-ocr page 1-
:
-ocr page 2-
-ocr page 3-
BIBLIOTHEEK # )f»
DE LAATSTE DAGEN VAN DE HEERSCHAPPIJ DER
ROOMSCH-KATHOLIEKE KERK,
DOOI!
Dr. J. REITSMA.
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
-
..
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
�06000022042216B
2204 2216
-ocr page 5-
\' wt 6 \\ ü G
DE UAT8TE DAGEN VAN DE HEERSCHAPPIJ DER
ROOMSCH-KATHOLIEKE KERK.
                                                      DOOR
Dr. J. Reitsma.
De kerkelijke en godsdienstige toestand van dit gewest was in vele
opzichten zeer onderscheiden van dien in andere gedeelten van ons
vaderland. De oorzaken hiervan liggen in een eigenaardig verleden.
Voor het oog onzer verbeelding moet daartoe op een der fraaie plei-
nen van deze stad het standbeeld of althans een monument verrijzen
ter dankbare gedachtenis aan een der meest bekende Groningers,
aan een man, reeds bij zijn leven in de gansche geleerde wereld van
Europa vereerd, beschermd niet slechts door den vorstelijken opper-
herder van het Utrechtsche bisdom maar ook gehuldigd in de hoogste
kringen der Roomsche kerk, zelfs door pausen en kardinalen, alleen
in de wereld der Dominikanen met wantrouwen gadegeslagen, een
toongever op het gebied van wetenschap en scherpzinnig denken, die
zoowel „meester in het wederleggen" als „licht der wereld" verdiende te
heeten. Deze man was Wessel Gansfoort, een van die groote geesten,
welke hun stempel drukken op de eeuw, waarin zij leven, en de
richting aanwijzen, waarin twee, drie geslachten van denkende en
onderzoekende mannen na hen zich zullen voortbewegen. Terwijl
Rotterdam de grootste vermaardheid, die daar het levenslicht aan-
schouwde, slechts in een nu reeds driemaal herschapen standbeeld
tot inwoner heeft kunnen krijgen, heeft Groningen zich het voorrecht
te herinneren, dat zijn meest beroemde burger meermalen binnen
deze muren vertoefde, de laatste jaren van zijn leven hier doorbracht
en eindelijk in vrede ontslapen is in zijn vaderstad.
Het verblijf van den gevierden man, mentor van Reuchlin en Agri-
cola, heeft in zijn geboorteland duurzamen invloed gehad op de
vorming van vele geesten en op de kerkelijke geschiedenis van het
-ocr page 6-
140
noorden (les lands, in \'t bijzonder van Groningen en omstreken. Tot
de school van Gansfoort behoorden nagenoeg allen, die in de stad
en op het land den toon aangaven voor kerk en staat. Zijn inzichten
en beginselen leefden voort bij de geleerden, onder welker invloed de
Maartensschool haar hoogsten bloei bereikte en wel een halve eeuw
lang een uitstekende kweekplaats van letterkundige en theologische
beschaving geweest is. Vooral Praedinius, doch ook reeds zijn voor-
ganger Lesdorp en zijn opvolger Sasschers, hebben als scholarchen in
een groot aantal leerlingen hun denkbeelden overgeplant. Ook de
scholen van Aduard, door de met Gansfoort bevriende abten in zijn
geest hervormd, voorts de Broederschap des Gemeenen Levens, inzon-
derheid in de dagen van den overste Gosewinus van Halen, den
vereerder van Gansfoort, werkten daartoe mede. Aan dat verbeterde
en verlichte onderwijs hadden Stad en Lande die breede opeenvolgende
rij van waardige en weldenkende geestelijken te danken, die de kerk
door gewenschte hervorming in eere trachtten te houden. Bij deze
invloedrijke priesters, in \'t begin der zestiende eeuw door den mach-
tigen persona personatus der hoofdkerk Willem Frederiks geleid, sloten
zich de machthebbers op wereldlijk gebied aan: vele edelen, de
magistraatspersonen van deze rijke en bloeiende stad, de kern der
burgerij, in kerk en school door hen gevormd. Bovendien werkten de
abten en monniken der aanzienlijkste kloosters en ook de priesters in
de groote kerspelen naar hun beste krachten mede.
Zoo plantte de vrije denkwijze van Gansfoort, bij wiens geestver-
wanten het humanisme van Erasmus warme vereerders vond, zich
voort van \'t cene geslacht op het volgende. Zij hadden als bij traditie
een geest ingedronken van bezadigden ernst, \'t Waren welmecnende,
voorzichtige mannen, even afkcerig van kettersch sectewezen als van
kerkbestormende daden, vervuld met het heilige voornemen om de
door hen diep betreurde misbruiken, bijgeloovigheden, gebreken in
kerkleer, leven en eeredienst van lieverlede kerkelijk te verbeteren.
Zij achtten niets bedenkelijker dan de onberadene menigte in beweging
te zetten. Zelf de leidsels in vaste hand houdende, begrepen zij het
meeste nut te kunnen aanbrengen door als vroede en ervarene voor-
gangers de oogen des volks langzaam ook aan het licht, dat zij bezaten,
te gewennen. Vrijzinnig genoeg om hun twijfel niet te verbergen
omtrent veel, dat zij voor dwaling en verouderd bijgeloof hielden,
waren zij aan den anderen kant overtuigd, dat de kerk, meegaande
-ocr page 7-
141
met den geest des tijds en inwendig van lieverlede van het onnoodige
en onchristelijke gezuiverd, nog door haar oud gezag een gezegenden
invloed kon uitoefenen. Door haar geheel prijs te geven zou, vreesden
zij, met die kerk veel goeds onherroepelijk verloren gaan. Hun streven
was derhalve om op den grondslag des heiligen evangelies den staat
van oorspronkelijke christelijke rechtheid te doen herleven, die de
kerk naar hun voorstelling in den goeden ouden tijd der groote kerk-
vaders had beleefd. Doch al achtten zij een geweldige verbreking van
uiterlijke gemeenschap met het pausdom onnoodig en zelf bedenkelijk,
zij werden bij heftige Roomschen reeds met wantrouwen beoordeeld
als mannen, die achter de omtuining van kerkelijke vormen in
hun hart niet weinig met ketterijen en kwade leeringen besmet
waren. Niettemin stonden zij veilig en sterk op hun standpunt van
hervorming der kerk in en door de kerk zelf, een beginsel dat toen
nog in zijn volle recht van medespreken werd erkend.
Groningen genoot in hoogere mate dan andere oorden van het rijk
van Karel V het voorrecht, dat de kern der ingezetenen, de regeerende
geslachten, de geleerden en het meerendeel der priesters bereid waren
en bleven om aan dit streven steun en medewerking te verleenen. Uit
dit verschijnsel, dat tot in de tweede helft der zestiende eeuw hier
de samenleving kenmerkte, kan het regelmatig rustige beloop van de
ontwikkeling der denkbeelden op kerkelijk en godsdienstig gebied in
dit gewest worden verklaard. Die toestand wordt geteekend door het
merkwaardige godgeleerde dispuut, dat in 1523 onder voorzitting van
magister Frederiks met de Groninger Dominikanen in hun klooster
is gehouden; door de niet lang daarna ingevoerde kerkorde in zes
artikelen, die het beste bewijs leveren van den Katholiek verlichten,
bezadigden geest bij de Groninger priesterschap en overheid; door
het niet erkennen, althans niet afkondigen van de besluiten van het
concilie van Trente en het verzet tegen de invoering van het bisdom
Groningen; door de opmerkelijke omstandigheid, dat dit gewest voor
inquisitie zoo geheel gesloten is gebleven, dat er geen spoor van een
geestelijk gericht over geloofszaken ontdekt kan worden; eindelijk
ook door den betrekkelijk langzamen en geringen voortgang van de
Protestantsche hervorming, waaraan bij zulk een ruimere opvatting
geen behoefte bestond.
Zoo beleefde de oude kerk hier in vergelijking met andere gewesten
vreedzame dagen en scheen in een tijdperk van overgang tot veel goeds
-ocr page 8-
142
te verkeeren. Haar macht was nog groot, haar bezittingen waren
aanzienlijk. Groote kerkgebouwen, inwendig niet schoone gestoelten,
beelden en schilderwerk versierd, met zware torens voorzien, verhieven
zich in alle dorpen, zelfs gehuchten, te midden van de weelderige lan-
derijen, waaruit de priesters rijke inkomsten genoten. Ruim vijfentwintig
abdijen en kloosters van verschillende orden lagen over deze provincie
verspreid en trokken nog de vruchten van een welvaart, waartoe zij
door den aanleg van kanalen, dijken en verbindingswegen, door ver-
betering van landbouw en veestapel den grond hadden gelegd. Aduard
vooral en ook Wittewierum waren de rijkste en meest geëerde dezer
overoude stichtingen. Zelfs kloosters, die in den boozen „Sassentijd"
verarmd en verminkt waren, herleefden vooral onder den scepter van
Karel V van de doorgestane ellende en schade. Boven de muren der
stad waren reeds van verre zichtbaar de torens van drie groote kerken.
Het meest eerwaardige gebouw toen reeds was de Walburgskerk, die
misschien dagteekent uit den lateren Karolingischen tijd en oorspron-
kelijk de kapel was van het hof van den prefect. De jongste was de
kerk van O. L. Vrouw ter A, gesticht in de eerste helft van de
dertiende eeuw, al spoedig daarna van kapel tot den rang van parochie-
kerk verheven. Naast de St. Walburg was in de twaalfde eeuw de
Martinikerk verrezen, die weldra de hoofdkerk werd van de zicli snel
ontwikkelende stad.
Bovendien hadden in Groningen ook nog de kloosters, de gasthui-
zen en de Broeders des Gemeenen Levens hun kerk of bedehuis. Aan
de dienst in de beide parochiekerken en de St. Walburg waren in
dezen tijd nog meer dan twintig geestelijken verbonden. De voor-
naamste pastoor van St. Martinus voerde den titel van persona perso-
nahis,
een waardigheid die vooral door de bemoeiingen van mag.
Frederiks eene hooge beteekenis heeft gekregen. Sinds overoude tijden
oefenden in Groningen de kerspelen en de regeering het recht uit van
verkiezing van hun eigene priesters. Aan het laatste overblijfsel van
bisschoppelijk gezag kwam een einde door twee pauselijke besluiten,
het laatste van Adriaan VI in 1522, waarbij alle kerkelijke macht
gelegd werd in handen van de drie voornaamste geestelijken: de twee
pastoors der Martinikerk en den persona van de Akerk. Het streven
van Frederiks was om het ressort, waar hij door het personaat als hoofd
der geestelijkheid het geheele kerkelijke oppertoezicht uitoefende en
waartoe ook nog zeven naburige dorpen behoorden, te ontrukken aan
-ocr page 9-
143
eiken invloed en inmenging van buiten. De persona en zijn beide
ambtgenooten kregen daardoor een nagenoeg geheel onafhankelijke
positie. Ook wist Frederiks van den ^aus machtiging te krijgen voor een
nieuw reglement ter benoeming van den persona personatus. Die keuze
werd toen overgegeven aan de drie oudste geestelijken en twee oudste
burgemeesters, en moest bij voorkeur gedaan worden uit de Groninger
priesters, die den graad van doctor of althans magister bezaten. Zulke
usantiën waren in hooge mate bevorderlijk tot verheffing van de macht
en kerkelijke zelfstandigheid van den clerus in deze vrije stad. Telde
Groningen onder zijn priesters velen, die een sieraad waren voor hun
ambt, zeer opmerkelijk is de omstandigheid, dat de pastoors der
Martinikerk, die elkander sedert den grooten persona opvolgden,
mannen waren van min of meer verlichte denkwijze. Van 1559 af
tot aan zijn dood werd deze hooge waardigheid bekleed door den
geleerden Stephanus Sylvius, die in Friesland de onheilspellende
aandacht van den inquisiteur Lindanus trok en in Groningen ijverig
de regeering en ingezetenen steunde in hun verzet tegen de dreigende
maatregelen van het Brusselsche hof. En moge zijn ambtgenoot Eeltz,
vervolgens hoofdpastoor, door latere gebeurtenissen meer behoudend
en gehoorzaam Katholiek geworden zijn, in zijn eersten tijd was hij
evenals zijn voorgangers en werd van hem te Brussel aangebracht,
„dat die voirsz. pastoor van nyen opinien is, dan anders niet en
suecket dan de oelde Catholice ende Rhoemsche religy te veranderen,
gelick hy voir sulcken van alle guede kerstenluyden, kennenisse van
hem hebbende, is geholden ende reputijrt" \'). Geen wonder deze
slechte reputatie, want in overleg met zulk een persona had de
\') Uit een stuk in het rijksarchief te Groningen, zie Register 15(15, no. 11. —
De stof voor deze studie moest worden ontleend aan vele verstrooide en ten deele
niet gedrukte bescheiden. Een groot aantal bijzonderheden leverden de m. s. regis-
ters, waarin de secretaris Alting aanteekening heeft gehouden van bestuurshande-
lingen, raadsbesluiten en belangrijke gebeurtenissen van den dag, ook aanwezig in
het rijksarchief alhier, onder het opschrift «Rechterlijke archieven." Het vierde
deel der Opera Diplom. van Miiaeus bevat verscheidene stukken betreflende het
Groninger bisdom eu de onderhandelingen mot de Jezuieten: Arnoldus Nijlen had
een groote menigte van die documenten bij zijn vertrek uit Groningen naar liius-
sel medegenomen. Verder is hierbij gebruik gemaakt van de belangrijke verzameling
bescheiden, door A. van Lommei uitgegeven in het Arch. voor de gesch. van liet
aartsb. Utrecht dl. XIV en XV, van eenige kronieken eu journalen uit dien tijd,
een rapport van pater de Zelander in 1502 over den staat van de Jezuieten-collegies
in de Nederlanden, afzonderlijke stukken in het rijksarchief te Groningen, e. d.
-ocr page 10-
144
Groninger magistraat in 1560 verlof gegeven tot openbare Hervormde
prediking in het gehucht Helpman: een maatregel, die evenwel ook
van wijze voorzichtigheid getuigt, omdat daardoor de rust in de stad
werd hewaard en de stroom der hervorm ingsgezinden naar buiten
geleid. Op die wijze werden vele moeielijkheden voorkomen.
Zulke gematigde beginselen voerden in de kerk en onder de burgerij
van Groningen den boventoon tot in de tweede helft der zestiende
eeuw. De vooruitstrevende neiging bereikte haar toppunt in den tijd
van Sylvius en Eeltz; daarna heerschte sterker weer de geest van be-
houd ten aanzien van het rechte geloof, ten aanzien ook van het
bestaande kerkwezen. Een overzicht van dezen eigenaardigen toestand
als inleiding op de geschiedenis van het kortstondige Groninger epis-
copaat is noodig zoowel om de groote verandering te doen gevoelen,
daardoor teweeg gebracht, als ook om verschijnselen te kunnen ver-
klaren, die zelfs onder bisschoppelijk bestuur de nawerking vertoonen
van de voormalige beginselen van kerkelijke organisatie. Hiërarchie
in Roomschen zin, die geen ruimere opvatting kan gedoogen en strikte
eerbiediging van haar absoluut gezag eischt, was hier in dezen tijd
niet bekend. Maar nu naderde eindelijk toch die macht, belichaamd
in den persoon van een bisschop in vol ornaat, met al het overwicht van
zijn rang en de hem door kerk en staatsmacht verleende autoriteit.
Wel was reeds voor vele jaren te Trente het algemeene concilie
bijeengeroepen, en door zijn decreten zou werkelijk ongemeene en
nieuwe kracht aan het systeem en de organisatie der kerk worden
bijgezet. Maar dat alles was nog in staat van wording: allerlei oor-
zaken brachten daar telkens oponthoud, zelfs herhaalde en langdurige
staking der samenkomsten teweeg. De toestand van ordeloosheid en
verval, waarin de Roomsche kerk dezer gewesten verzonken was, had
intusschen dringende behoefte aan verbetering. Om daartoe te geraken
stond den heer des lands één weg open: een nieuwe kerkelijke
indeeling der Nederlanden, waardoor meteen ook een einde kwam
aan het geestelijk gezag van buitenlandsche en niet aan den koning
onderdanige kerkvorsten. Dit was een maatregel van gebiedende
noodzakelijkheid. Eindelijk bracht Sonnius aan den koning de pause-
lijke goedkeuring van het reeds lang gekoesterde plan. Doch de
instelling zelf was in zoo hooge mate impopulair, dat aan de uitvoe-
ring niet kon worden gedaan, voordat Spaansche troepen en het zwaard
-ocr page 11-
145
van den ongenadigen wreker van Heiligerlee daaraan den vereischten
nadruk kwamen bijzetten. Door de oprichting van het bisdom Gro-
ningcn onderging evenals elders de kerkelijke toestand van dit gewest
een geheele omkeering. Van den veraf zetelenden bisschop van Mun-
ster en zijn officiaal, van de inheemsche dekenschappen was in het
pauselijk besluit langer geen sprake. Evenmin van den bisschop van
Osnabrück, tot wiens jurisdictie een kleiner gedeelte dezer provincie
had behoord. Want onder den kromstaf van Groningen, dat een
der vijf diocesen was van het aartsbisdom Utrecht, zouden benevens stad
en Ommelanden ook de heerlijkheid Wedde (Westerwolde) en Drente
worden gebracht. Alzoo was dit nauwkeurig bepaald in de pauselijke
bullen van Paulus IV, 1559, en van PiusIV, 1561. In het eerste stuk
wordt de nadere aanwijzing omtrent de traktementen der bisschoppen
aan den nuntius opgedragen: tot zoolang zou een deel daarvan door
den koning uit \'s lands kas worden uitbetaald. Vandaar beweerde op
nijdigen toon de kroniekschrijver van Aduard, dat de Groninger bis-
schop jaarlijks ook nog tweeduizend dukaten inkomen uit de konink-
lijke schatkist ontving. Die toorn werd opgewekt, toen de tweede bul
omtrent dit inkomen met een heel andere schikking voor den dag
kwam. Want daarin gelastte de Paus, dat de bisschop als tafelgocderen
alle inkomsten der abdij Aduard zou genieten onder dien verstande,
dat de waardigheid en titel van abt bij overlijden of abdicatie van den
thans fungeerenden prelaat zouden vervallen, zoodat voortaan alle
daaraan verbondene rechten aan den bisschop toekwamen. Hem werden
tevens ook alle patronaten, die de prelaat van Aduard over onderhoo-
rige kloosters en kerken had uitgeoefend, overgedragen. Het klooster
zelf mocht wel in stand blijven, maar de monniken moesten in \'t ver-
volg den bisschop, even alsof hij hun abt ware en tot hun orde behoorde,
gehoorzamen en den prior of proost, dien hij zou aanstellen, erkennen.
De volle inkomsten der machtige abdij waren door Sonnius, die deze
schikkingen ontworpen had, op achtduizend dukaten jaarlijks geschat.
Met de komst van een bisschop kreeg de hoofdkerk van Groningen
den rang van een kathedraal en zou daaraan een kapittel van tien
kanunniken verbonden worden, negen buiten den bisschop, wienook
een prebende toekwam. Voor het onderhoud van het nieuwe dom-
kapittel werden de kloostergoederen van de Oostfriesche Regulieren
van Esens en de Premonstratcnsers van Wittewierum bestemd. Beide
stichtingen zouden geheel opgeheven worden, want Esens was „door
10
-ocr page 12-
146
de boosheid der ketters" reeds volkomen vernield, en in het aloude
Floridus Hortus te Wittewierum waren slechts drie of vier monniken
over, die bovendien den regel hunner orde niet meer genoegzaam
onderhielden. Als zij het verlangden, wilde de Paus hen wel van hun
kloostergelofte ontslaan om een gewoon priesterambt te kunnen waar-
nemen. De abt en wie der kloosterlingen verder onder de termen
viel, konden desverkiezende een aanstelling in het domkapittel be-
komen. Doch ze mochten ook in een ander klooster van hun orde
gaan onder levenslang genot van een behoorlijke jaarwedde uit de
goederen der opgehevene abdij.
De negen kapittelheeren moesten den graad van doctor of licentiaat
in de theologie of het kanonieke recht bezitten. Minstens drie hunner
moesten tot de adellijke geslachten van dit gewest bchooren. Een der
kanunniken zou door den bisschop tot aartsdeken, een ander tot
penitentiaris van het bisdom en een tot aartspriester van de stad
worden benoemd. Ook de beide pastoors van de hoofdkerk, die toch
reeds den vereischten graad bezaten, werden in het kapittel opgenomen.
Al wie tegen den inhoud van dit pauselijk bevel zou handelen, „die
weete, dat hy de gramschap van den Almagtigen Godt en van Zijne
heilige Apostelen Petrus en Paulus op zijnen hals zal haaien."
Tot bisschop van Groningen benoemde de koning den Franciskaan
Johannes Knijff. Nadat de pauselijke goedkeuring verkregen was, kon
hij door kardinaal Granvelle in September 1563 te Brussel worden
gemijterd. Hij behoorde tot een deftig geslacht te Utrecht, had zich
na zijn studie te Leuven in de orde der Minderbroeders laten opnemen,
was reeds meermalen gardiaan, eenmaal zelfs provinciaal zijner orde
geweest. Doch het moest lang duren, voordat hij zijn post in Groningen
kon aanvaarden. Het hof te Brussel was in de eerstvolgende jaren
niet bij machte om het verzet tegen dezen maatregel te breken en
moest dus met veel beleid te werk gaan. De elect van Groningen
kreeg echter gelegenheid om zich in kerkelijke zaken ijverig voor te
bereiden. Dadelijk na zijn wijding werd hij door den aartsbisschop
tot suffragaan aangesteld en al spoedig kreeg hij tevens het ambt van
vicaris-generaal in pontificalibus te vervullen. In beide hoedanigheden
vond hij zijn taak in alle deelen van het aartsbisdom. De stadhouder
Arernbcr^ moest hern op uitdrukkclijken last van de Landvoogdes daarbij
steun verleenen in die gewesten van zijn gouvernement, die kerkelijk
onder Utrecht behoorden. De leeftijd en ziekelijkheid van den aartsbis-
-ocr page 13-
147
schop Schenck van Toutenburg gaven daartoe voldoende aanleiding.
Bovendien was het sacrament van het vormsel, „dat toch altoos zeer
geschikt is om de goede christenen in het Katholieke geloof te beves-
tigen en te versterken" in geruimen tijd niet uitgedeeld. Zoo was hij
in het jaar 1564 dikwijls werkzaam in Overijsel en Friesland. Met de
Ommelanden was het een ander geval: daarheen zond de bisschop
van Munster nog altoos zijn officiaal.
In de beide onrustige jaren, die toen volgden, scheen de kerk wel
haar einde nabij. Doch daarin kwam weer een wending door de komst
van den gevreesden Alva. Dat maakte eindelijk ook den weg naar
het bisdom Groningen meer gebaand. Toen kon na den langen wacht-
tijd de benoemde zijn aandacht schenken aan voorbereidende maat-
regelen voor de vestiging in zijn aanstaande residentie, waar hij zich
in qualiteit van vicaris reeds nu en dan vertoonde. Op zijn aanwijzing
gelastte Alva in Januari 1568, dat het „godshuijs van Jeronijmus",
d. i. het fraterhuis van de Broeders des Gemeenen Levens, tot een
voegzaam verblijf voor den aanstaanden bisschop en zijn personeel
zou worden ingericht. In den zomer schreef Knijff aan den Hertog, /h
dat hij aan de fraters daarvoor het refugium van Wittewierum in
ruil gegeven had en verder dat hij reeds met de overheid in bespreking
was om in die woning tevens een seminarie op te richten. De inkomsten
van het verlatene klooster te Appingedam, die een korten tijd voor
een Jezuietenschool gebruikt waren, konden gevoegelijk tot onderhoud
van de seminaristen worden bestemd. Hij berichtte verder, dat hij
bijna alle Groninger kerken had hersteld, gereinigd en „darin selvest
gepredickt und het volck thot goede diensten, ehre und iver nerstilicken
vermanet." Eveneens in vele plaatsen van Westfriesland. Bovendien
hield hij zich volgens opdracht van Alva bezig met het opmaken van
een beschrijvende lijst van verboden boeken ten vervolge van den
index, reeds elf jaren vroeger te Leuven vervaardigd.
Zoo naderde de dag van zijn ambtsaanvaarding. Het was geen
vriendelijk voorteeken, dat de regeering van Groningen de klooster-
oversten en priesters, die uit de Ommelanden opgeroepen waren, met
een zware geldboete moest bedreigen, als zij niet zorgden in vol
geestelijk ornaat aanwezig te zijn bij de ontvangst van hun aanstaan-
den opperherder, den 30 September 1568. De regeering scheen wel te
begrijpen, dat met uitzondering der Dominikanen de kloosterbevol-
king en vele priesters maar matig ingenomen waren met de onder-
10*
-ocr page 14-
148
scheiding, aan hun gewest te beurt gevallen, toen het tot den rang
van een bisdom bevorderd werd. De reden was niet ver te zoeken.
Wat zij al lang hadden gevreesd, was eindelijk geschied. Door het
optreden van zulk een grootwaardigheidsbekleeder kwam het roer in
vreemde handen. Daarmede ging gepaard beperking van de tot dus
ver genotene vrijheid, opheffing van oude rechten en usantiën, ja
wat al niet meer. Geen wonder, dat deze ondankbaren, niet verblind
door den luister van het episcopaat, met ontevreden en bekommerd
gemoed meest letten op de donkere keerzijde daaraan verbonden.
Den Zondag na zijn deftige ontvangst, 3 October, werd bisschop
Knijff met de gebruikelijke plechtigheden in zijn kathedraal geïnstal-
leerd. Hij bewoonde nog eenige weken het refugium van Wittewierum,
maar trok toen in „des bisschops hof", dat daartoe de noodige uit-
breiding en verbeteringen ondergaan had. Een der eerste belangen,
die hij te verzorgen had, was de aanstelling van negen kanunniken:
tot het nieuwe kapittel behoorden ook de pastoors Eeltz en Coninck,
de eerste als aartsdeken, de tweede als deken en aartspriester. Omdat
volgens de pauselijke bul hun functie als pastoor van de Martinikerk,
voortaan niet langer parochiekerk, eindigde, moest de St. Walburg
weer voor de gewone dienst in gebruik worden genomen. Zij werd in
November door den bisschop weer daartoe geheiligd, nadat de wape-
nen verwijderd waren, die men eenigen tijd te voren aan de burgerij
ontnomen en daar opgeborgen had. Vervolgens werden toen ook op
last van den bisschop de besluiten van Trente afgekondigd, waarvan
de invoering tot op dezen tijd was gekeerd. Hij maakte persoonlijk
bezoeksreizen naar de voornaamste kerspelen van zijn diocese om op
de onderhouding van dit nieuwste kerkstatuut aan te dringen en
verordende twee malen \'s jaars het houden van een provinciale
synode. Door zijn ambtsaanvaarding eindigde het kerkelijk rechts-
verband met Munster en Osnabrück en werd Groningen met de
Ommelanden een onderdeel van het aartsbisschoppelijk Utrecht.
Het tijdstip, waarop hij deze hooge betrekking aanvaardde, scheen
gunstig te zijn voor de regeling der zaken van het bisdom. Met vol-
doening vernam Viglius van Zwichem uit een brief van Knijff zelf,
dat de Groningers zonder veel bezwaren tot de oude religie terug-
keerden , dat de meesten goed Roomsen waren en hem alle eer bewe-
zen. Doch spoedig werd dit anders. Wel hadden zij, die als aanhangers
van vrijheid en Hervorming alsem in dezen beker van genot zouden
-ocr page 15-
149
gedroppeld hebben, het land verlaten en de overigen hielden zich
stil. Maar de moeielijkheden kwamen van de zijde van zoodanige
Roomschen, die liever de kerkinrichting op den ouden voet gehouden
hadden en geen bisschop begeerden. Dit zou zich van lieverlede wel
openbaren. Daartegenover kon ingr. Knijff rekenen op den krachtigen
steun van Johan de Mepsche, luitenant van de Jïoofdmannenkamer,
de koningsgezinde regeering en vooral den hoog door hem vereerden
kolonel Caspar Robles de Billy.
Een bepaald kettergericht werd niet in werking gesteld. De bisschop
oordeelde het aanvankelijk raadzamer tijd en kracht inzonderheid te
wijden aan de bevestiging van den nieuwen stand van zaken in zijn
kerkelijk gebied. Ook is er geen teeken, dat hij er prijs op stelde
een steunpilaar der inquisitie te zijn. Hij moet zelfs, toen Robles
hem eens aanbood huiszoeking te doen naar kettersche personen, den
kolonel door zijn aandrang bewogen hebben om van dit plan voor-
eerst af te zien. Toch ontbrak het niet geheel aan daden van weer-
wraak en vervolging van andersgezinden. De Brabantsche raadsheer
Karel Quarré kwam in Februari 1569 zoowel in de stad als in de
Ommelanden een onderzoek instellen naar de personen, die aan het
„reinigen" van kerken en de beeldstormerij deelgenomen hadden. Er
hadden eenige strafoefeningen plaats, gevolgd door verbeurdverklaring
van veroordeelde of voortvluchtige Groningers. De Mepsche was vooral
de man, die hierop aandrong en zich van ongunstige zijde deed kennen.
De kolonel liet op de Groote markt de beruchte stroppa di corda,
een wipgalg, oprichten, waaraan nu en dan burgers, die hij van
patriottische neigingen verdacht hield, getuchtigd werden. Abel Eppens
beschuldigt de Mepsche en den bisschop, dat zij voor de ramen van
een huis aan het plein met genoegen zaten toe te zien, hoe de arme
menschen door de ruwe Waalsche soldaten gemarteld werden. Van
den eerste laat dit zich hooren, maar het mag betwijfeld worden, of
heer Knijff wel met datzelfde groote vermaak die executies aanschouwd
heeft, al is hij er misschien wel eens bij tegenwoordig geweest.
Van bloedige kettervervolging toonde de Groninger bisschop zich
zelfs afkeerig. In deze stad was voor eenige jaren de Hagenaar Justus
Velsius, „professione philosofus ac medicus," wegens het geloof ge-
loof gevangen gezet. Deze geleerde was een persoon, die nog al van
zich deed spreken, bij de Hervormden geheel en al uit de gunst
wegens zijn oppositie tegen Calvijn, bij de Roomschen verdacht als
-ocr page 16-
150
een zeer kettersch mensch, zoodat zijn boeken toen al lang op den
index stonden. Nadat bisschop en domproost Eeltz op verzoek van
Robles in zijn kluis een onderhoud met hem hadden gehad, ontvin-
gen zij een indruk, die vooral hun medelijden met den geleerden
mijmeraar wekte, zoodat zij voorstelden hem maar vrij te laten.
Dr. Justus evenwel was een zonderling en legde de verklaring af,
dat hij zijn vrijheid niet door menschelijke tusschenkomst maar
alleen door Gods hulp begeerde terug te krijgen. Hij bleef dus in de
gevangenis bij zijn studie, totdat de loop der gebeurtenissen hem een
paar jaren later van zelf de nu versmade vrijheid bezorgde.
Ten aanzien van de Doopsgezinden bepaalde de bisschop zich tot
geldboeten, wanneer zij hun kinderen niet binnen zekeren tijd lieten
doopen, heimelijke vergaderingen met elkander hielden e. d. In 1572
werden nu en dan zulke straffen uitgedeeld. Ook zijn er toen en later
eenige van deze secte uit de stad gezet. Voor \'t overige werden zij
ongemoeid gelaten, als zij de verbodsbepalingen niet overschreden
en maar zorgden weinig in het oog te loopen. Doch de overheid was
ook niet genegen veel te doen, zooals den bisschop in 1573 bleek,
£ toen hij bij den Raad op eenige verscherping van deze verordeningen
ten aanzien van de „Anabaptisten" aandrong.
Zelfs door Roomschen wordt erkend, dat met enkele uitzonderingen
de regeering niet gelukkig is geweest bij haar keuze van de nieuwe
bisschoppen. De getuigenis van tijdgenooten luidt echter in \'t algemeen
over Knijffs karakter en bedrijven niet ongunstig. Van zijn ambtgenoot
Cunerus Petri te Leeuwarden onderscheidde hij zich door gematigdheid
en voorzichtigheid. Onder andere omstandigheden zou hij een goed en
misschien zelfs populair kerkvorst geweest zijn. Ook had hij eenigen
naam als geleerde en redenaar. Op zijn levensgedrag was niete aan te
merken. De zwaarste klacht, die over hem werd vernomen, betrof
zijn inhaligheid. Maar dit verwijt, niet in allen deele ongegrond, werd
toch overdreven en kwam bovendien van niet volkomen betrouwbare
zijde, nl. monniken of priesters, die murmureerden over de episcopale
geldheffingen. De Groninger geestelijkheid, die tot nog toe een groote
mate van zelfstandigheid had genoten, volstrekt niet gewend aan het
onmiddellijke en dagelijksche toezicht van zulk een oppersten zielen-
herder, kon zich nog veel minder vereenigen met de onvermijdelijke
lasten. Voor den staat van het nieuwe bisdom met zijn kapittel, het
vergaderen der synode, de visitatie van de diocese, de hofhouding en
-ocr page 17-
151
het personeel van den hoogeerwaarde was veel geld noodig. Nog moesten
in Groningerland vele door beeldenstorm of kettersche prediking ont-
heiligde kerken op nieuw gewijd worden: dit was een arbeid, die
volgens een vrij hoog tarief beloond werd, doch al naardat de kerken
rijk waren. Bovendien lag het in den aard der zaak, dat de bisschop
de inkomsten begeerde te heffen, die hem toegewezen waren en die
hij noodig had om zijn rang op te houden.
De inbeslagneming der bezittingen van het klooster te Wittewierum
kostte niet veel moeite, want bijna verlaten en bovendien door woeste-
lingen half vernield, had het onder deze omstandigheden zijn reden
van bestaan nagenoeg verloren. Wel hoopten abt Cornelius Hermanni
en de overgeblevene monniken nog de geheele opheffing van hun
weleer zoo beroemde abdij te keeren. Zij stelden daartoe ook eenige
pogingen in het werk, doch moesten hun verzet al spoedig opgeven.
De bisschop bepaalde een jaargeld, dat aan de laatste bewoners zou
worden uitgekeerd, en zij legden zich neer bij het onvermijdelijke.
Het kapittel begon weldra alle huizen en roerende goederen van dit
klooster te verkoopen. De Mepsche, die hout en steen noodig had om
zijn verwoest slot te Ham weer op te timmeren, kreeg de gebouwen
der abdij voor afbraaksprijs. Vooraf waren op last van den reveren-
dissimus een sierlijk gesneden koorgestoelte en de schoonste beelden
naar Groningen gebracht tot verfraaiing van de kathedraal. Abt Cor-
nelius verkreeg van Alva een aanbeveling bij den abt van Dockum
tot opname in zijn klooster, dat van dezelfde orde was. Hij had des
verkiezende ook lid van het domkapittel kunnen worden, maar wilde
liever bij zijn ouden regel blij ven. Het werd hem evenwel in de Friesche
kloosters, waar hij zich vervolgens ophield, te onveilig, zoodat hij zich
vijf a zes jaren later toch weer te Groningen aanmeldde met verzoek
om een plaats in het kapittel. In overleg met den bisschop van
Leeuwarden stonden de leden hem dit toe onder voorbehoud van de
pauselijke goedkeuring, vooral op grond dat niemand hunner beter
bekend was met de Wittewierumer goederen dan de voormalige abt,
zoodat zij hem daarom ook met de administratie daarvan belastten.
Te Aduard was het een ander geval. Deze abdij, de machtigste
van alle, was den druk der tijden bijna ongedeerd te bovengekomen,
telde bewoners genoeg en was nog volkomen levensvatbaar. Daar kon
de bisschop dus geen nederige of lijdelijke onderwerping verwachten,
maar moest hij zich voorbereiden op de meest hardnekkige tegen-
-ocr page 18-
152
werking. Hij heeft dadelijk de ondervinding daarvan opgedaan. Reeds
den dag na zijn plechtige installatie trok zijn hoogeerwaarde, gewapend
met vele documenten, naar Aduard om het bestuur en beheer over
deze prachtige bezitting aan zich te trekken en volgens den inhoud
van des pausen bul te regelen. Zijn komst bracht het geheele klooster
in opschudding. Abt en monniken waren volkomen onwillig en tot
geen schikking te bewegen. Hij vond hen vastbesloten om in weerwil
van alle aanspraken het zelfstandig bestaan der abdij te handhaven.
Ook in het vervolg bleef de abt Arnoldus Lanth onverzettelijk „als
een koperen muur", waarop toen en later schoone beloften zoowel als
scherpe dreigementen afstuitten. Overigens had deze prelaat, zooals
blijkt uit de kroniek van Aduard zelf, meer voorliefde voor jacht-
honden, welgedane paarden en schoone vrouwen dan voor de meer
ernstige beslommeringen, aan de administratie en geestelijke verzorging
van zijn klooster verbonden. Het voorbeeld van den overste had natuur-
lijk slechten invloed op de tucht en den wandel der kloosterbrocders.
De bisschop, die hot grootste deel van zijn inkomsten uit de Aduarder
goederen zou moeten putton en tot zoolang een voor zijn staat nauwelijks
toereikend traktement genoot, trachtte van die ontaarding der abdij
partij te trekken in zijn belang. Doch zelfs onder dezen toestand bleek
Aduard nog hecht te staan. Ware het alleen om een uitkeering in
geld te doen, daarvoor zouden de monniken zich nog wel hebben
laten vinden. Maar de bisschop was de vijand, die het bestaan van
hun heerlijk en geliefd klooster bedreigde. Dat zou voor de geheele
orde een te zware slag zijn. Zoo namen de omstandigheden daar op
eens een andere wending na een bezoek van Johannes van Morimond,
vicaris-generaal der Cisterciënser orde. Hij belastte den superieur van
Aduard, abt Gerardus van Klaarkamp, met het toezicht op de Noord-
Nederlandsehe kloosters. Toen deze met twee andere Friesche prelaten
in 1571 do abdij visiteerde, werden eenige welverdiende straffen aan
bandelooze kloosterlingen uitgedeeld en aan Lanth, die het ontzag
geheel en al verloren had, een coadjutor toegevoegd, Arnoldus Ken-
ninck, abt van het door de Geuzen verbrande en leeggeplunderde
Grijzemonnikcnkloostcr of Menterne nabij Termunten. Een paar jaren
later werd deze abdij zelfs onder pauselijke toestemming geheel bij
Aduard ingelijfd. Hoe dit ook zij, in het geschil met den Groninger
kerkvorst kregen de Cisterciënsers van Aduard nu krachtigen steun
aan dezen raadsman. Wel wees heer Knijff aanvankelijk het aanbod
-ocr page 19-
153
oni tegen een aanzienlijke uitkeering het klooster ongemoeid te laten
van de hand en deed hij te Brussel alle moeite om in het volle
bezit van de toegezegde inkomsten en zijn oppermacht over de abdij
erkend te worden. Het mocht hem evenwel niet baten, want de bc-
kwame administrateur, die weldra Lanth ook als abt opvolgde, wist
het groote voorrecht van in houdershanden te zijn te handhaven en
althans den ondergang van zijn klooster nog af te weeren. Na lang-
durige onderhandelingen werd er met het kapittel van Groningen
een accoord gesloten, dat de koninklijke en in Mei 1576 de pauselijke
goedkeuring verwierf: den bisschop zou uit de goederen van Aduard
een jaarlijksch inkomen van zesduizend car. guldens verzekerd wor-
den, maar daarvoor moest hij afstand doen van alle rechten, die
hem door de bul van Pius IV ten aanzien van de abdij waren ver-
gund. Hij heeft van deze schikking niet lang genot gehad.
De eenige verstoorders van de vreugde der Roomschen waren in
dezen tijd de booze Geuzen, die met hun woeste, onverwachte invallen
ijzigen schrik verspreidden onder sidderende kloosterlingen en dorps-
priesters. Ook bracht het in den zomer van 1572 geen geringe ontstel-
tenis te weeg, dat nagenoeg half Friesland afvallig werd. Doch binnen
drie maanden verdween deze bekommering: de benden der „bevrijders"
waren tegen den kordaten Robles niet opgewassen, en omstreeks het
einde van November had hij de Spaansche heerschappij krachtiger
dan ooit hersteld. Bisschop Knijff begaf zich al spoedig naar de
Friesche hoofdstad om den dapperen veldheer met de behaalde over-
winningen geluk te wenschen en in de hoofdkerk aldaar een plechtige
mis te vieren. Na afloop van vele feestelijkheden reisden beide bis-
schoppen den 29 December in het gevolg van Robles en zijn gemalin
naar Groningen, onderweg verwelkomd door twee burgemeesters
en den syndicus der stad, die hen tot Aduard met twee sleden en
acht paarden te gemoet reden. De beide bisschoppen gingen in het
begin van het nieuwe jaar samen op reis, zooals het gerucht zeide,
om Alva over hun belangen te spreken.
Steun van de zijde der hooge regeering was nog wel noodig. Want
de zaken van het nieuwe bisdom waren nog op verre na niet in
geregelden loop. Dat ondervond de bisschop op allerlei wijze en zelfs
in toenemende mate. De episcopale organisatie stuitte voortdurend op
tegenwerking van vele zijden.\' Nu eens waren het kerkvoogden en
dorpspastoors, die bezwaar maakten om opgave en rekenschap van
-ocr page 20-
154
kerkelijke goederen te doen of goedkeuring voor buitengewone uit-
gaven te vragen. Dan weer kwamen er klachten van de prelaten, dat
de bisschop of zijn gemachtigden hun oud zeendrecht verkortten, en
dan maakten deze heeren hem de uitoefening van zijn functie lastig.
Met de landzaten van Drente, Koevorden en Wedde kreeg hij al
dadelijk een zeer langdurig geschil. Reeds had de hertog van Alva aan
een deputatie uit hun landdag laten weten, dat de geestelijke juris-
dictie ook voor hun gewest nu behoorde geregeld te worden naar de
decreten van het generale concilie van Trente. Daarin zouden zij
nauwkeurig omschreven vinden, welke zaken ter eerster instantie
voor den deken of aartsdeken van Drente behandeld konden worden,
en welke tot de competentie van den bisschop en zijn consistorie
behoorden. Wel beriepen zij zich op eenige inwilligingen, hun door vroc-
gere bisschoppen van Utrecht verleend, maar zij moesten begrijpen,
dat zij thans leefden onder bepalingen, waardoor „die dingen nu
wyt een ander gestalt hebben.\'\' Bovendien Groningen was nabij gele-
gen en veel gemakkelijker te bereiken dan Utrecht in de dagen van
weleer. Doch toen Knijff eenigen van hen voor zijn consistorie dag-
vaardde , bleven zij afwezig en beriepen zich tot verklaring daarvan op
„zekere privilegie oft contract van Covorden." Hoewel de bisschop
in Januari 1570 uit Brussel een verklaring kreeg, dat al deze landen tot
zijn rechtsgebied behoorden en dat de ingezetenen derhalve gelast
werden zich daarnaar te gedragen, de Drenten waren niet gene-
gen zoo spoedig toe te geven. De landdag van Rolde zond een adres
aan den hertog met verzoek om de ingezetenen in het genot te laten
van hun deugdelijke landsrechten. Zij hadden vroeger altoos hun
eigen deken gehad, gekozen uit een der inlandsche priesters. Nog
nooit had een bisschop van Utrecht iemand, binnen de palen van
het landschap woonachtig, voor zijn consistorie geroepen dan alleen
in „saecken van appel und saecken roerende des hoichwerdigen leen-
goederen, taeffelguederen und hoerigen luiden." En toen een deputatie
van hun ridderschap en eigenerfden bisschop Knijff bij zijn eerste
aankomst in het landschap begroette, hadden zij toen niet uit zijn
eigen mond de verzekering ontvangen, dat hij de landzaten niet meer
zou opleggen, dan hun vorige bisschop van Utrecht gedaan had?
Vrij zeker heeft de regeering van die erkenning der oude handvesten
niet willen weten, omdat zij veeleer gezind was het bisschoppelijk
gezag in zijn vollen omvang te handhaven. Maar die van Drente
-ocr page 21-
155
hebhen toch volhard in hun tegenkanting; zij hieven aandringen op
een eigen deken en wisten de zaak op do lange haan te brengen.
Ook in de Ommelanden belemmerden de plaatselijke autoriteiten
den bisschop aanhoudend in zijn jurisdictie „als namentlycken, dat
geistelycken personen voir vvartolycke rechters in personalibus actionibus
woirdcn geroipen, directelycken tegens het tractaat van Coverden ende
utriusquc juris dispositionem", dat zijn ofriciaal in \'t behandelen van
aanhangige zaken of de executie van uitspraken verhinderd werd, dat
op allerlei wijze de lage overheid zich in zijn rechtsbevoegdheid mengde.
Wel moest de bisschop erkennen, dat „die jurisdictie in clerurn voir
de tokumpst van de nu (nieuwe) byschoppcn plenarie bij sijn Maj.
raden" was geweest en dat door zijn rechtsoefening eenige gewoonten
en gebruiken van ouds buiten werking waren geraakt, maar in zijn
beklag over de ondervondene tegenkanting kon hij zicli beroepen op
den inhoud der instructie, waarin de last des konings bepaald stond
uitgedrukt, „dat by de officiers van syn Maj. hem, remonstrant, int
exerceren van syn jurisdictie alle behulp ende assistentie, des noids
sijcnde, soude woirden gedaen." Robles gelastte den 20 November 1574
de Ommelander gerichten kort en bondig, dat zij den hoogeerwaarde
in alles behulpzaam moesten zijn, zoodat hij zijn recht volgens konink-
lijke en pauselijke opdracht vrij en volledig kon uitoefenen.
Tot de plannen, die hij wenschte uit te voeren, behoorde ook de
oprichting van een seminarium. Nadat het eenigen tijd had gerust,
werd in het najaar van 1574 besloten, dat deze inrichting gevestigd
zou worden in het toenmalige „clareke fraterhues", te voren Witte-
wierumer refugium, en dat één der leden van het domkapittel als
oeconomus zou worden aangesteld. Knijff liet dit voorstel bij den
raad indienen, die het echter dadelijk van de hand wees. Want de vroede
mannen waren van oordeel, dat de inkomsten als van ouds door een
van de pastoors en een lid van de gezworene meente behoorden te
worden gebeurd en uitgekeerd. Door ze te besteden tot een bepaalde
kweekschool „voer borger ende der negst ombliggenden landen kijn-
deren" werd inbreuk gemaakt op de bedoeling, „daer die gueden
eermaels van ghoede luyde to ghegeven" waren.
Daarbij kwamen nog allerlei geschillen tusschen de leden van het
kapittel onderling en met de overige Groninger priesters. Zij ontstonden
uit strijd over de opvatting der bepalingen in de pauselijke bul van
1561 en gaven soms aanleiding tot ergerlijke tweedracht. Op last van
-ocr page 22-
156
den bisschop werden eindelijk al die geschilpunten over de verhouding
van het kapittel tot de andere geestelijken, over de onderlinge ver-
deeling der inkomsten van de prebenden, over de grenzen der bevoegd-
heid van den domdeken e. d. door dr. Eeltz in een uitvoerige memorie
omschreven. Daarmede zou een afgevaardigde naar Rome gaan om
beslissing in te winnen. Het schijnt, dat deze taak in 1575 opgedragen
werd aan dr. Westendorp met verlof om ook het gevoelen te vernemen
van den president Viglius en bisschop Sonnius, die ondersteld
konden worden het best met \'s pausen mecning bekend te zijn, omdat
de bul ter oprichting van do nieuwe bisdommen immers in hoofdzaak
hun werk was geweest.
Zoo ontmoette de regeling der zaken van het nieuwe bisdom tel-
kens allerlei bezwaren, die slechts op den langen duur overwonnen
konden worden. Die langere levensduur werd daaraan evenwel niet
gegund. Wel scheen het, dat er langzamerhand meer licht zou door-
breken, want in 1574 was de heer de Billy ook tot stadhouder aan-
gesteld. Hij voerde in Friesland en Groningen met vaste hand het
bewind. Met zulk een steun mocht het zich herstellende Katholicisme
droonien van een beter toekomst dan dit zwakke begin. En de onvor-
schrokkene Portugees was er de man niet naar om zich aan de beve-
lcn van den Raad van State of de bepalingen van de Gentsche
Pacificatie te storen. Maar — geldgebrek, de chronische en doodelijke
kwaal van het Spaansche bewind, zou plotseling dezen trouwen dienaar
der kroon ter aarde werpen. In weerwil van zijn wakkerheid trof
hem de slag, dat zijn troepen te Groningen, ontevreden over onbe-
taalde soldij, tot de Staatschc partij overliepen en hem zelf met een
paar hoofdofficieren gevangen namen. De bisschop van Groningen
heeft deze groote smart evenwel niet beleefd. Eenige weken, voordat
zijn held dit ongeval overkwam, werd Jan Knijff van zijn on voltooiden
arbeid opgeroepen: den 1 October 1576 stierf hij aan de pest, „daer
he altijdt seer voer gevreset", en werd in zijn kathedraal in den
ommegang achter het H. Sacrament begraven. Een tijdgenoot teekende
aan, dat het De profundis bij zijn begrafenis weerklonk op denzclfden
dag en hetzelfde uur, waarop acht jaren te voren het Te Deum
laudamus bij „desselfs erste blyde inkompst" aangeheven was. Later
is de kist opgegraven en naar het koor overgebracht. Een levensgroot
portret, dat anderhalve eeuw daarna nog in de pastorie te Bafloo hing,
vermeldt dat hij den leeftijd van 63 jaren mocht bereiken. Zoo werd
-ocr page 23-
157
de abdij Aduard „door Gods hand" van de zorg bevrijd, die haar in
weerwil van de voorloopige schikking nog steeds en misschien niet
zonder reden drukte.
De gevangenneming van Robles en zijn officieren was een bedenke-
lijke gebeurtenis voor de Groninger Roomschen. Zij moesten lijdelijk
afwachten, wat over hun kerk en belangen zou beschoren worden.
Op last van den raad kreeg de aartsdeken Eeltz in zijn woning, de
weem aan het Martinikerkhof, een wacht van vier soldaten „om geen
meldinge mit scryfften oft woerden tdoene van der bicht, soe der h.
van Billy tegens hem voer weynich dagen gesproecken". Men was
blijkbaar beducht, dat hij op de een of andere wijze ten voordeele
van den kolonel zou intrigeeren. Dit geschiedde in de tweede helft
van December, doch de bewaking werd opgeheven, toen Rennenberg
in aantocht was. De raad liet toen ouder gewoonte de weem tot ver-
blijf voor den stadhouder in orde brengen, „woewal des verstorvenen
bischops woeninge int fraterhuijs bequemer gewest, dan vermidts
de pest, daer onlanghs gewest, daer oeck den bischop in verstorven
is", durfde men hem daar nog geen logies aanbieden.
Aan de vervulling van den vacanten bisschopszetel kon onder deze
omstandigheden niet worden gedacht. De instelling zelf stond in veler
oordeel reeds ten doode opgeschreven. De val van Robles had belang-
rijke veranderingen in den toestand des lands ten gevolge. Een groot
aantal uitwijkelingen en onder hen de antikatholieken snelden naar
het vaderland terug, vastbesloten om zich niet onbetuigd te laten.
In Juli 1578 werden de artikelen van den Religie vrede vastgesteld.
Mocht al de humane bedoeling zijn om Roomsch en Onroomsch beide
in hun recht op vrije godsdienstoefening te beschermen, de toepassing
daarvan verhoogde de tweedracht in den lande en joeg de partijen
vijandiger dan ooit tegen elkander in het harnas. Zoo geschiedde het
ook in Groningen. De Ommelanden waren meer patriotsch dan de
stad, waar de spaanschgezinde partij nog sterk was en dus alles
behalve gezind om iets in te willigen. Toch kon zij den loop der
gebeurtenissen niet keeren. In October 1578 kregen graaf Rennenberg
en de gewestelijke Staten in naam van aartshertog Mathias last om
nauwkeurig de bepalingen van den Religievrede te onderhouden.
Terstond daarna, reeds in December, boden de Hervormden de eerste
verzoekschriften aan om het gebruik van een der kerken. Op den ■
Oudejaarsdag word den kanunniken bij raadsbesluit het verblijf in
-ocr page 24-
168
de stad opgezegd. Zij vertrokken vijf dagen later en tevens werd ook
het bisdom met het kapittel opgeheven. De goederen van Wittewierum,
„itzundt vermitz die vernichtinge ende abolitie der nieuwer biszdoemen
undt kapittele vacerende", werden bij besluit van Rennenberg den
2 Mei aan de Ommelanden ad pios usiis ten beste des lands toegewezen.
De abt van het verarmde Rottum solliciteerde, doch zonder vrucht, om
de goederen van Esens, die aan den stadhouder als tafelgoed werden af-
gestaan. In Februari kwamen afgevaardigden van de Staten-Generaal „om
ordonnantie tho maken in name van sijn hocheit ertzhartoch Matthias
ende der heren Staten van die exercitie van die Reformeerde t-Iigie."
Dat was een hevige slag voor de Roomsche partij! Alles wat zij
in de vervlogene dagen gewonnen hadden, dreigde daarmede weer
geheel verloren te gaan. Een aantal malcontenten onder de burgerij
trachtte het raadsbesluit te keeren „ende wolden in de vrie exercitie
van de Reformierde religie niet consenteren." Zij bepaalden zich mor-
rend eerst tot een lijdelijk verzet, doch het baatte niet, of zij al
weigerden met den raad in overleg te treden. Rennenberg moest, toen
reeds met verborgen tegenzin, aan den drang toegeven. Groningen
sloot zich bij de gewesten der Unie aan, en den 29 Juli 1579 werd de
Religievrcde plechtig in \'t openbaar afgekondigd, „daerby staende de
stadtholder ende borgemeesteren ende raeth". De Hervormden kregen,
op voorwaarde dat bij de kerkzuivering niets vernield of ontvreemd
mocht worden, de Broerkerk en de St. Walburg, waar derj volgenden
dag de eerste preek werd gehouden. Deze maatregelen verwekten
groote beroering onder de Roomsche ingezetenen. In Augustus drong
een opgewonden hoop het raadhuis binnen om de overheid met
dreigementen en slagen te dwingen, dat zij de artikelen van den
vrede van Keulen aannamen en Jeronimo de Roda, Parma\'s agent,
in vrijheid zouden stellen. Maar zij werden door „enige van die van
der religie" overvallen, zoodat sommigen zich zelfs met overhaaste
vlucht uit de vensters moesten wegpakken. Op de landdagen der
Ommelanden, die belegd waren om over den Keulschen vrede te
spreken, verschenen alleen enkele Roomschen, zoodat er geen beslis-
sing kon worden genomen. Prior Nijlen, die verdacht werd deze
beweging onder zijn geloofsgenooten te hebben uitgelokt, moest voor
den raad verschijnen om zich te verantwoorden. Hij wist zijn onschuld
* echter zoo te verdedigen, dat men hem niet alleen naar zijn klooster
liet terugkeeren, maar dat hij het zelfs gedaan kreeg, dat geroofde
-ocr page 25-
159
goederen uit de beide thans Hervormde kerken teruggeven werden.
Ook aan al dit hervormingswerk kwam weer even plotseling een
einde. De hoop, die de Roomschen sedert de laatste maanden in toe-
nemende mate op Rennenberg den stadhouder vestigden, was niet
ijdel. Door zijn afval in Maart 1580 tot de partij van Spanje werd
Groningen weer een bolwerk van het Katholicisme: zij, die als voor-
standers van het Staatech gezag bekend stonden, maakten zich zoo snel
mogelijk uit de voeten en eenigen raakten in hechtenis. Doch tegen-
over dit voordeel stond ook een geduchte terugslag. Geheel Friesland
kwan1" in opstand en maakte door totale omwenteling van kerk en
staatsbestuur voor goed een einde aan den halfslachtigen toestand.
Toen weken vandaar een stroom van spaanschgezinde Roomschen,
edelen, burgers, ambtenaren, ook vele geestelijken en kloosterlingen
over de grenzen. Naar het naburige Groningen trokken de meesten.
Dat was althans in die bange jaren, toen de eindelooze troepen-
bewegingen, de schermutselingen, de strooptochten van den kleinen
oorlog het platteland teisterden, een welbeveiligd toevluchtsoord.
De onrust der tijden, de onzekerheid van bestaan en ook godsdienstige
overgangen hadden de rijen der priesterschap in dit gewest vrij wat
gedund, en zoo kon menig uit Friesland gebannen pastoor, vicaris of mon-
nik in de hoofdstad of in enkele dorpen nog een kerkdienst bekomen.
De kloosters en abdijen, vooral in de naaste Ommelanden, moesten
worden verlaten. Gedurig werden zij bezet door benden ruiters en
voetknechten, die er als barbaren huishielden. Dewijl deze gestich-
ten met hun grachten en zwaar muurwerk vaak tot vesting of hoofd-
kwartier dienden, kon het gewone gevolg van de vernielende werking
des oorlogs niet uitblijven. Wilde partijgangers staken roekeloos in
brand, wat door eeuwenlange zorg was opgebouwd, verbeterd, ver-
fraaid. Reeds den 27 April had de overste Barthold Entens het schoone
nonnenklooster Essen bezuiden Groningen geplunderd en daarna door
zijn krijgsvolk laten verwoesten. De abdij van Aduard, de roem van
het land, werd in September door de Staatsche troepen bestormd en
ingenomen, doch bij hun spoedig gevolgden aftocht vonden zij het
goed de hoofdgebouwen in brand te steken, waarbij veel kostbaars,
o. a. de prachtige boekerij, verloren ging. Datzelfde onheil, deels uit
noodweer deels uit louter balddadigheid, weervoer nog menig ander
eeuwenoud kloostcrgesticht. Het grootste aantal der monniken en
nonnen was toen reeds verloopen en de overigen vluchtten, als de
-ocr page 26-
160
roodwalmende oorlogsfakkel opdoemde, achter de muren der hoofd-
stad. Daar hadden bijna alle abdijen en conventen van deze provincie
hun refugia, die thans met bedrukt gemoed doch niettemin in af-
wachting van betere dagen betrokken werden. De toevloed van
vluchtelingen en andere oorzaken haalden nog een fatalen gast naar
binnen, een boosaardige ziekte of pest, die vele inwoners en vreemden
o. a. een groot aantal Friesche ballingen omstreeks 1581 ten grave
sleepte. Toch was het verblijf in Groningen, waar de energieke Ver-
dugo het gezag van Spanje nog vele jaren wist te handhaven, beter
dan daarbuiten. De dorpspastoors, vooral in de grensstreken, door-
leefden een benauwden tijd en zagen het einde van hun kerk langzaam
nader sluipen. Hoop en vrees wisselden af naar gelang van het ver-
anderlij ke beloop der krijgsverrichtingen. Doch zoolang de Spaansche
macht het uithield, volhardde tevens het Katholicisme bij zijn taak
om de kerkinrichting in stand te houden.
Deken Eeltz en de nog overige kanunniken verzochten Parma al
spoedig om het domkapittel in zijn geheel met de daaraan verbondene
prebenden te herstellen. Deze was daartoe zeer genegen. De verrader
Rennenberg kreeg last om in overleg met de vroedschap de noodige
maatregelen te nemen. Doch dit werk, zoo noodig „au restablissement
de noitre saincte foy et religion catholique romaine", raakte geheel
op den achtergrond. De Mepsche hing den hertog een treurig beeld
op van den vervallen toestand van het bisdom, zoodat er vooreerst
aan een benoeming van een opvolger van Knijff niet te denken viel.
\'t Was daarom wenschelijk een vicaris te benoemen, waarvoor hij op
eenige personen de aandacht vestigde. De raadsheer Igram van Achelon
berichtte, dat sommigen zelfs naar Munster geschreven hadden om
vandaar weer als van ouds een officiaal te bekomen. Hij zou daar-
voor liever den Selwerder abt Hendrik Lontzen aanbevelen dan dr.
Eeltz, die voortdurend ziek was, en bovendien had hij gehoord, dat
de doctor in vroeger tijd van godsdienst véTimderd was, hebbende in
zijn preeken aan het volk openbaar dingen geleerd, die niet zuiver
conform het geloof waren: hij zal dus niet zoo vrij diezelfde en andere
zonden in hen, die daardoor worden aangetast, kunnen berispen en
straffen. Er werd vooreerst wel geen vicaris aangesteld, maar de*
door heer Igram opgewarmde verdenking had toch bij den hertog
geen invloed, want in Augustus 1582 werd deken Eeltz „by maniere
van provisie ter tyt ende wylen daerinne andersins versien sal werden",
-ocr page 27-
161
tot officiaal van de diocese (Stad, Ommelanden en Drente) aangesteld.
Hij had in allen gevalle ecnig toezicht pogen te bewaren op de nog
bestaande parochien en dienstdoende geestelijken. Na Paschen van dit
jaar \') zond hij aan de Ommelander geestelijken vijf vragen ter beant-
woording: of zij ook in zwart gewaad gepreekt hadden en zoo ja,
waarom; of zij op Goeden Vrijdag de passie gepreekt en op Paasch-
avond de doopvont wel gewijd hadden; of er ook lieden uit hun
kerspel hadden gebiecht; of zo nog kelken en misgewaad bezaten; en
hoevelen aan de communie deelgenomen hadden. Do antwoorden van
vijfentwintig pastoors in het Oldambt zijn bewaard gebleven. Een
paar jaren later was hij nog officiaal, zooals o. a. blijkt uit een
aanschrijving aan de dorpspriesters om te waken voor de zuivere
leer en kerktucht. Doch in 1586 was het vicariaat weer hersteld.
Van den nog altoos ongeregelden toestand in de vacante diocese
maakten de ingezetenen van Drente in hun belang gebruik. Drost,
ridderschap en cigenerfden hernieuwden in het begin van 1587 hun
aandrang tot het verkrijgen van een landsdeken. Dit verzoek werd
nu toegestaan, doch de regeering sloeg daarbij een middenweg in
door de hceron van het bisschoppelijk vicariaat te machtigen voor
dezen post een keuze te doen uit een tweetal Drentsche pastoors.
Want juist in dit jaar werden te Brussel eindelijk weer stappen gedaan
om de vacante zetels te bezetten en ook het bisdom Groningen in
zijn vroegcren staat te herstellen. Den 10 November 1589 werd wer-
kclijk Johannca van Bruhese, die toen den titel voerde van vicaris-
generaal van het aartsbisdom, door den koning tot opvolger van
Knijff voorgedragen. Doch daarop kon het gouvernement de pauselijke
bekrachtiging niet verwerven. De nuntius wilde voorshands slechts de
benoeming van een vicaris toestaan, en dus moest de regeering haar
candidaat voor den bisschopszetel laten vallen. Deken Eeltz was in
het vorige jaar overleden en zoo viel de keuze, waaraan de koning
zijn placet hechtte en de landvoogd zijn aanbeveling toevoegde, op
den Dominikaan Arnoldus Nijlen, prior van het Jacobijnerklooster.
Dit had reeds in \'t begin van December plaats. Nijlen was in dezen
tijd meer dan vroeger het erkende hoofd van de Roomsche partij en
•) Den 10/21 Februari 1583 word op last des konings de Gregoriaansche kalender
te Groningen ingevoeld, doch om na elf jaren reeds weer door den ouden stijl ver-
vangen te worden.
11
-ocr page 28-
162
bereid tot elke krachünspanning om het zwaar bedreigde Groningen
voor de kerk en den koning te behouden. Zeer zeker was de nieuw
benoemde een groot ijveraar voor het geloof. Zijn aanstelling moest
nog te Groningen worden erkend en vond veel tegenwerking, omdat
de gemoederen daar juist in volle beweging waren over de vestiging
der Jezuieten. De raad, de luitenant en de hoofdmannenkamer waren
zeer op zijn hand, maar de tegenstand kwam vooral van de zijde der
prelaten en een aantal geestelijken. Zij maakten gebruik van den afkeer
der Groningers tegen het episcopaat en verkondigden, niet geheel ten
onrechte, dat zulk een vicaris niets anders was dan do voorbode
van de aanstaande benoeming van een bisschop. Ja deze „schurftige
priesters" (scabiosi clerici), verklaarde Nijlen, verspreidden overal de
geweldige leugentaal, dat de schrikkelijke Spaansche inquisitie weer
ingevoerd zou worden en dat men dan do burgers aan hun eigene
deuren zou ophangen. Deze beweging had ten gevolge, dat de gc-
zworene meente frater Nijlen slechts onder protest zijn post wilde laten
aanvaarden, nl. met dit voorbehoud, dat zij hem voor niets meer
dan een officiaal erkenden zooals in vroegere tijden vóór de invoering
der nieuwe bisdommen. De vicaris legde een verklaring af, dat hij
met oude gebruiken rekening zou houden, „daert der religion ende
concilie van Trent niet en contrarierde." Hoeveel dit beteekende,
bleek hieruit, dat de raad hem, den Dominikaan, geen priester en
zonder academischen graad, tot persona personatus en pastoor van
de hoofdkerk verkoos: de nuntius was dadelijk bereid voor al deze
afwijkingen dispensatie te vcrleenen. Zoo werd hij den 17 Februari
1590 plechtig geïnstalleerd. Dit versterkte zijn positie zeer. „Ik was
daarmede, zoo verhaalt hij zelf, geplaatst aan den stuurstok der kerk
als een voorlooper van den bruidegom, totdat deze, wien mijn arbeid
wellicht ten goede zal komen, zelf in persoon kan optreden." \'t Was
dus te verwachten, dat hij, eenmaal op zijn post aangeland, zich
wel zou laten gelden. Om een einde te maken aan elke dubbelzinnige
opvatting van den rang en de positie van een vicaris-generaal was
zijn eerste werk, dat hij naast zich een officiaal van het bisdom aan-
stelde. Ook benoemde hij een consistorie en herinnerde daarna enkele
van de grootste „schetteraars" (ganniones) onder de priesters op zulk
een afdoende wijze aan hun plicht, dat zij in een openbare zitting
van de hoofdmannenkamer om vergeving smeekten. Het antwoord
van den vertoornden vicaris luidde, dat hij het wilde laten afhangen
-ocr page 29-
163
van het gevoelen van den nuntius, of zij gespaard of naar al de
strengheid van het kanonieke recht hestraft zouden worden.
Een andere oorzaak van die tegenstribbeling der anti-episcopale
Katholieken was do ijver, waarmede de vicaris het inhalen der Jezu-
ieten begunstigde. Natuurlijk, de steun van deze orde kon hem en
zijn medestanders niet anders dan welkom zijn. Hun eerste poging
om zich dezen hoek des lands te vestigen was niet duurzaam geweest.
Zij hadden hun school te Appingadam in de onrustige tijden na den
beeldenstorm moeten opgeven, maar toen zij in dezen tijd terugkeer-
den, was reeds dat kortstondige gebruik het motief, dat zij aanzoek
deden om de inkomsten van het klooster weer te mogen genieten.
In 1586 benoemden burgemeesters en raad den Jezuiet Petrus
Loppertius, toen te Fulda, tot rector van de Maartensschool, doch
dit aanbod werd door hem afgeslagen. Twee jaren later werd de zaak
meer ernstig aangevat, vooral toen Parma zelf op de stichting van
een collegie aandrong tot heil der Groningers, die zich, zooals Phebens
ironisch opmerkt, tusschen hun naburen te weten de Oost- en West-
friezen bevonden als gezonde menschen tusschen twee melaatschen.
Hiermede verscheen op het tooneel pater Henricus Samerius (of Sim-
merius), die door zijn provinciaal werd afgevaardigd om de onder-
handelingen met de Groninger overheid te openen. Hij kwam te dien
einde reeds in \'t begin van den winter van 1588 onder het gevolg
van Verdugo in de stad, en toen hij in Februari nadere bevelen te
Brussel kwam halen, had de magistraat uit ijver voor de kerk en
begeerte om de kettersche snoodheid uit te roeien aan de Sociëteit
reeds het verzoek tot oprichting van een collegie gezonden, opdat ook
                     *
de teedere jonge jeugd grondig in het oude Katholieke en Roomsche
geloof mocht worden onderwezen. De raad achtte zich gelukkig
tevens te kunnen mededeelen, dat er al vast voor* een geschikt ver-
blijf gezorgd was, en drukte de hoop uit, dat de gedane keuze niet
ongevallig zou zijn. Ook aan het onderhoud der nieuwe stichting had
men reeds gedacht. Daarin zou moeten worden voorzien uit klooster -
goederen bijv. van de geheel verwoeste abdij Oldeklooster in de
Marnc, waarvan de inkomsten nog vijf a zeshonderd dukaten bedroegen.
De magistraat drong er dus op aan, dat er werk van gemaakt zou
worden om verlof te krijgen tot de incorporatie van deze goederen.
Pater Samerius bleef nu voortaan de onderhandelaar en de vicaris
Nijlen stond hem trouw ter zijde. Hij zou zorgen, dat er vooreerst
11*
^^/»</y siier*, ^<«W <? M**nJt> Can&£> a*> fikUiort. JhSL* /4oê u,
-ocr page 30-
164
zes of zeven paters gezonden werden om met de stichting een begin
te maken. Het plan scheen te zijn om het collegie voor twaalf Jezu-
ieten in te richten, dus nog al op breede schaal, omdat Groningen
een voorpost van beteekcnis werd geacht. Doch de eischen van Same-
rius waren hoog. Het blok huizen bij de Popkenstraat, dat voor hen
bestemd was, was hem niet ruim genoeg, beweerde hij. Ook kwam
het plan ter sprake om de Walburgskerk aan de Jezuieten af te staan.
Voor de eerste vestiging en inrichting vroeg hij veel geld, eenige
duizcnde welgcrande dukaten. Bovendien werden de aangewezene
inkomsten voor het verdere onderhoud geheel ontoereikend geacht.
Helaas, in dezen benarden tijd zag de raad geen kans om financieelen
steun aan dit heilig doel te bieden (ne mille quidem daleros corradere),
terwijl er bij de deftige burgers in de stad en het gewest een nage-
noeg algemeene geldnood heerschte. Als de eerste kosten niet uit
Z. Maj. schatkist bestreden werden, dan zouden zij, hoc ongaarne
ook, het plan moeten laten varen. Er dienden derhalve nog andere
middelen gevonden te worden. De eenige weg was de overdracht van
nog meer kloostergoederen. Daarop werd ook door paus Sixtus V
gewezen in den brief, waarin Z. H. zijn goedkeuring hechtte aan de
stichting van het collegie en de inlijving der abdij van de Marnc.
De nuntius belastte den vicaris van \'t bisdom met de verdere zorg, en
Nijlen drong toen aan op de schenking van drie kloosters, waaronder
dat van Appingadam en de inkomsten van het Fraterhuis, voor zoo-
ver ze niet vastgelegd waren ten bate van arme studenten. Deze
onderhandelingen duurden het gehcele jaar door.
De Jezuieten waren geen gewilde personen en bemerkten dat uit
de openbare meening. De bakkers en smeden begonnen zich tegen
hun toelating te verklaren en ten slotte waren alle gilden eenstemmig
in haar verzet. In de vergaderingen moesten de oldermans zware
dreigementen hooren voor het geval, dat zij deze nieuwigheid zouden
inwilligen. In de tavcernen twistten de bezoekers en velen staken den
draak met het Jezuioten-collegic. Het booze gerucht liep, dat Verdugo
de heimelijke bedoeling had om onder het voorwendsel van deze
oneenigheden een garnizoen in de stad te leggen. Waren de voorstan-
ders der Jezuieten nu maar beter bij kas geweest, dan zou dit alles
weinig bezwaar hebben opgeleverd, doch daardoor kreeg het verzet
grooter beteekcnis. Niet alleen stille aanhangers van godsdienstige
vrijheid, maar zelfs vele goedgeloovige Roomschen, andors trouwe
-ocr page 31-
165
zonen der kerk, schaarden zich bij de tegenpartij. Er waren in de
stad een aantal kloosterprelaten, die met bezorgdheid en afkeuring
hoorden van dat bedenkelijke naasten der goederen van een oude
Groninger abdij. De zaak van Oldeklooster, die bijna haar beslag
gekregen had, kreeg echter op eens nog een andere gedaante, toen
de abt Geelmuden den 25 Januari 1591 kwam te sterven. De vicaris
Nijlen wilde dadelijk door een raadsheer en den secretaris Julsing
namens \'t collegie der Jezuïeten onder stadszegel de nagelatene goe-
deren laten beschrijven. Niet alleen werd hun de toegang tot het
sterfhuis belet, maar de overgeblevene rcligieusen met een paar abten
van hun orde kozen een opvolger in weerwil van het verbod van den
luitenant namens den koning en van den vicaris namens de Jezu-
ieten. De benoemde Theodoricus Annius, vroeger proost van Cusemer,
liet zich deze waardigheid aanleunen. Er waren toen, die het raad-
zamer oordeelden, dat men de zaak maar moest laten passeeren: zij
wierpen het plan op, dat Cusemer in plaats van Oldeklooster aan de
Jczuieten zou worden afgestaan.
De zonen van Loyola werden hier dus waarlijk niet als redders in
den nood binnengehaald. Nochtans voor een klein gerucht waren zij
niet vervaard. Hoe ongunstig het getijde was, zij hielden met taaie
volharding aan en toen zij dadelijk niet alles konden krijgen, wat zij
begeerden, begonnen zij vast met het mindere. Samerius hield zich
meestal te Groningen op en bewoonde met een paar anderen een van
de voor hen bestemde huizen. „In dit jaar, zoo verhaalt Phebens op
1591, kwamen eenige van hen in de stad en zij legden er zich met
grooten ijver op toe om de oude tradities en eeredienst der vaderen,
die te dier tijde bijna geheel verwaarloosd en nagelaten werden, weer
in het leven te roepen en te herstellen niet alleen bij volwassenen
maar ook zelfs bij de kinderkens. Met het lokaas van groote en kleine
geschenken wisten zij de laatsten, met fabeltjes en verdichtsels, aan
de oude heiligenlegenden ontleend, trachtten zij de eerstgonoemden
tot hun gevoelens over te halen." De Jezuieten hadden zich dan ook
niet naar Groningen begeven om er een stil toevluchtsoord te betrek-
ken. Zij hebben zich op allerlei wijze geroerd. Het^chijnt, dat zij het Ij
gedaan hebben gekregen om de kapel van het verlatene Vrouw
Menolde-convent voor hun kerkdienst te mogen gebruiken. Binnen
korten tijd hadden zij onder het mindere volk een vrij sterken aan-
hang, terwijl de gezetene burgerij zich bij haar meer gematigde geeste-
-ocr page 32-
166
lijken aansloot. Door hun dreigende prediking bewerkten zij, dat de
geloovigen een groot aantal kettersche boeken, naar hun beweering
door de besluiten van Trente veroordeeld, en vertaalde bijbels uit-
leverden, die zij daarna openlijk verbrandden. Het was niet te
verwonderen, dat zij al spoedig overhoop lagen met de Groninger
kerspelpriesters, zoodat het optreden van pater Samerius en de zijnen
hier den vrede meermalen heeft verstoord.
Deze volhardende en onversaagde strijders hebben geen moeite
ontzien en de laatste krachten ingespannen om Groningen voor Rome
te behouden. Zij konden het als een belangrijke schrede nader tot
hun doel beschouwen, toen de koning op 20 Maart 1593 den vicaris
Nijlen uit aanmerking van vele en belangrijke diensten tot herstel
van de hiërarchie en het zuivere Roomsche geloof benoemde tot bis-
schop van Groningen. Hij was juist een man, zooals de kerk hier
noodig had. Zijn aanstelling werd aan den paus ter bekrachtiging
opgezonden, maar zij heeft geen gevolg gehad. Ook deze tweede elect
heeft den dag van zijn wijding niet mogen aanschouwen. Geen Jezu-
ieten, geen bisschop, geen koninklijke besluiten of pauselijke diplomas
konden het ontredderde en hulpeloos naar zijn ondergang voortge-
drevenc vaartuig behouden. Het was voor al deze dingen te laat. Ze
hadden nog tot op het uiterste oogenblik gedaan, wat zij moesten,
maar de dagen van het Groninger bisdom waren geteld.
Langzamerhand kromp het gebied van Spanje in en bepaalde zich
ten laatste slechts tot den naasten omtrek van de veste. De Omme-
landen werden weer voor de Unie gewonnen en daarmede ging
gepaard opheffing van de heerschende kerk, die op staanden voet
door de Hervorming vervangen werd. Het Katholicisme zag al zijn
kerken achtereenvolgens leeggehaald, pastorieën verlaten, nagenoeg
alle kloosters beroofd en in puinhoopen veranderd. Zoo strompelde
het zijn ondergang te gemoct. Eindelijk beleefde het den dag, dat
prins Maurits en zijn neef, de Friesche stadhouder, met hun wel
toegerust leger naderden om het laatste bedrijf van de langdurige
worsteling af te spelen. In Mei 1594 sloegen zij het beleg voor deze
laatste vesting van Spanje. Hoe meer hun loopgraven de muren
naderden, hoe dichter de kogels neerhagelden op de huizen en in
de straten, des te grootcr verdeeldheid heerschte daarbinnen. De
spaanschgezinde onverzoenlijken werden in hun verzet vooral gestijfd
door de Jezuieten, die met hun aanhang van schuitenschuivers,
-ocr page 33-
167
sledemcnners en allerlei volk den magistraat wilden dwingen om tot
het uiterste te volharden. De oproerige bewegingen in Juni, die de
de vreedzame burgerij eenige werkelijk angstige uren deden doorleven,
waren met name door de Jezuieten en de hierheen uitgewekene spaansch-
gezinde Friezen aangestookt. Het was maar al te duidelijk, dat de
„veege veste" zou moeten bezwijken. De abten, prelaten en voor-
naamste pastoors zonden een verzoekschrift aan den raad, waarin
zij dringend smeekten om het noodelooze bloedvergieten te staken en
liever aannemelijke voorwaarden voor de overgave te bedingen, al
moesten zij zelf daarbij ook alles verliezen, „al solden sie daer uith
gaen met niet". Twee maanden na het begin van het beleg werd het
besluit genomen om tot de capitulatie over te gaan. De belegerden
verzochten een wapenschorsing, en toen dit door prins Maurits was
toegestaan, zonden zij afgevaardigden, gekozen uit de overheid, bur-
gerij, prelaten en bezetting, naar het hoofdkwartier. Zij hadden een
instructie bij zich, die in negentien artikelen de voorwaarden bevatte,
waarop de stad bereid was zich over te geven en tot de Unie toe te
treden. Daarin was onder invloed van de geestelijkheid een laatste
poging aangewend om bij den ondergang van haar heerschappij nog
haar recht en middelen van bestaan te redden. Het vierde punt van
de aangebodene capitulatie luidde: „Dat de olde Catholyke religie
ende exercitie van dien in zijn esse ende weerden bly ven zal. Abdissen,
commandeuren, provoosten, pryeren, gardianen, pastoren mit alle
geestelijkheid in possessie ende vryen gebruik heurer conventen, con-
ventsgoederen, leenen, beneficien ende geestelijke ceremoniën ende dienst
maintineeren, gehandhavet, bescharmt, ook alle versettinge van lan-
den, renten, lasten, schulden ende swaaricheeden, zoo ze voorhen ende
durende deze troubelen bes tot dato dezes tot heur alimentatie,
onderhoud ende sonst opgenoomen ende gemaakt, geconfirmeert ende
hestcdigt worden." Ook werden gunstige beschikkingen voorgesteld
ten aanzien van de administratieve handelingen en de alimentatie van
al zoodanige abten, prelaten en geestelijken, die uit Friesland en
andere gewesten naar Groningen uitgeweken waren.
Het Eag in den aard der zaak, dat verzoeken van belegerden moesten
onderdoen voor eischen van overwinnaars. Deze, hoezeer af keerig van
elke weerwraak en genegen tot groote bezadigdheid, konden de wet
stellen. Het was dus vooraf wel te verwachten, dat ten aanzien van
de godsdienst bepaald zou worden, art. 6: „Item dat binnen der stadt
-ocr page 34-
168
Groeninghen ende landen gheen ander religie geexerceert zal worden
dan de Gereformeerde religie, zulcx als die jegenwoordelick in de
Geünieerde Provinciën openbacrlick geexerceert wort, mitz dat nye-
mandt in syn conscientie oft gcwissen zal wordden geinquireert,
ondersocht oft beswaert. Ende dat alle die cloosters, gheestelicke ende
cloostersgoederen zullen in jegenswoordighen staet blijven, totdat by
de heeren Staten Generaal den staet van de stadt Groeninghen ende
Ommelanden behoorlick geredresseert sal zijn, mits dat alsdan bij de
provincie zelf op het gebruyck der goederen ende onderhoudt van do
gheestelicke persooncn behoorlicke ordre sal wordden gesteldt, wel-
verstaende dat zooveel de commanderien van Warfum, Wytwerdt
ende Oosterwierum aengaen, dat die sullen gehouden ende getracteert
worden als gelycke commanderien , in de andere Geunieerdcn Pro-
vincien gelegen zynde." Het maken van bepalingen omtrent klooster-
overstcn en geestelijken van elders werd overgelaten aan de Staten
van hun gewesten.
Dit was het einde. De bezetting mocht onder den kommandant
Liauckema met krijgsmanseer aftrekken. Met hen moesten ook de
titulaire bisschop Nijlen en een zestal Jezuïeten, omdat zij met de
veteranen van Verdugo vooral de overgave hadden tegengehouden,
de stad verlaten. Zijn hoogeerwaarde begaf zich naar Brussel en ovcr-
leed daar negen jaren later. De te Groningen verblijfhoudende
uitgewekenen en ballingen, het mcerendcel Friezen, gingen ook heen
en keerden naar hun gewest terug. De meeste Groninger priesters en
kloosterlingen bleven afwachten, wat over hen beslist zou worden.
Wanneer zij zich als vredige burgers wilden gedragen, kregen zij levens-
lang een pensioen in evenredigheid van hun rang of de weleer genotcne
inkomsten. Toen begon de afbraak van het oude. Al wat kerk en geeste-
lijkheid vroeger bezeten hadden, gebouwen, landerijen, renten, opbreng-
sten, zou nu ten dienste van de Hervormde kerk en haar dienaren
zoowel in de stad als in de dorpen worden aangewend. Alleen de colla-
ties en patronaatsrechten bleven in handen van de vroegere geslachten.
De goederen der opgehevcne kloosters en abdijen echter werden onder
afzonderlijk beheer gebracht voor algemeene doeleinden ten bate des lands.
Het Katholicisme had zijn taak afgedaan. De Hervormde kerk werd
voortaan als de heerschende erkend en met haar optreden brak een
nieuw tijdperk aan in de kerkelijke geschiedenis van deze provincie.