-ocr page 1-
<r\\fn ïZtfC^b
r
KORT VERHAAL
VAN II KT OPTREDEN VAN
HET CLASSICAAL BESTUUR VAN GOUDA
TE OUDE WATER.
I.
DE V00RL00PIGE SCHORSING
*
i
-
VAN
i
Ds. W. F. A. WINCKEL en de
B.B. A. VAN KAREN. Ouderling en C. HOFLAND, Diaken,
DOOR
Ds. W. F. A. WmCKEL
r
(Uitgegeven voor rekening van den schrijver
1
.
" \'\'
Utrecht. — J. VAN BOEKHOVEN. — 1887-
~k»w.,
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Q
■i
**
KORT VERHAA
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
VAN II KT (MTREDEN VAN
HET CLASSICAAL BESTUUR VAN GOUDA
TE OUDEWATER.
DE V0ORL0OPIGE SCHORSING
VAN
Ds. W. P. A. WINCKEL en de
B.B. A. VAN BAREN. Onderling en (\'. HOFLAND, Diaken.
DOOR
Ds. W. F. A. WINCKEL.
(Uitgegeven voor rekening van den schrijver
ten bate van de armen der Diaconie der Oeref. Gemeente..!
I\'tkecht. — J. VAN BOEKHOVEN. — 1887.
S/C /0f
-ocr page 4-
v
-ocr page 5-
*
EEN WOORD VOORAF.
Met medeweten van den Kerkeraad der Gereformeerde
Gemeente te Oudewater zend ik deze bladen in het licht.
Het kwam ons voor, dat het noodig was, de gemeente van
Oudewater en belangstellende vrienden in den omtrek en
elders in staat te stellen om te oordeelen over de hande-
lingen van het Classicaal bestuur van Gouda en van mijn
ambtgenoot te dezer stede, ten onzen opzichte.
Het is een kort verhaal, in der haast, in een bewogen tijd
opgesteld. Wat er gedurende die dagen in mij omging,
welke bemoedigingen en vertroostingen ik uit Gods Woord
en door het medeleven en de belangstelling van vrienden,
ondervinden mocht, heb ik gemeend te moeten verzwijgen.
-ocr page 6-
Later zal nog een dergelijk, misschien kleiner geschrift
volgen, om duidelijk te maken, waarom de Kerke raad ten
slotte gehandeld heeft gelijk hij deed en hoe de listen van
den vijand werden verijdeld.
Zij deze onze arbeid tot verheerlijking van \'sHeeren naam.
Mocht Hij er genadig uit weg nemen, wat aan de komst
van Zijn rijk mocht in den weg staan.
W.
OUDEWATER ,
3 Maart 1887.
-ocr page 7-
WIE IS DE BEWERKER?
. Het Classicaal Bestuur van Gouda heeft goedgevonden den
24sten Februari van dit jaar mij een stuk te zenden, meldende\',
dal ik in mijne bediening als herder eri\' feeraar, voorloopig
. ben geschorst; ook de ouderling van Baren en de ^liaken
C. Hofland ontvingen een der gelijken brief? - *
Dat dit groote ontroering in de gemeente.verwekte, is te
begrijpen. Onder onze vrienden gaf vooral rie| feit, ^datt de
schorsingsbullen door mijn ambtgenoot Ds. J. W. Marga,dant
geteekend waren, rechtmatige ergernis. Had hij kieschheids-
halve zich in deze niet behooren terug te trekken ? Had hij
zijn plaatsvervanger Ds. H. van Selms te Leerdam niet
moeten laten optreden ? Had hij allen schijn, van de voor-
loopige schorsing zijner medebroeders, met welke hij in ééne
kerk diende, te hebben uitgelokt, niet moeten vermijden\'?
Veler verontwaardiging steeg ten top, toen medegedeeld
werd, wat er aan onze voorloopige schorsing was vooraf-
gegaan.
Des Dinsdagsavonds (22 Februari) schelde ik bij het huis van
mijn ambtgenoot aan , met het doel met hem af te spreken,
wanneer we in den loop dier week Kerkeraadsvergadering
zouden houden. Ik vond Ds. Margadant niet te huis, maar
»
-ocr page 8-
6
sprak met Mevrouw zijne echtgenoote, welke beloofde haren
man mijn wensch kenbaar te maken. Goedsmoeds keerde
ik huiswaarts. Den volgenden dag kreeg ik \'s avonds een
bezoek van den koster, mij een briefje brengende van Ds.
Margadant, waarin met den gewonen aanhef: Atn.fr. (Mijn
vriend en broeder) mij gevraa gd werd , of ik goed vond , dat
de Kerkeraadsvergadering uitgeschreven werd tegen Vrijdag
25 Februari ten 7 ure des avonds, en of ik tevens zou
willen opgeven, welke dingen er op onze vergadering moesten
behandeld worden. Daar de koster mij te kennen gaf, nadat
ik een oogenblikje met hem gepraat had, dat Ds. Margadant
gaarne dadelijk antwoord terug ontving, zoo schreef ik, zonder
\' eenig kwaad te vermoeden , dat ik 1" wenschte, dat de
boeken van het archief zouden nagezien worden, en dat ik
2\'\' een voorstel wenschte in te dienen betreffende het aan-
nemen van attestatiën. Het eerste had reeds moeten ge-
schieden bij de eerste Kerkeraadsvergadering van het nieuwe
jaar; het tweede had ten doel een bezwaar uit den weg te
ruimen, dat Ds. Margadant zelf, en volkomen te recht, ge-
opperd had. Toen ik de laatste maal den treurigen kerkelij-
ken toestand met mijn ambtgenoot besprak, gewaagde ik ook
van de moeielijkheden, waarin wij zouden geraken, wanneer
leerlingen van den Heer Vermeulen, predikant te Haastrecht,
die alhier van wege den Protestantenbond komt catechiseeren,
zich kwamen aanmelden om ingeschreven te worden in het
lidmatenboek. Onder het bespreken van dit punt merkte
Ds. Margadant op, dat we tot hiertoe maar klakkeloos allerlei
attestatiën hadden aangenomen, als wilde hij daarmede te
kennen geven: „hoe wilt ge nu op eens zoo stipt handelen,
daar ge te voren er aan mede gedaan hebt , om rijp en groen
te boeken en daardoor toe te laten tot des Heeren Avond-
maal." Dit verwijt vond ik gegrond, en ik nam mij voor,
-ocr page 9-
7
om bij de eerste de beste Kerkeraadsvergadering deze zaak
ter sprake te brengen.
Wat heeft Ds. Margadant hierop gedaan? Den volgenden
dag is hij met mijn briefje naar Gouda getogen en werd dit
aan de saamgeroepen vergadering van het Classicaal Bestuur
vertoond. Toen is betoogd, dat het mij om losmaking van
de gemeente Oudewater uit het Synodale verband te doen
was, dat mijn opzet niet anders zijn kon dan het archief in
mijne macht te krijgen, enz. enz.
„Maar dit is slechts een vermoeden; wat weet gij van
hetgeen er in het Classicaal Bestuur verhandeld is?"
Wij meenen goede gronden voor ons vermoeden te hebben.
Waarom verzoekt de koster mij op last van Ds. Margadant\'
om de punten van behandeling op te geven ? Dit kon ik toch
niet mondeling doen, maar moest schriftelijk geschieden.
Is het niet duidelijk dat mij die afgevraagd werden, om een
bewijs tegen mij, zwart op wit, in handen te hebben? Indien
mijn briefje Ds. Margadant niet welkom ware geweest; als
hij daardoor de kans niet schoon zag, om mij van de baan
te dringen, waarom heeft hij dan verzuimd om tegen Vrijdag
ten 7 ure Kerkeraadsvergadering uit te schrijven, gelijk ik
hem als Voorzitter van den Kerkeraad had gezegd?
Ds. Margadant heeft gedacht: „vóór Vrijdag is hij ker-
kelijk afgemaakt, daarom schrijf ik geen Kerkeraads-
vergadering uit."
Welk recht had hij om dit na te laten ? Ik was voorzitter
van den Kerkeraad en had waarlijk tijdig genoeg Ds. Margadant
als Scriba gewaarschuwd. Het nalaten van wat zijn plicht
was is alleen verklaarbaar, wanneer men aanneemt, dat hij
zich overtuigd hield, dat ik door zijne medestanders in
het Classicaal Bestuur, op zijn aanklacht, wel onschadelijk
gemaakt zou worden.
-ocr page 10-
8
Dit is hem dan ook ter dege door de niet geschorste
leden van den kerkeraad onder de oogen gebracht, toen
Ds. Margadant op Zaterdag 26 Februari ten 4 ure met hen
samenkwam. Het antwoord, dat Z.W.E. hierop gaf, was
slechts, dat hij geen lust gehad had, om die vergadering
uit te schrijven.
Volkomen terecht werd hem hierop toe-
gevoegd : „Dus hangt dan de kerkeraad af van de lust van
zijn Secretaris 1"
De gemeente van Oudewater kan nu eens oordeelen over
de zoo dikwijls herhaalde verklaring (ook op den kansel op
Zondag 27 Februari des voormiddags), dat niet hij, Ds. M.,
maar het Classicaal Bestuur, bestaande uit zes predikanten
en twee ouderlingen, ons heeft geschorst. Wij nemen aan,
dat Ds. Margadant genoeg bijval in genoemd bestuur heeft
gevonden: immers de vingers van een invloedrijk lid jeukten
reeds lange, om de Gereformeerden te recht te zetten; maar
wie was het, die het vuurtje heeft aangestookt, want zelfs
een hoop krullen met petroleum gedrenkt vliegt niet van
zelf in brand ? Wij verdenken er Ds. Margadant van. Hij zelf
had de val opgezet, waarin ik moest loopen. Hij wist, dat
ik te voren reeds het voornemen had, om de kerkelijke
registers, op een onzer vergaderingen ter tafel te laten bren-
gen: dit had ik hem te kennen gegeven. Daarom moest de
koster er op af gestuurd. Daarom moest ik een briefje
schrijven. Met dat briefje kon men dan naar Gouda tijgen.
Dat briefje zou mijn eigen aanklager worden.
Slangenlist meenen wij hierin op te merken, maar ook
duivenopr echtheid ?
Wij zijn tot terugname van deze woorden bereid, als ons
kan aangetoond, dat het door mij geschreven briefje, niet
in de vergadering van \'t Class. Bestuur ter sprake kwam.
-ocr page 11-
DE SLAG GEVALLEN.
Wanneer het Classicaal Bestuur tegen mij een kerkelijk
rechtsgeding begonnen ware, zou mij dit niet hebben verwon-
derd. Ik was niet gewoon mijne overtuiging in zake den
diep gezonken toestand der Gereformeerde kerken in Neder-
land te verzwijgen, noch in mijne eigene gemeente, noch
wanneer ik geroepen werd in de vacatures te prediken, noch
wanneer ik elders verzocht was een woord te spreken. Ik
meende niet genoeg te kunnen wijzen, op onze en onzer
vaderen schuld voor God, waardoor wij onder eene organi-
satie leefden, die er toe dreef, om de belijders uit des
Heeren kerk te drijven en de bestrijders der Gereformeerde
religie, ja zelfs loochenaars van den Persoonlijken Levenden
God er in te houden. Een botsing met de Synodale organi-
satie, die de hoogste rechtsprekende en wetgevende macht
in de Gereformeerde Kerken van deze landen toekent aan
de Algemeene Synode, en mij die het Koningschap van
Christus over Zijne kerk belijden mag, kón niet uitblijven.
Doch ik had gehoopt en verwacht, dat er een eerlijk
geding tegen mij zou z"ijn begonnen, als het Classicaal
Bestuur meende, den drang der Hoogere Besturen, niet te
moeten wederstaan. Maar dat men mij verraderlijk voor-
a
-ocr page 12-
[O
loopig schorsen zou, zonder mij te hooren, had ik niet
kunnen denken. Voorloopige schorsing mag toch alleen plaats
hebben, volgens art. 48 van het Regl. van Opz. en Tucht,
bij een geruchtmakend beziuaar van ergerlijken aard.
Wanneer men mijne medebroeders en mij dronken over straat
had zien loopen, of men had bij ons eene huiszoeking gedaan,
omdat we beschuldigd waren van diefstal, — dan had het
Classicaal Bestuur ons, na onze verdediging gehoord, en het
bezwaar gegrond bevonden te hebben, voorloopig behooren
te schorsen. Dan moest verhinderd worden, dat wij tegen
den volgenden Zondag onze plaatsen als Kerkeraadsleden of
als Evangeliedienaar hadden ingenomen. Doch daarvoor had
God ons bewaard.
Van welke ergerlijke, geruchtmakende dingen, worden wij
beschuldigd ?
Wij worden verdacht, het Gereformeerd Kerkelijk Congres
te hebben bijgewoond. Dat Congres heeft van 11—14 Januari
geduurd. Waarom ons aanstonds niet voorloopig geschorst,
indien het bijwonen van het Gereformeerd Kerkelijk Congres
op zich zelven reeds een ergerlijke zaak is; waarom ons
dan daarna nog een zes weken in onze bediening gelaten?
Ergerlijk is eer onze voorloopige schorsing te noemen, waarbij
een artikel is toegepast, dat tegen zedeloosheid gemaakt is.
Heeft het vermoeden. dat we congreswaarts geweest waren
ook gerucht" gemaakt? Wij weten nergens van. Het booze
gerucht moest onze schorsing voorafgegaan zijn; is iets daarvan
gebleken? Wij hoorden van niets.
Dezelfde rechts- en reglementsverkrachting als het Classicaal
Bestuur van Amsterdam zich tegenover den Amsterdamschen
kerkeraad veroorloofde, heeft het Classicaal Bestuur van Gouda
ook tegenover ons te baat genomen, om ons weg te cijferen.
De vondst van Dr. Vos vindt navolging. Al hebben de
-ocr page 13-
II
rechtsgeleerde adviezen van Mr. Baron de Geer van Jutfaas,
van Mr. van Bemmelen en van Mr. Farncombe Sanders,
(deze beide laatste heeren zijn van liberale richting) eenstemmig
het voorloopig schorsen der Amsterdamschen broeders, als
een vertrappen van het recht veroordeeld, de heeren van
het Classicaal Bestuur van Gouda hebben op nieuw dat
schandelijke middel aangegrepen, om ons uit onze kerkelijke
bedieningen te zetten. En hiertoe werkte een bedienaar des
Goddelijken Woords mede, die zich zelf tegen het onrecht
aan de Amsterdamsehe broeders aangedaan, verklaard heeft.
Ds. Margadant heeft toch gansch vrijwillig, zonder de minste
pressie- van de zijde van den kerkeraad van Oudewater,
zijne sympathie betuigd aan de voorloopig geschorste leden
van den Amsterdamschen kerkeraad.
Het vóór mijne komst te Oudewater, door Ds. Margadant
eigenhandig geschreven adres, luidt aldus:
Oudewater, i Februari 1886.
WelEerwaarde en Eerwaarde Heeren en Broeders,
De kerkeraad der Hervormde gemeente te Oudewater,
kennis genomen hebbende van de missive, onlangs tot U
gebracht, namens Predikanten, afgevaardigden van kerkeraden
en gemeenteleden uit de classis Arnhem en omliggende
dassen, heeft de eer U mede te deelen, dat hij zich met
den inhoud van genoemden brief ten volle kan vereenigen.
Hij gevoelt zich ten duurste geroepen en verplicht, aan U
langs dezen weg zijne sympathie te betuigen, met den
wensch en de bede, dat de Koning der Kerk U steune en
-ocr page 14-
12
sterke in den strijd om het recht onzer Belijdenis en de
eere Zijns Naams.
Met de hartelijke toebidding van \'s Heeren genade,
De kerkeraad voornoemd,
(w- gO J- W. Margadant ,
h. t. Voorzitter en Scriba.
M. J. Buys, Ouderl.
C. van den Dool.
A.   Smit.
P. Verweij.
B.  P. Rahms, Diaken.
Den WelEerw. Zeergel. Heer            M. C. VAN WIJNGAARDEN, Diaken.
Ds. P. van Son c. s.            J. van der Wind , Diaken,
te                          C. Hofland.
Amsterdam.               A. van Baren.
Het adres waarmede ook Ds. M. volle instemming betuigt,
luidt aldus :
„We/Eerwaarde en Eerwaarde Heeren en Broeders!
Wij ondergeteekenden , Predikanten , Afgevaardigden van
Kerkeraden en Gemeenteleden uit de classis Arnhem en
omliggende dassen, gevoelen ons gedrongen een woord van
deelneming tot U te richten.
Met belangstelling hebben wij den loop der zaken ten uwent
gadegeslagen, met de bede in het harte, dat de Heere U
kracht geve om trouw tot den einde toe te volharden, zoo
het was naar Zijnen wil, en tot verheerlijking van Zijnen
naam, wat wij vastelijk gelooven.
Wij bedoelen natuurlijk de zaak der attesten.
Het staat toch bij ons vast, dat de roede der kastijding
-ocr page 15-
t3
om geene andere reden op U is nedergedaald, dan om deze
alleen: dat Gij de leerlingen van moderne predikanten den
toegang tot het H. Avondmaal hebt bemoeilijkt, hetwelk
duidelijk blijkt uit den spoed, waarmede door het Classicaal
bestuur van Amsterdam, doende wat des Kerkeraads is,
die attesten beschikbaar zijn gesteld.
In de bewuste beheerszaak meenen wij niets anders te
kunnen zien dan de gezochte aanleiding om U te treffen;
het Class. bestuur heeft het wellicht niet aangedurfd U te
schorsen om eene zaak van belijdenis; waart Gij toch geschorst
om die attesten, de publieke opinie had zich gekeerd geheel
tegen zulk een Kerkelijk bestuur, dat broeders, getrouw aan
\'s Heeren bevel, dorst te schorsen in hun ambt.
Over de beheerszaak kunnen wij ons niet uitlaten.
Wij verblijden ons van ganscher harte dat Gij, Opzieners
der Gemeente van Jezus Christus, in de grootste stad van
ons land, aan de spits zijt getreden; dat Gij een aanvang
gemaakt hebt om te zuiveren, wat zoozeer zuivering van
noode heeft.
Te lang toch is daar in ruste nedergezeten; te lang toch
is geduld, dat belijders en bestrijders onder ééne vlag zouden
varen; wat meer zegt, te groot is de schuld geworden, dan
dat rechtzinnige Kerkeraden nog langer zouden mogen voort-
gaan alles maar gemengd en zonder nauwjetend onderzoek
te laten toetreden tot \'s Heeren disch.
Uw optreden vervult ons met blijdschap, omdat Gij daar-
door getoond hebt te willen handelen naar Gods Woord en
onvoorwaardelijk te bukken voor den Koning der Kerk.
Genade worde u geschonken en vermenigvuldigd; gaat Gij
uwen weg in stilheid; de Heere zal recht en gerechtigheid
doen; weest Gij met de Apostelen te Jeruzalem verblijd, dat
Gij waardig zijt geacht geweest om Zijns naams wil smaad-
-ocr page 16-
14
heid te lijden; het is en zal steeds zijn het deel van degenen,
die getrouw en van den Heere afhankelijk wenschen te han-
delen en te wandelen; ook in deze zaak vervult de Heere
Zijn woord: „Ik zal vijandschap zetten."
Maar toch smart deze zaak ons ook, om uwentwil, en
om dergenen wil, die in uwen Kerkeraad van den rechten
weg zijn afgeweken; die met U niet pal staan , gelijk zij
eerst beleden hadden te zullen en te moeten doen; de Heere
doe hen terugkeeren van eenen weg, die niet recht is voor Hem.
Maar vooral vervult ons diepe droefheid\', als lüij zien op die
Predikanten en Ouderlingen
, de rechtzinnige belijdenis toe-
gedaan
, en die, als leden van Classicaal en Provinciaal Kerk-
bestuur of Synodale Commissie als onderdrukkers U fegentreden,
die zich gronden en beroepen op menschelijke instellingen en
voorschriften, maar het ëod Gods toonen licht te achten.
Met U vereenigen wij ons in de gebeden , opdat de God
aller genade ook hen verlichte; opdat ook zij zich haasten
zouden weg te werpen het instrument , dat zij tegen U ver-
heffen ; het zal toch niet gelukken; want indien deze Uwe
zaak uit God is, en dat betwijfelen wij niet, zoo kunnen zij
dat niet breken.
De genade van onzen Heere Jezus Christus zij met U allen.
Aldus opgesteld in eene vergadering, gehouden te Arnhem,
op Vrijdag den 22sten jan, 1886 , en met eenparige stemmen
goedgekeurd."
Dit adres slaat met elk woord, ja met elke letter , Ds. Mar-
gadant in het aangezicht.
Hoe is het mogelijk, dat iemand die een jaar geleden het
bovenstaande verklaart, het nu bestaat om zijne broeders,
die zich met de Amsterdamsche broeders één gevoelen, te
vervolgen, ja zelfs als hun aanklager optreedt!
-ocr page 17-
IS
Het is schier ongeloofelijk.
Hoe gaat het woord in vervulling: „Wie zijne wegen ver-
keert, zal bekend worden." (Spr. 10: 9).
En nu weten wij zeer wel, dat de Synodale Commissie en
denkelijk ook het Provinciaal kerkbestuur van Zuid-Holland
er op aangedrongen heeft, om al dezulken provisioneel te
schorsen. die onder de verdenking stonden van het Kerkelijk
Congres te hebben bijgewoond. Maar sinds wanneer zijn de
Classicale Besturen tot zoo slaafsche gehoorzaamheid verplicht,
dat zij eiken wenk der Hoogere besturen dienen te volgen?
Het Classicaal bestuur van Zierikzee, voor het meerendeel
uit modernen bestaande, gaf onlangs een bewijs van goed ge-
drag aan Dr. Schot van Tholen, ofschoon hij geacht werd het
Amsterdamsen Congres te hebben bijgewoond. Niemand is
meer een strijder tegen de Synodale organisatie, dan juist mijn
vriend Schot. Dit weet het Classicaal bestuur van Zierikzee
zeer goed, want dit heeft door hem steeds handen vol werks
gehad. Doch deze moderne mannen hadden nog genoeg
gevoel van recht en van eerlijkheid, om den drang van
hoogere besturen te wederstaan; zij weigerden op een man,
die ter goeder naam en faam stond, een artikel toe te passen,
hetwelk in de reglementen geschreven staat, om lieden voor-
loopig te weren, die openbaar schandaal hebben gemaakt.
Ach , wat zijn wij toch diep gezonken, dat een man als
Ds. Margadant die Zondag 2 7 Februari van den kansel, dien
ik had behooren te betreden, afgaf op de „zoogenaamd
Gereformeerden", en die zich dus uitgeeft voor „echt Gere-
formeerd", dat deze met zijne medestanders beschaamd moet
gemaakt worden, wat eerlijkheid en goede trouw betreft,
door mannen die openlijk gebroken hebben met al de hoofd-
waarheden van ons ongetwijfeld Christelijk geloof.
Ga er een gebed op, dat de verblinde oogen mogen ge-
-ocr page 18-
i6
opend worden, door dien Heere uit den hemel, die het alleen
vermag.
Maar laat ons de schorsingsbul die mij naar huis werd
gezonden eens wat meer van nabij bezien. Zij luidt aldus:
„Gouda, 24 Februari 1887.
Hel Classicaal bestuur van Gouda, gelezen hebbende
eene missive van het Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-
Holland dd. 25 Januari 1887 n°. 20 en eene aanschrij-
ving van de Algemeene Synodale commissie der Neder-
landsche Hervormde Kerk dd. 4 Febr. 11. n". 842.
Gezien eene missive van het Classicaal Bestuur van
Amsterdam dd. 12 November 1886;
Kennis genomen hebbende van eene missive van het
Provinciaal Kerkbestuur van Zuid-Holland dd. 21 Februari
1887 nn. 163;
Overwegende dat het Gereformeerd Congres te Amster-
dam gehouden van 11 tot 14 Januari 11. door u is bij-
gewoond, hetwelk volgens bovengenoemde circulaire der
Algemeene Synodale Commissie dd. 4 Febr. 11. n°. 842 ,
op zich zelf reeds een vergrijp is van ergerlijken aard,
wegens de schriftelijke verklaring door iederen deelnemer
afgelegd, luidende: „de ondergeteekende verklaart, dat
ook hij de afwerping van het Synodale juk voor plicht-
matig houdt," van welke verklaring de kennelijke strek-
king is eene verbindtenis, om mede te werken aan de
verbreking van de organisatie der Nederlandsche Her-
vormde Kerk,
dat Gij voortdurend zoowel in eigen als ook in andere
gemeenten niet aflaat, door woord en daad in den geest
van genoemd Congres werkzaam te zijn,
«a,
-ocr page 19-
\'7
Gezien Art. 47 en 48 van het Reglement voor Kerkelijk
Opzicht en Tucht;
Verklaart deze bezwaren gegrond te hebben bevonden
en u schuldig aan pogingen tot verstoring van orde en
rust en tot omverwerping der wettige orde in de Neder-
landsche Hervormde Kerk.
Schorst mitsdien U, den Heer W. F. A. Winckel,
Predikant te Oudewater provisioneel en voor onbepaal-
den tijd in uwe kerkelijke bediening en beveelt dat van
deze uitspraak kennis zal worden gegeven aan den
Kerkeraad der Hervormde gemeente te Oudewater, aan
de Kerkvoogdij aldaar, aan den Burgemeester der ge-
meente Oudewater en aan het Provinciaal Kerkbestuur
van Zuid-Holland.
Gedaan in onze vergadering van 24 Februari 1887
te Gouda.
Het Classikaal bestuur van Gouda :
(w. g.) B. J. Swaan ,
Praeses.
J. W. Margadant,
Scriba.
Deze schorsing gaat in op heden Donderdag 24 Februari."
Dit stuk is merkwaardig, vooral als men opmerkt, dat het
Classicaal Bestuur het heeft bestaan , om nog te wijzen op
den brief van het Classicaal Bestuur van Amsterdam, waarbij
mij ten laste werd gelegd, dat ik te Amsterdam „in de
lokalen" gepredikt had. Dit was mij in der tijd bekend
gemaakt en ik nam daarom de vrijheid mijn ambtgenoot
daarover in tegenwoordigheid van kerkeraadsleden aan te
spreken. Ik merkte toen op, dat Dr. Vos blijkbaar meende
-ocr page 20-
iS
dat een Classicaal Bestuur bij machte was en recht had om
een Ned. Herv. predikant het prediken te \'beletten, in eene
gemeente waar andere Ned. Herv. leeraars voorgingen. Voorts
wees ik er op dat in de gemeente van Oudewater, de moderne
predikant Ternooy Apèl in de oude school bad gesproken
op aanzoek van de afd. Oudewater van den Ned. Prot. Bond
en noodigde nu ds. Margadant uit, als scriba van het Clas-
sicaal Bestuur, nota van die zaak te nemen, opdat het Clas-
sicaal Bestuur van Amsterdam, die andere besturen aanhitste
tot vervolging, de vervolging, niet van gereformeerde leeraars,
maar van een beslist modern predikant, zou kunnen beginnen.
Dat Dr. Vos c. s. daartoe kans zagen, bewees hun brief aan
\'t Classicaal Bestuur.
Doch het was tot een doove gezegd. De heer Ternooy
Apèl mocht wel hier zijn moderne leer komen verkondigen,
maar ik had te Amsterdam in de lokalen niet eene bijbellezing
behooren te houden!
En wat is er niet voor vergaderd en gestreden om zooge-
naamd orthodoxen in het Classicaal Bestuur van Gouda te
krijgen en de modernen en liberalen er uit te werken! Moest
men daarom zich zoo uitslooven, dat het zwaard dat men
dezen lieden in de hand gaf, moest gewet om gereformeerde
broeders te treffen?
Dan wordt vervolgens in dit stuk aangenomen, dat ik het
gereformeerd kerkelijk Congres heb bijgewoond, zonder dat
dit bewezen wordt.
Ook wordt, bij wijze van verzwarende omstandigheid, er
aan toegevoegd, dat ik „zoowel in eigen gemeente alsook in
andere gemeente niet afgelaten heb, door woord en daad in
den geest van het Congres werkzaam te zijn."
Hoe weet het Classicaal Bestuur, wat ik in eigen gemeente
gedaan heb? Zijn er klachten over mijne prediking ingeko-
\':■
-ocr page 21-
\'9
men? Indien dit het geval ware, zou het wel vermeld zijn.
Wat blijft anders over als aan te nemen dat ds. Margadant
mijn aanklager geweest is? Kon hij er eigenlijk wel goed
van op de hoogte zijn? De twee keeren, dat ik over den
kerkdijken toestand eenigzins uitvoerig gesproken heb, was
ds. Margadant niet onder mijn gehoor; het was op Oudejaars-
avond en den eersten Zondag in het Nieuwe jaar. Toen was
Ds. Margadant niet in de kerk. Wat hij daaromtrent weet,
heeft hij van hooren zeggen.
Ik wil echter wel bekennen dat ik er meermalen op wees,
dat wij als Kerkeraad misschien spoedig zouden komen te
staan voor de vraag wat te doen: het volgen van het men-
schelijk reglement of van Gods gebod. De oprichting van
den Protestanten-bond alhier maakt het ons onmogelijk, in-
dien we eenigzins naar Gods Woord wilden handelen, om
het toepassen van de tucht in zake de leer na te laten. Daaruit
moest een conflict ontstaan. Immers de Synodale Commissie
had het uitgesproken, dat de Ned. Herv. Kerk eene Volkskerk
zijn moest (men zie haren jongsten vermaanbrief), dat is eene
Kerk. waarin alle richtingen te samen moesten wonen; naast
den rooden modern met socialistische neigingen, moest de
Gereformeerde kunnen arbeiden. Daardoor werd het feit,
dat onze Gereformeerde kerken staan op den grondslag der
drie formulieren van eenigheid, geloochend en had elk Gere-
formeerd belijder, dien het eenigzins met zijne belijdenis ernst
is,
te wachten, dat hij, als hij niet vrijwillig onder het Syno-
dale juk meende te moeten uitgaan, door de Hoogere
besturen zou worden uitgeworpen.
Ik meende verplicht te zijn op dat dreigend conflict te
wijzen en tevens te vermanen, dat men handelen moest naar
de ordinantien Gods. Dit deed ik ook in andere gemeenten.
Het is waar, in de gemeente Wctarder sprak ik eenmaal
-ocr page 22-
20
dringender dan elders. Daar wees ik er op, hoe bijna elke
week door Kerkeraad en Gemeente gezondigd werd, doordat
men predikers op den kansel liet, die niet den vollen raad
Gods tot zaligheid verkondigden. Te Waddinxvcen in de
vacature predikende, heb ik er enkel, in eene leerrede over
de Oostersche wijzen, op gewezen, dat deze mannen eene
innige begeerte hadden om Jezus te zien en dat zij dien Jezus,
dien zij voor hun hart niet konden missen, niet te Jerusalem
in den prachtigen tempel, maar te Bethlehem in een stal
vonden. Was daaraan iets miszegd, al liet ik uitkomen dat
door de menschen, als Christus in een schuur verkondigd
werd en menschenvonden in een statig kerkgebouw, de
schuur moest worden gezocht? Te Gouda wees ik in
mijne laatste prediking in de groote kerk aldaar, op den
jammerlijken toestand onzer kerken, omdat mannen op wier
wandel en belijdenis niets te zeggen valt, van de kansels
werden geweerd, terwijl openbare Christus-verloochenaars
gehandhaafd bleven.
Heb ik in den geest van het Geref. Kerkel. Congres gehan
deld, dan was het toch ook volgens Gods Woord.
Waarheid is, dat ik het breken met de Synodale organisatie
niet aandurfde, tenzij mij dit geboden was, doordat de Hoogere
besturen den Kerkeraad en mij wilden dwingen, om iets te
doen tegen mijne conscientie. De verantwoordelijkheid voor
zulk een breken meende ik niet te mogen aanvaarden, vooral
met het oog op de armen dezer gemeente. Of ik hieraan
goed deed of kwaad, blijve in het midden, het was aldus.
Ik kan alle kerkeraadsleden tot getuigen roepen, dat ik nooit
anders gesproken heb. Als het mijn plan ware geweest om
tot afwerping van het Synodale juk, zonder bepaalde aan-
leiding, te geraken, had ik hen immers in de eerste plaats,
daartoe moeten zoeken over te halen?
-ocr page 23-
21
Waarin mijne daden moeten bestaan hebben, waardoor ik
tot verbreking van den Synodalen band zocht te bewegen,
verklaar ik niet te begrijpen. Men fluistert, dat ik met lijsten
zou hebben laten rondgaan, om de lieden tot afzwering van
de Synodale hiërarchie te bewegen; doch dit is bepaald onwaar.
Genoeg nu over de schorsingsbul. Alleen zij nog opge-
merkt, dat. de ouderling v. Baren en de diaken Hofland
enkel geschorst zijn wegens het vermoeden het Congres te
hebben bijgewoond.
-ocr page 24-
WEDERKEERIGE WAARSCHUWINGEN.
Ds. M. beweert, dat hij mij meer dan eenmaal gewaarschuwd
heeft voor hetgeen mij boven het hoofd hing.
Waarheid is, dat ik mij den iyden Februari des avonds naar
Ds. M. begaf om hem te vragen, of een gerucht waarheid
bevatte, dat ik vóór den volgenden Zondag door het Classicaal
bestuur zou worden geschorst. Ik wilde dit o. a. weten, omdat ik
dan mijne maatregelen wilde nemen voor den dienst. Ds. M.
zeide mij toen , dat dit gerucht onwaar was, doch dat, indien
ik bleef voortgaan op den ingeslagen weg, eene schorsing niet
zou kunnen uitblijven. Hij bedoelde met den ingeslagen weg:
het weigeren van de bediening van het H. Avondmaal. Ik
antwoordde, dat ik niet gezegd had het Avondmaal niet te willen
houden, doch het voorloopig gewenscht had uit te stellen.
Wederom kwam het gesprek op het uitoefenen van leertucht,
terwijl mij door Ds. M. werd verweten, dat ik niet gedaan
had gelijk in eene vorige Kerkeraadsvergadering afgesproken
was, n.1. een deel der gemeente bezoeken en daarvan de
uitkomst mede te deelen aan de Kerkeraadsvergadering. Ds. M.
merkte nog op, dat er zooveel ergernissen waren in zake
het leven van sommige gemeentenaren, dat men daarmede
maar allereerst beginnen moest. Ik erkende de betrekkelijke
-ocr page 25-
*3
waarheid van deze opmerking en ging met het oog daarop aan
den arbeid, om tegen de aanstaande Kerkeraadsvergadering
mijne bevindingen in gezinnen waarin of in leer of in wandel
van Gods Woord kennelijk was afgeweken, verslag te doen.
Mijn plan was dan de door mij bezochte huisgezinnen bij
Kerkeraadsbesluit officieel door een predikant en een ouderling
te doen bezoeken, om dan eindelijk als herhaalde vriendelijke
vermaning niet helpen mocht, tot censuur over te gaan. Bij
vele menschen ben ik toen aan huis geweest, en nog was
ik voornemens Vrijdag vóór de voorgenomen Kerkeraadsver-
gadering enkele anderen te bezoeken ; doch mijne provisioneele
schorsing op Donderdagavond gaf andere beslommeringen.
Zou ik die bezoeken afgelegd hebben, indien Ds. M. anders
tot mij gesproken had?
Wat had ik sedert ons gesprek uitgericht, dat men mij
rijp beschouwde voor eene provisioneele schorsing?
Ik weet het niet.
Misschien had mijne prediking op Zondagavond 27 Februari
te Gouda, in de ooren der Classicale Heeren, niet aangenaam
geklonken; wellicht was de echo er van hen niet welgevallig.
Toch had ik volstrekt niet aangedrongen op verbreking van
het Synodaal verband.
Maar keeren wij tot de zaak terug.
Ds. M. had mij gewaarschuwd. Ik deed het hem ook.
Ik wees hem er op dat zijne positie vooral niet minder dan
de mijne zoude schade lijden, indien hij in geval van conflict
niet aan mijne zijde zoude staan. Ik trachtte hem er op te
wijzen hoe hij, in geval een burgerlijk proces mocht uitvallen
ten gunste van de Gereformeerden, het wel gebeuren kon,
dat hij de meest schadelijdende partij was.
„Denk om uwe vrouw en uwe kindertjes" werd mij
toegeroepen.
-ocr page 26-
24
Ik antwoordde, dat als ik in mijne conscientie gevoelde
zoo te moeten handelen, dat eene afzetting daarvan het
gevolg konde zijn, ik van die gedragslijn niet mocht afwijken
ter wille van mijn gezin, al was het ook, dat het belang van
de mijnen mij zwaar woog.
Ik was het woord indachtig van den Heere Jezus: „Die
vader of moeder lief heeft boven mij, is mijns niet waardig."
Een tijd lang had ik gehoopt, dat Ds. M. met mij zou
kunnen meegaan. Ik schreef dit zelfs eenmaal aan Dr. Kuijper.
Doch na dit gesprek, moest ik die hoop laten varen.
Dit deed mij leed om zijnentwil, ook om der wille van
de gemeente en hare armen en van zijn gezin.
„Die in het vleesch zaait, zal uit het vleesch verderfenis
maaien."
-ocr page 27-
DE HANDDRUK VAN Ds. MARGADANT.
Donderdag 24 Februari begaf ik mij naar gewoonte, met
den tram naar Haastrecht, om daar in het Evangelisatie
gebouw te catechiseeren. Toen mijn arbeid afgeloopen was,
stapte ik te half vijf op, omdat mijn gastheer van huis was,
en ik liefst geen uur op de aankomst van den tram wilde
wachten. Dit was de oorzaak dat ik alleen in de laatste
sectie mede reed. Omdat het in den wagen vrij vol was,
bleef ik voor die weinige minuien buiten staan. Voor de
brug ging Ds. Margadant er uit en sprak tot mij: „zoo
ben je ook meegekomen" en stak mij de hand toe. Geen
reden hebbende die te weigeren, gaf ik de mijne.
En toen had hij reeds de schorsingsbul in zijn zak.\'
Ik weet, dat Ds. M. beweert, dat ik hem het eerst de
hand toestak, en dat hij die niet kon weigeren. Ik kan mij
dit niet herinneren. Dit weet ik , dat hij met een vriendelijk
gelaat mij het eerste toesprak. Mij dunkt ik zie hem voor
mij, den tram afgaande en mij de hand toestekende. Maar
ik zou dit laatste niet durven verzekeren. Doch moest hij
mij toespreken en mij de hand bieden of de mijne aan-
nemen, als hij pas in het Classicaal Bestuur verklaard
-ocr page 28-
26
had, dat er een gegrond geruchtmakend bezwaar tegen mij
bestond, van ergerlijken aard?
Uit de gesprekken, die ik te voren met Ds. M. gehouden
had, kwam het uit, dat hij mij zoo goed als broodeloos
achtte, wanneer ik buiten de Synodale organisatie kwam te
staan. Hij moest dus mijne handelingen al Teer ergerlijk
bevonden hebben en de geruchten zeer bezwarend, om mede
te werken, om mij met mijn gezin, aan gebrek over te
geven.
En dan toch.....maar wij gaan niet verder. De lezer
vuile het zelf aan. Dit staat vast: of Ds. Margadant han-
delde als kerkelijk rechter valsch, of hij gaf valschelijk de
broederhand. Een derde is niet mogelijk.
Ach, de Synodale organisatie heeft reeds zoovele karakters
bedorven!
Was het niet opmerkelijk, dat ik des Vrijdagsavonds na
mijne schorsing Psalm 43 met mijn gezin las, welke in de
volgorde was ? Deze Psalm vangt aan met de woorden:
„Doe mij recht o God, en twist mijne twistzaak; bevrijd
■mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs
en des onrechts."
-ocr page 29-
VOOR DE CLASSICALE HEEREN.
Donderdag des avonds ten 9 ure gewerd mij de schorsings-
bul, met bijgeleidend schrijven, meldende dat eene Commissie
uit het Clas. Bestuur, bestaande uit den predikant Hulscher
van Reeuvvijk en de Heer van der Zwalm oud-Ouderling te
Gouda, des Vrijdags ten elf ure in de consistoriekamer
zou zitting houden, terwijl ik uitgenoodigd werd voor
die commissie te verschijnen, ,,tot het beantwoorden van
eenige vragen betreffende de op mij toegepaste voorloopige
schorsing."
Dit stuk scheen wel met eenige haast door Ds. Swaan te
zijn gesteld, want er werd in ondersteld dat ik als Diaken
der Ned. Herv. Gem. te Oudewater was geschorst.
Doch hier kunnen we thans over heen stappen.
Te elf ure liet de koster mij in onze consistorie. Ik werd
wel eenigzinds gedwongen maar toch niet onvriendelijk begroet,
en plaatste mij op den aangewezen stoel. De Voorzitter der
commissie Ds. Hulscher begon met te zeggen, dat het Clas-
sicaal bestuur van Gouda uit medelijden voor mijn persoon,
eene poging wenschte aan te wenden. om mij te bewegen
de verklaring die ik heette afgelegd te hebben op het Geref.
-ocr page 30-
28
Congres te herroepen, en de plechtige belofte te doen, dat
ik voortaan alleen pogingen tot reformatie der Kerk in het
werk zou stellen , in den reglementairen weg.
Ik antwoordde, of de heeren ook medelijden zouden gehad
hebben met den apostel Petrus, toen hij voor den Joodschen
raad sprak: „Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan
de mensehen f"
Ik meende dat dit antwoord juist was. Gods woord ge-
biedt tot hanteeren van de Sleutelen des Hemelrijks, niet
alleen ten opzichte van leden der gemeente, die een ergerlijk
leven leiden, maar ook van hen, die eene goddelooze leer
drijven. De reglementen gedoogen dit niet. Te beloven,
dat ik niet zoude willen medea\'\'beiden om tucht uit te
oefenen over de leer der gemeenteleden, zou ongehoorzaamheid
zijn aan den Koning der kerk. Ik weigerde ten slotte het
mij voorgelegde stuk te teekenen.
Vervolgens wilde ik iets over de overwegingen , die tot
mijne voorloopige schorsing geleid hadden, zeggen, en begon
daartoe met op te merken wat ik reeds in dit geschrift over
mijn prediken te Amsterdam en het voorgaan van Ds. Ternooy
Apèl alhier mededeelde. De Heer van der Zwalm voegde
mij toen toe: „met die praatjes hebben wij hier niets te maken."
Deze hoogst onwelvoeglijke uitdrukking griefde mij zeer.
De Heer van der Zwalm kon toch als Gouwenaar weten, dat
ik niet in een stand ben geboren en opgevoed, waarin men
minder lel op de uitdrukkingen, welke men te hooren krijgt
Maar al ware dit niet het geval, hij had toch in mij het
ambt te eeren, dat ik, ook volgens de Synodale organisatie,
nog altijd draag. •
Ik was dan ook zoo vrij dit hem onder het oog te brengen,
en ik moet zeggen dat ik verder geen krenkende uitdrukkingen
in den loop van het gesprek dat zich daarna ontspon,
-ocr page 31-
29
meer van dien afgevaardigde van het Classicaal Bestuur
gehoord heb.
Wel beweerde hij nog later, dat de Gereformeerde be-
weging alleen op touw gezet was, om de studenten van de
Vrije Universiteit in de kerk te krijgen. Ik antwoordde dat
de houding van Ds. Felix van Utrecht, president-Curator
der Vrije Universiteit, niet voor zijne opvatting pleitte, daar
deze immers de tegenwoordige beweging niet begunstigde.
„Maar, onderstel dat u gelijk heeft. Is het dan zulk eene misdaad
dat men in Gereformeerde kerken, jongelieden zoekt te
brengen, die in de Gereformeerde leer zijn onderwezen ?"
zoo zeide ik.
Ook verklaarde ik niet van voornemen geweest te zijn,
het Synodaal verband te verbreken, indien mij dit niet nood-
zaakte tegen Gods woord te handelen.
De heer van der Zwalm voegde mij toen toe, dat ik toch
vrij was om in de Ned. Herv. Kerk het Woord te ver-
kondigen gelijk ik wilde.
Mijn antwoord luidde, dat er in den Heidelberger Cate-
chismus ook een Zondag te vinden is over de sleutelen
des Hemelrijks, en een artikel in onze Ned. geloofsbelijdenis
over het Koningschap van Christus. Het staat ons wel vrij
daarover te spreken, maar niet er naar te handelen.
Ik werd nog gedrongen deze beide heeren hunne groote
verantwoordelijkheid onder de oogen te brengen, die zij op
zich geladen hadden, door aan mijne schorsing mede te
werken, waardoor zij de gemeente van Oudewater hadden
helpen verscheuren; ook wees ik hen op de rekenschap, die
zij van hunne daad eenmaal zouden moeten afleggen voor
den rechterstoel Gods.
Het werd mij duidelijk, dat ds. Margadant mij voor het
Classicaal Bestuur ook had aangeklaagd, dat ik eenige weken
-ocr page 32-
geleden verklaard had, voorloopig het H. Avondmaal niet
te kunnen bedienen , met het oog op den treurigen kerkdijken
toestand in deze gemeente. Immers geen aanklacht is van
uit de gemeente daarover ingediend, anders zou men op
mijne uitnoodiging van den kansel, om mij daarover te
komen spreken, indien men mijn besluit niet goed vond, wel
tot mij gekomen zijn. Dit merkte ik ook eenmaal mijn
collega op, die toen antwoordde: ,,de menschen missen het
Avondmaal helaas niet."
Zoo kwam van het eene woord het andere. Nog een deel
van het met de Classicale heeren gevoerde gesprek, wil ik
ten slotte mededeelen, omdat dit een eigenaardig licht werpt
op de houding van ds. Margadant.
In de kerkeraadsvergadering, waarin ik verklaarde bezwaar
te hebben tegen het vieren van het Avondmaal, zonder cen-
suur te kunnen houden naar Gods woord, welke vergadering
tot bij 12 ure duurde, heb ik er op gewezen, dat zoo we
in het doen van hetgeen Gods woord eischt door de Hoogere
Besturen mochten bemoeilijkt worden, we dan genoodzaakt
zouden zijn, om met de Synodale organisatie te breken.
Ds. Margadant verklaarde toen, dat hij daarin wel zou willen
medegaan, wanneer de gemeente maar meer één was. Hiervan
zijn al de toen vergaderde ouderlingen en diakenen getuigen.
Ik antwoordde, dat de gemeente dan één zoude worden, als
Ds. Margadant deed gelijk wij begeerden en dat men alge-
meen een leeraar zou achten, die toonde, zooveel voor zijne
beginselen op het spel te durven zetten. Dit werd nog door
een kerkeraadslid nader aangedrongen.
Dat alles verhaalde ik aan de Classicale Heeren, om hun
te doen verstaan, dat ik gemeend had niet te zullen ver-
volgd worden door een bestuur, welks Scriba zich in dien
geest had uitgelaten.
-ocr page 33-
3\'
Inmiddels was drie kwartier uurs verstreken, en ik verliet
de vergadering.
In een volgend geschrift hopen wij den verderen loop
der gebeurtenissen te beschrijven. Het publiek en de gemeente
kan dan met kennis van zaken oordeelen. Ten slotte zal
men moeten zeggen, de houding van het Clas. Bestuur en
zijn Scriba, is eenig in zijn soort.
-ocr page 34-
UBS
Utrechts
Bibliotheek
Systeem
Rijksuniversiteit
Utrecht
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
barcode
A06000030744688B
3074 468 8
*7