zijne levensbehoeften ; maar zij dragen daarbij een zoodanig streng
karakter, dat niemand voor zijn genoegen erin zal verblijven.
Omtrent het geheele systeem van gedwongen arbeid, waarvan het
bestaan van het werkhuis eene hoofdvoorwaarde is , zou ik (behoudens
eenige argumenten en uitdrukkingen) willen overnemen de § § 23—25
der shoofdpunten voor eene nieuwe armenwet" uit het Nutsrapport
met de toelichting op bladz. 263—285.
-ocr page 24-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DEH AUMVERZORG1NG.                2.3
Noch liet Engelsche werkhuis, dat, door in alles te willen voorzien ,
ten slotte nergens voor voldoet, noch het Duitsche werkhuis, dat te
zeer eene strafplaats is, kan aan Nederlandsche eischen voldoen.
Maar van het werkhuis, zooals de commissie zich dat voorstelt en
zooals zij het omschrijft in haar Rapport op bladz. 276 met de woorden
van Mr. N. G. Pierson, daarvan kan tot verbetering onzer toestanden
veel worden verwacht. Hiermede zou tevens de mogelijkheid zijn
geopend tot hetgeen ik noemde op bladz. 303, nl. het overnemen
door de overheid van de zorg voor die armen, wier verzorging een
krachtiger optreden vraagt, dan eene kerkelijke of particuliere instelling
zich tegenover hare medeburgers mag veroorloven
De publieke opinie maakt onderscheid tusschen »armen" en shulp-
behoevenden". Ditzelfde onderscheid moet ook worden gemaakt in de
wet. Arm is ieder, wien de middelen ontbreken, zich het noodige aan
te schaden voor voeding en dekking. Hulpbehoevend zijn alleen die
armen, wien het onmogelijk is, zonder hulp van anderen uit dien toe-
stand te geraken.
Indien een werkman in de zomermaanden veel meer verdient, dan
voor zijn levensonderhoud noodig is, doch hij verbrast en verteert dat
en bevindt zich daardoor bij de eerste werkelooze week in nood, zoo
is hij wel arm, maar daarom niet hulpbehoevend. Indien een man
met een gezond, sterk lichaam door luiheid, onachtzaamheid of onwil-
ligheid ten slotte niemand meer vinden kan, die hem in zijn dienst wil
nemen, zoo is hij wel arm , maar daarom niet hulpbehoevend.
Hulpbehoevend zijn de weduwen , de weezen , de zieken , de invaliden ,
de lijders door socialen nood. Dezen moeten door de liefdadigheid en
bij gebreke daarvan door het burgerlijk armbestuur geholpen worden ,
zoo mogelijk met verschaffing van voor hen passenden arbeid.
Maar de armen door eigen toedoen mogen niet komen ten laste der
liefdadigheid; het is verkeerd voor henzelf en afmattend voor de arm-
verzorgers. Tegenover deze personen moet, allereerst in hun eigen
belang, met kracht worden opgetreden door de overheid, waarbij
burgerlijk bestuur, politie en justitie elkander broederlijk de hand
moeten reiken. Het werkhuis is daarbij een onmisbaar hulpmiddel.
De opmerking is gemaakt, dat men bij het bouwen van werkhuizen
de afmetingen maar niet al te ruim moest nemen, want dat de be-
woners wel eens zouden kunnen ontbreken. Deze opmerking is niet
misplaatst, en het ware te wenschen, dat zij eene profetie bevatte.
Niemand zal ooit moeite doen, een werkhuis »vol" te maken; hoe
gunstiger de volkstoestand is, des te kleiner zal de bevolking van het
werkhuis zijn. Doch al stond het werkhuis ook jaren ledig, dan stond
liet nog niet nutteloos; want het feit, dat er een werkhuis is, zal
menigeen terughouden van daden, waardoor hij of zijn gezin armlastig
zou worden. Hij, die zichzelf of zijn gezin tot armoede heeft
gebracht en weigert de plaats, welke hem in het werkhuis wordt
-ocr page 25-
24              GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
aangewezen, in te nemen, moet zich met plaatsing in eene rijks-
werkinrichting en (bij voortgezet wangedrag) zelfs met gevangenisstraf
bedreigd weten. Hier eindigt echter het gebied der armenwet en wordt
het terrein der strafwetgeving betreden.
Behalve het overnemen door de overheid van de zorg voor niet
hulpbehoevende armen noemde ik op bladz. 3 ook »de bescherming
en medewerking van de zijde der overheid" als eene gave, die de vrije
liefdadigheid van wetswijziging verwacht (*).
De bescherming zou allereerst kunnen bestaan in strenge strafbe-
palingcn tegen hen, die met valsche opgaven ondersteuning trachtten
te bekomen. Voor zooverre deze valschheid niet onder de gewone
strafwetgeving valt, verdient zeker overweging het denkbeeld der
commissie voor het Nutsrapport, om deze bedriegerijen te straffen
met plaatsing in eene rijkswerkinrichting. In ieder geval moet tegen
zulke personen met kracht worden opgetreden. Het bedriegen van
instellingen van weldadigheid staat gelijk met het «bestelen der armen",
een vergrijp, dat van de oudste tijden af in Holland zeer strenge af-
keuring vond.
Een tweede vorm , waarin de overheid hare bescherming kan verleenen
aan instellingen van weldadigheid van geeue twijfelachtige beteekenis,
is het regelen der vrijheid tot het houden van collecten of geldinzame-
lingen, een onderwerp, waarover in de «hoofdpunten" van het Nuts-
rapport
geen enkel voorstel wordt aangetroffen. Deze vrijheid is thans
onbeperkt. Volgens art. 13 der wet van 28 Juni 1854 mag iedere
instelling van weldadigheid eene openbare inzameling houden, mits zij
daarvan driemaal vier en twintiguren te voren kennis geve aan het geineen-
tebestuur. Van deze vrijheid wordt, vooral door diaconieën, een trouw
gebruik gemaakt en de openbare collecten vormen een belangrijk deel
harer inkomsten. Helaas echter, heeft deze vrijheid ook geleid tot
misbruik. Worden de kerkelijke collecten steeds gehouden door mannen ,
die dit lastig en moeilijk werk uit vrije toewijding en belangstelling
verrichten, er zijn ook personen op het denkbeeld gekomen van dit
collecteeren een beroep te maken. Deze beroepscollectauten stellen zich
beschikbaar voor elke instelling, die hunne hulp wil betalen; zij collec-
teeren voor instellingen van zeer geringe of zelfs twijfelachtige beteekenis ;
zij verzamelen den eenen dag veel, den anderen dag weinig; doch
steeds vloeit een groot deel van het verzamelde in eigen buidel.
Reeds meermalen hebben gemeentebesturen getracht op allerlei gronden
zoodanige collecten te stuiten, doch /.eer zelden durfden zij met genoemd
(*) Behalve dooi\' wijziging dm- „Wet tot regeling van liet Armbestuur" kun de
wetgever nog op vele andere wijzen do kerkelijke en particuliere liefdadigheid steunen.
Zoo bevatten o. a. de beide wetsontwerpen van den Minister Cort van der Linden:
„Omtrent de vaderlijke macht en de voogdij" en „Omtrent maatregelen ten opzichte
van jeugdige personen", zooveel uitnemende bepalingen, dat allen, die zich in den dienst
der barmhartigheid met het verzorgen van ouderloozen en verlatenen bezighouden ,
slechts kunnen betreuren, dat de behandeling dier wetsontwerpen iu de Tweede Kamer
zoo langzaam vordert.
-ocr page 26-
GEDACHTEN OVEIÏ HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.              25
wetsartikel voor oogen dóór te tasten. Achter het regeeringsverslag van
189G over de verrichtingen van het armbestuur komt nog een afschrift
voor van het Koninklijk Besluit van 13 November 1897 , n°. 28, waarbij
het gemeentebestuur van \'s-Gravenhage in het ongelijk wordt gesteld
tegenover het bestuur der weesinrichting »Beth Pèlet" te Vianen, welk
bestuur op 29 Juni 1896 eene behoorlijk aangekondigde collecte te
\'s-Gravenhage had gehouden, welke inzameling echter door de politie
was gestuit, op grond dat zij geschiedde zonder vergunning van Burge-
meester en Wethouders.
Dit college had namelijk overwogen, dat in art. 13 der armenwet
blijkbaar alleen bedoeld werden instellingen, binnen de gemeente
gevestigd, doch dat inzamelingen ten behoeve van instellingen, in andere
gemeenten gevestigd, vielen onder liet Koninklijk Besluit van 22 Sep-
tember 1823 en alzoo niet mochten plaats hebben zonder vergunning
van Burgemeester en Wethouders, welke vergunning (blijkens kennis-
geving aan het betrokken bestuur van 22 Juni 189G) was geweigerd.
De koninklijke beslissing ontnam echter aan Burgemeester en Wet-
houders hunne illusie. »Beth Pèlet" is erkend als instelling van wel-
dadigheid en mag dus collecteeren, waar en zoo dikwijls het verkiest (*).
Hetzelfde voorrecht heeft ieder, die slechts zorgt, dat zijne instelling
behoorlijk is ingeschreven of erkend, zonder dat de Regeering eenig
recht heeft zich tè overtuigen, dat de ingezamelde gelden werkelijk in
den dienst der barmhartigheid worden besteed.
Deze toestand mag niet blijven bestaan. Het voortdurend collecteeren
aan de huizen der ingezetenen door allerlei vreemde collectanten voor
weinig bekende of zelfs verdachte doeleinden geeft niet alleen een
wantrouwen bij velen, die daardoor alle collecten in den ban doen tot
groot nadeel der armen; maar het is ook oorzaak, dat de degelijke
personen, die den diaconieën bij het collecteeren ter zijde staan, zich
terugtrekken. Het collecteeren voor de armen, vroeger eene eer, zou,
tot een baantje verlaagd, eene schande worden.
Het ware wellicht het beste, alle collecteeren te verbieden , tenzij met
toestemming van het gemeentelijk of provinciaal bestuur. De gevallen,
waarin deze besturen hunne toestemming konden weigeren, moesten dan
in de wet worden genoemd. Doch om zoo min mogelyk inbreuk te
maken op bestaande rechten en gebruiken, zou ook de tegenwoordige
regeling kunnen behouden worden; doch uitsluitend voor instellingen,
binnen de gemeente gevestigd, en met belangrijke uitbreiding der
bevoegdheid van Burgemeester en Wethouders tot stuiting der inzame-
ling. Deze stuiting zou b. v. moeten geschieden , indien bleek, dat voor
de kosten van beheer der instelling meer dan een bepaald deel harer
(*) Ik wil hiermede niets zeggen ten nadeele van «LSeth Pèlet". doch indien deze
stichting liet vertrouwen harer lahdgenooten wil verwerven, moet zij langs ande-e wegen
in hare behoeften trachten te voorzien, dan door beroepscollectanten niet hare geld-
inzamelingen te belasten. Do geheole wijze van collecteeren en de daarbij verspreide
circulaire, nog in dit voorjaar te \'s-Gravenhage, maakten een ongimstigen indruk.
-ocr page 27-
20              GEDACHTEN OVKK HET VKAAGSTUK DEIt AKMVERZOKGING.
inkomsten werd gebruikt of dat de ingezamelde gelden aan andere
dan liefdadige doeleinden werden besteed, een en ander te bewijzen
uit de jaarlijksche opgaven , welke door alle instellingen van weldadigheid
aan de Regeering moeten worden gedaan. Bovendien moet liet beginsel
vastgebonden worden, dat collecteeren in dienst der liefdadigheid ook een
werk der liefde moet zijn. Collecteeren dooi\' beroepscollectanten inoet
onherroepelijk verboden zijn. Indien de wetgever deze bepalingen kon
tot stand brengen , zou bij niet alleen vele instellingen van weldadigheid
ten zeerste aan zich verplichten, maar hij zou den dank oogsten van
vele goede burgers, die gaarne aan eene aanvrage om hulp voldoen ,
doch dan ook zekerheid wenschen , dat hunne gave goed is besteed.
Dit alles geldt de bescherming van de zijde der overheid, doch nevens
hare bescherming kan de overheid ook hare medewerking verleeuen aan
de vrije liefdadigheid.
Deze medewerking (zal zij goed zijn) moet berusten op wederkeorige
waardeering en sympathie. Het is onmogelijk, in een kort bestek alle
vormen aan te wijzen, waarin deze samenwerking kan geschieden, doch
als algemeene regel mag wel gelden, dat de eerste stappen in de lichting
van samenwerking moeten uitgaan van de burgerlijke overheid; de
veelheid der kerkelijke en particuliere krachten, werkzaam op dit gebied,
maakt het niet waarschijnlijk , dat eene poging, van één harer uitgaande,
met succes zou worden bekroond.
Merkwaardig op dit gebied is o. a. de overeenkomst, op initiatief van
den wethouder Mr. J. G. Schölvinck gesloten tusscheu het burgerlijk
armbestuur en velschillende kerkelijke commissiën en vereenigingen te
Amsterdam, waarbij de kerkelijke bezoekbroeders zich belasten niet de
uitreiking der bedeelingen van het burgerlijk armbestuur iu de huizen
hunner geloofsgenooten (*). Dit is wel een zeer schoone vorm van
samenwerking, die zeker navolging verdient. Ook de oprichting der
centrale commissie van armenzorg te Hoorn, welke reeds in 1888 op
initiatief van den burgemeester tot stand kwam en uitmuntend heeft
gewerkt, is een bewijs, wat een beleidvol optreden der overheid in dezen
vermag (-]-).
De onmisbare voorwaarde voor de medewerking der overheid is na-
tuurlijk, dat zij wete, welke instellingen van weldadigheid binnen de
gemeente bestaan, op welk gebied en volgens welke methode zij ar-
beiden eu hoever hare bemoeiingen en financieele krachten gaan. Alle
opgaven daartoe moeten natuurlijk gevraagd of ongevraagd door de
besturen dier instellingen aan de gemeentebesturen worden verstrekt.
Het bijhouden van een centraal armenregister kan alleen geschieden
door de gemeentebesturen. Zulk een register zou moeten bevatten do
(*) Zie omtrent deze /aak o. a. de bladz. 2."> en Ü4 dei\' Mededeetingen uit wijk XXlrl
der Ni\'d. ITerv. Qemeenle te Amsterdam,
18(.l(i, dooi\' A, Voorhoeve, wijk-predikant,
en de Rapporten der werkzaamheden van de «Vrijwillige Burgerlijke Armver/.orging"
door Nederdnitsch-Hervonnde (Semeenteleden to Amsterdam over de jaren I8\'j(i—ÏS\'JS.
(t) Zie het Nuturajijtort, blad/.. 70 eu 71.
-ocr page 28-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING. 27
luimen en verdere opgaven van alle armen, die zich binnen de ge-
nieente om hulp hebben aangemeld, met uitzondering van die, welke
alleen door de armverzorgers hunner kerkelijke gemeente worden on-
dersteund, zonder zich bij andere ingezetenen of instellingen te ver-
voegen (*).
De bestuurders van alle instellingen behooren omtrent eiken arme ,
van wien hen opgaven worden gevraagd, ten spoedigste de meest vol
ledige inlichtingen te verschaffen; en wederkeerig worden uittreksels
uit het register aan alle belangstellenden op hunne aanvrage onmid-
dellijk verstrekt.
Bestuurders van liefdadige instellingen , welke nalatig of onbetrouw-
baar bleken in het doen der opgaven ten dienste van het gemeente-
bestuur of\' van het centraal register, behooren door de wet tot het
indienen der juiste opgaven te kunnen worden gedwongen; in het
uiterste geval moet een rechterlijk vonnis de overlegging hunner ad-
ministratiën en annenregisters kunnen bevelen
Een zeer gewenschte vorm , waarin de overheid hare medewerking
kan schenken aan de vrije liefdadigheid, is de oplichting van een ar-
menraad,
samengesteld uit afgevaardigden van het burgerlijk arrnbe-
stuur en van de besturen van alle bekende instellingen van weldadigheid
binnen de gemeente. Ook het initiatief tot oprichting van den armen-
raad kan van niemand anders uitgaan dan van het gemeentebestuur,
dat ook de leiding van den raad in handen moet houden. Evenals bij
de kamers van koophandel en de kamers van arbeid zouden de taak
en de rechten der armenraden in de wet moeten zijn omschreven ; zij
zouden daardoor eene officieele positie innemen en de kosten harer
vergaderingen, correspoudentién , enz. konden uit openbare kassen
worden bestreden.
Welke de beteekenis van den armenraad zal zijn in het openbaar
leven en welke kracht van hem zal uitgaan op het terrein der arm-
verzorging , zal geheel worden bepaald door de wijze, waarop de raad
zijne taak opvat en vervult. Alles zal (vooral in den aanvang) afhangen
van de persoonlijkheden, die de leiding in handen nemen.
Het Nutsrapport zegt op bladz 313, § 37, al. 6: »De taak van
den armenraad is: het bespreken van gemeenschappelijke belangen en
het beramen van maatregelen tot bevordering van goede armenzorg;
het samenstellen van het jaarverslag, betreffende het armwezen in de
gemeente; en het geven van adviezen omtrent de verdeeling van
erfstellingen en legaten, bedoeld in art. 925 van het burgerlijk
wetboek."
Deze omschrijving en de geheele toelichting van § 37 (bladz. 314 —
310) stelt op bijna onverbeterlijke wijze de beteekenis van den ar-
ïnenraad in het licht.
Ten besluite van dit derde en laatste deel van mijn opstel ineen
(*) Zie omtrent ilit centraal register de beschouwingen op bladz 37*> en 37\'J.
-ocr page 29-
28                GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
ik het voorbeeld tier Nutscommissie te moeten volgen en in eenige
korte paragrafen te moeten samenvatten, wat in de voorafgaande blu.il-
zijden omtrent de beginselen en den inhoud eener gewijzigde armenwet
is voorgesteld als begeerlijk en goed voor het Nederlandsche volk.
Ik heb daarbij zooveel mogelijk gestreefd naar beknoptheid en heb
mij alleen op die punten, waar een geheel nieuw denkbeeld op den
voorgrond trad, eenige uitweiding veroorloofd.
Droegen mijne beschouwingen, vooral tegenover den belangrijken
arbeid der commissie voor het Nutsrapport, misschien hier en daar een
a f blekend karakter, de inhoud der 47 korte paragrafen (*) moge be-
wijzen, dat toch niet enkel «afbreken" het doel van mijn schrijven was.
§ I. liet is een der hoogste plichten van de ingezetenen des Rijks,
hulp en bijstand te verleenen aan hen, die noch uit eigen middelen
noch door steun dergenen , die volgens de bepalingen van het Burgerlijk
Wetboek daartoe zijn verplicht, in bun onderhoud kunnen voorzien.
Het bestaan van eene bloeiende kerkelijke en bijzondere armenzorg is
een rijksbelang, als zijnde een krachtig middel tot steun der behoeftigen
en tot zedelijke verheffing der gegoeden.
Waar de kerkelijke en bijzondere liefdadigheid geeue of geene toe-
reikende ondersteuning kan verschaffen , neemt de overheid de zorg
voor de behoeftigen op zich.
§ 2. De armenzorg van overheidswege is opgedragen aan het bestuur
der gemeente , waar de behoeftige, op het oogenblik dat hij zich om
hulp aanmeldt, als ingezetene is ingeschreven.
De zorg voor armen, die nergens als ingezetenen zijn ingeschreven,
wordt door den Staat, tegen vergoeding der kosten, aan een openbaar
of bijzonder armbestuur opgedragen (-{-).
Behoudens het bepaalde bij § 3 is de regeling der armenzorg in
elke gemeente overgelaten aan het gemeentebestuur, onder goedkeuring
van Gedeputeerde Staten.
5; 3. In elke gemeente is een burgerlijk armbestuur, bestaande uit
ten minste drie leden, bijgestaan door een secretaris, allen te benoemen
door den gemeenteraad.
Behoudens de gevallen, bij de wet of bij Kon. Besluit vastgesteld ,
kunnen de functiën van het burgerlijk armbestuur worden opgedragen
aan Burgemeester en Wethouders en kan de gemeentesecretaris of
de gemeente-ontvanger tot secretaris van het burgerlijk armbestuur
worden benoemd.
§ -i (II.). Zooveel mogelijk moet iu of voor elke gemeente de ge-
(*) Waar ik eene paragraaf geheel of bijna ongewijzigd uit liet Nutsrapport heb over-
genoinen, heb ik iliit aangegeven door plaatsing van eene (R.) achter het j teeken.
(v) Indien eene bepaling in den geest van deze alinea in de wet kon worden opge-
nonien, zou tevens zijn te gemoet gekomen aan het bezwaar ten opzichte der grens-
gcmecnten, waarop dooi- den heer Nolens in de Kamerzitting van 9 December 18\'.)8
werd gewezen.
-ocr page 30-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.              20
legenheid bestaan, om personen, die hulp vragen en tot werken in
staat zijn, te werk te stellen.
§ 5 (IL). Er worden van gemeentewege werkhuizen opgericht voor
de behoeftigen , die, wegens luiheid , lichtzinnigheid of slecht gedrag,
geen onderstand in anderen vorm behooren te verkrijgen.
Verschillende gemeenten kunnen zich vereenigen, om voor gezamenlijke
rekening één werkhuis op te richten.
Aan gemeenten, die daartoe niet overgaan, kan, zoo noodig, bij
Koninklijk Besluit, na ingewonnen advies van Gedeputeerde Staten , de
verplichting tot oprichting van een werkhuis worden opgelegd.
§ 0 (/?.). Tot plaatsing in eene rijkswerkinrichting kan veroordeeld
worden :
a.   hij, die, hoewel in staat zijn gezin te onderhouden, door luiheid
of slecht levensgedrag dat in die mate nalaat, dat het gezin armlastig
wordt;
b.    hij, die zich om onderstand bij het burgerlijk armbestuur aan-
gemeld heeft en die weigert den hem opgedragen arbeid te verrichten
of zich in een Werkhuis te doen opnemen, zonder te zorgen, dat zijn
gezin niet armlastig wordt;
c.   hij, die, in een werkhuis opgenomen, zich aldaar op ergerlijke
wijze tegen de tucht vergrijpt;
d.   hij, die opzettelijk valsche opgaven doet, met het oogmerk
onderstand te verkrijgen.
§ 7 (R.\\ Onder de wet vallen alle instellingen van weldadigheid,
rlie zich leniging of voorkoming van armoede ten doel stellen.
§ 8 (JR.). verkort). In elke gemeente wordt door den gemeenteraad
eene lijst samengesteld, vermeldende alle instellingen van weldadigheid
binnen de gemeente , de namen harer bestuurders en den aard harer
werkzaamheid.
De bestuurders van die instellingen zijn verplicht de noodige opgaven
daarvoor, ook ongevraagd, aan het gemeentebestuur te verschaffen.
§ 9. De reglementen (statuten) en de jaarlijksche rekeningen van
alle instellingen van weldadigheid worden aan het gemeentebestuur en
aan Gedeputeerde Staten medegedeeld.
Deze reglementen moeten alle de bepaling bevatten , dat door de
instelling een register wordt bijgehouden, volgens door de Regeering
vastgesteld model, van alle personen, die zich om hulp bij haar hebben
aangemeld , zoowel waar die hulp is geweigerd, als waar zij is
toegestaan (*).
Bij weigering wordt de reden daarvan, bij ondersteuning de aard
en het bedrag daarvan in het register vermeld.
Bij twijfel omtrent de opvolging van deze bepaling hebben Ged.
Staten de bevoegdheid, zich daaromtrent zekerheid te verschaffen.
§ 10. De bestuurders der instellingen van weldadigheid zijn verplicht,
(*) Zie omtrent de wenschelijkheid dezer uniforme registers de noot op bladz. 18.
-ocr page 31-
30                GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.
alle gewenschte opgaven aan de overheid te verschaffen , welke voor
het samenstellen van een rijks- of gemeenteverslag in zake armenzorg
of voor anilere doeleinden door de Regeering worden gevraagd.
Overlegging of openbaarmaking van het register, bedoeld in § !),
kan alleen in dooi\' de wet bepaalde gevallen bij uitspraak van den
rechter worden bevolen.
Indien echter het burgerlijk armbestuur omtrent een bepaald persoon
bij eene instelling van weldadigheid inlichting vraagt, zoo volgt omtrent
dien persoon binnen 24 uren een uittreksel uit het register. Ook wordt
een uittreksel uit het register ingezonden, zoodra wegens onwaardigheid
van den arme eene aangevraagde of genoten ondersteuning is geweigerd
of ingetrokken , binnen 48 uren nadat tot deze weigering of intrekking
is besloten.
§ 11 (R.). De bestuurders, die nalatig blijven in het doen der
opgaven, bedoeld in § 8, § !) en § 10, of wier opgaven blijken niet
overeenkomstig de waarheid te zijn, kunnen met geldboete worden
gestraft; ook kan aan de door hen bestuurde instellingen de bevoegd-
heid worden ontnomen tot het houden van collecten of inzamelingen,
tot hot aanvaarden van erfstellingen of legaten en tot het aangaan van
burgerlijke handelingen, bedoeld in art. 1094 B. W.
S 12. De besturen van instellingen van weldadigheid , welke geplaatst
zijn op de lijst, bedoeld in § 8, hebben de bevoegdheid binnen de
gemeente, waai\' zij gevestigd zijn, collecten of geldinzamelingen te
houden, mits deze inzameling minstens eene week vooraf aan het ge-
meentebestuur is aangekondigd.
Zoo twee inzamelingen op één dag zouden plaats hebben , mag alleen
deze plaats hebben, die het eerst is aangekondigd.
Burgemeester en Wethouders hebben de bevoegdheid de inzameling
te stuiten in de navolgende gevallen:
1 °. Wanneer zij plaats heeft, niettegenstaande dat aan het betrokken
bestuur was bericht, dat eene andere inzameling den voorrang had ; 2".
wanneer het blijkt, dat de personen, met de inzameling belast, daar-
vooi\' eene geldelijke belooning genieten ; 3°: wanneer uit de laatst
overgelegde rekening dei\' instelling blijkt, dat voor de kosten van beheer
meer dan een bepaald deel der inkomsten is gebruikt of dat de inza-
moling niet wordt vereischt tot bestrijding der uitgaven ten bate der
armen, die door de instelling worden ondersteund; 5". wanneer tegen
bestuurders der instelling rechtsingang is verleend als verdacht van
nalatigheid of onwaarheid, bedoeld in § 1 1 , of als zij te dier zake zijn
veroordeeld.
Bestuurders der instelling kunnen zich tegen deze stuiting vanwege
Burgemeesters en Wethouders in hooger beroep begeven bij Gedep.
Staten of bij den Koning.
§ 13. Ten kantore van het burgerlijk armbestuur wordt een een-
-ocr page 32-
GEDACHTEN OVER HET VRAAGSTUK DER ARMVERZORGING.                 31
traal register gehouden van alle behoeftigen . wier namen l>ij dat
bestuur bekend zijn
Dit register is zooveel mogelijk op dezelfde wijze ingericht als de
registers, bedoeld in § 9, en bevat niet alleen de namen van den be
boeftige en de leden van zijn gezin , doch ook alle verdere bijzonder-
lieden, die tot kennis van zijn Joestand noodig zijn, benevens aantee-
kening van de ondersteuning of ondersteuningen , door hem genoten ,
of van de redenen, waarom deze zijn geweigerd of ingetrokken.
In het register worden opgeteekend: 1 °. alle personen, die zich
hij het burgerlijk armbestuur hebben aangemeld; 2". alle personen,
omtrent wie gevraagd of ongevraagd door kerkelijke en bijzondere
instellingen van weldadigheid aan dat bestuur inlichtingen zijn verschaft.
5; 14. Uittreksels uit het centraal register omtrent bepaalde per-
sonen worden op verzoek binnen 24 uren verstrekt aan bestuurders
der instellingen van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld in
§ 8, en aan particuliere personen.
Aan de laatsten kan bij besluit van het burgerlijk armbestuur eene
gevraagde inlichting worden geweigerd , indien dit bestuur meent, dat
de aanvrage niet geschiedt in het belang van den behoeftige.
§ 15 (ƒ?,). In gemeenten met een zielental boven een in de wet
bepaald minimum is een algemeene armenraad, bestaande uit ver-
tegenwoordigers van het burgerlijk armbestuur en afgevaardigden van
alle instellingen van weldadigheid, voorkomende op de lijst, bedoeld in § <S.
De taak van den armenraad is: 1°. het bespreken van gemeen-
schappelyke belangen; 2". het beramen van maatregelen tot bevorde-
ring eener goede armenzorg; 3°. het samenstellen van het jaarverslag
betreffende het armwezen; 4°. het geven van adviezen omtrent de
verdeeling van erfstellingen en legaten, bedoeld in art. 025 15. W.
§ 16 (ƒ?.). De wet bevat bepalingen , waardoor Gedeputeerde Staten
de macht hebben te waken, dat het gemeentebestuur aan het burgerlijk
armbestuur niet de noodige middelen onthoudt, om zijne taak naar
behooren te vervullen.
Gelijke macht wordt hun gegeven, om het doen van te ruime uit-
gaven voor het armwezen tegen te gaan.
§ 17. De wet bevat bepalingen omtrent het toekennen van subsi-
dien: a. door Rijk , Provincie of Gemeente aan kerkelijke en bijzondere
instellingen van weldadigheid ; h. door het liijk of de Provincie aan
gemeentebesturen tot tegemoetkoming in de kosten der openbare ar-
menzorg.
\'s-Gravenhaye.                                                J. U. Snoeck Henkemans.
(Overgedrukt uit de Tijdspiegel, 1899.)