-ocr page 1-
De MeÉMM ra Leiflen I
<>K
De stii voor Gots Woorfl en i\\ Vriini.
\'Een verhaal uit den Tachtigjavigen Oorlog
W. AND.RÏNGA Gz.
^^X^
• : .
Utbkcht
JOH. DB LIEFDE
1S<)7.
-ocr page 2-
.
>
.
-ocr page 3-
DE DBIBMBBM TAM LEIDEN
OF
De strijd voor Gods Woord en de Vrijheid
" m
"v
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
lé\'&m
-ocr page 4-
-ocr page 5-
(yt*-
UW* 16
De DÉÊBit ïan Lsito
OF
DE STRIJD
voor Gods Woord en de Vrijheid.
Een verhaal uit den tachtigjarigen oorlog
DOOR
. Andringa Gz,
7
r..
^^^^
/
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KEAK
UTRECHT
JOH. DE LliSFDE
1897.
-ocr page 6-
Stoomdruk van JOH. DE LIEFDE, Utrecht.
-ocr page 7-
HOOFDSTUK ï.
Be Dekenfabi ikant van Leiden-
Op den landweg, die van het dorp Soetermeer in noord-
westeltjke richting naar de stad Leiden voerde, wandelden
tegen den avond van Vrjjdag, den 16den Octobar 1573, een
tweetal mannen. Hun langzame tred gaf duidelijk hunne
vermoeidheid te kennen en wettigde het vermoeden, dat
zjj reeds een langen weg achter zich hadden. Toch waren
z\\j straks het naaste dorp doorgetrokken zonder zich ook
maar een oogenblik ruste te geven; blikbaar hoopten zjj
nog voor het donker hun eigen vriendelijk tehuis te bereiken.
Het moest ieder, die deze mannen slechts oppervlakkig
aanschouwde b\\j den eersten blik wel opvallen, dat op
beider gelaat eene ernstige bezorgdheid stond te lezen en
gewis was het niet zonder reden, dat zjj, niettegenstaande
hunne uitputting, den tocht onverpoosd voortzetten.
De oudste, een man van middelbaren leeftjjd, wiens klee-
ding die van den welgestelden koopman was, droeg naar
de mode van dien ttjd een donkerbruin wambuis, zwarte
hozen, die aan de knieën met een strikje bevestigd waren
en een korten tabbaard met wijden mouwen. Een lage hoed
met smallen rand dekte zjjn hoofd, terwjjl een wit linnen
kraag met de punten op de borst hing en voor een deel
den schouder bedekte.
-ocr page 8-
6
„Het schijnt, Floris, dat de geruchten maar al te zeer
bewaarheid zullen worden," sprak de oudste der mannen
op somberen toon tot z\\jn veel jongeren metgezel. „Heer
van Everdinge, dien w{j voor enkele uren verlieten, verze-
kerde mg, dat Don Frederik het ditmaal op Leiden heeft
gemunt. De Spaansche vendels moeten reeds Rijnland over-
stroomen en Valdez heeft z\\jn hoofdkwartier in de nabijheid
van \'sGravenhage opgeslagen.
Het is maar goed, dat wij aan de uitnoodiging onzer
vrienden te Delft, om een paar nachten bjj hen te vertoeven,
geen gebruik hebben gemaakt. Wie weet, hoe lang de weg
naar onze goede stad nog open zal zjjn."
„Ik geloof, dat gjj volkomen gelijk hebt, Meester Alewjjns,"
antwoordde de aangesprokene, „\'t Zou alles behalve aan-
genaam voor ons zp, wanneer u van uwe echtgenoote en
kinderen gescheiden moest blijven. Bovendien hebben w\\j
nog verschillende bestellingen uit te voeren en ik vrees
dat alle verzending naar buiten zal ophouden, wanneer het
den gehaten Spanjool gelukken mag, de stad in te sluiten.
De handel wordt dan met een doodelijken stilstand bedreigd
en voor het eerst zal onze beroemde dekenfabriek hare
werkzaamheden moeten staken.
Aan het bezet van Leiden is Alva veel gelegen. Van
hier uit zal h|j gemakkelijk geheel Rijnland, Delftland en
Schieland kunnen beheerschen, vooral nu Haarlem in zgne
macht is en daardoor de gemeenschap tusschen Zuid- en
Noord-Holland werd verbroken. Ik voorzie bange dagen.
God zjj ons en ons arme Vaderland genadig."
„De regeering onzer stad is reeds van het naderend
gevaar onderricht," begon Alewjjns opnieuw. In de verte,
waar de Vliet, de Roomburger Wetering en de Zoeterwoud-
-ocr page 9-
7
sche vaart elkander kruisen, heeft men eene schans opge-
worpen. Wanneer deze wallen van kanonnen en eene goede
bezetting worden voorzien, is dit eene belangrijke veilig-
heidspost voor de onzen, daar zij de vaart naar Voorschoten
en Zoeterwoude kan bestrijken. Jammer slechts, dat de
eenheid onder de burgerij niet groot is en er zelfs onder
de vroedschap verdeeldheid heerscht; daardoor staat de
kans voor Spanje zoowel binnen als buiten de stad schoon.
Leiden zal zrjn afval van den Koning zwaar boeten. Wij
willen daarom bidden, dat de Heere Zijne machtige hand
ter bescherming over ons zal uitstrekken en ook ons de
victorie over onze vijanden verschaffen."
„Men heeft ons gedwongen de wapenen aan te gorden,\'\'
zeide Floris en zoolang wij kracht in onze armen hebben,
willen wij met Gods hulpe alle mogelijke middelen beproe-
ven, om ons arm verdrukt Vaderland uit zulk eene gruwe-
lijke tirannie te verlossen. Liever sterven wij een vreeselijken
dood, dan ons in de handen der vreemde beulen over te leveren.
Wat Spaansche genade beteekent, weet ik, helaas! maar
al te goed. Met onmenschelijke wreedheid, ja met dierlijken
wellust hebben Don Prederiks soldaten te Zutfen en Naar-
den gemoord. Edelen en onedelen, armen en rijken, jongen
en ouden, mannan en vrouwen, weduwen, weezen en maag-
den, niets en niemand werd ontzien. Gelijk de maaier met
zijne zicht door de halmen slaat, zoo zwaaiden de gevloekte
krijgsknechten hunne scherp gewette zwaarden tusschen de
gevangenen. Bijna allen zijn door hunne moordzieke handen
gevallen. Ja, enkelen heeft men levend gekorven, zooals
men de visschen doet; onder schier ondragelijke pijnen ga-
ven zij eindelijk na een gruwzaam lijden den geest. De
bloedhonden ontkleedden de vrouwen en meisjes schaamte»
-ocr page 10-
8
loos en mishandelden haar op het ergst. Zy spotten met
hunne angsten en smarten; straks regen zjj ze, onder woest
gelach, aan hunne rapieren.
M$n oom Allert Ghijsbrechts te Naarden heeft men met een
btjl letterlijk aan stukken gehouwen. Zijne vrouw, eene
zuster van mp vader, wist te ontkomen en nam de vlucht.
Even buiten de etad werd zjj evenwel achterhaald; men
kleedde haar uit en hing haar aan de voeten op aan een
boom, om zoo dood te vriezen.
Zie, dat alles is geschied, hoewel Romero plechtig had
verzekerd, dat niemand der burgerij een haar zou gekrenkt
worden. Lijf en goed, alles zou veilig zijn. Zoo doet de
Spanjool zijn krijgsmanseed gestand, — zoo wreekt zich
Don Frederik, — dat is de genade, die van Spanje te
wachten is. Het blo*$d der onschuldigen roept wrake over
onze beulen en het bevreemdt mij niet, dat velen der onzen
gezworen hebben, bloedige wrake te nemen over al de slacht-
offers van het laagste verraad.
O, Meester Alewijns, het valt mo«iel(jk em bij znlk eene
wreedheid niet door een woesten hartstocht bezield te wor-
den en alles over te geven in de handen van Hem, die e«n
iegenljjk vergelden zal naar zijne daden."
De dekentabrikant zuchtte. Er kwam een traan in zijn
oog. „Er is veel geleden, mijn vriend," sprak bij eindelijk
op ernstigen toon. „Ook ik moest, gij weet het, een groot
offer brengen; zwaar werd mijn vaderhart beproefd. En
telkens, wanneer ik aan dien somberen Julidag terugdenk,
maakt eene diepe droefheid zich van mij meester.
Mijn zoon Jacob, eeret kort te voren gehuwd, woonde
met zijne jeugdige echtgenoote in Haarlem. Daar werd de
Spaarnestad ingesloten en eindelijk moest de dappere be-
-ocr page 11-
*•;*>:
lil \'lisi
HMililffl
Thuiskomst van den Dekenfabrikant.
-ocr page 12-
y
zetting, toen alle hoop op ontzet was vervlogen, zich over-
geven. Don Frederik had voorstellen van genade gedaan
en verzekerd, dat niemand leed zou geschieden. Doch wat
is Spaansche trouw? Gjj weet, zoodra de overwinnaars de
poorten waren doorgegaan, gingen zjj aan het moorden.
Als razenden woedden zij tegen de hongerige, uitgevaste
Haarlemmers. Vjpf scherprechters trokken aan het meuschen-
slachten, tot zoolang hun de armen van vermoeidheid mach-
teloos neerzonken. Geen tijger wroet met grooter wellust
in de ingewanden van zijne slachtoffers dan deze beulen in
het bloed van onschuldige burgers. Eindelijk heeft men
nog driehonderd mannen rug aan rug gebonden en in het
Spaarne geworpen, om daar jammerlijk te verdrinken.
Mgn zoon behoorde tot die ongelukkigen. Het hoofd
zjjner vrouw was reeds onder het zwaard der onmenschen
geveld. Hfl werd in het Meer gesmakt, om daar ellendig
te versmoren. O, ure der duisternis. Mjjn harte krimpt van
smart ineen; meer dan 2300 strijders, waaronder Jonker
Jan van Duivenvoorde en Lancelot van Brederode, kwamen
om. En zulk een deerniswaardig lot noemde de veldheer
nog eene genadige behandeling, een voorbedd van barm-
hartigheid. Zoo maken de Spanjaarden hun naam tot een
afgrijzen en vloek voor elk, wiens boezem klopt voor recht
en rechtvaardigheid. Bitter heeft mjjne ziel geleden, maar
daar het God niet anders heeft behaagd, moeten wij ons
aan Z(jn goddelpen en alleenwjjzen wil onderwerpen. De
Heere zegt: „M{j komt de wrake toe, Ik zal het vergelden."
Hem beveel ik dan ook onzt zaak, vast geloovende, dat
H\\j alles zal doen uitloopen tot eer en verheerlijking van
Z\\jn Naam."
,\'t Is ons een groote troost, Meester AUwjjns," sprak
-ocr page 13-
10
Flon\'s, terwijl hij zijn loop versnelde, „dat Eén, machtiger
dan alle vijandelijke legerscharen, ons in dezen tyd van
troebelen nabij blijft. Het schijnt, dat de Heere al op weg
is om ons te verlossen. Voor Alkmaar hebben de Span-
jaarden het hoofd gestooten en is de Victorie begonnen.
Dat is eene blijde tijding te midden van zooveel, dat ons
den moed beneemt. Op last van onzen goeden Prins, die
goed en bloed opoffert voor het behoud zijner vrienden en
die rusteloos voor ons aller welzijn waakt, werden de dijken
doorgestoken, maar de moedelooze soldaten vreesden voor
de zilte baren, er viel eene verschrikking op hen en nu
zn\'n zn", naar w\\j te Delft mochten hooren, afgetrokken,
nadat de onzen nog menigen lansknecht in het zand hebben
doen bijten. "Waarlijk, dit heeft God gedaan. Hem alleen
de eere!"
„Gewis is er overvloedige stof tot blijdschap," zeideAle-
wh\'ns, maar ik voorzie, dat er zich weldra donkere wolken
boven Leiden zullen samenpakken. Nu Alkmaar de poorten
weder heeft kunnen openzetten, zal men Rijnland binnen-
dringen. De meerzoomen tussehen Haarlem en ouze veste
worden reeds in onrust gebracht door de vreemde soldaten
en wij zullen spoedig genoeg ondervinden, wat het zeggen
wil, door een machtigen vijand te worden omsingeld. Naar
ik verre oed, zal Valdez de zijnen niet tot beladderen kun-
nen bewegen. De lust daarvoor moet hun wel zijn bekoeld.
Men zal de belegering ongetwijfeld op gansch anderen voet
gaan inrichten en ons straks door den honger dwingen tot
hetgeen, waartoe het zwaard ons niet voeren kon, tot de
overgave der stad en de verlangde onderwerping aan het
vreemde gezag."
„Dat verhoede God," sprak Floris haastiar. .wii willen
-ocr page 14-
11
streden voor \'s Heeren Woord en de vrijheid, en zoolang er
nog harten zijn, die het wèl meenen met het Vaderland,
willen wij niet wanhopen. Wellicht breekt spoedig de
dag der verlossing aan en mogen wij God naar den
eisch van Zy\'n Woord dienen. Om der religie wille zullen
wij ons leven duur verkoopen, want nooit kunnen w\\j
vrede hebben met de leer der zich noemende alleenzalig-
makende kerk.
\'t Is helaas, maar al te waar, wat Petrus Bloccius,
Rector in onze stad, in zijn boekske over de ketteryen der
Roomsche kerk klaagt, dat de Joden en Turken meer voor-
deel hebben dan z\\j, die ouder de tirannie des Pausen zijn;
want zg mogen Mozes\' en der Profeten boeken lezen, maai
in het Pausdom verbeurt elkeen goed en bloed, die een
Bijbel leest. Dansen, dobbelen en hoereeren mag men wel
doen en de miskramers straffen dat niet, maar de Heilige
Schriftuur, die ons van God gegeven is, om ons den weg
der zaligheid te openbaren, mogen wij niet hebben. Hoe
zou er dan ooit van toenadering sprake kunnen zijn. Nimmer
mogeu wij ons laten bewegen de genade van den Koning
aan te nemen, daar dit hetzelfde is als ons geloof prijs
te geven. En juist om de vrijheid des gewetens te ver-
werven, zetten wij alles in de weegschaal."
„Wij zullen doen wat wij kunnen, om het Spaansche
juk af te schudden," antwoordde de dekenfabrikaut, opdat
de dagen nog eens mogen aanbreken, waarin wij vrij in
het Vaderland en ons geloof kunnen leven. Al wordt het
nog zoo duister, ik weet, dat de Heere de Zijnen nin
verlaat. Daarom willen w\\j ons vasthouden aan Zijn Woord.
Gij kent immers het geuzenlied, Floris: Gods Woord, dat,
alle crachten te boven gaet?"
-ocr page 15-
12
De bediende knikte toestemmend en zonder zich lang te
bedenken, zong hjj op lniden toon de volgende regels:
Gods Woord, dat alle crachten te boven gaet,
Dat wilt ons helpen uit dit berouwen,
Laet ons aen Hem roepen, wy crijghen zonder toeven baet,
Gods Woord, dat alle crachten te boven gaet,
Want het troost den roenflche, als hij verschoven staet,
Men mach er vast sonder waen op bouwen.
Gods Woord, dat alle crachten te boven gaet,
Dat wilt ons helpen uit dit benouwen;
Wy wenschen salicheyt het huis van Nassauwen.
„Ja leve de Prins," betuigde Alewflns; „doch wjj moeten
ons haasten, willen wjj nog intijds de Koepoort bereiken.
Na zonsondergang is de toegang tot de stad gesloten; alleen
hg mag binnen gelaten worden, die als bode van den Prins
of van diens LuitenantrGeneraal tjjding aan de vroedschap
komt brengen."
De beide mannen versnelden hun loop. Reeds neigde de
zon ten ondergang. Vriendelijk lachend nam zjj afscheid
en wierp nog een laatsten straal over den omtrek, die reeds
het herfstkleed had aangetrokken. Zou z\\] aan den morgan
van den volgenden dag een even vredig tooneel be»c»ijnen,
of zouden zich hare glansen dan op de glimmende wapen-
rustingen van vreemde speerknechten weerspiegelen P
Eindelijk stonden de vrienden voor de poort.
„Doe open," riep Floris Ghfc\'sberts op luiden toon:
„doe open."
De Rotmeester Jan Lucassen, die met zgne manschappen
de wacht hield, kwam te voorschijn.
tWie zjjt gn\'P" klonk het terug.
-ocr page 16-
13
,Goed vo\'k, me<>st>»r Lncasaen," sprak Alewtjns, die aan
de stem zijn vriend, den biertapper, had hakend. Oogen-
blikkeljjk werd de poort geopend en traden de reizigers
naar binnen.
„Ik wensen n wel geluk met, uwe behouden terugkomst,"
sprak Lucassen, terwjjl hu den dekenfabrikant hartelijk de
hand drukte. „Uwe echtgenoote verwachtte u reeds voor
eene week te huis en ook uwe kinderen verbeiden met
verlangen uwe komst, \'t Zal denkelijk niet lang meer duren,
dat wij rustig te midden der onzen mogen plaats nemen;
de gehate Due d\'Alf wil ook onze stad tot de gehoorzaam*
heid aan den Koning van Spanje dwing»n."
„\'t Is mjj reeds bekend," antwoordde de eerste. „De God,
die Alkmaar h«eft behouden, kan ook onze zwakke stad
bewaren en den Prins als een middel in Zyue hand ge-
bruiken, om ons te redden."
„God zegene Oranje," sprak Lucassen, terwijl hij naar
zijn volk terugkeerde.
De dekenfabrikant groette vriendelijk en spoedde zich,
door zjjn bediende vergezeld, langs de Koepoortsgracht
naar zflne woning, niet ver van de Hoogewoerdspoort gelegen.
Soldatenmmoer en wapengekletter liet zich onophoudelijk
vernemen en bewees genoegzaam, dat men zich ook in
Leiden ter behoorlijke verdediging had toegerust. Blijde
waren onze vrienden, toen zjj in de verte het bekende huis
met ver naar voren uitstekenden luifel en z\\jn groot uit-
hangbord, waarop een wollen deken was geschilderd, mochten
opmerken. Het bewees Floris genoegzaam, dat hg de plaats
had bereikt, waar hij straks van de vermoeienissen, aan den
langen tocht verbonden, zon kunnen uitrusten en waar het
hem aan de noodige verkwikking niet zou ontbreken.
-ocr page 17-
u
Ook meester Alewijns verheugde zich, dat hij thans, na
eene afwezigheid van bijna zeven wekeD, de zijnen weder
zou ontmoeten. Hij blikte vriendelijk door de kleine in
loodgevatte ruitjes naar binnen en de kreten van blijdschap,
die buiten tot hem doordrongen, overtuigden hem, dat zijne
komst met vreugde werd begroet.
Aan de deur werden de beide mannen reeds opgewacht
door de achttienjarige dochter des huizes, eene blozende
maagd in zedig gewaad gehuld. Haar gelaat teekende blijde
verrassing.
„Hartelijk welkom, lieve vader!" riep zij, „o, wat hebben
wij u reeds met angst verbeid. Is u geen kwaad weder*
varen ?"
„Door \'s Heeren goedheid zijn wij gezond en wel terug-
gekeerd, Margaretha," sprak de fabrikant, terwijl hij zijne
dochter teeder omhelsde; „doch hoe maken moeder en
Adriaan het?"
De laatste, een vijftienjarige knaap, kwam juist haastig
de gang doordraven en verwelkomde zijn vader en den
bediende op de luidruchtigste wijze. Zijne zuster antwoordde
op zachten toon: „Moeder mag zich in goeden welstand
verheugen; nu en dan wordt zij echter door droefheid
overmeesterd, als zij aan den smartelijken dood van onzen
lieven Jacob en zijne vrouw denkt."
De schoone maagdenoogen werden vochtig; was het
wonder, dat ook haar harte weemoedig gestemd werd, bfl
de gedachte aan deze schrikkelijke gebeurtenis?
„De Heere zal ons sterken," verzekerde haar vader, de
kamer ingaande. „Hij weet wa* goed voor ons is."
Voor de tafel zat eene vrouw van middelbaren leeftijd,
op wier gelaat een waas ^an droefheid verspreid lag. Bij
-ocr page 18-
15
eene eerste kennismaking kon men reeds opmerken, dat zfj
eene stille, zachtmoedige huisvrouw was. Het donkere,
nauwsluitende kleed, dat zij droeg, bewees, dat z\\j in diepen
ronw verkeerde.
Gelukkig, dat zij Hem kende, die ook in het grootste
Inden de Z{jnen nabij blijft en ze vertroost en bemoedigt
met Zijn Geest en genadevolle toezeggingen. Toen de
deur geopend werd, stond zij haastig op en na eene harte-
l\\jke begroeting, plaatste zij een gemakkelijken stoel nevens
haren echtgenoot en noodigde ook den bediende uit plaats
te nemen, waarop z\\j het gesprek verder voortzetten.
Margaretha beijverde zich inmiddels om een versterkend
maal voor de reizigers te bereiden en weinig later zaten
de beide mannen aan den wel voorzienen disch, Dat zij
zich de kost na zulk een langen tocht wel lieten smaken,
valt gemakkelijk te begrijpen.
„En hebt gjj tpens onze afwezigheid," vroeg Alewps
op bezorgden toon, „ook eenige tijding van onzen oudsten
zoon ontvangen?"
„Ja vader," riep Adriaan verheugd, „\'t Is heden juist eene
week geleden, dat Gerbrant ons bezocht. Hij heeft zich
thans weder bg de Prinsenknechten gevoegd, om den vijand,
waar z\\j kunnen, afbreuk te doen."
Een zucht van verlichting ontsnapte aan den boezem des
vaders. „Wat was de reden waarom hn\' niet eerder terug-
keerde ?" vroeg hg.
„Ge weet," begon juffer Alewijns, „dat onze Gerbrant
den 7den Juli zich aansloot bij het leger, dat onder Willem
van Bronkhorst, Baron van Batenburg, wilde beproeven
Haarlem met ammunitie en leeftocht ter hulp te komen,
om de benauwde stad van een wissen ondergang te redden.
-ocr page 19-
1G
Don Frederik was echter op alias voorbereid en de gansene
ond«rueiuing mislukte. In de duisternis van den nacht
werden de onzen reddeloos geslagen. Zevenhonderd man
sneuvelden. Gerbrant behoorde onder de gewonden eu
wist ter nauwernood te ontkomen.
Na talrijke omzwervingen voegde hjj zich eindeljjk bij het
vendel van Hopman Nicolaas Ruichaver, die in genoemde
maand naar Alkmaar trok om zijne vaderstad voor den
Prins te bewaren. Hier heeft hij voor de zaak der vrijheid
gestreden en toen Alkmaar eindelijk zijne poorten mocht
openen, is hg met nog enkele soldeniers naar Rijnland terng-
gekeerd. Zoo kwam hij, na lange afwezigheid, weder voor
een dag in ons midden. Hat deed hem leed, dat bij u niet
kon ontmoeten en hü dreeg ons op n de beste heilwenschen
over te brenfen. Hy hoopte thans naar het Zuiden te ver-
trekken, wijl de Prins opnieuw alle middelen in het werk
wil stellen, om ons arme Vaderland van Alva\'s tirannie te
verlossen."
„Dat God hem geleide," sprak Alewjjns. „Hij voere onzen
beminden zoon behouden tot ons terug en blijve ons allen
genadig nabij."
„Amen," zeide Floris, die opstond om de ruste op te zoe-
ken. De Hoogland*che kerk sloeg het uur van middernacht.
Wat de volgende dag brengen zou?
-ocr page 20-
HOOFDSTUK II.
De inwendige toestand der stad.
Het Leiden der zestiende eeuw vertoonde in alle opzichten
het beeld van bloei, welvaart en nijverheid. De grijze
veste, zoo beroemd door hare oudheid, was in het jaar
onzes Heeren 1573 na Amsterdam de grootste stad van
het graafschap Holland.
Hare veertien duizend inwoners J) vonden voor een groot
deel ruimschoots werk in de talrijke laken-, baai- en duffel-
fabrieken, die eene blondere bedrijvigheid en drukte aan
de stad bijzetten.
De ligging van Rijnlands hoofdstad mocht in waarheid
gunstig genoemd worden. Lachende weiden, bloeiende akkers
en fraaie boomgaarden omgeven baar aan alle zijden, terwijl
een kring van welvarende dorpen, als Voorschoten, Leider-
dorp, Oegstgeest, Katwijk, Rgnsburg, Noordwijk en Sassen-
heira haar omsloot.
De wateren van den Rg\'n, Does en Vliet maakten de
gemeenschap met deze plaatsen gemakkelijk en goed onder-
houden wegen, — zoo zeldzaam in die dagen, — konden
den Leidenaar overal brengen, waarheen hij wilde trekken.
Tal van openbare gebouwen verhieven zich tusschen de
1) Volgeus Groen van Prinsterer 16000; Motley heeft 50000.         2
-ocr page 21-
18
groote en kleine burger woningen en de prachtige en trotsche
kerken staken voor elks oog duidelijk zichtbaar boven de
omringende huizenzee uit. De straten waren voor dien tgd
schoon te noemen en de ruime pleinen boden voer zekere
vermakelijkheden overvloedige gelegenheid aan.
In de Breedstraat stond het stadhuis, kenbaar aan zijn
breed gekanteeld front en het torentje op den oostelijken
zijgevel. Daar, waar de Oude en Nieuwe Rgn elkander
ontmoeten, lag de Burg, een oude toren, die echter als
verdedigingsmiddel geen dienst meer vermocht te doen.
Hg werd in waarde gehouden om zijnen hoogen ouderdom,
daar hg, volgens het aangenomen gevoelen, een monument
was, opgericht door zekeren Hengist, Koning der Anglo-
Saksen, om daardoor de verovering van Engeland b\\j het
nageslacht levendig te houden. Van den top dezer bouw-
vallige sterkte kon men een schoon vergezicht genieten;
als een heerlijk panorama breidde zich de omtrek daar
voor het oog uit. Menige voet zou, weinige weken later,
bevende den Burg beklimmen en met bezorgden blik zouden
velen van boven met reikhalzend verlangen neerzien, angstig
in het rond spiedende, of, na duizend nooden en angsten,
de vurig afgebeden hulpe kwam opdagen!
Om de stad liep eene breede gracht, waarin zich de
ronde, sterke torens spiegelden, die overal de wallen stevig-
den, welke als eene gewenschte beschutting de geheele
stad omgaven. Vier poorten, de Zijlpoort en de Hoogewoerds-
poort (ten Oosten), de Koepoort (in het Zuiden) en de
Witte poort (\'.er Westerljjke zijde) verleenden toegang naar
buiten. Zjj zouden spoedig niet dan onder de noodige
bedekking worden geopend.
Ds Reformatie had by haar krachtigen voortgang hier te
-ocr page 22-
9
lande ook vele harten in Leiden voor zich gewonnen. Het
zoogenaamde Geuzenhuis strekte duidelijk ten bewjjze, dat
de voorstanders der „nye leere" niet schroomden zich openlijk
te vereenigen, om naar de woorden des levens te hooien,
die een hageprediker, vervuld met liefde tot z{jn Heiland,
hen deed hooren.
Toen in het jaar 1566 het gerucht van de beeldbraak
door het gansche land ging en bgna overal de kerken werden
„ gezuiverd," begon de storm ook in Leiden te woeden. Ook
hier werd het werk der verwoesting voortgezet. De stomme
afgoden bezweken onder de forsche slagen der gehate Geuzen
voor het meerendeel nog zoo onkundig omtrent veel, dat
de H. Schrift hun leerde.
Filips had, bleek van toorn, gezworen, dat deze daad dien
baldadige ketters duur te staan zou komen; en ook in
Rjjnlandsch hoofdstad werd die eed droevig bevestigd. Eenige
leden der Hervormde partjj moesten hun onbezonnen ijver
voor de religie zeer zwaar boeten. Zij werden door den
Bloedraad ingedaagd en lieten (in 1568) hun leven op het
schavot.
Reeds in September 1567 werden v\\jf Leidenaars, waar-
onder Huich van Banchem en Pieter Adriaanz van der
Werff, door Alva ter verantwoording opgeroepen. Z\\j ver-
lieten echter der vaderen wee, met uitzondering van den
eerstgenoemde, die in de maand Augustus van het volgende
jaar, door van Alckemade vergezeld, elders een plaats der
ruste zocht, daar de Raad van beroerte hen strafte met het
vonnis van eeuwige verbanning. De ballingen werden gevolgd
door ruim veertig medeburgers, wien allen het langer verblijf
in hunne stad was ontzegd. De meesten zwierven echter
niet lang in den vreemde rond, daar de inneming van Den
-ocr page 23-
20
Briel, de eerste lichtstraal in den ljjdensnacht, — hun een
gelukkigen ommekeer voorspelde. Zjj keerden terug en
vestigden ziek opnieuw in hunne vroegere woonplaats.
Leiden was een der eerste steden, die zich voor Oranje
verklaarden. In de vergadering der Staten van Holland,
den 15den Juli 1572 te Dordrecht aangevangen, verklaarde
zjj zich bfl monde van haren Pensionaris Paulus Buys,
vrjjmoedig tegen den gevreesden en wreeden Hertog van
Alva, belovende, dat zjj het met den Prins als hun recht-
matigen Stadhouder onder den Koning van Spanje wilden
houden. Goed en bloed wenschten zij op te zetten tot ver-
lossing van het verdrukte Vaderland uit de gruwelijke
tirannie der vreemde lansknechten.
Eenigen tjjd te voren had men reeds doeltreffende maat-
regelen genomen ter bescherming der stad en tot afwending
van alle beroerten. Er werd bevolen, dat de burgers zouden
zorg dragen den vrede onderling te bewaren; niemand mocht
in de uitoefening van z\\jn godsdienst worden belemmerd.
De geestelijkheid mocht in niets worden misdaan; alle ge-
bouwen, van welken aard zjj ook waren, moesten ongemoeid
gelaten worden, terwjjl allen gepaste onderdanigheid aan
de overheid der stad hadden te betoonen in alle zakan,
die met de welvaart der stad in verband stonden.
De Oranje-party had aanvankelijk de zege behaald en de
nieuw benoemde Schout, Mr. Jan van Groeningen, richtte
een vendel voetknechten op, die zich met geestdrift schaarden
om het Prinsenvaandel. Eenig Staatsch krijgsvolk trok
weinig later, onder Hopman Sjjvaart Manster, de Hooge-
woerdspoort binnen, tot niet geringe blijdschap van allen,
die het wel meenden met de zaak des lands.
Dat niet allen met de bepaalde wetten en verordeningen,
-ocr page 24-
21
f>n minder nog met de houding tegenover zijn koninklijke
Majesteit ingenomen waren, bleek maar al te duidelijk. De
Spaanschgezinden peinsden over een plan, om door een
nachteljjken aanslag de stad in handen te krijgen.
Vijf maanden later ging van Leiden een poging tot ont-
zet van de benarde Spaarnestad uit. De geduchte Lumey,
Graaf van der Mark, trok met zijn volk door de Rrjnsburger-
poort om den Hout te bezetten en den vijand, die zn\'n
hoofdkwartier by het Huis te Kleef gevestigd had, vandaar
te verdrijven. De Spanjaarden waren echter van zijne komst
onderricht. Door eene dichte sneeuwjacht begunstigd, wisten
de vreemde troepen zich in eene hinderlaag te leggen en
het gevolg was, dat Lumey na eene dappere verdedigiug
genoodzaakt was naar Leiden terug te keeren. Duizend
man bleven op het slagveld en een groot aantal gekwetsten
moesten straks worden verpleegd.
Leiden had eene waarschuwing ontvangen en de Spaansch-
gozinden peinsden sterker dan ooit te voren over een stout
plan. Zij wilden namelijk de stad in handen van den gena-
digen Heer des lands spelen. Eenige glippers, Nederlanders,
die hun heul bij \'s Konings partij hadden gezocht en bij haar
als spionnen dienst deden, bevonden zich bij de belegeraars van
Haarle». Zij vertrouwden, dat de Roomschen in Leiden,
die den Vorst getrouw waren, hun de noodige ondersteuning
niet zouden weigeren. Hunne hoop werd echter beschaamd;
met moeite gelukte het hun drie maunen, Lenaert Dou, Klaas
Brant en Jacob Thomassen, voor zich te winnen. De portier
der Hoogewoerdspoort werd omgekocht; men moest den sleutel
in was afdrukken en de vrienden daar buiten zouden wel
zorgen, dat er spoedig een nieuwen gegoten werd. Te
middernacht zou een aanzienlijke krijgsmacht, uit ruiters
-ocr page 25-
22
en musketiers bestaande, in stilte naderen; hunne nabijheid
zou den vrienden daarbinnen te kennen worden gegeven
door een vuursein; dezen moesten wederkeerig eene bran-
dende lantaarn uithangen.
Het plan viel echter gansch en al in duigen. Een van
de Hoplieden der schutterij, de wakkere Andries Allertsz,
die het bevel over de gewapende burgers voerde, begon
argwaan te koesteren. Zjjn scherpe blik wist de verborgen
beweegredenen der snoode verraders te ontdekken en weinig
later waren alle drie in verzekerde bewaring genomen.
Het gevaar was afgewend en de Spanjaarden moesten zien,
dat zij zich met eene ijdele hoop hadden gevleid.
Door nieuwe verordeningen werden andermaal de weder-
zijdsche verplichtingen van schutterij en burgers vastgesteld;
tevens, werd het krijgsvolk, dat niet tot de bezetting behoorde,
benevens den overtolligen vrouwen en jongens gelast, te ver-
trekken. Men regelde de prijzen van het graan onbepaalde
tevens, wat sommige bieren moesten kosten. Streng werd
verboden om koren te leveren aan steden, die het met
Al va hielden.
De zwarte noodvlag, die in de week van den 5don tot
den 12den Juli 1573 van de groote kerk te Haarlem wapperde,
gaf den Leidenaars van den zorgelijken toestand der zuster-
stad bericht. Hoezeer zij hunne krachten ook inspanden
en de pogingen van den Prins tot ontzet hielpen bevorderen,
niets mocht baten. De hulptroepen van Batenburg werden
geslagen en Haarlem viel den onbarmhartigen belegeraars
in handen, die zich schrikkelijk wreekten. Dit strekte het
krachtige bestuur, in welks bezit Leiden zich mocht ver-
heugen, opnieuw ten spoorslag, om alles in het werk te
stellen tot eene degeljjke bescherming der veiligheid, zoowel
-ocr page 26-
23
naar buiten als binnen de veste, waar op de eensgezindheid
niet viel te roemen.
Als Gouverneur der stad had Oranje in 1573 aangesteld
den edelman George van Montigny, Heer van Noyelles, een
man, wel wat al te veel aan een weelderig leven gehecht,
maar tevens met grooten \\jver voor de zaak des lands be-
zield. Hjj behoorde tot de breede schaar van edelen, die
in 1566 een verbond sloten om den invloed van de vreem-
delingen in het bestuur des lands tegen te gaan en de
barbaarsche Inquisitie uit te roeien, als onrechtvaardig en
in strn\'d met alle menschelqke en goddeljjke rechten.
Drie maanden later behoorde hg tot de gemachtigden,
schertsender wijze de twaalf Apostelen genaamd, die met
Lodewjjk van Nassau, na de vergadering te St. Truyen,
met de Landvoogdesse een bevredigend verdrag wenschten
te sluiten. Margaretha gaf toe, maar wist met bedriege-
lijken list het bepaalde te ontduiken. Doch Alva kwam,
en nu werd ook de Heer van Noyelles door het banvohnis
getroifen. Met den geliefden Oranje, die op den Dillenburg
vertoefde, wachtende op betere tijden, trad hij thans in
briefwisseling en stond hem met zn\'n goed zwaard tendien-
ste, om het bedreigde Bergen uit Alva\'s hand te ontweldigen.
De groote Vroedschap, of de Raad der Veertigen, vormde
Leiden\'s burgerlijk bestuur en de voornaamste personen uit
deze groote vergadering, allen behoorende tot de meest ge-
goede inwoners der stad, maakten het college van het
Gerecht uit, bestaande uit den Schout, vier burgemeesters
en acht Schepenen, die van hunne medeleden door een
bijzonder ambtsgewaad waren onderscheiden. Zy droegen
eenen tabbaard, waarop de naam Leiden met zilveren letters
was aangebracht.
-ocr page 27-
24
De tegenwoordige Schout, Hendrik van Brouchoven, was
een oprecht vaderlander, die zich, evenals z\\jn jongere broe-
der, Foy van Brouchoven, gansch en al aan de zjjde des
Prinsen van Oranje had geschaard. Zjjne betrekking had
echter niet meer die beteekenis, die ze voorheen wel bezat.
Het ambt van burgemeester was in die dagen van over-
wegenden invloed.
In het begin van de maand (November traden\' de Magis-
traten, in het vorige jaar gekozen, af en een nieuw bestuur
werd benoemd. Hieronder waren drie nieuwe burgemeesters:
Comolis van Noor de, Jan Jansen van Baersdorp en Corne-
lis van Swieten. Mocht de Oranje-partij ?&n hen al niet de
giootste verwachting hebben, men wist, dat zjj zouden
moeten buigen voor de geestkracht van den burgervader,
Pieter Adriaansz van der Werf. een man van ijzer en staal,
onwrikbaar in z\\jne trouw.
Wat van Spanje te wachten was, had Van der Werf reed*
op achtjarigen leeflyd ervaren, daar ztjn vader, Adriaan
Laurens Vermeer, in 1537 om des geloofswille werd onthalsd.
De zoon des martelaars vluchtte bjj het gerucht van Alva\'s
komst, uit de Nederlanden en trok naar Emden, „de herberg
van Gods gemeente." Weinig later werden zpe goederen
verbeurd verklaard en ook Jover hem het vonnis uitgesproken,
dat hem verplichtte zich voorgoed in den vreemde te ves-
tigen. Het Vaderland zag hem echter dikwijls terngkeeren,
om \'s Prinsen plannen tot verlossing der hevig geteisterde
provinciën bevorderlijk te z\\jn. De gevaren, aan dezen post
verbonden, schrikten hem niet af; onvermoeid bleef hg heen
en weder trekken, totdat de Geuzen in 1572 hun zegezang
op het met Gods hulp meesterlijk volbracht feit, de inneming
van den Briel, begonnen te zingen.
-ocr page 28-
25
Toen keerde ook Van der Werf terug in het midden des
volks, dat hg lief had, en bracht hun een schrijven van den
Prins mede, waarin deze betuigde, dat zij met Van der
Werf over \'slands belangen konden spreken en handelen
als met zijn eigen persoon. Nog in den loop van dat jaar
koos de burgerij Van der Werf tot lid van de Vroedschap,
en dat deze keuze hen niet berouwde, bleek duidelijk, toen
hg den 17den Mei 1573 tot de waardigheid van Burgemeester
werd geroepen. Den 25steu Januari 1574 zou hij voorzittend-
burgemeester worden, zoodat hg een man was, aan wien
veel werd toevertrouwd. Zwaar was z|jne taak, want onder
de veertig raadsleden vond hij slechts een zevental, die
evenals hij, alle krachten voor het algemeen welzijn wensch-
ten te besteden en den Prins getrouw te big ven in nood
en dood.
Onder de Schepenen werden gelukkig mannen gevonden,
die, wanneer dat moest, met beslisten eisch durfden be-
toogen, dat het eene dwaasheid was, om zich aan den Span-
jaard te onderwerpen en te hopen op diens genade. Het
waren Pieter Hendrik Wassenaar, Pieter van Of wegen,
Cornelis Barrevelt, Willem van Loo, Dirk Smaling en Pieter
Cortevelt, Mourgn Claessen en Jan Brouwer, de beide overige
schepenen, waren mannen van eene twijfelachtige gezind-
heid. De verdere leden der Vroedschap behoorden tot de
„rechtvaardigste" burgers en waren niet geheel afkeerig
van het sluiten van een eerlg\'k verdrag met den vgand.
Een krachtigen steun vond Van der Werf in den acht-
en-twintig-jarigen Jan van Hout, die nevens de vervulling
van het ambt van secretaris, dat hij met weergaloozen gver
waarnam, een gelukkig beoefenaar van geschiedenis en let-
terkunde was. Zgne oprechte vaderlandsliefde was oorzaak
-ocr page 29-
26
dat Neerlands geesel hem uit het land zijner geboorte ver-
dreef. Hij keerde echter met Van der Werf, die hem tot
zijnen secretaris had aangenomen, in Rijnland terog en stond
hem in het vervolg met onbezweken volharding ter zijde.
Oranje\'s Commissaris in Leiden, de edelman Diederik
van Bronkhorst, wist eveneens den moed der bevolking
levendig te houden. Leiden\'s toestand ging hem ter harte
en met ernst handhaafde h\\j zich op zijuen post, krachtige
middelen uitdenkende om het behoud der stad te ver-
zekeren.
Alva, Neerlands slachter, had zijne broeders Dirk en 6ijs-
brecht in 1568 op het Sablon te Brussel doen onthoofden,
en hij zelf was nauwelijks het zwaard van dien beul ont-
komen. Hy versaagde niet en greep met vaste hand de
tengels van het bewind in handen, gereed, om, wanneer
het moest zyn, zyn leven te laten voor het welzijn van zijn
jammerlijk verdrukt Vaderland.
Onder Leiden\'s bevolking kon men verschillende personen
aanwijzen, die goed en bloed veil hadden voor de zaak der
vrijheid; onder hen moet in de eerste plaats genoemd wor-
den Jonkheer Jan van der Does (Janus Douza), Heer van
Noordwjjk. In zijne jewrd had hij aan de hoogescholen te
Leuven, Douai en Parijs gestudeerd en deed zich kennen
als een beschaafd en geleerd edelman. In plaats van zich
met krjjgs- en staatszaken te bemoeien, greep hij naar de
lier en zong zijne „woudzangen," die blijk gaven van een
niet alledaagsch talent. Straks zou hij echter toonen, dat
hij evengoed het zwaard wist te hanteeren als de pen.
Van zyne welgemeende liefde tot het Vaderland strekte
voorzeker het rijm ten bewijze, dat hij op den loop van
zijnen snaphaan had doen graveeren:
-ocr page 30-
27
Laet ons noch honden de wapenen in bande
Opdat de naem van vrie lande
Niet en gedie tot groots schande.
Zijn oom, Jacob van der Does, behoorde met zijnen jon-
geren bloedverwant tot die vroede mannen, die zich wensen*
ten te bevrijden van de tirannie van Filips, toen het hem
bleek, dat de over hen gestelde macht, door haren blinden
ijver voor Rome, de schare wilde beletten om, God naar
Zijn Woord te dienen.
Jan van Duivenvoorde, gesproten nit een geslacht, dat
innig was gehecht aan zijnen geliefden geboortegrond en
dat nimmer zijne vrijheid wenschte prijs te geven, was met
de voorgaande mannen een van zin. Had zijn oom, Jan van
Duivenvoorde, Kolonel der Schutterij te Haarlem, zyn bloed
voor zijne dapperheid vergoten, het was te voorzien, dat
z\\jn neef niet zou schromen het uiterste te wagen, om der
gewesten en zijner stede vrede te bevechten.
Jonkheer Aelbert van Raephorst, Huich van Alckemade
en Huich van Bauchem, waren eveneens trouwe dienaren
van den Prins; zy vormden met de Hoplieden Claes Dirks
van Montfoort, Andries Alberts en den Kapitein Mees
Haviksz, een aantal vrome en vroede mannen, die voor de
religie en de vrijheid des volks het uiterste wilde wagen.
Leiden\'s krijgsmacht bestond voornamelijk uit vier vendels
schutters, die zich onder hunne Kapiteins Andries Schot,
Klaas Jansen Knotte, Pauwels van Thorenvliet en Mees
Haviksz, zagen belast met de bewaking der poorten en
andere gewichtige posten. Buiten de schutterij bestond er
nog een vendel vrijwillige schutters, ongeveer tachtig man
sterk, met Andries Allertz als Kapitein. Alle ingezeten der
veste waren onder Hofmeesters ingedeeld en droegen elk
-ocr page 31-
28
pen geweer; de schansgravers onder hen werden gewapend
met schoppen en spaden.
De slotvoogd van de kasteelen Lokhorst en "Warmond,
Gerrit van der Laan, had, met nog enkele mannen, het
bevel over eene bende vrijbuiters, voor het meerendeel uit
vreemden bestaande, die door hunne stoute uitvallen den
Spanjaarden handen vol werks gaven en huu soms belang-
rijke schade toebrachten.
De veste kon zich overigens niet op eene sterke bezetting
beroemen. Men had slechts over vier vendels Franschen
en Walen, onder den Genzen-hopman Jonkheer Willem Bloys
van Treslong en de Kapiteins Michael Saeye, de Catteville
en La Serre, te beschikken. Verder was er nog eene afdee-
ling ruiters, waarover de Bitmeester Gaspar van der Noot,
Heer van Carlo, het bevel voerde.
Nog werden er in Leiden drie personen gevonden, die bjj
de burgerij in hooge achting stonden en die een grooten
invloed konden uitoefenen. Hun werk was van dat der
strijdenden geheel verschillend. Zij moesten het volk de
woorden des levens brengen en het opwekken de zaligheid
te zoeken, die daar volkomen genoten wordt, waar geen
str\\jd of beroering heerscht, — in het Vaderland der ruste.
Het waren de predikanten Adriaen Jansen den Taling,
Ciaes Jansen Verstroot en Pieter Cornelisz. Mocht hunne
denkwijze nogal iets uiteenloopen, zü bezaten allen een op-
rechte liefde voor hunne gemeente en werkten met onver-
droten ijver voor het welzijn van allen, dien de Heere aan
hunne zorgen had toevertrouwd.
-ocr page 32-
/\'
i
• . * *
BlGltr
H O O F D S T ü K III. ; A/St>. ^! ; .\'£<
De vijand voor de wallen.
             "~-*-^<C
Wat men in Leiden reeds lang voorzien had, bleek weldra
voor ieder zekerheid te worden; de vijand trok z^jnebenden
steeds dichter om Rijnlands hoofdstad te samen en dreigde
met een volkomen insluiting. Reeds eenigen tijd te voren
had Alva Romero gelast Zuid-Holland langs de duinzjjde
binnen te trekken, terwijl hg aan Franciscus Valdez bevel
gaf langs den zoom der Haarlemmermeer dit gewest binnen
te dringen.
Romero volbracht zpe zending naar wensch. Hjj bezette
o. a. Noordwjjk, Katwijk, Valkenburg, Wassenaar en \'s Gra-
vendeel, besprong met goed gevolg de schans te Maassluis
en trok zegevierend Vlaardingen binnen. Een hem opge-
dragen last van zijnen meester riep hem naar het Zuiden
des lands. Hij reisde naar Brabant en droeg z\\jn waardig-
heid over aan Valdez, die middelerwjjl zijne manschappen
van den kant der Haarlemmermeer naar Leiderdorp, Val-
kenburg en Zoeterwoude had weten te voeren.
Zoo werd dan geheel de omtrek verontrust door het
vreemde krijgsvolk, en werd het meer en meer duidelijk,
wat het doel des vjjands was. Valdez vestigde zjjn hoofd-
kwartier te \'s Gravenhage, en nam vandaar zijne maatregelen
tot tuchtiging der weerspannige stad, die zich aan de zjjde
-ocr page 33-
•
30
des Prinsen van Oranje had geschaard. De Spaansche
vaandels wapperden straks aan de Rjjnboorden te Alfen
en, wellicht door de overmacht geprest, wierp het landvolk
hier eenige verschansingen op, die de voorhoede van het
leger tot beveiliging moesten dienen.
Eenige dagen later toonden de donkere rookwolken, die
uit het dorp Warmond opstegen, dat de Spanjaarden zich
ook daar hadden genesteld.
Tegen het einde van September kwam de langzaam voort-
rukkende vijand nog meer nabij. De voorposten stieten
reeds terstond op eene bende Leidenaars, die van geen
waken wilden weten. De Vaandrig Don Blasco snelde op
bevel van Valdez, die zelf den aanslag regelde, ter hulp.
Met onstuimige vaart rende hn\' vooruit, zoodat bij zijnen
drift duur moest bekoopen. Hij viel in de handen der
Geuzen, die met hunne speren menigen vijand doodelijk
wisten te treffen. De Spanjaarden namen in verwarring
de vlucht en met moeite ontkwam Valdez het dreigende
gevaar. Ruim honderd verslagenen bedekten het strijdperk
en de moed der Leidenaars was door deze zegepraal niet
weinig verlevendigd.
Niet minder verheugd waren de bewoners der veste, toen
het hun mocht gelukken een groot aantal runderen naar
de stad te voeren, die anders den troepen des Konings in
handen waren gevallen.
Toen de Alkmaarders op hunne bevrijde wallen het
«Victorie" hadden geroepen, zag het Noorderkwartier zich
spoedig daarop van den overlast der soldaten ontslagen.
De legermacht, die voor de dapperheid van eenvoudige
schippers en boeren niet bestand was geweest, trok naar
Leiden, om den smaad en de schande, bü Alkmaar geleden,
-ocr page 34-
31
straks door eene roemrijke zege uit te wisschen. Aldus
versterkt, maakte Valdez zich gereed tot het volvoeren van
zijn goed beraamd plan. Maar al te goed was het hem
gebleken, dat eene bestorming weinig kon baten. De groote
verliezen, bjj Haarlem en Alkmaar geleden, en de onwil
zü\'ner soldaten, die niet dan gedwongen tot eene beklimming
der muren waren te dwingen, hadden hem tot het besluit
gebracht, een meer afdoend middel te gebruiken. Hij zou
zijn krijgsvolk in een dichten kring om Leiden trekken,
zcodat niemand onbespied de stad zou kunnen verlaten. En
ald^s van allen toevoer afgesneden, moest de honger het
zwaard worden, dat de uitgevaste burgerij tot de overgave
hunner stad en tot volkomen onderwerping zou brengen.
Leideu\'s ondergang was schijnbaar naby. Geen plaats
toch, die gemakkelijker kon ingesloten worden; de stad
was goed bevolkt en schaarsch van het noodige voorzien.
Bovendien zou de Prins van Oranje weinig kunnen uitrichten,
daar het hem aan een leger ontbrak. Dit alles hield den
moed bfl Valdez levendig. Hy legde thans bezetting in Rn>
wijk, liet eene schans opwerpen aan den Delftschen weg,
tot beveiliging van den wachtpost aldaar en zorgde tevens,
dat de reeds bezette dorpen nog ruimer van krijgsvolk
werden voorzien. Bij de vroeger opgerichte schansen, ver-
rezen er nog nieuwe aan den Leidschen Dam, de Oude
Wetering, te Leiderdorp, Koudekerk, Alfen, Bodegraven..
Neerbrugge en Harmeien. Toen was de stad aan alle zijden
ingesloten. Op den 31sten October 1573, zes en vijttig
iaren na het begin der gezegende Hervorming, kon niemand
zonder levensgevaar binnen Leiden komen en evenmin de
stad verlaten.
Door de Reformatie had Rome\'s Kerk een geweldigen
-ocr page 35-
32
schok gekregen. Om de getrouwheid aan het Woord Gods
en zn\'ne vrjiheidsliefde, zou Leiden thans al de zorgen
en angsten, aan een beleg verbonden, moeten uitstaan.
Maar onze vaderen wilden God dienen naar den eisch van hunne
religie; hun geweten wenschten zjj nimmer aan banden te doen
leggen. Zes jar:-n hadden zg reeds den bloedigen kamp
tegen de tirannie des Pausen gevoerd. Alles was reeds
opgeofferd, goed en bloed beide; zou nu Leiden toegeven?
Neen, dat nooit! En mochten Eomero en Valdez wijzen
op de sterkte hunner troepen, die schier onoverwinnelijk
konden heeten, de belegeraars, die slechts een handvol
dapperen daartegenover konden stellen, betuigden echter
dat de Heere aan hun spitse stond.
Op Hem was hunne hoop, van Hem hunne verwachting!
Hoe fel dan ook bedreigd, onder Gods hoede en zorg zou
ook Leiden\'s burgerij veilig zjjn, mits zjj, onder afwachting
van \'s Heeren zegen alles in het werk stelden, wat strekken
kon om den vyand uit de veste te houden. En aan zulke
maatregelen ontbrak het niet. Alle ingezetenen werden
door het jjverige bestuur vermaand, om mede te werken
tot het verkrijgen van een rustigen toestand, zoodat vrede
en eensgezindheid onder allen mocht heerschen. Men werd
dringend gebeden zich niet schuldig te maken aan overdaad,
maar een eerlyk en geregeld leven te leiden; in de zaak
der Religie en der Regeering des lands diende men de noodige
eendracht te bewaren tot „eer ende glorie Gods."
Om te voorkomen, dat de zucht naar een laaghartig
gewin enkelen er toe mocht drijven, den prijs der levensmiddelen
hoog op te voeren, deed de Regeering allen weten, dat zij
elke week opnieuw zou bepalen, wat men voor de vei schillende
levensmiddelen diende te betalen.
-ocr page 36-
33
Ook naar buiten hield men een waakzaam oog. De huizen
en boomgaarden om de stad, waarin de rusteloos spiedend*
Spanjaarden zich zonden kunnen nestelen, om vandaar huimt
sluiptochten te doen, werden omvergehaald of uitgeroeid.
Kapitein Steffen van den Boom betrok in het laatst van
November de schans te Lammen en plantte er des Prinsen
vlag, die weldra den vijand uitdagend tegenwapperde.
De deken-fabrikant, die zich steeds deed kennen als een
oprecht vaderlander, nam ijverig deel in de ernstige pogingen
tot het bevrijden van zijne beminde stad. Daar zijn hande.1
al spoedig de gevolgen van het beleg ondervond, voegde
hfl zich bjj het vendel schatters, dat, onder bevel van Kapiteii
Andries Schot, den wal bewaakte tusschen de Hoogewoerds-
poort en het Vliegat.
Ook Floris Ghjjsberts, zijn bediende, wisselde den arbeid
ter werkplaatse zijns meesters met den wapenhandel af.
Hij betreurde het zeer, dat de beroemde dekenfabriek moest
stilstaan, en bereidwillig nam hy de uitnoodiging aan, om
mede te helpen tot het verdrijven van den gehaten Span-
jaard, die de welvaart uit deze gewesten deed wijken en
oorzaak was, dat de handel verliep. Zjjn hand omklemde
het vuurroer, vastbesloten zoolang mogelijk te volharden
in den strijd, tegen gewetensdwang gevoerd.
Tegen den middag van den 6en December vinden wij onze
vrienden, met eene groote menigte volks, bijeen. De winter-
vorst zwaaide zijn schepter en deed dit den burgers voor
goed gevoelen. Een koude wind blies sedert eenige dagen
over de vlakte en had de wateren, die den omtrek door-
sneden, doen stollen. Zou de vijand van deze gelegenheid
geen gebruik kunnen maken, om de stad binnen te trekken?
Dit moest worden voorkomen!
                                     8
-ocr page 37-
34
De klok begon te luiden en riep de burgerij op hunne ge-
wone verzamelplaatsen. Hier werden z\\j van sleden, bijlen
en haken voorzien en straks trok een breede stoet in de
vereisento orde naar buiten.
„Wfl zullen zorgen, Meester Alewyns," sprak Floris, toen
zij de Hoogewoerdspoort doorgingen, ,dat geen enkel vak
ongeschonden blijft. Alles zullen wö klein hakken; ik zie,
dat er reeds door de watergoten schepen worden uitge-
laten, die ons straks naar de overzijde kunnen voeren. De
Spanjaarden zullen op deze wijze weinig voordeel van den
winter hebben."
Alewijns knikte toestemmend. „Ik herinner mg het woord,
dat onze predikant, Pieter Cornelisz, gisteren tot mij zeide:
Wij moeten werken en bidden; alleen, wanneer wy onder
afbidding van \'s Heeren zegen de hand aan den arbeid
slaan, kunnen wij verwachten, dat onze pogingen met eeneu
goeden uitslag zullen worden bekroond."
Daar naderde de trein de aangewezen punten en met
lustigen ijver sloegen de Leidsche Geuzen den stevigen
ijsvloer aan stukken. De dekenfabrikant deed met zijne bnl
menig forschen slag en werd trouw geholpen door Floris,
die, met eeneu langen haak gewapend, een groot aantal
.schotsen tot gruis wist te stooten. Straks keerden de rappe
gasten huiswaarts, aan allen verheugd meedeelende, dat hei
ijs in den breeden buitensingel was vernield.
Het volk, dat door de Rjjnsburgerpoort was getrokken,
om laugs de Noord- en Westzijde der stad den waterweg
voor den vijand ontoegankelijk te maken, volbracht mede
welgemoed zijne taak en mocht de voldoening smaken, dat
ook daar het ijs werd opgeruimd.
Nog juist bijtijds was men aan den arbeid getogen, want
-ocr page 38-
35
nog dienzelfden dag bespeurde mon de nadering der vreemde
troepen, die het Kasteel te Warmond innamen, waardoor
zij een niet te versmaden voordeel behaalden.
Een dag later gebeurde er iets, dat voorzeker wel in
staat was, om den Leidenaars den moed te benemen.
De Spanjaarden besprongen de schans te Lammen, en het
vendel van Kapitein Van den Boom gedroeg zich weinig
kordaat. De bezetting nam in allerijl lafhartig de vlucht
en keerde naar de stad terug. De Gouverneur, hevig ver-
toornd over deze handelwijze, trachtte de sterkte te her-
winnen, maar vruchteloos. Een belangrijk punt van ver-
dediging ging opnieuw voor de stad verloren.
Door de vele uitgaven, die de Regeering moest doen,
ontstond, zooals te verwachten was, reeds spoedig geld-
gebrek. Toch wilde Leiden\'s bestuur niets in ontvangst
nemen zonder betaling. Om in dien nood te voorzien, ging
men er toe over, noodmunten te maken. Aan drie leden
der Vroedschap werd opgedragen de noodige maatregelen
te nemen. Zy droegen den boekbinder Jan Adriaensen op,
achtduizend schijfjes te vervaardigen, ongeveer ter grootte
onzer rijksdaalders. Vervolgens werden deze munten ge-
stempeld. Men voorzag ze van het Leidsche wapen, met
het opschrift: „Godt behoede Leyden," terwijl de andere
zijde den Hollandschen leeuw voorstelde, met eene lans in
de klauwen en boven op de spits eenen hoed. Langs den
rand stond: „Om der vrijheid wille." De waarde dezer
noodmunt werd op twintig stuivers gesteld, terwijl de Vroed-
schap beloofde, na het beleg dit papieren geld tegen gewone
specie in te wisselen.
Kort daarna werden er nogmaals munten in omloop ge-
bracht. Het waren thans stukken van vijf stuivers. Zij
-ocr page 39-
86
droegen aan de eene zjjde in eenen krans van laurierbladen
den naam „Leiden," en vertoonden aan de keerzjjde Hollands
fleren leeuw, met het opschrift: BStrjjd voor het Vaderland."
Enkele dagen vroeger, den 18den December 1573, was
Alva, Neêrlauds slachter en vloek, uit deze gewesten ver-
trokken. Hg ging heen met schande beladen; met alle
wreedheid had hij zjjne onderdanen vervolgd en hun zweet
en bloed gezogen. Achttien duizend menscuen vonden door
zjjn toedoen den dood. Om de ingezetenen tot rust te doen \'
brengen, had hij veertien millioen dukaten verspild en liet
eene ledige schatkist aan zijnen opvolger na. Toen hjj kwam,
lagen de steden roerloos aan zjjne voeten en zocht de Prins
van Oranje in den vreemde eene veilige schuilplaats. Thans
was meer dan eene provincie opgestaan, om te strpen voor de
vrjjheid des gewetens, zich, vereenigd met den Prins, met ernst
verzettende tegen den beul en zjjnen bloeddorstigen aanhang.
Alva\'s roem begon te tanen en dringend smeekte hg zjjnen
vorst hem terug te roepen. Eiudeljjk kreeg hjj een wenk.
Hjj liet voor zjjne afreis zjjnen schuldeischers op eenen
bepaalden tijd oproepen, maar des nachts maakte hjj zich
heimeljjk weg.
Zjjn opvolger, Don Louis de Zuniga El Requesens, Groot-
Kommandeur van Kastilië en gewezen Landvoogd van
Milaan, kwam nog in het laatst der maand in de Neder-
landen. Door zjjne vredelievende gezindheid scheen hjj juist
de man te zjjn, die Alva kon vervangen. Mocht het volk
zich derhalve gelukwenschen met deze verandering? In
geenen deele! Het pogen van den nieuwen Landvoogd, om
gunst te verwerven, moest juist ten prikkel strekken, om
dubbel op zjjne hoede te zjjn. Waar Spaansche valschheid
in den persoon van den vredelievenden Requesens vleiend
-ocr page 40-
87
rust kwam aanbieden, daar dreigde wezenlijk groot gevaar.
Dit begreep men binnen Leiden\'s muren maar al te wel en
met ernst en beslistheid zou het bestuur in later dagen elke
aanbieding van de zijde des vijands van de hand wyzen.
Het wenschte vol te houden tot het uiterste en liet uiets
onbeproefd om den moed der bevolking levendig te houden.
Als een lichtstraal in den donkeren nacht werkten de
koene waagstukken van de Vrijbuiters op de burgerij. Deze
onversaagde mannen gevoelden zich weinig tehuis in de enge
omgeving, die hen gekluisterd hield. Zij besloten eenen uit-
val te beproeven. Den 29sten December wierpen zij zich
in de legerplaatsen der gehate Spekken, en dezen, op zulk
eenen onstuimigen aanval niet voorbereid, verweerden zich
vruchteloos tegenover de krachtige Geuzen, die voor het
meerendeel van verlangen brandden, om hunne rekening met
Alva\'s dienaren te vereffenen. Een veertigtal vijanden
werden in triomf weggevoerd; bovendien waren z\\j nog met
eenen rjjken buit beladen. De behaalde zege dreef hen spoedig
daarop andermaal naar buiten en opnieuw mochten zij zich,
tot niet geringe schade der Spanjaarden, in eenen goeden
uitslag verheugen.
Zoo brak eindelijk de nieuwjaarsdag aan. Was het wonder,
dat menig vaderlandsch hart zich bekommerd afvroeg, wat
toch wel het nieuwe jaar brengen zouP Vele armen zagen
met zorg de toekomst in en menige hopelooze nacht kon
getuigen, dat de huisvader door de angsten, die zjjn hart
beklemden, tevergeefs de ruste zocht. Het verkeer naar
buiten was gestremd en alle bedrn\'f, dat z\\jn bloei ontleende
aan de ongestoorde gemeenschap met de omliggende plaatsen,
stond stil. Het voedsel werd allengs kariger en de honger
drong de huizen binnen.
-ocr page 41-
38
Waar moest eindelijk de arme, wien het aan arbeid ontbrak,
en toch voor vrouw en kinderen diende te zorgen, het
noodige vinden, oiu slechts het veege leven te kunnen redden ?
Gelukkig allen, die vertrouwend de toevlucht tot hunnen
Heiland konden nemen, overtuigd, dat Hg voor hen zou
zorgen te midden van donkerheid, beproeving en stryd. Eu
dezulken waren er. Meester E wout Alewijns had aan den
morgen van den eersten dag des jaars de zijnen by de trouwe
zijns Gods bepaald, die zpe kinderen wel zwaar beproeft,
maar ze op Zijnen tijd heerlijk uithelpt. Hij geloofde, dat
de Heere alle macht heeft in den Hemel en op de aarde,
en dat zonder Zijnen wil geen haar van ons aller hoofd
vallen zal. Hy smeekte dringend, dat de Heere hun aller
Leidsman en Hulpe wilde zijn en droeg den nood zijner
beminde stede aan Hem op, die Zich ontfermt over ieder,
die Hem in waarheid aanroept.
Den 31"teu Januari, reeds vroeg in den morgen, spoedde
Alewijns zich langs de Hoogewoerdsbrng, door de Nobelstraat
naar het Stadhuis. Hier heerschte eene buitengewone drukte.
Drie vendels schutters kwamen hier bijeen onder hunne
kapiteins en vaandrigs. De metselaars, timmerlieden en
allen, die tot de ambachtslui behoorden, droegen bijlen en
andere werktuigen, terwijl nog anderen waren voorzien van
verrejagers, polsstokkeu, die aan het boveneinde tot speer
waren gepunt. Op nog twee andere plaatsen, in de nabijheid
der Hooigracht en op het Marendorp, zag men terzelfder
tijd hetzelfde schouwspel. Hier stroomden de gravers, toe-
gerust met schoppen en breekijzers, te zamen, benevens al
het volk, dat mede ten arbeid zou trekken en dat eene
bijl als vernielingswerktuig op den schouder droeg.
Nadat de namen van al de uittrekkenden waren afgelezen,
-ocr page 42-
39
fpoedde men zich welgemoed naar buiten. Men wilde dit-
maal beletten, dat de vjjand zich te dicht in de nabijheid
van de oostelijke wallen legeren ging. Om dit te bewerken,
zou men beproeven de huizinge Stenevelt, in de nabijheid
der muren gelegen, neer te halen. Twee schepen voeren
mede den Rijn op; het zou de laatste maal zijn, dat zij de
golven mochten klieven. De muren van genoemde huizinge
moesten weldra voor de krachtige slagen der Leidenaars
bezwijken en eene puinhoop wees slechts de plaats aan,
waar het gebouw vroeger stond.
„Nu naar het Zijlhóf, voor dat de Spanjaarden ons het
werk beletten," klonk het uit aller mond en in allerijl trok
men naar het punt, waar de Z\\jl haar water in den Rijn
stort. Met even gelukkigen uitslag werd hier het werk der
verwoesting voortgezet. De muren, eertijds met zooveel zorg
en ten koste van veel t\\jd opgehaald, werden in weinige
uren afgebroken; alleen het geboomte bleef staande en vormde
een aantal zwijgende getuigen, die met hunne takken wezen
op de ledige ruimte, die zij insloten en waarin vroeger de
Zijlhof fier omhoog rees.
De Spanjaarden hadden van uit hun kwartier te Leider-
dorp de beweging opgemerkt en snelden straks voorwaarts
om den voortgang van het werk te stuiten. Er greep een
gevecht plaats, waarbij een viertal Spanjaarden sneuvelden.
De Leidenaars waren intusschen tot eenen anderen arbeid
overgegaan. De beide schepen had men naar het punt ge-
voerd, waar de Oude en Nieuwe Ejjn elkander ontmoeten.
Hier sloeg men eenige gaten in het eerste vaartuig en statig
zonk het schip naar beneden, weinig later gevolgd door het
tweede, een buitgemaakten bodem, die door de vrijbuiters
voor eenigen tjjd in triomf werd meegevoerd. De gezonken
-ocr page 43-
40
schepen legden den vijand zooveel beletsel in den weg, dat
ongetwijfeld de vaart op beide rivierarmen hun benomen
was. Geen wonder dus, dat de dappere Leidenaars een
gejuich aanhieven en de speellieden het Geuzen Te Deum,
het geliefde Wilhelmus, bliezen. De dekenfabrikant ver-
blijdde zich van ganscher harte in den goeden afloop dezer
onderneming. En toen straks eene groep schutters luide
begon te zingen, stemde hij geroerd mede in en hief met
al de anderen ootmoedig aan:
Mijn schilt ende betrouwen
Zijt Ghy, o God, mijn Heer I
Op U soo wil ick bouwen,
Verlaet mij nimmermeer;
Dat ick doch vroom mach blijven
U dienaer \'t alder stondt,
De tyranny verdrijven,
Die mij mijn hert doorwondt.
Nog geen drie weken later trok er opnieuw eene af deeling
schutters en een groot aantal gewapende burgers naar
buiten. De vorst dreigde andermaal met den vijand in
bondgenootschap te treden en hem het overtrekken der
wateren gemakkelijk te maken. Een stevige ijsvloer bedekte
de grachten en riep de Leidenaars opnieuw ten arbeid en
even bereidwillig kwam men te zamen, om met vereende
kracht den Sparijaard den voortgang langs dezen weg on-
mogeljjk te maken.
De volgende Zondag was, naar den wensen van den Prins
van OraDje, een plechtige bid- en dankdag voor Leidens
bevolking en mede voor allen, die het wel met de zake des
lands meenden. Het gerucht eener blijde zegepraal drong
ook tot de benarde veste door. Den 298ten Januari raakte
-ocr page 44-
41
de vloot der dappere Zeeuwen met de Spanjaarden slaags
bjj Roemers waal. De onversaagde Geuzen, die met geest-
drift Oranje trouw hadden gezworen, vochten als leeuwen.
Met eene stoutmoedigheid, die aan het ongelooflijke grensde,
besprongen zjj de schepen des vn\'ands en bleven rustig
staande, al werd er ook een kogelregen op hen afgezonden.
De Prins wierp zich in zijne kamer te Vlissingen bekom-
merd op de knieën en smeekte om redding uit dien nood.
Straks mocht hij blpe opstaan; de God der legerscharen
had zijn vurig smeeken gehoord; de Admiraal de Glimes
vond den dood en ternauwernood ontkwam Juliaan Eomero
een gelijk lot. Requesens aanschouwde, op het strand staande,
met eigen oog den ondergang zijner vloot, terwijl Oranje
Gode de eere mocht brengen voor deze verlossing. Men
moest, sprak de Prins, den zegen der overwinning overal
bekend maken en God grootelps loven en danken, en voorts
hartelijk bidden, dat Hij hunne zaak tot een goed einde
wilde brengen, opdat zij eenmaal, na veel droefenis tot
eenen goeden en gewenschten vrede mochten komen.
Alewijns ging met zijne huisgenooten naar de St. Pieterskerk
en te zamen brachten zjj Hem de eere, die uithelpt in den dag
der benauwdheid allen, die zich in den gebede tot Hem wenden.
Twee dagen later kon men weder feestvieren; den deken-
fabrikant werd geboodschapt, om op te komen inliet geweer.
Onder het roeren der trom en het spelen der schalmeien
trokken de schutters door de straten en de weigezinden
onder de burgerjj zagen met vreugde de vaandels wapperen.
Des avonds brandde men pekkransen en takkenbossen, en
de vlammen dezer vreugdevuren wierpen hun wonderlijk
schijnsel over den in schaduwen gehulden omtrek. Zoo
vierde men in Leiden de overgave van Middelburg aan den
-ocr page 45-
42
Prins. Na een bjjna tweejarig beleg had eindelijk de moedige
Mondiagon toegegeven en met krijgseer was hij den 19den
Februari uitgetrokken, beloovende het ontslag te zullen be-
werken van Marnix van St. Aldegonde, die bjj het bezetten der
Maaslandssluis onverhoeds was overvallen en door de Span-
jaarden naar het kasteel Vredenburg in Utrecht was gevoerd.
Zorgde zoo het bestuur om den gezonken moed weder
op te beuren, ook in vele andere zaken was het met ijver
werkzaam. Reeds in het begin des jaars ving het aan met
de uitdeeling van het brood, dat het den armen zonder
prh\'s deed toekomen; tevens gingen eenige vrouwen uit den
aanzienlijken stand rond, om aalmoezen voor de armen in
te zamelen. De toestand dezer behoeftigen was in waarheid
deerniswaard, en dubbel te berispen was daarom het gedrag
van sommige rjjken, die in overdaad leefden en den wijn bh\'
stioomen deden vloeien. Zjj werden tot matigheid vermaand
en moesten opgeven hoeveel wh\'n zij in voorraad hadden, opdat
men ze in den nood voor de zieken zou kunnen gebruiken.
Eindelijk was de maand Maart genaderd. Niet lang
meer zou men in Leiden met de zorg, door een langdurig
beleg ontstaan, hebben te kampen. Na vele onderhande-
lingen zag \'s Prinsen broeder, Lodewh\'k van Nassau, zich
eindelijk in staat gesteld om met een leger te velde te
trekken.\'Welhaast werden de geruchten tot zekerheid, dat
h\\j met zesduizend voetknechten en tweeduizend ruiters in
Limburg was gevallen en de stad Maastricht bedreigde.
De Spaansche bevelhebber Braccamonte verzamelde in
der haast het krijgsvolk uit Holland en trok met vijfentwintig
vendels naar den Maasoever. Nu kwam er ook beweging
in het leger rondom Leiden. Zou eindelijk het uur der
bevrijding hebben geslagen?
-ocr page 46-
43
De dekenfabrikant stond den 248,8n Maart op de wacht.
Hg blikte over den omtrek en een glans van vreugde kwam
op zijn gelaat. Eindelijk zou dan de ijzeren boei, die hen
zoolang vast omsloten hield, worden verbroken.
„De Spanjaarden breken op," sprak hjj tot zijnen makker,
„de kanonnen zijn reeds van de aard wei ken verdwenen en
de bezettingen verlaten reeds hunne posten. Valdez wil
zich denkelijk bij de legermacht voegen, die Graaf Lodewijks
inval beletten zal. God geve, dat zij niet mogen slagen."
„Dat bid ik met u," antwoordde zyn vriend. „Na eene
belegering van ruim twintig weken mogen wü thans weder
vrij ademen. Wij hebben alle reden om den Heere te
danken." En zoo was het inderdaad. Den volgenden dag
waren alle Spanjaarden verdwenen. De zware poortdeuren
knarsten op hunne hengsels en ongehinderd kon Leidens
bevolking naar buiten stroomen.
Vruchteloos scheen Valdez de stad belegerd te hebben.
Alewijns en de zijnen verheugden zich over deze gezegende
omkeering en Floris Ghgsberts was niet minder blijde, dat
de langgestaakte werkzaamheden eindelijk weder hervat
zouden kunnen worden. De fabrikant en zijne echtgenoote
vroegen zich echter niet zonder eenige bezorgdheid af, waar
hun geliefde zoon thans zon vertoeven. Had hij zich
wellicht bij het leger van \'s Prinsen broeder aangesloten,
en wat zou het lot der strijdenden zijn? Ook Margaretha
en Adriaen verkeerden dikwijls met hunne gedachten bij
den afwezigen broeder, die uit liefde tot zjjn vaderland het
zwaard had aangegord om den bloedigen kamp tegen de
vreemde overheersching te voeren.
-ocr page 47-
HOOFDSTUK IV.
Donkere wolken.
\'t Was een schoone Aprildag van het jaar 1574. Langs
den rechter Maasoever draafden tegen den avond een vijf-
tiental rniters, wier wapenrusting duidelijk aanwees, dat
zjj behoorden tot de legermacht van \'s Prinsen broeder,
Graaf Lodewjjk van Nassau, die voor eenigen tyd in Limburg
was gevallen. Voor hen lag stil en vreedzaam het dorpje
Mook, welks bewoners sedert eenige dagen niet zonder be-
zorgdheid de bewegingen en het gewoel der soldaten hadden
gadegeslagen.
Vriendelijk lachend nam op dit oogenblik de zon afscheid
en wierp haar schitterend schijnsel over den omtrek, die
thans in een legerkamp was herschapen. Achtduizend man,
waaronder ongeveer tweeduizend ruiters, waren hier ge-
legerd, om onder het bevel van den dapperen Lodewn\'k
den strjjd aan te binden tegen priesterdwang, Inquisitie en
Spaansche huurlingen, opdat zoo de vrijheid des gewetens
voor de landzaten mocht worden verworven en de schare
zich aan de bron van Gods Woord zou kunnen laven.
Tenten, wagens, kanonnen en bagage stonden hier in
eene bonte wanorde dooreen, terwijl de vaandels en vlaggen
hunne banen wapperend ontplooiden. Het trompetgeschal
verbrak de stilte, die in deze eenzame omgeving heerschte
-ocr page 48-
45
en de Duitsche lansknechten zongen hunne ruwe zangen of
spraken over de soldij, die hun maar al te karig toevloeide.
Voor het geld leenden zg immers hun arm, daarvoor streden
zij. De zaak der vrgheid ging hun weinig ter harte en de
treurige toestand des lands evenmin.
De rniterbende trok langzaam verder, daar de aanvoerder
sedert eenige minuten zg\'n schimmel inhield en het vermoeide
dier, dat naar rust verlangde, volgzaam het bevel van zijn
meester had volbracht.
,Wjj zullen ginds gaan afstappen," sprak hg als tot zich
zelf. „Ik ben letterlek uitgeput en mijne manschappen zullen
wel aan dezelfde kwaal lijden."
Nog eenmaal spoorde hg zg\'n ros tot meerderen spoed
aan en gevolgd door zijne makkers, ging het in uitgestrekten
draf in de richting van de gelegerde troepen voorwaarts.
„Halt," riep hg weinig later met krachtige stem, en
oogenblikkelgk werd aan zijn bevel voldaan. De krijgslieden
stegen af en na hunne paarden goed verzorgd te hebben,
zochten allen hun kamp op, waar het hun aan de noodige
verkwikking niet zou ontbreken.
De hopman plaatste zich weinig later te midden van den
kring, die een levendig gesprek had aangevangen. Onder-
zoekend blikte hg om zich heen en de hand op den schouder
van een der ruiters leggende, die in diep gepeins verzonken,
geen acht scheen te geven op hetgeen een der mannen aan
zgne makkers verhaalde, fluisterde hg: „Waartoe zoo stil,
Gerbrant; wordt ge moedeloos nu wjj eindelgk met den
vgand zullen kennis maken?"
De aangesprokene richtte zich op. „Neen, hopman," ant-
woordde hg, „ik verwglde juist met mgne gedachten in
mgn vaderstad en dacht aan mgne ouders, die zeker reeds
-ocr page 49-
46
lang tijding van hun afwezigen zoon hebben verwacht. God
geve, dat Leiden niet in de handen der Spanjaarden valle."
„Dan heb ik eene goede tijding voor u," ging de eerste
voort, „de vijand heeft het bel^g voor Rijnlands hoofdstad
opgebroken, daar R^quesens terstond heeft geboden, dat
de troepen van Valdez mede zullen optrekken om ons van
hier te verjagen. Ge moogt dus de hoop koesteren, dat
de nwen zich thans over hunne verlossing verheugen en
dat de gehate Spanjaarden vooreerst de stad niet weder zullen
insluiten."
De zoon van den dekenfabrikant zuchtte. ,Indien onze
troepen eens worden verslagen," vroeg hij weemoedig, „wat
dan?"
„Verban die sombere gedachten," merkte de hopman op.
„Ik geloof, dat onze kans zoo kwaad niet staat. Graaf
Lodewijk heeft eene aanzienlijke legermacht te zijner be-
schikking en zoo het hem gelukt zich met zijnen broeder
te vereenigen, die zesduizend man in de Bommelerwaard
heeft vergaderd, vertrouw ik, dat onze veldtocht gelukkig
zal afloopen. Indien wij dezen slag winnen, zal geheel
Brabant ons toevallen. Jammer echter, dat wij Maastricht
niet hebben kunnen nemen."
„Ik zie den toestand niet zoo rooskleurig in," ging Gerbrant
voort, „er zijn reeds zooveel plannen mislukt en het mee-
rendeel drr soldaten is allesbehalve geneigd het leven voor
het Woord Gods te laten. De oude kwaal der muiterij is
reeds in het leger uitgebroken; er heerscht volstrekt geen
goede geest onder de huurlingen en ik vrees, dat de Duit-
schers in het gezicht van den vijand om geld zullen beginnen
te schreeuwen, in plaats van de bevelen hunner officieren
pp te volgen."
-ocr page 50-
47
De hopman zweeg. In zijn hart moest hjj Gerbrant gelijk
geven. H\\j wist, dat de uitlandsche soldaten zich alles-
behalve ordelijk gedroegen en dat het te voorzien was, dat
zij niet met denzelfden moed zouden strijden als de dappere
Vaderlanders, die vochten voor de vrijheid van geweten,
voor vrouw en kind. Toch werd hij niet moedeloos. „De
Heere zal ons hulp verleenen; wij willen aan Hem den
uitslag overlaten," zeide hij. „Nog worden wij vernederd;
op Gods tyd komt de uitredding."
De Leidenaar knikte toestemmend. „De Spaanscbe be-
velhebber d\'Avila zal ondervinden, dat met Graaf Lodewijk
uiet valt te spotten," sprak een der ruiters, die het laatste
deel van het gesprek bad opgevangen. „De Graaf weet een
leger ter overwinning te voeren en bezit groote krjjgsbe-
kwaamheden."
,Gjj hebt gelijk," zeide de hopman. „Onze bevelhebber is
een ridder zonder vrees, die voor de bescherming der ver-
drukten goed en bloed opoffert. H\\j wenscht niets liever
dan ons te verlossen uit het knechtschap der vreemde
despoten, opdat wij allen in het voorrecht mogen deelen,
om den Heere naar de overtuiging van ons hart te dienen.
Ik heb den Graaf persoonlijk leeren kennen en bij Heili-
gerlee, waar hy de glansrijke zegepraal bevocht, met hem
gestreden. Lodewijk toont veel scherpzinnigheid bij aanslagen
en van zijne stoutheid in het vechten hebt gy zeker allen
meer dan eens gehoord. Hij is verheven en heldhaftig in zijne
geheele persoonlijkheid en weet met majesteit te gebieden."
„\'s Prinsen broeder is een recht vorstelijk krijgsman," her-
vatte de eerste spreker opnieuw. „Ik weet echter bn" ervaring,
dat hij in den omgang in hooge mate beminnelijk is; zjjn
gelaat staat immer vriendelijk en door zijne blijmoedigheid
-ocr page 51-
48
en opgeruimdheid weet hjj onwillekeurig de harten tot zich
te trekken. Onverdroten werkt hjj voor ons aller welzijn,
onder afbiddiug van den zegen des Heeren, want Graaf Lode-
wijk is van harte de Reformatie toegedaan en een oprecht
Christen."
„Dat is een groot voorrecht," betuigde de hopman. „Toen
het licht der genade nog niet bjj onzen Prins van Oranje
was doorgebroken, mocht zjjn broeder zich reeds verblijden
in de heerlijke vrijheid der kinderen Gods. Voor Diens eere
wenscht hjj te kampen, en terecht kunnen wg op hem toe-
passen wat ons Wilhelmuslied van den Prins zegt:
Na \'t guur sal ick ontvanghen
Van God, mijn Heer, dat soet,
Daer na so doet verlanghen
Myn vorstelic ghemoet,
Dat is, dat ick mach sterven
Met eeren in het velt,
Een ewich ryc verwerven
Als een ghetronwe held.
„Leve Graaf Lodewigk!" roept een der ruiters en allen
stemmen van harte met dien juichkreet in. De manschappen
maakten zich thans gereed om in de armen van den slaap
de vermoeienissen van den dag te vergeten, en ook de
hopman stond op. In het voorbijgaan fluisterde hij Gerbrant
in het oor: „Herinner u het woord, dat Prins Willem eens
heeft gezegd: de Heere zal verlossing geven. W\\j moeten
den moed niet verliezen en steeds voortgaan in ons werk,
met Z\'j\'nen almachtigen bjjatand."
Het gelaat van den aangesprokene helderde op. „Met God,
voor Nederland en Oranje," sprak hjj ernstig. aW$ bljjven
-ocr page 52-
-ocr page 53-
49
lotgemeen ook in \'tbarneu van het gevaar; getrouw aan de
zaak der vrjjheid tot in den dood." De beide mannen drukten
elkauder de hand en gingen getroost heen, zich in Gods
bescherming geloovig aanbevelende. .
Nog geen twee dagen later, aan den morgen van den
14den April, stonden de beide legers in slagorde tegenover
elkander. B\\j Graaf Lodewjjk bevonden zich z\\jn broeder
Hendrik van Nassau en Hertog Christoffel van de Paltz.
Den vorigen dag was de Spaansche bevelhebber Sancho
d\'Avila de Maas overgetrokken, en Lodewjjk vond spoedig
den verderen weg versperd. Maar al te duidelijk bleek
aan de onzen, dat het hier tot een beslissenden slag zon
moeten komen. „Overwinnen of sterven," mocht nu wel
de leus zjjn, want terugtreden, waar hjj met zooveel ver-
langen werd verbeid, waar naar zjjne komst als die eens
engels werd uitgezien en Oranje hem in brief op brief tot
spoed had aangemaand, dit was onmogelijk. Zoo hing van
den slag, die thans zou worden geleverd, de geheele toe-
komst van het leger af. En menig vaderlandsch hart volgde
in den geest den edelen Graaf, op wien aller hope zich
vestigde.
\'t Was een ernstig oogenblik, toen Lodewgk zjjne troepen
monsterde. Hjj wist, dat het een kamp op leven en dood
zou worden. Echter vreesde hg niet; met lichaam en ziel
had hjj zich reeds lang in Gods handen aanbevolen. De
Heere zou hem niet verlaten!
d\'Avila had het slagveld met groot talent uitgekozen.
Mendoza plaatste zich met zijne Spaansche ruiterij in den
vorm eener halve maan en de overige troepen stonden in
dezelfde orde ah) die van den Graaf. In de eerste gelederen
4
-ocr page 54-
50
plaatsten zich de karabiniers te paard en daar achter de
lanciers.
Lodewijk verschanste zich met tien vendels voetvolk
achter eene diepe gracht. Dat was de voorhoede. Het
overige voetvolk volgde in een groot vierkant. Op den
rechtervleugel stond de ruiterij, die wegens de beperkte
ruimte straks weinig zou kunnen uitrichten, \'s Prinseu
broeder sprak allen benden moed in, en vermaande allen
tot dapperheid.
Daar rees de zon omhoog; het was geen tooneel van
vrede, dat zij bescheen. Nog maakte het dorpje Mook
scheiding tusschen de legermachten. De Duitschers, die
voor vier stuivers daags dienden, begonnen om geld te
schreeuwen. Lodewjjk beloofde, het hun na den slag te
geven. Er ontstond verwarring; toch bleef de Graaf stand
houden. De Spanjaarden vielen op de versterkte gracht
aan. Woedend vochten zjj, maar na krachtigen tegenstand
zagen zij zich telkens genoodzaakt terug te trekken.
Van alle zijden klonk thans het schetteren der trompetten,
die den vijand tot een algemeenen strijd uitdaagden.
d\'Avila, op de komst van Valdez\'manschappen wachtende,
werd ongeduldig en viel met de zijnen andermaal op de
gracht aan. Er werd met verbittering gestreden; de in-
fanterie van den Graaf werd geslagen.
Nog was de ruiterij niet te voorschijn getreden. Daar
klonk het voorwaarts ook hun in de ooren, en vastberaden
renden de ruiters, door Graaf Lodewn\'k aangevoerd, op den
vijand in. Met weergalooze dapperheid werd er gestreden,
en de Spaansche bevelhebber zag zich het behaalde voordeel
geheel ontnomen.
Gerbrant vocht aan de zpe van den hopman met leeuwen-
-ocr page 55-
51
moed. Zij deden menigen Spaanschen haakschutter deinzen,
en door den onstuimigen aanval onthutst, nam de v\\jand in
verwarring de vlucht. Velen hunner mocht het niet ge-
lukken, de overzn\'de van de Maas te bereiken, en vonden
hun graf op den bodem der rivier. Maar onverwrikbaar
waren de Spaansche lanciers staande gebleven. Z\\j sprongen
vooruit om de nederlaag der hunnen bloedig te wreken.
De Geuzen werden nu op hun beurt overrompeld. Een
hevig en verward gevecht volgde.
„Voor God en Oranje," riep de hopman, terwijl hjj door
een krachtigen sabelhouw een Spanjaard nedervelde. Maar
die juichkreet werd gevolgd door een rauw, roggelend geluid
en bewusteloos zonk de moedige strjjder neder, terwijl een
breede bloedstroom hem uit eene diepe wonde golfde. Een
Spaansch soldaat had hem met de punt zijner lans een
doodeljjken steek toegebracht. Eigen gevaar vergetende,
wilde Gerbrant toespringen, toen hg een kwetsuur aan den
arm ontving. De vjjand moest deze daad duur betalen;
met zgn goed zwaard bracht de Leidenaar hem een slag
toe, die hem voor goed buiten het gevecht stelde. Thans
zijnen vriend aangrijpende, snelde hij met zijn last voorwaarts
en wist zich in veiligheid te stellen. Enkele minuten later
gaf de zwaar gewonde evenwel den geest. Hoewel zich
eene diepe smart van Gerbrant meester maakte, riep de
strjjd hem andermaal op zjjn post. De Spanjaarden kregen
telkens versterking, en op den duur vermocht de dapperheid
van Lodewjjk niets tegen de overmacht. Hjj moest zien,
dat z\\jn geheele leger ten onderging en dat hg wellicht
zelf al strijdende den dood zou vinden.
Voor het laatst verzamelde hu\' eene kleine ruiterbende,
waaronder ook zjjn broeder Hendrik behoorde, en deed een
-ocr page 56-
52
wanhopigen aanval. Duur wilde hg zijn leven verkoopen.
Niemand weet wat Let beloop van dien strijd is geweest.
Het einde was te voorzien; bijna het geheele leger werd
vernietigd. Die niet door liet zwaard werden gedood, von-
den een veischrikkelijken dood in de moerassen, waar zjj
ellendig omkwamen. Sommigen vluchtten in de boeren-
woningen, die door de Spanjaarden in brand werden ge-
stoken. Enkelen, die door een koenen sprong de vlammen
wilden ontgaan, werden opgevangen op de pieken des vflands
en vonden zoodoende een nog wreeder dood.
Gerbrant ontkwam met moeite het dreigend gevaar. Met,
enkele ontkomenen vond hij het verminkte lijk van den Graat,
maar de onbarmbartige v\\jand zweepte hen meedoogenloos
voort; en toen straks het slagveld werd onderzocht, was
noch het lük van Lodewhk, noch dat van Hendrik van
Nassau teiug te vinden. Ook Christoffel van de Paltz was
gesneuveld. Onzeker is het, op welke wijze \'s Prinsen broe-
ders den dood vonden; wellicht werden hunne lichamen uit-
geschud en onder de hoeven der paarden vertrapt.
Een droevig einde voorwaar! Duur — zeer duur is de
vrijheid des gewetens gekocht. Goed en bloed werd schijn-
baar tevergeefs opgeofferd, \'s Heeren wegen zijn soms
duister en — nog was het Godes t\\jd niet.
Met diepen rouw in het hart spoedde Gerbrant zich voort,
om den zijnen den rampspoedigen uitslag van dezen veld-
tocht te boodschappen.
In Leiden was men recht verheugd over het vertrek der
vreemde troepen, die al de inwoners genoodzaakt hadden
om binnen der stede moren hun verblijf te houden. Zoodra
•
-ocr page 57-
53
dan ook de poorten geopend werden, stroomden velen de
velden in, die maar al te duidelijk de sporen van het ver-
bl\\jf der vreemdelingen vertoonden. De aanblik op de kale
akkers en omgewoelde weilanden was allesbehalve bemoe-
digend, maar toch vervulde de gedachte, om door noeste
vl\\jt de geleden schade weder te herstellen, het hart met
blijde hoop. Menig burger of ambachtsman, die in den nood
een toevlucht in de stad had gevonden, nam zijn gehavend
huis, buiten de wallen staande, in oogenschouw en over-
legde bjj zichzelf hoe hij het op het voordeeligst zou kun-
nen herstellen. Dat het bestuur met die voortvarendheid
weinig ingenomen was, moesten deze lieden tot hunne schade
spoedig daarna ondervinden.
Het papieren geld, tpens het beleg in omloop gebracht,
werd thans tegen gangbare specie ingewisseld, en tevens
verviel de vaststelling van den pr\\js der levensmiddelen.
De vier vendels bezetting waren thans overbodig geworden,
en met vreugde zag het meerendeel der ingezetenen hen
den 16den April vertrekken. Alleen de moedige Allaertz
bleef met zijne bende vrijwilligers in de stad, om met de
schutterij voor de veiligheid der veste te zorgen.
De werkzaamheden aan de verschillende fabrieken konden
nu ook worden hervat en de huisvaders, die eenige weken
geleden tevergeefs naar arbeid hadden omgezien, zagen zich
opnieuw in de gelegenheid gesteld, om door eigen werk-
zaamheid voor het onderhoud hunner gezinnen zorg te
dragen. Meester Alewjjns kon de lang gestaakte bezigheden
aan zgne fabriek hervatten en Floris Gkpberts was weldra
rusteloos bezig met het inpakken en verzenden der dekens,
waaraan zulk een goede aftrek te beurt mocht vallen.
In den morgen van den 16den April, twee dageu na den
-ocr page 58-
54
noodlottigen slag op de Mookerheide, vinden wjj den deken-
fabrikant in reisgewaad te midden der zijnen gezeten. Zyn
handelszaak maakte het noodig, dat hij voor korten tjjd naar
elders zon moeten vertrekken. Aan het gelaat der huis-
genooten kon men duidelijk opmerken, dat zij den beminden
vader slechts noode wilden missen. Alewjjns hoopte naar
Middelburg te reizen, waar h\\j een bevriend huis, dat jaren
lang zijne goederen verkocht, moest bezoeken. Zjjne ecLt-
genoote en kinderen hadden hem reeds dringend verzocht
den voorgenomen tocht tot later uit te stellen, daar het
vooral in het zuiden des lands wemelde van vreemd krjjgs-
volk. Maar uitstel was niet laDger mogelijk.
„Met \'s Heeren hulpe keer ik spoedig terug," verzekerde
Alewjjns. „Floris, onze bediende, die trouw mijne zaken
behartigt, zal zoolang de werkzaamheden regelen. En wat
uwe bezorgheid betreft voor mogelijke onveiligheid, ik ge-
loof, dat ge u noodeloos ongerust maakt. Ge weet, dat
al de Spanjaarden naar Limburg zijn getrokken, waar zij,
onder hun veldheer d\'Avila, Graaf Lodewnk van stap tot
stap volgen.
De Prins bevindt zich reeds met z\\jn leger te Gorkum,
eu met Gods hnlpe zullen de beide broeders gezamenlijk
den vijand verslaan, zoodat onze benarde provinciën eindelijk
van alle boeien zullen worden ontslagen."
„Ik vrees, dat het anders zal afloopen," zuchtte zijne
echtgenoote. „Heeft Lukassen ons niet medegedeeld, dat de
troepen van Lodewjjk uit ongeoefende soldaten bestaan, die
slechts strijden om loon en van de ware beginselen weinig
doordrongen zijn? De arm des Heeren is echter niet v»r-
kort; wij blijven hopen en bidden."
De dekenfabrik&nt stond op en na de zijnen hartelijk
-ocr page 59-
55
omhelsd te hebben, spoedde hjj zich naar buiten. Hg door-
liep eenige straten en hield eindelijk stil voor eene herberg,
waar de voerman hem reeds opwachtte. Alewjjns plaatste
zich bjj het reisgezelschap, dat hem tot Wilsveen zou ver-
gezellen, in den wagen, en enkele minuten daarna trok het
voertuig door de Hoogewoerdspoort naar het zuiden.
-ocr page 60-
HOOFDSTUK V.
Genade en Vergiffenis.
Tegen den middag van den volgenden dag draafde een
ruiter op den eenzamen, landeljjken weg, die naar de stad
Leiden voerde. Een dikke stofwolk, door den hoefslag van
het snuivende ros opgejaagd, omgaf hem en onttrok zjjn
wapenrusting aan het oog van den landbewoner, die pein-
zend den jeugdigen krjjgsman nastaarde. Zij maakte tevens
de bloedvlekken onzichtbaar, die op den maliënkolder des
ruiters waren te vinden. Met somberen blik zag hg voor
zich uit naar de stad, die zich weder begon te verschuilen
in het groene kleed, dat de Lente om haar heen spreidde.
De spits der St. Pieterskerk blonk in den glans der zon
en wees naar de blauwe lucht, naar den hemel, waar de
Heere der heirscharen troont, Wien alle macht gegeven is in
den hemel en op de aarde, en Die alles bestuurt naar Zon
heiligen en wgzen Wil.
Dacht de ruiter aan Hem? Een bange zucht ontsnapte
op dit oogenblik aan zjjn boezem, en aan den teugel trek-
kende, maande hij zgn klepper tot stilstaan. Hij verzonk
in gepeins en het hoofd gleed op de borst.
„Helaas," klonk het uit z\\jn mond, „ik heb eene vreese-
ljjke tjjding te brengen. Meende ik voor enkele dagen, dat
-ocr page 61-
57
ik de kondschapper zou zijn van een heerlijk nieuws, thans
moet ik een Jobsbode zijn.
Zij zullen er daarbinnen waarschijnlijk niet aan denken,
dat de vijand het wagen zal om weer terug te komen. Eer
echter geheel de omtrek zich in haar zomerdos heeft
gestoken en de schepping haar jubellied begint te zingen,
zal men in Leiden reden hebben om een kreet van angst
te slaken, daar Valdez dan opnieuw alle toegangen met
een aanzienlijk leger zal hebben bezet.
Zeker heeft men in Leiden op het wegblijven des vijands
gerekend, want overal verheffen zich de veldschansen, die
de Spanjaarden tijdens het beleg hebben opgeworpen. Wat
zullen de Spekken zich vroolijk maken over de misrekening
der Hollanders, die hen zoodoende een zwaren arbeid heb-
ben bespaard. Arme, arme stad. Indien er nog slechts is
gezorgd om kruit en lood in de veste te krijgen en bovenal,
zoo men maar den noodigen leeftocht heeft opgeslagen. Nu
is de gunstige ure voorbij en wanneer er geen maatregelen
genomen z\\jn, zal niemand bij machte wezen den Spanj aar-
den hunne zwakke prooi te ontweldigen. De honger is dan
het zwaard, dat ons allen zal ombrengen." Het vermoeide
paard schudde bij deze woorden ongeduldig met den kop en
stoorde zijn meester in diens sombere overpeinzing. Deelde
het arme dier wellicht in de smart van den ruiter, dien
het meer dan eens in het gewoel van den strijd had
gevoerd?
„Ja, voort mjjn beest," sprak de jonge man, „gij verlangt
naar uw voeder. Er zal spoedig genoeg gebrek zijn aan
het noodige ook voor het redelooze dier. Zoolang de Heere
mij het leven spaart, zal ik echter strijden voor Gods Woord
en de vrijheid," en met krachtigen greep omklemde h\\i het
-ocr page 62-
58
breede zwaard, dat nog de sporen van pasgestroomd bloed
liet zien.
„Of ik de mijnen in welstand zal ontmoeten! Vader,
moeder, Margaretha, Adriaan? \'t Is lang geleden, dat ik
ze mocht begroeten. Maar stil, hoor ik daar niet den hoef-
slag van een paard." En de kromming van den weg vol-
gende, zag hij werkelijk een ruiter naderen, wiens kostbare
kleederen en sierlijke wapenen den edelman dier dagen
deden kennen. In vollen draf reed hij den naderenden krijgs-
man tegemoet. Hij wierp voor een wijle een onderzoekenden
blik op het gelaat van den vreemde, die van zijn kant reeds
spoedig opgemerkt had, wien hij voor zich had.
„Welkom G-erbrant," riep de edelman zichtbaar verheugd,
terwijl hij den vermoeiden ruiter de hand reikte. „Brengt
gy goede tijding?"
De aangesprokene groette minzaam, „\'t Verheugt mü, u
te ontmoeten, Heer van Duivenvoorde," zeide hij. „M\\jn
komst is echter verre van verblijdend. Wij zijn volkomen
geslagen, — ons geheele leger is vernield."
„En Graaf Lodewijk?" vroeg Heer Jan van Duivenvoorde
in gespannen verwachting.
„De dappere aanvoerder, de held van Heiligerlee, is ge-
sneuveld. Op de Mookerheide heeft hij met zijn broeder
Hendrik van Nassau en Christoffel van de Paltz een wreeden
dood gevonden. Niemand weet waar hunne lijken gebleven
zijn; twee krachtige steunpilaren der vrijheid zijn gevallen."
De ridder ontroerde. „Wonderlijk zijn \'s Heeren wegen,"
zuchtte hij. „Graaf Lodewijk was een volmaakt edelman;
hij heeft zich steeds dapper gedragen en was moedig en
vol beleid. God zal echter zjjn macht en ontferming aan
ons doen blijken. Weet gij iets van Oranje P"
-ocr page 63-
59
„Onze beminde Prins leeft en zal ongetwijfeld zwaren
rouw dragen over den dood van zijne geliefde broeders. De
muitzieke troepen zijn letterlijk geslacht. Vier duizend der
onzen vonden een verschrikkelijken dood en de edele helden,
die ons Vaderland uit de klauwen des verderfs wilden
redden, hebben hun edel bloed gestort."
„De toekomst wordt hoe langer hoe donkerder, Gerbrant.
Holland zal het zwaar te verantwoorden hebben. Weet
g\\j wat het plan der Spanjaarden isP"
„Ja, Heer van Duivenvoorde; de vreemde lansknechten,
door de behaalde zegepraal aangevuurd, zullen opnieuw
deze streken doortrekken en de eene stad na de andere
innemen en Leiden zal het eerst voor hun geweld moeten
bukken."
„De Heere moge ons bewaren, mijn vriend. Hg kan eene
zwakke stad beschermen en den vreesachtigen moed geven-
Zijn raad zal bestaan."
Zwjjgend reden de ruiters naast elkander voort en kwamen
in de stad, welker bewoners na eene zware benauwing weer
vrijelijk mochten ademen. Hier nam de edelman afscheid
van Gerbrant, die zich naar \'s Prinsen stadvoogd, Heer
Diederick van Bronkhorst, spoedde om hem den ongelukkigen
afloop der onderneming te boodschappen. Weinig later
bevond hij zich andermaal op straat en met haastigen tred
zocht hij thans de welbekende woning op, waarin Heer
Alewijns zijn handel in dekens had gevestigd.
Floris Ghijsberts, die juist een pak goederen moest be-
zorgen, trad den zoon zijns meesters tegemoet. „Inderdaad
hij is het," fluisterde de bediende. „Wat ziet hij somber;
ja, de krijg is verschrikkelijk, \'k Wou, dat alle Spanjaarden
voor goed den lande werden uitgebannen. Wat wordt er
-ocr page 64-
m
zoo van onzen handel; de dekenfabriek van".....Haastig
brak hij af. De krijgsman scheen dermate in gedachten
verzonken, dat hjj den bediende zijns vaders niet eens had
opgemerkt.
„Welkom Gerbrant," klonk het den haastig voortstappenden
ruiter tegen.
„Floiïs," riep de jongman verrast, en de beide vrienden
deelden elkander haastig de gebeurtenissen van de laatste
weken mede. Het deed Gerbrant leed te moeten vernemen,
dat zjjn vader juist vertrokken was, maar niet minder
hartelijk omhelsde hg zijne moeder, de liefhebbende
Margaretha en ook z\\jn jeugdigen broeder.
„Er zullen nog zwaarder tijden voor ons allen aanbreken,"
sprak h\\j, nadat hy zgn honger door een stevig maal had
gestild. Graaf Lodewjjk heeft in den beslissenden strjjd het
onderspit gedolven. De Heere weet waartoe! Voor de
tweede maal zullen de Spaansche vaandels van de schansen
wapperen en wat ons dan te wachten staat, gij weet het."
„Word niet moedeloos, Gerbrant," sprak Juffer Alewijns.
„Wel is de teleurstelling groot, en werd aan de zaak der
vrpeid een diepe vernedering bereid, toch bljjft de Heere een
helper in den nood. Telkens moet de hoop op inenschen falen;
wellicht is het, omdat de Heere ons wil toonen, dat Hg
alleen redding en verlossing kan aanbrengen. Herinner u
de woorden van het onde lied, dat wjj vroeger hebben gezongen:
Godt. is alleen victorieus,
Waghen noch ros en helpt den Gens,
Noch kan niet uyt gaen rechten!
-ocr page 65-
61
In de eerste dagen van de maand Mei heerschte er eene
ongewone drukte en bedrijvigheid aan de kaden van de
groote koopstad Amsterdam. Het was ditmaal geen gewoel
van tallooze handelaren, die uit alle landen waren saam-
gekomen om hunne zaken te drijven of hunne waren in te
schepen. Het luidruchtig rumoer van krijgsvolk deed menig
vreedzaam burger uit zijne rast opschrikken en de ruwe
liederen, die in het rond weerklonken, waren voorzeker
wel in staat om het hart der vrouwen en meisjes te doen
ontstellen, die niet zonder reden voor de vreemde soldeniers
waren beducht.
Allerlei krjjgsbehoeften en levensbenoodigdheden werden
in de talrijke vaartuigen geborgen, en nadat de soldaten
zich aan boord hadden begeven staken de schepen van
wal. De geheele vloot volgde denzelfden koers en het was
voor ieder duidelijk, dat de Spanjaarden andermaal naar
Zuid-Holland wilden stevenen, waar de bevolking derhalve
ten tweede male het onwelkome bezoek eener gehate kr\\jgs-
macht wachtte.
Het Haarlemmermeer en de Amstel droegen eenige uren
later de vreemde bodems en de wind, die de zeilen deed
zwellen, bracht ze verder op de Drecht. Het scheen, dat
de onderneming geen uitstel mocht ljjden, want rusteloos
werd de vaart voortgezet. De bewoner vau Leiderdorp,
die zich in dit late uur nog buiten bevond, ontwaardde
spoedig, tot zijn niet geringe verbazing en schrik, een menigte
schepen, die steeds nader kwamen. Bij de brug van het
dorp streken zjj hunne zeilen en de bewoners werden wakker
geschrikt door het rumoer, dat de vreemde troepen begonnen
te maken.
Toen de nachtelijke duisternis den volgenden dag was
-ocr page 66-
62
gevallen, zon het den Leidenaars tot hunne niet geringe rer-
bazing blijken, dat het wederkeeren der Spaansche krjjgs*
macht werkelijkheid was geworden. In den omtrek der stad
had men straks eeuige mans happen zien sluipen, die het
vee wilden rooven. Er werd alarm gemaakt en de dappere
hopman Audries Allertz trok met een dertigtal soldaten de
stad uit om de dieven voor goed te verdrijven.
De stroopers bleken echter talrijk te zjjn en de dappere
burgers moesten zien, dat z$ niet met eene ongeregelde
bende te doen hadden, maar dat het Spaansche leger hier
zgne tenten had opgeslagen. Deze uitval moest derhalve
wel ongelukkig afloopen. De soldeniers kwamen weer met
haast in de stad veiligheid zoeken en brachten de treurige
tijding mede, dat de moedige hopman door de Spanjaarden
was gevangen genomen. Dit bericht schokte velen, daar
Allertz algemeen werd geacht.
De wallen werden na terstond van bezetting voorzien,
om tegen een mogelijken aanval des vijands beveiligd te
zijn; en een bode toog naar den Prins, die zich te Dordrecht
bevond, om hem van het naderend gevaar te onderrichten.
Allen vreemdelingen, vrouwen en kinderen werd vergunning
verleend om nog intijds eene veilige wpplaats op te zoeken
en menigeen, die met vreeze en beving de toekomst der
veste inzag, vluchtte ijlings en bracht zoo de droevige mare
van Leidens hernieuwd beleg ook naar andere steden over.
De omliggende plaatsen ondervonden spoedig genoeg, dat
het belegeringsheir was teruggekeerd. Er kwamen kort
daarop eenige vendels Spanjaarden te Zoeterwoude, en \'s Gra-
venhage werd mede door eene aanzienlijke krijgsmacht bezet.
Tevens werd de schans aan de Goudsche sluis hevig be-
sprongen door eene afdeeling Spaanschen. De Engelschen
-ocr page 67-
63
en Hollandera, daar in bezetting, verweerden zich dapper
en deden menigen vijand in het zand buten. Eindelijk
moesten zij aftrekken; het begon hun aan kruit te ontbreken
en de hardnekkig verdedigde wallen gingen over in de
handen van Valdez.
De Eugelschen, die in de schans te Valkenburg vertoefden,
speelden een verraderlijk spel. Z|j werden daar opgezocht
door Filips de Recourt, Baron van Ligues, die met een deel
van het leger langs den duinkant voortrukte. Haastig
verliet de bezetting de sterkte en, oogenschqnlqk met de
Spasjaarden schermutselende, trokken zij naar Leiden terug.
Daar binnen vertrouwde men de zaak niet en men weigerde
de vendels in te laten, \'t Was maar goed ook. De Engel-
schen liepen tot den vijand over, behoudens een veertigtal,
dat nn bereidwillig werd opgenomen. Hunne wapenbroeders
zagen zich door de Spanjaarden hun geweer afgenomen en
werden van hun uniform beroofd. Velen zochten, na dagen
zwervens, door Vlaanderen heen hun eigen land weder te
bereiken.
Met alle kracht zon men thans aan het werk gaan, om
de stad tot de overgave te dwingen. Het oude plan moest
weer worden gevolgd; door eene volkomen insluiting zou
men spoedig eenen hongersnood bewerken, want er was in
Leiden slechts voor twee maanden brood aanwezig. Indien
er dus geen levensmiddelen de veste werden ingevoerd,
mocht men zich vleien, dat de bevolking weldra zou moeten
bukken.
De talrijke glippers, .verraders van hun vaderlijke stad",
maar bü de Spanjaarden in groote eere, omdat zij door hen
hnnne medestadgenooten door allerlei schoone woorden hoopten
te verstrikken, begonnen hun werk. Tal van brieven werden
-ocr page 68-
64
door hen geschreven om tot onderwerping aan te sporen.
Op vleienden toon deden zjj allerlei voorspiegelingen en
wezen op de goedertierenheid van Filips II en hunne „zon-
derlinge liefde tot hunne stad."
De Burgemeesters en leden der Vroedschap baden zjj, de
stad toch niet te houden tegen „den allergenadigsten Heer
en natuurlijken Prins," omdat al hunne moeite te vergeefs
zou zyn. Daartoe wezen zg slechts op de groote macht
des Konings, op de aanzienlijke afdeelingen voet- en paarden-
volk, waarmee men straks in het „arme Holland" zou vallen
en op het enorme getal Spaansche schepen, die dagelijks
nieuwen toevoer van levensmiddelen, van troepen en kr\\jgs-
benoodigdheden kwamen brengen.
Met sterke kleuren schilderden zg de ellende, die men
tegemoet ging, zoo men zich bleef verzetten. Zij smeekten
de inwoners medelijden te hebben met hunne arme huisvrouwen,
kinderen en grijze vaders. Of wilden zfl misschien hunne
dochters voor hunne oogen zien mishandelen en alles ver-
liezen P Zjj moesten pardon vragen en de burgerij zou niets
hebben te vreezen. Het aanbod van genade kwam tot
allen, — de koning wilde zijnen oproerigen onderdanen vol-
komen vergiffenis schenken.
De Leidenaars wezen echter die aanbiedingen met ver-
achting van de hand. Haarlem en Naarden waren voor
hen luide bewijzen geweest van de genade der Spanjaarden.
Nog versch was de herinnering aan de gruwelen daar be-
dreven en liever zou men zich den hongersnood getroosten,
ja zelfs den hongerdood sterven, dan zich over te geven
aan de bescherming des vijamls. Met blijdschap legde het
meerendeel der bevolking dan ook, door het krachtige be-
m uur aangezocht, den eed van getrouwheid af, vast besloten
-ocr page 69-
6a
om met hunne vroede leidslieden pal te staan tegenover allen
die hun afvallig wilden maken van hun geloof en hui
Vaderlaud.
Met God, voor Leiden en den Prins! weerklonk het vast-
beraden uit veler mond, toen het lijk van den hopman
Allertsz werd binnengedragen en Jonkheer Johan van dei-
Does, Heer van Noordwijk, tot bevelhebber der bezetting
werd benoemd. De scherpzinnige man, even geleerd als
kloekinoedig, aanvaardde den moeielflken post, dien hij me
nauwgezetheid zou waarnemen, gedachtig aan het woord
dat hij op zijn snaphaan had doen graveeren.
Nog bleef de vijand, door middel van de overgeloopeii
Nederlaiders, spreken van genade en vergiffenis. Gelukkig,
dat de Hervorming onwrikbaar in het hart der Hollanders
was gevestigd en dat de boom der reformatie hare wortelen
vast had geslagen in de goddelijke aarde. Anders toch
was er wel reden geweest tot ernstige bezorgdheid. Spanje\'s
koning kondigde eene amnestie af en beloofde aan alle be-
rouwhebbende onderdanen kwijtschelding der straf. Op dit
„pardon" wezen de glippera in hun volgende brieven. De
koning, zoo maakten zij het volk diets, begeerde geen ge-
weld te plegen en geen bloedstorting te bewerken in zijne
eigene steden, zoo zij slechts gehoorzaamheid aan zijne
Majesteit beloofden. Ook zn\' wenschten niets liever dan
het welvaren der stad.
Slechts eene voorwaarde was aan het pardon verbonden.
De atgedwaalden moesten terugkeeren in den schoot der
alleenzaligmakende kerk en andermaal trouw zweren aan
het oude geloof. Maar om zich de vrijheid des gewetens
in zake den godsdienst te verwerven, had men immers
schatten opgeofferd en had het bloed der dappere helden
5
-ocr page 70-
66
«ien bodem geverfd. Het oorlogvoeren waren zij wel moede
eu de vrede was hun lief, maar nooit zouden de kloeke
LMdenaars tot zulk een prijs het rustig genieten der vrijheid
koopen. Zij lieteu zich door schooue woorden en valsch^
eeden niet misleiden en om der religie wille zouden zij den
zwaarsten nood trotseeren. Zoo laDg er een levend man
in den lande overig wa«s, wilden zij strijden voor hunne
vrijheid en hun godsdienst.
Valdez, naar een gunstig antwoord reikhalzend uitziende,
werd in zjjn kwartier een schrijven uit de benarde stad
toegezonden, dat met het bekende zegel voorzien, duidelijk
zgne herkomst verried. Belangstellend opende hij den brief.
Zou zijn vurigste weusch worden vervuld en dat oproerig
geuzenvolk eindelijk bukken voor zijne onwederstaanbare
macht? Hjj hoopte het.
Daar ontvouwde hjj het papier, dat oogenschrjnlijk onbe-
schreven was. Zjjne oogen schoten vuur en toornig wierp
hij het schreven van zich, de stedelingen verwensenen de.
die zich durfden vermeten, hem op zoo grove wijze te be
leedigen. Hjj nam echter het toegezonden stuk weder ter
hand en, scherp toeziende, ontdekte h\\j een bijna onzichtbaren
kring in het midden, die eenige woorden met bleeke inkt
geschreven, omsloot. Hjj las — en het bloed steeg hem
naar het hoofd —:
De vooglaer op bedriegen uyt
Den vogel lokt met zoet gefluit <;.
IIjj zon zich weten te wreken en, op de ellendige wevers
1) Fistti\'a dnlce canit, voluerem cum decipit aucepi.
-ocr page 71-
67
en volders scheldende, maakte hg zich tot het nemen van
strengere maatregelen gereed.
De Leidenaars hadden zulks voorzien, want thans waren
de onderhandelingen feitelijk afgesneden en had men zicb
de genade van den „goedertieren" Heer des lands onwaardig
gemaakt. Al hun hoop vestigden zij daarom, naast God,
op den Prins van Oranje, die met trouwe liefde voor hun
aller welzijn zou zorgen en niets onbeproefd laten om de
stad te verlossen. Oranje zou op middelen peinzen, want
er hing veel aan het behoud van Leiden, daar met deze
stad geheel Holland stond of viel.
Reeds bij het begin van het tweede beleg had hü het
bestuur gebeden minstens drie maanden te willen volharden.
In dien tijd zouden hij en de Staten alle middelen tot ontzet,
aanwenden. Dit verzoek werd met beslistheid beantwoord
en de benarde stedelingen verklaarden, dat zij het zoolang
hoopten uit te houden.
De Prins was evenwel over deze belegering zeer be-
kommerd en den 293ten Mei schreef hij opnieuw, dat men
wel diende te bedenken, dat zij niet voor zich alleen streden,
maar voor het behoud vau het geheele Vaderland. Daarom
moesten zij hun vijand „ten uitersten" weerstaan, waardoor
zij een „eeuwigen naam en reputatie" zouden bekomen. Het
voedsel moest spaarzaam worden uitgedeeld, opdat men
vooreerst geen gebrek zou behoeven te lijden, zooals men
ook reeds in Haarlem en Middelburg had gedaan.
En wat was ook nu Leiden\'s antwoord? Zij zouden liever
den grootsten hongersnood lijden dan de slaven der Span-
jaarden worden.
Voorwaar een kloek bescheid! Menig oprecht Vaderlander,
vroom en ernstig, zat \'s avonds, wanneer hij zijn arm niet
-ocr page 72-
m
behoefde te leenen tot verdediging der wallen, peinzend te
midden zijner huisgenooten. Het hoofd rustte dan wel in
de hand en een zucht ontvlood aan hut beklemd gemo-d.
Wat vermochten toch vnf vendels burgerjj tegen eene 1< ger-
schaar als die van Fniuciscus Valdez; wat zou men doen —
b >veiiai teg*n het zwaard des hougers?
De uitUcht uit het Spaansche diens thuis was voor een
tweetal jaren schijnbaar begonnen, zou men thans echter
voorgoed den hals moeten krommen onder het. ijzeren juk, dat
Rome zynen onderdanen oplegt ? Langs een wonderlyken weg
moest God voorzeker verlossing geven; nog was het donker,
maar de Almachtige, die het licht schept uit de duisternis, zou
de Zgnen niet verlaten en op Zijn tn\'d de droefheid in vreugd*
herscheppen. De betraande oogen blikten naar boven en de
verzuchting ging op tot den God der heirscharen.
w- \'3 I* /
fiiBl/onjEEK
-ocr page 73-
HOOFDSTUK VI.
Moed en volharding.
De ondergaande zon overtrok aan den avond van den
eersten Junidag de blauwe wolken met een purperen gloed
en wierp haar laatste stralen op de akkers, waar het graan
welig tierde, en op de groenende aardglooiingen, die door-
de Spanjaarden tot verschansingen waren ingericht. De
vaandels, op de toppen dier hoogten geplaatst, wapperden in
den wind tot niet gering leedwezen der Leidenaars, die
gaarne hadden gezien, dat al die sterkten werden geslecht.
„God gave, dat wjj eindelijk van den overlast dier vreemde
onderdrukkers verlost werden," zuchtte een man, die sedert
eenigen t\\jd peinzend over de wallen had gestaard. „Wfl
smachten naar de vrijheid, opdat wjj den Heere naar den
eisch van zijn woord mogen dienen. O Spanje! — eens komt
de ure, dat ook gij rekenschap moet afleggen voor al de
gruweldaden door u bedreven. Dan zullen z\\j, die g\\j aan
de wreedste behandeling hebt blootgesteld, u aaukhgen in
het gericht, want eenmaal zal God zich opmaken om Z\\jn
volk recht te verschaffen. Al Zijne en onze vijanden worden
dan gezet tot een voetbank Zijner voeten."
Hg groette de manschappen, die aan de Hoogewoerdspoort
de wacht hielden, en spoedde zich naar huis.
„Waar miju vader zich op dit oogenblik mag bevinden?"
-ocr page 74-
70
• ging h\\j fluisterend voort. „Tn deze troebele tijden zal het
hem niet mogelijk zn\'n in Leiden terug te keeren en zoolang
het beleg duurt, moet ik de hoop opgeven hem weder te
zien. Indien hg maar niet in de handen der Spanjaarden
valt! Moeder is niet zonder reden bezorgd, want van die
zijde valt weinig goeds te hopen. Floris ziet reeds dagen
lang tevergeefs naar zijne terugkomst uit en betreurt het
zeer, dat de beroemde dekenfabriek van meester Alewn\'ns
moet stilstaan. Ik hoop met hem, dat er spoedig betere
tijden mogen aanbreken, opdat wij rustig in onze woningen
mogen vertoeven en weder tot onze werkzaamheden terug
kunnen keeren. Zoolang die toestand nog verre is, willen
wij evenwel pal blijven staan in het gevaar."
Hg trad de woning, die hu\' thans was genaderd, binnen
en opende de deur van het woonvertrek. Tegenover hem
zat zijno moeder, die op zachten toon iets las uit den ge-
openden Bijbel, die voor haar op de tafel lag.
Hoe dierbaar was de Heilige Schriftuur aan onze vaderen.
Het was hun het kostbaarste kleinood. Om het Woord
Gods biddend te mogen onderzoeken hadden, zij kostelijk
goed en edel bloed, beide, veil. De neergebogen en be-
kommerde harten laafden zich aan de woorden van troost,
hun door den Heiland toegezegd. Zwak en hulpeloos uit
zich zelven, klemden zg zich na de lezing dier gewijde bladen
geloovig aan den Rots der eeuwen vast, by wien de 8idde-
rende ziel de alleen veilige toevlucht kan vinden.
Juffrouw Alewijns zocht ook troost bij Hom, die gekomen
is om over de wankelmoedigen, die tot Hem met al hunne
angsten en zorgen vertrouwend vlieden, Zijne zegenende handen
te verheffen en hun den vrede te geven, die nimmer wijkt.
Zij putte troost en kracht uit hetgeen haar Bijbel haar
-ocr page 75-
71
deed hooren. Zoo verdiept was zij in haar werk, dat zij
de nadering van haar zoon niet eens had bespeurd.
Gerbrant bleef aan den ingang staan en luisterde naar
hetgeen zijne moeder op zachten toon, eerbiedig las:
„Want daer sullen dagen over u komen, dat uwe vijanden
een begravinge rontom u sullen opwerpen, ende sullen n
omcingelen, ende u van alle zijden benauwen. Ende sullen
u tot den gront nederwerpen,"
Toen blikte zij om zich heen. „Gij hier, Gerbrant?\'\' sprak
zij verrast tot den jongen man, die voor haar stond.
„Ja moeder, het spijt mij, dat ik u heb gestoord."
„Ga zitten mijn zoon en laat ons een oogenblik te samen
spreken. Ik heb enkele gedeelten uit den Bpel gelezen
en voel mij gesterkt door de woorden des levens. En vooral
nu hebben wij behoeften aan de genade des Heeren, aan
Z\\jn goddelijke zorg en bewaring, nu alles ons schijnbaar
tegen loopt.
Wij zouden anders allicht den moed laten zinken. Bij
den Heere Jezus vinden wij echter alles, wat wij noodig
hebben. Hoe meer wij ons aan Hem vastklemmen, hoe
beter wij voor Zijne eere kunnen strijden. Vergeet daarom
niet te bidden om de leiding des Heiligen Geestes; zoo
alleen zult ook gy een goed krijgsknecht van Hem kun-
nen zijn."
„Wel hebben wij een krachtigen steun noodig," zuchtte
Gerbrant. „De moed dreigt mij dikwijls te ontzinken, daar
het mij te moede is, alsof het lot ons boven het hoofd hangt,
dat Jeruzalem voorheen heeft getroffen, toen de veldheer
Titns deze stad der verwoesting ten prooi gaf. Eenjvijand,
niet minder onineedoogeud dan de oude Romeinen, heeft ook
Leiden omsingeld; en met niet minder barbaarschheid zal
-ocr page 76-
72
mftn de weerloozen behandelen, wanneer de Spanjaarden
zich over onze nederlaag zullen kunnen verheugen."
„Wees getroost, mjjn zoon," zeide de moeder. En hem
naast zich wenkende, liet zy hem de woorden lezen, die z\\j
met haren vinger in den Bijbel aanwees: „De hairen uwes
hoofts zijn alle getelt. En vreest dan niet."
Er kan niets met ons gebeuren tegen Gods wil; indien
wh\' dat slechts gelooven, zal alle onrust wijken en geven
wij onze zaak in \'s Heeren handen."
„Zoo willen wij dan hopen, dat ons binnenkort eene
blyde verlossing zal wachten," antwoordde Gerbrant, „niet-
tegenstaande de Spanjaarden in den waan verkeeren, dat
zij de stad volkomen hebben ingesloten. O moeder, ge
moest eens zien, welk een schansenketen Leiden omgeeft.
Elke weg is versperd en de wateren zijn overal verstopt.
Alle gewichtige punten bevinden zich in de macht der
vijanden, die met hun geschut dood en verderf braken, zoodra
de onzen het wagen durven hen op eenigen afstand te naderen.
Wel 32 schansen\') zijn er aangelegd of vorsterkt, en te
laat hebbeu de burgers ingezien hoe dwaas zij handelden,
toen zy de sterkten tijdens de afwezigheid der vreemde
troepen on$edeerd lieten staan. De Spekken hebben voor-
zeker gejuicht, dat het hun kostelijk is mee geloopen.
Aan de Poel en Meerburg heeft meu nieuwe versterkingen
opgericht; aan de noordzijde vindt men de Quakel, Casse
Vasse en Dwarsweteriug, terwijl ten Oosten bij Leiderdorp
eene redoute verrijst, om Valdez en de zijnen te beveiligen.
By de Hoogewoerdspoort, in de nabijheid der wallen, kan
1) Volgens van Vloten 22; Fruytiers en de latere geschiedschrijvers
hebben 62.
-ocr page 77-
^K5«,
-ocr page 78-
73
men tevens zulk eene dreigende hoogte zien en in het Zuiden
liggen de schansen van Lammen en "de Waddingerschans.
De Spaansche bevelhebber heeft zich bovendien meester
gemaakt van dt> Goudsche sluis ea den Leidschen Dam, en
in Delftiand verder Berkel en Pijnakker versterkt. Acht-
duizend Spanjaarden, Walen en Duit?chers hebben zich in
die hoogten genesteld en loeren op onzen ondergang, geluk
een tijger op het bloed van het onschuldige lam.
Gelukkig, dat het onzen springers, den vluggen boden, die
met polsstokken over de sloten trekken en in hunne stokken
de brieven versteken, — telkens mag gelukken langs allerlei
omwegen ons tflding van de Staten te doen toekomen.
De Prins van Oranje peinst over middelen om Leiden te
ontzetten en zal niet rusten, voor h\\j ons krachtige hulp
zal kunnen bieden."
„Is Pieter Garrits al met tijding teruggekeerd?" vroeg
Juffrouw Alewrjns.
„Neen moeder, wij hopen echter, dat het hem zal gelukken
om door de nachtelijke duisternis begunhtigd in de stad te
sluipen. God geve, dat h\\j ons goede berichten moge brengen."
„Dat bid ik met u," sprak de moeder.
Daar Gerbrant weinige minuten later zijne plaats op de
wallen diende in te nemen, maakte hij zich gereed om te
vertrekken, en verliet weinig later in opgewekter stemming
dan straks de ouderlijke woning.
Het was geen ingebeelde zorg, die onzen jonkman ver-
ontrustte. Leiden was gansch en al door den vjjaud inge-
sloten. Te Leiderdorp lag Spaansch krijgsvolk onder den
Drost van Wedde en Gerard van Swieten, die geheel den
omtrek mede bezet hielden. In de schans te Voskuil had
kolonel Marion zich gelegerd en te Valkenburg Gorondelet
-ocr page 79-
14
en Juan de Nestre. Te Voorschoten hield kapitein Carion
en te Zoeterwoude kapitein Diale met de zijnen verblijf.
De wenseh, door de echtgenoote van meester Alewps en
diens zoon uitgesproken, werd spoedig daarop vervuld. In
het duister van den volgenden nacht sloop de scheepmaker
Pieter Gerrits behoedzaam door de vijandelijke legerposten.
Het mocht hem gelukken de talrijke wachten te ontwijken
en ongedeerd stond hg straks binnen de muren zijner beminde
stad. Het vroolrjk luiden der klokken meldde weinig later,
dat er heugelijke tijding was gekomen.
Was er wellicht eene overwinning behaald, die het be-
nngstigd harte weer vrijer mocht doen kloppen? Ja gewis,
niet een, maar twee malen mochten de dappere vaderlanders
hun Victorie roepen.
De Spaansche vloot, die reeds eenigen tijd te Antwerpen
had vertoefd, was afgezakt tusschen de forten Lillo en Callo.
De Admiraal Boisot met zijne kloeke Zeeuwen, echte kin-
deren der zee, tastte hier de schepen aan. De Spaansche
vloot werd geheel verslagen; veertien van de tweeëntwintig
schepen werden vernield en de Admiraal Adolf van Haamstede
zag zich te Delft tot gevangenschap gedoemd.
De overste Chevreaux deed een inval in Noord-Holland,
maar de onverschrokken Sonoy rukte met zijne manschappen
naar Waterland en noodzaakte de Spanjaarden, na een kort
gevecht at\' te trekken. Tweehonderd vijf tig vreemde strijders
werden gevangen genomen en op het slagveld bleven niet
minder dan 1600 man achter. Wel was er dus stoffe tot
blijdschap. En het gerecht gaf van zijne dankbaarheid blijk
door den Leidenaars te verzoeken „God almachtig te dancken
ende te loven." De eerstkomende Zondag zou hierom een
algemeene bededag zijn, waarop ieder den Heere zijn dank
-ocr page 80-
75
zon kannen betalen in het midden der gemeente, en dan
tevens te bidden, dat Hjj Zijne zegenende handen ook over
de benauwde stad zon gaan uitstrekken en hun volkomen
verlossing van des vjjands belegering te verleenen.
Het gezin van den dekenfabrikant volgde volgaarne dit
bevel van het bestuur op en allen stemden mede in in het
lied des lofs, dat den Heere voor Zijne gunstbewijzen werd
toegezongen.
Aan den morgen van dien zelfden dag had Floris den
toren van de St. Pancras beklommen. Zijn blik weidde
ver over den omtrek en al turende viel zijn oog op de
zeilen, die zieh voortbewogen in de richting van de kwar-
tieren der Spanjaarden.
„Dubbel jammer," zuchtte hij, „onze burgers zullen weldra
op streng rantsoen worden gesteld, terwijl ik daar ginds
de schepen varen zie, die onzen vijanden overvloed van niond-
voorraad en krijsysbehoeften toevoeren. Hoe kostelijk zouden
ons die rijk beladen vaartuigen te stade komen. Wij moeten
ze met geweld nemen/\' en vervuld met deze gedachte wierp
hij nogmaals een blik op de schuiten, die statig den waterweg
naar de schansen op stevenden. „Ik zal mijn wensch ken-
baar maken," vervolgde hij, terwijl hij langzaam naar beneden
afdaalde.
Het bestuur was van dezelfde meening als de jeugdige
Leidenaar, en tot diens niet geringe vreugde werd hem
medegedeeld, dat men reeds morgen wilde beproeven den
Spanjaarden de schepen afhandig te maken.
Floris Ghj\'sberts bevond zich reeds vroeg onder het
krijgsvolk, dat in de schouwen plaats nam, die van he^
noodige geschut werden voorzien en langzaam de Zijl op-
voeren. Eindeljjk kwamen zij de meer in. Onze vrijbuiters
-ocr page 81-
76
troffen een gnnstig oogenblik, allerlei schepen lagen daar
rnstig op het oogenblik te wachten, dat zij van hunne rijke
lading ontlast zouden worden.
„\'t "Wordt meer dan tgd Gerbrant," sprak onze bediende
tegen den naast hem zittenden krijgsman, „dat wij de ge-
dwongen en valsche verhouding eens weder herstellen. De
Spanjaarden baden zich in overvloed, terwijl wij in onze
benarde omstandigheden nauwelijks genoeg hebben om het
leven te houden."
Een jtiichkreet verbrak het gesprek. De vrijbuiters in
een der vaartuigen hadden zich onder het uitgalmen hunner
strijdleuze op een der schepen geworpen en maakten zich
gereed om het als een weikomen buit naar de stad te voeren.
Gerbrant en Floris tastten nu met hunne makkers eene andere
schuit aan. De onthutste schepelingen sprongen over boord
om niet in de handen der strijdlustige Geuzen te vallen.
Floris wierp zich op een dier mannen, die van eeu on-
bewaakt oogeriblik gebruik wilden maken, om eene veilige
plaats te bereiken.
„Voor Leiden en den Prins!" juichte de jongeling, met
fotsche hand den vluchteling aangrijpende. Hoe de aange-
vallene ook bukte en wrong, hij moest het onderspit delven
en vruchteloos was zijn tegenweer.
„Laat mij los," jammerde de man. „Houd op, ik ben
een burger van Leiden."
«Zwijg," dreigde Floris, maar opeens kwam er een somber
vuur in zjjne oogen en den man scherp aanziende, riep hij
bitter: „Tk ken u, Pier Qnaatgelaat," en nog vaster greep
hij den schepeling aan.
De Leidenaars schoten Floris te hulp. „Een glipper, —
een verrader," riep hü zijne makkers toe.
-ocr page 82-
77
„Hond u bedaard," sprak Gerbrant, die hem de handen
stevig bond. „Gjj hebt uw loon van de Spanjaarden genoteni
nu zal men in de stad afrekening met u h-uden."
„Genade," steunde de overlooper, „genade!", en smeekend
wierp hjj zich op de knieën.
„Genade?" vroe? een der vrijbuiters spottend, „zoek die
bjj de Spekken. G\\j zult nu moeten ondervinden hoe men
in Leiden zjjne ontrouwe burgers straft."
„Doch laat ons den steven wenden, ginds rukken de
Spanjaarden uit Leiderdorp aan, die ons willen verjagen."
„Vuur!" — kommandeerde de Vestmeester Henriks, die
het bevel over de manschappen vowde, en de musketten
knalden. Dat de Geuzen goed gemikt hadden, werd duidelijk
toen de rook was opgetrokken; de vijand week achterwaarts.
Andermaal rnkte hjj echter vooruit en nu ontstond er een
scherp gevecht. Met haast snelden de gewapende burgers
door de Z\\jlpoort, om de bedreigde makkers bij te staan.
Onstuimig was de aanval, die nu volgde, zoodat de dappere
Leidenaars het veld behielden en de Spanjaarden hun heil
in de vlucht moesten zonken.
Een vrooljjk gejuich begroette de overwinnaars, die op
hunne vaartuigen in de stad terugkeerden, ryk beladen met
buit. Pier Quaatg^laat, de overrompelde glipper, werd voor
den krijgsraad gebracht. Men toonde weinig toegevendheid;
een ernstig voorbeeld zou den dubbelhartigen laten zien,
hoe men in Leiden met de verraders van het vaderland
dacht te handelen. Hu\' werd op eene vreeseljjke wjjze met
den dood gestraft, men vierendeelde hem en aan elk der
poorten zag men straks een bloedig lichaamsdeel van den
gevonnisden glipper.
Voorwaar, eene ernstige waarschuwing!
-ocr page 83-
Valdez begreep, den weg nog meer te moeten versperren,
zoodat geen levend wezen langer ongemerkt de stad in o f
uit zou kuunen komen. Met zijne legerbenden naderde hij
steeds dichter de wallen en in Leiden kon men duidelijk
de schansgravers opmerken, die zich gereed maakten, de
sterkte te Lammen onneembaar te maken. Deze schans,
tijdens het eerste beleg door de lafhartige houding van den
kapitein Van Boom den Spanjaarden in handen gevallen,
was den belegerden een doorn in het oog.
Men wilde zfo\'n geluk ook daar beproeven, en vastberaaei.
stevende Leiden\'s krijgsvolk op zes welgewapende schuiteu
door de Vliet.
De vijand was echter niet vanzins te wijken, daar hem
aan het bezit dezer schans zeer veel was gelegen. Eeu
sterke troepenmacht beschutte de gravers en raakte terstond
handgemeen met de Leidenaars, die tegen de kracht van
zulk een groot getal verdedigers op verre na niet waren
opgewassen. Na een vinnigen strijd zagen zij zich tot den
aftocht genoodzaakt en met haast stevenden de schuiten
in de richting der Koepoort terug. Daar greep opeens
eene schromelijke verwarring plaats, het vierde der vaar-
tuigen geraakte dwars in de vaart en bleef onbewegelijk
zitten, de drie volgende schuiten den weg versperrende.
„Overspringen," luidde het bevel en de manschappen, hunnt
plempen in de handen des vijands latende, klauterden over
het vastgeraakte schip op de beide voorste schepen, waar-
door zij zich het leven hadden gered.
Zes dagen later moesten de belegerden zich een nieuw
verlies getroosten. Den 15den Juni overviel de bezetting
van de schans La Grande Victoria bij de Voskuil de Poel-
schans, die door de Leidenaars was opgehaald om hunne
-ocr page 84-
79
kool- en worteltuinen buiten de stad te beveiligen voor de
roofzucht der loerende vijanden. De overmacht dwong het
gering getal verdedigers af te trekken, en voortaan woei
de Spaansche vlag van de ingenomen sterkte tot groot
leedwezen der benarde stedelingen.
De hoop op eene ongedachte omkeering hield evenwel
den moed bg het getrouwe deel der bevolking levendig.
De hoogste Majesteit, de God der legerscharen, Wiens naam
Uithelper is, kon laugs w^gen, die den mensch oubegrjjpelgk
toeschijnen, eindelijk redding geven. Z\\] beloofden elkander
kloekmoedig vol te houden en ontvingen met verachting de
brieven van de glippers, die nogmaals wezen op de ellende
en benauwdheid, die in de stad heerschten. Zg hadden
weinig mmdkost en mochten in het geheel geen hope voeden,
dat hun iets tot leniging van dien nood zou toekomen;
derlialve dienden zg zich hoe eer hoe beter te begeven
onder de bescherming van hun natuurlijken Heer, den Koning
van Spanje. Met wgs beleid mochten zg* nog een tijdlang
voor hongersnood bewaard blijven, eenmaal moest het er
toch toe komen, om zich onder de krachtige en geweldige
hand van Spanje te vernederen, want Filips zou liever het
koninkrijk Napels veroorlogen dan dat deze gewesten hem
afhandig werden gemaakt.
Nog werd hun evenwel gratie aangeboden en ieder,
hoe zwaar hij ook misdaan mocht hebben had zich slechts
voor den Koning te buigen, om volkomen zeker te zgn van
de voorgeslagen verzoening en liefderijke opneming onder
\'s Vorsten gehoorzame zonen. Wellicht wilde de Vroedschap
volhouden; zjj diende te bedenken, dat Spanje had te be-
schikken over 250 vendels knechten, en grooter macht was
voorzeker niet te denken. Met de bede, dat God hun aller
-ocr page 85-
80
harte wilde bewerken en verlichten, sloten zij hun schrijven,
dat ongeteekend was, maar afkomstig heette te zijn van
eenige mannen, wier namen zij eens met Gods hulpe zouden
leeren kennen.
De vinkende glippers vermochten door hun zoet gefluit
den vogel niet te lokken. Zjj waren op bedriegen uit, en
hiervan overtuigd kon een volgenden brief, huu uit het
legerkamp des vijands van een „goetwillighen ende ghe-
trouwen vriendt" toegezonden, niets uitrichten.
Het verheugde Gerbrant, dat de Burgemeester Van der
Wertf, krachtig gesteund door Van der Does en Bronkhorst,
de burgerij telkens opnieuw voor de goede zaak wist te
bezielen.
Den 23at9n Juni sprak h\\j tot Floris: „er is opnieuw een
glippersbrief ingekomen. Naar Jonker Jan van Duivenvoorde
mg meedeelde, verzekert men on*, dat zjjne Majesteit niet
anders begeert dan dat de Nederlanden weder mogen komen
in hun vroegeren staat en dat hjj alleen het welvaren van
alle steden in Holland bedoelt."
„Het eerste laat zich gemakkelijk verstaan," lachte de
bediende. „Filips ziet, dat zijne erfenis, die hjj zoo gruwelijk
heeft beheerd, hem ontgaat; wat zou hij nu vuriger be-
geeren, dan dat wjj ons gewillig aan hem onderwerpen,
opdat hij het rustig bezit dezer landen zich ziet gewaar-
borgd.
Het andere is enkel een grove leugen. De valsche en
onbarmhartige Spanjaard heeft slechts onzen ondergang op
het oog. Hoe menigmaal werd reeds een kort te voren
uitgesproken eed op de laagste wijze geschonden. Van
verzoening kan geen sprake zjjn, want voor goed zijn de
harten zijner vroegere onderdanen van den strengen despoot
-ocr page 86-
81
vervreemd. En opstaande, hief Floris het geuzenlied aan,
welks woorden in deze dagen door velen werden herhaald:
öoilt, onsen Prins, sal gheven tijt
Om to singhen, t\' uwen verwijt,
Over u valsehe list:
„Vive die zijn gheloof belyt —
Maar Afij een pardonist."
„Geen genade van Spanje," zeide Gerbrant kloek, „wjj
blijven hopen op de gratie des Heeren, die op Zyu tijd zal
bewerken, dat het beleg wordt opgeheven."
Gods tjjd scheen echter nog niet gekomen, de zorgen en
bekommernissen werden grooter, reeds klopte de honger,
de grimmige honger, dreigend aan de huizen. Zuinig werd
er met de levensmiddelen omgegaan — en dit moest. De
wakkere regeering had den mondvoorraad, die in de stad
aanwezig was, nauwkeurig opgenomen en het koren, 110
last, van de eigenaars gekocht. Naar deze hoeveelheid
maakte men eene berekening, en voortaan kreeg elk inwoner
dagelijks een halfpond brood, benevens een halfpond vleesch.
Het getal van 1000 koeien, dat men bij den aanvang van
het beleg bezat, was al spoedig tot 700 geslonken. Nog
graasden de arme dieren b\\j dag op de weivlakte rondom
de stad, en trouw werden zy tegen het vallen van den avond
door de poorten in de veste gedreven. Zoodra echter de
alarmklok begon te luiden, keerde de gansche kudde naar
de wallen terug als wisten de redelooze dieren, dat zij
zich voor een naderend gevaar in veiligheid hadden te
stellen.
Bloedig werd er somwijlen gestreden tnsschen de burgers,
die onophoudelijk aanvallen deden, en de door hen bedreigde
6
-ocr page 87-
82
Spanjaarden. Deze gevechten werden gewoonlgk met goeden
uitslag bekroond. De regeering had eenen prijs op het hoofd
van eiken vijand gezet, dat men binnen de stad bracht; dit
wakkerde den moed der onverschrokken burgers aan en
weldra werd het volk zoo opgewonden en wraakzuchtig, en
waagde het zich zoo ver, dat bij trommelslag de toegezegde
belooning werd ingetrokken en deze sluipvechtery verboden.
Deze schermutselingen zouden toch niet in staat geweest
zijn, om de ijzeren boei te verbreken, dien de Spanjaarden
om de stad hadden gesmeed. Zou de morgen der vrijheid
dan nimmer aanbreken? Ja — op \'sHeeren tijd, als „het
tot hiertoe en niet verder" den overwinnenden legerscharen
zou tegenklinken. \'s Heeren wegen zijn niet die des men-
schen, en Zijne gedachten niet de onze. Al moest thans
van de wankelmoedigen onder de burgerü worden gesproken:
„Macht, moed is hun bezweken," en kon van allen zuchtend
worden gezegd: „Al meerder wert heuren noot," — toch zou
alles eens uitloopen tot eer en verheerlijking van Zijnen
Heiligen Naam,
\'
-ocr page 88-
HOOFDSTUK VII.
De barnihartighaid van den Spanjaard.
De honger steeg in de benarde veste van dag tot dag
en als eene zwarte schaduw sloop zijne gezellin, de pest,
hem na. Dreigend trokken hopen volk door de straten met
norsch gelaat of smeekenden blik om brood vragende, om
daarmede eigen honger te stillen of wel het veege leven
te rekken van hen, die zn\' als te krachteloos om te loopen
mismoedig en troosteloos op het ziekbed moesten achterlaten.
Mocht er aan mondvoorraad schreiend gebrek zijn, —
aan moed en volharding ontbrak het niet. De dienstdoende
burgers, slechts ten halve gevoed, deden uitval op uitval
om de vijanden achter hunne verschansingen te bestoken
en hunne belegeringswerken te vernielen. De onstuimige
aanvallen der verbitterde Leidenaars waren gewoonlijk niet
te wederstaan; waar zij met hunne vuurroeren en verrejagers
verschenen, waren zij meestal overwinnaars en hun krrjgs-
leus bracht langzamerhand schrik aan. Slechts dan, als hun
getal sterk in de minderheid was, wilden zij van terug-
trekken hooren en menig Spanjaard moest ook dan nog in
het zand bijten.
Den 5den Juli werden de manschappen van Van der Does
onder de wapens geroepen. De burgers trokken welgemoed
naar buiten, vol verlangen om zich met den gehaten vijand
-ocr page 89-
84
te meten. Ieder had zich voorgenomen zyn plicht te doen;
onder de moedige strijders was voorzeker een jeugdige knaap,
de dappere Leeuwtje, een der vurigsten. Reeds bij het
eerste beleg had bij zich kloek gedragen. Hij was denSpan-
jaarden onverschrokken te lijf gevlogen en had meer dan
een van \'s konings handlangers voor altijd het stormen ver-
ieerd. Hevig waren de vreemde strijders op den jongen
geus verbitterd, die zelis geharde lansknechten ontzield deed
neertuimelen en vocht met weergaloozen moed.
„Voorwaarts", klonk het bevel en de kleine troep snelde
den vijand te gemoet. Onder den kreet: „Den dood aan de
spekken," wierp Leeuwtje zich op de borst van een Spaan-
schen soldenier, die ontzet achterwaarts week, maar tever-
geefs worstelde om zich los te rukken. Een kolfslag van
een der burgers besliste den kamp; stervende zonk deaan-
gevallene neder.
Het gevecht werd algemeen en duchtig streden deLeide-
naars. Met bebloede koppen deinsden de Spanjaarden af,
om weinig later weer voorwaarts te rukken om het verlorene
te herwinnen. Het vendel van Van der Does verrichtte
wonderen van dapperheid, maar de overmacht was te groot.
„Victorie", schreeuwden de Spanjaarden en vielen de
verdedigers verwoed aan. Een drietal rende op Leeuwtje
in; de schrik sloeg hem echter niet om het hart en nog
hield hg stand.
„Een geus weet van geen wijken," mompelde hg. „Gd" zult
weten met wien gjj te doen hebt, aleer wij het veld ruimen."
„Geef u over" klonk het hem in het oor. Leeuwtje\'»
oogen schoten vuur. Overgeven — dat nimmer. Hg sloot
zich dicht bij zijne makkers aan, besloten om zjjn leven
duur te verkoopen. Op geen el afstand stond hij van z$n
-ocr page 90-
85
tegenstander. Weg met het vuurroer, dat hem Tan geen
dienst kan zjjn, ja, hem in zgne bewegingen belemmert. Hg
grjjpt het mes en stoot het in de keel van den Spanjaard
en de overwinningskreet verandert bg dezen in een ruw,
rochelend geluid, dat zgn dood vermeldt. De beide anderen
stortten eveneens levenloos ter aarde door een zwaard ge-
troffen, dat met forschen slag op hunne hoofden nederdaalt.
Stoutmoedig snelt nu Leeuwtje vooruit en andermaal
kampt hy\' tegen eiken Spanjaard, die hem nadert. Daar
weerklinkt op eens een zegekreet achter zyn rug en tot
zyn smart boort de jonge geus, dat de vijanden de overwin-
ning hebben behaald.
Ginds trekken reeds de burgers naar de stad terug. De
strgd was te ongelyk en het zou eene roekelooze onderneming
zyn, zoo men langer bleef stryden, daar dit noodwendig dm
geheelen ondergang van het vendel tengevolge moest hebben.
Leeuwtje heeft zich in de hitte van het gevecht te ver
gewaagd en het bevel tot aftrekken niet vernomen. Nu is
hg van zyne makkers afgesneden en overal bedreigen hem
de Spanjaarden. Zal hg zich overgeven? Misschien, dat
men deernis met het lot van een armen knaap zal hebben.
Neen! geen genade van Filips. De moordenaars van Zutfrn
en Naarden hebben alle menschelijk gevoel uitgeschud. Zal
hg stand houden en nog eens den ongelijken stryd wagfn
tegen de overmacht, opdat het hem gelukke het vaandel
van Van der Does en zoo de stad te bereiken? Zyn lot
is in dit geval te voorzien; hij mag vyf of tien Spanjaarden
doen vallen, vy\'ftig of meer zullen hem bespringen en hem
onder hunne voeten vertreden.
Hg blikt om zich heen of hem ook iets ter beschuttii g
zal kunnen dienen en wellicht hem aan het oog der soldaten
-ocr page 91-
86
onttrekken. In gebogen houding snelt hjj eenige schreden
verder en verschuilt zich in het riet. De loerende vijand
heeft den knaap opgemerkt. Eenige soldaten hadden zich
op die hoogte op den grond geworpen en door het hooge
gras voor ieder onzichtbaar, blikten zij vrjj in het rond,
zorgvuldig toeziende of zij een voortvluchtigen vjjjand konden
verrassen. IJlings snelden, zjj op den knaap toe, en het is
Leeuwtje onmogelijk aan hunne handen te ontkomen. Spoedig
was de jonge geus gevangen genomen en werd met scheld-
woorden overladen.
„Deel ons mede hoe het daar binnen met uwe zaken is
gesteld", sprak een der soldaten barscb.
Leeuwtje gaf geen antwoord op die vraag.
„Wij zullen u de vrgheid hergeven, zoo gjj aan ons ver-
langen voldoet", klonk het opnieuw.
Een verachtelijke lach krulde de lippen van den moedigen
knaap. Hy zou liever zjn leven verliezen dan een verrader
te worden.
„Spreek op", dreigde de Spanjaard, „of wij zullen gestrenge
afrekening houden."
„Voorwaar een schoone wraak zjjn wrok te koelen aan
een weerloozen kuaap", mompelde Leeuwtje, die zn\'n rechter
aanzag met een blik, waaruit een moed sprak, die voor
den Spanjaard doodelijk zou geweest zjjn, als hg alleen
tegenover den jougen had gestaan.
„Hjj zwijgt," sprak de soldaat woest. „Bjj St. Jago, gjj
zult spreken," en het zwaard uit de schede trekkende, greep
hij zjjn slachtoffer bjj het oor. Eenige oogenblikken later
wees eene bloedige plek de plaats aan, waar het lichaams-
dpel had gezeten. Leeuwtje\'s oogen schitterden, een hoog
•jode blos kleurde zijn door pijn misvormd gelaat. Kiamp-
-ocr page 92-
87
achtig balde hg de vuist, terwijl een droevige zocht aan
z\\jn gemoed ontsnapte.
Een spottend gelach weerklonk in het rond, toen de
onmensen hem ook het andere oor, benevens den neus afsneed.
Een breede bloedstroom gutste Leeuwtje langs het gezicht
en een schier ondragelijke pjjn moest h\\j lijden. Toch ont-
snapie hem geen kreet van angst, hij trachtte den snik te
smoren, die hem bij zooveel leeds wel moest ontsnappen.
Nog hadden de beulen niet genoeg hun duivelschen lust
botgevierd. De Spaansche soldaten grepen den gemartelden
knaap opnieuw aan en bonden hem een touw om den grooten
teen; zoo werd hij aan een staak opgehangen en straks —
ijselijk schouwspel — beugelde het lichaam van den knaap,
met het hoofd naar beneden, in de lucht. Radeloos van
pijn, verliest Leeuwtje zijn tegenwoordigheid van geest niet.
\'t Is alsof zijn moed hem nimmer begeeft. Hij zal beproeven
zich los te wringen. Hij schommelt, zwaait, slaat de handen
om het gemartelde been, nog eene slingering en het hoofd
gaat naar boven. Het is hem gelukt het touw te grijpen;
nu zal hij naar boven klauteren. De muskei iers hebben
echter zyn laatste worsteling aanschouwd. Zij vermeien
zich in het deerniswaardig lot van hun slachtoffer.
„De jonge rebel tracht te ontkomen," spotte een der sol-
daten. „Laat mij hem eerst teekenen." Eén knal, de
dappere knaap slaakt een kreet, nog een paar snikken —
en de dood heeft den Leidschen geus van alle smart
verlost.
De Spanjaarden keeren terug. Zg hadden nu gezien, wat
een jongen dut ft bestaan; wat zouden de vaders dan w«l niet
vermogen? De haat des volks tegen de gevreesde beub*n
werd steeds grooter en menigeen zwoer dezen giuweljjken
-ocr page 93-
88
dood eens bloedig te zullen wreken op iederen vijand, die
in zijne handen viel.
De prins zat inmiddels niet stil en daar er door middel
van krijgsmacht op geen ontzet viel te hopen, had hg hun
reeds den l"ten Juli meegedeeld, dat hij in den uitersten
nood het water van de Noordzee zou binnenlaten om den
vijand te verdreven. De vrees voor de zilte baren had
reeds tweemaal bewerkt, dat Alva\'s legerbenden hun heil
in eene overhaaste vlucht hadden gezocht — voor Brielle
en Alkmaar. Leiden\'s vroedschap dankte Oranje voor deze
blijde tyding en verzekerde hem, dat zfl den laatsten droppel
bloed voor deze eerlijke zaak zouden geven — in biddend
opzien tot den Almachtigen God, die hun daartoe den moed
zou verleenen.
Scherp blikte Leiden\'s bestuur in het rond om alle onge-
regeldheden te voorkomen. Orde en tucht werden rusteloos
gehandhaafd en onder de grootste moeielrjkheden bleven z\\j
waken voor het heil der stad, wier welvaart en bloei hun
na aan het harte lag.
De ellende vermeerderde intusschen met den dag. De
slechte voeding riep allerlei ziekten in het leven en uit-
geput van honger was het velen niet langer mogelijk den
noodigen dienst op de wallen te verrichten. Onverdragelrjk
was derhalve voor deze zwakke Leideaaars, die zich even-
wel gewillig aan de voorgeschreven deeling der levensmid-
delen onderwierpen, de aanblik van de vele vrouwen, wier
mannen zich verraderlijk jegens het vaderland hadden ge-
dragen en die thans in Leiden in het geheim voor Spanje\'s
belang ijverden. De welgezinde burgerij voorzag het nadeel,
dat deze vrouwen aan de zaak, waarvoor zij leden en stre-
den, konden toebrengen, en bovendien de huisgezinnen dier
-ocr page 94-
*ïm*i£!8g&&ti8J^>^™~ -i-Xi-
Spaansche trompeller met brieven van Valdez.
-ocr page 95-
89
glippers moesten worden gevoed en verminderden op die
wjjze het sobere tyeel, dat den getrouwen kon worden uit-
gereikt.
Het bestuur gelastte dien vrouwen, om met hunne kinderen
te vertrekken, tevens allen ontevredenen de gelegenheid aan-
biedende om mede de stad te verlaten.
Den volgenden dag wandelden twee moeders met een
negental kinderen op den Mat edijk. Zjj hadden op de aan-
maning de veste verlaten en waren door het Maregat ge-
trokken, om langs Poelgeest den weg naar Warmond voort
te zetten. Het krijgsvolk, dat in de nal>jj gelegen schans
in bezetting lag, had de naderende groep opgemerkt en
omsingelde de weerloozen.
Onder wo«st getier en bitteren spot grepen z\\j de vrouwen
aan, rukten haar de kleederen van het lijf en dreven ze
zoo voor zich uit.
„Keert terug naar de stad," riepen de Spanjaarden sma-
deljjk, en helpt ze daar de proviand opeten."
De Leidenaars namen de beleedigde moeders en hare
kinderen liefderijk op en lieten ze met de noodige zorg
verplegen. De afkeer voor den vijand, die zwakke vrouwen
zoo schaamteloos durfde mishandelen, was toegenomen, en
de laatste vonk van hoop op genade van de vreemde des-
poten voorgoed gebluscht.
„\'tSchijnt, dat wij bezoek zullen krjjgen," sprak een der
schutters tot zijne makkers, die dienzelfden dag de wacht
hadden btf de Witte poort. „Daar ginds op den TT togen
Rijndijk voor de Waddingerschans zag ik straks > tntal
ruiters draven, die sedert eenige oogenblikkeii hun paaH-n
tot stilstand hebben gebracht. Wellicht beraadslagen zij
nog het een of ander, voor zij hier heen trekken."
-ocr page 96-
90
De schatters blikten over de wallen. In de verte glins-
terden eenige wapenrustingen in het zonlicht, terwijl op
korten afstand een trompetter naderde, op een rooden vos
gezeten. Onderzoekend namen de wachters den )uitf>r op,
die zijn vurigen klepper met krachtige hand bedwong, en
hem b\\j de gracht voor de poort tot rust vermaande.
„Halt" — zeide hg, en het dier, de stem zijns meesters
kennende, bleef onbeweeglijk staan.
„\'tIs een Spaansche boodschapper," spraken de wachters.
„De aanblik dier verraders is m\\j onverdragelijk," riep een
der vangsten, luide genoeg om zijne woorden voor den
ruiter verstaanbaar te doen zijn.
„Wat belet mü, om hem met een schot uit mijn goed
musket te begroeten."
De trompetter had deze opmerking verstaan, hij verbeet
zijne gramschap en eenige brieven te voorschijn halende,
wenkte hij de wachters, dat hij hen verlangde te spreken.
„In naam van myn overste, vraag ik toegang tot het
gerecht uwer stad, om het deze stukken ter hand te
stellen."
„Ge-\'f uwe brieven maar hier," hernam de schutter opnieuw.
„Wij zullen zorg dragen, dat z\\j hunne bestemming bereiken.
Uwe lokvinkfrij vermag toch niet ons in den strik te krij-
gen," mompelde hij.
De Spanjaard kleurde en den Leidenaar trotsch aanziende,
antwoordde hg koel: „Ik ben gewoon mg stipt van de mg
opgedragen zendi.ig te kwijten en juist zoover te gaan als
mjj gelast wordt. Ik moet de brieven persoonlijk overhan-
digen en derhalve verlang ik nogmaals bij uw bestuur te
worden toelaten."
,Leer dan geduld te oefenen," sprak een der wachters
-ocr page 97-
\'Jl
bits. „Onze last luidt, om voor niemand de poorten te
openen zonder de aanwezigheid van heeren Burgemeesteren
en leden van den Gerechte."
De trompetter mompelde eenige onverstaanbare woorden,
die zijn kwalijk verborgen misnoegen over de behandeling,
een vorstelijk parlementair aangedaan, moest luchtgeven.
„Opstandelingen," gromde hg. „Valdez zal de hoon, zpen
boodschapper wedervaren, weten te wreken. Doch laat ik
mjjne zelibeheersching niet verliezen. Wjj moeten nog altijd
toenadering huichelen en van lankmoedigheid, van genade
en vergiffenis spreken, tot zoolang — w\\j deze muren bin-
nentrekken, dan zal het spel beginnen......"
Hy\' liet zyn paard eenige malen heen en weder gaan,
als zocht hjj hierin de noodige afleiding. Nu en dan wierp
hg echter een verachtelijken blik op de Leidenaars, die
hem wederkeerig gramstorig aanzagen.
De wachters hadden intusschen den Burgemeesteren de
komst van den trompetter geboodschapt. Kort daarop
verschenen zij, vergezeld van den Schout, Hendrik van
Brouchoven, den stadsvoogd Bronkhorst en den bevelhebber
der bezetting, Jonkheer Janus van der Does. De poorten
werden geopend en de ernstige mannen, die besloten hadden
niets te ondernemen, wat tot nadeel hunner beminde stede
zon kunnen strekken, traden naar voren, om te vernemen,
wat de Spanjaard hun wenschte mee te deelen.
De boodschapper naderde en zich hoffeln\'k buigende, reikte
h\\j een der heeren zijne brieven over.
„Miju bevelhebber rekent op antwoord", sprak hij. „Ik
zal u vergezellen en daar binnen wachten tot uwe beraad*
slaging\'-n met, d- ovri/en zijn «t^eloopen."
„Niet noodig", werd hem terstond toegevoegd. Een der
-ocr page 98-
92
Bnrgemeesteren verbrak het zegel, opende het schrjjven en
doorliep bedaard den inhoud, die het oude lied van de ver-
langde onderwerping en de toegezegde genade aan de boet-
vaardigen, inhield. De trompetter beschouwde met sluwen
blik het gelaat der mannen, die allen kennis van het
geschrevene namen. Het was hem echter onmogelijk op te
merken welken indruk deze regelen op hen te weeg brach-
ten. Niet de minste waardeering viel er op hun gelaat te
aanschouwen en wat daarbinnen roerde bleef voor het oog
van den Spanjaard verbolgen. Na weinige oogenblikken
wenkte een der heeren hem en den ruiter met ernstigen
blik aanziende, zeide hij op vastberaden toon:
„Ons antwoord aan u zal kort zijn. Zeg uwen overste,
dat wij de stad voor den koning behouden en beschermen.
Indien men met ons wenscht te onderhandelen, zoo moge
men zich tot Zijne Excellentie, den Prins van Oranje, wenden.
Alle verdragen, die hij met u zal willen sluiten, willen wij
gewillig opvolgen en nakomen."
De heeren van den Gerechte verwijderden zich; de bode
had zijn afscheid ontvangen en kon aftrekken. Nauwelijks
vermocht hij zijn spijt te verkroppen. Hij spoorde zijn paard
aan en snel verdween hij in de richting der wachtende
ruiters.
„Oproerig geuzengebroed," mompelde hij hevig verwoed,
„opstandelingen, die mij als antwoord verwijzen naar den
hoof diebel, dien ellendigen Willem van Oranje. Eens zullen
wjj afrekening houden."
De wachters op de Witte Poort zagen hem spottend na.
„De Spanjaarden zullen nog lang heugenis van deze be-
groeting hebben," lachte een der schutters. Wat zal Valdez
verheugd zyn, als hij straks verneemt, dat hij zich tot
-ocr page 99-
93
Vader "Willem moet wenden om met hem over het lot van
Leiden te onderhandelen. Grooter grief is voor de Spekken wel
niet mogelijk, want onze Vorst zal niet rosten voor hg ons
uit de handen der Spa&nsche beulen heeft verlost. Wij
hopen alles te doen wat de Prins wil en gevoelen ons éêu
met hem."
„Met God — voor Leiden en Oranje!" riep hg luid.
„Leve de Prins!" herhaalden de anderen opgewekt.
Sm?,
-ocr page 100-
HOOFDSTUK VIII.
Een ster in don nacht.
Prins Willem, de toevlucht der bedrukte Nederlanders
die reeds weken lang onvermoeid voor Leiden\'s verlossing
werkte en bad, spande nog immer zijne beste krachten in oni
de redding der zwaar bezochte stedelingen te bewerken,
zoo zelfs, dat hg uitgeput werd van zorg voor het arme
land en ziek door inspanning en afmatting.
Hy had den Leidenaars ontzet beloofd; dat woord zou
hg houden. In den geest zag hij de arme vaders, zwakke
vrouwen en teedere kinderen, die naast God op hem, op
hem alleen hun hope hadden gevestigd en die angstig de
handen naar hem uitstrekten, sineekende, dringend en vurig)
om bgstand in den nood.
Met hun zaak stond het schier hopeloos, daarom moest
de geliefde Oranje alles aanwenden om Leiden te behouden.
Nog één middel was er, — maar \'t kon slechts in den uiter-
sten nood worden aangewend. De stad was volkomen inge-
sloten, alle wegen werden streng bewaakt, zoodat het den
boden bijna onmogelijk werd de stad te verlaten en nog
minder er binnen te kunnen komen. De springers moesten
veelal tot hun diepen spjjt naar de stad terugkeeren zonder
zich van hun last te hebben gekweten.
Oranje wilde zich thans van het eenig mogelijke red-
-ocr page 101-
95
middel bedienen. De liefde tot zijn volk vuurde hem aan
en hij besloot de baren der Noordzee te hulp te roepen om
hem een weg te banen over de velden, die thans door den
wreeden vijand werden verwoest. Nog was hij meester van
het land in den omtrek van Rotterdam, en de Maas was geheel
in zyn macht. Hij nam een kloek besluit, de Maas- en
IJseldijken zou hg laten doorsteken en de sluizen van Rot-
terdam, Schiedam en Delfshaven openzetten, om de golven
op de Spanjaarden af te zenden. Een „zee met ebbe en
vloed" zon tot voor de veste stroomen, de vreemde vendels
verjagen en platgeboomde vaartuigen dragen, die de uitge-
vaste Leidenaars weder brood en allerlei mondvoorraad
konden toevoeren.
Het offer was groot, de bezwaren waren vele, de moeielijk-
heden zonder tal, de verliezen ontzettend. Bijna geheel
Zuid-Holland zou een prooi der zilte baren worden. Een
tal van schoone dorpen, thans zoo bevallig troonende te
midden van bloeiende weiden en rijke velden, waarop het
koren reeds rijpte, moest onherroepelijk verloren gaan, zoo-
dat de bewoners hunne woonplaatsen dienden prijs te geven
om ergens elders een beschermend dak te vinden. Die liefelijke
dreven zouden in eene groote waterplas worden herschapon
en de nijvere landman zou geen zaad noodig hebben om zijne
tuinen en akkers te bezaaien; geheel zijn have en goed gingen
verloren, — reddeloos verloren en zijne bezittingen behoorde
bij op te offeren om den Leidenaars door het water het
vurig afgebeden ontzet te brengen.
Welk eene daad was met zulk eene onderneming te ver-
gelijken P Zonden de Staten hun toestemming geven en mocht
men hope voeden, dat de omringende bevolking toewijding
aan dit grootsche plan wenschte te betoonenP De schade,
-ocr page 102-
96
aan den oogst toegebracht, kon eerst na jaren worden her-
steld en veler bestaan verzonk tegelijk met zjjne eigen-
dommen in het wassende water.
Dacht dan de edele Oranje niet aan dit groote gevaar?
Gewis, maar het lot van Leiden was hem als het ware op
de ziel gebonden. Lyt\' en goed, al te samen, had hy den
landzaten niet verschoond; en nog was hij dezelfde, die in
deze dagen van spanning zijn zuchtend volk kon toe-
roepen: „die vroom begheert te leven, bid God nacht en de
dach, dat hij mij cracht wil gheven, dat ick u helpen mach."
Hjj deed alles wat in zjjne macht stond en krachtige ver-
toogen zond hjj aan de Staten en het volk, waarin hij voor
zijne vrienden in de bres sprong en in welsprekende taal
hen opwekte, om hun toestemming aan het beraamde plan
niet te onthouden.
De woorden van den geliefden Prins, die zoozeer den
gloed der overtuiging verrieden, misten hun doel niet. Alge-
meen voorzag men het gevaar, dat Holland dreigde, zoo
Leiden viel. „Wij moeten met alle ons ten dienste staande
middelen voor de eer en de belangen des Vaderlands strijden,"
was de betuiging der weigezinden, „en zullen de handen
reppen om door het water de Spanjaarden te verdrijven."
In de vergadering van Hollands Staten, terstond daarop
in Rotterdam gehouden, werden de zaken nogmaals over-
wogen. De dauwheid en wankelmoedigheid, die somtijds dit
lichaam bezielde, scheen thans voor goed geweken. Er ging
maar één stem op: Leiden moest worden geholpen al zou
het gansche land een prooi der zilte baren worden.
De wakkere mannen ontveinsden zich de ellende niet, die
volgen zou. \'t Was echter onmogelijk te land de fel bedreigde
stad te ontzetten. De ki jjgsbekoeften in de veste werden
-ocr page 103-
97
allengs uitgeput, de groote sterfte maakte dat den burgers
«Ie moed ontzonk.
„Mannen broeders," klonk het in krachtige taal. „Laat
ons het eigen belang opofferen ter wille van het genieeue-
best. De rampspoedige staat der stad is u bekend. Met
Leidens lot wordt over het wel of wee van Holland be-
slist. Een ontzettende ramp bedreigt ons; zoo God almach-
tig het niet verhoedt, is het weldra met ons volksbestaan
en onze godsdienstvrijheid uit. Van Filips is geen genade
te wachten, het ergste staat te vreezen. Beter dat de
oogst van één jaar verloren gaat, dan dat wy ons voor
altijd moeten krommen onder het knechtschap van vreemde
overheerschers. En zeg mjj — hoe zou het ons mogelijk
zjja de vijanden van onze velden te verjagen, zonder vol-
doende krijgsmacht; ten laatste valt toch alles in handen
der beulen.
Geeft daarom akkers en dorpen prjjs, om de lang begeerde
vrijheid te herwinnen. De liefde voor ons goede land ge-
biedt ons, om zonder verwijl de roepstem van zjjne Door-
luchtigheid op te volgen en Rynland, Delfland en Schieland,
en alle ompalende streken door het openen der sluizen en
het doorgraven der dn\'ken onder water te zetten, opdat
hldus de vyanden zullen worden verjaagd, of een weg zal
worden gebaand, waardoor de stad met schepen ontzet en
bijgestaan kan worden.
Wat kiest gij? Bedenkt hoe hachelijk de toestand is. De
toekomst is donker; zult gjj u onttrekken of de handen met
ons ineen slaan tot krachtigen tegenweer? Ik voor m\\j heb
goed en bloed voor het Vaderland veil."
Een oogenblik was het stil; toen brak de stroom los
en vol geestdrift riepen allen uit: „Beter verdronken — dan
7
-ocr page 104-
98
verloren land. De djjken door, opdat het water vnorLeidens
wallen moge stroomen en lift uur der verlossing voor de
beproefde stad ma? slaan. De zaak van Nederland is G >ds
zaak en al wat wjj voor Hem, voor het Vaderland eti onze
naasten opzetten en wagen is niet verloren, maar wordt
allen, die op den hoocsten Koning hun betrouwen stellen,
honiie\' dvoudig vergulden."
De liefde voor het Vaderland had de zegepraal over alle
bedenkingen behaald en na korte beraadslagingen beloofden
de Staten per maand 45.000 kronen voor het goede werk
beschikbaar te stellen.
De ijver en moed, waarmede dit offer werd gebracht,
werkten aanstekelijk. Alle steden wedijverden om te hei-
pen; de toewijding was groot. Eene leening van 120000
gulden was spoedig volteekend en aanzienlijke vrouwen
ontdeden zbh zelfs van hunne kostbare sieraden, om
daarmede het werkvolk te betalen, dat den sterken boei,
die de wateren nog hield besloten, zou doorgraven, opdat
het werk der vernieling onbelemmerd kon worden vooit-
gezet. Zoo gat elk het znne pr\\js en indien nu de Heere
in Zijn oneindige ontferming de pogingen tot ontzet zou
willen zegenen, mocht men hope voeden, dat het werk
der zelfopoffering met een heerlijken uitslag zou worden
bekroond.
In de nabijheid van Kapelle a/d. IJsel, onder beschutting
van eene scham?, waarin talrijke manschappen zorgvuldig
de wacht hielden, stonden den 3d8n Augustus eenige mannen,
die naar hunne kostbare kleedn\' te oordeelen tot de edelen
des lands behoorden. Allen hielden het oog gevestigd op
-ocr page 105-
99
het werkvolk, dat met spaden gewapend een gat in den
dijk begon te graven.
Eenigszins van deze groep verwilderd liep een persoon,
tot wien zelfs de achtbare mannen met ee/bied en ontzag
opzagen, met langzame sctr td^n op en neder. Het was de
Prins van Oranje, die rusteloos voor het welzijn des lands
had gepleit. Met. levendige belangstelling blikte hij over
den omtrek en peinzend bleef hij na eenige oogenblikken
staan, waarna hij sprak:
„Zoo is dan eiudelijk het plan tot uitvoering gekomen,
dat de Heere ons thans bijsta en met zijn baren en golven
den vijaud veijage. Wij willen den moed niet verliezen.
Ik heb, voor ik de zaak der onderdrukte christenen in deze
provinciën op mij nam, een nauw verbond aangegaan met
den Koning der koningen en ben vast overtuigd, dat allen,
die in Hem betrouwen stellen, door Zyn almachtige hand
verlost zulle u worden.
Het geluid van voetstappen, in zijne nabijheid, deed den
Prins opzien. Een edelman, gehuld in een korten mantel
van üju laken, die op de hoeken en den kraag van gouden
borduursel was voorzien, kwam naderbij. Het was Jonk-
heer Daniëi Oem van Wijngaerden, die met zijn medege-
machtigden uit Rotterdam naar den IJseldijk was vertrokken,
om met het werk der inundatie een aanvang te maken.
HJJ lichtte het kostbare baret, met edelgesteenten, dat zijn
hoofd bedekte, op en zich hoffelijk buigende, zeide hij: „Mr.
Paulus Buys en de leden der Staten laten uwe Door-
luchtigheid eerbiedig verzoeken, om het begonnen werk in
oogenschouw te willen nemen, om verder met hen te be-
raadslagen over de geschikte punten tot verdere doorgra-
ving der dijken."
-ocr page 106-
100
De Prins knikte toestemmend en minzaam antwoordde
hg: „Ik wil terstond aan uw verlangen voldoen. Van harte
hoop ik, dat de Heere onze zwakke pogingen met zjjn
onmisbaren zegen moge bekroonen. Vordert het werk
reeds?"
„De gravers arbeiden met ijver," begon de edelman op-
nieuw. „Uwe Excellentie zal zich straks van een en ander
persoonlek kunnen overtuigen. Het water stroomt reeds
door drie gapingen schuimend het veld in en door de zestien
openingen, die al westwaarts trekkende gemaakt zulltn
worden, zal straks het Maas en IJselwater ongehinderd
Delfland overstroomen, zoodat binnen kort alle landen in
een zee z\\jn herschapen."
„Vooral, wanneer het stuk dflks tusschen Eotterdam en
Delfshaven wordt weggegraven en der Maze een nieuwe
toegang wordt gebaand," merkte de Prins op. „De golven
kunnen dan het vernielingswerk ongehinderd beginnen, zoo
namelijk een stormvloed het water hoog opdrijft en de
gewi-nschte noordwesten wind niet uitblijft.
Met de hulpe Gods zal alles tot een goed en gewenscht
einde worden gebracht en het morgenrood der godsdienst-
vrijheid voor goed aan de kimmen lichten."
„Zoo geve ons de Heere, uit genade," betuigde Jonk-
heer van Wijngaarden, de hand aan zjjn baret slaande, daar
een hevige windvlaag hem van z\\jn kostbaar hoofdsieraad
trachtte te berooven. Beide mannen zochten thans de overige
leden der Staten op, waarna zjj met dezen beraadslaagden
over eenige werkzaamheden, met den verderen voortgang van
den grootschen arbeid in verband staande.
De gravers zetten nu onder toezicht der aangewezen vol-
machten hun zware taak tot voorbjj het Kralingsche veer
-ocr page 107-
101
voort en bruischend stroomde het zilte nat over de vruchi-
bare gronden, om te vernietigen of te verzwelgen wat eens
met zorg en moeite was opgehaald of tot stand gebracht,
maar tevens om als een roede des hemels de benden des
vjjands te verjagen, om troost en redding te brengen aan
de zwaar bezochte Leidenaars, die thans met diepe smart
zich afvroegen, of het vurig begeerde ontzet dan nimmer
zou opdagen.
-ocr page 108-
HOOFDSTUK IX,
Een uitval der Leidenaars;
Langzaam gingen de uren van den nacht voor de fel be-
nauwde stedelingen voorbij. Het oogenblik waarop alles
ontwaakt, zou eerst straks naderen. Nog hing eene vale
schemering over de velden eu geen lick! straal wierp haar
schijnsel door de dikke duisternis. Een diepe, plechtige
stilte rustte op den omtrek. Nier, het geringste geluid werd
daar buiten vernomen, zoudat het krijgsvolk, dat iu de om-
ringende schansen in kwartier lag, blijkbaar nog in de armen
var den slaap de noodige verkwikking /echt. De schansen
zelf staken als donkere, dreigende massa/s tegen den hemel
op en de Spanjaarden, die hier hun verblijf hielden, zullen
zeker niet hebben vermoed, dat op eenigen afstand fonke-
lende oogen onheilspellend op de sterkten waren gevestigd.
Hadden zij echter een enkelen blik in Leidons straten kun-
nen werpen, zoo waren zij ongetwijfeld reeds voor lang over-
tuigd geworden, dat hun onheil ivaehtte eu waren zij jjlings
opgestaan om zich ter verdediging toe te rusten.
In de meeste woningen braadde reeds de lamp en b\\j haar
flikkerend schynsel lei een huisvader of zoon de laatste hand
aan het in orde brengen zyner wapenrusting. Reeds trok-
ken er troepen strijdbare burgers door de verschillende
wjjken, die zich haastten om hunne Ioopplaatsen op te zoeken.
-ocr page 109-
I
103
„Wg zgn ter Kgnsburger poort bescheiden," sprak een
jonge man tot zjjn metgezel. „Kapitein Schot zal heden den
eigenleken aanval regelen, en w\\j hebben dus het vooruitzicht
om duchtig met de Spanjolen kennis te maken. Het zal er
heet om toegaan. De Waddingerschans, die wjj omver wen-
schen te halen, is mn\' reeds lang een doorn in het oog ge-
weest. De redoute b\\j Boshuizen wordt er door beschermd
en van dag tot dag knallen vandaar de schoten der Spaan-
sche musketiers, die het zoo bont maken, dat het niemand
der onzen geraden is ztjn hoofd buiten de Wittepoort te
steken.
„Öjj hebt gelijk, Floris," antwoordde de aangesprokene
„en gaarne help ik mee om den boei te verbreken, waarin
wjj bekneld zjjn geworden. Wy zullen het echter hard te
verantwoorden hebben. Gelukkig, dat kapitein van dei-
Laan ons met z\\jne vrijbuiters zal ter hulpe komen en
bovenal, dat het schotvrjj schip, dat kort geleden werd ver-
sterkt, ditmaal met het krijgsvolk zal uittrekken."
„Hebt gij de ijzeren schans gezien, Floris?"
„Zeker Gerbrant, \'t is een geducht monster en voor het
beoogde doel alleszins geschikt. De hooge wanden van het
vaartuig zijn sterk en dik en bovendien met Ijzer beslagen.
Zestien roeiers zullen het schip in beweging brengen, terwijl
daar binnen nog een aanzienlijk getal schutters geplaatst
wordt. De noodige schietgaten z\\jn reeds in de wanden
aangebracht, zoodat onze musketiers uit de besloten ruimte
gemakkelijk en zeker hunne schoten op den v\\jand kunnen
afzenden.
Ik zie, dat de vrijbuiters met nog eenige schutters zich
reeds naar de Borstelbrug begeven om de jjzeven schans te
bemannen, die straks langs de Korte vest bjj den Pelikaan-
-ocr page 110-
104
toren door den boom zal worden gelaten om verder het
Galgewater op te varen.
Ik hoop, dat onze tocht met een goeden uitslag zal
worden bekroond en wij den Spanjaarden een gevoelig
verlies mogen toebrengen."
„Dat geve God", zeide Gerbrant, „want de nood stijgt
met den dag. Het brood begint reeds op te raken en
voortaan zullen wij ons met moutkoeken dienen te behelpen,
zoodat wfl ons slechts voor een korten tijd en dan nog wel
onvoldoende kunnen verzadigen. Nu reeds zoekt men de
walgelijkste dingen van de straat op, om daarmede den
schreeuwenden honger te stillen. De vele gesloten vensters
bewijzen duidelijk genoeg, dat reeds menig burger het
slachtoffer der pest is geworden. Aan onze sterkste mannen
ontzinkt reeds de kracht, derhalve is het geen wonder, dat
de kinderen sterven en de zuigelingen aan de borsten dei-
moeders inslapen om nimmer te ontwaken.
Zoo de Heere ons niet spoedig verlossing brengt, zullen
Wij allen nog ellendig om het leven komen. Ik zal de ure
zegenen, waarop de Spekken voor goed hun afscheid zullen
nemen. Mocht ra\\)n vader dan ook terugkeeren", zuchtte hij.
De Prins heeft ontzet beloofd, sprak de bediende van
meester Alewrjns, en daarom blijf ik moed houden. Wat uw
vader betreft, wij hebben in de laatste weken geen tijding
van hem ontvangen, maar toch is het mjj alsof ik mijn
goeden meester gezond en wel zal ontmoeten en wij opnieuw
onze werkzaamheden aan de fabriek in rust zullen voort-
zetten."
Deze woorden schonken den zoon zijne kalmte terug. Of
Floris zelf echter hope op spoedig ontzet bleef koesteren,
waar de duisternis zich steeds meer verdikte, viel te
-ocr page 111-
105
betwijfelen. Dit viel voorzeker niet te bevreemden, wanl
bij het stijgen van den nood verloren zelfs de meest ge-
loovige Vaderlanders wel voor eenige oogenblikken den moed
en het vertrouwen.
„Gerbrant," sprak Floris, „ik merk, dat de schutters zich
reeds in het gelid hebben geschaard; wij moeten ons haasten."
De vrienden nameu kort daarop huu plaats in en strikten
den witten doek, die zjj bij zich droegen, om den arm. Dit
was het veldteeken voor de Leidsche strijders, waaraan
ieder in het gevecht den vriend van een vijand zou kunnen
onderscheiden. Sommigen bonden den witten band om hun
hoed om hem te meer zichtbaar te maken.
De grootste woeligheid heerschte zoo in dezen vroegen
Augustusmorgen in de Zuidelijke en Westelijke wijken der
stad. Echter niet lang. Het gedruisch nam allengs af en
in ernstig zwjjgen wachten de uitvallers op het sein tot
hun vertrek. Zoo stond dan aan de Rjjnsburger poort
kapitein Schot met zijne schutters; op den R\\in vertoefde
van der Laen met zyn onversaagde mannen, die zich in de
Ijzeren schans hadden geposteerd. Bij de Wittepoort hadden
zich de vrijwilligers onder Jonkheer Jan van der Does met
het vendel schutters onder kapitein Mees Haviksz vereenigd,
die straks gezamenlijk den hoogen Rjjndjjk zouden oprukken.
Een andere groep strijders, gewapend met de gevreesde
verrejagers en vuurroeren, wachtte met ongeduld het oogen-
blik af, dat hun overste Jonkheer van Duivenvoorde keu
in het gewoel van den str\\jd zou voeren.
De stad en de omtrek waren nog in het duister vanden
nacht gehuld. Een zilverwitte nevel zweefde over de velden
en pakte zich boven de stroomen samen. Flauw glinsterde
de morgenster boven de wolken en de sombere hoogten
-ocr page 112-
106
doemden nog bjjna onzichtbaar uit een geheimzinnig donker
op. Daar schitterde een vuursein van de Wittepoort en
voorwaarts klonk het uit den mond der verschillende bevel-
hebbers.
Kapitein Andries Schot trok met zjjue manschappen vooit
in de richting der Poelschans, waarna h\\j de helft der
schutters op een brug voor den Rijgdjjk deed standhouden,
om met de overigen de Spanjaarden, die van de Noordwest-
zjjdc de Leidenaars zouden mogen bedreigen, in het oog
te houden.
De peren schans voerde haar last het Galgewatar in en
werd ter zyde door het krijgsvolk van Haviksz en van Van
der Does begeleidt. Jonkheer Jan van Duivenvoorde rukte
met zijn verrejagers naar liet Zuidwesten en verschool zich
achter de bouwvallen van het huis te Boshuizen. Bij de
stadspoort wachtte een groot aantal schansgravers het
oogenblik af, dat zg met het slechten der bedreigde sterkte
een aanvang zouden kunnen maken. De wachtposten in de
schans trachtten te vergeefs den grauwen nevelsluier met
hun blikken te doorboren. Nog was alles stil en alleen de
vormen der naaste voorwerpen traden, hoewel in onzekere
lynen, uit het duister te voorschijn.
De kapitein der vrpuiters geeft aan de manschappen,
die zich op de galei bevinden, een wenk en plotseling
brandt tot niet geringen schrik der Spaansche bezetting,
het geschut los. Een donderend geluid weerklinkt over
den straks zoo rustigen omtrek en als een echo wordt dat
geluid herhaald door den doffen knal van de musket-
schoten.
In dichte drommen trekken de Leidenaars vooruit. „Zee-
Jand, — Zeeland!" klonk hun kreet, die den Spanjaarden
-ocr page 113-
107
meldt, dat. de vermetele geuzen hun met een wissen dood
zullen dreigen. Een jouden gloed stijgt aan den hemel op
en de nevels rijden als rookzuilen naar hoven. Het licht
treedt te voorschijn en de bezetting ontwaart, dat de
Leidenaars reeds op korten afstand naderen. Een oogenblik
staan de Spanjaarden verbijsterd, maar spoedig hebben zij
zich hersteld. Snel laden zij hunne musketten en een
hagelbui van kogels begroet de stedelingen, die oogenblik-
kelijk hun vuurroeren afschieten om de Spekken met gelijke
munt te betalen.
Een kreet van woede gaat op van de wallen; enkele
manschappen storten zwaar gewond neder en zijn voorgoed
buiten gevecht gesteld. Andermaal dalen steenen en kogels
neer op de aanvallers, maar onophoudelijk vnren de Lei-
denaars. Het is alsof niets hen kan tegenhouden, moedig
snellen allen voorwaarts en ieder houdt zn\'u man in bet
oog. Hun strijdleus klinkt daverend boven de kreten der
vijanden uit.
Duivenvoorde ijlde met zijn vrijbuiters te hulp en verscheen
op het tooneel van den strijd. Hij legerde zich tus-schen
de schans te Boshuizen en de Oude Vliet en viel den vijand
in den rug aan. Eenige schutters, die ia de nabijheid der
Poèlschans den Spanjaarden den pas afsneden, raakten van
de overigen gescheiden en snelden mede naar het bedreigde
punt. Onder hen waren Gerbrant Alewijns en Floris. Beiden
vochten met moed, vast besloten om niet te wijken. Onver-
schrokken waagden zij zich te midden van het gedrang en
drongen op den vijand in. Hun kogels deden meer dan een
Spaanschen strijder vallen en voorwaarts ging het om straks
de wallen te beklimmen.
„Voor Leiden en den Prins," klonk het van verschillende
-ocr page 114-
108
kanten en voorwaarts stormden de aanvallers, hoe woedend
zich de Spanjaard* ook verdedigden.
„Op zjj mannen!" waarschuwde een stem. „Wjj zullen
ze daar ginds iets gaan brengen, dat hun wel het minst
zal smaken." Gerbrant hoorde niets, znn fonkelend oog
blikte naar het voor hem liggend bolwerk en voor de zoo-
veelste maal laadde hjj zijn roer om er het lot zijner vijan-
den mede te beslissen. Opeens voelde hjj zich bij den arm
gegrepen.
„Achteruit, Gerbrant," vermaande een der vrijbuiters,
„achteruit, zoo uw leven u lief is."
De aangesprokene week ter züde en de krügsman, die hem
had gedrongen om voor een wn\'le den aanval te staken,
scherp aanziende, vraagde hij: „Wat hebt gü, Filips Dirksz.
Moet g\\j aldus uw makkers storen?"
De moedige Filips, een vrijbuiter uit Gouda, wees met
zn\'n verrejager op enkele schutters, die eenige vreemdsoor-
t.ige voorwerpen in hun midden hadden. Gerbrar.t zag in
de aangewezen richting en overtuigde zich weldra, dat hjj
nog juist bjj tijds was gewaarschuwd. Een vreemdsoortig
geschut werd door zn\'n vrienden klaar gemaakt. Daar lagen
groote glazen flasschen en bollen met zwavel en buskruit
gevuld. De vrijbuiters voorzagen ze van brandende lonten.
Hoor, het ritselt en schuifelt op den grond.
„Daar gaat het, — op zjj mannen!" werd er nogmaals
luide geroepen en een geweldige vuurstraal flikkert door
het donker, terwü\'1 een daverende knal de soldaten doet
opschrikken. De vurige monsters vliegen te midden van
de Spanjaarden; zjj kwetsen en zengen overal, dood en
verderf braken zjj om zich heen. In wild^ verwarring
springen de verdedigers der schans op, maar vruchteloos
-ocr page 115-
109
trachten zij zich te verbergen, want overal barsten de ge-
vreesde werktuigen los, alles vernielende wat zich op hun
weg bevindt.
De stedelingen dringen vooruit onder het aanheffen van
hun strijdleuze. De schutters klemmen hunne vuurroeren
vast in de vuist; daar rijzen de geweren omhoog, het fon-
kelend oog glijdt langs den loop op de verdedigers der
wallen en dof rolt de knal der schoten door de ruimte, die
de bespringers van hun onderdrukkers scheidt.
„Voor God en Oranje," klinkt het geroep der vrijbuiters
en de spitsen der verrejagers glinsteren in de stralen der
zon, die deu omtrek eenigermate begint te verlichte». De
dappere geuzen, die voor niets terugdeinzen, rukken steeds
meer vooruit; reeds stooten zjj de blinkende spietsen in de
bolwerken, om den vijand vandaar te verjagen. Er volgt
een bloedig gevecht. Het angstgeschreeuw der Spanjaarden
vermengt zich met de juichkreten der zegevierende Leide-
naars. De musketten zwijgen; op het voorbeeld van Floris
Gbjjsberts hebben de schutters hun roeren by den loop ge-
vat en slaan nu met de kolven op den vijand in. Deze
verdedigt zich moedig. Elke voetbreed gronds wordt met
weergalooze dapperheid aan de Leidenaars betwist.
„Misericórde, — ontferming, genade," smeeken de ver-
bjjsterde Spanjaarden, als zij zien, dat hun doodvonnis on-
herroepelnk is geveld, al verdedigen z\\j zich met wanhopigen
moed.
„Wij verleenen geen kwartier," antwoorden de vrijbuiters
en de zegekreten, die van verschillende zijden worden aan-
geheven, verkondigen het luide, dat de Leidenaars overal
den vijand in het nauw hebben gebracht. Vruchteloos pogen
de soldaten der bezetting te ontkomen; aan alle kanten is
-ocr page 116-
110
hnn de wpg versperd. V\'-Ihi vallen onder de kolfslagen
il»-r mosk«*tie-s, die met gew«*l«l op hunne hooiden neerdalen,
of vinden hun dood in de gestrekte speren, die hen in
üichten kring dreigend omsluiten. Mocht het al een enkelen
Spanjaard gelukken zich met den moed der vertwijfeling
door zyn belagers heen te slaan, hem wachtte toch eenzelfde
lot ais zijn gevallen makkers, war.t het oog der Leidenaars
blikte overal. Zoo zageu de vluchtenden zich rondom in-
gesloten. Nergens vermochten z\\j zich te bergen, overal
grijnsde de dood heu aan en onmogelijk was het hun zich
in veiligheid te stellen voor de goedgemikte schoten, die
hun werdeu nagezonden. De vlucht eliogan, die naar deu
Rijnhout meenden te ontkomen, zagen zich door de verre-
jagers het leven afgesneden of vonden hun graf in de
schuimende golven, die rood waren gekleurd door het bloed
der gezonken slachtoffers.
Tot niet geringe teleurstelling van de zegevierende Lei-
denaars bleven de pionniers uit. In do hitte van het gevecht
werden /ij her- en derwaarts gedreven, terwijl een groot
getal zich in de nabijheid der Poelbrug bevond om daar
loopsehansen tegen op te werpen, ttet slechten der wallen
scheen zoodoende onmogelijk gemaakt. De overwinnaar
lieten zich echter niet afschrikken; toen de schansgravt-rs
met opdaagden, begonnen z\\j zelf aan het vernielen der schans.
Alles werd dooreen geworpen en dooden en gekwetsten
vonden hun graf in de aardhoopen, die spoedig verrezen.
Zij zouden deu aangevangen arbeid niet ten einde brenger..
Floris werd met zijne makkers plotseling opgeschrikt, door
het verwijderd geroffel van den trom en • het geschetter van
de trompetten.
„De Spanjaarden zullen ons te hulp komen," sprak een
-ocr page 117-
111
der mannen spottend, terwijl hij een zwarts kl^mp aa de
los mankte. Ik zal echter den knechten v;in Valdez wy\'s
maken, dat ik my het werk niet uit de handen laat nemen.
Eer v>y vertrekken zullen wij de Spanjaarden toonen, dat
de wevers van Leiden, zooals zy ons spottend noemen, zelfs
voor geen overmacht terugdeinzen. Dreigend balde hij de
vuist en naar de stad wijzemle, zcide hg: „Daar sterven
onze hnisgenooten van honger. Gisteren, tegen bet vallen
van den avond, keerde ik naar de mijnen terug. Mijne
vrouw zat met haren zuigeling aan de borst bh\' de tafel.
Ik trad binnen, geen welkomstgroet klonk mij tegen. „Slaapt
gij?" — vroeg ik zacht, om haar niet te doen schrikken.
Z\\] antwoordde niet; toen trad ik naderbij, eeEe huivering
voer mij door de leden en sidderend zonk ik op den vloer.
Zij waren gestorven, — gestorven van honger."
Er kwam een traan in het mannelijk oog. De manschap-
pen, die zijne woorden hadden opgevangen, staakten voor
eenige minuten hun werk. Een dof gemor ging er op onder
de dappere krijgers, bij hst hooren van zooveel leeds.
„De Spanjaarden brengen den vloek in het land," zuchtte
de eerste opnieuw; al deze ellende hebban wij hen te wijten,
maar het rjjk der papen zal niet eeuwig duren, ook aan
hun heerschappij komt een einde. Ieder, die \'t wel meent
met Leiden, met de vrijheid, met het behoud van vrouw en
kind, neme straks zijn wapens op en wreke zich op onze
onderdrukkers, die niet eer zullen rusten, voor zy ons aller
ondergang hebben bewerkt."
„Wij zullen u bijstaan," betuigde zijne vrienden en ••
zoo lang mogelijk tegen de Spanjaarden verdedigen. J>
krachtigen greep omklemden zy het vuurroer of den verrej?
twee geduchte wapenen in handen der verbitterde gei
-ocr page 118-
112
Aller oog wendde zich opeens naar het Zuid-Westen. Een
schitterend licht steeg naar boven. „Het Spaansche kamp
is in beweging," zeide Gerbrant. „Dat vuarsein komt van
den kerktoren te Voorschoten en roept voorzeker het volk
van kapitein Carion op hun post en indien ik m$j niet be-
diïeg, hoor ik het geluid van de trompet, die de ruiters seiüt
om op te zitten."
„Laat ze komen," antwoordde de gespierde Leidenaar
somber. Ik zal op deze plaats stand honden, tenzij het be-
vel van mjjn overste mjj elders mocht roepen."
De hulptroepen des vjjands kwamen nu immer nader.
Zelfs van den kant van Leiderdorp daagden de soldaten op.
Valdez verkeerde eerst in den waan, dat de aanslag inzu\'n
belang geschiedde, derhalve haastten zich de soldaten uit.
het hoofdkwartier naar de oosteljjke poorten.
„Laat ons nu binnen," riepen z\\j.
Een spottend gelach was het antwoord. „Ginds worden
uwe makkers geslacht," klonk het tergend, „helpt ze begra-
ven; als ge dat hebt gedaan, zullen wjj u hier werk geven."
De Spanjaarden werden spoedig ontnuchterd en vloden
naar hun makkers terug, om dezen van het lot hunner wapen-
broeders te verwittigen.
Intusschen was het in den omtrek der Waddingerschans
.steeds meer rumoerig geworden. De Spanjaarden, die hui!
makkers wenschen b\\j te staan, z\\jn op de plaats der worstt-
ling verschenen en vallen op de burgers aan.
Hardnekking wordt er gestreden. Zouden de domme Hol-
landers werkeln\'k stand luuden tegen het aanzienlek getal
van des konings soldaten. Vloekend spoeden zich de zwaar
gewapende lanciers naar voren. „Voor St. Jago," klinkt
hun kreet, maar duur moeten z|j hun n\'ver evenwel betalen.
-ocr page 119-
•:;. -
-ocr page 120-
113
De vuurroeren zijn gericht. Een duchtig salvo geeft ant-
woord op hun juichtoon; geen enkel schot heeft gemist en
zieltogend liggen de lanciers ter aarde.
Weer worden de musketten geladen; de verrejagers blin-
ken in het zonlicht den Spanjaarden tergend tegen en als
dezen voorttrekken knallen andermaal de schoten, terwijl de
voorsten zich door de spietsen in hun leven zien bedreigd.
,Uit den weg, Spanjolen," klinkt schor de stem van den
Leidenaar, die eene zware rekening met zjjn bespringers
heeft te vereffenen. De vreemde krijgers, sterk in het ge-
voel hunner overmacht, komen nader. De oogen fonkelen
hun van moordlust. „Nog eens uit den weg," krijscht de
man en ook zijn oogen schieten vuur. Hij heft den aard-
klomp met zijn gespierde armen omhoog. „Neem dit ter ge-
dachtenis aan een burger van Leiden," roept hij uit en
verpletterend valt de reusachtige massa op de hoofden zijner
aanvallers, die onder het slaken van een angstkreet getroffen
naar beneden tuimelen.
Rusteloos reppen zich zijne handen en een regen van steenen
valt op de hoofden der Spanjaards, die haar van alle kanten
omsingelen. „Geeft n over," roept een hopman. Een grijnslach
krult de lippen van den dapperen Leidenaar. „Kwartier geven
wij niet aan de moordenaars van Naarden en aan die van
Haarlem evenmin," mompelde hij, en andermaal een zwaren
klomp aarde opnemende, werpt hij dien den Spanjaard op de
borst. Deze waggelt en zijgt ter aarde om niet weer op te
staan: een kolfslag van Filips Dirksz, die met zn\'n vrien-
den Floris en Gerbrant den Leidschen strijder ter hulpe komt,
maakt hem voor goed machteloos. De kapitein Mees Haviksz
vocht met leeuwenmoed; waar hij verscheen moesten de
Spanjaarden terugwaarts wijken. „Vooruit mannen," riep hn\',
-ocr page 121-
114
„het geldt ons aller welzjjn," en weer was hjj in het voorste
gelid. Op eens slaakte hg een rauwen kreet. Een bloed-
stroom golfde uit zjjn borst, een Spaansch musket had hem
voor goed getroffen. Bewusteloos zonk kjj in de armen van
een der schutters, die op zyn gekerm toesnelde. Voorzichtig
werd hjj uit het strijdgewoel verwijderd en nogmaals vielen
zyn manschappen met ware doodsverachting op den vijand
aan. De verwonding van hun aanvoerder maakte hen te
meer verbitterd.
Daar de pionniers nog altjjd achterbleven, kon met het
slechten der sterkte niet langer worden voortgegaan, wijl
het aangroeiend getal vijanden noodzakelijk aller krachten
tot ernstige verdediging vroegen.
Drie malen hervatten de Spanjaarden verwoed het gevecht
en drie malen werden z$j kloekmoedig teruggeslagen. Ten
laatste zouden de Leidenaars toch voor de legermacht van
Valdez moeten bezwijken; derhalve werd het tjjd terug te
trekken, eer de stroom van vreemde krijgsknechten hen als
het ware verzwolg. Al schermutselende ging het terug naar
het punt, van waar zij straks waren uitgetrokken. De ijzeren
schans vuurde onophoudelijk en roeide weder stadswaarts
onder het gejuich der vrijbuiters, die een\' rjjken buit van
veroverde wapenen en kleederen met zich voerden. De
gevangen Spanjaarden verheugden zich niet over den triomf;
wellicht vreesden z\\j het lot te moeten ondergaan, dat hun
beide landgenooten reeds had getroffen, wier bloedende
hoofden als vreeseljjke zegeteekenen een tweetal burgers
versierden, die aan hen het werk der wrake hadden vol-
tooid en hun vergolden naar hunne daden.
Honderd vijanden zijn door de Leidenaars geveld. Hunne
loken liggen uitgeschud on den bodem, of worden door de
-ocr page 122-
115
hoopen aarde van de half vernielde wallen, als door een
lijkwa gedekt. De burgers hadden slechts het verlies van
twee strijders te betreuren; een tiental had min of meer
ernstige kw<-tsurpn.
De Kapitein M^es Haviksz. mocht niet lang meer den
nood zijner stad aanschouwen. Voor dat het wee zijn hoogste
punt bereikte nam de Meere hem tot zich.
-ocr page 123-
HOOFDSTUK IX.
De duisternis neemt toe.
Drie dagen waren sedert den aanslag der stedelingen op
de Waddingerschans verloopen. Keeds voor enkele uren
was de zon ondergegaan en geen enkele lichtstraal gleed
over de blauwe wolken, die zich steeds dichter samenpakten.
Het donker was geheel gevallen; ook de maan onttrok haar
licht aan het oog der wachtposten, die waken moesteH voor
de veiligheid der bezetting. Slechts een enkele ster blikte
van boven neer met stralend licht.
Diep zwijgen heerschte overal en niets wekte de opmerk-
zaamheid der Spanjaarden, die Leiden immers nog ingeslo-
ten hielden. Toch had het scherpziend oog op dit uur eene
donkere schaduw tusschen de verschillende schansen kunnen
ontdekken, die rusteloos voorwaarts sloop en al dichter de
voorposten begon te naderen. Behoedzaam snelde de man
stadwaarts en ongetwijfeld moest hij met de verschillende
wegen nauwkeurig bekend ziju, daar hy recht op zijn doel
afging en zooveel mogelijk het kortste pad volgde.
„God geve," zuchtte hij, „dat de waakzaamheid der Span-
jaarden mn\' niet verrasse. Ik verlang niets vuriger dan
binnen de stad te komen. Wat zullen mijn geliefden mij
met angst verbeiden en zich bezorgd maken over mü\'n lot.
Wellicht denken zij reeds, dat ik om het leven ben geknmen.
-ocr page 124-
117
O, mocht ik mijn kinderen, na zulk een lange afwezigheid,
eens weder in de armen sluiten.
Hoe gaarne zou Floris Ghijsberts zjjn meester ontmoeten?
Wel beleven w\\j een tijd van lijden en angst. De verschrik-
kingen van den oorlog houden den vader van zijne kindeten
verwijderd en maken het hem onmogelijk, om voor de zijnen
te zorgen. Indien Margaretha en Daniël eens wisten, dat
ik m\\j slechts op eeaige minuten afstands van de stad bevind,
hoe zouden z\\j den Heare smeeken, dat Hg mij mocht geleiden.\'
„De tocht wordt inderdaad gevaarlijk," fluisterde hij, plot-
seling afbrekende, „\'t Zal moeielyk gaan, binnen do muren
te komen. Zoo ik my niet bedrieg, weerklinken in de verte
de voetstappen der wachters." Een oogenblik bleef hij staan,
toen wierp hij zich haastig in eene greppel, om zich aan
den blik der naderende soldaten te onttrekken. Wer-
kely\'k gingen hem in snellen pas eenige Spaansche krijgslieden
voorby, die met haast hun verblijf in de schans opzochten,
blyde, dat zij waren afgelost, daar de regen sedert eenige
minuten kletterend van den hemel begon te vallen en d9
wind met verdubbelde kracht hen huilende in het aangezicht
blies. Zoodra hunne schreden waren verstomd, richtte de
man, in wien wij reeds den dekenfabrikant Ewout Alewijns
hebben herkend, zich op.
„De schildwachten zijn weg," mompelde hij; „indien de
pogingen van den Prins gelukken, zullen alle Spanjaarden
binnenkort verdwijnen. Het water brulscht reeds de lage
velden in, en de boeren hebben hun hooi en koren binnen-
•«haald en in de naaste steden geborgen en zelf met vrouw
in kinderen eene veilige schuilplaats gezocht. Jammer
evenwel, dat Rijuland en de omtrek van Leiden overal
merkbaar hooger liggen dan Delfland, vanwaar het Maas- en
-ocr page 125-
118
zeewater moet komen. Een hevige Noord-Westen wind zon
werkelijk een zegen voor ons zijn; des Heeren arm is niet
verkort en indien Hij liet wil, zal de zegepraal in den strijd
verblijven aan Oranje en allen, die zich aan zijne zijde
hebben geschaard ter wille van het woord Gods.
Ontzettend veel moeten zij in de benarde veste reeds
hebben geleden en wel is er geloofemoed noodig, om te
midden van alle verzoekingen te volharden tot den einde
toe. Naar heer Van Everdinge mij meedeelde, willen de
burgers liever den buik zien slinken van gebrek dan den
hals voelen zwellen van de Spaansche stroppen.
Maar de honger is een scherp zwaard en de dood eischt
zijn offers reeds uit alle woningen. Hoe zal u de tijding
bemoedigen, dat er maatregelen tot ontzet zijn getroffen en
dat de dappere Zeeuwen onder Boisot zich gereed maken
om de stad rijkelijk van proviand te voorzien."
„Hier is de brief, die hun Oranje\'s bemoeiingen meldt,"
ging hij voort, een aardhoop, die eenzaam in het veld stond,
voorbij trekkende. Hq tastte met zijn hand op de borsten
overtuigde zich, dat het schrjjven goed bewaard was.
„De afstand, die mij van mijn woonplaats scheidt, wordt
korter. Ik geloof, dat de donkere massa, die ginds boven
de omringende voorwerpen uitsteekt, de St. Pieterskerk is.\'\'
De nachtelijke wandelaar kon zich weldra van de waar-
heid zijner opmerking overtuigen, want nauwelijks had hij
de laatjte woorden uitgesproken of het wolkenfloers scheurde
zich en tot zijn niet geringe bekommering kwam de maan
te voorschijn, dio met haar licht het donker voorgoed op-
klaarde. De dekenfabrikant blikte scherp om zich heen en,
de grootste behoedzaamheid in acht nemende, sloop hij langs
allerlei omwegen vooruit. Nu eens bukte hij zich diep, om
-ocr page 126-
119
in een volgend oogenblik zich geheel te verbergen achter
een afgebrokkelden muur, opdat het argusoog van den Span-
jaard hem niet zou bemerken. Straks snelde hjj weder eenige
schreden vooruit. Tot zijn niet geringe ontzetting donderde
hem eensklaps een „halt" in de ooren. Een drietal goed ge-
wapende Spanjaarden kwamen op hem aaiistuiven. Een
bange zucht ontsnapte aan het gemoed van den Leidenaar.
Zoo hjj zich niet in veiligheid vermocht te stellen, zou hij
in den ongelijken strjjd het onderspit moeten delven. Hjj
zag zich echter eiken weg tot ontkoming sfgesneden; voor
hun eene geheele legermacht, achter hem zjjn vervolgers.
Weemoedig blikte hg naar de stad, het einddoel van z^jn
tocht; toen trok hg haastig het zwaard.
„Grjjp den spion," roept de achterste der soldaten tot de
twee Spanjaarden, die hem vooruit zjjn gesneld en die tot
z\\jne ondergeschikten behoorden. Alewflns spoedt zich voor >
hg wint zichtbaar op zgne vijanden.
„OaweI" kommandeert de eerste stem, en een der soldaten
lost zjjn roer op den dekenfabrikant. Deze heeft zich echter
ijlings op den grond geworpen en sis-senl vliegt de kogel
over hem heen, zonder hem eenig letsel te doen.
„Getroffen!" juichen de Spanjaarden en zjj spoeden zich
naar de plaats, waar de vluchteling viel.
De soldaat trekt zjjn zwaard en wil don zwaar gewonde
het leven benemen. „Sterf, vermaledijde Geus," roept hjj
uit en het staal glinstert in het bleeke maanlicht. De
vermeende gekwetste springt echter op en eer z\\jn vjjand
er op bedacht is, wordt hem een doodelpken slag toegebracht.
De Spanjaard stort neer, maar z\\jn beide kameraden zullen
hem wreken.
„Ik zal u uw loon geven, rebel," krjjscht de Spanjool en
-ocr page 127-
120
hg zwaait het zwaard om het den Leidenaar in de borst
te stooten. Alew\\jns verijdelde den slag, maar met kracht
daalt het staal op het lemmer van den dekenfabrikant,
zoodat het dezen uit de handen vliegt. Een zegekreet klinkt
in het rond, de Spanjool zal z\\jn buit nemen. Alewjjns wankelt.
„Koud stand," klinkt een zware stem; eene donkere
gestalte springt te voorschijn. Hjj heeft een scherp gespitsten
venejager stevig in de vuist geklemd en treft met zijn
spiets den Spanjaard, die reutelend ter aarde stort en
levenloos in het nabijzijnd water plonst.
De wachters hebben aan de verwijderde geluiden gehoord,
dat er onraad is; zjj dagen op en hebben b\\jna de plaats
van het gevecht bereikt.
„Voort, voort!" riep de man, die Alewijns had gered, „de
Spekken zitten ons op de hielen. Ginds verrijst eene hoogte,
die ons tot dekking kan dienen. Haast n toch."
„Ik ben gekwetst," zuchtte de gevallene en toen de hand
in zijn donker wambuis stekende, haalde hy een tweetal
brieven te voorschijn. „Hier, neem, ik heb een schrijven
van den Prins. Breng het in de stad, bezorg het andere
stuk aan het opgegeven adres."
„Ik zal bleven," mompelde de ander, misschien gelukt
het mij u in veiligheid te brengen en vaster klemde hü den
verrejager in de hand. De Spaansche uniformen blinken
hem in het oog. „Sta!" klinkt het dreigend uit de verte.
„Grijp my stevig aan," fluisterde hij en met krachtigen
greep omklemde lnj den gewonde. De last is hem evenwel
te zwaar om zoodoende den Spanjaarden te ontkomen.
„Laat mij los,\'\' drorg Alewijns. „Het is niet mogelijk
u uit het verderf te redden. Breng den brief van den
Prins over."
-ocr page 128-
121
De man met den verrejager volgde zuchtend den wensen
van zjjn vriend op. De verwensohingeu, achter ziju rug
uitgestooten, zeggen hem, dat hg bijna is ingehaald. Haastig
legt hg den dekenfabrikant in een greppel, die daar ter
plaatse den bodem doorsnijdt. „Houd u stil," vermaant bij
en ijlings snelt lüj voort in de richting der stad. „Sta !" roept
de Spanjaard, die hem heeft ingehaald, „vervloekte Geus!"
Daar schuift opeens een donkere wolk voor de maan en de
vluchteling is voor het spiedende oog verborgen.
„Schiet hem ueer," beveelt eene stem en de soldaten zen-
den hun kogels af op de donkere schaduw, die immer voor-
waarts spoedt. De schoten hebben den geus ge«,n letsel
gedaan. „Behonden!" juichte hg en de Spanjaarden keerden
onverrichter zake terug.
Van den gekwetste, dien zij voorgoed in hun macht waan-
den, was straks tot hun niet geringe teleurstelling en ver-
bazing geen spoor te ontdekken. Onverklaarbaar genoeg
moest het h»m gelukt zijn, zich op te richten en zich uit de
voeten te maken. Geen wonder voorzeker, dat de wachters,
woedend over den slechten uitslag, zich voornamen om eiken
bode, die in hunne handen mocht vallen, een proefje van
Spaansche genade te geven.
De Springer, die zoo kort na zijn vertrek onverwacht met
tyding terugkeerde, werd door het Bestuur der stad van harte
welkom geheeten. De inhoud van den brief was belangrijk
en wel in staat het volk te bemoedigen. De Prins toch
meldde, dat hg door de genade Gods de stad binnen acht
dagen hoopte te ontzetten en de burgers van hunne benauwd-
hoid verlossen, door middel van de dyken, die men door-
steken zou. Reeds had men met het werk een aanvang
eemaakt en werden de Maas- en IJseldüken dooreraven.
-ocr page 129-
issa
Het tweede schrijven bracht in het gezin van Meester
Alewijns geen geringe ontroering teweeg. Hon blijdschap
werd met droefheid vermengd, daar zjj vernamen in welke
omstandigheden de geliefde vader in het duister van den
\'acht, bedreigd door zjjne vijanden, was achtergelaten. In
bun hai te bleef echter de stille hoop leven, dat het hem
nog juist bijtijds mocht gelukt zjjn zich te verbergen.
Zouden z\\j elkander wederzien?
„De brief is af," sprak de Leidsche Secretaris, Heer Jan
van Hout, in den avond van Zaterdag den 21ston Augustus
tot zichzelf, terwijl hij een schrijven zorgvuldig toevouwde.
„Namens de Magistraat heb ik zjjne Vorstel\\jke genade den
stand der zaken gemeld en hem geschreven, dat wrj woord
gehouden hebben. Twee maanden hebben w\\j van zuinig
rondgedeeld brood geleefd en de derde maand met armoede
doorgebracht."
Hij zuchtte diep en vervolgde: „De voorraad levensmid-
delen is nagenoeg opgeteerd en de hongersnood klopt, aan
de poort. Een moutkoek van één pond zal voortaan eiken
burger voor drie dagen moeten voeden. Het begint aan
alles te ontbreken en met den dag verergert onzen toestand.
God geve, dat er eenig schrijven van de Staten mocht
binnen komen; dat zou het zwakke gemoed der burgeren
zeer opbeuren.
De taak der regeering wordt onuitsprekelijk nioeieltjk en
zoo mg het heil mfiner stede niet na aan het harte lag
voorzeker ik had mjjn post, waaraan drukkende bewaren
z\\jn verbonden, niet weder aangenomen M.ar de Regeering
heeft het gewild en nu Heer Diederik von Bronkhorst
ernstig ziek is, mogen wij ons «iet onttrekken.
-ocr page 130-
123
Een groot deel van het volk wijt ons de schuld van alle
rampen, die ons treffen, temeer nu Valdez telkens volledige
vergiffeuis aanbiedt aan allen, die zich willen onderwerpen.
Zelfs den regenten wenscht hij paspoorten uit te reiken,
indien zjj de veste willen verlaten, \'t Is waarlijk een harde
proef voor de bevolking en ook voor het Bestuur, dat handen
vol werks heeft om de Spaanschgezinden in toom te houden.
Begreep men maar, dat de roofzuchtige soldaten juist in de
hoop op plundering de bezwaren van het beleg trotseeren,
om, binnen gelaten, zich alles ten buit toe te eigenen en
allen over de kling te doen springen. Dan zon men zoo
hard niet roepen, dat het plicht is de stad over te geven,
maar zich veeleer vast aaneensluiten om tot het uiterste te
volharden.
                                                                    \'
Wel hebben wij, zooals ik in dezen brief geschreven heb,
lijdzaamheid en geduld van noode. De Heere geve ons die
en schenke Zijne Excellentie, den Prins van Oranje, wijsheid
en kloekmoedigheid om ons te ontzetten."
De Secretaris nam het verzegelde stuk in handen en
stond op. Daar meldde zich een man aan, wiens naam
eene merkbare ontroering by Heer Jan van Hout teweeg-
bracht. Maarten Oom, een burger uit den omtrek, naderde
en na een hartelijke begroeting reikte hjj met vreugdevollen
blik verschillende brieven over.
„De hoogste nood is, naar het mij voorkomt, voorb\\j,"
sprak de bode; „deze stukken zullen u op de hoogte helpen.
Ik heb echter zelf gezien, dat de doonteking der dijken
heeft plaats gehad. Het water komt reeds naar de stad
toe en spoelt tegen, de Landscheiding, den djjk, die Rijnland
van Delfland scheidt. Naar men verzekert kon men hier
en daar reeds elf palmen peilen. Een menigte schepen
-ocr page 131-
124
schuiten en schouwen maakt zich gereed om proviand binnen
Leiden te brengen, terwijl de prinseknechten naar Soetermeer
zullen trekken om de wegen te bezetten. Zoo de wind
slechts gunstig wordt, is de redding daar."
Met stralende oogen bad Van Hout hem aangehoord. „Kom
mede," sprak hy en herbaal uw mededeelingen aan de leden
van den Gerechte." Volgaarne voldeed Maarten Oom aan
het uitgesproken verlangen, en weinig later vertrok opnieuw
een bode naar den Prins. By den eersten brief was een
tweede gevoegd, waarin Oranje oprechtelgk dank werd ge-
zegd voor zijn bemoeiingen en men de punten aanwees, die
naar het oordeel des bestuurs in de eerste plaats doorge-
stoken dienden te worden.
De mare, dat er tijding van Oranje was binnengekomen,
had zich weldra door geheel de stad verspreid en het volk
spoedde zich naar de Breedstraat, om daar te vernemen ol
er op ontzet te rekenen viel. Hun verlangen werd spoedig
vervuld, \'s Prinsen ijverige stadvoogd liet uit z\\jn naam
eene aflezing houden en de ademloos luisterende schare ving
gretig de mededeeling op, dat er verscheidene goede mid-
delen ter verlossing voorhanden waren, onder meer het
doorsteken der dijken.
Reeds stond het water tien duim boven het land. De
Admiraal Boisot, met zjjn Zeeuwsche bootsgezellen, ver-
meerderd met de vrijbuiters uit het Noorderkwartier, die
door de genade Gods reeds menife victorie op den vijand
bevochten hadden, wachtten met groot verlangen op het
rijzen van het water om koren, visch en haring binnen der
stede muren te brengen. Elk moest derhalve den Almogen-
den Heere, in wiens banden alle overwinningen zijn, oot-
moedig bidden, dat Hü den aanslag tot een gewenscht einde
-ocr page 132-
125
mocht brengen, tot eere van Zijn Naam en tot hun aller
verlossing."
De saanigevloeide menigte stond een oogenblik als spra-
keloos den voorlezer aan te staren; toen weerklonk een
vreugdekreet in het rond. Gorbrant, die mede de heuche-
lflke tijding had aangehoord, wischte zich een traan uit het
oog en spoedde zich toen naar huis, om ook daar het heerlijke
nieuws aan de zijnen mede te deelen.
„Goede tijding, moeder," juichte hij. De Prins heeft het
water tegen de Spanjaarden los gelaten en de golven rollen
reeds landwaarts in; er zal na spoedig een einde aan alle
lijden komen."
„Ik hoop, dat gij u niet bedriegt, Gerbrant," fluisterde
juffrouw Alewijns, met zachte stem, zich met moaite in haar
armstoel oprichtende. „Wh\' beleven een tijd van onrast,
beroering en angst. Ik vrees echter, dat ik den dag van
het ontzet niet zal beleven. Mijn krachten zijn geheel uit-
geput en ik gevoel mij steeds moede en krachteloos. Wei-
licht is het spoedig met mij gedaan; ik weet echter in wien
ik geloof. De Heere Jezus heeft mij in genade tot zn\'n
kind aangenomen en mij gekocht door Zijn bloed. De dood,
die mij van u zal scheiden, zal mij tevens van alle lijden
ontslaan en mij overbrengen in het eeuwige leven bij Hem,
die de Zijnen sterkt in den uitersten nood. Daar zal ik de
eeuwige vreugde genieten, waarover ik straks met onzen
predikant, Pieter Cornelisz, die mü kwam bezoeken, mocht
spreken.
In den hemel zullen wy immer gelukkig zijn; want daar
is Hij, die onze schuld heeft verzoend en die ons deelge-
nooten maakt van de heerlijkheid, die Hij bij den Vader
heeft."
-ocr page 133-
126\'
„Moeder, — moeder!" snikte Gerbrant, niet bjj macht*
z\\jn aandoening langer te b dwingen.
„Ik v-Hang om brj mijn Heiland te 7.gn," antwoordde zjj,
•^eu lit-fdfvollen blik op ha\'en zood werpende, die haar te
meer dierbaar was geworden, na zij de tegenwoordigheid
van haren echtgenoot moest missen. En dat is immers zeer
zeker het beste. De Heere zal met mg doen wat Hem be-
haagt, en Hem wennen ik mg zelf en ook n allen toe te
vertrouwen, geloovende dat Hjj alles ten goede zal keeren."
Toen nam zg Gerbrant aan hare zgde en sprak lang en
innig met hem, met vriendelgken aandrang heTi venranends
aan zgne ziel te denken en om genade te smeeken van den
Heiland, die gekomen is om te zoeken en zalig t<a maken,
wat verloren is.
-ocr page 134-
«
HOOFDSTUK X.
Hoop en vroos.
Op den hoogen weg, die van de stad Delft naar Rotterdam
voert, wandelden tegen den middag van Maandag, den 30,ten
Augustus, een viertal mannen. Zij hadden voor enkele uren
eerstgenoemde plaats verlaten en gingen met langzame schre-
den verder. Nog een goed kwartier en zjj zonden het
einddoel hunner reize bereiken, waarna zjj voor een tijd
mochten uitrusten van de vermoeienissen, aan den tocht ver-
bonden. Herhaaldelijk stonden de reisgenooten stil enblik-
ten dan met klimmende blijdschap in de richting, die hen
door een der mannen werd aangewezen. Deze persoon, die
naar zjjn kleeding en geheele voorkomen te oordeelen een
gewichtig ambt bekleedde, verstrekte blikbaar sqjn drie met-
gezellen ten geleide. Het moest dus wel een zaak van ge-
wicht zijn, die hem had gedrongen eenige eenvoudige bur-
gers te vergezellen; en dat zjj den geheelen weg tusschen
de beide steden geheel te voet aflegden, had voorzeker even-
eens zijn reden. Nu en dan ontsnapte aan een der burgers
een kreet van verrassing, als hij zag hoe links en rechts
van den djjk het water de velden overstroomde en nog
immer rusteloos voortgolfde.
„Indien het werk zoo vordert, heer van Mierop, sprak
een zijner metgezellen op beleefden toon, mogen wij zeker
-ocr page 135-
hope voeden, dat het u gelukken zal Leiden voor goed uit
de klauwen der Spanjaarden te rukken, \'t Blykt ons nn
duidelijk, dat de Heeren Staten niet wenschen te rusten
voor z\\j ons uit de tegenwoordige ellende en benauwdheid
hebben verlost; ongegrond was derhalve de klacht, d»t
men de stad aan zich zelf overliet en zich haar grooten
nood niet met ernste aantrok."
„Er zal niets gespaard worden om Leiden te behouden,"
autwoordde de aangesprokene, die niemand anders was dan
Cornelis van Cuik van Mierop, Ontvanger-Generaal van
Holland. „Leiden\'s verlossing zal de vrijmaking van geheel
de provincie bewerken. Het lot uwer stede boezemt overal
de grootste belangstelling in; gij zult dit ook in Rotterdam
straks duidelijk ervaren.
Zpe Excellentie, de Prins van Oranje, door wiens toe-
ioen de ware Religie wederom is ingevoerd en die de pri-
vilegiën van den lande in z\\jn ouden staat heeft gebracht,
zal niet rusten voor uw nood is gelenigd.
De vrijheid van het fel geteisterd land is op de innigste
wijze met geheel zijn persoon en werkzaamheid verbonden.
De Heere zelf heeft hem geroepen tot het goede werk, het-
welk God voorbereid heeft, opdat hg er in wandelen zou.
Het is zijn vurige begeerte ons allen te voeren uit het
slavenhuis van Spanje en ons te verlossen van de tyrannie
van den dweopzieken vorst en van den heerschzucht der
Roomsche kerk.
Dubbel smartelijk was my derhalve ds tijding, dat de
treurige toestand, waarin zijne Doorluchtigheid verkeert,
aog steeds verergert."
De burgers schrikten en zagen met vragenden blik hun
ereleider aan. als verwachtten zfi van dezen verdere mede-
-ocr page 136-
129
deelingen. Had den geliefden Oranje, op wien z$ geheel hnn
hope voor de toekomst vestigden, een ongeluk getroffen?
Was hg wellicht in z\\jn leven bedreigd door een Spaanschen
huurling, die hem een doodeljjke wonde had toegebracht?
Dan stond het hopeloos met de zaak der vrijheid; wie zou
hun nu te hulpe komen en van de dwinglandij bevrijden ?....
„Gij maakt ons bezorgd, Heer," sprak een der mannen
droevig. „Is zijne Excellentie krank of misschien den dood
nabij ?"
„De Prins," antwoordde van Mierop, „is reeds sedert
de voorhelft dezer maand ernstig ongesteld. Zware koortsen
teisteren hem onophoudelijk en verzwakken hem dermate,
dat hg zich van elke inspanning moet onthouden, daar deze
noodlottig voor hem zou kunnen worden. Alle bekommernis
doet hem kwaad en rust is het eenige wat hem baten kan.
De zorg voor het land in dezen tijd van angst en be-
roeiïng heeft hem gansch en al uitgeput en zpe Excellentie,
die gewoon is rusteloos met hoofd en pen te werken, is tot
rust gedwongen. Dat de Heere hem spare, want meer dan
ooit hebben wij thans zijne hulp en leiding noodig. Ernstig
hebben wij te smeeken om het behoud van Vader Willem,
die zelf met gelatenheid zijn lijden draagt en zich geheel
heeft overgegeven in de handen des Heeren."
„God zal over hem beschikken wat noodig is," betuigde
een der burgers, „en hem niet meer kommer opleggen dau
hij dragen kan. Het bevreemdt mij evenwel, dat wy van
\'s Prinsen ernstige krankheid niet werden onderricht. Wat
mag hiervan de reden geweest zijn, Heer van Mierop?"
„Zjjne Doorluchtigheid, onze beminde Prins, wilde u sparen,"
ging de Ontvanger-Generaal voort. Hij kende den bitteren
nood, waarin gij verkeerdet en opdat de droefheid u niet
9
-ocr page 137-
130
geheel zou overmeesteren en terneder slaan, hield hij zfjne
ziekte voor u verborgen en meldde h\\j u wat er gedaan is,
om de ellende uwer stede te verlichten. Zoo betoonde hij
hoe diep hem den nood zijns volks ter harte gaat en zoolang
Oranje leeft is de hoop op redding niet vervlogen, hoewel
het der wereld onmogelijk schijnt.
Daar wij thans aan het einde van onzen tocht zijn, kunt
gij u eenige oogenblikkon rust gunnen, terwijl ik my naar
het Hof van zijne Excellentie zal begeven, om met den
Prins de zaken, in uwe brieven ons medegedeeld, tebespre-
ken." De boden, door Leiden\'s bestuur afgezonden, traden
thans een huis binnen, welks uithangbord duidelijk zijne
bestemming verried. Hier namen zij plaats aan eene tafel
na eene kan w\\jn besteld te hebben, om de komst des Heeren
van Mierop af te wachten, die zich onmiddellijk van hen
verwijderd had om zijne zending te volbrengen.
Onze vrienden zaten spoedig in een druk gesprek met
de aanwezigen gewikkeld, daar de zekerheid, dat men burgers
van het ongelukkige Leiden voor zich zag, ieder met leven-
dige belangstelling vervulde.
Menig oog werd vochtig, toen een der mannen de ont-
bering schetste, die de inwoners zich moesten getroosten en
het lijden, dat schier ondragelijk was geworden. Hoe gaarne
had men troost willen aanbrengen, want uit het vermagerde
gelaat bleek duidelijk, dat de boden zich niet schuldig maak-
ten aan overdrijving.
De Rotterdammers spraken hun vrienden moed in. „Df
Prins," verzekerden zij, „blijft werken en acht eigen gezond-
heid niet, wanneer \'t het welzijn zijner onderdanen geldt."
„De zake van het ontzet vordert meer en meer," hernam
een huisman, die terwille van Leiden zün bezittingen in de
-ocr page 138-
litt
golven had zien verzinken. Het water rijst immer hooger
en heeft al de polders tusschen Gouda en Rotterdam in
eene zee herschapen. Twee dagen geleden is het mij
zelfs mogelijk geweest met een zwaar beladen hooiscbuit
van uit de venen naar de IJselsteinsche poort dezer stad
te varen.
Met vreugde zou ik alles prijs geven, indien ik wist dat
Leiden\'s burgers daarmede waren te redden." Al de aan-
wezigen stemden met die betuiging in en spraken de ver-
wachting uit, dat OraDje\'s antwoord hen eveneens zou be-
moedigen in den druk.
De Ontvanger-Generaal was inmiddels het logement des
Prinsen genaderd. Vreemd genoeg kwam er hem bij zijn
binnentreden niemand tegemoet. De geheele woning scheen
als het ware uitgestorven.
„Ik zie geen der wachters," fluisterde hu; „de Heeren
Mienheim en Bruininck, de Hofmeester en Secretaris, zijn
zeker eveneens afwezig of beiden moeten zich met de artsen
in het ziekenvertrek van zijne Exellentie bevinden."
Aan de deur van \'s Prinsen slaapvertrek stond hij een
oogenblik stil. Niet het geringste geluid drong tot hem
door. Zeer waarschijnlijk was de kranke dus alleen. Van
Mierop besloot binnen te gaan; want nog was er niemand,
die hem eenig bescheid zou kunnen doen. BJjna onhoorbaar
schreed hij over den drempel en blikte toen zorgvuldig om
zich heen. Daar voor hem lag de anders zoo krachtige
Oranje op de legerstede; hij was geheel alleen. De fiere
gestalte was ingezonken, duizend bemoeienissen hadden hem
afgemat; zijne krankheid had hem verzwakt, moede en
krachteloos rustte hij ook op het ziekbed. De blik zijner
oogen, anders doordringend en schitterend, was dof en het
-ocr page 139-
1M
beminnelijke gelaat droeg de sporen der hevige koortsen,
die hem bijna zonder lusschenpoozen hadden geteisterd.
Volkomen rust zou het eenige middel tot zijn herstel
kunnen zijn. Maar dit was onmogelijk. Kon de rustelooze
zijn hoofd onbez »rgd ter nedervleien en in de armen van
den slaap de bekommernissen vergeten in deze zorgvolle
dagen, nu het bedreigde Leiden angstig de handen naar
hem uitstrekte? Neen, geen enkel uur van den dag mocht
hij de gedachte aan het lot der benauwde stad verdringen
en in de slapelooze nachten, als zijn hoofd niet beneveld
was en geen sombere schaduw zijn denkvermogen verdon-
kerde, ja schier vernietigde, was het lot zijner vrienden de
hoofdzaak zijaer gedachten.
De Ontvanger-Generaal trad zachtkens naderbij en eer-
biedig groetende, zeide hjj: „Uwe Doorluchtigheid verschoone
m\\j, dat ik onaangemeld durfde binnentreden. Ik vond
echter niemand, die mjj zou kunnen aandienen. Wat mag
echter de reden zjjn, dat er zich geen enkelen hoveling bjj
uwe Excellentie bevindt, om voor haar de noodige zorg te
dragen ?"
„Ik ben zeer krank," antwoordde de ljjder met zachte
stem, „en gevoel mij uiterst mismoedig. Een oogeublik
wenschte ik alleen te zn\'n en heb mijne bedienden voor
korten tü\'d van mij doen gaan.
Wel mag ernstige bekommernis mjjn harte vervullen nu
de vreeseln\'kste tijding tot mjj gekomen is, dat de arme
stad, die ik met Gods hulpe hoopte te redden, eindelijk
bezweken is."
Van Mierop bevroedde thans de zwaarmoedigheid van
zn\'n geliefden Prins. Op den toon der blijmoedige zekerheid,
antwoordde hij: „Leiden houdt het nogl Ik ben gekomen,
-ocr page 140-
133
om uwe Doorluchtigheid den rampspoedigen staat der veste
bloot te leggen. Boden uit de stad zelf bezorgden mij pas
heden deze brieven."
Indien ooit eenig woord in staat is geweest, alle zorg
en twijfel te verbannen en een lichtstraal in het donker
te ontsteken, dan was het wel deze betuiging, dat de dappere
burgers zich nog altijd manmoedig verdedigden en van geene
overgave aan den vijand wilden hooren.
„Ik dank u, Heere," fluisterde hij diep bewogen. „Uwe
hand zou mij geen zwaarder last opleggen dan dit broze
lichaam dragen kan." Het stroeve waas trok opeens van
zijn gelaat; de benevelde blik verhelderde zich; de oude
geestkracht, die zoolang gesluimerd had, scheen terug te
keeren en hem met nieuwen moed te bezielen.
Hn\' voelde zich weer met sterkte aaugegord en look op
als de bloem, die door zware regenvlagen ternederge-
slagen, straks de verkwikkende stralen der zomerzon mag
indrinken. Dit-nzelfden nacht reeds zou de koorts vermin-
deren en weldra mocht het volk elkander toefluisteren, dat
de geliefde Oranje, aan wien z\\j zich teu nauwste verbonden
gevoelden, steeds ia beterschap toenam en weer middelen
beraamde, om den druk der arme stedelingen te verminderen,
Na een kort maar harteljjk onderhoud, gaf de Prins op
minzame wijze afscheid aan Vau Mierop, en deze spoedde
zich terstond uaar de drie Leidenaars, die hfl reeds vol
belangstelling wachtende vond.
„De Prins," dus wendde de Ontvanger-Generaal zich tot
zijne vrienden, „is te krank om zelf de pen te voeren.
Van zijnentwege breng ik u evenwel de verzekering, dat
zonder eenigen twijfel de stad met Gods hulp zeer spoedig
ontzet zal worden. Zijne Excellentie zelf zal eeen vliit
-ocr page 141-
rsi
noch naarstigheid sparen om uwe verlossing te helpen be-
spoedigen."
„Het woord van den Prins is ons even goed als een
schryven," spraken de burgers. „Oranje en het Vaderland
z\\jn in alles lolgemeen en met alle macht, die hem ten dienste
staat, zal hyj nakomen, wat ons werd beloofd."
„Laat ons thans den terugtocht aannemen," zeide Van
Mierop; „ik merk, dat gjj u niet langer wilt ophouden dan
volstrekt noodig is. Ik prijs den n\'ver, dien gij betoont en
wensch u allerminst eenig beletsel in den weg te leggen,
die den gang van uw dienstwerk zou doen vertragen."
Thans keerde men andermaal naar Delft terug, waar de
burgers het antwoord der Staten in ontvangst namen. „Liever
het geheele land verloren dan u verlaten," klonk hun taal.
„Alle menschelijke krachten zullen ingespannen worden om
Leiden te helpen."
De boden betuigden den Ontvanger-Generaal, Heer Cor-
nelis van Mierop, hun ongeveinsden dank voor diens be-
langstelling in hun lot.
„Vergeet vooral niet," zeide deze, terwijl h\\j den mannen
hartelijk de hand drukte, „het afgesproken teeken te geven,
wanneer het u gelukt behouden door de Spaansche posten
en tot uwe bestemming te geraken."
„Zoo de Heere wil, hopen wjj tegen het aanbreken van
den volgenden morgen de poorten onzer stad binnen te
trekken; zoodra het donker geheel gevallen is, zal lantaren-
licht aan den Sint-Panciastoren u van den goeden uitslag
verwittigen, terwh\'1 het sein van eenige kanonschoten v
zulks mede zal doeu weten."
Onder de welgemeende zegenbeden van vele oprechte
vaderlanders vertrokken zü, om hun medeburgers door de
-ocr page 142-
135
overgave van den briet en mondelinge mededeelingen te
bemoedigen. Dat zij hunne reize naar wensen volbrachten
bewees het schitterend licht, dat den volgenden avond van
de zijde van Delft van den toren afstraalde. „Zij zjjn er,"
juichten de Delftsche heeren, toen het dof gebrom uit de
geschutsmonden hun luisterend oor nadrukkelijk de behouden
overkomst der boden verwittigde.
Ook de Spanjaarden merkten op hetzelfde uur, dat er eene
ongewone drukte en beweging in de stad heerschte. Wat
mocht de reden zijn, dat Leiden feest vierde in zjjtie ellende ?
De muziek speelde met vroolijke tonen, een groote optocht
trok de straten door; allen jubelden; een feestgetijde scheen
aangebroken. In dichte drommen rukten Valdez krijgs-
knechten aan; z\\j richten hunne musketten op de wallen
om de „opstinate rebellen" in hun vreugde te storen, maar
steeds luider schalde het geluid van schalmeien en trom-
petten door de avondlucht. Het morgenrood van eeu nieuwen
en beteren dag zou aanbreken, en de toekomst, kort geleden
in somber duister gehuld, trok thans haar feestgewaad aan
en wees met haren vinger vooruit op een heerlijke stonde, —
op dagen van vrede en rust, gelijk aan den schooneu tyd
toen Leiden nog niet werd belegerd.
Gerbrant stond op de wacht en onbestemd dwaalde zgn
blik over de wallen; nu eens rustte h\\j voor een oogenblik
op de sterkten des vijands, dan weer op de droevige too-
neelen, die binnen de muren voorvielen.
\'t "Was in de stad bijna tot het uiterste gekomen. Met
deernis slechts kon men de bleeke aangezichten, holle
oogen en hangende armen der uitgevaste Leidenaars aan
schouwen. Wankelend schreden de wachters naar hun post i
-ocr page 143-
136
het musket woog als lood op hun schouders en velen moesten
zich onderweg aan een steunsel vastklemmen, wilden z\\j
niet op de straat nederzjjgen. Teruggekeerd in hunne
woningen vonden zij dikwijls hun familie dood. De pest
velde zjjn slachtoifers bjj honderden; overal niets dan jammer
en ellende, angst en nood. B\\j rjjken zoowel als armen het
schreien dste gebrek.
Den laatsten van Augustus hadden de Staten de hoop
uitgesproken, dat zij binnen enkele dagen ontzet zouden
y.ijn en nu was het Vrijdag, 3 September.
Floris Ghjjsberts klom op ditzelfde uur op den Burgt,
maar hoe hij ook tuurde, het zilte nat, dat hulp en redding
moest aanbrengen, ontwaardde hij niet. Toen hjj met een
paar kennissen naar beneden ging werd hij opgewacht door
eenige spaanschgezinde Leidenaars. Spottend zagen deze
hun medeburgers aan en schamper klonk het: „Gaat nog-
maals op den toren, gü Geuzen, en ziet het Maaswater te
gemoet".
Floris zuchtte; wat zou hij echter tegen deze bittere
woorden inbrengen? Hfl zelf moest toestemmen, dat er
geen enkele verandering in hun toestand kwam. Onder
groot gemor en gejammer trokken er onophoudelijk eenige
uitgeteerde gestalten in talrijke groepjes verdeeld door de
straten. „Zg moeten ons spjjs geven, of met den vjjand
onderhandelen", heette het.
„Ik geloof, dat de ongelukkigen zich naar de Breedstraat
spoeden", zeide Floris. „\'t Zal daar wellicht tot een op-
loop komen".
Inderdaad hield de woelige menigte voor het raadhuis
stand. Eenige drongen door de poort de zaal binnen, waar
jaist de vroedschap der stad vergaderd was. Toen trad een
-ocr page 144-
-ocr page 145-
137
hunner uit den hoop te voorschp en op gramstorigen toon
jeprak hij tot de vergaderden: „Mjjne Heeren, uit naam
onzer burgers, kom ik u vragen, of wij nog niet lang ge-
noeg hebben geleden. Waarom onderhandelt gij niet met
Valdez en geeft de stad aan hem over? De vijand belooft
ons lyfsgenade, voldoend troedsel en het behoud onzer goe-
deren; wat zouden wij meer wenschenP Op u rust de schuld
van ons aller dood. Opent de poorten, opdat wij niet van
gebrek omkomen".
Met doordringenden blik zag de kloeke Van der Werff
de somber dreigende gestalten aan.
„De Prins heeft ontzet beloofd", antwoordde hij ernstig
en beslist, en in het hachelijkste oogenblik kan God nog
redding geven. Bui gemeesteren en vroedschap zullen blijven
handelen, zooals zij volgens hun eed gehouden zijn".
Ontmoedigd verlieten de mannen de zaal en deelden hun
medeburgers mee, wat er gesproken was.
„Wij zullen al vast onze laarzen aandoen en zakken laten
maken, want het koren komt", spotte een uit den hoop. „De
Prins zal op een pekelharing zitten en brengt ons brood!\'
Tergend klonk deze schimp in de ooren van het rumoerige
volk en de gemoederen der ontevredenen werden nog meer
verbitterd.
Het edele viermanschap, de kern van Leidens vroedschap,
ging voort op den ingeslagen weg. Zwaar woog de nood
der burgerij hun op de ziel en diep leden zij mede met
de schamele gemeente.
De nog altijd krachtige grijsaard, Jonkheer Jakob van
der Doei stond op. Hij ontveinsde zich geenszins de alge-
meene ellende, maar wilde geen gehoor geven aan den
vogelaar, die hun met zoet gefluit in het net wilde verstrik*
-ocr page 146-
138
ken. „Naarden en Zutfen, Mtchelen en Haarlem," zeidehg,
„hebben ons getoond, wat het wil zeggen vergiffenis van
Filips knechten te ontvangen. Mijn besluit staat vast om
tot het uiterste vol te houden. Ik heb den Prins gezworen,
hem in den grootsten nood getrouw te zullen blijven; dien
eed schenden breek ik niet!"
Op dit mannelijk woord volgde een even krachtig pleidooi
van der Heer van Noordwijk, Johan van der Does, den be-
velhebber der zwakke bezetting, die er op wees, dat men
onmogelijk in onderhandeling met den trouweloozen en mein-
eedigen vijand kon treden, daar zyu aanbieding van genade
aan allen niets anders was dan een strik, die den argeloo-
zen werd gespannen.
„Ik ben," zeide hg met geestdrift, „geheel de meening
toegedaan van m\\jn oom, Jakob van der Does en acht het
ongeoorloofd van overgave te spreken."
Jonkheer Jan van Duivenvoorde, Heer van Warmond, de
Baljuw van Rijnland, Hendrik van Broncboven en de Secre-
taris Jan van Hout, sloten zich bij deze woorden aan. Hun
aller betuiging was, dat z\\j met God begeerden te blijven
voor \'s lands zaak en den Prins.
De burgemeesters Kornelis van Noorde, van S wieten en
Baersdorp sloegen een tegenovergestelden toon aan. De
laatste achtte zich van zijn eed ontslagen, daar de Staten
de stad troosteloos lieten zitten, vol kommer en rouw.
Waarom zich niet met den vijand verstaan, die allen gelijke
gratie wilde schenken?
„Bete.- in ongenade van den vijand, dan in zijne gunst,"
zeide Jonkheer Johan van der Does. „De Heere zal ons
niet verlaten!"
De wankelmoedigen waren tegen deze besliste taal niet
-ocr page 147-
139
bestand en zwegen. Een krachtige steun ontviel in deze
sombere en donker dagen aan de dappere verdedigers door
het sterven van \'s Prinsen stadvoogd, Bronkhorst, die steeds
het beginsel van verzet had gehandhaafd. Menige traan
werd om zjjn verlies door arm en rjjk vergoten.
Dienzelfden dag stonden in de woonkamer van den deken-
fabrikant een viertal jeugdigen diep bedroefd om het ziekbed
van Juffrouw Alevrijns geschaard. De groote lamp, die van de
zoldering afhing, wierp een flauw schpsel op het gelaat
der kranke, wier einde naderde. Aller hart was vervuld
met droefheid en geen van allen sprak een woord. Met een
door tranen verduisterden blik, aanschouwden allen en laat-
ste worsteling van de geliefde moeder, die met innige liefde
voor hare kinderen had gezorgd.
Margaretha weende luid en Gerbrant vouwde z\\jne handen
als tot een gebed. Hij vroeg om stille berusting, om troost
en kracht, om een blyden iBgang voor de stervende, die
nog straks had verzekerd, dat de Heere hare ongereclitig-
heid had vergeven. In den morgen had z\\j hem nog ver-
maand den Heiland te zoeken en niet te rusten voor ook
h\\j Hem had gevonden, die het gebed des nooddruttigen
hoort en verhoort.
„Moeder, — lieve moeder!" riep Adriaan, terwjjl hjj zacht-
kens de hand der zieke greep.
De kranke slaat door een zacht geruisch gewekt de oogen
op. Voor enkele minuten is het, alsof haar geestkracht
terugkeert. Gesteund door haar dochter richtte zij zich nog
eenmaal op; met een blik van onuitsprekelijke liefde zagz\\j
allen aan en nauwelijks hoorbaar fluisterde z\\j: „Vaarwel,
mjjne kinderen.... Groet uw vader ... van mjj... Ik hoop
u... allen... boven ... te ontmoeten".
-ocr page 148-
140
Een hemelsche glans blonk op het bleeke gelaat. De
ademhaling werd al zwakker. Daar lispelden hare lippen een
naam. Margaretha boog zich over hare moeder heen.
„Jezus ... dierbare Jezus", — was haar laatste woord. Lang-
zaam zouken de vermoeide leden neder; nog één zucht en
haar strjjd was volstreden; — zg was verlost!
BIBLIOTHEEK
, NED. i :</. KEuK
-ocr page 149-
HOOFDSTUK XII.
De Zeeuwscho Geuzen.
\'t Was een vreemdsoortige vloot, die tegen den middag
van Vrijdag, den 10deu September, de Rotte opstevende.
Zeven kromstevens, rijkelijk van geschut voorzien en be-
mand met achthonderd bootsgezellen, gingen vooruit als om
den weg te banen voor de talrijke galeien en platgebodemde
vaartuigen, die snel door de krachtige handen der talrijke
roeiers werden voortbewogen.
Vroolijk wapperden de wimpels en vlaggen in den wind,
de zeilen klapperden en over de ruischende golven klouk het
echte geuzenlied, het schoone Wilhelmus, dat reeds zoovele
moedeloozen in die sombere dagen had opgebeurd, zoovele
zwakkeu gesterkt en vervolgden troost in hunne droefenis
had geschonken. Het trompetgeschal begeleidt het gejubel
der Zeeuwsche Geuzen, die met vurig verlangen naar de
Laudscheiding varen, den grooten dijk, die het bedreigde
en ongelukkige Leiden van het wassende water scheidt.
Op een der schepen vinden wij den dekenfabrikant in ge-
sprek met den stuurman. „Ik moest derhalve de hoop op
geveu," zeide hü op droevigen toon, „om de poorten der
stad te bereiken. Gelukkig, dat ik mjj nog voor de komst
d< wachters kon verwijderen. Ik strompelde langzaam ver-
der en wist mij achter eene hoogte in veiligheid te stellen.
-ocr page 150-
142
Hier verbond ik mijne wonden zoo goed mogelijk en met
de bede in het hart, dat God mij mocht behoeden, sloop ik
door de wachtposten heen en kwam eindelijk behouden te
Rotterdam aan.
Hier vernam ik al spoedig de bigde tping, dat de Prins
den Admiraal Boisot uit Zeeland met zijne geheele macht
had ontboden. Toen er nu den derden September een Vlis-
siuger voor de kaai kw&m, spoedde ik mij terstond daar-
heen. Den volgenden dag ontdekte ik tot mnue vreugde,
dat ook gij, den zoon van mijn vriend, u bij de matrozen
enj krijgsvolk bevondt. Wat er verder gevolgd is, weet gij.
Ik diende mij bij den Vice-Admiraal Olaessen aan en werd
met blijdschap door hem ontvangen en onder het bootsvolk
opgenomen."
„De Heere heeft alles ten goede beschikt en u wonderbaar
geleid," antwoordde de aangesprokene, een jonge man van
forsche gestalte, terwijl hij met vaste hand de roerpen bewoog.
Alewijns knikte goedkeurend en voor een oogenblik ver-
dwenen de rimpels van zijn gelaat.
„God geve," sprak hü, „d<it ik u straks, zij het dan ook voor
korten tijd, als gast in n>ijn huis moge binnenleiden. Ger-
brant zal met vreugde zijn vroegeren krjjgsmakker ontvan*
gen en ook de overige huisgenooten zullen u van harte
welkom heeten."
De oogen van den stuurman glinsterden van blijdschap.
De gedachte, dat hu" iets zou kunnen aanbrengen tot leui-
ffing van den nood zijner vrienden vervulde hem met moed.
Evenals alle varensgasten huukerde hij naar het uur, waarop
zq zich met de ladingen wittebrood en voedzame spijzen
toegang tot de stad zouden k\'urnen banen.
De dappere Boisot. de held der Zeeuwsche wateren, die
-ocr page 151-
143
bjj Roemerswaal en Gorishoek de Spaansche zeemacht geheel
vernield en hen voor altyd vrees ingeboezemd had, werd
door een schare stoutmoedige helden vergezeld, zooals de
Admiraal Ailrifl.an Wïllems van Zierikzee, Cornelis Claessens
van Vlis.nngen en Joost de Moor, mannen voor wiens zwaard
de Spanjaarden niet zonder reden bevreesd waren.
Evenals de stoere mannen, die onder hun bevelen stonden,
brandden z\\j van begeerte den strijd aan te binden tegen
Vallez, die de omliggende dorpen en schansen bezet hield.
Die oud gediende en geharde Zeeuwsehe Geuzen waren wel
ruw en wild, maar een in dapperheid en haat tegen Spanje.
Allen hadden op pijnlijke, wjjze den druk van den vreemden
o verheet scher gevoeld en hoopten nu het vaderland van den
gehaten tiran te verlossen.
Meester Alewps sloeg een opmerkzamen blik om zich
heen. \'t Was een vreemdsoortig tooneel, dat hier viel te
aanschouwen. Daar voer de bonte vloot over de schuimende
golven, bemand met de zonen der vrijheid, allen op zee
tehuis als in hun element. De vele litteekens, die zjj in
den stry\'d op de kielen der watergeuzen en later op de
Zeeuwsehe stroomen op hun gezicht hadden ontvangen, be-
wezen duidelijk, dat zjj het vijandelijk vuur niet ontliepen,
maar steeds in het eerste gelid stonden, zoodra het „enter
op 1" hen in de ooren klonk. Menig verweerd, ruig gebaard
en gekneveld gelaat, was daarbij nog terdege geschramd en
gekerfd; zelfs hadden sommigen de huid samengenaaid. Velen
beschikten over één vuist, maar waren daarom niet minder
vermetel. Vreemdsoortig zagen die geuzen er uit, die op
hun hoofd een muts met zilveren halve maan droegen met
het bfltend opschrift: „Liever Turksch danPaapsea!" Rome
en Spanje waren in hun oosren één.
-ocr page 152-
144
Zoo haakten dan deze stoute waaghalzen naar het oogen-
blik, waarop zg hun rekening met den Spanjaard konden
vereffenen en tevens in het lyden der stedelingen verzach*
ting aanbrengen. Onder bet geplas der riemen en het klet-
teren der zeilen en wimpels naderde Boisot\'s vloot steeds
dichter de Landscheiding.
De zon ging onder en kleurde het gele water met een
roodachtigen tint en langzaam daalde een donker waas op
de overstroomde velden en weilanden. Het gejuich der
schepelingen verstomde; de geuzen bemerkten, dat zjj de
vyandelyke posten dichterbij kwamen en vaster klemden zjj
de vuurroeren in de vuist.
De Landscheiding , die anderhalven voet boven water stond,
moest worden bemachtigd en doorgestoken. Begunstigd door
de duisternis, klauterden ongeveer 150 soldaten en een groot
getal gravers, met houweelen, spaden en schoppen gewa-
pend, de helling op. Gerrit Meinderts was een der eersten,
die zieh op den kruin van den djjk verschansten. Hjj werd
op den voet gevolgd door Ewout Alewijns. Bij het rosse
licht der fakkels en lantaarns toog men met ijver aan het
werk. De vijand snelde toe en er ontwikkelde zich een
ontzettende worsteling, half te water en half te land.
Boisots dapperen wisten van geen wijken en na een vinni-
gen strijd bleven de vermetele geuzen overwinnaars.
Toeu de zon aan den gezichtseinder uit het duister op-
doemde, kon Gerrit Meinderts zh\'n vriend verheugd toeroe-
pen: „wjj hebben de overhand behouden en zullen nu recht-
streeks op Leiden aanvaren."
Werkelyk golfde het Maaswater in breede stroomen de
vlakten van Rijnland binnen. Tech jubelde Alewijns niet
mede. Hy wist, dat de weg naar de veste nog niet open
-ocr page 153-
145
was, daar de bevrijders straks een groote belemmering zou-
den vinden in deu Groeneweg, een dyk, die op nog geen
mijl afstands van ben lag. De vtde riet- en wilgenbosscben
boden den vijand ruimschoots gelegenheid Kan om zich daar
te nestelen. TV;ch vertrouwde hij, dat de Heere de pogingen
zou zegenen, die in het werk werden gesteld om, Leiden te
verlossen.
Dit geschiedde ook. Hoewel de geuzen tot hun teleurstel»
ling op een breeden dijk stuitten, wiens aanwezigheid z\\j
niet hadden vermoed, wisten zij van geen terugkeeren. De
eene moeielijkheid volgde echter op de andere. Nog een
derde dijk, de Voorweg genaamd, versperde hun het pad.
De velden tusschen den vermeesterden dijk en deze stonden
Diet diep genoeg onder water om verder te kunnen roeien.
Eéne vaart slechts verleende toegang tot het Zoeter meer,
maar de Spanjaarden hadden de brug over dit water sterk
bezet en drie duizend krijgslieden bewaakten dit belang-
rijke punt.
Hoewel de Admiraal besloot den kamp te wagen, was de
ontzetvloot te schaars van zware stukken voorzien om met
goed gevolg de overmacht te kunnen aanvallen. Boisot\'s
volk trok terug en de helpers van de arme stedelingen,
waren op hun beurt even machteloos als degenen, die door
hun komst, uit hun bitteren nood hoopten verlost te worden.
De bodems lagen roerloos in het ondiepe water en onop-
houdelp blies de wind uit het Oosten, als wilde hig spotten
met de verwachting van de zonen der vrijheid, wier harten
van ongeduld klopten om het Spaansche gebroed te verjagen
en hunne broederen hulp en verlossing te brengen.
Twee dagen later, op Vrijdag, den 17den September, wer-
den de Spanjaarden opnieuw bestookt. De Prins, thans te
10
-ocr page 154-
146
Delft verbljjf houdende, had het geschut doen versterken
en een hevig vuur werd op den vjjand geopend, die de be-
springers met gelyke muut betaalde. De Zeeuwen vochten
met leeuwenmoed, toch moesten zjj afdeinzen daar het water
te laag stond om den vijand geheel naby te komen. Niet
lang echter zou de vloot werkeloos blijven liggen. De stuur-
man wees aan den avond van dien dag zyn vriend, den
dekenfabrikant, op het donkere zwerk.
„Er zal een storm opsteken," riep hij verheugd; „de wind
schiet uit en draait meer en meer naar het Noord-Westen,"
De Vlissinger, volkomen met het weder vertrouwd, had
zich niet bedrogen. Op hetzelfde oogenblik huilde een forsche
bries door het touwwerk, de zeilen klapperden en de schom-
melende booten schuurden met de wanden tegenelkander,
geschokt als zjj werden door den loeienden storm, die met
woest geweld het water opjoeg, dat wild bruisend verder
stroomde. De Zeeuwsche Geuzen sloegen een dankbaren blik
naar boven. Zjj trokken de ruige mutsen dichter over het
hoofd en grepen de riemen met nieuwen moed aau, om hun
schepen, die weder vlot geworden waren, in Oostelijk rich-
ting verder te roeien. De Spaansche bezetting te Benthuizeu
en Soetermeer sloeg, door schrik verbijsterd, \\jlings op de
vlucht en nu zeilde Boisot, onder het gebulder van den
storm, westwaarts. Na vinnigen strijd met de vijanden, die
hun versterkte post aan de Noord-Aa een tplang verdedig-
den, brak eindelijk de morgen aan. De verschansingen ston-
den daar doodsch en verlaten. Valdez, bevreesd voor het
wassende water en zeker mede voor de geduchte geuzen,
was met de zijnen naai1 Soeterwoude getrokken en liet zoo-
doende ook deze posten in de macht van het bootsvolk.
*og één dijk, de Eerkweg, hield hun tegen. Noordwaarts*
-ocr page 155-
147
op een uur afstands, lag de benauwde stad, waar de ellende
tot een angstwekkende hoogte was gestegen. Daar keerde
de wind nogmaals. Het zeewater vloeide weg en roerloos
lagen de schepen aan den grond. De Zeeuwsche Geuzen,
vijanden van alle logge rust, waren tot werkeloosheid ge-
dwongen en zagen met droevigen blik naar boven, terwijl
aan veler hart de zucht ontvlood: ,Heere, hoe lange?"
HOOFDSTHK XIII.
De hoogste nood.
Nog altijd hunkerde men in de bedreigde veste met reik-
halzend verlangen naar verlossing. Reeds weken was het
geleden, dat het doorsteken der dijken den stedelingen was
gemeld. De eerste helft van Herfstmaand was verstreken
en met den dag steeg de nood hooger. Vol angstige span-
ning zag men naar den windwijzer, maar immer blies de
wind uit het Noord-Oosten.
Gerbrant Alewijns en Floris Ghijsbertz, die zich verze-
kerd hielden, dat zij staat konden maken op het woord van
Oranje, voelden zich bitter teleurgesteld. Terwijl zij naar
de borstwering gingen, om daar te waken voor een moge-
lijken aanval des vijands, wierpen zij een droevigen blik om
zich heen. De uitgemergelde bewoners trokken wankelend
door de straat; hun flauwe oogen en holle wangen wezen
op Inden, nameloos lijden, dat zy hadden doorstaan. De
armen der moeders waren te krachteloos om de schreiende
zuigelingen te torsenen. De kinderen gilden om spijs en
-ocr page 156-
148
onderzochten de mesthoopen om nog iets te vinden, waar-
mede z\\j de maag konden vullen. De weerbare mannen gin-
?en met knikkende knieën naar de wallen en moesten onder-
weg dikwijls een leuning tot steun aangrjjpen. Het vuur-
roer woog ook onzen vrienden zwaar op den schouder en
Floris gevoelde zich in de laatste dvgen zwak en doodeln\'k
vermoeid. Beiden hielden zich overtuigd, dat er van Spanje
geen genade te wachten was en bleven evenals de wakkere
Van der Werff hun eed gestand, ook waar de verbittering
meer en meer toenam.
Margaretha zat intusschen in de hniskamer en overpeins-
de een woord der vertroosting, dat zjj in haren bjjbel had
gelezen. Opeens werd zjj gestoord. Daar buiten klonken
verwarde kreten en in de anders zoo stille straat werd het
allengs rumoerig. Zy snelde den gang door, opende de deur
en blikte voor zich uit.
Een ontevreden menigte, die de ellende en ontbering op
het gelaat stonden te lezen, trok voorbij. Hartverscheurend
waren de klachten, die men hier kon opvangen. Margaretha
weukte eene vrouw tot zich. „Aafjen, wat doet gij hier?"
vroeg z\\j op deelnemenden toon.
De arme moeder wees met hare ontvleeschte hand op een
tweetal kinderen, die kermden van pjjn.
„ Brood," lispelde zjj, „wjj sterven van honger."
„Kom binnen," antwoordde Margaretha. „Ik zal mjjne
kasten doorzoeken; wellicht, dat ik nog eenig voedsel voor
uwe kleinen kan vinden."
Zij mocht het genoegen smaken aan het verlangen der
moeder te voldoen, die straks met betraanden blik tot haar
opzag. „Dat de Heere u zegene", stamelde de vrouw en
dankend ging zij heen. Een bai.^e zucht ontsnapte aan
-ocr page 157-
149
Margaretha\'s gemoed. „O mocht het uur onzer verlossing
haast slaan", snikte zij in stilte. „Het volk wordt wan-
hopig en zoo God het niet verhoedt, zal men den volhar-
denden Van der Werff nog om het leven brengen."
De volkshoop was inmiddels verder getrokken eD in de nabjj-
heid der Hooglandsche kerk gekomen. Luider en luider weer-
klonken de morrende stemmen, die de overgave der stad eischt en.
Daar nadert de burgervader. Hjj moet juist dien weg
langs en ziet zich in een oogenblik door de bleeke en uit-
gevaste burgers omringd. Mannen en vrouwen toonen hem
hunne holle wacgen en uitgeteerde ledematen. Moeders,
levende geraamten gelijkende, steken hare stervende zuige-
lingen omhoog en verwijten hem den dood van zoovele on-
gelukkigen. Schutters, bijna te zwak om de wapenen te
voeren, werpen met een grijnzend gebaar musket, dagge en
speer aan zijne voeten. Kinderen met vermagerde gelaats-
trekken gillen om spijs en een angstige kreet, die door merg
en been dringt, galmt over het ruime plein.
Het geroep wordt ontzettend.
„Geef het op", schreeuwen eenigen op woesten toon, door
de vreeselijke benauwdheid, die zij hebben geleden, schier
ijlhoof dig gemaakt. „Het uiterste uur is gekomen. Geef het op,
indien gij niet wilt, dat de stad ons aller graf zal worden".
„Brood, — brood!" jammert eene vrouw. „Gfl moet ons
voedsel geven, of de poorten voor de Spanjaarden ontsluiten.
Mijn kind sterft van honger".
Een schelle stem klinkt snijdend boven de tallooze klach-
ten uit. „Wij zullen de poorten openen en den vijand met
geweld binnen laten. De Spanjaard wil ons genade schen-
ken en zal zorgen, dat wij voedsel krijgen."
Rustig blijft de moedige Van der Werff staan. Gebiedend
-ocr page 158-
150
zwaait hg met den breedgeranden hoed, ten teeken, dat hg"
spreken wil. Met vasten blik overziet hij de dreigende
menigte, die steeds dichter op hem aandringt. De kloeke
rijzige held doet een schrede voorwaarts en nadert fier en
onverschrokken den woesten hoop.
„Waarom mort gn\', burgers," zegt hij met doordringende
stem. „Zoudt gij willen, dat wij onze belofte braken en de
stad aan de Spanjaarden overgaven? Dat zou schandelijk
zijn na zulk een langen en dapperen tegenstand. En een
verschrikkelijk lot zou u gewis wachten, erger dan de honger-
dood. Houdt nog enkele dagen vol, de hulp zal zekerkomen."
Deze verzekering was evenwel vruchteloos; het geroep
om overgave bleef aanhouden. Toen sloeg hg de hand aan
het gevest van zjjn degen en ernstig klonk het: „Lieve
medeburgers, ik heb een eed gedaan, dien ik met Gods hulp
hoop te houden. De stad kan en mag ik niet overgeven.
Zoo gn\' met mijn dood geholpen zn\'t, ik moet toch eens ster-
ven en het is mg\' evenveel of ik val door uwe handen of
door die des vijands.
Spijs heb ik niet, maar mijn leven is ter uwer beschik-
king. Hier is mijn zwaard. Neemt mg\'n lichaam, sngdt het
aan stukken en deelt het onder u, zeover het strekken kan.
Ik ben des getroost!"
Verstomd zagen de muiters voor zich neer. Niemand
steekt een hand uit naar den gelielden Burgemeester, wiens
mannelijk woord aan alle gemor een einde maakt. Er blinkt
een traan in het oog van den edelen Van der Werff en op
diens bleek gelaat lezen zij het hoe diep hij met hun mede-
lgdt, hoe zwaar, hoe bitter hem hun verzet grieft. Thans
beseffen zg vol schaamte het vreeselyke van de gedachte,
die zij zoo pas hebben uitgesproken De doffe oogen glin-
-ocr page 159-
151
stèren opnieuw; de waggelende geraamten worden als met
nieuw leven bezield; dat woord vol fierheid heeft hen ge-
sta.il d en den moed doen herleven. De vertwijfeling maakt
plaats voor hoop. Kommer en angst zijn vergeten en de
geestdrift is andermaal zoo hoog gestegen, dat allen juichend
instemmen met den kreet door een der burgers aangehe-
ven: „Sterven of overwinnen! Leve Oranje!"
Zooveel hun verzwakte leden het toelieten, repten de uit-
gehongerde burgers ziel) naar de wallen en met verachting
beantwoordden zij de spottaal der Spanjaarden.
„In den uitersten nood," klonk het schimpend terug op de
snoevende woorden des vjjands, „zullen wjj liever onze lin-
kerhand opeten en de walenen in de rechter vuist klem-
men, dan ons aan u overtegeven. En blijft de redding uit,
zoo zult g\\j niets winnen, want de laatstovergeblevenen onder
ons zullen de stad in brand steken, zoodat er slechts puin-
hoopen overblijven.
Valdez lachtte om deze ernstige woorden.
„Zoo onmogelijk het is met de handen aan den hemel te
reiken, zoo onmogelyk is het den Prins de stad te ontzet-
ten," sprak hjj trotsch, gerustgesteld door de verzekering
der glippers, dat de veste te hoog lag om ooit door het
water bereikt te worden.
Noch seyden d\'opgeblazen gecke"
Tot die van Leyden exellent,
Men soud\' eer metten hand bsdecken.
De son en \'tgansche firmament,
Eer n de Geuskens souden helpen:
Geboren blinde sullen sien,
Als sij u kommersnooden stelpen;
Denckt niet, dat u hulp magh geschien.
-ocr page 160-
lö\'J
Maar wat de geliefde Oranje niet kon, dat zou deHeere
doen, — maar op zijn tijd.
Zoo God werkt, wie zal dan keeren?
Er heerfcchte intusschen weinig drukte onder de woelige
zeelieden. De ondervonden vertraging stemde hun somber
en lusteloos zaten z\\j bijeen, nu en dan naar boven turende
om te zien of de wind naar het westen draaide. Door eenige
krachtige handen voortbewogen gleed eene ranke boot als
een meeuw over het schuimende nat. Na weinige minuten
hielden de matrozen de riemen in en de stuurman Gerrit
Meindertsz dompelde den peilstok in het water.
„Bijna negen duim," sprak hij mistroostig het hoofd schnd-
deude, „en wtf hebben minstens twee voet noodig, zal het
ons gelukken de benarde stad te bereiken."
„Ook ik betreur het diep, dat wij hier werkeloos moeten
liggen," begon een der mannen, in wien wij meester Alewn\'ns
herkennen. „De ellende is in de stad tot eene angstwek-
kende hoogte gestegen en zoo wjj niet spoedig hulp brengen,
zullen wg wis te laat komen."
H\\j loosde een zwaren zucht en verzonk in gepeins. Een
der matrozen lei hem de hand op den schouder en ruw,
maar goedhartig troostte h\\j: „Houd moed, Leidenaar. De
Heere zal ons niet verlaten. Zwalken w$ thans schijnbaar
hopeloos rond, straks zal de Almachtige ons met zn\'ne zege-
niugen verrassen."
Weinig later plasten de riemen opnieuw in het water en
roeiden de mannen naar hun schip terug, waar zij Lun ge-
wone plaats weder innamen.
De aanvoerder zelf, de dappere Lodewijk Boisot, zat mis-
moedig in zijne kajuit. Hoe gaarne zou hij met zijne geharde
kruiers den vijand op het lof vallen. Krampachtig sloee hii
-ocr page 161-
153
de hand aan het zwaard, „Heere," zuchtte hjj, „treed dan
toe en verhoor de smeekingen, die tot U opgezonden worden
voor het behoud der stad!" Daar naderde een zgner kapi-
teins. Op zeemanswjjs groetende, sprak hg: „Admiraal, zoo
even zn\'n hier drie boden uit Leiden gekomen, die u wenschen
te spreken." Boisot\'s gelaat helderde op.
„Breng ze tot mg," antwoordde hg haastig, „die mannen
z\\ju mjj van harte welkom."
Weldra hadden de boden naast den vlootvoogd plaats
genomen. In hunne handen droegen z\\j eenige dniven, die
schuw de kopjes in de veeren verborgen. Een der mannen,
wien evenals zijnen metgezellen het doorgestane ljjden
breede rimpels op het veimageide gelaat had gegroefd, nam
het woord en schetste hem den zorgeljjken toestand der
veste. H\\j deelde hem mee, hoe bg\'ua elk pad was versperd
en dat de weg door de lucht alleen vrjj was. Daarom brach-
ten zj hem deze duiven, door een der stadgenooten, "Willem
Cornelisz, ter wille van de goede zaak afgestaan. Boisot
zou deze vogels als briefdragers kunnen gebruiken en zoo het
stedelijk bestuur in den uitersten nood nog altjjd eenig schrjj-
vers kunnen toezenden.
De Admiraal sidderde bij het vernemen van zooveel leed,
als de boden schetsten. Buim vijfduizend menschen waren
bezweken en nog vermeerderde de sterfte met den dag.
Toch liet de wakkere man niets blijken van de moedeloos-
heid, welke zich ook van hem was beginnen meester te maken.
„Met \'s Heeren hulpe," zeide h\\j, „zjjt gij binnen weinige
dagen verlost. God neme u met ons allen in Zjjiie heilige hoede."
Toen verliet hg de mannen om zg\'n bezorgd gemoed tegen-
over den Prins uit te storten. „Zoo de Heere," schreef
hjj, „met het ophanden zijnde sprinetn eeen sterken en
-ocr page 162-
154
gunstigen wind geeft, zullen wjj de onderneming moeten
opgeven. De ellende in de stad is verschrikkelijk!"
De bedrijvige Zeeuwen zaten lusteloos bijeen, of hielden
zich bezig met het nazien en poetsen hunner wapenen. Met den
Admiraal kenden zij geen vuriger wensch, dan het ruime sop
te kiezen en hun musket op het hart des vijands te richten.
„Ik wou, dat de Prins kwam," sprak Dirksz tot Gerrit
Meindertz. „Hij zou ons zeker met goeden raad dienen."
Deze wensch werd spoedig vervuld. Een fraai jacht voerde
den geliefden Prins naar zijn beminde geuzen, die met hun
mutsen den lang verbeide een harteljjken welkomst met
wuifden.
Van het Admiraalschip wenkte de Prins, dat hjj spreken
wilde. Alles werd stil, men hoorde alleen het geluid van
den wind, die de vlaggen en wimpels deed ratelen. De
ruwe krijgers luisterden met ingehouden adem; als kinderen
lieten zij zich vermanen, bestraffen en besturen. Toen de
Prins zweeg barstte er opnieuw een luid gejubel los en
allen namen met geestdrift bezield, zich voor al hunkrach-
ten in te spannen tot bespoedigen van het ontzet. Men be-
sloot den kerkweg te overmeesteren. De nood was hoog, —
de ellende onbeschrijfelijk, hoe als men eens te laat kwam
en de Spanjaarden het beulenzwaard op den hals van het
kermend volk badden gezet.
Nog eenmaal sprak Oranje den zijnen moed in, toen zette
het vaartuig weder koers naar Delft. De jubelkreten van
het bootsvolk vergezelden den Prins en nog bracht de wind
hem een fiauwen nagalm van het echte geuzenlied over,
toen de verre afstand hem reeds lang aan het oog der dap-
pere schaar had ontrokken.
-ocr page 163-
155
HOOFDSTUK XIV.
De verlossing.
In de woning van den dekenfabrikant vinden wij twee
dasjen later, teijen het vallen van den avond, het kleine
gezin bijeen. Adiiaan is afwezig.
\'t Is schemerig daar binnen en de hoeken van het ver-
trek zjjn in een geheimzinnig duister gehuld. In het hart
der jeugdigen is het ook donker, somber en treurig. Een
waas van droefheid, gelijk aan den valen sluier, dien de
nacht over de aarde uitspreidt, ligt op aller gelaat.
„Nog altijd blijft het ontzet uit," zuchtte Gerbrant.
Konden wij slechts medewerken tot het bespoedigen van het
uur onzer vrijmaking, maar onze krachten zijn als verlamd
en tegenweer van onze zijde is zoo goed als onmogelijk."
„De Spekken zullen voorzeker het doorsteken van eiken
dam hardnekkig beletten," zeide Floris. „De kloeke Zeeu-
wen zijn echter niet bevreesd voor het geschut der schansen,
noch voor het staal des vijands. O dat de Heere ons hielp
en uitkomst wilde geven."
„Ik word hoe langer hoe zwakker en lang zal ik het
niet meer uithouden," begon Margaretha op droevigen toon.
„Bovendien pijnigt mij de onzekerheid omtrent het lot mijns
vaders, wiens gemis mij dubbel zwaar valt, nu onze lieve
moeder is heengegaan. Ik huiver bij de gedachte, dat hij
door de Spanjaarden gevangen genomen is."
Hare stem beefde en de oogen der maagd vulden zich
met tranen.
„Ik vertrouw, dat mijn goeden meester zich heeft gered,"
-ocr page 164-
156
sprak Floris geruststellend; „wellicht bevindt hjj zich te
midden der moedige helpers en zullen w\\j hem spoedig wede) -
zien. Maar stil — ik hoor de klokken luiden. Er zal on-
getwijfeld een aflezing worden gehouden. Misschien tjjding
van Oranje."
„Leve de Piins", klonk het opeens. Adriaan stormde het
vertrek binnen en met eene stem, die van aandoening trilde,
zeide hfl haastig: „Heerljjk nieuws; de redding is nab|j!
Zooeven heeft een duif de tjjding gebracht, dat de Prins
gisteren in per?oon op de vloot is gekomen".
Aller gelaat teekende nsmelooze blijdschap.
„Oranje op de vloot? Hebt g|j goed gehoord?" riep Ger-
brant ontroerd.
„Zeker, broeder," jubelde de knaap. „Ik stond op de
markt toen de aflezing geschiedde en geen woord is mij
ontgaan."
Margaretha vouwde de handen als tot een gebed.
„God z\\j geloofd", stamelde ziï. „Zoo is er dan toch uit-
zicht, dat. \\vy van deze jammerlijke belegering verlost zullen
worden. Hg, die boven bidden en denken zegenen wil,zal
thans verder zorgen."
„Die tijding is beter dan spijs en drank," riep Floris. „En
beter dan de sobere bete, die ik u vermag te geven," zeide
Margaretha, terwjjl z{j de spinde opende om er het weinige
voedsel uit te nemen, dat hun nog was overgebleven.
Op ditzelfde uur werd veler verslagenheid door blijde hoop
vervangen. Het morgenrood van een nieuwen en schoonen
dag zou spoedig aanbreken, al pakten twee dagen later
zwarte wolken zich aan de lucht samen en woei de wind,
thans naar het Noord-Westen gedraaid, met bulderend ge-
weld over zee en land.
-ocr page 165-
157
De watervlakte werd hevig beroerd, de storm beukte de
stranden en het springtjj joeg do stijgende baren de Maas-
golven te gemoet. Met vereenigde kracht stroomden deze
door de open sluizen en de doorgestoken dijken over de lage
velden, heinde eu ver alles onder hun schuim bedekkende.
De Geuzen ademden weer ruim in den ontzaglijken storm-
wind die door het want en het touwwerk gierde. Velen
hunner zagen trillend van vreugde, hoe hunne schepen al
hooger werden opgeheven en langs menige gebruinde wang
rolde een traan.
Meester Alewijns drukte, door zijn gevoel overweldigd,
den stuurman in vervoering de hand.
„De Heere heeft Zijne posten en boden gezonden," jubelde
hij. „Het is duidelijk merkbaar dat de storm uit het Zuid-
Westen komt; het water rolt reeds landwaarts in en zal
spoedig de vlakte voor Leiden bereiken. God alleen de eere!\'\'
„Amen", sprak Gerrit, Meindertsz. „De Heere zelf roept
ons als het warb ten arbeid. Laat ons zien hoe hoog het
water al gerezen is."
De beide mannen sprongen in eene boot en eeni^e riem-
slagen voerden hen spoedig de naaste schepen voorbij. D*
stuurman liet den peilstok neer. „Water in overvloed," riep
hij verheugd, „meer dan twee voet!"
De ontzetvloot zeilde nu onder het loeien van den storm
en de zwarte duisternis verder.
„Werda!" riepen de soldaten van de wachtschepen voor
den Kerkweg gelegen, waar zij donkere massa\'s spookachtig
uit den nevel zagen opdoemen. Een hevige losbranding van
Boisot\'s geschut volgde en snel springen zij over op den
wal en vei kondig eu, dat de vermetele Geuzen naderen. In
korten tijd werden de beletselen weggeruimd en straks
-ocr page 166-
158
golfde het water in breede golven door de gegraven ope-
ningen en deed velden en polders onder zich verdwenen.
Toen de zon op den morgen van den 2den October haar
vriendelijk licht in den vloed weerspiegelde lag de dijk
achter de kloeke bevrijders en hadden Valdez knechten den
aftocht geblazen.
In de benarde stad gaf menig gemoed zich lucht in een
kreet van blijde verrassing. Het verheugde volk plaatste
vaandels op de wallen en bond vlaggen aan de roeden der
molenwieken om den wakkeren mannen een welkom toe te
seinen. Met ongeloofelrjke inspanning gingen de schepen voor-
uit, maar eindelijk ruimer water vindende, stoven zij in snelle
vaart over het verdronken land. Het vuur der kanonnen
verlichtte de schemering en in schromelijke verwarring zocht
de vijand zich buiten het bereik der kogels te stellen. Maar
de Geuzen mikken scherp en omsingelen de vluchtenden
aan alle zijden. Velen raken het pad bijster en vinden in
de sloten een jammerlijken dood. Dirksz joeg den vijand in
het water na en maakte ieder af, die zich niet spoedig ge-
noeg aan het gevaar wist te ontworstelen.
Na eukele minuten was de strijd voor goed beslist en Ale-
wijns mocht met de dappere Zeeuwen een luid gejuich aan-
heffen over den triomf, dien G-od hun op den vijand had
doen behalen. Maar niet lang bleven zijne gedachten bij den
strijd bepaald. Ginds rees de St. Pieterskerk hoog boven de
huizenmassa omhoog. Daar lag zijn woonplaats, het fel be-
dreigde Leiden. Zou hjj de zpen wederzien, of had wei-
licht de pest hen allen ten grave gesleept? Weemoedige
gedachten rezen er op in zijne ziel, maar eindelijk stamel-
den zijne lippen een stil gebed en zachtkens fluisterde hij:
„Heere, uw wil geschiede!"
-ocr page 167-
I5y
Nog ééne schans belette den Zeeuwen den voortgang; het
was de sterkte te Lammen, die zich somber en dreigend
in de verte verhief, het middelpunt van Valdez\' macht!
Boisot schreef aan den Prins, dat hij den volgenden dag
Lammen hoopte te beschieten; mislukte de onderneming,
dan was Leiden verloren en stond het hachelyk met geheel
Holland. In de stad wachtte men trillend van vreugde
de dingen af, die komen zouden. Men zag, dat het in de
verte wemelde van zeilen; daar was dus brood en vleesch
in overvloed!
De ondergaande zon wierp intusschen haar weemoedig
licht over de watervlakte; toen viel de schemering in en
langzaam werd het donker over het verdronken land en de
bedreigde stad. Het was een kalme, maar voor Leiden merk-
waardige en rijk gezegende nacht!
Een zilverwitte nevel zweefde bg het aanbreken van
Zondag, den 3d8a October, over de velden en op de schepen
van Boisot, zoowel als in de stad, kwam alles in beweging.
Gerbrant en Floris begaven zich naar de wallen. Eene on-
verklaarbare en geheimzinnige onrust had zich van beiden
meester gemaakt. Met hun medeburgers hunkerden z|j naar
het oogeablik, waarop zij de Zeeuwsche Geuzen in hun
aanval op de dreigende sterkte zouden kunnen onder-
steunen.
,Alles is gereed," sprak Ghjjsbertsz. „Het pleit zal straks
worden beslist. De Kapitein der vrijbuiters, Gerrit van der
Laan, bevindt zich daarginds met zijne schuiten, om ieder oogen-
blik gereed te kunnen z\\jn. God geve, dat deze dag onver-
getelrjk voor ons moge worden."
„Ik ben niet zonder zorg," antwoordde Gerbrant. „In de
nabrjheid van de Koepoort is een gedeelte van den stadswal
-ocr page 168-
ltiü
ingestort. Zoo de vjjand door die bres binnendringt, zijn
wjj verloren!..."
„Houd moed," fluisterde de bediende. „Mjjii goede meester,
uw vader, zou ons gewis toevoegen: is dan des Heeren arm
verkort? Hy zal gewisselyk uitkomst geven! Maar zie — de
zon breekt door de nevelen heen, en ginds, neen, ik bedrieg
mij niet, komen de schepen aanzeilen, die voldoend voedsel
voor ons allen bevatten!" En Gerbrant de hand op den
schouder leggende, wees hg, met een glans van vreugde op
het gelaat, recht voor zich uit.
„Daar — daar!" juichte hg, „zg komen!"
Gerbrant tuurde scherp in de aangewezen richting en ook
zyn oog ontdekte de wapperende wimpels en vlaggen, die
zich langzaam voortbewogen. Al de stedelingen, mannen,
vrouwen en kinderen konden zich niet verzadigen aan den
aanblik der vloot.
Meester Aiewijus stond op de voorplecht van een der
schepen en p inzend staarde hjj voor zich uit. Zijn hait
liep tot God, om hulp en uitkomst en — een heerlijk we-
derzien van al de zgnen.
In de verte lag de sterke schans; een beeld der een-
zaamheid. Geen enkel geluid werd vernomen en de glim-
meude wapenrustingen der Spaansche strpers zag men niet.
Wat te denken? Hadden de vreemde vendels, door schrik
aangegrepen, heimelijk hun post verlaten, of had Valdez de
stad venmesterd en door een Spaanschen moord op een»
maal de veege levens afgesneden?
Een dertien jarige weesjongen had des nachts toen hjj
over den omtrek tuarde opgemerkt, dat gloeiende punten
zich als dwaallichten in geordende rijen door de dichte
duisternis hadden bewoeen. Hü besloot hieruit, dat d« 8nan-
-ocr page 169-
161
jaards afgetrokken waren. Wellicht viel daarginds iets voor
hem te eten.
Hy besloot een bezoek aan de sterkte te brengen en den
burgers de zekerheid te verschaffen hoe het daarbinnen
was gesteld.
Hem werden twee drie-guldens beloofd als hy dit waag-
stuk volbracht. Een bootje voerde hem aan de overzijde
der gracht en zoo snel zijne krachten het toelieten, verwy-
derde de weesjongen zich in de richting der schans. Aller
oogen volgden hem. Daar verdwijnt hy; vragend zien de Lei-
denaars elkander aan. Zou hij gevangen genomen zyn ? Maar
neen, daar vertoont zich zyn gestalte op den noordelijken
wal. Hy zwaait met den vilten hoed, als riep hy: „Het
roofhest is ledig en de weg vry!"
Niemand durfde zich echter met die blijde hoop vleien.
Hadden de Spanjaarden hem wellicht tot dit sein gedwon-
gen? Gysberth Schaeck, die met nog twee van Van der
Laans mannen den knaap op den voet waren gevolgd, was
mtusschen de wallen naby gekomen. Een enkele blik over-
tnigde hem, dat de sterkte ledig was en snel waadde hy
\'ior het water om den Zeeuwen deze bly\'de tijding mede
te deelen. Straks ging hy weder naar de stad tei ug en bracht
als een onwederapivkelyk teekeu, dat de vurig afgesmeekte
redding was verschenen, een pot gekookte hutspot mede.
Nu was het vermoeden zekerheid geworden en eene onbe-
schrijfelyke vreugde doortrilde elks hart. De wanhoop zag
zich door onuitspiekelyke blydscbap vervangen en geheelde
stad vierde het feest harer verrijzenis. De yzeren boei, die
het benarde volk zoolang had omkneld, was verbroken en
dankend mocht men de handen vouwen om Gode de eer
te geven, die zulk een wonder had gewrocht.
              11
-ocr page 170-
162
„De Heere heeft een schrik over onze vijanden doen ko-
men," juichtte Floris. „Leiden is ontzet! God zjj geloofd.
Gerbrant drukte zijn vriend in vervoering de hand en
zijn hart gaf zich lucht in woorden van lof en dank.
De Zeeuwsche Geuzen waren niet minder verheugd. Uit-
gelaten van vreugde maakten zij zich gereed om met de
reddingsvloot door te varen. Menig oog tintelde van onge-
wonen glans nu hun opoffering met zulk een goeden uit-
slag was bekroond. „De Heere heeft ons wonderlijk ver-
hoord," sprak Gerrit Meindertsz. „Hij heeft de stad ver-
lost, daarom Hem de eere!"
„Amen," herhaalde Alewijns tot snikkens toe bewogen.
De reddingsvloot voer nu onder het gejubel van het boots-
volk verder, voorafgegaan door de schuiten van Van der
Laan. Alle beletselen waren reeds weggenomen en statig
voer de vreemdsoortige vloot, vol geladen met voedsel voor
de uitgehongerde stedelingen, vaartuig achter vaartuig, door
de Vliet de stad binnen.
Het was Zondagmorgen, den 3d9n October, omstreeks 8 uur.
Al de kaaien en wallen stonden vol volk en aan de Vliet-
brug ontwikkelde zich een aandoenlijk tooneel. Hier ver-
drong zich de uitgehongerde menigte en hijgend van be-
geerte strekten allen armen en handen uit om de levens-
middelen te ontvangen. Het scheepsvolk was diep geroerd
en wierp, daar van ordelijk deelen geen sprake kon zjjn,
met ruime hand, brood, kaas en haring onder deuitgevaste
Leidenaars. De meesten hunner hadden in geen zeven we-
ken brood geproefd en alles, wat hun werd toegeworpen,
werd met gulzigheid verslonden.
Welk een blijdschap! Een luid gesnik belette zelfs velen
ook maar een enkel woord te kunnen spreken. Sommigen
-ocr page 171-
163
wierpen zich in het water en zwommen naar de schepen,
gevolgd door anderen, die tot aan dea hals toe in het wa-
ter liepen en juichend de vloot tegemoet trokken.
Onder het aanheffen van een luiden jubelkreet snelden
kinderen, ruim van spjjze voorzien, naar hunne ouderlijke
woning, om vader of moeder het heerlijke voedsel te bren-
gen, terwjjl de mannen haastig de stad inliepen om de al-
gemeene behoudenis overal te verkondigen.
„Leiden is ontzet! De Heere zjj eeuwig geprezen!" Deze
juichtoon weergalmde in alle wn\'ken.
Dubbel treurig was het lot van hen, die met zooveel
gulzigheid zich trachtten te verzadigen, dat zjj met het
brood tusschen de tanden eensklaps stierven. Na groote ont-
bering kwamen z|j te midden van den overvloed om, en „na
\'t ontworstelen van velerlei ramp, sneuvelden zjj in de ha-
ven des behouds!"
De regeering nam echter krachtige maatregelen om dit
voor het vervolg te voorkomen.
Treffend was de ontmoeting tusschen de bevelhebbers der
vloot en het bestuur der stad. Hunne aangezichten glinster-
den van ongeveinsde vreugde, toen zy elkander verwelkom-
den en met broederlijke liefde de handen drukten. Er werd
weinig gesproken, maar de traan, die in het oog der edele
vaderlanders blonk, zeide meer, dan woorden het konden doen.
De dekenfabrikant drong door de woelende schare en
blikte onderzoekend om zich heen. Zjjn hart klopte van
hoop en vrees. Daar ontdekte zp oog twee gestalten.
De een is Gerbrant en de ander Floris, zgn trouwe bediende.
Een kreet van vreugde ontsnapte aan zgn borst. Gerbrant
zag op en haastig snelde hij eenige schreden verder om
juichend zgn vader in de armen te vallen. Geen van bei-
-ocr page 172-
164
den sprak een enkel woord; nu ijlde ook Floris toe en
drukte zjjn meester in vervoering de hand.
„God zij geloofd," riep hij uit. „De Spanjaarden zjjn voor-
goed verdwenen. Wjj zullen evenals voorheen den arbeid
kunnen hervatten. Zoeken wij thans Adriaan en Margaretha
op, opdat ook zij u mogen begroeten!"
„Waar is uwe moeder?" vroeg Alewjjns in gespannen ver-
wachting zyn zoon aartzie»ide.
Gerbrant keerde zich om; hij trachtte zich zelf te beheer-
schen, maar zjjn gevoel overmeesterde hem en hij weende
zacht. „Zjj is heengegaan," zeide Floris, „en is reeds bij
Christus, waar zij ook u allen eens verwacht!"
Als verpletterd stond Alewjjns een oogenblik stil; de
krachtige man was hevig geschokt en beefde als een riet.
Toen vloeide er een tranenstroom uit zh\'ne oogen, die be-
wees hoe diep hg zjjne trouwe gade had bemind.
„Moeder heeft ons de trouwe hoede des Haeren bevolen,"
sprak Gerbrant thans, „en mij opgedragen u te zeggen, dat
zg ons daar boven hoopt weer te zien. Zjj is in vrede
gestorven."
„Ik weet, dat ik eens tot haar zal gaan," zeide de be-
droefde echtgenoot. „De wil des Heeren geschiede."
Z\\j waren de woning genaderd en traden binnen, onder
het gejubel van den knaap, die tot zyn onuitsprekelijke
vreugde zijn vader had herkend. In de kamer rees nog
iemand van hare zitplaats. De doorgestane ellende had ook
bij haar de onmiskenbare sporen achter gelaten en den blos
der gezondheid door een vaal bleek doen vervangen. Zij
raapte al haar krachten te zamen en schreed door het ver-
trek, maar de maagd wankelt, de blijdschap heeft haar als ver-
lamd. Daar strekken zich twee krachtige armen naar haar ui .
-ocr page 173-
165
„Margaretha," roept Alewyns verheugd en hg drukt zy\'ne
dochter trillend van blijdschap aan zijn hart.
,Vader, lieve vader," stamelt het meisje en een glans der
hoogste verrukking glijdt over haar schoon gelaat.
Een uur later begaf de dekenfabrikant zich met zijne
huisgenooten, die onder den indruk der grooto verlossing
en van het heerlijk wederzien oogenblikken van reine
vreugde hadden gesmaakt, naar de St. Pieterskerk, om
daar den H^ere voor Z\\jue oneindige goedheid en onvoor»
ziene barmhartigheid te loven en te danken.
„Geen van allen," zeide Alewjjns, „mag heden in Gods
huis ontbreken. Wh\' behooren Hem te danken met geheel
ons hart!" Een groote menigte volks was hier reeds te zamen
gekomen. De dappere Zeeuwsrhe Geuzen namen plaats naast
de trouwe schutters en de burgers van allerlei stand en rang.
Vreemd staken hunne grove, ruige pgen af by de blinkende
wapenrustingen der bevelhebbers en soldaten. De onverschrok»
ken Boisot ontbrak er evenmin als de wakkere Van der
Weiff en de dappere Van der Does. De arme poortersdoch-
ter boog zich naast de deftige vrouwe; allen vereenigden
zich hier als begenadigden in een plechtig, ootmoedig ge-
bed. Het was eene godsdienstoefening, die niemand ooit
zou vergeten.
Pieter Cornelisz besteeg den kansel. Nog nooit had hy een
dankstond als deze geleid. Hy nam het psalmboek van Da-
theen en verzocht de vergaderden met hem nit den negen-
den Pa alm aan te hellen:
„Heer, ick wil U nyt \'s nertcn grond
Prysen, en over al doen condt
Uw wonderen in alle wycken,
Die niet en zijn om vergelijcken.
-ocr page 174-
166
In U wil ick wesen verblijdt,
Dat is mijn vreught tot deser tijd.
Uwen naam schoon wil ick ook prijsen,
En U met lofsaDgh eer bewijzen.
Omdat door Uwe groote macht,
Mijn vijant wijkt en vliet met kracht
En dat hij neder leyt geslagen
Door Uw aanschijn, swaer om verdraghen."
De stem van den leeraar beefde van aandoening. Hij had
met z\\jn kudde al den nood en al het lijden doorgemaakt
en ook zijn hart liep over van lof en dank. Onder adem-
looze stilte luisterde de menigte toe; het eenig geluid was
een zacht gesnik der overkropte gemoederen. De lofpsalm
werd aangeheven, maar slechts weinigen brachten hem ten
einde. Tranen, stroomen van tranen verstikten aller stem;
het lied des lofs veranderde in een luid geween. Dat gesnik
was welsprekend, die onuitgesproken verzuchtingen waren
den Heere welgevallig.
Diep geroerd keerde Alewps met de zijnen huiswaarts.
In hun midden bevond zich Gerrit Meinderts, die door zijne
vrienden met blijdschap werd begroet en spoedig met zijn
vroegeren krjjgsmakker Gerbrant in een druk gesprek was
gewikkeld. Te huis gekomen ontsloot de dekentabrikant den
bjjbel om tot zijn eigen troost en hun aller versterking uit
het dierbare Godswoord te lezen van de eeuwige trouwe
des Heeren, die de Zijnen uit allen nood en dood verlost.
„De dagen van druk en lijden zijn voorbij," sprak Mein-
derts op een toon der grootste vreugde. „De Heere heeft
alles wèl gemaakt."
„Amen!" herhaalden allen zacht.
-ocr page 175-
167
En plechtig rnischte straks het psalmgezang naar boven:
„Gij hebt uw vyanden verjaeght,
Om bij uw volck seer onversaeght
Te woonen vroegh en spade.
Gelooft zy Godt, die ons mst een,
Onderhoudt en zegent gemeen,
Door zijn kracht en genade.
God de Heer is ons\' saligheyt,
Hij toont ons zijn goetgunstigheid,
Door verlossingen machtigh:
Het is God, die zyn volck vrystelt,
En maakt dat het blijft ongequelt,
Van \'t doots geweld zeer krachtigh!"
De dappere Zeeuwen waren intusschen naar buiten ge-
trokken, om de Spanjaarden uit de omstreken te verjagen.
In de tent van Valdez vonden zij eene schets van Leidens
beleg, benevens afbeeldingen der veste en van de omstre-
ken. Op een dezer stukken had de opperbevelhebber in \'t
latijn geschreven: „Vaarwel, o stad met uwe omliggende
sterkten. Om het water z\\jt gij verlaten, niet om het geweld
des vy\'ands!" Had hij de waarheid willen spreken, dan zou
h\\j hebben erkend, dat God zelf zyn machtige arm had uit-
gestrekt en hem met zulk een verbaasdheid had geslagen,
dat hjj in allerijl was vertrokken.
Aan den avond van den volgenden dag verscheen de ge-
liefde Prins van Oranje, die zulk een werkzaam aandeel
aan het ontzet had genomen, te midden der jubelende me-
nigte, om met haar God te loven en te danken. Een onbe-
schrjjfdyke vreugde doortrilde ieders hart. Oranje verze-
kerde hun, dat hun nakomelingen de vruchten zouden pluk-
-ocr page 176-
168
ken van hun opofferende liefde voor het vaderland. Hg gaf
den Leidenaars te kiezen tusschen vrijdom van sommige
belastingen of eene hoogeschool. Zjj dedeu eene keuze vol
geloofsmoed en in het begiu van het volgende jaar zon
„de Leidsehe Academie ten behoeve des geloofs" verrazen,
die tot in verre geslachten Nederland ten zegen zon zijn.
Het bestuur der stad besloot voortaan ieder jaar den
3den October godsdienstig te vieren, „met bidden en loven
tot onversterfrlijke gedachtenis."
Op dienzelfdeu dag beschikte de Heere oen storm uit het
Noord-Oosten, die het water, dat zu\'u dienst had verricht,
met bulderend geweld weder naar zee dreef. Weldra waren
de sporen van den krijg uitgewischt en mocht men zich
weder in het rustig bezit zijner eigendommen verheugen.
Tegen het einde van November ontruimden de vn\'anden
de Waddingerschans; het laatste bolwe:k hunner macht.
Heinde en ver was nu geen Spanjool mtwr te bespeuren.
G-ode voor alles de\'eere, want Hij heeft Leiden verlost, —
H\\j alleen!