-ocr page 1-
fftm i?-<yj3
GERG. SUB. No /j£
<&
A* -^
-~3~gïC-~~-<>?
C*!1^
c&y?*&.J?t
o^&.
1
i-
i
\'i^f\'.
-
t\'
\'■
-ocr page 2-
-ocr page 3-
GIJ\'
**fff.
£ Ia tier W:.d /.< f*u
o/ — ~vA
BJBLIOTHCCK ¥ |t
1: ^L/,
i
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
•rr
DE PROTESTANTSCÏÏE AMVERZORGING IN
\'SGRAVENÏÏAGE,
DOOK
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIE.
In een vorigen jaargang van dit tijdschrift hadden wn\' het voor-
recht eenigen tijd stil te staan bij de liefdadigheid en haar hervorming
in de laatste vijftig jaar.
Door deze eerste studie gedreven kwamen w\\j er toe om meer
in bijzonderheden na te gaan de liefdadigheid der stad onzer
inwoning: \'s Gravenhage.
Het gevolg daarvan was een reeks artikelen in het„Vaderland",
waar w\\j in schetsten de verschillende liefdadige vereenigingen.
Dankbaar aanvaarden wy het aanbod van den geachten redacteur
van dit tijdschrift, om enkele dier stukken in wyder kring door
„de Bouwsteenen" te verbreiden. Immers al heeft elke stad haar
lokale toestanden, toch is er veel overeenkomst in vorm en wezen
der liefdadigheid.
Dezelfde armen toch, wenden zich tot de zelfde corporatiën, be-
heerd door op ongeveer dezelfde wyze ingerichte besturen; overal
heerscht een waarachtig, krachtig levend gevoel van barmhartigheid,
dat zich schier overal zal moeten stoten aan engheid van regle-
menten en sleur van verouderde gebruiken. Overal wenscht men
hervorming, hervorming der Armenwet in breeder zin, maar daar-
naast hervorming in de wyze der zorg voor armen binnen het kader
der diakonieën; men wil meer elk geval individualiseeren, elk
gezin beter en vollediger helpen dan nu geschiedt, maar ook wil
men algemeen meer samenwerking zoeken met andere protestant-
sche en niet protestantsche corporatiën om misbruiken te keeren
en te waken dat liefdadigheid niet worde een kwaad in plaats van
?
Bouwsteenen XII.                                                                       21
33 Bi*.
-ocr page 4-
322
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
een der hoogste bestemmingen die de Kerkgenootschappen bezitten.
Hoe de toestand in de Residentie is, zullen wij pogen te schetsen.
Om echter juist de beide gedachten: Individualiseering en samenwerking
beter te doen uitkomen, geven wij vooraf een vluchtige schets der
Armenverzorging in twee Duitsche steden, waar men als het ware deze
beide gedachten belichaamd ziet: in Elberfeld het individuali-
seeren, in Dresden de samenwerking.
I. ELBERFELD.
In elk land beheerscht natuurlijk de wet den geheelen gang
der arm verzorging. In Duitschland beheerscht de Rijkswet van
1870—1871 de toestanden. Vooropzettende, dat de armverzorging
voor een groot deel moet worden overgelaten aan de verschillende
Staten, die te zamen het Duitsche Rijk vormen, bepaalt de wet,
dat het Rijk verdeeld is in Ortsarmenverbtinde en Landarmenverbande
(de vertaling dezer woorden is zeer moeilijk). De plicht der onder-
steuning rust voornamelijk op de eerstgenoemde lichamen, de
laatstgenoemde vullen door subsidiën aan, waar de eerste te kort
schieten en zorgen in het bijzonder voor zieken, krankzinnigen,
doofstommen enz.
De armverzorging is dus Staats- en Gemeentezorg en niet, zooals
bij ons, zaak van de kerkelijke of particuliere liefdadigheid.
De arme heeft geen recht op ondersteuning, de ondersteuning
blijft een gave. Enj deze wet is ook geregeld de zoo moeilijke quaestie
van woonplaats van onderstand. Hij, die binnen de grenzen van
een Ortsarmenverband na zijn vierentwintigste jaar twee jaren
achtereenvolgens gewoond heeft, wordt beschouwd aldaar zn\'n
onderstandsdomicilie te hebben. De echtgenoot en kinderen deelen
het domicilie van hun man en vader. Wanneer iemand verarmt in
een ,armenverband",waar hij niet zijn onderstandsdomicilie heeft, kan
hij daar voorloopig worden ondersteund, behoudens recht op ver-
haal op het „ armen verband", waar hij gedomicilieerd is. Het Duitsche
strafrecht heeft zeer strenge bepalingen tegen landlooperg en
bedelary. Gestraft wordt hij, die door spel, drank, luiheid zoo diep
valt, dat hij zichzelf en de zijnen, tot wier onderhoud h\\j verplicht
is, niet meer onderhouden kan.
Deze R^kswetten worden in Elberfeld aangevuld door de lands-
i
-ocr page 5-
323
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.
wetten, dus door de Pruisische wet; deze bepaalt, dat de gemeenten
onder de opperleiding van den Staat de zorg hebben voor de voeding
en verpleging van die burgers, die niet in hun eigen onderhoud
voorzien kunnen, en tot wier ondersteuning geen particulieren
volgens de wet verplicht zh\'n.
Voor alles, zoo schrijft de wet verder voor, moet men arbeid in
plaats van aalmoezen geven; menschen, die werken kunnen en
niet willen, moet men dwingen.
Deze wetten nu vigeeren in de bloeiende fabrieksstad Elberfeld.
Om een volledig beeld te geven van het Elberfelder armverzor-
gingssysteem, dat, zooals de Duitsche schrijvers zeggen, een zege-
tocht gedaan heeft door Duitschland en over de Ryksgrenzen,
moeten wij eenigszins teruggaan. In 1816 heerschte er groote
armoede, waaraan alleen drie weinig beteekenende diakonieën tege-
moet kwamen; reeds toen trad er een centraal stedelijk armbestuur
op, maar de vrijwillige inkomsten, waaruit men de uitgaven moest
bestrijden, waren ver beneden hetgeen men noodig had, terwijl
èn bevolking èn armoede steeds stegen; van organisatie geen spoor;
flinke arbeiders gingen liever bedelen dan werken, \'t eerste was
voordeeliger en minder inspannend. Daarom deed men in 1850 een
poging om de armverzorging op te dragen aan de kerkelijke dia-
konieën, maar deze durfden de taak niet aanvaarden. Als curiositeit
zij aangeteekend dat alleen de Nederlandsch Hervormde gemeente
te Elberfeld de taak dorst op te nemen. Er moest dus een andere
weg worden gezocht; dien weg vond Daniël Van der Heydt, de
voorzitter der dikaonie van de Nederlandsch Hervormde gemeente.
Voordat wy nu „het" systeem schetsen een opmerking, waarop
wij in ons land niet genoeg kunnen letten. Vooreerst zagen wij,
dat de wet geheel anders is dan onze armenwet; dan verdient het
de aandacht, dat de oorzaak, die bet Elberfelder systeem ontstaan
deed, was gelegen in het feit, dat de kerkelijke diakonieën machte-
loos waren. Het Elberfelder systeem heeft nooit de kerkelijke
diakonieën willen verdringen, nog veel minder zich vijandig daar-
tegenover geplaatst. Waar in ons Vaderland reeds eeuwen gegrond-
veste en nog krachtige diakonieën bestaan, die vooral, na hervor-
ming, een groote macht tegen de armoede zouden vormen, daar
zou hij, die het Elberfelder systeem „een en ondeelbaar" wilde
invoeren, ook al was het mogelijk, een groote fout begaan, maar
-ocr page 6-
324                                    H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
misschien nog onvergeeflijker zou h\\j handelen, die de oogen sloot
voor het uitstekende van dit systeem in zijn onderdeelen.
\'t Is, wy zagen het reeds, de burgerlyke gemeente, die de
armverzorging in handen beeft; de gelden komen uit de gemeente-
kas. De hoofdleiding berust bü den burgemeester met vier leden
van den Raad en vier burgers. Daarnaast staat een commissie van
31 leden, de voorzitters van de 31 districten of wyken, waarin de
stad verdeeld is. Elk district is verdeeld in 14 onderdeelen of
kwartieren en de zorg voor de gezinnen in zulk een kwartier
is opgedragen aan een onbezoldigd armverzorger. Ieder armver-
zorger heeft hoogstens 4, meest 3 gezinnen tot zyn last (de diakenen
der Holl. diaconie alhier minstens 50). Er zijn dus voor de arm-
verzorging buiten de gestichten 434 armverzorgers en met de
commissiën voor de gestichten mede waren er 1889/90 484 burgers,
die hun t\\jd, hun moeite, hun zorg over hadden voor hun arme
stadgenooten.
De arme, die behoefte heeft aan ondersteuning, wendt zich tot
den armverzorger van zyn kwartier. Deze brengt de aanvrage in
de vergadering van de armbezoekers van zyn district, die elke
veertien dagen te zamen komen, maar stelt eerst een onderzoek
in, in de op het stadhuis berustende registers. Deze registerswor-
den met zorg bijgehouden en zyn zeer volledig en dit onderzoek
is vooral van belang, daar men in Duitschland zeer streng de hand
houdt aan het onderstandsdomicilie. Vervolgens zet hij zijn onder-
zoek voort bij de gezinnen aan huis. Vooral informeert hij zeer
zorgvuldig naar het loon en de mogelijke inkomsten der gezinnen,
die om hulp vragen, ook tracht hij zich te verzekeren, dat nabe-
staanden niet tot ondersteuning verplicht z\\jn.
Wanneer dan de armverzorger gunstig adviseeren kan en de
districtscommissie besluit bedeeling toe te staan, dan is dat toch
nooit langer dan voor veertien dagen; tot een nieuwe bedeeling
wordt niet overgegaan dan na rapport van den armbezoeker.
De armbezoeker reikt elke gift persoonlijk uit aan het bedeelde
gezin aan huis. Wat het voordeel daarvan is, springt terstond in
het oog. Dank zü het zeer geringe getal gezinnen, dat iedere
armverzorger te bezoeken heeft, kan hij inderdaad aan de eene
zijde de vriend der armen worden, aan de andere zjjde misbruiken
tegengaan. Daardoor is h\\j in staat om, zooals de voorschriften
-ocr page 7-
325
DE PR0TESTANT8CHE, ENZ.
luiden: liefdevol en vriendelijk de bede der armen aan te hooren,
ernstig op te treden wanneer de aanvragen onrechtmatig z\\jn
en te verhinderen, dat door de gave luiheid en zorgeloosheid
worde gekweekt. Z\\j moeten op de orde en reinheid letten, het
schoolbezoek bevorderen en voor alles een heilzamen invloed
oefenen op het zedelijk gevoel der armen.
Door hun geregelde bezoeken verder leeren zij door en door niet
alleen de behoeften der gezinnen kennen, maar ook denogsluime-
rende capaciteit en lust om te arbeiden; zij kunnen die aankweeken
en arbeid voor mannen en vrouwen zoeken.
De norm der bedeeling is 3 Mark per week voor een alleenloopend
persoon, het maximum is/2,10 voor een alleenwonend man, die niet
meer kan arbeiden; een weduwe met drie kinderen onder de tien
jaar krijgt ƒ 4,80 per week, een gezin van vader, moeder en 5 kinderen
ongeveer fl a ƒ8. Het loon of mogelijke inkomsten worden afge-
trokken van dit bedrag. Men bedeelt ook in natura en ondersteunt
b.v. ook door het leenen van naaimachines. De zorg voor zieken be-
rustook bij de stedelijke armverzorging; daarvoor werd in 1889/1890
21,815 Mark uitgegeven. Voor bedeeling gaf men in dat jaar uit
161,581 Mark voor 886 bedeelingsgevallen op 123 000 inwoners.
Naast de zorg in de gezinnen staat de zorg in gestichten; onder
het beheer van de stedelijke arm verzorging staan een armenhuis
voor ouden van dagen, een weeshuis, een gesticht voor verwaar-
loosde kinderen, voor gewone en voor epidemische zieken. De kosten
daarvoor bedroegen in 1889/1890 337.691 Mark.
Ten slotte zij nog vermeld, dat naast de burgerlijke armenzorg
staat een beperkte kerkelijke armenzorg, die vooral haar zorgen
wijdt aan gestichten. Er zn\'n drie diakonieën die geheel zelfstandig
arbeiden en onafhankelijk zijn van de stedelijke armenverzorging.
Een derde element vormt de Elberfelder Fraimtverein, die vóór
alles tracht de door de armbezoekers ingewonnen inlichtingen nog
aan te vullen; haar streven is om de particuliere armenzorg te
organiseeren, om dubbel geven te voorkomen, en om daar op
te treden, waar de openbare zorg te kort schiet; zoo zijn door haar
crèches ingericht.
De beschouwing der armverzorging in het plaatselijk Elberfeldsch
verband, heeft ons geleerd, dat aan een volledige toepassing, zooals
het daar ligt, nu, in ons vaderland nog onoverkomelijke bezwaren
-ocr page 8-
326
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAÜFEPIË.
in den weg staan, terecht zegt de heer Hintzen, de voorzitter der
bekende Rotterdamsche Vereeniging: „wat voor Elberfeld deugt,
deugt daarom nog niet voor onze groote steden of voor onsgeheele
land." Maar aan den anderen kant zagen wü consequent en mooi
doorgevoerd een algemeene centralisatie naast een decentralisatie,
wat de beslissing en de zorg voor de arme gezinnen aangaat; wy\'
zagen den armverzorger werkelyk zorgende voor zyn armen en
niet alleen bedeelend; wü zagen een groot aantal mannen in een
gelid staan in den strijd tegen armoede.
Naar onze overtuiging is er voor de gedeeltelijke toepassing van
dit systeem geen mooier veld dan juist de diakonieën, wanneer zy
ten minste flink hare geheiligde principes willen hooghouden.
II. DRESDEN.
Stond de armverzorging in Elberfeld onder den invloed van de
Pruisische armenwet, Dresden\'s armenzorg wordt beheerscht door de
Saksische armenwet. Deze is reeds in 1840 gemaakt; zy stelde de zorg
voor de armen in handen der Gerneinde Verwaltung. Hoofddoel dier
armverzorging moet zijn de voorkoming der armoede; treedt de
armoede in, dan ondersteuning en ten slotte voortdurende controle
op hen, die bedeeling genieten. Nadruk wordt er ook op gelegd,
dat men vooral nagaan moet of niet verwanten tot ondersteuning
der verarmden verplicht zyn. Personen, die kunnen arbeiden en niet
willen, behooren niet onder de armenzorg tehuis, maar vervallen
aan de Polizei.
Men kan ondersteunen door tydelijke bedeeling, door zieken-en
weezenzorg, door verschaffing van onderkomen en door geheele
verzorging. Op samenwerking en wederzydsche aanraking tusschen
openbare en kerkelyke armverzorging wordt de aandacht gevestigd;
verder moet de gemeente niet ondersteunen, wanneer andere cor-
poratiën voldoenden onderstand geven. Met een wel te rechtvaar-
digen trotsch wyst Böhnmert, die een Sakser is, er op, dat reeds
in 1840 deze wet is gemaakt, waarin de grondtrekken eener „moderne"
armverzorging nedergelegd zyn.
Het Saksenland schynt dus zeer geschikt voor de ontwikkeling
eener verstandige armenzorg.
Dresden heeft met zyn mooie luchtige pleinen, zyn parken en
-ocr page 9-
327
DE PKOTESTANTSCHE, ENZ.
groote gebouwen wel eenige overeenkomst met de Residentiestad.
Ook de aard der inwoners vertoont overeenkomst; naast de eigen-
aardige bevolking eener luxe-stad staat een zeer nyvere arbeiders-
en fabrieksbevolking. Industrie en fabrieken zijn in den laatsten
tijd beginnen te bloeien, maar met die ontwikkeling is gepaard
gegaan de nasleep van armoede, by afsterven der kostwinners, by
slapte van werk enz.
In Elberfeld zagen wij naast de Gemeente-armenzorg, door de
eigenaardige bistorische ontwikkeling en door de locale toestanden,
een zeer weinig belangrijke particuliere armverzorging; in Dresden
daarentegen bestaat een heirleger vereenigingen. Het is wel de moeite
waard om een oogenblik de aandacbt te vestigen op die vereeni-
gingen, omdat men steeds geneigd is uit te roepen: „ \'t is net als
by ons".
Dresden bezit vier groote diakonieën die in enge samenwerking
arbeiden met bet Gemeentelijke Armbestuur. Een dier diakonieën
zelf staat haar inkomen af aan dat armbestuur. Daarnaast staan
19 philantbropiscbe vereenigingen met bepaald godsdienstige strek-
king; verder 14 vereenigingen, die zicb aan de armenzorg in bet
algemeen wyden.
Aan de ziekenzorg wijdden zich 6 vereenigingen, aan weezenen
zorg voor verlaten kinderen 11 corporatiën. Reeds in 1880 trachtte
men langs particulieren weg tot samenwerking te komen; men zag
immers de misbruiken hand over hand toenemen, links en rechts
zag men bedeelen en verzorgen en desalniettemin steeg de armoede
en nam de bedelarij toe, maar tot een gewenscbte oplossing kwam
men langs dezen weg niet. Eerst in 1882, toen het Burgerlyk
Armbestuur de zaak in handen nam, kwam men tot eenig resul-
taat. Op zyn Engelsch roepen wy: hear! hear! — immers, treffend
komt die ondervinding overeen met wat hier in ons Vaderland
geschied is by verschillende pogingen tot centralisatie.
In Dresden dan riep in 1882 de voorzitter van het Gemeentelijk
Armbestuur de voorzitters of vertegenwoordigers van alle ver-
eenigingen samen; 71 corporatiën beantwoordden aan die roepstem.
Men kwam in een vergadering tot een zeer gewenscht resultaat.
Uitgaande van de grondgedachte, dat, met inachtneming van de
zelfstandigheid van elke vereeniging, samenwerking dringend noo-
dig was, besloot men, dat de vereenigingen zich verbinden zouden
-ocr page 10-
328
H. J. DE DOMPIERKE DE CHAUFEP1É.
om niet meer onderstand, in welken vorm ook, te verleenen,
zonder vooraf het Gemeentelijk Armbestuur te hebben geraad-
pleegd over het onderstandsdomicilie, de vroegere ofnogloopende
bedeelingen, de moreele verdienste der gezinnen, enz. Tevens zou
dan het Gemeentelijk Armbestuur adviseeren of bedeeling raad-
zaam was ja dan neen.
Wanneer de redenen van het advies tot weigering waren, dat
de vragers hun onderstands-domicilie niet in Dresden hadden, dan
werd dit advies onbepaald opgevolgd; was de reden der weigering
eene andere, dan zou men zoo mogelijk het advies volgen. De
vereenigingen verbonden zich om elke maand opgave te doen van
al de door haar gedane ondersteuningen, in welken vorm ook.
Het Stedelijk Armbestuur wees een bepaald ambtenaar aan, wien
de speciale zorg is opgedragen om een centraal register aan te
leggen en in orde te houden en om de bovenomschreven regeling
voortdurend in werking te houden. Het doel, dat men zich hiermee
voorstelde, was om de bedelarij te bestrijden, dubbelgeven te
voorkomen en de onwaardigen uit te sluiten. Een der krachtigste
middelen vormde het centraal register. Het streven bij de inrich-
ting van zulk een register moet zijn om in zoo ruim mogelijke
mate inlichtingen in te winnen, en om tot een zoo practisch
mogelijke schikking te komen, die vooral de gelegenheid geeft om
spoedig te vinden wat men zoekt.
In 1888 riep de voorzitter van het Stedel. Armbestuur weder de
vertegenwoordigers van diakonieën en vereenigingen bijeen, om ge-
zamenlijk te spreken over de bereikte resultaten. Het centraal
bureau met zijn centrale registers had, zoo kon men constateeren,
meer en meer het vertrouwen gewonnen; alleen van de zijde der
liefdadige particulieren vond men weinig medewerking.
Vatten wij thans samen, wat Dresden ons heeft kunnen leeren,
dan zien wij, dat de hoofd trek was samenwerking, voortkomende
uit de innig gevoelde behoefte, dat organisatie noodig en onont-
beerlyk is. Bewonderden wij in Elberfeld de uitstekende regeling
van geïndividualiseerde arm verzorging, gepaard aan centralisatie,
die mogelijk gemaakt werd door locale toestanden, in Dresden zien
wij een zich krachtig, breed ontvouwende particuliere armverzorging,
die uit eigen overtuiging samenwerking zoekt, maar eerst daartoe
kan komen, wanneer de burgerlijke armverzorging leidend optreedt.
-ocr page 11-
329
DE PROTESTANTSC\'HE, ENZ.
Niettegenstaande die samenwerking blijft de zelfstandigheid der
diakonieën en vereenigingen bewaard en ongeschonden.
Zal men in ons Vaderland, tot die samenwerking komen uit eigen
kracht, uit eigen wil ? De verwachting kan niet gunstig zy\'n; immers,
de pogingen, die reeds aangewend zy\'n, hebben een zeer gering
resultaat opgeleverd.
Een der berichtgevers uit Amsterdam aan de Nieuwe Rotter-
damsche Courant, schreef eens dat de eigenaardige Nederlandsche
volksaard een bezwaar was tegen vrijwillige samenwerking. Dit is
zeer juist — wanneer een Nederlander in het buitenland andere
Nederlanders ontmoet, dan is zijn eerste gevoel zeer zeker niet vreugde,
maar veeleer een aan achterdocht grenzend^ gewaarwording. Is die
mijnheer misschien ook kruidenier, ik ben rijksambtenaar? zoo
vraagt hij zich af; is mijnheer misschien ook liberaal, ik ben zeer
behoudend, zoo denkt hij. Zoo gaat het ook op het gebied der
armverzorging. Wat niet wordt bedorven door politieke en fatsoen-
lijkheidsideeën, ontsieren onze coterie en „clan"-geest, benevens
onze ingewortelde vooroordeelen.
Beter dan wetten bij deelen, reglementen bij folianten, zou een
gemeenschappelijk, ernstig gevoel van solidariteit en van een
samenwerkende daad en wil zijn.
De kerkelijke diakonieën stellen zich nog op een ander standpunt,
maar wanneer zij inzagen, dat haar onafhankelijkheid nooit kan
en mag aangetast worden, dat haar godsdienstige zorg voor de be-
hoeftigen volkomen zich kan ontwikkelen, al sluiten zy zich eng
aan elkander aan, dan zouden ook zij zeer zeker toestemmen, dat
dit gemeenschappelijke optreden noodig en onontbeerlijk is. Bo-
delschwing, wiens landbouw-koloniën men in ons vaderland wil
navolgen, schreef eens: „op het gebied der arm verzorging zijn er
„noch Joden, noch Grieken, noch Protestanten, noch Katholieken;
„op dat gebied zijn er alleen kinderen van God, die voor elkander
„willen barmhartig zn\'n."
Voor wy Dresden verlaten een opmerking. Men pleegt de veel-
heid van philanthropische vereenigingen te wraken. Die veelheid
is een voordeel en geen nadeel, zoo meenen wy\'; tal van ernstige
mannen en vrouwen wijden hun zorg, menigmaal hun leven aan
ongelukkigen, die onder alle soorten ellende gebukt gaan. Speciale
personen en vereenigingen bestrijden speciale vormen van armoede
-ocr page 12-
330                                    H. J. DE DOMPIEBBE DE CHAUFEPIÉ.
en ziekte. Maar wat schaadt is niet de veelheid, maar wel het
gemis van eenheid.
In een leger zal niemand aanmerking maken op het aantal strijd-
vaardige mannen en op de velerlei soorten regimenten te voet en
te paard, met kanonnen en geweren, maar wel zal men klagen
wanneer alles dooreen draaft, wanneer er twintig generaals zynin
plaats van een leidende en denkende kracht. In dat geval zal de
vijand meer en meer veld winnen, en terwijl de generaals in de
veldheerstent kibbelen, zal alles, wat men wilde bereiken, verloren
gaan en — om op ons terrein terug te komen, zal meer en meer
de armverzorging van ons land en onze stad niet berekend binken
voor haar overweldigend zware taak en voor haar niaatschappelnken
plicht in onze dagen.
III.
DE NEDERLANDSCHE ARMENWET.
Voordat wij overgaan tot het schetsen der bepaald Protestantsche
liefdadigheid, wenschen wij een oogenblik de aandacht te vragen
voor onze Armenwet. Zij is het immers, die aangeeft de grond-
vesten waarop de diakonale armenzorg gebouwd is, en die haar
de grenzen stelt.
Wij zagen in de Duitsche wetten, dat de kenmerken eener
armenwetgeving de antwoorden zyn, die men op de volgende
vragen kan geven:
1.   In hoeverre de arme recht op ondersteuning heeft, d. w. z.
in hoever de Staat verplicht is hem te ondersteunen?
2.  In hoeverre de Staat of zijn organen zelf ondersteunt of deze
zorg overlaat aan de kerkelijke of particuliere vereenigingen?
3.  In hoeverre de Staat ingrijpt in het bebeer en de zelfstandig-
heid dier vereenigingen en in hoeverre hg samenwerking bevor-
dert en liefdadige instellingen subsidieert?
4.  Hoe het on derstan ds-domicilie geregeld is?
5.  Wie de kosten draagt voor de armverzorging?
Onze armenwet van 1854, gewijzigd in 1870, geeft op die vragen
de volgende antwoorden: In Nederland heeft de arme nooit recht
op onderstand. In de uit de wet voortgevloeide verordening op
het burgerlijk armbestuur van \'sGravenhage staat: „Hetburgerlijk
-ocr page 13-
331
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.
„armbestuur is bevoegd, doch in geenen deele verplicht tot het
„verleenen van onderstand."
Wat de tweede vraag aangaat, geven artt. 20 en 21 een duide-
lijk en categorisch antwoord:
„De ondersteuning der armen wordt overgelaten aan kerkelijke
en bijzondere instellingen van weldadigheid." Geen burgerlijk arm-
bestuur mag onderstand verleenen, dan na zich, voor zooveel
mogelijk, te hebben verzekerd, dat de armen dien\'niet
van kerkeln\'ke ofbüzondere instellingen kunnen
erlangen en dan bij volstrekte onvermijdelijkheid."
Dit is de hoofdgedachte der wet en het palladium van geheel
onze Nederlandsche armenwetgeving.
Wat is echter het volstrekt onvermijdelijke? Het best wordt het
omschreven aldus: „wanneer er behoefte is aan het hoognoodige,
„hetzij tot behoud van het individu, hetzij tot voorkoming, dat
„het bh\' onthouding van ondersteuning de maatschappelijke orde
„stoort."
De derde vraag, wat de verhouding is van den Staat en de ge-
meente tot de kerkelijke en particuliere vereenigingen, is aldus
te beantwoorden:
De wet noemt instellingen van weldadigheid die, welke voort-
durend de arm verzorging in of buiten de gestichten ten doel hebben.
Instellingen, die alleen armoede voorkomen, worden niet er
onder gerekend.
In drie hoofdrubrieken zijn die instellingen te verdeden: A. die
welke door de burgerlijke overheid worden geregeld of van harentwege
bestuurd; B. die worden geregeld en bestuurd door de kerkelijke
gemeente of door bijzondere vereenigingen; C. die worden beheerd
of geregeld door de burgerlijke overheid gezamenlijk met een
kerkelijke of bijzondere vereeniging.
De zorg voor armen vanwege de burgerlijke gemeente is hier
in \'s-Gravenhage in handen van een zelfstandige gemeente-instelling:
het Burgerlijk Armbestuur. De banden, die de gemeente binden
aan de kerkelijke en bijzondere vereenigingen, zh\'n de volgende:
Alle zijn zij verplicht eens in het jaar opgave te doen van het
aantal bedeelden, van het beloop der uitgaven voor beheer en
onderstand, en van dat hunner collecten.
Tevens zh\'n de genoemde vereenigiDgen verplicht om aan de
-ocr page 14-
332                                    H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
gemeente, op aanvrage van het armbestuur, op te geven of een
arme, die zich bij een burgerlijk armbestuur aangemeld heeft, van
haar (de kerkelijke en bijzondere liefdadigheidsvereenigingen) onder-
stand kan erlangen.
De gemeente mag na besluit door den Gemeenteraad subsidi-
eeren een kerkelyke of bijzondere vereeniging, mits uit de boeken
bewezen is de noodzakelijkheid, mits verder zn\', wier bijdragen
uit den aard der instelling kunnen worden verwacht, op een bil-
lyke wijze hebben bijgedragen, en ten slotte mits het bestuur naar
ziï\'n vermogen voldoet aan zn\'n verplichtingen.
[n 1854 reeds bedankte het Ned. Herv. armbestuur in deze stad
voor de subsidie.
De eenige band van het Gemeentelijk armbestuur metdekerke-
Ujke en particuliere liefdadigheid is dus het vragen van gegevens
en het vragen van inlichtingen, om de toepassing der straks mee-
gedeelde artikelen 20 en 21 mogelijk te maken.
Wat het onderstandsdomicilie aangaat, geldt in ons
vaderland de bepaling, dat men armlastig is, waar men zich be-
vindt, wanneer de armoede aanvangt. Wanneer b.v. een Rotter-
damsch werkman hier werk zoekt en voor drie weken vindt, maar
dan tot armoede komt, dan moet het burgerlijk armbestuur alhier
hem ondersteunen.
De kosten worden bestreden door de gemeente, na telken
jare op de begrooting te zijn gebracht en door den Gemeenteraad
te zijn goedgekeurd.
IV.
DE DIAKONIE DER NEDERLANSCH HERVORMDE
GEMEENTE.
Wy komen thans tot de diakonie der Nederlandsch Hervormde
Gemeente in \'s Gravenhage.
Er was een tijd, dat er in onze goede stad maar een armver-
zorgende corporatie was; deze werd ondersteund en gesubsidieerd
door de burgerlijke gemeente, ja had zelfs het recht om een
armenbelasting te heffen: vier stuivers voor ieder anker wyn, een
stuiver van elke stoop brandewijn, 16 stuivers van eiken zak tarwe
-ocr page 15-
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.                                               333
enz. Die éene diakonie was die der Nederduitsch Hervormde Ge-
meente, die alle armen der stad bedeelde.
In 1770 echter werd er een scheiding gemaakt; in dat jaar trad
de diakonie der Nederduitsch Hervormde Gemeente zelfstandig op,
ze zou voortaan alleen zoodanige subjecten bedeelen, dewelke lid-
maten van den Gereformeerden Godsdienst zijn, benevens derzelver
kinderen, beneden de achttien jaar. De andere armen waren de
zoogenaamde Heilige Geest of Huiszittende armen : voor hen zorgde
de burgerlyke gemeente.
De inkomsten werden tusschen deze beide corporatiën verdeeld,
subsidie werd thans niet meer gegeven.
In 1797 vangt weder een nieuwe periode der geschiedenis aan;
toen werd niet meer de helft der inkomsten aan de diakonie ge-
geven , daar de Nederduitsch Hervormde kerk opgehouden had
heerschende of bevoorrechte kerk te zijn. In 1799 vroeg en verkreeg
zy met de andere diakonieën gezamenlyk een deel der inkomsten.
Na 1817 genoot z\\j eene subsidie der burgerlijke gemeente van
ongeveer ƒ 18.000. In 1855 ving weder een nieuw tijdperk aan,
waaronder wy thans nog leven.
Daar de nieuwe armenwet het geven der subsidiën bemoeilijkte,
kreeg de Ned. Herv. Diaconie, die ƒ 24.000 ongeveer vroeg, slechts
ƒ 14.880. Toen meende zy voor die gekortwiekte subsidie te moeten
bedanken. Verschillende redenen worden daarvoor aangegeven;
een der zwaarst wegende was de volgende: de ondervinding had
geleerd, dat jaar in jaar uit de collecten afnamen en de oorzaak
dier mindere inkomsten was juist die gemeente-subsidie; voor een
deel rekenden de leden van de Kerk er op, voor een deel ook
waren zij in principe afkeerig van de afhankelijkheid, die een
gevolg was dier subsidie.
Op 18 Januari 1855 treedt dus de Diakonie der Nederlandsen
Hervormde Kerk volkomen zelfstandig op. Ze rangschikt zich onder
de instellingen, bedoeld in art. 2, sub b der armenwet en oefent de
weldadigheid der Ned. Herv. Kerk uit; de daarvoor noedige sommen
worden verstrekt door de renten der kapitalen en de ontvangsten
uit collecten enz. Haar grondwet vormt het synodaal reglement,
aangevuld door het reglement van diakenen. Het synodaal reglement
noemt de diakonieën instellingen van weldadigheid van zuiver ker-
kelyken aard, bestemd om de armen der gemeente met hulp en
-ocr page 16-
334
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAÜFEPIÉ.
ondersteuning tegemoet te komen. De diakenen moeten trachten
de door hen verleende zorg voor de stoffelijke belangen dienstbaar
te maken ter bevordering van den geestelijken welstand der be-
hoeftigen. Ze moeten allereerst zorgen voor de lidmaten der gemeente
en hun kinderen. Geen arme heeft recht op bedeeling, de kerkelijke
verzorging der armen is vrh\'e, ongedwongen liefdadigheid.
Langs welke wegen wordt nu in onze stad naar de vervulling
van die taak gestreefd?
De zorg is toevertrouwd aan 17 diakenen voor de armen buiten
de gestichten, 6 regenten der gestichten, benevens een grootboek-
houder en een advocaat-diaken. Deze diakenen vergaderen geregeld
om de drie weken. Daar de gestichten thans geen onderwerp van
ons onderzoek uitmaken, zij du3 geconstateerd, dat 19 diakenen
zich aan de zorg der armen wijden.
De advocaat-diaken leidt de geheele werkzaamheid der diakenen,
de grootboekhouder houdt de financieele administratie, ieder der
diakenen heeft een armenkwartier (terloops zij vermeld, dat dit
niet hetzelfde is als een predikanten wij k; deze kwartier-indeeling
klopt ook niet met de burgerlijke wijk-indeeling en is in het geheel
zeer verouderd, door de enorme uitbreiding der stad in de laatste
jaren.)
Wanneer nu een arme wil in aanmerking komen voor onder-
steuning, dan wendt hij zich tot den diaken van zijn kwartier.
Deze onderzoekt eerst alleen de aanvrage en mag dan in zeer n ij-
penden nood ondersteunen, vervolgens gaat hij nogmaals met een
zijner mede-diakenen het gezin bezoeken. In den laatsten tijd is
ook nog de volgende maatregel vigeerend: wanneer de diaken meent
voor meer dan ƒ 1,50 per week voor een alleenloopend persoon of
voor ƒ 2 voor twee ot meer personen te moeten bedeelen, dan wordt
een commissie van advies belast met een nog nader onderzoek, welke
commissie bestaat uit den advocaat-diaken met een der andere diake-
nen. Nagegaan wordt hoe lang de aanvrager lid der gemeente is,
vereischt is een lidmaatschap der Ned. Herv. kerk van 2 jaar,
waarvan de arme 1 jaar in \'s Gravenhage moet zn\'n ingeschreven,
zoo mogelijk wordt er gelet op deelneming aan ziekenfondsen enz.
In groote trekken is dit het schema van de wijze, waarop de
diakonie arbeidt. Wij signaleeren in het voorbijgaan het streven om
niet te bedeelen voor dat een zeer ernstig onderzoek ingesteld is
-ocr page 17-
335
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.
en of de bedeeling niet te hoog worden zal en tevens constateeren
wn\', dat de giften niet worden gegeven door de diakenen in de
huizen der arme gezinnen, maar worden afgehaald. Over een en
ander hopen wü echter nog nader te spreken. Thans de volgende
cijfers:
In 1881 tn\'d. bed. 138 gez.,   blu\'v.    852, totaal 990
„ 1885 , „ 488 „ „        959 , 1447
. 1890 „ , 1032 „ ,       955 , 1946
„ 1892 „ , 931 „ ,      1015 , 1946
Onder de gezinnen worden ook gerekend de alleenloopende per-
sonen, die onderstand genieten.
in geld.                in natura.
In 1881 bedeeld ƒ 38.537,65,          ƒ 11.779,56\'/2
, 1885 , - 45.775,61 V„ - 10.382,79
, 1890 , - 57.206,83,
           - 13.050,33
„ 1892 „ - 55.736,79,           - 10.163.36\'/,
Als giften in natura wordt brood gegeven, en naarmate bijzon-
dere geschenken dit mogelijk maken, ook giften in grutters waren,
spek, reusel enz.
In 1892 werd uit de gewone diakoniefondsen gegeven aan brood
voor ƒ5927,711/!, aan ligging en kleeding ƒ 1210,88, aan brandstof
ƒ1090.27. Als extra-uitdeelingen reikte men dan ingekomen ge-
schenken uit, voor extra-brood b.v. ƒ 200, voor grutterswaren
ƒ 1041,35.
Uit deze cijfers zien wij, dat ook de armoede in de Nederl. Herv.
Gemeente toegenomen is sinds 1886, maar twee feiten verdienen
de aandacht.
Vooreerst schijnt het vreemd, dat, niettegenstaande het aantal
bedeelden in 1881 was 990 en in 1892 1946, de uitgegeven som voor
bedeeling in natura is afgenomen.
Wat is daarvan de reden? Voor alles de volgende: meer en meer
overtuigden diakenen zich, dat de armen in onze stad vrij wel den
kost kunnen vinden, maar dat de steeds blijvende behoefte was het
geld voor huishuur en eventueel voor ziekenbussen.
In verband met algemeene toestanden onzer stad, is dit een feit
van beteekenis. Immers het bewijst, dat de armenkaartjes-uitdee-
lingen, de spijsinrichting en het kosteloos koffie en brood de zorgen
-ocr page 18-
336
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
der diakonieën verlichten; of die armenkaartjes en het koffie en
brood altyd de armen voeden, die het meest armoede lyden, is een
vraag, die wy voorloopig onbeantwoord laten.
Thans nog eenige cyfers, die ons een nog juister blik op de
armoede in onze gemeente gunnen. De norm der bedeeling is in
geld voor een alleenloopend persoon ƒ 1.50 per week, voor ge-
zinnen van meer personen meest ƒ 2, soms meer. Nu werden op
31 December 1891 bedeeld 116 personen of gezinnen voor ƒ 1,50
en minder, 404 voor een bedrag van ƒ 1,50 tot ƒ 2, 276 voor een
bedrag tusschen ƒ2 en ƒ 3, 47 voor een bedrag tusschen ƒ 3 en
ƒ 4, 15 boven de vier gulden.
Uit deze cijfers ziet men, dat de ondersteuning, verleend door
de diakonie der Ned. Herv. gemeente, niets anders is en wil z\\jn
dan een leniging van den bestaanden nood, een tegemoetkoming by
onvermijdelijke uitgaven; het reglement wettigt niet het geven
van voorschotten, bij uitzondering stellen de diakenen zich borg
voor leeningen; van voorkoming van armoede is dus weinig of
geen sprake.
Wat den ouderdom der bedeelden aangaat, waren er in 1892
vast bedeeld 117 beneden de 50, 142 van 50 tot 60 en 602 boven
de 60. Deze cyfers doen zien, dat het grootste deel der bedeelden
zn\'n oude lieden. Men zal dus by de beoordeeling der werkzaam-
beid dit feit op den voorgrond moeten stellen; er zy echter ge-
constateerd, dat wy hier alleen van vast bedeelden spreken.
Ten slotte nog de volgende reeks cyfers: In 1892 werden er
tijdelijk bedeeld gedurende minstens 3 maanden 282 hoofden van
gezinnen (die hadden te zamen 935 vrouwen en kinderen); 116
alleenloopende personen werden bedeeld voor minstens drie maan-
den. Voor minder dan drie maanden werden 144 alleenloopende
personen bedeeld en 389 boofden van gezinnen met 1221 vrouwen
en kinderen. Wat die cüfers ons zeggen, behoeft nauwelyks in
woorden weergegeven. Van belang is het om even na te gaan hoe
zeer sterk juist deze rubrieken toegenomen zyn in den loop der
tijden. De tijdelyk bedeelden geven veel juister den stand der
armoede aan dan de vast bedeelden; immers vast bedeelden,
ouden, zieken en zwakken, zullen er altijd zyn, hoe gunstig ook
de oeconomische verhoudingen zijn.
-ocr page 19-
DE PROTESTANÏSCHE , ENZ.                                              337
In 1875 v. 3 md. bed. 68, voor korter 122
, 1880 , , , , 54, , , 148
. 1886 , . „ , 281, , „ 379
. 1890 . , „ , 347, , . 685
„ 1891 , , , , 411, , , 543
, 1892 , , „ , 398, , , 533
Opmerking in den arbeid der Ned. Herv. Diakonie verdienen
nog de zg. „schamele armen". Dit z^\'n personen, die het eens beter
hadden, maar langzamerhand achteruitgegaan zyn, en nu in den
hoogsten drang der omstandigheden bedeeling noodig hebben; men
brengt hen, en zeer terecht, onder een afzonderlijke rubriek; zg
ontvangen het geld direct van den grootboekhouder; in 1891 werd
daaraan ƒ1500,10 uitgegeven.
Ten slotte zü nog vermeld Om-en-By. Deze zonderlinge, eenigs-
zins raadselachtige naam wordt gegeven aan een blok huizen iu
den omtrek van het Oude Mannen- en Vrouwenhuis der Ned. Herv.
Gemeente. Vroeger werden die kosteloos aan de „braafste" bedeelden
afgestaan (van 1840 af), maar in 1868 moest men er toe overgaan
deze woningen te verhuren. Wat toch was het ge val ? De vaste be-
deeling in den vorm van vrije woning werkte uiterst demoraliseerend;
alle energie, alle streven, om in eigen onderhoud te voorzien, werd
verlamd; men moest by de vrije woning in geld gaan bedeelen;
de bewoners van „Om-en-Bij" vormden een bedeelde kolonie, waar
men zich niet voor zijn buren behoefde te schamen, dat men be-
deelde was; „trekken" en „veel trekken", ziedaar het algemeen
streven. Een mooi voorbeeld, hoe uiterst bedenkelijk geregelde
bedeeling is! Na 1868 werden de woningen verhuurd voor lagen
huurprijs aan de leden der gemeente, de huur bedroeg f 10.050,75
daarenboven voor acht woningen aan den Z.-Buitensingel ƒ4311,57).
Enkele gezinnen zijn door tusschenkomst der diakenen geplaatst
in de Maatschappij van Weldadigheid.
Wat zy\'n nu de conclusiën, die wij in groote trekken uit dit
overzicht verkrijgen? Vooreerst herhalen wij, dat de onder-
steuning, verleend door de diakonie, is: bedeeling in den meest
engen zin des woords; verder dat het aantal armen, vooral dat der
tijdelijk te bedeelen personen, aanmerkelijk is toegenomen; enten
slotte, dat men met zeer veel omzichtigheid te werk gaat, voordat
men tot bedeeling overgaat. Een der hoofdredenen dier omzichtig-
BOUWSTEENEN XII.                                                                                                          22
-ocr page 20-
338
H. J. DK DOMPIEKRE DE CHAUFEPIE.
heid, die tot groote zuinigheid leidt, is wel het achteruitgaan der
inkomsten. Een overzicht dier inkomsten vinde ten slotte hier zijn
plaats. Voorop zij gezet, dat gestichten en armen een gemeenschap-
pelijke administratie hebben, dat dus een aanmerkelijk deel der
inkomsten in de kas der gestichten moet worden gestort. Of deze
administratieve verhouding wenschelük is, w\\j gelooven het niet.
De inkomsten bestaan uit de vaste inkomsten (dat zijn de renten
der kapitalen enz.) en de losse inkomsten, collecten enz.) Onder
de vaste inkomsten nemen de voornaamste plaats in de renten der
kapitalen, in 1892 tot een bedrag van f 34.8(34,58. Onder de losse
inkomsten verdienen vermelding de collecten, giften enz., in 1893
tot een bedrag van ƒ1107,62.
Het eindresultaat der rekening van 1891 was een tekort van
/\'12.677,10 op 1 Januari 1892. Het tekort op 1 Januari 1893 be-
draagt f 16.312 98.
\'t Zou ver boven onze bevoegdheid en kennis der diakouale toestan-
den gaan om te zeggen, waaraan dit te kort toe te schrijven. Slechts
ter loops zij een feit geconstateerd: men pleegt wel eens te be-
weren, dat de inkomsten der diakonieën dalen; dit is in \'s Graven-
hage onjuist. Hoewel wij reeds te veel cijfers hebben gegeven, nog
een reeks om \'t bovengenoemde feit toe te lichten.
In 1881          In 1892
Opbrengst kerkcollecten .... ƒ 13.725,91 ƒ 14.707,14s
schaalcollecten ... - 4961,48" - 4994,87\'
v.d. winterinschrijving. -23.006,14 -27.862,75
van de giften.... - 4791,00 - 6088,99
üe rente van kapitalen .... - 32.790,63* - 34.864,58
Vermindering der verschillende posten is er dus niet, maar wel
te geringe aanwas, in verhouding der klimmende behoeften.
Moet men nu deze wanverhouding doen veranderen door bezui-
nigen, of moet men een anderen weg zoeken?
Wanneer het eenige streven zyn zal en z\\jn moet om de „Reke-
ning" te doen sluiten, is bezuiniging het middel; wanneer men
echter ernstig tot een verbeterde arm verzorging zal willen komen,
dan zullen ook hier de vragen moeten worden gesteld en beant-
woord: in hoeverre tracht men te komen tot iudividualiseering
van elk geval op zichzelf, in hoeverre tracht men voortdurend en
-ocr page 21-
339
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.
afdoende de armoede te lenigen; ten slotte in hoeverre werkt
men samen met andere philanthropische krachten in en buiten de
Hervormde kerk?
In de synodale en andere reglementen staan, wat de eerste
vraag aangaat, zeer goede wenken. Diakenen immers hebben te
zorgen, zoover zij kunnen, voor de verstandelijke, zedelijke en
godsdienstige belangen der bedeelden; zü dienen met hulp, raad
en vertroosting; zn\' bevorderen de werkzaamheid; zij zorgen, dat
de ondersteuning niet brengt tot luiheid of onmatigheid, noch tot
eenige roekeloosheid.
Zeer mooie en verstandige raadgevingen worden ten beste ge-
geven in de nu en dan vanwege de diakonie of haar leiders uit-
gegeven geschriften. In de in ouden th\'d verschenen verslagen,
b.v. van 1855 tot 1856 wordt uitstekend en helder uiteengezet het
verderfelijke eener ondoordachte bedeeling. „Voor elk gezin van
valiede personen is bedeeling een ramp; de veerkracht, het eerge-
voel gaan verloren, zoodra de arbeider niet meer door eigen vlh\'t
zijn brood verdient; geen val is dieper dan van een ambachts-
man, die bedeeld wordt."
Mr. Beelaei\'ts zegt in zijn geschriftje: „Elk gezin is een wereld
op zichzelf; te onbedacht generaliseeren heeft ook aan de armen-
zorg veel kwaad berokkend; goede uitkomsten zn\'n slechts van
verstandig individualiseeren te wachten."
Is er echter, zooals de toestand nu is, mogelijkheid om te
individualiseeren; heeft het „zoover zy" (de diakenen) „kunnen"
van het Synodaal reglement niet een eenigszins ironische beteekenis
in onze groote steden althans.
Wij zagen, dat er zeventien diakenen (behalve de grootboek-
houder en advokaat) werkzaam zyn voor 17 kwartieren.
Te zamen waren er in onze stad te verzorgen 1015 vast bedeel-
den; naar verhouding der bevolktheid en armentoestanden der
kwartieren varieert het aantal in elk kwartier van 39 tot 85 per
diaken; daarbn\' zyn op te tellen de gezinnen, die tüdeln\'k worden
bedeeld, d. i. per jaar en per kwartier ongeveer 54 gezinnen.
Wanneer wij dus aannemen, dat het aantal gezinnen, dat elk
diaken te verzorgen heeft, op een gegeven tyd ongeveer 70 a 80
door elkander bedraagt, dan is onze rekening niet te hoog. Wn\'
herinneren er aan, dat in Elberfeld en Dresden elke armverzor-
-ocr page 22-
340                                    H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
ger 5 a 0 gezinnen verzorgt. Erkend moet worden, dat velen der
vast bedeelden niet voortdurende zorg vereischen, maar dan toch
nog blijven de tijdelijk bedeelden; en wie zyn die tijdely\'k bedeel-
deu? Werklieden zonder werk, gezinnen, die door ziekte of tegen-
spoed achteruitgegaan zyn, personen, bij wie allerlei invloeden de
werkkracht verlamd hebben, zorgeloozen en ongelukkigen. In een
woord een categorie personen, waar een aalmoes zonder den by-
komenden raad eerder het kwaad vermeerdert, dan het wegneemt.
Een diaken moet zich in het groot aantal gezinnen , wier zorg hem
opgedragen is, volkomen inwerken; hy moet elke aanvrage onder-
zoeken; hy moet doordringen in hun leven, in hun geheele be-
staan; hij moet weten te vinden de nog in de gezinnen sluimerende
kracht; hij moet weten te begrypen de redenen der verarming.
Zoo terecht zegt mr. Beelaerts: „Het is onmogelyk de toestanden
der behoeftigen met juistheid te beooi-deelen en te weten welke
hulp er noodig is, voordat men de vraag beantwoord heeft: hoe
werden zy, wie zy\' geworden zijn ?"
Hoe zal een meest in drukke maatschappelijke zaken werkzame
diaken dit kunnen nagaan? Nemen wy\' eens aan, dat hy\' er in
geslaagd is om de omstandigheden der gezinnen volkomen te
leeren kennen, hoe zal hij dan, nadat de bedeeling is toegestaan,
kunnen nagaan of de ondersteuning werkelijk het gezin reddend
ter hulpe komt? Wanneer hij redeneert: die menschen zyn toch
arm , wy zullen ze dus maar bedeelen, en dan week in week uit
de aalmoes geeft, dan kan hy\' toch inderdaad niet verzorger der
armen worden genoemd. Hy deelt, wy zagen het, de giften niet
in de gezinnen uit, maar by\' zich aan huis; alleen nu en dan be-
zoekt hij de gezinnen — maar wy vergaten haast de hem ter zy\'de
staande zg. kwartiervrouwen!
Of er een zonderlinger vorm van armverzorging is, dan die be-
deelingen door de kwartiervrouwen, wij twyfelen er aan.
Het zyn gesalarieerde (vroeger waren het bedeelde) personen.
Haar salaris echter is een gewijzigde bedeeling; zy staan dus onge-
veer gely\'k met hen, aan wie zy de giften geven en over wie zy
een soort controle hebben.
Wy\' zullen er weinig behoeven by te voegen om te durven
constateeren, dat van een ernstig individualiseerende armverzor-
ging, ook by den besten wil der diakenen, geen sprake is en
-ocr page 23-
341
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.
kan zijn. Er wordt bedeeld, er wordt gezorgd dat er niet te veel
bedeeld wordt, men weert bedrog, tracht het tekort te verminde-
ren — meer niet!
Is er dan misschien in de richting van samenwerking een ernstig
pogen, is er een enge aansluiting met de predikanten, met wijk-
vereenigingen, met de andere diakoniëen en lietdadige corpo-
ratiën? In den laatsten tyd schijnt er inderdaad in deze richting
eenige, hoewel zeer geringe verbetering te zn\'n gekomen; maar
van een eng verbonden arbeid der diakonie, der predikanten, der
wijkvereenigingen, is nog geen spoor te bekennen.
Men arbeidt naast elkander, niet met elkander, hoewel een ge-
dachte, éen principe, een Geloof deze verschillende machten zou
moeten en kunnen binden. Individueel wordt er in dien geest wel
wat gedaan, maar een systhematisch voorbereid plan is er niet. Dat
de verbinding met de andere diakonieën en andere particuliere
vereenigiugen, met het burgerlek armbestuur, nog een zeer losse
is, behoeft nauwelijks te worden geconstateerd. Persoonlijke stappen
worden hier en daar gedaan, maar ook hier geen grondgedachte,
(jeen gemeenschappelijke wil.
Zeer terecht zou men ons verwijten kunnen: „ge breekt af, maar
ge bouwt volstrekt niet op". Vergun ons een poging tot op-
bouwing. Vooreerst dan een woord waarom juist geen corporatie
meer geroepen is tot een individualiseerende, de gezinnen hervor-
mende armverzorging dan de diakonie. Ze heeft boven andere niet
kerkelijke vereenigingen middelen om niet alleen den materieelen,
maar ook den moreelen nood te bestrijden en te overwinnen. De
kracht van den godsdienst, de kracht van den daarop gegrond-
vesten moreelen invloed z\\jn haar macht. Maar — zoo zal men
allicht vragen — zou die macht niet doen ontstaan huichelarij,
zich vroom voor doen enz.?
Zeer zeker zou dit waar z\\jn, wanneer men niet anders dan een
zeker Godsdienstvertoon vraagt, wanneer men b. v. zooals vroeger
een armenkerk inrichtte, waar de ,kwartiervrouwen" een zekere
controle hadden. Wanneer men echter in elk gezin brengt de kracht,
die men zelf put uit eigen Geloof en daaruit het kwaad, dat de
gezinnen ten verderve voert, bestrijdt, dan zal men juist individua-
liseerend groote macht, grooten invloed kunnen hebben.
Er is meer; waarom de diakonale armverzorging geroepen is haar
-ocr page 24-
342
H. J. DE DOMPIEKRE DE CHAUFEPItf.
wyze van werken te hervormen; juist in haar boezem zal men
kunnen komen tot een zoo gewenschte samenwerking der zoo
verschillende maatschappelijke standen. Door den inderdaad be-
staanden band der kerkelijke gemeenschap worden personen van
uiteenloopende maatschappelijke sfeeren bijeengebracht, die zich
gezameuluk zullen kunnen wijden met ondervinding, practische
en theoretische kennis aan een gemeenschappelijk doel.
Onwillekeurig zal men zeggen: dat is alles theorie, maar waar
is de praetykr1 De groote lijnen eener hervormde armverzorging
zijn in de Ned- Herv. Diakonie reeds getrokken.
De stad, zooals wij zagen, is nu verdeeld in 17 kwartieren; dit
aantal kan ook voor een veranderd systheem tot basis dienen. Thans
is in elk kwartier een diaken; men make dien eenen diaken tot
voorzitter eener kwartier-commissie van sub-diakenen, bestaande
uit een tien- tot vijftiental leden. Vooral zal er met de meeste om-
zichtigheid voor te zorgen zijn, dat men aan den president-diaken
late alle hem thans in het kerkbestuur toekomende prerogatieven,
anders zou elke hervormingspoging terstond stranden op de harde
rots van reglementen.
Aan die kwartier-commissiën nu geve men de beslissing over de
bedeeling der tijdelijk bedeelden. Na onderzoek der sub-diakenen,
twee aan twee, wordt de tijdelijke ondersteuning toegestaan, maar
nooit voor langer dan voor zes weken. Men vergadere elke week,
en geve aan die commissie verder het recht om aan de centrale
diakenen vergaderingvoorstellen te doen aangaande vaste bedeeling.
Men zal de beslissing tot vaste bedeeling na grondig onderzoek
en voorloopige tijdelijke bedeeling moeten overlaten aan de cen-
trale commissie; evenzoo zal men aan die centrale commissie over-
laten moeten de bepalingen van het bedrag, dat de sub-eommissiën
per 3 maanden uitgeven kunnen aan tijdelijke bedeeling. Zoolang
men geen zekerheid van inkomsten heeft, zal men met omzichtig-
heid de decentralisatie moeten toepassen; de vraag echter is het,
of juist niet in den boezem der groote kerkelijke diakoniëen, in
steden als Den Haag, te komen was tot een zekerheid vau
inkomsten.
Als algemeene regel zou verder moeten gelden, dat de giften
steeds in de gezinnen zelf moeten worden uitgereikt; de tijdelijke
bedeelden zouden dus in ieder geval ééns per week worden be-
-ocr page 25-
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.                                               343
zocht. Voor de vast bedeelden zou men gemakkelijk tot een adnii-
nistratieve regeling komen, maar ook voor hen zou een geregeld
bezoek der sub-diakenen een vereisehte zijn.
Dat door de toepassing van dit schema individualiseering zal
bevorderd worden, behoeft nauwelijks betoog. Vanzelf zou het
karakter eener algemeene mininmm-bedeeling veranderen in een
ondersteuning, meer zich baseerende op de grondige kennis van het
„ geval"; vanzelf zouden de diakenen in hun eigen kringen
zoeken naar werk, naar borgstellingen by leeningen enz. De
uitbreiding van het aantal personen, dat zich wijden zon aan de
arm verzorging, zou uit den aard der zaak de samenwerking in de
verschillende wijken bevorderen. Zij, die nu medewerken met de
wykvereenigingen, zouden dan betrokken worden in den breeden
diakonalen arbeid. Dat voor de samenwerking met gemeente,
diakonieën en particuliere vereenigingen niet alleen deze hervor-
ming voldoende zyn zal, spreekt vanzelf; maar eerst dan zou
samenwerking heilzaam en uitstekend werken kunnen, wanneer
de verschillende vereenigingen haar arbeid op breeder basis grond-
vestten.
Dat er bezwaren tegen deze hervorming zijn zullen, meer bezwaren
zelfs, dan wij vermoeden kunnen, gelooven wij gaarne.
Twee bezwaren hooren wij reeds: Waar zullen wy de menschen
vinden ? waar het geld ? Wat het eerste bezwaar aangaat, gelooven
w\\j, dat het juist in een diakonie niet ernstig kan zijn; wanneer
ergens, zal men juist daar de personen moeten vinden, die zich wijden
willen en kunnen aan een goed begrepen armverzorging, die deze
taak van Christelijke liefde op zich zullen willen nemen. Maar dan
het geld?
Vooreerst gelooven wij niet dat de kosten zullen toenemen. Wan-
neer eens grondig werden onderzocht de werkelijke behoeften der
tallooze vast bedeelden, wanneer men eens enkele dier vaste be-
deelingen terugbracht tot winterbedeelingen, wanneer men eens
meer en beter gebruikte de verschillende middelen en krachten,
waardoor men in onze stad armoede kan lenigen en voorkomen,
dan zou het cijfer der vaste bedeelingen ongetwijfeld dalen. Er
is echter nog meer. Wanneer men in wijder kring bekend maakte
den nood waarin men heeft te gemoet te komen, wanneer men kon
doen doordringen de overtuiging, dat een minimum vaste bedeeling
-ocr page 26-
344                               H. J. DE DOMPJERRE DE CHAUFEPIË.
geen erngtige armverzorging is, dan zouden zeker de giften meer
vloeien; veel particulieren, die nu hun eigen liefdadigheidsdienst er
op na houden, zouden, vertrouwende op een krachtig arbeidende
diakonie, hun geld daaraan toevertrouwen.
Hervorming dus, niet angstige bezuiniging; hervorming in den
geest van individualiseering en samenwerking zal naar onze over-
tuiging de weg zn\'n, dien de Nederl. Herv. diakonie op moet;
daardoor zal zü niet alleen zichzelf baten, maar een grooten stoot
geven aan de algemeene verbetering der armverzorgings-toestanden.
Wanneer het zeer machtige en zeer ryke lichaam, dat zich noemt
de diakonie der Nederl. Herv. Kerk voorgaat, wanneer zij voelt
dat de tijden en de omstandigheden nu anders zijn dan in 1797 en
1854, wanneer zij begrijpt wat haar plicht, haar roeping en haar be-
stemming is dan zal zij een zegen zijn en blijven kunnen én voor
de armen én voor geheel de maatschappij.
V.
DE WELDADIGHEID DER KLEINERE DIAKONIEËN.
Wij zullen in deze diakonieën tot goed begrip van het geheele
verband dezer beschouwing nog een scheiding maken moeten.
Vooreerst zullen wij verhalen van die vereenigingen, die tezamen
verbonden z\\jn door de algemeene armenvergadering. Wij komen op
dit lichaam nader terug, alleen zij thans vernield, dat elf der
kerkelijke liefdadigheidsvereenigingen naar dit lichaam haar afge-
vaardigden afzenden. Die elf kerkelijke vereenigingen dus vormen
om zoo te zeggen de „officieele" arm verzorging onzer stad, zij
deelen in de gelden, die aan de Algemeene Armenvergadering
worden gelegateerd. De groote Ned. Hervormde Diakonie bestu-
deerden wij reeds. Een overzicht der kleinere diakonieën volgt thans.
De Lvthcrxéhe gemeente heeft een uitgebreid aantal armen te
verzorgen; er zh\'n vrij veel gegoede leden der gemeente, maar
toch is de zorg der vier diakenen een tamelijk zware en lang
zitten zij soms op hun Dinsdag-avondvergaderingen te arbeiden in
het belang der aan hun zorg toevertrouwde armen. Een afzonder-
lijk Regentencollege beheert het weeshuis
Uit den aard der zaak kan een „kleine" diakonie haar armen
meer naar de bestaande omstandigheden ondersteunen dan de grootere
-ocr page 27-
345
DE PROTESTANTSCHE , ENZ.
lichamen dat doen; van ouder tot ouder kende men de gezinnen;
men kan meer met de reglementen de hand lichten; zoo b. v. is
de bepaalde gereglementeerde eisch, dat het hoofd van het gezin
Luthe»sch zn\'n moet, verder dat men beneden de 50 jaren niet
bedeelt, welnu in beide gevallen , il-y-a des accammodements avec
la diaconie."
Men bedeelt in geld, in natura (kleedingstukken) en brand-
stoffen.
In 1881 tn\'d. bedeeld 18 bhjvend 52 totaal 70
, 1885 ,
          ,          42 „ 60 „ 103
, 1890 „          „           90 , 88 , 178
. 1891 ,                    108 , 84 „ 192
, 1892 ,                   106 , 89 , 195
Het bedrag der bedeeling was:
In giften, in natura
In geld. Op andere wiï\'ze.
In 1881 ƒ 8456,75
             ƒ 690,18&
, 1885 - 7891.79              - 1353,52s
, 1890 - 4308,21"            - 6312,84*
„ 1891 - 4278,15              - 5524,19
, 1892 - 5704                  - 6421,27"
Oppervlakkig beschouwd zouden deze cijfers eenige verwonde-
ring kunnen wekken: hoe is b. v. de bedeeling in natura in 1890
plotseling gerezen tot ƒ 6312,84\' ? De reden daarvan is dat voor
de jaren 1890, 1891, 1892 er bij gevoegd werd de som, die door
de diakonie besteed is aan plaatsing van kinderen in het weeshuis.
En in deze diakonie en de nader te bespreken Waalsche diakonie
betaalt de diakonie aan de weeshuiskas een bepaalde som voor
eiken wees, die op haar kosten geplaatst wordt.
Wij vinden bij de Remonstrantsche Gemeente in 1881 20 gezinnen
vast of tijdelijk bedeeld, 21 in 1885, 31 in 1890, 28 in 1891, 28
in 1892. De som der uitgaven was in:
In 1881 in geld ƒ 611 in natura 82
, 1885 , , - 918 , , 163,50
„ 1890 „ , - 1373,60 „ „ 562,40
, 1891 , , - 1393;54 . „ 451,70
, 1892 , , - 1468,95 „ „ 362,96
Drie arm verzorgers zorgen voor dit kleine kuddeke; uit den aard
-ocr page 28-
346
H. J. DE DOMPIERKE DE CHAUFEPIK.
der zaak kan hier alles veel meer en familie gaan. \'t Is met een
kleine diakonie als met een klein volk: hoe minder er te bespre-
ken en te vergaderen valt des te beter.
De Doopsgezinde Gemeente was tot 1881 verbonden met de
Remonstrantsche Gemeente; in ouden tijd was er in onze stadeen
zelfstandige gemeente; deze is herleefd in 1881; in den tijd van
rust beheerde de Leidsche gemeente het Doopsgezinde vermogen.
Twee leden van het kerkbestuur nemen thans de zorg voor de
armen waar; in 1885 werden 23 gezinnen verzorgd, in 1890 even
zooveel, in 1891 24, in 1892 26. Aan geld is in 1885 ƒ 477,50 uit-
gegeven, in 1890 f 1205,95, in 1891 ƒ 1169,49», in 1892 f 1236,02.
Bovendien werd er in \'92 ƒ 30 aan kaarten voor etenswaren uit-
gegeven en ƒ 24,80 aan brandstoffen.
Het aantal bedeelden der Duitsch Evangelische Gemeente is vrij
aanzienlijk, vooral dat der tijdelijk verzorgden. De armen dezer
gemeente zn\'n voor een deel passanten, Duitschers, die het Ger-
maansche Vaderland hebben verlaten, om in onssteinreich Holland
werk en verdienste te vinden. Helaas is dikwijls noch werk noch
geld te vinden en de Duitsche diakonie moet de zorg opnemen.
In 1881 tijd. bedeeld 96 blijvend 23 totaal 119
. 1885 , , 123 , 47 „ 170
„ 1890 , , 123 , 19 , 142
„ 1891 .
                  114 , 20 , 134
, 1892 „                  165 „ 25 „ 190
Eigenaardig wordt het feit der talrijke doortrekkende Duitschers
nog geïllustreerd door het aantal tijdelijk bedeelden, alleenloo-
pende personen in 1881 76, in 1885 96, in 1890 90, in 1891
89, in 1892 124.
Uitgegeven werd:
In 1881 aan geld 1250,10 in natura 534,26
, 1885 , , 1738,50 „         „ 475,70
, 1890 „ , 1357,52 , „ 901,82
, 1891 „ , 1278,92 „ , 928,76»
„ 1892 , , 2002,81 .         „ 1068,80
Wij vragen thans uwe aandacht voor de ingewikkelde regeling van
diakonale zorg eener in vorming en samenstelling zijnde gemeente.
Wanneer men in de Gemeenteverslagen nagaat de ln\'st der kerkel.
Liefdadigheids-vereenigiugen, vindt men daar vermeld de Christ.
-ocr page 29-
347
DE PKOTESTANTSCHE, ENZ.
Gereformeerde gemeente, afd. Wagenstraat en afd. Nobelstraat. Tot
in Januari 1892 vormden deze beide kerken de zoogenaamde „Afge-
seheidenen", maar na dien datum is er een verbinding tot stand
gekomen der Christeln\'k Gereformeerden met zg. „Doleerenden";
samen vormen z;j de Gereformeerde Kerken. Een deel echter der
leden van de vroegere Chr. Gereformeerde Gemeente wenschte die
samensmelting niet en vormde eene afzonderlijk gemeente.
Van het oogpunt der arverzorging zyn er thans nog drie dia-
konieën, I. de diakonie der Gereformeerde Kerk A (kerkgebouwen
in de Nobelstraat en Wagenstraat); II. de diakonie der Gerefor-
meerde Kerk B (kerkgebouwen op de Beestenmarkt en in de Bazar-
laan, dit zijn de vroeger zg. Dolleerenden); III. de arm verzorging
der Christelük Gereformeerde Kerk in de Snoekstraat.
Daar wjj ons thans alleen bezighouden met de corporatiën, die
vertegenwoordigers naar de Algem. Armenvergadering zenden, valt
alleen de onder I genoemde diakonie binnen de grenzen dezer be-
schouwing, daar alleen zy vertegenwoordigers daarheen zendt.
Een twaalftal diakenen dragen zorg voor de armen dezer gemeente ;
z\\j vergaderen eiken Maandag en nemen als leiddraad voor hun
arbeid § XXV van de kerkenordening, gesteld in de Nationale Synode
der Gereformeerde kerken, te zamen geroepen binnen Dordrecht
in de jaren 1618/19: „Der diakenen eigen ambt is de aalmoezen
„en andere armengoederen naarstigljjk te verzamelen, en die ge-
„trouwelyk en vlijtiglyk naar den eisch der behoeftigen... uit te
„deelen, de benauwden te bezoeken en te vertroosten, en wel toe
„te zien, dat de aalmoezen niet misbruikt worden."
Wanneer de arme zich aanmeldt, wordt door twee diakenen een
ernstig onderzoek ingesteld; bij de b\'edeeling tracht men zoo vrü\'-
gevig mogelijk te zijn; wanneer men daartoe in staat is, strekt men
die zelfs uit buiten den engen kring der gemeente. Men bedeelt
voor ongeveer f3,30 a f2,50 per week; bij ziektegevallen worden
er buitengewone ondersteuningen in eieren, melk enz. toegestaan;
men geeft geen bons, maar lijsten aan bepaalde leveranciers, waar
de armen zich kunnen aanmelden.
De gezinnen worden, en dit geldt voor al de tot nu toe behan-
delde diakonieën, niet elke week bezocht, de giften worden niet
in de huizen uitgereikt, maar worden meest afgehaald aan de kerk-
gebouwen; een der diakenen ziet of eens per week, öf eens in de
-ocr page 30-
348
H. J. DE DOMPJEKRE DE CHAUFEPIJ5.
veertien dagen de armen. Tevens worden er in alle kleine diakonieè\'n
niet Kerstmis, met Paschen, met Nieuwjaar, met St. Nico! aas extra-
uitdeelingen gehouden. In de Luthersche, Doopsgezinde en Gerefor-
meerde Gemeente A. zijn Dames-Vereenigingen, die gemeenschap-
pelijk met diakenen arbeiden; haar werkkring bespreken wij nadei\\
Om onze lezers niet aan cijfers te ontwennen: de volgende voor
de gemeenten, waar wij ons thans mee bezighouden. Voor de jaren
1881, 1885, 1890 geven wij de cijfers ontleend aan de Gemeente-
verslagen over de twee afdeelingen der Chr. Gereformeerde Ge-
meente. Die van 1891, een jaar van overgang, geven wij niet, over
1892 geven wij de cijfers der Gereformeerde Kerk A.
In \'81 tijd. bed. 47, blijvend 70, tot. 117
■ \'85 „ . 59, , 79, „ 138
, \'90 , , 03, „ 84, , 177
De Gereformeerde Gemeente A. bedeelde tijdelijk in 1892 15
hoofden van gezinnen, blijvend 35, tot 50.
Uitgegeven werd aan geld.
In 1881 3308,35, in natura 700
„ 1885 4180,60, „ , 018,75
„ 1890 4474,42, „ „ 498,42
De diakonie der Gereformeerde Kerk A. gaf in 1892 voor de zorg
der armen uit ongeveer f5600 (alles daaronder begrepen).
Vóórdat wij afstappen van deze gemeente een citaat, ontleend
aan de Kerkenordening van 1619. „De diakenen zullen, ter plaatse
„waar Huiszittenmeesters of andere Aalmoezeniers zijn, van dezen
„begeeren goede correspondentie met hen te willen houden, ten
„einde de aalmoezen te beter uitgedeeld mogen worden
„onder degenen die meest gebrek hebben." Dit is een mooi woord
dryvende tot samenwerking; mocht het allen bezielen, die in den
jare 1893 in on»e stad „Huiszittenmeesters" of „Aalmoezeniers" zijn."
Thans komen wy tot de andere kleinere diakonieè\'n.
Steller dezer schetsen heeft het voorrecht diaken te zijn van een
der kleinere diakonieè\'n: de Waalsche. Het zij hem vergund een
door hem opgedane ondervinding mee te deelen, die eigenaardig
de publieke opinie over de kleinere kerkelijke weldadigheid tee-
kent. Hij becollecteert, eens per jaar, een wijk van \'s Graven-
hage; in een voorname en mooie straat werd hem onlangs aan
drie huizen van zeer rn\'ke, zeer ontwikkelde en zelfs „welden-
-ocr page 31-
DE PKOTESTANTSCHE , ENZ.                                             349
kende" stadgenooten het vriendelijk bescheid gegeven: „manheer
doet er niet aan". Die heeren „doen er niet aan" uit principe. Wtf
laten in het midden of het niet voor den diaken en zijn verkleumde
weesjongens, op een snerpend kouden winterdag deur aan deur
de gaven vragen, beleefder was om al was het ook „een cent" in
de bus te doen werpen. Eens zelfs zeide een goedige oud-modelsche
keukenmeid: „mynheer doet er niet aan, maar ik..." en de gift
klonk in de bus. Wy herhalen het, gaarne nemen wy aan, dat
het geen schrielheid is, maar het is „ principe". En dat principe
is onjuist.
Wij nemen nu bij toeval de Waalsche diakonie, elke andere
kleinere kerkelijke philanthropie zou men er voor in de plaats kun-
nen stellen. Elk kerkgenootschap heeft z ij n armen, van ouder tot
ouder, die z\\j niet kan en mag zonder hulp en steun laten. De
Waalsche diakonie b. v. heeft vier groepen bedeelden, vooreerst de
vastbedeelden, ouden van dagen en kinderen. Voor de kinderen
worden na den dood der ouders de kosten van onderhoud in het
weeshuis betaald- Voor de kinderen uit bedoelde gezinnen wordt
een bepaalde som in de kas van het weeshuis gestort, per jaar,
voor elk daar opgenomen kind. Helaas behooren ook tot deze groep
enkele gezinnen, waar de hoofden valide personen zijn, maar die
of door ongeluk öf door schuld diep gezonken zyn.
Een tweede groep vormen de zoogenaamde pauvres honteux, vroeger
dikwn\'ls welgesteldeu, thans verarmd, geheel buiten eigen schuld.
Haast zou mij de verleiding bekruipen om een voorbeeld te schetsen:
een oud vrouwtje, op een bovenkamertje, mooie zuivere trekken
nog, grijze haren langs een zeer zuiver gevormd gezicht, lange witte
handen, die gekruist liggen op de tafel als ze in half Fransch en
Hollandseh haar leven van werken en tobben, van vlug verdwenen
geluk en langdurende armoede verhaalt.
Een derde groep vormen de gewone tijdelijk bedeelden, de vaste
klanten van eiken winter. Een vierde de pauvres passants, dat wil
zeggen losloopende zwervelingen. Daar voor de verarmde Franschen
de Sociétc de bienfwisance fran<;aise zorgt, is deze personengroep aau-
merkelijk minder dan in de Duitsche Gemeente.
Voor de armen zorgen een achttal diakenen; tweemaal in de maand
worden de giften en „kaarten" uitgereikt door een der daarvoor
aangewezen diakenen. Het bedrag in geld is per week ongeveer
-ocr page 32-
350                                     H. J. DE DOMPIEKRE DE CHAUFEPIÉ.
/"2 a 2,50, de kaarten zijn voor levensmiddelen. In den winter
worden brandstoffen verstrekt.
De cijfers dezer diakonie zijn de volgende:
9, 1
blh\'v.
71, tot.
80
18,
fl
44, ,
61
33,
B
59. ,
92
39,
ïï
54, ,
93
20,
»
66, „
8G
In \'81 werden tijdel. bed.
» 85 „              „ „
\'90
» ■>"             »                   ui,
\'91
. \'93 ,           ,
Hieronder zijn niet de op kosten der diakonie verpleegde kin-
deren begrepen.
Uitgegeven werd:
aan geld in natura of anders
In 1881 2770
                      6454,24*
„ 1885 3393,50                 8374,92
, 1890 3863,05                 7814,52
, 1891 4025,40                 7814,51"
, 1892 3832,94"               6476,87
Onder de rubriek „in natura of anders" zn\'n opgenomen de kosten
voor uitbesteding van weezen en halve weezen in het weeshuis.
Zuiver werd in levensmiddelen , brandstoffen en kleedingsstukken
bedeeld in 1881 tot een bedrag van ƒ1665,07*, in 1885 tot een be-
drag van ƒ1404, in 1890 tot een bedrag van ƒ 1486,05, in 1892 tot
een bedrag van ƒ1626,70.
Wij stonden eenigszins langer stil by deze diakonie, omdat zy
een beeld van den arbeid van al de kleinere diakonieën vormt,
een arbeid, die zeer heilzaam is, vooral wanneer ook daar de over-
tuiging doordringt, dat men niet zn\'n moet een te klein afgesloten
vestinkje, dat opgericht is tegen de dreigende armoede, maar een
corporatie, geroepen om in engen kring de armoede te bestrijden
en daarbij met anderen samen te werken. Het belang van eigen
armen behartigend, mag men nooit dat der maatschappij verwaar-
loozen en schaden.
Wat is nu het verband tusschen de diakonieën, die wij aanwezen
met het woordje: officieel? Hetisdealgemeene armenver-
ga d e r i n g. De tot nu toe door ons besproken diakonieën bene-
vens de Roomsch-Katholieke, de Israëlitische de Portugeesch-Is-
raelitische en de oud-Roomsche zenden, in verhouding harer armen,
twee, drie ot meer afgevaardigden naar dit lichaam.
-ocr page 33-
DE PKOTESTANTSCHE, ENZ.                                            351
De algemeene armenvevgadering is een vrucht der Fransche revo-
lutie. In 1797 werd de „bevoorrechting" der diakonie van de Nederl.
Herv. Gemeente opgeheven; daaruit volgde, dat geen gelden (belas-
tingen, octrooien enz.) meer mochten worden uitgekeerd aan een
diakonie. Van 1797 tot 1799 stak de gemeente \'s Gravenhage de uit
dezen maatregel voortvloeiende baten op, maar in 1799 vroegen de
armbesturen gezamenlijk om het hun toekomende deel der gelden,
en in 1799 werd de eerste algemeene armenvergadering be-
legd, waar een achttal corporatiëu in vertegenwoordigd werden.
Men verdeelde daar de disponibele gelden. Het oorspronkelijk ka-
rakter dus der algemeene armenvergadering is administratief
en financieel. Nu is dit nog hetzelfde als in 1797. Ook nu nog
worden de ingekomen gelden verdeeld en bestaat de door deze
„armenvergadering" tot stand gebrachte centralisatie uit de waar-
neming van financieele zorgen; men past er op, dat men niet
in elkanders vaarwater komt, maar men zoekt nog geen eigen stroom,
om in te arbeiden èn in het belang van armen, èn in dat der maat-
schappij.
VI.
KLEINE LIEFDADIGE VEREENIGINGEN.
Thans resten ons nog enkele kerkelijke lichamen, die min of
meer zich voegen bij de verschillende uitingen eener kerkelijke
armenzorg.
Vooreerst dan de Engelsche kerk. Haar zorg is meest alleen
voor passanten; hun aantal bedraagt per jaar een veertigtal. De
voor hen gedane uitgaven zü\'n meest vergoeding van reisgeld,
tvjdeln\'ke ondersteuning in geval van ziekte enz. Er wordt onge-
veer ƒ 200 uitgegeven.
Een vrij uitgebreide en de aandacht overwaardige diakonie is
die der Gereformeerde Kerk B (vroeger de Nederlandsch Gerefor-
meerde kerk in doleantie). Evenals de armverzorging der vroeger
behandelde Kerk A berust zij op de Kerkenordening van 1618,
aangevuld door de huishoudelijke reglementen. Om den geest dier
armverzorging te schetsen, z\\j ons een citaat uit de Z. H.
Kerkbode.
» De diakonale bediening... zoekt zooveel mogelijk de ellende te
-ocr page 34-
352                                , H. J. DE DOMPIERRE DE CHAUFEPIÉ.
„ verzachten, maar met de zedelijke strekking om die ellende zoo-
9 veel mogenjk weg te nemen door bestrijding en wegneming van
„ de oorzaak... Een sleurende bedeeling, waardoor de kracht,
„ die God in het gezin of de personen legde, niet... tot vrucht-
„bare werking komt, ontkracht het gezin en de maatschappij meer,
„ dan dat z\\] geneest. De sleurende bedeeling zonder zedelyke
„prikkeling, ondersteuning en leiding is slechts georganiseerde
„ bedelarij en kweekt het proletariaat in stee van het af te breken.
„ De diakonale bediening moet de zorg der kerk geven om, wat
, in \'t stof ligt neergebogen, weer op te richten . .. zonder daar-
a mee de overgebleven kracht te krenken of het verkeerde te
, voeden."
„ Het bezoek, het woord en de hulp der diakenen zn\'n meer
„dan hun gave."
Dit was een eenigszins lang, maar mooi citaat. Ook zij, die zich
niet stellen kunnen op de basis dezer kerk, zullen deze flinke,
ware, eenvoudige woorden bewonderen. De wijze, waarop deze
diakonie ingericht is, beantwoordt aan de hooge eischen, die zg
zichzelf stelt.
De diakenen, 12 in aantal, vergaderen eens per week en be-
zoeken twee aan twee geregeld elke week de gezinnen, die men
na ernstig onderzoek als bedeeld opgenomen heeft. Bjj die bezoeken
worden de giften uitgereikt.
Wy vinden dus hier èn geregeld huisbezoek èn het uitreiken
der giften in de gezinnen. Men bedeelt voor alles zoo mogelijk
naar de inderdaad bestaande behoefte; wanneer men door voor-
schotten helpen kan, schiet men voor; wanneer er zieken zyn,
geeft men versterkende middelen. De giften bestaan in bn\'dragen
van ƒ 1 a 3 per week. Een damesvereeniging, het zuster-comité,
staat naast de diakonie; hoe dit werkt, zullen w\\j nader trachten
te schetsen. De cn\'fers dezer gemeente zn\'n de volgende:
In 1889/90 werden tijdelijk bedeeld 20, blijvend 75 personen en
gezinnen; in 1890/91 28 en 60; in 1891/92 35 en 50.
Uitgegeven werd aan geld in \'89/90 ƒ 4300, in natura ƒ 860; in
\'90/91 ƒ 4000 en ƒ 1000; in \'91/92 ƒ 3823 en 1100.
Bovendien werden voor verpleegkosten van zieken uitgegeven in
\'89/90 ƒ 360, in \'90/91 ƒ 500, in \'91/92 ƒ 830. De verzorging der
weezen in het zg. weezen-gezin wordt nader door ons besproken.
-ocr page 35-
353
DE PEOTESTANTSCHE, ENZ.
Naast deze corporatie staat nog dat deel der oude Gereformeerde
Gemeente, dat zich niet aangesloten heeft by de Gereformeerde
Kerk en die thans vormt de Christelijk Gereformeerde Gemeente;
daar deze gemeente in een overgangs-periode verkeert, was het
moeilijk daar bepaalde cijfers van te erlangen.
Een ander afgescheiden kerk vormt de Oud-Gereformeerde Ge-
meente, wier kerkgebouw is aan den Zuid-Binnensingel. Wy- ge-
looven, dat wy- deze diakonieën voor ongeveer ƒ 1500 zullen mogen
noteeren, daar dit ongeveer vertegenwoordigt, wat door haar uitge-
gegeven wordt.
In een ander deel der stad vergadert een groep personen, die in den
mond des volks , Darbisten" genoemd worden; de vergadering
zelve aanvaardt dien naam niet. Uit deze kleine, hoogst ernstige
personen-groep nemen twee broeders het ambt van diakenen waar.
Daar men de gezinnen zeer goed kent, tracht men, waar armoede
dreigt, die te voorkomen, en vooral waar in de wintermaanden
armoede heerscht, die te verzachten. Ongeveer ƒ 800 per jaar wordt
er uitgegeven.
Een andere kring personen, bekend onder den naam van Aposto-
lische gemeente, houdt zyn samenkomsten in de Riemerstraat.
Enkele broeders wyden zich aan de taak der weldadigheid.
In 1881 werden 16 hoofden van gezinnen en alleenloopende per-
sonen verzorgd, in 1885 21, in 1890 32, in 1892 31. Uitgegeven
werd in 1892 ƒ 1002,98\'.
Buiten de officieele diakonieën, werden er door kerkelijke ver-
eenigingen in 1892 dus ongeveer ƒ 8425 uitgegeven. Wanneer onze
lezers zich verbeelden mochten, dat het einde bereikt is der lief-
dadige vereenigingen, die in min of meer eng verband staan met
de verschillende kerkgenootschappen, dan zouden zy zich bedriegen.
In den boezem der kerkelijke gemeenten en corporatiën, die wy-
bespraken, bevinden zich nog vereenigingen, die armen onder-
steunen. Wy mogen deze niet stilzwijgend voorbijgaan, vooral
daar enkele dier corporatiën van eminent belang zyn en een zeer
uitgebreid arbeidsveld hebben.
Vooraf een opmerking. Waar het tot nu toe vry gemakkelijk
was ziekenzorg van armenzorg,te scheiden, wordt dit nu moeilijker;
ook werkverschaffing aan vrouwen vormt een onderdeel van vele
der vereenigingen, die wy nu bespreken gaan, maar zooveel moge-
BOUWSTEENEN XII.                                                                                                           23
-ocr page 36-
354
H. J. DE DOMPIERRE DE CHAÜFEPIE.
lyk zullen wn\' trachten de orde en regelmaat te bewaren, daar
inderdaad de zorg voor behoeftige zieken een geheel ander karakter
heeft, dan die voor gezonde personen.
Thans vragen dus vooreerst onze aandacht de verschillende
Wijkvereenigingen.
De Ned. Hervormde Gemeente is verdeeld in 11 predikanten-
wn\'ken, waarin 12 predikanten werkzaam zijn. De oudste predikant
heeft geen wijk, elk der overige heeft een wn\'k. Uit den aard der
zaak is deze wijkverdeeling van het oogpunt der weldadigheid zeer
gebrekkig. Sommige predikanten immers arbeiden in zeer arme
wijken, waar hofje aan hofje vol is van Protestantsche behoeftigen,
andere weder hebben hun veld van arbeid in zeer rijke kwartieren.
De bedoeling dezer indeeling is nooit geweest het regelen van een
philanthropischen arbeid, maar wel een indeeling uit het oogpunt
van het pastorale werk. Wy meenen in de wn\'ze, waarop de predi-
kanten staan tegenover de liefdadigheid in hun wn\'k, drie cate-
gorieën te kunnen onderscheiden. Terloops een opmerking, die ons
genoegen doet. Verschillende predikanten wezen ons op het onont-
beerlijke, hoog noodige der uitbreiding van het aantal armver-
zorgers in den boezem der gemeente. Al zijn er dan ook reglemen-
taire en utilistische bezwaren om het aantal diakenen uit te
breiden, maak dan wijkbroeders, zoo was hun oordeel; 30 jaren
geleden is deze aangelegenheid besproken in den Kerkeraad, en
thans...?
Drie meeningen dus heerschen in den boezem der gemeente.
Een deel meent, dat de uitoefening der liefdadigheid uitsluitend
de taak is der diakonie, het daarvoor gestelde kerkelijke lichaam,
behoudens particuliere liefdadigheid, die geheel vrijstaat aan elk
individu, of predikant of leek.
Wy kunnen ons het voorrecht niet onthouden om een citaat te geven
uit een brief van den onlangs gestorven, zoo diep in de \'s-Graven-
haagsche gemeente betreurden ds. van Koetsveld. Op enkele vragen
die wij hem stelden schreef h\\j ons. „ Ik ben van vroeger geslacht,
B en meen dat elke armbedeeling zooveel mogelijk door de erkende
„ Armbesturen moet gedaan worden. Elke armverzorging maakt
„ armen. Ik heb daarom gemeend, dat armbezoek veel noodiger was
„ dan nieuwe armenzorg en daarom reeds voor meer dan 30 jaren
„stelde ik den kerkeraad voor, wijkbroeders te benoemen,die den
-ocr page 37-
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.                                             355
„armen den weg wijzen zouden, of eene kleine ondersteuning in
„ eens geven. Maar wij waren toen in den conservatieven tijd en
„ik vond bij niemand medewerking."
Waren vele in onzen tijd van een „vroeger geslacht" in den
geest van den waardigen schrijver van dezen brief, dan zou er
heel wat verbeterd, verfrischt en werkzaam leven zijn!
Een andere groep meent, dat in de vereenigingen van inwendige
zending, die dank zij het initiatief der predikanten worden opge-
richt, nu en dan ondersteuning in armoede, verpleging in ziekte
op haar plaats is.
Een derde groep is van oordeel, dat het inrichten van een be-
paalden wijkarbeid voor armen en vooral ook voor zieken onaf-
scheidelijk te verbinden is aan de inwendige zending. Het beoor-
deelen en bespreken dezer beschouwingen ligt buiten onze be-
voegdheid en grenzen.
Van de wy\'k vereenigingen nu zijn er twee georganiseerd met
het oog op de uit te oefenen armen- en ziekenzorg, de overige
stellen voor alles op den voorgrond de inwendige zending: te
weten Zondagsscholen, bidstonden, samenkomsten met lidmaten
enz. enz.
De meest uitgebreide dier vereenigingen is die van ds. Van Gheel
Gildemeester in zijn wijk.
Deze wyk is eigenaardig samengesteld; ze bevat zeer arme
en daarnaast zeer rijke buurten. Het hoofdstreven is om zoo
mogelijk binnen deze enge grenzen de rijken voor de armen te
laten zorgen. Een middelpunt dezer armverzorging vormt een ge-
bouw aan den Zuid-Oost-Buitensingel „Pniè\'1."
Een tal van dames arbeiden daar samen met „ wykbroeders."
Naast werkverschaffing en ziekenzorg, die buiten het kader der be-
schouwingen vallen, wordt er echter ook bedeeld.
De gezinnen, die zich Dinsdags middags aanmelden worden voor-
eerst aan een onderzoek onderworpen en daarna gesteund, meest
door giften in „ natura", soms bij uitzondering in geld. De giften
in natura worden op bons verkrijgbaar gesteld; deze zy\'n echter
alleen bij bepaalde winkeliers inwisselbaar.
Kleedingstukken worden uitgedeeld tegen den inkoopsprijs van
het goed, de vereeniging betaalt het werkloon. Zoo mogelijk tracht
men naar samenwerking met diakenen en met „ de stad." Zoo lang
-ocr page 38-
356
H. J. DE DOMPIEEEE DE CHAUFEPU5.
echter alles afhangt van goeden wil, wederzydsche welwillendheid
en neigingen, is die samenwerking meer phrase dan wezen. Zeer
zeker worden enkele misbruiken gekeerd; grondige misbruiken-
bestrijding, zelf in den engen kring van de Protestantsche wyken
is er niet.
Het geven van cijfers over dergelijke aan particuliere liefdadig-
heid grenzende vereenigingen is niet gemakkelijk; waar by parti-
culiere liefdadigheid deels te eerbiedigen scrupules, deels ongewet-
tigde overdreven individueele ideeën het geven van cyfers bezwaarlijk
maakt, ontmoeten wij deze moeilijkheid reeds nu. In het geheel
wordt ongeveer f 8000 uitgegeven per jaar, (met inbegrip der
zielzorg).
Een tweede georganiseerde vereeniging werkt in de wyk van ds.
Heinecken. Het wykgebouw is aan de Veenkade gevestigd, de hoofd-
werkzaamheid is meer dan in wijk V ziekenzorg. Nader zal zy dus
onze aandacht vragen; in geval van ziekte, dit zij reeds hier ge-
constateerd, bedeelt ze bepaald. Wij moeten hier wyzen op een
vorm der particuliere liefdadigheid, wier uitgebreidheid moeilyk na
te gaan en die toch van groote beteekenis is. In verschillende
wijken geven bemiddelde gezinnen of eiken dag, of een paar maal
in de week aan armen een versterkend middagmaal.
Zoo werd er b. v. aan de zieke gezinnen in de wijk, waar wy
thans over spreken, in versterkende middelen direct van de Ver-
eeniging en door weldadige wijkgenooten bedeeld tot een bedrag
van ƒ 2453,19\'/»; 220 gezinnen genoten ondersteuning.
In een derde wijk (men lette er op, dat wy\' niet zeggen in d e
derde wyk) ontmoeten wy\' vooreerst de inwendige zending en het
werk der evangelisatie; by bestaande behoefte wordt zonder be-
paalde organisatie ondersteund.
Een vierde wijk vereeniging weder geeft bons uit, versterkende •
middelen; een dames-comité zorgt voor kleederen. Een bedrag van
ƒ 300 ongeveer wordt er besteed.
In een andere wyk weder arbeidt de predikant met enkelen zyner
mede-gemeenteleden, geheel afgescheiden van de ook door hem be-
heerde wijk vereenigingen voor evangelisatie. Er wordt ongeveer
/"500 a ƒ600 uitgegeven. In denzelfden geest ontmoeten wy in een
onzer armste en volkry\'kste kwartieren deD persoonlyken arbeid
van den dominé, met enkele hulpvaardige broeders en zusters. In 1892
-ocr page 39-
357
DE PE0TE9TANTSCHE, ENZ.
werd daar ongeveer ƒ800 uitgegeven voor een 36-tal gezinnen. Twee
andere predikanten werken in denzelfden geest en op dezelfde
wijze.
Voordat wjj onze conclusiè\'n over den arbeid der Wijkvereenigingen
trekken een drietal opmerkingen: Vooreerst, dat bij dien arbeid een
groot deel aan onze aandacht moest ontsnappen, daar én wat de
predikanten uit eigen hoofde uitgeven én wat particulieren op voor-
lichting van de predikanten schenken, buiten het meest microscopische
onderzoek blijft.
Verder treft ons de volkomen onsamenhangendheid van dit w\\jk-
werk; de predikanten zelf erkennen, dat er tallooze misbruiken
voorkomen, en onloochenbaar is het, dat er armoede en bedelzucht
wordt geschept. Ten slotte wijzen wy reeds nu op de „bons", die
in tallooze vormen worden uitgegeven, zonder eenigen waarborg.
Nader zien wij dit groote kaad onder de oogen.
De arbeid in wijken heeft veel aantrekkelijks en bewonderens-
waardigs. Er wordt, dank zij de opoffering der arbeidende dames,
dank z\\j den ernst, de persoonlijke bemoeiingen van mannen van
allerlei rang en stand, zeer heilzaan gearbeid; het is thans bij de
verouderde diakonale inrichting een noodzakelijk complement. Het
dikwijls grondig onderzoek, het veelvuldig huisbezoek, het persoon-
lijk bestrijden van zonden en verkeerdheden, \'t zijn groote voor-
deelen, maar daarnaast staan bezwaren, wanneer deze arbeid,
steunende op een persoonlijke interpretatie van de principes der
liefdadigheid, zich omringt van een waas van geheimzinnigheid en
meent alleen goed te doen op eigen manier, zonder eenigszins
met sociale en maatschappelijke eischen te rade te gaan.
Wanneer een wykvereeniging bedeelt zonder de beschikbare ge-
gevens te raadplegen en zonder geneigdheid om meetedeelen, hoe
en wie ze ondersteunt, dan kan zulk een arbied maatschappelijk kwaad
doen ontstaan; wat ze opbouwt door haar arm verzorging, breekt
ze af door haar armen kweeken. Gelukkig dat in onze stad dergelijke
kortzichtigheid niet of in zeer geringe mate voorkomt. Er is nog
een ander gevaar — een gevaar trouwens, eigen aan zeer veel
vormen van armverzorging; men schept zoo gemakkelijk een soort
locale wijktyrannie, die zelfstandigheid breekt, oogendienst kweekt,
huichelarij doet ontstaan. Wanneer men, afgaande op buren-
rapporten, zelfs op een wijkbroedersmededeeling, de bedeeling
-ocr page 40-
358
H. J. DE DOMPIEKEE DE CHAUFEPIÉ.
niaakt tot middel om een gezin te sturen in de richting, waarin
men het wil hebben, dan breekt men zoo licht het zelfver-
trouwen , het zelfstandigheidsgevoel van hen, die nog geen paupers
zyn, maar wel ondersteuning behoeven. Zoo juist staat er in het
artikel, waar wy reeds een citaat aan ontleenden: jZy (dearmver-
zogers) moeten niet de zelfstandigheid van het gezin afbreken,
maar opbouwen."
Wy waren misschien eenigszins te uitvoering, maar de reden
daarvan is, dat in de grondgedachte van den wjjkarbeid zooveel
moois, verhevens en navolgenswaardigs schuilt, maar dat de daaraan
verbonden gevaren ook zoo groot zun.
Naast de wykvereenigingen der Nederduitsch Hervormde Gemeente
staat vooreerst de arbeid van de Luthersche Vrouwenvereeniging. De
voornaamste arbeid dier Vereeniging is het uitgeven van kleederen.
Ongeveer een f 500 worden uitgegeven. Ook in de Doopsgezinde
Gemeente en in de Gereformeerde kerk A arbeiden vrouwen en
jonge meisjes-veseenigingen naast en met de diakonie. Enkele derge-
lijke kringen, waar het hoofddoel is werkverschaffing, zullen
nog nader onze aandacht vragen. Er zullen zeer zeker kleinere groepen
personen zijn, die op deze wijze uitdeelingen houden, maar wanneer
zij geen aansluitingspunt met de diakonieën of andere liefdadige
corporatiën hebben, is het moeielyk haar werk na te gaan.
Eigenaardig en een afzonderlijke vermelding waardig is het zg.
zustercomité in de Gereformeerde Gemeente B (vroeger in doleantie)
Zy verdient onze aandacht vooral daarom, omdat ze in geheel enge
samenwerking arbeidt met het voor de liefdadigheid gestelde
lichaam: de diakonie en___omdat ze niets aan gaven geeft. Dit
klinkt zonderling en toch is het waar: — Voor een onderdeel van
haar werk, de zorg voor de weezen in het weezengezin, heeft zg
wel een kas en een penningmeesteres, voor haar verderen arbeid,
de zorg voor armen buitenshuis, „heeft het zustercomité geen
geld of goed, en geeft geen geld of goed," behoudens wat de
armenbezoekende zusters uit eigen fondsen willen geven. Wanneer
het den diakenen voorkomt, dat naast het geregelde huisbezoek,
naast het gewoon diakonaal bedeelen medewerking van vrouwen
noodig is, dan geeft men de gezinnen aan het zustercomité op.
Wanneer er velen te verzorgen zu\'n, wanneer er kraamvrouwen te
raden en ondersteunen zyn, wanneer er kinderen voort te helpen
-ocr page 41-
DE PROTESTANTSCHE, ENZ.                                              359
zÜ n, dan treedt de vrouw de woning der armen binnen. Zonder
medeweten der diakenen treedt dit comité niet op. Gemakkelijk
ziet men hoe hoog opgevat deze aanvulling der diakonale werk-
zaamheden is; in de praktyk worden daardoor van verschillenden
stand samengebracht en de dikwijls theoretiseerende, eenigszins
harde bemoeiingen van diakenen worden verzacht, verbeterd en
aangevuld door de helpende en met de armen meelevende en
lijdende vrouwen.
\'t Zou moeilijk zijn om uit de voorgaande schets bepaalde, scherp
omschreven conclusiën te trekken; wij letten immers alleen op de
Protestantsche liefdadigheid, en vestigen alleen de aandacht op een
harer vormen: de bedeeling zonder te spreken over werkverschaf-
fing, ziekenzorg en gestichten. Wanneer de redacteur van dit
tijdschrift ons dit gedoogt, zullen wn\' gaarne in een der volgende
nummers daaraan de aandacht wijden. Er is meer nog wat ons
weerhoudt om bepaalde conclusies te trekken, \'t is dit: wij bewogen
ons in een stad, waar ryke Protestanten wonen, naast een niet
te groot aantal behoeftige gemeenteleden; in vele steden en vooral
in vele dorpen van ons vaderland is de verhouding geheel anders.
Wanneer wij niet concludeeren dan hebben wij toch wel wenschen:
Een der voornaamste is dat de Synode der Ned. Herv. kerk besluite
om een onderzoek te openen: vooreerst hoe de gemeenten in zake
armverzorging arbeiden, en in de tweede plaats uit het verslag
der enquête den weg zoeken tot hervorming der Diakonale Regle-
menten naar den drang der tn\'den. Een tweede wensch is meer
gericht tot de lezers en medewerkers van dit tijdschrift. Zou niet
in Amsterdam b.v. iemand te vinden zn\'n die daar de Ned. Herv.
Diakonie bestudeeren wilde, en zijn resultaten willen publiceeren;
zou niet in de arme Friesche Gemeenten, waar ieder angstig
henen staart met diep medelijdend gevoel, ook een verslaggever
optreden willen, om wat hij weet en ziet te verhalen?
Veler wensch en veler werk is noodig om een ingrijpende ver-
beterde Protestantsche armverzorging voor te bereiden, en de
zorg voor behoeftigen en vooral voor hen, die op de grenzen der
armoede staan, te maken tot een levende, reddende kracht.
November \'93.