-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-
MARNIX
Protestantsche Stemmen
-H»-4tfr>
Jaargang I — Aflevering V
-4- INHOUD. 4-
Filips van Mamix van St. Aldegonde, herdacht yjö-We^v\' C 0 ft£)/j^S^
zijn sterfdag, 15 Dec. 1598-15 Dec. j.898, door J.# dVRrerk;*- • "\\\\ "r"h \'
na z
predikant te Charlois, (met portret van Marnix).
>, Vi
ROTTERDAM
D. A. DAAMKN
1898
-ocr page 4-
Dit tijdschrift verschijnt zoo mogelijk maandelijks. Het
zal 24 vel (384 blz.) groot zijn en vele afbeeldingen bevatten.
Prijs f 2.50.
Losse afleveringen zijn niet verkrijgbaar, behalve de eerste
(die ook mag opengesneden worden). Prijs f 0.25.
Wie zich op dit tijdschrift abonneert en aflevering 1 niet
dubbel wil bezitten, gelieve dat op de inteekenkaart te melden.
In dat geval wordt natuurlijk f 2.25 voor dezen jaargang in
rekening gebracht.
Van „De Pausen, door henzelven geschilderd" zijn over-
drukken verkrijgbaar a f 0.10. Ook van „Bekeerde Priesters" 2.
J. B. Corneloup, zijn, met het oog op zijn rondreis, over-
drukken verkrijgbaar gesteld a f 0.10. Wie het boekje van
C. bezit, verzuime niet dezen overdruk er bij te koopen. Het
een vult het ander aan.
Deze overdrukken zijn alléén verkrijgbaar bij den uitgever
en worden slechts na ontvangst van postwissel toegezonden.
De lezing van Ds. de Klerk over Filips van Marnix is
behalve bij den uitgever ook verkrijgbaar bij den boek-
handel. Prijs f 0.30.
CORRESPONDENTIE.
Redactie-Vaderlander. Uwe aanmerking over het kroniekachtige der
biographie-Chiniquy is juist. De uitgever van de Holl. vertaling van
"Fifty Years" had ons dringend verzocht kort te zijn, aan welk verzoek
wij voldeden. Zie daar de oorzaak. Overigens hartelijk dank voor uwe
herhaalde aanbeveling.
                                                                         Red.
*
Voor de bibliotheek van het Te-huis te Courbevoie zijn eenige
degelijke werken in de Fransche taal een dringend vereischte. Ook Duit-
sche, Engelsche, Spaansche, Italiaansche en inzonderheid een paar
Hollandsche zullen niet overbodig zijn, want het Te-huis is open voor
priesters zonder onderscheid van nationaliteit. Met de Hulpv. in Nederland
bestaat bovendien een contract, zoodat Ned. ex-priesters er vast en zeker
in zullen vertoeven om tot rust te komen. De Belg Smets (nu Theol.
Stud. te Neuchatel), aan wien ik eenige Holl. werken zond, zou die
gaarne déar reeds gevonden hebben. Ik houd mij aanbevolen voor de
ontvangst van boekwerken, en wil gaarne alhier (indien er plaats is)
van de ontvangst melding maken. Om herhaalde onkosten en moeite te
vermijden, deel ik uitdrukkelijk mede, dat ik na 1 Januari geen boeken
meer in ontvangst neem.
                             ^ A £ SCHOUTEN)
Bankastraat 105, \'s-Gravenhage.
*
Ten voordeele van "Christ\'s Mission" (het "Oeuvre des Prêtres
convertis" in New-York) bied ik ter overname aan 4 jaargangen van de
„Converted Catholic", waarvan één in aflev., a / 2.50 per stuk. Wie op
de hoogte van dezen hoogst belangrijken werkkring wil komen, koope
deze jaargangen en completeere dit tijdschrift door regelrechte bestelling
in New-York.
                                                            R |. SCHOUTEN)
Ommeren.
-ocr page 5-
/(/</
FlLIPS VAN MARNIX VAN Sï. ALDEGONDE,
herdacht 300 jaren na zijn sterfdag,
15 Dec. 1598 —15 Dec. 1898.
BIBLIOTHEEK
NED. HERV. KERK
-ocr page 6-
-ocr page 7-
FlLIPS VAN MARNIX VAN ST. ALDEGÜNDE,
herdacht 300 jaren na zijn sterfdag,
15 Dec. 1598 —15 Dec. 1898.
Hoewel hij arm was, zocht hij zich-
zelven niet; maar hij was onverzettelijk in
zijn godsdienst. Hertog v. Parma,
in een geheimen brief aan Filips II.
J. F. DE KLERK,
Predikant te Charlois.
BIBLIOTHE5K
MED. HERV. KERK
ROTTERDAM
D. A. DAAMEN
1898
4/Eés
-ocr page 8-
VOORBERICHT.
De Redactie van het tijdschrift „Marnix" deed mij de
eer aan, mij te verzoeken eene lezing over Marnix, een en
andermaal in de Maasstad en elders gehouden, voor haar
December-nummer af te staan. Ik kon dit verzoek niet
weigeren. Bij de lezing gelieve men evenwel in het oog te
houden, dat het volgende overzicht van Marnix\' leven en
werken voor een bepaalden kring van geestverwante hoorders
werd opgesteld en eenvoudig ten doel had eenige meerdere
bekendheid te geven aan een persoon van „zoo grooten
bedrijve, besogne, memorie, ja zoo singulier in alles" als
Marnix was. Dat hij boven alles van grooten invloed is
geweest op het Protestantisme in deze landen, geeft hem
voorzeker ook in onze dagen recht op de vereering en
dankbaarheid van allen, die trotsch zijn op den naam van
Protestant, vooral van geloovig Protestant, die in het Evan-
gelie het beste wapen ziet voor de bestrijding van Rome
en zijne praktijken. Dat het daarbij den i^den December dezes
jaars juist drie eeuwen geleden is, dat die groote en edele
man de eeuwige rust is ingegaan, wettigt voorzeker de
eenvoudige herinnering aan diens gewichtvol leven en
zegenrijken arbeid. Wij zenden deze schets, die we aan
de beste schrijvers over Marnix ontleenden, de wereld in
met de bede, dat iets, ja mocht het zijn een dubbel deel, van
Marnix\' geest opnieuw het Protestantsch bewustzijn in onze
dagen doe herleven. Dat geve God!
-ocr page 9-
3* \\
BIBLIOTHE5K
NED. HERV. KERK
Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, herdacht
300 jaren na zijn sterfdag,
15 December 1598—15 December 1898.
door J. F. DE KLERK,
Pred. te Charlois.
Daar is zeker niemand, die niet gaarne instemt met de
vele malen uitgesproken gedachte, dat de kennis en de
verbreiding der kennis van de landhistorie een der beste
factoren is in de opvoeding van een volk. Ieder, diè
daaraan medewerkt, kan geacht worden een goede zaak te
bevorderen.
Een eerste vereischte voor den geschiedschrijver is en
blijft ongetwijfeld: onpartijdigheid, onbevangenheid, waarheids-
liefde. Hij moet de personen, die hij laat optreden, en de
gebeurtenissen, die hij mededeelt, beschouwen in het licht
van hun tijd en van de invloeden, waaronder zij tegen wil
en dank stonden. Deze onpartijdigheid is evenwel iets anders
dan de langen tijd zoo hooggeroemde onzijdigheid, waar-
mede men geschiedenis moest schrijven en onderwijzen.
Het is een der voordeden van onzen tijd, dat men hoe
langer hoe meer gaat inzien, dat dit een onmogelijkheid is.
Als dit gaandeweg door mannen van naam, doch van onver-
dacht liberale beginselen, wordt erkend, dan krijgen wij
goede hope, dat er ten slotte nog eens geheel gebroken zal
worden met het onding, dat men onzijdigheid noemt op
-ocr page 10-
- 158 -
historisch gebied. Daardoor werden toch de merkwaardigste
personen van onze geschiedenis vaak meer als schimmen
dan als levende personen behandeld, en werd der waarheid
in vele gebeurtenissen, die met die personen in verband
staan, geweld aangedaan. Wij twijfelen er ook niet aan, of
bij het wegvallen van deze z. g. onzijdigheid zal ook onze
geschiedenis, en vooral dat gedeelte, hetwelk daarvan het merk-
waardigste is, omdat het samenvalt met de opkomst van onzen
Nederlandschen Staat en met de groote mannen, die daarin
geleefd hebben, in een steeds schooner glans voorkomen.
Wij achten ons gelukkig, dat wij ons niet aan den eisch der
onzijdigheid gebonden zien. Ware dit zoo, wij zouden ons
onmogelijk in staat gevoelen, de machtige persoonlijkheid,
die wij voor uwe aandacht wenschen te brengen, naar
waarheid voor te stellen.
Wie belang stelt in de geschiedenis van Nederland ge-
durende de 16de eeuw, leert vanzelf belang stellen in den man,
wiens naam onafscheidelijk verbonden is aan dien van onzen
Prins Willem van Oranje en aan geheel den roemrijken
worstelstrijd onzer Vaderen, waarvan hij mee de ziel was
met Oranje, ja zelfs vóórdat Oranje daarin nog de partij
der verdrukten koos, en voor hen goed en bloed veil had.
Die man is de edelman Filips van Marnix, Heer van
St.-Aldegonde. Hoewel die naam aan niemand onbekend
kan wezen, is toch niet aan allen bekend, welk een machtige
invloed van dezen man is uitgegaan, die door een voornaam
Fraiisch geschiedschrijver wordt genoemd: een der grootste
en beroemdste figuren uit de 16de eeuw. Zoowel voor onze
Vaderen als voor,, ons Vaderland was hij dat ongetwijfeld
in de eerste plaats.
\'t Is goed, dat in de\'laatste jaren, meer dan vroeger,
aan dezen trouwen en grooten vaderlander de aandacht
-ocr page 11-
- 159 -
wordt geschonken, en dat door velen hulde werd gebracht
aan den man, die zulk een ruim aandeel gehad heeft in de
herovering van Neêrlands staatkundige en godsdienstige
vrijheden, ja, zonder wien het misschien nimmer tot die
worsteling zou gekomen zijn, die, van hoevele rampen
zij ook zwanger ging, van zoo onberekenbaar zegenrijke
gevolgen is geweest voor het latere Nederland.
Bij de bestudeering van de geschiedenis van dezen
man, dien held op velerlei gebied en zoo nauw verbonden
met Oranje, kwam ons dadelijk een ander tweetal vóór den
geest, óók eens door God tot groote dingen geroepen:
Mozes en Aaron. Het is merkwaardig, hoe wij dikwijls op
het groote veld der wereldgeschiedenis dergelijke tweetallen
ontmoeten. De Christen ziet hierin terecht de hand der
Voorzienigheid, óók blijkens de gezegende gevolgen, voor
de menschheid zelve daarvan uitgegaan.
Denk o.a. aan Luther en Melanchthon; den een met zijn
opbruisenden geest en daardoor licht vervoerd tot uitersten,
den ander stil en zachtmoedig en daardoor zoo juist geschikt
om zijn medestrijder in evenwicht te houden.
En waar wij nu bij onzen opstand tegen Spanje Oranje
terecht als den eersten blijven beschouwen, als den Mozes,
den leider onzer Vaderen in den bangen strijd, daar is Marnix
ontegenzeglijk de tweede, de Aaron, Oranjes rechterhand,
strijdgenoot, woordvoerder.
Het is geen toeval, dat die twee mannen ter juister tijd
te zamen bracht; het is het bestuur van dien God, Die daar
zit boven het gewoel der volkeren, Die in de merkwaardigste
gebeurtenissen in de geschiedenis der wereld, meer bijzonder
in die van Zijn Rijk, de rechte mannen weet te verwekken
en weet samen te brengen, opdat zij, elkander aanvullende,
des te meer de volvoering van Zijn raadsbesluiten zouden
kunnen dienen. Ja, wij mogen dien God wel danken voor
-ocr page 12-
— i6o —
dezen man, dien Hij aan Nederland ter rechter tijd heeft
geschonken.
En wij doen wèl diens nagedachtenis in eere te houden.
Het doet niets af van den stralenkrans, waarmede voor ons
het hoofd van den grooten Vader des Vaderlands omgeven
blijft! Oranje blijft er even groot om, al erkennen wij, wat
deze trouwens zeer gaarne toestemmen zou, dat hij zonder
Marnix nimmer geworden zou zijn wat hij geworden is, dat
hij in vele opzichten zijn gelijke, ja, in sommige zelfs zijn
meerdere is geweest.
Wij hebben ons voorgesteld u eerst een blik te laten
werpen op den persoon en het veelbewogen leven van dezen
waarlijk grooten man. Vervolgens meer op zijn letter-
kundigen arbeid in \'t algemeen,
waarin zijn groote geestes-
gaven derwijze uitblinken, dat een geleerde als Dr. Fruin
terecht van hem zegt, dat hij zijn tijdgenooten wel twee
eeuwen vooruit was. In de derde plaats wenschen wij u
eenigszins bekend te maken met dat boek, dat in allen
deele merkwaardig is en, ofschoon over deszelfs inhoud
natuurlijk verschillend kan wórden gedacht, vooral uit letter-
kundig oogpunt Marnix\' meesterwerk kan worden genoemd.
Wij bedoelen: de Bièncorff der H. R. Kerke.
Laat mij beginnen met te zeggen, dat wij slechts met
een overzicht van Marnix\' leven moeten volstaan, zullen wij
door grooter uitvoerigheid ons bestek niet te buiten gaan. Lief-
hebbers voor historisch onderzoek verwijzen wij gaarne naar
de Marnix-literatuur, waaraan ook wij de bouwstoffen voor
deze schets ontleenden. Het zijn voornamelijk de werken van
Broes, Quinet, Juste, Dr. Fruins „Tien Jaren" en Ten Have;
en wat meer bijzonder Marnix\' werken betreft, de uitgave,
ons bezorgd door den geleerden Dr. J. J. Van Toorenenbergen.
Het leven van onzen held is gevoeglijk in drie tijd-
-ocr page 13-
- iói -
perken te verdeelen. In het jaar 1538 geboren te Brussel uit
een der aanzienlijkste families des lands, eindigde hij zijn
veelbewogen leven in het jaar 1598, dus op 60-jarigen leeftijd.
Het eerste tijdperk van zijn leven gaat tot het jaar 1572.
Het omvat zijn vroegste jeugd, zijne eerste opleiding en
zijn aanvankelijk optreden in de rij van hen, die, zelf
gewonnen voor het zuivere Evangelie van Jezus Christus,
door de Hervorming weer in eere gekomen, aan den feilen
tegenstand en de verdrukking om des geloofs wille in Godes
kracht het hoofd durfden bieden. Het tweede tijdperk, dat
meer zijn politieke loopbaan omvat in den dienst en aan de
zijde van onzen Prins Willem van Oranje, loopt tot het
jaar 1585. Het laatste of derde tijdvak omvat het meer stille
gedeelte zijns levens, ofschoon dat niet minder rijk was aan
gezegenden arbeid ten behoeve van Vaderland en Kerk,
waaraan alleen de dood een einde kon maken. Rust heeft
hij hier aan deze zijde niet of bijna niet gekend. Hij begeerde
die ook niet, blijkens zijne bekende levensspreuk: „Repos
ailleurs" (de rust elders), waaraan hij steeds getrouw is
gebleven, totdat hij die, op \'s Heeren tijd, vond daar, waar die
is weggelegd en bewaard wordt voor al het volk van God.
Het geslacht der Aldegondes was oorspronkelijk afkom-
stig uit Savoye, van waar Filips\' grootvader de landvoogdes
Margaretha van Oostenrijk als schatmeester naar de Neder-
landen was gevolgd. Marnix\' vader heette Jacques van
Marnix, zijne moeder Marie de Hamericourt, die nevens
onzen Filips en behalve twee dochters, Isabella en Helena
Maria, nóg een zoon hadden, den later, ook zoo uitnemenden,
doch, helaas! in den strijd voor het Vaderland zoo vroeg
gesneuvelden, Jan van Marnix, heer van Toulouse.
Ofschoon dus van vreemden oorsprong, kon Filips van
Marnix zelf allerminst een vreemdeling in de Nederlanden ge-
noemd worden, gelijk hij er dan ook trotsch op was te kunnen
-ocr page 14-
— IÓ2 —
zeggen: „Je suis né de père et de mère de ces Pays-Bas"
(van vaders- en moeders-zijde ben ik een geboren Nederlander).
Gelijk van vele voorloopers van de Kerkhervorming
en van vele Kerkhervormers zelven, is ook van Filips\'
vroegste jeugd weinig bekend. Dit weten wij slechts, dat
hij, na eenigen tijd de hoogeschool te Leuven bezocht te
hebben, gelijk de meeste jongelieden van zijn stand in dien
tijd, met zijn broeder ook de hoogeschool van Genève
heeft bezocht, en wel juist in den tijd, toen daar de groote
Calvijn en zijn voortreffelijke ambtgenoot Beza hun licht, of
liever het licht des gezuiverden Woords, heerlijk lieten schijnen
op het erf der wetenschappen, vooral op dat der Godgeleerdheid.
Het verblijf te Genève heeft dan ook, blijkens de latere
geschriften van Marnix, rijke vruchten gedragen. In ver-
schillende wetenschappen, maar vooral in die der Godgeleerd-
heid, wisten zich de beide broeders zeer te bekwamen.
Van huis uit trouwe zonen der dwalende moederkerk,
werden zij te Genève het eerst bekend met de beginselen
der Hervorming. Zij leerden daar de H. Schrift kennen en
aan de hand van Calvijn en Beza onderzoeken, en de Heere
God opende hun de oogen en het hart om acht te geven
op de waarheid des Evangelies, die zij daarna met hart en
ziel leerden omhelzen.
Van toen af schaarden zich de jeugdige broeders aan
de zijde van hen, die om het geloof verdrukt en vervolgd
werden. Van zijn jongelingsjaren af, zoo zeide Filips later,
had hij den godsdienst omhelsd, die toen reeds in deze
provinciën te vuur en te zwaard vervolgd werd. Dat dit de
besliste keuze des harten was, blijkt uit hetgeen wij vermeld
vonden aangaande een gesprek, gevoerd tusschen Filips en
zijn „vaderlijken vriend" Beza.
„Jonge vriend," zoo sprak Beza te Genève hem eens
toe, „gij staat aan den ingang van het leven! Dat leven
-ocr page 15-
- i63 -
schijnt u een lusthof, waarin de schoonste bloemen u
toelachen, en gij hebt ze voor \'t plukken. Maar gij weet
ook, dat rozen dorens hebben. Gij hebt geleerd, dat geen
lauwerkrans zonder strijd, geen kroon zonder kruis verkregen
wordt. Gij zult, hoop ik, nog lang hier toeven, maar dan
roept u het leven, de strijd voor de Kerk, voor het land,
en dan wordt het de vraag, wien gij gehoorzamen zult, voor
wien gij de knie zult buigen."
Filips staat op, met van geestdrift gloeiend oog, en roept
met vaste stem: „Door Gods genade ja, Hem wil ik dienen,
Hem alleen, Hem met al mijn kracht. Strijden wil ik voor
Zijn Woord, het zuivere woord des levens. Lijden wil ik met
de arme schapen Christi en sterven zal ik desnoods, zijnde
met mijn Heiland." Weinig vermoedde de jeugdige Marnix,
dat die woorden te gelijk een profetie en het program
bevatten van wat onder hooger bestuur zijn gansche leven
wezen zou. In die vroege besliste levenskeuze lag dan ook
het geheim van den invloed, dien Marnix met zijne groote
gaven van verstand en hart op zijn tijdgenooten zou uitoefenen.
Vóór hij nu evenwel op het onrustig tooneel van den
strijd om velerlei belangen zou optreden, moest hij nog een
wijle in de stilte geleid.
Zes jaren lang, van zijn terugkeer van Genève tot den
aanvang van de onlusten in de Nederlanden, bleef hij zich
onder het kruis der vervolging schuilhouden, onderwijl zich
blijvende oefenen in al die wetenschappen, die hem later
zoozeer te pas zouden komen. En die zes jaren hebben
den jongen Marnix goed gedaan. Wat in hem leefde, zou
stormen te verduren hebben. Vandaar, dat zijn geloof wèl
geoefend, zijn kennis wèl rijk en diep mocht worden, opdat
hij straks als een rots in het midden der baren zou kunnen
staande blijven.
Inmiddels had hij in Vlaanderen de even vrome als
-ocr page 16-
— 164 —
beminnelijke jonkvrouw Philippotte de Bailleul leeren kennen,
die ook met hart en ziel de zaak der Hervorming was
toegedaan en straks aan de zijde van Marnix bereid was
om ter wille van het geloof alles te lijden, een jarenlange
ballingschap in den vreemde en de berooving hunner
goederen, welke zij evenwel met blijdschap konden aanzien,
achtende de versmaadheid van Christus meerder rijkdom
te zijn dan de schatten der wereld.
In het jaar 1565 zien wij Marnix door den nood der
tijden meer op den voorgrond gedrongen, en van dat
oogenblik is er in de Nederlanden geen gebeurtenis van
eenige beteekenis, waarbij hij niet betrokken is, zoowel op
staatkundig als op kerkelijk terrein. Het was in dit jaar, dat
Filips van Spanje zich voornam om met geweld aan den
voortgang der Hervorming in de Nederlanden paal en perk
te stellen en de uitvoering zijner strenge Plakkaten bracht
heelwat onrust en ellende in deze landen teweeg.
Marnix wordt nu uit zijn schuilhoek gedreven. In zijne
woning althans vinden wij in 1566 eenige edelen te zaam
gekomen om den toestand van land en volk te bespreken,
\'t Was op aandringen van Marnix, dat daar de grond gelegd
werd van het Verbond der Edelen en het smeekschrift
werd opgesteld, dat weldra aan de landvoogdes zou worden
aangeboden. Tegelijkertijd sloot hij, de edelman, zich aan
bij het geloovige volk door zitting te nemen in en deel te
nemen aan de verschillende synoden, waarvan hij spoedig de
ziel en de welsprekende leider was. Toen het later evenwel
bleek, dat het bij het grootste deel der edelen en onderteeke-
naars van het Smeekschrift niet om de geestelijke goederen,
maar allereerst om het behoud van hun aardsche goederen
ging, bleef Marnix staan, hoe velen hem ook afvielen.
Maar het optreden der edelen had bij het zwaar
verdrukte volk reeds den moed verlevendigd. Uit hunne
-ocr page 17-
- i65 -
schuilplaatsen kwamen zij te voorschijn en vereenigden zij
zich tot openbaar gebed en prediking in het open veld, waar
zij zich verdrongen om de mannen, die hunne zielen trachtten
te voeden en te sterken met het ware levensbrood, het
Woord van God. Zoo werd de „hagepreek" geboren. Marnix
schaamde zich niet met het eenvoudige volk daarheen op te
trekken en de vaak vervolgde hagepreekers onder zijn eigen
dak te herbergen op gevaar voor zijn leven.
Uit de hagepreek ontstond de beeldenstorm, het ver-
nielen n.1. van de beelden in de Roomsche kerken, in de
Zuidelijke Nederlanden begonnen en weldra naar elders over-
slaande. Met hamer en houweel werden de beelden en kerk-
sieraden neergeworpen onder het aanheffen van Datheens lied:
Onze Godt woont in den hemel voorwaar,
Hij maakt en doet alles in \'t openbaar,
Wat Hij wil in de landen.
Maar aller heidenen afgoden zijn
Niet dan goud en zilver, gelouterd fijn,
Werken der menschenhanden.
Marnix deed aan den beeldenstorm niet mee. Toch
verdedigde hij dezen als niet het werk van „een dollen hoop,
die zelfs niet een Vader — ons kon bidden." Men moge
dit jammer vinden, maar wie zich op het standpunt dier
zwaar verdrukte Calvinisten stellen kan, oordeelt zeker een
zacht oordeel over hen, en kan, wat zij in godsdienstigen
ijver deden, zoo niet goedkeuren, dan toch zeker met ons
voldoende verklaren, ja, tot op zekere hoogte zelfs verschoonen.
Intusschen had die beeldenstorm schrikkelijke gevolgen.
De woede van den koning van Spanje steeg er door ten
toppunt en hij zond naar ons land Alva, afgrijselijker nage-
dachtenis! Dat spelde groote onheilen en vermeerdering van
rampen en bloedstorting. Wie maar eenigszins kon, verliet den
vaderlandschen grond. Ook Marnix trok heen, niet uit vrees,
-ocr page 18-
- i66 -
maar om des te beter de zaak zijner achtergebleven broeders
te kunnen bevorderen, waarvan hij ook geen oogenblik gerust
heeft. Hij trok naar den vreemde met zijne vrome vrouw,
terwijl aï zijne goederen spoedig door Al va verbeurd ver-
klaard werden.
Vijf jaren van ballingschap volgden nu. Marnix vond
gelukkig aanstonds een veilig toevluchtsoord in het stadje
Emden, in Oost-Friesland, „die herberghe van Gods ver-
drukte en verdreven gemeente," die
Als een moeder in haar schoot
Ballingen verborg in nood;
Hollands toevlucht, Brabants schuil,
waar zoo menig omzwervende geloofsgenoot vriendelijke
handen en harten bereid vond om hulpe te bieden. Daar
toefde hij geruimen tijd en leefde daar weldra als in het
midden zijns volks, het onderwijzende en leerende in de
dingen van Gods Woord. En hij gedacht daar ook, blijkens
menig troostschrift, dat toen van hem uitging, zijn broeders
en zusters in de verstrooiing.
Gewichtige oorzaken riepen hem evenwel zijn geliefd
Emden te verlaten. Frederik de Derde, de vrome keurvorst
van de Paltz, riep hem naar Heidelberg en stelde hem tot
hoofd en raad zijner kerkelijke zaken aan. Daar vooral riep
de zaak des Vaderlands en de zorg voor de buitenlandsche
gemeenten den rusteloozen en onvermoeiden man tot drukke
bezigheden.
Het is in dezen tijd en op een zijner reizen, die hij deed,
dat hij in aanraking kwam met den man, met wien hij voortaan
niet alleen de Kerk, maar ook het Vaderland bijzondere
diensten zou bewijzen. Waar en wanneer ligt in het duister.
Marnix ontmoette Oranje, Aaron zijn Mozes en Mozes zijn
Aaron, die zich samen zouden opmaken om ter wille van
een zwaar verdrukte natie den Spaanschen Farao tegen te
-ocr page 19-
— 167 —
staan. Willem en Marnix hadden elkander wellicht voorheen
wel meermalen ontmoet, doch de inzichten van den reeds
vroeg overtuigden Marnix en den nog weifelenden Prins
liepen te veel uiteen, om reeds toen een innigen band te
doen ontstaan. Thans bracht het lijden en de ballingschap
die twee groote mannen te zamen en vereenigde hen door
een innigen vriendschapsband, die, helaas! te vroeg, naar wij
zouden zeggen, door den wreeden dood verbroken werd.
De scherpziende Prins van Oranje, die terecht in Marnix
iemand zag, van wiens rijke gaven de zaak, die ook hem het
naast aan het hart was komen te liggen, groot voordeel zou
kunnen hebben, verzocht aan den Keurvorst van de Paltz,
hem Marnix te willen afstaan. Deze stemde daarin toe en
zoo werd Marnix van nu af aan \'s Prinsen raadgever en
voornaamste dienaar, ja, allengs meer zijn grootste vertrouwe-
ling en boezemvriend. In al het lief, maar ook in al het leed,
dat over Oranje kwam, nam hij hartelijk deel. Nergens
blijkt dit meer uit dan uit dat lied, waarin hij de diepste
tonen van zijn geloovig, maar ook echt vaderlands- en
Oranjelievend hart laat weerklinken, het bekende en geliefde
„Wilhelmus van Nassouwe," dat immers nog steeds natrilt in
onze harten.
Luide weerklinke dat aloude lied steeds op al onze
nationale feestdagen langs Neêrlands beemden en velden als
het Nederlandsche Volkslied! En als wij daarmede telkens
Gode dank zeggen en Oranje hulde brengen, vergeten we dan
ook den man niet, die, al ware het alleen door dit lied, (maar
er is zooveel meer!) zichzelven tot in verre nageslachten
onsterflijken roem heeft verworven.
Zoo had God twee mannen samengebracht, die elkander
verstonden. Oranje was de man van invloed; op hem had
geheel Nederland het oog geslagen; van hem, naast God,
verwachtte men uitkomst.
-ocr page 20-
- i68 -
Nevens hem stond Marnix. Wie zal zeggen hoe groot
de invloed geweest is van dezen godvruchtigen Calvinist,
dezen geoefenden Christen, dezen geloofsheld, op de gods-
dienstige overtuiging van Oranje? Aan diens hand heeft
Marnix gewerkt, in gezelschap van hem en in samenwerking
met hem zou hij nu voor de verlossing des Vaderlands
en den voortgang van de zuivere Evangelieleer leven.
Met raad en daad was hij overal en ten allen tijde de steun
van Oranje.
Na de blijde tijding, dat Den Briel de zijde des Prinsen
had gekozen, kwamen beiden, Marnix en Oranje, in het
geliefde Vaderland terug. Overal, waar de belangen des
Vaderlands het eischten, was Marnix bereid om er voor op te
treden. Zoo was hij \'s Prinsen afgevaardigde op de eerste vrije
vergadering der Staten, in 1572 te Dordrecht gehouden,
waar hij, na een vurige vaderlandslievende redevoering, van
de Staten krachtigen steun voor het Vaderland en den Prins
verwierf. Belangrijke zendingen naar Engeland en Frankrijk,
naar Duitschland en tot naar Polen toe worden Marnix
opgedragen en door hem trouw volbracht.
Onvoorziene omstandigheden brachten hem evenwel
voor een tijd uit de grootste bedrijvigheid in de grootste
stilte. In 1573 door den Prins belast met het bestuur van
Delftland, waarheen de Spanjaarden zich na de nederlaag
voor Alkmaar hadden teruggetrokken, moest hij zich vooral
wijden aan de versterking van de Maaslandsluis, welke
de Prins, met het oog op eene mogelijke onderwater-zetting
van Delftland, behouden wilde.
Onverwachts door den vijand overvallen, viel hij in
zijn handen. Hij werd als een gevangene eerst naar Den
Haag, later naar het Slot Vredenburg te Utrecht gevoerd.
Geen wonder, dat de Spanjaarden zich verblijdden, een
goede vangst te hebben gedaan! Den Prins was zijn rechter-
-ocr page 21-
— 169 —
hand, het Vaderland een krachtige steun ontvallen. Doch
de vijand juichte te vroeg. Hoe gelukkig voor Marnix en
voor allen, die hem liefhadden, dat de graaf van Bossu,
Alva\'s gunsteling, in de handen der onzen was gevallen!
De Prins, die zeer droevig gestemd was, liet den Span-
jaarden weten, dat hij den graaf van Bossu „een alsulcken
tractement zoude doen, als hij zou verhooren, dat den Heer
van Aldegonde gedaan werd." Voorshands was daardoor het
leven van Marnix veilig. Zijn toestand was evenwel verre
van benijdenswaardig. Maanden lang bracht hij in gedurige
spanning door, voortdurend zijne ziel Gode aanbevelende,
daar hij ieder oogenblik zijn doodvonnis verwachtte.
Voor een tijd viel nu een geest van diepe neerslachtig-
heid over Marnix. Hij liet zich daarin woorden ontvallen,
die den Spanjaarden deden vermoeden, dat hij den
krijg moede en begeerig was naar een eervollen
vrede. In dien geest schreef hij althans brieven aan den
Prins, ja, bezocht hij zelfs onder geleide den Prins te
Rotterdam, om dezen tot onderwerping te bewegen. Deze
stemming van Marnix, waaraan de Prins geen voet gaf,
maar waaruit hij hem door bemoediging en opbeuring zocht
te redden, ontsiert Marnix niet in ons oog. Want hoe groot
een held, hij was een mensch, die, evenals weleer een
Johannes de Dooper, geen oogenblik twijfelde aan het
rechtvaardige van de zaak, waarvoor hij leed en streed,
maar nochtans wel in twijfel kon\'verkeeren aangaande het
donkere Godsbestuur en de mogelijkheid der overwinning.
De zaak prijsgeven, waarvoor reeds zooveel bloed gevallen
was, dat kon een Oranje evenwel niet, en hij betuigde
Marnix daarom met ernst, dat men wel over hen mocht
loopen, indien de zaak van de Kerke Gods en van het
Vaderland er maar door bevorderd werd.
Gelukkig, dat er een God daarboven leeft, Die ook
-ocr page 22-
— 170 —
over Marnix waakte en Die het zoo beschikte, dat de Span-
jaarden, ofschoon tegen hun zin, hun gevangene weder
loslieten. En — wondere wegen der Goddelijke Voorzienig-
heid! — ook hier bleek, dat wat slechts schade scheen,
winst was geweest. Niet alleen, dat Marnix na al de
stormen in zijne ziel gelouterd en beproefd uit zijn kerker
kwam, maar den tijd zijner gedwongen rust had hij, de
bezige man, besteed om dat werk tot stand te brengen,
dat nog de grootste bewondering wekt, nl. zijne keurige
berijming van de Psalmen.
Met zijne bevrijding uit de gevangenis kreeg Marnix
aan de zijde van Willem, wiens vertrouwen in zijn vriend
door niets was geschokt, weder arbeid te over. De jaren,
die nu volgden, vorderden evenwel de inspanning van alle
krachten. Vooral aan de tot-stand-koming van de Pacificatie
van Gent in den jare 1576 heeft Marnix krachtig medegewerkt.
De oorspronkelijke akte, in het Rijks-archief bewaard, prijkt
met de in het oog vallende handteekening van den man, in
wiens ruim hart plaats was voor iets, dat te dien dage nog
veelal weinig gekend werd, n.1. verdraagzaamheid. Juist
hieruit blijkt zoo duidelijk, dat bij den vurigen ijver, waarmede
Marnix gekant stond tegen de Roomsche Kerk en hare leer-
stellingen, hij den Roomschen zelven gaarne dezelfde vrijheid
gunde, waarop hij en zijne geloofsgenooten prijs stelden. De
Pacificatie van Gent, waarbij aan de Roomschen vrijheid
van godsdienst werd toegestaan, en waarin Marnix de
voornaamste hand had, is alléén reeds in staat om Marnix
te zuiveren van de blaam, dat hij een onruststoker was,
en op zijn beurt een kettervervolger.
Dat werk nu van wijze gematigdheid, waarin Marnix
getoond heeft alleen vrijheid van godsdienst te zoeken, en
geen heerschende Kerk, was nauwelijks tot stand gekomen,
of Don Jan van Oostenrijk kwam om met list en geweld
-ocr page 23-
- i7i -
het plan der overheersching van deze landen, hetwelk
Filips van Spanje, zijn meester, niet liet varen, uit te voeren.
Het scherpzinnig oog van den Prins zag het gevaar, vóór
dat iemand het zag, en dit was voor zijn trouwen dienaar
genoeg om hem tot rustelooze werkzaamheid aan te sporen.
Hoe is het mogelijk — zoo moeten wij uitroepen — dat één
man zulke onderscheiden en belangrijke zaken heeft kunnen
bewerken! Geen wonder, dat hij een enkelen keer den Prins
verzocht om hem uit zijn dienst te willen ontslaan, op welk
verzoek hij evenwel terugkwam, nadat de Prins hem betuigd
had, dat hij hem nu nog niet missen kon.
Eerst na de treurige ervaring van den, mede op Marnix\'
aanraden, ingeroepen Hertog van Anjou (denk aan de
Fransche furie!) verkreeg hij de vrijheid van den Prins
om zich voor een tijd terug te trekken op zijn, hem nu
weer in handen gevallen, landgoed te West-Souburg, op
het eiland Walcheren. Daar genoot hij een wijle de genoegens
van het stille, landelijke leven te midden der zijnen.
Maar ook deze rust was weer van korten duur. Nauwelijks
hersteld van eene ernstige ziekte, die zijn krachtig gestel
scheen te zullen ondermijnen, werd Marnix\' hulp weer door
den Prins begeerd. Antwerpen, de sleutel van de Zuidelijke
Nederlanden, was in gevaar van in de handen der Span-
jaarden te vallen. De toestand dier stad was allertreurigst.
Er heerschte volslagen regeeringloosheid, en innerlijk verdeeld,
als ze was, kon ze den vijand niet lang weerstand bieden.
Marnix aanvaardde nu het burgemeesterschap over die stad,
eene betrekking, voor een edelman als Marnix eigenlijk te
gering, maar door hem met lust en ijver aanvaard. Doch
daarvan vooral heeft Marnix weinig genoegen gehad.
Vóór zijn vertrek naar Antwerpen bezocht hij Delft nog.
De Prins wilde vooral ook zijn boezemvriend tegenwoordig
zien bij de doopplechtigheid van zijnen zoon Frederik
-ocr page 24-
— 172 —
Hendrik. Het was nauwelijks een maand vóór den nood-
lottigen ioden Juli, waarop de geliefde Prins door sluipmoord
viel. I Iet waren onvergetelijke uren, die de beide vrienden
daar doorbrachten, \'t Was of de Prins er een voorgevoel
van had, dat zij elkander voor \'t laatst ontmoetten. Zij hadden
daar nog langdurige samensprekingen over den toestand des
lands. Oranje legde voor zijn vriend zijn gansche hart bloot.
Ook de belangen van Antwerpen werden toen nog druk
besproken. Gelukkig, dat den Prins door den gewelddadigen
dood, dien hij sterven moest, ten minste de smart bespaard
werd van te moeten zien, dat, ondanks Marnix\' krachtige
inspanning en wijs beleid, de slimme Parma over Antwerpen
zegevierde, en dat een ondankbaar volk, dat bij alle neder-
lagen naar een zondenbok zoekt, dezen meende te vinden in
niemand minder dan Marnix, die aan Vader Willems zijde
zijn beste krachten reeds had verteerd in den strijd voor
godsdienst en Vaderland. Zóó is vaak het lot der braven en
dapperen geweest! Men heeft het Marnix zeer kwalijk ge-
nomen, dat hij Antwerpen heeft overgegeven in de hand der
vijanden. Doch in een schitterend pleidooi heeft hij deze hem
aangewreven smet volkomen afgewasschen. Want liever dan
in den ongelijken strijd te volharden en de bevolking van
Antwerpen aan den hongerdood prijs te geven (er bleek
den dag na de overgave niet één brood in de stad meer
aanwezig te zijn!), wilde hij redden wat te redden viel, en
bewees hij, wat van een man van zoo heldere overtuiging
en Christelijk geloof verwacht kon worden, n.1. te kunnen
overwinnen, maar óók te kunnen vallen met eere. Daarom
deerden hem wel de lastertaal en de beschuldigingen, hem
naar het hoofd geworpen, en droeg hij er zeer veel leed
over, dat de Staten van Holland hem zelfs den toegang tot
hunne vergadering verboden. Het was Marnix een zwaar
kruis, dat hij evenwel steeds meer met Christelijk geduld
-ocr page 25-
- 173 -
en onderwerping leerde dragen. Ware de Prins nog in leven
geweest, die zou het wel aanstonds voor den verongelijkte
hebben opgenomen. Doch de Prins was niet meer. Zoo zag
hij dan in alles een wenk van Boven, om de verdediging
des Vaderlands met het zwaard aan andere handen over
te laten en om nu voortaan in stilte daarvoor te blijven
doen wat hij kon, indien dan niet met het zwaard, dan
zooveel te meer met zijn pen.
Hiermede begint het derde tijdperk van Marnix\' veelbe-
wogen leven, waarover wij hetkortst kunnen handelen, aangezien
het, ofschoon rijk aan schriftelijken arbeid, zich minder en alleen
bij uitzondering op het publieke terrein van den Staat bewoog.
Wij vinden hem daarin geruimen tijd op zijn
geliefd landgoed te West-Souburg, waar hij eerst in stilte
leefde, terwijl hij later, nadat de oude achting en eerbied
bij de Staten en het volk was weergekeerd, weer in het
openbaar optrad. Dezelfde Staten, die hem eenmaal hun
rechtsgebied hadden ontzegd, hebben hem weldra weer
vrij toegelaten, ja, hem zelfs een behoorlijk jaargeld verzekerd.
Gedurende twaalf jaren nog washij hun raadgever, de deelgenoot
van al hun geheimen en beraadslagingen, en reeds daardoor
hebben zij hemzelven van al de hem ten laste gelegde beschuldi-
gingen vrijgesproken. Ja, de Heere richtte Zelf zijne twistzaak,
en alzoo is ook aan dezen Zijnen dienstknecht heerlijk vervuld:
„Die zijn weg wèl aanstelt, zal Ik Mijn heil doen zien."
Dat deze bittere ervaring niet zonder invloed bleef op zijn
gestel, is niet te verwonderen, te meer, daar hem nogmaals
huiselijk leed wedervoer, nu hij getroffen werd door het
verlies van zijne geliefde vrouw, Katharina van Eekeren,
met wie hij na den dood van Philippotte de Bailleul
een tweeden echt had aangegaan. Toch werd de rust
zijner ziel onder dat alles recht heerlijk bevorderd.
-ocr page 26-
- 174 -
Nooit had hij zijn God zoo nabij zich gevoeld als sinds Hij
hem lijden toezond, en hij kon er dan ook van getuigen, dat
de druk hem eer goed dan kwaad gedaan had. Evenwel
werd zijn dienst nog meer dan eenmaal voor het Vaderland
begeerd en nooit heeft hij dien geweigerd.
Zijn laatste werk was nog een heiligen liefdeplicht te
vervullen aan zijn overleden vriend, door voor zijne zonen
in het Prinsdom Oranje de oude rechten der Oranjes te gaan
verdedigen. Het is aan zijne bemoeienissen te danken, dat
dit zoo wel gelukt is. Toen is evenwel de kiem gelegd dier
ziekte, die langzaam, maar zeker, zijn krachtig gestel onder-
mijnde. Hij arbeidde echter tot het laatste toe. Het groote
werk, dat hij op verzoek der Staten bij het einde zijns levens
nog aanvaardde, n.1. een nieuwe vertaling van den Bijbel,
heeft de dood hem verhinderd te voleindigen.
Den i5den Dec. 1598 ging de mare door het land: „Marnix
is niet meer!" God had hem afgeroepen van zijn post. Zeven
dagen later werd zijn overschot te Leiden, waar hij gestorven
was, begraven en later werd het naar Souburg vervoerd en
aldaar op de eenvoudige dorpsbegraafplaats ter ruste gelegd.
Aldaar is in 1872 door zijne dankbare vereerders een zuil der
eere opgericht met het eenvoudig opschrift: „Aan Marnix."
Voorwaar, een leven zóó rijk kon niet zonder invloed
blijven, en zeker is het, dat wij, Nederlanders, nu nog met
gejuich de vruchten maaien van godsdienstige en staatkundige
vrijheid, waarvoor een Marnix onder tranen heeft gezaaid.
Wij hebben het naast God aan de edele toewijding en het
krachtig geloof van een Willem van Oranje, maar niet
minder aan een Marnix te danken, dat Nederland is geworden
een vrije, onafhankelijke, Christelijke, Protestantsche natie.
Ja, vriend en vijand moet getuigen: in Marnix is een groot
figuur op het wereldtooneel verschenen, eene ster van de
eerste grootte, en wij, die ons beroemen te behooren tot
-ocr page 27-
- 175 -
het „issus de Calvin" in den gezonden zin des woords,
betuigen daarbij met dank aan den God der trouwe en des
verbonds — voor ons is hij meer!
Indien het ook van eenig mensch kan gezegd worden,
dan geldt het wel van Marnix: dat hij was een profeet,
machtig door woorden en door werken. Door zijn vrijmoedig
partij-kiezen vóór en krachtige medewerking aan de vrij-
making van ons volk van de dienstbaarheid aan Spanje en
aan de Roomsche Kerk, heeft hij aan ons Vaderland de
grootste diensten bewezen.
Niet het minst heeft hij dat ook gedaan door de reeks
van geschriften, die van hem zijn uitgegaan en waartoe hij
bij al zijn werkzaamheden nog tijd en gelegenheid vond.
Hij bezat er alle bekwaamheden voor. Hem stond daarbij
een geleerdheid ten dienste, die nog heden verbazing wekken
moet, eene kennis, eene scherpzinnigheid, eene gemakkelijk-
heid om zijne gedachten onder woorden te brengen, van
dien aard, dat Marnix\' geschriften, afgezien van hun gods-
dienstigen inhoud, de beoefenaars van de Nederlandsche
letterkunde bijna eenparig doen getuigen, dat hij alle schrijvers
zijner eeuw verre vooruit was, ja, dat hem onder hen de
eerste plaats moet worden toegekend. En dan al die gaven
gesteld in den dienst van God, van het Vaderland en van
eene onwrikbare geloofsovertuiging! Dit kan van hem gezegd,
dat hij de zaak van de vrijheid en den zuiveren godsdienst
misschien nog meer met de pen dan met het zwaard heeft
bevorderd. Zijn leven lang heeft hij den tijd uitgewoekerd,
om door zijne talrijke geschriften de hoogste belangen der
menschheid te bevorderen, in de moeite en de smart der
ballingschap, onder het loeien van de stormen en het donderen
van het geschut, en zelfs in de gevangenis; en dat terwijl
-ocr page 28-
— 176 —
de miskenning zijner landgenooten langen tijd als het ware
zijn dagelijksch brood was! Ja, Marnix\' geschriften hebben
op den gang der zaken in de 16de eeuw een onberekenbaren
invloed gehad. Bij de groote beweging der geesten van de
16de eeuw was Marnix de man, van God uitverkoren om
den nieuwen tijd, die aanbrak, te leiden in het rechte spoor
van gezuiverde waarheid en oprechte godzaligheid. Die ge-
schriften zijn de rijke bron, waaruit wij niet alleen Marnix\'
leven en streven, maar ook de worsteling zijns tijds kunnen
leeren kennen. In zijne geschriften leeft hijzelf voor onze oogen,
en ook al, wat zijn tijd kenmerkends heeft. Deze eigenschap
geeft aan Marnix\' geschriften eene bijzondere aantrekkelijkheid,
en het is geen wonder, dat zij bij hun verschijnen een diepen
indruk maakten. Welk een zegen, dat God juist in dien tijd en
ten behoeve van onze Vaderen zulk een man verwekte, en hem
die bijzondere gaven deed gebruiken in den dienst Zijner Kerk!
Een algemeen overzicht ga vooraf aan de beschouwing
van een geschrift, dat wij Marnix\' meesterwerk noemden.
Natuurlijk stippen wij slechts aan.
In de eerste plaats komt hier dan in aanmerking een
geschrift, getiteld: „Van de beelden, afgeworpen in de Neder-
landen in Aug. ij66."
Dat geschrift teekent den moed van
Marnix. In 1566 den beeldenstorm in een openbaar geschrift
te verdedigen, was zeker een hachelijke onderneming, wanneer
de verdediger als met den vinger was aan te wijzen! Was
Alva niet op de komst? Doch het was Marnix eene behoefte
om het Gereformeerde volk te zuiveren van de blaam, dat
het uit boos opzet tot dien beeldenstorm was overgegaan
en niet uit een innerlijken afkeer van alles, wat het achtte
met den gezuiverden godsdienst in strijd te zijn. Hij nam
het vooral op voor de Hervormde leeraars, die beschuldigd
werden den dollen hoop tot dat vernielen der beelden te hebben
aangespoord, wat onwaar was.
-ocr page 29-
- 177 ~
Nog nadrukkelijker nam» hij hunne verdediging op
zich in een volgend geschrift, dat zich zeer nauw aan
het eerste aansluit en eene voortreffelijke verdediging van
de Protestanten bevat, die men niet zonder aandoening
lezen kan. Vooral ontzegt hij den Roomschen het recht om
zoo toornig over het afwerpen hunner beelden te zijn. Hij
doet dit zeer snedig, o.a. met een beroep op de geschiedenis,
welke vermeldt, dat ten tijde van Keizer Juliaan in de
hoofdstad van Phrygië, toen de tempels der heidenen open-
gesteld werden, al de beelden daarin zijn ter neer geworpen
door de Christenen, welke daarom niet alleen niet gedood
zijn, maar zelfs niet voor beeldstormers zijn uitgemaakt, doch
integendeel voor vrome martelaren van Christus Jezus werden
gehouden. Natuurlijk heeft de tijd ook verandering gebracht
in de denkbeelden van het nageslacht met betrekking tot
den strijd voor godsdienstige overtuigingen. De zeker betere
opvatting van den geestelijken aard van den godsdienst,
waarmede geen gebruik van gewelddadige middelen bestaan-
baar is, heeft te dien aanzien het oordeel over den beeldenstorm
ook gewijzigd. Als wij Marnix\' verdediging gelezen hebben,
dan kunnen wij echter geen steenen meer werpen naar die
beeldstormers, die in hun heiligste overtuigingen reeds zoolang
waren gekrenkt en daarvoor reeds zooveel hadden geleden.
Wij hebben wat daar verkeerds in gemengd was niet af
te wisschen, maar wat wij van Marnix leeren, is de voor-
stelling afwijzen, dat de beeldenstorm de uitvoering is geweest
van een te voren beraamd plan. Het was veel meer een
reformatorische geloofsijver, die hart en hand bewoog in
die dagen, soms tot te ruw, maar tot op zekere hoogte licht
te verschoonen, geweld!
Gelijk wij reeds mededeelden, week Marnix in het jaar
1567 naar Duitschland. Ruim een jaar later (17 Aug. 1568)
werd hij bij vonnis van den Hertog van Alva uit het land
-ocr page 30-
- i78 -
gebannen met verbeurdverklaring van zijne goederen. De
tijd zijner ballingschap vooral was rijk aan kerkelijke werk-
zaamheden. Te Emden vond de balling, zooals wij zagen,
een gunstig onthaal. Hoe had „de herberghe van al Gods
volk" aan „den schrandren edelman, die \'t Papendom deed
beven" eene plaats kunnen weigeren? Wij kunnen ons voor-
stellen, hoe Marnix daar thuis raakte. Hij vond hier nog
een ander veld van werkzaamheden, waaraan wij twee
belangrijke brieven te danken hebben: „Des Heeren van
St.-Aldegondc\'s advys aangaande den twist in de Ned.-Herv.
Kerk te Londen in Engeland, Ano. ij68"
en „ Van ende aan
deselve, als voorgaande."
In het kerkelijk leven der Gerefor-
meerden was de correspondentie tusschen naburige gemeenten,
dassen en synoden en tusschen Kerken van naburige en
zelfs ver verwijderde landen een krachtig middel tot bevorde-
ring van de gemeenschap en daardoor tot ondersteuning en
bevestiging van het gansche lichaam der Kerken, die in
dezelfde belijdenis samenstemden. In de Hollandsche gemeente
te Londen nu was in 1564 een hevige strijd uitgebroken over
het gebruik van peters en meters, d.i. van getuigen bij het
doopen van kinderen. En in 1566 werd daar bovendien bij
de aankomst uit Nederland van nieuwe ballingen ook weer
een nieuwe twistappel opgeworpen over het min of meer
geoorloofde van den beeldenstorm. Toen men het daarover
niet eens kon worden, werd eene deputatie naar de verschillende
Kerken in het Buitenland gezonden, om aldaar het oordeel
dier Kerken in te winnen. Ook tot de gemeente te Emden
wendde men zich. En deze wendde zich weer tot Marnix
om haar van raad te dienen. Hij voldeed daaraan door de beide
zooeven genoemde geschriften. Deze geschriften vormen één
geheel met de beide vorigen en doen ons den vromen edelman
kennen, wiens overtuiging op deugdelijke gronden rust en
van geen wankelen weet. Hij strijdt daarbij tegen priester-
-ocr page 31-
- 179 -
*
heerschappij en bijgeloof, niet enkel om zijn vrijheid te
handhaven, maar ook om de Evangelie-waarheid tegen vriend
en vijand te verdedigen. Ja, de scherpste pijlen van zijn ironie,
zegt Van Toorenenbergen, waren geslepen op den rotssteen
eener innige overtuiging, met al de kracht, die het geloof
schenkt.
Nu zouden wij moeten wijzen op Marnix\' meesterwerk,
waarvan de opstelling ook in dit tijdperk zijner ballingschap
valt. Daaraan ga evenwel vooraf de herinnering aan iets waarom
Marnix alléén reeds waardig is door een dankbaar nageslacht
in eere te worden gehouden. Marnix is toch — wij merkten
het reeds op — de man van ons geliefd „ Wilhelmus". Zooals
wij weten, is dit vroeger en later in twijfel getrokken en is
de oorsprong van dit lied aan anderen dan aan Marnix
(bijv. aan Dirk Rafaëlszoon Coornhert) toegeschreven. Voor
wie kennis neemt van hetgeen hierover is geschreven, staat
het boven allen twijfel vast, dat Marnix de dichter er van
is. Hij, de man van vaste overtuiging, van brandende liefde
voor het Vaderland, en daarbij boezemvriend van Oranje,
kon er alléén de dichter van zijn! Welke rijke diensten heeft
hij vooral door dit lied aan Vorst en Vaderland bewezen!
Hoort gij daarin niet overal den toon aanslaan van een
waar Christelijk geloof, hetwelk God erkent, God, Die
\'s menschen betuigingen hoort en de harten proeft; Die over
nederlaag en overwinning beschikt; Die, gelijk Hij vernedert,
óók verhoogt; aan Wiens wil zich te onderwerpen het schepsel
past, en op Wiens heil de godvruchtige nimmer tevergeefs
hoopt? Hoe moet zulk een zang onzen Vaderen recht welkom
geweest zijn, toen zij in het jaar 1568 naast God hun hoop ge-
vestigd hadden op de Oranjes, maar in dezen reeds zoo zwaar
werden beproefd door den dood van Graaf Adolf, „die was ge-
bleven in Friesland in den slag." Alva\'s tirannie scheen te zullen
zegevieren. Wèlgepast kwam nu het Wilhelmuslied. Het is
-ocr page 32-
- i8o —
een troost- en bemoedigingslied, dat op God wijst, Die na het
zure het zoet geeft en niet nalaat om Zijnen David, een
wijle balling in woestijnen, op Israëls troon te zetten. Waarlijk,
Marnix deed een groot werk, toen hij in kunstelooze een-
voudigheid dat lied dichtte, want groot was daardoor de
dienst, aan Oranje en het Vaderland bewezen!
Nog op een belangrijk werk van Marnix hebben wij te
wijzen. Wij bedoelen zijn welbekende Psalmberijming, als
proeve van dichtkunst en groote taalkennis van uitnemend
belang. Prof. Fruin zegt er van: „Van al de werken, die ik
uit dien tijd heb leeren kennen, acht ik de Psalmberijming
van Marnix het waardigst om gelezen te worden." Zelfs de
letterkundige waarde kan door niemand miskend worden. Ook
in zijne Psalmberijming heeft Marnix zijne groote gaven
doen schitteren. Zij is niet het werk van een enkel jaar,
maar verscheidene jaren heeft hij daarover gedaan. Hijzelf
schrijft van dezen zijnen arbeid: „Deze is geschied eensdeels
zijnde in ballingschap, eensdeels in de gevangenis onder de
handen der vijanden, eensdeels ook onder vele andere
bekommernissen." Die Psalmen, ja, die waren voor hemzelven
een rijke schat geworden, waarin hij het leven van Gods
Kerk en te gelijk eigen lijden en strijden terugvond. Zijn
Hebreeuwsch Oude Testament had Marnix dan ook overal
bij zich om er zijn ziel mee te sterken. Dit bracht hem er
toe om dien Psalmbundel ook voor zijn medegeloovigen meer
toegankelijk te maken, en, door hem op rijm gebracht, tot
een middel te doen verstrekken voor de gemeenschappelijke
verheffing der harten door het gezang. Ofschoon vooral
deze arbeid welgeslaagd mag heeten, heeft dit werk van
Marnix, waar hij bijzondere liefde voor had, niet dien ingang
gevonden, dien het verdiende. De veel gebrekkiger Psalm-
berijming van Datheen, die Marnix vóór was geweest, heeft
zij gedurende twee eeuwen niet kunnen verdringen.
-ocr page 33-
- 181 -
Verschillende omstandigheden hebben voorzeker daartoe
medegewerkt. Het volk was nu eenmaal meer ingenomen
met den vurigen, ja soms al te vurigen Datheen dan met
den even goed overtuigden, maar edeler en veel verdraag-
zamer Marnix. \'t Hielp niets, of Huijgens al zong:
Ja dat een van Datheen, daar is de wereld sot na.
Waarom? — \'t Is \'t oudste kind en daarom goed en soet;
De vromen zijn er mee te vree in hun gemoed,
\'t Mag wezen, maar ik vrees, \'t is al te vreen op God na!
Ook de verschillende synoden, zelfs die van 1618 en \'19,
durfden het niet aan hierin verandering te brengen. Eindelijk
heeft men aan den drang naar verandering geen weerstand
meer kunnen bieden, en in de laatste Psalmberijming, onze
tegenwoordige, die van 1773 dagteekent, is de invloed van
Marnix\' berijming duidelijk merkbaar. Hoe ook toen zelfs
die verandering niet zonder droevige botsingen in het ker-
kelijk leven dier dagen heeft plaats gevonden, is misschien
welbekend. De taaie volharding, waarmede nog in enkele
streken onzes Vaderlands, vooral in het Zeeuwsche, in de
Kerken van wijlen Ds. Ledeboer, aan de Psalmberijming van
Datheen, wordt vastgehouden, is een der vele bewijzen
voor het conservatief of vasthoudend karakter van onzen
Nederlandschen volksaard. Van zijne Psalmberijming heeft
Marnix dus bij zijn leven zeker niet die voldoening gehad,
die zij wel verdiend had!
Zoo is het ook met het grootsche werk, dat hij mede
met zooveel ijver had aangevangen. In het laatst van zijn
leven werd hem namelijk door de Staten van Holland,
mede als een bewijs, dat hij het vertrouwen, dat voor een
wijle in zijn persoon geschokt was, weer had herwonnen,
opgedragen om eene nieuwe Bijbelvertaling te maken, ten
gebruike der Nederlandsche Hervormden. Met groote liefde
en nauwkeurigheid heeft hij zich aan dat werk gezet, doch
-ocr page 34-
- l82 -
hij mocht het niet verder brengen dan het boek Genesis.
De dood noodzaakte hem dit reuzenwerk af te breken. In
onze Statenvertaling zijn in genoemd boek mee de duide-
lijkste sporen zichtbaar, dat van hetgeen van Marnix aanwezig
was, goed gebruik is gemaakt.
Van groote waarde is nog een geschrift van Marnix
uit den jare 1589, uitgegeven onder den titel: „Trouwe ver-
maning aan de C/tr. gemeenten van Brabant, Vlaanderen en
Henegouwen."
Het was gericht tot de overgeblevenen ter
plaatse, waar het licht der Hervorming eens zoo helder
scheen, maar waar Rome opnieuw zijne vanen had geplant.
Het is een waar troostboekje om in geloof en godsvrucht
niet te verslappen, maar volstandig te blijven en niet te
wanhopen aan de overwinning van het rijk des lichts over
de vele machten der duisternis. „Wij zien toch (zegt Marnix),
dat wij geen zorg behoeven te hebben, dat der menschen
woedend geweld en macht de verbreiding des Koninkrijks
van Jezus Christus, den Zoon Gods, in het allerminst zal
kunnen verhinderen of terughouden."
Dat Marnix als het er op aankwam niemand ontzag,
toont niet alleen het na te melden strijdschrift tegen de
Roomsche Kerk, maar ook het geschrift, dat hij in zijn laatste
jaren nog het licht deed zien onder den titel: „Onderzoeking
en grondige weerlegginghe der geestdrijversche leer aangaende
het geschreven Woord Gods in het O. en N. Testament."
\'t Was een allermerkwaardigst geschrift, dat ons een nauw-
keurig en zaakrijk bericht levert van de gevoelens dergenen,
die in de 16de eeuw als geestdrijvers of Libertijnen bekend
stonden. Marnix heeft zich door dat boek vele vijanden
gemaakt. Kort vóór zijn dood werd daarom zelfs nog een
heftig geschrift tegen hem gericht, getiteld: „Tegengif tegen
de bloeddorstige en vergiftigde raadgevingen van Filips
van Marnix." Allerlei leelijke en onware beschuldigingen
-ocr page 35-
- i83 -
wierp de ongenoemde schrijver Marnix naar het hoofd.
Marnix, van zijn reis naar Frankrijk reeds ziekelijk terug-
gekeerd, greep naar de pen en schreef met zwakke hand
een verdedigingsgeschrift, dat even merkwaardig is als het
vorige. Het is getiteld: „Verdedigend Antwoord" Hij overziet
daarin nog eens, als Mozes, zijn geheele leven. Niet tot zelf-
verheerlijking schreef hij, maar alleen opdat de naam des Heeren
niet gelasterd zou worden. Als straks dit zijn laatste werk als in
een getrouwen spiegel het beeld van den schrijver aan zijn vrien-
den doet zien, bereikt hun de tijding, dat hijzelf is ingegaan tot de
rust,die hij niet van hier,maar van elders, had begeerd en verwacht.
Ja, nog eens: Marnix was een profeet, krachtig door
woorden en werken! Een man Gods, bestemd om het ver-
drukte volk der Geuzen te leiden op nieuwe paden op het
gebied van Kerk en Staat en het te overtuigen van en te
houden bij den grooten zegen aan, hetzelve geschonken in de
vrijheid om God naar Zijn Woord en naar de stem van het ge-
weten te dienen. Die vrijheid verdedigde hij met zwaard en pen,
en gunde hij ook aan anderen, en allen, die het er op toelegden
om deze te rooven, vonden in hem een geharnast strijder, die
zich niet liet overwinnen. Dat heeft vooral de Roomsche Kerk
ondervonden, die nooit op een wijze is bekampt geworden,
als door Marnix. Aan hem is het naast God te danken, dat in
deze landen de Hervorming, eenmaal uitgebroken, niet meer te
stuiten viel, en dat zij op dezen vaderlandschen bodem voort-
leeft en voort zal leven tot in lengte van dagen Maar Marnix
heeft ons tevens geleerd, hoe wij Rome moeten te keer gaan,
waar het ons nog wederom het juk der dienstbaarheid zou
willen opleggen. Hij maakte onderscheid tusschen de personen
en de leer, die zij aanhingen. Den personen gunde hij de
vrijheid, die hij voor zichzelven vroeg, terwijl hij hun dwaling
op \'t felst bestreed. Het doel van het laatste of derde deel
dezer schets is dit nader in het licht te stellen aan de hand
-ocr page 36-
- 184 -
van dat geschrift van Marnix, dat het meest bekend kan
heeten, en toch nog veel te weinig bekend is, en ook nog
in onze dagen waard is om gelezen te worden, nl. zijn
„Biëncorff der H. Roomsche Kerke!"
De Biëncorff der H. Roomsche Kerke! Terecht wordt dit
boek een wereldberoemd boek genoemd, en zoo van een, dan is
het van dit boek ontwijfelbaar zeker, dat het van de hand van
Marnix is. De eerste uitgave schijnt in het jaar 1569 te
hebben plaats gehad, van welke uitgave slechts één exem-
plaar, in de Leidsche bibliotheek voorhanden, bekend is.
Dat deze uitgave zoo uiterst zeldzaam is, wordt verklaard
door het verhaal, dat de bisschop van Roermond in 1570
eenige honderden exemplaren van dat „verpestende boek"
(zooals het genoemd werd), die hij aantrof bij een boek-
verkooper te Well, in den nacht aan den oever van de Maas
liet verbranden. Het is dan ook niet te verwonderen, dat
de Inquisitie zich zoo gehaast heeft dat werk van den grooten
Marnix te vernietigen. Doch het had het gewone verloop.
Het aantal uitgaven is steeds grooter geworden.
Voor dit omvangrijke werk had Marnix ook den tijd
gevonden gedurende zijne ballingschap te Emden, en het
doet ons de waarheid zien van wat een zeker schrijver van
hem zegt: dat hij onder de meest verschillende en gewichtige
bezigheden altijd letterblokte in iets te schrijven of uit te leggen.
De Biëncorff der H. Roomsche Kerke! Wat den titel betreft:
de schrijver geeft daarvan de volgende verklaring in zijn
opdracht: „Ende omdat dit van velerlei en menigerlei bloem-
kens bijeengeraapt is, zoo heb ik hetselve genoemd „de
Biëncorff der Roomsche Kerke", om te kennen te geven, dat, gelij-
kerwijs als een honigby niet uit eenderhande bloemen alleen,
maar uit vele verscheiden haren honig bereidt, alsoo en
-ocr page 37-
- i85 -
" staat de Roomsche Kerke oók niet op eenderhande schrift,
Bijbel, .Concilie of Decreetboek, dan zij raapt het uit een
iegelijk hetgeen dat haar het alderbest toe dient."
Het moet wel een bijzonder werk zijn geweest, dat
boek, dat, vertaald in het Latijn, Fransch en Engelsch, zijnen
schrijver een wereldberoemden naam deed verwerven. In
dit boek bindt Marnix een heftigen strijd aan tegen de Roomsche
Kerk en hare dwalingen en, om dien strijd te bestaan, maakte
hij gebruik van een wapen, dat weinigen wisten te hanteeren
zoóals hij, een wapen, waarvan hij zich menigmaal heeft
bediend, en dat hij voor dit boek zoo scherp mogelijk heeft
gewet, om des te zekerder te zijn van te treffen. Het is n.1.
het wapen van de ironie, van den spot. En . .. hij heeft getroffen!
Hij heeft door dat boek der Roomsche Kerk gevoelige slagen
toegebracht. Vandaar van de zijde der Hervormden de on-
gelooflijke toejuiching, waarmede zijn boek is ontvangen.
Vandaar, dat iemand van dit boek schrijft: „Dit werk is een der
grootste zegepralen, door de taal der 16de eeuw op de woede
en het geweld behaald." \'t Was voor de Hervormden van het
Noorden zelfs machtiger dan het werk van Calvijn. Men
meende er het gegrijns in te hooren van al de door Alva
afgehouwen hoofden. Nooit heeft dan ook de Roomsche Kerk
heviger aanval te verduren gehad, en den bitteren spot van
dit „fenijnige boek", zooals het ook genoemd is, kwam zij niet
te boven. Reeds als letterkundig product steekt het boven
alle geschriften van dien tijd uit. In de fijnheid van geest
en de keurigheid van taal, zegt Dr. Joncbloet, streeft het
zelfs een Anna Beijns en een Coornhert voorbij. Wie, zegt
Dr. Fruin, bewondert niet, afgezien nog van den inhoud en
de strekking, waarover het oordeel natuurlijk verschillen
moet, den juisten, den krachtigen stijl, de keurige bewoor-
ding en de onnavolgbare geestigheid? Ook van dit boek
geldt de oude spreuk: Het is het hart, dat welsprekend maakt.
-ocr page 38-
- i86 -
En wat dien spot, die ironie betreft, die moge ons eerst wat
vreemd in de ooren klinken, toch is het niet de lust tot
spotten, die er hem toe dringt; hij ontspringt uit een
onwankelbare overtuiging, waarmede de Roomsche kerkleer
met hare gebruiken ten toon gesteld wordt. Men heeft het
zeer te onpas vergeleken bij het schaterend lachen van een
Rabelais, nog vreemder bij het hinderlijk spelen met het
heilige, dat de oudheid en de middeleeuwen zich veroorloofden.
Marnix speelt evenwel niet met het heilige, noch maakt
zich vroolijk over de dwaasheden der menschen. Hij is zelfs
in het spotten zeer ernstig en godsdienstig. Hij spot, ja, met
de afgoderij der Roomsche Kerk, maar zooals Elia weleer
op den Karmel met de Baaispriesters; zijn gelach gaat over
in een vurig gebed en eindigt met vervloeking van den afgod.
Niets heeft Marnix geschreven, dat met dit zijn meesterwerk is
gelijk te stellen. Marnix zelf gaf aan dit zijn werk steeds de
voorkeur; aanhoudend verbeterde hij het, zoolang hij leefde.
Zijn laatste jaren besteedde hij met het in het Fransch
om te werken; hij wilde aan geheel Europa in handen geven
wat zijn landgenooten met zoo onuitputtelijk geduld gelezen
hadden. Alleen het eerste deel van die vertaling onder den
titel van „ Tableau des différens de la religion" is voltooid en
uitgegeven. Dit heeft evenwel niet dien opgang gemaakt,
welke in Nederland aan zijn Bijenkorf was te beurt gevallen.
Zijn Psalmberijming en zijn Bijenkorf, maar vooral de
laatste, zijn de ware gedenkteekenen van den man, die in
zoo hooge mate den moed zijner overtuiging bezat, en die
deze ook durfde uitspreken, welke gevolgen er ook van
moesten komen, steunende niet op eigen kracht, maar staande
in het vaste geloof, dat God hem bijstond.
De aanleiding tot het schrijven van dit zijn meesterwerk
was een geschrift, door een Fransch theoloog, Gentiaan
Hervet, uitgegeven, om den Roomschen godsdienst tegen de
-ocr page 39-
- 187 -
aanvallen der Hervormden te verdedigen. Marnix was daar-
door opgewekt om nu op zijn beurt der Roomsche Kerk
een geweldigen knak toe te brengen. Hij doet dat,
zooals gezegd, al spottende. Natuurlijk, dat wij nu sommige
uitdrukkingen een weinig anders dan hij of in \'t geheel niet
gebruiken zouden. Natuurlijk ook, dat voor onze fijnge-
voeliger ooren een woord wel eens zeer scherp, misschien te
scherp klinkt. Doch wie verschoont dat niet gaarne in den
vurigen Calvinist, die de Roomsche Kerk en hare geschie-
denis zoo goed kende en zoo juist in staat was om de
dwaling te onderscheiden; die de treurige gevolgen dier
dwalingen maar al te veel aanschouwde in de rookende
martelvuren, waarop men zoo gaarne ook hem, den aarts-
ketter, had willen onschadelijk maken.
Om aan zijn vlijmenden spot de kroon op te zetten,
draagt Marnix zijn boek op aan den Bisschop van \'s-Hertogen-
bosch, Sonnius genaamd, die als de hevigste ketterjager
bekend stond. Zich aansluitende aan het geschrift van Hervet,
doet Marnix alsof de bewijsgronden van Hervet veel te zwak
zijn, zoodat hij, zich voorgevende als geloovig zoon der
Kerk, zich geroepen gevoelt, ja, zich verplicht acht hem te
hulp te komen; een vriendendienst, die den schrijver van
den brief zeker niet bijzonder aangenaam zal zijn geweest,
al hoopt Marnix, dat hij door dat immers zeer verdienstelijk
werk, dat hij mag verrichten, „den hemel moge winnen, en
nog een paar zielkens of twee uit het vagevuur moge helpen;
\'t welk hem gunne moge de schoone moeder Gods." Tot
op de laatste bladzijde blijft Marnix zoo op onverbeterlijke
wijze in zijn rol, en toont hij met alles, wat tot den
Roomschen eeredienst behoort, goed op de hoogte te zijn.
In een quasi-nederige en ootmoedige opdracht van zijn
boek aan den bisschop Sonnius, die, „dewijl hij als een zon,
een licht geacht kan worden, een naam zijner waardig draagt,"
-ocr page 40-
- i88 -
roemt hij diens slimheid, omdat hij door het dooden der
Protestanten zich de moeite bespaard heeft, hen uit de
Schrift te weerleggen. Dat dooden is dan ook verreweg
verkieslijker, aangezien de Roomsche geestelijkheid in \'t
weerleggen niet sterk is, „overmits een getijdeboek met
een kannekegoeden rijnschen wijnuweeerwaardigheidlichtelijk
vergenoegen kan." Wanneer die trouwe zoon der Kerk dan
ook denkt, voor welke groote gevaren de bisschop de
H. Kerk behoed heeft, roept hij met geveinsden schrik uit
(en deze aanhaling kan tevens tot proeve van stijl en taal
van het heele boek dienen): „De misse, de misse, zegge ik,
ja, die heilige lieve misse lag so cranck, dat men aireede
haar Requiem (haar lijklied) begon te zingen. De Santen
(de heiligen) kregen geen vette offerande meer — ja, men
begon aireede hare beelden van de altaren af te werpen. De
aflaten en Pausbullen konden niet meer gelden. Daarentegen,
men hoorde niets anders so binnen als buiten de steden,
noch las ook iets dan den Bijbel of St.-Paulus; men wilde
anders niemand aanbidden dan God alleen; geen middelaar
hebben dan Christus Jezus, geen troost noch toeverlaat dan
in zijn satisfactie ende voldoeninge; geen roem dan in zijn
cruijs en in zijn lijden en sterven; geen sacramenten anders
dan doop en nachtmaal ende deselve nog seer slecht en
simpel, zonder eenige stacie of fraijigheid, zonder bezweering
des duivels, zonder speeksel, zonder zout of smout.
„Men kende maar één Hoofd der Kerke, Jezus Christus,
summa summarum men wilde een heel nieuwe reformatie
inbrengen, die bij de H. R. Kerk noch bij onse vaderen
ooit gezien was. Men wilde het alles weder brengen op de
oude plooi van de Apostelen ende de Evangelisten. Och,
wat een jammer, wat een last ende verdriet haddet geweest
voor onse lieve moeder de H. R. Kerke en al hare goede
ondersaten. \'t Hartken klopt haar nog als sij daar slechts van
-ocr page 41-
- 189 -
hooren. Maar, gedanckt zij onze lieve Vrouwe van Antwerpen,
van Waveren, van Hall en die van de zeven weeën te
Leuven en die van de zeven Eiken in Vlaanderen, daar heeft
uwe eerwaardigheid wel intijds bij geweest met alle vlijt
en arbeid. Zij heeft de Inquisitie in het land gebracht, de
Spanjaards ingevoerd, de Geuzen verjaagd, de heeren ge-
vangen, den adel en de burgers gebannen en op de vleeschbank
gebracht, \'t vuur en \'t zwaard tot een teeken der victorie
opgesteken en in alle hoecken galgen opgericht, \'t nieuw Evan-
gelisch bloed vergoten." Op deze wijze gaat Marnix voort.
In antwoord op Hervets stout beweren, dat de predikanten
der Lutheranen en Hugenoten „ongeleerde buffels waren en
een boos en ongeschikt leven leidden," stelt hij de Roomsche
Kerk met de meeste harer Pausen en prelaten, mitsgaders
„al den geschoren hoop" in zulk een historisch licht, dat
een ieder, die het leest, de haren te berge moeten rijzen.
Het is alles afbreken onder den schijn van opbouwen en
intusschen geeselt Marnix de R. Kerk onbarmhartig in al
haar leerstellingen, sacramenten en ceremoniën. Het weer-
leggen van den ketter geschiedt door tegenover wèl aange-
voerde gronden iets nietigs te stellen, terwijl het bewijzen
insgelijks gevoerd wordt door voor iedere instelling, waarvan
de rechtsgrond moet betoogd worden, bloot aan te voeren:
de Kerk heeft het zoo gedecreteerd. Bovendien vergeet de
schrijver niet er telkens (met bittere ironie) aan te herinneren,
dat de Kerk een machtig argument in haar voordeel heeft,
waarvan zij ook een kwistig gebruik maakte. Het is het
argument van den mutsaard, en daarom lezen we: „Zoo de
Kerk iets ordonneert en gebiedt, dat tegen de Schrift strijdt,
men zal de Schrift een eerlijck paspoort geven, en vele
goede nachte zeggen; want de Schrift en can niet weeren,
maar de heilige Kerk can een man aan den staak brengen."
Genoeg, meen ik, om een denkbeeld te geven van
-ocr page 42-
— 190 —
den voorzeker eigenaardiger! inhoud van dat boek. Zeker,
die Marnix geheel en al leest, geeft soms den bekenden
criticus Busken Huet gelijk, die beweert: „Marnix\' scherts
is de scherts van een haai, die twee rijen scherp gepunte
tanden laat zien, zoodat de Nederlandsche Gereformeerden
van dien ouden tijd zenuwen van ijzer en staal gehad
moeten hebben om deze parodie van het pausdom te kunnen
verdragen." En dat was ook zoo, want de stoere Geuzen
wisten zeker niet zooveel van de zenuwen als onze zenuw-
achtige tijd. De Bijenkorf werd gelezen, werd verslonden!
Aldegondes arbeid opende menigeen de oogen. En . . . nog
eens, Marnix schreef bij de rookende martelvuren zijner geloofs-
genooten en in het jaar 1569. In elk geval was het hem geens-
zins te doen om te schertsen. Laat men de scherts ter zijde,
dan houdt men eene heldere uiteenzetting over van de leer
des Evangelies. Het Koninkrijk van Christus, den voortgang
van Zijn Evangelie te bevorderen, dat naar Marnix\' inzicht
door de R. .Kerk werd verduisterd en tegengestaan, dat was
het, wat hij beoogde. Daarom hebben mannen als Voetius hem
reeds verdedigd tegen allen, die hem een dweper of een fanatiek
wilden noemen. Marnix zag het gevaar, dat van de zijde van
Rome dreigde voor de Hervormden en voor allen, die nog in
Romes strikken verward zaten en opgehouden werden in het
zoeken en vinden van den vrede hunner zielen alléén in den
Middelaar Jezus Christus. Hij zag het gevaar, dat van daar
steeds meer dreigen zou voor de vrijheid van godsdienst en
de vrijheid van het geweten. Daarvoor een lans gebroken
te hebben, blijft voor ons, Protestanten, vooral de onver-
gankelijke eer en roem van een Marnix van St.-Aldegonde!
Wij eindigen deze schets, ons vleiende, dat wij daardoor
eenigszins medegewerkt hebben tot vernieuwde waardeering
van het leven en den arbeid van een man, die in onze
-ocr page 43-
- igi -
landshistorie, vooral in dat gedeelte er van, dat ons bekend
maakt met de opkomst van de Nederlandsche Republiek,
die zoo nauw samenhangt met den voortgang en de vestiging
der Hervorming hier te lande, eene eerste plaats inneemt.
Zoo van één man, dan kan van Marnix gezegd: dat hij
was een edelman, maar ook een edel man, die gewerkt heeft
zoolang het voor hem dag was. Leve zijne nagedachtenis
in gezegend ,aandenken voort, niet maar in een straat of
plein of gebouw, dat naar hem genoemd wordt (wat wij
niettemin prijzen, want geen volk is waard te bestaan, dat
zijn groote mannen niet eert), — maar vooral in ons volksleven
en meer bijzonder ook in ons kerkelijk of godsdienstig leven,
en wat ons, hervormde of gereformeerde Christenen betreft,
ook in ons politieke leven.
Zeker, het hart van elk waar Christen gaat uit naar
de komst van Christus\' Rijk en wenscht, dat allen, van de
kleinsten tot de grootsten, Hem kenden en dienden overeen-
komstig Zijn Evangelie. Doch wij weten het, daar is
onderscheid en daar zal onderscheid blijven. Ook in ons
Vaderland zijn wij gedeeld in veel. Hoe hebben wij,
geloovige Protestanten, in een Christelijk Nederland ons
dan te houden tegenover velen, die van ons verschillen?
Laat Marnix het ons nog heden leeren! Pacificatie, bevredi-
ging, vrede en strijd, zijn beide in hem vertegenwoordigd,
zooals wij gezien hebben. Met en aan de zijde van Oranje
heeft niemand meer dan Marnix het groote beginsel van
verdraagzaamheid reeds in dien tijd doen zegevieren. Als
zonen van één Vaderland eerbiedigen wij ieders vrijheid op
het gebied van den godsdienst en het geweten. Niemand is
ons als Nederlander vreemd en niemand betwisten wij, wat
wij zoo gaarne voor onszelven hebben en houden en des-
noods wederom met het zwaard zouden verdedigen. Maar . .
geen pacificatie met opoffering van elke edele overtuiging!
-ocr page 44-
— 192 —
Tegen zulk een pacificatie komt nog de schim van Marnix
na 300 jaren in verzet. „Strijdt", zegt ook Gods Woord,
„voor het geloof, dat eenmaal den heiligen (niet: „eenige
Kerk") is overgeleverd." Dit sta vrij aan een ieder: de
dwalingen in een ander te zien en te erkennen, en te bestrijden
met alle, mits eerlijke, middelen. En men houde het Marnix
en allen, die hem als hun waardigen voorganger op het gebied
van het Protestantsche leven beschouwen, ten goede, als zij
met alle waardeering van eikaars personen ook heden nog
krachtig de stem verheffen: „Niet naar Rome!" Wat onlangs
door heel Duitschland weerklonk: „Duitschland, blijf wakker!"
herhalen wij ook en zeggen: „Nederland, blijf wakker!"
Moge de. geest, die in Marnix leefde en die nog spreekt
uit zijne werken, ons, Protestanten, meer en meer vervullen!
En vergeten wij ook niet: Marnix en Oranje behoorden bij
elkander. Ze leefden met en voor elkander voor God en het Va-
derland. \'t Volk, dat Oranje mint, moet Marnix eeren, en \'t volk,
dat Marnix eert, moet Oranje liefhebben. Gelukkig, dat wij, wat
ons verdeelt, iets hebben, waarin wij ons als volk één gevoelen:
Oranje is en blijft het symbool onzer volkseenheid. Laten wij
ons daarin blijven verheugen, nu in de laatste onvergetelijke
Septembermaand dezes jaars Oranje en Nederland opnieuw
zoo nauw aan elkander verbonden werden.
En, nadat wij luide hulde gebracht hebben aan Oranje,
denken wij dan nu met dankbaarheid aan den edelen man,
die met Oranje gestreden, gebeden en geleden heeft. Leggen
wij daarom op 15 December e.k. in den geest een krans van
eerbiedige hulde neer bij Marnix\' grafmonument te West-
Souburg op Walcheren. Godlof! dat wij de overtuiging
mogen hebben, dat de Oranjetelg, door Gods ontferming op
den troon van Nederland gezeten, in stilte zal zeggen: „Gij
hebt een goed werk aan den besten vriend van mijn doorluch-
tigen Stamvader gedaan."
-ocr page 45-
gpmésê®
Boekaankondiging.
„Bilder aus dem Heiligen Lande. Eine Gabe zur Kaiser-
reise" von Pfarrer Lic. Theol. P. Braeunlich, Wetzdorf, b.
Domburg, a. S. Berlin 1898. Wiegandt und Grieben.
Wij kunnen er niet aan beginnen (en zeggen dit ééns
en voorgoed)
om in dit tijdschrift boeken, enz. aan te
kondigen, die op geenerlei wijze iets te maken hebben met
ons doel. Om twee nader te noemen redenen willen wij
echter voor dit boekje eene uitzondering maken. Het is
uitgegeven door de „Thüringer Zweig-Verein" van de
„Jerusalem-Verein" en wel ten bate dezer vereeniging, welke
(opgericht 1853) ten doel heeft de ondersteuning der Prot.
stichtingen en der Duitsche gemeenten in Syrië en Palestina.
Behalve eenige gezichten in het Heilige Land, vinden wij
hier de afbeeldingen van al die gestichten en kerken, voor-
zien van uitvoerige bijschriften, zoodat de schrijver ons hier
in een kort bestek van den Libanon af tot het zuiden toe
alles toont wat merkwaardig is. Op den omslag ziet men
de nieuwe kerk, die door den Keizer is ingewijd.
Aan het einde vindt men een overzicht van den Duitsch-
Protestantschen arbeid in Palestina (Johanniterorden, Ev.
Jerusalem-stiftung, Jerusalem-verein, Syr. Waisenhaus in
Jerus., Diak.anstalt zu Kaiserswerth, Aussatzigen, Kinder-
hospital „Marienstift"); zeer belangrijk.
Het boekje is 50 bladz. groot, bevat 18 afb. en kost
slechts 20 Pfennig. Het eerste duizendtal was in acht dagen
uitverkocht, het dertiende is in den handel. Wij bevelen het
van harte aan, ook voor leesgezelschappen.
De redenen nu, waarom wij dit voor de Keizer-reis
uitgegeven boekje hier bespreken, zijn: 10. dat deze reis
den invloed van het Protestantisme in Palestina aanzienlijk
zal verhoogen, wat hoog noodig is tegenover de aanmatiging
-ocr page 46-
der R. Kerk, als zou het land van den door haar zoo schro-
melijk miskenden Verlosser onder hare bescherming behooren
te staan; 20. dat de Ultramontanen van Tyrol in dien tijd
een pelgrimstocht hadden willen ondernemen, en, op voorstel
van een der commissieleden van den tocht (in het weener blad
„Vaterland" van 8 Juni), eene roomsche demonstratie houden
op het oogenblik der kerkinwijding. Dat commissielid schrijft:
„Als Katholieken kunnen wij het slechts bejammeren, dat op
oudeerwaardigen, aan onze heilige Kerk ontrukten, door den
Sultan aan het pruisische Koningshuis geschonken grond,
te midden der bouwvallen van eenige onzer meest vereerde
kerken, kloosters en hospitalen, zich nu een protestantsche
hoofdkerk verheft; maar bij deze smart komt de hoop, dat
de geheimzinnige krachten der zoo nabijzijnde heilige plaatsen
zullen medehelpen om de Protestanten in de steeds geopende
armen onzer moederkerk terug te voeren." Verder raadt hij
aan om op den dag der kerkinwijding bijzonder ijverig te
bidden om „hereeniging van alle afgedwaalde leden der
Roomsche Kerk", waarbij de Evangelische Kerk tot „het
werk van den boozen vijand" verklaard wordt en alle niet-
Roomschen als „scharen des Satans" en voor de hel bestemd,
worden aangewezen. Ook wordt voorgesteld om niet alleen
het oostenrijksche volkslied, maar ook het lied van den
„Bond van Jezus\' hart" te zingen op het voorplein van de
kerk van het H. Graf, vlak bij de nieuwe kerk (dus blijkbaar
om te storen), in de hoop, dat eene „zoo glansrijke gelegen-
heid" voor eene „oostenrijksch-katholieke" demonstratie
tegen de „duitsch-protestantsche" feestviering op de Tyrolers
„slechts aantrekkelijk" kan werken, en de belangstelling voor
de bedevaart en het aantal pelgrims nog vermeerderen zal!
Een en ander is wel niet geschied, maar men ziet toch
bij vernieuwing wat er alzoo in Ultramontaansche hoofden
en harten omgaat.
**