-ocr page 1-
yr^y10
^ /-^Cvy^^
^7t»
TER NAGEDACHTENIS
VAN
•
DR. EGBERTHEIMERICH LASONDER,
TV T1TVIJW
in Li f. \\ E.W
Kerkelijk Hoogleeraar aan de Utrochtscho Universiteit,
DOOK
D\', J. HARTOG.
te ROTTERDAM,"bij
r D. J. P. STORM LOTZ,
1 8 8 6.
-ocr page 2-
-ocr page 3-
BfBLIÜTHEiK
NED. HÊï?V.
KERK
Dr. EGBERT HEIMERI
„Hij was een goed man, en vol des
Heiligen Geestes en des geloofs".
Den 6den Julrj van het jaar \'84 genoot ik het
voorregt een mijner vrienden voor mij te zien optreden
en eene predikatie te hooren, die niet ligt uit mijn
geheugen zal verdwijnen. De tekst was Hebr. XI: 4c:
„En door hetzelve spreekt hij nog, nadat hij
gestorven is. Zes dagen daarna zou het de sterfdag
zijn van Prins willem I, en met het oog daarop be-
paalde de prediker ons bij den Vader des Vaderlands,
sprekende nadat hij gestorven is. Onder andere schoone
gedachten, door hem ontwikkeld, trof mij ook deze,
die ik hier laat volgen in den zelfden vorm, waarin
hij ze ons ter overweging aanbood: De gestorve-
nen spreken. Indien het u gaat als mij, — en mij
dunkt, dat moet wel zóó zijn, want hier roeren wij de
snaren aan van een algemeen menschelijk gevoel, —
dan doet deze gedachte u diep-weemoedig aan. Die
stemmen der ontslapenen hadden eens, misschien in
reeds lang vervlogene, schoone dagen, den vollen, blij-
den klank des levens. Nu hoort gij hen spreken; het
doet u wel goed, meer dan gij zoggen kunt; maar het
4/ £. </8
-ocr page 4-
2
hart krimpt u van rouw ineen, en een stille traan ont-
vloeit aan uw oog, nu het die geliefde gestalte ziet
oprijzen uit het graf des verledens. Neen, gij beweert
niet, dat hun heengaan voor de menschheid, voor het
vaderland, of zelfs voor de stad uwer inwoning de
heteekenis had van het sterven van den Vader des
Vaderlands, dat geheel Nederland deed weenen, en
nog na drie eeuwen met diepe aandoening wordt her-
dacht. Maar voor u werd in uwen vader, uwe echt-
genoot, uw lief, eenig kind, alles verloren wat de
hoogste waarde aan uw leven gaf; \'t was u, alsof uw
leven geen leven meer was! Ween dan vrij, als gij
die stemmen uit eene hoogere wereld verneemt. Maar
ween niet als dezulken, die geen hoop hebben! Uwe
dierbare ontslapenen zijn ingegaan tot het leven der
onverderfelijkheid. Wat hun zei ven betreft, is er geen
reden om hun de rust en de heerlijkheid te misgunnen
van dat eeuwige leven, dat een eeuwig werken is, in
hoogere wereldorde, aan de verwezenlijking der bedoe-
lingen Gods, een leven van heiligheid en zaligheid in
de liefde. Wat u zelven aangaat, „het huis des Vaders
met de vele woningen" staat ook voor u open. Jezus
Christus leeft, die voor u, even als voor uwe vroeg
gestorven vrienden, eene plaats heeft bereid. Zorg maar
dat gij doet, met gemoedelijke trouw en bljjmoedigen
ernst, wat zij u komen zeggen in de uren, waarin gij
de stemmen der gezaligde geesten verneemt, en het zal
u, telkens meer, een heilig zielsgenot zijn, hen te hooren
spreken nadat zij gestorven zijn."
Die zoo sprak was egbert ueimerich lasonder. (1)
Wie kon denken, dat wij zóó kort daarna reeds van
hem zouden moeten spreken als van een dierbaren
-ocr page 5-
3
ontslapene, en bij zijn graf den troost zouden behoeven,
dien bij ons had aangeboden! Gelukkig dat die troost
er is en wij er ons aan kunnen ophalen, terwijl wij
met een treurend hart ons zetten tot het vervullen van
de taak, om aan deze plaats een woord te spreken tot
nagedachtenis van hem, in wien aan velen zooveel
ontviel.
In den vroegen morgen van den 18 Augustus 11.
is de man ontslapen, van wien ik zeggen durf: de
gemeente verloor in hem een ijverigen dienstknecht;
de wetenschap een degelijk beoefenaar; het vader-
land een trouwen zoon en wij een voortreffehjken vriend.
Den lsten Januarij 1854 als hulpprediker te Heus-
den opgetreden, werd hij den 289ten October van het
volgende jaar als predikant bevestigd te Loenen
op de Veluwe, waar hij drie jaren bleef. Bijna
negen jaren diende hij daarna de gemeente te Loenen
a|d. Vecht, vanwaar bij in Mei 1867 naar Leeu-
warden vertrok, om den 299ten Mei 1878 het ambt
van Kerkelijk Hoogleeraar aan de Utrechtsche
Universiteit te aanvaarden. Uit vele getuigenissen,
bij verschillende gelegenheden door hem afgelegd, blijkt,
wat hij onder de bediening van het Woord verstond.
Bij zijn vertrek van Loenen a/d. Vecht kon hij
verklaren, dat hij der gemeente niet anders had willen
brengen dan het Evangelie des geloofs, der hoop
en der liefde. Wars van alle partijzucht, dus sprak
hij, heb ik u zelden of nooit met schoolsche twisten
en diepzinnige leerbespiogelingen bezig gehouden, maar
geijverd voor een levend Christendom, dat zijne diepte,
zuiverheid en kracht in een reinen wandel openbaarde.
-ocr page 6-
4
Ongeloovigen, riep hij uit, ziet toch hoe arm en el-
lendig gij zijt met allen rijkdom, alle wetenschap en
ingebeelde deugd, wanneer gij den band der gemeenschap
mist, die u verbinden moet aan den levenden God en
den Heiland uwer zielen! Aardsgezinden, geeft toch acht
op de gedenkteekenen der wisselvalligheid van het
ondermaansche, bedenkt, hoe gij hier wandelt over
graven en leert de dingen zoeken die boven zijn! Stelt
dan uwc hoop niet op do ongestadigheid des njkdoms,
maar op den levenden God, die u alle dingen rijkelijk
verleent om te genieten (1 Tim. VI: 17). Leert erf-
genamen te worden van het onvcrderfelijk, onbevlek-
kclijk en onverwelkelijk deel, dat in den hemel wordt
bewaard, ook voor u! Liefdeloozen, die uw koude har-
ton tot heden niet wildet openen voor den warmen adem
van den geest van cfiristüs, laat mij het u nog één-
maal zeggen: als u de liefde ontbreekt, dan zijt gij
niets. Gij hoort het misschien niet gaarne (de waarheid
vindt geen herberg!), \'t is toch de waarheid: geen ijver
voor vormen, geen aankleven van begrippen, geen
roep van godzaligheid kan het gemis van den geest
van Christus vergoeden. Zonder dien geest der liefde zijt
gij klinkende cymbalen en luidende schellen (2). Het ver-
kondigen van Christus , door wien ons geloof èn onze
hoop op God mag zijn, achtte hij de roeping van den
Evangeliedienaar, gelijk hij dat ontwikkeld heeft inde
rede, met welke hij den 25sten Mei 1873 zijn broeder
Dr. b. a. lasosdek te Hengelo bevestigde(3). Daarin
achtte hij de heerlijkheid dezer bediening gelegen. "Wat
is het heerlijk, riep hij uit, een Evangelie te mogen
verkondigen, dat den mensch zóó kan aangrijpen en
bezielen voor eene grootsche taak; want die taak is
-ocr page 7-
5
geen mindere dan de aankondiging en aanprijzing van
de hoogste liefdedaad Gods in de zending en overgave
zijns Eengeborenen, die gekomen is als de waarachtige
en volkomen mensch, de volmaakte Zoon van God,
het vleeschgewordcn Woord, de verwezenlijking der
eeuwige Godsgedachten, het beeld des onzienlijken Gods,
in welken ieder voor zich vindt wat hij behoeft als zon-
daar, als wereldburger, als sterveling, als toekomstig
hemelbewoner, opdat allen te zamen in christus ver-
eenigd worden tot die heilige gemeente Gods, die het
einddoel is van den hemelschen Vader. Dit werk vraagt,
dus oordeelde hij, de toewijding onzer gansche persoon-
lijkheid. Voor dezen arbeid mogten niet anders worden
aangewend dan geestelijke middelen. Die er zich aan
wijdde, werd gedragen door een verheven geloof aan
den goddelijken oorsprong en de verhevene bestemming
der menschelijke natuur, aan de alles overwinnende
magt der waarheid en der liefde Gods, en aan de ge-
trouwheid van onzen Zender, die gister, heden en eeuwig
dezelfde is. En zijne broeders in de bediening wekte hij
bij die gelegenheid met deze woorden op: „Toonen wij
het in dezen tijd van verslapping, dat het Evangelie
ons heeft aangegrepen met eene heilige bezieling! Laat
ons getrouwe uitdeelers zijn van den onnaspeurlijken
rijkdom der goddelijke genade in christus, do Hoop
der heerlijkheid. Geven wij blijmoedig tijd, gaven,
alles, om een iegelijk mensch volmaakt te stellen in
christus! Dan beantwoorden wij aan ons levensdoel.
En \'t zij we vroeg of spade ingaan in de rust des
Heeren, het zal van ons heeten: „Hij heeft wel geleefd,
en die wel heeft geleefd, leefde lang genoeg."
*:-
-ocr page 8-
6
Aandoenlijk is hot dit to lozen en to bedenkon,
dat het zijn grafschrift zou kunnen zijn, want waarlijk!
alzoo heeft hij gedaan. Nog in het begin van ditzelfde
jaar, waarin hij stierf, heeft hij in een opstel over het
Ambt dor Evangeliebediening in wetenschappelijker
vorm dezelfde gedachten herhaald en ontwikkeld. Met
klare woorden heeft hij uiteengezet (4), dat het ambt
der Evangeliebediening den grond van zijn bestaan,
de wijding van zijn arbeid, het rigtsnoer van zijn
streven, en de waarborg zijner verwachting heeft in
het Evangelie van de in Christus geopenbaarde liefde
Gods, en van den raad zijns willens om in Hem alles
tot één te brengen , wat in de hemelen en wat op de
aarde is (Ef. I : 9—14). ]\\Iaar ook hier staat voorop,
dat dit ambt alles van een mensch vraagt, wat hij
heeft. Wat do Franschcn zeide hij, zoo eigenaardig,
met hunne gewone juistheid en keurigheid noemen:
„payer de sa personne", dat doet do Evangelie-
dienaar in den diepsten zin van hot woord. Hij goeft
zich zelvcn, geeft het beste wat iemand geven kan:
de toewijding zijner geheelo persoonlijkheid, met alle
gaven, krachten, middelen, waarover God hem de be-
schikking vergunt.
Van dit ambt was in zijne schatting hot cateche-
ti sch onderwijs een zoor belangrijk deel, waaraan niet ligt
to veel zorg besteed kon worden. Bij herhaling heeft
hij zijne denkbeelden dienaangaande geopenbaard,
voortdurend heef t hij zich beziggehouden mot hot zamen-
stellen van een handboek, dat ons bij hot godsdienstig
onderwijs zou kunnen dienen. Eono volledige schets
van zulk eenc handleiding gaf hij reeds in \'74 (5), en
acht jaren later deelde hij op nieuw allerbelangrijkste
-ocr page 9-
7
wenken mee aangaande de eatechese over het Oude
Testament, naar de behoeften van onzen tijd (6).
Niets was noodiger dan het opkomend geslacht
te doordringen met de levensbeginselen van het Chris-
tendom. Van alle verouderde voorstellingen losgemaakt,
moet het de onvergankelijke kern der waarheid, die er
in besloten is, leeren bewaren als eenon heiligen schat.
En dit geldt met name ten aanzien van het Oude
Testament, opdat het niet ter eener zijde tot bijgeloo-
vige lettervergoding vervalle, of aan den anderen kant
de waarde van dit kostelijk juweel miskenne, omdat het
niet naar hedendaagschen trant is geslepen. Onze jeugd,
dus ging hij voort, moet eene voorstelling van de Christe-
lijke waarheid ontvangen, die zij behouden kan, al
maakt zij den geheelen ontwikkelingsgang van onzen
tijd mee, en al eigent zij zich alles toe, wat daarvan
de vrucht is, niet als hypothese van den dag, maar
als vaststaande slotsom van echt wetenschappelijk on-
derzoek. De eenheid des inwendigen levens is verbroken,
ware vrede der ziel onmogelijk, de godsdienst zelve
in hare edelste werking verlamd, waar de mensch een
dubbel zelfbewustzijn meent te kunnen bezitten, en als
man van wetenschap voor waar houdt, wat hij
als Christen ontkent, of omgekeerd. Het klinkt wel
fraai in veler schatting om, evenals jacobi, met het
verstand een heiden, met het hart een Christen te
zijn, maar het is ongerijmd. De „inwendige mensch"
is het een of het ander, niet beiden tegelijk. Ons
geslacht heeft behoefte aan diepen, heiligen ernst,
aan een krachtig geloof, aan vastheid van karakter,
aan een hoogen, idealen zin, die niet meer vraagt of
-ocr page 10-
8
het ideaal wel bestaat, maar die het aanschouwt,
helder en heerlijk, gelijk wij de zon aan de hemel zien.
En dat hij het met deze beschouwing van zijn
ambt als dienaar van het Woord ernstig heeft opgc-
nomen, wie weet het niet, die hem heeft gekend ? Zij,
die jaren lang getuigen waren van zijn arbeid in het
midden der gemeente, hebben de getrouwheid geroemd,
waarmee hij het Evangelie verkondigde, honderden
leerlingen den weg ten leven wees, en als een deel-
nemend vriend met raad en daad velen ter zijde stond
in de mocielijko uren huns levens (7). Alles wat
dienen kon om den zegen van het Evangelisch geloof
in eiken kring van het monschelijk leven te brengen,
had zijn hart. Voor de zaak der inwendige zending
had hij een open oog, en hij ondersteunde ze naar
zijn vermogen. De meesten zijner geschriften zijn
uitgegeven ten voordeele van eene of andere inrigting.
Boven alles heeft hij geijverd voor de uitbreiding
van het Godsrijk in de heidenwereld. Voortreffelijke
dingen heeft hij bij verschillende gelegenheden over
de zaak der zending gezegd. Ik noem vóór anderen
zijne rede over Ef. IV : 7—13: „de heerlijkheid
der CHRISTUS-regering, eene drangrede . tot
zendingsijver" (8), en die over Joh. XVII: 21:
„de bede om de eenheid der gcloovigen, den
zendingsvriend bij uitnemendheid waardig"
(9). Op ruimer veld bewoog hij zich in zijne uit-
stekende verhandeling over het wederkeerig belang
der zending en der taal-, land- en volken-
kunde (10), die hij den 16 Fébr. 1876 in eene
„Zendings-conferentie" te Leeuwarden hield. Zending
en wetenschap hebben, het zijn zijne eigene woorden,
-ocr page 11-
9
haar eigen gebied, werkkrachten, hulpmiddelen, levens-
doel. Zij hebben groot belang bij elkanders bloei. Zij
moeten, elkanders grondgebied zorgvuldig ontziende,
elkander leiden, steunen, aanbevelen. Zij moeten haar
doel niet in zich zelvon, maar in de menschheid vinden:
de eene om haar godsdienstig-zedelijk, de ander om
haar stoffelijk en verstandelijk welzijn te verhoogen.
Beiden moeten één hoofddoel willen: licht, liefde en
leven te doen heorschen op aarde. Maar hoog zet hij
toch den dienaar en verkondiger van het Koningrijk
Gods. De zendingsgeest, dus schreef hij, is gelijk een
m ij n g r a v e r, die kostelijke steeuen uitbouwt en bijeen-
brengt voor den tempel der wetenschap. Hij is meer,
want hij is een bouwmeester, die dezen tempel
helpt oprigten naar een grootsch bestek, dat de eeuwige
wetten der schoonheid dienstbaar maakt aan het ver-
heven dool des gebouws. Ja nog meer is hij; hij is
een priester, die het heiligdom binnen gaat om aan
de scharen der aanbidders de heerlijkheid Gods te ver-
kondigen, en hen voorgaat in het heilig koorgezang,
waarmede zij eenstemmig den lof des Eeuwigen ver-
melden.
Maar ik moet ook de aandacht vragen voor zijn
belangrijk opstel over de vraag, wat er voor de
zending te hopen was van de werkzaamheden van
het Aardrijkskundig Genootschap, dat in 1873
te Amsterdam is opgerigt (11). Het was een woord
ter inleiding van een „punt ter bespreking" in de
jaarvergadering van het Nederlandsch Zendeling-ge-
nootschap, op 19 Juli 1877, maar ik geloof niet,
dat iemand op die vergadering er iets van belang-
heeft kunnen bijvoegen. De Geschiedenis der
-ocr page 12-
10
Christelijke Zending, een belangrijk onder-
deel der Christelijke Theologie, was, zooals
men weet, de inhoud van de redevoering, met welke
hij den 29 Mei 1878 zijn ambt als Hoogleeraar aan-
vaardde. Van deze Redevoering was spoedig een tweede
druk noodig. In 1884 gaf hij voor een breederen kring
van lezers de toespraak ten beste, met welke hij zijne
colleges voor dat jaar had geopend (12). Zij handelde
over de beteekenis van de idee der Zending
voor de beoefening der Theologie, en die
beteekenis, oordeelde hij, werd ons duidelijk, wanneer
wij letten op het licht, dat zij verspreidt over het
geheele gebied der theologische wetenschap; op den
invloed, dien zij uitoefent op den theoloog in de op-
vatting van zjjn levenstaak, en op den weg, dien zij
hem wijst ter bereiking van zijn verheven doel. Een
schat van treffende opmerkingen heeft hij hier aan
zijne leerlingen en allo vrienden der Zending voorge-
legd. Maar hoe zijn hart van ijver blaakte voor alles
wat betrekking had op de uitbreiding van het Gods-
rijk, is nergens sterker openbaar geworden dan in zijn
laatste werk, de schoone vrucht van een onderzoek van
vele jaren en van eene zeldzame volharding, de Saga
vanThorwaldKodranssondenBcreisde. Eene
bladzijde uit de geschiedenis der Christe-
lijke Zending in de tiende eeuw. In dit boek
heeft hij getoond, wat hij kon , maar ook hoe hij ver-
vuld was van eene vurige belangstelling in deze heilige
taak. Nu ik mij herinner, hoe hij met een steeds
verzwakkend ligchaam voortging om zijne gansche
ziel er op te zetten, word ik indachtig, dat er ge-
schreven staat: „de ijver van uw huis heeft mij
-ocr page 13-
11
verteerd," en wederom: „mijn ijver heeft mij
doen vergaan."
Hoeveel heeft de gemeente in hem verloren,
die haar zóó trouw heeft gediend, en hoeveel ook de
wetenschap, die hem onder hare degelijke beoefe"
naars mogt tellen! Onder leiding van zijnen vader,
Dr. l. lasondee, Rector te G roenlo, heeft hij zich
voorbereid voor de Academie, oorspronkelijk met hot
plan om in de Medicijnen te gaan studeren. Na het
staatsexamen, dat in dien tijd „ het schrikbeeld onzer
dagen" heette, met goed gevolg te hebben afgelegd,
vertrok hij eerst naar Deventer, waar jonkbloëdt
hem vooral aantrok, wiens collcgie\'s in het Middon-
Ncderlandsch hij met opgewektheid volgde. In 1849
Student geworden, deed hij reeds een jaar daarna
zijn propaedeutisch examen te Utrecht, waar hij
verder in de Godgeleerdheid studeerde. Dat een der
Professoren, die er in dien tijd onderwezen, bijzonderen
indruk op hem maakte, heb ik nooit kunnen ontdekken.
Hij was, naar het getuigenis van zijne tijdgenooten,
een ijverig student. Hij was een trouw bezoeker van
de lessen, werkte veel voor zichzelven, en had het
voorregt in den eersten tijd althans te Utrecht dagelijks
den omgang te mogen genieten met den vriend zijner
jeugd, den later zoo beroemden H. kern, met wien hij
ook te Groenlo op de schoolbank had gezeten en
naauw verbonden bleef tot den dag van zijn dood.
Allen die lasonder hebben gekend, zullen mij
getuigenis geven als ik zeg, dat zijne kennis even
veelomvattend was als naauwkeurig. In Latijn en
Grieksch was hij zeer ervaren, niet minder in het
Hebreeuwsch. Alle dagen was hij gewoon uit Ouden
-ocr page 14-
12
Nieuw Testament een hoofdstuk in de oorspronkelijke
talen te lezen, en hij deed \'t met het grootste gemak.
Met de Hoogduitsche letterkunde had hij van zijne
jeugd af veel op. „Ik herinner mij nog levendig,"
schreef Prof. kern mij, „hoe hij mij, toen ik nog een
jongen van 10 jaar was (lasonder was toen 12), op
onze wandelingen den inhoud verhaalde van de tooncel-
stukken van schiller, die hij op do Fransche school
bij meester van den bold gelezen had. Die liefde
voor de Duitschc schrijvers, wier idealisme hem aan-
trok, is hem tot het laatst toe bijgebleven. Herder
las hij in zijn studententijd gaarne; in veel later tijd
was hij het, die door zijne ingenomenheid met don
Ekkehart van schekfel mij bewoog met dat werk
kennis te maken." Hoeveel hij met herder op had,
bleek ook later. In 1863 verscheen van zijne hand
Bloemen en Bladen uit herder\'s Gaarde, ver-
zameld en overgebragt door e. l. (13). In den
Volksalmanak, uitgegeven door de Maatschappij:
Tot Nut van \'t Algemeen, voor het jaar 1868,
deed hij in enkele proeven zien, hoe de Cid door
herder was bewerkt. En vele jaren daarna bleek het,
dat de oude liefde nog even krachtig was, toen hij,
in eene vergadering van de gewestelijke vereeniging
Utrecht van het Nederlandsch Onderwijzersgenootschap,
de aandacht vroeg voor Stemmen uit herder\'s
Sophron, als van het hoogste belang voor de zonen
en dochteren van onzen tijd (14). Ook met de Engel-
sche literatuur was hij goed vertrouwd, gelijk voldoende
bleek uit de bladzijden, waarin hij „The Divine
Tragedy" van longfellow heeft besproken en van
sommige gedeelten van dat meesterstuk eene gelukkige
-ocr page 15-
13
vertaling gaf (in Jaargang 1872 van dit Tijdschrift, op
bl 489 vv.). Voorts had hij van geschiedenis en aard-
rijkskunde eene meer dan gewone kennis, en verbaasde
hij ons niet zelden door zijne bekendheid mot kleine
bijzonderheden. Over welke gaven hij kon beschikken
om een historisch onderzoek op touw to zetten en af
te werken, heeft zijn boek over de Thorwalds-Saga
voldingond bewezen. Maar ook op het gebied van het
afgetrokken denken bewoog hij zich zonder moeite. En
hier beroep ik mij op de klare en duidelijke manier,
waarop hij in den eersten en tweedon jaargang van
dit Tijdschrift (15) een overzigt gaf en eene beoordeeling
van de nieuwste wijsgeerige voorstellingen omtrent God,
in Frankrijk, naar aanleiding van caro\'s LTdée de
Dicu et ses nouvoaux critiques, waarvan toen
kort geledon een derde druk was verschenen. Het is een
model van een verslag; en hij alleen, wien \'de zaken
helder zijn, kan zoo helder spreken en zoo klaar on-
derwijzen, als hij in die bladzijden heeft gedaan. En
ditzelfde geldt van zijno beschouwing vanden „Alexis"
van HEMSTERHüis, die eindigt met in het licht te
stellen, waarin toch de grond ligt van het onbevredi-
gende in de redeneringen van hemsterhuis , gelijk van
zoovele andere ernstige en edele denkers (16). En het
antwoord op die vraag mag eindigen in den blijden roem ,
waarin nog eens het geloof van zijn hart spreekt:
n"Waaneer wij bedenken, dat wij in de schriften van
hemsterhuis do gewrochten bezitten van eenenedelen,
eerbiedwaardigon man; dat wij daar nergens den hatelij-
kon lach hooren, waarvan de laffe spotter uit Fernay
geheel Europa deed weergalmen; dat wij hier niet de
taal hooren van het ligtzinnig ongeloof maar van eene
-ocr page 16-
14
ernstige liefde tot de waarheid; — zien wij dan hier
geen nieuw en sprekend bewijs, hoc onbevredigend alle
menscbelijke redeneringen zijn, die buiten het „Licht
der Wereld" omgaan? Al spreekt een wijsgeer met
achting van het Christendom; al wil hij „woordenvan
jezus" mede opnemen onder de schoonste paarlen der
mcnschelijke wijsheid; in den „tempel der toekomst" hem
de cercplaats gunnen boven socrates, zoroasteb,
SPINOZA, ja zelfs boven den in onze dagen tot vervelens
toe opgevijzolden fakyamouni, hij zal geen wegwijzer der
toekomst worden, wanneer hij voor het geheel éénige
van \'s Hoeren persoonlijkheid als Heiland der wereld
en Koning van het Godsrijk geen oog en geen hart
heeft, wanneer hij niet gevoelt, hoc in hem „do blijde
ontknooping is der raadselen en vragen, van \'s werelds
aanbegin gezocht."
De wetenschap te beoefenen tot grootere eerc Gods,
door ze dienstbaar te maken aan al wat waar en goed
is, dat was zijn ideaal op dit gebied. Ik herinner mij,
met welk cene belangstelling hij de nieuwe, zesde uit-
gavc ontving van max müller\'s Lectures on the
Science of Language, en hoe hij zich haastte
anderen daarmee bekend temaken (17). Het was hem
niet te doen om do taal alleen, maar het deed hem
goed aan zijn hart er op te mogen wijzen, dat onder
de vorsten der wetenschap velen er eene eer in stelden,
de zaak van godsdienst en Christendom te dienen, en
dat max muller één van dezen was. Dat heeft hij
zelf ook gedaan, naar de mate zijner krachten en met
de gave hem verleend. En als hij op het laatst van
zijn leven zich do verbazende inspanning heeft getx-oost
om het Oud-LTslandsch te leeren verstaan, hetgeen
-ocr page 17-
15
hom zoo good is gelukt, het was om dio schoonc
bladzijde uit de geschiedenis der Christelijke zending te
kunnen beschrijven, waarop te lezen staat, hoe de zon
der goddelijke liefde, in jezüs Christus geopenbaard
als een bron van licht en leven, verrees over het
grensland der Noordelijke poolgewesten, zoodat zij,
die vroeger den gestorven Lichtgod balder troosteloos
hadden beweend, nu leerden blijmoedig op to zien tot
den verrezen christds, hun Heer en hunne hoop (18).
Zulk een man den rang van Doctor Theologiao
honoris causa toe te kennen, was eeno hulde, waar-
meê de Senaat der Utrechtsche Universiteit zich zelven
heeft geëerd (19).
En dat het Vaderland in hem een trouwen zoon
bezat, is niet minder waar. Met eerbied en dank-
baarheid zag hij altijd tot zijn Vader op, getuige de
woorden, met welke hij in 1862 een Drietal Leerredenen
aan hem opdroeg (20). Maar onder het vele, dat
dien Vader aanspraak gaf op zijn hart, behoorde ook,
dat hij door hem van zijne vroege jeugd bezield was
met liefde voor zijn geboortegrond. „Nog zion en hooren
wij hen," zoo sprak hij in \'t openbaar (21), „alsof
wij weer kinderen waren: eerbiedwekkende grijsaards
met de zilveren eerekroon om de slapen, en achtbare
mannen in do volle kracht van hun leven, onze groot-
vaders en vaders, met elkander sprekend over de
groote belangen van staat en kerk, en over de heilig-
heid van den plicht, om ieder het zijne te doen en
ten offer te brengen voor het heil van \'t lieve vader-
land. Als knapen om hen heen spelend, staken wij
ons spel. Wij luisteren naar die «voorden. Wij
worden, al is het dan ook op knapen-manier, toch in
-ocr page 18-
16
volle oprechtheid, bezield met geestdrift voor het algo-
meene welzijn, en leggen de geloften af om ook zóó
te doen, als wij groot zullen zijn".
Zoo was hij ook in dit opzigt in eene voortreffelijke
school geweest, en dat dit onderwijs ook vruchten bij
hem droeg, bleek bij herhaling. Met welk eene wei-
sprekende verontwaardiging trok hij te velde tegen den
Abt brouwers, en hetgeen die in zjjne rede: „De
Nederlanden en de gevierden te Heiligerlee"
had durven zeggen (22)! Die rede, riep hij uit, over-
treft alles, wat er van dien aard tot dusver is gehoord.
Zijne heiligste overtuiging kwam er tegen op, dat
men de helden van Heiligerlee durfde brand-
merken als oproerstokers, majesteitschenders on land-
verraders; dat men de edelste figuren uit een der
roemwaardigste gedenkdagen onzer landshistorie dus
misvormde en op onbeschaamde wijze onze geschiedenis
vervalschte. Maar niet minder krachtig wees hij erop,
wat wij als Protestantsche Nederlanders hadden te
bedenken, zou het goed kunnen gaan met land en
volk. Een godsdienstig leven, dat gevoed werd door
den Bijbel; een eendragtig zamenworken tot bevordering
van het gemeene welzijn; een eerbiedig zoeken en
wachten van hoogere hulp, en een ernstig streven om
de liefde tot het Vaderland aan te kweeken bij het
opkomend geslacht, was al to gader in zijne schatting
onmisbaar, zou dat vaderland wel varen.
Bij de dagen, waarin de grondvesten van onze
vrijheid werden gelegd, vertoefde hij mot groote voor-
liefde. Die grondlegging was in zijne oogen „eene
waardige stof van Christelijke en nationale feestvie-
ring" (23). In eene Feestrede met dat opschrift, door
-ocr page 19-
17
hem tien ls(t" April 1872 te Leeuwarden in de
Groote Kerk gehouden, gaf hij wederom aan deze ge-
voelens lucht. Wanneer een volk , dus klonk zijn ernstig
woord bij die gelegenheid, niet meer in geestdrift kan
geraken en zich niet meer tot verheerlijking van God
laat vervoeren, door de herinneringen uit zijn eigen
verleden, dan is het ook gedaald tot een peil van ver-
val, dat eenen onherstelbaren ondergang profeteert,
tenzij dat dagen van louterende beproeving het weer
opheffen. Laat ons feest vieren, zoo ging hij voort,
want zoo worden Gods groote daden in herinnering
gehouden; zoo wordt ons een krachtige spoorslag ge-
geven tot do edelste vadcrlandsche en Christelijke deugden,
en zoo wordt ons vertrouwen op God versterkt onder
al wat ons vaderland, onszelven en de onzen kan
treffen. Het deed hem goed, bij die gelegenheid nog
eens te mogen ontwikkelen, hoe wonderbaar de om-
standigheden door God waren geleid, en hoe Hij te
regter tijd de mannen had verwekt, die de uitvoerders
zouden zijn van Zijnen raad. En onder die mannen
stond ook voor hem Prins willem i vooraan, als de
Vader des Vaderlands. Hoeveel moeite hij zich heeft
getroost om dien grondlegger onzer onafhankelijkheid
te helpen huldigen, zal niet ligt vergeten wordendoor
hen, die hem van nabij aan het werk hebben gezien
om den "Willemstoren te Dillenburg te doen
verrijzen. Hij heeft gedaan wat hij kon (24) om aan
de zijde van francken en andere warme vaderlanders
dit werk tot stand te brengen „tot gedachtenis van
willem van Oranje, den grooten Staatsman en Volks-
vriend", en het was hem eene oorzaak van hoogge-
stemde vreugde, toen het onder den goddehjken zegen
-ocr page 20-
18
eindelijk tot zijne voltooijing was gekomen. Maar
nooit toch heb ik hem vuriger hooren spreken over
den Vader des Vaderlands, dan toen hij hem den
6den Julij 1884 herdacht in do leerrede, die ik reeds
heb vermeld. Dit hoorde hij Prins willem zeggen
tot de kinderen van dozen tijd: de staatkundige en
godsdienstige vrijheid, in hare mildste opvatting ver-
staan, is eeue van de grootste zegeningen Gods
voor een volk, en overwaard, dat wij goed en bloed
daarvoor ten offer brengen; het kan met Nederland
niet wel gaan dan wanneer de levensbeginselen
van het Christendom de harten aller burgers be-
heorschen, en zij, op dien grondslag, eendragtig
zijn .in lief en leed; en eindelijk, waar Neerlands
volk zich houdt aan het verbond, door mij ge-
sloten met den Potentaat der Potentaten, daar moge
de hoop vergaan, die op menschen gebouwd werd, de
Heer zal uitkomst geven te zijner tijd en op zijne
wijze. En onder den indruk van die laatste gedachte,
gaf hij ons deze schoone woorden ten beste: „Wat
andere volken hebben te verhalen van de daden Gods —
Hij is aan allen goed! — laten die het vermelden!
Wij willen roemen in hetgeen ons wedervoer. Laat de
vreemdeling, die Gods daden met Nederland bewonde-
rend beschrijft, den landgenoot niet beschaamd maken ,
die ze onopmerkzaam voorbijziet, indien alnietvervalscht,
omdat hij de beginselen niet erkent, die de drijfveer en
van onzen grooten worstelstnjd zijn geweest. Laat geen
ongeloof, geen overzatheid van weelde, geen verweekt-
heid door al te gemakkelijk verkregen overvloed, den
krachtigen geest der Christelijk-vrome vaderlandsliefde
verstikken! En wat de oorzaak van den nationalen
-ocr page 21-
19
rouw onzer dagen betreft, mijn Vaderland, wees niet
versaagd! Ween vrij over do rampen van uw zwaar
beproefd en ernstig bedreigd Vorstenhuis, dat eeuwen
lang met u één was in lief en leed, en God geve \'t
blijve, als een feniks uit zijne asch herrijzend ! Maar
vóór en boven alles, wat er blijve of verga, houd
vast aan Hem, die eeuwig dezelfde is, in wien de
grondlegger uwe vrijheid bij zijn leven geloofde, en
aan wien hij u stervend heeft opgedragen! Wat er
gebeure, dan zijt gij veilig. Geheel nieuwe toestanden
mogen zich voordoen, die niemand vooruit kan bere-
kenen , en die ons geenszins begeerlijk schjjnen, het
zal u dan altijd goed wezen, gij nabij God, en God
met u!" Zoo heeft hij van zijne jeugd tot zijnen dood
het lieve Vaderland op het hart gedragen, en zoo
spreekt ook hij, nadat hij gestorven is. Bij zijn graf
gedenken wij nog eens aan hetgeen hij zeide van de
ware vromen (25), die, wanneer hunne aardsche levens-
taak is afgeweven, een blijvend spoor achterlaten, dat
geen magt der zinnelijke wereld kan uitwisschen.
„De roepstemmen der eeuwen," zeide hij, „die ons
verhevene lessen verkondigen, dat zijn de stemmen
van hen, die spreken door het geloof, ofschoon zij
gestorven zijn. Zij spreken niet alleen in diepzinnig
geschreven werken, of hartverheffendo lierzangen en
grootsche heldendichten, maar ook in weldadige stich-
tingen, wijze wetten, kloeke daden. Bovenal in reine
belanglooze karakters, die hunne omgeving en hunnen
tijd beheerschten door de magt hunner persoonlijkheid,
zoodat zij de zwakken steunden, de aarzelonden vast-
beraden maakten, de reeds terugdeinzenden deden stand-
houden en hen aanvuurden tot edele bedrijven. Zelvon
-ocr page 22-
20
helden des goloofs, hebben zij eenc geestelijke nakome-
lingschap van holden geteeld.\'\'
Blijkt hieruit duidelijk, wat bij hem het hoogste
stond en wat hij daarvan verwachtte, hij heeft het bij
woorden niet gelaten. Alsgij hemzelven hadt gevraagd,
zou hij ernstig hebben verzocht om niet te vergeten,
dat hij niet anders was dan een gebrekkig en zondig
mensch. En wij vergeten het ook niet, hoe in zijn hart
de belijdenis leefde van den Psalmist: „ Z o o g ij,
Heere, de ongeregtigheden gadeslaat, Hee-
re, wie zal bestaan?" Wij willen geen heilige
van hem maken. Maar wij achten ons toch geroepen,
hulde te brengen aan die beminnelijke hoedanigheden
van zijn karakter, door den H. Geest ontwikkeld en
gevormd, welke ons in hem een voortreffelijken vriend
doen betreuren. Laat hier een vriendenhart spreken, het
is dat van den Hoogleeraar kern, den vriend zijner
jeugd en zijner mannelijke jaren, gelijk ik reeds zeide.
„De deugden\', schreef hij mij, die L. later sierden,
bezat hij reeds als kind ; zijn hoofdkenmerk was eene
blankheid en argeloosheid van gemoed, zooals ik bij
niemand anders in die mate heb aangetroffen. In \'t
algemeen kan ik zeggen dat hij van den beginne af
zóó geweest is, als hij in de laatste jaren zijns levens
was: vroom, deugdzaam, vriendelijk, argloos — zoo
zelfs dat menigeen er misbruik van maakte — belang-
stellend in alles wat goed en schoon is, eenvoudig,
hulpvaardig, bescheiden, ernstig. -— Zelf rein, zeldzaam
rein van gemoed en in zijne handelingen, kostte het
hem moeite onzuivere bedoelingen in anderen te onder-
stellen. Zóó heb ikEöBERT lasonder gedurende 43 jaren
gekend. Met hem is mijn oudste vriend heengegaan,
-ocr page 23-
21
maar zijn beeld, zooals ik het voor \'t eerst zag, toen hij
als knaap in zijne bruine kiel voor mij stond, zal mij nooit
uit het geheugen gewischt worden; zijne nagedachtenis
zal mij vergezellen tot den einde". Wil men nog eene
getuigenis ? Bij zijn graf gaf ook de Hoogleeraar canne-
gietee , acht jaren lang zijn ambtgenoot, lucht aan zijn
gemoed. Hij was dankbaar om het bezit van dezen man
met een hart vol geloof en liefde, wiens omgang hem
tot een zegen was geweest en die hem als een vriend,
in den waren en vollen zin van het woord gesteund had
en bemoedigd en bewaard voor veel wat niet goed was.
En ook voor hem zouden zijne ernstige toewijding, zijne
onverflaauwde welwillendheid, zijne beminnelijke beschei-
denheid en warme liefde onvergetelijk zijn.
Zij zijn hét ook voor mij, die hem meer dan twintig
jaren kennen en met hem zamenwerken mogt. „Een
man met een hart" heeft Prof. valeton hem genoemd,
en dat was hij. Daarom hebben wij zooveel in hem
verloren, die ons een deel van zijn hart had willen
geven. Met weemoed zag ik, hoe zijn stoffelijk over-
schot aan den schoot der aarde werd toevertrouwd.
Met stillen dank hoorde ik, wat tot zijne eer werd
gezegd) en een traan welde op in mijn oog; hij was
voor mij zooveel geweest! Ook nam ik aan, wat tot
vertroosting werd gesproken van de hope des eeuwigen
levens en van een wederzien. En terwijl ik weder-
keerde van do rustplaats van Gods dooden, was in
mijn hart het biddend woord van claudius:
Friede Sey urn diesen Grabatein her!
Sanfter Friede Gottes! Ach, sie haben
Kincn gaten Mann begraben,
Und mir war er mehr.
Utrecht, 1 October 1886.                 Dr. J. HARTOG.
-ocr page 24-
AANTEEKENINGEN.
(1)    De Vader des Vaderlands, sprekende nadat
hij gestorven is. (Hebr. XI: 4c). Leerrede, uitgespro-
ken in de kerk der Doopsgezinde Gemeente te
Utrecht, den 6 Jnli 18S4. Zie bl. 27.
(2)    Geloof, hoop en liefde blijven. Afscheids-
woord aan mijne hartelijk geliefde gemeente te
Loenen a/d. Vecht. 1867. (Niet in den handel).
(3)    Deze leerrede over Col. I: 28 is uitgegeven te Lccu-
warden, bij a. jongbloed. Vg. bl. 11 en 14 vv.
(4)    In Geloof en Vrijheid, 1886, bl. 27 vv.
(5)    In Geloof en Vrijheid van dat jaar gaf hij in den
vorm van eenen brief zijne „Gedachten over eene hand-
leiding bij het Godsdienst-onderwijs." Zie aldaar bl.
234-260.
(6)    In Geloof en Vrijheid, jaarg. 1882, bl. 418—444.
(7)    In dien geest sprak Ds. klinkenberg, namens de
gemeente te Leeuwarden, bij zijn graf. Zie het verslag van
de begrafenis in de Utrechtsche Courant van 22 Aug. 1886.
(8)    Uitgesproken te Hardegarijp, den 21sten Mei 1868,
en uitgegeven te Leeuwarden, bij j. swaets.
(9)    Opgenomen in Geloof en Vrijheid, 1875, bl. 61 vv.
(10)  Geplaatst in Geloof en Vrijheid, 1876, bl. 285 vv.
(11)  In Geloof en Vrijheid, 1877, bl. 538 vv.
(12)    In Geloof en Vrijheid, 1884, bl. 566 vv.
(13)  Te Utrecht bij l. b. bosch & zoon, 1863.
(14)  In Geloof en Vrijheid, 1885, bl. 570 vv.
(15)  In den eersteu jaargang, bl. 158-185, 320-358; in
den tweeden, bl. 23—58 en 201—260.
-ocr page 25-
23
(16)    In Geloof en Vrijheid, 1872, bl. 39 vv.
(17)    In denzelfden jaargang, bl. 469 vv.
(18)    Zie zijn: De Thorwalds-Saga vertaald en toe-
gelicht, op bl. 137.
(19)    Ter gelegenheid van het 250-jarig bestaan der Utrecht-
sche Hoogeschool werd hij tot die waardigheid benoemd.
(20)    Een steen voor Enschedé. Drietal Leerre-
denen met een voorwoord: Van Eibergen naar En-
schedé. Utrecht L. e. bosch & zoon, 1862.
(21)    In de boven aangehaalde leerrede over Hebr. XI: 4°
op bl. 30.
(22)    In „1568—1868. Toespraak gehouden te Leeu-
warden den 31 October 1868. Te Leeuwarden bij u. kui-
febs, 1868. Zie aldaar op bl. 20 vv.
(23)    Zie „De grondlegging van Neerlands vrij-
heid, eene waardige stof van Christelijke en natio-
nale Feestviering. Te Leeuwarden bij h. kuipers, 1872.
(24)  O. a. in de zooeven genoemde Feestrede, waaraan voor-
afgaat „Een avond op de mine te Dillenburg"; en in:
De eerste steen van denWillemstoren te Dillenburg
gelegd. Herinneringsbladen duur e. il laso.vder , Li d
der Commissie van Uitvoering in Nederland voor
genoemden Torenbouw. Te Rotterdam bij M. wijt en
zonen, 1873.
(25)    In de leerrede over Hebr. XI: 4», op bl. 9 en 10.
♦ \\
r
t
•■■ar
^
«fctó
£ï
WBLIOTHEiK
NED. HHKV. XERK